Skip to main content

Full text of "Tijdschrift voor Nederlandsch Indië .."

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



l^arbarti College lUirars 



FROM THE BEQJJEST OF 

HENRY WARE WALES, M.D. 



S OF INTBREST TO THB 



TIJDSCHRIFT VOOR NBDBRLANDSCH INDIÈ. 



*,..-» 



't 



TÜDSCHRIFT 



• . ♦ 



i TOOB 



NEDERLANDSen INDIE 



TAN 



0.. W. R. BARON VAN HOEVELL, 



VOOBTGEZET 



DOOK 



EENE YEBEËNI6IN6 YAN 8TAAT8UBDEN EN GELETTERDEN 



DERDI 8SRIB. 
B^ Jaarg^an^. 



EEBSTE DEEL. 



TK ZALT-BOMMEL, va JOH. NOMAIT 'E^ ZOON. 

4871. 




*JUN ( 1914 "^ 



INHOUD 



fierste afleverlaf. 

Bladz. 
De voornaamste padisoorten geteeld op de droge velden in de Mi- 

nahasa. Door de C 1 

Verslag over de Residentie Bomeo's Westkust, 1827—1829 ... 8 

Inleiding 8 

De afdeeling Pontianak 10 

De afdeeling Sambas 19 

De afdeeliug Mampav^a 23 

De afdeeling Tajan 25 

Het rijk Landak 26 

Het ryk Sangouw. 27 

De rijken Sintang en Sekadouw 29 

Het rykje Koeboe 29 

De rijken Matan en Simpang • • . • 29 

De Ghineezen in het algemeen * . . . . 31 

Slotbeschouvringen , 38 

* Byiage A. Staat van uitgaven en inkomsten Van Bomeo's West- 
kust van 1819—1828 36 

Bijlage B. Brief over de troonopvolging te Sambas 36 

Eene inlandsche 'nederzetting , 41 

De Agrarische Wet en hare uitvoering. 

IV. Brief van den Minister van Koloniën aan den (xouverneur- 
Generaal. behelzende toelichting van het Kon. besluit van 

20 Juli, 1870 50 

Mededeelingen aangaande het rechtswezen in Ned. Indië in het 

regeeringsverslag over 1869. Door Mr. G. P. K. Winckel. ... 70 
Varia. — Een démenti. — Een misschot. — Welk eiland levert de 

beste muskaatnoten? — Het blok op de perken van Banda. . . 90 

Tweede afleTertng. 

Stukken betreffende de virettelijke regeling der Suikercultuur ... 93 

I. De viret van 21 Juli, 1870 , . . . 94 

n. Brief van den Minister van Koloniën aan den Gouverneur-' 

Generaal, behelzende de toelichting der wet van 21 Juli, 1870. 96 



l 



VI • INHOUD. 

Bladz. 
Aanteekeningen betreffende particuliere suikerfabricatie op het eiland 

Java 113 

Residentie Bantam 114 

» Batavia • • • 115 

9 Erawang. 118 

:b Cheribon 119 

}» Pekalongan 120 

-» Samarang ' 120 

» Kadoe. 120 

» Djokjokarta 121 

» Japara 121 

» Rembang. . 122 

» Pasoeroean 122 

> Probolinggo 124 

Opmerkingen naar aanleiding van het 17de hoofdstuk van Wallace's 

Insulinde en de aanteekeningen van den Vertaler daarop. Door de C. 12j 

Onverdiende lof. r • . i^l 

tets over het ministerieel beleid van den heer E. de Waal. Door X. 138 
Boekaankondiging. — tfab ümoe 'Ajawah. Door J. J. lileinsma. — 
De oorsprong van Nederlands bezittingen op de Kast van 

Gumeay door Mr. J. K, J. de Jonge, Door P 156 

Varia. — Aanteekeningen omtrent de producten van Gorontalo. — 
Vraag om zendeling-geneeskundigen voor de Tomini-landen. — 
lleorganisatie der adsistent^residentie Gorontalo — Vaderlijke zorg 
der Regeerii^ voor den Preanger-man. — Laatste woord over de 
'formule astaghfiroe'lléh — Eene nieuwe bijdrage tot de kennis 

Van Sumatra 164 

Berde afleTlMrtailg. 



De Agrarische VVTet en hare uitvoering. 

V. NaTezing' op <het eerste hoofdstuk van het Kon. besluit van * 

20 Juli, 1870. Door Mr. C. yan Heukelom 171 

De spoorweg van Samarang naar de Vorstenlanden 203 

Over eenige maatschappelijke instellingen bij de inlan^sche Chris- 
tenen in de Minahasa. Door de O . . . 211 

De kunstzin der Javanen (met eene plaat). Door P. J. V. . . .217 
Boekaankondiging. . -^^ Verhandelingen van het BcUaviasdi Genoot- 
schapy . BL XXXIIL Tijdschrift voor Indische Taaln Land- en 
VoUtenkimde, uitgegeven door^het Bataviasch Genootschap^ Deel 
XVIf XVIL en XVIII: 1. Notulen van het Bataviasch Ge- 
nootschap f Deel V, VI, en VII: 1. Door G. K. N. — Ons ver- 

dedigingsstdsèlj door een infant^rist. Door X. . . ' 226 

Varia. — Wat hebben w\j van den nieuwen Minister van Koloniën 
te wachten? — V\^etenschilppel(jkë expéffitie naar Nieuw-Guinea. — 
Verbeteringen 248 

¥lerde mtkevering. 

De kofBecültüür op Java. Door L. En. L 251 



\ 



/ 



INHOUD. vn 

Blad2. 

De volksoverleveringen betreffende de voormalige gedaante van Noordr 
Selebes en den oorsprong zijner bewoners. Door J. G. F. Riedel. . 288 

Eien v^oordenlijst der Gorontaleescbe taa), door C. B. H. von Rosen- 
berg. Door de C .• 304 

De Boegineesche nederzetting in Pontianak. Door Wynen. . . . 314 

Boekaankondiging. — Crids voor officieren en onderofficieren van 
het Ned. Ind, leger hij de uitoefening der müitaire rechtspleging 
in t^d van vrede^ door Mr. C. P» K, Winckelj en De PoUtierol^, 
Handleiding voor administratieve ambtenaren met de rechtspraak 
ter politie-rol op Java en Madura belast, door Mr. M, C. Piepers. 
Door Mr. P. A. van der Lith 322 

Varia. — Wat de Minister van Koloniën over Suriname gezegd 
beeft en over Nederlandsch Indië zou kimnen zeggen. — Eene 
nieu¥re aanbeveling van kolonisatie in Ned.-Indië 325 

T(|Me afleTering. 

De tegenwoordige regeling der amiioenpacht. Door — m. . . . 333 
De Goegoetoe no momata of het menschelijk verstand (eene Sowawa- 

scbe vertelling). Door J. G. F. Riedel 34<3 

Het inlandsch onderwgs volgens het verslag over 1867. Door Viruly 

Verbrugge # 346 

§ 1. Kweekscholen voor inlandsche onderwijzers 347 

§ 2. Regentschapsscholen op Java 352 

§ 8. Districtsscholen 365 

§ 4. Particuliere scholen 368 

§ r. Madura 372 

Een pleiziertochtje in Indië; de beklimming van een onbeklimbaren 

berg. Door L. E. Gerdessen 375 

Boekaankondiging. — Pandja Tandaran of de geschiedenis van 
Crolilah en Daminah; eene keur van Oostersche fabelen^ uü het 
MaXeisch vertaald door H. C. KLirikert. Door P. J. V. — Ge- 
schiedenis der Nederlandsche overzeesche bezittingen door Kapi- 
tein PompCj tweede verbeterde diruk\ Ie afi. Door J. J. Meinsma. 383 
Varia. — Een beroep op het Nederlaudsche volk ten behoeve van 
de scholen in de Minahasa. — De onderaardsche telegraafgelei- 
ding yan den heer Holtzman. — Het traktaat met Engeland be- 
treffende Sumatra. — Uittreksel uit het jaarverslag van den 
(}on8ui-Generaal te Melbourne. — Rijstebier. — De koloniale po- 
litiek van den Heer van Eek 392 

Zesde afleTeiteg. 

Het Indische leger tegenover een buitenlandschen vijand. Door L. E. 

Gerdessen. 411 

De afdeeling Amoerang in de jaren 1861 — 1868. Door F. S. A. 

de Clercq. . 422 

De verlengde staartvederen der paradijsvogels. Door W. Marshall. . 428 

De Preanger-hervorming. • • • 436 

De Djakat. Door P. J. Vetli 451 



vin INHOUD. 

Bladz. 

I. Het bedrag ^ 454 

n. De iiming , * 462 

UL. Het gebruik 467 

Boekaankondiging. — De 'toestand van het Nederlandsch-Indische 
leger hij het uitbreken van den Fransch-DuUschen oorlog in 
4870, door ƒ. A. van der Kruk. Door Mr. C. P. K. Winckel. . 478 
Varia. — Javaansche pajongs. — Nog iets uit het verslag van den 
Consul te Melbourne. — Nieuwe werken over taal-, land- en 
volkenkunde van Ned. Indië 485 



V., «. 



DE VOORNAAMSTE PADISOORTEN 



GETEELD 



op de droge velden in de Minaliasa. 

A. Oryza saMva L. en Oryza mantana Laur. 
Alg. benaming; êngkan T. S, , wene T. B. en T. P. 



NAHEH. 



No. 1. 
Kan mawou T. 

S. 
Raprap T. B. 
Radap T. P. 

No. 2. 
Kcdumasik T. B. 
Akël T. P. 



No. 3. . 
Kan ne kèmbës 

T. B. 
Songkala T. P. 

No. 4. 
KanhojanT. B. 
Kolano T. P. 



KOBTB BESCHBUYDïQ. 



GBOEITIJD. 



Korrel middelmatig 
groot, het hulsel vuil 
geelachtig bruin van 
kleur; de naaldjes zeer 
scherp. 

Korrel vrij groot, dik; 
het hulsel geelachtig 
met bruine vlekken ; de 
naaldjes aan eene zijde 
stomp. 

Korrel vrij groot; het 
hulsel vsritgeel van kleur. 



Korrel iets kleiner 
dan de voorgaande soort, 
overigens geheel over- 
eenkomende. 



In 5 maanden 
rijp- 



AANTEEKSKINOEN. 



De damp der ge- 
kookte rijst riekt 
zeer aangenaam 
bijna als pandan- 
bladen. 



In Tonsea wordt 
deze soort niet 



Aan het strand 
in4i, in de bo- 
venlanden in 5 aangeplant, 
maanden rijp. 



Aan het strand 
in 4i , in de bo- 
venlanden in 5 
maanden rijp. 

In 5 — 6 maan- 
den ryp. 



Heet in het T.P. 
ook kola en wa- 
landa. 

Heet m het T. P. 
ook wenangj po- 
kolf kaili en st^ 
mando, 

1 



2 



NAMEN. 



KORTE BBSCTmUVrXG. 



GROEITUTD. 



AANTEEKBNINGKN. 



No. 5. 
Kan pondos T. B. 

Wenany ivéru of 
pondos T. P. 



No. 6. 
Kalaung T. S. 
Karuwunèn T. B. 
Sampaka T. P. 

No. 7. 
Xanofei T. B. 
Kcdawai T. P. 

No. 8. 
Kèmhut T. B. 
Wwoi T. P. 

No. 9. 
Kan popo T. B. 
Kèmhut T. P. 

No. 10. 
Kan popo T. S. 



Kon'el langer dan de 
voorgaande en smaller 
dan No 3, overigens 
overeenkomende. 



In 4 — 5 maan- 
den rijp, aan het 
strand somwijlen 
in 4 maanden. 



Heet in het T.P. 
ook pokok en alus. 
Men onderscheidt 
hier wel diie soor- 
ten , maar de kor- 
rel is volkomen 
Ihetzelfde. 



No. 11. 
Kariri T. S. 
Karihiri T. B. 
Wintangar T.P. 

No. 12. 
Kamhing T. B. 
en T. P. 

No. 13. 
Aruran T. B. en 
T. P. 

No. 14. 
Karenge T. B. 
Kempot T. P. 

No. 15. 
Kan sela T. B. 
Talimeynes T. P. 



Korrel vrij groot, het 
hulsel licht- bruin van 
kleur. 

Korrel als de vorige , 
maar het hulsel vuil 
geelachtig. 

Korrel klein, dik; 
het hulsel vuil witgeel 
met zwarten baard. 

Korrel klein, dik; het 
hulsel geelachtig wit 
met zwarten baard. 

Korrel als de vorige 
maar iets dikker; de 
kleur van het hulsel is 
roodachtig geel en zon- 
der baard. 

Korrel middelmatig 
groot ; het hulsel bruin- 
achtig geel van kleur. 

Korrel langen breed; 
het hulsel licht-geel van 
kleur met donker-brui- 
nen baard. 

Korrel als No 12; 
het hulsel meer rood- 
achtig geel en zonder 
baard. 

Korrel middelmatig 
groot, breed, eenigszins 
dik ; kleur van het hul- 
sel vuil licht-bruin. 

Korrel middelmatig 
groot, dik en breed; 
kleiu* van het hulsel 
licht geelachtig wit. 



In ruim 4 maan- 
den rijp. 



In 5 — 6 maan- 
den rijp. 



In het T. P. ook 
koki geheeten. 



In 6i ~ 7 maan-l 
den rijp. 

In ruim 5 maan- 
den rijp. 

In 5i — 6 maan- 
den rijp. 



In 6 — 7 maan- 
den^rijp. 

In 4i,— 5 maan- 
den rijp. 

In 5 maanden 
rijp. 

In 5 — 6 maan- 
den rijp. 

In 6 maanden 
rijp. 



Alleen in Ton- 
sea aangeplant. 



Heet in het T.P. 
ook widele. 



3 



NAM^N. 



KORTK BBSCHBIJVING. 



GAOBITIJi). 



AANTEKKEJJINtiEN, 



No. 16. 
Kan wadede T. 
B. 

Talimemes T. P. 

No. 17. 
Kanntèk T. S. 
WÜjo T. P. 



No. 18. 
Kan ni koinmis- 
saris T. S. 
Kutu T. P. 



No. 19. 
Kénatép T. S, 
Wciioto T. P. 



No. 20. 
Ka7i kutn T. S. 
Sabmig T. P. 



No. 21. 
ÜLan wadede T. 

S. 



No. 22. 
JSTan ne wantik 

T. s; 

No. 23. 
iCan üérép T. S. 
Koroti T. P. 

No. 24. 
Kédana T. S. 
Lana T. P. 

No. 25. 

Kan po'po ne Ti- 



Korrel bijna als No 9 In 6 maanden 
maar kleiner en dikker, rijp. 



Korrel middelmatig 
groot, smal ; kleui* van 
het hulsel licht bruin- 
achtig geel naar het 
roode toe. 



Korrel klein ; het 
hulsel liclit bruinach- 
tig geel. 



Korrel vrij groot, niet 
al te dik; kleur van 
het hulsel geelachtig 
wit. 

Korrel zeer klein, het 
hulsel licht geelachtig 
wit met bruinachtigen 
baard. 

Korrel als No 20 
maar dikker ; het hul- 
sel roodachtig bruin 
van kleur met donke- 
ren baard. 

Korrel middelmatig 
groot ; het hulsel licht- 
geel met zwarten baai'd. 

Korrel eenigszïns lang 
en smal; het hulsel 
bruin gevlekt met brui- 
nen baard. 

Korrel middelniatig 
groot ; het hulsel licht- 
geel met lichtbruinen 
baard. 

Korrel klein , dik ; 
het hulsel licht geel- 



In ruim 5 maan- 
den rijp. 



In O maanden 
rijp. 



In O maanden 
rijp- 



In 
rijp. 



In 
rijp. 



6 maanden 



6 maanden 



Deze soort is zeer 
gewild en wordt 
bijna door eiken 
landbouwer aan- 
geplant; heet in 
hetT.P. ookitn/ïi- 
tï^/i en ivantUi. 

Hiervan is de rijst 
zeer gewild, maar 
de padi moet lang 
gestampt worden 
omdat de bolster 
moeilijk loslaat. 

Wordt weinig 
aangeplant. 



Wordt zeer veel 
aangeplant en veel 
aan gasten gege- 
ven, omdat de rijst 
zeer fijn is. 

Kan alleen aan 
het strand geteeld 
worden. 



In 6 maanden 
rijp. 

In 6 maanden 
i-iJP- 

In (i maanden 
rijp. 

In 6 — 7 maan- 
den rijp. 



W^ordt veel aan- 
geplant. 

Heet in het T. S. 
ook kan ni ten- 
sang en in het T. 
P. ook warojan. 

Heet in het T. S. 
ook kan nikam- 
hcleng. 

Slechts door en- 
kelen aangeplant. 



4 



NAMEN. 



KOKTB BIBSCHSUVING. 



GBOBITUD. 



lang T. S. 

No. 26. 
Kandata T. B. 
Mudan T. P. 

No. 27. 
üTan mandurung 

T. S. 
Kampata T. B. 
So^ii T. P. 

No. 28. 
Karusip kan ko- 
jan T. S. 
Karusip T. B. 
en T. P. 

No. 29. 
Kaï^usip kan pon- 
dos T. S. 

No. 30. 
Kan halangan 
T. S. en T. B. 
Walanga T. P. 

No. 34. 
Kan ne kawidei 
T. S. Qian sela). 
Kuraintjang T. P. 

No. 32. 

Kan ne kawidei 

T. S. (kanoki) 

No. 33. 
Kan simbagu ka- 

dana T. S. 
Simhagu T. P. 

No. 34. 
Kan sinibagu ka- 
noki T. S. 

No. 35. 
Kanpola T. S., 
T. B. en T. P. 

No. 36. 
Kan makartmè" 



achtigwitmet bruinen 
baard. 



Korrel middelmatig 
groot; het hulsel wit 
met licht bruinen baard. 

Als No 26, maar het 
hulsel donker bruinach- 
tig geel van kleur. 



In 6 — 7 maan* 
den rijp. 

Ld 6 maanden 



KoiTel klein ; het 
hulsel vuil wit, ont- 
bolsterd vertoont zich 
4e korrel zwart. 

Grooter dan de vo- 
rige , overigens ook 
de ontbolsterde korrel 
zwart. ' 

Korrel middehnatig 
groot; het hulsel aan 
beide einden donker- 
bruin met een langen 
staart. 

Korrel klein, breed 
en dik ; het hulsel rood- 
geelachtig wit met den- 
ker-bruinen baard. 

Als No 31 , maar bg- 
na de helft kleiner. 

Korrel klein; de kleur 
van het hulsel naar het 
roodachtig gele over- 
heUende. 

Als No 33, maar 
kleiner en het hulsel 
meer bruinachtig geel. 

Korrel vrij groot; het 
hulsel wit met een lan- 
gen staart. 

Korrel middehnatig 
groot ; het hulsel rood* 



In 6 — 7 maan- 
den ryp. 



In 6 — 7 maan- 
den rijp. 

In ruim 3 maan- 
den rijp. 



In 6 maanden 
rijp. 



Ook veel te Ton- 
dano op de sawahs 
geteeld. 



Alleen in Tonsea 
aangeplant. 



Zeer veel aange- 
plant. 



In 6 
qjk. 

In 6 
rijp. 

In 6 
rijp- 

In 5 
rijp. 

In 5 
rijp- 



maanden 



maanden 



maanden 



maanden 



maanden 



Zeer veel aange- 
plant 



Veel aangeplant 



Weinig aange*' 
plant 

Zeer geSocht en 
zeer veel aange^ 
plant 

Meestal op de sa- 
wahd aattg«phait. 



KAMEir. 



KORTE BB8GHSIJVIK0. 



OROEITUD. 



AAKUERKINGEN. 



nga T. S. en T. B. 

No. 37. 
Kan kukis T. S. 
JSaruwunên alus 
T. B. 

No. 38. 
Kandui kanoki 
T. S. 

No. 39. 
Kan komo T. S. 

No. 40. 
Kanténga T. S. 

No. 41. 
Kanoki éèmudan 

T. S. 
Kanoki sèmuran 

T. B. 

No. 42. 
Kan pëtot kador 
na T, S. 

No. 43. 
Kandui kadana 
T. S. 

No. 44. 
KadaendongT. S. 

Kalahendong 
T. B. 

No. 45. 
Kan ne mangin- 
dano T. S. 



geelachtig wit. 

Korrel klein; het hul- 
sel vuil zwartachtig ge- 
vlekt. 



Als No 33, maar lan- 
ger en het hulsel jfneer|r\jp 
roodachtig geel van 
kleur. 

Korrel klein; het hul- 
sel licht geelachtig wit 
met zwarten baard. 

Als No 30, maar iets 
smalier. 

Korrel middelmatig 
groot; het hulsel rood- 
achtig geel van kleur 
met zwarten baard. 



In 6 maanden 

njp. 

In 6 maanden 



Weinij? aange- 
plant. 



Korrel middelmatig 
gix>ot; het hulsel zeer 
wit. 

Als No 38 , maar het 
hulsel meer geelachtig 
van kleur. 

Korrel vrij groot; het 
hulsel donker geelrood 
van kleur. 



In 6 maanden 
In 5 maanden 

nJp- 

In 5 maanden 
rijp- 



In 5 maanden 
rijp. 

In 5 maanden 
rijp. 

In 5 — 6 maan- 
den rijp. 



Korrel klein ; het 
hulsel donker roodach- 
tig geel met donker- 
bruinen baard. 



Slechts door en- 
kelen aangeplant. 

Weinig aange- 
plant. 



Zeer veel aange- 
plant. 



In 5 — 6 maan- 
den rijp. 



Zeer veel aange- 
plant.] 



Weinig aange- 
plant. 



6 



B» Oryza yhUinosa Lour. 



Alg. benaming; engkan pudut T. S. , wene puliit T. B. en T. P. 




No. 46. 
£an pudut ka- 

rundang T. S. 
Kan pnlut ka- 

randang T. B. 
Pulut péset T. P. 

No. 47. 
Kan pudut ka- 

dana T. S. 
Kan pulut ka- 

lana T. B. 
Lana T. P. 

No. 48. 
Ka7i pudut kan 

térap T. S. 
Pxdut raindang 

T. P. 

No. 49. 

Kun pudut ka- 
renge T. S. 

Kan pulut kar en- 
ge T. B. 

IhUut tHHtjakas 
T. P. 

No. 50. 
Ka)i pudut ka- 

rensang T. S. 
Pulut makasar 

T. P. 

No. 51. 

Kan pudut ma- 

kansar T. S. 

No. 52. 
Kan jmdut ru- 

tüunén Hntek 

T. S. 
Pxdut ramda)ig 

Tr P. 



Korrel middelmatige In 
gi"oot , breed ; het hul- rijp 
sel vuilgeelachtigbruin; 
ontbolsterd vertoont 
zich de korrel bruin- 
achtig rood. 

Korrel lang en smal ; 
het hulsel licht geel- 
achtig wit met bruin- 
achtigen baard. 



6 maanden 



Als No 4G, maar lang 
en smal en ontbolsterd 
meer bruinachtig geel. 



Korrel middelmatig 
groot, breed: het hul- 
sel geelachtig rood. 



•In 



In 
"JP- 



Korrel lang en smal; 
het hulsel vuil geelach- 
tig bruin. 



Als de vorige , maar 
het hulsel licht geel- 
achtig wit met zwarten 
baard. 

Korrel middelmatig 
groot; het hulsel vuil 
geelachtig roodbruhi. 



In 
i\JP' 



In 
"JP- 



In 

ryp- 

In 

ï'yp- 



6 maanden 



6 maanden 



ij maanden 



5 maanden 



6 maanden 



6 maanden 



Vooral door de 
Toumbulu veel 
aangeplant. 



Veel aangeplant; 
heet in het T. P. 
ook pulut kui4). 



Heet in hot T. S. 
ook kan pudut 
kun ni tensang 
en in het T. P. 
ook pulut wuring. 

Niet veel aange- 
plant, want geeft 
veel zemelen^ heet 
in bet T. P. ook 
pulut prada. 



Veel aangeplant. 



Veel aangeplant; 
heet in het T. S. 
ook kan n&koko- 
kuk. 



NAMEN. 



KORTE BESCHRIJVING. 



aROKlTIJI) 



AANTFEKENINGEN. 



No. 53. Korrel klein; liet hul- j In ruim 6 maan- 

Kan pudxit /ca?i,sel geelachtig wit met; den rijp. 
ni katvidei T. S. donker-bruinen baard. 



No. 54. 
Aan pudut karu- 

sip T. S. 
Kan pidtU karu- 

sip T. B. 

No. 55. 
A an pudut kano- 
ki T. S. 

No. 56. 
Kan ne kokokuk 
aèla ï. S. 

No. 57. 



Korrel lang en smal ; 
het hulsel vuil geelach-' den rijp, 
tig wit met licht-brui- , 
nen baard. 



In 4 — 5 maan- 



Zcer veel aange- 
plant. 



KoiTcl lang en smal ; 
het hulsel licht roodach- 
tig bruin , de baard iets 
donkerder. 

Korrel klein en dik ; 
het hulsel donker geel- 
achtis: bruin. 



I Korrel lang en smal ; 
Kan pudut kola- het hulsel donkerbruin. 
ivang T. S. 



In 

In 

nJP- 

tn 

^ijp- 



6 maanden 



Weinig aange- 
plant. 



6 maanden Zeer veel aange- 
plant. 



6 maanden 



Zeer veel aange- 
plant. 

DE C. 



VERSLAG OVER DE RESIDENTIE BORNEO'S 

WESTKUST, 

1827-1829. 



INLEIDING. 



Ia verband met de bezuinigingen op koninklijken last door den Com- 
missaris- Generaal du Bus de Ghisignies in het bestuur van Nedcrlandsch 
Indië, en vooral ook der Buitenbezittingen, tot stand gebracht, werd in 
1826 eene nieuwe organisatie onzer bezittingen op Borneo's Westkust 
veix)rdend. De taak om deze organisatie in te voeren, werd opgedragen aan 
den heer Diard, die nog in hetzelfde jaar tot dat einde naar Pontianak 
vertrok. Zijne voorstellen hadden het gevolg dat de heer J. D. van den Dungen 
Gronovius, die reeds als Resident van Sambas was werkzaam geweest, met 
den titel van Resident ter Westkust van Borneo aan het hoofd van dat 
geheele gebied geplaatst en tevens met het onmiddellijk bestuur over de 
afdeeling Pontianak belast werd. Sambas, vroeger een Residentie , was reeds 
in 1826 tot een Adsistent-residentic verlaagd, terwijl Landak zijn Adsistent- 
resident met een Civielen Gezaghebber had moeten verwisselen ; maai* Mam- 
pawa was bij de organisatie van 1826 nog een Adsistent-residentie gebleven. 
Intusschen was aan den heer Gronovius bij zijne instructie, vastgesteld 
22 Juni 1827, opgedragen ook hier verdere bezuinigingen in te voeren, 
terwijl tevens in dat stuk de inzichten der hooge Regeering, zoo ten aanzien 
der Chineesche kolonisten, als der middelen tot dekking der kosten van 
het établissement, benevens eenige plannen tot verdere inkrimping werden 
ontvouwd. 



9 

Bij de samenstelling van mijn wei*k over Borneo's Wester-afdeeling, 
waarvoor mij een bijna volledige verzameling van officiëele stukken betref- 
fende het eerste tijdvak sedert het herstel van het Nederlandsch gezag, 
1818 — 1826, ten dienste stond , zag ik mij wat het tweede 'tijdvak betreft, 
dat ik gemeend heb »het tijdvak der verwaarloozing" te mogen noemen, en 
dat van 1827 — 1846 heeft geduurd, tot veel geringer hulpmiddelen be- 
perkt, en het is mij dan ook niet mogelijk geweest de gebeurtenissen van 
dat tijdvak overal met dezelfde duidelijkheid en volledigheid als die van het 
voorafgaande te beschrijven. Later ben ik allengs in het bezit van eenige 
stukken gekomen, die, zoo ik ze reeds in 1856 te mijner beschikking had 
gehad, mij onschatbare diensten zouden bewezen hebben. 

De leemte in de bescheiden waarvan ik mij bedienen kon , openbaart zich 
reeds, schoon nog niet in die mate als inde latere jaren, in die gedurende 
welke de heer Gronovius met het bestuur der Westkust belast was, 
1827 — 1832. Ofschoon men in mijn werk de gewichtigste verrichtingen 
van den Resident zal aangestipt vinden, zal men gemakkelijk eenige on- 
zekerheid in de voorstelling en aaneenschakeling der feiten, eenige onvol- 
ledigheid in de uiteenzetting der motieven van de handelingen van dien 
ambtenaar bespeiuren. Noch op welke wijze hij in de eerste jaren van zijn 
bestuur getracht heeft aan de lastgeving der Hooge Regeering te voldoen 
en, bij de inkrimping en intrekking van zoovele posten, haar gezag en 
invloed te handhaven; noch welke de oorsprong en voortgang was der 
nieuwe in 1831 uitgebroken Chineesche onlusten, die tot de zending van 
den Commissaris Francis en de verwijdering van den heer Gronovius leid- 
den, — heb ik volledig kunnen in het licht stellen. Thans ben ik in de 
gelegenheid, wat het eerste dezer beide hoofdpunten betreft, die leemte 
geheel aan te vullen, door de mededeeling van het verslag zijner verrich- 
tingen dat de heer Gronovius den Oden Februari 1829 aan den Com- 
missaris-Generaal heeft ingediend. Behalve dit rapport bezit ik ook een 
afschrift der brieven die de Resident van zijne komst te Pontianak tot 
aan den datum van het verslag aan de Hooge Regeering heeft afgezonden, 
en ofschoon het mij geheel overbodig voorkwam ook die brieven mede 
te deelen, heb ik toch hoofdzakelijk daaruit de enkele toelichtingen gej)ut, 
die ik meende dat tot recht verstand van het rapport noodig waren. 
Wie later de geschiedenis onzer nederzettingen in Borneo's Wester-afdee- 
ling zal behandelen, zal ten aanzien der jaren 1827 — 1829 door de me- 
dedeeling van dit stuk vele zaken geheel duidelijk vinden, die het mij 
groote moeite heeft gekost te ontwarren, zonder dat ik daarin geheel 
ben geslaagd. 

Het rapport kon wegens de slordigheid van den stijl waarin het is 
gesteld, en de onvolkomenheid van het haastig gemaakte afschrift, niet 
geheel worden afgedrukt zooals het in mijn bezit ^; maar behoudens 



40 

(Ie poging om den vonri wat minder ongenietbaai* te maken door zinsbouw 
en woordenkeus hier en daar te wijzigen , wordt het hier geheel teruggegeven 
gelijk het door den heer Gronovius is opgesteld. 

P. J. V E T H. 



PoNTiANAK, den lOden Febr. 1829. 

Bij het laatste artikel mijner instructie behaagde het Uwe Exc. te beve- 
len, dat ik, na mijne handelingen te dezer kust volgens den geest dezer 
instructie te hebben ingericht, aan Uwe Exc. een volledig verslag van 
mijne verrichtingen zou indienen. En daar thans een groot gedeelte der 
mij opgelegde taak met vrucht is afgeloopen en zich voor de toekomst 
gunstige vooruitzichten openen, haast ik mij ook aan dat gedeelte van 
mijnen last te voldoen. Wel is het verslag dat ik hierbij Uwe Exc. eerbie- 
dig aanbied, ver van de vereischte volledigheid verwijderd, maar toch vlei 
ik mij dat het Uwe Exc. een voldoend inzicht zal doen verkrijgen in de tegen- 
woordige gesteldheid dezer Residentie. De gewone welwillendheid Uwer Excel- 
lentie doet mij hopen op eene verschoonende beoordeeling van dezen arbeid. 

De Afdeeling Pontianak. 

Pontianak verdient voorzeker hier in de eerste plaats in aanmerking te 
komen. De dagelijks aanwassende bevolking, die uit vele oorden samen- 
vloeit om zich daar met den handel te generen, de zoo bij uitnemendheid 
geschikte ligging voor den handel, naardien de bovenlandsche gewesten 
allen vandaar van het noodige moeten voorzien worden, de belangrijke 
kapitalen die er door de kooplieden worden omgezet en hunne toenemende 
gehechtheid aan het Gouvernement, dit alles te zamen genomen moet wel 
de opmerkzaamheid tot zich trekken, en zal gemakkehjk doen bevroeden 
dat Pontianak de hoofdbron is waaruit 's Gouvernements inkomsten moeten 
voortvloeien, gelijk het daarentegen ook op de meeste zorgen aanspraak maakt. 

Intusschen is het mij gelukt de kosten van het établissement op dien 
voet te brengen als bij de besluiten Uwer Excellentie was uitgedrukt, en 
zelfs met betrekking tot het ci\del departement- nog verdere bezuinigingen 
in te voeren, zoodat wat het » Algemeen Bestuur" betreft, in het aanstaande 
jaar niets boven het bepaalde zal behoeven te worden uitgegeven. In het 
afgeloopen jaar ben ik echter door de veelvuldige werkzaamheden genood- 
zaakt geworden, d^n Secretaris en een klerk aan te houden , hoewel reeds 



11 

iii Juui een kommies ter vervanging van eerstgenoemden te de zei* kust 
verschenen was. De expeditie toch tegen den Sultan van Matan, die ik 
moest vergezellen, noodzaakte mij het gezag over de Residentie in handen 
te laten van een ambtenaar in wiens keimis van zaken ik vertrouwen kon 
stellen, en na den afloop der expeditie bleef zijne tegenwoordigheid ten 
behoeve van eenige te 'verrichten commissiën alsnog benoodigd, zoodat 
ik hem eerst met ulto December heb kimnen ontslaan en tot zijne nieuwe 
betrekking van waarnemend Adsistent-resident van Sambas, die ik hem 
blijkens mijne missive aan Uwe Exc. dd. 17 Juli 1828 had opgedragen, 
doen overgaan. ') 

De derde klerk Abrahams is door mij op 31 Dec. jl. ontslagen, en dien 
ten gevolge zal in 1829 de begrooting voor dat hoofd niet overschreden 
worden. Dit zal ook het geval zijn ten aanzien der inkomende en uit- 
gaande rechten ; want schoon den ambtenaar met de inning belast, f 250 
in plaats van f 200 zijn toegelegd , wordt hem daarentegen niets voor 
klerken te goed gedaan. 

, De uitgaven voor de pakhuizen zijn niet hooger dan bij Uwer Excellen- 
tie's besluit is vastgesteld ; maar in de schadeloosstellingen aan de Vorsten 
heb ik nog geene verandering kunnen brengen, dewijl mij te wel bewust 
is, hoe menigvuldig de uitgaven zijn die Z. H. de Sultan genoodzaakt is 
zoowel voor het onderhoud zijner talrijke, meestal arme familie, als voor 
het ophouden van zijnen rang te doen. Wel heb ik daartoe eenige pogingen 
aangewend, maar het scheen mij toe dat het aanroeren van die snaar 
Zijne Hoogheid niet aangenaam was, en daar mijne instructie mij voor- 
schrijft in de bestaande contracten en vastgestelde schadeloosstellingen 
geene veranderingen te maken dan met het volle genoegen der Vorsten, 
heb ik dit punt vooreerst onaangeroerd gelaten. 

Aan x>Inlandsche Pensioenen'* is door mij ƒ20 'smaands minder dan hei 
bepaalde uitbetaald , omdat ik van den Djaksa geene diensten meer trekken 



*) De heer W. L. Ritler, zoo bekend door zijne geaehriften over Indië , 
werd in 1825 Adsistent-resident van Landak , in 1826 Adsistent-resident van 
Sariibas, in 1827 waarnemend Secretaris van de Besidentie Borneo's Westkust, 
terwijl toen de heer S. van der Wouden tot Civiel Gezaghebber te Sarabas werd 
benoemd. Geschillen van dezen ambtenaar met den Sultan over twee vrouwen, 
die door een Boeginees voor den Landraad waren gedaagd, maar zich onder 
bescherming vnn den Sultan gesteld hadden, gaven aanleiding dat, op verzoek van 
dien Vorst, de heer v. d. Wouden uit zijne betrekking werd ontslagen, en de 
heer Kitt«r, die wegens zijne minzaamheid en grondige bekendheid met de in- 
landsche zeden en instellingen zeer bij den Sultan in aanzien stond, andermaal 
tot Adsistent-resident van Sambas werd benoemd. Hij bleef in die betrekking totdat 
hij in 1832 den heer Gronovius als waarnemend Resident der Westkust verving. 



42 

kon, weshalve ik z\jn inkomen met die som heb verminderd; terwijl de 
Priester, die ook zijne werkzaamheden voortdurend bij den Landraad waar^ 
neemt, het hem toegekende ten volle blijft genieten. 

De ]>Algemeene Lasten" *), waarvan ik een derde ter beschikking van 
de afdeeling Sambas gesteld had, zyn, met uitzondering van het toege- 
stane voor reiskosten en onvoorziene uitgaven, wèl toereikend geweest, 
maar toch moet ik Uwe Exc. bekennen, dat het mjj moeilijk is geweest 
met sommige posten rond te komen. 

De uitgaven voor de ^Koloniale Marine ter Westkust van Borneo" zullen 
in dit jaar niet weder overschreden worden), gelijk in het afgeloopen jaar 
het geval is geweest, ton gevolge van het aanhouden van de kanonneer- 
booten voor de expeditie tegen den Sultan van Matan. De stellige last, 
kortelings van Z. Exc. den Luitenant-Gbuvemeur-Generaal ontvangen, 
om de vaartuigen alsnu naar Java terug te zenden, heeft mij ge- 
noopt aan de' commandeerende officieren over te laten, om zelven den tijd 
van hun vertrek te bepalen, die door hen op 1 Febr. gesteld is. Dus 
blijft thans alleen Z. M. Schoener de Zeemeeuw te dezer kust, die met 
de kruisprauwen, reeds uitgerust of thans uitgerust wordende van de gel- 
den voor dit hoofd toegestaan, genoegzaam zullen zijn om de zeeroovers 
van deze kust te houden, althans indien zij eenige waakzaamheid aan 
den dag leggen, waartoe het niet aan opwekking van mijne zijde ont- 
breekt. Echter zou het m^ genoegen doen indien mijn vroeger gedaan 
verzoek kon worden toegestaan, om twee der kanonneerbooten ten koste 
van het civiel departement te brengen en uit te rusten van hetgeen voor 
de kruisprauwen is te goed gedaan. Doeredenen die mij genoopt hebben 
dit voorstel te doen, blijven nog immer bestaan, en ik neem daarom de 
vrijheid Uwe Exc. eerbiedig te verzoeken, hierop gunstig te willen be- 
schikken. 

Het :»Militair Departement" heeft in 4828 veel meer gekost dan met de 
begeerte Uwer Exc. overeenkomt; doch de meergemelde expeditie, waar- 
door gedurende geruimen tijd een groot aantal troepen boven het vastge- 
stelde te dezer kust is gebleven, het verwisselen dier troepen en het nog 
altijd aanhouden van 60 Amboineesche manschappen boven de bepaalde 
garnizoenen tot het afwerken der forten, geeft hiervan de gereede ver- 
klaring. Ook het bouwen dier forten doet de uitgaven stygen. Des te 
meer strekt het mij tot genoegen Uwe Excellentie te kunnen mededeelen, 
dat het fort te Pontianak bijkans geheel is afgewerkt , en thans, inplaats^ 
van lage houten ingevallen bastions, niet noemenswaardige bolwerken en 
vervallen, meestal met atap gedekte gebouwen, zich een vestingwerk 
voordoet dat den inlander den grootsten eerbied inboezemt, en genoegzaam 



O D. i. de som voor de uitgaven van algemeenen aard begroot. 



13 

versterkt is om met een garnizoen van dOO a 150 man en de noodige 
ammunitie aan de vereenigde magt van alle Chineezen te dezer kiust weer- 
stand te bieden, ja zelfs tegen een coup de main van een Ëuropeeschen vij- 
and genoegzamen waarborg te geven. Twee bastions van aarde^ ter hoogte 
van elf voet opgeworpen, en die aan een twintigtal vuurmonden plaats 
geven, bijkans even hooge en aan de basis 15 voet dikke bolwerken, eene 
gracht van 36 voet breedte en 8 & 9 voet diepte, met moddergrond, een 
rij ijzerhouten palissaden op de bermen, en van binnen eene stevige hou- 
ten kazerne en woningen, allen met ijzer houten sirappen gedekt, en een 
pakhuis groot genoeg om het gedurende zes maanden voor het garnizoen 
benoodigde te bergen, dat alles geeft een ontzag verwekkenden aanblik, 
bevestigt ons gezag en doet de inlanders en Chineezen gemakkelijk be- 
vroeden, dat, hoewel het Gouvernement al zijne posten in de bovenlanden 
heeft ingetrokken, het echter niet voornemens is Pontianak te ontruimen, 
gelijk tydens mijne komst alhier algemeen werd vermoed. Het nieuwe fort 
zal dan ook ongetwijfeld voldoende zgn om hen in toom te houden , die , door 
eigenbaat gedreven, het smeulend vuur der Ghineesche onlusten gaarne 
op nieuw zouden doen ontbranden, om ons in moeiUjkheden te wikkelen. 
Immers, menschen die in troebel water wenschen te visschen , vindt men 
overal. Doch den zoodanigen rest thans geene hoop meer ; want te wèl zien ze 
in, dat het Gouvernement zonder een vast doel geene duizenden zou uit- 
geven, en de dagelijks toenemende volmaking en voltooiing van het fort 
en de veranderingen die ik sedert een jaar in het établissement heb tot 
stand gebracht, wekken algemeene verbazing, en zij die vroeger Pontianak 
gekend hebben, kunnen zich nauwelijks voorstellen dat het nog dezelfde 
fdaats is. Het stevige, hoewel onaanzienlijk gebouwde residentiehuis heb 
ik op eigen kosten verbeterd, eleganter ingericht en doen schilderen. 
Het ietr&n daarvóór, dat op een modderpoel geleek, heb ik doen opvullen 
en gelgk maken. De woningen der overige ambtenaars zijn mede in de 
verf gezet en met igzerhouten sirappen gedekt, en alle hier en daar ver- 
spreid liggende kad^ang-woningen, voorheen door geëmplojeerden bewoond, 
zyn afgebroken. Vóór de huizen heen heb ik een broeden weg aangelegd , 
dien ik alsnog met boomen zal doen beplanten. Dit alles geeft aan ons éta*- 
blissement een net voorkomen, en even als Batavia door zijne schoone 
gebouwen algemeen eerbied inboezemt, zoo verwekt wat hier op kleiner 
schaal is tot stand gebracht, een ontzag voor het Grouvemement, zooals 
nooit vroeger in die mate heeft bestaan. ^) 

Dit alles heb ik met geringe kosten tot stand gebracht; alleen heb ik 



>) Hen heeft sedtvt aan bet Nederlandsch établissement te Pontianak den 
naam gegeven van „Marianne's oord*\ en aan het fort dien van „fort du Bu9'\ 
Zie daarover den Jaargang 1867 van dit Tijdschrift, Deel II, bl. 415. 



14 

daarbij gebruik gemaakt van de menigvuldige, andei^ nuttelooze afbraak 
van Mampawa, ^) die iocli in geen geval veel zou hebben opgcbraciit. 

Dat cene zoodanige stijving van ons gezag, waartoe ook het verschijnen 
van Z. M. fregat Bellona te dezer kust, het aanbrengen van troepen en 
het welslagen der Matansche expeditie veel heeft toegebracht , mij in staat 
stelt 's Gk)uvernements belangen met meer nadruk te behartigen en bi*onnen 
voor ruimere inkomsten op te sporen, zal aan het verlicht oordeel vaii 
Uwe Excellentie niet ontgaan. Immers zulk een krachtig optreden van het 
Gouvernement geeft aan ondernemende lieden den moed, om de imiing 
op zich te nemen van belastingen die te voren geheel onbekend waren, 
en pachten aan te slaan die nooit vroeger konden woi*den ingevoerd, 
omdat zij de innige overtuiging hebben dat zij in hunne onderneming 
worden geruggesteund en door de macht van het Gouvernement gewaar- 
borgd zijn. Hieraan schrijf ik het dan ook toe, dat het mij met zoo weinig 
moeite gelukt is , die belastingen en pachten , die aanvankelijk wel eenige 
bevreemding wekten, maar waaraan men zich spoedig gewent, in te 
voeren , en de inkomsten van het Gouvernement gedurende het afgeloopen 
jaar hooger dan ooit te voren te doen stijgen. Het is de ontvouwing 
van dit punt waartoe ik thans wensch over te gaan. 

De invoering van eene pacht op den verkoop van Javasche en Chi- 
neesche tabak op deze kust , die men vroeger te vergeefs had beproefd, 
is mij zeer gemakkelijk gelukt, door in alles in overeenstemming met de 
vorsten te werk te gaan. Deze pacht heeft een voordeel afgeworpen van 
/*3384, dat in dit jaar, te rekenen over Pontianak en Sambas, met ƒ 1236 
zal stijgen , ten ware daarin verandering mocht worden gebracht door da 
aanneming van mijn voorstel a^mgaande een consumtie-recht , gedaan bij 
mijne missive aan Uwe Exc. dd. 25 Juni, 1828. *) 

De pacht op de wai^ongs en lantmgs heeft in 1828 voor Pontianak 
ƒ1428 opgeleverd, doch daar de pachter veel schade heeft geleden, Zial 
zij in 1829 niet stijgen, niettegenstaande ik in de vnjze van inning dez^r 
pacht eenige veranderingen heb gemaakt, waardoor de vooruitzichten van 
den pachter verbeterd zijn. 

*) Zie benerlen onder het hoofd </de afdeeling Mampawa/' 
>) Dit voorstel luidde: rie mogen heffen een coniumtie-rechl op alle van 
elders ingevoerd wordende Javasche en Chineesche tabak op den voet en voor- 
waarden als bepaald is bij besluit Uwer Exc. dd. 20 Fcbr. 1827 voor de 
Westkust van Sumatra, met dit onderscheid, dat voorloopig niet meer zal ge- 
heven worden dan van een kranjang Javaansche Tabak / i. — , van een pikol 
Chineesche op Java nagemaakte Tabak/ 5. — , van|een pikol echte Chineesche 
tabak /8. — *' Dit consumtie -recht op de tabak is werkelijk in 1829 op Borneo's 
Westkust ingevoerd en behoudens nvgzigingen in het tarief lot heden in stand 
gehouden. 

T 



15 

De licentiën op de suikermolens, die in 1828 ƒ 600 hebben opgele- 
verd, zijn over 1829 vermeerderd met ƒ 11 's maands, of ƒ 132 in het 
jaar, tei-wijl het prauwenveer, dat in 1828 ƒ 50 heeft opgebracht, thans 
door mij op ƒ100 begroot is. 

De overige, reeds langer tijd bestaan [hebbende pachten, die door mij 
voor drie jaren waren toegewezen, hebben allen een belangrijke vermeer- 
dering ondergaan, hoewel ik voor 1829 in de amfioenpacht, wegens het 
overlijden van Z. H. den Jang di pertoewan i)j eenige veranderingen heb 
moeten maken, waarbij echter het Gouvernement geen schade lijdt. Over 
1828 heeft dat middel /'9098. 98^ meer opgebracht dan in 1827. Z. H. 
de Jang di pertoewan was pachter voor drie jaren; doch daar de voogden 
zijner erfgenamen nuj te kennen gaven, dat zij niet in staat waren de pacht 
aan te houden, en ik het van mijn plicht achtte die kinderen eenigszins te 
gemoet te komen, heb ik het bestaande verband vernietigd. De amfioen- 
pacht is diensvolgens op nieuw opgeveild, en thans is Z.H. de Sultan van 
Pontianak pachter voor dezelfde som van ƒ48,000 'sjaars, waai*voor die 
pacht vroeger aan den Sultan van Sambas was toegewezen. 

Het debiet van het klein-zegel is gedurende dit jaar sterk vermeerderd, 
wat ik toeschrijf aan de nauwkeurigheid waarmede de jaarpassen en uit- 
klaringen met betrekking tot de grootte der vaartuigen zijn uitgegeven; 
aan het bevel door mij gegeven, dat aan alle prauwen van minder dan een 
kojan telken reize een pas , geschreven op een zegel van een halven gulden, 
zal worden uitgereikt; aan de zorg voor de passagierspassen ; en eindelijk 
daaraan dat de handelaren zich beginnen te gewennen ook de onderhand- 
sche schuldbewijzen op gezegeld papier te schrijven, dewijl zij anders 
daarop geen recht kunnen bekomen. 

Onder de middelen die ik verder dienstig heb geoordeeld om 'slands 
inkomsten te vermeerderen, is ook het heffen eener gerechtigdheid van zes 
percent op de waarde van alle goederen die gevoerd worden naar de Chi- 
neesche riviertjes tusschen Sambas en Pontianak gelegen, wat ik in de 
boeken verhandel onder het hoofd : » tollen en tolpoorten". Dit is door mij 
ingevoerd in de maand Augustus en heeft ƒ 1163 opgebracht, terwijl deze 
opbrengst dagelijks toeneemt. Daar echter deze gerechtigdheid juist het meest 
drukt op hen die het meest onderdanig zijn aan het Gouvernement, en ook 
dit jaar mij weder geleerd heeft hoe moeilijk het is de hoofdgelden der ver 
van ons kanon verwijderde Chineezen te innen, zoo ben ik er toe overge- 
gaan om, in den geest mijner instructie, laatstgenoemde belasting af te schaffen, 



O Namelijk van Sambas,* zie beneden onder het hoofd : //de afdeeling Sambas/^ 
Het blijkt uit het vervolg dat de Sultan van Sambas pachter van het amfioen 
was voor de geheele Besidentie , en dat de pacht van het amiioeD voor Sambas, 
even als de tabakspacht, in 'die van Pontianak is begrepen. 



16 

en heb ik ze voor 4829 vervangen door het leggen eener tolgerechtigdheid 
van 12 percent op de waarde van alle binnen *s lands door naar Mandor 
vervoerde goederen; en deze heb ik tot eene pacht gemaakt, die door 
Z. H. den Sultan van Pontianak is aangeslagen, en voor 4829 eene 
som van ƒ40,000 zal opbrengen. Dit is reeds /* 2000 meer dan hetjaar- 
lijksche hoofdgeld aan de kongsie Lanfong ') opgelegd, terwijl dan 
nog daarbij komt de opbrengst van den tol van zes percent naar de 
Chineesche riviertjes voor zooverre die onder dezelfde kongsie behooren. 
Zoodanige heffingen hebben het voordeel van meer onmiddellijk onder ons 
beheer te zijn, en het Gouvernement niet bloot te stellen aan de menig- 
vuldige afwijkingen en uitstellen, welke die kongsie zich steeds veroor- 
looft, en die oorzaak zijn dat het grootste gedeelte der hoofdgelden over 
4829 nog niet is geïnd. 

De gelden voor vergunningen aan Chineezen om naar hun Vaderland 
terug te keeren, hebben minder opgebracht dan ik verondersteld had; 
doch dat is waarschijnlijk te wijten aan de geringe voorzorgen die men 
heeft kunnen nemen, om te beletten, dat die lieden zich van de kleine 
rivieren naar de wankangs begaven, devrijl alle landsvaartuigen tijdens 
het vertrek der wankangs de expeditie tegen Matan vergezelden; alsmede 
aan de verhooging die ik op die vergunning gesteld had, waardoor het 
bedrag van ƒ 34 op ƒ 64 is gebracht. Dit heeft misschien voor het eerste 
jaar wel eenigen afgeschrikt, maar zal in het vervolg, zoo ik vertrouw, 
die afschrikkende kracht allengs verliezen , daar toch iedere Chinees , in- 
dien hij het slechts eenigszins bekostigen kon , naar zijn Vaderland wil 
terugkeeren. 

De opbrengst van de inkomende en uitgaande rechten bedraagt te 
Pontianak over het afgeloopen jaar ƒ42,333.44. Dit is wel eenigszins 
minder dan in vorige jaren ^ doch indien men in aanmerking neemt dat 
er thans een verbod bestaat van aanbreng van amfiioen, waarvan iedere 
kist een goede som gelds in 's lands kas bracht, zal men kunnen ont- 
waren, dat de opbrengst der rechten inderdaad is vooruitgegaan. Is de 
handel al niet bijzonder levendig geweest, hij is ten minste te dezer 
plaatse niet verminderd, vooral wanneer men in het oog houdt dat er 
slechts weinige prauwen van Borneo Proper [Broenei] zijn binnenge- 
.— ~ komen, dewijl de vorst van dat land, met dien van Solo [Sollok] in oorlog 

>> zijnde, een verbod tegen het ten handel varen heeft uitgevaardigd. De 

v enkele Borneosche prauwen dus, die zich hier noch vertoonden, hebben 

zich ter sluik aan dit verbod onttrokken. Bovendien zyn vele der 



1) Dat rijn de Chineezen van Mandor over wie hier alleen gehandeld wordt. 
Over de afschaffiDg der hoofdgelden en vervanging daarvan door tollen in de 
afdeeling Sambas, wordt onder dat hoofd gehandeld. 



17 

eilanden in den omtrek dezer kust gelegen, en vanwaar een sterke han- 
del met Pontianak gedreven wordt , door de Pajaks verontrust en hunne 
vanhier huiswaarts keerende prauwen overvallen geworden, *) hetgeen 
de bewoners dier plaatsen heeft afgeschrikt om lierwaarts ten handel te 
komen, en dus ook 'sGouvernements inkomsten eenigermate heeft benadeeld. 

De boeten en conliscatiën hebben ook veel meer opgebracht, dan wa^irop 
ze begi'oot waren. Dit vloeit voort uit het invoeren van nieuwe belastin- 
gen en tollen, die men toch zoo gaarne zoekt te ontduiken, terw^ijl ik 
getracht heb met de meeste gestrengheid daaj'tegen te waken. De overige 
kleine inkomsten, als 's Heeren gerechtigdheid op de overdrachten , de haven- 
en ankerage-gelden, vendurechten enz., hebben allen de begrooting over- 
troffen, en toonen dus dat deze afdeeling, wel verre van te zijn achteruit 
gegaan, de beste vooruitzichten voor de toekomst blijft opleveren. 

Mocht het nu Uwe Exc. behagen een gunstig oog te slaan op mijn vroe- 
ger verzoek aangaande den zouthandel te dezer kust , dat vooralsnog door 
Uwe Exc. in beraad is gehouden, ») als ook op de vcorstellen gedaan in 
mijne missive van 21 Juli A. P., 3) zoo zou dit alles voorzeker de mij op- 
gelegde taak veraangenamen, en mij waai'schijnlijk in staat stellen, om 
niet alleen alle uitgaven te bestrijden, maar zelfs deze Residentie tot een 
voordeeligen post voor het Gouvernement te verheftcn, waarom ik Uwe 
Exc. eerbiedig verzoek mij de vrijheid ten goede te houden van alsnog op 
die voorstellen te blijven aandringen. 

De bevolking in de afdeeling Pontianak neemt van dag tot dag toe; 
verscheidene Boegineezen hebben zich daar in de beide laatste jaren neer- 



*) Dit ziet op de rooverijen der Zee-Dajaks van Seribus op iJorneo's Noord- 
Westkust, waarover vooral iii die jaren bitter geklaajrd werd. 

*) Bij resolutie van dcii G. G. van 11 Maart 1823 was de vrije aanvoer 
van in de pakhuizen van liet Gouvern«inent aangekocht zont op Üornoo toege- 
staan (zie mijn //Borneo's Weölerafdceling," IJ, bl. 19ü). In zijne missive van 
29 Nov. 1827 deed dti heer Gronovius het voorstel om den zonthaudcl weder aan het 
Gouvernement te trekken, ongeveer op de wij/.e als die later wtrrkelijk, bij resolutie 
van 5 Maart 1831, voor Borneo's Westkust geregeld is, (Zie het aangehaalde 
werk, II, blz. 478). 

3) De financieële voorstellen van den heer Gronovius zijn bevnt in de reeds 
vroeger aangehaalde missive van 25 Juni 1828, en op den hier vermelden da- 
tum is geen brief verzonden , zoodat hier een kleine vergissin^j; mort hebben 
plaats gehad. Die financiëele voorstellen omvatten , behalve het consuratie-recht 
op tabak, een recht op het aangebrachte slachtvee, eene belasting op het kappen 
van hout voor masten, ankers en roeren der Chineesche jonken, een uitgaand 
recht van 25 percent op het naar China uitgevoerde ijzerhout, eene belasting 
op de prauwen tot het laden en lossen van schepen gebruikt, en opcenten op 
de in- en uitgaande rechten ten behoeve van havenwerken. 

2 



48 

gezet om een bestaan in den handel te zoeken. De beste geest bezielt de 
inwoners, en niettegenstaande de in 1828 ingevoerde veranderingen, gaan 
zij voort goede gezindheden jegens het Gouvernement aan den dag te leg- 
gen. Omtrent de nieuw ingevoerde belastingen zijn zij vrij onverschillig, 
daar zij die slechts beschouwen als een voorschot, dat zij door hunnen 
handel met de Chineezen en bovenlanders terug erlangen. Het vertrouwen 
op het Gouvernement is onwrikbaar, en als het geld noodig had, zou het 
de kassen der handelaren even als te voren voor zich geopend vinden. De 
toestand van den handel l9 gunstig, althans eer bloeiend dan kwijnend te 
noemen, niettegenstaande de stremming die de bovenlandsche vorsten, en 
vooral die van Saugouw, daarin zoeken te weeg te brengen. De vaart gaat 
onophoudelijk voort en wordt meestal gedreven op Java en Singapore, en 
het aantal der prauwen die zich in 1828 derwaarts begeven hebben, was 
grooter dan in vorige jaren. Onderscheidene der handelaren willen zich in 
dit jaar naar Batavia begeven om daar betrekkingen met de Handelmaatr 
schappij aan te knoopen, en daar het toch van belang is de vaart zooveel 
mogelijk van Singapore af te trekken en onze eigen gewesten te bevoor- 
deelen, zal ik hen zooveel mogelijk daartoe aanmoedigen en hen van aan- 
bevelingsbrieven voorzien, wat ik gerustelijk doen kan, daar het vermogen 
van velen hunner duizenden bedraagt en hunne eerlijkheid algemeen bekend is. 
De prijs der levensmiddelen is in 1828 matig geweest en een overvloed 
van rijst is van Java aangebracht. Ik ben echter voor 1829 voor hooger 
prijzen beducht, omdat er niet de geringste hoop bestaat op aanbrengst van 
rijst uit de bovenlanden. De menigvuldige regens die gedurende den oost- 
moeson gevallen zijn, hebben de Dajaks verhinderd hunne ladangs te beplanten. 
De Chineesche wankangs hebben een goede mai'kt gemaakt en wel hon- 
derd percent op de ^aangebrachte goederen gewonnen. Dit doet mij hopen 
dat zij spoedig en met goede ladingen terug zullen komen, wat van groot 
belang is omdat die vaartuigen den grondslag van den handel van Pontianak 
uitmaken. Deze tak van handel zou zeer bevorderd worden, indien weder 
de prauwen van Borneo [Broenei] was, kamfer, vogelnestjes en dergelijke 
zaken, die bij de Chineezen gewild zijn, aanvoerden. Ik hoop trouwens dat 
dit eerlang weer het geval zal zijn, omdat de laatste tijdingen uit die oor- 
den mij verzekeren, dat de onlusten tusschen Borneo en Solo geëindigd zijn. 
De kustvaart tusschen Pontianak en Sambas is bijna geheel vervallen; zoo- 
dra men slechts het minste gerucht verneemt, dat zich buiten Dajaks bevin- 
den, gaan alle goederen naar de Chineesche gewesten door de binnenlanden. 
De politie .is op een goeden voet, en dit jaar zijn de voorbeelden van 
moord, diefstal en brandstichting, anders zoo menigvuldig, vooral bij het 
vertrek der wankangs, zeer zeldzaam geweest, hetgeen ik toeschrijf aan 
de strenge bevelen door mij uitgevaardigd, en aan de waakzaamheid die 
het hoofd der politie, Pangéran Bandhara, steeds aan den dag legt. De 



19 

Dajaks van Seribas on eenige Ilanons hebben wel deze kust verontrust; 
maar ik twijfel of zij zulks dit jaar wel zoo gemakkelijk zullen kunnen 
doen. In het afgeloopen jaar waren juist op het voor hen gunstige tijdstip 
alle landsvaartuigen naar Matan afwezig, zoodat zij ruim baan hadden. 
Maar tlians hoop ik hen, niettegenstaande het op handen zijnde vertrek 
der kanonneerbooten, van de kust verwijderd te houden, dewijl ik de kruis- 
prauwen thans zoodanig heb ingericht, dat zij een genoegzamen waarborg 
tegen die zeeschuimers opleveren en tegen een goed aantal hunner be- 
stand zijn. 

De vorsten van Pontianak verdienen al mijnen lof, en niet genoeg kan 
ik Uwe Exc. den braven Sultan Osman *) aanbevelen, met wien ik steeds 
op recht broederlijken voet omga en aan wien ik de hoogste verplichting 
heb voor de hulp die hij mij in alle ondernemingen bewijst. Zelf inziende 
welke opofferingen het Gouvernement reeds gedaan heeft om deze kust te 
onderhouden, en zelf een groot gedeelte der vruchten daarvan genoten 
hebbende, blijft hij daarvoor steeds dankbaar, en zelden zal men een in- 
lander vinden wriens gehechtheid aan het Europeesch bestuur sterker is 
dan de zijne. Nooit wordt iets zonder wederzijdsche voorkennis verricht, en 
zelfs zijne huiselijke aangelegenheden houdt hij niet voor mij verborgen. 
Nog altijd blijft hij de hoop voeden dat het Uwe Exc. behage moge zijnen 
zoon Sjerief Hamid tot zijnen opvolger en Pangéran Ratoe te benoemen, 
en hoogst aangenaam zou het mij zijn indien Uwe Exc. als eene belooning 
voor zijne dagelijksche medewerking en gehechtheid aan het Gouvernement, 
dien wensch goedgunstig wilde vervullen. Ook zijn broeder, de Pangéran Ban- 
dharaMangkoe Negara, over wien de rapporten vroeger minder gunstig geweest 
zijn, doch dien men uit een verkeerd oogpunt heeft beoordeeld, verdient 
thans mijne aanbeveling. Ik ben hem dank verschuldigd, zoo voor het waar- 
nemen zijner betrekking van hoofd |der politie, als voor de menigvuldige 
werkzaamheden waarin hij mij behulpzaam is. 

De afdeeling Sambas. 

Omtrent deze afdeeling zal het niet noodig zijn zoo wijdloopig te wezen, 
dewijl alles daar op kleineren voet is ingericht en onze betrekkingen tot 
die plaats ook geheel anders zijn dan die tot Pontianak. Het })Algemeen 
Bestuur" is door mij ingericht op de wijze als is voorgesclu^even bij Uwer 



1) Eigenlijk Othmao, met gelispte th, doch de Maleier spreekt desen Arabischen 
naam Osman uit. Sjerief Hamid is werkelijk tot troonopvolger benoemd, maar 
eerst in 1856 zijn stokouden vader opgevolgd, die zijn afstand van de regee- 
ring nog vijf jaren overleefd beeft* Ygl. mijn «pBoraeo'^s Wosterafdeeling,"" 
DL II, bl. 140 V. 



22 

eene voorname reden dat zich te Sambas niet, gelijk te Pontianak, rijke 
kapitalisten bevinden, die in staat zijn eene lading in eens aan te slaan; 
mogelijk ook draagt er het karakter der vorsten en der bevolking toe bij , 
dat op verre na niet zoo beschaafd is als te Pontianak. De vorsten zijn 
talrijk en, hoewel oogenschijnlijk zeer nederig, meest allen kleine despoten, 
die veelal willekeurig te werk gaan en de bevolking heimelijk verdrukken. 
Zij zyn daaraan gewoon geraakt door de heerschappij welke zij over Da- 
jaks' oefenen, die meer als slaven dan als vrije lieden door hen beschouwd 
worden. Dat handel en zeevaart niet bloeien, kan bij dien stand van za- 
ken geen verwondering baren. En wat de Maleische bevolking aangaat, 
zij is jaren lang gewoon geweest aan de zeerooverij , verre van rustig , 
eigenzinnig en geenszins onderdanig, zoodat er met klem moet gehandeld 
worden om haar in toom te houden , want bij het geringste voorval steken 
allen de hoofden bijeen en nemen een toon aan alsof zij zich zelfs tegen de 
gi'ootste macht zouden willen verzetten. Kent men echter recht hunne nie- 
tigheid en de geringheid hunner hulpmiddelen, dan gevoelt men dat er slechts 
een weinig veerkracht noodig is om hen in toom te houden. Er bestaat 
dan ook geen voorbeeld'' dat zij datgeen ten uitvoer hebben gebracht, waar- 
mede zij dreigen. Toch is het niet te ontkennen dat veelvuldige handelin- 
gen van dien -aard de kooplieden afschrikken en van Sambas verwijderd 
houden. De politie wordt echter wèl gehandhaafd, vooral sedert zij in 
handen is van den nieuw aangestelden Pangeran Bandhara, den eenigen 
vorst op wiens gedrag niets te zeggen valt, en voor wien het gemeen 
eenige achting voedt. Door zijne fermeteit is reeds menige moeilijkheid uit 
den weg geruimd. De nieuwe Sultan is tot dusverre nog kwalijk te beoor- 
deelen. Zijn gedrag als Pangeran Bandhara was meestal in strijd met de 
wenschen van het Gouvernement , en hoewel de handelingen van den overle- 
den Jang di pertoewan daartoe veelal aanleiding gaven, is hij door mij niet 
aangesteld dan op het algemeen verzoek der bevolking van Sambas, blijkens 
mijne missive aan Uwe Exc. dd. 30 December. Tot dusverre geeft echter 
zijn gedrag goede* hoop : hoewel hij eenigszins heerschzuchtig is , is hij niet 
inhalig of gierig, en hij toont eenige fermeteit te bezitten, wat voor een 
vorst van Sambas een noodzakelijke vereischte is. De toekomst zal moeten 
leeren in hoeverre hij zich gebonden acht door het contract dat met hem is 
aangegaan, en den eed van trouw aan het Gouvernement dien hij schrifte- 
lijk heeft afgelegd, i) Ik heb den waarnemenden Adsistent-resident gelast 



^) De khichten over dezen vorst namen weldra zoodanig toe, dat hij reeds 
in 1831 van de regeer int^ werd ontlieven, met behoud echter van den litel van 
Jang di pertoewan, terwijl de zoo eveiigemelde Pangeiran BHndhnra met de 
waardigheid van Sultan werd bekleed. Zie mijn //Borneo's Westerafdeeling,'' 
Dl. II, bl. 483. 



1) Over deze zonderlinge maatregelen van den heer Gronovius wordt gespro- 
ken in mijn ^cBorneo^s Wester-afdeeling*\ Dl. II, bl, 466, naar met vrij wat 
onzekerheid. Ik kon toen namelijk nog geen gebruik maken van het Tweede 
gedeelte der Kronijk van Mampawa en Pontianak van den heer Willer, geplaatst 
in Deel VI van het Tijdschrift van het Bat-6en. (1857)- Het oordeel van den heer 
Willer over dien maatregel is zeer ongunstig. //Om aan de strubbelingen ten aanzien 
der troonsopvolging een einde te maken, vond de resident Gronovius in 1828 goed 
geheel het Mampawasche rijk over te dragen aan den Sultan Osman van Pontianak, 
die er niets mede te maken had en die het niet wilde noch koude regeeren. De Kesident 
verkrachtte dus, zonder voorkennisvan het Gouvernement, de tractaten van 1819 en 
1822, en hij verviel in de anomalie dat het ons reeds eenmaal door het wettig stam- 
huis in sou vereini telt afgestaan rijk van Mampawa ons nogmaals "^ werd afgestaan 
door de Alkadries (de vorsten van Pontianak) , wien er niets van toekwam .... 
en die het weder dadelijk als achterleen moesten uitgeven en laten regeeren 
door den Prins wien het van rechtswege toekwam, nl, Adi Nata Krama.** 






23 

mij een gemotiveerd verslag te zenden, zoo aangaande den persoon van Zijne 
Hoogheid, zijne broeders en den geest der bevolking, als omtrent de mid- 
delen waardoor de handel kan worden opgebeurd en ook Sambas ecne bron 
van inkomsten voor het Gouvernement worden kan. De bekende ijver van 
dezen ambtenaar en de klem waarmede hij in voorkomende gevallen weet ^ 

te handelen, stellen mij ten aanzien van Sambas grootelijks gerust, endoen ( jT 

mij de hoop voeden dat ik in staat zal zijn in een volgend verslag gunsti- ^"^^ 

ger berichten aangaande dat gewest aan Uwe Exc. mede te deelen. 

De afdeeling Mampawa. 

Deze afdeeling heeft, wat het » Algemeen Bestuur" betreft, eene groote - . 
vermindering in uitgaven ondergaan, dewijl de post van Europeesch Civiel 
Gezaghebber door mij is ingetrokken. Ik oordeelde het toch niet raadzaam 
daar een Europeesch ambtenaar zonder eenige militaire macht te laten , om- 
dat die plaats dikwijls aan de invallen van zeeroovers en Dajaks \s blootge- 
steld. De vervanging van dien ambtenaar door een (inlandschen Gezaghebber 
a jf 100 's maands heeft geheel beantwoord aan het doel , dat ik mij daar- 
mede had voorgesteld. Noodelooze uitgaven zijn daardoor bespaard, en d® 
ondervinding heeft geleerd dat een zoodanig geëmployeerde voldoende is om 
ons gezag op die plaats te handhaven. Met het vertrek van het garnizoen 
zijn ook de pakhuizen door mij ingetrokken en vereischt die post geene uit- 
gaven meer ; gelijk ook noch het Militaire noch het Marine Departement daar 
in dit jaar eenige uitgaven hebben gevorderd. 

De schadeloosstellingen van inlandsche vorsten zijn door mij op f 4000 
's jaars gebracht. Dis is geschied bij gelegenheid dat ik den Sultan van 
Pontianak tevens tot vorst van Mampawa heb aangesteld, een maatregel 
die reeds door het Gouvernement is goedgekeurd. ^) De vermindering staat 



24 

in vrrhaiul iriot <le kwijtsclieldiiig der schulden van den oveHeden Sultan 
Mohammed ZeinoeM-Abedin, on brengt eene besparing te weeg van ƒ2000 
's jaars. Ook de 2)Inlandsche Pensioenen" zijn, om dezelfde reden als te 
Sambas, geheel door mij uigetrokken. 

Dat tegenover zulke geringe uitgaven ook de inkomsten niet belangrijk 

. zijn, geloof ik dat Uwe Exc. gemakkelijk bevroeden zal. Zij konden in 1828 
slechts bestaan in de diverse pachten over tien maanden van dat jaar kf 30 
's maands , een debiet van klein-zegels van f 400 k f 500 's jaars , en de 
tollen ten bedrage van 6 percent der waarde op de goederen der kustvaart, 
die ƒ 1811 hebben opgebracht, terwijl de anifioen- en tabakspachten onder 
die van Pontianak begrepen zijn. De verpachting der diverse middelen over 

• 1^20 lieeft nog geen plaats gohad, en zal eerst weder kunnen worden in- 
gtjvoerd wanneer zich, gelijk in het afgeloopen jaar, in Februari of Maart 
weder een wankang opdoet en daardoor te Mampawa eenige levendigheid 
wt)rdt aangebracht. 

BetrelTende de zoo geringe bevolking kan ik niets dan goeds vermelden. 
Zij is rustig en gedwee on onderwerpt zich geheel aan de bevelen van onzen 
inlandschen gezaghebber, die met slechts vier boodschappers die te zijner 
beschikking staan, de politie voldoende handhaaft. De handel bestaat schier 
uitsluitend in een geringe kustvaart naar de Chineesche riviertjes, en slechts 
twee of drie prauwen van eenige kojans inhoud begeven zich jaarlijks naar 
Juva of Singapore, werwaarts zij dan, ingevolge de door mij gegeven beve- 
len, van Pontianak worden uitgeklaard. Zelden verschijnen er prauwen van 
Borneo Proper of eenige andere Pplaatsen, omdat zij er voor hunne goede- 
ren geen genoegzaam debiet zouden kunnen vinden. De nagelaten familie 
van Sultan Mohammed Zeinoe'l-Abedin , die zeer arm is en slechts bestaat 
door de edelmoe(iigheid van Sultan Osman van Pontianak, als die zijne 
Mampawascho appannge geheel aan haar overlaat, en door eenigen ruilhan- 
del met de haar onderhoorige Dajaks, geeft mede reden tot tevredenheid. 
Het zijn stille en brave lieden, op wie geheel toepasselijk is wat hierboven 
omtrent de bevolking van Mampawa is gezegd. 

Het fort te Mampawa, dat reeds sedei-t Maart is afgebroken, heeft mij 
de materialen opgeleverd tot verbetering van ons fort en veifi*aaiing van 
het établissement te Pontianak, waarheen ik ze heb doen overbrengen. Er 
rest mij niets meer van Mampawa te zeggen, dan dat de inlandsche ge- 
zaghebber, Sjerief Mohammed ben Sultan Abdi'l-rachman , zich door zijn 
gecü-ag en handelingen mijn volkomen vertrouwen waardig maakt en de 
sterkste aanbeveling verdient. 



25 



De afueelixg Tajan. 



Deze afdeeling wordt thans van Gcuvernementswege bestuurd door een 
inlandschen kapitein op f 100 's maands, in stede van f 50, zooals bij 
Uwer Excellentie's besluit van 21 Juni, 1827, was bepaald. Daar toch die 
betrekking voor Sintang is ingetrokken, heeft het Uwe Exc. behaagd mijn 
voorstel dienaangaande goed te keuren, naardien de begrooting daardoor 
niet overschreden wordt. Dit traktement en de bezoldiging van twee oppas- 
sers zijn de eenige kosten die deze afdeeling veroorzaakt, tenzij men daar- 
onder ook wilde rekenen het onderhoud van een klein garnizoen van 15 
Amboineezen, sedert twee maanden daar door mij gelegd. Het onderhoud 
van het fortje wordt bekostigd door de belasting van ƒ 2 è. ƒ 4 , gevorderd 
van elke van boven komende handelsprauw , die daarvoor geheel toereikend 
is. Intïisschen is Tajan voor den handel van Pontianak van het grootste be- 
lang en de sleutel der binnenlanden, dewijl de bewoners dier streken, in- 
dien wij het eiland van dien naam niet bezet hadden, gelegenheid zouden 
hebben zich langs andere wegen, waarop wij geene controle kunnen oefe- 
nen, van Imnne behoeften te voorzien. Dit is ook de reden waarom ik de 
onlusten die daar in October jl. schenen te zullen uitbreken, met nadruk 
heb zoeken te voorkomen, hetgeen mij, blijkens mijne missive aan Z. Exc. 
den Luitenant Gk)uverneur-Generaal van 8 Nov. jl., volkomen gehikt is, ') ter- 
wijl de eer van het Gouvernement ten volle gehandhaafd bleef. Bij die ge- 
legenheid is de Pangéran Marta voorloopig door my tot Panembahan en 
regeerend vorst aangesteld, en heb ik met hem een contract aangegaan, 
waarbij hem, behalve op het eiland Tajan zelf en over Nederlandsche on- 
derdanen, de geheele politie is gewaarborgd, en hem tevens alle inkom- 
sten zijn afgestaan, met uitzondering van de tollen en de amfioenpacht , 
die ik voor het Gouvernement heb aangehouden i). De diverse pachten die 
over 1828 bestaan hebben, brachten niet meer op dan f 240, en de tol- 
len ingericht op den voet waarvan ik de eer had Uwe Exc. kennis te ge- 
ven bij mijne missive van 7 Januari 1828, hebben tot de maand Novem- 
ber niet meer opgeleverd dan f 627, waarvan nog de helft volgens de 
bestaande contï-acten aan den vorst toekwam. Echter is, met de maand 
November, om redenen die ik nader bij mijn verslag over het rijk Sangouw 
zal uiteenzetten, deze tol door mij ingetrokken, en in stede daarvan eene 
belasting van zes percent gelegd op alle verder dan het eiland Tajan ver- 
voerd wordende goederen , waarvan de opbrengst alsnn geheel aan het 
Gouvernement verblijft. Deze heeft over de maanden November en Decem- 



1) Dezen brief bezit ik niet en omtrent de hier bedoelde gebeurtenis kan ik 
geen opheldering geven. 

*) Zie over dezen vorsl en liet cODtmct met hem gesloten //Borneo's Wester- 
afdeeling ,'' Dl. lï, bl. 469. 



26 

ber reeds f 2263 afgeworpen, waarom ik de opbrengst bij de begi'ooting 
over 1829 op f 10,000 heb geraamd. 

De bevolking van Tajan is zeer gering, maar om*ustig, dewijl de vorsten 
het zelden onder elkander eens zijn. Echter vermeen ik dat de les haar in 
October jl. gegeven, die wel niet zeer gevoelig, maar toch ook niet eervol 
voor haar geweest is, genoegzamen indruk zal hebben gemaakt om haar 
in toom te houden. Daar de meeste groote vuurwapenen bij die gelegen- 
heid door ons bemachtigd zijn , schiet haar weinig over dat haar de stout- 
heid geeft den toon van die dagen weder aan te nemen. De inlandsche 
kapitein, Orang-kajalsmaël, verdient wegens zijne eerlijkheid allen lof; echter 
ben ik verplicht geweest hem eenigermate mijn ongenoegen te doen blijken over 
zijne bemoeienis met en aan den dag gelegde lichtgeloovigheid in het bo- 
vengemelde geval , en hem van nieuwe bevelen te voorzien , die hem beletten 
zich in het vervolg met iets anders te bemoeien dan de inning der tollen, 
het waarborgen der amfioenpacht en het beheer van het fort en eiland Tajan. 

Het rijk Landak. 

Dit rijk kan niet meer als eene afdeeling beschouwd worden, daar het 
geene onkosten meer veroorzaakt en de betrekking van inlandsch kapitein 
aldaar door mij is ingetrokken. De redenen die mij daartoe bewogen heb- 
ben, vervat in mijne missive aan Uwe Exc. van 29 April, 1828, bestaan 
nog altijd , en Z. H. de Panembahan heeft nog in het minst niet doen 
blijken, dat hij voornemens is een anderen weg in te slaan, ten einde het 
geluk zijner onderdanen te bevorderen, of zijne oude uit de mijn werken 
voortvloeiende schulden aan het Gouvernement te voldoen. Daai^om ben ik 
ook voortgegaan de in genoemde missive vermelde belasting van twaalf per- 
cent der waarde van de goederen die naar Landak vervoerd worden, te 
Pontianak zelf te heffen, wat in het afgeloopen jaar f 1407 heeft opge- 
bracht. De inning daai'van is opgedragen aan een inlandschen ontvanger , wien 
ik het traktement van den voormaligen Landakschen kapitein heb toegelegd i). 

Intusschen zou wellicht de Panembahan tot andere gedachten gebracht 
worden, indien eene soortgelijke kleine expeditie naar Landak werd on- 

1) Door de intrekking vrd den post te Landak in het begin van 1828 was 
ook de overeenkomst vnn 1823 (zie #6orneo*8 Wester-afdeeling*\ Dl. II, bl. 186), 
die hoofdzakelijk ten doel had gehad aan het Gouvernement een inkomen uit 
een aandeel in de opbrengst der mijnen te verzekeren, weder vervallen. De brief 
van 29 April 1828 heeft vooral de strekking uiteen te zetten, dat deze over- 
eenkomst geen vooideelen opleverde, het terugbekomen der gedane voorschotten 
met veel bezwaar gepaard ging. en de wanorde in bet rijk en de willekeurige 
handelingen der vorsten zoo ver gingen dat er niets goeds van te wachten was. Toch 
is men in L83I, op verzoek der bevolking zelve, tot eene nieuwe bezetting van Lan- 
dak overgegaan, die echter in 1833, ingevolge de voorstellen van den Commissaris 
Francis, op nieuw is ingetrokken (Rorneo's Wester-afdeeliug'\DLII,bl.492 en515. 



27 

dernomeii als in October jl. naar Tajan heeft plaats gehad; doch het is 
de moeite niet tvaardig daarvoor belangrijke onkosten te maken, dewijl 
het volstrekt niet zeker is dat zij ons zouden vergoed worden, tenzij wij 
ons weder te Landak wilden vestigen. Het zwakke karakter van den vorst, 
die te veel gehoor geeft aan de verleiding van zijn broeder Pangeran 
Mangkoe-boemi , geeft niet den geringsten waarborg, dat niet weder na ons 
vertrek alles op den ouden voet zou komen, waarom ik dan ook liever 
voort wil gaan met het heffen van bovengenoemde belasting, tenzij het 
Uwe Exc. behagen mocht mij te gelasten, ten opzichte van het innen der aan 
het Gouvernement verschuldigde gelden, strengere maatregelen te nemen, die 
zeker onder de gemeene Landakkers veel bijval zouden vinden , dewijl het 
genoegzaam bewezen is, dat zij grootendeels zeer aan Gouvernement ge- 
hecht zijn, en alleen in de willekeur en keuvelarij der vorsten de belet- 
selen gelegen zijn, die mij verhinderen doelmatiger en voordeeliger maat- 
regelen omtrent Landak te beramen. 

Het rijk Sangouw. 

Bij mijne instructie is bepaald, dat ik mij gemachtigd kan rekenen den 
Sultan van dat rijk het heffen van een tol op de door zijn gebied ge- 
voerd wordende goederen toe te staan, echter met zoodanige gematigd- 
heid, dat daardoor aan den handel geen schade zou worden toegebracht, 
waartegen mij gelast is te waken. Reeds in vroegere missives had ik de 
eer Uwe Exc. te melden, dat ik aan deze voorschriften voldaan heb, 
doch dat de Sultan , niet tevreden met het heffen van dien tol, aan den 
handel in het algemeen de grootste beletselen in den weg legde , en aan 
geen der Pontianaksche handelaren toestond zich verder dan Sangouw te 
begeven. Indien nu de markt daar ter plaatse in gunstigen toestand ver- 
keerde , zou dit bezwaar nog zoo groot niet zijn ; maar zoowel de vorst als 
zijne onderdanen dwingen de handelaars hunne goederen voor een gezetten 
prijs, beneden de waarde of althans geenszins opwegend tegen de kosten 
en moeiten die aan eene reis derwaarts verbonden zijn, af t-e staan, of 
onven'ichter zake terug te keeren , waardoor aan den handel groote schade 
wordt toegebracht. Ook belet die vorst alle van Sintang en hoogerop aan 
de rivier komende prauwen, indien ze aan bewoners dier plaatsen behoo- 
ren, verder dan tot Sangouw af te zakken, zoodat zij ook hunne rijst, 
was , rotans en andere voor de markt te Pontianak bestemde zaken voor 
een te geringen prijs van de hand moeten zetten, zoo zij zich niet de 
moeite van een vergeefsche terugvaart willen getroosten. Onderscheidene 
malen heb ik vertoogen daartegen ingebracht, en zelfs, bij het vertrek 
van Z. M. fregat Bellona, in de hoop dat de overwinning op Matan 
eenigen indruk op de gemoederen der Sangouwers zou gemaakt hebben, 
den vorst een brief geschreven , waarin ik hem het verkeerde zijner han- 



28 

delingen onder liet oog bracht, hem eene gematigde som noemde die 
hij zonder bezwaar van de prauwen kon heffen , en hem verzekerde dat 
hij zich door zijne hardnekkigheid, die het Gouvernement op den duur 
niet dulden zou, groote onaangenaamheden op den hals zou halen. Ech- 
ter heb ik tot hiertoe geen antwoord daarop gekregen, en nog steeds 
gaat die vorst op dezelfde wijze voort. Daarbij komt nog dat de Boegi- 
neesche en Maleische handelaars op smadelijke wijze behandeld , met min- 
achting aangezien, bij alle gelegenheden gekneveld en met schimptaal zoo 
ten aanzien van Z. H. den Sultan van Pontianak als van het Gouvernement 
bejegend worden. Dit is dan ook de reden waarom de inwoners van Pon- 
tianak een heyigen wrok tegen die van Sangouw voeden. Reeds onderscheiden 
malen hebben de handelai*en mij door tusschenkomst van Z. H. gevraagd, het 
aan hen over te laten een einde te maken aan die schandalijke handelingen 
en Sangouw te vernielen, waartoe zij zeker in staat zouden zijn, daar San- 
gouw tegen de macht die Pontianak op de been kan brengen, niet bestand 
is. Zij verlangen daarvoor van het Gouvernement niets dan zijne toestem- 
ming. Tot hiertoe heb ik dit echter stellig geweigerd, eensdeels omdat ik 
weet, dat zulk een aanval niet met de vredelievende gezindheden van het 
Gouvernement zou strooken, anderdeels omdat ik nog hoopte door mijne 
vertoogen den vorst eindelijk tot andere gedachten te brengen. Doch die 
hoop moet ik nu geheel opgeven, daar hij niet alleen in zijne benadeeling 
van den handel volhardt, maar ook de batterijen weder laat opbouweA die 
in 1825 door mijn voorganger vernield zijn. Op den duur zal het mij dan 
ook moeilijk vallen de van dag tot dag dringender wordende verzoeken van 
de Boegineesche en Maleische handelaars van de hand te v^djzen, en ik 
neem daarom de vrijheid Uwe Exc. voor te stellen mij tot het nemen van 
strengere maatregelen te machtigen. De macht die ik te mijner beschik- 
king heb, is daartoe volkomen toereikend, te meer daar zij zal worden ge- 
ruggesteund door de hulp der handelaren, wier belang er mede gemoeid 
is en wier vurigste wensch er door vervuld zou worden. Ik ben reeds be- 
gonnen met eenige veranderingen te maken in het heffen van den tol te 
Tajan, ten einde de Sangouwers te doen zien, dat niet alles op den duur 
even gemakkelijk zal gaan en ik my aan hunne handelingen laat gelegen 
zijn. Het heffen van zes percent op de goederen die verder dan Tajan ver- 
voerd worden, moet natuurlijk hun prijs vermeerderen en hunne verkrijging 
bemoeilijken. De opbrengst van den tol heb ik hierboven onder het hoofd 
Tajan ter sprake gebracht, en ik hoop dat het Uwe Exc. behagen moge 
hare goedkeuring aan deze mijne handelingen te hechten '). 

1) De hier voorgestelde expeditie tegen Saagouw heeft werkelijk in 1881 plaats 
gehad, en bij die gelegenheid is de regeeriug in Sangouw veranderd en siju overeen- 
komsten gesloten waarbij de vrije vaart op de Kapoeas werd hersteld. Zie Bor- 
neo's Wester-afdeeling, Dl. II, bl. 491. 



29 

De rijjken Sintang en SEKADomv. 

Met deze rijkjcs heb ik sedert de intrekking onzer bovenlandsche posten 
bijna geene betrekkingen onderhouden. De post van inlandsch kapitein 
aldaar is, blijkens vroegere missives aan Uwe Exc, vervallen en de inwo- 
ners zijn geheel aan onzen invloed ontti'okken, zóodat alles er weder den 
ouden gang gaat en de vorsten aan hunne zucht tot willekeur en kneve- 
larij vrijelijk kunnen botvieren. De handelingen van den Sultan van San- 
gouw stuiten hen geweldig tegen de borst, waai^om ik niet twijfel . of het 
Gouvernement zou medewerking van hen ondervinden, indien er sti'engere 
maatregelen tegen dat rijk mochten genomen worden i). 

Het RUKJE KoEnoE. 
Dit rijkje, ten Zuiden van Pontianak, aan de rivier van Koeboe, ccne 
der uitwateringen van de Kapoeas, gelegen, zou nauwelijks verdienen in 
aanmerking te komen, indien het niet zulk een schoone gelegenheid voor 
den smokkelhandel aanbood. Het werd gesticht door een man van Arabi- 
sche afkomst, doch te Batavia geboren; maar zijne wijze van regeeren is 
aan den bloei van het staatje niet zeer bevorderlijk. Het is dan ook geheel 
in verval, en als de reeds {hoog bejaarde vorst komt te overlijden, denk 
ik best te zullen doen door het aan Pontianak te trekken. Tegen den 
smokkelhandel die er gepleegd kan worden en werkelijk gepleegd wordt, 
heb ik eenige maatregelen genomen, die brecder door mij zijn uiteengezet 
in mijne missive aan Z. Exc. den Luitenant-Gouvei^neur-Generaal van 23 
September 4828 >). . 

De rijken Matan en Simpang. 
Van het eerste valt op dit oogenblik niet veel te zeggen. Gefnuikt door 
de les die het in de maand September des** vorigen gaars ontvangen heeft, 
en waarbij het grootste deel zijner vuiu^wapenen door ons veroverd zijn, 
is het thans ter prooi aan eene regeeringloosheid, die geen einde zal 
nemen voor en aleer ik zelf mij derwaarts zal hebben begeven om er de 
zaken te regelen. Dagelijks zie ik den Pangéran Adi Mangkoe-rat te ge- 
moet, die mij zal afhalen om derwaai-ts te gaan, Volgens berichten bij 
mij ingekomen zou de Sultan zich diep in de binnenlanden bevinden. Ver- 



1) Over de betrekkingen van ons Gouvernement tot Sintang, waar thnns een 
Nederlandsch Ad sisten t-resident is gevestigd, hoop ik in een volgend nouiiuer 
uitvoerig te handelen. 

») Zie over Koeboe y^Borueo's We3tcrafdeeling'\ Dl. II, bl. I6S en 212. De 
stichter van Koeboe stierf kort na hel opmaken vnn dit verslag, nog in 1S29 
(ald. bl. 473). Zijn landje werd echter niet aan Pontlnnak getrokken, maar hy 
werd door zijn Eoon als Toean Koeboe opgevolgd, en in 1837 werd door dsn 
Commissaris de Linge een nieuw contract met dezen aangegaan (ald., bl. 549, 
553). Latere contracten z\jn gesloten in 1841 en 18.66. 



30 

scheiden brieven door voornoemden Pangëran en Pangéran Tjakra aan mij 
geschreven, zijn vol van goede voornemens, en indien men er eenigszins 
staat op kan maken twijfel ik niet of ik zal er de zaken op eenen voet 
kunnen brengen die voordeelig is voor het Gouvernement. Het rijkje Sim- 
pang, ofschoon onder Matan behoorende, heeft zich bij den aanval tegen 
dat rijk geheel stil gehouden, en ik koester de hoop het thans aan Soe- 
kadana te trekken. Hetzelfde hoop ik te doen met de kampong MeliouM^, 
waar een zekere Wan Hassan over een vijftigtal huisgezinnen een onaf- 
hankelijk gezag voert. De Majoor Ra4ja Akil, tot Sultan van Soekadana 
verheven, dat thans onder den naam van Brussel herrijst, is reeds met 
zijn huisgezin, familie en verdere volgelingen van Pontianak derwaarts 
verhuisd en thans bezig er z\jne vestiging in te richten. 

Tijdens mijn aanwezen te Soekadana scheen mij die plaats bijzonder 
geschikt toe voor het aanleggen van een nieuw établissement, zoo wegens 
de veilige reede die het aan de vaartuigen oplevert, en het frissche en 
gezonde water, als wegens den hoogen en bergachtigen grond, die tot 
verschillende soorten van cultuur met vrucht kan worden aangewend. Zeker 
is op deze kust geen tweede plaats te vinden die even groote voordeelen 
oplevert, en zoo het Gouvernement zelf hier de oprichting van een établis- 
sement wilde ondernemen, twijfel ik niet of het zou volkomen gelukken. 
De bekende zorg van het Gouvernement voor het welzijn zijner onderda- 
nen zou een waarborg zijn voor hen die zich daar wilden vestigen, dat 
de tegemoetkomingen die van hen gevergd werden, niet te drukkend zou- 
den zijn. Of dit echter ook het geval zal wezen met den Sultan van Brussel 
bej^wijfel ik zeer, daar de ondervinding mij reeds geleerd heeft, dat het ka- 
rakter der meeste inlanders te hebzuchtig is om zich offers te getroosten, 
en daar hij zich uit dit oogpunt reeds sedert eenigen tijd niet in het beste 
daglicht heeft vertoond. Dit is dan ook de reden waarom ik alsnog hui- 
verig ben om te voldoen aan den last, vervat in het besluit van Z. £xc. 
den Luitenant Gouverneur-Generaal d.d, 7 November 1828, om aan den 
Majoor Ra^ja Akil een voorschot te verstrekken, en waarom ik mij vooraf in 
persoon wensch te overtuigen, of de inrichting zijner vestiging en zijne wijze 
van regeering van zoodanigen aard zijn, dat het Gouvernement de hoop 
kan koesteren van daaruit voordeel te trekken en zijne voorschotten terug 
te erlangen. Ik durf het niet op mij te nemen, eene zoo aanmerkelijke som 
als de f 50,000 door den Majoor aangevraagd, zonder behoorlijke waarbor- 
gen uit te geven, en aldus de kans te loopen van ze te moeten stellen bij 
de hopelooze schulden, zooals er reeds zoovele op deze kust bestaan i). 



^) Over de expeditie tegen Matan, de vestiging van Nieaw-Brusaei en het 
gehaapel van den resident Grouovius met Badja Akil over de verlangde voorschotten, 
geeft mijn »Borneo*8 Wester-afdeeling*'. Dl. Il, bl. 445-466, uitvoerige berichteD. 



31 

I 

De Chineezen in het algemeen. 

De leden van deze natie hier gevestigd, zijn voorzeker het ijverigste en 
werkzaamste deel der bevolking, en doen voor geen hunner landslieden in 
den Indischen Archipel onder. Van hen zouden gevolgelijk dan ook de meeste 
voordeelen te trekken zijn, indien himne onderdanigheid aan het Gouverne- 
ment met hunne nijverheid gelijken tred hield. Doch dit is op verre na 
het geval niet, en de Chineesche zaken staan nog altijd op denzelfden on- 
gunstigen voet v^aarop zij sedert lang gestaan hebben. De meeste hunner 
kougsie's — een regeeringsvorm waarin ieder, tot de geringste toe, wat 
te zeggen heeft, en waardoor zij als het ware eenige kleine , onafhankelijke 
republieken in deze gewesten uitmaken — doen niet de minste poging om 
zich met het Gouvernement te verzoenen, of indien zij al soms eenigen 
stap daartoe schijnen te willen doen, geschiedt dit enkel uit eigenbelang, 
omdat hun de verkrijging van eenige noodzakelijke behoeften eenigszins 
moeilijk gemaakt wordt. Op de hoofdplaatsen, waar zij onmiddellijk onder 
ons gebied wonen, zijn de Chineezen rustig, maar toch niet volkomen te 
vertrouwen; want hunne broederschappen strekken zich te ver uit om niet 
de onderstelling te wettigen, dat ook zij de ons vijandige Chineezen in alles 
behulpzaam zouden zijn , indien zij weder mochten pogen eenen of anderen van 
onze posten te overvallen. En ik voorzie dat dit te eeniger tijd weder hèt geval 
zal zijn , wanneer 2ij zich genoegzaam zullen hersteld hebben van de schade 
en onkosten die zij zich door hunne vroegere vruchtelooze pogingen tegen 
Sinkawang en Mampawa hebben op den hals gehaald, ten ware zy, even 
als Matan, krachtdadig in hunnen euvelmoed werden gefnuikt. Niet dat ik 
de geringste vrees voed, dat dergelijke pogingen voor hen een goeden uit- 
slag zDuden hebben I Neen, onze posten te dezer kust z^n of worden thans 
te sterk om niet volkomen tegen hunne ondernemingen bestand te zijnl 
Toch is het ergerlijk , dat dusdanige gelukzoekers , die arm en naakt aan- 
komen , zich hier op een hun vreemden grond heer en meester wanen , en 
vermetel genoeg zijn om zich tegen het Gouvernement te durven aankanten, 
hoewel dit duizenden te zijner beschikking heeft en hen in een oogwenk 
tot stof kan vergruizen. Onaangenaam is het ook dat mij telkens de belee- 
digende uitdrukkingen ter oore komen, die zij zich op de stranden en aan 
de riviertjes die zij bewonen, tegen de daar ten handel komende inlanders 
veroorloven, zonder dat het mij vergund is hen daarvoor te straffen. Ik 
durf Uwe Excellentie gerustelijk verzekeren, dat de rust in deze gewesten 
nooit voldoende zal verzekerd zijn, alvorens dat gebroed de kracht der 
Nederlandsche wapenen zal gevoeld hebben, en hun eene gedweeheid zal 
zijn ingeprent die tot hunne nakomelingen overgaat. Met hen voor het te- 
genwoordige in eenige minnelijke schikking te komen, acht ik beneden de 
waardigheid van het Gouvernement, en ik vertrouw dat Uwe Excellentie 



:\2 

het mij niet euvol duidt, dat ik, als ambtenaar des Koning?, mij niet ver- 
lagen kau om onderhandelingen met lien te openen, daar geene voorslagen 
kans zouden hebben om door hen te worden aangenomen , dan zoodanige 
die hun geheele onathankelijkheid verzekerden en smadelijk zouden zijn 
voor het Nederlandsch Gouvernement. De zoogenaamde verzoening van den 
gewezen Commissaris Diard met de kongsie Lanfong moge daarvan ten 
bewijze strekken. Wel verre toch van zich aan de aangegane verbintenissen 
te houden, volgt die kongsie haren eigen zin, is nalatig in het betalen 
der hoofdgelden, en heft belastingen op hare eigen liand; en roekeloos 
zou ik hem noemen die zich als Europeaan onder hen dm-fde wagen. In- 
dien mij de staat van zaken op Java niet daarvan had terug gehouden, 
zou ik Uwe Excellentie reeds lang het voorstel hebben gedaan, ecne vol- 
doende expeditie tegen deze gelukzoekers herwaats te zenden; maar het 
gunstige oogenblik is daarvoor nog niet verschenen. Nogtans moet ik er 
ten sterkste bij Uwe Exc. op aandringen, dat geene gelegenheid verzuimd 
worde om aan dien staat van zaken een einde te maken en de roeke- 
looze aanvallers van Sinkawang en Mampawa den zoolang getergden toorn 
van het Gouvernement te doen ondervinden. Werden zulke krachtdadige 
middelen aangewend, dan zou ik mij durven vleien niet alleen de onkosten 
dezer noodzakelijke expeditie op hen te kunnen verhalen, maar hen aan 
zoodanige opbrengsten te onderwerpen , als waartoe hun werkijver en over- 
vloedige middelen van bestaan hen ruimschoots in staat stellen. 

..Handelende over de afdeeling Pontianak had ik reeds de eer Uwe Exc. 
mede te deelen, dat ik de hoofdgelden dier natie heb afgeschaft en ver- 
vangen door eene belasting van 12 percent op de goederen die naar haar 
gebied vervoerd worden. In die afschaffing zijn echter niet begrepen de 
hoofdgelden dier Chineezen die onder ons gebied zijn gevestigd. Van dezen 
zal ik voortgaan ze te heffen, hoewel ik ze nog niet verpacht heb. Ik 
wensch daai'toe over te gaan wanneer ik den invloed, door mijne vroegere 
maatregelen op hen geoefend, zal kunnen nagaan. 

Het is te bejammeren dat het Gouvernement zoo weinig vruchten plukt 
van de kosten, sedert een reeks van jaren door de Chineezen te dezer 
kust veroorzaakt; het is te bejammeren dat eene bevolking van 40,000 k 
50,000 werkzame en vlijtige mannen niet meer bijdraagt tot de vermeer- 
dering van 'slands inkomsten. Maar mocht het eenmaal Uwe Exc. beha- 
gen mij de 'daartoe noodige middelen te verschaffen, dan durf ik stellig 
verzekeren, dat mijne pogingen niet onbeloond zouden blijven en de op- 
brengsten in ruime mate zouden vermeerderd worden. Volgens de laatst 
ingekomen berichten heeft het toeval hun een gevoeligen kneep toege- 
bracht. De kampong Montrado, uit ongeveer* 400 huizen bestaande, is in 
het laatst van December jl. op zes woningen na geheel afgebrand, zonder 
dat men weet hoe die brand, die op onderscheidene plaatsen te gelijk 



3:i 

uitbrak, is ontstaan. Bijna niets is kunnen f^cred worden en de schade 
beloopt vele duizenden, tei-wijl door het springen van het buskruit dat 
zich in de brandende huizen bevond, een dertigtal Chineezen zijn omge- 
komen, i) 

Slotbeschouwingen. 

Onder zoodanige omstandiglieden alu ik de eer had hier voor Uwe Exc. 
te ontvouwen, den eerbied voor het Nederlandsch gezag in deze Residen- 
tie te handhaven, gaat — Uwe Exc. zal het gemakkelijk bevroeden — met 
groote moeilijkheden gepaard. IJet is mij daarom te meer een genoegen 
Uwe Exc. te kunen mededoelen, dat dit gezag nooit hooger gestegen, 
beter gevestigd en van grooter klem was, dan op het tegenwoordig oogen- 
blik, in weerwil van de gi'oote vermindering die de militaire macht sedert 
twee jaren ondergaan heeft. Zij bleek toch ook nu nog genoegzaam om 
in Maart jl. de spanning te bedwingen, die te Sambas door de ver- 
keerde handelwijze van den Civielen Gezaghebber was ontstaim: de enkele 
zending van een schoener met 25 Europeesche soldaten was voldoende om 
de .^bevolking tot bezinning te brengen. Even stil en rustig heeft Sambas 
zich, bij den dood van Z. H. den Jang di peiloewan, aan mijne beslissing 
ten aanzien van de opvolging onderworpen, hoewel het zich liet aanzien 
dat van de zijde der vorsten althans eene poging tot weêrstreving niet 
zou achterblijven. 

Grevoelig is de les geweest die de Matanners van onze wapenen ontr 
vangen hebben, en de roem onzer zee- en landmacht is daardoor in niet 
geringe mate vermeerderd. De bewijzen daarvan heeft Z. M. fregat Bel- 
lona medegevoerd. Niet licht zal Matan het hoofd weder opheffen van den 
slag die het is toegebracht. 

Eene kleine militaire vertooning, met beleid aangevoerd, was genoeg- 
zaam om de bewoners van Tajan van hunne oorlogszuchtige plannen te 
doen afzien, ons in het bezit te stellen van hun geschut en zonder bloed- 
storting hunne vorsten in die mate tot onderwerping te dwingen, dat zij 
eer als krijgsgevangenen dan als vrije lieden naar Pontianak konden "wor- 



ï) De voorstelling vun den Resident omtrent ln*t annlnl der Cliineezen, was 
zeker zeer overdreven. In 1868 werd, bij veel nauwkeuriger bekendheid metden 
staat van zaken, de ganscbe Chineescho bevolking in Borneo's \V ester- afdeeling 
op slechts 24,280 zielen, waaronder 11,828 mannen, i>egroot. De ontevredenheid 
over de geringe opbrengst van het hoofdgeld , had zeker ook voor een deel in 
overschatting van het aantal der Chineezen baren grond. Voor het overige 
kan men in mijn //Bo.-neo''8 Westerufdeeling**, Dl. II. blz. 500, zien, tot welke 
handelingen tegen de Chineezen zich de heer Gronovius later door z\jne ver- 
bittering liet vervoeren , en welke onaangename gevolgen dit voor hem zelven 
luet ^ich bruclxi. 

3 



34 

dm overgebracht. Dat zooveel klem van het gezag de veelvuldige nog op 
doze kust aanwezige vijanden van het Gouvernement, met name de Chi- 
neezen, in toom houdt; dat onze dagelijks sterker wordende forten hen 
afschrikken van het hernieuwen van vroegere plannen ; dat op die plaatsen 
waar wij gevestigd zijn , juist daardoor ook aan het beheer der politie 
meer kracht wordt bijgezet, laat zich gemakkelijk begrijpen. In één woord, 
de verovering of aanhaling van 79 vuurmondcn, die te Matan, Tajan, 
Sambas en Pontianak in 1828 heeft plaats gehad, is zonder voorbeeld in 
de geschiedenis van deze kust, en kan waarlijk wel als een wonder in 
de gedenksclu'iften van Nederlandsch Indië worden aangetcekend , dat de 
Nederlandsche vlag tot eer strekt en de bestendiging en toenemende ontwik- 
keling van ons gezag waarborgt. 

Ook heb ik in het afgeloopen jaar het menschelijk lijden zooveel moge- 
lijk getracht te verlichten: de vrijverklaring van een twintigtal ongeluk- 
kigen, die in deze ooi^den sluikswijze als slaven waren ingevoerd , kan daar- 
van ten bewijze strekken. 

Mocht het eindelijk Uwe Exc. behagen een blik te werpen op de bijgaande 
staten, waarin ik de inkomsten en uitgaven van deze residentie sedert het 
jaar 1819 tot en met het afgeloopen jaar heb aangeteekend *) (alleen de ver- 
strekkingen uit 'slands pakhuizen, de vrachtioonen en dergelijke niet medege- 
rekend), dan zal Uwe Exc. kunnen ontwaren, dat de jaarlijksche uitgaven 
gedurende de jaren 1827 en 1828 door mij van ƒ 460,472 tot f 298,103 
zijn teruggebracht, en dus reeds met f 162,368 'sjaars zijn verminderd, 
ofschoon daaronder voor 1828 nog begrepen waren de aanzienlijke kosten 
van het in orde brengen van het fort te Pontianak, alsmede die van het 
groote aantal troepen en van het onderhoud van den Majoor Radja Akil 
en zijne familie. Blijkens de laatste rubriek van den staat waarin ik de 
begrooting over 1829 heb vermeld, zullen over dat jaar de uitgaven niet 
meer bedragen dan ƒ 206,117 of ƒ254,000 minder dan in 1826, en nog 
ƒ17,230 beneden het door Uwe Exc. vastgestelde by haar besluit van 21 
Juni 1827. Het vertrouwen waarmede Uwe Exc. mij steeds vereert, zal 
mij blijvend ten prikkel strekken om in alles zoo zuinig mogelijk te werk 
te gaan. 

De inkomsten hebben in 1827 reeds weder evenveel bedragen als in 1825 , 
tot dus ver het gunstigste jaar in dit opzicht, en niettegenstaande onderschei- 
den hoofden der begrooting mij zijn tegengevallen, is het mij mogen ge- 
lukken ze over 1828 tot ƒ 176,023 op te voeren, hetgeen ƒ29,762 boven 



1) Uit deze staten heb ik als bijinge tot dit verslag medegedeeld de globale 
fiOininen der inkomstenen uitgaven van Korneo's Westkust van 1819 — 1828. 
De gedetailleerde opgaven omtrent de verschillende middelen en posten van uit- 
gaaf heb ik (gemeend te mogen achterwege laten. 



8r> 

het hoogste bedrag in eenig voorafgaand jaar oplevert, 20odat mijne pogin- 
gen klaarbhj keiijk niet zonder vrucht zijn gebleven. 

Doen zich nu in den loop van 1829 geene onvoorziene moeilijkheden 
voor (want in den tegenwoordigen stand der zaken is niets dat eenige zorg 
behoeft in te boezemen), alsdan zullen de inkomsten over dat jaar gerust 
op f 181,900, waarop zij door mij begroot zijn, kunnen gebracht worden 
Diensvolgens zullen de uitgaven voor de kust hare inkomsten nog slechts 
met f 24,157 's jaars te boven gaan, en dus met een bedrag dat, ofschoon 
nog altijd te hoog, in vergelijking van hetgeen vroeger is uitgegeven, on- 
beduidend is te noemen. 

^lag ik echter het vertrouwen Uwer Exc. blijven genieten en eene goed- 
gunstige beschikking erlangen op de voorstellen door mij gedaan, dan durf 
ik mij vleien het tekort geheel te boven te komen; dan durf ik eenig 
vooruitzicht openen dat weldra overwinsten vanhier naar Batavia zullen 
terugvloeien. 

Het is mij een aangename plicht Uwe Exc. te kunnen melden, dat de 
moeilijke taak die op mij rust in het beheer dezer Residentie, mij gemak- 
keUjk wordt gemaakt door de medewerking die ik van eenige mijner amb- 
tenaren ondervind. Met bijzonderen lof mag ik melding maken van den 
waarnemenden Secretaris, thans waarnemend Adsistent-resident te Sambas, 
W. L. Ritter, en van den Controleur en Pakhuismeester dezer kust H. H. 
Ie Congé. De eerste heeft zich vooral onderscheiden door het wèl ten uit- 
voer brengen van eenige commissies, hem gedurende mijn verblijf op deze 
kust opgedragen, en door het beheer der Residentie tijdens mijn afwezen 
naar Matan ; en de tweede niet alleen door het wèl betrachten zijner ambts- 
plichten, maar ook door het volijverig volbrengen van buitengewone werk- 
zaamheden, die ik, wegens de geringheid van het personeel , somtijds ge- 
noodzaakt was hem op te dragen. Allen verdienen mijnen dank door him 
goed gedrag en door hunnen ijver om in de kennis der inlandsche zaken 
dieper ui te dringen, en het is mij een genoegen hen ten sterkste in de 
welwillendheid Uwer Exc. aan te bevelen. 

Nog heb ik de eer hierbij Uwe Exc. aan te bieden eene opneming van 
den platten grond van het fort te Pontianak, zooals het thans is, met spe- 
cifieken staat der uitgaven die het in orde brengen heeft veroorzaakt. Het 
is waar dat deze mee^ beloopen dan daarvoor bij besluit van Zijne Exc. 
den Luitenant-Gouvernem^-Generaal was toegestaan, en dit, nog zonder het 
kruitmagazijn, met ƒ1413 overschrijden; maar ik vertrouw dat Uwe Exc. 
het mij ten goede zal houden, dat ik, gedreven door de zucht om iets 
goeds tot stand te brengen, de palen mij gesteld een weinig ben te buiten 
gegaan, te eer daar ik de verzekering kan geven, dat het fort zich 
thans in zoodanigen staat bevindt, dat het in een aantal jaren geen ver- 
betering zal behoeven, en tegen alle macht die Inlanders en Ohineezen te 



36 

dezor kust bijeen kunnen brengen, bestand is. Bij mijne komst alhier 
kwam mij het beginnen van dit werk zoo noodzakelijk voor, dat ik, zonder 
aan de algemeene landsbelangen afbreuk te doen, het plan en de begroo- 
ting te Batavia gemaakt niet kon afwachten. Deze stukken zijn mij eerst 
acht maanden later geworden. Ook dit, hoop ik, zal bijdi^agen om mij bij 
Uwe Exc. te verontschuldigen en het verkrijgen van afschrijving dier som- 
men te bevorderen. 

Ten besluite van dit verlag, dat, hoe onvolledig het ook zijn moge, toch 
naar ik mij vleien durf een duidelijk overzicht van de zaken dezer kust geven 
en de hooge goedkeuring Uwer Exc. erlangen zal, neem ik de mjheid 
Uwer Exc. als bewijs mijner hulde eene schets aan te bieden van het Neder- 
landsch établissement te Pontianak, zooals het thans is ingericht, die ik hoop 
dat Uwer Exc. welgevallig moge zijn. 



BULAGE A. 

Staat van uitgaven en inkomsten van Borneo's Westkust 

VAN 1819—1828. 



Jaren. 


UlTOAVEN. 


Inkomsten. 


4819 


f 448,925.36 


f 66,642.44 


4820 


» 478,846.33 


» 404,240.99 


4824 


> 247,460.33 


» 404,240.36 


4822 


» 286,929.44 


» 93,533.70 


4823 


» 428;990.30 


» 434,540.24 


4824 


» 482,757.30 


> 443,800.35 


4825 


» 496,834.60 Vi 


» 446,264.39 


1826 


» 460,472.38»/» 


> 444,400.96 


4827 


» 347,642.44 


> 446,243.66 


4828 


» 298,403.48 


> 476,023.68»/, 


Begrooting . voor 4829 


» 206,447. 


» 484,960. 



BULAGE B. 



Brief over de troonopvolging te Sambas. 



Pontianak, 30 December 1828. 

Bij mijne missive van 22 Juli had ik de eer Uwe Exc. te berichten, 
dat Z. H. de Jang di Pertoewan van Sambas, Mohammed Ali Tsafioe'd-din 



37 

in den nacht van den 20sten dier maand overleden was, zonder iets om- 
standigs omtrent de troonopvolging te kunnen vermelden. 

Eene reis derwaarts, door den waarnemenden Secretaris, die op dat 
tijdstip door mij met het beheer dezer Residentie belast was, op verzoek 
van den Civielen Gezaghebber te Sambas ondernomen , ten einde middelen 
te beramen om de smeulende oneenigheden tusschen de broeders van wijlen 
Z. H. voor te komen, en het verslag door dien ambtenaar aan mij inge- 
diend, overtuigden mij al spoedig, dat noch de vorstelijke familie, noch de 
bevolking geneigd waren, den nauwelijks zesjarigen, vroeger door het 
Governement benoemden Pangeran Ratoe, Nata Koesoema, dadelijk als 
hunnen vorst te erkennen, maar dat zij hunne keus hadden gevestigd op 
den Pangeran Bandhara, oudsten broeder van den ovei'ledene, en den eenig 
overgebleven prins die van moederszijde uit echte vorstelijke familie ge- 
sproten is. Dit laatste was zelfs met den overleden Jang di pertoewan 
het geval niet, maar ofschoon hij zich vroeger had gevreesd gemaakt door 
veelvuldige zeerooverijen, waarvoor hij door het voormalig Britsch Gouver- 
nement gevoelig gestraft is, had hij zich later zoodanig bij het Gouverne- 
ment weten in te dringen, dat hij , met voorbijgang van den Pangeran 
Bandhara, wien het rechtmatig toekwam, tot Sultan werd verheven. Dit 
bracht tusschen die beide prinsen eene verwijdering te weeg, die tot den 
dood van eerstgenoemden voortgeduurd en vele onaangenaamheden veroor- 
zaakt heeft. Immers onttrok zich de Pangeran Bandhara geheel aan 
des Sultans gezag, vestigde zich in de bovenlanden, weerstreefde al zijn 
bevelen, en stond in zoodanige verstandhouding met de Chineesche kongsies 
te Monti-ado, dat hij zich overtuigd kon houden, in geval van eene ern- 
stige onderneming zijns broedei*s tegen hem, van de macht die zij hem 
aanboden te kunnen gebruik maken, om krachtigen Weerstand te bieden. 
Vergeefs hebben de verschillende commissarissen geti'acht dit geschil uit 
den weg te ruimen, en gemakkelijk laat zich begrijpen, dat de Pangeran 
Bandhara in deze omstandigheden het Gouvernement weinig genegenheid 
heeft toegedragen, en veeleer onze vroegere pogingen tot vestiging in het 
binnenland heeft gedwarsboomd en op allerlei wijze benadeeld. 

De Civiele Gezaghebber had, onmiddellijk na het overlijden van Z. H. 
den Jang di pertoewan, zijne waai*digheid voorloopig opgedragen aan zijn 
broeder, Pangeran Toramengong, een braven en algemeen beminden prins. 
Doch de Pangeran Bandhara, van het overlijden dés Sultans kennis beko- 
men hebbende, kwam dadelijk naar beneden, en de Pangeran Tommengong, 
in hem een ouderen broeder eerbiedigende, stond hem, echter met toe- 
stemming van den Civielen Gezagliebber, dadelijk zijne waardigheid weder af. 

De waarnemende Secretaris, kort daarna te Sambas aankomende, vond 
den Pangeran Bandhara reeds niet de vorstelijke waardigheid bekleed, en 
hoe gewaagd het ook was het gezag toevertrouwd te laten aan een man 



:]8 

wiens gezindheden geheel onbekend waren, berustte hij evenwel daarin, 
om geene aanleiding te geven tot moeilijkheden, die hij de macht niet zou 
hebben tegen to gaan. Hij bepaalde zich dus tot het inwinnen van berich- 
ten die over de omstandigheden licht konden verspreiden. Toen hij mij nu 
de slotsom zijner bevindingen mededeelde, bespem*de ik daaruit, dat niet 
zoozeer achting voor den persoon van den Pangeran Bandhara, als hei- 
melyke vrees voor de vernieuwing der vijandelijkheden tusschen de vorste- 
lijke broeders, waarin hij de grootste rol had gespeeld , de bevolking noopte 
hem als regeerend vorst te erkennen, en dat zij daartoe te eer was 
overgegaan, omdat juist hij op wien allen hunne hoop gevestigd had- 
den, de Pangeran Tommengong, de eerste was geweest om hen daarin 
voor te gaan, en hun den weg had gewezen om alle onaangenaamheden te 
voorkomen , door zich te haasten het grootste bewijs van onderwerping aan 
zijn broeder te geven. Echter getuigde deze Pangeran aan den waame- 
menden Secretaris, dat hij, ofschoon hij voor het tegenwoordige gaarne 
den Pangeran Bandhara wilde huldigen, echter, als naaste bloedver- 
want van den Pangeran Ratoe, de hoop bleef voeden dat deze bij zijne 
meerderjarigheid als regeerend vorst zou worden aangesteld, en dat hij zijn 
vertrouwen op het Gouvernement geheel zou verhezen, indien het aan zijne 
verbintenissen daartoe strekkende geen gevolg gaf. Tevens verzocht hij dat het 
Gouvernement in het onderhoud van den Pangeran Ratoe zou blijven voorzien. 
Kort na mijne terugkomst van Matan ontving ik eene deputatie van 
Sambas, met een brief door den Pangeran Tommengong en verdere rijks- 
grooten onderteekend, waarbij zij mij dringend verzochten den Pangeran 
Bandhara tot regeerend vorst te willen aanstellen, dewijl de staat van re- 
geeringloosheid waarin Sambas verkeerde, zeer hinderlijk en zelfs nadeelig 
was voor de uitoefening der godsdienstige plechtigheden. 

Er bestonden bij mij echter drieërlei bedenk higen. In de eerste plaats 
het karaktci* van den Pangeran Bandhara , die, behalve wat reeds daarom- 

■ 

trent is opgemerkt, ook nog als zeer wraakgierig bekend staat. In de 
tweede plaats de erkenning van den minderjarigen Pangeran Ratoe Nata 
Koesema als troonopvolger van den overleden Jang di pertoewan door het 
Gouvernement. In de derde plaats de door dien vorst nagelaten schulden. 
Het viel mij derhalve niet gemakkelijk te beslissen; echter meende ik 
dat het niet met de vredelievende bedoelingen van het Gouvernement over- 
een zou komen, de gansche bevolking van Sambas tegen zich in het har- 
nas te jagen , of de oorzaak te zijn van binnenlandsche twisten in dat toch 
reeds in een staat van toenemend verval verkeerend rijk. Ik besloot der- 
halve er toe over te gaan, den Pangeran Bandhara voorloopig, en behoudens 
nadere goedkeuring Uwer Exc, tot Sultan van Sambas, onder den naam 
van Osman Kamalo(i'd-din te benoemen; een contract mot hem aan te 
gatui waui-door niet alleen de belangen van het Gouvernement, maar ook 



39 

die vüïi den minderjarigen Pangeran Ratoe werden verzekerd : en hem een 
schriftelijken eed van trouw aan het Gouvernement te doen afleggen. Dien 
overeenkomstig machtigde ik den waarnemenden Adsistent-resident van Sam- 
bas aan deze verheffing gevolg te geven, en een contract aan te gaan 
waarvan ik hem een concept ter hand stelde. 

Daar nu deze ambtenaar de hem opgelegde taak heeft verricht en alles 
naar wederzijdsch genoegen stil en rustig is afgeloopen, heb ik de eer 
aan Uwe Exc. te doen geworden: het gesloten contract in duplo, den 
schriftelijken eed van den nieuwen Sultan , en het bewijs dat hij zich borg 
stelt voor de nagelaten schulden van wijlen Z. H. den Jang di pertoewan. 

Uit het eerste zal Uwe Exc. kunnen ontwaren, dat de rechten van den 
Pangeran Ratoe door den nieuwen Sultan ten volle erkend zijn , en dat hij 
van zijne waardigheid zal afstand doen, onder aanneming van een hoogeren 
titel, maar zonder verdere bemoeienis met het gezag, zoodra voornoemde 
Pangeran zijne meerderjarigheid zal hebben bereikt. Dien jongen vorst heb 
ik gesteld onder de voogdij van de Pangerans Toramengong en Soema di 
Laga, met toezicht van de eerste civiele autoriteit en van den Sultan, 
terwijl ook tevens, in geval die vorst gedurende de minderjarigheid van 
den Pangeran Ratoe mocht komen te overlijden, in de opvolging is voor- 
zien. 

Ik heb ook van deze gelegenheid gebruik gemaakt , om , in verband met 
mijne instructie aangaande het landschap Landak, *s Gouvernements Da- 
jaks weder aan hem af te staan, en daarentegen de schadeloosstellingen 
te verminderen, zooals blijkens art. 5 en 6 is gescliied. Hierdoor wordt 
eene jaarlijksche uitgave bezuinigd van ƒ 9600, terwijl den Sultan ƒ12000 
en den Pangeran Ratoe f 2400 voor jaarlijksch onderhoud zijn toegekend. 
Het kwam mij echter niet billijk voor, ifi deze omstandigheden ook de vol- 
doening der nagelaten schulden van wijlen Z. H. den Jang di pertoewan 
aan het Gouverment, ten bedrage van ƒ 48000 , van den nieuwen Sultan 
te eischen, die daarvan lioegenaamd geen genot heeft geliad. Doch daar 
mij bij onderzoek van den nagelat(;n boedel des ovei'ledenon gebhken is , 
dat ook daaruit die gelden niet zijn te vinden, heb ik het 't doelmatigst 
geoordeeld mij met het gemelde schriftelijk bewijs van den nieuwen Sultan 
te vergenoegen, en de nadere bevelen Uwer Exc. daaromtrent af te wachten. 

De overige artikelen van dit contract hebben de strekking om 'slands 
inkomsten te vermeerderen en het inwendig bestuur der afdeellng Sambas 
te regelen, waarin ik getracht heb zooveel mogelijk mijne instructie te 
volgen en te zorgen dat, wat de justitie en politie aangaat, alles vanden 
vorst zelven, doch onder toezicht van het Gouvernement, uitgaiit. Voorts zijn, 
volgens art. 11, alle vroegere met den .Tang di pertoewan gesloten con- 
tracten in stand gehouden, voor zoover zij door het nieuwe geene veran- 
dering hebben ondergaiui. 



40 

Nadat nu dit contract door lion Pangeran Bandhara is bezegeld en hij 
zijnen eed schriftelijk heeft afgelegd, heeft, volgens bericht van den waar- 
neraenden Adsistent-resident van Sambas, zijne verhefïing op den 4rdon dezer 
plaats gehad, en heeft de nieuwe Sultan op datzelfde oogenblik, in over- 
leg met den Adsistent-i'esident, zijnen broeder den Pangeran Toramengong 
tot Pangeran Bandhai-a en zijnen neef den Pangeran Soema di Laga tot 
Pangeran Toinmengong aangesteld. 

De ondervinding zal alsnu moeten leeren, in hoeverre het gedrag van 
Sultan Osman Karaaloe*d-din beantwoorden zal aan de verwachting die 
de bevolking van hem koestert, en in hoeverre hij zich zoo door het nieuwe 
als door de sedert lang bestaande contracten, en door den eed door hem 
afgelegd, aan het Gouvernement gebonden zal achten. Op dezen laatsten 
steun ik het meest, ofschoon ik het ook niet onmogelijk acht dat zijn 
karakter, waarvan ik niet veel goeds heb kunnen zeggen, eene gunstiger 
wending zal nemen, nu hij zijnen wensch om regeerend vorst t(} worden, 
overeenkomstig zijne rechtmatige aanspraken , eindelijk, en wel door de goed- 
heid van het Gouvernement, verkregen heeft. Indien er nog eene goede 
kiem in zijne borst aanwezig is, twijfel ik niet of het gevoel van dank- 
baarheid zal bij hem levendig worden , en hij zal dat alles vermijden waar- 
door hij aan het Gouvernement aanstoot zou kimnen geven of zijne be- 
langen bcnadeelen. 

In de hoop dus dat deze mijne pogingen met den besten uitslag mogen 
bekroond worden en het welzijn van Sambas zullen bevorderen, neem 
ik de vrijheid het verlichter oordeel van Uwe Exc. in te roepen en eerbie- 
dig voor te stellen: 

1**. Wel te willen goedkeuren de door mij voorloopig gedane aanstelling 
van den Pangeran Bandhara | tot regeerend vorst van Sambas, onder den 
titel van Sidtan Osman Kamaloe'd-din , en hem in dat geval , ten bewijze 
dier approbatie, eene acte van aanstelling te willen doen geworden. 

2°. Goed te keuren het doof den waarnemendcn Adsistent-resident van 
Sambas op. mijnen last met hem gesloten contract, zooals het is luidende , 
met al die bepalingen die zoowel de belangen van het Gouvernement , als 
die van den Pangeran Ratoe Nata Koesoema vei*zekeren. 

3*". Goed te keuren de door den nieuwen Sultan, in overleg met den 
waarnemendcn Adsistent-resident, gedane benoeming van den Pangeran Tom- 
mengong tot Pangeran Bandhara Sri Maharadja, en van Pangeran Soema di 
Laga tot Pangeran Tommengong. 

4**. Mij wel te willen verecren met Uwer Exc.'s nadere bevelen omtrent 
de nagelaten scluilden van wijion Z. II. den Jang di pertoewan , die alsnog 
de som van f 48000 hcloopen. 



EENE INLANDSCHE NEDERZETTING. 



Onder de ^sensatie' '-berichten die de Indische pers zich meer en meer 
beijvert op te disschen, trof ons een dramatisch verhaal, uit Pontianak 
aan een blad van Java*s Oosthoek verzonden en dat door de Nieuwe Bot' 
terdamsche Courant van 6 December jl. is overgenomen. Het verhaal, in 
zijne kleur en geur, luidt aldus: 

»Zij, die vermeenen, dat de handel in menschen behoort tot het ver- 
ledene, verkeeren in eene schromelijke dwaling: onlangs verscheen hier 
(Pontianak) ter buitenreede een schoener, bevracht met 800 slaven en 
slavinnen van Boegischen landaard, waarschijnlijk afkomstig van de kust 
van Celebes, van een dier zoogenaamde onafhankelijke rijkjes , welke lieden 
door den Vorst schijnen verkocht te worden evenals zooveel stuks vee. Ben 
ik wel ingelicht, dan figureert in dezen handel als tusschenpersoon een 
hadji dezer plaats, door wiens invloedrijke tusschenkomst die menschen 
van de hand worden gezet, onder welke benaming is mij een raadsel. 
Werden zij toch als slaven hier ingevoerd, dan zou Pontianak*s bestuur 
zich daai'tegen verzetten. Wie weet of men die menschen niet doet door- 
gaan onder den naam van landverhuizers dan wel van pandclingen. 

DÏlet vreesi'lijkste echter der zaak is, dat onder die lieden , als haringen 
opeen gepakt in don schoener, de pokzickte was uitgebroken en wel in 
zeer hevigen gi'aad. Men kan nagaan hoe het met de verpleging gesteld 
moet geweest zijn, bij gebrek aan ruimte, verschooning, kortom aan alles. 

»De Kapoecis, hier ter reede, kreeg bevel dien schoener zoo spoedig 
doenlijk van de buitenreede te verwijderen, daar men natuurlijk beducht 
was, dat die zoo gevreesde ziekte zich ter plaatse zou nestelen. 

))Die maatregel echter kwam reeds te laat, want uit de verklaring van 
den gezagvoerder des schoeners zou gebleken zijn , dat circa twee honderd 
dier lieden aan wal gegaan waren ter bedevaart naar Batoe-Lajang , 
eene kleine kampong aan den' oever der Kapoeas-rivier gelegen , omstreeks 



42 

een half uur stoomens van Poutianak verwijderd , waar eene begraafplaats 
is der Malciers, welke in zekorcn reuk van heiligheid staat bij het Boe- 
gische ras, zoodat zoowel mannen als vrouwen derwaarts gaan, om op 
de graven der afgestorvenen t'3 offeren en te bidden. 

»Die lieden vonden voorzeker de verblijfplaats aldaar vrij wat aangenamer 
dan op den verpesten schoener, ten minste men verwachtte hen te vergeefs 
terug, zoodat de Kapoeas, zonder hen, met zijn sclioener op sleeptouw, 
koers nam naar het onbewoonde eiland Poeloe Kebon, schuins tegenover 
Singkawang gelegen, en 8 tot 9 uren stoomens van de buitenreede van 
Pontianak. 

:öHet vaartuig , dat nog een 500 dier ongelukkige wezens aan boord had , 
werd toen onder de veilige (!!) hoede gesteld eener kruisboot. 

»Wat er van die menschen moet worden, zonder geneesheer, zonder 
eenige verpleging hoegenaamd, met die besmettelijke ziekte aan boord, 
is niet twijfelachtig. 

2>Zij zullen successievelijk aan Je vraatzuchtige haaien tot voedsel verstrek- 
ken, indien de Voorzienigheid niet beter voor hen zorgt dan het plaatse- 
hjk bestuur alhier. 

»In hoeverre hier gehandeld is volgens plicht en de voorschriften der 
menschlievendheid , laat ik ter beoordeeling over van den lezer, die met 
mij verbaasd zal staan dat zoo iets kan plaats grijpen daar, waar de 
Nederlandsche vlag wappert en dus den inboorUng het noodigc vertrouwen 
moet inboezemen, maai* vooral hem beschermen tegen dergelijke onmen- 
schelijke handelingen." 

Inderdaad, indien dit verhaal louter waarheid behelsde, zou het eene 
treurige getuigenis leveren tegen het Nederlandsch bestuur. Slavenhandel 
zou onder het oog zijner ambtcnai-en plaats grijpen , in weerwil van het 
verbod daartegen uitgevaardigd bij art. 116 van het Regeerings-reglement; 
en ten gevolge van dien onwettigen mcnschenhandel . zouden nog onlangs 
honderden inlanders de rampzalige slachtoffers van dit snoode bediijf zijn 
geworden I Gelukkig is spoedig gebleken, dat de grond voor de be- 
schuldiging ontbreekt, namelijk de slavenhandel, en dat de eenvoudige feiten 
door den Pontianakschen schrijver niet weinig zijn gekleurd en gestoffeerd. 
In de rnail-editie van 10 November van het Nieuw Bataviaasch Han- 
delshlad, komt althans eene bevoegde en geachte hand op tegen het be- 
ruchte schrijven uit Pontianak. De wederlegging is in meer dan één op- 
zicht merkwaardig. Vooreei'st is zij te danken aan een kundig, recht- 
schapen man, den heer Niclou, oud-officier van het Indisch leger, die 
vroeger om zijne humane denkbeelden met onverdiende wederwaardigheden 
had te kampen, en steeds aan een scherpen blik een onverdroten ijver 
paarde in het nasporen van gebruiken , zeden en instellingen van de 
vei-schillende volken waarmede hij in aanraking kwam. In de tweede 



43 

plaats deelt deze verdienstelijke onderzoeker over de nederzettingen van Boegis 
op de Westkust van Borneo — alwaar hij herhaaldelijk en langdurig verblijf 
hield — hoogst belangrijke bijzonderheden mede, die een merkwaardig licht ver- 
spreiden over het koloniseerend vermogen der inlanders, dat door oppei'vlakkige 
Europeanen miskend , vaak tot verkeerde oordeelvellingen aanleiding heeft 
gegeven. 

Over het uitbreken der pokken onder de laatstelijk te Pontianak aan- 
gekomen emigranten en hun vervoer naar Poeloe Kebon, kon de heer 
Niclou , die thans te Batavia vertoeft , natuurlijk niet veel opheldering geven. 
Zeker overdrijft echter, naar zijne meening, de berichtgever uit Pontia- 
nak, daar de officiëele Java-Courant het getal der aangekomenen opgeeft 
als beditigende 500, in stede van 800 zielen. Pontianak bezit slechts 
één enkel geneeskundige ; reeds sedert lang ontbreekt de tweede. Toch bleef 
het bestuur niet in gebreke hulp te verleenen. Immers blijkt uit de Java^ 
Courant , dat vóór het vertrek naar Poeloe Kebon alle zich aan boord van 
den schoener bevindende lieden door vaccinatie zooveel mogelijk tegen ver- 
dere besmetting gevrijwaard werden. Poeloe Kebon is buitendien een ge- 
zond eiland , voorzien van goed drinkwater en ruimschoots gelegenheid aan- 
biedende voor het opslaan van loodsen. Is dit laatste geschied — hetzij 
door het bestuur, hetzij door de Boegische bevolking van Soengei Kakap , — 
en wordt tevens gezorgd voor het toezenden van levensmiddelen, dan, 
voegt de heer Niclou hierbij, is het zeker veel dragelijker op dat eiland 
quarantaine te houden, dan aan boord van een klein vaartuig op de on- 
stuimige buitenreede van Pontianak, zelfs met een geneeskimdige aan boord. 

De voornaamste vraag blijft echter, of de emigranten die van Celebes naar 
Pontianak komen, slaven zijn of niet? Die vraag beantwoordt de heer Niclou op 
zulke degelijke wijze, dat iedereen overtuigd moet wezen dat, in plaats van een 
broeinest van slavernij te zijn, de kustlanden van West-Borneo zich ver- 
heugen mogen in bijzonder belangwekkende vrije inlandsche nederzettingen. 

De heer Niclou herinnert dat de Boegis , gedreven door zucht naar avon- 
turen en door ondernemenden handelsgeest, voorheen bijna overal in den 
Indischen Ai-chipel koloniën stichtten, en dat de vestiging van dat nijvei'e 
en moedige volk ter Westkust van Borneo niet van weinige jaren her- 
waarts dagteekent. Die vestiging was te danken aan den oorlog m 1699 
gevoerd door den vorst van Soekadana ZeinoeM-din , tegen zijn leenheer den 
sultan van Bantam, bijgestaan door de O. I. Compagnie. Uit zijn rijk ver- 
dreven en zijne toevlucht te Bandjermassin gezocht hebbende, kwam hij 
vandaar terug met eene krijgsmacht, voor een groot deel samengesteld 
uit Boegische hulptroepen, onder zekeren Oepoe Daeng Menamboe. Dit 
hoofd huwde , na bij een geleden nederlaag den vorst van Soekadana voor 
eene dreigende krijgsgovangenscliap gevrijwaard te hebben, te Kotaringin 
met diens dochter, verwant aan het vorstelijk liuis van Mampawa, en 



' 



44 

had bij eene tweede expeditie het geluk zijn schoonvader op den troon van 
Soekadana te herstellen. Later vertrok Oepoe Daeng Menamboe van Soeka- 
dana naar Mampawa, waar liij spoedig tot hoog aanzien geraakte en de 
grondvester werd van de eerste Boegische volksplanting opBorneo's West- 
kust, welker zielental eenmaal op 10,000 werd begioot. Natuurlijk kreeg 
die nederzetting hare vertakkingen , en onder andere was het aantal Boe- 
gis te Pontianak reeds in 1849 zoo groot, dat cene onder hen bestaande 
gisting ernstige bezorgdheid inboezemde. Dat aantal nam echter nog toe, 
tijdens de tusschen 1819 en 1825 door de Nederlanders tegen de Chineezen 
van Montrado en van Mandor f^'evoerde oorlogen. Ook Mampawa was toen 
meermalen het toonecl des strijJs, en een deel der zich daar bevindende 
Boegis week dien ten gevolge uit naar eene strook lands, gelegen langs 
het zeestrand ten Zuiden van de uitwatering der Pontianak-rivier , naar 
eene daarheen vloeiende kreek, bekend onder den naam van Soongei Kakap. 

Aan hunne gebreken , van welke hunne hartstochtelijke geliechtheid aan 
het spel, alsook hun twistziek en wraakgierig, maar al to dikwerf tot 
verwondingen en doodslag aanleiding gevend karakter de meest in 'toog 
vallende zijn, paren, volgens den heer Niclou, de Boegis echter ook vele 
goede eigenschappen. Zij onderscheiden zich voornamelijk door eerlijkheid 
en goede trouw in het nakomen hunner verbintenissen , zoomede door groote, 
geene moeite of arbeid ontziende winzucht, 't Was ten gevolge dier laatste 
hoedanigheden, dat de nieuwe vestiging, waarvan zoo even melding is ge- 
maakt, weldra in bloei toenam. Het gerucht van den ondervonden voor- 
spoed verspreidde zich spoedig naar Celcbes. De gevolgen bleven niet 
uit. Van jaar tot jaar kwamen nieuwe landverhuizers van dat eiland. Thans 
beslaat de door Boegis in cultuiu* gebrachte strook grond langs hetzuider 
zeestrand eene oppervlakte van ongeveer 130 vierkante kilometers. Zij is 
bevolkt door ruim 10,000 zielen en bedekt met uitgebreide klappertuinen 
waarin het aantal reeds vruchtdragende boomen stellig meer bedraagt 
dan drie millioen. Rekent men nu het jaarlijksch product van iederen boom 
zoo laag mogelijk, en dus op slechts 15 noten, dan komt men reeds tot 
eene jaarlijksche opbrengst van 45 millioen noten , en men kan dus begrij- 
pen hoeveel bedrijvigheid en vertier wordt teweeggebracht door het 
onderhoud der tuinen, het inzamelen der vruchten, het verwerken dezer 
laatsten tot olie ën den handel in die vloeistof. 

Herhaaldelijk was de heer Niclou gedurende zijn verblijf te Pontianak 
in de gelegenheid die nijvere streek te bezoeken , en telkens was hij ge- 
troffen door de vele bewijzen van noeste vlijt en belangrijke welvaait, 
die hij opmerkte. Behalve met tahijke door de natuur gevormde stroompjes, 
zag hij dit terrein in alle richtingen doorsneden met door menschenhanden 
gegraven kanalen, waardoor èn eene goede afwatering èn eene geregelde 
gemeenschap der tuinen onderling, zoomede een gemakkelijk vervoer van 



45 

het product verkregen wordt. Vooral een dier kanalen, beginnende aan 
de Soengei Kakap en eindigende aan de Soengei Oedang, trok zijne op- 
merkzaamheid. Het bezit eene lengte van 10,000 meters, op eene breedte 
van 5 tot 6 meters , bij eene diepte van i meter , en is zelfs nog bij laag 
water, dan echter alleen voor sampans, bevaarbaar. Het werd door de be- 
volking van Soengei Kakap zonder eenige pressie of hulp van het bestuur 
en geheel door onderlinge samenwerking gegraven. Het voorziet in de ge- 
durende langen tijd door haar gevoelde behoefte aan eéne rechtstreeksohe 
verbindingsvaart naar de Kapoeas en dus ook naar Pontianak. De heer 
Niclou beweert niet ten onrechte, dat door dit werk een welsprekend be- 
wijs is geleverd van hetgeen, ook door eene inlandsche bevolking', geheel 
overgelaten aan eigen krachten , kan verricht worden , wanneer zij de zeker- 
heid heeft van bescherming , van een geregeld bestuur en van het bezit der 
vruchten van haren arbeid, zonder dat daarom het bestuur, uit te ver ge- 
dreven vaderlijke zorg , tusschen beiden behoeft te treden met reglementaire 
bepalingen, die de werkzaamheden eer belemmeren dan aanmoedigen. Meer- 
malen vroeg hij zich af, ofhet zelfs in Nederland wel mogelijk zou zijn de 
bevolking van het een of ander district zoozeer te overtuigen van hetgeen 
voor hare belangen noodig is, dat zij, zonder eenig kapitaal om te voor- 
zien in dagloonen en andere behoeften , als één man de hand aan de spade 
zou slaan om een werk te ondernemen en ten einde te brengen , zoo als 
hier verricht werd. Overigens hebben bedoelde afwaterings- en gemeenschaps- 
kanalen de opgevatte verwachtingen niet teleurgesteld. Overal bespeurt men 
bedrijvigheid; telkens ontmoet men vaartuigen, beladen met noten, of ook 
wel lange risten dezer laatsten ,die, met een gedeelte der losgemaakte vezels 
onderling verbonden , met den stroom naar de plaats hunner bestemming 
drijven. Langs de boorden telkens en telkens weder Boegische , ook enkele 
malen Chineesche woningen , allen omringd met hooge stapels voorloopig op- 
geschuurde klappers, en van afstand tot afstand afgewisseld door weder andere 
woningen, binnen welke men druk bezig is met het bereiden van olie. 

Die bereiding heeft echter hoofdzakelijk plaats aan de monding der 
Soengei Kakap , waar de bevolking der daar gelegene Chineesche kampong, 
ruim 300 zielen sterk, zich uitsluitend met dat werk bezig houdt. Over 
het algemeen toch geschiedt het vervaardigen van olie, hoewel de Boegis 
er zich niet geheel van onthouden, door Ghineezen. Deze werken goed- 
kooper, en de eersten kunnen dus hunnen tijd beter aan het planten, het on- 
derhouden der tuinen, het inzamelen der vruchten en aan cultures besteden. 
Toch is ook de door de Ghineezen toegepaste bereidingswijze nog zeer 
primitief, zoodat er aan werkkrachten en aan mindere opbrengst aanzien- 
lijke sommen moeten verloren gaan. Reeds in de Sturlers „Landbouw 
tusschen de keerkringen" wordt gewezen op de voordeden, die eene be- 
reiding van olie op groote schaal, met al de hulpmiddelen der nieuwere 



46 

wetenschap, te Pontianak zou kunnen opleveren. Wanneer men nagaat, 
dat de 100 stuks noten te Soengei Kakap verkocht worden voor /'S. — tot 
ƒ2.50; dat het vervoer zoo uiterst gemakkelijk is; dat brandstof alom 
voor het kappen kan verkregen worden; dat bijeene machinale bereiding, 
met gebruikmaking van hydraulische persen , zoo al niet , gelijk de Stm-ler 
opgeeft, van vijf, dan toch stellig van zeven noten een liter olie kan ver- 
kregen worden , en ,de gemiddelde prijs van die maat zelfs te Pontianak 
kan gesteld worden op 35 cents , dan is het niet twijfelachtig dat de Sturler 
volkomen gelijk had. De heer Niclou was hiervan zoo zeer overtuigd, dat 
hij zelf pogingen deed tot het verkrijgen van het kapitaal , noodig voor het 
oprichten van een met stoom en hydraulische pers werkenden oliemolen in 
de nabijheid van Pontianak. Die pogingen leden echter schipbreuk op het 
gebi'ek aan ondernemingsgeest, 't welk vooral in de laatste jai-en in Indië 
zoo geweldig is toegenomen. Zelfs een later plan om de minstens een mii- 
lioen kilogi^ammen kokosvezels, welke thans nutteloos naar zee drijven, te 
bewerken voor de Europeesche mai'kt, waar die grondstof tegenwoordig 
tot het vervaardigen van vloermatten en tapijten zoo gezocht is , en waar- 
voor een betrekkelijk zeer gering kapitaal noodig zou zijn geweest, stuitte 
op hetzelfde bezwaar af. 

