(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Tijdschrift voor entomologie"

^^i^.>:$^ 






'M^. 









^^'^ 












\ 



QL 




461 




T568 




ENT 


^J<i 



^ ' 'J OA^ If 2- , 

I 



TIJDSCHRIFT VOOH ENTOMOLOGIE 



UITÖBGEVEN DOOR 



DE IVËDERLAniDSCHE EITOMOLOCilSOHE VEREENIdING 



ONDER REDACTIE VAN 



Mr. W. ALBARDA 
Mr. S. G. snellen VAN VOLLENHOVEN 



EN 



F. M. VAN DER WULP 



JAARGANG 1875 — 7G 



'SGRAVENHAGE 
MARTINUS NIJHOFF 

187G 



(p' 



ö 



u 



\i 



INHOUD 



VAN HET 



i\e€;e?vtie::%de deel. 



BlaJz. 

Verslag van de 30" Zomervergadering der Nederland- 
sche Entomologische Vereeniging , gehouden te 
Amsterdam op 24 Julij 1875 i 

Lijst der Leden lv 

BibUotheken der Nederlandsche Entomologische Ver- 
eeniging; bijgekomen boeken van 1 September 1874 
tot 31 Julij 1875 Lxi 

Entomologische inhoud van ontvangen tijdschriften . lxxv 

Verslag van de Buitengewone vergadering der Neder- 
landsche Entomologische Vereeniging, gehouden te 
Leiden op 18 December 1875 xci 

Verslag van de 9^^ Wintervergadering der Nederl. 
Entomologische Vereeniging, gehouden te Leiden 
op 18 December 1875. . . '. xcv 

F. J. M. Heylaerts Fils, Les Macrolépidoptéres de 
Breda et de ses environs, Liste supplementaire 
n°. 6 (Captures de 1875) cxiv 



C. RiTSEMA Cz., Tweede aanvulsel tot het geschied- 
kundig overzigt van het geslacht Acentropus Curt. 1 

P. C. T. Snellen, Dactylota Kinkerella, nieuw genus 
en soort der Gelechiden uit Nederland (met eene 
plaat) 23 

A. W. M. VAN Hasselt , Geschiedenis van een spin- 
nen-cocon (Agelena s. Agroeai hrunnea Blackw.) 
(met eene plaat) 28 

G. Ritsema Cz. , Bijdrage tot de kennis der Insecten- 
fauna van het noordelijkste gedeelte van Sumatra. 43 



Bladz. 

P. G. T. Snellen, Aanteekening over Oinophüa V- 
jlava Haw., Tinea nigripundella Haw., Tinea parie- 
tariella Bruand en Coryptilum Klugii Zell. ... 51 

Carpocapsa grossana Haw 54 

Phthorohlastis juHana Curt 56 

C. RiTSEMA Cz., Eene nieuwe Pausside van Congo 
(Zuidwestkust van Afrika) 58 

Idem, Opgave van beschreven Xylocopa-^ooTien , die 
noch als zelfstandige soorten noch als synoniemen 
door F. Smith in zijne monographie over dat ge- 
slacht zijn opgenomen 61 

S. C. Snellen van Vollenhoven, De inlandsche 
Hemipteren, beschreven en ook meerendeels afge- 
beeld, 6^^ stuk (met 3 platen) 65 

G. A. Six, Opmerkingen omtrent zes merkwaardige 
inlandsche Pteromalinen en eene Proctotrupide 
(met eene plaat) 133 

Mr. M. C. Piepers, Lepidoptera van Batavia (eiland 
Java) , met aanteekeningen van P. G. T. Snellen 
(met eene plaat) 138 

Isosoma eximium Gir. var 168 

F. M. VAN DER Wulp, Opmerkingen betreffende 
eenige exotische Diptera 170 

G. RiTSEMA Gz., Acht nieuwe Oost-Indische Zi/^oco/)«- 
soorten 177 

P. C. T. Snellen , Over Oligostigma Guenée , een genus 
der Pyraliden (met 2 platen) 186 

Iets over Otiorkynchus sulcatus L 210 

S. G. Snellen van Vollenhoven, Bijvoegsel tot 
de Nieuwe Naamlijst van Nederlandsche Vlies vleu- 
gelige insecten (Hymenoptera) 211 

Idem, De inlandsche Bladwespen in hare gedaante- 
wisseling en levenswijze beschreven , 19''* stuk 
(met 3 platen) 258 



2>5'^^qi\ 



O'J I 



VAN UE 

DERTIGSTE ZOMERVERGADERING 

DER 

MÜERIAIDSCHE EJITOMOLOGISCHE ÏEREETOlKfi, 

GEHOUDEN TE AMSTERDAM 
op Zaturdag 24 Julij 1875. 



Voorzitter : de heer P. C. T. Snellen. 

Tegenwoordig zijn de beeren Mr. W. Albarda, M. Breu- 
kelman, Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, G. M. de Graaf, C. J. 
Grube, Generaal Dr. A. W. M. van Hasselt, D. J. R. Jordens, 
Mr. A. F. A. Leesberg, J. W. Lodeesen, R. T. Maitland, 
M. Nijhoff, Mr. M. C. Piepers, G. Ritsema Gz., R.H. Saltet, 
G. A. Six, K. N. Swierstra, Mr. S. G. Snellen van Vollen- 
hoven, H. L. Gerth van Wijk en F. M. van der Wulp; 
later ook Professor W. Berlin en Dr. A. J, van Rossum. 

De vergadering werd voorts nog vereerd door de tegen- 
woordigheid van het Eerelid der Vereeniging, Dr. G. F. 
Westerman , Directeur van het Koninklijk Zoologisch Genoot- 
schap Natura Artis Magistra , die met de meeste voorkomend- 
heid een der lokalen van dat genootschap voor deze bijeen- 
komst had opengesteld. 

De beeren Mr. J. Herman Albarda en J. van Leeuwen Jr. 
hebben kennis gegeven dat zij door ongesteldheid verhinderd 
zijn; ook van de hoeren Dr. M. G. VerLoren, H. Baron Lewe 
van Middelstum, F. J. M. Heylaerts Jr. en Mr. A. Brants is 
berigt ontvangen dat zij tot hun leedwezen niet kunnen 
tegenwoordig zijn. 



Il VERSLAG. 

De Voorzitter opent de vergadering met eene korte 
inleiding, waarbij hij herinnert dat de Entomologische Yer- 
eeniging op haar dertigjarig bestaan mag terugzien; hij 
aarzelt niet, te verklaren dat zij haar doel, de beoefening 
der insectenkunde te bevorderen, gedurende al dien tijd 
getrouw heeft voor oogen gehouden en dat zij met zelf- 
voldoening mag wijzen op het eervolle standpunt, door haar 
onder de wetenschappelijke genootschappen van ons vader- 
land ingenomen. De Voorzitter heet vervolgens de aanwezige 
leden welkom en inzonderheid diegenen hunner, die zich 
eerst onlangs aan de Vereeniging hebben aangesloten en 
van wie hij verwacht dat zij op het voetspoor der oudere 
leden, gaarne het hunne zullen bijdragen om onze kennis 
der insecten uit te breiden. 

De Voorzitter vraagt of iemand ook aanmerkingen heeft 
te maken of inlichtingen verlangt betreffende de notulen 
der jongste Zomervergadering en Wintervergadering, zoo 
als die in de gedrukte verslagen zijn opgenomen. Wijl 
niemand der aanwezigen daarover het woord verlangt, 
worden die notulen geacht goedgekeurd te zijn. 

De President van het Bestuur, Mr. W. Albarda, brengt 
hierop het volgende jaarverslag uit : 

« Mijne heeren ! 

« Onze gekozen Voorzitter voor deze vergadering heeft 
haar zoo even geopend met eene toespraak, waarin bijons 
wees op den gewigtigen dag dien wij heden beleven. De 
Nederlandsche Entomologische Vereeniging viert heden haren 
dertigsten verjaardag. Wanneer gij , Mijne heeren , die hier 
onder ons aanzit en U moogt verheugen tot de oprigters 
onzer Vereeniging te behooren, op de afgelegde loopbaan 
terugziet , dan hebt gij , geloof ik , alle reden om over uw 
werk voldaan te zijn, dan kunt gij teregt uitroepen : tandem 
fit surculus arbor. De Nederlandsche Entomologische Ver- 
eeniging, die nu als een krachtig figuur in de eerste rijen 
der Europesche wetenschappelijke genootschappen staat, 



VERSLAG. Ill 

zag voor dertig jaren in deze stad het levenslicht. Het 
kwam ons daarom gepast voor binnen Amstel's veste dezen 
gedenkdag te vieren en daardoor tevens getuigenis af te 
leggen van den hoogen prijs waarop wij steeds de mede- 
werking van onze Amsterdamsche leden hebben gesteld. 

« Geen enkel verlies van leden heeft de Vereeniging ge- 
durende het afgeloopen jaar te betreuren gehad ; geen onzer 
begunstigers, eereleden, corresponderende leden of gewone 
leden is gestorven; niemand heeft zijn lidmaatschap op- 
gezegd. 

«De ten vorigen jare door U benoemde eere- en corres- 
ponderende leden hebben allen met de meeste ingenomenheid 
hunne benoeming aanvaard en door toezending van brochures 
enz. hunne belangstelling getoond. 

«Zeven nieuwe leden zijn tot onze vereeniging toegetre- 
den, n. 1. de beeren H. L. Gerth van Wijk, Leeraar aan 
de Hoogere Burgerschool te Middelburg, C. J. Grube, J. 
van den Honert, R. H. Saltet en K. N. Swierstra te Amster- 
dam, H. üijen te Nijmegen en J. G. Wurfbain te Worth- 
Rheden. 

«De staat onzer geldmiddelen is als volgt. Op 30 Junij 
1875 was in de algemeene kas een saldo van f 313.50, 
benevens een pandbrief 4°/^ Nationale Hypotheekbank groot 
/lOO. Op datzelfde tijdstip was in de kas van het fonds tot 
onderhoud der bibliotheek Hartogh Heys van de Lier aan- 
wezig een saldo van f 274.08. Voor het fonds tot uitgave 
van het Tijdschrift zijn twee pandbrieven 5% Nationale 
Hypotheekbank , een groot f 500 en een groot f 100 aan- 
wezig, terwijl daarentegen op dat ionds eene schuld drukt 
van f 131.841. 

«De toestand der insecten- verzameling is in twee opzigten 
verbeterd sedert onze laatste algemeene vergadering, in 
anderen stationair gebleven. De trouwe zorg van den ama- 
nuensis is in allen deele prijzenswaardig en van nieuwe 
verliezen door beschimmeling of Anthrenen is geen sprake 
meer; Acariden en Psociden worden echter nog wel eens 



IV VERSLAG. 

aangetroffen. Aan ons medelid Dr. Everts zijn wij grooten 
dank verschuldigd voor de bijzondere belangstelling die hij 
betoond heeft in de afdeeUng der Goleoptera , welke hij eene 
algemeene en zeer naauwkeurige revisie heeft doen onder- 
gaan, waarbij vele determination zijn verbeterd en onder- 
scheidene onbezette plaatsen door daarop regt hebbende 
kevers zijn ingenomen. Ook de orde der Hymenoptera heeft 
in onze collectie vrij grooten aanwas ondervonden. Wat de 
overige orden betreft, is de verzameling weinig toegenomen. 
De herziening en nieuwe rangschikking der Diptera is om 
bijzondere redenen uitgesteld en zal, zoo ik hoop, in het 
volgende jaar tot stand komen. Zoo lang dit niet heeft plaats 
gehad, is het onrr'oodig onze kas aan te spreken voor het 
aanmaken van nieuwe laden. 

«Het aantal der bezoeken aan de collectie gebragt is ge- 
ring geweest; moet daaruit worden afgeleid dat de belang- 
stelling in dit gedeelte onzer bezitting begint te verflaauwen? 
Ik hoop ernstig dat dit niet het geval moge wezen, omdat 
naar mijne overtuiging eene standaard-collectie de ware 
basis oplevert voor de zekerheid der opgaven omtrent onze 
insecten-fauna. 

«Omtrent den toestand onzer bibliotheken kan ik het 
navolgende melden. Nadat de oorspronkelijke bibliotheek 
der Vereeniging (Bibliotheek A) naar de woning van den 
Bibliothecaris was overgebragt, waar zij eene bijzonder 
drooge standplaats verkregen heeft, is in het lokaal van 
den heer Kneppelhout de gansche oplaag van het Tijd- 
schrift voor Entomologie, door de Vereeniging van den uit- 
gever aangekocht, opgenomen. Spoedig daarop werd tot 
het in orde brengen der deelen (verreweg het grootste 
gedeelte kwam in ongevouwen vellen tot ons) overgegaan 
en nadat dit geschied was, met het verifiëren der lijs- 
ten, volgens welke de overneming geschied is, begonnen; 
aan welk ondankbaar werk de Bibliothecaris veel tijd 
heeft moeten besteden. De plaats, die deze oplaag in 
de kamer der liibliotheek Hartogh Heys van de Lier 



VERSLAG. V 

(Bibliotheek B) beslaat , heeft den Bibliothecaris belet aan 
zijn voornemen gevolg te geven om de boeken dezer ver- 
zameling ruimer uit elkander te zetten, waarmede nu ge- 
wacht moet worden tot dat de oplaag van het Tijdschrift 
genoeg geslonken zal zijn door verkoop van deelen tegen 
den door het Bestuur bepaalden verminderden prijs, van 
welke gunstige gelegenheid ter completering der seriën 
door enkele Leden reeds gebruik is gemaakt. 

« Bibliotheek A ontving geschenken van de beeren W. Al- 
barda, A. Fauvel, F. J. M. Heylaerts Jr., R. Mac-Lachlan, 
II. Löw, F. Moore, C. Ritsema Cz., J. Ritzema Bos, E. de 
Selys-Longchamps , V. Signoret, S. C. Snellen van Vollen- 
hoven en H. Weyenbergh Jr. Op geringe uitzondering na, 
zijn al de in ruil tegen het Tijdschrift voor Entomologie 
toegezegde werken ingekomen, terwijl er ook weder velen 
zijn aangekocht. Met het binden der vervolgwerken is ge- 
regeld voortgegaan. 

«Flet Tijdschrift voor Entomologie wordt met het thans 
loopende -18de deel voor het eerst regtstreeks voor rekening 
der Vereeniging uitgegeven. Wijl dat deel nog niet in zijn 
geheel is verschenen, kan over de geldelijke uitkomst nog 
niet worden geoordeeld. Het deel wordt besloten met een 
vervolg op de beschrijving der inlandsche Hemiptera van 
Mr. Snellen van Vollenhoven en een stuk over Zuid-Ame- 
rikaansche Pyralidea van den heer P. C. T. Snellen. De 
uitvoering der platen bij dit laatste stuk, naar uitmuntende 
teekeningen van den heer Brants, zal misschien eenigo 
vertraging in de uitgave kunnen veroorzaken. 

« Als naar gewoonte , hebben wij ook van het 17de deel 
van het Tijdschrift een exemplaar aan Teyler's stichting 
gezonden , met dankbetuiging voor de ons verleende gelde- 
lijke hulp. 

« Bij circulaire van 21 Mei jl. heeft het Bestuur U in kennis 
gesteld met de maatregelen die het heeft gemeend te kunnen 
nemen, om den bezitters van incomplete exemplaren van 
het Tijdschrift de aanvulling daarvan gemakkelijk te maken. 



VI VERSLAG. 

Wij hebben dit eerst kunnen doen nadat wij de vrije be- 
schikking hadden over het tonds van den heer Nijhoff aan- 
gekocht en nadat het övergedragene behoorhjk was geveri- 
fieerd. 

«In navolging van hetgeen Mr. de Roo van Westmaas 
voor eenige jaren heeft gedaan met betrekking tot de acht 
eerste deelen van het Tijdschrift, heeft onze ijverige Secre- 
taris een Repertorium vervaardigd op deel IX — XVI. Dit 
Repertorium zal aan de Leden die zulks verlangen tegen 
den prijs van f 0.75 worden afgeleverd. 

«De ruil van het Tijdschrift tegen de werken van andere, 
meest buitenlandsche genootschappen en geleerden wordt 
geregeld voortgezet. Nog kort geleden hebben wij langs 
dien weg betrekkingen aangeknoopt met de Koninklijke 
Noordsche Academie van wetenschappen te Christiania. In 
de wijze van toezending van het Tijdschrift zijn wij echter 
genoodzaakt geweest eene verandering te brengen. Ter 
bespoediging zal voortaan de verzending per post geschie- 
den ; wij hopen dat daardoor een einde zal komen aan de 
gerezen klagten wegens late ontvangst. Van de hulp van 
het Nederlandsch wetenschappelijk Centraal-bureau te Haar- 
lem zullen wij derhalve geen gebruik meer maken. 

« Zoo als U bekend is , ging van de Nederlandsche Dier- 
kundige Vereeniging het denkbeeld uit, om in September 
e. k. te Delft den 200jarigen gedenkdag te vieren van de ont- 
dekking der microscopische wezens door Antonie van Leeu- 
wenhoek. Eene vergadering ter bespreking van dat plan is in 
Februarij II. te Amsterdam gehouden en door twee leden van 
ons Bestuur bijgewoond. Ofschoon in beginsel wel met het 
plan instemmende, hebben wij evenwel geene vrijheid ge- 
vonden om uit de kas der Vereeniging gelden voor dit doel 
beschikbaar te stellen. Wij wenschten intusschen wel dat 
de Leden individueel de pogingen der feestcommissie zul- 
len steunen, en om van onze belangstelling als weten- 
schappelijk ligchaam te doen blijken, zal van onzentwege 
U straks worden voorgesteld het benoemen eener Com- 



VERSLAG. VII 

missie , die op het gedenkfeest de Entomologische Vereeni- 
ging zal vertegenwoordigen. 

«Bij gelegenheid van het derde eeuwfeest der Leidsche 
Hoogeschool op 8 Februarij jl. heeft ook onze Vereeniging 
eene uitnoodiging van den Gemeenteraad van Leiden ont- 
vangen ter bijwoning der officiële receptie op 7 Februarij. 

«Aan Dr. E. SuiTrian te Munster, als Entomoloog bij U 
allen wel bekend, heeft het Bestuur namens de Vereeni- 
ging een brief van gelukwensching geschreven, toen hij 
op 1 April jl. het feest zijner SOjarige Staatsdienst vierde. 

« Het zal Uwe aandacht niet ontgaan zijn , dat in het begin 
dezes jaars veel ophef is gemaakt van eene verzameling 
eigenhandige teekeningen van P. Lyonet , in eigendom toe- 
behoord hebbende aan ons voormalig medelid , wijlen Prof. 
Cl. Mulder. Die collectie zou in het openbaar worden 
verkocht. Het heeft destijds bij het Bestuur een punt van 
overweging uitgemaakt, of die teekeningen voor de Ver- 
eeniging zouden dienen te worden aangekocht ; zij waren 
aan Mr. Snellen van Vollenhoven en mij bekend, maar 
dewijl zij allen in druk zijn uitgegeven en onze Vereeni- 
ging die plaatwerken bezit, konden ze alleen als curiosa 
waarde hebben en hebben wij daarom gemeend voor den 
aankoop er van geene gelden te mogen beschikbaar stellen. 
De verzameling is bij den verkoop opgehouden, en toen 
later de Rijkscommissie voor het bewaren van oudheden 
ons op het bestaan der collectie opmerkzaam maakte , 
hebben wij haar schrijven ook in bovengemelden geest 
beantwoord. 

« De verslagen der wetenschappelijke vergaderingen in het 
afgeloopen jaar gehouden en de stukken in het Tijdschrift 
getuigen er van, Mijne beeren, dat onze Vereeniging steeds 
werkzaam blijft. Er zijn er onder ons die den druk der 
jaren beginnen te gevoelen en wier pen niet meer zoo ge- 
makkelijk over het papier glijdt als vroeger, maar er zijn 
er ook, die voortdurend met onvermoeiden ijver werkzaam 
blijven. Zal echter de Nederlandsche Entomologische Ver- 



vili VERSLAG. 

eeniging het standpunt, dat zij zich na dertigjarigen strijd 
en arbeid verworven heeft , waardig handhaven , dan moeten 
ook de jeugdige krachten onder ons meer op den voorgrond 
treden. Het is niet genoeg den Kr a ton te nemen, Mijne 
beeren, wij moeten hem behouden, en daartoe roep ik Uw 
aller hulp in.» 

Na voorlezing van bovenstaand verslag, brengt de Pen- 
ningmeester, de heer Lodeesen, zijne rekening en ver- 
antwoording over het jaar 1874/75 ter tafel, en de Voorzitter 
verzoekt de beeren Everts en Leesberg zich met het onderzoek 
daarvan te willen bezig houden. Deze verklaren zich hiertoe 
bereid en nemen onmiddellijk de hun opgedragen taak ter 
hand. 

De Penningmeester geeft tevens een beknopt overzigt 
van zijn beheer en voegt daaraan eenige opmerkingen toe. 
Het saldo der algemeene kas, ten vorigen jare / 558.22| 
bedragende, is thans ingekrompen tot f 313.56, deels ten 
gevolge van eenige vrij belangrijke uitgaven, o. a. het 
aanschaffen eener nieuwe boekenkast, uitgaven die niet 
ieder jaar terugkeeren. De geldelijke aangelegenheden der 
Vereeniging bevinden zich overigens in een' staat van over- 
gang met betrekking tot de uitgave van het Tijdschrift, 
vermits in de tegenwoordige rekening nog voorkomt een 
post voor de uitgave van deel XVH, aan den heer Nijhoff 
betaald, en voor een gedeelte ook reeds de onkosten van 
deel XVni , dat voor 't eerst regtstreeks voor rekening der 
Vereeniging wordt gedrukt. 

De Penningmeester legt voorts eene schets over van de 
begrooting voor het jaar 1875/76, waarbij de uitgaven worden 
geraamd in alles op ƒ 2130, waaronder /"SOG aan den heer 
Nijhoff te betalen als tweede termijn van de overneming 
der oplage van het Tijdschrift tot en met deel XVH en 
f 1000 voor de kosten van drukken enz. van den loopenden 
jaargang; wordende de uitgaven ten volle gedekt door de 
contribution van Leden en Begunstigers, de subsidiën van 



VERÖLACt. IX 

het Rijk en van Teyler's genootschap, de opbrengst van 
het Tijdschrift enz. 

De Voorzitter komt nogmaals terug op hetgeen reeds 
hiervoren in het jaarverslag van den President van het 
Bestuur omtrent den gedenkdag ter eere van A. van Leeu- 
wenhoek is gezegd; hij acht het alleszins gepast, dat de 
Entomologische Vereeniging, al is zij voor 't oogenblik buiten 
magte om voor da1> doel eenige geldelijke ondersteuning te 
schenken, toch hare belangstelling toone door het benoemen 
eener Commissie, die haar bij de gedachtenisviering op 8 
September e. k. te Delft kan vertegenwoordigen , en als leden 
dier Commissie draagt hij namens het Bestuur voor de 
beeren Mr. W. Albarda, Dr. A. W. M. van Hasselt en Mr. 
M. 's Gravesande Guicherit. 

Deze keuze wordt door de vergadering goedgekeurd, doch 
de heer van Hasselt maakt bezwaar om deel van de Com- 
missie uit te maken , wijl het niet geheel zeker is of zijne 
ambtsbezigheden hem zullen veroorloven op 8 September 
te Delft tegenwoordig te zijn. Dientengevolge wordt in zijne 
plaats door de vergadering bij meerderheid van stemmen 
als derde lid der Commissie benoemd de heer Dr. E. J. G. 
Everts , die zoowel als Mr. W. Albarda zich bereid verklaart 
aan de Commissie deel te nemen. Aan den heer 's Gravesande 
Guicherit , niet ter vergadering tegenwoordig, zal door 
den Secretaris mededeeling van zijne benoeming worden 
gedaan. 

De hoeren Everts en Leesberg zijn inmiddels gereed 
gekomen met het opnemen der rekening en verantwoording 
en verklaren dat zij deze in volkomen orde hebben bevonden. 
De Voorzitter dankt hen voor de daaraan bestede zorg en 
brengt tevens welverdiende hulde aan den Penningmeester 
voor de orde en naauwkeurigheid van zijn beheer. 

Ter benoeming van twee leden, die met den President 
van het Bestuur de redactie van het Tijdschrift zullen uit- 
maken, worden door den Voorzitter, namens het Bestuur, 
de beide volgende dubbeltallen voorgedragen : 



X VERSLAG. 

eerste dubbeltal : De beeren Mr. S. C. Snellen van Vollen- 

hoven en P. C. T. Snellen, 
tweede » De beeren F. M. van der Wulp en Jhr. 
Dr. Ed. J. G. Everts. 

En worden daaruit bij meerderheid van stemmen gekozen 
de beeren Snellen van Vollenhoven en van der Wulp, die 
beiden zich bereid verklaren om de taak, hun op nieuw 
door de vergadering opgedragen, te blijven voortzetten. 

Als plaats voor de volgende Zomervergadering, in 1876, 
wordt, met bijna algemeene stemmen, Middelburg aange- 
wezen, en tot Voorzitter van die vergadering gekozen de 
President van het Bestuur, Mr. W. Albarda, die zich deze 
keuze laat welgevallen. 

Op de daartoe strekkende vraag des Voorzitters blijkt, 
dat verder niemand der aanwezigen iets heeft in 't midden 
te brengen, en derhalve de huishoudelijke werkzaamheden 
als afgeloopen kunnen worden beschouwd. 

Na eenige oogenblikken pause wordt overgegaan tot de 
wetenschappelijke mededeelingen. 

De heer van Hasselt houdt eene voordragt met expo- 
sitie van daartoe behoorende voorwerpen en teekeningen, 
over den bijzonder fraai gevormden, gesteelden tleschvor- 
migen cocon van Agelena (Agroeca) hrumiea Blackwall, door 
ons medelid, den he'er Heylaerts reeds voor verscheidene 
jaren bij ons te lande, in Noordbrabant aangetroffen en 
door Spreker later bij herhaling gezocht en verzameld. 
Sedert ontving hij daarvan uit Utrecht insgelijks eenige 
belangrijke specimina van den heer Pdtsema en, passim, 
ook van enkele anderen onzer medeleden mede uit laatst- 
genoemde provincie. 

Dit merkwaardige eijernestje heeft eene geheele geschie- 
denis, over welke Spreker voor een der volgende nummers 
van ons Tijdschrift eene kleine verhandeling, waarschijnlijk 
vergezeld van eene plaat, in bewerking heeft. 

Mede door de goede zorgen van ons ijverig medelid uit 



VERSLAG XI 

Breda, den heer Heylaerts, ontving de heer van Hasselt, 
dit jaar, eene kleine bezending Afrikaansche spinnen, in 
1874 in den Staat Liberia verzameld door onzen landgenoot 
Modderman, die zich aldaar, geheel belangeloos en alleen 
ter wille van de wetenschap, met entomologische nasporingen 
bezig houdt. 

Uit de familie der Epeiroidae werden daarbij aangetroffen 
enkele exemplaren van Epelm rhodosternon Doleschall, van 
Epeira (Nephila) inaurata Walck., en een van Gasteracantha 
Walckenaeri Luc. , welke laatste soort hem schijnt overeen 
te komen met de G. curvlsplna van Guérin, maar vooral 
ook een groot en schoon geteekend exemplaar eener hem 
onbekende Nephlla-soort , — even als de vorigen allen 
feminae, die ter bezigtiging worden gesteld. De laatstge- 
noemde is een der grootste Nephilae, welke hij ooit te 
zien kreeg. De ligchaamslengte is ruim 5 centimeters en 
met de pooten ruim 13. Het abdomen (gravidum) meet 
zoo in hoogte als breedte nagenoeg 2 centimeters. Céphalo- 
thorax en palpen zijn geheel koolzwart, het eerste glimmend; 
de thorax afgeplat circulair met fijn gekartelden (gecrene- 
leerden) rand; de twee groote regtopstaande tubercula 
zijn meer dan gewoon naar voren geplaatst. Het sternum 
fraai geel met een' zwarten dwarsbalk in het midden. Het 
abdomen geel met een broeden, bruinen, goud glinste- 
renden voorband ; ter weerszijden van den rug en de zijden 
drie desgelijks (goudbruin) gekleurde driehoekige vlekken, 
die in het midden op den rug op omstreeks een centimeter 
afstand met hare toppen van elkaar verwijderd blijven; 
op den buik drie bruine dwarsbalken in vorm en grootte 
onderling eenigszins verschillende. De pooten sterk, doch 
gewoon, geheel zwart met uitzondering der femora, die 
allen rondom in het midden een gelen band hebben. 

De familie der Mygalides of Theraphosoidae werd slechts 
door ééne soort vertegenwoordigd , doch in een paartje van 
een' Spreker tot hiertoe nog niet voorgekomen Teratodes, 
die hem in vele opzigten schijnt overeen te komen met 



XII VERSLAG. 

T. dcprcssus C. Koch. Hij laat ook deze spin ter bezigti- 
ging rondgaan, vooral de opmerkzaamheid vestigende op 
den vorm der buitengemeen lange palpen, zijnde die bijna 
even lang als thorax en abdomen te zamen. 

Overigens vond hij in dit fleschje geene belangrijke spe- 
cimina, alleen is nog aan te teekenen, dat Ocypete (Olios) 
leucosiu^ Walck. in Liberia zeer menigvuldig voorkomt, 
daar deze de meerderheid der collectie uitmaakte. 

Voor onze inlandsche Fauna heeft Spreker eene fonkel- 
nieuwe spinsoort te vermelden , te weten een' zoogenaamden 
miercn-Allm. Even als er mieren bestaan, met den opper- 
vlakkigen, uit wendigen spinvorm, zoo worden er enkele 
spinnen aangetroffen met den mier-habitus. 

Ons steeds even opmei'kzaam medeUd Ritsema was ge- 
lukkig genoeg, in Mei dezes jaars, een mannelijk exemplaar 
magtig te worden, dat hierbij ter bezigtiging rondgaat, 
R. vond het in Xoordbrabant , te Hoogerheide bij Bergen- 
op-Zoom onder een' steen bij een weiland. Het is, zoo 
als hij te regt vermoedde, de echte Salticus fonnicarius van 
de Geer, door C. Koch beschreven en afgebeeld onder 
den naam van Pyrophorus seìnirufìis. 'tis over het geheel 
genomen een uiterst zeldzaam diertje, voor Noord- en 
]\Iidden-Europa althans , ter\^ijl het in 't zuiden menigvul- 
diger schijnt voor te komen. Thorell en ^Yestring hebben 
het zelven in Zweden nimmer gevonden, von Nordmann 
wel, in Finland. Westring kent het slechts uit de be- 
schrijvingen van de Geer en SundevaU, die daar te lande, 
zoowel (? als $, «sub lapide», hebben gevangen, doch 
«rarius» in Gothland en Upland. C. Koch heeft het slechts 
eens aangetrolYen bij Neurenberg ; het was ook een c? , en 
insgelijks weder «an einem Steine». Blackwall kent het, 
voor Engeland, persoonlijk niet, doch zegt, op autoriteit 
van Leach, dat het in Schotland wordt aangetroffen. In 
Oostenrijk vond von Kempelen daarvan enkele indivi- 
duen. Simon en ^Yalckenaer noemen het als in Frankrijk 
te huis behoorende, doch meer bepaald in het zuiden van 



VERSLAG. XIII 

dat land. De eerste zegt, in zijne Familie des Attides, dat 
het in noordelijk Frankrijk tot de rariora behoort en neemt 
het dan ook op onder zijne «species invisae». Walckenaer 
beschreef deze spin onder den naam van Attus formicoides. 
Simon verwerpt den geslachtsnaam Pyrophorus van G. Koch, 
omdat die benaming reeds vroeger aan een Coleopteren- 
genus was toegelegd. Hij beschrijft onze spin als P y roder es 
formicarius , zoodat men hier weder een nieuw bewijs ziet 
van de liefhebberij om namen (of naam?) te maken. 

Spreker vestigt de aandacht op den zonderhngen vorm 
der mandibula van deze spin. Zij zijn sterk ontwik- 
keld, even als de miei, regt voorwaarts, horizontaal uit- 
gestrekt, en niet bol als gewoonlijk, maar afgeplat. Met 
menigvuldige tandjes voorzien, zijn zij van boven fijn ge- 
korreld (gerieselt) en van eene schoone, donkergToene 
metaalkleur. 

Nog valt te vermelden, dat onder de Attides, deze spin 
niet de eenige is met den mierenvorm, maar dat, behalve 
enkele vormen van de exotische Toxeus en Janus, die ook 
op Formicae of Myrmicae gelijken , er nog een tweede « Sal- 
ticus formicarius y> in de Arachnoloeie beschreven staat. Onder 
dien naam door C. Koch afgebeeld , hebben Lucas en op het 
voetspoor van dezen , Simon dezen « tweeden » mieren-Attus 
Attiis formicaeformis genoemd, terwijl Thorell aan dit genus 
den naam van Leptorchestes heeft gegeven. 

Het valt niet te ontkennen , dat deze tweede « Salticus 
formicariusy) (aan Spreker in natura nog onbekend) zoo in 
vorm en teekening als in grootte, vele punten van over- 
eenkomst aanbiedt met de vorige, thans ook bij ons te 
lande gevonden soort. Nogtans wijkt zij er in anatomisch 
opzigt sterk van af, daar zij, — zoo als Koch duidelijk 
beschrijft en Simon dit duidelijk toekent, — y eene a hori- 
zontaal» geplaatste kaken en kaakhaken bezit, maar deze 
gewoon en perpendiculaü^ of verticaal zijn aangezet. Daar- 
enboven vertoont zij om het abdomen een' witten ring, 
tusschen het bruin en het zwart. 



XIV VERSLAG. 

Voor het overige schijnt ook deze Attus-ëoori op onze 
breedte zeldzaam te zijn. Wel zegt C. Koch , de beschrijver 
er van, dat hij er «meerdere» exemplaren van heeft gehad, 
.maar noemt het vaderland «unbekannt». Behalve dit vond 
Spreker er slechts van opgeteekend, dat Menge, bij Danzig, 
er één vrouwelijk exemplaar van heeft gevonden. Alleen 
zegt Simon , ex cathedra , dat deze spin voorkomt in « Alle- 
magne, France, Pologne ». Mogelijk is hij gelukkiger geweest 
dan anderen, althans den door hem genoemden Salticus 
formicaeformis plaatst hij niet, als de vorige, onder zijne 
« species invisae ». 

Ten slotte laat de heer van Hasselt, meer bij wijze van 
curiositeit , een fleschje met alcohol rondgaan , waarin tal 
van exemplaren van naar schatting 25 tot 30 verschillende 
vliegensoorten , naar zijne meening in zooverre niet geheel 
onbelangrijk, daar zij door hem allen, in een goed uur 
tijds, in zijnen tuin in de oudstad van 's Gravenhage, op 
een en hetzelfde heestertje, een z. g. sneeuwbal (Viburnum 
opulus) zijn gevangen, op een' bijzonder warmen, zonnigen 
dag, in het midden van Julij ^). Op de bladen daarvan 
wemelde het letterlijk, behalve van mieren, bijen, wespen, 
van groote en kleine Diptera, die met de vorigen om strijd 
derwaarts gelokt schenen te worden, doordien deze heester 
buitengewoon sterk met bladluizen bezet was. 

Spreker vraagt of uit deze bijzonder voordeelige vangst 
voor beeren dipterologen misschien een wenk ware te ont- 
leenen, om, namelijk, op hunne beurt het z. g. «smeren» 
der lepidopterologen na te volgen en in toepassing te brengen, 
niet tegen den avond, maar op den dag. Zijns inziens zou 
dit het meest eenvoudig kunnen geschieden door eenige 
heesters te begieten met regenwater, door honig aan- 
gezoet. 



1) Opmerkelijk was het, dat üiidcr deze vliegen zich ecu exemplaar bevond van 
Laphria margmata L. en eeu van Roeselia antiqua Meig., beiden bij ous hoogst 
zeldzame soorten. 



VERSLAG. XV 

De heer Piepers draagt eenige hoogst belangrijke aan- 
teekeningen voor, door hem gedurende zijn verbUjf in 
Oost-Indië gemaakt en betreffende aldaar voorkomende in- 
secten, vooral Lepidoptera. Deze aanteekeningen , in een' 
zeer behagelijken vorm ingekleed, worden hier in haar 
geheel wedergegeven : 

«Toen ik, vele jaren geleden, onze inlandsche dagvlinders 
in Arnhem's omstreken rusteloos vervolgde , trof het reeds 
mijne aandacht dat verscheidene der grootste en schoonste 
soorten zich bij voorkeur in de nabijheid van helder stroo- 
mend water ophielden. De beekjes op het landgoed Mariën- 
daal b. v. stonden in dien zin bij mij zeer gunstig aange- 
schreven, daar had ik zooveel fraais reeds gevonden dat 
ik als een jager, die zijn jagtveld kent, steeds weder mijne 
schreden daarheen rigtte , wel verzekerd vroeg of laat er 
weder de eene of andere goede vangst te zullen doen. 

« Toen ik nu een tiental jaren later in Insulinde wederom 
het kapellennet in handen nam , trof het mij ook daar het- 
zelfde weder te vinden ; alleen , zooals men dat in de tropische 
gewesten spoedig gewoon wordt , op veel grooter schaal dan 
in de gematigde streken het geval is. Daar, waar in Tnsu- 
linde de heldere bergbeek schuimend en bruisend over 
de rotsblokken stroomt, daar vooral, waar de rivier onder 
watervallen of ten gevolge van andere terreinsom standig- 
heden kommen vormt van het zuiverste, snelvlietendste 
water, daar is het eigenlijk vaderland der groote dagvhnders; 
daar kan men verzekerd zijn, wanneer geen zonneschijn 
ontbreekt, zich steeds omringd te zien door eene menigte 
vormen van die zonnekinderen , wier aantal en kleurenpracht 
den Noordschen vlinderjager verbaasd doen rondzien. Ver- 
baasd, zeg ik, doch ook zoo hij hart en oog voor natuur- 
schoon bezit , opgetogen , want nergens doet zich de tropische 
natuur schitterender voor, dan daar waar tusschen het 
halfduister van het juist door die vochtig heete temperatuur 
in ongeloofelijk weelderige vegetatie prijkend tropisch oer- 
woud, de bergrivier, fel door de sterke zon beschenen in 



XVI VERSLAG. 

ijlende vaart naar beneden snelt, als eene iDreede , glanzende 
zilveren streep de donkere tinten van de oevers doorbrekende, 
bij elk in den weg liggend rotsblok in bruisend schuim 
opspattende en duizenden, door de zon tot schitterende 
edelgesteenten geslepen en met regenbogen versierde water- 
druppels naar alle kanten heenwerpende , terwijl daarover 
en daartusschen in volle harmonie met dat leven, dien 
glans en die kleurenpracht, de rijkversierde vliegende 
bloemen, die wij vlinders noemen, heen en weder schieten. 

«Waarom nu vindt men deze vlinders juist bij voorkeur 
op zulke plaatsen ? Het is wel , omdat zij , — hoewel tevens 
den brandendsten zonneschijn bij voorkeur zoekende, ja 
dien zelfs zoo noodig schijnende te hebben, dat zij als de 
zon slechts even achter wolken bedekt wordt, zoo spoedig 
mogelijk zich nederzetten, en zoo de zon niet schijnt, 
sommigen zelfs als zij niet zeer krachtig schijnt, den 
ganschen dag hunne schuilplaatsen niet verlaten, — echter 
eene groote mate van vochtigheid van noode hebben, als 
ik het zoo mag uitdrukken van eene zeer dorstige natuur 
zijn. Ik heb daarvan eenige treffende voorbeelden gezien, 
waarvan een zelfs, naar ik meen, nog nimmer is waarge- 
nomen en oppervlakkig geheel in strijd schijnt te zijn met 
het denkbeeld dat men zich van de levenswijze der dag- 
vlinders gewoon is te maken. 

«Ook in Nederland kan men nu en dan enkele dagvlin- 
ders zich op vochtig door de zon beschenen zand zien 
nederzetten en het vocht uit den grond opzuigen. Maar 
wanneer men in Insulinde op den warmsten tijd van den 
dag een uit zand of grint bestaanden oever van een berg- 
riviertje of een dergelijk bed van een schier uitgedroogd 
bergbeekje betreedt, jaagt men bijna met eiken tred dag- 
vlinders, vooral Papilioniden en Pieriden op, die daar met 
toegeklapte vleugels bijna onzigtbaar, met blijkbaar genot 
zich aan den vochtigen grond zaten te laven; ziet men 
zich soms plotseling omfladderd door zwermen zulke vlin- 
ders, die voor de voeten oprijzen. Eens was ik in Z, W. 



VERSLAG. XVII 

Celebes op reis , toen bij het overtrekken van een nagenoeg 
uitgedroogd beekje mijn reisgezel plotseling uitriep: «O zie 
eens wat een prachtige bloem!» en op zijne aanwijzing 
zag ik midden in de bedding der beek tusschen het nog 
vochtige grint eene prachtige oranjegele bloem met wit 
hart , ongeveer een decimeter in doorsnede groot. Het 
vreemde van het geval deed mij nader treden om het 
meer van nabij te beschouwen , en wat zag ik ? — de 
bloem bestond uit twee concentrische ringen van vlin- 
ders {Callidryas Scylla L.), die, met de aan de onderzijde 
geel en oranje gekleurde vleugels toegeklapt, bezig waren 
het vochtige zand uit te zuigen en aldus op hoogst bedrie- 
gelijke wijze bloembladen voorstellende, een vijftal zich op 
dezelfde wijze gedragende vlinders eener andere witte 
Pieriden-soort omsloten, welke alzoo het witte hart der 
bloem schenen uit te maken. Ik herinner mij nog de 
verbazing van mijn' reisgenoot toen bij mijn naderen 
de gelicele bloem als een zwerm vlinders uiteenvloog. 

« Eene dergelijke prachtige bloem , waarin benevens eenige 
geel en wit gekleurde Pieriden, een tal van de roode Pleris 
Zar inda de bloembladen vormde, zag ik later op eene andere 
plaats in Z. W. Gelebes , op een dier bovenbedoelde plekken, 
door vlinders , vooral Papilioniden en Pieriden , bij voor- 
keur bemind , even boven den schoenen , door Wallace be- 
schreven waterval van Ma ros. En daar zag ik toen tevens, 
wat ik vroeger of later nimmer gezien en waarvan ik ook 
nog nooit gehoord of gelezen heb, daar zag ik een vlinder 
zich baden. 

«Terwijl ik aan den oever der rivier stond, die daar 
voor hare intrede in de rotsspleet, waaruit zij als waterval 
bruisend en donderend te voorschijn treedt, eene schijn- 
baar stille, zeer heldere bron vormt, kwam een exem- 
plaar van Papilio Helenus L. over het water aanvliegen. Laag 
vliegende, zoo als deze soort gewoon is, was zij mij tot 
op korten afstand genaderd, toen ik haar plotseling de 
vleugels half zag toeklappen en regt naar beneden onder* 

2 



XVIII VERSLAG. 

duiken, zoodat het geheele ligchaam en ongeveer een 
derde der schuin opwaarts gerigte vleugels onder water 
kwamen, en daarna zich weder uit het water verheffen en 
hare vlugt voortzetten. Sterker hewijs van de behoefte aan 
vocht Ijij een overigens zoo weinig voor aanraking met 
water geschikt schijnend insect kan men wel niet verlangen. 
«Gelijk sommige planten in Indie de droogste, door de 
brandende zonnestralen verschroeide plaatsen verkiezen, 
ziet men ook sommige dagvlinders zich op zulke plekken 
bij voorkeur ophouden , en , zoo als b. v. Junonia Orithya L. , 
zich daar, blijkljaar zonder behoefte aan lafenis, met ge- 
noegen op het brandend heete zand nederzetten; gelijk 
weder andere planten de zeer vochtige, donker bescha- 
duwde plaatsen in het bosch verkiezen, waar geen zonne- 
straal kan doordringen , houden ook daar bij voorkeur 
sommige Satyriden en andere meest donker gekleurde dag- 
vlinders verblijf; gelijk eindelijk de prachtigste, stoutste 
tropische vegetatie zich daar ontwikkelt waar sterke zonne- 
hitte met zeer gT:'oote vochtigheid gepaard gaat, ziet men 
er ook de grootste en schitterendste dagvlinders bij voor- 
keur zich op zulke jjlaatsen ophouden en blijkbaar aan den 
sterksten zonneschijn en tevens aan veel vocht behoefte 
hebben. Dit verdient vooral daarom opmerking, omdat 
bij deze laatste dagvlinders , niet zoo als bij andere insecten- 
orden het geval is, voor die eigenaardigheid in gewoonten 
en verblijf, in de voeding van het volmaakt insect of in 
de zorg voor zijne nakomelingschap de reden is aan te 
wijzen , zoodat het wel schijnt alsof de aard der rupsen , 
welke op de in die warme en vochtige plaatsen groeijende 
Ijlanten leven en op welke het eigenaardige van dat voedsel 
wel niet zonder invloed zal bhjven, ook in het volmaakt 
insect behouden blijft, ofschoon toch voor dit geen nut 
meer medebrengend. 

«Bij dienzelfden waterval van Maros was ik nog getuige 
van eene andere handeling van dagvlinders, die ik mede 
der vermelding waard acht. liet is namelijk bekend d.il , 



VERSLAG. XIX 

even als bij de meeste dieren, ook de mannelijke vlinders 
elkander uit minnenijd bevechten , doch voor het overige 
staan deze insecten, voor zoover ik weet, als zeer ver- 
draagzame, volstrekt niet strijdlustige schepselen te boek. 
En zoo verbaasde het mij zeer toen ik daar het volgende 
waarnam. Om en op de bloemen van een bloeij enden struik 
vlogen verscheidene dagvünders (Precis Iphifa L. en eenige 
Pieriden), toen daar een in vergelijking met hen reusach- 
tige vlinder. Papil io Remus Cr., kwam aanvliegen, ver- 
moedeUjk om ook zijn deel van den maaltijd te nemen. 
Of het nu was dat de anderen op een dischgenoot van in 
hun oog zeker reusachtigen eetlust niet gesteld waren of niet, 
zeker is het, dat ik hen Papilio Remus zag aanvallen, ver- 
jagen en nog een eind ver vervolgen, totdat zij zeker 
waren dat hij voor goed de vhigt genomen had, waarop 
zij naar hunne bloemen terugkeerden. Hunne wijze van 
handelen was daarbij volkomen dezelfde op welke ik dik- 
wijls zwaluwen en andere kleine vogels roofvogels , die zich 
in de nabijheid hunner nesten vertoond hadden, heb zien 
verjagen en vervolgen, door namelijk boven den groeten 
vijand te vliegen en dan plotseling op hem neder te vallen 
ofte stoeten , totdat hij de herhaalde snelle aanvallen, — tegen 
welken zijne grootte en daaruit voortvloeijende mindere 
vlugheid hem beletten zich te verdedigen, — moede , genood- 
zaakt werd zijn heil in de vingt te zoeken, waarop zijne 
kleine vijanden niet nalieten hem nog een eind te vervol- 
gen. Het bragt mij ook te binnen van dergelijke uit vol- 
komen denzelfden broodnijd ontstane aanvallen van Kolibris 
op Amerikaansche Sphinxen gelezen te hebben, doch in 
casu waren de aanvallers en overwinnaars niet met scherpe 
puntige bekken gewapende vogels, maar schijnbaar vrij 
weerlooze vlinders. 

(( Is het dan al misschien in de insectenwereld «lout comme 
chez nous» en zijn welligt velen van die lieve, vlugge, 
prachtig gekleede, schijnbaar zoo zachtmoedige en weer- 
looze scliepseltjes in hunne naaste omgeving ware katjes, 



XX VERSLAG. 

het valt niet te ontkennen, dat deze zeer beredeneerde 
handeling bij de vlinders meer nadenken doet vermoeden 
dan gewoonlijk wordt verondersteld. Dat het hun aan her- 
inneringsvermogen ook niet ontbreekt meen ik uit het 
volgende feit te mogen afleiden. In de open voorgalerij der 
sociëteit de Harmonie te Mangkasar zag ik op zekeren avond 
een daar zeer gewonen dagvlinder, Precis Iphüa L. Het 
diertje bleef, niettegenstaande de vrij sterke vei lichting, 
den ganschen avond rustig op dezelfde plaats tegen de 
zoldering zitten, Den volgenden dag op de sociëteit komende 
zag ik het niet, maar des avonds zat het weder rustig op 
dezelfde plaats. En daar nu de beschaving te Mangkasar 
nog niet zoo zeer is doorgedrongen , dat men het daar 
noodzakelijk acht elk onschuldig diertje dat zich in of nabij 
menschelijke woningen waagt, onmeêdoogend te dooden of 
te verjagen, had ik het genoegen gedurende zes dagen het 
geheugen der Precis Iphita te bewonderen. Des daags was 
zij niet te vinden; zij was dan vermoedelijk voor zaken 
uit ; maar eiken avond , zes avonden achtereen , vond ik haar 
trouw op dezelfde slaapplaats terug. Toen is zij vermoe- 
delijk omgekomen ; ten minste na dien tijd is zij daar niet 
weder verschenen. 

« Of alle vlinders zoo geregeld dezelfde slaapplaatsen op- 
zoeken , weet ik niet ; omtrent de slaapplaatsen der kleineren, 
zoowel van de Lycaeniden als van de Micro's, heb ik 
echter nog het volgende waargenomen. Komt men met het 
aanbreken van den dag in een Indisch bosch, terwijl het 
gras en de laag groeijende kruiden nog geheel nat zijn van 
den nachtelijken dauw, dan ziet men overal aan de toppen 
dier planten Microlepidoptera zitten. Zoodra de zonnestralen 
beginnen te werken, wat in Indie spoedig plaats vindt, 
en de planten opdroogen, dalen de vlindertjes langzaam 
langs de stengels naar beneden om zich in het mos en 
tusschen wortels te verschuilen en daar in stilte en duisternis 
hunnen dagslaap te houden. Een uur na zonsopgang ziet 
men er geen enkel meer. De Lycaeniden, die daarentegen 



VERSLâG. XXI 

dagvlinders zijn, doen op dien tijd juist het omgekeerde. 
Zoodra de zon zich goed hegint te doen gevoelen, kruipen 
zij langzaam langs de stengels der lage planten naar boven 
en eerst nadat zij op de toppen zich een' tijd lang in de 
warme zonnestralen hebben gekoesterd, vliegen zij uit. De 
invloed der zonnevv^armte op het uitvliegen der dagvlinders 
blijkt ook uit het feit, dat men in Nederland zelfs ge- 
durende de langste zomerdagen vóór 8 ure in den morgen 
weinig dagvlinders ziet vliegen en sommigen die groote 
hitte beminnen, zoo als b.v. de Lycaeniden, eerst eenigen 
tijd later voor den dag komen , terwijl in Indie een goed uur 
na zonsopgang de vlinderwereld reeds in volle beweging is. 
((Toen Linnaeus zijne rangschikking der dieren maakte, 
vormde hij onder de Lepidoptera ook eene klasse der Sche- 
meringvlinders of Crepuscular ia. Daargelaten nu dat men 
later voor die rangschikking andere en juistere kenmerken 
heeft gebezigd, is het toch ook spoedig gebleken dat de 
zoogenaamde schemervlinders inderdaad echte nachtvlinders 
zijn, die geenszins alleen in de morgen- en avondscheme- 
ring, maar gedurende den ganschen nacht rondvliegen. In 
Indie vindt men evenwel toch echte schemervlinders, die 
intusschen geenszins tot de geslachten Sphinx enz. be- 
hooren, welke Linnaeus als zoodanig beschouwde, maar 
tot de groote groep der Rhopalocera. Naauwelijks begint de 
zon ten ondergang te neigen of overal, zoowel op Java als 
in Z. W. Celebes, ziet men in menigte de daar zoo ge- 
wone Cyllo Leda L., Amathusia Phidippus L. en Casyapa 
Thrax L. rondvliegen en in laatstgenoemd gewest ook Debts 
Europa F. , doch nimmer zag ik deze soorten 's nachts in 
den maneschijn ronddolen of als zoo talrijke echte nacht- 
vlinders de verlichte woningen binnenkomen, terwijl zij 
des daags even als deze stil zitten te rusten en opgejaagd 
slechts een klein eind wegvliegen om terstond zich weder 
neder te zetten. De meest gewone dezer vlinders, Cyllo 
Leda L., heb ik mede in menigte in de morgenschemering 
zien vliegen; met Debis Europa F. was dit ook eens het 



XXII VERSLAG. 

geval. Overigens vermoed ik, op grond der volkomen met 
de vermelde overeenkomende wijze waarop zij des daags 
handelen, dat ook verschillende Micalesis-soorien en ook 
Elymnias Lais Cr. op Java tot deze schemeringvlinders moeten 
worden gerekend. 

«Voor zoover mij bekend is zijn wel vele Lepidoptera in 
den larvenvorm als zeer schadelijk bekend, doch worden 
de volmaakte insecten algemeen voor onschadelijk gehouden. 
Ik acht mij derhalve ter wille der waarheid verpligt, even 
als boven ten opzigte hunner zachtzinnigheid, ook op dit 
punt hunne reputatie aan te randen. In Z. W. Celebes is 
een klein wit vlindertje, eene nog niet beschreven soort 
van Scirpophaga, een der landplagen. In ontelbare menigte 
vliegen deze diertjes des avonds de verlichte woningen 
binnen, zetten zich op alles en dus ook op de bewoners 
neder en waar zij de naakte huid aanraken laten zij eene 
ondragelijke jeukte achter. Bovendien verontreinigen zij 
overal de witte muren der vertrekken, op welken zij in 
menigte hunne met een geel dons bedekte eijeren vasthechten. 
«Ik stap nu van de vlinders af om tot de rupsen over 
te gaan. Over het algemeen heeft het mij steeds verwon- 
derd , in Indie , waar toch zoo groote verscheidenheid van 
vlinders wordt gevonden, zoo weinig rupsen aan te treffen. 
Ik meen dit op grond van eenige waarnemingen daaraan 
te moeten toeschrijven dat vermoedelijk een groot deel der 
Indische rupsen , gelijk dit ook sommigen in de gematigde 
streken doen , de hitte of het licht van den dag in de aarde 
ontwijken en alleen des nachts de planten, welke hun lot 
voedsel dienen, bezoeken. Bovendien schijnen, gelijk dit 
ook met de tropische planten in tegenstelling met die der 
gematigde streken het geval is, slechts weinigen gezellig 
te leven. Ten minste, behalve van Bombyx Waring iTe^'sm., 
van welke soort ik eens op een jongen waringinboom (i^ict(5 
Benjaminea L.) eene menigte rupsen bijeen aantrof, vond 
ik nimmer een groot aantal rupsen te zamen. 

« Bij de rupsen, die ik kon waarnemen , trof ik ook het mede 



VERSLAG. XXIII 

in Europa waargenomen belangrijke feit aan, dat sommige 
soorten de plantensoorten , die haar vroeger tot voedsel strek- 
ten , schijnen te verlaten , om bij voorkeur op van elders inge- 
voerde planten te gaan leven. Gelijk in Nederland de rups 
van Acherontia Atropos L. thans bij voorkeur, zoo al niet 
uitsluitend op de uit Amerika overgebragte aardappelplant 
schijnt te leven, vindt men zoowel te Batavia als in Z.W. 
Celebes de zeer gewone rups van den daar niet minder ge- 
wonen vlinder Papilio Agamemnon L. steeds op de bladeren van 
den uit West-Indië ingevoerden Zuurzak {Anona muricata L.). 
Zoo trof ik ook te Batavia de rupsen van Euploea Midamus L, 
zoowel op eene inlandsche plant als op den als sierplant uit 
Europa overgebragten Oleander aan en waren te Mangkasar 
de rupsen van Cyllo Leda L. op het in mijnen tuin als paar- 
denvoeder gekweekte, uit Zuid-Amerika overgeplante zoo- 
genaamde Pampagras niet zeldzaam. 

« Ook bij de Indische rupsen bemerkte ik de zonderlinge , 
welligt ten deele als mimicry verklaarbare, maar toch nog 
steeds merkwaardige verschillen en overeenkomsten, welke de 
rupsen onderling vertoonen , zoodat soms , schijnbaar zonder 
eenigen regel , die van verwante vlinders ook onderling zeer 
overeenkomen, terwijl een andermaal uiterst op elkander 
gelijkende vlinders, als b. v. de Europesche Acronycta 
tridens en A. Psi, in hunne rupsen steeds een groot ver- 
schil vertoonen en daarentegen andere zeer weinig tot 
elkander naderende vlinders larven bezitten, die onderling 
de grootste gelijkenis aanbieden. Van de zeer verwante 
Papilio Memnon L. en PolytesL. vertoonen de rupsen , tenzij 
welligt eenigszins in grootte en in de keus van het voed- 
sel , geen verschil; het kleine naakte pijlstaartrupsje van 
de zoo even genoemde Bombyx Waringi Teysm. gelijkt vol- 
komen de miniatuur-uitgave eener Sphinx-v\v^'&\ de larven 
van de zeer ver van elkander staande Amalhusia Phidippus 
L. en Lasiocampa Vishnou Guér. , hoewel eene zeer eigen- 
aardige gedaante bezittende , verschillen weder bijna alleen 
in kleur en voedsel. 



XXIV VERSLAG. 

a Bij deze laatste rups (Lasiocampa Vishnou Guér.) zag ik 
mede eenmaal iets dat mij anders nimmer is voorgekomen. 
Midden over de gansche lengte van den rug vertoonen 
sommige exemplaren (want de kleur en teekening dezer 
rups varieert sterk) eene fraaije teekening, die zich voor- 
doet als eene uit witte en gele vloszijde geborduurde streep, 
terwijl zich ook verder langs de beide zijden der rups eene 
menigte witte en gele haren bevinden. Kort nu vóór de 
verpopping zag ik deze witte en gele kleur in paars ver- 
anderen en dat niet alleen wat de vermelde streep betreft, 
maar ook wat de haren langs de zijden aangaat. Deze allen 
veranderden in paarse haren en wel zonder dat eene ver- 
velling hiervan de oorzaak was. 

«Nog vreemder vertooning gaven mij de haren der rups 
van Miresa nitens Walk., door Horsfield onder den naam 
van Setora nitens afgebeeld. Toen ik deze zeer schoone rups 
vond, was zij geheel met zoogenaamde doornen bezet; ik 
telde er 8 groote en 24 kleine. Na eenige dagen vervelde 
zij zonder dat dit eenige verandering in haar uiterlijk scheen 
te weeg te brengen. Weder na eenige dagen vervelde zij 
nogmaals; en nu zag ik al de doornen in haarbosjes ver- 
anderd, van welke sommigen stijve borstels, anderen meer 
penseelen geleken. Drie dagen later vereenigden zich de 
haren dezer borstels weder zoodanig dat zij als vóór de 
vervelling puntige doornen schenen te vormen; doch nog- 
maals drie dagen later gingen de haren weder van elkander 
en kwam de vorige gedaante van borstels en penseelen 
terug. En nu kwam de doornvorm wel niet meer terug 
doch veranderden dezelfde haarbosjes toch dagelijks van 
gedaante, zoodat zij den eenen dag borstels, den anderen 
penseelen geleken. En dit duurde zoo tot de verpopping 
der rups voort. 

« Gedurende mijn verblijf in Indie heb ik mij meer uit- 
sluitend met de Lepidoptera bezig gehouden ; over insecten 
van andere orden kan ik dus weinig mededeelen. Alleen 
kan ik de wel is waar geenszins nieuwe opmerking niet 



VERSLAG. XXV 

weerhouden dat het uiterst in het oog valt hoe veel krachtiger 
het insectenleven zich in do tropische gewesten openbaart 
bij vergelijking met de gematigde streken. De zoo lastige 
tenaciteit der vliegen , welke , hoevele malen verjaagd , 
toch steeds terugkomen, is eiken bewoner van Indie be- 
kend; dat bijna geene bewaarplaats voor tallooze mieren 
ongenaakbaar is, weet iedere huismoeder. Eens was ge- 
durende den nacht mijn zakuurwerk blijven stilstaan; toen 
ik het bij den horlogemaker had gebragt , haalde deze van 
tusschen de raderen eene kleine mier, die van de naauwe 
opening, dienende om de veer der savonet-sluiting speel- 
ruimte te geven, had gebruik gemaakt om het horloge 
binnen te dringen, ten einde zich aan de fijne olie waar- 
mede het eigenlijke uurwerk ingesmeerd was, te goed te doen. 
Nagenoeg eiken avond vinden bij elke lamp honderden kleine 
insecten uit allerlei orden den dood, en vliegen talrijke soorten 
van Coleoptera, wier naaste verwanten in de gematigde 
streken ook wel vleugels bezitten maar deze niet of slechts 
hoogst zelden gebruiken , te gelijk met eene onschadelijke , 
doch door de dames zeer gevreesde en ook werkelijk even 
als Sphinx CoiivolvuU door hare onbesuisdheid hoogst lastige 
Gnjllotalpa, de verlichte woningen binnen; en wien hebben 
in Indie niet zwermen plotseling binnen- of uitvliegende 
termieten, of erger nog, kwalij kriekende Orthoptera of on- 
dragelijke jeukte veroorzakende Lepidoptera zijnen avond- 
maaltijd verstoord ? wien heeft kakkerlak of termiet, in linnen- 
kast of bibliotheek doorgedrongen, niet den socialistischen 
wensch doen uiten, toch maar liever geen eigendom meer 
te bezitten? wie vooral onder hen, die niet steeds in de 
beter ingerigte woningen der groote steden verblijf hielden, 
herinnert zich niet onvergetelijke Indische nachten , waarin 
dichters en verliefden aan maneschijn en stargeflonker hun 
hart in de ruimste mate hadden kunnen ophalen, maar 
vermoeide menschen , die slaap van noode hadden, door bloed- 
gierige muskieten, kriebelende mieren of andere insecten, 
als door ware kwelduivels werden geplaagd? Een enkel nach- 



XXVI VERSLAG, 

telijk voorval, hetwelk tevens eene kleine bijdrage tot de 
nog onbekende levensgeschiedenis van eene Indische insec- 
tensoort bevat, moge ik ten slotte nog verhalen. 

(( Op zekeren nacht terwijl ik in mijne woning te Batavia 
in een met eene muskieten gordijn, naar ik meende, goed 
omsloten ledikant lag te slapen, werd ik door eenig geraas 
gewekt. Goed wakker geworden zijnde hoorde ik een ge- 
gons alsof mijne kamer in een groeten bijenkorf was 
veranderd. Mijn nachtlicht was uitgegaan, blijkbaar door de 
insecten , die ik in mijne kamer hoorde , uitgevlogen ; 
doch bij het door het venster naar binnen dringend licht 
eener gaslantaarn zag ik de buitenzijde mijner witte mus- 
kietengordijn bezet met insecten, die mij toeschenen eene 
soort wespen te zijn. Men begrijpt dat ik weinig lust ge- 
voelde mijne schuilplaats te verlaten , doch spoedig bemerkte 
ik met schrik dat mijne muskietengordijn niet zoo goed 
gesloten was als ik gedacht had en dat reeds enkelen der 
gevreesde dieren zich binnen mijn ledikant toegang hadden 
weten te verschaffen. Een stout besluit was nu het eenige 
redmiddel; plotseling rukte ik de gordijn open, greep mijne 
hoofdkussens en wierp die zoo naar buiten dat ik daarop 
springende, de deur der kamer kon bereiken zonder 
gevaar te loopen met de bloote voeten op de vermoedelijk 
den grond bedekkende wespen te treden; en snelde zoo 
uit de kamer. Daarop riep ik mijne bedienden en gelastte 
hun licht te brengen. Zoodra deze de dieren zagen, ver- 
klaarden zij dat zij niet staken en grepen ze onbeschroomd 
aan. Hierdoor gerustgesteld ging ik nu ook de kamer weder 
binnen en zag toen dat zij vervuld was met insecten, die, 
even als de volwassen termieten, uit eene door hen tusschen 
de steenen bevloering gemaakte opening in menigte te voor- 
schijn waren gekomen. Blijkbaar was het eene op de wijze 
der termieten in onvolmaakten toestand in den grond wonende 
insectensoort , waarvan de gevleugelde volwassen exemplaren 
thans uitvlügen, en zich daarbij wat de geschiktheid van 
tijd on plaats betreft weinig om den boven hen huizenden 



VERSLAG XXVII 

heer der schepping bekommerden. Het duurde ongeveer 
1| uur eer zij allen uitgevlogen en naar een met dat doel 
buiten de kamer geplaatst licht toegevlogen waren, zoo- 
dat ik mijne gestoorde nachtrust kon hervatten. On- 
geveer een jaar later herhaalde zich in dezelfde kamer eene 
gelijke vertooning. Het insect door mij naar Nederland 
opgezonden en aan het Leidsch museum geschonken, is door 
ons medelid Ritsema gedetermineerd als Dorylus Klugil Hag. » 

De heer Everts laat een exeirqAadx zien YRn Rhiplphorus 
paradoxus, door den heer van den Honert te Soest gevangen, 
en wijst op de groote zeldzaamheid van deze soort, welke 
in de nesten van Vespa vulgaris onder den grond leeft. 

De heer G e r t h van W ij k spreekt in de eerste plaats 
over Pollyxenus lagurus L., die volgens Bennet en Olivier 
in Nederland voorkomt. Op hun gezag werd die soort ook 
als inlandsch opgegeven door Maitland (Nederl. Myriapoda 
in Herklots' Bouwst. H. 284) en door Snellen van Vollenhoven 
{Gelede dieren van Nederland , I. 25) , doch zonder dat zij door 
hen of anderen gevonden was. Spreker vond dit dier op 
Walcheren onder boomschors op drie verschillende plaatsen, 
ver genoeg van elkander verwijderd en talrijk genoeg om 
zeker te zijn dat de soort in geheel Walcheren verspreid is. 
De tijden waarop de vangst plaats had zijn October en 
November 1874 en Februarij 1875. 

Verder laat dezelfde Spreker eenige zeldzame kevers zien, 
door hem op Walcheren gevonden, en wel een paartje van 
Chlaenius veslitus Schrank, nabij de Oranjezon, een dito van 
Anchomenus oblongus F., aan het strand te Vrouwenpolder, 
een Cillenum laterale Gurt., aan het, strand te Koudekerke 
gevonden, en voorts nog eene ongedetermineerde soort van 
Pogonus, die nieuw voor de Fauna schijnt te zijn, alsmede 
een exemplaar van Copris lunaris L., in koemest aangetroffen. 

De heer G. A. Six geeft eene vergelijking tusschen de 
insecten-Fauna van den Utrechtschen heigrond , zoo als die 



XXVIII VERSLAG. 

in een tal van jaren door hem in de omstreken van Drie- 
bergen was waargenomen, en die van den duingrond bij 
den Haag, in de drie laatst verloopen jaren gedurende zijn 
verblijf aldaar door hem opgemerkt. Vroeger bij gelegenheid 
eener kleine excursie in de Wassenaarsche duinen, waren 
hem al dadelijk eenige kenmerkende soorten onzer duinen 
in het oog gevallen, welke op onzen heigrond onbekend 
zijn , waaronder eene vrij groote vlieg met donker gekleurde 
vleugels , Limnia marginata F. , eene kleine zwarte , met witte 
vlek op de elyters geteekende tor, Sihynes phaleratus Stev., 
toen alleen door vom Brück als inlandsch bekend, maar welke 
met het sleepnet veel te vangen is , de zoo in het oog loopende 
Clenlopus sulphur eus L , Agelastlca halensis L. , de prachtige 
rood en zwart gekleurde Pyrrhocoris apterus L. en de niet 
minder schoone eveneens gekleurde Zygaena FilipendiUae L. 

Deze opvallende vormen deden duidelijk zien dat de zand- 
grond onzer heiden en duinen eene van elkander verschil- 
lende insecten-Fauna herbergt, hetgeen ten deele ook door 
het onderscheid der Flora wordt veroorzaakt. Een later en 
naauwkeuriger onderzoek bevestigde dit, ook ten aanzien 
van minder algemeene of weinig in het oog vallende insecten , 
zoo als kan blijken uit de volgende opgaaf van de voor- 
naamste der door Spreker waargenomen vormen. 

Onder de Coleopters kwamen hem in het Sticht nooit 
voor Corymbltes hipustulatus L. , de fraaije verscheidenheid 
van Campylus linear is L. met zwarte vleugeldekken (meso- 
inelas), de vrij groote, zwarte met een wit kruis op de 
elyters geteekende CeiUorhyncJms crucifer Oliv., de zijde- 
achtig zwarte Xyletinus laticollis Dftsch. Daarentegen worden 
de fraaije CarcUophorus ruficolUs L. en de stekelige Hispa 
atra L. op de duinen gemist, terwijl zij bij Driebergen niet 
zeldzaam zijn. Brachonyx indigena Hrbst. , in de Stichtsche 
dennenbosschen veel aan te treffen, vond hij ook eens in 
April onder eene groep dennen bij den Haag. Cryphalus 
binodidus Ratz., door hem op de duinen gevonden, zal mis- 
schien wel elders voorkomen , maar door zijne kleinheid 



VERSLAG. XXIX 

onopgemerkt gebleven zijn. Ceutorhynchus picüarsis Gyll. , 
tot dusver alleen door hem achter Zorgvliet gevangen, kan 
daarentegen mogelijk wel een duininsect zijn, terwijl Apion 
Malvae F. , voor het eerst door hem bij den Haag gevonden , 
op andere plaatsen waar zijne voedingsplant voorkomt kan 
aangetroffen worden. 

De tot nu toe uitgegeven lijsten van Hemipters kunnen 
aangevuld worden met de volgende slanke Capsus-soorien: 
Capsus Paykuli Fall., wegens de met zwarte vlekjes getee- 
kende membraan der elyters door Herrich-Schäffer eigen- 
aardiger macuUpennis genoemd , die in aantal op Ononis repens 
voorkomt ; Cyllocoris errans Wolff, met doorschijnende bruin- 
geaderde vleugeldekken, veel op bloemen van Heracleum 
]3ij Waalsdorp ; de bruine Caps. Carlas Fall. (H. Seh. f. 484) , 
waarvan het ? met rooden kop door Herrich-Schäffer f. 338 als 
C. nifi frons is afgebeeld. Dit 5 , bij ons nog niet gevonden , 
heeft de vleugeldekken geheel lederachtig en komt in vorm 
veel overeen met het 5 van de door Spreker zoowel bij 
Driebergen als op de duinen gevonden Microphysa coleo- 
ptrataYdW.., hoewel deze drie malen kleiner is *); het? van 
den geheel zwarten Capsus mutahilis Fall., die tusschen gras 
onder boomen langs onze binnenduinen soms in groot aantal 
voorkomt, heeft ook breede dekschilden zonder vliezigen 
rand, even als bij het ? van C. paUidus H. Sch., die zoo- 
wel in onze heiden als op de duinen voorkomt. Microlophus 
nubllus H. Sch (Panz.139. 7), vroeger door hem bij Utrecht 
tusschen gras gevonden, is nu ook in Junij in de Scheve- 
ningsche boschjes aangetroffen; deze lichtgroene soort is 
kenbaar door een zwart streepje aan weerszijden van den 
kop en een zwarten ring om het eerste sprietenlid. Am- 
hlylylus alhldus Halm en Berytus elegans Curt. , welke reeds 
als duinvormen uit onze lijsten bekend waren, zijn ook 



1) Het <? van de verwante 31icroph. pselapJioides Wcstw. met volkomen ontwik- 
kelde elyters (H. Sch. 974), vi'oeger door Spreker bij Driebergen gevangen, vond hij 
nu ook in Augustus in de Scheveningsche boschjes op den grond. Vergel. Tijdschr. 
voor Ent. X. p. 90. 



XXX VERSLAG. 

door hem bij den Haag gevonden, vooral de laatste fraaije 
gele soort met bruingeringde pooten, die soms in menigte 
bij elkander op drooge zonnige duinplekken voorkomt. Ook 
Serenlhia laeta Fall., een kleine slanke vorm van Tingide, 
bij welke de paarlkleurige met een fijn netwerk van cellen 
versierde elyters zoo aangenaam afsteken tegen den zwarten 
kop en thorax, en waarvan de schoone afbeelding van Herrich- 
Schäffer f. 388 Spreker's bewondering zoo dikwijls opwekte , 
werd door hem in onnoemelijk aantal overal op de duinen ge- 
vonden; wel een bewijs dat dit merkwaardig diertje op de 
Utrechtsche heiden niet voorkomt, dewijl het anders zijn 
sleepnet niet zou ontgaan zijn. Hier kan ook vermeld wor- 
den dat Aneitrus laevis F. , verwant aan Aradus , en die een 
paar jaren geleden, toen de heer Snellen van Vollenhoven 
zijne afbeeldingen van inlandsche Hemipters uitgaf, slechts 
uit Gelderland bekend was, nu ook door den heer Lees- 
berg in de omstreken van den Haag onder boomschors is 
gevonden. Zoo is ook Coreomelas scarabaeoides L., tot nog 
toe slechts uit den omtrek van Driebergen bekend, nu ook 
door Spreker op de Haagsche duinen gevangen. Daaren- 
tegen schijnt Sciocoris umhrinus Wolff, niet zeldzaam in de 
duinen, op heigrond te ontbreken. Het insect, door den 
heer Snellen van Vollenhoven in zijne monographie van 
inlandsche Wantzen onder den naam van Coreus difßciUsVoW. 
afgebeeld en hetwelk later gebleken is Squcdidus Gost, te zijn, 
werd ook eens door Spreker op de Scheveningsche duinen 
gevonden, terwijl de voor onze Fauna nieuwe Pachymerus 
luscus F. (Hahn f. 30) in October tegen het Schevening- 
sche badhuis werd gevangen. 

Aangaande voor onze Fauna nieuwe soorten van Gica- 
dinen wil hij alleen opmerkzaam maken op een zwarten 
Delphax met gele pooten en eene gele vlek op kop en pro- 
thorax en op den zwart verlakten Jassus fenestratus H.S. , die 
eenige doorschijnende vlekjes op de elyters heeft en waar- 
van de eerste achter het groote Hoefijzer, de andere op de 
Meerdervoortsche duinen door hem werden ontmoet, Psylla 



VERSLAG. XXXI 

Alaterni Forst. {Hartigii Flor), op Hippophaö levend, moet 
ook als duinvorm beschouwd worden, terwijl daarentegen 
Ulopa ohlecla Fall., zoo gemeen op heigrond, op de duinen 
niet voorkomt. 

Het belang, dat Spreker steeds in onze Dipters stelde, 
deed hem ook onderzoekingen omtrent onze duinsoorten 
niet verzuimen. Zoo vond hij den fraaijen en vrij grooten , ook 
bij Driebergen voorkomenden Ceraiopogon ferrugineus Meig. 
en C. venustus Meig. met zwart borststuk en wit abdomen , 
de zwarte met zilveren schubjes versierde Lasioptera Rubi 
Scop, ook bij den Haag terug, terwijl Limnobia jlavipes F. en 
nigropunctata Schumm., alsmede de met een langen snuit 
voorziene Asindulum jlavum Winn. , welke hij niet bij Utrecht 
vond, nu ook door hem even als vroeger door den heer van der 
Wulp in de Scheveningsche boschjes werden aangetroffen. 

Van de fluweelzwarte Aspistes beroUnensis Meig., uit de 
lijsten reeds als een duinvorm bekend, maar door hem te 
vergeefs in het Sticht gezocht, vond hij niet alleen dik- 
wijls voorwerpen achter Zorgvhet, maar merkte ook op, 
dat sommige exemplaren 8 , anderen 12 leden aan de sprieten 
hadden, zonder te kunnen beslissen of dit een sexueel dan 
wel specifiek onderscheid is. Meigen toch geeft 8, Schiner 
12 leden als kenmerk voor dit genus op. 

Van het geslacht Plesiastina, waarvan de heer van der Wulp 
reeds eene soort (AnmUata Meig.) als inlandsch had opgege- 
ven , vond Spreker nu ook eene tweede soort , Apicalis Winn. , 
in Junij in de Scheveningsche boschjes. Eene kleine gele 
Gecidomyide, Colpodia pallidula v. d. W. , vroeger in het XHde 
deel van het Tijdschrift opgegeven als te Driebergen gevan- 
gen, werd nu ook door hem bij den Haag teruggevonden, 

Pachy gaster Leachii Gurt, ving hij met P. ater Panz. in de 
Scheveningsche boschjes; misschien is de eerste, die hij te 
Driebergen niet aantrof, slechts eene variëteit van «/er, zon- 
der zwart aan den vleugelwortel. Van Leptogaster cylindrims 
de G., geene zeldzaamheid bij Driebergen, werd door hem 
ook een voorwerp bij den Haag gevangen , en Hexatoma pel- 



XXXII VERSLAG. 

lucem F. {bimaculata F.), eene Tabanide, uit de naamlijst 
slechts uit Gelderland en Utrecht bekend , werd nu ook door 
hem in Mei achter Zorgvliet waargenomen. 

Phyllodromia aïbiseta Zett. (vocatoria Meig. III, t. 23, f. 15) 
door hem slechts eens bij Driebergen gevangen, trof hij 
veel in duinboschjes aan, terwijl daarentegen Ph. melano- 
cephala F. te Driebergen zeer gemeen is. Tachydromia pec- 
toralis Fall., door hem nooit bij Utrecht gevonden, ving 
hij in Julij en Augustus bij den Haag; bij deze soort is 
op te merken dat de borst van onder zwart is, hetgeen 
Meigen en Schiner niet opgeven, 

Phthiria pulicaria Mikan, eene kleine grauwe Bombylide 
met langen snuit , is alleen op kalen zonnigen duingrond te 
vinden, hetgeen ook het geval is met Anthrax afra F., vroeger 
zonderling genoeg in ons land niet opgemerkt, maar ten 
vorigen jare voor 't eerst door Dr. Piaget te Westkapelle 
en dezen zomer door den heer v. d. Wulp en Spreker op 
de Scheveningsche duinen gevonden. De schoone , even als 
een Bombus geel en zwart behaarde Mallota fuciformis F. 
zag Spreker eens in April op bloeijende Prunus bij Scheve- 
ningen maar nooit in het Sticht. 

Het Syrphiden-geslacht Pelecocera , in twee soorten niet zel- 
den te Driebergen op bloeijende Erica gevonden , werd noch 
door Spreker noch door anderen op onze duinen aangetroffen 
en blijkt dus een heivorm te zijn. Cheilosla praecox Zett., 
door Spreker in April op bloeijende duin wilg bij den Haag 
gevangen, schijnt ook later te vliegen, dewijl hij haar ook 
aldaar in Junij en aan de Bilt in Augustus vond. Van Physoce- 
phala vittala F. werd een enkel exemplaar door hem in de 
Scheveningsche boschjes gevangen. Deze schoone Conopside 
schijnt ook eene duinsoort te zijn, dewijl zij vroeger wel 
eens te Katwijk, maar nimmer in Utrecht of Gelderland 
werd ontmoet. Dit zal ook wel van Ocyptera pusilla Meig. 
gezegd kunnen worden, dewijl deze kleine soort door hem 
wel in Julij op bloeijende Daucus bij Scheveningen werd 
gevangen, maar nooit door hem op heigrond is gezien, 



VERSLAG. XXXIII 

alwaar zij schijnt vervangen te worden door de grootere 
O. hrasslcaria F., welke hij eens in October bij Driebergen 
op Scabiosa succisa aantrof. Als plaatsvervanger van de te 
Driebergen niet zeldzame Gymnosoma rotundata ving hij het 
i van Cistogaster globosa F. voor het eerst in ons land in 
Jiilij op Z)«Mcn,ç-bloemen bij Scheveningen. Limnia nififrons 
F. , Minettia fasciata Fall, en M. notata Fall, schijnen ook duin- 
soorten te zijn, dewijl zij door Spreker niet in het Sticht, 
maar door hem en anderen bij den Haag zijn waargenomen. 
De schoone gele Oxyphora miliaria Schrank met bruingevlekte 
vleugels, door Spreker eens bij Utrecht gevangen, zag hij 
ook in Junij in de Meerdervoortsche duinen op eiken zitten, 

Eene van zijne belangrijkste vondsten is zeker die van 
Orellia Wiedemanni Meig., welke met bruine dwarsbanden 
op de vleugels versierde Trypetine hij het eerst in zijn' tuin 
te 's Gravenhage in Julij op bloeiende Bryonia ontdekte , in 
welker vrucht de larve leeft. De met eene bruine ster op den 
vleugeltop geteekende Tephritis stellata Fuessl., zoowel als 
Chyliza vittata Meig. en Hecamede glaucella Stenh. , in de 
duinstreken vrij gemeen, maar door hem in het Sticht 
nooit opgemerkt, zijn waarschijnlijk ook duinsoorten. 

De zonderling gevormde zwarte Discomyza incurva Fall., 
bij Driebergen niet zeldzaam, werd ook door hem bij den 
Haag teruggevonden, en van Discomyza marginella Fall., geheel 
nieuw voor onze Fauna, wier vleugelrand en dwarsaderen 
zwart omzoomd zijn en die overal in Europa zeer zeldzaam 
schijnt, vond Spreker eenige voorwerpen op vochtigen be- 
schaduwden duingrond ; bij onze exemplaren zijn de sprieten 
zwart en niet bruin zoo als de schrijvers opgeven. 

De op de vleugels zoo fraai geteekende Philygria punctato- 
nervosa Fall, is ook zeker eene kenmerkende soort onzer 
duinen, dewijl zij aldaar zoo gemeen is. Dit is niet minder 
het geval met de bevallige Asteia concinna Meig., die overal 
in onze duinen in menigte wordt gevonden , terwijl zij in het 
Sticht door de niet minder aardig gekleurde A. amoena Meig. 
wordt vervangen, die daar evenwel veel zeldzamer is. 

3 



XXXIV VERSLAG. 

De kleine kortvleugelige Geomyza sabulosa Fall., vroeger 
door Spreker meermalen bij Driebergen op den grond ge- 
vonden, werd door hem ook nu en dan bij den Haag aan- 
getroffen , terwijl de bijna even kleine Agromyza {lava Meig. 
door hem als eene nieuwe inlandsche soort niet zelden bij 
Scheveningen waargenomen werd. 

Eindelijk schijnen Phora jlorea F. en Gymnophora arcuata 
Meig. meer duinsoorten te zijn, dewijl zij door Spreker 
en anderen wel in de duinstreken maar volgens de uit- 
gegeven lijsten nog niet elders zijn gevonden. 

Spreker zal niet de hoogere familiën van Hymenopters 
behandelen , omdat de heer Snellen van Vollenhoven weinige 
jaren geleden daarvan uitmuntende lijsten heeft uitgegeven, 
maar wil slechts eenige zeldzame of voor onze Fauna nieuwe 
soorten opgeven, die hij zelf bij den Haag heeft gevonden 
en die door den heer Snellen van Vollenhoven zijn gede- 
termineerd. 

Ichneumon digrammus Grav. <? en lanius Grav. <?. 

Cryptus titillator L. ^ en $ en spiralis Fourcr. ?. 

Aptesis hrachypterus Grav. {abbreviator Panz.) $. 

Pezomachus comes Fövsi., Corruptor Forst., nigrilus Forst., 
en instabilis Forst. 

Eclytus fontinalis Holmgr. 

Lissonota commixta Holmgr. c?. 

Microgaster fulvicornis Wesm. (mediator Hal.) (?. 

Agathis breviseta N. a. Es.; Bracon parvulus Wesm. 

Alysia flavipes Hal, ; galatea Hal. ; rufidens N. a. Es. 

Trachyusa aurora Hal. 

Coelinius niger N. a. E. en gracilis Curt. 

Dacnusa gilvipes Hal. S en cincia Hal. i. 

Of deze soorten meer of min uitsluitend tot onze duin- 
Fauna behooren dan of zij later ook in onze oostelijke 
provinciën zullen worden aangetroffen, zal de tijd moeten 
leeren. 

De voor onze Fauna nieuwe Chrysis succincta L., met 
afwisselend groen en gloeijend purper gekleurd, alles met 



VERSLAG. XXXV 

een schitterenden metaalglans overtogen, vond Spreker in 
Julij op bloeijende Daucus; zij schijnt in onze duinen den 
niet minder prachtigen Hedychrum lucldulum F. onzer heide- 
velden te vervangen. 

Omtrent de kleine Pteromaliden en Proctotrupiden zou 
sedert de verschijning der naauwkeurige naamlijst, die de heer 
Snellen van Vollenhoven daarvan in d873 in het Tijdschrift 
uitgaf, zooveel nieuws kunnen gezegd worden dat Spreker 
zich zal bepalen tot het vermelden der voornaamste voor 
onze Fauna nieuwe soorten, die hij in de Scheveningsche 
duinen aantrof. 

Deze kleine, groene, blaauwe , purperen diertjes, die steeds 
met een metaalgloed zijn bedekt en wier vleugels vaak met 
allerlei vlekjes, banden en teekeningen zijn versierd , kunnen 
als zij behoorlijk vergroot zijn, gerust als de Kolibris onder 
de Hymenopters aangezien worden. Hun aantal is ontelbaar 
groot, zoowel in individus als in soorten, hunne kleuren- 
pracht in het oneindige afwisselend en hunne bewerktuiging 
dikwijls zeer zonderling en bewonderenswaardig. 

Van de vele soorten van Eupelmus onzer duinen, wil Spreker 
alleen E. atropurpureus Dalm. noemen, wiens smalle, half 
vliezige, half staalharde vleugels eer springveeren kunnen 
genoemd worden en ook als zoodanig aan deze diertjes 
eene springende beweging doen maken. Voorts wil hij ver- 
melden Cidloneurus elegans Dalm. met een bosje zwarte 
haren op het gele schildje en met bruin gevlekte vleugels; 
Dinocarsis hemipterns Dalm. en Ectroma rufescens Dalm., wier 
bijna eveneens beschilderde vleugels op pi. 10, f. j. k. van 
het X'^'' deel van ons Tijdschrift zijn afgebeeld. Deze twee 
laatste soorten heeft hij even als vroeger bij Driebergen 
op heigrond en nu ook bij den Haag op met Erica begroeide 
plekjes langs den binnenrand onzer duinen, maar meestal 
ongevleugeld gevonden. Verder Hahrolepis nuhillpennis Walk., 
die zoo klein is dat zij in het sleepnet niet opgemerkt 
zou worden indien de zwart gevlekte vleugeltjes haar 
niet verrieden, bij Driebergen op eikenbladen; de even 



XXXVI VERSLAG. 

kleine, gele, kortvleugelige Aglyptus aeneiventris Hal. steeds 
op dorre , zonnige duintoppen ; en Ericydmis paluclaiiis Hal. 
met smalle bruine vleugels, die niet zelden is te vinden. 
Encyrtus dendripennis Ratz, onder den naam van Eupelmus 
pidipennis op pi. 10 van deel X van ons Tijdschrift afge- 
beeld volgens een Utrechtsch voorwerp, vond Spreker nu 
ook in Julij op eiken bij Scheveningen. De vrij groote 
Cleonymus macidipennis Curt. 1. 194, met twee bruine dwars- 
vlekken op de vleugels, vroeger door hem bij Driebergen 
gevangen, vond hij nu op duingrond bij Hillegom terug. 
Van Copldosoma Ratz. (Cercobelus Walk.) , waarvan de sprie- 
ten bij het Î zeer lang en glad zijn, ving hij eene waar- 
schijnlijk nieuwe soort, verwant aan Boucheanum Ratz., 
wier achterlijf aan weerszijden met drie lange haren bezet 
is. Eupledrus bicolor Swed. , met twee lange doornen aan 
de achterscheenen en behaarde sprieten, is niet zeldzaam 
bij den Haag. De kleine maar veel op eikenbladen voor- 
komende Eulophus bifasciatus N. a. Es. is, wegens zijne 
goudgroene kleur en de met twee fijne dwarsbandjes 
versierde vleugels een der bevalligste inlandsche insecten; 
de leden van zijne zwarte sprieten zijn breed en het laatste 
daarvan is spits, waardoor zij veel gelijken op die van 
Rhaphidotelus. Nog verdient vermelding de ongevleugelde 
Micromelus pyrrhogaster Hal., met rood achterlijf; het«? van 
de metaalgroene Colas dispar Curt. (Br. Ent. pi. 166), met 
zeer broeden kop ; Pteromalus dlscoideus N. a. Es. , gebronsd 
zwart met groote bruine vlek op het midden der vleugels, 
waarvan drie exemplaren in Augustus gevangen werden; 
de variëteit van Pter. cyniphis N. v. Es., met twee ringen 
en de spits van de overigens witte schaft der sprieten 
zwart. Elasmus Forst. {Aneura N. a. Es.) scutellarisi^. di. Es., 
wegens den geheelen vorm en de platte achterdijen veel op 
eene Phora gelijkend, heeft lange, smalle, bruinge vlekte 
vleugels, wier stigma de vleugelspits zeer nadert, en een 
vliezig spits schildje. De zeer kleine zwarte, zonderhng 
ineengedrongen en veel op een kleinen Coleopter gelij- 



VERSLAG. XXXVII 

kende Choria inepta Dalm., vond Spreker in menigte op 
duingrond , maar in ongevleugelden staat ; slechts twee met 
bruine lederachtige vleugels voorziene voorwerpen, welke 
hij in haar gezelschap aantrof, meende hij als de gevleu- 
gelde individuen dezer soort te kunnen beschouwen. 

Omtrent de Proctotrupiden leverden de onderzoekingen 
en waarnemingen van Spreker niet minder belangrijke uit- 
komsten , hoewel daaraan vele moeijelijkheden gepaard 
gingen , dewijl Forsten , die hier voornamelijk gevolgd moet 
worden, wel de geslachtskenmerken aangeeft en soms ook 
de typische soorten opnoemt, maar deze niet beschrijft, 
zoodat daarvan een tal monographieën in allerlei, vooral 
Engelsche tijdschriften verspreid, moeten nagezien worden, 
waarin de heer Snellen van Vollenhoven Spreker zooveel 
mogelijk behulpzaam is geweest. Daarom volgen hier alleen 
die soorten van welker determinatie genoegzame zekerheid 
is verkregen en die sedert de uitgaaf der naamlijst als nieuw 
voor onze Fauna door Spreker op Haagschen duingrond zijn 
gevonden, zoo als de zwart en geel gevlekte Gonatopus 
nigriventris N. a. Es., de geheel gele G. Spectrum Voll., 
beiden ongevleugeld , en de gevleugelde Chelogymis infectus 
Hal. ; Perlsemus cephalotes Forst. ; Goniotus claripennls Forst, 
en Epyris nlger Westw. , beide laatsten voor onze Fauna 
nieuwe geslachten ; CalUceras hispinosa N. a. Es. , Megaspilus 
halteratus Boh. (hrevlpennis N. a. Es. volgens Thoms.), M. 
punctipes Thoms., M. horealis Thoms.; Lygocerus stigma N. 
a. Es,, ook een nieuw geslacht (het ^ dezer soort heeft 
de leden der sprieten uitgerand en behaard even als bij 
Eurytoma) , Proctotrupes ater N. a. Es. , Teleas davicornis 
Latr. (? enz.; het $ van Platy gaster attenuatus Hal,, dat 
wegens het verlengde achterlijf veel op een Sadogaster ge- 
lijkt en Sadogaster curvicauda Forst. , tot een nieuw geslacht 
behoorend, waarbij de breed zamengedrukte basis en het 
spits uitloopend en omgebogen einde van het achterlijf zeer 
in het oog vallende kenmerken zijn; Diapria nigra N.Si.Es., 
Loxotropa tritoma Thoms. Verder nog soorten van twee voor 



XXXVIII VERSLAG. 

onze Fauna nieuwe geslachten, Idiotypa Forst. enPsilomna 
Forst. Van het eerste : ld. rufa Six , roestkleurig , de 5 laatste 
leden der sprieten (de knods) zwart , kop , thorax , basis en 
spits van het achterlijf donkerbruin, pooten licht roest- 
kleurig; van het tweede: Ps. elegans Voll., zwartachtig met 
roestkleurige sprieten , pooten en achterlij fs wortel. Vanden 
schoonen gelen Ismarus dorsiger Curt., met zwarte vlek 
op den thorax, vond Spreker, even als vroeger te Drie- 
bergen, nu ook enkele voorwerpen achter Zorgvliet bij 
den Haag ; van het geslacht Belyta twee in ons land nog 
niet aangetroffen soorten , B. brachijura Thoms. ^ en B. brevis 
N. a. Es. ? en eindelijk eene nieuwe Cmetus-soort met het 
derde lid der sprieten uitgerand, door den heer Snellen 
van Vollenhoven Gin. Siocii benoemd. 

Spreker hoopt dat deze korte opgaaf van de uitkomst 
zijner onderzoekingen omtrent deze soms zelfs microsco- 
pisch kleine insecten, tot aansporing voor jonge entomo- 
logen moge strekken om zich toe te leggen op het ver- 
zamelen en bestuderen dezer belangrijke diertjes, die 
meestal in naauwe betrekking staan tot de levenswijze 
van andere insecten en ook op het plantenrijk dikwijls 
een grooten invloed uitoefenen. 

Aangaande de Spinnen moet eene soort van Thanatus 
vermeld worden met een groot aantal bruine stippen boven 
en onder op het achterlijf, in Junij door Spreker op de 
duinen achter Zorgvliet gevonden en door hem voorloopig 
Th. jKirdalinus genoemd. Mögt het later blijken dat zij slechts 
eene variëteit of de jonge toestand is van den gewonen Th. 
oblongus, die drie langsstrepen op het achterlijf heeft, dan 
blijft deze verscheidenheid toch zeer opmerkelijk en wel 
waard om er de aandacht op gevestigd te houden. 

Als eene bijzonderheid wil Spreker nog opgeven dat hij op 
15 Junij in zijnen tuin in den Haag een Sireoc gigas L. ving. 
Dewijl geene sparren in den omtrek voorkwamen, veronder- 
stelt hij dat de pop waaruit het insect te voorschijn kwam in 
een' paal van eene nieuwe schutting verborgen was. Deze 



VERSLAG. XXXIX 

groote soort vond hij nooit te Driebergen, alwaar daarentegen 
S.juvencusL. in de dennenbosschen soms wel aan te treffen is. 

Zoo als uit bovenstaande opgaaf blijkt , zijn verscheidene 
insecten, die op heigrond gemeen zijn, op onze duinen 
niet aan te treffen , en wederkeerig worden anderen , die op 
onze duinen veel voorkomen , zoo als Sibynesphaleratus Siev., 
Serenthia laeta Fall. , Chor'ia inepta Dalm. , Coelinius ruficollis 
H. Sch. , Asteia concinna Meig. , op onze heidevelden ge- 
mist, terwijl eindelijk van sommige soorten zoowel in het 
Sticht als in Holland slechts enkele exemplaren worden 
aangetroffen, gelijk b. v. Aphanlslicus emarginatus en Hm- 
pactus twmidusinv. (belgicus Wesm..), die beiden door Spreker 
slechts eenmaal bij Driebergen en den Haag zijn gevonden. 

Spreker heeft voor zich de overtuiging verkregen, dat 
overal, waar men ook op hei- of duingrond de sikkel in 
den rijken oogst onzer inlandsche Fauna slaat, de moeite 
rijkelijk beloond wordt en dat de vereenigde kracht van 
een aantal ijverige arbeiders gedurende ruim 30 jaren nog 
niet in staat is geweest den belangrijken voorraad geheel 
in de schuren op te zamelen. Steeds worden in alle orden 
nieuwe en dikwijls geheel onverwachte vondsten gedaan, 
welke men zich niet zou hebben durven voorstellen in ons 
vaderland te zullen aantreffen. Als men slechts ijverig voort- 
gaat zullen ook in het vervolg de voorwerpen , die de natuur 
ons zoo mildelijk tot wetenschappelijk onderzoek aanbiedt, 
niet ontbreken en het zal meer en meer blijken, dat het 
betrekkelijk kleine Nederland een groeten schat van aan- 
trekkelijke natuurvoortbrengselen bevat, die een naauw- 
keurig onderzoek overwaardig zijn en meer algemeen op prijs 
verdienen gesteld te worden dan tot dusver geschied is. 

Gelijk in andere opzigten, soms zelfs onverdiend, het 
vreemde veelal hoog geschat, het inlandsche veracht wordt , 
zoo tracht men ook dikwijls natuurvoortbrengselen uit ver 
afgelegen gewesten met groote kosten en moeite te verza- 
melen , terwijl hetgeen de natuur rondom ons met kwistige 
hand heenstrooit, onopgemerkt blijft liggen. De ware min- 



XL VERSLAG. 

naar en bewonderaar der natuur behoeft niet naar vreemde 
landen te trekken: ook in zijne onmiddellijke omgeving zal 
zijn weetgierige geest stof genoeg vinden om zijn lust tot 
onderzoek te bevredigen , ja zelfs veel meer zal hem worden 
aangeboden dan groote ijver en een lang leven bij mogelijk- 
heid kunnen omvatten. Even als de kalme, maar geestige 
en talentvolle nabootsing onzer stille huiselijke tafereelen en 
onzer eenvoudige landouwen, door de oude Hollandsche 
schilderschool zoo meesterlijk op het doek getooverd, door 
ware kunstkenners op hooge waarde wordt geschat, zoo zullen 
ook bij den naauwlettenden onderzoeker de kleinste natuur- 
voortbrengselen de grootste stof tot bewondering wekken. 
Daarom is het voor onze landgenooten wenschelijk dat zij bij 
een geopend oog en hart voor de natuurschoonheden , zich 
ook meer toeleggen op het verkrijgen der noodige kennis, om 
in het boek der natuur te leeren lezen. De natuurkundige 
wetenschappen zijn hier te lande in de eerste helft dezer 
eeuw in het algemeen zoo schandelijk verwaarloosd ^), dat 
zij moeite hebben om zich langzamerhand op die hoogte 
te verhelïen , welke zij in andere beschaafde landen reeds 
hebben bereikt. De minachting, waarmede bij ons de schijn- 
baar lljne, maar dikwijls oppervlakkige beschaving op die 
wetenschappen nog als uit de hoogte nederziet, zal eerst 
ophouden als een groot aantal wetenschappelijk ontwik- 
kelde mannen haar weder op dien eerezetel plaatsen , waarop 
zij in vroegere eeuwen in ons vaderland schitterden , toen zij 
in andere Europesche landen nog veel minder werden vereerd. 
Het is de roeping ook van de leden onzer Vereeniging , om 
zooveel mogelijk het hunne bij te dragen, dat de weinig bekende 
en daarom minder beminde natuurwetenschappen bij ons meer 
algemeen gekend en in hare hooge waarde erkend worden. 

De heer Snellen van Vollenhoven deelt aan de 
vergadering mede dat hij door de herhaalde en zorgvuldige 



1) De professoren Brugmans en Reinwardt en de heer Temminck, die eene Euro- 
pesche vermaardheid verwierven, maakten liierop eene gelukkige uitzondering. 



VERSLAG. XLI 

bemoeijingen van den heer Ritsema in staat is gesteld 
l)innen kort in het werk van Sepp de levensgeschiedenis 
te plaatsen van Parapoynx stratiotalis , eene vlindersoort wier 
rups in het water leeft, en dat hij gaarne daarbij zou 
voegen de geschiedenis van Solenobia triquetrella, waarvan 
hij eene afbeelding laat rondgaan, doch dat hij daarvan 
vooreerst nog weerhouden wordt doordien de kennis van 
een inlandsch mannetje hem nog ontbreekt. Op zekere plek 
van de Scheveningsche boschjes bij den Haag zijn namelijk 
tegen een raster de kokertjes dezer motsoort niet zeldzaam, 
doch al de tot heden daaruit gekweekte imagines waren 
vrouwelijk en hadden zonder coitus bevruchte eijeren ge- 
legd, waaruit jonge rupsjes waren voortgekomen. Nu gaat 
er wel eene sage in Duitschland dat de mannelijke koker- 
tjes eenigszins anders gevormd zouden zijn en steeds aan 
grashalmen en plantenstengels , nimmer aan rasters of boom- 
stammen gehecht, doch in den omtrek van de bewuste 
plek in de Scheveningsche boschjes was tot heden te ver- 
geefs naar die afwijkend gevormde kokertjes gezocht. Spreker 
vraagt of iemand der aanwezigen ook dergelijke zakjes en 
mannelijke larven had waargenomen en hoopt dat men hem 
door mededeeling daarvan of van een mannelijk vlindertje 
in staat zal willen stellen de levensgeschiedenis dier soort 
te voltooijen. 

Ten tweede laat Spreker rondgaan eene teekening en 
plaat van de tweede aflevering der Pinacographia , voor- 
stellende de geslachten Colpotrochia. , Exockm en Pimpla. Van 
het eerste geslacht heeft Spreker eene nieuwe soort afgebeeld, 
welke door Gra venhorst aangeduid is als verscheidenheid 
van zijne eenige soort C. elegantida, doch die zooveel 
verschil oplevert dat zij noodwendig eene afzonderlijke soort 
moet uitmaken; hij geeft het verschil tusschen beiden 
op en wijdt nog eenigen tijd over het geslacht Exochus uit. 
Aangaande Pimpla spreekt hij over de groote verwantschap 
van dit geslacht met het genus Ephialtes en over het on- 
voldoende en onnatuurlijke afscheidingskarakter door Gra- 



XLII VERSLAG. 

venhorst ontleend aan de relative lengte en breedte der 
middelsegmenten van het achterlijf. Spreker vraagt of het 
misschien niet beter zou zijn voor de afscheiding van eenige 
soorten uit de vereenigde geslachten Pimpla en Ephialtes 
de kenmerken te ontleenen aan de lengte van de legboor 
en den driehoekigen of trapezium-achtigen vorm der areola 
in de voorvleugels; hij is echter van meening dat niemand 
zich aan eene zoodanige omverwerping van het oude wagen 
mag , die niet alle beschreven soorten in natura met elkander 
kan vergelijken. 

Voorts doet Spreker een beroep op de bereidwilligheid 
zijner medeleden in de N. E. Vereeniging door hun voor 
de bewerking der inlandsche Hemiptera toezending te vragen 
van waterwantsen, en daaronder voornamelijk alle soorten 
van het geslacht Corlxa, zij het ook slechts ter bezigtiging 
of determinatie. 

Ten slotte geeft Spreker eenige opmerkingen ten beste 
omtrent de pas verschenen naamlijst van Nederlandsche 
Coleoptera van Dr. Everts, welke opmerkingen eene dis- 
cussie tusschen beide leden ten gevolge heeft, die wij hier 
niet kunnen teruggeven. 

De heer Leesberg deelt eenige opmerkingen mede om- 
trent de gedaantewisseling van Dermestes undulatus Brahm, 
die hij meende als onvolkomen te hebben waargenomen; 
hij vond de larven in een dooden mol; de larvenhuidjes 
met kop en poot en staken door het vel van het doode dier 
heen; zij waren op den rug opengespleten en verschaften 
daardoor aan het volkomen insect een' uitgang. De heer 
Snellen van Vollenhoven merkt op, dat de pop zich in een 
zeer dun vlies binnen de larvenhuid vormt, hetgeen ook 
plaats heeft bij de Anthrenen, die tot dezelfde familie 
behooren. 

De heer Rit sema, die zich had voorgesteld in deze 
vergadering ook eenige wetenschappelijke mededeelingen 



VERSLAG. XLIII 

te doen, ziet zich door ongesteldheid, die hem het spreken 
uiterst moeijelijk maakt, genoodzaakt daarvan af te zien, 
maar wil, op verzoek der aanwezigen, de door hem gemaakte 
aanteekeningen gaarne voor dit verslag afstaan ; zij worden 
dus hier opgenomen. 

«1°. Den 8""° Julij 11. vond ik bij Overveen ') op vergeet- 
mij-niet (Myosotis) nymphen en volwassen voorwerpen van 
Monanthia Humuli F. , een netwants door den heer Snellen 
van Vollenhoven in het 16'" deel van het Tijdschrift voor 
Entomologie beschreven en afgebeeld (blz.105, pi. 6,fig. G). 
Het vermoeden van den heer S. v. V. t. a. pi. blz. 420 
geuit, dat kleine langs den zoom van het ligchaam en op 
den rug met stekels gewapende wants-nymphen de nymphen 
van netwantsen zouden zijn, werd korten tijd daarna door 
den heer Snellen tot zekerheid gebragt, toen door hem bij 
Rotterdam op smeerwortel (Symphytum) eene in ons land 
nog niet waargenomen soort, Monanthia vesiculifera Fieb., 
met den op de aangegeven wijze bedoornden nymphen- 
toestand werd aangetroffen (zie Tijdschr. v. Entom. dl. XVII, 
blz. Lxv). Daar echter van geen dezer nymphen eene naauw- 
keurige beschrijving gegeven is, heb ik de volgende aan 
de nymph van Monanthia Humuli F. ontleend en de nevens- 
staande schets van haar gemaakt. 

« De lengte bedraagt iets minder dan 3 mm. 
De kleur is zwart ; de rugzijde van den thorax 
en van het achterlijf, de voorste helft der 
vleugelscheeden en de zoom der buikzij de 
dof, de kop, sprieten, pooten, de tweede 
helft der vleugelscheeden en het middelste 
gedeelte der buikzij de glanzend; het doffe 
gedeelte is met fijne lichtgekleurde wratjes 
bedekt. De doorntjes waarmede het ligchaam gewapend is 
zijn stomp en op de volgende wijze gerangschikt; op den 
kop een paar tusschen doch iets boven de inplanting der 




1) Uen 3deu Augustus ook te VVarinoud. 



XLIV VERSLAG. 

sprieten; iets liooger een onparige, en daarachter, juist 
tegen den voorrand van den thorax, weder een paar dat 
taniehjk ver uiteenstaat ; op den prothorax twee paren aan 
de zijranden en een paar op het midden van den rug digt 
achter den voorrand; op den mesothorax eveneens twee 
paren aan de zijranden en een paar op het midden van 
den rug, dat echter kleiner is en digter bijeenstaat dan 
dat op den rug van den prothorax ; op den metatliorax vier 
min of meer twee aan twee geplaatste paren aan de zij- 
randen (hier de rand der vleugelscheeden) , en een paar 
op het midden van den rug dat het schildje tusschen zich 
opneemt; op het achterlijf eindelijk zes paren langs den 
zoom, en wel een paar aan het vierde tot het laatste seg- 
ment, en op het midden van de rugzijde een onparige 
doorn op het tweede, vijfde en achtste segment. 

« 2°. In de Transactions of the Entomological Society of 
London voor het jaar 1875 (p, 33 — 51) beschrijft Frederick 
Smith eenige angeldragende Hymenoptera, door den heer 
Rothney in Engelsch Indie verzameld. Onder deze bevindt 
zich eene bij , tot de familie der Andreniden behoorende , 
waarvan het mannetje geknopte sprieten bezit, en die door 
Smith als de belangrijkste Andrenide van Mr. Rothney's 
verzameling beschouwd wordt. Zij is ten naauwste verwant 
aan het geslacht Nomia Latr. , doch daarvan gemakkelijk te 
onderscheiden door het bezit van slechts tiuee cubitaal-cellen 
in de voorvleugels ; de tong komt met die van Nomia overeen , 
en even als in dat geslacht zijn de achterpooten der man- 
netjes verdikt en gebogen. Smith meende in deze bij de 
vertegenwoordigster van een nieuw geslacht aan te treilen , 
en stelt Cyathocera als geslachtsnaam voor; de soort noemt 
hij C. nodicornis. Zoodra ik van de beschrijving van dit ge- 
slacht kennis genomen had, bleek het mij dat zij volkomen 
beantwoordt aan het in 1873 (Tijdschr.v. Entom. dl. XVI blz. 
224, pi. 10 fig. 10) door mij opgerigte geslacht Steganomus , 
en wel ten behoeve van eene door mijn' broeder van Soe- 
rabaya meêgebragte soort , door mij t. a. pi. als St. javanus 



VERSLAG. XLV 

beschreven. Het geslacht Cyathocera is dus synoniem met 
het geslacht Sleganomiis, waarvan nu twee soorten be- 
kend zijn, als: St. javanus Rits. c? van oostelijk Java (Soe- 
rabaya) en St. nocUcornis Sm. <? en 5 van Engelsch Indie 
(Lucknow en Pulta). Daar Smith door het bezit van wijfjes 
in staat is gesteld ook van deze sexe de geslachtskenmerken 
te vermelden, deel ik hier ter aanvulling van mijne alleen 
aan de mannelijke sexe ontleende beschrijving nog mede, 
dat de sprieten bij het wijfje korter en aan het einde niet 
geknopt zijn, daar zij niet tot aan de tegulae reiken en 
het laatste lid toegespitst is; dat de tegulae bij deze sexe 
iets minder sterk ontwikkeld zijn dan bij de mannelijke, 
en dat de achterpooten , — waarvan de dij aan de onderzijde 
met lange haren bezet is, terwijl de scheen en het eerste 
lid der tarsen viltachtig behaard zijn , — een' normalen vorm 
bezitten. Volgens opgave van den heer Smith was de plant 
waarop St. nodicornis gevangen werd waarschijnlijk eene soort 
van het geslacht Pulicaria. 

c( 3°. In de Comptes- Rendus des séances de la Société Ento- 
mologique de Belgique over 1874 (p. cxliii) is door onzen tegen- 
woordigen Gouverneur-Generaal van Oost-Indië, den heer 
van Lansberge , een tot de familie der Coprinen behoorende 
kever beschreven onder den naam van Synapsis Ritsemae. 
Hij is van oostelijk Java (Ardjoeno) afkomstig. Twee maan- 
den na het verschijnen der beschrijving deed David Sharp 
aan eene vergadering der Belgische Entomologische Vereeni- 
ging de mededeeling toekomen, dat hem vijf soorten van 
het geslacht Sijnapsis Hope bekend waren , en dat S. Ritsemae 
Lansb. dus wel eene zesde soort kon zijn , doch dat hij dit 
niet durfde beslissen, omdat hem duidelijk gebleken was 
dat de heer van Lansberge niet de echte S. BrahminaB.OTpe, 
de tot dien tijd eenig beschreven representant van dit genus , 
met de nieuwe soort had vergeleken. Hoewel Cojnis Thoas 
Dej. i. 1., eene der vijf aan Sharp bekende Synapsls-soorien, 
van hetzelfde eiland (Java) afstamt, verklaart Sharp dat 
S. Ritsemae volgens de beschrijving niet tot deze soort kan 



XLVI VERSLAG. 

worden teruggebragt. Kort daarop gaf Sharp in n°. XIII van 
von Harold's Coieopterolog Ische Hefte (biz. 43 — 45) eene be- 
schrijving van S. Bated (n. sp.), iS. Thoas (n. sp.) = Copris Thoas 
Dej.i. 1. en S. simplex (n. sp.), terwijl naar aanleiding van S. 
Thoas de opmerking gemaakt wordt dat S. Ritsemae Lansb. 
ongetwijfeld eene andere soort, misschien wel S. Brahmina 
Hope is. Ik ben dit niet met Sharp eens, daar het mij bij 
vergelijking van het in het Leidsch Museum voorhanden 
exemplaar van S. Ritsemae met Sharp's beschrijving van S. 
Thoas gebleken is, dat beiden bijna volkomen aan elkander 
beantwoorden. De naam Thoas Sharp moet dus als synoniem 
van Ritsemae Lansb. vervallen. In het geslacht Synapsis Hope 
zijn dus op dit oogenblik vier soorten beschreven, als : 
Brahmina Hope van Assam, Ritsemae Lansb. = Thoas Sharp = 
Copris Thoas Dej. i. 1. van Java, Batesi Sharp van noordelijk 
Indie , en simplex Sharp van Laos , terwijl er volgens Sharp 
in het Oost-Indisch Museum te Londen nog eene vijfde tot 
nu toe onbeschreven soort voorkomt. ') 

«4°. In 1860 werd door von Frauenfeld in de Sitzungs- 
Berichte der Kaiserl. Akademie der Wissenschaften zu Wien 
(Mathematisch-naturwissenschaftliche Glasse. Bd. XL, S. 462) 



1) Door de welwillendheid van den heer Swierstra ben ik sedert in staat gesteld, 
een der beide zich in de insectenverzanieling van het Koninklijk Zoologisch Genoot- 
schap »Natura Ai'tis Magisti'a » bevindende exemplaren v?m. Sijuapsis Bitse'mae\t7!iMs\i., 
aan den heer Uavid Sharp ter vergelijking op te zenden. Dit voorwerp is door mij 
terugontvangen met de volgende mededeeliug : 

'I On comparing it •> (het gezonden voorwerp van S. Bitsemaé) » with S. Thoas I 
find the two to be very closely allied, but apparently distinct species; fi'om the 
other known species it is very different. 

