(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Tijdschrift voor entomologie"

liiiiliiiiiîiliiiiB 



affluì 



lÜifliii 






TXi is:?o 



1/. So 



^oufi/o /^3 9 



HARVARD UNIVERSITY 




LIBRARY 

OF THE 
MUSEUM OF COMPARATIVE ZOOLOGY 






"'"'' DEC 2 4 1937 

Tijdschrift voor Entomologie 



UITGEGEVEN DOOR 

De Nederlandsche Entomologische Vereenigmg 

ONDER REDACTIE VAN 

PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, F. T. VALCK LUCASSEN 

EN 

J. J. DE VOS TOT NEDERVEEN CAPPEL 



TACHTSGSTE DEEL 

JAARGANG 1937. 



Aflevering 1+2 verscheen Mei 1937 

Aflevering 3 + 4 verscheen November 1937 



INHOUD VAN HET TACHTIGSTE DEEL 

Bladz. 

Versïag van de Zeventigste Wintervergadering . . I — LXVI 

Verslag van de Twee-en-Negentigste Zomer- 
vergadering LXVII — XCIII 



Malcolm Cameron, Fauna Javanica. The Staphy- 

linidae collected by Mr. F. C. Drescher, Part II 1-37 

A. Stare ke, Retouches sur quelques Fourmis 

d' Europe 38-72 

Ir. G. A. Graaf Bentinck, Homoeosoma nimbella 

Dup. (nec Z.) en pseudonimbella mihi nov. spec. 73 — 74 

Dr. D. L. Uyttenboogaa rt, Contributions to the 
knov/ledge of the Fauna of the Canary Islands 
XIX 75-118 

B. H. Klynstra, Contributions to the knov^ledge of 

the Fauna of the Canary-Islands, edited by Mr. 
D. L Uyttenboogaart XX 119-120 

W. D. Funkhouser, Fauna Javanensis, Membraci- 

dae (Homoptera) 121—126 

Eduard Voss, Ein v/eiterer Beitrag zur Kenntnis 
der Curculioniden Javas (65. Beitrag zur Kenntnis 
der Curculioniden) 127 — 166 

Prof. Dr. J. C. H. de Meijere, Die Larven der 

Agromyzinen, Dritter Nachtrag 167 — 243 

B. J. Le m pke. Catalogus der Nederlandsche Macro- 

lepidoptera II 244-303 

M. Pic, Deux nouveaux Coléoptères de Java. . . 304 

Register 305-323 

Errata 324 



JUN 1 8 1937 



TijdscM voor Entomologie 



UITGEGEVEN DOOR 



De Nederlandsche Momologische Vereeniging 

ONDER REDACTIE VAN 

PROF. Dr. J. C. H. de neuere, F. T. VALCK LUCASSEN 

EN 



TACHTIGSTE DEEL. 

Jaargang 1937. 



EERSTE EN TWEEDE AFLEVERING. 

(MEI 1937). 



NEDERLANDSGHE ENTOMOLOGISCHE VEREENI6ING 



De contributie voor het lidmaatschap bedraagt ƒ 10. — 
per jaar. Ook kan men, tegen het storten van ƒ100. — in 
eens, levenslang lid worden. 

Buitenlanders kunnen tegen betaling van ƒ 35. — lid wor- 
den voor het leven. 

De leden ontvangen gratis de Entomologische Berichten 
{ 6 nummers per jaar ; prijs voor niet-leden ƒ 0.50 per num- 
mer), en de Verslagen der Vergaderingen (2 per jaar; 
prijs voor niet-leden ƒ0.60 per stuk). 

De leden kunnen zich voor ƒ 6. — per jaar abonneeren 
op het Tijdschrift voor Entomologie (prijs voor niet-leden 
ƒ 12. — ^per jaar). 

De oudere publicaties der vereeniging zijn voor de leden 
voor verminderde prijzen verkrijgbaar. 

Aan den boekhandel wordt op de prijzen voor niet-leden 
geene reductie toegestaan. 



Avis 

La Société Entomologique des Pays-Bas prie les Comités 
d'adresser dorénavant les publications scientifiques, qui lui 
sont destinées, directement à : Bibliotheek der Nederlandsche 
Entomologische Vereeniging, p/a.Bibliotheek van het Kolo- 
niaal Instituut, AMSTERDAM, Mauritskade 62. 

Toutes les autres publication s et la correspondance doivent 
être adressées au Secrétaire. L'expédition du „Tijdschrift 
voor Entomologie" est faite par lui. 

Si l'on n'a pas reçu le numéro précédent, on est prié de lui 
adresser sa réclamation sans aucun retard, parce qu'il ne lui 
serait pas possible de faire droit à des réclamations tardives. 

J. B. CORPORAAL, 
Secrétaire de la Société 
entomologique des Pays Bas. 
p/a. Zoölogisch Museum, 
Plantage Middenlaan 53, 
Amsterdam. 



VERSLAG 

VAN DE 

ZEVENTIGSTE WINTERVERGADERING 

DER 

NEDERLANDSGHE ENTOMOLOGISGHE VEREENIOING, 

GEHOUDEN IN HOTEL „VICTORIA" TE 's-GRAVENHAGE, OP 
ZONDAG 14 FEBRUARI 1937. 



President : Prof. Dr. J. C. H. de Meijere. 

Aanwezig het Eerelid Dr. A. C. Oudemans en de gewone 
Leden : Dr. G. Barendrecht, P. J. Bels, Ir. G. A. Graaf Ben- 
tinck, K. J. W. Bernet Kempers, A. J, Bessehng, Dr. H. C. 
Blote, D, G. J. Bolten, J. Broerse, C. M. C. Brouerius van 
Nidek, Mej. A. M. Buitendijk, J. B. Corporaal, A. Diako- 
noff. Prof. Dr. W. M. Docters van Leeuwen, H. C. L, van 
Eldik, G. L. van Eyndhoven, F. C. J. Fischer, Ir. J. J. 
Fransen, Dr. D. C. Geijskes, W. de Joncheere, C. de Jong, 
Dr. W. J. Kabos, B. H. Klynstra, J. Koornneef, Dr. G. Kru- 
seman Jr., Dr. S. Leef mans. Dr. D, Mac Gillavry, G. S. A. 
van der Meulen, de Nederlandsche Heidemaatschappij (ver- 
tegenwoordigd door den heer M. de Koning), A. C. Non- 
nekens, Dr. A. Reclaire, W. A. Schepman, Dr. E. A. M. 
Speijer, A. Stärcke, H. G. M. Teunissen, Dr. D. L. Uytten- 
boogaart, H. van der Vaart, F. T. Valck Lucassen, J. J. de 
Vos tot Nederveen Cappel, Ir. T. H. van Wisselingh en 
P. van der Wiel. 

Geïntroduceerd : Dr. S. Broekhuizen en Dr. H. Engel. 

Afwezig met kennisgeving de gewone Leden : Prof. Dr. 
L. F. de Beaufort, Prof. Dr. H. Boschma, P. Korringa, B. 
J. Lempke, H. J. Mac Gillavry, Mej. M. Mac Gillavry, R. 
A. Polak en J. C. Wijnbelt. 

De President opent de vergadering, heet de talrijke 
aanwezigen welkom, en geeft het woord aan den Secre- 
taris, die mededeeling doet van een tweetal opstellen, 
geplaatst in ,,De Levende Natuur" door Dr. G. Barendrecht 
en in , .Natura" door den heer F. C. J. Fischer. Beide op- 
stellen bedoelen, aan het werk onzer Vereeniging meerdere 
bekendheid te geven, en op te wekken tot toetreding. Van 



n VERSLAG. 

beide is een ruim aantal overdrukken gemaakt, die toege- 
zonden zijn aan alle leeraren in de biologie bij het middel- 
baar en bij het voorbereidend hooger onderwijs. Een aantal 
dezer overdrukken wordt ter beschikking van de aanwezigen 
gesteld. 

Als plaats voor de volgende wintervergadering wordt, 
op voorstel van het Bestuur, Utrecht aangewezen. 

Hierna zijn aan de orde 

WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN. 

De heer Uyttenboogaart laat ter bezichtiging rondgaan 
de resultaten van eenige vangsten in Zuid-Limburg, in 
Mei 1936. 

In de eerste plaats twee exemplaren van Phyllotreta tetra- 
stigma Com. en twee exemplaren van Phyllotreta dilatata 
Thoms., benevens twee exemplaren, welke zeer duidelijk een 
overgang vormen tusschen deze beide. De onderstelling in 
het derde deel van Coleoptera Neerlandica geuit, dat men 
deze beide wel als afzonderlijke soorten zou kunnen be- 
schouwen, kan dus geen stand houden. Hoogstens kan 
dilatata als eene subspecies worden opgevat, omdat zij hier 
en daar, speciaal in het Noorden van ons land, de eenige 
vorm is, en dus het karakter van een locaal ras heeft aan- 
genomen. 

Aan den voet van de bekende steengroeven boven het 
dorpje Schin op Geul, eene oude, beroemde vindplaats, 
vonden de Heer Valck Lucassen en Spr. een zeer 
groot aantal Trachyphloeus, aan den voet van de rotsen, 
gedeeltelijk dood, gedeeltelijk levend. Zij bleken te bestaan 
uit een mengsel van de bekende soorten scabticulus L., 
spinimanus Germ., alternans Gyll., aristatus Gyll., Olivieri 
Bed., en twee exemplaren van eene soort, die Spr. niet 
anders kan beschouwen dan als de in 1 934 door Hüben- 
t h a 1 beschreven T. Heymesi Hubenth. Alle kenmerken 
komen uit, m.n. het hooggewelfde, naar voren en naar ach- 
teren sterk versmalde halsschild, hetwelk veel smaller is dan 
de dekschilden, de diepgestreepte dekschilden en het sterk 
verbreede 3e tarslid der voortarsen. Eén kenmerk is niet 
te zien, nl. dat de eerste tusschenruimten op de dekschilden 
opvallend licht beschubd zouden zijn. Alle gevonden Trachy- 
phloeus zijn min of meer met eene kalklaag bedekt, waardoor 
dit kenmerk, indien aanwezig, onzichtbaar is. Vreemd ge- 
noeg maken op deze bekorsting de exemplaren van aristatus 
eene uitzondering. Misschien staat dit in verband met de 
buitengewoon lange en breede setae op de dekschilden. 
Van onze inlandsche Trachyphloeus ontbrak daar dus slechts 
T. hifoveolatus Beek, echter werd daarvan door Spr. een 
aantal in de grintgroeven op de Brunssummerheide gevonden, 



VERSLAG. Ill 

waar echter weer alle andere soorten ontbraken. Eene tweede 
soort, nieuw voor de fauna is Larinus sturnus Schall., die 
door den heer Valck Lucassen en Spr. in aantal bij 
Eys op distels werd gevonden. 

Voorts laat Spr, rondgaan een aantal insecten, die in den 
loop van 1936 hetzij met orchideeën hier te lande levend zijn 
geïmporteerd, hetzij in orchideeënkassen zijn gevangen en 
wel : eene Carabide uit Guatemala geïmporteerd. Dit fraaie 
diertje heeft Spr. nog geruimen tijd levend gehouden en met 
Poduriden gevoed. Verder uit de familie Tenebrionidae een 
Zophobas sp. ?, uit Brazilië geïmporteerd, die eveneens ge- 
ruimen tijd geleefd heeft, een exemplaar behoorende tot de 
Ulomini, en een behoorende vermoedelijk tot de Xylopini. 
de eerste geïmporteerd uit Fernambuco, de tweede afkomstig 
uit de beroemde bekerorchidee, door de Engelschen beebath 
orchid (Corianthes macranthe) genoemd, uit Suriname. In 
het wortelstelsel van de laatste orchidee zat ook nog een 
levend kevertje, waarvan Spr. tot zijn spijt nog niet eens 
de familie heeft kunnen vaststellen. In eene kas in Aerden- 
hout werd op een Phalaenopsis een kleine Scymnus gevan- 
gen, die stellig niet tot een der hier te lande tot nog toe be- 
kende soorten behoort. Uit de familie Curculionidae werd 
in Den Dolder in eene orchideeënkas op Dendrobium een 
5-tal snuitkevertjes gevangen, die behooren tot het geslacht 
Acythopaeus Pasc, Het is óf Ä. orchidivorus Blkb. óf A. 
aterrimus Waterh. Eene tweede Acythopaeus-soovt werd met 
orchideeën uit Borneo levend geïmporteerd. Dit is vermoe- 
delijk eene nog onbeschreven soort. Op Phalaenopsis amabilis 
werd in eene kas in Aerdenhout een snuitkevertje gevangen 
in twee exemplaren, dat op het eerste gezicht sprekend op 
een Acythopaeus Pasc, lijkt, doch bij nadere beschouwing 
toch tot een ander genus moet behooren. Verder werd uit 
eene geïmporteerde Cattleya gigas sandriana uit Columbia 
een zeer fraai exemplaar van den beruchten Cholus cattleyae 
Champ. * ) gekweekt. 

Spr. laat tevens rondgaan twee separata van H. S. 
Barber, waarin men de beschrijving en afbeelding kan vin- 
den van enkele der door Spr. vertoonde snuitkevers. 

De heer de Vos tot Nederveen Cappcl biedt voor de 
bibliotheek een curiosum aan, nl. den verkoopscatalogus van 
het , .Museum Meyerianum", dat vele naturaliën bevatte, en 
dat in 1802 geveild is. Dit exemplaar is doorschoten en 
bevat uitvoerige notities over den verkoop, met de namen 
der koopers. 



*) Ent. Month. Mag. Sept. 1916. — door Barber nogmaals be- 
schreven als cattleyarum in Proc. Ent. Soc. Washington Vol. XVIII 
Nr. 3. 



IV VERSLAG. 

De heer À, C. Oudemans wenscht 3 onderwerpen te be- 
spreken, en wel 1° de veelheid der soorten van Pediculotdes 
Targioni Tozzetti 1878 (thans Py emotes Amerling 1862) ; 
2° de veelheid der soorten van Anystis von Heyden 1826, 
en 3° het uiteenvallen van de groep der Acari de Geer 1768. 