Het is nu in deze zoo welvarende streek, die zoo veel toebrengt tot 
den bloei van Pontianak, en waar enkele eigenaars van tuinen huizen ge- 
bouwd hebben tot eene waarde van 5000 dollars , dat nog eene vermojnde 
slavernij zou bestaan. De jaarlijks van Celebes aankomende Boegis, welker 
getal bedroeg: 





Mannen. 


Vrouwen. 


Jongens. 


Meisjes. 


Totml. 


in 1866 


149 


29 


24 


18 


220 


» 1867 


413 


195 


77 


50 


735 


» 1868 


286 


170 


53 


18 


527 



en in 1869 zonder twijfel grooter was dan in 1868, verhuizen toch 
allen derwaarts! De heer Niclou, die blijkbaar den maatschappclijken toe- 
stand der immigranten van nabij onderzocht, deelt daaromtrent bijzon- 
derheden mede die de zaak in het helderste daglicht stellen. 

ï> Verscheidenen hunner," schrijft hy," zijn eenigszins vermogend , anderen 
vermaagschapt aan bemiddelde Boegis te Pontianak. Dat zij die tot eene 
dier beide kategoriën behooren, vermomde slaven zouden zijn, is natuur- 
lijk onzin. Weder anderen hebben echter volstrekt geene middelen van be- 
staan en zij moeten het dus zijn die bedoeld worden. Werkelijk werden de 
zoodanigen dan ook in den eersten tijd der vestiging eener Boegische volks- 
planting te Soengei Kakap, en zelfs nog toen de resident W'iller in 1852 — 53 
zich meer in H bijzonder met die nederzetting ging bemoeien , pandelingen. 
In den regel toch hebben de emigi*anten, alvorens zij van Par e- Par e, To- 
wadjoe of vanwaar dan ook aankomen, vóór hun vertrek eenig geld noo- 



47 

■ 

dig, ten einde zich vrij te maken van op die plaatsen aangegane verbin- 
tenissen en te voorzien in het noodige voor de reis. Daartoe 'geeft de ge- 
zagvoerder eenige gelden, waarbij gevoegd wrorden de kosten van overvoer. 

»Bij aankomst van vaartuigen met immigranten zijn nu de eigenaars van 
tuinen begeerig, een en ander bij wijze van voorschot aan de nieuw aan- 
gekomenen uit te betalen. Zoo ging het vroeger, en wel met dien verstande, 
dat de schuldenaars voor door hen genotene voorschotten onderworpen wa- 
ren aan alle bepalingen van het toen nog in volle kracht bestaande pan- 
delingschap. Bovendien werd het bezwarende van hunnen toestand nog meer 
dan verdubbeld door de bestaande gewoonte om, in plaats van de Boegi- 
sche reaal, ter waarde van ongeveer 88 cents, in welke de schuld was 
aangegaan, bij aankomst te jPontianak te stellen de Pontianaksche reaal 
ad ƒ 2. — en den schuldenaar voor het op die wijze gestegen bedrag te 
debiteeren. 

»Ook met dat alles was echter reeds toen de toestand van den pandeling 
geworden Boegis niet zoo bijzonder slecht. Immers bedroeg hunne schuld 
gemiddeld f 75 per hoofd, en die som werd door de familiehoofden, zóó 
voor zich zelven, als voor de hunnen, in vier of vijfjaren afgelost. De af- 
lossing geschiedde op de volgende wijze. De meester voorzag gedurende 
het eerste jaar in alle behoeften van de pandehngen. Daarvoor waren zij 
verplicht klappers te planten. Gedurende het tweede jaai' kregen zij echter 
alleen de bibiet, noodig tot het aanleggen van nieuwe tuinen, en moesten 
overigens door eigene cultuur in hun onderhoud voorzien. Van de aange- 
plante boomen kwam nu de helft aan de pandelingen en de wederhelft 
aan den meester. Daar de waarde van zoodanige helft , binnen 4 of o ja- 
ren, meer bedroeg dan de aangegane schuld, waren de eersten na dien 
tijd van hunne verbintenis ontheven, 

^Tegenwoordig is echter de toestand der schulden gemaakt hebbende 
immigranten nog aanmerkelijk beter geworden; zij zijn geen pandelingen 
meer. De hoofden der gezinnen geven aan de eigenaars der tuinen schrif- 
telijke, soms notariëele bewijzen voor het bedrag van het verschuldigde, 
't welk, nu de waarde der Boegische reaal tot grondslag wordt genomen 
voor de herleiding in Nederlandsch-Indische munt, niet bijzonder groot is. 
Dat die herleiding werkelijk volgens den opgegeven standaard plaats vindt , 
wordt overigens minutieus nagegaan. Schrijver dezes kreeg daarvan het 
bewijs tijdens het bijwonen eener zitting van den Landraad, waarin zooda- 
nige herleiding plaats had, en zulks niettegenstaande in het te Pontianak 
opgemaakte en in de Boegische taal gestelde schuldbewijs eenvoudig was 
melding gemaakt van realen, zonder bijvoeging van het woord Boegische. 
»De aldus aangegane schulden, waarvoor in den regel enkel mannen, 
alleen in hoogst zeldzame gevallen vrouwen, maar nooit minderjarigen aan- 
sprakelyk zjjn, worden nu op eene vrij gemakkelijke wijze, dat wil zeggen 



48 

door het schoonmaken van het terrein, het beplanten van dat terrein met 
een te voren overeengekomen aanta] klapperboomen en het onderhouden 
dezer laatsten aangezuiverd. De bijcultures, zooalspadi, pisang, aardvruch- 
ten enz. , zijn allen ten voordeele van de schuldenaars, en met dezen voor- 
zien zij in alle benoodlgdheden , zoowel eigen als die der hunnen. Overi- 
gens wordt nauwlettend gewaakt tegen knevelarij. Wij heffen geene belas- 
tingen. Alleen de Sultan van Pontianak trekt, zooals schrijver dezes meer- 
malen hoorde beweren, 1 pCt. van het product. Het bestuur wordt ge- 
voerd door dien Sultan, echter in overleg met de Nederlandsche geweste- 
lijke autoriteit. Het aanstellen van hoofilen en het beleid der justitie en 
politie bevinden zich geheel in onze handen. Door het gedurende de twee 
laatste jaren aanleggen van een negen palen (14 kilometers) langen weg 
tusschen Pontianak en Soengei Kakap met de daarlangs gelegene aanplan- 
tingen, is het toezicht vrij wat gemakkelijker gemaakt. Het klandestien hou- 
den van slaven of overtreding der bij Staatsblad van 4859, no. 43, en later 
vastgestelde bepalingen op het pandelingschap is dien ten gevolge volstrekt 
onmogelijk. Tot het aanleggen van bedoelden weg moest een geheel maag- 
delijk bosch worden opengekapt en een moerassig terrein opgehoogd, van 
boomstronken gezuiverd en aan weerskanten van afwaterings-kanalen voor- 
zien worden. Dit geschiedde geheel en al door kettinggangers, die daar- 
mede een zeer nuttigen arbeid verrichtten. 

^Schrijver dezes meent, dat het vorenstaande genoegzaam zal zijn, om 
aan te toonen, dat, wel verre van te leiden tot menschenhandel en slavernij, 
het te Pontianak aanvoeren van Boegische emigranten integendeel vrijen 
arbeid bevordert, den bloei en de welvaart van Pontianak doet toenemen 
en de emigranten zelven binnen betrekkelijk korten tijd eene onafhankelijke 
en goede toekomst verzekert, 't Laatste wordt trouwens bevestigd door het 
antwoord, 't welk hij bij zijne bezoeken te Soengei Kakap telkens ontving ^ 
wanneer hij vroeg naai* dé reden die zoo vele lieden bewoog, Celebes, 
niet minder vruchtbaai* dan Borneo, te verlaten, om zich te Pontianak te 
vestigen. Dat antwoord, door verschillende personen van Boegischen land- 
aard en op verschillende tijdstippen gegeven, luidde onveranderlijk : » )>Onze 
^vorsten op Celebes voeren aanhoudende oorlogen en wij kleine lieden zijn 
3>de lijdende partij. Noch voor onze vrouwen, noch voor onze kinderen, 
»noch voor goederen bestaat de minste zekerheid in ons geboorteland. De 
^willekeur der machthebbenden is genoeg om ons dat alles te ontnemen. 
:^Daarom komen wij liever hier, waar wij de zekerheid hebben dat het- 
»geen wij verdienen en overleggen ons eigendom zal blijven." " 

De gevolgti^ekkingen uit de mededeelingen van den heer Niclou te mar 
ken, liggen voor de hand.- "Ware deze bevoegde navorscher niet voor de 
Boegische nederzetting in de bres gesprongen, zij zou de smadelijke ver- 
denking van menschenroof en slavernij niet hebben kunnen ontgaan; en 



49 

toch zou zij er geen schuld aan hebben. Dwaling en lichtzinnige yeroor- 
deeling, om van geene andere beweegredenen te gewagen, zouden ons al- 
leen eene verkeerde voorstelling hebben gegeven van eene kolonisatie heil- 
rijk in hare beginselen en gevolgen. Den Nederlanders in den Archipel 
strekke dit voorbeeld tot eene les, om zich toch te onthouden van voorba- 
rige oordeelvellingen omtrent inlandsche toestanden. * Miskenning van hetgeen 
de Indiërs uit vrije beweging tot stand brengen, is de aanleiding geweest 
van vele kwade en verkeerde maatregelen. Het is waar, wij leven niet 
meer in de tijden toen de overheid dorpen liet verbranden die zoogenaamde 
sduivelen-diensf' pleegden; maar het stelsel van ^dwingen en reglemen- 
teeren", naar kleingeestige Europeesche begrippen, heeft diepe wortelen 
geschoten, en velen valt het nog moeilijk de oorspronkelijke vrye ontvsrik- 
keling van den inlander recht te doen wedervaren, omdat de inlander han- 
delt naar eigen inzichten, en niet naar de nukken van vaak bevooroor- 
deelde en onwetende betweters. Intusschen is het juist de roeping van 
het Indisch bestuur geworden, de ongedwongen bedrijvigheid der inlanders 
te beschermen. Onder verstandig, niet te veel bemiddelend toezicht, moet 
de inheemsche werkzaamheid grootsche uitkomsten geven. Laat dan de on- 
dernemende, wakkere Europeaan zich daarbij aansluiten, en men zal de 
oplossing naderen van het probleem: hoe men een groot Rijk gelyk Indië 
behoort te regeeren. 



52 

(Itit oen wildhoutbosch niet moet behouden worden, dan valt liet in de 
tonnen van voor uitgifte in erfpacht vatbare gronden. 

Overgaande tot de toelichting van het besluit zelf, stel ik, ter vernüj- 
ding van herhalingen, op den voorgrond, dat het, volgens het laatste aiti- 
kel, alleen van toepassing is op Java en Madura, zoodat ook bij de thans 
volgende beschouwingen niet te denken is aan de Buitenbezittingen. Bij 
de bespreking der artikelen zal tevens blijken welke punten, die niet bij 
de wet van 9 April zijn behandeld, hier worden opgenomen. 

Het besluit heeft drie hoofdstukken: 1®. van rechten op grond (artt. 4 — 7); 
2». van afstand van grond (artt. 8 — 18); 3®. gemengde bepalingen (artt. 
i9 en 20). Duidelijkheidshalve wordt de tekst van ieder artikel herhaald. 

:»Art. 1. Behoudens opvolging van de tweede en derde bepaling der 
s^voormelde wet, blijft het beginsel gehandhaafd , dat alle grond, waarop niet 
»door anderen recht van eigendom wordt bewezen, domein van den Staat is." 

In § 2 der Memorie van Toelichting van 5 Februari 1869 is, aan de 
hand der verordeningen, sedert het herstel van het Nederlandsch gezag 
op Java uitgevaardigd, aangetoond, dat de formule, in dit artikel neder- 
gelegd, het rechtsbegrip wedergeeft dat bij den Indischen wetgever steeds 
heeft bestaan ten aanzien van het recht van den Staat op den grond van 
Java. De wet van 9 April heeft, door de bevoegdheid tot afstand van 
grond in erfpacht aan te nemen, dat begrip bevestigd. 

Het artikel kan, tervnjl het de milde beginsels der wet jegens den 
inlander met nadruk herinnert, omtrent den beschikbaren grond in het 
algemeen slechts de rechtszekerheid bevorderen en is in het bijzonder 
nuttig tot recht verstand der verordeningen waar, gelijk in art. 569 van 
het Indisch Burgerlijk Wetboek, gewaagd wordt van »tot het domein be- 
hoorende gronden". Eene uitdrukkelijke wettelijke omschrijving toch van 
de gronden die tot het domein behooren, werd tot dusver gemist. Om 
hierin te voorzien is (referte aan Uwer Ëxcellentie's depêche van .3 April 
1868, n*. 341 a/20) meermalen de afkondiging van het Indisch besluit 
van 22 Januari 1853, n®. 9, in overweging genomen, doch daarbij ge- 
stuit op het bezwaar dat zoodanige formule inbreuk zou kunnen maken 
op de rechten der bevolking. Die inbreuk wordt nu ten eenenmale belet. 

Aan Uwe Excellentie blijft overgelaten voorstellen te doen, indien geoor- 
deeld mocht worden dat het voormeld art. 569, en wat hiermede in ver- 
band staat, ten gevolge van de gedane uitspraak wijziging behoeft. 

]»Art. 2. De rechten der inlandsche bevolkiug op grond, volgens hare 
^^godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken, worden, voor zoover noo- 
»dig, bij algemeene verordening omschreven. 



53 

»Het ontwerp van zoodanige verordening wordt, een geruimcn tijd, in 
2>de dorpen bekend gemaakt, en de bevolking uitgenoodigd om de bezwa- 
»ren , welke bij haar mochten bestaan , aan de daartoe aan te wijzen 
>Europeesche ambtenaren mede te deelen. 

»De hoogste inlandsche ambtenaren worden over het ontwerp geraadpleegd. 

»Zoo lang de hier bedoelde omschrijving niet heeft plaats gehad, ge- 
»schiedt het onderzoek naar de rechten der inlandsche bevolking, krachtens 
»de tweede bepaling der wet vereischt, op den voet door den Gouverneur- 
DGeneraal vastgesteld of vast te stellen." 

Dit artikel heeft betrekking op het, in het afgeloopen jaar ten einde 
gcbi-acht onderzoek naar de rechten der bevolking op den grond. De uit- 
komsten van dat onderzoek zullen kunnen leiden tot het vaststellen van 
verordeningen, hetzij voor geheel Java, hetzij voor de verschillende gewes- 
ten, ter omschrijving van aldaar bestaande onbetwistbare rechtsbegrippen. 
Deze codificatie zal tot rechtszekerheid leiden en misbruiken doen ophouden. 

Wanneer hier en elders gesproken wordt van de rechten der inlandsche 
bevolking, wordt aan die uitdrukking eene zeer bepaalde beteekenis ge- 
hecht , die trouwens voortvloeit uit het begrip zelf van 7'echt Men zal zich 
niet mogen tevreden stellen met lichtvaardige aanneming van beweringen, 
onbestemde aanduidingen, ongemotiveerde mededeelingen van geraadpleegde 
inlanders. Te dikwijls toch is hetgeen op eenige plaats als recht werd ge- 
noemd, misbruik gebleken, bij vergelijking met elders ontvangen inlichtin- 
gen. Door langdm'ige ondervinding, velerlei nasporingen, en inzonderheid 
door het jongste opzettelijk onderzoek, is het Gouvernement in staat de 
opgaven te toetsen, de wezenlijke rechten op elke plaats te onderscheiden 
en die voor elk gewest te boekstaven, met inachtneming van het beginsel, 
dat niet als recht aangenomen wordt wat 'aandruischt tegen erkende begin- 
selen van rechtvaardigheid en billijkheid. 

De bekendmaking der ontworpen verordeningen in de dessa*s geeft een 
waarborg te meer, dat zij overeenstemmen met het rechtsbewustzijn der be- 
volking, die hare bezwaren vi'ij moet kunnen mededeelen aan »de daartoe 
aan te wijzen Europeesche ambtenaren". Deze laatste uitdrukking is gebezigd 
om, waarnoodig, de ambtenaren der statistieke opneming, in stede van die 
der plaatselijke besturen, met het ontvangen dier bezwaren te kunnen belasten. 

Het spreekt van zelf dat de uitgifte van gronden in erfpacht niet moet 
wachten op de hierbedoelde omschrijving der rechten van de bevolking; 
een onderzoek naar die rechten is intusschen in elk bijzonder geval noodig 
vóór de uitgifte in erfpacht, opdat gewaakt kunne worden dat geen af- 
stand van grond inbreuk make op de rechten der inlandsche bevolking. 
Krachtens de laatste alinea is de regeling van de wijze, waarop dit on- 
derzoek moet plaats vinden, aan Uwe Excellentie overgelaten. 



54 

»Art. 3. De inlanders, die tot verzekering van hun erfelyk individueel 
^gebruiksrecht op grond een schriftelijken titel verlangen , worden door den 
»Gouverneur-Generaal , zoodra doenlijk, in de gelegenheid gesteld dien te 
^verkrijgen." 

Deze bepaling is, bij de inlassching van de tegenv\roordige 3de alinea der 
wet, uit het oorspronkelijk wets-ontwerp gelicht, met het voorbehoud om 
haar van bestuurswege te verordenen. 

De inlander, die behoefte aan schriftelijke titels openbaart, welke hij 
niet zonder de tusschenkomst van het Gouvernement verkrijgen kan, be- 
hoort zoodra doenlijk daarin te worden te gemoet gekomen. Zijn vertrou- 
wen in het Nederlandsch Bestuur mag niet worden beschaamd. 

Intusschen brengt het artikel niet mede, dat de hier vermelde bewij- 
zen zouden moeten worden afgegeven door de Europeesche ambtenaren. 

Het recht dat verzekerd moet worden, is het bestaande iiüandsch recht, 
bepaald dooi* de inlandsche wetten, gebruiken en instellingen. 

De Regeering zal genoeg gedaan hebben, wanneer zij, onder voldoende 
voorzorgen, de bewijzen van dat recht verkrijgbaar stelt bij eene hoogere 
inlandsche autoriteit dan de dessabesturen , dus bij de districtshoofden. 

Welke voorzorgen genomen moeten worden, ook tegen misbruik van ge- 
zag door de inlandsche autoriteiten; welke voorzieningen noodig zijn, bijv. 
tot regeling van de bewijsliracht der schriftelijke titels, staat ter beoor- 
deeling van Uwe* Excellentie. De woorden »zoodra doenlijk" vereischen 
geenszins overhaasting, maar laten integendeel de gelegenheid om vooraf 
de maatregelen te nemen, die aan het voorschrift eene behoorlijke werking 
kunnen verzekeren. 

ïArt. 4. De algemeene verordening, regelende de vervanging van inlandsch 
^erfelijk indiridueel bezit door eigendom krachtens de vierde bepaling der 
^voormelde wet, wordt door Ons vastgesteld. 

dDc Gouverneiu*-Generaal zendt daartoe onverwijld een ontwerp en toe- 
»lichting aan den Minister van Koloniën." 

« 
Daar de hier bedoelde algemeene verordening treedt op het gebied dat 

beheerscht wordt door art. 75 van het Regceringsreglement , is, overeen- 
komstig art. 72 der Instructie van den Gouvenicur-Generaal , hare uit- 
vaardiging aan den Koning voorbehouden. 

Bij den Konmk lijken last in de tweede alinea van het bovenstaand arti- 
kel lieb ik slechts den wensch te voegen, dat die arbeid met den meesten 
ernst worde ter hand genomen , opdat de inlanders niet langer dan onvermijde- 
lijk verstoken blijven van hetgeen de wet hun toedenkt en inderdaad een zeer 
gewichtig vercischte is voor hunne tevredenheid, welvaart en ontwikkeling. 



55 

3?i\j't. 5. De regels, ki'achtens de vijfde bepaling der voormelde wet te 
^stellen op de uitoefening der daai'bij erkende bevoegdheid van inlanders 
)>om grond aan niet-inlanders te verhuren of in gebruik te geven, worden 
»ten spoedigste bij ordonnantie uitgevaardigd. 

})ïnmiddels verleent de Gouvernenr-Generaal tot zulke overeenkomsten in 
»elk geval tijdelijke vergunning, onder voorwaarden, in overeenstemming 
)>met den Raad van Nederlandsch Indië vastgesteld." 

Hier wordt alzoo van eene der voornaamste bepalingen der wet van 9 
April de geheele regeling aan de Indische Regeering toevertrouwd. Uwe 
Excellentie zal bevroeden, dat, in den geest dier wet, de te stellen regels 
de vrijheid der inlanders niet meer mogen beperken, dan voor het alge- 
meen belang noodzakelijk is. 

De bevoegdverklaring, in het artikel, ontslaat Uwe Excellentie van den 
band der aanschrijving, krachtens welke bij ordonnantie van 7 November 
'1863 {Indisch Staatélad, n®. 152) werd bepaald, dat de overeenkomsten, 
waarvan sprake is in de publicatie van 25 December 1838 (bidisch Staats^ 
blad, n*. 50/, niet anders dan individueel met de bezitters of gebruikers 
der gronden mogen gesloten worden. Het zal wel overbodig zijn Uwe Ex- 
cellentie te herinneren aan de wijziging, welke men voornemens was in 
die aanschrijving te brengen, blijkens art. 14 van het wets-ontwerp van 
April 1866, tot vaststelling der grondslagen, waarop ondernemingen van 
landbouw en nijverheid in Nederlandsch Indië kunnen worden gevestigd. 

Het spreekt van zelf, dat de bedoelde regels , beperkingen houdende van 
het recht des inlanders om over zijn grond te beschikken, niet moeten 
slaan op gronden , waarvan inlanders den vollen eigendom volgens het In- 
disch Burgerlijk Wetboek hebben verkregen of zullen verkrijgen. Aan den 
eigendom krachtens alinea 4 der wet van 9 April te verkrijgen, zal ech- 
ter <leze beperking verbonden moeten worden. 

Wellicht zal het noodig zijn vennootschappen uit te sluiten van deze ver- 
huringen, die van de uitgifte in erfpacht op dit groote punt verschillen, 
dat zij de gronden der dessd's betreffen. Dit punt blijft evenwel aan Uwer 
Excellentie's beslissing overgelaten. 

Overigens moet ik met nadi'uk wijzen op het voorschrift in het artikel, 
dat de verordening in quaestie ten sn'^cdigste worde uitgevaardigd. Het zou 
daai-mede niet strooken , haar te laten afhangen van de verordening op de 
overeenkomsten tusschen inlanders en niet-inlanders in het algemeen , . waar- 
voor ik Uwe Excellentie een ontwerp verzocht bij missive van 9 Augustus 
1869, lit. Aaz, n^. 22/1094, hetwelk de ijver der betrokken Indische au- 
toriteiten tot dusver niet in .staat is geweest te leveren. Op die zaak zal 
worden teruggckomeïi bij de uiedcdceling der voorschriften tot uitvoering 
van de wet van 21 dezer. 



56 

]»Art. 6. De Oouverneur-Generaal bepaalt voor elke inlandsche gemeente 
9de tot haar behoorende gronden. 

iDit gebied bestaat uit hare rystvelden; uit de overige gronden die bij 
»hare leden, met uitsluiting van de leden van andere inlandsche gemeen- 
»ten, in gedurig gebruik zyn; en uit de gronden, die de Gouverneur-Ge- 
»neraal haar toevoegt met het oog op hare behoefte aan uitbreiding.'* 

Het woord »gemeente" wordt hier gebezigd voor het gewone begrip van 
dessa, welke benaming echter is vermeden, omdat er dessa's zyn die geene 
gemeenten geuoemd kunnen worden, terwijl het artikel gemeente-rechten 
geldt. 

Eene bepaling van het dessagebied is noodzakelijk, zoowel voor eene 
goede werking der wet van 9 April, als voor andere regelingen, b\jv. van 
de heerediensten. Van vele dessa's is het gebied in den hierbedoelden zin 
reeds afgebakend, gelijk is af te leiden uit het advies van den Haad van 
Nederlaudsch Indie van 16 November 1864 hy den Indischen brief van 13 
December 1864, n*. 374, El 2 Kabinet, en uit de kaarten der statistieke 
opneming blykt ; dit heeft men dus slechts te constateeren. Wat de overige 
betreft, moet de bepaling geschieden »zoodra doenl^", hetgeen niet bedoelt 
overhaasting of buitengewone middelen. De statistieke opneming leidt van 
zelf tot het oogmerk. En eene bijzondere aanleiding tot grensbepaling zal 
ten opzichte van ettelijke dessa's ontstaan uit aanvragen om gronden in 
erfpacht, uit nadere regelingen voor de suikercultuur enz. 

Het is voorts duidelijk dat de openbare aanbieding, en de afstand op 
aanvraag, van gronden in erfpacht niet op de voltooiing van het werk der 
bepaling van de grenzen der gemeenten mogen wachten. Weet men van 
een opgenomen of van een aangevraagd perceel (zie artt. 9 en 16) dat het 
niet behoort tot de uitgesloten gronden, dan is de voorwaarde der ver- 
krygbaarstelling aanwezig. Maar tevens, afgescheiden van de uitgifte in 
erfpacht, moet de bepaling van het gebied plaats hebben. 

In de omschrijving van ^gronden, die b\j de leden der inlandsche ge- 
meente, met uitsluiting van de leden van andere inlandsche gemeenten, 
in gedurig gebruik zijn", is de uitlegging bij art. 4, 2^»., van hetKonink- 
lyk besluit van 3 Juli 1856 findisdi Staatsblad y n^. 64) aan art. 62 van 
het Regeeringsreglement gegeven, versterkt, opdat niet het gebruik voor 
een enkden keer den grond aan de dessadoe toewijzen. Onbepaalde, zoo- 
genaamde rechten kunnen niet zonder schade voor het algemeen belang er- 
kend worden; dit dient ook bij aanwijzing van het dessagebied op den 
voorgrond te staan. 

Ook moet bij de toepassing van dit artikel wel in het oog worden ge- 
houden, dat tot de gronden der dessa's in den hierbedoelden zin niet be- 
hooren de gronden, afgezonderd voor de op hoog gezag ingevoerde koffie- 



57 - 

chiUuur [wel die, waarop de paggerkofifié is geplant). Volgens do verklaring 
in Indisch Staatsblad 1817, n». 55, behooren de gronden der koffietuinen 
aan den Staat, en worden zij geacht te zijn verhuurd aan de koffieplantende 
bevolking; tei'wijl aan de inlandsche huurders de verplichting is opgelegd 
om nieuwe plantsoenen aan te leggen op gronden, 3>die hun in de nabij- 
heid der verhuurde tuinen worden aangewezen". Dit stelsel is gehandhaafd 
in alle openbare verordeningen betreffende de koffiecultuur. En voor zoover 
de koffieboomen geplant zijn op boschgronden , geldt het reglement in het 
Indisch Staatsblad 1865, n^. 96, waarbij het Gouvernement zich het ge- 
bruik dier bosschen voorbehield , onder toekenning van eenige vergunningen 
om te sprokkelen, te kappen enz. 

De gouvernements-koffietuinen kunnen dus slechts tot de dorpen behooren 
in politioneelen zin, en in zoover, dat bepaalde dorpen bepaalde tuinen 
verzorgen. 

Aan deze uitlegging gelieve Uwe Excellentie vast te houden als aan eene 
beslissing van de bevoegde macht in eene quaestic , waarover de meeningen 
zeer uiteen plegen te loopen. 

^k^i. 7. Onafhankelijk van de algemeene regeling, bij art. 2 bedoeld, 
iworden bij ordonnantie regelen gesteld op het recht der inlanders om gron- 
dden buiten het gebied, krachtens art. 6 bepaald, te ontginnen. Die re- 
»gelen bevorderen het stichten van nieuwe gemeenten". 

De wenscheUjkheid van nieuwe nederzettingen, tei'wijl de bevolking zich 
meer en meer opeenhoopt, het landbezit onder haar zich versnippert en 
het getal niet-geërfden zeer toeneemt, behoeft geen betoog. Maar van den 
anderen kant is het volstrekt noodig regelen te stellen omtrent het ont- 
ginnen van gronden buiten het desssigebied , ten einde die te beveiligen 
tegen den roofbouw, waarmede een zwervende klasse den grond bederft 
ten wille van een enkelen oogst , om dien daarna te verlaten en haar ver- 
nielingswerk elders te hervatten. Wel is waar zijn 's lands houtbosschen op 
Java en Madura thans, door het reglement in Indisch SiaatMad 1865, 
n* 96, tegen dergelijke vernieling voldoende beschermd, en behelst het 
reglement op de uitoefening der politie enz. onder de inlanders en daai-- 
mede gelijkgestelden op Java en Madura voorzieningen tegen het verspreid 
wonen buiten de dessa's (art. 30 en 31); doch daarnevens zullen voorzorgen 
aangaande de niet met hout begroeide wildernissen, geenszins overbodig 
blijken. Voorzorgen evenwel , die zouden strekken om het vestigen van nieuwe 
nederzettingen (gehuchten die tot gemeenten kunnen wassen) tegen te gaan , 
worden door het artikel verboden. 

Tot de ontginningen binnen het dessagebied kunnen de regelingen niet 
worden uitgestrekt zonder op de gemeentelijke huishouding en het onbe- 



58 

lemmerd gebruik van den grond der gemeente door hare leden inbreuk temaken. 
Tegen willekeurige beschikkingen van Europeanen over stukken woesten 
grond waakt, naar het schijnt , genoeg art. 569 van het Indisch Burgerlijk 
Wetboek, in verband met art. 1 van het tegenwoordig besluit. 

»Art. 8. Met den verkoop van kleine stukken gronds, bedoeld in het 
»tweede lid van art. 62 van het Reglement op het beleid der Regeering 
i!>van Nederlandsch Indië, wordt volgens de bestaande of nader door den 
))Gouverneur-Generaal te geven voorschriften, met inachtneming van de 
» tweede bepaling der in hoofde dezes vermelde wet, voortgegaan. Die 
2>stukken mogen ieder eene oppervlakte van tien bouws niet te boven gaan." 

Door te spreken van bestaande vooi-schriften wordt inzonderheid herinnerd 
aan de verklaring van de Regcering bij de toelichting der ontwerpen van 
het Regeeringsreglement, dat het niet de bedoeling was af te wijken van 
den voet, waarop toen kleine stukken gronds, krachtens vroegere Konink- 
lijke machtiging, werden verkocht, namelijk in en nabij de steden en dessa's, 
zoodat geene te limitatieve strekking moet gegeven worden aan de woor- 
den : uitbreiding van steden en dorpen of oprichting van inrichtingen van 
nijverheid, in art. 62 gebezigd. Met deze toelichting was trouwens de 
praktijk na 1854 in overeenstemming. 

Het maximum voor de te verkoopen gronden is moeten worden bepaald 
zonder dat van Uwe Excellentie nog antwoord ontvangen was op mijn 
brief van 25 Augustus 1869, lit. Aaz., 20/1171. Het is, inzonderheid 
wegens de behoefte voor suikerondernemingen en de daaraan te verbinden 
koelie-kampongs, eenigszins ruim gesteld. Mocht het te ruim bevonden wor- 
den, dan kan men als regel aannemen daar beneden te blijven. Grootere 
stukken, voor landgoederen of nijverheidsinrichtingcn noodig , kunnen iu 
erfpacht verkr(}gen worden volgens art. 18 van het besluit. 

»Ai*t. 9. De gronden buiten het bij ai*t. 6 bedoelde gebied worden van 
»gouvemementswege opgemeten, beschreven en in kaart gebracht. 

)>Van het in kaart gebrachte wordt jaarlijks een gedeelte, daartoe ge- 
ï>schikt bevonden , bij perceelen van omstreeks vijfliondenl bouws , in erf- 
»pacht voor vijf en zeventig jaren aangeboden. De Gouverneur-Generaal 
»kan in bijzondere gevallen eene andere grootte der perceelen bepalen. 

3>In de erfpacht worden niet begrepen: 

i>a. gronden waarop anderen recht hebben, indien zij ongenegen zijn 
i&zich van hun recht te ontdoen; 

»6. gronden, naai* de inzettingen der inlanders als gewijde beschouwd; 



59 

»c. gronden, vooropenbare markten afgezonderd , ofvoor den openbaren 
]»dienst bestemd; 

s>d. gouvemements-koffietuinen ; 

e. djati- en andere houtbosschen, de laatste voor zoover zij onder ge- 
3>regeld beheer zijn gebracht; 

f, »gi*onden, gelegen binnen een door den Gouverneur-Generaal voor 
»elk gewest vast te stollen afstand van gouvememente-aanplantingen ; 

»gf. gronden , gelegen in door Ons aan te wijzen streken , die beschikbaar 
:»moeten blijven voor de uitbreiding der op hoog gezag ingevoerde koffiecultuur. 

»Door de uitsluiting der onder a, 6 en c genoemde gronden wordt de 
i»af8tand in erfpacht der omliggende, daartoe geschikte, niet belet; mits 
»de erfpachter zich verbinde aan het gebruik der uitgesloten gronden geen 
»hinder toe te brengen." 

Naar aanleiding der woorden: »buiten het bij art. 6 bedoelde gebied'*, 
wordt de onder dat artikel gemaakte opmerking herhaald, dat de aanbie- 
ding in erfpacht niet afhankelijk mag zijn van eene juiste en volledige 
uitvoering van het voorsclirift over de bepaling van het gebied der gemeenten. 

De opmeting en het in kaart brengen der woeste gronden behoort zoo- 
veel mogelijk vereenigd te worden met de topographisch-statistische opne- 
ming. Waar deze nog niet plaats vindt, is aan het initiatief van particu- 
lieren de gelegenheid gelaten om gronden in erfpacht te bekomen overeen- 
komstig art. 16. 

Eene uitgestrektheid van 500 bouws, met inbegiip van de gronden voor 
bevolking, rijstcultuiu* en gebouwen, is voldoende voorgekomen. Zulke on- 
dernemingen zijn goed te overzien. Wil de kapitalist, wil eene vennoot- 
schar eene grootere uitgestrektheid, de gelegenheid staat open om voor 
eenige naast elkander gelegen perceelen in te schrijven. Maar dan rusten 
op elk perceel afzonderlijk de verplichtingen, die krachtens art. i5 aan 
den erfpachter zullen worden opgelegd. Overigens is aan Uwe Excellentie 
vrijgelaten in bijzondere gevallen, wanneer bijv. de soort of de ligging der 
gronden dat mocht noodig maken, van de normale grootte af te wijken. 

Bij de aanwijzing der van de uitgifte in erfpacht uitgesloten gronden, 
is het door de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 22 Juni 1867 aan- 
genomen 2de artikel der toenmaals aanhangige erfpachtfiwet , vereenvoudigd , 
overgenomen. Alleen de kategorie gr, waarover straks, is nieuw. 

Over f had ik de eer Uwe Excellentie te onderhouden by brief van 24 



60 

Augustus 4869 , litt. Aaz, n«. 15/1163. Ik verzocht ecne concept-ordon- 
nantie met toelicliting, inzonderheid oin daarvan bij de voordracht tot uit- 
voering der agrarische wet gebruik te kunnen maken. En ik rekende te 
meer op tijdige ontvangst, omdat Uwe Excellentie zelve het denkbeeld 
van zoodanigen verboden kring aanbevelenswaardig achtte. Nu het den 
ijver der betrokken autoriteiten ook op dit punt niet gelukte binnen de 
sedert verloopcn maanden gereed te komen, en bij den toestand waarin 
de zaak hier te lande zich bevindt, zal het verkieslijk zijn dat Uwe Excel- 
lentie (behoudens g) zonder verdere wenken van het Opperbestuur handele. 
Alleen zij Haar aanbevolen, den bedoelden afstand niet grooter vast te 
stellen dan noodig, met het oog tevens op de bestaande en te nemen 
voorzorgen tegen oneerlijkheden met 's Gouvernements producten. 

De uitzondering g doelt bepaaldelijk op streken, zoo als Tenger, waar 
de bevolking zelve, zonder dwang, de kofïiecultuur uitbreidt. Men zal er 
vermoedelijk toe moeten besluiten om de kofïïecultuur in zulke streken te 
concentreer en, om haar elders wellicht te laten varen, wellicht door par- 
ticulieren op contract te laten exploiteeren. 

Dit een en ander vereischt echter nog nadere overweging, in verband 
met de uitkomsten der koffie-enquête, waaromtrent de toegezegde voorstel- 
len van Uwe Excellentie worden ingewacht. Intusschen behoort het bij g 
uitgedrukte voornemen des Konings geenszins te weerhouden van den af- 
stand van gronden in streken, die Uwe Excellentie reden heeft niet onder 
de bedoelde te rangschikken. Doch blijkbaar dient het Opperbestuur tot 
eene spoedige aanwijzing in staat gesteld. 

»Art. 10. De aanbieding, in art. 9 vermeld, geschiedt bij oproeping tot 
»openbare mededinging door inschrijving boven een telkens bepaald bedi'ag. 

»Eene duidelijke aanwijzing der aangeboden gronden wordt te gelijk in 
»de naaste dorpen bekend gemaakt!, met vrijlating aan de bestuurders en 
^ingezetenen, om, gedurende eene maand, hunne belangen ter zake aan 
»het Europeesch 'plaatselijk bestuur voor te dragen. 

y>T)Q inschrijving blijft vier maanden open. Binnen eene maand daarna 
»heeft toewijzing of weigering door den Gouverneur-Generaal plaats, beide 
»bij een met redenen omkleed besluit." 

Dit artikel brengt, door het beding: »boven een telkens bepaald bedrag*', 
op het financieel terrein. De — altijd plichtmatige — zorg voor 's lands 
financiën behoort bij de uitgifte van gronden in erfpacht, althans bij die 
op Java, geene te ondergeschikte rol te vervullen. Doch evenzeer moet 
blijken van den vasten vdl om gronden in erfpacht op billijke voorwaarden 
verkrijgbaar te stellen, om dit middel tot aanmoediging der vrije nijver- 
heid en tot vei'spreiding der hier en daar opeengehoopte inlandsche bevol- 



64 

king in het leven te roepen, om dus zijn welslagen niet door noodelooze 
belemmeringen in gevaar te brengen. 

Aan deze vereenigde eischen zal beantwoord worden, wanneer de Staat 
den erfpachter na een ruimen tijd van voorbereiding (men stelle vijfjaren), 
als minimum over de eerste twintig jaren der exploitatie oplegt omstreeks 
het gemiddelde per bouw der netto-ontvangst aan landrente over geheel 
Java, gelijk die thans is. In aanmerking nemende dat het erfpachtsrecht 
in allen geval onderworpen blijft aan de belasting van verponding (Indisch 
Staatsblad 1863, n«. 14), en dat het hier niet aankomt op eene nauw- 
keurige berekening der bedoelde netto-ontvangst, bepale men het minimum 
van pachtsom op ƒ 5 per bouw. Dit bedraagt alzoo minder dan hetgeen 
laatstelijk betaald pleegt te worden voor de in huur uitgegeven gronden; 
men zou voor erfpacht, die zoo veel langer duurt, zooveel beteren waar- 
borg aan den geldschieter verschaft, eer meer kunnen vorderen, maar het 
geldt een minimum waarboven de ondernemer bieden kan, en dat de uitgifte 
in erfpacht eene hoogere vlucht neme dan die in huur, wordt door de Re- 
geering zeer gewenscht. Voor de latere perioden'der erfpacht moet het mini- 
mum opklimmen. Men lette op de theegronden, die, na de eerste 20 jaren 
exploitatie, voor ƒ 24 tot ƒ 50 per bouw in huur genomen worden. Doch 
de Regeering wenscht zich ook dan met eene pacht beneden die sommen 
te vergenoegen. De hoogste pacht bedrage, even als volgens het bewuste 
ontwerp het maximum der landrente, f 20 per bouw. Trouwens worde niet 
nit het oog verloren, dat de erfpacht bestemd is om met der tijd in eigen- 
dom over te gaan. ïEer wij een twintigtal jaren verder zijn, zullen de beden- 
kingen welke nog tegen den verkoop van grooter stukken grond in Indië 
vernomen worden, vermoedelijk hebben opgehouden." Zoo luidt het hier- 
omtrent in de Memorie van Toelichting van 5 Februari 1869 (bladz. 10). 

Naar aanleiding van dit een en ander gelieve Uwe Excellentie bij de 
regeling der mededinging in acht te nemen: dat men inschrijve voor eene 
pachtsom in geld per bouw tot een afzonderlijk bedrag over: 

a, de eerste vijfjaren, 

h. de volgende 20 jaren , 

c. de volgende 20 jaren, 

d. den verderen duur der pacht; 

dat het minimum van pacht bedrage: voor hf5, voor c f i5, voor d ƒ 20 
per bouw; (dus voor a geen minimum) en dat de gunning geschiede aan 
het voordeeligst bod over de eerste 25 jaren. 



62 
»Art. li. Als erfpachters worlen toegelaten: 

^Nederlanders; 

«ingezetenen van Nederland; 

:»ingezetenen van Nederlandsch Indië; 

^vennootschappen van koophandel, gevestigd in Nederland of in Neder- 
landsch Indië. 

»Deze bepaling brengt geene verandering in de verordeningen, krachtens ait. 
»105 van het Reglement op het beleid der Regeering van Nederlandch Indië, 
«regelende de vooi^waarden der toelating van Nederlanders en vreemdelingen. 

»De Gouverneur-Generaal beslist in elk geval, of en welke ambtenaren 
«als erfpachters kunnen worden toegelaten." 

De aanwijzing der personen, als erfpachters toe te laten, is overgenomen 
uit het in de zitting van 26 Juni 1867 door de Tweede Kamer der Staten^ 
Generaal aangenomen art. 7 der ontwerp-erfpachtswet. 

Onder de benaming van vennootschappen van koophandel zijn, krachtens 
het wetboek, naamlooze vennootschappen begrepen. Van de burgerlijke 
maatschap behoefde geen gewag te worden gemaakt. 

De verordeningen, welke de tweede zinsnede van het artikel handhaaft 
{Indisch Staatsblad 1864 , no. 40 en 41 , 1866 , n«. 56 en 57), zijn alles- 
zins voldoende om Westersche en Oostersche vreemdelingen, waar die voor 
de openbare rust gevaarlijk mochten worden, in toom te houden. 

Eene strenge toepasssing dier verordeningen is tevens het ware middel 
tegen de slechte zijde van het landbezit der Chineezen. Meermalen is de 
wenschelijkheid betoogd om dit landbezit geheel te verbieden, in te krim- 
pen of tot zijnen tegenwoordigen omvang te beperken. Het laatste was de 
strekking van een voorstel, onder dagteekening van 16 Juli 1864, n®. 
645a/33, door Uwer Excellentie*s ambtsvoorganger gedaan. 

Zulke maatregelen zijn verwerpelijk voorgekomen. Daargelaten dat zy in 
overweging gegeven werden met het oog op zoodanig landbezit, waaraan 
verbonden is het recht om van de inheemsche bevolking belastingen in geld, 
producten of arbeid te heffen, is er, in het algemeen, geen reden om nij- 
vere vreemde Oosterlingen, die zich goed gedragen, van het landbezit uit 
te sluiten. 

Landsdienaren behoeven niet in elk geval van de erfpacht uitgesloten te 
worden. Even als men ambtenaar en te gelijk landeigenaar kan zijn, laat 
zich met eene ambtelijke betrekking zeer wel vereenigen het bezit in erf- 



63 

pacht van groote perceelen en te meer van de kleine stukken gronds (bui- 
tenplaatsen) ,. die volgens art. 18 in erfpacht zullen worden afgestaan. Eene 
onvoorwaardelijke toelating van landsdicnaren evenwel zou bedenkelijke ge- 
volgen kunnen hebben. Het geval kan zich toch voordoen, dat de belangen 
van 's lands dienst niet toelaten dat een ambtenaar zich ophoude met de 
aan het exploiteeren van gronden verbonden bemoeiingen, of dat hij door 
den invloed dien zijne betrekking hem verzekert of anderszins , eene onge- 
wenschte mededinging zou doen gelden. Daarom is het onderwerp geheel 
aan den Gouverneur-Generaal in handen gegeven en zal, bij inschrijvingen 
of aanvragen door ambtenaren, in elk geval beslist moeten worden of het 
bezit der in erfpacht aangeboden of aange\Taagdc gronden zich met hunne 
betrekking laat vercenigen. 

Aan Uwe Excellentie is het overgelaten te te beslissen, welke geldelijke 
zekerheid van de inschrijvers moet verlangd worden. Zij behoort aUeen te 
strekken tot een waarborg dat men met solide ondernemers te doen heeft. 
De geregelde voldoening der aan den lande verschuldigde betalingen wordt 
beter verzekerd door bepalingen omtrent het vervallen van het erfpachts- 
recht , voor zooverre die , in verband tot art. 733 van het Indisch Burger- 
lijk Wetboek, noodig worden geacht. 

»Art. 42. De in erfpacht aangeboden gronden worden uitsluitend gebe- 
»zigd voor landbouw en veeteelt en voor de inrichtingen tot bereiding der 
» voortbrengselen. 

»Papavercultuur en zoutmaak zijn verboden. 

DVoor het aanleggen van waterwerken op de erfpachtsgronden , en het 
^gebruik aldaar van bestaande waterstroomen of leidingen, is bijzondere 
»vergimning van den Gouverneur-Generaal noodig. De Gouverneur-Generaal 
)!» weigert deze niet, maar kan daaraan voorschriften verbinden ten alge- 
3>meenen nutte.** 

Voor andere dan de in alin. i aangewezen doeleinden (bijv. fabriekma- 
tige) kunnen volgens art. 8 tien bouws in eigendom, of krachtens art. 48 
vijftig bouws in erfpacht bekomen worden. 

De uitsluiting van papavercultuur en zoutaanmaak volgt noodwendig uit 
de gouvernements-monopoliën van opium en zout. 

Het waterbeheer bevindt zich nu reeds in handen van het Gouverne- 
ment, voor zooverre betreft de verdeeling van het water uit leidingen, 
van staatswege aangelegd. Van lieverlede zal meer moeten worden gedaan 
om dat beheer te regelen. Te dier zake gedraag ik mij aan mijn brief van 
45 Februari jl., lit. Aaz., n*. 28/207. Door de voorwaarden, aan het wa- 
terverbruik te verbinden, zal tevens gezorgd kunnen worden voor de be- 
langen van beneden de erfpachtsgronden gelegen dessa's. Voor weigermg 



64 

van de vergunning om waterwerken aan te leggen of van bestaande stroo- 
men en leidingen gebruik te maken, kan nimmer reden bestaan, omdat 
de grond, in geval zoodanige reden bestond, voor uitgifte in erfpacht niet 
geschikt zou zijn. 

^Art. 13. De in erfpacht afgestane gronden, de daarop geplaatste gebou- 
.))wen en opstallen en de voortbrengselen der gronden of der daarop ge- 
» vestigde inrichtingen van nijverheid, zijn onderworpen aan de bestaande 
»of in te voeren algemeene belastingen." 

Ook de vestiging van eene inlandsche bevolking op de erfpachtgronden, 
hoezeer gewenscht , mag niet aangemoedigd worden door ontheffing van al- 
gemeene lasten, aan welke even goed gedurende het verblijf op die gi'on- 
den kan worden voldaan. 

Bepaaldelijk zou, indien de erfpachter het in zijn belang mocht achten 
stukken grond aan inlanders ter beplanting voor eigen gebruik om niet 
af te staan, over zulke stukken landrente kunnen gevorderd worden tegen 
vrijstelling van erfpacht. Vermits tot dusverre geene verordeningen op de 
landrente van het Opperbestuur uitgingen , wordt de regeling van dit punt 
aan Uwe Excellentie overgelaten. 

Over personeele lasten handelt het volgend artikel. 

»Art. 14. De personen op de in erfpacht afgestane gronden zijn aan 
»de algemeene belastingen of verplichtingen onderworpen, voor zoover de 
»ligging der gronden dit gedoogt. 

))De persoonlijke diensten, waartoe de inlanders aldaar verplicht zijn, 
»worden door den Gouverneur-Generaal bij de aanbieding der gronden ora- 
»schreven. 

»Diensten ten behoeve van de op hoog gezag ingevoerde cultures zijn 
»niet verschuldigd. 

»De erfpachter bekleedt geen gezag dat aan de overheid behoort, voor 
»zoover het hem niet uitdrukkelijk is opgedragen." 

De twee eerste alinea's rusten op het beginsel bij het vorige artikel 
genoemd. Het zal uwe aandacht niet ontgaan, dat volgens dat beginsel 
persoonlijke diensten op de erfpachtsgronden alleen verschuldigd kunnen 
zijn door inlanders die daar in den staat verkeeren welke, elders dienst- 
plichtigheid medebrengt. Inzonderheid worde gelet op de verplichting van 
alle daartoe geschikte inlandsche ingezetenen tot het deelnemen aan nacht- 
wachten in de dorpen (art. 11 van het Reglement op de uitoefening der 
politie enz. onder de inlanders en daarmede gelijkgestelden). Men zal ver- 
moedelijk ook persoonlijke diensten behoeven voor het geleide van gevan- 



65 

genen naar de districtshoofden en zoodanige meer. Doch de regeling behoort 
geheel aan Uwe Excellentie. Evenwel zou eene algemeene verklaring dat 
de inlanders op 4e erfpachtsgronden aan de dienstplichtigheid onderworpen 
zijn (ofschoon zij in de contracten voor huur van gronden voorkomt), wel- 
licht te zeer afschrikken. Van daar de tweede alinea, die Uwer Excellentie 
aanleiding geeft na te gaan welke diensten onvermijdelijk zullen wezen. 
Cultuurdiensten ten behoeve van den Staat kunnen natuurlijk van de be- 
volking der erfpachtsgronden niet gevergd worden. 

De laatste alinea voorziet in het geval dat het oorbaar mocht blijken, den 
erfpachter in zake van waterbeheer of ter bevordering van politie, met 
eenige bemoeiing ten behoeve van het Bestuur te belasten. 

»Art. 15. De overige rechten en verplichtingen van den erfpachter , voor 
»zoo ver afwijking noodzakelijk is van de verordeningen van het erfpachts- 
»recht in het Burgerlijk Wetboek van Nederlandsch Indië , worden met op- 
dvolging van dit besluit bij ordonnantie omschreven". 

Omtrent de woorden: »voor zoover afwijking noodzakelijk is" worde ten 
overvloede gewezen op art. 785 van het aangehaalde wetboek. 

Dat niet mag worden afgeweken van art. 721 , als bevattende een voor- 
naam kenmerk van het erfpachtsrecht , zoodat de exploitatie van delfstoffen 
afzonderlijke regeling eischt, werd reeds in de inleiding van mijn tegen- 
woordig schrijven aangeduid. Art. 730 van dit wetboek betreft de burger* 
lijke bevoegdheid om, als eigenaar, eene buitengewone uitkeering, met de 
politieke bevoegdheid om belasting op overgangen van onroerende goederen 
te heffen. Afwijking van dit artikel komt niet noodig voor; maar in de 
voorwaarden van uitgifte zou kunnen aangeteekend worden, dat het geen 
inbreuk maakt op de bepalingen omtrent belastingen in art. 13 van dit besluit. 

Bij het stelsel, hierboven omtrent de te heffen pachtsom voorgeschreven, 
schijnt het niet onvermijdelijk den erfpachter de verplichting op te leggen 
om binnen zekeren tijd met de ontginning aan te vangen, eene bepaalde 
uitgestrektheid ontgonnen te hebben enz. Wordt toch eene pachtsom gevor- 
derd over den uitgegeven grond in zijn geheel, en niet enkel over het be- 
bouwde gedeelte, dan is het in het belang van den ondernemer zijn grond 
spoedig in cultuur te brengen. Van den anderen kant evenwel is het niet 
onmogeliyk, dat tegen eene aanvankelijk lage pachtsom gronden genomen 
en onbebouwd gelaten worden, daar het alleen te doen was om ze met 
voordeel weder van de hand te zetten. 

Na overweging van het voor en tegen gelieve Uwe Excellentie te beslissen. 

Misschien zullen ook de gevolgen moeten geregeld worden van eene door 
het Gouvernement goedgekeurde overdi*acht van een gedeelte der erfpachts- 
gronden, in verband met de onsplitsbaarheid der verplichting om erfpacht 

5 



66 

te voldoen, waarover gehandeld wordt in art. 728 van het Burgerlek 
Wetboek. 

In de ordonnantie ter uitvoering van dit artikel zal tevens eene straf 
moeten bepaald worden op morshandel in producten van Grouvemements- 
kofïituinen, tenzij in de algemeene strafwetgeving (die dan in de voor- 
waarden van uitgifte herinnerd zou moeten worden) middelen genoeg daar- 
tegen gevonden worden. 

»Art. 16. Gronden, die volgens art. 9 in erfpacht kunnen worden af- 
»gestaan, doch niet van gouvemementswege opgemeten, of, reeds opge- 
»meten, nog in de eerste drie jaren niet voor openbare aanbieding bestemd 
»zijn, en gronden, welker openbare aanbieding vruchteloos afliep, kunnen 
»in erfpacht worden afgestaan op aanvraag van personen en vennootschap- 
»pen, die voldoen aan art. 11." 

»Deze afstand geschiedt: 

»a. Nadat de gronden door of voor rekening van de aanvragers behoor- 
»lijk zijn opgemeten en in kaart gebracht of, waar dit van gouvcrnements- 
:!>wege heeft plaats gehad, de kosten daarvan door de aanvragers zijn 
» terugbetaald; 

y>b. Nadat voldaan is aan de tweede alinea van art. 10; 

»c. tot de aangevraagde uitgestrektheid, mits niet meer dan omstreeks 
» vijfhonderd bouws; 

»rf. voor den tijd in de aanvrage genoemd, mits niet langer dan vijf- 
en zeventig jaren; 

»e. tegen eene pachtsom boven het minimum bij art. 10 bedoeld; 

»ƒ. overigens op den voet der artt. 12 tot 15. 

»0p de aanvraag wordt door den Gouverneur-Generaal beschikt binnen 
»drie maanden na ontvangst der kaart of, waar de opneming van gouver- 
»nementswege heeft plaats gehad, der aanvraag. Bij afwijzing vermeldt 
»het besluit de redenen". 

Uit art. 9 volgt, dat ook de hier bedoelde perceelen moeten gelegen 
zijn buiten het volgens art. 6 omschreven dessagebied. 

»Art. 17. Overeenkomsten tot verhuur van gronden, krachtens het derde 



67 

T>M van art. 62 van het Reglement op het beleid der Regeering van Neder- 
»landsch Indië aangegaan, worden door den Grouverneur-Generaal, op aan- 
»zoek des huurders, vervangen door afstand in erfpacht volgens dit besluit, 
»mits die vervanging voor den lande voordeelig zij en overigens geene al- 
ï^gemeene belangen zich daartegen verzetten." 

De termijn van 75 jaren, voor de erfpacht bepaald, zal, bij vervanging 
van buur door erfpacht, gerekend moeten worden van het tijdstip der ver- 
vanging, wijl daarmede inderdaad het nieuwe recht een aanvang neemt. 

Uit de bepaling , dat de vervanging voor den lande voordeelig moet zijn, 
vloeit voort dat de pachtsom, die altijd het minimum, bij art. 10 bedoeld, 
zal moeten te boven gaan, niet geringer wezen mag dan de huur volgens 
de bestaande contracten. 

Wanneer de Indische Regeering eenig perceel, na afloop van het bestaande 
huurcontract, wenscht terug te nemen in het belang van het land of van 
de bevolking, laat het slot van het artikel daartoe de gelegenheid. Eene 
reden, om den verhuur niet te vervangen, zou bijv. kunnen gelegen zijn 
in de te groote uitgestrektheid van sommige buurlanden, hoezeer men, 
krachtens art. 9, niet gebonden is aan den omvang van 500 bouws. 

Overigens kan van geene ver\'anging van huur door erfpacht sprake zijn 
wanneer de huurgronden mochten vallen in de termen der bij art. 9 uit- 
gesloten gronden. 

Ten aanzien van verhuur van gronden mocht de vraag rijzen, of nu de 

« 

daartoe betrekkeUjke verordeningen {Indisch Staatsblad 4856, n^. 64, en 
de daaruit voortgevloeide) geene wijziging behoeven. Daaromtrent gelieve 
Uwe Excellentie mij haar gevoelen mede te deelen. 

]»Art. 18. Gronden, volgens art. 9 niet uitgesloten, kunnen aan perso- 
enen, die aan art. 11 voldoen, op aanvraag in erfpacht worden afgestaan 
»ter inrichting als kleine landgoederen of buitenverblijven, en voor onder- 
})nemingen van nijverheid niet onder art. 12 begrepen noch aldaar verbo- 
nden , mits betalende eene pachtsom , gelijk aan het hoogste bedrag der 
i>landrente of der belasting die haar vervangt; met toepassing voorts der 
»artt. 13 en 14, en onder de verdere voorwaarden door den Gouvemeur- 
»Generaal vast te stellen. 

nElk dezer pereeelen mag vijftig bouws niet overschrijden.'* 

Dit artikel voorziet, wat de kleine landgoederen aangaat , in eene sedert 
jaren erkende behoefte , die toenemen zal , naar mate de aanleg van spoor- 
wegen vordert. 

De hefiGing eener pachtsom , gelijk staande aan de hoogste landrente, geeft 
een voordeel aan 's lands kas, zonder een bezwaar te zijn voor den erf- 



/ 



68 

pachter, die van zoodanig perceel inderdaad beduidende inkomsten kan ge- 
nieten door beplanting, veehouderij enz. 

T^Art. 19. Onder inlanders worden in dit besluit niet mede verstaan de 
3>met hen gelijkgestelde personen." 

De noodzakelijkheid dezer bepaling, die berust op art. 109, alin. 1, van 
het Regeerings-reglement, springt in het oog, evenzeer als de wenschelijk- 
heid dat Uwe Excellentie in overeenstemming met den Raad van Neder- 
landsch Indië gebruik make van de bevoegdheid bij alinea 5 van dat ar- 
tikel verleend, om eene gelijke bepaling uit te vaardigen ten aanzien van 
art. 62 van het Regeerings-reglement en van de wet van 9 April. In al 
die verordeningen toch wordt van inlanders gewag gemaakt, zoowel waar 
sprake is van verzekering of beveiliging hunner rechten op den grond, als 
waar hunne bevoegdheid om die rechten aan anderen , geene inlanders zijnde , 
over te dragen, wordt beperkt. In het eerste geval kunnen onder de be- 
naming van inlanders geenszins bedoeld zijn de met hen gelijkgestelden; 
terwijl bij de beperking van des inlanders bevoegdheid om zijn grond te 
verhuren of te verkoopen aan niet-inlanders, onder deze laatsten de met 
inlanders gelijkgestelde vreemde Oosterlingen mede bedoeld worden. 

]»Art. 20. Dit besluit is, behoudens het bepaalde bij het tweede lid van 
«art. 27 van het Reglement op het beleid der Regeering van Nederlandsch 
«Indië, alleen van toepassing op Java en Madura. 

«De onderwerpen in dit besluit behandeld, worden voor elke der bezit- 
«tingen buiten Java en Madura achtereenvolgens, voor zooveel noodig^ ge- 
«regeld bij koloniale ordonnantiën, overeenstemmende met de wet en met 
«de hoofdbeginsels van dit besluit". 

Speciale toestanden kunnen in de Buitenbezittingen afwijkingen van het be- 
sluit, in de bijzonderheden, noodig maken, die hier te lande, althans voor 
iedere bezitting, niet te beoordeelen zijn. Daarenboven zou, in verband met 
art. 27 van het Regeerings-reglement, dat op de Buitenbezittingen eene zoo 
ruime toepassing vindt, bij elke bepaling te letten zijn op het aan de 
vorsten en volken gelaten zelfbestuur. 

Aan de Indische Regeering is dus overgelaten de vereischte regelingen 
te maken voor elke buitenbezitting «voor zooveel noodig". Waar geene aan- 
vragen om gronden in erfpacht te wachten zijn, bestaat aan zoodanige 
regeling geen dringende behoefte en is haar uitstel, met het oog op mo- 
gelijke verandering van omstandigheden, zelfs raadzaam. 

Maar daarentegen moet te meer vruchtbare ijver besteed worden om 
regelmgen tot stand te brengen voor die bezittingen, waar, gelijk op Su- 



69 

matra, verlangend wordt uitgezien naar de gelegenheid om gronden in 
erfpacht te bekomen. 

Vermits in de Buitenbezittingen, behalve Zuid-Celebes, schier geene ter- 
rein-opnemingen hebben plaats gehad ^ zal de afstand aldaar in den regel 
dienen te geschieden zonder openbare aanbieding, op aanvraag. Voor die 
bezittingen is Uwe Excellentie ook niet gebonden aan de minima, bedoeld 
bij het vermelde onder art. 10. 

In het besluit behoefde niet te worden vermeld dat het geene toepas- 
sing vindt op de particvliere landen j want deze vallen ook buiten de ter- 
men der wet van 9 April. Volgens de contracten, waarbij zij zijn afge- 
staan, en volgens het Indisch Staatsblad 4836, n*. 19, is het directe 
eigendomsrecht dier landen bij den landheer gevestigd, en geldt daar een 
bijzonder recht betreffende het grondbezit. 

Die rechtstoestand wordt bij de onderwerpelijke verordeningen onaange- 
roerd gelaten. 

Hiermede vlei ik mij Uwe Excellentie omtrent de strekking van het be- 
sluit voldoende te hebben ingelicht. 

In opvolging van 's Konings bevelen blijft mij nog over ter kennis van 
Uwe Excellentie te brengen, dat Zijne Majesteit bepaaldelijk verlangt de 
onverwijlde afkondiging en daarna de meest spoedige en onbekrompen uit- 
voering van Hoogstdeszelfs besluit, met last om, waar onzekerheid mocht 
rijzen, in den geest der ontvangen aanschrijvingen te beslissen liever dan 
nieuwe te vragen. 

Ten slotte heb ik de eer Uwe Excellentie uit te noodigen, jaarlijks 
omstandig verslag te doen van hetgeen ten gevolge der wet van 9 April 
en van het Koninklijk besluit van 20 dezer is verricht ter opneming in het 
Verslag , bedoeld bij art. 60 der Grondwet ; doch tevens bij het mail-rapport 
mij dienaangaande op de hoogte te houden. 



MEDEDEELINGEN AANGAANDE HET RECHTS- 
WEZEN IN NEDERLANDSCH-INDIË IN 
HET REGEERINGSVERSLAG 

over 1869. 



Op hem, die van nabij bekend is met den toestand der rechtsbedeeling 
in Neêrlandsch-Indië , is de totaal-indruk van het verslag deze, dat men 
een vergoelijkende verklaring geeft der onloochenbaar geworden vooze toe- 
standen, breed uitmeet de aangebrachte verbeteringen, zaken eindelijk die 
het rechtsgevoel al te zeer kwetsen, voorstelt als enkele afwijkingen waar- 
van het verkeerde grootendeels kan worden weggenomen. In één woord 
het geeft te kennen, dat het zoo erg niet is met den zieke. 

Eenige der opgaven in dat verslag te toetsen aan overbekende feiten 
of aan eigen waarneming, is het doel der volgende bladzijden. 



L 

In 4869 is de achterstand van revisiezaken bij het Hoog-Gerechtshof 
bijgewerkt, »zonder dat er nieuwe was bijgekomen." Deze toevoeging is 
inderdaad komisch. De verslaggever heeft de geheele waarheid gezegd. 
Het is bij het Hoog-Gerechtshof even als bij de Rekenkamer, er is altijd 
achterstand. Men werkt dien wel eens bij, maar dan ontstaat er dadelijk 
een andere. De verschillende achterstanden vormen vaak zelfstandige takken 
van dienst. De twaalfhonderd zaken, die den jongsten achterstand uit- 
maakten, bij de met drie raadsheeren (den vice-president daaronder begre- 
pen) rechtsprekende Elde kamer van het Hoog-Gerechtshof, waren door de 
kamer zelve niet bij te werken. Op zich zelf genomen moet men zich 
verwonderen, dat twaalfhonderd crimineele zaken onafgedaan kunnen blijven 



71 

bij een collegie dat die zaken met drie rechters behandelt. Men bedenke 
dat in artikel 100 der Wet op de Rechterlijke Organisatie in Nederland 
een getal van zeven Raadsheeren van den Hoogen Raad der Nederlanden 
v\rordt gevorderd voor de behandeling der cassaties in strafzaken, het on- 
derdeel der Nederlandsche rechtspraak dat met den werkkring van de lUe 
kamer van het Neêrlandsch-Indische Hoog-Gerechtshof de meeste over- 
eenkomst heeft. Het Indische Hof evenwel moet ook het feitelijke van de 
zaak beoordeelen, mag zich niet als die zeven raadsheeren uit den Hoogen 
Raad tot het rechtepunt alleen bepalen. Met drie rechters komt men ge- 
makkelijker tot eene beslissing dan met. zeven: tusschen drie mannen die 
eenigen tijd samen rechtspreken, discuteert men nog maar weinig meer; 
men kent elkanders argumenten en redeneertrant, en na een paar malen 
een honderd zes en veertig beklaagden in de week, drie-en-zeventig per 
zitting, samen te hebben berecht, zijn de inzichten over en weder bekend. 
Alles gaat dan allengs, sit venia verbo, van een leien dakje. 

De eenige moeilijkheid is, dat de zaken die te revideeren vallen , zijn 
behandeld geworden door griffiers van welke slechts de kennis van Hol- 
landsch (? de meeste zijn inlandsche kinderen), schrijven en rekenen wordt 
gevorderd; door ambtenaren van het openbaai' ministerie en andere inland- 
sche hoofden zonder eenige opleiding, de hoUandsche taal, waarin althans 
het vonnis behoort te worden gesteld, zelfs niet machtig; en eindelyk door 
een administratief ambtenaar bjj wien rechtskennis uiterst zeldzaam moet 
zijn, als voorzitter. 

Deze éénige moeil^kheid daargelaten, die echter niet gering te schat- 
ten is, zoo heeft men in Indië de zaak al zoo veel vereenvoudigd als mo- 
gelyk : drie raadsheeren om rechtspraak en feiten uit te maken, tegen zeven 
die in Nederland noodig woi*den geoordeeld om het rechtspunt alleen te 
beoordeelen. De advocaten maken het aan de Ille kamer ook al niet lastig; 
er zullen bij haai' geen 100 memoriën in revisie jaarlijks inkomen. Ook 
het openbaar ministerie in eersten aaideg (de dj aksa) maakt van dat middel 
natuurlijk een hoogst spaarzaam gebruik. Men zou dus zeggen, is er voor 
iemand die strafrecht heeft geleerd (en daar geeft de loopbaan van een 
Indisch rechterlijk ambtenaar gelegenheid voor tot walgens toe) een ge- 
makkelijke werkzaamheid uit te deidcen, dan is het die van de Ule ka- 
mer van het Indische Hof. De kennis van bijzondere instellingen, volks- 
:^den en gewoonten die men daarvoor noodig heeft, is niet groot; het 
zijn allen vonnissen op Java en Madura geveld. Wat meer is, zij zijn groo- 
tendeels van gelijken aard; het zijn misdrijven die niet hooger worden 
gestraft dan 10 jai-en kettingarbeid ; veediefstal is daarbij zoo overheer- 
sqhend, dat de naam dien men in het dagelijksch leven aan de kamer 
geeft, daaraan ontleend is. De afwisseling is zoo gering, dat de klacht over 
bet eentoonig^ en geestdoodende van dje werkzaamheden der kamer eene 



72 

gemeenplaats is geworden. De eenige verscheidenheid is, dat de raadshee- 
ren die deze kamer samenstellen, als rechtsgeleerde elementen van het 
Hoog Militair Gerechtshof optreden, eene onderscheiding waarover bijzon- 
derheden te vinden zijn in een stuk van mijne hand in de October-1870- 
aflevering van dit Tijdsclirift. De gevolgen blijven niet achter: §6 van het 
verslag vermeldt de klachten aan den tcgenwoordigen legerkonmiandant, 
gedaan bij zijne inspectie-reis over Java en Madura, over den geruimen 
tijd dien de zaken bij het Hoog Militair Gerechtshof aanhangig bleven. 

Hoe ontstaat dus dat periodieke schrikbeeld achterstand? Van vacanties 
wordt nimmer gebruik gemaakt. 

Eenvoudig omdat er te veel werk is. Het is niet mogelijk goed juri- 
disch wekelijks te revideeren drie en negentig zaken met honderd zes en 
veertig beklaagden (cijfers die het verslag aangeeft). Stel dat men twee- 
maal 's weeks gedurende zes uren beraadslage, dan kan de kamer aan 
ieder beklaagde nog geen vijf minuten besteden. Stel verder dat men de 
twee dagen der zitting nog vier uren arbeide, en de overige dagen acht 
um* (een reusachtige inspanning in een tropisch klimaat), dan maakt dit 
over zeven dagen acht en veertig studie-uren, en voor ieder beklaagde 
negentien minuten. Spreekt die becijfering luid genoeg? 

In 1869 waren er dan twaalfhonderd zaken achter. Het was een toe- 
stand als kort nadat, nu een zestal jaren geleden, de kundige Pels 
RucKEN het voorzitterschap der (toenmaals) He kamer had aanvaard, 
toen men met het stelsel van schipperen brak, en zoo juridisch mogelijke 
arresten wees; toen door herhaalde vernietigingen hunner uitspraken, 
gepaard met terechtwijzing, de L andraden werden gedwongen tot nakoming 
der door de wet geschreven vormen, tot groote ergernis der administra- 
tieve ambtenaren, die voor hun eigenlijk werk zoo veel minder tijd over- 
hielden. 

Men schreeuwde. Het was hard voor den ongelukkigen inlander die een 
juridisch vormelijke veroordeeling kocht met een zooveel langer voorloo- 
pige hechtenis. Maar de kamer^^,hield vol, en trad niet in consideraties 
van menschelijkheid of gemoedelijkheid, die de bestaande misbruiken zou- 
den hebben doen voortleven. 

Hadde men ook in 1869 volgehouden, en zich niet gehaast, maar een- 
voudig gedaan wat men doen moest, goede arresten, grondig overwogen en 
gewezen — de achterstand zou tot duizenden zijn gerezen, en het is niet 
onmogelijk dat het hardhoorende Nederlandsche geweten ten langen lesste 
zou zijn ontwaakt en de regeering zou hebben gedwongen tot verbetering. 

Maar helaas, men had medelijden met den inlander. De Ie en He ka- 
mer van het Hoog-Gerechtshof boden zich aan, dien achterstand van 
twaalfhonderd zaken bij te werken. En zoo werd bereikt de in het belang 
van het Batio Slot (in zooverre • heeft de verslaggever gelyk) ^gelukkige 



73 

uitkomst, dat bij het einde van 1869 de achterstand in de revisiezaken 
bij het Hof was bijgev^erkt, zonder dat er nieuv^e was bijgekomen." 

Van deze bereidwilligheid van de Ie en üe kamers is in het verslag 
(dat mij trouwens slechts uit het Weekblad van het recht bekend is) geen 
spoor te vinden. Misschien was de juiste toedracht der zaak den verslag- 
gever ontschoten. Aan het slot zegt hij evenwel, dat dit resultaat niet 
zonder buitengewone inspanning werd bereikt (lees: verkregen), en mis- 
schien wordt daarmede gedoeld op het hierboven medegedeelde. 

Dat die toestand niet houdbaar is, begrijpt ieder. Daargelaten nog het 
nadeel dat door eene dusdanige bijwerking van achtergebleven zaken door 
andere raadsheeren, wordt toegebracht aan de vastheid der rechtspraak, die zoo 
onmisbare leiddraad voor de Landraden gelijk die thans zijn samengesteld ; — 
zoo is het immoreel dat de Regeering dergelijke huismiddeltjes aanwendt bij 
een zoo ernstige ziekte. Rechtspreken is geen aangenomen werk. En wat voor 
earbied moet het publiek hebben voor zulk eene rechtspraak bij het mud? 

Waarlijk, het is tijd dat er verbetering kome. De revisie der landraad- 
zaken op Java en Madura behoorde over minstens twee kamers verdeeld 
te worden^ die niets anders te doen hadden. Voor de eenheid in de recht- 
spraak kan dat wijzen van arresten door twee verschillende kamers kwaad 
zijn, maar dit is licht te vermijden door het personeel onderling te laten 
rouleeren. Wanneer men dan het concludeeren namens den Procureur- 
Generaal daarbij niet meer toelaat, dan wanneer de kamer in bijzondere 
gevallen hem het proces in handen stelt, zal de behandeling der zaken 
reeds ongemeen worden vergemakkelijkt, en minder tgd kosten. Ook de 
gruwel der voorloopige hechtenis zal dusdoende verminderen, en wanneer 
men dan lederen last tot invrijheidstelling door den griffier telegrafisch 
liet mededeelen, en eindelijk aan alle rechterlijke coUegien de verplichting 
oplegde om, bij vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, de onmiddellijke 
invrijheidstelling te gelasten ^), zoude, aUes samengenomen, eene belangrijke 
verbetering zijn tot stand gekomen. 

» Wijzigingen in het tegenwoordig stelsel van revisie worden voorbereid, 
^waardoor het aantal in revisie te behandelen strafzaken aanmerkelijk zai 
vafiiemen". 



1) Dit kan aan geen redelijk bezwaar onderhevig zyn, bij het ongenaeeo ge- 
ring aantal vrijspraken die door het Hoog-Gerechtshof zijn vernietigd. Bedrieg 
ik mij niet, dan heeft dit wat vonnissen van Kaden van Justitie betreft, sedert 
de invoering der nieuwe wetgeving in 1848 slechts tweemalen plaats gehad. 

Men vergete ook niet, dat in de laatste jaren, zoowel in Pruisische als 
in Fransche nieuwsbladen, herhaaldelijk klachten zijn opgegaan over de Neder- 
landsch- Indische strafrechtspleging voor Europeanen in het algemeen, en den 
langen duur der voorloopige hechtenis, ook na vrijspraak door den Baad van 
Justitie, in het bgzonder. 



74 

Ziedaar aUes wat in h^t verslag in de paragraaf omtrent revcsü: wordt 
gezegd. Een betoog dat het tegenwoordig stelsel slecht is, ontbreekt. In 
welken zin zal het worden gewijzigd? Niet ia gehalte, maar zóó dat het 
goedkooper is, door minder zaken er aan onderworpen? 

Dat denkbeeld is verdeifelyk. De revisie af te schaffen, ook slechts ten 
deele, staat gelijk met wegneming voor dat deel der rechtspraak van den 
eenigen wezenlijken waarborg, dat de beklaagde inlander, Chinees en Ara- 
bier goed, z\j het dan geen spoedig, recht krijge. £n qoed recht moet toch 
altijd de eerste eisch zijn, spoedig de tweede en het goedkoope moet van 
zelf komen, want men mag het niet zoeken. 

Neemt ge de revisie, al is het maar ten deele, weg, dan komt daarvoor 
in de plaats almacht van den Landraad voor dat deel, en moet het recht van 
gratie telkens als correctie worden gebezigd. Deze gedachte kan slechts in 
een jQscaal brein zijn ontstaan. Tot z^ere hoogte zoude zij te verdedigen 
z\jn , wanneer een behoorlijk strafwetboek voor inlanders en daarmede ge- 
Ijykgestelden bestond, en rechtsgeleerden dat zouden toepassen; maarthans, 
nu de president zelfs dat niet is, en nu de usus forensis van het Hoog- 
Gerechtshof de ware strafwet is, en dus moeiUjk te kennen, nog veel 
moeiUjker toe te passen ! Dan liever nog administratieve afdoening , of de 
bevoegdheid van den administratieven ambtenaar als politierechter uitgebreid : 
dan WIST men ten minste dat het willekeur was, en naakte, niet gehuld 
in fraai rechterUjk costuunu 



n. 



Van aandrang tot verbetering d^r bestaande toestanden, uitgaande van 
het opperrechterhjk coUegie, is in het verslag weinig te bemerken. Geen 
wonder t Zoo herhaaldehjk is op de meest plechtige wijze door dat coUegie 
aangedrongen op zuivering van toestanden. En is het niet alles ydel ge- 
weest? Wat beteekent de indienststelling, een paar jaar geleden, van twee 
raadsheeren (die dan nog hunne wetgevende commissien behielden, en er 
dan ook, gehjk nu blijkt, niets van terechtbrachten) en een subtituut-griffier , 
bij zoo luid sprekende cijfers? 

Nog ligt het mij versch in het geheugen, hoe bij de overneming van 
het bestuur door den tegenwoordigen Gouverneur-Generaal , straks vijf jaren 
geleden, de president van beide Hooge Gerechtshoven, Mr. Rappard, aan 
het hoofd der te Batavia gevestigde leden van de rechterhjke macht en de 
balie, den nieuwen opperlandvoogd o. a. toesprak met de woorden: j>sedert 
» VELE JAREN, Excellentie, mist het Hoog-Gerechtshof van Nederlandsch-Indië 
}^de middelen om aan zijne roeping te beantwoorden , zijne rechtsmacht naar 
»bühooren uit te oefenen'*. En verder. »De gevangenissen zün pestholbn". 



75 

En hoe is het nu? Sedert nog veel kieer jaren, kan tn&n zeggen. 
Maar toch ééne poging van het Hof vinden wij vermeld, in de paragraaf 
over de Landraden. Ook deze is verijdeld, afgestuit op het traditioneele 
schennen met geruststellende woorden. En zoo gaat het met alle uitingen 
van het Hof, dat daartoe verplicht is doordien artikel 157 van het Regle- 
ment op de N. Indische Rechterlijke Organisatie aan hetzelve opdraagt een 
toezicht op den behoorlijken loop der rechtsgedingen en de werkzaamheden 
van alle rechtelijke collegiën. Ziethier wat de zaak was. Om de grifiiers bij 
de Landraden toch vooral himne ondergeschikte positie tegenover de voor- 
zittende ambtenaren niet te doen vergeten , had men, bij een Staatsblad van 
1862, hen uitdrukkelijk aangewezen als klerken op de residents- of adsistent- 
residents kantoren. Op behendige wijze was er bijgezet, dat de ^nctiën 
van grüïier steeds de hoofdzaak moesten blijven. Men stelle zich nu voor , een 
almachtig resident tegenover een griffier op 90, 100, 120 gulden tractement, 
inlandsch kind meestal, en wiens toekomst van den resident of adsistent- 
resident ten eenenmale afhankelijk is. Het spreekt van zelf , dat niet de grif- 
fier, maar de resident uitmaakt welk werk zal voorgaan. Nu beschouwen 
de residenten en adsistent-residenten , en terecht , zich allereerst als adminis- 
tratieve ambtenaren, en de i^chtspraak als bijwerk. Zeer natuurlijk! Hunne 
positie, hunne vooruitzichten hangen niet in het minst af van de wijze waarop 
zij hunne rechterlijke werkzaambeden verrichten. De Gouverneur^jeneraal moet 
nog gevonden worden, die een administratief ambtenaar om zijne tekortkomin- 
gen in dienstverrichtingen met de rechtsbedeeling in verband staande, zoude 
ontslaan. Bij lieden zonder rechtsgeleerde opleiding zou dat dan ook dwaas zijn. 

Die fraai klinkende bepaling van 1862 heeft, naar het oordeel van het 
Hoog-Gerechtshof, slecht gewerkt , gelyk te voorzien was. Dat opperrechterlijk 
collegie heeft daarom op de intrekking aangedrongen. De Indische regeering 
heeft bezwaar gemaakt op grond dat, als de bepaling werd nageleefd , er geene 
schadelijke gevolgen van te diichien waren. (Als waren die nog maar te 
duchten , dus toekomstig I) Het Hof zeide : de bepaling wordt niet nage- 
leefd. Ja, zegt de Regering dan: als zij wordt nageleefd, enz. — 

Een Staatsblad uitvaardigen waarin zoo'n formule staat, heeft men er wel 
voorover, want het kost niets. Het klinkt goed. Men zet er eenige^ophet 
ernstigste aanbevolen' *s bij ; men kan er over in het Regeeringsverslag spreken, 
en ... . de dingen blijven bij het oude en ondeugdelijke. 

Van andere werkzaamheden van het Hoog-Gerechtshofzwijgt het verslag. 



m. 

Ook van de Bad^i van Justitie wordt zoo goed als gezwegen. Hetontoer 
reikende van het personeel is bekend, vooral wat de pai*ketten betreft, 



76 

terwijl in Nederland (zie b. v. het Nederlandsch Weekblad van het Recht, 
No 2373) aan de parketten der kleinere arondissements-rechtbanken voor 
een officier van justitie en een substituut geen M'erk is. 

Te Samarang b. v. zit de griffier bijna immer als lid, — een curiosum uit 
de Indische rechterlijke organisatie (art. 122) dat in Nederland weinig 
bekend is en daar ook zijne wedergade niet heeft. Te Batavia heb ik het 
vaak zien gebeuren , en te Amboina is het, blijkens den Regeeringsalmanak 
van 1869, vast. De griffier komt daar als waarnemend lid voor. 

Te Batavia is, een paar jaren geleden, het personeel een weinig uit- 
gebreid. Ten onrechte, want de fout lag elders, namelijk in het veel te 
omvangrijk rechtsgebied van den Raad van Justitie aldaar. Dit omvat Ben- 
koelen , de Lampongsche districten , Palembang en verdere Oostkust van Su- 
matra, Riouw, Banka, Billiton, geheel Bomeo, en op Java de residen- 
ties Bantam', Batavia, Krawang, Cheribon en de Preanger Regentschappen. 
Er kan in de binnenlanden van Borneo geen klap gegeven worden door 
een Europeaan, of de zaak moet te Batavia berecht worden. Eene zaak van 
eenigen omvang kan, door de verbazend groote reis- en verblijfkosten der 
getuigen, meer kosten dan een Raad van Justitie als er op Padang , Ma- 
kasser of Amboina gevestigd zijn, in een jaar. 

Aan de pogingen van den Samarangschen Raad van Justitie om althans 
met één lid te worden vermeerderd , schijnt nog geen gevolg te zijn ge- 
geven. Alles hangt daar tegenwoordig af van de verkoudheid van een lid, 
den griffier of zijn substituut. Bij ontstentenis van ook maar een dezer, 
staan de zaken stil. 



IV. 



Belangrijk is de mededeeling over drie Landraden op Java. Die van 
Bondowosso, Kraksaan en Samarang moesten buitengewone hulp hebben. 
Ook daar was het schrikbeeld » Achterstand** niet meer te weren. — 

Welke die buitengewone hulp is geweest, hoe groot en van welk ge- 
halte, wordt niet gezegd. Een rechtsgeleerde is er zeer zeker niet mede 
belast geworden, hoewel bijna geen moeilijker werk is te denken, dan 
het bijwerken van een achterstand. De gemakkelijkste zaken behooren 
daar gewoonlijk niet toe. De moedeloosheid van hen die den achter- 
stand zich zagen verheffen, heeft gemeenlijk slordigheid met de proces- 
stukken ten gevolge gehad. De getuigen zijn de byzonderheden vergeten; 
de djaksa verwart de zaken met de loopende; kortom het is lastig werk. 
Misschien heeft men dezen of genen controleur of tuisistent-resident op 
zwart zaad er mede belast. Wat mij het waarschijnlijkste voorkomt, is 
dat men een der meest gebruikelijke Indische huismiddeltjes hebbe aan- 



77 

gewend, nl., krachtens artikel 64 van het Indisch Reglement op de Rech- 
terlijke Organisatie, een buitengewoon substituut-grüïier benoemd. Curieus 
inderdaad I 

Over het algemeen heeft een Landraad geen substituut-grifQer ; die op 
Java's drie hoofdsteden hebben er een, adjunct genaamd. De griffiers op 
andere plaatsen zijn dan ook inderdaad slechts klerken; en dezen nog een 
vasten substituut toe te voegen, zou wel iets belachelijks inhebben en 
den griffier te veel van een waren griffier, een zelfstandig rechterlijk amb- 
tenaar, doen krijgen. Maar nu hebben de Indische rechterlijke collegiën de 
bevoegdheid, om, wanneer de dienst der justitie dat vereischt , iemand aaix 
te stellen, genaamd »buitengewoon substituut-griffier" , buiten bezwaar van 
den lande, en onder nadere goedkeuring vau den Opperlandvoogd. Deze 
persoon heeft al de bevoegdheden van den griffier, maar is onbezoldigd 
in alle opzichten; waarborgen voor kennis enz. zijn overbodig. Bij de Java- 
sche Landraden evenwel wordt de buitengewone substituut-griffier dikwijls 
getrokken uit eene klasse, verre verheven in kundigheden en positie boven 
die waaruit de landraadsgriffier meestal voortkomt. Ik bedoel de contro- 
leurs en ambtenaren ter beschikking bij de landelijke inkomsten en cultu- 
res, lieden die wel meestal geen rechtskennis bezitten, maar dan toch den 
inlander kennen (beter dan het inlandsch kind , dat in den regel te trots ch 
is, om zich met den inlander af te geven), en aan de eischen van het 
groot-ambtenaarsexamen hebben voldaan. 

Volgens het verslag is den Gouverneur-Generaal, wat de rechtspraak der 
Landraden betreft (er wordt niet gezegd of het — alles is mogelijk — 
ook van die in burgerlijke zaken wordt bedoeld), door rapporten d er ver- 
schillende residenten op Java gebleken, dat de rechtspraak der Landraden 
in de meeste gewesten »zeer voldoende was te achten". Hoewel die resi- 
denten nu inderdaad al zeer bevoegde beoordeelaars zijn van hun eigen 
werk, zoo mag dit gevoelen niet zoo gaaf weg voor het ware worden 
gehouden. Tegenover die opvatting in den geest der spreuk : »tout est pour 
Ie mieux dans Ie meilleur des mondes possibles", wil ik, behalve mijn eigen 
waarneming, nog stellen de verklaringen van Mrs. H. O. van der Linden in 
het Indisch Weekblad van het recht, 3 October 1870, No 379 : J, J. Schneither 
(nog kortgeleden advocaat en procureur te Samarang) in de Nieuwe Rot- 
terdamsche Courant van 4 November 1869, en eindelijk van den volksverte- 
genwoordiger MirandoUe in de Februari-1867-aflevering van dit Tijdschrift. 

Het verslag zegt niet, in welk opzicht de toestand :» voldoende te achten 
is." Geldt het den tijd, waarin de zaken afloopen? Heeft geen Achterstand 
zich vertoond, die aan het batig slot dreigde te knagen of aan het geweten 
van het Nederlandsche volk? Of geldt het van de innerlijke waarde der 
genomen beslissingen? 

Ik veiTOoed 9Ók dat het woordeke » voldoende", zelfs met het gerust- 



78 

stellende »zeer", moet worden ofgevsi in den zin , gelijk examen-commifi^ 
sies het wel plegen te gebruiken , nl : niet goed , maar toch zóó slecht niet 
om slecht geheeten te worden. 

En dan >te achten is.*' Heeft men immer rekbaarder uitdrukking ge- 
vonden in een verslag, dat feiten behoorde te geven, niet beoordeeUngen, 
hetgeen het werk is der Staten-G^neraal , aan wie die feiten behooren te 
worden medegedeeld? 

Maar toch is in negen gewesten (Java telt er drie en twintig) aanlei- 
ding gevonden om de betrokken Residenten »met kracht" aan te sporen, 
ook voor de landraadzaken de controleurs en ambtenaren ter beschikking 
van de landelijke inkomsten en cultures meer aan het werk te zetten. Met 
andere woorden: in negen der drie en twintig gewesten was er iets, wat 
aan de rechtsbedeeling haperde. Wat? het wordt niet gezegd, maar bet 
was toch zóó belangrijk, dat men ]»met kracht" moest aanbevelen, een 
huismiddeltje, dat alevel voortdurend wordt aangewend, in sterker gifben te 
gebruiken. Of het verbeterii^ geven zal van dat geheimzinnige mankement? 
Wij hopen het. Vooruit is het moeihjk te zeggen, ten ware men tot de 
pessimisten mocht behooren, die van oordeel zi|n , dat gansche emmers wa- 
ter den wijn in het vat niet veredelen. 

Alles te zamen genomen, komt het mij voor, dat de opsteller van het 
verslag eigenlijk van dezelfde meening is alsMrs. MirandoUe, Schneitheren 
H. O. van der Linden, die allen de dingen van nabij hebben bezien. Mis- 
schien dat het »zeer voldoende te achten" van den verslaggever hetzelfde 
is als hetgeen die heeren er van verklaren, en als het ^^afschuwelijk 
slecht" , dat ik niet aarzel van de rechtspraak der Landraden in aUe opzich- 
ten te zeggen. 



V. 



Na de vermelding der buitengewone hulp wordt verder gezegd, dat 
het aantal leden van den Landraad te Bondowosso met twee werd vermeer- 
derd. 

Een van beide: het geldt hier een mutatie zooals er dagelijks plaats 
hebben en gemakkelijk plaats kunnen hebben, daar de landraadsleden, al- 
thans als zoodanig, onbezoldigd zijn, en dan ware vermelding onnoodig ge- 
weest; of men moet haar in verband brengen met de geconstateerde on- 
mogelijkheid om te Bondowosso, ook bij aanwending van alle huismiddelljes, 
geen Achterstand te hebben. En als dit laatste het geval is, moet ik ten 
sterkste protesteeren. Het is belachelijk , eene vermeerdering van het aan- 
tal der leden van een Landraad voor te stellen als een middel om achter- 



79 

stand bijgewerkt te krijgen en voor den vervolge te voorkomen. De leden 
spelen in de rechtspraak door inlandsche rechtbanken eene al zeer onbedui- 
dende rol; vooral bij de Landraden. Daar immers is de voorzitter hun chef, 
terwijl bij de Rechtbanken van Ommegang deze hen nergens bevelen kan ge- 
ven, en hij ze meestal niet of weinig kent. 

Aan de instructie der zaak nemen de leden geen deel; deze heeft óf de 
president in zijne qualiteit van resident of adsistent-resident gedaan , óf naar 
zijne bevelen de djaksa; in burgerlijke zaken heeft ook de griffier eenige 
voorbereidende werkzaamheden, de leden nimmer. Al wat dezen doen , is de 
terechtzitting bijwonen en met de eigenaardige sluwheid van den aanzien- 
lijken inlander berekenen, welken weg de zaak op moet, te oordeelen naar 
de houding van den voorzitter en de inkleeding zijner vragen, zoo op de 
terechtzitting, als in raadkamer. Dit alles in het gunstigste geval, dat de 
voorzitter zelfs onwetend geene pressie uitoefent. Eén ding weten de leden 
al, nl. dat de beklaagde meer dan drie maanden straf behoort te krijgen. 
Zoo niet, dan had immers de president de zaak wel op de politierol afgedaan , 
en zich de oneindig langer diu'ende en omslachtiger behandeling op de open- 
bare terechtzitting niet getroost. 

Ieder, die ook slechts de geringste ervaring van het inlandsch rechtswe- 
zen in Nederlandsch Indië heeft, weet dat de tegenwoordigheid der leden 
slechts een vorm is ; dat b. v. geen hunner aanteekeningen op de terechtr 
zitting houdt, en hunne kennis gelijk nul is; dat het eene ongehoorde 
zeldzaamheid is, wanneer tegen het gevoelen van den voorzittenden Euro- 
peaan in wordt gestemd ; en dat, indien het al eens gebeurt , dit altijd zijnen 
grond vindt in redenen die niet in aamnerking mogen komen , b. v. dienst- 
ijver, waarbij dan o. a. wel eens wordt geredeneerd: laat het Hof hem 
dan maar vrijspreken. 

Aan het opstellen van het vonnis heeft nog nimmer een lid deelgenomen. 
Hier en daar vindt men er een , die het taliter qualiter in de landtaal kan 
overbrengen. Ik heb er zelfs gekend, die maar weinig laag-Maleisch ken- 
den, zoodat eene conversatie van hen met een Europeaan uiterst moei- 
lijk ging. 

De voorstelling dus alsof de vermeerdering van het aantal leden op de 
behandeling der zaken bij den Landraad te Bondowosso zoude invloed heb- 
ben, is ongerijmd, hetzij dat ze in ernst wordt gegeven, hetzij dat men 
deze pitoyable mededeeling bij gebreke van belangrijker heeft ingelascht, 
als bewijs van waakzaamheid over en belangstelling in de rechtspraak over 
Javaan, Chinees en Arabier. 



80 



VI. 



Een inlandsch edelman benoemd tot de belangrijke betrekking van bui- 
tengewoon substituut-griffier bij een Landraad, na een examen in Hol- 
landsch lezen, schrijven en rekenen, schijnt voor een feit van gewicht te 
worden gehouden. De buitengewone helper van den schrijver van een 
inlandsch rechterlijk college een inlander. Merkwaardig I Vermeldenswaard! 

Stel u voor, dat een Duitscher eens in de HoUandsche couranten las een 
met zekere zelfvoldoening gesteld artikel, houdende dat een Hollander was 
benoemd tot gezworen klerk van de rechtbank te Rotterdam. Hij zou den- 
ken: die courantier drijft den spot met mij. Als er Hollanders zijn, knap 
en rechtschapen genoeg om rechters te zijn, dan zal toch ook wel een aan- 
tal Hollanders gevonden kunnen worden, bekwaam genoeg om somtijds den 
man behulpzaam te zijn die de beslissingen van die knappe en rechtscha- 
pen Hollanders in schrift stelt. 

Eene quaestie van bevoegdheid om in een Landraad te zitten, wordt nog 
breedvoerig behandeld, en daarmede schijnt alles gezegd, wat van de Land- 
raden op Java te zeggen was. — 

De gelden na zooveel strijd toegestaan om rechtsgeleerden te kunnen be- 
noemen tot presidenten der Landraden, zijn ongebruikt gelaten. Het schijnt 
schrikbarend moeilijk, daarvoor geschikte personen te vinden. Tot hiertoe 
was en nog steeds is het een bijbaantje van de administratieve ambtena- 
ren, en men kan dus meenen dat het zoo heel lastig niet zou zijn, men- 
schen op te sporen, die dat nu zelfstandig geworden postje zouden kun- 
nen waarnemen. Maar ze zijn plotseling niet meer te vinden. Men beweerde 
wel eens dat het stilzitten der Regeering ten deze te danken was aan 
gewichtige overdenkingen omtrent rang, titulatuur en costuum van de in 
beginsel reeds bestaande rechtsgeleerde Landraads-presidenten. 

Het verslag zelf noemt de dilatoire exceptie van advies inwinnen over 
allerlei plannen. In stede van te doen wat de hand te doen vindt, moet 
nu alles op ééns zóó volmaakt ineenpassen, zóó netjes werken, dat in af- 
wachting de zaken- slecht moeten zijn en blijven. De uitnoodiging tot advies 
is van Mei 1869. Wij schrijven reeds 4874. 



vn. 



De óf onbeduidende óf verderfelijke rol die het inlandsche hoofd in de 
rechtspraak speelt, wordt ^nimmer zuiverder waargenomen dan in die quasi- 
rechtbanken, waar geen Europeesch oog toezicht houdt. Mijne eigene erva- 
ring in eene der belangrijkste steden, Palembang, een brandpunt van Ma- 



81 

leische beschaving, heb ik in de aflevering van November 4870 van dit 
Tijdschrift medegedeeld. 

Op Java blijkt het niet beter te zijn. Men heeft getwijfeld, en dat 
beschouw ik als eene beleefdheid, aan de behoorlijke werking van de districts- 
en regentschapsgerechten. Zoo zegt het verslag. 

Die collegiën hebben geen onbeduidende rechtsmacht. Zij spreken recht 
over hetgeen zoo dagelijks in de inlandsche maatschappij voorvalt (art. 
79, 80, 83 Reglement op de Rechterlijke Organisatie, gecombineerd): alle 
vorderingen tusschen of tegen eigenlijke inlanders, beneden ƒ50; klachten 
tegen hen wegens mondelinge beleediging; verwonding van vee; beschadi- 
ging en veronachtzaming van het onderhoud van bruggen, wachthuizen, 
heggen en dergelijke; eveneens van straten^ wegen, waterleidingen en 
rivieren; het laten losloopen van vee of honden, wanneer daardoor schade 
is veroorzaakt; het niet opkomen bij wachten en andere dienstplichtighe- 
den , of het niet behoorlijk vervullen daarvan ; kleine dieverijen en vech- 
terijen, en dergelijke. Zes dagen gevangenis en ƒ 10 boete is de grens 
der bevoegdheid in strafzaken. 

Wat antwoordt het verslag op dien twijfel? Al wederom »kan de wer- 
king zoo geheel onvoldoende niet heeten." \fen erkent dus dat het beter 
kon. Op welke wijze? Welke veranderingen aan te brengen, om dat beter 
kunnen in beter zyn te herscheppen, wordt niet gezegd. Mij is de zaak 
duidelijk. De geheele instelling deugt niet, van den beginne af. En wan- 
neer de beginselen niet deugen 

Het kwaad ligt in het beginsel : de rechtspraak over den inlander door 
zijne hoofden. Een verfoeilijker is niet te bedenken, maar helaas! ook 

geen goedkooper. De rechtspraak door de hoofden kost niets (op 

Java althans). 

In zestien regentschappen, zegt het verslag, zoude over tien jaren geen 
enkele zaak van de bevoegdheid van het regentschapsgerecht zijn voorgeko- 
men. De verslaggever zelf zegt, het niet te gelooven. 

Deze mededeeling behoeft geen toelichting. Maar eene vergelijking kan 
dienst doen. Stel, dat Nederland eens werd veroverd, b. v. door den Ko- 
ning van Siam, en dat de Gouverneur-Generaal van dezen potentaat ons 
lief vaderland een rechtswezentje schonk , waarin b. v. zijne gedelegeerden 
rechtsmacht hadden, ongeveer als die van onze kantom*echters nu. Stel, dat 
na eenige jaren de Gouverneur-Generaal naar Siam rapporteerde, dat in 
Friesland b. v. in tien jaren zijn gedelegeerde geen enkele zaak had be- 
recht. Zou dan niet een van beiden plaats hebben: een homerisch gelach 
zou opgaan over den snuggeren wetgever, of een kreet van verontwaardi- 
ging zich doen hooren ; en hoezeer het Nederlandsche volk zich ook hadde 
gekromd onder den vieemden schepter, men zou den machtigen overheer- 

scher toeroepen: zie» die man dien gy ons als rechter gegeven hebt, is geen 

6 



82 

rechter; wij verduren liever het bitterste onrecht, dan zijne uitspraak in te 
roepen, want we weten dat die valsch zal zijn: geef ons een anderen rechter. 
Dat zouden Nederlanders doen. De Javaan niet. Deze draagt het juk 
gedwee; het ergste wat hij doet, is weggaan. Tot loon van zijne onder- 
werping laat de Koning van Siam — ik vergis mij, het Nederlandsche 
volk — hem onder den valschen rechter. 



VUL 



Met de rechtspraak der regenten en districtshoofden, zoo wijs op het 
papier gezet, zoo netjes behandeld in de Indische reglementen, is het vol- 
gens de mededeelingen in het verslag dus nog al treurig gesteld. In som- 
mige residenties (welke wordt niet gezegd, hoewel dat verschil misschien 
samenhangt met den verschillenden volksaard van Madurees, Javaan en 
Soendanees) is gedurende jaren bij de (het was dus regleme7itair , gelijk 
de militairen dat noemen) districts- en regentschapsgerechten geen enkele 
zaak te behandelen geweest; en gemiddeld hebben slechts een vierde der 
districtshoofden rechtgesproken. 

Men zou denken, het stelsel werd veranderd, of verandering althans in 
overweging genomen. Neen. Dat misbruik (een zonderlinge term waar van 
in het geheel geen gebruik sprake moest zijn) heeft de Regeering breeds 
tegengegaan". Het is dus zeker al verdwenen, op den oogenblik dat dit 
geschreven wordt. En men zou gaan gelooven, dat de circulaire die men 
heeft gezonden, »onder herinnering aan vroegere" (en, gelijk blijkt, met 
voortreffelijke uitkomsten bekroonde) aanschrijvingen^ tooverspreuken be- 
vatte. 

Want die maatregelen waarvan het verslag gewaagt, zijn niets dan al- 
weder cene circulaire, in onberispelijk Maleisch gesteld, stel ik mij voor, 
en in onnoemelijk aantal rondgezonden. 

De tegenwoordige regenten en districtshoofden op Java wijzen de kla* 
gers en procedeerlustige lieden eenvoudig af, ziedaar de moraal. Om hun 
dit af te leeren, wordt eene n^« circulaire gezonden. 

Deze zelfde lieden, of althans van hetzelfde slag, zijn het die, door den 
omgaanden rechter of een administratief ambtenaar voorgezeten , de Rechtbank 
van Omgang en den Landraad vormen. 

Na de uitspraak van den Landraad geniet de beklaagde Javaan, Chinees 
of Axabier (stel u een proces wegens bedriegeUjke bankbreuk voor), nog 
slechts de voordeden eener rechtspraak op de stukken, door drie rechts- 
geleerden, na gemiddeld negentien minuten studie door ieder van die drie, 
en vijf minuten beraadslaging tusschen hen onderling. 



83 



IX. 



Onder de rubriek Handelsrecht vinden we slechts ééne raededeeling waarbij 
protest noodig is. Er bestonden beperkende voorschriften voor de afmon- 
stering van schepelingen van Nederlandsche en vreemde schepen. Die zijn 
thans ingetrokken, doch alleen voor Nederlandsche scliepen. Vreemde blij- 
ven dus onder de slechte bepaling. Is het om den Indischen handel te ge- 
moet te komen, of de scheepvaart op Indiëaante moedigen? Zijn delasten 
voor den vreemden handel nog niet groot genoeg? Moeten we dan altoos 
voortgaan met den vreemden handelaai* reden tot verbittering te geven, 
een voorwendsel aan de hand te doen, om het ophouden van het Neder- 
landsch gezag te wenschen? 

Ook wordt de afschaffihg aangekondigd der hatelijke belasting op bur- 
gerlijke gedingen bij de Landraden. Kort geleden is daaraan gevolg gege- 
ven. Waarom alleen voor Java en Medura? Is het omdat elders de belas- 
ting niet wettig is? niet in het Staatsblad opgenomen? 



X. 



Aan de militaire rechtspraak wordt een afzonderlijke paragraaf gewijd, 
die steller dezes met zekere zelfvoldoening heeft gelezen, daar de lezers 
van dit Tijdschrift daarin bewaarheid bevinden wat hij in de aflevering van 
October 1870 over het militair rechtswezen in Indiö heeft moeten zeggen. 

Men klaagde (zegt het verslag, en de militairen klagen niet licht) bij den 
legerkommandant over trage behandeling der zaken bij het Hoog Militair 
Gerechtshof, en de te vaak voorkomende afwisseling en ontstentenis der als 
auditeur-militair optredende ambtenaren. 

Een geruststellende toevoeging: ^vooraieningcn blijken reeds genomen te 
zijn", wril ik echter tot de* ware 'grootte herleiden. 

Wat betreft de trage behandeling van zaken door het Hoog Militair Ge- 
rechtshof, is geenerlei voorziening genomen ; en dat kan ook niet. Al konden 
de militaire leden sneller werken, zij moeten immers toch gelijken tred 
houden met de rechtsgeleerde ambtgenooten; en deze martelaren van de in- 
landsche sti'afrcchtspleging hadden immers in hun eigen werk reeds twaalf- 
honderd zaken achterstaan, die anderen voor hen bijwerkten. 

De eenige voorziening dan, is die te Samaraug geweest. Daar werd een 
buitengewoon (niet fungeerend , gelijk de verslaggever zegt) auditem'-militair 
aangesteld. En sedert voegt men er blijmoedig bij, is de achterstand »op- 
gemimd", een niet zeer deftig woord. 

De achterstand bestond inderdaad op 27 Januain 1870 uit 80 zaken, 



84 

doch wijl de last aan den buitengewonen auditeur gegeven , beperkt was 
tot die welke op 4 Januari 1870 naar den krijgsraad waren verwezen, 
omvatte die slechts 60 zaken. 

Twee maanden daarna ging genoemde ambtenaar weg en liet een tien- 
tal zaken onafgedaan. 

Daar echter alle jaar te Samarang een achterstand van krijgsraadszaken 
ontstaat, was vier maanden later, blijkens de maileditie van het Nieuw 
Bataviaasch Handelsblad van 49 Augustus 4870 , reeds weder een nieuwe 
achterstand ontstaan, groot zeventig zaken; en iets later las men dat de 
reclames van ofTicieren (zaken die gewoonlijk voorgaan) na vijf maanden 
nog op een begin van gerechtelijk onderzoek wachtten. 

Over het militair rechtswezen buiten Java wordt in het verslag niet ge- 
rept. Hadde de inspectie van den energieken generaal Kroesen zich ook 
tot de Buitenbezittingen uitgestrekt, iets wat helaas! zoo goed als ondoen- 
lijk is , daar er allicht jaren mede zouden gemoeid zijn, — van zyne krach- 
tige persoonlijkheid zou een aandrang te wachten zijn geweest , zoo sterk, 
dat verbetering had plaats gehad. Nog onlangs zag men hoe veel de heer 
Kroesen kan gedaan krijgen. Sedert onheugelijke tijden kocht de inlander 
en Chinees militaire kleedingstukken op, en werkte hij aldus de demorali- 
satie van den soldaat in de hand. Een enkel administratief ambtenaar 
strafte deze opkoopers wel eens op de politierol, maar ook dit kan niet 
meer , sedert de Regeering (zonderling genoeg bij ecnc rechtspraak van bon 
plaisir, als de politierol) gratie verleende aan een Chinees van Meester- 
Cornelis, die zich aan een laakbaar feit van dezen aard had schuldig ge- 
maakt. Natuurlijk zou deze aangelegenheid met der tijd , bij het ))in behande- 
ling zijnde" wetboek van strafrecht voor den inlander en daarmede gelijk- 
gestelde, worden geregeld. De generaal Kroesen schijnt zich met deze ge- 
wone verschuiving niet te hebben tevreden gesteld, althans, kort geleden 
werden de betrekkelijke bepalingen van het wetboek van strafrecht voor 
Europeanen van toepassing verkhiard op den inlander en daarmede gelijk- 
gestelde, en aldus eene belangrijke schrede gedaan op den weg der ge- 
halteverbetering van het leger. 

Wij hopen nog veel van generaal Kroesen. De onhoudbare toestanden in 
de militaire rechtspleging, de schandelijke provoostliuizen of daarvoor die- 
nende localen, nog veel is voor hem te doen overig. Och hadde men aan 
het hoofd van iederen tak van dienst een man als hij, die de inertie 
overal weet te overwinnen! 

XL 

In § 7 van het verslag wordt voornamelijk de uitoefenuig van het recht 
van gratie besproken. 



85 

Misschien zou er geen belangrijker bijdrage van Regeoring.swege kunnen 
gegeven worden tot de kennis der rechtstoestanden in Neêrlandsch Indië, 
dan die welke deze § zegt in te houden. 

De uitoefening van het recht van gratie is een gevolg der proef, door 
het menschelijk gevoel genomen, op de som die het rechtsgeleerd vernuft 
der maatschappij heeft uitgewerkt. 

Hij die de verzoeken om gratie nauwkeurig naging, zou de Indische 
rechtstoestanden in al hunne naaktheid aanschouwen. Hier een verzoek om 
vermindering van straf, door den rechter die haar oplegde, ondersteund, wijl 
de strafwet is overgenomen uit eene wier overdreven gestrengheid , een erf- 
deel van vroeger eeuwen, eene schande is voor het overheerschend volk 
zelf, en eene dwaasheid in een tropisch klimaat; daar een pleitbezorger 
die zich op dè ongeloofwaardigheid van inlandsche getuigen beroept , en op 
de geconstateerde onmogelijkheid om op het godsdienstig gevoel der Chi- 
neesche klagers zoo te werken, dat men eenigen waarborg hebbe tegen 
meineedigheid; iets verder een veroordeelde die aantoont, dat hij slechts 
te kiezen had tusschen het misdrijf waarvoor hij veroordeeld is, en ver- 
guizing door zijne stam- en ambtgenooten, zoo hij het niet pleegde; dan 
weder een Europeaan die ongeroepen ' de goedertierenheid van den 
Opperlandvoogd inroept voor een bruinen natuurgenoot, het slachtoffer der 
rechtspraak van een inlandsch vorst, of — erger nog — van die in een 
gewest waar, gelijk het Regeenngsreglement, die codificatie der willekeur, 
dat noemt, :»de inlandsche bevolking is gelaten in het gekot harer eigen 
rechtspleging;" ten laatste misschien het smeekschrift van een gemoedelijk 
rechter, die, na het doodvonnis over eenige beklaagden te hebben uitge- 
sproken, heeft bemerkt dat een der inlandsche hoofden die als leden heb- 
ben zitting gehad, ook getuige in de zaak is geweest I 

Stof genoeg voor den opmerker. Meer nog voor onzen verslaggever. 

Zijn verslag is hier evenwel vrij schraal. Bij 's Konings geboortedag zijn 
334 lieden gegratiëerd. De overigen, dit zegt men er niet bij, zijn ge- 
tracteerd. Een en ander geschiedt om de viering van dezen dag luister bij 
te zetten. Het zoude echter nog veel luisterrijker en misschien ook men- 
schelijker zijn , die gratie telegrafisch bekend te maken daar waar het noo- 
dig was; althans, indien onmiddellijke invrijheidstelling er het gevolg van 
moet zijn, en niet enkel afslag van straftyd wordt verleend. Maar, wie 
heeft daarvoor tijd op zulk een feestdag! 

Niet één Europeesch militair is met den dood gestraft. Bewijst dit niet 
reeds, dat de doodstraf ook in Indië onhoudbaar is geworden, dan voor 
inlandsche grooten voor welke alle andere straffen zoo ongemeen licht zijn, 
en in enkele verbanning naar een oord van ballingschap bestaan ? — Waar- 
lijk, als de doodstraf op Europeanen niet is toegepast, moet er eene \Tij 
sterke overtuiging bij het publiek tegen bestaan. Noch het legerbestuur. 



86 

noch de Regeering, het is een bekend feit, zijn tot gratiebetoon zoo ge- 
neigd, als eenige jaren geleden, toen de omstandigheid datééne enkele der 
adviseerende autoriteiten lijfsgenade aanbeval, deze ook deed verleenen. 
Trouwens vóór de invoering van het overdreven strenge wetboek van strafrecht 
voor Europeanen was de praktyk van het strafrecht zeer zacht, te zacht zelfs. 

Toch zijn in 1869 nog slechts 29 van de 93 ter dood veroordeelden 
geëxecuteerd. De openbare meening is tegen de doodstraf, men weet dat 
de inlander vooral om die door ophanging weinig geeft. De executies van 
doodvonnissen die ik heb bijgewoond en zelf gedirigeerd, moesten een de- 
moraliseerenden invloed hebben. De veroordeelde had, volkomen wettig , acht 
gulden van wege de Regeering gekregen, en daarvan tweemaal vier en 
twintig uren de vi-ienden bij zich gehad onder het genot van opium. Met 
melati bekranst kwamen zij, nog onder den invloed van den opium, op het 
terrein der executie. 

De Regeering wil echter de zaak in de hand houden, en door gratie- 
verleening temperen. Een veelvuldig gebruik van het geheel voor buiten- 
gewone gevallen gegeven recht van gratie werkt echter altyd demoraliseerend ; 
de eerbied voor rechter en wet gaat er door verloren. 



xn. 



Een tip van den sluier die het inlandsch rechtswezen omhult, wordt 
bij het verslag over de uitoefening van het recht van gratie opgelicht. Het 
geldt die landstreken of crijkjes", gelijk het verslag ze noemt, waarbinnen 
de bevolking is gelaten in het bezit (art. 74 van het Regeeringsreglement 
spreekt van ge^iot, maar dat is anno 1870 wel wat bar) harer eigen 
rechtspleging. Het is niet algemeen bekend, dat inderdaad slechts in het 
kleinste deel van Neèrlandsch-Indië wordt rechtgesproken krachtens wetten 
van het N. I. Gouvernement uitgegaan, met andere woorden, in naam 
des Konings. 

Om mij b. v. eens te bepalen tot eene landstreek, met welke ik per- 
soonlijk eenige bekendheid heb, de residentie Palembang. Zij telt, blijkens 
den regeeringsalmanak van 1869, eene bevolking van 460,000 zielen, be- 
halve die van het rijk van den Sultan van Djambi, die op 76,000 wordt 
geschat. Welnu, van die 536,000, zijn er slechts 60,000, nl. de bewoners 
der hoofdplaats, die onder eene- rechtbank staan, door het Nederlandsch 
Indisch gezag aangesteld. De overigen leven onder rapats of onder recht- 
banken van den Sultan van Djambi. Van deze laatste is my in dit opzicht 
slechts dit bekend, dat door Z. H. uitgeleverde deserteurs mij herhaaldelyk 
hebben verklaard, na hun wegloopen uit de Nederlandsche militaire ves- 
tigingen te Djambi of te Moeara Kompehi rustig in het gebied van Z. H. 



87 

te hebben gewoond, één zelfs op de hoofdplaats, en door hem alleen 
daarom te zijn uitgeleverd wijl zij te lastig werden. Bij tractaat was de 
uitlevering van deserteurs beloofd; en deze tekortkoming doet mij weinig 
goeds vermoeden van des Sultans rechtspraak. Maar zekers weet ik er niet van. 

Wat ik echter wel ken, althans ten deele, is de rechtspraak in de aan 
Nederlandsch gezag onderworpen landen. Ook deze heet te zijn neigen 
rechtspleging". Desniettemin zit overal de controleur of adsistent-resident, 
mir nichts dirnichts, deze quasi-rechtbanken voor , slaat vonnissen, maakt, 
als de resident dat soms verlangt , zelfs processen verbaal van eene terecht- 
zitting, en laat een en ander teekenen met evenzoovele kruisjes als er leden 
in de zaak gezeten hebben. In die vonnissen staat geregeld: rechtdoende 
volgens 's lands hadat. 

De hadat wordt er echter niet in gevolgd, maar wel het goedvinden 
van den Controleur. Stel b. v. de Controleur, in eene afdeeling komende, 
vindt eene aanschrijving dat het moorden en doodslaan »met kracht" 
moet worden tegengegaan. Hoewel nu niet ééne wettelijke bepaling hem 
vergunt, in den rapat (welks rechtsmacht trouwens alleen op residents- 
besluiten berust) zitting te nemen, en zoo iets zelfs ongerijmd is, en in het 
stelsel der »eigen rechtspleging" niet past,' — komt hij nu in de eerste 
zitting waar een moord of doodslag >) zal berecht worden, en zegt : Gijlieden 
straft het anders met 100 rijksdaalders boete, maar daar moet een einde 
aan komen; de man dient gehangen te worden. leder^ vindt dat goed, 
vooral indien de beschuldigde niet vermogend is. 

Meer omslag wordt er met de hadat niet gemaakt. Feitelijk beteekent 
het woord: Goeddunken van den voorzittenden Europeaan. En dat dit al- 
tijd nog beter is dan de werkelijke hadat toe te passen , geef ik gaarne 
toe; want ofschoon men veel te angstvallig is , om aan die hadat te tornen, 
hoe gemakkel^k het m. i. zoude gaan , en hoe gaari^e de hoofden van die 
uiterst bezwarende verplichting om de rapat bij te wonen, zouden worden 
ontslagen, indien zij maar eenige bezoldiging kregen, zoo is de hadat hier 
en daar toch wel wat erg. 

De lezer vergeve mij, dat ik om dit toe te lichten, melding make van 
iets dat mij in 1868 bejegende. Ik voer toen de Lematang-rivier op, 
toen men mij als in het gezicht noemde een dorp waarvan ik mij herin- 
nerde , dat sommige bewoners in eene zaak op de hoofdplaats hadden ge- 
tuigd. Ik liet aanleggen en die lieden vragen, eens bij mij te komen. De 
krio o. a. kwam dan ook. Onder het gesprek vertelde hij my dat er een 
ongeluk in het dorp was gebeurd: een nog zeer jong kind was gedood 
door het neerkomen van een klapper dien de eigenaar niet bij tijds had 

*) Verschiidene dier hoeren, die ik heb leeren kennen, wisten hei onderscheid 
v»in die twee niet; en «anr zoudeo z\i het cok hebban geleerd? 



88 

geplukt. Deze schuldige zat al achter slot. De krio vroeg mij mijn gevoe- 
len. Nog weinig den inlander kennende, meende ik dat deze vraag niet 
enkel eene beleefdheid was, maar uit vertrouwen voortkwam. Ik infor- 
meerde dus eerst, of de klapper niet wormstekig was geweest. Neen, 
het was bepaald grove onachtzaamheid van den eigenaar geweest. Welnu, 
hernam ik, hij heeft dan wel schuld; maar hij had geen opzet, en het 
was nog zoo een jong kind, dat het mij voorkomt, dat hij aan den vader 
vijf rijksdaalders moet betalen, daar gij de bangoen (boete; letterlijk le- 
vend maken) voor een volwassen man op honderd stelt. God zal de ouders 
nog wel een ander kind geven. O', dat zou zeker, zij waren nog jong! 

Eenige dagen daarna terugkeerende , informeerde ik of er in dien zin 
besHst was geworden. Neen, zei men; uw vonnis (!) was wel goed, maar 
het is anders gedaan, dat is volgens de hadat, en dat had men liever. 
De eigenaar van den schuldigen klapperboom is veroordeeld om zijn zoontje 
van dien leeftijd aan den vader van het gedoode kind af te staan. Dat 
was ook reeds geschied. — En , zeide ik , indien ik nu eens de Controleur 
was geweest? Ja, dan had men die vijf rijksdaalders betaald aan de leden 
van den rapcU, 

Het is niet anders, lezer: in het Palembangsche heeft men een menigte 
geldboeten , omdat de rechters die ze opleggen , ze onder elkander verdeelen , 
met medewerken en goedvinden der gezagvoerende Europeesche ambtenaren. 
Bedrieg ik mij niet, dan legt het margahoofd, eigener gezag, de boeten 
beneden 12 rijksdaalders op; de hoogere de rapat (verzameling van mar- 
gahoofden, door den Controleur voorgezeten). 

Het geneesmiddel ligt voor de hand, en op Celebes is men reeds aan- 
gevangen het toe te passen : indienststelling van omgaande rechters. Thans 
is het eene naïeveteit, wanneer onze verslaggever zegt, dat meermalen 
de noodzakelijkheid is gebleken om gratie te verleenen , daar de opgelegde 
straffen afweken van die , opgesomd in art. 20 der }»Bepalingen ter regeling 
van eenige onderwerpen van strafwetgeving, welke eene dadelijke voorzie- 
ning vereischen," in het Indisch Staatsblad van 1848, No 6. Het is bo- 
vendien eene juridische ketterij. Dat artikel is niet geschreven voor die 
landen waar de inlander nog in het »genot" is van eigen rechtspleging. 
Een van beide, bemoei u met de zaak, en dan met de zaak zelve, en niet 
met een alleenstaand geval wat te verzachten; of bemoei er u niet mede. 
Geen gratie van enkele vonnissen, maar goede vonnissen , dat is een doel , 
de Nederlandsch-Indische Regeering waardig. 

En dat het in die neigen rechtspleging" nog al eens Spaansch toegaat, 
daarvan geeft het verslag twee voorbeelden, die wel is waar van het 
kwaad nog maar een zeer gering denkbeeld geven, maar toch vrij luid 
spreken. Zoo heeft men bij een verzoek om gratie (en deze zijn zeldzaam, 
want 1® het kost een zegel van f 2.40 en zegels zijn moeilijk te kr\jgen; 



89 

'2« het moet in 't Hollandschof althans Maleisch zijn geschreven, en daar- 
toe bestaat slechts hier en daar eenige gelegenheid), of misschien bij een 
aanwijzing van strafplaats [v^'ant de N. I. regeering voert nog wel de be- 
slissingen dier »eigen rechtspleging" uit], bemerkt, dat een rapat levens- 
langen dwangarbeid had opgelegd. Ook was er eene, zegt het verslag, 
buiten hare bevoegdheid gegaan. Men zou steller dezes ten zeerste verplich- 
ten met de mededeehng, welke die bevoegdheid is, nl. rechtens. Maar 
dit daargelaten, die rapat had volgens een oud en constant gebruik 
iemand het verder verblijf in zijne marga ontzegd , en hem een bepaald 
dorp in eene andere tot verblijf aangewezen (boewang soerat; letterlek: 
verbannen met een briefje). Volgens Nederlandsch-Indisch Staatsrecht 
behoort dergelijke beslissing (art. 46, 46 en 47 Regeerings-reglement) aan 
den Gouverneur-Generaal, in overeenstemming met den Raad van Indië. 
Maar uit dit stelsel kan men niet redeneerenin dat, volgens hetwelk het 
genot hunner eigen rechten aan de Palembangers, die der hoofdplaats uit- 
gezonderd, is verzekerd. Bovendien dat :& boewang soerat" is geen op 
zich zelf staand feit, maar een gebruik, dat een eigen naam heeft in de 
landstaal. 

Pogingen om althans een deel der rechtsmacht van de inlandsche vorsten 
tot zich te trekken, vroeger vaak met zoo goeden uitslag bekroond, schij- 
nen in 1869 niet te zijn aangewend. Men laat de zaken bij het oude, 
en zoo komt het dat, tei'wijl gemoedelijke Nederlanders zich verbeelden dat 
slavernij en rottingslagen in Ned. Indië zijn afgeschaft, het Europeesche 
bestuur der residentie Ternate b. v. nog steeds slaven aan den Sultan 
moet uitleveren, die wegens hun wegloopen met minstens honderd rotting- 
slagen zullen gestraft worden, terwijl de hoogste rottingstraf in het Ned. 
Indische strafstelsel bedroeg, in politioneele zaken twintig en in crimineele 
veertig slagen. 

Indien ooit de Tweede Kamer der Staten Generaal van haar kostbaar 
recht van enquête gebruik maakte om zich van den toestand der rechtsbe- 
deeling in Indië te vergewissen, zouden dergelijke feiten bij menigte aan 
het licht komen. Zij heeft slechts te gelasten dat aan haar ter inzage 
worden gegeven de vonnissen die b. v. in den loop van één jaar aan de 
parketten der Officieren van Justitie woi'dcn gezonden, ter opneming in het 
dwang-arbeiders-register. Deze verzameling gedrukt zijnde (het zoude eenig 
geld kosten) zoude het ware verslag zijn over 'den toestand der rechtsbedeeling 
in Neêrlundsch-Indië. 

Mr. C. P. K. WmcKEL. 



VARIA. 



In de }9editie voor Nederland'* van het »Nieuw Bataviaasch Handels- 
blad" van 12 Oct. 4870, n». 33, komt onder den titel: »het Tijdschrift 
en de Indische Spoorwegzaak", eene wederlegging voor van het artikel 
van Q. over de :!>Javasche Spoorwegzaak", in ons nommer van Augustus 
des afgeloopenen jaars. Als Redactie mengen wij ons niet in de quaestie 
tusschen de heeren Q. en v. L., maar nu laatstgemelde, in het nommer 
van 42 October, n®. 34, waar hij, naar aanleiding der, eveneens in ant- 
woord op het art. van Q. in Nederland uitgegeven brochure »Onver- 
plichte edelmoedigheid of gunstbetoon", nog even op die quaestie terug- 
komt, uitdrukkelijk zegt, wat hij reeds vroeger had geïnsinueerd, dat het 
artikel van Q. uit de bueaux van de Spoorwegmaatschappij in liet 
Tijdschrift werd binnengesmokkeld, moeten wij ten stelligste verklaren 
dat deze bewering volkomen bezijden de waarheid is. 



In de ^Locomotief ' van 17 Augustus jl. wordt in een artikel, getiteld: 
^domme Javanen en sUmme stadsgeneesheeren", het gebrek aan hulp van 
den Staat bij de epidemie te Samarang in 1868 en 1869, tengevolge 
waalman :»duizenden den grond met hun stoffelijk overschot gemest heb- 
ben", op eene voor ons raadselachtige wijze in verband gebracht met een 
artikel in ons April-nommer 1870, waarin de Stads-geneesheer van Sama- 
rang Dr. van Dissel verhaalt, dat de inlanders genezing zochten in het 
water eener bron bij Passar Ambengan, dat door honderden gekocht en, zonder 
vrucht, gebruikt werd. De bedoeling vag het artikel schijnt te zijn, dat 
de slimme Stads-doctor de aandacht poogt af te leiden van eigen plichtver- 



91 

zuim, door te wijzen op het bijgeloof der Javanen, dat hen in de won- 
derkracht eener bron meer heil deed. zoeken dan in de geneeskundige 
hulp der Europeesche doctoren. 

Wij merken hieromtrent op: !• dat in het door Dr. van Dissel mede- 
gedeelde feit geen zweem van een verontschuldiging te vinden is, aange- 
zien zoowel onverschilligheid en verzuim als ijver en plichtsbetrachting der 
geneeskundige autoriteiten volkomen bestaanbaar zijn met het zoeken van 
hulp in geheime krachten door de Javanen. Men vindt hetzelfde bij de 
lagere standen in Nederland, hetzij de stads-doctoren al dan niet ijverig en 
bekwaam zijn. 2® Dat er ook in de mededeeling van Dr. van Dissel geen 
zweem van een grond te vinden is, dat zij als verontschuldiging is bedoeld. 

De schrijver van het artikel schijnt het ook zoo dom niet te vinden, dat 
de Javaan herstel zoekt in bronwater, evenals zoovele lieden in Europa 
dat zoe'ken op de badplaatsen. Maar dit laatste geschiedt niet op aanbe- 
veling van een hadji, maar op aanbeveling van een geneesheer, en nadat 
de geneeskrachtige aard van het water door chemische analyse is gecon- 
stateerd. Toch zouden wij niet durven. beweren, dat ook daarbij het bijge- 
loof niet een zekere rol speelt. 



Men schrijft ons van Banda: 

»0p bladzijde 155 van het Regeeringsverslag van 20 September 1869 
vleest men: 

:^Muscaatnoten. Op de Ambonsche eilanden komt de muscaatboom alleen 
))in de Afdeeling Amboina in eenigszins noemenswaardige hoeveelheid voor. 
»Het product, dat algemeen voor beter wordt gehouden dan de Banda- 
^noten, wordt door de bevolking verkocht tegen ƒ0.20 of ƒ0.25 per katti." 

2>Geïnteresseerden te Ambon hebben waarschijnlijk deze beschouwing over 
de Ambonnoot in vergelijking van die van Banda den Minister door inter- 
mediair van zijne rapporteurs weten in handen te spelen. 

»De Minister had liever hieromtrent advies moeten vragen aan de be- 
voegde makelaars in specerijen te Amsterdam en Rotterdam, voordat hij 
zoo lichtvaardig de bewoners van Banda blootstelde aan mogelijk nadeel 
ten gevolge der miskenning van hun eenig product. 



Hetzelfde schrijven bevat ook nog het volgende: 

j»Op bladzijde 156 van het Regeeringsverslag komt voor: 

»Aan een ontdekt misbruik der Perkeniers om, als middel van preven- 



92 

]Dtiev6 aanhouding op hunne perken, blokken te bezigen, werd in Januari 
»1867 een einde gemsuütt". 

»Dit is eene grove onwaarheid. Tot 1867 moest, op last van het be- 
stuur, op ieder der 34 perken een blok aanwezig zijn, als middel om te 
straffen, en ook voor preventieve aanhouding. Die blokken werden bij de 
onderscheidene inspectiën zelfs door den Resident-Perkinspecteur nagezien, 
en er bestaan verscheidene voorbeelden dat tot in 1863 last werd gege- 
ven aan de perkeniers, om de blokken welke niet voldeden, door betere 
of nieuwere te vervangen. — Tot 1863 werden de perkarbeiders voor 
geringe overtredingen, volgens machtiging van bestuurswege, door de per- 
keniers zelven (buiten de politie) gestraft met drie nachten blokarrest 
(alleen des nachts te ondergaan) of met drie rottingslagen. De boschwach- 
ters en opzichters (Gouvernements politie-beambten) hadden te dien tijde 
mede de bevoegdheid, om op de perken zelven te straffen met zes tot 
veertien rottingslagen of veertien nachten blokarrest. Bij nog zwaardere 
vergrijpen werd de zaak eerst voor den President Perkinspectem* op de 
hoofdplaats Neira gebracht. Sedert 1863, nadat een der perkeniers ten 
onrechte door de Regeering, op eene lasterlijke aantijging van den toen- 
maligen Resident, wegens aanmatiging van gezag, en wel door het toe- 
passen van het den perkeniers tot dien tyd toegestane recht om boven- 
genoemde straffen op te leggen, crimineel was vervolgd, waren de perke- 
niers, ofschoon hun collega werd vrijgesproken, huiverig om die straffen 
verder toe te passen. Eerst in 1867 kwam last van Regeeringswege om de 
blokken op de perken te vernietigen. 

»Men ziet dus, dat het eene onwaarheid is te spreken van een »mis- 
bruik" der perkeniers, daar de straffen door hen opgelegd eenvoudig het 
gevolg waren van eene huishoudelijke regeling van bestuurswege sinds 
tyden in praktijk gebracht. Moet er gegispt worden, dan zijn alleen straf- 
schuldig: alle Gouverneurs van de Molukken en Residenten van Banda 
voor en van 1867." 



STUKKEN BETREFFENDE DE WETTELIJKE 
REGELING DER SUIKERCULTUUR. 



Even als wij de officiëele stukken betreffende de Agrarische Wet in dit 
Tydscluïft hebben medegedeeld en ook verder zullen mededeelen, naarmate 
de uiti-oering door koninklijke besluiten of koloniale ordonnantiën wordt 
geregeld , willen wij thans ook eene plaats inruimen aan de wet van 21 Juli 
1870 betrekkelijk de suikercultuur , en aan de voorschriften en beschouwingen 
omtrent die wet, vervat in het schrijven van den Minister van Koloniën aan 
den Gouverneur-Generaal van 23 Oct. jl., dat bij de discussiën over de Indi- 
sche begi'ooting aan de Eerste Kamer der Staten-Geueraal werd medegedeeld. 
Wij gelooven ook door de opneming van deze stukken een dienst aan onze 
lezers te bewijzen, daar weinigen in de gelegenheid zijn de ofïiciëele uit- 
gaven te raadplegen , en zij die deze gelegenheid niet missen , veelal opzien 
tegen'^de moeite om het Staatsblad en het Bijblad op de Staatscom*ant met 
zijne Bijlagen op te slaan, omdat de weg daarin moeilijk te vinden is, en 
de enkele stukken van blijvend belang daarin onder een massa stukken van 
onbeduidenden aard of slechts van voorbijgaand gewicht zijn bedolven. Wij 
doen dit te eerder, omdat wij verwachten dat ook naar aanleiding van de 
Suikerregeling, even als van de Agrarische Wet, beschouwingen en berich- 
ten van particulieren bij ons zullen inkomen, die dan in dezelfde rubriek 
kmmen worden geplaatst, en waaiby het een groot gemak zal opleveren 
deze officiëele bescheiden steeds dadelijk ter hand te hebben. Ook verdere 
besluiten en ordonnantiën der Regeering, de nadere regeling der suikerin- 
dustrie ten doel hebbende, zullen, naarmate zij in het licht verschijnen, 
in deze rubriek eene plaats vinden. 



94. 



I. 



DE WET VAN 21 JULI, 1870. 
(Staatshlad, No. 136.) 

Alzoo wij in overweging hebben genomen, dat nadere regelingen noodig 
zijn omtrent de op hoog gezag ingevoerde suikercultuur in Ned. Indië, en 
dat art. 60 van het reglement op het beleid der regeering aldaar , x'astge- 
steld bij de W€t van 2 Sept. 1854 {Staatsblad, No. 129), wijziging behoeft; 

Zoo is het, dat wij, den' Raad van State gehoord en met gemeen over- 
leg der Staten-Greneraal, hebben goedgevonden en verstaan , gel\jk wij goed- 
vinden en verstaan bij deze. 

Art. 1. 

Ten aanzien van de op hoog gezag ingevoerde suikercultuur wordt art. 
56 van het reglement op het beleid der regeering van Nederlandsch Indië, 
met uitzondering van de laatste alinea vervangen door de volgende be- 
palingen i): 



') Art. 56 van het Kr. luidt rUIus : 

//De Gouverneur-Generaal houdt de op hoog gezag ingestelde eultured , zooveel 
doenlijk, in stand, en zorgt, in overeenstem ni ing roet de bevelen des Konings : 

»W Dat die cultures niet in den weg staan aan de teelt van genoegzame 
voedingsmiddelen ; 

//2<^. Dat, voor zoover die cultures plaats hebben op gronden, door de in- 
landsche bevolking voor eigen gebruik ontgonnen, de beschikking over de gron- 
den geschiedt met billijkheid en met eerbiediging van bestaande rechten en ge- 
bruiken ; 

»3<^. Dat bij de verdeeling van den arbeid dezelfde regelen worden in acht 
genomen ; 

//^^é Dat de belooning der betrokken inhtnders, met vermijding van schade- 
lijke opdrijving, zoodanig zij, dat de Gouvemements-cultures hun, b^ gelijken 
arbeid, ten minste gelijke voordeden opleveren als de vrije teelt; 

ir5*. Dat zooveel doenlijk opgeheven worden de bezwaren, die, na een opzet- 
telijk onderzoek» mochten bevonden worden, ten aanzien van die, cultures te 
beslaan, en 

ir6®. Dat alzoo worde voorbereid eene regeling, steunende op vrijwillige over- 
eenkomsten met (Ie betrokken gemeenten en personen, als overgang tot cenen 
toestand waarbij de tusschenkomst des bestuurs zal kunnen ivorden ontbeerd. 

//In het verslag, bedoeld bij het eerste lid van art. 60 der Grondwet, wordt 
jaarlijks mededeeling gedaan van de maatregelen door den Gouverneur- Generaiil, 
naar aanleiding vnn dit artikel genomen.*' 



95 

i<^. Nieuwe invoering van de suikercultuur op hoog gezag heeft niet plaats. 

2^. Waar zij bestaat, eindigt de beschikking over gronden, door de 
inlandsche bevolking voor eigen gebruik ontgonnen, met den aanplant van 
het jaar 1890. Na den aanplant van het jaar 1878 wordt, behoudens de 
rechten bij het in werking treden van deze wet verkregen , die beschikking 
voor elke onderneming jaarlijks trapsgewijze verminderd. 

3«. Bij de regelingen en overeenkomsten ter zake neemt de Gouverneur- 
Generaal in acht: 

a. Dat geene onderneming op hoog gezag worde voortgezet, waar de 
druk voor de bevolking, in verband met de voorschriften van deze wet 
beschouwd, overschrijdt hetgeen het financieel belang van den Staat in 
billijkheid vorderen mag; 

b. Dat gelijktydig over niet meer dan één vijfde der velden van elke 
betrokken dessa worde beschikt, tenzij de bevolking zelve afwijking van 
dit voorschrift verlange; 

Ci Dat de bevolking voor de afgifte van den grond behoorlijk worde 
schadeloos gesteld en voor haren arbeid behoorlijk betaald; 

d. Dat de tusschenkomst des bestuurs tot beplanting met suikerriet 
van de bij 2* bedoelde gronden, zoo spoedig doenUjk, in overleg met den 
fabrikant ophoude; 

e. Dat de middelen tot verwerking van het riet geëvenredigd zijn aan de 
uitgestrektheid van den aanplant; 

f. Dat voor het drijven der molens of andere toestellen niet beschikt 
worde over water, benoodigd voor den eigen landbouw der bevolking; 

g. Dat tot het verkrijgen van arbeiders en verdere hulpmiddelen, zoo 
voor het snyd^i en vervoeren van het riet, voor werkzaamheden in en bij 
de fabriek , voor den afvoer van de suiker , als anderszins , de tusschen- 
komst des bestuurs aan de ondernemers niet verleend worde buiten vol- 
strekte, telkens te bewijzen onmisbaarheid; 

h. Dat aan den lande een billyke cijns verzekerd worde, zoowel over 
het product van den vrijen, als over dat van gedwongen arbeid; 

t. Dat elke overeenkomst en elke wijziging , beide terstond na de sluiting, 
worde openbaar gemaakt in het ofiflciëele nieuwsblad. 

Art. 2. 
Art. 60 van het voormelde reglement wordt voortaan gelezen als volgt : ') 



1) Vroeger luidde art. 60 als volgt: 

ffDe Ooaverneur-Generaal moedigt den handel, de nijverheid en den landbouw 
aan en zorgt ook, ter bevordering daarvan» voor bet aanleggen of ia etand 
honden van markten (passara). Hij waakt, met eerbiediging van verkregen rechten, 
dat op die markten geen belastingen worden gelieven". 



06 

>De Gouverneur-Generaal zorgt dat aan nuttige bedreven geene noode- 
looze belemmeringen in den weg gelegd worden of blijven; 

Behoudens verkregen rechten worden op de markten (passars) geene be- 
lastingen geheven". 

Lasten en bevelen, enz. 



II. 



Brief van den Minister van Koloniën aan den Gouverneur-Generaal, 
behelzende toelichting der wet van 21 juli, 1870. 



's Gravenhage, 23 Octobei- 4870. 

Bij mijne depêche van den 28sten Juli jl., lit. A**. , n®. 48/1051, deed 
ik Uwe Excellentie een afschrift toekomen der wet van 21 Juli jl., hou- 
dende nadere regeling van de op hoog gezag ingevoerde suikercultuur en 
wijziging van art. 60 van het Reglement op het beleid der Regeering in 
Nederlandsch Indië, met verzoek om voor de onverwijlde afkondiging der 
wet zorg te dragen. Tevens deelde ik Uwe Excellentie mede, dat de ver- 
dere uitvoering zal moeten plaats hebben in overeenstemming met de be- 
velen, die de Koning, na raadpleging van den Raad van State, nader door 
mijne tusschenkomst aan haar zou doen toekomen. 

Over de beteekenis en de uitvoering van het tweede artikel der wet 
had ik reeds de eer Uwe Excellentie te onderhouden bij m\jne depêche 
van den 17den Augustus jl., lit. A**. , n®. 31/1136. Nopens de uitvoering 
van het eerste artikel, waarbijj de op hoog gezag ingevoerde suikercultuur 
nader is geregeld, bood ik den Koning op den 18den Augustus jl. eene 
voordracht aan, waarop de Raad van State is gehoord. Het gevolg dezer 
ovei*weging is dat ik mij , blijkens een KoninkUjk Kabinetsrescript van den 
16den dezer, n^. 3, gemachtigd vind om Uwe Excellentie betreffende de 
regeling van de gouvernements-suikercultuur de volgende voorschriften en 
beschouwingen mede te deelen, welke haar, bij de verdere behandeling 
van deze aangelegenheid, ten leiddraad zullen strekken. 

In het algemeen is de uitvoering van de wet aan Uwe Excellentie op- 
gedragen. De volgende hoofdpunten komen daarbij in aanmerking : 

A. de besch&king over grond voor den aanplant van suikerriet; 



97 

B. de aanplant met inbegrip van het onderhoud ; 

C. de beschikking over water voor het di-ijven van de molens of an- 
dere toestellen; 

D. de fabriek ; 

E. het werkvolk voor dien arbeid, welke niet als tot den aanplant be- 
hoorende wordt gerekend. 

Bij de behandeling van deze onderwerpen behoort wèl te worden onder- 
scheiden wat tot het gebied der verordeningen of maatregelen van het 
Gouvernement, en wat tot de overeenkomsten met de fabrikanten moet 
worden gebracht. 



A. De beschikking over grond voor den aanplant van het suikerriet. 

Dit is een van die onderwerpen, welke geheel tot den werkkring van 
het Gouvernement behooren, waaromtrent het Gouvernement geene con- 
tractueele verplichting heeft op zich te nemen. Hetzelfde geldt dus ook het 
voorschrift van art. 1, n®. 3 6, der wet, dat :»gelijktijdig over niet meer 
dan een vijfde der velden van elke betrokken dcssa worde beschikt, tenzij 
de bevolking zelve afwijking van dit voorschrift verlange", en de bepaling 
der volgens n®. 3 c aan de bevolking verschuldigde behoorlijke schadeloos^ 
stelling voor de afgifte van den giond. 

Onder het een vijfde der velden van elke betrokken dessa in art. 1 , 
n". 3 6, der wet bedoeld, is begrepen de oppervlakte, benoodigd voor we- 
gen, slooten, goten of grebben, welke niet tot algemeen gebruik strek- 
ken, maar uitsluitend ten behoeve der bewaking en bewerking van het 
riet door en om de suikerrietvelden zijn aangelegd, zoo ook de opper* 
vlakte benoodigd voor karrewegen door en om de suikerrietvelden, waar 
deze wegen onmisbaar zijn om den ondernemer de gelegenheid te ver- 
schaffen het riet van de velden te vervoeren. 

Daar de schadeloosstelling aan de bevolking voor de tijdelijke afgifte van 
den grond, aan het Gouvernement zal moeten worden terugbetaald door de 
fabrikanten, moeten deze hetzelfde recht hebben als de ondernemers van 
wie sprake is in de laatste alinea van art. 71 der bepalingen, regelende 
de onteigening ten algemeenen nutte in Nederlandsch Indië (Indisch Staats- 
blad 1864, n». 6), onder welke verordening deze schadeloosstellingen val- 
len. Indien echter het in het vervolg van dit schrijven aangegeven denk- 
beeld mocht worden verwezenlijkt, om den fabrikant contractueel te ver- 



98 

plichten tot het terugbetalen van eene vaste som wegens deze schadeloos- 
stellingen, dan kan te zijnen aanzien van eene toepassing van art. 71 
moeilijk meer sprake zyn. Wèl, indien hij zich verbindt tot het terugbe- 
talen van eene som beneden zeker maximum, daar hij dan met de scha- 
deloosstelling geen genoegen zou kunnen nemen ^ op grond dat zij nog 
lager beneden het maximum behoorde gesteld te worden dan reeds het 
geval mocht zijn. 

Het bedrag der schadeloosstelling zou door het Bestuur, na de bevol- 
king van de dessa's binnen den kring van elke onderneming te hebben 
geraadpleegd , telkens voor vijf jaar kunnen worden bepaald naar de soort 
van gronden en naar den huurprijs dien de inlanders in de betrokken streek 
onderling gewoon zijn te nemen. Daarbij zal er op moeten worden gelet 
of de landrente al dan niet begrepen is onder dien huurprijs. Onder de 
hooge huursommen die in sommige stukken , onder andere in de bijlagen 
van Uwer Excellentie's depêche van den 18den Januari jl., n'. 65/14, 
betreffende de suikeronderneming Pagongan, worden opgegeven, was de 
door den verhuurder te betalen landrente begrepen. 