»This specimen of ò' Ritsemae is a little larger than the specimen of S. Thoas, 
but is extremely similar thereto in form; S. Ritsemae is blacker in coloni' and less 
shining , the striae of the elytra are considerably finer , the interstices altogether flat ; 
the lateral expansion of the head is much broader (i. e. in the longitudinal direction) 
in S. Ritsemae; and when the hindlegs are placed in the natural position, and 
looked at so that the inner face of the hind tibia is exactly in tlie line of vision , 
it is seen that the apical dilation of the tibia is less than in S. Thoas. 

»The specimen of S. Ritsemae sent, is I believe a female; it bears no dense 
fringe of ciliae on the hind tibia, and differs from the specimen of S. Thoas in 
that the two apical segments of the hindbody are much longer in the middle; this 
difference is probably sexual and not specific. 

»This examination renders it additionally certain that the 5. Brahminus to which 



VERSLAG XLVII 

eene door genoemden natuuronderzoeker gedurende de reis 
van het Oostenrijksche fregat Novara in Chili op een' papegaai 
gevangen vloo beschreven. De levenswijze van deze vloo 
komt noch met die van onze gewone vlooijen (Pulex irritans 
L., Canis Dug., Felis Bouch. enz.) , noch met die van de 
Zuid-Amerikaansche zand vloo (Sarcopsylla pe?ietrans L.) over- 
een. Het wijfje der eerstgenoemde soorten toch kan zoo als 
men weet het dier waarop het leeft ieder oogenblik wille- 
keurig verlaten, dat der zandvloo echter dringt wanneer 
het bevrucht is geheel onder de huid van het woondier, 
en wel aan de voeten; vervolgens beginnen de eijeren zich 
te ontwikkelen, en dit doet het achterlijf der vloo zoodanig 
uitzetten, dat het een onderhuidsgezwel ter grootte van 
eene kleine erwt veroorzaakt. De vloo nu door von Frauen- 
feld ontdekt, leeft op de wijze der tekken aan de oog- 
leden en aan de naakte keelhuid van een chilischen papegaai , 
door de inboorlingen «tschoroi» genoemd, en ontving naar 
aanleiding van hare levenswijze en haar woondier den 
naam HedopsyUa psitacU. 

«Voor korten tijd is een tweede voorbeeld van deze levens- 
wijze bekend geworden. De heer Moseley, een van de 
natuuronderzoekers die zich aan boord van de « Challenger » 
bevinden, heeft van Ceylon vlooijen overgezonden, die 
aldaar op dezelfde wijze als HedopsyUa psitacü Frauenf. aan 
de oogleden en den hals van tam gevogelte vastgehecht 
voorkomen. In het April-nommer van the Entomologist'' s 
Monthly Magazine (vol. XI p. 246) is deze vloo door Prof. 
Westwood beschreven als Sarcopsyllus gallinaceus. De over- 
eenkomst echter die er bestaat tusschen de beschrijving 



Mr. van Lansberge has compared the S. Ritsemae is not the S. Brahminus of' Bates 
and Sharp, but leaves it still doubtful to me whether S. Brahminus Lausb. =z S. Thoas 
Dej. sharp, or be a still uudescribed species. " 

Hieruit volgt dat het aautal der besclu'even Synapsis-iOQxi&w. vijf {Brahminus^a^ç,, 
Bitsemae Lansb. , T/ioas Sharp, Baiesi 'Simvip en simplex Sharp), en dat der onbe- 
beschi-even doch bekende soorten waarschijnlijk twee (een in het O. I. museum te 
Londen, en een in de collectie van den lieer van Lausberge onder deu naam 
S. Brahminus Hope) bedraagt. 



XLVIII VERSLAG. 

van Hectopsylla psitacü Frauenf. en die van Sarcopsyllus 
galllnaceus Westw, , en niet minder de overeenstemming in 
levenswijze, maken liet mijns inziens lioogst waarschijnlijk 
dat wij hier met eene' tweede soort van het geslacht Hectopsylla 
Frauenf. te doen hebben. » 

De heer van der Wulp deelt in de eerste plaats mede, 
dat bij hem een berigt is ontvangen van Professor Weyen- 
bergh te Cordova , inhoudende eene rectificatie van den naam 
van den vlinder, in het Tijdschrift voor Entomologie, deel 
XVII, blz. 220 als Mamillo Curtisea Weyenb. beschreven en op 
pi. 13 aldaar afgebeeld. Het is namelijk den heer Weyenbergh 
gebleken, dat die soort reeds vroeger door Herrich-Schäffer 
beschreven was onder den naam van Euclia diagonalis en 
alzoo den laatstgenoemden naam dient te behouden. *) 

Verder zegt de heer van" der Wulp, dat zijn tijdelijk 
verblijf buiten, in de nabijheid van Scheveningen , hem 
dezen zomer in de gelegenheid heeft gesteld op nieuw onze 
duin-Fauna na te gaan, die wat de Diptera betreft, zeker 
nog lang niet is uitgeput. Zoo heeft hij van Anthrax afra F. 
(fimbriata Meig.), die vroeger op tallooze duinwandelingen 
nooit gevangen was, maar die hij toch meende reeds in 
het vorige jaar gezien te hebben, thans verscheidene 
exemplaren kunnen bemagtigen. Evenzeer werd Hecamede 
albicans Meig., een klein vliegje tot de Ephydrinen behoorende 
en dat nog niet in de lijsten der inlandsche Diptera was 
vermeld, thans in groeten getale aangetroffen; deze soort 
schijnt groote voorkeur te geven aan paardebloemen en 
was vooral in de laatste duinen digt bij het strand te 
vinden; dikwijls zaten er geregeld op elke bloem drie en 
meer exemplaren. Even als de heer Six, heeft hij dit jaar 
voor 't eerst in de duinen en ook op bloeijende Daucus carota 
een exemplaar gevangen van Cistogaster globosa F. Door 



1) Tevens heeft Prof. Weyenbergh eene fout aangewezen in zijn stuk : « Varia 
entomologica", mede in deel XVII van het Tijdschrift opgenomen, alwaar op blz. 
149 reg. 12 staat: //voltooide» in plaats van //onvoltooide«. 



VERSLAG. XLIX 

kweeking heeft hij voorts nog Cecidomyia Salicis Winn. leeren 
kennen, M^elke soort tot dusver evenmin als inlandsch be- 
kend was. De larve woont in galachtig opgezwollen ge- 
deelten van de takken eener wilgensoort; er zijn in elke 
gal verscheidene larven bij elkander; tegen den tijd van 
het uitkomen werkt zich het popje naar buiten ; dit heeft 
aan het kopeinde, ter wederzijde nevens de scheeden der 
sprieten, een paar hoorntjes, die ongetwijfeld moeten 
dienen om het insect een' uitweg te banen. 

Een takje met de gallen dezer Cecidomyia, waaraan de 
ledige poppenhuisels zitten , alsmede de uitgekomen mugjes 
en eenige voorwerpen van de overige genoemde soorten 
w^orden ter bezigtiging gesteld. 

Dezelfde Spreker vestigt nog de aandacht op Sciophila 
Imlterala Staeg. Deze hoogst zeldzame soort was, zooveel hij 
kon nagaan , tot dusverre alleen door Staeger in Denemarken 
gevonden. Zij komt echter ook elders en o. a. bij ons te 
lande voor. Tweemaal kreeg hij een exemplaar te zien, 
en wel de eerste keer onder een aantal Diptera door Dr. 
Piaget in Zwitserland verzameld , en nu laatstelijk een voor- 
werp, door den heer Ritsema in September des vorigen 
^__^,^_-=~-^ jaars aan de Vogelenzang gevangen. 
^^„,.^^^;;^;;^^:::?^^^^^^''^ ; Het aderbeloop (zie neven sstaande 
^^^^^^^^c:m]_^/ afbeelding) wijkt van dat van alle 
\ "~~~""">^"" Sciophilinen af, wijl de posticaal- 

'" ader on gevorkt is. Indien Winnertz 

l)ij het opstellen zijner Monographie der Mycetophiliden 
deze soort had gekend, zou hij ongetwijfeld, op grond van 
dat bijzondere aderbeloop, voor haar een nieuw geslacht 
hebben opgerigt, even als hij dit gedaan heeft voor eenige 
Mycetophüinen met ongevorkte posticaal-ader. Neemt men 
akoo voor deze familie de generieke verdeelingen van Win- 
nertz aan, gelijk thans door alle Dipterologen geschiedt, 
dan moet Sciophila haUerala ook een afzonderlijk geslacht 
uitmaken, waaraan Spreker ter eere van den uitstekenden 
Deenschen Dipteroloog den naam van Staecjeria zou wenschen 



L VERSLAG. 

te geven. Eene verwantschap met het genus Laslosoma Winn. 
laat zich niet miskennen. Het zeer kleine vierkante celletje 
en de vóór dat celletje geplaatste dwarsader, welke de 
subcostaal-ader en de hulpader verbindt , komt nagenoeg met 
de schikking der aderen van Lasiosoma overeen ; de niet ge- 
vorkte posticaal-ader levert evenwel, gelijk gezegd is, voor 
Staegeria een zeer in 't oog loopend onderscheidingskenmerk. 

De wetenschappelijke mededeelingen hiermede afgeloopen 
zijnde, zegt de Voorzitter den verschillenden Sprekers dank 
voor hunne bijdragen en sluit deze vergadering. 

De weinige oogenblikken , die vervolgens nog overbleven 
vóór het gemeenschappelijk diner, werden door de Leden 
met gretigheid gebruikt om in den prachtig aangelegden 
en met zoovele zeldzame dieren bevolkten tuin van Natura 
Art'is Magistra rond te wandelen of om even een blik te 
slaan in de entomologische schatten van dat genootschap, 
die, als zij eenmaal geheel geordend zullen zijn, voor de 
wetenschap van onberekenbare waarde zullen blijken. 

Aan den maaltijd, mede in een lokaal van de genoemde 
inrigting gehouden en waarbij als altijd een gulle en vriend- 
schappelijke toon heerschte, werd bij menigen dronk met 
warmte het dertigjarig bestaan der Entomologische Vereeni- 
ging herdacht. Blijkbaar was het eene goede keus geweest 
om dit jaar in de hoofdstad bijeen te komen, waar eenmaal 
de wieg en bakermat der Vereeniging hadden gestaan. 

Den volgenden dag namen de meesten der aanwezigen 
deel aan eene excursie in de omstreken van Hilversum. 
Het weder, dat in den ochtendstond regenachtig was en 
dus weinig goeds voorspelde, helderde later geheel op, en 
niettegenstaande er van het spoorweg-station een groot eind 
wegs moest worden afgelegd, eer men aan een geschikt 
terrein was gekomen , mögt menigeen zich verheugen over 
min of meer belangrijke voorwerpen van de doorwandelde 
streek medegebragt. 



VERSLAG. LI 

Zoo werden onder anderen door de beeren Everts en 
Leesberg de volgende zeldzame Goleoptera gevangen : 

Dijschirius impundipemüs Daws. 
Harpalus calceatus Dfts. 
Stenolophus Teutomis Scbrnk. 
Acupalpus hrunnlpes St. 
Calati bus piceus Marsb. 
Myrmedonia laticollis Mark. 
Philonthus fumlgahis Er. 
Stenus canaliculatus Gyll. 
Olihrus Mülefolli Payk. 
Pocadius femig'meus F. 
Chrtjsanthia viridis Schm. 
Trachyphlaeus scaber L. f. n. sp. 
Apion riißcriis Germ. 

» columbinum Germ. 

)) ebenimtm Kirby f. n. sp. 
Anthonomus varians Payk. 
Orchestes iota F. 
Sibynes Viscariae L. 
Thy am is pellucida Fondras, f. n. sp. 
Hispa atra L. 

De heer Snellen vond den zak van de rups eener voor 
de Fauna nieuwe Tineide {DiplodomamarginepuncteUaSieT^h.) 
en Mr. Piepers een zeer geprononceerd exemplaar der varië- 
teit Eremita Hbn. van Ocneria Monaclm L. Onder de vangst 
van den heer Ritsema muntte vooral uit Salda geminata 
Costa, in beide sexen. Voorts ving de beer Snellen van 
Vollenhoven een fraai voorwerp van Rhyssa persuasoria L. ; 
en onder de Diptera was inzonderheid merkwaardig een 
door den beer Six gevangen exemplaar van Psarus abdomi- 
nalis F., eene soort waarvan tot dusver nog slechts twee- 
maal in ons land een exemplaar was aangetroffen. 

Wat eindelijk de Spinnen betreft, leverde de beer van 
Hasselt de volgende uitvoerige opgaaf: 



LU VERSLAG. 

«Onze excursie naar de Hilversumsche bosschen, door 
een onzer verdienstelijke Cicerones uit Amsterdam, — 
wegens den vrij aanzienlijken tijd, dien wij met wandelen 
en zoeken naar de «beste plekjes», als van ouds, hadden 
verspeeld, — naar mijn oordeel in het algemeen reeds ten 
onregte eene «failm^e» genaamd, was dit voor mij in het 
bijzonder zeker niet. 

« Behalve het genot van den inderdaad ligchaam en geest 
weidoenden zomerdag, dien we weder vriendschappelijk en 
leerrijk in Gods vrije natuur vrolijk en gezellig hebben 
mogen doorbrengen, overtrof mijne vangst (die ik eerst 
maar matig waande) bij nadere beschouwing mijner ge- 
vangenen, mijne verwachting zeer. In de eerste plaats trof 
ik een aantal oude bekenden aan, van welke ik, ter aan- 
vulling, verbetering of verversching mijner collectie, ver- 
scheidene fraaije mares of feminae medenam, hetzij door 
mij zei ven of door verscheidenen mijner welwillende jagt- 
genooten gevangen. Hiertoe béhooren : 
Epeira patagiata Clerck. 
)) conica Pallas. 
» blcornis G. Koch. 
Singa albo-vittata Westr. 
Theridium pulchelhmi Walck. 
» sisyphiiim Clerck. 

» blmaculakim L. 
» fonnosum Clerck. 
Linyphla tiiangularis Clerck. 
» montana G. Koch. 
» bucciUenta Clerck. 
Asagena serratipes C. Koch, 
Textrix ly cosina Oliv. 
Philoica notataf C. Koch. 
Melanophora nocturna L. 
Zora spinimana Blackw. 
Ocyale mirabilis Clerck , in de 3 variëteiten. 
Lycosa barbipes Walck. 



. VERSLAG. LUI 

Lycosa monticola G. Koch. 

Xysticus praticola G. Koch. 

Thomisus Pini Hahn. 

Attus falcatus Glerck. 

» tnuscorum Glerck, een hij zonder groot exemplaar. 
« Maar wat , in de tweede plaats , voor mij dezen dag tot 
een' der « gelukkigen » maakte , was mijne aanwinst op het 
gebied der onderzoeking, waarover ik daags te voren het 
genoegen had de vergadering te onderhouden, te weten op 
dat der nidificatie van de daar besproken Agroeca hrunnea 
Black w. 

(( Ik had mij voorgenomen , in het vochtige mos en de heide- 
planten , die hier in zoo grooten overvloed tierden , naar die 
eijernestjes en de architecten daarvan te zoeken en daaraan 
deze excursie meer bijzonder te wijden. Tot mijne oorspron- 
kelijke teleurstelling vond ik zelf geen enkel « fleschje » ; 
alleen één , reeds uitgekomen , nog slechts even herken- 
baar, ontving ik van mijnen vriend Snellen van Vollen- 
hoven. Van het spinnetje zelf meende ik echter geen spoor 
te hebben ontmoet. Als het ware « en passant » of « pour 
acquit de conscience » had ik , zoo ik dacht , een drietal 
pulii of juniores der gewone Trochosa trahalis of ruricola 
G. Koch, wegens de oppervlakkige gelijkenis met jonge 
Agroecae, medegenomen. Dezen te huis naziende ontdekte 
ik, tot mijne niet geringe vreugde, dat er zich werkelijk 
een paar — en nog wel een paartje — half ontwikkelde 
exemplaren der zoo zeer gewenschte A. hrunnea bij be- 
vonden! Deze loopen, even als de Lycosae, buitengewoon 
snel en hebben dan ook, op het eerste aanzien, tusschen 
het mos en de Erica, zeer veel van de genoemde spinnen. 
Bij zoodanige gelegenheid op den grond liggende en bij de 
vlugheid der diertjes is het niet mogelijk om ze van nabij 
te bezien, waarbij men anders onmiddellijk aan den zeer 
verschillenden oogenstand het onderscheid kan ontdekken; 
doch te «huis» bespeurde ik terstond, dat ik ten minste 
niet voor niets « uit » was geweest. 



LIV VERSLAG. 

« Ik heb mijne vangst nu in een ad hoc behoorlijk inge- 
rigt fleschje, met zand, vochtig mos en Erica, ter verdere 
opkweeking, geplaatst. Het jonge ^ is al eens verveld, 
doch heeft nog geene volkomen ontwikkelde palpen. Beiden 
zijn vlug en levendig, ofschoon weinig voedsel nemende en 
niet veel spinsel makende. Ik vrees alleen, dat het jaar- 
getijde reeds te ver gevorderd is, om ze tot volle rijpheid 
te zien komen en de paring en cocon-vorming te kunnen 
waarnemen. En zullen ze overwinteren? Videamus. In elk 
geval heb ik nu geleerd , waar en hoe ze te vangen en hen 
om zoo te zeggen meer in de vlugt van jonge Lycosae te 
onderscheiden, zelfs zoo, dat het mij sedert gelukt is , mijn 
kweekfleschje nog te vermeerderen met een tweetal $ juniores, 
in de zoogenaamde Scheveningsche boschjes gevangen, dus 
digter bij dan . ik eerst vermoedde. Maar is het dezelfde 
species die de «fleschjes» maakt? Quod, — nog altijd, — 
demonstrandum erit. » 



LIJST DER LEDEN 

Van de 

MDERLAIDSCflE EJITÖMOLOOISCHE ÏEREENIfilNG, 

op S4 Julij 1875 . 
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER TOETREDING, ENZ. 



BEGUNSTIGERS. 

Teyler's Stichting te Haarlem. 1860. 

De heer Mr. C. W. Hiibrecht, te Leiden. 1859. 

„ „ J. Kneppelhout, Hemelselie Berg te Oosterbeek. 1867. 

„ „ Dr. François P. L. Pollen, te Scherenincjen. 1867. 
Mevi-ouw Hartogh Heys van de Lier, geb. Snoeck, te 's Gravenltage. 1868. 
De heer Dr. F. J. L. Schmidt, te Rotterdam: 1869. 

„ „ Mr. J. Thiebout, te Zwolle. 1869. 

„ „ Jhr. Mr. W. C. M. de Jonge van Ellemeet, te Oost-Capelle 
bij Middelburg. 1870. 

„ „ Jhr. F. van den Santheuvel, te Doi'drechL 1870. 

EERELEDEN. 

De heer Dr. C. F. Westerman , Directeur van het Koninklijk Zoologisch 
Genootschap Natura Artis Magistra, te Amsterdam. 1858. 

„ „ H. T. Stainton, Esq. Mouittsfield, Lewisham bij Lomleii. 1861. 

„ „ Dr. C. Felder, lid der Kais. L. C. Academie der Naturwis- 
senschaften en Burgemeester van Weeuen. 1861. 

„ „ Prof. Dr. H. Löw, te Guben. 1862. 

„ „ Prof. J. O. Westwood, F. L. S., Dh-ecteur van het Hopean 
Museum te Oxford. 1862. 

„ „ A. E. W. Ludekiug, Officier van gezondheid bij het Nedcrl. 
Indische leger. 1862. 

„ „ Jhr. J. L. C. Pompe van Meerdervoort , te St. Petersburg. 1864. 



LVI LIJST DER LEDEN ENZ. 

De heer Prof. J. J. P. Hoffmann, te Lckkìì. 1865. 
„ „ Dr. Gustav L. Mayr, te Weenoi. 1867. 
„ „ Dr. H. D. J. Wallengi'èn, te Far/inU, bij Höganäs in Zumlcii. 

1871. 
„ „ R. MacLachlan, F. L. S., te Londen. 1871. 
„ „ Dr. T. Thorell , Hoogleeraar in de Zoologie aan de Hoogeschool 

te Upsala in Zweden. 1872. 
„ „ Dr. C. A. Dohrn, President der Entomologisclie Vereeniging 

te Stettin. 1873. 
„ „ M. E. Baron de Selys Longchamps, te Luik. 1874. 
„ „ Dr. V. Signoret, te Parijs. 1874. 

CORRESPONDERENDE LEDEN. 

De heer Prof. Arn. Förster , Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool 
te Aken. 1853. 

„ „ Emil vom Brück, te Crefeld. 1853. 

„ „ Dr. C. Stal, Professor aan het Kon. Zoologisch Museum te 
Stoekliolm. 1864. 

„ „ Frederic Moore, Bestuurder van het Museum der voormalige 
Oost-Indische Compagnie te Londen. 1864. 

„ „ J. W. May, Consul-Generaal der Nederlanden te Londen. 1865. 
Z. Exc. Mr. J. W. van Lansberge, Gouverneur-Generaal van Neder- 

landsch Indie, te Batavia. 1865. 
De heer Prof. P. C. Zeiler, Grüniiof Uj Stettin. 1867. 

„ „ W. Mink, Hoofdleeraar aan de Hoogere Burgerschool te Cre- 
feld. 1867. 

„ „ Dr. H. Weyenbergh , Hoogleeraar aan de Hoogeschool te Cordova 
in de Argentijnse/ie Republiek. 1872. 

„ „ Dr. W. Marshall te Weimar. 1872. 

„ „ J. Putzeys, te Brussel. 1874. 

„ „ A. Fauvel, te Caen. 1874. 

BUITENLANDSCHE LEDEN. 

De heer Henri Vicomte de Bon vouloir, Archiviste-adjoint de la Société 
entomologique de France, Bue de l'Université, 15, te Parijs. 
(1867—68). 
„ „ H. Jekel van Westing , lid der K. Acad, der natuuronderzoe- 
kers te Moscou en van verscheidene entomol. genootschappen , 
Bue Letort, 2, te Parijs. (1868—69). 

GEWONE LEDEN. 

184=5-46. 

De heer Dr. J. G. H. Rombouts, te C.roesheek. 
„ „ F. M. van der Wulp, Spui, n°. 93, te 's C.ravenhage. — Diptera. 



LIJST DER LEDEN ENZ. LVII 

De heer Dr. M. C. Ver Loren van Themaat, huize Schotliord, te 
Hoogland bij Amersfoort. — Algemeene Entomologie. 

„ „ J. W. Lodeesen, Prinsengradit bij de Reestraat, 377, te Amslcr- 
(lain. — Lepidoptera indigena. 

„ „ Dr. J. R. E. van Laer, te utrecht. 

„ „ Dr. P. H. J. Wellenbergh, te Oislerivijk. 

„ „ Mr. H. Ver Loren van Themaat, te Utrecld. — Lepidoptera. 

„ „ Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven , Phil. nat. Dr. , 2(le Van den 
liosclistraat, 34^ te 's Gravenliage. — Hymenoptera enHemiptera. 

„ „ W. O. Kerkhoven, te T well o. 

1S51— 53. 

De heer R. T. Maitland , Directeur van den Kon. Zoologisch-botanischen 
Tuin te 's Gravenliage. — Algemeene Entomologie. 
„ „ P. C. T. Snellen , Zuidblaah , n". 66, te Uotlerdam. — Lepidoptera. 
„ „ Dr. M. Imans, te Utreclit. 
„ „ Dr. W. A. J. van Geuns, Oude Gracht , te Utrecht. 

1853—53. 

De heer N. H. de Graaf, Haarlemmerstraat , te Leiden. — Lepidoptera. 
„ „ Mr. H. W. de Graaf, Noordeinde, 123, te 's Gravenliage. — 

Ini. Lepidoptera, bijzonder Microlepidoptera. 
„ „ G. M. de Graaf, Heerengracht, te Leiden. — Lepidoptera. 
„ „ Dr. L. A. J. Burgersdij k. Hoogleeraar aan het Athenaeum te 

Deventer. — Algem. Entomologie. 
„ „ G. A. Six, De Ruiterstraat, 11, te 's Gravenliage. — Hymenoptera. 
„ „ Dr. W. Berlin, Hoogleeraar aan het Athenaeum, Plantage 

Parklaan n". 3, te Amsterdam. 

1855 — 5G. 

De heer A. A. van Bemmelèn , Directeur van de Diergaarde te Rot- 
terdam. — Algemeene Entomologie. 
„ „ Mr. E. A. de Roo van Westmaas , Huize Daalhnizen , te \elp. — 

Lepidoptera. 
„ „ M. Breukelman, te Delfshaven. — Lepidoptera. 

1856—57 

De heer Mr. J. Herman Albarda, te Leeuwarden. — Inlandsche Lepi- 
doptera (bijzonder Microlepidoptera) en Neuroptera. 

„ „ Mr. W. Albarda, te Ginnel.en. — Lepidoptera en Neuroptera. 

„ „ A. P. H. Kuipers, te Leeuwarden. 

„ „ Dr. A. W. M. van Hasselt, Amsterdamsche Veerhade, 15, te 
's Gravenhage. — Arachniden. 

1857-58 

De heer Dr. J. W. Schubärt, te Utreclit 
„ „ W. K. Grothe, te Zeist. 



LVIII LIJST DER LEDEN ENZ. 

1S58— 59. 

De heer J. C. J. de Joncheere, Voorstraat, D, 368, te Dordrecht. — 
Lepidoptera. 
„ „ J. Backer, te Oosterheek. — Lepidoptera. 

1S60— 61. 

De heer J. Kinker, Oudezijds- Achterburgwal bij de Oudemanhuispoort , 
n^. 223, te Amsterdam. — Lepidoptera en Coleoptera indigena. 
„ „ Dr. E. Piaget, Leeraar aan de Hoogere Burgerscliool, Korte- 
naei'straat , 416, te Rotterdam. — Diptera en Parasitica. 

1861—63. 

Wijlen de heer H. Hartogh Heys van de Lier (het Lidmaatschap 
door zijne Weduwe voortgezet). 

1863-63. 

De heer H. Baron Lewe van Middelstum, te Beek bij Nijmegen. — 
Lepidoptera. 

1863 -64. 

De heer Mr. R. Th. Bijleveld, Rapenburg te Leiden. — Algemeene 
Entomologie. 
„ „ D. J. R. Jordens, Sassenpoortenval , F, 3471, te Zwolle. — 
Lepidoptera. 

1864-65. 

De heer Mr. A. H. Maiirissen, te Maastricht. — Lepidoptera. 
„ „ H. J. Veth , Phil. nat. Cand. , Leeraar aan de Hoogere Bur- 
gerschool te Rotterdam. — Algemeene Entomologie. 
„ „ H. W. Groll, te Haarlem. — Coleoptera. 

1865—66. 

De heer Dr. H. C. van Medenbach de Rooy , Weerdjesstraat , te 
Arnhem. — Lepidoptera. 
„ „ Mr. A. Brants, Buitensingel te Arnhem. — Lepidoptera. 

1866—67. 

De heer F. J. M. Heylaerts Jr., 5/. Jansstraat te Breda. — Lepi- 
doptera enz. 

„ „ Dr. N. W. P. Rauwenhoff, Hoogleeraar te Utrecht. — Alge- 
meene Zoologie. 

„ „ A. van den Brandt, te Vento. — Lepidoptera. 

1867-68. 

De heer C. Ritsema Cz. , Conservator bij 's Rijks Museum van Natuur- 
lijke historie. Rapenburg n°. 94 te Leiden. — Algemeene 
Entomologie. 
„ „ Mr. H. Hartogh Heys van Zouteveen , Phil. nat. Doctor, te Assen. 



LIJST DER LEDEN ENZ. LIX 

1868—69. 

De heer Dr. J. G. de Man, Conservator bij 's Rijks Museum van Natuur- 
lijke historie, te Leiden. — Algemeene Entomologie. 

„ „ Dr. T. W. O. Kallenbach, te Rottenlam. — Lepidoptera. 

„ „ A. Cankrien, Boompjes, te RoUerdnm. — Lepidoptera. 

„ „ Mr. C. J. Sickeszj Burgemeester van Laren, Huize de Cloese 
bij Lochern. 

1S69— 70. 

De heer Dr. H. W. Waalewijn, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool 
te Alkmam'. 
„ „ M. Nijhoff, Raamstraat 49, te 's Gravenhage. — Bibliographie. 

1870-71. 

De heer Dr. L. L. Aronstein, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool 
te Breda. 

„ „ Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts , Leeraar aan de Hoogere Burger- 
school, Hiiigensstraat 11, te 's Gravenhage. — Coleoptera. 

„ „ Mr. M. C. Piepers, Lid der regterlijke magt in Nederlandsch 
Indie, thans met verlof hier te lande, te Amsterdam. — 
Lepidoptera. 

„ „ Dr. P. J. Veth , Hoogleeraar aan de Rijksinstelling van onder- 
wijs in de taal-, land- en volkenkunde van Nederlandsch Indie, 
te Leiden. 

1871-73. 

De heer W. A. Ivangh Schepman, te Rhoon. — Lepidoptera. 

„ „ D. Burger, Phil. nat. Stud., te Leeuwarden. — Hemiptera. 

„ „ Dr. J. Ritzema Bos, Leeraar aan de Hoogere Burgerschool 
en de Landbouwschool te Wageningen. 

„ „ J. F. G. W. Erbrink, N. Z. Voorburgwal over de Kolk, n". 62, 
te Amsterdam. — Algemeene Entomologie. 

„ „ J. B. van Stolk, Zeemansstraat, te Rotterdam. — Lepidoptera. 

„ „ Mr. A. F. A. Leesberg, Jan-Hendrikstraat, 9, te 's Graven- 
hage. — Coleoptera. 

„ „ Dr. H. J. van Ankum, Hoogleeraar te Groningen. 

„ „ M. M. Schepman te Rhoon. — Neuroptera. 

„ „ Dr. C. K. Hotfinann , Hoogleeraar te Leiden. — Vergelijkende 
ontleedkunde. 

187a— 73. 

De heer Dr. A. J. van Rossum, Kastanjelaan te Arnhem. 

1873—74. 

De heer H. P. Snelleman , Phil. nat. Stud., Nieuwe Rijn 78, te Leiden. 
„ „ A. B. van Medenbach de Rooy, Weerdjesstraat te Arnhem. 



LX LIJST DER LEDEN ENZ. 

De heer J. van Leeuwen Jr., Litt. hum. Cand., PrinseneUaml , n'\91, 
te ArnsUrdaììi. — Lepidoptera. 
„ „ J. C. Stern, te Sluis. 
„ „ Mr. M. 's Gravesande Guicherit , te Delft. 

1074-75. 

De heer H. L, Gerth van Wijk, Leeraar aan de Hoogere Burger- 
school te Middi'lbiirfj. 

„ „ C. J. Grube, Nicuwendijl; bij de St. Jacobstraat, n. 94, te 
Amsterdam. — Lepidoptera. 

„ „ J. van den Honert, Nieuwe Waalseüniid bij de Scliipperstraat, 
n". 26, te Amsterdam. 

„ „ R. H. Saltet , Med. Stud. , Heerengradd bij de Wolveitstraat , 
n°. 264, te Amsterdam. 

„ „ K. N. Swierstra, Koninkl. Zool. Genootschap „Natura Artis 
Magistra" te Amsterdam. — Algemeene Entomologie. 

1S75-76. 

De heer H. Uijen, Priemstraat te Nijmegen. — Lepidoptera. 
„ „ J. G. Wurfbain te Wort/i-IUiedeii. 

BESTUUR. 

President. Mr. W. Albarda. 

Vice-President. P. C. T. Snellen. 

Secretaris. F. M. van der Wulp. 

Conservator. Mr. S. C. Snellen van VoUenhoven. 

Bibliothecaris. G. Ritsema Cz. 

Penningmeester. J. W. Lodeesen. 

COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR HET TIJDSCHRIFT. 

De President van het Bestuur. 
Mr. S. C. Snellen van VoUenhoven. 
F. M. van der Wulp. 



BIBLIOTSBICKN^ 



DEB 



NEDEHLANDSCHE EmiHOLOtllSdllË ÏEREEIIGIII«. 



BIJGEKOMEN BOEKEN VAN 1 SEPTEMBER 1874 
TOT 31 JULIJ 1875. 



BIBLIOTHEEK A. 

Natuurlijke Historie in het algemeen. 

1. Anonymus. Systematisches Verzeichniss aller derjenigen Schriften 
welche die Naturgeschichte betreffen; von den ältesten bis auf 
die neuesten Zeiten. Halle, 1784. fol. 

2. Sars (C. G. 0.), Indberetning til Departementet for det Indre om 
de af ham i Aarene 1870 — 73 anstillede praktisk-videnskabelige 
Unders0gelser angaende Torskefiskeriet i Lofoten. Christiania, 1874. 
8vo. {Gesehenk van de Koninhlijhe UniversUeit van Noorweç/en). 

3. Spallanzani, Dissertations relative to the Natural History of Ani- 
mals and Vegetables, to which are added two letters from Mr. 
Bonnet to the Author. London, 1784. 2 vol. 8vo. 

Algemeene Dierkunde. 

4. Boeck (A.) , Nye Slaegter og Arter af Saltvands Copepoder. Chris- 
tiania, 1872. 8vo. {his) {Met liei vvlgemle ten i/esr/ieiihe van de 
Koninklijke Universiteit van Noorwegen). 

5. Friele (H), Oversigt over de i Bergens Omegn forekommende 
skaldaekte Mollusker. Christiania, 1873. 8vo. {Ins). 

6. Geubel (Dr. H. C), Zoologische Notizen. Enthaltend eine Reihe 
von Beobachtungen nebst philosophischen und chemisch-physiolo 
gischen Bemerkungen über mehrere Weich- und Gliederthiere. 
Landau, 1852. 8vo. 



LXII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE 

7. Meyer (Dr. A. B.) , Einige Bemerkungen über den Werth , welcher 
im Allgemeinen den Angaben in Betreff der Herkunft mensch- 
licher Schädel aus dem ostindischen Archipel beizumessen ist. 
Wien, 1874. 8vo. 

8. — ■ — ■ Anthropologische Mittheilungen über die Papuas von Neu- 
Guinea. I. Aeusserer physischer Habitus. Wien, 1874. M. einer 
Taf. Porträts. 8vo. 

9. Uebersicht der von mir auf Neu-Guinea und den Inseln 

Jobi, Mysore und Mafoor im Jahre 1873 gesammelten Amphibien. 
Berlin, 1874. 8vo. {Met de beide vorige nommers ten geschenke van 
den lieer M. Nijhoff). 

10. Ritzema Bos (J.), Bijdrage tot de kennis van de Crustacea 
Hedriophthalmata van Nederland en zijne kusten. Groningen, 
1874. M. 2 pi. 8vo. (Gesclienk van den Scììrijver). 

11. Sars (G. O) , Beski-ivelse af de paa Fregatten Josephines expe- 
dition fundne Cumaceer. Stockholm, 1871. M. 20 Tavl. 4to. 

12. — ■ — Beski'ivelse af syv nye Cumaceer fra Vestindien og det 
Syd-Atlantiske Ocean. Stockholm, 1873. M. 6 Tavl. 4to. 

13. Bidrag til Kundskaben om DyreHvet paa vore Havbanker. 

Christiania, 1872. 8vo. (bis). 

14. Om en hidtil lidet kjendt maerkeUg Slaegtstype af Polyzoer. 

Christiania, 1873. M. 2 Tavl. 8vo. (bis). 

15. Bidrag til Kundskaben om Norges Hydroider. Christiania, 

1873. M. 4 Tavl. 8vo. (bis). 

16. Om en dimorph Udvikling samt Generationsvexel hos Lepto- 

dora. Christiania, 1873. M. 1 Tavl. 8vo. (bis). 

17. Bemaerkninger om de til Norges Fauna hörende Phyllopoder. 

Christiania, 1873. 8vo. (bis) {Met de zes vorige nommers ten ge- 
sclienhe van de Koninhlijhe Universiteit van Noorwegen). 

18. Vérardi et Ratzeburg, Nouveau Manuel complet du destructeur 
des animaux nuisibles. Paris, 1847 et 52. 2 part. kl. 8vo. 

19. Weyeubergh (Prof. H.) , Bijdrage tot de kennis van het visschen- 
geslacht Xipliopliorns Heek. Amsterdam, 1874. M. 2 pi. 8vo. 
{Geschenk van den Schrijver). 

Algemeene Entomologìe. 

20. Siebke (H.) , Enumeratio Insectorum Norvcgicorum. Fase. I. 
Catalogum Hemipterorum et Orthopterorum continens. Christiania , 

1874. 8vo. {bis) {Geschenk van de Koninklijke Universiteit van 
JSoorwegen). 

21. Westwood (J. O), Thesaurus Entomologicus Oxoniensis; or Illu- 
strations of new, rare and interesting Insects, for the most part 



ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LXIII 

contained iu the collections presented to the University of Oxford 
by the Rev. F. W. Hope. With plates from drawings by the 
Author. Oxford, 1874. 4to. Part III and IV. 

Bijzondere Entomologie. 
A. Co le opt e ra. 

22. Borre (A. Preudhomme de), Du Dorypìiora decemlineata. Brux. 
1875. 8vo. {Geschenk van den Schrijver). 

23. Everts (Dr. Ed.), Lijst der in Nederland voorkomende schild- 
vleugelige Insekten (Coleoptera). 's Grav. 1875. 8vo. {Geschenk van 
den Schrijver). 

24. Kerchove de Deuterghem (O. de) , L'ennemi de la pomme de 
terre. Notice sur le Donjphora decemlineaku Brux. 1875. Av. 1 pi. 
Svo. {Geschenk van den heer Puls le Gent). 

25. Verslag van de werkzaamheden der commissie tot verdelging van 
meikevers te Wageningen in het voorjaar van 1875. Zwolle ^ 1875. 
4to. {Geschenk van Dr. J. Ritzema Bos). 

26. Volleuhoven (S. C. Snellen van), De Colorado-kever. Haarlem, 
1875. 8vo. {Geschenk van den Schrijver). 

B. Lepidoptera. 

27. Heylaerts (F. J. M), Zur Naturgeschichte von Epichnoptei'yx 
Tarniei-eUa'Bvä. Stettin, 1875. 8vo. {Geschenk van den Schrijver). 

28. Hofmann (E.) , Isoporien der europäischen Tagfalter. Stuttg. 1873. 
Svo. {Geschenk van Mr. W. Albarda). 

29. Moore (F.), List of Diurnal Lepidoptera collected in Cashmere 
Territory bij Capt. R. B. Reed , with Descriptions of new Species. 
Lond. 1874. W. a col. pi. 8vo. 

30. Descriptions of new Asiatic Lepidoptera. Lond. 1874. W. 

2 col. pi. 8vo. {Met het vorige nommer ten geschenke van den 
Schrijver). 

31. Ritsema Cz. (C), Description de deux espèces nouvelles de 
Microlépidoptères exotiques {Alleva impunctella et Psendoblabes 
Snelleni). Paris, 1875. {Geschenk van den Schrijver). 

32. Vollenhoven (S. C. Snellen van) , Beschrijvingen en afbeeldingen 

van Nederlandsche vlinders. {Vervolg op Sepp, Beschouwing der 
wonderen Gods , enz.) 's Gravenhage , 1874. Dl. III , n«. 33—38. 4to. 

33. Weyenbergh (Prof. H.), Oiketiciis Kirbii Guild., ein interessanter 
argentinischer Schmetterling. Buenos Ayres , 1875. fol. {Geschenk 
van den Schrijver). 



LXIV BIBLIOTHEKEN DER NEDEBLANDSCHE 

C. H y m e n O p t e r a. 

34. Anonymus , Le gouvernement admirable ou la république des 
abeilles. Avec les moyens d'en tirer une grande utilité. La Haye , 
1740. kl. 8vo. 

35. Leuckart (Dr. R.) , Over doove en abortieve eijeren der honig- 
bijen. Vertaald door C. Ritsema Cz. Haarlem, 1875. 8vo. {Gc- 
sciicnk van den Vciinlcr). 

36. Ritsema Cz. (C.) , Descriptions et figures de deux espèces nouvelles 
du genre Anlliullum F., provenant de l'Archipel des Indes- 
Orientales. {Antliidlum Sm'dhii et A. Forsteiiii). Paris, 1874. 8vo. 
(Gfsc/ienk van den Schrijver). 

37. Vollenhoven (S. C. Snellen van) , Over de groep der Dryiniden 
in de familie der Proctotrupiden , met beschrijving eener nieuwe 
soort. Arasterdam, 1874. M. 1 geld. pi. 8vo. {Met liet volgende 
nommer ten geschenke van den Schrijver). 

38. Pinakographia. Afbeeldingen van meer dan 1000 soorten 

van Noordwest -Europesche Sluipwespen. 's Gravenhage , 1875. 
afl. 1 met 5 gekl. pi. 4to. 

D. H e m i p t e r a. 

39. Signoret (V.) , Revue iconographique des Tettigonides. Paris 
1853/54. Av. pi. col. 8vo. {Met de 33 volgende nommers ten ge- 
schenke van Dr. V. Signoret). 

40. Essai monographique sur les Aleurodes. Paris, 1867. Av. 

2 pi. 8vo. 
41. Essai sur les Cochenilles (Homoptères-Coccides). Paris, 

1868—74. 12 part. Av. pi. 8vo. 
42. — — Description d'Hémiptères nouveaux provenant de la Guinée 

Portugaise. Paris, 1849. 8vo. 
43. Notice sur le groupe des Eurymélides. Monographie du 

genre Aethalion. Paris , 1850. Av. 1 pi. 8vo. 

44. Description d'une nouvelle espèce d'Hémiptères-Hétéroptères 

du groupe des Mictides , genre Petascetis. Paris 1851. Av. 1 pi. 8vo. 

45. Description d'un genre nouveau et de quelques espèces du 

groupe des Tettigonides. Paris, 1850. Av. 1 pi. col. 8vo. 

46. Revue critique du groupe des Tettigonides et de la tribu 

des Cercopides. Paris, 1853. 8vo. 
47. Notice sur un insecte de la section des Homoptères de la 

tribu des Tettigonoïdes. Paris, 1853. Av. 1 pi. col. 8vo. 
48. Description d'une espèce nouvelle faisant genre dans l'ordre 

des Hémiptères-Hétéroptères , famille des Azopides. Paris, 1854. 

Av. 1 pi. col. 8vo. 



ENTOMOLOGISGHE VEREENIGING. LXV 

49. Signoret (V.), Essai monographique du genre Micropus Spin. 

Paris, 1855. Av. 1 pi, col. 8vo. 
50. Description d'un nouveau genre de la tribu des Longicoxes , 

Amiot et Serv. , groupe des Emésides. Paris , 1858. Av. 1 pi. 8vo. 

51. Monographie du genre Covizus. Paris, 1858. 8vo. 

52. Descriptions de nouvelles espèces d'Hémiptères. Paris, 1858. 

Av. 1 pi. col. 8vo. 
53. Faune des Hémiptères de Madagascar. 1^ part. Homoptères , 

2' part. Hétéroptères. Paris, 1859/60. Av. 2 pi. col. 8vo. 
54. Hémiptères de Sicile. Paris, 1860. 8vo. 

55. Description de deux Homoptères , types de genres nouveaux. 

Paris, 1861. Av. 1 pi. 8vo. 

56. Description de quelques Hémiptères nouveaux. Paris, 1861. 

Av. 1 pi. 8vo. 

57. Essai sur la Faune entomologique de la Nouvelle-Calédonie 

(Balade) et des îles des Pins, Art, Lifu, etc. Paris, 1861. Svo. 
58. Description d'Hémiptères nouveaux de Jurimaguas et Moya- 

bamba (Pérou). Paris, 1862. Av. 1 pi. 8vo. 
59. Quelques espèces nouvelles d'Hémiptères de Cochinchine. 

Paris, 1862. Av. 1 pi. 8vo. 

60. Révision des Hémiptères du Chili. Paris , 1863. Av. 3 pi. 8yo. 

61. Descriptions de quelques Hémiptères nouveaux. Paris, 

1865. 8vo. 
62. Quelques observations sur les Cochenilles connues sous le 

nom de Pou à poche blanche, qui ravagent les plantations de 

cannes à sucre à l'île Maurice et à l'île de la Réunion. Paris, 

1868. 8vo. 

63. Etudes sur le genre Phylloxéra de Fonscolombe. Paris , 

1867. Av. 1 pi. 8vo. 
64. Pinjlloxcra vastatrix, Hémiptère-Homoptère de la famille 

des Aphidiens, cause prétendue de la maladie actuelle de la 

vigne. Paris, 1870. Av. 1 pi. 8vo. 
65. Quelques observations nouvelles sur le Phylloxéra vastatrix. 

Paris, 1870. 8vo. 

66. Note sur le Phylloxera. Paris, 1873. 8vo. 

67. Du Phylloxera et de son évolution. Paris, 1873. 4to. 

68. Quelques observations à propos des espèces du genre Phyl- 

loxera. Paris, 1874. 4to. 

69. Notice sur un Homoptère peu connu (Periphyllus). Paris, 

1867. Av. 1 pi. 8vo. 

70. Notice sur un nouveau Periphyllus {P. Laricae Hal.) Paris, 

1868. 8vo. 

6 



LXVi BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE 

71. Signoret (V.) et Balbiani , Sur' Ie développement du Puceron brun 
de l'Erable. Paris , 1867. 4to. 

72. Stai (C), Hemiptera nova vel minus cognita. Paris, 1865. 8vo. 

E. N e u r p t e r a. 

73. Lachlan (R. Me), A Monographie Revision and Synopsis of the 
Trichoptera of the European Fauna. London, 1874/75. Prt. I 
and II. W. 11 pi. 8vo. {Geschenk van den Schrijver). 

74. Selys Lougchamps (E. de) , Monographie des Libellulidées d'Europe. 
Paris et Brnx. , 1840. Av. 4pl. 8vo. {Geschenk vanden, Schrijver). 

75. Instructions sur la chasse des Névroptères. Paris, 1868, 

kl. 8vo. {Geschenk van den Schrijver). 

F. O r t h o p t e r a. 
Niets bijgekomen. 

Gr. Diptera. 

76. Loew (H.), Diptera Americae septentrionalis indigena. Berolini, 
1861 , 65/72. pars. I & II. 8vo. {Geschenk van den Schrijver). 

H. Arachnoidea en My riapoda. 
Niets bijgekomen. 

Palaeontologie. 

Niets bijgekomen. 

Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedknnde. 

Niets bijgekomen. 

Tijdschriften. 

77. Annali del Museo Civico di Storia naturale di Genova , pubblicati 
per cura di G. Doria, Genova, 1874. voi. V. M. 5 pln. 8vo. {In 
mil tegen het Tijdschr. v. Entom.). 

78. Annuaire de l'Académie Royale des Sciences , des Lettres et des 
Beaux- Arts de Belgique. Brux. , 1874. Ann. 40. kl. 8vo. {In ruil 
tegen het Tijdschr. v. Entom.) 

79. Annuaire Entomologique pour 1875, par A. Fauvel. Caen et 
Paris, 1875. kl. 8vo. {Geschenk van den Schrijver). 

80. Archives Néerlandaises des Sciences exactes et naturelles , pu^ 
bliées par la Soc. HoU. d. Se. à Harlem. La Haye^ 1874. Tom. IX* 
livr. 4 et 5. 8vo. {Geschenk van de Holland sehe Maatschappij van 
Wetenschappen te Haarlem). 



ÉNTOMOLOGISGHE VÉRËENIGING. LXVII 

81. Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. Caen, 1873, 
74. 2"" sér. vol. 7 et 8. (ann. 1872— 74.) 8vo. {In ruil tegen het 
Tijdschr. v. Entom.). 

82. Bulletin des séances de la Société Entomologique de France. 
Paris, 1874/75. N«. 39, 43 et 49. 8vo. 

83. Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences. Buffalo, 
1874. vol. II n^. 1 and 2. 8vo. (/// ruil tegen liet Tijdschr v. Entom.). 

84. Bulletin of the Essex Institute. Salem, 1874. vol. V. 8vo. {In 
ruil tegen het Tijdschr v. Entom.). 

85. Bullettino della Società Entomologica Italiana. Firenze, 1874. 
An VI, VII, trim. 1. 8vo. {In ruil tegen het Tijdschr. v. Entom.). 

86. Compte-Rendu des séances de la Société Entomologique de Bel- 
gique. Brux., 1874/75. Sér. II, n«. 3—10 et 12. 8vo. {In mil 
tegen het Tijdschr. v. Entom.). 

87. Jahrbücher des Nassauischen Vereins für Naturkunde. Heraus- 
gegeben von Dr. C. L. Kirschbaum. Wiesbaden , 1873/74. Jahrg. 
27 und 28. 8vo. {In ruil tegen het Tijdschr v. Entom.). 

88. Jahresbericht (Erster) der Schwedischen Academie der Wissen- 
schaften über die Fortschritte der Naturgeschichte, Anatomie 
und Physiologie der Thiere und Pflanzen ; aus dem Schwedischen 
mit Zusätzen von Dr. J. Müller. Bonn, 1826. 8vo. 

89. Memoirs of the Boston Society of Natural History. Boston, 
1873/74. vol. II, part. II, n". 4: vol. II, part. Ill, n». 1 and 
2. With Plates. 4to. {In ruil tegen het Tijdschr v. Entom.). 

90. Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indie , uitgegeven 
door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nedei'landsch 
Indie. Batavia en 's Gravenhage , 1873. Dl. 33. 8vo. {In ruil 
tegen het Tijdschr. v. Entom.). 

91. Newman (E.), The Entomologist. London, 1874/75. vol. Vil, 
n". 133—137; vol. VIII, n". 138—144. 8vo. 

92. Oversigt over det Kgl. danske Videnskabernes Selskabs Forhand- 
linger og dets Medlemmers Arbeider i Aar 1852, 1853 & 1855. 
Kjöbenhavn, 1852/53 & 55. 3 din. 8vo. 

93. Peri(xlico Zoolójico. Organo de la Sociedad Entomologica Argen- 
tina publicado por la misma. Buenos-Ayres , 1874. Tom. I, En- 
tegra 1 et 2. 8vo. {Geschenk van Prof. II. Weyenhergh). 

94. Proceedings of the Boston Society of Natural History. Boston , 
1873/74. vol. XV, part 3; vol. XVI, part 1. 8vo. {In ruil 
tegen het Tijdschr. v. Entom.). 

95. Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society 
of London for the year 1874, prt. 2 and 3. London, 1874. 8vo. 
{In mil tegen het Tijdschr v, Entom.). 



LXVIII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE 

96. Report of the Commissioner of Agriculture for the year 1872. 
Washington, 1874. 8vo. {In ruil legen hel Tijdsr/ir. v. Eulom.) 

97. Reports (Monthly) of the Department of Agriculture for the 
year 1872 and 1873. Washington, 1873. 8vo. 

98. Report (Third Annual) of the Board of Managers of the Zoolo- 
gical Society of Philadelphia. Philad. , 1875. With Plates. 8vo. 

99. Tijdschrift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche 
Entomologische Vereeniging. 's Gravenhage, 1873/74. Dl. 17, afl. 5 
en 6. Met pi. 8vo., benevens Repertorium betreffende den 9''^" — 16**"° 
jaargang, door F. M. van der Wulp. 's Gi-avenhage , 1875. 8vo. 

100. Tijdschrift van het Aardiijkskundig Genootschap, gevestigd te 
Amsterdam. Amsterdam, 1874/75. n°. 1 — 5. 4to. {In ruil legen 
hel Tijdsein', voor Enlom.). 

101. Verslag van de 29'"= Zomervergadering en van de 8''^ Winter- 
vergadering der Nederlandsche Entomologische Vereeniging, ge- 
houden te Arnhem den 29''"° Augustus en te Leiden den 19'^™ 
December 1874. 's Gravenhage, 1875. 8vo. 

102. Verslag (74"") van het Natuurkundig Genootschap te Groningen 
over het jaar 1874, 8vo. {Geschenk van hei Natnurh. Genootschap). 

103. Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van 
Wetenschappen, Afd. Natuurkunde. Amsterd. 1874 — 75. 2de reeks 
8ste deel, 2de en 3de stuk, 9de deel, 1ste stuk. 8vo. {In ruil 
tegen het Tijdschr. voor Entom.). 

Reizen. 

Niets bijgekomen. 

Varia. 

104. Correspondance Botanique. Liste des jardins , des chaires et des 
musées botaniques du Monde. 2me éd. Liège, 1874. 8vo. 

105. Schweinfurt (Dr. G.), Discours prononcé au Caire à la Séance 
d'inauguration de la Société Khédiviale de Géographie , le 2 Juin 
1875. Alexandrie, 1875. 8vo. 

106. Sélys Longchamps (E. de), Notice Bibliographique. Brux. 1874. 
kl. 8vo. 

107. Signoret (Dr. V.), Notice nécrologique sur J. B. Amyot. Paris, 
1866. 8vo. 

108. Statuts de la Société Khédiviale de Géographie. Alexandrie, 
1875. 8vo. 

109. Vissering (Mr. S.) , Handleiding tot Wetenschappelijke waarne- 
mingen ten behoeve van Reizigers , Koloniale Ambtenaren, Consuls 
en andere Residenten in vreemde gewesten; uitgegeven door het 
Aardiijkskundig genootschap. IX. Handleiding tot het Statistisch 
onderzoek. Utrecht, 1875. kl. 8vo, 



ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LXIX 

110. Weyenbei'gh (Prof. H.), Rede zur EröflFaung des Zoologischen 
Cursus 1874 an der San Carlos-Univei-sität zu Cordoba. Buenos 
Ayres, 1874. {GcsciienU van den liedenaar). 



BIBLIOTHEEK B. 

Nataiirlijke Historie in het Algemeen. 
Niets bijgekomen. 

Algemeene Dierkunde. 

1. Dybowsky (Dr. B. N.), Beiträge zur näheren Kenntniss der in 
dem Baikal-see vorkommenden niederen Krebse aus der Gruppe 
der Gammariden. St. Petersburg, 1874. Mit 3 colorirten und 11 
schwarzen Tafeln. 4to (Geschenk van de Russische Entomologische 
Vereeniging). 

2. Marshall (A. de) , Nomenciator Zoologicus continens nomina sys- 
tematica generum animalium tarn viventium quam fossilium, 
secundem ordinem alphabeticum disposita. Vindobonae, 1873, 8vo. 

3. Sundevall (C. J.) , Ett Försök att Bestämma de af Aristoteles omta- 
lade Djurarterna. I. Luftandande Djur, eller klasserna : Däggdjur, 
Foglar, Reptilier och Insekter med Arachnider. Stockholm, 1862. 4to. 

Algemeene Entomologie. 

4. Dahlbom (A. G.), Anteckningar öfver Insekter, som blifvit obser- 
verade pâ Gottland och i en del af Calmare Län , under sommaren 
1850. 8vo. 

b. Girard (M.), Les métamorphoses des Insectes. 4me éd. Paris, 
1874. 8vo. 

6. Petagnae (Vincentii), Specimen Insectorum ulterioris Calabriae. 
Ed. nuov. Lipsiae, 1820. Cum 38 incon. col. 4to. 

7. Schmiedlein (G. B.) , Vollständiger Lehrbegriflf der Entomologie, 
nach Anleitung der neuesten Ausgabe des Linne'ischen Natur- 
systems. Leipzig, 1795. Ister Bd. M. 4 Kpftfln. 8vo. 

8. Thomson (C. G.) , Opuscula Entomologica. Lund, 1874 --75. Fase. 
VI, VII. 8vo. 

Bijzondere Entomologie. 

A. Coleoptera. 

9. Fauvel (A.), Faune Gallo-Rhénane ou Species des Insectes qui 
habitent la France, la Belgique, la Hollande, le Luxembourg, 
la Prusse-Rhénane, le Nassau et le Valais (Coléoptères). Tom. 
Ill, livr. 5. Caen, 1874. 8vo. (Geschenk van den Schrijver). 



LXX BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSCHE 

10. Gemminger (Dr. M.) et B. de Harold, Catalogus Coleopterorum 
hucusque descriptorum synonymicus et systematicus. Münclien, 

1874. Tom. XI. 8vo. 

11. Harold (E. von), Coleopterologische Hefte. München, 1875. Heft 
Xni. 8vo. 

12. Redtenbaclier (L.), Fauna Austriaca. Die Käfer, nacli der Ana- 
lytischen Methode bearbeitet. Wien, 1874. Dritte, gänzlich um- 
gearbeitete und bedeutend vermehrte Auflage. 8vo. 

13. Roger (Dr. 0.), Das FlUgelgeäder der Käfer. Zugleich ein frag- 
mentärer Versuch zur Auffassung der Käfer im Sinne der 
Descendenztheorie. Erlangen, 1875. 8vo. 

14. VoUenhoven (S. C. Snellen van). De Colorado-kever. Haarlem, 

1875. 8vo. (Geschenk van den Schrijver). 

B. L e p i d p t e r a. 

15. Berce (E.), Faune Entomologique Française (Lépidoptères). Des- 
cription de tous les Papillons qui se trouvent en France. Paris, 
1873. vol. V (Geometridae). Av. pi. col. 8vo. 

16. Boisduval (Dr. J. A.), Histoire générale des Insectes. Species 
général des Lépidoptères Hétérocères. Paris, 1874. Tom. I (Sphin- 
gides, Sesiides, Castnides) Av. 11 pi. col. 8vo (Suites à Buffon). 

17. Eversmann (E.), Fauna Lepidopterologica Volgo-Uralensis exhibens 
Lepidopterorum species quas per viginti quinque annos in pro- 
vinciis Volgam fluvium inter et montes Uralensis sitis observavit 
et descripsit. Casani, 1844. 8vo. 

18. Hewitson (W. C), Exotic Butterflies, being Illustrations of new 
Species. London, 1874—75. Part 92—95. With col. pi. 4to. 

19. Minière (P.)? Iconographie et description de Chenilles et Lépido- 
ptères inédits. Paris, 1874. Livr. 35. Av. pi. col. 8vo. 

20. Nicolai (Dr. A. H.), Die Wander-oder Prozessionsraupe (Bombyx 
processionea) in naturhistorisch-landespolizeilisch nnd medicinischcr 
Hinsicht geschildert. Berlin, 1833. Mit 1 Steindruck. 8vo. 

21. Snellen (P. C. T.) , Opgave der Geometrina en Pyralidina in Nieuw 
Granada eu op St. Thomas en Jamaica verzameld door W. Baron 
von Noleken, met beschrijving en afbeelding der nieuwe soorten, 
's Gravenhage , 1874. M. 7 gekl. plat. 8vo. 

22. Vollenhoven (Dr. S. C. Snellen van) , Beschrijvingen en • afbeel- 
dingen van Nederlandsche Vlinders, 's Gravenhage, 1875. Dl. III, 
n*'. 35 — 38. Met gekl. pi. 4to. (Vervolg op J. C. Sepp, Beschou- 
wing der wonderen Gods enz.). 

23. Weismann (Dr. A.), Studien zur Descendenz-Theorie. I. lieber 
den Saison-Dimorphismus der Schmetterlinge. Leipzig, 1875. M, 
2 col. Tafln. 8vo. 



ENTOMOLOGISGHE VEREENIGING. LXXI 

C. Hymenoptera. 

24. Thomson (C. G.), Hymenoptera Scandinaviae. Lundae, 1874. Tom. 
III fase. 2 {Sphex et Mutilla Linn.) 8vo. 

D. H e m i p t e r a. 

Niets bijgekomen. 

E. N e u r o p t e r a. 

25. Sclineider (G. Th.), Monographia generis Rhaphidiae Linnaei. 
Vratislaviae , 1843. C. 7 tab. 4to. 

F. O r t h o p t e r a. 
Niets bijgekomen. 

G. Diptera. 
Niets bijgekomen. 

H. Arachnoidea en Myriapoda. 
Niets bijgekomen. 

Palaeoiitologie. 
Niets bijgekomen. 

Ontwikkelingsgeschiedenis en Ontleedkunde. 

26. Bibiena (F.), Spicilegium de Bombyce. Bon. 1767. C. 4 tab. fol. 

27. Groshans (G. P. F.), Specimen anatomica-physiologicum de sys- 
temate uropoietico, quod est radiatorum, articulatorum et mol- 
luscorum acephalorum. Lugd. Bat. 1837. 8vo. 

Tijdschriften. 

28. Album der Natuur. Tijdschrift ter verspreiding van natuurkennis 
onder beschaafde lezers van allerlei stand. Jaarg. 1874 afl. 11 en 
12, 1875 afl. 1—9. Haarlem, 1874—75. 8vo. 

29. Annales de la Société Entomologique de Belgique. Brux. 1874. 
Tom. XVII. Av. 1 pi. col. 8vo. (ƒ/< ruil legen, hel Tijdschr. v. Enlom.). 

30. Annales des Sciences naturelles. Zoologie et Palaeontologie. Paris , 
1874—75, 6« sér. torn. I. Av. pi. 8vo. 

31. Annals and Magazine of Natural History. Conducted by C. C. 
Babington, A. Günther, W. S. Dallas and "W. Francis. London, 
1874—75. 4th ser. Vol. 14 n°. 3—6, Vol. 15, and Vol. 16 n°. 1. 
With pi. 8vo. 

32. Archiv für Naturgeschichte. Gegründet von Wiegmann und fort- 
gesetzt von Erichson und Troschel. Berlin, 1872 — 75. Jahrg. 38 
n". 6; 40 n". 3 und 4; 41 n°. 1 und 2. Mit Tafln. 8vo. 



LXXII BIBLIOTHEKEN DER NEDERLANDSGHE 

33. Archives (Nouvelles) du Muséum d'histoire naturelle de Paris. 
Paris, 1874. Tom. 10 livr. 2 et 3. Av. pi. 4to. 

34. Berliner Entomologische Zeitschrift. Herausgegeben von dem En- 
tomologischen Vereine in Berlin. Redact. Dr. G. Kraatz. Berlin, 
1874—75. ISter Jahrg. Heft 3 und 4 ; 19ter Jahrg. (unt. d. Titel 
„Deutsche Entomologische Zeitschrift") Heft 1. Mit Tafln. 8vo. 
Inhalts- Verzeichniss der Beri. Ent. Zeitschr. Jahrg. 13—18 (1869— 
74) , zusammengestellt von Max Wahnschaife. {In mil tegen lui 
Tijdschr. v. Enlom.). 

35. Bulletins de l'Académie royale des sciences, des lettres et des 
beaux-arts de Belgique. Brux. 1873 — 74. 2me sér. tom. 35 — 37. 
8vo. {In ruil tegen hel Tijdschr. voor Evtom.). 

36. Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou, 
publié sous la direction du Dr. Renard. Moscou, 1873—74. Ann. 
1873 n". 1 et 4, 1874 n". 1 et 2. Av. pi. 8vo. {In ruil tegen hel 
Tijdschr. voor Enlom.). 

37. Bulletin des Sciences physiques et naturelles en Néerlande. Rédigé 
par M. M. Miquel, Mulder et Wenckebach. Leyde, 1838. Ann. 
1838. 4to. 

38. Con*espondenz-Blatt des zoologisch-mineralogischen Vereines in 
Regensburg. Regensburg, 1874 — 75. Jahrg. 28 n°. 4 — 12; Jahrg. 
29 n°. 1—7. 8vo. 

39. Entomologist's (The) Monthly Magazine. Conducted by J. W. 
Douglas, R. Mac Lachlan, E, C. Rye and H. T. Stainton. Lond., 
1874—75. vol. XI, n°. 4—12; vol. XII \\\ 1 and 2. 8vo. 

40. Horae Societatis Entomologicae Rossicae. Petropoli, 1874. Tom. X, 
n°. 2 — 4. Av. pi. col. 8vo. {In ruil tegen hel Tijdschr. v. Enlom.). 

41. Journal (The) of the Linnean Society of London. (Zoology). London, 
1874. vol. XII, n°. 57. 8vo. {In mil tegen het Tijdschr. v. Entom.). 

42. Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. 
Redigirt von Dr. G. Stierlin. Schaf hausen, 1874—75. Vol. IV. 
Heft n°. 5 — 7, 8vo. {In ruil tegen het Tijdschr. v. Enlom.). 

43. Nunquam otiosus. Zoologische Mittheilungen von Dr. L. W. 
Schaufuss. Dresden, 1870—74. Bd. I, II. Lief. 1 und 2. 8vo. 

44. Revue et Magasin de Zoologie pure et appliquée, sous la direc- 
tion de M. F. E. Guérin-Méneville. Paris, 1874. 3me sér., torn. 
II, n°. 7—12. Av. pi. col. 8vo. 

45. Scottish (The) Naturalist, and Journal of the Pertshire Society 
of Natural Science. Edited by Buchenan White. Perth, 1871—75. 
vol. I, II, III n°. 1—3. 8vo. 

46. Transactions of the Linnean Society of London. London, 1874 — 75, 
vol. 30. prt. 2 and 3. With pi. 4to. 



ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING. LXXIII 

47. Tijdsclirift voor Entomologie, uitgegeven door de Nederlandsche 
Entomologische Vereeniging. 's Gravenliage , 1874. Dl. XVII. afl. 
5 en 6. M. gekl. pi. 8vo. 

Repertorium betreffende den O"*™ — 1 6'^''° jaargang (2"*'' ser. 1866 — 
1873) van het Tijdschr. v. Entom., bewerkt door F. M. van 
der Wulp. 's Gravenhage , 1875. 8vo. 

48. Verslagen der beide in 1874 door de Nederl. Entom. Vereeniging 
gehouden Vergaderingen. 

49. Zoological (The) Record for 1873, being volume X of the Record 
of Zoological Literature, edited by E.G. Rye, London, 1875. 8vo. 

50. Zoologist (The). A monthly Journal of Natural History, conduct, 
by E. Newman. London, 1874—75. Sec. series, n. 108—118, 8vo. 

Keizeii. 

Niets bijgekomen. 

Varia. 
Niets bijgekomen. 



EIVTOMOLOdISCHE lOODD 



VAN 



ONTVANGEN T IJ D S C H li I F T E N. 



September 1874. 

Newman's Entomologist, n°. 133 (Sept. 1874) (a), i) 

Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr's „Die 
Mitteleuropäischen Eichengallen", by Mrs. Hubert Herkomer née 
Weise. — Notes on the Wing-bones of the Two-winged Flies, 
by F. Walker. — Occurrence of Butterflies at Dry Drayton, in 
the Months of March , April, May , June 1874, by F. A. Walker. — 
Entomological Notes, Captures, etc. - Answers to Correspon- 
dents. — Extracts from the Proceedings of the Entomological 
Society of London , July 6th. 1874. — Death of Mr. Alfred Owen. 

Entomologist's Monthly Magazine, n». 124 (Sept. 1874) (/>). 
Description of the Larva and Pupa of Dcilcphila Eupfiorbiac, by 
W. Buckler. — Descriptions of two new species of Heterocerous 
Lepidoptera in the collection of the British Museum, by A. G. 
Butler. — Descriptions of three new species of Erotylidae, by 
G. Lewis. — Descriptions of two new genera and some new 
species of Pselaphidae, by D. Sharp. — Entomological Notes, 
Captures, etc. — Notes on Cicindelidae and Carabidae, and Des- 
criptions of New Species (n". 18) , by H. W. Bates. 

Annals and Magazine of Natural History, 4th. ser. vol. 14 n*^. 81 
(Sept. 1874) (b). 
On some new Genera and Species of Araneidea, by 0. P. Cam- 
bridge. — Descriptions of four new Species of Glomeridae from 
Sikkim, by A. G. Butler. — On a new Genus and Species of 
Land-Crabs from the Nicobar Islands , by J. Wood-Mason. — Note 
on Ipfiiclides Ajax, by R. Meldola. — Tube-building Amphipoda, 
by S. J. Smith. 



1) («■) duidt aan dat het werk toi de oorspronkelijke Bibliotheek der Ned. Ent. 
Vereeuiging , {b) dat het tot de Bibliotheek Hartogh Heys van de Lier behoort. 



ENTOMOLOGISCHE INHOUD ENZ. LXXV 

Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. Ann. 
1873 n^ 4 (b). 
Enumeration des nouvelles espèces de Coléoptères rapportés de ses 
voyages par feu Victor Motsclioulsky (13^ article). 

Berliner Entomologische Zeitschrift. Jahrg. 1874. 3tes und 4tes Heft, (a) 
Die Malacodermen Japans, nach dem Ergebnisse der Sammlungen 
des Herrn G. Lewis während der Jahre 1869 — 1871 , von H. von 
Kiesenwetter. — The StaphyUnidae of Japan, by D. Sharp, 
besprochen von Dr. G. Kraatz. — Ein Dytiscus-Bastard beschrieben 
von Dr. G. Kraatz. — Ueber Dijtiscus lOcricus Rosenh. — Ueber 
Erchomus colcliicns Kraatz = Coproporus gallicus Perris = Cilea 
colchica in Bandelle Ess., von Dr. G. Kraatz. — Ueber einige 
Harpaius von Sarepta, von G. Kraatz. — Ueber Hijperaspis 
cnßhrocephala F. von G. Kraatz. — Ueber Hyperaspis 4:-tnacH- 
lala Redt, und Q-guttala Bris., von G. Kraatz. — Ueber Cucci- 
nella Aegyptiaca Reiche, von G. Kraatz. - Liste der Arten der 
Rüsselkäfer-Gattung Brach ijconts Oliv, (nee Fabr.). — Revision 
der europäischen LaccobUis- Arten, von A. von Rottenberg. — 
Beschreibung neuer Carabiden , von A. von Rottenberg. — Lnlliri- 
iiiacinn fraleUum nov. spec, von A. von Rottenberg. -- Neue 
Ileteroptera aus Ungarn, von Dr. G. v. Harväth. — Aus der 
Bienen-Fauna Nassau's, von Prof. Schenck. — Die systematische 
Eintheilung der deutschen Bienen, von Prof. Schenck. — Einige 
Abnormitäten an Bienen, von Prof. Schenck. — ■ Ueber Ncof/nnus 
l'ldsoiiii Hamide, von Dr. G. Kraatz. - Neue nordamerikanische 
Dasypogonina , von Dr. H. Loew. — Neue nordamerikanische 
Diptera, von Dr. H. Loew. — Beiträge zur Kenntniss der Peru- 
anischen Käferfauna auf Dr. Abendroth's Sammlungen basirt , 
von Th. Kirsch. — Ueber die genealogischen Systeme Haeckels, 
besonders die sog. Gastraeatheorie , von Dr. W. H. Rolph. — 
Zur Nomenclatur des Kartoffelkäfers, von Dr. G. Kraatz. — Die 
Larve der Lcpliiiotarm mullilincala Stal, von E. von Harold. — 
Kritische Bemerkungen über die europäischen Mordelliden, von 
Dr. C. Emery. 

Tijdschrift voor Entomologie. Deel 17 afl. 5 en 6 ((/ en h). 

Aauteckeningen betreffende eene kleine collectie Hyraenoptera van 
Neder-Guinea en beschrijving van de nieuwe soorten, door C. 
Ritsema Cz. — Eene nieuwe, bij Breda gevonden, Grapholitha- 
soort, Grap/tolillia coiiicolaita Hcyl., door F.J.M. HeylaertsJr. — 
Over de haren der rupsen van Culligenia miniala Forst., door 
J. van Leeuwen Jr. — Mamillo Cnrlisca Weyenb. , door Prof. 
Dr. H. Weyenbergh. — Micro-Lepidoptera , nieuw voor de Fauna 
van Nederland, medegedeeld door de beeren de Graaf en Snellen. — 
Sur deux nouvelles espèces de Trichoptères d'Europe, par. M. 
Herman Albarda. 



LXXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN 

Periodico Zoolójico. Organo de la Sociedad Entomològica Argentina. 
Tom. I. Entrega 1. («)• 
Los Microlepidopteros Argentino« descritos y dibujados en sus meta- 
morphosis, por el Dr. H. Weyenbergh. — Mangas de Langostas 
{Acrìdiurn Paranense Burm.) en la Republica Argentina durante 
1873, por el Dr. H. Weyenbergh. — Histoire attendrissante de 
l'amour maternel de rOmopkUa flava, par M. le Dr. H. Weyen- 
bergh. — Sobre un Monstruo dicéphalo (larva de Ciiironomus) 
y sobre Monstruos de Insectos en general, por el Catedrâtico 
Dr. H. Weyenbergh. 

Correspondenz-Blatt des zool. min. Vereines in Regensburg. 28ster 
Jahrg. 1874. n^ 4 (b). 
Eine neue bayrische Blattwespe: Pachyprotasis mgnmolaia , von Dr. 
Kriechbaumer. — Systematische Uebersicht der Käfer , welche in 
Baiern und der nächsten Umgebung vorkommen (Fortsetzung), 
von G. Kittel. 

October 1874. 

Newman's Entomologist. N°. 134 (Oct. 1874) {a). 
Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr's „ Die 
Mitteleuropäischen Eichengallen " by Mrs. Hubert Herkomer née 
Weise. — Notes on the Wing-bones of the Two- winged Flies, 
by Fr. Walker (continued). — Our Common Wasps , by H. Reeks. — 
Entomological Notes , Captures , etc. — Death of Mr. Crotch , and 
List of his Writings. 

Entomologist's Monthly Magazine N°. 125 (Oct. 1874) (b). 

On a new Family of European aquatic Coleoptera , by D. Sharp. — 
Descriptions of new species of Lycaenidae from South America, 
by W. C. Hewitson. — Notes on British Tenthredinidae , with 
description of a new species of Nematus , by P. Cameron , Jun. — 
Entomological Notes, Captures, etc. — Description of a new 
species of Liburnia from Biskra (Algeria), by J. Scott. — On 
certain British Hemiptera Homoptera (Revision of the genus 
Strongylocephalus , and description of a new species) , by J. Scott. 

Annals and Magazine of Natural History. 4th. ser. vol. 14. N°. 82 
(Oct. 1874) (b). 
On the Invertebrate Marine Fauna and Fishes of St. Andrews (Series 
n Arthropoda Class Crustacea), by W. C. M'Intosh. — On a 
Collection of Hemiptera Heteroptera, from Japan. Descriptions of 
various new Genera and Species, by John Scott. 

Mittheilungen der Schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. Vol. 
IV Heft n\ 5. (/>). 



ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXVIl 

Die Spliingiden und Bombyciden der Schweiz, bearbeitet von H. 
Frey und J. Wullschlegel. — Ueber Orcliestcs pubcscens Stepli. 
und semiriifus Gyll., von Dr. G. Kraatz. 
Archiv für Naturgeschichte, von Troschel. 40ster Jahrg. StesHeft. (b). 
Mutillarum Americae meridionalis indigenarum synopsis systematica 
et synonymica , auctore A. Gerstaecker. 
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences, vol. IL N°. 2. («). 
On the Species of Ucllcoins inhabiting the Valley of the Amazon, 
by A. R. Grote. — Descriptions of New Noctuidae, by H. K. 
Morrisson. — Observations of North American Moths by L. 
Harvey. — Additions to the „List of North American Noctuidae," 
by A. R. Grote. — New Noctuae, by A. R. Grote. 
Proceedings of the Boston Society of Natural History, vol. XV prt. 
3 and vol. XVI prt. 1. {a). 
Report on the Pseudoneuroptera and Neuroptera of North America 
in the Collection of the late Th. W. Harris , by H. A. Hagen. — 
Catalogue of the Phalaenidae of California. N°. 2 , by A. S. Pac- 
kard. — Occurrence of Rare and New Myriapods in Massachusetts, 
by Dr. A. S. Packard. 

November 1874. 

Newman's Entomologist. N«. 135 (Nov. 1874) {a). 

Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr's „ Die 
Mitteleuropäischen Eichengallen, by Mrs. Hubert Herkomer née 
Weise. — Life-histories of Sawflies. Translated from the Dutch 
of M. S. C. Snellen van Vollenhoven, by J. W. May. — Des- 
cription of a E'upif/iecia New to Science; together with Notes 
on its Life-history, by C. S. Gregson. — Entomological Notes, 
Captures, etc. — Death of Mr. Francis Walker. 

Entomologist's Monthly Magazine. N". 126 (Nov. 1874) (/>). 

Description of two new genera of Scarabaeidae , by D. Sharp. — ■ 
Description of a new species of Heteromerous Coleoptera belon 
ging to the genus Toxicuin , by C. 0. Waterhouse. — On a new 
genus of Longicorn Beetles from Australia, by C. 0. Waterhouse. — 
Description of a new species of Apiou from the Shetland Isles, 
by T. Blackburn. — Description of a new species of Eriocampa 
from Scotland; with note on a variety of Taxonus equiseti Fall., 
by P- Cameron, Jun. — Description of a new Papilio from 
Madagascar, by W. L, Distant. — Descriptions of five new species 
of Acraea from West Africa, by W. C. Hewitson. — Notes on 
British Tortrices, by C. G. Barrett. — Entomological Notes, 
Captures , etc. — Orbituary : Francis Walker. — British Hemiptera. 
Additional Species, by J. W. Douglas, and by J. W. Douglas 
and J. Scott. 



LXXVIII ENTOMOLOCxISCHE INHOUD VAN 

Annals and Magazine of Natural History. 4tli. sor. vol. 14. N°. 83 
(Nov. 1874). {b). 
On the Invertebrate Marine Fauna of St. Andr ws (Crustacea), 
by W. C. M'Intosh. — A List of Butterflies, wi'h Descriptions 
of New Species , from the Andaman Islands , bij W. C. Hewitson. — 
On a Collection of Hemiptera Heteroptera from Japan. Descrip- 
tions of various new Genera and Species, by J. Scott. — Des- 
criptions of new Species of Sesia in the Collection of the British 
Museum, by A. O. Butler. 

Revue et Magasin de Zoologie. 3'= sér. tom. 2 (1874) N°. 7, 8 et 9 (h). 
Description de Lépidoptères nouveaux d'Europe , par M. Millière. — 
Catalogue des Clérides de la collection de M. A. Chevrolat. — 
Description d'une nouvelle espèce d'Otlunus et d'un nouveau genre 
de la famille des Othnidae, l'une et l'autre du Mexique, par M. 
A. Chevrolat. — Nouvelle espèce d'Echinotiis, genre voisin des 
Sepidium, par A. Chevrolat. 

Correspondenz-Blatt des zool.-min. Vereines iu Regensburg. 28''" Jahrg. 
(1874) N°. 5—8. (h). 
Necrolog : Dr. CI. A. Herrich-SchätFer, von Dr. 0. Hotfinann. — Eine 
neue bayerische Biene : Slelis strigala , von Dr. Kriechbaumer. — 
Versuch einer chronologischen Uebersicht der bisher beschriebenen 
oder benannten Arten der Gattung Piiie.v Linn., mit Berücksich- 
tigung ihrer Synonymen, von C. Ritsema Cz. — Systematische 
Uebersicht der Käfer welche in Baiern und der nächsten Umge- 
bung vorkommen (Fortsetzung), von G. Kittel. 

Periodico Zoolójico. Organo de la Sociedad Entomologica Argentina. 
Tom. I. Entrega II («). 
Varia zoologica et palaeontologica , de M. H. Weyenbergh. — Enu- 
meration systématique des espèces qui forment la Faune eutomo- 
logique de la période mésozoique de la Bavière; en même temps 
Supplément du Catalogue de la Collection palaeontologique du 
Musée Teyler, par M. H. Weyenbergh. — Apuntes pequenos. 

Nouvelles Archives du Muséum d'histoire naturelle de Paris. Tom. X. 
fase. 2. (6). 

Recherches sur la Faune Carcinologique de la Nouvelle Calédonie, 
par A. Milne Edwards (3^ partie). 

December 1874. 

Newman's Entomologist. W. 136 & 137 (Dec. 1874) {a). 

Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr's „ Die 
Mitteleuropäischen Eichengallen," by Mrs Hubert Herkomer née 
Weise. — Life-histories of Sawflies. Translated from the Dutch of 



ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXIX 

M. S. C. Snellen van VoUenhoven , by J.W.May. — Netherland 
Insects. Translated from the Dutch of Christian Sepp, by Edw. 
Birchall. — The Classification of the Rhynchophorous Coleoptera , 
by J. L. Leconte. — Mode of oviposition in certain Lepidoptera, 
by P. H. Jennings. — Entomological Notes, Captures, etc. 

Entomologist's Monthly Magazine. N". 127 (Dec. 1874) (h). 

On certain British Hemiptera-Homoptera , by J. Scott (continued). — 
Diagnostic Characters of undescribed Cossonidae, by T. Vernon 
Wollastou. — Description of a new Japanese species of the genus 
Lijcopenlina, by H. S. Gorham. — Notes on British Tortrices, 
by C. G. Barrett. — Entomological Notes, Captures, etc. — 
Descriptions of six new species of Diurnal Lepidoptera in the 
collection of the British Museum, by A. G. Butler. — New 
Lycaenidae from Queensland, by W. H. Miskin. — Notes on 
Japanese Butterflies , with descriptions of new genera and species , 
by R. P. Murray. 

Annals and Magazine of Natural History. 4th. ser. vol. 14, n°. 84 
(Dec. 1874)(/;). 
Notes on the Aegeriidae, with descriptions of new Genera and 
Species, by A. G. Butler. — On a collection of Hemiptera Hete- 
roptera from Japan. Descriptions of various new genera and 
species, by J. Scott. 

Verslagen en Mededeelingen van de Kon. Acad. v-. Wetensch. Afd. 
Natuurkunde. 2-^' Reeks 8'" deel. 2^' stuk. (a). 

Over de groep der Dryiniden in de familie der Proctotrupiden , met 
beschrijving eener nieuwe soort, door S. C. Snellen van VoUenhoven. 

Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. 2^^ sér. tom. 7. 
(1872—73) (fl). 
Faune Gallo-Rhénane ou Description des Insectes qui habitent la 
France, la Belgique, la Hollande, les provinces Rhénanes et le 
Valais, avec tableaux synoptiques et planches gravées, par M. 
A. Fauvel (Suite). 

J a n u a r ij 1875. 

Newman's Entomologist. N". 138 (Jan. 1875) (a). 

Recovering of Epping Forest, by E. Newman. — Cyiiips ìignìeoìa 
on Qnercus P/ieUos^ by F. Walker. — Life-histories of Sawfliea. 
Translated from the Dutch of M. S. C. Snellen van Vollenhoven, 
by J. W. May. — The Classification of the Rhynchophorous 
Coleoptera , by J. L. Leconte (continued). — Abundance of Larvae 
near Plymouth in June 1872 , by G. F. Mathew. — Descriptions 
of New Genera and Species of Parasites , belonging to the Families 



LXXX ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN 

Proctotrupidae and Chalcididae, which attack Insects destructive 
to the Fig in India, by the late F. Walker. — Entomological 
Notes, Captures, etc. 

Entomologist's Monthly Magazine. N". 128 (Jan. 1875) {b). 

British Hemiptera. — Additional Species, by J. W. Douglas and 
J. Scott (continued). — Notes on Cicindelidae and Carabidae; 
and Descriptions of New Species (N°. 19) , by H. W. Bates. — 
Descriptions of New Species of Eumorphm and Corijnomalus, 
by H. S. Gorham. — Descriptions of six New Species of Butterflies 
from South America , West Africa and Borneo , by W. C. Hewit- 
son. — Hemiptera : Synonymic Notes , by J. W. Douglas and 
J. Scott. — Entomological Notes, Captures, etc. — Notes on 
British Tortrices, by C. G. Barrett (continued). 

Annals and Magazine of Natural History. 4th. ser. vol. 15. N°. 85 
(Jan. 1875) {b). 

Descriptions of two new Species of Crustacea from New Zealand, 
by F. W. Button. — Notes on Coleoptera, with Descriptions of 
new Genera and Species. Part III, by F. P. Pascoe. — On the 
Genus Bat/njporeia, by T. R. R. Stebbing. 

Correspondenz -Blatt des zool.-min. Vereines in Regensburg. 28ster Jahrg. 
(1874) NO. 9. (b). 
Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der 
nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel (Fortsetzung). 

F e b r u a r ij 1875. 

Newman's Entomologist. N". 139 (Febr. 1875) (a). 

Variety of Argynnis Selene, by Edw. Newman. — Life-history of 
Sawflies. Translated from the Dutch of M. S. C. Snellen van 
Vollenhoven , by J. W. May. — Addition to the List of Macro- 
Lepidoptera inhabiting Guernsey and Sark, by W. A. Luff. — 
Notes on the Arachnida , by W. Sidney Randall. — Entomological 
Notes, Captures, etc. 

Entomologist's Monthly Magazine. N°. 129 (Febr. 1875) (b). 

Description of a new species of Proctotrupidae from Ceylon, by A. 
0. Ward. — Notes on British Homoptera, with Descriptions of 
additional species, by J. W. Douglas. — On the Arrangement 
of the British Anthomyidae , by R. H. Meade. — Description of 
a new species of Brassolinae from Bogota , by W. L. Distant. — 
Description of three new species of Trigonurus, by D. Sharp. — 
Entomological Notes , Captures , etc. — Notes on Coleoptera from 
South Morocco, by T. Blackmore. 



ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXI 

Annals and Magazine of Natural History. 4th. ser. vol. 15, N". 86 
(Febr. 1875) (b). 
On the Genus Deidamia, v. W. S., by J. Wood-Mason. — Notes 
on certain Genera of Agaristidae , with Descriptions of New Species , 
by A. G. Butler, 

Revue et Magasin de Zoologie. 3« sér. torn. 2. (1874) W. 10 et 11 (6). 

Rectification des noms de quelques Crustacés de la Guadeloupe, 

publiés d'après les notes manuscrites du Dr. J. Desbonnes, et 

Addition d'espèces non comprises au Catalogue, par M. A. Schramm. 

Bulletins de l'Académie Royale des Sciences , etc. de Belgique. 2* sér. 
tom. 35. (1873) (b). 
Troisièmes additions au Synopsis des Caloptérygines , par M. de 
Sélys-Longchamps. — Troisièmes additions au Synopsis des 
Gomphines, par M. de Sélys-Longchamps. 

M. torn. 36. (1873). 

Un parasite des Chéiroptères de Belgique {Nyderibia Fraitenfeldii 
Kolenati), par M, F. Plateaux. — Appendice aux troisièmes 
Additions et liste des Gomphines, décrites dans le Synopsis et 
ses trois Additions, par M. E. de Sélys-Longchamps. — Appen- 
dice aux troisièmes Additions au Synopsis des Caloptérygines, 
par M. E. de Sélys-Longchamps. — Un mot sur la vie sociale des 
animaux inférieurs, par M. P. J. van Beneden. 

Id. tom. 37. (1874). 

Additions au Synopsis des Cordulines , par M. E. de Sélys-Longchamps. 
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indie. Deel 33 (1873) (a). 
Mededeeling over Teìyplionus proscorpis Latr., gevonden in de resi- 
dentie Madioen, en over cene soort van Gordius oî Mermis, gevonden 
te Batoer, residentie Banjoemas, door Dr. C. de Gavere. 

Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. Ann. 1874. 
N°. 1. (b). 
Matériaux pour servir à l'étude des Féroniens, par le Baron de 
Chaudoir (Fin). — Supplément indispensable à l'article publié 
par M. Gerstaecker en 1869 , sur quelques genres d'Hyménoptères , 
par M. 0. de Bourmeister-Radoszkowsky (Fin). 

Journal of the Linnean Society. Zoology, vol. XII. N^ 57. (b). 
Contributions towards a knowledge of the Curculionidae, by F. P. 
Pascoe (Prt. V). 

Proceedings of the Scientific Meetings of the Zoological Society of 
London for 1874. Prt. II and III. (a). 

List of Diurnal Lepidoptera collected in Cashmere Territory by Capt. 
R. B. Reed, with Descriptions of New Species, by F. Moore. — 



LXXXII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN 

List of the Diurnal Lepidoptera of the South-Sea Islands by A. 
G. Butler. — List of the Butterflies of Costa Rica , with Descrip- 
tions of New Species, by A. G. Butler and H. Druce. — On 
some New Species of Drassides , by 0. P. Cambridge. — On some 
New Species of Erigane from North America , by 0. P. Cambridge. 
Bulletin of the Buffalo Society of Natural Sciences, vol. II , N°. 1 (a). 
List of the Noctuidae of North America , by A. R. Grote. — Cata- 
logue of the Coleoptera from the Region of Lake Pontchartrain , 
La., by S. V. Summers. 
Report of the Commissioner of Agriculture for the year 1872. (a). 

Report of the Entomologist and Curator of the Museum. 
Monthly Reports of the Department of Agriculture for the year 1873. (a). 

Entomological Records, by Townend Glover. 
Album der Natuur. Jaarg. 1875. aflev. 4 (fc). 
De Colorado-kever , door Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven. — 
Geheugen bij bijen, door P. Harting. — Zelfmoord van een 
schorpioen , door P. Harting. — Lievenheersbeestjes , door H. C. 
van Hall. — Inenting met bij en- vergift, door D. Lubach. 
Archiv für Naturgeschichte , von Troschel. 41''" Jahrg. 1''^' Heft (b). 
Beitrag zur Metamorphose der zweiflügeligen Insecten, von Th. 
Beling. — lieber taube und abortive Bieneneier, von Dr. R. 
Leuckart. 
Horae Societatis Entomologicae Rossicae. torn. X, N°. 2 — 4. (b). 
Suite des Aranéides de la Guyane française, par L. Taczanowski. — 
Drei neue griechische Antliidium, beschrieben von Dr, F. Mora- 
witz. — Ueber russische Cassida- Arten, von Dr. G. Kraatz. — 
Die Bienen Daghestans, von Dr. F. Morawitz. — Matériaux pour 
servir à une faune hyménoptérologique de la Russie, par 0. 
Radoszkovsky. — Neue Lepidopteren für die St. Petersburger 
Fauna, von N. Erschoff. 
Id. Beiheft zum X'«" Bande, (b). 

Beitrsige zur näheren Kenntniss der in dem Baikal-see vorkommenden 

niederen Krebse aus der Gruppe der Gammariden, von Dr. B. 

N. Dybowsky. 

Transactions of the Linnean Society of London, vol. 30. prt. 2. (h). 

Systematic List of the Spiders at present known to inhabit Great 

Britain and Ireland, by 0. P. Cambridge. 

Maart 1875. 

Newman's Entomologist. N°. 140 (March 1875) (a). 

Life-liistories of Sawflies. Translated from the Dutch of Dr. S. C. 
Snellen van Vollenhoven , by J. W. May. — List of the best 



ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXIII 

Insects taken at Whittlesford during the past season, by A. 
Tliurnall. — Entomological Notes, Captures, etc. — Answer to 
Correspondents. — Entomological Society. 

Entomologist's Monthly Magazine. N°. 130 (March 1875) (b). 

Descriptions of new species referred to in Mr. Blackmore's notes 
on Coleoptera from South Morocco, by H. W. Bates and T. V. 
WoUaston. — On the arrangement of the British Anthomyidae 
(concluded), by R. H. Meade. — On Asphonchjlia idicis Traill, 
by G. H. Verrall. — Descriptions of Rhopalocera from Madagascar, 
by W. C. Hewitson. — On certain British Hemiptera-Homoptera 
{Idiocerus and Ciradula), by J. Scott. — Notes on British He- 
miptera, by E. Saunders. — Observations on the foregoing notes, 
by J. W. Douglas and J. Scott. -- Hclophorus tuberculalus in 
Yorkshire, by T. Wilkinson. — Natural History of Syrichthus 
alveolus, by J. Hellins. — Occurrence of Myelois cirrigeirlla Zk., 
a species new to Britain, by E. Meyrick. — Notes on some 
Tineina observed in 1874, by Jc E. Fletcher. — Helicopsyche 
cases from Sikldm, by R. Mc. Lachlan. - A probable heliciform 
case-making larva among the Curculionidae , by R. Mc. Lachlan. 
— Proceedings of the Entomological Society of London. (25th. 
January and 1st. and 15th. February). 

Annals and Magazine of Natural History. 4th. series vol. 15. N°. 87 
(March 1875) {b). 
On some new exotic Sessile-eyed Crustaceans, by T. R. R. Steb- 
bing. — Descriptions of some new North- American Lithobioidae , 
by A. Stuxburg. — On some new species of Butterflies from 
Tropical America, by A. G. Butler. 

Album der Natuur. Jaarg. 1875 aflev. 5. (b). 

De honigmieren, door Harting. — Dierlijke vermomming, door Harting. 

Scottish NaturaUst. N". 17 (January 1875) {b). 

Addition to the List of Shettland Coleoptera , by T. Blackburn and 
C. E. Lilley. — Lyracna Artaxerxcs, by H. 0. Forbes. — Insecta 
Scotica. Addenda, by A. Kelly and J. Boswell Syme. — Food- 
plant of Pliisia interrogationis , by A. Kelly. — Lepidopterological 
Notes, by T. Moncreiffe. — Outline Descriptions of British Beetles, 
by T. Blackburn. — The Lepidoptera of Scottland, by F. Buchanan 
White. — The Coleoptera of Scottland, by D. Sharp. 

Bulletin de la Société Linnéenne de Normandie. 2me sér. vol. 8. Ann. 

1873—74 (rt). 

Faune Gallo-Rhénane ou Description des Insectes qui habitent la 

France, la Belgique, la Hollande, les provinces Rhénanes et le 

Valais, avec tableaux synoptiques et planches gravées, par A« 



LXXXIV ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN 

Fauvel (suite). — Notices sur les naturalistes voyageurs en 

1873 et 1874. 

Correspondeuz-Blatt des zool.-min. Vereines in Regensburg. 28ster Jahrg. 

1874 N". 10—12 (b). 

Eine alte und eine neue Art der Gattung Idineumon^ von Dr. 
Kriechbaumer. — Systematische Uebersicht der Käfer, welche in 
Baiern und der nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel 
(Fortsetzung). 

April 1875. 

Newman's Entomologist N°. 141 (April 1875) (a). 

Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr's „Die 
Mitteleuropäischen Eichengallen" by Mrs Hubert Herkomer née 
Weise (continued). — Life-histories of Sawflies. Translated from 
the Dutch of Dr. S. C. Snellen van Vollenhoven by J. W. May 
(continued). — Micro-Lepidoptera taken or reared in 1874, by 
Mr. W. Machin. — Over the Fells in Summer, and Capture of 
Argynnis JSiohc in North Lancashire , by C. S. Gregson. — Captures 
in the New-Forest in May and July 1874, by B. Cooper. — 
Entomological Notes , Captures , etc. — Answers to Correspondents. 
— Death of Mr. J. E. Gray. 

Entomologist's Monthly Magazine. N°. 131 (April 1875) {h). 
Notes on Odonata from Newfoundland, collected in 1874 by Mr, 
John Milne, by the Baron E. de Selys-Longchamps. — On a 
collection of Butterflies made by Mr. John Milne in Newfoundland , 
by H. W. Bates. — Description of a new Pulicideous Insect from 
Ceylon, by Prof. J. 0. Westwood. — On three new Species of 
HydrophiUdae , by D, Sharp. — Notes on British Tenthredinidae , 
with Descriptions of two new Species, by P. Cameron, Jun. ■ — 
Notes on British Hemiptera, by E. Saunders. — Occurrence of 
Botys nitlnlalis {hiputiiiahs) in London, bij C. G. Barrett. — 
Description of the larva etc. of Ileliothis dipsacca, by W. Buckler. — 
Captures of Noctuidae at St. Catharines in the Province of On- 
taria, Canada West, by G. Norman. — British Hemiptera, 
Additions and Corrections, by J. W. Douglas. 

Annals and Magazine of Natural History, 4th. series vol. 15 N°. 88 
(April 1875) {b). 

On a new Species of Lipidstius (Schiödte), by O.P. Cambridge. — 
On an undescribed Organ in Limnius, supposed to be Renal in 
its Nature, by A. S. Packard, Jun. 

Album der Natuur. Jaarg. 1875 aflev. 6 (b). 

De Wurm in het hout, door S. C. Snellen van Vollenhoven. — 
Een merkwaardig bijennest, door F. W. van Eeden. 



ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXV 

Scottish Naturalist. N\ 18 (April 1875) (6). 

Captures of Lepidoptera near Edinburgh in 1874, by W. A. Forbes. — 
Lepidoptera of Scottland, Addendum, by A. Kelly. — Outline 
Descriptions of British Coleoptera (continued) , by T. Blackburn. — 
The Lepidoptera of Scottland (continued), by F. Buchanan White. — 
The Coleoptera of Scottland (continued), by D. Sharp. 

Mei 1875. 

Newman's Entomologist. N°. 142 (May 1875) («). 

Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr's „ die 
Mitteleuropäischen Eichengallen" by Mrs Hubert Herkomer née 
Weise (continued). — Doings at Sallows, by G. F. Mathew. — 
Collecting as it was, and as it now is, by H. R. Cox. — Ento- 
mological Notes, Captures, etc. — Answers to Correspondents. 

Entomologist's Monthly Magazine. N". 132 (May 1875) {b). 

On certain British Hemiptera-Homoptera , by John Scott. — On the 
species of Ephestia occurring in Britain, by C. G. Barrett. — 
New genera and species of Longicorn Coleoptera from South 
America, by H. W. Bates. — Entomological Notes, Captures, etc. 

Annals and Magazine of Natural History, 4th. ser. vol. 15 N°. 89 
(May 1875) {b). 
Descriptions of New Species of Lepidoptera from Centinai America, 
by A. G. Buttler. — Experiments on the supposed Auditory 
Apparatus of the Culex mosquito, by A. M. Mayer. 

BuUettino della Società Entomologica Italiana. Ann. 6°. (a). 

Saggio di un Catalogo dei Lepidotteri d'Italia, compilato dall'Ing. 
A. Curo. — Cenni biologici su due specie di Perms, di P. Bar- 
gagli. — Contribuzioni alla Conoscenza della Fauna Entomologica 
d'Itaha, per A, Spagnolini. • — Degli Insetti nocivi e dei loro 
Parassiti enumerazione con note del Prof. Camillo Rondani. — 
Contribuzione allo Studio degl'Insetti nel Modenese, del Prof. A. 
Carruccio. — Escursioni entomologiche fatte nella Valle del Pe- 
sio nell'anno 1873 e scoperta di due specie nuove di Coleotteri, 
per E. Sella. — Di una forma poco nota del Polyommatus Alciphron 
Rott. , del Prof. P. Stefanelli. — Gli uccelli, gli insetti parassiti 
e le trattative per gli accordi internazionali intorno alle leggi di 
caccia. Nota di A. Targioni Tozzetti. — Nota sulle specie italiane 
del genere Xylocopa Latr. , del Prof. C. Rondani. — Nuove osser- 
vazioni intorno alla biologia di alcune specie del genere Bntclius. 
Nota del Prof. P. StefanelU. — Nuove osservazioni sugli insetti 
fitofagi e sui loro parassiti fatte nel 1873 dal Prof. C. Rondani. — 
Aggiunta agli afidi italiani del Prof. G. Passerini. — Intorno al 
danno arrecato alla canapa , al formentone ec. dall' Agrotis sufjusa 



LXXXVI ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN 

Ochs. var. Pepoli Bertol. nep., nelle terre inondate nel comune 
di Bondeno nella primavera 1873, di A. Bertoloni. — Species 
italicae ordiuis Dipterorum (Muscaria Rond.) Stirps Tanipezinae 
et Lonclaeinae Roud. , collectae et observatae a Prof. C. Rondani. — 
Coleotteri Tenebriouiti delle collezioni italiani esaminati da F. 
ßj^udi. — Novella lettera sulla partenogenesi del Bombyx mori L. 
di Carlo de Siebold. — Sopra alcune invasioni di Libelluline 
nell'Italia superiore. — Calendario coleotterologico per Palermo e 
dintorni, di Enrico Ragusa. — Sulla sinonimia dell' Omopìilns fai- 
laciosus Rott. e dell' Haplocnemns Koziorowiczi Desbr. , di Enrico 
Ragusa. — Espèces nouvelles de Coléoptères des Alpes Piémon- 
taises, par M. le Doct. Sharp. 

Deutsche Entomologische Zeitschrift (bisher „ Berliner Eutomologische 
Zeitschrift") 19ter Jahrg. (1875) Istes Heft. {b). 
Europaea et circummediterraneae Faunae Tenebrionidum specierum, 
quae Comes Dejean in suo Catologo, editio 3a consignavit, ex 
ejusdem collectione in R. Taurinensi Musaeo asservata , cum 
auctorum hodierne recepta determinatione coUatio. Auetore Fla- 
minio Bandi a Selve. — Hidrosis, eine neue Adelostomiden-Gat- 
tung, von Dr. Gr. Haag. — TroglorìiijìicJms baldensis n. sp. , be- 
schrieben von G. Czwalina. — Zwei neue deutsche Haliplus-Arten , 
von E. Wehncke. — Lilhocharis Kellneri n. sp., von Dr. G. 
Kraatz. — Scijclmacnus similis Weise n. sp., von J. Weise. — 
lieber neue deutsche und vermuthlich deutsche Käfer, von J. 
Weise. — Synonymische Bemerkungen. Ueber Anthremis niuseorum 
Linné , von G. Kraatz. u. s. w. — Pyralididae Argentini , von C. 
Berg. — Seltsame Geschichte eines Tagfalters , von S. H. Scuddder 
(aus dem „American Naturahst," September, vol. VI. 1872, 
übersetzt und mit Bemerkungen versehen A^on Dr. A. Speyer in 
Rhoden.) — Nachtrag zu den Pyralididae Argentini , von C.Berg. 
— Jacob Sturm's Insecten-Cabinet , von Dr. G. Kraatz. — Beiträge 
zur Kenntniss der Peruanischen Käferfauna auf Dr. Abendroth's 
Sammlungen basirt, von Th. Kirsch. — Neue Coprophagen be- 
schrieben von E. V. Harold. — Gymiiopieurus Hildebrandli nov. 
spec. , von E. v. Harold. — Ueber die Finnischen Arten der Käfer- 
Gattung Pytho und deren Larven, von John Sahlberg. — Die 
bekannten Tel m atopltilus- Arten , übersichtlich dargestellt von Edm. 
Reitter. — Ueber Cebrio ìistìdaliis Dej., von G. Kraatz. — Die 
deutschen Arten der HydrophiUden-Gattung Anacaena, von H. v. 
Kiesenwetter. — Ueber Dylisrus ibcricus Rosenh. , von G. Kraatz. — 
Ueber Bmchycenis algirus Fabr., von G. Kraatz. — Zwei neue 
europäische Hydroporits, von E. Wehncke. 

Jahrbücher des Nassauischen Vereins für Naturkunde. Jahrg. XXVII 
und XXVIII (a). 



ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXVII 

Bemerkungen über die Lepidopteren-Fauna des oberen Wisperthaies 
und der angrenzenden Gebirgshöhen , von A. Fuchs. — Beiträge 
zur Kenntnis der Nassauischen Arachniden. I. Die Familien der 
Mithraides, Pholcides, Eresides, Dysderides und Mygalides, von 
L. Koch. 

Bulletin de la Société impériale des Naturalistes de Moscou. Ann. 
1873. N". 1 (b). 

Die Resultate der Acclimatisation von Antherea Yama-mayu G. M. 
in den Ostseeprovinzen, von F. W. C. Berg. — Enumeration 
der in den russischen Gouvernements Kiew und Volhynien bisher 
aufgefundenen Käfer, von weiland J. H. Hochhuth. 

Id. Ann. 1874 N'. 2. (b). 

Hemiptera-Heteroptera (een in het Russisch geschreven opstel). — 
Die Russischen Flusskrebse. Vorläufige Mittheilung von K. Kessler. 

Annales de la Société Entomologique de Belgique, tom. XVII (1874) {b). 

Notice sur les époques d'apparition des Lépidoptères diurnes du 
Brésil , recueillis par M. C. van Volxem dans son voyage en 1872 , 
par J. B. Caprounier. — Essai d'un tableau synoptique des espèces 
du genre Medi tus Germ., par H. Tournier. — Relevé des Cicin- 
délides et Carabiques recueillis en Portugal par M. C. van Volxem 
en Mai et Juin 1871 , par M. J. Putzeys. — Appendice au mémoire 
de M. J. B. Capronnier , sur les Lépidoptères du Brésil. Description 
d'une espèce nouvelle du genre Tmas, par M. le Dr. Boisduval. — 
Matériaux pour servir à la Monographie de la tribu des Erirrhi- 
nides de la famille des Curculionides (Coléoptères), par H. Tour- 
nier. — Notice sur les Cicindèles et Carabiques recueilhs dans 
l'île d'Antigoa par M. Purves, par J. Putzeys. — CurcuUonides 
recueillis au Japon par M. G. Lewis , par W. Roelofs (2me partie). — 
Observations sur la classification des Lamellicornes Coprophages, 
par G. van Lansberge. 

Mittheilungen der schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. Vol. 
IV. Heft N°. 6 {b). 

Die Neuropteren-Fauna der Schweiz bis auf heutige Erfahrung, 
zusammengestellt von Meyer-DUr. 

Junij 1875. 

Newman's Entomologist. N°. 143 (June 1875) (/>). 

Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. G. L. Mayr's „ Die 
Mitteleuropäischen Eichengallen" by Mrs Hubert Herkomer née 
Weise. — Life-histories of Sawflies. Translated from the Dutch 
of Dr. S. C. Snellen van Vollenhoven by J. W. May. — Notes 



LXXXVIII ENTOMOLOGISCHE INHOUD VAN 

on Epliìjra pmiclaria and E. penduiaria , by B. G. Cole. — Some 
Remarks on Collecting and Collectors , by W. A. Lewis. — Notes 
on Oviposition, by P. H, Jennings. — Entomological Notes, 
Captures, etc. — Answers to Correspondents. 

Entomologist's Monthly Magazine. N°. 133 (June 1875) {b). 

Notes on the Entomology of Kerguelen's Island , by A. E. Eaton. — 
Notes on Japanese Rhopalocera , with description of a new species , 
by R. P. Murray. — Natural History of Larenlia ruficinctataGn. 
and L. Caesiata W. V., by J. Hellins. — Notes on British Tor- 
trices, by C. G. Barrett (continued). — Description of a new 
species of Nematus from Corsica, by P. Cameron , Jun. — Description 
of three new Butterflies , by W. C. Hewitson. — On the Fondness 
of Ants for certain Homoptera, by Prof. F. Delpino. — Ento- 
mological Notes, Captures, etc. — On certain British Hemiptera- 
Homoptera, by John Scott (continued). 

Annals and Magazine of Natural History. 4th ser. vol. 15, N°. 90 
(June 1875) (b). 
Descriptions of new Asiatic Species of Rhynchites, by F. P. Pascoe. — 
Descriptions of new Genera and Species of Lepidoptera in the 
Collection of the British Museum, by A. G. Butler. — Descriptions 
of some new Genera and Species of Coleoptera from South Africa, 
Madagascar, Mauritius and the Seychelle Islands, by C. 0. 
Waterhouse. 

Bullettino della Società Entomologica ItaUana. Ann. 7° trim I. (a). 
Coleotteri Tenebrioniti delle collezioni italiane, da F. Bandi (con- 
tinua). — Latìiprorliiza morio. Descrizione di una nuova specie 
itahana di Lampiridi , per F. Bandi. — Contribuzione alla Fauna 
italiana degli Emitteri eterotteri, del Dott. St. de Bertolini. — 
Altre osservazioni sui rapporti tra Cicadelle e Formiche, nota di 
F. Delpino. 

Ai-chiv für Naturgeschichte von Dr. F. H. Troschel. 41'*" Bd. 2'^" 
Heft. (b). 

Ueber die geographische Verbreitung der europäischen Chernetiden 
(Pseudoscorpione) , von A. Stecker. — Beitrag zur Kenntniss der 
Gattung Serolis, und einer neuen Art derselben, von Prof. 
Dr. E. Grube. — Ueber den Generationsapparat der Araneïden. 
Ein Beitrag zur Anatomie und Biologie derselben, von Dr. 
Bertkau. 

Correspondenz-Blatt des zooL-miner. Vereines in Regensburg. 29'""' Jahrg. 

N". 1—4 {b). 

Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der 
nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel (Fortsetzung). 



ONTVANGEN TIJDSCHRIFTEN. LXXXIX 

Julij 1875. 

Newman's Entomologist. N". 144 (July 1875) (a). 

Descriptions of Oak-galls. Translated from Dr. Gr. L. Mayr's „ Die 
Mitteleuropäischen Eichengallen" by Mrs Hubert Herkomer née 
Weise. — Notes on Oviposition , by P. H. Jennings. — The Plague 
of Locusts in America, by E. Newman. — Entomological Notes, 
Captures, etc. 

Entomologist's Monthly Magazine N". 134 (July 1875) (/>). 

Notes on British Homoptera, with Descriptions of Additional Species, 
by J. W. Douglas. — British Hemiptera. Additions and Correc- 
tions , by J. W. Douglas. — Notes on some British Dolichopodidae , 
with descriptions of new species, by G. H. Verrall. — Captures 
of Stylops, by F. Enock, communicated with notes by F. Smith. — 
Descriptions of three new species of Lycaenidae , by W. C. Hewitson. 
— Entomological Notes , Captures , etc. — New Genera and Species 
of Prionidae (Longicorn Coleoptera), by H. W. Bates. 

Annals and Magazine of Natural History. 4th ser. vol. 16, N". 91 
(July 1875) (6). 
Additions to the Australian Curculionidae. Part 8 , by F. P. Pascoe. — 
Descriptions of new Species of Crustacea collected at Kerguelen's 
Island by A. E. Eaton, by E. J. Miers. — On Androgynous 
Diptera, by Dr. Low. 

Scottish Naturahst. vol. HI N^ 19 (July 1875) (b). 
Outline Descriptions of British Coleoptera, by Th. Blackburn (con- 
tinued). — Aromia moschata, by A. Buchan Hepburn. — The 
Lepidoptera of Scottland , by F. Buchanan White. — The Coleo- 
ptera of Scottland, by D. Sharp. 

Archiv für Naturgeschichte von Dr. F. H. Troschel. 38''" Jahrg. 6'" 
Heft. (6). 
Monographie der Eurychoriden (Adelostomides Lac.) , von Dr. Haag- 
Rutenberg. 

Mittheilungen der schweizerischen Entomologischen Gesellschaft. Vol. 
IV. Heft N\ 7 {b). 
Die Neuroptern-Fauna der Schweiz, bis auf heutige Erfahrung, 
zusammengestellt von Meyer-DUr (Fortsetzung). 

Correspondenz-Blatt des zool.-miner. Vereines in Regensburg. 29**' Jahrg. 

N°. 5—7. {h). 

Systematische Uebersicht der Käfer, welche in Baiern und der 

nächsten Umgebung vorkommen, von G. Kittel (Fortsetzung). — 

Die Jagd und zucht der Hymenopteren , von Dr. Kiiechbaumer. 



XC ENTOMOLOGISCHE INHOUD ENZ. 

Coleopterologische Hefte. N". XIII. (b). 

Zur Kenutniss der. Halticae oedipodes, von E. von Harold. — 
Micì-octilodes , neue Gattung der Carpophüinae, von E. Reitter. — 
Zwei neue EumolpideUj von E. von Harold. — New genera and 
species of Scarabaeidae , by D. Sbarp. — Neue Cyboceplialus- Arten , 
von E. Reitter. — Verzeichniss der von Dr. Teuseber in Canta- 
gallo gesammelten Copropbagen, von E. von Harold. — Beitrag 
zur Kenntniss der exotiscben Cryptopbagidae , von E. Reitter. — 
Diagnosen neuer Arten, von E. von Harold. — Bescbreibungen 
neuer Arten aus Columbien, von E. Steinbeil. — Bericbtigungen 
und Zusätze zum Müncbener Cataloge. — Literatur. — Miscellen. — 
Geänderte Namen. 



VAN UE 

BUITENGEWONE VERGADERING 

DER 

SEDERIAKDSCHE EKTOMOlOfilSCHE ÏEREENIfilNfi, 

GEHOUDEN TE LEIDEN 

op Zaturdag 18 December 1875 

des avonds ten 6 ure. 



Voorzitter : Mr. W. Albarda. 