1, In 1834 publiceerde Th. Hartig, in zijn Forstliches 
Conversations- Lexicon, p. 734, de ontwikkeling eener ,, Mil- 
be", die den vorm eener ,, Kopflaus" had ; zij parasiteert op de 
Larva van Eumenes coarctata L, (solitaire Vespldse) . „Durch 
die eingesogenen Säfte schwillt das letzte Segment des Hin- 
terleibes kugelförmig auf, während alle übrigen Segmente ihre 
frühere Form und Grösse behalten". Uit dien kogel komen 
geen Larvae of Nymphae te voorschijn, maar direkt Mares 
en Feminae. De Mares zijn „krebsroth". Uit deze mede- 
deeling blijkt, dat de op de Larvae van Eumenes coarctata 
parasiteerden de Pï/emo^es-soort eene geheel andere is dan 
alle later, steeds onder den naam ventricosus beschrevene 
soorten, want daarvan hebben de Mares (zoo zij beschreven 
of afgebeeld zijn) dezelfde kleur als de Feminae : bijna wit. 
Hartig beschrijft zelfs minutieus het tracheeënstelsel en 
de pseudostigmatische organen (2 gesteelde kogeltjes of 
peertjes) der Feminae. Spr. heeft deze soort Pyemotes hartigi 
genoemd ( in zijn Kritisch Historisch Overzicht der Acarologie, 
IIL C. 4 Jan. 1937. p. 799). 

Von Heyden, Etwas über Xenos, in: Amtl. Ber. 12. 
Vers. deu. Naturf. Aerzte Stuttg. 1834 (pubi. VII 1835), p. 
101, : ,,In unentwickelt gebliebenen Larven fand er später 
eine Art kleiner Milben". Twee jaren later hield hij in Lon- 
den een voordracht : On the genus Xenos (in : Proc. ent. 
Soc. London, v. 1. P. 3. p, LXXIII), waarin gezegd wordt: 
,,he himself observed the dead body of the larva of Xenos 
Rossii in the abdomen of PoUstes gallica, filled with mi- 
nute... insects like Acari but having the abdomen articulated." 
— Xenos is een der Strepsiptera, PoUstes eene der sociale 
Vespidae. — Spr. vermoedt, dat met die gesegmenteer'de 
Acari Feminae van Pyemotes bedoeld worden. Aangezien 
Xenos ook parasiteert op andere Vespidae en op Crabronidae, 
zoo moeten wij deze Pyemotes- soort in de nesten der ge- 
noemde Hymenoptera zoeken. — Froggatt, Descr. new 
Mite Heteropus found in Wasp's nest (in : Proc. Linn. Soc. 
N.S. Wales, v. 9, 1894. p. 259) beschrijft een Heteropus 
alastoris. Deze zou dezelfde soort kunnen zijn. 

In 1838 beschrijft D e b i a, Sur les mites des vieilles cri- 
blures (in : Recueil agronom. Soc. Sci. oc. Tarn et Garonne, 
V, 19. p. 149 — 150) hoewel gebrekkig, eene soort, die hij in 
uitziftsel van graanvoorraden vond. Gelukkig geeft hij er 
eene afbeelding van (f. 5) (K. H. O. A. III. C. p. 805. f.350), 
waaraan zelfs de pseudostigmatische organen niet ontbreken, 
en die onmiskenbaar eene Pr/emo^es-Femina voorstelt. Zij 



VERSLAG. V 

heeft een ovaal gnathosoma („kop"). Hij meent, dat zij van 
graan leven ; zij veroorzaakten echter bij arbeiders, die met 
het graan omgingen, ,,des espèces de papules ou vésicules à 
peu près 'de la grosseur d' un grain de chènevis, rouges à 
l'entour et ne contenant que peu ou point de sérosité". — 
In waarheid leven zij parasitisch op de Larvae der in graan- 
voorraden voorkomende Tinea granella L., maar men ziet 
uit het bovenstaande, dat zij ook den mensch aantasten, zoo 
daartoe gelegenheid bestaat, al zullen zij zich daarop nooit 
kunnen voortplanten. — Deze soort werd later Acarus tritici 
Lagrèze Fossat 1851 genoemd (Observ. microsc. s. 1. mite 
du blé, in hetzelfde tijdschrift, v. 32. fa. 2. p. 9 (sep.). f. 
4 — 7), heet dus thans P y emotes tritici (Lagrèze Fossat 1851 ). 
Onbekend met de werken van Debia en Lagrèze 
Fossat, beschrijft Targioni Tozzetti ( Relazione 
int. di Lav. d. R. Staz. d. Ent. agrar. di Firenze per 1' an. 
1876, in : Annali Agricolt. v. 1. 1878. p. 241) dezelfde soort 
onder den naam van Pediculoides tritici, omdat hij haar bij 
millioenen, eveneens in graanpoeder, aantrof. — W e b s t e r, 
12th Rep. State Entom. 20 Nov. 1883, is de eerste, die ze 
op de larvae van Gelechia (thans Sitotroga) cerealella 
zag parasiteeren. Natuurlijk noemt hij haar ventricosus, over- 
tuigd, dat er maar ééne soort bestaat. Niets is minder waar. 
— Canestrini beschrijft in zijn Prospetto dell' Acaro- 
fauna ital., V. 3. 1888. p. 322, t. 23. f. 2. dezelfde soort; 
ook hij vond ze ,, sulle larve e ninfe particolarmente delle 
tignuole dei grani". De figuren, ? dors. en ventr., zijn te 
weinig gedetailleerd. — Spreker beschreef in het ,, Festschrift 
zum 60. Geburtst. v. Prof. Dr. Embrik Strand v. 1. p. 
391_404, 3 Texttaf., 17. Oct. 1936, een Pediculoides herfsi, 
die door Dr. Ad. H e r f s in Leverkusen bij Keulen in 
zijne kweekproeven op de larvae van Sitotroga biselliella 
(Hummel) gevonden werd. Mogelijk is deze dezelfde soort. 
De $ $ onderscheiden zich door hun ver voorbij de achter- 
lijfsspits reikende, dunne pooten IV, de ? 5 door den tar- 
sus I, die dunner is dan de tibia I. 

Debey, Ueber mehrere neue Acarus-Arten, (in: Amtl. 
Ber., 15., Vers. Ges. Naturf. Aerzte Aachen 1847 ; pubi. Dec. 
1849, p. 155) beschrijft twee soorten, die hij Dermaleichus 
rhynchitinus en D. attelahinus noemt. Daar hij ze vond pa- 
rasiteerend op de larvae in de kokertjes, vervaardigd door 
Rhynchites (thans Byctiscus) betuleti F. en Attelabus cur- 
culionoides L. (thans nitens Scop.), beide Curculionidae, zoo 
vermoedt Spr., dat zij tot dezelfde soort behooren, tot Pf/e- 
motes rhynchitinus (Debey 1840). 

Van ai, wat op dit gebied vóór 1850 verscheen onkundig, 
publiceerde Newport zijne in de acarologie beroemd ge- 
worden werken over Heteropus ventricosus (in : Proc. Linn. 
Soc. Lond., V. 2. p. 70. X. 1850 ; in ; Ann. Mag. nat. Hist., 



VI VERSLAG. 

s. 2. V. 6. fa. 35. XI. 1850. p. 386—395 ; en in : Trans. Linn. 
Soc. Lond., V. 21. P. 2. fa. 11. 1853. p. 95—102. t. 10. f. 
1 — 10.). — De naam Heteropus was echter reeds herhaalde 
malen gebruikt : het vroegst in 1805 voor eene Gryllide, zoo- 
dat hij na 1878 door Pediculoides vervangen werd. New- 
port kweekte namelijk Anthophora (thans Podalirius) re- 
fusa L. ; zijne kweek had veel te lijden van larvae van Mo- 
nodontomerus spec. (Chalcididae) ; op eens zag hij, dat beide 
Larvae-soorten aangetast werden door Acari met kogelvormig 
gezwollen laatste abdominaalsegment. De kogel, hangend aan 
het ? , wordt door hem versierd ( ? ) met een aantal meri- 
dianen en parallellen, hoewel zij uniform wit is. De 9 ? 
vertoonen een ovaal gnathosoma (,,kop"). Mares zag hij 
niet, vermoedelijk omdat hij er niet naar zocht, of omdat zij 
uiterst klein zijn. Spr. acht deze soort eene andere dan alle 
voorgaande. — Frison, Note on the Life History, Para- 
sites, and inquiline Associates of Anthophora abrupta Say 
(in: Trans, amer. ent. Soc, v. 48 (1923). fa. 5. 20 Sept. 
1922), zegt, p. 155, ,,Some of the bee cells opened contained 
shrivelled larvae covered with a whitish fungous growth". 
Mogelijk waren die fungi niet anders dan Pyemotes ventri- 
casus (Newport 1850). 

In 1855 vond Nördlinger op larvae en pupae, die 
hij kweekte, „ziemlich grosse halb durchsichtige Kügel- 
chen..., woraus Milben entstehen". (Die kl. Feinde der 
Landwsch., Stuttg. 1855. p. 22). Het volgend jaar ver- 
meldt hij (Nachtr. zu Ratzeburg's Forstins., in: Progr. Jah- 
resprüf. land- u. forstwiss. Akad. Hohenheim, Stuttg. 1856 
p. 72), dat die larvae en pupae waren van Callidium fenni- 
cum F. (thans Phymatodes testaceus (L.) var. variabilis (L.) 
(Cerambycidae) ), Pissodes notatus F. (Curculionidae), Pim- 
pla spec. (Ichneumonidae), èn ,, einer kleinen Tipula, die 
sich in den Rapsschoten finden" (volgens Prof. de M e ij e- 
r e is die ,, Tipula" : Dasyneura brassicae (Winnertz) (Ce- 
cidomyidae) ). — Volgens Spr. behooren alle deze Pyemotes 
tot verschillende soorten. 

Die van Callidium werd later zorgvuldig beschreven en 
afgebeeld, ook de Mares, door Brucker (in: Misc. zool. 
dédiés au Prof. Giard, Paris 1899, p. 67—92. t. 7). Natuur- 
lijk gaf hij er den naam van Pediculoides ventricosus aan. 
Het gnathosoma (de ,,kop") van het ? is bijna rond en 
vertoont ventraal 2 naar elkander toe gebogen doorntjes (!) ; 
de pooten IV van het breed-ruitvormige $ zijn dik en zóó 
kort, dat zij de spits van het abdomen niet bereiken. Spr. 
heeft deze soort Pyemotes bruckeri genoemd (K.H. O.A., III 
C. p. 808. Jan. 1937). — Die van Pissodes ( Curculionide ! ) 
kan identiek zijn aan Pyemotes rhynchitinus (Debey 1849) ; 
maar die van Pimpla en Dasyneura zijn beslist andere. 

In Lotos, V. 10. fa. 1. Jan. 1860 deelt A meri in g 



VERSLAG. VII 

mede, dat hij op larvae van Incurvarla tumorifica (Tineidae) 
en een jaar te voren op die van Eccoptogaster pruni (thans 
Scolytes mali Bechstein) (Ipidae) „beutelartige Auswüchse" 
vond, die ,,wenn sie aufgeschnitten werden eine Menge... 
Milben... und selbst Eier in einer Amniumflüssigkeit ent- 
halten". Hij noemt de laatste in zijn ,, lieber die Natur- 
oekonomie der von ihm beobachteten Milben" (in : Sitzb. K. 
böhm. Ges. Wiss. Prag, v. 1861. P. 2. Juni-Dec. 1861 ; pubi. 
Jan. 1862, p. 54) : Pyemotes eccoptogasteri pruni. Hij zag 
ook Mares ! — Of deze dezelfde is als degene, die door Spr. 
Pediculoides scolyti genoemd is (in bovengenoemd Fest- 
schrift) en die op de larvae van Scolytus scolytus F. en 
multistriatus Marshai parasiteeren, is nog de vraag, . want 
A m e r 1 i n g vermeldt niets omtrent de kleur der $ $ , ter- 
wijl Ir. J. J. Fransen Spr. de kleur als rood aangeeft. 

De Filippi, Osservaziono zool. (in: Archivio Zool. 
Anat. Fisiol.. v. 1. fa. 2. Dee. 1861 (pubi. Jan. 1862), p. 
211 ), kweekte Cynips spec, uit eikengallen en vond de larvae 
aangetast door Lais heterogyne {Lais is gepreoccupeerd). Hij 
geeft van de embryonen, het 2 (nuchter en gezwollen), ja 
zelfs van het $ afbeeldingen. Het $ is smal-ruitvormig en 
de pooten IV, tangvormig naar elkander toe gebogen, zijn 
niet bijzonder dik en reiken voorbij de abdominaalspits. — 
Pyemotes heterogyne (de Filippi I 1862) is dus eene zeer 
kenbare soort. 

In 1868 vinden wij de eerste vermelding zonder beschrij- 
ving, van Physogaster larvarum Lichtenstein door Gervais 
(in de Buil. entom., s. 4. v. 8., Buil. VI. Oct. 1868. p. LXXXI). 
Deze leeft op larvae van Hymenoptera. — Lichtenstein 
zelf (in : Buil. ent., s. 4. v. 9. Buil. VI. Jan. 1870. p. LXXVIII) 
zegt, dat de naam veranderd moet worden in Heteropus 
ventricosus Newport. — Onmiddellijk daarop beweert G i- 
r a u d, ,,qu 'il y a des différences assez notables dans la 
conformation des tarses des deux insectes". — Op die ver- 
gaderingen hebben dus teekeningen gecirculeerd, die echter 
nooit gepubliceerd zijn. Welke tarsen ? Welke verschillen ? 
— In Juh 1875 (Buil. ent. VIII. p. CXXXVIII) deelt L i c h- 
t e n s t e i n mede : ,,Mes élevages se trouvent envahis comme 
il y a six à sept ans par un Acarien, 1' Heteropus ventricosus, 
qui me tue toutes mes larves". Deze waren van Änthidium 
strigatum Panz,, Osmia spec, (beide Apidae), Scolia hirta 
Schrk. (Scoliidae) en Crabro vagus L. ou rubicola Duf. en 
Perr. (Crabronidae [Sphegidae] ). In de nesten daarvan 
kweekte hij Cantharidae. Zijn Pyemotes leefde dus parasi- 
tisch op de larvae van genoemde Hymenoptera, óf op die 
der ongenoemde Cantharidae, waren dus polyphaag, óf er 
waren vele soorten aanwezig, die Lichtenstein niet 
van elkander onderscheiden kon. Daar van zijn ,,Sphaerogyna 
larvarum" nooit eene beschrijving of afbeelding verschenen 



vili VERSLAG. 

is, zoo zijn zoowel de genus-naam als de species-naam no^ 
nima nuda en dus ongeldig. 

Laboulbène & Mégnin, Mém. s. 1. Sphaerogyna 
ventricosa (in : Joum. Anat. Physiol., v. 21. fa. 1. (Jan.-) Febr. 
1885. p. 1 — 18. t. 1. (11 fig.), beschrijven onder bovenge- 
noemden naam eene Pyemotes, die op de Larvae en Nym- 
phae van Coraebus bifasciatus Ol. (thans fasciatus de Villers 
(Buprestidae)) parasiteert, en geven er fraaie afbeeldingen 
van. Het $ dezer soort karakteriseert zich door het afgerond 
lang-viekantig gnathosoma, door het idiosoma (,,lijf"), dat 
slechts 3 segmenten telt (Spr. vermoedt, dat dit misteekend 
is), waarvan de 2 voorste als glasheldere mantels gedeelte- 
lijk over elkander liggen, door dat bij het $ breedte en 
lengte ongeveer gelijk zijn, de voorste helft van den ,,ruit- 
vorm" bijna cirkelvormig is en ter zijde, achter aan, van een 
scherpen hoek voorzien is, het gnathosoma bijna rond en 
flink ontwikkeld is. Dat Mégnin niet zag, dat hij een 
geheel ander dier beschreef dan zijn voorgangers, is verwon- 
derlijk. Spr. meent, dat zij zelfs tot een nieuw genus behoort, 
en noemde haar daarom Phthiroides mégnini (in hetzelfde 
,,Festschrift"). 