De loop der zaak zal dus in de meeste gevallen zijn als volgt: Het Be- 
stuur tracht het bedrag der schadeloosstelling op eene billijke wijze, ten 
genoege van de rechthebbende bevolking en van den fabrikant , zoo moge- 
lijk telkens voor een tijdvak van vijf jaren, te regelen. Daartoe kan van 
Regeeringswege eene commissie van onderzoek worden benoemd, die de 
rechthebbenden hoort en verslag uitbrengt, met vermelding van het bedrag 
der schadeloosstelling, waarop billijke aanspraak kan worden gemaakt. Ver- 
klaren de rechthebbenden dat zij met de schadeloosstelling geen genoegen 
nemen, of wel de ondernemer dat hij de schadeloosstelling door den rechter 
wenscht begroot te zien, dan staat het aan ieder dier partijen vrij zich 
op den i*echter te beroepen. Deze procedure verhindert niet dat intusschen 
door het Gk)uvernement over de velden, krachtens de verordeningen op de 
suikercultuur (de wet van 9 April 1870 spreekt op dit punt niet van al- 
gejYieene verordeningen), worde beschikt. 

Aan Uwe Excellentie verblijve de beslissing , of men zal voortgaan land- 
rente over de afgegeven velden te heffen. Theoretisch beschouwd schijnt 
het natuurlijk dat geen heffing van landrente plaats heeft, waar zy toch 
als schadeloosstelling wordt terug betaald. Maar indien de bezwaren, tegen 
het niet heffen van landrente over de voor de gouvernements-suikercultuur 
gebezigde velden meermalen aangevoerd , niet zijn uit den weg te ruimen, 
hetgeen plaatselyk moet woixien beoordeeld, kan men zich dienaangaande 
aan de bestaande regeling houden. 



99 

B. Aanplant met inbegrip van onderhoud. 

Het Gouvernement moet zich jegens den fabrikant verbinden jaarlijks 
cene bepaalde uitgestrektheid velden met suikerriet te doen beplanten over- 
cenkomstig artikel i , n*. 2, der wet. Daai*bij wordt dus tevens de traps- 
gewijze vermindering bepaald, die naden aanplant van het jaar 1878 aanvangt. 

Insgelijks zal het Gouvernement de verplichting moeten op zich nemen, 
om de aanplanting zooveel mogelijk in dier voege te leiden, dat het riet 
achtereenvolgens tot rijpheid kome om op de voor de fabricatie meest voor- 
deelige tijdstippen te worden vermalen, — voorts om het suikerriet, van 
gouvemementswege voor den ondernemer aangeplant , wanneer het tot vollen 
wasdom gekomen is, aan hem ter verwerking over te geven. 

Het Gouvernement verbindt zich mede tot verwisseling van de velden 
op de gebruikelijke wiijze, zoolang hierover niet, by voorbeeld ten gevolge 
van bemesting, anders is overeengekomen. 

Daarentegen moet de fabrikant zich verbinden mede te werken tot het 
overleg, bedoeld bij artikel 1, n*. 3, d, der wet, ten einde de tusschen** 
komst des Bestuurs bij de beplanting zoo spoedig doenlijk te doen ophou- 
den,^ zoodat het Gouvernement zich kunne bepalen om de bedongen uitge- 
strektheid velden ter beschikking van den fabiikant te stellen. 

Ook neemt hij de verplichting op zich om de bevolking de toppen van 
het suikerriet, in het vorige jaar geplant, te laten bezigen voor stekken 
(bibiet), overeenkomstig het bepaalde in art. 7, eerste alinea , van het con- 
cept-suikercontract, volgens de regeling van 1863 (Bi^blad op het Staats- 
blad, n». 1519). 

Zoolang de velden door tusschenkomst des Bestuurs worden beplant , be* 
hoort de geheele regeling van den aanplant, ook die der betaling van de 
daartoe aangewezen arbeiders , aan het Bestuur. Evenwel zou er geen over- 
wegend bezwaar bestaan tegen het overnemen van de 2de en 3de alinea's 
van art. 7 van het voormelde concept-suikercontract, betreffende de be- 
voegdheid van den ondernemer , hetzij om te vorderen dat stekken van be- 
tere rietsoort worden geplant en dat bemesting plaats vinde , hetzij om zyne 
verzoeken en opmerkingen tot het hoofd van gewestelijk bestuur te richten. 

Ten opzichte van den aanplant zal dus door Uwe Excellentie moeten wor- 
den geregeld: 

1^. de aanwijzing van de bevolking die planten en onderhouden moet; 

20. de x^behoorlgke" betaling van die bevolking voor haren arbeid; 

3*. de betaling (als die Uwer Excellentie noodig voorkomt) van de in- 
landsche hoofden. 



100 

Omtrent liet eerbtc punt zijn van wege het Upperbestuur geene voorschrif- 
ten te geven. 

Omtrent het tweede punt zal er op moeten worden gelet, dat het alleen 
loon voor arbeid geldt, niet meer vergoeding voor beschikking over grond, 
waarvan reeds sub A melding is gemaakt. Het woord »behoormk'* in n^. 
3 c der wet heeft de beteekenis van izonder schadelijke opdrijving." Uwer 
Excellentie wordt aanbevolen , zoo eenigszins mogelijk, het loon (even als de 
schadeloosstelling voor beschikking over den grond) telkens voor vijf jaren 
te doen bepalen, ten einde eene nuttige vastheid in de zaak te verkrijgen. 
(Tai'ieven van loonen voor verplichte vervoerdiensten bleven veel langer van 
kracht en hadden allengs het ontstaan van aannemingen, zelfs beneden die 
tarieven, ten gevolge.) Eene beleidvolle toepassing en overleg met de be- 
volking, kan ook in dit opzicht vele moeilijkheden overwinnen. 

Alle zorg moet worden besteed om het loon te doen komen in de wer- 
kende hand, en wel geregeld, zoo mogelijk per dag, althans per week. 
Door eene goede regeling der betaling van den arbeid wordt de overgang 
naai* vrijen arbeid het best voorbereid. Nader onderzoek verdient het daar- 
om of de betaling ten overstaan van eene commissie, zoo als in art. 12 
der regeling van 1863 is voorgeschreven, wel het ware middel zij om te 
zorgen dat ieder planter het hem toekomende loon ontvange. 

Omtrent het derde punt, de betaling van de inlandsche hoofden, uitten 
de kamers van koophandel en nijverheid van Batavia, Samarang en Soera- 
baja, in haar adres van den 15den October 1869, de meening dat het 
wenschelijk is die bepaling te bestendigen, opdat ook de hoofden in eene 
billijke tegemoetkoming eene aanspoiïng tot ijver en werkzaamheid vinden. 
Mocht op grond daarvan geen gevolg worden gegeven aan het plan van 
Uwe Excellentie om de betaling af te schaffen, dan moeten de fabrikan- 
ten zeker het door de Regeering uit dien hoofde betaalde, aan *slands kas 
teruggeven. 

Nog enkele onderwerpen in verband met den aanplant mogen hier niet 
met stilzwijgen worden voorbijgegaan. 

Voor de uitgestrektheid van den aanplant bij elke fabriek stelt de wet 
geen ander voorschrift, dan dat onder n*. 3ö, »dat de middelen tot ver- 
werking van het riet geëvenredigd zijn aan de uitgestrektheid van den aan- 
plant". Men behoeft zich dus niet te houden aan een maximnm van 400 
bouws voor elke fabriek, mits aan deze bepaling der wet voldaan zij. Uit 
oi-t. 1, n^. 1, der wet volgt, dat voor geene onderneming eene grootere 
uitgestrektheid mag worden afgezonderd dan zij nu heeft. 

Wegen en slooten door en om de gronden, waarop de aanplant geschiedt, 
blijven buiten de uitgestrektheid van den aanplant. 

Waar het aanleggen van karrewegen en bruggen onvermijdelijk is om <le 
gelegenheid te geven het riet van het veld te vervoeren, behooren zij (ge- 



101 

lijk tot dusvei*), wat den ai-beid betreft, bij den aanplant. Ëcn veld met 
suikerriet, waar de gelegenheid ontbreekt om het riet weg te voeren, kan 
geen voldoende aanplant worden geacht. Maar de bevolking moet ook voor 
dezen arbeid >behoorl\jk" worden betaald. 



C. Beschikking over water. 

Door de bepaling van n«. 3 ƒ — »dat voor het drijven der molens of 
andere toestellen niet beschikt worde over water , benoodigd voor den eigen 
landbouw der bevolking" , is aan Uwe Excellentie de bevoegdheid niet ont- 
nomen, om reeds dadelijk vermaling van het riet door stoomkracht te be- 
dingen, waar de ligging der ondernemingen anders zou moeten doen vree- 
zen voor benadeeling van latere onginningen. Een absolute eisch van stoom- 
kracht voor aUe ondernemingen, zoo als Uwe Excellentie in haar ontwerp 
van suikerregeling heeft opgenomen, kwam minder raadzaam voor, daar 
het denkbaar is dat dit op ettelijke plaatsen verspilling van kapitaal zou 
veroorzaken. Bij de beslissing of het water in elk bijzonder geval benoo- 
digd is voor den eigen landbouw der bevolking, welke beslissing geheel 
aan Uwe Excellentie wordt overgelaten, zal gestrengheid plicht zijn. Nog 
laatstelyk is uit de Indische depêches van 10 Januari jl. , n^'. 38/1, en 24 
Januari jl. , n'. 90/7 , gebleken, dat de beschikking over water door de fa- 
brikanten in verreweg de meeste gevallen groote bezwaren voor de bevolking 
medebrengt, en inzonderheid de teelt van tweede gewassen benadeelt en beperkt. 

Met gesti-engheid zullen dus ook beoordeeld moeten worden de opgaven 
\'an fabrikanten aangaande de behoefte aan voedings- en uitdampingswater 
voor de stoomtoestellen of vacuumpannen. Is de daarvoor benoodigde hoe- 
veelheid water zoo gering, dat het gebruik daarvan aan den eigen land- 
bouw der bevolking geen afbreuk kan doen , dan verbiedt de wet zoodanig 
gebruik van water niet. Doch in het algemeen moet hierby gelet worden 
op andere, ook in den laatsten tijd uitgevonden, weinig kostbare middelen 
om zich van water te voorzien. 

Daar waar het gebruik van water aan den fabrikant wordt toegestaan, 
behooi*t weder, even als in vroegere regelingen (§16 der Algemeene Grond- 
slagen van 1860 en art. 15 der regeling van 1863), gezorgd te worden, 
dat dammen en waterleidingen, uitsluitend ten behoeve der fabrieken, niet 
ten laste der bevolking worden aangelegd of onderhouden. 



!|D. De fabriek. 
Het eerste artikel der nieuwe contracten moet betrekking hebben op den 



d02 

gi*oiid waaix)]) de fabriek eu onderlioorigheüeii staan. Zouder deii eigeudom 
i^an dien grond is het behoud van de suikercultuur buiten tusschenkouist 
van het Grouveniement moeilijk denkbaar. In de contracten behoort dus 
de bepaling te verorden opgenomen, dat de grond, waarop thans recht 
van opstal is gevestigd, indien de contractant dit verlangt, doorhem in 
eigendom zal kunnen worden verkregen, mits de uitgestrektheid niet te 
boven ga het maximum van tien bouws, voorgeschreven in art. 8 van het 
Koninklijk besluit van 20 Juli 1870, n*. 15, houdende regeliug vaneenige 
agrarische aangelegenheden van Nederlandsch Indië. Mochten wellicht bij een 
paar ondernemingen speciale toestanden zich tegen de toekenning van zul- 
ken eigendom verzetten, dan trachte Uwe Excellentie daaiin zoo goed mo- 
gelijk te voorzien. 

Het spreekt van zelf dat de rechthebbende bevolking voor den bedoel- 
den afstand van grond behoorlijk moet worden schadeloos gesteld. Daarbij 
zal op de omstandigheid moeten worden gelet dat aan de rechthebbenden, 
nu de grond voor goed wordt afgestaan, wellicht eene hoogere schade- 
loosstelling toekomt, dan die welke tegenwoordig voor het gemis van den 
grond der fabriek en aanhoorigheden wordt genoten. Het behoeft nauwe- 
lijks herinnering dat de bevolking, in geval van geschil, het recht behoudt 
om de schadeloosstelling door den rechter te doen bepalen. 

In het reeds vroeger vermeld adres der kamers van koophandel en nij- 
verheid wordt aangedrongen op de erkenning van een rechtsverband tus- 
schen den eigendom van de fabriek en van den grond waarop deze ge- 
bouwd is, en het contract voor de bereiding en levering van suiker. De 
kamers meenen dat art. 44 van het ontwerp-cultuurwet van 1865 het 
middel aanwijst om aan de diep gevoelde behoefte te gemoet te komen. 
Het is echter bekend, dat de rechtsfictie, waardoor het recht voor den 
ondernemer uit de overeenkomst voortspruitende, tot onroerend goed bij 
bestemming zou worden verklaard, of met onroerend goed worden gelijk 
gesteld, zeer ernstige bedenkingen deed rijzen. Het doel is: aan de fabri- 
kanten de gelegenheid te . verschaffen aan geldschieters meer« zekerheid aan 
te bieden dan gevonden wordt in de waarde der fabriek en van den grond 
waarop deze staat, welke waarde voor een groot deel afhankelijk is van 
de rechten bij overeenkomst van de Regeering bedongen. Dit doel zal ook 
kunnen worden bereikt, door in het contract, indien de ondernemer het 
verlangt, de volgende bepaling op te nemen: »Gredurende den loop van 
dit contract kan de eigendom van de fabriek niet op een ander overgaan, 
dan met toestomming van het Gouvernement, en onder voorwaarde dat de 
nieuwe eigenaar der fabriek in de plaats van den ondernemer ti'eedt, ten 
opzichte van al de rechten en verplichtingen, uit dit contract voortvloeiende. 
Het Gouvernement verbindt zich, in geval van eigendomsovergang der 
fabriek, tot welken het zijne toestemming heeft gegeven, den nieuwen 



103 

eigenaar als contractant te erkennen.' ' De geldigheid van eiken, zelfb* 
executonalen verkoop, zal dan afhandelljk blijven van de voorwaarde, dat 
het Gouvernement den kooper als eigenaar der fabriek en dus ook als 
nieuAven contractant erkenne. Doch natuurlijk zal de vereischte toestem- 
ming alleen worden geweigerd, wanneer de kooper der fabriek een per- 
soon is, met wien het Gouvernement om gegronde redenen in geene con- 
tractueele betrekking wil komen. In alle andere gevallen geeft een artikel 
als het boven aangegevene de zekerheid, dat hét contract aan den eigen- 
dom der fabriek verbonden zal blijven. 

De bepaling in de tegenwoordige contracten volgens welke de ondernemer 
niet bevoegd is zijne rechten en verplichtingen op een anderover te dragen 
zonder toestemming van het Gouvernement , wordt hierdoor niet overbodig. 

Even als vroeger zal ook in de contracten moeten worden bepaald, dat 
bij overlijden van den ondernemer zijne rechten en verplichtingen op zijne 
erfgenamen overgaan, zonder dat daartoe de toestemming der Regeering 
noodig is. 

Voor de capaciteit der fabriek moet gezorgd wwden met het oog op 
art. 4, n*. 3, lit. e, der wet. Als uitvloeisel van dit voorschrift beho<M*t 
de ondernemer, zoo lang er te zijnen behoeve op de bevolking dwang 
wordt uitgeoefend, even als in de t^enwoordige contracten, zich te ver- 
binden, om de fabriek, de werktuigen en aanhoorighed^i steeds te hou- 
den in zoodanig voMoenden staat of te verbeteren, dat zij geschikt blij- 
ven tot voortzetting van het bedrijf, waartoe zij thans gebezigd worden, 
en moet het hoofd van gewestelijk bestuur de bevoegdheid hebben om , 
indien hg daartoe termen vindt, ter beoordeeling hiervan, eene conunissie 
van deskimdigen te benoemen. In verband hiermede , en met het voorname 
doel der nieuwe regeling om eene goede, bloeiende suikerindustrie te ver- 
zekeren, zal het ook noodig zijn, gelijk thans, te bedingen, dat de toegang 
tot de fabriek te allen tijde voor de ambtenai'en opensta. Aan Uwe Ex- 
cellentie zij de zorg opgedragen dat van deze bepalingen geen misbruik 
worde gemaakt om de fabrikanten noodeloos te kweUen. 



E. Het werkvolk voor dieyi arbeid^ welke niet als tot den aanplant 

hehoorende wordt gerekend. 

De bepaling van art. i, n>. 3, ht. {/, der wet: ^dat tot het verkrijgen 
van arbeiders en verdere hulpmiddelen, zoo voor het snijden en vervoeren 
van het riet, voor werkzaamheden in en bij de fabriek, voor den afvoer 
van de suiker, als anderszins, de tusschenkomst des Bestuurs niet verleend 
worde buiten volstrekte, telkens te bewijzen onmisbaarheid", is niet be^ 
stemd om in de contracten te worden opgenomen. Zij is een voorscluïft 



iOi 

aan het Bestuur, naar gelang der plaatselijke omstandigheden toe t43 passen. 
Bij die toepassing sta op den voorgrond , dat de wet , door alle soorten van 
werk te noemen, geenszins eene nieuwe verkrijgbaarstelling van dergelijke 
hulp bedoelt, maar juist elke soort van werk aan den toets van volstrekte 
onmisbaarheid heeft willen onderwerpen. 

Waar derhalve art. 17 (eerste alinea) van het Koninklijk besluit van 
20 Juli 1863, lit. H», volgens hetwelk »het snijden en vervoeren vun het 
suikerriet naar den molen, en alle werkzaamheden in en bij de onderne- 
ming, zoo mede de afvoer van de suiker, zonder eenige tusschenkomst 
van het Bestuur geschieden'^ eenmaal is aangenomen, en geene zeer dui- 
delijke bewijzen van verkeerde werking daarvan zijn bespeurd, — of waar 
de contractanten reeds verklaard hebben die verplichting te kunnen aan- 
nemen, doch daartoe nog niet overgingen wegens andere bezwaren, die 
door de nieuwe bepalingen worden weggenomen , — of waar het Bestuur zich 
reeds heeft overtuigd dat zijne tusschenkomst ter zake geheel kan worden 
gemist, moeten de nieuwe contracten de voorwaarde van 1863 bevatten. 

Voor de overige ondernemingen moeten de nieuwe contracten de verhou- 
ding op dit punt uitdrukken, in den zin van art. 1 van het Indisch be- 
sluit van 4 Mei 1866, n". 26, overeenkomstig het wettelijk voorschrift 
versterkt. De beslissing omtrent de onmisbaarheid moet dus aan het Be- 
stuur blijven. Yan verstrekking van méér volk dan thans kan geen sprake 
zijn. Waar hulp onmisbaar blijkt, zal men zich moeten beijveren haar al- 
lengs in te krimpen , gelijk reeds hier en daar plaats heeft. De aanschrij- 
ving in ai*t. 3 van het genoemde Indisch besluit aan de hoofden van ge- 
westelijk bestuur, om bij ieder door hen verleend hulpbetoon Uwe Excel- 
lentie omstandig in te lichten, ten aanzien van de redenen, welke hen 
daartoe hebben geleid, de mate waarin de hulp is verleend, en het ver- 
band tot de krachten der bevolking daarbij in het oog gehouden, worde 
gehandhaafd. 

De bepaling van het loon voor het verstrekte werkvolk , blijft even als 
tot dusver aan Uwe Excellentie overgelaten, met aanbeveling om tegen 
schadelijke opdrijving te waken. Uit vrees dat de gedwongen koelies min- 
dere betaling zouden erlangen dan de vrijwillige, is het loon wel eens 
boven dat der vrijwillige opgevoerd, ook met het doel om de fabrikanten 
af te schrikken van het vragen van niet volstrekt onmisbare' hulp. Wilde 
men met zoodanig doel eenige pressie op de ondememei*s uitoefenen , dan 
ware het verkieslijk hun voor de verstrekking van koelies eene betaling 
aan den lande op te leggen boven het gewone koelieloon. 

Waar plaatselijke omstandigheden toelaten de bezwaren der ondernemers 
bij het verkrijgen van werkvolk te verminderen door de oplichting bij de 
fabrieken van zoogenoemde koelie-kampongs, verdient dit hulpmiddel aan- 
beveling. 



d05 

Verschillende andere bepalingen der tegenwoordige contracten zijn nog 
hier te vermelden. 

Daartoe behooit het beding van art. 17 van het concept-suikercontract 
in het Bijblad op het Indisch Staatsblad^ n°. 4519 , betreffende het tijd- 
stip waarop, in het belang der rystcultuur, het suikerriet moet sdjn gesne- 
den en weggeruimd. Aan Uwe Excellentie zij het overgelaten daaromtrent 
het noodige te bepalen, mits het doel, waarmede het beding werd ge- 
maakt, niet uit het oog verloren worde. 

Voorts zullen in de contracten nog moeten worden opgenomen: 

De bepaling voorkomende in de laatste alinea van art. 21 van het voor- 
melde concept-suikercontract, volgens welke de ondernemer verplicht is om 
aan het hoofd van het gewestelijk bestuur die opgaven te doen omtrent 
al hetgeen tot zijne ondeiiieming beti*ekking heeft, welke het bestuur zal 
verlangen, en om die opgaven, des gevorderd, met eede te bevestigen. 
Mocht Uwe Excellentie van oordeel zijn, dat de punten, waaromtrent eene 
beëedigde verklaring kan gevorderd worden, meer bepaaldelijk kunnen 
worden aangewezen, dan bestaat daartegen geen bedenking. 

Het voorschrift van art. 32 van het concept-contract , dat het beheer der 
onderneming wordt gevoerd door den ondernemer of door zyn gemachtigde, — 
die zijn moet ingezetene van Nederlandsch Indië, bekwaam om overeen- 
komsten te treffen, en geen vreemd Oosterling, — en dat de ondernemer, 
wanneer hij een gemachtigde voor zich laat opti*eden , daarvan , met vermel- 
ding van diens naam, kennis geeft aan het hoofd van gewesteijk bestuur. 

Het beding van art. 33 van het bedoelde concept-contract', betreffende 
de bevoegdheid van het Gouvernement, in geval van gepleegde mishan- 
deling van de bevolking of van het werkvolk door den ondernemer of 
zijn gemachtigde. 

En het voorbehoud in art. 34 van het concept-contract, ten opzichte van 
de schorsing of ontbinding van het contract tegen voorafgaande schadeloos- 
stelling, wanneer dringende omstandigheden van staatkundigen aard zulks 
voor het algemeen belang noodig mochten doen oordeelen. 

Wat verder vereischt mocht worden gelieve Uwe Excellentie te regelen 
in den geest der wet en van deze aanschrijving. 

Ik ga thans over tot de vraag, hoe art. 1, n®. 3, litt. /i, der wet »dat 
aan den lande een billijke cijns verzekerd worde, zoowel over het product 
van den vrijen als over dat van den verplichten aanplant", moet worden 
verstaan en uitgevoerd. 

Volgens het plan in de Memoiïe van Toelichting uiteengezet, zou het 
Bestuur voor elke onderneming nagaan, welk bedrag zy in billijkheid min- 
stens aan den Staat opbrengen kan. Dit minimum zou geheim bleven. 
Ieder houder van een suikercontract zou dan worden uitgenoodigd zich 



400 

omtrent de aanneming van het nieuwe concept-contract en omtrent de op- 
brengst, welke hij den lande verzekeren wil, te verklaren. Is het bod 
billijk, zoo volgt de sluiting van het nieuwe contract terstond. Is de aan- 
bieding beneden het minimum , dan wordt onderhandeld. Volhardt de con- 
tractant bij een onbillijk bod — openbare uitbesteding met volledige /)pen- 
baarmaking van bekende lusten en lasten der onderneming en met voor- 
behoud om het contract te laten vervallen, indien die inschrijving niet het 
minimum oplevert. Naar dit plan zou met de tegenwoordige houders van 
contracten moeten onderhandeld worden tot vaststelling, voor den geheelen 
duur der nieuwe ov^eenkomst, van eene jaarlijksche som per bouw, zoo 
ingericht 9 dat zij tevens bevatte de terugbetaling der door den lande 
gedane uitschotten voor aanplant enz., maar met eene onderscheiding ten 
aanzien van het product van den vrijen aanplant, opdat ook daarvoor cijns 
worde opgebracht. 

Ik ben nog van gevoelen dat op die wijze de beste oplossing zou worden 
verkregen. 

Intusschen hebben de fabrikanten en belanghebbenden hunne wenscben 
doen kennen, zoowel door middel van het verslag eener te Amsterdam ge- 
houden bijeenkomst, door den heer J. Millard in het licht gegeven , onder 
den titel: i>Het wets-ontwerp ter nadere regeling van de op hoog gezag 
ingevoerde suikercultuur", als door de memorie der kamers van koophandel 
en nijverheid te Batavia, Samarang en Soerabaja van 15 October 1869. 

Volgens het verslag van den heer Millard zouden de fabrikanten betalen : 

1*. Als schadeloosstelling voor grond en betaling voor arbeid (indiende 
Regeering volhardde bij het voornemen om het plantloon telkens voor vijf 
jaren te bepalen), eene vaste som, die voor de eerste vijf jaren zou bedra- 
gen het totaal der plantloonen, vastgesteld bij de grondslagen van 1863, 
berekend over het gemiddelde der producten van de voorafgegane zeven jaren, 
bij de invoering van de wet, na aftrek van het hoogste en laagste product, 
en hoofdelijk over de ondernemingen om te slaan naar reden van dat ge- 
middelde product, na aftrek van het hoogste en laagste van elke fabriek. 

2*. Een cijns voor den verplichten aanplant van diie en een half mil- 
lioen 'sjaars, bij wijze van abonnement, of bij inkrimping der verplichte 
cultuur, zooveel minder als die inkrimping evenredig zal bedragon, welk 
abonnement zou worden geheven van de gezamenlijke ondernemingen , even- 
redig voor elke fabriek om te slaan naar het gemiddelde product, in de laatste 
zeven jaren, bij invoering van de wet, na aftrek van het hoogste en laagste. 

3*. Eene belasting over den vrijen aanplant, welke nader door de wet 
?.ou zijn to rppfelen. 



107 

Volgens de kamers van koophandel en nijverheid op Java zou door de 
fabrikanten betaald worden: 

4*. Plantloon (naar een in het adi'os omschreven schema), ))zeer nabij" 
dat der regeling van 4863. Heeft kwijtschelding van de landrente plaats, 
welke naar het oordeel der kamers niet langer zou moeten geheven worden 
van de op hoog gezag met suikerriet beplante velden, dan zou volgens het 
schema der kamers een gedeelte der planters aanzienlijk beter betaald 
worden dan volgens de regeling van 1863. Aan het voorstel der kamers 
ligt het middel van taxatie van het riet ten grondslag. 

2*. Een cijns van twee gulden per pikol suiker van den verplichten 
aanplant, over de op iedere onderneming in de laatste zeven jaren, na af- 
trek van de hoogste en laagste productie, verkregen opbrengst, welk ge- 
middelde de kamers te recht schatten op 1,900,000 pikols, zoodat de 
Staat zou ontvangen ƒ0,800,000, waarvan dan, na aftrek van het bedrag 
der kwijt te schelden landrente , (meenen zij) ongeveer f 3,500,000 voor 
den Staat zou overblijven. 

0*^. Geen cijns over het product van den vrijen aanplant. 

De fabrikanten van Oostel^k Java, die in het begin van dit jaar een 
adres ovar de nieuwe suikerregeling indienden, verklaarden ia het alge- 
meen met het betoog der kamers te sympathiseeren , doch speciaal ten 
opzichte der plantloonen met haar vcun meening te verschillen. Zy wen^ 
schen dat het in de laatste zevaa jaren betaalde plantloon, onder aftrek 
van het hoogste en laagste jaar, zal strekken tot maatstaf van het in den 
vervolge eens voor akyd vast te stellen plantloon, met eene verhooging 
van 10 procent voor die plantloonen, welke nog berekend zyn op de al- 
geme^ie grondslagen van 1860. Daai^bij zou dan nog het voordeel voor 
de bevolking komen van vrijstelling van landrente. Volgens deze fabrikan- 
ten is de bepaling van de plantloonen door taxatie een zeer kunstig sa- 
men.stel, dat wel eenigen, doch geen voldoenden maatstaf aanbiedt en in 
de toepassing tot moeilijkheden zal leiden. 

De belanghebbenden vereenigen zich dus in den wensch dat de schade- 
loosstelling voor de beschikking over grond en het loon voor den arbeid by 
den aanplant te zamen afgescheiden worde van den cijns. Er bestaat bij 
mij geene bedenking om het boven beschreven oorspronkelyk plan in d|en 
zin te w^zigen. Men zal dan alleen onderhandelen over den cijns tegen ver- 
bintenis van den fabrikant om hetgeen het Gouvemem^t voor schadeloos- 
stolling en loon heeft uitgeschoten, terug te betalen. Evenmin heb ik er 



108 

bezwaai* tegen, dat ten aanzien van die schadeloosstelling en dat loon iDot 
den fabrikant overeengekomen worde tot het terug betalen eener vaste 
som, of eener som beneden zeker maximum, mits Uwe Excellentie deze 
sommen in dier voege wete te bepalen, dat het Gouvernement geen schado 
kimne lyden. (Hierop zou ook volgens het oorspronkelijk plan acht gegeven 
zijn.) Immers het doel der nieuwe regeling is niet, méér op te offeren dan 
het ondersteld nadeelig verschil tusschen den cijns (die geraamd wordt op 
drie en een half millioen 'sjaars) en de winst welke de Staat laatstelijk 
op de op hoog gezag ingevoerde suikercultuur behaalde (omstreeks 5 mil- 
lioen 's j aars). 

Aangaande den cijns over den verplichten aanplant wenschen de ge- 
noemde belanghebbenden, dat die bepaald worde op een vast quotum, be- 
rekend naar den maatstaf van het product over de door hen aangegeven 
jaren. Hiertegen bestaat deze bedenking, dat dan sommige ondernemers 
wellicht te veel en anderen te weinig zouden opbrengen, vermits de be- 
doelde productie niet is een maatstaf van winst des ondernemers voor elke 
fabriek. Het middel van onderhandeling met elke fabriek komt dus billijker 
voor. Maar indien die suikerfabrikanten algemeen met het denkbeeld van 
gezamenlijk abonnement instemmen, — hetgeen hun ^behoort te worden 
afgevraagd, — zou dit bezwaar, ofschoon niet weggenomen, niet meer zoo 
zeer wegen. Het aangeboden quotum toch strookt vrij wel met het door 
mij geopend uitzicht op eene heffing van drie en een half millioen, bene- 
vens de tegenwoordige landrente. Volgens het verslag Millard zou betaald 
worden een cijns van drie en een half millioen en een plantloon waaruit 
de inlander de verschuldigde landrente kan voldoen; volgens de memorie 
der kamers van koophandel twee gulden per pikol van den verplichten aan- 
plant, met kwijtschelding van landrente; welke twee galden per pikol óver 
de zeven jaren vóór het jaar waarin de wet in werking kan treden, zeker 
zouden opbrengen een totaal bedrag vaa vier millioen, terwijl de landrente 
op ongeveer ƒ500,000 kan worden gesteld. 

Wat den cijns over den vrijen aanplant betreft, dien de belanghebbenden 
trachten te ontgaan (volgens het verslag Millard voorshands, volgens de 
kamers van koophandel voor goed), de wet heeft uitspraak gedaan dat deze 
moet gevorderd worden (namelijk van de ondernemingen waarop zij betrek- 
king heeft). 

Bij de overweging van de regeling van dien cijns en van de hierboven 
vermelde wenschen van belanghebbenden, is het denkbeeld gerezen om het 
voorstel van een cyns van twee gulden per pikol over het product van den 
verplichten aanplant, in verband te brengen met het verlangen, dat ieder 
bezielen moet, naar spoedige opheffing van den dwang bij de cultuur. Met 
de bedoeling van art. 1, n®. 3, litt» d, der wet zou het geheel harmonipo- 
ren, indien, bij aanneming van het denkbeeld om twee gulden per pikol ie 



409 

vorderen, die cjjns alleen werd toegepast op de productie van door het 
Bestuur verstrekte velden met aanplant door ttisschenkomst van het Be- 
• stuur, en de Regeering zich met een minderen cijns vergenoegde voor de 
productie van versti^ekte velden met aanplant zonder die tusschenkomst, 
overeenkomstig n'. 3, litt. d, der wet. Vrije aanplant toch in den zin der 
wet kon slechts doelen op niet door het bestuur verstrekte velden. 

Het is echter niet wel doenlijk, uit de hij mijn Departement aanwezige 
gegevens, voor den bedoelden minderen cijns hier een cijfer vast te stellen. 
Alleen bezit men daarvoor en voor den cijns over den vrijen aanplant eene 
veelbeteekenende aanwijzing in de getuigenis, voorkomende op bladz. 35 
dei' bekende ^Memorie over de suiker-industrie in de (xouvemements-resi- 
dentiën van Midden-Java door de kamer van koophandel en nijverheid te 
Samarang", onder dagteekening van den 6den April 1865 aan Uwer Ex- 
cellentie's ambtsvoorganger ingediend, dat eene hefïing van één gulden 
per pikol over volkomen vrije cuUuur en fabricatie van suiker »eene 
alleszins matige'" schatting zou zijn. Deze verklaring van belanghebbenden 
omtrent een cijns van een gulden per pikol voor geheel vrije cultuur, in 
verband gebracht met het aanbod van twee gulden per pikol voor verstrek- 
king van velden met aanplant door het Bestuur, noopt tot een onderzoek, 
of niet kan worden overeengekomen voor drieërlei cijns: !•. bij verstrek- 
king van velden met aanplant door het Bestuur; 2®. bij verstrekking van 
velden zonder aanplant door het Bestuur; 3*. bij geheel vrije cultuur. 

Dit onderzoek behoort bij Uwe Excellentie , die dus gemachtigd is om in 
den geest dezer beschouwingen te onderhandelen; met dien verstande al- 
toos, dat het Indisch Bestuur gebonden is aan het behoud voorden lande, 
tot den bij artikel 1, n*. 2, der wet bedoelden termijn 1878, van eene 
jaarlijksche inkomst van minstens drie en een half millioen gnlden , indien 
al de velden door tusschenkomst van het Bestuur beplant worden; met 
vermindering na dien termijn in evenredigheid met de trapsgewijze op- 
heffing van verplichten aanplant; terwijl tevens het bedrag van de land- 
rente voor 'slands kas moet geheven, of, bij kwijtschelding, door de fabri- 
kanten vergoed worden. 

Uit het vorenstaande blykt dat de vaak door Javasche suikerfabrikanten 
aangeheven klachten over de werking der internationale conventie wegens 
den snikeraccijns, het Opperbestuur niet overtuigd hebben van de nood- 
zakelijkheid om met eene mindere jaarlijksche opbrengst dan drie en een half 
millioen genoegen te nemen; met andere woorden, om aan de suikerfabri- 
kanten eene grootere som jaarlijks te schenken, dan het verschil tusschen 
drie en een half millioen, en de winst, met de thans aan het Gouverne- 
ment geleverd, wordende, maar voortaan te hunner beschikking blijvende 
hoeveelheid suiker te behalen. Naar aanleiding van Uwer Excellentie's de- 
pêclie van den 27sten Mei jl. , n'. -645/3 , houdende aanbieding van eene 



iio 

missive der Jiamer van kü<kp1iandel en nijverheid te Batavia van 19 Mei 
1870, n^ 42, en ten vervolge op mjjue dcpèohe van 1^ November 1868, 
litt. A»*., n*. 45/1461, heb ik de eer Uwer Excellentie's aandacht tevea-* 
tigen op twee in afschrift hierbijgaande brieven van m(jn ambtgenoot van 
Financiën, van 19 Mei j1. , afdeelingin* en uitgaande rechtenen accijnaen, 
n^'. 21, en van den 25sten daaraanvolgende, n^. 37. Wat er van die 
klachten ook wezen moge, de toestanden waren dezelfde en bij de. belang- 
hebbenden bekend , toen z\j de bovenvermelde geschriften nopens het wets- 
ontwerp tot nadere regeling van de op hoog gezag ingevoerde suikercul- 
tuur opstelden. 

Een voornaam punt is de wijze van betaling, zoo der te restitueeren uit- 
schotten als van den cijns. 

Het staat nu vast dat alles moet betaald worden in gdd. 

De termijnen van betaling zullen door Uwe Excellentie moeten bepaald 
worden.. Wel wenschte ik , blijkens bl. 25 der Memorie van Toelichtiiig 
van het wets-ontwerp, dat de som die aan de planters pleegt vooruitbe- 
taald te worden, ook door den fabrikant vooruit zou worden gestort. Doch 
daartegen zijn door de kamers van koophandel en nijverheid op Java aan 
het slot van hare memorie bezwaren aangevoerd, die, in een tijd van 
overgang, wel in aanmerking mogen komen, om de taak der industrie 
eenigszins te verlichten. Er zal echter gezorgd dienen te worden (door be- 
dreiging met boeten als anderszins), dat volle betaling van restitutiën en 
c\jns geschiede gedurende het jaar, waarover zij verschuldigd zyn. 

Bij het Opperbestuur is van de onderstelling uitgegaan, dat de nieuwe 
regelingen wel niet tydig genoeg gereed zullen kunnen zijn om nog op het 
jaar 1871 te worden toegepast. Men had daarbij tevens het oog op het 
verstrijken van een groot getal overeenkomsten met het einde van dat jaar. 
Intusschen bepaalt de wet zelve het tijdstip niet waarop de door haar vooi^ 
geschreven verordeningen zullen in werking treden. Zij spreekt slechts van 
voortzetten der ondernemingen, wegens het recht der fabrikanten om de 
bestaande overeenkomsten te behouden. Wanneer dus de fabrikanten zich 
om vroegere toepassing tegen gewenschte voorwaarden aanmelden, en deze 
zonder overhaasting en ordelijk uitvoerbaar blijkt, kan daartegen geen be- 
zwaar zijn. Echter worde de stelling niet verlaten dat de wet de Regee- 
ring jegens de fabrikanten tot die vroegere toepassing niet verplicht. 

Er valt nog te letten op art. 1, n». 3, litt. a, der wet, luidende: «dat 
geene onderneming op hoog gezag worde voortgezet, waar de druk voor 
de bevolking, in verband met de voorschriften van deze wet beschouwd, 
overschrijdt hetgeen het financieel belang van den Staat in billijkheid vor- 
deren mag.'* Uwe Excellentie zal dus hebben te onderzoeken, welke onder 
nemingen (na afloop der tegenwoordige contracten) niet op hoog [ gezag 



111 

knnnen worden voortgezet; voor welke ondernemingen het Gouvernement 
zich niet meer kan verbinden grond en volk voor den aanplant te ver- 
strekken. 

De bepaling der wet is op bladz. 14 en 15 der Memorie van Toelich- 
ting aldus toegelicht: 3>Het moet vaststaan, dat geene overeenkomst door 
verplichte cultuur worde vooi'tgezet, zonder nauwkeuiig onderzoek naar 
de krachten der bevolking. Ontwerp C " — dat van mijn ambtsvoorganger 
— ))zorgt hiervoor by het slot van art. 18: »»ïen opzichte van onder- 
nemingen voor wier behoorlijke werking de vereischte voorwaarden niet 
voldoende aanwezig zijn , wordt geene vernieuwing van overeenkomsten toe- 
gestaan.'*" Onder die voorwaarden begreep men volgens de toelichting 
»)>het vooruitzicht op voldoende uitkomsten en zonder do bevolking te 
drukken. Er zijn toch ondernemingen , die zonder behoorlijk overleg op on- 
geschikte plaatsen z\jn opgericht, en waarvan de voortzetting waarschijnlijk 
niet in het algemeen belang zou zijn.'' " Het voorschiüt 3^ a der tegenwoordige 
voordracht is meer beperkend. Verplichte suikercultuur zonder druk wordt 
niet onda^steld. De mate van druk, van last, moet beschouwd worden 
»in verband met de voorsclu-iften dezer wet", dus uit het oogpunt van 
den verklaarden wil des wetgevers, dat de verplichte cultuur, mits onder 
bepaalde voorwaai'den, nog een aantal jaren als financieel middel blijve". 

De vraag komt dus hierop neder: welke ondernemingen verkeeren in 
zulke plaatselijke omstandigheden, dat, al wierden daarin de verbeteringen 
gebracht die uit de wet voortvloeien (vooral die van n®. 3, litt. t,c, <?,ƒ), 
hare voortzetting op hoog gezag, op den voet van n*. 2 der wet (naafloop 
der tegenwoordige contracten), voor de bevolking een di^uk zou zijn gix)oter 
dan in het algemeen bij de suikerondernemingen op hoog gezag het geval is. 

Ik ontveins my de moeilijkheid van hét vitiagstuk niet. Het is te on- 
derstellen, dat Uwe Excellentie twijfelachtige gevallen zal ontmoeten. 
Maar men vertrouwt dat de algemeene geest der wet en van deze aan- 
schrijving genoeg Hcht zal verschaflen. Zoo niet, het Opperbestuur kan 
nog altijd worden geraadpleegd. 

Intusschen kunnen eenige voorbeelden van contracten, omtrent welke 
toepassing van het voorschrift van n®. 3, litt. a, der wet vermoedelijk 
in overweging zal komen, tot nadere opheldering dienen. 

1^ enz. 

Ten slotte de vraag: hoe te handelen met die contracten, welke de 
fabrikanten niet willen wijzigen naar de voorwaarden, die overeenkom- 
stig de voorschriften in deze aanschrijving vervat, zullen worden vastge- 
steld, en omtrent wier al of niet aanneming alle contractanten zich ter- 
stond na de vaststelling moeten verklaren. 



dia 

Voor (ie contracten die met 1871 eindigen en die de vast te stellen 
voorwaarden niet aannemen, zal, gelijk boven gezegd, de weg van open- 
bare uitbesteding moeten worden gevolgd, met tydige voorafgaande aan- 
kondiging. 

Voor die conü^acten welke met 1872 en 1873 eindigen, zal evenzoo 
behooren te worden gehandeld, als de tijd daartoe zal zijn gekomen. 

Voor de overige contracten is vooreerst geene beslissing noodig. Het 
spreekt echter van zelf dat aan die ondernemers de grond der fabriek niet 
in eigendom moet worden afgestaan. 

Intusschen zal met al de fabrikanten wier contracten later dan 1871 
verstrijken, onderhandeld moeten worden tot het niet meer leveren van 
suiker, maar tot betaling van den marktprijs der volgens de contracten 
te leveren suiker , opdat het Gouvernement zich van de kostbare pakhuizen 
kunne ontdoen. Mochten eenigen weigeren, dan brenge men de door hen 
geleverde suiker onmiddellijk na de levering in veiling, het tijdstip van ver- 
koop een paar maanden vooraf bekend makende. Voor de bewaring van die 
hoeveelheid gedurende dien korten tijd zal , ook na verkoop van de suiker- 
pakhuizen, wel de gelegenheid bestaan. 

Ik heb de eer Uwe Excellentie uit te noodigen aan het eerste artikel 
der wet van 21 Juli 1870 overeenkomstig deze aanschrijving verdere uit- 
voering te geven , met den meest mogelijken spoed, doch tevens met al de 
zorg die het gewicht van het onderwerp vereischt. Met groote belangstel- 
ling zal ik Uwer Excellentie's mededeelingen ontvangen nopens den voort- 
gang der zaak. 

Bij de opvolging van litt. t der wet, zal Uwe Excellentie wel gelieven 
in acht te nemen, dat niet de geheele inhoud van elke overeenkomst be- 
hoeft te worden openbaar gemaakt , wanneer eenmaal een model bekend is 
waarnaar men voor de daarmede overeenstemmende artikelen verwijzen kan. 

Een exemplaar van het Nederlandsch Staatsblad, waarin de wet van 
21 Juli 1870 is afgekondigd, gaat hiernevens. 



AANTEEKENINGEN BETREFFENDE PARTICULIERE 
8UIKERFABRICATIE OP HET EILAND JAVA. 



De schaarschheid der berichten omtrent de particuliere landbouw-industi'ie 
op Java, en het gewicht dat de kennis van de uitkomsten dier onderne- 
mingen zou bezitten voor de oplossing der koloniale quaestiën, heeft ons 
sedert lang naar middelen doen omzien om meer daaromtrent te weten te 
komen. Geheel zonder vrucht zijn die pogingen niet gebleven. Wij wijzen 
op het opstel »een paar voorbeelden", in het April-nummer van 1868, en 
op het overslag betreffende de thee-onderneming Waspada" in het Decem- 
ber-nummer van hetzelfde jaar. Het is reeds een paar jaren geleden dat 
ons ook eenige aanteekeningen omtrent de particuliere suikerfabricatie op 
Java, van eene zeer bevoegde hand afkomstig, ter kennisneming werden 
aangeboden. Zij hadden betrekking tot alle suikerfabrieken buiten contract 
met het Gouvernement, aanwezig in de residentiën Bantam, Batavia, Kra- 
wang, Cheribon, Pekalongan, Samarang, Kadoe, Djokjokarta, Japara, Rem- 
bang, Pasoeroean en Probolinggo, hetzij die ondernemingen gevestigd zijn 
op zoogenaamde heerenlanden, of op woeste gronden door het Gouverne- 
ment in huur afgestaan, of op gronden door Europeanen in de Vorsten- 
landen gehuurd, of eindelijk op gronden van inlanders ingevolge overeen- 
komsten met de dessa's. Op onze vraag evenwel of het ons geoorloofd 
was van deze aanteekeningen voor ons Tijdschrift gebruik te maken, ont- 
vingen wij — geen weigering, maar — een uitnoodiging om met de uit- 
gave te wachten, totdat deze aanteekeningen wat de latere jaren en de 
nog ontbrekende residentiën betreft, zouden zijn aangevuld. De schrijver 
der aanteekeningen hoopte, in Indië teruggekeerd, spoedig gelegenheid te 
vinden ons die aanvulling te doen toekomen. Wij zijn echter reeds zoo 
lang in onze hoop daai*op te leur gesteld, dat wij ze bijna niet langer 
durven koesteren, en liever ons haasten deze aanteekeningen, ofschoon ze 



114 

reeds eenigszins verouderd zijn, in het licht te geven, dan ons bloot te stellen 
aan het gevaar van nog lang vruchteloos te wachten, en immiddels wat 
wij reeds bezitten alle waarde te zien verliezen. Mochten wij later geluk- 
kig genoeg zijn de aanvidling nog te ontvangen, het zal geen bezwaar 
hebben ze als een vervolg op dit artikel op te nemen. 



Residektie Bantam. 

De fabriek Soekasari op het landgoed Tjikandi Oedik, behoorende aan 
den Heer F. H. C. Motman, is de eenige fabriek in deze residentie. 

Deze fabriek werkt met stoomgemaal en heeft een luchtledigen toestel. 
De aanplant van het riet geschiedde in de jaren 1864 — 66 op volgende 
wijze: 150 bouws werden aangeplant door vaste boedjangs, in dienst bij 
de fabriek, op gronden aan den landeigenaar toebehoorende, en 300 bouws 
door de bevolking bij minnelijke schikking, voor het grootste gedeelte op 
hare eigene gronden, en gedeeltelijk ook op velden door den landheer ont- 
gonnen, tegen geheele vrijstelling van belasting in producten (tjoekéj of 
in arbeid (heerediensten). Van deze 300 bouws slaagden er in 1866 slechts 
150, de overige 150 waren mislukt. Diensvolgens werd in dat jaar ver- 
malen het product van 300 bouws van 500 D roeden. Deze 300 bouws 
hebben opgebracht 9,700 pikols suiker, of gemiddeld ruim 32 pikols 
per bouw. 

De arbeid in de fabriek geschiedt door vaste boe4iangs tegen f6 
's maands, door vrywilligers tegen 25 cents per dag, en door vrouwen 
tegen 15 cents per dag. 

Voor den oogst van 1868 (aanplant van 1867) werd eene andere rege- 
ling gemaakt. De gronden aan den landeigenaar toebehoorende werden af- 
gestaan aan Chineesche en inlandsche landbouwers, die hunne diensten 
hebben aangeboden, om, onder genot van rentelooze voorschotten, de aan- 
plfintingen te doen en later het riet aan de fabriek te leveren tegen be- 
taling van ƒ125 zilver per bouw eerste soort riet, en ƒ 100 rilver per 
bouw tweede soort. 

Benige arbeiders hebbeu echter verkozen om onderling eene minnelijke 
schikking aan te gaan tot den aanplant van riet op eigen gronden, welke 
hierop nederkomt, dat de grondbezitter zijn veld beploegt en gereed maakt 
voor den aanplant tegen betaling van f 20 per bouw 'sjaars. Met deze 
minnelijke schikking bemoeit zich de landheer niet. 



H5 



Al deze aannemers, téko's *) genoemd, maken gebruik van de handen 
der bewoners van de aangrenzende dessa's voor het beploegen en schoon- 
houden van de tuinen, tegen eene gemiddelde betaHng van 20 cents per 
dag arbeids. Bovendien hebben deze téko's doorgaans eenige vaste koeli's 
of boedjangs in huimen dienst. 

Voor den oogst van 1868 werden aangeplant + 400 bouws. 

Residentie Batavia. 



Li de afdeeiing Meester CJorneUs bestaan thans nocli zes particuUere 
suikerfabrieken, allen in het district Bekassi. 



Naam 
der fabriek. f van het land. 



Gemiddelde op- 
brengst per jaar. 



Naam van den 
eigenaar. 



Babelan 
Pengilingan tengah. 

Gaboes 
Karang Tjongok 

Pebajoran j 
Poelo Tangkil \ 



Babelan 
Telok Poetjong 

Bekassi Oost 
Pebajoran 



2000 pikols 
2000 » 
2400 f> 
2300 y> 
3000 » 
2500 » 



Khouw Tjeng Tjoan. 

id. 
Kang Keng Tiang. 

id. 
Lauw Assie. 

id. 



De aanplant en bewerking geschiedt bij alle gemelde fabrieken op na- 
genoeg dezelfde wijze en onder gelijksoortige voorwaarden. De uitgestrekt- 
heid van den aanplant is niet op te geven, daar de eigenaars zelven dien 
niet weten. Het geheele jaar door wordt geplant naarmate gronden be- 
schikbaar en werkkrachten voorhanden zijn. De aanplant geschiedt op gron- 
den die, te recht of te onrecht, geacht worden den fabrikant in eigendom 
toe te behooren. Die aanplant geschiedt, onder toezicht van bezoldigde man- 
doors, door geheel vrijwillig werkvolk, dat zijn loon ontvangt bij de maand. 
Ieder krijgt per maand f 3 k f 3.50 benevens vier gantangs rijst; maar 
dit loon wordt doorgaans verrekend met inmiddels genoten voorschotten /in 
geld, rijst en lijnwaden. 

De productie van den aanplant is slechts bij benadering op te geven; 
men rekent dat 600 rietstoelen een pikol suiker opleveren. 



1) Volgens lligg) Sundanese Diclimary ^ een Chinecsch woord ^ dut hij ver- 
klaart: /ra chinese agriculturist, a ChinamHii who cultivates the grouud''\ 



il6 

Het snijden van het riet geschiedt door personeel dat afzonderlijk maand- 
loon ontvangt. Dezelfde arbeiders brengen het riet naar de fabriek met 
karren en buffels die aan den fabrikant behooren. Hun loon bedraagt f 4 
k f 4.50 benevens 5 gantangs rijst per volle 30 werkdagen. 

De fabrieken Pengilingan tengah, Gaboes en Karong Tjongok vermalen 
het riet nog door middel van stoomkracht, al de andere met buffelmolens. 
Op de fabriek Pebajoran was vroeger ook een stoomwerktuig voor de ver- 
maling; doch dit is later buiten werking gesteld en afgebroken. 

Het koken geschiedt in al de fabrieken met open pannen. 

Het personeel in de fabrieken bestaat geheel uit vrijwillig werkvolk. In 
de fabrieken waar met stoom gewerkt wordt, hebben de molenaars ƒ 4 
è. f 4.50 tractement benevens 5 gantangs rijst; in die waar met buffel- 
molens gewerkt wordt, ontvangen zij ƒ 5 en 6 gantangs rijst in de maand. 
De kokers genieten eveneens per maand /"d en 6 gantangs rijst; maar de 
baas-koker geniet voor den geheelen werktyd in eens van f 200 tot f 350, 
en bovendien voor elke maand dat de werktijd duurt 10 gantangs rijst 
Evenzoo geniet soms de baas-kleier f 200 a f 250 voor den geheelen werk- 
tijd, maar op andere fabrieken ontvangt hij ƒ 10 en 6 gantangs rijst in 
de maand. 

De benoodigde potten worden in den regel door inkoop in het Tange- 
rangsche verkregen. 

Het grootste deel der verkregen suiker is slechts n*. 12. De nommers 
16 en uiterlijk 17 worden zeer zelden verkregen en in 'den regel voor eigen 
gebruik aangehouden, wyl in den handel daarop verlies geleden wordt. 

Van veel meer belang is de suikerfabricatie in de afdeoling Tangerang, 
gelijk blijkt uit den volgenden staat. 



417 



Landgoed waarop de 
fabriek staat. 



1 s 

« o 

< a 



) 



O) 

O 



Babakan Noord 
Grendeng 
Parong Koeda 
Kedaoeng Oost 

ï West 

Salapadjang Oost 
» West 

Sepattan 
Bo^jong Ringit 
Telok Naga 
Pakocyangan 
Fangkailan 
Tagal Angoes 
Kampong Limo 

» Melajoe 

Kamal of Tegalaloe 
Kapok 

Batoe Tjepper 
Tanah Tinggi 
Tjikokol 
Lengkong Oost 
Serpong 
Tjihoeni 
Tjikoeja 
Karang Serang Dalem 



» 



» Laut 



Ki'ainat 



2 

2 

2 

2 

3 

3 

2 

2 

2 

2 

2 

2 

2 

2 

2 

i 

2 

2 

2 

1 

4 

i 

4 

3 i 

1 

2 

2 



buffels 

id. 

id. 

id. 

id. 

id. 

id. 

id. 

id. 

id. 

id. 

id. 

id. 

id. 

id. 
stoom 
buffels 

id. 

id. 

id. 

id 
water 
buffels 

id. 

id. 

1 stoom 

i water 

stoom 



Uitge- 
strektheid 
yau den 
aanplant 
in bouws. 



Verkregen suiker in pikols. 



f 



90 

430 

250 

430 

405 

385 

97 

88 

420 

400 

435 

442 

400 

403 

206 

200 

450 

234 

75 

73 

400 

445 

400 

420 

22 

244 

655 



4864 



4865 



4866 



2400 
4454 
5545 
3050 
3800 
5800 
330J 
4860 
4600 
2500 
5400 
2050 
2000 
3800 
6000 
5725 
2900 
5500 
4550 
4600 
2400 
4500 
5000 
2200 
420 

2600 

42000 



2400 
4600 
4420 
4730 
3200 
5700 
3700 
2220 
4400 
2450 
4020 
4500 
4500 
2840 
5400 
4800 
2443 
3800 
4-750 
2000 
4344 
5500 
5400 
2500 
300 

2400 

44000 



2650 
4969 
2200 
2070 
2480 
3950 
4820 
4750 
4420 
650 
2550 
4400 
4400 
2450 
2800 
4400 
4300 
2250 
4465 
2400 
2700 
4000 
3000 
2800 
30 

4550 

9000 



4569 



96024 



89087 



65854 



UitgezoHderd de fabriek van Tjikoeja, die door een Europeaan beheerd 
wordt, waren al de overige uit". 4866 in het bezit en onder administratie 
van Chineezen. Het riet dat een fabrikant vermaalt, wordt niet altijd ge- 
heel door hemzelven geplant, maar dikwijls leveren hem Chineesche land- 
bouwers, die bij gunstig seizoen hunne velden met riet beplanten, een niet 
onaanzienlijk deel, waarvoor zij gewoonlijk 30 pCt. van het verkregen pro- 
duct ontvangen. 

De naam van de hier verbouwde rietsoort is niet bekend; inderdaad is 
die soort ook zeer verbasterd , denkelijk omdat zij hier altijd is aangeplant. 



H8 



Het riet is saprijk, ofschoon minder suikerhoudend dan andere op Java be- 
kende soorten. Gemiddeld teekent het sap 6Vs a 7* Bcaumé, meermalen 
zelfs slechts 5®, maar nooit meer dan 8*. Het riet is bros en niet hard 
van schil en verdroogt niet snel. 

In 1866 is men begonnen met een kleinen aanplant van bibiet uit Ghe* 
ribon, hetwelk goede resultaten gehad heeft. 

Van de suikerfabrieken in de afdeeling Buitenzorg zal onderstaande ta- 
bel een overzicht geven. 



Landen. 



Fabrieken. 



Eigenaren. 



Dermaga 
Pondok Gedé 
Goenoeng SindoerGoenoeng 



Paboearan 
Srogol 

Sindoer 



J. G. F. V. Motman 

Erven v. d. Bosch 

Tan Hong 



Aanplant in 
bouws. 



Productie 
in pikols. 



115 
160 
155 



/ 



6032 
3200 
4340 



De velden bestemd voor den rietaanplant, worden niet verwisseld. Zoodra 
de oogst van het veld is, worden de gronden op nieuw bewerkt en beplant 
na eerst zwaar te zyn bemest. 

Over het algemeen moet het riet achttien maanden staan voordat het 
kan gesneden worden. 

In de fabriek Paboearan heeft men een stoomtoestel tot afkoking van 
de suiker en luchtledige pannen ; in de beide andere fabrieken wordt de 
suiker in open pannen afgekookt. 



Residentie Krawano. 



In deze residentie vindt men de volgende suikerfabrieken. 

Soebang van P. W. Hofland. Aanplant in 1866 508 bouws, productie 
14,500 pikols. In 1867 had de aanplant dezelfde uitgestrektheid en was 
ook de productie aan die van het vorige, jaar gelijk. Deze laatste bedroeg 
dus in beide jaren 28 pikols per bouw. 

Kebonsari van P. W. Hofland. Aanplant in 1866 en 1867 telkens 325 
bouws. productie in beide jaren telkens 8150 pikols, of 25 pikols per bouw. 

Telok Djambi van I. A. Krajenbrink. Aanplant in 1866 en 1867 telkens 
280 bouws. Productie in dezelfde jaren telkens 6000 pikols of 22 pikok 
per bouw. 

Oeiakan van I. A. Krajenbrink. Aanplant in 1866 en 1867 telkens 280 
bouws. Productie in beide jaren telkens 4000 pikols of 22 per bouw. 



419 



Kalang Sari van J. A. Stewart. Aanplant iu 1866 150 bouws, met 
een productie van 3000 pikols. Aanplant in 1867 80 bouws, met een 
productie van 1600 pikols. Productie per bouw in beide jaren 20 pikols. 

Wanasapi van J. A. Stewart. Aanplant in 1866 130, in 1867 60 bouws. 
Productie in 1866 3000, in 1867 1400 pikols, of in beide jaren 23 pikols 
per bouw. 

Paiakantroes van E. C. C. Stcinmetz. Aanplant in 1866 534, in 1867 
603 bouws. Productie in 1856 22,000, in 1867 even zooveel, dus per 
bouw in het eerste jaar 41, in het tweede 36 pikols. 

De vTijze van aanplant bij de hier opgenoemde fabrieken is de Chinee- 
sche, doch met eenige meerdere ruimte in de verwisseling der gronden. 
De afstand der rijen onderling is + 5 voet, de bewerking der rijen ge- 
schiedt zooveel mogelijk met den ploeg. Ook heeft bemesting plaats. 

Al de fabrieken werken met vaste boedjangs. 



Residentie Cheribon. 

Van de suikerfabrieken in Cheribon geeft de volgende tafel een overzicht. 
Wij merken hierbij op dat de onderneming Kalisapoe van den heer van 
der Weide in 1865 stilstond en" in 1866 werd ingetrokken, en dat wij 
de onderneming Sigang van den heer B. Feist niet hebben opgenomen, 
omdat daarvan alle opgaven ontbreken. 



Ondernemingen. 



Eigenaars. 



Kali Tandjoeng 

Tjikeleng 

Tjikantjas 

Djati Piring 

Kali Maro 

Waled 

LoewoengGadja 

Trigobang 

Djambar 

Sakerta 

Sakarahiang 



J. Cezard en C». in liquidatie 

L. Chauvin 

J. Cezard en C^, in liquidatie 

idem 

Mr. D. J. Wolterbeek 

J. M. Gonsalves 

Tan Tang Keng 

Mr. D. J. Wolterbeek 

Tan Loeng 

Tan Soean Long 

Tan Long Seng 



Bouws van 500 D 


Productie in 


roeden beplant in 


pikols in 


1865 


1866 


1865 

■ 


1866 


121 


128 


1960 


1960 


70 


78 


2155 


2155 


25 V. 


38 


300 


300 


225 


155'/, 


10000 


5752 


96 


125 


5300 


5349 




37 




1525 


195 


175 


6300 


5120 


235 


272 


10000 


9478 J 


41'/, 


41»/, 


230 


800 


30 


30 


300 


450 


5 


5 


200 


—— 



De aanplant wordt verkregen door verhuiu* van gronden van de bevol- 
king. De bewerking en beplanting geschieden door eigen boecyaiigs. 



120 



Residentie Pekalonoan. 

De eenige particuliere suikerfabiïek in deze residentie is te Sigajoong op 
het huurland Simbang van de Erven J. E. Herderschee. De aanplant was 
in 1865 513, in 1866 629 bouws, de productie in 1865 7,429.24 in 
1866 10,481 pikols. 

Volgens het met den huurder gesloten contract beschikt hij over de op 
het huurland gevestigde bevolking voor den te verrichten cultuurarbeid en 
kan hij ook met de bevolking der aangrenzende dessa's contracten sluiten 
voor het verrichten van werk en het leveren van benoodigdheden. Deze 
contracten moeten echter geregistreerd worden. Het dagloon is 25 cents, 
aan de koeli's wordt meeistal taakwerk opgelegd. 



Residentie Samarano. 

In Samai'ang moet alleen de suikerfabriek Simongan, eigenaar J. D. Jo- 
hannes, vermeld worden. De aanplant, die geheel op inlandsche w^ze ge- 
schiedt, bedroeg in 1860 50 è 60 bouws , terwijl _+ 200 huisgezinnen bij 
die cultuur waren ingedeeld. Het product, in 1865 666.05 pikols , bedroeg 
in 1867 760.04 pikols. 

Residentie Kadoe. 
Kadoe heeft de volgende particuliere suikerfabrieken. 







Uitgestrektheid in kotaks = IVi 




Naam 


k 1»/* 


bouw 


Productie 


der Fabriek. 


van den eigen aar. 




van gebouwen, 


in pikols. 






van den aanplant. 

• 


pakhuizen enz. 




Sekaran 


Liem Hak Lie 


5 


2V. 


125 


Pradjenan 


Tan Ing Sioe 


30 


2 


750 


Bondowassan 


jLiem Siang 


18 


V, 


450 


Bandong 


Liem Kong Hai 


d7 


2 


425 


Tonogoro 


Liem Tiang Tjing 


4 


1»/» 


100 


Tiban 


Lie Goe 


25 


2'/. 


900 


Demadjar Liem Giok Liera 


13 


2 


500 



De suikerbereiding geschiedt op de oude gebrekkige wijze, door het 
riet te persen met houten cylinders, door buffels in beweging gebracht. 
Het sap wordt in open pannen gekookt. 



42i 



Residentie Djokjokarta. 



Op de huuHanden in deze Residentie vindt men de volgende suiker- 
ondernemingen. 



Namen 
derondernemingen.'der ondernemers. 



Aantal bouws 



behoorende by 
de ondernem. 



met suikerriet 
beplant. 



Productie 

in pikols 

(1866). 



Sono Seroeen Soem- 


G. Weynschenk 


7346Vi 


350 


14000 


beran 


» 








Bantool 


F. W. Wieseman 


4496 Vi 


150 


6000 


Ngemplak 


W. F. Emmen 


862 Vi 


172 


6000 


Redjo Kesoemo 


G. Weynschenk 










&A. P. Kupfer 


684 


150 • 


6000 


Sedajoe. 


A. Raafr 


4446V, 


250 


8000 


Kedaton Pleret 


W. F. Ockerse & 










P. M. Versteegh 


4480 


250 


10000 


Kenajan 


Dorrepaal & Co. 


. 








en G, F. Enger 


4693V* 


230 


7000 


Bandjar Ardjo 


Idem 


1734 


250 


7500 



De aanplant van het riet, het onderhoud der tuinen en alles v\rat daarop 
betrekking heeft, geschiedt door de bevolking van het buurland in heere- 
dienstplichtigheid , tegen afstand aan de dessahoofden van Vs en aan de 
bevolking van '/s der in huur bezeten gronden. Ook de arbeid in de fa- 
brieken kan op die wijze worden gevorderd, doch de betrokken landhuurders 
betalen dien, ten einde de bevolking voor de suikercultuur, die hier nog 
in de geboorte is, zooveel mogelijk te winnen. 

De ongenoegzame beschikbaarheid van goede gronden voor periodieke 
verwisseling en de aard van den grond voor de suikercultuur gebezigd, 
maken bemesting noodzakelijk. Men gebruikt hiervoor doorgaans afval 
van indigo-bladeren, welke meststof voor de hand is, daar de meeste 
suikerfabrikanten in Djokjokarta tevens indigofabrikanten zyn. 

De suikerfabriek Sedajoe is vooralsnog^ de eenige, waar, bij gebrek 
aan water, de molen door stoom wordt gedreven; in al de andere fabrie- 
ken wordt nog geheel volgens de oude methode gewerkt. 



Residentie Japaiu. 



Japara heeft de volgende particuliere suikerondernemingen. 



122 

Kali Njamat. Aanplant in i866 113 bouws, met een productie van 2400 
pikois. Arbeiders 4 man per bouw. 

Soembring. Aanplant in 1866 75 bouws, met een productie van 1500 
pikois. Arbeiders 4 man per bouw. 

De planters zijn van alle heerediensten vrijgesteld. De bewerking der 
gronden moet in gemeenschappelijken arbeid verricht en het ploegvee door 
de bevolking geleverd worden. De fabriekarbeid wordt als heeredienst be- 
schouwd, zoodat de arbeiders geen betaling erlangen. Echter wordt hun 
voedsel verstrekt. 

Residentie Rembano. 

De suikeifabriek Toelis van de heeren Nering Bögel en Dunlop, admi- 
nistrateur van Cassan, wordt met stoom gedreven en is voorziai van een 
vacuumpan eiv twee centrifuges. De aanplant bedraagt 100 bouws en de pro- 
ductie 3000 pikois. 

De ondernemers hebben in 1866 met de bevolking der distrikten Bina- 
ngoon en Pamotan eene overeenkomst aangegaan vooi* de beplanting van 
260 bouws , tegen verstrekking van hunne zyde van de noodige bibiet van 
zwart riet. Door gebrek aan bibiet werd echter in dat jaar niet meer 
beplant dan 100 bouws. Voor eiken bouw van den aanplant ontvangt de 
planter f 100. De betaling geschiedt in dezer voege: 

Vijfentwintig gulden wordt den planter ter hand gesteld, zoodra hy be- 
gonnen is den grond te bewerken; weder f 25 ontvangt hg na de be- 
werking, terwijl hem de overige f 50 worden uitbetaald, zoodra de aan- 
plant is tot stand gekomen. 

Voor snyloon en kosten van het transport van de velden naar de fJEÜbriek 
bestaat een ander contract. Voor het snijden wordt 2^/, duit en vooi* het 
transport 2 duiten per bos van 25 rietstokken betaald. 

Na afloop van den maaltijd ontvangt de planter nog de volgende be- 
taling voor het riet dat zijn aanplant heeft opgebracht : 

10 cents voor 25 stokken van de eerste soort, 
5 duiten voor 30 stokken van de tweede soort, 
2Vs duit per krandjang derde soort of afvaJ. 

Derhalve ontvangt de planter, behalve de vaste som van f 100 per 
bouw , hierboven vermeld , nog eene som , meestal van ƒ 50 tot ƒ" lOO 
gulden bedragende, die van de uitkomsten van den aanplant afhankel\jk i$«. 

Residentie Pasoeroean. 

Deze residentie is voor de particuliere suikercultuur zeker niet de 
minst belangrijke. Nei'ffens heeft zij beti»r resultaten verkregen. 



123 

Dit geldt vooral van de suikerfabriek Kedawoeng, behoorende aan den 
heer G. Lebret, welke fabriek met stoom en luchtledige toestellen werkt. 
De aanplant bedraagt 214 Vx bouw, de producte in 1866 15,833 pikols. 

Het land Kedawoeng, waarop de fabriek is gevestigd, is het eigendom 
van den heer Lebret. De onderneming werkt met het volk dat op het 
land zelf woont. Het aantal dier bevolking is 2979 zielen , waaronder 
1447 mannen en jongens. Voorts zijn er op het land 894 runderen en 46 
paai'den. 

Uit de medegedeelde cijfera blijkt dat de productie in 1866 bedroeg 74 
pikols per bouw. In 1864 was zij nog veel aanzienlijker en bedroeg 19,278 
pikols of 95 pikols per bouw. Dit enorme cyfer , ofschoon het tot dusverre 
het hoogste was, behoeft ons voor deze in alle opzichten voortreffelijk in* 
gerichte onderneming niet te verwonderen. 

De oorzaken van zoo buitengewoon gunstige resultaten zijn gelegen in 
den eigenaardigen toestand der onderneming. Vooral de volgende punten 
verdienen de aandacht: 

lo. Dat het land waarop de fkbriek staat, eigendom is van den onder- 
nemer en eene gevestigde bevolking heeft, die door langen duur van tijd 
gewoon is geworden den landheer weinig minder te schatten dan den sou- 
verein. Maai* deze toestand is niet van dien aard dat de bevolking van 
Kedawoeng daaronder lijden zou. Integendeel, zij is welvarender dan die 
van de omliggende Gouvernements-dorpen. 

2o. Dat de gronden en het klimaat voor den suikerbouw bijzonder ge- 
schikt zijn. 

3o. Dat de ondernemer sedert meer dan 20 jaren in persoon al de werk- 
zaamheden bestuurt en door den tijd zoowel met de geaardheid der be- 
volking als met de natuur der gronden volledig is bekend geworden, ter^ 
wijl hij bovendien aan die kennis eene groote geschiktheid voor zijne taak 
en een onverdroten ijver paart. 

4o. Dat de gi*onden voor de suikerteelt alle jaren onder de oogen van 
den eigenaar bewerkt, bemest, toebereid en beplant worden. 

5o. Dat hij voor den arbeid goed betaalt en het volk niet kwelt met 
heorediensten of eenige knevelarij van wat aai'd ook. 

W'einig minder belangrijk is de suikerfabriek Alkmaar van den heer 
J. R. \V. P. P. A. Rauws. De aanplant bedraagt 500 bouws, waanan 289 
op eigen grond, en 211 in contract met de bevolking. De productie was 
in 1866 19,900 pikols. 

Op het buurland Alkmaar is eene gevestigde bevolking van 2276 zielen, 
waaronder 523 landbouwers. H\j die zich daai* als landbouwer neerzet, kqjgt 
een bouw sawah, zonder eenige belasting te betalen, en heeft ook viije 
hoschikking over het tweede gewas, maar is verplicht een halven bouw 



suikerriet te planten , waarvoor hem door den ondernemer nog f 45 ^ordt 
betaald. Voorschot in geld wordt niet gegeven, wel voorschot in vee, dat 
in vier oogstjaren van het te ontvangen plantloon wordt terugbetaald. 

Wij zagen echter reeds, dat, behalve de aanplanting op het land zelf, 
ook nog riet voor den ondernemer geplant wordt op de omliggende Gou- 
vernements-gronden. Dit geschiedt op contract, volgens Staatsblad 1838, 
n«. 50. 

De arbeiders verkrijgt de ondernemer door inhuur uit de omliggende 
dictricten. De vervoermiddelen verkrijgt hij op dezelfde wijze, doch slechts 
uit twee districten, in z\jne onmiddellijke nabijheid gelegen. Hij werft de 
koeli's aan zonder contract, tegen een voorschot van f OVt ^ ƒ 10 's 
maands, en verkrijgt de karren tegen ƒ 50, ƒ 75 en ƒ 100. 

Deze onderneming is begonnen in 1829 en op verschillende huurdei*s 
overgegaan, die daarbij allen verloren hebben. Eerst de tegenwoordige huur- 
der maakt daarmede goede zaken '). 

Eindelijk moet nog gewaagd worden van de suikerfabriek Rust en Lust, 
die met stoomtoestellen werkt en behoort aan de Erven Han Tjan Hieu. 
Het landgoed waarop z^ is gevestigd, is een eigendom groot 293 bouws. 
De aanplant bedraagt 73 bouws, de productie 3,300 pikols. De onderne- 
ming werkt nog gedeeltelijk in contract met het Gouvernement; doch de 
oogst van 1869 zal de laatste zijn, die volgens dat contract zal verwerkt 
worden. 



Residentie Probolinogo. 

Wij besluiten deze aanteekeningen met de vermelding der suikerfabriek 
Bagoe in de residentie Probolinggo, behoorende aan de erven Major en H. 
J. Hauws. Deze fabriek heeft in het afgeloopen jaar eene productie gehad 
van 9,200 pikols suiker van een aanplant ten bedrage van 280 bouws. 
De aanplantingen ten behoeve van Bagoe worden bewerkstelligd op indi- 
vidueele mondelinge overeenkomsten, zonder eenige tusschenkomst van het 
dessabestuur of van inlandsche of Europeesche ambtenaren. 

De wijze van aanplant is dezelfde als bij de Gouvernements-suikercnl- 
tuur. Ieder planter bewerkt zijn aandeel individueel. Het suikerriet wordt 
door den ondernemer of eene commissie van zijnentwege , na voorafgaande 
kennisgeving aan den planter en zooveel mogelijk in overeenstemming met 



O Sedert dit geschreven werd is de heer Hauws gerepatrieerd, na de huur 
van zijn Innd voor een aanzipnlijkc som aan een Arabier te hebben overge- 
dragen. 



1 



425 

hem, als Ie, 2e of 3o soort getaxeerd. Het aandeel der verschillende 
planters wordt achtereenvolgens voor ieder afzonderlijk afgesneden en op- 
geladen, en het aantal bossen dat iedere kar laadt, wordt door een man- 
door op het veld zelf in een boek aangeteekend , terwijl steeds aan de 
planters alle verlangde inlichtingen moeten gegeven worden. Bij de uit- 
betaling z^n dan ook de meeste planters volkomen op de hoogte van de 
taxatie en van het verki^egen aantal bossen riet. 

De betaling bedraagt 4, 6 of 8 centen per bos van 25 stokken. Bij 
zwart en elke andere soort die minder stoelt, is de betaling per bouw 
f 440. Daarenboven wordt de landrente der met riet beplante sawahs, 
a ƒ 17.50 per bouw, door den ondernemer betaald. 

De planters erlangen ook voorschotten tot een maximum van f 25 per 
bouw; velen vragen eerst voorschot wanneer het planten van het riet is 
afgeloopen. 

Het snijden en ti*ansporteeren van het riet wordt verricht door karre- 
voerders, met welke, even als met de rietplanters, individueele monde- 
linge overeenkomsten gesloten worden. De betaling bedraagt 2, 3^4 
centen per bos van 25 stokken, naar gelang der afstanden van de velden 
tot de fabriek. Diezelfde karrevoerders transporteeren ook de suiker naar 
het zeestrand, tegen betaling van 42 centen per krandjang. Die afstand 
bedraagt ongeveer 10 palen. Het hoogste voorschot is f 40 per karre- 
voerder. 

Materialen zijn gemakkelijk tegen contante betaling te verkrijgen. Koeli's 
zijn steeds in overvloed te bekomen ad !/* 10 of minder per maand , naar 
gelang der zwaarte van het werk. 

Verliezen door het niet nakomen der aangegane verbintenissen, zijn 
uiterst zeldzaam. 



Omtrent de fabriek Bagoe kunnen wij hier eeiie tweede nota aan toe« 
voegen van andere herkomst en vroegere dagteekening, eene nota ^waarin, 
gelijk men zien zal, de voor als nog aan den vrijen arbeid klevende be- 
zwaren zeer op den voorgrond worden gesteld, maar toch de mogelijk- 
heid in het werkelijk bestaan daarvan, ook naast de Gouvemements- 
cultuur, ofschoon eenigszins schoorvoetend, wordt erkend. Zy luidt als 
volgt: 

2>De met vrijen arbeid werkende suikeronderneming Bagoe is gelegen 

9 



126 

in de residentie Probolinggo, afdeeling Kraksan, circa 15 palen van den 
grooten of heerenweg en plus minus 900 voet boven de oppervlakte der zee , 
aan den voet van het Jang-gebergte. In 1853 kocht de heer H. J. Rauws, 
eervol ontslagen Oost-Indisch ambtenaar, met den heer W. Major, van de 
firma "W. Major en Co. te Pasoeroean , de op Chineesche wijze werkende 
fabriek van den heer Congo, waar toen slechts een gering product voor 
binnenlandsche consumtie verkregen werd. De bevolking bestaat vooma- 
namelijk uit Madureezen, zooais het grootste gedeelte van de inlandsche 
bevolking in de residentiën Probolinggo en Bezoeki. 

iDe Madureees, die voel werkzamer is dan de Javaan, mist de bescha- 
ving en goede manieren van laatstgenoemden, doch heeft, door zijn meer- 
deren lust tot werken , meer geschiktheid om bij ondernemingen met veld- 
arbeid gebruikt te worden. De heerediensten zijn weinig drukkend en be- 
staan in de gewone werkzaamheden aan de wegen, terwijl de Gouverne- 
ments-cultures zich bepalen tot eenige koflie-aanplantingen, die wegens 
hare geringe uitgestrektheid slechts weinige werkzaamheden vorderen. 

»Sedert lang bestaat te Bagoe en in de omliggende dessa's het indivi- 
dueel grondbezit, waarvan de uitgestrektheid wellicht op 400 bouws mag 
geschat worden, Ieder der op het land gevestigde Madureezen heeft zijn 
geheelen of gedeeltelijken bouw grond, waarvan het bezit bij zijn overlijden 
aan zijne erven overgaat. 

3>Het is juist het bestaan van het individueelgrondbezit te dezer plaatse, 
gevoegd bij de geringheid der Gouvernements-cultures , waardoor het daar 

■ 

mogelijk wordt den veldarbeid door vrije werklieden te doen verrichten. 
Vraagt men echter aan den Madurees : 3>wie is de eigenaar van uw land?*' 
het antwoord zal zonder twijfel zijn: »Kangdjeng Gouvernement," en zoo 
kent hij dan ook aan het Bestuur het recht toe om hem zijn land ten al- 
gemeenen nutte te ontnemen. 

ïToen de heer Rauws te Bagoe kwam, was de onderneming van weinig 
beteekenis, en was het aantal bouws dat in bewerking was, slechts ge- 
ring; maar door de energie van den eigenaar heeft zich de onderneming 
zoodanig ontwikkeld, dat op het oogenblik plus minus 250 bouws met sui- 
kerriet beplant worden. 

»Weinige zaken zijn moeilijker te drijven dan eene suikerfabriek die ge- 
heel met vrijen arbeid werkt. Om goede resultaten te verkrijgen, is het 
onvermijdelijk dat de fabrikant zelf en de personen die door hem tegen- 
over de inlanders geplaatst worden, eene kennis van de taal des lands 
bezitten, die zich zelfs tot de meest bijzondere eigenaardigheden uitstrekt. 
Spreekt men de taal, dan kan men de planters opmerkzaam maken op de 
voordeelen die hun de bebouwing hunner gronden met suikerriet zal aan- 
brengen; dan kan men hen dagelijks wijzen op verbeteringen en hun de 
goede gevolgen die daaruit zullen voortspruiten, aantoonen; dan kan men 



427 

zich dadelijk van de oorzaken van eenig misverstand vergewissen en die 
uit den weg ruimen. >) 

»Indien de eigenaar daarby een gelijkmatig karakter en een rond en 
open voorkomen heeft, zal dit mede aan zijne belangen zeer bevorderlijk 
zijn. Hij moet het den planter ])lekker" weten te maken, zonder daarom 
toch zyne waardigheid als Europeaan weg te werpen. Kan hij met Pa Ari- 
mah over zijn sappies, zijn vrouw of zijn kind praten, dan kan men zeker 
zijn dat de man met meer ijver voor den »Toewan besar" zal werken, 
dan wanneer deze hem norsch en uit de hoogte behandelt. 

]»Wil men goede resultaten zien, dan is men verplicht het te veld staande 
riet en den aanplant daarvan zorgvuldig te inspecteeren. Men verdeelt daar- 
toe het aantal bouws dat in bewerking is, in eenige perceelen, en stelt 
over elk perceel een inlandschen, meestal Javaanschen opzichter. Van een 
dezer personen vergezeld , gaat men de planters op het veld bezoeken. Daar 
moet men hen opmerkzaam maken op de verbeteringen en veranderingen 
die men noodig oordeelt, en trachten hun te bew\jzen, dat een en ander 
in hun belang is, waartoe soms Jobs geduld wordt gevorderd. 

^Ofschoon de Madureezen te Bagoe volkomen mj zijn om op hunne vel-* 
den te planten wat zij verkiezen, heeft men toch in den aanvang ontzet- 
tend veel moeite gehad om hen te bewegen suikerriet te planten, en het 
was niet tegen te spreken dat het riet , geplant voor de op 10 palen afstands 
gelegen Gouvernements-fabriek Kandang Djati, honderd pCt. beter was. 
Alleen volharding van de zijde des eigenaars heeft de inlanders hun eigen 
belang beter doen inzien en hen bewogen de werkzaamheden beter te ver- 
richten, zoodat; hoewel het nog niet was wat het wezen kon, men in het 
ongunstige oogstjaar 1863 plus minus 32 pikols per bouw verkregen heeft ; 
voorwaar een resultaat hetwelk men tot dien tijd zelden bij vrijen arbeid 
had erlangd. 

»0m echter dergelyke resultaten te bekomen, wordt ontzettend veel in- 
spanning en arbeid gevorderd. Men gelieve slechts na te gaan, dat het- 
zelfde toezicht dat op eene Gouvernements-fabriek gehouden wordt door 
een Controleur der cultures, den wedana, den bëkèl, de mandoors en 
inlandsche Opzichters, op eene vrije fabriek moet gehouden worden door 



1) De heer Bauws had eens het genoegen, tijdens een bezoek bij een zijner 
coIlega*9 snik erfabrikan ten , die door de onwilligheid van werkvolk en karre- 
Yocrders schier tot wanhoop was g:ebracht, door zijne kennis der tatil de oor* 
zank van de ontevredenheid des volks, die als gewoonlijk aan onverschilligheid 
en traagheid werd toegeschreven, in weinige oogenblikken te ontdekken en uit 
den weg te mimen. De inlander klaagt niet, maar als kg niet tevreden is, ver- 
laat hij zijn werk. De fabrikant die niet anders dan door tusschenkonist der 
hoofden met hem kan omgaan, komt zelden achter de waarheid. 



428 

den eigenaar en eenige Europeesche of inlandsche opzieners. Neemt men 
nu hier nog bij in aanmerking, dat bij Gouvernements-aanplant de inlan- 
ders aan hunne hoofden gehooraamen, en dat bij vrijen arbeid alleen de 
overredingskracht van den eigenaai* en de zorg voor zijn belang den In- 
lander tot werken sporen, dan zal men moeten toestemmen, dat vrije arbeid, 
ook waar het individueel grondbezit heerscht en de fabrikant bijzondere 
geschiktheid bezit, slechts met ontzettend veel bezwaren en lasten te ver- 
krijgen is. 

i>Een punt van het grootste belang is dan nog de neutraliteit van het 
Bestuur; want is de Resident in de verste verte den eigenaar vijandig, of 
in principe tegen den vrijen arbeid gekant, dan is eene enkele los daarheen 
geworpen uitdrukking een genoegzame wenk voor den Regent, om, ten 
einde den Kangcljeng Toewan te believen, aan de planters allerlei moei- 
lijkheden in den weg te leggen. De voortdurende goede verstandhouding 
van den eigenaar van Bagoe met het gewestelijk bestuur was oorzaak dat 
van die zijde de vrije arbeid niet werd belemmerd. Opmerkelijk is bet, 
dat, terwijl bij de komst van den heer Rauws de ingezetenen van Bagoe 
en omliggende dessa's slechts in het bezit waren van een 40ta] karren 
en sappiés, dit getal sedert tot 300 is geklommen. Het getal opgezetenen 
is dan ook niet weinig toegenomen, en ieder planter heeft eenige vrijwil- 
ligers, die als helpers bij het planten werkzaam zijn, of als karrevoerders 
het riet van het veld naar de fabriek brengen, en daarmede ruim den kost 
verdienen. 

»Ofschoon gedurig beweerd wordt dat de vrije arbeid onmogelijk is 
wanneer geene voorschotten aan de planters verstrekt worden, heeft zoo- 
danige verstrekking op Bagoe in^geenen deele plaats. Een inlander die ge- 
negen is riet te planten, meldt zich daartoe bij tijds aan. Alsdan worden 
hem de conditiën van beplanting en betaling bekend gemaakt, en het 
hem in eigendom behoorende land wordt met wederzijdsch goedvinden op- 
gemeten en daarna de mogelijke opbrengst berekend. Bij wijze van on- 
derlinge overeenkomst wordt dan door den eigenaar V3 van het vermoe- 
delijk te betalen plantloon uitbetaald; het volgende Vs 'vvordt voldaan als 
het riet rijp en door den fabrikant, den planter en den inlandschen op- 
ziener getaxeerd is; het laatste wordt uitgekeerd als het riet gesneden is 
en de velden weder vrij zijn. 

>Uit het bovenstaande blijkt, dat, welke bezwaren tegen den vrijen 
arbeid in den maatsch appelijken toestand van Java mogen gelegen zijn, 
die vrije arbeid niet alleen mogelyk is, maar te Bagoe werkelijk bestaat." 



OPMERKINGEN, 

naar aanleiding van het 17e hoofdstuk van 

Wallaoe's „Insulinde" en de aanteeke- 

ningen van den Vertaler daarop. 



De heer de C, controleur te Amoerang, en door studie- en betrekke- 
lijk langdurig verblijf nauwkeurig met de residentie Manado bekend, 
zond mij onderstaande aaanvulling en verbetering van mijne aaiiteekenin- 
gen op het XVIIdo hoofdstuk van Wallace's Insulinde, v^aaraan ik gaarne 
door middel van dit Tijdschrift publiciteit geef, in de hoop dat daardoor 
ook anderen, elders in Ned. Indië gevestigd, opgewekt zullen worden mij 
hunne opmerkingen te zenden en daardoor eene nauwkeui'ige kennis van 
Insulinde te bevorderen. P. J. V. 



Blz. 423. Volgens de hier beschrevene wijze van invoering der koffie-cul- 
tuur zou men allicht op het denkbeeld komen, dat de bevolking daarmede 
zeer ingenomen was. Toch stellen zelfs na 40 jaren de Hoofden weinig 
belang in eene behoorlijke opvolging der voorschriften aangaande het on- 
derhoud der tuinen, den pluk en de bereiding der vruchten, en is de 
geringe man nog heden niet vergeten, door welke ruwe middelen de eerste 
aanleg van geregelde tuinen werd doorgedreven, toen bij de geringste 
fout de Javaansche mandoers de nalatigen terstond lieten vastbinden, om 
met rotanslagen te worden gestraft. Zelfs ambtenaren, buiten hunne afdee- 
ling reizende, en derhalve niet door Hoofden omgeven, zullen, als zij met 
de bevolking meer rechtstreeks in aanraking komen, zelden het gesprek 
op de koffie-cultuur brengen, willen zij zich niet aan een onaangenaam 
antwoord blootstellen. 



130 

Blz. 424. Niet terzelfder tijd werd het stelsel van contin>leui'8 inge- 
voerd; eerst na het bezoek van den G. G. Duymaer van Twist kwam dit 
in 1856 tot stand. Zwaar drukten in vroegere dagen op de bevolking de 
heerediensten ten voordeele der opzieners, die o. a. somwijlen tot 30 
wachtlieden te hunner beschikking hadden, en wier benijdenswaardige 
positie, bij een hoogst klein tractement zonder eenige emolumenten, naar 
men zegt, aan het Gouvernement meesterlijk moet zijn uiteengezet door 
den Heer Douwes Dekker, ais secretaris van Manado. 

Blz. 425. De vleermuizen heeten in het Maleisch der Minahasa pant/ci, 
in het Alfoersch per et. Men heeft twee gerechten van dien naam, de 
paniki ritja en de paniki ajam: het laatste is slechts eene navolging, 
even als de toetoeroega ajam van kippen* in plaats van schildpadvleesch 
bereid wordt. Europeanen geven gewoonlijk hieraan de voorkeur, en dit 
zal denkelijk ook wel aan den Hr. W. voorgezet zijn, daar hij van eene 
fricassee spreekt. 

Blz. 427. De hoogste productie bedroeg zelfs in gunstige jaren voor 
de meeste plaatsen niet meer dan li/s ^ per boom. 

Nu enkele zendelingen begonnen zijn koHletuinen aan te leggen, is het te 
hopen dat hieromtrent wat meer zekere berichten zullen verkregen worden. 
De hoeveelheid koHie die jaarlijks verloren gaat (waaronder gerekend die 
welke te slecht is om aan de pakhuizen te worden afgeleverd), is nog al 
aanzienlijk; slechts in zeer voordeelige jaren mag voor enkele negorijen 
eenige meerdere zorg worden voorondersteld, ofschoon het ook dan nog 
gebeurt dat door andere werkzaamheden de tijdige pluk en bereiding ver- 
hinderd worden. Dat in weerwil daarvan de Manado-koffie haren goeden 
naam blijft behouden, pleit zeker voor de bijzondere geschiktheid van den 
bodem voor deze cultuur; ofschoon men wel zeggen wil, dat op Java de 
bestaande voorschriften nog veel meer verwaarloosd worden. 

Wat de Heer Wallace hier tevens aanhaalt van eene verdeeling der 
gelden voor de levering ontvangen, naar gelang van den tijd aan de 
cultuur besteed, daarvan is niets bekend; die ziek of afwezig is tydens 
den pluk, verliest zijn aandeel, al heeft hij ook aan het onderhoud der 
tuinen medegewerkt. 

Blz. 428. De berekening voor welken prijs de negorij /ïocroeton jaar- 
lijks rijst aan den handel kan leveren, is niet alleen overdreven, maar geheel 
onhoudbaar. Stellen we eene negorij van 70 huisgezinnen, waar de bevol- 
kuig geene kofQetuinen te onderhouden heeft (dat te Roeroekan wèl het 
geval is), dan zal onder de gunstigste omstandigheden, b. v. bij weinig 
onkruid, door elka&r ieder huisgezin hoogstens 2 bouws kunnen in cultuur 
brengen, of 140 bouws voor de geheele negorij. Aannemende dat hiervan 
niets door muizen, insecten of ongunstige weersgesteldheid vernield wordt, 
en dus als hoogst denkbare oogst verkregen wordt 40 pikols rflst (beras) 



131 

per huisgezin, of in het geheel 2800 pikols, dan zou zulks, tegen een 
gemiddelden marktprijs van /'4.50, geven eene som van ƒ12,600, zooals 
de Hr. W. . vermeldt. Maar alleen onder de voordeeligste voorwaarden 
kan men tot die som geraken, en dan is nog niet eens negatief in reke- 
ning gebracht wat de bevolking voor hare eigene consumtie noodig heeft, 
dat gerust op de helft kan gesteld worden. Als de Minahasa voor zulk 
een bedrag rijst in den handel kon brengen, heerschten er ongetwijfeld 
sedert lang eene weelde en een rijkdom, die men er nu te vergeefs zoekt. 

Nog moet ik hier bijvoegen, dat, volgens berichten der Hoofden, de grond 
in de negorij Roeroekan wel zeer geschikt is voor de kofHe-cultuur, 
maar slechts weinig voor de padi*cultuui\ Ik zelf ben daar nooit geweest 
en kan dus niet voor de waarheid instaan. 

Blz. 431. De inboorling roept nooit ianah gojangl maar zegt in zijne 
eigene taal mangeroh. Die angst voor aardbevingen is in de Minahasa 
zeer karakteristiek, niettegenstaande zij zoo herhaaldelijk voorkomen. Ik 
geloof dat het gevaar voor ongelukken binnenshuis zelfs geringer is dan. 
daarbuiten, want de meeste woningen zijn zoodanig gebouwd, dat zij bij 
hevige schokken naar éëne zijde moeten overhellen, terwijl men daaren- 
tegen buitenshuis nog kans heeft van door omvallende boomen getroüen 
te worden. De Europeanen hier zijn er vrij kalm onder; alleen op een 
vreemdeling als de Heer Wallace kon het ongewone verschynsel eenigen 
indruk maken. 

Blz. 434. Sedert 1867 zijn al de rozenhagen te Tondano door pagar- 
koffie vervangen. 

Blz. 435 en aant. 11. Men heeft toenmaals het gerucht verspreid, dat 
de Heer Visser zich in den waterval had nedergeworpen. De angst dat 
aan moedwil zou kunnen gedacht worden, deed enkele hoofden aan hunne 
onderhoorigen gelasten dit bij het onderzoek te verhalen. 

Blz. 444 en aant. 18. De naam van dit dorp is Pangoe. Hoe Graafland, 
die het zelf bezocht, op zijne kaart aan Pangauw komt, is m\j onbegrypelyk. 

Blz. 450. De habiroesa der inboorlingen, zegt Wallace; maar dit is de Ma- 
leische naam. De inboorlingen noemen het hertzwyn: koLawatan (vanwaar 
de naam van den berg Klabat). De anoa heet in het Alfoersch dangkow 
of langkow.'i 

Idem. Maleo, Ik heb ook meermalen, in navolging van anderen, dit 
woord verkeerd gespeld. De ware naam is moleo, Alf. songkéL Uit het 
ei gekomen vliegt het kuiken terstond weg, maar is toch gemakkelyk te 
vangen (vgl. blz. 454). 

Blz. 453. Van 50 palen in den omtrek zullen wel nooit inboorlingen 
zich naar het sti-and begeven om moleo-eieren te zoeken; slechts enkele 
strandbewoners houden zich daarmede bezig. Er behoort eene zekere han- 
digheid en oefening toe, die den bergbewonens geheel ontbreekt. Gewoon- 



132 

lyk wordt alleen de dooier met zout gegeten en deze kan nog slechts bij 
kleine hoeveelheden genuttigd worden , omdat hij spoedig tegenstaat. 
Iets smakelijker zijn die eieren, als ze eerst in een bamboes met veel 
spaansche peper eenige dagen bewaard zijn. 

Blz. 462, aant. 13. Baniik is een district, wplks 11 negorijen (Singkd, 
Malalajangy Kalasei, Boeha, Bengkol, Baüang, MolciSj Meras, Kampcmg 
Badjo Kima, Kampong Badjo Talawaan en TalawaanJ in de nabijheid 
der hoofdplaaljs Manado gelegen zijn. Het geheele aantal zielen zal jf 30(K) 
bedragen. In de bouworde der huizen is reeds eene geheele verandering 
gekomen, en ook zijn enkele Bantikkers al tot het Christendom overgegaan. 
Blz. 464, aant. 16. De zendelingen laten zich over het algemeen wei- 
nig aan de behandeling der kinderen gelegen zijn; schijnbaar wel door 
dit onderwerp in de Tjahaja Sijang aan te roeren, maar om een eeuwen- 
oud gebruik te • vernietigen, moeten zij zich onder het volk bewegen, en 
behalve de Heeren van de Liefde en Wiersma betreden de zendelingen 
slechts hoogst zelden de woning van den geringen man. Na de lezing 
van wat de Heer Wallace op blz. 41 over de Chineesche zendingen me- 
dedeelt, is het te begrypen dat hij met de missie in de Minahasa niet 
bijzonder dweept; zooals ook Laboulaye zegt m zijn >»Paris enAmérique": 
»Vos missionnaires mariës n'ont pas une vie trop rude. Emporter avec 
>soi sa femme, ses enfants, son foyer, c'est k peine changer de patrie. 
^Joignez a cela une installation commode et fixe, accompagnée d'un bon 
3>traitement; dans ces conditions-1^, il ne faut pas une tres grande vertu 
»pour prêcher TEvangile." Zooveel is zeker, dat, als de tegenwoordige 
zendelingen de daar geschetste richting volgden, zij de harten der inboor- 
lingen tot zich neigen, hunnen naam vereeuwigen en hunne felste tegen- 
standers verzoenen zouden. 

Het is dan ook moeilijk ernstig te blijven, als men ziet hoe o. a. de 
heer G., die met zijn noten- en kakaotuin goede zaken maakt, die zich 
thans ook met de koffie gaat bezig houden, en bovendien in rijst en 
andere handelsartikelen jaarlijks een niet onaardige som omzet, bij de 
Directie van het Bat. Gen. financiëele bezwaren oppert tegen zijne be- 
noeming tot gewoon lid (Not. Best. Verg., VIII, 1, blz. 37). 

Blz. 465, aant. 17. Alleen in de hoofdnegorijen Sonder en Kakas zijn 
tegenwoordig nog loges voor doortrekkende ambtenaren; die te Kenm, 
Tondano en Tanawangko worden door de controleurs bewoond. Op alle 
andere plaatsen zijn zij verkocht, afgebroken en tot andere doeleinden 
gebezigd. 

Blz. 466, aant. 29. Ook in het Maleisch der Minahasa heet die palm 
woha\ in het Alfoersch damhêk T. S., lamek T. B. en shnbèl T. P. 



ONVERDIENDE LOF. 



Hoewel de Tweede Kamer den Minister van Koloniën hulde toebracht 
voor het koloniaal verslag van September 1869, valt daarop menige aan- 
merking te maken, — en geen wonder! — Dat verslag berust toch op of- 
flciëele bescheiden, afkomstig van 's lands dienaren, wier belang het na- 
tuurlijk meebrengt om de schaduwzijden van hun bestuur zooveel mogelijk 
te verbergen. Feiten die zij veel liever zouden willen verzwijgen, als zij 
maar niet reeds van te algemeene bekendheid waren, worden daarom niet 
zelden geheel verdraaid gerapporteerd, en soms met het voor hen gimstig 
gevolg, dat zij, instede van schade of schande, zelfs lof daarvoor inoog- 
sten. 

Tot zoodanige feiten behoort het voorgevallene met de Saroeaneezen in 
November 1868 te Ambon, waarvan in het bedoelde Regeerings-verslag, 
bladzijde 35, in de volgende bewoordingen gewag wordt gemaakt: 

»In November 1868 werd de bemanning van eene pi*auw van het eiland 
Saroea, die zich schuldig had gemaakt aan roof in de negorij Amaoetie 
(Amboina), door gewapende sloepen van de Prinses Amelia gevangen geno- 
men, echter niet zonder dat een tweetal matrozen zwaar gewond werden, 
waarvan één kort daarop aan de gevolgen overleed." 

Saroea en Nila zijn twee kleine eilanden, ongeveer dertig mijlen ten Zui- 
den van Banda. De inwoners, onder den algemeenen naam van :DSaroea- 
neezen" bekend, drijven sinds eeuwen, jaar in jaar uit, ruilhandel met 
Banda, waar zij telken jare tegen October of November aan komen zetten. 
Ëene enkele maal gaat echter ook een gedeelte hunner naar Ambon. Dit 
geschiedt altijd als zij Banda niet meer kunnen halen, d. i. door stroom 
voorbij drijven. Deze eilanders zijn bij iederen Amboinees en Bandanees 
bekend door hunnen eenvoud en hunne trouwhartigheid; het zijn ware na- 
tuurkinderen, zooals ook blijkt uit huime wijze van handel drijven, die 
uUduUend in ruiling bestaat. 



134 

Het voornaamste artikel hunner industrie zijn de door hen vei' vaardigde 
vaartuigen (orangbaai genaamd), die zoowel te Ambon als te Banda zeer 
gezocht zijn. Bestellingen hierop '.worden door hen aangenomen, om die 
dan het volgend jaar uit te voeren. Daarvoor worden mondelinge overeen- 
komsten met hen aangegaan , die van hunne zijde steeds trouw worden 
nagekomen. 

De eigen of hoofdvaartuigen der Saroeaneezen , djoenkoe genaamd, hebben 
eenen eigenaardigen vorm en zijn van slechts één mast voorzien. Met de sleep- 
orangbaai*s, daaraan verbonden, zijn zij in de wateren van de Molukken 
bij ieder zulke overbekende gasten, dat men zelfs, wanneer zij nog ver in 
zee zijn, hun tegemoet vaart, om reeds bij voorraad de orangbaai's te 
merken, wat als een begin 'van onderhandeling over den verkoop wordt 
beschouwd. Te meer is 'dit dikwijls noodig, omdat de Saroeaneezen , bij de 
kust gekomen, gewoonlijk nu hier dan daar aanleggen', eer zij de werke- 
lijke reede opzoeken. 

Op deze vnjze was dan ook zulk een djoenkoe van Nila in November 
1869 voor de kampong Amahoesoe *), in de baai van Ambon, ten sgikei* 
gekomen, met het voornemen om den volgenden dag verder naar Ambon 
te gaan. Amahoesoe is op zijn hoogst een anderhalf uur van Ambon ver- 
wijderd en van de reede daar ter plaatse zeer zeker goed zichtbaar. 

Aan wal gegaan schijnen de Saroeaneezen woorden te hQbben gekregen 
met de eigenaars van een paar klapperboomen, die zij bezig waren te be- 
klimmen. Daar de regent van de kampong (de politieman) op dat moment 
niet bij de hand (d. i. dronken) was, trok zich de Inlandsche onderwijzer 
de zaak aan. Hij zond eene expresse naar Ambon, waarin melding werd 
gemaakt van zeeroovers enz. enz. Op deze tijding geraakte tegen den na- 
middag geheel Ambon in rep en roer. 

De Civiele en Militaire Autoriteiten kwamen in het fort bijeen om te 
beraadslagen; troepenmacht zou opmarcheeren , de Amelia onder stoom 
gaan. Tal van nieuwsgierigen verdrongen zich in Ket fort en op het zee- 
hoofd. Weldra zag men dan ook eene compagnie infanterie, onder kom- 
mando van den kapitein van Peuchen en vergezeld van den controleur van 
Heuckdum, langs het strand oprukken en het stoomschip de Prjnses Amelia 
onder stoom gaan; beiden de richting van Amalioesoe op. Bij de marine 
was geen Civiele Autoriteit gevoegd, eene groote onvoorzichtigheid, die 
weldra, maar te laat, zou beti'eurd worden. 

Intusschen waren van den kant van Amahoesoe noch rook noch vluch- 
telingen zichtbaar, anders wel de eerste verschijnselen bij een aanval van 
zeeroovers. Ambons ingezetenen begonnen dan ook aan de. waarheid van 
des schoolmeesters bericht te twijfelen; van ofïiciëele zijde echter schijnt 



') In hel R(^geeringsverslag verkeerdelijk Amaoetie genoemd. 



435 

die twijfel geen oogenblik te zijn opgekomen; want niettegenstaande de 
nabijheid van Amahoesoe, die het zeer goed mogelijk had gemaakt, zelfs 
nog voordat de Amelia onder stoom kon zijn, de noodige informatiën van 
die plaats in te winnen, werd daartoe door den Resident van der Grab 
niet de minste poging in het werk gesteld. Ofschoon anders een dier In- 
dische ambtenaren die de noodzakelijkheid van de militaire macht zoo 
gaarne zouden willen loochenen, scheen hij bij deze gelegenheid noch zijn 
persoon noch zijne politie aan eenig gevaar te willen bloot stellen , en zoo 
werd deze zaak , die geheel door die politie had moeten behandeld worden, 
opgedragen aan de marine, die de zoogenaamde zeeroovers nu moest op- 
zoeken en opbrengen, van de landzijde door eene compagnie infanterie on- 
dersteund. Deze laatste kwam, nadat men zich te Amahoesoe overtuigd 
had dat er niets bijzonders was voorgevallen, en na aldaar te hebben ge- 
rust, 's ochtends te Ambon terug. De Amelia daarentegen, bij de Saroea- 
neesche vaartuigen gekomen, deed ze door hare gewapende sloepen in be- 
slag nemen; de opvarenden werden gelast zich tusschendeks te begeven, 
wat ^ zij zonder eenig verzet deden. Met deze vaartuigen op sleeptouw werd 
de terugtocht naar Ambon aangenomen. Tegen middernacht kwam men weer 
op de reede ten anker, en nu zouden de Saroeaneezen aan de Civiele 
Autoriteit worden overgegeven. Daartoe werden zij gelast op dek te komen, 
om zich te laten binden. Maar hetzij dat de geheele ruwe behandeling van 
de zaak, hetzij dat handtastelijkheden van eenen matroos der Amelia te- 
genover eene Saroeaneesche vrouw (zooals verhaald wordt) daartoe aanlei- 
ding gaven , zeker is het, dat , van den kant der Saroeaneezen , een schot 
(misschien twee) viel, Mraardoor twee matrozen van de Amelia getrofien . 
werden ^). Van dit stoomschip werd nu onmiddellyk eene fusillade op de 
Saroeaneezen geopend, zoodat geheel Ambon daardoor op nieuw in alarm 
kwam. Alles kwam onder de wapenen. Natuurlijk was het pleit echter 
spoedig beslist. Bij de Saroeaneezen vielen dadelijk acht dooden, en zeven- 
tien hunner raakten bovendien vermist; denkelijk waren zij gewond over 
boord gesprongen en daardoor verdronken. Dus werden een vijfentwintigtal 
menschen de slachtoffers van handelingen, waarvan de verantwoordelijkheid 
geheel komt op rekening van den Resident. Deze, reeds sinds een tiental 
jaren in de Molukken in onderscheidene landsbetrekkingen werkzaam, kon 
en moest, vooral daar eene dier vroegere betrekkingen die van reizend 
Adsistent-Resident was geweest, met den landaard en de zeden der 
onderscheidene bewoners dier gewesten bekend zijn. Saroea en Nila met 
hare bewoners en de jaarlijks door dezen ondernomen tochten waren hem 
stellig niet onbekend. Zijn werk over de Molukken, bladzijde lli, strekke 
daarvan ten bewijze. 



1) Ëea stierf laler aan zijne wonden. 



13(5 

Was het nu overeoii te brengen met die bekendheid met het geweest 
onder zijn bestuur, en zelfs met het gezond verstand dat ieder vertegen- 
woordiger van de Regeering in de eet*ste plaats dient te bezitten, dat hij, 
alleen afgaande op een vrij onvolledig rapport van één Iniandschen mees- 
ter, en nog wel van eene plaats die door hare nabijheid onmiddellijk 
onder zijn bereik was, geloof hechtte aan eene zoo groote onwaarschijn- 
lijkheid, als die dat zich zeeroovers in de baai van Ambon op slechts 
een groot uur van de reé vertoond hadden, terwijl van een zestal andere 
kampongs, links en rechts in die baai gelegen, waar die zeeroovers dan 
toch eerst hadden moeten voorbij varen , niet de minste kwade berichten 
waren ingekomen? dat hij, als hoofd van 't gewest, dadelijk de militaire 
macht en de marine in werking bracht, en zonder eenigen verderen maat- 
regel de beëindiging der geheele zaak aan deze opdroeg? Dank zij eener 
grootere ondervinding in zulke zaken en denkelijk ook der tusschenkomst 
van den heer van Heuckelum, had de tocht van de landmacht gelukkig 
geene ernstige gevolgen. Bij de marine, waarbij het de taak van den 
Resident was geweest in persoon tegenwoordig te zijn, of bij welk^ hij 
zich ten minste door eenen ambtenaar met lokale kennis, zooals er zoo- 
velen te Ambon zijn, had moeten laten vertegenwoordigen, was de afloop 
der expeditie, zooals men gezien heeft, noodlottig, daar' zij aan één onzer 
matrozen en aan een vijf en twintigtal vreedzame Saroeaneezen het leven 
kostte. De marine beschouwe dit boeken der volle F^waarheid niet als 
eene poging om haar te hekelen; dit is in de verste verte onze bedoe- 
ling niet. Zy werd door de onvoorzichtige handelingen van den Resi- 
dent en door hare zeer begrijpelijke onbekendheid met de Saroeaneezen 
er toe gebracht om dezen voor zeeroovers aan te zien. En toen dezen, 
verbitterd door de aanranding van eene hunner vrouwen, een matroos van 
onze zijde kwetsten, was het wel te verklaren, dat de marine eene slach- 
ting onder hen aanrichtte. 

Hiermede was echter al de jammer van de Saroeaneezen nog niet ge- 
ëindigd. De overgeblevenen werden in de gevangenis geworpen en hunne 
vaartuigen op het strand gehaald ; zij zouden wegens wederspannigheid 
tegen het openbaar gezag voor den Groeten Landraad terecht staan. Meer 
dan eens werden zij door den Hoofd-djaksa verhoord; maar een paar da- 
gen vóór de buitengewone zitting van genoemde rechtbank (in December 
1868) werden zij weder in vrijheid gesteld. Hunne vaartuigen werden hun 
in eenen zeer ontrampeneerden toestand teruggegeven, met verlies van een 
groot deel hunner goederen, die gestolen waren. Zoo was de afloop van 
deze treurige zaak, die, waarschijnlijk op zeer verschoonende vrijze gerap- 
porteerd, door den Minister als eene niet van verdienste ontbloote han- 
deling, in zijn Regeerings-verslag wordt medegedeeld. 

Reeds onmiddellijk na het voorval werd dit ii) al zijne kleur en geur 



isl 

vermeld in de Wageninger en in eene der Soerabajasche Couranten; de 
Regeering schijnt daarop echter geen regard te hebben geslagen of bil- 
lens en wetens de zaak blauw te hebben gelaten. 

Maar mocht het de ernstige meening van het Gouvernement zijn, om 
zulke onmenschelijkheden te straffen en die daardoor in den vervolge te 
voorkomen, bij een consciëntieus onderzoek ter plaatse Ambon zal de 
waarheid van het bovenstaand verhaal nog ten volle blijken. 



IETS OVER HET MINISTERIEEL BELEID VAN 

DEN HEER E. DE WAAL. 



Waneer bij het aftreden van een Minister de vraag wordt gesteld, of 
hij de taak die hij bij het aanvaarden zijner betrekking op zich nam, heeft 
volvoerd, dan mag bij het antwoord niet uit het oog worden verloren, on- 
der welke omstandigheden het hem gegeven was zijn bestuur te voeren, 
wat van hem gevorderd werd en of hem de tijd gegund werd om tot 
stand te brengen wat hij zich had voorgenomen te doen. In den vluchti- 
gen blik dien wij op het ministerieel beleid van den heer de Waal wen- 
schen te werpen, zullen wij dan ook hierop onze aandacht vestigen, om 
langs dien weg tot een onpartijdig oordeel over dien staatsman te gera- 
ken. Maar, zal men vragen, is een onpartijdig onderzoek mogelijk nadat 
die Minister nog zoo kort geleden zich uit het strijdperk verwijderde, ter- 
wijl het alleen uit den parlementairen strijd is na te gaan wat hij heeft 
tot stand gebracht, en wat hij heeft voorbereid? Het bezwaar bestaat, 
maar volstrekt onpartijdig wordt een staatsman eerst dan beoordeeld wan- 
neer hij tot de geschiedenis behoort, en niet alle ministers kunnen aan- 
spraken doen gelden om eens in de historie te worden vermeld. Daaren- 
boven vordert de politiek van het oogenblik, dat nu reeds de voorgan- 
ger van den tegenwoordigen Minister van Koloniën beoordeeld worde, en 
door zooveel mogelijk de feiten te laten spreken, hopen wij de klip van 
partijdigheid te ontzeilen. 

Zelden is in den tegenwoordigen tijd de ministeriëele loopbaan van lan- 
gen duur ; die van den heer de Waal werd echter niet ontijdig afgebroken, 
en vrijwillig verliet hij het staatstooneel nadat hij daarop lang genoeg ver- 
toefd had om vele gewichtige onderw^erpen te regelen. De quaestie is dan 
ook minder hoeveel wetten hij heeft voorgedragen, dan wel welke onder- 
werpen en hoe hy ze geregeld heeft. De vraag echter waarop het hier 



139 

voornamelijk aankomt, welke was de taak die de heer de Waal, toen 
hij de portefeuille van koloniën aanvaardde, op zich nam, behoort het eerst 
te worden beantwoord , en dat antwoord kan onmogelijk in een paar woorden 
worden samengevat. Wel zou eenvoudig kunnen worden gezegd »de oplossing 
der koloniale quaestie", maar bij de op politiek gebied heerschende 
spraakverwarring en nadat die koloniale quaestie reeds meer dan ééne phase 
doorliep, is het niet overbodig dat vraagstuk eenigszins nauwkeuriger te 
omschrijven. 

Toen de koloniale quaestie in den beginne door den heer van Hoëvell 
bij de Vertegenwoordiging werd binnengeleid, was zij nog een zeer be- 
scheiden vraagstuk. Men verlangde toen alleen de invoering van vrijen 
arbeid op Java. Zij was toen in haar eerste phase, waaraan thans bijna 
niemand meer denkt; want lat^r zag men in, dat vrije arbeid niet bij 
wetten en besluiten kan worden ingevoerd, en dat het niet aangaat vrij- 
willige overeenkomsten te sluiten met lieden aan wie de vrije beschikking over 
hunne personen en hun goed niet behoorlijk gewaarborgd is. Aan den heer 
Fransen v. d. Putte komt de eer *toe, de koloniale quaestie in haar tweede 
phase te hebben gebracht, toen zich eenmaal de overtuiging bij hem had ge- 
vestigd, dat vrije arbeid wel een gevolg kan zijn van doortastende hervormin- 
gen, maar niet het onmiddellijk doel daarvan. En op dien weg wilde hij den 
eersten stap doen door aan de willekeurige beschikking over de gronden des 
inlanders, welke tot nu toe op Java regel was geweest , een einde te maken , 
wat wel niet anders kon dan door den inlander den vollen eigendom te 
geven van den grond waarop hij tot nu toe slechts eenige onbepaalde 
aanspraken kon doen gelden, zonder middel zelfs om die te doen eerbie- 
digen. Die poging is toen mislukt , maar sedert vorderden zij die hervor- 
ming in Indië voorstaan, in de eerste plaats eene rechtvaardige en libe- 
rale agrarische wet. Intusschen stond ook de overtuiging vast, dat de 
invoering van eigendom op den grond en 'de oplossing van communaal 
in individueel bezit wel gewichtige stappen waren op den weg van voor- 
uitgang, die het daarenboven onmogelijk zouden maken om den tot dus- 
ver gevolgden weg van willekeur te blijven bewandelen, maar dat zij 
alleen en op zich zelven staande niet tot het doel konden brengen dat men 
zich voorstelde, namelijk ontwikkeling van den inlander op moreel en mate- 
rieel gebied. Daartoe werd meer gevorderd, en vandaar dat in de oplos- 
sing der koloniale quaestie ook begrepen wordt: eene betere rechtsbedee- 
ling, die den inlander bescherming van lijf en goed verzekert, — invoering 
van onderwijs, waardoor hij zijn waar belang beter zal leeren kennen , — re- 
geling der heerediensten, opdat hij niet willekeurig van zijn tijd en dus 
van zijn arbeidsvermogen worde beroofd , — betere middelen van communica- 
tie, waardoor aan de vruchten van zijn arbeid hooger waarde wordt ver- 
zekerd, — oplossing van de laatste overblijfselen van het cwltuurstelsel, dat 



140 

zich met een regeeringsbeleid dat willekeur uitsluit en recht tot basis 
neemt, niet verdraagt, en, — last not least, — om al die hervormingen moge- 
lijk te maken en van theoretische wenschen tot praktische daden te kun- 
nen komen, eene hervorming van het geheele belastingstelsel. Dit alles tot 
stand te brengen of ten minste voor te bereiden, was de gewichtige en 
moeilijke taak die de heer de Waal op zich nam. Hij deed dit onder zeer 
gunstige omstandigheden. Het Ministerie waarvan hij deel uitmaakte, en 
dat den 4 Juni 1868 het bestuur aanvaardde, vond zoowel de natie als de 
vertegenwoordiging in eene zeer welwillende stemming. De stormen die 
het vorig conservatief kabinet over het land had doen losbarsten , hadden den 
strijdlust uitgedoofd; men verlangde naar rust en afdoening van zaken en 
hoopte een en ander van dit kabinet te verkrijgen. Aan de liberale partij 
lagen de gevolgen die de scheuring in 1866 had gehad, nog versch in 
het geheugen, en zij was bereid met dezen Minister mede te gaan op den 
weg der hervorming zoo ver als hij maar durfde leiden; de liberale oppo- 
sitie, die de voorstellen van den heer Fransen v. d. Putte als te radicaal 
had bestreden, was nu bereid voorstelleh goed te keuren van oneindig wij- 
der strekking. Daarenboven mag niet uit het oog verloren worden, dat de 
beginselen op koloniaal gebied^ door den heer Fransen v. d. Putte verte- 
genwoordigd, slechts bij een zeer geringe minderheid der kamers weerklank 
vonden toen h^ als Minister optrad, maar wel degelijk bij de grdote meer- 
derheid der liberale partij ingang hadden gevonden toen hy het bestuur 
verliet. Die meerderheid vooral was bereid met den heer de Waal mede 
te werken en hem te steunen in alle maatregelen die hij mocht voorstel- 
len, zoo zij slechts uitgingen van het waarlijk liberaal beginsel om recht en 
wet te stellen in de plaats van willekeur. De heer de Waal zou dus de 
vruchten hebben kunnen plukken van den arbeid van zijn voorganger, den 
heer Fransen v. d. Putte, en men had daarom het recht, bij zijn optreden, 
voor de hervorming van ons regeeringsbeleid in Neerl. Indië hooggespan- 
nen verwachting te koesteren. Maar was nu de heer de Waal wel de 
man die zelfs onder die gunstige omstandigheden zou kunnen en willen tot 
stand brengen hetgeen men van hem verwachtte? De vrees bestond dat 
hij , zijn geheele leven op de bureaux in ambtelijken werkkring doorge- 
bracht hebbende, daar ook niet veel anders zou geleerd hebben dan hetgeen 
men in de bureaux leeren kan, en dat hij dus eer de bekrompen in- 
zichten van een bureaucraat zou blijken te hebben, dan den ruimen blik 
voor den staatsman noodzakelijk. Ëenigc door hem in een zeer pretcntieu- 
sen stijl geschreven boekjes hadden hem doen kennen als iemand die veel 
wist, maar van scherpziend oordeel en helder verstand moesten nog de 
bewijzen geleverd worden. Die vrees werd sterker toen het bleek, dat de 
heer de Waal, ofschoon hij de grondwet ijverig bestudeerd had, toch wei- 
nig heldere begrippen had van ons constitutioneel staatsrecht. Nooit is het 



144 

hem goed duidelijk geweest in welke verhouding de Minister, als dienaar 
van de Kroon, staat tegenover de Kamers, als vertegenwoordigende het volk; 
nooit heeft hij kunnen inzien,dath et niet aanging tegenover die Vertegen- 
woordiging, aan welke hij rekenschap verschuldigd was van zijne handelin- 
gen , den toon aan te slaan van een hooggeplaatst ambtenaar tegenover an- 
deren die lager in ambtelijke hiërarchie staan. Als bewijs van die mis- 
kenning der Vertegenwoordiging wijzen wij hier slechts op den ongepasten 
uitval tegen den heer v. Sypesteyn, in wien hij den vertegenwoordiger uit 
het oog verloor, om alleen in hem den ambtenaar te zien dien hij met 
beleedigende minachting mocht toespreken; en de niet minder ongepaste 
wijze waarop hij den heer 'sJacob trachtte bespottelijk te maken door 
de uiterlijke voordracht van dien redenaar te parodiëeren, hetgeen hem 
eene welverdiende terechtwijzing van den President der Kamer op den hals 
haalde. Dat daardoor het gemeen overleg tusschen de Regeering en de 
Vertegenwoordiging niet werd bevorderd, spreekt van zelf, maar daaraan 
scheen hij niet veel waarde te hechten, ofschoon de betuigingen van het 
tegendeel nooit ontbraken; zelfs maakte hij ten slotte elke samenwerking 
onmogelijk, toen hij, tijdens de behandeling der reorganisatie vandePrean- 
ger regentschappen, in zijn antwoord aan den heer Insinger der waarheid 
te kort deed, door te verklaren dat er geen koninklijk besluit in die zaak 
genomen was, terwijl het later bleek dat er eene koninklijke machtiging 
door hem was gevraagd en naar Indië gezonden. Voor die onoprechtheid 
heeft Indië geboet, maar ook aan den heer de Waal is die onjuistheid 
niet vergeven; want, ofschoon hij de gevolgen daarvan heeft trachten af te 
weren en hij het strijdperk verliet, de verwerping zijner begrooting in de 
Eerste Kamer geeft den indruk aan die dat antwoord op de Vertegenwoor- 
diging maakte. Door die onoprechtheid heeft hij jegens Indië een schuld 
op zich geladen die hij nooit zal kunnen kwijten, en voor zich zelven het 
weder optreden in het Parlement voor altijd onmogelijk gemaakt ; want 
men moge den vorm waarin de Eerste Kamer dat votum van wantrouwen 
uitbracht, afkeuren, de beteekenis daarvan kan niet worden weggecyferd. 
Het was noch wantrouwen in de beginselen waarvan de heer de Waal kon 
geacht worden de di^er te zijn, noch afkeuring der voorgestelde maat- 
regelen; het was wantrouwen in den persoon die eene verklaring in de 
Vertegenwoordiging had afgelegd , welke zoo nabij aan onwaarheid grensde, 
dat zij de parlementaire benaming van onoprecht en oj\juist volkomen ver- 
diende. Tegenzin by de Eei-ste Kamer om door den Minister gesteld te 
worden tegenover een fait accompli kon dat votum nooit rechtvaardigen; 
want juist door die afstemming hield het zoogenaamde fait accompli op 
er een te zijn. Wantrouwen in den persoon zal dan ook wel de eenige 
beteekenis blijven die aan dat votum gehecht kan worden. Wij erkennen 
dat het hard is voor een Minister, nog na zijn ontslag, in het Parlement 

10 



442 

zoo'n gevoelige nederlaag teiydeiiy vooral wanneer na zulk een val een eex^ 
vol opstaan onmogelijk is; maar aan Ynen de schuld? De heer de Waal 
zal echter de Eerste Kamer over dat strenge vonnis niet te hard ^leU) 
wanneer hij nagaat welk oordeel de Tweede Kamer zou hebben uitgespro- 
ken, indien hij de discussie over het koninklijk besluit ter uitvoering van 
de Agrarische Wet niet met zekere handigheid had weten te verdagen, zoo- 
dat hij zelf verdwenen was toen die discussie aan de orde kwam. Ook 
daar zou hij de beschuldiging van mala fide jegens een groot deel der 
Vertegenwoordiging te hebben gehandeld, niet zyn ontgaan. 

Over die Agrarische Wet spreken wij later; nu wenschen wy alleen aan 
te toonen, dat het gemeen overleg met de Vertegenwoordiging misbruikt is 
om een doel te bereiken, in stryd met den geest van de wet zooaLs zij uit 
de discussie was te voorschyn gekomen. Bij het eerste ontwerp van de wet 
was voorgesteld, aan de inlandsche bevolking een erfelijk individueel ge- 
bruiksrecht te verzekeren op den grond door haar bebouwd. Daartegen waren 
bezwaren gerezen bij de Vertegenwoordiging; niemand, en de Minister zelf 
niet, kon zich een duidelijk begrip maken van dat erfelijk individueel ge* 
bmiksrecht. De liberale partij drong er op aan dat die bepaling uit de 
wet zou verdwenen en in de plaats daarvan den inlander de volle eigendom 
van zijn grond zou worden verzekerd. Trouwens de geheele voordracht vol- 
deed slecht aan veler eischen; men was huiverig eene wet aan te nemen 
die zoo weinig bepaalde, en zoo veel aan het uitvoerend gezag overUet 
In die stemming meende de Minister de Waal aan dat verlangen der li- 
berale partij te moeten toegeven, en uit het gewijzigd ontwerp verdween 
het erfel\jk individueel gebruiksrecht en het eigendomsrecht werd den in- 
lander verleend. Dat die concessie noodzakelijk was voor de aanneming der 
wet, bleek bij het debat, toen zelfs de verklaring werd afgelegd, dat, in- 
dien door aanneming van een amendement dat eigendomsrecht weer uit 
de wet mocht verdwijnen, men tegen de geheele wet z^jn stem zou uit- 
brengen. Nadat de wet aldus was tot stand gebracht, meende de heer 
de Waal echter bij het koninklijk besluit), waarbij de uitvoering dier wet 
werd geregeld], op zijne concessie te mogen terugkomen, en hetgeen in de 
wet was toegegeven werd in het koninklijk besluit teruggenomen; aan den 
inlander werd weder een bewijs van erfeUjk individueel gebruiksrecht op 
den grond bij hem in bezit verleend, en het eigendomsbewijs voor een 
latere toekomst bewaard. Kan een dergelijke handeling als bona fide ge- 
pleegd verdedigd worden? Ën zouden zy die op grond van die concessie de 
Agrarische Wet hadden verdedigd en aangenomen, nog eenig vertrouwen 
in den Minister hebben mogen stellen, nadat hij van dat vertrouwen zulk 
een gebruik had gemaakt? 

Bij de behandeling der Indische Begrooting voor 1871, toen het konink- 
lijk besluit tot uitvoering der Agrarische Wet nog niet bekend was, ont- 



143 

spon zich een debat naar aanleiding van de vraag of geheimhouding van 
een dergeKjk besluit geoorloofd was. De Minister, die intusschen dat be- 
sluit onder geheimhouding ter inzage jvan de leden der Kamer ter griffie 
had gedeponeerd, raadde ieder aan die zich met den inhoud van dat be- 
sluit niet kon vereenigen, zijne stem als blijk van wantrouwen tegen het 
IXdo hoofdstuk der Staatsbegrooting uit te brengen. Voordat dit hoofdstuk 
in behandeling kwam , was de Minister verdwenen ; maar hoevele leden der 
liberale partij zouden, na dat misbruik van het gemeen overleg, de ver- 
antwoording op zich genomen hebben van nu nog aan dien Minister een 
votum van vertrouwen te geven? Wij gelooven zeker dat het in het belang 
van den heer de Waal geweest is, dat over die zaak geen debat in het 
Parlement heeft plaats gehad, en wenschen hem ook niet toe ooit in de 
gelegenheid gesteld te worden die handeling daar te verdedigen; het strenge 
vonnis der Eerste Kamer zou door de Tweede met den meesten ernst wor- 
den bekrachtigd. Zeker zou hij dan geen baat vinden bij de steeds door 
hem gevolgde taktiek, om zich voor te doen als een bedachtzaam man, die 
eerst rondziet, en dan met bedaarden stap voortgaat, liever een brug bouwt 
dan m den afgrond stort enz. Al die huismiddeltjes, welke gediend hebben 
als captatio benevolenttae van hen die zoo bedaard wenschen vooruit te 
gaan dat zij liefst op de plaats blijven stil staan, en om te doen uitkomen 
hoezeer hij meer vertrouwen verdiende dan al die overige liberalen, die, in 
tegexksteUing met hem, niet bedachtzaam waren, zouden nu niet baten. Wan- 
neer ruiterlijk de vraag gedaan werd: waarom hebt gij uwe belofte niet 
gehouden? dan was een rond antwoord noodzakelijk, en Voor prcuUjes^ 
zooals de heer de Waal zelf eens den heer \Bn Eek toevoegde, was de 
tijd verstreken. 

Het zal wel niet noodig zijn verder uiteen te zetten, dat, hoe welwil* 
lend de Kamers ook jegens het kabinet gezind waren, de sympathie voor 
den persoon van den Minister van Koloniën, vooral na betere kennismaking, 
niet groot was; maar zoo diep was de vrees bij de liberale partij gewor- 
teld om het Kabinet in den persoon van een enkel Minister te verzwak- 
ken, dat, niettegenstaande het miskennen van de rechten der Kamer in 
den heer de Waal mishaagde, en zijne onoprechtheid wantrouwen inboe- 
zemden, toch weinig Ministers zoo zelden door eenige afstemming van de 
Kamer een waarschuvnng ontvingen, totdat, bij de behandeling der Indi- 
sche begrooting voor 1871, het onweder zoo geducht samenpakte, dat eene 
nederlaag in het Parlement, die hem voor goed van het staatstooneel zou 
verwijderen, niet was te vermijden. De vraag blijft ter beantwoording, of 
er ook voor de Vertegenwoording gegronde redenen bestonden, in de voor- 
treffel\jkheid der door den heer de Waal voorgestelde maatregelen gele- 
gen, om steeds hare goedkeuring aan zijn regeeringsbeleid te schenken. 
Werden ook soms de liberalen alleen tot goedkeuren genoopt door de 



i 



144 

vrees dat een échec van het Kabinet aan de conservatieven de gelegenheid 
zou geven om weder aan het bewind te komen? Mocht deze vooronder- 
stelling juist zijn, dan zou de goedkeuring niet veel beteekend hebben. 
Maar was dan de Vertegenwoordiging wel op den rechten weg, goedkeuren- 
de hetgeen misschien niet zoo geheel die goedkeuring verdiende? 

Laten wrij de voornaamste voorstellen van den heer de Waal een wei- 
nig van *ïiabij bezien. 

Zij die, met de koloniale politiek bekend, wisten hoeveel van den nieuw 
opgetreden Minister zou gevraagd worden, en van hoevele hangende quaes- 
tiën hij de oplossing zou moeten geven, hebben zich zeker niet weinig 
verwonderd toen de heer de Waal, by de behandeling zijner eerste be- 
grooting, de quaestie van het recht op een batig slot opwierp op eene wijze 
die haar uitstekend geschikt maakte voor theoretische beschouwing, maar 
geheel ongeschikt voor eene praktische oplossing. De vraag of Nederland 
recht heeft op het batig slot van de Indische begrooting, als bijdrage voor 
de Rijks middelen, werd door hem ontkennend beantwoord. Bij die gele- 
genheid scheen het dat de man van den bedaarden stap zijne bedacht- 
zaamheid zou verzaken en met eene gevestigde overtuiging voor den dag 
zou komen. ï>Er mag geen overschot zijn," zeide hij. »Een batig slot 
«waarnaar men streeft, is in strijd met het eerste gronddenkbeeld van 
«financieel bestuur". Zooveel hechtte hij aan dat beginsel, dat hij meende 
dat die quaestie vóór alle andere behoorde te worden opgelost, terwijl 
zijn zedelijkheidsgevoel hem verbood langer aan Nederlands financiën langs 
dien weg te hulp te komen. Het debat leidde tot geen resultaat; eerst 
bij de volgende begrooting zou de quaestie beslist kunnen worden. Maar 
toen werd die overtuiging geheel anders uitgesproken, en met groote be- 
dachtzaamheid eene transactie voorgesteld tusschen de voor- en tegen- 
standers der batig-slot-theorie, die, zooals meer gebeurt, niemand kon be- 
vredigen. De begrooting sloot met een geraamd batig slot van /" 11,571,167, 
en nu stelde de Minister voor, daarvan 10 millioen te bestemmen tot 
dekking van 's Rijks uitgaven, en het excedent van ƒ 1,571,167 voor nader 
aan te wijzen bestemming te bewaren. Een vreemd voorstel, dat vooral 
na de toelichting geheel onbegrijpelijk werd. »De Regeering wenscht« het 
«debat over de grenzen door zedelijkheid aan het vergen van bijdragen 
«uit Indië gesteld, niet te hervatten". Hier ging dus het zedelijkheidsge- 
voel over boord, en om dat recht duidelijk te doen uitkomen, gaf de 
Minister in zijne toelichting eene berekening van de uitgaven die Neder- 
land zich ten behoeve van Indië moest getroosten, en die nog geen 4Vi 
millioen bedroegen, zoodat, volgens den Minister, het zedelijkheidsgevoel 
geen hooger bijdrage van Indië aan Nederland kon gedoogen dan van 
4Vi millioen, terwijl hij toch voorstelde voorloopig 10 millioen daarvoor te 
bestemmen. Dat noemde hij «eenvoudig eene praktische beslissing." Vol- 



geiis zijae eigeue redeneering was het eene hoogst oiizedelyke handelwijze. 
Praktisch was zij in allen geval niet; want over dat geraamde excedent 
van het geraamde slot, ad ƒ1,571,167, zou later beslist worden, en als 
het dan, ten gevolge va>:i de beslissing, aan de rijksmiddelen werd toege* 
voegd, dan had men in twee tempo's juist hetzelfde gedaan wat men tot 
nu toe in één tempo gedaan had, en wat de vrome verontwaardiging van 
den heer de Waal zoo zeer had opgewekt. 

Het amendement Blussé-van Namen maakte een einde aan die come- 
die en de heer de Waal nam van zijn zedelijkheidsgevoel in verband met 
zijne batig-slot-theorie voor goed afscheid. Wij willen gaarne aannemen 
dat de Minister in deze zaak met goede voornemens bezield was, maar hij 
leere hieruit dat dit niet voldoende is. Het voorstellen van een verstan- 
digen maatregel op het juiste oogenblik, en het toelichten daai^an met 
de juiste argumenten, noemt men politieken takt en politieken zin, welke 
beide oordeel en verstand vorderen. Dit had de heer de Waal vooraf 
moeten bedenken, en ook dat een staatsman niets vermag zonder de sym- 
pathie en den steun van hen die zijne politieke inzichten deelen, en dat 
men die verbeurt wanneer men zijne overtuiging opoffert en daarvoor 
phrases in de plaats geeft. 

Tot nog toe spraken wij alleen over hetgeen de heer de Waal niet 
vermocht te doen, en waarom de vrees gegrond scheen, dat de hoog ge- 
spannen verwachting die men van zijn beleid koesterde, teleurstelling 
moest ondervinden. Majora canamus , en laten wij than^ zien welke maat- 
regelen door hem zijn voorgesteld, die de goedkeuring der wetgevende 
macht wèl mochten wegdragen. In de eerste plaats treedt dan op den voor- 
giond de zoogenaamde Agraiische Wet. Van den beginne af verschillend 
beoordeeld, is zij zeer geschikt om een blik te doen werpen op de poli- 
tiek van den heer de Waal. Door enkelen geroemd, door anderen streng 
veroordeeld, noemde de heer van Namen haar ten slotte een mager beestje, 
en de heer van der Linden, die een juisten middenweg wilde bewandelen 
tusschen hen die haar bij eene geurige vrucht, en anderen die haar bij 
eene vergiftige plant vergeleken, sprak van een eenvoudigen aai'dappel. 
Wij zouden geneigd zijn, indien wij de wet van hare uitvoering konden 
afscheiden, een gunstiger oordeel uit te spreken. De wet rustte op het dub- 
bel beginsel, dat de rechten van de inlandsche bevolking op de door haar 
bebouwde gronden voor goed en voor altijd behooren te worden gewaar- 
borgd en geëerbiedigd, en dat door den afstand van onbebouwde gronden 
aan de particuliere nijverheid een nieuw veld behoort geopend te worden 
waardoor kapitalen naar Indië gelokt en nieuwe bronnen van inkomsten 
geopend zullen worden. Zij bevatte dus tot op zekere hoogte de oplossing 
van een juridisch en een economisch vraagstuk, reeds lang door de publieke 
opinie gevorderd, en door die oplossing werd tevens, en dat was niet haar 



146 

minste verdienste, voor goed gebroken met staats-exploitatie van land en volk. 

Maar de groote fout van de Wet lag in den vorm waarin zij die begin- 
selen had neergelegd, een vorm die niet alleen de kenmerken droeg van 
gering legislatief talent, maar waardoor te veel aan het uitvoerend gezag 
werd overgelaten, zoodat de wet eigenlijk niet veel meer was dan een 
motie van vertrouwen aan de Regeering gegeven, om in zekere richting 
en met eerbiediging van zekere beginselen koninklijke besluiten uit te 
vaardigen. En welk gebruik heeft de heer de Waal van dit vertrouwen 
gemaakt? Van het eerste vraagstuk spraken wij reeds en wezen et op, 
hoe de eigendom op den grond, in strijd met den geest en de letter der 
wet, bij een koninklijk besluit veranderde in een erfehjk individueel ge- 
bruiksrecht , zoodat men door dat besluit werd teruggebracht in den toe- 
stand waarin men verkeerde na het amendement Poortman. Werkel^k 
deed dus het koninklijk besluit de wet waaruit het voortvloeide, te niet, 
zoodat alles weder ongedaan werd wat met zooveel moeite en strijd was 
tot stand gebracht. Om zoo de rechten der bevolking te regelen, was 
eigenlijk geene wet noodig geweest; en beter geen wet dan een dubbel- 
zinnige wet. 

Door diezelfde politiek is ook aan de oplossing van het economisch vraag- 
stuk alle waarde ontnomen. De heer de Waal was zeer gemakkelijk mee- 
gegaan met hen wier eischen tot hooge uitgaven in Indië leiden. Te 
recht zag hij in, dat bekrimping van noodzakelijke uitgaven ten dotte 
gelijk staat met geldverspilling, daai* later veel hoogere uitgaven daarvan 
het gevolg zijn; maar tegenover uitgaven moeten ontvangsten staan, en 
met den dag wordt het gevaar grooter dat wij in Indië eens zullen staan 
voor uitgaven die door geene ontvangsten gedekt zijn. £ene hervorming 
van het belastingstelsel daar is dus dringend noodzakel^k. Wat de heer 
de Waal in dit opzicht heeft gedaan, zullen wij later zien, maar meer- 
malen wees hij er op, hoe hy ook in dit opzicht bedachtzaam voor 
de toekomst gezorgd had, door in de Agrarische Wet een uitweg te 
openen aan hen die hun vlijt en kapitaal tot ontginning der op Java 
liggende woeste gronden wilden aanwenden, waardoor de staatsinkomsten 
moesten toenemen. Niemand zal ontkennen dat op die wijze een bron van 
inkomsten voor den Staat kan worden geopend, maar heeft men den rech- 
ten weg ingeslagen om die bron ruim te doen vloeien? Wij vreezen dat 
hier al weder bij den heer de Waal de fiscale neigingen een ongelukkige 
overwinning hebben behaald, en dat hij daardoor aan de wet in zoo'n be- 
krompen geest van fiscaliteit uitvoering heeft gegeven, dat zij haar doel 
geheel zal missen. Den aard van het erfpachtsrecht miskennende, vordert 
l^j van den erfpachter een hooge huur voor gronden die eerst later, en 
alleen door het kapitaal en den arbeid van den erfpachter, eenige waarde 
zullen erlangen. In plaats van den raad op te volgen, hem Uj de discussie 



147 

door den heer van der Linden gegeven, om des noods de woeste gi'on- 
den aan den erfpachter om niet af te staan, dewijl deze de gronden welke 
woest liggen en niets opbrengen, in cultuur brengt, en reeds daardoor een 
grooten dienst aan den Staat bewijst, vordert hij van die gronden huur- 
prijs, even alsof huur en verhuur op andere dan reeds in cultuur gebrachte 
gronden denkbaar waren ; en daarmede niet tevreden, doet hij den erfpach- 
ter nog opbrengen de belasting in Indië op de eigendommen gevestigd , 
bekend onder den naam van ^verponding" , terwijl de opgezetene inland- 
sche bevolking heeredienstplichtig zijn zal, in strijd met de wettelijke be- 
palingen, volgens welke heeredienstplichtigheid alleen kan rusten op den 
grond en niet op den persoon der inlanders. »0p die wijze", — zeide de heer 
van der Hucht, anders waarlijk geen opposant tegen dezen Minister, ))zult 
ge wel hebben een erfpachts wet, maar nooit erfpachters in Indië". Wat zul- 
len wij er meer van zeggen? In de Tweede Kamer werd eens tot den heer 
de Waal de vriendelijke uitnoodiging gei'icht, om toch de liberale beginse- 
len niet in discrediet te brengen. Wij gelooven niet dat hij ooit met opzet 
zich daaraan schuldig zou maken, maar geheel zonder aanleiding was die 
uitnoodiging niet. Het gevaar lag hierin, dat hij, in naam liberaal met of 
zonder conservatieve neigingen, inderdaad noch conservatief noch liberaal 
was, maar eenvoudig een bm*aucraat, die aan fiscaliteit boven de toepas- 
sing van gezonde economische beginselen, en aan ambtelijk gezag boven 
alles zijne sympathie schonk. Indien men hem vei'weet dat door hem de 
uitgifte van woeste gronden, en daardoor ontwikkeling van particulieren 
landbouw en nijverheid, — een geliefd denkbeeld der liberale partij, — nu on- 
mogelijk was gemaakt, en de tegenstanders van dergelijke ontwikkeling op 
Java op dat mislukken zouden wijzen, in hun betoog dat particuliere nij- 
verheid en industrie op dat eiland een onmogelijkheid is, en deze daar alleen 
door den Staat kunnen gedreven worden, die dan ook niet aan lastige 
banden of wettelijke regels moet gebonden zijn, zou hij dat verwijt niet 
begrijpen, en zich verheugen zoo goed voor de schatkist te hebben ge- 
zorgd. Maar juist door terstond en te veel voor die schatkist te vorderen, 
heeft hij het ontstan van een tak van industrie die eerst later en lang- 
zamerhand vruchten kon afwerpen, bemoeilijkt en misschien voor lang 
onmogelijk gemaakt. En als er naderhand op gewezen w^ordt, dat het 
verleenen van eigendomsrecht aan den inlander bij de Agrarische AVet 
niet die resultaten gehad heeft welke de liberale partij zich daarvan 
voorstelde, zal men dan wel altijd tegelijk er op wijzen, dat de heer de 
Waal, met de uitvoering van zijne Agrarische Wet belast, aan het verlee- 
nen van dat recht alle beteekenis ontnam? Zal men dan wel altijd hier- 
aan indachtig zijn, dat niet aan het beginsel mag geweten worden dat- 
gene waarvan de uitvoering schuld draagt? En zullen dan nooit de fouten 
en tekortkomingen van den heer de Waal op de schouders der liberale 



148 

partij gelegd worden ? — Dit is zeker, dat de liberale koloniale politiek , die 
in 't geheel juist niet veel aan den heer Thorbecke verschuldigd is, hem 
vooral niet daarvoor dankbaar zijn kan, dat hij in zijn zuiver liberaal ka- 
binet zonder eenige mixtuur, aan den heer de Waal de portefeuille van 
Koloniën toevertrouwde, waardoor de liberale partij eenigerraate aanspra- 
kelijk gesteld werd voor de handelingen van een man die te recht ver- 
klaarde noch liberaal noch conservatief te zijn, — niet omdat hij tusschen 
of boven de partijen stond, maar omdat hij geen staatsman was, en alleen 
iemand voor wicn alle politieke beginselen geheel onverschillig waren. 
Hierin ligt ook het antwoord op het raadsel dat de Eerste Kamer bezig 
hield. Aan de ééne zijde werd beweerd, dat de Minister op den rechten 
weg was, omdat hij door beide partijen werd aangevallen; aan de andere 
zijde werd gevraagd, of het wel eene aanbeveUng voor een Minister is, 
wanneer niemand met zijn beleid is ingenomen. Het was niet omdat hij 
den middenweg bewandelde, dat beide partijen hem uitstieten, maar om- 
dat hij elk leidend politiek beginsel miste. Zoo kon hij ook in het Parle- 
ment de bekende spreuk van den Franschen staatsman omkeeren en zeg- 
gen: i>Faites moi de bonnes finances et je vous donnerai une bonne poli- 
tique". »Goede politiek" was voor hem een zinledig woord, en daarom 
verbeeldde hij zich dat die een gevolg moest zijn van een gunstigen finan- 
ciëelen toestand. Die verklaring in den mond van den heer de Waal 
beteekende niet veel anders dan dit : }i>indien veel geld te mijner dispo- 
sitie gesteld wordt, zal ik Indië goed regeeren." Maar die redeneering, 
volkomen passend in den mond van een administreerend ondergeschikt 
ambtenaar, toont juist aan dat hij van de taak van een staatsman, belast 
met de politieke leiding en als regeering daarvoor verantwoordelijk, geen 
begrip had. Mocht echter nog iemand twijfelen of wij wel het recht heb- 
ben in den heer de W^aal niets meer dan een bureaucraat te zien, mis- 
deeld in alle eigenschappen die den staatsman vormen, dien verwijzen wij 
naar de discussiën over de wet houdende regeling van de Gouvernements- 
suikercultuur. 