Tegenwoordig met den Voorzitter de beeren Mr. A, Brants, 
Jhr. Dr. Ed. J. G. Everts, N. H. de Graaf, G.M. de Graaf, 
H. W. Groll, Generaal Dr. A. W. M. van Hasselt, J. Kinker, 
Mr. A. F. A. Leesberg, J. van Leeuwen Jr. , J.W. Lodeesen, 
R. T. Maitland, Dr. J. G. de Man, Dr. E. Piaget, Mr. M. 
G. Piepers , C. Ritsema Gz. , P. C. T. Snellen , K. N. Swierstra, 
H. J. Vetb, Mr. S. C. Snellen van Vollenhoven en F. M. 
van der Wulp. 

Van de beeren F. J. M. Heylaerts Jr., G. J. Grube en 
J. G. Wurf bain is berigt ingekomen, dat zij verhinderd 
zijn de vergadering bij te wonen. 

De Voorzitter beet de Leden welkom op deze bijeenkomst, 
waarvan bij kortelijk het hoofddoel vermeldt. Het Bestuur 
van het Aardrijkskundig Genootschap namelijk heeft zich 
onder anderen ook tot de Entomologische Vereeniging ge- 
wend, om medewerking en geldelijke ondersteuning ten 
behoeve van eene door gezegd Genootschap beraamde ex- 
peditie naar de binnenlanden van Sumatra. De daartoe 

.7 



XCII VERSLAG. 

strekkende circulaire wordt door den Secretaris voorgelezen. 
De Voorzitter zegt dat het Bestuur zeer ingenomen is met 
deze belangwekkende onderneming en rijpelijk heeft over- 
wogen of en in hoever er termen te vinden zijn, om 
daaraan den gewenschten geldelijken steun te verleenen. 
Het Bestuur is evenwel tot de overtuiging gekomen, dat 
de financiële toestand van onze Vereeniging groote voor- 
zigtigheid gebiedt en niet gedoogt voor het bovengemelde 
doel eene bijdrage uit de kas af te zonderen , daargelaten 
nog de vraag of eene Vereeniging als de onze , die van meer 
daneene zijde zelve in hare fondsen wordt geschraagd , wel 
geacht kan worden bevoegd te zijn, om op hare beurt 
weder eene andere instelling geldelijke hulp te verleenen. 
Niettemin is het Bestuur zoo doordrongen van het gewigt 
der zaak en acht het deze zoo zeer in het belang der 
wetenschap in 't algemeen en bepaaldelijk ook in het belang 
der Entomologische Vereeniging , dat het naar een anderen 
uitweg heeft gezocht, om, nu de kas te kort schiet, toch 
de wenschen van het Aardrijkskundig Genootschap te gemoet 
te komen. Dien uitweg meent het gevonden te hebben in 
een voorstel aan de Leden, om door persoonlijke bijdragen 
eene som bijeen te brengen , welke namens de Vereeniging 
aan het Aardrijkskundig Genootschap ten behoeve van de 
onderneming zal worden aangeboden, en waartoe eene 
inschrijvingslij st ter teekening zal rondgaan. 

Dit voorstel vindt onverdeelden bijval bij de vergadering , 
wier leden allen blijken ingenomen te zijn met de plannen 
van het Aardrijkskundig Genootschap, waaromtrent nog in 
bijzonderheden van gedachten wordt gewisseld. De lijst tot 
inteekening voor individuele bijdragen wordt door nagenoeg 
alle aanwezigen geteekend en bereikt aanvankelijk reeds 
het cijfer van / 152.50, terwijl wordt besloten eene circu- 
laire aan de Leden en Begunstigers te rigten , waarbij ook 
zij die niet tegenwoordig zijn in de gelegenheid worden 
gesteld daaraan het hunne toe te voegen. Nog wordt op 
voorstel van den heer Snellen goedgevonden, om door 



VERSLAG. XCIÌ 

middel dier circulaire aan de Leden tevens te vragen of zij 
ook bijzondere punten wenschen aan te geven, waarvan 
het onderzoek aan de personen, met de expeditie belast, 
zou kunnen worden opgedragen ; zijnde reeds eenige onder- 
werpen daartoe aan den geachten Voorzitter van het Aard- 
rijkskundig Genootschap medegedeeld. 

De Voorzitter geeft eenige inlichtingen omtrent het voor- 
gevallene op den gedenkdag aan Antonie van Leeuwenhoek 
gewijd en den 8'""' September jl. te Delft gehouden. Hij 
herinnert, dat op de laatste Zomervergadering eene Com- 
missie werd benoemd, bestaande uit de beeren Dr. Everts, 
Mr. M. 's Gravesande Guicherit en hem , Voorzitter , ten einde 
de Entomologische Vereeniging bij die gedachtenisviering 
te vertegenwoordigen. Die Commissie heeft daar niet de 
ontvangst genoten, welke zij met reden mögt verwachten. 
Ofschoon door onzen Secretaris hare benoeming officieel 
aan de Feestcommissie was medegedeeld, is het toen wel 
niet dadelijk gebleken , maar toch later duidelijk geworden , 
dat de Feestcommissie weinig minder heeft gedaan dan de 
afgevaardigden der Entomologische Vereeniging, hoewel in 
de bijeenkomst toegelaten , eenvoudig als zoodanig te igno- 
reren; en wat meer is, de President der Feestcommissie, 
de heer van Bemmelen , heeft in zijne redevoering woorden 
gebezigd, die voor onze Vereeniging kwetsend waren, 
woorden , die ook in de nieuwsbladen letterlijk zijn over- 
genomen en alzoo wereldkundig gemaakt. Reeds denzelfden 
dag, zegt de Voorzitter, is door hem mondehng daarop 
geantwoord, maar bovendien heeft het Bestuur het noodig 
geacht , om onmiddellijk over deze zaak een' brief aan den 
heer van Bemmelen te rigten en dien te doen opnemen in 
dezelfde courant waarin ook de feestrede stond vermeld. 
De heer van Bemmelen heeft daarop verder niet geantwoord , 
doch zekere heer J. F. Snelleman heeft goedgevonden, in 
een ingezonden stuk in de courant voor hem partij te trekken. 
Het Bestuur heeft evenwel gemeend aan zijne waardigheid 
te kort te doen, door dit geschrijf te beantwoorden. 



XCIV VERSLAG. 

Nog berigt de Voorzitter, dat het Bestuur op uitnemende 
wijze geslaagd is in zijne pogingen, om het werk van den 
heer van der Wulp over de Nederlandsche Diptera het licht 
te doen zien. De kosten verbonden aan het uitgeven van 
dit werk, waarbij een aantal platen zullen gevoegd worden , 
zijn zoo groot , dat zij op verre na niet uit het te verwachten 
debiet kunnen gevonden worden. Na vergeefsche aanzoeken 
elders, heeft het Bestuur zich gewend tot Z. K. H. Prins 
Hendrik , die met echt vorstelijke mildheid dadelijk een zeer 
aanzienlijk subsidie (van / 2000) voor de uitgave heeft be- 
schikbaar gesteld. Op nieuw is hier alzoo gebleken, dat de 
edele Vorst steeds gereed is op onbekrompen wijze zijne 
ondersteuning te schenken , waar deze voor een nuttig doel 
gevraagd wordt. 

De heer van der Wulp zegt, met erkentelijkheid jegens 
allen, die tot deze gunstige uitkomst hebben medegewerkt, 
dat nu in den loop van het- jaar 1876 stellig het eerste deel 
van zijn werk het licht zal zien. 

Eindelijk vermeldt de Voorzitter in het kort, welke gel- 
delijke Uitkomsten zijn verkregen uit de uitgave van het 
thans voltooide 18"" deel van het Tijdschrift voor Entomologie. 
De onkosten hebben , na aftrek der ontvangsten , niet minder 
dan f 1000 bedragen, een cijfer dat velen welligt nog al 
hoog zal voorkomen, maar waarbij moet worden in aan- 
merking genomen, dat het deel meer uitbreiding dan een 
der vorigen heeft gekregen (22 1 bladen druks en 14 platen) 
en dat de vier laatste platen veel werk en dus ook buiten- 
gewone onkosten , vooral voor het kleuren , hebben vereischt. 
Eene uitvoerige opgave der kosten, in verband tot de in 
der tijd gemaakte raming, wordt aan de Vergadering ter 
inzage voorgelegd. 

Overigens geene punten meer te behandelen zijnde, sluit 
de Voorzitter deze buitengewone vergadering, om onmid- 
dellijk daarna over te gaan tot de gewone Wintervergadering, 
uitsluitend bestemd voor wetenschappelijke mededeelingen. 



VAN DE 

NEGENDE WINTERVERGADERING 

DER 

REDERLAPSCHE EBITOMOLOGISCHE VEREEJilfilKG, 

GEHOUDEN TE LEIDEN 
op Zaturdag 18 December 1876, 

des avonds ten 7 ure. 



Voorzitter: de heer Mr. W. Albarda. 

Tegenwoordig al de beeren, in het voorafgaande Verslag 
der buitengewone vergadering genoemd. 

De Voorzitter opent deze vergadering met den wensch, 
dat zij vruchtbaar moge zijn in wetenschappelijke mededee- 
lingen, en geeft achtereenvolgens het woord aan de na te 
melden beeren, die hun verlangen hebben te kennen ge- 
geven om eenig onderwerp te bespreken. 

De heer Snellen herinnert aan de Leden eene mede- 
deeling van Mr. Herman Albarda , gedaan op de t^S''" Zomer- 
vergadering te Breda, den 7''™ Junij 1873, waarin deze, 
sprekende over Psectra diptera Burm. , van welk Neuropteron 
alleen het wijfje ontwikkelde achtervleugels heeft, zegt dat 
bij de Lepidoptera altijd het mannetje de meest ontwik- 
kelde vleugels bezit. In het algemeen is dit ook zoo — zegt 
Spreker — wanneer men alleen de Lepidoptera der Euro- 



XCVl VERSLAG. 

pesche fauna in aanmerking neemt, ofschoon men reeds 
bij naauwkeurige vergehjking der mannehjke vlinders van 
het inlandsche Geometrinen-geslacht Lohophora met hunne 
wijfjes bevindt, dat bij de laatsten de achtervleugels iets 
grooter zijn dan bij de andere sexe. Gaat men echter tot 
de studie der exotische vormen over, dan treft men bij 
Remodes abortivata Guenée een merkwaardig voorbeeld van 
mindere, ja zeer geringe ontwikkeling der mannelijke ach- 
tervleugels aan. Dit diertje is afgebeeld door Guenée in de 
Suites à Buffon , Phalénites pi. 21 , fig. 9 en onderscheidt 
zich buitendien met een verwant genus , Rhopalodes Guenée , 
(zie Tijdschr. voor Ent. XVIP deel p. 77) door de bij beide 
sexen in het midden of aan de punt verdikte sprieten, 
terwijl deze overigens bij de Geometrina haarvormig zijn. 

De heer Snellen laat ter bezigtiging' rondgaan een paar 
Remodes abortivata <? en ?, op Gelebes verzameld door den 
heer Piepers, en vestigt op nieuw de aandacht op dit ver- 
dienstelijk medelid onzer Vereeniging, die eene hoogst be- 
langrijke verzameling Lepidoptera en andere insecten op 
Sumatra, Java en Celebes bijeenbragt, welke nog stof zal 
verleenen tot een aantal belangrijke mededeelingen , zoo 
als reeds over insecten der collectie van den heer Piepers 
in het Tijdschrift werden gedaan, o. a. door Generaal van 
Hasselt en den heer Mac Lachlan. (De aanwezigen geven 
door hartelijke teekenen van bijval hunne instemming te 
kennen met de hulde aan den ter vergadering tegenwoor- 
digen heer Piepers toegebragt). 

Vervolgens laat de heer Snellen ter bezigtiging rond- 
gaan eene collectie van ruim 150 species van Lepidoptera 
in Atsjeh verzameld door een der officieren van ons dap- 
pere Indische leger, den heer Korndörffer, en gedetermi- 
neerd ten deele door den heer Swierstra, Conservator bij 
het Koninklijk Zoologisch Genoolschsnp Natura Artis Magtstra , 
waaraan de collectie was gezonden, en ten deele door 
Spreker. Hoewel eenige nieuwe Heterocera bevattende, 
vertoont dit tweede specimen der Atsjesche vlinder-fauna 



VERSLAG. XCVII 

dat wij leeren kennen ^) eene merkwaardige overeenkomst 
met de Lepidoptera der omstreken van Batavia en Makassar 
(Gelebes), zooals Spreker die uit de bezendingen van den heer 
Piepers had leeren kennen. In groote trekken is zij dezelfde. 
Waarschijnlijk zal althans de lijst der reeds beschrevene 
soorten spoedig in het Tijdschrift worden gepubliceerd. 

Ten slotte geeft de heer Snellen nog inzage van eene 
lijst, bevattende de namen van eene collectie Javaansche 
Lepidoptera, bijeengebragt door den heer Mr. J. Albarda, 
broeder van onzen geachten Voorzitter en waarin mede 
een aantal onbeschreven soorten worden vermeld. 

De heer Rit sema leest in de eerste plaats eene mede- 
deeling voor, getiteld: «Het ontstaan eener nieuwe dier- 
soort door isolering», door ons medelid Dr. H. Hartogh 
Heys van Zouteveen geplaatst in het door hem geredigeerde 
maandschrift Isis (jaarg. V, blz. 19). De aanleiding tot deze 
mededeeling komt op het volgende neer: 

Joseph Boll, een jaren geleden naar Noord- Amerika ver- 
huisd Zwitsersch natuuronderzoeker, repatrieerde in 1870, 
en bragt eenige poppen van de Texaansche Saturnia (Adias) 
Luna mede. Deze poppen waren gekweekt uit rupsen, die 
ten deele met bladeren van verschillende Car^a- soorten, 
ten deele met die van Juglans nigra gevoed waren. In Mei 
1871 kwamen hieruit vlinders te voorschijn volkomen gelijk 
aan Texaansche voorwerpen. Sommigen dezer vlinders 
paarden, en de bevruchte wijfjes legden ettelijke honderd- 
tallen eijeren, waaruit zich na eenige weken rupsjes ont- 
wikkelden, die reeds na de eerste vervelling geelachtiger 
van kleur waren dan de Texaanschen. Zij werden gevoed 
met bladeren van Juglans regia, verpopten in het laatst 
van Junij en leverden in het begin van Augustus vlinders. 
Deze vlinders nu, weken van de Texaansche stamsoort 



1) Voor het eerste zie de mededeeling van den heer G. M. de Graaf, Tijdschr. 
deel XVIII, p. 265. 



XCVIII VERSLAG. 

niet slechts in de kleur, maar ook in den vorm en de 
teekening der vleugels zoozeer af, dat men, indien men 
hunne afstamming niet gekend had, ze steUig voor eene 
andere soort zou hebben aangezien. In de afwijkende ken- 
merken kwamen al de 35 in Zwitserland gekweekte vlin- 
ders volkomen met elkander overeen. Deze afwijkende 
kenmerken bestaan in den iets grooteren en plomperen 
vorm van het lijf en van de vleugels ; in de iets smallere en 
minder sterk ontwikkelde kamvormige sprieten; in de 
meerdere lengte van het achterlijf en het gemis van zijne 
karmozijnroode langsstrepen ; in den minder uitgesneden, 
maar iets broederen vorm der voorvleugels en den nog 
sterker gewijzigden vorm van de staartachtige verlengsels 
der achtervleugels ; in de fraai citroengele kleur van den 
vlinder; in het gemis van de karmozijnroode, van binnen wit- 
achtige randstreep der voorvleugels, waarvoor eene smalle 
donkergele tint op den buitensten rand in de plaats treedt ; 
eindelijk in de aanwezigheid van eene donkere aan de buiten- 
zijde eenigszins getande dwarsstreep op de voorvleugels. 

Op gezag van verschillende Duitsche entomologen neemt 
Dr. Moriz Wagner dezen Zwitserschen vorm van Saturnia 
Luna onder den naam van Saturnia Bolli als eene zelfstandige 
soort aan, die ontstaan is door geographische afzondering 
of isolering (zie voor verdere bijzonderheden het boven- 
genoemde maandschrift). 

In de tweede plaats geeft de heer Ritsema ter bezigtiging 
rond een drietal Oost-Indische bijensoorten van het ge- 
slacht Xylocopa; op eene dezer soorten waren de versie- 
ringen der beide anderen vereenigd; X. coronata Smith 
toch, is zwart met gelen band om den kop achter de 
oogen, X. provida Smith zwart met gele beharing op het 
schildje, terwijl bij de derde soort zoowel de beharing 
achter de oogen als die op het schildje geel gekleurd is; 
naar aanleiding hiervan heeft de laatste soort van Spreker 
den naam X combinata ontvangen. 
Ten slotte had Spreker nog zijne waarnemingen aangaande 



VERSLAG. XCIX 

de levensgeschiedenis van Acentropus niveus Oliv, willen mede- 
deelen, doch w^ijl hij vreest de vergadering daarmede te lang 
bezig te houden , bepaalt hij zich tot het bespreken van een 
tweetal punten, welker oplossing hem nog niet is mogen ge- 
lukken , nl, de waarneming der copulatie en het verband dat 
er bestaat tusschen de beide vormen van wijfjes (rudimen- 
tair en normaal gevleugeld) en de verschillende generatiën. 
Wat de paring betreft, volgens eene waarneming van 
Reutte, zou het wijfje gedurende dezen actus onder water 
zwemmen en zelfs het mannetje met zich ondertrekken. 
Hoewel Spreker de copulatie zelve niet heeft waargenomen , 
meent hij toch uit eenige gegevens te mogen opmaken, 
dat zij niet m maar op het water plaats grijpt. In den 
avond van 1 Junij 11. kwamen in zijn aquarium twee paartjes 
van A, niveus (de wijfjes rudimentair gevleugeld) tot ont- 
wikkeling. Het woei echter dien avond zoo hevig dat hij 
vreezen moest de copulatie , wanneer zij plaats zou grijpen , 
niet te zullen kunnen waarnemen. Het bleek dan ook onmo- 
gelijk te zijn de lantaarn, waarmede hij het aquarium, dat 
in den tuin stond, bezocht, langer dan eenige oogenblikken 
aan te houden, die echter juist voldoende waren om te 
zien, dat de mannetjes rondtladderden om de wijfjes, die 
op de oppervlakte van het water dreven. Daar de storm 
in hevigheid toenam bezocht Spreker het aquarium dien 
avond niet meer. Den volgenden morgen zaten de man- 
netjes als naar gewoonte even boven de oppervlakte van 
het water tegen plantenstengels , de wijfjes onder water 
op Potamogeton-hXdiäieYQn in de onmiddellijke nabijheid van 
eene menigte eitjes, die later bevruchte Acentropus-eii]QS 
bleken te zijn. Spreker veronderstelt dus dat de copulatie 
op het water plaats grijpt en dat het wijfje na afloop hier- 
van onderduikt om hare eitjes op de bladeren der voedings- 
plant af te zetten. Waarschijnlijk was het paartje dat door 
Reutte bespied werd door het een of ander verschrikt , en 
oordeelde het wijfje het raadzaam onder te duiken alvorens 
het mannetje zich aan haar bezit verzadigd had. 



e VERSLAG. 

Om het verband in te zien dat er waarschijnlijk tusschen 
de beide vormen van wijfjes en de verschillende generation 
bestaat, is het noodig zich een' geheelen ontwikkelings- 
cyclus voor te stellen. Een rudimentair gevleugeld wijfje 
dat in het laatst van Mei te voorschijn komt, en dus be- 
hoort tot eene generatie die men gevoegelijk voorjaars- 
generatie kan noemen, legt na gepaard te zijn eijeren; 
een gedeelte der rupsen die uit deze eijeren geboren wor- 
den, ontwikkelt zich nog denzelfden zomer tot imagines, 
die de tweede of naj aars-generatie uitmaken en welker 
wijfjes volgens het door mij gekweekte voorwerp slechts 
van vleugel-rudimenten schijnen voorzien te zijn ; de overige 
rupsen overwinteren. De imagines der tweede of najaars- 
generatie paren, de wijfjes leggen eijeren en deze leveren 
nog voor den winter rupsjes, die dus op zeer jeugdigen 
leeftijd overwinteren, in vereeniging met een gedeelte der 
rupsen van de voorj aars-generatie afkomstig. Een onmid- 
dellijk gevolg van den ongelijken leeftijd der overwinterende 
rupsen is, dat in het volgend jaar de afstammelingen der 
voorjaars-generatie zich eerder tot imagines zullen ontwik- 
kelen (en dus weder de voorjaars-generatie met rudimen- 
tair gevleugelde wijfjes zullen vormen) dan de afstamme- 
lingen der naj aars-generatie , en nu veronderstelt Spreker 
dat uit laatstgenoemde rupsen omstreeks het midden van 
den zomer eene generatie te voorschijn treedt , waarvan de 
vrouwelijke voorwerpen normaal ontwikkelde vleugels be- 
zitten. Zijne meening komt dus hierop neer, dat de normaal 
gevleugelde Acew^ropws-wijfjes zullen behooren tot die gene- 
ratie (men zou haar zomer-generatie kunnen noemen) welke 
uit de naj aars-generatie geboren wordt. Waarschijnlijk zullen 
de rupsen, afstammend van de normaal gevleugelde wijfjes, 
allen overwinteren , en de daaruit voortkomende imagines in 
het volgend jaar een deel der voorjaars-generatie uitmaken. 

De heer van Hasselt heeft, naar aanleiding der onder- 
zoekingen van Prof. Landois, over de a LauUiusserungen der 



VERSLAG. CI 

Spinneil , medegedeeld in diens « Thierstimmen » Freiburg , 
1874, S. 17, enkele soorten uit de familie der Theridioidae 
ten dezen opzigte nagegaan en zijne nadere opgaven, omtrent 
de door Westring ontdekte «stridulatie-organen» bij eenige 
spinnen, bevestigd gevonden. Hij laat voorloopig een paar 
praeparaten, zoo van de hoefijzervormige a Reiher y> aan de 
vóórondervlakte van het abdomen , als van de beide « Reih- 
leisten » aan de achterhelling van den céphalothorax gelegen , 
afkomstig van mannelijke exemplaren van Theridium ser- 
ratipes Panz. en bipimdatum Linn., ter bezigtiging rondgaan, 
en hoopt later meer uitvoerig op dit onderwerp terug te 
komen. Ofschoon de muziek-instrumenten dezer spinsoorten 
thans met volle zekerheid gekarakteriseerd achtende, heeft 
hij zich nogtans tot op heden niet met eigen ooren kunnen 
overtuigen van het daardoor te weeg gebragt geluid, het- 
geen echter aan Westring zelven, bij de genoemde en 
enkele andere soorten van hetzelfde spinnengeslacht , duide- 
lijk is te beurt gevallen. 

De heer Kinker zegt, dat hij, voor jaren, insgelijks eene 
spin geluid heeft hooren maken, doch hij weet niet, tot 
welke species zij behoorde. 

De heer van Hasselt wenscht verder, mede slechts ter 
loops, de aandacht der vergadering te vestigen op eene 
groote schrede voorwaarts onlangs gedaan in de fijnere 
anatomie van de palpen der mannelijke spinnen , waarover 
zoo langen tijd zooveel raadselachtigs bestond, wat echter 
voor Spreker ook nu nog niet geheel is opgelost. Wij 
danken dezen vooruitgang aan de histiologische nasporingen 
van Fickert, die met behulp van potassa caustica, volgens 
de methode van Lebert, meer doorscliijnende praeparaten 
heeft weten te verkrijgen, waarvan door Spreker een enkel 
exemplaar, ten voorbeelde, wordt aangetoond. Ook daar- 
omtrent kan hij intusschen thans slechts latere eigene 
onderzoekingen toezeggen. Hij bepaalt zich nu tot de mede- 
deeling van het eerste berigt daarover van Fickert, op- 
genomen in Entomologische Miscellen ; Verein für Schlesische 



GII VERSLAG. 

Insektenkunde, Breslau, 1874, S. 64, en laat diens schoone 
afbeeldingen rondgaan der mannelijke palpen van eenige 
Linyphia- en Lycosa-soovien , door Spreker onlangs aan- 
getroffen in een werkje, waarin hij die niet zou hebben 
gezocht, t. w. in Myriapoden und Araneïden vom Kamme des 
Riesengebirgs , Breslau, 1875, van denzelfden geleerde. Deze 
heeft namelijk in de palpa masculina eene, met cylinder- 
epithelium bekleede, buisvormige klier ontdekt, welke 
hij als analogen beschouwt der gianduia prostata bij de 
Vertebraten. Spreker laat intusschen vooralsnog de juiste 
beteekenis der hier gevondene klierbuis in het midden, 
doch kan zich niet onthouden, zoo als vroeger meermalen, 
ook nu weder de aandacht te vestigen op de wijziging, 
welke de, voor zulke gecompliceerde organen, wat al te 
eenvoudige « Uebertragungs-theorie » van Menge , ook door 
deze ontdekking, zal moeten ondergaan. 

De heer van Hasselt besluit zijne voordragt met het 
vertoonen van eenige fraaije en zeldzame exemplaren van 
tropische Araneïden, door ons zoo ijverig medelid Piepers 
te Makassar verzameld. Even naauwkeurig als deze vroeger 
de levenswijze der Nephüae-mdires heeft nagegaan, in eene 
vorige verhandeling door Spreker in het breede vermeld, 
even gelukkig, of liever talentvol, is hij geweest in het 
opsporen van enkele bijzondere spinnensoorten , te meer 
verdienstelijk , daar hij zijne speciale studie van eene geheel 
andere orde maakt. Zeker is het, dat de kleine bezending 
Makassaarsche Araneïden, door hem medegebragt, meer 
merkwaardigs bevatte , dan vele groote flesschen met spinnen 
gevuld , die Spreker vóór dezen van sommige andere natuur- 
onderzoekers uit Oost-Indië mögt ontvangen, meermalen, 
zonder geest des onderscheids , tal van exemplaren van 
dezelfde, hoogst gewone soorten inhoudende. 

Behoudens enkele niet medegebragte specimina van Tetra- 
gnatha culicivora Walck., Epeira argentata Walck. en de bij 
eene vroegere gelegenheid reeds vertoonde, zoo hoogst 
merkwaardige Arachnoura scorplonoides Vinson, laat Spreker- 



VERSLAG. GUI 

thans nog bezigtigen: Plioicus borbonlcus Vinson c?, daarbij 
de aandacht vestigende op de merkwaardig groote en ver- 
dikte mannelijke palpen; — Scijtodes omosües Walck. $, 
hierbij de afwijkingen opmerkende van onze S. thoracica; — 
eene vrouwelijke Epeira-soori , aan Spreker nog onbekend, 
doch tot de Triangulariae gibbosae behoorende , merkwaardig 
door een groot aantal harde, glimmende, kleine, ronde 
bruine puistjes of wratjes ') op het abdomen, het sterkst 
tusschen de schouderhoeken , en verder voorzien met roode , 
insgelijks glinsterende, doornvormige verhevenheden op 
den céphalothorax ; — een zeer goed geconserveerd manne- 
lijk exemplaar van Hersilia caudata, varietas Indica te 
noemen; — twee zeldzame vrouwelijke Attus-voYmen; een 
daarvan schijnt veel overeen te komen met Plexippus mutil- 
larius G. Koch, synoniem met Attus cornutus Doleschall (?) ; 
zeer opmerkelijk zijn de lange bundels zwarte pluimharen, 
op hoorntjes gelijkende, zijdehngs aan den kop tusschen 
de voorste en achterste oogenrijen geplaatst; — de andere, 
aan Spreker geheel onbekend, heeft den Maevia-^orm. 
van C. Koch en vertoont ééne driehoekige verhevenheid, 
midden op den kop geplaatst, van de frons boven- 
waarts uitloopende, en zich, bij bezigtiging van voren, 
mede vertoonende als een hoorn , die echter insgelijks , bij 
nader onderzoek, behalve aan de basis, grootendeels uit 
een sterken haarbundel blijkt te zijn gevormd ; als 't eene 
nieuwe exotische species is, zou Spreker haar Maevia rhino- 
ceros willen noemen; — eindelijk eene uiterst vreemde 
kleine Gasteracantha-soort van 7 op 5 millimeters , insgelijks 
eene ?; Piepers vond haar, meer dan waarschijnlijk bij 
toeval, op het water zwemmende of drijvende, ter zijde 
omgeven met een luchtbelletje ; zij is van een vreemden, 
platgedrukten, zeer dunnen, in spiritus zelfs doorschijnenden 
vorm, met circulair abdomen, zonder de bij Gasteracantha 



1) Deze soort echter wijkt iu meer dan één opzigt af' vau E. pustulosa en E, 
varrucosa Walck. 



CIV VERSLAG. 

eigenaardige doornachtige uitsteeksels , zoodat Spreker eerst 
meende een pullus van G. hemisphaerka C. Koch voor zich 
te hebben, met welke zij intusschen, voor het overige, 
bleek weinig of niet overeen te komen. Zoodra de tijd 
hem ten dienste staat, hoopt Spreker meer over deze be- 
langrijke voorwerpen te zullen kunnen mededeelen, en 
wenscht hij ons geacht medelid, wanneer deze binnen 
kort in Insulinde zal zijn teruggekeerd, gelegenheid en 
kracht, om op zijne regterlijke loopbaan aldaar, in zijne 
vrije uren even veelzijdig als nuttig werkzaam te mogen 
blijven voor de entomologie, als hij zich tot hiertoe heeft 
betoond. 

De heer S wierstra laat, op verzoek van den heer 
Grube , die verhinderd is de vergadering bij te wonen , de 
afbeelding zien eener pop van Papilio Machaon L., met 
verscheidene anderen gekweekt uit rupsen van Eibergen 
afkomstig. Deze pop onderscheidt zich van de overigen 
door buitengewoon donkere kleur; de gewone geelgroene 
kleur is namelijk in zwart overgegaan , door twee grijze 
langsbanden afgebroken , en toch schijnt het voorwerp in 
gezonden toestand te verkeeren. 

In de tweede plaats maakt de heer Swierstra melding 
van een nieuw geval van het ontwikkelen van een exotisch 
insect hier te lande. Bijna drie jaren geleden werden ten 
behoeve van het etnographisch museum van het Koninklijk 
Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra eene partij 
goederen ontvangen uit Japan, waarbij zich eenige pijlen 
en hengels van bamboes bevonden. Toen deze zaken in 
Augustus jl. op nieuw werden geëtaleerd, ontdekte men 
in een' der pijlkokers een levenden kever , Clytus annularis F. , 
die ten koste der zeldzame pijlen daarin als larve had ge- 
leefd, en wel, met inbegrip van den tijd van vervoer, ten 
minste drie jaren lang. Hoewel uitwendig aan het bamboes 
alleen de opening zigtbaar was, waardoor het volkomen 
insect zich een' uitweg had gebaand, was toch de geheele 



VERSLAG. nv 

stengel zoodanig doorknaagd, dat liij bij de geringste aan- 
raking aan stuk brak. 

Aan hetgeen zoo even reeds door den heer Snellen is 
medegedeeld betreffende eene aanzienlijke verzameling Lepi- 
doptera, in Atsjeh door den heer Korndörffer bijeengebragt 
en aan het bovengenoemde Genootschap ten geschenke ge- 
geven, voegt de heer Swierstra nog toe, dat in die collectie 
ook eenige insecten uit andere orden voorkwamen, welke 
hij ter bezigtiging laat rondgaan, en wel iiit de orde der 
Goleoptera: Ceroplesis tridncta Dej., Clytus annularis F. en 
Synonycha versicolor F. (eene zeer donkere afwijking); uit 
die der Hymenoptera: Xylocopa latipes F. en Stilbum splen- 
diduni F.; en uit die der Neuroptera: Neurothemis ßuctuansF. 

Eindelijk deelt de heer Swierstra nog mede, dat dezer 
dagen bij het Genootschap Natura Artis Magistra eene hoogst 
belangrijke verzameling insecten is ontAî-angen uit Palem- 
bang (Bandar-Passumat) , stuksgewijze van vang-data en 
niet zelden ook van opmerkingen voorzien door den ver- 
zamelaar, den heer P. A. Giesbers, Officier van gezond- 
heid. Een paar dezer opmerkingen acht Spreker belangrijk 
genoeg, om deze vergadering er op te wijzen. Zoo zegt 
de heer Giesbers van een Hemipteron uit de familie der 
Alydidae , nl, Stenocoris maculiventris Voll. , op 4 1 Junij te 
Lahat gevangen, «dat dit insect, daar ter plaatse bekend 
onder den naam van Walang-sangif , bij geheele zwermen 
op bloeijende rijstvelden nederstrijkt en in korten tijd den 
geheelen oogst vernietigt». Spreker stelt een exemplaar 
van de genoemde soort ter bezigtiging, even als vaneenen 
kever, mede in laatstgenoemde verzameling voorkomende 
en evenzeer van Lahat afkomstig, dien Spreker nog niet 
heeft kunnen bestemmen, maar die hem toeschijnt tot het 
geslacht Chclipus uit de familie der Tenebrioniden te be- 
hooren. Van dezen kever schrijft de heer Giesbers, «dat 
hij, onder den naam van Akkar, in de meeste Javaansche 
woningen wordt gevonden op de tafel, vooral digt bij de 
slaapplaats, in eene stopflesch, half gevuld met kapa?* 



evi VERSLAG. 

(katoen) , een weinig men-njan (eene harssoort) , eenige 
rijstkorrels en rozen- en melattie-blaadjes ^), die telkens 
vernieuwd worden. Vermenigvuldigt het insect zich snel, 
dan brengt dit , volgens Javaanschen Had at , geluk aan ; 
vliegen er eenigen weg , dan ontstaat er huiselijke oneenig- 
heid; sterven ze uit, dan staat den bewoner van het huis 
een of ander ongeluk te wachten. Malam-djoemaat (Don- 
derdag-avond) en ook wanneer er ziekte of brand in de 
nabijheid ontstaat, wordt de bescherming dezer diertjes 
ingeroepen door gebeden en ceremoniën». 

De heer J. van Leeuwen Jr. deelt mede, dat hij in 
de lente van 1874 eene pop van Smerinthus Tlliae L., toen 
de kleuren van den vlinder begonnen door te schemeren, 
in eene vensterbank aan feilen zonneschijn heeft blootgesteld; 
dat de vlinder, een wijfje, daardoor genoopt is geworden 
ontijdig zijne onaangename verblijfplaats te verlaten, met 
geheel natte en wankleurige vleugels, die na eenige uren 
zijn gedroogd en de gewone kleuren aannamen, doch niet 
aangroeiden, terwijl ook het achterlijf niet werd zaamge- 
trokken en geen vocht werd geloosd ; doch dat volle twee 
dagen later de vleugels hun behoorlijken wasdom en het 
achterlijf zijn gewonen vorm hebben gekregen. 

Deze waarneming had hem aanleiding gegeven om in dit 
voorjaar verscheidene poppen van dezelfde vlindersoort, een 
of twee dagen voordat de vlinder zou uitkomen , te openen ; 
daarbij had hij bevonden dat, als de ontwikkeling slechts 
zóóver is gevorderd dat het inwendige poppevlies der stig- 
mata gemakkelijk loslaat, de uit de pop genomen vlinders, 
in een glas met vochtig zand geplaatst , daar meestal tot 
volledige ontwikkeling komen , somtijds eerst na een etmaal. 



1) De lieer Piepers merkt op , dat de liier bedoelde Slelattie waarschijnlijk is 
de door Miquel vermelde Boenga-malati , ook wel Boenga-maloer genaamd {Ny- 
ctanthes Samlac Ait.), eeu laag gewas met witte, zeer geurige bloemeu, waarvan 
kransen en andere versieringen gemaakt worden ; zij behoort tot de Jasmineae , zie: 
Miquel, Sumatra, zijne plantenwereld en hure voortbrengselen, Amst. 1862. 



VERSLAG. CVTT 

De genoemde vlindersoort beveelt zich voor dergelijke 
proefnemingen zeer aan door haar veelvuldig voorkomen, 
door haren krachtigen bouw , die het gemakkelijk maakt den 
vlinder onbeschadigd uit de pop te nemen, en door de 
doorschijnendheid van de vleugelscheeden der pop. 

Voorts neemt hij deze gelegenheid waar om zijne mede- 
leden te wijzen op de gunstige resultaten, die zijne vang- 
methode voor nachtvlinders bij voortduring aan hem en 
zijne bekenden in de grasvelden rondom Amsterdam op- 
levert; deze vangwijze bestaat eenvoudig daarin, dat men 
zoodra het donker is geworden met eene lantaarn op bloemen 
(bv. distels) en lange grashalmen gaat zoeken : de vlinders 
die men ziet zijn nagenoeg altijd zoo rustig dat ze in 
doosjes kunnen worden gevangen zonder ze in 't minst te 
beschadigen; reeds van verscheidene als zeldzaam bekend 
staande Noctuine-soorten werden op deze wijze talrijke 
exemplaren gevangen. Hij beveelt voor streken waar geen 
boomen groeijen deze manier van vangen ten zeerste aan. 

De heer Groll deelt mede, dat hij in de maand Junijjl. 
in de duinen bij Haarlem op Echium eenige larven en 
nymphen van Hemipteren heeft gevonden, die hem voor- 
kwamen veel overeenkomst te hebben met die , welke door 
den heer Snellen van Vollenhoven in deel XVI van het 
Tijdschrift voor Entomologie, blz. 120, beschreven en op 
plaat 7, fig. 8 en 9, afgebeeld zijn, als vermoedelijke 
nymphen van Net wantsen. Spreker nam eenige exemplaren 
van verschillenden leeftijd mede om op te kweeken, en na 
korten tijd ontwikkelden zich daaruit de volkomen insecten , 
die bij onderzoek Monanthia Wolf fil Fieb. bleken te zijn. 
De grondvorm der nymph stemt overeen met bovenge- 
noemde fig. 8, doch de doorntjes aan het abdomen ont- 
braken. Bijna terzelfder tijd vond Spreker mede in de 
Haarlemsche duinen op eene Myosotls-soort eenige nymphen , 
geheel gelijkende op de afbeelding en beschrijving, door 
den heer Ritsema gegeven en opgenomen in het Verslag 

8 - 



CVIII VERSLAG. 

der jongste Zomervergadering. Het is opmerkelijk dat beide 
deze soorten, alsmede die, welke indertijd door den heer 
Snellen op Sijmphijtum zijn gevonden , allen op dezelfde plan- 
tenfamilie, de Boraginaceën , werden aangetroffen. Spreker 
laat eenige exemplaren van beide door hem gevonden soorten, 
zoowel in den toestand van nymph als in dien van vol- 
komen insect, ter bezigtiging rondgaan. 

Nog brengt dezelfde Spreker onder de oogen der aanwe- 
zigen eenige gallen en de daaruit voortgekomen insecten 
van eene bij ons zeldzame Galwesp, Blorhiza aptera F., 
welke gallen door hem insgelijks in de duinen bij Haarlem 
aan boomwortels gevonden zijn. 

De heer Leesberg vestigt de aandacht op Oredochüus 
villosus F. , eene over 't algemeen zeldzame Gyrinide , wier 
levenswijze door verschillende schrijvers, onder anderen 
door Redtenbacher (Famici austriaca, ed. HI, biz. 410), 
beschreven wordt als afwijkende van die der andere Gyri- 
niden. Redtenbacher noemt deze soort zelfs « ein Nachtthier». 
Spreker vond haar evenwel dezen zomer in de Mark bij 
Breda onder volkomen gelijke omstandigheden als Gyrinus 
opacus en mergus, nl. bij helderen zonneschijn op de opper- 
vlakte des waters spelende en de bekende kringen beschrij- 
vende. In hoeverre dit de levenswijze van een nachtdier 
kan heeten is den Spreker een raadsel : mogelijk heeft de 
zeldzaamheid van het insect en het vinden van exemplaren 
onder steenen (waarschijnlijk des avonds) tot deze gissing 
aanleiding gegeven. 

Voorts wijst de heer Leesberg op eenige groote leemten, 
die nog in onze standaard-collectie bij de afdeeling der 
Coleoptera bestaan. In den laatsten tijd zich vooral bezig 
houdende met de inlandsche Halticiden, bespeurde hij tot 
zijne verwondering dat niet de helft der bij ons voorkomende 
soorten daar vertegenwoordigd zijn. Misschien is dit toe 
te schrijven aan het springvermogen dezer Chrysomelinen , 
waardoor zij gemakkelijk ontsnappen aan den verzamelaar. 



VERSLAG. CIX 

die zich niet bepaaldelijk op de Coleoptera toelegt. Spreker 
neemt hieruit aanleiding om de aanwezige leden en vooral 
de Goleopterologen onder hen aan te sporen, om hunne 
doubletten voor de collectie der Vereeniging af te zonderen. 

De heer Everts zegt, dat hij met het nazien en op 
nieuw rangschikken der Coleoptera van de collectie der 
Vereeniging, voor zooveel de Carabicinen en Hydrocan- 
tharen betreft, is gereed gekomen. Hij wijst op de aan- 
zienlijke vermeerdering van soorten en individuen in deze 
beide familiën, dank zij de welwillende bijdragen van ver- 
schillende leden. 

Hij laat verder eene lijst ter inzage rondgaan van ongeveer 
80 Goleoptera-soorten, nieuw voor de Nederlandsche Fauna, 
welke hij hoopt tegen den aanstaanden zomer als supplement 
op zijne lijst der in Nederland voorkomende Coleoptera uit 
te geven; terwijl hij tevens het voornemen te kennen geeft, 
om daaraan eenige verbeteringen toe te voegen. Zoo is 
het hem onder anderen gebleken, dat de opgave van Helops 
striatus Fourcr. (caraboides Panz.) als inlandsche soort onjuist 
is, wijl deze meer als een bergvorm moet beschouwd 
worden. Men leze daarvoor: Helops quisquilius F., welke 
soort overal zeer gemeen is. De gemaakte fout is evenwel 
zeer verschoonlijk , omdat beide soorten in vele opzigten 
groote overeenkomst bezitten. 

De heer Snellen van Vollenhoven deelt mede dat 
hij de beschrijving der inlandsche Capsinen ten einde heeft 
gebragt , ofschoon hij nog enkele soorten overhoudt , waar- 
omtrent bij hem twijfel blijft bestaan of zij reeds beschreven 
zijn of niet, daar zij niet volkomen op beschrijvingen passen 
en in enkele opzigten afwijken. Hij heeft deze dus nog niet 
in zijne faunistische beschrijving opgenomen en zal daar- 
mede wachten tot hij zekerheid zal hebben verkregen. Zijn 
manuscript ligt voor het Tijdschrift gereed en de graveur 
is bezig de platen op steen te brengen. 



ex VERSLAG, 

Spreker stelt zich voor in den loop van dezen zomer de 
overige familiën van land- en waterwantsen te behandelen , 
en zich er over beklagende dat het aantal der laatsten in 
zijne collectie en die der Vereeniging nog onvoldoende is, 
verzoekt hij de aanwezige leden in het voorjaar en den 
zomer, voor hem , uit verschillende streken des lands water- 
wantsen te willen bijeenbrengen , voornamelijk van de ge- 
slachten Hydrometra (Gerris) en Corixa. 

Verder vermeldt Spreker dat hij voor de eerste drie 
familiën der Landwantsen eene vergelijking heeft ingesteld 
van onze Fauna met die van Groot-Brittanje, de laatste 
berekend naar het werk van Douglas and Scott , the British 
Hemiptera, Heteroptera, uitgegeven door de Ray Society — 
en naar een paar toevoegsels uit the Entomologist's Monthly 
Magazine. Na die vergelijking is hij tot de slotsom ge- 
komen dat ons kleine landje niet veel minder Hemiptera 
beherbergde dan Engeland (uit Schotland en Ierland geven 
de vermelde schrijvers slechts zeer weinig soorten op). Spre- 
ker vertoont eene tabel van 2 tegen elkander overgestelde 
lijsten, die hier niet wel kunnen worden teruggegeven, 
maar waaraan het volgende wordt ontleend, zijnde de op- 
gaaf der soorten die elk land afzonderlijk bezit, met weg- 
lating dergenen die in Engeland en tevens in Nederland 
voorkomen. 

Nederland. Groot-Brittanje. 

SCUTAÏA. 

Trigonosoma nigrolineata. Sehirus dubius. 
Phimodera galgulina. Aethus laevis D. & Sc. 

Aelia Klugii. Eysarcoris aeneus. 

Acanthosoma ferrugator. » melanocephalus. 

Pentatoma juniperinum. 
» vernale. 

Stracbia ornata. 



VERSLAG. CXI 

GOREODEA. 

Berytus Driebergensis. Spathocera Dalmanni. 

Pseudophloeus nubilus. 
Stenocephalus agilis. 

» neglectus. 

Metatropis rufescens. 
Berytus Signoreti. 

» montivagus. 

)) minor. 

» commutatus D. & Sc. 
Neides depressiis D. & Sc. 
Corizus maculatus. 

» Abiitilon. 

Pyrrhocorides. 
Voor beide landen dezelfde. 

Ten minste de helft der Engelsche soorten, die nog bij 
ons niet aangetroffen zijn, komen niettemin waarschijnlijk 
binnen onze grenzen voor. Waren Noordbrabant en de om- 
streken van Nijmegen beter doorzocht, zij zouden voorzeker 
reeds aangetroffen zijn. 

Spreker eindigt met de volgende opgaaf van het aantal 
der hem bekende soorten van Capsinen en het vermoedchjk 
aantal der hier aanwezige soorten uit de nog te behandelen 
familiën. 

Capsinen. 

Monalocoris 1 Species. 

Pithanus 1 » 

Miris 6 » 

Leptoterna 1 » 

Oncognathus 1 » 

Alloeotomus 1 » 

Lopus. ....... 3 » 

Gapsus 3 » 

Heterotoma 2 » 



CXII VERSLAG. 

Haïtiens 3 Species. 

Camaronotus 2 » 

Phytocoris 4 » 

Lygus 59 » 

Dicyphus 2 » 

Totaal. . . 89 Species. 



Fam. 9. Hebroidea. 
» 10. Riparia. . 



» 11 . Reduvina . . 
» 12. Hydrodromica 
» 13. Hydrocores . 

Totaal. 



. 1 Species. 
. 7 » 
. 11 » 
. 11 » 
. 20 » 

. 50 Species. 



De heer van der Wulp vermeldt dat hij een schrijven 
heeft ontvangen van den heer Heylaerts te Rreda, die tot 
zijn groot leedwezen door beroepsbezigheden zich verhin- 
derd ziet ter vergadering te komen, en waarbij deze eene 
nieuwe « Liste supplémentaire » zendt van Macrolepidoptera 
in de omstreken van Rreda, met verzoek die aan het slot 
van het Verslag dezer vergadering op te nemen. Verder 
schrijft de heer Heylaerts, dat van de Coleoptera, door 
hem in 1875 bij Rreda gevangen, al de Carabicinen door 
den heer Putzeys te Rrussel en de Staphyliniden door den 
heer Fauvel te Gaen zijn gedetermineerd. Rij de eersten 
komen geene andere Faunae novae species voor dan Amara 
rufocinda Sahlb. , maar toch verscheidene min of meer 
zeldzame insecten, als: Taphria vivalis 111., OÜsthopus rotun- 
datus Payk. , Harpahis picipennis Dftsch. en distmguendiis 
Dftsch., Amara hlfrons Gyll, en curta Dej. (deze laatste bij 
Rergen-op-Zoom) , Trec/m^ obtusus Er. enz. 

Rij de Staphyliniden , waaronder zich mede vele zeldzame 
species bevonden, waren de volgende soorten nieuw voor 
onze Fauna: Myrmedonia cognata Maerk. en collaris Payk., 



VERSLAG. CXIII 

Tachy parus tersus Er., Mycetoporus ruficornis Kraatz, Philon- 
thus immundus Gyll. en temporalis Muls. (= addendus Sharp), 
Stenus lustrator Er. en nitidiusculus Steph. (= tempestivus Er.). 
De heer Everts merkt op dat Tachypm-us tersus en 
Stenus nitidiusculus niet als nieuwe soorten voor onze Fauna 
kunnen gelden , wijl beide reeds in de door hem uitgegeven 
Naamlijst vermeld staan, de laatste onder den naam van 
St. tempestivus Er. Hij stelt den ijver van den heer Heylaerts 
zeer op prijs, doch zou zich verpligt rekenen, indien hij 
bij het vinden van verdere nog niet als inlandsch bekende 
soorten, deze, alvorens hare .namen worden opgegeven, 
ter bezigtiging mögt ontvangen. 

Daar niemand der aanwezigen verder het woord wenscht 
te voeren, wordt de bijeenkomst, onder dankbetuiging aan 
de verschillende Sprekers voor hunne mededeelingen , door 
den Voorzitter gesloten. 



LES MACROLEPIDÜPTÈRES DE BREDA ET 
DE SES ENVIRONS. 

LISTE SUPPLÉMENTAIRE N". (1. 
Captnres de 1875 

PAR 

F. J. M. HEYLAERTS Fils. 



589. Ag rôtis interjecta Hb. Un mâle assez bien 

conservé fut trouvé par moi le 7 Août dernier 
à Ginneken. 

590. Hadena adusta Esp. De trois chenilles de cette 

espèce et qui se métamorphosèrent avant l'hiver, 
une seule m'a donné, le 29 Mai dernier, le papillon, 
une femelle superbe; les autres sont mortes avant 
le printemps. 

59i, Taeniocampa opima Hb. Un beau mâle (de 
chenille) le 21 Avril. L'exemplaire est une belle 
variété. (Nouvelle espèce pour notre Faune). 

592. Zonosoma pupilla ria Hb. Un mâle fut pris 
par moi le 7 Septembre. L'exemplaire tient le 
milieu entre les deux fig. de la planche 81 de 
l' Iconographie Millière. Elle a la couleur du n°. 11 
(ab. Gyrata Hb.) et le dessin du n°. 12 (ab. 
Radiarla). — (Nouvelle espèce pour notre Faune). 



LES MACROLÉPIDOPTÈRES DE BRÉDA. CXV 

REMARQUES. 

1°. De la Lithosia griseola Hb. j'ai pris, en Juillet, 
la var. Flava Hw. (Stramineola Dbld.). Cette 
variété ne se trouve donc pas seulement en Angle- 
terre. (Voy. Catal. Staudinger pag. 53). 

2°. Le total des espèces Néerlandaises est porté par 
Mr. Snellen dans ses « Vlinders van Nederland » 
(publié en 1867) à 686. Comme j'ai trouvé déjà 
dans nos environs 591 espèces (déduction faite de 
l'Acronycta Euphrasiae Rkh.), il est à prévoir, 
que mes listes annuelles deviennent bien pauvres 
dorénavant. Quelques espèces , il est vrai , seront bien 
encore découvertes, surtout du côté de Terheyden, 
mais il me semble pourtant, que je ferai mieux 
d'attendre, avant de publier une liste nouvelle, jus- 
qu'à ce que j'aurai un nombre suffisant de captures à 
constater. D'ailleurs la presque totalité des fortifica- 
tions étant rasée depuis les dernières années, un des 
meilleurs terrains de la bruyère de Calder étant perdu 
pour les investigations entomologiques, et tant d'autres 
raisons, qui ne faciliteront pas les recherches futures , 
me forceront bien à agir ainsi. 

Je ne veux pas terminer provisoirement mes listes 
sans donner le total des Lépidoptères que j'ai trouvé 
ici, c'est-à-dire dans le même cercle indiqué avant 
ma première enumeration; les espèces trouvées se 
composent de 591 macrolépidoptères et de 630 micro- 
lépidoptères , soit ensemble 1221 espèces, naturel- 
lement les nombreuses variétés et aberrations non 
comptées. 



TWEEDE AANVUT.SEL TOT HET 

GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN HET GESLACHT 

ACENTROPUS GURT. 



C. RITSEMA Cz. 



Zie ook dit Tijdschrift: Serie 2, deel VI Mz. 157—172 
en deel VIII blz. 16—25. 



Daar ik naar alle waarschijnlijkheid in dezen zomer de 
heschrijving van de levenswijze en de verschillende toestan- 
den van Acentropus niveus Oliv, zal kunnen voltooijen, schijnt 
het mij niet ondoelmatig toe, voor dat deze het hcht ziet, 
het geschiedkundig overzigt van de literatuur over dit genus 
tot op dezen tijd bij te werken. 

Dooi' het reeds in het eerste « Aanvulsel » met een enkel 
woord genoemde opstel van den heer Dunning, waarop ik 
zoo aanstonds meer breedvoerig zal terugkomen, werd ik 
gewaar, dat er ook in de 2''* uitgaaf (1837) van Curtis' 
Guide to an arrangement of British Insects, en wel in de 
172''" kolom, sprake is van dit geslacht. Onder welken naam 
en in welke orde het hier voorkomt kan ik evenwel niet 
zeggen, daar ik dit werkje niet heb kunnen raadplegen, 
en Dunning het slechts in zijne chronologische lijst der 
geschriften over Acentropus vermeldt. 

Dat men vroeger algemeen iets afwijkends bij dit vlindertje 
veronderstelde, blijkt nog daaruit dat Westwood in 1840, in 
het 2'''' deel van zijne Introdnrtion lo the tnodern ^Classification 

1 



2 GESCIIIEDKUNDirT OVERZTGT VAN 

of Insects (biz. 587) ^), de vraag oppert, of de larven die 
door J. Hogg in Spongilla fluviaUUs gevonden vaaren, ook 
die van Acentropus zouden kunnen zijn. Zoo als tegenwoordig 
algemeen bekend is, waren dit larven van het geslacht 
Sisyra Burm. (een tot de familie der Hemerobidae behoorend 
Neuropteren-genus) , welke larven van Westwood , voor het 
geval dat het volgroeide insecten bleken te zijn, den naam 
Branchiotoma Sponglllae ontvangen hebben *). 

Volgens Dunning plaatst Dr. Knaggs in zijn Cabinet List 
of Lepidoptera of Great Britain and Ireland (1870) de familie 
der Acentropidae tusschen de familie der Hydrocampidae 
en die der Botydae, en neemt in het geslacht Acentropus, 
én A. niveus Oliv., én A. latipennis Moeschl, op, de laatste 
omdat hij zich overtuigd had , dat de door Stephens als 
Zancle Hansoni didJi^Qàwìàe , normaal gevleugelde vrouwelijke 
vorm geheel met deze soort overeenkomt. Ook dit boekje 
heb ik niet gezien. 

Nog bleek mij uit Dunning's geschrift dat er in 1871 
drie mededeelingen over Acentropus het licht hadden gezien , 
van welker bestaan ik bij het zamenstellen van het eerste 
« Aanvulsel » nog geene kennis droeg. 

Vooreerst had j. Boswell Syme op blz. 20 van het eerste 
nommer (Januarij 1871) van de Scottish Naturalist medege- 
deeld, dat Acentropus niveus in Schotland gemeen is op 
plaatsen waar Potamogeton filiformis in menigte groeit. Als 
vindplaatsen noemt hij Loch Leven , Kinross en Loch Gelly. 
Door deze mededeeling wordt Dr. Leach's opgave van het 
voorkomen van dit vlindertje in Schotland bevestigd. 

In de tweede plaats beschreef H. D. J. Wallengren in 
den 28''*" jaargang (1871) van Ofversigt af Kongl. Vetenskaps- 



1) Zie ook : Annales des Sciences imiur elles. Zoologie. 2e sér. torn. XI (1839) p 
380; Transactions of tJie lÀnnean Society, vol. XVIII (1841) p. 391, note; Trans- 
aciiont of the Entomological Society of London, vol. Ill (prt. II, 1842) p. 108. 

2) De door den heer W. Marshall bij ons te lande in cene zoctwaterspons aange- 
troffen larf (zie Tijdschr. v. Entom. 2de ser. dl. IV (1SG9) hlz. 193) zal wel die van 
de bij ons niet zeldzaam voorkomende Sivjra fusrata F. geweest zijn. 



HET GESLACHT AGENTROPUS. 3 

Akademiens FörhandUngar (p. 961 — 1060) de Skandinavische 
Pyraliden en Clioreutiden , en l)e]iandelde daarin op blz. 1009 
het geslacht Acenlropus. Het komt hier, onmiddelUjk vooraf- 
gegaan door de geslachten Hydrocampa, Parapoynx en Cata- 
clysta , voor als het laatste genus van de groep der Botydae, 
en zou van de 16 overige genera van deze groep te onder- 
scheiden zijn, door het gemis van scheensporen , ocellen 
en maxillaarpalpen , en doordien het wijfje vleugelloos is 
(blz. 973) of, zoo als op blz. 1009 gezegd wordt , korte puntige 
vleugelrudimenten bezit. Aangaande de levenswijze deelt hij 
mede hetgeen door Reutti is waargenomen. De soort die 
hij vermeldt is A. niveus OHv. , waarbij geciteerd worden : 
Phryganea nivea Oliv. , Acentropus Garnons'd Curt, en A. Neivae 
Kol. Als vindplaatsen in Zweden noemt Wallengren Ifösjön, 
Ringsjön , Wombsjön en Farhult, en als de tijd waarop het 
vlindertje wordt aangetroffen de maanden Julij en Augustus. 

Ten derde verscheen in genoemd jaar eene nieuwe uitgave 
van Dr. Knaggs' Lepidopterisf s Guide , intended for the use of 
the young Collector. Hierin wordt aangaande Acentropus gezegd , 
op blz. 68, dat men om de poppen te verkrijgen met een 
waternet door Potamogeton-^\di\\ien moet slepen, om ver- 
volgens aan den oever in deze planten naar de kleine 
zijdeachtige cocons te zoeken; op blz. 82, dat A. niveus o\ev 
de oppervlakte van het water heen glijdt, op blz. 86, dat 
men de vlindertjes op de met Potamogeton begroeide plaatsen , 
met een zeer ondiep net dat van een' langen steel voorzien 
is moet vangen , en op de volgende bladzijde, dat dit vlindertje 
evenmin als de Hydrocampidae in een doosje mag worden 
bewaard , maar dat het op de vangplaats zelve aan de speld 
moet worden gestoken, omdat het spoedig sterft, uitdroogt 
en daardoor zeer breekbaar wordt. 

In de zes-en-twintigste zomervergadering der Neder- 
landsche Entomologische Vereeniging, den 1"'" Julij 1871 
te Breda gehouden, werd er door mij op gewezen, dat 
zoowel von Heinemann als Speyer ten onregte aan de rups 
van Arpnfropnf! uitwendige ndomhnlingsorganen (Kiemen) 



4 GESCHIEDKUNDIG OVErxZIGT VAN 

toeschrijven, en beweren dat zij hierin overeenkomt met 
de rups van Parapoynx. Ter verbetering deelde ik vervolgens 
mede dat de rups van Acentropus glad is en duidelijke stig- 
mata vertoont, terwijl die van Parapoynx op de wijze der 
Phryganiden-larven van draadvormige kieuwen voorzien is , 
maar dat de poppen van beide geslachten, hoewel aanmer- 
kelijk in grootte verschillend, sterk op elkander gelijken, 
vooral door de drie paren kegelvormig uitpuilende stigmata, 
die ter wederzijde van het achterlijf voorkomen (zie Tijdschr. 
V. Entom. 2'" ser. dl. VII (1872) blz. xxviii). 

Bij gelegenheid dat het voorkomen van schubben bij 
Diptera, overeenkomende met die der Lepidoptera, weder 
eens ter sprake gebragt werd, liet Edward Newman duidelijk 
blijken, dat hij nog geen genoegen nam met de uitspraak 
waarbij Acentropus (Newman schrijft nog Acentrla) tot een 
vlinderges\3.chi verklaard wordt. Hij zegt toch (Entomologist, 
N°. 100 (Febr. 1872) vol. VI p. 10) : « Dat de bedoelde schubben 
tot de Lepidoptera beperkt zouden zijn, is niets meer dan 
eene algemeen aangenomen meening, of somtijds eene ge- 
schikte veronderstelling om nu en dan de eene of andere 
mankgaande zaak, zoo als bijv. de vlindernatuur van Acentrla, 
te ondersteunen , en die slechts zoolang stand houdt , totdat 
iemand van een meer uitgebreid of naauwkeuriger waar- 
nemingsvermogen, of meer ervaren in logische deducties, 
ze weder omverwerpt». 

Den 4''''" van de volgende maand werd door Dunning in 
eene Vergadering van de « London Entomological Society » 
een allerbelangrijkst opstel voorgelezen, dat in Mei daar- 
aanvolgende onder den titel van «On the gemxs Acentropus y> 
in de Transactions o [the Entomological Society for 1872 (p. 121 — 
156) het licht zag. Dunning begint met mede te deelen dat 
Acentropus (blijkens blz. 136 een mannelijk voorwerp) door 
hem op een avond in de tweede helft van Julij 1871 tusschen 
9 en 10 uur, bijna in het hartje van Londen, in de nabij- 
heid van het Regent's Park kanaal , gevangen is , terwijl het 
op eene bijzondere wijze vloog om de lamp, waarbij hij zat. 



HET GESLACHT AGENTROPUS. 5 

Vervolgens geeft hij een overzigt van de literatuur die op 
de plaatsing in het systeem betrekking heeft, waartoe 
hij gelijk hij zegt, is overgegaan na lezing van de hierbo- 
ven aangehaalde woorden van Newman, om dezen liet on- 
juiste daarvan aan te toonen en hem nogmaals stap voor 
stap te bewijzen dat Aceutropus tot de Lepidoptera behoort. 
Daarna vermeldt hij de verschillende opgaven omtrent het 
al of niet aanwezig zijn van ocellen, en deelt mede dat 
Mc. Lachlan , na vele exemplaren onderzocht te hebben , 
aan Douglas en hem (Dunning) een voorwerp vertoonde, 
waaraan zij alle drie eene soort van metaalglanzig plekje 
opmerkten, dat een oogje geweest kan zijn. Het lag echter 
niet achter of tusschen de sprieten, maar aan de buiten- 
zijde daarvan, in het kuiltje van de eerste geleding. Dun- 
ning meent dat Douglas en Mc. Lachlan overtuigd waren 
dat het een oogje was, doch hij zelf blijft twijfelen. Nu 
worden de scheensporen besproken , en vervolgens de 
meeningen omtrent de plaats , die het geslacht in de orde der 
Lepidoptera moet innemen, waarvan ook hij die deelt, volgens 
welke het een' overgang uitmaakt tusschen de familie der Py- 
ralididae en die der Chilonidae en Crambidae. De verspreide 
waarnemingen omtrent de levenswijze en de eerste toe- 
standen van Aceutropus worden nu verzameld en besproken 
(ook hier wordt vermeld dat de rups kieuwen, ^i7/.y, bezit, 
dat zoo als wij hierboven gezegd hebben onwaar is ,) waarna 
tot de behandeling der imagines w'ordt overgegaan. Bij 
het wijfje komt natuurlijk het bestaan van voorwerpen 
met rudimentaire vleugels (Acenlropus GarnonsU Gurt. ?) 
en anderen waarbij deze organen normaal ontwikkeld zijn 
(Ztmcle Hansoni Steph. en Acentropus latipennis Moeschl.) 
ter sprake, terwijl hier zelfs wordt medegedeeld dat Brown 
te Burton-on-Trent een wijfje gekweekt heeft dat volkomen 
vleugelloos («absolutely apterous , without a vestige of wing») 
was. Ook de door von Heinemann medegedeelde waarne- 
ming van Reutti omtrent de copulatie, en het hiermede 
in verband staande vermogen om ondcj te duiken, wordt 



6 GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN 

hierbij besproken, met het oog zoowel op de rudimentair 
gevleugelde wijfjes en de mannetjes , als op de wijfjes die 
van normaal ontwikkelde vleugels voorzien zijn. « Op grond,» 
zegt Dunning , « van hetgeen aangaande de gewoonten van 
Acentropus bekend is, valt het mij niet raoeijelijk Rcutti's 
mededeeling omtrent (het onder water zwemmen van) het 
rudimentair gevleugeld wijfje aan te nemen. Ik ga zelfs 
een stap verder, want als het mannetje, dat gevleugeld 
is, zich onder water kan ophouden, hetzij het vrijwillig, 
zoo als Brown denkt, onderwater afdaalt, óf, zoo als Reutti 
verhaalt, door het wijfje onder water wordt getrokken, 
kan er geen reden bestaan, waarom het gevleugelde wijfje 
niet dezelfde gewoonte zou hebben als hare ongevleugelde 
zuster; het is minder onwaarschijnlijk dat de gevleugelden 
en ongevleugelden twee vormen zijn van het wijfje van 
hetzelfde insect , die beiden dezelfde sexuële gewoonte 
hebben, dan dat zij de wijfjes zouden zijn van twee ver- 
schillende insecten met mannetjes die op het oog niet te 
onderscheiden zijn, waarvan het eene in de lucht, het 
andere in het water copuleert». 

Dit brengt Dunning tot de vraag: «hoeveel soorten van 
het geslacht Acentropus zijn er bekend?» op welke vraag 
hij , na alles te hebben nagegaan wat er over deze questie 
geschreven is, antwoordt met als zijne meening uit te 
spreken, dat al de vormen van Acentropus die men vroeger 
getracht heeft te onderscheiden , inderdaad tot eene en 
dezelfde soort zijn terug te brengen, voor welke hij, naar 
den tegen woordigen stand van onze kennis, den naam zal 
behouden die het meest in gebruik is, Acentropus niveus. 

Hierop volgt eene aan deze meenmg beantwoordende 
uiteenzetting der synonymie met vermelding der vind- 
plaatsen, terwijl het geheel besloten wordt met eene chrono- 
logische lijst van de schrijvers waarnaar in het opstel 
verwezen wordt. 

Onmiddellijk hierop volgt in hetzelfde tijdschrift (p. 157 — 
162) eene door vergroote afbeeldingen opgehelderde mede- 



HET GKSLACHT AGENTROPUS. 7 

deeliny aangaande een onderzoek der uitwendige manne- 
lijke generatie-organen (« On the external sexual apparatus 
of the males of the genus Acentropus ») , dat door Mc. Lachlan 
aan mannetjes van verschillende vindplaatsen in het werk 
gesteld was, om na te gaan of deze organen ook eenig 
licht konden verschaffen omtrent het al of niet bestaan 
van meer dan eene soort. Het resultaat van dit onderzoek 
is echter niet beslissend, in de eerste plaats omdat ge- 
noemde organen bij de Lepidoptera nog te weinig onder- 
zocht zijn , en diegenen die er het best mede bekend zijn 
beweren dat ze bij deze orde meer van generieke dan van 
specifieke waarde zijn, en ten tweede omdat er eenige, al 
zijn het dan ook geringe verschillen bestaan. Mc. Lachlan 
verklaart zich dan ook noch tegen, noch voor Dunning's 
meening dat men slechts met eene enkele soort te doen 
zou hebben, te meer daar er bij de mannetjes ook nog 
een aanmerkelijk verschil in vleugelvorm bestaat , ofschoon 
dit welhgt beter aan plaatselijke invloeden dan aan ver- 
schil in soort is toe te schrijven. Bij den aanvang van 
dit opstel heeft Mc. Lachlan zich onvoorwaardelijk verklaard 
voor de inlijving van Acentropus bij de Lepidoptera, zeg- 
gende dat alle eigenschappen van het geslacht, met uit- 
zondering van het in het water leven, volkomen in strijd 
zijn met het wezen der Trichoptera, terwijl dit bij eene 
plaatsing in de orde der Lepidoptera in geen enkel opzigt 
het geval is. Met betrekking tot de ocellen doet Mc. Lach- 
lan nog opmerken , dat zij op de gewone plaats niet voor- 
komen, maar wanneer het ronde gepolijste plekje, dat hij 
in gezelschap van Douglas en Dunning tusschen het za- 
mengestelde oog en de basis der sprieten heeft opgemerkt, 
werkelijk een bijoogje is, de plaatsing hiervan afwijkt van 
alles wat tot dusver van deze organen bekend was. 

Den IS-^'" April 1872 werd door mij in de Petites Nou- 
üelles Entomologiqiies (n°. 50, p. 200) eveneens de soorten- 
questie van Acentropus besproken, en trachtte ik aan te 
toonen dat men aan het bestaan van twee soorten te den- 



8 GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN 

ken heeft, en wel aan Niveus Oliv, die twee vormen van 
wijfjes zou bezitten, een met rudimentaire (Acentropus Gar- 
nonsll Curt. $) , de andere met goed ontwikkelde vleugels 
(Zancle Hansoni Steph.), en die over geheel Europa ver- 
spreid is, en aan LaÜpennis Moeschl. waarvan slechts een 
normaal gevleugelde vrouwelijke vorm bekend was, en die 
in Zuid-Rusland (Sarepta) te huis behoort. Naar aanleiding 
hiervan zegt Dunning in eene noot aan het eind van het 
hierboven bespj'oken opstel, dat mijne meening als zoude 
A. latipennis alleen in Zuid-Rusland voorkomen onjuist is, 
daar hij in Engeland even dikwijls is aangetroffen als A. 
niveus, doch er als A. Hansoni Steph. bekend stond. Dun- 
ning verklaart dan ook Hansoni en Lafipemiis voor syno- 
nymen, als zijnde namen gegeven aan denzelfden vrouwe- 
lijken vorm (de normaal gevleugelde) van A. niveus OUv. 
Dit wijzigde en vereenvoudigde in zooverre mijne meening, 
dat ik van dien tijd af den Niveus beschouwde als eene 
soort met een van vleugelrudimenten voorzien wijfje, en 
den Latipennis als tweede soort, met een wijfje waarvan 
de vleugels normaal ontwikkeld zijn, en het voor waar- 
schijnlijk hield, dat beide soorten dezelfde geographische 
verbreiding bezitten. 

In het Mei-nommer van Newman's Zoologist voor 1872 
(p. 3076) en in het Junij-nommer van Newman's Entomo- 
logist voor datzelfde jaar (vol. VI. p. 407) deelt Francis 
Walker onder het hoofd « Early occurrence of Ophion obscu- 
rusy) mede, dat het eenige levende voorwerp dat hij van 
Acentropus niveus gezien heeft, op licht was afgekomen. 

In de zeven-en-tW'intigste zomervergadering der N. E. Y. , 
den 10''^° Junij 1872 te Haarlem gehouden, deelde ik onder 
anderen mede, dat ik den 29'""" Mei, in gezelschap van 
den heer W. Roelofs uit Rrussel, van Acentropus niveus 
Oliv. 9 mannelijke exemplaren als ook rupsen en poppen 
aan eene uitgestrekte plas , het Alloo , bij het dorp de Koog 
op het eiland Texel had aangetroffen, nadat ik reeds den 
12''"" van dezelfde maand verscheidene eveneens manne- 



HET GESLACHT ACENTROPUS. 9 

lijke exemplaren aan de Brouwerskolk bij Overveen ver- 
zameld had, hetgeen de vroegste dagteekening van het 
verschijnen van dit vlindertje was, en tot dusver gebleven 
is (zie Tijdschr. v. Entom. 2'"' ser. dl. VIII (1873) blz. xix). 

Het aantreffen van A. niveus aan het AUoo op Texel 
werd ook den 6'"° Julij 1872 door den heer Roelofs in 
eene Vergadering van de Belgische Entomologische Vcr- 
eeniging medegedeeld (zie Annales de la Soclélé Enlomolo- 
gique de Belgique tom. XV. Comptes Rendus p. lxxvii). 

In het Julij-nommer (p. 3117) van Newman's Zoologist, 
en in dat van Augustus (vol. VI, p. 153) van zijn Ento- 
mologist voor 1872, wordt door den uitgever het opstel van 
Dunning breedvoerig besproken, en, vooral in de Zoologist, 
verscheidene bladzijden daaruit overgenomen, hetgeen zich 
in (Ie Entomologist bijna uitsluitend bepaalt tot hetgeen op 
de levenswijze van Acentropus betrekking heeft. Volgens 
Newman geschiedt dit omdat de Transactions of the Ento- 
mological Society slechts binnen zeer enge grenzen verspreid 
zijn, en hij verklaart dat indien de heer Dunning hem niet 
een overdruk had doen toekomen, hij (Newman) van het 
bestaan van genoemd opstel geen kennis zou hebben ge- 
dragen (Entom. 1. c). Uit de Entomologist (p. 157) wil ik 
nog slechts mededeelen, dat Newman zegt dat men wei- 
ligt van hem verwachtte dat hij de gevolgtrekkingen van 
Dunning zou bestrijden , daar deze ze als tegenstrijdig met 
de zijnen schijnt te beschouwen, maar dat hiervoor inder- 
daad geen reden bestaat. Hij kan aan de door Dunning 
genoemde feiten niet twijfelen, en wil ze daarom niet be- 
twisten. (( Werkelijk , » zoo vervolgt Newman , « ik ben niet 
geneigd de voorname punten van het overzigt te betwij- 
felen; zij zijn in volkomen overeenstemming met mijne 
vroeger opgegevene gevolgtrekkingen. Zoo bijv. vinden drie 
bevoegde waarnemers — Herrich Schaefïer, Mac Lachlan 
en Knaggs — de eijeren ab een snoer aan het anaalseg- 
ment van het wijfje. Ik zou dit verwacht hebben. Verder 
heeft de larf kieuwen (sic!) en leeft vrij in het water. Ik 



dO GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN 

ZOU het vermoed hebben. Ik heb de vrijheid genomen deze 
plaatsen in mijne aanhaling te onderstrepen, daar ik ze 
van gewigt reken, maar ik moet doen opmerken dat zij 
in het Dorspronkelijke niet op deze wijze zijn onderscheiden ». 
Over deze niets beteekenende phrasen zal ik maar zwij- 
gen, doch wat het medegedeelde in de Zoologist betreft, 
zie ik mij genoodzaakt op een enkel punt kritiek te leveren , 
en wel op het punt der eerste toestanden van Acentropus. 
Bij het bespreken van hetgeen Dunning daarover heeft bij- 
eengebragt (p. 3122) komen de eijeren het eerst aan de 
beurt. Zij zijn het eerst door Curtis en Dale beschreven, 
en wel als «a large mass of white and very elongated 
eggs». Dr. Hagen beschrijft ze als «eine Zahl weisser rund- 
licher Eier, auf einem Potamogeton-blatt dicht beisammen 
gelagert». Newman meent dat dit verschil in de beschrij- 
ving voldoende bewijst dat het moeijelijk de eijeren van 
dezelfde soort kunnen zijn, doch ziet hierbij geheel 
over het hoofd dat beide beschrijvingen naar hetzelfde 
groepje eijeren genomen zijn (Trans. Ent. iSoc. 1872. p. 282, 
laatste volzin). Voorts, zegt Newman , heeft Herrich Schaef- 
fer een' vrouwelijken Acentropus afgebeeld met een snoer 
eijeren aan de punt van het achterlijf, en deelt Dunning 
ons mede dat Mac Lachlan en Knaggs voorwerpen bezitten 
die eene dergelijke bijzonderheid vertoonen, zonder er op 
te wijzen dat dit kenmerk strekken kan om. Acentropus mei 
de Phryganiden te verbinden en het van de Lepidoptera 
af te zonderen. Het niets beteekenende van dit argument 
loopt dadelijk in het oog, als men bedenkt dat dit zooge- 
naamde kenmerk ook wel bij andere wijfjes vlinders wordt 
aangetroffen, wanneer zij den wreeden speldendood zijn 
gestorven. Vervolgens haalt Newman den volgenden volzin 
aan: «The larva is of a light green colour, and like those 
of Hydrocampa , Parapoynx and Cataclysta , it lives on aquatic 
plants below the surface; it has gills, and lives freely in 
the water » , en meent (en met regt) dat Dunning geene 
toespeling maakt op de overeenkomst tusschen de kieuwen 



HET GESLACHT AGENTROPUS. 11 

van de larve van Acentropus en die van de larven van Hy- 
dropsyche atomaria, afgebeeld in Westwood's Introdudiou 
to the modern Classification of Insedi' fig. 68 n°. 19. Dit zou 
trouwens ook kwalijk gaan, daar de larve van Acentropus 
geene kieuwen bezit. Nu volgt, overgenomen van blz. 402 
van Brown's Natural History of Tutbury , en eveneens op 
de larve van Acentropus betrekking hebbende : « They pos- 
sess every lepidopterous character and make no approach 
to the trichopterous type » , ofschoon men volgens New- 
man verder bij Brown leest : « They reside ^ ) in silken 
cocoons, which are strengthened by small pieces of the 
leaves incorporated longitudinally in the fabric, and which 
are placed in the submerged axils oï Potamogeton perfoliatus 
and P. pectinatusy). — Op de volgende bladzijde blijkt dat 
Newman deze plaatsen aanhaalt, om zijne bewering te 
staven dat deze bijdragen tot de levensgeschiedenis van 
Acentropus eenigszins met elkander in tegenspraak zijn, 
daar men moeijelijk kan zeggen dat deze vrij in het water 
levende , door kieuwen ademende en in kokertjes (« cases ») 
gelijk aan die van Hydropsyche , verblijf houdende larven 
ieder lepidopteren-kenmerk bezitten en niet tot de phryga- 
niden-type naderen. Als Newman niet in plaats van «co- 
coons » gelezen had « cases » , dan zou hij mijns inziens 
geene tegenstrijdigheid in deze opgaven gevonden hebben. 
Er is hier geen sprake van dat de larf in een kokertje 
woont, maar wel dat zij zich een spinsel vervaardigt om 
in te verpoppen, welk spinsel zijdeachtig is, met bladstukjes 
voorzien wordt en onder water in den oksel der bladeren 
voorkomt. Vervolgens haalt Newman Brown's mededeeling 
aan, dat de pop is «of the masked character», en dat 
men er duidelijk aan kan zien of ze een mannelijken dan 
wel een vrouwelijken imago zal opleveren , welke mededee- 
ling door Newman meer als de vermelding van een feit 



1) '/Tliey reside" moet volgens Brown's opstel in "(//e Natural Hisiorìf of Tui- 
hinj II eigenlijk zijn »Tliey may bc found, when fully fed,» welke laatste drie 
woorden vooral, niet door Ncwmau hadden mogen worden weggelaten. 



12 GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN 

wordt beschouwd dan als bijdrage om eene theorie te 
steunen. Indien Newman met deze theorie de vlinder- 
natuur van Accnlropus bedoelt, dan vond zij in het ge- 
noemde kenmerk der pop («the masked character))) een 
magtigen steun, daar er uit bleek dat er ook in den 
poptoestand wel overeenkomst met de Lepidoptera doch 
niet met de Phryganiden bestaat. Dat het vermogen van 
het volkomen insect om zich onder water op te houden, 
niet als bewijs voor de inlijving bij de Lepidoptera 
mag worden gebezigd, ben ik met Newman eens, zelfs 
zonder dat ik daarbij in aanmerking behoef te nemen 
dat dit vermogen ook aan Phryganiden eigen is , maar ik 
geloof niet dat Brown het als zoodanig vermeldt. En nu 
vraagt Newman : mogen wij aannemen dat door deze op- 
gaven de lepidopteren-aard van Aceutropus bewezen wordt? 
Newman bekent tot hiertoe geschreven te hebben min of 
meer met het voornemen, deze bewering te stellen tegen- 
over anderen van eene tegenovergestelde strekking, maar 
hij acht het ten slotte beter het onderwerp voor het tegen- 
woordige aan zijn lot over te laten , want : « wat onwaar 
is behoudt niet lang zijnen invloed , wat waar is houdt immer 
stand. De uitgebreide inleiding van den Advokaat-Generaal 
bij het Tichborne-proces overtuigde een ieder die haar 
hoorde, maar deze overtuiging verdween toen hij ophield 
met spreken, hoewel niemand getracht heeft haar te be- 
antwoorden.)) Newman eindigt zijne bespreking met te 
zeggen dat hij, ofschoon, openhartig gesproken, geloovende 
dat Dunning de plaats van Acentropus noch in een natuur- 
lijk, noch in een kunstmatig systeem heeft vastgesteld, 
(hier schiet mij onwillekeurig het spreekwoord : « met on- 
willige honden is het kwaad hazen vangen)) te binnen), 
toch overtuigd is dat deze Schrijver een van de beste en 
kernachtigste geschriften geleverd heeft, die ooit door de 
Engelsche Entomologische Vereeniging in het licht gegeven 
zijn, en dat het zoowel binnen- als buitenslands vertrou- 
wen zal inboezemen. 



HET GESLACHT AOENTROPUS. 13 

Op blz. 199 van het zesde deel van Newman's Enlomo- 
loglst (September 1872) deelt J. P. Barrett mede, dat door 
den heer Gowley op het eind van Julij aan de Asylum 
Road te Peckham, een exemplaar van Acentropus niveus 
gevangen en in eene vergadering van de «South London 
Entomological Society» vertoond was. Het vloog om de 
lamp en trok de aandacht door zijne snelle en zonderlinge 
vlugt. Het vlindertje stierf spoedig nadat het gevangen 
was, en daar dit met de waarnemingen van Barrett over- 
eenstemde, oppert deze de vraag: hoe lang kan Niveus de 
verwijdering van zijne geboorteplaats overleven? 

Op blz. 233 daaraanvolgende (November 1872) zegt G. B. 
Gorbin dat hij ook dit jaar, en wel van het begin van 
Junij tot het eind van Augustus, Acentropus niveus (door 
eene drukfout staat er Atropus niveus) op dezelfde plaats 
heeft aangetroffen als het vorige jaar (te Ringwood in 
Hampshire), doch veel minder talrijk. Op een avond in 
Augustus ving hij twee voorwerpen, die tamelijk vlug on- 
geveer 8 of 4 voet boven de oppervlakte van het water 
vlogen, hetgeen voor dit insect iets ongewoons is. Ver- 
volgens beantwoordt hij Barrett's vraag omtrent den levens- 
duur van Acentropus met te zeggen, dat sommige indivi- 
duen spoedig sterven nadat zij in een doosje besloten zijn, 
doch dat anderen onder dezelfde omstandigheden betrek- 
kelijk veel langer leven, terwijl hij ten slotte mededeelt 
dat spinnen, eene kleine roodachtige loopkever (naar hij 
meent Calathus mollis of C. melanocephalus) en een klein 
bloedzuigerachtig diertje als vijanden van dit vlindertje 
zijn te beschouwen. 

Hierop volgt in het vierde stuk van de Transactions of 
the Entomological Society of London for 1872 (p. 281) een 
« Supplementary Note on the genus Acentropus » van de 
hand des beeren Dunning, waarin kortelijk melding wordt 
gemaakt van hetgeen er, sedert het verschijnen van zijn 
eerste opstel, over dit geslacht geschreven is. 

Dit supplement wordt in zijn goliccl door Newman over- 



14 CtEschiedkundio overzigt van 

genomen op blz. 308 — 310 van het zesde deel van de 
Entomologist (Februarij 1873) , onder bijvoeging van eene 
klagt over het stilzwijgen , dat door de beeren Doiibleday 
en Guenée ten opzigte van de systematische rangschikking 
van dit geslacht bewaard wordt. 

In het elfde nommer (Julij 1873) van de Scottish Natu- 
ralist (vol. II, p. 119) uit G. B. Corbin de meening, dat 
Acentropus niveus in Brittannië veel meer verbreid is dan 
men over het algemeen meent, waarom hij het raadzaam 
oordeelt eenige aanwijzingen te geven hoe men dit vlin- 
dertje moet opsporen. In de eerste plaats wordt herinnerd 
dat de eerste levenstoestanden in het water vertoeven, en 
men het volkomen insect dus niet ver van het water moet 
zoeken ; dat men , daar de rups op Potamogeton-soorien 
leeft, hoewel zij zich somtijds aan de waterpest (Aw^c/^arw 
alsinastrum) inspint, water moet kiezen waarin dit planten- 
geslacht vertegenwoordigd is , en dat de imago van Junij 
tot September, doch het talrijkst in Julij, voorkomt; voorts, 
dat het vlindertje bij het vallen van den avond in cirkel- 
bogen, die eenigszins aan Gyrinus natator doen denken, 
over de oppervlakte van het water begint te vliegen , ja 
schijnbaar te zwemmen, en dan, hoewel door zijne witte 
kleur duidelijk te zien, moeijelijk te vangen is. Om dit 
echter te doen gebruike men een waternet, doch ook in 
het net is het vlindertje des nachts zeer levendig, en be- 
schadigt zich daardoor gemakkelijk. Gorbin zocht des 
avonds eene plaats waar zij menigvuldig voorkwamen, en 
ging ze over dag vangen, daar zij dan slaperig aan water- 
planten, digt boven de oppervlakte van het water zitten. 

Onder eenige vlinders die door Hodgson vermeld worden 
als gedurende den zomer van 1873 op het eiland Sheppy 
gevangen, komt ook Acentropus niveus voor, van welke 
soort gezegd wordt, dat geen der gevangen wijfjes vleu- 
gelloos was, of ook maar eenigszins tot dien toestand na- 
derde (zie the Entomologist's Monthly Magazine (Januarij 1874) 
vol. X, p. 180). 



IIRT GESLACHT AOENTROPUS. 15 

Ten slotte moet ik nog melding maken van mijne mede- 
deeling in de negen-en-twintigste zomervergadering der 
N. E. V., den 29'**'" Augustus 1874 te Arnhem gehouden 
(zie Tijdschr. v. Enlom. dl. XVIII (1875) blz. xxiv). Zij 
betreft het vinden van tallooze doch slechts mannelijke 
individuen aan den vijver op het landgoed Beekhuizen bij 
Arnhem, en het te Huissen bij lamplicht vangen van een 
vrouwelijk voorwerp met goed ontwikkelde vleugels, dat 
volkomen aan de beschrijving van Acentropus laÜpennis 
Moeschl. beantwoordt. Door deze vangst ben ik op nieuw 
versterkt in de meening dat men aan twee soorten te den- 
ken hebbe, waarvan de eene {A.niveus 0\\\. = A.Garnonsii 
Curt.) een wijfje met rudimentaire vleugels , de andere {Ä. 
latipetmis Moesclil. = Zancle Han.sonl Steph.) een wijfje met 
normaal ontwikkelde vleugels bezit. Onverklaarbaar toch 
zou het anders zijn, dat onder de tallooze gevleugelde in- 
dividuen, door mij bijv. aan de Brouwerskolk te Overveen 
gevangen, geen enkel wijfje is voorgekomen, en dat ik 
door kweeking van rupsen van diezelfde plaats afkomstig, 
slechts wijfjes verkreeg (en het aantal daarvan bedraagt 
reeds 15) die van vleugelrudimenten voorzien waren, en 
zich in het water bleven ophouden, terwijl het eerste voor- 
werp het beste dat te Huissen, en wel binnenshuis bij 
eene lamp, gavangen werd, juist een wijfje met goed ont- 
wikkelde vleugels is. 

Nieuw bekend geworden vindplaatsen. 

Zweden. 

Ifösjön, Bingsjön, Wombsjön en Farhult, door Wallengren. 
Ofvers. af Kongl. Vetensk.-Akad. Förhandl. Arg. 28, p. 1010 
(Acentropus n i veus) . 

S c h o 1 1 a n d. 

Loch Leven, Kinross en Loch Gelly, door Boswell Syme. 
ScoftlsJi Naliirfdist. vol. I, p. 20 (Arenlropus; nivens). 



16 GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT A''AN 

Engeland. 

Londen , in de nabijheid van het Regent's Park kanaal , door 
Dunning. Transactions of the Entom. Society. 4872. p. 12i 
(Acentropns niveus). 

Lewisham, door Stainton.\ 

Horning Fen , door King. L j^^^^^ j^^^^^^.^^^ .^^ ^.^.^^^^^ ^^^^ ^.^^.^ 

Wieken Fen, door Bond. ^g^^ p. 153 (Acentropns niveus). 

Oatlands, door Stevens, l 

Cheshunt, door Boyd. / 

Peckham , door Cowley. Volgens Barrett in Newman's Ento- 
mologist vol. VI p. 199 (Acentropus niveus). 

Eiland Sheppy, door Hodgson. Entomologist's Monthly Magazine. 
vol. X p. 180 (Acentropus niveus; de wijfjes met goed ont- 
wikkelde vleugels). 

Nederland. 

De Koog op het eiland Texel, door Ritsema. Tijdschrift voor 
' Entomologie. 2'^^ ser. dl, VHI blz. xix (Acentropus niveus). 
Beekhuizen bij Arnhem, door Ritsema. Tijdschr. v. Entom. 

dl. XVni blz. XXIV (Acentropus niveus). 
Huissen bij Arnhem, door Pater V. M. Aghina. Tijdschr. v. 

Entom. dl.XVni blz.xxiv (Acentropus latipennis Moeschl. ï). 
Warmond bij Leiden, door Ritsema, alwaar Acentropus niveus 

in de eerste dagen van Junij van dit jaar in beide sexen 

(2 met vleugelrudimenten) is aangetroffen. 

Om het overzigt der uitgebreide literatuur over het ge- 
slacht Acentropus eenigszins gemakkelijker te maken, laat 
ik hier, in navolging van den lieer Dunning, eene chrono- 
logische lijst der citaten volgen, bij elk daarvan aanwijzende 
of het door mij besproken is in het «Overzigt» of in het 
(( eerste » of « tweede Aanvulsel » , met vermelding tevens 
der bladzijde zoowel van het «Tijdschrift voor Entomologie» 
als van de «separaat-afdrukken». 

1791. Oüvier, Ene. Méth. Ins. VI. 53G, 549 (Tijdschr. XIV. 
157; Separ. Overz. 1). 

1805. Latreille, Hist. Nat. des Ins. XIII. 93. (I.e.). 



HET GESLACHT ACENTROPUS. 17 

1829. Stephens, Syst. Cat. Mand. 316. (I.e.). 

* 1) » Curtis , Guide , 137. (1. c.). 

*1833. Stephens, NomencL 2"'' ed. 118 {Tijihchr. XIV. 158; 
Separ. Overz. 2). 

1834. Curtis , Brit. Ent. XI. pi. 497. (Tijdschr. XIV. 157 ; Separ. 
Overz. 1). 

1835. W^estwood , Trans. Ent. Soc. 1. 117. (Tijdschr. XIV. 158 ; 
Separ. Overz. 2). 

*1837 Dale, Naturalist. I. 14 (Tijdschr. XIV. 159; Separ. 
Overz. 3). 
» Stephens, Illustr. Mand. VI. 150 (Tijdschr. XIV. 158; 
Separ. Overz. 2). 

* » Curtis, Guide. 2"' ed. 172 (Tijdschr. XIX. 1; Separ. 

2'" Aanv. 1). 
1840. W^estwood, //«^m^. Mod. Class. Ins. II. 324, 412; ûg. 

113 n°. 11—17 (Tijdschr. XIV. 159; Separ. Ovm. 3), 

587 (Tijdschr. XIX. 2 ; Separ. 2'"^ Aanv. 2). 
» V^^'estwood, Getter . Synops. Brit. Ins. 115. (Tijdschr. 

XIV. 159; Separ. Overz. 3). 
1843. Boitard, Nouv. Man. d'Ent. III. 130 (I.e. noot). 
1845. Westwood, Brit. Moths, II. 257 (Tijdschr. XIV. 159; 

Separ. Overz. 3). 
1848. Kolenati, Gen. et Spec. Trichopt. I. 6 (I.e.). 
1852. F. Walker, Cal. Neuropt. Brit. Mus. I. 136 (Tijdschr. 

XIV. 100; Separ. Overz. 4). 
1854. Curtis, Proc. Ent. Soc. 24 (I.e.). 

1856. Brown, Ent. Weekl. Intell. I. 171 (I.e.). 

1857. Douglas, Ent. Weekl. Intell. II. 59 (TyVfecAr. XIV. 161 ; 
Separ. Overz. 5). 

» Newman, Zool. 5629 (I.e.). 

» Westwood, Proc. Ent. Soc. 76. (I.e.). 

» Newman, Zool. Preface. (Tijdschr. ^y\.\(j; Separ. 1"' 

Aanv. 1). 
» Hagen , Zool. 5779 (Tijdschr. XVI. 17; Separ. \'''Aanv. 2). 



1) l)e met et'ii * a.ingeiltiide nitaten hel) ik niet Icunnen raadplegen. 

2 



18 GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN 

1858. Stainton, Entom. Ann. 102. fig. G. (Tijdschr.XlYAQÌ ; 
Separ. Ouerz. 5). 

» Brown, Zool. 5919 (I.e.). 

» Kolenati, Wien. Ent. Monats. IL 381 pi. VII (I.e.). 

1859. Hagen, Stelt. Ent. Zelt. XX. 203 {Tißschr. XIV. 162; 
Separ. Overz. 6). 

» Stainton, Manual II. 145 (Tijdschr. XIV. 163; Separ. 

Overz. 7). 
» Fologne, Ann. Soc. Ent. Belg. III. 134. (Tijdschr. X\L 

18; Separ. i'" Aanv. 3). 

1860. Moeschler, Wien. Ent. Monats. IV. 55 (Tijdschr. XIV. 
163; Separ. Overz. 7). 

1861. Herrich Schaeffer, Neue Schmett. Eur. Hl. n°.123. fig. 
155 (1. c.). 

» Scott, Ent. Weekl. Intell. IX. 125 (I.e.). 

» MeLachlan, Ent. Weekl. Intell. IX. 132 (I.e.). 

)) Westwood, Ent. Weekl. Intell. IX. 148 (Tijdschr. XIV. 

164; Separ. Overz. 8). 
» MeLachlan, Ent. Weekl. Intell. IX. 156 (I.e.). 
» Newman, Zool. Preface, i) (Le). 
» MeLachlan, Zool. 7614 (Tijdschr. XIV. 165; Separ. 

Ouerz. 9), 
» Knaggs, Proc. Ent. Soc. 19 (I.e.). 
» Westwood , Report Thirtieth Meet. Brit. Assoc. ; Trans, of 

the Sect. 123 2). (Tijdschr. XIV. 167 ; Separ. Overz. 11). 



1) Doordien de heer P. i). T. Snellen mij in de gelegenheid gesteld heeft om met 
Donbleday's in 1859 verschenen Zoologis f s synomjmic List of Brilisk Butterflies and 
Moths, the Arrangement and NomeHclaiare bg jiJ. Guenée, kennis te maken, kan ik 
nu mededeelen dat er in dit werkje met geen enkel woord van het geslacht Acen- 
iropus gewag gemaakt wordt, hetgeen Newman aanleiding gegeven zal hebbeu om 
hier te zeggen dat Guenée en iJoubleday dit geslacht zonder aarzelen uit de orde der 
Lepidoptera verwijderen. 

2) Dit boek heb ik uit de Bibliotheek der Hollandsche Maatschappij van Weten- 
schappen te Haarlem tor inzage ontvangen. Men vindt daarin over ons onderwerp 
slechts vermeld, dat Prof. Westwood in genoemde vergadering sterk vergroote afbeel- 
dingen vertoonde van de versciiillende deelen van Acentropus en zijne verschillende 
toestanden, vergeleken mut die der Trichoptera, Lepidoptera en Neuroptera, en dat 
het insect na verwant schijnt te ziju aan de familie der Crambidae. 



HET GESLACHT ACENTROPUS. 19 

1861. Wocke, Cat. Lép. d'Eur.S5 {Tijdschr.XlYAS5; Separ. 
Ouerz. 9). 

1862. Cooke, Zool. 8085 (I.e.). 

» Newman, Zool. 8216 (Tijdschr. XIV. 166; Separ. 

Oven. 10). 
» Westwood, Proc. Ent. Soc. 101 (I.e.). 

1863. Brown, Nat. Hist. Tutbunj. 393—405. pi. 8, 9 (zie naschr.) 

1864. Brown, Zool. 8917. {Tijdschr. XIV. 167 ; Separ. Oven. 11). 
» Hagen, Verh. zool. bot. Ges. Wien. XIV. 800, 865, 890 

(Tijdschr. XVI. 17; Separ. 1^'^ Aam. 2). 

1865. von UememB.nn, Schmett. DeiUschl. Zünsler. iOl (Tijd- 
schr. XIV. 168; Separ. Overz. 12). 

» MeLaehlan, Trans. Ent. Soc. 3'' ser. V. 169 (Tijdschr. 
XVI. 17, Separ. 1^'^ Aanv. 2). 

1867. Zeiler , Stetf. Ent. Zeit. XXVIII. 192 (Tijdschr. XIV. 169 ; 
Separ. Overz. 13). 

1868. Barrett , Ent. Mo. Mag. IV. 182 (Tijdschr. XVI. 17 ; Separ. 
1^'* Aanv. 2). 

1869. von Noleken, Stett. Ent. Zeit. XXX. 275 (Tijdschr. XIV. 
169; Separ. Overz. 13). 

» Speyer , Stelt. Ent. Zeit. XXX. 400 (Tijdschr. XIV. 170 ; 

Separ. Overz. 14). 
» De Graaf en Snellen, Tijdschr. v. Entom. XII. 203 (1. e.). 
» Tengström , Nat. Fn. Fenn. Förh. X. 324 , 358 ( Tijdschr. 

XVI. 18; Separ. 1^*" Aanv. 3). 

1870. Douglas, Ent. Mo. Mag. VII. 43 (Tijdschr. XIV. 170 en 
XVI. 21 ; Separ. Overz. 14 en 1"' Aanv. 6). 

» Pologne, Ann. Soc. Ent. Delg. XIII. C. R. xxxvi (Tijd- 
schr. XVI. 18; Separ. l^"' Aanv. 3). 

» Ritsema, Tijdschr. v. Entom. XIV. Verslag xxxiv (Tijd- 
schr. XIV. 170; Separ. Overz. 14). 

» Minière, Icon. Chen, et Lépid. d'Eur. III. 160. pi. 115. 
f. 20, 21 (Tijdschr. XVI. 19; Separ. \''' Aanv. 4). 

» Speyer, Stett. Ent. Zeit. XXXI. 202 (I.e.). 

» Hagen, Stett. Ent. Zeil. XXXI. 316 (Tijdschr. XVI. 21 ; 
Separ. 1'"" Aanv. 6). 



20 GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT VAN 

*1870. Kiiaggs, Cab. List. Lepid. Gr. Brit. and Ireland. (Tijd- 
sehr. XIX. 2; Separ. 2^" Aativ. 2). 

1871. Wocke, Cat. Lépid. d'Eur. 216 (Tijdschr. XVI. 22; 
Separ. l^"' Aanv. 7). 

» Ritsema, Tijdsehr. v.Entom. XIV. 157 (Geschiedkundig 
Overzigt). 

» Gorbin, Entoin.Y. 421 {Tijdschr. XVI. 24; Separ. 1"* 
Aanv. 9). 

» Boswell Syme, Scott. Natur. I. 20 {Tijdschr. XIX. 2; 
Separ. 2'" Aanv. 2). 

» Wallengren, Ofv. Konrjl. Vet. Akad. Förh. XXVIII. 
1009 (1. c.). 

» Ritsema, Tijdsehr. v. Entom. XV. Verslag xxviii {Tijd- 
schr. XIX. 4 ; Separ. 2'*' Aanv. 4). 

» Knaggs , Lepid. Guide. 68 , 82 , 86 , 87 {Tijdschr. XIX. 3 ; 
Separ. 2'"' Aanv. 3). 

1872. J. J. Walker, Ent. Mo. Mag. VIII. 185 {Tijdschr. XVI. 
24; Separ. 1'** Aanv. 9). 

» Newman, Entom. \l. 10. {Tijdschr. XIX. 4; Separ. 2'"' 

Artï^i;. 4). 
» Dunning, Ent. Mo. 3%. VIII. 280 {Tijdschr. XVI. 25; 

Separ. 1"' Aanv. 10. P. S.). 
» Ritsema , Pet. Noiiv. Ent. 200 {Tijdschr. XIX. 7 ; Separ. 

2'^'' Aanv. 7). 
» Dunning, Trans. Ent. Soc. 121 {Tijdschr. XIX. 4; Separ. 

2'^' Aanv. 4). 
» McLachlan, Trans. Ent. Soc. 157 {Tijdschr. XIX. 0; 

Separ. 2'^* ylawi'. 6). 
» F. Walker, Zool. 3076 en Entom. VI. 107 {lijdschr. 

XIX. 8; Separ. 2'^'' Aa/w. 8). 
» Ritsema, Tijdschr. v. Entom. XVI. Verslag xix (ï'yt/- 

schr. XIX. 9 ; Separ. 2""' Aawv. 9). 
» Roelofs, Ann. Soc. Ent. Belg. XV. G. R. lxxvii (1. e.). 
» Newman, Entom. VI. 153 (I.e.). 
» Newman, Zool. 3117 (I.e.). 
» Barrett, ^w^ow. VI. 199 {Tijdschr. XIX. 13; Separ. 2''^ 

Aanv. 13). 



HET GESLACHT AGEiNTKOPUS. 21 

1872. Corbin, Eniom. VI. 233 (I.e.). 

» Dunning, Trans. Ent. Soc. 281 (I.e.). 

1873. Newman, Entom. VI. 308 (Tljdschr. XIX. 14; Separ. 
2'" Aanv. 14). 

» Ritsema, Tljdschr. v. Entom. XVI. 16 (Eerste aanvulsel 

tot het geschiedk. overz.). 
» Corbin , Scott. Natur. II. 119 ( Tijdschr. XIX. 14 ; Separ. 

2" Aanv. 14). 

1874. Hodgson, Ent. Mo. Mag. X. 180 (I.e.). 

» Ritsema, Tijdschr. v. Entom. XVIII. Verylag xxiv 
(Tijdschr. XIX. 15; Separ. 2'"" Aanv. 15). 

Leiden, 4 Junij 1875. 

Naschrift. — Eindelijk ben ik er toe overgegaan mij , ter 
kennisneming van Brown's geschrift over Acentropus , Oswald 
Mosley's en Edwin Brown's Natiircd History of Tuthury aan 
te schaffen, vooral ook omdat Dunning naar afbeeldingen 
van de verschillende toestanden verwijst. Voor dat het 
«Tweede Aanvulsel» afgedrukt wordt, kan ik er dus nog 
iets over dit geschrift aan toevoegen. Brown's opstel heeft 
tot titel «On the genus Acentropus)) en is voorzien van 
twee ruw geteekende en ongekleurde platen. Op de eerste 
plaat (plaat 8 van het geheele werk) zijn afgebeeld: 1°. A. 
niveus Oliv., <? en o;igevleugeld ?, met eenige details; 
(het ? vertoont hier slechts aan de scheen der achterpooten 
sterke franje, terwijl deze franje door mij bij de rudimen- 
tair gevleugelde wijfjes is waargenomen aan de beide 
laatste pootenparen, aan het voorlaatste paar zelfs sterker 
ontwikkeld dan aan het laatste, en aan beide paren zich 
niet alleen langs de scheen maar ook langs de tars uit- 
strekkende); 2°. A. Hansoni Steph., S en normaal gevleu- 
geld 5, het laatste evenals dat der voorgaande soort met 
franje aan de achterscheenen , en 3°. A. Neivae Kol. , <? met 
een drietal details, gecopiéerd naar Kolenati's afbeeldingen 
in het tweede deel van het Wiener Entomologische Munat- 
schrift. Op de tweede plaat (plaat 9) komt cene afbeelding 



'k 



GESCHIEDKUNDIG OVERZIGT ENZ. 



voor van de larf, de mannelijke en vrouwelijke pop en 
het spinsel van den Niveus. De afbeelding der larf vertoont 
geene kieuwen maar duidelijke stigmata. Het opstel blijkt 
met weglating van de platen en van het historisch ge- 
deelte, dat zich tamelijk volledig over de jaren 1791 — 1861 
uitstrekt en eene mededeeling van den gang van Brown's 
onderzoek in deze zaak bevat, woordelijk te zijn overge- 
nomen in Newman's Zoologist voor 1864 (p. 8917 — 8920) 
onder den titel van «Affinities of Acentropus» en daar 
dit reeds vroeger (Tijdschr. v. Entom. XIV. 167; Separ. 
Oven. 11) door mij besproken is, kan ik nu gevoegelijk 
daarheen verwijzen. Alleen moet ik nog de opmerking 
maken , dat Brown , bij het vermelden van de gronden die 
hem nopen eene plaatsing der Acentropidae en Psychidae 
in dezelfde afdeeling der Bombyces voor te stellen, faalt 
met te zeggen dat beide familiën, behalve door het gemis 
van maxillen, met elkander overeenstemmen door het be- 
zit van ongevleugelde wijfjes en zak- of kokerdragende 
(« case-bearing ») larven. De larf van Acentropus houdt zich 
wel aan de plant tusschen twee gedeeltelijk aaneengesponnen 
bladeren op , maar deze woning kan niet gelijk gesteld wor- 
den met den zak eener Psyche of het kokertje van eene 
Phryganide. Ware deze uitdrukking van Brown door New- 
man gesteld tegenover Dunning's mededeeling dat de rups 
vrij in het water leeft (zie blz. 9 van dit opstel) dan had 
hij met grond op tegenstrijdigheid kunnen wijzen. 



DACTYLO J A KINKEUELLA , 

mm GEMS E\' SOORT DER GELECHIDEN UT NEDERLAND. 

BESCHREVEN DOOR 

P. C. T. SNELLEN. 

(Hierbij Plaat 1 , beuedengedeelte.) 



Het is reeds verscheidene jaren geleden dat de heer 
J. Kinker te Amsterdam, een welbekend ijverig, naaiiw- 
gezet en kundig Entomoloog, aan den heer de Graaf en 
mij onder anderen ook een bij Noordwijk gevangen Micro- 
lepidopteron zond, dat door de grijsachtig witte, met don- 
kerder schubben fijn bestrooide voorvleugels aan eene 
Elachista uit de verwantschap van Elach. rufocinerea deed 
denken, doch bij nadere beschouwing, door den vorm van 
de achtervleugels eene meerdere affiniteit met de Gelechi- 
den verried. De heer de Graaf vermoedde dadelijk een 
nieuw genus, wat ook met het gevoelen van Prof. Zeiler, 
wien wij het voorwerp toezonden, strookte, doch alvorens 
tot de bekendmaking over te gaan, werd de ontdekking 
van meer exemplaren der zelfde soort noodig gekeurd. In- 
tusschen het voorwerp was en bleef een unicum , geen 
tweede werd ons bekend en daar ook in het helaas ! onvol- 
tooide werk van von Heinemann, SchmetterUnge Deulschlands 
und der Schweiz ^ niets is te vinden wat op den vlinder 
van den heer Kinker past, zoo komt het mij noodzakelijk 
voor om, voordat ik de beschrijving in het onderhanden 
zijnde tweede gedeelte mijner Vlinders van Nederland opneem, 
eerst aan het nieuwe genus eene meer algemeene bekend- 



24 DACTYLOTA KINKERELLA. 

heid door middel van het Tijdschrift voor Entomologie te 
geven. 

Zoo als ik boven zeide, duidt de eigenaardige vorm der 
achtervleugels , M^elke dezelfde is die men Idìj het genus 
Gelechia Zeiler en eenige verM^ante genera aantreft en welke 
aan den voorsteven van een schip herinnert, duidelijk aan 
waar wij de naaste verwanten te zoeken hebben. Met den 
vleugelvorm zijn ook verder de hoewel korte toch duidelijk 
sikkelvormige lip voelers met spits eindlid en het bosje van 
10 — 12 uitgespreide haren dat men aan de sprietwortels 
opmerkt, in overeenstemming. Verder ontbreken de on- 
derkaaksvoelers of bijpalpen, is de kop glad beschubd en 
ziet men boven aan het middenlid der lipvoelers niets van 
de stijve, langere borstelharen , die ten getale van 5 — G bij 
het genus Tinea en zijne verwanten voorkomen. 

Onder de Gelechiden met scheepsstevenachtige achter- 
vleugels, beslist sikkelvormige lipvoelers en vlak aangezigt, 
worden de genera Psoricoptem , Chelaria , Cleoclora , Ypsolo- 
phus, Nothris, Holcophora, Sophronia en Megacraspedus uit- 
gesloten door aan de achterzijde ruw beschubd eindlid of 
lang gebaard middenlid der lipvoelers. 

Het is dus alleen het oude genus Gelechia Zeiler dat ten 
slotte met het nieuwe dient vergeleken te worden. Von 
Heinemann heeft in zijn boven aangehaald werk beproefd 
om het genoemde, langzamerhand zeer soortenrijk gewor- 
dene, in eenige kleinere genera te splitsen. De uitkomst 
van die poging heeft bij de autoriteiten in de Lepidoptero- 
logie over het algemeen geen' bijval kunnen vinden en bij 
gezet onderzoek ben ik genoodzaakt hetzelfde oordeel te 
vellen. Wel is waar zullen de meesten zijner nieuwe 
genera blijven bestaan, doch hetgeen hij als hoofdkenmer- 
ken vooropstelt, is meerendeels van zeer dubbelzinnigen 
aard. Wanneer wij de analytische tabel der genera , waarin hij 
Gelechia verdeelt, raadplegen (ziep. 188 van zijne a Motten») 
dan vinden wij al zeer spoedig onder A «Das Mittelglied 
der Palpen unten mit lockerer, ausgebreiteter Beschuppung 



DACTÏLOTA KINKERELLA. 25 

oder durch dichte Beschuppung unten erweitert, nie schneidig 
zusammen gedrückt», iets dat ons slechts zelden in staat 
stelt, en dan nog wel bij gave, onafgevlogen exemplaren, 
om te beslissen waar wij den vlinder dien wij determine- 
ren willen , te zoeken hebben. Met het tweede (B) « Mit- 
telglied der Palpen glatt, unten meist schneidig, selten 
unten mit zusammen gedrückter, nicht ausgebreiteter Be- 
haarung )) is het evenzoo. Niet duidelijker schijnen voorts de 
verdere verdeelingen , voornamelijk die welke op de breedte 
der vleugels, het al of niet aanwezig zijn der bijoogen en 
het open of gesloten zijn der middencellen gegrond worden. 
Mij dunkt dat hij tot veel beter gekarakteriseerde en zelfs 
bij afgevlogen exemplaren nog duidelijk herkenbare genera 
zou gekomen zijn , indien hij eerst de nervuur en den vorm 
der palpen tot grondslagen zijner genera had gelegd , 
waarbij wat de nervuur aangaat, vooral de toestand van 
ader 3 — 5 der achtervleugels en van 6 — 8 der voorvleugels 
zeer in aanmerking komt. 

Onzen vlinder te dien opzigte beschouwende, zien wij 
dat ader 2 der achtervleugels ongeveer op | en 3 op | 
van den binnenrand der middencel ontspringt , terwijl in 
de voorvleugels alleen ader 7 en 8 gestoeld in den voor- 
rand uitloopen. Dit heeft hij alleen met PoècUia, Ergatis, 
Argyritls, Monochrociy Lamprotes en Doryphora — allen ge- 
nera van von Heinemann — gemeen. Van alle dezen on- 
derscheidt hij zich iloor het uiterst korte, hoewel spitse, 
eindlid der palpen, dat naauwelijks een derde der lengte 
van het middenlid heeft , en vervolgens door den vorm der 
achtervleugels , wier achterrand onder de punt in cel h eene 
insnijding heeft, even alsof de vleugel gelijk bij de Pte- 
rophoren, gespleten moest worden. De kenmerken van 
het nieuwe genus kunnen dus als volgt worden vastgesteld : 

Voorvleugels lancetvormig, aehtervleugels kmgwerpig vier- 
kant met spitse, uitstekende punt, de franje zeer lang. 

Sprieten weinig langer dan twee derden der voorvleugels, 
draadvormig, het wortellid langwerpig, weinig breeder 



26 DACTYLOTA KINKERELLA. 

dan de schaft, aan de basis met eenige uitgespreide haren. 

Onderkaaksvoelers en zuiger ontbrekende. 

Lip voelers sikkelvormig, met puntig eindlid; het midden- 
hd plat, zoo lang als de kop, onderaan dun, bovenaan 
half zoo breed als de oogen ; het eindlid ter lengte van een 
derde van Ud 2, aan de basis even breed, spits gepunt, 
beiden aan de voorzijde een weinig ruw, aan de achter- 
zijde glad beschubd. 

Kop afgerond , eenigszins plat , met lange , gladgestreken 
schubben bekleed; het aangezigt langwerpig, breeder dan 
de oogen. 

Oogen middelmatig; bijoogen zeer duidelijk. 

Thorax tweemalen zoo breed als de kop, vlak gewelfd, 
glad beschubd. 

Achterlijf een derde korter dan de achtervleugels, dun, 
met korte staartpluim (<?). 

Pooten gewoon gevormd en gespoord, middelmatig lang. 

Voorvleugels met 12 aderen; de middencel smal, spits, 
zonder duidelijken achterrand ; ader 2 en 3 verwijderd van 
elkander op | van haren binnenrand, 4, 5, 6 uit één 
punt divergerend uit de spits bij den steel van 7 en 8, 
deze in den voorrand uitloopende; 9, 10 en 11 verwijderd 
van elkander; ^12 kort. Geene aanhangcel. 