Spr. heeft meer onderzoekingen gedaan bij het naverwante 
genus Pygmephorus Kramer 1877 (thans Siteroptes Amer- 
ling 1861), welker soorten plantenparasieten zijn, en bevon- 
den, dat de door hem aan de halmen van Secale cereale 
gevonden Siteroptes tot eene andere soort behooren dan die, 
welke op Festuca rubra parasiteert, en hij is ervan overtuigd, 
dat de soort, die de bovenste deelen der halmen (in de hoog- 
ste bladscheede) van Secale cereale aantast en de ,,Weiss- 
ährigkeit" der rogge veroorzaakt, eene andere soort is dan 
die, welke de halmen vlak boven den wortel doet omvallen. 
— Spr. laat 7 platen van Pyemotes rond gaan. 

2. Iedereen, zelfs menige niet-entomoloog, kent de op 
bladeren, boomstammen, maar ook op muren meestal in een 
razend tempo en nooit in eene rechte lijn zich bewegende, 
± 1 mm. groote, op oranje of roode spinnetjes gelijkende 
Acari. Zij zijn natuurlijk reeds eeuwen, vooral bij planten- 
verzamelaars, bekend, maar duiken in de literatuur voor het 
eerst bij H o o k e op, die hunne gedragingen in zijn Micro- 
graphia, or some physiological descriptions of minute bodies, 
London 1665, beschrijft. — De volgende mededeeling vinden 
wij bij Linnaeus, die over hen in zijn Oländska och 
Gothländska Resa 1745 spreekt; hij zag ze op ,, Winbaren" 
(Ribes rubrum). — Een jaar later beschrijft hij in zijn Fauna 
suecica een ,,Acarus salicinus ruber, dorso fusco". — In 
1758 gaf hij in zijn Systema Naturae, Ed. Xa, aan de eerste 
den naam van Acarus baccarum, aan de tweede dien van 
Acarus salicinus. — Schrank kende de eerste, geeft er 
zelfs in zijne Beyträge zur Naturgeschichte, 1776, t. 1. f. 30. 



VERSLAG. IX 

cene leelijke, maar als Anystis herkenbare afbeelding van. 
— In 1781 voegde hij in zijne Enumeratio Insectorum Aus- 
triae, p. 519. t. 2. f. 5, er eene derde soort aan toe : Acarus 
vitis ; hij onderscheidt haar van de eerste door de ,, pilos 
sparsos", die ,,ad basin cujusvis articuli [pedum] verticillo 
pilorum" hebben zou. — - Eene vierde soort wofdt dan door 
Hermann (in zijn Mémoire aptérologique, 1804, p. 38. 
n. 22. t. 2. f, 9 — 9b) beschreven en afgebeeld ; hij noemt 
haar Trombidium cornigerum, naar de 2 ,,hoorntjes" terzijde 
van het gnathosoma ; deze zijn de vrij in de lucht uitstekende 
einden der peritremata. ,,I1 se trouve entre 1' herbe basse 
des pâturages". — D u g è s' Erythraeus cornigerus (in: 
Ann. Sci. nat., s. 2. Zool. v. 1. 1834. p. 16 en 44) is wel 
dezelfde soort : , .habite surtout les pâturages". 

Von Heyden, Versuch einer systematischen Einthei- 
lung der Acariden (in Isis, v. 18. fa. 6. VI. 1826. p. 609) 
vereenigt deze Acari in het genus Anystis (anustos = vlug), 
met Trombidium cornigerum Hermann 1804 als type. 

Dan volgt C. L. Koch, die in eenige ,, Hefte" van zijn 
Deutschlands Crustaceen, Myriapoden und Arachniden acht 
,, soorten" beschrijft en tamelijk nauwkeurig afbeeldt^ o.a. 
ééne met meer achterrandharen. Hij vereenigt 
ze in een genus Actineda (aktin = straal ; de pootjes stralen 
naar 8 richtingen), met zijne Actineda cornigera III 1838 
als type. Deze is echter eene andere dan die van Hermann 
1804 ! Hij noemt ze Actineda ribis ( = baccarum L. ), cornigera 
{kochi Oudemans I 1937), flaveola, hilaris, pallescens, pini, 
rabuscula en triangularis ; dus 7 nieuwe. 

Een Trombidium cursorium werd daarna door Gervais, 
Aptères, v. 3. 1844. p. 187. t. 36. f. 3 beschreven en afge- 
beeld. Hij vond haar op Fragaria vesca ; zij is rose, met 
donkerder palpi, tibiae en tarsi. 

Ook Johnston (in Hist. (Proc.) Berwickshire Natura- 
lists Club, V. 2. fa. 6. 1848. p. 312) beschrijft een Acarus 
baccarum ; ,,it is found in gardens, running over the leaves 
and flowers". 

Uit Italië wordt dan door Ta rgioni Tozzetti (in: 
Annali Agric, v. 1. 1878. p. 258. t. 4. f. 5 — 5e) van Quercus 
ilex beschreven: Actineda coccinea. 

L. Koch's Actineda setosa (in: Kongl. svensk. Vet. 
Akad. Handl., v. 16. fa. 5. 1879. p. 127. t. 6. f. 5) uit Siberië 
is stellig eene goede soort. 

B e r 1 e s e beeldt in zijn werk : Acari, Myr., Scofp. ital., 
fa. 5. Ili 1883, eene Actineda vitis af en beschrijft haar veel 
te kort. Waarom noemde hij haar vitis ? Waarschijnlijk om- 
dat hij het afgebeelde individu op Vitis vinifera vond. In 
den tekst leest men echter : ,, Habitat in totius Italiae pratis 
nemoribusque". M.a.w. alle Actineda's in Italië zijn vitis. De 
figuur vertoont eene aanduiding van een schildje, maar niet 



X VERSLAG. 

de karakteristieke slankheid der tibiae en tarsi. Ofschoon zij 
de beste is der tot 1883 verschenen afbeeldingen, beantwoordt 
zij niet aan de tegenwoordig gestelde eischen. De beschrijving 
eindigt met de vraag : ..Ceterae Kochi Actinedae an satis 
ab A. vitis distinctae ?" Hij twijfelt dus. 

In B a 1 z a n 's rijken buit uit Paraguay en Argentinië be- 
vonden zich vele Acati. Alle werden door Beri es e (in: 
Buil. Soc. ent. ital., v. 20. 1888) beschreven, maar, p. 181, 
slechts ééne soort Actineda en wel vitis, hoewel met de op- 
merking : ,,Parum ab Europaeae diversa". Dus tóch iets 
diversa ! Waarin verschilden zij dan ? 

Ofschoon C. L. Koch in zijn Uebersicht des Arachni- 
densystem, fa. 3. 1842. p. 57. uitdrukkelijk zegt: ,, Einige 
Arten lieben besondere Pflanzengattungen, auf welchen sie 
ausschliessend gefunden werden", is deze zin toch door alle 
latere auteurs óf niet opgemerkt, óf niet geloofd. De over- 
tuiging, dat alle zoogenaamde ,, soorten" slechts kleurscha- 
keeringen of ontwikkelingstoestanden zouden zijn, was zóó 
groot, dat S toll in zijn werk Arachnida Acaridea (ge- 
deelte van Godman s Biologia Centrali Americana) p. 7 
(Juni 1887) drie soorten uit Guatemala beschreef (waar- 
van eene botergeel) en deze drie, p. 45 (Jan. 1893) 
weer onder den naam van baccarum vereenigde ! 

Merkwaardig is verder, dat B e r 1 e s e in zijn reeds ge- 
citeerd werk ,, Acari oc", fa. 72 (IV 1894) bij de plaat der 
genus-kenmerken, die hij met 5 schetsen illustreerde, deze 
naar een individu teekende, dat zonder twijfel tot eene andere 
soort behoorde dan dat van 1883! ja zelfs, volgens Spr,, tot 
een ander genus : geen rugschildje en zeer karakteristieke pe- 
ritremata en empodia ! De soort wordt hier weer vitis genoemd. 

Banks beschrijft in : Trans. amer. ent. Soc, v. 21. p. 211 
(Juni 1894) eene Actineda agilis uit het Westen der V. S. 
V. N. Am. De beschrijving is zóó vaag, dat eene vergelijking 
met de Europeesche soorten uitgesloten is. 

In 1897 wordt door Canestrini (in: Termész. Füze- 
tek, V. 20. p. 461 ) eene Anystis vitis Schrank uit N.O. Nieuw 
Guinea vermeld. Bevestiging is absoluut noodzakelijk. 

Tragârdh (in: Results swed. zool. Exped. Egypt a. 
White Nile. 1901, fa. 20. 1904) vermeldt Anystis baccarum 
uit Opper-Egypte. Zij heeft ,,das letzte Tasterglied etwas 
dicker als bei der europäischen Form ; sonst stimmen sie mit 
dieser vollständig überein". Trägardh noemt haar ,,eine 
kosmopolitische Art. ' 

Een jaar later beschrijft Beri es e (in: Redia, v. 2. p. 
156) zeer oppervlakkig twee soorten uit Java : Actineda velox : 
,, Pedes omnes mira magnitudine" oc. en Actineda jabanica : 
,, Pedes secundi paris vix corporis longitudine superant." Dat 
zijn ten minste kenmerken, die eene herkenning mogelijk 
maken. Maar de op t. XV voorkomende figuren, de palpi 
voorstellend, zijn totaal onvoldoende. 



VERSLAG. XI 

E w i n g gaf (in de: „University Studies", Illinois, v. 8. 
fa. 5. Nov. 1909. p. 32. f. 6.) eene afbeelding en, p. 80, eene 
beschrijving van Anystis agilis (Banks VI 1894). Goed ge- 
teekend zijn de proporties der pooten, de houding der pooten 
in rust en de plotseling dunner wordende tibiae. Maar de 
peritremata, de areola sensilligera, de 2 dubbeloogen ontbre- 
ken ; de beschrijving is zelfs onvoldoende voor het genus. 

Ook Oudemans is van meening (in: Ent. Ber., v. 4. 
fa. 92. Nov. 1916. p. 332) ,,tot dusverre telt Europa slechts 
ééne soort". 

Berlese vermeldt in Redia, v. 15. p. 237, Aug. 1923) 
eene derde Oostaziatische soort : Anystis sinensis met het 
kenmerk : ,,In dimidia parte antica dorsi sunt autem setae 
validissimae, supradictis pilis duplo vel triplo longiores et 
robustioribus." De soort wordt met ,,Ä. baccarum Europae" 
vergeleken ; hij is dus zijn vitis ontrouw geworden. 

V i t z t h u m zegt in zijn Acarologische Beobachtungen, 
9. Reihe (= Fauna sumatrensis V) (in : Supplementa ent., 
fa. 11. V. 1925. p. 65) van Anystis baccarum: ,,Die Art 
kann im weitesten Sinne als kosmopolitisch bezeichnet wer- 
den. In den meisten Gegenden des Erdballs ist sie Alleinver- 
treterin ihrer Gattung. Im malayischen Gebiete kommen nur 
noch hinzu: ... (zie boven, bij Berlese 1905 en 1923). 

En in zijn ,,Malayische Acari" (in: Treubia, v. 8. fa. 1—2. 
Jan. 1926. p. 121 ) noemt hij alle exemplaren, die door Dam- 
merman in de Javaansche bergen en op Klein-Kombuis 
verzameld waren, Anystis baccarum. 

Ook in zijn ,, Acari" in : Tierwelt Mitteleuropas, VIII. 
1929) leest men : ,,Nur eine europäische Art." 

In zijn ,,49. Beiträge zu der Zoology of the Faroes" Dec. 
1931, beschrijft Trägardh de van genoemde eilanden af- 
komstige Acari uit het zoölogisch museum te Kopenhagen. 
Op p. 45 vinden wij Anystis baccarum genoemd, met vitis 
Schrank en setosa L. Koch als synonymen. Ook hier wordt 
twijfel geuit over de gelijksoortigheid der individuen, en 
Trä gârdh geeft daarom afbeeldingen van eene palp, 
een mandibel en een ambulacrum. Jammer, dat deze 3 figuur- 
tjes niets zeggen, en dat de Zweedsche geleerde vergeet, 
dat er nog andere lichaamsdeelen zijn dan de 3 genoemde. 
Naar Spr.'s meening zijn juist de palpi, mandibels en am- 
bulacra de minst variëerende organen. 

Ten slotte moet Spr. nog V i t z t h u m's ,, Terrestrische 
Acarinen aus Mexiko" noemen (in : Zool. Anz., V. 103. 
fa. 9 — 10. Aug. 1933. p. 226.). Slechts ééne soort wordt ge- 
noemd : baccarum ! 

Toen Spr. het ,, Derde Gedeelte" van zijn K.H. O.A. 
1805 — 1850 bewerkte, en C. L. K o c h nauwkeuriger dan 
ooit bestudeerde, zijne beschrijvingen las, herlas, en met 
elkander vergeleek, en de afbeeldingen daaraan toetste, werd 



XII VERSLAG. 

zijn twijfel aan de soorteenheid van ,,Anystis baccarum" steeds 
sterker, zoodat hij in zijn manuscript baccarum, saliciniis, 
vitis, cornigerum en de 7 nieuwe soorten van CL. Koch 
in afzonderhjke § § behandelde, ofschoon hijzelf nimmer ver- 
schillen gezien had. 

Daar bracht hem ons medelid, de hydrachnoloog A. J. 
Bes s e ling, in het voorjaar van 1932 twee buisjes, ieder 
met eene Acarus, door hem op twee ver van elkander ge- 
legen plaatsen in Noord-Brabant in slootwater gevonden. 
Met de loupe zag Spr., dat ieder der buisjes eene Anystis 
bevatte, die natuurlijk 'door toeval, bijv. door wind van hunne 
planten afgeschud, en in het water terecht gekomen waren. 
Maar het viel hem op, dat één exemplaar meer achte r- 
randharen had dan het andere. Dus was zijn oordeel 
over K o c h 's zienswijze juist ! Mikroskopisch onderzoek 
leerde hem, dat het ,, gewone" exemplaar een rugschildje had, 
het andere niet. Spr, onderzocht toen de individuen zijner 
verzameling en vond acht goed te onderscheiden vormen, 
waarvan zes Europeesche ! C. L. K o c h was dus een 
scherper waarnemer dan alle na hem geleefd hebbende en 
nog levende acarologen ! 