De Agrarische Wet had het regeeringsbeleid gebracht op een weg die 
zich niet verdroeg met staatsexploitatie ; het cultuurstelsel was daardoor vei-- 
oordeeld en er moest eene liquidatie van den toestand plaats hebben. Nu 
was de taak van den Minister natuui'lijk, die liquidatie zoo te regelen, 
dat, met de minst mogelijke benadeeling der verschillende belangen en 
met eerbiediging van verkregen rechten, de industrie behouden bleef, 
indien het ten minste mogelijk was dit doel te bereiken zonder onrecht 
jegens den inlander te plegen. Wij laten daar of en hoe dat problema 
kon worden opgelost- Dat dit echter de quaestie was, bleef voor den 
heer de Waal geheel verborgen ; hij zag dat problema zelfs niet en stelde 
zich tot doel maatregelen te nemen waardoor de contractanten zouden 



149 

bevoordeeld worden, zonder de schatkist te veel te benadeelen . Dat dit de 
quadratuur van den cirkel was, indien men ten minste de rechten en 
belangen der inlandsche bevolking wilde eerbiedigen, spreekt van zelf, en 
dat de overgroote meerderheid der Kamer zich tegen elke onverholen 
krenking dier rechten en belangen zou verzetten, zag zelfs de heer de 
Waal in; en zoo kwam een wet tot stand die een samenstel van tegen- 
strijdigheden, onpraktische inzichten en onrechtvaardige maatregelen kan 
genoemd worden. De Gouvernements-suikercultuur werd ingetrokken; maar 
na eene veroordeeling zoo scherp en zoo streng als nog zelden geleverd 
was, werd zy nog voor 20 jaar bestendigd. De^ druk op de bevolking, 
welke tot nu toe het gevolg van die cultuur geweest was, werd met de 
levendigste kleuren als ondragelijk geschilderd, maar tegelijk voor de 
eerstvolgende 8 jaren nog eenigszins verzwaard. Terwijl de Gouverne- 
ments-cultuur in de volgende 12 jaren lan^aam werd afgebroken, werd 
geen enkele maatregel van overgang voorgesteld; en ten slotte liep zelfs 
de particuliere industrie gevaar van in hare geboorte te worden ge- 
smoord, daar haar een cijns ten behoeve der schatkist werd opgelegd nog 
vóór zij ter wereld was gekomen. Te vergeefs zocht men in die wet een 
leidend beginsel; elke overtuiging, door den voorsteller uitgesproken, vond 
in de wet zelve hare tegenspraak. Het is waar, de bestrijders van de 
Gouvernements-cultures konden in de wet lezen dat z\j werden ingetrok* 
ken, en de voorstanders dat zij nog 20 jaar werden bestendigd; ook de 
fiscus was niet vergeten ; alleen de inlandsche bevolking met hare rechten 
en belangen was miskend, en dat door den man die zich haar eenige ver- 
tegenwoordiger in het Parlement noemdel 

In die beide organieke wetten derhalve is de heer de Waal niet geluk- 
kig geweest, en, ofschoon misschien met de beste bedoelingen bezield, 
heeft hij zeker getoond niet voor die taak te zijn opgewassen. Met meer 
anderen schijnt hij in de dwaling verkeerd te hebben, dat hij eigenschap- 
pen bezat die hem inderdaad ontbraken. Als ambtenaar in ondergeschikte 
betrekkingen werkzaam, had hij groote verdiensten gehad, maar hy is de 
eerste niet geweest op wien kon worden toegepast: »Tel brille au second 
rang qui s'éclipse au premier.'' Intusschen heeft hjj den tijd en de gele- 
genheid om het regeeringsbeleid in Indië voor altijd op gezonde en breede 
grondslagen te vestigen, ongebruikt laten voorbijgaan, en die zonde kan 
hem nimmer vergeven worden, al ware men ook genegen bij zijne tekort- 
komingen zooveel mogelijk verzachtende omstandigheden te laten gelden. 

Maar niet alleen deze organieke wetten werden van den heer de Waal 
gewacht, ook andei*e wetten en besluiten zag men van hem te gemoet. 
Was hij daarmede ook gelukkiger? Heeft Indië hem in dat opzicht soms 
te danken? Kan dat wellicht in compensatie gebracht worden? 

£ene voorname plaats in de behoeften welke in Indië steeds onvervuld 



150 

« 

bleven, bekleedt het onderwijs. Met zeer weinig uitzonderingen zijn zoowel 
conserratieven als liberalen het daaromtrent eens, dat het niet zonder 
gevaar is het onderwijs der inlandsche bevolking uitsluitend of zelfs vooi*- 
namelijk te laten in handen der Mohammedaansche priesters ; dat niet 
alleen onze plicht vordert, maar ook ons belang en onze veiligheid eischen^ 
dat wij den inlander tot hoogere beschaving opleiden en daardoor aan den 
gevaarleken invloed der priesters onttrekken. Hier had de heer de Waal 
een ruim veld voor zich, waarop hij steun en medewerking van alle par- 
tijen zou ondervinden. Wat heeft hïf in die richting tot stand gebracht? 
Tot beschaming van aUen die hem in het Parlement gesteund hebben, 
en weinig vereerend voor hem zelven, luidt het antwoord: niets. 

Reeds in 1868 is een koninklijk besluit, regelende die materie, naar 
Indië gezonden, en nu is dat besluit nog niet afgekondigd. Maar, zal men 
zeggen, dat is in strijd met het Regeerings-reglement, tenzij de Grouv. 
Gen. geweigerd heeft dat besluit af te kondigen met mededeeling der 
redenen waarom. Verre van daar! Het stuk is gebleven in de bureaux en 
maakt daar nog altijd een onderwerp uit ^^an onderzoek door onderge- 
schikte ambtenaren. Veel eerbied voor het koninklijk gezag duidt die han- 
delwijze niet aan, evenmin als daarin groote deferentie doorstraalt voor 
's Ministers voorganger, die het besluit provoceerde; maar bij den heer de 
Waal woog ambtelijke sleur zwaar, en indien men nu in de bureaux van 
oordeel was, dat door die wijze van handelen afdoening van zaken, zooals 
het daar heet, werd bevorderd , dan legde de Minister zich daarbij gaarne 
neder. Intusschen was de aandrang by den Minister om toch iets bij dien 
gewichtigen tak van bestuur voor te bereiden, groot; de Kaper vermeer- 
derde bij amendement de som op de begrooting voor onderwijs uitgetrok- 
ken, om haar ernstig verlangen uit te drukken dat er gehandeld zou wor- 
den. Niets mocht baten. De Minister wachtte af dat het ambtelijk onder- 
zoek van een koninklijk besluit in de bureaux zou afgeloopen zijn, en toen 
hij zijne betrekking nederlegde, wachtte hij nog. Hetgeen de conservatieve 
Minister Hasselman in het belang van het onderwijs in Indië meende tot 
stand gebracht te hebben, is door zijn liberalen opvolger de Waal buiten 
werking gehouden. Was het dus wel te verwonderen, dat deze Minister 
noch bij liberalen noch bij conservatieven veel S3'mpatliie vond? En was 
daarvan de oorzaak zijne bedachtzaamheid en zijn bedaarde stap, of wel 
zijne onverschilligheid voor hoogere belangen en de rechtmatige aanspra- 
ken der Indische bevolking? Alleen voor ambtelijke instellingeti klopte hem 
het hart warm; gold het deze, dan sprak hij met vuur en warmte, dan 
streed hij voor zijne overtuiging tot het laatste toe. 

Een sterk bewijs gaf hij daarvan bij de behandeling der laatste be- 
grooting voor Indië. Daarop kwam een post voor van f 50000 tot reor- 
ganisatie der departementen van algemeen burgerlijk beheer. Diezelfde 



151 

post "was op de vorige begrooting voorgekomen en toen met eene zeer 
kleine meerderheid goedgekeurd. Inmiddels had men vernomen dat die 
gelden moesten dienen om een nieuw depai*tement vocjr de Buitenbezit- 
tingen op te richten, en dat alle in Indië gehoorde autoriteiten zich op 
goede gronden daartegen hadden verzet. Men was dus weinig geneigd die 
gelden op nieuw toe te staan, vooral ook omdat men toch die gelden niet 
voor dat doei had kunnen gebruiken. Maar nu had men het gevoelige 
punt van den Minister getroffen. Hij die bij de behandeling der gewich- 
tigste beginselen van zijne organieke wetten onverschillig was gebleven; die 
toen verklaarde: wil de kamer rechts gaan, dan zal ik volgen, maar ver* 
langt ze links te gaan, dan volg ik evenzeer; wien de veroordeeling van 
zijn batig-slot-theorie niet ^had gedeerd; die man rees nu verontwaardigd 
van zijn zetel, en maakte van de aanstelling van een grooter aantal amb- 
tenaren eene portefeuille-quaestie.Werd hem dit geweigerd dan maakte 
men hem het regeeren onmogelijk en bedreigde hij met zijn ontslag. De 
Vertegenwoordiging gaf hare approbatie. Het gold hier geen regeerings- 
beginsel, geen strijd voor recht of zedelijkheidsgevoel; het gold hier de 
quaestie van een paar ambtenaren meer of minder, en dat woog zwaar bij 
den heer de Waal. Intusschen waren die /* 50000 het vorige jaar niet 
geheel ongebruikt gebleven. Daarvan waren, volgens mededeeling des 
Ministers, f 500 toegestaan aan een ambtenaar ter Secretarie, die daarvoor 
een nieuw ontwerp zou maken voor de belasting op het zegel , en daarop 
wees de heer de Waal met zekere ingenomenheid, ten bewijze dat hij 
eene reorganisatie van het belastingstelsel in Indië voorbereidde. In dat 
middeneeuwsch systeem van belastingheffing in Indië, waar de belastingen 
nog gedeeltelijk bij verpachting en gedeeltelijk bij admodiatie geheven en 
geïnd worden, zijne hervorming juist bij de belasting op het zegel te be- 
ginnen, en al het overige belastingwezen in rustige rust te laten, kon 
alleen in het brein vari iemand opkomen die bij sregeeren" slechts denkt 
aan een bureau en gezegeld papier. 

Tot ons leedwezen zijn wij in ons overzicht van de ministeriëele loop- 
baan van den heer de Waal genoodzaakt geweest meer af- dan goed te 
keuren; met genoegen kunnen wij hem den lof geven den treurigen toe- 
stand van de rechtsbedeeling op Java te hebben erkend en geconstateerd. 
Zeer juist zag hij in, dat het beginsel om de rechtspraak aan het admi- 
nistratief gezag op te dragen, onhoudbaar was. In zijne begrooting voor 
1870 vroeg hij daarom eene som van f 40000, om eene scheiding van 
rechterlijke macht en administratief gezag voor te bereiden, en tot uitbrei- 
ding van het personeel der rechterlijke macht, opdat deze in den vervolge 
alleen met de rechtsbedeeling zou belast zijn. Doch hoe leed het ons zijn 
moge, thans neemt onze lofspraak alweer een einde; want hoewel sedert 
die aanvraag iVs jaar z\|n verstreken, zijn wij nog altijd in de periode 



152 

van erkenning dat de toestand onhoudbaar is en van overpeinzing van de 
wijze hoe daarin verandering te brengen. Het gezond verstand zou zeggen 
door benoeming van rechterlyke ambtenaren, in de plaats der Residenten, 
als voorzitters der Landraden, zooals de heer de Waal trouwens zelf aangaf. 
Het schijnt echter dat de bedaarde stap en het bedachtzaam rondzien niet 
gedoogen den weg in te slaan dien het gezond verstand voorschrijft. Hoe 
het zij, ook op dit punt deed de heer de Waal niets dan alleen te con- 
statearen dat de toestand waarin hij geen verandering bracht, onhoudbaar 
is, de verdienste van die hoogst eenvoudige verbetering aan zijn opvolger 
overlatende, die trouwens, ook op dit terrein, zich niet zal te beklagen 
hebben dat zijn voorganger hem het gras voor de voeten wegmaaide. Wij 
wijzen alleen op het gevangeniswezen, waai'in zoo dikwerf verbetering is 
beloofd, ook door den heer de W^aal, en dat evenzeer in een toestand 
verkeert die onhoudbaar is. 

De denkwijze van den heer de Waal over de regeling der heerediensten 
is bekend uit zijne geschriften; de Minister de Waal liet dit onderwerp 
rusten en bijna zijn wij geneigd ons daarover te verheugen. Niet dat eene 
bestendiging van den tegenwoordigen toestand wenschelijk zou zijn ; — inte- 
gendeel , die is zoo ellendig mogelijk ; — maar omdat die zaak zoo zeer grijpt 
in het maatschappelijk leven van den inlander, omdat de willekeur en 
het onrecht daarbij zoo groot zijn, omdat de tegenwoordige regeling, of 
liever het gemis aan regels, zoo zeer alle ontwikkeling en verspreiding' van 
welvaart in den weg staat, dat, zoo ergens, hier niet anders dan door- 
tastend kan en mag gehandeld worden. Reeds heeft de ondervinding ge- 
leerd, dat halve maatregelen tot geen doel leiden, bij de beperking der 
verplichte diensten aan de hoofden. Geheele afschafüng van die soort van 
heerediensten, tegen behoorlijke schadeloosstelling, zou een rechtvaai^dige 
en doeltreffende maatregel geweest zijn. Daartoe is men echter niet over- 
gegaan, en door de beperking die bij wijze van transactie heeft plaats 
gehad, is de bevolking weinig gebaat, daar controle geheel onmogelijk is. 
De voor die beperking aan de hoofden verleende schadeloosstelling bad 
dus, in het belang der bevolking, beter kunnen worden besteed. Aan een 
geheel verbod met volledige schadeloosstelling ware uitvoering te geven 
geweest, en men zou zijn doel bereikt en waarde voor zijn geld gehad 
hebben. Evenzoo zou ook ten opzichte der Gouvemements-heerediensten de 
ondervinding weldra leeren, dat elke halve maatregel tot regeling of be- 
perking doelloos zijn zou, en dat alleen radicale en doortastende maatre- 
gelen aan het doel kunnen beantwoorden. Maar waren die van den heer 
de Waal. te verwachten? Misschien, maar wanneer men uit het bekende 
tot het onbekende wil besluiten, was de hoop gering, en een halve en 
zelfs een slechte regeling geeft aan alle voorstanders van den status quo het 
gemakkehjke argument tegen elke verbetering: die zaak is nu zoo kort 



453 

geleden pas geregeld; laten ^j nu liever daarvan de gevolgen en de uit- 
komsten gadeslaan. Nu ten minste kan dat argument niet met eenigen 
schijn van grond worden gebezigd, en is de heer v. Bossc door niets be- 
lemmerd om hierin eene radicale verbetering tot stand te brengen. 

Ten slotte nog een enkel woord over den ongelukkigen toestand v^aahn 
zich de middelen van communicatie in Indië, vooral ook op Java, bevinden. 
Is ook daarin door den heer de Waal verbetering gebracht? Wie zich van 
dien toestand een denkbeeld wil vormen, leze de laatste koloniale versla- 
gen na, en de indruk zal bedroevend zijn. Mag de verbetering daarxan 
nog langer worden uitgesteld? en zal, na al dat uitstel, ten slotte het her- 
stel uit dien vervallen toestand niet met ontzaglijke fmanciëele opofferingen 
gepaard gaan? Ook op dat gebied zijn de verdiensten van den afgetreden 
Minister niet groot. .Ligt daarvan de schuld aan d^n heer de Waal of aan 
den Gouverneur-Generaal Mijer? Waarschijnlijk aan beiden; maar de ver- 
antwoordelijkheid van een Minister wordt niet gedekt door de medeplich- 
tigheid van den Gouvemeiu'-Generaal ; en kan de heer dè Waal wijzen op 
aanschrijvingen door hem gedaan , maar die niet zijn opgevolgd, dan treft hem 
het verwijt dat hij zijn politiek gezag niet wist te handhaven, — een verwijt 
dat hem trouwens reeds in de Vertegenwoordiging gedaan werd, toen hij, 
zich verschuilende achter den heer Mijer, op dezen de verantwoordelijk- 
heid wilde leggen van hetgeen men niet kon goedkeuren. Alleen voor de 
spoorweg-communicatie stelde de heer de Waal zich in de bres. Maar hoe? 
De Spoorweg-maatschappij was door misrekeningen en tegenspoeden in een 
benarden toestand geraakt, en vroeg hulp aan de Regeering. Terecht was 
deze van meening, dat de Staat belang had bij het tot stand komen eener 
spoorweg-communicatie tusschen de binnenlanden en de haven van Sama- 
rang, en zij deed een voorstel om hulp te verleenen. Een verstandige voor- 
uitziende politiek zou waarschijnlijk den heer de Waal de volgende rede- 
neering hebben doen volgen. >De Staat heeft er belang bij, dat spoorwegen 
op Java worden gebouwd; de particuliere industrie is echter alleen bij machte 
dit tot stand te brengen, en al vermocht de Staat dat ook, het zou zijne 
fmanciëele krachten te zeer uitputten. De particuliere industrie verlangt 
evenwel steun , welke in den vorm van eene rente -guarantie zonder groote 
opoffering kan verleend worden. Wordt die aan de eerste Maatschappij 
niet of niet voldoende verleend, zoodat de aandeelhouders hunne kapitalen 
daarbij verliezen, dan bestaat er geen kans dat ooit voor eene dergelijke 
onderneming op nieuw kapitaal zal worden bijeen gebracht. Dit moet worden 
voorkomen, en daarom behoort de Staat hulp en bijstand te verleenen in 
evenredigheid van het Staatsbelang dat daarbij op het spel staat.*' De heer 
de Waal redeneerde anders; hij zeide tot zich zei ven: »de Maatschappij 
is in een toestand dat zij elke hulp, hoe duur ook gekocht, zal aannemen; 
daarom zal ik haar eene vermeerdering van rente-guarantie geven ten be- 



154 

drage van f 135,000 'sjaars, maar daarent^en harr de verpliehtlDg 
opleggen om een spoorweg aan te leggen tusschen Batavia en Buitenzorg, 
die, op 4 millioen geraamd, ecne rente-goarantie van minstens 2 ton zou 
vorderen. Op die wijze win ik aan rente-guarantie uit f 65000 's jttar^ 
en de Maatschappy, in schijn door de Regeering geholpen, kan zich dan 
ten koste van de aandeelhouders en met groote opofieringen van die zijde 
staande houden." Of zyne politiek nu de juiste was en of zij van z^n stand- 
punt wel de hoogere en niet minder wezenlijke belangen goed in het oog 
hield, laten wy in het midden; maar wy willen even stilstaan bij de wyze 
waarop hij zijn wetsontwerp verdedigde, omdat die verdediging den man 
kenmerkt. Indien hi) de zaak had voorgesteld zoo als zij was, dan had 
een zuiver debat daarover kunnen plaats hebben, en de quaestie zou gepo- 
seerd zijn wat verkieslijk was: van den toestand der Maatschappij te profi- 
teeren om een klein winstje te behalen «ten koste der aandeelhouders niet 
alleen, maar met opoffering van de toekomst, óf ruim en breed hulp te 
verleenen, en zoo te Ivaken voor het hoogere belang dat de Staat heeft 
bij het tot stand komen van eene volledige spoorweg-communicatie op Java 
door particuliere krachten. Hij deed het liever voorkomen alsof de hulp 
van den Staat aan de Maatschappij zeer ruim was en eigenlijk niet geheel 
verdiend, en provoceerde daardoor niet alleen oppositie, maar allerlei andere 
voorstellen om op eene betere of voor den Staat meer voordeelige wijze 
hulp te verleenen. En gevraagd naar de argumenten waarom zijn plan 
dan de voorkeur verdiende boven alle andere, bepaalde hij zich in zijn 
antwoord tot de ongelukkige betuiging: omdat hij het voorstelde, die het 
niet zou doen, indien hij niet door opzettelijke overweging tot de overtui- 
ging gekomen was dat dit nu het beste middel was. En toen men op 
argumenten in plaats van betuigingen aandrong, maakte hij een einde aan 
de discussie door de bedreiging van zijne portefeuille te zullen nederleggen. 
De wet werd aangenomen en de Maatschappij met hare aandeelhouders 
zal zelve moeten weten, of zij den Minister voor de verleende hulp dank 
schuldig is; maar zij die er prijs op stellen, dat Java met een net van 
spoorwegen worde overdekt, en die meenen dat alleen particuliere krach- 
ten daartoe in staat zijn, zullen het aan den heer de Waal wijten, wan- 
neer het publiek, de medewerking der Regeering wantrouwende, zijne 
kapitalen aan dat doel onthoudt. £n mocht eenmaal de Staat zelf dat 
werk ondernemen, — want spoorwegen zullen er op Java moeten zijn, — 
dan zal de zuinigheid van den heer de Waal, die aan de schatkist nu 
eenige duizenden bespaarde, haar ten slotte ruim zoovele millioenen kosten. 
Wij zijn tot het einde van ons overzicht genaderd, en indien de heer 
de Waal met evenveel tegenzin op zijne afgelegde ministeriêele loopbaan 
terugziet als de teleurstelling groot was van die allen, die bij zijn optreden 
zooveel verwachtten en zoo weinig zagen tot stand brengen, dan benijden 



455 

w^ hem niet. Nederland is niet rijk genoeg aan staatslieden, dat bij elk 
nieuw optredend Kabinet altyd eene goede keuze van Ministers voor ieder 
Departement mogelijk is. De laatste Ministers van Koloniën hebben dit 
bewezen* Maar al mocht men aan de heeren Trakranen en Hasselman de 
kundigheden ontzeggen die voor die hooge waardigheid vereischt worden, 
en daarbij erkennen dat de heer de Waal buitengewoon veel wist, toch 
was de figuur van den laatsten nog treuriger. Men regeert niet met 
staatsbladen-wysheid , en van een Minister van Koloniën wordt nu vooral 
wat anders en wat meer gevraagd dan de kundigheden van een adminis- 
trateiur. Hij die thans de portefeuille van Koloniën aanvaardt, bezitte een 
hoofd om te beoordeelen wat Indië behoeft, en een hart om alles wat 
goed en edel, rechtvaardig en billijk is lief te hebben, en daarvoor te 
strijden. En nu moge men de belezenheid van den heer de Waal waar- 
deeren, z^n bestuur geeft aanleiding om te betwijfelen of hij die hoogere 
eigenschappen in genoegzame mate bezat; en daarom was h\j aan die 
groene tafel der Regeering misplaatst. Het is plicht daarop te wijzen en 
dat te doen uitkomen, al moge dit oordeel hard klinken in de ooren van 
hen die, wellicht met de deugden en goede eigenschappen van den Mi- 
nister als privaatpersoon ingenomen, Jdaarom hem ook als Minister gun- 
stiger willen beoordeelen; want het ongeluk van door personen bestuurd 
te worden die voor hunne taak met berekend z^n, komt men te boven; 
maar wanneer een volk zijne eischen voor de Regeering niet hoog stelt, 
verdient het ten slotte bestuurd te worden door staatslieden als de heer 
de Waal. 

X. 



BOEKAANKONDIGING. 



Sab ümoe njawah, Samarangj G. C. T. van Dorp en CK 



Eenigen tijd geleden ontving ik door eene vriendelijke hand een werkje 
uitgegeven b\j de Heeren G. C. T. van Dorp en Ck). te Samarang, in 't 
Javaansch en Maleisch, met den Maleischen titel Bab il moe njawah, dat 
letterlijk beteekent: Over de wetenschap van sawahs te bebouwen. 

Het is dus eene handleiding voor het bouwen van rijst op sawahs. De schrij- 
ver teekent zich, in eene opdracht aan de Javaansche hoofden en Ambtena- 
ren van de residentie Pekalongan , alleen met de letter N ; onder deze ini- 
tiaal schuilt, naar ons is meegedeeld, de naam van een gunstig bekend 
Ëuropeesch ambtenaar, den heer A. van der Gon Netscher, Controleur in 
genoemde residentie. 

De datum van deze opdracht is 14 April 1868; dus reeds bijna drie 
jaar geleden was het boekje voor de pers gereed. Het jaar der uit- 
gave wordt niet opgegeven. Maleisch met hollandsche letters en Javaansch 
staan tegenover elkander; de druk is duidelijk, alleen schijnen de 
verschillende soorten Javaansche letters niet goed uitgezocht te zijn ge- 
weest. In eene inleiding (ingettan zegt de schrijver) worden de re- 
denen uiteengezet, die tot de samenstelling en uitgave van dit boekje 
hebben gevoerd. Vooral het gebrekkige, dat, naar 's sclu*ijvers meening, 
de rijstteeltin vele opzichten op Java nog aankleeft, en de in vergelijking 



157 

met de uitgebreide cultuur geringe productie, welke daarvan een gevolg moet 
zijn , bewogen hem daartoe , dewijl in de Preanger Regentschappen , nadat 
de door hem voorgestelde bebouwing» wijs op eenige sawahs was gevolgd, 
deze, in plaats van 30 zooals vroeger, 80 pikols per baoe opbrachten. Wij 
vinden dit evenzeer medegedeeld in een Maleisch werkje getiteld : Küab Pexig- 
adjaran boenjinja deripada hal tanam djagoeng oebi padi enz. Menoe- 
roet Karanganja Toewan K. F, Holle di Garoet, oleh J. R, P. F. Gong- 
grijp ^ biz. 7 enz. De verbeteringen en veranderingen die noodig worden 
geacht, betrelTen vooral het gebruik van mest, het ploegen, de bibit en 
de wijze van beplanting; ook die van de rijst te snijden wil de schrijver 
veranderd hebben. In de eerste afdeeling (Ml. fasol , Jav. bob) wordt nu ge- 
sproken over het ploegen en, zooals men in Indië dikwijls zegt, het ope- 
nen van de velden, d. w. z. het bewerken der gronden vóór het zaaien 
en beplanten. Er wordt aangedrongen op tijdig en diep ploegen , ten einde 
het land geno^ rust te geven, en ook ten behoeve van de kweekbedden 
/bibüanj, die nog in den regenmoeson, naarmate men dit veilig doen kan, 
om de bandjirs, moeten worden aangelegd. Ovqt d^ wijze waarop dit moet 
geschieden, wordt in de tweede afd. gehandeld ; eene goede keuze van de plaats 
daarvoor, de bemesting met bladaarde /^ara/uzn njan^ soedahdjadi ianahj 
of asch, het beploegen en genoegzaam vochtig houden na het zaaien, wor- 
den aangeprezen ; ook over het zaad dat men moet nemen , de behandeling 
daarvan vóór en onder het zaaien, hoe dit moet geschieden, enz., wordt 
gesproken. Een nieuwe paragraaf wijst nu den tijd aan van overplanten 
(tanem), en de vierde geeft eenige regels omtrent den afstand bij het planten 
in het oog te houden, dat door eene kleine teekening wordt opgehelderd. 
Het schijnt een algemeene fout bij de Javanen te zijn, te veel en te dicht 
opeen te planten. Daarom dringt de S. er sterk op aan, zijne aanwijzingen 
te volgen, waardoor een ruimer productie zal worden vei*kregen, en 
ook het wieden gemakkelijker wordt gemaakt. Dit moet, volgens afd. 5, 
minstens tweemaal geschieden. In de volgende paragraaf vinden wij 
eenige opmerkingen omtrent het watf r dat op de sawahs wordt gebracht, 
terwijl in de zevende wordt gezegd, dat de tijd van het oogsten van te 
veel omstandigheden afhangt om vast te kunnen worden bepaald. — In 
de laatste afdeeling wordt de oogst beschreven. Hierin wordt de bij de 
Javanen nationale w^ze van de rijst te snijden, namelijk door de ge- 
heele bevolking en zoovelen als zich daarbij willen voegen, en met het 
rijstmesje [ani-anij, afgekeurd, en aanbevolen die met de sikkel op 
Eiuropeesche manier, daar dit niet alleen veel spoediger geschiedt, maar 
ook voor den eigenaar, die thans Vs van zijn oogst als arbeidsloon moet 
afstaan, voordeeliger zal zijn. Aan het einde van zijn taak gekomen, 
drukt de S. zijn hoop en verwachting uit, dat de Javaansche hoofden 
en ambtenaren eenige proeven zullen willen nemen van zijne raadgevin- 

11 



458 

gen, voor hun eigen onderricht en voor het voordeel van bevolking en 
Gouvernement. 

Uit dit kort verslag van het boekje blykt, dat de S. zich geheel heeft 
bepaald tot de punten die zyns inziens vooral verbetering behoeven. Over 
het aanleggen van savtrahs, over waterleidingen en de verschillende soor- 
ten van sawahs spreekt hij niet; zyne voorschriften hebben ook alleen be- 
trekking op zoogenaamde sóröUan, velden ,die in den drogen moeson wor- 
den beplant, en waarop door middel van dammen enz. vwiter wordt ge- 
bracht. 

Het Maleisch dat hier wordt gebruikt, is dat hetwelk op Java door 
een gedeelte der bevol]iing en als omgangstaal tusschen Europeanen en In- 
landers wordt gesproken. Dat die taal hier een hoUandsch kleurtje heeft, 
laat zich begrijpen. Uitdrukkingen als: saja hrani hUang, voor: ik durf 
zeggen ; tampainja hibit mesti . . , . di weloekoe .... djangan terUdoe ka- 
boeroe : de kweekbedden moeten geploegd worden , maar niet te veel ge- 
jaagd worden (??); tarik pengidoepannja dari tanah: zijn voedsel uit 
den grond trekken, kunnen hier tot bevrijs dienen. Wat het Javaansch 
betreft, ofschoon men niet mocht verwachten dat dit werkje in het zuiver 
Soerakartaasch dialect, dat als schrijffcaal is aangenomen, zou geschreven 
zijn, dunkt me toch , dat hier en daar wel wat veel onjavaansche vormen 
worden gebruikt en woorden die óf uit 't Maleisch overgenomen, óf let- 
terlijk vertaald zijn. Misschien is het dialect in Pekalongan reeds zoozeer 
bedorven; maar dan had de S., die toch ook nog Javaansch aan de Delft- 
sche iAcademie heeft geleerd, zich een weinig daartegen moeten verzet- 
ten, in plaats van op zoodanige wijze tot verder taalbederf meè te wer- 
ken. Maar ondanks deze kleine fouten, waarop ik niet kon nalaten eenc 
aanmerking te maken, ben ik toch zeer ingenomen met het streven van 
den S. om verbetering aan te brengen, daar waar deze zoo hoog noodig 
wordt geacht. Overal toch is de Javaan, en daarin overtreft hij nog de 
landbouwers elders, te zeer aan het oude gehecht, om al het voordeel 
van zijn grond te trekken, dat een nieuwere methode zou kunnen aan- 
brengen. Echter wanneer het Gouvernement blijft voorgaan en zijne amb- 
tenaren er toe medewerken om kennis te verspreiden omtrent vele punten, 
waarin de kennis van den inlander nog tekort schiet of hij nog te veel 
aan de oude routine blijft hangen, dan kan het niet anders of te eeniger 
tijd moet een betere toestand geboren worden, en dan zal de bevolking 
door ruimere productie grootere welvaart genieten en 't Oouvernement 
de directe en indirecte voordeden evenzeer ondervinden. 

Ik geloof daarom ook dat het streven van den S. van dit werkje om, 
behalve in den kring waarin hij als ambtenaar werkzaam is, ook elders 
nuttig te zijn, zeer op prijs moet worden gesteld en moet worden aange- 
moedigd. 



459 

Hiertoe heb ik dit verslag van den inhoud medegedeeld, met den 
wensch dat ^sschryvers wenken veel behartiging mogen vinden, in de 
eerste plaats in Pekalongan, daarna over geheel Java, en dat v^aar 's Gou- 
vernements dienst hem ook brengt, hij een rijken oogst op zijn arbeid 
mag zien. 

Deïft, Januari 4871. J. J. Meiïïsma. 



De ooii^sprong van Neêrlands Bezittingen op de ktist van Guinea, 
door Mi\ J, K. J, de Jonge, 's Gravenhage, 4871. 



Onder dezen titel is dezer dagen bij Martinus Nijhofif eene brochure van 
de pers gekomen van de hand van Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, adjunct 
Rijks-archivaris , met de bijvoeging >in herinnering gebracht uit de oor- 
»spronke]ijke stukk^i, naar aanleiding van een voorgenomen afstand dier 
)>bezittingen aan Oroot-Brittanmë." 

Wanneer Jhr. Mr. de Jonge het woord 'vraagt over koloniale aangele- 
genheden, heeft h\j meer dan gewone aanspraak om de aandacht van be- 
langstellenden in koloniale onderwerpen te trekken. 

Met onverdroten ijver en groeten tact heeft hij de onuitgegeven stuk- 
ken uit het oud-kononiale archief weten te verzamelen , en ons achtereen- 
volgens de Opkomst van het Nederlandsch gezag in Oost-Indië, 4595 — 4640, 
en de Opkomst van het Nederlandsch gezag op Java, 4644 — 4647, uit echte 
bronnen leeren kennen; de geschiedenis in plaats gesteld van de vele le- 
genden die daaromtrent bestonden. 

Vijf deelen, drie van de eerste, twee van de tweede serie , hebben reeds 
het licht gezien. De heer de Jonge heeft zich niet bepaald tot het verza- 
melen van de onuitgegeven stukken uit het oud-koloidale archief, — eene 
belangr\jke en leerzame lectuur, maar wel wat omslachtig en vermoeiend 
voor hen die geen bepaalde studie van deze materie maken , — maar elk 
deel doen voorafgaan van een in boeienden en aangenamen stijl geschreven 
overzicht vanJiet tydperk waarover de stukken loopen. 

W\j hebben uit de laatste deelen de inneming van Jakatra, de vesti- 
ging van het »generale rendez-vous" (stichting van Batavia) op historische 
gronden leeren kennen, zooals die ons tot nog toe niet bekend waren. De 
begaafde schrijver heeft ons beter dan vroeger bekend gemaakt met "^Coen 
en zijn tijd'' en die groote figuur eerst recht doen waardeeren. 



160 

Ofschoon, naarmate de geachte schry ver de geschiedenis van de opkomst 
van ons gezag op Java voor ons ontwikkelde, zijn weerzin tegen mono- 
polie en alleenhandel duidelijk uitk^ram, en zijne sympathie voor de mil- 
dere beginselen van vrijen handel en kolonisatie, door Goen bij de bewind- 
hebbers der O. I. Compagnie zoo warm bepleit, duidelijk doorschemerde, — 
verklaarde hij in het 2e en 3e deel, dat hij — er was hier sprake in 
1865 van het vraagstuk van grondeigendom en landbezit inindië — :»niet 
i>verlangde het tuighuis binnen te gaan, wawruü de wapenen worden 
:»gehaald inet welke men strijdt over het regeeringsbeleid in Indië, daar 
»het te dikwijls een partijzaak is geworden en zelden met die kalmte , be- 
}i>radenheid en dat onbeneveld oog beschouwd wordt als het onderwerp 
]»verdient/' en dat h\j wenschte in geene andere dan geschiedkundige be- 
schouwingen te treden. 

Bij de geschiedenis van de opkomst van het Nederlandsch gezag in 
Oost-Indië en over Java is de schrijver aan dat pro^anmia getrouw geble- 
ven, en hoewel hier en daar een fijne iDpointe" niet ontbreekt, heeft hij zich 
tot zijn historischen arbeid bepaald en is buiten den partijstryd gebleven. 

Kan hetzelfde gezegd worden van de brochure over den oorsprong van Neer- 
lands bezittingen op de kust van Guinea? Wij vreesden reeds het tegen- 
deel, toen wij op het titelblad de toevoeging lazen: »naar aanleiding van 
»een voorgenomen afstand dier bezittingen aan Groot-Brittannië." 

Wel is waar laat de heer de Jonge ons ook hier kennis maken met 
onuitgegeven bescheiden uit het koloniaal archief, die beti*ekking hebben 
op onze eerste vestiging en de inbezitneming, door verovering op de Portu- 
geezen, van onderscheidene forten op de kust van Guinea^ en geeft h\j ons 
daarvan een kort, duidelijk, aaneengeschakeld verhaal ; maar het wordt voor- 
afgegaan en besloten door een warm, ik zou haast zeggen heftig, pleidooi 
tegen den afstand van onze bezittingen op die kust. 

Ons is van den voorgenomen afstand van de kust van Guinea aan En- 
geland weinig meer bekend , dan hetgeen daarover in de Kamer is voorge- 
vallen, en de schrale berichten die de dagbladen over dat voornemen 
behelsden. Afstand van de kust van Guinea aan Engeland, tegenover her- 
ziening van het traktaat van 1824 over de grensscheiding der wederzijdsche 
bezittingeik in den Indischen Archipel, sch\jnt daarvan de strekking te zijn. 



Kent de heer de Jonge de beweegredenen die Nederlandsche Staatslieden, 
en daaronder ook de zoodanigen die met den heer de Jonge erkennen er 
trotsch op te zijn, dat onze Overzeesche Bezittingen door het goed en bloed 



161 

onzer voorvaderen zijn verkregen , er toe gebracht hebben onderhandelingen te 
openen over den afstand van de kust van Guinea? Heeft hij J^grond'' om 
te beweren, »dat de dtibbdtjes daarin de hoofdrol spelen", — of zijn de 
moeilijkheden met Engeland over onze nederzettingen op de Oostkust van 
Sumatra en onze wensch tot herziening van eenige bepaHngen van het 
traktaat van 1824 de eerste aanleiding geweest, dat de afstand van de 
kust van Guinea is ter sprake gebracht? 

Zijn aan den heer de Jonge de voorwaarden bekend van het concept- 
traktaat waarvan de Minister van Marine, tijdelijk belast met het Depar- 
tement van Koloniën, gewaagde, als strekkende tot verzekering van weder- 
zijdsche belangen in de Koloniën, en weet hij dat daaronder ook behoorde 
de afstand van de kust van Guinea aan Engeland? Zoo die voorwaarden 
aan den heer de Jonge bekend zijn , waarom heeft hij ze dan niet medegedeeld? 
Zoo die hem niet bekend zijn, is dan de veroordeeling van een hem niet 
bekend traktaat niet voorbarig, en had hij niet beter gedaan te wachten 
totdat het traktaat aan de Vertegenwoordiging ter goedkeuring werd aan- 
geboden? 

Door het historisch overzicht bevnjst de heer de Jonge het rechtmatige 
van onze vestiging en het bezit der sterkten op de kust van Guinea, maar 
ook niets meer, en is dat ooit betvnst? door wien? wanneer? 

9 Een volk,'' zegt de heer de J. , ]i>dat het beginsel zijner integriteit, 
zonder nooddwang, vrijwillig, alleen om wat te bezuinigen oif om proble- 
matieke voordeelen elders te verkrijgen, prijs geeft, belijdt onvermogen in 
het openbaar, verzaakt zijn nationaal bewustzijn, vernedert zich zelf en 
begint zijne abdicatie." 

Geeft Nederland zijne integriteit prijs, indien het, tegen groote voor- 
deelen elders, de kust van Guinea afstaat? Heeft Nederland zijne integriteit 
prijs gegeven, toen het bij het traktaat van 1824 Malakka afstond, of 
Engeland toen het afstand deed van Benkoelen? of van de Jonische eilan* 
den in lateren t^d? 

Waaruit bewijst de heer de Jonge, dat de Nederlandsche regeering bij 
het traktaat slechts problematieke voordeelen elders verkrijgt? Is de heer 
de Jonge bekend met de moeilijkheden die sedert jaren tusschen Engeland 
en Nederland bestaan hebben over onze vestiging op de Oostkust vaii Su- 
matra? Is het een problematiek voordeel, dat de beperkende bepaling van 
het traktaat van 1824 met beti*ekking tot Atsjin wordt opgeheven? 

Meent de heer de Jonge, dat het geen voornaam Nederlandsch belang is , 
of slechts een problematiek voordeel, :» vooral in dezen tijd, dat schier niets 
dan macht en succes wordt geëerbiedigd" — om met Engeland, vooral 
wat koloniale aangelegenheden betreft, op goeden voet te zijn , en dien ouden 
twistappel van de »encroachments of the Dutch" in de Straat van Malakka 
voor goed uit den weg te ruimen , — een twistappel waarvoor de heer J. C. 



162 

Baud onze nederzettingen op de Oostkust van Sumati-a in 1840 heeft 
ingetrokken, en die nog niet zoo lang geleden, in het laatst van het leven 
van Lord Palmerston, tot eene onrustbarende spanning aanleiding heeft 
gegeven? 

Wanneer de heer de Jonge het groote belang beseft dat wij hebben 
bij een ongestoord erkend gezag op de Oostkust van Sumatra, ook met 
het oog op het gebied van de Westkust onder ons rechtstreeksch bestuur, 
waar de voor een groot deel bevaarbare rivieren ontspringen die aan de 
Oostkust in straat Malakka vloeien; indien hij bekend is met de einde- 
looze moeilijkheden die onze nederzetting op de Oostkust en de beper- 
kende bepalingen omtrent Atsjin gebaard hebben, zal hy dan in ernst 
nog spreken van afstand alleen »om wat te bezuinigen of om problema- 
tieke voordeelen elders te verkrijgen?" 

En dan, is de afstand van de kust van Guinea op zich zelf beschouwd 
die afkeuring waardig? Bezitten wij daar grondgebied, of alleen forten 
en protectoraat over Negerstammen? Zal de Negerbevolking er minder 
gelukkig om zijn? Zullen de oorlogen onder de verschillende stammen 
niet verminderen, wanneer ééne der aanleidingen, die van onder verschil- 
lend Ëuropeesch protectoraat te staan, wordt weggenomen, en de onder- 
linge wangunst van dikwijls kortzichtige Europeesche gezaghebbers die niet 
langer aanvuurt? 

* 

Doet het er voor den Nederlandschen handelaar iets toe , nu monopolie en 
düTerentiëele rechten tot de vergeten oudheden behooren, en door Enge- 
land niet weder zullen worden ingevoerd , of de kust van Guinea aan Engeland 
of aan ons toebehoort? en is het niet een feit, dat de Afrikaansche Han- 
dels-vereeniging , te Rotterdam gevestigd, die zeer groote zaken doet, al- 
leen handelt op de vreemde ^bezittingen ter kust van Afrika en in hei 
geheel niet op de Nederlandsche? 

Bovendien en vooral, is het niet gebleken, dat het traktaat van 1867 
een 2>failure" is, en dat onze positie op de kust van Afrika daardoor 
schier onhoudbaar is geworden? Willen wij onze rechten uit dat traktaat 
geput handhaven, tegenover den onwil van sonunige Negerstammen om on- 
der HoUandsch protectoraat te komen? Dit zal op den duur alleen kunnen 
geschieden door de macht van jbbloed en staal,'' zonder eenig voordeel voor 
het Moederland en blijkbaar ook niet in het belang van de Negerbevolking. 

Dat traktaat zeggen wij , blijkt een ^failure" te zijn, ofschoon het door 
alle deskundigen sedert jaren werd aangeraden, als het eenige middel om 
te komen tot een meer geregeld bestuur en tot de mogelijkheid van hef- 
fing van inkomende rechten, bijna het eenige middel van belasting daar 
ter plaatse. Bij de behandeling in de Kamers was er uit het oogpunt van 
regeling der grensscheiding geen tegenstand tegen het traktaat, wèl tegen 
de bepalingen van het tarief van inkomende rechten. 



103 

Wèl zegt de heer de Jonge, bladz. 19: »Na velerlei lotwisselingen van 
>den Nederlandschen Staat, is het fort Nassau, de oudste Nederlandsche 
^bezitting ter kuste van Guinea, door de Nederlandsche Regeering, bij trak- 
»taat van 5 Maart 1867, onmeêdoogend aan Groot-Brittannië afgestaan." 
Maar op bladzijde 22 erkent hij: ^^Deze vruchtbare en aan voortbrengse- 
]»len rijke kust van Appolonia, waarvan Axim in vroegeren tijd, sedert 
i^ongederüid^ke jaren de suzereine hoofdplaats was, maar die later, van 
:»de hoofdplaats afgescheiden, in de handen der Ëngelschen geraakte, is 
uiteindelijk bij het traktaat van 1867 weder met de Nederlandsche bezittin- 
»gen hereenigd." Is het denkbaar dat Engeland in het jaar 1867 die 
vruchtbare en aan voortbrengselen rijke kust van Appolonia afstaat zon- 
der equivalent, en is het dan wel juist om den afstand van het fort Nassau 
i^onmeêdoogend^^ te noemen? De heer de Jonge verplaatst zich door zijne 
bijzondere studiën over die tijden wellicht nog te veel in die glorierijke 
dagen, toen onze i> jongens van Jan de Wii^' hun heldenfeiten in de Mo- 
lukken, te Bantam, Batavia en Malakka 'volvoerden, en den Brit dwongen 
het rijk vaninsulinde te verlaten en zich tot het vaste land van Indië te 
bepalen, zoo als hij dat zoo heerlijk beschreven heeft in de » Opkomst van 
het Nederlandsch gezag over de jaren 1611 — 1647. Maar wij vragen 
met allen ernst of wij, met de meeste vaderlandsliefde en opofferingen, 
tegenover de vloten van den tegenwoordigen tijd, daartoe nog in staat 
zijn , en of, bij eene vingerwijzing naar den politieken toestand van Europa 
van het oogenblik, aansluiting aan Engeland niet ons doel moet zijn en 
nitdenwegruiming van sedert lang bestaande moeilijkheden niet eene 
waarlijk Nederlandsche gedachte is? 

:»In geen geval," zegt de beerde Jonge, bladz. 27, )!»magdit vi'aagstuk 
gebracht worden op de kampplaats onzer partijtvnsten. Ik althans verlang, 
om wat ik er over ta* neder schreef, niet geteld te worden onder hen, 
die uit dit vraagstuk gaarne een wapen zien gesmeed ter bestrijding van 
een liberaal bestuur." 

^ij nemen dat van den geachten schrijver gaarne aan; wij zijn daar 
zelfs overtuigd van; maar wij herhalen de vraag: is dan een gepassion- 
neerd pleidooi als dat van den heer de Jonge, vooral van hem uitgaande 
en onder dien historischen titel, terwijl hem noch het traktaat noch, k plus 
forte raison, de toelichting van de Regeering bekend is, niet, minst geno- 
men, voorbarig? 

Wij althans zullen ons oordeel opschorten tot dat het traktaat, zoo het 
weriielijk gesloten werd, door indiening aan de Vertegenwoordiging open- 
baar gemaakt en aan de publieke kritiek onderworpen wordt. 

P. 



VARIA. 



Men schrijft ons uit Gorontalo: 

^Het is bekend dat de Gorontalo-tabak superieur is en gelijk staat met 
de beste Manilla. Gorontalo kan jaarlijks gemakkelijk 30,000 pikols pro- 
duceeren. Een pikol onbereide tabak, of liever de grondstof voor een pikol 
tabak, kost te Gorontalo omstreeks f 20, en \o\x in Nederland minstens 
/"GO opbrengen. Hiermede zouden dus groote winsten te behalen zijn. De 
bevolking zou tabak genoeg produceeren, indien zij slechts van een goe- 
den aftrek verzekerd was. Ëene tabaks-opkoopmaatschappij zou hier enorme 
zaken maken, te meer daar thans op Manilla de tabakscultuur van Regee- 
ringswege verwaarloosd wordt. Reeds hebben eenige Chineezen van Manilla 
naar Gorontalo geschreven, dat de soort ^un tabak die daar geteeld wordt, 
te Manilla goede 'prijzen halen zou. Een Manilla-vaarder, Spai\jaard van 
geboorte, wien de Gorontalo-tabak vertoond werd, verklaai'de, dat zoo de 
teelt er van goed werd op touw gezet. Manilla een zeer gevaarlijken con- 
current zou bekomen. 

]»Een andere zaak waarmede schatten te verdienen zouden zyn'* is het 
opkoopen van maïs-bladeren voor de bereiding van papier, zooals thans 
o. a. te Weenen plaats vindt. 

2>Een pikol katoen met zaad kost thans te Gorontolo ƒ6.50. Drie zoo- 
danige pikols geven een pikol zuiver katoen. Over een monster Gorontalo- 
katoen schrijft men uit Londen: »Het monster katoen, ons ter hand ge- 
steld, is wel wat klein om ons in staat te stellen de waarde met juistheid 
te bepalen, maar voor zoover wij eene meening daarover durven uitspre- 
ken, meenen wij de tegenwoordige waarde van dit katoen op 11 a 12 
stuivers het pond te kunnen schatten." Ook hierin zouden dus goede za- 
ken t€ doen zijn. Hoe jammer dat er thans in Ncd. Indië zoo bitter wei- 
nig ondernemingsgeest bestaat!" 



166 

Ia denzelfden brief komt ook het volgende voor : 

»De zending van eenige zendeling-geneeskundigen naar de Tomini-landen 
in de adsistent-residentie Grorontalo zou zeer aanbeveling verdienen, daar 
de hoofden der Alfoeroe's aldaar meermalen verklaard hebben liever tot het 
Christendom dan tot den Islam te willen overgaan. Toch staat het te vree- 
zen, dat ook deze bevolking eerlang den Islam in de armen zal vallen, 
daar eenige Boegineesche hadji's zich thans groote moeite geven om onder 
de Alfoeren zielen te winnen. Men loopt dus gevSiar te laat te komen, 
even als men te laat is gekomen in het Mongondousche. Een twaalftal 
jai*en geleden ware daar nog veel voor de evangelisatie te doen geweest, 
maar thans heeft er de Islam reeds diepe wortelen geschoten. Dit wil 
evenwel niet zeggen, dat nu die gewesten voor de evangelisatie zijn ge- 
sloten. Mannen met tact en beleid zullen onder de Mohammedanen even 
goede resultaten erlangen als onder de Alfoeren. De persoonlijkheid van 
den eersten evangelieverkondiger doet hierbij alles af.*' 



Eindelijk lezen wij in dat schreven ook nog het volgende: 
»De lang verwachte reorganisatie van de adsistent-residentie Gorantalo 
(zie Regeeringsverslag 1866, blz. 24) zal eindelijk, naar het schijnt, in 
1871 haar beslag krijgen. De Indische regeering heeft daarover aan den 
Minister van Koloniën geschreven. Men betreurt het echter, dat de Tomini- 
landen niet in de reorganisatie zullen deelen, te meer omdat de oudsten 
en hoofden, ingelicht omtrent de goede bedoelingen der Regeering, zelven 
reeds herhaaldel^k den wensch hebben te kennen gegeven om onder ons 
direct beheer te komen. Zij willen liever belasting betalen aan het Ned. 
Indisch Gouvernement, dan afhankelyk zijn van de Mandarsche indringers, 
die voortdurend op strooptochten uitgaan. Wil de Regeering in die landen, 
van wege de kosten, geene controleurs plaatsen, het zou reeds voldoende 
zijn er een drietal posthouders te vestigen, om daardoor de inboorlingen 
aan de blanken te gewennen. Wordt er niets gedaan, wat moeten dan de 
Alfoeren wel denken van de zoo vaak met nadruk geproclameerde goede 
gezindheid der Regeering om hen te beschermen?" 



i66 

Wij ontvingen uit Indië de onderstaande beschouwing van de voorgeno- 
men hervorming in de Preanger-regentschappen , inzonderheid wat den aan 
de inlanders toegedachten prys voor de koffie betreft. Wij wenschen het 
oordeel over de zienswijze des auteurs aan onze lezers over te laten. 



]»Hoever partijzucht en persoonl^ke ingenomenheid gaan kan om het 
helderst oordeel te benevelen, is wel zelden sterker gebleken dan in de 
miskenning en verguizing, waaraan de afgetreden Minister de Waal bloot 
stond ter zake van zijne, helaas! voor 'toogenblik wedar verijdelde, plan- 
nen van hervorming in de Preanger-Regentschappen. De vraag van be- 
voegdheid tot eigenmachtige uitvoering van die plannen laten wij hier bui- 
ten beschouveing; maar hoe is het mogelijk, dat sommige — neen >een 
groot aantal*' — leden van de Tweede Kamer, in 'tvoorloopig verslag 
over de Indische begrooting voor 1871, de Regeering een verwgt hebben 
kunnen maken van het voornemen, om de betaling voor de koffie niet aan- 
stonds tot ƒ 13, maar vooreerst slechts tot ƒ 10 op te voeren? Hoe heeft 
men zich niet ontzien, haar het vermoeden voor de voeten werpen, dat 
»de voorgestelde regeling slechts strekken moest , om eenig meerder voor- 
deel aan de schatkist te verzekeren"? 

»Kalme waardigheid kenmerkte 's Ministers antwoord op zulk eene ter- 
gende aantijging. Men heeft hem verkeerd begrepen. Vermeerdering van 
inkomsten is inderdaad niet het motief der hervorming geweest. En dat 
de koffieprijs niet terstond tot het normale cijfer wordt opgevoerd, is niet 
uit vrees , »dat de voortbrenging der koffie door eene zoo sterke rijzing van 
den prijs allicht gevoelig zou verminderen" : — is grooter phlegma denk- 
baar , dan uit die nuchtere ontkenning spreekt? — neen , het berust op 
éen ander, tweeledig bezwaar: 1* dat een arbeid met ƒ 13 zou beloond 
worden, die verricht werd met het oog op (eene belooning van) f 6.50," 
en 2* »dat de bevolking zou worden blootgesteld aan het gevaar, dat een 
groot deel der onverwachte meerdere ontvangst haar afhandig werd ge- 
maakt door de hoofden en andere tusschenpersonen." Dit «tweeledig be- 
zwaar is niet wedergelegd." Wat zou er ook tegen in te brengen zijn? 
«Overigens zij nogmaals herinnerd, dat den Gouverneur-Generaal vrijheid 
is gelaten, om tot f 10 te klimmen in den tijd, welke hem het meest 
geschikt voorkomt." 

«In die vqjheid van den Gouverneur-Generaal om zelf den tijd te bepa- 
len, waarin hij van 6Vs tot 10 klinmien zal, ligt voor de vijanden van 
«schokken en sprongen" eene niet verwerpelijke geruststelling. Zij daar- 
entegen, die den prijs al dadelijk op ƒ 13 wilden gebracht zien — of al- 
thans beweerden het te willen — mogen bedenken, dat van de twee daar- 
tegen aangevoerde bezwaren het eerste op zich zelf hoogstens slechts 



467 

gelden kaïi voor den arbeid^ die op het oogenbiik der afkondiging reeds 
zou volbracht zijn, en niet de minste reden geven kan om iets af te din- 
gen op het loon voor den nog te verrichten arbeid; terwijl het tweede 
bezwaar van zelf meè brengt, dat al wat de bevolking tijdelijk onthouden 
wordt, om haar voor de roofzucht van hoofden en andere tusschenperso- 
nen te behoeden, ten behoeve der rechthebbenden, als de eigendom van 
onmondigen, zorgvuldig zal bewaard en opgelegd blijven, om hun later 
met de renten te worden uitgekeerd, zoodra hun eigen belang dit zal 
toelaten. 

lOf zou iemand durven vermoeden, dat in het tweede lid van 'sMinis* 
ters bezwaar de klemtoon behoort te vallen op de woorden »de hoofden 
of andere tusschenpersonen," en dat de heer de Waal dus eigenlyk heeft 
willen zeggen: »0m de bevolking te behoeden voor het gevaar van zich 
een deel vaQ haar loon door de hoofden en andere tussclienpersonen te 
zien afhandig maken, zullen wij het maar dadelijk zelven doen"? Die on- 
derstelling veroordeelt zichzelve. Van zulk schaamteloos boerenbedrog, te 
grof bovendien om zelfs den onnoozelste te bedriegen, mag geen >Neder- 
landsch minister" verdacht worden, allerminst de man, wiens czedelijk 
bevmstzijn" tot een spreekwoord geworden is. 

»Maar heeft de heer de Waal het dan werkelyk zoo bedoeld, als w^ 
het begrepen, waarom er dan niet in 't ontwerp der regeling ondubbel- 
zinnig voor uitgekomen? Ook die vraag zou, waar zy ernstig gemeend 
was, van weinig doorzicht of nadenken getuigen. Springt het dan niet in 
't oog, dat door zulk eene aankondiging het liefderijk doel der tijdelijke 
onthouding geheel zou gemist worden? dat de hoofden en andere tus- 
schenpersonen, die op den overvloed der gemeente azen, zulke openlijk 
gewaarborgde uitzichten even goed, ja met nog meer nadeel voor de be- 
volking, zouden weten te exploiteeren als een werkel\jk uitgekeerd loon? 
Dat moest tot eiken prijs vermeden worden; maar zoo verstaanbaar, als 
het voor een goed verstaander met een half woord geschieden kan, werd 
het der Vertegenwoordiging in 't oor gefluisterd: »Weest gerust, mijne 
heeren! Wat den Preanger toekomt, zal hij hebben^ en geen cent min- 
der. Maar in zijn eigen belang mag hy niet te veel op eens in handen 
krijgen, en liefst ook vooreerst niet weten wat wij voor hem in beheer 
houden, om het aan de roofzucht van hoofden en andere tusschenperso- 
nen te onttrekken." 

>Wij voor ons evenwel vreezen niet, de edele bedoelingen der Regee- 
ring tegen te werken, door te toonen, dat viry ze op hare rechte waarde 
weten te schatten; dat wy in deze regeling dezelfde vaderhand herkennen, 
die nog onlangs, in 'tbelaüg diet* zedelijkheid, het gebied i&r opiumpacht 
uitbreidde, dezelfde die Insulinde's bevolking 



168 

.... op het pad dos levens steeds zoo miazaam heeft geleid , 
Ea haar zelfii door liefdeslagen rijpen doet tot mondigheid. 

>A1 is toch de uitlegging, die ynj aan 's Ministers antwoord gaven, in 
ons oog de eenige gezonde opvatting, waarvoor het vatbaar is, het is en 
blijft eene persoonlijke opvatting waartegen ieder de zijne kan overstel- 
len, en reeds daarom voor de bevolking geheel vrij van de gevaren, die 
uit eene openlijke erkenning van Regeeringswege voor haar zouden kun- 
nen voortvloeien. Hopen wij slechts, dat zij spoedig in 't genot trede van 
die verbetering van toestand, welke zij geacht wordt al dadel^k te kun- 
nen verdragen, en dat het meerdere waarop zij aanspraak heefb, zoolang 
het noodig zijn zal, voor haar beheerd worde met al de trouw en zorg, 
die een goed huisvader en voogd betaamt!" 



Gaarne verleenen wij eene plaats aan den hieronder volgenden aan ons 
gerichten brief. 

»Zoo ik het waag nog even het woord te vragen over den Arabischen 
uitroep astctgfiroe 'Udhay is het niet zoo zeer om het tamelijk onbeduidend 
belang van die quaestie — als het er nog eene heeten kon — maar vooral 
om mijn geweten van een onwillekeurig verzuim, een onrecht bijna, te 
ontlasten. 

sToen ik u namelyk het eerst over die zaak schreef, had ik er niet 
aan gedacht, er ook de Javaansche woordenboeken op na te zien, en vond 
daartoe eerst onlangs aanleiding , toen ik in Javaansche geschriften de uit- 
drukkingen tigapar en matja Istigpar aantrof. 

»Ik vond toen in 'tJavaansch woordenboek van Gericke en Roorda, 
i. V. isHpar, wat u en ieder er vinden kan: eene min juiste verklaring 
met eene volkomen juiste gissing er nevens, maar geene duidelijke aanwij- 
zing van den waren vorm van den uitroep. 

»De volledigste inlichting vond ik daarentegen in 't M. S. woordenboek 
van Winter en Wilkens, i. v. istihfar, in deze woorden (slechts een weinig 
door mij verkort, en 'tJav. schrift door het onze vervangen); :»istihfarj 
istahfavy aatagapir of tigafar, Ar UaLm)» het vragen om vergeving 
door te zeggen yJiJ JLai^ï astagfiroeUctfi, God vergevel God beware, ze- 
gene onsl uitroep van verwondering of schrik; — nigapartn, over iets 



169 

dien uitroep doen." Hieraan ontbreekt alleen nog de opmerking, dat de 
Arabische uitdrukking eigenUjk beteekent: »ik vraag God vergeving.'' 

»Gaame maak ik van deze gelegenheid gebruik, om in *t voorbijgaan 
een woord van hulde te brengen aan dien thans b^na voltooiden momu- 
mentalen arbeid: voltooid namelijk in zijn' tegenwoordigen vorm, van een 
niet wel meer telbaar aantal folianten. Dat het werk in dien vorm voor geene 
dadelijke uitgave vatbaar is, en daarvoor ook in zijne rangschikking nog 
eene doorgaande herziening vereischen zou, ontneemt niets aan de waarde 
van den schat van kennis, dien het ter verdere uitwerking gereed houdt, 
noch aan den lof, die den schrijvers toekomt voor de volharding, de zorg 
en het oordeel, waarvan hun werk de onmiskenbare blijken draagt." 

Batavia, 26 December 1870. 

A. B. CoHEN Stuabt. 



Wij maken onze lezers opmerkzaam op een artikel van de hand van 
onzen mede-arbeider, den heer Verkerk Pistorius, controleur te Boenga- 
mas in de residentie Palembang, aangevangen in den Gids voor 1870, 
November-nonucner, en besloten in het Februari-nommer van den loopen- 
den jaargang. Dit uitmuntend artikel , dat evenzeer letterkundige als we- 
tenschappelijke waarde heeft, strekt der pen van den heer Pistorius tot 
groote eer. Het geeft een levendige en schilderachtige voorstelling van 
landschappen en zeden, in een pikanten en geestigen vorm, en maakt ons 
bekend met de topographie van een tot dusverre schier geheel onbekend 
en uit physisch-geographisch oogpunt zeer belangwekkend gedeelte van 
Sumatra, den vulkaan Kaba, door den schrijver onder den naam van sde 
Heilige Berg'' beschreven. Het schijnt dat de heer Pistorius de eerste 
Europeaan was, die dezen berg bezocht; hy is althans de eerste die hem 
beschreven heeft. Het verblijdt ons ook uit het artikel te zien, dat het 
door andere soortgelijke schetsen zal gevolgd worden; want het draagt aan 
het hoofd den algemeenen titel ]»Palembangsche schetsen," en komt daar- 
onder voor als n®. I. Wij mogen dus hopen nog meermalen het genot te 
smaken dat ons de lezing van dit artikel heeft verschaft. W\j willen het 
ook geenszins wraken dat de schrijver, die door zijne studiën over de 
Padangsche bovenlanden zooveel tot opluistering der laatste jaargangen 
van ons Tijdschrift heeft b^gedragen, zich thans, door den Gids tot het 



470 

voertuig ^^n^r mededeelingen te kiezen, tot een êenigszins and^ en groe- 
ier publiek heeft gewend. Zyne fijne en geurige pennevruchten verdienen 
in ruimer kring bekend te zijn. Maar wij mogen toch niet nalaten den 
wensch uit te spreken , dat hij ook ons Tijdschrift niet moge vergeten en 
de betrekkingen niet moge afbreken, die aan de Bedactie en de lezers 
zulk ^n ruime bron van leering en genoegen verschaft hebben. 



DE AGRARISCHE WET EN HARE UITVOERING. 



V. 



NALEZING OP HET EERSTE HOOFDSTUK VAN HET KONINKLIJK 

BESLUIT VAN 20 JULI 4870. 



DOOR 



Mr. C. V4N HEUKELOM. 



i. De wet van 9 April 1870 {Staatsbl. No. 71), gezegd »de agrarische 
wdt/' verplaatste den Minister van Koloniën in een benijdenswaardigen 
toestand. Hij zelf had de grondslagen gelegd waarop de beoogde hervor- 
ming van het koloniaal stelsel zou rusten, en volmacht verworven om 
daarop voort te bouwen, onbelemmerd door de lastige kritiek der verte- 
genwoordiging, Zoo had hij de handen vrij om iets wezenlijk goeds tot 
stand te brengen, en het eigenlijk doel der wet schijnt dan ook te zijn 
geweest vrijheid van handelen te schenken; anders toch ware het schier 
ondenkbaar, dat aan een zoo wanstaltig product van wetgeving eene plaats 
in het staatsblad werd ingeruimd. Hoe veel toch menigmaal, om niet te 
zeggen doorgaans, op de voortreffelijkheid der vruchten van het gemeen 
overleg tusschen Regeering en Kamers ten onzent af te dingen valle, dit 
legislatief gedrocht gaat in afzichtelijkheid alles te boven wat i^an dien 
aard immer te voorschijn werd gebracht. Het is, zeide een der a^evaar- 
digden »een jmïdiek monster" *), »een klein monstertje," verbeterde een 
ander, X)met vier onder elkander geplaatste leelijke neuzen", >) en de Mi- 
nister zelf beleed dat hij zijne schepping »niet mooi" vond. 



1) Bijblad, blz. 927. 
>) Byblad, blz. 958. 



12 






472 

Zonderlinge uitkomst van de ernstige pogingen, vooral sedert een jaar 
of acht aangewend en passende in hetgeen de heer Thorbecke eens »een 
rond stelsel van kolonie-wetgeving" noemde; *) zonderlinge uitkomst deze, 
dat Regeering en Vertegenwoordiging zich beijveren de oplossing van het 
gewichtigste vraagstuk 't welk sedert de wijziging onzer staatsinrichting 
aan het Parlement werd voorgelegd, te zoeken in enkele slecht geplaatste, 
en vooral slecht gedachte volzinnen, die, zoo men beweert, beginselen 
uitdrukken. 

Zonderlinge uitkomst! Vooral wanneer men bedenkt boeveel licht ver- 
spreid is over het voornaamste strijdpunt, de rechten aan bet kleine 
landbezit toe te kennen, niet slechts door de cultuurwet van 1865, maar 
ook door hetgeen sedert de behandeling van dat ontwerp hier en elders 
werd geschreven en verricht. Zoo het begrijpelijk is dat bij het onderzoek 
van laatstgenoemd wetsvoorstel de denkbeelden omtrent de wederzijdsche 
rechten van den Staat en van den landbouwer eenerzijds, en omtrent het 
gewoonterecht der landbouwers onderling anderzyds, nog niet gansch 
helder waren; hoe is het te verklaren dat hetgeen von Haxthausen om- 
trent Rusland, de Cobden-Club omtrent de voornaamste rijken van Europa 
en omtrent Britsch Indië, Campbell daarenboven nog in een afzonderlijk 
geschrift over het landbezit in Britsch Indië mededeelden, geen merkbaren 
invloed op de voorstellingen, hetzij van de Regeering, hetzij van de leden 
der Staten-Generaal heeft uitgeoefend? Het is alsof de hervorming van 
het landelijk stelsel in Rusland en in Ierland even onopgemerkt is geble- 
ven als dat gedeelte der Enquête agricole in Frankrijk hetwelk aan Algerië 
was gewyd en in den loop des vorigen jaars ter keizerlijke drukkerij 
verscheen. En toch, hoeveel was er niet, ook bij verschil in toestand en 
rechtsopvatting, uit dat alles te leeren, en hoe beschamend is niet het 
onderscheid tusschen Gladstones klare ontwikkeling van de beginselen der 
Irish Landbill en de verwarde redeneeringen door onzen Minister van 
Koloniën, bij geschrifte en bij monde, tot toelichting zijner agrarische wet 
gehouden 1 

Wat den Minister ontbrak vulde de Kamer niet aan. Van de zijde der 
conservatieven dezelfde bespiegelingen over Souvereiniteits-attributen volgens 
de denkbeelden van inlandsche hoofden of landbouwers met wie de een of 
ander eens een ernstig gesprek over dat onderwerp had aangeknoopt; 
van de zijde des heeren Thorbecke dezelfde geheel valsche opvatting van 
hetgeen door hem »inlandsch grondrecht" gedoopt is, die reeds in 4866 
ten beste werd gegeven; van de zijde der liberalen meer toegevend- 
heid — of was het afmatting? of te groot vertrouwen wellicht op eerlijke 
medewerking van den Minister? — dan het voorstel verdiende. Dezelfde 



1) Bijdrage tot de herziening der grondwet, Leiden 1848, bU. 24. 



173 

beduchtheid voorts bij velen voor vervreemdbaarheid der akkers, een met 
meer of minder klem aangedrongen Roodhuiden-argoment. 

Zgn wij dan inderdaad onbekwaam geworden, eenig groot economisch 
\Taag3tak met zaakkennis te behandelen, met trouw aan beginselen tot 
oplos^g te brengen? Kan onze natie vrede hebben met eene regeering, 
met eene vertegenwoordiging die zich door telkens onder allerlei vormen 
en voorwendsels weder opkomende gehechtheid aan «het batig slot" en 
door schoolsche betweterij gedurig van den weg laat brengen dien het 
eenvoudig gezond vérstand als met den vinger een ieder aanwijst die voor 
%^olksbelang een open oog heeft en aan den ontwikkelingsgang der bur- 
gerlijke maatschappij niet ten eenenmale vreemd is gebleven? 

Enkele punten aan de mondelinge beraadslaging over de wet ontleend, 
moeten hier echter voorloopig aangestipt worden. 

Ten eerste, de juiste uitlegging door den heer Thorbecke gegeven aan 
het voorschrift van Art. H der Algemeene Bepalingen van wetgeving voor 
Nederlandsch Indië. *) »Dat voorschrift," zeide die afgevaardigde, mn Art. 
75 van het Regeerings-reglement weder te vinden, heeft, zoo ik mij 
niet bedrieg, enkel betrekking tot het personenrecht en dat der verbinte- 
nissen." *) 

Ten tweede, het oordeel van den heer van der Linden over dat ge- 
deelte der wet hetwelk tot de gedachte van het voorstel van 1865 het 
meest nadert. — Overal, zoo was ongeveer de loop van zijn betoog, is 
»het grondrecht op honderderlei vdjee gevarieerd, maar de zaak blijft: 
vrij, individueel, erfelijk gebruik met beperking door bijzondere bepalingen. 
Nu vind ik' in de Indische maatschappij zoodanig individueel erfelijk ge- 
bruiksrecht; ook met beperkingen; — ik acht dat gelijk eigendom; — 
wil men dat bevestigen, inschrijven, regelen, ontwikkelen, dan zal men 
den weg gaan, dien elke goede regeering zal moeten betreden," en iets 
later: »wil men het gebruiksrecht eigendom noemen, ik heb er niets 
tegen: ik wensch alleen dat dit erfelijk individueel gebruiksrecht inge- 
schreven en verzekerd worde. Ik wil het den Javaan niet ontnemen; ik 
wil het hem verzekeren; ik wil het codificeeren." s) 



1) Het luidt: //Behoudens de gevallen; in welke Tnlandeiis of met deze gelijk- 
gestelde personen zich vrijwillig hebben onderworpen aan de Europeesche bepa- 
lingen, betrekkelijk het burgerlijk- en het hondelsrecht, of waarin zoodanige of 
andere wettelijke bepalingen op hen zijn toepasselijk verklaard, blijven ten nnnzien' 
van die personen van kracht, en worden door den iniandschen rechter toegepast, 
denselver godsdienstige wetten, volksinstellingen en gebruiken, voor zoo ver die 
niet in strijd z\jn roet algemeen erkende beginselen van billijkheid en rechtvaar- 
digheid." 

a) BQblad, blz. 1080. 

3) Bijblad. blz. 1029. 



/ 



174 

Zoo de uitlegging nu door den heer Thorbecke, maar den Sden Mei 1866 
reeds door den heer Kappeyne van de Goppello gegeven *), destijds ware 
aangenomen; zoo het gevoelen nu door den heer van der Linden ontwik- 
keld, destijds door alle liberalen ware omhelsd, de ongerijmdheden waartoe 
zich enkelen lieten verleiden, wier naam op juridiek gebied gezag heeft, 
waren niet vernomen; de hardnekkige bestrijding van een zuiver denkbeeld 
ware verstomd. Dan zou vijf jaren vroeger een vrij wat betere wet dan 
de tegenwoordige zijn tot stand gekomen; dan zou het schandaal der be- 
noeming van Mr. P. M^er, en het nog grooter schandaal der herhaalde 
kamer-ontbinding niet vertoond zijn; dan zou de liberale partij haren 
ouden roem gehandhaafd en aanspraak verworven hebben op den lof dien 
Macaulay voor ruim dertig jaren zijn geestverwanten toezwaaide; »I look 
with pride on all that the Whigs have done for the cause of human 
freedom and of human happiness." 

Nog een laatste herinnering aan het debat. Onder de menigte van 
sprekers was er slechts één enkele, de heer 'sJacob, die de leer van 
een algemeen staatseigendomsrecht op den grond als eene vrucht van 
volksovertuiging aanprees; ') waarbij hij echter, gel\jk de heer Thorbecke 
opmerkte, ^) ten onrechte beweerde, dat dit staatseigendom niet zou z\jn 
van privaatrechtelijken aard. *) £n, ofschoon overigens van alle zijden het 
zoo even genoemd beginsel uitdrukkelijk gewraakt werd, prijkt het op 
nieuw aan . het hoofd van het koninklijk besluit tot uitvoering der wet, 
den 20sten Juli 1870 vastgesteld. Een van beide moet waar zijn: of het 
koninklijk besluit is in dit opzicht in strijd met de wet, of de meerder- 
heid der Kamer heeft eene wet in het leven geroepen waarvan zij het 
gronddenkbeeld afkeurde. En dit laatste zou de waarde der wet niet verhoogen. 

Let men evenwel op het gewicht van den inhoud dezer korte' aantee- 
keningen, het valt dan terstond in 'toog, dat allen die niet tot de con- 



1) Bfjblad 1865/66, biz. 596^ 

>) Byblad, blz. 984. 

3) Bijblad, blz. 1030. 

*) Nog onlangs werd dit door bet Hoog Gerechtshof van Ned. Indië aan-> 
getoond, in de volgende considerans: /irO?er wegende, ten aanzien van het bewe- 
ren der geïntimeerde (de regecring van Ned. Indi(S als vertegenwoordigende den 
lande) dat er in deze geen sprake wezen kan van het verkrijgen van eigendom 
door middel van verjaring, omdat het stuk grond in quaestie zou zijn doineiu 
en mitsdien buiten den handel: dat, daargelaten de vraag, of het bedoelde stuk 
grond als tot het domein behoorende kan worden aangemerkt, zoodanige goede- 
ren niet per se zijn buiten den handel, maar even als andere aan den Staat toe- 
behoorende, doch niet 'tot algemeen nut en gebruik dienende zaken door veija- 
ring in eigendom kunnen worden verkregen.'" Arr. v. 3 Nov. 1870, Ind. week* 
blad van het recht, No. 387. 



'\ 



175 

servatieve oppositie behoorden, zich beijverd hebben de aanneming van het 
regeeringsvoorstel te bevorderen. Geen tegenstand meer ontsproten uit 
beweegredenen waaraan de inhoud der wet vreemd was. Integendeel, wat 
in 1866 hoogst bedenkelijk was geacht^ werd nu als gevaarloos beschouwd ; 
terwijl aan den anderen kant de voorstanders der cultuurwet zich tevreden 
stelden met de toenadering tot hunne beginselen, die uit het ministerieel 
ontwerp, na de laatst ondergane wijziging, sprak. Des te meer bevreem- 
ding moet het baren, dat de Minister van die stemming niet heeft weten 
gebruik te maken om eene deugdelijke wet van beginselen in het leven 
te roepen, die de taak van uitvoering gemakkelijker zou gemaakt hebben. 
Doch de zucht om het koloniaal vraagstuk uit de vergaderzaal van 's lands 
Staten, hoe dan ook, te verwijderen, heeft bij het ontwerpen, wijzigen, 
aannemen van het voorstel blijkbaar alles beheerscht. De waarde der 
Yniet mooie" wet zal dan aan het besluit tot uitvoering moeten getoetst 
worden, en bij dat onderzoek zal het slechts nu en dan noodig zijn op de 
handelingen van de Regeering en de Staten-Generaal ten opzichte van 
het wetsontwerp terug te wijzen. 

Om die aanhalingen gemakkelijker te maken, diene een kort overzicht 
van den loop der zaak. Het eerste ontwerp werd ingediend 17 Maart 
1869 1), het " eerste voorloopig verslag vastgesteld 10 Juni 1869. >) Het 
tweede ontwerp mét de tweede memorie van toelichting werd aangeboden 
20 September 1869. ') Van het eerste onderscheidde zich dit ontwerp 
hoofdzakelijk slechts hierin, dat de uitgifte in erfpacht van domeingi'ond 
meer stellig voorgeschreven, en het gevolg te geven aan aanvragen van 
Inlanders om hun grond in 'eigendom te bezitten, meer verzekerd werd. 
Het tweede voorloopig verslag is van 24 December 1869. *) De memorie 
van beantwoording, gedagteekend 6 Februari 1870, strekt ten geleide van 
het nader gewijzigd of derde ontwerp, ^) In dit stuk is de alinea C van 
het eerste en tweede ontwerp weggelaten «) en vervangen door eene be- 
paling welke, later nog eenigszins gewijzigd, thans het derde lid van het 
eenig artikel der wet uitmaakt. Deze verandering in het wetsontwerp ge- 
bracht is in velerlei opzicht merkwaardig. Te dezer plaats is het voldoende 
te doen opmerken, dat de nu weggelaten alinea, volgens^ de eerste memo- 



*) Bijblad 1868/69, Bijlagen, blz. 1014. 

>) Aid., blz. 1346. 

3) Bljblad 1869/70, Bijlagen, blz. 3. 

*) Aid., blz. 818. 

») Aid., blz. 1148. 

*) Z^ luidde: //Aan den inlander wordt, waar hij het tot verzekering van zijn 
erfelijk individueel gebruiksrecht op den grond verlangt, naarmate de middelen 
voorbanden zijn, de gelegenheid verschaft daarvoor schriftel^kc titels te verkrijgen/* 



17.6 

rie van toelichting })den geest ademde van het amendement van 17 Mei 
1866," van het beruchte amendement namelijk ivelks aanneming de in- 
trekking der cultum*wet ten gevolge had. Juist daarom wsls nj onaanne- 
melijk voor velen wier ondersteuning niet gemist kon worden. De verstooten 
bepaling werd echter in Art. 3 van het besluit van 20 Juli weder opge- 
nomen. Of deze handelwijze, al behield zich de Minister, blijkens zijne me- 
morie van beantwoording, daartoe de bevoegdheid voor, met goede trouw, 
en met den geest der wet, zooals deze door de hulp van de tegenstanders 
der bedoelde bepaling tot stand kwam, kan worden overeengebracht, is 
minstens aan twijfel onderhevig. De openbare beraadslaging in de Tweede 
Kamer duurde van 28 Februari tot 10 Maart. O 

Het besluit van 20 Juli, dat het onderwerp der nu volgende beschou- 
wingen is, werd, evenals de wet tot wier uitvoering het strekt, in dit 
Tijdschrift, Jaargang 1870, II, blz. 408 — 413 afgedrukt. Bij de beoordee- 
ling daarvan heeft men te letten op de missives van den Minister van 
Koloniën, aan den Gouvernem'-GeneraaJ, gedagteekend 25 Juli en 23 Oc- 
tober 1870 *), welke mede in dit Tijdschrift, in de nommers voor Ja- 
nuaiï en Februari dezes jaars, zijn opgenomen. 



2. Het besluit van 20 Juli bestaat uit drie hoofdstukken, betiteld: van 
rechten op grond; van afstand van grond; gemengde bepalingen. 

Het opschrift van het eerste hoofdstuk zou eene omschrijving, of aan- 
wijzing althans, doen verwachten van de onderscheidene rechten welke op 
den grond kunnen bestaan, eene nieuwe bewerking van den tweeden tot 
den elfden titel van het tweede boek van het Indisch bm*gerlijk wetboek '), 
aangevuld met eene behandeling van die zakelijke rechten welke, ofschoon 
voortbestaande, echter in dat wetboek niet worden genoemd, bij voorb. 
het gezamenlijk recht op de dessa- of markegronden. Dat geschiedt even- 
wel niet. De Staat wordt tot algemeen landeigenaar verklaard en wat het 
recht der Inlanders beti*eft wordt verwezen naar eene nog uit te vaardigen 
verordening, terwijl toch allereerst had moeten en kunnen bepaald zijn, in 
welke verhouding het recht der Inlanders op den grond staat tot dat van 
den Staat als eigenaar van dien grond; welk recht de Inlander, individu 
of gemeente, die als leenman, pachter, rentplichtige , hoe men hem gelieve 
te noemen, grond van den Staat in bezit houdt, tegen den Staat kan doen 



1) Bijblad 1869/70, blz. 869—1035. 

») Bijblad 1870/71, Eerste Kamer, blz. 19 sqq. 

3) In het Nederl. B. W. titel 2—10. In het Indisch yetboek handelt de $de 
titel over heeredieoaten, die alzoo, ofechoon bezwaarlijk in de algemeene soort- 
verdeeling van art. 528 ie schikken, als een zakelijk recht beschouwd worden. 



477 

gelden. Dat waa de vraag waarop het aankwam; doch reeds het opschrift 
van het hoofdstuk, al beantwoordt daaraan de inhoud niet, bewijst dat 
juist de 2aak waarop het aankomt, uit het oog is verloren. 

Even onbepaald luidt het tweede opschrift: van afstand van grond. Toch 
wordt hier alleen gesproken van a&tand van grond door den Staat, en, 
merkwaardig genoeg, juist niet van hetgeen de wet in haar vierde lid 
noemt afstand in eigendom aan Inlanders. Deze afstand, in het besluit ge- 
noemd vervanging van inlandsch bezit door eigendom, wordt onder het 
eerste hoofdstuk vermeld, doch om tot een onbepaald tijdstip te worden 
verschoven; terwijl het tweede hoofdstuk in tien van de elf artikelen waar- 
uit het bestaat, over uitgifte in erfpacht spreekt. 

De bepalingen van het derde hoofdstuk zijn niet, zooals zij genoemd 
worden, gemengd, maar hebben niet tot het eerste of tweede hoofdstuk 
in het bijzonder betrekking. Het zyn algemeene of slotbepalingen. 

3. lAUe grond waarop niet door anderen recht van eigendom wordt be- 
wesEon, is domein van den Staaf, volgens artikel 1. 

Deze bepaling behelst eene aanmerkel^ke wijziging van die voorkomende 
jn art. 520 Ind. en art. 576 Ned. B. W. *) Vooreerst is de voorwaarde 
weggelaten, uitgedrukt door de woorden :Ddie onbeheerd z\jn", waai^aantot 
dusver door de rechtspraak de beteekenis werd gehecht van i^m niemands 
bezit zijn." Ten tweede wordt de bewijslast, volgens het B. W. op den 
Staat drukkende, overgebracht op hem die eigenaar beweert te zijn. Hier- 
door wordt voorts de werking van art. 569 Ind. B. W., hetwelk posses- 
soire actiën tegen het domein uitsluit, doch van wege de onvoldoende re- 
dactie geacht werd dat doel te missen *), versterkt. 

De strekking van art. 1 is evenwel niet beperkt tot eene uitbreiding 
van de aangehaalde bepalingen. In verband beschouwd met de artt. 2 — 4,' 
waaruit blijkt dat de ontgonnen velden der Inlanders niet als hun eigen- 
dom beschouwd worden, terwijl ook het eigendomsrecht op die gronden 
als niet ingeschreven op de registers bedoeld bij Ind. Staatsblad 1834, N<^. 
27, niet gemakkehjk te bevnjzen zou zijn, ^) herleeft in deze bepaling het 



^) //Grondenren en ' andere onroerende zaken , die onbeheerd zijn en geenen 
eigenaar hebben, .... behooren aan den lande (den Staat).^* 

») Eerste M. ?. T. § 2, Eerste Voorl. V. J 6. 

^ Schriftelijk bewijs is wel niet volstrekt noodig, zooals de eerste M. v. T,^ 
§ 2, doet opmerken; maar welk ander zou kunnen gelden waar de presumtie is 
ten voordeele van het domein, tegen *t welk geen verjaring kan worden inge- 
roep^ii? Wat dit laatste betreA moet ik evenwel doen opmerken, dat, voor het 
tegenwoordige, het onder n^ 1 aangehaald arrest van het Hoog Gerechtshof 
eene andere leer predikt. «^Overwegende, dat tegen de verjaring evenmin obsteert 
het voorschrift van art. 5G9 van het burgerlijk wetboek, waarbij, volgens de 



178 

»ook blijkens de discussie over de erfpachtswet van den minister Trakra- 
nen," gelijk de heer Thorbecke zeide *), maar inderdaad door de hande- 
lingen over het Regeeringsreglement in 1854 veroordeeld stelsel, dat de Staat 
zou zijn eigenaar van den ganschen bodem van Java, met uitzondering van die 
gedeelten welke vroeger het eigendom van bijzondere personen geworden zijn. 

4. De weder opgerakelde stelling van den algemeenen staatseigendom, 
de spil om welke deze verordening draait, heeft aanspraak op eene nadere 
beschouwing, voordat de overige bepahngen van het koninklijk besluit 
worden onderzocht. 

Aan het Regeeringsreglement vastknoopende stelde de cultuurwet van 
1865 voor, de fictie van staatseigendom te laten varen en de bezitters van 
ontgonnen grond, gemeenten of enkele personen, tot eigenaars te veridaren. 

De tegenstelling is dus deze: aan den eenen kant de Staat grondeige- 
naar, en als zoodanig uit de opbrengst van zijn eigen goed, hetwelk ove- 
rigens op zekere voorwaarden ter bebouwing wordt uitgegeven, inkomsten 
trekkende ; — aan den anderen kant, het eigendomsrecht overgedragen aan 
hen die, volgens natuurlijk recht, door ontginning daarop aanspraak hebben 
of opvolgers van de eerste ontginners zijn. In dit geval heft de Staat, 
gelijk ten onzent, grondbelasting. 

Afgezien van de hatelijke kleur waarmede het eerste stelsel door de 
willekeurige beschikkingen over grond ten behoeve der Gouvemements- 
cultures* werd overtogen, heeft men inderdaad hier de keus voor zich tus- 
schen het domaniaal stelsel der middeneeuwen, en dat van den nieuweren 



bewering der gein timeerde, geen wettig bezit van domeingronden zoude erkend 
zijn, daar, met het oog op de bewoordingen waarin dat artikel is vervat, de 
bedoeling alleen kon zijn om aan de bezitters voor (van?) domeingronden de 
vordering tot handhaving of herstel in het bezit te ontzeggen, doch daaruit 
geenszins kan worden afgeleid , dat die goederen geen voorwerp van bezit kun- 
nen uitmaken waardoor bij wege van verjaring de eigendom wordt gekregen ; 

//dat toch , bijaldien de wetgever dit bedoeld had , hij zulks voorzeker duidel^k 
zoude hebben voorgeschreven, zoo als ten aanzien van zaken die buiten den 
handel zijn, bij art. 537, al. 1, en art. 1853 van het B. W. uitdrukkelijk is be- 
paald, dat zij geen voorwerp van bezit kunnen uitmaken, en de eigendom daar- 
van door verjaring niet kan worden verkregen ; 

#dat dus, bij gebreke van zoodanige uitdrukkelijke bepaling, de Begeering, 
krachtens art. 1954 van het B. W., met opzicht tot domeingronden aan verja- 
ring onderworpen is.'* 

De grond in quaestie was echter geen landrenteplichtige grond, die, zoolang 
het huurcontract, in den piagem uitgedrukt, stand houdt, niet als eigendom van 
de gebruikers kan bezeten, en dus niet door verjaring aan het domein onttrok- 
ken kan worden (Ind. B. W., art. 1959). 

1) Bijbiad, blz. 970. 



479 

tijd, hetwelk medebrengt dat de Staat zijn uitgaven in den regel bestrijdt 
door heffingen iure publico verordend, en slechts by uitzondering en voor 
een klein gedeelte door de opbrengst van hetgeen hij nog ut universitas 
volgens privaatrecht bezit. 

Wanneer men bedenkt dat door toekenning aan den Staat van het 
eigendomsrecht, een v^ezenlijk, zelfs een uitgebreid recht op den grond 
aan de landbouvirers niet behoeft ontzegd te voorden, dan volgt uit de 
aanneming van dit stelsel volstrekt niet, dat de landelijke bevolking daar- 
door noodzakelijk in een zeer ongunstigen toestand gebracht wordt. 

Daarentegen zou het prijs geven van het begrip van algemeen staats- 
eigendom, en het toekennen van eigendomsrecht aan de landehjke bevol- 
king in geenen deele die gevaarlijke maatschappelijke omkeering te weeg 
brengen waardoor sommigen zich zoozeer hebben laten verschrikken. 

Zoo is er wel eens te groot gewicht gehecht aan de keuze van stelsel. 
Onder het een, gelijk onder het ander, kan het volk tevreden en geluk- 
kig zijn; het hangt maar van de toepassing af. Doch hiermede is niet 
gezegd dat de keuze eene onverschillige zaak zou zijn, geiijk, volgens het 
slot van § 6 van het eerste voorl. verslag, velen schenen te meenen, die 
den Minister aanspoorden »het betoog over het eigendomsrecht van den 
Staat en alle soortgelijke juridische onderscheidingen geheel te laten va- 
ren"; aan welk verlangen de Minister te gemoet kwam door te beamen, 
dat ]»de regelen bij het wetsontwerp voorgedragen zeer goed konden wor- 
den vastgesteld, zonder dat vooraf werd uitgemaakt aan wien in abstracto (?) 
de eigendom van den grond eigenlijk toekwam.*' ') Het eerste artikel van 
het besluit van 20 Juli bewijst juist het tegendeel, en onverklaarbaar 
schijnt dan ook de bewering, dat regelen ten aanzien van de betrekking 
tusschen den Staat en de individus kunnen gesteld worden zonder dat men 
zich rekenschap geve van het beginsel hetwelk ter bepaling der weder- 
zijdsche rechten en verplichtingen behoort in acht genomen te worden, en 
hetwelk tevens de grondslag moet zijn van de verordening omtrent de 
landrente, of de belasting die deze vervangen zal. 

5. Vermoedelijk echter is ook hierbij niet zonder invloed geweest een 
gevoelen in 4863 door den heer Duymaer van Twist geuit *), hetwelk 
meermalen door de tegenstanders van het denkbeeld der cultuurwet is 
aangehaald. De heer van Twist zeide : >ik zou de vraag: wie is eigenaar 
der gronden op Java? beantwoorden met: niemand. Wanneer wij van 



1) Tweede M. v. T., { 2. 

>) Art. 56 van M Keglement op het beleid der Begeeriog van N. I. door 
Mr. A. J. Duymaer van Twist, in Bijdragen tot de kennis van hel Staatsbe- 
stuur enz. 



180 

eigendom spreken, dan hechten wy daaraan het begrip van eigendom, zoo- 
als het bij ons bestaat. Maar dat begrip van eigendom is een begrip, 
dat zich in het Westen, niet in het Oosten, heeft ontwikkeld.... Iets der- 
gelijks zou men kunnen zeggen van bezit, huur, erfpacht enz.... Wil men 
verder komen, my dunkt, men zal de vraag b. v. aldus moeten stellen: 
welke zyn de rechten afzonderlijk omschreven, die de Staat, de gemeente 
of het individu op den grond van Java heeft of hebben kan? En dan zou 
ik a priori durven verzekeren, dat men niet voor alle plaatsen van Java 
hetzelfde antwoord zal vinden." 

De redeneering is ongeveer deze : het begrip van eigendom 't welk wij 
kennen beeft zich uit het Bomeinsche recht ontvrikkeld; dat recht is zon- 
der invloed gebleven op het, plaatselyk zeer verschillend, gewoonterecht 
der Javanen; ergOj er is geen eigendom op Java. 

Zeer terecht wordt er in denzelfden gedachtengang bijgevoegd: ook 
geen bezit, geen erfpacht enz. Maar dan ook geen enkel recht, noch za- 
keiyk, noch uit verbintenis ontstaan, hetwelk wij in eenige verordening 
zouden kunnen noemen, tenzij wy besloten voortaan onze wetten, konink- 
lyke besluiten en ordonnanciën in het Javaansch op te stellen. 

Doch waar en valsch is in de redeneering dooreen gemengd. Waar is 
bet dat het rechtsbegrip van eigendom, zoo als het zich in en door het 
Bomeinsche recht in tegenstelling van het bezitrecht heeft ontwikkeld, 
door ons bezwaarlijk in het gewoonterecht der Javanen is terug te vinden. 
In dien zin zouden wij de rechten op de akkers die de Javanen onder- 
ling doen gelden, het veiUgst kunnen aanduiden door een algemeenen term, 
gelyk als wanneer de Engelschen spreken van :»an estate in lands." ^) Doch 
is er wel iemand die zou durven beweren, dat onze Germaansche voorou- 
ders geen eigendom kenden, onder voorwendsel dat onderscheidene rech- 
ten aan liggende have order hen met den generieken term geweer (ves- 
ütura) werden aangeduid? Immers :D];iooit is het wezen van EiasNDOM in 
het Merovingisch en Karolingisch t\jdvak of later in Duitschland onbekend 
geweest, of heeft in het Duitsche recht geheel ontbroken, maar het eigen- 
domsrecht werd niet als een volstrekte tegenstelling van het bezit, zoo- 
als in het Bomeinsche recht, maar slechts als den hoogsten graad daar- 
van, zonder fayzondere technische benaming, opgevat." *) 

Eigendom dan behoort tot dat recht ]»quod ratione naturali inter ommes 
homines peraeque servatur"'); grondeigendom bestaat overal waar zich 



^) #An estate in laiids signifies sucli intereet as the tenant lias therein. It is 
called in Lntiii itatuê, signifying tbe condition, or circumstancesi in whick 
the owaer stands with regard to hia propepty." Biackstone, Comm., Il, p. 103. 

>) Zoepfl, Deutsche Bechtsgescbichte, Stuttgart, 1858, § 98. 

3) L. 1 pr. fif. de acq. rer. dom. (^41.1.) 



1«1 

eene latidbQUwende bevolking gevestigd heeft. Maar verschillende omstan- 
digheden brengen verschillende gewoonten ten opzichte van het gebruik, 
\'an de vervreemding, van de vererving te weeg, en die gewoonten, welke 
het volle recht op den grond beperken, regelen zich naar plaatselijke toe- 
standen, doch staan «lan het toekennen van eigendomsrecht geenszins in 
den weg. Het bewijs hiervoor kan men vinden in zoo menige streek van 
Duitschland waar nog Flurzwang ^) bestaat , waar derhalve de eigenaars 
der akkers 4eze bewlelings b. v. moeten laten braak liggen, dan met 
winterkoorn en vervolgens füj&t zomerkoorn bezaaien (Dreifeld^rwirthschaft), 
't geen opmerking verdient, ook omdat dikwerf ten onrechte beweerd is, 
dat op Java de wuterverdeeling en de bewerking der sawahs die zich 
daarnaar regelt, de verdeeling der dessa-bouwgronden zou verhinderen. 
Die gebruiken of instellingen, volkomen bestaanb^r m^et het algemeen 
stelsel hetwelk 6f aan den Staat 6f aan de landbouwers den grondeigen- 
dom ^u toekennen, behoeven den wetgever die tusschen die beide stelsels 
te kiezen h^eft, niet op te houden. Hierop slechts komt het aan, dat in 
het gewoonterecht niet noodeloos worde ingegrepen. 

De grondslag echter van de bewering van den heer van Twist schynt 
verkeerd, en heeft tot groote verwarring van begrippen geleid. Het is in 
beginsel valsch, de oplossing der vraag: behoort op Java de grond aan den 
Staat of aan de individus? ip zoeken in het Javaansch gewoonterecht, het- 
welk bovendien niet eens een algemeen rechtsbegrip vertegenwoordigt. Men 
kan misschien in ethnografischen zin van ^n Javaansch volk spreken, maar 
zeker niet in poUtischen zin. Java is een deel van hét Nederlandsch rijk; 
het ontvangt wetten, verordeningen en rechtspraak van Nederland. Het 
noodzakelijk gevolg van de verhouding waarin Java tot Nederland staat 
volgens onze rijkswetten, is, dat de bevoegdheid en de rechten van den 
Souverein naar die wetten ipoeten worden beoordeeld, en niet naar de voor- 
stellingen welke zich de Javanen, naar men beweert, daarvan zouden vor- 
men. De stelling: dde grond behoort noch aan den werkelijken bezitter, 
noch aan den Staat, hij behoort aan niemand," is dus onjuist, tenzij het 
bewjjs er voor geput kan worden uit de Nederlandsche wet, en deze be- 
rust integendeel op het beginsel, dat ieder grondstuk een eigens^ heeft, 
en dat de Staat als zoodanig optreedt wanneer een andere eigenjaar ont* 
breekt. Toen de cultuurwet beh^deld werd, is wel beproefd de geldigheid 
der Nederlandsche wet ten aanzien van den grond in het bezit der Inlan- 
ders te ontkennen, op grond van de i^tU 11, 12, 18 al. ^ der Algemeene 
Bepsüingen van vjretgeving voor N. I. en art. 75 van het üegeeringsregle^ 



1) W. Hoscher, System der Volkswirthschaft, II, § 76; Hanssen, zur Geschichte 
der Feldsyateme in Deuttchland, in Zeitechr. für die gesammte Staatswise., 18(5. 
pag. 98. 



182 

ment, doch de afgodische letterknechterij van enkelen heeft eene onmoge- 
lijkheid niet tot waarheid kunnen verheffen. Zelfs in de middeneeuwen, 
toen een ieder leefde naar het recht van den volksstam waartoe hij be- 
hoorde, toen het recht dus over het algemeen meer een persoonlijk dan 
een territoriaal karakter droeg ^), was ten aanzien van onroerend goed de 
wet der plaats waar het gelegen was, regel, en inderdaad vloeit dit grond- 
beginsel, bestemd om botsing tusschen verschillende wetten te voorkomen 
uit den aard der zaak voort. Trouwens de heer Thorbecke heeft, zoo 
als onder n*. i van dit opstel is vermeld, aan de vroeger verkeerdelijk 
ingeroepen wetsbepalingen hare juiste beteekenis teruggegeven. 

Het spreekt van zelf dat dit betoog niet strekt om de meening ingang 
te doen vinden alsof op de begrippen van het volk, gelijk die uit zijn 
gebruiken spreken, geen acht geslagen behoeft te worden. Den gulden re- 
gel dat de wetten met het karakter en de loffelijke gewoonten des volks 
niet strijdig mogen zijn, betvnst niemand; maar die regel is wel een leid- 
draad voor de wetgevende macht, doch vnjst de bron van het recht niet 
aan. Bovendien, vnj hebben hier niet in de eerste plaats te doen met de 
onderlinge rechtsbetrekkingen der Inlanders , maar met de verhouding waarin 
het recht van den Staat op den grond tot dat van den Inlander geacht 
wordt te verkeeren, en die verhouding is alleen te kennen, niet uit be- 
spiegelingen over Oostersche instellingen, maas uit hetgeen de tegenwoor- 
dige bevoegde macht als recht erkent of tot recht stempelt. Zal nu iemand 
nog willen beweren, dat het wezenlijk belang der inlandsche bevolking op 
Java zou worden gekrenkt, indien de Staat zich den oorspronkehjken of 
oppereigendom, den Inlander een vast zakehjk recht of nuttelijk eigendom 
toeschreef? of wel indien de Staat den eigendom der akkers aan de ont- 
ginners of hun rechtverkrijgenden toekende? De heer van Twist zekerniet: 
want hij gaf den 7en Juni 1866 te kennen, dat hij zich bij de cultuurwet 
zou hebben nedergelegd, al strookte die niet geheel met zijne inzichten >). 
Doch doof het verlaten van het eenig ware standpunt zijn anderen wel 
degelijk tot averechtsche gevolgtrekkingen geleid ; — niet alleen zij die zich 
in bespiegelingen over Mozaisch en Mohammedaansch recht verdiepten , niaar 
ook de heer Thorbecke met zijne fantaisiën over Javaansch grondrecht , die 
nu althans ook den schijn van waarheid missen, sinds hij zelf den noodza- 
kelijken grondslag van zijn betoog prijs gaf. 

6. Eindelijk zondigt het stelsel in 1863 door den heer Duymaer van 
Twist verkondigd, tegen de historische feiten. Sedert Europeesche over- 
heerschers, zoowel Engelschen in Voor*Indië als Nederlanders in den Ar- 



ï) Bichhorn, D. S. & R., § 46. 

») Bijblad 1865/66, Ute kamer, blz. 217. 



183 

chipel, regeeringsrechten verwierven, beschouwden rij zich als eigenaars 
van den ingenomen grond, omdat zij die hoedanigheid toeschreven aan de 
vorsten wier plaats zij hadden ingenomen. De juistheid dier beschouwing, 
al spoedig in twyfel getrokken, moge thans des noods geheel ontkend wor- 
den, het blijft niettemin waar, dat het zoogenaamd landelijk stelsel opdat 
beginsel werd opgetrokken, eerst in Britsch Indië, daarna op Java. Zoo 
de inrichting van het door Lord Cornwallis in 't leven geroepen Bengaalsch 
of Zemindari stelsel die zaak eenigermate in de schaduw stelt, de latere 
regeling in de presidentie Madras, welke, in verband met het beroemde 
vijfde verslag *), blijkbaar op het oordeel van Sir Thomas Stamford RafQes 
groeten invloed had, is afdoende. RafQes nam dan ook aan, dat het oor- 
spronkelijk eigendomsrecht b\j den Souverein was gebleven, doch dat de 
eerste ontginners ook op zekere eigendomsrechten ten aanzien van den 
grond dien rij als het ware hadden geschapen, dien rij door hun arbeid 
vruchtbaar hadden gemaakt , aanspraak konden maken '). Het was de ver- 
wezenlijking , wat de landbouwers betreft, van de beschrijving door James 
Mill 3) gegeven: »door gewoonte werd het berit van den rajat (landbou- 
wer) een blijvend berit, waaruit hij niet verstoeten werd dan wegens wan- 
betaling der pacht; — een recht dat hij kon vervreemden bij zijn leven, ver- 
maken bij zyn dood. Voor zoo ver rechten door verjaring kimnen gevestigd 
worden, werden deze rechten ten bate der rajats in Indië gevestigd. £n 
geene schending van eigendom is erger dan die waardoor het landbezit van 
den rajat woVdt verkracht.'' Aan dat landbezit dacht de Commissaris- 
generaal J. van den Bosch, toen hij in rijne memorie van 1834 schreef: 
»men heeft geheel ten onrechte beweerd, dat de Javaan geen denkbeeld 
bezit van het recht van eigendom op den grond ; . . . . de gronden gaan op 
de leden der familie van den eigenaar over, zij verkoopen of verhuren die 
onderling volgens de adat" ^); en het is alweder datzelfde landberit , hetwelk, 
onder den naam van> erfpacht, door het reglement omtrent de particuliere 
landerijen ^) aan de daar gevestigde bevolking wordt toegekend, — datzelfde 
landbezit, 't welk de lersche boer good-will noemt en waaraan nu tegen- 
over het eigendomsrecht van den landheer een zelfstandig bestaan is ver- 
zekerd. 

Daarboven strekt zich het algemeen eigendomsrecht van den Staat uit, 



>) Vifth report of tlie Select Committee of the House of Commonson the state 
of the affairs of the £. I. Comp. , 1812. 

>) Mem. V. toel. der cultuurwet van 1865, hoofdst. III, § 2. 

3) The history of British India, I. 274 (ed. v. 1820.) 

*) Mijne verrichtingen in Indië, overgedrukt uit de Bijdiragen van het koninkl. 
Instituut, Amsterd. 1864. 

5} Ind. Staatsbl. 1886, n». 19. 



i84 

waarvan de opbrengst van een evenredig deel der vruchten, of de grond- 
rente wéïke die vervangt, bij ons onder den naam van Landrente bekend, 
het teeken is. Green belasting dus, de sehrijvers en parlementaire stukken 
over Britsch Indië herinneren er telkens aan, geen belasting, maar rente 
(reditus), een jaarlijksche opbrengst, in natura of in geld, voor het bezit 
van den grond. *) 

Zoo is het op Java, Wat het recht van den Staat betreft, gebleven. 
Wel vindt men hier en daar, in de memorüe van van den Bosch b. v., 
de uitdrukking belasting op de landrente toegepast; *) doch dat deze in 
het wezen der zaak gebleven is wat zij onder Raffles was, bevnjzen èn het 
besluit van Commissarissen-Generaal van 4 Januari 1819 ^), èn de Art. 
62 — 64 van het voorlaatste Regeerings-reglement, dat van 1:836. *) Het 
recht der Inlanders werd echter zwakker, daar de Regeering hun niet 
meer een zakelijk recht, doch slechts een recht uit het huurcontract 
voortgesproten, toekende. 

Het nu bestaande Regeerings-reglement, dat van 1854, brak met dat 
stelsel, en van daar de redactie van Art. 59. Men begreep het eigen- 
domsrecht des Staats, gelijk Rajffles zich dat voorstelde, niet meer, of 
deinsde voor de gevolgen die er aan verknocht werden, terug. Doch het 
Regeerings-reglement kon niet meer doen dan van het domaniaal stelsel 
zwijgen; aan latere algemeene verordeningen, mèt name aan die omtrent 
de landrente, moest worden overgelaten het afgekeurd beginsel door een 
ander te vervangen. Tot dusver geschiedde dat niet; de heffing der land- 
rente is naar de voorschriften van 1819 voortgezet, en uit vele door den 
Minister van Koloniën in zijne eerste memorie van toelichting aangewezen 
staatsstukken blijkt, dat de Staat steeds als algemeen landheer is beschouwd. 
Nu moge het eerste voorloopig verslag tegen sommige bewijsplaatsen van 
den Minister gegronde bedenkingen inbrengen, zij bewijzen niet dat de 
slotsom waartoe de Regeering kwam, verkeerd was, al kunnen de argu- 
menten onvolledig of onjuist genoemd worden. Onvolledig waren aj, om- 



1) Blacksione, Comm., Il, 41, 69». 

>) Ook in de Indische begrootiug heet de landrente : belasting op ongebouwde 
eigendommen. 

3) Indisch Staatsblad, N«. 5. 

^) Art. 62: «De gronden op het eiland Java, welke nog de eigendom van 
den lande zijn, zullen, voor zoover dezelve door de Javanen bebouwd worden, 
bij voortdaring dessa^sgewijze aan de inlandsche bevolking worden verhuurd, 
door middel van overeenkomsten met de hoofden en oudsten en onder zoodanige 
bepalingen, als telkens in de huurcedels of piagems zullen worden uitgedrukt''. 

Dit, en de twee volgende artt. zijn gelijkluidend met artt, 74<»76 van bet 
reg.-regl. van 18S0. 



485 

dat de Minister de Engeische in&teUingi vrelke het grootste gewicht inde 
schaal legt, geheel onvermeld laat; onjuist, omdat de aanhef en het tweede 
lid van Art. 62 Begeerings-reglement, waaraan de Minister zoo veel waarde 
hecht, weinig of niets voor zyne stelling bewojzen. ^) 

7. De grond van Java, voor zoover die niet door den Staat verkocht 
is, is dus alsnog Staatsdomein. En toch heeft niemand, het is in 1854, 
het is nu wederom gebleken, vrede met dat denkbeeld, hetwelk met onze 
begrippen, met onze Staatsinstellingen, met onze burgerlijke wet in lijn- 
rechten strijd is. De goede oplossing der moeilijkheid zou zijn, de eigen- 
domsrechten van den Staat over te brengen op de rechtmatige bezitters 
der velden, die aldus den vollen eigendom zouden verkrijgen, onderworpen 
aan zoodanige beperkingen van algemeenen of plaatselijken aard als het 
familie-recht waaronder de ioalanders leven, of hunne betrekking tot zekere 
gemeente, of de ligging hunner akkers medebrengen. Voor inschryving en 
onderlinge overdracht van perceelen konden inrichtingen worden in het 
leven geroepen van minder omslachtigen aard, dan thans voor overgang 
van vast goed zijn voorgeschreven. Dit denkbeeld, in de cultuurwet van 
1865 voorgesteld, heeft ni^t verwezenlykt kunnen worden. 

Wat doet nu de agrarische wet? Zij schijnt het eigendomsrecht van 
den Staat te gelijk te ihandhavea en te verwerpen: te handhaven, daar 
zij het niet uitdrukkelipi: opgjeeft en daar zij. zelfs van eigendomsafstand 
aan dessa's geheel zwijgt; te verwerpen, daar de enkele wil van den in- 
dividueel giarechtigde, volgens al. 4, voldoende is om het recht van den 
Staat ten opzichte van z\p stuk gronds op te heffen; 

Of is het derde lid van het wetsartikel, bepalende dat over den grond 
in het bezit der Inlanders door den Gouverneur-Generaal niet beschikt zal 
worden dan met inachtneming der voorschriften voor onteigening geldende, 
van zulke kracht, dat daardoor het eigendomsrecht des Staats te niet ge- 
daan wordt? Zoo verzekerde de heer Thorbecke *), zeggende: ^b^aldien 
de gedachte nog ergens voet kan hebben, dat het Gouvernement alge- 
meene landeigenaar van Java is, met den grond kan handelen naar wille- 
keur, en zoo ook de gronden, die aan.de Inlanders toekomen, kan ver- 
koopen, dan is het hoog tijd dat wij met deze 3de alinea tusschen beide 



1) Daarentegen had op het by de wet van 6 Juli 1863 ^Staatsbl. n^, 110) 
bekrachtigd Art. 11 der concessie voor den spoorweg Samarang — Vorstenlanden 
kunnen gewezen worden, alwaar kostelooze afstand vnn gou vernemen tsgronden, 
in tegenstelling van de gronden welke aan bijzondere personen of vereenigingen 
toebchooren, onder gehoudenis van schadeloosstelling der bezitters en vrachtge- 
bruikers, wordt toegestaan. 

») B^blad, blz, 971. 



186 

treden en aan dergelyke gedachten de deur voor altoos en voor goed sluiten." 

Dan, die redeneering houdt geen steek, hetgeen reeds hieruit blijkt, 
dat elke willekeurige beschikking als het noodzakelijk gevolg van eigen- 
domsrecht wordt beschouwd. Het eigendomsrecht kan blijven bestaan, al 
is het vermogen tot beschikking over het voorwerp daarvan beperkt door 
de rechten van anderen. Het eigendomsrecht van den Buitenzorgschen 
landheer is niet vernietigd door de bepaling, dat hij i^over geen sawah- 
tuin- of anderen gecultiveerden grond , door eenen opgezetene of zijne 
voorouders aangelegd, of in erfpacht verkregen, anders dan bij minnelijke 
overeenkomst beschikken" mag. ^) De bron echter, waaruit de onjuiste 
gevolgtrekking vloeit, is de denkbeeldige schepping van een Javaansch 
volksrecht ten aanzien van het grondbezit, — een volksrecht dat een eigen 
bestaan zou hebben, onafhankelijk van, des noods in strijd met de Neder- 
landsche wet, — een volksrecht waaraan dus de Nederlandsche Staat, ook al 
wilde liij het niet, onderworpen zou zijn. De ongerijmdheid der stelling is 
te tastbaar om er langer bij te verw\jlen. 

Het derde lid van het wetsartikel beslist dus niets ten aanzien der vraag, 
of de Staat al dan niet eigenaar van den grond blyft; maar de heer de 
Waal heeft, in eerstgemelden zin beslissende, zich toch niet kimnen los- 
maken van de valsche argumentatie. Immers art. 1 van zijn besluit zegt: 

^Behoudens opvolging van de tweede en derde bepaling der vermelde 
wet, blijft het beginsel gehandhaafd, dat alle grond waarop niet door an- 
deren recht van eigendom wordt bewezen, domein van den Staat is." 

Een beginsel dus, niet gaaf, maar met een voorbehoud; doch een voor- 
behoud dat het beginsel niet raakt. De Staat is eigenaar, of h^ is het 
niet. De landbouwers kunnen meer of min uitgebreide rechten op den 
grond hebben; maar die rechten tasten het beginsel 't welk men handhaaft, 
niet aan. Zoo schijnt het besluit zich ten doel te' stellen, het onvereenig- 
bare te vereenigen en dit te beproeven in den herkomstigen Indischen 
bureau-stijl, die in eene algemeene verordening, van 's Koningswege uitge- 
vaardigd beter vermeden ware. De vorm van het gouvemements-besluit 
van 22 Januari 1853, No. 9, is zorgvuldig behouden >) ; doch de inhoud 
van dat besluit, waarvan de strekking duidelijk was, is nu zoo gewijzigd 



^) Art. 21 van bet Begleinent omtrent de particaliere landerijen. (Ind. Staatsbl. 
1836, n». 19.) 

>) Is goedgevonden en verstaan: 

Aan te teekenen ; 

1^ dat zal worden gehandhaafd het beginsel, dat alle grond, waarvan noch 
bij de protokollen van den Baad van Justitie, noch bij de kadastrale registers, 
eigenaren bekend zijn, als domein va» den Staat moet worden aangemerkt. (.Bij- 
blad op het Staatsbl. ?an N. I., N^ 182.) 



487 

dat men aan het twijfelen raakt, of de Minister den algemeenen staats- 
eigendom heeft willen vasthouden, of, terugkeerende tot het stelsel van 
den heer Du3nfnaer van Twist, dien eigendom heeft willen uitsluiten ten 
opzichte der gronden in al. 3 der wet bedoeld? Om vroeger reeds aange- 
voerde redenen, en de missive van 25 Juli ad art. 1 raadplegende, is dit 
laatste wel onaannemelijk; doch de redactie van het artikel nu in behan- 
deling is niettemin van dubbelzinnigheid niet vrij te pleiten. 

8. Art. 2 van het kon. besluit behandelt )>de rechten der inlandsche 
bevolking op grond", 't geen zal moeten beteekenen de rechten die toeko- 
men aan de inlandsche bezitters van den grond die door art. 1 tot staats- 
domein is verklaard. De zeer algemeene uitdrukking ^bevolking" is hier 
misplaatst; niet als bevolking, maar als bezitters of gebruikers van grond 
hebben Inlanders rechten. 

Welke rechten? Zoo de Staat als grondeigenaar erkend wordt, behooren 
uitgebreide rechten aan de landbouwers te worden ingeruimd, rechten die 
zij ook tegen den Staat kunnen doen gelden, en de wet of andere alge- 
meene verordening die dit verzuimde, zou niets gedaan hebben. £n toch, 
de agrarische wet spreekt er niet van; evenmin dit, besluit. Noch het voor- 
schrift door al. 2 der wet aan den Gouvemeur-Greneraal gegeven, noch 
het onderzoek waarvan de uitkomsten de bouwstof voor eene nadere ver- 
ordening zullen opleveren, kan de leemte aanvullen. Alweder eene vrucht 
van de onzalige ïgrondrecht-theorie" I 

Het is duidelijk dat aan de verhouding tot den Staat eigenlijk in het 
geheel niet gedacht is. De rechten, waarvan hier sprake is, zijn gebruiken, 
costumen, die de inlanders bij onderling verkeer in acht nemen; b. v. de 
verdeeling tot tijdelijk gebruik van grond door geërfden in de dessa geza- 
menlijk bezeten; het gebruik tot beweiding van de wildernis in het bezit 
der dessa, of tot houthak; de afzondering van perceelen gemeen land, 
waardoor bijzonder bezit ontstaat; de wijze waarop het recht van geërfden 
in de dessa verloren gaat, en meer andere van dien aard. 

Die rechten worden ondersteld te berusten op godsdietistige wetten^ in- 
stellingen en gebruiken, eene uitdrukking die van de eene naar de andere 
verordeniüg is verhuisd. Opmerking verdient dat het reglement van 1819 
op de administratie der politie enz. i) spreekt van: :»de inlandsche wetten 
en gewoonten van het eiland," de publicatie van 13 December 1825 >) 
van: :E>inlandsche of godsdienstige wetten, inrichtingen of gebruiken." De 
algemeene bepalingen in 1848 afgekondigd gewagen enkel van godsdienstige 
wetten enz., en zoo ook reg.-regl. Art. 75. Zoo de godsdienstige wetten, 



O Ind. Staatsbl. N«. 20, Artt. 121. 
«) Aid. N». 42. 

13 



488 

men bedoelt den Mohammedaanschen Koran en de verklaringen daarvan, 
bij de zaken aan den Priesterraad voorgelegd, of in strafzaken, geraad- 
pleegd worden, het is daarentegen voldoende aangetoond, dat zij op de 
volksgebruiken ten aanzien van het grondbezit geen overwegenden invloed 
hebben. Waarom dan op nieuw, als het ware uit sleur, den verkeerden 
term gebezigd? Hier komt het op de geijkte herkomsten aan, niet op de 
godsdienst-wet. 

De Minister beveelt omschrijving der bedoelde rechten, en wel, dit 
volgt uit het tweede en derde lid, in ééne enkele algemeene verordening. 
In de missive van 25 Juli worden het daarentegen verordeningen, maar 
de Minister is onzeker of die op geheel Java, dan wel op enkele gewesten 
betrekking zullen hebben. 

Volgens het koninklijk besluit wordt voorts het ontwerp der verorde- 
ning in de dorpen — er zijn er zoo ongeveer 34000 — bekend gemaakt, 
en een soort van plebisciet georganiseerd. Europeesche ambtenaren, men 
denkt in de eerste plaats aan die der statistieke opneming, zullen de ca- 
hiers met bezwaren overbrengen. Dan worden de hoogste inlandsche 
ambtenaren (misschien tot een senaat vereenigd) gehoord, en zoo zal de 
codificatie van inlandsch recht, voor zoover noodig zegt al. 1, by alge- 
meene verordening — zal het eene wet, een k(minMijk besluit of eene 

ordonnancie zijn? — tot stand komen tenzij er niets van kome; 

want die eventualiteit heeft de Minister voorzien, hebeen voor zijn gesond 
verstand pleit. 

Als het onderzoek niet geschiedt naar den hierboven beschreven demo- 
kratischen trant, dan zal het, zegt al. 4, op een andere vnjze, en zoo als 
de Oouvemeur-Generaal wil, geschieden. A la bonne heure! 

Doch waartoe dat onderzoek? Dat rechtsgeldige herkomsten en gebrui- 
ken uit het onbeschreven naar het beschreven recht worden overgebracht, 
is ongetwijfeld zeer nuttig; doch zeer snel en tegelijk nauwkeurig gaat 
zoo iets gemeenlijk ' niet. Maar het is daarenboven uit de bewoordingen 
van al. 4 duidelijk, dat de Minister aan eene wetgeving eigenlijk niet en^ 
stig gedacht heeft. Het onderzoek, zoo staat er, wordt ^krachtens de 
tweede bepaling der vermelde (agrarische) wet vereischt," en die tweede 
bepaling luidt: 7>de Gouverneiu*-Generaal zorgt, dat geenerlei afstand van 
grond inbreuk make op de rechten der inlandsche bevolking." Het onder- 
zoek is eenvoudig een administratieve maatregel tot voorlichting bg de 
beslissing, of eenig stuk gronds in erfpacht kan worden uitgegeven. Maar, 
indien de Minister erkent dat de landbouwers zakelijke rechten op den 
grond hebben, al zijn die ook nog niet beschreven, waarom niet bij Toor- 
genomen uitgifte in erfpacht het administratief onderzoek locaal gemaakt, 
en tevens gewaakt dat, zoo als in Britsch Indië geschiedt, bij den rechter 
heul tegen rechtskrenking kan gezocht worden? Omdat de Minister, zoo 



489 

moet al wederom het antwoord luiden, niet begrepen heeft dat hot in de 
eerste plaats noodig was den Inlander een recht, ook tegen den Staat, te 
geven en te verzekeren, en, al wil men nu eens aannemen dat die voor- 
gespiegelde codificatie te eeniger tijd werkelijk zal tot stand komen, wat 
baat het voor het tegenwoordige? Hoe echter wanneer Inlanders onderling 
een geding te voeren hebben over grond? Dan zal toch ook een onderzoek 
moeten plaats hebben, de herkomst of gewoonte waarop men zich beroept, 
als feit bewezen moeten worden. Zou hetzelfde dan niet in een geding 
tusschen Inlanders en den Staat kunnen geschieden? Ongetwijfeld, mits 
uit eenige wettelijke bepaling bleek dat het gewoonterecht der Inlanders 
een recht op den grond tegen den Staat vestigt, en dat is tot dusver het 
geval niet. 

Tweeërlei onderwerpen zijn derhalve in dit tweede artikel van het be- 
sluit verkeerdel^k dooreengemengd: de beschrijving van het recht, en het 
administratief onderzoek, 't welk aan de uitgifte in erfpacht moet vooraf- 
gaan. Immers, hoe uitvoerig men zich eene wetgeving denke, altijd stelt 
zij algemeene regelen vast, en kan mitsdien de nasporing, waar die noo- 
dig mocht zijn, van de omstandigheden waarin een bepaalde persoon of 
zaak geplaatst is, niet vervangen. 

* 

9. Zal men het tweede lid der agrarische wet, in het vorig n*. een 
voorschrift aan den Gouverneur-Generaal genoemd, tegenwerpen? Het zou 
dan zijn, omdat men daarin met den heer Thorbecke ziet, »de hoofdbepa- 
ling der geheele voordracht, de bepaling van de grootste en minst twij- 
felachtige gevolgen;" ^) omdat men het met den heer Fransen van de 
Putte van groot belang acht, »dat de gronden door de Inlanders bezeten, 
a^escheiden van het eigendomsrecht, worden gesteld onder de hoede van 
de wet." a) 

Intusschen dat parlementair optimisme beduidt al zeer weinig, zoo het 
niet strookt met de wet, en als men deze opmerkzaam leest, welt toch nog 
eenige twyfel op aan de hooggeprezen gevolgen en aan de krachtige hoede 
welke uit dit gedeelte der wet zouden geboren worden. Dat de heer 
Thorbecke, die een niet erkend recht als erkend fingeert, dus spreekt, is 
verklaarbaar; doch dat de heer Fransen van de Putte, die toch zeer wel 

« 

weet dat de ware behoeder is de rechter, een juichtoon aanheft, is min- 
der begrijpelijk. "Wat beteekent de hoede van de wet, afgescheiden van 
het eigendomsrecht niet alleen, maar van elk bekend en erkend zakelijk 
recht op den grond? 



1) Bijblad, blz. 970. 
*) AM., blz. 974. 



490 

Met andere woorden, wat kan de Inlander doen, bijaldien de Gouverneur- 
Generaal, in strijd met het voorschrift, zonder, of zonder behoorlijke, 
schadeloosstelling over den grond beschikte? Petitioneeren, maar in af- 
wachting van eene gunstige beslissing is hjj den grond kwijt. 

Is die onderstelde handeling in strijd met de wet, ondenkbaar? Is het 
volstrekt onmogelijk dat redenen van vermeend staatsbelang de Indische 
regeering tot zoodanig bedrijf nopen en haar zouden rechtvaardigen in 
het oog van het Opperbestuur? Reeds nu is er reden van wantrouwen, 
wanneer de beoogde uitvoering der wet wordt gadeslagen. 

De Gouverneur-Generaal beschikt niet over de hier bedoelde gronden dan : 

1». ten algemeenen nutte, op den voet van Art. 77 (reg.-reglt) , 

2<^. ten behoeve van de op hoog gezag ingevoerde cultures, volgens de 
daarop betrekkelijke verordeningen en tegen behoorlijke schadeloosstelling. 

De redactie, eenigszins afwijkende van die door den Minister bij de me- 
morie van beantwoording voorgedragen i), is haren oorsprong verschuldigd 
aan de overweging, dat beschikking ten behoeve van cultures niet gelijk 
staat met beschikking ten algemeenen nutte. Bij de eerste zijn de vor- 
men in Art. 77 voorgeschreven in acht te nemen, bij de laatste niet; 
doch ook deze eischt behoorlijke schadeloosstelling, en mitsdien schynt het 
onderscheid werkelijk slechts hierin te bestaan, dat bij* beschikking voor 
cultures geene verklaring dat het algemeen nut die vordert, te pas komt. 
De schadeloosstelling echter moet helworlijk zijn, en waaraan dien eisch 
te toetsen, tenzij aan de eenige wetsbepaling die voor schadeloosstelling 
regelen stelt? *) 

Het tweede voorloopig verslag teekende dan ook aan : :DHet scheen nood- 
zakelijk, reeds hier het beginsel op te nemen, dat de Gouverneiu*-Generaal 
niet beschikt over gronden door de inlandsche bevolking voor eigen gebruik 
ontgonnen, zonder voorafgaande behoorlijke schadeloosstelling, in de gevallen 
en op de wijze bij algemeene verordening omschreven. Daardoor zou de 
bepaling zich aansluiten aan de aanhangige suikerregeling, waarbij, althans 

voor de toekomst, hetzelfde beginsel wordt aangenomen In eene 

agrarische wet behoort het waarborgen tegen zoodanige beschikking zonder 



1) Deze luidde: over gronden enz. wordt door den G. G. hetzy ten alge- 
meenen nutte, hetzij ten behoeve van de op hoog gezag ingevoerde suikercul- 
tuur niet beschikt, dan op den voet van art. 77. 

*) £en Gouverncments-besluit van II Januari 1857, n^ 82, bepaalde, dat, by 
onteigening van bebouwde sawa- of tegalgronden, als maatstaf van schadeloos- 
stelling ir behoort te worden genomen het zuiver bedrag der voordeelen, die de 
bevolking van de haar ontnomen wordende gronden gemiddeld in een jaar trekt, 
waarvan het tienvoud als vergoeding behoort te worden uitgekeerd.*' Bijblad op 
het Stnatsbl. van N. T., n<*. 173. 



191 

voorafgaande schadeloosstelling bij uitnemendheid te huis." De Minister 
antwoordde; »De ondergeteekende kan niet anders dan de juistheid dezer 
opmerking beamen .... Behalve ten algemeenen nutte zal nog voorshands 
over zekere gronden beschikt moeten kunnen worden voor de op hoog ge- 
zag ingevoerde suikercultuur. Deze beschikking is gevoegelijk zoo te regelen 
dat Art. 77 opgevolgd worde." 

Volgen wij nu de discussie. De heer Heemskerk Azn. verklaart: »wan- 
neer deze alinea wet wordt, zonder overgangsbepaling, dan is de naleving 
van de loopende suikercontracten niet meer mogelijk". *) De Minister van 
Koloniën zoekt deze uitvlucht: »Art. 77 reg.-regt. bedingt geen vooraf- 
gaande schadeloosstelling in dringende omstandigheden ... en die bestaan 
toch steeds als men het bestaande suikercontract wil laten werken en de 
tijd van aanplant daar is". *) De heer van Houten zou, om de moeilijk- 
heid van voorafgaande schadeloosstelling te ontgaan, van volledige willen 
spreken. *) De heer Heemskerk Azn. komt terug: »Naar het gevoelen van 
den Minister kunnen er dus bij de onteigening ten behoeve der suikercul- 
tuur zoodanige dringende omstandigheden voorkomen, dat die waarborgen 
(overeenstemming met den Raad van Indië en voo7'afgaande schadeloos- 
stelling) komen te vervallen. Of dat nu juist is , daarover twist ik niet" *). 
De Minister wijzigt de zinsnede zoo als die nu in de wet gelezen wordt ^), 
De heer Thorbecke vraagt: waarom het adjectief behoorlijke gebezigd? 
^Schadeloosstelling toch is geen schadeloosstelling zoo zij niet behoorlijk 
is*'. «) De Minister: »het woord is overvloedig, maar ik heb het uit het 
burgerlijk wetboek overgenomen" '). Dan, herneemt de heer Thorbecke, 
:»inag ik de opmerking maken dat in ons burgerlijk wetboek ^behoorlijke", 
voor gevallen als waarvan hier sprake is, beteekent i^voorafgaande '' zoo 
als de grondwet eischt." *) Nu slaat ook den heer Mirandolle de angst om 
het hart. Hij gelooft met den heer Thorbecke dat men het woord behoor" 
l^ke zou kunnen interpreteeren als voorafgaande , en doet den Minister 
aan de hand het gevaarlijke woord te vervangen door de woorden : »in geval 
van geschil door den rechter te bepalen". •) Dat zou ik wel willen doen, 
antwoordt de Minister, maar het gaat niet aan al weder te wijzigen; dat 
heb ik al zoo dikwerf gedaan , en bovendien , het woord behoorlijke staat 
in het burgerlijk wetboek. *•) 

Alles resumeerende bevindt men dat voorafgaande schadeloosstelling , ook 
bij beschikking voor cultures, beoogd werd; dat de Minister en een paar 
leden der Kamer aan het tyrijfelen zijn geraakt of die voorwaarde ook las- 



») Bgblad, blz. 967. ») Ibid., blz. 973. «) Ibid., blz. 976. 

♦) Ibid., blz. 976. O ibid„ blz. 980. «) Ibid,, blz. 987. 

») Ibid., blz. 987, •) Ibid,, blz. 988. •) Ibid., blz. 990. 
!•) Ibid., blz, 991. 



492 

tig kon worden bij de uitvoering der suikercontracten; dat evenwel de 
wijziging der regeeringsvoordracht niet om die reden is geschied, en dat 
ook na die wijziging de beteekenis van voorafgaande aan het adjectief 
behoorlijke is gehecht, en door den Minister niet weersproken. 

Toch bevat de missive aan den Gouverneur-Generaal van 23 October 4870 
het volgende: »Deze procedure (over het bedrag der schadeloossteUing) ver- 
hindert niet dat intusschen door het Gouvernement over de velden, krach- 
tens de verordeningen op de suikercultuur (de wet van 9 April 4870 spreekt 
op dit punt niet van algemeene verordeningen), worde beschikt." 

Een nieuwe vondst! De Minister schijnt te erkennen dat voorafgaande 
schadeloosstelling bedoeld is; doch gelijk hij die eerst door een beroep op 
de dringende omstandigheden van art. 77 ^) wilde ontwijken, zoekt hij 
thans zijn oogmerk te bereiken door de opmerking, dat de bestaande ver- 
ordeningen op de suikercultuur niet zijn van algemeenen aard. Het een is 
even onlogisch als het andere. Of de bedoelde verordeningen kunnen ge- 
zegd worden algemeene te zijn, doet ter zake niets af. De eenige vraag 
is, of het in de wet gebezigde woord behoorlijke al of niet beteekent: 
voorafgaande^ en dit kan alleen ontkend worden wanneer men aanneemt 
dat art. 77 hier niet toepasselijk is, waarvoor na de aangebrachte wijzi- 
ging veel te zeggen is. 

Het voorbeeld toont echter, en dit is de bedoeling der breede uitwei- 
ding, hoe licht de toepassing eener wet door het bestuur geplooid wordt 
naar het belang van het oogenblik, en hoe luttele waarde derhalve te hech- 
ten is aan zoogenaamde waarborgen voor de belangen der inlanders, wan- 
neer die ten slotte toch afhankelijk blijven van de inzichten der administratie. *) 

40. Die meenen mocht dat het derde artikel van het besluit *) het 
aangewezen gebrek zal kunnen verhelpen, zou zich deerlijk bedrogen vinden. 

»Het recht dat verzekerd moet worden", schrijft de Minister in zijne 
missive van 25 Juli, »is het bestaande inlandsch recht, bepaald door de 
inlandsche wetten, gebruiken en instellingen." 

Waarin echter dat inlandsch recht bestaat, moet eerst nog volgens Art. 
2 onderzocht worden, en dit rechtvaardigt het best de voorwaarde : zoodra 
doenlijk. Omtrent het onderscheid dat tusschen bedoeld inlandsch recht 
en eigendom zou bestaan, wist de Minister, in de tweede memorie van toe- 



1) Het art. spreekt van # oorlog, brand, watersnood, aardbeving, vulkanische 
uitl)nr8ting of andere dringende omstandigheden.^' 

*) Zie voorh No. 15. 

3) Du Inlanders die tot verzekering van hun erfelijk individueel gebruiksrecht 
op den grond een schriftclijken titel verlangen, worden door den G. G., zoodra 
doenlijk, in de gelegenheid gesteld dien te verkrijgen. 



193 

lichting, niet anders dan dit te zeggen: :»het onderscheid ligt in het ka- 
rakter van beide rechten. Het inlandsch gebruiksrecht is niet op elke 
plaats gelijk, maar, zoover onze kennis reikt, overal aan voorwaarden ge- 
bonden, die er het begrip van eigendom aan ontnemen/' 

Dat geheimzinnig recht wordt dan getooid met den naam van gébrmks" 
recht De oorsprong dier benaming is deze. De cultuurwet sprak in Art. 
1 van personen die grond in individueel en erfelijk gebruik bezitten, ter 
onderscheiding van anderen die van den grond welke aan de gezamenlijke 
geërfden in de dessa toekomt, een gedeelte tijdelijk in gebruik hebben. 
Met verwaarloozing van den zin der uitdrukking werd, eerst door het 
amendement Poortman, en nu op nieuw door den onlangs afgetreden Mi- 
nister van Koloniën, van een, in de bedoelde beteekenis geheel denkbeeldig, 
gd)7^iksrecht gesproken. 

Afgezien van het recht van gebruik, waarvan ook onze burgerlijke wet 
gewaagt, hetwelk in het Bomeinsche recht als eene persoonlijke dienst- 
baarheid werd beschouwd, ^) doch hier niet in aanmerking kan komen, 
duidt het woord gebruiksrecht aan de bevoegdheid, door het bezit van huis 
en erf verkregen, om op gemeen land, of ook op eens anders grond, zekere 
rechten uit te oefenen. Zoo werd het recht van mai^kgenooten, die eigen 
vuur en rook, een waardeel of schare in het gebied der mark bezaten, in 
het algemeen utilitas, usuagium, usus genoemd, ^) en daarnaar de grond 
waarop de rechten werden uitgeoefend, wel eens door u^ages aangeduid. ') 
Deze gerechtigdheden, waarvan de hoofdsoorten zijn de beweiding (pacage, 
patiu^e) en houtvelling (afibuage), zijn de eigenlijke di'oits d'usage. *) Op 
Java, waar het bouwland op onderscheidene plaatsen nog in het bezit van 
de gezamenlijke gewaarden is, zou men des noods het recht van ieder 
humier op het tijdelijk genot van een aangewezen perceel ook gehruiksredit 
kimnen noemen; doch zelfs dan strekt zich de beteekenis van het woord 
niet verder uit dan tot de verhouding van ieder geërfde tot de gemeen- 
schap, en zoo er schriftelijke bewdjzen uit te reiken zijn, zouden die ge- 
erfden daaraan evenveel behoefte hebben als zij die individueel en erfelijk 
bezit hebben, terwijl aan de laatsten uitsluitend door den Minister gedacht is. 

Wat is dan het eigenlyk doel van de bepaling? De tweede memorie 
van toelichting zegt: i>de geheele zin der alinea — wat nu in het besluit 



ï) L l ft. de Serfit. (8. 1.). 

*) V. Maurer, Gesch. der Marken versassuug, {18. 

') Il n'y a quasi point ile village en France, qui n*ait des usage» appelés 
communes, pasquages et communaux. Legrand, ComiDent. de la coutunie de 
Troyes, art. 168. 

*) P. J. Proudhon, Traite des droits d'usage; Meaume, des droils d^usage 
dans les foréts, de Padministration des biens communaux et de Taffouage. 



I 

J 



194 

staat was toen in de wet opgenomen, zie n^. 1 — is, dat het bestuur 
den Inlander te gemoet kome, waar hij behoefte heeft aan betere titels 
voor zijn (inlandsch) agrarisch recht, en het dorpsleven ze hem niet aan- 
biedt." Derhalve, voor zoover uit deze duistere woorden een gezonde zin 
te trekken is, beveiliging van het individueel en erfelijk grondbezit tegen 
aanmatigingen der vereenigde dessagenooten. 

Maar dan behoeft de zoogenaamde titel, zegge het schriftelijk bewijs- 
stuk, ook niets anders te behelzen dan de verklaring, dat zeker bepaald 
stuk gronds niet begrepen mag worden in de verdeeling, voor zoover 
die plaats vindt, van de gronden der gemeente onder welker gebied 
dat perceel ligt. Dan is ook de herinnering in dezelfde memorie van 
toelichting, dat x^het inlandsch gebruiksrecht niet op elke plaats gelijk is," 
tamelijk overbodig; maar vooral is het gezegde in de eerste memorie van 
toelichting, dat de bepaling :E)den geest van het amendement van 17 Mei 
1866 ademt", geheel onjuist; want dat amendement wilde, in stede van 
eigendomsrecht, een ondersteld gebruiksrecht als algemeen karakter van 
het grondbezit der inlanders tegenover het recht van den Staat doen aan- 
nemen, en zoU, indien de beraadslaging over het wetsontwerp ware voort* 
gezet, wijziging ook van Art. 2, hetwelk 'de dessagronden betrof, noodza- 
kelijk hebben gemaakt, i)" 

De heer de Waal, wien de gansche zaak blijkbaar niet helder voor den 
geest stond, is voortdurend op twee gedachten blijven hinken^ doch heeft, 
op aandrang van het tweede voorloopig verslag, de bepaling uit de wet 
gelicht, onder voorbehoud om die in het besluit van uitvoering weder op 
te nemen. Er was misschien reden om dat voorbehoud als dekking van 
den terugtocht te beschouwen, en zeker was het te verwachten dat be- 
daarde overweging, na afloop der beraadslaging over de wet, den Minister 
zou terughouden van een voorschrift, 't welk de aamieming der wet zou 
verhinderd hebben, en waarvan de ware beteekenis hem zelven niet duidelijk 
was, evenmin als, blijkens de eerste memorie van toelichting, eenig plan. 
ten aanzien van de middelen tot uitvoering gerijpt was. 

11. De wetsbepaling die voorschrijft, dat de Inlander die grond in in- 
dividueel en erfelijk gebruik bezit, dien grond op zyne aanvraag in eigen- 
dom verkrijgt, is de eenige welke in de herhaaldelijk aangewezen leemte 
eenigermate voorziet. Hier wordt dan eindelijk den Inlander de gelegenheid 
aangeboden om een recht op den grond te verkrijgen, hetwelk hij kan 
doen gelden tegen wien ook. 

Dat de bepaling, vergeleken met de cultuurwet van 1865, de vrucht 
blijkt te zijn van transactie, behoeft geen opzettelijke aanwijzing meer; 

1) Zie redevoering van den heer Poortman, 16 Mei 1866. 



195 

doch wat z^gt zij? Dit, dat de Staat, volgens Art. 1 van het besluit in 
behandeling als eigenaar beschouwd, van zijn eigendomsrecht afstand doet ten 
voordeele van den hier bedoelden Inlander. De beperkingen, waaraan het 
door den Inlander verkregen eigendomsrecht zal onderworpen zijn, worden 
bij algemeene verordening nader geregeld. 

Art. 4 van het besluit echter, in stede van zich te houden aan de 
terminologie van de wet, spreekt van »de vervanging van inlandsch erfe- 
lijk individueel bezit door eigendom." De oude dwaling komt op nieuw 
Yoor den dag. Individueel en erfelijk bezit is de tegenstelling van aandeel 
in commimaal bezit; maar tegenover den Staat met zijn dessa'sgèwijzen 
aanslag van landrente, dessa'sgewijze beschikking over heerediensten en 
cultuurdiensten, beteekent het tot dusver niets. 

Nog eenmaal, zij het ook tot vervelens toe, moet er op gewezen wor- 
den, dat het ook uit een ander oogpunt niets beteekent. Sommige leden 
der Kamer, dit gedeelte der wet besprekende, beweerden dat de Inlander 
tot verwisseling van zijn herkomstig recht op den grond tegen een vreemd, 
Ëuropeesch, en daarom voor hem min verstaanbaar recht wordt uitgelokt, 
en men herinnert zich daarbij al wat er over de. onrijpheid van den Ja- 
vaan om de zegeningen van het eigendomsrecht te begrepen, gezegd is. 
De Minister volgt denzelfden gedachtengang. Wat echter verwisselt de 
Javaan? Een consuetudinair, een costumier recht, zoo menvnl, en zoo men 
recht mag noemen wat als zoodanig door het Staatsgezag niet erkend en 
gehandhaafd is. En waartegen? Tegen een erkend, voor een ieder begrij- 
pelijk, in de wetgeving geworteld recht, hetwelk de instandhouding van 
het gewoonterecht, zelfs met al zijne plaatselijke variëteiten, alleszins gedoogt. 