Achtervleugels met zigtbaren doch korten binnenrand, 
ufgeronden binnenrandshoek en op ader 4 afgerond-hoekig 
gebogen achterrand; deze onder de lange punt ingesneden. 
Franje { langer dan de breedte der vleugels. 

Binnenrandsaderen der achtervleugels zeer onduidelijk. 
Ader 2 op |, 3 op 4 van den binnenrand ontspringende; 
4 en 5 uit één punt uit haren binnenrandshoek ; de dwars- 
ader terugtredende, naar boven ophoudende en de mid- 
dencel open ; ? 6 ontbrekende *) ; 7 de voortzetting van 
den voorrand der middencel, zeer nabij den vleugelvoor- 



1) Ue ac'htervlcugels liebLeii aan beide zijden op die plaats eeiie plooi, waardoor 
het niet mogelijk is om te zieu of ader 6 inderdaad aanwezig is en waar zij ontspringt. 



DAGTYLOTA KINKERELLA. 27 

rand loopende en in de vleugelspits eindigende ; 8 zeer kort. 

De voor- en binnenrand der voorvleugels zijn parallel 
en vrij vlak; de franje aan de vleugelpunt afgerond. Grond- 
kleur van palpen, sprieten, kop, thorax en voorvleugels 
een grijsachtig krijtwit, de laatsten tegen den achterrand 
en punt en zelfs op de franje, in toenemende mate met 
donkergrijze schubben bestrooid, die geene teekeningen 
vormen, behalve eene flaauwe deelingslijn op het midden 
der iets geelachtige franje. Achtervleugels lichtgrijs met 
geelachtige franje. Achterlijf eveneens lichtgrijs met grijs- 
v^^itte, korte staartpluim. Onderzijde grijswit, tegen de 
vleugelpunten ophelderende en over de franje der voor- 
vleugels ook hier een paar, van de vleugelpunt uitgaande, 
bovenaan gebogen beginselen van deelingslijnen. De mid- 
dencel der voorvleugels beslaat ongeveer een derde van 
de breedte der vleugels en reikt tot | van hunne lengte, 
die der achtervleugels is ruim half zoo breed als de vleugel 
en f zoo lang. 

Het voorwerp, een mannetje, is den 5'''" Junij 4865 bij 
Noordwijk door den heer Kinker gevangen, waarschijnlijk 
aan den duinkant. 

Welligt staat deze soort niet alleen in haar genus en is 
onder het genus Doryphora v. Hein. misschien wel de eene 
of andere die met Klnkerella verbonden moet worden. 



GESCHIEDENIS VAN EEN' SPINNEN-COCON 
(AG E LE NA S. AG ROE CA BRUNNE A Blackw.), 

DOOR 

A. W. M. VAN HASSELT. 

(Met eene Plaat). 



«Die zoekt, die vindt» is een spreekwoord, dat vol- 
strekt niet altijd wordt bewaarheid, of ten minste dikwijls 
niet dan na zeer langen duur. Indien men maar doorgaande 
wist, waar moet worden gezocht, zou de beshssing voor- 
zeker minder lang op zich laten wachten, dan nu veeltijds, 
zonder dit, het geval is. 

Een en ander heb ik op nieuw en ruimschoots onder- 
vonden bij mijne vele pogingen om tot eene ontdekking 
te geraken , die mij ten slotte — en dit was niet het aan- 
genaamste loon voor mijne nasporingen, — bleek, geene 
wezenlijke «ontdekking» te zijn. Desniettemin ben ik van 
meening, zoowel om het belangwekkende van het voor- 
werp zelf, als wegens den zeldzamen, met hindernissen 
doorweven gang van het onderzoek, een getrouw ver- 
slag te mogen geven van een onderwerp, waarvan ik in 
eene onzer Vergaderingen te Leiden, reeds in 1870, voor- 
loopige melding maakte, en waarop ik, in onze jongste 
bijeenkomst te Amsterdam, de aandacht onzer medeleden 
nogmaals vestigde. 

Ik ga daartoe des te liever over, dewijl nog altijd enkele 
min of meer duistere punten overblijven, in de hoop, dat 
andere arachno- en entomologen daardoor mogen worden 
opgewekt, tot verdere toelichting mede te werken. 



GESCHIEDENIS VAN EEN' SPINNEN-COCON , ENZ, 29 

Men weet, dat er sommige cocons van spinnen voor- 
komen, die opgehangen zijn of bevestigd aan meer of 
minder lange aanhangsels of stoeltjes. Hieronder zijn het 
meest bekend de groote cocon van Epeira (Meta) fusca 
Blackw. en de kleine van Theridkmi (Ero) variegatum van 
denzelfden schrijver, terwijl ik, passim, daarvan o. a. ge- 
wag vond gemaakt voor Llnyphla zonata Walck., afgebeeld 
door Vinson, en voor Theridion trigonum Hentz , uit Noord- 
Amerika. 

Onder deze dus te noemen gesteelde cocons is er één, 
ook inlandsche, vorm, die nu reeds sedert ongeveer acht 
jaren, — als wanneer ik dien in 1868 voor het eerst van 
mijnen ijverigen vriend Heylaerts *), uit de omstreken 
van Breda, mögt ontvangen, — mijne bijzondere aandacht 
tot zich had getrokken , te meer daar ik toenmaals , au 
premier abord, getwijfeld had , of die wel tot de « spinnen »- 
cocons behoorde. 

Het betreft een uiterst sierlijk, sneeuwwit, half zijde-, hal C 
papier- of perkament-achtig , niet bepaald glad, doch vol- 
strekt ook niet wollig of harig, kegel-, klok- of flesch- 
vormig ^) coconnetje, van eene zeer zamenhangende 
textuur, door een overal vastzittend, circulair, vliesachtig 
dekseltje of operculum, van dezelfde kleur en aard, doch 
fijner of dunner van weefsel, aan de basis van den conus 
gesloten (Plaat 1 Fig. 4 a) *), ter grootste lengte en 
breedte, — met het steeltje gemeten, — van 12 à 14 op 
6 à 7 millim., terwijl de meesten, die ik bezigtigde, 
maten van 8 à 10 op 4 à 5 millim., en de allerkleinsten 
die ik zag van 6 op 3 milhm. waren. In droogen toestand 



1) Met dankbaarheid moet ik vermelden , daarvan later ook enkele exemplaren te 
hebben gekregen van de beeren Snellen van VoUenhoven, Ritsema, W. Albarda, 
Leesberg en Swierstra. Tot liiertoe echter heb ik er zelf nog nimmer een iu natura 
mogen aantreffen. 

2) Anderen vergeleken het met een vaatje of tonnetje, met een korfje of mandje 
met een vruchtje, ook wel met een hangend wespennest in miniatuur. 

3) Ik dank deze teekcniugen aan de begaafde liand van mijnen vriend Snellen 
van VoUeuhüven. 



30 GESCHIEDENIS VAN EEN' SPINNEN-GOCON 

is het spinsel ondoorschijnend, doch bij alcohol-exemplaren 
ziet men de meestal zwavelgele , soms meer witte , ovula 
aan den top van den kegel , digt bij het ondereinde van den 
steel, doorschemeren (Fig. 1 b). De eitjes bevinden zich 
daar in een zeer dmi, bolrond, afzonderlijk vliesje, bij die 
ik onderzocht, ten verschillenden getale van 12 tot 32 ^). 

Nog valt beschrijvenderwijze op te merken, dat van de 
ovula af tot aan het cocon-dekseltje duidelijk eene betrek- 
kelijk groote, vrije ruimte openblijft, en dat de lange, op 
de plaats van aanhechting trechtervormig verbreede cocon- 
steel , vooral bij bezigtiging in spiritus , mede hol blijkt 
te zijn, als het ware den hals van het fleschje vormende. 

Het heeft zeer lang geduurd voor en aleer mij iets om- 
trent den waren oorsprong van dit coconnetje bekend werd , 
zoodat Heylaerts het langen tijd in zijne brieven en ge- 
sprekken steeds de benaming van den « mystieken » cocon 
toelegde. Deze uitdrukking, was des te eigenaardiger , dewijl 
ik, reeds sedert de eerste jaren mijner nasporingen, zonder 
het te weten, een volwassen paartje van de spinsoort, 
waarvan het afkomstig is, onder mijne toenmalige species 
incognitae heb bezeten, ieder afzonderlijk, het ^ ik weet 
niet waar of door wien, de ? door mij zei ven in de om- 
streken van Utrecht gevangen, echter zonder cocon, en 
zonder toen te vermoeden, dat hun coconnetje ons later 
inderdaad zóó zoude mystificeren. 

De oorzaak was hierin gelegen, dat geen der waar- 
nemers, die dit eijernestje bij ons te lande hadden ge- 
vonden, op, bij, of tijdens de vervaardiging daarvan, het 
moederdier, de ware auteur of «actrice» daarvan, hadden 
aangetroffen ^); trots diens vele pogingen daartoe , is zulks 



1) lu de meeste cocous, die ik opende, voud ik van 12 tot 18 oviila; in een 
tweetal der grooteren zag ik eens 15 ovula en 16 pulluli, eeu andermaal 13 ovula 
en 19 pulluli. 

2) Uit de beschrijving van Blackwall, Histori/ of Spiders, pag. IGO, kan ik niet 
duidelijk opmaken, of zulks al dau uiet aan zijn' zegsman, Hardy, is te beurt ge- 
vallen; evenmin, uit de later aan te halen beschrijving van Lucas, of Simon het 
heeft zien maken. 



AGELENA S. AGROECA BRUNNEA. 31 

tot hiertoe ook aan den heer Heylaerts nog nimmer mogen 
gelukken. 

Tot heden werd deze cocon nog slechts in vier onzer 
provinciën waargenomen, t. w. liet meest veelvuldig in 
Noordbrabant (door Heylaerts , W. All^arda en Leesberg in 
de omstreken van Breda) , voorts in Utrecht (door Ritsema 
bij Baarn, door Maitland bij de Vuursche en door Swierstra bij 
Soest), eens in Gelderland (door Ritsema bij Arnhem) en 
eens in Noordholland (door Snellen van Vollenhoven bij Hil- 
versum). Dat het echter meer algemeen voorkomt, is zeer 
waarschijnlijk, althans heb ik onlangs van de jonge spin- 
net] es , waaraan het wordt toegeschreven, twee exemplaren, 
ook in Zuidholland (omtrek van 's Gravenhage , z. g. Sche- 
veningsche boschjes) zelf ontmoet. 

Dit coconnetje wordt meestal gevonden op heidestruiken 
{Erica vulgaris en andere soorten), of ook wel aan gras-, 
riet- of bies-halmpjes vastgesponnen. De Geer, Simon, 
Lucas, Menge, Blackwall althans en onze Hollandsche 
waarnemers noemen allen de Erica in de eerste plaats. 
Bovendien vind ik, meer bij uitzondering, opgegeven: aan 
hagedoorn (Doumerc) , aan sparrenaalden (Böhm) , aan mos 
en aan brem (Hardy), aan den bast of op korstmos van 
Pimis sylvestris (Heylaerts en Leesberg), aan beukenstam 
(W. Albarda), onder aan een rasterwerk (Swierstra). 

Behalve de onzekerheid in de mij bekende opgaven, of 
wel ooit een der waarnemers de juiste wijze van vervaar- 
diging van dit coconnetje door eene bepaalde spinsoort 
zelf heeft geconstateerd, bestaat er eene tweede bron van 
mystificatie ten dezen opzigte in de omstandigheid, dat 
het er niet altijd zoo zuiver en fraai uitziet als boven 
beschreven werd. De bevallige gedaante er van toch 
wordt somtijds, hetzij volgens enkelen toevallig of passief, 
door beregenen en bestuiven , of door bespatten met mod- 
der '), hetzij, en dit komt mij veel waarschijnlijker voor, 

1) Zoo meent Menge, ani de steel eerst door den regen wordt verweekt en dat 
dan Let nederhangende flcselije of klokje met stof en zand wordt bestoven. 



32 GESCHIEDENIS VAN EEN' SPINNEN-COCON 

opzettelijk of actief , door de spin zelve, gemaskeerd of aan 
het oog onttrokken. Misschien ook gebeurt nu eens het eerste , 
dan het laatste. Hoe dit zij , men treft meermalen exemplaren 
aan, die zoodanig geheel en al omkleed of bepleisterd zijn 
met een meer of minder dik laagje aarde, leem en zand, 
dat de oorspronkelijke kleur en vorm ten deele of geheel 
onkenbaar, en de cocon zelf grooter en somtijds meer 
bolvormig wordt (Plaat 1 Fig. 2). Enkele dergelijke exem- 
plaren, — die ik alleen van Ritsema heb gekregen en die 
bij ons zeldzamer schijnen voor te komen, of, omdat ze 
niet zoo zeer in het oog vallen , minder de opmerkzaamheid 
tot zich trekken, — had ik langen tijd in mijn bezit, 
zonder te vermoeden , dat ze met het fleschvormig coconnetje 
identisch waren. Later bij één daarvan den bouw en inhoud 
naauwkeuriger willende nagaan, ontdeed ik dit, na ma- 
ceratie in laauw water, zooveel mogelijk van de aanhan- 
gende aardlaag , en kon ik alstoen het oorspronkelijke , nog 
witte klokje, duidelijk herkennen. 

Als eene derde reden van twijfel omtrent de identiteit 
van onzen « nidus mysticus » moet nog worden aangevoerd , 
dat deze cocon nu eens hangende aan het steeltje, dan 
eens overeind geplaatst, als op het steeltje staande, 
wordt aangetroffen (Vergelijk Plaat 1, Fig. 4 en 7). De laatste 
toestand schijnt als de oorspronkelijke te moeten worden 
aangemerkt, terwijl die later, of alleen door wind en regen, 
of door het zwaarder worden der ovula , of vooral door het 
bedekken met modder, enz. in den benedenwaarts gerigten 
stand overgaat. 

In de eerste jaren toen ik deze coconnetjes leerde kennen 
kon ik maar volstrekt niet uitvinden, wie er toch de ar- 
chitecten van zouden zijn. Hahn u. Koch en Westring hadden 
er niets over geboekt; bij Walckenaer vond ik er eerst niets 
over, omdat het mij niet in de gedachte kwam, er zijne 
Attides over te raadplegen; bij Blackwall zag ik het over 
het hoofd, omdat hij de spin op eene andere plaat dan die 
van het eijernestje toekent , en dit laatste , vooral het onbe- 



AGELENA S. AGROECA BRUNNEA. 33 

pleisterde, niet zeer duidelijk; het werk van Simon bezat 
ik toen nog niet, en de Afdeeling van Menge, waarin deze 
dit onderwerp behandelt, kwam eerst veel later uit. 

Het eerste licht ging mij op uit eene schetsteekening 
(Plaat 1 Fig. 3) en beschrijving van de Geer, — die zeker 
wel als de ontdekker er van mag worden genoemd , — 
in de Abhandlung zur Geschichte der Insekten, Nürnberg, 
^783, 7'" Th. Tab. 13 Fig. 10. De uit de eijeren voort- 
gekomen jongen wist hij echter niet te bestemmen. Wel 
is waar beschreef hij de oogen, te regt, als te staan in 
« zwey Querliniën » , doch teekende hij , volgens den vorm 
en oogenstand, meer eene Lycoside af. Eene overeenkomstige 
schetsteekening van eenen « glockenförmigen cocon » , doch 
zonder eenige aanwijzing omtrent de maakster, en waar- 
schijnlijk slechts aan den vorigen schrijver ontleend, vond 
ik bij Giebel, Güederthiere , S 370, 

Uit Böhm's Illnslrirtes Thierlehen , &" Band S, 594, zond 
Heylaerts mij toen eene teekening van een regtopstaand 
nestje (Plaat 1 Fig. 4). Zonder de species te vermelden, 
schrijft Böhm dit mede aan eene Lycosa of « Wolfspinne » toe. 

A priori nogtans kon ik aan deze meeningen geene waarde 
hechten, aangezien dergelijke cocon eene te groote afwij- 
king zou zijn bij de Lycosides, die, zoo als men weet, hare 
eijerzakjes óf aan het achterlijf, óf met de monddeelen 
met zich voeren. 

Eerst toen kwam ik in het bezit van Simon's Histoire 
naturelle des Araitjnées , alwaar ik het, op p. 322, — alhoe- 
wel bij beide figuren, zoowel die in natura als in door- 
snede , eenigszins misteekend , — toch duidelijk genoeg her- 
kende (Plaat 1 Fig. 5). Hij had onzen cocon zelf bij Spa 
gevonden, doch kende blijkbaar destijds de fabriekante er 
van niet , dewijl hij deze , op voetspoor van Walckenaer , 
tot de Attldes bragt, onder den naam van Alius Doumerci 
(naar den eersten Franschen waarnemer er van). Zijne 
toenmalige beschrijving van het eijernestje komt dan 
ook geheel met die van Walckenaer, Aptères I, p. 425, 



34 GESCHIEDENIS VAN EEN* SPINNEN-COGON 

overeen. Doch ook hier twijfelde ik a priori zeer, of deze 
cocon wel afkomstig kon zijn van eene Attide. Al de mij 
bekende springspinnen toch vervaardigen hare eijerzakjes 
op eene hoogst eenvoudige, gewone wijze, en blijven ook 
meer in de nabijheid er van, terwijl hier tot nog toe bij 
ons geen enkel fleschje met het moederdier er op of er 
bij was aangetroffen. Het gelukte mij maar niet (evenmin 
als tot heden), beiden gelijktijdig in mijn bezit te krijgen. 
Eens ontving ik een coconnetje van Ritsema, waarop hij 
eene doode spin had gevonden; doch deze herkende ik als 
eene verdroogde Epeira patagiata ?; een ander maal zelfs 
kreeg ik er een van Heylaerts met een verschrompeld 
exemplaar van Zilla reticulata e? er bij; nog eens enkelen, 
van denzelfden, met jonge individuen van Meta tigrina er 
bij , van welke allen ik den zeer gewonen cocon-vorm 
kende en die dus niet in aanmerking konden komen. 

Hoofddoel werd toen te trachten, versehe «fleschjes» te 
doen uitkomen en de pulii op te kweeken. Dit gelukte aan 
Heylaerts een paar malen, maar als ik ze kreeg, waren 
ze dood en onherkenbaar verdroogd. Toch kon ik daaruit 
toen reeds , microscopisch , met voldoende zekerheid uit den 
oogenstand herkennen, dat wij hier noch met eene Lycosa- 
noch met eene Attus-soori te doen hadden , zoo als ik trouwens 
reeds lang te voren vermoed had. Eindelijk en ten laatste 
kreeg ik ook zelf, in een doosje met glazen deksel, en 
onder dagelijksche besprenkeling met water, in 't laatst 
van Julij 1872, een gewonen (niet bepleisterden) cocon uit ^), 
met 3 pulluli, waarvan twee niet groeijen wilden en spoe- 
dig stierven. De derde, geplaatst in eene flesch met zand 
en mos op den bodem en verder gevuld met heidetakjes, 
hield ik in leven, 't Was een wijfje, dat echter slechts 
zeer langzaam ontwikkelde, doch nadat ik het met ovula 



1) Op dit oogenblik heb ik weder twee fleschjes met enkele uit den cocon ge- 
komen pulluli, één, bij mij, van Heylaerts; één, bij hem, vau Leesberg; ik voed 
deze met jonge spiunetjes van zeer kleine soorten, die ze gretig verslinden, of met 
stukjes van meelwormen, doch dagelijks sterveu er eenigen. 



AGELENA S. AGROECA BRUNNEA. 35 

en zeer kleine pulluli van Epeira diadema was begonnen 
te voeden, meer en meer opgroeide en bij herhaling ver- 
velde. Bij gebreke van ander voedsel gaf ik het toen 
kleine vliegen en muggen, maar zag nooit, dat zij dezen 
aantastte. Toen geene verdere ontwikkeling waarnemende, 
was ik van voornemen, in 't laatst van October, mijne 
«mystieke» voedsterling , die nu in alle opzigten voldoende 
ontwikkeld was om haar te kunnen determineren, daar- 
toe, en ter conservatie voor mijne collectie, op spiritus 
te zetten. Daar ik onverwachts uit de stad moest, stelde 
ik dit eenige dagen uit, nadat ik vooraf (wat bij 't kweeken 
van jonge spinnetjes onmisbaar noodig is) eenige drop- 
pels water in de flesch had gegoten. Nooit echter heeft 
mij eenig uitstel zoo veel « natuur))-leed gedaan ! Ieder 
natuuronderzoeker zal zich mijne onbeschrijfelijke teleur- 
stelling kunnen verbeelden , want van mijn uitstapje terug- 
gekeerd en terstond mijne kweekflesch ter hand nemende , 
kon ik daarin, in het eerst, geen spoor meer van mijne 
zeldzame kweekeling ontdekken. Wat was er gebeurd? 
De flesch was van boven bekleed geweest met een nog al 
ver afhangenden zwarten zijden lap, met een gaatje er in, 
waardoor ik gewoonlijk voedsel en water aanbreng, zoodat 
ik niet had gezien, dat zich daar ter plaatse een der 
Epeira-'^wW.i , buiten mijn weten (daar ik altijd op den 
bodem keek, alwaar mijn spinnetje zich standvastig, tus- 
schen het mos , ophield) gevestigd , en helaas ! ontwikkeld 
had. Deze bedekking nu voor het eerst wegnemende , 
vond ik in hare ragdraden de geheel onherkenbare, be- 
paald « tristes restes » van mijne « schoone onbekende » ! 
Mijn experimentum, crucis was alzoo voor een groot deel 
mislukt. Volkomen zekerheid althans eener, voor mij toen 
nieuwe, waarneming was mij ontgaan. Toch had ik in 
de drie maanden, die ik mijn jeugdig geelbruin exem- 
plaartje , met zwart gestreepten céphalothorax en abdomen 
trots zijne lange achterbeenen en ongemeen snellen gang. 



36 CxESGHIEDENIS VAN EEN' SPINNEN-GOCON 

ter loops doch bij herhaling had kunnen bespieden, mij 
ten duidelijkste kunnen overtuigen: 

1°. dat het geene Lycosa was; 

2°. dat het ook niet tot de Attides behoorde; 

3°. dat de oogenstand het meest met die der Agelenides 
scheen overeen te komen; en 

4°. dat de habitus groote analogie vertoonde met dien, 
welken wij bij Tegenaria en Pïulolca gewoon zijn aan 
te treffen. 

Eerst na het beschreven échec kwam ik er toe, de Age- 
leniden mijner collectie met het mij nog duidelijk voor- 
zwevende beeld mijner «verslagene» te vergelijken, en 
meende ik , met een' hoogen graad van waarschijnlijkheid , 
mijne élève te mogen brengen tot de Agelena brunnea van 
Blackwall, waarvan ik eerst toen ontdekte, dat ik een 
volwassen paartje bezat; doch vertrouwde ik mij niet ge- 
noeg, om deze (would be) ontdekking destijds te publiceren. 
Ik bespeurde toen mede, dat Blackwall dit (of een zeer 
analoog) coconnetje kende niet alleen (p. 160), maar het 
ook, iets vergroot en eenigszins gewijzigd, had afge- 
teekend , echter niet bij zijne Agelena , maar op eene afzon- 
derlijke of andere ^ ) plaat (History of Spiders , Plate xii) , 
overgenomen bij mij Plaat 1 Fig, 6, waardoor, — alsmede 
door zijne flaauwe schets van den onbepleisterden cocon , die 
in vorm geheel afwijkt van zijn' bepleisterden, — ik het 
langen tijd over het hoofd had gezien. Later herkende ik 
het ook, duidelijker, op eene teekening van Menge, toen 
ik diens IV* Abtheilung Preussische Spinnen in handen 
kreeg (S. 285, Tab. 165), bij mij overgenomen op Plaat 1 
Fig. 7. 

Zooverre gevorderd met mijne nasporingen ontving ik 
den laatsten, niet het minst krachtigen steun voor de be- 
sprokene diagnose, toen mijne opmerkzaamheid, ik meen 



1) De Agelena brunnea zelve is bij Blackwall te vinden op Plate x. Bij mij 
overgenomen onder a nog onbepleisterd , onder b bejjleistei'd. 



AGELENA S. AGROECA URUNNEA. 37 

door den Heer Ritsema, gevestigd werd op eene mededee- 
ling ad hoc van Lucas , in het Bidlelin des séances de la Soc. 
Entomol. de France, van 11 Junij 1873, en vond ik nu hij 
dezen, wat ik zoo langen tijd met zoo groote moeite had 
gezocht. 

Hoezeer overeenkomende met veel van het voorafgegane 
is de heschrijving van Lucas merkwaardig genoeg, om in 
extenso te worden overgenomen: 

«J'ai fait connaître, — zegt hij — en 1870, un cocon 
très remarquable par sa forme, et que j'ai considéré alors 
comme étant construit par VAltus Doumercl Walck. Notre 
confrère Simon, dans son Histoire nalurelle etc., a repré- 
senté cette singulière habitation et a formé avec l'aranéide, 
qui en est l'architecte, un sous-genre, auquel il a donné 
le nom de Lagénicole. D'autres auteurs, parmi lesquels je 
citerai M. Simon lui-même, ont depuis étudié ce cocon, 
et ont reconnu, que cette habitation n'était pas con- 
struite par une aranéide de la famille des Attides, mais 
bien par VAgroeca {Agelena) brunnea Blackw Ce qui a 
causé (?) cette erreur ') , c'est que l'on trouve assez 
souvent (sic) le cocon de cette aranéide entièrement nu, 
c'est à dire non achevé (?), pas encore recouvert à l'ex- 
térieur de Unes parcelles de sable et de terre, dispo- 
sées de manière a cacher aux yeux de l'observateur le 
tissu blanc mat soyeux, qui compose l'enveloppe. C'est 
dans cette condition, que j'ai étudié dernièrement, avec 
notre confrère J. Kunckel, un cocon de cette aranéide, 
contenant des œufs fécondés, dont j'ai obtenu plusieurs 
éclosions. En examinant les jeunes aranéides, qui en sont 
sorties, j'ai remarqué, qu'elles sont entièrement d'un blanc 
testacé 2), et que les organes de la vision sont disposés 



1) Het is mij niet regt duidelijk, waarom de omstaudiglieid , dat men dczeu 
cocon in twee vormen aantreft, «oorzaak» kan geweest zijn, dat men dien vroeger 
aan eene A((us-soovt toeschreef! 

2) Dit was even zoo bij mijne pulluli; docJi ze worden zeer spoedig donkerder, 
bruingeel, van kleur. 



38 GESCHIEDENIS VAN EEN' SPINNEN-COGON 

comme chez les espèces du genre Agroeca. Quand , au con- 
traire, après avoir étudié ce même cocon ainsi protégé, 
on l'isole ensuite de son enveloppe, on retrouve cette habi- 
tation telle qu'elle a été décrite et figurée, affectant la 
forme d'une bouteille. Ce cocon extrêmement curieux se 
trouve assez abondamment en Normandie (Honfleur), fixé 
aux ramuscules de l'Erica vulgaris; aussi en Bretagne; etc.». 

Een en ander overgenoeg, om de analogie onzer afzon- 
derlijk gedane waarnemingen ten dezen voldoende te be- 
vestigen. 

Nog eene aanwijzing, dat de door hem en mij beschreven 
cocon overeenkomt of althans analoog is met dien van 
Blackwall zei ven, mag worden gevonden in het feit, dat 
uit een mijner Hollandsche cocons een parasitische Ich- 
neumon is uitgekomen en wel van dezelfde soort als door 
Black wall (Plate xii) is afgebeeld, te weten een vrouwelijk 
exemplaar van Pezomachus fasciatus. 

En hiermede zou ik deze , misschien reeds al te lange , 
«cocon-geschiedenis» kunnen besluiten, ware het niet dat 
zich bij mij nog steeds enkele punten van twijfel voordoen, 
over de volkomene identiteit der tot hiertoe als maak- 
ster aangeduide spin, en vooral over de vraag: of als zoo- 
danig slechts één of misschien meer soorten van het 
geslacht Agroeca behooren te worden genoemd? 

Hoewel, namelijk, mijne beide exemplaren dezer spin, 
als gezegd, het meest overeenkomen met Agelena brimnea 
Blackw. ben ik toch niet geheel zeker, voornamelijk niet 
wat betreft den oogen stand ^). Daar Blackwall de zijnen 
tot het genus Agelena brengt, beschrijft hij dit geslacht, te 
regt, voor beide rijen der oogen, «with convexity directed 
backwards». Zulks nu geldt bij de mijnen wel voor de 
schedeloogen , maar zeer veel minder of zelfs niet voor 
de voorhoofdsoogen , die mij toeschijnen nagenoeg in eene 



1) Dewijl ik slechts van iedere sexe één volwassen spiritus-exemplaar bezit, 
heb ik, uit vrees voor beschadiging, de overige fijnere anatomische verschillen, ver- 
gelijkenderwijze, nog niet kunnen nagaan. 



AGELENA S. AGROEGA BRUNNEA. 39 

regte lijn te staan. Ook vind ik niet, dat de middeloogen 
der voorste rij « blijldjaar » grooter zijn dan de overigen. 
Doch dit is hier eenigszins moeijelijk te zien, omdat de 
oogen op een' zv^^arten grond staan of door zwarte ringen, 
die deels ineenvloeijen, zijn omgeven. Ik vind in de grootte 
althans veel minder verschil , dan in den vorm , die mij , 
zoowel bij de voorste als achterste laterale oogen, meer 
ovaal dan bolrond toeschijnt. Intusschen is Blackwall , 
op dit punt, minder vast in de leer geweest, daar hij de 
oogen, op de afbeelding der ?, teekent volgens zijne be- 
schrijving, doch juist tegenovergesteld, d. i. met vóór- 
waartsche convexiteit, op de figuur van het <?! Ook staan 
bij mijne exemplaren de zijdelingsche oogen digter bij 
elkander dan hij ze voor Agelena in het algemeen, bij A. 
labijrlnthica , afteekent. 

Zeer te regt is derhalve de Agelena hrunnea Blackw. van 
de typische Agelena moeten worden afgezonderd , niet alleen 
wegens den oogenstand, maar onder anderen ook om de veel 
kortere spintepels , en wordt zij nu algemeen gebragt tot het 
genus Philoeca of Philoica C. Koch , synoniem met dat van 
Agroeca Westring. Doch er bestaat hier nog eenige naamsver- 
warring voor de species. Mij althans is het niet helder, dat 
A. hrunnea Blackw. identisch zou zijn met Agroeca Unotina 
Westring en deze weder met PhUoica Unotina C. Koch. Immei s 
men komt hier vooreerst niet uit voor de oogen , — waarvan 
bij Agroeca Unotina Westr. de beide rijen worden gezegd in 
eene voor- en benedenwaartsche curvatuur gerigt te staan , — 
en ten anderen is Philoica Unotina C. Koch eene bepaald 
kleinere spinsoort dan A. hrunnea Blackw. ; doch dit is van 
minder belang; daar Koch alleen de ? afbeeldt, kan hij een 
nog niet volkomen ontwikkeld individu voor zich hebben 
gehad. Daarentegen kon ik het meer donker gekleurd zijn 
van de uiteinden der ledematen zijner Ph. Unotina, bij 
de exemplaren van A. hrunnea, die ik waarnam, niet con- 
stateren. 

De (.iAgalena hruneay) Blackw., zoo als die wijders door 



40 GESCHIEDENIS VAN EEN' SPINNEN-COCON 

Menge wordt genoemd en beschreven, gelijkt nog minder 
naar de ware Agelena bnmnea Blackw. Menge zegt daarvan : 
de oogen zijn als bij andere Agalenae {A. labyrinthica enz.) , 
d. i. dus op beide rijen, met duidelijk achterwaartsche curva- 
tuur ; dit is nogtans voor de ware A. bnmnea Blackw. niet 
volkomen juist , zoo als reeds is opgemerkt ; daarenboven tee- 
kent liij zijne A. abruneay) met lange spintepels, terwijl de ware 
A. brunnea slechts korte mamillae bezit; evenmin vertoont 
deze laatste eenig spoor van het roodachtige vlekje aan het 
achterlijf, waarvan bij Menge sprake is , en zoo als dit bij som- 
mige Aijelenae {labyrinthica en similis) veeltijds gevonden 
wordt. Het komt mij dus zeker voor, dat de spin , door Menge , 
bij ons coconnetje *), als A. brunea beschreven, niet de 
A. brunnea van Blackwall (geen Agelena , maar eene Agroeca) 
is. Dit is dan ook met overtuiging door den beroemden 
arachnoloog Thorell opgemerkt (On Synonyms p. 565). Thoreil 
is van oordeel, dat A. brunea van Menge meer te brengen 
is tot eene of andere '^^lTQ Agelena-^oori , zoo als A. gracilis 
oî gracilens C. Koch, of misschien wel tot /I. similis Keyser- 
ling. Wat A. similis echter betreft, kan ik mij met dit 
vermoeden van Thorell minder vereenigen, vooral omdat 
Menge zelf deze, even te voren, afzonderlijk, als eene 
subspecies of variëteit van ^. te6^riw^/^ica beschrijft, hetgeen 
mij, volgens een enkel exemplaar van similis in mijn bezit, 
meer toelacht. 

De tweede twijfel , in deze « geschiedenis », waarvan ik ge- 
waagde , is : of er maar één spin-soort is, die den beschreven 
lleschvormigen cocon vervaardigt ? 

Dat Agroeca bnmnea er een' zoodanigen maakt, is door 
onze gemeenschappelijke onderzoekingen als voldoende 
bewezen te achten; alleen moet ik herhalen, niet met 
zekerheid te weten, of iemand dit spinnetje daarbij aan 
het werk heeft gezien. 



1) Menge erkent dan ook zelf, niet te weten, of dit coconnetje iverkelijk door 
zijne A. hrunea vervaardigd wordt. 



AGELENA S. AGROEGA BRUNNEA. 41 

Daar er intussclien volgens de, altijd zoo hoogst naauw- 
keurige, vergelijkingen van ïhorell reeds een drie-tal soorten 
van het Ageleniden-geslacht Agroeca bekend zijn , — wijl hij , 
behalve onze A. bnuinea nog van nabij kennis heeft gemaakt 
met eene analoge species, de Agroeca Haglmidü, en uit de 
verte met nog eene meer verschil opleverende, (contra 
nomen) Agroeca proxima genaamd, — zou het niet onmogelijk 
v^rezen, dat ook deze soorten eene even groote virtuositeit 
in den cocon-bouw bezaten, als A. brimnea. 

Zoowel de door mij geziene nestjes als de mij bekende 
teekeningen daarvan doen mij dan ook twijfelen, of die wel 
allen door dezelfde soort zijn opgebouwd. Inzonderheid 
kwam ik daartoe door de nog al van de overigen afwijkende 
afbeelding van Blackwall (Fig. 6, nobis). 

Hij teekent, namelijk, zijn onbepleisterd coconnetje be- 
trekkelijk breeder, minder langwerpig, en zonder den eigen- 
aardigen steel. Zijne bepleisterde cocons teekent hij verder 
meer ovaal dan wel rond of hemisphaerisch , zoo als de 
onzen zijn. Die vond ik dan ook inderdaad soms bekleed met 
aarde of modder («mud» zoo als Blackwall zelf schrijft), terwijl 
de teekening van Blackwall meer wijst op eene bedekking met 
mos. En wat de grootte aangaat, zoo treft men, althans 
bij ons, de onbesmeerde fleschjes zeker slechts hoogst 
zelden aan tot een « diameter van { En geischen duim » 
(Black w.). 

Verder teekent Blackwall aan , dat in de cocons van zijne 
A. hrunnca van 40 tot 50 ovula worden gevonden. Zóó velen 
waren er in geen der door mij onderzochten aanwezig; ik 
vond er, bij uitzondering, hoogstens 32. Echter heb ik zelf 
doen opmerken, dat de grootte der hier gevonden cocons 
aanmerkelijk kan verschillen, zelfs voor eene en dezelfde 
soort (?) tot om de helft ; het onderscheid van 32 tot 40 à 50 
eijeren behoeft dus niet bepaald in strijd te worden geacht met 
identiteit, maar toch is het, met het oog op mijne twijfel vraag, 
niet onbelangrijk op te merken, dat een zóó groot aantal 
ovula voor onze Agroeca zeker tot de hooge uitzonderingen 



42 GESCHIEDENIS VAN EEN' SPINNEN-GOCON ENZ. 

behoort. Immers , bijna gelijkluidend bij de meeste schrijvers, 
bepaald bij de Geer, Doumerc en Simon, wordt, overeen- 
komstig met den regel bij de onzen, van niet meer dan 
van 12 à 15 ovula of pulii gewag gemaakt. Nog trok het, 
op dit punt, mijne aandacht, dat de kleur der eijeren in 
de meeste coconnetjes zwavelgeel, echter in sommigen 
geelwit, soms zelfs melkwit was. 

Het was uithoofde van deze opmerkingen , dat ik meende 
geregtigd te zijn tot de vraag, of er welligt niet twee 
of meer Agroeca-soorien overeenkomstige, doch niet geheel 
gelijke, eijerzakjes maken, in grootte, inhoud en bepleis- 
tering 1) onderling eenigermate verschillende. Heeft Lucas 
ook wel regt, om de nog naakte cocons met de aanwij- 
zing van «non achevé » te bestempelen ? Dit is zeker , dat 
ik in zeer vele volgens hem «niet voltooide» coconnetjes 
de gaatjes heb gevonden, waardoor de pulii hen hadden 
verlaten, toch wel een bewijs, dat deze, als zoodanig, aan 
hunne bestemming hadden voldaan. Men ziet, er is hier 
nog niet het laatste woord gesproken; er bestaat nog stof 
tot voortgaande waarneming, en niet het minst omtrent 
den nog ongezienen modus quo der vervaardiging van 
deze hoogst eigenaardige eijerzakjes. Daar ik op onze laatste 
zomer-excursie een bijna volwassen (sedert geheel ont- 
wikkeld) paartje van Agroeca 6ri*wwm had gevangen , meende 
ik op het punt te zijn, deze questie later te kunnen aan- 
vullen. Naar oude en kwade gewoonte echter werd in de 
vorige maand het ^ door de ? verslagen. Dit laatste heeft 
tot hiertoe, vermoedelijk wijl het saizoen verstreken is, 
nog geen spoor van hare merkwaardige flesschen-fabrie- 
kage vertoond. 

'ä Gravenhage , September 1875. 



1) Zoo bijvoorbeeld is het merkwaardig, dat ik slechts eens uit Utrecht van 
Eitsema enkele bepleisterde cocons verkreeg, terwijl de zeer velen mij overigens van 
daar eu elders toegekomen steeds naakt of onbepleisterd waren. 



BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER 

INSECTEN-FAUNA VAN HET NOORDELIJKSTE 

GEDEELTE VAN SUMATRA, 



O. RITSEMA Cz. 



Van half Januari] tot half Julij 1874 maakte mijn broe- 
der , de heer M. L. Ritsema , als Officier van gezondheid 
tweede klasse, deel uit van de tweede militaire expeditie 
tegen het rijk Atjeh, het noordelijkste gedeelte van het 
eiland Sumatra. 

Ook hier, even als vroeger op het eiland Bali (tijdens de 
expeditie van 1868) , maakte hij den weinigen vrijen tijd 
die hem overbleef, door het verzamelen van insecten dienst- 
baar aan onze wetenschap. 

Ongelukkig echter ging, zoo als hij mij in een' zijner 
brieven heeft medegedeeld, kort voor zijn vertrek van 
Atjeh, de blikken doos die bijna al de daar ter plaatse 
door hem verzamelde insecten (voornamelijk boktorren) 
bevatte, bij een' vijandelijken overval verloren, zoodat hem 
nog slechts enkele in afzonderlijke doosjes bewaarde insec- 
ten overbleven. Deze zijn door mij in Julij 11. ontvangen, 
en hoewel slechts weinig in getal (13 Goleoptera verdeeld 
over 9 soorten, en 1 Hemipteron) acht ik het, daar zij 
van eene uit een faunistisch oogpunt geheel onbekende 
landstreek afkomstig zijn, niet van belang ontbloot hunne 
namen te vermelden , en de mijns inziens nog niet be- 
schrevenen (4 soorten) door eene beschrijving bekend te 
maken. 



44 BIJDRAGE TOT DE INSECTEN-FAUNA 

Het terrein waarop mijn broeder verzamelde , strekte zich 
volgens zijn schrijven uit langs de beide oevers van de 
Atjeh-rivier , van het strand tot aan den Kraton (na de 
verovering of liever in bezitneming door de onzen Kotta- 
Radjah genoemd), en bestond gedeeltelijk uit klapper- of 
cocostuinen, gedeeltelijk uit wildernis. 

i. Chalcophora auro-plagiata H. Deyrolle, Annales de la Société 
Entomologlqm Belge, tom. VIII (1864) pag. 22, n°. 36 
{Chrysodema) . 
Een exemplaar van deze Buprestide dat volkomen aan 
Deyrolle's beschrijving beantwoordt , werd in April te 
Kotta-Radjah gevangen. Volgens Deyrolle (1. c.) heeft Wal- 
lace deze soort van de eilanden Banca en Borneo mede- 
gebragt. In 's Rijks Museum te Leiden was zij nog niet 
vertegenwoordigd. 

2. Hypomeces squamosus Fabricius, Entomologia Systematica, 

tom. I pars 2, p. 452, n°. 244 (Curculio). — Obvier, 
Entomologie, tom. V (n°. 83) p. 319, pi. 5, fig. 48 6 
{Curculio). — Schönherr, Genera et Species Curculio- 
nidum, tom. II, p. 71. 
Van deze fraaije snuittor ving mijn broeder een typisch 

voorwerp. In 's Rijks Museum te Leiden bevonden zich 

reeds voorwerpen van »China, Java en Bali. 

3. Myllocerus nov. spec, (zie de beschrijving hierachter). 

Van deze naar het mij toeschijnt onbeschreven Curcu- 
lionide zijn twee voorwerpen overgezonden. 

4. Apoderus Tranquebaricus Fabricius, Entomologia Systematica, 

Supplementum , p. 162 (Attelabus). — Olivier, Entomo- 
logie, torn. Y (n°.81) p. 15, pi. 1, üg. ÌS (Attelabus).— 
Schönherr, Genera et Species CurciUionidum , tom. V, 
p. 281. 
Ik ontving twee voorwerpen van deze Curculionide. 
's Rijks Museum bezat haar, met inbegrip van eene varië- 
teit, van Java en Borneo. 



VAN NOORDELIJK SUMATRA. 45 

5. Rhynchites coelestiiius Schönlierr, Genera et Species Curcn- 

llonidum , torn. I, p. 214. 
Het Atjehsche voorwerp van deze Gurculionide-soort is 
kleiner dan een voorwerp evenzeer van Sumatra afkomstig, 
dat zich reeds in 's Rijks Musemn bevond. Voor het overige 
stemt het daarmede overeen. 

6. Praoiietha nov. spec, (zie de beschrijving hierachter). 

Een exemplaar van deze boktor werd door mijn' broeder 
in den kampong Lampassei (20 minuten gaans van zee 
gelegen) gevangen. 

7. Hispa nov. spec, (zie de beschrijving hierachter). 
Van deze soort ontving ik drie exemplaren. 

8. Aspidomorpha micans Fabricius , Systema Eleutheralorum. , 

tom. I, p. 398, n°. 64 (Cassida). — Boheman , Mono- 
graphia Cassididariim , tom. II, p. 313, n°. 07. 
Een enkel exemplaar, 's Rijks Museum bezat reeds voor- 
werpen van Padang, van Java en van Calcutta, 

9. Chnoodes nov. spec, (zie de beschrijving hierachter). 

Ik ontving slechts één voorwerp van deze behaarde 
Coccinellide. 

40. Laccotrephes robustus St/^l , Oversigl af Kongl. Velenskaps- 
Akademiens Forhandlingar 4870, p. 706 (Hemiptera 
insularum Philippinarum). 
Van deze schorpioenwants ving mijn broeder den 20""' 
Mei 4874 een voorwerp in de digt begroeide gracht langs 
den wal aan de noord-face vnn Kotta-Radjah. 's Rijks Mu- 
seum bezat haar reeds, behalve in twee exemplaren van 
de Phihppijnsche eilanden (van Dr, Semper afkomstig), 
van Sumatra, Java, Bali en Timor. 

Beschrijving der nieuwe soorten. 

3. Myllocerus Atjehensis, Ritsema. 

De lengte dezer soort, die wegens de tweemaal gegolfde 



46 BIJDRAGE TOT DE INSECTEN-FAUNA 

basis van den thorax tot het eigenUjke geslacht Myllocenis 
behoort, bedraagt ongeveer 6,5 mm. 

De grondkleur zal wel tusschen zeer donkerbruin (bijna 
zwart) en helderbruin variëren , daar ik van beide tinten 
een voorwerp voor mij heb. Het ligchaam is schaars 
(ten gevolge van afslijting?) bedekt met fijne heldergroene 
schubjes , digter evenwel op den buik, langs de zijden, om 
de oogen en over het midden van den thorax. Behalve 
deze schubjes komen er ook borstelhaartjes voor, die op 
den romp en de schaft der sprieten bruingeel, op de vlag 
der sprieten en de pooten wit zijn; de borstelharen die 
op de dekschilden voorkomen zijn de längsten. 

De kop is met fijne puntjes bedekt en tusschen de oogen 
van een' dwarschen indruk voorzien. De snuit is regt, 
over het midden zeer flaauw uitgehold en aldaar van eene 
fijne langsgroef voorzien, die zich tot achter het diepste 
gedeelte van den dwarschen indruk tusschen de oogen 
voortzet. Ter wederzijde van en evenwijdig aan deze 
langsgroef bemerkt men eene fijne langskiel, terwijl zich 
daarnaast van den grond der sprieten tot den binnen-oog- 
rand een tlaauw gebogen groefje uitstrekt. De sprieten 
zijn lang; de schaft is tamelijk sterk gebogen en reikt 
bijna tot aan het midden van den thorax, de beide eerste 
geledingen van de vlag zijn verlengd, de tweede merkbaar 
langer dan de eerste , de 3*^^ — 1^^ van onderling gelijke 
lengte, de knop verlengd ovaal, aan het eind toegespitst, 
ruim zoo lang als de drie voorgaande geledingen te zamen. 

De thorax is bedekt met grove pimtjes , waaruit een 
bruingeel borstelhaartje ontspringt; hij is iets breeder dan 
lang, van voren regt afgesneden, van achteren tweemaal 
gegolfd , van voren smaller dan van achteren en in de zijden 
kort voor het midden eenigszins gezwollen. Het scutellum 
is klein, breeder dan lang, van achteren regt afgesneden 
met afgeronde hoeken. 

De basis der dekschilden is breeder dan die van den 
thorax en in tegengestelden zin gegolfd. De schouders puilen 



VAN NOORDELIJK SUMATRA. 47 

eenigszins uit , zoodat onmiddellijk achter hen de dekschilden 
zich llaauw ingeknepen voordoen. De dekschilden , die kort 
achter het midden het breedst zijn, zijn met in rijen ge- 
plaatste, diepe, min of meer vierhoekige stippen bedekt; 
de ruimten tusschen deze stippenrijen zijn gewelfd en glad, 
en dragen op kleine verhevenheden overeindstaande bruin- 
gele borstelharen. — De dijen der pooten zijn met een' 
tand gewapend. 

6. Praonetha KöhleN, Ritsema. 

Verwant zoo wel aan P. scopuUfera Pasc. (Longlcomia 
Malayana p, 175) als aan P. amiulilarsis Pasc. (1. e. p. 185). 

Lengte 12 mm. — Zwart, digt bedekt met een chocolade- 
kleurig vilt, en met talrijke witte borstelhaartjes als het 
ware bestrooid. De bovenlip en de voorrand van het kop- 
schild met lange vuilwitte haren bedekt. De sprieten tamelijk 
ver van elkander verwijderd ; de onderzijde van deze organen 
grijs, welke kleur aan de basis der geledingen een niet 
volkomen gesloten ring vormt. 

De thorax ongeveer zoo lang als breed , aan den voorrand 
en in de zijden digt achter den voorrand gezwollen; op de 
rugzijde van twee omvangrijke knobbels voorzien, waardoor 
over het midden een overlangsche indruk gevormd wordt; 
deze indruk is helderder van kleur dan het overige gedeelte 
van den thorax, en vertoont op het midden een grijs vlekje, 
door eene opeenhooping van grijze haartjes ontstaan. Het 
scutellum is van achteren breed afgerond, op het midden 
vaalzwart, langs de zijden lichtbruin gekleurd. 

De dekschilden zijn in de schouders breeder dan de 
thorax; zij zijn van terzijde zamengedrukt en worden naar 
achteren smaller ; het laatste derde gedeelte is tamelijk stei'k 
hellende, de uiteinden zijn scheef afgesneden. Voorts zijn 
de dekschilden met grove, in meer of min onregelmatige 
langsrijen geplaatste puntjes bedekt ; behalve een kleine 
van een bosje bruine borstelharen voorziene kam aan de 
basis, bevindt er zich een van twee bosjes zwarte borstel- 



4'8 BIJDRAGE TOT DE INSECTEN-FAUNA 

haren voorzien aan het begin van het hellende gedeelte; 
bosjes zwarte borstelharen , van welke haren meestal één 
boven de anderen uitsteekt, vindt men voorts langs de 
siitum', op de lijn die de beide kammen vereenigt, en nog 
enkele kleineren daarbuiten ; op het hellende gedeelte neemt 
men ook nog twee paren langwerpige knobbeltjes waar. 
Op verschillende plaatsen, bijv. in de nabijheid van het 
schildje en vóór het hellende gedeelte, zijn de dekschilden 
voornamelijk in de stippen digt met grijze haartjes bedekt. 
Het hellende gedeelte der dekschilden is iets donkerder van 
kleur dan het overige. 

De buikzijde van den thorax met inbegrip der heupen is 
grijsachtig, de zijden van het metasternum roodachtig met 
zwarte stippen. De buikzijde van het achterlijf is vaalzwart, 
de achterrand van het eerste tot en met het voorlaatste 
segment roodachtig met zwarte stippen. De onderzijde der 
pooten is aschgrauw, terwijl vooral de dijen met heldere 
vlekken geteekend zijn. 

Ik wijd deze soort aan de nagedachtenis van den reeds 
bij den aanvang van den Atjehschen oorlog gesneuvelden 
generaal Köhler. 

7. Hispa Leonardi, Ritsema. 

Wat de kleurverdeeling betreft behoort deze bedoornde 
soort tot de groep van H. spinosa Web., saltatrixY., Vaniko- 
rensls Guér. en Fabridl Guér., d. i. tot die soorten welk rood zijn 
en zwarte dekschilden hebben. Wat de bewapening van den 
thorax betreft sluit zij zich digt aan de drie eerstgenoemde 
soorten aan, daar zoowel de voorrand als de zijranden bewa- 
pend zijn; bij de laatstgenoemde soort is dit alleen met de 
zijranden het geval. Met de beide eerstgenoemde soorten heeft 
de nieuwe soort bovendien nog de plaats van herkomst 
(Sumatra) gemeen. Zij is echter gemakkelijk van hen te 
onderscheiden doordien de zijranden van den thorax vier, 
op eene gemeenschappelijke breede basis gezeten doornen 
bezit, terwijl aldaar bij Spinosa Web. een gegaffelde en 



VAN NOORDELIJK SUMATRA. 49 

een kleinere enkelvoudige, en bij SaUatrix F. en Vaniko- 
rensis Guér. slechts een drietakkige doorn voorkomt. 

De nieuwe soort dan is 4,5 mm. lang. De kop is rood 
en met uitzondering van den glanzigen hals mat; de 
bovenkaken en de oogen zijn zwart; de ongedoornde sprie- 
ten zijn donkerbruin en met lichtgele haartjes bedekt; de 
eerste geleding is ongeveer zoo lang als de tweede en derde 
te zamen, de vierde, vijfde en zesde zijn van onderling 
gelijke lengte en iets korter dan de derde; de overige ge- 
ledingen ontbreken bij mijne voorwerpen. 

De thorax is breeder dan lang; hij heeft de kleur van 
den kop en is over het midden van twee zwarte langs- 
banden voorzien; de rugzijde is^ met uitzondering van den 
gladden voorrand en een op het midden verbreed langs- 
bandje tusschen de beide zwarte banden, met grove en 
diepe puntjes bedekt, waaruit enkele fijne lichtgele haartjes 
ontspringen. De voorrand draagt twee galYelvormige doornen ; 
de voorste tak is korter dan de achterste, en aan de voor- 
zijde tweemaal flaauw ingesneden, waardoor twee kleine 
tandjes ontstaan. Ieder der zijranden van den thorax draagt 
op eene breede gemeenschappelijke basis, die zich als eene 
verbreeding van den thorax voordoet, vier doornen, waar- 
van de voorste de kleinste, de derde de grootste en de 
vierde kleiner dan de tweede is. De top van de doornen van 
den thorax is zwart. Het scutellum is driehoekig met breed 
afgeronden top; het heeft de kleur van kop en thorax en 
is door eene uiterst fijne bestippeling zonder glans. 

De basis der dekschilden is breeder dan het breedste 
gedeelte (het midden) van den thorax ; naar achteren nemen 
zij weinig of niet in breedte toe; zij zijn glanzig zwart 
en met regelmatig in rijen geplaatste grove stippen net- 
vormig bedekt. De schouders puilen sterk uit en dragen 
3 of 4 stevige korte kromme doornen ; ook de overige op 
de rugzijde der dekschilden voorkomende doornen zijn kort 
en stevig, en hebben eene in de rigting van de lengteas 
van het ligchaam verloopende breede basis, Aan de zij- 

4 



50 BIJDRAGE TOT DE INSECTEN-FAUNA ENZ. 

randen treft men afwisselend lange en zeer korte , aan den 
achterrand slechts zeer korte doornen aan. 

De buikzijde en de pooten zijn bleekrood van kleur. 

Aan deze soort heb ik ter eere van mijn' broeder een 
zijner voornamen toegekend. 

9. Chnoodes bis-tri-pustulata , Ritsema. 

Bij deze behaarde Coccinellide is de voorrand van het 
kopschild, als ook die van den prothorax uitgesneden; de 
achterrand van de uitsnijding van den prothorax is regt; 
de scheen der pooten is ongewapend. 

De lengte bedraagt 3, de breedte 2 mm. De rugzijde is 
glanzig zv^^art en met uiterst fijne puntjes en witte haartjes 
bedekt; op den kop, die eenigszins digter en grover be- 
stippeld is, en langs de randen der dekschilden komen 
ook langere zwarte haren voor. De kop is van twee vuil- 
gele vlekken voorzien, die zich langs den binnen-oogrand 
van den voorrand van het kopschild tot de halve hoogte 
der oogen uitstrekken. Ook de thorax draagt ter wederzijde 
eene ovale vlek van dezelfde kleur; deze strekken zich in 
de lengte van den voorrand tot aan den bruin gekleurden 
achterrand en in de breedte van den zijrand tot over een 
derde van de breedte uit , zoodat het zwarte gedeelte minder 
dan een derde van de breedte van den thorax bedraagt. De 
dekschilden zijn van zes (2 x 3) vuilgele vlekken voorzien, 
en wel onmiddellijk voor het midden van vier naast elkander 
geplaatsten, waarvan de buitensten, op den zijrand der 
dekschilden stootende, half ovaal, en de binnensten, onge- 
veer evenver van debuitenstenals van elkander verwijderd, 
bijna cirkelrond zijn, en daarachter, kort voor het eind, van 
twee dwars-ovale vlekken, die noch aan de sutuur noch 
aan den zijrand der dekschilden stoeten. De buikzijde, 
met inbegrip der pooten is geelachtig bruin, over het 
midden iets donkerder dan aan de zijden. 

Leiden, September 1875 



AANTEEKEN1N(} 



OINOPHILA V-FLAVA HiXW. , 

TINEA NIGRIPUNCTELLA HaW. , 

TINKA PARIETARIELLA Briiaild 



CORYPTILUM KLUGIl ZcUer. 



Het genus Oinophüa, in de eerste editie van Staudinger 
en Wocke's Catalogus, naar Stainton's Systeem der Tineinen, 
onder de Elachistinen geplaatst, is in de tweede editie van 
dien Catalogus, waarschijnlijk naar aanleiding vanHerrich- 
Schaffer's aanwijzing in het Correspondenzblatt des ZooL- 
Mineral. Vereins zu Regensburg 1857, p. 55 met BedelUa, 
Lühocolletis en Tischeria tot eene familie Lithocolletidae 
vereenigd. Hiertoe heeft stelHg alleen eene zekere overeen- 
komst in de kopbekleeding en in de aan Lithocolletis her- 
innerende teekening der voorvleugels aanleiding gegeven, 
want de leefwijze der eenige soort van het genus, welker 
rups op wijnvaten in zwamachtige schimmels en in kurken 
van wijnflesschen leeft , wijkt hemelsbreed af van die der 
bladminerende Lilkocolletis , Bedellia en Tischeria. De ver- 
melde bijeenvoeging voldeed mij dan ook zeer slecht en ik 
was volstrekt niet verwonderd toen ik, de ligchaamsdeelen 
van Oinophila onderzoekende, eene onmiskenbare overeen- 
komst met Tinea ontdekte en wel in de door niemand, 
voor zoover mij bekend, vermelde bijpalpen, die lang en 
dun, eenmaal gebroken, onder aan den kop terzijde van 
het aangezigt liggen, 



52 aanteekeninct over oinophila v-flava, 

Het verwondert mij dat zulke scherpzinnige geleerden 
als Herrich-Schäffer en Stainton niet reeds door den bouw 
der lipvoelers, die geheel als bij Tinea is, de juiste ver- 
wantschap hebben gevonden. Een' zuiger zie ik niet. 

De kop is zoo min in Stainton's Insecta Britannica plaat 
VII , flg. 6 e als bij Herrich-SchäfFer , Syst. Bearìj. VI Micro- 
lepidoptera plaat XIV, fig. 23, 24 goed afgebeeld. Ik geef 
derhalve eene betere op bijgaande plaat , welke dat ligchaams- 
deel van voren en van boven gezien voorstelt (PI. 2, Fig. 
1 en 2). 

De afbeelding der vleugeladeren is bij Herrich-Schäffer, 
1. c. fig. 22 beter dan bij Stainton; evenwel hebben de 
voorvleugels drie uit den voorrand der middencel komende 
adertjes en vertoonen ook de achtervleugels nog een paar 
ader-rudimenten meer dan de eerstgenoemde afteekent. 

Tinea Nigripundella Haw. 
en Tinea Parietanella Bruand. 

Vond ik bij Oinophila V -flava onderkaak s voelers waar die 
niet aanwezig moesten zijn, zoo kan ik die daarentegen 
met mijne scherpste vergrootglazen en bij het helderste 
licht niet ontdekken bij de bovengenoemde vlinders, waar 
zij uithoofde van de plaatsing in het genus Tinea , gevonden 
dienden te worden. De smalheid en kortheid van het 
aangezigt en het digt opeenstaan van de lipvoelers laten 
weinig plaats over voor zoo ontwikkelde onderkaaksvoelers 
als de typische Tmm-soorten bezitten. Ik aarzel dus niet 
om beide soorten uit het genus Tinea te verplaatsen 
naar Dysmasia H.-Sch. naast Petrinella, waarmede vooral 
Parietariella eene treffende overeenkomst heeft. Bij Nigri- 
pimctella zijn de lipvoelers spitser, dunner en lid 2 van 
onderen korter behaard. Bij beiden loopt een dik, stijf 
borstelhaar aan het eind van de bovenzijde van lid 2 zeer 
in het oog. Een' zuiger zie ik niet. 

Figuur 3 en 4 stellen den kop van Dysmasia Parietariella 
Bruand voor; Fig. 5 dien van Nigripundella Haworth. 



TINEA NIGRIPUNCTELLA , TIN. PARIETARIELLA ENZ. 53 

CorypUhim Kluf/li Zeiler. 

Zeer duidelijke, ineengevouwen onderkaaksvoelers zie ik 
ook bij dezen door Prof. Zeiler in Oken's Isis van 1839 
kort maar duidelijk beschrevene groote Javaansche Tineine ; 
waarvan verscheidene exemplaren aanwezig zijn op 's Rijks 
Museum van Natuurlijke Historie te Leiden, Het genus 
CorypÜlum houd ik als het naast verwant aan Lampronia 
en Incurvarla. De overeenkomst is zelfs zeer groot ; alleen 
vind ik bij Conjptüum de franje der achtervleugels nog 
korter, het middenlid der palpen langer behaard en de 
draadvormige sprieten langer. De rups heeft zeker dezelfde 
leefwijze als de rupsen der beide genoemde genera. 

Een' zuiger zie ik ook hier niet. 

Figuur 6 stelt den kop op zijde voor. 

P. C. T. Snellen. 

Rotterdam, 10 Mei 1875. 



CARPOCAPSA GROSSANA, Haworth. 

(Plaat 2, fig. a— f.) 

Vier rupsen dezer soort werden van den 23""" Maart tot 
den 4^'° April 1875 op verschillende plaatsen in het Haagsche 
bosch gevonden. De diertjes zaten tegen beukenstammen , 
laag bij den grond, en bewogen zich zeer langzaam. Twee 
daarvan kwamen in andere handen dan de mijne, maar van 
de overigen begon de eene reeds daags na hare gevangen- 
schap een' cocon te spinnen, terwijl de andere daarmede 
drie weken wachtte. 

Grossana volgt dus eene andere levenswijze dan de meer 
gemeene Splendana, die zich reeds in den herfst inspint. 
Deze leeft, zoo als bekend is, in eikels, die zij gemiddeld 
in September volwassen verlaat. Grossana wordt, volgens 
de schrijvers , al in Augustus volwassen aangetroffen in het 
lederachtig hulsel waarin de zoogenaamde boekneten, die 
haar voedsel uitmaken, besloten zijn. 

Wij waren niet geheel zeker welke rupsensoort wij voor 
ons hadden en daarom werd er een door mijn' vriend Snellen 
van Vollenhoven afgebeeld. Fig. a. 

Rups 16pootig, in rust 10 mm. en uitgestrekt 12 mm. 
lang. Het tweede lid breeder dan al de overigen; van 2 tot 
12 is ieder volgend leedje smaller dan het voorafgaande. 
Gewone wratten klein, weinig in 't oog vallend en ieder 
met een fijn, kort, wit haartje bezet. Buikpooten zeer kort, 
weinig tot loopen geschikt. Het geheele ligchaam, met uit- 
zondering van den kop en het eerste lid, eenkleurig, dof, 
vuil oranje, met of zonder vlekkig doorschijnende ruglijn. 
Kop klein, glanzig, okerbruin, van achteren hartvormig 
uitgesneden. Hij wordt in rust halverwege onder het eerste 
lid, dat glanzig en doorschijnend is, ingetrokken. 



CARPOCAPSA GROSSANA. 



55 



De cocons werden op de oppervlakte van zand gemaakt, 
van buiten met zandkorrels bedekt en onder mos en boom- 
schors verborgen. 

Pop lichtbruin , met doorntjes om de ringen en vier haakjes 
aan het stompe staarteinde, Fig. b en c. 

Uit den cocon van den 14*^™ April kwam den 10'"" Junij 
1875 een mannelijke vlinder; uit dien van den 4''"" April ver- 
scheen den SO'""" Junij een vrouwelijk voorwerp. 

De man is Fig. d van boven en Fig. e zijne vleugels aan de 
onderzijde voorgesteld. Het exemplaar is zeer sterk getee- 
kend. De meeste voorwerpen zijn donkerder. 

De onderzijde van de vrouwelijke vleugels ziet men Fig. f. 

De ondervleugels van den man hebben twee kenmerken, 
die bij de andere sexe ontbreken. Op de bovenzijde toch 
bevindt zich langs den binnenrand eene ovale grijze vlek, 
en van onderen is de binnenrandshelft zwart. 

Over de levenswijze vindt men een en ander opgeteekend 
bij Wilkinson , The Brit. Tort. p. 236, en in dit Tijdschrift, 
Dl. XVII, p. 169. 

D. G. 



PHTHOROBLASTIS JULIANA, Curtis. 

(Zie Curtis, British Entom. n«. 583.) 



Phtliorohlastis Juliana behoort , althans hier te lande , tot de 
species rariores. De mij destijds vreemde rups werd den 
^den Augustus 1873 gevonden tegen een l^euk in het Haagsche 
bosch. Zij was vleeschkleurig, met glanzig kastanjebruinen 
kop en groote dofbruine wratten. Het spinsel werd den 
ßden A.ugustus, op dezelfde wijze als dat van C. grossana, 
gemaakt en een vrouwelijke vlinder kwam daaruit te voor- 
schijn den 21"'° April 1874. 

Eene beschrijving van de rups is , geloof ik , nog niet 
gepubliceerd. Daarom verdient de volgende aanteekening 
van Mr. de Roo van Westmaas, die ik jn de Bouwstoffen 
zeer heb moeten bekorten, hier in haar geheel te worden 
opgenomen. 

«Rups IGpootig, lang 12 strepen, gevonden te Velp den 
« 14'^'° Augustus 1858 tegen een' beuk (waarschijnlijk leeft het 
« diertje in de beukenvruchten waarin ik dergelijke rupsjes 
« vond , die echter niet tot ontwikkeling kwamen). Kop klein , 
«bruin, vrij spits; nekschild groenachtig bruin, doorschij- 
«nend, met zwarte stippen, vooral aan de achterzijde en 
«licht van den kop afgescheiden; kleur grijsachtig geel, 
«aan den voorrand der ringen rosé. Ruglijn flaauw zwart 
«doorschijnend. Gewone stippen groot en glanzig bruin; 
«luchtgaten zwart. Op de middelpooten , die de kleur van 
«het ligchaam hebben, twee zwarte vlekken. Voorpooten 
«glazig. Anus-schildje als het nekschild, met zwarte stippen, 
«die in eene lijn liggen. Fijne lichte haartjes. 

«De rups overwintert in het spinsel en verpopt eerst in 
«het voorjaar. Pop lichtbruin met fijne doorntjes om de ringen 



PHTHOROBLASTIS JULIANA. 57 

«en een stomp staarteinde met verscheidene haakjes. De 
«vlinder verscheen den 30'*'" Mei 1859.» 

Dit exemplaar is in de Bouwsloffen vermeld, Dl. III, 
p. 90, n°. 179. 

Met regt neemt men, naar mijn oordeel, in afwijking 
van von Heinemann aan, dat PlUhorohl. Juliana Curtis en 
Nimbana H.S., v. Hnm. vormen zijn van dezelfde soort. 
Het bovenvermelde wijfje van den 21""" April behoort tot 
Nimbana = Henichiana v. Hnm. en is over het ceheel 
veel donkerder dan een exemplaar van Juliana S door 
Mr. Snellen van Vollenhoven onder Wassenaar gevangen. 
Het hoofdverschil bestaat echter daarin, dat bij Nimbana 
de witte dwarsband van Juliana tot eene binnenrandsvlek 
is ingekort, die even boven de vleugelvouw ophoudt. Is 
Juliana de man en Nimbana het wijfje ? 

Ik ben zeer geneigd met Herrich — Schäffer aan te nemen 
dat de hier bedoelde Juliana door Frölich als Tortr. trinotana 
onder n°. 226 beschreven is. 

D. G. 



EENE NIEUWE PAUSSIDE VAN CONGO 

(ZUID-WESTKUST VAN APRIRÀ) 



BESCHREVEN DOOR 



C, RÏTSEMA Og, 



De hier te beschrijven soort, waarvan het Leidsch Museum 
een enlœl voorwerp bezit, behoort tot het ondergeslacht 
Pleuropterus (Westw.) van het geslacht Cerapterus (Swed.) en 
is daarin verwant aan P. alternans Westw. {Proc. of the 
Linn. Soc.of Lond., 19 June 1849, p. 56, en Thés. Ent. Oxon., 

p. 74, pi. 16, fig. 2), reden waar- 
om zij waarschijnUjk in het door 
J. Thomson (Musée scientifique , 
1860, p. 70) voor deze soort 
opgerigte geslacht Heteropaussus 
zal te huis behooren. 

Hoewel aan bovengenoemde 
soort verwant, is de nieuwe 
soort, die ik ter eere van Dr, 
G. A. Dohrn, bezitter vaneene 
der volledigste Paussidencollec- 
iièn, Pleuropterus Dohrnii noem, 
gemakkelijk van haar te onder- 
scheiden door den vorm van de 
sprieten en van den thorax. 

Pleuropterus Dohrnii is 7,5 
mm. lang. De kop met de mond- 
deelen en de sprieten, de rug 
van den thorax als ook de poë- 
ten, met uitzondering evenwel 




a Pleuropterus Dohrnii n. sp. 
b. Spriet van terzijde gezien. 



EENE NIEUWE PAUSSIDE VAN CONGO. 59 

van de heupen, zijn donker roodbruin, de borst, de heupen, 
de dekschilden en het achterUjf licht geelachtig bruin met 
de volgende zwarte teekening: op den rug van den thorax, 
de beide aan de achterzijde uitgeholde hoorntjes die zich 
aan den achterrand ter wederzijde van de driehoekige uit- 
holling bevinden ; op elk der dekschilden , twee van achteren 
boogvormig vereenigde langsbanden waarvan de buitenste 
anderhalf maal zoo breed is als de binnenste; op het ach- 
terlijf, de bovenste helft van het pygidium en aan de buik- 
zijde een smalle band over de basis van het voorlaatste en 
laatste segment. 

De kop is kort en breed, vóór den grond der sprieten 
glad en glanzig, daarachter tamelijk digt met puntjes 
en bruingele haartjes bedekt; tusschen de oogen loopt 
eene korte langsgroef; de schedel daarachter is tamelijk 
sterk ingedrukt. Het eerste lid der sprieten is iets lan- 
ger dan breed, sterk platgedrukt en onregelmatig met 
grove puntjes bedekt; de zijranden dragen bruingele haar- 
tjes. De knods (de vereeniging der negen volgende leedjes) 
wordt naar het einde merkbaar smaller, hetgeen veroor- 
zaakt wordt door de schuine rigting van den boven- of 
buitenrand; haar eerste lid vertoont aan den buitenrand 
het aan het ondergeslacht Pleuropterus eigen uitsteeksel, 
doch veel minder sterk dan door Westwood t. a. pi. bij P. 
alternans is afgebeeld ; ook van de volgende leedjes puilt 
de buitenrand vrij sterk uit (naar het einde der knods 
echter minder), zoodat de geheele buitenrand een gekar- 
teld aanzien verkrijgt. Het laatste lid is iets langer dan 
de beide voorgaanden te zamen, aan den top breed 
afgerond, op het midden het dikst en naar het eind wig- 
vormig zamengedrukt. De geheele knods is spaarzaam met 
bruingele haartjes en met puntjes bedekt; de puntjes staan 
langs den binnen- of benedenrand digt opeen, terwijl de 
haartjes op het uitpuilende gedeelte van den buitenrand 
der leedjes tot een bosje vereenigd zijn. 

De pro thorax is breeder dan lang, van voren breeder 



60 ËENE NIEUWE PAUSSIDE VAN CONGO. 

dan van achteren, en in de vier hoeken afgerond; voorbij 
het midden zijn de platte, opgebogen, en van het midden- 
gedeelte van den thorax door eene naar buiten gebogen groef 
afgescheiden zijlappen ingesnoerd. Op het midden van den 
rug neemt men twee knobbels waar, die door eene langs- 
groef van elkander gescheiden zijn, welke langsgroef zich 
achter genoemde knobbels plotseling verbreedt , en zoodoende 
op het midden van de basis van den thorax een' diepen, 
breed driehoekigen indruk vormt , die van achteren door den 
opstaanden achterrand van den thorax begrensd wordt. Op den 
achterrand komt ter wederzijde van dezen indruk, een aan 
de achterzijde uitgehold, flaauw naar buiten gerigt hoorntje 
voor. De voorste helft van het pronotum en de rand der voorste 
hoeken dragen lange bruingele haren. Het schildje ligt diep 
weggezonken en heeft den vorm van een' gelijkbeenigen 
driehoek. Het sternum is glad en glanzig, het metasternum 
over het midden van eene fijne langsgroef voorzien. 

De dekschilden vertoonen drie of vier paren langsribben, 
van welke echter de beide binnenste paren het sterkst ont- 
wikkeld zijn. Tusschen de ribben komen onregelmatige min 
of meer in rijen geplaatste verhevenheden voor ; de geheels 
oppervlakte der dekschilden is met uiterst fijne wratjes be- 
dekt, die ieder een bruingeel, aan het eind verbreed en 
regt afgesneden borstelhaartje dragen. Ook de haren der 
andere ligchaamsdeelen schijnen, hoewel in geringer mate, 
deze eigenaardigheid te bezitten. 

De pooten zijn lang en dun, en met bruingele haren bedekt ; 
de dijen zijn van terzijde zamengedrukt en min of meer leder- 
achtig gerimpeld (vooral de binnenzijde van het laatste poo- 
tenpaar) ; de dijen van het middelste pootenpaar zijn aan de 
basis hooger en breeder dan die der beide andere paren. 

De buik, met uitzondering echter van een' smallen zoom 
langs de basis der segmenten , is digt met bruingele haartjes 
en fijne puntjes bedekt en daardoor mat, hetgeen ook met 
het pygidium het geval is. 



OJPGî^A.VB 



BESCHREVEN XYLOCOPA-SOOntEN , 

die noch als zelfsiandige soorten noch als synoniemen door F. SMITH 
in zijne monographie ^) over dit geslacht zijn opgenomen. 



C. RITSEMA Cz. 



Geene. 



Soorten van Europa *). 

Soorten van Afrika ^). 
Xylocopa capensis (Klug, i. 1.) (nee St. Fargeau) Spinola, Annales 
de la Société Entomologique de France, torn. VII (1838) p. 
519: B. i. 

Kaap de Goede Hoop. 
Xylocopa sulphurea (Klug, i. 1.) Spinola, Le. C. $. 

Kaap de Goede Hoop. 
Xylocopa pubescens (Klug, i. 1.) Spinola, I.e. D. ê. 



1) Transactions of the Entomological Societi/ of London jor the year 1874 , p, 
247—300. 

2) Bijua gelijktijdig met het verschijnen van Smith's Monographic, maakte Prof. 
C. Rondani in het Ballettino della Società Entomologica Italiana (ann. 6to, p. 105) 
tweeitaliaanscheXy/ocoj9«-soorten als nieuw bekend, en wel onder de namen X.Ramu- 
lorum Kond. en X canuta Rond. Ue eerste is echter zonder twijfel synoniem met X. 
valga Gerst. {Stett. Ent. Zeitung 1872, S. 276), de tweede met X. cyanescens Brulle' 
{Expéd. scienti/, de Morée. Zoologie, III. 1. p. 339. n». 754. pi. 58 lig. 8). 

3) Eveneens ongeveer gelijktijdig met Smith's Monographie, verscheen in het opstel 
over de door van Woerden uit Congo overgezonden Hymeuoptera mijne beschrijving 
van X. neglecta n. sp. (Tijdschr. v. Entom. dl. XVII (1874) blz. 207), cene soort 
van X. albiceps F. verschillend door het gepiis van den groenen glans op borststuk 
en achterlijf. Zie ook over deze soort: Tijdschr. v. Entom. dl. XVIII (1875) blz. 149. 



62 OPGAVE VAN BESCHREVEN XYLOCOPA-SOORTEN. 

Egypte. — Spinola meent de drie bovengenoemde man- 
netjes als variëteiten van het mannetje van X. aestuans 
(F.) Linn. te moeten beschouwen, en is hierin door Smith 
{Catalogue of Hymenopterous Insects in the Collection of the 
British Museum. Part II, p. 354) nagevolgd. Volgens Erichson 
(Bericht über die ivissenschaftlichen Leistungen im Gebiete der 
Entomologie während des Jahi-es iS^i^O , S. 71) echter is Spinola 
hierin te ver gegaan. 

Xylocopa ametliystina , St.Fargeau. Histoire naturelle des Insectes 
Hyménoptères (Suites à Buffon) tom. II, p. 182 n°. 12. 
<?. ?. — ? Fabricius , Systema Piezatorum. p. 341 n°. 16. — 
Smith, Cat. Hym. Ins. Coll. Brit. Mus. Part II, p. 348. n°. 22. 

Kaap de Goede Hoop (het insect van Fabricius van 
Oost-Indie). 

Xylocopa frontalis, Reiche et Fairmaire (nee Olivier). Ferret 
et Galinier, Voyage en Abyssinie, tom. Ill (1847) p. 455. 
Atlas, pi. 29, flg. 14 et Ua. 

Abyssiniê. 

Xylocopa conjuncta, Smith. Cat. Hym. Ins. Coli. Brit. Mus. 
Part II (1854) p. 350, n°. 31. <?. 

Zuid-Afiika. 

Soorten van Azië , den Maleischen Archipel ^) 
en Australie. 

Xylocopa ruficornis, Fabricius. Syst. Piez. p. 341, n°. 12. — 
Smith, Cat. Hym. Ins. Coli. Brit. Mus. Part II, p. 353, n°. 42. 

Indie. — Volgens St. Fargeau (Hist. nat. Ins. Hym. II, p. 194) 
zou dit het mannetje van X. aestuans Linn. zijn, hetgeen 
door Erichson (Bericht wiss. Leistung, im Entom. luähr. 1840, 
S. 72) niet wordt tegengesproken. 

Xylocopa m uscarla, Fabricius. Syst. Piez. , p. 358 n°. 20 (Centris). 
— St, Fargeau, Hist. nat. Ins. Hym. IL p. 211 n°. 1 



1) Eene besclirijving vaa acht nieuwe soorteu vau den Maleischen Archipel is 
iu handen der Redactie van het Tijdschrift voor Entomologie. 



OPGAVE VAN BESCHREVEN XYLOCOPA-SOORTEN. (J3 

(Lestis). — Smith, Cat. Hym. Ins. Coll. Brit. Mus. Port II, 
p. 357, n°. 67. 

Nieuw Holland. — Bij de vermelding van Lestis bombylans 
F. in den Catalogus der Hymenoptera van het Britsch IMuseum 
(Part II, p. 364 n°. 1) deelt Smith mede, dat Centris mus- 
caria F. eene mannelijke Xylocopa is, hetgeen hem drie jaren 
vroeger uit het typisch voorwerp der collectie Banks gebleken 
was (zie Trans. Ent. Soc. of London. New ser. vol. I, p. 179). 

Xylocopa olivacea (Klug, i. 1.) (nee Fabricius). Spinola, Ann. 
Soc. Ent. France, tom. VII (1838) p. 519. A. i. 

Oost-Indië en Java. — Ook deze werd door Spinola als 
eene variëteit van het mannetje van X aestuans (F.) Linn. 
beschouwd. 

Xylocopa orichalcea , St. Fargeau. Hist. nat. Ins. Hym. (Suites à 
Buffon) tom. II (1841) p. 181. n°. 11. ?. — Smith, Cat. 
Hìjm. Ins. Coll. Brit. Mus. Part II, p. 354 n°. 50. 
Ile de Fer?, Bengalen en China. 

Xylocopa lunulata. St. Fargeau. I.e. p. 184 n°. 14. S. 

China. — Zonder twijfel moet deze tot het mannetje van 
X dissimilis St. Fargeau (l. c, p. 180 n°. 9) gerekend worden, 
zoo als ook reeds door Smith (Cat. Hym. Ins. Coll. Brit. Mus. 
Part II, p. 356, n°. 58) gedaan was. 

Xyiocopa ferruginea, St. Fargeau. /. c. p. 187. n°. 22. ?. — Smith, 
/. c. p. 353. n°. 45. 

Indie en Bengalen. 

Xylocopa Indipennis, St. Fargeau. /. r. p. 188. n". 24. ?. — Smith, 
l. c. p. 353. n". 44. 
Indie. 
Xylocopa chloroptera, St. Fargeau. /. c. p. 207. n". 50. ?. — Smith, 
l. c. p. 356. n". 56. 
China. 
Xylocopa latlventris, Blanchard. Vict. Jacquemont, Voyage dans 
VInde. tom. IV (1844). 



64 OPGAVE VAN BESCHREVEN XYLOCOPA-SOORTEN. 

Indie. — Volgens Erichson {Bericht wiss. Leistung, im Entom. 
währ. 4845, p. 90) waarschijnlijk het wijfje van X. latipes F. 

Xylocopa sinensis , Smith. Cat. Hym. Ins. Coll. Brit. Mus. Part II, 
p. 356. n\ 57. $. 

China (Foo-chow-foo). 

Soorten van Zuid-Amerika , Brazilië en de 
West-Indische eilanden. 

Xylocopa caribea, St. Fargeau. Hist. nat. Ins. Hym. (Suites à 
Buffon) torn. II. p. 202 , n". 49 <î. — Smith , Cat. Hym. Ins. 
Coll. Brit. Mus. Part II, p. 346, n°. 9. 

Eiland Guadeloupe. — Volgens Erichson (Bericht wiss. 
Leistung, im Entom. währ. 1840 S. 72) is dit het mannetje 
van X teredo Guild. = X. aeneipennis (Lepell.) de Geer. 

Soorten van Noord-Amerika. 
Geene. 

Soort waarvan het vaderland niet met voldoende 
zekerheid bekend is. 

Xylocopa obscura, St. Fargeau. Hist. nat. Ins. Hym,. (Suites à 
Buffon) toni. II. p. 188, n°. 25. — Smith, Cat. Hym. Ins. 
Coll. Brit. Mus. Part II, p. 363. n°. 99. 

Amerika ? 

Aanteekening. In Bd. V (1806) van Illiger's Magazin für 
Insektenkunde worden door Illiger (biz. 149^ — 152) verschei- 
dene X^^ocojoa-soorten benoemd doch niet beschreven , als : 
X caen^^m, Brazilië ; X. chrysoptera , Bengalen; X.chalcoptera, 
Oost-Indiê ; X superciliosa , Zuid-Amerika ; X serena , Bra- 
zilië ; X peruana , Peru ; X lanigera , Brazilië ; X helvola , 
Oost-Indië ; X leonina , Oost-Indië ; X lutea , Sumatra , en 
X flavithorax, Sierra Leena. 



DE INLANDSCHE HEMIPTERES, 
BESCHREVEN EN MEERENDEELS OOK AFGEBEELD 

DOOR 

S. e. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN. 



Zesde stnk met drie plateu. 



VERVOLG DER CAPSINEN. 

Genus 12. Phytocoris Fall. 

Dit geslacht laat zich uit de anderen gemakkelijk onder- 
scheiden door de bijzonder lange en dunne sprieten en 
zeer lange achterpooten. Het ligchaam is langwerpig of 
uitgerekt ovaal met de zijden der dekschilden bijna over de 
geheele lengte evenwijdig. De kop is gewoonlijk een weinig 
nedergebogen , driehoekig, met de oogen zoo breed als hij 
lang is. De oogen zijn zeer groot en uitpuilend, van boven 
gezien aan den buitenkant cirkelrond , op zijde gezien eivor- 
mig. De sprieten zijn langer dan het ligchaam, zeer fijn; 
alleen het 1' hd , dat gewoonlijk zoo lang is als de kop met het 
borststuk, is dikker dan de anderen ; het 2' is zoo lang of iets 
langer dan 3 en 4 te zamen, het laatste is het kortste. 
De zuiger reikt een eind voorbij de achterheupen. Het 
borststuk is van achteren toegerond en naar voren veel 
smaller wordend, tamelijk plat, doch naar voren afbellend 
en niet scherpkantig aan de zijden , met twee dwarsplooijen 
voor het mirlden. Het schildje middelmatig van grootte. 



66 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

driehoekig met eene vrij spitse punt. Dekscliilden bij een 
paar soorten zeer smal en lang, bij allen van eene zeer 
ontwikkelde membraan voorzien. De vier voorste pooten 
zijn slank en tamelijk lang, doch de achterpooten hebben 
zeer lange en tevens zeer dikke dijen, en scheenen die 
bijzonder slank en langer dan deze zijn. 

Het geslacht is zeer natinn^lijk, doch de soorten hebben 
zoo vele punten van overeenkomst, dat zij moeijelijk te 
onderscheiden zijn. Hare woonplaats zijn boomen en 
heesters; men zegt dat zij door middel der lange achter- 
pooten springen, ik heb dit echter niet gezien en twijfel 
er aan, omdat zij zoo gemakkelijk tot vliegen overgaan. 

Tabel der soorten. 

a. rood, geel en bruin gekleurd h. 

aa. grijs of groenachtig gekleurd e. 

h. roodgeel met roode strepen, op het schildje 

eene gele langsstreep ; lengte 6 mm. . . . Ulwi. 
b h. bruin met lichtere vlekken gemarmerd, op 
het schildje geen gele langsstreep, lengte 

8 mm Divergens. 

c. thorax gelijk van kleur , grijs of bruin met 

witten achterrand Populi. 

c c. thorax geel of groen met zwarte langsstre- 

pen in de zijden ingeval Tiliae. 

1. Phytoc. Ulmi L. 

Plaat 9 (dl. XVIII), fig. 10. 

Linn. Faun. Suec. 964. — Fabr. S. Rh. 256, 17. — Hahn. 
W. Ins. HI p. 9, Fig. 234. — Meyer, Ent. Zeit. Stett. 4841. 
p. 88. — Dougl. and Scott, Brü. Hern. p. 313, n°. 7. 

Lengte 4 — 6 mm. — Grondkleur geel of oranje-achtig, 
ook wel hchtbruin. Kop niet zeer ver uitstekend, geel met 
twee roode langsstrepen of rood met drie gele. Het 1" lid 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 67 

der sprieten bruinrood met witte stipjes en eene geelach- 
tige langsvlek aan de buitenzijde ; de binnenzijde vertoont 
eenige vrij lange witte haartjes; het S*" lid is roodachtig 
geel met witte basis , waarop bij sommige voorwerpen een 
bruin bandje volgt; de beide volgende leden lichtgeel. De 
oogen puilen sterk uit en zijn bruinzwart van kleur. De 
zuiger is rood, doch naar de spits toe bruin. Het borst- 
stuk is op den rug of geheel geel met 2 of 4 roode langs- 
strepen of voor de voorhelft zoo gekleurd en voor de achter- 
helft roodbruin met een smal wit zoompje. Het roode 
schildje draagt eene gele middellijn en twee onregel- 
matige gele vlekjes daarneven. De dekschilden zijn rood- 
bruin met eenige onregelmatige vlekken in de lengte van 
gele en nootbruine kleur en eene gele ruitvormige vlek 
boven den bloedrooden , aan de spits purperbruinen cuneus ; 
de membraan is meest grijs met witte vlekjes, soms zeer 
licht gekleurd. Kop, thorax en dekschilden zijn bij onbe- 
schadigde voorwerpen met sneeuwwitte haartjes vrij digt 
bezet. De onderzijde is donkerder van kleur, soms wijn- 
rood met gele vlekjes. De pooten hebben de heupen met 
de basis der dijen licht gekleurd, de voordijen geel met 
bruinroode stippen en vlekken, de middelsten desgelijks, 
de achtersten bruin of bruinrood met 2 of 3 schuine gele 
halve bandjes. De voor- en middenscheenen zijn lichtgeel 
met de spits breed bruin en 1 of 2 bruine bandjes; de 
achtersten zijn wit, met een' broeden bruinen band voor 
het midden. Van de tarsen zijn de twee voorste leedjes 
geel, het laatste met de klaauwtjes zwart. 

Deze soort, die niet ongemeen is, werd zoo dikwijls met 
de volgende verwisseld, dat ik sommige schrijvers niet heb 
durven aanhalen, b. v. Flor en Fieber. Het komt mij voor 
dat de punten van verschil nog niet bij iedereen zoo over- 
tuigend vaststaan , dat er niet dikwijls verkeerd zou worden 
gedetermineerd. Zijn het werkelijk twee soorten? 

Ulmi werd hier te lande veelvuldig aangetroffen, als bij 
Arnhem in Aug. (de Gr.), bij Velp (v. Med. de R.), bij 



68 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

Leyden (H. en v. V.) , bij Utrecht (Six , Ver Loren , v. Has- 
selt), bij Wolfheze (Piaget), aan de Rhedersteeg in Aug. 
(H. Alb. en v. V) , bij den Haag (v. V.), bij Domburg (de Man). 

2. Phytoc. divergens Meyer. 

Meyer, Ent. Zeit. Stelt. 1841, p. 88. — Idem, Rhijnch. 
d. Schw. p. 44, Tab. 1 f. 1. — Dougl. & Scott, Brit. Hem. 
p. 311 , n°. 6. — Misschien ook : Wolff, le. Cim. 155. Tab. XV 
f. 149 {Mir is longicornis). 

Lengte 6 — 8 mm. — Ik geloof dat ik hier volstaan kan 
met het onderscheid tusschen deze soort en de vorige op 
te geven. Vooreerst is zij, nam. Divergens, gewoonlijk iets 
langer, dan is zij donkerder van kleur, in den regel rood- 
bruin met onduidelijke bruine versieringen; voornamelijk 
is de kop altijd donkerder; het schildje heeft geene gele 
middellijn en geene ' gevlekte teekening; de achterscheenen 
zijn minder donker. Maar dit alles zou nog slechts eene 
kleurverscheidenheid aanduiden en geen regt geven om 
van Divergens eene bijzondere soort temaken; het eigenlijk 
kenmerkende verschil is dan ook dat het eerste lid der 
sprieten bij deze naar evenredigheid langer is dan bij Ulmi , 
en dat het achterlijf bij Div. overal even breed is en bij Ulmi 
in het midden uitgezet en naar achter smal toeloopend. 

Ik meen het eerste kenmerk , dat der sprieten , voldoende 
waargenomen te hebben, doch omtrent het tweede behoef 
ik wel niet te bewijzen, dat het bij gedroogde voorwerpen 
alle waarde verliest, aangezien het achterlijf dikwijls onder 
het opdroegen sterk in vorm verandert. 

Indien het waar is dat Wolff bij de beschrijving en 
afbeelding van zijne Miris longicornis deze soort van Phyto- 
coris heeft voor zich gehad, dan zal de naam Divergens 
wegens het regt van prioriteit voor Longicornis moeten 
plaats maken. 

Ulmi werd door mij ])ij Hattem, door Ritsema bij Oos- 
terbeek, en door Snellen bij Rotterdam gevangen. 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 69 

3. Phytoc. PopuU L. 

Linnaeus, S. N. V. 503,109. — Fabr. S. Rh: 237, 171. — 
Fall. Hem. I, p. 84, n°. 16. — Schellenb. Cimic. t.3, f.3.— 
Burm. Hamlb. II, 268, n°. 9. — Flor., Rh. Livi. IL p. 
594, n°. 3. 

Lengte 6 mm. — Grijs of grauw gemarmerd. Kop kort 
en naar onder gebogen. Oogen donkerbruin, zeer bol uit- 
puilend. Sprieten zeer lang en slank, bruin en wit; het 
1^ lid langer dan kop en thorax (op den rug gezien), wit, 
boven op met eene fijne bruine streep, die voorbij de 
helft eens afgebroken is en onder met eene zeer smalle 
bruine lijn, aan de binnenzijde bezet met witte borstel tj es ; 
lid 2 heeft 1| van de lengte van 1 en is bruin met witte 
basis en een onduidelijk wit bandje voorbij de helft; 3 iets 
langer dan de helft van 2, bruin met witte basis; 4 korter 
dan 3 en lichter van kleur. Zuiger vuilwit met bruine spits. 
Thorax 1| zoo breed als lang; aan den achterrand bijna 
tweemaal zoo breed als aan den hals ; voor vuilwit , doch 
spoedig grauwbruin wordend en donkerder naar achter, 
evenwel geheel aan het eind met een wit zoompje dat in het 
midden wat naar voren springt. Schildje zwart aan de 
basis , verder roodachtig wit met 2 bruine langsstreepjes , 
die voor de spits van elkander afwijken. Dekschilden vuil- 
wit met bruin gemarmerd; eene niet altijd duidelijke ruit- 
vormige vlek aan de spits van het corium ; cuneus bruin 
met witte spikkels ; membraan in kleur weinig .verschillend 
van het middengedeelte van het corium. Pooten bruin en 
wit gewolkt; voorschoenen altijd met 2 donkere banden en 
donkere spits, middelscheenen met 3 donkere banden, wit 
aan de spits; achterdijen geelwit met 2 schuine bruine 
banden voorbij de helft; achterscheenen eerst zwart met 
een wit bandje, dan wit met een zwart bandje. Alle tarsen 
zwart. 

Lichtere voorwerpen hebben grijs al wat hier bruin of 



70 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

zwart is genoemd, ja! men treft exemplaren aan bijna 
zonder teekening. 

Deze soort is voorzeker de gemeenste van dit geslacht 
in ons land. Zij werd in alle provinciën waargenomen be- 
halve Groningen en Drenthe, doch zal voorzeker ook daar 
wel voorkomen. 

4. Phytocoris Tiliae F. 

Fabr. S. Rh. 237, 169. — Fall. Hem. Suec. I. p. 85, 17.— 
Meyer, Rh. d. Schtv. i. 7, f. 1. — Flor, Rh. Livi. IL p. 
599. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 303, PI. X, f. 1. 

Lengte 5 — 6 mm. — Herkenbaar aan den lichten pro- 
thorax met zwarte zijranden. Geel of groenachtig geel met 
sterk geteekende zwarte of zeer donkere bruine vlekken. 
Kop sterk naar beneden gebogen, geel, soms met groene 
tint. Oogen niet bijzonder bol, zwart. Sprieten langer dan 
het lijf; 1* lid zwart met eenige witte stippen, 2' zwart 
aan de basis en even voorbij het midden met een' witten 
band , 3' zwart met witte basis , 4* iets minder donker. De 
lengteverhouding als bij de vorige soort , doch de borsteltjes 
donker. Prothorax geel of groenachtig geel met 2 zwarte 
puntjes aan den achterrand en de zijde bedekt met eene 
zwarte langsstreep , die naar achteren toe gevorkt is ; som- 
tijds is zij ongevorkt, maar dan ziet men 4 punten aan 
den achterrand in plaats van 2. Schildje van de kleur van 
den thorax met twee fijne puntjes in de voorhoeken en 2 
zwarte streepjes scheef op de zijden, digt bij de spits. Dek- 
schilden geel of groen, verschillend van teekening; bij 
fraaije exemplaren met 2 zwarte stippen op den clavus, 
op het corium een dwarsband op i der lengte, daarvoor 
1 en daarachter 2 stippen aan den rand ; van den laatsten 
eene schuine lijn naar den achterhoek, verbonden aan een 
ander lijntje voor de membraan; eindelijk een driehoekig 
vlekje aan den rand voor den cuneus ; deze heldergeel met 
zwarte spits. Membraan met eene dubbele zwarte- vlek 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 71 

onder den cuneus en nog 2 grijze aan den rand. Ook het 
bovenste deel der groote cel is berookt grijs en de ader 
tusschen beide cellen is zeer donker. De pooten zijn ge- 
kleurd als bij de vorige soort. 

Men treft voorwerpen aan, zoo licht van kleur dat de 
normale teekening niet altijd gemakkelijk te herkennen is. 
Meijer Dür verklaarde deze soort slechts voor eene ver- 
scheidenheid der vorige. 

Zij werd in de maanden Julij , Aug. en Sept. gevangen 
bij Beek, Velp, Arnhem, Utrecht, den Haag, Breda en 
Middelburg-. 



Gen. 13. Lygus Hahn. 

Ziehier nu het aan soorten rijkste geslacht der Capsinen, 
waarvan de algemeene beschrijving geheel moet overeen- 
komen met die der familie, vereenigd met de ontkennin- 
gen der kenmerken van de 12 voorgaanden en van het 
veertiende. In plaats van dat algemeen beeld van het 
groote aantal soorten in dit geslacht vervat hier te schet- 
sen , 't geen den lezer voorzeker al even weinig zou vol- 
doen als het mij aangenaam zou wezen het neder te schrijven, 
meen ik te mogen verwijzen naar de inleiding van deze 
vijfde famihe en naar de analytische tabel der genera, 
beide in het vorige deel van dit tijdschrift gedrukt. 

Ik laat hierachter wel eene tabel der soorten volgen, 
doch geheel afwijkende van de geleerde en diepzinnige 
tabellen, waarop men zich sedert de laatste 15 jaren in 
entomologische werken toelegt. In tegenstelling daarvan 
heb ik verkozen eene ware pons asinorum te geven, 
eenigzins naar het voorbeeld van de analytische tabel van 
Herrich-Schaetïer , hoofdzakelijk gegrond op de verschillen 
in grootte en kleur; volkomen overtuigd zijnde dat men 
met zoodanige tabel eerder te regt komt dan met eene die 
op het min of meer bol uitpuilende der wangen, of den 



72 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

afstand tusschen de voor- en middenheupen verwijst. Het 
geheele doel van het leveren van zulk eene tabel moet 
toch niet wezen geleerdheid uit te kramen, maar den lezer 
op de kortste wijze tot de kennis te brengen van den 
naam der soort die hij voor zich heeft. 



Tabel der soorten. 



A. Grootere soorten van 6 millimeter eu daar boven. 
a. Met duidelijke langsaderen op het corium. 

b. met geheel gelen cuneus striaius. 

bb. cuneus geel met zwarte spits striateUus. 

aa. ]^et onduidelijke langsaderen of zonder. 

c. zwart. 

d. met rood schildje GotJdcics. 

dd. met zwart schildje seticornis. 

ddd. met hartvormige hooggele vlek op het schildje. . cordiger, 
cc. groen. 

e. zonder vlekken op de dekschilden hvpunctattis. 

ee. met grauwe vlekjes op de dekschilden Chenopodii. 

eee. met roode vlekken op de dekschilden ferrugatas. 

AA. Kleinere soorten van 6 millimeter lengte tot 2 mm. 

B. Ovale, wier lengte tot de breedte staat ongeveer als 2 tot 1. 
/. Bij beide sexen sprieten en scheenen regt. 

1. Dekschilden grauw of nootgeel. 

X schildje zwart met drie roode vlekjes . . . Fallenii. 
XX " nootbruin met 3 gele vlekjes . . . pmictulatm. 
XXX - geel met of zonder 2 bruine streepjes, pratensis. 

2. Dekschilden rood rubicundus. 

3. // zwart met geel gevlekt. 

o. cuneus hooggeel met zwarte basis en spits . . iripusfulatus. 

00. »/ rood unifasciatus. 

000, „ groeuachtig geel met de benedenhelft zwart Kaltnii. 

4. Dekschilden zwart zonder gele versiering. 

+ met lichtbruinen buitenrand en bruinrooden cuneus. Gyllenlialii. 
+ 4- met zwarten cuneus muiabilis. 

5. Dekschilden geel met rooden cuneus vulneraius. 

6. '' tanig bruin met donkere membraan . . Pinastri. 

7. •! groen met ongevlekte membraan . . . Pasthmcae. 

8. • doorschijnend zeer licht bruin , met bloed- 

roode spits van den cuntms .... cervinus. 

9. » grauwgeel met eene driehoekige donkere 

vlek lioseri. 

ff. Bij $ het 2" en Z^ lid der sprieten en de voorscheenen ki'om. ihoracicus. 

BB. Langwerpige, wier lengte meer dan 2 maal de grootste breedte is. 
a. Het borststuk in den vorm van een halsje verdund. 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 73 

5 cuneus zwavelgeel, met roode spits virgula. 

§J " geel of bijna wit, met fijne zwarte spits . . . histrionicus. 

§§§ " bruin als de dekschilden globulijer. 

na. Het borststuk niet in deu vorm vau een halsje verdund. 
> Achterscheenen zonder rijen zwarte stippeltjes. 

I. Dekschilden rood, borststuk groen rufipemiis. 

II. " en borststuk geelachtig rood rubricatus. 

III. '/ hooggeel. 

* Kop zwart melatiocepkalus. 

** Kop geel aurantiacus. 

IV. Dekschilden zwart. 

* Gele vlekken op de zwarte dekschilden flavonotatus. 

** Dekschilden geheel zwart. 

f Scheenen zwart pilosus. 

ft Scheenen roodbruin tibialis. 

V. Dekschilden groen of groengeel of grijsgroen. 

•(• Borststuk korter dan het schildje, membraan met 

groene vlekken chlorizam. 

'\' •)• Borststuk langer dan het schildje. 

g 1<' en 2" lid der sprieten zwart aan de basis . angulaiixs. 

ji 1'' lid geheel zwart nubilus. 

ösd 1* en 2" lid der sprieten niet zwart aan de basis. 
R, tarseu geheel zwart of bruin. 

" zuiver groen of geelachtig , membraan met 

groene aderen pabulinus. 

°° grijsachtig groen, membraan donker met 

mtte aderen molliculus. 

ßß. tarsen niet geheel zwart. 

y. thorax en dekschilden wit behaard, de 

laatsten ook aan den rand /tassalus. 

Yy. thorax en dekschilden niet te gelijk wit 
behaard, de laatsten in allen gevalle 
niet aan den rand. 
i. kop met scherpen achterrand, borststuk 

dwars gerimpeld rugicollis. 

ii. kop zonder scherpen achterrand. 
k. membraan ongevlekt. 

f dekscMlden met witte vlekjes als 

bezaaid .... .... flavosparsm. 

ft dekschilden zonder witte vlekjes, 
§ kop zeer breed, achterdijen zeer 
dik, corium en cuneus van 

dezelfde kleur Tanaceti. 

§§ kop niet zeer breed, achterdijen 
niet zeer dik , corium groen , 

cuneus geel Ericetorum. 

kk. membraan gevlekt. 

I. membraan grauw met 3 bruine 

vlekken contaminata. 

II. membraan zwart met gegolfd 

wit dwarsbandje .... Faijhdlü. 



74 DE INLANDSGHE HEMIPTEREN. 

VI. Dekschilden vaal. 

X zonder bruine strepen op het borststuk .... decolor. 
X X met 2 • « « „ >, .... alhidus. 

VII. DekscMlden bruin. 

+ 1« en 2^ lid der sprieten zwart , 3« wit , 4« bruin. . Caricis. 

+ + alle leden « « vaalmt Coryli. 

VIII. Dekschildeu bruin of vuilgeel met witte of gele langsstrepen. Thunbergii. 
IX. Dekschilden aan de basaalhelft vaal, het overige donker- 
bruin , schildje rood gevlekt Boheinanni. 

> > Achterscheenen met rijen zwarte stippels. 

1. Zwart met het 1^ lid der sprieten zwart . . . . . pulicarius. 

2. Donkerbruin met de 2 eerste leden der sprieten zwart. Arbusiorum. 

3. Donker- of lichtbruin met witte sprieten variabilis. 

4. Grauwgeel met de 2 eerste leden der sprieten zwart . brunnipennis. 

5. Geel met witte sprieten varians. 

6. Groen met groenachtig gele sprieten , 1« lid met 

zwarte bandjes viridultts. 

7. Vaakood met lichtroode sprieten roseus. 

AAA. Kleinste soort, beneden 2 millira. lengte. 

DekscMlden zwart en grijs gevlekt, zonder membraan . . . saltitans. 



i. Lygm dr latus L. 

Plaat 10 (dl. XVIII), fig. 4. 1) 

Linn. S. Nat. (Ed. 13) 730, 105. — Fabr. S. Rh. 255. 
15. — Hahn. W. Ins. 11, p. 134, f. 219. — Panz. F.Germ. 
93, 22. — Wolff. /c. Clm. p. 37. Tab. 4, f. 37. — Flor. Rh. 
Livi. I, p. 490. — Dougl. and Scott, Rrit. Hern. p. 320. 

Lengte 10 of 11 mm. — Lang en smal, zoo goed als 
onbebaard. De kop aan de oogen (met deze) iets breeder 
dan lang, stomp driehoekig, zv^^art met een naauwelijks 
onderscheidbaar geel stipje op den schedel tegen den rand 
van elk der oogen. Deze rond, bol, bruinzv^art. Sprieten 
bijna zoo lang als het lijf; 1" lid veel langer dan de kop, 
slank, rood met zwarten top; 2" 1;^ maal zoo lang, zwart, 
slank, dikker wordende naar het einde; 3'' iets langer dan 
het 1% slank, wit aan de basis, daarna vaalzwart; 4Mvort 
en grijs. Borststuk aan den voorrand niet zoo breed als de 
kop met de oogen, naar achteren tweemaal breeder wor- 



1) De twee gele streepjes op het schildje zijn in deze figuur door den graveur 
geheel over het hoofd gezien. 



DE INLANDSCHE IIEMIPTEREN. 75 

dend, zoo lang als in het midden breed, met stompe ach- 
terhoel^en, zwart met een ruitvormig geel vlekje in het 
midden, met versmeltende randen. Schildje vrij groot, 
driehoekig, zwart met 2 gele streepjes aan de zijden naar 
de spits toe, die zij niet bereiken. Dekschilden met hoog- 
liggende langsaderen , geel met zwarten buitenzoom , bruinen 
clavus en daartusschen 5 zwartachtige langsstrepen ; boven 
den oranje-gelen cuneus een driehoekig zwart vlekje. Mem- 
braan zeer donker met gele aderen en een wit vlekje tegen 
de spits van den cuneus. Buikzijde zwart. Pooten fraai 
rood met de dijen, trochanters, basis en uiteinde der 
schoenen en de tarsen zwart. 

Van deze zeldzame soort ving de heer Ritsema te Velp 
in Junij 2 voorwerpen ; vroeger had ik er een te Brummen 
gevangen den 28"^" Mei. 

2. Lyyus slriatelkis F. 

Plaat 10 (dl. XVIII), fig. 5. 

Fabr. S. Rh. 236, 164. — Fall. Hem. I. p. 84, 15. — 
Panz. Fn. Germ. 93, 17. — Hahn, W. Ins. II. p. 133, 
r. 218. — Wolff, Ic. Clm. p. 156, tab. 15, f. 150. —Flor, 
Rh. Livi. I. p. 492. — Dougl. and Scott. Rnt. Hem. p. 318. 

Lengte 6 of 7 mm. — Korter en naar evenredigheid 
breeder dan de voorgaande, aan de bovenzijde geel met 
bruine versiering, aan de buikzijde zwart met gele vlek- 
ken. Kop van boven gezien meer dan 2 maal zoo breed als 
lang met uitpuilende zwarte oogen , doch van voren gezien 
langer, dus sterk naar beneden gebogen, geel met een 
zwart en 2 scheve bruine langsstreepjes op het aangezigt. 
Sprieten zoo lang als f van het ligchaam , slank ; l*' en 2* lid 
geel met de tippen donker, 3* en 4' lid grauwzwart. Borst- 
stuk vrij kort en zeer breed van achteren, aldaar in het 
midden ingebogen, geel met den uitersten voor- en achter- 
rand wit, vier langwerpige zwarte vlekjes voor het midden 
en een vrij broeden , doch in het midden afgebroken zwarten 



76 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

dwarsband tegen den witten zoom aan; deze band is in 
enkele voorwerpen ook wel smal. Schildje geel met zwarte 
basis , die echter meest onder den prothorax verborgen blijft. 
Dekschilden sterk gelijkende op die van Striatus, doch minder 
donker, grondklem^ g^el ; langsstrepen en vlekjes bruin; 
cuneus geel met zwarte spits. Membraan rookkleurig met 
ronde lichtere vlekken en gele aderen. Onderzijde bruin- 
achtig zwart met bruingele streep en daaronder twee ronde 
vlekken aan wederzijde op den buik. De zuiger geel met 
het eerste lid zwart. Pooten geel met roodachtige dijen en 
zwarte achtertarsen. De voorwerpen verschillen nog al in 
teekening en in intensiteit van kleur. 

Deze soort is vrij wat gemeener dan de vorige en komt 
in Mei en Junij voor. In de beide provinciën Holland werd 
zij aangetroffen door de beeren van der Hoeven (Leyden), 
Piaget (Duinen) , de Graaf (Haagsche Straatweg) , van Has- 
selt (Haag) , V. Vollenhoven (Haarlem , Haag) , Ritzema Bos 
(Ameland) ; in Utrecht door de beeren Six en van Bemmelen 
(Driebergen) , Ver Loren (Amersfoort) ; in Gelderland door 
den heer v. Medenbach de Rooy (Arnhem) ; en in Noord- 
Brabant door mij (het Ginneken). 

3. Lygus Gothicus L. 

Plaat 10 (dl. XVIII), fig. 3. 

Linn. S. Nat. 13 ed. 726, 73. — Fabr. S. Rh. 244, 20. — 
Fall.ifm. I, p. 117, 4. — Panz. Fn. Germ. 92, 15. — Wolff, 
Ic. Cim. p. 33. tab. 4. f. 33. — Hahn, W. Ins. Ï. p. 12. f. 5. — 
Flor, Rh. Livi. 1. p. 479. 

Lengte 5,5 of 6 mm. — Langwerpig ovaal, van voren 
ietwat hoekig, zwart met ijle, tamelijk lange zwarte be- 
haring. Kop bijna verticaal staande, daardoor van boven 
gezien zeer breed en kort, weinig glanzig zwart met twee 
scheve gele vlekjes op den schedel. Oogen bol uitstekend, 
donkerbruin. Zuiger glanzig zwart, reikend tot even voorbij 
de middelheupen. Sprieten langer dan de helft van het 
ligchaam, zwart, het 2^ lid slechts weinig langer dan 2 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 77 

maal het 1% de beide laatsten te zamen korter dan het 
het 2% de beide eersten met eenige tamelijk lange haartjes 
bezet. Borststuk aan den voorrand vrij breed, naar achteren 
een weinig oploopend, aan den achterrand minder dan 
tweemaal zoo breed als voor; zwart, op het midden der 
zijkanten een oranje vlekje. Schildje aan den voorrand zwart, 
van achteren bedekt met eene ruitvormige geelachtig roode 
vlek. Dekschilden zwart met eene vrij breede gele rand- 
streep, die echter een eindje boven den cuneus ophoudt. 
Deze geelachtig rood met de uiterste spits en den binnen- 
hoek zwart. Membraan roetkleurig. Onderzijde zwart met 
eenige gele vlekken op borst en buik. Pooten zwart met 
bruine scheenen. 

Op 's Rijks Museum te Leyden wordt een voorwerp be- 
waard, dat volgens de etiquette door Dr. W. de Haan in 
Holland zou gevonden zijn. 

4. Lygus seticornis F. 

Fabr. S. Rh. 244, 18. — Fallen, Hem. I. p. 88 n°. 23 
{Lateralis). -Wolff, Ic. Cim. p. 117, tab. 12. f. Ill {Tibialis), 
p. 158. tab. 16. f. 152. — Hahn, W. I. I. p. 220. f. 114. — 
Flor, Rh. Livi. I. p. 503. 

Lengte 6 tot 8 mm. — Langwerpig ovaal, zoo goed als 
onbehaard, behalve op dekschilden en buik; zwart, kop 
en borststuk glanzig, dekschilden mat. Kop bijna verticaal, 
van boven gezien zeer kort en breed; oogen tamelijk uit- 
puilend, van ter zijde gezien niervormig, donkerbruin. Sprie- 
ten iets korter dan het ligchaam , lid 1 en 2 zwart , 3 en 4 
bruin, de laatsten niet bijzonder dun. De zwarte zuiger 
reikt tot aan de achterheupen. Borststuk van voren tamelijk 
smal, naar achter oploopend en aldaar bijna 3 maal zoo 
breed als voor, met naar buiten gebogen achterrand, zwart 
met fijnen witten zoom voor en achter, die van den ach- 
terrand in het midden puntig naar voren uitstekend. Schildje 
zwart, met fijne gele haartjes bezet. Dekschilden donker- 
bruin, tamelijk dik met gele haartjes bezet, met een 



78 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

onzuiver begrensden witten veeg onder den zwarten bui- 
tenrand ; cuneus roodachtig in het bruin , membraan iets 
lichter bruin dan het corium, aderen donker. Onderzijde 
zwart met de randen der geurkUeren geel. Pooten lang 
en slank, zwart met de apophysen en schoenen vuilgeel, 
deze laatsten met 2 rijen fijne, doch zeer duidelijke stekels. 
Deze soort werd hier te lande gevonden door den heer 
Mr. H. W. de Graal in Julij bij Noordwijk en door den heer 
Heylaerts in de omstreken van Breda , in het midden der- 
zelfde maand. 

5. Lygus bipundatus F. 

Plaat 10 (dl. XVIII), fig. 6. 