Spr. beeldde toen alle in zijn bezit zijnde soorten af, ook 
larvae en nymphae, beschreef ze, maakte eene grondige 
studie van alle reeds beschrevene soorten, en legde de re- 
sultaten van zijn onderzoek vast in een werkje, getiteld : 
,, Neues über Anystidae", hetwelk den 28 Nov. 1936 in het 
Archiv für Naturgeschichte (Zeitschr. f. wiss. Zool., Abt. 
B.) s. 2. V, 5. fa. 3. verscheen, — Spr. laat daarvan 5 exem- 
plaren circuleeren. 

3. In de literatuur over de Ixodides (teken) kan men als 
een rooden draad de meening — bewust, of onbewust — 
vervolgen, dat de Ixodides en de overige ,,Acari" twee af- 
zonderlijke groepen vertegenwoordigen : ,, Milben und Zec- 
ken", ,, Mites and ticks". Het is de verdienste van C. L. 
Koch, daarop meer de aandacht gevestigd te hebben. 

In zijn werk ,, System. Uebers. d. Ordn. d. Zecken, (in : 
Arch. Naturg., v. 10. P. 1. 1844. p. 217.) zegt C. L. K o c h : 
,,Die Zecken lassen sich, ohne gegen das Prinzip der Clas- 
sification zu fehlen, nicht mit einer der bekannten Arachni- 
denordnungen vereinigen, und ebenso wenig mit der Ord- 
nung der Acariden, wohin sie bisher gezählt worden sind, 
mit welchen sie nur jene Charaktere gemein haben, welche 
überhaupt der Thierklasse der Arachniden zukommen." — 
Zijn motief tot de scheiding, dat namelijk ,,sich die Genitalien 
des Männchens in den Kinnladen, oder in den Kinnbacken, 
oder in der verlängerten Lippe, oder an den Saugrüssel be- 
finden müssen", is gebleken onjuist te zijn. Maar hij heeft 
toch instinktmatig gevoeld, dat de scheiding noodzakelijk was. 
— In zijn Uebers. d. Arachnidensyst., fa. 4. 1847. werkt hij 



VERSLAG. XIII 

dit onderwerp beter uit. Hij wijst daar, p. 5, allereerst op 
den bouw der monddeelen, „welche, ihren Formen nach, 
mit denen der übrigen Arachniden in nur geringer Verwandt- 
schaft stehen", waarover men van meening zou kunnen ver- 
schillen. — Gelukkiger is hij op p. 7 : „...Rückenfläche, 
welche mit einer Furche, ... umgeben ist, und den Rand des 
Körpers von der Mittelfläche abschneidet." Inderdaad, deze 
Randfurche" vindt men bij geene der overige Acari. Zij komt 
echter, eerlijk gezegd, evenmin voor bij de Ixodidae en de 
Argasidae, die toch tot de Ixodides gerekend worden. Men 
kan deze echter als min of meer gedegenereerde Ixodides 
beschouwen. Nog beter is echter het volgende, al maken ook 
hier de zooeven genoemde kleinere groepen daarop eene uit- 
zondering ; (p. 7) : ,,Der äussere Körperrand ist in dreizehn 
Schilde abgetheilt, welche oben und unten mittelst Fugen, 
am Aussenrande mittelst Einkerbungen von einander abge- 
setzt Die Schildabtheilungen äussern sich als sieben 

Ringe des Hinterleibs" (= idiosoma = „lichaam"), von 
diesen ist der vordere der grössere und gewöhnlich so gross 
oder grösser als die übrigen zusammen genommen". Deze 
passage is bijna 85 jaren onopgemerkt ge- 
bleven. Eerstin 1932 komt Paul Schulze (in Zeits. 
Morph. Ökol. Tiere, v. 25.) tot eenzelfden gedachtengang. — 
Achter de voorste lichaamshelft, K o c h 's , .erster Ring" 
vertoont de rand 11 festoens, welke, naar Spr.'s meening, 
5 segmenten en 1 pygidium verraden. Paul Schulze 
heeft Koch's geniaal inzicht verder uitgewerkt en boven- 
dien helder aangetoond, dat wij de naaste verwanten der 
Ixodides bij de fossiele Anthracomarti zoeken moeten, die 
eveneens die Randgroeve en de festoens vertoonen. Wel 
drukt de Rostocksche Hoogleeraar zich voorzichtig uit, doch 
dat typeert den ervaren geleerde. Zie ook het onder zijne 
leiding onlangs (Juni 1936) verschenen artikel van Gerda 
F rick: ,,Das Zeichnungsmuster der Ixodiden (in Zeits. 
Morph. Ökol. Thiere, v. 31. fa. 3, p. 411— 430.)i) 

Hoe is het nu met de overige Acari gestel'd ? Reeds dade- 
lijk moet Spr. vooropstellen, dat de verwij'dering van alle 
Acari uit de groep der Arachnoidea, door eenige acarologen, 
waaronder ook Spr., bepleit, hem niet meer toelacht. 2 ) 



1). Jammer, dat Paul Schulze daarna zijne fantasie een al te 
vrijen loop gaf, en in een onlangs verschenen artikel, getiteld „Trilobita, 
Xiphosura, Acarina (in : Zeits. Morph. Okol. Tiere, v. 32. fa. 2. Jan. 
1937. p. 181 — 226) de gedachten over de verwantschap met Anthraco- 
marti geheel laat varen en haar zoeken wil bij de Trilobita en Xiphosura, 
die, naar Spr.'s meening, geene Arachnoidea zijn. Hier heeft Paul 
Schulze zich op glad ijs gewaagd. 

^). Fürstenberg, die Krätzmilben, Leipzig, 1861, p. 207. — 
Haller, in: Zool. Anz., v. 1881. fa. 88. p. 380—386. — Oude- 
mans, in: Tijds. ned. dierk. Ver., s. 2. v. 1. p. 38 — 47. II. 1886. — 
Si g Thor, in: Nyt Mag. Naturv. v. 60. 1922. p. 113—120; v. 6'2. 
1924. p. 123—166 ; v. 63. 1925. p. 260—313 ; v. 67. 1928. p. 145—210. 



XIV VERSLAG. 

lederen acaroloog, die de Acari in het algemeen tot voor- 
werp van onderzoek maakte, zal het niet ontgaan zijn, dat 
de Mesostigmata in tallooze opzichten van de overige Acari 
afwijken. Men leze daarover o.a. M é g n i n. Sur 1' organi- 
sation et la classification des Acariens de la familie des Ga- 
masides, 18751) en de in noot 2, p. XIII vermelde auteurs. 

Het zijn voornamelijk de samengestelde monddeelen der 
genoemde (men zie o.a. Spr.'s artikel in : Treubia, v. 7., Suppl. 
Boeroe-Expeditie, v. 3. fa. 2. XI. 1928, p. 37—70) en de 
vrije coxae, die Spr. hoe langer hoe meer tot de over- 
tuiging brachten, dat de Mesostigmata, ofschoon zij 8- pooten 
bezitten, geene Acari zijn. Hoewel V i t z t h u m niet zoo ver 
wil gaan, zoo treft toch zijne uitspraak (in: Kükenthal 's 
Handb. Zool, v. 3. P. 2. fa. 3. Acari, p. 20) : „Der Reichtum 
an gnathosomalen Gliedmassen lässt darauf schliessen, dass 
bei den Mesostigmata sehr primitive Verhältnisse erhalten 
geblieben sind". 

Mesostigmata zijn evenmin Arachnoidea als Tardigrada, 
die eveneens 8 pooten bezitten. Mesostigmata zijn evenwel 
Arthropoda, terwijl Tardigrada tot de ,,incertae sedis" der 
Vermes behooren (gladde spier\'ezels ) . Het baart verwon- 
dering, dat de redacteuren van ,,Die Tierwelt Mitteleuropas" 
in hun Band III : ,, Spinnen thiere" de Tardigrada en de Pen- 
tastomidae (gladde spiervezels !) opgenomen hebben. 

Coxae, die eenmaal zóó in het lichaam op- 
genomen zijn, dat zij een groot gedeelte van 
den ventralen wand van het lichaam vor- 
men, kunnen nimmer meer vr ij worden ( Wet 
van Dolio!). 

Zoo kwam Spr. er toe, eene studie van de Arthropo- 
da in het algemeen te maken, en stelde hij de vol- 
gende indeeling daarvan op. De toekomst zal leeren, in hoe- 
verre hij goed, of verkeerd geoordeeld heeft. 
I. Progoneata {= Symphyla + Pauropoda + Diplopoda), 

— Tot de laatste behooren Pselapognatha en Chilognatha. 
II. Opisthogoneata. Deze worden verdeeld in 2 (niet paral- 
lelle ! ) reeksen. De reeks met vrije coxae is ontegenzegge- 
lijk de oudste. 
A. Soluticoxata, met vrije, B. Fixicoxata s. Arachnoi- 

bewegelijke coxae. dea. De coxae vormen 

1 . Crustacea = Trilobita f. een gedeelte der ventra- 
+ Eucrustacea (hucus- Ie lichaamsbekleeding. 
que Crustacea). 1. Scorpiones. 

2. Merostomata f = Xi- 2. Pedipalpi = Uropygi 



1) In: C. R. Séa. Ac. Sci, 1875, 1er sem., v. 80. fa. 21. Séa. 31 mai 
(paru 7 juin), p. 1335 — 1336; in: Rev. Mag. Zool., s. 3, v. 3. (33.). 
p. XXI, juillet 1875; in: C. R. Séa. Ac. Sci. 1875. 2e sem. v. 81. fa. 
33. Séa. 6 dec. (paru 13 dec), p. 1135 — ^1136; en in: Journ. Anat. 
Physiol., V. 12. fa. mai. 1876. p. 288—336. 





VERSLAG. 


XV 




phosura + Giganto- 
straca. 




+ Amblypygi (Taran- 
tulidae + Phrynidae. ) 


3. 


Stenarthron f. 


3. 


Anthracomarti f. 


4. 


Palpigradi s. Koenenii- 


4. 


Ixodides. 




dae. 


5. 


Chernetes s. Pseudo- 


5. 

6. 

7. 


Pycnogonides s. Panto- 

poda. 

Chilopoda. 

Hexapoda incl. Protura. 


6. 

7. 
8. 


scorpioni. 

Solifugae. 

Opiliones. 

Ricinulei ( Podogona ) . 


8. 
9. 


Notostigmata. 
Holothyridae. 


9, 

10. 


Araneida. 

Acari = Trombidi-Sar- 


0. 


Mesostigmata. 




coptiformes. 



11. Spinturnicidae. 

Opmerkingen bij de Soluticoxata. — 1 en 2 zijn 
nader aan elkander verwant. Versluys en Demolì, 
(in) : Zool. Jahrbü., Syst. oc, v. 50. 1925) willen de Me- 
rostomata van land bewonende Arachnoidea doen afstam- 
men, die ,,den Scorpiones sehr ähnlich waren". Spr. zou daar- 
mede accoord kunnen gaan, mits van Arachnoidea, bij wie de 
coxae nogvr ij waren (zoo men zulke dieren Arachnoidea 
noemen wil ! ) , anders zoude men een geval van r e v e r s i- 
biliteit hebben. Maar dan moeten ook de Trilobita van 
landbewoners afgestamd zijn ; zij zijn immers aan Merosto- 
mata verwant. En de Crustacea s. Str., want die zijn, al was 
het alleen door de gespleten pooten, aan de Trilobita verwant, 
waarmede zij zelfs vereenigd worden. — Stenarthron en 
Palpigradi zijn aan elkander verwant ; beide hebben vrije 
coxae en wijken ook in andere opzichten van de Arachnoidea 
af; zie daarover Borner (in: Zool. Anz., v. 25. fa. 
633 — 634, IV 1902, p. 436 — 437.). Met hun tweeën vormen 
zij eene alleenstaande groep onder de Arthropoda. — Zoo 
ook de Pycnogonida. — Zoo ook de Chilopoda met de Hexo- 
poda. — Zoo ook de Notostigmata + Holothyridae + Meso- 
stigmata, die, als groep, ver van de Acari ( Trombidi-Sarcop- 
tiformes) verwijderd zijn. Men leze daarover G r a n d j e a n, 
,, Observations sur les Acariens", le sér. (in : Buil. Mus. s. 2. 
V. 7. fa. 7. p. 123. IV 1935) en ,,Un acarien synthétique 
Opilioacarus segmentatus With" (in : Buil. Soc. Hist. nat. 
d'Afr. d. Nord, V. 27. fa. Dec. 1936. p. 413—444). — In 
het eerstgenoemde werkje worden ook de Ixodides als af- 
wijkend van de Trombidi-Sarcoptif ormes geschilderd. 

Opmerkingen bij de Fixicoxatae s. Arachnoidea. — 
Deze vormen, zooals zij hierboven in groepen verdeeld zijn, 
eene merkwaardig homogene groep. — Anthracomarti, sensu 
Arachnoideologorum ante annum MCMIV (Hansen ô 
Sörensen). — De Spinturnicidae, parasieten der Chiro- 
ptera, tot dusver bij de Mesostigmata geplaatst, vlak bij de 
Dermanyssidae, hebben daarmede dit gemeen, dat zij van 
een peritrema voorzien zijn. Zij wijken echter van alle overige 



XVI VERSLAG. 

Mesostigmata af door het bezit van vaste coxae, die zoowel 
in gedaante als in plaatsing op die der Ixodidae gelijken. 
Hunne palpi zijn „filiform" als die der Argasidae (familie 
der Ixodides) ; hunne mandibulae zijn echter niet gelijk die 
der Ixodidae. 

De President zegt, getroffen te zijn door de mededeeling, 
dat bepaalde mijten direct volwassen exemplaren voort- 
brengen. Dit herinnert hem aan het geval der Termitoxeniidae, 
waarvan, volgens W a s m a n n, bij eene soort in Britsch- 
Indië uit de eieren direct vliegjes zouden te voorschijn komen, 
met overslaan van larve- en popstadium. Nu is later wel ge- 
bleken, dat andere, op Java voorkomende soorten larven van 
korten levensduur bezitten, maar dit neemt niet weg, dat bij 
de soort in Britsch-Indië de onderdrukking van het larve- 
stadium verder kan zijn gegaan. De genoemde mijten leveren 
hiervan een parallelgeval op. 

De heer Engel vertoont en bespreekt een oud handschrift 
,,D e Veranderinge van eenighe Rupsen en 
Wurmen" uit de bibliotheek van het Kon. Zool. Gen. 
,, Natura Artis Magistra" te Amsterdam. 