Het is dtis niet de vervanging van het eene recht door het andere, 
waarop, gelijk in het besluit geschiedt, de klemtoon moet gelegd worden, 
en de wet bezigt de uitdrukking individueel en erfelijk bezit dan ook 
slechts om aan te wijzen wie eigendomsrecht en het bewijs daarvan vor- 
deren kan. 

12. De grond wordt in eigendom afgestaan ronder de noodige beper- 
kingen, bij algemeene verordening te stellen." Zoo zegt de wet. De ver- 
ordening tot hare uitvoering ligt voor ons, doch zwijgt van hetgeen zij 
verordenen moest. De verwezenhjking van hetgeen de wet den Inlanders 
toedenkt, wordt in de missive van 25 Juli als :»een gewichtig vereischte 
▼oor hunne tevredenheid, welvaart en ontwikkeling" herdacht; doch het 
Opperbestuur weet geen stap te doen om het beloofd geschenk onder hun 
bereik te brengen. Over de algemeene strekking der verordening, daar- 
gelaten de bijzonderheden; over de noodigste voorzieningen, zooals bepalin- 
gen omtrent den overgang der eigendommen, bewaren het besluit en de 
toelichtende missive het diepste stilzwijgen. De Minister weet geen ande- 



196 

ren raad dan den Grouverneur-Greneraal een ontwerp te vragen. Waarom 
dan niet de regeling overgelaten aan eene koloniale ordonnancie, zoo als 
de tweede memorie van toelichting en de memorie van beantwoording 
schenen te beloven? 

De reden is merkwaardig. Blijkens de missive van 25 Juli verbeeldt 
zich de Minister, geheel ten onrechte, dat »de bedoelde algemeene veror- 
dening treedt op het gebied dat beheerscht wordt door Art 75 van het 
regeerings-reglement," en leidt daaruit af, dat de uitvaardiging aan den 
Koning is voorbehouden ^overeenkomstig Art. 72 der Instructie van den 
Gouverneur-Generaal." Wij leeren dus hieruit dat die onbekende instructie 
naar het Opperbestuur terugtrekt hetgeen volgens de wet uitdrukkelijk 
verklaard is tot het gebied der koloniale ordonnancie te behooren. 

Is dat de reden waarom de Begeering weigerde die instructie aan de 
Staten-Generaal mede te deelen? 

Overigens is het, te oordeelen naar de proeven van legislatieve bekwaam- 
heid waarop ons de heer de Waal vergastte, verkieslijk dat het ontwerp 
in Indië wordt gemaakt. Den nieuwen Minister zij bij de beoordeeling 
meer doorzicht en meer kennis van zaken toegewenscht dan het noodlot 
aan zijn voorganger had beschoren. 

13. De drie laatste artikelen van het eerste hoofdstuk van het konink- 
lijk besluit verwijzen naar uit te vaardigen koloniale ordonnanciën, en ge- 
ven uit dien hoofde slechts tot enkele opmerkingen aanleiding. 

Volgens Art. 5 zal de Indische Regeering regels stellen voor verhuur of 
in-gebruik-geving van grond door inlanders aan niet-inlanders. Wat de 
missive van 25 Juli daaromtrent verder zegt, is nagenoeg onverstaanbaar. 
Volgens dat stuk moeten die regels beperkingen zijn van het recht des 
Inlanders om over zijn grond te beschikken, hetgeen alleen zin heeft in 
zoover het recht van beschikking bestaat. De bedoelde verhuringen wor- 
den gezegd van uitgifte in erfpacht te verschillen »op dit groote punt, 
dat zij de gronden der dessa's betreffen;" alsof het onderscheid tusschen 
een huurcontract en erfpacht kon liggen in de conditie van den grond die 
afgestaan wordt. In de voorafgaande alinea was echter gesproken over 
gronden in individueel bezit, en daai^uit zien wij dat de Minister onder- 
scheidene regels wil doen stellen ten aanzien van gronden die eigendom 
van Inlanders volgens het htirgedijk wetboek, en niet vólgeris het burger- 
lijk weiboek geworden zijn. Op beiderlei gronden echter is dat wetboek 
ongetwijfeld van toepassing, behoudens de gevolgen welke de persoonlijke 
staat der eigenaars, b. v. ten opzichte van het erfrecht, medebrengt. 

Art. 6 betreft de bepaling van het dessa-gebied door den Gouverneui"- 
Generaal, doch ai zegt de Minister, dat »het artikel gemeente-rechten 
geldt," wij blijven in het onzekere of een territoir in publiekrechtelijke 



197 

beteekenis, of wel een privaatrechtelijk bezit bedoeld is. Het laatste, of- 
schoon naar de gebruikte bewoording waarschijnlijk, past slecht in deze 
verordening ; doch zoo er sprake kon zijn van werkelijk bestaande rechten, 
hoe is het in dat geval te rechtvaardigen, dat de uitspraak daarover aan 
de administratieve autoriteit wordt opgedragen? 

De omschrijving der gronden waarop gebruiksrechten, als beweiding, 
houtkap, bamboe-snijden en dergelijke, door de geërfden worden uitgeoefend, 
wordt in de missive van 25 Juli als eene verbetering van Art. 4, 2*. van 
het besluit van 3 Juli 1856 (Ind. Staatsbl. n® 64) aangeprezen. De verbete- 
ring zou bestaan in de toevoeging van het adjectief ^aduri^ aan het substan- 
tief gebruik. Daartegen bestaat dit bezwaar, dat het gebruik zelf juist niet ge- 
durig of onophoudelijk behoeft te zijn om het recht daartoe te doen erkennen. 

Eindelijk eischt Art. 7 regelen omtrent de ontginning of inbezitneming 
van gronden buiten het dessagebied gelegen. Welke begripsverwarring door 
de aanhaling van Art. 2 wordt aangewezen, en wat te denken zij van de 
stichting van nieuwe gemeenten welke door die regeling bevorderd moet 
worden, kan buiten beschouwing blijven. 

14. Hoe nu het oordeel over het tot dusver behandeld gedeelte van het 
besluit van 20 Juli zou moeten luiden, is uit het aangevoerde duidelijk 
genoeg. Als verontschuldiging zouden wij tot zekere hoogte gaarne willen 
doen gelden het gebrekkige der uit te voeren wet. Evenwel, die aanne- 
mende gelijk ze nu eenmaal is, ware toch aan de uitvoering eene veel 
betere richting te geven. 

De Javaansche landbouwende bevolking is, ook na de uitvaardiging van 
de agrarische wet en van het besluit, in den toestand waarin de lersche 
boer vóór de landbill verkeerde. Zij heeft den grond ontgonnen, door 
haren arbeid aanspraak op het duurzaam en vrij bezit van dien grond 
verworven. De landheer eerbiedigt misschien die aanspraak uit gevoel van 
billijkheid, of uit welbegrepen eigenbelang. Doch er ontstaan omstandig- 
heden die het eene verdooven, het andere uit het oog doen verliezen, en 
de boer, wiens natuurlijk recht niet door den wetgever tot stellig recht 
is verheven, zoekt te vergeefs bescherming tegen zijn machtigen overheer- 
scher. De wetgever derhalve is geroepen om aan het landbezit van :»den 
kleinen man" rechtsgevolg te verzekeren. 

Bedriegen wij ons niet, dan ontmoet dit denkbeeld geen overwegend 
bezwaar. Een enkele moge er zijn die van vaderlyke bescherming door 
het Gouvernement alles goeds verwacht, een enkele die nog altijd onder- 
mijning ducht van het reeds ineenstortend cultuurstelsel in geval de al- 
macht der Regeering eenigermate werd beperkt; het tijdperk van die 
Staatkunde ligt achter ons. 

Indien dit waar is, waarover loopt dan nog de tvrist? Of men het aan 



198 

den Inlander toe te kennen recht als eigendom of op andere wijze zal 
qualiüceeren, doch altijd zoo dat het bezit verzekerd, in den regel ver- 
vreemdbaar en erfelijk zij? De handelingen over de agrarische wet hebben 
het bewijs opgeleverd, dat de weg door de cultuurwet van 1865 ingesla- 
gen de ware en goede was; maar de vi*aag is nu, hoe met een slechtere 
en beginsellooze wet het beoogde doel te bereiken? Dat de Inlander een 
deugdelijk recht op den grond moet hebben, staat, geloof ik, bij verre- 
weg de meesten vast. 

Toch schijnt er één enkel punt van verschil over te blyven; doch zelfs 
dit is meer van theoretischen dan van praktischen aard. Het betreft de 
vervreemdbaarheid van den grond, van welken wij nu, argumenti causa, de 
Inlanders als eigenaars zullen beschouwen. Tegen vervreemding aan mede- 
inlanders heeft men, over het algemeen, geen bezwaar; wel tegen ver- 
vreemding aan niet-inlanders, die als een drom van gewetenlooze fortuin- 
zoekers, kwelgeesten en uitzuigers der bevolking worden voorgesteld, vooral 
wanneer zij zich onder de verschrikkelijke gedaante van naamlooze ven- 
nootschappen vertoonen. Die bedriegers, zoo denkt men, zullen den arge- 
loozen, lichtzinnigen Javaan zijn grond voor een appel en een ei ontfutselen, 
en zoo leidt de toekenning van het eigendomsrecht tot verdeeling van den 
grond onder betrekkelijk weinige rijke landheeren, terwijl de verarmde, 
beroofde kleine eigenaars nu als proletariërs een kwijnend leven leiden. 

Of er onder die bezorgdheid voor den welstand des Inlanders niet nog 
grootere afkeer van bijzondere nijverheid schuilt, door vereering van het 
gouvernements-cultuurstelsel en van de schatten die het in de Nederland- 
sche schatkist stortto, opgewekt, is wel eenigszins twijfelachtig; ofschoon 
het verbazing moet wekken, dat in ons land, in onze eeuw, in onze volks- 
vertegenwoordiging, zelfs door mannen gezegd te behooren tot die staat- 
kundige partij welke steeds den mond vol had van opwekking en bevordering 
van veerkracht en ondernemingsgeest, dus gesmaald wordt op een ieder 
die zich vermeet, zonder aanstelling of bijzondere bescherming van het 
Gouvernement een landbouw-bedrijf op Java aan te vangen. 

Wat daarvan zij, het schrikbeeld is vertoond en heeft zijne uitwerking 
gedaan. Wie er op afgaat zal nogtans bespeuren dat het een onschadelijk 
spooksel is. De meest gemoedelijke, de meest pathetische, gelijk de meest 
ernstige redenaars die het opriepen, deden niet meer dan er met afgrijzen 
heen wijzen. Die het best slaagden brachten het niet verder dan der afschu- 
welijke schim in de ééne hand het zwaard te tooveren waarmede indertijd 
de Roodhuiden verdelgd werden, in de andere een exemplaar der courant, 
waarin des Amorie van der Hoeven verklaarde dat uitbreiding van prole- 
tariaat wel te verwachten, doch in economischen zin geen groot euvel was. 

Doch geene enkele poging werd ook zelfs maar beproefd — en toch 
de wanden der Kamer zouden er van weten te verhalen wat de leden al 



199 

durven bestaan als het op drogredenen aankomt — geene enkele poging 
om op historische gronden te bewijzen, dat immer eenc gezeten landelijke 
bevolking, in veiligheid onder een geregeld, beschaafd bestuur levende, en 
eigenaresse van den door haar ontgonnen grond, hare akkers verkwanseld 
heeft om het luttele geld op die wijze geoogst, te verbrassen. Wat wi^ 
daarentegen wel weten is, dat de kleine boer soms geld noodig heeft om 
zich gereedschappen of een span ploegvee aan te schaffen, en dat hij tot 
hoogst bezwarende transactiën zijne toevlucht moet nemen om het te ver- 
krijgen. Daarin is, wanneer men vervreemding van den grond uitsluit, geen 
verbetering te brengen; want, ofschoon een westersch begrip, altijd en 
overal gelden Huydecopers woorden: 

„Hebt gij noch geld, noch goed? gaa deeze deur Yoorbij. 

„Hobt gij het laatste, en mist gij 't eerste ? kom bij mij : 
„Geef pand, ik geef n geld. Waarom zonde ik u borgen?" 

Intusschen, dit verschil van gevoelen, hoewel het niet onopgemerkt mocht 
blijven, heeft vooreerst weinig praktisch belang, omdat de vervreemdbaar- 
heid van den grond aan niet-inlanders, volgens het ontwerp-cultuurwet 
voorshands uit te sluiten, ook volgens de agrarische wet beperkt zal wor- 
den. Laat het zoo zijn! Geene verordening heeft ooit den natuurlijken 
loop der zaken, de ontwikkeling van het maatschappelijk verkeer kunnen 
stremmen — getuigen het de woekerwetten — en de tijd zal nog wel 
eens terugkeeren, waarin ook de Tweede Kamer weder voor goede econo- 
mische beginselen een geopend oor zal hebben. 

15. Thans nog een woord over het verband tusschen de agrarische 
wet en die van 21 Juli 1870 (Staatsbl. N^. 136) tot nadere regeling van 
de suikercultuur. Onder N®. 9 herinnerden wij, dat beschikking over grond 
voor de gouvernements-cultures geoorloofd blijft, volgens de daarop betrek- 
kelijke verordeningen en tegen behoorlijke schadeloosstelling. Wij zagen 
voorts dat de Minister in zijne missive van 23 October die verordeningen 
tot de niet algemeene rekent; doch ééne is er toch zoo algemeen mogelijk , 
te weten de wet zelve tot welker uitvoering de aangehaalde missive be- 
trekking heeft. 

Die wet zegt in Art. 1,2*: 9 Waar zij bestaat, eindigt de beschikking 
over gronden , door de inlandsche bevolking voor eigen gebruik ontgonnen, 
met den aanplant van het jaar 1890." Met andere woorden, de beschikking 
zoo als zij thans geschiedt, blijft bestaan. En de thans bestaande beschik- 
king is van louter administratieven aard. Derhalve, al wat in de gewis- 
selde stukken en in de parlementaire redevoeringen is gezegd over de toe- 
passing van de regelen voor onteigening geschi'even, op de beschikking 



200 

ten behoeve der suikercultuur, berust op misverstand. Zoo de toepassing 
dier regelen op dit geval werkelijk bedoeld ware, de suikerwet had moe- 
ten gewijzigd worden.. Ook uit dezen hoofde is tegen voorloopige inbezit^ 
neming van velden, welke door de missive van 23 October veroorloofd 
wordt , niets in te brengun , al zijn de redenen welke de Minister ten voor- 
deele daarvan aanvoert, niets waard. 

In Art. 4 , 3® c beveelt de suikerwet, ïdat de bevolking voor de afgifte 
van den grond behoorlijk worde schadeloos gesteld en voor haren arbeid 
behoorlijk betaald." Volgens de missive van 23 October kunnen de sidker- 
fabrikanten, indien met hen niet omtrent een abonnement wordt overeen- 
gekomen, en de rechthebbenden (op den grond) zich ter bepaling der scha- 
deloosstelling op den rechter beroepen. Het is dus niet de Staat die, gelijk 
bij onteigening, de zaak voor den rechter moet brengen, indien het niet 
gelukt eene minnelijke schikking te treilen, maar de Inlander heeft er de 
bevoegdheid toe, doch zal dan, volgens Art. 159, 2^, van het Reglement 
op de rechterlijke organisatie , voor het Hoog Gerechtshof moeten dagvaar- 
den. Reeds dit verijdelt voor een groot deel de praktische waarde van het 
denkbeeld. ^) Overigens schijnt de wet van 21 Juli niet te beletten dat de 
bevoegdheid tot het inroepen van 's rechters uitspraak bij verordening 
worde verleend; doch, zoo daartoe in het belang der Inlanders termen be* 
staan, moet niet gehjke bevoegdheid gegeven worden ten aanzien van het 
arbeidsloon? Want tegelijk met behoorlijke schadeloosstelling voor de af- 
gifte van den grond wordt ook behoorlijke betaling voor den arbeid bevo- 
len, en, zoo het bestuur in het eene geval geen vertrouwen verdient, 
waarom wel in het andere? 

Hetgeen de agrarische wet ten aanzien van beschikking over grond ten 
behoeve van cultures zegt, is dus niet toepasselyk op de suikercultuur, 
welke door eene speciale wet is geregeld, en het betreft derhalve aUeen 
de koffiecultuur ; doch daarom zou, mijns inziens, op dit punt het advies van 
^en heer Thorbecke moeten gevolgd, en dke vermelding van beschik- 
king ten behoeve van cultures uit de agrarische wet verwijderd moe- 
ten zyn. 

16. Ten slotte zou de vraag kunnen gesteld worden, welke de Redactie 
van dit Tijdschrift voorzeker gaarne en met vertrouwen aan haar voorma- 
lig medelid, den tegenwoordigen Minister van Koloniën, onderwerpt: hoe 
denkt de lifinister over het werk zijns voorgangers? Wij twijfelen niet of 
de voorafgaande beschouvringen zullen, in hoofdzaak althans, bij hem weêr- 



1) Waarom heeft niet het koninkl. beBluit, indien het den Minister ernst was 
roet de bedoelde rechterlijke tusschcnkomst, voor dit geval den plaatselijken 
rechter bevoegd verklaard? 



901 

klank vinden; ja, hem reeds vroeger, en duidelijker en levendiger, voor 
den geest hebben gestaan dan wij ze vermochten uit te drukken. 

Eene wijziging van het besluit van 20 Juli komt ons uit dien hoofde 
waarschijnlijk en zeer wenschelijk voor, en wellicht zal de Minister daarbij, 
onder andere, ook de volgende punten willen overwegen. 

Weglating der drie eerste artikelen van het besluit, zooals die thans 
luiden. In het eerste artikel zou Art. 77 van het regeeringsreglement, 
zoo gewijzigd dat het op ontzetting uit bezit toepasselijk z\j, kunnen wor- 
den overgenomen. Daardoor wordt dan beschikking ten algemeenen nutte 
geregeld. Het tweede artikel zou ontzetting uit het bezit ten behoeve van 
op hoog gezag ingestelde cultures moeten vermelden, en daaraan de voor- 
waarde van voorafgaande schadeloosstelling verbinden. Deze toch, bij be- 
schikking voor werken van algemeen nut reeds aangenomen, is van uit- 
nemend belang ten einde den Inlander vertrouwen in te boezemen op het 
recht hetwelk de Regeenng hem toekent. Op den algemeenen regel ten 
aanzien van beschikking voor cultures moet evenwel eene uitzondering 
worden gemaakt, in zoover als beschikking voor de suikercultuur door de 
wet van 21 April wordt gehandhaafd. 

In een derde artikel zou, op het voetspoor van Art. 15 der verordening 
op de onteigening >), kunnen bepaald worden, dat de party welke ontzet- 
ting uit het bezit vordert, niet kunnende slagen in hare poging om een 
vergelijk te treffen, den bezitter voor den rechter moet dagen om de 
ontzetting en het bedrag der schadeloosstelling te hooren uitspreken. 

Een volgend artikel zou den inlandschen bezitter de rechtsvordering tot 
handhaving of herstel in het bezit, ook tegen den lande en niettegenstaande 
Art. 569 van het burgerUjk wetboek voor Nederlandsch Indië, kunnen 
toekennen. Hierdoor zou aan het derde lid van het eenig artikel der 
agrarische wet eene praktische beteekenis worden gegeven, zoo goed als dit 
bij gebreke van toekenning van eigendomsrecht doenlijk is. 

Hetgeen in de tegenwoordige Artt. 4 en 7 van het besluit voorkomt, zou 
kunnen worden overgelaten aan koloniale ordonnanciën, waarvan nogtans en- 
kele hoofdtrekken op het voorbeeld van Art. 8 der cultuurwet dienen te 
worden voorgeschreven. Het maken van bepalingen omtrent de inschrijving en 
overdracht van gronden, door Inlanders ten gevolge der agrarische wet in eigen- 
dom verkregen, kan mede aan eene koloniale ordonnancie worden opgedragen. 
Het tegenwoordig Art. 6 van het besluit kan vervallen. Het spreekt 
van zelf dat de Qbuverneur-Generaal bevoegd is de grens te bepalen bin- 
nen welke het dorpshoofd, krachtens het reglement in 1848 uitgevaardigd, 
policie uitoefent. Evenzeer dat bij voorgenomen uitgifte van grond in erf- 
pacht een administratief onderzoek kan plaats vinden naar de rechten welke 



O Tiid. Staatsbl. 1866, N». 6. 



202 

de Inlanders uitoefenen. Het bezitrecht zou door het zoo even voorgestelde 
beter worden beschermd dan door de enkele grensbepaling van bestuurs- 
wege. 



De besproken wijziging van het besluit zou op het tweede hoofdstuk 
daarvan niet zonder invloed kunnen blijven; doch eene herziening ook van 
dit gedeelte verdient alleszins aanbeveling. Het zou te veel gevergd zijn 
van het geduld der lezers van dit Tijdschrift, indien wg hun thans ook 
nog eene kritiek aanboden van de artikelen welke op uitgifte van gron- 
den in erfpacht betrekking hebben. Aan stof voor aanmerkingen zou het 
anders niet ontbreken; doch de duidelijkste en sterkste veroordeeling van 
het geheele hoofdstuk zal gewis vernomen worden, wanneer mende vraag 
stelt of nu iemand, met het besluit in de hand, de voorwaarden kent 
waarop gronden verkrijgbaar zullen z\jn. ^ 






\ 



DE SPOORWEG VAN SAMARANG NAAR DE 

V0R8TENLANDEN. 



In weerwil van de verwijten die ons te beurt vaUen, blijven wij met 
onverholen sympathie de werkzaamheden volgen van Java's eersten spoor- 
weg. Het zal ons steeds eene aangename herinnering wezen , medegewerkt 
te hebben om deze waarlijk grootsche onderneming tot stand te brengen, 
om de moeilijkheden waarmede zij bestendig had te worstelen, te over- 
winnen, liever dan daaruit bezwaren te spinnen tegen de mannen die met 
de onmiddellijke leiding en de uitvoering belast waren. Er mogen feilen 
gepleegd wezen (alleen de kritiek van aanmatigende betweters schijnt op 
onfeilbaarheid te kunnen bogen); er mogen voorspiegelingen gemaakt zijn 
die in de uitkomst faalden; wanneer men de lotgevallen der Nederlandsch- 
Indische Spoorweg-Maatschappij kalm en onpartijdig overweegt, zal men 
tot de slotsom komen, dat hare wederwaardigheden oneindig meer aan 
niet te voorziene gebeurtenissen dan aan eigen misrekeningen moeten toe- 
geschreven worden. In de omstandigheden die haar hebben gedrukt, 
zouden anderen hoogst waarschijnlijk niet beter, misschien met oneindig 
minder beleid hebben gehandeld, en wie ook de bestuurders zouden ge- 
weest zijn, altoos zou men de beste stuurlui aan den wal aangetroilen 
hebben. 

De hoofdgrief welke tegen de Nederlandsch-Indische Spoorweg-Maat- 
schappij bestaat, is dat zij met haar nominaal kapitaal van f 14 millioen 
is te kort geschoten voor de algeheele voltooiing van de hoofdlijn van 
Samarang naar Solo en Djokjo en den zijtak van Kedoeng-Djati naar 
Willem I. Dat cijfer moest in 1868 verhoogd worden tot ƒ17 millioen, 
en in 1870 bleek op nieuw dat nog ƒ2 millioen, of te zamen ƒ19 mil- 
lioen werden vereischt, om den spoorweg geheel te voltooien en in exploi- 
tatie te brengen. 

14 



204 

• 

Twee omstandigheden van verschillenden aard hebben medegewerkt om 
de werkelijke kosten zoo aanzienlijk van de cijfers der begrootingen te 
doen verschillen: de staatkundige gebeurtenissen in Europa en de buitenr 
gewone terreinbezwaren welke de ingenieurs der Maatschappij op Java 
hebben ontmoet. 

Reeds van de geboorte der Maatschappij af, trof haar, telkens wanneer 
zij kapitaal had te negociëeren, de gedrukte toestand der geldmarkt. Het 
grootste gedeelte harer aandeelen vond eene gereede plaatsing bij de des- 
tijds veel belovende Maatschappij van Handel en Nijverheid; doch nauwlijks 
waren de eerste stortingen geschied, of die maatschappij geraakte in dis- 
crediet, en werd eindelijk verplicht te liquideeren, nadat slechts ongeveer 
50 pCt. door haar op de aandeelen der Nederlandsch-Indische Spoorweg- 
Maatschappij was gestort. Op de laatste stortingen door de nieuwe aan- 
deelhouders volgde in 1866 de negociatie der eerste leening ad ƒ 4 mil- 
lioen obligatiën. De oorlog tusschen Pruisen en Oostenrijk was toen reeds 
op til. De geldschieters werden natuurlijk terughoudend. Met de grootste 
inspanning slaagde echter de Maatschappij te Londen, waar het geheele 
bedrag der leening, doch slechts tegen 89 pCt. , zou geplaatst worden. 
Moeilijkheden met den Minister Trakranen hielden de zaak zoo lang sle- 
pende, dat een betrekkelijk gunstig oogenblik voorbijsnelde en de obligatiêa 
niet meer dan tot een bedrag van nagenoeg f 2 millioen konden ter markt 
gebracht worden. Twee jaren lang moest zich de Maatschappij behelpen, tot 
eindelijk de nood aan de lippen kwam en hei laatstelijk afgetreden Minis- 
terie hulp verleende met eene verhoogde rente-guarantie, waardoor de 
Maatschappij in de gelegenheid werd gesteld eene nieuwe leening te sluiten 
van ƒ9 millioen. Ook die leening liep betrekkelijk nadeelig af. De geld- 
markt was niet ongunstig; men meende genoeg inschrijvers te vinden 
tegen 95 pCt.; maar tegelijkertijd daagde de mededinging van eene veel 
voordeeliger spoorweg-leening van meer dan f 100 millioen uit Rusland 
op, en het gevolg was dat de ƒ 9 millioen der Nederlandsch-Indische 
Spoorweg-Maatschappij slechts tegen 91 Vi pCt. plaatsing vonden. Al deze 
omstandigheden te zamen, alsmede de kosten van overmaking van kapitaal 
naar Indië, zijn de Maatschappij op niet minder dan f 2,153,000 te staan 
gekomen, eene som welke niemand in 1863 zou geaarzeld hebben als overdreven 
te brandmerken, indien zij op eene begrooting ware uitgetrokken geweest. 
De tweede omstandigheid, waaraan de opvoering der kosten van aanleg te 
vnjten is, de terreinbezwaren, doet zich bij alle spoorwegen in meerdere 
of mindere mate voor. Op den spoorweg van Samarang naar de Vorstöi- 
landen heeft zij zich voorgedaan op eene vnjze die de schranderste inge- 
nieurs moest verschalken. Op enkele plaatsen vertoonde zich de bodem 
zeer onschuldig voor het technisch oog; de weg werd getraceerd, opge- 
hoogd; maar nadat hij eenigen tijd gerust had, bleek het dat de onder- 



205 

grond onvast was en, het juk dat hem was opgelegd moede, begon te 
werken en den weg te vernielen. Uitgravingen en aanvoer van massa's spe- 
cie moesten dan eindelijk aangewend worden, nadat alle andere middelen 
vruchteloos waren beproefd om den weg tot staan te krijgen. Elders meende 
men op de kalkachtige hoedanigheden van het terrein te mogen rekenen 
om het profiel der ingravingen zoo smal mogelijk te maken : afschuivingen 
en scheuringen beschaamden de vooruitzichten en dwongen de ingenieurs om 
de profielen te verbreeden. Op de berglijii naar Willem I had men telkens 
grooter en grooter aardmassa's te verplaatsen, ten einde aanzienlijke afschui- 
vingen tegen te gaan, en tot de rivieren defiëerden vaak de kunst die 
ondernam haren loop te verleggen en hare onstuimige opwellingen te brei- 
delen. Zelfs nadat in 1868 veel ondervinding was verkregen, is men door 
niet te voorziene terreinbezwaren overvallen, zoodat ook de in dat jaar met 
veel zorg opgemaakte begrootingen niet zijn uitgekomen. 

Uit deze laatste* misrekening nu wordt een verwijt geput dat niet geheel 
ongegrond schijnt te zijn. Men neemt het de Maatschappij euvel, dat zij 
destijds niet meer op teleurstellingen heeft gerekend, en niet liever in eens 
haar kapitaal met f 5 millioen in stede van f 3 millioen voor dan spoor- 
weg van Samarang naar de Vorstenlanden heeft vergroot. Voorzeker, indien 
zij dit had gedaan, zou zij de later gerezen moeilijkheden voorkomen heb- 
komen hebben; maar er is toch iets te zeggen ten gunste van de begroo- 
ting van 1868. Zy is tegengevallen; doch zij had ook kunnen medevallen, 
en in dat geval zou men waarschijnlijk der Maatschappij een veel erger 
beschuldiging naar het hoofd hebben geslingerd, de beschuldiging namel^k 
dat zij meer kapitaal, meer geldelijken steun van den Staat had afgetrog- 
geld, dan, blijkens deugdeUjke technische begrootingen, mocht gevraagd 
en verleend worden. Voor de goede trouw der Maatschappij is het beter 
dat zy de fout beging van te weinig gevraagd te hebben dan de fout te 
begaan van te veel te vragen. 

Wat hiervan zij, in vergelijking met de spoorwegen in Europa en in 
Britsch Indië, zal toch , ook met de laatste kapitaalsvermeerdering, de eerste 
Javasche spoorweg over het algemeen lüedevallen. In Nederland, de groote 
kunstwerken en de kosten van kapitaal buiten rekening gelaten, zullen de 
Staatsqioorwegen gemiddeld de som van f 100,000 per kilometer over- 
treffen. De Fransche en Duitsche spoorwegen hebben meer gekost dan 
f 100,600, de Belgische Staatsspoorwegen ruim f 125,000, de Engelsche 
meer dan f 200,000 per kilometer. Alle mogelijke kosten van kapitaal, van 
oprichting, van rollend materieel medegerekend, zal eindelijk de spoorweg 
van Samarang naar de Vorstenlanden te staan komen op f 95,000 per 
kilometer, een cyfer dat getuigt veeleer van zuinig beheer en aanleg dan 
van verkvmting, indien men het met dat van spoorwegen die elders aan- 
gelegd zijn, vergelijkt. 



206 

Intusschen is de Nederlandsch-Indische Spoorweg-Maatschappij weder door 
de omstandigheden belemmerd in het verkrijgen van de laatste gelden welke 
zij noodig heeft om den spoorweg van Samarang geheel te voltooien en 
in exploitatie te brengen. De gelden uit de laatste leening welke voordien 
weg beschikbaar werden gesteld, waren reeds verleden jaar verwerkt. Het 
plaatselijk comité staakte vervolgens de werkzaamheden. Een voorschot van 
f 175,000 uit de Indische kas door den Gouverneur-Generaal verleend, een 
voorschot van f 56,000 door eenige landhuurders verstrekt op de toekom- 
stige vervoerkosten himner producten, en de niet onbeduidende winst op de 
exploitatie van de geopende lijnen, stelden de ingenieurs in staat de werk- 
zaamheden te hervatten, doch met het vooruitzicht van ze op nieuw, na 
enkele maanden, te moeten staken. In dien stand van zaken moest men 
wel in Nederland op het treffen eener nadere overeenkomst met de Ne- 
derlandsch-Indische Spoorweg-Maatschappij bedacht wezen. 

Gelijk bekend is, besloten de directie en de aandeelhouders, zonder 
verdere hulp van regeeringswege, de' nog ontbrekende f 2 millioen op te 
nemen en tot rente-uitkeering en amortisatie van die som te besteden de 
ƒ 135,000 welke, na aftrek 'van f 630,000 voor interest en amortisatie 
der ƒ 11 millioen reeds geplaatste obligatiën, van de jaarlijks door den 
Staat uit te keeren f 765,000 rente-guarantie voor de f 10 millioen aan- 
deelen beschikbaar bleven. Nauwlijks was deze flinke beslissing genomen, 
of de politieke verwikkelingen en de oorlog tusschen Frankrijk en Duitsch- 
land maakten het der Maatschappij letterlijk onmogelijk om het nog be- 
noodigde kapitaal te negociëeren. Intusschen moest er gezorgd worden, 
dat er aan den meer en meer zijne voltooiing naderenden Spoorweg door- 
gewerkt kon worden. In de gegeven omstandigheden was dit ondenkbaar 
zonder de welvdllende medewerking van het Gouvernement. Dientengevolge 
werd door den Minister van Koloniën met de Nederlandsch-Indische Spoor- 
weg-Maatschappij, op 30 Augustus jl., eene overeenkomst gesloten, welke 
in de eerste dagen van September der vertegenwoordiging ter bekrachti- 
ging is aangeboden, maar, wegens de aftreding van den heer de Waal 
en de daarop gevolgde ministeriëele crisis, buiten behandeling is gelaten. 

Bij die overeenkomst wordt de Maatschappij ontslagen van de verplich- 
ting om den spoorweg door middel van een ruim 4 kilometers langen zijtak 
te Solo in verbinding te brengen met de Solo-rivier. Het is gebleken, dat 
dit zijtakje geheel doelloos zou zijn zoolang de Solo-rivier niet wordt over- 
brugd en dus de Maatschappij, die zoo zeer haar kapitaal behoeft voor on- 
vermijdelijke werken, noodeloos eene uitgave van ongeveer 2 ton zou op- 
leggen. De producten aangevoerd van den Lawoe en verder om de Oost 
gelegen ondernemingen, hetzij met karren of clraagvee, worden, eens den 
westelijken oever der rivier bereikt hebbende, even gemakkelijk met dezelfde 
middelen naar het station Solo gevoerd. Van Soerabaja of andere aan de 



207 

Solo-rivier gelegen plaatsen worden handelsgoederen gewoonlijk opgevoerd 
tot het nabij de hoofdplaats gelegen Beton, vanwaar het vervoer naar 
het station evenmin moeilijkheden oplevert. Bovendien loopt de getraceerde 
weg gedeeltelijk door het erf van den Rijksbestierder, die daarmede alles 
behalve ingenomen is, en zou men ook moeilijkheden ondervinden voor de 
onteigening van Chineesche graven. Redenen te over om de Maatschappij 
te ontslaan van eene verpKchting, die in de oorspronkelijke concessie 
werd opgenomen zonder dat men zich rekenschap gaf van de daaraan 
verbonden bezwaren. 

Verder wordt bij de overeenkomst ;de uiterste termijn van acht jaren 
voor het geheel voltooien en in exploitatie brengen van den spoorweg 
met twee jaren verlengd; doch op voorwaarden die de Regeering de ze- 
kerheid verschaffen: 1®. dat de Maatschappij ten spoedigste de werken 
hervat en tot de algeheele voltooiing doorzet; 2®. dat zij over een kapitaal 
van f 2 millioen effectief kan beschikken tot het voleindigen van den 
spoorweg; en 3^. dat zij medewerkt tot eene spoedige en ongestoorde toe- 
passing van de bevoegdheid van den Gouverneur-Generaal om zich in het 
bezit te stellen van den weg, van het materieel en van al wat tot een 
en ander behoort, ten einde in het publiek belang den dienst voort te zetten, 
ten bate en schade der Maatschappij, zoodra het den Landvoogd blykt, dat 
niet met kracht wordt gearbeid aan de voltooiing van den weg, of zoodra 
het plaatselijk Comité op Java verklaart over geene middelen meer te 
kunnen beschikken tot het krachtig doen voortzetten van die voltooiing. 

Daar evenwel de Maatschappij door de omstandigheden belet wordt het 
kapitaal van f 2 millioen bijeen te brengen, zoo is eindelijk bij de over- 
eenkomst, behoudens de vereischte bekrachtiging bij de wet, bepaald dat 
voor tijd en vdjle uit 'slands kas in Indië bij voorschot de noodige gelden 
worden verstrekt tot voortzetting der werken. Die voorschotten geschieden 
alleen op periodieke gespecificeerde aanvragen, goedgekeurd door een Gou- 
vemements-ingenieur en behoudens door den Gouverneur-Generaal te nemen 
voorzorgen voor eene richtige aanwending der verstrekte gelden. Ter te- 
rugbetaling van de voorschotten, zoomede van het reeds door den Gouver- 
neur-Generaal verleende voorschot ad ƒ 175,000, worden in Nederland inge- 
houden de f 135,000 voor de aandeelhouders overblijvende rente-guarantie, 
en wordt in Indië maandelijks in 's lands kas gestort het bedrag der zui- 
vere winst der exploitatie van de voor het publiek verkeer geopende lijnen. 
Buitendien behoudt de Regeering zich de bevoegdheid voor, om over het 
bedrag der gedane voorschotten, dat van ƒ 175,000 daarin begrepen, van het 
tijdstip der uitkeering af, rente te vorderen naar de reden van 6 pCt. 's 
jaars. Deze rente wordt aangezuiverd onmiddellijk na de aanzuivering der 
voorschotten. Op 26 September 1870, of op zoodanig later tijdstip als 
met het oog op de alsdan bestaande omstandigheden de Regeering zalbe- 



208 

9 

palen, moeten de voorschotten, casu quo met inbegrip der renten, zijn 
terugbetaald, — zoo niet dan kan de Maatschappij van al hare rechten 
vervallen verklaard en de concessie ingetrokken worden, en is de Gouver- 
neur-Generaal bevoegd om terstond den spoorweg in bezit te nemen. 

Door de overeenkomst van 30 Augustus 1870 heeft de heer de "Waal 
inderdaad bhjk gegeven van zijn |vernuft in eene lastige aangelegenheid. 
Haar doel is blijkbaar om vóór alles de voltooiing van ósa Samarangschen 
spoorweg te verzekeren en dat doel zal men kunnen bereiken zonder nieuwe 
opofferingen van Staatswege. *s Lands kas verleent alleen voorschotten tot 
een bekend bedrag, welke ten deele maandelijks uit de winsten der exploi- 
tatie en halfjaarlijks uit de kortingen op de uit te keeren rente-guarantie 
terugvloeien, onverminderd de integrale en algeheele terugbetaling, zoodra 
de Nederlandsch-Indische Spoorweg-Maatschappij haar kapitaal met nog ƒ2 
millioen zal hebben vergroot. In het ongunstigste geval, namelijk indien de 
Maatschappij daarin niet mocht slagen, zullen de verleende voorschotten 
met de sommen sedert 1863 voor rente-guarantie uitbetaald, veel beter ver- 
zekerd wezen door een geheel over 200 kilometers lengte afgewerkten, 
goed onderhouden en in volle exploitatie verkeerenden spoorweg, dan door 
half ontredderde en gedeeltelijk onbruikbare lijnen, en last not least, zal, 
in zoodanig geval, de Regeering dadelijk den spoorweg in bezit kunnen ne- 
men en de exploitatie doen voortzetten. 

Bij de overeenkomst heeft toch de Maatschappij als 't ware haar eerst- 
geboorterecht prijs gegeven. Zooals de bepalingen van hare concessie luiden, 
was het voor de Regeering bijna ondoenlijk de Maatschappij van hare rech- 
ten vervallen te verklaren, de concessie in te trekken en zich in het bezit 
te stellen van den weg, ten einde in het publiek belang den dienst voort 
te zetten. Vervallenverklaring, die buitendien alleen door den Koning mocht 
uitgesproken worden, kon alleen plaats grijpen, volgens art. 57 der con- 
cessie, indien de spoorweg niet binnen den bepaalden tijd in exploitatie was 
gebracht. Ingevolge art. 58, was de Gouverneur-Generaal slechts bij ver- 
vallenverklaring en intrekking der concessie bevoegd den weg in bezit te 
nemen, dus niet bij staking der werkzaamheden of bij gebleken onvermo- 
gen der Maatschappij om dien te voltooien. Volgens de nieuwe overeen- 
komst zal de Regeering in deze 'gevallen terstond afdoende kunnen han- 
delen, den spoorweg naasten en in het publiek belang de exploitatie 
voortzetten, afgescheiden van de formaliteiten en het tijdverlies welke met 
eene vervallenverklaring en eene intrekking der concessie noodwendig 
gepaard gaan. 

Zoowel in het geval dat de Nederlandsch-Indische Spoorweg-Maatschappij 
zich voor goed zal weten te redden, als voor het geval dat de Staat, in- 
gevolge de overeenkomst van 30 Augustus 1870, in het bezit geraakt \'an 
den spoorweg, is de gemaakte regeling geheel in het voordeel van den 



209 

Staat. Wy bedoelen het onmiddellijk voordeel; m^t zijn eenigizins v^c- 
>vijderd belang is het anders gesteld. Inderdaad zal men er eindelijk in 
slagen den spoorweg van Samarang naar de Vorstenlanden met het mini- 
mum van geldelijke opoffering van Staatsv^ege, en met het maximum van 
wege de aandeelhouders, tot stand te brengen. Het Gouvernement heeft 
thans de bevoegdheid verkregen om zich zonder slag of stoot meester te 
maken van den weg. De aandeelhouders, die aanvankelijk vermeenden 4Vs 
pCt. rente geguarandeerd te hebben, die later genoegen moesten nemen 
met 2 pCt., hebben nu ook deze geringe renten moeten opgeven, en bo- 
vendien hangt hun de bedreiging van algeheele onteigening boven het 
hoofd. De financiers in den trant van den laatst afgetreden Minister de 
Waal mogen zich daarover de handen wrijven. Zij die verder zien, zullen 
met ons de overtuiging deelen, dat de houding der Nederlandsche Regee- 
ring tegenover de aandeelhouders van den eersten Javaschen spoorweg 
zijn invloed zal doen gevoelen bij de toekomstige Indische spoorwegen. 
Geen redelijk wezen zal aannemen, dat men bet zal kunnen laten bij dien 
spoorweg en den weg van Batavia naar Buitenzorg. Men zal meer lijnen 
moeten aanleggen, men zal verder moeten stoomen. Spoediger misschien 
dan men denkt, zal men met nieuwe plannen te voorschijn moeten komen. * 
Welnu, dan zal men eerst het op de aandeelhouders van den weg Sama- 
rang-Vorstenlanden bevochten voordeel in al zijn omvang kunnen beoordee- 
len. Regeling en Maatschappijen zullen te vergeefs aandeelhouders oproe- 
pen om geld voor spoorwegen in Indië te geven. Het zal alleen te bekomen 
zijn onder de absolute rente-guarantie van den Staat, dat wil zeggen voor 
het totaal bedrag der te storten kapitalen. Het stelsel van beperkte rente- 
guarantie voor Indische spoorwegen, dat steeds eenige risico voor de aan- 
deelhouders overlaat, heeft zijn laatste woord gezegd; want niemand zal nog 
zoo dwaas zijn in die spoorweg-ondernemingen kapitaal te beleggen, zonder 
volkomen zeker te zijn van integraal den bedongen interest te ontvangen. 

Aan Staatsspoorwegen in Indië behoeft niet eens gedacht te worden. 
De Regeering bevindt zich in de feitelijke onmogelijkheid om die taak 
op zich te nemen. Haar technisch personeel is niet eens bij machte om 
aan de vele eischen der gewone openbare werken te voldoen. Hoe zou 
het nog daarbij aan grootsche buitengewone werken het hoofd kunnen 
bieden? We zijn 't volkomen eens met den heer Stieltjes, die zich, in de 
zitting der Tweede Kamer van 25 October j.1., krachtig uitliet tegen den 
aanleg van spoorwegen op Java door het Gouvernement, en bij die gelegen- 
heid de overtuiging uitsprak^ dat hetgeen de Nederlandsch-Indische Spoor- 
iiveg-Maatschappij in 6 en een half jaar tot stand bracht, door het Rijk 
in geen 13 jaar zou verricht zijn. Wij voegen er bij: en oneindig meer 
gekost zou hebben dan hetgeen door de Maatschappij werd uitgegeven. 
Vóór wij eindigen, nog ëéne opmerking. Bij het sluiten der overeenkomst 



210 

in Augustus was er periculiCm in mordy en, zooals de Minister de Waal 
in de memorie van toelichting van het bekrachtigings-ontwerp vermeldt, 
heeft hij i^zich niet bepaald bij het sluiten eener overeenkomst, die door 
3de wet bekrachtigd moet zijn, eer zy in werking treedt. Die bekrachtiging 
]»kon niet in een zeer korten tijd worden verwacht. Het algemeen belang 
9Z0U slecht gediend worden, zoo men intusschen de half voltooide werken 
9aan bederf ter prooi, en voor de voortzetting van den arbeid, zoover die 
9 van wezenlijk nut kan zijn, het overblijvende gedeelte van het goede jaar- 
»getijde ongebruikt liet. Na 'sKonings machtiging is dan ook aan den 
^Gouverneur-Generaal opgedragen, aan de bedoelde overeenkomst reacis ter- 
3stand gevolg te geven, indien daardoor, vóór het invallen der zware regens, 
»een toestand kah worden verkregen, die voor het algemeen belang wezen- 
ï^hjke voordeelen aanbiedt.'' Later moet de heer de Waal op deze lastgeving 
zijn teruggekomen en den Gouverneur-Generaal aangeschreven hebben om 
geen gevolg te geven aan de overeenkomst. Wanneer men zich de ver- 
warring herinnert waarin de nu ontslagen Minister in het verleden najaar 
was geraakt door de Preanger quaestie, dan laat zich die snelle opvolging 
van tegenstrijdige bevelen gereedelijk verklaren. Hoe dit zij, de zaak kan 
'niet langer hangende blyven. De heer van Bosse, die als Minister van 
Financiën medegewerkt heeft om de laatste wet voor den Samarangschen 
spoorweg tot stand te brengen, mag thans niet nalaten met den meesten 
spoed te handelen, ten einde de werkzaamheden, in het belang van den 
Staat, geregeld voortgezet worden. Wij zijn thans in Maart 1871 en 
hopen dat reeds, ten gevolge van eene derde en laatste lastgeving, de 
werken ijverig hervat zijn. 



OVER EENIGE MAATSCHAPPELIJKE INSTELLINGEN 



BIJ DE 



INLANDSCHE CHRISTENEN IN DE MINAHASA. 



De verandeiiDg van godsdienst heeft voor de inlandsche Christenen het 
gevolg gehad, dat de noodzakelijkheid is ingezien van eene gelijktijdige 
verbetering der voorschriften die, door het gebruik tot wet verheven, den 
grondslag uitmaakten van hunne vroegere maatschappehjke instellingen. 

Schoon met de beste bedoelingen samengesteld, wordt echter de goede wer- 
king daarvan meermalen betwijfeld, en kan wellicht de behandeling van 
dat onderwerp tot eene zeer gewenschte omkeering aanleiding geven. 

Ten opzichte van het huwelijk worden ook in de Minahasa gevolgd de 
wettelijke bepalingen omschreven bij Staatsblad 1861, N*. 38. 

Aan de ambtenaren bij het binnenlandsche bestuur wordt door de be- 
trokken partijen van hun voorgenomen huwelijk alleen aangifte gedaan, 
terwijl de afkondiging (bij vrijze van het lezen der geboden) in de kerk 
plaats vindt, en slechts de zendelingen bevoegd zijn het huwelijk te vol- 
trekken. 

Hulpzendelingen en schoolmeesters, van vrie in het genoemde Staatsblad 
evenzoo sprake is, zijn in de Minahasa van elke bemoeiing in deze uitge- 
sloten. 

Zonder de minste verantwoordelijkheid is den zendelingen tevens stilzwijgend 
het recht voorbehouden, de huwelijks-vereeniging des verkiezende te weigeren. 

Vooral hieruit blijkt, dat het huwelijk grootendeels kerkelijk is; de Con- 
troleur treedt nimmer als ambtenaar van den burgerlijken stand op; 
zonder wettelijke voorschriften is de hoogste beslissing aan de zendelingen 
opgedragen. 



2i2 

Omtrent de rechten en verplichtingen der echtgenooten, den eigendom 
en het beheer hunner goederen, de vaderlijke macht, de mindeijarigheid 
en voogdij, de erfenis en boedelscheiding, zijn eenige verordeningen vast- 
gesteld, die in de hoofdzaak met enkele artikelen van het B. W. overeen- 
komen, en hieronder ter betere vergelijking worden opgegeven. 

De rechten en verplichtingen der echtgenooten. De echtgenooten zijn elkan- 
der wederkeerig getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij verbinden 
zich door het huwelijk hunne kinderen te onderhouden en op te voeden. 

De man is het hoofd des huisgezins en verleent als zoodanig aan zijne 
vrouw bijstand in rechten, of verschijnt aldaar voor haar; behalve als zij 
vervolgd wordt wegens strafzaken of wel bij echtscheiding. 

De man bestuurt de goederen aan de vrouw persoonlijk toebehoorende, 
tenzij het tegendeel is bedongen. Hij is voor elk verzuim in dat beheer 
verantwoordelijk. Hij mag zijne of hai*e roerende of onroerende goederen 
zonder hare toestemming niet vervreemden of bezv^en. 

De vrouw is aan haren man gehoorzaamheid verschuldigd. Zij is verplicht met 
hem samen te wonen, en hem overal te volgen waar hij verblijf wil houden. 

De man is verplicht zijne vrouw bij zich te ontvangen in het huis dat 
hij bewoont, en is gehouden haar te beschermen en haar het noodige 
volgens zyn stand en vermogen te verschaffen. 

De vrouw kan zonder nadrukkelijke of schriftelijke toestemming van den 
man niets geven, ver\Teemden, verpanden of verkrijgen. Voor zooveel be- 
treft uitgaven in de huishouding wordt voorondersteld, dat zij de toestem- 
ming van haren man heeft verkregen. 

De eigendom en het beheer der goederen van echtgenooten» De eigen- 
dom van den grond bevat in zich den eigendom van hetgeen in den grond 
en op den grond is. i) De eigenaar van den grond is dus geen vrucht- 

^) Omtrent het grondbezit zijn in het kort de volgende regelen van kracht. 
Het recht van eigendom van den grond wordt verkregen door eerste ontginning 
en erfopvolging. Van de ontginning moet aan de hoofden worden kennis gege- 
ven, zonder dat dezen znlks mogen weigeren. Gronden mogen alleen verkocht of 
verhuurd worden aan de inwoners van eenzelfde district, met kennisgeving aan de 
hoofden en hulp van getuigen. Bij het braak liggen van eenig stuk grond bÜjft 
het toebehooren aan de familie van den eersten ontgin ner. Van deze kan het 
nimmer vervreemd worden ; uitgestorven in de eene negerle, komen de bloedver- 
wanten uit de naaste negerie er bezit van nemen. 

De bosschen behooren aan het district; ieder heeft het recht daarin hout te 
kappen, behoudens kennisgeving aan het districtshoofd. Van Oouvemementswege 
is, ter voorkoming van ontwouding, aan deze hoofden de bevoegdheid toege- 
kend om hunne toestemmbg hiertoe te weigeren. 

Alle andere gronden zyn particulier eigendom. 

Aan 'vreemdelingen mogen geene gronden worden weggeschonken; dezen kun- 
nen ze alleen ter leen ontvangen tot een- of tweejarig gebruik. 



213 

gebruiker van aanplantiogen aan anderen toebehoorende. De bitter ter 
goeder of ter kwader trouw mag alle genoten of te genieten vruchten 
voor zich behouden; hij is alleen verpUcht de schade te vergoeden door 
zijn toedoen en zonder goedvinden van den eigenaar ontstaan, b. v, het 
omhakken van deugdzame boomen en het gebruik maken van de voordeelen 
daarvan. De eigenaar heeft het recht om de hem toebehoorende zaak van 
lederen houd^ terug te vorderen in den staat waarin zjj zich bevindt, 
met uitzondering van die welke vnis afgestaan ten a]gemeenen nutte. 

Bij onteigening van gronden ten algemeenen nutte wordt geene scha- 
deloosstelling verleend. 

De vaderl^ke macht. Een kind van iederen leeftijd is eerbied en ontzag 
aan zijne ouders verschuldigd. De ouders zijn verplicht hunne kinderen 
tot iederen leeftijd vóór hun huwelijk te onderhouden. Het kind blijft on- 
der hunne macht tot aan zijn huwelijk. 

De vader oefent alleen deze macht uit; is hij daartoe niet b^ machte, 
dan wordt hij door de moeder vervangen, die door een of twee van hare 
of zijne bloedverwanten wordt bggestaan. Het kind mag zonder toestem- 
ming van vader of moeder het ouderlijke hds niet verlaten. 

Ook op de natuurlijke erkende kinderen wordt die macht toegepast, i) 
De minderjarigheid en voogdij. De inlandsche adat kent geene minder- 
jarigheid: het kind blijft tot zijn [huwelijk onder de macht der ouders. 
Bij de ontbinding van een huwelijk valt het kind niet weder in de ouder- 
lijke macht. 

Bij overlijden van een der echtgenooten is de langstlevende voogd over 
hunne kinderen; bij voogdijschap der vrouw wordt zij door een of twee 
harer bloedverwanten bijgestaan. De personen die haar bijstaan, moet zy 
telkens raadplegen over zaken het kind betreffende. Deze bloedverwanten 
treden bij overhjden in de plaats der vrouw. 

Erfenis. Tot de erfenis worden volgens de adat geroepen: de langstle- 
vende echtgenoot en de wettige en natuurlijke bloedverwanten. *) De 
overblijvende echtgenoot blijft de goederen onverdeeld beheeren, wanneer 
er nog kinderen uit het huwelijk in leven zijn ; komt hij of zij ook te 
sterven, dan gaan de goederen op de kinderen over. 

Is er maar één kind, dan is dit erfgenaam, en heeft de vrije beschik- 
king over de goederen. 

Zijn er meer kinderen, dan wordt de erfenis onverdeeld onder toezicht 



1) Van de wijze waarop die erkenning moet plaats vinden om wettig te zijn, 
18 echter niets bekend. 

>) Ook da aanffeuomene kinderen ontvangen, zoo niet ali^d een gelyk, dan 
toch een zeker aandeel van de goederen, door erfenis aan de uit het huwelijk 
voortgesproten kinderen toekomende. 



214 

gesteld van den oudsten erfgenaam, of, by onvermogen, van den geschiktsten. 
Bij den dood van kinderlooze echtgenooten zijn de langstlevende en naaste 
bloedverwanten erfgenamen. 

Boeddsckeiding. Heeft alleen plaats bij den dood van een der kinder- 
looze echtgenooten. De districts- en negerieshoofden scheiden de boedels in 
tegenwoordigheid der erfgenamen, of dezen doen het zelven, bijgestaan door 
hmme bloedverwanten. Wanneer de erflater een Hoofd is, of de vrouw 
van een Hoofd, dan wordt de boedel^ na aftrekking van de uitgaven, ver- 
deeld in: >/3 aan den man en Vs ^>^ ^^ vrouw; en is de erflater een 
gering persoon, dan wordt de boedel in tweeën verdeeld. 

De naaste bloedverwanten van den overledene ontvangen het aandeel, 
dat den overledene toekomt; terwijl de weduwnaar of weduwe zijn of 
haar aandeel voor zich zelven houden. 

Geheel anders is het daarentegen met de echtscheiding. Wordt deze 
om welke reden dan ook verlangd, zoo is het de te Manado gevestigde 
Land- of Minahasa-raad tot welken de partijen zich moeten wenden, en 
die in zoodanige gevallen volgens het Burgerlijk Wetboek recht spreekt. 

Hoezeer reeds lang in de Minahasa gebruikelijk, is deze gewoonte later 
van Gouvemementswege bekrachtigd door het daarop betrekkeUjk besluit 
van 7 Augustus 1868, N«. 13 (BB. N*. 2192), toen omtrent eene dergelijke 
quaestie in de residentie Amboina eene nadere beslissing was geprovoceerd. 

Het gevolg hiervan is, dat er slechts weinige gevallen van huwelijks- 
ontbinding worden voorgebracht. 

De inlanders deinzen er voor terug, om van eene zoo gemakkelijk te 
beëindigen zaak veel omslag te maken, terwijl zelfs de nabijheid hunner 
negene bij de hoofdplaats Manado hierop geene gunstige uitzondering maakt. 

Onbekendheid met de bestaande wetten doet hen bovendien de mogelijk- 
heid onderstellen, dat de opgegevene redenen niet geldig of voldoende be* 
vonden worden, en zij bij negatieve dispositie gedwongen zullen zijn tot 
vernieuwdng van een band, die üi geenen deele verlangd wordt. 

Zij doen het dus eenvoudiger af : man en vrouw gaan ieder afzonderlijk 
wonen en verdeelen hunne goederen en kinderen, of komen overeen wie 
zich met het onderhoud der laatsten zal belasten. 

Somwijlen wordt, bij gebreke van minnelijke schikking, hiertoe de hulp 
der Hoofden ingeroepen, wat de verkeerde meening heeft doen ontstaan, 
alsof zij zich het recht aanmatigden een christelijk huwelijk te ontbinden, 
waarvan geen enkel voorbeeld bekend is. 

Van dat oogenblik nu leven de echtgenooten als waren zij nimmer gehuwd 
geweest, terwijl er hoegenaamd geen sprake van is hun voortaan eene buiten- 
sporige levenswijze euvel te duiden. Schoon zij in naam nog altijd getrouwd 
z\jn, is de bestaande band inderdaad geheel verbroken, en wordt het betrek- 
kelijk slechts minder aangenaam gevonden niet te kunnen hertrouwen. 



215 

De omslachtige wijze waarop eene formeele echtscheiding alleen kan ver- 
kregen worden, vindt vermoedelijk hare oorzaak daarin, dat men de bevol- 
king wil terughouden van er al te lichtvaardig toe over te gaan. 

Uit een zedelijk oogpunt zou eene verandering evenwel zeer gewenscht zijn. 

Thans bestaat er een minder eigenaardige toestand, die de bevolking 
natuurlijk op het dwaalspoor brengt. 

Of aan de zendelingen zou de bevoegdheid kunnen worden toegekend, 
ook bij de ontbinding van het huwelijk als scheidsrechter op te treden ; 
óf de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek konden algemeen voor de 
inlandsche Christenen toepasselijk worden verklaard. 

Het eerste, schijnbaar billijk in verband beschouwd met de echtvereeni- 
ging, verdient minder aanbeveling in eene eeuw, waarin de macht der 
Kerk wegens hare meermalen sterk uitgedrukte partijdigheid is moeten be- 
perkt worden. 

Een enkel voorbeeld uit de Minahasa moge dit ophelderen. Uit eene 
negerie waren twee personen op de wijze van het z. g. kawin harta ge- 
trouwd en hadden reeds 5 of 6 kinderen, toen, op Voorlichting van den 
meester, op zekeren dag de zendeling bij hen kwam, en hen aanried naar 
het voorbeeld van anderen zich door het christelijk huwelijk nader aan 
elkaar te verbinden. De man was daartoe wel genegen, maar de vrouw 
weigerde bepaald en ging terstond afzonderlijk wonen, hare jongste kin- 
deren medenemende. Eenigen tijd later had die man een ander meisje 
gekozen, maar toen hij den zendeling verzocht hen te trouwen, wilde deze 
daarin niet treden, want, werd er beweerd, zijne eerste vrouw had hij 
verstoeten ! 

Aannemende dat hier geheel volgens overtuiging gehandeld werd, is het 
toch duidelijk, dat de groote verscheidenheid in persoonlijke gevoelens tot 
zonderlinge gevolgen aanleiding moet geven. ') 

Wel zoo goed zou het zijn, het Burgerlijk Wetboek ook voor de in- 
landsche Christenen van kracht te verklaren. 

Alom wordt het huwelijk toch beschouwd als eene burgerlijke instelling, 
en ook hetzelfde Staatsblad staat aan de inlandsche Christenen op Java en 
elders toe, al dan niet op Europeesche wijze in het huwelijk te treden. 



>) Ik wil niet te veel waarde hechten aan de formaliteiten die het huwelijk 
voorafgaan, maar herinner slechts dat om te kunnen trouwen de personen lidmaat 
moeten zijn der Kerk, en dit weder eene langdurige oefening vereischt. Vóór- 
dat een zoodanig onderzoek plaats heeft, moeten o. a. aan zekeren zendeling te 
huis gebracht worden : 4 kippen, 25 eieren, Vt gantang rijst, groenten, enz. ; 
anders zegt men is zelfs het beste antwoord niet goed. De bevolking is daar- 
mede niet bijzonder ingenomen; als de zendeling varkens, kippen, ^nz. Iaat vragen, 
geeft zij die gaarne, maar de last hiertoe gegeven wordt roet tegenzin opgevolgd. 



246 

Alleen aan de bevolkingen der residentiën Amboina en Manado is dit 
niet vergund. 

Tv^ee groote voordeelen zouden er al dadelijk mede gepaard gaan. 

Eerstens zou aldus de kans grooter worden van langzamerhand het 
juiste bevolkingscijfer met veel nauwkeurigheid te weten te komen; zonder 
van opzettelijke fouten te spreken, is dit tegenwoordig slechts bij benadenng 
bekend. 

Maar vooral zou het dienstig kunnen zijn, om — indien men opziet te- 
gen eene algeheele verandering in den^maatschappelijken en staatkundigen 
toestand der Minahasa — . de bevolking ten minste in dit opzicht met 
Eiu^opeanen gelijk te stellen. Alzoo brengt men, zonder eenig bezwaar voor 
den lande, eene groote toenadering te weeg, die ongetwijfeld zeer op pnj$ 
zal worden gesteld. 

De bepaling, dat de ambtenaar van den burgerlijken stand geene 
kosten zal mogen in rekening brengen, waarborgt tegen geldelijke 
nadeeien. 

Voor een zoo klein gewest als de Minahasa, is de proef licht te nemen, 
en wordt bovendien vereenvoudigd door de medewerking der bevolking 
zelve, die met weerzin het onderscheid tusschen kau)in tjara tvdanda 
en tjara orang itam waarneemt. 

De thans bestaande verordeningen hebben haren tijd gehad; in den 
aanvang waren zij verdedigbaar, maar de feitelijke vooruitgang, die door 
niemand kan ontkend worden, eischt thans eene geheel nieuwe regeling, en 
het is te hopen dat velen mogen samenwerken om die spoedig tot stand 

te brengen. 

A. 20 Nov. 4870. de C. 



DE KUNSTZIN DER JAVANEN. 

\ 

(Met eene FiaaJt,) 



De heer Wallace, in zijn werk over den Maleischen Archipel, door mj] 
onder den titel ^Insulinde'^ in onze taal overgebracht, over de talrijke 
ruïnen van tempels en graven op Java met haar veelvuldig beeldwerk 
sprekende, zegt dat de reiziger er door genoopt wordt, te peinzen over 
de zonderlinge wetten van een vooruitgang die zich zoo vaak als terug- 
gang voordoet, daar in zoo vele verwijderde gewesten van den aardbodem 
een ras met hoogen kunstzin en vindingskracht begaafd, is uitgeroeid of 
verdreven om voor een ander plaats te maken, dat, voor zooverre wij er 
over kunnen oordeelen, verre er b|j achter schijnt te staan. Doch zulke 
gedachten kunnen bij de aanschouwing der ruïnen van Java slechts bij 
hem worden opgewekt die zich van de geschiedenis van dat eiland geheel 
verkeerde voorstellingen heeft gevormd. Het ras dat op Java die grootsche 
kunstwerken heeft geschapen, is noch uitgeroeid, noch verdreven, noch 
door een ander vervangen. Die monumenten z\)n afkomstig uit het tydvak 
der Hindoe-Javanen, toen kolonisten uit Hindostan, welhaast als veroveraars 
opgetreden, het schoone eiland aan hun gezag onderworpen en er een 
machtig rijk met vele leenstaten gevormd hadden, de inboorlingen des lands 
tot eene ondergeschikte kaste van landbouwers en werklieden hadden ver- 
laagd, die zij noodzaakten voor hen te arbeiden en vorm aan hunne kunst- 
concepties te geven, en zich aan deze Soedra's als de leden van bevoor- 
rechte, hoogere kasten, als de gunstelingen der Goden, de dragers van 
den heiligen gordel, de tweemaal geborenen hadden overgesteld. Echter had 
gedurende den loop der eeuwenlange Hindoe-heerschappij een begin van sa. 
mensmelting plaats, en begonnen overheerschers en overheerschten langza- 



218 

merhan^l tegenover vreemde volken het karakter te krijgen van één volk, 
waarbij echter de adel en de kleine man steeds door eene diepe, in slechts 
enkele gevallen overstegen klove van elkander gescheiden bleven. Het is 
dit volk dat in de XVde eeuw schier in massa tot den Islam werd bekeerd ; 
althans die gedeelten des lands die aanvankelijk nog aan den ouden gods- 
dienst getrouw bleven, werden allengs medegesleept door de algemeene 
beweging, die, eerst de vorsten en grooten aangrijpende, de onzelfstandige 
volksmassa ten minste in naam in de geloofsverandering deed deelen. Sedert 
de bekeering miste de scheiding tusschen den adel en het volk de sanctie 
van den godsdienst; de toenadering moest er door bevorderd, de klove 
minder gapend worden; de zuiverheid van het Hindoe-bloed moest meer 
en meer verbasteren, en het Javaansche type, in het geheel des volks door 
duizenden tegenover tientallen vertegenwoordigd, ook in de hoogere standen 
allengs de overhand over het Arische krijgen. Toch kan ieder in de te- 
genwoordige Javaansche maatschappij nog de duidelijke sporen van i^the 
. two nations," waaruit het volk is samengewassen, gemakkelijk gadeslaan. 
Zij zijn er dieper ingedrukt en beter bewaard dan in Engeland, waar 
de verhouding tusschen Noormannen en Saksers met die der beide rassen 
op Java eene sterke analogie toont. 

Geen verdrijving of uitroeiing van een vroeger kunstminnend ras, om 
voor een minder ontvrikkeld plaats te maken, heeft op Java plaats gehad^ 
maar eene hervorming of omwenteling, wel door een impulsie van buiten 
teweeggebracht, maar die het eiland in het algemeen in het bezit liet 
van dezelfde bevolking, dezelfde rassen, wier onderlinge verhouding door 
de hervorming slechts weinig, en in eenigszins merkbaren graad 'eerst na 
eeuwen gewijzigd werd. 

Indien derhalve de oude monumenten van Java het bewijs leveren dat 
daar vóór de hervorming kunstzin en kunstsmaak heerschten, en de latere 
geschiedenis en tegenwoordige toestand des eilands toonen dat er van 
dien kunstzin en dien kimstsmaak slechts weinig is overgebleven, dan zal 
men dat niet aan de vervanging der vroegere bewoners door een ander 
ras kunnen toeschrijven. Daarentegen ligt het voor de hand de oorzaak 
in de godsdienstige hervorming zelve te zoeken; want het is bekend dat 
de. Islam aan de beeldende kunst vijandig is. Veel juister oordeelt dan 
ook Wallace over hét bedoelde verschijnsel op eene andere plaats, wraar 
hij zegt: »Het is een merkwaardig voorbeeld van den invloed dien ^ds- 
dienstige denkbeelden op het maatschappelijk leven oefenen, dat in hetzelfde 
land, waar, vijfhonderd jaren geleden, zulke werken ieder jaar werden 
uitgevoerd, de inwoners nu slechts ruwe woningen van bamboe en riet 
. bouwen, en deze voortbrengselen hunner voorvaderen aanstaren met eene 
domme verbazing, als waren zij zonder twijfel het werk van reuzen en demons." 

Maar indien deze tweede uitspraak juister is dan de eerste, zij is daai^om 



219 

toch nog niet geheel juist. Men kan ook aan den Islam het venaal van 
de kunst op Java niet alleen en uitsluitend toeschrijven. De Islam is wel door 
zijn afkeer van de nabootsing van wat Gods hand heeft voortgebracht, vijan- 
dig aan beeldhouw- en schilderkunst, of beperkt althans de uitoefening 
dier kunsten binnen uiterst enge grenzen, maar de bouwkunst heeft zich 
elders onder de heerschappij van dezen godsdienst in eene eigenaardige 
richting ontwikkeld en tal van sichoone gedenkstukken voortgebracht. 

De ware reden waarom de Hindoe-kunst op Java wegkwijnde, is dat 
zij eene plant was van vreemden bodem derwaarts overgebracht. Zij was 
de kunst van Hindostan, door de vreemde kolonisten naar Java verplant, 
en daar in het algemeen op dezelfde wijze en naar dezelfde regelen als in 
het moederland uitgeoefend, evenals wij in de gebouwen, waterwerken en 
spoorwegen die wij op Java aanleggen, met eenige door de omstandigheden 
gevorderde wijziging, de Europeesche voorbeelden volgen. En vermoedelijk 
had de massa der bevolking, hadden de Soedra's aan de monumenten der 
Hindoe-kunst niet meer aandeel, dan zij thans hebben aan de openbare 
werken door het Europeesch gezag tot stand gebracht. Het was het kunst- 
genie der vreemdelingen dat die scheppingen uitdacht; de arbeid der Ja- 
vanen was hun slechts behulpzaam om aan hunne gedachten vorm te geven. 

Het verdient ook opmerking dat het verval der kunst op Java niet eerst 
van de invoering van den Islam dagteekent, maar reeds tot aanmerkelijk 
vroeger tijd opklimt. De overblijfselen van Modjopahit kunnen met Boro- 
Boedor en de tempels van Prambanan niet meer vergeleken worden. Hetzij 
dat de later overgekomen kolonisten, in de periode der volkomen zegepraal van 
het Siwaïsme op Java, tot minder beschaafde, minder met kunstzin begaafde 
stammen behoorden, hetzij dat de betrekking der kolonisten met het moe- 
derland te zeer was afgebroken of belemmerd, dan dat de kunst van daar 
nog voedsel kon trekken, en de toenemende samensmelting der Hindoes 
met de Javanen ook de kunst der eersten bij toeneming in de barbaarsch- 
heid der laatsten deed deelen, zeker is het dat de bloeitijd der kunst op 
Java lang voorbij was, toen de val van Modyopahit aan den Islam de ze- 
gepraal over het grootste deel des eilands verschafte. 

Wanneer wij dus van den kunstzm der Javanen spreken, dan zullen 
wij de bewijzen daarvoor niet in d^ Hindoe-periode zoeken, noch met velen 
aan de invoering van den Islam de verachtering van een vroeger hoog 
ontwikkelden kunstzin toeschrijven. Wij gelooven gaarne dat de invloed 
der Hindoe's, — in het algemeen, ofschoon niet onvermengd, weldadig voor 
Java, — al ware het slechts door het voorbeeld der werken die zij sticht- 
ten en door de gedwongen deelneming der bevolking aan hunne oprichting, 
ook den kunstzin bij de Javanen eenigermate kan hebben bevorderd, en 
omgekeerd, sedert de Islam werd ingevoerd, gebrek aan aanmoediging 
en voedsel den pas ontwaakten kunstzin weder heeft doen insluimeren; 

15 



320 

maar in de hoofdzaak heeft die oude Hindoe-kunst met den kunstzin der 
Javanen niet veel te maken. 

Maar, schier onafhankelijk van den Hindoe-invloed, bestaat er toch bij 
de Javanen een zekere mate van aanleg voor de schoone, bepaaldelijk ook 
voor de beeldende kunsten, dien zij met andere volken van denzelfden 
stam gemeen hebben, en die te minder onder den invloed van den Islam 
geleden heeft, omdat deze godsdienst den Javaan slechts als een kleed is 
omgehangen en weinig tot zyn binnenste is doorgedrongen. Zelfs in de uit- 
oefening der beeldende kunst laat hij er zich v^reinig door storen. Wij 
kunnen hier vnjzen op de wajang-vertooningen, hetzij die plaats hebben 
met lederen of houten poppen, zooals bij de wajang poerwo en kalitik, 
of met figuren op papier geteekend, zooals bij de Mrajang bèbèr. Wy 
kunnen wijzen op tal van teekeningen door Javanen gemaakt. W(j kun- 
nen wijzen op het snij- en beeldhouwwerk dat nog heden vaak door Ja- 
vanen vervaardigd wordt. Het schijnt niet dat de Javaan zich door de ge- 
dachte dat zijn godsdienst de nabootsende kunsten verbiedt, in noemens- 
waardigen graad laat terug houden, wanneer neiging en hoop op gewin 
hem tot de beoefening dier kunsten aanzetten. Wat meer is, de Javaan, 
ook de minst ontwikkelde, verlustigt zich gaarne met prentverbeeldingen , 
en het is daarom dat sedert lang door mannen die hunne aandacht aan de 
bevordering van het inlandsch onderwijs op Java gewijd hebben, het denk- 
beeld is aangeprezen om aan de Javaansche jeugd goede schoolprenten en 
met afbeeldingen geïllustreerde schoolboeken in handen te geven. Wij heb- 
ben dan ook met toejuiching vernomen, dat de Regeering aan den heer K. 
F. Holle, die in warme zucht tot bevordering van de ontwikkeling der 
Inlanders door niemand overtroffen wordt, de vervaardiging van een stel 
schoolprenten voor het onderwijs op Java heeft opgedragen. 

Nu weet ik wel dat de wajang-poppen juist geene groote kunstwaarde 
bezitten, en dat de meeste Javaansche teekeningen gebrekkige producten 
zijn. Ik wilde trouwens vooralsnog alleen bewijzen, dat de Islam voorden 
Javaan geen onoverkomelijke hinderpaal is, om zich met de beeldende 
kunsten bezig te houden. 

Maar wrij kunnen toch een schrede verder gaan, en wel degelijk bev^- 
zen bijbrengen dat de Javanen aanleg voor de schoone kunsten bezitten 
en dat Java kunstenaars voortbrengt die niet zonder verdienste zijn. Waar- 
schijnlijk zouden die bewijzen menigvuldiger zyn, indien de Europeanen 
meer aandacht aan deze zijde van het Javaansche volksleven geschonken 
hadden. Maar terecht zeide de heer van den Dungen Bille voor eenige 
jaren in het Indisch Genootschap: :»Het egoïsme van Nederland heeft meer 
een studie van den Javaan als landbouwer gemaakt. Immers door bemid- 
deling van den Javaanschen landbouwer moe^ vooral, en bijna alleen, het 
batig^ slot worden overgewonnen." 



221 

De muz^k willen wy buiten beschouwing laten; wie zal eens de Ja- 
vaansche muzijk tot het voorwerp zijner byzondere studie maken , en ons 
den sleutel geven tot het recht verstand harer eigenaardigheden? Wie zal 
ons in staat stellen haar te waardeeren, gelyk zij door zeer enkele Euro- 
peanen op Java gewaardeerd wordt? Wie zal ons althans eenigermate het 
enthusiasme doea begrijpen, dat zij — schoon in zeldzame gevallen — wel 
eens ook bij hen opwekt, die in de Europeesche muzyk geen vreemdelingen 
zijn? Maar wij willen ons tot de beeldende kunsten en wat daarmede nau- 
wer verwant is bepalen. 

Wat wij echter niet geheel met stilzwijgen vallen voorbijgaan, is de 
nijverheid, voor zoover zij in haar streven naar fraaie vormen en bevallige 
sieraden aan de kunst verwant is. De fraaiheid van het Indische manden- 
en vlechtwerk is algemeen bekend; zelfs vele minder beschaafde stammen 
van den Archipel kunnen daarin met den Javaan wedijveren. Kunstdraai- 
werk, allerlei sierlijk werk in ivoor, hoorn, schildpad, bamboe, (jzer, 
goud, zilver wordt door inlandsche werklieden zoo op Java als elders in 
den Archipel geleverd. De patronen der gebatikte en in kleuren geweven 
kleedjes zijn niet geheel de aandacht onwaardig; aan huisraad van i\jnere 
houtsoorten vervaardigd, wordt dikwijls opmerkemke zorg besteed. 

De Javaan mist geenszins de zucht om zijne woning te versieren; het 
is zyne armoede die er hem doorgaans van terughoudt. Waar meerdere 
welvaart eenige meerdere weelde gedoogt, wordt zij zelden gemist. De 
heer van der Wijck, in zijne brochure »onze Koloniale Staatkunde,'' vrijst 
ons op enkele voorbeelden. }»0p het eiland Bawean," zegt hij, »zijn de 
woningen vrij net en beter gemeubeld dan elders op Java. Het pronkstuk 
in ieder huis is een groot ledikant, dat niet behoeft onder te doen voor 
die in menige Europeesche woning; een paar planken, bij wyze van étagèrOi 
zijn meestal ruim met aardewerk en porcelein versierd." Ook wijst hy 
op Djampang Tengah, een afgelegen district aan Java's Zuiderstrand, schier 
nooit door Europeanen, en zelden door inlandsche hoofden bezocht. Er is 
daar een dorp waar vele Inlanders zijn gevestigd die lang te Batavia by 
Europeanen in dienst zijn geweest. Dat dorp toont zijne welvaart in de 
bijzondere netheid der met kunstig snijwerk versierde woningen. 

Die meerdere weelde in huisraad, en in verband daarmede een hooger 
ontwikkelde nijverheid schijnt echter vooral te huis te zijn in de residentie 
Japara, waar de handel veel welvaart verspreidt. Hooren wy b. v. wat 
Poerwo Lelono in zijne reis over Java van Koedoes zegt: 7>ïk bezocht de 
woningen van de kampong-lieden en was verwonderd, dat de galerijen 
van die woningen geheel uit planken bestonden die van boven tot beneden 
uitgebeiteld zijn met fyn en schoon lofwerk, waarachter goudpapier is gelegd, 
om het lofwerk te meer te doen in het oog vallen. De pleinen voor de 
huizen zijn zeer schoon, en elk huis heeft een put met een steenen kom, 



222 

waarin waderbang-visschen gehouden worden." Ook maakt de heer van den 
Dungen Bille in de bovenaangehaalde rede gewag van :»de in Hindoe-stij^ 
kunstig en fraai gesneden houten bedsteden, meest ten behoeve van den 
gegoeden Javaan vervaardigd, waardoor de residentie Japara bekend is." 

Het snijwerk aan woningen en huisraad vormt een gemakkelijken over- 
gang tot de kimst van den * beeldhouwer, die nog altijd op Java in eere 
is. In eene korte aanteekening over den Javaansehen kunstenaar Raden 
Saleh, in den jaargang 1851 van dit Tijdschrift, deel II, bl. 273, zeide de 
toenmalige Redacteur, de heer van Hoëvell, die Java in alle richtingen 
bereisd had : :»ik heb in de dessa's menschen gevonden die het, door eigen 
oefening, in handwerken, in het kunstsnijden, in het beeldhouwen en 
andere vakken tot eene verbazende hoogte gebracht hadden." In zijne 
3!>Reis over Java," Deel I, blz. 130, verhaalt dezelfde schrijver, dat de in 
1829 gestichte Protestantsche kerk te Rembang prijkt met een predikstoel, 
waarvan het voetstuk zoo kunstig en smaakvol met wijngaardbladen en 
druiventrossen is uitgesneden, dat zij een meesterstuk van Javaansche kunst 
mogen genaamd worden. Ook de heer van den Dungen Bille kent zulke 
Javaansche kunstenaars: »Te Malang heb ik een beeldhouwer in steen 
gekend, wiens werk (kleine kopijen naar oude beelden en tempels) door 
den besten Europeeschen kunstenaar niet zou kunnen verbeterd worden. 
Het was een gunst als hij iets voor u maken wilde; hij liet u lang wachten 
en veel geld betalen. Un vrai artistel" 

En hoe men ook over de waarde van het meerendeel der Javaansche 
teekenproeven moge oordeelen, zeker is het dat Java het eenige Mohamme- 
daansche land is dat een schilder heeft voortgebracht vriens naam eiken 
vriend der kunst in het beschaafd Europa gemeenzaam bekend is. Ik 
noemde reeds den naam van Raden Saleh. Meermalen is in dit Tijdschrift 
over hem gesproken. De aanleg voor de kunst dien hij reeds in 
zijne jeugd vertoonde, de wijze waarop die bij hem gevoed en ontwikkeld 
is, zijn bezoek in Europa en de roem dien hij in Frankrijk en in Duitsch.. 
land niet minder dan in Nederland door zijne schilderstukken oogstte, zijn 
reeds in den achtsten jaargang (1846), Deel I, bl. 276, geschetst. Toen hy 
in 1851 naar Java terugkeerde, wijdde het Tijdschrift, welks Redacteur 
inmiddels van Java naar Nederland verhuisd was, op nieuw eenige 
regelen aan dezen kunstenaar, ter begeleiding van het portret van den man 
die in Europa door de scheppingen van zijn genie den roem van zijn Va- 
derland had bevorderd. Elders (»uit het Indische leven", bl. 135,) heeft de heer 
van Hoëvell eene schilderij van Raden Saleh beschreven, die een der paleizen 
des Konings versiert. »Eene meesterlijke greep heeft hij in de dierenwereld 
van Java gedaan. Eene vrildernis, eene graswoestijn, die, gelijk meermalen 
gebeurt, in vlammen staat — en hier een sterke, loodrechte, onpeilbaar 
diepe afgrond. Daar nadert de alles verterende vuurgloed. Twee t^jg^s, 



223 

een wilde stier, herten en reeën zijn er voor gevlucht, tot den rand van 
dien afgrond. Een der tijgers, zweeft er reeds boven en houdt zich kramp- 
achtig vast. Geen bloeddorst meer in zijn oogen, maar angst en vertwij- 
feling; geen woede meer uit de blikken van den stier, maar schrik en 
ontzetting; geen vrees meer voor den tijger bij de herten en de reeën, 
maar siddering voor den naderenden brand! Het gemeenschappelijk gevaar 
heeft de dieren bijeengebracht en den eindeloozen oorlog doen vergeten I" 

Deze weinige vluchtige herinneringen, om ons nog eens weder eene der 
gaven van den zoo vaak miskenden Inlander op Java beter te doen waar- 
deeren, werden mij in de pen gegeven door de gelegenheid die zich mij 
voordeed, om aan de lezers van dit Tijdschrift eene kopij van een echt 
Javaansch kunstproduct aan te bieden. Het is eene afbeelding van den 
vierkanten tempel van Mekka, de heilige Kaaba of Ka'ba, het doel van de 
bedevaarten der Moslemen , met de galerijen en gebouwen en gewijde hoog- 
ten die hem omringen. De oorspronkelijke teekening, vijfmaal grooter, zoo 
ik mij wel herinner, dan deze kopij, werd vervaardigd door een hadji uit 
de Preanger-regentschappen; het is een teekening naar de natuur. De heer 
E. F. Holle, van wien ik boven reeds gewag maakte, liet die teekening 
verkleind photographiëeren , en zond van die photographie een exemplaar 
aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen , wier leden mij op mijn 
verzoek zonder eenige aarzeling toestonden, daarvan eene kopy in steen- 
druk ten behoeve van dit Tijdschrift te doen vervaardigen. De toezending 
der photographie ging gepaard met de belofte, dat zij door eene tweede 
zou gevolgd worden, welke de moskee te Medina zal voorstellen, geheiligd 
door het graf van den Profeet. Ik durf mij vleien dat het mij zal veroor- 
loofd worden ook van die tweede teekening eene kopij aan onze lezers 
voor te leggen. 

Men zal zich wellicht verwonderen, de vooroordeelen der Moslemen in 
aanmerking nemende, dat een Javaansch kunstenaar, en nog wel een zoo- 
danige die door zijne bedevaart de oprechtheid van zijn geloof toonde, het 
gewaagd heeft die vooroordeelen te trotseeren, en zelfs de meest eer- 
waardige heiligdommen die de Islam heeft aan te wyzen, tot het voor- 
werp zijner navolging door de teekenstift te kiezen. Men moet zich evenwel 
voor een te absolute meening wachten omtrent de wijze waarop de Moslem 
het verbod van eenig beeld of gelijkenis te maken opvat. De gevoelens 
omtrent dit verbod zijn onder de Mohammedaansche wetgeleerden zeer 
uiteenloopend. Het is vooral de nabootsing van hetgeen leven heeft die 
hun een gruwel is, en meer bijzonder die van den mensch. £r zijn er die 
elke nabootsing van levende wezens op straffe der hel ongeoorloofd achten ; 
er zijn er ook wier toegevendheid zoo ver gaat, dat zij de afbeelding van 
bet menschelijke lichaam veroorloven, mits men zich slechts voor die 
van het aangezicht wachte. De Arabieren,, die in hun afkeer van de 



224 

beeldende kunst het verst gaan, veroorlooven echter het vervaardigen van 
platte gronden en teekeningen van de heilige plaatsen. Wel meen ik mij 
te herinneren dat men den geheimzinnigen dood van den bekenden Ab. 
doe'Uah ben Abdi'l-Kadir van Singapore, toen hij op zijne bedevaartsreize 
Mekka bereikt had, bij gissing heeft toegeschreven aan het fanatisme dat 
hem het gebruik der teekenstift tot afbeelding der heilige plaatsen euvel 
duidde, maar in Burton's »Pilgrimage to el-Medinah and Meccah," vinden wij 
eene schets van Medina door een inlandschen kunstenaar, ook overgenomen 
in Professor Dozy's werk »het Islamisme," die de opgave van den ge- 
noemden Engelschen schrijver, dat afbeeldingen der heilige plaatsen niet 
ongeoorloofd geacht worden, ten volle bevestigt. De afbeelding van de 
Ka'ba in Relands werk »de religione Mohammedica" is evenzeer, schoon 
zoo goed mogelijk van de fouten van het origineel gezuiverd, naar de ge- 
gebrekkige teekening van een Turkschen kunstenaar gevolgd, en die in 
Niebühr's }i>Beschrijving van Arabië" is naar een teekening in een Arabisch 
boek gecopiëerd en naar een Turksche schilderij verbeterd. De schilder 
dezer laatste had acht jaren te Mekka doorgebracht, en zijn brood gewon- 
nen met teekeningen van de K'aba aan de pelgrims te verkoopen. Ik zelf 
ben in het bezit geweest van gruweUjk slechte en ongerijmde afbeel- 
dingen van den tempel van Mekka en de moskee van Medina, met 
een sooit van brandverf op glas gemaakt, die langen tijd als erfstukken 
in de familie der Sultans van Pontianak bewaard waren. Men kan die 
fraaie stukken thans vinden in de ethnologische verzameling van Natura 
Artis Magistra te Amsterdam, waaraan ik ze voor eenige jaren geschonken heb. 
Bovendien is geene andere Mohammedaansche bevolking op dit punt zoo 
streng als de Arabieren. DeAlhambra, het beroemdste monument uit den tijd 
derMoorenin Spanje, bevat een tal van schilderijenen fresco's; de Perzen 
maken geen bezwaar om de daden van de helden hunner geschiedenis door 
afbeeldingen op de muren of in hunne boeken te verheerhjken, en ik heb Per- 
zische handschriften gezien met miniatuur-teekeningen die de vergelijking 
met de fraaiste middeleeuwsch-Christelijke kunnen doorstaan. In de schat- 
kameren van het Serail te Constantinopel vindt men de portretten van 
de geheele reeks der Turksche Sultans bewaard, al waren het dan ook in 
den regel Grieksche of andere Christelijke kunstenaai^s aan wie de ver- 
vaardiging werd opgedragen. Nadere en meerdere bijzonderheden hierover 
vindt men in d'Ohsson's j>Tableau de l'empire Othoman" (Deel ü, blz. 236) 
bijeengebracht. 

Het is ons reeds gebleken dat de Javaan ook in dit opzicht niet tot de 
strenge Moslemen behoort. De aanzienlijke Javanen schijnen er zelfs niet 
veel bezwaar in te zien zich door teekenstift of photographie te laten 
portretteeren. En daar, zooals wij zagen, ook de strengste opvatting het 
maken van afbeeldingen van de heilige plaatsen niet volstrekt verbiedt. 



225 

is het niet te verwonderen dat de vrome Javaans che bedevaartganger, 
die eene herinnering van zijn bezoek aan de heUige plaatsen wil bewaren, 
gaarne» indien hij daartoe in staat is, eene afbeelding daarvan vervaardigt. 

De Ka'ba is in Europa door verschillende afbeeldingen bekend, en in zoo 
verre mist het werk van onzen Javaanschen kunstenaar de bekoorlijkheid der 
neuwheid. Om mij tot Nederlandsche werken te bepalen, vindt men behalve 
in het aangehaalde boekje van Beland, zulke afbeeldingen in Dozy*s >Is- 
lamisme" en in Keyzer's :>Onze tijd in Indië." Beide zijn kennelijk uit de- 
zelfde bron gevloeid, al geeft Dozy de Ka'ba met hare omgeving, en Key- 
zer meer op zich zélve en op grootere schaal. Die bron is de bekende en 
zeer geroemde afbeelding van den tempel en zijne omgeving ind'Ohsson's 
voortreffelijk werk. De kleine afbeelding in de ^Kerkgeschiedenis in ta^ 
fereelen" is daarentegen naar Niebühr gevolgd. Het blijkt hieruit, en het 
is ook natuurlijk , daar de toegang tot de heilige plaatsen aan ongeloovigen 
ontzegd is^ en weinigen, zooals Burckhardt en Burton, den moed hebben 
dit verbod te trotseeren, dat de oorspronkelijke afbeeldingen van de Ka'ba 
uiterst zeldzaam zijn. Bovendien zijn zij niet allen juist en allen eenigermate 
verouderd, daar de tempel veranderingen ondergaan heeft. Niet enkel dus 
als een Javaansch kunstproduct, maar ook als eene origineele teekening 
van de Ka'ba is het werk van onzen Soendaneeschen pelgrim merkwaar- 
dig. Zij is van een geheel ander standpunt dan de tot dusverre bekende 
genomen, is met conscientieuse uitvoerigheid behandeld, en kan dus alles* 
zins strekken om eene juiste voorstelling van de Ka'ba en hare omgeving 
in haren tegenwoordigen toestand te bevorderen. 

De teekening, of liever de daarvan overgezonden photographische kopij, 
is door den heer Wendel met de grootste nauwkeurigheid gevolgd en te- 
ruggegeven. Het kwam er hier op aan het werk van een Javaanschen 
kunstenaar te reproduceeren, niet het te verbeteren. Ik ben voor de ge- 
breken niet blind, maar voor een kritiek van dit werk is het hier de plaats 
niet. Ofschoon de geheele behandeling wat kleingeestig, het verschiet te hard 
en de perspectief niet zonder fouten is, maakt het geheel een aangenamen 
indruk, en zal het kunnen bijdragen om de valsche voorstellingen te ver- 
1>eteren, die velen zich nog van onze :»Javaantjes" vormen. 

P. J. V. 



BOEKAANKONDIGING. 



Verluznddingen van het Batamaasch Glenootschap van kunsten en 

wetenschappen. Deel XXXni, BcUaviUf 4868. 
Tijdschrift voor Indische taal-, land- en volkenkunde^ uitgegeven 

door het Batav, Genootschap van kunsten en wetenschappen. 

Deel XVI & XVn en Deel XVm aft. 4. 
Notulen van het Batav, Genootschap van kunsten en wetenschap^ 

pen. Ded V, VI & VH aft, \, ^) 



De steeds toenemende belangstelling in de kennis van Nederlandsch Indië 
wordt voorzeker ook inzonderheid bevorderd door de geschriften, die het 
Bataviaasch Genootschap van tijd tot tijd in het licht geeft. Wü hebben 
alle reden ons te verblijden over den grooten voorraad van bouvsrstoffen 
voor de wetenschap, ons daarin geleverd, zoowel op het terrein van ethno- 
graphie als van geschiedenis en linguïstiek. Deze algemeene opmerking is 
mede van toepassing op het deel der verhandelingen en op de beide jaar- 
gangen van het tijdschrift, aan het hoofd dezer aankondiging vermeld. Wi| 
vinden in genoemd deel: 1. Bijdragen tot de kennis van het Hindoeisme op 
Java, door J. F. G. Brumund; 2. Bijdragen tot de kennis der talen en dia- 
lecten, voorkomende op de eilanden Luzon of Lesoeng , Panai of Ilong-ilong, 
Balangingi, Solog, Sangi, alsmede op Noord- en Midden-Celebes, door J. G. 
F. Riedel ; 3. Rapport over 's Compagnie's recht op de Groote-Oost , door 



1) De redactie van dit tijdschrift ontving tot dusverre niet meer afleveringen, 
schoon steller dezes nog enkele later verschenene mocht ontvangen, echter te laat 
om se hier nog te bespreken. 



227 

R. de Klerk, J. E. van Mijlendonk en W. A« Alting. Bij het eerste stuk 
wenschen ^j hier reeds terstond eenige oogenblikken stil te staan. 

In 1862 droeg het Gouvernement, op voorstel van de directie van het 
genootschap, den heer Brumund op eene beschrijving te leveren van de 
Hindoe-oudheden op Java. Na eenige voorbereidende studiën begaf hij zich 
in Juli van dat jaar op reis, om zich door aanschouwing en onderzoek in 
loco in staat te stellen zijne taak te vervullen, doch reeds den' 13 Maart 
1863 overleed hij te Malang, terwijl zyn arbeid nog op verre na niet vol- 
tooid was. De Regeering stelde zijne literarische nalatenschap in handen van 
het bestuur des genootschaps. Het achtte die zoo belangrijk, dat men ter- 
stond tot de uitgave besloot. Hoewel de beschrijving onvoltooid is en men 
hier en daar bespeurt dat de schrijver de laatste hand niet aan zijn werk 
heeft gelegd, gelooven wij toch dat ieder lezer zal toestemmen, dat het be- 
stuur een zeer goed werk gedaan heeft met deze bijdragen door den druk 
openbaar te maken. De inleiding (bl. 1 — 53) behelst eene kritische beschou- 
wing van hetgeen tot dusverre over de Hindoesche oudheden op Java in 
het licht Was verschenen, waaruit blijkt dat de schrijver kennis had ge- 
nomen van alles wat over dit onderwerp was geschreven, dat maar van 
eenig belang was te achten. Het eerste deel, dat dan volgt, bl. 53 — 233, 
heeft tot opschrift: ^Beschrijving van oud-Java's monumenten, beelden en 
andere Hindoe voorwerpen van vereering''. B. beschrijft hier alles van dien 
aard wat hij gezien heeft op zijne reizen door de residentie Bantam, de 
assistent-residentie Buitenzorg, de residenties Preanger Regentschappen, 
Cheribon, Tagal, Pekalongan, Samarang, Bagelen (waar hij alleen de onder 
deze residentie behoorende oudheden op den Diëng bezocht), Djapara, Rem- 
bang, de assistentr-residentie Grissee en de residentie Pasoeroewan. £enaan« 
hangsel op dit gedeelte bevat eene beschrijving der Hindoebeelden van het 
museum van het Bataviaasch Genootschap. B. verschilt namelijk zeer in 
gevoelen van zijne voorgangers, wat de verklaring van verscheidene dezer 
beelden betreft; ook hadden zij het nommer verloren waarop z\j vroeger 
stonden volgens de Beredeneerde Beschrijving door de heeren van Hoëvell 
en Friederich, in de Verhandelingen van het genootschap uitgegeven; bo- 
vendien waren sedert nog andere beelden daarbij gekomen. B. heeft ze nu 
in eene nieuwe orde gerangschikt, waarin hij ze nader doet kennen, ter- 
wijl vele hier gemaakte opmerkingen tevens moeten dienen als voorberei- 
ding tot het tweede deel dezer Bijdragen, bl. 247 — 309, dat beschouwin- 
gen bevat omtrent de beelden, en andere Hindoesche monumenten, die hij 
in zijn eerste deel heeft beschreven. Deze beschouvringen hebben betrek- 
king zoowel op hun bouw, vorm en sculptuur, als op hetgeen zij ons , naai* 
het gevoelen van den schrijver, omtrent oud-Javaanschen godsdienst en ge- 
schiedenis leeren, in verband met hetgeen ons van elders dienaangaande 
bekend is. B. herinnert hier kortelijk aan de Javfumsche legenden omtrent 



228 

voormalige nauwe betrekkingen tusschen de Soendalanden en het overig 
gedeelte van Java, en treedt vervolgens in eene vergelijking van den toe- 
stand der Soendaneezen en Javanen, waarbij hij de aandacht vestigt op het 
onderscheid in beider lichaamsbouw, zeden en gewoonten en taal. Daarna 
gaat hij over tot eene beschouwing van Java's heiligdommen; hij begint 
met de eenvoudigste, de bid- en offerplaatsen en andere heilige plekken , 
voornamelijk in West-Java te vinden, en bespreekt vervolgens de tempel- 
ruïnen en de voorwerpen van vereering, waartoe de hier en daar gevon- 
dene ruwe of somtijds meer of min bewerkte steenen en de verschillende 
beelden behooren. De beschouwing der beelden neemt de meeste plaats in 
van dit tweede gedeelte zijner Bijdragen. B. onderscheidt vier typen van 
beeldhouwwerk, de Paoyao^iaran-, Hindoe-Caucasi8che-,Ma(yapahit-enJavatype. 
Van de juistheid der benamingen van deze typen en der gevolgtrekkingen 
die B. uit deze onderscheiding maakt, zijn wij, met bescheidenheid gezegd, 
nog niet zoo geheel overtuigd; in allen gevalle ontbreekt het hier niet aan 
wenken, waarmede latere onderzoekers hun voordeel kunnen doen. Het zou 
te veel ruimte beslaan, indien wy hier al de kenmerken dezer typen op- 
gaven; wij moeten ons tot enkele voorname bijzonderheden en opmerkingen 
bepalen. De Padja4jaran-type draagt dien naam, omdat zij, zoo niet uitslui- 
tend, dan toch als de heerschende in dat gedeelte van Java wordt aangetrof- 
fen, dat vroeger tot het gebied van Pacfjadjaran behoorde. Z^j staat op 
lager trap dan de overige typen, bevat slechts ruw bewerkte beelden en 
beeldjes en behoort tot den vóór-Hindoeschen cultus op Java. Het laatste 
wordt, naar het ons voorkomt, bevestigd door een aantal dergelijke ruwe 
beeldjes, in de Minahassa, de Molukken en elders in het Oosten van den 
Archipel gevonden, in streken waar aan geen' invloed der Hindoes, maar 
slechts aan vereering van voorouders te denken vaJt. Dit neemt niet weg, 
dat onder hetgeen B. tot de Padjadjaran-type brengt, licht ook een of ander 
kan loopen, dat later zal blijken van Hindoeschen oorsprong te zijn. Wat 
de Hindoe-Caucasische type betreft, die zich voornamelijk kenmerkt door 
Hindoe-Caucasischen gelaatsvorm, slankeren lichaamsbouw en vrijere, meer 
ongedwongene houding, deze is het best vertegenwoordigd door de basre- 
liefs van Bóróboedoer, »dat zich door zijn bouw- en beitelwerk zoo eenig 
onderscheidt, waarin de kunst van het oude Java haar hoogste toppunt 
heeft bereikt". B. vergelekt deze basreliefs met die van Toempang en Pa- 
nataran en vervolgens met het beeldhouwwerk der grottempels van EUora 
en der rotsen van Mawalipoera in Voor-Indië, voor welke vergelijking hij 
echter slechts de platen van Moor's >Hindu Pantheon" en die van het 2e 
deel der ^Transactions of the Royal Asiatic Society" kon gebruiken. Hij zegt 
daarvan o. a.: :»de beelden (van EUora), in de levende rots uitgehouwen, 
zyn, gelyk ook die van Mawaliporam over 't algemeen, van zeer veel groo- 
ter voorstellingen dan die van Boroboedoer's of Java's andere basreliefis* 



229 

Beide bevestigen ook 't geen wij hiervoren zeiden, dat, evenals die van 
Java, ook de beelden van Indië uitdnikking des gelaats en der spierkracht 
missen. Ze komen nog in meer overeen. Het trof ons bij nadere aanschou- 
wing steeds meer te ontdekken, hoe de beelden, zoowel van ËUora als van 
Mawaliporam, in houding des hoofds en der handen, in him zitten en staan, 
een bijzondere overeenkomst met die van Java's basrelief-beelden vertoonden. 
Diezelfde nu eens meerdere, dan eens mindere uitbuiging der heup, de 
eene hand daarop geplaatst, de andere opgeheven. Het komt mij daarom 
voor, dat de beelden van Ellora, Mawaliporam en Java, ook verschillend 
in sculptuur-verdiensten, van ééne school zijn. Van beide plaatsen in Indië 
zijn ze echter veel minder versierd dan die van Java, zij zijn naakter; ook 
de kasika (sjerp om het middelljjf) is hun meest gewone dracht, maar met 
minder zwier van bochten gedragen. Staan de beelden van Mawaliporam be- 
neden die van Boroboedoer, Pi*ambanan en nog zoovele andere Hindoe- 
Caucasische beelden van Java, die van Ellora hebben geen voortreffelijkheid 
boven hen, indien ik mag gelooven dat, hetgeen ze boven hen zouden heb- 
ben door diepte en schaduw van sommige voorstellingen en door het bijzon- 
der fijne van de lijnen des lichaams en gelaats, geenszins hun eigendom 
is, maar door de teekening of graveemaald hun geleend". Ook de Egyp- 
tische en Assyrische beelden worden vervolgens in het kort met de Ja- 
vaansche vergeleken en het resultaat is, hetgeen reeds eene oppervlakkige 
beschouwing een ieder leeren kan, dat zij in kunstwaarde zeer ver ten 
achter staan bij die der Hindoe-Caucasische type. B. besluit zijne beschou- 
wing van deze type met de mededeeling van Wilsen's meesterlijke kunst- 
beschouwing omtrent Bóróboedoer's beelden en basreliefs. 

Nevens de genoemde classificatie, die op het beeldhouwwerk betrekking 
heeft, maakt B. nog eene andere onderscheiding »naar aanleiding van het 
karakter en de voorstelling der beelden." Hij verdeelt ze in dit opzicht 
:»in die van zuiver Indischen oorsprong, behoudens eenige afwijkingen, en 
in die van gemengd karakter, op Java geboren, vder Indische oorsprong 
nog na te w^zen is, maar viraarvoor we geen plaats in het Indische 
Hindoe-pantheon weten; tot deze brengen we, met de reeds genoemde 
(wat de sculptuur betreft, Hindoe-Caucasische) beelden, ook verscheidene 
der Madjapahitsche groep. Nog een derde en laatste klasse kunnen hier 
de beelden der Javaansche en Padjadjaransche typen vormen, waarin zich 
eindelijk de laatste flauwe herinnering aan het Hindoeïsme verliest. Deze 
behoorden ongetwyfeld grootendeels, ja de meesten geheel, aan een Ja- 
vaansche of Polynesische cultuur en waren zeer waarschijnlijk voorwerpen 
van een zeer beperkte, locale vereering." 

Het nauw verband waarin de beschaving van Bali tot die van Java 
staat, moest B. er toe leiden in zijne verhandeling ook de tempels en 
beelden van eerstgenoemd eiland ter sprake te brengen. Hg kent aan de 



230 

beelden een afzonderlijke t}rpe toe. »Die Balitype'^ zegt hij op bl. 276, >bij 
den eersten aanblik te herkennen en ook aanstonds te onderscheiden van 
alle andere, bestaat in een ietwat tandakkenden stand der beelden, in 
het midden eenigszins gebogen, zoodat het bovenlijf vooruitkomt, terwijl 
het lichaam, armen en beenen gewrongen, kmistmatig gedraaid zijn. De 
larong of het kleed, om het midden geslagen, hangt gewoonlijk in een 
breeden dikken plooi voor en achter tusschen de beenen af. Het bovenlijf 
is naakt, met verschillende versierselen aangedaan, die, evenals de hoofd- 
tooisels en kroonen, veel overeenkomst met die der Javaansche wajangpoppen 
hebben. Het gelaat heeft dikwijls eenige uitdi^ukking, iets wat ten eenen- 
male bij de Javabeelden gemist wordt, die er alle even effen of juister 
zielloos uitzien. Deze type is thans de geijkte, waarbuiten of waarboven 
ieder fatsoenlijk Balineesch beeldhouwer niets weten wil; waarnaar hij zich 
ook te voegen heeft, wil hij niet aangezien worden voor een excentrieken 
gek, die de schendende handen durft slaan aan de heilige adatwetten der 
kunst." Iets verder zegt hij: »de beelden, door de beoefenaars der Balitvpe 
afgeleverd, zijn van verschillende waarde. Daaronder zijn, die in hun 
soort waarlijk te roemen vallen als kunstvol en fraai, en bewijzen hoe 
een geoefende hand het uit zijn aard leelijke in zekeren zin mooi kan 
maken. Wat anderen ook zeggen, ik kan hun niet toestemmen, dat de 
beeldhouwkunst op Bali weinig beteekent. Wat ik daarvan in de landen 
van Bangh, Kloegkoeng en Gianjar, de zetellanden van Bali's beeldhouw- 
kunst, zag, heeft mij van het tegendeel hunner bewering overtuigd 

Wij mogen zeggen dat de beeldhouwkunst van Bali in een zekeren bloei- 
tijd verkeert, althans in de zetellanden, moge ze ook in andere, gelijk te 
Boeleleng, Tabanan en Djembrana, weinig beoefend of verwaai'loosd wor- 
den." B. merkt nog op dat de beelden op Bali uit eene zachte steensoort of 
leem gesneden worden, zoodat men de vervaardigers met meer juistheid 
beeldsnijders dan beeldhouwers zou kunnen noemen. De Balineezen maken 
echter ook beelden van hout, die zij tevens beschilderen, ook kleinere en 
zeer fraai gesnedene, van elpen- of vischbeen enz. Ook getuigt B. vele 
verdienstelijke en-relief s, hier en daar ook veel verdienstelijk ornament- en 
lofwerk op Bali gezien te hebben. Wy verblyden ons hier de getuigenis 
van een alleszins bevoegd persoon te vernemen, dat het den Balineezen 
ook in dit opzicht niet ontbreekt aan aanleg, zoodat wij te meer wen- 
schen dat hun smaak gelouterd moge worden. 

In het laatste gedeelte van zijn arbeid dat tot ons gekomen is, zet B. 
de redenen uiteen, waarom hij alle vóór-Mohammedaansche legenden der 
Javanen onhistorisch en ongeloofwaardig acht, en dus ook niet kan aan- 
nemen dat de stichting van Padjadjaran uitgegaan zou zijn van Djênggala 
en dat Madjapahit een dochterrijk zou wezen van Padjadjaran. Eerst 
sedert de zegepraal van den Islam treedt de geschiedenis van Java uit de 



231 

nevelen, waarin zij tot nog toe gehuld was, allengs meer en meer aan 
het licht, namelijk door de berichten der Javaansche kronijken of zooge- 
naamde Babad's, als men die met de noodige kritiek leest en in verband 
beschouwt met de mededeelingen van Europeesche schrijvers. Als een niet 
onaardig staaltje ten bew^ze van de willekeur waarmede de Javanen som- 
tijds omspringen met hetgeen zij als geschiedboeken beschouwen, meldt B. 
dat de zoon van den Javaanschen geleerde Rangga Warsita hem te Soera- 
karta verhaalde, dat zijn vader zich met Pakoe Boewana IV, den toenmaligen 
Soenan, eenigen tijd onledig had gehouden met het uitbreiden en verbeteren 
der verhalen van de Anbia, eene op Java zeer geachte geschiedenis der 
Mohammedaansche profeten, en dat ook onze Bijbel hun daartoe bijdragen 
had geleverd. Terwijl B. bezig was zijne gedachten over de babad's ver- 
der uiteen te zetten, heeft de dood hem verrast, zoodat zijne verhandeling 
hier eensklaps wordt afgebroken. Zijn oogmerk, ons mede te deelen 
wat de Hindoesche oudheden ons, in verband met hetgeen wij van el- 
ders weten, van den godsdienst en de geschiedenis, ook van de betrekking 
van het oude tot het tegenwoordige Java zeggen, heeft hij niet mogen 
bereiken. 

Omtrent het meeste van hetgeen B. ons in deze Bijdragen heeft beschre- 
ven, bezitten wij reeds hetzij opperplakkige, hetzij meer uitvoerige berichten 
van anderen. Toch heeft hij menig voorwerp ontdekt waarvan zijne 
voorgangers niet gewagen, en nieuwe, somtijds verrassende • opmerkingen 
gemaakt omtrent reeds lang bekende oudheden. Een aantal nieuwe bouw- 
stoffen voor de wetenschap heeft hij verzameld en hier en daar belangrijke 
wenken gegeven, die tot leiddraad kunnen strekken voor nader onderzoek. 
In dit een en ander, daarin zooveel \jver en nauwkeurigheid, zooveel zelf- 
standigheid van studie en oorspronkelijkheid van opvatting doorstralen, 
bestaat, naar ons inzien, voornamelijk de groote waarde dezer Bijdragen. 
Voor de beoefenaars der archaeologie biedt Nederlandsch-Indië nog een 
ruim veld. Op Java zelf hoort men nog dagelijks van belangrijke nieuwe 
ontdekkingen, gelijk o. a. uit de boven aangekondigde Notulen der be- 
stuursvergaderingen van het Batav. Genootschap en uit het laatst versche- 
nen Koloniaal Verslag kan blijken. Wat Sumatra betreft, onze kennis der 
Hindoesche oudheden van dat eiland blijft nog altijd hoogst gebrekkig te 
noemen. Wat weten wij nog van die van Djambi, Kwantan en meer an- 
dere streken? Ook die van Borneo wachten nog immer op eene goede be- 
schrijving. Men ontdekt in onze dagen nog Hindoesche beelden in streken, 
waar men hun aanwezigheid niet zoo licht zou vermoeden, b. v. op Soembawa. 
Voor de grondige kennis van Java's oudheden en van den ^roegeren godsdienst 
zijner bewoners is eene vergelijking van dS elders in den Archipel gevon- 
dene overbl^fselen uit den Hindoeschen tijd en van de voornaamste oude 



232 

tempels van Voor- en Achter-Indië i) met die van Java eene hoogst 
wenschelijke zaak. Last not least noemen wij hier nog het Kawi; wanneer 
daarover meer licht zal zijn opgegaan, wanneer men de oorkonden in die 
taal genoegzaam zal verstaan, dan zullen ook deze voorzeker veel kunnen 
hijdragen tot aanvulling der leemten in onze kennis van al het andere, 
dat betrekking heeft op Java's toestand gedurende het Hindoesche tijdperk. 
Voor het hier geleverde mogen wij intusschen zeer dankbaar zijn, en in 
het algemeen mag men alleszins tevreden wezen dat zich tegenwoordig in 
Nederlandsch-Indië zooveel belangstelling openbaart om nieuwe bijdragen 
op dit gebied te leveren. *) 

Het tweede stuk in dezen bundel bevat een aantal kleine opstellen in 
het Tagaalsch, Bisajasch, Balangingisch, Sologsch of SoUoksch, Sangisch, in vier 
dialecten der Minahassa: het Bantiksch, Tooemboeloesch, Tooenseasch en 
Tooempakêwasch, voorts in het Mongondooesch , Bolaangsch, Kaidipansch, Boe- 
woolsch, Holontalosch (Grorontalosch), Tominisch, Pahigisch, Pososch, Todjosch, 
Loeinansch, Tooehiasch (door de inboorlingen der Togian- of Schildpad- 
eilanden gesproken), Tomini-Mandarsch en Tomini-Kailisch. Elk dezer op- 
stellen, welker inhoud eene inlandsche fabel is, wordt door aanteekenin- 
gen gevolgd omtrent daarin voorkomende woorden, en aan het slot zijner 
bijdrage geeft de heer Riedel bovendien nog eenige niet onbelangrijke 
mededeelingen, hoofdzakelijk omtrent het taalgebied der hier voorkomende 
talen en dialecten. Om dit aanschouwehjk te maken heeft hy eene dialeo 
tologische kaart bijgevoegd. Omtrent het doel van den schrijver laten 
vrij hem-zelven spreken, waar hij in zijne inleiding (bl. 2) zegt: ]»Het aan- 
wezen eener verzameling van kleine opstellen van gelijken inhoud van al 
de op deze eilandenwereld gebezigde talen en tongvallen, Uefst oorspron- 
kelijke stukken, acht ik geenszins overbodig, ofschoon J. C. Adelung in 
zijn Mühridaies zoodanige Sammlungen T>Curiositaten-(^binette** noemt en 
H. Steinthal in zijne Classification der SprcLchen daarover een afkeurend 
oordeel velt, als zijnde van geen Ttwissenschafüiches Interesse**. Behalve 
dat zulk eene verzameling het onontbeerlijk bouwmateriaal oplevert om 
de talen van onzen Archipel kritisch te klassificeeren, is het aan geen tw^fel 
onderhevig, dat het taalvergelijkend onderzoek daardoor in vele opzichten 
zal worden gebaat. Uit dien hoofde heb ik besloten, bovenvermelde, be- 
paaldelijk ten nutte van den inboorling dezer landen geschreven stukken 
ook met dat doel te publiceeren.'' In eene noot teekent hij daarbij aan: sBij 



1) Eenige tempels en beelden uit het Hindoe-tijdperk op Java vergelijkt Yale 
met dergelijke in Birmah. ('Ancient Javaaese remain8*\ in irJournal of the As. 
Soc. of Bengal,'' 1863.) ^ 

^) De beschrijving van Bdrêboedoer door Wilsen en Bramand is sedert 
in druk verschenen, blijkens het laatste Koloniaal Verslag. 



233 

meerderen vooruitgang der taalwetenschap bestaan er natuurlijk geene beden- 
kingen tegen om deze opstellen, als oude overjarige bouwstoffen, in een j>Our- 
riositdten-Ckxlnnet''^ eene plaats te doen innemen, naast de zoogenaamde :d Vater^ 
Unser-SammfdungevC^ en de talrijke woordenboeken en spraakkunsten, die 
op de leest eener verouderde wijze van behandeling geschoeid zijn". 

Het blijkt uit deze woorden genoeg, dat de hier gegevene opstellen 
door de hand van den heer Riedel zijn bewerkt; in hoever hij daarbij ge- 
bruik heeft gemaakt van de hulp van inboorlingen uit de streken waar 
die verschillende talen en dialecten te huis behooren; of de vijf fabelen, 
waarbij in eene noot eene vertaling is gevoegd, woordelijk uit den mond 
der Inlanders zijn opgeteekend, of in hoeverre dit is geschied; dit een en 
ander is ons niet medegedeeld. Misschien ware het niet ondienstig ge- 
weest dit te vermelden. Men ziet oveiigens dat wij hier slechts eerste 
proeven ontvangen, en de schrijver zelf heeft gevoeld dat men geene bl^- 
vende wetenschappelijke waarde aan zijn arbeid mag toekennen. W^ waar- 
deeren intusschen zijn ijver, en stellen het op prijs dat hij door deze be- 
drage de aandacht der wetenschap heeft gevestigd op het vele dat nog 
aan onze kennis der talen van den Indischen Archipel ontbreekt. W\j hopen 
dat de heer R., die zoo goed begrijpt van welk belang teksten voor taai- 
studie zyn, moge voortgaan ons die nu en dan te geven, doch liefst niet 
in den thans gekozen vorm van gelijkluidende opstellen^ maar fabelen of 
legenden uit den mond des* volks opgeteekend, zooals h\j ons die vroeger 
gaf in het Tooenseasch, Bantiksch enz., en zooals wij die in het Tooemboe- 
loesch aan den heer Wilken danken. Wij hebben meer en ook uitvoeriger 
teksten noodig, en eene zooveel mogelijk getrouwe vertaling en aanteeke- 
ningen zijn daarbij wenscheUjk, indien zij voor de studie van nut zuUen zijn. 

Het heeft mij verwonderd dat de Heer R. Tooe oenboeloe, Tooe oen- 
pakéwa enz. schrijft, tervrijl de zendelingen in de Minahasa, met name 
Wilken en Graafland, die door him langdurig verblijf met de dialecten dezer 
stammen zeer vertrouwd zyn, steeds Toumbulu, Toumpakëwa (Tooemboeloe, 
Tooempakêwa) schrijven. Ook de heer De C. volgt dezelfde schrijfwijze in 
dit opzicht als de genoemde zendelingen i). De b en p nemen liefst eene 
m vóór zich, zooals reeds uit de uitspraak ambia, mimbar, in pi. van anbia, 
minbar enz», kan blijken, en dit geldt niet alleen het Maleisch, maar men 
kan het ook bevestigd zien in andere voorname talen van N. L waarover 
spraakkunsten z^n verschenen % Dat voorts in deze Biydrage hier en daar 



1) Zie zijn opstel: //Toanseasche raadsels"* in het October-nommer van dit 
Tijdschrift voor 18 70. 

>) Mogelijk moeten wij hier echter aan drttffouten denken, want in de aaO' 
teekeningen bij zijne Tooe oenseasche fabelen (in deel 17 van het T^dschrift 
van het Batav. Gto.) vindt men Tooe oemboeloeh en Tooe oempakewa geschreven. 



234 

een aantal drukfouten zyn ingeslopen, heeft de heer de C. in bovenge- 
noemd opstel reeds opgemerkt. Met het oog op den aard dezer opstellen 
is eigenlijke kritiek, die voornamelijk de aanteekeningen zou moeten be- 
treffen, alleszins overbodig; niemand zal zich licht daartoe geroepen of be- 
voegd achten; liever zeggen wij den Schrijver dank voor zijne aanhoudende 
warme belangstelling in de linguïstiek van N. I. 

Naar aanleiding van een bericht dat de Engelschen zich op Salawati, een 
eiland bij Nieuw-Guinea, gevestigd en daar een fort gebouwd zouden heb- 
ben, benoemde de Indische regeering in 1761, op voorstel van den 
Gouverneur-Generaal van der Parra, eene commissie om te onderzoeken: 
»1. welke contracten de CJompagnie achtereenvolgens met de Oostersche Vor- 
sten gesloten had; welk recht en eigendom van vaart, handel enz. de 
Compagnie daardoor, met uitsluiting van alle andere natiën, in diestreken 
verkregen en tot dien tijd zonder ophouden bezeten en uitgeoefend had. 
2. Wat de hooge machten in Europa ter zake of in het algemeen nopens 
de vaart in Indië overeengekomen waren. 3. Welke orders de Heeren en 
Meesters met betrekking tot 's Compagnie's privatief recht en eigendom 
in de Oostersche provinciën en tot handhaving van de daarop gegronde 
uitsluiting van alle vreemdelingen gegeven hadden; wat door de Indische 
regeering sedert 's (Tompagnie's eerste vestiging aldaar was verricht; welke 
bevelen zij nu en dan naar aanleiding van Patriasche orders derwaarts 
had gezonden, en welke uitwerking die bevelen hadden gehad op indrin- 
gers in vroegere tijden. 4. Hoedanig het met de ware gesteldheid van het 
eiland Salawati gelegen was en of daar al dan niet goede specerijen groei- 
den. En eindelijk 5. zoo er geene goede specerijen vrilden groeien, of de 
Engelschen alsdan, gedurende hunne postvatting aldaar, die producten ge- 
makkelijk van andere plaatsen zouden kunnen bekomen; zoo ja, van welke 
plaatsen en met welke middelen zulks het best zou kunnen worden belet." 
Tot leden der bovengenoemde commissie werden de heeren R. de Klerk, 
J. E. van Mijlendonk en W. A. Alting benoemd, die den 23 November 
1761 het belangrijk rapport uitbrachten, dat in dit boekdeel ongeveer 74 
bladzijden in 8». inneemt. Ten slotte wordt ons nog gemeld tot welke 
maatregelen de Regeering naar aanleiding van dit rapport besloot. Men 
mag zich verheugen dat dit stuk openbaar is gemaakt, dat zoo geschikt 
is al weder meer licht te verspreiden over de geschiedenis der Compagnie 
en de wijze waarop zij haar monopolie zocht te handhaven. 

Voor de geschiedenis van N. I. vindt men ook veel in de jaargangen van 
het Tijdschrift des Genootschaps, die hier ter sprake komen. Uit Javaan- 
sche bronnen p namelijk een uit het Cheribonsche afkomstige babad^ acten 
van aanstelling door den vorst van Mataram verleend en andere oorkonden, 
de beide laatsten doorgaans in het oorspronkelijk met vertaling medege- 
deeld, geeft de heer Holle hier (Deel 17, bl. 316— 367) bijzonderheden om- 



235 

trent de heerschappy van Mataram over de Preanger Regentschappen en 
bewijst uit die stukken het recht der Compagnie op dit gewest. In zijne 
^Geschiedenis der Soendalanden" (Deel 16, bl. 493—252, en Deel 17, bl. 
177 — 258) levert ons de heer J. Hageman zijne nasporingen en kritische 
beschouwingen over de geschiedenis dezer landstreek, van de oplossing der 
heerschappij van Padjadjaran tot aan hare onderwerping aan het Ëuropeesch 
gezag. De vergelijking van inlandsche legenden met berichten van Europee- 
sche schiijvers strekt tot grondslag van zijn onderzoek. ^) Van dezelfde 
hand ontvangen wij hier nog eene kleine bijdrage getiteld »Joartan weder- 
gevonden". Hij houdt dien naam voor eene verbastering van Djaratan of 
Pe^jarattan, dat volgens een inlandsch handschrift, de Salasila Garsik , de 
naam was van eene handelswijk van Grissee,'waar vele vreemde kooplieden zich 
vestigden, die ze met dien naam bestempelden. In deel 17, bl. 59 — 68, 
deelt dezelfde schrijver eenige belangrijke bijzonderheden mede over deko- 
lonisatie met Europeanen op West- Java, van 1742 — 1760. Het zeer lezens- 
waardig opstel van den heer D. W. SclüfT, :»Kolonisatie op Java" (Deel 17, 
bl. 110 — 177), is geschreven naar aanleiding van eene Nota door Mr. J. 
K. J. de Jonge, die in het rapport der Staatscommissie, benoemd bij ko- 
ninklijk besluit van 16 Juni 1857, ('s Hage, Gebr. van Cleef, 1858) is op- 
genomen. Men ziet daaruit recht duidelijk hoe gebrekkig die kolonisatie- 
proeven op Java door onze voorouders geweest zijn. Dat zij echter ook be- 
langrijke gevolgen hadden, blijkt uit de zeker opmerkelijke bijzonderheid, 
»dat diezelfde boeren-kolonisten, wier geslachtsnamen thans niet meer 
terug te vinden zijn, de eerste grondleggers zijn geweest van de tegen- 
woordige rijke partikuliere landen Gedong Badak, Tjiseroea, Tjikoppo en 

vermoedelijk ook van vele anderen wier naam sedert is verwisseld Ook 

Tjipannas blijkt het eerst door de boeren te zijn ontgonnen; terwijl op de 
plek nabij het wam^e bad, thans het lust verblijf van den Gouverneur- 
Generaal, een hospitaal was opgericht". In het 16e Deel, bl. 1 — 81, geeft 
de heer van der Ghijs e^ne voortzetting van zijne ]^Bijdragen tot de ge- 
schiedenis van het inlandsch onderwijs, aan oHiciëele bronnen ontleend". 
Hierin wordt bijna uitsluitend over dit onderwijs op Java gehandeld. Tot 
de geschiedenis van dit eiland behoort nog de lijst der Sultans van Bantam 
die in de groote moskee der voormalige hoofdplaats begraven zijn. Zij is 
door den Regent van het Noorderregentschap dier residentie (j^Boepatti Ban- 
tam Lor") aan eene inlandsche kronijk (»boekoe sadjarah atawa babad 
Bantam") ontleend. De enkele regelen tekst die daarbij behooren , namelijk 



1) De beer de Jonge (Opkomst van het NederlandschgezaginOost-lDdifi, IV, 
Voorrede) betreurt het terecht, dat de heer H. de oorkonden zei ven met de ver- 
taling daarncfens, en opgave van herkomst en t\jd ivnarin zij vermoedelijk zijn 
vervaardigd, niet mededeelt. 

16 



236 

de opgaven omtrent den duur der regeering, het sterQaar enz. dezer 
vorsten, zijn in het laag-Maleisch (Deel 16, bl. 96). 

Wat Gelebes betreft vinden wij hier historische l^jdragen vandeheeren 
Riedel en Ligtvoet (Deel 17, bl. 505-525, en Deel 18, bl. 43—66). De 
eerstgenoemde handelt over »Het oppergezag der vorsten van Bolaang over 
de Minahasa'\ Hij toetst de berichten van Valentijn dienaangaande aan het- 
geen eene kritische beschouwing der legenden van Bolaang, de Minahasa 
en de Sangi-eilanden hem had geleerd, en komt tot een ander resuttaat 
dan deze geschiedschrijvar. De geschiedenis van de afdeeling Tallo ((Gou- 
vernement van Celebes) door den heer A. Ligtvoet is, wel is waar, gelijk 
hij zelf erkent, tamelyk dor, maar deze dorheid, die hier zeker moeildk 
te vermijden was, laat men zich gaarne welgevallen als men prestelt op 
bouv^stoffen voor de geschiedenis. Zijne bronnen heeft l^j niet nader ver- 
meld ; het bUjkt intusschen genoeg dat hij ook de inlandsche kronijken ge- 
bruikt heeft, i) 

De geschiedenis van Temate onder het bestuur van den gouverneur J. 
W. Cransseu (13 Sept. 1799 — 19 Juni 1807), volgens officiëele stukken, 
hebben wij aan Dr. de Roo te danken (Deel 16, bl. 503 — 536), en aan Ur. 
J. Bousquet een kort bericht omtrent de verovering van dit eiland door de 
Engelschen in 1810, uit mededeelingen van hoogbejaarde personen g^ut 
(Deel 16, bl. 87—91). De heer H. C. van Ëybergen levert in Deel 17, bl. 
489—505, eenige ^^Geschiedkundige aanteekeningen omtrent deNoordkust 
van Ceram, van af het jaar 1816 — 1842*', waarin hij voornamelijk spreekt 
over den zeeroof in de Moluksche wateren, dddr inzonderheid een gevolg 
van het wanbestuur van enkele inlandsche vorsten, de welgeslaagde expe- 
ditie naar. Hatiling in 1822, en de aanstelling van een sultan van N. O. 
Ceram door het Gouvernement in 1826 , die echter reeds in 1832 wegens 
zijn slecht gedrag naar Java werd verbannen. Met een enkel woord maken 
wij nog gewag van de »Lijst der Nederlandsche landvoogden van Tayouan" 
(Formosa) door J. P. C. van der Mark (Deel 16, bl. 259—260) en een 
stukje van den heer £. Netscher, getiteld: »Was Malakka tusschen 1795 
en 1818 eene Nederlandsche of eene Britsche bezitting?" (Deel 17 bl. 
68 — 70.) Tot het gebied der numismatiek behoort de ychronologische lijst 
van gedenk- en legpenningen, eereteekens, vrijmetselaars-, toegang»-, be- 
grafenis-^ bruilofts- en andere penningen, betrekking hebbende op de voor- 
malige en tegenwoordige bezittingen der Nederlanders beoosten de Kaap 
de Goede Hoop,'' door J. S. van Coevorden (Deel 16, bl. 347—352). 

De linguistiek van N. I. is mede door verschillende bijdragen vertegen- 
woordigd. Allerbelangrijkst is die van den heer K. F. Holle (De^I 16, 



O Den tekst der Makassaareche kronijken vindt men in de Makassaarsche 
Chrestomathie van Dr. Matthes. 



237 

b1. 450 — 472), onder den titel: »Vluchtig bericht omtrent eenige lontar* 
handschriften, afkomstig uit de Soendalanden, door Raden Saleh aan het 
Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen ten geschenke 
gegeven, met toepassing op de inscriptiën van Kwali." De heer H. zegt 
daarvan: i^ln het geheel zijn er drie MSS., v^elke helaas alle geschonden 
zijn. Toch is de vondst zeer belangrijk. Zij doet ons een blik werpen, 
niet alleen in het godsdienstig, maar ook in het maatschappelijk leven der 
Soendaneezen. Ja, ik kon na de lezing de gedachte niet onderdrukken, dat 
zonder Mohammedaansch fanatisme en aUerlei onderdrukking, in de 350 
jaren die sedert het verschenen dezer geschriften verliepen, er heel wat 
anders van het Soendasche volk had kunnen groeien dan het nu is." De 
beide eerste dezer drie handschriften, — zooals nader gezegd wordt, eigenlijk 
op nipah* en niet op lontarbladeren, — zijn in het Soendaneesch, namelijk 
in een Soendaneesch »dat niet in allen deele door de tegenwoordige Soen- 
daneezen wordt begrepen, en ook in de woordvorming en zinnenbouw hier 
en daar van het hedendaagsche afwijkt, " waarvan dan eenige bijzonder- 
heden vermeld worden. De heer H. meent ten slotte, dat wy hier te doen 
hebben met eene schrijftaal, die eenigszins onder den invloed van Kawi 
en Sanskrit is geweest. De taal van het derde HS. wordt bepaaldelyk 
als Kawi en Sanskrit opgegeven. Het merkwaardige van het eerste H& 
18, dat het in verband sch\jnt te staan met de bekende inscripties van 
Kawali of Kwali en enkele passages 'dier inscripties, waarvan de verklaring 
nog onzeker was, nader opheldert. Het tweede HS., dat van 1440 (1518 — 
19 A. D.) dateert, behelst lessen voor alle standen der maatschappij en 
vergunt (ms daardoor, zooals de verslaggever opmerkt, menig belangrijk 
k|)lge in de inlandsebe huishouding van weleer, hetgeen hiy door mededee- 
Ung van eenige proeven aantoont. Omtrent den inhoud van het dei'de, dat, 
evenals de twee andere, incompleet en bovendien zeer door insecten 
geschonden is, durft H. slechts gissenderwijs te spreken. Het eerste ge- 
deelte handelt over onderwerpen van godsdienstigen aard en verder schijnt 
het, voor zoover hij kon vermoeden, over allerlei onden^'erpen te hande- 
len, die ik hier niet nader behoef te vermelden. Hij acht dit HS. wellicht 
niel geheel van belang ontbloot voor de kennis van het Kawi en vond in de 
beide eerstgenoemde geschriften menige belangrijke bijdrage voor de kennis 
van het oud-Soendaneesch. In eene noot vernemen vrij, dat wijlen Dr. 
Engelmann te Bandoeng zich sedert met de studie dezer HSS. heeft bezig 
gehouden. Wat er na zyn dood van geworden is, is mij onbekend. Naar 
aanleiding van zijn bericht omtrent die handschriften laat H. op het daar- 
over medegedeelde nog tekst en vertaling met enkele aanteekeningen 
volgen van de inscripties op de beide steenen van Kawali, waarbij hij 
xyne lezing nevens die van den heer Friederich plaatst, van wien hij hier 
en daar tamelyk verschilt. Deze bedrage van den heer H. is overigens 



238 

nog met eenige noten van de heeren Cohen Stuart en Engelmann verrijkt. 
In hetzelfde deel van het Tijdschrift geeft de heer Holle nog een :»voor- 
loopig hericht omtrent vijf koperen plaatjes, door Radhen Saieh gevonden 
in een offerhuisje bij de kampong Këbantënan, onder Bëkasih, p. m. vijf- 
tien paal van Batavia." Men vindt hier den getransscribeerden tekst der 
opschriften van die platen met eene vertaling van verreweg het grootste 
gedeelte. Het zijn piagëm's van Padjadjaran, door den Oppervorst uitge- 
reikt ten behoeve van heilige gronden of zoogenaamde përdikan's. ^Verder," 
zegt H.y }i>wordt hier bevestigd , dat Padjadjaran uit kleine vorstendommen 
was samengesteld, wier hoofden veel van onze leenmannen moeten hebben 
gehad; dat er uitgaande rechten werden geheven en vrijstellingen ver- 
leend .... en eindelijk, dat men er toen reeds een grooten weg op na- 
hield.*' De taal der platen is oud-Soêndaneesch, en H. vermoedt dat zij 
350 — 400 jaar oud zullen zijn. In denzelfden jaargang, bl. 377 — 379, vindt men 
nog eene poging van den heer H. tot verklaring van den naam der resi- 
dentie Bagëlen. Het 17de deel bevat mede onderscheidene stukken van 
denzelfden schrijver, waaronder twee van linguistischen aard. Het eene is 
eene nieuwe poging tot verklaring van het opschrift op den bekenden Batoe 
toelis in Buitenzorg. Het bezit van meer hulpmiddelen dan de eerste ver- 
klaarder, de heer Friederich, bezat, bracht den heer H. op het denkbeeld 
deze nieuwe proeve te geven. Wij hopen gaarne met hem dat hij daar- 
door de volledige lezing en verklaring eene schrede nader zal hebben ge- 
bracht. In het andere stuk ontvangen wij eenige Soendaneesche raadsels, 
tekst en vertaling; sommige daarvan zijn inderdaad niet onaardig. Een op- 
stel van den heer Cohen Stuart (deel 17, bl. 548 — 558) handelt over de 
beschreven balken, afkomstig uit de troonzaal van den voormalige kraton 
te Martapoera in de Zuider- en Oosterafdeeling van Bomeo. De taal der 
inscripties op die balken is, voor zoover dé heer C. S. kon nagaan, de ge- 
wone taal der nieuwere Javaansche poëzij; de inhoud wordt terecht vrij 
• beuzelachtig genoemd. Het merkwaardigste is, dat die inhoud bijna woor- 
delijk teruggevonden wordt in het begin van een Javaansch handschrift in 
dichtmaat, dat bij den heer C. S. berust, zooals blijkt uit den tekst der 
passage, die hij met eene vertaling mededeelt, als men dien vergelijkt met 
den tekst der inscripties, die ons mede hier gegeven wordt. Daar de Ja- 
vaansche letters der opschriften van geen boven- en onderteekens (san- 
dangan) voorzien zijn, is het geen gemakkelijk werk geweest die te ont- 
raadselen, en zonder de hulp van bovengenoemd handschrift moest dit bijna 
onmogelijk zijn. 

Met betrekking tot het Maleisch wordt ons eene bijdrage aangeboden 
vtiii den heer von Dewall, namelijk eene »Lijst van eenige in het Ma- 
leisch gebruikelijke woorden van Sanskritschen oorsprong, waarvan de 
afstamming in de woordenboeken van Roorda van Eysinga (1825), Elout 



239 

(Marsden, 1825), Roorda van Eysinga (Manuscript, 1847), Crawfurd (1852) 
en Pijnappel (1863) niet aangetoond is" (Deel 16, bl. 381— 392). Daar- 
onder zijn echter twaalf woorden die wel bij Crawfurd voorkomen, doch 
hier opgenomen zijn, omdat Crawfurd in zijn woordenboek den Sanskrit- 
schen oorsprong alleen door (S) aanduidt, zonder het Sanskritsche woord 
zelf te vermelden. Nasporingen van dien aard hebben gewis groot nut 
voor de kennis van het Maleisch, zoodat wij den heer v. D. dankbaar mo- 
gen zijn voor zijne bijdrage. Bij nader onderzoek zal hij-zelf denkelijk wel 
sommige der hier gegevene afleidingen terugnemen en misschien den Sans- 
kritschen oorsprong van nog andere woorden in het Maleisch ontdekken. 
Van den eersten wetenschappelijken beoefenaar van het Lampongsch, den 
heer H. N. van der Tuuk, hebben wij hier tejvermelden eene »Proeve 
van een vergelijkende woordenlijst van Lampongsche tongvallen," te w/b- 
ten van het Teloek-Betoengsch en het Aboengsch. Zij bevat nagenoeg een 
honderdtal woorden, en de schrijver heeft, waar het te pas kwam, ook 
andere talen van N. L, een enkele maal ook het Sanskrit en Arabisch, ver- 
geleken. Wij mogen hier in het voorbijgaan wel aanstippen, dat in een 
volgend deel van het Tijdschrift eene meer uitvoerige bijdrage over het 
Lampongsch van zijne hand voorkomt, en dat men, zoo wij hopen spoedig, 
ook een Lampongsch leesboek van hem mag verwachten. Overigens weet 
men dat hij reeds vóór zijn laatste vertrek naar Indië een aantal Lam- 
pongsche teksten, het eigendom van den heer Sloet van de Beele, in het 
licht heeft gegeven. *) 

In hetzelfde deel doet de heer Riedel ons een paar Alfoersche dialec- 
ten der Minahassa, waarover nog niets in druk verschenen was , eenigszins 
kennen door zijne Tooe-oenseasche fabelen en Bantiksche legenden, waar- 
aan hij ook eene vertaling en aanteekeningen heeft toegevoegd. Een an- 
der door hem ingezonden stuk: »De bekentenis van een Holontaloschen 
ponggoh", is niet alleen eene bijdrage tot de kennis der taal van Gorontalo 
(Holontalo), maar maakt ons ook met een in die streek heerschend volks- 
geloof bekend. Verder geeft hij ons nog twee stukken in het Siawoesch, 
een dialect der Sangi-eilanden, beide met vertaling, namelyk eenigevolks- 
]ie4jes en eene beschrijving der uitbarsting \'an den vulkaan Awoeh-Taroena 
in 1856. Het is te hopen dat al deze eerste proeven weldra door uitge- 
breidere bijdragen, als vruchten van nader onderzoek, gevolgd mogen 
worden. 

De hier vermelde stukken van linguistischen aard kan men meerendeels 
evenzeer beschouwen als bijdragen tot de ethnographie van N. L Meer 
bepaaldelijk tot dit gebied en tot dat der geographie behooren een aantal 



1) Les manu8crit8 Lampongs en possession de Mr. Ie baron L. A. J. W. 
Sloet van de Bedle, publiés par H. N. van der Tuuk, Leide, 1868. 



.240 

andere bijdragen. Van algemeene strekking zijn die van de heeren A. Pruys 
van der Hoeven , den bekwamen schrijver van het »Woord over Sumatra", 
en C. Wallbeehm Sr. De eerste is getiteld: »Iets over den bruidschat bij 
eenige volken van den Indischen Archipel , bewerkt naar aanleiding van de 
ofïiciëele bescheiden , bij den brief van den eersten Gouvernements-secretaris 
van 4 Febr. 4863, No. 312, aan het Genootschap aangeboden" (Deel 16, 
bl. 277 — 289). Die van den heer Wallbeehm is eene lijst van de voor- 
naamste inlandsche ambtsbenamingen, met korte aanduiding der aan de 
betrekkingen verbonden werkzaamheden en voorrechten enz. Op Java heb- 
ben betrekking (in Deel 16): de mededeeling van den he«r Gramberg om- 
trent den Batoe toelis, niet den vroeger vermelden van Buitenzorg, maar iets 
geheel anders, namelijk den naam eener straat te Batavia ^ waarin eene 
zerk met Kawi^pschrift en een paar beelden gevonden worden, waarop 
hij de aandacht vestigt; voorts de ]»Aanteekeningen op eene reis door het 
westelijk gedeelte van de residentie Bantam^ met de heeren van Hasselt 
en Meaurevert, in 1823," door I. Th. Bik, van geographischen of veeleer 
topogi*aphischen aard en van weinig belang, en het verslag van den in- 
genieur G. A. Pet omtrent een steenen trap, in 1865 of 1866 aan den 
voet van den Soembing en Sindard ontgraven , een merkwaardig overb^jfsel 
uit den Hindoetijd en zeer goed bewaard, in tegenstelling met den trap 
tusschen het Diëng-plateau en het meer Tjebon, dien P. ter rergelyking 
hier mede beschrijft. Vooral mogen wij hier de ^Snippers" van dai heer 
Holle (in Deel 16 en 17) niet vergeten, die ieder wel eene aangename 
versnapering zal noemen. Als^wij niet vreesden dat deze aankondiging te 
groote uitgebreidheid zou krijgen, zouden ^vij er gaarne enkele van af- 
schrijven. 

Omtrent Sun\atra mogen wij op belangrijke mededeelingen vrijzen be- 
treffende streken, waarvan wij tot nog toe niet veel meer wisten dan het- 
geen Anderson in zijne »Mission to the East coast of Sumatra" in 1823 he^ 
vermeld. In het 17e deel van het Tijdschrift worden die aangetroffen on- 
der den titel: :»Bijdragen tot de kennis van Sumatra's Noord-Oostkust. I. 
Rapport over eene reis van Tandjong Balei naar de omstreken van Pasir 
Mendagei , bovenlanden van Asahan, door den CJontroIeur Ie klasse A. C. 
van den Bor. H. Aanteekeningen gehouden op eene reis naar de mai*kt- 
plaats (pedagangan) der Lima Laras , vier dagreizen de rivier van Ba- 
toe barah opwaarts gelegen, door den Controleur Ie klasse L. de Schee- 
maker, in. Memorie van overgave van het bestuur over de afdedimg 
Bila en Panei, door den Controleur Ie klasse J. C. F. VigeHus. IV. 
Nota betreffende het landschap Batoe barah, door den Contaroleur Ie 
klasse L. de Scheemaker. V. Extract uit eene aanteekening van den Contro- 
leur van Panei en Bila". Een paar schetskaaiijes van den loop der Alk 
Silouw, een tarief van de vi'oeger in Batoe barah geheven rechten van 



341 

in- en uitvoer in het Maleisch ^), en de afbeelding in houtsnede van eene 
»zoo eenvoudige als vernuftige inrichting", door de inlanders te Tratak in 
de bovenlanden van Asahan bij de bereiding van rietsuiker gebezigd, om 
het overkoken van het vocht te beletten, zyn aan deze bijdragen toege* 
voegd, die niet alleen voor de kennis der geographische gesteldheid van 
N. O. Sumatra, maar ook voor de ethnographie van belang zijn te achten. 
Wy zien daaruit dat men de vestiging van het Nederlandsch gezag in die 
streken eene weldaad voor de bevolking mag noemen, ook in zoover het 
den slavenhandel te keer gaat^ die vroeger tusschen deze kust en Malakka 
werd gedreven. Hetzelfde deel bevat ook eene »Reis naar Si Gompoelon 
en Si Lindong in Maart en April 1858. Bijdrage tot de kennis der Ba- 
taklanden door Mr. W. A. Hennj". De schrijver, toenmaals CJontroleui' in 
Angkola en Sipirok, deed dien tocht in gezelschap van den Controleur 
Cleerens, die door de zware vermoeienisssen eene ziekte opdeed, waaraan 
hij kort na zijne terugkomst overleed. Men heeft reden zich te verblijden 
dat de heer H. op eene reis van zoo korten duur (8 Maart tot 4 April 
1858), voor dienstzaken ondernomen, nog zoo vele bijzonderheden omtrent 
land en volk, als hij ons hier bericht, heeft kunnen opdoen. Hier en daar, 
waar h\j over den godsdienst en de schrijfmaterialen der Bataks spreekt , stuit 
men op onnauwkeurigheden, die uit de geschriften van den heer van der 
Tuuk gemakkelijk te verbeteren zijn. Ook z|jn er een aantal fouten inBa- 
taksche woorden en eigennamen , die men den schr^ver, die de taal niet 
of te weinig verstond, echter niet hoog mag aanrekenen. Eene tabel van 
gelukkige en ongelukkige dagen is bij het stuk gevoegd. Ook ten opzichte 
van het meer zuidelijk gedeelte van Sumatra is onze kennis vooruitgegaan 
door de berichten omtrent de Marga Semendo Darat, in de afdeeling Kom- 
mering, Ogan oeloe en Enim der residentie Palembang, van den heer H. 
Pauw ten Cate (Deel 17, bl. 525 — 548). In een vroegeren jaargang van 
het Tijdschrift des Genootschaps gaf de heer Gramberg reeds eenige me- 
dedeelingen omtrent die landstreek, in een opstel dat tevens over eenige 
aangrenzende streken handelt en ook in dit Tijdschrift (Jaargang van 1866) 
is opgenomen. Het opstel van denzelfden schrijver over Pasoemah ') behelst 
een kort geographisch overzicht, maar handelt overigens grootendeels over 
de geschiedenis van dit landschap (Deel 16, bl. 536 — 559). 