Fabr. S. Rh. 235, 158. — Fall. Hem. I. p. 78, 2. — Herr. 
Seh. W. Ins. III. p. 79, pi. 98 f. 298 (te bont). — Kirschb. 
Eh. Wiesb. p. 59. — Flor, Rh. Livi. I. p. 498. — Dougl. and 
Scott, Brit. Hem. p. 319. 

Lengte 7 tot 8 mm. — Langwerpig ovaal, aan de schouders 
het breedst, groen, groenachtig geel of roodachtig geel, 
van boven met uiterst fijne zwarte en gele, van onder 
alleen met gele haartjes bezet. Kop bijna verticaal, van 
boven gezien echter stomp driehoekig met grauwgroene, 
van ter zijde gezien nier vormige oogen. Zuiger geel, aan de 
spits bruin, reikend tot de achterheupen. Sprieten bijna 
zoo lang als het lijf; het 1" lid matig dik, groen; het 2^21 
maal zoo lang als 1 , aan de spits niet verdikt , geel lang- 
zamerhand naar het bruine trekkend, 3 en -4 te zamen zoo 
lang als 2, bruinachtig rood. Borststuk aan den hals iets 
minder breed dan de helft van de grootste breedte, en l^ 
zoo lang als de breedte van den duidelijk afgezonderden 
voorzoom, met zeer uitgebogen achterrand en naar achteren 
sterk oploopend. In het midden 2 kleine ronde, zwarte 
vlekjes , die echter dikwijls wegblijven. De dekschilden heb- 
ben, voornamelijk bij het mannetje, somwijlen een rooden 
gloed op clavus en corium. Membraan grauw met gele aderen. 
Abdomen onder de dekschilden zwart met gele of groene 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 79 

randen. Pooten groen, of groenachtig of bruinachtig gee], 
met bruine scheenspitsen en tarsen; de achterdijen vrij 
dik, soms met rijen zwarte puntjes, de achterscheenen 
met 2 rijen zwarte stekeltjes. 

Deze soort is in het geheele land gemeen en vooral 
zeer veelvuldig in de duinen op wilde kool of mosterd ; zij 
komt van Junij tot in October voor. 

6. Lygus Chenopodil Fall. 

Plaat 10 (dl. XVIII), fig. 7. 

Fall. Hem. Suec. 77, 4. — Wolff, Ie. Cim. p. 36, tab. 4, 

f. 36. — Hahn, W. Ins. I, p. 202, tab. 33, f. 103 {Bino- 

tatus). — Flor, Rh. Livi. I, p. 501. — Dougl. and Scott, 
Brit. Hem. p. 325. 

Lengte 6 tot 7,5 mm. — Gelijkende op de vorige soort , 
doch grauwer van klevu' en onderscheiden door de teeke- 
ning op het schildje en door de inplanting der sprieten. Lang- 
werpig ovaal, grauwgroen met grijze of zelfs witte beha- 
ring. Kop bol op het voorhool'd, iets minder naar beneden 
gebogen dan de vorige. Sprieten tegen de oogen aan in- 
geplant (bij Blnotatus niet zoo digt tegen den oogrand aan) , 
veel donkerder van kleur dan bij den voorgaanden. Op den 
schedel dikwijls 2 bruine streepjes. Zuiger lichtgroen met 
bruine spits en donkergroen einde van het l'' lid, reikt 
tot aan de middenheupen. Borststuk iets korter dan bij 
de voorg, soort en ininder oploopend naar achter, bruin- 
achtig groen, glanzig, soms met 2 kleine donkere vlekjes 
op de achterhelft. Schildje met 2 van elkander afgebogen 
kleine bruine streepjes, die echter ook wel eens ontbreken, 
vooral bij het wijfje. Op de dekschilden is de buitenrand 
van het corium onder den zeer smallen zwarten zoom, 
en tevens de cuneus iets lichter en glanziger van kleur, 
dan het overige; het corium naar de spits toe donkerder, 
soms in langsstrepen. Membraan iets donkerder grauw 
dan de dekschilden met vuilgele aderen, die aan het eind 
der kleine cel een bruin verdikt punt vertoonen. Abdomen 



80 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

aan de bovenzijde zwart met grauwgroene randen. Pooten 
groen met geelachtige heupen; de dijen met rijen bruine 
stipjes besprenkeld, de scheenen met zwarte stekeltjes en 
het laatste lid der tarsen zwart. 

Volgens den heer Piaget is deze soort vrij gemeen in 
de duinen. De heer de Graaf ving haar in Aug. te Kat- 
wijk op Eryngium mxirüimum , ik zelf bij Scheveningen 22 
Julij ; doch ik ving haar bovendien in Aug. te Naaldwijk , 
waar geene duinen zijn en 22 Julij aan het strand der 
Schelde bij Bergen-op-Zoom. Ook ving de heer van Me- 
denbach de Rooy haar bij Huissen in Aug. 

7. Lygus ferrugatus F. 

Plaat 10 (dl. XVIII), lig. 8. 

Fabr. S. Rh. 236, 163. — Fall. Hem. 5. I, p. 86, 19.— 
Hahn, W. Ins. I, p. 204, tab. 33, f. 104. — Flor, Rh. 
Livi I, p. 496. — Douglas and Scott, Rrit. Hem. p. 327. 

Lengte 7 — 8 mm. Langwei'pig eirond, doch iets breeder 
dan de vorige soorten , groenachtig geel of grauwgroen , 
met zeer fijne en korte zwarte beharing. Kop vanter zijde 
gezien bolrond, naar beneden gebogen, van boven gezien 
stomp driehoekig, met 2 zwarte vlekjes op den schedel en 
den achterrand van den kop zwart. Oogen matig groot, 
bol, bruin. Sprieten zoo lang als het ligchaam ; het 1'' lid 
vrij dik, grauwgroen; het 2^ rood met bruine basis, niet 
dikker wordende naar het einde; 3 en 4 te zamen langer 
dan 2, zwart. Zuiger aan de basis groen, in het midden 
bruingeel, aan de spits zwart. Borststuk van gedaante als 
bij Bipundatus, doch iets breeder van voren, grauwgroen 
met twee breede, doch onduidelijke roode langsstrepen. 
Schildje met gele basis onder den prothorax en soms met 
eene bruine langsstreep over het midden. Dekschilden met 
eene kaneelroode groote vlek op den clavus en twee zulke 
langsstrepen in wigvorm op het corium. Membraan grauw 
met lichtere aderen; de cellen iets donkerder dan de grond. 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 8'! 

Pooten groen met bruine einden dei- achterdijen ; de scheen- 
spitsen en tarsen zwartbruin. 

Beschreven naar een voorwerp door den heer Maurissen 
26 Julij '74 bij Blinde in Limburg gevangen. De soort werd 
bovendien aangetroffen aan de Bildt en te Driebergen door 
den heer Six, terwijl de heer van Medenbach de Booy bij 
Arnliem in JuHj twee voorwerpen ving. 

8. Lf/gus corcUger Hahn. 

Hahn, Wanz. Ins. Il, p. 85, PI. 56, fig. 471. — Fieber, 
Die Eur. Hemipt. p. 264. 

Lengte 6 mm. — Ovaal , tamelijk breed , grof gekorreld , 
zwart met doojergele versiering. Kop kort en breed drie- 
hoekig, vrij spits aan de basis van den zuiger, glanzig 
zwart met een smal geel dwarsstreepje op den schedel. 
Oogen sterk uitpuilend, bruin, volgens Herrich-Schaeffer 
in het leven rood. Sprieten niet langer dan de helft der 
ligchaamslengte , zwart , het 2^ lid min of meer verdikt naar 
het einde, de beide volgenden haarfijn. Schildje doojergeel met 
eene zwarte vlek aan den voorrand, die zich soms naar 
achteren tot bijna aan den achterrand uitstrekt. Schildje drie- 
hoekig, glad, zwart aan de basis, verder doojergeel en glanzend. 
Dekschilden aan de binnenhelft zwart, aan de buitenhelft 
doojergeel; cuneus meer oranjegeel met zwarte spits. Mem- 
braan rookkleurig met lichtere wolken aan de basis. Achter- 
lijf boven en onder zwart. Heupen en dijen zwart, de laatsten 
met 1 of 2 gele bandjes voor de knie; scheenen geel met 
de basis en spits, alsmede een bandje in het midden zwart; 
tarsen grauw met het laatste lid en de klaauwtjes zwart. 

Een voorwerp in de omstreken van Breda in het gras 
bij brem in Julij (Heylaerts); twee voorwerpen in Julij bij 
Arnhem (v. Med. de Rooy). 

9. Lygus Fallenii Hahn. 

Plaat 8 (dl. XVIII), fig. 11. 

Halm, Wanz. Ins. H, p. 89. PI. 57, lig. 175. — Kirschb. 
Rh. Wiesh. p. 67. 



82 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

Lengte 4. mm, — Ovaal , tamelijk breed , bruin met 
lichtere dekschilden. Kop van boven gezien breed driehoekig, 
zwart op den schedel met 2 van daar tusschen de oogen 
afdalende vlekken. Oogen uitpuilend en bruin. Sprieten korter 
dan het halve ligchaam, donkerbruin, met de basis van lidi 
rood. Op het schildje drie lichtgekleurde vlekken, twee in de 
zijhoeken, 1 aan de spits. Dekschilden lederkleurig, bijna 
doorschijnend, glanzig, gestippeld met 1 zwart vlekje in het 
midden en 2 aan den achterrand van het corium, de spits 
van den cuneus mede zwart. Membraan doorschijnend met 
lichtbruine aderen. Pooten lichtbruin met roodbruine ringen 
op de dijen; een breede donkere ring om de schoenen, de 
scheenspitsen en het 3" lid der tarsen donkerbruin. 

Een voorwerp werd 29 Junij in de Hollandsche duinen 
gevangen door Dr. Piaget. 

10. Lygiis pimdulatus Fall. 

Fall. Hem. Suec. 95, 36. — Meyer, Rh. d. Schweiz, p. 103, 
taf. IV, flg. 2. 

Lengte 4 mm. — Vrij breed ovaal, als de vorige, glan- 
zig, kaal, gestippeld, lichter of donkerder nootbruin. Kop 
van boven gezien breed, kort met eene vooruitstekende 
punt. Oogen sterk uitpuilend, donkerbruin. Sprieten zoo 
lang als het halve ligchaam, geel, naar de spits donker- 
der. Borststuk naar achteren sterk oploopend , bol , aan 
den achterrand, die in het midden regt loopt, tweemaal 
zoo breed als aan den hals; de twee verhevenheden achter 
den voorrand zijn soms van achter donkerbruin gezoomd. 
Het schildje heeft 3 gele vlekken in de hoeken of het is 
door 3 gele lijntjes, die van de hoeken af naar een punt 
voor het midden toeloopen, in drie donkerder veldjes ver- 
deeld, Dekschilden sterk gestippeld, doch bijna doorschij- 
nend, met 2 donkere plekken, een naar het einde van het 
corium , de andere in het midden ; deze teekening verdwijnt 
dikwijls. Een dwarsbandje op de spits van den cuneus 
donkerbruin. Membraan geelachtig met de buitenader der 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 83 

groote cel donkerbruin. Cuneus en membraan sterk naar 
beneden gebogen. Pooten bruinachtig geel ; een zwart bandje 
om de achterdijen, midden- en achterscheenen met 2 don- 
kere bandjes en het laatste lid der tarsen donkerbruin. 

Deze zeldzame soort komt zeer vroeg en zeer laat in het jaar 
voor en overwintert waarschijnlijk. De heer van Medenbach 
de Rooy ving bij Arnhem 4 exemplaren in April en Novem- 
ber; doch hij trof de soort ook bij Huissen in Julij aan. 

11. Lygus pratensis L. 

Plaat 10 (dl. XVIII), üg. 9, de var. Campestris. 

Limi. S. N. 13 ed. 728, 86 et 87. — Fabr. S. Rh. 234, 
154 et 155. — Fall. Hern. 90, 28 et 91, 29. — Panz. Fti. 
Germ. 93, 19. — Hahn, W. Ins. I. p. 217 et 218, Tab. 35, 
flg. 112 et 113. — Flor, Rh. Livi I. p. 517. — Douglas and 
Scott, Brit. Hern. p. 463. 7 (Campestris) , p. 464. 8 (Pratensis). 

De autoriteit van Linnaeus en Fabricius schijnt vele 
entomologen genoopt te hebben de gladde en de harige voor- 
werpen dezer soort als twee afzonderlijke species te beschou- 
wen; doch Burmeister, Meyer en vooral Flor (zie zijne lange 
noot op bladz. 520) hebben voldoende bewezen dat men 
hier slechts met eene soort in twee verscheidenheden, die 
in elkander loopen , te doen heeft. Zonderling is het dan ook, 
dat Douglas en Scott hen weder van elkander scheiden, doch 
dit feit is waarschijnlijk te verklaren uit de overweldigende 
lust die de Engelschen drijft om hunne fauna met soorten 
te verrijken, waarvan ook vroegere werken in ruime mate 
getuigen. Tot Pratensis wordt ook nog door Flor gebragt 
Capsus gemellatus H. Sch. (Wam. Ins. III, p. 81, fig. 301). 

Lengte 4.5 — 5,5 mm. — Ovaal, bijna glad of wel met 
korte haartjes bezet, glanzig, op het borststuk gestippeld, 
geel of groenachtig geel of grauw. Kop vrij sterk naar 
beneden gebogen, van boven gezien tweemaal breeder dan 
lang, driehoekig met ronde uitpuilende bruine oogen, die 
van ter zijde gezien ovaal zijn. Sprieten iets langer dan 
de helft van het hgchaam, fijn, het 1" lid iets dikker; 



84 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

groen, geel of roodachtig; het 2" geel of roodachtig met 
donkerbruine spits, die iets dikker is dan de rest, 3* en 
4" te zamen langer dan 2, haarfijn, zwart. Zuiger groen 
of lichtbruin, reikend tot de achterheupen. Borststuk van 
achteren tweemaal zoo breed als voor, sterk bol naar ach- 
teren oploopend, doch aan den achterrand weder naar be- 
neden gebogen, glanziger dan de rest van het lijf; het 
hoogere gedeelte is gewoonlijk het donkerst gekleurd. 
Schildje minder sterk gestippeld dan het borststuk, bijna 
glad; het basaalgedeelte (onder den rand van den pro- 
thorax) donker gekleurd, van waar dikwijls in het midden 
op het onbedekte gedeelte 2 donkere streepjes naar beneden 
dalen. Dekschilden minder glanzig dan het borststuk , 't zij 
ongevlekt, 't zij met 2 vlekjes aan het eind van het corium , 
't zij bovendien met donkere langsstrepen. Pooten niet zeer 
lang, noch zeer slank, met 2 of 3 bandjes om de einden 
der dijen. 

De gladdere lichtgekleurde voorwerpen zijn de ware 
Pratensis, de meer behaarde, sterker gekleurde en vooral 
gevlekte voorwerpen behooren tot Campestris; vele voor- 
werpen zijn even goed tot de eene als tot de andere ver- 
scheidenheid te brengen. De verscheidenheid Gemellatus 
Herr. Sch. is eenmaal in Julij bij Groningen aangetroffen door 
Dr. de Gavere. Pratensis behoort tot de zeer gemeene soorten 
en is, zoo ik wel heb, in al onze provinciën gevangen. 

12. Lygus rubicundus Fall. 

Plaat 3, lia;. 1. 

Fall. Hem. 1. p. 92, 30. — Flor. Rhynch. Livi I. p. 534. 

Lengte 4 — 4,5 mm. — Ovaal , van gedaante als de voor- 
gaande, doch geelrood of rood van kleur en kleiner. Kop 
sterk neergedrukt, bijna verticaal, glanzig met 2 putjes 
op den schedel. Zuiger roodachtig geel met bruine spits, 
reikend tot over de middenheupen. Sprieten iets korter 
dan de helft van het lijf, met de 2 eerste leedjes en de 
basis van het 3' roodgeel, het overige bruin. Borststuk 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 85 

niet veel langer dan de breedte van den voorrand, van 
achter bijna 2 maal zoo breed als lang, in het midden van 
den achterrand ingebogen, vrij bolkussenvormig, glanzig, 
doch sterk bestippeld, behalve de 2 halsbultjes, die glad 
blijven. Halsschild fijner bestippeld, even als de dekschil- 
den; deze met korte lichtgrijze haartjes bezet. Cuneus iets 
lichter van kleur, doch met fijne bloedroode spits. Membraan 
berookt met fijne roode cel-aderen; een fijn bruin dwars- 
streepje onder de spits der groote ader en een hoornvormig 
wolkje aan den buitenrand. Buik en pooten lichter van kleur 
dan de bovenzijde. Dijen met donkere bandjes voor de knie. 

Het komt mij voor dat deze soort bij de schrijvers met 
andere roode, doch langwerpiger soorten verward is; zelfs 
stemt de beschrijving bij Flor niet volkomen met mijne 
voorwerpen overeen. 

Volgens mijne aanteekeningen werd deze soort gevonden : 
bij Utrecht door Dr. van Hasselt, bij Ddebergen door den 
heer Six , bij Arnhem in October door den heer van Meden- 
bach de Rooy en door mij in de maand April op de Gliphoeve 
onder Heemstede. 

13. Lygus tripustulatus F. 

Plaat 10 (dl. XVIII), fig;. 10. 

Fabr. S. Rh. 239, 482. — Fall. Hem. Sued. p. 96,38. — 
Hahn, W. Ins. I. p. 213. PI. 34, f. 110 (Pa^^mame) et 111. — 
Burm. Handh. H. p. 273, 25. — Flor, Rh. Livi. I. p. 515. — 
Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 450. 

Lengte 4 mm. — Ovaal, glanzig, met putjes bestippeld, 
zwart inet oranjekleurige teekening. Kop geel met bruine 
vlekjes voor de oogen en bij den zuiger, bol van voren, bijna 
verticaal staande , van boven gezien tweemaal zoo breed als 
lang. Oogen uitpuilend , Ijruin. Zuiger geel , donkerbruin aan 
het einde, tot de achterheupen reikend. Sprieten ver over de 
helft van het ligchaam reikend , slank ; het 1" üd geel met een 
zwart langsstreepje aan de binnenzijde en een zwart bandje 
voor de spits, het 2" eerst zwart, dan bruin, dan geel, 



86 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

dan weder zwart, het 3^ bruin met gele basis en het 4* 
geheel bruin. Borststuk vrij breed van voren, 1| zoo lang 
en op het breedst 2 maal zoo breed als aan den hals, met 
den achterrand rondgebogen, zonder indruksel, van voren 
geel , van achteren zwart of wel met 4 zwarte vlekken ; in 
het 1*' geval het geel in het midden met eene wigvormige 
vlek inspringende en 2 zwarte vlekken op het geel achter 
de halsbuilen. Schildje geel of oranje met zwarte basis, die 
onder den rand van het halsschild verborgen is. Dekschilden 
zwart met 2 gele vlekken aan den rand, die soms vrij 
diep naar binnen doorloopen; cuneus oranje of geel aan de 
basis en de spits zwart. Membraan zeer donker met gele 
aderen en bovendien 2 gele of witte vlekjes , 1 rond in het 
midden , 1 hoornvormig aan den rand. Borst geel met zwarte 
vlekken, buik glanzig zwart met gele randvlekken. Pooten 
geel, dijen met 2 of 3 zwarte banden, scheenen met 1 bandje. 
Er is veel verschil in donkerder of lichter teekening. Bij 
de var. Pastinacae van Halm loopt de middenband op de 
dekschilden door en is er een geel vlekje op de spits van 
den clavus. 

Bij Groningen en Diever in Julij gevangen door Dr. de 
Gavere , bij den Haag en Leyden door mij , bij den Haag in 
Februari] en Maart door Mr, Leesberg , bij Utrecht door den 
heer Six, bij Breda in menigte door den heer Heylaerts , bij 
Huissen door den heer v. Medenbach de Rooy met de var. welke 
ook gevonden is bij den Haag door den heer van der Wulp. 

14. Lygus Kalmü h. ^). 

Plaat 3, fig. 2. 

Linn. Fn. Suec. 948. — Fabr. S. Rh. 243, 10 (Flavovarms). — 
Fall.^m. Smc. I, 93, 34. — Hahn. W. Ins. 1. p. 211. PI. 34, 
f. 109 (Flavovarius). — Schellenberg, Cùn. tab. 3, f 2 en c 
(te hoog geel). — Flor, Rh. Livi. L p. 521. — Douglas and 
Scott, Brit. Hem. p. 452. 



1) Linnaeus zon zich wel gewacht liehben ooit Kalnii (met een i), te sclirijven, 
gelijk men leest bij Fieber, Douglas en helaas! ook bij Hor. 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 87 

Weder eene soort met twee namen, een voor de licht- 
een voor de donkergekleurden ; ofschoon Fieber hen als 
twee soorten gescheiden heeft, hebben nogthans de En- 
gelsche auteurs hen weder vereenigd , 't geen zeer opmer- 
kelijk is. 

Lengte 4 mm. — Ietwat langwerpig ovaal, donkerbruin 
of zwart met geel of geelachtig groen versierd. Kop sterk 
naar beneden gebogen, glanzig geel met 2 zwarte langs- 
streepjes of donkerbruin met 3 gele streepjes, die zich op 
den schedel tot eene vlek vereenigen. Oogen uitpuilend, 
lichtbruin. Sprieten iets langer dan de helft van het lijf; 
1* lid geel met zwarten band aan de spits , de 3 volgenden 
bruin; lid 2 is 21 maal langer dan lid 1 en naar de spits 
toe iets dikker wordend. Zuiger geel met zwart uiteinde. 
Borststuk naar achteren oploopend en vrij bol, fijn gestip- 
peld, op het breedste punt 2 maal zoo breed als lang, aan 
den achterrand , die rond uitgebogen is , flaauwelijk ingedeukt 
in het midden, zwart met smallen gelen voor- en achter- 
rand en een geel langsstreepje in het midden. De var. Fla- 
vovarius heeft 3 gele vlekjes op het midden, of het borst- 
stuk in het midden geheel geelgroen. Schildje glad, glanzig, 
geheel geel, of met een driehoekig of halfrond zwart vlekje 
in het midden van de basis, Dekschilden (Kalmii) zwart 
of bruin , met eene langwerpige geelgroene vlek aan de basis 
van het corium en met de bo venhelft van den cuneusgeel; 
of wel (Flavovarlus) groenachtig geel met de bovenhelft van 
den clavus, een' dwarsband aan het eind van het corium 
en de benedenhelft van den cuneus l:)ruin. Membraan lichter 
of donker wolkig berookt , met de groote ader geel. Onder- 
zijde zwart met 2 zeer breede gele langsstrepen over den 
buik. Pooten geel, de achterdijen met 2 bruine bandjes 
voor de knie, de achterscheenen en tarsen aan de achter- 
helft bruin. 

Gemeen op verschillende schermbloemen , voornamelijk 
beerenklaauw (Heracleum sphondyUum) en in de meeste pro- 
vinciën aangetroffen. 



88 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

15. Lygus Pastinacae Fall. 

Fall. Hem. 94, 35. — Flor, Rh. Livi. I. p. 523, n«. 30. — 
Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 455, PI. 15, f. 4. 

Zoo sterk gelijkend op de Voorgaande, dat men haar 
voor dezelfde zou houden, indien niet de oogen minder 
uitpuilend waren en vooral niet aan den binnenrand inge- 
bogen, terwijl Kalmii de oogen vrij sterk ingebogen heeft. 
Ook is er eenig verschil in kleur gelijk blijken zal uit de 
volgende beschrijving. 

Lengte 4 mm. — Groen met bruine teekening, membraan 
ongevlekt. Kop olijfbruin, glanzig met een. zwart dwars- 
streepje in den nek en donkerbruine oogen. Sprieten van 
dezelfde kleur; het 2^ lid iets donkerder aan de basis. 
Thorax geel, glanzig, tamelijk grof gestippeld, met bruinen 
achterrand der halsknobbeltjes. Schildje zwavelgeel of 
appelgroen. Dekscliilden groen met een' bruinen gloed op 
den clavus en aan het eind van het corium; cuneus licht- 
groen met donkerder randen. Membraan wit, doorschijnend 
met zeer licht bruine aderen. Onderzijde vuil groenachtig 
geel met de borst bruinachtig; eene zwarte vlek op het 
midden van den laatsten buikring en twee kleinere aan de 
zijden daarvan. Pooten groenachtig geel met de schoenen 
lichtgroen en het laatste lid der tarsen zwart. 

Deze soort werd gevangen 13 Junij in het Overmaassche 
bij Rotterdam door Dr. Piaget , in Julij op Staalduin door 
den heer van der Wulp en in Mei bij Utrecht door den 
heer G. A. Six. 

16. Lyi/us unifascialus F. 

Plaat 10 (dl. XVIII), üg. 11. 

Fabr. S. Rh. 243, 9. — Fall. Hem. I. p. 86, 21 (Semi/lavus). — 
Wolff, Ic. dm. p. 154. tab. 15, fig. 148 (Semi/lavus). — Hahn, 
W. Ins. I. p. 208, tab. 34, fig. 107 (Semißavus) II. p. 85, tab. 56, 
fig. 169 (Lateralis) et 170 (Marginatus). — Flor, Rh. Livi. I. 
p. 544. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 467, PI. 15, f. 6. 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 89 

Eene in kleur nog al variërende soort, die echter daar- 
om nog geene drie afzonderlijke namen verdiende, zoo als 
Hahn aan de kleurverscheidenheden toediende. 

Lengte bijna 5 mm. — Zwart met goudgele en grijze 
haartjes bezet, ovaal, de mannetjes iets langwerpiger dan 
de wijfjes. Kop sterk naar beneden gebogen en niet zeer bol, 
daardoor van boven gezien zeer kort en breed, zwart met 
twee gele vlekjes tegen de oogen aan op den schedel. 
Oogen licht bruinrood , sterk uitpuilend , grof van facetten. 
Sprieten zoo lang als f van het ligchaam ; het 1' lid betrek- 
kelijk kort, vaalrood, het 2' driemaal langer, van dezelfde 
kleur met bruine spits, het 3' half zoo lang als het 2% 
bruin met roode of gele basis , het 4* zwart. Zuiger bruin- 
rood, reikend tot de middenheupen. Borststuk naar achteren 
oploopend , kort en breed , met smallen gelen zoom aan den 
achterrand. Schildje of geheel zwart, of meer of min geel 
aan de spits, soms over de helft. Dekschilden geel met 
zwarten clavus en op het corium 2 tegen elkander aan 
liggende ovale zwarte vlekken, die den buitenrand en den 
cuneus niet raken, maar wel den achterrand; deze vlekken 
breiden zich soms zoo zeer uit, dat er weinig van de 
grondkleur meer overblijft (var. lateralis en marginatus) ; 
cuneus rood met een zwart vlekje aan den buitenrand. Mem- 
braan rookkleurig, de zwarte cellen omzoomd met gele 
aderen. Voorpooten rood, middenpooten roodbruin, achter- 
pooten bruin met gele basis der dijen. 

Eene niet bijzonder zeldzame soort, gevangen bij Utrecht 
door Dr. van Hasselt en den heer Six , op Walcheren door 
den heer Gerlach, te Katwijk door den heer de Graaf, te 
Wassenaar en Scheveningen in Julij door mij. De var. LaleniU-^ 
werd te Katwijk op walstroo aangetroffen door den heer 
de Graaf en bij Amersfoort door den heer Six. 

17. Lygm vulneralus Wolff. 

Plaat 3, fig. 3. 

Panz. Fu. Germ. (Wolff.) 100, 22. — Fall. Hem. Suec. p. 87, 



90 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

22. (Dalmamii). — Hahn W. Ins. I. p. 210, pi. 34, fig. 108 
{Dalmanni). — Flor, Rh. Livi. I. p. 549 (eodem nom.). 

Leagte 3 tot 4 mm. — Zeer na aan de voorgaande verwant. 
Ovaal, het wijfje iets breeder dan de man, grauw- of groen- 
achtig geel, met goudgele of zilverachtige haartjes bekleed. 
Kop verticaal, zeer weinig bol, daardoor van boven gezien 
breed en kort; oogen matig uitpuilend, grijs. Zuiger aan de 
spits bruin. Sprieten ongeveer | der lengte van het ligchaam, 
roodachtig geel met de uiteinden der leedjes bruin; het laatste 
geheel bruin. Lid 2 is i langer dan de beide volgenden te 
zamen , bij den <? zoo dik als het 1* lid en overal van gelijke 
dikte , bij het ? aan de basis dunner dan aan de spits. Borst- 
stuk met 4 zwarte vlekjes, 2 aan den voorkant achter den 
witten zoom (zij blijven wel eens weg, doch verlengen zich 
ook wel tot 2 langsstreepjes en in het laatste geval is op den 
kop mede eene zwarte langsstreep te zien) en 2 aan de schou- 
ders. Schildje geel met zwarte basis of zwart met eene hart- 
vormige gele vlek aan de spits. Dekschilden met zeer fijnen 
zwarten buitenrand en soms met 2 wigvormige vlekken op 
het corium. Cuneus bloedrood met een fijn zwart streepje 
aan den buitenrand. Membraan lichter of donkerder grijs 
met gele aderen. Pooten grauwgroen of vuilgeel, de dijen 
aan de onderzijde met rijen van bruine stipjes; achterdijen 
met 1| bruin bandje aan de knie ; laatste lid der tarsen zwart. 
Het achterlijf op den rug zwart met grauwgele randen. 

Zeer gemeen op de duinen van half Junij tot in Augustus. 
Ook op Ameland gevonden door den heer Ritzema Bos. 

18. Lygus Gyllenhalii Fall. 

Plaat 3, fig. 4. 

Fall. Hem. S. 97, 40. — Herr. Sch. W. Ins. UI. p. 86. PI. 101, 
f. 310. — Flor, Rh. Livi. I. p. 54ß partim. — Dougl. and Scott, 
Rrit. Hern. p. 446. PI. 15, f. 1. 

Lengte 3—4 mm. — Breed ovaal , zwart met grijze haartjes 
dik bekleed. Kop sterk gebogen, weinig bol, van boven 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 91 

gezien vijf hoekig. Oogen van ter zijde gezien nagenoeg nier- 
vormig, uitpuilend, grof van facetten, bruin. Sprieten niet 
langer dan de helft van het Ugchaam, geelachtig \vit met 
een bruin vlekje aan de binnenzijde van het 1' lid; het 
4^ en de spits van het 3' bruinachtig. Borststuk hoog op- 
loopend en bol gewelfd; eene zeer lichte indeuking in het 
midden van den rond uitgebogen achterrand; deze rand 
aan wederzijde met een fijn witachtig zoompje. Schildje 
kort en breed, overdwars gekrast, aan de spits sterk be- 
haard. Dekschilden met een vlekje aan de basis, den zeer 
smallen zoom van den buitenrand, den achterhoek van het 
corium en den cuneus steenrood; deze laatste is aan den 
voorrand door eene diepe inkeeping van het corium afge- 
scheiden. Membraan zwart met witte aderen en een wit 
vlekje onder de spits van den cuneus. Onderzijde zwart, 
vlekkig behaard. Pooten geelachtig met bruine gedeelten; 
de heupen en dijringen zwart, de dijen met bruine bandjes, 
de tarsen vuilwit met zwarte spits en zwarte klaauwtjes. 

Eene zeer na verwante soort, Holosericeus Hahn (W. Ins. 
I. p. 27 fig. 17) wordt door Flor met deze vermengd ; zij onder- 
scheidt zich echter van Gyllenhalii door meerdere grootte, 
betrekkelijk langere sprieten en geelachtig witte scheenen 
en werd bij ons nog niet aangetroffen. Merkwaardig en 
kenschetsend voor zijne methode is het dat Fieber beide 
soorten in twee verschillende genera plaatst. Het is wel de 
moeite waard het zoogenaamde verschil bij Fieber, p. 271 
na te lezen. 

Van Gyllenhalii vond ik een voorwerp in de duinen bij 
Scheveningen op den 22"'°Julij 1874. 

19. Lygus Pinaslri Fall. 

Fall. Hem. S. I. p. 112, 68. — Hahn, W. Ins. IL p. 87. 
tab. 57, f. 173. — Flor, Rh. Livi. I. p. 536. 

Lengte 4 mm. — Langwerpig ovaal, bruin met donkere 
haartjes bezet, vooral op de dekschilden. Kop bijna verticaal 
en toch van boven gezien breed driehoekig, glanzig, getaand 



92 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

geel met een bruin langsstreepje in het midden. Oogen bol, 
sterk uitpuilend, donkerbruin. Sprieten zoo lang als | van 
het hgchaam, slank; het i^ lid bruingeel met 2 bruine 
smalle bandjes, lid 2 geel, 3 geelbruin, 4 donkerbruin. 
Zuiger bruin, tot aan de a(^.hterheupen reikend. Borststuk 
op de breedste plaats tweemaal zoo breed als lang , met de 
voorhoeken geheel afgerond, bol kussen vormig , grof ge- 
stippeld , zeer glanzig zwart met in het zwart wegsmeltende 
geelbruine zijden; de smalle voorrand wit, ook de achter- 
rand naauwelijks zigtbaar wit gezoomd. Schildje iets fijner 
gestippeld, glanzig zwart. Dekschilden fijn gestippeld, 
lichter of donkerder bruin, naar het eind toe bijna zwart; 
cuneus bruin met donkere spits. Membraan taankleurig 
berookt. Pooten taankleurig geel, op de dijen en schoenen 
met bruine bandjes bezet; de heupen, apophysen en he 
eind der tarsen donkerbruin. 

De mannetjes zijn donkerder van kleur dan de wijfjes. 
De figuur van Hahn is echter veel te donker, te zwart. 

Deze soort werd door mij in Julij op de duinen van 
Scheveningen gevangen. 

20. Lygus cervinus H. Sch. 

Plaat 3, fig. 5. 

Herr. Sch. W. Ins. VI. p. 57. PI. 199, f. 617. — Meyer, 
Schiv. Rh. p. 103, n». 91. 

Lengte 4 mm. — Bruinachtig geel, glanzig, langwerpig 
ovaal. Kop verticaal, weinig bol, met niervormige donker- 
bruine oogen. Sprieten langer dan de helft van het ligchaam, 
het 1" lid geel, het 2^ geel met het laatste vierdedeel zwart, 
lid 3 en 4 zwart. Zuiger geel met zwarte spits, reikend 
tot voorbij de achterheupen. Borststuk grof gestippeld , doch 
zeer glanzig, met donkere onbepaalde vlekjes, de achter- 
hoeken bruiner. Schildje iets fijner gestippeld (ik kan er 
de 2 donkere langsstreepjes niet op terugvinden, die er 
volgens Herr.-Schaeffer en Meyer op te zien zijn). Dek- 
schilden doorschijnend, hoornachtig, met een zeer fijn 



DE INLANDSCIIE HEMIPTEREN. 93 

zwart zoompje aan het begin van den buitenrand, meteen 
klein rood langsstreepje boven en een bruin dwarsstreepje 
bezijden den cuneus; deze mede hoornachtig met een fijn 
bloedkleurig randje aan de spits. Membraan met 3 donkere 
woll^jes, waarvan 1 in de groote cel en 1 tegen de spits 
van den cuneus. Onderzijde en pooten geel, achterdijen 
rood gekleurd. 

Een voorwerp , zoo bont gekleurd als de aangehaalde figuur 
heb ik nooit gezien ; toch noemt Meyer die afbeelding « sehr 
getreu». Onze inlandsche voorwerpen schijnen dus bleeker 
van tint, dan sommige Zwitserschen. 

Gevangen door den heer de Gavere bij Groningen , door 
den heer Six in Nov. bij den Haag (?) en door mij in 
Maart bij Haarlem. 

21. Lygus Roseri H. Sch. 

Plaat 3, fig. 6. 

Herr. Sch. W. Ins. IV. p. 78, PI. 132, f. 407. — Meyer, 
Schw. Rh. p. 105, 94. — Flor, Rh. Livi. I. p. 560, n°. 53. 

Van deze soort, die volgens de beschrijvingen een zwart 
borststuk moet hebben, ken ik hier te lande slechts eene 
verscheidenheid met licht gekleurd borststuk. 

Lengte 3,5 mm. — Vrij breed ovaal, bijna onbehaard, 
glanzig. Kop verticaal , zeer weinig bol uitstekend , van boven 
gezien breed driehoekig, donkerbruin met den schedel en 
2 scheve strepen langs de oogen geelachtig rood, Oogen weinig 
uitpuilend, bruin. Sprieten korter dan de helft van hetlig- 
chaam, matig slank; de 2 voorste leedjes geel, de spits van 
het 2" met 3 en 4 zwart. Borststuk breed en kort, fijn gestip- 
peld met eene golvende vrij diepe dwarsgieuf achter de gewone 
halsknobbels; rood- of ook wel groenachtig geel, aan den 
voorkant donkerder, bijna bruin. Het schildje van dezelfde 
kleur en even zoo gestippeld. Dekschilden onduidelijk be- 
stippeld , licht of grauwachtig geel met een' donkeren langs- 
veeg in het midden. Cuneus iets rooder; membraan rook- 
kleurig. Onderzijde zwart met eene roode vlek op den buik. 



94 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

Pooten rood met bruine heupen en bruine 'basis der dijen ; 
de scheenen geel met zwarte doorntjes in 2 rijen, tarsen 
geel met zwarte spitsen. 

Dit insect is uitsluitend door den heer Six in Julij bij 
Utrecht gevonden. 

22. Lygus mutabüis Fall. 

Plaat 3, fig. 7 <? et $. 

Fall. Hem. S. I. p. 118, 5. — Hahn. W. Ins. II. p. 95. PI. 59, 
f. 180 <?, III. p. 11. PI. 76. f. 236 ? (Saltator). — Gurt. Brit. 
Ent. XV. tab. 693. (Hirtus). — Meyer, Schiv. Rh. p. 58, n°. 23 
et 112 n°. 106 (Saltator). — Flor, Rh. Livi. I. p. 567. — 
Douglas and Scott, Brit. Hem. p. 431, PL 14, f. 2. 

Eene soort, waarvan het wijfje met verkorte dekschilden 
van Hahn een' anderen naam heeft ontvangen, ofschoon 
Fallen's opgave omtrent die sexe hem bekend was. Even 
als in Zweden, zijn de wijfjes met volkomen dekschilden en 
vleugels hier zeer zeldzaam of ontbreken misschien geheel. 

Lengte 4 — 5 mm. — Zwart, dik met schubachtige, goud- 
gele haartjes bezet, die echter ligt loslaten. Het mannetje 
langwerpig ovaal, het wijfje peervormig. Kop scherp drie- 
hoekig, aan het achterhoofd als afgesneden en tegen het 
borststuk gedrukt, met vrij lange zwarte haartjes aan de 
basis van den zuiger, die tot aan de middenheupen reikt. 
Oogen uitpuilend, bruinzwart. Sprieten bij den man iets 
langer dan de helft van het ligchaam, zwart, onbehaard, 
het 1* lid dikker , het 2^ aan de spits schier niet dikker dan 
in het midden, het 3^ slechts weinig langer dan het 1*. 
Sprieten bij het wijfje nagenoeg zoo lang als het ligchaam, 
zwart, harig; lid 1 iets langer en dunner dan bij denman, 
2 knodsvormig en dik behaard, 3 zeer slank en 24 maal 
langer dan 1 , met 4 vederachtig behaard. Halsschild bij het 
$ korter en breeder dan bij den man, bij haar is de voor- 
rand zoo breed als het halsschild in het midden lang is. 
Dekschilden bij hem voluitgegroeid met donkere membraan , 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 9^ 

met lichtere aderen , bij haar zonder cimeus noch membraan , 
maar aan het eind wat toegeknepen. Pooten vrij lang en 
zwart met afstaande haren, meest met donker roodbruine 
scheenen; vooral bij het wijfje zijn de achterdijen langen 
tevens grof. 

Een <? werd door den heer Ritsema in Jimij bij Velp 
gevangen , en een $ op Walcheren door den heer Gerth van 
Wijk. Waarschijnlijk heb ik wel meer mannetjes ter deter- 
minatie in handen gehad , doch bij den twijfel omtrent den 
naam, daar er meer geheel zwarte soorten zijn, dienaan- 
gaande geene aanteekening gehouden. Een enkel bevindt 
zich in mijne verzameling met het etiquette Holland. Of het 
wijfje springt, gelijk de naam Saltator aanduidt, is mij niet 
gebleken. Door den knodsvorm van het 2* lid der sprieten 
nadert dit wijfje tot de soorten van het geslacht Capsus, 
't geen al wederom aantoont dat de genera in deze familie 
geene zuivere, vast afgebakende grenzen hebben. 

23. Lyfjus virgida Herr. Sch. 

Plaat 3, lig. 8. 

Herr. Sch. Wam. Ins. HL p. 51 , pi. 88, fig. 268. — Douglas 
and Scott, Brit. Hem. p. 373, PI. 12. f. 10. 

Lengte 4 mm. — Smal, langwerpig, het borststuk eenig- 
zins in den vorm van een halsje verdund, onbehaard, 
weinig glanzig, geel met roode versieringen en zwarten 
kop. Kop van boven gezien breed vierkant met een uit- 
stekend puntje, van voren gezien met de oogen hartvormig, 
zwart met 2 driehoekige gele vlekjes in den nek, Oogen 
groot, donkerbruin. Sprieten zoo lang als het ligchaam slank, 
het IMid iets dikker, aan de binnenzijde bij de basis krom 
ingebogen, eerst rood, dan geel, dan weder rood, dan 
bruin, het 2^ bijna 3 maal zoo lang, zwart met de uiterste 
basis en het tipje van de spits wit, lid 3 wit met zwarte 
basis, lid 4 wit. Zuiger geel met bruine spits, tot aan de 
achterheupen reikend. Halsschild iets langer dan van voren 



96 DE INLANDSGHE HEMIPTEREN. 

breed, aan de zijden ingebogen met vrij scherpe achter- 
hoeken, de voorhelft rood met een' witten voorzoom, de 
achterhelft wit of lichtgrijs. Schildje vrij groot , de voorhelft 
bloedrood of oranje, de achterhelft fraai geel. Dekschilden 
doorschijnend, als hoornachtig, met een smal zwart lijntje 
op voor- en achterrand; cuneus zeer langwerpig, helder- 
geel met bloedroode punt. Membraan bijna wit, met de 
aderen dikwijls fijn rood. Pooten zeer lang en slank , geel , 
de achterscheenen met gele stekeltjes; alleen de klaauwtjes 
bruin. 

Deze zeer fraaije soort , die overigens in Europa zeldzaam 
schijnt te wezen , werd op verschillende plaatsen in Nederland 
gevangen. Zie hier de opgaaf: bij Leeuwarden (Albarda), 
bij Arnhem in Aug, (de Graaf) , op Beekhuizen in Aug. 
(v. Voll.) , bij Utrecht met eene verscheidenheid in Junij en 
Sept. (Six) , bij Driebergen (v. Voll) , bij Wassenaar (v. Bem- 
melen en v. Voll.) , bij Leyden en Heemstede (v. Voll.) , bij 
Middelburg (Gerth v. Wijk). 

24. Lygus histrionicus L. 

Plaat 3, fig. 9. 

Linn. S, N. V. p. 499, 89. — Fabr. S. Rh. 247, 31 (Agüis). — 
FsiW. Hem. Suec. l. p. 120. — Hahn, W. Ins. 11. p.98, PI. 60, 
f. 182. — Wolff, Ic. Cim. p. 153, tab. 15. f. 147. — Meyer, 
Schw. Rh. p. 90, no. 75. — Flor, Rh. Livi. L p. 475. — Douglas 
and Scott, Brit. Hem. p. 368, PI. 12. f. 3. 

Lengte 4 tot 4,6 mm. — Smal , langwerpig , het borststuk 
eenigzins in den vorm van een halsje verdund, onbehaard, 
glanzig , zwart met bonte versiering. Kop van boven gezien 
breed en kort, aan de voorzijde rond uitstekend, zonder 
punt, van voren gezien driehoekig, geheel glanzig zwart; 
het voorhoofd bol. Oogen niet zeer bol uitstekend, zwart. 
Sprieten zoo lang als het ligchaam, slank; lid 1 zoo lang 
als het halsschild, rood of oranje, aan de uiterste basis 
wit, staande op een zwart knopje; lid 2 meer dan 2 maal 
zoo lang, flaauwelijk dikker wordend naarde spits, zwart; 



DE INLANDSGHE HEMIPTEREN. 97 

1kl 3 ZOO lang als 1 doch haardun, zwart; lid 4 zeer kort, 
aan de spits wat platgedrukt en bruingeel. Zuiger geel met 
bruine spits, reikend tot aan de achterheupen. Borststuk 
met fijnen witten voorzoom, het halsachtige glanzig zwarte 
voorste deel horizontaal, het overige bol naar boven op- 
loopend, geel of oranje met 2 groote zwarte vlekken aan 
den voorrand. Schildje vrij bol, helder geel met de eenig- 
zins opgezette basis blinkend zwart. Dekschilden lang en 
smal, aan de basis donkerbruin, verder op rood, kaneel- 
kleurig of geel, soms met eene witte of gele vlek op het 
corium , digt bij de basis , en eene donkere dwarsstreep tegen 
den cuneus aan; deze hoog- of lichtgeel met de uiterste 
punt zwart. Membraan donker met eene witte vlek onder 
den cuneus en een gedeelte der aderen geel. Buik bij de 
mannetjes zwart, bij de wijfjes zwart met gele vlekken. 
Pooten lang en slank, geel met de dijen roodachtig en het 
laatste lid der tarsen bruin. 

Histrlonicus is niet zeldzaam en werd gevangen van Mei 
tot in Augustus, op de duinen, voorts te Bennebroek, 
Heemstede, Driebergen, bij Renkum en Breda. Volgens de 
schrijvers komt deze wants voornamelijk op berken voor, 
volgens den heer Heylaerts op eiken. 

25. Lygus globullfer Fall. 

Plaat 3, fig. 10. 

Fall. Hem. S. I. p. 124, 18. — Flor, Rh. Livi. I. p. 512. — 
Misschien ook , doch zeer onzeker Hahn , W. Ins. Hl. p. 53. 
tab. 88, f. 271 (Alienus). 

Lengte 3 — 3,5 mm. — Ook bij deze soort schijnt eeniger- 
mate tusschen kop en borststuk een halsje te bestaan, 
welke schijn alleen daaraan toe te schrijven is, dat de bolle 
oogen niet tegen den voorrand van het halsschild aansluiten. 
Langwerpig ovaal, niet glanzig behalve op kop en hals- 
knobbels. Kop van boven gezien breed vierkant, sterk naar 
beneden gebogen, zoodat van voren beschouwd zelfs het 

7 



^8 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

achterhoofd te zien is , glanzig zwart , met 2 hchte vlekjes 
op den schedel tegen den rand der oogen. Deze sterk uit- 
puilend, donkerbruin. Sprieten kort en niet zeer slank, 
het 1" lid zwart met de basis en een zeer smal bandje om 
de spits wit, de overigen zwart; het 2^ zeer flaauw knods- 
vormig, iets langer dan de beide volgenden te zamen. 
Zuiger looggeel met bruine spits, tot de middelheupen 
reikend. Borststuk iets langer dan aan den voorrand breed, 
niet breed uit- maar naar achteren sterk oploopend , in drie 
deelen verdeeld; het eerste is de vrij dikke, licht gekleurde 
voorrand, het 1^ een schier geheel zwart gekleurde band, 
waarin zich zeer bol uitpuilend, glanzig en glad de git- 
zwarte halsknobbels verheffen ; het 3^ is zeer grof gekorreld , 
bol, grauwgeel en loopt tot den achterrand, die in het 
midden ingebogen is. Schildje even grof gekorreld en van 
dezelfde kleur. Dekschilden fijner gestippeld, iets lichter 
van kleur, doorschijnend; cuneus ongestippeld , overigens 
gelijk aan de dekschilden. Membraan licht met grauwgele 
aderen. Pooten matig lang, groenachtig geel, de dijen met 
zeer vele zwarte stippels in rijen, de basis der scheenen 
soms met een zwart vlekje aan den binnenkant; de stekeltjes 
grijs ; uiteinde der scheenen en laatste lid der tarsen zwart. 
In Mei en weder in Sept. en Oct. aan te treffen; over- 
wintert v^ aarschijnlijk. Gevonden in zeker aantal bij Heem- 
stede en bij den Haag, in een enkel exemplaar ook bij 
Valkenburg en aan de Bildt (Utrecht). Het is deze soort, 
die in de eerste naamlijst als Alienus H. S. voorkomt. 

26, Lygus thoracicus Fall. 

Plaat 4, fig. 1. 

Fallen, Hem. S.' I. p. lil, 66. — Germar, Fauna Germ.\?>. 
f. 19. — Gmiis, Brit. Ent. XV, 709 {Harpocera Burmeisteri). — 
Meyer Schw. Bh. p. 98, PI. 5, f. 3 (<? Curdpes), p. 102. 
PI. 6, f. 5 (? Thoracicus). — Dougl. and Scott, Brit. Hem. 
p. 469, PI. 15, fig. 3. 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 99 

Lengte 5 — 6 mm. — In het mannelijke geslacht zeer ge- 
makkeUjk te herkennen aan den zonderlingen vorm van het 
2' lid der sprieten (zie de afbeelding). Langwerpig ovaal , zeer 
kort en dun behaard, glanzig, licht- of donkerbruin. Kop 
bijna verticaal en toch van boven gezien breed driehoekig , 
zwart met eene lichtgele middenstreep en bij de wijfjes ook 
nog met twee gebogen dergelijke zijstrepen ; de clypeus rood. 
Oogen uitpuilend , roodbruin of zwart. Sprieten bij i vaal- 
geel, harig; het 1" lid regt, een weinig dikker aan de spits, 
het 2' naar buiten omgebogen, aan de spits naar onder 
knobbelig verbreed en zeer harig; lid 3 krom naar buiten 
gebogen , tweemaal zoo lang als 2 , en lid 4 kort en dun , regt. 
Sprieten bij j: lid 1 regt, onbehaard, bruin met fijne, witte 
spits, lid 2 fijn harig, regt, geel met bruine knobbeltjes 
bezet, slechts weinig dikker aan de bruine spits, lid 3 
ietwat krom gebogen , bruin met een fijn wit bandje , niet 
ver van de basis, 4 als bij den man, doch bruin. Zuiger 
geel met zwarte spits , zeer kort , reikt naauwelijks tot aan 
de middenheupen. Borststuk sterk naar achteren oploopend 
en daar zeer bol, schier 1| maal zoo lang als aan den 
voorrand breed, vrij grof gestippeld, aan den achterrand 
ingebogen , zwart of donker roodbruin met gele middenstreep 
bij den man, bruingeel met 2 zwarte plekken over de 
halsknobbeltjes en eene fijne gele middenstreep bij het wijfje. 
Schildje aan de basis donkerbruin, naar de spits lichtbruin 
of rood, met gele middenstreep. Dekschilden nootkleurig, 
vrij doorschijnend, met eene donkere vlek aan het einde van 
het corium ; cuneus donkerbruin met nootkleurige of vuilwitte 
basis. Membraan lichtgrijs met een donker vlekje aan de 
spits en bruine vlekken om de bruine aderen. Onderzijde geel 
met roodachtigen buik en eene zwarte langsstreep op de 
borst. Pooten geel met roode dijen, de achterdijen bij den 
man donkerbruin ; voorschoenen bij hem aan het eind krom 
naar beneden gebogen, achterscheenen bij beiden met 2 rijen 
zwarte stekeltjes voorzien, die uit ronde zwarte stipjes komen. 
Al de tarsenleedjes wit aan de basis, overigens bruin, 



lÖO DE INLANDSGHE HEMIPTERËN. 

Deze fraaije soort was eenmaal bij Bennebroek en is 
sommige jaren bij den Haag in Mei gemeen. Bij Utrecht 
is zij zeldzamer volgens den heer Six. Van Med. de Booy 
vond haar in 't laatst van Mei bij Arnhem. De mannetjes 
Moorden in aantal verre overtroffen door de wijfjes. 

27. Lygus riißpennis Fall. 

Fan. Hem. S. I. p. 92, 31. — Herr.-Sch. W. Ins. VI. p. 50. 
PI. 197, fig. 610. — Flor. Rh. Livi. I. p. 489. — Dougl. and 
Scott, Brit. Hem. p. 478. PI. 15, f. 8. 

Lengte 4,5 mm. — Zeer langwerpig van vorm, weinig 
glanzig, zeer fijn wit behaard, lichtgroen met het schildje en 
de dekschilden geelrood. Kop groot, van boven gezien drie- 
hoekig met de voorzijden rond gebogen; oogen zeer bol 
uitpuilend, grijs. Zuiger lichtgroen , aan de spits bruin, tot 
voorbij de achterheupen op den buik reikend. Sprieten 
slank, langer dan |- van het lijf, lid 1 lichtgroen, 2 en 3 
geel, 4 lichtgrijs. Borststuk kort en zeer breed, weinig op- 
loopend naar achteren, lichtgroen. Schildje een gelijkbeenige 
driehoek, geelachtig rood. Dekschilden aan de basis van 
dezelfde kleur, naar het eind van het corium iets rooder. 
Membraan doorschijnend met een rooden gloed en fijne 
roode aderen. Pooten lichtgroen met roodachtige achter- 
tarsen. 

Van deze zeldzame soort ken ik slechts 2 inlandsche 
voorwerpen; het eene werd in Julij bij Zeist gevangen door 
den heer Mr. H. W. de Graaf, het andere bij Velzen in 
Junij door Dr. E. Piaget. 

28. Lygus ruhricatus Fall. 

Fall. Hem. S. p. 100, 45. — Hahn, W. Ins. I. p. 156. PI. 24, 
f. 80. — Flor, Rh. Livi. I. p. 526. 

Lengte 4—4,5 mm. — Zeer langwerpig, weinig glanzig, 
op de dekschilden zeer fijn zijdeachtig wit behaard, licht 
geelachtig rood. Kop van boven gezien breed driehoekig. 



DE INLANDSGHE HEMIPTEREN. 101 

van voren vijfhoekig met scheefstaande oogen, vrij glanzig, 
rood aan de basis van den zuiger. Oogen sterk naar de 
zijden uitpuilend , bruinzwart. Sprieten iets korter dan het 
ligchaam, slank, lichtgeel, de beide laatste leedjes bruin- 
achtig. Zuiger zeer lang, geel met donkere spits. Halsschild 
kort, voor vrij smal, achter zeer breed, kussenvormig ge- 
welfd, fijn bestippeld. Schildje driehoekig klein, uiterst fijn 
bestippeld ; de zijhoeken iets rooder. Dekschilden ietwat 
hoornachtig met den buitenrand iets rooder dan het midden ; 
cuneus geler met de uiterste spits bloedrood. Membraan 
grijsachtig, iriserend, met een donker vlekje aan den 
buitenrand; de aderen wit. Pooten vrij lang en slank, licht- 
geel met de dikkere achterdijen naar de spits bloedrood ; 
de stekeltjes der achterscheenen wit en het laatste lid der 
tarsen bruin. 

Deze soort, niet te verwisselen met de roodgekleurde 
verscheidenheid van Variabilis Fall. , die zwarte stekeltjes 
aan de achterscheenen bezit, werd in Julij bij Noordwijk 
aangetroffen door den heer de Graaf en meer dan eens bij 
Driebergen door den heer Six. 

29. Lygiis llavomaculatus F. ^) 

Plaat 4, fig. 2. 

Fabr. S. Rh. 247, 30. — De Geer, Mém. (Vert. v. Goeze) 
III, p. 194 {Flavoquadrimacidatus). — Burm. Handh. II, p» 
267, 3. — Panz. B. Ins. 92, 16. — Wolff, Ic. Cim. p. 114, 



1) Er bestaat vooi- mij geen twijfel of Boheman keeft zich vergist iu het duiden 
der soort door Fabricius en de Geer bedoeld. Van daar de verwarring die hij in 't 
leven geroepen heeft door deze zelfde soort Flavonotatus te noemen en den naam 
Flavomaculatm toe te passen op eene schier eveneens gekleurde soort, die echter om 
haren dikken kop in het geslacht Globiceps Latr. past. Flor, Fieber en Douglas and Scott 
zijn hem in zijne opvatting gevolgd. Evenwel blijf ik bij het gevoelen dat Fabricius 
onze soort , als de algemeenste , bedoeld heeft en dat de Geer ook geene andere kende , 
hij zou toch anders wel den vreemden vorm van kop en borststuk vermeld hebben. 
Overigens heeft de nieuwe Flavo macula tus een gezwollen kop , een vooraan ingeregeu 
onbehaard lialsschild en past in het geslacht Globiceps Latreille , doch ouze inlandsche 
Flavonotatm past er nie in, ofschoon Fieber liem er in plaatst. 



1Ô2 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

tab. 11, flg. 108. — Hahn, W. Ins. Ill, p. 10, PI. 76, f.235 
(volgens Herr. Schaeffer niet zuiver van gelijkenis). — Flor, 
Rh. Livi. I, p. 467. — Dougl. and Scott, Bril. Hem.]). SQQ, 
PI. 12, f. 1. 

Lengte 5 mm. — Langwerpig, tamelijk smal, niet zeer 
glanzig zwart. Kop van boven gezien breed driehoekig, 
van voren gezien vijfhoekig, glanzig; oogen sterk uitpui- 
lend, bruinzwart. Sprieten ter lengte van | van het lijf, 
slank, aan de spits niet veel smaller dan aan het 2^ lid. 
Lid 1 langer dan de kop, roodgeel met zwarte basis en 
fijn zwart bandje aan de spits, 2 langer dan 3 met 4 te 
zamen, een weinig verdikt naar het einde, even als 3 en 
4 zwart. Zuiger aan basis en spits zwart, in het midden 
bruinrood, reikend tot de middenheupen. Halsschild iets 
langer dan aan den voorrand breed, met den achterrand 
ietwat concaaf, door eene plooi in twee deelen gedeeld; 
het 1'' met evenwijdige zijranden, bezet met vele opstaande 
witte haren , het 2"^ naar boven en naar de zijden verbreed , 
minder met haren bezet. Van boven bezien schijnen dus 
de zijranden hoekig ingebogen. Schildje driehoekig met eene 
dwarsgleuf achter den voorrand. Dekschilden zwart; eene 
langwerpig driehoekige gele vlek aan de basis van het 
corium, door een zeer fijn zwart lijntje afgescheiden van 
den gelen zoom des buitenrands; cuneus zwart, doch met 
een geel dwarsbandje aan de basis en de uiterste spits 
weder geel. Membraan zeer donker met een wit dwarsvlekje 
tegen de spits van den cuneus en daaraan grenzende witte 
ader; het overige gedeelte der aderen zwart. Pooten geel 
met de achterhelft der dijen roodachtig en soms met een 
bruinen veeg aan de binnenzijde daarvan in het midden; 
spits der achterscheenen en laatste lid der tarsen bruin. 

In Mei en Junij is deze soort op sommige gronden niet 
zeldzaam. Zij werd gevonden in het Liesbosch bij Breda 
(Heylaerts), bij den Haag naar de zijde van Scheveningen 
(van der Wulp , van Hasselt , de Graaf, van Voll.) , aan de 



DE INLANDSGHE HEMIPTEREN. 103 

Oude Plas bij Rotterdam (Piaget) , op eiken bij Driebergen 
(Six) en bij Heemstede en Bennebroek (van Vollenlioven). 

30. Lygus melanocephalus L. 

Plaat 4 , fig. 3. 

Linnaeus S. N 13 ed. 728, 88. — Fabr. S. Rh. 254, 8 
{Pallens). — Fall. Hem. S. I, p. 89, 26 (Revestitus). — 
Hahn, W. bis. I, p. 155; tab. 24, f. 79. — Flor, Rh. Livi. 
I, p. 621. — Douglas and Scott , Brit. Hem,, p. 355, PI. 11 , f. 7. 

Lengte 4 mm. — Langwerpig, slank, kop en lijf zwart, 
halsschild, schildje en dekschilden bleek oranje, met korte 
witte haartjes bezet. Kop klein, van boven gezien drie- 
hoekig, glad en glanzig. Sprieten zoo lang $ of zelfs iets 
langer <? dan het lijf, slank, zeer licht geel, aan de inplan- 
ting met een smal zwart bandje. Oogen groot, bol, zeer 
donker bruin, bijna zwart. Zuiger geel met bruine spits 
en zwarte basis, een eind voorbij de achterheupen reikend. 
Halsschild niet langer dan aan den voorrand breed, aan 
den regt loopenden achterrand tweemaal breeder met scherpe 
achterhoeken. Schildje driehoekig met eene dwarsgleuf, die 
de basis afsnijdt. Dekschilden smal, de puntige cuneus met 
het corium ineensmeltend. Membraan licht berookt met eene 
donkere vlek aan de buitenzijde en lichtgele aderen. Pooten 
lang, slank met tamelijk dikke dijen, geel met witte schoenen, 
die met lichtgrijze stekeltjes bezet zijn; tarsen wit met het 
laatste lid en de klaauwtjes bruin. 

Deze soort is tamelijk gemeen op eiken te Driebergen 
(Six) ; zij werd bovendien in de duinen van Holland aan- 
getroffen (Piaget en Six), bij Arnhem in Junij (Snellen) 
en in het Valkenberg te Breda (Heylaerts). 

31. Lygus aurantiacus Voll. 

Lengte 4,5 mm. — In gedaante geheel gelijk aan den 
voorgaanden, doch verschillend in kleur en ietwat grooter. 
Het geheele dier is oranje-achtig geel, alleen het uiteinde 



104 DE INLANDSGIIE HEMIPTEREN. 

van het achterlijf is eenigermate bruin. Van een zwart 
bandje aan de basis van het 1' hd der sprieten is zoo goed 
als niets te zien. De oogen alleen zijn zwart. De pooten 
zijn in allen opzigte gelijk aan die van den vorigen. 

Het spreekt van zelf dat er twijfel rijst of het eenige 
mij bekende voorwerp, door mij zelven voor vele jaren in 
Holland gevangen (op de etiquette staat niet nader aan- 
geduid waar en ik kan het mij nu niet meer herinneren), 
niet maar eene verscheidenheid van Melanocephalus zou 
wezen. Ik vind het zeer moeijelijk dit punt bij absentie 
van alle overgangen tusschen beiden te besUssen en oordeel 
het meer geraden voorloopig aan mijn insect de regten 
van zelfstandige soort toe te kennen. 

32. Lijgus Coryli L. 

Linnaeus, S. N. 13 ed. 733, 121. -~ Fabr. S. Rh. 234, 50 
{Lygaeus^)—Y^\\. Hem. S. I. p. 90, 27. — Hahn, W. Ins. I. 
p. 26. tab 4, fig. 16. — Flor, Rh. Livi. I. p. 620. — Dougl. 
and Scott, Brit. Hem. p. 356. 

Lengte 4 mm. — Volkomen in gedaante overeenstemmend 
met Melanocephalus, zoo dat het zonderling is dat Linnaeus 
hem in eene andere rubriek en Fabricius zelfs tot een 
ander genus brengt. Het moge volstaan de verschillen aan 
te geven. De sprieten zijn iets korter, het eind van het 
2' lid soms lichtbruin; de zuiger is merkelijk korter en 
reikt slechts tot aan de achterheupen; de dijen der pooten 
zijn na het midden tot aan de knie meer bruin- dan wel 
roodachtig; eindelijk borstschild, schildje en dekschilden 
zijn zwart met een olijf bruinen gloed en de membraan is 
donker bruingrauw met een wit vlekje onder den cuneus. 

De heer van der Wulp trof deze soort in Junij in het 
Haagsche bosch aan, de heer Heylaerts in Aug. in het 
Valkenberg te Breda, de heer Gerth van Wijk op Walcheren 
en de heer van Medenbach de Rooy in het midden van Junij 
te Huissen. Ik zelf heb haar nimmer gevangen , 't geen tot 
bewijs mag strekken voor hare zeldzaamheid. 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 105 

33. Lygus pilosus Hahn. 

Plaat 4, tig. 4. 

Hahn, W. Ins. U, p. 96, tab. 59, f. 18i. — Flor, Rh, 
Livi. I. p. 564. 

Lengte 5 mm. — De man zeer langwerpig (doch met 
kort borststuk) , het wijfje waarschijnlijk meer gedrongen 
van statuur. Geheel glanzig zwart, harig. Kop van boven 
gezien veel breeder dan lang, bij frissche voorwerpen even 
als de thorax met grijze schubbetjes bedekt. Oogen sterk 
uitpuilend. Sprieten langer dan de helft van het lijf, met 
het S** lid vrij dik, vooral naar het einde, bijna 3 maal 
langer dan het V; aUe leedjes met fijne haartjes pluim- 
achtig bezet. Borststuk slechts ik maal langer dan de kop 
en naar achteren niet sterk verbreed , met ietwat krullende 
haren bezet. Schildje minder behaard, doch de basis der 
dekschilden weder zeer harig. Deze, wanneer zij open 
staan, pekbruin doorschijnend; cuneus iets donkerder. 
Membraan zeer lang, slechts weinig lichter dan de dek- 
schilden, doch iriserend. Pooten lang en slank, sterk be- 
haard; de achterscheenen bijzonder lang. Een bij den Haag 
gevangen voorwerp heeft bruine voorscheenen. 

De synonymie van deze soort is onduidelijk. Volgens 
Fieber is Pilosus Hahn gelijk aan MutaUUs Fall., die wij 
boven blz. 94 behandeld hebben en welke veel minder 
langwerpig, veel meer ovaal van omtrek is. Ook de Engel- 
schen schijnen van hetzelfde gevoelen te zijn als Fieber, 
doch Meyer-Dür maakt er 2 soorten van. 

Pilosus werd in het mannelijke geslacht door den heer 
Six bij Driebergen en ook in Augustus bij den Haag aan- 
getrolYen. Ook ik vond een paar voorwerpen van die sexe 
in Zuid-Holland. 

34. Lygus tibialis Hahn. 

Hahn. W. Ins. I, p. 128, tab. 20, f. m. 

Lengte 5 mm. — Tusschen deze en de voorgaande soort 
zie ik geen ander verschil in de mannelijke sexe dan dat 



406 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

de scheenen der 4 voorste pooten van de basis tot digt 
aan de spits roodbruin zijn en de achterscheenen in het 
midden ook een' rooden gloed vertoonen, waarbij nog ge- 
voegd moet worden dat de kop en thorax niet met schub- 
betjes bezet zijn, 't geen echter misschien aan de oudheid 
van het voorwerp toegeschreven moet worden. De wijfjes 
der beide soorten bieden mogehjk meer verschil aan , doch 
die sexe is mij nog onbekend gebleven in natura. 

De heer Six ving het mannetje dezer soort bij Drie- 
bergen, ook de heer Piaget bezit inlandsche voorwerpen, 
in het duin aangetroffen. 

35. Lygus T lumber gii Fall. 

Plaat 4, fig. 5. 

Fall. Hem. Suec. 105, 56. — Hahn, W. Ins. I, p. 144, 
pi. 22, f. 73 (Lopus Hieracii). — Meyer, Rh. d. Schw.i^.SÌ, 
59. — Flor, Rh. Livi. I, p. 608. — Dougl. and Scott, Brit. 
Hem. p. 396, tab. 13, f. 3. 

Lengte 3 — 4 mm. — Langwerpig ovaal, vuil grauwgeel 
of groenachtig bruin met uiterst fijne zwarte haartjes bezet. 
Kop tamelijk bol, sterk gebogen, van boven gezien zeer 
breed driehoekig; twee witte of geelachtige vlekken, de 
eene achter op den schedel, de andere voor op het aan- 
gezigt; ook de binnenzoom der oogen van die kleur. Oogen 
zeer bol en ver uitstekende, donkerbruin. Sprieten zoo 
lang als de helft van het lijf, tamelijk dik, fijn behaard, 
groenachtig geel; lid 2 iets korter dan de beide volgenden 
te zamen genomen. Zuiger bruin, aan de basis groenachtig 
geel ; hij reikt tot het 3^ segment van het abdomen. Borst- 
stuk tweemaal breeder dan lang, naar voren afbellend, 
even voor het midden met eene dwarsgleuf en daarvoor 2 
zwart gekleurde builen; de voorrand en eene langsstreep 
over het midden groenachtig geel, zoo ook 2 ovale dwars- 
vlekjes op den achterrand. Schildje geel met zwarte basis. 
Dekschilden met 2 schuinloopende licht gekleurde soms witte 
strepen, die beiden digt bij den schouder aanvangen, een 



DE INLANDSGHE HEMIPTEREN. 107 

op het corium, de andere tegen den clavus aan; cimeus 
grauw, met de basis en uiterste spits witachtig. Membraan 
donker berookt met vuilwitte aderen en een dergelijk vlekje 
onder de spits van den cuneus. Pooten vrij kort, grauw 
met zwarte haartjes bekleed; scheenen met zwarte ste- 
keltjes; laatste lid der tarsen bruin. Buik dikwijls met 5 
zwarte d warsstreepjes. 

Deze soort is volgens den heer Six gemeen op bloemen 
van Hieracium pilosella bij Driebergen. Ook bij Breda werd 
zij aangetroifen door den heer Heylaerts. Op de duinen, 
waar de muizenoor zoo gemeen is , schijnt zij te ontbreken. 

36. Lygus Bohemanni Fall. 

Fall. Hem. Siiec. I, p. 106, 58 {Bohemanni) et p. 107, 60 
{RiificoUis). — Herr. Sch. W. Ins. IV, p. 79, pi. 132, f.408, 
409 {Furcatus). — Flor, Rk. Livi. I, p. 625. 

Lengte ruim 3 mm. — Van dezelfde gedaante als de vorige 
en daarop wel eenigzins gelijkend, zwart of roodbruin. 
Kop van boven gezien breed driehoekig, tamelijk naar be- 
neden gebogen, bij den man zwart met eene gele streep 
op het achterhoofd en twee langs den binnenrand der 
oogen, bij het wijfje geel met eene bruinroode vlek op 
het midden van het voorhoofd. Oogen bol en donkerbruin. 
Sprieten iets langer dan de helft van het lijf, bij c? donker- 
bruin, bij 5 geelgrauw; het 1" lid aan de spits wit. Zuiger 
bruinachtig geel met bruine spits, reikt tot de achter- 
heupen. Halsschild van gedaante als bij den vorigen, 
bij den man zwart met lichte langsstreep, bij het wijfje 
geelachtig rood, lichter naar den voorrand. Schildje bij 
den man zwart , soms met 2 gele vlekjes aan de basis , 
bij het wijfje bruin met lichte langsstreep in het midden. 
Dekschilden aan de basis licht gekleurd, naar het einde 
donker gevlekt met lichtere langsstrepen , tamelijk ver- 
schillende bij de individuen. Cuneus witachtig met zwarte 
spits. Membraan berookt. Pooten grauw of vuilwit; bijden 
man alle dijen donkerbruin, bij het wijfje alleen de achter- 



108 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

dijen bruin gevlekt. Buik bij «? zwart, bij $ roodbruin- 
achtig geel. 

Deze soort is niet zeldzaam in Junij en Julij in de duin- 
streken op Salix repens ; zij werd bij Scheveningen door de 
beeren de Graaf en Six aangetroffen, bij Overveen door den 
heer Ritsema en bij Wassenaar door mij zelven. 

37. Lygus rucjlcollis Fall. 

Fall. Hem. Suec. I. p. 79, 6. — Herr. Sch. W. Ins. Ill, p. 80. 
PI. 98, f. 299. — Flor, Rh. Livi. I. p. 537. 

Lengte 5 of 5,5 mm. — Zeer langwerpig, papegaaigroen, 
na den dood op kop , borststuk en den zoom der dekschilden 
geel, bijna zonder glans en onbehaard. Kop kort en breed, 
weinig vooruitstekend, met scherp afgesneden achterrand. 
Oogen tamelijk klein , grijs of zwartachtig. Sprieten ter lengte 
van I van het ligchaam , slank , groenachtig geel ; het 1^ lid 
somtijds zwart aan de basis, de laatsten naar het bruine 
trekkend. Zuiger lichtgroen, aan de spits zwart, reikend 
tot de middenheupen. Borststuk vrij breed en kort, aan 
den voorrand breeder dan de helft van den achterrand , 
weinig oploopend , met eene gegolfde gleuf voor het midden ; 
het gedeelte daarvoor bultig en nog al glanzig , het gedeelte 
daarachter dof en in de dwarste fijn gestreept. Schildje met 
eene regte gleuf niet ver van de basis en daarachter ook 
fijn dwarsgestreept. Dekschilden en cuneus groen ; membraan 
ongekleurd met groene aderen en eene hoornvlek in de 
groote cel. Pooten lang en slank, groen of geel; het laatste 
lid der tarsen bruin. 

Deze soort werd in Junij door Dr. Piaget bij Rotterdam 
(Jaffa) gevangen , voorts door den heer Ritsema den S*"™ Junij 
op ter Schelling, in Junij in het Bloemendaalsche bosch en 
in Aug. bij Leyden, eindelijk door mij in Julij bij den Haag. 

38. Lygus angulatus Fall. 

Plaat 4, fig. 6. 

Fall. Hem. Suec. 1, p. 80, 8. — Herr. Sch. W. Ins. Hl, p. 75, 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 409 

PI. 97, f. 292. — Flor, Rh. Livi. I. p. 477. — Dougl. & Scott, 
Brit. Hem. p. 347, PL 11, f. 4. 

Lengte 4 — 5 mm. — Lang en smal , hoekig aan de schouders, 
weinig behaard , loog- of zeegroen (na den dood zijn dikwijls 
kop, schildje en pooten geel). Kop van boven gezien bijna 
vijfhoekig, met scherp vooruitstekende punt, bol, glanzig, 
zonder scherpen rand aan het achterhoofd. Oogen vrij 
groot en bol, grauw of grijs. Sprieten iets langer dan het 
lijf, zeer slank; het 1" hd veel langer dan de kop, groen- 
achtig geel, aan de basis zwart en met een zwart bandje 
voor de witte spits , aan de binnenzijde met 2 of 3 zwarte 
borstelhaartjes; lid 2 zwart aan de basis, voorts gi-auw- 
geel, 3 desgelijks doch langzamerhand naar het bruine 
trekkend, 4 bruin. De groene zuiger reikt tot de achter- 
heupen. Borststuk eenigzins klokvormig met opgewipte fijn 
zwarte achterhoeken. Schildje met eene dwarsgleuf voor het 
midden. Guneus gelijk van kleur met de dekschilden. Mem- 
braan een weinig berookt , iriserend , de aderen lichtgroen ; 
een hoorn vlekje in de groote cel en een donker veegje 
onder de spits van den cuneus. Pooten slank, groen; een 
zwart vlekje aan de basis der achterscheenen , die met 
grijze stekeltjes bezet en aan de spits bruin zijn; achter- 
tarsen donkerbruin. 

Deze soort is vrij gemeen en in de meeste provinciën 
gevangen; zij wordt in de maanden Julij en Aug. aange- 
troffen. Een Friesch voorwerp, gevangen door Mr. H. 
Albarda in Aug. te Leeuwarden, heeft aan de onderzijde 
van het 1* lid der sprieten een doorloopend zwart streepje 
en mist het zwart op de schouders, waardoor een over- 
gang verkregen wordt tot Lygus striicornis Kirschbaum. 

39. Lygus contaminatus Fall. 

Plaat 4, fig. 7. 

Fall. Hem. Suec. I , p. 79 , 5. — Hahn , W. Ins. I , p. 151 , 
PI. 23, f.76. — Meyer, Rh. d. Schw. p. 45, n°. 1. — Flor, 
Rh. Livi. I, p. 528. — Douglas and Scott, Brit. ^em. p. 461, 



Ilo DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

Lengte 5 of 5,5 mm. — Langwerpig ovaal, niet zoo 
slank als de voorgaande, geelgroen of groengeel, uiterst 
fijn wit behaard. Kop bijna verticaal en dus van boven 
gezien naauwelijks driehoekig, weinig bol, glad en glanzig 
met scherpen achterrand. Oogen uitpuilend, eenigzins 
naar achter gebogen, grijs. Sprieten iets korter dan het 
llgchaam, slank, bruinachtig geel; het laatste derde van lid 
2 met 3 en 4 bruin. Borststuk vrij bol, niet zeer lang, 
maar naar achteren sterk oploopend, sterk gestippeld met 
den achterrand naar buiten uitgebogen en bijna geen dwars- 
gleuf voor het midden. Schildje voorbij de helft eeniger- 
mate dwars gerimpeld. Dekschilden fijner gestippeld dan 
het borststuk met eene halfronde bruine vlek op het midden 
van den achterrand van het corium; cuneus ongestippeld en 
geler. Membraan bruinachtig betint met gele aderen; eene 
donkere vlek binnen de cellen aan hare spits en twee 
anderen aan den buitenrand. Pooten groenachtig geel, de 
dijen aan de spits soms met bruine ringen; de achter- 
scheenen met bruine stekeltjes; het laatste lid der tarsen 
zwart, even als de spits van den zuiger. 

Flor noemt deze soort eene verscheidenheid van Lim- 
batus Fallen, 't geen echter Fieber niet aanneemt. Limbatus 
is hier te lande nog niet aangetroffen. 

Deze zeldzame soort werd in Junij bij Zeist door Mr. H. 
W. de Graaf gevangen , in de omstreken van Utrecht door 
Dr. van Hasselt en den 24'*'° Junij in de duinen door Dr. 
Piaget. De heer van der Wulp ving te Empe op 't eind 
van Julij een exemplaar bijna zonder bruine vlek en met 
hooggele pooten. 

40. Lygus pabiUinus L. 

Linn. S. N. II, p. 727, 83. — Fabr. S. Rh. 254, 5. — 
Hahn, W. Ins. I. p. 148, tab. 23, f. 74. — Meyer, Rh. 
Schw. p. 48, n°. 7, tab. 1 , f. 3. 

Lengte 5,5 mm. — Langwerpig ovaal , bleekgroen (na den 
dood vuilgeel) met witte haartjes bezet, herkenbaar aan de 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 111 

zwarte larsen. Kop sterk neergebogen, niet zeer bol, van 
boven gezien breed driehoekig, zonder scherpen achter- 
rand. Oogen op zijde gezien niervormig, zwart. Sprieten 
ietwat langer dan het ligchaam, slank, groen of groenachtig 
geel; het laatste derde deel van lid 2 met 3 en 4 bruin. 
Zuiger groen met zwarte spits, tot de achterheupen rei- 
kend. Borststuk aan den achterrand bijna 1 4 maal breeder 
dan de lengte , naar achteren oploopend , zeer bol , flauw 
bestippeld. Corium met de dekschilden van eene kleur; 
membraan berookt met groene aderen. Pooten groen met 
zwarte tarsen. 

Deze soort werd eenmaal in menigte door den heer de 
Graaf in Julij op distels bij Katwijk gevonden; een enkel 
exemplaar vond de heer van der Wulp in Julij bij den 
Haag. Ook vond de heer Six haar bij Utrecht en de heer van 
Medenbach de Rooy bij Arnhem , eindelijk de heer Ritzema 
Bos op helmplanten op Ameland. 

41. Lygus nassatus F. 

Fabr. S. Rh. 236, 167. — Fall. Hem. Sued, p. 80, 7. — 
Hahn, W. Ins. I, p. 149, PI. 23, f. 75 (Iderocephalus) et 
p. 153, PI. 24, f. 78. —Flor, Rh. Livi. I, p. 618. — Kirscbb. 
Caps. p. 78. — Dougl. and Scott, Rrit. Hem. p. 337, PI. 
11, f. 3. 

Lengte 5,5 mm. — Zeer sterk gelijkend op de vorige 
soort, doch daarvan onderscheiden door de duidelijke witte 
beharing langs den rand der dekschilden en de lichtere 
kleur der tarsen. Na den dood zijn gewoonlijk de kop, de 
voorhelft van het borststuk en de zoom der dekschilden 
met de pooten stroogeel, welke deelen in het leven licht- 
groen zijn. De achterrand van den kop is ietwat scherp en 
verheft zich als een zoompje. Oogen niet aan de binnen- 
zijde ingebogen, zwart. Sprieten korter dan het ligchaam, 
bruinachtig geel, voorbij de helft bruin. Borststuk sterk 
wit behaard, gelijk mede het schildje en de dekschilden. 



112 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

Membraan naauwelijks berookt , met groene aderen. Pooten 
groen of geel; de scheenen met witte doorntjes; alleen bet 
laatste lid der tarsen bruin of zwart. 

Bij Driebergen door den heer Six en op Walcheren door 
den heer Gerth van Wijk gevangen; zeldzaam. 

42. Lygus chlor izans Fall. 

Plaat 4, fig. 8. 

Fall. Hem. Suec. I , p. 82 , 10. — Panz. Fn. Germ. 18 , 21. ~ 
Meyer, Rh. d. Schw. p. 76, tab. 4, f. 4. — Flor, Rh. Livi. 
I, p. 551. — Dougl. and Scott, Rrit. Hem. p. 383, PI. 12, f. 7. 

Lengte 4 mm. — Zeer langwerpig, plat van boven, her- 
kenbaar aan het bijzonder korte borststuk ; groenacbtig geel of 
lichtgroen, met uiterst fijne witte haartjes bekleed. Kop 
van boven gezien vijfhoekig, achter de naar voren gerigte 
grijze oogen nog eenigzins in den vorm van een dikken 
nek uitgezet. Sprieten zoo lang als het ligchaam, slank, 
geel; het 1' lid met een zwart streepje aan de onderzijde, 
het 2^ met smalle zwarte basis. Zuiger met zwarte spits , 
reikt voorbij de achterheupen. Borststuk korter dan het 
schildje, aan den achterrand ingebogen en naar achteren 
oploopend , met vrij scherpe zijkanten. Schildje groot , 
sterker gekleurd dan het borststuk, met eene dwarsplooi 
voor het midden. Dekschilden dun en doorschijnend met 
groote groene vlekken bezaaid ; de buitenzijde en spits van 
het doorschijnende corium helder groen. Membraan wit, 
iriserend met eene groote groene vlek over het beneden- 
gedeelte der cellen. Pooten lang en dun, geel met gele 
stekeltjes. 

Van deze zeldzame soort ving de heer Gerth van Wijk 
exemplaren bij Middelburg. 

43. Lygus flavosparsus Sahlb. 

Kirschb. Rh. Wiesb. 89, 120. — Flor, Rh. Livi, l, p.582. 
Lengte 2,7 mm. — Langwerpig, liclit appelgroen met 



DE INLANfìSGHE HEMIPÏEREN. 143 

korte zwarte en witte haartjes bezet. Kop breed driehoekig 
met uitpuilende grijze oogen. Sprieten | der lengte van het 
ligchaam, geel, het 1" en laatste lid bruinachtig. Borststuk 
2 maal zoo breed als lang, naar achteren oploopend, met 
eene bogtige gleuf voor het midden ; het gedeelte daarachter 
met witte vlekjes bezet. Schildje met eene dergelijke, doch 
regte gleuf voor het midden. Dekschilden met den cuneus , 
even als de thoraxhelft met witte vlekjes besprenkeld, 
die zeer dik wit behaard zijn. Membraan doorschijnend 
met groene vlekken over de cellen. Pooten lang en slank 
met witte doorntjes; het laatste lid der tarsen bruin. 

Van deze soort is mij een voorwerp bekend, door Dr. 
Piaget den 23'*'" Junij 1869 in den tuin der Rotterdamsche 
Diergaarde gevangen. Volgens Flor leeft zij op Atrlplcoo en 
Chenopodmm. 

44. Lygus molUcuhis Fall. 

Plaat 4, fig. 9. 

Fall. Hem. Suec. I. p. 82, 12. — Herr. Sch. W. Ins. IV, 
p. 32, PI. 191, f. 589. — Flor, Rh. Livi. I. p. 6119 

Lengte bijna 6 mm. *) — Langwerpig, grijsachtig groen 
met zwarte haartjes vrij dik bekleed. Kop klein, scherp 
driehoekig, glad, helder groen. Oogen sterk uitpuilend, grof 
van facetten, grijs. Sprieten over de helft van het ligchaam 
reikend, vrij grof, grauwgeel, naar de spits donkerder, 
het 2Mid zeer kort doch dik behaard, aan de spits bruin. 
Zuiger groen met bruine punt, reikt tot de achterheupen. 
Borststuk vrij kort en aan den achterrand zeer breed , sterk 
oploopend en sterk behaard. Schildje met eene regte dwars- 
gleuf voor het midden, groen. Dekschilden grijzer van tint, 
met 2 lichtere langsstrepen , de voorrand van corium en 
cuneus fijn zwart; de beharing daar dikker. Membraan 
donker grauw met witte aderen en 2 lichte vlekjes, een in 
het midden, het andere van daar naar den buitenrand 



1) Flor geeft slechts 4 mm. op, doch noemt ook de beharing wit, loodat het 
twijfelachtig is of hij wel dezelfde soort beschreven heeft. 



114 DE INLANDSGHE HEMIPTEUEX. 

loopend. Onderzijde groen , schier onbehaard. Pooton grijs- 
achtig groen, lang, met donkere tarsen en de achterhelft 
der achterdijen grauw. 

De heer Six vond deze soort vrij gemeen op heideplanten 
bij Driebergen. Flor zegt dat zij op Tanacelmn voorkomt, 
't geen het vermoeden versterkt dat hij eene andere soort 
voor zich had. 

45. Lycjus Tanaceti Fall. 

Fall. Hem. Siiec. I, p. 83, 13. — Germ. Faun. Germ. 16, 
f. 15. — Herr. Seh. W. Ins. III. p. 85, PI. 101 , f. 309. — Flor, 
Rh. Livi. I. p. 610. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 394. 

Lengte 4 mm. — Langwerpig, grasgroen of geel, met 
zwarte haartjes dun bezet. Kop vrij groot en breed , tamelijk 
bol, niet zeer gebogen, glad. Oogen bol, uitpuilend, grijs. 
Sprieten bijna zoo lang als het lijf, slank, grauwgeel, naar 
het einde bruiner wordend, lid 2 onbehaard. Borststuk kort 
en breed , met den achterrand regt en eene dwarsgleuf voor 
het midden. Schildje met eene vrij diepe dergelijke dwars- 
gleuf en glad voorbij het midden. Dekschilden alleen aan de 
basis sterk behaard , verder de beharing bijna microscopisch ; 
de cuneus steeds helder geel. Membraan donker gekleurd 
met sterke regenboogkleuren , naar de spits toe lichter , hare 
aderen geel. Pooten geel, met fijne zwarte haartjes en 
zwarte stekeltjes; het laatste lid der tarsen bruin of zwart. 

De heer G. A. Six ving vele voorwerpen dezer soort, 
die bepaald geel waren en iets langer dan 4 mm., bij de 
Bildt op Tanacelmn , ik ving een groen voorwerp , dat kleiner 
was , den 30'*'° Augustus aan de Rhedersteeg. Zou dit laatste 
ook misschien tot eene andere soort behooren? 

46. Lygus decolor Fall. 

Plaat 5, fig. 1. 

Fall. Hem. Suec. 1. p. 123, 16. — Hahn, W. Ins. I. p. 10, 
Pl.l,f.4 (?) — Meyer, Rh.d. Schtv. p. 86, n°. 68. — Flor, 
Rh. Livi. I. p. 555. — Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 393, 
PI. 13, f. 2. 



DE INLANDSGHE HEMIPTEREN. 115 

Lengte 3,5 mm. — Langwerpig, vuil grauwgeel en grijs, 
mei, zeer fijne zilverkleurige haartjes spaarzaam bekleed. 
Kop van boven gezien vijfhoekig, weinig neergebogen, 
tamelijk groot, onbehaard, grauwgeel met bolle grijze oogen. 
Sprieten iets korter dan het ligchaam, niet zeer slank, eer 
grof te noemen, grauwgeel met fijne zwarte bandjes aan 
het eind van lid 1 en 2. Borststuk kort en breed met af- 
geronde achterhoeken en den achterrand gegolfd; niet ver 
van den voorrand eene gegolfde dwarsgleuf; het daarvoor 
liggend gedeelte eenigzins knobbelig en geel , het daarachter 
liggend gelijkmatig oploopend en grijs. Schildje groot, drie- 
hoekig, met eene dwarsgleuf, die in het midden afgebroken 
is, voor het midden; het voorste deel iets geler dan het 
achterste. Dekschilden grijs met eene flaauwe gele tint 
helderder aan den buitenrand, ietwat doorschijnend, vooral 
op den cuneus. Membraan doorschijnend grijs. Pooten grauw- 
achtig geel, slank met de uiterste spits der scheenen en 
de tarsen donkerbruin. 

Twee voorwerpen dezer soort ving de heer Six in Julij 
te Driebergen; ook Dr. Piaget bemagtigde er eenige exem- 
plaren van te Maarsbergen. 

47. Lygus albidus Hahn. 

Hahn, W. Ins. H. p. 77, tab. 53, f. 162. — Fieber, Hem. 
Eut, p. 318. 

Lengte 5 mm. — Langwerpig , vrij plat, schier onbehaard. 
Kop vrij lang vooruitstekend , weinig neergebogen , vaal met 
2 bruine streepjes van de spits af langs den binnenrand 
der oogen tot in den nek loopend. Sprieten vaalwit, voorbij 
de helft bruin, langer dan de helft van het ligchaam, het 
1* lid langer dan de kop. Oogen vrij klein, doch bol uit- 
stekend, zwart. Zuiger met de 3 laatste leden bruin. Borststuk 
breed van voren , 1 1 maal langer dan aldaar breed , weinig 
oploopend , vaal met 2 naar achter uit elkander loopende 
smalle bruine strepen langs de zijden. Schildje groot en 
vaal. Dekschilden vaal met het middengedeelte min of meer 



ilo DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

bruin betint ; cuneus wit , membraan doorschijnend met eene 
bruine randvlek. Pooten tamelijk dik, vaal. Onderzijde bij 
den man roodachtig op den buik, bruin op de borst, bi-j 
het wijfje geheel wit. 

Deze soort ving de heer Heylaerts in Julij in het Liesbosch 
bij Breda , en ik in Julij aan den duinkant bij 's Gravenhage. 

48. Lygus nubllus H. Sch. 

Plaat 5, fig. 2. 

Herr. Sch. in Panzer.^ Fauna Genn. 135, 9. — Meyer, 
Rhtjn. d. Schw. p. 89, 73. — Dougl. and Sc. Brit. Hem. p. 382, 
PI. 12, f. 6. 

Lengte 2,5 mm. — Langwerpig, smal, bijna onzigtbaar geel 
behaard, geelachtig groen, na den dood hooggeel. Kop vrij 
lang, aan den voorkant stomp toegerond, met de oogen 
eenigzins van den voorrand van het borststuk verwijderd; 
deze klein en wemig uitpuilend, bruin. Daarachter een 
klein en zeer fijn zwart streepje in den nek. Sprieten ver 
over de helft van het lijf heen strekkend, niet zeer slank, 
geel met het eerste lid zwart. Borststuk 1| maal langer 
dande kop, met den achterrand eenigzins ingebogen; eene 
gegolfde dwarsgleuf voor het midden. Schildje vrij groot, 
bijna zoo lang als het borststuk. Dekschilden van gelijke 
kleur met den cuneus; membraan doorschijnend met een 
gegolfd rookkleurig dwarsstreepje ; de aderen bruinachtig. 
Pooten slank en geheel groengeel. 

Deze zeldzame soort werd tot nog toe uitsluitend in de 
omstreken van Utrecht aangetroffen, door den heer Six. 

49. Lygus Ericetorum Fall, 

Fall. Hem. Suec. I, p. 105, 55. — Kirschb. Caps. p. 90, 
122. — Flor, Rh. Livi. I, p. 587. 

Lengte bijna 5 mm. — Langwerpig ovaal, groen, na 
den dood geelachtig wordende, zwart behaard. Kop niet 
zeer groot, sterk voorover gebogen, breed met vooruit- 
stekenden clypeus. Oogen zeer bol, bruin. Sprieten veel 



DE INLANDÖGHE HEMIPTERÉN. 117 

langer dan de helft van het lijf, slank, geel, met de 2 
laatste leden bruin, het 1' korter dan de kop. Zuiger geel 
met bruine spits, voorbij de achterheupen reikend. Borst- 
stuk kort en breed, met eene dwarsgleuf voor het midden. 
Schildje tamelijk klein. Dekschilden groen met gelen cuneus 
en berookte membraan. Pooten lang en slank, bruinachtig 
groen, met fijne zwarte stekeltjes aan de dijen, wier uitein- 
den bruin zijn; tarsen bruingrauw met het laatste lid zwart. 

Ik twijfel aan de zuiverheid der bestemming van deze 
soort, aangezien het eenige voorwerp waarnaar de be- 
schrijving genomen is, niet in allen deele stemt met Flor's 
beschrijving, tamelijk goed met Fallen's korte beschrijving 
van Pmsinus en grooter is niet alleen dan de opgave van 
Flor, maar ook dan voorwerpen van Ericeiorum uit Zwitser- 
land, bestemd door Meyer-Dür. Het genoemde voorwerp, 
door den heer Six bij Utrecht gevangen , staat in de Eerste 
naamlijst vermeld onder den naam Prasinus Hahn (verg. 
zijne figuur 233), doch deze opgaaf is in het vervolg dier 
lijst veranderd in Ericetorum Fall, (zie bl. 75) op grond 
van het verschil in kleur tusschen dekschilden en cuneus. 
Op dienzelfden grond ben ik nu bij die meening gebleven , 
doch mag niet nalaten te doen opmerken dat: 

1°. de kop volgens Flor grooter moet zijn; 

2°. de sprieten langer; 

3°. het schildje met de basis door de dwarsgleuf niet ver 
van het midden afgescheiden , 't geen bij dit voorwerp niet 
het geval is, daar de dwarsgleuf bijna onder den achterrand 
van het borststuk staat. 

50. Lygus Paylmllü *) Fall. 

Plaat 5, fig. 3. 

Fall. Hem. Suec. I, p. 10<3, 57. — Herr. Sch. Nomencl. 
p. 50 (Maculipennis). — Meyer, Rhynch. d. Schw. p. 81, tab. V, 
f. 1. — Dougl. and Scott. Hem. Brit. p. 388. 

1) Deze naam wordt door Fieber \villekearig veranderd in Paykuli eu zal dus 
helaas ! wel zoo verminkt tot de uakomeliugschap overgaau. 



118 DE INLANDSGHE HEMIPTEKEN. 

Lengte 3 mm. — ■ Langwerpig, vrij glanzig, geelachtig 
groen, met zwarte haartjes bezet, die bij zeer gave, pas 
vervelde exemplaren in bundeltjes bijeen staan en dus vlekjes 
vormen. Kop zoo lang als breed, van boven gezien vijfhoekig, 
tamelijk spits toeloopend. Oogen vrij klein, doch sterk uit- 
puilend, grijs of zwart, bij gedroogde voorwerpen soms 
wit. Sprieten | der lengte van het liji, niet zeer slank, 
groen , naar de spits toe bruinachtig ; het einde van lid 4 en 
de basis van lid 2 donkerder, soms zwart. Borststuk aan 
den achterrand il maal zoo breed als de lengte bedraagt, 
met een dwarsgleufje digt bij den voorrand, zeer weinig 
naar achteren oploopend , in het midden groener dan aan 
de randen. Schildje tamelijk klein, met eene gebogen dwars- 
gleuf voor het midden en dikwijls met een donkergroen 
langsstreepje over het midden. Dekschilden lichter en glan- 
ziger dan het borststuk; cuneus met een lichteren naad 
afgescheiden van het corium, doch van dezelfde kleur. 
Membraan grijs of zwart met witte aderen en een wit 
dwarsbandje , dat zich naar den buitenrand toe in twee armen 
verdeelt, die aan den buitenrand een langwerpig donker 
zwart vlekje omvatten. Pooten olijfgroen, niet behaard en 
zonder stekeltjes; de achterkniën en de spitsen der tarsen 
donkerder. 

In Junij en Julij vindt men deze soort op de duinen; 
op de strandreep is zij bij Scheveningen op bepaalde plekken 
zeer gemeen. 

51. Lygus Car leis Fall. 

Plaat 5, fig. 4 en 4a. 

Fail Hem. Suec. l. p.l23, 15. — Hahn, W.lns. II, p. 100, 
tab. 60, f. 184. — Flor, Rh. Livi. I. p. 623. — Meyer, Rh. 
cl. Schiv. p. 112, 105 $ (Ruß frons). 

Lengte 4 mm. — Langwerpig, onbehaard, glanzig zwart. 
Kop van boven gezien vijfhoekig, de spits aan den clypeus 
zeer weinig gebogen, zeer glanzig, Oogen zeer groot en bol 
uitpuilend, roodbruin. Sprieten bijna de lengte van hel 



DE INLANDSGHE HEMIPTEREN. 119 

ligchaam halende, met de 2 eerste leedjes vrij grof, donker 
zwart ; de beide volgenden wit of geelachtig , slank , het 2*^ lid 
meer dan 3 maal langer dan het eerste. Zuiger vaal met 
het \^ lid dik en blinkend zwart. Borststuk van voren veel 
smaller dan de kop met de oogen, met ingebogen zijden 
naar achteren breed uitloopend en met den achterrand 
mede ingebogen, zoodat de zijhoeken vrij sterk uitpuilen, 
glanzig zwart. Schildje zwart met eene dwarsgleuf voor het 
midden. Dekschilden veel langer dan het achterlijf, bruin, 
aan de basis met zwarten zijrand, met den cuneus bleek 
aan het boveni;edeelte en daaronder eene inkeeping in den 
rand voor de membraan. Deze donker berookt met eene 
posthoornvormige lichte vlek langs den buitenrand. Pooten 
lang en slank, bruingeelachtig met witte heupen en apo- 
physen. 

Zoodanig zijn de mannetjes , waarvan er eenigen in Neder- 
land gevangen zijn ; de wijfjes die zich tot heden aan onze 
onderzoekingen hebben weten te onttrekken, zijn volgens 
de beschrijvingen der aangehaalde schrijvers zeer verschil- 
lend. Haar kop is veel grooter en bruinrood van kleur, 
hare sprieten roodgeel of helder geel , haar borststuk aan 
den achterrand smaller en hare dekschilden half zoo lang, 
zonder clavus , cuneus en membraan , zwart ; terwijl de 
vleugels ontbreken. 

Mannetjes kwamen voor bij den Haag in Julij en Octol^er. 

51. Lygiis piUicarlus Fall. 

Fall. Hem. S. 1, p. 113, 71. — Burm. Hcinclb. 11, 277. — 
Hahn, W. Ins. I. p. 117, t. 18. 1'. 62. — Flor, Rh. Livi. I, p. 
600. — Meyer, R/i. d. Schw. p. 110, n°. 102. — Dougl. and 
Scott, Brit. Hem. p. 427. PI. 14, f. 1. 

Lengte 2,7 mm. — Langwerpig ovaal, zwart met matten 
glans, uiterst fijn witachtig behaard. Kop sterk neergebogen 
met scherpen :jchedelrand. Sprieten iets korter dan het lijf, 
slank; het 1" lid zwart, het 2' zwart met gele spits of 



120 DE INLANDÖCHE HEMIPTEREN. 

bruinachtig geel, 3 en 4 geel. Borststuk tweemaal breeder 
dan lang, weinig bol en naauwelijks naar achteren oploopend, 
niet sterk versmald naar den voorrand ; zonder gleuf in of 
voor het midden. Dekschilden goed ontwikkeld met bijna 
even zwarte membraan. Pooten met dikke achterdijen, kort, 
zwart of bruin aan heupen en dijen; kniën, scheenen en 
2 voorste tarsenleedjes geel ; de scheenen met zwarte vlekken 
in langsrijen en op ieder vlekje een zwart stekeltje. Laatste 
lid der tarsen zwart. 

Deze soort, welke door middel van hare dikke achterdijen 
springen kan, werd door den heer G. A. Six in tamelijke 
hoeveelheid op heigrond bij de Bildt (Utrecht) aange trollen ; 
in 1875 vond hij ook een voorwerp bij den Haag. 

52. Lygus Arbustorum F. 

Plaat 5, fig. 5. 

Fabr. S. R. 238, 174. — Fall. Hem. S. I. p. 104, 52. — 
Hahn, W. Ins. II. p. 138. PI. 72 f. 225. — Herr. Sch. id. 
op. Ill, p. 80, PI. 99, f. 300. — Flor, Rh. LM. I p. 602. — 
Dougl. and Scott, Brit. Hem. p. 402, PI. 13, f. 5. 

Lengte 3,5 mm. — Langwerpig , zeer donker bruin , vet- 
achtig glanzig , met fijne zwarte haartjes schraal bezet. Kop 
klein, scherp driehoekig, een weinig bol, bepaald zwart. 
Zuiger slank, bruin, tot de achterheupen reikend. Sprieten 
I der lengte van het ligchaam lang, slank, het 1" en 2'' lid 
zwart, de beide anderen vuilgeel. Oogen rond, zeer bol 
uitstekende , in 't leven rood , na den dood bruin. Borststuk 
kort, van voren vrij smal, naar achteren sterk verbreed, 
weinig oploopend met een gegolfd dwarsgleufje voor het 
midden, donker pekbruin. Schildje met eene regte d wars- 
gleuf voor het midden, donker pekbruin. Dekschilden ge- 
woonlijk lichter van tint , somwijlen met metaalglans ; mem- 
braan bijna van dezelfde tint met een driehoekig zuiver 
wit vlekje onder de spits van den cuneus. Pooten lang en 
slank, doch met vrij breede, zijdelings platte achterdijen, 
grauwgeel ; de dijen zijn aan de basis of aan de bovenzijde 



DE INLANÜSCHE HEMIPTEREN. [2Ì 

zwart; de scheenen hebben smalle zwarte bandjes of grove 
stippels, waaruit zwarte stekeltjes oprijzen; de tarsen zijn 
graiiwgeel met zwarte einden , de achtertarsen soms geheel 
zwart. 

Van deze soort werden voorwerpen gevangen door de 
lieeren Piaget (Velzen in Junij) en Six (Driebergen). 

54. Lygus brumiipennis Meyer. 

Meyer, Rh. d. Schw. p. 66. PI. 3, f. 3. 

Lengte bijna 4 mm. — Gedaante geheel gelijk aan Arbu- 
storuni, doch verschillend in klem^ en niet dien vetachtiffen 
glans vertoonend , ook bepaaldelijk langer. De kop is zwart 
met een geel vlekje op den schedel. Sprieten en zuiger als 
bij Arhustorum. Borststuk, schildje en dekschilden geheel 
onbehaard , vuil bruin- of grauwgeel met den cuneus okergeel, 
de membraan donker met een driehoekig wit vlekje. De 
poolen veel lichter geel dan bij de vorige soort, doch met 
dezelfde zwarte versierselen. 

De tijd zal leeren of n°. 53 en 54 bijeen behooren, voor 
als nog scheid ik hen liever als twee zelfstandige soorten 
af, ofschoon mijn gevoelen meer rust op empirischen dan 
wel wetenschappelijken grond. Brumiipennis is overigens 
ten onzent veel algemeener dan de vorige soort, en werd 
gevangen aan de Plassen bij Rotterdam door den heer 
Snellen , te Jaffa bij Rotterdam door Dr. Piaget , bij Utrecht 
door den heer Six, bij Naaldwijk in Aug. door mij, en bij 
's Gravenhage in Julij en Aug. door den heer van der Wulp 
en anderen. Het is deze soort, die in de Naamlijst ver- 
meld staat als Betuleti Fall. 

55. ÎAigus variabilis Fall. 

Fallen, Hem. SA, p. 98, 43. — Hahn, W. Ins. H. p. 137, 
tab. 72, f. 224. — Meyer, Rh. Schw. p. 68, n°. 38, tab. 3, 
f. 4. — Flor, Rh. Livi. I. p. 592. 

Lengte omstreeks 3 mm. — Langwerpig, kop en thorax 
zwart met lijne goudgele haail jes bezet , die ligt afvallen , 



122 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

dekschilden licht of donkerbruin. Kop klein, driehoekig, 
sterk neergebogen, bol op het voorhoofd. Oogen bol, doch 
niet zeer groot, bruin. Sprieten langer dan de helft van 
het lijf, vuilwit, het 2" lid zoo lang als 3 + 4, soms aan 
de onderzijde naar het midden bruinachtig. Zuiger haarfijn, 
geel met bruine spits , reikend tot de achterheupen. Borststuk 
bijna dubbel zoo breed als lang, sterk gebogen, nog al 
convex, glanzig onder de goudgele haartjes. Schildje met een 
tlaauw dwarsgleuf je achter den voorrand , zwart of donker- 
bruin. Dekschilden hcht of donkerbruin, ook wel aan de 
basis licht, naar achter donker; de cuneus door een licht 
streepje van het corium afgescheiden, zijne randen met 
purperen tint; membraan donker met een driehoekig wit 
vlekje onder de spits van den cuneus, een ander in de 
groote cel en een gebogen veegje daaronder. Pooten vrij 
krachtig, met dikke achterdijen, doch de schoenen zeer 
slank; heupen zwart of bruin, dijen zwart, of bruin of rood, 
scheenen wit met zwarte spits en zwarte vlekjes , waaruit 
zwarte stekeltjes oprijzen. Tai'sen wit met de uiterste spits 
en de klaauwtjes zwart. 

Mr. H. W. de Graaf trof deze soort in Julij bij Zeist aan ; 
ook werd zij door den heer Six niet zelden bij Driebergen 
op bloemen gevonden. Dr. Piaget zag haar in groote menigte 
aan de Oude plas bij Rotterd am , de heer Ritsema ving haar 
in Junij bij Velp en de heer Heylaerts noemt haar gemeen in 
het Valkenberg te Breda. Ik ving haar in Junij bij den Haag. 

56. Lyyus varians Meyer (H. Seh.). 

Plaat 5, tig. 6. 

Herr. Seh. W. Ins. VI, p. 45, PI. 195, f. 603. — Meyer, 
Rh. d. Schw. p. 69, n°. 39. 

Lengte bijna 4 mm. — Gelijk aan den vorigen , doch iets 
slanker en grooter, steeds geel gekleurd, soms zeer licht. 
De beharing is wit. Even als bij de vorige soort is er een 
licht dwarsbandje voor den cuneus, doch deze is bruin- 



DE INLANnSCIIE HKMIPTEREN. Ì2'> 

achtig oranje. De sprieten zijn wit, naar het einde eenigzins 
donker; de pooten zijn geel met witte schoenen en tarsen; 
de scheenen hebben de zwarte stekeltjes uit de zwarte 
stipjes ontspringende, even als bij Variabilis. 

In hoeverre dit eene afzonderlijke en goede soort is, 
zullen latere onderzoekingen moeten uitmaken. Flor kende 
haar niet en Fieber neemt haar niet op in zijne Europeesche 
Hemiptera. 

Bij Utrecht gevonden door den heer Six; door mij in 
Junij bij den Haag. 

57. Lijgus viridiUus Fall. 

Fall. Hem. S. I, p. 105, 54. — Hahn, W. Im. lì. p. 136, 
PI. 72, f.221. — Meyer, Rh.d.Sckw. p. 77, n°.51. — Flor, 
Rh. Livi. I. p. 595. — Douglas and Sc. Brit. Hem. p. 401. 

Lengte bijna 3 mm. — Langwerpig groen of groengeel 
(na den dood meestal geel), met de bovenzijde fijn en 
schraal zwart behaard. Kop klein, driehoekig, vrij sterk 
neergebogen en bol. Oogen rond, bol, grijs. Sprieten ter 
lengte van f van het hgchaam , slank , hchtgroen of geel ; 
het 1" lid met 2 smahe zwarte bandjes , het 2*^ aan basis en 
spits bruin. Borststuk kort en breed, vrij convex, glanzig 
met een zeer flaauw gegolfd dwarsgleufje. Schildje viij groot, 
met eene regte dwarsgleuf voor de basis. Dekschilden lang ; 
corium en cuneus als aaneengesmolten. Membraan rook- 
kleurig, iriserend, met onduidelijke geelachtige aderen, een 
licht vlekje onder de spits van den cuneus en daaraan han- 
gend een fijn donkergrijs streepje; nog een ander donker 
streepje langs de gebogen ader der groote cel. Pooten groen 
of geel, de dijen en scheenen met zwarte stippeltjes en de 
laatsten mede met zwarte stekeltjes; tarsen bruinachtig, 
het laatste lid zwart met lange klaauwtjes. 

Door den heer Six bij Utrecht en ook door mij op het 
eind van Junij aldaar gevangen, door Dr. Piaget, in .lulij 
bij Wassenaar. 



124 DE INLANDSGHE HEMIPTEREN. 

58. Lygus roseus F, 

Fabr. S. Rh. 238, 178. — Fall. Hem. S. I, p. 101, 47. — 
Herr. Seh. W. his. Ill, p. 71, t. 96, f. 287. — Flor, Rh. Livi. 
l. p. 591. 

Lengte 3 mm. — Langwerpig ovaal, geel of vaalrood, met 
witte haartjes bekleed. Kop tamelijk groot , driehoekig , sterk 
neergebogen. Oogen rond, zeer uitpuilend, donkerbruin 
of zwart. Sprieten slank, licht rood of geel, aan het eind 
bruin. Borststuk aan den achterrand tweemaal breeder dan 
lang , voor ook tamelijk breed , met een gegolf dwarsgroefje 
voor het mid Jen, Schildje donkerder naar de spits dan aan 
de basis. Dekschilden mede naar achteren iets donkerder, 
met den cuneus van dezelfde kleur als het einde van het 
corium , doch aan zijn basis daarvan afgescheiden door een 
hchter dwarsbandje. Membraan eenigzins bewolkt, vooral 
donkerder in de cellen , daai'entegen doorschijnend licht tegen 
den cuneus aan. Pooten matig lang, doch stevig , de achter- 
dijen plat en breed, de achterscheenen lang; zij zijn rood- 
achtig geel van kleur, de dijen soms donkerder, de scheenen 
met rijen zwarte stippeltjes, waaruit zwarte s tekeltj es voort- 
komen, de tarsen zwart aan de spits. 

Deze soort en hare variëteit Signatlpes (zie Herr. Sch. 
Nomendator p. 49) werd door den heer Six bij Driebergen 
aangetroffen in Junij ; ook de heer Piaget vond eenige 
exemplaren. 

59. Lygus saltitans Fall. 

Plaat 5, fig. 7. 

Fall. /fm. S. p. 114, 72. — Burm. Handh. H, p. 278, n°. 5 
(Saltians). — Flor, Rh. Livi. I, p. 603. — Dougl. and Scott, 
Brit. Hem. p. 428 »). 

Lengte 2 mm. — Kort, breed en gedrongen van vorm, 



1) De afbeelding bij Douglas and Scott durf ik niet aanhalen, daar zij op mijne 
exemplaren niet gelijkt. De beschrijving bij Fieber {Eur. Hem. p. 311) is in de 
allerhoogste mate onduidelijk. 



DE INLANDSGHE HEMIPTEREN. 125 

in het klein wel wat gelijkende op het wi}i]e \iin Mutabilis, 
met korte dekschilden zonder membraan. De kop is zeer 
breed driehoekig, stomp toegerond van voren, glanzig zwart, 
met een gebogen grauw dwarsbandje op het achterhoofd. 
Oogen groot, rond, uitpuilend, bruin. Sprieten ter lengte 
van het halve ligchaam , niet zeer slank (vooral zijn de beide 
laatste leedjes dik naar gelang van 't geen wij bij de laatste 
soorten zagen), zwart, aan het einde grijsachtig. Zuiger 
bruin, reikend tot de achterheupen. Borststuk schier niet 
langer dan de kop en zelfs aan den achterrand niet breeder 
dan deze met de oogen, van voren naar achteren zeer 
weinig verbreed, zonder knobbeltjes of dwarsgleuf , glanzig 
zwart, doch naar achteren bestippeld. Schildje zwart met 
een bruinen gloed, tamelijk klein. Dekschilden bij onze 
voorwerpen zeer kort, zonder afgescheiden clavus, zonder 
membraan en eigenlijk ook zonder cuneus, doch aldaar 
naar beneden gebogen; hun achterrand is rond. Zij zijn in 
het midden bruinachtig zwart, met een bruinen gloed, aan 
de basis breed, aan den buitenrand smal lichtgrijs; ter 
plaatse waar men dèn cuneus verwacht, staat in dit grijs 
een rond zwart vlekje. Achterlijf glanzig zwart. Pooten met 
zeer dikke en breede achterdijen, tot aan de knie bruin- 
zwart , verder vuil bruinachtig geel , de scheenen met zwarte 
stekeltjes, de tarsen met het laatste lid en de klaauwtjes zwart. 
Van deze merkwaardige soort ving de heer C. Ritsema Cz. 
op het eiland VUeland den 31'''° Mei 1873 drie exemplaren 
op zandgrond. Gelijk de naam aanduidt en de dikke achtei-- 
dijen doen vermoeden, maken deze dieren kleine sprongetjes, 
als zij verontrust worden. 