In de aan oude zoölogische werken zoo rijke bibliotheek van 
,, Natura Artis Magistra" bevinden zich, behalve eene groote 
collectie zeer belangwekkende teekeningen, ook enkele hand- 
schriften. Een daarvan zou door S e b a geschreven zijn. 

Dit handschrift bestaat uit : 2 portefeuilles met teekeningen, 
de beschrijving, en eene geschreven copie daarvan. De eerste 
portefeuille bevat eene titelprent, gesigneerd O t m a r 
Elliger jun. 1725 (van Deensche afkomst, geb. 1666 
Hamburg, gest. 1735 St. Petersburg, van wien bekend is, dat 
hij in Amsterdam vertoefde 1679, 1686 en mogelijk langer). 
Bovendien 58 nummers platen, ongesigneerd, de meeste be- 
staande uit 2 teekeningen, waarvan de eerste de rupsen en 
poppen, de tweede de vlinders vertoont (No. 30 en 58^ 
ontbreken). Meestal is op ééne plaat meer dan eene soort 
afgebeeld, vaak ook de bij het kweeken uitgekomen parasieten. 
De tweede portefeuille heeft betrekking op de andere insek- 
tengroepen (spekkebijter, wesp, libel, haft, veenmol, sprink- 
hanen en vele kevers) en bestaat uit 27 nummers, waarvan 
ook vele dubbel. De platen 26 en 27 stellen voor resp. den 
grooten watersalamander (Triton cristatus Laur. ) en de 
kleine hagedis (Lacerta vivipara Jacq.). De teekeningen zijn in 
waterverf uitstekend uitgevoerd. Bij de titelplaat is een los 
blad, waarop E 1 1 i g e r blijkbaar zijne opdracht voor deze 
prent kreeg of zelf schreef, zoo hij niet, wat niet uitgesloten 
behoeft te zijn, en waarop, het inv. et pinx. op de titelplaat 
zou kunnen duiden, zelf de auteur is. De beschrijving van 
de titelprent klopt met de uitvoering. Het was de bedoeling 
alleen nog, dat in de opening van de afgebeelde bouwvallige 



VERSLAG. XVII 

poort de voortitel zou komen : ,,De verandering van enighe 
Rupse en Wurmen". Op de achterzijde van dit blad maakte 
E 1 1 i g e r een penschetsje, dat echter niet op 'de titelplaat 
betrekking heeft. Het eigenlijke MS is in 4° ; de dubbelge- 
vouwen vellen Oud-Hollandsch papier zijn tot 3 bundels in- 
genaaid. De eerste bundel vertoont als watermerk het Am- 
sterdamsche wapen en de letters SH, de tweede bundel ook ; 
alleen de omslag hiervan vertoont het Amsterdamsche wapen, 
waaronder de letters CVH aaneen, en Beauvais op de an- 
dere helft. Het derde bundeltje vertoont het Amsterdamsche 
wapen en PIS. Voorin het eerste bundeltje is ten slotte nog 
ingeplakt 1^/2 vel, waarop na beëindiging van het werk blijk- 
baar het voorwerk werd geschreven. Het watermerk hiervan 
is het Amsterdamsche wapen met AI. De genoemde volgorde 
van deze merken komt chronologisch goed overeen met wat 
men tot nog toe hiervan gevonden heeft. Bestudeert men het 
MS, dan komt men tot de conclusie, dat eenzelfde hand het 
geheel heeft geschreven, ook het voorwerk ; er is wel variatie 
in den vorm der letters, maar de varianten komen door het 
geheel regelmatig verspreid voor. Netjes geschreven is het MS 
niet ; toch kan het niet de oorspronkelijke aanteekeningen 
van den kweeker bevatten, want de volgorde der soorten is 
systematisch gekozen. Met moet het MS dus beschouwen 
als samengesteld uit de vele notities, die de auteur gedu- 
rende vele jaren gemaakt had, met de bedoeling, ze te ver- 
eenigen in een werk over de Nederlandsche insecten (een 
voorlooper van Sepp dus), zooals de ,,Groote Titel" zegt: 
,,Aantekeninge van verschijde Rupsen, en Wurmen, haar 
selsame veranderingen, Eijgene ingeschapene hoedanigheden, 
die haar in poppen verwisselen, waar uijt Dagh of Nacht 
Capellen of een bijsonder soort van vliegen te voorschijn 
komen, en wat andere diergelijcke diertiens meer sijn, die in 
de Vereende Nederlanden gevonden werden, meer als veer- 
tig Jaaren daarmede besig geweest sijnde, met te ondersoeken, 
en haar te vergaaren, alle naukeurig getekent, die met wel 
getemperde waterverwen, naa haar eygene koleuren verbeeld 
zijn, 'T Eerste Deel". De titel van het tweede deel luidt iets 
anders : „Aantekeninge van verschijde Wurmen, Vliegen, 
Puijstebijters, Sprinckhaanen, veel soorten van Torren, Groot 
en kleen, Gehoorend, en Ongehoorend en van andere Dier- 
tiens meer, die in de Vereende Nederlanden gevonde worden, 
veele Jaaren daartoe besteet, nauwkeurig ondersogt, en ge- 
tekent, en die met wel getemperde waaterverwen naa haar 
eijgene koleuren verbeeld zijn, 'Tweede Deel". Deze titels 
hebben den auteur, blijkens talrijke veranderingen, veel zorg 
gebaard. De eerste is vergezeld van eene beschrijving van de 
titelprent, met een anders gestelden, maar in de feiten gelijken 
tekst als de boven reeds vermel'de. Dan volgt een ,,Beright 
aan den Liefhebbende Leeser", waarin na eene zeer korte 



XVIII VERSLAG. 

bijbelsche inleiding (met 8 verwijzigingen) het werk van de 
voorgangers besproken wordt. ,,Van de voorleede Euwe" 
worden slechts ,J o n s t o n, ô anderen" genoemd, maar „in 
onse tijt" vermeldt de schrijver : Swammerdam ( 1637 — 
1680), zijn werkje over het Haft (1675) en ,,een werckie 
van de Guidepoppen begonnen" (1669) ,,en mijn aanleij'dingh 
heeft gegeven, en veroorsaakt om tot 'diergelijcke liefhebberij 
te komen, daar in ik niets anders en beoog en voorheb, als 
de eenvoudighe waarheijd terneer te stellen, en mij te wachten 
van eenighe onduijtse woorden, en spreekwijsen,... om mij- 
selve wat te vermaaken in 't verwisselen van beesigheden 
of om de doffe geest wat te vermake en werck te geven, in 
mijn elenden, wanneer het is verseld met wijnig pijn". Dan 
noemt hij nog twee deeltjes van eenen Goedaartius 
(er verschenen er drie, resp. 1660, 1664, 1669) en maakt het 
werk van „Juffr. M e r i a a n" (1647 — 1717) verdacht: 
,,Wat ondervindingh heeft soo een Juffr. naa een kort ver- 
blijf in sulcken land als te Surinamen is, om in bossen en 
struwelle te gaan kruijpen... en dat een tedre Juffr., dat 
laat haar kunne niet toe, daar een welgewapent man kwaat 
genoeg heeft sijn selve te bevrijen, om niet van een Tijger- 
dier overvallen en verast te werden, waarvan een voorbeeld 
is aan die brave en groote Liefhebber Van Loene n". 
De auteur heeft haar eens met Prof. Ruysch (1667 — 
1731 ) op eene verkeerde veronderstelling gewezen, die zij toen 
toch publiceerde ( M e r i a n 's door hem genoemde werken 
verschenen 1669 en 1705). Aan het eind van de bladzijde 
houdt deze inleiding plotseling op, en de volgende bladzijde 
vervolgt eene (op de daaraanvolgende bladzijde begonnen) 
Algemeene Aanmerking over het leven der insecten. 

Dit MS is dan dus verder ook aanwezig in een net ge- 
schreven copie, die duidelijk twee handen vertoont, en ook 
verschilt in kleur en watermerken : het oudere, gelere papier 
vertoont eene gekroonde GR en den Nederlandschen tuin 
met leeuw en maagd met PRO PATRIA, terwijl het nieuwere, 
wittere papier D ô C BLAUW, B, leeuw met pijlenbundel 
en vrijheidshoed, in een cirkel met PRO PATRIA EJUSQUE 
LIBERTATE laat zien. Op den omslag (ook met dit laatste 
merk, dat pas na 1750 geregeld voorkomt) staat, dat het 
werk door S e b a geschreven is. 

In den verkoopcatalogus nu van de bibliotheek van S e b a's 
schoonzoon, Jacob Marcus ( die S e b a 's bibliotheek 
jia diens dood in 1736 erfde en zelf in 1750 stierf) staat p. 
13, No. 160 : ,,De Veranderingen van enige Rupsen en 
Wurmen in Tekeningen met Couleuren alsmede de Ver- 
klaring daarvan met de Hand geschreven, waarschijnlijk door 
den Heer Swammerdam" en No. 161 : ,, 't Zelve voor 
het grootste gedeelte gecopieert door de Hand van de over- 
ledene Heer J. Marcus, met de Tekeningen daarbij". Er 



VERSLAG. XIX 

naast (ex. Oud-Archief Amsterdam) staat eene notitie: ver- 
kocht voor Fl. 23:10. Het is duidelijk, dat eene latere hand 
(op het papier, dat eerst na 1750 in gebruik komt), het deel 
heeft overgeschreven, waar Marcus niet aan toe geko- 
men was. 

Afgezien van het feit, dat dit MS talrijke gegevens bevat, 
van belang voor onze kennis van de Nederlandsche Insecten- 
wereld omtrent 1700, waarvan ik niet onvermeld mag laten 
eene invasie van treksprinkhanen in 1684 (die zich ook in 
1685 nog vertoonden, maar in 1686 ,, hieuw het op"), rijst 
de vraag : Wie is de samensteller van dit MS ? Alle gege- 
vens, die over de persoon licht konden verschaffen, werden 
verzameld, waardoor allereerst én Swammerdam én 
S eb a werden uitgeschakeld. Immers in deel II, No. 11, 
zegt de auteur den ,,Groote Gehoorende Bocktor" gevonden 
te hebben als larve in een ,,Sommerbalck, leggende aan de 
Kaadijck, daar nu het begin van de Plantagie is en noch 
tegenwoordig aan de Heeregraft, daar de Kadijck was". In 
Amsterdam in de 17e eeuw (door Bredius e.a., I, 1897, 
p. 192 — 3) vindt men, hoe in 1683 de tegenwoordige Plan- 
tage (tot buitentuinen verkaveld) aan het publiek in 30-jarige 
erfpacht werd aangeboden. Daarvóór liep vanaf het Anthonis- 
poortje (nu Hortusbrug) de Kadijk in N.O.-richting. Kor- 
tom de schrijver verzamelde daar vóór en nâ 1683 — en in 
1680 stierf Swammerdam, terwijl Seba eerst in het 
voorjaar van 1685 in Groningen ons land binnen kwam, en 
pas in 1686 in Amsterdam arriveerde. 

Boven werden reeds verscheidene gegevens genoemd, die 
tot kennis omtrent de persoon van den schrijver konden 
strekken. Daaruit en uit verdere gegevens blijkt, dat hij een 
Amsterdammer was, immers nergens vermeldt hij deze stad, 
wanneer hij hare grachten noemt. Het was iemand, die overal 
heen trok, want behalve allerlei vindplaatsen om Amsterdam 
(Amsterveen, Diemermeer, op de Schans, aan de Kadijk, aan 
de hooge Zeeburg tot Naarden, in de Sloterpolder dicht aan 
den dijck van de Schinkel), noemt hij nog : tot Sardam, in 
de Beverwijck aan de weg naar Wijck op See, buijten 
Haarlem boven de Hout bij Heemstede, te Maarssen, in het 
Sticht van Utrecht, buijten Amersfoort, en veel in Gelder- 
land, ook op het Koninxloo en in Overijsel. Hij zette eene 
kapel op voor Harmans van der Burg, welke kapel 
later berustte in het kabinet van ,, wijlen" Jonas W i t- 
s e n, schepen en baljuw te Amsterdam (helaas zijn er 3 
W i t s e n s van dien naam, één stierf vóór 1 700, de tweede 
1715, de derde na 1765). Hij noemt verder nog de liefhebbers 
Jan Boonen tot Utrecht en kapitein Reformé van 
het garnizoen in Amsterdam, In zijn taal en stijl zocht Spr. 
vergeefs naar buitenlandsche elementen, al drukt hij zich niet 
altijd gemakkelijk en beschaafd uit. Toch is zijne vrees voor 



^^' VERSLAG. 

„onduijtsche woorden en spreekwijzen" (zie boven) merk- 
waardig ! 

Eéne mededeeling zou eene onmiddellijke beslissing toe- 
laten, indien niet vergeefs in de Archieven naar aansluiting 
was gezocht. De schrijver was nl. eens (hij noemt geen jaar- 
tal) als secretaris mee met de pilotage-commissie op een harer 
inspectietochten in een jacht der W.I.C., en stelde toen in 
het Journaal te boek eene groote vlucht van Witjes bij Enk- 
huizen, die blijkbaar een storm voelden aankomen, welke 
,, travado" de reizigers overviel op weg naar Staveren en hun 
een gaffelzijl kostte, Spr. kon tot nog toe helaas in de pilo- 
tage-archieven hierover niets vinden. 

Uit de waarnemingen blijkt, dat de schrijver een goed 
opmerker was, die alle dieren zelf opkweekte, en allerlei bij- 
zonderheden en levenseigenaardigheden van zijne insecten 
op origineele en treffende wijze beschreef. Ook in het tee- 
kenen vertoont hij eene meer dan gewone bekwaamheid, die 
doet vermoeden, dat hij schilder van beroep was. 

Het MS kwam in S e b a 's handen, en deze gebruikte de 
platen, om er de afbeeldingen van de insecten voor het vierde 
deel van zijn Thesaurus naar te laten graveeren, wat niet 
zeer fraai geschiedde. Men vindt ze in Thes. IV op de platen 
I— III, XXXII, XLIX, L, Lil, LUI, LIX, LXI— LXIII, LXV, 
LXXXVIII, LXXXIX, XCII. Zooals bekend, verscheen dit 
vierde deel pas in 1 765, door Arniout Vosmaeii's 
zorgen, maar S eb a had in 1736 bij zijn overlijden al vele 
platen voor dit vierde deel klaar liggen. 