Van hetgeen wij hier in deze beide deelen over Borneo vinden, noemen 
wij slechts het voornaamste, een i>Iets over de bij de Dajaks der Wester- 
afdeeling van Borneo zoo gezochte tempajans of tadjau's," door den adsistent- 



1) De naam is daar «^Batoe Bahra'^ geschreven. 

>) Volgens den heer W. A. van Bees, in het Vaandel, 1870, Afl. 2 en 
volgende, zou men eigenlijk #Besemah** moeten schrijven. 



242 

resident C. Kater, met eenige afbeeldingen van die voorwerpen «), eneene 
levendige beschrijving van het Tiwa (Hardeland in zijn Dajaksch Woorden- 
boek schrijft :»tiwah") of lijkfeest der Dajaks. Laatstgemelde bijdrage is on- 
langs door Sir John Bowring, in het Engelsch vertaald, in eene vergade- 
ring der Royal Asiatic Society te Londen medegedeeld. 

Naar aanleiding van eenige vragen over het grondbezit op Zuid-Celebes, 
heeft de Oouverneur J. A. Bakkers een grondig onderzoek dienaangaande 
ingesteld en deelt hij ons in eene i^Nota betreffende het particulier landbezit 
op Celebes" de uitkomsten daarvan mede. De topographische schets van de 
berg-regentschappen der Noorder-districten van Z. Celebes door G. J. 
Gersen bevat ook een aantal mededeelingen van ethnographischen aard, en 
geeft dus meer dan het opschrift dier bijdrage belooft. De heer Matthes 
schonk ons een opstel, dat zich door grondige kennis onderscheidt, over 
de Makassaarsche en Boegineesche koetika's, d. i. geschriften, tabellen of 
figuren v^aarvan zij zich bedienen om na te gaan v^elke tijd hun gunstig 
zij, v^elke niet. De bij dit stuk behoorende afbeeldingen zijn echter door de 
zeer onachtzame behandeling van den graveur geheel bedorven. (Deel 
18, Afl. 1.) 

In zijne ^Beschrijving van een gedeelte van Ceram," die van eene kaart 
is voorzien, deelt ons de heer H. von Rosenberg veel belangrijks mede van 
geographischen aard met betrekking tot dit eiland; voor de ethnographie 
levert dit vrij uitvoerig stuk slechts hier en daar enkele bijzonderheden, 
het meest nog over het bekende kakian-verbond en de vereering van voor- 
ouders bij de zoogenaamde tampat pamali, waaraan echter slechts een 
paar bladzijden gewijd zijn. Over eerstgenoemd onderwerp (het kakian- 
verbond) ontvangt men een opstel van wijlen den zendeling A. van £kris, 
dat opzettelijk daarover handelt, en nagenoeg dezelfde bijzonderheden bevat 
die hij ook elders (Mededeelingen van het Nederlandsch Zendelinggenoot- 
schap, deel IX) heeft vermeld. Eene voortzetting van Dr. Bernsteins me- 
dedeelingen omtrent zijne reizen vinden wij in het 17de deel, zij betreffen 
de eilanden der Ternataansche groep en zijn de laatste van den sedert 
overleden schrijver. De aanteekeningen op eene reis naar Dorei in 1863, 
van Jhr. W. C. F. Goldman, ten vervolge van Deel XV, bl. 556, geven 
voornamelijk ethnographische berichten over de Papoes, en zijn zeker een 
niet te versmaden toevoegsel tot hetgeen wij van elders omtrent hen weten. 

Over de hierboven aangekondigde »Notulen der algemeene- en bestuurs- 



1) In deel II, bl. 307, der Notulen van de Alg. en EeataursvergaderiDgen des 
Genootsohaps komt een bericht voor omtrent twee aarden potten uit Bëzoeki, waarvan 
één bruin verglaasde, die in kleur en teekening zeer gelijkt op de Bajaksche 
tëmpajans, ^waardoor de traditie omtrent hunne afkomst van Madjapakit in kracht 
schijnt te winnen.*^ 



243 

vergaderingen behoeven wij slechts kort te 2djn. Z^ bewijzen de volijverige 
bemoeiingen der directie en van vele ingezetenen van Nederlandsch Indië 
tot bevordering der wetenschap, voornamelijk door middel van de geschrif- 
ten en van het museum des Genootschaps, en bevatten vele belangrijke 
mededeelingen, vooral over Hindoesche oudheden en over taal- en letter- 
kunde. Zoo vernemen wij daaruit o. a. de ontdekking van een zeer merk- 
waardigen, van een jaartal voorzienen tempel uit den Hindoetijd in Blitar 
(Kediri), door den photograaf van Kinsbergen (Deel V, bl. 75), van een 
trap, die van het Diëngplateau naar de residentie Pekalongan leidde (ib., 
bl. 91 vg.) enz. Een belangrijke vondst is ook die van eene oorkonde op 
twee koperen platen op Bangka, waarover de heer Cohen Stuart een voor- 
loopig bericht heeft g^even (Deel VI, bl 36 en 45). In het onlangs ver- 
schenen vijfde deel van z^n werk : i»De opkomst van het Nederlandsch gezag 
in Oost-Indië", merkt de heer de Jonge (bl. GXXIII) op, dat deze oorkonde 
het ook uit historische bronnen op te maken feit van de suzereiniteit van 
het rijk van Mataram over Bangka bevestigt. Lezenswaardig zijn mede de 
brieven van de heeren Holle en Cohen Stuart, in Deel VU, Afl. 1, en de 
inhoudsopgaven in onze taal van eenige Soendasche boekjes door den 
eerstgenoemde. Maar wij kunnen niet alles vermelden. Een uitvoerig, 
door den heer Janssen bewerkt register bevordert het gemak van het na- 
slaan. Uit al het gezegde moge op nieuw blijken, dat de geschriften die 
het Bataviaasch Genootschap uitgeeft, inderdaad eene goudmijn zijn voor 
allen die belang stellen in de kennis van Nederlandsch Indië. Moge het 
Genootschap nog lang zijne schreden zetten op die baan van vooruitgang! 

G. K. N. 



Ons verdedigingsstelsel, door een infanterist (overdruk uit het 

Militaire tijdschrift van Ned. Indië.)* 



Onder dezen titel komt in het Militaire Tijdschrift, dat op Java het 
licht ziet, een opstel voor, waarin de schrijver zijne denkbeelden over de 
verdediging onzer O. I. bezittingen aan het oordeel van deskundigen on- 
derwerpt* 

De schrijver begint met te verklaren, dat zijne bekwaamheden niet 
gaan boven die van een gewoon infanterie-ofilcier, en drukt zijne overtui- 
ging uit, dat hy de kennis mist, die voor eene goede behandeling van 



244 

z\jn onderwerp zou noodig zijn; h\j zegt dat hij met Java's stranden 
en binnenlanden weinig bekend is, en daarvan ook geene goede kaarten 
heeft kunnen machtig worden, en beweert dat hy nimmer iets over het 
aangenomen stelsel van verdediging gelezen heeft. 

Wjy zouden meenen, dat dit alles hem had moeten nopen, om over dat 
onderwerp het stilzwijgen te bewaren; doch hy ziet daarin eene reden om 
de toegevendheid van deskundigen te 'vragen, wier kritiek h^ inroept, naar 
het ons voorkomt, met het zelfvertrouwen van iemand die zich heime- 
l^k bewust is wat goeds te hebben geleverd. 

Wij, voor ons, hebben zelden in een zoo klein getal bladzijden zooveel onzin 
vereenigd gezien, en ware ons de beoordeeling daarvan niet opgedragen, 
wij zouden het geschrift, schouderophalend, hebben ter zijde gelegd. 

Moeten wij daarom de verwachting des schrijvers op eene toegevende be- 
oordeeling teleurstellen? Ofschoon van nature welwillend gestemd voor jongere 
wapenbroeders, wanneer zij eenige kennis en een gezond militair oordeel 
aan den dag leggen, al is hetgeen zij leverden niet geheel onberispelijk, 
zooals wij getoond hebben in de beoordeeling van het geschrift van Tento, 
getiteld: Java! hoe het verdedigd moet loorden tegen eenen Europeeschen 
vgand? , opgenomen in de aflevering van November 1869 van dit Tijd- 
schrift, meenen wij, nu ons oordeel gevraagd is, geene aanmoediging te 
mogen geven aan een schrijver, die geen zweem van krijgskennis aan den 
dag legt, met de zonderlingste stellingen voor den dag komt, en door ge- 
mis aan studie onbevoegd is, om het publiek over de verdediging onzer 
Koloniën bezig te houden; en dit vooral niet nu hij op grond zijner onbe- 
voegdheid een vrijbrief vraagt om de kritiek te ontwapenen. Wie ongeroepen 
over de verdediging van een land schrijft, zonder zich de moeite te geven 
de geschriften daarover te lezen die onder zijn bereik zijn, *) verdient 
geene toegevendheid, als hij daarover ongerijmdheden zegt. 

Van de 43 bladzijden die het geschrift bevat, zijn er slechts elf aan de 
verdediging, de overige aan bijzaken gewijd. De wijze waarop hij het leger 
in tijd van vrede wil gelegerd hebben, zelfs met bataillons te Serang, 
Cheribon, Pekalongan, Rembang, Pasoeroean en Boejolali, op eenige dezer 
plaatsen zelfs ook artillerie, is allerzonderlingst, nu de ondervinding door 
eene lange praktijk bewezen heeft, dat daar geene troepen noodig zijn, en 
eene goede indeeling toch vordeit, het leger niet zonder noodzaak te 



>) Door het Indische Milit^ije Tijdschrift, dat den schrijver toch bekend moet 
zijn, had hij zich omtrent de hoofdbeginselen van het Indische verdedigingsstelsel 
kunnen onderrichten, ta daarin ook kunnen zien, dat in de afieveringen van 
Juni en Juli 1866 van dit Tijdschrift uitvoerige bgzonderheden daarover zijn 
opgenomen. 



I 

f 



245 

verspreiden, ten koste • van zyne oefening en krjjgstucht, en ten nadeele 
der aigemeene financiën. 

>Het decentraüseeren van de troepen in tyd van vrede," zegt h\j, »heeft 
voornamelijk aan de strandplaatsen ten doel, om met het terrein en de 
kusten behoorlijk kennis te maken, ten einde van ^e dus verkregen onder- 
vinding in tijd van oorlog praktisch nut te trekken." De noodzakelijkheid 
om in tijd van vrede de troepen in het belang hunner oefening en krijgs- 
tucht, en om er voor overzeesche expeditiën spoedig over te kunnen be- 
schikken, weinig te verspreiden, wordt door den schrijver over het hoofd 
gezien, gel^k hy ook niet denkt |aan de financiëele gevolgen van die on- 
noodige verspreiding, welke het oprichten van een tal van kazernen^ 
hospitalen, magazijnen en officiers-woningen noodig, en andere die reeds 
bestaan, nutteloos .zou maken. Buiten de gevallen waarin men er groote 
oogmerken door bereikt, is het toch nimmer raadzaam de bestaande 
toestanden en de ondervinding van het verledene buiten rekening te laten. 

Maar ook in het stelsel van den schrijver is zyne vredes-bezetting niet 
gerechtvaardigd, vermits slechts weinige van |die garnizoensplaatsen over- 
eenkomen met de standplaatsen die hy het leger in oorlogstyd wil doen 
imiemen. Hy wil dan het leger, verdeeld in drie korpsen, die hij brigaden 
noemt, opstellen in Midden-Java te Boejolali, waar de kern van de ver- 
dediging moet zyn, in West-Java te Bandong en in Oost- Java te Kediri. 
Hoe die korpsen elkander ondersteunen en aan de verdediging kracht geven 
moeten, als de vijand zich niet verdeelt en zyne krachten vereenigd aan- 
wendt, om b. V. het korps te Boejolali te vernietigen, zegt hij niet. 
Waarom de keuze op die standplaatsen gevallen is, die geene strategische 
waarde hebben, zegt hij evenmin. Van onze vestingen te Willem I en Tji- 
laljjap, die op geograpbisch-strategische punten liggen, en daarom in de 
verdediging een groote rol zullen hebben te vervullen, spreekt hij niet-^ 
hij schijnt ze geheel te ignoreeren. De linie der Toentang, zoo belangrijk 
om den toegang naar Midden-Java en de Vorstenlanden te sluiten, 
komt in de plannen des schrijvers niet in aanmerking. Dat Boejolali 
noch strategisch, noch taktisch eenige waarde heeft, schijnt hij niet te 
weten, en dat dit punt^ zyn oentraalpunt van defensie, niet eens aan den 
spoorweg van Samarang naar de Vorstenlanden ligt, en deze, onbezet blij- 
vende, in het vo(»*deel van den vyand zal komen die te Samarang of in 
de nabyheid ontscheept, heeft zyne aandacht niet getrokken; hij doet even 
als of die spoorweg niet bestond, en toont daarin zyne onbekendheid met 
de eerste gronden der krijgskunst. 

Terwijl deskundigen vqj algemeen de voordeden erkennen van een ge- 
concentre^d en weinig samengesteld stelsel van verdediging, dat alle 
Bcuddeien vereenigt en met het minste verlies van krachten doet samen- 
werken, en aan een klein leger^ gemakkelijk te onderhouden, te oefenen 



246 

en voltallig te houden, resultaten beloven beter daif die, welke een grooter 
en kostbaarder leger door een meer omvattend stelsel zou kunnen beha- 
len, keurt de schrijver dit af zonder daarvoor goede gronden te geven. 
Wat hij daarover op bla^. 36 in een twaalftal regelen zegt, zijn althans 
geene afdoende argumenten. 

De keuze van een verdedigingsstelsel is geene zaak van subjectieve mee- 
ning. Zij moet steunen op beredeneerde staat- en krijgskundige gronden, 
waarop de geaardheid van het terrein, de militaire geest en het zielental 
der bevolking, de sterkte van het leger en zijne middelen van aanvulling, 
de hulpbronnen van het land, de financiëele krachten van den Staat en 
meer andere zaken van invloed zijn. 

Het is moeilijk den schrijver in zijne denkbeelden te volgen. Curieus 
is het, op bladz. 38 — 40 te lezen, hoe hij den vijand, naar zijne op- 
vatting slechts 16000 man sterk, in twee gelijke deelen gesplitst, gelijktijdig 
eene landing laat doen in het Noorden van Java bij Pekalongan, en in het Zuiden 
van het eiland in de nabijheid der Vorstenlanden, met het doel, zegt hij, 
om zooveel mogelijk gelijktijdig naar Boejolali, zyn centraalpunt, waar 
zijne hoofddepóts gevestigd zijn, op te rukken. Men leze daar ook hoe 
hij te Pekalongan de landing wil beletten met troepen die van Samarang, 
Tagal en Gheribon moeten komen, hetgeen weder niet overeenkomt met 
de opstelling zijner brigades te Boejolali, Kediri en Bandong (bladz. 38). 

In deze analyse zijn wij met het laatste onderdeel van des schrijvers 
geschrift, bladz. 33 — 44, begonnen; hetgeen voorafgaat geeft evenzeer stof 
tot aanmerkingen, waarvan wij er slechts enkele zullen vermelden. 

Onze zeemacht, bladz. 5, acht de schrijver tegen die der Engelschen 
opgewassen en volkomen in staat eene landing te beletten. Daartoe veree- 
nigd te blijven, acht hij niet noodig; hij verdeelt onze vloot in drie eskaders, 
waarvan het eene in de wateren van Oost-, het andere in die van West- 
Java en het derde ter Westkust van Sumatra zal ageeren. 

Op bladz. 8 lezen wij dat de A&ikanen, Madureezen, Boegineezen en Ja- 
vanen van het leger liever met een flink pak slagen, dan met provoost, 
politiekamer of op andere wyze gestraft worden. 

Op bladz. 11 wordt het leger gezegd te bestaan voor één vierde uit 
Europeanen, de helft uit Javanen en het andere vierde uit Amboineezen, 
Afrikanen, Madureezen en Boegineezen. In 1868 was de formatie 11,780 
Europeanen, 545 Afrikanen, 872 Amboineezen en 14,128 andere inlanders 
(Javanen, Madureezen, Boegineezen), derhalve 43*/e ^^n Europeanen, 52^1^ 
aan inboorlingen, en 5®/o aan Afrikanen en Amboineezen. 

Op bladz. 17 en 18 ziet de schrijver wat laag neder op de Djajang- 
Sekars en Pra^joerits, die hij in tijd van oorlog, even als in tijd van 
vrede, slechts politie-diensten zou willen laten doen. Wij meenen dat in 
oorlogstijd de Djajang-Sekars goede diensten zullen kunnen doen als lichte 



247 

kavalerie voor den dienst der voorposten, het éclaireeren op verren afstand 
enz., voor welke diensten onze Europeesche kavalerie minder geschikt zal 
worden bevonden, die bovendien ook meer voor het gevecht zal moeten 
gespaard blijven. Van de Pradjoerits zal men goede partij kunnen trekken 
door ze te bestemmen tot aanvulling van het leger, als de inlandsche 
compagniën op compleet van oorlog moeten gebracht worden, en wanneer 
de aldus bij het leger ingedeelde Pra4Joerits door werving vervangen en 
in de respectieve residentiën gekleed, gewapend en geoefend worden, zullen 
deze nieuwe lichtingen tot reserve kunnen dienen en tot aanvulling der verliezen 
die het leger gedurig . lijden zal. Het is nagenoeg de eenige reserve die 
het inlandsche leger heeft, en uit dien hoofde heeft het Indische legerbe- 
stuur gedurig de wapening en oefening der Pra4joerits trachten te verbe- 
teren en het militaire toezicht daarover uitgebreid. Dit behoort nimmer 
te worden verwaarloosd. 

In eene philippica tegen de verspreiding van het Christendom onder de 
inlandsche bevolking, waarvan de schvijver het vóór en tegen wel nimmer 
uit een wijsgeerig oogpunt zal hebben beschouwd, lezen wij op bladz. 20, 
dat aan den overgang tot het Christendom het voorrecht verbonden is, 
om in voeding, kleeding, traktement en pensioen gelyk te worden gesteld 
met de Europeanen. Wij merken daarop aan, dat, naar luid van Art. 3 
der ^Bepalingen omtrent de invoering van- en den overgang tot de nieuwe 
wetgeving," de tot de inlandsche bevolking behoorende Christenen over ge- 
heel Nederlandsch Indië met opzicht tot het burgerlijke- en handelsrecht, 
alsmede tot de straf-wetgeving, geheel en al zijn gebleven in den rechts- 
toestand, die voor Inlanders en daarmede gelijkgestelden is verordend, en 
dat al de in nieuwe wetgevingen omtrent de laatsten gemaakte bepa- 
lingen ook op hen zullen toepasselijk zijn. 

De generaals de Brauw en Meis noemt de schrijver )>inlandsche kinderen" 
(bladz. 22), waaronder gewoonlijk verstaan worden de kinderen van een 
Europeeschen vader en eene Indische moeder. De generaals de Brauw en 
Meis hadden Europeesche vaders en moeders, en zijn in Europa geboren. 

Uiterst vreemd was het ons, op bladz. 24 te lezen,dat de schrijver onder 
de mannelijke Chineezen van 18 — 20 jarigen leeftijd de algemeene dienst- 
plichtigheid wil invoeren, waarna ze nog, gedurende twee jaren, vier maanden 
lang onder de wapenen moeten komen, en dan vrijgesteld worden, mits 
zij tot hun 40e jaar bij de Schutterij worden ingelijfd. Hoe de schrijver 
er toe kwam algemeene dienstplichtigheid te verlangen voor de Chineezen, 
terwijl die niet eens onder de inboorlingen bestaat, is niet wel te verklaren. 
Bij het nederschrijven daarvan heeft hij waarschijnlijk niet onderzocht, of 
zyn denkbeeld niet in strijd is met het internationale recht. 

X. 



VARIA. 



Het is niet onnatuurlijk dat sedert de portefeuille van Koloniën in andere 
handen is overgegaan, de vraag op veler lippen zweeft: vrat hebben Tinj 
van den nieuwen Minister van Koloniën te wachten? 

Wij achten ons gelukkig die vraag te kunnen beantwoorden. De jaar- 
gang 1867 van dit Tgdscdrift werd geopend met ȣen woord van de 
Redactie aan de lezers." De tegenwoordige Minister van Koloniën, de heer 
van Bosse, was toen lid van die Redactie; het s>woord aan de lezers'' 
werd met onderling goedvinden en instemming van al de leden vastge- 
steld. Dat zwoord" bevatte onder andere de volgende verklaring: iWij 
staan in het algemeen eene politiek van vooruitgang en ontwikkeling op 
zedelijk en stoffelyk gebied voor. Wij verlangen afschaffing van alle dwang- 
cultures en van heerediensten, erkenning en regeling van het eigendoms- 
recht der inlanders op hun vaderlyken grond, met wering van gedwon- 
gen deelgenootschap in gemeenschappelijk grondbezit. Wij verlangen onbe- 
lemmerde toelating van Europeanen en gelegenheid ook voor hen om op 
gunstige voorwaarden grondbezit te kunnen verwerven. Wij verlangen de 
instelling van gemeentebesturen waar de plaatselyke gesteldheid die ge- 
doogt, verbetering van het rechtswezen, ijverige en verstandige beharti- 
ging van het volks-onderwijs. En by dat alles eene oordeelkundige herzie- 
ning van die zonderlinge reeks van heffingen, waaruit de schatkist thans, 
doch voor een te gering gedeelte, voedsel put, opdat, bij een spaarzaam 
en ordelijk beheer der geldmiddelen, zoowel voor het financieel belang van 
Indië als van Nederland behoorlijk worde gewaakt." 

Aan dit programma heeft de heer van Bosse in den aanvang van 1867 
zijne volle adhaesie gegeven, en wij weten geene enkele reden waarom 
wij zouden meenen, dat hy niet in 1871 al het mogelijke zou doen om 
het uit te voeren. Dat hij is gaan zitten nevens den heer Thorbecke, die 
zich in de laatste jaren maar al te huiverig heeft betoond om tot de zoo 
noodige hervorming in onze koloniale toestanden mede te werken, boe- 
zemt ons geene vrees in; want wij z\jn overtuigd dat hij dien zetel niet 
zou hebbai ingenomen, indien daaraan eenige voorwaarde ware verbon- 
den geweest, strydig met het programma dat mede in zyn naam was 
uitgevaardigd. Wij zijn overtuigd dat hij de portefeuille van koloniën niet 
zou aanvaard hebben, indien hem niet de vrije hand was gelaten om te 



249 

doen wat hij voor het welzyn van Indië noodig acht, — en wat hij daan'oor 
noodig acht is ons gebleken. Wel weten wij dat een staatsman niet altijd 
zijn programma geheel kan uitvoeren, dat die uitvoering met voorzichtige 
heid en stukswijze moet geschieden, en dat daarom zoo vaak zij die in 
de oppositie hervormingen hebben aanbevolen, als zij zelven de macht 
hebben in handen gekregen, zoo weinig aan de opgewekte verwachting 
beantwoorden. Wij durven dus niet bepalen, welk grooter of kleiner ge- 
deelte van dit programma werkelijk door den heer van Bosse zal worden 
uitgevoerd; maar omtrent den geest waarin hij zal werkzaam zijn, kunnen 
wij niet den geringsten twijfel koesteren. 



In het Februari<-nommer van Petermann's »Mittheilungen" vinden wij 
de volgende zeer opmerkelijke mededeeling. 

Jjx de maand BecQmbeir 1870 [heefb een Russisclie stoomkorvet met den jon- 
gen, bezielden, krachtigen en bekwamen Eosaischen onderzoeker Nicolaas von 
Miklaoho-Maclay Europa verlaten, om de teis rechtstreeks nafur Nieuw-Guinea 
te doen. 

„In weerwil der mogelijkheid van in den oorlog te worden gewikkeld, heeft 
Rusland in dat jaar vier oorlogschepen uitgerust, allen naar Oost-Azië en het 
land aan de Amoer bestemd. Op een van deze, de stoomkonret „Witiaz," be- 
vindt zich de heer Maclay, om zijne reis naar Nieuw-Guinea en de kusten 
en eiland«i yan den Grooten Oceaan, die vermoedelijk eene reeks' van jaren 
duren zal, aan te vangen. 

„Van de 7 of 8 jaren die voorloopig voor de reis bestemd zijn, wil hij 
er ia de eerste plaats twee w^en aan het onderzoek yan Nieuw-Guinea, 
waarvan de binnenlanden nog door geen Europeaan zijn betreden» dat tot 
de minst bekende landen van den aardbodem behoort, en, zoo men verwachten 
mag, gewichtige uitkomsten voor de wetenschap in zijnen schoot bergt. 

„Daar de kusten van Nieuw-Guinea grootendeels buiten het post- en han- 
delsverkeer liggen, heeft de Russische regeering, daartoe door de Keizerlijk- 
Russische Geographische Maatschappij en eenige hooggeplaatste personen aan- 
gezocht, besloten deze onderneming in zooverre te ondersteunen, dat do korvet 
bevel heeft gekregen den heer Maclay naar Nieuw-Guinea te brengen, en 
hem bij het opzoeken van een geschikt punt voor zijn hoofdverblijf en het 
bouwen eener woning behulpzaam te zijn. De kprvet zelve zal waarschijnlijk 
slechts kort op de kust van Nieuw-Guuiea verwijlen en daarna den hoer 
Maclay aan zich zelven en zijn gevolg overlaten. Hoe hij het zal aanleggen 
om later vandaar naar de westelijke kusten van Nieuw-Guinea te komen die |met 
de Sunda-eüanden in handelsbetrekkingen staan, is, bij de in Europa heerschende 
onbekendheid met de plaatsehjke toestanden aldaar, nog niet te bepalen; maar 
hij zal het zich vooral ten taak stellen het eiland in zijne geheele lengte, 
yan het Oosten naar het Westen te doorkruisen, en zich ten laatste naar de 
haven van Doreh te begeven. 



250 

„Na het onderzoek van Nieaw-Goinea te hebben ten einde gebracht, is de 
heer Maday voomemeoB sijne reizen deels oyer de Sonda-eilanden, deels in 
Australië voort te zetten en ze in de noordelijke helft van den Grooten 
Oceaan, op Eussisch gebied, aan de knsten der zee van Ochotsk enz., te be^ 
sluiten. 

„De heer Maclay^ die gedeeltelijk te Jena studeerde, heeft zich v6dr zijn 
vertrek met de wetenschappelijke kringen van St. Petersburg, Berlijn, Londen 
en andere plaatsen in betrekking gesteld.'' 
Wij kunnen ons verblijden over deze onderneming om een merkwaardig 
land te onderzoeken, dat. ofschoon zijne vtrestelijke kusten door tusschen- 
komst van Nederlandsche reizigers in de laatste jaren meer en meer be- 
kend zijn geworden, wat het binnenland en zijne geheele oostelijke belft 
betreft nog eene terra incognüa is. Ofschoon ook hier te lande zich 
weder een jong natuuronderzoeker tot wetenschappelijke nasporingen op 
Nieuw-Guinea gereed maakt, hebben w}j reden om het toe te juichen, dat 
geleerden van andere natiën, waar onze krachten te kort schieten, ons 
in het wetenschappelijk onderzoek van een zoo gewichtig, met ons rijk 
van Insulinde physisch en politisch zoo nauw verbonden land willen behulp- 
zaam zijn. Maar toch is het voor een Nederlander niet mogelijk dit be- 
richt te lezen zonder een diep en rechtmatig gevoel van miskenning. 
Met geen woord wordt gewaagd van alles wat door de Nederlandsche 
regeering, door Nederlandsche onderzoekers, sedert 1825 voor de kennis 
van Nieuw-Guinea is gedaan, en terwijl de heer Maclay met weten- 
schappelijke kringen in Duitschland en Engeland betrekkingen aanknoopt, 
schijnt hg het overbodig te achten dit ook te doen met Nederland, schoon 
onze wetenschappelijke tijdschriften en enkele afzonderlijk uitg^even 
reisverhalen de beste berichten, en onze Leidsche musea de rijkste verza- 
melingen der voortbrengselen van dit merkwaardig «iland bevatten. 



De heer de Clercq te Amoerang verzoekt ons de volgende misstellingen te ver- 
beteren, die in het tweede deel van den vorigen jaargang van dit Tijdschrift iu 
opstellen van zijne hand zijn ingeslopen. 

Blz. 3, reg. 18 v. b. staat: wowenek, leea: wëicene. 

Blz. 92, reg. 4. v.o. staat: maruuo,lGea: marinjo. 

Blz. 94, reg. 16 v. b. staat: Kawon^koan, \qgs: Kawangkoan. 

Blz. 95, rog. 13 v. b. staat: jPbjM^a, lees: Tawea. 

Ibid., reg. 19 v. b. staat: p. toeioaJk, leea : p, toewak, 

Ibid., reg. 21 v. b. staat: mhoèteng T. S. en T. F,, lees: mhoetenff T. S. en 
T. B., oekoeng T. P. 

Blz. 96, reg. 5 v. o. staat : kadwoe di kapala, lees : kaawoe m kapaia. 

Ibid., reg 4 v.o. staat: jMWio^oMiis, lees: pamatoean. 



DE KOFFIECUITTJIJR OP JAVA. 



De vorige Minister van Koloniën, de heer de .Waal, heeft bij de Indische 
begrooting over 1871 een -Verslag betrekkelijk de koiDQecultuur op Java 
overgelegd, dat in alle opzichten belangrijk mag genoemd worden. Het is 
onder de bijlagen gedrukt onder den titel van Algemeen Verdag van de 
uitkomsten van het onderzoek betreffende de koffiecuUuur op Java^ inge- 
steld hij besluit van de Nederlandsch-Indische Regeering van den 2isUn 
Februari 1865, N^. 7, en is opgesteld door C. J. Bosch, hoofd-inspecteur 
der kofïiecultuur, die belast is geweest met een bepaald onderzoek betreffende 
die cultuur op Java. 

Wij meenen, dat een overzicht daarvan terecht eene plaats mag innemen 
in ons Tijdschrift. Wij geven dat des te liever, omdat wij de voldoening 
smaken van niet alleen in de conclusiën, waartoe de steller van het Ver- 
slag na rijpe overweging van het onderwerp is gekomen, grootendeels het 
door ons steeds voorgestaan gevoelen terug te vinden, dat n.1. ook die cultuur 
aan de particuliere industrie moet worden overgelaten, maar ook omdat 
in het door hem medegedeelde bevestigd wordt hetgeen steeds door ons 
op den voorgrond is gesteld, dat n.1. de Gouvernements-cultuur op Java 
de bevolking tot grooten last strekt, zonder haar voordeel van eenig belang aan 
te brengen. Dit alles wordt ons nu medegedeeld in een ofEciëel verslag 
van de Regeering, die er dus geen geheim v£tn maakt, maar het aan de 
openbaarheid prijs geeft. Hoe 't komt, dat die ervaring eri die wetenschap 
nu eerst ter kennis van de Regeering zijn gekomen, nietliegenstaande sedert 
Jaren ieder die slechts eenigszins met de Indische belangen bekend is, 
den toestand der cultuur reeds heeft gepeild, mag bevreemding wekken 
bij hen die de langzaamheid van wikken en wegen bij onze Regeering niet 
kennen; ons verbaasde het geenszins, daar wij van ouds weten dat de 

Regeering in Nederland altyd achteraan komt. 

17 



252 

Doch houden wij ons liever onmiddellijk met het Verslag zelf bezig. 

Het is verdeeld in zeven hoofdstukken, waarvan in het eerste, dat geti- 
teld is: »de koffiecultuur in engeren zin van het woord/* meer de wijze 
van planten, het onderhoud, de pluk en de geaardheid van den grond en 
de plant, alsmede van de vrucht behandeld worden; in het tweede de pak- 
huis-administratie mitsgaders de sorteering en het transport, in het derde 
het personeel bij die cultuur, in het vierde de onkosten van de koffie, in 
het vijfde het administratief beheer der kofiQe-aanplantingen worden be- 
schreven; tervdjl de beide overige hoofdstukken een overzicht der voor- 
naamste bepalingen en van den algemeenen toestand van de koffiecultuur 
op Java geven, en hare vooruitzichten en de middelen van redres aanwijzen. 

Ieder dezer hoofdstukken wemelt van belangrijke feiten en oordeelkundige 
opmerkingen, en wij zullen trachten, voor zoover de beschikbare ruimte het 
toelaat, uit ieder het voornaamste aan te stippen, zonder ons echter aan 
de opvolging der hoofdstukken strikt te houden. 

* 
De oudste vorm der koffiecultuiu* is de zoogenaamde bosch-koffie. Zij is 

onregelmatig geplant op terreinen, waarvan de keuze aan het dessa-bestuur 
werd overgelaten. Zij heeft geheel het aanzien van bosch; de koffie plant 
zich zelve voort, en tiert in het wilde. In de residentie Pasoeroean zijn 
op die wijze onafzienbare bosschen ontstaan. Tegenover de boschkoffie staan 
de koffietuinen^ die eerst van latere dagteekening zijn. Deze zijn op hoog 
gezag aangelegd, waarbij zékere regelmatigheid in het oog gehouden is, en 
met wegen doorsneden; zoodra zij te oud zijn en niet genoeg meer leve- 
ren, worden zij verlaten — hetgeen in de taal der administratie heet »af- 
schrijven," — en aan de bevolking teruggegeven *). De bevolking kan nieuwe 
planten inboeten en het product zelve gebruiken, of ze aan haar lot over- 
laten; in beide gevallen ontaarden ze weldra tot volkomen bosschen. Wi) 
komen op die afschrijvingen later terug. 

Behalve deze beide soorten heeft men nog Pagger^ en Kampöng-koffiej 
beide ook wel onder den naam van Monosoekirkoffie bekend; de eerstgenoemde 
is die, welke in heggen om de erven der woningen of om de koffietuinen 
door de bevolking wordt geplant. De andere is die der tuinen welke aangelegd 
worden op de gronden die aan de kampongs of dessa's behooren. Eindelijk 
vindt men in enkele residentiën op tegalvelden in het hooge gebergte 
kofiieboomen verspreid, in groepen van drie of vier hoornen geplant. Het 
planten van Pagger- en Kampong-koffie geschiedt buiten bemoeienis van 
het bestuur, dat alleen zorgt, dat die gronden voor de koffie gebruikt worden. 

De koffie groeit het best tusschen de lOOO en 4000 voet boven de 



1) Besluit van 25 Juli 1866, N<». 24. 



253 

oppervlakte der zee, en het allervoordeeligst tusschen de 2000 en 3000 
voet. Evenwel zijn hierop uitzonderingen. Er zjjn enkele streken, waar 
zij ook op lagere terreinen gekweekt kan worden, b. v. in Banjoewangi, 
waar aan het zeestrand tuinen worden gevonden die veertig jaren oud zijn. 
Zoo vond men in 1865 in het district Soemowono, in Kadoe, eene aan- 
planting van ruim 50,000 boomen, »die volgens de verklaring van inlandsche 
hoofden meer dan 100 jaren oud zou zijn," en waarvan het gewas nog 
krachtvol was en in dat jaar eenen goeden oogst beloofde. 

Zooals bekend is, is de ki^eplant oorspronkelijk niet inheemsch op Java. 
Onder het bestuur van den Gouverneur-Generaal van Outhoorn (1691 — 1704) 
werden de eerste plantjes uit Cananoor op Malabar naar Java overgebracht. 
In 1706 kwam het eerste proeQe koflieboonen in Nederland aan, en zes 
jaren later werd eene hoeveelheid van 894 Amsterdamsche ponden aldaar 
ter markt aangeboden, die toen 28^1 stuiver het pond opbrachten. In 
1719 werd de koffieteelt op Amboina en Ceilon beproefd; op laatstge- 
noemd eiland slaagde zy volkomen. Onder den Gouverneur-Generaal Zwaarde- 
kroon (1718 — 1725) nam. de teelt toe ten gevolge van de herhaalde en 
dringende aanvrage van de bewindhebbers der Compagnie. Inmiddels 
behielp men zich met kof&e uit Mokka aan te voeren tegen ongeveer 
10 stuivers het pond, die op de markt te Amsterdam tegen ongeveer 21 
stuivers van de hand werd gezet. Omstreeks 1725 kon men den inkoop 
Tan Mokka-kojffie verminderen, omdat die van Java reeds genoeg begon op 
te leveren. Mea voerde toen reeds ruim een millioen ponden daarvan uit 
In 1751 brachten de Jakatrasche landen en de Preanger Regentschappen — 
toen reeis de hoofdzetel van de tedt — meer dan 2,150,000 ponden op, en 
in 1794 was de boeveelheid lüt die beide gewesten reeds tot op 12,800,000 
geklommen, terwyi het overi^gedeelte van Java slechts ongeveer 5,800^000 
epleverde i). 

Al die k<^e werd ak contingent door de regenten geleverd. Zy was 
Boeestal "de productie van boschr of kampong*aanplantingen« Alleen in de 
Preanger schynen toen reeds meer regelmatig aangelegde turnen te heb- 
ben bestaajEi, waarop door de Compagnie toezicht werd gehouden ^). Ver- 
Hkoedel^ zullen de werkzaamheden wel b\j wgze van heeredienst hebben 



1) Zie over de geschiedenis van de koffiecultuar in den t^d der Oost-Indische 
Compagnie de bekende monografie over de koffie, uitgegeven door de Maatschappij 
tot Nut van *t Algemeen. 

*) Zie Alg. Yerslag, blz. 116. Van de contingenten waren «de Ommelanjden van Ba-* 
tavia vrijgesteld; daar had geeue verplichte levering plaats. In de Jakatrasche en Pre- 
anger Regentschappen was elke tjatjah (d. i. eenh uis gezin met inbegrip der aan- 
verwanten^ gemiddeld op 22 zielen te stellen) met het onderhoud van 1000 vrucht- 
dragende koffieboomen belast. Zie de monografie over de koffie boven aangehaald. 



254 

plaats gehad. Daendels breidde den aanplant der koffie in den Oosthoek 
uit. De cnltuur bleef echter een dwang-cultuur, ofschoon hij den maatregel 
nam om de koffie aan den Inlander onmiddellijk te voldoen, waardoor 
deze eene betere betaling erlangde *). Onder het Ëngelsche tusschen-bestuur 
ging de productie achteruit. Dat bestuur was uitgegaan van het beginsel 
van vrijen aanplant en vrije beschikking over het product door de bevol- 
king. Ongelukkig coïncideerden daarmee de politieke verwikkehngen in 
Europa — men denke aan het Continentaal-stelsel — waardoor de gele- 
genheid tot uitvoer bemoeilijkt werd. Bovendien schijnt de toestand van 
de koföecultuur in dien tijd zeer verward te zijn geweest. Sommige kof- 
fietuinen werden in 't openbaar aan de meestbiedenden, andere onder de 
hand verhuurd, weder andere aan de ingezetenen opgedrongen. Ëvenzoo 
werd de oogst nu eens geheel ter beschikking van den huurder of planter 
gelaten, dan weder tegen bepaalde prijzen overgenomen, of wel in natura 
gevorderd *). De Commissarissen-Generaal die Java uit handen der Engel- 
schen moesten overnemen, beraamden al vroeg maatregelen ter opbeuring 
van de koffiecultuur. Een terugkeer tot het contingenten-stelsel was on- 
mogelijk en lag ook niet in hunne bedoelingen. Het resultaat hunner 
overwegingen vindt men in het besluit van 7 November 1817 (Ind. Staatsbl. 
N'». 55), waarvan de hoofdinhoud hierop neder komt. 

De tuinen zouden voor den tijd van 6 jaren verhuurd worden aan de bevol- 
king, en bij voorkeur aan de dessa door welke de aanplant geschied was; 
maar deze vms daartoe niet verplicht, integendeel zij was geheel vrij om de 
tuinen al dan niet te aanvaarden. Was deze dessa of eene andere daartoe 
niet genegen, dan zou de bearbeiding van den tuin van wege het Gouvernement 
geschieden door in huur té nemen daglooners. De hurende dessa zou daarbij 
eenige verplichtingen op zich nemen, n.1. om de oude boomen door jongere te 
vervangen ; nieuwe plantsoenen aan te leggen, ten bedrage van het Vs der ver- 
huurde boomen, op gronden door het bestuur aan te wijzen; bij den 
aanleg der tuinen zou zij voor de keuze der gronden en de vdjze van bewer- 
king zich gedragen naar de voorschriften van het Gouvernement. De huur- 
prijs der tuinen zou bedragen Vi, "/s of V3 der productie, naar gelang dat de 
tuinen vielen in de 1ste 2de of 3de klasse *). Verder stond 't den Inlan- 
der- vrij, om waar en zooveel het hem lustte bosch- en paggerkofBe te 
planten, mits opbrengende aan den lande '/s der productie. Dit laatste, 



1) Monografie over de koffie boven aangeh. 

>) Alg. VersL, biz. 148. 

3) De klassificatie werd bepaald door de gemiddelde opbrengst per boom, 
n«1. Iste klasse ^/^ katti = ^^ji^ pond; 2de kl. Vi katti = 5/3 pond; 3de kl. 
Vt katti = <^/ie pond. Zie Aardrijksk. Woordenboek van N. Ind., deel II, voce 
Xofjie, pag. 171. 



255 

alsmede de huur der tuinen, kon zoo in geld als in natura worden opge- 
bracht; in het laatste geval zou de prijs door het Gouvernement telken 
jare worden bepaald. Van de overige kofiQe had de bevolking de vrije 
beschikking; zij kon haar tegen den hoogst mogelijken prijs van de hand 
doen, terwijl tevens maatregelen werden genomen om de bevolking tegen 
misleiding te vrijwaren *). Ook stond het der bevolking vrij de koffie aan 
het Gouvernement te leveren tegen eenen jaarlijks vast te stellen prijs. Ter 
bevordering van de uitbreiding der ko£Qeteelt zou een ieder die vrijwillig 
en uit eigen beweging nieuwe plantsoenen vdlde aanleggen, voorschotten 
van het (gouvernement kunnen bekomen, welke met de latere productie 
zouden worden verrekend *). 

Dit is de hoofdzakelijke inhoud van den maatregel door CJommissarissen- 
Generaal genomen. Ofschoon hij van eenen milden geest getuigt, die gun- 
stig afsteekt hij het dwangstelsel van de O.-Ind. Compagnie, toch heeft 
hij eenen kunstmatigen toestand doen geboren worden, die den overgang 
tot eenen gezonden in den weg gestaan heeft. Daarbij kwamen eensdeels 
moeilijkheden in de toepassing, anderdeels andere maatregelen waardoor het 
stelsel als geneutraliseerd werd. De moeilijkheden in de toepassing 
openbaarden zich vooreerst daarin, dat het hoogst bezwarend was de tuinen 
te klassificeeren, zoodat die klassificatie dan ook bij publicatie van 2 Dec. 
(Ind. Stbl., N®. 51) verviel, en in plaats daarvan bepaald werd, dat alge- 
meen */5 van het gewas zou' worden opgebracht. Ten andere scheen 't 
onuitvoerlijk aan ieder ingezetene eener dessa het hem toekomende uit te 
betalen. De trage ontving evenveel als de nijvere en arbeidzame, hetgeen 
de ontevredenheid en den tegenzin tegen de cultuur opwekte. Daarbij kwam 
dat de ambtenaren, en zelfs de hoofden van gewestelijke besturen, nog te 
veel doortrokken waren van den zuurdeesem van het oude stelsel, 
en zich niet genegen betoonden om mede te werken ten einde den maat- 
regel vruchtbaar te doen worden ^). Gemis aan genoegzame controle over 
de inlandsche hoofden, ja zelfs over de hoofden van gewestelijk bestuur, 
maakte het moeilijk hen gestreng aan hunnen plicht te houden. Hetgeen 
echter den tegenzin der bevolking deed vermeerderen, was de weigering, 
die zij dikvnjls ondervond, om de door haar aangeboden kofiGie in ontvangst 
te nemen, onder voorwendsel, dat het product geen voordeel opleverde. 
Maar de maatregel die den allernoodlottigsten invloed op het nieuwe stelsel 
uitoefende, bestond in de moeilijkheden die het Gouvernement aan de 



1) Waarvoor vooral nader werd gezorgd bij publicatie van 8 April 1818 
(Ind. Stbl., NO. 18). 

^) Zie Veralag, biz. 149; Aardryksk. woordenb., voce Koffie^ blz. 171 sq. 

3) Zie besl. van 5 Januari 1819 (Ind. Staatsbl.» N®. 6). Zie ook wat du 
Bas vanden onwil der ambtenaren zegt in zijn bekend Verslag vanl Mei 1827. 



258 

weging aan het Gk)uvernement leverde *)• D© bevolking zou — dit lag in den geert 
van het vroegere stelsel — des verkiezende de bevoegdheid hebben hare geheele 
productie tegen hoogere prijzen te verkoopen. Dat de omstandigheden eenen zul- 
ken gang van zaken hebben belet, verandert niets aan het stelsel zelf. Door 
het besluit van 8 Aug. 4832 werd de bevolking genoodzaakt al de koffie die 
zij voortbracht aan den lande te leveren, ook het product harer eigene in- 
dustrie. Bovendien nam de geheele cultuur het karakter aan van eene ge- 
dwongene, en om haar te bevorderen werd bepaald dat cultuurprocenten 
zouden genoten worden zoowel door Europeesche als door inlandsche amb- 
tenaren. De geheele cultuur, zelfs de kampong- en pagger-kofiQe, werd ge- 
reglementeerd *). Inferieure kofiQe werd niet aangenomen. *). Opkoop door 
particuliere ondernemers van koffie die aan het Gouvernement had moeten 
geleverd worden, werd als ontvreemding van 's lands eigendom beschouwd 
(zie Resol. 23 Maart 1836, Stbl. N». 24). Ook de Vorstenlanden moesten 
er aan gelooven. Alleen waren ddar de particuliere landen en de gronden 
der onafhankelijke prinsen van dien algemeenen leverings-maatregel vrijge- 
steld; de laatstgenoemden konden echter, des verkiezende, hun product aan 
het Gouvernement leveren tegen hooger prijs dan voor de overige resi- 
dentiën bepaald was *). 

De toestand van centralisatie, door het meer genoemd besluit van 8 
Augustus 1832 in het leven geroepen, bestaat nog. Volgens den heer Bosch 
zou in 1858 een oogenblik een revirement zijn geweest. Bij besluit 
toch van 2 Januari 1858, N*. 29, werden eenige voorschriften gegeven, 
waarvan de bedoeling zou zijn de koffieteelt geleidelijk te herscheppen 
in volkscultuiu*. Wij hebben dat besluit met alle aandacht nagegaan, maar 
kimnen niet toegeven dat men langs dien weg dat doel zou hebben be- 



1) Ook waa 'aanvankelijk, van 1826 — 1831, verschil gemaakt tuasclien 
den prijs waarvoor de bevolking de belasting in natura kon opbrengen en 
dien waartegen zij het product , waarvan zij de vrije beschikking had, aan het 
Gouvernement kon leveren. De eerstgenoemde prijs was dan ook hooger, doch 
^t schijnt dat men later hiervan afweek, en dat roeu voor beide denzelfden 
prijs vastgesteld heeft. Zie Alg. Versl., blz. 126. 

^) Zie o. a. Besol. van 25 Sept. 1886, No. 127, houdende voorschriften om de 
kampong-koffie op 6 a 8 voet en de pagger-koffie op 3 a 4 voet te planten. 
Alg. Yersl., blz. 145. 

S) Besol. 16 Juni 1834, No. 3 (ibid). 

*) Dito 27 Maart 1834, No. 8 (Besol. 31 Maart 1838, No. 18). De hoogere be- 
taling geschiedde, omdat de Vorsten en de particulieren die in de Vorstenlanden gron- 
den hadden gehuurd, geene landrente of eenige andere belasting behoefden op 
te brengen. 



269 

reikt. Ook bleef men daarbij vasthouden aan het beginsel, dat telkens, als 
er sprake is van landbouw, industrie of nijverheid in Indië, bovendrijft, dat 
200 wel het Europeesch als het inlandsch bestuur een zeker curatorschap 
moet blijven uitoefenen over den industrieel of landbouwer. Waar dat be- 
staat, daar wordt elke vrijheid belemmerd, en zonder vrijheid kan geene 
volkscultuur zich ontv^kkelen. Het is waar, de voorschriften dragen wel 
het kenmerk van eenige welwillende zorg voor de bevolking, maar meer 
dan ook niet *). Dit besluit is echter niet in het Staatsblad opgeno- 
men, en schijnt ook geene teekenen van leven gegeven te hebben. 
ïHet is bijna eene doode letter gebleven en bij vele ambtenaren op Java 
onbekend" *). 

Hoe 't zij, de Grouvernements-kofBecultuur op Java wordt in schier alle resi- 
dentiën gevonden ^), Het stelsel van uitgebreide tuinen, zooals die voorge- 
schreven waren in het besluit van 30 Juni 1829 (Ind. Staatsbl., N®. 57), 
vigeert nog; het nam zelfs toe in 1841, toen het cultuurstelsel zich het 
krachtigst ontwikkelde. Het bekende vier-palen besluit van 1866, dat aan 
dat bezwaar trachtte te gemoet te komen, werd weldra, door een besluit 
van 26 Juni 1867, N«. 28, ingetrokken ♦). En juist die verre afstanden zijn 
niet alleen een groote last voor de bevolking, maar oefenen ook een zeer 
slechten invloed uit op de productie. Wil men het oordeel van den heer 
Bosch over de intrekking hooren? Hij betreurt die intrekking, ïwant het 
zijn vooral de groote afstanden, die de cultuur op vele plaatsen zoo be- 
zwarend voor de bevolking maken. En men denke niet, dat zij dit niet 
gevoelt, omdat zij er niet luide over klaagt, of zelfs daartegen in feitelijk 
verzet komt. Zij is, wel is waar, daartoe te geduldig en lijdzaam^ zelfs 
te vreesachtig van aard,- maar desniettemin moge men, eer het te laat 
wordt, bedacht zijn op het oud HoUandsche spreekwoord: de kruik gaat 



1) Men vindt het beslait in zijn geheel in het Bijbl. tot het Staatsbl. van Ned.- 
Indië door Mr. S. C. H. Neberburgh en C. de Waal, II, blz. 1088. 

a) Zie Alg. Verslag, bU. 157. 

s) Ook 4e kacDpong- en pagger-kofHe vindt men overal^ de bosch-koffio 
daarentegen meer in bet bijzonder in de residentièn Preanger Begentschappen, 
Soerabaja, Pasoeroean, Frobolinggo, Kadee en Kediri. 

*) Ofschoon de heer Bosch onder zijne voorstellen een rayon van 4 palen op- 
neemt (zie blz. 174), zoo vinden wij toch in zijne missive van 16 Sept. 1866 
eene aanleiding tot de intrekking van het vicr-palen besluit. irOp vier palen af- 
stands van de dessa^s worden maar weinig geschikte gronden meer aangetroffen, 
die voor het aanleggen van koffietuinen in aanmerking kunnen komen, en heb- 
ban nu in die gewesten, waar zulks het geval is, groote afschrijvingen tevens 
plaats, dan zal daar weldra niets meer van de koffiecaltuur aanwezig zijn.'^ Alg. 
Versl., blz. 137. 



360 

zoolang te water totdat zij barst .... Geen enkel plaatselgk ambtenaar 
twijfelt aan het bestaan van dien weerzin" '). 

Zoo gehaat als die Gouvemements-tuinen zijn, zoozeer heeft de bevolking 
op met de kampong- en pagger->kofHe. Zij wordt gevonden »waar klimaat 
en bodem zich voor de teelt van den kofQeboom eigenen, en waar de 
tuin-koffie of de heerediensten niet zoo hoog opgevoerd zijnf dat den In^ 
lander al zijn tijd ontnomen wordtf' '). Zij is gewild by d^ bevolking, 
niet alleen omdat de arbeid zeer gemakkelijk is, maar, ook en vooral niet 
minder, wegens de nabijheid van hunne dessa's. :»Het onderhoud en de pluk 
geschieden als het ware bij wijze van uitspanning door de vrouwen en kin^ 
deren ^)." En toch vindt die cultuur weinig aanmoediging. Zy werd ondei*- 
drukt door haar te veel te reglementeeren, en van lieverlede »werd de 
vr^e teelt teruggebracht tot de verplichte en het vooruitzicht op volks- 
cultuur de bodem ingeslagen *)." Maar waar zij gevonden wordt vindt men 
onder de inlanders welvaart en zelfs rijkdom. 

In den regel zijn de cultuur-dienstplichtigen zij, die aandeel hebbea aan 
gemeentegronden of bezitters zijn van eigen grond. In Cb^ibon zifn echter 
ook de zoodanigen die niet tot die kategorie behooren, de menoempangs, 
verplicht in de tuinen te werken. Vroeger ontbrak het niet aan voorbeelden, 
dat een en dezelfde persoon bij twee cultuur-takken b. y, de koffie^ en 
de suiker-, of de koffie-' en de nopal-eultuor was ingedeeld, en op 
den huldigen oogenblik z\jn in Pasoeroean de bij de suikercultuur in- 
gedeelden dikwijls nog als hulp-plukkers werkzaam in de koffietuinen. Ieder 
huisgezin — gemiddeld berekend op drie personen — heeft een zeker 
aantal vruchtdragende boomen te onderhouden. De dessa-hooflen regelen 
de indeeling der cultuur-dienstplichtingen, doch hierbij heeft vaak wille- 
keur plaats; sommige huisgezinnen worden niet opgeroepen en geheel vrij- 
gelaten van den arbeid, waardoor de druk voor de overige vermeerderd 
wordt. Zoowel het aanleggen van nieuwe tuinen, als het onderhoud kost 
veel arbeid. De beste gronden zijn boschgronden waar veel humus aan- 
wezig is, of tegalvelden die lang braak gelegen hebben en met kreupel- 
hout en alang-alang bedekt zijn, of wel oude afgeschreven tuinen. Het 
hout wordt gekapt en de wortels uit den grond gehaald, eh de grond 
moet worden omgewerkt. Daar de geschikte terreinen naby de dessa's al 
sedert lang zijn ingenomen, is men verplicht geweest al verder en verder 
af nieuwe terreinen te zoeken. Men is daarmee zelfs soms zeer onoordeel- 
kundig te werk gegaan. Tegen steile berghellingen heeft men tuinen 
aangelegd, niet alleen tot groot ongerief van de bevolking, maar zonder 



1) Alg. Yersl.» blz. 163. >) Alg. Versl.. blz. 167. 

') Alg, Veral.» blz. 8. «) Alg. VersL, blz. 167. 



261 

gelfs hei tooruitzicht te hebben op eeuen oogst. ^Ongerekend toch de ver- 
bazende krachtsinfipanning/' zegt de heer Bosch," welke tot het aanleggen 
van tuinen op zulk terrein vereischt vsrordt, is het zeker, dat men, al 
slaagt de aanplant, niet bij machte is te oogsten. Geen ambtenaar vraagt 
bet dan ook omt een voet in die tuinen te zetten; zelfs een rit langs de 
omliggende voegen mag reeds gevaarlijk genoemd voorden" ^). Bovendien is 
zulk terrein blootgesteld om door de zvtrare regens van de veelal dunne 
laag teelaarde beroofd te worden. ' Eindelijk handelt men met de keuze 
der gronden dikwijls tegen het stellige voorschrift der Regeering, bij besluit 
vaa 8 Nov. 1864, N*. 48, waarbij verboden wordt, om gronden bestemd 
voor de teelt viui voedingsmiddelen te gebruiken, en heeft men ookziüke 
gronden vaak aan de bevolking ontnomen >)• Ook het onderhoud is bezwarend. 
Gedurende de zes eerste maanden na het planten, moet de tiun twee malen 
's maands, daarna eenmaal 's maands, van onkruid, dat er weUg tiert, worden 
schoongemaakt. Dat duurt twee vollen jaren; eerst in het derde jaar wor^ 
den de tusschenpoozen grooter. 

Is deze arbeid al bezwarend, de werkzaamheden bij den pluk van de 
vrucht zgn het niet minder. Wij geven bier aan den heer Bosch het 
woord *). >Zooals reeds gezegd is leiden de verre afstanden van de tui* 
nen tot de dessa's tot slechten pluk en b\j gevolg tot mindere productie, 
De koffievruchten rgpen zelfs aan denzelfden boom geenszins allen gelijk-* 
tijdig, doch eenige vroeger, andere later *); zoodat één tuin minstens 
tien, en soms wel eens twintig malen in een seizoen geplukt moet wor- 
den, om er al de vruchten vaji te oogsten. Wegens de groote zoo even 
bedoelde afstanden is het zoo dikwijls gaan plukken eene onmogelijke zaak. 
Hieruit volgt van zelf, dat eene menigte vruchten in den regel of onrijp 
geplukt worden of aan de hoornen verdrogen. Al de aanbevelingen om 
toezicht op den pluk te houden en te zorgen dat hij met zorg geschiede, .... 
hebben, uit hoofde van de medegedeelde moeilijkheden, ten deze weinig 
uitgewerkt. Zelfs het in dienst stellen van afzonderiyke plukmandoors, dat 
in sommige strd^en plaats had, was niet voldoende, om tot een goeden 
pluk te geraken." Om deze mededeeling aan te vullen, willen wij hier nog 
eene andere* plaats uit het Verslag aanhalen, daar de meerder of minder 
deugdel^e wijze, waarop de werkzaamheden by den pluk van de koffie ge- 
schieden, veel tot de meerdere of mindere productie kan afdoen^ en 
dus die werkzaamheden van het meeste gevecht zijn. »De koffie," dus 
zegt het Verslag elders, »wordt niet overal gelijktijdig rijp; dit hangt veel 



1) Alg. Veral., Mz. S. >) Ibid. 

^ Alg. VersL» blz. 1B2. 

*) Als een gevolg hiervan onderscheidt men een vóór' , een grooten^ en een 
napluk'*\ Ibid.» blz. 3. 



262 

af van regen in den Oostmoeson. Vandaar dat men in enkele hooge 
bergstreken, waar het schier in elke maand regent, ook gedurende het 

geheele jaar oogsten kan Het goed plukken vereischt veel arbeid 

en handigheid, en de meerdere of mindere dracht van den boom in een 
volgend jaar is dikwijls afhankelijk van de wijze waarop ten vorigen jare 
geplukt is. Een vlijtige ardeider kan bij groote inspanning en een werk- 
dag van 's morgens 6 tot 's namiddags 3 ure niet meer dan 10 boomen, die 
een redelijk product afwerpen, behoorlijk plukken. De rijpe boonen toch moe- 
ten één voor één voorzichtig geplukt worden, om de onrijpe te kunnen spa- 
ren, terwijl de afgevallene moeten worden opgeraapt. Proeven, gedurende 
geruimen tijd met eenige boomen. genomen, hebben bewezen, dat bet 
noodzakelijk is 14 tot 17 malen te plukken, om een boom van zijne vruch- 
ten behoorlijk te ontdoen. Ondanks de groote zorg aan den pluk van deze 
boomen besteed, bleek het nogtans eenigen tijd later, dat de bodem met 
een aantal uitgeschoten planten bedekt was, welke dus uit afgevallene, 
niet opgeraapte vruchten voortgesproten waren. Gaat men nu het tijdroo- 
vende na van dezen arbeid, in verband tot de aanzienlijke afstanden waarop 
de tuinen van de woonplaatsen der planters gelegen zijn, en bedenkt men 
daarbij; dat het in de hooge streken, gedurende den pluktijd, in denr^^l 
reeds tegen den middag regent, zoodat slechts de eerste helft van den 
dag voor den pluk beschikbaar blijft, dan verklaart zich het feit, dat de 
pluk algemeen zeer slecht moet plaats vinden en grootendeels verwaarloosd 
wordt .... Ontzaglijk veel koffie gaat op die wijze verloren .... Hoe veel 
het verlies over geheel Java bedraagt, kan met geene mogelijkheid opge- 
geven worden; zooveel echter blijkt uü de gedane onderzoekingen^ dat 
het meer dan de helft moet hedrageti. Indien de boomen te hoog 'zijn om 
het bovenste gedeelte met de hand te bereiken, klimmen de plukkers er 
in. Ladders zijn wel aanwezig, doch worden meestal niet gebruikt. Veelal 
bedient men zich van bamboezen haken om de takken naar zich toe te 
halen. Ten einde het spoedig afloopen van den pluk te bevorderen, wor- 
den de takken met rijpe en onrijpe vruchten afgereten en dikvrijls gebro- 
ken. Het is treurig de op deze wijze gehavende tuinen te zien, vvrelke ge- 
durende de eerstvolgende jaren improductief blijven. . . . Dit kwaad zal 
niet te verhelpen zijn, zoolang het eigenbelang van den planter niet meer 
betrokken wordt in eenen beteren pluk. De tegenwoordige verdiensteti 
zijn in verhouding tot de lasten over het algemeen al te gering om hein 
tot prikkel te strekken, ^)." 

Hetgeen wij hier door cursief hebben onderscheiden, is volkomen waar; de be- 
volking mist bij de gedwongen koüiecultuur den noodigen prikkel van het 
eigenbelang. Over de haar toekomende betaling spreken wij straks nader. 



O Algem. Yersl.^ blz. 7. 



263 

De ongezonde toestand springt in het oog, indien men de productie van 
de Gouvemements-cultuur vergelijkt met die welke de particuliere indus- 
trie oplevert. De bekvrame steller van het rapport heeft ons een overzicht 
gegeven van de resultaten van de particuliere aanplantingen in de resi- 
dentie Samarang ^), in vergelijking met die van het Gouvernement. Die 
opgaven loopen over een twaalftal jaren, n.1. van 1853 tot 1864, en 
daaruit blijkt, dat terwijl de Gouvernements-eultuur gemiddeld over al die 
jaren opgeleverd heeft 2.45 pikol per bouw, de particuliere cultuur over 
hetzelfde aantal jaren 4.61 pikol per bouw opbracht *). En hierbij moet men 
in aanmerking nemen, »dat de gronden, welke aan de particuliere ondernemers 
aldaar op contract afgestaan zijn, over het algemeen van veel minder hoe- 
danigheid zijn dan die waarop de cultuur der Gouvemements-tuinkoffie ge- 
dreven wordt 3)," Elders drukt de heer Bosch zijn gevoelen over dit punt 
nog nader uit: » Volgens mijne schatting brengen de Gouvemements-tuinen 
bij doorslag geen V* Amsterdamsch pond kofiQe per boom op, terwijl ik 
het product der particuliere ondernemingen van kleine perceelen, waarop 
de vruchten naar behooren geplukt worden, onder gewone omstandigheden 
op 5/4 Amsterdamsch pond schat. De opbrengst van tuinen welke tusschen 
de 1500 en 2500 voet op vruchtbaren bodem aangelegd zijn, schi-oom ik 
niet op 1 Amsterdamsch pond per boom te stellen, en men kan gerust 
aannemen, dat zij bij vruchtbare jaren het dubbel bedraagt*' *). 

Nog is de arbeid van de bevolking die bij de kofIGecultuur betrokken 
is, niet afgeioopen. Na den pluk wachten haar andere werkzaamheden. 
Immers zij moet ook de koffie bereiden, d. i. de boon van de schil en het 
hoornvlies ontdoen. De bereiding geschiedt op tweederlei wijze; op 
de gewone en op de zoogenaamde West-Indische of Brazüiaansche wijze '). 



^) //Van elders zijn daartoe geen voldoende opgaven ontvangen*\ Versl.» blz. 169. 

*} Er zijn jaren die een verbazend verschil aantoonen, b. v. 1856, toen de Gou** 
vernements-cultuur per bouw slechts 1.81 pikol opleverde, en de particuliere 
6.96 pikol, en 1857, in welk jaar de eerstgenoemde 4.48 pikol, de laatstgenoemde 
7.18 pikol maakte. £r zijn andere jaren waarin het verschil niet zoo groot is, b.v. 
1858 en 1864; de Gouvernements-productie bedroeg toen 3.24 en 2.07 pikol, 
de particuliere 3.56 en 2.54 pikol. Doch altijd wint de laatste het van de eerste. 

») Alg. Versl., blz. 169. *) Alg. Versl., blz. 172. 

B) De laatstgenoemde wyze is in 1846 door den Gou vemear-Oeneraal Roch as- 
sen ingevoerd. irDeze nieuwe wQze van bereiding had den prijs der koffie uit 
WestJndië 1 è Ij stuiver per pond booger doen r\jzen, dan dien der Java- 
koffie, welke vroeger steeds de bovenhand gehad had.'^ Behalve dit voordeel had 
»óe West*Indische methode dit voor, dat zij aan de boon eene fraaie blauwachtig 
groene kleur geeft, welke tegenwoordig de marktwaarde verhoogt,*' Zie Alg, 
Versl., blz. 10 en 12. 



364 

De eerstgenoemde "w^jze bestaat daarin, dat de vruchten na eaie korte 
broeiing of gisting in de roode schil gedroogd worden, van welke schil zij daarna 
door stampen ontdaan worden. Dan wcMrdt het hoonivlies weggenomen en 
de boonendoor wannen gezuiverd. Volgens de West^Indische of Braziliaan* 
sche wijze wordt de roode schil dadelyk na het plukken weggenomen, de 
boonen gewasschen en dan gedroogd. De ontbolstering moet 34 uren na 
den pluk geschieden; by verzuim wordt sy zeer moeilyk. Ook met het 
wasschen moet men met behoedzaamheid te werk gaan, omdat anders eene 
belangrijke hoeveelheid v^gspoelt. Hoewel deze wyze de waarde van het 
product v^meerdert, wordt door de bevolking steeds de voorkeur gegeven 
aan de gewone wyze, die dan ook het meest aangewend wordt. Om den 
arbeid ter bereiding van de koffie voor de bevolking te vergemakkeiyken, 
had men te midden van de tuinen, of in hunne nabyheid, droogloodsen of 
schuren fpasseram en pretags) opgericht, waar de bevolking de geplukte 
vruchten kon bereiden» Behalve in enkele residentiën zyn zy overal verval-» 
len, ja zelfs is de intrekking dier loodsen by verschillende regeeringsbeslui- 
ten bevolen, zonder dat v^y weten, waarom die intrekking gelast werd '). 
De bevolking is dus thans verplicht zelve voor de bereiding in hare eigene 
woningen te zorgen. Als men nu daarbij wederom denkt aan de* verre af- 
standen waarop de tuinen van de dessa's liggen, welke afstanden de Inlander 
beladen met het geplukte product moet afleggen, dan baart het geene ver- 
wondering wanneer men verneemt, dat hij dikwijls een gedeelte van zijnen 
last bezyden den weg in ravijnen en diepten langs de steile bergwegen weg- 
werpt en zich dusdoende ontlast ^). 

Heeft de bevolking de koffie bereid, dan moet zy haar vervo^en naar 
de daarvoor bestemde pakhuizen, alwaar het product door de Gouvernements- 
ambtenaren in ontvangst wordt genomen. Volgens het meergemeld besluit 
van 2 Januari 1858, N*. 29 '), moesten pakhuizen ingericht zijn op plaatsen 
vraar binnen den omtrek van 6 palen eene hoeveelheiid van 2000 pikols 
verkregen wordtw Indien dus binnen dat rayon die hoeveelheid niet o{^- 
bracht werd, dan mochten er ook geene pakhuizen opgericht worden, en 
zou dus de bevolking oneindig veel verder hebben moeten loopen. Doch zeo 
als wij boven reeds aantoonden, dat besluit heeft nooit levensvatbaarheid 
gehad, en de gewestelijke besturen zijn ook op dat ptmt aan de daarin ver- 
vatte voorschriften ongehoorzaam geweest. De pakhuizen bestaan zelfs bij 
eene mindere levering dan 2000 pikols. 



1) Alg. Yersl., blz. 12. Sr eljq ook proeven genomen om bf de bereidiag door 
het Gonrentement zelf te doen plaats hebben, öf haar op te dragen aan parfcicaliae 
indixstiie Tolgens contract. Ai deze proevea hebben tot geen voldoend xesoltaat ge- 
leid. Alg. Versl., ibid. 

^) Alg. VersL, bk. 13. >} Zie boven, blz. 258. 



265 

Het transport naar die pakhuizen geschiedt soms met karren of paarden, maar 
meestal wordt het product gedragen. De bevolking erlangt voor het bren- 
gen van de kof&e naar de pakhuizen geene betaling, dan aUeen in Pasoe- 
roean^ Madioen, Patjitan en Japara, waar zij voor lederen paal boven de 5 
palen dV^ cent per pikol ontvangt. 2>In sommige streken, in Pekalongan, 
Pasoeroean en elders, zijn er personen, die van deze transporten een gere- 
geld bedrijf maken, hetzij dat zij zich door de planters vracht laten betalen, 
hetzij dat zij het product in de dessa's opkoopen, bij het pakhuis inleveren, 
en hunne winst uit het verschil tusschen den betaalden en den ontvangen 
prijs vinden, en dus meer als handelaars beschouwd moeten worden" *). 

Ofschoon de pakhuizen zoolang openstaan als aanbrengers van koffie 
kunnen komen, en er dagelijks gelegenheid bestaat ^^an 's morgens 7 ure tot 
's avonds 6 ure, om de koflie af te leveren, zoo ligt 't in den aard der zaak, 
dat niet ieder aanbrenger dadelijk geholpen kan worden, — te meer omdat 
^ de Inlander meestal den passerdag daarvoor uitkiest^ dewijl hij dan tegelijk 
zijne inkoopen kan doen — :»zoodat een gedeelte van hen soms verscheidene 
dagen op de inlevering van het product wachten moet. Dit strekt tot (een 
ander) groot bezwaar voor de bevolking, en geeft aanleiding tot vele mis- 
bruiken. Meestal van verre afstanden opgekomen, om koffie aan het pak- 
huis té brengen, wordt het product dec betrokkenen door den pakhuismeester 
dikwijls afgewezen, onder voorwendsel, dat anderen voorgaan, of wel dAt 
de koffie niet goed gesorteerd, of voldoende gedroogd is; zóó blijft de 
planter soms dagen wachten, moet in dien tijd zelf voor voeding en huis- 
vesting zorgen, is ver van vrouw en kinderen verwijderd, en onttrokken 
aan de verzorging vAn zijn vee en plantsoen" *). Om vroeger geholpen te 
worden gaat hij over tot het geven van geschenken, of stelt zich tevreden 
met eene mindere betaling, waarvan het ondergeschikt pakhuis-personeel 
gebruik maakt om zich te verrijken. 

De betaling aan de bevolking is, gelijk men weet, op Java sedert korten 
tijd fi3 per pikol, met uitzondering van de Preanger, waar zij ƒ6.50 s) 



ï) Alg. Versl., blz. 112. ») Ibid., bk. 106. 

)) Zooals reeds blz. 256, noot 2, werd aangeduid, staat de geiriagere betaling 
die de bevolking in de Preanger en Banjoewangi voor de koffie geniet, in verband 
met bet niet heffen van landrente van het rijstgewas in die reaidentiën. Doch in waarheid 
is, in de Preanger althans, de bevolking niet van de landrente vrijgesteld ; eij betaalt 
baar slechts aan de Regenten in plaats van het Gouvernement. Het is bekend, dat 
de Minister de Waal in de Ind. begrooting voor 1871 den prijs in de Pireanger 
had willen brengen op / 10 per pikol, in verband met de reorganisatie van het 
*Preanger-8telsel, doch dat liregens de verwerping van dat hoofdstak door de Eerste 
Xamer de zaak gebleven is zoo ais zij was. Het voorstel, door den heer van Bosse op 
nieuw ingediend, heeft andermaal de goedkeuring der Tweede Kamer erlangd, en 
zal vermoedelijk nu ook wel door de Eerste worden bekrachtigd. 



266 

en in Banjoewangi, waar zij f 7.50 bedraagt i). Van die f 13 zijn dan ^\^ van den 
prijs als landrente en ƒ 3 voor transportkosten afgetrokken. Intusschen blijkt 
uit het Verslag van de koffiecultuur, dat er onderscheid ivordt gemaakt in koflie 
van de Ie, 2« of 3^ soort, en dat er ook verschil is in betaling. ^Terwijl in 
sommige residentiën,'' zegt de heer Bosch, s^slechts ééne soort wordt aan- 
genomen, worden in andere gewesten twee of drie soorten, en in Madioen 
zelfs vier soorten toegelaten." *) Hij heldert dit, blz. 406, nader op door 
de mededeeling. dat in Hagelen, Banjoemas en TagaJ twee, in Pasoeroean 
en Probolinggo drie qualiteiten van koffie worden onderscheiden, voor ieder 
waarvan een bijzondere prijs wordt opgegeven, terwijl van Madioen slechts 
de prijzen van drie soorten genoteerd staan. 3) De Indische begrootings- 
wetten wijzen die verschillende prijzen niet aan. Alleen vermeldt het eerste 
begrootingsontwerp voor 4867, in den uitgewerkten Staat van het De- 
partement van Binnenlandsch bestuur, onder Art. 26 lit. ƒ, den inkoop 
van koffie »tegen verschillende prijzen," onder welke algemeen'^ aanduiding f 
ook de prijzen voor bovengenoemde mindere soorten begrepen kunnen zijn, 
maar waaronder tevens de koffie van de onafhankelijke prinsen opgenomen 
moet zijn, omdat daarvan geene verdere vermelding voorkomt. 

Volgens besluit van 43 Nov. 4864 en van 3 Febr. 4869 (Ind. Staatsbl. 1869, 
N*. 45) wordt voor slechte koffie de helft betaald. Hierover spreekt de heer 
Bosch niet, maar merkwaardig is hetgeen hij zegt naar aanleiding van de vraag, 
in hoever het al of niet wenschelijk is, dat ook de levering van inferieure koffie 
verplicht moet gemaakt worden , dat n.1. de verplichte levering van inferieure 
koffie ^een krachtig middel is tot knoeien voor de koffie-pakhuismeesters, daar 
zij hierdoor in de gelegenheid gebracht worden, om goede koffie, onder 
voorwendsel dat zij niet goed uitgezocht is, als zoodanig af te vdjzen, ten 
einde haar later als inferieure aan te nemen en toch als goede in de 
boeken op te nemen." *) Zeer juist I maar hierin ligt eene veroordeeling 
te meer van de Gouvernements-koffiecultuurI Het is van het Gouvernement 



^) Over de prijzen voor de koffie door de onafhankelijke prinsen te leveren 
spreken wij hier niet, 

>) Alg. VersL, blz. 13. 

') Zie hier de prijzen van de 2e en 3e soort, zoo als die waren in 1864. Y&n 
de Ie soort was de prijs toen overal / 11.50. 

Bagelen 2e soort / 8.62^; Banjoemas f 5.00; Tagal f 5.75. Passoeroean 2e 
soort / 7.25, 3e soort /b,2Si Frobolinggo 2e soort /6.50, 3e soort ƒ 5.75; 
. Madioen 2e soort / 5.75, 3e soort / 5.50. Er schijnt dus bij deze prijsbepaling 
nergens een vaste grondslag te zijn aangenomen. Volgens het besluit vlox 16 
Februari 1852, N®. 6, moeten de prijzen van de 2e en 3e soort ^/^ tot ^/4 van 
dien der Ie soort bedragen. 

«) AJg. Yersl. bis. 18. 



267 

dat als koopman optreedt, niet te vergen, dat het voor slechte of inférieure 
qualiteit evenveel als voor goede qualiteit betaalt. Het moet, evenals 
ieder koopman, onderscheid maken tusschen goede en inferieure hoedanig- 
heid van de waar die het inkoopt. Maar de bevolking wordt daardoor 
ook overgeleverd aan de vnllekeur der ambtenaren. Deze kunnen voorgeven 
dat het aangeboden product slecht of inferieur is, terwijl het goede qua- 
liteit is. De bevolking kan niet hare waar terug nemen en elders trachten 
te plaatsen; zij is verplicht haar af te staan aan die ambtenaren. Zij kan 
ook niet eene hoogere beslissing inroepen, want er is geen hooger be- 
roep. Zij moet zich dus de behandeling van den eenen of anderen geweten- 
loozen ambtenaar laten welgevallen. Ën al had ook de bevolking hooger 
beroep, wat zou het haar baten? Z^ zou daarvan geen gebruik kunnen 
maken; want het zou haar veel tijd en groote uitgaven voor onderhoud en 
huisvesting kosten, terwijl zij zich bovendien de gramschap van den teleur- 
gestelden ambtenaar, die zijne beslissing verworpen zag, op den hals zou 
halen. 

»De betaling per pikol is echter geheel iets anders dan de belooning 
welke de planter voor zijn arbeid ontvangt. ^ Om deze te leeren kennen, 
is het noodig te weten, hoeveel hij geproduceerd en dus ontvangen heeft, 
en welken tijd hij aan de cultuur heeft moeten besteden'' ^). De heer 
Bosch heeft een staat overgelegd, opgemaakt uit de overzichten van iedere 
residentie over de jaren 1853 tot 1864, waaruit blijkt dat de 
minste verdienste van ieder huisgezin in het jaar gemiddeld bedragen heeft 
f 7.35 (n.1. in Krawang), en de hoogste, eveneens gemiddeld, was ƒ37.99 
(in Pasoeroean). Wanneer men nu met het Verslag aanneemt, dat over ge- 
heel Java de Inlander gemiddeld zestig dagen in het jaar voor de cultuur 
werkzaam is, en het huisgezin op drie personen stelt, dan zou het dagloon 
voor ieder persoon zyn gemiddeld 4 cent het laagst, en 21 cent het 

hoogst *). 

:»Het laagste dagloon dat op Java in vrijen arbeid wordt betaald voor 
werk waartoe geene bijzondere bekwaamheid wordt vereischt, is 20 cent ; 
in de meeste streken is het hooger; soms klimt het tot 50 cent, maar 
zelfs met dit laagste loon vergeleken, blijkt het, dat de belooning voor den 
arbeid aan de kofiiecultuur besteed in het gunstigste van de twaalf jaren 
slechts in vier residentiën, Tagal (21 c), Soerabaja {16% c), Pasoeroean (21 c.) 
en Bezoeki (13^^ c.) voldoende kon geacht worden, en gemiddeld alleen in 
Tagal en in Pasoeroean, d. i. gemiddeld over de geheele residentie; want 



1) Alg. Versl., blz. 123. 

*) Ibid. — In de Preanger Regentschappen heeft het dagloon over hetzelfde 
tijdsverloop bedragen 3Vi c. en in Banjoewangi 9Vt c. (ibid.) 

18 



268 

ook in andere gewesten zijn districten waar de koffiebetaling den arbeid 
niet alleen voldoende, maar zelfs ruim beloont, doch daarentegen vindt men 
er ook vele waar het loon beneden het gemiddelde daalt, en enkele 
waar het zoo goed als niets bedraagt" ^). Waar blijft nu de toepassing 
van Art. 56 § 4 van het Regeerings-reglement? In de Tweede Kamer der 
Staten-Generaal is meermalen gewezen op de nof^ma agendi, welke de toenma- 
lige Minister Rochussen in djne missive van den 23steii September 1858 heeft 
aangegeven. Van die missive, die wel is waar ter kennis is gebracht van de le- 
den der Tweede Kamer, maar welke nooit, zoover wij ons herinneren, publiek 
is gemaakt, vinden wij in het Verslag uittreksels, die w^j hier afschrijven : 
]»Dat in die bepaling (n.1. van Art. 56 § 4) sprake is van hilooning en 
van arbeid, en het dus als een eerste plicht der Regeering mag beschouwd 
worden, te zorgen, dat die belooning geëvenredigd zij aan den arbeid; 
dat deze bepaling echter zeer onbestemd is, daar aan den eenen kant de 
arbeid der bevolking ten minste gelijke voordeelen moet opleveren als de 
vrije teelt, terwijl aan den anderen kant schadelijke opdrijving moet worden 
vermeden; dat het na rijp beraad uiterst moeilijk, ja bijna onmogelyk 
voorgekomen is, eene praktische uitlegging te geven aan deze onbestemde 
uitdrukking, en dat in dezen stand der zaak de Regeering is gekomen tot 
het aannemen van eenen grondslag van belooning voor arbdd, volgens 
welken de bevolking zoowel door een billijk gesteld minimum gewaarborgd 
is voor een loon aan haren arbeid geëvenredigd, als dat zij, zonder schade- 
lijke opdrijving, eenigermate deelt in de winst van het Gouvernement'* *)• 
De grondslag waarvan bovenstaande missive spreekt, is deze: 
9 Wanneer de gemiddelde marktprijs [der koffie op Java, volgens opgave van 
de factorij der Nederlandsche Handelmaatschappij te Batavia, over de vijfjaren 
onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip der prijsbepaling, geweest is: 

^beneden f 20, zoo is de prijs f 8.50 
f 20 — 22.50 » » » » > 9.— 



> 22.50 — 25 


» 








> 9.50 


» 26— 27.50 


> 








» 10.— 


» 27.5a 30 


» 








> 10.60 


» 30— 32.50 


» 








» 11.— 


» 32.50 — 35 


» 








» 11.60 


> 35 — 37.60 


» 








» 12.— 


» 37.50 40 


> 








» 12.50 


» 40 


» 








» 13.— 



99 



O 



1) Alg. VersL, blz. 123 sq. >)Alg. VersL, bk, 121 sq, 

S) Ibid., blz. 122. „De betaling in de Preanger Regentschappen en in Banjoo- 
wangi volgt dezen regel niet. De eerste is altijd gelijk aan de helft en de tweede 
aan •"/looo van den prijs, die elders op Java gegeven wordt." 



269 

Het komt ons voor, dat het zijn nut kan hebben, dat wij hier ook een over- 
zicht geven van al de onkosten die de koffiecultuur met zich brengt. Ook het Al- 
gemeen Verslag heeft dat gedaan, maar zijne opgaven loopen slechts tot en 
met het jaar 4864. Wij willen hier liever de begrooting voor 1870 volgen, 
terwijl wij aan den voet dezer bladz^de de eindcyfers van de uitgewerkte 
staten van het jaar 185S af tot en met 1864, zooals die op blz. 127 en 
volgende van het Verslag zijn opgenomen, vermelden i)« 
I. De in Indië te maken onkosten bedragen: 
Koffie, 
a. Tractement van den hoofd-inspec- 
teur der cultures, bestemd voor de 

koffiecultuur f 18 000,00 

h. Toelage voor reis- en verblijfkosten 

van dien hoofd-inspecteur ...» 3 600.00 

c. Reiskosten van den hem toegevoeg- 
den controleur der landelijke inkom- 
sten en cultures » 500.00 

d. Tractementen van de opzieners voor 
de gewone en West-Indische koffie- 
bereiding : 

Bantam ƒ2 700.00 

Kadoe 6 600.00 

9 9 300.00 

e. Periodieke tractementsverhooging 
van de opzieners voor de gewone en 
West - Indische koffiebereiding in 

Bantam » 1800.00 

Transporteer f 33 200.00 

ï) 1853 bij een bedr. van 700,680 >«/i4»oo ¥^ eeneuitg. van / 6,882,092.02^ 

1864 „ „ „ „ 1,087,617 "«/,o«o « „ « ,. « 10,154,634.40 

1855 „ „ „ „ 1,178,486 "«/looo « » » « » 10,974,158.52« 

1856 „ „ „ „ 761,426 •«•/jgoo » „ . « « « 7,839,952.95 

1857 „ „ „ „ 922,966 ^res/,^^^ „ „ „ „ „ 9,525,307.545 

1858 „ „ „ „ 916,680 •so/jooe » „ « ,» ». 9,745,760.088 

1859 „ „ „ „ 749,302 ^^^Um „ „ . „ „ „ 9,037,577.685 

1860 „ „ „ „ 973,868 iö»/ioo« ,» « ». » n 12,303,282.01» 

1861 „ „ „ „ 891,419 ^^^lio.o >» « « » » 11,822,225.615 

1862 „ „ „ „ 652,462 ^^^li.oo « >. .. » » 9,100,414,47» 

1863 „ „ „ „ 1,104,924 "«/looo „ „ „ „ « 14,329,635.465 
l«74 „ „ „ „ 439,546 «o/jow „ „ « « ,. 6,417,825.865 
Onder het aantal pikols zijn ook begrepen die, welke als haurschat van woeste 

gronden worden opgebracht en waarvoor dus geene uitgaven zijn gedaan voor 
arbeid enz. 



270 



Trangport. f 33 200.00 

f. Tractementen van opzienerSi man* 
tri's, mandoors en verder inlandsch 
personeel bij de kofiQecultuur: 

a. Java en Madura, . . » 102 720.00 

b. Buüenbezittingen ...» 11 580.00 

g, Personeele toelage van Prong di Wir- 
go, mantri bij de kofiQecidtuur ter 

Sumatra's Westkust » 120.00 

h. Tractementen van het personeel bij 
de verschillende kofïiepakhuizen: 

a. Java en Madura. . . » 209 442.00 

b. Buitenbezittingen ...» 29 322.00 
i. Surplus-tractement van de inland- 

sche pakhuismeesters . . • • » 5 000.00 

k. Personeele toelage van J. Döhne, kof- 
fiepakhuismeester te Beton (Soera- 
karta) » 600.00 

L Tractementen van het tijdelijk per- 
soneel by de koffiecultuur en de kofBe- 
pakhuizen gedurende den tijd dat het 
langer in dienst moet voorden ge- 
houden dan berekend is b\j onder* 
deelen f en h » 6 000.00 

m. Schrijfbehoeften voor de onderpak- 

huismeesters te Menado .... 425.00 

n. Inkoop van koffie » 12 779 600.00 

o. Bereiding der koffie op de West- 
Indische vdjze > 30 000.00 

p, Gultuurpercenten aan Inlandsche 

ambtenaren > 417 210.13 

9* Collecteloon op de belasting op de 
koffie in de Noorderregentschappen 
en de Oosterdistricten van Celebes » 470.00 

r. Daggelden van gecommitteerden 
voor het constateeren van koffie en 
van uit Nederland aangebrachte 
goenizakken » 5000.00 

B. Inpakking en vervoer van koffie, 
met inbegrip van kosten van vervoer 
en beheer der goenizakken. . . » 1 400 000.00 



Transporteer f 15 030 689.00 



271 

Transport f 15 030 689.00 
t Koeten van advertentiën betrekke- 

« 

lyk de voor rekening van het Oou- 
vemement te houden publieke vei- 
lingen van koffie » 1 000.00 

f 45 031 689.00 

n. De onkosten in Nederland zyn: 

1. Onkosten van afscheep in Indië i) f 150 000.00 

2. Assurantie *) > 208 689.00 

3. Avery-gros en particulier »). . > 113 669.00 

4. Vrachten *) » 2 362 500.00 

5. Premiën aan de gezagvoerders ■). :» 26 250.00 

6. Courtage van verkoop •) . . . » 357 000.00 

7. Registratie en opcenten . . » 243 424.00 

8. Onsplitsbare onkosten in Neder- 
land ') » 225 000.00 

9. Commissie •) » 701 905.00 » 4 788 437.00 

te zamen dus f 19 820 126.00 
terwijl het bedrag koffie, zoo van Java als der Buiten- 
bezittingen, bij die begrooting geraamd is op een totaal 
van 970,300 pikols. 

Tegenover die raming van onkosten wordt echter als 
opbrengst van de zoo in Nederland als in Indië te 
verkoópen koffie geraamd een bedrag van f 46 600 465.00 

Wij hebben in het begin van ons opstel met een enkel woord over de 
ïafschrijving^' der Oouvernementstuinen gesproken, en daarbij gezegd, daarop 
te zullen terugkomen. Wy willen dat thans doen, omdat ook die zaak van 
het grootste belang is. En toch .... men staat verbaasd over de onacht- 



1) Hiervoor declareert de Handelmaataohappij / 0.20 per pikol. 

*) ^^k% ^U over Vie gedeelte, dat verzekerd wordt. 

*) 0.4 */( over het onverzekerd */|0 gedeelte. 

*) / 90 per last. 

s) Als maximnm kunnen de gezagvoerders genieten / 1 per last. 
•) 1 pCt. 

V) De Nederlandache Handelmaatachappij deolareert voor koffie / 0.30 per pikoL 
Deze onkosten vallen voornamelijk op het lossen der prodncten, de zolderhuor, de 
▼arsekenng tegen brandschade, de veilingen en de aflevering. 

•) 3 pCt. volgens Art. 3 der overeenkomst. Zie Wet 22 Deo. 1863 (Staatsbl. No. 129). 



272 

zaamheid waarmede met die afschrijvingen omgesprongen wordt. Zoolang 
de Gouvemementscultuur bestaat, moet z\j ook met al de zorg en den 
ijver behartigd worden waarop zij aanspraak heeft. Maar juist die on- 
achtzaamheid en onverschilligheid die daarbij aan den dag gelegd worden, 
bewijzen de juistheid van de stelling, door de liberale party steeds voorop 
gesteld, dat het Gouvernement onmogelijk een zuivere administratie k^ 
houden over cultuur-aangelegenheden; dat het verkeerd is, wanneer het zich 
met landbouw- of industrie-ondernemingen inlaat. Om een duidelijk overzicht 
te geven van de wijze, waarop de afschrijvingen van de Gouvernements- 
koffiecultuur plaats vinden, schrijven wij hier eene missive van 16 Sept. 
1866 van den heer Bosch over, die hij in het door hem overgelegd verslag 
heeft opgenomen i). 

:»Het afschrijven van op hoog gezag daargestelde kof&e-aanplantingen is 
geheel overgelaten aan het oordeel van de hoofden van gewestelyk bestuur, 
die daartoe het cijfer der kofïieboomen slechts hebben op te nemen op den 
driemaandelijkschen staat van den stand der koQiecultuur in hunne residen- 
tie ... • Hoe nu wordt veelal te werk gegaan by het afschrijven van de 
kofQetuinen? De resident ontvangt ten dezen eene voordracht van den 'ad- 
sistent-resident of controleur en van de betrokkene regenten, welke amb- 
tenaren ter zake voordrachten hebben ontvangen van de districts-hoofden , 
welke tot het indienen van deze voorstellen zijn overgehaald door de 
mantries-koffie of wel door eenig dessdhoofd. Het mag geen regel genoemd 
worden, dat één dezer ambtenaren den stand der koffietuinen, die tot 
afschrijving in aanmerking zyn gebracht^ plaatselijk heeft onderzocht^ nodi 
ds oorzaken van den minder voordedigen toestand dezer aanplantingen. 
Het gebeurt, dat adsistent-residenten en controleurs, vertrouwende op de 
districtshoofden, tot eene gelyke voordracht overgaan, zonder de aanplantin- 
gen eenmaal bezocht te hebben. Deze schets is niet overdreven, ten bewyze 
waarvan het volgende kan dienen. Toen eenige maanden geleden de resident 
van Samarang in overweging gaf, om de koffiecultuur in de districten Srondol 
en Samarang in te trekken, waren volgens bekomen informatiën deze aan^ 
plantingen door geen der Europeescbe ambtenaren bezocht geworden^ tot den 
dag waarop ik mij daarheen begaf. Aanplantingen op groote afstanden 
van de standplaatsen der ambtenaren, of welke niet dan langs moeüijke 
wegen zijn te bereiken, worden weinig bezocht In fiezoeki, Tagal, Kediri 
en schier iedere residentie worden afgeschreven tuinen aangetroffen, die in 
zeer voordeeligen toestand verkeeren^ en waarvan rijke oogsten, getrokken 
worden, Inlandsche ambtenaren, hierop gehoord, gaven ten antwoord, dat 
deze tuinen zich hadden hersteld na eenige jaren rust: de regent van Bon- 
dowosso ') zeide woordelyk: ini kebon idoep kombali abis di ganggoe s). 

1) BIz. 136. ') Hedid, Bezoeki. ^) Deze tuin leeft weder, nu men hem on- 
gemoeid laat. 



273 

Het is dan ook waar, dat vele tuinen vernield worden door de onoordeel- 
kundige bevelen van jonge, met cultures geheel onbekende en eigenzinnige 
ambtenaren, die zich buitendien dikwijls afwisselen. . . . Intusschen mag 
vaststaan, dat op het oogenblik van vele afgeschreven tuinen nog een 
ruime oogst verkregen wordt" enz. 

Uit deze missive, waarvan wij den voomaamsten inhoud overnamen, blijkt 
duidelijk met hoe weinig zorg de afschry vingen plaats vinden. Daartegen- 
over echter staat, dat sommige hoofden van gewestelijke besturen eene 
al te groote behoedzaamheid in acht nemen, zoodat zelfs tuinen die 
hoegenaamd geen vooruitzicht geven op voordeel, niet worden afgeschreven, 
waardoor aan de bevolking de gronden die z^ met goed gevolg met an- 
dere gewasseiy zou kunnen bebouwen, ontnomen bljyven. 

Het gevolg van de bovengenoemde missive van den hoofd-inspecteur der 
kofüecultuur is geweest het besluit van 24 October 1866, No. 29, waarbij 
bepaald is, dat geene afschrijving van kofBetuinen zal mogen] plaats heb- 
ben, dan na bekomen machtiging der Regeering. 

De afgeschrevene tuinen werden vroeger niet aan de bevolking terug- 
gegeven, dan hij volstrekte noodzakelijkheid i), of voordat overtuigend be- 
wezen was, dat de oude niet meer aangehouden kunnen worden ^). Thans 
echter is men daarvan teruggekomen en worden de afgeschreven tuinen 
aan de bevolking teruggegeven *). Zijn hieronder ook begrepen de afge- 
schreven tuinen in de Preanger? Of geldt te hunnen aanzien nog het 
besluit van 24 September 1864, No. 14, waarbij teruggekomen is van het 
denkbeeld om de afgeschreven tuinen met andere nuttige boomsoorten te 
beplanten, doch van welken maatregel de Preanger regentschappen zijn 
uitgezonderd? 

Het Verslag waarvan wij tot dus verre een overzicht gaven, bevat ook 
merkwaardige feiten betrekkelijk den tegenzin dien de bevolking jegens de 
kofBecultuur aan den dag legt. Die feiten zijn zeer leerzaam, vooral voor 
de verstokte bewonderaars van de kofBecultuur, en voor hen die altijd, 
trots alle tegenspraak, blijven beweren, dat de Javaan met die gedwongen 
cultures zoo gelukkig is. Daarom wiUen wij ook [die hier niet verzvwjgen. 
Reeds boven vermeldden wij, naar de getuigenis van den heer Bosch, dat 
geen enkel plaatselijk ambtenaar aan het bestaan van dien weerzin bij de 
bevolking twijfelt. Verder deelt de heer Bosch eenige bijzonderheden meda, 
9 welke van groote opofferingen van de planters getuigen, om de bestaande 
bezwaren te ontgaan, welke zelfs tot volksverloop geleid hebben" *). Zoo 
wordt eenstemmig door de ambtenaren in de Preanger regentschappen ver- 



1) KesoL 25 dept. 1836, No. 128. «) Besl. 30 Aug. 1854, No. 3. 

•) Besl. 25 Juli 1866, No. 24. *) Alg. Versl., blz. 162. 






1 



274 

klaard: ]»dat de bevolking het niet aangenaam vindt, kofBetuinen aan te 
leggen, vooral niet op groote afstanden van hare woningen, en dat die 
weerzin blijkbaar is uit het slordig bewerken en nog veel slordiger plukken 
en vervoeren der vruchten" *). Uit de mededeelingen van eenen adsistent- 
resident, die vroeger als controleur in Probolinggo werkzaam is geweest, 
blijkt dat de bevolking in de districten Djabong en Pahiton, de voorkeur 
geeft aan indeeling bij de suikercultuur, als zij daardoor van de kofüecul- 
tuur kan vrijkomen'^ '). Uit Samarang wordt gemeld, dat in de af deeling 
Salatiga de planters, :»hunne boomen aan het dessahoofd weggaven. InBodjo 
deden twee dessa's, Teban en Loromiring, die op 6 palen afstand plantten, 
hunne koffie over aan de dessa's Medono en Kloewah, en gaf ook de be- 
volking van de dessa Pakis haren tuin aan de ingezetenen van Limbangan*' '). 
Uit Soerabaja verhaalt de heer Bosch, dat ^sommige dessa's den geheelen 
oogst aan den boom voor een zeer geringen prijs verkochten, alleen om 
van het plukken bevrijd te wezen. Soms gaven zij het product om niet 
weg, of betaalden zij daarop zelfs toe. Dit laatste was het geval in drie 
dessa's van Mo^jokerto, n.1. Modjonamo, Tehel en Mo^jodoewi. Deze ga- 
ven den oogst aan enkele personen over, die de koffie plukten, bereidden en 
aan het pakhuis brachten , de betaling ontvingen , en van de planters nog 
eene hoeveelheid padi toekregen. De eerste dessa gaf voor drie jaren den 
oogst aan eene inlandsche vrouw, Rah Wecyo genaamd, en 170 bossen 
padi toe; de tweede aan den inlander Pa Bisik en 100 bossen; de derde 
aan Pa Seko ook met 100 bossen padi toe" ♦). Van Modjosari wordt ge- 
meld, :»dat eenige dessa's de aanplantingen aan andere dessa's hebben af- 
gestaan." Zoo ruilde o. a. de dessa Pandan haren aanplant, op 5Vi paal 
afstand, met dien van de dessa Patjet, waarvan zij slechts 2 palen afwas, 
»hoewel de ruil onvoordeelig was , dlar zij minder en slechter boomen te- 
rugkreeg." Merkwaardig is hetgeen daarbij wordt medegedeeld: :»twee per- 
sonen, die verhuisd waren om de koffiecuUuur te ontgaan, kwamen 
daarop in de dessa terug'^ ^). Wil men een nog gewichtiger feit? Men 
leze wat gezegd vjordt van Kediri, af deeling Toeloeng agoeng: »in 1864 
waren uit het district Ngasinan (Trenggalek) 260 personen verhuisd, en 
wel voornamelijk uit de dessa's Tegalombo, Djamboe, Dremasari en Tji- 
tah, die gemiddeld 16 palen van hunnen tuin (Mendoeng) verwijderd la- 
gen. En onder de uitgewekenen telde men 203 personen uit die dessa's 
geboortige* •). 

Het komt ons voor dat deze voorbeelden genoeg spreken. AUeen in Pa- 
soeroean is de toestand geheel anders. :»0p het weinige na wat op hoog 
gezag iï{ tuinen geplant was, is de koffiecultuur daar eene volkscultuur. 



ï) Ibid. ») Ibid. 3) Ibid. *) Alg. Versl., blz. 163. 

5) Ibid. •) Ibid. 



275 

Ook in Probolinggo en Banjoewangi deed zich het bezwaar van verre af- 
standen weinig of niet gevoelen" ^). 

De Indische regeering heeft bij het besluit van 21 Februari 1867, dat 
het rapport, waarvan vnj thans een overzicht geven, ten gevolge had, 
den heer Bosch eenige vragen ter beantwoording voorgesteld '). Wij willen 
aan het slot van ons opstel eenige der voornaamste daarvan met den hoofd- 
zakelijken inhoud der daarop gevolgde antwoorden aanstippen. 

Het is reeds meermalen gezegd, dat de ko£Qecultuur stationnair is en 
dat het aan geschikte gronden, die niet al te ver van de dessa's afgelegen 
zijn, ontbreekt, om de noodige uitbreiding aan de cultuur te geven. Op de 
vraag: )»Zijn er nog geschikte gronden voor de uitbreiding der kofiQe- 
cultuur, en zoo ja, waar?" wordt dan ook, met het oog op de Gouvernements- 
cultuur, ontkennend geantwoord: :»de algemeene klachten over gebrek aan ge- 
schikte gronden zijn in betrekkelijken zin juist. Er zijn n.1. op korte 
afstanden van de dessa's geene gronden meer beschikbaar om voor dezen 
tak van landbouw aangewend te worden, d. i. wanneer de cvltuur op 
den tegentooordigen voet gedreven wordt" Reeds in 1854, maar nog meer 
in 1857, luidden de berichten van de Residenten op dezelfde vraag ongun- 
stig. Wel zijn in de laatste tien jaren ruim 130 millioen boomen geplant, 
maar de meeste zijn, uit gebrek aan geschikte, op ongeschikte gronden ge- 
plantf waarvan het gevolg is geweest tallooze verzoeken om afschrijvingen. 
9De afschrijvingen .... die sedert 1833 tot 1864 hebben plaats gehad, 
waren dan ook kolossaal." En zeer te recht laat de heer Bosch er op 
volgen: »het is een groot kwaad en eene groote plaag tevens voor de be- 
volking, dat de plaatselijke ambtenaren ongeschikte gronden aanwijzen voor 
aanplantingen van koflfieboomen, die vroeg sterven, aan de bevolking geene 
verdiensten opleveren en haar, behalve nuttelooze verspilling van groote 
werkkrachten, bovendien eenen bodem ontnemen, waarvan zij veel voordeel 
zou kunnen trekken voor de teelt van voor voedingsmiddelen geschikte ge- 
wassen. Er kan geen beter middel uitgedacht worden, om den weerzin der 
bevolking tegen de kofBecultuur op te wekken, dan haar te dwingen op 
ongeschikte gronden te planten.'' 

Ontbreekt 't dus aan geschikte gronden voor de Gouvemements-koffie- 
cultuur, niet alzoo wanneer men den particulieren ondernemingsgeest ten 
voordeele daarvan wil inroepen. Er is op Java overvloed van uitgestrekte 
bosschen, waarvan de bodem uitstekend geschikt is voor de kofiQeteelt, 
]»inaar deze gronden zijn slechts door uitgifte aan particulieren daartoe in 
exploitatie te brengen, omdat zij voor de Gouvernements-cultuur te Ver van 
de bewoonde landstreken gelegen zijn." Zelfs zijn er gronden die voor de 



t) Ibid. >) Alg. Venl., blz. 163 sqq. 



276 

Oouvernements-aanplantingen ongeschikt zijn, maar toch met nut door de 
pai*ticuliere industrie gebruikt kunnen worden, omdat deze aan beroestiug 
en bearbeiding meer ten koste kan leggen dan het Gouvernement. 

Maar, zal men vragen, waarom kan men de bevolking, vooral déér, 
wdér overbevolking blijkt te bestaan, dan ook niet brengen waar de 
bovengenoemde geschikte gronden gevonden worden, zoodat ook deze dienst- 
baar kunnen gemaakt worden aan de Gouvernements-cultuur? 

Dat op vele plaatsen overbevolking bestaat, is niet tegen te spreken. 
Vooral geldt dit van al de hoofdplaatsen, maar ook piet minder van centraal- 
Java, in een gedeelte van de residentiën Samarang, Kadoe, Bagelen en in 
de Vorstenlanden. Maar zal deze overbevolking over te brengen zijn naar 
die afgelegene bosschen, om ze ten behoeve van de Gouvernements-cultuur 
te helpen exploiteeren? Na al hetgeen wij boven gezien hebben van de 
geringe voordeden die de inlandsche bevolking daarvan geniet, van al den last 
dien zij er van ondervindt, zou het waarlijk een krankzinnig denkbeeld zijn om 
nog te kunnen vermoeden, dat zij zich daartoe zonder dwang zou leenen. De In- 
lander mag minder behoeften hebben dan de Nederlandsche daglooner; hij mag 
met eene mindere belooning dan hier te lande verlangd wordt, tevreden zijn; 
maar hij weet even goed als dé Westersche werkman, of hij al dan niet voor- 
deel heeft. Is het dus niet te denken, dat de bevolking zich vrijwillig zou 
laten verleiden om zich ten behoeve van de Gouvemements-cultuur te ver» 
plaatsen,' geheel anders, meent de heer Bosch, — en wij gelooven met allen 
grond — is het gesteld wanneer de particuliere industrie haar roept. Zie 
hier wat hij daaromtrent mededeelt. »Deze overbevolking zal zich gemak- 
kelijk naar woeste gronden laten leiden, wanneer deze aan partictdierefi 
tot ontginning worden afgestaan. Het i^ een niet te weerspreken feit, dat 
daar, waar zich een Europeaan vestigt, al is het zelfs te midden van ber- 
gen en bosschen, hij weldra door eene inlandsche bevolking omringd wordt, 
die soms in zoo groot aantal komt opdagen^ dat een gedeelte daarvan al 
spoedig moet worden afgewezen. Ik herinner mij niet, dat een ondernemer 
ooit over gebrek aan handen geklaagd heeft, maar wel over teleurstdlin- 
gen, ondervonden wegens ontvreemding van gereedschappen, en verliezen, 
door het wegloopen met ontvangen voorschotten. De poëtische voorstelling : 
>de Inlander is aan de graven zijner voorouders gehecht," mag men niet 
in al te engen zin opnemen. De Javaan en Madurees bewegen zich toch 
over den geheelen Indischen Archipel. Als zeevarenden ontmoet men hen aan 
boord van bijna ieder vaartuig. ... De residentiën Bezoeki, Probolinggo, 
Pasoeroean, Soerabaja, Kediri en Rembang zijn, hier meer, daar minder, 
door Madurcezen bevolkt, waarvan het zielental door mij op ruim 2 mil- 
lioen geschat wordt. De immigratiën naar deze gewesten hebben sedert 
de laatste vijftig jaren op eenigszins groote schaal plaats gehad, en 
niettemin is, volgens de regeerings-statistiek, de bevolking van het eiland 



877 

Madura van het jaar 1853 tot 1864 van 328,134 tot 578,641 zielen ge- 
klommen." 

Laten wij thans nog twee hoofdpunten bespreken, die betrekking hebben 
tot het overdragen van de kofiQecultuur aan de particuliere industrie, en tot 
de rechten die de bevolking zoo op den ingenomen grond als op de door 
haar geplante hoornen kan doen gelden, pimten die behandeld worden in 
de vragen sub. litt. 3, t, u, w en x» 

Het is reeds een merkwaardig verschijnsel, dat de Regeering betrekke- 
hjk het eerste punt de vraag aldus formuleert: »zou een verhuur van Gou- 
vernements-kofGetuinen aan particulieren tegen betaling van huurschat in 
geld of in natura aan te raden zijn?" Waar een dergelijke vraag door de 
Regeering, die tot dusverre aan de gedwongen cultuur vasthield, wordt 
gedaan, kan de hoop niet onderdrukt wórden, dat zij eindelijk voor eene 
toestemmende beantwoording gewonnen worde. 

De liberale partij heeft steeds gewezen op het voordeel van een verhuur 
of verkoop der tegenwoordige kofiietuinen aan particulieren. Zij heeft 
altijd beweerd, dat het overdragen van die cultuur, mits met beleid en 
voorzichtigheid geschiedende, eer voor- • dan nadeel aan het Gouver- 
nement zou opleveren, terwijl de bevolking er wel bij varen zou. De heer 
Bosch komt gedeeltelijk tot hetzelfde resultaat, en hetgeen hij daaromtrent 
aanvoert is van te overwegend belang om het hier niet woordelijk over te 
nemen. 

Met denkbeeld betrekkelijk den verhuur aan particulieren van een ge- 
deelte der Gouvernements-koffietuinen is ... . door mij bereids bij missive 
van den 23stexi Juni 1866 in overweging gegeven. Ik bedoelde namelijk die 
tuinen, die op zoodanigen afstand van de dessa's gelegen zijn, dat de ver- 
zorging en pluk er van, volgens het gevoelen van de hoofden van gewes- 
telijk bestuur, bezwarend voor de bevolking geacht moeten worden 

Volgens de door de hoofden van gewestelijk bestum* geleverde cijfers zouden 
p. m. 20 miDioen boomen in de termen van verhuur vallen, waarvan het pro- 
duct, oude en jonge boomen dooreen genomen door mij op V» Amst. pond 
per boom geschat, 40,000 pikols zou bedragen. ... De bavenbedoelde 20 
millióen boomen vertegenwoordigen eene oppervlakte gronds van 20,000 
bouws, de bouw tegen 1000 boomen gerekend. Deze uitgestrektheid gronds 
zou, bij publieken verhuur, minstens de som van f 10 's jaars per bouw aan 
huurschat opgebracht hebben. Dit bedrag is voorzeker niet te hoog gesteld, 
als men bedenkt, dat voor woeste gronden f 6, en voor theetuinen ruim 
f 50 aan huur gecontracteerd is. Aldus zouden de 20,000 bouws aan land- 
renten (sic?) een inkomen van f 200,000 geven. En schat men voorts dat 
particulieren van deze tuinen evenveel trekken als de ondernemers van Sa- 
marang, dat is 5 pikols per bouw, wat gewis niet hoog gesteld is, dan 



278 

zou het product 100,000 pikols bedragen, welke den lande aan uitgaande 
rechten ad 6 pCt. der waarde, gerekend tegen een marktprijs van f 35 
de pikol, zouden opbrengen ƒ 2.10 X 100,000 = f 210,000. 

2>Bij den verhuur van deze tuinenzoudeStaat derhalve ƒ410,000 's jaars 
verkrijgen, terwijl thans daarvan getrokken worden p. m. 40,000 pikols 
kofïie, welke, na aftrek van alle onkosten, zoowel in Indië als in Nederland 
daarop te vallen, vermoedelijk niet meer dan f 10 de pikol zuiver zullen 
opbrengen, of eene som van ƒ 400,000 *). 

»Het Gouvernement heeft bij soortgelijken verhuur buitendien andere be- 
langrijke voordeelen, namelijk: 

»dat, daar de contracten op langen termijn gesloten worden, de bovenbedoelde 
inkomsten mede over datzelfde lange tijdvak behouden worden, — ter- 
wijl daarentegen van deze vergelegen tuinen — als Gouvernements-aanplan- 
tingen behandeld — over geen tien, wellicht geen vijf jaren het boven- 
geschatte product zal geleverd worden; 

»dat de bevolking zich meer zal kunnen toeleggen op de teelt vim monosoeki- 
en kampong-kofQe, waarvan het product, na verloop van weinige jaren, de 
zooeven genoemde 40,000 pikols zal compenseeren ; 

]»dat, door de ontheffing der bevolking van den drukkenden last tot de 
teelt van koffie in geregelde tuinen op groote afstanden van hare woningen, 
aan haar de tijd geschonken wordt tot het verbouwen van meerdere gronden, 
dan thans het geval is, met andere gewassen, waardoor de belasting der 
landrente van deze nieuwe velden almede in 's lands kas zal vloeien; 

»en eindelijk dat handel en vertier door een en ander zal toenemen" *). 

Is *t, volgens het gevoelen van den heer Bosch, wenschelijk, de op verre 
afstanden gelegen koffietuinen aan particulieren te verhuren, anders is 
zijn oordeel over die welke niet in die kategorie vallen. De zoodanige 
die Dniet tot bezwaar van de bevolking strekken en nabij de dessa's op 
vruchtbaren grond en in een gunstig klimaat gelegen zijn", zou hij wenschen ten 
behoeve van het Gouvernement aan te houden. Hierin verschillen wij van 
den schrijver van het Verslag. Behalve de bezwaren, ontleend aan den druk 
der bevolking, aan de geringe voordeelen die zij geniet, aan het gebrek 
aan geschikte gronden voor de uitbreiding der Gouvernements-koffiecultuur, 
meenen wij, dat men bij de overweging van dit onderwerp niet uit het 
oog mag verliezen, dat het geheel in strijd is met de roeping van een 
Gouvernement, om landbouwer, koopman en ondernemer te zijn en te blij- 
ven. De Oost-Indische Comp. was een handels-lichaam, en zoolang z\j dat 



1) Hierbij voegen wij de besparing van zoo menigen post op de begrooting, 
die bij den actueelen toestand verbazende soinmeu vordert. Zie onzen staal van 
onkosten op blz. 269. 

^) Alg. Versl., blz. 170 sq. 



279 



karakter behield, maakte zij zaken. Toen zij echter later souvereine rechten 
uitoefende, gingen hare zaken van lieverlede achteruit, 't Is en blijft eene 
waarheid, voor geene wederlegging vatbaar, dat een Gouvernement nooit 
zoo voordeelig handel kan drijven als een particulier. Wanneer het Gou- 
vernement de tuinen die meer in de nabijheid der dessa's liggen, blijft 
exploiteeren ten eigen bate, dan blijven bovendien sommige der bezwaren 
die tegen de andere tuinen gelden, bestaan. De bevolking mist den prik- 
kel die eene goede belooning — zelfs al wordt de betaling van de af te 
leveren kofGe hooger gesteld — van zelve met zich brengt; immers, zij 
moet de tuinen onderhouden, oogsten enz. zonder belooning; daarbij ko- 
men de bemoeienissen van het bestuur, die op den duur vervelen en ver- 
drieten. Verder denke men aan het gewichtig bezwaar, dat van het Gou- 
vernement als koopman niet gevergd kan worden, om inferieure qualiteit 
even duur als superieure te betalen; de bevolking blijft dus overgeleverd 
aan de willekeur der ambtenaren ten opzichte van de beoordeeling der op te 
leveren koffie. Wil men terugkomen van het oude stelsel, men zij dan con- 
sequent en passé de hervorming op alle op hoog gezag ingestelde koffiecultu- 
res toe. Bestaat er vooruitzicht, dat het Gouvernement bij den verhuur 
der op verre afstanden gelegene tuinen geene schade zal lijden, hoeveel 
te meer zal dat gelden van die tuinen die beter gelegen zijn, wier bodem 
beter is en die dus meer voordeel beloven. En dat de particuliere indus- 
trie inderdaad woekeren kan met den grond, daarvan brengt de heer 
Bosch zelf een merkwaardig voorbeeld bij uit Samarang, waar de heer 
Versteegh een perceel in huur heeft dat sedert 1819 voor de koffiecultuur 
gebezigd wordt, en »waarop reeds vijf malen nieuwe aanplantingen bewerk- 
stelligd zijn, die thans nog meer dan 5 pikols per bouw.'sjaars geven. 
Deze uitkomsten kan een particulier van den bodem verkrijgen door 
rijke bemesting, goede verzorging van de boomen en zorgvuldigen pluk; 
doch bij de Gouvemements-cultuur in tuinen kan een en mder mmogelyk 
betracht worden." 

Het argument, dat de ondernemer werkkrachten zal missen, is boven 
reeds door den heer Bosch ontzenuwd. Maar bovendien, dat argument mag 
niet wegen bij het Gouvernement. Het gaat der Regeering niet aan of de 
ondernemer al dan niet in staat is, om de zaak die hij huurt of pacht, te 
exploiteeren, als hij slechts zijne huurpenningen opbrengt. Schiet hij daarin 
tekort, dan kan hij van zijn recht vervallen worden verklaard. Die vaderlijke 
zorg voor de particuliere industrie heeft tot dusverre een ontzaglijk groot na- 
deel bezorgd. De Regeering zorge voor hare eigene verpHchtingen en houde 
zich voor het overige aan het laissez faire. Indien de proef niet genomen 
ware met de particuliere industrie, dan zou men misschien kunnen aan- 
voeren, dat zij mislukken zal. Nu echter het bewijs geleverd is, dat zij 
met alleen leven, maar ook gezand leven kan, mogen dergelyke argumen- 



280 

ten niet meer aangevoerd worden. De Gouvemements-cultures hebben het 
natuurlijk en onvermijdelijk gevolg gehad, dat zij de particuliere onderne- 
mingen niet naast zich konden dulden, en de particuliere industrie werd zoo* 
veel mogelijk tegengegaan. £n toch liggen in Nederland nog vele kapitalen, 
die, zonder de Gouvernements-cultures, met groot nut voor het algemeen 
welzijn, in industriëele ondernemingen hadden kunnen aangewend worden; 
doch die nu in staatseffecten zijn belegd. De particuliere industrie is het 
afgewend geworden, het oog te vestigen op eene andere wijze van hare kapi- 
talen te beleggen; zij is ingesluimerd en behoeft nieuwe prikkels om zich 
te ontvdkkelen. Ook- uit dat oogpimt moet eene regeering die het welzijn 
der natie beoogt, wijziging brengen in een stelsel dat die nadeelen be- 
stendigen zou. 

Wij hebben wel eens een ander argument hooren aanvoeren, n« 1. dat 
het voor den inlander beter is den dwang van het Gouvernement te onder- 
vinden, dan dien van particulieren. Wij hebben daarvoor geene vrees. De 
particulier die zijne daglooners slecht behandelt, of hen slecht betaalt, 
zal zelf de wrange vrucht zijner handelwijze ondervinden. Zij die met hoop 
op gewin zich bij hem hebben aangesloten, zullen, wanneer zij zich teleur- 
gesteld gevoelen, hem weldra verlaten, en het zal hem moeite kosten ge- 
schikt personeel te bekomen. 

Wanneer wij dus van oordeel zijn, dat men moet trachten aU« Gouver- 
nements-tuinen — onverschillig of z\j ver van of dicht bij de dessa's gelegen 
zijn — aan de particuliere industrie over te dragen, willen vrij daarom 
nog niet, dat men dien maatregel in eens en overal tegelyk invoere. Neen, 
wij willen ook hier een geleidelijken overgang en van lieveriede invoering 
van het nieuwe stelsel. Zelfs zijn vrij overtuigd, dat men aanvankelijk wel- 
licht geene al te gunstige resultaten zal erlangen. Men houde toch in 
het oog, dat het vertrouwen der industriëelen zeer geschokt is, en dat 
het tijd kost om dat vertrouwen weder op te wekken. En daarom mag men 
die minder gunstige resultaten niet als voorbeeld aannemen, om het ge- 
heele stelsel te veroordeelen. Later zal men tot de overtuiging komen, 
dat het stelsel om den particulieren ondernemingsgeest te hulp te roepen, 
èn den Staat èn der bevolking gebaat heeft. Eens toch zal men er toe mioeten 
overgaan, om de Gouvernements-inmenging in zake van landbouw en 
industrie op te geven. Hoe men de zaak ook aanlegge, men zal op den 
duur te vergeefs trachten de vrinsten voor de schatkist te bev^aren. En dan 
zal het vrillicht te laat zijn, om met voordeel voor den lande de particu* 
lier e industrie in te roepen! 

Nog op één punt moeten wij wijzen. Het zal gebeuren — even als 't 
met de tabaksondernemingen plaats heeft gehad — dat sommige onder- 
nemers zich te gronde richten. Men wijte dat ook niet aan het stelsel, 
maar aan de onwetendheid, zorgeloosheid en onkunde der ondernemers. Te 



281 

dikwijls meent men dat het genoeg is eene zaak te hebben, om rijk te 
worden, zonder dat men zich bekommert eerst de noodige kennis er van 
te hebben. 

Wij spraken tot dus verre steeds van verhuur, doch wij sluiten verkoop 
niet uit. Voor het oogenblik moge zulks financieel schijnbaar nadeel ople- 
veren, op den duur zal het blyken dat het voordeel er van bij verhuur 
niet achterstaat. 

• 

Nog op een ander punt verschillen wij van den geachten steller van het 
Verslag, n. 1. ten opzichte van de kampong- en paggerkofïie. 

Volgens zijne opvatting moet die cultuur worden aangemoedigd, opdat 
zij eene volksctdtuur worde; doch tevens zou het product aan het Gou- 
vernement geleverd moeten worden. Wij kunnen ons moeilyk eene 
echte vdksctdtuur voorstellen, waarbij de bevolking ook niet tevens zou 
hebben de vrije beschikking over het product. Blijft het Gouvernement dat 
product eischen, dan zal het de cultuiu* ook reglementeeren, en die inmen- 
ging van staatswege is de dood van de cultuur. Te recht heeft de heer 
Bosch opgemerkt, dat de bevolking aan de teelt van de kampong- en pag-* 
gerkoffie de voorkeur geeft boven de ttdnkoffie-cultuur i), maar die voor- 
liefde ontstaat uit de vergelijking met de tuinkoffie-cultuur zoo als zy 
thans bestaat. Die voorliefde zal spoedig ophouden, zoodra zij de eenige 
cultuur is die door het Gouvernement wordt gereglementeerd en geëxploi- 
teerd. Dan zal de bevolking de bezwaren die daaraan verbonden zijn, van 
Heverlede gevoelen. Die bezwaren zijn dan ook grootendeels dezelfde als 
die, welke wij boven tegen het aanhouden van tuinen die nab\j de dessa's 
gelegen zijn, hebben aangevoerd. De inquisitoriale macht van het bestuur 
zal ten laatste hatelijk worden, en het zal met de kampong- en pagger- 
koffie gaan als met de tuinkoflie^cultuur. 

Naar ons gevoelen moet de bevolking de vrije beschikking terug erlangen 
van die koffie. Zij moet ze naar welgevallen kunnen aanwenden voor eigen 
gebruik *), het product tegen den prijs*^ dien zy erlangen kan, van de hand 
doen, of de gronden voor den verbouw van andere gewassen gebruiken, 
of wel zij moet die aanplantingen evenzeer aan particuliere onder- 



^) Dftt de pagger- en kampongkoffie bij de bevolking in hoog annzien staat, blijkt 
o. a. daaruit, dat, volgens den heer Bosch, meer dan de helft van de door het Gou- 
vernement aan de markt gebrachte koffie uit pagger-koffie, kampong-koffie enz. 
bestaat ^Volgens mijne schatting/* zegt hij op blz. 171, «'ivordt ruira de helft 
daarvan uit de monosoeki-, pagger-, kampong- en bosch-koifie getrokken.*^ 

^) Op deze wijze zal ook het gebruik onder de inlanders bevorderd worden. 
'Het staat bij mij vast,*^ zegt de Heer Bosch; //dat het drinken van koffie den 
inlander terughoudt van het schuiven van opium*\ Alg. Versl.» blz. 174. 



282 

nemers kunnen verhuren. De inlander zal daarbij zijn eigen belang raad- 
plegen, en hij alleen kan daarover het best oordeelen. Op deze wijze zal 
men eene volkscultuur in het leven roepen, die, naarmate zij voordeel op- 
levert, ook welig zal tieren. En als dan zal nog meer bewaarheid worden 
hetgeen de schr. nu reeds van de kampong- enpagger-koffiecultuur zegt, 
dat zij namelijk de welvaart der bevolking in hooge mate bevordert. 

Men zal vermoedelijk tegen onze denkbeelden aanvoeren, dat door aan 
de bevolking de vrije beschikking te geven van de pagger- en kampong- 
koffie de Staat zeer veel schade zal lijden, hetgeen niet plaats zal hebben 
bij de verhuring of den verkoop der koffietuinen. Wij ontkennen dat niet 
maar vdj voegen daarbij, dat men toch ook hier moet denken aan ce 
qu'on voü et ce qu^mt ne voit pas. Op eene andere wijze vsdnt de Staat 
dan ook. Immers de bevolking zal dan ook beter belastingen kunnen op- 
brengen, dan thans, en de particuliere industrie, daardoor gebaat, zal 
ook van hare zijde den Staat voordeel aanbrengen. 

In de vraag der Regeering, zooals zij onder litt. s. is geformuleerd, en 
zooals wij die hebben teruggegeven op blz. 277, wordt gesproken van het 
betalen van eenen huurschat in natura of in geld. Wij zouden altijd ad- 
viseeren tegen het betalen in natura. Het Gouvernement is dan verplicht 
het ontvangen product zelf te verkoopen, en het zet dan weder den voet 
op een gebied, dat het niet dan met nadeel bewandelen kan. Het is 
dan toch blootgesteld aan daling van den marktprijs, tenzij het even als 
nu eenen prijs telken jare vaststelde die oneindig lager is dan die van de 
markt. Dergel^ke handelingen zijn zeer af te keuren. 

Eene andere vraag is deze: ^gesteld het Oouvemement kon er toe be- 
sluiten het standpunt van verhuring der kofQetuinen aan te nemen, wat 
zou dan de voorkeur verdienen: verhuring aan groote maatschappijen, dan 
wel verhuring in kleine perceelen, waarbij als het ware het oog van den 
meester zich over elke aanplanting zou kunnen uitstrekken?" 

De heer Bosch is voor verhuiu* in kleine perceelen, omdat: 

]»i^ groote maatschappijen de industrie dooden; 

:»2o men bij groote maatschappijen, ten aanzien van de verzorging en 
den pluk, dezelfde bezwaren ondervinden zal, welke thans de Gouverne- 
ments-cultuur aankleven, tenzij die maatschappijen het geheel in kleine per- 
ceelen splitsen (?) ; 

»3® maatschappijen veel duurder werken dan bijzondere personen, veel 
grooter uitgaven hebben, en dus in lange na niet^denzelfden huurprijs bèta* 
len kunnen, dien de laatstgenoemden in staat zijn voor kleine perceelen 
te voldoen, en voorts zy ook niet even als dezen uit eigene oogen zien.'* 

Het is duidelyk, dat de heer Bosch twee denkbeelden met elkander 



283 

verward heeft. De vraag was niet of men de kofiSetuinen aan groote maat- 
schappijen of aan b^zondere personen zal verhuren, maar of de tuinen in hun 
geheel verhuurd of in min of meer kleinere perceelen gesplitst zullen worden. 

Wat het laatste betreft daarvoor zouden ook wij adviseeren, omdat aan- 
vankelijk slechts kleine kapitalen zich daarvoor beschikbaar zullen stellen, 
en er dus meer kans is om gunstige resultaten te verkrijgen. Niemand 
zal echter kunnen beletten, dat één en dezelfde persoon meerdere percee- 
len die voor hem goed gelegen zijn, tegelijk huurt. 

Maar indien de vraag zoodanig gesteld ware, als de heer Bosch haar 
heeft beantwoord, dan kunnen wij ons niet vereenigen met zijn antwoord. 
Waar is het bewijs, dat groote maatschappijen — d. i. maatschappijen 
die over veel kapitaal kunnen beschikken — de industrie dooden? Dat in 
den tijd dien wij beleven, groote ondernemingen zijn opgezet die teleurstel- 
ling hebben opgeleverd, was dat de schuld van het groote) kapitaal? 
Of was dat niet eer toe te schrijven aan de verkeerde grondslagen of 
verkwistende administratie? Wij althans durven niet verklaren, dat eene 
maatschappij die over een groot kapitaal beschikken kan, de industrie doodt. 
Maar bovendien, hoe weet de Regeering, bij de uitbesteding en gunning der 
perceelen, of de maatschappij die daarnaar dingt, al dan niet over een 
groot kapitaal beschikken kan? Moet ook hier weder een inquisitoriaal 
onderzoek voorafgaan? En hoe zal het Gouvernement beletten kunnen, dat 
eene en dezelfde maatschappij verscheidene perceelen te gel\jk huurt? Of 
zou de heer Bosch wenschen dat zulks niet toegelaten wierd? Maar zou 
een dergeUjke maatregel dan niet de industrie ^'dooden? Het Gouvernement 
heeft alleen te vragen wie het meest per bouw aan^de schatkist betaalt, en voor 
het overige late het de zaak aan haar eigen loop over. Het mag zorg 
dragen dat de inlander vrijel^k over elke mishandeling kan klagen, maar 
overigens passé het ook hier het laissez faire toe. Men onthoude zich ook te 
dezen opzichte van alle inmenging en van de uitoefening van eene soort van 
curateele over de ondernemers. De heer Bosch kan er zeker van zijn, dat 
wanneer de Staat aan den huurder alleen den tuin a&taat, zonder zich 
in te laten met de levering van werkkrachten, maar deze geheel aan de zorg 
van den huurder overlaat, in den beginne althans slechts kleine kapitalen 
in dergelijke ondernemingen gestoken zuUen worden. 

Dat groote maatschappijen duurder werken en grooter uitgaven hebben, 
is naar ons oordeel niet zeer juist. Maar al is dat waar, wat kan het der 
Regeering schelen? Dat is weder een overblijfsel van den ouden zuurdee- 
sem van vaderlyke zorg der Regeering, dien v^ wraken. 

Op de vraag of het stelsel van publieke uitbesteding, dan wel dat van on- 
derhandsche gunning moet worden gevolgd, stemmen wij geheel met den 
heer Bosch in, als hij zich ter gunste van de publieke uitbesteding verklaart. 

19 



284 

Eene andere vraag, die echter door den heer Bosch niet is behandeld, 
is deze, of de huurder van een Gouvernements-kofBetuin de bevoegdheid 
heeft, den tuin, indien hij bemerkt dat hij met meer voordeel een ander 
gewas kan verbouwen, te doen vervallen. Die vraag staat in eenig ver- 
band met het laatste punt, dat wij straks hier bespreken, n.1. de aanspraken 
der bevolking op de boomen. Maar indien v^ij tot het resultaat komen, 
dat 't der bevolking vrij onverschillig is wat er met die boomen plaats 
vindt, dan antwoorden wij op die vraag, zonder eenige terughouding, be- 
paald toestemmend, mits dan de huurder den oorspronkeUjken huurprijs 
blijve betalen. Aan het Gouvernement, dat toch geheel opgehouden zal 
hebben zich met die cultuur in te laten, moet het geheel onverschillig zijn, 
welk gewas de huurder op den gehuurden grond verbouwt. 

Wij zijn thans gekomen aan de vraag, welke aanspraken de bevolking 
maken kan op den thans voor de koffiecultuuc ingenomen grond en op 
de door haar geplante boomen. 

De bodem, 't Is een gelukkig verschijnsel, dat de Regeering in den laat- 
sien tijd aan de rechten der bevolking op den grond begint te denken. 
Terecht merkt de heer Bosch op: »Intusschen is over den eigendom van 
den Inlander door de Nederlandsche regeering en de besturende ambtena- 
ren op zoo vnllekeurige wijze beschikt geworden, dat zijn begrip omtrent 
eigendomsrecht zeer aan het wankelen is gebracht. Bij StaatsbL 1819, 
No. 15, werd het recht van eerste ontginning uitdrukkelijk erkend, maar 
wat is van dat recht geworden, toen in het jaar 1836 bevolen werd, om 
de gronden van afgeschrevene koffietuinen ter beschikking van het Gou- 
vernement aan te houden? Hoe is dat recht geëerbiedigd by de suikerriet- 
kaneel- indigo- of cocheniUe-aanplantingen? Hoe in één woord bij de 
ontwikkeling van het cultuurstelsel ^)?" 

Wat nu het begrip van beschikkirlg over de gronden betreft, de heer 
Bosch maakt een verschil tusschen die welke, toen zij voor de koffiecul* 
tuur werden ingenomen, als woeste en onbeheerde gronden werden be- 
schouwd, en die welke meer in de onmiddellijke nabijheid van de dessa's 
liggen en voor dessagronden te houden zijn. Naar aanleiding dezer on- 
derscheiding komt dan natuurlijk weer de ingewikkelde vraag over de 
eigendomsrechten op den grond ter sprake, met al de verwarring die 
het stelsel van landrente bij het €k)uvemement en het cultuurstelsel bij 
den inlander ten opzichte van de wederzijdsche rechten zoo op bebouwde 
als woeste gronden heeft gesticht. Het komt ons echter voor, dat derge- 
lijke bespiegelingen hier vermeden kunnen worden, indien men bij de 



O Alg. Versl., bh. 173. 



285 

verhuring van de kofOetuinen slechts acht geeft, of ze geplant zijn op 
gronden die in de nabijheid van eene of meerdere dessa's liggen en 
alzoo geacht kunnen worden dessa-gronden te zijn, ten einde in zulke 
gevallen der bevolking ook eene schadevergoeding voor den afstand toe 
te kennen, te dragen door den huurder; terwyl bij den verhuur van 
tuinen op voormalige zoogenaamde woeste gronden — men denke slechts 
aan de bosschen, die daarvoor zijn gebruikt — van die schadevergoeding 
geene sprake behoeft te zijn. 

De hoornen door de bevolking geplant Ook hieromtrent heerscht ver- 
schil van gevoelen. Terwijl de Inlander in sommige streken de boomen, 
onverschillig of ze in zijne kampong of op woeste gronden geplant zijn, 
als zyn eigendom beschouwt, hetgeen voornamelijk plaats vindt in het 
oo8tel\jk gedeelte en in Centraal-Java, zal de Inlander van West-Java al 
de op hoog gezag geplante kofHeboomen als eigendom van het Gouverne- 
ment eerbiedigen. Ook met betrekking tot dit punt zouden wij meenen, 
dat hetzelfde geldt wat omtrent het eigendomsbegrip van den grond is 
gezegd. Heeft het Gouvernement de bevoegdheid, om over woeste en on- 
beheerd liggende gronden te beschikken, ten einde ze in exploitatie te 
laten brengen, dan zyn ook de boomen die op bevel van het Gouverne- 
ment op die gronden zijn geplant, te zijner beschikking. De vergoeding 
die de Inlander ontvangen zou voor de beschikking — door verhuur of 
verkoop — over de gronden, die als dessa-gronden konden beschouwd 
worden, toen zij tot Gouvernements-tuinen werden ingericht, zou tevens 
in zich moeten bevatten die, waarop h\j ook voor de beschikking over 
de boomen aanspraak heeft. 

Maar by al die beschouwingen vergete men niet, dat de bevolking 
een afkeer heeft van de Gouvernements-cultuur, en dat z^ dankbaar zal 
zijn als zij er van verlost wordt, al wordt volgens strenge rechtsbegrip- 
pen hier en daar inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht. Het geldt 
hier, evenals bij de Agrarische Wet, de oplossing van een Indisch sociaal 
vraagpunt. Wij zijn met den schrijver van een artikel in de Samarangsche 
Courant, opgenomen in het N. Bat. Handelsbl. van 10 April 1870, No. 11, 
overtuigd, »dat in verre de meeste streken van Java de bevolking, zoowel 
loerahs en hoofden als de dessa-man zelf, indien men het aan hare keus 
liet, zeer gaarne dien eigendom aan het :»]»Kandyeng-Gouvernement''" zou 
a£staan, indien men haar slechts waarborgde dat zij met geene andere 
heere- of cultuur-diensten zal worden belast." 

De voorstellen die de heer Bosch aan het slot van zijn Verslag doet, 
staan natuurlijk in verband met zijne beschouwingen. Alleen de tuinen 
die binnen vier palen van de dessa's liggen, wil hij, met renovatie der- 



286 

halve van het besluit van 1 September 1866, No. 5, voor het Oouver- 
nement behouden, en dien ai^tand ook in acht nemen voor nieuwe 
aanplantingen. Al de tuinen welke buiten dit rayon en op minder dan zes 
palen^ of in de Preanger minder dan 12 palen <), van de woningen der planters 
liggen, stelt hij voor successievelijk, »hetzij in eigendom of in huur,'' aan parti- 
culieren af te staan, terwijl al dadelijk alle tuinen verder dan zes palen, 
en in de Preanger verder dan twaalf palen van de dessa's liggende, ver- 
laten moeten worden. 

Wat de betaling betreft, hieromtrent doet hij twee voorstellen, nl., voor 
het geval dat de Regeering het tegenwoordig stelsel wil behouden, den 
prijs op f 20 per pikol van 125 Amst. ponden te bepalen, doch voor het 
geval dat zijne denkbeelden mochten worden omhelsd, jdien prijs voor de 
aan het Gouvernement te leveren koffie op f 13 per pikol van 125 Amst 
ponden te laten, terwijl dit tarief om de vijfjaren herzien moet worden. 

Zijne overige voorstellen komen kortelijk hierop neder: 

a. Bevoegdheid tot levering van inferieure koffie, >met bepaling dat bij 
vrijwillige levering van die soorten zal worden betaald V« tot '/4 van den 
prijs van goede soorten." 

b. Het besluit van 2 Januari 1858, N*. 29 >), op nieuw in herinnering 
te brengen, zoo bij de Europeesche als bij de inlandsche ambtenaren. 

c. Als beginsel aan te nemen, dat het bij de koffiecultuur dienstplichtige 
huisgezin, hetwelk in het bezit is van 500 vruchtdragende boomen mono- 
soeki- pagger- kampong- of boschkoffie, vrijgesteld zijn zal van de ver- 
plichte teelt in geregelde tuinen. 

d. Geene gronden voor Gouvernementstuinen in exploitatie te brengen 
dan met goedkeuring der Regeering. 

e. Te bepalen, dat ter plaatse waar de gemiddelde opbrengst over drie 
jaren, binnen een kring van zes palen, 1000 pikols koffie bedragen heeft, 
een koffiepakhuis zal worden opgericht, terwijl aan de leveraars van koffie 
welke buiten dat rayon verkregen is, .... zal worden te goed gedaan 
drie centen per paal en per pikol voor transportloon. 



1) Het schijnt dat de Resident van de Preanger regentschappen dien maximum* 
afstand heeft voorgesteld, //omdat het uiet onbillyk geacht kun worden, daar de 
teelt van den koffieboom aldaar verplichtend (verplicht?) is." De heer Bosch zegt — 
naar *t schijnt iets of wat ironisch — bij de bespreking van de verschillende adviezen: 
/fWaarom dit niet onbillijk is» waarom de bevolking in de Preanger zwaardere 
lasten moet dragen dan elders op Java» wordt niet gezegd" (Alg. Verslag, biz. 160 
en lül). Hoe kan hij dan ten slotte toch zelf denzelfden maximum- afstand voor 
de Preanger voorstellen? 

>) Zie boven blz« 258. 



287 

Ofschoon deze voorstellen getuigen van eenen milderen geest dan de 
t^en^^oordige regeling, en van den v^ensch om aan de bezwaren van de 
bevolking te gemoet te komen, behoeven vrij, na de beoordeeling van des 
schry vers beschouwingen die aan zijne voorstellen zijn voorafgegaan, niet te 
z^gen, dat vnj ons niet met die voorstellen kunnen vereenigen. 

Zutphen, Februari 1871. L. £d. L. 



DE VOLKSOVERLEVERINOEN 



BETREFFENDE 



de voormalige gedaante van Noord-Selebes en den 

oorsprong ajner liewoners. 



Om de bewoners van een land te leeren kennen en langzamerhand te 
begrijpen, behoort men zich niet alleen op de hoogte te stellen van 
hunnen feitelijken toestand, maar ook te trachten hunne geschiedenis in 
haren samenhang te omvatten, het actueele zooveel mogelijk in verband 
tot het verledene te beschouwen. 

Van de noodzakelijkheid en het nut van de opvolging van zulk eene 
methode overtuigd , heb ik eene reeks van jaren mij onledig gehouden met 
de oude geschiedenis van Noord-Selebes na te gaan , voor zoover deze nog 
onder de verschillende stammen, die deze streken bewonen, broksgewijze 
kan worden aangetroffen. De verhalen en traditiën werden door mij on- 
derling vergeleken , en terwijl zij elkander ophelderen, tot een geheel gebracht. 
Noch groote inspanning noch herhaalde teleurstellingen van wege de on- 
zekerheid der bronnen en de verscheidenheid van opvatting en mededee- 
ling mijner berichtgevers, heb ik ontzien, ten einde den sluier welke het 
, verledene van het tegenwoordige scheidt, op te heffen. 

De door mij verkregene, voor de kennis van de vroegere toestanden van 
dit gewest meest verrassende uitkomsten, wil ik pogen kortelijk bekend 
te maken. 



Naar luid der overleveringen, thans nog onder de Sangiërs, Tooe'm-Boe- 
loehers, Mongondooeërs , Soewawaërs, Holontaloërs, Tominiërs en Tinom- 
boers verspreid, had Noor d-Selébes,; namelijk dat gedeelte van genoemd 



289 

eiland dat tegenwoordig gelegen is tusschen de tandjoeng Papaloempoe- 
ngan ten Noorden en de tandjoeng Kampar bij Pahigi ten Zuiden , wat het 
physisch voorkomen betreft^ vroeger eene gansch andere gedaante. 

De grenzen van deze landtong bereikten toen ten Noorden slechts de 
Woeloer-mahatoes, zijnde de bergen welke tegenwoordig tusschen de Mi- 
nafaasa en Mongondooe liggen. De bocht van Tomini besloeg noordoostelijk 
eene grootere uitgebreidheid, doordien destijds de vlakten van Holontalo en 
Molomboelahe geheel, en die van Bawangio gedeeltelijk door de zee bedekt 
werden. De thans op verscheidene plaatsen aangetroffen wordende lage 
kustlanden, gelijk die van Bolano en andere, bestonden nog niet, maar 
waren meer of min diepe inhammen, alwaar de zee den voet der uitge- 
doofde kraters en opgeheven bergen, welke^ evenvdjdig met de kust, zich 
van Mongondooe tot Pahigi uitstrekken, bespeelde. 

De eerste verandering waarvan bedoelde traditiën gewag maken, was 
de vereeniging van de ten Noorden van de Woeloer-mahatoes, of liever 
tusschen deze en den Sangi-archipel, gelegene vulkanische eilanden, met 
name Tamporok, Kalawat, Lokon, Masarang Tompoesoeh , Sopoetan en an- 
dere, of hét ontstaan van de Minahasa. — Deze gebeurtenis, wellicht 
gepaard met buitengewone verschijnselen wier oorzaken de bevatting 
der primitieve bewoners van Noord-Selebes te boven gingen, had, gelijk 
te begrijpen valt, eenen zoodanig diepen indruk te weeg gebracht, dat 
alle mededeelingen, in dit opzicht althans, met elkander tamelijk wel 
overeenstemmen. 

Eene overlevering door mij een twaalfbal jaren geleden onder de San- 
giêrs aangetroffen, was intusscben oorzaak van de vroeger door mij omhelsde 
meening , dat de tegenwoordige Minahasa, met inbegrip van de Sangi-eilan- 
den, voorheen een groot land uitmaakte, welks grenzen zich ten Noorden 
tot Sarangganei en Makalêsoeng uitstrekten. Deze overlevering, uit den 
mond van slechts één persoon opgeteekend, verdient echter geen al te groot 
vertrouwen. Uit andere verhalen blijkt met meer waarschijnlijkheid, voor 
zoo ver dit nog kan worden nagegaan, dat Siawoeh en de Noordkust der 
Minahasa na het ontstaan van dit land immer door de zee van elkander wa- 
ren gescheiden. Het tegenwoordige eiland Tagoelandang, welke naam :!)dwars 
in den weg" beteekent, lag tusschen beiden in en had zijnen naam aan deze 
ligging te danken. Het eiland Mangindano evenwel zou zich in die dagen 
tot aan de Zuidkust van Siawoeh hebben uitgestrekt. Masambehtiroh, de 
held van Mahengetan, eene landstreek welke ten Noorden van het tegen- 
woordige eiland Siawoeh lag, ging overland met zijne volgelingen dit ge- 
west beoorlogen. Eerst toen Makapoedelloeh, de zoon van Batahansorong, 
als datoe of vorst het bestuur over Mahengetan voerde, verzonk een groot 
deel van dit vaste land in de diepte, volgens het volksgeloof, om reden 
hij zijne zuster Taroara verkrachtte. Tijdens deze katastrophe bleef het 



290 

hoogste land alleen bewoond, en doordien de bewoners, wegens het verlies 
hunner bloedverwanten en bekenden, een geruimen tijd daarna dagelijks 
jammerfeesten vierden en treurliederen aanhieven, werd aan dit land de 
naam van Sangi, van het werkwoord Soemangi, dat jammeren of weekla- 
gen beteekent, gegeven. 