Gen. 14. Dicyphus Fieb. 

Dit geslacht is voornamelijk gekenmerkt door de lengte 
van den kop achter de oogen. De kop is sterk gebogen, 



126 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

bijna hoekig, zoodat het aangezigt verticaal staat en de 
schedel horizontaal; van boven gezien is het gedeelte achter 
de oogen, de hals als ik het zoo noemen mag, langer dan 
het voorste gedeelte. De sprieten zijn niet bijzonder lang, 
doch slank, het 4' lid korter dan de kop, het 2' 2| maal 
langer dan het eerste. Het borststuk is vrij lang en smal 
en wordt door eene groef in 2 deelen verdeeld, waarvan 
het eerste twee kleine knobbeltjes draagt, waarvoor nog een 
smal ringetje gezien wordt. De dekschilden zeer lang en 
vliezig met lange membraan ; zij zijn echter niet altijd vol- 
komen ontwikkeld. Achterlijf vrij lang en slank. Pooten 
zeer lang en mager, zelfs aan de achterdijen. 

De naam van dit genus, beteekenende dubbel-bogchel, is 
al zeer zonderling gekozen en weinig eigenaardig, want 
men moet van eene goede loupe voorzien zijn om iets van 
de twee knobbeltjes, die met de bogchels bedoeld worden, 
te kunnen waarnemen. 

Er zijn slechts 2 soorten bekend, die gemakkelijk van 
elkander onderscheiden worden, door het kenmerk dat bij 
de eene (Errans) de cuneus en zijne basis-rand drie zwarte 
vlekjes vertoonen, bij de andere (PalUdus) niet. 

1. Die. errans Wolff. 

Plaat 5, fig. 8. 

Wolff, le. Clm. p. 161. tab. 16, f. 155. — Fall. Hem. S. 
I, 125, 19 {Collarls). — Hahn, W. Ins. H, p. 121, tab. 66, 
fig. 203. — Flor, Rh. Livi. I. p. 488. — Dougl. and Scott, 
Hem. Brit. p. 379, tab. 12, f. 4. 

Lengte 5 mm. — Lang, gerekt, zeer spaarzaam behaard , 
zwart aan kop en onderzijde, grijs of lichtgrauw aan de 
bovenzijde. Kop smal, doch tamelijk lang, glanzig zwart 
met 2 witte strepen langs de oogen, of wel grauw met 
diezelfde witte strepen en voorts zwart : het naar beneden 
gebogen aangezigt , een V-vormig teeken tusschen de oogen 
en twee langsstrepen in de zijden van den hals. Oogen bol 



DE INLANDSCHK lIEMll'TKREN. 127 

uitstaande, naar beneden eivormig verlengd, donkerbruin. 
Zuiger schier niet tegen de keel en ])orst aangebogen, zeer 
licht grauw, tot voorbij de achterheupen reikend. Sprieten 
I der lengte van het lijf bedragend, slank, uiterst fijn be- 
haard ; het 1' lid veel korter dan de kop , bruin met zwarte 
basis en witte spits; 2' lid aan basis en uiteinde zwart, in 
het midden grauw; 3" donkergrijs met witte basis, 4" grijs. 
Bij sommige voorwerpen zijn de sprieten in het geheel 
donkerder. Borststuk van vorm als in de beschrijving van 
het genus opgegeven , doch met den achterrand sterk naar 
voren ingebogen , onder glanzig zwart , boven geheel grauw 
of wel zwart met eene grauwgele langsstreep in het midden. 
Schildje donkergrijs of lichtgrauw met eene regte dwars- 
gleuf even voor het midden. Dekschilden doorschijnend, 
vliezig met den clavus minder doorschijnend, grauw; het 
corium met rijen van licht of donkerbruine stipjes, waaruit ' 
korte haartjes ontspringen, aan het einde tegen den cuneus 
aan een donkerbruin , bijna zwart vlekje en een dergelijk 
krom streepje. Cuneus doorschijnend, vliezig met de uiterste 
spits zwart. Membraan iriserend, zeer weinig berookt, met 
een donkerder vlekje onder de cellen, wier aderen vrij dik 
en bruin zijn. Vleugels bij mijn exemplaar volgroeid (Flor 
zegt: rudimentair). Achterlijf boven en beneden zwart, 
alleen aan de spits grauwachtig. Pooten uit den grauwen 
wit, de dijen bezaaid met zwarte stipjes, de scheenen 
harig en bovendien bezet met eenige weinige zwarte ste- 
keltjes-; het laatste lid dei- tarsen bruin en de lange klaauw- 
tjes zwart. 

De heer Piaget ving eenige exemplaren in Junij bij Velzen : 
ik ving een voorwerp in October bij den Haag. 

2. Die. pallidus H. Sch. 

Plaat 5, fig. 9 ^ en 10 $. 

Herr. Sch. W. Ins. Hl, p. 51, tab. 88, f. 269. — Meyer, Rh. 
d. Schw. p. 84, n°. 64. — Douglas and Scott , Brit. Hem. p. 380. 



128 DE INLANJJSCHE HEMIl'TEREN. 

Lengte 3,5 — 5 mm. — Het mannetje is in vorm en gedaante 
geheel gelijk aan den vorigen , doch verschilt zeer in kleur ; 
het wijfje heeft niet-ontwikkelde dekschilden en geene 
vleugels. 

Man gelijk aan den vorigen met dit verschil. Het ligchaam 
is boven en onder licht grauwachtig geel. Geen wit op den 
kop langs de oogen; op het voorhoofd eene wigvormige 
bruine vlek en twee zwarte in de zijden van den nek. 
Sprieten licht gekleurd, het i" lid met een zeer breed rood 
bandje. Geen zwart aan het borststuk, alleen in de zijden 
een paar bruine vlekjes. Schildje ros. Dekschilden geheel 
vliezig zonder bruine of zwarte stippen , vlekken of streepjes ; 
membraan met grauwe aderen. Pooten als bij den voor- 
gaanden. 

Wijfje korter, zwakker van bouw en meer groenachtig 
van kleur. De kop met sprieten, oogen en zuiger als bij 
den man. Het borststuk is aan het achtergedeelte meer naar 
boven gebogen, min of meer gebogcheld, zeer glanzig, 
aan den achterrand groen. Schildje groen. Dekschilden kort, 
het achterlijf naauwelijks bedekkend , alleen met aanduiding 
van cuneus en membraan ; zij hebben geene stippen , noch 
vlekken, maar vele naar achter gebogen grijze haartjes. 
Achterlijf groen, met de spits en de scheeden der genitaliën 
bruingeel. Pooten iets groener dan bij den man, de stipjes 
op de dijen onduidelijk; de achterscheenen schijnen mij 
toe nog langer te zijn dan bij de andere sexe. 

In Junij en Julij zijn voorwerpen van beiderlei kunne 
op zandgronden bij Driebergen en 's Gravenhage gevangen 
door den heer G. A. Six en door mij. Ook werd een ex, 
met verkorte dekschilden, dus waarschijnlijk een wijfje, 
door wijlen Dr. J. Wttewaall in Julij bij Voorst aangetroffen. 



Bij vergelijking met de ijeide gedeelten van de ((Tw€ede 
Naamlijst van inlandsche Hemiptera, bijeengebragt door 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 129 

Mr. H. W. de Graaf, G. A. Six en S. G. Snellen van Vol- 
lenhoven» zal men de volgende soorten missen: Capsus 
unicolor Hahn, Phytocoris erylhrophthalmus Hahn, ambiguus 
Fall, en viridinervis Kirschb. Wat de eerste dier soorten 
betreft, ik heb haar niet durven opnemen omdat ik van 
de juistheid der determinatie niet overtuigd ben, Unicolor 
moet in de mannelijke sexe het 'i" lid der sprieten eenig- 
zins verbreed en zeer behaard hebben ; dit is bij onze 
voorwerpen niet het geval en het zouden dus wijfjes moeten 
zijn; ondertusschen is het meest versehe voorwerp naar 
mijn beste zien een mannetje (de anderen zijn te oud om 
dienaangaande zonder opweeken en vernielen met zekerheid 
onderscheiden te worden). Daarbij komt nog dat de heer 
Six het bovengenoemde mannetje gevangen heeft met een 
wijfje, dat om zijnen vorm en onvolgroeide dekschilden tot 
Attus pulicarius (nu Lygiis pul.) als verscheidenheid kan 
gebragt worden. Dit punt dient dus nader en wel op levende 
exemplaren te worden onderzocht. 

Omtrent Phi/tocoris erythrcphthalmus Hahn leest men in 
het vervolg der Naamlijst dat de heer Six door het bestu- 
deeren van het werk over de Capsinen van Kirschbaum er 
toe gebragt was om zijn uniek voorwerp te determineeren 
als Capsus infusus H. Sch. Tegen die determinatie had ik 
toen bezwaren, die ik mij nu niet meer te binnen breng, 
en daar het voorwerp sedert zoek geraakt of misschien wel 
te loor gegaan is, zoo heb ik Erylhrophthalmus niet mogen 
opnemen. Infusus vindt men beschreven in het genus Lopus. 
Phytocoris ambiguus Fall, was vertegenwoordigd door een 
enkel zeer licht gekleurd vrouwelijk voorwerp , dat mede niet 
meer aanwezig schijnt te zijn. De bijzonder lichte kleur 
doet mij nu twijfelen of de bestemming wel juist was. 

Eindelijk Ph. viridinervis Kirschb. is mede niet meer 
authentiek aanwezig en het voorkomen dier soort ten onzent 
zal door nieuwe voorwerpen moeten gestaafd worden. 

Daarentegen bezitten wij nog eenige Capsinen, waarvan 
de namen ons een raadsel gebleven zijn. Later zal het mij 



130 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

waarschijnlijk wel gelukken die te determineeren ; indien zij 
in voldoend aantal van voorwerpen aanwezig waren, zoude 
ik daarvan een of ander gewaagd hebben door het in den 
vreemde aan een der Gorypheën in de kennis der Hemiptera 
toe te zenden, ten einde den naam te vernemen; doch bij 
gebreke aan voldoend aantal van exemplaren heb ik geene 
vrijheid gevonden om dit te doen. 



Verklaring der Platen. 

Plaat 8 (voorgaande deel). 

Fig. 1. Monalocoris Filicis L. 
» 2 en 2 a. Pithanus Maerkelii H. Sch. 
» 3 en 3 a. Miris laevigatus L. 
)) 4. Miris holsatus F. 
» 5. Achterpoot van Miris calcaratus Fall. 
» 6 en 6 a. Miris errati eus L. 
)) 7 en 7 a. » ruficornis Fall. 
)) 8. Leptoterna dolabrata L. 

» 9, Oncognathus binotatus F. $ (9 a kop en prothorax <?). 
» 10. Alloeotomus marginepunctatus H. Sch. 
» 11. Lygus Fallenii Hahn. 
» 12. Lopus tunicatus F. 

Plaat 9 (voorgaande deel). 

Fig. 1 en la. Lopus infusus H. Sch. 

» 2 en 2a. » subpatellatus Voll. 

» 3. Gapsus ater L. 

» 4. » capillaris F. 

» 5. » distinguendus H. Sch. $ (5a dekschild (?). 

» 6 en 6 a. Heterotoma spissicornis F. 

» 7. Heterotoma magnicornis Fall. 

» 8. Halticus leucocephalus L. 



DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 131 

Fig. 9. Camaronotus cinnamopterus Krschb. 
» 10. Phyt^oris Ulmi L. 
» 11. » Tiliae F. 

Plaat 10 (voorgaande deel). 

Fig. 1. Halticus pallicornis F. 
» 2. Dekschild van Camaronotus clavatus !.. 
» 3. Lygus Gothicus L. 
» 4. » striatus L. 
» 5. » striatellus F. 

» 6. Kop en borststuk van Lygus bipunctatus F. 
» 7. Lygus Chenopodii Fall. 
» 8. Dekschild van Lygus ferrugatus F. 
» 9. Lygus pratensis L. var. campestris. 
» 10. Schildje en dekschilden van Lygus tripustulatus F. 
» 11. Lygus unifasciatus F. 

Plaat 3 (in dit deel). 

Fig. 1. Lygus rubicundus Fall. 

» 2. » Kalmii L. 

» 3. » vulneratus Wolff. 

» 4. » Gyllenhalii Fall. 

» 5. » cervinus H. Sch. 

» 6. » Roseri H. Sch. 

» 7. » mutabilis Fall. ^ et ?. 

» 8. » virgula H. Sch. 

» 9. » histrionicus L. 

» 10. » globulifer Fall. 

Plaat 4 (in dit deel). 

Fig. 1 en la. Lygus thoracicus Fall. 
» 2. Lygus flavomaculatus F. 
» 3. » melanocephalus L. 
» 4. » pilosus Hahn. 
» 5. » Thunbergii Fall. 
» 6. » angulatus Fall. 



132 DE INLANDSCHE HEMIPTEREN. 

Fig. 7. Lygus contaminatus Fall. 
» 8. » chlorizans Fall. , 

» 9. » molliculus Fall. 

Plaat 5 (iü dit deel). 

g. 1. Lygus decolor Fall. 

2. » nubilus H. Sch. 

3. » Paykullii Fall. 
4 en 4 a. Lygus Caricis Fall, t? et $. ' 

5. Lygus Arbustorum F. 

6. » varians Meyer. 

7. » saltitans Fall. 

8. Dicyphus errans Wolff. 

9. » pallidus H. Sch. c?. 
10. » pallidus H. Sch. $. 



OPMERKINGEN 

OMTRENT 

ZES MERKWAARDIGE INLANDSCHE PTEROMALINEN 
EN EENE PROCTOTRUPIDE, 

DOOR 

G. A. S I X. 

(Hierbij Plaat 6). 



Door gebrek aan duidelijke beschrijvingen en vooral aan 
goede afbeeldingen van kleinere soorten van Pteromalinen 
en Proctotrupiden , is het mij dikwijls zeer moeijelijk om deze 
niet zelden fraaije diertjes met zekerheid te determineren. 

Door de welwillendheid van den heer Snellen vanVollen- 
hoven , die een zevental door mij bij 's Gravenhage gevangen 
soorten heeft afgeteekend, ben ik in staat gesteld daarvan 
goede afbeeldingen aan daarin belangstellende entomologen 
aan te bieden. 

Hiervan zijn, zoo ik meen, de bij fig. 2, 4, 5, 6 en 7 
voorgestelde soorten onbeschreven. Daar het mij volstrekt 
niet te doen is om nieuwe soortnamen te scheppen , zal het 
mij geene teleurstelling zijn, wanneer later uit deze af- 
beeldingen en de door mij daarbij gevoegde beschrijvingen 
mögt blijken dat deze soorten reeds vroeger andere namen 
hebben ontvangen. 

Ericydnu.9 paludatus Hal. 2, fig. 1. 

Förster sphtst de meest zeer kleine, maar tevens fraaije 
Encyrtolden in twee af deelingen: die met een penseelvormig 
bundeltje haren op de spits van het schildje en die welke 



134 OPMERKINGEN OMTRENT INLANDSGHE 

dit kenmerk missen. Tot de eerste afdeeling behooren de 
geslachten Chüoneurus Westw. en Comys Forst. Van elk 
dezer twee geslachten ving ik hier te lande eene soort, 
namelijk vond ik Chüoneurus elegans N. ab Es. in de Scheve- 
ningsche boschjes en Comys Swederi Dalm. in eene door- 
nenhaag bij Utrecht. 

Van de geslachten zonder haarbosje op de schildspits, 
waarvan Förster er 20 opgeeft, vond ik verscheidenen in 
ons land, als: Chor eia Westw., Aghjptus Forst,, Copidosoma 
Ratz., Ericydnus Hal., Dlnocarsis Försi. , Leptomastlx Forst., 
Habrolepis Forst, en Encyrtus Dalm. Zij komen meestal op 
hei- of duingrond voor; de kortvleugelige of bijna onge- 
vleugelde soorten van Aglyptus en Encyrtus bewonen be- 
paaldelijk kale en zonnige duintoppen. 

De hier afgebeelde Ericydnus paludatus Hal. ? (fig. 1) is 
niet zeldzaam in de Scheveningsche duinboschjes en kenbaar 
aan de vrij korte, smalle en berookte . vleugels. 

Ectroma dunense Six, lig, 2. 

Förster geeft het geslacht Ectroma slechts terloops onder 
zijne Encyrtoiden aan, dewijl hij E. rufescens Dalm. , den typus 
er van niet gezien had. Ik ving gevleugelde en onge- 
vleugelde voorwerpen dezer soort zoowel op heigrond bij- 
Driebergen, als op duingrond bij 's Gravenhage. Het insect 
dat op de lijst der inlandsche Hymenopters van den heer 
Snellen van Vollenhoven, onder n°. 925 als Dinocarsis rufus 
Six is opgegeven, is ook een exemplaar dezer soort. 

De alhier afgebeelde kleine Encyrtoide heb ik tot het ge- 
geslacht Ectroma gebragt, wegens den halsvormigen pro- 
thorax , den op het einde versmalden metathorax en de lange 
sprieten. Hierdoor heeft dit insect een veel slanker aanzien 
dan de kort ineengedrongen soorten van het geslacht En- 
cyrtus, waaraan het overigens na verwant is. Even als dv 
overige kortvleugelige Encyrtoiden springt dit diertje zeei' 
vlug , waarbij de lange en ylerke duurn op hel einde der 



PTEROMALINEN EN EENE PROCTOTRUPIDE. 135 

middenscheenen zeker zeer behulpzaam is. De vleugels zijn 
slechts kleine schubjes. De eijerlegger bijna | van het achter- 
lijf. Deze soort heeft den kop groen met metaalglans, de 
monddeelen oranjekleurig. De sprieten zijn bruin, behalve 
de twee eerste leden die oranje zijn. De thorax is oranje, 
maar de mesothorax is van boven even als het schildje 
groen. Het achterlijf is groen. De pooten zijn oranje, de 
achterscheenen bruin, 

Enmjrtus flavoscutatus Six, fig. 3. 

Dit zeer kleine, slechts met bijna onzigtbare parelmoer- 
kleurige vleugelschubjes voorziene diertje ving ik eens op 
de Haagsche duinen. Het is groen; de scapus van de overigens 
zwarte sprieten is geel; de oogen zijn bruin; het schildje 
is geel ; de pooten zijn geel , behalve eene zwarte langsstreep 
op de vier voordijen. In de verzameling van den heer 
Snellen van Vollenhoven zag ik een voorwerp dezer soort, 
hem door den heer Mayr toegezonden onder den naam van 
Bacüharis Pascuorum. 

Merisus hicolor Six, fig. 4. 

Dit insect komt in den vormvan het ligchaam, in de vleu- 
geladeren en in het aantal en den vorm der sprietleden zoo- 
zeer overeen met de afbeelding van het geslacht Merisus 
Walk., op pi. X, f.2 van de Schetsen van den heer Snellen 
van Vollenhoven afgebeeld , dat ik niet aarzel het tot dit genus 
te brengen. Het geslacht Merisus behoort tot de familie der 
Miscogastroiden van Forster. Het diertje is blaauwgroen, be- 
halve de sprieten, het achterlijf, de scheenen en de tarsen 
welke geel zijn, terwijl op het midden van het achterlijf 
eene langwerpige oranje vlek is. 

Onbekende ChcUcidide, fig. 5. 

Ik ben geheel in het onzeker waartoe de zonderlinge 
iniervormige Chalcidide , bij fig. 5 afgebeeld , moet gebragt 
worden. Wegens de vijlledige turscii moet zij onder de 



136 OPMERKINGEN OMTRENT INLANDSCHE 

Pentameren van Forster gerangschikt worden en zij komt 
wegens den Icorten maar breeden kop , het versmalde hals- 
vormige voorborststuk, het spitse omgebogen einde van 
het achterUjf en vooral wegens het aantal sprietleedjes zeer 
wel overeen met het geslacht Panstenon Walk., afgebeeld 
op pi. IX, f. 20 der Schetsen van den heer Snellen van Vollen- 
hoven; maar dat insect is gevleugeld, terwijl mijne exem- 
plaren ongevleugeld zijn. 

Daar het wel mogelijk is dat dit door afstekende oranje 
en zwarte kleuren zoo in het oogloopend diertje, hetwelk 
ik niet zelden bij 's Gravenhage op eikenloof aantrof, in 
een of ander mij niet ten gebruike staand werk beschreven 
is, ben ik vooreerst voldaan met de opmerkzaamheid der 
Entomologen er op te hebben gevestigd. Ik twijfel dan ook 
niet of de uitmuntende afbeelding van den heer Snellen 
van Vollenhoven zal het dadelijk door deskundigen doen 
herkennen indien het inderdaad reeds beschreven is. 

Eulophus fulvicollis Walk. fig. 6. 

Deze soort, door Westwood in het Mag. Nat. Hist. VI, p. 123 
Hemiptarsenus genoemd en ook door Förster in zijne Chalc. et 
Prod, p. 77 vermeld , is uit de afbeelding van Walker's Mon. 
Chalc. I. p. 190, vooral door de eigenaardige vleugelvlekken 
zeer wel te herkennen , maar bij hem zijn de sprieten draad- 
vormig geteekend, terwijl bij mijn voorwerp daarentegen 
de drie laatste leden plat en breed zijn en het allerlaatste , 
zuiver wit zijnde, sterk afsteekt bij de twee voorlaatsten die, 
zwart zijn. 

Ceranisus spec. ? fig. 7. 

De zeer kleine zwarte Proctotrupide bij fig. 7 afgebeeld, 
behoort volgens mijne meening tot de familie der Tclra- 
dlckolden van Förster en verder wegens het met twee striemen 
voorziene schildje, het dikke voetstuk der sprieten en den 
behaarden vleugelrand tot het geslacht Ceranisus Wdiik., in 



PTEROMALINEN EN EENE PROGTOTRUPIDE. 137 

de Schetsen van den heer Snellen van Vollenhoven op pi. 
XI, f. 19 afgebeeld. 

Forster zegt dat Ceranisus negenledige sprieten heeft 
even als bij mijn voorwerp , indien men het voetstuk mede 
telt. Op de afbeelding in de Schetsen hebben de sprieten 
in het geheel slechts zeven leden, ook is de scapus op het 
einde verbreed en niet zoo als bij mijn voorwerp aan den 
voet; daarenboven is de beharing van den vleugelrand in 
de Schetsen langer dan bij mijn voorwerp. De sprieten zijn 
met lange afstaande haren bezet. 

Indien mijn voorwerp inderdaad tot het geslacht Ceranims 
behoort , dan weet ik nog niet tot welke soort het te brengen 
zou zijn, dewijl mij geene soortbeschrijving bekend is. 

Mijn insect is dof zwart, met gele pooten, waarvan de 
eerste helft der dijen zwart is. Ik ving het den 26''*" Aug. 
op de Waalsdorpsche duinen. 



Verklaring der Afbeeldingen. 

1. Ericydnus paludatus Hal. ?. a. kop met sprieten. 

2. Ectroma dunense. a. spriet. 

3. Encyrtus tlavoscutatus. 

4. Merisus bicolor. a. spriet. 

5. Onbekende Chalcidide. a. van ter zijde, b. spriet. 

6. Eulophus fulvicolhs Walk. c?, a. spriet, b. dij, c. tars. 

7. Ceranisus spec? a. vleugel, b. spriet, c. thorax en scutellum. 



LEPIDOPTEKA VAN BATAVIA 

(eiland JAVA), 

DOOR 

Mr. M. C. PIEPERS, 
MET AANTEKKEMNGEN VAN P. C. T. SNELLEN. 

(Hierbij Plaat 7). 



Gedurende een vijftal jaren (1864 — 1869), welke ik te 
Batavia, de hoofdplaats van het eiland Java doorbracht, 
heb ik mij, zooveel andere bezigheden dit toelieten, met 
het verzamelen en bestudeeren der aldaar voorkomende 
Lepidoptera, vooral der Macrolepidoptera bezig gehouden. De 
volgende aanteekeningen hebben daaraan het aanzijn te 
danken. Ik wensch die thans als eene eerste proeve van 
beschrijving eener plaatselijke Lepidopteren-fauna uit den 
Oost-Indischen Archipel bekend te maken. Tot een juist 
begrip hiervan komt het mij echter niet overbodig voor, 
vooraf het volgende op te merken. 

Het eiland Java bezit eene zeer langwerpige gedaante, 
eene veel grootere lengte van O. naar W. dan breedte van 
N. naar Z. In die gansche lengte is zijn midden en zuidelijk 
gedeelte grootendeels door vrij hoog gebergte bedekt , welks 
hoogste top, de Semiroe, zich tot op 3G66 meters hovende 
zee verheft. Naar het N. loopt dit gebergte echter vrij glooiend 
naar de zee af. 

Dââr , in het lage kustland heerscht de tropische hitte in 
volle kracht ; doch men behoeft zich slechts weinig hooger 
op, zuidwaarts alzoo, te begeven om reeds een belangrijk 



LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 139 

onderscheid in temperatuur te vinden , en hoe hooger men 
stijgt, hoe verder men zich van de kust verwijdert, des te 
merkbaarder wordt dit, tot dat eindehjk op de hooge berg- 
toppen de temperatuur met die van het het heete kustland 
een zeer aanmerkelijk verschil aanbiedt. 

Dezelfde langzame verandering, welke eindelijk een be- 
langrijk verschil veroorzaakt, vindt men er in de planten 
en dierenwereld terug. Evenzeer als de luchtgesteldheid van 
de kust af naar het gebergte toe steeds koeler wordt, ziet 
men de planten en dieren er geleidelijk in andere vormen 
overgaan en zoo vertoonen zich in de hoogere streken eene 
gansch andere flora en fauna dan die, welke in de lagere 
te huis is. En hoewel nu voorzeker niet alleen de lucht- 
gesteldheid daarvan oorzaak is, maar ook andere redenen 
daartoe medewerken , zoo als b. v. de niet steeds dezelfde 
blijvende aard van den bodem , welke natuurlijk op den plan- 
tengroei en dien ten gevolge weder op de van de planten- 
wereld zoo afhankelijke dieren- vooral insectenwereld zeer 
sterken invloed uitoefent , is toch het verband tusschen deze 
en het verschil, dat zich in de flora en fauna van onder- 
scheidene hoogten daar openbaart, te zeer in het oog vallend 
om niet aan haar daarin eene groote rol toe te kennen. 

Trouwens het veranderen der flora en fauna , in verband 
met het rijzen van den bodem en de daaraan weder ver- 
bonden temperatuurwijzigingen, doet zich zelfs in de 
gematigde streken voor en zal wel overal in de tropische 
landen in sterke mate zijn waar te nemen. Maar wat daarbij 
in Noord- Java zeer opmerkelijk is , dat is de spoed waarmede 
die veranderingen elkander daar opvolgen. De breedte van 
het eiland van N. naar Z. is, gelijk gezegd is, toch be- 
trekkelijk gering en daar nu nog daarvan het midden en 
Zuiden bijna geheel door gebergte zijn bedekt, bevat de 
vermelde glooiing van de bergen naar de Noordkust van 
die breedte slechts eene geringe uitgestrektheid, en zóó 
doet zicli daar het verschijnsel voor dat vrij nabij gele- 
gen, slechts weinig in lioogie boven de zee verschillende 



140 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 

streken reeds een opmerkingswaardig onderscheid in flora 
en fauna aanbieden; wel is waar, niet dat zich zeer nabij 
elkander, doch door strenge grenzen gescheiden, geheel 
andere vormen vertoonen , gelijk alleen de aard van den 
bodem het veroorzaakt, maar zóó dat die vormen slechts 
geleidelijk door andere vervangen worden en eerst lang- 
zamerhand aanmerkelijk van elkander beginnen te ver- 
schillen. Wil men derhalve Java's insecten én in hunne 
onderlinge verhouding, èn in die met de insecten van andere 
streken bestudeeren, wil men in de insecten, verzameld 
in Noord-Ja va, bouwstoffen voor de tegenwoordig zoo 
hoogst belangrijke serieën-studie vinden , dan behoort men 
de plaats hunner herkomst met juistheid te kennen; eene 
étiquette «Java» heeft al niet veel meer waarde dan de 
opgave dat een insect in Amerika voorkomt, zonder nadere 
aanduiding of het in Labrador, te Paramaribo, of op de 
hoogvlakten der Andes is aangetroffen. Het is uit dit oog- 
punt gezien dat ik de mededeeling dezer plaatselijke Lepi- 
dopteren-fauna van eene kleine streek aan Java's Noordkust 
als niet van belang ontbloot beschouw. 

Onder het «Batavia» toch, over welks Lepidopteren-fauna 
deze aanteekeningen loopen , versta men geenszins de gansche 
residentie van dien naam, wier Zuidelijke grens tot in het 
hooge gebergte reikt , doch slechts de daarin gelegene even- 
eens genoemde hoofdplaats en hare onmiddelijke omgeving ; 
het ligt besloten in een cirkel, daar waar op Java's Noord- 
Westkust genoemde stad is gelegen aan de zee rakende en 
een straal bezittende van bijna een uur gaans. Het is "gelegen 
in de zoogenaamde eerste zone van Junghuhn en behoort, 
met uitzondering van een deel der kust , waar bij de monding 
der Tjiliwong deze door het rizophoren-gebied wordt inge- 
nomen, tot zijne tweede afdeeling van die zone. Zijn hoogste 
punt ligt op nog geen twee uren gaans in Zuidelijke richting 
van de zee verwijderd en is bij de langzame glooiing van 
den bodem aldaar nog slechts op geringe hoogte (± 7 meters) 
boven deze verheven. 



LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 144 

Toch kan men op die geringe breedte van nog geen 
twee uren gaans en bij dat gering verschil in hoogte boven 
de zee reeds drie strooken onderscheiden, welke in hare 
Macrolepidoptera en bepaaldelijk Rhopalocera een duidelijk 
verschil vertoonen. De Noordelijkste (A) is eene smalle strook 
van ongeveer i uur gaans breedte langs de kust; de Zuide- 
lijkste (C) bevat eene breedte van ongeveer | uur gaans 
van het door mij onderzocht gebied , doch strekt zich ver- 
moedelijk nog eenigszins verder ten Z. van de willekeurig 
door mij aangenomen grens uit; de middelste strook (B) 
wordt door de beide uitersten ingesloten. 

De Rhopalocera in de strook B voorkomende vertegen- 
woordigen de eigenlijke fauna der streek; zij worden ver- 
moedelijk allen ook in de strook C en grootendeels hoewel 
veelal slechts toevalhg ook in de strook A aangetroffen. 
Maar deze laatste smalle strook bevat bovendien twee uit- 
sluitend daar voorkomende soorten ; in de strook C beginnen 
zich hier endaar, hoewel zeldzaam , verscheidene soorten te 
vertoonen, welke hooger op , en zelfs reeds een halfuur Zui- 
delijker dan de grens mijner onderzoekingen, tot de gewone 
vlinders moeten worden gerekend. Bij elk der waargenomen 
vlinders zal ik door bijvoeging der hoofdletters A B of C 
aangeven in welke dezer drie strooken zij zijn gevonden. 

Van de vlinders wier metamorphose door mij is waar- 
genomen, heb ik ook de beschrijving der larven en nym- 
phen opgeteekend. Wel is waar is het mij zeer goed bekend 
dat men uit zulke beschrijvingen zich niet wel eene duide- 
lijke voorstelling kan maken, doch bij gebreke van goede 
afbeeldingen hebben zij toch altijd eenige waarde en zelfs 
indien afbeeldingen bestaan, kunnen zij altijd dienen om 
deze te contrôleeren. Bovendien , en dit heeft mij in het 
algemeen steeds bij het opstellen dezer aanteekeningen voor 
den geest gezweefd, is het op dit gebied het best alles 
maar op te teekenen; wie weet hoe goed een later bouw- 
meester het schijnbaar onbelangrijkste steentje zal kunnen 
gebruiken ? 



142 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 

Eindelijk zij hier nog opgemerkt dat de determinatie der 
vlinders en de beschrijving der nieuwe soorten zijn geschied 
door den heer P. C. T. Snellen , die het door mij ter neder- 
geschrevene tevens met zijne (door Sn. gemerkte) aantee- 
keningen heeft verrijkt, en dat de vermelde vlinders, met 
uitzondering der ongelukkig verloren gegane exemplaren van 
Charaxes Athamas Drury, Charaxes Schreiben God., en Deu- 
doryx Melampus Gr, (voor welker juiste determinatie ik overi- 
gens durf instaan), zich allen bevinden in onze verzamehng, 
die ten huize van den evengenoemden entomoloog te Rot- 
terdam wordt bewaard. 



RHOPALOCERA i). 

Fam. I. Heliconina. 

Genus Euploea. 

1. Hübneri Moore. Gewoon B G. 

2. Eleusina Gramer. Gewoon B G. 

3. Mìdamus L. Een der meest gewone vlinders ABG. Van 

de 16 pootige, zeer schoon geteekende rupsen vond 
ik er een aantal nabij elkander op Oleander. Hare 
grondkleur is zwart of donker roodbruin , waarop zich 
eene gele teekening vertoont, zoodanig dat elke ge- 
leding der rups eene breede gele streep aan de boven- 
zijde en eene gele vlek op elk der zijden heeft. Op 
elk der 2% 3% 4' en laatste geledingen bevindt zich 
een paar lange doornen, rood van kleur met zwarte 
uiteinden, van welke die op de 4^ geleding sterk 
voorwaarts zijn gekromd. 



1) Gerangschikt naar Herricli-Schäffer's Prodromus , behalve de Lycaenina en 
Hesperidina, voor welke de Catalogus van Kirby is gevolgd. 



LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 14B 

De pop is eerst vleeschkleurig met een paar bruine 
strepen, verandert echter spoedig in welligt de prach- 
tigste nymphe die bestaat. Zij geUjkt dan op een 
klompje schitterend gepolijst goud of zilver, of nog 
meer op zoogenaamd goud of zilverglas, met de ver- 
melde bruine strepen. Wanneer de vlinder is uitge- 
komen gelijkt de overblijvende huid der nymphe dan 
ook volkomen op dun glas met de meergemelde bruine 
strepen. De pop hangt overigens op de wijze der 
Vanessa-nym^hen met het achtereind aan een oleander- 
blad gehecht. 

De ontwikkeling dezer soort geschiedt uiterst snel. 
Hoewel ik den juisten tijd daarvan niet met volkomen 
zekerheid kan aangeven, durf ik toch den larven- 
toestand op niet langer dan twee weken begrooten, 
terwijl de duur van den nymphentoestand slechts tien 
dagen is , zoodat eene geheele generatie van ei tot ei 
hoogstwaarschijnlijk binnen één maand is afgeloopen. 

Fam. II. Danaina. 
Genus Danais. 

4. Juventa Gr. Uiterst gewoon ABG. Meermalen in coitu 

gevangen en bevonden dat de sexen geene bijzondere 
punten van verschil vertoonen en de mannetjes geene 
zakvormige plooi op de achter vleugels bezitten. 

5. Melissa Gr, Niet zeldzaam B G. 

6. Chrysippus L. Deze soort is uiterst gewoon in A, tot op 

het zeestrand, doch ook, gelijk ik dit eveneens in 
Z. W. Celebes heb waargenomen tot de smalle strook 
A beperkt. Slechts eenmaal heb ik een blijkbaar ver- 
dwaald exemplaar in B en nog vrij nabij A aange- 
troffen. 

Aanmerking. Bij vergelijking van de Javaansche 
exemplaren door den heer Piepers gevangen en van 
anderen uit Malang (mede Java) met Afrikaansche , 



144 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 

Celebaansche en Nieuw-Hollandsche exemplaren , 
merk ik op dat de Javaansche veel kleiner zijn dan de 
Afrikanen (59— 65 mm. tegen 65 — 75 mm.). Buitendien 
zijn de laatsten veel helderder geel van grondkleiir. De 
lichtbruine tint die men bij hen aan den vleugelwortel 
v^aarneemt, verduistert bij de Javanen de geheele 
bovenzijde. De Celebaansche exemplaren zijn niet 
grooter maar iets helderder, wijl de bruine verduis- 
tering meer naar de buitenranden der vleugels terug- 
trekt en den licht bruingelen grond vrij laat. Dit laatste 
is zeer duidelijk te zien bij een Nieuw-Hollandsch 
voorwerp. Dit heeft 57 mm. vlugt ; de donkere voor • 
vleugelpunt die , vooral bij de Afrikanen , bijna zwart 
is , is hier door vermenging met lichtbruin niet meer 
dan zeer donkerbruin en beslaat veel meer van den 
vleugel. Verder is de donkere achterrand der achter- 
vleugels, die bij de Afrikanen en ook nog bij de Javanen 
smal, getand, zwart en scherp begrensd is, bij den 
Nieuw-Hollander tweemaal zoo breed, donkerbruin, 
wortelwaarts vervloeid en niet meer dan gegolfd. 
De Celebaansche voorwerpen duiden , als boven ge- 
merkt, den overgang aan. Sn. 

7. Plexippus L. Zeer gewoon ABC. 

8. Melanippus Cr. var. Hegedppus Cr. Eens in B. Is in iets 

hooger gelegen streken dan het door mij onderzochte 
gebied echter zeer gewoon. 

Aanmerking. Ik kan bezwaarlijk aan specifiek ver- 
schil tusschen deze soort en Plexippus gelooven en 
houd het er voor dat Kirby, toen hij op p. 5 en 6 
van zijnen Catalogus zijne variëteiten a tot l met 
Plexippus vereenigde, althans wat betreft Melanippus 
en Hegesippus beter inzigt in de zaak toonde dan toen 
hij op p. 639 aanteekende (bij n°. 23, Danais Plexip- 
pus L.) : «most of the forms given on pp. 5, 6 as 
varieties, are probably distinct». Sn. 



LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 145 

Farn. VI. Satyrina. 
Genus Cyllo Boisd. 

9. Leda L. Wellicht de meest gewone vlinder ABC, een 

groot verschil in kleur en teekening vooral op de 
onderzijde 'der vleugels aanbiedende. Hij behoort met 
Amathusla PhkUppus L,, Casyapa Thrax L. en vermoe- 
delijk ook Mycalesis Justina Gr., Myc. Lalassis Hew., 
Myc. Janardana Moore en Elynmlas Lais F. tot de 
schemeringvlinders , welke slechts gedurende de 
avond- en vermoedelijk ook in de morgenschemering 
vliegen, welk laatste ik van Leda ten minste heb 
waargenomen. Des daags zitten zij stil en gaan op- 
gejaagd zijnde, na een klein eind voortge vlogen te 
zijn, weder zitten. Leda, die ook meest laag bij den 
grond vliegt, zit des daags met toegeklapte vleugels 
op de aarde, dorre bladeren of onder tegen een 
boomstam en is dan bijna onzigtbaar; het sterk 
varieeren van de onderzijde der vleugels staat ver- 
moedelijk in verband met de kleur van den bodem 
waar de vlinder zich ophoudt. 

De 16-pootige rups vond ik niet te Batavia maar 
te Mangkasar inZ.W. Celebes, waar de vlinder mede 
zeer gemeen is, in menigte op daar voor paardenvoeder 
aangeplant, Zuid-Amerikaansch zoogenaamd Pampa- 
gras. Zij is geheel grasgroen met korte, stijve, witte 
haren bezet; de kop uitloopende in twee lange rood- 
achtige met dunne lange haren bezette spitsen. Ook 
de grasgroene poppen hingen daar in menigte aan de 
grasstengels, aan welke zij met het achtereinde op 
de wijze der Fa^ie^^a-poppen waren bevestigd. 

Genus Yplhlma Hbn.. 

10. Philomelus L. {Baldus F.). Zeer gewoon ABC. 

11. Hübneri Kirby {Philomela Hbn., Zuträge). Zeer gewoon 

A B C. 

10 



146 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 

Genus Mycalesis Hbn. 

12. Justina Gr. Gewoon BC. 

13. Lalassis Hew. Gewoon B G. 

14. Janardana Moore. Gewoon B G. Daar ik deze Mycalesis- 

soorten des daags nimmer dan opgejaagd heb zien 
vliegen, waarop zij zich dan weder spoedig neder- 
zetten, vermoed ik dat zij ook tot de schemering- 
vlinders moeten worden gerekend. Zie het aangetee- 
kende bij Cyllo Leda L. 

Fam. VIII. Elymniina. 

Genus Elymnias Hbn. 

15. Undularis F. Gewoon op sommige plaatsen B G. 

16. Lais F. Gewoon op sommige plaatsen B G. Ook dezen 

vlinder zag ik slechts opgejaagd vliegen en zich dan 
zeer spoedig weder nederzetten, zoodat hij vermoe- 
delijk mede tot de schemeringvlinders moet worden 
gerekend. Zie het aangeteekende bij Cyllo Leda L. 

Fam. IX. EURYTELINA. 

Genus Ergolis Boisd. 

17. Ariadne L. Hier en daar B G. 

Fam. X. Nymphalina. 
Genus Neptis F. 

18. Aceris Lepechin. Zeer gewoon ABG. 

Aanmerking. Verschillen niet van Europesche 
exemplaren. Sn. 

Genus Charaxes Ochs. 

19. Athamas Drury. Op zekeren nacht vloog gedurende eene 

zeer hevige regenbui in het begin van den West- 
moeson , een zeer afgevlogen en beschadigd ex. dezer 
soort mijne woning in B binnen. Daar ik nimmer 



LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 147 

andere exemplaren van die soort uit de omstreken 
van Batavia heb gezien, vermoed ik, te meer omdat 
dit 's nachts geschiedde en met het oog op den be- 
schadigden toestand van den vhnder , dat hij met de 
regenbui van elders was overgevoerd. Eene nadere 
vergelijking van dit ex. met anderen van dezelfde 
soort zou dit welhcht hebben kunnen uitmaken; 
ongelukkig is het echter met eenige andere vlinders , 
die met het schip NeeHand's vlag naar Nederland 
werden overgevoerd, bij de schipbreuk van dit vaar- 
tuig op Afrika's Oostkust verloren gegaan. 

20, Schreiberi God. Eens in G. Naar mij werd medegedeeld 

had de rups waaruit de vlinder gekweekt was geleefd 
op nam-nam (Cynometra cauU/bra L.). 

Genus Amathuda F. 

21. Phidippus L. Deze groote vlinder is overal in A B G 

zeer gewoon. Des daags (zie het aangeteekende bij 
Cyllo Leda L.) zit hij stil, doch niet op den grond 
maar tegen de takken van lage struiken ; zoodra echter 
de avondschemering begint ziet men hem overal in 
menigte rondvliegen. 

De 16-pootige rups vond ik niet te Batavia maar te 
Mangkasar in Z. W. Gelebes, waar de vlinder mede 
zeer algemeen is, in menigte op de bladeren der 
pisang (ilfn^a parac^maca L.). Zij is bijna vingerlang, 
lichtgroen van kleur met donkergroene overlangsche 
banden. Twee smalle dergelijke banden loopen zeer 
dicht nevens elkander midden over den rug, zoodat 
de grondkleur tusschen beiden zich wederom als een 
zeer smalle lichtgroene band- vertoont. Twee breede 
donkergroene banden loopen langs de zijden. De rug 
en de zijden zijn geheel bezet met talrijke , korte , 
stijve, roode haren. Langs de zijden bevinden zich 
bosjes benedenwaarts gerichte witte haren. De tweede 
en derde geleding zijn dicht bezet met lange, stijve, 



448 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 

witte en roode haren , die voor den kop uitsteken en 
dezen bedekken. Het achterlijf der rups eindigt in 
twee punten. 

De pop is zacht rozenrood van kleur met eene 
glanzige, lichtgroene uitmonstering op de scherpe 
kanten. Naar beide zijden loopt zij in eene lange 
scherpe punt uit. Zij hangt, op de wijze der -Vanessa- 
poppen aan het achtereind. 

Een vrouwelijke vlinder legde, wat bij Rhopalocera 
weinig gezien wordt, in eene stopflesch waarin zij 
was opgesloten, verscheidene verspreide eieren, in 
grootte en gedaante op die der groote Nederlandsche 
Sphinges gelijkende. Na 8 dagen kwamen daaruit de 
jonge rupsen. De duur van den larventoestand in de 
vrije natuur kan ik niet met zekerheid opgeven, doch 
zal, daar het voedsel nimmer ontbreekt, wel niet 
meer dan een drietal weken bedragen, zoodat, wijl 
de verpopte rupsen na 13 dagen den vlinder gaven, 
eene gansche generatie van dezen vlinder vermoedelijk 
in een zestal weken afloopt. 

Genus Discophora Boisd. 

22. Celinde Stoll. Eens in C. 

Genus Diadema Boisd. 

23. Bolina L. Gewoon ABC. 

Aanmerking. Bij de voorwerpen door den heer 
Piepers vei zameld , bevinden zich : 
Auge Cramer II pi. 190 A B. 
Lasinassa Cram. Ili pi. 205 AB. 
Iphigenia Cram. I pi. 67 DE. 
Alcmene Cram. I pi, 67 A. 
De groote, bonte, op de bovenzijde in hooge mate 
driekleurige wijfjes komen, volgens den heer P., bij 
Batavia het meest voor. Sn. 

24. Anomala Wallace. Eens in B. 



LEPIDOPTEPA VAN BATAVIA. 149 

25. Mislppus L. Zeer gewoon ABC. Opmerkelijk is het, 

hoezeer de wijfjesvhnder dezer soort een spotvorm 
van Danais Chrijsippus is. 

Genus Cetiiosia F. 

26. Penthesilea Cr. Eens een beschadigd exemplaar in C. 

Een weinig boven de Zuidelijke grens van de door 
mij onderzochte streek is deze vlinder niet ongewoon. 

Aanmerking. Het Bataviasche exemplaar nadert de 
variëteit Cijane Cramer pi. 295 C D. Sn. 

Genus Atella Doubl. 

27. Phalantha Drury. Gewoon ABC. 

Aanmerking. Het genus Atella vervangt in Indie de 
genera Argynnis en Brenthis, zoo althans het laatste 
aanspraak er op heeft om voor meer dan voor eene 
afdeeling van Argynnis te worden gehouden. Sn. 

Genus Adolias Boisd. 

28. Adonia Cr. Zeldzaam B C. 

29. Alpheda God., Moore {Octogesima S. v. V.). Niet zeer ge- 

woon B C. De op manga daging (Mangifera foetida, 
Lour. var. C mollis) levende rups is bladgroen met 
eene gele, aan het begin van elke geleding in rozen- 
rood overgaande streep over de geheele lengte van 
den rug. Van elke geleding steken twee lange naar 
beneden gebogen doornen zijdelings uit, welke weder- 
om van zijtakken voorzien zijn, die als de baarden 
eener veder gelijkmatig, tegen elkander overgesteld 
op de doornen zijn geplaatst en naar het uiteinde 
van den doorn korter worden. De doornen en hunne 
takken zijn groen als het lichaam, doch de uiterste 
punten der takken geel, zoodat daar door de plaat- 
sing der doornen nevens elkander, de uiteinden der 
linker takken van den eenen doorn, die der rechter 
takken van den nevengeplaatsten doorn raken, zij 



450 LEPIDOPTKRA VAN BATAVIA. 

door gele strepen van elkander schijnen gescheiden 
te zijn. 

De mede groene pop is zeer zonderling van vorm 
en alzoo zeer moeielijk te beschrijven. Het meest 
gelijkt zij op eene driehoekige pyramide , welker eene 
zijde bolvormig is en die daar waar zich de kop 
bevindt tweepuntig uitloopt. Aan de tegenover- 
gestelde zijde bevindt zich weder eene kleine bruine, 
met de basis daartegen geplaatste driehoekige pyra- 
mide, welke bewegelijk is en het achtereind van het 
dier bevat. De pop ligt op eene platte zijde los op 
den grond. Na 13 dagen leverde zij den vlinder. 

Aanmerking. Ad. Odogesima S. v. V. Is het man- 
netje volgens Kirby. Wat Alpheda Moore aangaat, wil 
ik dit niet loochenen , doch de beschrijving van Alpheda 
Godart is zoo vlugtig dat zij op een aantal verwante 
soorten even zoo goed past als op Odogesima. Sn. 

Genus Messaras Doubl. 

30. Erymanthis Drury, Gr. Zeer gewoon B C. De pop, in 

gedaante op die der Nederlandsche Pieriden gelij- 
kende, is zeer schoon lichtgroen met geelgouden 
vlekken , waaruit doornige uitsteeksels van schoon 
roodgoud te voorschijn treden. 

Genus Precis Hbn. 

31. Iphita Gr. Uiterst gewoon ABG. Een paar gepaard 

gevangen van den vorm Ida Gram. 374 GD. 

Aanmerking. Dat Iphita Gramer 209 G D en Ida Gr. 
374 G D inderdaad als beide sexen bijeen zouden 
behooren , komt mij , vooral na de aanteekening van 
den heer Piepers over de beide gepaarde voorwerpen 
die hij ving, zeer twijfelachtig voor. Zou men hier 
niet aan twee soorten moeten gelooven ? Of zijn beide 
variëteiten soms saizoens-varieteiten even als Ara- 
schnia Prorsa en Levana ? Sn. 



LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 151 

Genus Junonia Hbn. 

32. Epigone Cr. Zeer gewoon B C. 

33. Laomedia L., Cr. Uiterst gewoon AB C, vooral op gras- 

vlakten. 

34. Orythia L., Cr. Uiterst gewoon ABC, vooral op drooge 

heete grasvlakten. Deze vlinder zet zich gaarne, de 
vleugels bij afwisseling openende en sluitende , in den 
vollen zonneschijn op den grond neder en doet dan 
sterk aan de gewoonten van den Europeeschen Satyrus 
Semele denken. 

35. Asterie L. Uiterst gewoon ABC. De onderling zoo 

verwante /. Erigone en Asterie doen sterk aan de 
onderling evenzoo verwante Europeesche Satyrus 
Egeria en Megaera denken. 

Aanmerking. De grootte van de oogvlekken der 
onderzijde verschilt bij deze soort zeer. Ik heb exem- 
plaren van Java die er naauwelijks een spoor van 
vertoonen. Sn. 

Genus Doleschallia Feld, 

36. Bisaltide Cr. Gewoon BC. De rups leeft op kaioe mas 

{Codiaeum variegatum Rmph.) en treba (volgens G. J. 
Filet, de inlandsche plantennamen bijeenverzameld 
en in alphab. orde gerangschikt. Bat. Lange en c°. 
-1859 , Rhinacanthus nasutus Ns. , Andrographis panicu- 
lata Wld. en Crossandra infundibuliformis Ns.). Zij is 
zwart met vijf overlangs loopende witte strepen, 
van welke de beiden die zich op de zijden bevinden 
minder duidelijk zijn dan de drie op den rug. Op 
elke geleding heeft zij fijn getakte doornen zwart 
van kleur , ten deele schitterend staalblauw bij hunne 
inplanting, namelijk behalve die paren doornen welke 
uit acht aan elke zijde der acht laatste geledingen 
geplaatste groote roode puisten te voorschijn komen. 



152 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 

De paarse met zwarte strepen geteekende pop hangt 
op de wijze der Fawe^^a-poppen , met het achtereind 
aan het een of ander vastgehecht. Na 8 dagen gaf 
zij den vUnder. 

Aanmerking. Bij de exemplaren van den heer 
Piepers bevinden zich zoowel Polibete Gram. 234 D E 
als Polibete 235 C D , doch geene van den type zoo als 
Cramer dien afbeeldt. Sn. 

Fam. XIII. Lygaenina. 
Genus Miletus Hbn. 

37. Symethus Cr. Gewoon vooral bij bamboestruiken (Bam- 

busa) B C. 

38. Boisduvalii Moore. Eens C. 

Aanmerking. Beiden wel variëteiten van ééne soort. 

Sn. 
Genus Lycaena F. 

39. Hylax Horsf. Niet zelden in C. 

40. Malaya Horsf. Eenmaal in C. 

44. Rosimon Fabr. Zeer gewoon B C. 

42. Ethion Dbd. Gewoon B C. 

43. Celeno Cr. Zeer gewoon B C. 

44. Elpis God. Gewoon B C. 

45. Boeticus L. Zeer gewoon ABC. 

46. Strabo Fabr. Zeer gewoon ABC. 

47. Nora Felder. Gewoon ABC, vooral meermalen in 

groote menigte in A op bloeiende beloentas (Pluchea 
indica Less.). 

Zou Plato Fabr. ook het mannetje van deze soort 
zijn ? 

48. Gnoma Snellen n. sp. Eens in menigte in A en eens in 

menigte in B. (Zie de beschrijving hierachter). 

49. Lysizone Snellen n. sp. Uiterst gewoon overal ABC. (Zie 

de beschrijving hierachter). 



LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 153 

50. Pygmaea Snellen n. sp. (Zie de beschrijving hierachter). 

Genus Jolaus Hbn. 

51. Longinus var. Pseudolonginus Horsf. Eens verscheidene 

exemplaren bij elkander in B. 

Genus Deudoryoc Hew. 

52. Melampus Cr. Eens in C. Is een weinig zuidelijker dan 

de grens van de door mij onderzochte streek niet 
ongewoon. 

53. Varuna Horsf. Enkele malen in B en C. Het kale, bruin- 

grijze schildrupsje heeft op iedere geleding twee bul- 
ten, en leeft op bidara (ZlzypJms jujuba Lam.). Het 
popje van den bekenden Lycaeniden-YOTm , gaf na 13 
dagen den vlinder. 

Genus Amblypodia Horsf. 

54. Apidanus Gr. Enkele malen ABC. 

Fam. XIV. Pieridina. 
Genus Ponila Ochs. 

55. Nina F. Enkele malen in G. 

Genus Pier is Schrank. 

56. Coronea Cr. (Sn. v. V. Mon. des Pier. p. 29). Gewoon 

ABC. In het jaar 1867 overal buitengewoon menig- 
vuldig. 

Aanmerking. Niet dezelfde als Teutonia F. (Lucas, 
Pap. Exot.) Sn. 

57. Coronis Gram., (Sn. v. V. Mon. des Pier. p. 26). Eens in C. 

58. Amasena Cr. 44 A., (Sn. v. V. Mon. des Pier. p. 35). Ge- 

woon ABC. 

59. Lyncida Cr. 131 B. (Hippo Sn. v. V. Mon. des Pier. p. 42). 

Eens twee exemplaren bij eene bamboestruik (Bam- 
busa) in C. 



154 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 

Aanmerking. Bij deze exemplaren is de onderzijde 
der achtervleugels geheel wit met een flaauw geel 
tintje in cel 8 en een bruinen achterrand van 5 mm. 
breed. Sn. 

Genus Cathaemia Hbn. 

60. Egialea Cr. (Sn. v. V., Mon. des Pier. p. 7). Gewoon ABC. 

61. Hyparete L., (Sn. v. V., Mon. des Pier. p. 9). Gewoon ABC. 

De rups vond ik op kemoening {Pterocymhium javanicum 
Bunt). Zij is oranjegeel met zwarten kop en achterste. 
Aan elke geleding op den rug twee lange, rechts en 
links naar boven uitstekende witte haren en aan 
iedere zijde een bosje kortere witte haren, welke dus 
te zamen vier overlangsche rijen witte haren vormen. 
De pop van den gewonen Pieriden-YOTm is geelwit 
met vele zwarte uitstekende punten en een zwart 
streepje op elk vleugeldeksel. Op den 8'*'" dag gaf zij 
den vlinder. 

Genus Hebomoia Hbn. 

62. Glaucippe L., (Sn. v. V., Mon. des Pier. p. 52). Gewoon 

ABC. 

Aanmerking. Vier exemplaren van 76 — 77 mm. 
allen mannen waarbij de oranje punt der voorvleugels 
binnenwaarts geen zwarten maar een zeer duide- 
lijken citroengelen zoom heeft. Een exemplaar uit 
Malang (Java) is weinig kleiner dan een van Celebes, 
namelijk 98 mm. tegen 106. Sn. 

Genus Thestias Boisd. 

63. Venilia Godart, Lucas (? = Amijope Cramer II. pi. 157 CD. 

Venilia S. v. V. Monogr. des Pier. p. 51). — Komt uit- 
sluitend op sommige plaatsen van A voor, zoowel op 
drooge plekken van het Rhizophoren-gebied als daar 
buiten , en is dan op die plaatsen niet zeldzaam. 



LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 155 

Genus Callidryas Boisd. 

64 Scylla L. (<? Cr. I. 12 CD ; Sn. v. V. Mon. d. Pier. p. 62). 
Uiterst gewoon ABC. 

65. Pomona F. {Hllaria Sn. v. V. Mon. des Pier. p. 60). Zeer 

gewoon ABC. 
Aanmerking. Ook de var. Ca/i^k Cramer hierbij. Sn. 

66. Crocale Cr. I. 55 C D. {Alcmeone Sn. v. V. Mon. des Pier. 

p, 61). Crocale Gram. eens in B, Alcmeone Sn. v. V. 
gemeen in ABC. 

Aanmerking. Alcmeone Cram. II pi. 141, E, die Dr. 
Snellen van Vollenhoven met een ? aanhaalt, wordt 
door Kirby als het <? van de Zuid-Amerikaansche Statira 
Cramer geciteerd. Sn. 

Genus Tcrias Swains. 

67. Hecabe L. (Sn. v. V. Mon. des Pier. p. 66). Uiterst gewoon 

ABC. Zes exemplaren behooren tot den type ; een 
mannetje nadert zeer tot Brenda Doubl., door dat het 
zwart aan den binnenrandshoek der voorvleugels wel 
de helft smaller is dan in cel 4, terwijl het op de 
beide genoemde plaatsen bij den type even breed is. 
De zwarte rand der achtervleugels is bij dit exem- 
plaar echter even breed als bij de typische en het 
geel van denzelfden tint. 

Fam. XV. Equitina. 
Genus Papilio L. 

68. Antiphates Cr. Enkele malen in C. 

69. Sarpedon L. Niet zelden B C. Nog eene aan Pap. Sar- 

pedon zeer verwante soort is eenmaal in B door mij 
gevangen, doch niet met zekerheid op te geven; 
hoogst vermoedelijk was het Pap. Eurypyliis L. 

70. Agamemnon L. Zeer gewoon ABC. De mede zeer gewone 

12-pootige rups leeft op tarong (Solanumyhliideren , 
maar wordt vooral veel op die van den zuurutk {Anona 



156 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 

muricata L.) aangetroffen. Haar lichaam is zeer onge- 
lijk van dikte, de derde geleding is de dikste, 
naar den kop en naar het achtereind nemen de 
geledingen in omvang af. Hare kleur is lichtgroen; 
de vermelde dikke derde geleding draagt op den rug 
twee zwarte doornen, welke bij hunne inplanting 
een rood ringetje vertoonen; twee zeer kleine zwarte 
doornen bevinden zich evenzoo op elke der beide 
eerste geledingen, twee iets langere op de laatste. 
De rups heeft eene eigenaardige schommelende wijze 
van voortbeweging; als zij getergd wordt richt zij 
het dikke voor gedeelte van haar lichaam recht in 
de hoogte op en steekt op de wijze van Pap. Machaon 
L. twee lange hoornen uit. 

De pop, die ook geheel op de wijze van Pap. Ma- 
chaon L. zoowel met het achtereinde als door middel 
van een enkel draadje om het midden is vastgehecht, 
heeft ook in gedaante veel overeenkomst met die 
nymphe, loopt echter naar achteren in eene langere 
punt uit. Het kopeinde is tweepuntig. Tegenover 
den kop bevindt zich een haakvormig uitsteeksel van 
dezelfde bijzondere nuance van bruin, welke zich op 
de onderzijde der vleugels van den vlinder vertoont, 
welk uitsteeksel zich verder in twee verheven strepen 
op het ligchaam der pop voortzet en dit als in een 
pincet omvat. Overigens is de kleur der pop groen. 
Op den 14''*'' dag gaf zij den vlinder. 

71. PolytesL. (enPammonL.). Een der meest gewone vlin- 
ders ABC. De rups, die uiterst veel op die van 
Pap. Memnon L. gelijkt en naar het mij voorkomt 
slechts door geringere grootte van deze verschilt , heb 
ik veel malen zoowel te Batavia als te Mangkasar in 
Z. W. Celebes gevonden , doch steeds op djeroek kinkit 
{Triphosia aurantiola Lour. = Irifoliata de C), 't geen 
eene toevalUge waarneming mij doet onderstellen dat 



LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 457 

ook in China het geval is, terwijl ik die van Pap. 
Memnon L. steeds op eene andere Citrus-soort aantrof. 
Ook de pop komt mij voor slechts door de geringere 
grootte van die van evengenoemden vlinder te ver- 
schillen. Op den 14''^° dag komt de vlinder uit. 

Aanmerking. De vleugelstaartjes van al de Javaan- 
sche exemplaren yanPammon zijn van 3 — 5| mm. lang. 

Sn. 
72. Memnon L. Uiterst gewoon A B G. Onder de wijfjes ook 
de vormen Achates Gr. 243 A en Ancaeiis Gr. 222 A. 
De groote rups vond ik op pompelmoesbladeren (Citrus 
decumana L.) ; zij leeft vermoedelijk echter ook op 
andere CiYriw-soorten. Zij is moeielijk te beschrijven 
zoowel door haren zonderlingen vorm als omdat hare 
algemeene kleur alsmede de vorm en kleur harer teeke- 
ning niet standvastig schijnen te zijn. Zij is zeer on- 
gelijk van dikte, hare drie eerste geledingen zijn veel 
dikker dan de overige en gelijken als het ware een 
grooten kop, waarop zich twee zwarte vlekken ver- 
toonen, die een onkundige voor oogen zou aanzien. 
Overigens is hare kleur groen, meest als donkergroen 
fluweel, op den rug en de zijden, en vleeschkleurig 
of wel vuilwit van onderen. Op den rug vertoont zich 
eene teekening, bestaande uit twee breede, vleesch- 
kleurige of vuilwitte streepen, welke zich schuins 
van beneden oploopende daar vereenigen. 

De groote pop , in vorm op die van Pap. Machaon 
L. gelijkende, heeft aan het hoofdeinde twee punten 
en hangt aan het achtereind en met een vrij ruim 
draadje om het midden bevestigd. De uit bruin van 
verschillende nuancen en groen gemengde kleur doet 
haar volkomen op een stukje boomschors gelijken. 
Op den IS"*"" dag gaf zij den vlinder. 

Een? legde in gevangenschap 7 licht-oranjekleurige 
ronde eieren, van de grootte welke die der groote 
Nederlandsche Sphinxen hebben. 



158 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 

Farn. XVI. Hesperidina. 
Genus Casyapa Kirby. 

73. Thrax L. Vliegt overal in ABC. Zeer gewoon gedurende 

de avondschemering; des daags slechts opgejaagd. 
De kale, witte, als met wit krijt bestovene rups is 
zeer gewoon op de bladeren der pisang {Musa para- 
disiaca L.), welke zij oprolt en met spinsel aaneen- 
naait, geheel op de wijze der bladrollers, zoo als zij 
ook even als dezen, als men het opgerolde blad 
opent, zich eenigen tijd zeer snel als het ware slang- 
vormig heen en weder beweegt. De zeer langwer- 
pige pop blijft mede in het opgerolde pisangblad. 

Genus Pamphila F. 

74. Julianus Latr. Ene. (Thrax. Hbn., Led.). Een der meest 

gewone vlinders in A B G. 

Aanmerking. Kirby citeert in zijnen catalogus Thrax 
Led., Hbn. bij Mathias F., Latr., hetgeen fautief is. 
De opgave der grootte van Jidianus door Latreille 
duidt dit aan. Sn. 

75. Brunnea Snellen n. sp. G. (Zie de beschrijving hierachter). 

76. Mathias F. G. 

77. Augias L. Gewoon ABG. 

Genus Thymelicus Hbn. 

78. Nigrolimbatus Snell. n. sp. Zeer gewoon ABG. (Zie de 

beschrijving hierachter). 

Genus Plesioneura Feld. 

79. Folus Gr. Gewoon in G. 

80. Dan F. Gewoon in G. 

Genus Tagiades. 

81. Japetus Gr. Gewoon in G. 



LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 159 



BESCHRIJVING DER NIEUWE SOORTEN 



P. C. T. SNELLEN. 



48, Lycaena Gnoma m. nov. sp. 

Plaat 7, fig. 1. 

Deze kleine Lycaena behoort tot eene groep , welke in de 
Europesche fauna slechts door twee , eveneens kleine vlinders 
is vertegenwoordigd , namelijk tot die , bij welke op de 
ongestaarte achtervleugels de middenvlek en de vlekken der 
gewone boogrij daarachter, met uitzondering van de bovenste 
in cel 7, in plaats van zwart te zijn , dezelfde kleur als de 
grond des vleugels hebben en slechts een weinig donkerder 
van tint zijn. Zij komen zoodoende alleen uit door de grijs- 
witte afzetting. De gewone wortelvlekken daarentegen, die 
op eene nagenoeg regte lijn staan, zijn koolzwart evenals 
de reeds vermelde bovenste in cel 7. Verder zijn de rand- 
vlekken wortel waarts niet door spitse zwarte kapjes afgezet, 
maar slechts door witgezoomde , naauwelijks gebogene don- 
kergrijze streepjes. Het laatstvermelde komt buitendien alleen 
nog bij Lyc. Hyrcana Led. en Slevers'd Christ {Mlrza Staud.) 
voor en het bovenvermelde groepje {Trochihis H. S., Galba 
Led. en Gnoma m.) is dus van de talrijke Lycaenen der 
Europesche fauna vrij duidelijk gescheiden. Of Gnoma onder 
de gepubüceerde exotische soorten nog verwanten heeft , is 
mij onbekend, doch ik hoop dat mijne beschrijving, gevoegd 
bij de afbeelding, toereikende zal zijn om haar steeds te 
herkennen. 

Van Galba Led. onderscheidt Gnoma zich door in beide 
sexen donkerbruine bovenzijde en vier (in plaats van 2) 
koolzwarte , zilver beschubde randvlekken aan de onderzijde 



160 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 

der achter vleugels. De mede bij beide sexen boven bruine 
Trochilus is boven : 1° lichter , bij den man met vier vuil- 
blaauwwitte middenstippen; 2° heeft die soort op de ach- 
tervleugels eene oranje streep wortelwaarts van de kool- 
zwarte ronde vlekken voor den achterrand. Onder is bij 
Trochilus de kleur heldergrijo en zijn de middenvlek bene- 
vens de boogrij der voorvleugels zwart, terwijl de witte 
afzetting van de boogrij der achtervleugels eene vrij re-:el- 
matig ketenvormige teekening vormt. Bij Gnonia is de kleur 
der onderzijde bruingrijs, de boogrij der voorvleugels even 
licht als die der achter vleugels en de witte boogjes waar- 
mede de vlekken zijn afgezet, zijn zeer vlak. Eindelijk ziet 
men bij Trochilus in cel ie, 2 en 3 drie koolzwarte, vooral 
wortelwaarts oranje afgezette, zilver beschubde zwarte rand- 
vlekken en bij Gnoma in cel 2 — 5 vier zulke randvlekken, 
die echter gelijkmatig, leemgeel zijn afgezet, terwijl celle 
en 6 twee groenzilveren stippen voeren. 

Vlugt lö — 19 mm. Sprieten zwart, wit geringd; het knopje 
onder donkerbruin. Oogen geheel naakt, ovaal, onder en 
boven spits, wit gerand. Palpen blaauwwit, de haren aan 
de voorzijde van lid 2 en lid 3 boven op zwart. Bovenzijde 
van lijf en vleugels bij beide sexen eenkleurig zwartbruin 
met min of meer duidelijke ronde zwarte vlekken langs 
den achterrand der achtervleugels, verder ongeteekend. 
Van de onderzijde valt na het bovenvermelde alleen te 
zeggen dat ook de randvlekken der voorvleugels weinig of 
niet donkerder zijn dan de grond en dat de tweede wortel- 
vlek der achtervleugels niet zoo als bij Trochilus een weinig 
wortelwaarts uitspringt , maar eer een zweem franjewaarts. 
Geheel bij den binnenrandswortel staat nog een koolzwart, 
wit gerand vlekje. 

Franje als de vleugels, met lichtgrijze punt. Voorvleugels 
met 11 aderen, 8 en 9 gestoeld in den voorrand, 11 vrij 
van 12. Pooten, borst en buik onzuiver blaauwwit, de 
achterzijde der voorscheenen aan het eind met een klein 
doorntje. 



LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 161 

49. Lycaena Lysizone m. nov. sp. 

Plaat 7, fig. 2 en 2a. 

Indien men Felder mögt gelooven dan zou het verre 
Oosten verscheidene variëteiten van Lycaena Ly.ümon Hübn. 
voortbrengen, die op verschillende plaatsen voorkomen. 
Waarom hij die variëteiten niettemin allen namen geeft en 
haar als species behandelt {Lyc. Novae-HoUancUae , Tanagra 
en Serica, zie Kirby's Catalogus p. 261 waar zij opgenoemd 
zijn) begrijp ik niet of het moest zijn met het welberekend 
overleg om, wanneer die zoogenoemde variëteiten later 
goede species bleken te zijn, toch als auteur in aanmerking 
te komen. Wat mij aangaat, zoo heb ik nooit uit Oost- 
Indië eene echte Lysimon gezien, overeenkomende met 
Europesche en West-Afrikaansche voorwerpen in mijne 
collectie, maar wel ten minste twee goed onderscheiden 
species die mogelijk onder Felder's zoogenaamde variëteiten 
zullen schuilen. Gaarne nam ik voor die soorten zijne 
namen aan , doch hij heeft de bovengenoemde zeer vlugtig 
beschreven en dus durf ik, om geene verwarring te ver- 
oorzaken, die namen niet toepassen. 

Lyc. Lysizone, de eerste der door mij bedoelde soorten, 
heeft dezelfde grootte als Lysimon (20 — 25 mm. vlugt) en 
ook ongeveer denzelfden vleugelvorm, doch onderscheidt 
zich op de bovenzijde door scherp zwarte franjelijn, bij het 
mannetje bovendien door ander blaauw (als Argus $ of 
Alcon c?) , terwijl het bij Lysimon $ zeer donker paarsachtig 
is met vrij sterken glans. Verder is de voorrand der voor- 
vleugels by Lysizone tot twee derden bijna wit en bij Lysimon 
slechts een weinig grijsachtig. Op de onderzijde hgt het 
verschil minder in de kleur dan in de teekening, want som- 
migen mijner Afrikaansche exemplaren zijn ook bijna wit- 
grijs. Het oog der boogrij van de achtervleugels in cel 6 
staat bij Lysimon juist in de bogt, tusschen de oogen van 
cel 5 en 7 in , bij Lysizone onder dat van cel 7, zelfs meer 
wortelwaarts. Vervolgens springt het oog van cel 2 bij 

11 



162 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 

Lysizone sterk in, bij Lysimon niet merkbaar en staat het 
dubbele oogje in cel 16 der voorvleugels bij Lysizone de 
helft nader bij de rand vlekken dan het, buitendien bijna 
loodregt staande, oog in cel 2. Bij Lysimon is het dubbele 
oog in cel 2 niet nader bij de boogrij dan het schuins 
staande oog in cel 2. Lysizone behoort dus tot de groep van 
Semiargus, Sebrus en Minimus, waar zij zich onderscheidt 
door het glanzige grijsblaauw, dat bij het mannetje op de 
voorvleugels steeds een grooten, naar boven sterk ver- 
breeden zwartgrijzen rand vrij laat, de witte kleur van cel 
11 en 12 der voorvleugels, terwijl de snede van den voor- 
rand steeds donker blijft en niet wit is gelijk bij de genoemde 
soorten. Eindelijk is de wortelhelft der ^ry^witte franje 
donkergrijs gevlekt en vertoont de bovenzijde der achter- 
vleugels bij de meeste exemplaren tegen den staarthoek 
twee rijen donkerder randvlekken, die door blaauwe boogjes 
worden gescheiden. 

Na het bovenstaande valt van deze soort slechts nog het 
volgende te zeggen : 

Oogen zeer kort behaard, spits-ovaal, wit gerand. Sprie- 
ten donker, wit geringd. Palpen blaauwwit, haren aan lid 
2 en de bovenzijde van lid 3 zwart. Bovenzijde zonder 
middenvlekken , bij de mannen de voorvleugeladeren aan 
den wortel witachtig; bovenzijde bij de wijfjes vaalzwart 
met blaauw bestoven vleugelwortels Achtervleugels bij de 
mannen slechts met een smal vaalzwart randje, dat naar 
boven iets breeder wordt. Lijf boven vaalzwart, licht blaauw 
behaard. Onderzijde bij al de mannen grijsachtig blaauwwit, 
bij de wijfjes licht bruingrijs met de volledige, dof grijs- 
bruine teekening der Lycaenen, die bij de wijfjes grijswit is 
gerand. De randvlekken zijn iets bleeker dan de midden- 
vlekken en boogrij , en hebben geen spoor van rood of geel 
tusschen zich, evenmin als zij op de achtervleugels met 
zilveren schubben zijn versierd. Voorvleugels met 11 aderen, 
8 en 9 gestoeld in den voorrand, 11 vrij van 12. Palpen, 
pooten, borst en buik blaauwwit. Voorschoenen zonder doorn. 



LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 163 

Het is mogelijk dat Ilerrich-Sdiäffer met zijne Lycaena 
communis deze soort bedoeld heeft , doch hij noch Koch , dien 
hij als auteur noemt , hebben ooit voor zoo ver ik weet eenige 
beschrijving of afbeelding van haar gegeven. De afbeel- 
ding van Ubaldus Cramer stelt eene verwante soort voor, 
doch is m. i. niet zorgvuldig genoeg om in aanmerking te 
komen. Die van Lyc. Plato Blanchard (vide Kirby) kan ik 
niet vergelijken, doch daar wij reeds eene Lyc. Plato Fabr. 
hebben zou de soort toch verdoopt moeten worden. Verder 
is het ook mogelijk dat Moore met zijne Lyc. Sanyra mijne 
soort heeft bedoeld, doch zijne beschrijving en afbeelding 
zijn niet naauwkeurig genoeg om dit uit te maken. 

Verscheidene exemplaren zijn door den heer Piepers 
overgezonden. 

50. Lycaena Pygmaea m. nov. sp. 

Plaat 7, fig. 3. 

Mede oppervlakkig beschouwd, aan Lyslmon verwant, met 
hetzelfde blaauw der bovenzijde als Lyslzone, dat op de voor- 
vleugels denzelfden vaalzwarten rand heeft, doch op de 
achtervleugels een breederen, naar den staarthoek niet 
versmalden. De franje is echter anders , met zwartgrijze wor- 
telhelft en witte, ongevlekte buitenhelft. Verder zijn de 
achtervleugels smaller, aan den binnenrandshoek meer bij- 
gerond, en verschilt dit vlindertje dus door zijnen Helico- 
niden-achtigen vleugelvorm duidelijk zoowel van Lyslmon 
als van Lyslzone. 

Oogen naakt, spits-ovaal, wit gerand. Palpen en sprieten 
als bij Lyslzone. Cel 11 en 12 der voorvleugels aan den 
Avortel slechts onbeduidend grijsachtig, evenzoo de vleugel- 
aderen niet lichter beschubd. Geene middenvlekken noch 
randvlekken of blaauwe boogjes tegen den staarthoek der 
achter vleugels. 

Onderzijde zuiver lichtgrijs, de Lycaenen-ieekemw^ volledig, 
bijna zwart, de boogrij der achtervleugels als bij Lyslmon, 
zelfs nog iets regelmatiger. Ook op de voorvleugels is het 



164 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA, 

bijna geheel ineengevloeide dubbele oogje in cel ih even 
ver van de randvlekken verwijderd als bij Lysimon, doch de 
overige oogjes zijn veel onregelmatiger; zij staan allen 
schuins, zijn langwerpig en het oogje in cel 5 is zelfs 
toegeknepen en gelijkt op een a , terwijl het bij Lysimon 
bijna cirkelrond is. Wortelwaarts van de middenvlek staat 
bij Pygmaea nog een oogje der boogrij aan den voorrand, 
maar geen worteloogje in de middencel zoo als bij Lysimon. 
De randvlekken, bleeker dan de boogrij en zonder rood, 
geel of zilveren schubben, zijn langwerpig, alleen door de 
aderen gescheiden en doen, door de onafgebroken boogjes 
die haar aan beide zijden begeleiden, de geheele rand- 
teekening op een lichtgrijs, donker afgezet ketentje gelijken. 
Nervuur, lijf en pooten als bij Lysizone. 
Een gaaf en een afgevlogen mannetje. 

75. Pamphila brimnea m. nov. sp. 

Plaat 7, fig. 4. 

Deze soort, eene Goniloba volgens Herrich-Schaffer , die 
zijne uitmuntende analytische tabel van de soorten der 
Hesperidinen-generB., helaas ! onvoltooid heeft gelaten, behoort 
in dat genus onder afdeeling V* * * * * (zie Corr. BI. des Zool.- 
Min. Vereins 1869 p. 196) en onderscheidt zich daarin van 
Julianus Latr. dadelijk door de grootte, de niet olijf bruine 
maar eer zeer donker koffijbruine grondkleur van de boven- 
zijde, die slechts eene spaarzame donker olijf kleurige be- 
haring aan de vleugelwortels heeft in plaats van eene 
rijkelijke geelgroene, en verder door de okergele, niet vuil- 
witte franje der achtervleugels. De onderzijde van lijf en 
vleugels heeft bij Brunnea de kleur van gebranden omber, 
bij Julianus zijn de vleugels op de onderzijde groenachtig 
grijs en is de buik grijswit. 

Vlugt 38 (?) en 40 (t?) mm. Sprieten zwartbruiii; op de 
onderzijde is de wortelhelft van het knopje geelachtig. Over 
de palpen ligt een olijfgroene tint, door dat de spitsen van 
de haren, waarmede zij bekleed zijn, zoo gekleurd zijn. Het- 



LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 165 

zelfde neemt men v^'aar op de bovenzijde van den kop en 
thorax, die overigens als het lijf zeer donker bruin zijn als 
de vleugels. Deze vertoonen als boven gezegd, bij het lijf 
eene dunne, geelachtig olijfgroene beharing en zijn met 
kleine, doorschijnende vlekjes geteekend. In de middencel 
staan er twee, waarvan het bovenste bij het wijfje slechts 
eene uiterst kleine stip is. Eene rij van drie andere, naar 
de vleugelpunt gerigt en in grootte snel afnemende, staat 
in cel 2 — 4; twee costaalvlekjes worden in cel 6 en 7 ge- 
vonden; zij zijn zeer klein en dat in cel 6 staat het meest 
franjewaarts. Bij den man ziet men een grijs lijntje van ader 

1 naar de vlek in cel 2. Franje der voorvleugels slechts tot 
ader 2 okergeel, verder op meer grijs en wel het meest bij 
het wijfje. Achtervleugels boven geheel ongeteekend; hunne 
okergele franje boven ader 4 grijsachtig. De onderzijde is 
iets doffer en geler dan boven, tegen den voorvleugelwortel 
zwartachtig en bij den man met eene flaauwe donkergele 
langslijn in de middencel, overigens met dezelfde vlekjes 
doch zonder het grijze lijntje van cel \b. Bij het wijfje is 
de gele lijn der middencel niet aanwezig, doch men ziet 
eene vaalgele plek in cel 1 b. Pooten donkerbruin met iets 
lichtere tarsen. 

Twee gave exemplaren, 

78. Thymelicus nlgroUmhatus m. nov. sp. 

Plaat 7, fig. 5. 

19—23 mm. 

Een zuivere Thymelicus volgens Herrich-Schäffer's systeem 
(zie Corr. BI. Zool.-Mln. Vereins 1869 p. 138) ; het sprielknopje 
is plat, aan het eind geheel afgerond en aan de basis der 
sprieten vindt men een zwart pluimpje. EindUd der palpen 
spits priem vormig. 

Sprieten donkerbruin, okergeel geringd, het knopje op de 
onderzijde bleek okergeel. Palpen aan de voorzijde geelwit, 
naar boven bruingeel, het eindhd en de achterzijde van lid 

2 zwart. Kop en lijf zwart, okergeel behaard. Voorvleugels 



166 LEPIDOPTERA VAN BATAVIA. 

levendig donker okergeel, bijna goudgeel, aan den wortel 
zwart bestoven, met eene driekante zwarte vlek op een 
derde, die den wortel van cel 2 en de bovenste helft van 
het wortelgedeelte van cel 1 h beslaat. Op de dwarsader 
ziet men eene eenigszins vierkante zwarte vlek, die door 
eene korte streep met den voorrand is verbonden en zoo 
eene ongeveer bijlvormige teekening vormt. De achterrand 
is zwart, wortelwaarts stomp getand, scherp begrensd, aan 
de vleugelpunt zeer breed, in cel 4 en 5 veel versmalden 
van daar gelijkmatig in breedte toenemende om in cel ia 
langs den binnenrand te vervloeijen. 

Achtervleugels zwart met een hoog okergeel, ovaal vlekje 
in de middencel en een evenzoo gekleurden broeden, bijna 
horizontalen, onregelmatig getanden dwarsband, die even 
onder ader 6 zeer scherp begint en aan ader ib, minder 
duidelijk begrensd, eindigt. De franje is aan den staarthoek 
der achtervleugels levendig okergeel, doch wordt naar boven 
iets onzuiverder om boven ader 2 der voorvleugels een 
grijzen tint aan te nemen. 

Onderzijde bijna als boven geteekend, doch het zwart be- 
slaat op de voorvleugels cel 1 a geheel en ook de onderhelft 
van het overige wortelgedeelte, is valer en langs den achter- 
rand tegen de punt donker okergeel bestoven, de franjelijn 
echter scherp vaalzwart latende. Evenzoo is ook de zwarte 
grond der achtervleugels zeer sterk okergeel bestoven en 
alleen cel 16, eenige vlekjes achter den dwarsband en de 
scherpe franjelijn zuiver vaalzwart. Buik en dijen geelwit, 
de rest der pooten bruingeel met donkerbruine tarsen- 
einden. 

Bij een exemplaar ontbreekt de driekante zwarte vlek 
tegen den voorvleugelwortel geheel en ziet men aldaar 
slechts eenige zwarte bestuiving; bij een paar anderen is zij 
veel kleiner , vierkant en hangt onder den wortel van ader 
2; bij nog twee is de vlek zeer groot en vereenigt zich 
met de bijlvormige voorrandsvlek tot een in cel 4 en 5 
franjewaarts uitspringenden, naar onderen zeer verbreeden 



LEPIDOPTERA VAN BATAVIA, 167 

zwarten dwarsband, die tot aderì reikt. De achtervleugels 
zijn meer standvastig in teekening, doch bij twee voor- 
werpen ontbreekt het ovale wortelvlekje. 

Bij een exemplaar zijn de grondkleur en de franje onder 
en boven geelwit. 

Beide sexen zijn overigens eveneens gekleurd en getee- 
kend, het wijfje heeft slechts een dikker achterlijf en wat 
meer afgeronde vleugels. 

Zes exemplaren, waarbij de vermelde albino, zijn door 
den heer Piepers overgezonden en drie bevinden zich in 
mijne collectie — allen van Java, 



ISOSOMA EXIMIUM GIR. var. 



In mijne laatste lijst van inlandsche Hymenoptera komt 
geene species van het geslacht Isosoma Walk. voor. Sedert 
echter zijn er drie ontdekt en daaronder degene waarover 
ik hier twee woorden mede wil deelen. 

De heer Mr. A. F. A. Leesberg, lid onzer Vereeniging, schonk 
mij eens een wijfje van Isosoma sp.?, door hem in de Scheve- 
ningsche boschjes gevangen, dat door zijne bijzondere grootte 
en slanke gedaante zeer mijne aandacht trok. Ik trachtte 
er den naam van te weten te komen door vergelijking met 
Walker's beschrijvingen der Engelsche species in het Entom,. 
Magazine, doch te vergeefs. Vroeger had ik reeds zelf een 
dergelijk, doch iets frisscher, vrouwelijk voorwerp op de 
duinen van Scheveningen (16 Junij 1871) bemagtigd, doch 
dat was onder een schat van andere Pteromalinen in eene 
doos vergeten blijven staan. Ik vond dit toevahig terug en 
deed nieuwe moeite om den naam te ontdekken, doch niet 
tot voldoend resultaat komende , noemde ik de soort Isosoma 
Sabuleti mihi. 

Dezer dage kwam mij eene beschrijving van Isosomen 
door Dr. J. Giraud ^) in handen , waarin ik mijn dier meende 
te herkennen ; daarin vond ik de volgende beschrijving 
van Isosoma eximlum sibi, die bijna geheel op mijne dieren 
past. 

Nigrum , dense punctulatum , pubescens : pedibus fulvis , coxis 
omnibus femoribusque posticis nigris; alis hyalinis. Long. <?3| 
mm., ? 5 mm. 



1) Verhandlungen der Zool. bot. Gesellschaft in Wien, Band XIII (1863) p. 1296. 



ISOSOMA ExiMiUM GIR. var. 1G9 

2 Tête et thorax presque mats, couverts d'une ponctuation médiocrement fine, 
égale, très serrée, d'aspect grenu, et d'une pubescence courte et assez dense. Antennes 
noires, avec le bout du second article et le troisième ou petit anneau, fauves. 
Bord antérieur du prothorax non arrondi, formant des angles assez marqués presque 
droits, et portant un point pâle, presque imperceptible. Métathorax très peu plus 
fortement ponctué que le reste, parcouru, dans son milieu, p£,r une gouttière assez 
profonde. Abdomen lisse, un peu pubescent en arrière, plus long que le reste du 
corps, un peu plus étroit que le thorax aux épaules, très-attenué au bout; le dos 
convexe, les côtés un peu comprimés en dessous, les valves de la tarière dépassant 
le bout de toute la longueur du dernier segment, leur extrémité d'un fauve clair. 
Pattes d'un fauve-rougeâtre , les hanches, les trochanters, à l'exception du bout«, 
les cuisses postérieures jusques près de l'extrémité et la base des antérieures, noirs. 
Ailes longues, étroites, hyalines, faiblement lavées de jaune sous le rameau stig- 
matical; les nervures jaunâtres ou plutôt d'un fauve clair. 

Van deze beschrijving verschillen mijne voorwerpen in de 
volgende punten: van het rood op de sprieten kan ik ook 
met mijne scherpste loupe niets bespeuren; van het witte 
stipje op den prothorax is aan de regterzijde niets te zien, 
aan de linker twijfelachtig iets; de scheeden van den leg- 
boor zijn zwart en steken slechts iveinig uit; de 4 voorste 
trochanters zijn geheel zwart; de onderrand-ader is zwart 
en wordt aan het einde roodbruin. 

Moet ik nu de Hollandsche soort voor eene verscheiden- 
heid der Oostenrijksche houden of is zij zelfstandig? 

S. V. V. 



OPMERKINGEN 



BETREFFENDE 



EENIGE EXOTISCHE DIPTERA, 



P. M. VAN DER WULP. 



Door de goedheid van den heer A. Preudhomme de Borre, 
Conservator van het Entomologisch gedeelte van 's Rijks 
Museum van natuurlijke historie te Brussel, werd ik ten 
vorigen jare in de gelegenheid gesteld tot het onderzoeken 
van een aantal Diptera, hoofdzakelijk Asihden, die zich in 
dat Museum bevinden. In aanmerking nemende , dat van de 
Tweevleugehge insecten aldaar tot dusverre zeer weinig 
werk is gemaakt , vond ik daarin toch een aantal belangrijke 
soorten. Wat de Asihden betreft , zijn de midden-Europesche 
soorten er over 't algemeen vrij wel vertegenwoordigd, 
inzonderheid nadat de insecten, door Professor Wesmael 
nagelaten, in het bezit van het Museum zijn gekomen. 
Onder de Zuid-Europesche soorten vond ik er eenigen uit 
Griekenland, namelijk Dasypogon diadema L., Stenopogon 
sahaudus F. en coracinm Löw, Polyphonlus laevigatus Löw 
en Eutolmus periscelis Löw, en voorts Eccoptopus erythrogastrus 
Löw uit Spanje (over dezen laatste hieronder nader). Ook 
een aantal exoten bevinden zich in die verzamehng , als uit 
den Oost-Indischen archipel (met het etiquet Java) Laphria 



EENIGE EXOTISCHE DIPTERA. 171 

gigas Macq. eu ReinwardUi'Wìed., Philodiciis javanus Wied., 
Itamus longistylus Wied. , Synolcus xanthopus Wied. en Mo- 
chtherus gnavus v. d, W. ; uit Mexico Leptogaster nitidus Macq. ; 
iiit Peru Prodacanthus xanthopterus Wied. ; uit Zuid- Amerika 
Mallophora infernalis Wied. en nigritarsis Wied., Promacims 
trichonotus Wied. en fuscipennis Macq. , Erax lahidopterus 
Wied. , macularis Wied. en obscurus Macq. ; eindelijk uit 
Nieuwholland Blepharotes coriarius Wied. en Dasypogun 
princeps Macq. 

Toen mijne aandacht door het nazien van deze voorwerpen 
van nieuws op de uitlandsche Diptera gevestigd werd, had 
ik reeds vroeger onder de vliegen , mij door Dr. Weyenbergh 
uit de Argentijnsche republiek welwillend toegezonden, 
verscheidene zeer merkwaardige soorten aangetroffen , waar- 
van sommigen mij voorkomen nog onbeschreven te zijn. 
Ook in eene collectie Kaapsche insecten, door het Kon. 
Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra te Amsterdam 
aangekocht; en waarvan de Diptera mij door den heer 
Swierstra ter bezigtiging werden toegezonden, bevonden 
zich eenige zeer belangrijke voorwerpen. 

Het onderzoek van al de genoemde collection heeft mij 
aanleiding gegeven tot eenige opmerkingen, die ik voor- 
loopig hier wensch mede te deelen, mij voorbehoudende 
later de beschrijving der nieuwe soorten, deels door afbeel- 
dingen opgehelderd, te laten volgen, 

1. Midas concinnus Macq. 

(Macquart, Diptères exotiques^ Suppl. I. 58. 3, pi. O, 
fig. 5). 

Onder de vliegen , die ik uit het Museum te Brussel te 
zien kreeg, was ook eene fraaije Midaside, die volgens het 
etiquet afkomstig zou zijn van de kust van Guinea. Het 
was een mannelijk exemplaar, dat aan beide sprieten het 
derde lid miste , maar overigens nog vrij gaaf was. Bij ver- 
gelijking van alle voor mij toegankelijke beschrijvingen en 
afbeeldingen ben ik tot het besluit gekomen , dat het bedoelde 



172 OPMERKINGEN BETREFFENDE 

voorwerp als Midas concinnus Macq. moet bestemd worden, 
en zulks niettegenstaande Macquart Nieiiwholland als vader- 
land aangeeft. Eene verwisseling van het etiquet in het 
Belgische Museum acht ik niet onwaarschijnlijk, wijl de 
Diptera aldaar in vroeger jaren niet met die zorg zijn be- 
handeld, welke zij verdienen, hetgeen mij ten opzigte der 
plaats van herkomst reeds meermalen gebleken is. 

Macquart plaatst de soort in het geslacht Midas , denkelijk 
omdat hij over de gedaante der sprieten niet kon oordeelen, 
want aan zijn exemplaar waren zij ook afgebroken. Het 
aderbeloop der vleugels intusschen komt m. i. meer overeen 
met dat , hetwelk hij als kenmerk van zijn geslacht Rhopalia 
opgeeft. De tweede onderrandcel namelijk is aan haar einde 
geopend, terwijl zij bij de soorten, die in het geslacht 
Midas overblijven, gesloten is. Wel is waar, heeft diezelfde 
cel hier aan de basis een aanhangend adertje, dat bij Midas 
voorkomt, maar volgens Macquart bij Rhopalia zou ontbreken, 
doch dit is ongetwijfeld een kenmerk van zeer ondergeschikte 
waarde en kan op zich zelve geen reden zijn om Midas 
concinnus eene plaats in het geslacht Rhopalia te ont- 
zeggen. 

2. Leptogaster nitidus Macq. 

(Macquart, Diptères exotiques, I. 2. 155. 1). 

Een exemplaar uit Mexico, in het Brusselsche Museum 
aanwezig , beantwoordt , ofschoon het ver van gaaf is , vrij 
goed aan Macquart's beschrijving. Dat bij die beschrijving 
plaat 12 fig. 7 wordt aangehaald , is klaarblijkelijk eene ver- 
gissing; die afbeelding toch stelt de naastvolgende soort, 
L. Audouini, voor, hetgeen uit de zwarte pooten en de 
zwarte streep over den thorax duidelijk te zien is. 

3. Laparus princeps Macq. 

(Macquart, Diptères exotiques, Suppl. III. 19. 37). 

Het geslacht Laparus werd door Löw voor eenige Zuid- 
Afrikaansche soorten opgerigt. De voornaamste kenmerken, 



EENIGE EXOTISCHE DIPTERA. 173 

door hem aangegeven, komen echter ook bij sommige 
Dasypoginen uit andere wereldstreken voor, en vertoonen 
zich onder anderen zeer duidelijk in Dasijpogon pnnceps Macq. 
eene groote en prachtige soort van Nieuwholland , waarvan 
een paar vrouwelijke exemplaren in het Museum te Brussel 
voorkomen. Bij deze soort is de vierde achtercel der vleu- 
gels niet gesloten, en het tandje aan den wortel van het 
eerste lid der voortarsen, dat bij geen der Afrikaansche 
soorten schijnt te ontbreken, is bij haar aanwezig, terwijl 
sommige onbeschreven Zuid-Amerikaansche soorten, die 
overigens in hetzelfde geslacht passen, het laatstgenoemde 
kenmerk missen. 

4. Dysmachus suillus F. 

(Fabricius, Sijstema Antliatorum , 168. 19). 

Van deze Kaapsche soort was tot dusver alleen het ? 
beschreven. In het Museum van Natura Artls Magistra te 
Amsterdam bevindt zich, behalve vrouwelijke exemplaren, 
ook een<?, dat ontwijfelbaar tot die soort behoort; de uit- 
voerige beschrijving toch, door Professor Löw van het ? 
gegeven {Diptera Süd-Afrikas, p. 155 n°. 3) past in alle 
bijzonderheden. Ik kan nu die beschrijving aanvullen wat 
de mannelijke genitaliën betreft. Deze zijn glanzig zwart 
en bezet met eene digte en vrij lange, meerendeels zwarte 
beharing; de bovenste lamellen zijn tamelijk kort en stomp, 
en hebben tusschen zich een schuin overeindstaand, te- 
pelvormig orgaan , dat aan 't eind witachtig behaard is ; de 
onderste lamellen zijn merkelijk langer en eindigen in een 
paar lange en spitse, gekromde doornen. 

Een goed kenmerk voor deze soort is de kleur der 
mediastinaal-cel (tusschen de hulpader en de subcostaal- 
ader), die aan haren wortel geel is, doch aan haar uit- 
einde, digt bij de vleugelspits, grauw wordt, welke kleur 
bij de overigens bijna zuiver glasachtige vleugels duidelijk 
afsteekt. 



174 OPMERKINGEN BETREFFENDE 

5, Mochtherus gnavus v. d. W. 

(Van der Wulp, Tijdschrift voor Entomologie, XV. 243.2). 

Deze soort werd door mij 1. c. naar vier vrouwelijke exem- 
plaren 1) uit den Oostindischen archipel beschreven. In het 
Museum te Brussel bevindt zich een mannelijk exemplaar, 
zonder aanduiding van vaderland, met de beschreven wijf- 
jes in alle kenmerken zoo overeenstemmend, dat er bij 
mij geen twijfel bestaat of het behoort tot dezelfde soort. De 
overeenkomst is dan ook veel sterker dan die van het vroeger 
door mij vermelde <? van het eiland Timor, met name in 
de grootte (10 lin.) en in de zwarte knieën der achterpooten. 
Aan het exemplaar in het Belgische Museum vertoont het 
eerste lid der sprieten een bruin vlekje; het derde lid is 
bijna geheel van die kleur; de teekening op den thorax is 
vrij duidelijk, de middenband van voren verbreed en in 't 
midden gedeeld ; de (mannelijke) genitaliën zijn een weinig 
kolfachtig, de tangarmen breed, glanzig bruinzwart, van 
boven en in de zijden met zwarte , van onderen met roest- 
kleurige beharing; het middelstuk is dik, roestkleurig met 
beharing van dezelfde kleur. Het zwart aan de dijen der 
achterpooten is zeer duidelijk; aan de voorste tarsen zijn 
al de leden aan het einde bruin ; de achtertarsen zijn geheel 
donkerbruin ; de voorscheenen hebben van onderen aan de 
tweede helft eene lange gele beharing, de overige schoenen 
eenige vrij lange gele borstels ; de donkere tint aan de spits 
en het laatste gedeelte van den achterrand der vleugels is 
vrij krachtig. 

6. Eccoptopus erythrogastrus Löw. 

(Löw, Systematische Beschreibung der Europäischen Zwei- 
jlügeligen Insecten, II. p. 121). 

Ook deze soort uit Spanje is, even als de zeer verwante 
E. longitarsis Macq. uit Perzië (vroeger de eenige soort van 



1) Aldaar staat op blz. 244: mannelijke exemplaren : uit de teschrijving eu afbeel- 
ding blijkt genoegzaam, dat liier eene schrijffout is begaan en vrouwelijke exemplaren 
worden bedoeld. 



EENIGE EXOTISCHE DIPTERA. 175 

het genus) tot dusver alleen in de vrouwelijke sexe bekend. 
In het Brusselsche Museum bevindt zich van haar, nevens 
een ?, ook een vrij gaaf (?. De pooten van dit mannelijk 
exemplaar zijn donkerder dan bij het j, zoodat zij bijna 
geheel zwart kunnen genoemd worden; ook de voethaken 
hebben niet, zoo als bij het 5, eene gele basis. Hot achter- 
lijf loopt eenigszins spits toe; de genitaliën zijn klein en 
van dezelfde roodgele kleur als het geheele achterlijf, doch 
met iets langere en digtere, gele beharing; de tangarmen 
liggen in den vorm van een paar langwerpige schubben, 
half geopend ter wederzijde van een tamelijk breed, kegel- 
vormig middenstuk. De beide eerste leden der sprieten 
zijn 'heldergeel, het derde bruinzwart. Het aderbeloop, met 
name de vorm der tweede submarginaal-cel, is in beide 
sexen volkomen zoo als Löw het beschrijft. 

7. Gigamyia gigantea Wied. 

{Stomoxys j/i^fw^^m Wiedemann , Analecta entomologica, 
41. 74 en Aussereuropcusche Zweiflügler, II. 248. 2). 

Voor deze Zuid-Afrikaansche vlieg, waarvan ik een voor- 
werp uit het Museum van Natura Artis Magistra onderzocht, 
heeft Macquart {Dipt. exot. l\. V. 115) het geslacht Gigamyia 
opgerigt. Reeds eene zeer oppervlakkige beschouwing doet 
zien, dat de soort met het geslacht Stomoxys weinig anders 
gemeen heeft dan de lange vooruitstekende zuiger. Macquart 
plaatst zijn genus Gigamyia in de subfamilie der Muscinen , 
doch ik kan hem hierin niet bijvallen. De bijna geheel 
naakte sprietborstel en de stevige borstels, waarmede het 
voorhoofd, de thorax, het achterlijf en de pooten bezet zijn, 
eischen ontwijfelbaar voor dit geslacht eene plaats onder de 
Tachininen. 

Aan de beschrijvingen van Wiedemann en Macquart voeg 
ik overigens nog het volgende toe. De zilverwitte wangen 
hebben een roodbruinen weerschijn; de breede langsband 
over het voorhoofd is meer donkerbruin dan zwart en heeft 
boven den sprietwortel eene geelachtig witte vlek ; de 



176 OPMERK. BETR. EXOT. DIPTERA. 

sprietborstel is tot ongeveer in 't midden een weinig verdikt 
en heeft aldaar eenige naauw merkbare haartjes ; de bor- 
stels in de zijden van den thorax en aan den achterrand 
van het schildje zijn zeer stevig ; nog dikker en daarbij 
eenigszins stomp zijn die aan den achterrand van den 
tweeden en de volgende lijfsringen ; in het midden van 
deze ringen ontbreken zij. De vleugels zijn aan den wortel 
bleekgeel ; de middend warsader staat juist boven het mid- 
den der schijfcel; de spitscel is smal geopend, de schijf- 
dwarsader zacht gebogen. 

Het exemplaar in het Amsterdamsche Museum is, naar 
ik geloof, een $. 



ACHT NIEUWE O O ST - IN D ISC HE 
XYLOCOPA-SOORTE^ , 



BESCHREVEN DOOR 



C. RITSEMA Cz. 



1. ILylocopa iiiyoiifi) nov. spec. j. 

Verwant aan X. rufe.<!cens Smith (Monograph of the Genm 
Xylocopa (1874) n°. 48) = X. hetei odila de Haan 1. 1. (coll. 
Mus. Lugd. Bat.), doch gemakkelijk van deze te onderscheiden 
door het gemis der lange roodbruine franje aan het vierde, 
vijfde en zesde achterlijfssegment. 

De lengte van het wijfje (het mannetje is mij niet bekend) 
bedraagt van 27 — 32 mm. De kleur is bruinzwart, de kop 
uiterst digt met puntjes bedekt en op het aangezigt en de 
wangen met aschkleurige haren bekleed. De sprieten zijn 
donkerbruin, de onderzijde der negen laatste geledingen 
van de vlag echter licht geelachtig bruin. De bijoogjes zijn 
groot, zeer bol en digt bij elkander geplaatst. De boven- 
kaken zijn zwart, de buitenrand eindigt in een scherpen, 
de binnenrand in een regt afgesneden tand. 

De geheele thorax is digt bedekt met eene wollige asch- 
kleurige beharing, die op de rugzijde naar het bruine trekt; 
de achterrand van het scutellum is afgerond; eene fijne 
langsgroef verloopt van den voorrand tot op het midden 
van het mesonotum. De vleugels zijn doorzigtig, geelachtig 
van kleur, donkerder in de radiaalcel; de vleugeladeren en 
de tegulae zijn helder bruin. Van de pooten zijn de heup, 

12 



178 OOST-INDISCHE XYLOGOPA-SOORTEN. 

de dij en de binnenzijde der sclieen met aschkleurige , de 
buitenzijde der scheen en de tars (vooral aan de beide laatste 
paren) met donker roodk(jperkleurige haren bedekt. 

Het achterlijf (met uitzondering van een' smallen gladden 
zoom langs den achterrand der segmenten) is zeer digt met 
grove puntjes bedekt, waaruit op het eerste segment asch- 
grauwe, op het tweede tot en met het laatste segment 
echter donkerroode haren ontspringen; op de buikzijde 
vormen deze haren banden. Op de rugzijde neemt men op 
den achterrand van het eerste segment een' doorloopenden, 
op dien van het tweede, derde en vierde segment ter 
wederzijde een' korten, uiterst smallen band van korte 
aschgraauwe haartjes waar. De zijden van het eerste tot 
en met vierde segment dragen aschgrauwe, die van de 
beide volgende segmenten langere zwarte min of meer 
rossige haren; aan de zijden van het eerste segment staan 
deze haren het digLst opeen; de haren om den anus zijn rood. 

's Rijks Museum bezit van deze soort zes wijfjes, allen 
van het eiland Banka af komstig , waarvan vijf door den heer 
Buddingh en een door den heer Vosmaer geschonken zijn. 

2. Xylocopa Aruana nov. spec, j 

Verwant aan X. aestuans Linn. doch gemakkelijk van het 
wijfje van deze soort te onderscheiden door de digte bleek- 
gele beharing van de wangen, doordien de gele beharing 
van de rugzijde van den thorax zich tot onder den vleugel- 
wortel uitstrekt , en doordien de tweede cubitaaldwarsader 
niet tot aan de cubitaalader reikt, kenmerken die zij met 
het wijfje van X. dlmidiata St. Farg. (? = bryorum F.) = X. 
Mulleri Voll. i. 1. (Coll. Mus. Lugd. Bat.) gemeen heeft ; bij de 
laatstgenoemde soort, die over het geheel minder forsch 
gebouwd is, is de schedel echter met helder gele haren be- 
dekt (bij de nieuwe soort met zwarte) en strekt de gele 
beharing van den thorax zich verder onder de vleugels uit, 
terwijl de gele haren, die bij DimkUata op het eerste ach- 



OOST-INDISCHE XYLOCOPA-SOORTEN. 179 

terlijfssegmcnt voorkomen, bij Aruana door zwarten ver- 
vangen zijn. 

De lengte van A'. Aruana bedraagt ongeveer 23 mm. De 
kleur is zwart, de kop digt met puntjes bedekt, het kop- 
schild over het midden van eene gladde langsstreep voor- 
zien. Het aangezigt is met dooreengemengde zwarte en 
gele, de wangen met bleekgele en de schedel met ver- 
spreide zwarte en enkele gele haartjes bedekt. De onder- 
zijde van de negen laatste geledingen van de vlag der 
sprieten is helder bruin. 

De rugzijde van den thorax is helder geel behaard, welke 
beharing zich tot even onder den vleugelwortel voortzet; 
de beharing van het overige gedeelte van den thorax is 
zwart. De vleugels zijn donker bruin met purperen en 
blaauwen maar vooral groenen weerschijn; de afscheiding 
tusschen de eerste en tweede cubitaalcel is niet volkomen. 
De achterrand van het scutellum is scherp. De pooten 
zijn zwart behaard; alleen komen langs den achterrand van 
de buitenvlakte der schoenen van het voorste paar enkele 
gele haartjes voor, terwijl de tarsen van hetzelfde paar 
vooral aan de binnenzijde rossig behaard zijn. 

Het achterlijf is vooral aan de zijden digt met puntjes 
bedekt; het eerste segment draagt op de rugzijde ver- 
spreide opstaande, de overige segmenten liggende zwarte 
haren; de zijden van het achterlijf, vooral aan de laatste 
segmenten, zijn van lange zwarte franjeharen voorzien; 
de haren om den anus zijn rood. 

's Rijks Museum bezit van deze soort talrijke vrouwelijke 
individuen, door den heer von Rosenberg op de Aru- 
eilanden verzameld. 

3. Xylocopa iiigroplagiata nov. spec. $ 

Verwant aan X. Aruana Rits. doch slanker van vorm en 
gemakkelijk van haar te onderscheiden door de dwars ovale 
zwarte vlek, op de voorste helft der overigens geel be- 
haarde rugzijde van den thorax. 



180 OOST-INDISCHE XYLOGOPA-SOORTEN. 

De lengte bedraagt 21 mm. De klem^ is zwart , de onder- 
zijde der negen laatste geledingen van de vlag der sprieten 
helder bruin. De voorzijde van den kop is digt , de schedel 
en de wangen meer verspreid met puntjes bedekt. Aan de 
binnenzijde van den top der zamengestelde oogen en aan 
de buitenzijde der beide achterste bijoogjes bevindt zich 
een breede indruk. Het aangezigt en de wangen zijn met 
dooreengemengde grijze en zwarte, de schedel slechts met 
zwarte haren bedekt. De rugzij de van den thorax is geel 
behaard, met uitzondering evenwel van eene dwars ovale 
vlek van zwarte beharing op het midden van het mesono- 
tum; de gele beharing strekt zich een weinig onder den 
vleugelwortel uit. De beharing van het overige gedeelte 
van den thorax en die van de pooten en van het achterlij! 
is zwart, om den anus echter rood. De vleugels zijn tamelijk 
licht bruin , donkerder in de radiaaalcel en achter de geslo- 
ten cellen; zij bezitten een' paars blaauwen weerschijn. De 
tweede cubitaal-dwarsader reikt niet tot aan de cubitaal- 
ader, bij een mijner beide voorwerpen is zij zelfs geheel 
afwezig. De achterrand van het scutellum is scherp. 

's Rijks Museum bezit van deze soort twee wijfjes die door 
den heer von Rosenberg op de Aru-eilanden gevangen zijn. 

4. ILylocofia tricolor nov. spec? 

Verwant aan X. nobilis Smith, doch van deze vooral 
onderscheiden door het gemis van den gelen band over den 
prothorax en het scutellum en de grootere uitgebreidheid 
van het rood op het achterlijf. 

De lengte bedraagt 27 mm. De kleur is zwart, de onder- 
zijde der acht laatste geledingen van de vlag der sprieten 
helder bruin. De kop , thorax en pooten zijn zwart behaard. 
De achterrand van het scutellum is scherp. De vleugels zijn 
zeer donker bruin met een bronzen en purperen weerschijn , 
de laatste kleur heeft achter de gesloten cellen de overhand ; 
de tweede cubitaal-dwarsader vereenigt zich niet met de 
cubi taaiader. 



OOST-INDISCHE XYLOGOPA-SOORTEN. 181 

De riigzijde van het achterlijf is op het eerste segment 
met gele, op de basis van het tweede met zwarte, voor 
het overige met steenroode haren digt bedekt; langs de 
zijden komen lange franjeharen van dezelfde kleur voor, 
terwijl ook de haren der buikzijde (langs den achterrand 
der segmenten smalle banden vormende) steenrood zijn. 

Het wijfje waaraan deze beschrijving ontleend is, werd 
door den heer Hoedt op het eiland Xulla- of Sula Bessy 
gevangen, en met andere insecten aan 's Rijks Museum 
gezonden. 

5. Xyhjcojïa eoiubiiiata nov. spec. $ 

Verwant aan X. coronata en provida Smith, ja als het 
ware uit cene zamensmelting van deze soorten ontstaan. 
Terwijl toch X. coronata zwart is met fraai gelen band om 
den kop achter de oogen, en Ä'. provida zwart met het 
scutellum bedekt met fraaije gele haren, bezit de nieuwe 
soort zoowel den gelen band achter de oogen als de gele 
beharing van het schildje. 

De lengte bedraagt ongeveer 22 mm. De kleur is zwart, 
de onderzijde der acht laatste geledingen van de vlag 
der sprieten helder bruingeel. Het aangezigt is met door- 
eengemengde gele en zwarte, de schedel en de wan- 
gen met een' doorloopenden band van helder gele haren 
bedekt. 

De beharing van den thorax (met uitzondering van die 
van het scutellum welke helder geel is) , van de pooten en van 
het achterlijf is fluweelzwart. De achterrand van het scutel- 
lum is scherp. De vleugels zijn donkerbruin, en met een' 
fraaijen purperen, vooral achter de gesloten cellen met 
blaauwgroen gemengden weerschijn voorzien. Van de tweede 
cubitaal-dwarsader is slechts de bovenste helft aanwezig. 
Het achterlijf is digt met puntjes bedekt. 

Drie wijfjes van deze soort zijn door wijlen Dr. Bernstein 
op de Obi-eilanden verzameld. 



182 OOST-INDISCHE XYLOCOPA-SOORTEN. 

6. Xylooopa leucocephala nov. spec. ? 

Eene zwarte soort met witbehaarden kop , die eene groote 
overeenkomst vertoont met de Afrikaansche X. imitator Smith , 
van welke soort zij zich echter onderscheidt door meerdere 
grootte, door de digte witte beharing van den schedel, door 
de grijze haartjes op de buitenvlakte der voorschoenen, 
door den groenen weerschijn der vleugels en door de digtere 
bestippeling van het midden des achterlijfs. 

De lengte bedraagt ongeveer 27 mm. De kleur is zwart , 
met uitzondering van de onderzijde der acht laatste gele- 
dingen van de vlag der sprieten, die helder bruin is. De 
kop is met puntjes digt bedekt, en op het aangezigt 
(vooral op het midden daarvan) dun , op de wangen en den 
schedel digt met witte haren bekleed. De beharing van den 
thorax, van de pooten en van het achterlijf is rossig zwart, 
aan de buitenvlakte van de schoenen van het voorste pooten- 
paar met enkele grijze, om den anus met zeer donker 
roodbruine haren vermengd. De achterrand van het scutellum 
is scherp. De vleugels zijn zeer donker bruin met blaauw- 
groenen weerschijn. Het achterlijf is op de zijden digt, op 
het midden iets meer verspreid met puntjes bedekt ; de 
haren op de rugzijde van het eerste segment zijn langer 
dan die van de volgenden. — Bij deze soort is de afschei- 
ding tusschen de eerste en tweede cubitaalcel volkomen. 