De heer Mac Gillavry maakt de opmerking, dat in de 
bibliotheek van het Koloniaal Instituut aanwezig is een hand- 
schrift van den heer d' A c q u e t, dat teekeningen bevat, die 
gediend hebben voor het werk van R u m p h i u s, en tal- 
rijke teekeningen van insecten, o.a. door een jeugdigen bur- 
gemeesterszoon uit Amsterdam. Het ware de moeite waard, 
deze handschriften te vergelijken. Ook het manuscript van 
den ouden Voet in de bibliotheek der Ned. Ent. Ver., mis- 
schien ook Blankaar t, zouden in aanmerking kunnen 
komen om te vergelijken. Dan is er nog in het werk van 
R a t h 1 e f eene noot, waarin iets gezeg'd wordt over het 
voorkomen van treksprinkhanen in ons land, in een bepaald 
jaar ; misschien wordt daarin de naam van den waarnemer 
vermeld* ) . 



*) NOOT bij de Correctie. — Vergeefs waren en werden de genoemde 
werken vergeleken. Het werk herinnert aan dat van Jacob l'Admi- 
r a 1, die echter 1699 — 1770 leefde en in 1740 zijne eerste acht platen, 
na leene nasporing van het leven der insecten gedurenlde , .omtrent dertig 
Jaaren", in het licht gaf. 

H. ENGEL. 



VERSLAG. XXI 

De heer Bels deelt, naar aanleiding van een gesprek op 
de afdeelingsvergadering van 13 Januari 1937, iets mede over 
teken in het algemeen en Ixodes ricinus L. 
i n h e t b ij z o n d e r, en laat bovendien eenige afbeeldingen 
en wat materiaal ter bezichtiging rondgaan. 

De teken en mijten, of Acari, behooren tot de groep der 
Symphylogastres van de Arachnoidea ; wanneer Spr. boven- 
dien zegt, dat zij eene ectoparasitaire leefwijze 
voeren, dan begrijpt men, dat het zon'derlinge dieren moeten 
zijn, eensdeels gegeven door de ver doorgevoerde concen- 
tratie, anderdeels door hunne leefwijze. 

Over den anatomischen bouw kan Spr. kort zijn : De kop 
is met den thorax en deze weer met het abdomen vergroeid ; 
de oogen, in'dien aanwezig, liggen tamelijk ver naar achteren. 
Hierop volgen rostrum, cheliceren en pedipalpen, die samen 
de slurf vormen, welke op steken, zuigen of bijten berekend 
is. Dan komen vier paar looppooten, waarmede het dier zich, 
al naar verkiezing, kan vasthechten of loopen. Dorsaal be- 
keken, ziet men, dat het mannetje bedekt is door een groot 
scutum, terwijl de wijfjes een klein schild bezitten ; hiermede 
kan men tevens het feit in verband brengen, dat de wijfjes 
veel bloed zuigen en sterk opzwellen kunnen, in tegenstelling 
tot de mannetjes. Wat de inwendige organen betreft, valt 
te vermelden, dat het zenuwstelsel bestaat uit ééne massa, 
,, hersenen", waaraan geene segmentatie meer te zien is. De 
darm is sterk vertakt en eindigt vaak blind. Het hart heeft 
twee paar ostiën. De geslachtsorganen zijn goed ontwikkeld, 
terwijl de geslachtsopening verschoven is, ventraal, ver naar 
voren. Talrijke klieren, vooral spijsverterings- en speeksel- 
klieren, komen voor. De ademhaling heeft plaats door de 
huid of door tracheeën. 

Wat de biologie en de voortplanting betreft, het volgende : 
Het bevruchte wijfje laat zich, volgezogen, van den gastheer 
vallen. Wanneer de eieren en spermatozoïden rijp geworden 
zijn, en de conceptie heeft plaats gehad, dan begint het wijfje 
eieren te leggen. Zij pakt de eieren in de vagina beet, trekt 
ze er uit, en deponeert ze op haar kop. Na eenigen tijd komen 
hieruit de zespootige larven, die geene geslachts- en adem- 
halingsorganen bezitten. Deze loopen wat rond, tasten de 
omgeving af met hun voorste paar extremiteiten, die zij ge- 
bruiken als tastorganen, en gaan dan, meestal talrijk bij elkaar, 
op den top van grassprietjes zitten om te wachten op een 
gastheer. Is die gevonden, dan zuigen zij daar bloed, vallen 
af, en vervellen op deni grond tot nymph. Deze doet hetzelfde : 
zoekt een gastheer op, zuigt weer bloed, laat zich vallen en 
vervelt tot imago. De imago's zoeken nu ook weer een gast- 
heer, zuigen bloed, en laten zich weer vallen en gaan, na 
zich voortgeplant te hebben, dood. De copulatie der imago's 
kan plaats hebben op den grond of op den gastheer ; de 



XXII VERSLAG. 

mannetjes zijn veel kleiner dan de wijfjes, en kunnen in 
sommige gevallen tijden lang door de Avijfjes worden mede- 
gedragen. De copulatie heeft plaats in obversen stand, dus 
buik aan buik ; terwijl nu het mannetje de genitaal-opening 
van het wijfje eerst met zijne slurf w^at wijder maakt, heeft, 
nadat de genitaal-openingen tegenover elkaar zijn gebracht, 
de overdracht plaats der spermatozoïden in den vorm van 
een spermatophoor, terwijl de spermatozoïden nog pro-sper- 
miën zijn. Het mannetje duwt vervolgens met zijne slurf dezen 
spermatophoor dieper in de vagina. Het wijfje gaat nu bloed 
zuigen ; hare eieren rijpen dan pas, en de pro-spermiën wor- 
den spermatozoïden, en eerst dân heeft de bevruchting s. s. 
plaats. 

Alle deze ontwikkelingsvormen kunnen vrij vlug doorloopen 
worden, doch ook maanden lang duren. Men kan deze stadia 
alle overwinterend aantreffen, en als men dan ook, hetzij in 
voorjaar of zomer, hetzij in het najaar, met een net door 
vochtig gras strijkt, is het mogelijk, alle stadia te bemachtigen. 

Teken hebben soms 1 , 2 of 3 verschillende gastheeren ; 
larven en nymphen meestal koudbloedige dieren, imago's 
veelal warmbloedige (echter zijn er talrijke uitzonderingen). 
De teken kunnen velerlei ziekten veroorzaken en overbren- 
gen, bij voorbeeld ,,Tick-paralysis " bij schapen, hoender-spi- 
rochaetose, haemoglobinurie en miltrupturen bij runderen. Bij 
den mensch kunnen zij alleen lastig worden, doordat zij bloed 
zuigen ; overigens hebben wij er geen hinder van * ) . 

De heer Oudemans zegt, dat het bij teken ook voorkomt, 
dat zij op den gastheer vervellen, zoodat deze soms zóó vol 
teken is, dat men nauwelijks een m^es tusschen de individuen 
kan steken. De larvae gaan in den regel over op kleine dieren : 
mollen, eekhoorns, konijnen, hazen en op den grond levende 
vogels enz. 

De heer Bels deelt vervolgens iets mede over mieren, en 
wel ten eerste over den 1 e e f t ij d, dien zij kunnen berei- 
ken, ten tweede over de mortaliteit en ten derde iets 
over de kenmerken, waaruit men iets kan op- 
maken over den ouderdom en de constella- 
tie der individuen. 

I. a. Over het algemeen wordt aangenomen, dat mannetjes 
in denzelfden zomer, waarin zij geboren worden, dood gaan, 
direct na de bevruchting of huwelijksvlucht ; zelfs W hee- 
ler zegt dit nog in 1910 en Forel in 1922. ondanks dat 
Lubbock reeds in 1876 een Myrmica ruginodis-man 9 



Literatuur : Mense, Knut h, du Toit, Hand. d. Tropenkrankh. 
Bd. 6, 192L 

Patton, Crag g, Textbook of med. entom. 1913. 
Samson, Z. wiss. Zool. Bd. 93, 1909. 
Schulze, Biologie d. Tiere Deutschlands Lfrg. 2, 1923. 



VERSLAG. XXIII 

maanden, en Janet in 1904 een M. rubra-man 6 maanden 
in leven hield. Tevens was het feit bekend, dat sommige 
CamponotuS" en Preno/epfs-soorten mannen hebben, die in 
den zomer geboren worden, en zich pas in het daarop vol- 
gend voorjaar van hunne bevruchtingstaak kwijten. Zelf kan 
Spr. hier nog aan toevoegen, dat het hem gelukt is, in kunst- 
nesten mannetjes van Formica sanguìnea Latr. 10 maanden 
en van Camponotus herculeanus ligniperdus Latr. 14 maan- 
den in leven te houden. (Door bijzondere oorzaken stierven 
zij ten slotte : de eerste soort werd doodgemaakt door de 
werksters ; de andere verdronk in water- of honingdruppels.) 

b. Wat den leeftijd der koninginnen betreft, vindt men 
ook hier in de literatuur talrijke vermoedens en enkele 
controleerbare waarnemingen, zooals bijvoorbeeld de schat- 
ting van Forel: ongeveer 1 jaar, al naar gelang van de 
soort, en die van Christ: 3 tot 4 jaar, en voorts de ge- 
gegevens van Lubbock, die 2 Formica /usca-koninginnen 
resp. 14 en 15 jaar, Janet, die eene Lasius alienus~koningm 
10 jaar, enDonisthorpe, die eene Stenamma westwoodi- 
koningin ongeveer 18 jaar in het leven hield. 

c. Over den ouderdom der werksters loopen de meeningen 
minder ver uiteen. Lubbock hield eene Formica sangui- 
nea-werkster 5, Formica fusca L. 6, Formica cinerea Mayr 
en Lasius niger 7 jaar in leven, en Miss F i e 1 d e eene 
Aphaenogaster fulva-werkster 3 jaar. Deze waarnemingen 
werden gedaan in kunstnesten. S t ä r c k e vertelde Spr., 
dat Formica exsecta-werksters buiten 3 jaar konden wor- 
den, en dat hij den normalen leeftijd van de werksters op 
4 jaar, dien van Lasius echter korter schatte. 

d. Over den leeftijd van de soldaten is Spr. nóch uit de 
literatuur, nóch uit eigene waarnemingen iets bekend. 

e. De grootste ouderdom der kolonies, die tot dusverre 
waargenomen is, bedraagt voor Formica rufa L. 80 en voor 
Formica pratensis Retz. 55 jaar. De meeste bereiken hoogst- 
waarschijnlijk dezen ouderdom niet. 

Wanneer men nagaat, hoe de ontwikkeling van eene 
kolonie plaats heeft, dan ziet men, dat de mannetjes vrij 
vroeg sterven (na 1 tot 14 maanden), en dat de werksters 
maximaal 7 jaar, en de koninginnen maximaal 18 jaar oud 
kunnen worden. Voor kolonies van een aanzienlijken ouder- 
dom moet men dus aannemen, dat eenige koninginnen elkaar 
opvolgen. 

Nog even vermeldt Spr. het feit, dat deze achttienjarige 
koningin steeds bevruchte eieren legde en maar één keer be- 
vrucht was, en dat dus de spermatozoïden zeer lang in leven 
moeten zijn gebleven. 

IL Wat de mortaliteit betreft, wenscht Spr. eenige experi- 
menten, gedaan door Miss F i e 1 d e, aan de vergetelheid 
te ontrukken, om daarna eenige eigene waarnemingen mede 



XXIV VERSLAG. 

te deelen. Zij experimenteerde vooral met Aphaenogaster 
[ulva Roger ; deze hebben eene optimale temperatuur van 
19° C. Zij bracht nu koninginnen, werksters en broed 24 uur 
lang op eene temperatuur van — 5° C, en zag.d at zij zich alle 
normaal gedroegen en ontwikkelden. Hooge temperaturen 
verdroegen zij ook vrij goed : bij 35° C. stierven de kleine 
individuen ; bij 50° C. de groote. Verder verdroegen werk- 
sters van Formica fusca subsericea Say en Camponotus cas- 
taneus americanus Mayr 8 maanden vasten. Reeds lang was 
bekend, dat koninginnen bij het kolonievormen tijden lang 
kunnen leven zonder voedsel tot zich te nemen. Wat de 
vochtigheid betreft, verdroeg Lasius latipes Walsh. 27 uur, 
Camponotus herculeanus pennsylvanicus De Geer 70 uur en 
Aphaenogaster fulva Roger 8 dagen onderdompeling in water. 
Dit verklaart ook, dat Pogonomyrmex barbatus F. Smith 
(Texan harvester) nog steeds leeft in Texas in gebieden, 
die jaarlijks overstroomd worden. Droogte kunnen ook tal- 
rijke miersoorten wel tot een zekeren graad verdragen, gezien 
het groote aantal soorten, dat in de woestijnen van Mexico 
en Arizona en in de Sahara voorkomt, hoewel daarover echter 
experimenten ontbreken. 

Alles bij elkaar genomen, zijn de mannetjes het zwakst, 
de koninginnen het sterkst, terwijl de vitaliteit der werksters 
afhangt van de grootte. Dit komt bijna geheel overeen met 
Spr.'s eigene waarnemingen : na eene zoo goed mogelijke 
verzorging stierv^en van eene Messor structor Latr. -kolonie 
successievelijk de werksters en de kleine soldaten, terwijl de 
groote soldaten ongeveer 1 jaar in leven bleven. Hetzelfde 
ondervond Spr. bij eene Colobopsis truncatus Spin. -kolonie, 
waarbij de werksters na ongeveer een jaar alle stierven, ter- 
wijl de soldaten ("les fourmis portiers" van Forel) bleven 
leven. 

Na eene periode van langdurige droogte, d.w.z. 29 dagen, 
in de kunstnesten, succumbeerden van eene Myrmica rubra 
L.-kolonie alle koninginnen, van eene Leptothorax acervorum 
F. -kolonie alle werksters, terwijl diverse Formica- en Campo- 
notus-soorten zich niets van dit experiment aantrokken. Ove- 
rigens zijn alle mieren in kunstnesten het minst bestand tegen 
droogte. 

Bovengenoemde feiten, d.w.z. goed aangepast zijn aan en 
het verdragen kunnen van koude en warmte, droogte en 
vocht, veel of weinig voedsel, hierbij bovendien het resistent 
zijn ten opzichte van verschillende vergiften en de zeer ge- 
varieerde en gecompliceerde nestbouw maken, dat de mieren 
in het algemeen moeilijk te bestrijden zijn. In onze streken 
is dit niet noodig, doch bij voorbeeld langs de Middelland- 
sche Zee en in de tropen, waar 'de schade, aangericht door 
mieren, van economische beteekenis kan zijn, ondervindt men 
wel degelijk den last daarvan. 