Niet waarschijnlijk is het dat de vulkanische krachten welke Hahenge- 
tan vernielden, de lage landen tusschen de Woeloer-Mahatoes en het eiland 
Tagoelandang gelegen, gelijktijdig hadden doen verzinken. Deze vernieling 
is volgens de traditiën een geruimen tijd later geschied. — Evenmin 
kan met eenige kennis der overleveringen worden beweerd, dat de op 
zich zelf staande toppen van den Tamporok, Kalawat, Lokon en andere, 
vroeger ooit met het hoogland van Mongondooe verbonden waren ge- 
weest. — Mogelijk zou het zijn, dat vóór het ontstaan der hiervoren be- 
doelde vulkanische eilanden, Noord-Selebes zich tot het eiland Makalêsoeng 
had uitgestrekt^ doch de aanduidingen ontbreken ons, en niettegenstaande 
alle aangewende pogingen, heb ik in geen der volksverhalen van de nabu- 
rige stammen eenig bewijs daarvoor gevonden. 

Het ontstaan van de vlakten van Holontalo en Molomboelahé* en gedeel- 
telijk die van Bawangio, alsmede de vorming der lage kustlanden, zgn 
volgens de overleveringen gebeurtenissen van lateren tijd. 

Gegronde redenen om uit een historisch oogpunt aan de waarschijnli)k- 
heid van den [^ bijzonderen inhoud van al deze overleveringen, zooals die 
hiervoren door mij is medegedeeld, te twijfelen, bestaan er, voor zoo verre 
ik nauwkeurig heb kunnen nagaan, niet. — Integendeel kunnen de ver- 
kregene resultaten door geognostische bewijzen tot eenige zekerheid wor- 
den gebracht. — Het is derhalve niet onbelangrijk ook hieromtrent 
iets aan te teekenen. 

Eene wat meer dan oppervlakkige opneming van de Minahasa geeft 
voldoende zekerheid, dat zij haren tegenwoordigen vorm alleen te dan- 
ken heeft aan de uitwerpselen van de aldaar nog aangetrofifen wordende 
vulkanen, welke, vroeger als eilanden geïsoleerd staande, door aanvulling 
der tusschenliggende diepten en kloven met elkander werden verbon- 
den. — Het aanwezen op de oppervlakte en in eenige diepten van 
basalt, trachiet, trachietporphier en andere vulkanische voortbrengselen, 
gelijk tuf, slakken, lava, obsidiaan, vulkanisch zand met deelen van 
veldspath en augitkristallen, zijn voldoende bewyzen om het ontstaan van 
dit land op de aangeduide wijze te constateeren. 

De vorming van de vlakten van Holontalo en Molomboelahe en gedeel- 
telijk die van Bawangio moet hoofdzakelijk worden toegeschreven aan twee oor- 
zaken, namelijk de opheffing van den bodem en de aanslibbing van sedimenten, 
welke langzamerhand van de ten Noorden liggende bergreeksen afspoelden. 
Tot op eene hoogte van meer dan twee honderd meters vindt men op de 



291 

opgeheven bergen koraalgesteenten met talrijke schelpen van den tegen- 
woordigen tijd schier ongeschonden door elkander liggen. Op verscheidene 
plaatsen komt het graniet als erratische blokken voor. Vervolgens grauwacke, 
mergel, door ijzer bruin of rood gekleurde zandsteenlagen en plastische 
klei van eene grauwe, gele of blauv^e soort. £en gedeelte dezer vlakten 
kan tot de plusiatische formatie verorden gebracht, die plaatsen name- 
lijk alwaar de zoogenaamde goudgronden voorkomen, en waarin sporen van 
hornblende, serpentijn, syenit, chlorit, kiezelschiefer, kwarts, veldspath, 
glimmerijzer en koperarsenikkies kunnen worden aangetroffen. Degoudade- 
ren, grootendeels aan den voet der opgestuwde bergreeksen gelegen, zijn 
blijkbaar door afspoeling ontbloot geworden. Behalve de genoemde Mina- 
hasasche vulkanen hebben de uitgebrande kraters van Malelango, ten Westen 
van Mongondooe, en Boeliohoeto, tusschen Boeooi en Soemalata gelegen, 
om niet van andere toppen, zooals de Boelalo in het Boeoolsche, te gewagen, 
ook tot de vorming van de Noord-Selebesche landtong in overoude tijden, 
vóór het ontstaan der Minahasa, zekerlijk het noodige bijgedragen. 

De kustvlakten bestaan uit alluviale gronden, welke zich in verloop 
van tijd op koraalbeddingen gevormd hebben. 

De Noord-Selebesche landtong, door mijne berichtgevers boeta moloben , 
hoeta da& en lipoe daka£l, of het groote land genoemd, bestond derhalve 
primitief uit eene reeks van het Westen naar het Oosten loopende sub-ma- 
rine kraters en uit de zee opgestuwde vulkanen, welke onafgebroken de 
tusschenliggende ruimten met asch en uitgeworpen steenen opvulden. Op 
deze lagen werden gedurende een tal van eeuwen breede lavastroomen uit- 
gestort, terwijl de aandrang der stoffen uit de diepte weder opheffend op 
den koraalbodem werkte. Deze landstreek werd oorspronkelijk door de voor- 
ouders van de Tooe'm-Boeloehers, Mongondooeërs of Soewawaërs, Holonta- 
loërs en Tominiërs of Tinomboërs bewoond. 

Omtrent de hiervoren bedoelde stammen ga ik thans over het een en 
ander mede te deelen. 

Ten tijde dat de tegenwoordige toppen van den Tamporok, Kalawat, 
Lokon, Sopoetan en andere bergen in de Minahasa zich als eilanden aan 
het oog vertoonden, waren de voorouders der Tooe'm-Boeloehers aan de 
Noordzijde van de Woeloer-mahatoes gevestigd, op eene plaats Mahawatoe, 
of liever Toehoer in tanah, genaamd. 

Den inhoud der daarop betrekkelijke overlevering, namelijk die van Karema 
en Loemimoeoet, letterlijk opvattende, zou men allicht geneigd zijn aan 
te nemen, dat ter plaatse voornoemd slechts twee personen vertoefd hadden. 
Dit was echter niet het geval. GeUjk zulks uit andere, in den verhaaltrant 
dezer volken voorhandene tradiüën blijkt, behoort men in deze namen de 
stamouders met hunne volgelingen te begrijpen. De stam Karema-Loemi- 
moeoet woonde derhalve aanvankelijk te Toehoer in tanah. Later, toen 



292 

door vulkanische krachten de bergen Tamporok of Awoehan, Kalawat, 
Lokon en andere aan elkander verbonden vtraren, gingen hunne a&tam- 
melingen, de oudsten of empoengs, met name Pinontoan, Roemengan, 
Manaronsong, Koemiwel, Lololing, Mangaloeoen, Sopoetan, Makav^ang, 
Winawatan, Roemojoporong, Roringseëpang, Pangerapan, Pontomandolang, 
Toloemangkoen en Pangibatan, alle met hunne kinderen en volgelingen, 
naar het Noorden, en kozen zich tot verblijfplaats respektievelijk de bergen 
Lokon, Roemengan, Wawoh, Koeranga, Poeser in tanah, Worotikan, So- 
poetan, Aviroehan en Kalawat; de vlakte bij Paniki; het eiland Lembeh 
en de tandjoeng Polisang. De empoengs met name Mandei, Totdcai, Ting* 
koelendeng, Soemendap, Makarawoeng, Repih, Moentoe-oentoe, Marinoja, 
Panaaran, Tamatoelar, Mioio, Mainalo, Mamarimbing, Makaraoe en Toemi- 
laar, bleven met hunne bloedverwanten te Toehoer in tanah achter. De 
empoeng Makahv^e vertrok naar Mongondooe, terwijl Manalea, Manambeka, 
Manambeang, Manawaang en Koemambong met hunne volgelingen van de 
Minahasa over zee oostwaarts gingen. 

De stammen Pinontoan, Roemengan en andere, welke Toehoer in tanah 
verlieten en de tegenwoordige Minahasa bevolkten, smolten weldra ineen; 
doch herhaalde oneenigheden deden deze, toen zij gezamenlijk te Toema- 
ratas op de vlakte van Tooe'mpaso woonden, weder uit elkander gaan. 
Deze verwijdering noemde men de pahawetengan noewoeh, de verdeeling 
der spraak, of van den Tooe'm-Boeloehschen heroëndienst. 

Gelijk bekend is, beteekent Tooe'm-Boeloeh bergbewoner, of lieden die 
van de Woeloer-, Boeloer-, Boeloed-, of Boeloeh-mahatoes, de zoogenaamde 
honderd bergen, of berg met honderd toppen, afkomstig zijn. De legende 
omtrent de bevruchting van Loemimoeoet door den Zuidewind en hare 
vereeniging met Toar duidt op de bestaan hebbende gemeenschap met 
Mongondooe, welk land gelegen is ten Zuiden van de Woeloer-mahatoes, 
en op de aanhuwelijking der volgelingen van Loemimoeoet en Toar onder 
elkander. De Tooe'm-fioeloehers behooren derhalve te worden aangemerkt 
als aan Mongondooe verwant. Tegen eene dusdanige verwantschap leve- 
ren de bouw des lichaams, de vorm van het hoofd en de physiogno- 
mie van beide volken geene bezwaren op. Een der Vorsten van Bolafing, 
Mokijan genaamd, baseerde zelfs op deze verwantschap zijne suprematie 
over de Minahasa. 

De stam Karema-Loemimoeoet, of de van de Woeloer-Mahatoes afkom- 
stige, door dezen naam aangeduide Tooe'm-Boeloeh-stam, splitste zich alstoen 
in drie hoofdafdeelLngen, welke de namen van Tooe'm-Boeloeh, Tooe'nsea 
en Tooe*m-Pakewa kregen. 

Onder aanvoering van de tooenahas Mapoempoen, Beloeng, Kakemangen 
Poekoel begaf zich de Tooe'm-Boeloeh-stam naar het Noordwesten van de Mina- 
hasa, en legde den grondslag van de tegenwoordige pakasaans Tooe'm-Bariri, 



293 

Saroiosong, Kekaskasen, Tooemoeoeng en Ares. De tooenahas Walala* 
Dgin en Rogih togen met hunne volgelingen naar het Noordwesten van de 
Minahasa, uitmakende den Tooe'nseanstam, welke daarna gesplitst werd in de 
pakasa&ns Toe'nsea en Kalawat. Gedeeltelijk pp de plaats van verdeeling blij- 
vende, verspreidde zich de Tooe'm-Pakewa-stam in het Zuiden der Minahasa. 
Onder de tooenahas Koperoh, Watah, Mononimbar, Karengis en Pijai ver- 
kregen de pakasaans Tooe'm Wasijan, Tooe'm Paso en Kawangkoan hunne 
zelfstandigheid. 

Tot de pakasaën Tooe'nsea behoorden tevens de Kattinggolaërs, die thans 
tussdien Kaidipan en Kwandang op Holontalosch grondgebied gevestigd zijn. 

Yereenigd met Tooe'nsea woonde deze stam op het eiland Lembeh en 
later te Polisang, onder een datoe of oudste, Linoegoe genaamd. Op elkan- 
der volgende tviristen noodzaakten hen echter, ouder Kaloemata, Polisang 
te verlaten. Zij begaven zich toen over Kalawat naar Kobo in het Mon- 
gondooesche, en later naar Soewawa en Limoeto. Oneenigheden met Li- 
moetoeche ho<tfden waren oorzaak, dat zij zich met der woon vestigden 
te Toepa in het Holontalosche, en later naar den oorsprong der Andagile- 
rivier, hunne tegenwoordige verblijfplaats, gingen. Wegens de aanneming van 
het Christendom, hetwelk onder het Engelsch tusschenbestuur evenwel 
weder door den Islam werd verdrongen, verklaarde de Gouverneur en Direc^ 
teur B. Padtbrugge dit landschap onafhankelijk, en sloot het successieve- 
lijk met de O. I. Compagnie verscheidene overeenkomsten. 

De Ro^nogaërs, die voorheen tusschen de Woeloer-mahatoes en den berg 
Doeloedoek verspreid woonden, werden langzamerhand door zekeren Boe- 
dolangih, ook wel Oebodia genaamd, op eene plaatst Boemboengan bij el- 
kander gebracht. Mokododoedoet of Mokodoeloedoek, zijn kleinzoon, die met 
zekere Bonia of Tendenan gehuwd was, bij wie hij drie kinderen 
verwekte, met name Jajoebangki, Ginoepid en Ginsapodo, volgde hem als 
datoe op, na door de oudsten van het land, Atidji^ Diondomo, Soemondag, 
Balasake en Antaloena, tot die waardigheid te zijn gekozen. 

Door kuiperyen van z\jnen broeder verbitterd en ongezind langer te Boemboe- 
ngan te blijven, begaf zich Kinalang, een kleinzoon van Mokododoedoet, met zijne 
volgelingen naar de tegenwoordige vlakte van Mongondooe, en vestigde zich 
aldaar. Zijne afstammelingen, met name Garoeng, Boetiti, Makalalo, Podo, 
Maniti, Ireasan en anderen, verspreidden zich over de hierboven genoemde 
vlakte, en stichtten aldaar verseheidene negorijen. Wegens deze vestiging 
werden de Roemogaërs door de naburige stammen »volk van Mongodooe" 
genoemd. Met de Tooe'm-Boeloehers, Soewawaëers en Holontaloërs leefden 
zij in goede verstandhouding. 

Nadat zij een tal van jaren alhier vertoefd hadden, werd Mongondooe door 
de Bolaango s bezocht. Hun opperhoofd Intoe-intoe vestigde zich met zijne 
volgelingen aan den oever van de Lombagin-rivier, en trachtte de oorspronke- 



294 

lijke bewoners op allerlei wijzen ten onder te brengen. Zijn kleinzoon 
Ago volgde zijn voorbeeld, doch zonder eenig succes. Eerst in de dagen 
van den Mogondooeschen datoe Doeaoeloe gelukte het Damo-poUïh, die over 
de Bolaango's het bewind voerde, zijnen broeder Wantania als datoe van 
Mongondooe te doen erkennen. 

Kort vóórdat Mongondooe onder Bola&ng kwam, voerde het eenen hard- 
nekkigen oorlog tegen Soewawa. Deze strijd eindigde met de nederlaag 
der Soewawaers, een volksstam welke bewesten Doeloedoek woonde, en 
met de vernieling van een groot aantal hunner nederzettingen. 

In verloop van tijd kregen de Bolafingo's eenen overwegenden invloed 
over de Mongondooeêrs, vooral in de dagen van Mokoago den tweeden of 
Binangkan, en werden de oorspronkelijke inwoners van lieverlede geheel 
gebracht onder het )>estuur dezer vreemdelingen, die tot dat einde ook 
met de bevnndhebbers der O. I. Compagnie contracten sloten, en van 
dezen de noodige hulp erlangden. 

De oudste bewoners van Holontalo en Limoeto waren voorheen gevestigd op 
den Tilon-Kabila, een berg ten Noordwesten van de tegenwoordige vlakte van 
Holontalo gelegen, en in de valleien thans ten Noorden, ten Oosten en 
ten Westen van dezen berg aanwezig. Nadat zij zich later in verscheidene 
stammen, die de namen droegen van Hoelontalangi, Hoengina&, Loepoio, 
Hoengintië, Waboe, Lahengo, Padengo, Hoeangobotoe, Tapa, Lahoeonoe, 
Toto, Doemati, Dotidea, Panggoelo en Tamboö gesplitst hadden, wer- 
den zij door olongias of oudsten bestuurd. Deze toestand duurde volgens 
hunne traditiën eenen geruimen tijd voort, totdat de stam Hoelontalangi 
zich boven de anderen verhief, en Wadi-palapa, bygenaamd Tilahoedoe, 
zich door list en overreding het opperbestuur over al de olongias aan- 
matigde. 

Vóór deze ineensmelting hadden de stammen die later onder den naam 
van Limoeto bekend werden, zich van de overige afgescheiden. Deze, 
met name Limeheda&, Hoentoelotiopo, Hoengajo, Doenggala en Timilito, 
werden door Boei-Boengale vereenigd, doch andere olongias of hoofden 
brachten hen, ofschoon onafhankelijk gebleven, van lieverlede onder den 
invloed van den Holontalo-stam. De geschiedenis dezer twee hoofdBtanmien 
loopt in vele opzichten ineen, en de tegenwoordige heltoners van deland- 
schappen Holontalo en Limoeto beschouwen zich thans als tot éénen 
stam behoorende. 

Toen Wadi-palapa zich sterk genoeg gevoelde, en het bestuur in het 
Holontalosche geregeld had, ging hij de Tomini-landen beoorlogen en ten 
onder brengen. Zijn zoon Walango volgde zijn voorbeeld, en liet de 
landen Tomini, Tinombo, Ampibaboe en Pahigi schatting aan Holontalo 
betalen. De vrouw van Walango Molië, die vorstin van Limoeto was, 
bevorderde de belangen van haar rijk en veroverde Poso, Tocijo en de 



295 

Tooehia-eilanden. Later werd de gansche Noordkust ook onder Limoeto 
gebracht. 

Daar de regeerende stammen van Holontalo en Limoeto aan elkander nauw 
verwant geworden waren, werden over en weder de olongias van Holon- 
talo en van Limoeto tot het bestum* gekozen. Met de datoe's van Soe- 
wawa en Mongondooe, alsmede met de oudsten der Tooe'm-Boeloehers 
leefden zij in goede verstandhouding. 

Onder de zuster van Walango, Intehedoe , ontstonden er echter oneenig- 
heden tusschen Holontalo en Limoeto, welke eenen geruimen tijd aanhiel- 
den. De olongia van Limoeto, Hoemonggiloe, zich onmachtig gevoelende 
om voortdurend den oorlog tegen Holontalo vol te houden, zond zijn zoon 
Detoebia naar Ternate, om van zijne aanverwanten aldaar hulp te erlangen. 
Deze door Ternate verleend zijnde, werd Holontalo ten onder gebracht. 
Met de komst der Tematanen werd de Islam, die reeds onder Matolodoe- 
lahoe eenige vorderingen had gemaakt, krachtdadiglijk in deze landen uitge- 
breid. Degenen onder de bevolking, welke aan hunne Alifoeroe godsver- 
eering de voorbeur gaven, werden op allerlei vrfjzen gedwongen, zelfs met 
kastijding en terdoodbrenging, om de Mohammedaansche leer te omhelzen. 

De Holontalosche en Limoetosche olongias, den druk van Ternate moede, 
onttrokken zich aan het oppergezag hunner Vorsten; doch met behulpvan 
de wapenen der Compagnie werden beide landen door Kaitjili Sibori weder 
onderworpen. Ten einde zich daarop te wreken, riepen bedoelde olongias de 
hulp der Mangkassaren in. Daar deze door genoemde Compagnie onder 
C. Speehnan verslagen waren, kwamen Holontalo en Limoeto, krachtens 
Art. 17 van het Bongajasch contract, op nieuw onder Ternate. In 1678 
werden deze landen onder het bestuur van de O. I. Compagnie ge- 
bracht, en sloot de Gouverneur en Directeur der Molukkos R. Padtbrugge 
met de betrokkene olongias en hoofden overeenkomsten van onderwerping 
en schatplichtigneid. 

Ofschoon niet altijd recht duidelijk van wege de schuwheid en ongene- 
genheid der bevolking om hare traditiën aan vreemden mede te deelen 
vindt men in de overlevering der Tomini-volkeren toch een tal van spo- 
ren van verwantschap met de hiervoren bedoelde Noord-Selebesche stammen. 

Ongeveer gelijktijdig met de afscheiding der Limoetoërs, kwamen de 
oudste bewoners van Tomini van de ten Oosten van den berg De-ile lig- 
gende landstreek. Hunne eerste verblyfplaats lag tusschen de tegenwoor- 
woordige rivieren van Toeladengki en Bajole in de bosschen en langs de 
hellingen der bergen Balipa, Ongka en Sojol. 

Nadat zy geruimen tyd vereenigd te Mooeba, eene plaats dicht bij de tegen- 
woordige negoqj Tinombo, onder een oudste, Baloila Kosah genaamd, vertoefd 
hadden, l|}egaven zich verscheidene oudsten met hunne volgelingen naar het ge- 
west ten Zuiden van de Bajole-rivier, alwaar zekere Kaliaboeh hen ten onder 



296 

bracht en van Tomini meer of min onafhankelijk maakte. Zij kregen 
toen den naam van Siaboeh, welke later in Tiahoeh en vervolgens in 
Tilomboh of Tinombo veranderde. Vanhieruit werden de negorijen Ma- 
lata, Hoentingo, Tidooea, Tipajo, Tori-Boeloeh, Tinondaü en Boerangas 
bevolkt, die aanvankelijk vreedzaam, later echter in vijandschap naast el- 
kander leefden. Te Tinondaa en Boerangas kwamen vervolgens vele per- 
sonen, behoorende tot den zuidelijken Alifoeroe-stam zich vestigen, ook wel 
vreemdelingen van over zee, en verdrongen de eerste opgezetenen. Om- 
streeks dezen tijd werden de Soewawasche negorijen Balalogodoe, Mapadoehoe 
en andere door de Mongondooeërs verwoest, ên togen er duizenden Soewa- 
waërs met hunne vrouwen en kinderen over Holontalo naar de Tomini- 
landen. 

Na deze vestiging ' kwam de olongia Wadi-palapa of Tilahoedoe deze 
streken beoorlogen en bedoelde negorijen met list en geweld onder het 
oppergezag van Holontalo brengen. Door den Gouverneur en Directeur der 
Molukken R. Padtbrugge in 1678 op hun verzoek van de macht der 
Holontaloërs verlost, stonden zy eenigen tijd onder meer direkt toezicht 
van den te Lamboenoe gevestigden Compagnie's posthouder, doch vervielen 
later onder den verderfelijken invloed der Mandaren, toen de vorst van 
Tjinrana, Sandelana, over het bezit eener jonge vrouw oneenigheden kroeg 
met zijnen broeder Tondalaboewah en zich naar de Tomini-landen begaf. 

Van Ampibaboe met zijne bloedverwanten naar Mouton verhuisd zijnde, 
werd de Ana Eo Saboenge, een geslepen Mandarees^ in 1831 door de Re- 
geering tot olongia, of liever Magaoe, aangesteld en kwamen de landen tus- 
schen de rivieren Molosipat en Togas op wederrechtelijke wijze onder het 
bevnnd der Mandaren. Dat dit bestuur, door vreemdelingen gevoerd, onte- 
vredenheid en haat onder de oorspronkel\jke Alifoeroe bewoners verwekte 
en hen meer tot afzondering in hunne bergen noodzaakte, behoeft wel 
geen nader betoog. 

Het is door mij reeds onderscheidene malen elders gezegd, dat, be- 
halve de Mandaren, ook de Bantikkers^ Tooensingalers, Pasanbangkoêrs, 
Bolangoërs, Kaidipaners en Bolaang-itamers, Boneërs, Boalemoërs en Boe* 
oolers niet tot de oorspronkelijke bewoners van Noord-Selebes behoo- 
ren. Deze vreemdelingen, van lieverlede in den laatsten t\jd aangekomen, 
hadden zich met toestemming der Noord-Selebesche stammen alhier geves- 
tigd en in meerdere of mindere mate, uitgezonderd de Bantikkers, met 
hen vermengd. Onder deze binnendringers waren de Bolaango's de meest 
belangrijken, als hebbende boven allen den grootsten invloed op de oorspron- 
keUjke bewoners uitgeoefend, om welke reden ik een kort overzicht van 
hunne geschiedenis hier niet overbodig acht. 

De Bolaango's, een donker gekleurd volk , met min of meer kroezig haar, 
welke thans op het noordelijk- en zuidelijk kustgebied van Mongondooe, gedeel- 



V . 



297 

telijk te Bintaoena en te Eattinggola wonen, hielden voorheen, nadat zij 
een geruimen tijd in de Moluksche wateren gezworven hadden, hun ver- 
blijf te Kaboeroekan, bij de tegenwoordige negorij Kema, op het eiland 
Lembeh en bij de tandjoeng Polisang. Oneenigheden met den Tooe'nsea- 
stam echter noopten hen zich vandaar te verwijderen. Hun opperhoofd, 
Intoe-intoe genaamd, vertrok met een gedeelte langs de Noordkust van Se- 
lebes over de eilanden Bangka, Babontehoeh of Manado toewah, Mangatasi 
(eene rivier in het Tooe'm-Barirische) en Ranoiapo, naar de monding van 
de Lombagin, die in het Mongondooesche haren oorsprong neemt, en ves- 
tigde zich aan de Oostzijde van genoemde rivier. De oudsten Doegia en 
Bantong begaven zich met hunne volgelingen langs de Zuidkust van Selebes, 
over Boenongo (het tegenwoordige Kota-boena) en tandjoeng Bantong (bij 
de tegenwoordige Hoengo lo Potilahoe of tandjoeng* Plesko) naar Totoia 
(het tegenwoordige Negri-lama), ongeveer tien uren beoosten de hoofdplaats 
Holontalo gelegen. 

Met behulp van den Tooe'm-Boeloehnstam brachten Darao-poliïh en Wan- 
tatiia de oorspronkelijke bewoners van Mongondooe met list, geweld en 
overreding ten onder. Een geruimen tijd daarna beoorloogde Daepeagooe, 
die te Mongoladia, in de nabijheid van het tegenwoordige Molibagoe« 
woonde, de Soewawaërs, welke tusschen Mongondooe en Holontalo hun ver- 
blijf hielden, toen haar broeder door eenige hunner aanzienlijken belee- 
digd werd, en veroverde een gedeelte van het kustgebied tot Potigada. 

De vorst van Limoeto, Moito, van de schoonheid der dochters van Dae- 
peagooe hoorende, ging deze, met name Tanahi en Damopinda, huwen. Met 
zijne vrouwen naar Limoeto terugkeerende, werd hij door vele Bolaango's 
gevolgd, welke zich te Tidoepo vestigden. Na den dood van Moito en zijne 
beide > vrouwen door de Limoetoërs als slaven bejegend, vatteden de Bo- 
laango's het voornemen op om naar Mongoladia of Molibagoe terug te keeren. 
Te Potanga komende werden zij door den Marsaoli van Holontalo, Hoeloe- 
bala, en den olongia Ëiato overgehaald om zich te Palanggoewa neder te zetten. 
Na een geruimen tijd aldaar vertoefd te hebben, kregen de Bolaango's oneenig- 
heden met de Holontaloërs. Hun hoofd Matoka vertrok alstoen met een 
groot gedeelte der Bolaango's naar Mplibagoe. Eenige oudsten met hunne 
bloedverwanten bleven echter te Palanggoewa achter, vermengden zich met 
de Holontaloërs en kregen een onafhankelijk bestaan. 

Van het aanwezen van Matoka te Molibagoe bericht ontvangende, 
ging de Rac^a Lioe of Datoe Lioe, die over de op de Noordkust van 
Selebes gevestigde Bolaango's h^t bewind voerde, naar Molibagoe, en haalde 
Matoka over om zich aan de Westzyde van de Lombagin-rivier te vesti- 
gen. De Bolaango's aan de Oost- en Westzijde van de Lombagin-rivier 
hadden alstoen gelijke aanspraken en rechten. Matoka keerde spoedig 
naar Molibagoe terug, en ging vervolgens naar Holontalo, alwaar hy over- 



298 

leed. Zijne volgelingen bleven gedeeltel^k te Lombagin achter en scheidden 
zich af onder zekeren Napoe. 

Zucht van de Bolaango's van de Oostzijde der ririer, om hunne stam- 
genooten van Molibagoe ten onder te brengen^ alsmede overlast van kro- 
kodillen noopten hen naar Oeki te gaan. Na de vestiging aldaar kregen 
zij den naam van Bola&ngo-Oeki, en kozen zij een opperhoofd, welke den 
naam van Pangkoeli droeg. 



Omtrent de verwantschap, levenswijze en ontwikkeling, het uiterlyk 
voorkomen en de eigenschappen van hunnen geest, alsmede de vermenging 
der primitieve Noord-Selebesche stammen met vreemde volken en hunne 
afwijking van het oorspronkelijke type, stip ik nog het volgende aan. 

Alhoewel, blijkens hunne traditiën, van verschillende afkomst, ston- 
den de Tooe'm-Boeloeh-, Mongondooe-, Holontalo- en Tomini-stammen 
aanvankelijk in eene zeer nauwe betrekking tot elkander. Hunne toenmalige 
verblijfplaatsen waren, volgens de ouden van dagen, die n^j in mijn on- 
derzoek hebben voorgelicht, op de bergen en in de valleien tusschen de 
Woeloer-mahatoes en de Ile-ile, de laatste een berg ten Noordwesten van 
de tegenwoordige vlakte van Holontalo gelegen. In die hooge oudheid 
woonden zij hier, door huwelijken onderling verbonden, een geruimen tijd 
ongestoord bijeen. Afgescheiden van het ontstaan dezer volken, behoort 
derhalve zulk een vreedzaam samenwonen, hoewel het niet afdoende op eenen 
gemeenschappelijken oorsprong wijst, toch in meerdere of mindere mate 
als de oorzaak van hunne treffende typische overeenkomst te worden aan- 
gemerkt. 

Door twisten en oneenigheden, meestal voortvloeiende uit het gezamenlijk 
grondbezit, later uiteenspattende, begaven zich deze stammen, alleen het 
oppergezag hunner geleiders erkennende, gedeeltelyk naar het Noordoosten, 
en gedeeltelijk naar het. Westen en Zuidwesten, naar de toppen der hoogste 
bergen, alwaar zy geheel afzonderlijk leefden. Hun voedsel bestond toen 
uit vruchten, wortelen en eieren. Het tappen van de sagoeweer was hier 
niet bekend. Evenzoo het gebruik van vuur, dat later toevalligerwijze 
werd gevonden. Hunne lichamen, geheel ongedekt, versierden zij slechts 
bij wijlen met de Dracaena terminalis, de bloemen van den Hibiscus rossr 
sinensis en andere gele en roode bladeren, die ook thans onder de bewoners 
dezer streken eene zekere heiligheid bezitten, en als zoodanig nog aan 
de voorouders geofferd worden. Hunne godsvereering wbs geen doode 
vormendienst, maar het eenvoudig uitvloeisel eener kinderlijke behoefte, 
om hunne vaderen dank te betuigen en zich in hunne bescherming aan te 
bevelen. De oudsten gingen hen daaiin voor, tot dat zich later een priesterstand 



299 

vormde en de natuur met daemonen bevolkt werd, vder invloed zij poog- 
den te bedviringen. 

De overleveringen dezer stammen, meer in bijzonderbeden met elkander 
in overeenstemming gebracbt, geven van lieverlede ongezocht de blijken 
van eenen zekeren voortgang in ontwikkeling en beschaving. In verloop 
van tijden door huwelijken der oudsten weder tot elkander genaderd, be- 
oefenden zij den landbouw, en men vindt zelfs melding gemaakt van eenige 
bedrijven, gelijk het vlechten van kleedingstukken uit de vezelen van 
bamboe en andere grassoorten, de bereiding van boombast om zich dage- 
lijks er mede te dekken, het smeden van ijzer en het bakken van aarden 
potten. Maar bij de mindere innigheid dezer toenadering in vergelijking 
met vroeger, traden de uiteenloopende belangen we\dra op den voorgrond 
en gaven aanleiding tot een treurig particularisme; terwijl de toenemende 
zucht om koppen te snellen en om zich slaven toe te eigenen, de oorzaak 
werd van herhaalde oorlogen, die het volk decimeerden. 

Het lichaam van de Tooe'm-Boeloehers, Mongondooeërs, Holontaloërs en 
Tominiërs, dat gemiddeld eene lengte bereikt van 1.50 meter, kan over 
het algemeen slank genoemd worden. Vol en krachtig zijn hunne spie- 
ren. De kleur van de huid is tusschen licht bruin en geel. Blanken 
treft men slechts onder de bergbewoners aan, vooral onder de vrouwen, 
die niet veel aan de invloeden van het weder blootgesteld worden. Het 
gelaat is levendig en niet zonder uitdrukking; en onder de vrouwen ziet 
men veelal aanminnige gezichten. Het voorhoofd, dat in profiel eene bijna 
verticale lijn volgt en geene groote achterwaartsche helling heeft, is tame- 
lijk hoog. De oogen zijn open en hebben eenen rechten elliptischen vorm. 
De jukbeenderen zijn niet vooruitstekend, terwijl de neus klein, doch goed 
gevormd, en de mond weibesneden is. Het hoofdhaar is glinsterend zwart, 
zacht en golvend, niet ruw of kroezig. Op hun lichaam wordt weinig haar 
gevonden, omdat, zoo men beweert, het onder de vroegere geslachten voortdu- 
rend werd uitgetrokken. De zintuigen zijn scherp en buitengewoon geoefend. 
Oorspronkelijk is de bewoner van Noord-Selebes vlug van begrip en 
zeer vatbaar voor allerlei indrukken. Hij heeft een goed geheugen, en een' 
goed oordeel. Eene geringe oefening maakt hem spoedig met Europeesche 
denkbeelden gemeenzaam; bovendien getuigen zijne maatschappelijke han- 
delingen van verstand en overleg. Onder elkander zijn zij vrool\jk van aard 
en in hunne gezelschappen houden zij veel van pikante en bedekte spreekwij- 
zen. Daarbij zijn zij oprecht en spoedig vertrouwelijk, indien zij overtuigd 
zijn dat de persoon him vertrouwen waardig is; doch evenzeer zijn zij 
licht geraakt en dadelijk in toorn ontstoken. Voor hoogere ontvrikkeling 
hebben zij allen aanleg en betoonen daartoe grooten lust en opgewektheid, 
vooral wanneer z^ eenmaal de bewustheid hebben, dat zij behandeld wor- 
den als personen, wien gevoel van eigenwaarde betaamt^ 

20 



300 

In dezen oorspronkelijken lichamelijken en zedelyken toestand is echter 
door velerlei inwerkingen van buiten eenige v^ijziging gekomen. Hoewel nog 
niet geheel verbasterd, is de tegenwoordige Tooe'm-Boeloeh-stara toch blijkbaar 
verzwakt, dewijl hij van een meer natuurlijk leven vervreemd is. Onder 
het thans levend geslacht worden velen aangetroffen, die aan borst- en 
andere kv?alen lyden. Daarbijj is de oprechtheid bijkans geweken, en de 
meeste Tooe*m-Boehoelers zijn door hunne latere opvoeding achterhoudend en 
huichelachtig geworden. De Mongondooeërs, Holontaloërs en Tominiërs 
zijn door slechte voeding, geslachtsgemeenschap op te vroegen leeftijd, 
eene gewoonte die zy met den Islam van vreemden overnamen, en door 
eeuwenlange verdrukking, ook door gebrek aan oefening van geestkracht 
en viril, lichamelyk grootendeels verbasterd en zedelijk bedorven. Sluw- 
heid, zorgeloosheid en achterdocht zyn thans hunne hoofdkaraktertrekken. 
De vermenging met vreemdelingen heeft daarenboven onbetwistbaar 
langs den weg van overerving tot de afwijking van het oorspronkelijke 
type eenen niet onbeduidenden invloed uitgeoefend. In de Minahasa treft 
men onder anderen zuivere Zuid-£uropeesche en Mongoolsche vormen aan, 
hetgeen moet worden verklaard uit de vereeniging in vroegeren tijd met 
de aldaar verblijf houdende Kastilianen, Japanners en Ghineezen. In het 
Mongondooesche en in de Tomini-landen is deze verbastering, uitgezonderd 
op de strandplaatsen, nog weinig beteekenend; maar in de Limo lo Pahala&, 
alwaar de Arabieren, Chineezen, Maleiers en Ternatanen, de laatste behoo- 
rende tot het negerras, sedert eeuwen, reeds vóór de komst der Europea- 
nen alhier, zich met de bevolking vermengd hadden, heeft het zuivere oor- 
spronkelijke type, vooral in de meer bevolkte streken, veel geleden. 

Intusschen is het karakteristieke van het algemeene type der Noord- 
Selebesche stammen zoo standvastig, dat een welgevoede echte Holontaloër, 
de kleeding van een Tooe*m-Boeioeher dragende, van dezen niet kan worden 
onderscheiden; gelijk ook een on verbasterd Tooe'm-Boeloeher, Mongon- 
dooeër of Tominiër, op de Holontalosche wjjze gekleed zijnde, voor iemand 
uit dien stam kan doorgaan. De overeenkomst in zeden in vroegeren tijd, 
vóór de invoering èn van het Christendom èn van den Islam, vooral het 
onder deze stammen in zwang geweest zijnde gebruik om het praeputium 
bij het intreden der puberteit te kloven, en een tal van andere ge- 
woonten en overgeleverde vooroordeelen meer, getuigen daarby, zoo niet 
van eenen gemeenschap pel^jken oorsprong, dan toch van een zeer nauwe 
verwantschap. Het typisch verschil dat thans waargenomen wordt, b. v. 
tusschen een Tooe'm-Boeloeher en Tooe'nseaër, een Mongondooeër en Soe- 
wawaër, een Holontaloër en Limoetoër, een Tominiër en Tinomboêr, is 
blijkbaar eene afwijking van recente dagteekening en uit de geschiedenis 
dezer stammen gemakkelijk te verklaren. 

De bij een oppervlakkig onderzoek in het oog vallende verscheidenheid 



304 

tusschen de Tooe'm-Boeloeh-, Mongondooe-, Holontalo- en Tomini-dialekten, 
zou voor een verschil van oorsprong kunnen pleiten; doch eenige ■ feiten 
zijn voldoende om te toonen, dat men aan de resultaten door zoodanig een 
onderzoek verkregen, geen al te groot gewicht moet hechten. De Kattin- 
golaërs, die ongeveer drie eeuwen geleden het Tooe'nseasch gesproken heb- 
ben, en de Soewawaërs, die na den oorlog van Poeloemadojong, volgens 
de geslachtsrekening omstreeks 1400, naar de Tomini-landen verhuisd zijn, 
bezitten thans eene geheel andere taal. Evenzoo be\'estigt de afwijking van 
de Tooe'nsea en Tooe'm-Pakewa dialekten van dat der Tooe'm-Boeloehers 
het gemak waarmede de bevolking dezer streken van hare taal afstand 
doet. De vijandige afzondering der stammen na de ontstane tvnsten en 
oneenigheden, en de daardoor gevoede zucht om een andere taal te vor- 
men, eene om zoo te zeggen nationale neiging die nog in onze dagen 
onder de bewoners van Noord-Selebes wordt aangetroffen, zijn de hoofd- 
oorzaken van de thans aanwezige verscheidenheid der dialekten. Deze mee- 
ning wordt nader gestaafd door de byzonderheid, dat al deze stammen 
eene oude taal gehad hebben, die, volgens beweren van geloofwaardige 
berichtgevers, en voor zoover door mij daarover een oordeel kan geveld 
worden, veel gelijkvormiger was, en zoowel in woorden als in grammati- 
schen bouw zeer veel met het tegenwoordig Mongondooesch dialect overeen- 
kwam. 

Ten slotte nog een woord over de oorspronkelijke bewoners van Noord- 
Selebes. 

Het hierboven ter loops aangeteekende omtrent het aanwezen der Tooe'm- 
Boeloehers, Mongondooeërs of Soewawaërs, Holontaloërs en Tominiërs of 
Tinomboërs als oorspronkelijke bewoners van de Noord-Selebesche land- 
tong, berust geheel op het gezag der successievelijk door mij verzamelde 
traditiën en verhalen. De vraag of deze landstreek voorheen al dan niet 
door een anderen volksstam, van Afrikaansche of Indo-AfHkaansche afkomst 
en gelijkende op de tegenwoordige bewoners van de Papoea-, de Fidji-, of 
andere eilanden, bewoond werd, is niet met zekerheid te beantwoorden. 
Ofschoon deze meening voor den ganschen Indischen Archipel in het alge* 
meen door verscheidene ethnologen omhelsd wordt, blykt uit geen der overle- 
veringen van de Sangiërs, Tooe'm-Boeloehers, Mongondooërs of Soewawaërs, 
Holontaloërs^ Tominiërs of Tinomboërs, dat de bedoelde oorspronkelijke 
stammen bij hunne aankomst alhier eene kroeshaióge bevolking aange- 
troffen, veel minder deze verdreven of vernield zouden hebben. Wanneer zulk 
eene ontmoeting, die voor hunne geschiedenis, als de stof opleverend tot een tal 
van epopeeën, zoo belangrgk geweestzou zijn, werkelykfiad plaats gevonden, 
onbegrypelijk zou het dan zeker moeten geacht worden, dat noch in hunne zan- 
gen, noch in hunne overleveringen, die toch zoo ver tot in het verledene 
reiken, daarvan iets, hoe gering ook, is bewaard gebleven. Wel werd my 



302 

door een mijner Tominische berichtgevers medegedeeldi dat de oudste 
Tomini-stammen een geruimen tyd gelijktijdig met de To Oeta's geleefd 
hadden, een volksstam die in holen en grotten woonde, die zich met het 
inwendige van den seho-boom voedde, wier lichamen een lengte bereik- 
ten van ongeveer een meter, en waarvan nog enkelen, ofschoon onzichtbaar, in 
de bosschen van Tomini en op het eiland Binang-Oenang zouden voorkomen ;« 
doch deze legende, die weinig historische zekerheid heeft, en wellicht 
ontstaan is om het aanwezen, volgens het volksgeloof, der geesten in de 
bosschen te verklaren, kan moeilijk tot grondslag van eenige onderstelling 
worden aangenomen. 

Mocht Nüord-Selebes voorheen tot het Australisch vasteland behoord heb- 
ben,' iets dat geognostisch moeilyk zal te bewijzen zijn, de aanwezige 
negerbevolking zou dan, bij gelegenheid dat dit eiland door geweldige vid- 
kanische krachten daarvan werd afgescheurd, vóór de komst der hierboven 
bedoelde oorspronkelijke stammen ook wel vernietigd kunnen zijn gewor- 
den, ofschoon zulk een feit toch bezwaarlijk de verdwyning geheel kan 
verklaren. De bevolking immers van den zoo nabij liggenden Sangi-ar- 
chipel , die, met Noord-Selebes vergeleken, uit kleine onbeduidende eilanden 
bestaat, en die met dit land tot één vulkanisch gebied behoort, vertoont 
klaarblijkelijk nog de sporen van een vroeger aanwezen van en eene ver- 
menging met kroesharige stammen. 

Het aanwezen van voorwerpen uit de steenperiode, we]Jke in vele opzichten 
gelijk zijn aan de }»stone implements" onlangs door Dr. Julius Haast in de 
Bruce-bay op Nieuw Zeeland gevonden en thans nog bij de Papoea-stammen 
als gereedschappen gebezigd wordende, versterkt wel eenigszins het gevoelen 
omtrent het vroeger bestaan van negerachtige volken alhier; doch dat de 
voorvaderen der Tooe'm-Boeloehers , Mongondooeërs, Holontaloërs en To- 
miniërs die hier niet aangetroffen hebben , blijkt uit de omstandigheid, dat 
de weinige, meestal gebrokene steenen bijlen die uit den grond waren 
opgedolven, en waarvan, zonderling genoeg, het boveneinde, niettegenstaande 
alle inspanning, door mij geen enkele maal is gezien geworden, nooit door 
hen, zooals noodwendig het geval zou zijn indien deze werktuigen hier 
eenmaal gebezigd waren, als gereedschappen zijn beschouwd noch ook aan 
hunne nakomelingen als zoodanig bekend zijn ; maar als meteoorsteenen, die 
tegenwoordig de namen van kilapong, akaka batoe pinoloetam , botoe boe- 
lota en poloe lae goloenge of panaboemai poloe boelata dragen. Verdient 
daarbij het beweren van een mijner berichtgevers, namelijk dat meergemelde 
steenen voorheen van de nabuiige eilanden hier ingevoerd en als voorbe- 
hoedmiddelen tegen het inslaan van den bliksem ingeruild werden, eenig 
geloof, dan vervalt dit steenen-argument als van zelve. Merkwaardig blijft 
intusschen de overeenkomst met hetgeen Sir John Lubbock in zijn ]&Pre- 
historic times" omtrent Hhe stone age in Ëurope," verklaarde : »that here, 



303 

as in all long civilised countries, stone weapons and arrowheads are re- 
garded as thunderbolts or Elfin arrows." 

Kan Noord*-Selebes in voorhistorische tijden bezwaarlijk een deel hebben 
uitgemaakt van |het vasteland van Azië, — eene stelling waartegen uit 
een geognostisch en natuur-historisch oogpunt vele i^enen pleiten, — 
evenmin kan met zekerheid worden beweerd dat deze landstreek door 
een volksstam, gelijkstaande met de tegenwoordige Papoea's bewoond werd. 
Veeleer zou men wellicht de meening kunnen omhelzen, dat de oorspron- 
kelijke Tooe'm-Boeloehers, Mongondooeërs , Holontaloërs en Tominiërs af- 
komstig zijn van eenige Oost-Aziatische stammen, die, om niet meer te 
ontdekken oorzaken, herwaarts verhuisd waren. De neiging tot een, echter 
aanmerkelijk verbasterden, Bhavani- en Ardhanari-dienst, getuigt van eenige 
bekendheid met den Hindoeschen Civa. De vereerkig der voorouders duidt, 
ofschoon zeer vroeg, wellicht op eene Anamietische, Koetjin-Chineesche, 
of anderen dergehjken oorsprong. Eenige oude legenden, waarin van 
eenen bovennatuurlijken vogel Salangkew, die aan de Garoeda van Visch- 
noe herinnert, wordt gewag gemaakt, wijzen ook op het vasteland .van 
Aziëy hoewel minder bepaald wat den oorsprong dezer volken betreft, daar 
deze legenden óf door tusschenkomst der Maleiers, óf door de inboorlin- 
gen van Selebes zelven, overgebracht kunnen zijn geworden, daar toch 
laatstgenoemden reeds ettelijke eeuwen geleden, ó. a. in 1545, volgens den 
Portugees Mendez Pinto, te Martaban in Pegoe ten handel kwamen. 

Ten einde de vraag omtrent het vroeger aanwezen van negerachtige 
volksstammen op de eilanden in den Indi^hen Archipel in het algemeen, 
en op Noord-Selebes in het bijzonder, met eenige zekerheid te kunnen 
beantwoorden, behooren mijns inziens niet alleen meer speciale onderzoekingen 
te worden in 't werk gesteld , maar moeten alle traditiën dezer volken en 
die van Oost-Azië onderlii^ worden vergeleken. Tot dus verre is dit nog 
niet voldoende geschied en zijn de vooronderstellingen of conjecturen om- 
trent den oorsprong der volken van onzen Archipel nog twijfelachtig, al- 
thans moeilijk met alles afdoende bewijzen te staven. 

J. G. F. Riedel. 



EEN WOORDENLIJST DIB GOBÖNTALEESCHE TAAL 



DOOR 

C. ^. H. VON ROSENBERG. 



ki het jaar 1865 verscheen, in de afzonderlijke werken van het Kon. 
Inst. voor T. L. en V.-kunde van Ned. Indië, eene beschrijving der assis- 
tent-residentie Gofbntalo van den heer von Rosenberg, waaraan tevens 
eene woordenlijst van de aldaar gesprokene taal werd toegevoegd. 

De laatste munt al heel weinig door nauwkeurigheid uit, wat wellicht 
van minder belang is na de door den heer Riedel gepubUceerde bijdn^gen, 
maar toch eene verbetering wenscfiefijk maakt, nu reeds enkele beoefe- 
naren der talen vau» Noord-Q^lebes die lijst als grondslag voor hunne 
studiën aannemen*. 

Hieronder wordMi dan ook de noodzakelijkste verbeteringen naar alpha- 
betische orde opgegeven; terwijl ik hoop dat m\jn collega Roskott, die 
de taal zoo volkomen machtig is, zich spoedig moge opgewekt gevo^en, 
het Gorontaleesch in zijn geheelen omvang nader te doen kennen. 

Eenige korte opmerkingen laat de heer v. R. aan die lijst voorafgegaan. 

Wij vinden daarin al dadelijk van een bijzonderen klank gesproken, dien 
hij als een tusschen de 8 en ch inliggend geluid wil aangemerkt zien, en 
die toch niets anders is dan de /i, zooals die door enkele personen diep 
in de keel wordt gevormd. Evenzoo is in de ; woordenlijst meermalen ge- 
bruik gemuakt van de letter ƒ, die men gerust kan aannemen dat in het 
Gorontaleesch niet voorkomt. 

Het niet-bepalend lidwoord zou volgens hem door ngota worden terug- 
gegeven, dat evenwel overeenkomt met het Maleische saorang, en in de 
plaats waarvan alleen ngio' wordt gebezigd. 

Het geslacht wordt voor bepaalde dieren door bepaalde woorden aange- 
geven, zoodat men liefst zegge: wadala hüa^igOy merrie; mcdoeo telOy hoen; 
alleen als hiervoor geene andere woorden bekend zyn, gebruikt men taboea. 



305 

Het meervoud wordt niet geheel gevormd zooals in het Maleisch; de 
zoogenaamde herhalingsvorm bestaat in het Gorontaleesch niet. 

De bijvoegelijke naamwoorden worden altijd achter de zelfstandige naam- 
woorden geschreven. Het woordje totoe dient meer bijzonder tot vorming 
van den overtreffenden trap, zooals in het Maleisch gesêhiedt door achter- 
voeging van iokali: zoo beteekent panggóla (niet pangola) totoCf zeer oud. 

Be bezittelijke voornaamwoorden worden gevormd door^achtervoeging 
van oCf moe en lio, oï, zooals in de woordenlijst te ziêti is, als zij 
afzonderlijk voork<Hna», door êe woorden oealcu)ej de mijne; oedlemoe, het 
uwe; oeidiOy de zijne. De betrekking tusschen twee zelfstandige naam- 
woorden, die in het Javaansch door aanhechting van é en^ipoen achter 
het eerste wordt aangeduid, wordt door tusschenvoeging van li en l(f of 
door enkele opvolging als in het Maleisch bepaald.* 

De vervoeging der werkwoorden is minder eenvoudig dan de heer v. R. 
vooronderstelt. Het perfectum van monga is maüonga en met maüapaio 
monga, tervdjl het door hem vermelde futurum dipo monga beteekent: 
nog niet gegeten hebben. 

Daar de onderscheidene teekens niet zeer duidelijk de ware uitspraak 
teruggeven, heb ik die evenab de noodelooze verdubbeling der medeklin- 
kers, weggelalen. 



Aardbeving biloehoe; het&c^ULoehoe, 

Afdalen malahoe; beter molaJu^, 

Als mongoe; ook wel monoe. 

Ambt. tangoelieo; tanggoelio beteekent z§n naam^ beter is 

dus pangkaii. 
Ananas .'...«.. nanata^ beter nanaü. 

Ander ngapohieja ; beter ngopohija. 

Antwoorden .... moloieja ; beter mólameto, Moloija is spreken. 

Arbeiden makaradja; beter mokaradja. 

Arm (niet rijk) . . . moskin ; beter mosikinu 

Arm oeloeoe; beter oloeoe, 

Armringv. schelpen, foeto; heter hoeto. 
id V. koper . . pateta ; beter pateda. 

Asch wafoe ; beter wahoe. 

Baai tilo; tüo is kaJk. 

Baard danggo; beter aambangi. Danggo is kin en haard 

aan de kin. 

Bamboe wawohoe; dat isn.1. de Banibusa longinodis Miq. 

Bedelen mohele; beter mohïle. 

Bedriegen mochmeboelo; beter mohimbodo* 



306 

Beer booi-lai; een onbekend woord. 

Begieten boehoete; beter momoehoeto. 

Begraven momoelo; beter molóboengo* Moinodo is planten. 

Beminnen motabit; beter motabi. 

Berg *. foeidoe; beter hoeidoe» 

Beschadigen . • • « poolehomoe; podetomoe is gg heschaddgt. 

Betalen bajeri; beter bajari. 

Betreuren foemojongo; beter hoemojongo. 

Beven foefoeioliejo; beter hoertkohdo. Hoéhodolio is het beven 

by koorts. 

Bewaren tafoea; beter tahoea. 

Binnen todelomiejo; of alleen ddomo. 

Bitter paatta; beter mopaato. 

Blad doehngio: beter doengo. 

Blaffen mohewango; beter moheoewango. 

Bliksem ilatta; beter üato» 

Biyven tolahlo ; beter beter motUola. Todaio is been. 

Boek kitop; beter hiJtabi. 

Boom boengolieo; beter boengo lo ajoe. 

Boombast. doehloe; beter alipo ajoe. DoéMoe is een onbekend 

woord. 
Boomtak. ..... modaha; beter tan^o.Jfodo/ia is tiMic/iter. Zie op dat woord. 

Branding boedodaa; beter boeoio daa, woordelijk hooge gdven. 

Breien modetoe; fjiodetoe is namen. 

Breken loboo; beter lopoo. 

Broeder oetato; beter oetatoe talalai. 

Bron matolo, beter moto lo Udoehoe. 

Broodvrucht .... amoe; evenzoo in het Malaisch van Manado. 

Brug 'foeloede; beter hodoede. 

Buiten ....... boelemenio; beter bodemengio. 

Buskruit onemoe tinawa; beter oenemo hnat&a of alleen tinauHi. 

Bijten. .' mongiit; beter mongü 

Daar tehdo; beter teto. . 

Dadelijk ngopehemao; beter: ngopeëmao. 

Dansen morragai ; molagai is ménari. 

Dienen monga gadjie; beter momaja; monga gadji is loon 

trekken. 

Dier pinatang; beter binaiangi. 

Doek kain; beter kaini^ maar meer gebruikelijk is Upa-Upa. 

Dom moflotoe; beter mohododoe. 

Donder hoeiónggottoe; heter bodofiggodoe^ 

Dorp liboe; beter lipoe. 



307 

Draaien molohoengo; beter motohoengo. 

Drek baoentoe; beter booerUoe. 

Drogen mochiladoe: mohüadoe is m de zon leggen. 

Dronken foewoalo; beter hoewoalo. 

Duif • poetieja; d. i. het Maleiscbe koernkoem. Duif is ma^ 

rapaH. 

Duim tiejohmboe, looloeoe; beter Honiboe lo oloeoe. 

Duizendpoot .... woelipa; beter oéUpa. 

Dij boengoloba; beter boengólopa. 

Eer watotija; watoüa is het Maleische soja f door een min- 
deren tot zijn meerderen gebruikt, welke laatste 
met waoe van zich zelven spreekt. 

Eindigen ellopolitto ; d. i. het perfectum van moopólita. 

Even als toetoe au; beter odelo. Toetoewau is zdf. 

Fakkel boen^ajango ; beter momajango. 

Feest doeasalama; d. i. het gereed maken van sp^zen, 

Flesch, bottel. . • • foelolango; beter boetoeioe. 

Fijn aloes; beter aloetu 

Gat vtrango; b<|^ hoewango. 

Geheel laailaaihito ; beter Ualiato. 

Geest apoela; beter ibüisi. Apoela ia hond. 

Geit batate; beter batade, 

Gelooven pertjaja; beter moparatjaja. 

Gelijk aan ..... toetoe au; beter odelo» 

Gemakkelijk .... boeliengo; beter gambangi. BoèUngo is een bijl. 

Gereedschap • . • • bekokao; beter pakakasi. 

Geven mongohe; of mongohi. 

Glad • tididato; beter tiditalo. 

Glans modilango; beter moiiiango. 

Goederen barang; beter barangi. 

Goud foelawa; beter hoelawa. 

Gras poeboetto; beter poepoeto. 

Haan maloeoe bangke; beter maloeo bangge. 

Haar . foewoo ; beter hoewoo. 

Haten moiengo; beter molonoeoe. Moiengo is een onbekend 

woord. 

Halsketen oeloe; of woéloe. 

Hand paladoe; beter óloeoe. Paladoe is de handpalm. 

Hangen bidilamaoe; beter mondajango. PiHlamax) is knypen 

m£t de vingers. 

Hard halatti; beter mototoheto. ifoloti is glas. 

Hart • . f wantohoe; beter poetoe, Wantohoe is de lever. 



308 

Helpen toelong; beter toeloengi. 

Hoen maloeoe atelo; heter maloeotdo. 

Hoer soendal; beter toiohdoe. 

Hooren moodoengohoe; beter modoengóhoe. 

Huid walitto; woUto is de huid van dieren, aUpo van Boen- 

schen. 

Huis laihe; bde is meer in gebruik. 

Hij tahbotije; beter tijo. Tabotije is het Maleische ini «ttjo. 

Inpakken boloeboloe; heter ^holoéloo. Bdaebcloe is een pak. 

Inschenken toeatolo; d. i. de imperatief van toeata. 

Jeuken modohidoe; beter motohidoe. 

Jong bofoelotau; beter hohoelotau. 

Kaal mongoloehoe; beter deatalo. Mongoloéhoe is sdieren. 

Kaap oeloengiejo'; beter wodoengo, lo is het pron. possess. 

Kalk tioppo ; beter tüo. Tiopo is katoen. 

Katoen kaini; beter UopOj op blz. 29 door den Heer v. R. 

zelven opgegeven. 
Ketel. . • ^. . . . . keter; beter Idenggda. 

Kikvorsoh doembihe; beter toembihe. 

Kinnebak poedongi; poetongi zijn de wangen. 

Kittelen moiiloo; moüoo is jeuken. 

Klein. ....... oekikio; beter oék!iki.l^Oékikio ia een beetje. 

Kloppen mohoedoelo; beter mamanggodo, Mohoedodo is daan. 

Knippen mochihiohe; beter hoéhoendingo. Mohihiohe is cotre. 

Knoop oeoehudie; een onbekend woord. 

Knijpen momiehiedo; momihito is knypen met de nagéU. 

Kokosnoot. foengoliejo ; beter hoengo lo bongo. 

Komen iedoelo; beter meidoengga. Idodo is herwaarts. 

Kom hier dramai; beter odijamai. 

Koorts foefoelolieo; beter hoehodolio. Zie ook bij beven. 

Kraai omboela; in het Maleisch boeroeng woka. 

Krab dello moajoe; beter hohemo. Ddomoajoe is bosch. 

Krabben baladie; beter mongoloehoe. Baladie is een onbekend 

woord. 

Kris bidoeo; beter büoeo. 

Krom ejoengo; beter eéwoengo. 

Kruik lelengela; Idenggda is ketd. 

Kunnen mototta; beter moali. Kennen is motota. 

Laat meilaba; woordelijk te ved^ over. 

Laden [ moloeangoe; d. i. laden van een geweer. 

Lang haja-haja; beter haja-hajao. 

Ledikant kooi; beter hetode. 



309 

Leelijk diela mopiohoe; woordelijk niet goed of schoon, 

Leeren mongatjarrie; beter mangadjari. 

Lek moboetto; beter mopoeto. 

Lekker mobiohoe; beter mopiohoe. 

Lever tonieja; beter tvaniohoe, Tonya zijn de ingewanden. 

Lezen mabatja; beter modoeo. 

Liegen mochimboelo; beter mohimbodo. 

Lichaam badan; beter wavoa^o. 

Links otoishie; beter cioihi. 

Lubben foetoealo; beter hoetoealo. 

Lui landingaio; beter lanHngalo, 

Maan foelalo; beter hodalo. 

Mank|. . moboelotto; beter penggo-penggo, Mobodoto is leenen. 

Markt batalie; beter patali. 

Mast wolieche; beter patoo lajahoe. Wolihi z\jn de stijlen 

van een huis. 
Medelijden sajang; sajang beteekent in het Maleisch van Manado: 

van iemand houden^ ietnand mogen lyden. 

Meisje taboea; beter walaa taboea* 

Melaatsch foedoengo; beter hoetoengo. 

Morgen doemodoepo; beter lomboe. Doemodoepo is ochtend. 

Mug lango; juister vlieg. 

Muts tabeja; ^tabea is de bekende groet: voor miUs heefl 

men het Maleische ^apeoy of voor aanzienlijken en 

priesters de kopjah, 

Naam tangkoelo; beter tanggodo. 

Navel mohoehmsL^axïgO'yheierhoehoeo.Mohoelimajangoiaduizdig. 

Neen jahlo; beter dialoe. 

Nest polipieo; heter loemoengo,Polipio zijn vlerken. Zie opdat 

woord. 

Neus oelingo ; beter hoelingo. 

Nieuw ngoboetao; beter bohoe. Löboetao is gespleten. 

Noodig van doen; wordt gewoonlijk omschreven en niet aldus 

vertaald. 

Onrein kottor ; beter moleto. 

Onrijp ....... mohele; beter menggo. MohHe is vragen, verzoeken. 

Ontmoeten moodoedoengaja; beter modoedoenggaja. 

Ontvangen mailotaboeoe; maüotapoeoe is de Ie p. sing. perfect. 

van lootapoe. 

Ons oeolaoe ; beter oeolanie. Oeolaoe is het pron. poss. mijn. 

Oorlog mobadea; beter mopatea. 

Oor versiersel . • . . wandoloboelanga; beter wanto lo bodonga. 



310 

Oost timor; beter Hmoeroe. 

Oud tapanggalo;beter pang^ola. Tapan^^alo is een oud mensch. 

Overstrooming. . . boetajo; beter üodcui taloehoe, Boetaio is rivier. 

Paal olihi; beter wolihi. 

Palmwijn bochito; beter &o/iito. 

Pen oetie; beter kalam. Oeti is het membrum virile. 

Pisang lambi; d. i. onrijpe pisang, de rijpe heet loetoe. 

Planten hoetta; beter momodo, Hoeta is aarde. 

Plat toetoeau; dit woord beteekent zélf. 

Prauw blotto; beter hoeioto. £r zijn vele soorten vanprauwen. 

Put alli; beter dli. 

I^den moloieja; dit ife spreken, het Hoogduitsche reden. 

Regen dehdi; beter didi. 

Rekenen mochiapo; beter mohiapo. 

Riet kanno-kanno; riet is in het Maleisch van Manado tono- 

kano; in het Gor. onderscheidt men 2 soorten: hepoe, 
een dikke, en tiboe een dunnere soort. 

Ring hoealimo; d. i. een vrouwenring. Een ring voor man- 
nen heet dangka. 

Rivier • . soenge; beter boetaio. 

Roeien bite ; beter hoehebilo. Bite is pagaaien. 

Roepen tiangomei; heter moUango, Tiangarnei ia roep hem hier. 

Roer doenoela; beter tondoolilo. DoenoéLa is gèmoetu 

Rollen modibelatto ; beter molüiboe. Motibalato is gaan liggen 

(het Maleische bergoeling). 

Rond hoeloehoeloelo; dat is rond van geheele lichamen. 

Rond van platte voorwerpen is palipdUlingo. 

Rotan hoettia; beter hoUa. 

Rijst pale; dsit is n.l, beras. 

Bijstblok dediengga; beter didingga. Z. o. op het volg. woord. 

Sabel toemara; beter soemara (d. i. een Gorontaleesche sabel). 

Sagoe biende; beter labia, zooals schr. zelf opgeeft op blz. 27. 

Schaduw doehngoaijoe ; beter moloemo. Doengo lo ajoe zijn de 

bladeren van een boom. 

Schatten boelilieo; dit woord beteekent de wciarde van iets. 

Scheren mongolohoe; beter mongoloehoe. 

Schertsen boejongo ; beter moitóhoe. Bo^ongo is gek. 

Scheuren mohita,to;hetermongidongo.Mobitatoi8V€lgaten,gescheurd. 

Schildpad ewela; d. i. een zeeschildpad. 

Schoppen towohoe; beter tnomoetoo. Totoohoe is.'een trom. Zie op dat 

woord. 

Schouder biehngoengo ; beter binggoengo. 



344 

Schrikken oatto; beter üoliea. Oato is voet. Zie op dat woord. 

Schudden liloehoe; beter heodamao. Lüoehoe is aardbeving. 

Schuld salah ; beter Ulala 

Slaaf boehn doengolo; beter watolotau. 

Slapen modoloehoe; beter motoeloehoe. 

Sloot tambo; beter tanggi. Tambo is een onbekend woord. 

Smaak mopaatto; beter lamitalo. Mopaato is hüter. 

Smelten lopoo; dit woord beteekent breken (het Mal. pUjah). 

Spiegel wongililoeoe; beter winggir-loeloea. 

Spin lawango; beter dangka-dangka. Lawango ia spinneweb. 

Springen toemajango; dat is n.1. ergens over heen springen. 

Springen in het ilgemeen is loemandijo. 

Sprinkhaan boelieja; beter hoélüa. 

Staan dimihoelo; beter timihoelo. 

Straat badahiejo; dit woord is niet bekend: s^roa^ noemt men 

dalalo. 

Steken modehpe; beter móbitoea. Modehoe is vallen. Zie op dat 

woord. 

Strand pendatoe; beter pentadoe. 

Suiker hoela; beter pahangga. Hoela is suiker in gesmol- 
ten toestand. 

Talisman a^jiemat; beter adjima. 

Teen tiomboeloo atto; beter: groote teen = Uomboelo oato. 

Terugdraaien. .J. . mochimboelo; mohirnbodo is liegen. 

Terugkeeren .... mohoealinggo; beter mohoealingo. 

Trom tanwohoe; beter towohoe. a 

Tijd sabalipo; dit woord beteekent wacht even. 

Vader mopaatto; beter Uamo. Mopaato is bitter. 

Vechten mololofoeloea; beter mololohoéloea. 

Veder wawohoe ; dit woordbeteekent bamboe. Zie op dat woord. 

Venster gindela: beter toetoeloa. 

Verbieden sabaripoolo; dit woord beteekent wacht nog wat. 

Verbranden mopoloe; beter lopoboe. 

Vergeten illoliepatta ; dit is het perfect, van moólipato. 

Verliezen ilang; beter iloli. 

Verrotten mohotodoe; beter mohoetdoe. 

Vinger tiengongoaoloeoe; beter tingongoa lo óloeoe. 

Vischhaak totahoelo; beter oaüo. Totahodo is een soort van spies 

om visch te steken. 

Vischnet boeilie ; d. i. een vischnet zonder lood. 

Voelen moheoepo; dit woord beteekent grypen, vatten. 

Vogel, ...*... boeroeng; beter boeroengi. 



312 

Volgen padahoe; beter moedoedoeo, Padahoe is een onbekend 

"woord. 

Voorhoofd yro\ïmh<yehoeloe\wolimhoepodoei&dekruinvanhethoofd. 

Voortdurend .... moheheo; mohehea beteekent gezamenl^k. 

Voorzichtig poodahawa; dit woord beteekent: wees voorzichtig. 

Vragen mohiendoe ; het Mal. minta is mohHej het Mal. tanja 

is mohintoe. 

Vrucht oengoliejo ; beter hoengo lo ajoe. 

Vuist laala; dit is een onbekend woord. 

Vijand mondalie; ditwoord beteekent beproeven. Zie op dat woord. 

Waar ode oedoeono; waar is to oetonoe^ waarheen is de 

oelonoey van waar is lonto oetonoe, 

Wasschen tiditalo ; dit woord beteekent glad. Zie op dat woord. Voor 

wasschen heeft men verschillende uitdrukkingen als: 
mongoelo oato, de voeten wasschen; mólima moeto^ 
het gezicht wasschen; mohoeheta pingge, de borden 
wasschen. 

V^eegschaal katti; beter datjin of tinibanganj KatH is het gewUM. 

Weg dolaio; beter dalaio. 

Weinig jahlo; beter ngopeè. 

Willen ohö; beter ohtUio. Oö is ja. Zie op dat woord. 

Wond piela lija; beter pilalija. 

Woud hoejootto; beter délomoajoe. Hoejooto is onkruid. 

Zaad tolomo; beter botoe. Tolomo is mier. 

Zak padihoe; beter baetoetoe. Padihoe is een onbekend woord. 

Zee deheto; de zee langs het strand heet cfó/i^, de groote 

zee, waar geen land te zien is, auhoe. 

Zeker mamolao; dit woord beteekent (/aan. 

Zien moohnto; beter momilohoe. Moonto is kyken. 

Zinken loahoemo; beter {o{omoto.Loa/ioemo is een gemeen scheld- 
woord. 

Zitten. ....... modihoeloo; beter motihodoö. 

Zout panggelo; panggdo of mopanggdo is zil%, zovt is 

waJtmgo. 

Zuid selattan; beter saUxtani. 

Zuster oetataboea; beter oetatoe taboea. 

Zweeten oelatto; beter hoéUUalo. 

Zijn oeolieja; beter oeolijo. 

De overige woorden zijn goed. 



Het is zeer merkwaai*dig na te gaan, hoe door gebrekkige kennis van 



313 

het Maleisch eene verkeerde beteekenis aan vele woorden is gegeven, zoo 
als o. a. blijkt bij begraven^ hart^ kloppen^ komen, kunnen, mank, mast, 
navel, roer enz. Ook schijnt de heer v. R. niet de gaaf te bezitten juist 
te hooren, waarvan nog een sterk voorbeeld te vinden is in DL XVI van 
het Tijdschrift v. h. Bat. Oen., blz. 113, waar het bekende pantjaroba 
(dat zelfs bij Roorda van Eysinga voorkomt) tot haijarróba verbasterd is. 
Ik twijfel echter niet of zijne andere woordenlijsten zullen meerdere 
waarde hebben. 

A. 24 December 1870. db O. 



DE BOEGINEESCHE NEDERZETTING IN PONTIANAK. 

(Ingezonden.) 



In een der jongste nummers van het Tijdschrift voor Nederl. Indië (Ja- 
nuari, 1871) komt een ongeteekend artikel voor, getiteld: >£ene Inland- 
sche nederzetting." 

Dat artikel is een commentaar op de pessimistische en optimistische voor- 
stelling van het gebeurde te Pontianak — nu ongeveer een half jaar ge- 
leden — met eene prauw, Boegineezen onder wie de pokken waren uit- 
gebroken, uit hun land naar die plaats overvoerende; terwijl dat opstel 
verder handelt over de »Boegineesche nederzetting" aldaar. 

Met verwijzing naar hetgeen daarover geschreven is, wensch ik mijne 
zienswijze over een en ander te doen kennen, en verzoek ik de Redactie 
van dit Tijdschrift zeer beleefd voor dit schrijven een plaatsje in het eerst- 
volgende nummer. » 

Het doel van dit schrijven is niet om te critiseeren wat van beide zijden 
geschreven is, noch om de conclusiën goed- of af te keuren die van libe- 
rale of conservatieve zijde uit de door ieder dier partijen in bescherming 
genomen voorstellingen getrokken zijn, maar alleen om mede te deelen 
wat ik, in den tijd toen ik daar Resident was, van die zaken zag, en wat 
ik daarin gedaan heb. 

Toen ik in 1864 tot het bestuur dier Residentie geroepen was, trok de 
Boegineesche nederzetting aan het zeestrand van Pontianak mijne bijzon- 
dere aandacht, dewijl die nederzetting in een zoo nauw verband stond 
met het aldaar heerschende pandelingstelsel, door velen, niet ten onrechte, 
eene vermomde slavernij genoemd. 

Niet alleen toch van Celebes worden ter Westkust van Bomeo personen 
aangevoerd, bezwaard met eenen schuldenlast die op hunne personen blijft 
rusten, maar zelfs van Java heeft dit plaats, en wel speciaal van Sama- 
rang, vanwaaruit de meeste vaart op Pontianak bestaat. 

Ik wensch hier uiteen te zetten , hoe die zoogepaamde handel geschiedt, 



315 

opdat men zich een juister denkbeeld van de werkelijkheid daarvan zoti 
kunnen vormen. 

Door mijn vroegeren werkkring op Gelebes goed bekend met den toe- 
stand aldaar , mocht ik den Gouverneur vetrzoeken , het mogelijke te doen , 
om de vorsten op Celebes aan te manen , goed toe te zien en te doen toe- 
zien, dat er geen vrije menschen door Boegineesche prauwvoerders tegen 
hunnen wil naar elders werden vervoerd, daar die lieden in eenen fei- 
telijken toestand van slavernij — meer philanttropisch pandelingschap ge- 
naamd — kwamen te verkeeren. Ik verzekerde , dat dit plaats had te Pon- 
tianak, alwaar jaarlijks honderden van 'die lieden werden aangevoerd, die 
van de Djoeragans der prauwen door rijke Boegineezen, meestal Ha^'i's, 
werden opgekocht, ja dikwijls van te voren besteld, om als pandeling bij 
hen dienst te doen. 

Die aangebrachte lieden zijn allen op Celebes door schuld aan dezen of 
genen vorst of adelUjken persoon verbonden, die, zoo ze geld noodig hebben, 
krachtens het daar heerschend pandrecht, die lieden overdoen aan hen, 
die hunne pandschuld betalen willen. 

Dikwijls hebben bij die transactiën hartverscheurende tooneelen plaats. 

Op deze lieden nu speculeeren de te Pontianak gevestigde Boegineezen, 
omdat de landzaat aldaar zeer lui en vadzig is, en niet dan in den hoog- 
sten nood werkt. [Men vindt er velen te Pontianak, die op allerlei recht- 
matige en onrechtmatige wijzen trachten eenige guldens machtig te wor- 
den, om zich daarvoor een pandeling* te koopen (gewone term) en hem voor 
zich te laten werken, om zelven den t^d in luiheid en lediggang te kunnen 
doorbrengen.] 

Door die aangebrachte Boegineezen laten zij hunne ladangs bewerken, 
tuinen onderhouden, klapperboomen planten en prauwen bemannen. 

Bij hunne aankomst te Pontianak wordt hun in rekening gebracht de 
betaalde schuld aan hunnen pandheer op Celebes, welker bedrag zij door- 
gaans zelven niet eens bij benadering kenneh, maar altijd hooger is dan 
zij vooronderstellen. [Op Celebes heeft men immers pandelingen, en op Pon- 
tianak vond ik ze ook, die dit alleen waren omdat ze ten huize hunner 
pandheeren waren geboren], uit ouders die in staat van pandelingschap 
verkeerden; ja zelfs vond ik er die aangehouden werden voor pandschuld 
waarvan het bestaan hun onbekend wasi] 

Daarbij worden hun nög in rekening gebracht kosten van vervoer, voe- 
ding en kleeding, die zij gehad of niet gehad hebben, en op die wyze begin- 
nen ze hun leven op Pontianak! 

Nu is het wel waar, dat er sonmiigen zijn die van den rijken Boégi* 
nees een stukje grond bekomen, om daarop klappers te planten en met het 
provenu daarvan hunne schuld betalen; maar die behooren verreweg tot 
de minderheid, en ook is het alles geen goud wbX er blinkt; want de 

SI 



3i6 

lasten die daaraan weer zijn verbonden, adjn zoo groet,' dat zij tochpaa- 
deling blijven. 

't Is voor den pandeling bijkans eene onmogeiykheid om zich vrg te 
koopen; want de diensten door hem te praesteeren , zijn zoo vele, dat hem 
geen half uur op den dag overblijft als zijn eigendom, om daarmede te 
kunnen woekeren, ten einde met der tyd zich van^de op hem rustende 
pandschuld vrij te maken. 

Om in dien toestand verbetering te brengen werden door het Gouver- 
nement bepalingen gemaakt, waaraan echter zoovele restricüën verbendea 
waren, dat het bijna gelijk stond met eene wettiging van den bestaandea 
toestand. 

Eene registratie van de pandelingen werd bevolen, met bepaling van het 
aantal jaren, dat een vrij mensch in pandelingschap mocht blijven, naar 
een daarvoor vastgesteld tarief. Door den gedurende dien tijd gepraes- 
teerden arbeid werd de pandschuld als betaald beschouwd. Maar hiervan 
waren uitgezonderd alle pandelingen van onderdanen van vorsten, wien 
het zelfbestuur hunner rijken bij contracten verzekerd was. Daardo<v zou 
er H^ niets overblijven om te registreeren ; want behalve de Ghineezen en 
eenige Mooren blijven er al zeer weinig over, die wg onderdanen van ons 
kunnen noemen. 

De Boegineezen hebben zich door aanhuwelijking met Pontianaksche vrou- 
wen tot onderdanen van den Sultan aldaar gemaakt en zich daardoor fei- 
telijk aan ons gezag onttrokken. 

Men bedenke wel , dat het Pontianaksche r^jk, zoo als het -^ vergis ik 
mij niet — omstreeks 1770 door Sultan Abdoel-rahman gesticht werd, erae 
kolonie van vreemdelingen, meestal Boegineezen (veelal zeeroovers zegt men), 
was , en dus aan eene scherpe demarcatie-lijn tusschen landzaat en vreemde- 
ling aldaar niet is te denken. 

Een myner voorgangers, ik geloof de toenmalige overste Beyaendaal, 
droeg den adsistent-resident Peters op: het onderzoek naar den toestand 
van de pandelingen in de Residentie, en de registratie van hen, zonder 
acht te geven op de boven bedoelde restrictiën. Dit was ten minste — 
streng wettig of niet ' — een begin om van dez^i treurigen toestand een 
open boek te hebben, en een grondslag waarop verder zou kunnen wor- 
den voortgebouwd, om tot de opheffing van dezen, voi»* volks- en arbeids- 
ontwikkeling entraveerenden toestand te geraken. 

De Boegineesche pandelingen in quaestie z^n echter nimmer geregis* 
treerd, om dat daarvan geene opgave gedaan was en men de zaak noch 
dwingen, noch controleeren kon. Alleen hunne bedienden en de opvaren- 
den van prauwen werden geregistreerd. 

Die registers , door de Regeering opgevraagd, konden niet word^i goed- 
gekeurd, omdat men goedvond dit eene greep in het zelfbestuur der vor* 



317 

sten te noemen. Onvoorwaardelijk afgekeurd werden ze echter ook niet '), 
ten gevolge waarvan gedurende eenige jaren een toestand geboren werd 
van halfheid, waardoor het, bij klachten der pandeUngen over hunne mees- 
ters [volgens contractsbepaling berust de uitoefening van politie en justi- 
tie van des Sultans onderdanen in handen van den Resident], nooit tot 
afdoende maatregelen kwam; altijd transigeeren, om dat de Regeering zich 
niet pertinent verklaard had; iets wat wel meer in Indië gebeurt en van 
groote voorzichtigheid getuigt, want daardoor blijft altijd een achterdeurtje 
open, om al de consequentiën van dergelijke zaken, zoo er eens eene :»mik- 
mfüt" uit geboren wordt, ten laste van den betrokken Resident te brengen. 

Meermalen heb ik, bij klachten van pandelingen tegen hunne machtige 
en invloedrijke pandheeren, tot walgens toe moeten transigeeren I 

Ook ik werd geroepen , om voorstellen te doen tot regeling van dien on- 
gelukkigen toestand; wat daarvan echter gegroeid is, weet ik niet; waar- 
scb)jnl^ tot scheurpapier gedoemd , zooals er zoo veel in Indië naar de pa- 
piermand gaat. 

Ik sprak zoo even vanpersonen, die onder den naam van Dvrije lieden" als 
pandelingen te Pontianak van Java worden ingevoerd ; ik wil dit toelichten. 

Jk schreef over dit onderwerp 2 of 3 malen aan den Resident van Sama- 
rang, onder overlegging v^n desbetreffende processen-verbaal van onderzoek , 
-waaruit bleek, dat zeker Inlandsch hoofd aldaar zich met de levering van 
zv)ke lieden, meestal vrouwen, bezig hield. Die man verantwoordde zich 
echter natuurlijk, en alles was in orde! 

Ik ontving zelfs van den Resident van Samarang een origineel proces- 
verbaal van het daarin door den Inlandschen officier van Justitie, den hoofd- 
Djaksa, gehouden onderzoek. Secuurder kon het toch wel niet II 

Ik had de gewoonte om dergelijk onderzoek zelf te houden. 

Maar dit belette niet, dat vrije Javaansche vrouwen bij Ch^neezen op Pon- 
tianak gedwongen in dienst gehouden werden, omdat zij zich — r- zoo 't 
heette — als pandeling geëngageerd hadden. Die vrouwen toch verklaar- 
den mij, dat men haar, zeer slim, te Samarang geëngageerd had, om als 
baboe in dienst te treden bij dezen of genen Chinees te Pontianak, tegen 
een ordentelijk loon. Daarvoor werd haar eenig voorschot toegekend, waar- 



1) De Begeering van N. I. is aelve, wanneer hei hare eigene belangen geldt, 
niet zpo afkeerig vhü het paodeliag-stelsel. Bewijze de ateen kolen-exploitatie te 
Pengaron (Bandjermassin) , waarbij in den tyd toen ik daar geplaatst was, 
honderden pandelingen, tegen / 100 vpor 5 jaren dienst, geëngageerd werden. 
Men noecQde dit, pour acquit de conscience, fruitgeleste pandeliDgen'*, niettegen- 
staande velen, na expiratie van diensttijd, zieb op nieuw voor 5 jaren ais pan- 
deling engageerden. Maar steenkolen moesten er zijn, en niet te duuri 



348 

Voor men haar ten overstaan van dat Inlandsch hoofd een bewijs liet tee- 
kenen, doch vf^n wien zij weinig of niets ontvingen. Te Pontianak geko- 
men, werd haar hare rekening opgemaakt als: geleend geld f , 

passage f , voeding f , en eindelijk kleeding f , te 

zamen eene mooie ronde som, die ze met een door den Chinees wille* 
keurig bepaald tractement van f 3 '3 maands natuurlijk nooit konden 
terug betalen. 

Ik heb den bestaanden toestand te Pontianak eenigszins uitvoerig behan- 
deld, om een duidelijk inzicht in de werkelijkheid te geven aan hen die 
daarmede minder bekend zijn, opdat zij een onbevangen oordeel over het 
geschrevene, onder den titel: ]>Eene inlandsche nederzetting", zouden kun- 
nen vellen. 

Alsnu tot 'de zaak zelve terugkeerende , namelijk de nederzetting, zoo 
verklaar ik hierbij, dat zij, op zeer weinige uitzonderingen na, in handen 
is van enkele rijke Boegineezen en een paar Pangerans van het Pontianak- 
sche hof. [Ik spreek niet verder dan uit. 1865.] 

Het eerst werd mijne aandacht op die kolonie gevestigd door den staat 
van feitelijk zelfbestuur waarin zij verkeerde, en de weinige moeite die 
aangewend werd, om dit voor het Europeesch bestuur te bedekken. Moor- 
den en diefstallen, daar gepleegd, kwamen nooit aan den dag; want men 
durfde er met geen politie inkomen, en dit kwam voornamelijk door den 
staat van afzondering waarin zich die kolonie bevond, ten gevolg der zoo 
zeer moeilijke communicatie. 

De eigenaren dier groote klapper-aanplantingen deden het op m\jne in- 
formatiën altijd voorkomen, dat die kolonie in lange na den omvang niet 
had, zooals men voorgaf, want dat er slechts eenige honderden lands- 
lieden van hen ddér vereenigd waren, zonder meer. Ik vermeende echter 
dit maar niet zoo gaafweg te mogen aannemen, eensdeels omdat ik 
een geheimen wenk gekregen had, dat het noodig was da^ eens te 
gaan zien, en anderdeels omdat de hoofd-Djaksa, dien ik er henen 
zond om eene moordzaak te onderzoeken, daarin al zeer weinig lust 
betoonde. Dit wekte myn argwaan, te meer daar ik ook had hooren 
mompelen van zee- en strandroof, als niet onwaarschijnlijk \'an daar 
uitgaande. 

Ik wilde dus met eigen oogen zien, maar kon daar niet dan zeer moeilijk 
komen, waarom ik den Sultan verzocht zijnen invloed te willen aanwenden 
bij de Boegineezen, om het kanaal , waarvan in het stuk van den kapitein 
Niclou gesproken wordt, te doen voltooien. 

Dit kanaal was sedeit jaren in aanleg, hoofdzakelijk omdat er te veel 
gevaar verbonden was aan de reize over zee met kleine prauwen, waar- 
door reeds vele ongelukken gebeurd waren, en dus de eigenaars, met vrou- 
wen en kinderen naar die klappertuinen willende sspelemeien", eenen 



319 

meer zekeren weg verlangden; daarom moesten de pandelingen dit kanaal 
graven: 't was alles behalve vrije wil! 

Of nu de overweging, dat, bij het openen van een kanaal, de toegang 
voor politie en bestuur even gemakkelijk zou zijn als voor hen, de reden 
mag geweest zijn, of dat er andere redenen in het spel waren, weet ik 
niet; maar zoo veel is zeker, dat men het kanaal half voltooid heeft laten 
liggen, tot op mijne komst. 

Met moeite, en door persoonlijke bemoeienis van den Rijksbestuurder, 
den verdienstelijken Pangeran Bandahara, kwam het eindelijk zoo verre, 
dat aan het kanaal voortgewerkt werd , zoodanig, dat ik bij hoog water er 
met eene kleine prauw door kon. 

Het is nu, derhalve zes jaren ongeveer, sedert dit kanaal geopend — echter 
verre van voltooid is. 

De ondervinding door mij opgedaan bij het bezoek van die streek, deed 
het meer dan noodig voorkomen om andere communicatie-middelen tot 
stand te brengen, om te allen tijde, iets wat het kanaal niet altijd ver- 
oorlooft, zel& met militaire macht, daar zoo noodig te kunnen ver- 
schijnen. 

Toch werd er in een opzettelyk daartoe door mij bevolen onderzoek be- 
vonden, dat er ongeveer tien maal meer Boegineezen, meestal mannen, aan 
het zeestrand woonden, dan mij opgegeven was. Dit onderzoek werd met 
zeer veel beleid en volharding persoonlijk gehouden door den toenmali- 
gen Adsistent-resident te mgner beschikking, den heer Kater, later Re- 
sident aldaar. 

Toen kwam bij mij het denkbeeld op, door velen als onbereikbaar uit- 
gekreten, om eenen weg te laten maken tot verbinding dier Boegineesche 
nederzetting met de hoofdplaats Pontianak* 

Ik zag zeer wel in dat daaraan groote moeilijkheden verbonden zouden 
zgn; want nog nooit had een menschelijk wezen den voet gezet in dit op 
zoo moerassigen bodem gegroeid bosch. Om de richting van den weg te 
bepalen bestond slechts één middel, en dat was: het geluid. Van tijd tot 
tijd werden uit het geschut van het fort te Pontianak kanonschoten ge- 
lost, en daarop werkte men voort. Niet onduidelijk zag men weerzin op 
het gelaat der Boegineezen bij den'^aanvang van dit werk, want deze weg 
zou hun den laatsten tand van straffeloosheid uittrekken. 

Toen ik in het laatst van 1865 Pontianak verliet, was die weg, die 
door dwangarbeiders gelegd werd, half klaar. Ik begryp niet, waarom 
de heer Niclou het tijdstip van aanleg van dien weg bepaalt als volgt: 
»Door het gedurende de twee laatste jaren aanleggen van een 9 palen 
langen weg tusschen Pontianak en Soengei Kakap," enz. 

Alvorens te eindigen, wensch ik nog een oogenblik in meer algemeenen 
zin bij het pandelingschap in Nederlandsch Oost-Indië stil te staan. 



320 

Naar mijne bescheidene meening, gegrond op een verUgf van ongeveer ^/i 
eenw op Java, Sumatra, Bomeo's West-, Oost- en Zuidkust, Celebes en de 
Molukken, zeg ik, dat het pandelingschap nimmar een einde zal nemen, zoo 
lang den Vorsten het zelfbestuur zal gelaten bleven, en dit door de In- 
dische Regeering heilig gehandhaafd wordt; want dat pandelingschap is 
als het ware in het volksbestaan ingeweven en een slagboom voor aUe 
volksontvnkkeling. 

Wat wy ook spreken mogen van afischaffing van slavernij — die be- 
staat feitelijk even als vroeger in de landen der vorsten, wien bij contrac- 
ten hun zelf bezuur verzekerd is; en hoe heilig de Regeering zich daaraan 
nog in 1859 hield,^ vnl ik bewijzen, uit hetgeen mij in dien tijd overkwam, 
als Resident der Lampongsche districten, aan v^er bevolking door Gouv. 
besluiten het recht van zelfbestuur verzekerd was. 

Bij eene inspectie in de bovenlanden dier residentie, vond ik in eene 
kampong eenige slaven. Die lieden waren afkomstig van eene zoogenaamde 
Prang Batoe. Twee kampongs hadden ruzie — vochten daarop met el- 
kander — en de eene kampong had eenige doeden. 

De vrede werd gesloten, en door het Marga-bestuur uitgemaakt, dat de 
benadeelde kampong voor iederen gedooden man één persoon als slaaf zou 
bekomen van de kampong die het nadeel had toegebracht. 

Uitgaande van de stelling, bij wetten en regeerings-reglementen v^kon- 
digd, dat in Nederlandsch-Indië, dat is dédr waar onze driekleur vrappert, 
geen slavernij mocht bestaan, kon het aan geen billijke bedenking onder- 
hevig zijn, dat ik die personen onmiddellyk in vrijheid stelde en naar hunne 
kampong terug bracht. 

Ik rapporteerde dit den toenmallgen Gouvemeur-Greneraal Pahud, en 
hoopte hierop eenige woorden van goedkeuring en aanmoediging te ontvan- 
gen; het tegendeel echter was waar; vmnt eene hevige berisping viras m^n 
deel, aangezien ik door die daad eene inbreuk gemaakt /tod op het den 
vótke verzekerde recht van zdf bestuur I! 

Hoe onwaarschijnlijk en ongeloofelyk dit ook schijnen moge, 't is niette- 
min waarl 

Ik heb het bovenstaande. alleen ter neder gesteld, opdat men niet alles 
te optimistisch beschouwe; de realiteit is zoo dikwijls in strijd met de 
voorstelling die van deze of gene zaak gegeven wordt, 't Is altijd eene 
ondankbare taak voor hem die het releveert; ware het niet, dat ik aan- 
gezocht was, om over dit onderwerp ter neder te stellen wat ik daarvan 
weet, voorwaar ik had m^ daartoe de moeite niet gegeven; al het ellen- 
dige gescharrel, dat ik in die kwart-eeuw zag, vervult mij met walging. 
Ik wenschte, dat mij de macht gegeven ware om te vergeten, dat ik ooit 
in Nederlandsch-Indië geweest ben, niet omdat het mij berouwt met den 
trouwhartigen Javaan, zijnen schoonen hemel en den onuitputtelyken njk- 



324 

dom van zijnen milden bodem te [hebben {kennis gemaakt, — neen voor- 
waar nieti — maar omdat m\jn ambtenaarsleven inindiê mij de schoonste 
illusiën van mgn leven ontnomen heeft. 

Breda, Wunen. 

20 Maart 1871. Oud-Resident der Westkust van Borneo. 

P. S. Eene particuliere correspondentie in de jongste mail-couranten voor- 
komendfif deelt mede, dat de weg van Pontianak naar Soengei Kakap nog 
verre van voltooid is; de daarvoor aangewe^ne dwangarbeiders schijnen 
door de mandoors tot eigen werk aangewend te worden. 



BOBKAANKONDIGING. 



Gids voor officieren en onderofficieren van het Nederlandsch Oost- 
Indisch leger bij de uitoefening der müitaire rechtspleging in tgd 
van vrede. Door Mr. C. P. K. Winckel. 

Misschien is er onder de vele kundigheden welke tegenwoordig in den 
officier met recht mogen worden gevorderd, wel geene die hij zich zoo 
moeilijk eigen zal kunnen maken(, als de kennis vereischt voor de taak 
welke hem vroeg of laat wacht, om tegenover zijne ondergeschikten, eu 
soms zelfs zijne gelijken, de rol van rechter op zich te nemen, en deel uit 
temaken van den krijgsraad, met een zoo uitgebreide macht in strafzaken 
bekleed. Deze taak ligt toch zoo geheel buiten den eigenlijken kring zijner 
studiën, dat het geen wonder mag heeten,. indien de toekomstige oiBcier 
slechts weinige aandacht schenkt aan de studie van het strafrecht in het 
algemeen, en van de militaire proces-orde in het bijzonder, en zich tevre- 
den stelt met het weinige dat hij aan de müitaire academie dienaan- 
gaande kan opdoen, of dat van hem gevorderd wordt, om het examen 
voor ofQcier bij het Oost-Indisch leger af te leggen. £n toch , te veel hangt 
dikwijls van die kennis af, om niet elke poging toe te juichen welke 
wordt aangewend, om de beginselen en werking van het militaire straf- 
proces op te helderen en duidelijk te maken, ook voor hem die zich niet 
van den aanvang af op de studie van dat recht heeft toegelegd. 

De heer Winckel heeft in dit opzicht in een bepaalde leemte voor het 
Oost-Indische leger voorzien. In zijn duidelijk geschreven werk, dat ook 
voor den minder ingewijde zeer goed te bevatten is, geeft hij een schets 
van het geheele militaire strafproces in tijd van vrede, met al de verschil- 
lende gevallen welke zich daarbij kunnen voordoen, hier en daar door 
voorbeelden toegelicht, en, waar het noodig is, ook opgehelderd door be- 
palingen uit andere wetboeken dan de zuiver militaire ontleend. Oüschoon 



S23 

zich gewoonlijk op een objectief standpunt plaatsend, en slechts mededee- 
lend wat werkelijk als geldend voorschrift moet worden beschouwd, kon 
het wel niet anders, of de schrijver moest soms in twijfelachtige gevallen 
partij trekken. Kwamen in dit tijdschrift of bij deze recensie discussiên 
over zuiver rechtsgeleerde vraagstukken te pas, misschien zou hij ons 
genegen vinden, hier en daar met hem een lans te breken over de door 
hem gevolgde opvatting. Wij moeten echter doen opmerken, dat de meening 
van het Hoog Militair Gerechtshof gewoonlijk wordt medegedeeld, wanneer 
omtrent een twijfelachtig punt door dat college uitspraak gedaan is, zoo- 
als bij § 352, 361 vlg., 445. Te bejammeren is het , dat door den schrij- 
ver de data dier beslissingen niet worden medegedeeld, en de plaatsen 
waar zij te vinden zijn. Dit zou een gemak te meer aan het gebruik 
van het werk geven. Bovendien hadden wij, om dezelfde reden, wel ge- 
wenscht dat bij de verschillende paragraphen ook de artikelen der wet- 
boeken waarop zij berusten, of waaruit zij overgenomen zijn, waren aan- 
gewezen. Zoo zou het boek zich nog beter aansluiten aan de bekende uit- 
gaaf der militaire wetboeken voor het Indische leger van Mr. van der 
Hout, en aan het crimineel wetboek van Mr. Pols, en het dus den militair 
gemakkelijker maken, in die beide werken datgene na te slaan vmt hij op 
het oogenblik noodig heeft te weten. Het moet echter erkend worden, dat 
bij eenige studie dier werken, het gemakkelijk zal zijn den weg daarin 
te vinden, en dat eene doorloopende verwijzing naar de verschillende arti- 
kelen eene zelfstandige studie der wetboeken zelve in den weg zou staan. 

Dat wij na het bovenstaande gaarne dit werk aanbevelen, spreekt wel van 
zelf. Wij wenschen het dan ook in handen van elk militair in Indië, met 
de rechtspraak belast of daarmede in aanraking komende, in de hoop, dat 
bij de onmogeHjkheid voor het Nederlandsche leger hier of in Indië, om recht 
te spreken volgens goede wetten, althans zij die geroepen worden die ge- 
brekkige wetten toe te passen, dit zullen verrichten, toegerust met die ken- 
nis, welke, waar het de eer en het leven van den soldaat geldt, zonder 
ernstig gevaar voor de toekomst niet mag worden gemist. 



De Politie-roL Handleiding voor admiiiistratieve ambtenaren met de 
rechtspraak ter politie-rol op Java en Madiira belast Door Mr, Af. 
C. Piepers, Batavia^ 1868. ^ 

Tegelijk met de aankondiging van het werk van den heer Winckel , 
wenschen wij, zij het dan ook een weinig laat, de aandacht te vestigen op 
het bovenstaand geschrift van den heer Piepers. Ook hier heeft de schry- 



324 

ver zich de taak gesteld, om hem te gemoet te komen, die zich niet van 
der jeugd af aan met de rechtsstudie heeft bezig gehouden, en toch door 
zijne betrekking geroepen ^'ordt, eenmaal als rediter op te treden. Of- 
schoon het Koninklijk Besluit van 5 Maart 1869 de rechtsmacht der admi- 
nistratieve ambtenaren geleidelijk wil opheffen, en op rechtsgeleerden 
overbrengen, is dit echter niet het geval met de rechtspraak over Inlanders 
in politie-overtredingen, gewoonlijk ^afdoening ter politie-rol" genaamd. Voor 
die rechtspraak nu worden in een kort bestek de voornaamste beginselen 
in eene handleiding te zamen gevat, en met toelichtingen en beoordeelin- 
gen opgehelderd. Het politie-reglement voor Soerabaja, meermalen door 
de rechtsprekende ambtenaren als voorbeeld gevolgd, eene reeks van bepa- 
lingen, in de verschillende residentiën van Java en Madura kracht van 
wet hebbende, en eene model politie-rol zijn als bijvoegsel opgenomen, en ver- 
hoogen zeer de bruikbaarheid van het werk. Van harte wenschen wy, 
dat de wenken, in het werk zelf en in de fraai geschreven voorrede be- 
vat, niet verloren zullen gaan voor den Indischen' ambtenaar, maar strekken 
mogen to j verbetering van eene rechtspraak, die in het hart van de In- 
landsche bevolking ingrijpt, en voor haar, helaas I maar al te dikwyls tot 
een bron van jammeren heeft gestrekt 

Leiden. Maart 71. P. A. van der Liih. 



VARIA. 



Hoe de ISnister van Kólonién^ in 
de zitting van 25 Maart 1870, 
sprak over de Kolonie Suri- 
name. 

»Het belang der Kolonie werd 
daar (in Suriname) beschouwd te zyn 
het belang van eenige Amsterdam- 
sche handelshuizen, die bij de exploi- 
tatie van Suriname geïnteresseerd 
waren; het werkelijk belang van de 
Kolonie zelve stond geheel op den 
achtergrond. 



>In dien ziekel^ken toestand heeft 
de Kolonie een schok ondergaan; 
dat cadaver is als het ware gegal- 
vaniseerd door de emancipatie van 
de slaven. Maar nu is het niet moge-» 
lijk den toestand in eens te verbeteren. 
Van eene bevolking van verschillende 
kleuren is het niet te verwachten 
dat zij als met een tooverslag haar 
welbegrepen belang zal leeren inzien 
en dadelijk met energie zal handelen. 
Daarvoor worden eenige jaren tjjds 
vereischt. Maar nu geloof ik, dat men 
thans Suriname een anderen schok 



Hoe h^, in eene volgende zitting 
der Tweede Kamer zou kunnen 
spreken over Nederlandschr 
Indié. 

Het belang der Oost-Indische Ko- 
loniën werd steeds, en wordt nu nog 
te veel beschouwd te zijn het belang 
van eenige handelshuizen, fabriekan- 
ten en bijzondere personen, en van 
de schatkist in Nederland, die allen 
bij de exploitatie dier Koloniën geïn- 
teresseerd z\jn; — het werkelijk be- 
lang van de Koloniën zelve en het 
algemeen belang stonden en staan 
geheel op den achtergrond. 

In dien ziekelijken toestand waarin 
de Koloniën sedert jaren zyn gebracht, 
hebben zij door zoogenaamde of we- 
zenlijke, maar steeds partiëele her- 
vormingen schokken doorstaan; zij 
verkeeren in een ware crisis, in welke 
zij dreigen te bezwijken, indien geene 
afdoende en doortastende middelen 
worden aangewend. Nu is het wel 
niet mogelijk den toestand plotseling 
te verbeteren. De bevolking in de 
Koloniën is even lydelijk als een pa- 
tiënt die op redding en behoud wacht; 
en van de Nederlandsche natie, van 



326 



zal moeten laten ondergaan; dat men 
daar zal behooren te gaan handelen 
en de bewoners zullen moeten gaan 
begrijpen, dat die Kolonie iets meer 
is dan eene zekere inrichting, die 
slechts behoeft te zorgen dat suiker 
en koffie naar Amsterdam worden 
vervoerd. 



»Die Kolonie heeft groote hulp- 
bronnen, maar het oude denkbeeld 
van stapel-artikelen voor de Amster- 
damsche markt te moeten verbouwen, 
staat er nog te veel op den voorgrond. 
Dat is voor Suriname het ongeluk, 
en zoolang dat denkbeeld niet met 
tak en wortel is uitgeroeid, zoolang 
daar niet handen aan het werk wor- i 



hare machthebbenden en vertegen- 
woordigers is het, bij de verschillende 
belangen die steeds in het spel ko- 
men, niet te verwachten, dat zij als 
met een tooverslag het welbegrepen 
belang van den Staat en de Koloniën 
zuUen leeren inzien en dadelijk naar 
goede beginselen van Staatshuishou- 
ding met veerkracht zullen besluiten 
en handelen. Daarvoor worden mis- 
schien nog velerlei dringende gebeur- 
tenissen en schadelijke ondervinding 
vereischt. Maar toch geloof ik dat 
het thans meer dan tijd wordt, met 
de Koloniën in eene bepaalde richting 
van doortastende en in goed onder- 
ling verband staande hervormings- 
maatregelen, volgens den geest des 
tijds, voort te gaan; — dat men nu 
eindelijk den strijd van partijen en 
alle overbodige discussiën zal moeten 
ter zijde stellen, en zal behooren te 
gaan handelen; — en dat de natie 
en hare vertegenwoordigers zullen 
moeten gaan begrijpen, dat die Kolo- 
niën iets meer zijn dan eene zekere 
inrichting, die slechts behoeft te zor- 
gen, dat suiker en koffie en andere 
voor de Europeesche markten gewilde 
artikelen naar de Nederlandsche han- 
delsplaatsen worden vervoerd, en dat 
het deficit der Nederlandsche schat- 
kist worde goed gemaakt. 

Die Koloniën hebben groote hulp- 
bronnen, maar zij worden slechts op 
kleine schaal en eenzijdig ten nutte 
aangewend en de verdere ontwikke- 
ling daarvan wordt te zeer belemmerd 
door het oude denkbeeld van stapel- 
artikelen voor de Nederlandsche mark- 
ten te moeten verbouwen en batige sal- 
do's voor de Nederlandsche schatkist te 



327 



den geslagen door de natuurlijke 
hulpbronnen te ontginnen, zal het 
daar niet veel beter gaan. 



>Ik heb vroeger gelegenheid ge- 
had mijne denkbeelden over Suri- 
name in de Kamer mede te dee- 
len, en ik durf de onderstelling te 
maken dat mijn optreden aan het 
Departement van Koloniën hier en 
daar in de Kolonie geen juichkreet 
zal hebben doen opgaan. Ik geloof 
intusschen dat men een goede zaak 
zou doen, yranneer men zoo spoedig 
mogelijk een nieuw leven in die Ko- 
lome trachtte te brengen." 



moeten opleveren. Dat denkbeeld staat 
althans nog te veel op den voorgrond 
en is het ongeluk voor die Koloniën, 
en zoolang dat denkbeeld niet met 
tak en wortel wordt uitgeroeid, zoo- 
lang niet de handen aan het werk 
worden geslagen om de belemmerin- 
ringen weg te nemen die de ontgin- 
nirg der natuurlijke hulpbronnen in 
die Koloniën in den weg staan, zal 
het daar niet veel beter gaan. 

Ik heb vroeger gelegenheid gehad, 
zoowel in de Kamer als in publieke 
geschriften, mijne denkbeelden over 
de Indische Koloniën mede te deelen, 
en ik durf de onderstelling te maken 
dat mijn optreden aan het Departe- 
ment van Koloniën, hier en daar in 
die Kotoniën, en vooral bij de voorstan- 
ders van het oude régime, van staats- 
exploitatie en monopoliën, geen juich- 
kreet zal hebben doen opgaan. Ik 
geloof intusschen dat men eene goede 
zaak zou doen, wanneer men zoo spoe- 
dig mogelijk een nieuw leven in die 
Koloniën trachtte te brengen. 



In het Tijdschrift uitgegeven door de Nederlandsche Maatschappij ter 
bevordering van Nijverheid, Deel XII, 1 en 2 st., jaargang 1871, wordt 
een opstel gevonden onder den titel van i>Koloni8atie in Nederlandsch In- 
dië\ Het bevat het gevoelen van den heer K. W. van Gorkom, Direkteur 
van de Gouvernement^ kinacultuur , over de mogelijkheid eener Nederland- 
sche kolonisatie op Java. Het opstel wordt medegedeeld door den verdien- 
stelijken secretaris der maatschappij van Nijverheid, den heer F. W. van 
Eeden. Daar door velen beweerd wordt dat eene dergelijke kolonisatie on- 
mogelijk is wegens de tropische temperatuur, en zelfs de Staatscommissie 
die ten jare 1858 over het voorstel der heeren F. H. van Vlissingen en 



328 

negen anderen ^) geraadpleegd werd, pertinent diezelfde meening uitge- 
sproken heeft, meenen wij, dat het zijne goede zijde kan hehben, dat 
wij tegenover dergelijke beweringen het gevoelen van een man stellen , die 
ïoieerdan vyftien jaren in Nederl. Indië, en daarvan zes in de Preanger 
Regentschappen doorgebracht heeft, en die in zijne geschriften blijken 
heeft gegeven van een helder oordeel over de Indische aangelegenheden." 
Wij gelooven dus aan de lezers van ons Tijdschrift geen ondienst te doen, 
met daaruit het een en ander over te nemen. 

„Naar mijne meening (zegt de Heer van Gorkom) kan men niet ernstig be- 
weren dat op Java ooit uitgebreide, doelmatige en doortastende proeven met 
kolonisatie genomen zijn >). Ziek te beroepen op bet weinige , dat men uit 
de genomen proeven zou kannen aanvoeren, gaat niet aan, en nit bet heen 
en weer trekken van Europeanen hier kan waarlijk niet tot de mogelijk)ieid 
of onmogelijkheid van werkelijke kolonisatie worden besloten. Sedert eenwen 
komen jaarlijks meer of minder Europeanen in Indië , die men in drie katego- 
riën verdeelen kan: 

„1^, militairen, die uit den aard hunner positie in ons onderwerp buiten 
rekening blijven; 

2^. ambtenaren, die alleen het oog hebben op te verdienen pensioen , om 
daarmede huiswaarts te keeren; 

3^. particulieren , die hier in zoo kort mogelijken tijd opeenige wijze hun for- 
tuin hopen te maken, om daarvan in Europa verder rustig te gaan leven. 

„Al die Heden zijn verre van *tgeen men onder kolomsten verstaat. Ik 
geloof niet, dat er ooit een echt Hollander als miHtair, ambtenaar of parti- 
cuUer naar Indië is vertrokken, zonder de illusie van vroeg of laat in betere 
omstandigheden het vaderland weder te [zien. Zij die hier blijven zijn uitzon- 
deringen, gedwongen door huwehjk of mislukking van illusie.... In éen woord, 
bij uitzondering staat het verlangen naar een thuis in Indië bij de verhuiziiig 
op den voorgrond; deze blijft van tijdelijk karakter, en daarin ligt de kanker 
voor Indië, wat het denkbeeld van kolonisatie betreft. 

„Wie zich hier eigendommen , eene toekomst voor zijne kinderen scheppen 
kan, wie zich hier eene opleiding tot alle takken van nijverheid en weten- 
schap voor zijne kinderen verzekerd weet, hij zal het milde klimaat, den rijken 
bodem, de majestueuse natuur van Java zegenen» en zijn moederland slechts in 
goede en dankbare herinnering houden, zonder verboerd te worden door wen- 
Bchen en begoochelingen, die dikwijls als een kanker aan zyne hersenen en 



1) Onder de aanvragers vinden wij o. a. de heeren J. J. Hasselman, laatatel^k 
minister van Koloniën en nu lid der 3e Kamer, Mr. J. Heemskerk Az, gewezen 
minister van Eiunenl. zaken en nu eveneens lid der 2e Kamer, en P. J. Yeth, 
boogleeraar te Leiden. 

<) Zie over de verkeerde wijze waarop de O. I. comp. op Java het aanlegde om 
kolonisatie te bevorderen, tengevolge waarvan de genomene proeven mislukten^ het 
Tijdschrift voor Taal- Land- en Volkenkunde, deel XVII, bl. 110 en vlg. 



329 

njn phyaiok gestel knagen, emdat sij hem onbestemd, ongednrig, ongeduldig 
en ontevreden maken. Men leeft hier 20 jaren voor de toekomst, niet voor 
het heden. Het eeoige doel ia rost en rijkdom ^nds. 

De heer van Gorkom stelt zich vervolgens de vraag, of de Nederlander 
in Indië genoegzaam aarden kan om er als werkelijk kolonist te vertoe- 
ven. Wij veroorloven ons hieromtrent de volgende aanhaling. 

„Zie onzen vriend T. te 'B.^ die bijna 40 jaren werkte, hard werkte en het 
toonbeeld v«n kracht, gezondheid en enorgie bleef. Zoo sijn er velen; zoo 
zijn schier allen, die hier bleven met emstigen sin tot arbeid en soliditeit. 
Men mag geene rekening nemen van ziekelijke individuen, die ook bij u on- 
dergegaan zouden zijn, van onvoorziohtigen en roekeloozen, die de wetten, de 
onverbiddelijke eischen der natuur bespotten. In alle streken van Java, van 
de stranden tot in de hooge gebergten, treft men Europeanen aan, die hun 
leven grootendeels in Indië sleten en een krachtvoUen ouderdom bereikt heb- 
ben Het ligt toch in de rede, dat een onafgebroken bureauleven op de 

strandplaatsen uit een hygiënisch oogpunt niet halen kan bij een verblijf in 
milder streken, bij een werkkring met meer afwisseling, met dagelijksche vrije 
beweging in de natuur, 't Is dan ook niet te weerspreken, dat de gezondste 
Europeanen in de binnenlanden worden aangetrolSen, dat de gezondsten onder 
do gezonden te vinden zijn onder degenen, die het geluk hadden den arbeid 
van geest en lichaam op het vrije, ruime veld in evenwicht te houden." 

Vervolgens spreekt de heer van Gorkom over de plaatsen die voor kolo- 
nisatie van Europanen geschikt zijn, en wijst daartoe natuurlijk op de 
minder heete bergvlakteik Daar zal de vrije kolonist alle voorwaarden 
voor welvaart en gezondheid vereenigd vinden, mits men hem niet isoleere, 
hem goede communicatie-middelen verschaffe, in de behoefte aan onder- 
wys voor zyne kinderen voorzie. Inzonderheid wijst hij op het Prahoe- of 
Diënggebergte , het Tenjgersche gebergte en de plateaux in de Preanger. 
Vooral over deze laatste, die hij zoo goed heeft leeren kennen, is het de 
moeite waardig hem zelven te hoeren. 

„Dr« van Hoëvell brengt altijd de vlakte van Bandoeng ter sprake als er 
quaestie is van kolonisatie. Ik woon ongeveer in het centrum van die vlakte, 
p. m. 2300 voet boven de zee. Deze vlakte is zeer uitgestrekt, maar l^ mee- 
rendeels bebouwd of in bezit en ggbruik van de bevolking, en 2^ nog tame- 
lijk warm. Zoo er hier dus om de eerste reden al geen mogelijkheid bestaat 
voor kolonisatie, dan kan hier deze om het minder gunstig klimaat ook nog 
niet bijzonder w^ischelijk geacht worden. Noordwaarts verliest die vlakte zich 
allengs tegen de zuidelijke hellingen van het Hoerangrang- en Tangkoeban- 
prahoe-gebergte, en vormt zich te Lembang een uitgestrekt plateau, ter gemid- 
delde hoogte van 3800 tot 4000 voet. Ddar is het klimaat zoodanig, dat ook 
Europeanen er veldarbeid kunnen verrichten. De vlakte is echter over een aan- 



330 

zienlijk deel met Gouyernements-koffieboomen beplant. Evenwel blijven er nog 
voldoende bebouwbare streken over, en het klimaat zal er niet door lijden, 
als men de boschgrenzen tegen de helling der bergen opwaarts dringt. 

„Ten Zuiden wordt de vlakte van Bandoeng begrensd door het Malawar- en 
Tiloe-gebergte. Ook tegen de noordelijke hellingen is ruimte en gelegenheid 
voor exploitatie; doch als door de natuur aangewezen komen de streken in 
aanmerking, die zuidelijk van die bergen liggen, waar nu onmetelijke koffie- 
tuinen en hooger op de uitgebreide kina-établissementen gevestigd zijn. Men 
nadert en betreedt die streek door den zadel die beide bergen verbindt on 
ruim 300 Ü voet hoog is, te overschrijden. Ter hoogte van ééOO voet ligt het 
plateau Pengalenggan, rondom door bergen ingesloten, die allen met oorspron- 
kelijk bosch bedekt zijn. Zuidwaarts tot aan de zee treft men niets dan zulke 
bosschen aan, waarin alleen het wild gedierte heerschappij voert, endemensch 
nog nimmer eenige verandering of verwoesting aanbracht. Het plateau Penga- 
lenggan wordt in uitgestrektheid op evenredige hoogte (tusschen 4400 — 4500 
voet) nergens op Java geëvenaard. Junghuhn schatte de horizontale (middel- 
lijn) uitgestrektheid op 8 — 10 palen. Dat onafzienbaar zacht golvend plateau 
is niet opgemeten; maar indien wij Junghuhn's schatting tot 6 palen (een 
paal = 1506 meters) verminderen, dan geeft dit eene uitgestrektheid van 
36 Q palen of 11520 bouws, elk van 7096.5 Q meters. Deze grenzen kun- 
nen echter gemakkelijk verschoven, de uitgestrektheid meer dan verdubbeld 
worden, zonder dat men op het klimaat in 't algemeen een schadelijken in- 
vloed behoeft uit te oefenen door het verdringen der bosschen. Als men deze 
van 5 — 7000 voet (de toppen der bergen) spaart, is dit meer dan voldoende, 
zelfs doelmatig te achten, en wint men uitgestrekte gronden voor bebouwing 
door Europeanen geschikt. Al die gronden zijn van goede hoedanigheid en 
door riviertjes doorsneden. De boschexploitatie zou er reeds ten voordeele der 
ontginners strekken, door de levering van bouw- en brandmateriaal. Daar kan 
men allerlei Europeesohe granen, moesgroenten, ooft; en aardappelen verbou- 
wen; Yoot veeteelt en zuivelbereiding blijft er ruimte, en als men in Ne- 
derland vreest, dat daardoor minder verduurzaamde levensmiddelen op Java 
zouden noodig worden, vergete men niet, dat in het geheel de productieve 
krachten vermeerderen, de algemeene rijkdom dus vergroot wordt, en er ruime 
behoefte zal geboren worden aan duizend andere artikelen, die het Westen 
moet aanvoeren. 

„De gemiddelde temperatuur is op die vlakte 17 — 18<^ C. De thermometer 
van C. wijst er des morgens te 6 ure meermalen 5 — 8®; op het warmst van 
den dag zelden hooger dan 22 — 24®, 

„De opzieners der kinakultuur en^hunne kinderen mogen voor het klimaat 
spreken; maar bovendien vindt elke Europeaan die daar uit de benedenlanden 
komt, verademing, opgewektheid en verkwikking. In éen woord noem ik het 
klimaat daar bij uitnemendheid mild, kracht- en geestopwekkend. Maar — wat 
baat het dat men daar werken kan, en veel vermag te produceeren, als de 
transportkosten naar de plaatsen van verbruik of uitvoer de waarde der pro- 
ducten schier evenaren zoo niet overtreffen? — wat baat al die mildheid, 



331 

aJa de xoensolielqke geert er geen voedeei Tindt, ab alle niddekn tka gemeen- 

achap en ontwikkeling onthoaden worden? Men late eohter de saak 

baar nstnnr lijken loop; aoodra de gronden, in Toldoende peroeden Toor pacht - 
hoevfHi, in er^[>acht of eigendom worden a%estaan, zullen de liefhebbers niet 
achterblijven, en 200 de Regeering in het publiek belang medehelpt, sullen er 
oonuQunicatie-middelen Terrijsen, die de welvaart der nederzetting mogelijk 

iBaken Welk eene sehoone gelegenheid voor gezondheids-etabliasementen, 

▼oor acholen en soortelijke inrichtingen! Wie zou op de strandplaatsen zich 
niet gelukkig achten, als hij zijne kinderen in zulk een heerHjk klimaat eene 
goede opleiding kon verzekeren P Hoevele verloven naar Soropa zouden uit- 
gespaard worden, zoo men maar goede gelegenheid tot logiee en uitspanning 
vond! Waarlijk men moet wel moedwillig de gelegenheid en middelen wil* 
len ontkennen, zoo men eenmaal met deze streken grondig heeft kennis ge- 
maakt. Kolonisatie laat zich niet invoeren; met dwang en kunstmiddelen 
komt men er niet toe. Zij moet vrijwillig, uit eigene beweging, door het uit- 
zicht op voordeel en een gelukkig maatschappelijk leven geboren worden en 
zich ontwikkelen. De Begeering stelle slechts de gelegenheid open en ruime de 
hindernissen op. Men zij niet te angstvallig, maar houde zich overtuigd, dat 
d^, in de heerlijkste oorden, rijke bronnen van bestaan gevonden worden; dat 
d^ een gelukkige en rijke toekomrt open ligt voor duizenden landgenooien, 
die kracht en lust, wil en vermogen bezitten om neh zelven en elkander on- 
derling te helpen, en die in het moederland in ellende en armoede ^oude^i 
moeten voortsukkelen. D&ar is gelegenheid voor landbouw en veeteelt» voor in^ 
dustrie en wetexuschappelijke vorming. 

De slotsom zijner beschouwingen geeft de heer van Gorkom in de vol- 
gende woorden: 

„1. SoKde, werkzame en verstandige pur-san^ Europeanen (geen ziekelijke, 
immoreele of onverstandige individuen, die ook overal elders, aan verderf bloot 
staan) kunnen in alle streken van Java, onder verschillende omstandigheden^ 
gezond blijven en oud worden. De voorbeelden zijn talloos. Hier te Bandoeng 
leeft een zestal Europeanen, die van 30 — 40 jaren in Indië vertoefden en nu 
op hoogen ouderdom — allen boven de zestig — mannen en vrouwen van 
gelijken leeftijd in Holland, wat kracht en levenslust betreft, ver achter zich laten. 

„2. Gunstige voorwaarden vindt men in de hooge bergstreken bij een werk- 
kring, die niet alleen den geest inspant, maar ook door geregelde bezigheid 
van het lichaam beiden in harmonie houdt. 

„3. Voor kolonisatie moet men ziclPhier een toekomst, eigendommen en ge- 
zellig leven met de noodige maatschappelijke instellingen kunnen vestigen . • . . 

„4. De Begeering heeft niets anders te doen dan de geschikte gronden in 
voldoende perceelen, tot vorming van matige pachthoeven, in eigendom of erf- 
pacht af te staan, aan de ontwikkeling der bebouwers den vrijen loop te laten 
en in het algemeen belang mede te werken tot voltooiing van goede oommuni- 
catiewegen. Zij verwijdere alle mogelijke belemmerende bepalingen, en z^ te- 



332 

▼Teden met eenen billijken, bij erentaeele productie op te brengen paehtscli&fc. 

„6. De Bi^geering doe afiaiand yan de bestaande koffietninen in die hoogore 
streken, niet aUeen omdat deze door de particali«e indnstriëelen, kolonisten, 
▼oordeeUger kannen geëxploiteerd worden, maar ook omdat dj zeer ton laste 
Tan de verwijderd wonende bevolking gelegen sijn. 

„6. Als bewezen mogen wij aannemen, dat de Europeaan hier in zijn element 
kan zijn. Onbewezen u dat hij door vele generaHén heen gou moeten oniaarden. 
Waarom zouden uit een moeder en vader, gezond van Hehaam, kracht^ van 
geest, ziekelijke afstammelingen moeten geboren worden P Zign de zoogenaamde 
inlandache kinderen hier zwak van lichaam, bekrompen van geest P Zijn ze 
parodiën van de pur-êong Europeanen P Er zijn er. Er zijn ook jammerlijk ont- 
aarde en zwakke Europeanen ; maar er zijn ook krachtvolle , energieke inland- 
ache kinderen, en ala zij meer gelegenheid tot vorming en welvaart hadden, 
het aantal ongunstige voorbeelden zou minder zijn. Kolonisatie brengt ook 
geenszins mede, dat men zich geheel en al van het moederland isoleere. In 
Europa een kijkje te nemen, van daar de vorderingen der wetenschap over te 
brengen, blijft gewenscht en meer en meer mogeUjk, naarmate de directe 
stoomvaart zich ontwikkelr^ en de materiëele middelen hier vermeerderen". 

Hier eindigt het opstel van den heer van Oorkom. Wy hebben gemeend 
niet beter te kunnen doen, dan hemzelven te laten spreken. Te recht zegt 
de heer van Eeden dan ook: »zijne wenken omtrent de kolonisatie verdie- 
nen te virorden ter harte genomen. Mochten zij weerspraak ontmoeten, hij 
zelf zal dit nuttig achten, en heeft zich gaarne tot antwoord bereid ver- 
klaard. Hoe meer een zoo belangrijke quaestie onbevooroordeeld wordt be- 
sproken, hoe wenschelijker, hoe weldadiger voor Nederland. Lang genoeg 
heeft men zich ten opzichte van Nederl. Indië in onvruchtbare bespiege- 
lingen , in quaestiën van louter administratieven en juridischen aard ver- 
diept." 

En w^ zeggen hierop ]»amen." 

L. Ed. Lt 



m TEGENWOORDIGE REGELING DER 

AMFIOENPACHT. 



Bij de behandeling der laatste Indische begrooting deed een der volks- 
vertegenwoordigers, Mr. de BrujTi Kops, omtrent de tegenwoordige regeling 
der amfioenpacht en de houding der Regeering tegenover het amfioenver- 
bniik een paar vragen, waarop door den Minister weinig afdoende antwoor- 
den werden gegeven. 

Die vragen zijn zeker een ernstige beantwoording waardig. Als bijdrage 
daartoe moge het volgende dienen. 

»Is het tegenwoordige stelsel van verpachting als definitief of wel als 
tijdelijk proefstelsel te beschouwen?'' 

Het antwoord op die vraag moet o. i. zijn, dat het noch aan de eischen 
van het één, noch aan die van het ander beantwoordt, zooals door de on- 
dervinding, welke volgens den Minister nog zou moeten worden opgedaan, 
reeds volkomen is aangetoond. 

Be rechtvaardiging van de inkomsten die de schatkist door de verpach- 
ting van het monopolie van het opiumdebiet trekt, is, waar eene verdedi- 
ging daarvan werd beproefd, steeds hierin gezocht, dat die inkomsten, door 
den prijs der opium op te voeren, de strekking zouden hebben om het 
verbruik binnen de engst mogelijke grenzen te beperken. En met die 
verdediging moet de pacht onzes inziens staan en vallen. Al is omtrent 
den^invloed van het opiumverbruik op de Indische Maatschappij nooit een 
ofilRteiyk onderzoek ingesteld, maar al te zeker is het dat ze in hooge 
mate verderfeiyk is. 't Moge waar zijn, wat wel eens tot vergoelijking is 
aangevoerd, dat een matig gebruik van het ^heulsap" zoo schadelijk niet is, 
dat enkele personen zich aan die maat weten te houden, niet minder waar 

22 



334 

is het dat veelal hij die den eersten stap heeft gedaan, zich op een hellend 
vlak ziet geplaatst, waarop hij zich niet tegen vermag te houden, dat hem 
physiek en moreel te gronde voert. Is het aantal van hen die voor de 
verleiding zwichten, onbekend, het tal van millioenen, aan de schatkist op- 
gebracht, dat uit het debiet, waaraan bovendien groote kosten verbonden 
zijn, moet worden gevonden, wijst er op hoe aanzienlijk het wezen moet. 
Geen twijfel of het is een eerste plicht der Regeering die diep ingr\}pende 
maatschappelijke kwaal met alle kracht te bestrijden. Geen batig-slot-aan- 
bidder, vertrouwen we, zóó verstokt om een bijdrage te verlangen, welke 
in strijd met dien plicht zou verkregen zijnl 

Langen t\jd heeft men het doel om door de pacht het amfioenverbniik 
zooveel mogelijk te beperken, trachten te bereiken door aan den pachter, 
aan wien het monopolie van dat debiet werd afgestaan, slechts het recht 
tot verkoop van een beperkte hoeveelheid te geven. Daar echter de Regee- 
ring allengs de overtuiging verkregen had, dat hij die hoeveelhdd door 
sluikhandel aanvulde, werd onder den Gouverneur-Generaal Duymaar van 
Twist er toe overgegaan, om zooveel opium als de pachter zou aantoonen 
te behoeven, nagenoeg tegen den door de Regeering daarvocnr betaalden prijs 
voor hem verkrijgbaai^ te stellen. Toen dit tot een enorme toeneming van 
de bekende consumtie leidde, keerde men in 1861 tot het stelsel van be- 
perkt debiet terug, daarbij het maximum stellende op een aanzienlyk minder 
cijfer dan in de laatste jaren de bekende consumtie bedragen had. Zooals 
te verwachten was, had dit, bij onvoldoende controle, sluikhandel ten gevolge, 
en die had, volgens den Minister, zoodanigen omvang gekregen, dat de 
Regeering meende daartegen weer tot een soortgelijk stelsel als dat van 
den Gouverneur-Generaal Duymaer van Twist bare toevlucht te moeten nemen. 

Volgens deze sinds 1870 vigeerende regeling is de pachter verplicht een 
bepaalde hoeveelheid opium tegen een hoogen prijs te ontvangen, de zoo- 
genaamde tiban, en kan hij bovendien, »indien l^j meer opium voor het 
gebruik gedurende het loopende jaar mocht behoeven", die verkrygen t^^ 
den pr^s waarop ze ongeveer aan 't Gouvernement te staan komt, de zoo- 
genaamde siram. Van het bestaan der behoefte wordt geen bewijs gevor- 
derd, zoodat de verstrekking, gel^k de heer de Bruyn Kops vooronderstelde, 
feitelijk onbeperkt is. 

H Springt in het oog dat er, zooals genoemde volksvertegenwoordiger 
opmerkte, bij zoodanige regeling geen waarborg bestaat, dat het monopolie 
tot de gewenschte hooge prijzen zal leiden. Wanneer de pachter in een 
ruimer debiet tegen lager pryzen zijn voordeel ziet, zal hg natuurlgk daar- 
aan de voorkeur geven. 

Bij de beoordeeling van de positie veaarin h\j zich in dit opricht geplaatst 
ziet, dient het volgende in aanmerking te worden genomen. 

De pachtperceelen, zooals die door de Regeering worden uiibealeedf zyn 



335 

van zeer verschillende grootte. Dit heeft ten gevolge dat de eene pachter, 
met het oog op de consumtie in nahurige perceelen , zijn dehietpnjs veel 
lager stellen kan dan de ander. Onderstaande berekening zal dit dui- 
delijk maken. 

De tiban bedraagt, volgens de pachtvoorwaarden voor 1871, voor Soera- 
karta 700 katties 's maands, tegen /* 125 de Turksche en /* 115 de Ben- 
gaalsche opium per kattie. 

De tiban voor het aangrenzende perceel Magettan bedraagt 70 katties 
's maands, tegen denzelfden prijs. 

De verhouding der voor de verschillende perceelen bepaalde tiban is na- 
tuurlijk gebaseerd op de verhouding der geschatte consumtie in die perceelen. 
ÏB de schatting juist, dan zal ook, storende invloeden buiten rekening ge-, 
laten, de verhouding van de pachtsommen die voor het monopolie van het 
deUet in dezelfde perceelen kunnen worden geboden, ongeveer dezelfde zijn. 
Kan b. v. voor de pacht van Magettan f 5000 's maands worden gegeven, 
dan zal het pachtperceel Soerakarta ongeveer/* 50,000 's maands waard zijn. 

Bij zoodanigen pachtschat (wij laten, daar het hier slechts een zeer globale 
berekening geldt, de kosten van exploitatie buiten aanmerking) kosten den 
pachter van Solo, gesteld hij kiest uitsluitend Turksche opium, indien hy 
geen siram neemt, 



700 katties: 700 x f 125 + ƒ 50000, 
dus 1 kattie ^ = ongev. f 195. 

Den pachter van Magettan kosten, in dezelfde vooronderstelling, 

70 katties: 70 X / 125 -f- ƒ 5000, 

878 
70 



dus 1 kattie f ^^ = eveneens ongev. f 195. 



Gesteld nu de pachter van Magettan neemt bij zijn tiban 70 katties 
siram, ad f 25 verkrijgbaar, dan betaalt hij voor de 140 katties die hij 
in 't geheel heeft, f 13750 -h f 1750 = f 15500, dus voor een kattie 

mW ^ AAA 

f lio- = o»g-/ ^^*- 

Neemt de pachter van Solo by zyne 700 katties tiban ook 70 katties siram, 

dan is zyn middenprijs, daar 770 katties hem dan kosten f 137500 4- 

f 1750, per kattie = f ^^^ dat is ongeveer ƒ181. Om zijn middenprijs 
tot ongeveer ƒ d 11 te doen dalen, zou hij 700 katties siram moeten nemen* 

't Zal echter geen betoog behoeven, dat, omdat de pachter van Magettan 
b. v. 70 katties in Soerakarta in consumtie kan brengen, daarom nog 
niet de pachter van dit laatste perceel een tienmaal grooter bedrag aan 
het op tienmaal minder consumtie berekende Magettan kan slijten. 

Nu is het waar dat de verkoop, en zelfs het bezit van opium in ee» 
ander perceel dan waarvoor ze door het Gouvernement verstrekt is, valt 



336 

onder de strafbepalingen tegen shiikhunde) vastgesteld, doch die overtreding 
schijnt, zooals trouwens zeer verklaarbaar is, niet op afdoende wijze to 
controleeren te zijn. Ook zonder dat een pachter zelf zich met sluikhandel 
inlaat, kan hij voor een naburig perceel een groot debiet krijgen door in 
zijne het dichtst bij de grenzen daarvan gelegene kitten, opium beneden den 
prijs in dat perceel verkrijgbaar te stellen. Er zijn dan speculanten genoeg 
om met het verschil in prijs hun voordeel te doen. 

Roept alzoo onder het tegenwoordige stelsel het eigenbelang eene con- 
currentie van de pachters onderling in het leven, die noodwendig daling 
van den prijs der opium ten gevolge moet hebben, ze is niet de eenige 
drijfveer welke tot die concurrentie leiden kan. De Chinees — de schier 
uitsluitende pachter — is niet identisch met het type van den mensch 
zooals het door de orthodoxe oeconomische school is geschapen, de incarnatie 
van het welbegrepen eigenbelang. Wel is bij hem in den regel het eigen- 
belang sterk genoeg om de inertie, niet om de hartstochten te overwinnen. 
De veeten der Chineezen zijn weinig minder hardnekkig, al zijn ze minder 
bloedig dan die der Corsicanen. En die veeten worden in den regel op 
financieel terrein uitgevochten. Zoo heeft de geschiedenis van Samarang 
evenals die van Thebe haar broederkrijg. De vijandschap tusschen twee 
broeders, ontstaan doordien de jongste den titel van Chineesch officier had 
gekregen, terwijl de oudste, die daarop meer aanspraak meende te hebben, 
afwezig was, en die jaren lang de Chineesche gemeente in twee kampen 
verdeelde, eindigde niet vóórdat de een zijn vaderlijk erfdeel, ongeveer twee 
milUoen, daaraan ten ofTer had gebracht. £n dat geld werd, meent men, 
grootendeels aan sluikhandel in opium, om den broeder als pachter afbreuk 
te doen, besteed. Zoodanige veeten, weUicht ook het streven naar een soort 
van alleenheerschappij, zooals die welke de door den heer de Waal geciteerde 
Beh Ing Tjoe verkregen had, oefenen ook thans nog op de concurrentie 
van naburige pachters hun invloed uit. 

Een feit is het dat, ten gevolge van het tegenwoordige stelsel van ver- 
pachting, gedurende het jaar 1870 een algemeene oorlog op Java tusschen 
de verschillende pachtperceelen, natuurlijk voor zoover ze niet in handen van 
dezelfde belanghebbenden waren, is gevoerd, die den prijs der opium over 
het algemeen aanmerkelijk heeft doen dalen. 

Dit jaar is hetzelfde te voorzien, hoewel wellicht op kleinere schaal, daar 
— de bestaande regeling dwingt daartoe als het ware en beperkt zoodoende 
het aantal van hen die als mededingers kunnen optreden — meerdere per- 
ceelen, die elkander het meest afbreuk konden doen, in dezelfde handen 
zyn gekomen. 

Nog in een ander opzicht werkt de onbeperkte verstrekking van opium 
verderfelijk. 

Moet de pachter hetgeen hij voor zijn monopolie (in den vorm van pacht 



337 

en van den hoogen pi-ijs der tiban) betaalt, uit het verschil tusschen den 
inkoopsprijs der sinim en den prijs waarvoor hij verkoopt, terugvinden, en 
wordt hierdoor een grens getrokken beneden welke dat verschil niet zon- 
der verlies kan dalen; bij het einde van het pachtjaar valt die grens weg. 
Wanneer zijn pachttijd om is, moet hij hetgeen hij over heeft tegen den 
inkoopsprijs der siram aan het Gouvernement teruggeven. Met hetzelfde 
financieel resultaat voor zich zelven kan hij het natuurlijk kort te voren aan 
anderen afstaan. 

Daarin heeft de pachter een middel in handen om , zonder dat het hem 
iets kost, het terrein voor zijn opvolger te bederven. De verpachting voor 
het volgende jaar heeft in den regel in de eerste helft van de maand De- 
cember van het loopende jaar plaats. Dan heeft de pachter voor dit jaar 
het nog in zijne macht om de gemeente voor een lange toekomst te ver- 
zadigen door haar zijne waar goedkoop , des noods tegen inkoopsprijs der 
siram, aan te bieden. Wel is vtraar wordt na den twintigsten dag van een 
pachtjaar het bezit van opium, van de pacht van het vorige herkomstig, 
als strafbaar beschouwd. Doch die strafbepaling is natuurlijk al zeer moei- 
lijk toe te passen. Wat helpt het bovendien den pachter of al hier en 
daar iemand wegens bezit van opium, van zijn voorganger herkomstig, ver- 
oordeeld wordt? 

De concurrentie tegen hem die eenmaal de pacht in handen heeft, is al- 
zoo schier ondoenlijk. Biedt meo tegen hem, dan is dit óf uit animositeit, 
óf om zich als concurrent te laten uitkoopen, óf om coüte qui coüte de 
pacht meester te worden, 't zy omdat ze voor de exploitatie van naburige 
perceelen niet kan worden gemist, 't zij in de hoop er in volgende jaren weer 
uit te 'halen wat men er het eerste bij verliest. 

Sterk kwamen de door ons opgesomde eigenaardige gebreken van het 
tegenwoordige stelsel b\j de onlangs te Batavia gehouden verpachting aan 
het licht. Daar deed zich het verschgnsel voor dat op de Bataviasche pacht 
geen bod werd gedaan. De oorzaak lag volgens ingeveyden hierin, dat het 
zooveel kleinere aangrenzende perceel Krawang reeds vtras opgeveild, terwijl 
men bovendien meende te weten, dat de Bataviasche pachter nog een groote 
quantiteit opium in reserve had, voldoende om een eventueelen opvolger 
gedurende geruimen tijd het uitzicht op een normaal debiet te benemen. 

Het (Gouvernement is er toen toe overgegaan om de perceelen Batavia, 
Krawang en Bantam gezamenlijk in veiling te bi^engen. 

Is er nog meer noodig om het oordeel te motiveeren, dat het tegenwoor- 
dige stelsel van verpachting noch aan de eischen van een definitief, noch 
aan die van een proefstelsel beantwoordt? Afkeurenswaardig is het als de- 
finitief stelsel, omdat het aan 't geen de conditie sine qua non van de pacht 
behoort te zijn: opdryving zooveel mogelijk van den debietprijs der opium 
en daardoor beperking van het verbruik, niet voldoet ; afkeurenswaardig ook 



338 

• 

uit een uitsluitend fiscaal oogpunt, omdat het, door het monopolie alle le- 
kerheid te benemen en bij de verpachting daarvan de concurrentie schier 
illusou' te maken, noodwendig tot vermindering van de inkomsten die de 
schatkist van het opiumverbruik trekt, leiden moet. Niet minder onbruikbaar 
is het als proefstelsel om de gegevens voor den terugkeer tot een systeem 
van beperkte verstrekking te verschaffen, daar de door de pachters geno- 
men hoeveelheden opium in geenen deele den maatstaf van de behoefte in 
hunne perceelen aangeven. 

De tweede vraag die de heer de Bruyn Kops tot den Minister richtte, 
luidde: lioe is het gesteld met de beperkende middelen omtrent het ver- 
bruik van amfioen? 

In antwoord op die vraag had de Minister op niets anders te wijzen, 
dan op de vermeerdering van het aantal openbare verkoopplaatsen en het 
terugkomen op de uitbreiding van het stelsel van verboden kringen — 
welk laatste inmiddels reeds tot een aanzienlijke inkrimping had geleid — 
twee maatregelen die in Indië volstrekt niet in het licht worden beschouwd 
waarin de Minister ze trachtte te stellen. 

Het is bekend dat reeds vele jaren het aantal verkoopplaatsen allengs 
werd verminderd. Sinds een paar jaar echter heeft een reactie daartegen 
plaats gevonden, wordt een tegenovergestelde richting gevolgd. 

Op welke gronden van vermindering van het aantal verkoopplaatsen in- 
krimping van het opiumverbruik werd verwacht, ligt voor de hand. Hoe 
verder de kit, hoe minder de aantrekking die ze uitoefent. Vooral de geringe 
Javaan, die voor niet meer dan een dubbeltje of een stuiver te gdijk kan 
koopen, zal zich door den a&tand daarvan laten terughouden, terwijl, ^nmneer 
de gelegenheid in zijne nabijheid bestaat, de verleiding hem allicht te groot 
zal worden. Bovendien laat de kithouder geen middel onbeproeftl om zgn 
debiet te vermeerderen. Een opiumpachter is natuiu*l\jk geen philanthroop, 
althans in zijn nering. Men kan van hem niet verwachten dat hg, bg de 
uitoefening van zijn monopolie^ zich door een ander beginsel zal laten leiden, 
dan om te trachten het zoo lucratief mogelijk te maken. Van zijn stand- 
punt is ieder die voor het debiet gewonnen wordt, een ziel gewonnen. 
Hoe talrijker de plaatsen van verkoop, hoe krachtiger natuurlijk die pro- 
paganda zal kunnen werken. 

Voor de vermeerdering van het aantal openbare verkoopplaatsen voerde 
echter de Minister het volgende motief aan : »door de vermindering daar- 
van te ver te drijven, krijgt men slechts meer geheime verkoopplaatsen,» 
die meer kwaad doen dan de openbare onder toezicht der politie." 

Kan dat motief de plaats gehad hebbende vermeerdering rechtvaardigen? 

Onder de voor het pachtjaar 1871 op te richten nieuwe kitten zijn er 
eenige op aan Europeanen verhuurde gronden in de residentie Soerakarta 



339 

gedesigneerd ^). Tegen de oprichting daarvan zgn de betrokken landhuur- 
ders voornemens zich krachtig te verzetten. Welke zyn de beweegredenen 
die ben daartoe leiden? Het ligt in den aard der zaak, zeggen zij, dat 
de toestand hunner ondernemingen nauw met die van de daarop gevestigde 
bevolking samenhangt. In hare werkkrachten zijn de ressources van die 
ondernemingen voomamelipL gelegen. Zal van die werkkrachten zooveel 
mogelyk party worden getrokken, dan moet arbeidzaamheid bij de be- 
volking worden opgewekt. Daartoe bestaat ook onder de keerkringen geen 
beter middel dan om den prikkel van het eigenbelang te scherpen, de 
ambitie bij den arbeider aan te virakkeren om door vlijt en inspanning zyn 
toestand te verbeteren. Van daar dat de goede landhuurders zich niet tot 
de zorg voor hun eigen cultures bepalen, maar ook trachten de productie 
van de door de opgezeten bevolking voor hare rekening bebouwde gronden 
te doen vermeerderen, en haar voor de vruchten van haren arbeid zekerheid 
te geven door haar tegen roof, diefstal en knevelarij zooveel mogelijk te 
beschermen. In dat oeconomisch proces grijpt de amfioenkit storende in. 
Zg is de kwade genius van den Javaan, die hem er toe verlokt om aan 
oogenblikkelijk genot alles op te offeren. Zoowel physieke kracht als opge- 
wektheid tot arbeid gaan by den schuiver verloren. Aan de kit sluit zich 
in den regel een pandjeshuis aan, waar hij allengs zyne bezittingen aan 
de opiumpijp ten ofier brengt, en waar ook gestolen goederen zonder on- 
derzoek worden aangenomen. Ontstaat, wanneer hij niets meer bezit om 
aan lyne behoefte aan opium te voldoen, daardoor een sterke prikkel bij 
den schuiver om geld te verkqjgen, in den toestand waann hij verkeert, 
lal die hem eerder tot diefstal en roof dan tot ingespannen arbeid aan- 
zetten. En door de onveiligheid die zoo door de kit als het ware wordt aan- 
gekweekt, wordt ook by hen die niet aan het opiumverbruik verslaafd zijn, 
energie en arbeidzaamheid uitgedoofd. 

Is in deze omstandigkeden, afgezien van edeler drijfveeren, de beweeg- 
reden van den tegenstand der Solosche landhuurders tegen de oprichting van 
kitten op hunne ondernemingen gelegen, hoe is dan met dien tegenstand 
de bevirering van den Minister te rymen, dat de openbare verkoopplaats 
slechte een geheime zou vervangen, dat dus het opiumverbruik door de op 
te richten kitten niet vermeerderen zou? 