De heer Hoedt ving het hier beschreven wijfje op het 
eiland Solor. 

7. "Xylocopa fl^iuithii nov. spec, j 

Van X. coUaris St. Farg., waarop deze soort eenigszins ge- 
lijkt, gemakkelijk te onderscheiden doordien niet de voor- 
rand van den thorax , maar de achterrand van den kop met 
witte haren bekleed is, als ook door den scherpen achter- 
rand van het scutellum , die bij CoUaris afgerond is. 

De lengte bedraagt ongeveer 21 mm. De kleur is zwart, 
op het scutellum met een flaauw groenen en op de vijf 



OOST-INDISCHE XYLOCOPA-SOORTEN. 183 

eerste segmenten van het achterlijf met een fraai blaauwen , 
met groen en purper gemengden glans voorzien. De onder- 
zijde der acht laatste geledingen van de vlag der sprieten 
is helder bruin. De kop is digt met pimtjes bedekt; het 
aangezigt draagt verspreide zwarte haren; die aan den 
voorrand van het kopschild zijn rood, die van de wangen 
en den achterrand des schedels wit. De beharing van den 
op het midden der rugzijde uiterst gladden en glanzigen 
thorax is zwart. De achterrand van het schildje is zeer scherp. 
De vleugels zijn donkerbruin met blaauwgroenen w^eerschijn ; 
de afscheiding tus sehen de eerste en tweede cubitaalcel is 
volkomen. De beharing der pooten en van het achterlijf is 
zwart, om den anus rood. Het achterlijf is vooral aan de 
zijden en op de beide laatste segmenten zeer digt met 
puntjes bedekt. 

Twee wijfjes van deze soort, die ik naar den schrijver 
der Monographie van het geslacht Xylocopa benoem, zijn 
door den heer von Rosenberg op het eiland Celebes (Goron- 
talo) gevangen en aan 's PJjks Museum opgezonden. 

8. Xylocopa isplcBic1icli|ieniiis nov. spec. <? en ï. 

Het wijfje van deze soort gelijkt sterk op X. tenuiscapa 
Westw. , doch is aanmerkelijk kleiner (de onvolkomen af- 
scheiding tusschen de eerste en tweede cubitaalcel is een 
zeer goed onderscheidingskenmerk) ; het mannetje echter 
is van dat der genoemde soort zeer onderscheiden , 1° door- 
dien de eerste geleding van de tarsen der voorpooten niet 
verbreed is , en 2° doordien de zamengestelde oogen op den 
schedel niet zoo digt tot elkander naderen. 

Het mannetje is 23 mm. lang, zwart, met uitzondering 
evenwel van de onderzijde der acht laatste geledingen van 
de vlag der sprieten, de onderzijde van het achterlijf en 
der pooten , benevens de vier laatste geledingen der tarsen , 
hetgeen alles meer of minder helder bruin is ; voorts is het 
kopschild (met uitzondering van een zwart vlekje op het 
midden van den voorrand) en een boogvormig afgerond 



184 OOST-INDISCHE XYLOCOPA-SOORTEN. 

vlekje daarboven , benevens de voorzijde van de schaft der 
sprieten geel. De zamengestelde oogen zijn groot, en hun 
binnenrand loopt ongeveer evenwijdig. De schedel en het 
bovenste gedeelte der wangen is met korte zwarte, het 
benedengedeelte der wangen met lange geelachtig witte 
haren bedekt. De thorax is op de rugvlakte (met uitzonde- 
ring van het gladde glanzende middelste gedeelte) en op 
de zijden met korte zwarte min of meer rosse haren, op 
de buikzij de met roodachtig gele haren bedekt. De achter- 
rand van het scutellum is scherp. De vleugels zijn zeer 
lichtbruin betint en hebben tot aan het eind der gesloten 
cellen een fraai groenen-, daarachter een' fraai purperen 
goudglans. De afscheiding tusschen de eerste en tweede 
cubitaalcel is niet volkomen. De geledingen der tarsen van 
de beide eerste pootenparen zijn platgedrukt ; aan het voorste 
paar pooten is de bovenvlakte van de scheen en de tars 
met geelachtig witte haren bekleed; de tarsen van het 
middelste paar dragen aan de buitenzijde lange roestbruine, 
aan de binnenzijde aan den grond der tars donkere, naar 
het eind lichter wordende haren; de haren der tarsen van 
het laatste pootenpaar zijn donker roestbruin ; aan ditzelfde 
paar is het eind van de trochanters met één, de basis der 
dijen met twee stevige doornen gewapend. Het achterlijf is 
met fijne puntjes en zwarte haartjes bedekt, op de beide 
laatste segmenten zijn de haren zeer lang. 

De lengte van het wijfje bedraagt 25 mm. De kleur is 
zwart, aan de onderzijde der acht laatste geledingen van 
de vlag der sprieten vaalbruin. De kop is, behalve op eene 
breede gladde langsstreep over het midden van het eenigs- 
zins verheven kopschild, met tamelijk verspreide puntjes 
bedekt. De haren van den kop zijn zwart ; aan den voor- 
rand van het kopschild en op de bovenlip komt echter 
eene rij roodbruine haren voor. Het midden van het meso- 
notum en scutellum is zeer glad en glanzig, en van voren 
en ter wederzijde door eene zwarte beharing omgeven; 
ook de zijden van den thorax zijn zwart behaard; de 



OOST-INDISGHE XYLOCOPA-SOORTEN. 485 

buikzijde is bijna kaal. De achterrand van het scutellum is 
scherp. De vleugels zijn donkerbruin , tot aan het eind der 
gesloten cellen met een' prachtigen groenen-, daarachter 
met een' prachtigen purperen goudglans voorzien ; even als 
bij het mannetje is de afscheiding tusschen de eerste en 
tweede cubitaalcel niet volkomen. De beharing der poolen 
is zwart, de onderzijde der tarsen van het eerste paar 
echter roodbruin. Het achterlijf is vooral op de zijden digt 
met puntjes bedekt ; de rugzijde van het eerste segment 
draagt lange zwarte haren; de zijden van het achterlijf zijn 
met lange zwarte franjeharen bezet. 

Het paartje waaraan deze beschrijvingen ontleend zijn, 
is door den officier van gezondheid Ludeking van het eiland 
Sumatra overgezonden. 



Over OL.IGrOSTXa]NJ:A Ouenée, 
EEN GENUS DER PYRALIDEN, 

DOOR 

P. C. T. SNELLEN. 



(Hierbij Plaat 8 en 9). 



Slechts weinigen van Guenée's Pyraliden-genera zijn door 
Lederer ongewijzigd overgenomen, terwijl velen teregt wer- 
den ingetrokken. Ten minste één geval , waar die intrekking 
evenwel ten onregte is geschied, levert ons het genus Oli- 
gostigma op , dat door Lederer geheel met zijn genus Hydro- 
campa is vereenigd. Na verwijdering van Oligostigma jimcealis 
bleven drie soorten over (Javanalis is het wijfje van Cras- 
sicornalis) , die in de nitsnijding van den achterrand der 
achtervleugels een gemeenschappelijk kenmerk bezitten, 
dat haar duidelijk onderscheidt , en zoodoende had het bonte 
mengelmoes dat wij in de genera Hydrorampa , Parapoynx 
en Cataclysta van Lederer aantreffen , althans van één vreemd 
bestanddeel kunnen worden gezuiverd. Het is waar dat 
van de vier Oligostigmcn slechts eene (Juncealis) aan Lederer 
in natura bekend was, doch behalve de zeer duidelijke 
aanwijzing door Guenée van de soorten welke de boven- 
gemelde uitsnijding bezitten , geeft hij ook nog pi. 1 , fig. 37 
eene afbeelding van den achtervleugel eener Oligostigma met 
uitsnijding. Het veronachtzamen van Guenée's beschrijvingen 
is, dunkt mij, dus volstrekt niet gewettigd. 



OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 187 

Niet alleen de door Guenéo beschrevene doch niet volledig 
afgebeelde Oligostigma crassicornalis , colonialis en gibbosalis in 
gave en versehe exemplaren voor mij hebbende, maar 
buitendien nog eenige geheel onbeschreven soorten van 
's Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leyden en 
uit andere verzamelingen, wenschte ik Guenée's genus te 
herstellen, de nieuwe soorten te beschrijven en van allen 
afbeeldingen te geven. 

Levert de onderscheiding der OUgostigmen van de drie 
bovengenoemde genera geene moeijelijkheden op , de karak- 
terisering tegenover de overige Pyraliden-genera is verre 
van gemakkelijk, want de door mij tot Oligostigma gerekende 
soorten verschillen onderling zoo zeer, dat er slechts weinige 
kenmerken van belang overblijven die zij allen bezitten, 
terwijl, wanneer men de door Lederer gebezigde regelen 
in toepassing wilde brengen , hier zeker 7 — 8 genera moesten 
worden gevormd. Dit kan echter vermeden worden , wanneer 
men bij inlassching in Lederer's systeem gebruik maakt 
van eene schijnbaar geringe bijzonderheid, die alle mij 
bekende Oligostigma-soorien bezitten. Terwijl ader 6 der 
voorvleugels namelijk nog uit het bovenste vierde der dwars- 
ader ontspringt , komt ader 7 reeds uit den steel van 8 — 10 
(of 8 — 11). Bij alle mij bekende Pyraliden-genera, waar 
eveneens ader 8 der achtervleugels ten minste voor een deel 
met ader 7 is vergroeid , komt ader 7 der voorvleugels zeer 
duidelijk uit de dwarsader. Voegt men hierbij de vermelding 
van den zeer schuinen stand der beide dwarsaderen en 
de uitsnijding van den achterrand der achtervleugels, met 
eenige beschrijving van den type der teekening, dan is het 
genus m. i. voldoende gekenmerkt en kan men het in Lede- 
rer's tabel onder 10 aldus invoegen : 

Ader 6 der voorvleugels uit l der dwarsader, 
7 uit den steel van 8—10 of van 8—11 ; achter- 
rand der achtervleugels met eene uitsnijding 
in cel 5 en de achterrand daaronder met 



188 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 

scherpe zwarte en witte stippen. Dwarsader 
zeer schuin, het horizontale naderende. Witte , 
langvleugehge vhnders ; de punt der voorvleu- 
gels regthoekig of spits , doch niet omgebogen ; 
langs hunnen achterrand eenegele, fijn zwart 
gezoomde streep met eene donkere winkel- 
haakvormige teekening daarvoor ; over ader 1 
eene gezwaaide, vervloeijende gele streep. Oligostigma. 

Overigens valt er niet veel van het genus te beschrijven 
dat aan alle soorten gemeen is. Gelijk uit de analytische 
tabel der soorten zal blijken, is het verre van homogeen. 
De sprieten zijn bij alle soorten korter dan de voorvleugels, 
hun schaft zonder uitmonsteringen, gewoonlijk bruingeel, 
zonder veel variatie in kleur ; de palpen gekromd en opgerigt , 
over het geheel smal; de zuiger aanwezig; de oogen groot; 
het voorhoofd en aangezigt vlak ; de thorax bijna kogelrond , 
zonder bijzonderheden, evenmin als het gewelfde, bij de 
mannen slanke en lange, bij de wijfjes vrij dikke, kortere 
spitse achterlijf die bezit. Voorvleugels met 12 aderen, de 
achtervleugels met 8; middencel der laatsten gesloten en 
niet open zoo als Guenée afbeeldt, de dwarsaderen, en niet 
het minst die der voorvleugels, staan bijzonder schuin, 
geheel anders dan bij de verwante genera waar zij bijna 
regtstandig zijn i). 

De witte grondkleur is een weinig paarlemoerglanzig , 
de teekeningen geel of bruin , steeds min of meer okerkleurig ; 
ook de teekening langs den voorrand der voorvleugels en 
een middenband der achtervleugels zijn geel of bruin en 
de winkelhaakvormige streep der voorvleugels steeds door 
eene helderwitte streep der grondkleur van de overal even 
breede en fijn zwart gezoomde, lintvormige streep langs 
den achterrand gescheiden. Franje bij alle soorten grijs. 
Onderzijde zeer weinig geteekend. Pooten lang en dun, 



1) PI. 9, fig. 8 e stelt de vleugeladeren voor van OHj. crassicontalit $ aL (ypc 
voor het geheele genus. 



OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 189 

vooral de voortarsen van buitengewone lengte, gelijk zij 
trouwens bij Hydrocampa , Parapoynx en Caladysla over het 
geheel zijn. 

Al de mij bekende soorten (15) bewonen de tropische 
gewesten van Azië, want Oügostlgma vlUalls Bremer mist, 
wanneer men de beschrijving raadpleegt (de jammerlijk 
slechte afbeelding kan men gerust buiten rekening laten) 
de karakteristieke uitsnijding der achtervleugels en behoort 
dus niet tot dit genus. 

Van de leefwijze is mij niets bekend; waarschijnlijk zijn 
de dieren even als onze Europeesche Hydrocampen, water- 
lievende insecten. 

Ik laat hier eene analytische tabel der soorten volgen : 

I. Eindlid der palpen min of meer spits (PI. 8. 
fig. ia, 3a), aan de voorzijde zonder uitste- 
kende beschubbing. Voorrand der voorvleu- 
gels bij beide sexen vlak, somtijds in het 
midden zelfs iets ingedrukt; staarthoek der 
achtervleugels bij het mannetje afgerond. 

A. Palpen de helft langer dan de kop, het 
eindlid half zoo lang als hd 2, priem- 
vormig (fig. la). Bijoogen duidelijk. Sprie- 
ten dun , de wortel zonder tand , de leden 
driekant (fig. ib). Pooten met lange, dunne 
doornen. Wortel waarts van de gele mid- 
denstreep der achtervleugels nog een of 
twee zwarte lijnen ; boven de uitsnijding 
nog een of twee zwarte stippen ; midden- 
streep der achtervleugels en bovenste arm 
van den winkelhaak der voorvleugels 
franjewaarts scherp zwart gezoomd. Ader 
3 — 5 van voor- en achtervleugels onge- 
steeld ; 11 der voorvleugels uit de mid- 
dencel. 



190 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 

i. Tusschen de gele middenstreep der ach- 
tervleugels en de zwarte stip aan den 
vleugelwortel twee zwarte lijnen. Dwars- 
ader der voorvleugels met een donker 
streepje. Gele teekeningen eidojerkleu- 
rig. Voorvleugels zonder uitmonsteringen. 
12—13 mm. 2 <?c? 1. BllineaUs. 

(P1.8.fig.lc). 

2. Tusschen de gele middenstreep der ach- 
tervleugels en de zwarte stip aan den 
vleugelwortel ééne zwarte lijn. D warsader 
der voorvleugels met eene dikke zwarte 
stip. Gele teekeningen bleek okerkleurig. 

17 mm. 1 ? 2. UniUneal'is. 

(PI. 8. fig. 2). 

B. Palpen weinig of niet langer dan de kop, 
het eindUd zeer kort (fig. 3a). Geene 
bijoogen. Sprieten draadvormig, bij het 
mannetje veel dikker dan bij het wijfje 
(fig. 36). Sporen kort. Wortelwaarts van 
de gele middenstreep der achtervleugels 
de grond ongeteekend of slechts een 
donker gezoomd geel vlekje of zwarte 
stip ; boven de uitsnijding geene zwarte 
stip. 

1. Op den achterrand der achtervleugels een'' 
gele, fijn zwart gezoomde band, gelijk 
aan dien der voorvleugels en daarin juist 
onder de uitsnijding , 2 — ^3 zwart afgezette 
witte stippen. Van de stippen tot den 
binnenrandshoek de gele band ongetee- 
kend. Middenstreep der achtervleugels 
parallel met den achterrand, op ader 2 niet 



OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 191 

wortelwaarts gebroken ; achterrand onder 
de uitsnijding gelijkmatig afgerond *). 

Thorax en voorrand der voorvleugels 
nooit geheel donker, de gele achterrands- 
band der achtervleugels bovenaan nooit 
geheel roestbruin. 

Wit binnen den winkelhaak der voorvleu- 
gels met een donker lijntje; de winkel- 
haak daarachter geel. Gele teekeningen 
bleek okerkleurig; voorrand der voor- 
vleugels geel, niet donkerder dan de 
overige teekeningen; vleugelpunt zonder 
zwarte stip. Bij het c? de middencel der 
voorvleugels met een indruksel. 

Donker lijntje in den witten driehoek der 
voorvleugels geheel vrij van den gelen 
winkelhaak ; deze tegen den voorrand 
gebruind ; de middencel met eene zwarte 
stip. Achtervleugelwortel ongeteekend ; 
de gele middenband ongerand , de achter- 
randsband met twee witte , zwartgerande 
stippen en eene fijne zwarte, soms on- 
duidelijk wit afgezette daaronder. Voor- 
vleugels van beide sexen geheel gelijk; 
hunne ader 11 uit den voorrand der 
middencel; ader 4 en 5 van voor- en 
achtervleugels gesteeld. Sprietwortel van 

het c? ongetand. 20 — 26 mm 3. Colonialls. 

(PI. 8. fig. 3c en 3 rf). 



1) Eei-ic iifdceling die op deze volgt bevat drie Javaiiiibehe suuituii van 19— '21 nun. 
vingt. Zij wordt aldus gekarakleriscenl : 

Op den achterrand der achtervkugels een gele, iijii zwart gezoüiiule baud, van 
ader 2 tut de uitsnijding minstens tweemaal zoo breed als die der voorvliiigels en de 
achterland onder de uitsnijding niet een spits-n tand uitstekende. Onder de nitsnijding 
sleclits ééne witte stip, de IVanjelijn vau de uitsnijding tot ader 2 in dikke zwarte 
streepjes opgelost. Voorvleugels spits. 

l)c voorwerpen zijn evi^uwul te slecht .,m de soorten nader bekend te niakeu. 



192 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 

b. Donker lijntje in den witten driehoek der 
voorvleugels van onderen in den gelen 
winkelhaak uitloopende en over zijnen 
onderarm voortgezet, de bovenarm aan 
den voorrand niet gebruind ; de middencel 
zonder zwarte stip. Wortel der achter- 
vleugels geel , donkergrijs gerand even als 
de middenband; de achterrandsband met 
twee witte, zwart gerande stippen eneene 
fijne zwarte daarboven. Voorrand van de 
middencel der voorvleugels bij het c? met 
een glanzig grijs schubbenkammetje ; 
hunne ader il gesteeld met de voorgaan- 
den ; ader 4 en 5 van voor- en achtervleu- 
gels ongesteeld. Sprietwortel van het <ï 
met eenen tand (pi. 8. fìg. 4 a). 1 ^, 

20 mm 4. Hamalis. 

(PI. 8. fig. 46 en 4c). 

X X Wit binnen de winkelhaakvormige streep 
der voorvleugels zonder donker streepje. 

a. Donkere winkelhaak voor den achterrand 
der voorvleugels aan zijn begin, bij den 
wortel van ader 3 zwartgrijs, verder geel. 
Gele teekeningen goudkleurig; voorrand 
der voorvleugels geel, niet donkerder dan 
de streep op den achterrand. 

§. Donkere winkelhaak der voorvleugels te- 
gen den voorrand gebruind. Voorvleugel- 
punt iets omgebogen, met eene zwarte 
stip. Gele achterrandsband der achter- 
vleugels met twee witte stippen; de uit- 
snijding duidelijk; de middenband smal, 
franjewaarts donker gerand. Voorrand der 
voorvleugels bij het <? breed omgeslagen. 



OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 193 

de omslag geel, aan zijn begin donker- 
bruin, verder met potloodkleurigen zoom; 
$ met donkere stip aan den vleugelwortel 
en in het midden der middencel bij een 
indruksel. Mannelijke sprietwortel zonder 
tand ; ader 4 en 5 overal gesteeld , 11 der 
voorvleugels ongesteeld, t? 21, ? 31 mm. 5. Aureolalis. 

(PI. 8. fig. 5a— c). 

Donkere winkelhaak der voorvleugels 
tegen den voorrand niet gebruind. Voor- 
vleugelpunt stomp, ongeteekend. Gele 
achterrandsband der achtervleugels met 
drie witte stippen ; de uitsnijding flaauw; 
de middenband naar boven vervloeid en 
zeer breed , wortelwaarts donker gerand. 
Middencel der voorvleugels met een klein 
indruksel (fig. 4 b); de voorrand zonder om- 
slag. Ader 4 en 5 der achtervleugels kort 
gesteeld, die der voorvleugels ongesteeld, 
ader 11 der laatsten gesteeld. Sprietwortel 
met eenen tand. Een <?, 25 mm. , . . 6. SimpUcialis. 

(PI. 8. flg. 6). 

Donkere winkelhaak voor den achterrand 
der voorvleugels eenkleurig, okerbruin of 
grauwbruin. Voorrand der voorvleugels 
donkerder dan de streep op den achter- 
rand. Thorax hcht. Onder de duidelijke 
uitsnijding der achtervleugels twee witte 
stippen. Sprietwortel van het <? zonder 
tand. 

Middenstreep der achtervleugels niet don- 
ker gerand , naar boven vervloeid , twee- 
maal zoo breed als de achterrandsband 
en even als deze en de achterrand der 

13 



194 OVER OLIGO STIGMA GUENÉE. 

voorvleugels hoog okergeel. Voorrand en 
winkelhaak der voorvleugels helder oker- 
bruin; de vleugelpunt met eene fijne 
zwarte stip. Voor- en binnenrand van de 
middencel der voorvleugels met eene 
schubbenkam; ader 4 en 5 en 11 der 
voorvleugels ongesteeld, 4 en 5 der ach- 
tervleugels kort gestoeld. 1 (?, 27 mm. 7. LatlfasciaUs. 

(P1.8.fig.7öen7/>). 

§§. Middenstreep der achtervleugels van den 
binnenrand tot ader 2 even breed als 
de achterrandsband en helder okergeel als 
deze en die der voorvleugels , verder veel 
smaller, donker gerand, het omgebogen 
boveneind geheel grijs. Voorrand en win- 
kelhaak der voorvleugels grauwachtig 
okerbruin ; de vleugelpunt ongeteekend. 
Voorrand der voorvleugels bij het S met 
breeden, glanzig potloodkleurig grijs be- 
schubden omslag; ader 4 en 5 overal 
gestoeld , 11 der voorvleugels ongesteeld. 

i 21 — 22, ? 29 — 41 mm 8. Crassicornalis. 

(P1.9.fig.8a— e). 

b. Thorax en de tegen den binnenrand inge- 
sneden voorrandshelft der voorvleugels 
geheel donker grijsbruin, de laatste binnen 
den winkelhaak een weinig lichter, zui- 
verder grijs. Achterrandsband der achter- 
vleugels bovenaan geheel roestbruin , met 
3 witte, zwart afgezette stippen, verder 
okergeel als die der voorvleugels en de 
middenband der achtervleugels. Ader 4 
en 5 overal ongesteeld, 11 der voorvleugels 
gestoeld. Sprietwortel van het <? met eenen 



OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE, 195 

tand, zijne voorvleugels met eene langs- 
plooi in de middencel en tw^ee schnbben- 
kammetjes aan haar eind. <?? 23 — 27 mm. 9. Tripundalis. 

(PI. 9. fig. 9 a en 96). 

2. Op den achterrand der achter vleugels viei' 
min of meer ineen vloeij ende, zeer dikke 
tluweelzwarte, wit gekernde of afgezette 
stippen en de grond tusschen haar , even 
als de overige gele teekeningen, bleek 
okerkleurig. Middenband der achtervleu- 
gels op ader 2 gebroken, naar boven tot 
het dubbele verbreed; hunne ader 2 met 
eene donkere stip aan den w^ortel. Ader 
4 en 5 overal ongesteeld, ii der voor- 
vleugels gestoeld. Sprietwortel van het «? 
met eenen tand. 

a. De grootere,' tegen den binnenrand in- 
gesneden voorrandshelft der voorvleugels 
donker grijsbruin. Zv^arte stippen op den 
achterrand der achtervleugels ineenvloei- 
jend; tusschen haar en de gele midden- 
streep eene zwarte lijn. Voorvleugels met 
een klein indruksel aan het eind der 
middencel. 1 c?, 23 mm, iO. Nedalis. 

(P1.9.fig.l0). 

b. De voorrandshelft der voorvleugels wit 
met drie naar den binnenrandshoek ge- 
rigte, franjewaarts donker gezoomde, bij 
het <? aan den voorrand 'bruinachtige, 
gele strepen. Zwarte stippen op den ach- 
terrand der achtervleugels duidelijk van- 
eengescheiden ; tusschen haar en de gele 
middenstreep geene zwarte lijn. Voorvleu- 
gels van het <? met een klein indruksel 



196 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉË. 

in de middencel, bedekt door een plat 

pluimpje, <? 15, $ 21 mm il . Sejunctalis . 

(PL 9. flg. Ila, 6 en e). 

II. Eindlid der palpen met twee driekante, 
door de beschiibbing gevormde uitstekken, 
het middenlid vrij breed (fig. 126). Bij het 
^ de voorrand der voorvleugels in het midden 
hoekig naar buiten gebogen; de voorrand 
der middencel met eene groote schubbenkam 
en een indruksel ; de staarthoek zijner achter- 
vleugels verlengd (fig. 12 a en c). Geene bij- 
oogen. Sprieten draadvormig, bij den man 
dik en de wortel met eenen tand. Sporen 
kort. Ader 4 en 5 overal ongesteeld. 

Achterrandsband en middenstreep der 
achtervleugels bij den man okerbruin; bij 
het wijfje de laatste tegen den fcinnen- 
randshoek grijs; onder de duidelijke uitsnij- 
ding cune witte, zwart afgezette stippen, ü 

25 — 28 mm 12. Gibhosaüs. 

(PI. 9. fig. 12 a-^). 



L 

A. 

1. Bilinealis nov. spec. 

(PI. 8, fig. la—c). 



Palpen, poolen en lijf wit, het laatste met grijze dwars- 
strepen. De witte grondkleur der voorvleugels is bij deze 
soort dof en wordt zeer beperkt door de gele teekeningen , 
die overal vrij dik zwart of zwartgrijs zijn afgezet en allen 
ineenvloeijen. Even voorbij het begin van den binnenrand 



OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 197 

der voorvleugels begint eene grijze lijn, die zich gebogen 
naar den voorrand wendt, daarmede parallel loopt en ein- 
digt bij het donkere streepje der dwarsader; eene kortere 
staat daarboven en komt uit den vleugelwortel Voorrand 
met eene wigvormige gele vlek die ineenvloeit met den 
onderarm der bij deze soort zeer onduidelijke winkelhaak- 
vormige teekening. Ook de gezwaaide gele streep over ader 
1 is hier moeijelijk te herkennen en men kan eerder zeggen 
dat de geheele binnenrand geel is met eene gebogene 
witte, donker afgezette streep. 

Op de achtervleugels is de witte grond tusschen de 
middenstreep en den achterrandsband mede zeer beperkt, 
scherp donker afgezet en wel de helft smaller dan het geel, 
dat de geheele vleugelpunt beslaat. De witte stippen in den 
achterrandsband, die bij de andere soorten voorkomen, 
worden hier niet gevonden. Men ziet alleen vijf koolzwarte 
blokjes op de franjelijn, twee boven, drie onder de uit- 
snijding, die wortelwaarts met eenige donkere schubben 
zijn afgezet. Verder naar den staarthoek is de franjelijn 
veel dunner, bijna zamenhangend en niet zoo donker zwart, 
doch de wortelwaartsche zwarte bezooming van den gelen 
achterrandsband loopt tot aan den binnenrand door. 

Onderzijde als boven geteekend en ook ongeveer zoo 
gekleurd, doch alles bleeker en flaauwer, meer vervloeid, 
de voorvleugels grijs bestoven. Alleen de blokjes op de 
franjelijn der achtervleugels zijn sterker uitgedrukt. 

Twee mannetjes; het eene zeer gaaf, het andere iets 
beschadigd. 

Punjaub. Collectie van Lord Walsingham. 

2. ünilinealis nov. sp. 

(PI. 8, fig. 2« en b). 

Palpen, pooten en lijf wit; het middenlid der eersten op 
zijde donkergrijs, het laatste met bleekgele dwarsstrepen. 
Witte grond der vleugels iets glanzig, de gele teekeningen 



198 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 

der voorvleugels llaauw; alleen de winkelhaak franjewaarts 
zwart afgezet, zijn onderarm zeer onduidelijk , ineengevloeid 
met eene wigvormige vlek aan den voorrand en de ge- 
zwaaide streep over ader 1. 

Op de achtervleugels is daarentegen de middenstreep 
overal dik zwart afgezet, de witte grond tusschen haar en 
den achterrandsband even breed als het geel dat ook de 
vleugelpunt beslaat. De achterrandsteekening ook hier als 
bij de voorgaande soort, uit zwarte blokjes op de franjelijn 
bestaande, een boven, twee onder de uitsnijding; voor en 
boven hen ziet men een paar grijze wolkjes en zij zijn 
afgezet door fijne zwarte boogjes die ook verder langs de 
dunne zwarte franjelijn loopen. Tusschen die boogjes en 
de franjelijn is de gele bandbleeker, zijne zwarte bezooming 
als bij Bilinealis. 

Onderzijde als boven doch alles zeer tlaauw en bleek. 

Een gaaf wijfje. 

Java, Ambarawa, door Dr. Ludeking verzameld en in 
's Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leyden bewaard. 

B. 

1. 

3. Colonialis Guenée. 

(PI. 8, fig. Sa—d). 

Guenée, Belt. el Pyral. p. 262 N°. 248. 

Palpen , pooten en lijf zeer bleek okergeel ; de voorschoenen 
bruinachtig. Witte grondkleur der vleugels glanzig, de gele 
teekeningen , hoewel nergens donker afgezet en bleek , toch 
zeer zuiver en duidelijk. Voorvleugels ook bij het wijfje 
met een klein indruksel in de middencel, doch overigens 
die vleugels bij beide sexen zonder versierselen in den 
vorm van omslagen, plooijen of schubbenkammetjes. Het 
donkere lijntje in het wit binnen den winkelhaak staat 
schuin en convergeert met den hoek van den haak; het 
is overigens zwart , de bovenarm van den winkelhaak aan den 



OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 199 

voorrand is donkerbruin; onderarm van dezen eenkleurig 
geel en zich duidelijk tot aan de zwarte stip aan den wortel 
der middencel uitstrekkende. Verder ziet men bij de meeste 
exemplaren eene dunne donkergrijze bestuiving in cel 12 
en in het midden van cel ia onder de gezwaaide gele 
streep over ader 1. De eenkleurig gele middenband der 
achtervleugels is weinig breeder dan het daarop volgende 
wit en de achterrandsstreep en eindigt, iets vervloeijend, op 
de hoogte der uitsnijding; de vleugelpunt is bleek bruin- 
grijs gekleurd. Achterrandsstreep om de stippen een weinig 
oranje; zijne zwarte bezooming , even als bij al de volgende 
soorten tot en met Tripundalis en bij Glbhosaüs een eind- 
weegs voor den binnenrandshoek ophoudende. 

Onderzijde als boven doch het geel zeer bleek en de 
geheele voorrand der voorvleugels met eene dunne grijze 
bestuiving. Mannelijke achterpooten met een geelwit pluimpje 
tusschen dij en scheen, overigens met vier sporen even 
als de vrouwelijke. 

Guenée's beschrijving is — den slechten toestand van zijn 
eenige exemplaar in aanmerking genomen — vrij goed. 

Van de schijnbaar naverwante Aureolalis zijn de man- 
netjes door den omslag des voorvleugelvoorrands dadelijk 
te onderscheiden, de wijfjes door het ontbreken van het 
donkere streepje in het wit binnen den winkelhaak, door 
het donkere begin van diens onderarm welke reeds bij 
den wortel van ader 2 ophoudt, en door de donkere stip 
aan den voorvleugelwortel. 

Java, Ambarawa (Ludeking) en Tjikao (Botter). Verschei- 
dene gave exemplaren van beide sexen op 's Rijks Museum 
te Le y den en in mijne eigene verzameling. Volgens Guenée 
ook bij Bombay. 

4. Hamalis nov. spec. 

(PI. 8, fig. 4«— c). 

Palpen, pooten en lijf geelwit. De witte grondkleur der 
vleugels bij deze soort het meeste glanzig, iets zilverachtig, 



200 OVER OLIGOSTIGMA GUÉNÉE. 

waartoe ook bijdraagt dat de glanzig potloodkleurig grijze 
afzetting der meeste gele teekeningen, vooral op de achter- 
vleugels, in het wit vervloeit. Voorrandshelft der voorvleugels 
geel doch zonder eigenlijke teekeningen tot aan het donker- 
grijze lijntje van den witten driehoek, dat een haak vormt 
waarin eene gele vlek staat. Bovenarm van den gelen win- 
kelhaak naar achter donkerder, franjewaarts grijs afgezet, 
wortel waarts vervloeijend. 

De gele middenstreep der achtervleugels is tweemaal 
zoo breed als de witte daarachter, naar boven wat ver- 
breed, naar achteren iets donkerder en tegen de vleugel- 
punt niet scherp donker afgezet. Deze is vervloeijend geel 
en glanzig grijs gekleurd. 

Om de stippen is de gele achterrand iets oranjekleurig. 

Onderzijde wit, als boven geteekend doch zeer tlaauw. 

Een mannetje; zeer gaaf. 

Punjaub. Collectie van Lord Walsingham. 

5. Aureolalis nov. spec. 

(PI. 8, fig. ha—c). 

Palpen bleekgeel; het lijf wit, op de bovenzijde grijs- 
achtig; de halskraag en eene dwarsstreep over den voor- 
laatsten achterlijfsring okergeel. Witte grondkleur glanzig, 
de gele teekeningen door hare hooge kleur zeer afstekend. 
Bij het mannetje is de geheele omslag aan den voorrand, 
behalve de schubben waarmede hij binnenwaarts gelijk 
eene franje is bezet, goudgeel en bedekt ten deele eene 
driehoekige gele vlek aan het begin van het laatste voor- 
randsderde, die bij het wijfje zeer duidelijk is, ofschoon 
daar bleeker. De spits dezer vlek eindigt bij het zwartgrijze 
begin van den onderarm des winkelhaaks. Laatstgenoemde 
onderarm strekt zich niet verder uit dan tot den wortel van 
ader 3; de wortel van ader 2 is echter nog geel. Wanneer 
men den omslag opligt, ziet men ook bij het mannetje 
de donkere stip in de middencel en het indruksel is op de 
onderzijde zeer goed te onderscheiden. 



OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 201 

De gele middenstreep der achtervleugels is ongeveer even 
breed als de witte daarachter , tot boven de iiitsnijding 
duidelijk en eindigt in eene dunne, omgebogen grijze spits. 
Achterrandsband ook boven de uitsnijding aanwezig doch 
aldaar grijs, zeer fijn zwart gezoomd. Om de stippen de 
grond een weinig oranje. 

Onderzijde ook hier als boven. Pooten zonder uitmon- 
steringen , gewoon gespoord ; over de voorschoenen en 
tarsen loopt eene fijne donkergrijze lijn. 

Van deze soort bevinden zich drie exemplaren op 's Rijks 
Museum te Leyden, allen van Java, twee mannetjes en een 
wijfje. De mannen zijn zeer slecht, veel kleiner dan het wijfje ; 
zij zijn door Dr. S. Müller en Dr. Blume gevangen en dragen 
geene nadere aanduiding van vangplaats. Het zeer veel 
grootere frissche en gave wijfje is van den Ardjoeno en 
door Dr. Heckmeijer overgezonden. Het overeenstemmende 
in teekening doet mij deze exemplaren als de beide sexen 
van ééne soort bijeen voegen. 

6. Simplicialis nov. spec. 

(Plaat 8, fig. 6). 

Van deze soort heb ik slechts één oud, slecht behandeld 
mannetje voor mij , dat ecliter bij al het overeenstemmende 
met de voorgaande soort in bouw te zeer met den man 
van Aureolalis verschilt , om niet dadelijk als eene goede 
species te worden herkend. 

Het lijf is leemkleurig geel, misschien door ouderdom, 
en de witte grond der voorvleugels , wel om dezelfde reden , 
vuil. De teekening echter is duidelijk en men merkt dade- 
lijk eene driehoekige gele voorrandsvlek op, even als bij 
Aureolalis, doch zij is hier veel sterker uitgedrukt. De 
onderarm van den winkelhaak eindigt ook hier aan den 
wortel van ader 3 en is duidelijk onderscheiden van de 
gele schubben op het begin van ader 2. 

Achtervleugels met zeer afgeronde punt en llaauwe uit- 
snijding, de middenband boven ader 3 tot eene groote, 



202 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 

vervloeijend gele plek verbreed, wortelwaarts een eindweegs 
donkergrijs gezoomd. Het wit voor de achterrandsstreep 
zeer beperkt. 

Onderzijde als bij de voorgaande soorten. Pooten zonder 
uitmonsteringen , gewoon gespoord. 

Java, zonder nadere aanduiding van vangplaats (Blume); 
's Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leyden. 

7. Latifascialis nov. spec. 

(Plaat 8, fig. 7« eu h). 

Mede slechts een enkel mannetje, dat echter, even als 
de voorgaande soort in den bij zonderen bouw der voor- 
vleugels voldoende kenmerken bezit. Het is ftisch en vrij 
gaaf, doch het lijf tamelijk ontschubd. Naar de daarop 
overgebleven bekleeding te oordeelen zou ik zeggen dat de 
halskraag donkergeel is en de rug van den thorax bleek 
grijsgeel , terwijl het achterlijf eene donker leemgele kleur 
heeft. 

De voorrand der voorvleugels is aanvankelijk leemkleurig 
bruin en gaat eerst op de helft van den vleugel, aan het 
eind der schubbenkammetjes in beslist okerbruin over, 
zich tevens tot eene driekante vlek verbreedende , die franje- 
waarts hoekig is ingesneden en van onderen met den 
onderarm des winkelhaaks ineenvloeit. De bovenarm van 
dezen is onder en boven even breed (bij de volgende soort 
bovenaan verbreed) en het wit binnen den haak even 
helder als de streep achter hem, voor den gelen rand. De 
gezwaaide gele streep over ader 1 wordt door eene bruin- 
achtige vlek , op een derde van cel 1 a , verduisterd. Wat 
de achtervleugels aangaat , zoo is de geheele grond wortel- 
waarts der middenstreep vuil geelwit, de vleugelpunt grijs- 
achtig, de binnenrand hoog okergeel, terwijl men slechts 
een smal grijsv^it streepje ontwaart tusschen de midden- 
streep en den gelen achterrand. 

Onder is de geheele teekening bruinachtig, vrij duidelijk. 
Pooten bruinwit , de voorschoenen aan het eind donkerbruin , 



OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 203 

de achterpooten in het gewricht tusschen dij en scheen 
met een bruinwit pUdmpje en slechts met cindsporen. 
Gelebes, Bonthain, door Mr. Piepers gevangen. 

8. Crassicornalis Guenée. 

(Plaat 9, tig. 8a— e). 

Oligostigma Crassicornalis Guenée. Dell. cl Pgral. p. 261. 
n°. 246 (c?). 

Oligostigma Javanalis Guenée. Delt ctPyral. p. 262. n°.247(?). 

Van deze soort heb ik negen Javaansche exemplaren voor 
mij, die zeer in grootte verschillen. Het kleinste is een man 
van 21 mm. en het grootste een wijfje van 41 mm. Bij de 
voorwerpen, door mij als beide sexen van Aureolalis bij- 
eengevoegd, neemt men een dergelijk verschil in grootte 
waar, terwijl daarentegen de exemplaren van Colonialis en 
ook die van Tripunctalis weinig uiteenloopen. 

Lijf iets onzuiver wit met een donkergrijs streepje, dat 
over de voorzijde van den thorax loopt en de donkere 
voorranden der voorvleugels verbindt. Deze beginnen aan 
den wortel bij het wijfje smal, worden eerst langzamerhand 
breeder en dan op eens driemaal zoo breed, van onderen 
afgerond en franjewaarts iets getand (fig. 8 c). Bij den wortel 
van ader 3 sluit zich de grauwbruine winkelhaak bij de 
afgeronde verbreeding aan. Zijn bovenarm is tegen den 
voorrand iets verbreed en heeft aldaar, bij één voorwerp, 
eene ronde witte stip; bij de anderen is hij ongeteekend. 
Bij de mannetjes is de donkere voorrand reeds aan den 
wortel breeder en breidt zich aan het eind niet zoo ver 
naarbinnenuit (fig. 8ft). De gele streep over ader lis bij de 
mannen geheel zuiver (ook bij het door Guenée beschreven 
mannetje) doch bij al mijne wijfjes is hare wortelhelft sterk 
bruingrijs verduisterd; bij één vloeit die verduistering zelfs 
bijna met het begin van den donkeren voorrand ineen. 

De vorm der achtervleugels , die bij de voorgaande soor- 
ten bij beide sexen niet noemenswaard verschilde, vertoont 



204 OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 

bij man en wijf van Crassicornalis eenig onderscheid. Bij 
laatstgenoemd merkt men namelijk eene duidelijke neiging 
tot verlenging aan den binnenrandshoek op, terwijl de 
achterrand tamelijk vlak is en dus de vorm van den vleugel 
naar het driekante begint te zweemen. Het mannetje heeft 
daarentegen een meer afgeronden staarthoek. De binnenrand 
zijner achtervleugels is geheel okergeel, hooger gekleurd 
dan bij het wijfje, waar ook meestal slechts eene stip aan 
den binnenrands wortel geel is, terwijl het overige, althans 
tot aan het begin der middenstreep, wit blijft. 

De randstippen zijn bij deze soort zeer duidelijk en staan 
op bruinachtigen grond, terwijl de achterrandsstreep ook 
boven de uitsnijding is voortgezet, doch veel flaauwer, 
grijsgeel en zeer fijn zwart gerand. 

Onderzijde met eene flaauwe schets van de teekening der 
bovenzijde; de achterrandsstreep bleek geel, het overige 
graauwachtig. 

Pooten bruinwit, de scheenen van boven iets donkerder. Zij 
zijn overigens bij beide sexen gewoon gevormd en gespoord. 

Twee wijfjes wijken in de teekening der voorvleugels van 
de overige exemplaren af. Terwijl bij deze laatsten de ver- 
breeding van* den donkeren voorrand afgerond is en de 
witte driehoek binnen den winkelhaak met de basis op 
diens onderarm rust, zijn bij die twee voorwerpen de ge- 
melde verbreeding en de onderarm van den haak tot eene 
breede vlek ineengevloeid , die met eene fijne punt slechts 
zeer zwak is verbonden met den bovenarm van den haak. 
Buitendien houdt de donkere voorrand bij de verbreeding 
plotseling op, in plaats van bijna tot den bovenarm des 
haaks door te loopen. Hierdoor is de witte driehoek geheel 
anders, omgekeerd; ook is de bovenarm van den haak 
onderaan dunner dan bij de andere exemplaren. Ik betwijfel 
echter dat dit verschil specifiek zou zijn, want de mannetjes 
duiden reeds den overgang aan (zie fig. 8«), doch het is 
noodig deze variëteit af te beelden en van den type te 
scheiden onder den naam van Invertalis (fig. 8 c?). 



OVER OLIGOSTIGMA GUENÉE. 205 

De exemplaren van het hoofdras (?) zijn op Java ver- 
zameld door Dr. Ludeking bij Ambarawa, en door Prof. 
Blume zonder nadere aanduiding van vangplaats. 

Van de variëteit is een exemplaar in Malang door Hille- 
brand gevangen en bevindt zich op 's Rijks Museum; een 
ander in mijne collectie is van Java, doch zonder aandui- 
ding van vangplaats en uit de collectie van Dr. Gij sberti 
Hodenpijl afkomstig. 

9. Tripunctalis nov. sp. 

(Plaat 9, fig. 9 a en b). 

Palpen en kop bruinachtig geel, lichter dan de thorax. 
Het donkere gedeelte der voorvleugels strekt zich eigenlijk 
tot over de voorrandshelft uit en is tegen den binnenrand 
en op den winkelhaak het donkerste en het meest bruin, 
overigens meer grijs, doch deze tint het zuiverst in den 
driehoek, binnen den haak. Onder diens benedenarm, dus 
even voor den binnenrandshoek , is het donkere ingesneden 
en men bemerkt op die plaats eene in den staarthoek 
uitloopende gele streep , als overblijfsel van die , welke bij de 
andere soorten boven den geheelen binnenrand loopt. 

Op de achtervleugels is de binnenrand aan den wortel 
(even als de geheele vleugelwortel) zuiver wit; het overige 
van den binnenrand vlekkig geel. De middenstreep is aan 
beide zijden, doch wortelwaarts het sterkst, donker grijs 
afgezet , wordt bovenaan breeder en eindigt vóór de vleugel- 
punt , scherper begrensd dan bij de andere soorten , in eene 
bijlvormige vlek. Vleugelpunt een weinig grijs getint, aan 
de spits geel doch de achterrandsstreep boven de duidelijke 
uitsnijding niet voortgezet. Onder de uitsnijding ziet men 
op donker roestbruinen grond de hier zeer duidelijk ten 
getale van drie aanwezige zilverwitte en zwarte randstippen. 
De rug van het achterlijf is op ring 2 en 3 wit, verder 
donkergrijs met vuilwitte staartspits. Onderzijde bijna zuiver 
wit met flaauwe sporen van de boven teekening. 

Pooten ook bij den man gewoon gespoord , doch met een 



206 OVER 0L1(40STIGMA GUENÉE. 

duidelijk wit pluimpje aan het eind der achterdijen. Voor- 
scheenen van boven donkergrijs. 

Het mannetje bezit verder nog op de voorvleugels eene 
eigendommelijke bijzonderheid in de plooi der middencel; 
het is alsof deze digtgeknepen is. Zijne voorvleugels 
hebben daardoor over het geheel een plooijerig aanzien. 
(Zie fig. 96). 

Java, Malang (Hillebrand) , Ardjoeno (Heckmeijer). 

Vijf goede exemplaren op 's Rijks Museum van Natuurlijke 
Historie te Leyden. 

2. 

10. Nectalis nov. spec. 

(Plaat 9, fig. 10). 

Palpen, kop en thorax leemkleurig. Voorvleugels bijna als 
bij de voorgaande soort geteekend en gekleurd ; alleen staat 
de onderarm van den winkelhaak wat steiler en is daar- 
door de AAdtte insnijding dieper, over de helft van den 
vleugel komende. Ook de gezwaaide gele streep over ader 
1 is hier bijna geheel duidelijk. 

De achterrand der achter vleugels vertoont bij deze en de 
volgende soort de vooral aan Cataclysta Lederer eigendom- 
melijke fluweelzwarte streep met zilverwitte stippen, ook 
is de gele middenstreep anders dan bij de voorgaande soorten. 
Zij wordt ook wortelwaarts door eene fijne donkere lijn 
begeleid. Drie der ineen vloeij ende zwarte randstippen hebben 
zilverwitte kernen. 

Onderzijde grijsachtig, met flaauwe schets der teekening 
van de bovenzijde; de achterrand der achtervleugels met 
drie groote ronde zwarte stippen. 

Pooten lichtgrijs, gewoon gespoord ^ met een pluimpje 
aan het eind der achterdijen, 

Boven het indruksel van de middencel der voorvleugels 
zie ik geen pluimpje , doch mijn eenige mannetje is eenigs- 
zins afgevlogen ; gave voorwerpen vertoonen misschien eenig 
dergelijk sieraad. 



OVER OLIGOSTICtMA guenée. 207 

Java (Dr. S. Muller), zonder nadere aanduiding van 
vangplaats. 

's Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leyden. 

11. Sejunctalis nov. sp. 

(Plaat 9, lig. 11 a~c). 

Palpen bleek geel; pooten en lijf wit; het laatste op de 
bovenzijde met bleek gele dwarsstrepen. Witte grondkleur 
glanzig ; de gele teekeningen helder doch bleek en vervloeid. 
Voorvleugelwortel aan den voorrand bij het wijtje geel, bij 
het mannetje bi'uinachtig even als de voorrandsstrepen , 
waarvan de derde eigenlijk de bovenarm van den winkel- 
haak is. Onderarm van dezen zeer onduidelijk, min of meer 
door een grijs vlekje bedekt. In den binnenrandshoek 
vloeijen het eind der gezwaaide binnenrandsstreep , de punt 
der tweede gele voorrandsvlek en de hoek van den winkel- 
haak tot eene wolkige gele vlek ineen. 

Aan den wortel der achtervieugels ziet men een geel 
vlekje tegen de donkere stip bij den wortel van ader 2. 

De zwarte stippen op den achterrand zijn bij het wijfje 
zilverwit gekernd; bij den man worden zij door zilverwitte 
stippen afgewisseld en bij dezen ziet men ook eenige zilver- 
grijze schubben in den staarthoek der achter vleugels. Zwarte 
franjelijn afgebroken, ook op de voorvleugels. 

Onderzijde wit, slechts met zeer flaauwe sporen van de 
teekening der bovenzijde , de achterrandsstippen der achter- 
vleugels echter zeer duidelijk doch ongekernd. 

Een gaaf paar. 

Punjaub. Collectie van Lord Walsingham. 

n. 

12. Gibbosalis Guenée. 

(PI. 'J, üg. 12«—^). 

OUgostigma gibbosalis Guenée, Dell. el Pyr. p. 262. N°. 249. 
Kop en lijf leemkleurig, boven bruin, onder meer leem- 



1208 OVER OLIGOSTICtMA CtUENÉE. 

geel, de ook bij den man gewoon gespoorde pooten met 
een leemgeel pluimpje aan de achterdijen. Middenlid der 
palpen veel breeder, dan bij de andere soorten. De witte 
grondkleur is nergens helder dan tusschen den bovenarm 
van den winkelhaak en de achterrandsstreep, overigens is 
zij, vooral bij het afgebeelde mannetje, zeer sterk berookt, 
binnen den winkelhaak met eenigen zilver- of potloodglans. 
De gezwaaide streep over ader 1 der voorvleugels is mede 
okerbruin; even onder en voorbij de plaats waar de voor- 
rand gebroken is ziet men bij den man eene zwarte stip, 
aan de vleugelspits eene tweede. De lange, haarvormige 
schubben, die bij den man over de middencel der voor- 
vleugels zijn gestreken, zijn bruingrijs. 

Op de achtervleugels, die bij den man leemkleurig, bij het 
wijfje vuilwit zijn, ziet men een okerbruin, zwart gerand 
dwarsbandje aan den wortel; de middenband is naar boven 
verbreed en omgebogen, donker afgezet, wortelwaarts zwart, 
scherp en onafgebroken, franjewaarts van den binnenrand 
tot ader 3 vervloeijend donker grijs, vervolgens tot voorbij 
de uitsnijding niet afgezet, het omgebogen boveneind fijn 
zwart. Evenzoo is ook de wortelwaartsche afzetting der tot 
de vleugelpunt doorloopende achterrandsstreep tegenover 
de uitsnijding afgebroken. 

Onderzijde vuil leemkleurig, alleen de streep voor de 
lichtere, meer gele achterrandsstreep duidelijk, doch on- 
zuiver wit , het indruksel van de middencel der voorvleugels 
grijsachtig. 

De bogt van den voorrand der voorvleugels bij het mannetje 
gaat gepaard met eene afwijking van het aderstelsel (PI. 9. 
fig. 12 d). Ader 12 loopt namelijk niet in den voorrand 
uit, maar verlaat, even voorbij de breuk, den bijna be- 
reikten voorrand en wendt zich naar ader 10 die uit de 
middencel komt en loopt daarin uit; verder ontspruit ader 
11 als een kort sprankje uit het terugloopende eind van 
ader 12 en is de voorrand der middencel tegen het eind 
iets ingedrukt. Iets dergelijks ziet men bij vele Geometriden 



OVER OLIGOSTIGMA OUENÉE. 209 

met vrije adei^ 8 der achtervleiigels {Dendrometrina Herrich- 
Schäffer). 

Ik heb een zeer gaaf en frisch mannetje (het afgebeelde) 
voor mij , dat door den heer Piepers bij Makassar op Celebes 
is gevangen. Op 's Rijks Museum bevinden zich verder 
voorwerpen van Java. Guenée's exemplaren waren uit Oost- 
Indië, zonder nadere aanduiding van vangplaats. 



IETS OVER OTIORHYNCUUS SULCATUS L. 



Nergens heb ik tot nog toe de waarneming opgeteekend 
gevonden dat de larve van den bekenden snuittor Otiorliyn- 
chus sulcatus L. aan andere planten schadelijk was dan aan 
den wijnstok (Verg. Westwood, Kiesenwetter en Kaltenbach) 
en aan Primula, TrolUus en derg. (zie Bouché); ook bleef 
het mij onbekend dat kever of larve ergens in ons land 
in bijzondere hoeveelheid vereenigd waren aangetroffen. 

Van beide deze zaken heb ik echter onlangs de ver- 
zekering ontvangen en wel door autopsie. 

Voor ongeveer eene week werd mij eene doos vol van 
individuen dezer keversoort gebragt met verklaring dat zij 
in een tuin of serre aan den Bezuidenhout te 's Gravenhage 
de klimop geheel vernielden, dat dit vijftigtal maar een 
staaltje was van de massa en dat men gaarne weten zou 
wat daartegen te doen. Ik ging er heen en zag dat de 
aangetaste klimopplanten , in langwerpige bakken geplant, 
langs ijzerdraden naar boven waren geleid, dat dus de 
luchtwortels nergens aanhechting vonden en dat in het 
geheel aan die planten zoo niet lucht , dan toch zon ont- 
brak. Ik veronderstelde dat de larve aan den wortel in de 
aarde der bakken moest leven. En zoo bleek het ook, want 
kort daarna werd mij door den bewoner eene tweede doos 
vol larven en poppen, in vochtige aarde liggend, ter hand 
gesteld. 

De larve en pop zijn reeds in April 1837 door Prof. J. 
O. W^estwood in Gardeners Magazine beschreven, zoodat het 
niet noodig is daarop in dit Tijdschrift terug te komen. 

's Gravenhage, Junij 1876. 

S. V. V. 



BIJVOECtSEL 

TOT DE NIEUWE NAAMLIJST VAN 

WEDEELANDSCHE VLIESVLEÏÏGELIGE INSECTEN 

(HYMENOP TKHA) 

DOOR 

S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN. 



Vergelijk 2^^ Serie, Deel 4 (1868) en Deel 8 (1873) bl. 147 volgg. 



Fam. I. Tentiiredinidea. 
2. Cimbex Sijluarum F. 

Een büiit wijfje uitgekomen 15 Mei uit eene larve van EnsclieJe, Dr. 
van Rossum. — Een zwart wijfje uitgekomen te Arnhem 15 Mei, 
V. Med. de Rooij. 

6. Cim. Vitellinae L. 

In menigte in Mei en Junij te 's Gravenliage uitgekomen uit larven 
overgezonden door Dr. A. J. van Rossum, die ze Lij Enschede op 
Salu- Capraea aangetroffen had. 

9. Abia fasciata L. 

Een wijfje bij Nijkerk, v. Med. de Rooij. 

11. Ab la sericea L. 

Een $ 22 Mei op den Engelenburg bij Brummen. 

42. llijlüloma enodls L. 

Bij Rhoon 8 Junij 1875 een Ç, Iv. Sehepman. 

15. Hyl. ustulata L. 

Een ^ 8 Junij in het Ulvenhoutsche bosch en een $ 15 Junij in den 
Imboseh bij Rozendaal, Ritseuia. 

15tT. Hyl. violacea Kl. 

K-lug, £latüv. in 1%. 7iai. Fr. VL p. 289, n«. (Î. Hart. Blaft, und 
Holzw. p. 83, u". 7 — Een $ bij Arnhem 21 Mei, v. Med. de 
Rooij. — Een ? 15 Junij in den Imboseh bij Rozendaal, Rits. 

14 



212 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

22. Lophyrus vir ens Kl. 

Een wijfje 7 Julij bij Overveeu, Rits. 

24. Loph. palUdus KL 

Drie vooi'wer|en in Julij gekweekt uit cocons, gevonden bij het gehucht 
Dealen in Gelderland, Rits. 

24a. Loph. Laricis Jur. 

Klug, ßlattw. in jìlaff. Beri. VI, ^. 39. Hart. BlaUw. p. 131, n». 6. 
— Een wijtje 24 Mei 1874 in de bosschen bij het Ginueke, Rits. 

28. Loph. elong atuliis KL 

Eene verscheidenheid van het wijfje bij Wolfheze o\i 't eind van Mei , 
V. Med. de Rooij. 

35. Nematus hypoyastricus Hart. 

De larve meer dan eens bij Ley den, v. V. 

39. Nem. lucidiis Panz. 

Een {? bij Arnhem, v. Med. de Rooij. 

44. Nem. ventralis Panz. 

Deu 8sten Junij in het Ulvenhoutsche bosch, Rits. Bij Breda, Hcyl. 

50. Nem. luteus Panz. 

Desgelijks, l'its. 

60rt. Nem. carinatus Hart. 

Hart. Blait. umi Holzw. p. 199, n«. 28. — Een $ met donkerbruin 
stigma 8 Junij in het Ulvenhoutsche bosch, Rits. 

68. Nem. crass Icor nis Hart. 

Een man met ook aan de bovenzijde fcruinroode sprieten aan de Vogelen- 
zang 3 A'i^;. Rits. — Sen dergelijk 24 Julij bij Hilversum , v. V. 

lia. Nem. pallescens Hart. 

Hart. Blatiw. p. 216, n». 48 (nee. Tedaceus ïhoms). — Een ? welks 
achterlijf in het leven groen was, in Junij op Beekhuizen, Rits. 

79. Cryptocampus angustus Hart. 

Uit riet gekweekt bij Breda, Heyl. 

79a. Crypt, nigricornis KL 

Verg. Hart. Blattw. p. 225 laatste regel. — Bij Venlo, v. d. Brandt. 

84. Dineura Alni L. 

Bij Breda in Mei, Heyl. — Op Schothorst in Julij, v. V. 

86. Din. pallipes Hart. 

Twee wijfjes bij den Haag, Fransen. 

88. Dolerus anticus KL 

Te Oosterbeek en in den Aerenhout in Julij en in Mei aan het Gin- 
neken, Rits. — Bij Rotterdam, Fransen. 

89. Dol. Busaei VolL 

Drie voonverpeu bij Rhoon iu Mei, Iv. Schepman. 



NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 213 

80((. Dolerus triplicatus KI. 

Klug, iu 7»% Vili. p. 295, n". 221. Hart. Blaiiw. p. 232, n». 4.— 
Twee wijfjes 21 April en begin van Mei bij Khoon, Iv. Schepinau. 

90«. Dol. uliginosus KI. 

Klug, ìnMay.Wn. p. 296, u«. 223. Hart BMiw. p. 233, no. 7.— 
Een $ ill April 1872 bij Rhoon, Iv. Scliepman. 

93. Dol. palmalus Kl. 

Ecu $ bij Venlo, v. d. Brandt. — urie wijfjes in Zuid-lIoUaud, Fcriu. 

95. Dol. gonagra F. 

lu het laatst van Mei te Brummen, v. V. 

96. Dol. vestiglalis Kl. 

Iu het laatst van Mei te Brummen, v. V. 

105«. Emphytus succinctus KI. 

Klug, in Mag. Beri. VIII. p. 278, n". 193. — Hartt. /. / p. 247, 
no. 3. Panz. Vanna 82, 12 $ en 117, 1 $. — Twee voorwerpen bij 
Rotterdam, Fransen. Een $ bij Noordwijk 7 Julij 1874, v. V. — Een 
in den Aereuhout bij Haarlem in Julij , Rits. 

100, Emph. Grossulariae Kl. 

In Mei en Junij in het Haagsche bosch, v. V. 

108. Emph. patellalus Kl. 

21 Mei 1875 te Brummeu, v V. — Feu ^ in Aug. aau het Giuue- 
ken, W. Alb — Bij den Haag in Mei, Sis. 

110. Emph. tibialis Panz. 

Bij Rotterdam, Fransen. — Bij Noordwijkerhout in Nov. Rits. 

lila. Emph. calceatus Kl. 

Klug, Blativj. in Mag. Beri. VIII, p. 288, n". 213. Hait. Bla/L 
und Holzio. p. 2.52 , \\°. 20. — Een man zonder wit aan de apophyscu 
bij Rotterdam, Fransen. — Een in Holland, Periu. 

112. Einph. serotinus Kl. 

Te Arnhem 27 April, v. Med. de Rooij. 

113. Emph. lepidus Kl. 

Twee voorwerpen bij Rotterdam, Fransen — Iu het Ulvcuhoutsche bosch 
8 Juuij, Rits. 

115«. Phyllotoma nemorata Fall. 

C. G. Thomson, Ihjmenopt. Scand. 1, p. 176, n". 1. — Een wijfje bij 
Rotterdam, Fransen. 

116«. Phyll. leucomela Kl. 

Klug, Blattw. in Mag. VIII, p. 274, n». 183. — Hart. Blaiiw. p. 255, 
n". 2. — Een man 6 Mei bij den Haag, v. d. Wulp. 

1166. Phyll. Amaura Kl. 

Klug, l. l. p. 275, n". 186. Hart. Blaltw. p. 256, n" 5. — Bij Rot- 
terdam, Fransen. — Aan de Duifhuislaan in Sept., Rits. 



214 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

117a. Phyllotoma tenella Zadd. 

Dr. G. Zaddach, Beschr. neuer oder wenig hekamüer Blaftwespen, p. 
28. — Een $ op een berk in Mei aan het Ginueken, Rits. 

119. Fenusa pygmaea KI. 

Zes voorw. bij Waalsdorp 16 Aug. v. V. 

123, Selandria Betuleti KI. 

Den 2den Junij 1874 een $ bij den Haag , v. V. 

125«. Sel. lanceolata Thorns. 

Thorns. Hymen. Scand. 1. p. 211, n°. 9. — Twee paren op aardbezie- 
planten in het begin van Junij te Warmond, Rits. 

126. Sel. cinereipes Kl. 

Een $ ia Maart bij den Haag, v. d. W. 

128. Sel. Ephippium Panz. 

Var. met zwarten thorax bij Rotterdam, Fransen. 

145a. Sel. brevicornis KI. 

Klug, Maff. Beri VIII, p. 65, n». 39. — Vijf exempl. bij Rotter- 
dam, Fransen. Een in Holland, Perin. 

146. Sel. testudlnea KI. 

Een ^ op "Walcheren , Gerth v. Wijk. 

148. Sel. Crataegi KI. 

In het midden van Mei te Brammen, v. V. 

149a. Sel. fulvicornis F. 

Fabr. .S'. P. 38, 45. Klug, ßlag. VIII, p. 61, no. 33. — Hart. I. I. 
p. 278, n°. 44. — Den 2deu Mei bij Arnhem een Ç, v. Med. de Rooij. 

149&. Sel. repanda Kl. 

Klug, Maff. Vili, p. 77, n«. 64. Hart. / /. p. 279, n". 45. — Een 
wijfje in het voorjaar te Leyden uit eeuc larve in den stengel van 
fijne rozen, v. V. 

150«. Sel. varipes KI. 

Klug, Maff. VIII. p. 68. n". 47. — Hart. l. l. p. 279, n". 47. — 
Een wijfje in het Haagsche bosch in Julij, v. V. 

151. Sel. cinxia KI. 

Een $ met slechts een gesloten cel in de ondervleugels, 24 Julij 1875 
bij Hilversum, een normaal te Noordwijk 28 Augustus en een op 
den Engelenburg bij Brummen iu Mei, v V. 

160a. Sel. aperta Hart. 

Hart. Blattw. p 282, nf. 58. — Bij Velp in Julij , Rits. — Eeu klein 
mannetje bij Rotterdam, Fransen. 

162. Phymalocera aterrmia Kl. 

Eenige exx. in het Haagsche bosch in Mei en op Rhieuderstein bij 
Brummen, v. V, 

164. Athalla Rosae L. 

Te Velp in Julij, Rits. 



NEDERLANDSGHE HYMENOPTERA. 215 

164«. Alhalia iugens Kl. 

Klug, Blnttw. in Mag. VI [. p. 129, n". 3. — Hart BlaU. und Holzto. 
p. 285, n». 3. — Ken J 5 Julij aan de Vogelenzang , Kits. — Twee 
voorw. uit cocons in liet zand gevonden, idem. — Een 10 Julij bij 
Leyden , v. V. — Twee bij Rotterdam, Fransen. 

172. Macrophya neg leda Kl. 

Een 5 bij Rotterdam, Eranseu. — Mannetjes tamelijk gemeen op aard- 
bezieplanten in het laatst van Mei bij Brummen, v. V. 

174. Macr. stngosa F. 

Eenige voorwerpen in Limburg, Manvissen 

175«. Macr. erythrocnema Costa. 

Costa, Fauna del Regno di Napoli, Parte 3«. Imeuott. p. 77, n". 7. — 
Twee $ met wit labrum te Houthem in IJmburg in Maart, Riaur. 

177. Macr. quadrimacìUata F. 

Eene var. van het ^ in Mei bij Leyden, v. V. 

177(7. Macr. rustica L. 

Hart. Mafi'v p. 294, n". 11. Panz. Fauna Germ. 71, 10 e? et 64, 10 
? — Een man bij Velp in Junij 1874, Rits 

178. Macr. 12 punctala L. 

Een man in het laatst van Mei bij Brummen, v. V. 

179«. Macr. alboaniulata Costa. 

Costa, Fauna del regno di Napoli HI p 78, n". 8. Tav. 72, f. 6. — 
Een $ bij Rott., Fransen. 

Y19h. Macr. nov. spec. 

Verwant aan Crassula Kl. (Zie Klug, Mag.yiìl, p. 124, u». 92, doch 
daarvan onderscheiden evenzeer als van Klugii, mihi. — Een wijfje 
bij Rotterdam, Fransen. 

184«. Macr. variegata Kl. 

Klug, Blattw. in Mag Vili, p. 129, n«. 99. Hart. Blatiw p. 29G, 
n°. 22. — Een wijfje 24 Mei 1875 bij Brummen, v. V. 

1846. StrongylogasLer cingulatus F. 

Hart, l l. p. 300, n». 8. — Ecn wijfje bij Venlo, v. d. Brandt. 

185. Tenth redo hicolor Kl. 

Bij Schoonhoven in Mei 1870, de Graaf. 

186. Tenlhr. nitida Kl. 

Twee mannetjes met gewijzigd aderbeloop en ecn wijtjc bij Rotterdam, 
Fransen 

188. Tenthr. agilis Kl. 

Uit eene larve in een rietstengel bij Leyden opgekweekt in INlei, Rits. 

■i92. Tenthr. mandibularis Pz. 

Een man bij Rotterdam, Fransen. 

192«. Tenthr. procera Kl. 

Klug, in Mag. Nat. Fr. Vili, p. 207, n". 157. Hart. BlaHw. p. 305, 
n°. 23, — Eeu man bij Rotterdam, Fransen. 



216 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

193. Tenthredo atra L. 

In het laatst van Mei aan de Oude Plas bij Rotterdam twee «ijtjcs, 
Fransen. — Te Warffum, Ritzema Bos. 

197. Tenthr. plda KL 

Bij Rotterdam, Fransen. — Bij Arnhem in Mei, v. Med. de Rooij. 

202. Tenthr. hicincta L. 

Een $ in Mei bij Breda, Heyl. 

204«. Tenthr. velox F. 

Fabr. 5. P. 34, 24. Klug, in 3Iag, VIII, p. 185, no. 123. Hart- 
Blaitw. p. 312, no. 54. — Een wijfje 20 Mei bij Rhoon, Iv. Schapman. 

206. Tenthr. colon KL 

In Julij in het Haagsche bosch op heksenkruid, v. V. 

208. Tenthr. rufiventris F. 

Een wijfje bij Rotterdam , Fransen. — Een dito 24 Mei te Rhoon , Iv. 
Schepman. 

208«. Tenthr. conspicua KL 

Klug, in 3Jaff. Natiirf. Fr. VlIF, p. 180, n». 117. — Hart. Blatiw. 
p. 313, no. 61. — Een ^ 8 Junij aan het Ginneken, v. V. — 
Een Ç aldaar denzelfden dag , Rits. 

209«. Lyda eryihrocephala L. 

Linn .S'. ^. ed. XI, 558, 26. — Paiiz. Fauna Germ. 7, 9. — Klug, 
in Maff. Nat. Fr. IL p. 280, n^ 16. Hart. l. l. p. 326, no. 1. — 
Beide sexen bij Arnhem op het eind van April en in het begin van 
jSIei, V. Med. de Rooij. 

210. Lyda pratensis F. 

Een wijfje in Holland, Pcrin. 

210«. Lyda Betulae L. 

Linn. S JV. ed. XI. 559, 32. — Pauz. Fauna Germ. 87, 18. — Klug, 
in Mag. II p. 273, n». -3. Hart /. /. p. 334, no. 5. — Een wijfje 
bij Wolfheze 31 Mei 1872, v. Med. de Rooij. — Een Ç bij Rhoon 
in Junij 1874, Iv. Schepm. 

210^. Lyda hypotropica Hart. 

Hart. Blatt, mul Holzw. p. 336, no. 8, PI. 7, f. 1—15. Ratz. Forstins. 
III. p. 81, PI. 1, f. 4. — Een $ bij Venlo, v. d. Brandt. Een bij 
Arnhem, v. Med. de Rooij. 

214. Lyda depressa Sehr. 

Vier wijfjes in Holland, Fransen ' 

215. Lyda sylvatica L. 

Bij Arnhem, v. Med. de Rooij. — 26 April bij den Haag, v. d.W. 

Fam. 2. Siricidea. 
221. Cephus pygmaeus L. 

Een man op Walcheren, Gerth van Wijk. 



Nb:DERLANDSCllE HYMENOPTEUA. 217 

222«. Cephus tabidus F. 

Fabr. .S. Ent. p. 326, n». 8. Klug, Mon. Sirie, p. 56, n". 8. — Twee 
voorw. bij Utrecht 30 Jiuiij, Rits. 

224o^. Cephus Immaculatus Steph. 

Steph., lUtisir. VII, p. 107, n". 10. — Zeven exi. waarvan 4 ge- 
paard , iu boterbloemen aan het eind van het Haagschc Bosch 1 Juuii 
1874, v. V. "' 

225, Janus fenioralas Curt. 

Aan liet Ginneken 8 Junij , v. V. 

227. Xiphydrki üromedarms F. 

Twee paren in Holland, Fransen. 

229. Sirex Juvencus L. 

Eene fraaije var. $ (afgebeeld bij Klug, Mon. Sirie. IV, f. 3) in de 
Scheveningsche boschjes in Sept. 1875, Mr. Thoin, vau Stolk. 



Farn. 3. Cynipidea. 
231. Cynlps Rollar l Hart. 

Bij Breda, Heyl. 

235. Cyn. foecundatrix Hart. 

Is Cynips Gemmae L. - IJe gallen in overgroote menigte bij Doorn, 
V. V. — De wesp in April bij Arnhem, v. Med. de Rooij. 

23Ga, Cyn. autumnalis Hart. 

Hart, in Germ. Zeit. III, p. 336, n». 15. — Schenck, Cyn. Nass p. 
183, no. 11. — Een ? bij den Haag in Maart, Leesb 

239. Andricus quadrilineatus Hart. 

Bij den Haag in April, v. Hass. en Everts. 

245. Neuroterus lenticularis Oliv. 

Bij Overveen in Maart, Rits. — De gallen in Oct. te Driebergen, Six. 

247. Neur. Réaumuvii Hart. 

De imago bij den Haag in Maart, Six en v. V. — Op AValcheren, 
Gerth van Wijk. 

251. Teras lerminalis F. 

Een $ in de Scheveningsche boschjes 22 Julij, v. A'. 

252. Biorhiza aptera F. 

Bij Haarlem in tamelijke menigte uit de gallen , Groll. 

253. Rliodites Rosae L. 

Bij Enipe, in Aug. v. d. Wulp 

257. Spathegaster Baccarum F. 

In den zomer van 1874 wederom uit gallen van eiken acliter de Scli(>- 
veningsche boschjes met lorymus auratus Fonsc. v. V. 



218 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

259. Spathegaster aprilimis Gir. 

In April bij den Haag in liet duin, v V. 

267. Synergus facialis Hart. 

Uit gallen van Cynips Gemmae L. , gevonden te Doorn, v. V. 

272. Sgn. pallicornis Hart. 

Bij den Haag in Mei, v. d. W. 

280. Encolla maculata Hart. 

In menigte 12 Nov. bij Wassenaar, v. V. 

280«. Eue. longicornis Hart. 

Hart, in Germars Zeit. II, p. 201, no. 4. — Giraud, l'erh. Zool. Bot. 
Ges. m Wien, X, p 138, n". 11. — Een ^ bij den Haag, Six. — 
Een î aldaar 27 Sept. v. V. 

2806. Eue. basalis Hart. 

Hart, in l.l. p. 201, w°. 6. — In Sept. bij den Haag, v. V. 

284. Eue. ßoralis Dahlb. 

Een wijfje bij den Haag, Six. 

285«. Eue. geniculata Hait. 

Hart, in l.l. p. 201, n«. 12. — Giraud, Verk Zool. Hot. X. p. 145, 
n«. 30. — Een $ bij den Haag, Six. — Een in Maart bij Leyden, 
Everts; twee in Maart aldaar, v. V. 

289«. Figites politus Gir. 

Giraud, Verh. Zool. Bot X. p. 151 , n". 5 $. — Een ^ bij Katwijk , Perin. 

290. Fig. scutellaris Latr. 

Beide sexen in aantal te Katwijk in Julij , Perin. 

291«. Fig. striolatus Hart. 

Hartig in Gerin. Zeit. II, p. 302. Reinh. in Beri. Zeit. IV. p. 232 
no. 3. — Een wijfje in het laatst vf.n Junij bij den Haag, v V. 

293. Oegilips Dalmanni Reinh. 

In Holland, Perin. 

294. Amblynotus opacus Hart. 

Een wijfje op Walcheren, Gerth van Wijk. 

294«. Sarothrus areolatus Hart. 

Hart. in Germ. Zeit. IL p. 203 ^ et [ÄmpMtectm Bahlbomii) $ — 
Reinh. in Beri. Zeit. IV. p. 227, PI. IV, f 5. — Een wijtje in 
Augustus bij Velp, Rits. 

2946. Anacharis immunis Walk. 

Walker, Eat. Mag. II. p. 521. ntiük.m Beri. Zeit.lN ,^. 21 , n». 3. — 
Een man te Crooswijk 25 Mei, Piaget Een dito bij Wassenaar 24 
Mei, v. V. 

294r. An. typiea Walk. 

Walk. But. Mag. II. p. 520. Reinh. in Beri. Zeit. IN. p. 215. PI. IV. 
f. 1. — Een ? in Mei by deu Haag, Six. 



NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 219 

Fam. V. ICEINEUMONIDEA. 

301. Chasmodes motatorius Grav. 

Een wijfje bij den Haag, Leesb. Een ander 16 Mei in het Haagsche 
Bosch op eschdoornbladeren, v. V. 

302. Exaphanes hilaris Grav. 

Eenige voorwerpen, waaronder ook eeue fraaije verscheidenheid $ bij 
Rotterdam, Fransen. 

302«. Ex. occupator Gr. 

Grav. IcJm.l, p. 425, n». 166 i et 270, 89 var. 5. $. Wesm. IchiL 
Belg. p. 17, n". 2. — Twee wijfjes bij Rotterdam, Fransen. 

3026. Ex. fulvescens Voll. 

Volleuh. Phiacogr. p. 5. PI. 2, fig. 5. — Bij Rotterdam , Fransen. 

302c. Ichneumon lineator Vili. 

Fabr. S. P. 67, 76 {Narrator) et 87, 70 {Lineator). Grav. IcJm. I, p. 
120, n». 9. Wesm. lehn. Belg. p. 21, n«. 1. — Een wijfje bij Rot- 
terdam, Fransen. 

304. lehn, riißcauda Wesm. 

Eeu Ç bij Rotterdam, Fransen. 

306. lehn, fusorius L. 

Een J* met donkere vleugels in het duin bij Scheveningen 22 Aug. 
1873, V. V. 

307. lehn, bilineatus L. 

Een wijfje bij Rotterdam, Fi'ansen. — Een wijfje 22 April bij Breda, 
Heyl. — Een man in Jülij üit Grossulariata verkregen te Schev., 
V. d. W. 

308. lehn, sugillatorms L. 

(De naam te veranderen in Cyaniventris Wesm.) — Een w\jfje aan het 
Ginneken, W. Alb. 

310. lehn. guUiger Wesm. 

(De naam te veranderen in Sugillatorius L.) 

311«. lehn, comitator Grav. 

Gïa.v. Ie/m. Eur. I. p. 108, u». 2. — Wesm. lehn. Belg. p. 30, n«. l7. 
Een wijfje bij Rotterdam, Fransen. 

312. lehn, leueoeerus Grav. 

Beide sexen 27 en 28 Mei bij Breda, Heyl. 

312«. lehn, derasus Wesm. 

Wesm. lehn. Belg. p. 31, n". 19. Holmgr. lehn. Sitec. p. 33. — 
Een i} , waarschijnlijk bij Leyden, Well. 

3126. lehn, castaniventris Grav. 

Grav. lehn. E. I. p. 556, u«. 233 ? et 539, n». 224 <? (Eaemorrhoi- 
dalis). Wesm. l. l. p. 32, n«. 21. ~ Een man 27 Mei 1875 up 
Rhienderstein bij Brummen, v. V. 

Iß 



220 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

313. Ichneumon gemellus Grav. 

Eeu man met rood aan de basis der achtertibien , 20 Mei 1875 bij 
Brummen, v. V. 

345. lehn, scutellator Grav. 

Een $ bij Rotterdam , Fransen. 

316. lehn, deliratorius F. 

De naam van Fabricius is onzeker; de soort moti MuUiannulatus Grav. 
heeten volgens Holmgren (p. 50). 

317. lehn, grossorius F. 

Een Ç op de heide bij Venlo in eikenstruiken, v. d. Br. 

318a. lehn, quaesitorius L. 

Fabr. S. F. 57, 18. — Grav. Ic/m. Eur. I. p. 253, n«. 84. — Een 
man aan de Vogelenzang 5 Julij 1873, Rits. 

3186. lehn, raptorius L. 

Grav. lehn. Utir. I. p. 286 n°. 97. Wesmael, lehn. Belg. p. 43, 
n°. 37. — Een wijfje met een wit streepje op het 4de segment bij 
Arnhem in Junij , v. Med. de Rooij. 

322, lehn, computatorius Muil. 

Een 2 bij Rotterdam , l'ransen. — Een dito in het Ulvenhoutsche bosch 
8 Junij , Rits. 

322«. lehn, inquinatus Wesm. 

Wesm. Ickn. Belg. p. 53, n". 46. — Een $ bij Rotterdam, Fransen. 

323, lehn, semiorhltalis Grav. 

Een mannetje aan den Bezuidenhout 20 Sept. 1874. 

324, lehn, extensorlus L. 

Opgekweekt uit Noctua Sparganii, Fransen. 

326. lehn, luctatorius L. 

Eeue fraaije variëteit $ bij Arnhem, v. Med. d. Rooij. 

327. lehn, sarcitor'ius L. 

Een man te Soeterwoude in Julij , Rits. 

328a. lehn, buceulentus Wesm. 

Wesm. lehn. Belg. p. 61, n". 56. — Het wijfje eenige malen bij den 
Haag, Everts. — Een wijfje 27 Maart by Arnhem, v. Med. de Rooij. 

329. lehn, latrator F. 

Een ^ bij den Haag en een J 10 Mei te Utrecht, Sii. — Een wijfje 
in April by Wassenaar, v. V. 

330. lehn, himaculatorius Panz, 

Een man te Venlo in Sept. v. d. Brandt. 

831a. lehn. Faunus Grav, 

Grav. lehn. I, p. 249, n". 805 et p. 157, n". 29 {Zeucopygiis).'WesTii. 
lehn. Belg. p. 66, n". 63. Wesm, Mant. 32, var. 2. Holmgr. lehn. 
Suec. p. 136. — Een ^ bij Rotterdam, Fransen. Een wijfje van de 
variëteit Leucojpygm bij Wassenaar 12 Oct. v. V. 



^'EDERLANDSGHE HYMENOPTERA. 221 

332. Ichneumon annulator F. 

Twee wijfjes 8 Jueìj 1873 iu het Ulvenhoutsche Bosch, v. V. en twee 
anderen mede aldaar. Rits. 

333. lehn, nigritarlus Grav, 

De var. Aethiops bij Wolfheze 12 Junij 1874, v. Med. de Rooij. 

333a. lehn, digrammus Grav. 

Grav. lehn. Eur. I. p. 179, ii°. 43. — Een man in het najaar in de 
omstreken van dea Haag, Six. 

336. lehn, luteiventris Grav. 

Een man bij Arnhem in Mei, v. Med. de Rooij. 

337a. lehn, pseudonymus Wesm. 

Grav. lehn. Eur. p. 114 var. 2 Nigritarii. Wesm. lehn. Belg. p. 76» 
n«. 74. — Een wijfje uit Borni, reclusa in Mei, Snellen. 

339. lehn, eulpator Grav, 

Een wijfje bij Rotterdam, Fransen. 

339a. lehn, albinus Grav. 

Grav. lehii. Eur. I, p. 156, n». 28. Wesm. lehu. B. p. 82, n". 83. 
Een $ op Walcheren, Gerth v. W, 

340. lehn, albosignatus Grav, 

Een man te Oosterbeek in Julij, Rits. 

341. lehn, monostagon Grav. 

Een $ in het duin van Scheveningen 16 Aug. 1873, v. V. 

343. lehn, ßavatorius Panz. 

Bij Nijkerk, t. Med. de Rooij — Een bij Rotterdam, Fransen. — 
Een $ 26 Aug. aan het Ginueken, W. Alb. 

343a. lehn, anator Grav. 

Grav. /. l. p. 250, n». 81. Wesm. lehn. B. p. 220, n». 92 b. — Een 
mjfje op Walcheren, Gerth v. W. 

344. lehii. tergenus Grav. 

Een wijfje bij den Haag in Februarij, Leesb. 

349. lehn, hilunulatus Grav. 

Een $ 15 Oct. bij Venlo, v. d. Brandt. 

350a. lehn, diserepator Wesm. 

Wesm. Ick7i. B. p. 102, n". 110. Grav. lehn. Eur. I. p. 632, no.273, 
Ertjthraes? — Een $ bij Venlo, v. d. Brandt. 

352. lehn, ochropis Gmel. 

Een $ bij den Haag in Junij, v. d. W. 

353. lehn, rußfrons Grav. 

Een $ bij den Haag in Junij , v. V. 

353a. lehn. Lanius Grav. 

Grav. Ichu. I. p. 499. u». 204 b. Wesm. Mm. B. p. 105, n". 114. 
Holmgren , lehn. Suée. p. 158 , n». 94. — Eeu $ bij den Haag , Sii. 
Een ander in Mei 1872 bij Leyden , een iu Mei bij den Haag en een 
vierde in Mei 1875 bij Brummen, v. V. 



222 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

353&. Ichneumon albilarvatus Grav. 

Grav. lehn. Stir. I. p. 563, n". 236. Wesm. I. I. p. 106, n». 115. — 
Een J' tij Kotterdam, Franseu. 

351a. Hoplismenus perniciosus Grav. 

Grav. Ic/in. Eur. II. p. 413, n«. 3. Wesm. lokn. Selff. p„ 108, n". 1. — 
Eea wijfje in Holland, Havelaar. 

358. Amblyteles fasciatorius F. 

Een 2 in het duin achter Zorgvliet 16 Aug. 1873, v. V. — Beide sexeu 
bij Arnhem, v. Med. de Rooij. 

359, Ambi, natatorius F. 

Een 2 op Schothorst in Julij 1871, v. V. — Een zeer fraai geteekend 
wiifje 20 Julij 1874 te Leydcn, Rits. 

364. Ambi, vadatorius 111. 

Een $ bij Rotterdam, Fransen. 

366. Amhl. occisorius Grav. 

Een man bij Rotterdam , Fransen. — Een wijfje bij Wassenaar in Junij , 
Perin. — Een man en 4 wijfjes bij Middelburg, Gerth v. Wijk. 

366(1. Ambi, amatorius Müll. 

Grav. Ickn. Eur. I. p. 315, n«. 112 ?. Wesm. lehn. Belg. p. 123, 
n». 17. — Een wijfje 11 Mei bij Arnhem, v. Med. de Rooij. 

368. Ambi, uniguttatus Grav. 

Nogmaals de2elfde verscheidenheid in Julij in het duin, v. d. W. Het 
wijfje [Fumigator] in Limburg, Maur. 

369. Amhl. Goedarti Grav. 

Een 2 in Holland, Hav. 

373. Ambi. CasÜgator F, 

Bij Voorburg in September, Schepman. 

374. Ambi, antennatorius Panz. 

Een wijfje in Mei bij Wassenaar, Perin. — 24 Mei bij Arnhem, van 
Med. de Rooij. 

378. Ambi, mesocastanus Grav. 

Een wijfje in Julij bij den Haag, v. V. 

379. Ambi, melanocastanus Grav. 

Een wijfje 24 Julij bij Venlo, v. d. Brandt. 

380. Ambi. Panieri Wesm. 

Vijf mannetjes, waarvan 2 met zwarte dijen, bij Rotterdam, Fransen. 
— Een wijfje bij Soeterwoude in Aug., Perin. 

384. Trogus lutorius L. 

Bij Groningen, Ritzema Bos. 

385. Trog. alboguttatus Grav. 

Een wijfje bij Arnhem 11 Junij 1874, v. Med. de Rooij, 



NEDER LAND3CHE HYMENOPTERA. 223 

386. Probolus fossor'ms F. 

Een wijfje bij Empe, v. d. W.— Een ander in Aug. bij Oisterwijk, v. V. 

387. Platylahus dimidiatus Grav. 

Een $ 27 Sept. in het Haagsche Bosch op Lamum album, v. V. — 
Een dito bij Arnhem v. Med. de Rooij. 

389flt. Apaeleticus flammeolus Wesm. 

Wesm. lohn. Belg. p. 168, n«. 2. — Een Ç te Leyden, v. V. 

393ö^, Dicaelotus pumilus Grav. 

Grav. lehn. Eur. I, p. 152, n«. 26. Wesm. lehn. Belg. p. 175. — 
Een % in de Scheveningsche boschjes in Sept. Six. — Een $ in Mei 
bij den Haag, v. V. 

395. Phaeogenes primarius Wesm. 

Een wijfje 16 Aug. bij den Haag, v. d. W. — Een dito bij Venlo, 
V. d. Brandt. — Een ander 24 Julij bij Hilversum, v. V. 

397ö^. Phaeog. stimulator Grav. 

Grav. lehn. Eur. I. p. 143, n». 21. Wesm. lehn. Belg. p. 184, n". 6. 

— Een wijfje te Noordwijk in Julij , Rits. 

398. Phaeog. ischiomelinus Grav. 

Een mannetje in Holl. Perin. — Twee wijfjes bij den Haag in Sept. de Gr. 

398a. Phaeog. argutus Wesm. 

Wesm. lehn. Belg. p. 201, n". 34. — Een ^ met wit schildje op 
Sterkenbm'g in 't begin van Aug. v. V. — Een man nonnaal te 
Overveen 2 Julij, Rits. — Een dito in Julij op Wikkenburg, Wtt. 

— Een wijfje 12 Nov. bij Wassenaar, v. V. 

399a. Aethecerus dïspar Wesm. 

Wesm. lehn. Belg. p. 203 , n". 1. — Een man bij Hilversum 25 Julij 
1875, V. V. 

399Ò. Dladromus troglodytes Grav. 

Grav. lehn. Eur. I. p. 587, n». 246. — Wesm. 1. 1. p. 207, n°. 1. — 
Een wijfje te Noordwijk 1 Oct. 68, v. V. — Een dito 20 Julij 74, 
en later nog een derde uit popjes van Cerosioma uit het Haagsche 
bosch, de Gr. 

400a. Oronotus binotatus Grav. 

Grav. lehn. Eur. II. p. 721 {Phggadeuon binot.) Wesm. lehn. Belg. p. 
214 {Or. coarctatus sib.). — Een $ bij Scheveningeu 13 Julij , v. V. 

4006. Ischnus thoracicus Grav. 

Grav. lehn. Eur. I. p. 647. — Wesm. 1. 1, p. 215. — Een mannetje 
op Walcheren, Gerth v. W. — Eeu dito 3 Julij bij Veulo, v. d. Brandt. 

401. I sehn, truncator F. 

Een eenigzins afwijkend wijfje bij Rotterdam, Fransen. 

402. Alomya ovator F. 

Drie mannen, waarvan 1 var. nigra en de anderen intermediair bij 
Leyderdorp in Mei , Rits. — Drie mannen , waarvan 1 var. idgra , in 
het laatst van Mei aan de vaart van den Haag naar de Geestbrug , v. d. W. 



224 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

403, Stilpnus gagates Grav. 

Een $ bij dea Haag, Leesb. — Een ^ in Gelderland Aug. 65, v. V. 

404, St. Manaus Grav. 

Een wijfje in Junij bij den Haag, v. d. W. 

405, Exolytus laevigatus Grav. 

(Het genus moet verplaatst worden en ingelascht achter Atractodes). 
Een man 5 Sept. bij RMjnsburg en een J in Aug. bij Naaldwijk , v. V, 

406«. Phygadeuon jucundus Grav, 

Grav. Ic/m. Eur. II, p. 658, n". 161. — Een man op Wikkenburg 
in Sept., "Wttew. 

4066. Phyg. leucostigmus Grav. 

Grav. l.l. p. 667, n°. 166. — In Zuid-Holland, Perin. 

406c. Phyg. Dumetorum Grav. 

Grav. l.l. p. 669, n». 168. — Een J" bij den Haag, Six. 

409. Phyg. quadrispinus Grav. 

Een <J in Oct. bij den Haag en een ander 8 Sept. in het duin aldaar , v. V. 

410. Phyg. abdominator Grav, - 

Twee wijfjes te Velzen half Junij en twee in het Ulvenhoutsche bosch, 
8 Julij, Rits. 

41 la. Phyg. vagabundus Grav. 

Grav. Ickn. Eur. II. p. 735, n». 205. — Een man in Holland, Perin. 

412a. Phyg. gravipes Grav. 

Grav. l.l. p. 740, n». 209. — Een wijfje in Aug. bij Leyden, Rits. 

415a. Linoceras macrobatus Grav. 

Grav. lehn. Eur. II, p. 440, n". 15. — Een $ te Velp in Aug. Rits. 
— Een ^ 8 Aug. bij Venlo, v. d. Br. 

417. Cryptus tarsoleucus Sehr. 

Een man bij Rotterdam, Fransen. 

417a. Cr. spiralis Fourcr. 

Grav. Ickn. Eur. II. p. 454, n». 23 et p. 447, n". 18 $ {Inconspicuus) 
Verg. Taschenberg, Cryptides, p. 71, n». 5. — Beide sexen bij den 
Haag, Six. 

418. Ct. parvulus Grav. 

In Mei 1870 een ? bij Leyden, v. V. 

420.aCr. leucopsis Grav. 

Grav. lehn. Eur. II. p. 467, n«». 32. — Een $ op "Wikkenburg in Julij, W'tt. 

421. Cr. viduatorius F. 

Twee mann, in Holland, Perin. — Een wijfje bij den Haag, Six. 

422. Cr. cindorius F. 

Wijfjes: bij Leyden 1 Mei, Rits.; 2 bij Rhijnsburg 5 Sept. v. V.; bij 
Rotterdam, Fransen. 



NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 225 

423. Cryptus assertorius F. 

Een man te Velp in Aug. Rits. — Een wijfje bij den Haag in Oct. 
Six. — Beide sexen 24 Julij 75 bij Hilversum , v. V. 

423«. Cr. perspicillator Grav. 

Grav. lehn. Eur. II. p. 503, n«. 55. — Een man in Aug. bij Wort- 
fihede in Gelderland, v. V, 

423?^. Cr. brevicornis Grav. 

Grav. 1. 1. II. p. 511 , n". 61. — Een man in Mei aan het Ginneken, Rits. 

424«. Cr. leucostomus Grav. 

Grav. Ichi. Eur. II, p. 531, n". 78. — Een man in Julij 1871 op 
Schothorst bij Amersfoort, v. V. 

4246. Cr. albatorius Vili. 

Grav. /. /. p. 536 , n". 82. — Een man 8 Junij in het Ulvenhoutsche 
bosch, Rits. 

425. Cr. ischioleucus Grav. 

Eene mannelijke var. bij Katwijk in Aug. v. V. 

426. Cr. Dlcmae Grav. 

Een 16 Junij 71 te Scheveningen, een aan het Ginneken in Junij en een 
^ 18 Mei bij Naaldwijk , v. V. — In Sept. aan het Ginneken, "W. Alb. 

427. Cr. obscurus Gmel. 

Een zeer groot wijfje in Junij bij Velp, Rits. 

428. Cr. Sponsor F. 

Bij Rotterdam, Fransen. 

429. Cr. Titillator L. 

Fabr. 5. P. 86, 68. Grav. Ichi. Eur. II. p. 564, n". 98. Thoms. 
Opusc. p. 493, n°. 4. — Beide sexen bij den Haag, Six. — Aldaar 
iu het midden van Mei een $, v. d. W. 

4296. Cr. clypearis Thoms. 

Thomson, Opusc. p. 494, n". 6. — Een wijfje in Junij bij Scheve- 
ttingen, v. d. W. 

432, Cr. Peregrinator L. 

Bij Scheveningen in Julij, v, d. W. — In Junij te Voorst, v. V. — 
Bij Rotterd. Fransen. 

432«. Cr. nubeculatus Grav, 

Grav. lehn. Eur. II. p. 611, n». 125. — Een ? op Walcheren, Gerth 
V. W. Eene var. J met zwarte achterdijen in Maart uit Lophyrut 
catocalus, v. V. 

434. Cr. ornatus Grav. 

Bij Rotterdam, Fi'anseil. 

435. Cr. erythr'mus Grav. 

Een Î in Aug. bij den Haag, v. V. 

436. Cr. Carnifex Grav. 

Twee wijfjes bij Rotterdam gevangen en een gekweekt uit Noot. palu- 
dicola, Fransen. 



226 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

436a. Cryptus Sanguinator Desv. 

Desvignes Cat. Brit. lehn. p. 50, n". 56. — (Ik geloof niet dat San- 
guinator Rossi (Grav. Ill, 918j dezelfde soort is). Een wijfje op 
Walcheren, Gerth. v. Wijk. 

438a. Mesostenus Ligator Grav. 

Grav. lehn. Eur. II. p. 760, n«. 222. Thomson, Forsök Cri/pti p. 515. 
Beide sexeu bij Rotterd. Fransen. — Een $ in Holland, Perin. — 
Beide sexen in Junij bij Velp, Rits. — 3 mannetjes in het laatst 
van Mei op doornhagen bij Brummen , v. V. 

442. HemUeles fiUvipes Grav. 

Een wijfje bij den Haag, Leesb. 

443. Hem. similis Gmel. 

Een Ç op Walcheren, Gerth v. W. — Een dito 18 Oct. bij den Haag, 
de Graaf. 

444. Hem. pictipes Grav. 

Een wijfje 1 April bij Venlo, v. d. Br. 

446. Hem. rufocitictus GraV. 

Bij Wassenaar in 't laatst van Mei, v. V. 

448. Hem. Palpator Müll. 

Uit een kokertje van Tal. nitidella bij den Haag, v. d. W. — Een ^ 
in Sept. te Ley den, v. V. 

448«. Hem. inimicus Grav. 

Grav. lehn. Eur. II, p. 824, n". 254. — Een wijfje 17 AUg. bij 
Rotterdam, v. V. 

453. Hem. Areator Panz. 

Bij Scheveningen in Maart , v. Hasä. — Een $ 12 Jülij uit Cer. cos- 
tella , de Gr. — Een J" van de var. beschreven bij Grav. in het 
najaar bij den Haag, Six. 

454. Hem. Cingidator Grav. 

Bij Leyden 12 Junij 2 wijfjes , en een fraai voonverp te Oosterbeek 
iu Julij , Rits. — Een $ in Julij bij den Haag, de Gr. 

455. Hem. bicolorinus Grav. 

Half Julij een wijfje bij den Haag, de Gr. 

462. Agrothereides Hopei Grav. 

Bij Rotterd. Fransen. — Bij de Haagsche Schouw, Perin. — Bij 
Breda, Leesb. 

463. Agr. Batavus Voll. 

Eene var. $ te Velp in Julij, Rits. 

464. Aptesis nigrocincta Grav. 

Onder mos in Febr. en in het najaar bij Wassenaar en Valkenburg 
7 exx. Perin. — Onder aanspoelsel in het voorjaar bij Breda, Heyl. 
— 13 Sept. bij Leyderdoi-p, Rits. 

468a. Apt. brachyptera Grav. 

Grav. lehn. Eur. II. p. 876. Panz. Fauna Germ. 71, f. 17 {Äbbre- 
viator). Forst. Mon. Fezoin. p. 43 , n". 9. — Een $ bij den Haag , Six, 



NEDERLANDSGHE HYMENOPTERA. 227 

469. Theroscopus pedestrls F. 

Bij Wassenaar in Nov. Periu. 

470, Pezomachus fasciatus F. 

In Junij te Voorst, v. V. — Bij Rotterdam, Fransen. 

474rt. Pez. nigritus Fürst. 

Fürst. ìlon. Pes. p. 80, u". 19. — Eeu wijfje bij den Haag, Six. ' 

472a. Pez. immaturus Foist. 

Forst. Mmi. Pez. p. 225, u«. 150. — Een $ bij Utrecht, Six. 

474«. Pez. instabilis Forst, 

Forst. Mon. Pez. p. 142, n". 110. — Een % bij den Haag, Six. 

4746. Mesoleptus facialis Grav. 

Grav. lehn. Eur. II. p. 12 , n». 4. — Een $ in Mei aan het Ginneken, Rits. 

477. Mes. rußcornis Grav. ' 

Eene vrouw. var. met veel bniiu geteekend, in HoU. Hav. 

477rt. Mes. xanthostigma Grav. 

Grav. Ic/in. Eur. II. p. 55, n". 33. — Holmgr. Mon 'In/p/i. p. 102, 
n». 5. — Bij Rotterdam, Fransen. 

477/^. Mes, vulneratus Zett. 

Zett. Ins. Lap. 387, 18. Holmgr. Mon. p. 102, n». 6. — • Een i 16 
Julij bij Venlo, v. d. Brandt. 

479. Mes. Typhae Fourcr. 

In Mei 74 aan het Ginneken , Rits. — In Julij bij Brummen , v. V. 

480«. Mes. femoralis Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Tryph. p. 105, u°. 15. — In Julij bij Brummen, v. V. 

4806. Catoglyptus fortipes Grav. 

Grav. Jc/^M. £«;•. II. p. 85, n". 50. — nee Holmgr. Mon. n". 1, die het 
abdomen als zwart beschrijft. — Een $ bij Rotterdam , Fransen. — 
Een $ in Junij 74 bij Velp en een $ in den Aerenhout half Juuij, 
Rits. 

481«. Cat. foveolator Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Tri/ph. p. 108, n". 4. — Een wijfje 16 Junij bij Vel- 
zen, Rits. — Een var. $ in Julij op Schothorst, v. V. — Een var, 
$ op Walcheren , Gerth v. W . 

482. Cat. fascicornis Gmel. 

Perin ving een wyfje, dat het midden houdt tusscheu Fascicornis en 
Foveolator en aantoont dat deze vermeende soorten een zijn 

483«. Euryproctus nemoralis Fourcr, 

Grav. l. l. II. p. 70, n". 42. Hohngr. Mon p. 110, n". 3 — Een ? 
19 Junij op de laan van Nieuw Oostindie bij den Haag, v. V. 

4836, Eur. tuberculatus Hlmgr, 

Holmgr. Mon. p. Ill, n». 6. — Op Wikkenburg in Sept. Wtt. 

16 



228 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

485«. Euryproctus nigriceps Grav. 

Grav. lehn, Eur. IL p. 202 , n«. 130. — Ratz. lehn. cl. Forst. I. p. 
126, n". 4. — Holmgr. Mon. Tryph. p. 113, n». 14. — Een 
wijfje in 't begin van Jnnij uit Cimbe.T Vitellinae van Enschede , v. V . 

486. Eur. geniculosus Grav. 

Op de Loolaan acliter liet Huis in 't Bosch 20 Sept. 74, v. V. 

489«. Perilissus seminiger Grav. 

Grav. Ickn. Eur. II. p. 93, n". 56. — Holmgr. 31mi. p. 121 Filicor- 
nis var. — Een wijfje in Nederland, Perin. 

4896. Peril, vernalis Grav. 

Grav. Ich. Eur. II. p. 294, n«. 197. Holmgr. Mon. Iryph. p. 122, 
n". 2. — Een klein wijfje in het Ulvenlioutsche Bosch 8 Junij , 
Rits. — Een grooter met meer rood aan het achterlijf 24 Mei bij 
Wassenaar, v. V. 

489c. Peril, bucculentus Hlmgr. 

Holmgr. Man.. Tn/ph. p. 123 , n". .5. — Een mann. var. bij Levden 
11 Junij 73, Rits. 

492«, Peril, pictilis Hlmgr. 

Holmgr. 31on. Tri/ph. p. 125, n». 11. — Een $ (var. 2) in het duin 
bij Waalsdorp 16 Aug. 74, v. V. — Een 5 op Wikkenburg in 
Julij Wtt. — Bij Rotterdam in Aug. Saell. 

494«. Eclytus fontinalis Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Tri/ph. p. 128, n"". 2. — Een man bij den Haag in 
Junij , Six. Een wijfje in het Haagsche Bosch 5 Sept. de Gr. 

497. Mesoleius auUcus Grav. 

Bij Rotterdam, Fransen. 

498. Mes. caUgatus Grav. 

Bij Rotterdam, Fransen. In Holland, Perin. 

500. Mes. opticus Grav. 

Een man in de Duif huislaan bij Leyden in Sept. Rits. — Een Ç bij den 
Haag in Sept. Six. 

500«. Mes. quadrilineatus Grav. 

Gvav. lehn. Eur. 11. -p. 320, u«. 207 (niet bij Holmgren). — Een wijfje 
in Junij bij den Haag, v. d. W. 

501. Mes. sanguinicollis Grav. 

Een w. met bruinen thorax in Sept. in de Duifhuislaan , Rits. 

502. Mes. haematodes Grav. 

Een 2 in Julij te Voorst, Wtt. 

502«. Mes. Lophyrorum Hart. 

Ratz. lehn. d. Forst. 1. p. 126, n*. 5. — Holmgr. Mon. Tryph. 
p. 138, n«. 14. — Een 5 met zwarte heupen in Julij aan het Gin- 
neken, Rits. 

504. Mes. formosus Grav. 

Een mannetje bij den Haag in Mei, v. V. 



NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 229 

505«, Mesoleius ophthalmicus Hlmgr. 

Holiiigr. Mon. Trijjih. p. 162, 11°. 76. — Eeu man ia Julij te Velp, 
Rits. 

508. Mes. Imolens Grav. 

Een 5 10 Oct. bij Scheveuingeu , v. d. W. 

511«. Mes. fraternus Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Tryph. p. 173 , n». 102. — Een wijfje in Aug. 73 bij 
den Haag, v. V. 

515. Tryphon elongator F. 

Bij Empe in Sept. v. d. W. 

517. Tr. vulgaris Hlmgr. 

Bij Naaldwijk in Julij, v. V. — Bij Brummen in 't laatst van Mei, 
V. V. — Bij Voorscboten in Julij , Rits. 

521. Tr. inceshis Hlmgr. 

Een man bij den Haag, Six. 

523«. Tr. Ephippium Hlmgr, 

Holmgr. Mon. Tryph. p. 190, u«. 13. — Eenige voorwerpen (bij 
LeydenPj Periu. — Een ? te Voorschoten in Julij, Rits. 

5236. Tr, brunniventris Grav. 

De var. Tulviventris Holmgr. Mon. p. 191, n", 15 — Deze var. bij 
Leyden , Welleub. 

524«. Euceros unifasciatus Voll. 

Te beschrijven. — Een wijfje in Junij bij den Haag, v. d. VV. Een 
ander in Oct. 73. bij Leyden, Rits. 

525. Polyhlaslm varltarsus Grav. 

Een wijfje 21 Julij op de heide bij Groot-Zundert, v. V. — Bij Soe- 
terwoude in Julij , Rits. — Bij Rijnsburg 5 Sept. v. V. 

526«. Pol. cephalotes Grav. 

Grav. lehn. Eur. II. p. 246, n». 159 mas. — Het vermoedelijke 
wijfje 26 Julij binnen 's huis te 's Gravenhage, v. V, 

527. Pol. sphaerocephcdus Gr. 

Eene var. met zwart aangezigt in Aug. bij Roozendaal, v. V. 

527«. Pol. mutabilis Hlmgr. 

Holmgr. 3Jon. Tryph. p. 206, u°. 9. — Een voorwerp zouder areola 
in Julij bij Leyden, Rits. 

5276. Pol, senilis Hlmgr. 

Holmgr. 31on. Tryph. p. 219, n". 41. — Eeu ? in Julij 61 op Wal- 
cheren, Wtt. 

527rj. Pol. pinguis Grav. 

Grav. lehn. Eur. II, p. 150, n». 97. Holmgr. 3Ion. Iryph. p. 210, 
u». 19. — Twee wijfjes bij Zandvoort 18 Junij, Rits. 



230 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

530, Exenterus lituratorius L. 

Uit de larve van Dîneur a Alni gekweekt, Wtt. — Een ^ 21 Sept. 
aan den Bezuidenhout op els, v. V. 

534. Ex. marginatorius F. 

In de dennenbosschen bij Oisterwijk 27 Sept. 1874, v. V. 

537. Ex. gnathoxanthus Grav. 

Bij Wassenaar 12 Oct. 69, v. V. 

537a. Ex. colorator Zett. 

Zett. Ins. Lapp. 388 , no. 23. Holmgr. 1. 1. p. 234 , n». -20. — Een $ 
met 4 mtte voorbeupen en trochanters 20 Sept. aan den Bezuiden- 
hout, V. V. 

538. Ex. pictus Grav, 

Bij Rotterdam, Fransen. — Bij Rijnsburg 5 Sept. v. V. . 

539«. Ex. approximatus Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Tryph. p. 239, n"- 31. — Bij Rotterdam, Fransen. 

5396, Ex. frigidus Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Tryph. p. 239 , n". 33. — Een voorwerp , aan 't welk de 
metathorax-paneeltjes niet duidelijk te herkennen zijn , bij Leyden, v. V. 

540«, Ex. Dahlbomii Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Tryph. p. 242, n». 40. — Een ? in Junij bij Utrecht , Wtt. 

542. Exyston cinctulus Grav. 

Den 18den Junij bij den Haag, v. d. W. — Eene fraaije hcht ge- 
kleurde var. met bijna geheel geel gekleurden prothorax in 3 exx. 
te Katwijk aan Zee 17 Junij , Rits. 

543. Colpotrochia elegantula Schrk. 

Bij Rotterdam, Fransen. 

543«, Colp. affinis Voll, 

Finacrographia , p. 12. PI. 8, n«. 2. — Bij Arnhem in het midden 
van Aug., v. Med. de Rooij. 

544. Exochus femoralis Fourcr. 

In Sept. bij Scheveningen een 5 zonder rood aan kop en sprieten. 
Everts. — In April en in Julij twee voorw. binnen 's huis te Rott. 
Snellen. — Bij Middelburg, Gerth. v. W. 

545«. Ex. flaviceps Ratz. 

Ratz. lehn. d. Porsi. Ill p. 132, n". 4. Holmgr. 3Ion. Tryph. p. 309 , 
n». 3. — Een $ in Julij 1871 op Schothorst, v. V. 

546. Ex. gravipes Grav. 

Een wijfje in Aug. bij Arnhem, v. Med. de Rooij. 

547. Ex. prosopius Grav. 

Een ^ bij den Haag in den nazomer. Six. 

549. Ex. jlavohiarginalus Hlmgr. 

Een wijfje in het Wassenaarsche duin 24 Aug. v V, 



NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 231 

552a. Exochus cylindricus Hlmgr. 

Holmgr. Mem. Tryph. p. 317, ii". 21. — Eea J met bruine achter- 
dijen 19 Mei 74 uit Phihoroblastis pltimbatmia Zeil., v. Med. d. Rooij. — 
Een wijfje op "VValcheren, Gerth v. W. 

553. Ex. squalidufi Hlmgr. 

Twee exx. in den Aerenhout, Boogaard. 

554. Ex. curvator Grav. 

Bij Rotterdam, Fransen. — Een wijfje met bruine vlek op de achter- 
dijen 2 Sept. bij den Haag, Six. 

555. Ex. podagriciis Grav. 

Twee wijfjes bij den Haag, Six. — Een 24 Mei bij Wassenaar, v. V. 

556«. Hyperacmus crassicornis Grav. 

Grav. IcAn. Eur. II. p. 347, n". 221. Holmgr. Mon. Tryph. p. 322, 
n". 1. — Bij Voorst in Julij, Wtt. 

566. Bossus alhosifjnatus Grav. 

De var. 1 van Grav. in Aug. bij den Haag, v. d. W. 

567. Bass, nemoralis Hlmgr. 

In Aug. bij Arnhem, v. Med. de Rooij. 

569. Bass, lateralis Grav. 

Bij Rott. Fransen. — In Julij op Wikkenburg een voorw. zonder 
laterale witte stippen, Wtt. 

569«. Bass, cinctus Grav. 

Grav. lehn. Eur. III. p. 327, n«. 7. Holmgr. Mmi. Tryph. p. 356, 
n°. 6. — Twee voorw. bij Rotterdam, Fransen. 

570. Bass, pectoratorius Grav. 

Een $ bij Groningen, Ritz. Bos. 

571«. Bass, biguttatus Grav. 

Grav. Ic/in. Eur. III p. 332, n». 10. Holmgr. Mon. Tryph. p. 358, 
n°. 12. — Eene fraaije verseh. bij Rott. Fransen. 

572. Bass, exsultans Grav. 

In de Duifhuislaan in Sept., Rits. — In Mei bij den Haag, v. V. 

572«. Bass, bimaculatus Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Tryph. p. 360, n°. 15. — Eene var. met doorloopend 
bandje op het abdomen bij Arnhem 23 Mei, v. Med. de Rooij. 

573. Bass, insignis Grav. 

Een wijfje 30 Aug. bij Noordwijk, v. V. — Een ander 10 Oct. bij 
den Haag, v. d. W. — Een derde te Oosterbeek in Julij, Kits. 

574«. Bass. Alpinus Hlmgr. 

Holmgr. 1. 1. p. 361 , n". 19. — Een 2 in Sept. in de Duifhuislaan bij 
Rijnsb. Rits. 

576. Bass, deplanatus Grav. 

Een $ met areola in het duin bij Wassenaar 12 Oct. 1869, v. V. 



232 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

577. Bassus areolatus Hlmgr. 

Een cf ia de Duifhuislaau bij Kijnsburg iu Sept. Kits, 

581. Bass, festivus F. 

Bij Rijnsburg 5 Sept. een wijfje dat eenigzins afwijkt van den type, v. V. 

583«. Bass, obscuripes Hlmgr. 

Holmgr. Moii. Trt/pk. p. 369, n". 38. — Eene var. 5 met gele strepen 
op den prothorax 24 Ang. in de Wassenaarsche duinen, v. V. 

584«. Bass, pallipes Grav. 

Grav. IcÂn. Eur. Ill , 327 , n». 5 $ nee ^. Holmgr. Mon. Tryph. p. 

371, n". 41 $. — Het onbekende mannetje bij IJsselstein, Everts. 

587. Metoplus dissector ins Panz. 

Bij Nijkerk, v. Med. de Rooij. 

587«. Met. fuscipennis Wesm. 

Wesm. £uU. d. Belg. XVI, n». 6, 4. 2. — Holmgr. Mon. Tryph. p. 

372, n". 2. — Een 2 opgekweekt 7 Mei 73 uit Loph. Pini? te 
Arnhem, v. Med. de Rooij. 

588. Met. micratorius Grav. 

Een voorw. in Holl. Fransen. Beide sexen in Sept. te Veulo , v. d Br. 