VERSLAG. XXV 

III, Om nu tot het derde en laatste punt van zijn betoog 
te komen, zegt Spr. het volgende : Bij de meeste door hem 
onderzochte miersoorten, vooral Leptothorax acervorum F., 
Formica sanguinea Latr. en F. rufa L, en koninginnen van 
F. sanguinea Latr. hebben de jonge dieren eene veel lichtere 
kleur dan de oude. De lichaamskleur is hier 'dus een ken- 
merk, waaruit men iets kan concludeeren omtrent den ouder- 
dom van het individu, doch daar deze kleur zeer geleidelijk 
verandert, is deze maatstaf alleen te gebruiken door geoefen- 
de waarnemers. Verder wordt meestal gedacht, dat, wanneer 
men eene gevleugelde koningin tegenkomt, dit een jong, on- 
bevrucht wijfje is, en ontmoet men eene vleugellooze, dan 
meent men, dat deze bevrucht is. Zij kan dan zoowel jong 
als oud zijn. Hiertegenover stelt Spr. echter het feit, dat in 
zijne Formica sanguinea-\^o\onie koninginnen gevon- 
den worden, die sedert twee jaar rondloopen met 
volkomen gave vleugels, en die niet bevrucht, 
zijn. Andere daarentegen hebben wel vleugels la- 
ten vallen, en waren al of niet bevrucht. Wat 
de bepaling van den ouderdom betreft, zoo kan hier de kleur 
helpen. Natuurlijk mag niet uit het oog worden verloren, 
dat de kunstnest-condities andere invloeden kunnen hebben 
dan die in het vrije veld. 

Uit kleurnuances kan men dus iets opmaken omtrent den 
ouderdom van het individu en uit het al of niet hebben van 
vleugels bij koninginnen kunnen wij dus niet met zekerheid 
conclusies trekken omtrent den ouderdom en al of niet be- 
vrucht zijn 1)2). 

Den heer Stärcke geeft het bovengenoemde, belangrijke 
onderwerp aanleiding tot vele opmerkingen, waarvan slechts 
twee genoemd mogen worden : 

1°. De correlatie, die bestaat tusschen het lang leven der 
wijfjes met het bezit van accessoire klieren aan de sperma- 
theek, die de spermatozoa zoo lang in staat houden tot be- 



^) Literatuur : Donisthorpe, British Ants 1927. 

The Entom. Record Vol. 48, 1936. 
Pielde, Biol. Buil. Boston Vol. 2—13, 1900—1907. 
Proc. Ac. Nat. Sc. Philad. Vol. 53—56. 
1901—1905. 
Forel, Le monde social des Fourmis du Globe. Tome 

3, 1922; T. 5, 1923. 
Janet, Etudes sur les Fourmis 1897. 

„ Observations sur les Fourmis 1904. 
Lubbock, Ants, Bees and Wasps, uitg. 1929. 
Wheeler, Ants 1910. 
^) Noot bij de correctie. Kort geleden verkreeg ik inzage van Tabulae 
biologicae periodicae, ed. W. Junk, herausg. v. Oppenheimer & Pincassen, 
Bd. V. (= Tab. biol. Bd. XI) 1936 en Bd. VI (= Tab. biol. Bd. XII) 
1936. In beide vond ik artikelen over Formicidae van H. S t i t z. Deze 
staan niet in wederspraak tot het hierboven medegedeelte, maar geven 
er aanvullingen op. 

P. J. BELS. 



XXVI VERSLAG. 

vruchting. Daardoor kan ook de mierenmaatschappij eene 
vrouwenmaatschappij zijn : daar immers ééne copulatie voor 
het geheele leven genoeg is, kan het aantal $ $ dus gering 
zijn, en hun levensduur kort. Dit in tegenstelling met de 
termieten-maatschappij, die eene bisexueele gemeenschap is, 
waarin het wijfje telkens opnieuw moet copuleeren. 

2°. De langere levensduur der grootere individuen staat, 
alle andere eigenschappen gelijk genomen, wellicht de onder- 
stelling van eene eenvoudige oorzaak toe, nl. de verhouding 
r3 tot r2, eene biologisch uiterst belangrijke breuk. Hoe grooter 
het dier, des te grooter is, in het algemeen g-e sp r o- 
k e n, de inhoud tegenover het oppervlak, des te geringer 
is de stofwisseling en de activiteit, en des te langer het leven. 
Ook Miss Buckingham bevond, dat de activiteit der 
groote arbeidsters van Camponotus herculeanus pennsylva- 
nicus De G. geringer was dan die van de kleine. 

Verder zegt Spr., dat bij M essor eene gespecialiseerde 
functie is ontstaan van de ,, grootkoppen", als zaadkrakers, 
evenals zij bij Pheidole optreden als slagers. 

De heer van der Meulen deelt het volgende mede : 
Op de vorige wintervergadering te Amsterdam liet Spr. 
2 ex. van Hydroecia paludis Tutt rondgaan, gevangen op 
licht te Amsterdam (Verslag 1936 p. XLIV). Teneinde meer- 
dere zekerheid te verkrijgen, dat deze exx. werkelijk paludis 
zijn, heeft de heer L e m p k e de dieren ter onderzoek op- 
gezonden aan Dr. F. Heydemann, die ze determineerde 
als Hydroecia fucosa Frr., var. paludis Tutt. 
Voorts vertoont Spr. eenige vlinders : 

I. Een ex. van Senta maritima Tausch., ab. wismariensis 
Schmidt, gevangen te Amsterdam op licht 10.7.1936. Van 
deze soort zijn dus nu te Amsterdam gevangen : meerdere exx. 
van den grondvorm, de ab. bipunctata Haw. (Verslag 1936 
p. XLIV), en de ab. wismariensis Schmidt. 

II. Een ex. van Ephyra pendularia CI., ab. subroseata 
Woodforde, gevangen te Lonneker 27.7.1933. Volgens ter 
Haar (aanhangsel p. 363) is deze ab. even dichtgrijs be- 
stoven als de ab. griseolata Staud., maar heeft bovendien 
een rood bestoven middenveld, wat in de benedenhelft het 
sterkst is. De heer Haverhorst ving deze ab. in 1904 
te Oisterwijk. Een ex. van den grondvorm gaat tevens rond. 

III. Een afwijkend ex. van Larentia montanata Schiff., 
gevangen te Weerselo door den heer Knoop en wel 
9.6.1936. Bij dit dier is de grondkleur der voorvl. grijs, ter- 
wijl het wortelveld en de achterrand nog donkerder grijs 
bestoven zijn ; ook is de achterrand der achtervl. donkerder 
dan bij normale ex. S e i t z beschrijft de ab. fuscomarginata 
Staud. als volgt : ,,bei ab. fuscomarginata Staud. sind die 
beiden Figi, breit dunkelbraun gerandet, das eine deutliche 



VERSLAG. XXVII 

weisse subterminallinic einschliesst." Voor zoover de heer 
L e m p k e heeft kunnen nagaan, behoort dit dier niet tot 
een bepaalden vorm, doch is waarschijnUjk een overgang naar 
den door Staudinger beschreven vorm. Een normaal 
gekleurd ex. gaat mede rond. 

IV. Eenige ex. van Hibernia leucophaearia Schiff., ni. den 
grondvorm, de ab. marmorinaria Esp., en de ab. merularia 
Weymer, alle door den heer Knoop te Almelo gevangen 
resp. 8.2.1936, 1.3.1936 en 23.2.1936. Bij de ab. marmorinaria 
Esp. is het wortelveld en het franjeveld vanaf de tweede 
dwarslijn der voorvl. zwart ; de ab. merularia Weymer is 
geheel zwart. 

Spr. wenscht verder de aandacht te vestigen op eene kweek 
a.o. van Diacrisia sanio L., afkomstig van een ? , gevangen 
te Weerselo 13.6.1936 door den heer Knoop. Van de 
25 rupsen, welke hij uit de eieren verkreeg, brachten de 
meeste het tot pop ; er kwamen echter maar 8 vlinders uit, 
nl. 3 ,Ï ^ en 5 $ 9 . In verband hiermede verwijst Spr. naar 
eene mededeeling van den heer v Wisselingh op de 
wintervergadering in 1936 (verslag p. XXXIII) omtrent het 
kweeken der eieren van deze soort. De resultaten, die de 
heer Knoop bereikte, stemmen vrijwel overeen met die 
van den heer v. W i s s e 1 i n g h. De ex. zijn nl. belangrijk 
kleiner dan die der eerste generatie, en de 'dieren vertoonen 
onderling geene sterke verschilpunten. 

V. Een ex. van Gnophria rubricollis L., gevangen te Am- 
sterdam op licht 19.6.1936. Spr. had tot dusverre deze soort 
nog niet in Amsterdam waargenomen. 

De heer Bentinck vermeldt en vertoont het volgende : 

I. Een ex. van Notodonta tritophus Esp., als vertegenwoor- 
diger van de nieuwe soort voor onze fauna, verleden najaar 
te Meerssen gevangen door Majoor J. C. R ij k, in wiens 
collectie het imago in questie zich bevindt. 

II. Bijzondere vangsten van verleden zomer : 
Verscheidene ex. van Adopaea acteon Rott. uit Bemelen ; 

Een ex. van Tephroclystia imparata Hb. uit Geulem (5e ex. 
voor Ned.) door Spr. aan Majoor Rijk afgestaan; ver- 
scheidene ex. van Lu[[ia [erchaultella Stph. uit Meerssener- 
broek (de soort is dus behalve uit Zeeland thans ook uit Lim- 
burg bekend) ; een ex. van Oxyptilus hieracii Z. uit Valken- 
burg ; een ex. van Nephopteryx hostilis Stph., een van Pto- 
cheuusa subocellea Stph. (3e ex. voor Ned.), een van Bork- 
hausenia formosella S.V. (3e ex. voor Ned.), een van Scythris 
senescens Stt, en een van Tinea piercella Bentinck uit Meers- 
sen ; twee ex. van Mompha ochraceella Curt, uit Overveen ; 
een ex. van Vanessa urticae L. ab. parvipuncta Raynor, die 
z.i. toch zeldzaam schijnt te zijn. Spr. ving 2 ex. van deze ab. 
te Amerongen tusschen een 100-tal ex. van urticae, vliegende 



XXVIII VERSLAG. 

om bloemperken. Het ontbreken van deze ab. in alle groote 
collecties viel hem op. 

III. Eenige bijzondere vangsten door Majoor J.C. R ij k, 
met zijne toestemming vermeld : Twee ex. van Hesperia sao 
Hb., uit Bemelen, 2 van Gastropacha populifolia Esp. en 
eenige van Oeonistis quadra L. uit Meerssen. Laatstgenoemde 
kwam verleden zomer veelvuldig aldaar voor. Deze exem- 
plaren werden welwillend door Majoor R ij k aan Spr. 
afgestaan. Een ex. van Calophasia lunula Hufn. en een van 
Agrotis puta Hb. uit Meerssen (beide vertegenwoordigers, 
aangezien de imagines in questie zich in de Coll. R ij k be- 
vinden ) . 

De President antwoordt op de vraag van den heer B e n- 
t i n c k, of de exemplaren met gelijke aberratie afstammelin- 
gen kunnen geweest zijn van eenzelfde exemplaar, dat zelf 
normaal was, dat dit zeker het geval zou kunnen zijn. Ech- 
ter is het ook mogelijk, dat de aberratie door gelijke uitwen- 
dige omstandigheden bij de betrokken exemplaren veroor- 
zaakt is. Zonder kweekproeven (en die zijn bij dagvlinders 
niet gemakkelijk) is niet te zeggen, of men met eene erfelijke 
afwijking te doen heeft. 

De heer Speijer laat een aantal foto's van Amblypygi 
( ,.staart"-looze Pedipalpi) rondgaan. 

In de eerste plaats enkele opnamen van de zeldzame Sty~ 
gophrynus berkeleyi Grav. Dit is een grottendier van het 
Malakka-schiereiland. Tot dusverre waren er van deze soort 
slechts één mannelijk en enkele juvenile exemplaren bekend, 
die door Buxton in grotten te Lenggong in Perak ver- 
zameld werden. Gravely beschreef de soort in 1915. 
Afbeeldingen van het geheele 'dier werden nooit gepubliceerd. 
Het Raffles-museum zond Spr. een elftal zeer versehe exem- 
plaren, die door T w e e d i e in kalksteengrotten te Baling 
in Kedah werden verzameld. Hieronder bevonden zich ook 
de tot dat oogenblik nog onbekende wijfjes, waaronder som- 
mige met eiermassa's. Spr. laat foto's circuleeren van een 
mannelijk exemplaar, dorsaal opgenomen, van een dito ex. 
ventraal, en van een vrouwelijk dier met eieren 'dorsaal en 
lateraal ; bovendien eene opname van een vrouwelijk dier 
ventraal, met de eiermassa ernaast. Ter vergelijking demon- 
streert Spr. eene foto van een wijfje van Damon médius 
tibialis (E. Sim.), met eieren. 

In de tweede plaats heeft Spr. een tweetal opnamen van 
materiaal van het Museum te Brussel medegebracht. Het 
betreft hier dieren, door Kraepelin als Damon médius 
tibialis (E. Sim.) gedetermineerd. De bedoeling hiervan is, 
om er ten overvloede nog eens op te wijzen, dat men : 

1 ) met het bestudeeren van eene reeks dieren van ééne 
vindplaats uitermate voorzichtig moet zijn ; 



Verslag. xxix 

2) met eene indeeling beter kan wachten, tot er ruim 
materiaal bekend is ; 

3) niet het recht heeft om aan te nemen, dat een exem- 
plaar wel tot eene bepaalde soort zal behooren, omdat de 
vindplaats in het algemeen als tot het verspreidingsgebied 
van die soort behoorende bekend staat. 

Het schijnt haast overbodig, op eene vergadering van 
entomologen dit alles te stipuleeren, en toch komt Spr. bij 
het bestudeeren van de betrekkelijk kleine groep van Pedipalpi 
zoo herhaaldelijk overtredingen van bovengenoemde regels 
tegen, dat hij ter waarschuwing deze foto's medebracht. 
Niemand minder toch dan Kraepelin, die zelf zoo cri- 
tisch tegenover het werk van Butler, Pocock en an- 
deren stond, overtrad de voorzichtigheid en nauwkeurigheid 
in zijne werken herhaaldelijk, zooals Spr. reeds vroeger bij 
de verspreiding van Thelyphonus caudatus L. aantoonde. 

Spr. wil eerst even de indeeling van de subfamilie Phry- 
nichinae (Tarentulidae) onder de oogen zien. Volgens das 
Tierreich, deel 8, dat Spr. ter vergelijking laat circuleeren, 
verschillen de eenige, aan Kraepelin toen bekende 
genera, Phrynichus en Damon, behalve in de bedoorning van 
de hand van de maxillaire palp, in de tibia van het vierde 
pootpaar. Deze tibia is namelijk bij Phrynichus slechts uit 
één stuk opgebouwd, terwijl bij Damon de tibia uit twee 
leden bestaat. 