De ondervinding, zeggen zij, heeft hun geleerd, dat daar waar op hunne 
ondernemingen kitten zijn opgeheven, het opiumverbruik allengs vermin- 
derd is en daarmee veiligheid en welvaart zyn toegenomen; dat daar waar 



1) floewel in de voor 1870 gepubliceerde pachtvoorwaarden reeds hetzelfde aantal 
kitten als in die voor 1871 werd opgegeven» bleef bg de veiling van de pacht 
voor het vorig jaar het oade getal van 154 voor Soerakarta gehandhaafd. 



340 

nieuwe kitten zijn opgericht, de consumtie zich meer en meer uitbreidt, 
meer en meer verwoestend om zich heen grijpt. 

Heeft de Regeering zich van het tegendeel overtuigd? Wij meenen het te 
mogen betwijfelen. 

Doch ook buiten de Vorstenlanden, in de rechtstreeks onder het bestuur 
van het Nederlandsch-Indisch Gouvernement staande gewesten^ had ver- 
meerdering van het aantal kitten plaats. 

Zien we in hoeverre ten aanzien daarvan de door den Minister aange- 
voerde rechtvaardiging kan opgaan. 

Aangenomen dat hier het gestelde feit, als zou het nut van de vermin- 
dering van het aantal kitten door sluikhandel ruimschoots worden opgewo- 
gen, juist is, — de gegevens ontbreken ons om dit te beoordeelen, — dan 
zou moeten blijken dat die sluikhandel een noodzakelijk gevolg van de ver- 
mindering van kitten is, alvorens tot de wenschelijkheid om op dien maat- 
regel terug te komen, kan worden geconcludeerd. 

Het is niet ^te ontkennen dat voor den pachter het waken tegen siui- 
kerij gemakkelijker wordt naarmate hij meer kitten heeft. Hoe kleiner het 
rayon der kit, hoe lichter het valt om op alle schuivers het oog te hou- 
den, om te zorgen dat zij hun dorst niet elders dan aan de eenige ge- 
oorloofde bron gaan bevredigen. Bovendien zal, naarmate den pachtei* meer 
openbare verkoopplaatsen zijn toegestaan, de verleiding om ook daarbuiten 
te verkoopen, voor hem te geringer zijn. 

Valt alzoo bij een kleiner aantal kitten minder op den pachter voor de 
handhaving der bepalingen^ het opiumverbruik regelende, te rekenen, dan 
ryst van zelf de vraag, in hoeverre is zijne ondersteuning onmisbaar, is 
zonder haai* het bestuur machteloos? 

Voor niemand die hier eenigszins met den toestand bekend is, kan de 
beantwoording van die vraag tvrijfelachtig zijn. Het is een zeldzaam toeval 
dat de ontdekking van een opiumovertreding door de politie plaats heeft. 
In den regel is het de pachter die, ingelicht door zijne spionnen, haar op 
het spoor niet alleen, maar op de plaats waar de overti*eding geconsta- 
teerd wordt, brengen moet. £n geen wonder I Wat in Europa een voorname 
functie der politie is: een toezicht op de aan de orde vijandige elementen 
die de maatschappij bevat, op hetgeen onder hen omgaat, op de aanslagen 
die tegen de wetten worden gesmeed, schynt op Java schier onbekend. 
Alleen op de hoofdplaatsen wordt het in embryo gevonden. Heb ik wel dan 
wordt aan de hoofden van gewestelijk bestuur, vrier gebied meestal uit- 
gestrekter is dan eene Nederlandsche provincie, circa f 1000 's jaars voor 
geheime politie toegestaan. 

Hoever de onmacht der Regeering op dit gebied gaat, werd nog onlangs 
door haar zelve op kategorische wijze erkend. Wij doelen op de overwe- 
ging voorkomende in het besluit (dd. 21 October 1870, Ind. Staatsblad N'. 



341 

154), waarbij de meeste van de zoogenaamde verboden kringen werden op- 
geheven, — het tweede onderwerp door den Minister bij het bespreken van 
de maatregelen tot beperking van het opiumverbruik behandeld; en waarbij 
we ten slotte een oogenblik zullen stilstaan. 

Die verboden kringen, in navolging van de Preanger regentschappen, 
waar, gelijk bekend is, het opiumverbruik is verboden, ingesteld, hadden, 
zooals de heer de Waal in zijne «Aanteckeningen over koloniale onderwer- 
pen" het uitdrukt, ten doel om te redden wat blijkbaar niet verloren be- 
hoefde te gaan; het opiumverbruik uit die streken te weren waar het nog 
geen vasten wortel geschoten had. 

Allengs was het getal van die verboden kringen toegenomen, en men 
dacht hier niet anders of het plan bestond bij de Regeering om op dien weg 
voort te gaan, totdat bij de bovenaangehaalde ordonnantie den volke werd 
verkondigd, dat zij voor de meeste daarvan op haar verbod tegen invoer, 
verkoop en bezit van opium terugkwam, op grond dat het : »w(l verre van aan 
het oogmerk te beantwoorden, bovendien tot een de bevolking demoralisee- 
renden sluikhandel aanleiding heeft gegeven." 

Krachtiger erkenning van hare onmacht waar zij op zich zelve staat, 
waar het geldt de handhaving van een verbod waarbij geen pachter direct 
belang heeft, waarvan juist de naburige pachters de vermoedelijke over- 
treders zullen zijn, kon de Regeering niet uitspreken. Het moge groote be- 
zwaren hebben, daar waar de opiumhandel aan een pachter is toegestaan, 
het bezit van opium die niet van hem afkomstig is, te constateeren, geheel 
anders waar alle handel, alle bezit is verboden. Niet moeilijk is het te 
weten te komen vne opium schuift; in den regel is dat al op het gelaat 
te lezen. En dan heeft men slechts de schuivers in het oOg te houden, 
hunne gangen na te gaan, om de kanalen waar zy zich voorzien, te 
vinden. 

Kan nu echter de Regeering, om hare werkeloosheid op een gebied waarop 
zij bovenal werkzaam behoorde te z^jn, te rechtvaardigen, volstaan met een- 
voudig de erkenning van hare onmacht af te leggen? Kan, waar schier 
niets tot handhaving van wettelijke bepalingen wordt gedaan, in het feit, 
dat zij niet worden nageleefd, een voldoend motief tot mtrekking daarvan 
worden gevonden? 

Hoe weinig indruk dat motief hier heeft gemaakt, kan worden afgeleid 
uit de woorden van een intelligenten vreemden oosterling, die zonder groot- 
spraak zeggen kan: i^élevé au sérail j'enconnais les détours.'* Op de vraag, 
wat hij daarvan dacht, antwoordde hij met een gelaat waarop duidel^k te 
lezen stond: ge laat u toch niet met open oogen foppen? DOouvernement 
tjari wang sa4)a", het is het Gouvernement maar om het geld te doen. 

Staan we hier, staan wc bij de geheele houding die de Regeering te- 
genover het opiumverbruik aanneemt, niet inderdaad voor eene toepassing 



342 

van het :»virtU6 post nummofi'*, een beginsel waarvan onze koloniale staat- 
kunde zich nog maar niet los schynt te kunnen maken? 

Ja er zal |reld noodig zyn, wil de Regeering tegenover het opiumverbniik 
hare taak ernstig opvatten. Er zal geld noodig zyn, wil zij de bijzonder- 
heden daarvan, waaromtrent ze nu nog zoozeer in het duistere blykt te 
verkeeren, leeren kennen; wil ze de noodige gegevens erlangen om te kunnen 
beoordeelen wat tot bestryding van dit verbruik kan gedaan worden, hoe 
het, voor zoover het nog niet kan worden geweerd, het doelmatigst kan 
worden geregeld. Er zal geld noodig zijn bovenal, wil ze zich de middelen 
verschaffen om hare voorzieningen te handhaven en te doen eerbiedigen. 
Last not least zal men bereid moeten zgn om, zoo noodig, de millioenen 
die de schatkist van het opiumverbruik trekt, ten offer te brengen. Mag 
daar echter, waar plicht gebiedt, tegen op worden gezien? 

Samarang. — m. 



DE 



GOEGOETOE NO MOMATA 



or 



HET MENSCHELIJE YEBSTANO. 

(Soewawasche verUümg) 



De Soewawaërs of Toewawaërs, een Mongondooesche volksstam, die 
vóór de twisten tusschen Kinalang en Mokoapa zich afzonderde, bewoonden 
voorheen dat gedeelte van Noord-Selebes dat gelegen is tusschen de vlak« 
ten van Mongondooe en Holontalo. Door de Mongondooeërs eenige eeuwen 
later aangevallen en grootendeels vernield, verspreidden zg zich gedeehelgk 
in de Limo lo Pahalaü, en voor een groot gedeelte in de Tomini-landen, al- 
waar zy zich met de in die landen aanwezige stanmien vermengden. Hunne 
oude taal, aan het oud Mongondooesch gelijk, is geheel te loor gegaan. 
Het tegenwoordig dialekt, dat nog onder eene bevolking van ongevseer 1200 
zielen gebezigd wordt, is eene vermenging van oud Soewawasch, Mongon- 
dooesch en Holontalosch. De volgende proeve, z(jnde eene gelief kooade ver* 
telling, viraarbg eene zooveel mogelijk letterlijke Nederiandsche vertalingen 
eenige aanteekeningen gevoegd worden, zal dit den belangstellende' duide» 
lijk maken. 

Tekst. 

Oioboe nogihoedoe no lolai diti inontongamai no 
tawa. Anga no tawa, »mongonoe io moigihoedoe nolai 
diti." — Anga no oioboe, »goegoetoe no momata, bea aoe 
lai daü agoe gihoedoe no lai diti i ani goegoetoe no 
momatadia moaii no potoegatao." — Anga no tawa, >o 
lolai daünimoe agoemoiparentawa o lai diti, agoe 
ade ginaoe babiogooe mantani poödioegai onaoe 



344 

lagedoe biogooe biogooe io." — Anga no lai diti, »aoe ja 
lai diti mongogoe bio gonimoe dia moöboetoegoe animoe, 
bitoe ti ama oe lai daa m o ngogo e anonimo e moö boe- 
toegoe onimoe.*' — Anga no tawa, »mongogoe adetoe lol 
animoe montogoe tiamaie ti amamoe onaoe." — Noiolao 
lai diti noiolao boitotooetoeno boei mai mainoloia, 
:»baliadetalavemao iomololao, onoe to ginanimoe 
pakoeapa." — Anga no tawa, »mopia pakoe e." — No pakoea 
no lai diti boitoe nongko oeloenia tinoengkoe lo 
oepoetia no pakoea. — Anga no tawa >no ea laodo men- 
toegoe tiamai ti amamoe/' — Noiolao lai diti, anga nota 
ama a maitoe tawa no pakoeaoe, diado moali mola 
agoe moitia onato, anga nota anonota, maido ita dea 
mio momate no tawa doenoeanopakoeaoe tinoeng- 
koe lo oepoetia. — Nololaonoimaa mio, anganolaiditi^ 
»bea ti amaoe, anganimoe anoni moe, mantanipoölio." — 
Noemolio diado moali. — Boitoe no mogoetoe dodago ti 
amanota agoe no ponotabo e no e a mao no pon o t aboe 
diado molio. — Anga no oioboe, »ade doni goegoetoe no 
momata, io no pakoeano t a noi mam ai ti amanota dia 
no lio." — E ontoeoe inoemotio oioboe ngiponia no pang- 
kilo o batoe, noali diado ngipoto boetao, baboenia 
noema ti no tawa mai nototaboe diado nolio. 

Vertaling. 

De patolaslang zag een buffel door een kleinen jongen leiden. De slang 
vroeg hem waarom hij zulks toestaat. De buffel antwoordde; »het mensche- 
lijk verstand is niet te bevatten; ofschoon ik groot ben kan ik niet an- 
ders dan toelaten dat de kleine jongen mij leidt." De slang zeide: >hoe is 
het toch mogelijk, gij die zoo groot zijt, dat gij u door een kleinen jongen 
laat leiden; naar mijn gevoelen zal ik hem bijten; laat hem mij maar na- 
deren; dan zal hij zien of ik hem niet zal inslikken.'* De kleine jongen zeide: 
»ik ben klein en wanneer gij mij inslikt zult gij niet verzadigd worden; 
m^n vader is echter groot van gestalte: wanneer gij hem opeet, zult gij 
wel verzadigd worden." De slang zeide: «wanneer dit het geval is, ga henen 
en roep uwen vader hier." De jongen vertrok, doch kwam dadel^k weder 
terug zeggende: nk vertrouw u niet; het kan geschieden dat gij van mijn 
afwezen gebruik maakt om u te verwijderen, het is beter dat ik u eerst 
in den grond vasthecht." De slang antwoordde: }»goed, spijker mij dan in 
den grond vast." En de kleine jongen spijkerde hem vast van den kop 
tot aan den staart. Toen zeide de slang: >als gij gereed zijt, ga spoedig 
uwen vader roepen." De jongen ging zijnen vader opzoeken en zeide tot 



345 

hem: ^vader, daar ergens ligt eenc groote patolaslang; ik heb haar inden 
grond vastgespijkerd y zoo dat zij zich niet meer verroeren kan; zij laat u 
roepen om u te byten; kom laat ons gaan en de slang, die ik tot aan haren 
staart heb vastgespijkerd, afmaken." Aangekomen zynde M^ees de jongen 
de plek den vader aan, en zeide tevens tot de slang: »gij wilt mijn vader 
bijten y verroer u thans." De slang poogde zich te verroeren, doch tever- 
geefs. Daarop nam de vader zijn hakmes en hakte de slang, die zich niet 
meer kon verroeren, in kleine stukken. Toen zeide de buffet : »dit is het men- 
schel(jk verstand; de jongen heeft de slang vastgespijkerd, zoo dat zij bij 
de komst van den vader zich niet meer verroeren kon." Hy lachte toen 
overluid dat zyn tand een steen raakte en afviel. Aan de ééne zijde heeft 
hij geene tanden meer van wege het lachen bij gelegenheid dat de slang 
in stukken werd gekapt, terwyl zij zich niet meer kon verroeren. 

Aanteekeninqen. 

Inontongamaiy verhaalvorm van inontongy ontong, zien, opmerken. — 
Afaigihoedoe, verhaalvorm van gilioedoe, geleiden, een paard of buffel 
aan een touw leiden. — Goegoetoe, verstand, ook wel handeling. --*• Mo-- 
mata, mensch. — Potoegatao, van mogata^ begrypen, waardeeren. — 
Dadnimoe^ uwe grootheid. — Agoe ade gintwe, lett. volgens myn gevoelen, 
gedachte; gina beteekent ook: het hart. — Mantani poödioegai onaoBj 
beproef mij te naderen. — MongogoCy wanneer, als. — Adetoe, alzoo, dus- * 

danig. — NololaOf verhaalvorm van Uw, gaan, zich ergens naartoe bege- 
ven. — Pakoe e, verhaalvorm van pakoe, spijkeren, vastnagelen. — Nongko 
oeloenia tinoengkoe lo oepoetia, van den kop, het hoofd van haar, tot 
aan den staart van haar. — Anono, van ano, opeten, inslikken. — Nae- 
molio, verhaalvorm van molio, lio, zich verroeren, zich bewegen. — Mo- 
goetoe, uittrekken, bijv. van een zwaard uit de scheede. — Dodago, een 
hakmes. — Ngipo, tand. — Noemoti, van moüy lachen. — Nototaboe, 
verhaalvorm van iaboe, fijn hakken, in stukken snijden. 

J. G. F. Riedel. 



HET INLANDSCH ONDERWIJS 



VOLGENS HET VERSLAG OVER 1867. 



Wederom werden wij, even als in vorige jaren, door eene welwillende 
hand in het bezit gesteld van bovengenoemd Verslag, waarvoor v^ bij deze 
gaarne ook openlijk onzen warmen dank betuigen. 

Mochten wij reeds meer dan éénmaal deze zaak in dit Tijdschrift be- 
spreken, wij vertrouwen dat ons wederom eenige bladzijden daarvoor zullen 
worden vergund. Telkens en telkens op het onderwijs, aan de inlanders te 
geven, terugkomende, hopen wy, door te wijzen op de tekortkomingen der 
Regeering, deze er eenmaal toe te brengen om de zaak met meer ijver 
en kracht ter harte te nemen. Niet louter lust tot afkeuren bezielt ons 
echter; het is ons veeleer tot genoegen dat wij ook menigmaal gunstige 
omstandigheden zullen kunnen vermelden. 

Achteruit gaat het onderwijs op Java en Madura niet, maar langzaam, 
uiterst langzaam is de vooruitgang. Vooral het niet oprichten van meerdere 
kweekscholen voor inlandsche onderwijzers is eene bedroevende zaak. De 
Vertegenwoordiging is niet karig om gelden voor het onderwijs toe te staan, 
ja zij dringt den Ministers soms meer geld op, dan deze verklaren strikt 
noodig te hebben. Mochten zy toch gebruik weten te maken van deze 
gunstige stemming! 

Wegens het geringe verschil tusschen het Verslag van 1866 en 1867 
kunnen wij dit jaar korter zijn dan het vorige, vooral daar wy ons voor- 
behouden over de Buitenbezittingen, wat de volksscholen aangaat, eerst later 
te spreken. Wij hebben hier thans niets meer bij te vo^en en vangen 
onzen arbeid aan met eerst mede te deelen wat het Verslag over 1867 
inhoudt over de kweekscholen voor inlandsche onderwyzers; daarna zullen 
wij de regentschapsscholen op Java bespreken, en vervolgens de districts- 



347 

scholen, om, na ook iets van de particuliere scholen gezegd te hehben, 
voor ditmaal te eindigen met de drie Oouyemements-scholen op Madura. 



§ 1. 

Kweekscholen voor Inlandsche onderiryzers. 

I. 
Kweeksüwol te Soerakaria. 

In het ondenvgsend personeel kwam in dit jaar slechts geringe veran- 
dering. De onderwgzer in het teekeneu, die tot nu toe voorloopig was aan- 
gesteld, werd definitief tot die betrekking benoemd, en een inlandsche 
onderwijzer werd op zyn verzoek v^laatst en door een der kweekelingen 
vervangen, die hem echter weldra voor goed zal kunnen opvolgen. 

De school leverde dit jaar 4 onderw^zers, welke in Bagelen, te Soemanap, 
te I^ilatjap en te Rembang werden geplaatst. 

Twee kweekelingen werden ontslagen en vyf andere werden opgenomen, 
zoodat het aantal thans 33 of éën minder dan het vorige jaar bedraagt. 

Het Verslag roemt den y ver der onderwijzers en der kweekelingen, ter» 
wgl de gezondheidstoestand bevredigend was. 

Behalve aan de kweekelingen werd nog onderwas gegeven aan eenige 
jongeliedeni afkomstig van Soerakarta, waaronder een die bestemd is tot 
inlaiidech onderwgzer in den kraton van Z. H. den Soesoehoenan. 

Over het algemeen waren de vorderingen der kweekelingen goed. In het 
teekenen en hoog Maleisch waren die iets minder, doch die in de HoUand- 
sche taal waren vooral hg een paar jongelingen voortreffelgk. Zg die weinig 
vorderingen in deze taal maken, verliezen de ambitie, doch anderen zouden 
gaarne alle andere lessen daaraan opofieren. 

Op 16 Juni 1868 werd het openbaar examen gehouden, dat tot genoe- 
gen en voldoening van den Resident en de inlandsche grooten is afgeloopen. 
Voor en na het examen hoorde men de gamelan met veel vaardigheid door 
eenige kweekelingen bespelen, vrat niet weinig tot de tevredenheid der 
aanwezige inlandsche grooten bijdroeg. 

De hulpmiddelen waren dit jaar even als vroeger, en de gebouwen altgd 
even treurig. De woningen voor de kweekelingen ondergingen geen verbe- 
tering, hoewel z)) onvoldoende en bekrompen worden genoemd. 

De gang van het onderwijs vras geregeld en het gedrag der kweekelingen 
goed. Slechts ééne afwyking wordt opgeteekend; doch deze komt ons te on- 
belangrijk voor om er by stil te staan. 



348 

Algemeene verslagenheid heerschte er echter onder de kweekelingen, 
toen een der meest geziene discipelen, afkomstig van Banjoemas, werd 
aangesteld tot onderwijzer te Kediri. De reden dezer verslagenheid was 
daarin gelegen, dat de aangestelde zoo verre van zijne geboorteplaats werd 
verwijderd, en ze was zoo groot dat de verslaggever zegt : 3»ten gevolge van 
die benoeming zien sommige kweekelingen hun aanstelling tot onderwijzer 
eerder met onverschilligheid dan wel met blijdschap te gemoet.'^ 

Daar de \ier dit jaar ontslagen kweekelingen, zooals wij reeds aanteekenden, 
elders dan te Kediri werden geplaatst, hebben vnj hier waarschijnlijk met 
een vroeger ontslagen kweekeling te doen. Wij vertrouwen dat nu de aan- 
dacht van den Directeur van onderwijs enz. door het Verslag op deze om- 
standigheid is gevestigd, hij, bij de verder te docne benoemingen, de ge- 
hechtheid van den Javaan aan zijne woonplaats niet uit het oog zal verliezen; 
want ook hij zal bevroeden dat alles moet vermeden worden wat aanleiding 
kan geven om lust en ijver bij de kweekelingen te doen verflauwen. EIr 
zijn waarlijk geen jongelingen te veel die eene opleiding tot onderwijzer 
verlangen, zoodat het geraden is ook niet nog die weinigen door on- 
handige plaatsingen of verplaatsingen af te schrikken om zich aan het 
onderwijzersambt te wijden. 

De externen-school aan deze kweekschool verbonden, bleef in bloeienden 
toestand; van de 415 ingeschreven kinderen kwamen meer dan «/^ gere- 
geld ter school. De hier aangeheven klacht over het heffen van schoolgeld 
stellen wy ons voor later te behandelen. Het onderwijs, onder toezicht van 
den hoofd- en andere onderwijzers, door vier van de meest gevorderde 
kweekelingen gegeven, droeg goede vruchten. De kinderen worden gezegd 
bedreven te zijn in het lezen en schrijven van het Javaansch, en ook eenigs- 
zins in dat van het Maieisch; zij kennen de bewerkiiig van de geheele 
getallen en hebben eenige vorderingen gemaakt in de kennis van 
Java en in het handteekenen. Na het examen, dat in Juli werd gehouden, 
was de mutatie groot, en het schijnt zeker te zijn, zegt de hoofdonder- 
wijzer , J»dat de meeste Javanen zich gaarne met een minimum van kennis 
vergenoegen." Zeker geen lofspraak! 

n. 

Kweekschool te Bandong. 

Op deze kweekschool moeten, volgens het Gouvernements-besluit \'an 26 
Maart 1866, N*. 6, 30 kweekelingen aanwezig zijn; er waren er echter maar 
25. Vier nieuwe werden aangesteld en wegens gebrek aan voldoenden 
aanleg werden er 5 ontslagen, terwijl één kweekeling overleed. Ondei'^'ij- 
zers en kweekelingen gaven reden tot tevredenheid. 



349 

Het examen had plaats op 23 Dec. 1867 en de uitslag was naar het 
uitgesproken oordeel van den Resident der Preanger-Regentschappen bevre- 
digend. Hoewel het gebouw eenige herstellingen onderging en door ver- 
wisseUng van een stuk lagen sawahgrond met een hooger gelegen stuk 
grond eenige verbetering werd aangebracht, bleven echter de als hoog 
noodig voorgestelde afdaken nog tot de vrome wenschen behooren. De 
nieuwe regentyd brak aan en teisterde de gebouwen weder hevig. Het 
gevolg bleef niet uit; want de hoofdonderwijzer zegt: i»Onder dit alles 
was de gezondheidstoestand der bewoners, schoon over het algemeen door 
tijdige geneeskundige hulp, zooveel doenlyk, beveiligd, voor enkelen nood- 
lottig. Even als in het vorig jaar stierf weder een leerling aan t}'phu8 en 
velen leden nu en dan aan koortsen en buikziekten." 

Wanneer toch zal de Indische regeering begrepen, dat het een harer dure 
plichten is, voor het leven en de gezondheid der door^^haar aangestelde 
kweekelingen meer voldoende te zorgen? Op geheel Java zijn nog slechts 
twee kweekscholen waarover verslag wordt uitgebracht, en de lokalen van 
beide deze inrichtingen laten nog zoo oneindig veel te wenschen over. 
Moge uit de aanzienlijke sommen, sedert het jaar waarover dit Verslag loopt, 
door de wetgevende macht aan het bouwdepartement toegestaan, toch het 
noodige genomen zijn om aan deze dringende behoeften te voldoen! . . . 

ra. 

Kweekscholen op Sumatra, 
A. Fort de Koek. 

In onze mededeelingen omtrent het Verslag over 1866 zeiden wij, dat 
de kweekschool te Fort de Koek eigenlek op den naam van kweekschool 
geen aanspraak mocht maken, en tot ons leedwezen wordt dat oordeel door 
bet Verslag over 1867 niet gewyzigd. Wij lezen toch dat de vorderingen 
van de 10 kweekelingen niet zeer bevredigend waren. Hetzelfde slechte lo- 
kaal werd voortdurend gebruikt, en hetgeen' de deur dicht doet is, dat de 
onderwijzer, hoewel tamelijk geschikt, weinig reden tot tevredenheid heeft 
gegeven. Zonder veel uitwerking werd hij wegens weinig betoonden ijver on- 
derhouden, en hij gaf zich geen moeite om zijne kennis aan de kweeke- 
lingen mede te deelen. Het onderwys liet dan ook, wat degelijkheid en 
grondigheid aangaat, veel te wenschen over. Reeds voor lang bestond het 
voornemen deze kweekschool met die te Tanah Batoe te vereenigen. Wan- 
neer toch zal deze gewenschte maatregel tot stand komen? Een slechte 
kweekschool komt ons voor erger te z^n dan geen kweekschool. 

23 



350 

B. Tanah'Batoe. 

Een gunstig verslag zooals dat in het vorige jaar over deze school gele- 
verd, kan ons ook dit jaar verblijden. Wij stonden toen lang bij deze kweek- 
school stil, vooral omdat de heer Inspecteur, ten gevolge zijner reis, ons 
niet alleen een geschiedkundig oveizicht, maar ook een eigen oordeel mede- 
deelde. Dit jaar is dat natuurlijk anders en moeten wij ons met de korte 
opgaven van den hoofdonderwijzer W. Iskander vergenoegen. 

Het gebouwtje der school werd eenigszins verbeterd en de vorderingen 
der 9 kweekelingen waren zeer voldoende. Twee der tot onderwijzers be- 
noemde kweekelingen stonden bij hun vertrek uit de inrichting bekend als 
de meest ontwikkelden van allen. Zij wierden echter door de bevolking met 
onverschilligheid behandeld en konden met moeite 4 of 5 leerlingen op 
hunne school houden. Geen wonder dat dit hun gereede aanleiding tot moe- 
deloosheid gaf. De slechte staat der scholen op Sumati*a maakte op de 
kweekelingen een slechten indruk. 

Een van de kweekelingen, Si Ranggar, werd van de kweekschool verwij- 
derd wegens zijne ijverige bemoeiingen ter bevordering van den Moham- 
medaanschen godsdienst onder de nieuwe kweekelingen. 

Wij geven dit bericht zooals wij het vonden en zijn* huiverig er een 
eigen oordeel over uit te spreken. Welk een uitwerking zal dit wegzenden 
toch uitoefenen op den verderen levensloop van dezen jongeling? 

Het onderwijs had dezelfde uitgebreidheid en de hulpmiddelen waren 
evenzoo als in het afgeloopen jaar. 

IV. 

Kweekschool te Tanawangko, 

De kweekschool te Tanawangko in Noord-Celebes is eene inrichting van 
het Nederlandsche zendeling-genootschap en staat bij voortduring onder de 
leiding van den directeur-onderwijzer, den zendeling N. Graafland. 

De meeste kweekelingen hadden reeds huisonderricht van zendelingen 
genoten, en hadden dus eenige kennis en beschaving erlangd voordat zij 
op de school kwamen. De inrichting geniet eene toelage van f 500 van 
het N. I. Gouvernement. Acht en dertig kweekelingen ontvingen hier hunne 
opleiding ; het waren allen kinderen uit het volk, slechts enkelen zijn zonen 
van mindere hoofden. Daar de kweekelingen later voorgangers der christe- 
lijke gemeenten moeten worden, was het onderwijs daarnaar ingericht; 
de resultaten worden zeer bevredigend genoemd. Minder gunstig luidt de 
getuigenis omtrent het materieel. Het woonhuis der kweekelingen is voor 
hun aantal te bekrompen en ongeschikt, terwijl een afzonderlijk schoollo- 



35i 

kaal niet bestaat. De hoofdonderwijzer-directeur heeft voorstellen gedaan 
om in een en ander te voorzien. De Inspecteur gaf bij zijn bezoek aan deze 
inrichting zijne tevredenheid herhaaldelijk te kennen. Om onze lezers eenig 
denkbeeld van het leven en zijn der kweekelingen te geven, schrijveA wij 
de navolgende plaats uit het Verslag over. 

»De leemren zijn gesteld van 's morgens 3 tot 14 en des namiddags 
van 2 tot 5 ure. In de vrije uren werken de kweekelingen in het kosthuis 
voor de lessen gedurende den leertijd. Des namiddags van 5 tot 9Vi ure 
hebben zij vrijheid tot wandelen en baden. Woensdag morgen wasschen zij 
hunne kleederen. Zij houden zelven huis en erf schoon. Er is een mandoer 
uit hen gekozen en een kok, die iedere week afwisselt." 

V. 

Molvksche eilanden en Thnor, 

Ook gedurende dit jaar waren op de gestelde voorwaarden voor de ont- 
worpen school te Amboina geen onderwijzers gevonden. Voorstellen tot wij- 
ziging dier voorwaarden zijn gedaan, doch de beschikking bleef achterwege. 

Het gezegde omti'ent Amboina is ook van toepassing op het plan tot 
oprichting eener kweekschool te Koepang op Timor. 

VI. 

School voor zonen van hoofden en van aanzienlijke particulieren 

in de Minahasa te Tondano, 

In ons vorig verslag bespraken wij deze school wat wording en inrich- 
ting aangaat zoo uitvoerig, dat ^vij ditmaal kort kunnen zijn, om niet in 
ha*ha1ing te vervallen. 

Op ultimo December waren er 50 kweekelingen aanwezig, dat is een 
viertal meer dan in het vorig jaar. Toen verlieten echter 12 kweekelingen 
de inrichting, zoodat 16 nieuwelingen zijn opgenomen. Tot het admissie- 
examen hadden zich 20 jongelingen aangemeld, en het Verslag dringt er 
op aan dat dit exan!ien toch met gestrengheid worde afgenomen. 

Op 15 Juli werd een openbaar examen gehouden; talrijk was de opkomst 
van het publiek en dê uitslag was zeer bevredigend. De eerste klasse gaf 
eene verklaring van de leer der evenredigheden, door afgebtiiische fbrmu- 
len verduidelijkt, en verhaalde eene reis door de vijf werelddeelen, gepaard 
met de vermelding der geschiedkundige herinneringen aan de voornaamste 
plaatsen verbonden. Een door den Resident opgegeven opstel over de ver- 
deeling van den tijd maakten de leerlingen in het Höllandseh op de lei. 



352 

i^aardoor zij bewezen zich verstaanbaar in die taal te kunnen uitdrukken. 
De tweede klasse behandelde de gewone tiendeelige breuken en het metrieke 
stelsel van maten en gewichten, terwijl het examen eindigde met eenige 
vragen over de vormleer en over het praktisch landmeten. De antwoorden 
werden vlug en duidelijk met omschr^ving van redenen gegeven. 

Hoewel dit jaar de ouderdom der leerlingen niet wordt opgegeven, is 
er echter geen reden om te vooronderstellen, dat die niet even als in het 
vorige en dus tusschen 14 en 19 jaar zal geweest z\jn. Dit in aanmerking 
nemende zal ieder zich met ons verheugen over zulke resultaten I Welk 
een onderscheid met Javal 

Het schoolgebouw, in 1864 voor Gouvemementsrekening uit goed deugd- 
zaam timmerhout opgetrokken, voldoet goed, doch zal, bij toeneming van 
het aantal leerlingen, weldra te klein worden. De schoolmeubelen verkeer- 
den in goeden staat, en, zooals de vorderingen der leerlingen al dadelijk 
doen vermoeden, de onderwijzers zijn geschikt voor hun werk en volvoer- 
den met onafgebroken ijver hunne taak. 

Meerdere schoolbehoeften werden uit de schoolfondsen aangeschaft. Het 
traktement der onderwijzers beliep f 4200, en de schoolgelden brachten 
f 1151.97 op. 

Van harte wenschen wij dat de Regeering de belangen dezer schoone 
inrichting, zooals thans, zooveel maar immer mogelyk zal blijven bevor- 
deren. Voor de zendeling-leeraars is deze school eene inrichting waarop 
zij terecht trotsch mogen wezen. 



§2 
Regentschapsscholen op Java. 

Met genoegen vermelden wij dat aan de statistiek van het inlandsch 
onderwijs in dit Verslag veel meer zorg is gewijd dan ooit te voren. 
Verschillende tabellen worden medegedeeld die een gemakkelijker over- 
zicht geven dan de lezing van de byzonderheden in elk gewestel\jk ver- 
slag. Wij zullen dit jaar die tabellen volgen en door voorbeelden uit de 
bijzondere verslagen het een en ander trachten te verduidelyken. 

Allereerst 'vonden wij eene opgave der ten behoeve van den Inlander 
verkochte schoolboeken over 1867, opgemaakt te Batavia door den heer 
Directeur der Lands-Drukkerij. Deze opgaven schynen sedert 1855, inge- 
volge missive van den Directeur der Producten en Civiele Magazijnen, 
steeds te zijn opgemaakt. Het is echter de eerste maal dat wij een afdruk 
van dit stuk achter het Verslag aantrefien. 



353 

Uit dezen staat blijkt, dat er een getal van 26227 boeken en boekjes 
zijn Terkocht of verstrekt, en dat daarvoor door Jiet Rijk eene som van 
ƒ 3717.13 is ontvangen. De meeste exemplaren, en wel 2391, werden 
gevraagd van den herdruk van Küab pengadjaran hahasa Malajoe ad 6 
cents per stuk; voorts 2059 ad 41/2 cent van een Javaansch lees- en spel- 
boekje, en 2055 ad 7Vi cent van Tjonto-tjonto hisab. Van dit laatste trok 
Amboina 1500 en Timor 500 stuks; de vraag naar dit werkje is dus op 
Java gering. Padang vroeg het meeste boeken en wel 6315 stuks. Amboina 
3150 stuks. De residentie Batavia 3566 en Madura 1272 stuks. Het 
minste, en wel slechts 50 stuks voor ieder, werden geleverd aan Krawang, 
Cheribon, Tagal, Bagelen ep Patjitan. Van de teekenvoorbeelden van 
Radhen Saleh werden 12Ö stuks afgeleverd, en van die van den Heer 
K. F. Holle 655 stuks; deze laatste uitsluitend aan de residentiën Batavia, 
Buitenzorg, Krawang, Samarang, Madura, Probolinggo en Padang. 

Deze cijfers moeten echter niemand in den waan brengen, dat er op de 
scholen op Java een voldoend aantal leerboeken aanwezig is. Het tegendeel 
is waar. In de gewestelijke verslagen klagen een aantal scholen over te 
weinig boeken en vooral over te weinig kaarten. Het is geen ongewoon 
verschijnsel te lezen, dat er aan een en ander werkelijk gebrek is. De 
kosten schrikken af on de Regecring zou dus eene weldaad aan het inlandsch 
onderwijs in het algemeen bewijzen, zoo zij aan die scholen yner fond- 
sen het niet toelaten de boeken of kaarten te betalen, ze voor niet afstond. 
De enkele vermelding van een aantal scholen die gebrek hebben, zij hier 
voldoende. Wij vinden dat b. v. het verzoek der scholen te Garoet, te 
Soemedang, te Mocyokerto, om gratis boeken te ontvangen, werd afgewe- 
zen; dat te Banc^ar-Negara en te Patjitan van de aardrijkskunde weinig 
werk werd gemaakt, omdat de schoolkaarten zoo onvoldoende vmren, dat 
ze op dien naam zelfs geen aanspraak mochten maken. Die groote c^fers 
verblinden soms en geven allicht- aanleiding om te denken dat door de 
Regeering voor schoolbehoeften voldoende wordt gezorgd. Dat is in lang 
het geval niet. Bij goeden vril en ware belangstelling kon ten dezen nog 
zooveel gedaan worden. De staat laat ons dan ook maar half dankbaar en 
volstrekt onvoldaan. 

De alsnu volgende statistieke tabellen leeren ons het navolgende. 

Op ultimo December 1867 bestonden er op Java 59 regentschapsscho- 
len, met eene bevolking van 3255 kinderen. Op uit® December der vier 
voorafgaande jaren was dit cijfer. 

In 1863, 2245 kinderen. 
» 1864, 2597 » 
» 1865, 3017 » 
» 1866, 3142 » 

In 1867 verlieten 1574 kinderen de scholen en zijn er 1718 bijgeko- 



354 

men en het algemeen totaal der schoolbezoejkers in dat jaar was 4829. Het zou 
hier de plaats z^jn om weder bittere klachten aan te heffen over dit gering ge- 
t^i kinderen; doch wij deden dit reeds zoo menigwerf, zoowel in dit Tijd- 
schrift als in de Tweede Kamer. Door klagen komt men dan ook niet veel 
verder; het is te doen om opheffmg te verki*ygen van de redenen die het 
schoolgaan in den weg staan, en eene der meest gewichtige redenen is ze- 
ker het gering aantal der scholen. Bij de behandeling van de districtsscho- 
len komen wij hierop terug. Om dit aantal te vermeerderen zijn echter 
twee zaken onontbeeriyk, en wel geld en onderwyzers. Het eerste is voor 
deze aangelegenheid niet gemakkelijk van de Regeering te verkrijgen, en 
onderwijzers worden er door het gering aantal kweekscholen veel te wei- 
nig gevormd. Wel is de Regeering steeds vooimemens meer kweekscholen 
op te richten, doch het blijft bij het voornemen. Inhetjaar toch waarover dit 
Verslag loopt waren er slechts twee op geheel Java, en- op de b^^ooting 
voor 1871 waren er gelden voor slechts 3 uitgetrokken. De ontworpen 
kweekschool te Probolinggo is die derde. Tusschen ontwerpen en uitvoeren 
verloopt echter op Java steeds zoo schrikkelijk veel tijd. En toch, wy herha- 
len het, zonder meerdere kweekscholen geen grooter aantal onderwijzei*s ; zon- 
der deze geen meerdere scholen, en door gebrek aan deze ontvangen op Java, 
op eene bevolking van 12 & 13 millioen zielen, nog geen 4000 kinderen 
op regentschapsscholen en cenige honderden op districtsscholen ond^richt. 

Op de 59 regentschapsscholen^wai^en 58 hoofd- en 50 bulponderw^ers werk- 
zaam ; dat is dus ongeveer 1 ond^wijzer op de 50 leerlingen. Negen en dei-tig 
van de hoofdonderwijzers hadden hunne opl^ding ontvangen opdeSolosche 
kweekschool, terwijl 19 hunner niet voor het onderw^zersvak wai*en opgeleid. 

De tabel zegt dat 3 hoofdonderwijzers zeer geschikt waren, 38 geschikt, 
9 minder geschikt en 7 ongeschikt. 

Wij vernamen deze opgaven met veel belangstelling, doch mogen ons niet 
ontveinzen dat er wel eenige twijfel bij ons is gerezen over het volstrekt 
vertrouwen dat deze cyfers verdienen. Het oordeel over al of niet geschikt- 
heid is zeer subjectief, en zeker is dit de reden, dat de tabel niet gehee^ 
overeenstemt met de gewestelijke verslagen. Wij trett'en daar meerdere 
ongeschikte aan dan in de tabel, en ook meer zeergeschikte. Enkele voor- 
beelden uit die verslagen mogen dit bewijzen. Eéne opmerking zy ons ech- 
ter vooi^ gegund. Onder de minder geschikte en de ongeschikte te zamen 
vinden w\j 12 hoofdonderwijzers die afkomstig zijn van de kweekschool te 
Solo. Van de 39 opgeleide zijn er 12 on- of minder geschikt; en van de 
19 niet opgeleide dus slechts 4. Deze verhouding trok zeer onze aandaclit 
en wekte niet minder onze vei-wondering en (^ns leedwezen op. Zoo schrijft 
het gewestehjk verslag van Bodjonefforo, waar de onderwijzer zijne oplei- 
ding aan de kweekschool heeft genoten, het volgende: » Vraagt men ech- 
ter of de school was wat ze behoorde te zyn en wezen kon, — niet alleen 



355 

eene gelegenheid tot het aanleeren van eenige nuttige kundigheden, maar 
te gelijker tijd eene plaats waar het verstand en de geest v^ordt ontwik- 
keld en in staat gesteld tot het later opnemen en bevatten van meer kun- 
digheden, eene aanvangs-school derhalve, — dan moet die vraag ontken- 
nend beantwoord worden. Zulks was hoofdzakelijk te wijten aan de gebrek- 
kige opleiding van den onderwijzer, op wiens gedrag en goeden wil niet 
de minste aanmerking kan gemaakt worden, maar die natuurlijk niet meer 
kon geven dan h^ zelf had ontvangen. Men schijnt bij zijne opleiding ge- 
heel uit het oog te hebben verloren, dat het geven van onderwijs iets an- 
ders is, dan het doen opzeggen van lessen, het doen naschrijven van voor- 
beelden en het machinaal uitwerken van rekenkundige voorstellen, en dal 
den onderwijzer ook de zoo moeilijke kunst moet worden geleerd om de 
leerlingen, die aan zijne zorg worden toevertrouwd, op te voeden en hun 
verstand te ontwikkelen." 

De rapporten over de kweekschool luiden gunstig, en toch, de resultaten la- 
ten veel te wenschen over. Waaraan dat toe te schrijven? Zouden de rappor- 
ten te gunstig zijn? Zouden de onderwijzers na de genoten opleiding in 
geschiktheid verminderen en, in plaats van zich aan hun vak te blijven 
wijden, onverschillig worden? Zou de bezoldiging zoo laag zijn, dat zij, in 
plaats van zich vooitdurend te kunnen oefenen, te veel tijd voor landbouw 
of andere werkzaamheden tot eigen onderhoud moeten afzonderen? Zouden 
eindelx|k deze als minder of ongeschikt opgegeven hoofdonderwijzers alleen 
afkomstig zijn van de vroegst afgeleverde kweekelingen, en zouden mis- 
schien de lateren beter zijn? 

Het is ons onmogelijk een voldoend antwoord op deze vragen te geven. 
Laten vrij hopen dat de laatste de ware oplossing van de zaak aan de hand 
geeft. Treurig is de mededeeling echter in hooge mate, en w\j hopen dat 
zij de aandacht van hen die op de kweekschool onderwijs geven of toezicht 
moetoi houden, vooral niet zal ontgaan. Thans zoowel van het goede als 
van het kv«^e eenige weinige voorbeelden uit de gewestelijke verslagen 
geput. Beginnen wij met het aangename. 

Madioen. De Ie onderwijzer, radhen Djojo Atmodjo, bezat in ruime mate 
de bekwaamheid en geschiktheid voor zijne betrekking, terwijl van zijn 
gedrag niet dan met den meesten lof kan worden gesproken. Hij wist de 
kinderen zeer aan zich te hechten en hun ambitie op te wekken. 

Matumdjaja. De van Solo gekomen onderwyzer voldeed goed en heeft 
getoond dat de ontwikkeling der schooljeugd hem ter harte gaat. 

Madjcdengka. Sedert de optreding van den nieuwen onderwijzer vorder- 
den de leerlingen goed. Deze, radhen Soeminta di Laga geheeten, vroeger 
8e meester bjj de inlandsche school te Soemedang, is zacht van aard, 
niet ontbloot van bekwaamheden, ijverig en nauwgezet in de uitoefening 
zgner werkzaamheden, en voldoet alleszins aan de van hem gekoesterde 



356 

verwachting; daarenboven kan omtrent hem de loffelijke getuigems 
worden afgelegd, dat de school onder zijne leiding beduidend is vooruit- 
gegaan; krachtdadig wordt hy hierin trouwens bygestaan door den kwee- 
keling of hulponderwijzer Angen. 

Koeningan. De hoofdonderwijzer Singa Winata is, schoon niet afkom- 
stig van de school te Soerakarta, zeer berekend voor zyne taak. Ofischoon 
reeds op jaren liet zyn \jver niets te wenschen over; hij bezit veel tact 
om met de leerlingen om te gaan en hun het onderwys begrgpeiyk te 
maken. 

Probolinggo. De geschiktheid van dezen onderwijzer en de door hem be- 
toonde ijver, alsmede zijne w^jze van omgang met de leerlingen, lieten niets te 
wenschen over. Deze onderwijzer is afkomstig van Pasoeroean, zoon van den 
onderwyzer der inlandsche school aldaar en verwant aan den Regent van 
Probolinggo. 

Ten slotte het volgende geschreven uit Poerwokerto: >De waarnemende 
onderwyzer, wiens bekwaamheid en yver voor zijn vak door het bestuur wel 
gewaardeerd werd, was in den laatsten tijd nog al ziekel^k wegens het 
vele studeeren en zijn ijver voor het belang van het onderwijs." Zeldzaam 
in Indië4 Moge hier niets op af te dingen zijnl 

Doch genoeg. Thans gaan wij tot de ongeschikte onderwijzers over. Zoo 
lezen wij omtrent de school te Magetan^ dat men wel kan zeggen dat de 
op de kweekschool opgeleide onderwijzer eenigszins bekend was met de 
wyze waarop jonge en eerstbeginnende kinderen moeten onderwezen wor- 
den in het leeren lezen en schrijven; doch verder komende miste hij 
totaal alle gesclüktheid om het oordeel en het geheugen der leerlingen te 
scherpen, hun ambitie op te wekken, of op te merken welke de meest 
achterlyke waren. »Dit is ook niet te verwonderen daar h^ zelf alle 
scherpzinnigheid miste en herhaaldelijk bewgzen van domheid gaf." 

Tjüatjap. Den onderwijzer ontbreekt geheel de voor alles zoo noodige tact 
om de leerlingen het onderwijs aangenaam te maken. Ook deze heeft zijne 
opleiding op de kweekschool ontvangen. 

Malang, :»Deze school,'* zegt het Verslag, »was nog verre af van wat 
ze zijn moet, de plaats waar kennis , beschaving en geestontwikkeling aan- 
gekweekt worden. Veel was zulks toe te schrijven aan de ongeschiktheid 
der daarby geplaatste onderwijzers, die, bekrompen van geest, hunnen 
werkkring niet het minste begrepen." De hoofdonderwijzer dezer school 
was daarbij oud en slecht van gezicht. 

De opkomst ter school te Pamalang liet veel te wenschen over, hetgeen 
voornamelijk toegeschreven wordt aan de verregaande onverschilligheid van 
den onderwijzer, die noch op trouw schoolbezoek aandrong , noch het school- 
gaan »smakeUjk" wist te maken. 

Uit Bandong schrijft men, dat de te Soerakarta opgeleide onderw^zer 



357 

ttitei'st geringe kundigheden bezit, bedeeld is met een zeer geborneerd na- 
tuurlijk verstand, en gemis heeft a^ ambitie; verder dat volslagen gebrek 
aan administratieve kennis hem geheel ongeschikt maakt om zelfs aan de 
kleinste school als mantri te fungeeren. 

Deze school wordt doorp. m. 87 leerlingen bezocht!! En zij isdeeenige 
Gouvemements-school in een regentschap dat meer dan 280,000 zielen telt ! 

Tot besluit van dit onderwerp, nog eene aanhaling betreffende de school 
van Serang, »De vorderingen der leerlingen waren zeer gering, ja onbe- 
duidend te noemen, hetwelk eensdeels moet toegeschreven worden aan de 
slechte orde en inrichting der scliool, maar voornamelijk aan de totale 
ongeschiktheid van den onderwijzer voor zijn vak, die, in stede van het 
verstand der leerlingen te scherpen om him daardoor den weg te openen 
om zich zoo noodig zelf te ontvrikkelen, dit geheel over het hoofd ziet en 
zich vergenoegt met de leerlingen eenige regels machinaal te leeren of be- 
ter gezegd in te pompen." 

Over het algemeen is echter, en wy haasten ons het hier te vermelden, 
het gedrag ook van ongeschikte onderwijzei's goed. Wij stappen thans van 
deze tabel af en gaan die bezien welke de verschillende leervakken aangeeft. 

De lijst van de verschillende leervakken laten vrij hier volgen en voegen 
achter elk vak het cijfer, het aantal scholen aanwyzende waar het onder- 
wezen wordt. 

1^ , . , (met Hollandsche karakters. ... 57 
|met Arabische karakters 23 

. ... /t 1. {voet Hollandsche karakters. ... 1 

Lezen en schnjven vancJavaansch { , . , 

\ (met Javaansche karakters. ... 52 

i met Hollandsche karakters. ... 5 

( met Soendaneesche karakters. . . 11 

i 4 hoofdregels 58 

Rekenen met ! ^"^ ^ *^^ *« 

Gewone breuken 39 

Tiendeelige breuken 34 

t van Java , 51 

.,..,., 1 van Ned. Indië 36 

Aardrijkskunde : . , 

j Algemeene 6 

f Wiskundige 2 

Theoretische landmeetkunde 36 

Praktische landmeetkunde 8 

Kaarten teekenen 10 

Handteekenen 18 

Zingen (tembang) 5 

Zingen (op Ëuropeesche wijze) i 



S58 

Metriek stelsel van maten en gewichten 12 

Javaansche spraakkunst 6 

Vertalen uit het Maleisch in het Javaansch of Soedaneesch en om- 
gekeerd 33 

Brieven stellen 7 

Staten trekken 1 

Behalve de school te Demak, waar volgens den staat eenvoudig niets 
onderwezen wordt, en waarvan dan ook geen gewestelijk verlag wordt 
geleverd, 'zoodat wij moeten aannemen dat ze niet bestaat, zou volgens 
dezen staat overal ond^^wijs gegeven worden in het lezen en schrijven 
van Maleisch met Hollandsche karakters, op ééne enkde uitzondering na, 
en wel van de school te Poerbolinggo, residentie Bai^joemas. Het lezen 
van de Javaansche en Maleische boeken op die schooi in gebruik, ging 
echter goed en vlug. Maar nu lezen wij in het Verslag over 1866, bli. 
234, dat de laagste klasse in deze school blijk gaf van vorderingen in 
het spellen van Javaansch en Latijnsch schrift; terwijl het Verslag over 
1867 ons niets aangaande deze zaak mededeelt. Heeft de onderwijzer dus 
geheel van het onderwijs van het lezen van en schrijven met Latijnsche 
karakters a^ezien, of is hier eene vergissing in den staat ingeslopen? 
Het komt ons voor van wezenlijk belang te zijn, dat de jeugdige Javanen 
juist in het Latijndche schrift onderwezen worden, en wij missen dit dus 
zeer ongaarne op eene school die dit jaar wel met 14 leerlingen is ach- 
teruitgegaan, maar die dan toch altijd nog door p. m. 70 jongens wordt 
bezocht, en waar de uitkomsten van het gehouden examen over het alge- 
meen als voldo^ide worden opgegeven. 

De vier hoofdregels van het rekenen werden overal onderwezen, en zelfs kon 
men het in 34 scholen tot de behandeling der tiendeelige breuken brengen. 

Bijna overal leert men ook de aardry kskunde van Java; slechts de 
scholen te Poerwakarta, Ijiandjoer, Manondjaja, Ma^jalengka, Modjokerto, 
Keboemen en Magelang maken hier op eene ongunstige uitzondering. 

Van het teekenen en zingen wordt weinig werk gemaakt. Of het zin- 
gen op inlandsche wijze (tembang), vroeger door ons beschreven i), aan 
het opwekken van gevoel voor welluidendheid bevarderlijk is, moeten wij 
betwijfelen. Wellicht echter dat hierin onderwijs gegeven wordt om aan 
enkele Javaansche hoofden aangenaam te zyn en hen alzoo aan te sporen 
hunne kinderen ter school te zenden. Slechts op ééne school, en wel op 
die te Japara, wordt onderwas in het zingen op Europeesche wijze gege- 
ven. Bijzonderheden hieromtrent levert het verslag over deze school echter 
volstrekt niet op; het spreekt er met geen woord van. 



1) Jaarg. 1869, Dl. I, blz. 10. 



359 

Tot ons leedweasen zien wij slechte op 7 scholen eeuig ouderncht ge\eu 
in bet brieven stellen. Ons dunkt dat dit wel op alle schole>i mocht ge- 
beuren, daar toch vele der leerlingen, die in 's lands dienst komen of bij 
particulieren in betrekking treden, daaraan later bepaald behoefte zullen 
hebben. £ven goed als hen iets anders te doen schrijven, kon men lien 
brieven laten copiëeren, en zoodoende zouden zij reeds in de jeugd aan 
een goeden briefstijl gewend worden. Op ééne school, die te Garoet, leert 
men staten trekken. Ware de tyd daarvoor besteed niet betei* aan den 
regel van drieën gewyd, welke hier niet wordt onderwezen? Het gewes- 
te]ifii verslag dezer school rept niet van dat staten trekken. 

Wy zuUen ditmaal niet weder elk vak afzonderlijk beschouwen; vroe- 
ger deelden MÓj den omvang en den aard van het ondervidjs uitvoerig 
mede. £ven als toen waren dit jaar de vorderingen en de vruchten van 
het onderwijs zeer verschillend. W4J bepalen ons ditmaal tot de mededee- 
ling van eenige in het oog vallende beoordeelingen en berichten hierom- 
trent, uit de gewestelyke verslagen geput. 

Rembang, »Het onderwijs bleek steeds machinaal en slecht te hebben 
plaats gehad, zoodat zelfs de leerlingen van de 2e klasse niet ^begrepen 
wat zij lazen." 

Salatiga. De meestgevorderden lazen vry goed Javaansch, doch waren 
weinig bedreven ia het ovei*zetten van ngoko iu kromo. Het Maleisch lezen 
ging b\i eenigen vry wel, doch het begrip van het gelezene liet nog veel 
te wenschen over. 

Pamalang. »Wat a£Lngaat het rekenen in de lo klasse, betoonden de 
meeste leerlingen gemakkelijk te kunnen werken met de verschillende in 
de rekenkunst aangenomen teekens^ terwijl het deelen met breuken over 
het geheel bewijzen gaf, dat ook daarin eenige oefeningen waren geschied 
Een der leerlingen, aan wien een vi-aagstuk ter toepassing van den zoo- 
genaamden regel van drieën werd opgegeven, toonde genoegzaam begrip 
van de zaak te hebben.'* 

hidramajoe. ^De vorderingen der leerlingen waren zeer bevredigend en 
van enkelen verdienden zelfs de vooruitgang en aanleg den nieesten roem." 
Op de school te Soeinedang wordt het rekenen en het uit het hoofd 
rekenen vooral geroemd. De vordeiïngeu kwamen zeer uit, toen een den 
kinderen vreemd particulier onderwijzer hun eenige vragen deed, die zy 
vlug en vaardig beantwoordden, en ^waaruit het duidelyk bleek, dat het 
onderwijs op deze school de strekking en het gevolg heeft om het denk* 
vermpgien der leerlingen te ontwikkelen." 

In het voorb^gaan merkeu viój hier met dankbaarheid op, dat door den 
adfiisteot-resident vsm Soemedang, den regent en den controleur van Bloe- 
boer 24 pryzen uit eigen middelen werden gekocht en uitgedeeld. De school- 
fondsen lieten den aankoop niet toe!! 



360 

Uit Todoeng-Agoeng wordt geschreven, dat de vorderingen der leerlin- 
gen nagenoeg nul vraren. De meeste leerlingen die de school verlieten , 
hadden weinig of niets geproflteerd. 

Even teleurstellend zijn de rapporten van de school te Brd)es, >Over 
het algemeen/' zegt het Verslag, » waren de vorderingen gering en was 
het merkbaar dat alles machinaal van buiten geleerd werd. Om een 
voorbeeld te noemen konden verscheidene kinderen, die vrij vlug met 
breuken werkten, moeilijk van een vel papier '/$ , */u of dergelijke breu- 
ken afsnijden. Het lezen geschiedde dommelend, zonder dat men verstond 
wat men las; het schrijven het ook veel te wenschen over; het best bleek 
onderwijs te zijn gegeven in de aardrijkskunde, van Java en de Buitenbe- 
zittingen." 

Wij haalden meer bewijzen van ongunstigen dan van gunstigen uitslag 
aan; en toch moeten wij erkennen dat het verslag van dit jaar ons over 
het algemeen gunstiger resultaten te kennen geeft dan in het verloopen 
jaar; achteruitgang althans kunnen w^ niet bespeuren. 

Even uiteenloopend als het oordeel over de vorderingen der leerlingen 
is, even verschillend is dat over de gezindheid van de Javaansche ouders 
omtrent het schoolwezen. De eene verslaggever neemt gimstige verschijnselen 
waar, de andere tegenovergestelde. Slechts een paar voorbeelden van beiden. 

Het zoo uitmuntende verslag van Soetnedang zegt, ^dat de inlander 
meer en meer het groote gevricht inziet van goed degelijk onderwijs. 
Daarvan heeft de regent van Soemedang een schitterend en lofifelijk blijk 
gegeven. Niet tevreden met het onderwijs dat zijne kinderen aan de in- 
landsche school op zijne woonplaats konden ontvangen, heeft hij voor hen 
een gouverneur genomen en getroost hij zich hoogst belangrijke uitgaven 
voor dat schoone doel.*' 

Te Blitar is het aantal schoolgaande kinderen van 46 tot 66 geklom- 
men, en de oorzaak dezer toeneming wordt toegeschreven aan de zucht, 
die meer en meer bij den inlander aldaar opgemerkt wordt, om zijne kin- 
deren onderricht te doen genieten. 

Even gunstige getuigenissen worden vaii Tagal, Probolinggo, Paljitan en 
Wonosobo afgelegd. 

Anders is het gesteld te Indramajoe, alwaar de school niet de minste 
ondersteuning van de inlandsche hoofden genoot, evenmin als te Sidhoardjo en 
op verscheidene andere plaatsen. Zoo schrijft het Verslag van ilfoZan^: >De 
ouders toch zagen nog niet algemeen het nut in van eene betere opvoe- 
ding dan ze zelven genoten hebben; vol vooroordeelen en verkleefd aan 
oude gewoonten beseften zij geenszins het voorrecht van meerdere kunde.'» 

Doch v«4j stappen van dit onderwerp af. Onze overtuiging dat de Java- 
nen, zoo het onderwas maar werkelgk degelijk, goed, bevattelgk en naar 
hunne eigenaardigheden, zeden en gewoonten ingericht is, dit hoe langer 



'Mi 

hoe meer op prijs zullen gaan stellen, is door het Verslag eer versterkt 
dan verzwakt. Vroeger v\ras het de Regent van Koedoes die ons met 
vreugde vervulde, thans mochten wij op dien van Soemedang w^zen. Het 
getal belangstellenden zal wel klimmen, zoo de kweekscholen slechts meer 
en vooral voldoend geschikte onderwijzers vormen en afleveren. 

Wij gaan thans over tot eene vluchtige beschouwing van de financiëele 
aangelegenheden der regentschapsscholen. De geheele som op te geven, 
door den Staat voor tractementen aan onderwijzers uitbetaald, is den In- 
specteur naar het schynt ondoenlyk. In de kolom dit bedrag vermeldende 
vinden w)j niet minder dan 13 vraagteekens en o schrapjes. Hoe is dit 
mogelyk? Wij hadden beter dunk van de administratie in Ned. Indië, en 
moeten ons nu alleen vergenoegen met de mededeeiing uit dien staat, dat 
het hoogste tractement dat wy vermeld vinden, wordt betaald te Poerwo- 
dadi ad f 600, dus juist f 50 per maand. Twee tractementen bedragen 
f 570 en steeds afdalende komt men tot f 120, dat het laagste is en te 
Ambal betaald wordt. Waarlijk deze tractementen zijn niet hoog, en be- 
grypel^ is het dat zoo weinige inlanders lust en opgewektheid gevoelen 
om zich aan het onderwijs te wijden. Moge ook deze zaak eens door een 
flinke hand worden aangevat en een warm hart voor het onderwas ze 
eens spoedig beter regelen I £enige subsidiën werden voor den koop van 
boeken en kaarten gegeven, en wel tot een totaal bedrag van f 826.42. 
Hieronder schuilt nog subsidie voor meubilair aan ééne school. 

De subsidiën werden genoten door de scholen te 

Cheribon ad. . . ƒ 110.— 
Tagal » 120.— 



Rembangi . . 
Sidhoar^jo. . 
Bezoeki . . . 
Bai^oewangi. 
Magelang . . 
Temanggoeng 



. » 72. 
. » 337.75. 
. ) 120.—. 

4 

. > 40.—. 

. » 13.331/, 

. » 13.33 V, 
wat de beide laatste' plaatsen betreft voor het aankoopen van prijzen. 
De voorlaatste ontving uit de schoolfondsen vari Temanggoeng ook nog 

eene suppletie van f 464.15Vi« 

Aan schoolgelden werden door de inlandsche bevolking aan de scholen 
betaald / 17,440.54. Het meeste ontving de school te Bandong ad f 727.75, 
het minste de school te Sidhoarcyo ad f 72.25. Deze schoolgelden zijn een 
werkelijk bezwaar voor vele ouders. In de gewestelyke verslagen treflfen 
wij verschillende plaatsen aan waar hierover ernstig wordt geklaagd en 
het gering aantal scholieren schier alleen aan de heflOng van schoolgelden 
wordt toegeschreven. Wij laten die verslagen al weder zelven spreken. 



362 

Uit Soerakarta schrijft men, dat de meeste scholieren op de externen- 
school eenig schoolgeld betalen, doch dat de inning daarvan aan gmote 
bezwaren onderhevig is. ï>De ouders wonen* hier wijd en zijd verspreid 
en laten^ door bemiddeling van hun kinderen het schoolgeld betalen, maar 
deze zijn dan wel eens nalatig om het geld over te brengen. Het is zelfs 
gebeurd, dat de vader zijn kind schoolgeld gaf en dat de moeder het geld 
weer van het kind terug vroeg." 

Menig kind werd te Berbek door zijne ouders teruggenomen, omdat 
dezen niet langer in staat waren het maandelijksche schoolgeld te betalen , 
tot tijd en wijle zij weer in betere omstandigheden verkeerden, als waan- 
neer men* hunne kinderen op nieuw de school zag bezoeken. Het blijkt 
dus duidelijk dat de schoolgeldhefïing op Java, bij hoogst geringe opbrengst 
zeer groote bezwaren met zich voert, en het ware in het verre Oosten, 
waar de Gouvernements inlandsche scholen even goed als hier zvvare con- 
currentie te voeren hebben met de priesterscholen, van groot belang dat 
dere schoolgeldhefïing wierd gestaakt. Wellicht dat de Regeering hiertoe 
zal overgaan, als het besluit in werking komt om de schoolbossen op te 
heffen en aan het Ryk te trekken. Wij hopen het van harte in het belang 
der Javanen, terwijl wij alleenlijk nog opmerken dat slechts 609 leerlin- 
gen reeds nu gratis onderwijs ontvingen. 

De regentschapsscholen hebben f 4993.79 besteed tot den aankoop 
van schrijfbehoeften en f 463.91 tot dien van boeken. Dit laatste cijfer 
is zeker hoogst? gering, vooral daar op een groot aantal scholen zeer wordt 
geklaagd over het gebrek dat aan boeken wordt gevoeld. Ook ten deze 
schijnen de besturen wat al te karig te handelen. 

Aan kaarten werd in het geheel sleohts ƒ 34 uitgegeven; zeker een 
geheel onvoldoend cijfer, als wij nagaaii dat op al de scholen te zamen 
slechts aanwezig waren : 

51 kaarten van Ned. Indië, 

69 9 :» Java, 
4 9 > Nederland, 

17 wereldkaarten, 

41 andere kaarten, 
4 atlassen. 

Door alleen te wijzen op het getal van vier kaarten van Nederland 
op 58 scholen, rechtfvaardigen wij geheel onze opmerking over het geringe 
cijfer voor de aanschaffing van kaarten ten koste gelegd. 

De scholen bezaten te zamen: 

19' aardgloben, 

11 landmeetkundige kettingen, 

12 boussoles, 
3' planehetten, 



2i 


■» 


4 


> 


12 


» 


8 


» 


40 


» 



363 

7 meetkruisen, 
19 passerdoozen, 

1 astrolabium, 
11 stellen Maleische schrijfvoorbeelden, 
Javaansche » 

» 

Soendasche > 

teekenvoorbeelden van Radhen-Saleh^ 

» » Holle , 

maten en gewichten. 

Maleische boeken variëerende van 2 tot 14 soorten vond men op alle 
scholen, Javaansche van 2 tot 22 soorten overal behalve in Krawang en 
de Preanger-regentschappen, v^aar zij geheel door Soendasche vervangen 
waren, terwijl in Bantam en Cheribon zoowel Soendasche als Javaansche 
gebruikt werden. Van de Soendasche vai*iëert het aantal soorten van 1 
tot 18. 

De hulponderwijzers genoten te zamen f 6581.50. Aankoop of reparatie 
van meubelen vorderde ƒ474.05 en de kosten van feesten by gelegen- 
heid van het examen /* 438.55. Voor verschillende niet a£Eonderl\jk ge- 
noemde doeleinden werd /* 2170.96 uitgegeven. In vergelijking van de 
uitgaven voor boeken en kaarten is die som vrij aanzienlijk. Voornamel^ 
werd ze bestemd tot tijdelijke tractementen, tijdelijke huren en subsidiën 
aan andere schoolinrichtingen ; bij sommige scholen tot aankoop van meet- 
instrumenten. Het voordeelig saldo van de schoolbossen gezamenljjk bedroeg 
in 1866 f 38,766.34 tegen f 37,344.72 in 1867. Nog merken wij hier 
op, dat uit de bossen aan reparatie voor schoolgebouwen f 798.87 werd 
betaald. Doch hierover spreken wij later bij de beschouwing der school- 
gebouweUi waartoe wij al dadeiyk kunnen overgaan. 

Volgens een staat, toegevoegd aan het Verslag, waren 33 schoolgebou- 
wen goed, 5 vereischten verbetering en niet minder dan 19 waren slecht. 
Deze cijfers zijn volkomen gelijk aan die van een jaar geleden. Nu mogen 
enkele lokalen verbeterd zijn^ anderen vervielen zooveel te meer. Treurig 
is de beschrijving van sommige lokalen gegeven. Wij zouden de l^st uit 
het vorig V^slag door ons getrokken weer kunnen overschreven; want er 
is weinig, bitter weinig ten goede veranderd. 

Te Indramajoe is het schoolgebouw sedert ruim een jaar omgewaaid 
ea wordt de school in een daartoe vryvrillig door den Regent a%estaan 
gebouwtje gehouden; doch het Verslag zegt daaromtrent: j>'De jeugd moet 
zich getroosten in een gebouw on,derwys te genieten, waar zy aan tocht 
en in den westmoeson aan regen is blootgesteld, hetgeen niet tot bevor- 
dering van de gezondheid der schooljeugd kan strekken'\ Wij gelooven 
dat gaarne; het genot der leerlingen zal dan ook wel matig zyn. 

Te Jo€ma wovdt nog steeds eene loods op de paseban gebruikt 



364 

uit Bangil klachten als het vorig jaar. Een nieuw gebouw schijnt 
echter geprojecteerd te zijn. 

Glazen ramen ontbreken nog steeds aan het gebouw te Magelatig, 

Over de geheele inrichting van het lokaal te Blitar wordt zeer ge- 
klaagd, onder opmerking dat de schoolfondsen onvoldoende zijn om daarin 
verandering te brengen. Het voordeelig saldo der schoolbos bedi'oeg aldaar 
dan ook maar ruim ƒ171. — . 

Uit Soemedang, waar die kas nog geen f4. — beloopt, schryft men in 
het gewestelijk verslag: j^Daar het zich liet aanzien, dat het tot stand 
komen van een nieuw schoollokaal minstens een paar jaar zou duren, en 
het oude lokaal (vooral na de aardbeving van ^/lo Juni, als wanneer de mu- 
ren op verschillende plaatsen scheurden) niet meer te bezigen \^tiüi, zonder 
de leerlingen aan levensgevaar bloot te stellen, werd besloten een ledig staande 
paseban tot school in te ruimen. Bedoeld gebouwtje had echter «ene aan- 
zienlijke reparatie noodig, waai*toe geen fondsen aanwezig waren. De con- 
troleur von Bloeboer heeft daarop uit eigen middelen de som van f 134. — 
voorgeschoten (welke som hem tot dusverre niet is gerembourseerd), en is 
met dat geld een zeer geschikt en hoogst doelmatig schoolgebouw daar- 
gesteld; dit lokaal voldoet zóó goed dat het vooreerst onnoodig is een 
nieuw schoolgebouw daar te stellen''. En tot dankbaarheidsbetoon rem- 
bourseerde men vooreerst den controleur maar niet! Mocht de Regeering 
in Indië toch inzien, dat opprijsstelling, ja belooning van zulke daden, 
waardoor wellicht duizenden worden bespaard, als een eerste regeerings- 
plicht behoort beschouwd te worden. 

De school te Kediri is mede ongeschikt, hetgeen blijkt uit de mede- 
deeling dat deze school in het bezit is geweest van een Smalkalder bous- 
sole, landkaarten en boeken, welke echter, dank zij het slecht ingerichte 
lokaal, dat niet afgesloten kan worden, des nachts ontvreemd zijn ... De 
Resident bezocht deze school in 1867. Zorgde hg ook voor betere slui- 
ting? Het Verslag meldt dit niet. 

Bij den zoo ellendigen staat van 19 van de 58 scholen werden uit de 
schoolfondsen slechts f 798.87 tot reparatie uitgegeven. Slechts eene en- 
kele school, die te Poerbolinggo, had meer dan honderd gulden en wel 
f 167.57 daarvoor over. Vele scholen gaven er niets voor uit of zoo wei- 
nig dat het niet te noemen is, b. v. Toeloeng-Agoeng f 4, Tjiamis 
f 1. Groote somimen worden jaarlijks door de Staten-Generaal voor het 
bouw-departement toegestaan. Is het te veel gevraagd dat daarvan toch 
een bescheiden deel voor het schoolwezen worde aangewend. Wij kunnen 
echter door meer over de schoollokalen te zeggen niet anders dan in 
herhaling vervallen en stappen daar dus van af. 

Het toedicht op de scholen wordt in den regel door de controleiu*s 
gehouden, en schier elk verslag levert het bewijs dat door herhaald school* 



365 

bezoek en door het geven van nuttige wenken aan de onderwijzers dit 
toezicht in hooge mate nuttig is. Zoo bezoekt de controleur te Patjüan 
de schoo] minstens ééns per maand, om de vorderingen der leerlingen en 
de geschiktheid der onderwijzers na te gaan, hetgeen gunstig afsteekt bij 
het toezicht op een andere school, waarvan men zich vergenoegt te zeg- 
gen, dat men van het amfioen-schuiven, waarvan de onderwijzer in het 
vorig jaar werd beschuldigd, niets vernam. 

Wij zouden hier ons verslag over de regentschapsscholen kunnen ein- 
digen, zoo wij niet nog de opmerkzaamheid wilden vestigen op eene zin- 
snede voorkomende in het gewestelijk verslag over Poerwodadi. "Wij lezen daar: 
»I)at de school zoo goed als niet aan leerlingen heeft gewonnen, moet 
aan verscheidene oorzaken worden toegeschreven. T. w. 1®. dat voor het 
verkrijgen van eene aanstelling tot inlandsch ambtenaar, in het oog van 
den inlander de schoonste betrekking, geene bepaalde vooi'waarden zijn 
gesteld van die kunde, welke men m de inlandsche maatschappy, zooals 
die thans is, zich gewoonlijk alleen op de scholen kan eigen maken, terwijl 
in den regel geboorte, hooge afkomst en een langdurige trouwe hulp aan 
het een of ander kantoor of aan een Gouvernements ambtenaar als magang 
bewezen, boven kunde den voorrang hebben. 2®. enz. . . . 

Hoe voorzichtig deze regelen ook mogen gesteld zijn, zoo blijkt er toch 
uit dat de Regeering in Indië bij benoeming tot inlandsche ambtenaren meer 
op hooge geboorte dan op kundigheden let; dat gunstbetoon regel, belooning 
van kunde uitzondering is. Met leedwezen vernemen wij deze bijzonderheid. 
Een regeeringsbesluit waarbij bepaald wordt dat enkel zij die lezen, schrij- 
ven en rekenen kunnen, voor eene inlandsche betrekking in aanmerking 
mogen genomen worden, ware zeker gewenscht. Mededeelingen als die 
uit Poerwodadi doen ons meer en meer een blik staan in ons inwendig 
bestuur van het schoone hisulinde, en wij zijn dankbaar voor de mede- 
deeling omdat alleen door de openbaarmaking van dergelijke misbruiken 
herstel te wachten en te verkrijgen is. 

§3. 
Districtsscholen. 

Wij hebben dit jaar uitermate weinig over de districtsscholen mede te 
deelen. Wij konden schier volstaan met te zeggen malles als eenjaar gele- 
den." Toch veroorloven wij ons een paar opmerkingen. 

De districtsscholen verschillen niet veel van de regentschapsscholen. De 
onderwijzers zijn van hetzelfde gehalte, doch over het algemeen nog minder 
ontwikkeld; slechts twee treffen vnj onder hen aan die hunne opleiding 
op de kweekschool te Soerakarta genoten hebben. De leerlingen verschillen 

24 



366 

in niets van die der andei*e scholen. De aard en omvang van het onder- 
wijs zijn schier gelijk. De lokalen zijn van denzelfden aard, zoo niet nog 
minder geschikt dan die der regentschapsscholen. Het voornaamste onder- 
scheid is, dat deze scholen gevestigd zijn op plaatsen waar soms geen 
controleur aanwezig is en het toezicht dus zooveel minder goed kan werken. 
Iets van het onderwijs behouden de leerlingen toch zeker, en het is op- 
merkelyk dat een groot aantal verslaggevers over regentschapsscholen krach- 
tig en ernstig er op aandringen, om in hunne afdeelingen of districten 
toch ook dergelijke scholen op te richten. De afstand tot de hoofdplaats 
is dikwerf zoo groot, dat de massa der Javanen er niet aan denken kan, 
hunne kinderen naar de regentschapsschool te zenden. .Ook zij zijn niet 
gaarne van hunne kinderen gescheiden, en om hen ter hoofdplaats naar 
school te zenden zouden zij hen bij bloedverwanten, vrienden, ja vaak vreem- 
den in den kost moeten doen. Dat doen zij natuurlijk niet gaarne, behalve 
dat het kosten zou na zich sleepen, in den regel te groot om te dragen. 

Daarbij komt het schoolgeld dat bij deze ' inrichtingen zoo veel mogelijk 
wordt geheven, zoodat wij ons levendig het belang kunnen voorstellen dat 
zoo velen in districtsscholen stellen. Uit Bandong schrijft men dat zeer 
groote behoefte aan districtsscholen bestaat, uit Soemedang verneemt men 
hetzelfde. Te Patti hetzelfde verlangen, evenals te Keboemen, als tePono- 
rogo. Volgens een staat achter het Verslag geplaatst, bestaan er op Java 
slechts 32 districtsscholen, met ongeveer 1500 leerlingen. Zonder dat het Ver- 
slag redenen daarvoor opgeeft, meldt het alleenlijk dat de districtsscholen 
in Mo^jokerto met 1 Juni 1867 werden ingetrokken, terwijl er in Poerwo- 
kerto schijnen opgericht te zijn, en de 13 bestaande in Pekalongan met ëën 
werden vermeerderd. Uit dit laatste regentschap wordt daarbij geschreven: 
»Alles toonde aan dat het onderwijs onder den inlander in deze resi-- 
dentie ook voor verdere uitbreiding nog vatbaar zal zijn, wanneer een- 
maal het onderwijzers-personeel voor de vervulling zijner taak gedcbikt 
zal wezen." 

Wy komen dus alweder op hetzelfde terug: meer onderwijzers, vooral 
van de kweekscholen, en uitbreiding kan niet anders dan volgen. O! 
waarom toch talmt de Regeering zoolang met de kweekschool te Probo- 
linggo en met zoovele andere maatregelen die gunstig op de vermeerde- 
ring der onderwijzers zouden kunnen werken? 

Onder de opgegeven districtsscholen vinden wij twee inrichtingen ver- 
meld die^ naar het ons toeschijnt, eigenlijk méér bij de bijzondere scholen 
zouden tehuis behooren: wij bedoelen de scholen te Toegoe en te Depok 
onder Batavia. 

Te Toegoe waren alle leerlingen kinderen van Ghristen-inwcmerB, hukd*- 
bouwers van beroep. »Bij de inlandsche Christenen van Depok,*' zegt het 
Verslag, iheerscht de gewoonte om hunne kinderen, 2KK>wd meiajes ab 



367 

jongens, van hun 6de tot hun 14de jaar getrouw de achool te laten bezoe- 
ken.*' Op deze school wordt de Nederl. taal onderwezen, en eerst sedert 
kort is zij een Gouvernements inrichting. Bij Gouvernements besluit van 14 
Aug. 1867, n°. 3, werd ze daartoe verklaard en de zendeling-leeraar J. 
Beukhof ontving van het Gouvernement eene betuiging van tevredenheid. 
Deze school genoot vroeger (besluit van 21 Maart 1858, n'. 9) eenejaar- 
Ujksche toelage van ƒ50 voor ameublement; thans krijgt zij eene toelage 
voor school- schrijf- en lokaalbehoefben van f ? Het cijfer meldt het 
Verslag niet. De school te Toegoe staat mede onder toezicht van eenzen- 
deltng-leeraar, en gelijk in 1866 werden ook in 1867 herhaalde pogingen 
gedaan om de Mphammedaansche jeugd, aldaar woonachtig, op de school 
te krijgen, doch zonder eenig gunstig gevolg. 

Men ziet het, deze beide inrichtingen met 101 leerlingen, waarvan 50 
jongens en 51 meisjes, zijn meer Ghristeiyke zendeling-scholen dan eigen- 
lijke districtsscholen. De onderwijzer te Toegoe geniet nit 's Rijks kas 
eene bezoldiging van ƒ420, die te Depok eene van ƒ446. De schrgf be- 
hoeften op deze scholen bedroegen ƒ80 te zamen. 

De school te Toegoe wordt gehouden in een gedeelte der kerk. De 
leermiddelen en het mobilair waren te Depok voldoende, terwijl ons om- 
trent het lokaal niets wordt medegedeeld. In deze laatste school krijgen 
de meisjes onderwijs in vrouwelijke handwerken, zooals naaien, borduren 
enz. Aan alles ontwaart men dat dit geen eigenlijke districtsscholen, zoo* 
als de andere op Java, zijn. Met genoegen zagen w\j echter deu bloeien- 
den toestand dezer scholen en hopen dat de Regeering krachtigen steun 
in geklelijke sufasidiën zal verléenen om éi^^ nuttige imichttngen steeds 
meer en meer aan haar doel te doen beantwoordien. 

En hierbij zullen wij het voor dit jaar wat de districtsscholen aangaat 
late», om thans nog met een enkel woord over de particuliere scholen 
te Inteken. 



368 



Particuliere scholeiL 

I. 
Tjiandjoer. 

Allereerst treffen wij 2 bijzondere christelijke scholen aan in de Prean- 
ger regentschappen, te Tjiandjoer, welke opgericht zijn door de Rotter- 
damsche zending-vereeniging in September 4865. De eerste, voor jongens 
bestemd, staat onder de zorgen van den zendeling G. Albers. Het verslag 
door dezen geleverd, is uiterst bescheiden geschreven, leest zeer aange- 
naam, en getuigt van zijne innige en warme liefde voor het onderwijs en 
vooral ook van zijn tact om met de jeugdige Soendaneesche jongens om 
te gaan. Vele zijn echter de moeilijkheden waarmede deze waardige on- 
dervdjzer-zendeling te kampen heeft. Voornamel^k klaagt hij over de 
gedurige verwisseling van kinderen. Op ultimo December mocht hij als 
volgnummer 119 opteekenen, doch niet meer dan ruim 40 kinderen be- 
zochten zijne school te gelijk. 3>Langen t^d op de school te blijven is eene 
merkwaardige zeldzaamheid," zegt hij. De ouders laten zich te weinig 
aan de kinderen gelegen z^n, en deze blijven soms langen tijd van school 
zonder dat de ouders het weten. Albers zegt dat »de Soendanees voor- 
namelijk uitmunt in z^n gebrek aan volharding, waardoor immer weinig 
van hem gemaakt zal kunnen worden." 

De meeste kinderen op deze school zijn naar gisang van 11 tot 14 
jaar oud. Des morgens begint de school met een gebed en met verhalen 
uit de Bybelsche geschiedenis, welke volgens den verslaggever de Soen*- 
daneesche jongens zeer boeien, zoodat zij dat uurtje niet gaarne zouden 
missen. Verder leert hij lezen en schryven, uitsluitend met Latijnsche 
karakters, de 4 hoofdregels van het rekenen, tiendeelige en gewone 
breuken met den regel van drieën, een weinig aardrijkskunde en zingen. 
In het laatste vak waren de vorderingen het minste, daar telkens van 
voren af begonnen moest worden, omdat de kinderen, voor zij aan elkan- 
der gewoon waren, weder vertrokken. Vatbaarheid voor de zangkunst 
ontbreekt bij de jongens echter geenszins. De leermiddelen zijn op de 
school gering en het schoollokaal goed, doch te klein. Vooral de ventilatie 
wordt zeer geroemd. 

De zendeling heeft geen hulp bij zijn onderwijs dan die van zijn (goeroe- 
toelis, die tot hulp echter tamelijk geschikt is. 

Aan het slot van het waarlijk belangrijk schoolverslag klaagt de heer 



369 

Albers nogmaals over het slordige schoolkomen eD zegt onder anderen: 
iLange tijd zal er dan ook moeten verloopen, eer de scholen stabiel worden, 
en nog langer tijd eer de ouders hunne kinderen zullen zenden uit be- 
hoefle. Ik twijfel echter niet aan de toekomst. Het is niet mogelijk, dat 
het licht niet de duisternis zou overwinnen. Vele mogen 'daarom de be- 
zwaren zijn, eenmaal zullen onze nakomelingen den boom aanschouwen 
dien wij nu bezig zijn te planten** .... 

De tweede school te Tjiandjoer, opgericht in Januari 1867, was be- 
stemd voor meisjesschool, en heeft haar aanzijn mede aan de Rotterdam- 
sche zending-vereeniging te danken. In den loop des jaars werd zij be- 
zocht door 17 meisjes en door evenveel jongens. Acht meisjes en 7 jon- 
gens verlieten de inrichting, zoodat er op het einde 9 meisjes en 10 jongens 
aanwezig waren. De zendeling Coolsma klaagt mede over het gemis aan 
steun bij de ouders. De leerlingen verlaten de school geheel willekeurig; 
een twist met een makker is voldoende om hen voor altijd van de school 
te verwijderen. 

De vakken van onderricht zijn ten eerste de gewijde geschiedenis; voorts 
het lezen met latijnsche karakters, schrijven, de 4 hoofdregels van het 
rekenen, zingen en aardrijkskunde. 

De vorderingen overtroffen de verwachting, en waren bemoedigend. De 
meisjes overtroffen de jongens; de eersten worden gezegd vlugger en ijve- 
riger te zyn, en getrouwer ter school te komen. 

De leermiddelen waren voldoende en de kosten werden gedi*agen door 
de zendingszaak. Het lokaal was goed en luchtig, doch wel wat te klein. 

n. 

Soemedang, 

De Regent van Soemedang, radhen Adhipatih Soeria Koesoema Adhinata, 
richtte in Juli 1867 voor eigen rekening eene school op en plaatste die 
onder de leiding van den heer O. Warnar. Deze school is bestemd voor 
de kinderen en kleinkinderen van den Regent; maar wordt toch ook door 
een zoon en neef van den Regent van Qaloe (Cheribon) bezocht. Bij de 
bespreking van de regentschapsscholen vonden wij reeds gelegenheid mede 
te dealen, dat de Regent van Soemedang een gouverneur voor zijne kin- 
deren had aangesteld. Welnu, deze school is het gevolg van die aanstelling. 
Negen zonen en één kleinzoon van den Regent met de t^ee bovengenoemde 
leerlingen uit Galoe vormen dan ook alleen de schooljeugd dezer inrichting. Het 
onderwys was natuurlijk elementair, en diende hoofdzakelijk om de leer- 
lingen in de Hollandsche taal te leeren denken, spreken en schrijven, als- 
mede om hen, zooveel mogelijk, op westersche wijze te vormen. De beide 



370 

oudste leerlingen, 16 — 17 jaar oud, konden vry goed HollandAch lezen en 
het gelezene met eigen woorden teruggeven. De rededeelen van die 
taal, zegt het Verslag, kenden zij, en eenvoudige voorstellen met een tus- 
schenzin wisten z^ zeer goed logisch en taalkundig te analyseeren. Zy waren 
vaardig in de behandeling van gewone en decimale breuken. De beide 
andere klassen waren natuurlijk nog zooverre niet gevorderd, doch het 
schoonschrijven van b^na alle leerlingen mocht fraai genoemd worden. 
Het onderwys werd uitsluitend in de Hollandsche taal gegeven, doch de 
moed om zelf Nederlandsch te spreken liet bij alle leerlingen nog te wen- 
schen over. 

De leermiddelen waren uitmuntend en de school maakte op den bezoe- 
ker een verrassenden indruk. 

Van deze school gaven wij met bet grootste genoegen dit zeer verkort 
verslag, en wij zouden ons verheugen zoo vele Regenten het voorbeeld 
van dien van Soemedang volgden. 

m. 

Samara7ig. 

Het aantal leerlingen op de zendelingschool van den zendeling-leeraar 
W. Hoezoo bedroeg in dit jaar een dertigtal. Ongeveer 10 woonden by 
den zendeling in en waren daardoor getrouwe scholieren, de andere kin- 
deren maakten slechts bij afwisseling van het onderwijs gebruik. Het 
Verslag zegt : »voor meer bijzonder godsdienstig onderwijs werd a&onderlijk 
catechisatie gehouden met de Christen-kinderen, die op de school dan ook 
slechts de minderheid uitmaakten.'* 

De zendeling onderwees het lezen en schrijven en de beginselen van het 
rekenen. Over de vorderingen, het lokaal en de leermiddelen zwygt het 
Verslag. 

IV. 
Japara. 

Hier treffen wy de niet door het Ryk gesubsidieerde school aon van de 
Doopsgezinde Vereeniging tot evangelie-verbreiding in de N. O. I. Bezittingen, 
ppgericht in Juli 1866. 

De zendeling N. D. Schuurmf^n geeft hier ondjsrwys aan 21 kinderen 
>in de bijbelsche geschiedenis, algemeene geschiedenis, geschiedenis \9ü 
Java, aardrykskunde in het bijzonder van den N. O. I. Archipel en van 
Palestina, physische aardrykskunde, rekenen (de vier hoofjlrege)^ mi^t toe- 



371 

passingen, tiendeelige breuken), taalkundig onderwijs betreffende het Ja- 
vaansch, Maleisch, Hollandsch en oefening in het lezen en schreven dier 
talen, benevens zang-onderwijs." 

De vorderingen der leerlingen waren over het algemeen gunstig. 

• 

V. 

Soerabaja. 

De school te Modyowarno stond onder toezicht en leiding van den Heer 
J. Kruijt, zendeling van het Nederlandsch zendeling-genootschap. Van de 
200 leerlingen op ultimo December 1867 waren 69 jongens en 61 meisjes 
kinderen van Christenen, en 9 meisjes en 61 jongens kinderen van Moham- 
medanen. De leerlingen waren in drie, klassen verdeeld en twee Javaan- 
sche onderwijzers waren den zendeling behulpzaam. Zij genoten van hem 
hunne verdere opleiding. Deze school werd door den Resident bezocht, die 
zijne tevredenheid over de vorderingen der leerlingen te kennen gaf. 

VI. 

Soerakarta. 

De inrichting waarover wy thans een woord moeten zeggen, is de school 
in het gebied van Pangeran Adhipatih Ario Mangkoe Negoro IV. 

Dit jaar werd de school door 97 leerlingen bezocht, en dus door 2 min- 
der dan het vorig jaar. De school is in drie afdeelingen gesplitst. De 
eerste bestond uit 38 zoons van bloedverwanten van den Prins, de tweede 
uit 37 zoons van hoogere en lagere ambtenaren vanden Prins, en de derde 
uit 22 zoons van lieden zonder openbare betrekking of van onaanzienlyke 
geboorte. 

Over deze verdeeling spraken wij te uitvoerig in vorige verslagen om 
thans wederom daarover uit te weidep; genoeg zy het op te merken, dat 
de omvang van het onderwijs volkomen gelijk was aan dien van het vorig 
jaar. Klachten over slecht schoolkomen worden ook bier aangeheven, ter- 
wijl opgemerkt wordt, dat de kinderen van de eerste afdeeling ongezegge- 
lijker en lastiger waren dan die der andere afdeelingeUf Soms moest een 
derde gedeelde van al die kinderen by dag en een zesde gedeelte van hen 
l^ nacht dienst doen, of zich althans tot dat doel in den dalem van den 
prins bevinden. Even als vroeger werd de school gehouden in eenige kleine 
kamers, hetgeen veel ongerief veroorzaakte. Maar hoe ook voor verbete- 
ring vatbaar, gaat ze toch voort tot nut van de inlandscbe bevolking van 
Soerakarta te werken. Aan het slot van het verslag dezer school lezen wij : 



372 

»Daar het hoogst moeil^k en bezwarend is om de kinderen van de buiten 
de hoofdplaats wonende onderdanen van den Prins tot het ontvangen van 
schoolonderwijs ter hoofdplaats te laten komen en hun verblijven te ver- 
schaffen, heeft de Prins reeds voorloopige maatregelen genomen om in het 
jaar 1868 eenige scholen in* sommige ver afgelegene districten op te richten." 
Wy mogen niet nalaten dit verbiedend bewijs van s' Prinsen zorg voor 
het onderwas aan onze lezers mede te deelen. 

VU. 
Djokjokarta. 

Zonder eenige Gouvernements subsidie bekostigt Pangeran Adhipatili 
Soeigo Sosro Ningrat steeds te Djokjokarta eene school, ook voor de kin- 
deren van mindere inlanders toegankelijk. 

Gemiddeld maakten een 28tal jongens van deze school gebruik. Het 
jaarverslag over 1867 geeft niets over den omvang van het onderwijs op; 
het klaagt alleen over het te oud school komen en te kort op de school 
blijven. De schoolgelden werden gebruikt tot het aanschaffen van school- 
behoeften, en het toezicht werd door den Pangeran en diens patih uit- 
geoefend. Bij Gouvernements besluit van 31 Mei 1857, n®. 29, zijn twee 
kweekelingen, wier opleiding aan de kweekschool te Soerakarta voltooid 
was, ter beschikking van den Sultan gesteld, om in het belang van het 
onderwys te Djokjokarta werkzaam te zijn. 

§ 5. 
M a d u r a. 

Madura wordt in het Verslag over 1867 niet, gelgk vroeger, als een 
deel van Java behandeld, maar afzonderlijk tusschen Java en Sumatra ge- 
plaatst. Daar het echter doorgaans niet tot de Buitenbezittingen gerekend 
wordt, waarover wij later afzonderlijk willen spreken, scheen het ons het 
best er hier nog een woord als een aanhangsel op ons overzicht der 
scholen van Java van te zeggen. 

Op Madura treffen wij drie scholen aan, die volkomen gelijk staan met 
de regentschapsscholen op Java. Het zgn de scholen te Pamakassan, te 
Bangkalan en te Soemanap, respectievelijk met 79, 89 en 61 leerlingen. 
Op de school te Pamakassan werd een openbaar examen gehouden, dat 
niet minder bevredigende uitkomsten opleverde dan het vorig jaar. Het 
rekenen met üendeelige en gewone breuken deed zien dat de onderwijzer 



378 

daaraan bijzondere zorg had gewijd. Een vergrooting van het schooUokaal 
werd uit de fondsen der school bekostigd. De onderwijzer, zijnde iemand 
van voorname afkomst, voldeed bij uitstek, en de hulponderwijzer stond 
hem getrouw bij. De bezoldiging van dezen laatsten, ad ƒ6. — per maand, 
wordt echter veel te gering geacht. Over het groot schoolverzuim wordt hier 
niet zooals op Java geklaagd. Slechts één leerling werd daarom ontslagen, 
waartoe zijne onverbeterlijke luiheid toch aanleiding zou g^even hebben. 

Het aantal leerlingen te Bangkalan wordt in het gewestelijk ver- 
slag niet opgegeven, doch de staat vermeldt dat 89 leerlingen aan het on- 
derwijs deel namen. Men zocht daarvoor een beter schooUokaal. Het examen 
leverde stof tot tevredenheid even als het vorige jaar. Het Verslag zegt 
dat de opkomst der kinderen niets te wenschen overliet. Twee kweeke- 
lingen stonden den onderwijzer bij; zij genoten fiO p. m. tractement. 

De school te Soemanap werd dit jaar, na sedert 1864 gesloten te 
zijn geweest, weder in het leven geroepen, en doordien de hoofden, 
waarschijnlijk op aandrang van het Europeesch bestuur^ hunne kinderen 
trouw ter school zonden, volgden mindere hoofden en gewone inlanders 
dit voorbeeld. De bijzondere tact van den onderwijzer werkte gunstig op 
het schoolbezoek. Jammer dat het onderwijs in de eerste beginselen der 
aardrijkskunde, bij gebrek aan kaarten, is moeten gestaakt worden! Het 
handteekenen geschiedt naar de voorbeelden van den Heer Holle. Een 
goed schoolgebouw is nog niet aanwezig, doch de Regeering schynt van 
voornemen er een te bouwen. De onderwijzer wordt zeer geroemd. ^Hij is,'' 
zegt het Verslag, ]E>zeer geschikt voor zijne betrekking, daar hij door zynen 
bijzonderen tact, waarmede hij met de schoo^eugd omgaat, deze liefheb- 
berij in het leeren weet te doen krijgen." De 2de zoon van den rijks- 
bestierder is op een tractement van f 15. — als kweekeling op deze school 
aangesteld. 

Het verdient opmerking dat het Verslag omtrent de scholen op Madura 
over het algemeen zoo gunstig luidt. Het doet hopen dat men van de 
bevolking van dit eiland iets goeds mag verwachten. 



En hiermede willen wij dit verslag eindigen. Over de Buitenbezittingen 
spreken w^ wellicht een volgenden keer. Het medegedeelde heeft veel over- 
eenkomst met dat van eeu vorig jaai*; maai* mochten wy dus niet veel 
nieuws ten beste geven, zoo vertrouwen wij dat door herhaaldelijk de aan- 
dacht van het publiek op de zaak van het inlandsch onderwijs te vestigen 
dit dan toch eindelijk zal gaan gevoelen dat Nederland verplicht is meer 



874 

duwaan te doen. Zoo hopei wy dat het HoUandsche geweten eenmaal 
voor deze ongelegenheid wakker zal worden geschud, en dat wg dan 
meer en meer krachtigen steun zullen ondervinden in onzen strgd voor de 
bevordering van een zoo hoogst gewichtige aangelegenheid. 

Rotterdam, Februari 4871. Yibult Vebbruoob. 



EEN PLEIZIERTOCHTJE IN INDIE; 



DE BEKLIMMING VAN EEN ONBEKLIMBAREN BERG. 



Niets is aanlokkelyker . dan het onbekeode, en dikwijls is het gebleken 
dat men eene zaak slechts als onmogelijk had af te schilderen, om aan- 
houdend pogingen in het werk te zien gesteld, om dat ^onmogelijke" mogelijk 
te maken, al kon men ook vooruit berekenen, dat de waarschijnlijke resul- 
taten noch de genomen moeite, noch de gemaakte kosten zouden compen- 
seeren. 

Wat hiervan de oorzaak ook zijn moge, zeker is het, dat het streelende, 
gelpgen in het bestrijden van onoverkomelijk geachte hinderpalen, — te kun- 
i^en zeggen: »ik heb gedaan wat nog geen ander vóór my deed/' meer 
dan andere beweegredenen, een zoo gunstig onthaal aan het door eenige 
officieren voorgestelde plan tot beHlimiping van den Salhpetoe, deed • te 
beurt vallen. 

^Yan den Salhoetoet" zal menigeen, ook zelfs hy die in de aardrijks- 
(lunde van Indië nog al meent thuis te zijn, met bevreemding uitroepen; 
»van den Sall^oetoe?" 

Ja lezer van den Salhoetoe; doch vnj willen gaarne erkennen dat uwe 
bevreemding ons alleszins begrijpelijk voorkomt, daar wy verzuimd hebben 
u eenigszins ter hulp te komen door de vermelding, dat we ons in de 
Molukken en wel op Ambon bevinden, en noch Valentijn noch de Ind. 
I(egeering3-almanak eene zeer algemeene of amusante lectuur zyn, — en 
dit toch z\jn, voor zoo verre ons bekend is, de eenige boeken, die van een 
berg van dien naam melding maken *). 



I) ValflutiJA, aifegsTe v«a Prof. Keyw, Deel U, bb. llli lad, ]if«. alm., bis. 
71, waar de hoogte des bergs als 3890 voet wordt opgegeven. 



376 

De i*eeds vroeger door een Gouvernements ambtenaar en iater door 
eenige vreemdelingen gedane pogingen tot beklinmiing van den Salhoetoe, 
schenen het beweren van .Valentijn, — die hem onder den naam van 
Tanita, 2»het hoogste gebergte van het gansche eiland" en >ontoeganke- 
lijk'* noemt, — volkomen te bevestigen; want, waarschijnlijk afgeschrikt 
door de ondervonden moeilijkheden van allerlei aard, verder dan ter 
halver hoogte was nog niemand gekomen. Hetzij by de bewoners der 
aan den voet gelegen negorijen Tolehoe, Waai en andere eene soort van 
bijgeloovige vrees omtrent den berg werd gekoesterd, of wel dat hy bij over- 
levering als een zeer onherbergzaam en woest oord, dat weinig bruikbaars 
opleverde, bekend stond, slechts één persoon was te vinden die de taak 
op zich dwfde nemen, een weg naar den top te zoeken. 

Bij eenige bekendheid met den aard en het karakter van den Amboi- 
nees zal het wel overbodig zijn te zeggen, dat een Gouvernements amb- 
tenaar, met eene of andere ons onbekende zending belast, ook nu den tocht 
medemaakte, of liever dat wij in zyn gevolg medegingen. Aan deze om- 
standigheid toch was het alleen te danken, dat, door bemoeienis van het 
in Indiê alvermogend mechanismus, Civiel Bestuur geheeten, in enkele 
dagen werd volbracht — n. 1. het maken van een pad en het verkrijgen 
der vereischte dragers voor de bagage, — wat zonder die hulp — aan- 
genomen dat de mogelykheid er toe bestond, — met eene tienvoudige 
betaling, in geen maanden had kunnen verkregen worden. 

Het gezegde: zooveel hoofden zooveel zinnen, werd reeds dadelijk bij de 
bespreking der mede te nemen benoodigdheden en levensmiddelen voor de 
reis bewaarheid. Deed de kolossale hoeveelheid dezer laatsten eer aan 
eene reis naar het onbekende Zuidland, dan aan een pleiziertochtje naar 
eenen slechts enkele duizend voet hoogen berg denken, de vervaarlijk krygs- 
haftige uitrusting van eenige tochtgenooten gaf ons meer het aanzien 
eener »hongi dari tempo doeloe*' '), dan van een troepje vreedzame toe- 
risten. In de beste stemming echter vertrok ons gezelschap uit 10 perso- 
nen bestaande, waaronder twee Inl. regenten, beide zeer beschaafde en 
hupsche menschen, op den bepaalden dag des morgens om 6 uur van 
Ambon, terwyl het weer, dat door den buitengewoon langdurigen Oost- 
moeson, — in de Molukken waait, in tegenstelling met Java, gedurende 
den regentyd de oostewind — zeer regenachtig geweest was, voor den 
tocht alles goeds beloofde. 

Binnen het uur waren wij de baai van Ambon overgeschept en kwamen 
wij aan den pas van Baguala, waar, door de zorg van den Regent, in het 



1) De toohten die de dienaren der Compagnie vroeger jaarlijks een of tweemaal 
deden, ter uitroeiing van noten- en nagelboomen en bestraffing, der planters werden 
„hongi" geheeten. 



377 

n^ory-huis een stevig ontbijt was klaargezet, dat, zeker ten gevolge van 
den door de zeelucht opgewekten eetlust, in een ongeloofelijk korten tyd 
verdwenen was. 

Prachtig was het gezicht geweest'^ dat vnj door het spiegelgladde ^ater op 
den bekenden koraaltuin in de baai van Ambon hadden genoten, en gaarne 
hadden wij langer getoefd, zoo niet de reeds doordringende zonnestralen 
ons hadden geveaarschuwd, dat wij nog een virarmen dag voor ons hadden. 

In de buitenbaai lag een ander vaartuig. »orembaai" geheeten, gereed 
om ons naar de negorij Tolehoe, waar overnacht zoude worden, over te 
brengen. Onder een oorverdoovend geraas, door het slaan op tifa's en gong's, 
afgewisseld of geaccompagneerd door het alles behalve melodieus gezang 
der roeiers, werden wy langs de kust geschept, en reeds begonnen zich 
bij enkelen onzer de welbekende teekenen van zeeziekte te vertoonen, toen 
de man op den uitkijk »Tolehoe adal" — daar ligt Tolehoe! — riep. 

Het debarkement had hier op eene vrij zonderlinge, althans zeker niet 
algemeen gebruikelijke wijze plaats. Nauwelyks toch had ons vaartuig, 
door het ondiepe water daartoe verplicht, op ongeveer 500 pas van den 
v?al het anker laten vaUen, d. w. z. zat ons schip aan den grond, of een 
zestiental Inlanders, tot aan de borst in 't water staande, waren reeds langs 
z\j, om de Toeans naar den wal te pikelen en hen zoodoende voor natte 
voeten en eene mogelyke verkoudheid te vrijwaren. 

Allergulst was de ontvangst, ons door den ouden radja van Tolehoe 
bereid; zelden zag ik een Inlander die op het eerste abord zooveel sym- 
pathie inboezemde, en niets speet hem meer, toen wij den volgenden dag 
vroegtijdig vertrokken, dan dat hij door eene gevaarlijke en lastige kwaal, 
de kanker in de keel, werd belet aan onze excursie deel te nemen. Alleen 
de belofte bij onze terugkomst een geheelen dag b\j hem te zullen vertoe- 
ven, stelde hem eenigszins tevreden. 

Prachtvol was het gezicht op den voor ons liggenden berg, nog slechts 
flauw door de stralen der opkomende zon verlicht. Een enkele nu en dan 
geslaakte zucht deed m\j echter twijfelen, of dat prachtige gezicht niet 
tevens oorzaak was, dat in enkele gemoederen de lust opwelde, om maar lie- 
ver stilletjes bij den radja van Tolehoe beneden te bleven ; doch het qu*en 
dira-i-on en een beetje eigenliefde maakten^ dat allen een 'uur later, in 
draagstoelen gezeten, op weg waren. 

Hoe welverdiend de renommée der Amboinezen als dragers, om u met 
hunne stoelen door dik en dun, over berg en kloof op de plaats van uwe 
bestemming te brengen, ook z^n moge, k l'impossible nul n'est tenu, zoodat 
we, na een half uur gedragen te z^jn, uit de stoelen klommen, en, zoo 
we verder v^den, van onze eigen beenen konden gebruik maken. Gelukkig 
gaven de boomen schaduw genoeg om ons tegen de steeds feller brandende 
stralen der zon te beschutten ; het terrein begon langzamerhand al aardig 



378 

te rijzen, en wat ons van verre als eene doorloopende zachte glooiing had 
toegeschenen, bleek van dicht bij eene opvolgende reeks van heuvelen te 
z)jn, waarvan enkelen door de natuur op de meest kunstvolle wijze door 
ruggen of dammen waren verbonden, wier taluds op de ergerlijkste ma- 
nier met alle mogelijke definities van eene ]»natuurlijke helling" schenen 
te spotten. 

De boomen op den bodem der kloven en in de nauw ingesloten ravijnen, 
schenen met elkander een wedstrijd te hebben gehouden, wie hunner zich 
het hoogst zou verheffen, om met de kruinen der hooger geiegenen als 
't ware één geheel te vormen ; een kleed zóó liefelijk, zóó fiïsch, zóó hel- 
der groen in tallooze nuances, dat ge zonder het stellige bewustzijn, dat 
uw eerste stap tevens uw laatste geweest was, zeker aan den onwille- 
keurig opkomenden lust, om dit tapijt met uwe voeten te betreden, geen 
weerstand zoudt hebben kunnen bieden. 

W\j willen u geenszins beleedigen, lezer, door de onderstelling dat ge 
nog nooit een berg hebt beklommen; te meer daar het aannemen van het 
tegendeel ons de beschrijving bespaart van dat eigenaardig gevoel van 
v^evel en teleurstelling, dat u bevangt wanneer ge ziet dat zooveel met 
alle krachtsinspanning verrichte arbeid nutteloos is geweest; van de moe- 
deloosheid die zich van u meester maakt wanneer ge, na ongeveer een 
1500 voet te hebben geklommen en als g\) reeds halfweg denkt te zijn, 
plotseling het pad ziet dalen^ en uw oog ver, heel ver in de diepte den 
bergstroom ontwaart, wiens klaterend gedruiseh u reeds lang in de ooren 
heefl geklonken. Oeif! Zoo was dan alle moeite te vergeefs geweest! 

We hadden van den eigenlijken berg alzoo nog geen voet beklommen! 

Het zal wel geene verklaiing behoeven, dat toen wij beneden waren 
gekomen, het heldere koele water der Tai-soai enkelen uitlokte tot langar 
toeven; hier toch hadden de brandende stralen eener tropische middagB6ii 
geen toegang, en daar aan de overzijde vertoonden zich weer berghelttngen 
steiler ên minder begroeid dan ooit. Oroot was de verzoeking, om hier den 
nacht door tè brengen; doch het vororuitzicht van den blooten hemel tot 
dak en — daar de dragers mfet levensmiddelen reeds vofomit Wttren — 
niets don water, — lirel is waar, helder en koud, maar toch altijd maear 
water, — tot eenigen schotel voor ndiddag- of avondmaal te hebbén, dJBeé 
de verleidelijke sirenenstemmen al hare kracht vérliezen. 

Dus maar weer verder, al is het klimmen dat we gediaan hebben bij 
't geüen hu begint ntiaar kmderspel te noemen ; — er schijnt geen eimfe 
aan te zulleA komen; dalen doen we niet meer. 

Hoe, moeten we éaéaiegen op? Onmogelgk; ik kan Miet meer. 

Kom, met haiuiéii eti voeten de boomworteifl vastgegre^; zie daar 
h&ngt één rol^-tonw, van hoftea stevig vastgemaakt; vmng u naar borven en 
ziè daar de plek fo^rcakt, die dOor onzen padvinder attnvaaikd^ tot Meht* 



I 
/ 



379 

verbluf is bestemd. Groddank! hier kunnen we rusten. Rusten ja; inaar 
van nacht? — er is hier niets, zelfs geen water! 

:»Ainpir datang'* ^) zegt onze gids met zulk een phlegma, dat alleen 
onze vermoeidheid ons belet er toornig^ om te worden. :»Nog één uurtje^ 
nog eene 500 voet klimmen, en we zijn op xien top.*^ 

Maar dit ééne uur; die enkele 500 voet! Het uur schijnt eeliwig, en 
de voelen mijlen. 

De gi'ond is glibberig en nat; een dikke koude mist omgeeft langzamer- 
hand alles; de borst snakt hijgende naar adem; de aderen zijn bovemnate 
gezwollen; het hoofd dreigt te bersten en de beenen weigeren verderen dienst. 

Doch luister ! Is dat niet het geluid van menschenstemmen, dat daar 
het oor eensklaps treft? 

Ziel is dat geen rook, die dikke grijze kolom, die daar door den nevel 
henen zichtbaar wordt? 

Kom, nog eene enkele — nog ééne laatste inspanning, en ... . het doel 
van den tocht is bereikt. 

Nadat eene welverdiende rust ons wat hersteld had, was het eerste ge- 
voel dat zich van ons meester maakte, een gevoel van bewondering voor 
onzen gids, die zonde^r eenig middel om zich te oriênteeren, dan de stand 
der zon, in drie dagen den weg naar den top door bosch en kreupelhout 
gevonden had. Te meer verdiende hij onze bewondering, daar deze top slechts 
nu en dan zichtbaar was en nabijliggende toppen eene vergissing bijna 
onvermijdelijk maakten. 

Als wilde de Salhoetoe een bewijs geven, dat vader Valentyn ook om- 
trent zijne hospitaliteit niets dan vuige lastertaal had gesproken, boven 
brandde, vlak voor den ingang eener in der haast opgeslagen hnt, een 
vroolijk vuur, hetgeen ons, al hadden we juist geene oogenblikkeiyke behoefte 
aan verwarming, meer dan aangenaam aandeed; want tben dé eerste ver- 
moeienissen eenigszins voorbij waren, begon de maag op eene voor dé me- 
degenomen provisiën zeer verontrustende wij^e hare rechten té doen gelden. 
Zelden werd zeker dan ook een maaltijd met meer stAétak genuttijgd, al 
waren de aardappelen ook en robe de chambre, en ohtbrdkén er borden, 
messen, vorken en lepels. Ifoch móést dé ongelukkige die dé t^tJs. iêm 
Intendant op zich genomen had, menig hard woord, ïAÈt&g bitter Verwijt 
over deze zijne nalatigheid hooren ; doch toon h\j ons ded lutidéren édagSj 
tegen alle mogelyke culinaire regels in, éené soort van erwteübry mét géMa^ 
ken saucijs deed toedienen, rees de verontwaardiging ten top, éll weüd &é 
onverlaat, onder den indruk onzer teleurgestelde magen, — die gedacht 
hadden zich eens terdeeg aan eene heerlijke »snert'^ te zullen vergasten, — 
t' ■ ■ ^ 

*) B^foa, daar. 



380 

met algemeene stemmen van zyne waardigheid vervallen verklaard, onder 
de vernederende bepaling, hiervoor ten eeuwigen dage niet meer in aan- 
merking te zullen komen, tenzij vooraf eclatante bewijzen van beterschap 
gegeven hebbende. 

Beloonde nu het resultaat de gedane moeite? Helaas weinig; ook zelfs 
niet toen de nevel, waarin alles bij onze aankomst gehuld was, om 3 uur 
's middags eenigszins optrok. Behalve op Ambon en de baai werd bet 
uitzicht door eenige omliggende bergtoppen bijna geheel belemmerd. Vlak 
by ons, in noordwestelijke richting, door eene diepe kloof van den Salhoetoe 
gescheiden, stak de Kapaha, bekend door het aldaar in 1646 tusschen Toe- 
loekabesi en de E. Compagnie zoo bloedig afgespeelde drama, eenzaam en 
verlaten zijn steilen top omhoog. Verder noordwaarts op lag Ceram met 
z\jne bergen en vrijheidlievende bevolking; wat meer oostwaarts lag Sa- 
paroea en nog een reeks van die eilandjes waarmee de Moluksche archipel 
als 't ware bezsiaid is. 

Te vergeefs zal men in onzen geheelen Indischen archipel naar een plekje 
zoeken, waar de anders zoo weelderige natuiu* zich naakter en doodscher 
voordoet, dan hier boven op den top van den berg. Een vergiftigende adem 

■ 

scheen over alles te zijn heengegaan en alle groeikracht en wasdom m 
hunne kiemen te hebben verstikt, zoo wanstaltig, zoo ineengeschrompeld, 
zoo oudmannetjesachtig zagen boomen, struiken en planten er uit; en als 
om de laatste vergelijking nog treffender te maken, geen stam, geen takje, 
dat niet, even als de grond, met eene dikke laag grauw mos was bedekt. 
By eiken stap borrelde een vuil zwart water uit den bodem op, en slechts 
nu en dan, wanneer de voet het kleed dat de wortels van tallooze woe- 
kerplanten met het kille mos vormden, verscheurde, werd eene laag gele 
kleiaarde zichtbaar. Geen enkel levend wezen vervroolijkte dit tooneel; slechts 
hier en daar zag men eene zwarte hagedis, door het geritsel opgeschrikt, 
angstig en schuw in het mos wegschieten. Het geheel leverde een treffend 
beeld van een verwaarloosd kerkhof, in den winter. 

Wat nu de Flora betreft, deze werd boven bijna uitsluitend vertegen- 
woordigd door het Kajoe-^issower en het Kajoe-papoea, beide boomen met 
mikroskopische blaadjes; eenigszins lager scheen een heester, mataharir-oetan 
(bosch-zon), nagenoeg gelyk aan den bekenden oleander, welig te tieren i). 

Van eene hoogte van ongeveer 2500 voet tot aan het vroeger ge- 
noemde riviertje Tai-soai werd de plantengroei, naar gelang het mos ver- 
dween, allengs krachtiger; eerst schaars, doch steeds menigvuldiger hieven 



^) Wij Bchrijven hier de namen zooals ze ons door een der inlandsche regenten 
werden opgegeven, daar ons voor de wetenschappelijke de noodige botanische kennis 
ontbreekt. 



381 

de slanke naiiani en harsboom hunne kruinen omhoog, om ten laatste 
aan den voet van den berg met het Kajoe-meirali en hajoe-bessi gelieel 
de overhand te behouden. 

Bij het naar boven gaan werden door eenige Inlanders met de parang 
insnijdingen in verscheidene boomen gemaakt; ik dacht dat, daar meestal 
een gedeelte der schors was weggenomen, dit werd gedaan om misschien 
later het thans gemaakte pad te kunnen terugvinden. Bij het dalen even- 
wel zag ik, dat het heel ergens anders toe had gediend; want in dien 
tijd was — tot niet geringe vreugde der dragers — uit die insnijdingen 
eene groote hoeveelheid hars gedropen, zoo wit als melk. 

In welke armoedige gedaante de natuur zich boven ook voordeed, wij 
raeenen gerust te mogen verzekeren, dat dit geenszins aan onvruchtbaar- 
heid van den bodem te wyten is; want behalve dat deze, — geheel ver- 
schillend van den rooden kleigrond der bergen rondom Ambon, — uit 
eene vette gele kleiaarde bestaat, is hij op vele plaatsen met eene dikke 
humus-laag bedekt. Slechts de herscheppende hand des menschen is hier 
noodig, om, door het vernielen der tallooze woekerplanten en mossen, de 
stralen der zon vrijen toegang te verschaffen en onmiddellijk een krachti- 
gen plantengroei zich te doen openbaren. De koffieboom zal er dan, althans 
naar 't geen we er op Java van gezien hebben* zeker beter groeien, dan 
de nu door een onzer zoo maar zonder eenige voorbereiding in den grond 
gestoken plantjes. Eene proefneming met de kofïie op eene eenigszins uit- 
gebreide schaal en aan bekwame handen toevertrouwd, achten wij wel 
der moeite waard, te meer, daar zij bijna zonder kosten geschieden kan. 
De kwikkolom, die boven op den berg des middags om 3 uur 80* Fahr. 
aanwees, was des avonds om 6 uur tot 70» en des nachts om 2 uur tot 
65* gedaald; des morgens om 6 ure was zij weder tot 68o gerezen, ter- 
wijl gelijktijdige waaruemingen te Ambon eene temperatuur van 84*, 76», 
70* en 74* aanwezen. 

Naarmate de avond viel werd het in ons bivak zooal niet vroolijker, 
dan toch schilderachtiger; hier brandde een knappend vuur, welks roode 
gloed door de dwergachtige boomen schemerde en deze er als spoken deed 
uitzien; dddr lagen eenige Inlanders in hunne sarongs gewikkeld bij een 
hoop nog glinsterende kolen eene welverdiende rust te genieten of elkander 
tjerita's te vertellen van tempo-doeloe ; ginds waren eenige groepjes bezig 
hun sober avondmaal toe te bereiden, waarbij de door het vuur verlichte 
bruin-zwarte tronies er vervaarlijk woest en wild uitzagen. Zie! dit alles, 
omsloten als 't ware door een kring van tastbare duisternis, vormde een 
geheel^ het penseel van een Salvator Rosa waardig. 

Niemand onzer had den volgenden morgen lust het verblijf op den Sai- 
boetoe langer dan hoogst noodig was te rekken; nadat dan ook een ieder 
zoo goed mogelijk iets van de in een groenteblik gekookte koffie had 

25 



382 

trachten machtig te worden, en, ter vervanging van de Nederlandsche vlag, 
een mand aan een staak was geheschen, werd de Salhoetoe vaarwel ge- 
zegd, onder plechtige verzekering van de meesten onzer er nooit meer terug 
te zullen komen. 

De quaestie wat gemakkelyker is: klimmen of dalen, werd door ons ver- 
schillend beoordeeld; zij die voor het laatste waren, werden blijkbaar in 't 
gelijk gesteld, want we waren veel spoediger beneden dan boven, en dat 
de vermoeienis niet zoo heel groot was, bleek uit het voornemen van 
eenigen om 's avonds, na aankomst te Waai, nog eene danspartij te orga- 
niseeren. Gelukkig bleef dit echter, omdat de djojaro's of didjaro's niet 
meer bij tijds konden gewaarschuwd worden, tot den volgenden avond 
uitgesteld. 

Na nog een dag vertoefd te hebben bij onzen vriend den ra^ja van 
Tolehoe, die, ten believe van de jachtlustige heeren van ons gezelschap, 
eenige kippen in het bosch liet jagen, en na en passant nog een bezoek te 
hebben gebracht aan de voornaamste langs de kust gelegen negorijen, 
kwamen wij, ten zeerste voldaan over het gemaakte uitstapje, na eene 
afwezigheid van zes dagen te Ambon terug. 

3p April, 1870. L. E. Gerd essen. 



BOEKAANKONDIGING. 



Pandja Tandaran of de geachiedenis van GaliJah en Dmninah. 
Eene keur van Oostersche fabelen, uit het Maleisch vertaald 
door H. C, klinkeri. ZaU-Bommel, Joh. Noniayi en Zoon, 1871. 

In een vroeger nommer van dit Tijdschrift, Jaarg. 1868, deel II, biz. 
338, gaf ik verslag van de door Dr. van der Tiuik bezorgde uitgave van 
de Maleische vertaJing der Pandja Tandaran. Bij die gelegenheid heb ik 
ook omtrent den oorsprong en de letterkundige geschiedenis van dit werk 
het fioodige gezegd, zoodat het overbodig zou zijn daarover op nieuw in 
bijzonderbeden te treden. Ik kan volstaan met de herinnering, dat de 
Pandja Tandaran eene door den bekenden Abdoellah ben Abdilqadir ver- 
vaardigde Maleische vertaling is van de Tamielsche bewerking der Pantja 
Tantra, een oud en beroemd Indisch fabelboek, dat langs een anderen 
weg ook het materiaid heeft geleverd voor de in schier alle talen over- 
gezette fabelen van Bidpai, waarvan mede eene veel oudere, aan het 
Perzisch ontleende, maar nog onuitgegeven vertaling in de Maleische lite- 
ratmir gevonden vwrdt. 

De verdienstelijke beoefenaar der Mal^sche literatuur en ijverige mede- 
curbeider aan dit Tijdschrift, de heer H. C. Klinkert^ door het Nederlandsch 
Bijbelgenootschap met eene nieuwe vertaling der Heilige Schrift in zuiver, 
Tan vreemde kimengselen gereinigd Maleisch belast, heeft zich zijn, door 
treurige omstandigheden b€iren zijn plan en verwachting gerekt verblijf 
in het Vaderland ten nutte gemaakt, om eene reeks van bijdragen tot 
de kennis der Maleische taal en literatuur in het licht te geven. In de 
eerste plaats behoort daartoe de door hem voltooide vertaliiig des Nieuwen 
Testaments, die het B^belgenootschap ten vorigen jare in het licht gaf. 
Doch welke vaarde deze ook bezitten moge, voor 4ie kennis der taal 



384 

staat zij verre iti belangrijkheid achter bij een anderen arbeid dien de 
heer Klinkert in 1869 publiek maakte, onder den titel: ^Supplement op 
het Maleisch-Nederduitsch Woordenboek van Dr. J. Pijnappel Gzn.,'* — 
een arbeid die aan laatstgenoemden geleerden op zijne beurt weder aan- 
leiding gaf, om in het vijfde deel der derde volgreeks van de >Bijdragen 
tot de taal- land en volkenkunde van Ned. Indië'* eenige aanteekeningen 
op dit Supplement te doen plaatsen. Het zoo even aangehaalde Tijdschrift 
vertoont in zijne nieuwe volgreeks in ieder deel, in nog ruimere mate 
dan het onze, de sporen der werkzaamheid van den heer Klinkert op dit 
gebied, en bij de tahrijke stukken van zijne hand in die beide recueils 
voorkomende, vond hij nog tijd ook aan de meer populaire kennis der 
Maleische literatuur door de uitgave der hier aangekondigde vertaling der 
Pan(^ja Tandaran bevorderlijk te zijn. 

Na eenige opmerkingen over de fabel literatuur in het algemeen, waarin 
wij met eenige bevreemding den naam van Phaedrus misten, deelt de 
heer Klinkert in zijne voorrede aangaande dit werk en het daarmede 
beoogde doel het volgende mede: »De Nederduitsche vertaling, die wij 
naar de tekstuitgave van van der Tuuk hebben bewerkt, met weglating 
van de voorrede des Maleischen vertalers, hebben wij gemeend het Neder- 
landsche publiek te moeten aanbieden, opdat zij, die het Maleisch niet 
verstaan, zich zouden kunnen bekend maken met iets van datgene, waar- 
mede de Maleier zijn geest voedt. Deze fabelen te willen beoordeelen naar 
het standpunt waarop wij Christenen staan, zou onbillyk zijn. Als zedelijke 
voortbrengselen uit de heidenwereld moeten zij met een anderen maatstaf 
gemeten worden. Hij die dit in acht neemt, zal er veel schoons in vin- 
den en menige fabel ontmoeten die wel verdient naast de bij ons bekende 
te worden geplaatst." 

Men zou hier de vraag kunnen opperen of, wanneer men onze landge- 
nooten bekend wil maken met iets van hetgeen waarmede de Maleier zijn 
geest voedt, het wel eene gelukkige greep is te noemen, wanneer men 
daartoe zijne keuze vestigt op een vertaling, en nog wel eene vertaling 
vóór korten tijd, namelijk in 1835 ^), vervaardigd en vermoedelyk slechts 
weinig buiten Singapore bekend. De heer Klinkert zou kunnen antwoor- 
den, dat oorspronkelijke Maleische geschriften schaarsch zijn, en, de poëzij 
idtgezonderd, die zich zelden boven rijmelarij verheft, slechts voorkomen 
op de don*e velden van inlandsch recht, waarzeggerij en tooverkunsten 
en kronijkmatige geschiedenis, waarvan voor Europeesche lezers slechts 
distelen te lezen zijn. Uitvoerig werd dit onlangs gestaafd door Prof. 

1) In de uitgave van den heer van der Tank wordt het jaar 1281 der Hedjia 
als jaar der vertaling genoemd. Zij zon dos vallen in 1864, toen Abdoellah reeds 
10 jaar dood was. Maar de vennelding van het christelijk jaar 1836 toont dit 
men 1261 lezen moet. 



385 

Pgnappel in zijne inleidende opmerkingen tot den ^Catalogus der Ma- 
leische Handschriften van de Leidsche Bibliotheek'*, dien hij in het 5e 
deel, 3e volgreeks, der meergemelde ^Bijdragen" plaatste, 't Is ontegen- 
zeggelijk dat schier al wat in de Maleische literatuur eenige populariteit 
geniet en, tenzij voor speciaal wetenschappelijke doeleinden, eenige aan- 
dacht verdient, uit vertaling of bewerking van vreemde stof bestaat. Maar 
geheel bevredigend zou daarom dit antwoord toch niet wezen. Er bestaan 
althans eenige door de voorkeur der Maleiers eenigermate als klassiek 
gestempelde werken, zooals de Emir Hamza en Mohammed Hanafijah, de 
Kroon der Koningen, de Bost&no's-Salètin, de Bahtijar, de Bajan Boedim^, 
en de eigenlijke Kalilah wa Dimnah, die meer recht zouden hebben om als 
proeve van hetgeen waarmee db Maleier zijn geest voedt, den Nederland- 
schen lezer in vertaling te worden aangeboden; en het ontbreekt toch 
ook niet geheel aan weigeschreven oorspronkelijke verhalen op het gebied 
der Maleische heldensage, zooals de Hang Toewah en de Schadjarah Ma- 
kyoe, die in dit opzicht in de eerste plaats in aanmerking behoorden te 
komen. Als boek om den Inlander in handen te geven, is de Pan^ja 
Tandaran zeer aanbevelenswaardig, als proeve van Maleische literatuur 
kan zij maar nauwelijks worden aangemerkt. Intusschen, wij moeten tevre- 
den zijn met hetgeen ons wordt aangeboden, en in allen gevalle moet 
men erkennen, dat Abdoellah ter vertaling een werk van die soort geko- 
zen heeft, die het meest' in den smaak der Maleiers vallen en in zoo- 
verre dus eenigermate den geest hunner literatuur vertegenwoordigen. 

Wat voorts vooral tot de keuze van dit werk heeft kunnen bijdragen, 
is, dat wij daarvan een zuiveren tekst bezitten. De meeste Maleische 
handschriften krielen van fouten, die dikwijls den zin geheel bederven De 
schriften van Abdoellah zijn wel, wat taal en spelling betreft, volgens het 
oordeel onzer beste kenners van het Maleisch, niet geheel onberispelijk, 
maar, daar ze onder zijn eigen toezicht gedrukt zijn, vrij van zinstorende 
fouten en corrupties, en de Pandja Tandaran is, naar het oordeel van 
den heer v. d. Tuuk, het beste van allen. In de uitgave van genoemden 
geleerde, die de heer Klinkert gevolgd heeft, hebben bovendien eenige 
ophelderende aanteekeningen den weg voor een vertaler nog beter 
bereid. 

De heer Klinkert noemt de beide vossen die in dit fabelwerk de hoofd- 
rol vervullen: Galilah en Daminah. In de oude Maleische bewerking der 
fabelen van Bidpai worden zij Kalilah en Daminah genoemd, en in 
den Arabischen, door de Sacy uitgegeven tekst: Kalilah wa Dimnah. 
Intusschen is in het Maleisch de uitspraak van K of G dikwijls slechts 
een verschil van tongval, waaromtrent men eene aanteekening van den 
heer van der Tuuk op de Pandja Tandaran, blz. XXIII, raadplege. 

Waarom de heer Klinkert in zyne vertaling de voorrede van Abdoellah 



386 

weglaat, k wij niet duidel^k. Zij is het eenige ooi*8proiikelijke gedeelte 
van het werk, en daar zij eene appreciatie van dit fabelboek van het Ma- 
leisch standpunt bevat, zou zij tot het doel van den schryver, om den 
geest der Maleiei*8 en hunner literatuur te doen kennen, nog wel het meest 
hebben bijgedragen. 

Omtrent zijne vertaling zelve zegt de heer Klinkert, dat hij daarin zoo 
getrouw mogel\jk is geweest, maar zich, om een al te gedwongen stijl te 
vermeden, hier en daar een kleine vrijheid heeft moeten veroorloven. 
Wanneer hij daarop laat volgen: »Hoe moeilyk het is uit eene Oostersche 
taal in de onze te vertalen en daarby een vloeienden styl te behouden, 
kan men het best zien aan de verschillende vertalingen van het Oude 
Testament,'* — dan vervalt hij in dezelfde fout waarin telkens de ledeu 
onzer Tweede Kamer vervallen, wanneer zij de Javaansche toestanden 
»Oostersche toestanden" noemen. Er is evenmin een gemeenschappelijke 
Oostersche taal of taaistam, aan de taal of den taaistam van het Westen 
overgesteld, als er, in tegenoverstelling met het Westen, een gemeenschap- 
peiyk Oqstersch volkskarakter, regeeringsstelsel of maatschappelijke toestand 
is. Sommige Oostersche talen behooren met de Ëui'opeesche tot dezelfde 
familie, de meeste behooren tot taalfamiliën die zoowel onderling als van 
de Indo-Germaansche hemelsbreed verschillen. Wat van het Hebreeuwsch 
geldt, behoeft volsti'ekt niet van het Maleisch te gelden ; want hoewel beide 
Oostersche talen zijn, hebben zij niets hoegenaamd met elkander gemeen. 

Ofschoon de heer Klinkert eenigszins bevreesd schijnt, dat zyne krach- 
ten zijn te kort geschoten om eene doorgaans vloeiende vertaling te leve- 
ren, komt het mij voor dat hij in dit opzicht niet ongelukkig geslaagd 
is» en het boekje, dat vele inderdaad geestige fabelen en aardig ge- 
teekende kaï'akters bevat, zal in een verloren oogenblik, door ieder die 
vermag zich over den in onze oogen absurden vorm der inkleeding heen 
te zetten, met genoegen doorbladerd worden. Intusschen had de vertaling 
op sommige plaatsen mijns inziens juister en scherper kunnen zijn. Zoo 
vertaalt Klinkert op blz. 11 »oeddjng atap" door seen weinigje dekriet*'. 
Men denkt daarbij toch aan iets meer dan aan een enkel einc^je of pun^e 
deknet, dat men onopgemerkt in het haar kan mededragen, zooals klaar- 
blijkelijk bedoeld en ook door de Maleische woorden aangeduid wordt. 
Het was toch niet meer dan een vuütje of vuünisje, een saanpaJij welk 
woord door de vertaling met rietje ook niet zyn vollen eisch gekregen 
heeft. — Op blz. 13 lezen wy: »De vrouw van den wevei' had een ver- 
boden omgang met een anderen man, maar haar echtgenoot wist daarvan 
niets. Wel was het bij allen in de stad bekend, doch haar man had 9wg 
niets bemerkt. Daarom dacht hy: :»ik zal trachten haai* to snappen."" 
De lezer zal vragen hoe de wever op het denkbeeld kwam zyne vrouw 
te Ysnappeu," tcrwyl hy niets van hare ontiH)uw wist of vei'moedde. 



387 

Maar dit wordt ook door de Maleische woorden niet zoo bepaald gezegd. 
De man wist er van door anderen, zooals nog duidelijk blijkt op blz. 15, 
waar hij zegt: :i)dat komt er van, dat ik naar de praatjes der men- 
schen heb geluisterd;" maar hij had zelf nog zijne vrouw niet op on- 
trouw betrapt. De heer Klinkert had ongeveer dus moeten vertalen: 
j»De vrouw van dien wever hield het met een anderen man, buiten 
weten van haren echtgenoot, en ofschoon de zaak in de gansche stad 
bekend was [en daardoor ook haren man was ter ooren gekomen], 
had hij haar nog niet kunnen betrappen," enz. De tusschen haakjes ge- 
plaatste woorden ontbreken, wel is waar, ook in den Maleischen tekst; 
maar de invoeging daarvan ware tot verduidelijking niet overbodig ge- 
weest. Op blz, 14 vraagt de man die geen antwoord krijgt: >is uw 
mond niet even goed als de mijne." Het Maleisch zegt letterlijk: >is 
uw mond niet gelijk met mij," en de Nederlandsche phrase waardoor 
dit het best had kunnen worden uitgedrukt, is dunkt mij: ^benikugeen 
antwoord waard?" 

Zulke voorbeelden zouden er meer zijn aan te voeren, en daarnaast 
zou men er kunnen plaatsen van minder zuiver HoUandsch, zooals op blz. 
27 »wat kan ik daarvoor", letterlijk het Duitsche : »was kann ich dafür," 
waarvoor wij zouden zeggen: wat kan ik er aan doen; en op bladz. 17 
«zich zelven verwoesten," waarvoor men beter zegt: zich ongelukkig ma- 
ken, in 't verderf storten. Voorts geef ik in bedenking of het zoo dikwijls 
voorkomende :&Radja Singa," niet beter met «koning Leeuw" dan met 
«leeuwenkoning" of «koning der leeuwen" zou vertaald worden. Doch 
liever dan de kleine gebreken dezer vertaling verder uit te pluizen, wil ik 
nog op eene goede en nuttige zijde van dezen aibeid opmerkzaam maken, 
deze namelijk, dat hij werkehjk tot eene betere kennis van de Maleische 
taal bijdraagt. De heer Klinkert, die door zijn verblijf te Riouw het echte 
Maleische spraakgebruik zoo goed heeft leeren kennen, draagt meermalen tot 
de lexicographie by door de juiste vertating te geven van Maleische woor- 
den, die in onze woordenboeken nog gebrekkig verklaard of in hun ge- 
biniik onvolledig toegelicht zijn. 't Is waar dat veel van dien aard reeds 
in zijn «Supplement" op Pijnappel's Maleisch Woordenboek eene plaats 
vond, en dus niet meer nieuw is; maar toch zal eene doorgaande verge- 
lijking van zijne vertaling met het origineel hier en daar over sommige 
woorden nog eenig licht geven. Ik kies tot een voorbeeld het woord ^angf- 
goe, in Pijnappels Woordenboek en in het Javaansche van Gericke en 
Boorda verklaard met lastig, en als verbum lastig vallen, storen, Klinkerts 
«Supplement" voegt er bij: plagen, en ook ergens met de hand a/inzitten ; 
maar het woord heeft ook den algemeenen zin: zich met iets inlaten of 
bemoeien. Dit blijkt uit de PandjaTandaran, waar op blz. 5: «ganggoekan 
pekercya^ orang itoe" zeker volkomen juist vertaald is : «zich met de za- 



388 

ken van anderen inlaten." En hieruit blijkt nu ook tevens, dat in het vorige 
nommer van dit Tijdschrift, blz. 272, de woorden : Mm kebon idoep kombali 
abis di ganggoe" terecht vertaald zyn: :»deze tuin leeft weder, nu men 
hem ongemoeid laat." 

Als een voorbeeld van een in de Panclja Tandaran voorkomende, maar 
in de woordenboeken ontbrekende beteekenis, die reeds in het i>Supplement" 
is opgenomen, kan ik wijzen op ^^ajapan,'* zooals men volgens Klinkert in 
plaats van ijapan behoort uit te spreken. Dat het niet enkel >uitkauwsel, 
overschot of afval van spijzen," maar ook spijs of voeciseZin het algemeen 
beteekent, blijkt uit blz. 21 der vertaling van de Pan(^a Tandaran met 
blz. 230 van den tekst vergeleken, evenzeer als uit het voorbeeld in het 
^Supplement" i-eeds uit de BÜiksgat Kalilah dan Daminah" bijgebracht. 
Evenwel, opdat ik dit in het voorbijgaan opmerke, schijnt m\j in het woord 
toch altijd een denkbeeld van geringheid te liggen. Ik zou het vertalen 
met een brokje of hapje. De pelandok noemt zich niet zonder reden, maar 
als uitdrukking van diepe nederigheid, een ajapan voor den leeuw. 

De heer Klinkert heeft aan zijne vertaling enkele aanteekeningen toege- 
voegd; maar zij zijn weinige in getal en niet zeer belangrijk van inhoud. 
Het schijnt mij toe dat er hier en daar wel stof voor belangrijkere opmer- 
kingen ware te vinden geweest; doch de heer Klinkert heeft blijkbaar 
een populair boekje willen leveren, en daai*om zich bepaald tot zeer enkele 
aanteekeningen, overbodig voor meer kundigen, maar die voor den met 
Indië geheel onbekenden lezer hier en daai* eene kleine moeilijkheid uit 
den weg ruimen. 

Wij aanvaarden deze kleine gave van den heer Klinkert met dankbaar- 
heid, als een dóron oligon-te philon-te. 

P. J. V. 



Geschiedenis der Nederlandsche overzeesdie bezittingen, yescfietst 
ten dienste van het ondenvijs en van hen die zicii naar die 
gewesten begeven, door kapitein Pompe, Tweede, verbetet^de 
druk . Ie Afl, Schoonhaven, S, E. van Nooten, 4874. 

Toen in 4863 de eerste druk van dit werk verscheen, bestond ei' groot€ 
behoefte aari een handboek van de Geschiedenis onzer koloniën. Geen won- 
der dus, dat het boek van den heer Pompe door het beperkt publiek dat 
zich bij ons met Indische zaken bezig houdt, goed werd onti'angen. Het 
deed me dan ook genoegen, dat een tweede uitgaaf werd aangekondigd ; 
terwijl ik daarbij de verwachting koesterde, dat de waarde daarvan zou 



389 

worden vei'hoogd door het aanbrengen van verbeteringen, ook naar aan- 
leiding van in de laatste 8 jaren verschenen werken en stukken over dit- 
zelfde onderwerp. Immers daaronder is nog geen dat als handboek, ook 
bij het onderwijs, onbepaald kan worden aangeprezen. Wel hebben we 
de Geschiedenis der Nederlanders in den O. I. Archipel van D. C. de 
Bruyn, en het een paar jaar geleden uitgegeven werkje van den heer 
Fortanier (Geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling der Neder- 
landsche koloniën); doch beide, al kan er ook veel goeds van worden ge- 
zegd, zijn niet meer dan schetsen. Toen ik nu de eerste aflevering van 
het boek van kapitein Pompe doorlas, werd ik bepaald teleurgesteld. Het 
bleek me, na vergelijking met den vorigen druk, dat èn vorm èn inhoud 
geheel dezelfde waren gebleven. Zoo hebben wy hier de vereeniging der 
geschiedenis van Oost- en West-Indië en daarop gegronde verdeeling in tijd- 
perken weder, alsmede de zoo streng volgehouden chronologische volgorde 
der gebeiulenissen ; beide zaken waai'mede ik me niet kan vereenigen. 
Maar bovendien, de heer Pompe schijnt in de 8 jaren die tusschen de 
beide uitgaven van zijn werk liggen, niets te hebben geleerd; de tekst 
van beide drukken is dezelfde, en wat inmiddels bekend is geworden 
schijnt voor hem niet te zijn geschreven. 

Ik haast me daarom een korte aankondiging in dit Tijdschrift te plaat- 
sen, vooral met het doel om den heer Pompe te bewegen, althans de vol- 
gende afleveringen van zijn werk aan een revisie te onderwerpen, en zoo- 
veel mogelijk nog verbeteringen aan te brengen, waar dit noodig en mo- 
gelijk blijkt te zijn. De vorm is natuurlijk niet meer te veranderen; maar 
van Kampen wist minder van de geschiedenis, dan wij nu doen, en ook 
Lauts is geen geheel vertrouwbare gids. 

Uit het bovengezegde blijkt genoegzaam, dat men, in 't bezit zijnde van 
den eersten druk, zich niet behoeft te haasten zich den tweeden aan te 
schaffen, zoo lang geen gunstiger beoordeeling van het werk van den 
heer Pompe, althans naar mijne meening, kan worden gegeven. 

Ik zal trachten het tot hiertoe gezegde met bewijzen te staven. Op 
biz. 6 leest men omtrent de voortbrengselen van den Indischen Archipel 

uit het delfstoffenrijk : )» ; koper in groote hoeveelheid op Sumatra 

en Bomeo; ijzer is zeer zeldzaam; " Mijn hemel! dacht ik, waar 

heeft de heer P. dat gelezen? Immers reeds als schooljongen had ik ge- 
leerd, dat Timor rijk was aan koper, al heb ik naderhand vernomen, dat 
die rijkdom nog zeer weinig oplevert, terwyl juist de beide genoemde 
eilanden dit metaal slechts in geringe hoeveelheid, in vergelijking met an- 
dere bevatten. £n ijzer wordt immers op Borneo in zoo groote menigte 
opgedoken en door de inwoners zelven bewerkt, terwijl op Celebes het 
zoo beroemde pamor wordt gevonden, en het ook op andere ^eilanden 
voorkomt! 



390 

Ook de ethnogratische beschrijving ven*aadt niet alleen gebrekkige kennis, 
maar bevat ook verkeerde vooi*stellingen. Wie toch zal na de Maleiers, 
de Bataks, Redjangs en Lampoengs als voornaamste volken in aanmerking 
laten komen? De Dajaks voor verwilderde Maleische stammen te houden, 
kan een overtuiging zijn, maar dan de bewoners der Molukken, de eerste 
bondgenooten der Nederlanders, geheel met stilzwijgen voorbij te gaan, 
vindt ik wat erg. 

Over hetgeen in de vroegere geschiedenis van den Indischen Archipel 
gezegd wordt, wil ik niet twisten, dat is me alles nog te onzeker; maar 
wanneer de S., na Madjapahit in 1299 te hebben laten stichten, zegt, 
dat onder Angka Widjaja, die vermoedelijk van 4390 tot 4450 (!) regeerde, 
vele landen werden veroverd, en in de eerste helft der 43de eeuw het 
ryk zich over den geheelen Indischen Archipel uitstrekte, heb ik mijn 
oogen niet kunnen gelooven. Ik hield het in den eersten druk voor een 
drukfout in plaats van 45de; nu echter begon ik er aan te twijfelen, tenzy 
de S. onvergeeflijk slordig is in zijne correcties. Wanneer we nu tot de 
eigenlijke geschiedenis overgaan, en de eerste tochten der Nederlanders 
beschouwen, dan treft het ons, dat, niettegenstaande al hetgeen door den 
heer de Jonge, in zijn bekend verdienstelijk werk, over dit punt is in 't 
midden gebracht, de oude voorstelling wordt behouden. Van de ver- 
diensten en bemoeiingen van Petinis Plancius wordt met geen woord ge- 
rept; Houtman zit nog altijd gevangen in Lissabon, wordt losgekocht, en 
met bevel over de uitrusting belast, nevens zijn broeder Frederik, wiens 
rol ande)*s hier al zeer onbeduidend is geweest. Omtrent hetgeen me in 
dit verhaal verkeerd voorkomt, zal ik zwijgen. De lastige wijze van be- 
handeling, door ook hier de feiten zuiver chronologisch meè te deelen, 
komt hier vooral uit. Men moet zich gedurig van Oost naar West ver- 
plaatsen en beurtelings van Neck, Mahu en van Noordt vergezellen. In dit 
gedeelte is het boek voor den studeerende bepaald onbruikbaar. 

Dat op de tweede reis de Portugeezen door van Waerwijck en Heems- 
kerk van Amboina en de Banda-ei landen zijn verdreven, is volgens de beste 
bronnen ni