590. Met. dentatus F. 

Een voorw. iu Holl. Fransen. Een zeer groot voorwerp te Arnhem 4 
Junij, V. Med. de Rooij. 

592. Scolobates corallinus Voll. 

In Holland, Hav. 

593. Pachymerus calcitrator Grav. 

Twee wijfjes bij Rotterdam, Fransen. — Een bij Arnhem, J. J. v. V. — 
Wijfjes op "Walcheren, Gerth v. W. — Een ^ in Holland, Perin. 
(NB. Het voorwerp in de lijst vermeld, was door den Heer Six niet 
bij Utrecht gevangen, maar bij Alf aan de Moezel). 

594. Banchus compressus F. 

Een ^ 24 Maart 1876 in de duinen bij Scheveniugen, v. V. — Den 
volgenden dag een ander mede aldaar. Six. 

596. Banchus Falcator F. 

Een Ç te Naaldwijk 3 Aug. v. V. 

597. Ëocetastes Fornicator F. 

Een wijtje bij Rotterdam, Fransen. 

598. Ex. Clavator F. 

Aan het Uddeler meer iu Julij 68 een wijfje, v. V. — Een <J bij den 
Haag in den nazomer. Six. — Zes voorw. bij Rott. Fransen. 

600. Ex. Illusor Grav. 

Een wijfje in Julij bij Utrecht, Rits. — Eeuige voorw. bij Rott. l'ransen. 

602. Ex. bicoloratus Grav. 

Bij Scheveningen 16 Junij 71, v. V. Bij Rott. Fransen. 



NEDERLANDSGHE HYMENOPTERA. 233 

604«. Exetastes nigripes Grav. 

Grav. Iclin. Bur. p. 416, u°. 17. Holmgr. Mon. Opkion. p. 153, n°. 7. 
(De beschrijving vau liet abd. Iste segment niet juist). — Een wijfje 
13 Julij 73 in het duin bij Scheveningen , v. V. 

605. Ex. guUalorius Grav. 

Een wijfje bij Rotterdam, Fransen. — Een bij den Haag Six. — Een 
$ op Walcheren, Gerth v. Wijk. 

606. Rhyssa persuasori^ L. 

Een wijfje op rasterwerk 25 Julij 1875 bij Hilversum, Piepers. 

607. Bh. curvipes Grav. 

Een wijfje bij Rotterdam, Fransen. 

608. EphiaUes tuherculalus Fourcr. 

Een wijfje bij Rotterdam, Fransen. — (NB. in de lijst te schrappen, 
bij Amsterdam, Lodeesen). 

608«. Eph. cephalotes Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Pimpl. p. 13, u«. 5. — Een wijfje bij Amsterdam, 
Lodeesen. — Een man in Junij bij den Haag, v. d. W. 

611. Eph. carbonarius Christ. 

Door de toezending van een' waren CarbovM-ius uit Zweden is mij ge- 
bleken dat al onze inlandsche Ephialten, die als Ga-rio«. gedetermineerd 
zijn, dezen naam niet mogen dragen maar behooren tot EphiaUes 
tenuiventris Hlmgr. 

613. Eph. Mediator F. 

Een 2 in Aug. op Beekhuizen, Rits. — Bij Breda, Leesb. 

616, Pimpla Instigator F. 

Eene verscheidenheid van het mannetje met geelgevlekt schildje bij 
Rotterdam, Fransen. 

016«. Pim. Arctica Zett. 

Zett lm. Lapp. 375, 8. Holmgr. Mon. Fimpl. p. 19, n^. 3. — Eeü 
$ b\j Middelburg, Gerth v. W, — Een bij den Haag in Junij , v. d. W. 

617. PÌÌ71. Examinator F. 

26 April uit eene pop van Pieris Napi bij den Haag, v. V. — Een 
var. (^ met rood aan de achterscheeneu onder den witten band ia 
Holland, Perin. 

619. Pim. rufata Gmel. 

Wijfjes bij Rotterdam , Fransen. 

620«. Pim. Mussii Hart. 

Ratz. Ic/m. d. Porsiins. I. p. 113, n». 1. — Een $ 4 Julij 74 bij 
Naaldwijk, v. V. 

621. Pim. Scanica Vili. 

Eene zeer merkwaardige variëteit met zeer weinig rood en wit iu 5 
exx. in Mei bij Arnh., v. Med. de Rooij. 

624. Pim. Graminellae Sehr. 

By Breda, Leesb. 



234 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

625a. Pimpla detrita Holmgr. 

Holmgr. Mon.Fimpl. p. 23, n«. 11. — Een $ bij Kotterdam, Fransen. — 
Een $ op Walcheren, Gerth v. W. 

627. Pirn, brevlcornis Grav. 

Een 5 20 Nov. bij den Haag, v. d. W. 

627«. Pirn, sagax Ratz. 

Ratz. Ic/m. d. Torstim. I. p. 117, n». 17. — Een man op Walcheren, 
Gerth v. W. 

628a. Pirn, variegata Ratz. 

Ratz. lehn. d. Torstim. I. p. 118, li. p. 95. ~ Twee mjfjes nit 
harsbuilen van Oosterbeek 25 Mei, de Graaf. 

6280. Pirn. Arundinator F. 

Fabr. Ä. P. 116, 15. — Grav. lehn. Eur. III. p. 177, n«. 56. — 
Holmgren, Mon. Fimpl. p. 26, n". 18. — Een man bij Rotterdam, 
Fransen. 

629. Pim. oculOitoria F. 

Een Ç bij Utrecht, v. Hass. — Twee bij Hilversum 24 Julij 75, v. 
d. W. — Een op Walcheren, Gerth v. W. 

629«. Pim. ovivora Boh. 

Holmgr. Mon. Pimpl. p. 26, n«. 20. — Een var. $ met roode streep 
op de borstzijden in Mei bij den Haag, en een normaal wijfje in 
het binnenduin van Waalsdorp, 14 Sept. v. V. 

631. Pim. Pomorum Ratz. 

Twee <^ in het midden van Jnnij uit appelbloesem van Wageningen , v. V. 

631«. Pim. diluta Ratz. 

Ratz. lehn. d. Forsthis. III. p. 102, u°. 37. — Een wijfje in Zeeland, 
Gerth v. W. 

635a. Polysphincta Bohemanni Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Pimpl. p. 30 , n". 3. — Een J aan de Vogelenzang in 
Aug. V. d. W. — Eeu man te Noordwijk 30 Aug. v. V. 

637. Clistopyga Incitator F. 

Een wijfje in Aug. te Wort-Rhede, v. V. 

637a. Clist. Rufator Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Pimpl. p. 35, no. 2. — Vier wijfjes bij Rott. Fransen^ 

639. Glypta flavolineata Grav. 

In het Mastbosch aan het Giuneken, 3 Aug. Iv. Schepm. — Uit een 
doorschijnend wit cocou 5 Julij bij den Haag, de Gr. 

639a. Gl. consimilis Hlmgr. 

Holmgr. Mom. Pimpl. p. 40, n«. 9. — Beide sexen bij Rotterdam, 
Fransen. — Een man bij Leyden in Junij , v. V. — Een $ bij 
Arnhem , v. Med. de Rooy. 

6396. Gl. fronticornis Grav. 

Grav. lehn. Hur. III. p. 17, n". 7 (?. — Holmgr. Moti. Pimpl. 
p. 38, u°. 4. — Een wijfje bij Rotterdam, Fransen. 



NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 23^ 



G40. Glypla ceratites Grav. 



Een w. in Aug. te Arnhem, v. V. — Een man 5 Julij aan de Voge- 
lenzang , Kits. 

640«. Gl. teres Grav. 

Grav. lehn. Eur. III. p. 8, vfi. 2. — Holmgr. I. I. p. 40, n". 10. — 
Een man bij Leyden, Perin. 

641. Gl. bifoveolata Grav. 

Een 2 in Julij bij Scheveningen , v. d. \V. 

644a. Gl. pedaia Desv. 

Desvignes, Ca(. Brit. lehn. p. 74, n». 7. — Een wijfje te Arnhem 
28 April uit Tortr. plumbatana , v. Med. de Rooij. 

643rt. Lycorina iriangulifera Hlmgr. 

Holmgr. Mmi. Pimpl. p. 43 — Bij den Haag 5 Julij een <? uit 
Gelechia populella, de Gr. — Een wijtje 3 Julij bij Venie, v. d. 
Brandt. 

643^. Schizopyga flavifror.s Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Pimpl. p. 45, n». 3. — Een lijfje bij Rott. Fransen. 

643c. Sch. analis Grav. 

Grav. lehn. Eur. III. p. 130, n". 70. Holmgr. Mon. Pimpl. p. 46, 
n«. 4. — Eene vrouwelijke var. (of nov. sp.) bij Rotterdam, Fransen. 

644. Lampronota nigra Grav. 

Een man bij Heemstede, Boog. — Een w. in Oct. bij den Haag, v. V. 

645. Lampi'. Marginator Schiöd. 

Bij Noordwijk iu Julij , Rits. 

646. Lampr. caligata Grav. 

Een man in den Haarlemmerhout , Boogaard. 

647. Meniscus setosiis Frei'. 

Een wijfje in Junij b\j Arnhem, v. Med. de Rooij. 

648. Meti. Catenator Panz. 

Een wijfje bij den Haag, Sis. — Eeu ander aldaar in Julij, v. V. 



648a. Men. agnalus Grav. 



Grav. lehn. Eur. III. p. 44, n". 22. — Holmgr. Han. Pimpl. p. 61, 
no. 3. — Beide sexen te Scheveningen in Juny , v. V. 

649a. fvîen. murinus Grav. 

Grav. Ichii. Eur. III. p. 99, n". 4.Ô. — Holmgr. 3Ion. Pimpl. p. 62, 
n°. 5. — Een $ in het Ulvenlioutsche bosch 8 Junij , Piaget. 

650. Lissonota bellator Grav. 

Zeer gemeen bij Leyden op schermblocmen in Julij en Aug. v. V. 

650a. Liss. commixta Hlmgr. 

Holmgr. 3Ioii. Pimpl. p. 50 , n°. 4. — Een ^ bij den Haag , Six. — 
Een wijfje 1 Aug. 72 bij Soeterwoude , v. V. 

17 



236 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

651. Lissonota parallela Grav. 

Nog 3 wijfjes en 1 man in het duin bij den Haag, v. d. W. 

652. Liss. Cylindrator Vili. 

Beide sexenin Sept. bij Leyderdorp, het wijfje met bijna geheel zwart 
achterlijf. Rits. 

655. Liss. sulphur 'if er a Grav, 

Een $ en eene var. $ in Sept. op Schothorst , v. V. 

655«. Liss. leptogaster Hlmgr. 

Holmgr. 3Ion. Pimpl., p. 55, n". 18. — Twee mannetjes in Zeeland, 
Gerth v. Wijk. 

657. Liss. variabilis Hlmgr. 

Op Wikkenburg bij Schalkwek in Sept. Wtt. 

659. Liss. segmentator F. 

Drie wijfjes bij Oosterbeek in Julij , Rits. 

660«, Liss. dubia Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Pimpl. f. 58, n». 28. — Een mann, verscheidenheid bij 
Naaldwijk in Aug. v. V. 

661. Liss. Impressor Grav. 

Eene fraaije met rood gevlekte var. in het duin bij Scheveningen 16 
Aug. 73, V. V. 

662. Liss. culiciformis Grav, 

Bij den Haag in Oct. twee mannetjes, Six. 

662«. Liss. versicolor Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Pimpl p^ 60, n°. 32. — Een wijfje 30 Junij bij Venlo, 
V. d. Brandt. 

666«, Liss. Deversor Grav, 

Grav. IcAn. Eur. III. p. 59, n". 32. — Een man bij Velp in Julij, 
Rits. 

668. Phytodielus Coryphaeus Grav. 

Een wijfje bij Rott. Fransen. 

668«, Ph. exareo latus Voll. 

Nog te beschrijven; het naast venvant aan Coryphaeus. — Een wijfje 
uit een grauwachtig cocon te Voorst, Wtt. 

669, Ph. Segmentator Grav. 

In Mei bij den Haag , v. V . — Een zeer fi'aai ^ 2 Junij aldaaf , V. 
d. W. — Een Ç in Julij aldaar uit een langwerpig ligtgrauw 
cocon met witten middenband, de Gr. — Een 5 met zwarte voor- 
heupen uit een langwerpig bruinaclitig geel coconnetje uitgekomen te 
Leyden in Julij , Rits. 

670«. Coleocentrus caligatus Grav. 

Grav. Ic//n. Uur. III. p. 440, n». 2. Holmgr. Mon, Pimpl. p. 7, 
n". 2. — Een wijfje te Velp in Junij 1874, Rits. 



NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 237 

672, Acoenües Arator Rossi. 

Een wijfje bij (Jeu Haag, Everts. 

673«. Echthrus nubeculatus Grav. 

Grav. Ickn. Eur. III. p. 866, a°. 20. — Eeu wijfje bij Arnhem, 16 
Mei 1872, V. Med. de Rooij, 

674. Xylonomus fiUformis Grav. 

Een mannetje bij Velp in Junij 74, Rits. 

675. Xyl. pilicornis Grav. 

Eene var. Ç met zwarte acbtertibiën bij Velp 8 Aug. 74, Rits. 

675a. Xyl. securicornis Holmgr. 

Holmgr. Mo)i. Pimpl. p. 69, n°. 5. — Eeu J in Junij bij den Haag, 
V. d. W. 

680. Mitrohoris cornuta Ratz. 

Een J bij Rotterdam, Fransen. — Twee mannetjes 20 en 22 April bij 
bij den Haag (in het Bosch en de Schev. boschjes) , v. V. 

681. Ophion undulatus Grav. 

Een zeer klein ^ bij Rotterd., Fransen. — Een dito in het Ulven- 
houtsche bosch 8 Junij , Rits. 

682. Oph. merdarius Grav. 

In het duin bij Scheveningen 22 Aug. 73, v. V. 

683. Oph. ramklulus L. 

Bij Rotterdam, Fransen. 

684. Oph. obscurus F. 

Bij Rotterdam, Fransen. 

688. Anomalon Heros Wesm. 

Een wijfje bij Rotterdam, Fransen. 

691. An. hucephalum Voll. 

Moet wegvallen, aangezien het mij gebleken is dat de vermelde voor- 
wei"pen mannetjes zijn van Anomalon amictum F. 

692. An. circumjlexum L. 

Een ? in het Ulvenhoutsche bosch 8 Junij 1873, Rits. 

693a. An. biguttatum Grav. 

Grav. lehn. Eur. III. p. '642, n«. 111.^ Wesm. Revtte , p. 13, n". 3. 
— Holmgr. Mon. Oph. p. 19, n». 5. — Een wijfje bij Rotterdam, 
Fransen. 

694. An. cerinops Grav. 

Een man bij Rotterdam, Fransen. 

696. An. nigricorne Wesm. 

Ue var. met roede achterheupen 23 Jnlij 73 uit een Toririx gekweekt, 
de Gr. 



238 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

697. Anomalon canaliculatum Ratz. 

Bij Arnliein 20 Mei, v. Med. de Rooij. — Een gepaard paar in de 
Scheveuingsche boschjes 21 Mei, Six. — Bij Rotterdam, lYanseu. 

698. An. ßaveolatum Grav. 

Bij Arnhem, v. Med. de Rooij. 

698a. An. trochanteratum Hlmgr. 

Holmgr. 3Ion. Opiiion. p. 25, u». 15. — Een $ 8 Junij in het 
Ulvenhoutsche bosch, v. V. — Twee mann, op Walcheren, Gerth 
van W. 

699a. An. anxium Wesm. 

Wesm. Revue des Anom. de Belg. p. 18, n». 10. — Een wijfje in den 
Haag 24 April uit eene pop van Teras hasticma, de Gr. 

700a. An. geniculatum Hlmgr. 

Holmgr. IMon. Ophion. p. 27, n°. 19 — Beide sexen, doch eenigzins 
afwijkend in het aderbeloop uit cocons van Chlorana afkomstig van 
rupsjes gevonden bij Naaldwijk, v. V. 

701. An. tenuicorne Grav. 

Bij Arnhem, v. Med, de Rooij. 

703. An. fasciatum Gir. 

Behoort te heeten Gravenhorstia pietà Boie, zie Pinacographie. 

704. Trichomma Enecator Rossi. 

Een wijfje door den Hr. Heylaerts te Breda uit een Tortrix opge- 
kweekt. — Een tweede in het Ulvenhontsche bosch 8 Junij , Rits. — 
Een derde bij Rotterdam, Transen. — Een vierde bij Arnhem 16 
Aug. V. Med. de Rooij. 

707. Paniscus testaceus Grav. 

Een (J in April uitgekomen uit eeue rups van Closi. anac/ioreta, 28 
Sept. te Rotterdam gevonden, de Gr. 

708ti. Pan. fuscicornis Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Ophion. p. 32, n«. 2. — Een w. bij den Haag, Six. — 
Een bij Scheyeuingen in Jnnij , v. d. W. 

712. Pan. luteus Hlmgr. 

Bij Grijpskerke 11 Sept. 75 een wijfje, Gerth v. W. 

713a. Campoplex carinifrons Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Ophion. p. 34, u". 2. — Drie wijfjes bij Rotterdam, 
Fransen. 

714. Camp. Pugillator L. 

Een wijfje in Sept. bij Empe , v. d. W. 

714a. Camp. disseptus Först. 

Forst. Mon. d. Gatt. Camp. p. 21 (781) , n". 5. — Een <? 3 Aug. 74 
te Naaldwijk, v. V. — Een dito bij Rott. Fransen. 

7146. Camp. bucculentus Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Ophion. p. 36, n°. 4. - Eeu wijtje bij Rott., Fransen« 



NEDERLANDSGHE HYMEN OPTERA. 239 

715, Campoplex CuUrator Grav. 

Eea wijfje 2 Aug. bij Breda , Heyl. 

715«. Camp. Nitidulator Hlmgr. 

Hobngr. Mon. Ophion. p. 36, n». 6. — Eeu w. bij Arnhem 25 Junij 
71, V. Med. de Rooij. 

717a. Camp, floricola Grav. 

Grav. lehn. Eur. III. j). 600, n«. 100. Holmgr. Mon Ophion. p. 38, 
n°. 9. — Een wijfje 30 April bij Aruheni, v. Med. de Rooij. 

719«. Sagaritis Declinator Grav. 

Grav. lehn. Ear. III. p. 589 , u". 92. Holmgr. Mon. Oph. p. 43 , 
n°. 1. — Eeu maauetje 26 Sept. bij Oisterwijk, v. V. 

722, Limneria difformis Gmel. 

Bij Noordwijk in Julij , Rits. — Bij Scheveningen 14 Sept. de Gr. 

728. Limn. argentala Grav. 

Opgekweekt uit Byponomeuta rorella, v. V. 

728«. Limn, errans Hlmgr. 

Holmgr. Mem. Ophion. p. 83, n». 53. (forte Errabunda Grav. lehn. 
Eur. III. p. 559, n». 73. — Een wijtje 5 Sept. te Veulo, v. d. Br. 

739«. Cremastus sabulosus Voll. 

Nov. sp. te beschrijven. — Beide sexen in Aug. in het duin bij 
Scheveningen, v. d. VV. 

7396. Cr. cabalisticus Voll. 

Nov. sp. te beschrijven. — Een wijfje uit de pop van eeu Tortrix in 
wilgen, Wtt. 

740«. Atractodes spiniger Voll. 

Nov. sp. te beschiujven. — Een wijfje door Perin (bij Leyden?) gevangen. 

7406. Atr. varicornis Hlmgr. 

Holmgr. Mon. Ophion. p. 114, u". 8. — Beide sexen in Julij en Sept. 
op Wikkenburg, Wtt. — Een man in Aug. te Wort-Rhede, v. V. 

741. Mesochorus thoracicus Grav, 

IVee mannetjes en eeu wijfje bij den Haag, Six, 

743«. Mes. vittator Zett. 

Zett. Ins. Lapp. 387, 19. Holmgr. Mon. Ophion. p. 126, n». 18. — 
Een wijfje op Walchereu, Gerth v. W. 

7436. Mes, velox Hlmgr, 

Holmgr, Mon. Oph. p. 127, n». 19. — Een ^ bij den Haag 30 Mei , v. d. W. 

744, Mes. testaceus Grav, 

Acht exx. uit eeu cocon van Cimhex , v. V. 

744«. Mes. confusus Hlmgr, 

Holmgr. Mon Oph. p. 129, n». 23. — Een $ bij Leyden 11 Junij 73, 
Rits. — Een bij den Haag 29 Sept. v. d. W. — Een gekweekt uit 
ecne Tortrix-x\i.]>% te Breda, Heyl. 



240 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

746tï. Porizon hostilis Grav. 

Grav. lehn. Eur. III. p. 753, n". 161. Holmgr. Moii. Oph. p. 132, 
flo. 1. ' — Een mau op Walcheren, Gerth v. W. 

748. Por. harpurus Sehr. 

In Holland, Perin. — Tv^^ee wijfjes in 't duin bij Wassenaar 8 Sept. v. V. 

750a. Por. triangularis Grav. 

Grav. Ic/m. Eur. Ill, p. 781, n». 175. — Bij Rotterd. Transen. 

751. Por. Moderator L. 

Bij Rotterdam, Fransen — Een $ bij Middelburg, Gerth v. W, 

754a. Por. Saltator F. 

Fabr. S. F. 137, 34. Grav. IcAn. Eur. III. p. 777, n». 173. — Een 
$ in Sept. in het duin. bij Scheveningen , v. d. W. 

755. Pristomerus Vulnerator Pz. 

Een ^ in Julij te Leeuwarden, H. Alb. — Een te Breda uit een 
Toriria-'COcon , Heyl. — Een 24 Julij bij den Haag, Six. 

Fam. VI. Braconidea. 



757. Euphorus apicalis Gurt. 

Bij den Haag, Six. — Bene var. uit een kokertje van Cokophora bij 
Breda, Heyl. 

761. Perüüus Cerealium Hal. 

Het wijfje bij den Haag, Six. — Een ander in Sept. bij Heemstede, v. V. 

762. Per. aethiops N. ab Es. 

Een m. op Walcheren, Gerth v. W. 

764. Per. rutilus N. ab Es. 

Een m. in Holland, Periu, 

765. Microctonus vernalis Wesm. 

Een wijfje bij den Haag, Six. 

766. Blacus rußcornis N, ab Es. 

In het duin van Waalsdorp 14 Sept. v. V. — Een (? bij Amersfoort, Six. 

766a. BI. tuberculatus Wesm. 

Wesm. Brac. I. p. 98, u». 5. — Ruthe, £erl. Ent. Zeit. 18G1. p. 132. 
Haliday, Ent. Mag. III. p 41 {Ganychorus pallipes). — Onder 
klittenbladeren in Sept. te Heemstede, v. V, 

7666. BI. maculipes Wesm. 

Wesm. Brac. I. p. 94, n«. 2. Ruthe, l.l. p. 139, n". 5. — In Sept. 
op de Gliphoeve een Î, v. V. 

766c. BI. exilis N. ab Es. 

Nees ab Es. Mon. I. p. 191, u". 4 Ruthe, l. l. p. 152, n". 13. — 
Een wijfje in Oct. te Naaldwijk, J. S. v. V. 



NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 241 

767. Pygostolus falcatm N. ab Es. 

Uit eeu vài tonnetje op ChaerophyUum in Julij op Schothorst, v. V. 

767«. PI. sticticus F. 

Fahr. S. P. 89, 83. — Hal. Etd. Mag. II. p. 459. Wesm. Brac. I. 
p. 99, no. 6. {Blacus gigas). — Bij Breda een J uit een Bladroller 
gekweekt, Heyl. — Een Ç bij Arnhem in Mei, v. Med. de Rooij. — 
Een hijna geheel roodgeel wijfje uit een cocon 5 Junij bij den Haag, v. V. 

768. Sigalphus ambiguus N. ab Es. 

Een wijfje 'A Aug. bij dea Haag, Six. 

770. Sig. cmidatus N. ab. Es. 

Wijfjes bij den Haag in Jnlij en Sept. v. d. W. 

771o. Sig. obscurus N. ab Es. 

Nees ab Es. Mon. I. p. 271, n". 8. Wesm. Brac. p. 211, n". 4. — 
Een wijfje in de duinen in Julij , v. d. W. 

772. Calyptus ruficoxis Wesm. 

Een wijfje in Julij op Wikkenburg, Wtt. 

773. Cal. uncigenk Wesm. 

Bij Overveen 2 Julij , Rits. 

774. Eubadizon pedoralis N. ab Es. 

Een $ 16 Julij 73 bij den Haag uit Tortrix gekweekt, de Gr. — 
Een $ in het Ulvenhoutsche bosch 8 Junij 73, Rits. — Een op 
Walcheren, Gerth v. W. 

775. Eub. rußpes H. Seh. 

Een (? in Julij te Velp, Rits. 

778. Mlcrogaster russatus Hal. 

Een mannetje bij Rotterdam, Fransen. — Eeu kleiner dito bij den 
Haag 31 Julij, V. d. W. 

779. Mier. globatus N. ab Es. 

Uit Botys verticalis gekweekt in Julij, v. d. W. ~ Uit cocons van 
Microlepid. in Julij, de Gr. 

779«. Mier. Mediator Hal. 

Hal. Ent. Mag. II.'p. 235. — Wesm. Brac. Snit. 1. p.44, n". 15. — 
Ruthe, Beri. Ent. Zeit. IV, p. 126, n«. 13. — Eeu $ bij den Haag, Six. 

780«. Mier. tuberculifer Wesm. 

Wesm. Brac. Suit. I. p. 43, n». 14. Kvlììiìì, Beri. Ent. Zeit. Vi. \>.\2?,, 
n». 14. — Een $ in het voorjaar bij Breda , Heyl. 

787. Mier. longicauda Wesm. 

Een $ den 2den Mei in den Haag uit een kokertje van eeu Coleophoor , v. V. 

787«. Mier. ochrostigma Wesm. 

Wesm. Brac. Suit. I, p. 55, n". 27. — Een man in Holland, Perin. 

790. Mier. albipennis N. ab Es. 

In Aug. bij Scheveuingeu 3 mannetjes, v. d. W, 



242 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

791. Meteorus alhltarsis N. ab Es. 

Een (? bij Rotterdam, Fransen. 

792. Met. c/irysophihalmus N. ab Es. 

Een wijfje 3 Julij bij Venlo, v. d. Brandt. 

793. Met. Deceptor Wesm. 

Drie wijfjes uit Teras hastiana L. in Sept. 73 bij den Haag, de Gr. 

794. Met. ictericus N. ab Es. 

Twee w. en 1 m. in Sept. gekweekt uit cocons, bij Scheveningen ge- 
vonden, de Gr. 

796a. Met. Similator N. ab Es. 

Nees ab Es. Mon. I. p. 41, n». 16. Wesm. Srac. p. 34, n". 10. Ruthe 
Beri. int. Zeit. VI, p. 33, n». 19. — Een zeer klein ? 16 Julij bij 
den Haag, de Gr. 

798. Met. Abclominator N. ab Es. 

Een m. bij den Haag, Six. 

799. Met. Scutellator N. ab Es. 

I""ene donkere var. 5 in de helft van Junij bij dej Haag, Siï. 

801. Met. versicolor Wesm. 

Een (^ bij den Haag, Six. 

802«. Met. laticeps Wesm. 

Wesm. Brac. I. p. 47, n». 19. Ruthe, Beri. Ent. Zeit. VI, p. 49, 
n». 31. — Een $ bij Wassenaar 24 Oct. 67, v. V. 

805. Met. rubens N. ab Es. 

Bij den Haag in Aug. , Six. 

806a. Met. luridus Ruthe. 

Ruthe, Beri. Ent. Zeitschr. VI, p. 57, n». 37. — Een $ bij Rotter- 
dam, Fransen. 

809. Microtypus Wesmaeli Ratz. 

Een wijfje 30 Junij bij Venlo, v. d. Brandt. 

809a. Diospilus affinis Wesm. 

Weam. Brac. p. 191 , n°. 2. — Het aan Wesmael onbekende wijfje bij 
den Haag, Six. 

810«. Laccephrys Villae novae Voll. 

Novw Sp. nader te beschrijven. — lu het begin van Julij 74 te Naald- 
wijk op Bryonia Europaea in gezelschap van Trypeta Wiedemanni, v. V. 

811«. Homolobus discolor Wesm. 

Wesm. Brac. I, p. 162, n". 4. — Een 5 bij Rotterdam nit Jlniaria 
opgekweekt, Fransen. — Een $ in Sept. op Wikkenburg, Wtt. 

811fc. Amicroplus collaris Spin. 

Nees ab Es. Mon. I. p. 203, n». 8. Wesm. Brac. I. p. 179, n». 6. — 

Twee wijtjes bij den Haag, Six. 



NEDERLANÜSCIIE HYMENOPTERA. 243 

813. Macrocentnis thoracicus N. ab Es. 

Bij Arnliem uit Depressaria Chaerophylli, v. Med. d. R. — Eeu <J' 
29 Juuij bij deu Haag uit een Toriricide, de Gr. 

814. \ Macr. linearis N. ab Es. 

815. ^ Macr. pallipes N. ab Es. 

Variëteiten van eene soort, beide gekweekt uit eene gele rups met 
groenen rug en witachtige wratjes op kamperfoelie , de Gr. 

817. Phylax annulicornis N. ab Es. 

Een (? en 2 Ç bij Rotterdam en 2 exx. gekweekt uit Leucania obsoleta , 
Fransen. — 24 Mei 71 te Wassenaar, v. V. 

817a. Ph. calcarator Wesm. 

Wesni. Brac. I. p. 161 , n". 2. — Eeu ^ iu Aug. te Groningen , de Gav. 

818. Orgilus Obscurator N. ab Es. 

Een ^ half Mei bij Utrecht en eeu ander in Julij bij den Haag, Six. 
— In deu Haag een ex. 27 Julij uit een Coleophoor en 4 Julij uit 
Depreisaria hypericella een $ met lange legboor, de Gr. 

822«. Earinus Delusor Wesm. 

Wesm. Brac. Snit. I. p. 12 , n». 5. — Een $ 2 April in het Haagsche 
bosch, V. V. 

8226. Ear. tuberculatus Wesm. 

Wesm. Brac. Suit. I. p. 13, u". 6. — Een $ 5 Mei bij den Haag, Six. 

825«. Microdus compeditus Voll. 

Nov. Spec, na verwant aan Cingulipes N. ab Es, doch verschillend 
door de sculptuur van het abdomen. — 2 $ 27 Juuij eu nog een op 
14 Julij bij Veulo, v. d. Brandt. 

826. Mier. rufipes N. ab Es. 

Bij den Haag in Aug. , Six. — Bij Ede in Julij , v. V. 

827ff. Agathis breviseta N. ab Es. 

Nees ab Es. Man. I. p. 131, u". 4. — Wesm. Brac. Suit. I. p. 25, 
no. 3. — Twee ? bij den Haag in het duin, half Aug. Six. — Drie 
mannetjes in Julij uit Conca. rutÜana of Ypsolophm marginelhis , 
Snell. — Een Î op Walcheren, Gerth v. W. 

827/>. Ag. Syngenesiae N. ab Es. 

Nees ab Es. iu Beri. Mag. VI. p. 194, tab. IV. f. 4« et ba. —Idem, 
31on. I. p. 133, n". 6. — Een $ iu Aug. bij den Haag, v. V. 

828. Ag. Dejlagrator Spin. 

Een $ aan het Ginneken, 3 Aug. 73, Iv. Schepmau. — Eeu dito 
27 July bij Arnhem, v. Med. de Rooij. 

829a. Ichneutes iaevis Wesm. 

Wesm. Braci, p. 199, n°. *. — Eenige voorweii)en op Elzenstruiken 
in Aug. bij den Haag, v. V. 

834. Chelonus anmUipes Wesm. 

Bij den Haag een mannetje. Six. 

18 



244 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

835«. Chelonus mutabilis N. ab Es. 

Nées ab Es. Mon. I. p. 290 , n». 12. — Twee voorwerpeu bij Rotter- 
dam, Fransen. 

837. Ascogaster dentatus Panz. 

Bij Rotterdam, Fransen. In Julij te Oosterbeek, Rits. — Twee exx. 
> gevangen op de excursie bij Hilversum 25 Julij 75. 

839. Asc. rußpes Latr. 

Een wijfje bij Scbeveniugen 18 Julij , Six. 

843. Asc. similis N. ab Es. 

Een $ uit het spinsel van Caripocapsa splendana (gevonden in het 
Haagsche bosch) 5 Julij uitgekomen, de Gr. 

844. Asc. quadridentalus Wesm. 

Een 5 den 3den Julij te Leyden, v. V. 

844«, Asc. consobrinus Cm t. 

Curtis Brit. E^it. XIV. 672, u». 2. — Op Wikkenburg in Julij, Wtt. 

8446. Asc. annularis N, ab Es. 

Nees ab Es. Mon. I. p. 286, n». 8. Reinhardt, Beri. Ent. Zeit. XI. 
p. 369, n". 17. — Uit Xijsmatodoma melanella , gevonden op een 
raster in de Scheveuingsche boschjes Mei 74, de Gr. 

846. Acampsis alternipes N. ab Es. 

Een man in Mei bij den Haag, v. V. 

847«. Opius singularis Wesm. 

Wesm. Brac. p. 133, n". 16. — Twee wijfjes bij den Haag, Six. 

850«. Bracon Nominator F. 

Fabr. S. P. 104, 8. Nees ab Es. Moti. I. p. 109, n». 67. Panz. 
Fauna Germ. 79, f. 10. Wesm. Brac, Suit 2. p. 10, n". 1 (onzeker). 
— Een $ bij Leyden in Junij, v. V. 

8506. Br. Appellator N. ab Es. 

Nees ab Es. Mon. 1. p. 108 , n". 66. — Een $ in Junij bij Scheve- 
ningeu , v. d. W. 

851«. Br. stabilis Wesm. 

Wesm. Brac. Suit. 2, p. 25, n°. 13. — Een wijfje op Walcheren, 
Gerth v. W. 

853. Br. variator N. ab Es. 

In Junij bij den Haag gevangen, en later gekweekt uit bloemen van 
Se?iecio, v. d. W. 

856«. Br. parvulus Wesm. 

Wesm. Brac. Suit. 2. p. 55, n». 44. — Een 5 bij den Haag, Six. 

8566. Br. Oostmaeli Wesm. 

Wesm. Brac. Suit. 2. p. 57 , n», 48. — Een $ op Walcheren, Gerth v. Wijk. 

858«. Exothecus marginellus Wesm. 

Wesm. Brac. Suit. 2. p. 86, n°. 11. — 5 $ en 4 ^ uit de pop 
van Noctua ditrapezium , Snellen. 



NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 245 

859. Pelecystoma luteum N. ab Es. 

Een 1 in Ju lij 73 in den Haag, v. V. 

860tt. Petalodes unicolor Wesm. 

Wesm. Brac. Suit. 2. p. 123. — Een J in Holland, Perin. Een dito 
11 Sept. in den Haag gekweekt uit cene lortrix-rn^s , de Gr. 

861. Rogas Dissector N. ab Es. 

Een mannetje bij Rotterdam, Fransen. 

864. Rog. irregularis Wesm. 

Een (? aan de Vogelenzang 5 Julij , Rits. Een $ bij den Haag 31 Julij 
V. d. W. Een $ in het Scheven, duin in het laatst van Junij, Six. 

865. Rog. Reticulator N. ab Es. 

Een (? bij Rotterdam, Fransen. 

865a. Rog. tristis Wesm. 

Wesm. Brac. Snit. 2. p. 114, n°. 14. Reinh. Beri. Ent. Zeit. VII. 
p. 263, no. 15. — De var. 1 van Reinh. 28 Aug. 69 bij Noord- 
wijk, V. V. — De type te Rotterdam, Snellen. 

865&. Rog. Geniculator N. ab Es. 

Nees ab Es. Mon. I. p. 211 , n». 16. Wesm. Brac. Suit. 2. p. 118. 
Reinh. l. l. p. 262, n». 14. — Beide sexen uit jonge rupsen van 
Bomb. Rotatoria bij Rotterdam, Fransen. 

866. Rog. unicolor Wesm. 

In Aug. bij den Haag, v. d. W. 

867. Rog. vittiger Wesm. 

3 Julij 74 een fraai 5 in het Haagsche bosch, v. V. 

869. Rog. circumscriptus N. ab Es. 

Een zeer klein mannetje opgekweekt uit een Lophyrus-cocon van het 
Mastbosch bij Breda, Iv. Schepm. — Ook bij Bieda in het voor- 
jaar, Heyl. 

870. Rog. testaceus Spin. 

In Aug. bij Katwijk , Perin. — Den lOden Mei 75 in het duin van 
Waalsdorp, v. V. 

871. Rog. bicolor Spin. 

De type en eene zwarte var. bij den Haag, Six. 

872. Heterogamus dispar Curt. 

De naam Dispar van Courtis {Brit. Ent. vol. XI (a° 1834), n°. 512) 
is ouder dan die van Wesmael. — Een bij Leyderdorp in Aug, Rits. 
Bij den Haag, v. d W. 

873. Hormius piciventris Wesm. 

Bij den Haag, Six. 

873a. Horm. monhiatus N. ab Es. 

Nees ab Es. Man. 1. p. 153, n». 1. Wesm. Brac. Snit. 2 p. 67, n". 1. 
De var. $ met zwarten kop en thorax bij Driebergen, Six. 



246 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

875. Spathius clavatus Panz. 

De var. Exammlatus Ratz. ÇFoist-Ins. IL p. 42) uit Hylesinus Fraxini 
gekweekt, Ritz. Bos. 

876. Sp. pedestris Wesm. 

B\j den Haag, v. Hass. Op Schothorst, V. Een J bij Leydeu in 
Junij, V. V. Bij Leyden, in Aug. Rits. 

876ti. Trachyusa Aurora Hal. 

HaKday, Entom. Mag. V. p. 217, n°. 4. Ruthe Stett. Ent. Zeit. 1851, 
p. 352 {Nigriceps). — Een J bij den Haag, Six. 

877rt. Alysia rufidens N. ab Es. 

Nees ab Es. Mon. I. p. 241, n». 4. Halid. Ent. Mag. V. p. 221. 
n". 8. — Een $ bij den Haag, Six. 

879tt. Al. picinervis Hal. 

Halid. in Entom. Mag. V. p. 233, n^. 31. — Een mannetje in Julij 
op Wikkenburg, Wtt. 

880. Al. nißceps N. ab Es. 

Een (J bij Breda in Junij , Rits. — Een J bij Wassenaar 24 Mei 1871 , 
V. V. — Een var. ^ met zwarten kop in Sept. bij den Haag , de Gr. 

881a. Al. Eugenia Hal. 

Halid. in Entom. Mag. V. p. 234 , n". 33. — Bij Rotterdam een $, Fransen. 

882(1. Al. flavipes Hal. 

Halid. in Entom. Mag. V. pag. 236, n°. 36. — Bij den Haag, Six. 

884a. Al. punctigera Hal. 

Halid. in Entom. Mag. V. p. 238, n". 43 $. •— De vermoedelijke man 
aan de Schielandsche plassen, v. d. W. 

886. Alysia Apii Curt. 

Een wijfje in Sept. bij den Haag, v. d. W. 



\. Al. venusta Hal. 

Bij den Haag, Six. 

889. Al. conspurcator Hal. 

Een Î bij den Haag , Six. 

892a. Synaldis concolor N. ab Es. 

Nees ab Es. 3Ion. p. 254, n". 25. — Een ^ in Holland, Perin. 

8926. Aphaereta cephalotes Hal. 

Halid. in Etit. Mag. V. p. 231, n". 29. — Een $ op Walcheren, 
Gerth van Wijk. 

893. Chasmodon apterum N. ab Es. 

Een man bij den Haag in Sept. , Six. 

894a. Polemon LIparae Gir. 

Giraud in VerkancU. d. K. E. Zool. bot. Gesellsch. Bd. 13 , p. 1268. — 
In het TJlveuhoutsche bosch, 8 Junij 73, v. V. — Uit een riet- 
stengel, aldaar gevonden, te Leyden opgekweekt. Rits. 



NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 247 

895. Copidura anceps Curt. 

Een man te Velzen in Junij , Everts. 

896. Coelinius parvulus Grav. 

Eene var. van het 2 in de Wasseuaarsche duinen 17 Julij, v. V. 

897. Coel. niger N. ab Es. 

Gemeen bij Katwijt aan Zee in Juuij 73, Rits. Op Staalduiu in Aug. v. V. 

897a. Coel. gracilis Curt. 

Halid. Hymen. Brit. Ali/s. \t. 23, n^. 98. — De var. door Hal. ver- 
meld in 2 exx. bij den Haag in liet najaar. Six. Een $ dat in alles 
op H's beschrijving past, except dat het achterhoofd zeer duidelijk 
uitgehold is, bij den Haag in Julij, v. V. 

8976. Coel. elegans Hal. 

Halid. Rymen. Brit. Alys. p. 23, ii". 99. — Een Ç (Haliday beschrijft 
alleen het $) bij den Haag, Six. 

898. Coel. rußcollls H. S. 

Bij den Haag in Julij , v. d. W. en v. V, 

901«. Dacnusa gilvipes Hai. 

Halid. Hym. Brit. Älys. p. 12 u". 79. — Een mannetje in Sept. bij den 
Haag, Six. 

9016. Dao. cincia Hal. 

Halid. Hyin. Brit. Alys. p. 9, n°. 71. — Bij den Haag, Six. 

913a. Trioxys Angelicae Hal. 

Halid. Ent. Mag. I. p. 489, n». 14. — Een ? bij den Haag, Six. 

Farn. Vn. Chalcididea. 

917. Chalcis minuta Daim. 

20 Julij bij Breda , Heyl. — 22 Julij bij Scheveningen, v. V.— In Aug. 
bij Velp, Rits. 

918. Ch. armata Panz. 

Een $ 8 Aug. 75 op Staalduin , v. V. Een ? op Walcheren, Gerth 
V. Wijk. 

919. Eupelmus de Geer li Daim. 

Een $ tusschen deze soort en Excavattis in staaiule, half gevleugeld, 
23 Aug. bij den Haag , Six. 

919a. Eup. annulatus N. ab Es. 

Nées, ab Es. Mon. II. p. 75 , n°. 3. — Een wijfje op Mariendaal bij 
Arnhem, in Aug. Rits. 

920. Eup. excavatus Dalm. 

Bij den Haag, Six. 

920a. Eup. urozonus Dalm. 

Nees ab Es. Mon. II. p. 74, n°. 9. — Een wijfje te Driebergen, Six. 



248 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

9206. Eupelmus atropurpureus Dalm. 

Dalm. Act. Holm. 1820, n". 4. Nees ab Es. Mon. II. p. 78, n«. 5. — 
Een wijfje ia Julij bij den Haag, Six. 

921a. Chiloneurus elegans Dalm. 

Westwood in Oken's Isis 1835. p. 566, n«. 29, nee Nees. -- Een 
voorn'. 23 Junij in de Scbeveningscbe boschjes. Six. 

922a. Bothriothorax Altensteinii Ratz. 

Ratz. lehn. d. Forstins. I. 209. Cf. Nees ab Es. Mon. II. p. 225. 
Clavicoì-ìiis Daim. var. y. — In Julij bij den Haag uit eene larve 
van Si/rphus, v. d. W. 

9226. Choria inepta Dalm. 

Dalm. Act. Holm. 1820, p. 367. Nees ab Es. Mon. IL p. 258. — In 
Mei en weder in Sept, iu de Scbeveningscbe boschjes , Six. 

923. Aglyptus aeneiventris Hal. 

Is geen Aglyptus en beboort bij Encj/rtus te worden vermeld. 

923a. Agi. Lindus Walk. 

Walker, E7it. Mag. IV. p. 451, n». 18. — Een gevleugeld ex. in 
Julij in bet duin bij den Haag , Six. 

9236. Copidosoma flagellare Dalm. 

Determinatie van Dr. G. Mayr. — Een J in de Scheven, boschjes in 
Julij , Six. 

923c. Cop. chalconotum Dalm. 

Determinatie van Dr. G. Mayr. — Bij den Haag, Six. 

924. Dinocarsis hemipterus Dalm. 

Bij den Haag, Six. 

925. Din. rufus Six. 

Is een Ectroma. Zie hierover: G. A. Six in Tijdschr. voor Entomologie 
1876, p. 134. 

926a. Ericydnus paludatus Hal. 

Walker, Ent. Mag. IV. p. 363, n«. 1. — Een ex. bij Utrecht en 
een paar bij den Haag, Six. 

928a. Encyrtus cyanifrons Dalm. 

Dalm. Act. Holm. 1820, n°. 11. — Nees ab Es. Mon. IL p. 212, 
no. 11. — Een ? bij Utrecht, Six. 

930. Ene. pimctipes Dalm. 

In de Scbeveningscbe boschjes. Six. 

931a. Enc, misellus Dalm. 

Dalm. Act. Holm. 1820, n". 26. — Nees ab Es. Mon. IL p. 250, 
n". 58. — Een S' ^ den Haag, Six. 

9316. Enc. vinulus Dalm. 

Dalm. Act. Holm. 1820, IL 349. Nees ab Es. Mon. IL p. 231 , n°. 33- 
— Bij Utrecht, Six. 



NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 249 

933. Encyrtus sericans Dalm. 

Bij Driebergen, Six. 

934«. Ene. apicalis Dalm. 

Nees ab Es. Mon. II. p. 220, n». 20. Walker. Ent. Mag. V. p. 110, 
11°. 77 forte. — Eeu Î met uitstekende terebra iu Mei 1874 iu de 
Sclieveningsche boschjes , Six. 

936. Cerchysius stigmaticalis Westw. 

In Julij bij Utreclit , Six. 

937o. Theocolax formiciformis Westw. 

Westwood, Introduct. Si/nopsis p. 66. Idem, Ihesaur. Oxon. p. 138, 
PI. XXV, 11. — Drie voorwerpen np verschillende tijden in een 
buis te Leyden, Rits. (Mijn Lagynodes pallipes , n". 1014). 

938. Perilampus auratus Dalm. 

Twee voorwerpen te Velp 8 Aug. 74, Rits. — In eeu tuin te 's Gra- 
venh. in Julij, van Hass. 

940«. Per. laevifrons Dalm. 

Dalm. Pteromal. p. 113, n". 3. Nees ab Es. Mon. II. p. 50, n». 5. 
— Een voonv. bij Wassenaar 5 Aug. 1860, v. V. 

941. Or my rus variolosus N. ab Es. 

Eeu ^, zwart met grauwwatte tarsen, geen streep groot, bij den 
Haag in Aug. Six. 

941«. Orni, chalybaeus Ratz. 

Ratz. Ic/m. der forstins. I. p. 207; II. p. 150. — Uit eeu gal van 
Ter OS terminalis , v. V. 

942, MoHodontomerus obsoletus F. 

Een 5 bij Rotterdam, Fransen. — Beide sexen op Walcheren, Gerth 
V. Wijk. 

942«. Mon. dentipes Boh. 

Ratz. Ic/m. d. Forstins. I. p. 176 {Obsoletus) [NB. Deze aanhaling 
moet als onjuist bij de vorige soort geschrapt worden.] Mayr, Eur. 
Torymid. p. 19, n». 5. — Een $ bij Velp, Rits. 

944. Megastlgmus dor salis F. 

Een $ in het Ulvenhoutsche bosch 8 Junij , Piag. — Iu Junij bij 
Scheveningen , Six. — In het duin bij den Haag in Aug. v. d. W. 
NB. Bohemanni Ratz. n". 1072 der lijst, sedert wederom gevan- 
gen in de Schev. boschjes 19 Junij 73 door G. A. Six, is 
volgens Mayr dezelfde soort. 

9446. Syntomaspis caudata N. ab Es. 

Volgens Mayr gelijk aan Torgmus admirabilis Forst. Zie \\°. 955. 

945. Synt. cyanea ßoh. 

De naam Eurijnottis Forst, vervalt. 

945«. Synt. lazulina Forst. 

Forst. Verhandl. BheinL XVI. p. 100. Mayr, Eur. lorymiden, p. 28, 
n°. 6. — Eeu ^ uit eeue galnoot van Tiryoph. longiveutris , v. V. 



050 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

945Ò. Syntomaspis fastuosa Boh. 

Mayr, Europ. Torymiden, p. 26, n". 3. — Uit eene gal van Teras 
terminalis , v. V. 

946. Tory mus Bedeguarls L. 

Uit bedeguar van de duinen bij Wassenaar, Periu. 

949. Tor. abdominalis Boh. 

Volgens Mayr zijn n°. 949 en 951 eene soort welke Abdominalis heeten 
moet. — Bij Rotterdam , Fransen. Een $ 2 Mei bij den Haag , v. d. W. 

950. Tor. Erucarum Sehr. 

ALzoo moet volgens Mayr die soort heeten, die ik vi'oeger met den 
naam van Ci/nipedisV^^alk. heb aangeduid. — In Holland, Perin. 

950a. Tor. Glechomae Mayr. 

Mayr, Europ. Torymiden p. 38, n«. 4. — Een $ in Holland, Perin. 
— Een ander in Mei bij den Haag , v. d. W. 

950Ò. Tor. ventralis Fonsc. 

Mayr, Europ. Torymiden. p. 41, n". 7. — Een % in Holland, Perin. 

952. Tor. For steri Ratz. 

Zou volgens Mayr dezelfde zijn als 946. 

953. Tor. regius N. ab Es. 

Nees ab Es. Mon. II. p. 55, n«. 1. Maya-, 1. 1, p. 43. — De naam 
door Ratzeburg gegeven , moet vervallen. 

955. Tor. admirabilis Forst. 

Moet heeten Syntomaspis caudata N. ab. Es. Zie 944è. 

955a. Tor. macropterus Walk. 

Walk. ütit. Mac. I. p. 124. Mayr, l. l. p. 62, n». 31. — Drie ? en 
1 (J uit gallen van JRuius caesius, v. V. 

956. Tor. auratus Fonsc. 

Akoo moet volgens Mayr, l. l. p. 63 de soort heeten, die ik in de 
naamlijst onder den naam van Propinquus Forst, heb aangeduid. 

956a. Tor. cyanimus Boh. 

Mayr, Europ. Torymiden, p. 58, n«. 25. Beide sexen bij Rott. Frans. 
Een Î in Mei bij den Haag, v. d. W. 

958. Tor. appropinquans Ratz. 

Zou volgens Mayi' ook nog tot T. auratus Fonsc. n°. 956 moeten ge- 
rekend worden, evenzeer als n«. 962 Nanus Forst. 

963. Tor. duhius Ratz. 

Volgens Mayr is deze soort dezelfde als 945 Syntomaspis eyanea Boh. 

963a. Tor. purpurascens Boh. 

Mayr, Europ. Torymiden, p. 72, n«. 42. — Een J bij Empe 29Julij, 
V. d. W. 

965. Decatom^a Cooperi Curt. 

Een Ç in het duin bij den Haag, v. d. W, 



NliDEKLANDSCHE HYMENOPTERA. 251 

965«. Decatoma atra N. ab Es. 

Nees ab Es. Mon. II. p. 42, n». 5 — Een $ bij Naaldwijk in Aug. , v. V. 

9656. Dec. obscura Walk. 

AValk. Snt. Mag. I. p. 26 , n«. 3. — Twee wijfjes bij den Haag 1 en 
30 Juuij V. d. W Opgekweekt uit ( ipiips dima te Leyden , v. V. 

966. Dec. mellea Walk. 

Eene var. bij Breda , Heyl. 

967. Eurytoma Abrotani 111. 

Uit een gal van Hieraciuin 15 $ en 1 ^ , v. V . 

971rt. Isosoma eximium Gir. 

Giraud in Ferk. Zool. Bot. Gesellscfi. in Wien, Bd. 13 (1863) p. 1296. 
Eene var $ in de Scheveningsche boschjes, Leesb. Eene dergelijke 
16 Juuij bij Scheveningeu , v. V. 

976rr Micromelus pyrrhogaster Hal. 

\Valker, Mon. CJialcid. in Eniom. Mag. I p. 465. — Een $ 24 
.Maart bij den Haag, Six. Een in Nov. ouder bladeren aldaar, Leesb. 

976/>. Lamproiatus punctiger N. ab Es. 

Nees ab Es. Mon. II. p. 131 , u«. 10. — Uit een dipterou-pop van 
Wassenaar uitgekomen 15 Mei 75, Snellen. 

978«. Rhopalicus maculifer Forst. 

Forst Beitr. p. 34, n° 11 {Cleoiiijmm). Idem, Hymen. Studien II. p. 
70. - Een ? bij Utrecht, Six. Vier 5 uit poppen onder den bast 
van grove dennen bij Breda, Heyl. 

978/>. Etroxys scenicus Walk. 

Walk, Mon. Chalc. in Ent Mag. p. 10, n". 165. — Een $ bij Rot- 
terdam, Fransen. 

979. Plaiymesopus Westwoodii Ratz. 

Moet heeten PI. tibialis Westw. In Isis van Oken, 1835, p. 504. — 
Een ex. bij Utrecht 3 Mei en een ander bij den Haag, Six. 

979«. Mesopolobus fasciiventris Westw. 

Westw. in Isis v. Oken , 1835 , p. 563. — Een $ te Driebergen in 
Junij en een $ 5 Mei up eiken by den Haag, Six. 

979Ö. Metopachia dispar Curt. 

Curtis, Brit. Ent. IV. pi. 166 — Een $ bij den Haag, Six. 

986. Pteromcdus blmaculatiis Sp. 

Opgekweekt uit Hylesimts Fraxiìii, Ritz. Bos. 

987, Olynx Gallarum L. 

De var. met geel scajius gevangen bij den Haag in .Tulij , Six. 

987«. Elasmus scuteliaris N. ab. Es. 

Nees ab Es. Moii. II. p. 195, \\°. 2 — Een $ van liet door Nees be- 
sclu'eveu $ voornamelijk verschillend door donkere vleugels , iii 't 
laatst van Junij bij den Haag, Six. 

19 



252 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

988. Euplectriis hicolor Swed. 

Vier exx. bij den Haag in 't begin vau Juaij uit eeue roode Noctua- 
rups, waaronder zij iu Mei een spinsel hadden gemaakt, de Gr. 

993a. Eulophus Larvarum F. 

Fabr. S. P. 156, 8 Latr. Gen. Crust, et Ins. IV, p. 28. Nées ab Es. 
Um. II. p 137 , n«. 7. — Een Ç op Walcheren , Garth v. Wijk. 
Bij den Haag iu Mei, v. d. W. — Aan de Kheedersteeg 30 Aug. v. V. 

994«. Eul. fulvicollis Wesm. 

Westw. Loudon s Mag. Nat. Hist. VI. 123. Walker, Mon. Chaldd. I. 
p. 190, no. 86. — Een $ in Aug. bij den Haag, Six. 

995a. Eul. Euedoreschu^ Walk. 

Walk. Mon. Chaldd. I. p. 188, n«. 85. — Een $ in Mei bij den Haag , Six. 

996. Eid Lophìjromm Hart. 

In Aug. in groote menigte uit cocons van Lophyrus Pini van de Treek 
bij Amersfoort, v. V. 

998«. Pleuropachys costalis Dalm. 

Westw. Ent. Mag. IV. 437, figuur pag. 436. Nees ab Es. Mon. II. 
p. 143, n«. 11. — Het wijfje, dat eene eenigzius uitstekende leg- 
boor heeft, 7 Mei te Wassenaar, Six, — (NB. Westwood, Nees en 
Förster hebben het wijfje niet gekend). 

Fam. IX. Proctotrupidea. 
998Ò. Dryinus Spectrum Voll. 

Verslagen Kon. Akad. v. Wetensch. Afd. Natuurk. 2 R. Deel VIII. 
(1874). — Een voorwerp 5 Julij 1873 aan de Vogelenzang, Rits. 
— Een ander in het duin van Wassenaar , ia Aug. Six. 

999. Dr. pedestris Daim. 

Op Vlieland 31 Mei, Rits. 

999«, Dr. nigriventris N. ab Es. 

Nees ab Es. Mon. II. p 386 , n°. 5. — Een J met zwarte vlekken 
boven de knie der midden- en achterpooten op zandgrond bij den 
Haag 30 Junij , Six. 

1002. Chelogynus collaris Dalm. 

Een groot ex. var. met de 7 laatste leedjes der antennen zwart en het 
abdomen lichtbruin te Schooten, Julij 1873, Rits. 

1002«. Ch. infectus Hal. 

Walker, Ent. Mag. IV. p. 419, n". 9. Haliday, Ent. Mag. V. p. 518. 
— In het Ulvenhoutsche bosch, 8 Junij een $, Rits. — Bij den 
Haag een dergelijk. Six. 

10026. Ch. brachycerus Dalm. 

Dalm. Anal. Ent. p. 12, n". 9. en Act. Holm. 1818. I. p. 87 (<? 
Pubicornis). Thorns. O/v. Pork. 1860 p. 179, n«. 12. — De mau bij 
Utrecht, Six. 

1002c. Ch. flavicornis Dalm. 

Dalm. Anal. Ent. p. 10, n». 13. Nees ab Es. Man. II. p. 374, no 4. 
Walk. Ent. M -g. IV. p. 417, n". 6. Thorns. /. I. p. 178, u». 9. - 
Een bij Utrecht, Six. 



NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 253 

1006. Aphelopus melaleucus Dalm. 

Deze is het wijfje en 11°. 1007 Atratus het mannetje van eene en 
dezelfde soort. 

1008(/. Goniozus claripennis Forst. 

Forst. Centur. in Verk. Meivl. und Westph. VIII. (1851) p. 7. — 
Een $ bij den Haag, Six. 

10086. Gon. fuscipennis Forst. 

Forst. l. l. p. 12, n". 34, Tab. ï. f. 4. — Bij Scheveningen iu Sept. 
V. d. W. 

1008c. Gon. tibialis Voll. 

Nog te beschrijven. — Bij deu Haag in Oct. Leesb. — Aldaar 25 
Aug. Six. 

lOlOrt. Perisemus cephalotes Forst. 

Forst. Centur. in Ferh. Rkeiitl. u. Westph. XVII (I860) p. 111. — 
Een 5 op een elzenblad in de laan van Nieuw Oostindie bij den 
Haag, 20 Sept. 74. 

1010/j. Per. tviareolatus Forst. 

Forst. Centur. in l. l. VIII. (1851) p. 10. — Beide sexen bij den 
Haag, Six. Een $ in Febr. aldaar, Ticesb. 

1011((. Epyris niger Westw. 

Westw. in Isis voor 1835, p. 5(53. — Twee voorwerpen iu Sept. Six. 

1013. Cailiceras abdominalis Thorns. 

Thorns. Proctotr. p. 303 , n°. 4. — De bijna ongevleugelde var. $ bij 
Utrecht of Driebergen, Six. 

1014. Lagy nodes pallipes Voll. 

Is Iheocolax formiciformis AVestw. $. Zie n°. 937«. 

1014a. Microps pallidus Thoms. 

Tlioms. Proctotr. p. 301. — Een 2 ia Maart bij den Haag, Leesb. 

1015«. Megaspilus puncticeps Thoms. 

Thoms. Proc^i'r. p. 296, n«. 8. — Den 28stenJunij bij den Haag, Six. 

lOlG«. Meg. borealis Thoms. 

Thoms. Proctotr.]). 291, n". 12. — Den 26sten Aug. bij den Haag, Six. 

1017a, Meg. halteratus Boh. 

Thoms. Proctotr. p. 298, u». 16 — Vijf vrouwelijke exx. bij deu 
Haag en een in Sept. bij Utrecht, Six. 

10176. Lygocerus stigma N. ab Es. 

Nees ab Es. Mon. II. p. 275, n°. 1. Thoms Proctotr.^. 290, no. 3. 
— Een $ met z\\arte achterschenen in Aug. bij den Haag, Six. 

1020. Ceraphron thoracicus N. ab Es. 

Bij Driebergen in Oct. Six. 

1021. Proctotrupes Campamdator L, 

Een % 30 Aug. 74 aan de Khedersteeg, v. V. — Een derg. in Aug. 
bij Scheveningen, v. d. W. 



254 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

1022. Prodotrupes palUpes Jiir. 

Bij Crooswijk 25 Mei een ^ Piaget. 

10226. Pr. brevicornis Hal. 

Haliday, Oxißira p. 9, ii». 4. — Een J bij Wassenaar 27 Julij, Piaget. 

1023a. Pr. viator Hal. 

Haliday, Oxyura p. 12, n°. 11. — In Julij te Oosterbeek, Rits. 

1024. Pr. calcar Hal. 

Een $ bij den Haag in Julij, Six. 

1029. Codrus apterogyne Hal. 

Volgens Thomson de type van een ander geslacht, waarop de naam 
Codrus van Jurine wordt overgebragt. — De Heer Six ving nog een 
ander Ç bij Driebergen. 

1031. Teleas clavicornis Latr. 

De naam moet veranderd worden, zie Thoms. Proctotr. p. 423. «— 
Een $ bij den Haag in Mei en een aldaar 10 Julij, Six. 

1033tt. Prosacantha varicornis Thoms. 

Thoms. Proctotr. p. 424, n». 1. (verschilt van 1033 in kleur der sprie- 
ten). — Wijfjes bij Utrecht en te Beek (1 Mei), Six. — Een $ met 
zeer korte vleugels in het voorjaar en later een <? bij Breda, Heyl. 

1035rt. Pr. pedestris N. ab Es. 

Nees ab Es., Mon. II. p. 293, 10 $ et 299, 1 $ (PlatygaMer apterm). 
Thoms. Proctotr. p. 431, n°. 25. — Een $ 18 Julij bij den Haag, 
V. d. W. 

1037. Scello riigulosus Latr. 

Op Walcheren, Gerth v. W. De var. Inermis Zett. bij Utreclit, Six. — 
Een intermediair voorwerp in Aug. 75 op Staalduin, v. V. 

1038. Inostemma Boscü Jur. 

Een zeer klein wijfje 28 Julij, binnen 's huis te 's Gravenhage, v. V. 

1038a. Sactogaster curvicauda Först. 

Forst. Hi/m. Stud. 2. p. 114. Thoms. Proctotr. p. 72, n«. 2. — Een 
5 in het Wassenaarsche duin 21 Aug. 73, Six. 

10386. Isocybus ruficornis Latr. 

Walk. Ent. 3Iag. III. p. 240, no. 39. PI XII, f. 10. Nees ab Es. 
Mon. II. p. 300, n". 4 {Platyg. grandis). Verscheidene cxx. van beide 
sexen in Sept. in het duin bij Scheveningen , v. d. W. 

1043a. Amblyaspis Tritici Hal. 

Walk. Mon. in Imt. Mag. III. p. 233, sp. 26. — Een $ bij Driebergen 
in Oct. Six. 

1044(f. Ooctonus vulgatus Hal. 

Haliday, Ent. Mag I, p 344, u». 2. Förster, Lhinaea Ent. II. p. 200. — 
Een ? in Mei bij den Haag, Six, 



NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 255 

10446. Ooctonus litoralis Hal. 

Haliday, Ent. Mag.l, p 344, n". 4. Förster, LinnacaEnt. II. p. 204. 

— Een $ in Junij bij den Haag, Six. • — Een ander eenige dagen 
daarna in het duin, v. V. 

1045«. Polynema similis Forst. 

Forst. Linuaea Ent. II. p. 218. — Een $ bij den Haag , Sii. 

1047. Galesus fusoipennis Curt. 

Een ^ aan de Zuidpias in het begin van Sept. Piaget. 

1047a. Gal. coracinus Forst. 

Gedetermineerd naar een typisch ^. — Twee wijfjes in Oct. bij den 
Haag, Six. 

1048. Anewrhìjnchus nodicorn'is Marsh. 

Een man in Julij 61 op Wikkenburg, Wtt. 

1048a. An. ruficornis Thoms. 

Thoms. Proctotr. p. 376, \\°. 4. — Een wijfje bij Utrecht, Six. — Eene 
var. $ met donkerbruine sprieten en pooteu bij Utrecht in Junij , Wtt. 

10486. An. galesiformis Westw. 

Westw. in Isis 183.5, p. 563. Thoms. Proctotr. p. 376, n». 1. — Het 
mannetje bij het huis ter Heide 11 Sept. Piag. — Het wijfje op 
Walcheren, Gerth v. W. 

1049. Paramesms ru/lpes Westw. 

Een 2 tegen het eind van Mei in de Schcveningsche boschjes, Six. 

1049rt. Par. elongatus Thoms. 

Thoms. Proctotrup. p. 371 , n«. 3. — Een % iu Holland (bij Leiden":') Perin. 

10496. Par. brachypterus Thoms. 

Thoms. Proctotrup. p. 371 , n». 4. — Twee wijfjes in April bij Delft, Everts. 

1050 Diapria elegans Jur. 

Een $ 25 Julij bij Hilversum, v. V. Bij den Haag, Six en v. V. 

1051. D. conica Latr. 

Bij den Haag in Nov. onder bladeren 2 exx. Leesb. 

1052a. D. nigra N. ab Es. 

Nees ab Es. Mon. II. p. 321, n°. 2. Thoms. Proctotr. p. 364, u". 14. 

— Een $ bij den Haag, Six. — Aldaar in Nov. onder afgevallen 
bladeren 6 exx. Leesb. 

10526. D. carinata Thoms. 

Thoms. Proctotrup. p 361 , n". 2. — Bij Voorburg in Aug. Iv. Schepui. 

1054a. Loxotropa tritoma Thoms. 

Thoms. Proctotrttp. p. 368, n". 2. (Basah/s, B). — Een 2 in Oct. bij 
den Haag, Six. 

1056. Ismarus dorsiger Ciirt. 

Een voorwerj) in het duin bij den Haag, en een in Julij bij Utrecht, Six. 



256 BIJVOEGSEL TOT DE NAAMLIJST VAN 

1060a. Belyta analis Thorns. 

Thomson, Scand. Proctotr. p. 176, n«. 24. — Een$ bij den Haag, Six. 

1061. C'metus gracilipes Curt. 

In zeer groot aantal aan de onderzijde van Eschdoornbladeren te Velp, Rits. 

1061«. ein. femoralis N. ab Es. 

Nees ab Es. Mon. II. p. 341, n«. 6 {Belyta). — Bij Wassenaar 
27 Julij 68, Piaget. 

1062. Helorus ater Jur. 

In het midden van Julij op de duinen bij Wassenaar, v. V. 



Wanneer men van het geheele aantal soorten van deze 
negen Famihën die aftrekt welke, doordien zij met anderen 
zamenvallen , niet langer op de lijst als afzonderlijke soorten 
mogen voorkomen, meen ik dat men voor het totaal der 
inlandsche soorten, waarvan de namen bekend zijn, 1352 
stellen mag. Daarbij komen dan de vier of vijf nieuw^e 
soorten, hier reeds opgenoemd en die ten spoedigste door 
mij beschreven zullen worden; eindelijk nog een twee- 
honderdtal waarvan de determinatie mij niet mögt gelukken 
of om andere redenen is uitgesteld. Wanneer men daarbij 
i'ekent het hoogst waarschijnlijke getal van 600 soorten 
voor de inlandsche AciUeata (onze oude lijst heeft er reeds 
197 opgenoemd), dan kan men zich een der waarheid 
eenigzins nabijkomend denkbeeld maken van den rijkdom 
dezer orde van insecten op onzen bodem, waarbij altijd 
nog dient in het oog gehouden te worden, dat de grenzen 
ten oosten en zuiden nog bijna niet in dit opzigt zijn 
onderzocht. 



Ik laat hier eene lijst volgen van eenige drukfouten in 
de Nieuwe Naamlijst voorkomende : 



NEDERLANDSCHE HYMENOPTERA. 257 

Iste gedeelte, Deel XII. 1869. 

N° 10 Negrlcornis lees : Nlgrlcunüs. 

2de gedeelte, Deel XVI. 1873. 

N° 236 Luctatorius lees : N° 326 LuctatoHus. 

» 385 Grav. II. p. 273 lees : Grav. II. p. 373. 

» 405 Grav. /c/m. £"«/'. III. p. 69 lees: Grav. lehn. Enr.W, 

p. 111, n°. 69. 

» 703 Fasciatum Grr. lees : Fasciatum Gir. 

» 878 Triaugulator lees : Triangulator. 

» 217 Minuta lees : 917 Minuta. 

» 923 Aeneiventris Hal., Halid. lees : Aenelventrls Hal., Walk. 

» 1010 Nees ab Es. Mon. II. p. 693 lees : p. 393. 

» 1014 Rufipes lees : 1017 Rufipes. 

» 1029 Apterogynus lees : Apterogyne. 

» 1047 Fuscicornis lees : Fuscipennis. 

» 1056 Brit. Ent. Vol. VIII. PI. 398 lees : PI. 380. 

In het geslacht Callimome hebben sommige soortsnamen 
een mannelijken uitgang in plaats van een' vrouwelijken , 
waarbij natuurlijk aan den generieken naam Torymns ge- 
dacht is, die als eerst ingevoerd, ook werkelijk den voor- 
rang hebben moet. 



DE INLANDSGHE BLADWESPEN 
IN HARE GEDAANTEWISSELINfi EN LEVENSWIJZE BËSCHREV1 

DOÜB 

S. C. SNELLEN VAN VOLLENHOVEN. 



NEGENTIENDE STUK. 



SELANDRIA CANDIDATA Fall. 
(Repanda Kl.). 

N°. 149a der Nieuwe naamlijst. 

Vergelijk voor het volkomen insect : 

Fallen, Acta Holm. 1807. 105. 40. 

Hartig, Blatt- und Holzwespen, p. 279, n° 40. 

Thomson, Hymen. Scandln. I. p. 230, n° 3. 

De larve, zoo het schijnt, nog onhekend. 



Selandrla nigra, nitida, prothoracis limbo, sqnam.ulis et 
marginibus segmentorum ahdominalium albis ; maculis trans- 
versis in abdominis dorso cinereis, ore, orbitis, stigmate et 
pedum maxima farte subtestaceis. Long. 6 mm. 

Voor verscheidene jaren zond mij eens Prof. Westwood 
uit Oxford eene gele Tenthredo-ÌBTve, in eene pennenschacht 
over met verklaring in een' brief dat dit de schelm (rascal) 
was, die jaarlijks zijne rozen-loten uitholde, en dat hij tot 
nog toe niet zoo gelukkig was geweest dit dier tot volkomen 
gedaanteverwisseling te kunnen brengen. Hij vroeg mij 



br: IxNLANDSCHE BLADWESPEN. 250 

natuurlijk of ik dit insect ook kende; ik nioest die vraag 
ontkennend beantwoorden, maar nam mij Yoor zoo mogelijk 
de zaak te onderzoeken. Ongelukkig was het voorwerp door 
de reis of het gebrek aan voedsel zoo zeer gehavend, dat 
daarvan geene imago te verwachten was. 

In mijn' tuin te Leyden had ik onder andere rozen, ook 
een bijzonder fijn Fransch rozenstruikje, waaraan ik het- 
zelfde gebrek van ombuigen en verwelken van een lot 
meende waargenomen te hebben; ja, het zou mij niet 
verwonderen dat ik zelf er Westwood op een zijner be- 
zoeken attent op had gemaakt en dat dit aanleiding gaf tot 
het zenden der larve zijnerzijds ; het is echter zoo lang 
geleden dat ik dit niet meer durf verzekeren. Hoe dit zij , 
ik keek telkens naar mijn rozenstruikje en in Junij 1865 
vond Ik op eenmaal niet alleen op die roos, maar ook op 
anderen verscheidene knikkende loten. Ik vond er den 
1''^" Junij een en deed die op spiritus. Den 8'**" en 10^'" heb 
ik er uit de loten in een fleschje met aarde gedaan, daar 
ik in den tuin verscheidene uitgeholde loten vond, waaruit 
de larve reeds verdwenen was, zoodat ik vermoedde dat 
zij niet als Eniphytiis ductus binnen het lot, maar in den 
grond tot pop veranderden. 

Een dezer larven teekende ik af (zie fig. 3) en tevens 
stelde ik in omtrek naar de natuur het ombuigen van het 
rozenlot voor, waaraan men de woonplaats van het dier 
herkent (zie fig. ia). Een dergelijk omgeknakt lot ontwik- 
kelt zich niet verder, maar verdort. De larve was tamelijk 
dik, vettig op het gezigt en vuil beenkleurig geel van kleur, 
iets schooner aan de drie voorste segmenten, de gevulde 
darm scheen bruinachtig door. Naar mijn beste tellen meende 
ik twintig pooten te kunnen onderscheiden, de bnikpootcu 
waren echter verbazend kort of werden telkens te veel in 
het ligchaam opgetrokken. De gladde en bolronde kop was 
okergeel van kleur met okerbruine bovenkaken; de voel- 
sprietjes onder de oogen waren tamelijk lang en de oogen 
zelven stonden in ronde donkergrijze, bijna zwarte plekken. 

•20 



260 DE INLANDSGHE BLADWESPEN. 

De lucht gaten waren zeer langwerpig, elliptisch, grijs om- 
zoomd. Het was mij niet mogelijk eenige haren op het 
gelicele ligchaam te ontdekken en tegen de gewoonte , hadden 
de voorpooten geene bruine hoornachtige klaauwtjes, maar 
witte. 

Hoe nu deze larve, die bij fig. 2 voorgesteld wordt zoo 
als zij zich met den kop naar beneden , tracht te verbergen 
in een van boven afgescheurd uitgehold rozenlot, hare 
eerste jeugd doorgebragt heelt, is mij nog een raadsel. Voor 
verscheidene jaren heb ik eens van den heer Ver Loren een 
klein geel bladwesplarfje ontvangen , dat in den onigekrulden 
rand van een rozenblad aangetroffen werd ; zoowel de 
overeenkomst in kleur en gedaante, als ook de zucht tot 
eene verborgen levenswijze aan beiden gemeen, doen mij 
vermoeden dat de kleine wel den zeer jongen toestand van 
de groote kan voorstellen. 

Wanneer onze larve volwassen is , verlaat zij hare woning 
en begeeft zich in den. grond, waar zij van zand en aard- 
korrels een stomp ovaal cocon (fig. 4) aan elkander spint; 
dit geschiedt in het begin van Junij en van dien tijd af 
tot in het voorjaar ligt de larve, eenigzins toegevouwen 
met den kop naar beneden en den staart naar omhoog, 
zonder verandering daarin. Toen ik eens des winters een 
cocon opende, vond ik de larve in dien toestand. Een 
gevolg van dit lange liggen zonder verandering, gepaard 
met het geringe aantal mijner voorwerpen, is geweest dat 
ik geene pop heb gezien en dus die ook niet heb kunnen 
afbeelden. Ik was namelijk bevreesd dat ik door het suc- 
cessivelijk openen der cocons al mijne dieren den dood in 
de armen zou voeren; want zelden gebeurt het dat eene 
in haren winterslaap gestoorde en door het verbreken van 
het cocon aan al te spoedige afwisseling van droogte en 
vochtigheid blootgestelde larve de verandering in pop beleeft. 

Hoe het gekomen is dat ik in het voorjaar niet zoo goed 
heb opgelet dat ik de wesp zich in het suikerglas kon 
zien bewegen weet ik niet meer te zeggen, maar zeker is 



DE INLANDSGIIE BLADWESPEN. 201 

het dat de eenige wesp, die uit de ])ovenvermelde larven 
bij mij uitgekomen is , dood heb vinden hggen op de aarde. 
Het voorwerp was een wijfje van Selandrla candidala Fallen , 
eene soort die van Klug den naam van S. repanda ont- 
vangen heeft en alom vrij zeldzaam schijnt te zijn. 

Daar ik mijne waarnemingen voor incompleet moest 
verklaren , — mij ontbrak namelijk de kennis van de pop en 
het mannetje, — besloot ik met de uitgave te wachten tot 
mij gelegenheid zou zijn gegeven om het onderzoek voort 
te zetten. Doch ik ben sedert niet meer zoo gelukkig ge- 
weest de larve te zien en ofschoon ik mij verscheidene 
jaren voorgenomen heb naar Noordwijk te gaan in de 
eerste dagen van Junij om daar de rozen in de kruidtuinen 
te onderzoeken, het is er maar eens toegekomen en het 
resultaat was = o. Ook heb ik door een mijner kennissen 
aanvrage laten doen bij een rijken kweeker aldaar, doch 
met hetzelfde ongunstige gevolg. Ik geef het dus zoo goed 
als op, tot nadere kennis van de levenswijs te geraken en 
publiceer w^at mij tot heden bekend werd. 

Selandrla candidala behoort tot eene kleine groep welke 
Thomson als geslacht onder den naam Poeci^o^oma afzondert, 
tot een van welks voornaamste eigenschappen behoort, dat 
het achterlijf bont of ten minste overdwars gestreept of 
met bandjes bedekt is. Ik voor mij ben tegen het aannemen 
van verdeelingen op zulke nietigheden gegrondvest, maar 
ik vrees dat de gedweeé volgzaamheid der entomologen, 
die in het aannemen der pruUerigste onderscheidingen 
werkelijk verbazingwekkend is, toch dit genusje, zoo als 
zoo vele anderen wel weder slikken zal. 

De kop is kort en breed, weinig glanzig, op het voor- 
hoofd en het aangezigt met allerlei plooijen en indruk- 
sels bezet, niet behaard. De oogen zijn bruin, ovaal, 
tamelijk uitpuilend. De sprieten staan laag in het aange- 
zigt, zijn weinig langer dan de thorax, en bestaan uit 
9 leedjes, waarvan het derde het langste en het negende 
het smalste is. De monddcelen zijn wit, behalve de basis 



262 DE INLANDSCIIE BLADWESPEN. 

der mandibulen die grijs is; de bovenlip is lielderder wit 
dan de clypeus, die geelachtig betint is. Vuil wit zijn voorts 
de kaken en de breede achterrand der oogen. 

Aan den glanzigen en zeer kort behaarden thorax zijn 
wit de bovenzoon! van den prothorax en de vleugel- 
schubbetjes; aan de doorschijnende, iriserende doch wel 
een weinig berooide vleugels is de voorrand en het stigma 
wit met een bruin tintje. In de tweede cubitaalcel ziet men 
een hoornvlekje ; de lancetvormige cel heeft eene zeer 
scheef staande dwarsader en de ondervleugels vertoonen 
geen middelcel. De zijden der borst dragen bij mijn exem- 
plaar ter wederzijden een rond wit vlekje. 

Het achterlijf, dat vrij breed en plat is, heeft niet alleen 
den achterrand der segmenten zeer fijn wit gezoomd, maar 
ook op de 2''% 3'^% 4'^ en 5''^ ringen ter wederzijde van den 
rug blaauwgrijze , in het midden afgebroken dwarsbandjes, 
waaromtrent ik twijfel of zij niet uit eene bekleeding van 
zeer korte haartjes zou bestaan. De legboor steekt kort uit. 
De pooten zijn gewoon, eer slank dan krachtig. De basis 
der heupen en het grootste gedeelte der dijen zijn brons- 
achtig zwart, de benedenhelft der heupen, de trochanters, 
de knieën , de schoenen behalve de bruine benedenhelft en 
de basis der tarsen zijn vuilachtig wit ; het overige gedeelte 
der tarsen is bruin. De klaauwtjes aan het laatste lid heb- 
ben dubbele haakjes , dat is te zeggen twee haakjes achter 
elkander. 

Mijn eenig uitgekomen voorwerp was, gelijk reeds ge- 
zegd werd, van het vrouwelijke geslacht. In de beschrijving 
van Thomson lees ik dat bij den man de teekening op kop 
en thorax minder duidelijk is en dat het laatste buikseg- 
ment aan den rand is ingekeept. 

Dat deze soort zeldzaam is ten onzent, blijkt wel uit 
het bovenstaande, meer nog echter daaruit dat zij in de 
Naamlijst van inlandsche Hymenoptera nog niet opgenomen 
was. Ook elders is zij zeldzaam ; Hartig trof haar eens op 
wilgen aan , terwijl Thomson bepaaldelijk zegt : tamelijk 



DE INLANDSCIIE BLADWESPExN. 263 

zeldzaam, hij voegt er echter hij «op berhon), 't geen ik 
verklaar niet te kunnen uitleggen. 

Hoogstwaarschijnlijk heeft deze hladwespsoort nimmer 
meer dan eene generatie in het jaar. 

Verklaring van Plaat 10. 

Fig. 1. Een rozentakje, waarvan bij a een lot omgeknakt 

en uitgegeten is. 
» 2. Een afgehroken lot, waarin de larve zich tracht 

te verschuilen. 
7) 3. De volwassen larve, iets vergroot. 
» 4. Haar aarden cocon. 
» 5. De vliegende wesp, vergroot. 
» 6. Haar kop, nog iets meer vergroot, schuin van 

voren te zien. 



NEMATUS GRASSULUS Dahlb. 
N°. G4 der Nieuwe Naamlijst. 

Vergelijk voor de imago : 

Daiilbom, Consped. Tenlhr. n° 90. 

Hartig, Blatt- und Holzwespen, p. 202, n° 33 

{Leucostictus). 
Thomson, Hymenopl. Sccmcl. I. p. 157, n° 90. 

en voor de larve : 

K ALTENE ACH, Die Pßanzen feinde, p. 580, n° 333 

(Xanthogaster). 
P. Cameron Jr., Proceed, of the N. Hid. Soc. of 

Glasgow, Vol. p. 3 J 3. 



Nemalus brevis, niger, apice clypei, labro, genis, pronoti 
angulis, squamulis, òtigmate et trochanleribus albis ; femoribus 
fulvis, calcaribus posticis curvatis. Long. 4 — 5 millim. 

Of aan dit insect de naam Crasmlus van Dalilbom toe- 
komt, dan wel die van Leucostictus van Klug en Hartig is 
bij mij niet uitgemaakt. Is het Conspectus van Dalilbom, 
dat ik niet ken, niets meer dan eene systematische naam- 
lijst, dan moet zijn naam vervallen, tenzij de naam Leu- 
costictus, gelijk Thomson en Cameron schijnen te vermoeden, 
niet aan deze maar aan eene zeer na verwante soort ge- 
schonken zij , in welk geval de naam zou zijn Nein, crassulus 
met bijvoeging van Tlioms., niet van Dahlb. 

Kaltenbach noemt zijne soort Xanthogaster Forst, doch dit 
is kennelijk verkeerd, daar liet insect onder dien naam 
door Prof. A. Förster in het Tijdschi'ift voor Rhijnland 
en Westfalen beschreven (Deel XI, 1851, bl. 313. Tab. 
VI, fig. 26), ]:)ehalve dat het in het algemeen veel lichter 



DE 1NLA^'DSG^E BLADWESPEN. 2G5 

van kleur is en eene andere verdeeling- van kleuren ver- 
toont, sprieten heeft in het mannelijke geslacht zoo lang 
als thorax en abdomen, terwijl de sprieten van mijn voor- 
werp naauwelijks zoo lang zijn als het abdomen alleen. 
Ook stemt de teekening door Forster geleverd niet met 
mijne voorwerpen overeen, aangezien de derde dwarsader 
tusschen radius en cubitus bij hem regtstandig is, bij 
mijne voorwerpen naar regts beneden scheef staat, daar- 
gelaten dat ook de teekening der gesloten cellen in den 
ondervleugel eenigzins afwijkt. Wij laten dus Förster's 
Xanthogaster voor 't geen zij zijn moge en stellen alleen 
vast dat zij onze soort niet is. 

Vrij zeker is het dat onze soort is de N. crassuUis van 
Thomson en dus misschien ook die van Dahlbom. In de 
beoordeeling of zij ook tevens Leucostidufi^diVi. (Mus. Klug.) 
zijn kan , 't geen slechts door weinig beteekenend verschil 
gewraakt wordt, boude men in het oog, dat Hartig van 
zijne soort zegt dat zij omstreeks het einde van Mei om 
Salix capraea zwermt. 

Mijne eerste kennismaking met de larve dezer soort 
dagteekent van den tijd, toen wijlen mijn vriend Wttewaall 
mij behulpzaam was in het opsporen der levenswijze van 
schadelijke insecten. Wandelende langs de oevers van den 
IJssel, viel het hem in het oog dat de bladeren van de 
kat {Salix viminalis) dikwijls in de lengte toegevouwen waren 
en dat daarbinnen zich een bladwesplarfje bevond. Hij 
zond er mij een zeker aantal van toe ; ik teekende ze af, 
doch was niet in staat ze op te kweeken; naar ik meen, 
gelukte hem dit evenmin. Waarschijnlijk waren onze lar- 
ven te jong. 

Dezelfde soort werd mij 27 Julij 1874 mede in bladeren 
van Salix viminalis toegezonden door den heer P. Gameron Jr. 
uit Glasgow, denzelfden wiens opstel over deze soort in 
de «Proceedings of the Natural History Society of Glasgow» 
ik boven aangehaald hc]3. Later ontving ik ook van dezen 
ijverigen natuuronderzoeker het ei en de jonge rups. Het 



206 DE INLANDSCIIE BLADWESPEN. 

is dan ook gedeeltelijk aan zijne mededeelingen ontleend 
wat ik hier omtrent den eersten en derden toestand van 
ons insect ga zeggen. , 

De moederwesp slaat (op welke wijze is ons onbekend , 
doch waarschijnlijk na knaging van eene glee in de epi- 
dermis der bovenzijde) eene zijde van een wilgenblad voor 
een gedeelte naar binnen om en legt tusschen de toegeslagen 
plekken een ovaal bruin eitje, waarna zij op eene nog niet 
waargenomen wijze, het omgeslagen gedeelte aan den rand 
vastkleeft. Op plaat 11 stelt fig. 1 een op die wijze omge- 
slagen gedeelte van een blad van SalLv Capraea voor, waar- 
nevens het bruine eitje vertoond wordt, tevens met aan- 
duiding der plaats , waar het onder het omgeslagen bladstuk 
verborgen lag. 

De heer Cameron zegt dat hij een dergelijk blad met 
de loupe beschouwende, duidelijk aan de randen puntjes 
zag van zekere lijmige stof, waarmede de omslag onder 
tegen het blad aangehecht was geweest. 

In het begin leeft de larve onder dit bedeksel, later 
trekt zij bijna de eene helft van het blad, altijd in de 
rigting der hoofdnerf, op de andere. 

De zeer jonge larve van 2 mm. lengte, die bij fig. 2 
wordt voorgesteld, is geelachtig, bijna ongekleurd en schier 
glasachtig. Haar kop, de klaauwtjes en twee bandjes op de 
laatste segmenten, zijn zeer licht bruin betint. 

In het begin vergenoegt zij zich met het uiteeten van 
de onderbladhuid en het celmoes tot op de bovenhuid en 
dat wel eerst binnen de plooi, die haar bedekt, daarna 
echter ook daar buiten en , ofschoon Cameron liet tegendeel 
beweert, eindigt zij met gaten -door het blad heen teeeten, 
gelijk bijna iedere andere bladwesplarve. Bij fig. 5 ziet men 
een blad, door eene mijner Geldersche larven geheel stuk 
geknaagd. 

Na de 3de vervelling is de larve bijna 5 mm. lang en 
heeft de gedaante van fig. 3. De kleur van den kop is dan 
iets bruiner en die van het ligchaam iets groener, doch 



DE IXLANDSCIIE BLALWESrEN. 2G7 

het meest merkwaardige is dat ieder segment in drie dwars- 
plooijen verdeeld is, waarvan ieder 4 wratjes op den rug 
draagt, welke wratjes met korte witte haartjes hedekt zijn, 
waarvan alternatief telkens een naar voren en een naar 
achter gebogen is. Ook de kop is met haartjes bekleed. 
Men vergelijke de beide figuren 3 en 4. 

Is de rups eindelijk volwassen (zie fig. G), dan bereikt 
zij eene lengte van 12 — 15 mm. en heeft in het geheel 
20 pooten , daar alleen de 4'' en 11^ ligchaamsringen geene 
pooten vertoonen. Haar kop is zeer groot en bol, tevens 
zeer glanzig, licht- of donkerbruin van kleur. De kleine 
oogen staan in ronde zwarte plekken. Het lijf is licht 
groen van kleur, doch de donkere darm schijnt op den 
mg overal door, zoodat het midden altijd donker groen is; 
het geheele lijf is sterk geplooid, daar iedere ring door 
twee insnijdingen in drie bolle plooijen verdeeld is, op welke 
plooijen de vroeger beschreven wratjes staan , doch niet altijd 
even duidelijk en nu niet of flaauwelijk met haartjes bezet. 
De zes voorpooten zijn licht geelgroen, elk met een schuin- 
staand bruin streepje aan de basis en met een bruin 
klaauwtje aan het eind. Het derde paar dezer pooten wordt 
bijzonder ver naar achteren gestrekt, zoodat men zeggen 
zoude dat het vierde segment pooten bezit. De buikpooten 
zijn licht groen. Aan de laatste ligchaamsringen ziet men 
twee zwarte bandjes, een breed vooraan en een smal daar- 
achter; geheel aan liet einde twee uitstekende doorntjes 
met zwarte spitsen. 

Deze larven, die wanneer zij ontbloot worden, zich zeer 
Aveinig lichtschuw vertoonen, slaan bij aanraking met den 
staart in de rondte. 

In Augustus, volwassen zijnde, verlaten zij hare wilgen- 
bladeren, laten zich op den grond vallen en spinnen op 
de oppervlakte, tegen een verdord Llad of iets dergelijks 
een lichtbruin cocon, gelijk men er een afgebeeld ziet bij 
iig. 7. Het popje, dat ik niet gezien heb, is volgens den 
heer Cameron groen. 



2G8 DE INLANDSGIIE ELADWESPEN. 

De imagines beschrijf ik naar voorwerpen van genoemden 
entomoloog ontvangen ; of onze Nederlandsche in allen deele 
gelijk zijn aan deze Schotsche voorwerpen, zullen latere 
onderzoekingen moeten leeren. 

Het wijfje is 5 mm. lang en vrij breed, voornamelijk aan 
het abdomen. De kleur is een glanzig zwart , op kop en 
thorax een weinig bruinachtig. De sprieten zijn niet langer 
dan kop en borststuk, zwart. Aan den kop zijn de mond- 
deelen, de wangen en min of meer de rand achter de 
donkerbruine oogen vuilwit gekleurd. De schouderpunten 
van den prothorax en de vleugelschubjes zijn geelachtig wit. 
De vleugels, vrij stomp en breed, zijn helder doorschijnend, 
met geel stigma, lichtbruin costa en iets donkerder aderen, 
behalve de lancetvormige ader, die geel is. De ruggekorreltjes 
zijn moeijelijk te onderscheiden. Aan de pooten zijn de 
heupen aan de basis zwart, aan de spits even als de tro- 
chanters wit ; de vier voorste pooten zijn verder zeer licht 
geel met bruine tarsenspitsen ; de achterdijen zijn licht 
oranje, de schoenen licht geel, aan de spits wat gebruind 
met korte kromme stekeltjes; de tarsen zijn met hunne 
klaauwtjes bruin. De anus is min of meer bruingeel betint. 
Vergelijk fig. 8. 

Het mannetje is iets slanker, heeft langere sprieten die 
aan de onderzijde lichtbruin zijn, en de anaalplaat alsmede 
de cerei, zeer duidelijk geel gekleurd (zie fig. 9). Ook zijn 
de vleugels aan de buitenhelft donkerder, het stigma is 
vuilgeel met bruinen onderrand en de lancetvormige ader 
is voorbij de helft bruin. Eindelijk zijn de pooten niet zoo 
helder van kleur als bij het wijfje. 

Ik veronderstel dat deze soort, die in het jaar slechts 
eene generatie schijnt te hebben, daar de wespen in Mei 
uitkwamen, vrij gemeen zal zijn op de wilgen aan onze 
rivieren en wenschte wel dat de oeverbewonende entomo- 
logen daarop hunne aandacht wilden vestigen. Op onze 
gewone witte wilg en op de duinwilg heb ik haar nooit 
waargenomen en slechts eenmaal bij Naaldwijk op Salix 



DE INLxiNüSCllE BLALWESPEN. 



269 



viminalls. Waarschijnlijk is zij over het gelicele noorden 
van Europa verbreid. 



Verklaring van Plaat 11. 



¥m. 1. 



» 


2. 


» 


3. 


» 


4. 


)) 


5. 


» 


6. 


» 


7. 


» 


8. 


» 


9. 



Een gedeelte van een blad van de wolwilg met den 

rand omgeslagen; het eitje daarnevens vertoond. 

Eene zeer jonge larve, vergroot. 

Eene halfwassen larve, vergroot. 

Haar zesde segment op den rug, sterk vergroot. 

Een blad van de kat , omgevouwen en stuk gegeten. 

Volwassen larve, vergroot. 

Het cocon. 

Het wijfje vliegend, vergroot. 

Het achterlijf van het mannetje, vergroot. 



SELANDRIA ALBIPES L. 

N°. 134 der Nieuwe Naamlijst. 

Vergelijk voor de imago : 

Linnaeus, Syst. nat. Gmel. p. 26G7, n^ 12G. 
Klug, in Mag. Naiurforsch. Freunde YIII, p. 07, n° 44. 
Hartig, Blatt- umi Holzwespen, p. 273, n° 23. 

en voor de larve : 

Kaltenbagh, Die Pßanzenfeinde. p. 9. 



Selandrìa subaenescens nigra, nitida, gemibus, tarsis ti- 
biisque albidis, his apice vel interne fmcescentibus , cenchris 
albis nitidis. Long. 6 s. 7 mm. 

De acht regels druks van Kaltenbach ter aangehaalder 
plaats is alles wat wij van de larve en huishouding van 
deze reeds vroeg bekende soort opgeteekend vinden , zoodat 
eene iets omstandiger beschrijving met eene afbeelding wel 
niet gewraakt zal worden, al ontbreekt daar ook aan de 
kennis van ei en pop. 

Het scherpe sap der ranonkels , dat het vee niet verdragen 
kan, schijnt voor enkele insecten niet alleen onschadelijk te 
zijn, maar ook zekere aantrekkelijkheid te hebben. 

Twee torretjes, 2 vlinders, 2 bladwespen, een vliegje, 
een blazenpoot en twee bladluizen worden opgegeven als 
vernielers der bloemen en bladeren van verschillende soor- 
ten van Ranunculi. Daartoe behoort ook Selandria albipes L. 
in larventoestand. 

Voor jaren had ik in niijn' tuin op Oostindische kers een 
groen bladwesplarfje aangetroffen, dat ik uitteekende (zie 
fig. 1) en 't geen ik te vergeefs met de bladeren van genoemde 
plant trachtte op te kweeken. Later is mij gebleken dat ik 



DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 271 

eene larve van onze soort voor mij gehad had, die waar- 
schijnlijk tot dien tijd van boterbloem-bladeren had geleefd 
en alleen bij toeval, misschien om van huid te verwisselen, 
zich op de kers begeven had. Het was de oorzaak van haren 
dood, want het bragt mij in de meening dat ik haar met 
O. I. kers, eene plant voor haar ondienstig, moest opkweeken. 
Eenige jaren na deze mislukte proef bragt mij mijn vriend 
Ritsema uit Haarlem een zeker aantal larven mede , levende 
op de bladeren van de gewone boterbloem (Ranunculus acris) ; 
zij waren van verschillende grootte en afkomstig uit den 
tuin van zijnen vader, destijds te Haarlem woonachtig. 
Behalve de grootte vond ik niet veel verschil in de larven, 
echter waren sommigen lichter van tint zoowel op den kop 
als op het lijf. De heer Piitsema had het vorige jaar eene 
bladwesp een ei zien liggen op een blad van scherpe 
ranonkel en het rupsje, daaruit voortgekomen, opgekweekt; 
hij kende dus reeds de soort of ten minste in het algemeen 
de gedaante en de kleur van wesp, ei en larve. 

Ik toekende twee der mij geschonken larven af (zie fig. 
2 en 3). Zij waren zeegroen met gelen gloed, 15 of 16 mm. 
lang, rolrond en bijna overal even dik, alleen aan het 
staarteinde een weinig dunner. Haar kop was vuil olijfgroen 
met een bruinen band dwars over den schedel en met de 
oogen in cirk eirond e plekken (verg. fig. 4). De monddeelen 
waren ietwat zwartachtig. Het ligchaam was zonder vlekken, 
noch wratten, noch doorntjes, noch haren, maar vrij sterk 
gerimpeld, want iedere ring (zie fig. 5, welke den 10^^" 
voorstelt) was door 3 overlangsche rimpels in vier ongelijk 
breede plooijen afgedeeld. De stigmata waren langwerpig 
rond, doch w^egens de kleinheid bijna onzigtbaar. Ik telde 
in het geheel 22 poolen, allen groen; de klaauwljes der 
voorpooten echter waren licht bruin. 

Zoo ik mij niet geheel vergis, hadden de jongste larven 
geheel groene koppen ; ik heb dit echter niet opgeteekend en 
durf het dus nu niet meer verzekeren. De korte beschrijving 
van Kaltenbach geeft ons hieromtrent geen nader licht. 



272 DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 

Mijn rupsje van de Oostindische kers was veel geler, 
zelfs bijna oranje; ik moet dit toeschrijven of daaraan dat 
het diertje zich met bloemen had gevoed, 't zij aan zieke- 
lijkheid , waaraan ook de dikke , zwarte ophooping a an 
drekstoffen, die door het achterlijf heen schijnt, kon worden 
toegeschreven. 

De larven van onze soort zijn weinig bewegelijk ; zij zitten 
over dag meest half ineengerold tegen de onderzijde der 
bladeren en eten des avonds groote plekken in het blad 
meestal aan den rand beginnende, soms echter ook wel in 
het midden. 

Tegen het eind van Julij spinnen zij zich in den grond in, 
binnen een uit aardkorrels aaneengelijmd coconnetje en 
blijven daar rustig het volgende voorjaar afwachten om in 
pop en vervolgens in wesp te veranderen. 

De wesp is O tot 7 mm. lang, glanzig zwart met een 
bronzen tint, vrij dik en vooral aan het abdomen rolrond. 
De heldere glans van het ligchaam veroorzaakt dat men 
somwijlen denkt op kop en borststuk witte vlekjes te zien, 
die er echter niet zijn; alleen de ruggekorreltjes zijn helder 
wit. De kop is kort en breed; oogen en bijoogjes bruin; 
sprieten zwart, niet langer dan de thorax, in het midden 
tamelijk breed. De vleugels zijn eenigermate berookt met 
zwart stigma en vrij donkere aderen; de lancetvormige 
ader is gestoeld en de achtervleugels hebben slechts eene 
gesloten cel. De legboorscheede steekt een weinig buiten 
het achterlijf uit. De poot en zijn glanzig zwart tot digt bij 
de knieën, doch de heupen vertoonen aan de buitenzijde 
een langwerpig, lichtgrijs vlekje; de knieën, schoenen en 
tarsen zijn wit, met een weinig bruin aan alle spitsen. 
De tarsenklaauwtjes zijn zwart. 

Ik moet veronderstellen dat de soort hier te lande zeld- 
zaam is; zoo niet, dan weet de wesp zich wel te verbergen, 
want zij werd niet dikwijls gevangen. Haar voedingsplant 
is evenwel gemeen genoeg, daar de boterbloem overal voor- 
komt. Ook in Duitschland schijnt Sel. alhlpes niet gemeen 



DE INLANDSCUE BLADWESPEN. 273 

en omtrent Scandinavie verzekert Thomson bepaaldelijk dat 
zij daar zelden voorkomt. 

Verklaring van Plaat 12, boven, 

Fig. 1. Eene oranjekleurige larve. 

» 2. ) 

o ( Volwassen larven. 

» 4. De kop van een dezer, vergroot. 

» 5. Een ligchaamssegment , vergroot. 

» 6. De vrouwelijke wesp, vergroot. 

» 7. De drie pooten aan de regterzijde, vergroot. 



NEMATUS LURIDIVENTRIS Fall. 

N°. 35 der Nieuwe Naamlijst. 

Vergelijk voor het volkomen insect : 
Fallen, Ada Holm. 1808, p. 115, 55. 
Hartig, Blatt- und Holzwespen. t^AS^ì, n° 1 {Hi/pogastncus). 
C. Ct. Thomson, Hymen. Scancl. p. 78, n° 4. 

en voor de larve : 
Reaumur, Mémoires V, p. 97, PI. 12, f. 17 H 18. 
DE Geer, Mémoires, vert. v. Goeze, II, Part. 2. p. 267, 

n°. 21. PL 38, f. 12 et 13. 
Bouché, in Stett. Ent. Zeit. 1846, p. 289. 



Nemahis niger, prothoracis limbo, sqiiamulis pedibiisque 
rufescenti-albis , femoribus obscur iorib us , tarsis poslicis fuscis, 
■alarum cellula lanceolata constricta. Long. 6 mm. 

De larve dezer soort is mij sedert lang bekend en werd 
jaarlijks door mij te Leyden gevonden in den tijd toen ik 
aldaar ambtenaar was aan het Museum; nogthans is het 
mij nooit, evenmin als aan Reaumur en de Geer gelukt 
daaruit de wesp op te kweeken. Ik stelde dus de uitgave 
der besclirijving uit totdat ik zoo gelukkig zou geweest zijn 
haar uit de larve te kweeken, doch ik begin daaraan te 
wanhopen, en volkomen zekerheid hebbende omtrent de 
soort der wesp, niet alleen door de aangehaalde opstellen 
van Bouché en Thomson, maar ook door de verzekering 
van wijlen mijn' vriend Kaltenbach , wien ik mijne teekening 
toezond, en eindelijk van den heer P. Cameron Jun. te 
Glasgow, wien het ivel gelukte de larf tot imago te brengen, 
wil ik niet langer uitstellen mijne teekening aan het publiek 
aan te bieden , te meer daar het volkomen insect in Neder- 



DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 275 

land gevangen is, door den heer Six in Mei to Utrecht en 
door mij in het begin van Junij bij den Haag, zoodat in- 
landsche voorwerpen voor de beschrijving dienen kunnen. 

De larve leeft in September aan de onderzijde van elzen- 
bladeren {Alnus glutinosa) , is zeer traag en eet onregelmatige 
gaten in het blad (zie fig. a); den bladrand heb ik haar 
nooit zien beknagen. Reaumur noemde haar « fausse-chenille 
cloporte » en niet ten onregte , want hare gedaante doet sterk 
aan die eener pissebed denken. Over dag vindt men haar 
altijd stil zitten met den kop tegen een nerven-oksel aan- 
gedrukt. Zij vertoont, behalve de bijzonderheid van het 
breed en plat uitstaan der zijden van het lijf, ook nog deze 
dat haar schedel dubbel puntig is en dat zij in waarheid 
19 pooten bezit, want de beide achterpooten zijn aaneen- 
gegroeid. 

De kop (zie fig. c) vertoont op den schedel 2 stompe 
hoorntjes of verhevenheden en is licht feuille-morte van 
kleur , terwijl de bovenkaken de kleur hebben van gebrande 
oker; van de beide hoorntjes loopen naar den nek twee 
fijne, bruine streepjes. De oogen staan in ronde zwarte 
plekken, meer zijdelings geplaatst, dan bij andere blad- 
wesplarven. 

Het hgchaam is boven en onder hcht sapgroen. Er zijn 
aan de zijden van het lijf 9 paren pooten en onder den 
anus een breede poot, aaneengegroeid van die van het 
laatste paar. De voorpooten (zie fig. c) vertoonen groote 
ballen onder aan het voorlaatste lid en aan het laatste 
bruine klaauwtjes. Het eerste ligchaamssegment is klein en 
onder den rand van het tweede verborgen. Het 2'"' vertoont 
aan de bovenzijde een groot en vooral breed , aan de boven- 
zijde eenigzins bol gebogen schild met half doorschijnende 
randen, die zijdelings een weinig uitgebogen en met witte 
haartjes gezoomd zijn. Het 3'"' segment is smaller en zeer 
breed, doch zonder andere versiering dan de haartjes op 
zijde. Op alle volgende segmenten is het lijf van de zijde- 
lingsche uitsteeksels, die aan den buitenkant halfrond toe- 

21 



276 DE INLANDSGHE BLADWESPEN. 

loopen , zeer duidelijk te onderscheiden ; waar deze laatsten 
beginnen staat van het ¥^ tot het W^ segment aan iedere 
zijde een vrij groot langwerpig onregelmatig zwart vlekje 
aan den voorrand en tusschen dit en den buitenrand een 
kleiner grijs vlekje. Het 11'^' segment vertoont alleen de 
grijze vlek zonder de zwarte. Op het 12'^ segment staan 
twee grijze stippen digt bijeen. Al deze ringen zijn aan den 
buitenrand met eene franje van fijne haren bezet en het 
laatste segment is bovendien aan de zijden nog eens diep 
ingesneden. Op den eersten ligchaamsring waren de lucht- 
gaten duidelijk zigtbaar, elliptisch, klein, lichtbruin; op de 
anderen kon ik ze niet onderscheiden. 

Tegen het einde van September dalen de larven van de 
elzenbladeren af op den grond, waar zij van aardkorreltjes 
een vrij dun coconnetje vervaardigen. Daarin blijven zij, 
volgens Bouché en Kaltenbach , tot in Mei van het volgende 
jaar in denzelfden toestand hggen, veranderen dan in pop 
en veertien dagen later kruipen zij in wespengedaante 
weder naar boven. Daar er in den winter velen in den 
grond omkomen, is het getal wespen betrekkelijk gering; 
dit geeft dan ook de verklaring van het feit, dat zij tot 
heden zoo zelden gevonden zijn. 

De wesp is in gedaante van andere Nematen niet zoo 
afwijkend als men wel vermoeden zou ; het eenige waar- 
door zij zich bepaaldelijk van alle anderen onderscheidt en 
zich aansluit aan sommige soorten van Dineura is dat de 
lancetvormige cel niet gesteeld, maar in het midden toe- 
geknepen is (zie fig. d). Het mannetje door mij afgebeeld 
naar een Schotsch voorwerp , bij gebreke aan een Hollandsch , 
is slanker van bouw en heeft langere sprieten dan de wijfjes; 
daarbij onderscheidt het zich natuurlijk door den bouw der 
laatste abdominaalringen , doch overigens zijn beide sexen 
gelijk. De Schotsche voorwerpen hebben de heupen en dijen 
wat sterker rood gekleurd dan onze inlandschen. 

Het gelicele hgchaam glanzig zwart, behalve de oogen, 
palpen en pooten. De eerstgenoemden zijn bol, rond en 



DE INLANDSCHE BLADWESPEN. 277 

bruin ; de sprieten , bij den man bijna zoo lang als thorax 
en achterlijf, bij het wijfje slechts zoo lang als het achter- 
lijf, zijn bij beiden borstelvormig , zwart, de leedjes bijden 
man iets versmald of scheef ingekeept aan de basis. De 
clypeus is regt afgesneden, de palpen en onderlip zeer 
licht bruin, de mandibulae bruinachtig zwart. 

De kop is grof bestippeld, de thorax en het achterlijf 
fijn ; de zoom der lappen van den pro thorax en de schub- 
betjes zijn zeer licht bruin, de ruggekorreltjes grijs; het 
stigma der vleugels pekbruin. De anaalplaat aan het achter- 
lijf van den man is bruinrood ; een der inlandsche wijfjes 
heeft den buik bijna geheel bruinachtig roodgeel, het andere 
slechts op de laatste ringen. 

De pooten zijn aan de inlandsche exemplaren licht bruin- 
geel, nog lichter aan de apophysen en benedenhelft der 
scheen ; met de spits der achterste scheenen en de tarsen 
licht bruin, doch de Schotten hebben de heupen voor een 
gedeelte en de achterdijen naar het oranje hellend, met de 
apophysen en scheenen wit. 

Dat deze soort slechts eene generatie in het jaar heeft, 
schijnt voldoende bewezen. Zij schijnt in geheel noordelijk 
Europa voor te komen. 

Verklaring van Plaat 12, beneden. 

Fig. a. De larve in rust op een elzenblad. 
» h. Dezelfde, vergroot. 
» c. De kop en twee eerste ringen op zijde gezien, 

vergroot. 
» d. De mannelijke wesp, vergroot. 
» e. Het achterlijf en een achterpoot der vrouwelijke 

wesp, vergroot. 



ERRATA. 

Biz. XVII, regel 5 v. o. slaat: bron, lees: kom. 

" 140, '/ 10 V. o. " Noordwestkust, lees: Noordkust. 

" 157 , de 3 laatste regels : „ Een ? hebben ," 

moeteii vervallen. 



PLI. 






S.v.V.fec 



Cocon van Aèelena fAij^roeca) brunnea. 





h 



A -il 
li 



A-J.'Ai'. sculfs 



ll;»(l\lol.> luiikcrplla. Suell. 



PI. 2 




life 






i^ 




5. 

1, '2. Oinopliila V-flava H»«. .1. J.Dysmasia pnrietnreUa Bruoui. 
ä.Dj-smasia ui^ripuuctella How. G Coi'j-ptilum Klu^il Zell, 




6. 






.Q 












vJ> 



d. 







,m. 



Cnrporripsiv «j^rossana. Ha 



Fl. 3. 




S v.Y fé, 



lnlaiids(i\i> IfeMiiintoi 



A.J \l sculp s - 



PI. 4. 




Iiilandscho HcMiiiprpra 



A J.W. sculps. 



PI. 5. 




IhIìiikIscIk' Hemiptera. 



A.J.W, sculps. 



l'I. 6. 





7 a. 



Ih. 




K ^ 




t^ 



Sa ^ 



v.V, a Six del 



Zeldzame Pferoinalii\eu 



A. J.ìV. sculps. 



PI. 





hi 




Za. 



#i 





Vv K: 



Ö' 








A J.W fee. et, sculps. 

1. Lycaena r.uoma Snelle?. 2. 2a.L. Lysizone Snell 3 L.py^^TtK-vea Snell. 
4.Pamphila bruirne a Snell. S.ThjTuelicus mgrolimbatus Suell. 



PI. 8. 







--,4. 



la. 



lb. 



<^$=^ 



'^5:^3?^ 



i 2b. 



l'^- \ 



^- . I 



/ / 



oa. 






/ 



5l>. 



Sa. <^. 



7b. 



V 7a. 

) 



•x 



A.JW fee. et sculps. 
1 llli^osfi.^iiKi i;ilme;tlis Siu-U Ü.O.rniliiiealis S.a-ll o.O. Colonialis Cn. 4 üsmalis S,u-U. 
5,0 Aiir(MiI;>li.s s,„.ll, ()J1 Siiniilifi;Uis S.i^ll. 7. Livlitasrialis Sn.-Il, 




PI. 9. 






Sc.î. 




9a.î. 





,iiÇ^' 






10. 



t 



lie.?. 




lib. (5. 



12a. c5. 




A ,' 'iV f?c e'. sculps 



8. 01i<insa55ma Crassicorualis G„ ad idcu va,- Inv.vuU. 9. Tripunct.Us Snell. 



10. 



O.îfectalis Snell. 11.0. Sejmu-tolis Snell r.'.OGibbüsalis Gn. 



PI. 10. 




s.v. Y. fee. 



Selaiulrio caiirlirlnta tVU. (Rcpmid.-. Klug. 



A.J.W, sculps 



ri. 11. 




% 



9. 





^ / 




S.v.V.fec. 



Nematus rrassulus DoKlb. 



A,J.¥. sculps. 



PI. 12. 




Xematus liiridivenfns FiJl 



TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE 



UITGEGEVEN DOOB 



1»E SEDERLAKDSCHE EïTOMOLOfilStflE VËREEKKJIM 



ONDER REDACTIE VAN 



Mr. W. ALBARDA 
Mr. S. G. snellen VAN VOLLENHOVEN 



EN 



F. M. VAN DER V^ULP 



IVECErV TIENDE DEEE. 

JAARGANG 4875 — 76 

-2* Afleveriiu* 



'SGRAVENHAGE 

MARTINUS NIJHOFF 

4876 



TIJDSCHRIFT VOOR ENTOMOLOGIE 



UITGEGEVEN DOOR 



M iVEDEßLAOSOHE E9ITOIIOLOOIS(;flË VEREEKKÌIND 



ONDER REDACTIE VAN 



Mr. W. ALBARDA 
Mr. S. C. snellen VAN VOLLENHOVEN 



EN 



F. M. VAN DER WULP _ 






JAARGANG 1875 — 76 



^^ Afleveriug 



'SGRAVENHAGE 

MARTINUS NIJHOFF 

1876 



l^-. 



^mm 



-rii^^ ^^3ï> ^^\ 



'S?^i5Ss^ 






-, :z>^ 






3 9088 00908 8410