Vergelijkt men nu de medegebrachte foto van drie exem- 
plaren uit Landana, die door Kraepelin zijn gedetermi- 
neerd als tot Damon médius tibialis (E. Sim.) behoorende, dan 
valt oogenblikkelijk op, dat het bovenste exemplaar de splitsing 
van de tibia niet vertoont. (Ter vergemakkelijking van de 
bestudeering van de opname heeft Spr. de tibia en de even- 
tueele geledingen met inktstreepjes aangegeven.). Tot de 
systematische verwerking van deze vondst is Spr. nog niet 
gekomen, maar toch wilde hij dit reeds vastleggen. De mo- 
gelijkheid bestaat, dat hier alleen maar eene verkeerde deter- 
minatie heeft plaats gehad, hoewel het Spr. waarschijnlijker 
voorkomt, dat hier eene verandering van de definitie van 
de genera, of misschien zelfs eene verandering van de in- 
deeling van de Phrynichinae noodzakelijk zal blijken te zijn. 

Men zou natuurlijk kunnen tegenwerpen, dat hier wellicht 
slechts sprake is van eene individueele afwijking, en dus 
verdere conclusies hieruit niet te trekken zijn. Zelfs indien 
dit waar was, blijft het natuurlijk een verzuim van Krae- 
pelin, dat hij daarvan nergens melding maakt. Het blijft 
natuurlijk altijd mogelijk, dat aan dit afwijkende exemplaar 
geene verdere systematische beteekenis toegekend kan wor- 
den ; men moet daarbij echter niet vergeten, dat een groot 
gedeelte van de systematiek van deze groep — en zeer waar- 
schijnlijk nog van meerdere groepen — op zeer weinig mate- 



XXX VERSLAG. 

riaal gebaseerd is, en dan zou dit argument slechts eene ver- 
sterking zijn van wat Spr. met dit tweede gedeelte van zijne 
demonstratie betoogde, namelijk eene waarschuwing, om zoo 
critisch mogelijk tegenover het materiaal, tegenover de juist- 
heid van determinaties en tegenover eigen kennis te staan. 

Ten slotte heeft Spr. eenige overdrukken van zijne bewer- 
king van het oriëntaalsche Pedipalpi-materiaal van het mu- 
seum te Berlijn meegebracht. Aangezien hij op de vorige 
wintervergadering hierover gesproken heeft, stelt Spr. voor 
belangstellenden enkele separaten beschikbaar. 

De heer Leefmans maakt opmerkzaam op den Sty,gophry- 
nus, naar hij meent 5. Dammermanni Röhwer, die in grotten 
voorkomt, en die door Spr. gevonden werd in Zuid-Celebes, 
waar ook vele grotsprinkhanen (Stenopelmatidae) voorkomen. 
De soort is in Treubia beschreven ; ook schreef Spr. er iets 
over in De Tropische Natuur (1929). Spr. bezit er nog 
materiaal van, dat hij aan Dr. S p e ij e r aanbiedt, die het 
gaarne aanvaardt voor het Rijksmuseum van Natuurlijke 
Historie te Leiden. 

De heer van Wisselingh doet eenige mededeelingen over 
de vangst van zeldzame Macrolepidoptera. 

Op de wintervergadering in 1936 deelde Spr. mede, dat 
hij in begin Augustus 1935 als resultaat van eenige middagen 
zoeken, in de bloemen van Digitalis purpurea L. in het Ker- 
persbosch nabij Vaals eenige Tephroclystia-Tups]es vond, 
waarvan hij verwachtte, met de voor onze fauna nieuwe soort 
Tephroclystia pulchellata Stph. te doen te hebben. Een der 
rupsjes, dat zich eerder had verpopt dan 'de andere, leverde 
reeds in Augustus een exemplaar van T. pumilata Hb. op. 
De overige popjes zijn den winter over blijven liggen. 

Op 26 Maart en op 1 April kwamen twee vlindertjes uit, 
beide echter weer T. pumilata Hb. In begin Juni ontpopten 
de overige, waarbij bleek, dat Spr.'s vermoeden juist was, 
zoodat T. pulchellata Stph. aan de Nederlandsche fauna is 
toegevoegd. 

Einde Juni is Spr., tezamen met den heer Coldewey, 
eenige malen naar de vindplaats geweest om te trachten, 
imago's te vangen. Na twee middagen zoeken was echter nog 
geen enkele vlinder gevonden. Op den avond van 30 Juni 
is de vindplaats weer bezocht en toen bleken tegen het einde 
van de schemering de vlindertjes in aantal om de toppen der 
Digitalis-bloemen te vliegen, zoodat in een kwartier tijds een 
20-tal kon worden bemachtigd. 

De vlinder gelijkt zeer veel op T. linariata F., doch is 
hiervan te onderscheiden door het verloop van de dwarslijnen, 
welke nabij den voorrand een scherpen hoek naar binnen 
maken, door de zwarte vulling van het wortelveld en door de 
valere kleur van de bruine banden. De soort varieert vrij sterk ; 



VERSLAG. XXXI 

eenige exemplaren waren zeer donker en scherp geteekend, 
andere veel lichter, waarbij soms de binnenrandshelft van de 
voorvleugels lichter en flauwer is geteekend dan de voor- 
randshelft. Bij een der donkere exemplaren zijn de bruine 
dwarsbanden zooveel verbreed, dat de ruimten tusschen de 
velden geheel bruin zijn. 

Behalve de vangst van eene nieuwe soort heeft de kweek 
van de gevonden rupsjes nog de bijzonderheid opgeleverd, 
dat T. pumilata Hb. niet alleen op de voor deze soort vermel- 
de voedselplanten (Genista, Sarothamnus, Clematis, Cratae- 
gus, Calluna) leeft, doch ook op Digitalis, en dat de zich 
in Augustus verpoppende rupsjes ten deele nog in hetzelfde 
jaar en ten deele eerst in het volgende voorjaar vlinders 
geven. 

Een verblijf in Zuid-Limburg in einde Juni leverde nog 
eenige zeldzame soorten op, als Gastropacha populifolia Esp., 
Larentia testacea Don., Acidalia macginepunctata Goeze en 
Phibalaptecyx tersata Hb. Verder ving Spr. 5 exemplaren van 
de ab. sordiata Fuessl, van Angerona prunaria L. Deze overi- 
gens vrij zeldzame aberratie schijnt in Zuid-Limburg tal- 
rijker voor te komen dan in andere deelen van het land. Bij 
Leersum, waar midden Juni de vlinder in aantal vloog, trof 
Spr. geen enkel exemplaar van de aberratie aan. Bij Nij- 
megen, waar Spr. de soort gedurende vijf jaren telken jare 
in verscheidene exemplaren vond, werd slechts eenmaal een 
exemplaar van de aberratie gevonden. 

Te Assen ving Spr. op 23 Juli 1936 op smeer een exem- 
plaar van Hadena funerea Hein., eene soort, welke in ons 
land nog slechts eene enkele maal is gevonden ; ter Haar 
vermeldt als vindplaats alleen Oisterwijk (1895). 

Op 23 October 1936 vond Spr. te Aerdenhout, tusschen 
een groot aantal exemplaren van Larentia dilutata Bkh., een 
exemplaar van Larentia autumnata Bkh. 

Spr. laat de vermelde dieren ter bezichtiging rondgaan en 
vertoont voorts eene serie, op smeer in Juni 1935 te Haam- 
stede op Schouwen gevangen, exemplaren van Miana aerata 
Esp. (M. latruncula H.W.). Deze soort was daar zeer talrijk 
en vertoonde vele variëteiten, waarvan eenige zoodanig af- 
weken, dat twijfel bestond, of deze wel tot genoemde soort 
behoorden. In verband hiermede is eene serie van 20 stuks 
opgezonden aan Dr. Heydemann te Kiel, die van de 
Mfana-groep eene speciale studie heeft gemaakt. Dr. H. heeft 
alle exemplaren gedetermineerd en bevond, dat zich onder 
de 20 stuks, behalve 5 exemplaren van de in ons land meest 
voorkomende aberratie unicolor Tutt bevonden : 3 exemplaren 
van de type, 3 van de ab. intermedia Hormuzaki, 2 van de 
ab. meretricula Bkh., 5 van eene aan Dr. H. niet bekende 
aberratie, met rood middenveld, en 2 aberratie's, welke niet 
tot eeïie bepaalde afwijking behooren. 



XXXII VERSLAG. 

De heer Diakonoff doet eene mededeeling omtrent enkele 
interessante Microlepidoptera, terwijl hij materiaal ervan 
laat rondgaan. 

Aphomia gularis Z, Deze merkwaardige Galleriide is door 
Zeiler uit Japan beschreven. Waarschijnlijk met noten 
uit den Oriënt in Europa ingevoerd, is zij voor het eerst door 
J o anni s in 1908 in Frankrijk aangetroffen. In 1922 vond 
L a i n g de soort in Engeland. In Duitschland is zij door 
Zacher in 1 933 voor het eerst gevonden in een voorraad 
amandelen. Een andere verspreidingshaard is Californie ge- 
worden, waarheen dit insect in 1919 uit China schijnt inge- 
voerd te zijn. 

Waarschijnlijk hebben wij deze soort hier aan Californie 
te danken. In November van het vorige jaar heeft Spr. een 
pakhuis van zuidvruchten te Amsterdam bezocht ; daar ver- 
nam hij, dat in voorraden abrikozenpitten, afkomstig uit Cali- 
fornie, dit jaar eene ware mottenplaag heeft geheerscht. Op 
den zolder, waar de balen met abrikozenpitten waren opge- 
slagen, waren geene levende motten meer te vinden, doch 
vliegenhangers, die er overal waren opgehangen, zaten vol 
met doode micro's. Het bleken twee soorten te zijn : de alge- 
meene Plodia inter punctella Hb. en Aphomia gularis Z. Ook 
Nederland kan dus thans bij de vele andere landen gerekend 
worden, waar dit insect schadelijk optreedt. De biologie van 
dezen cosmopoliet is in de gematigde streken nog weinig be- 
kend. Zoo valt b.v. nog niet te voorspellen, of dit dier bij 
ons zou kunnen overwinteren. 

Eene verwante soort, Aphomia sociella L„ die bij ons in- 
heemsch is, vertoont eenige gelijkenis met de eerstgenoemde, 
doch heeft eene geheel afwijkende biologie : het is een car- 
nivoor, leeft in wespen- en hommelnesten en voedt zich met 
broed en was. Uit het onderzoek der genitalia bleek, dat zij 
bij deze twee soorten zeer op elkaar gelijken. 

Van deze soort kan Spr. slechts enkele exemplaren, vastge- 
plakt op vliegenpapier, vertoonen en twee exemplaren uit En- 
geland, uit de collectie van den heer Bentinck, met wiens vrien- 
delijke toestemming ook deze vertoond worden, benevens eeni- 
ge foto's, vervaardigd in het Koloniaal Instituut te Amsterdam. 

Corcyra cephalonica St. Acht jaar geleden heeft de heer 
Bentinck op de 83ste Zomervergadering der N.E.V. 
twee exemplaren van deze mot vertoond, een gekweekt uit 
gonjebalen met copra, afkomstig uit Rotterdam en een uit 
Amsterdam, gekweekt uit cacaoboonen. Mogelijk waren deze 
insecten toevallig met genoemde waren ingevoerd. Het is 
minder waarschijnlijk, dat zij reeds eerder in ons land ge- 
importeerd waren en hier als vaste bewoners stand hebben 
gehouden. Dit is niet zeker, daar het ook van deze soort 
niet bekend is, of zij in gematigde landen kan overwinteren. 
Zoo deelde Prof. R o :; p k e Spr. mede, dat deze soort reeds 



VERSLAG. XXXin 

meermalen, in klein aantal tegelijk, in Indische voorraad- 
stoffen in ons land is ingevoerd (in lit.). 

In December van het vorige jaar heeft Spr. in het Biolo- 
gisch Laboratorium der afdeeling Handelsmuseum van het 
Koloniaal Instituut, uit een voorraad rijstmeel, door ons 
medelid, den Heer K o r r i n g a uit een pakhuis te Haarlem 
medegebracht, eenige exemplaren van deze soort verkregen. 
Dit wijst op een mogelijken haard in ons land. Ook Corcyra 
is een lastige cosmopoliet. In Amerika is zij onder den naam 
van rijstmot bekend en komt vooral in rijstmeel voor, doch 
is in dat land eveneens zeer schadelijk in cacaovoorraden op- 
getreden. In 1913 heeft dit dier, samen met Ephestia kuehniel- 
la Z., groote schade aan beschuitenvoorra'den van het Engel- 
sche koloniale leger aangericht, die uit Londen naar Zuid- 
Afrika, Gibraltar, Malta, Mauritius en Soedan werden uit- 
gevoerd. Dat eene dergelijke plaag niets nieuws is, blijkt uit 
de geschiedenis van de Napoleontische oorlogen : tijdens 
eene expeditie van het Engelsche leger in Egypte in 1801 leed 
de legermacht gebrek aan levensmiddelen, omdat alle beschuit- 
voorraden door ,, wormen" zoozeer waren aangetast, dat de 
soldaten deze beschuiten alleen in het donkerkon- 
d e n eten! Eene meer recente plaag vormt dit dier in Zuid- 
Voor-Indië aan voorraden van verschillende opgeschuur'de 
landbouwproducten. 

Spr. vertoont eenige ex. van deze mot, benevens eenige 
foto's, eveneens op het Koloniaal Instituut vervaardigd. Op 
den rug van de pop bevindt zich eene rij verhevenheden, 
die een goed determinatiekenmerk vormt. Volgend jaar hoopt 
Spr. van de beide besproken dieren meer materiaal te ver- 
zamelen. 

Vermelding verdient, dat de eieren van Corcyra cephalo- 
nica St. algemeen gebruikt worden om Microhymenopteren, 
zooals Trichogramma, mede te kweeken, om hiermede verder 
bladrollers van de thee op Ceylon, rijstboorders in Voor-, 
Indie, e. a. te bestrijden. 

Aangezien Spr. elders uitvoeriger de biologie en de econo- 
mische beteekenis van de beide soorten bespreekt, gaat hij er 
thans niet dieper op in. 

Op de laatste Zomervergadering heeft Spr. eene nieuwe 
soort voor onze fauna vertoond, eene Tortricide, Acalla 
abietana Hw. Voor alle zekerheid werd dit unicum, door ons 
medelid, den heer D o e t s te Hilversum gevangen, naar 
Prof. Hering te Berlijn opgezonden. Deze bevestigde de 
determinatie. 

Spr, vermeldt voorts, dat hij thans enkele lastige vraag- 
stukken onderhanden heeft, 'die nog niet zijn opgelost ; hij 
wil ze toch gaarne terloops even noemen. 

Blastodacna. In de systematiek van eenige Europeesche 
soorten van dit Gelechiiden-genus heerscht eene hopelooze 



XXXIV VERSLAG. 

verwarring. Het schijnt niet mogelijk te zijn, de vier soorten : 
atra Hw., hellerella Z., putripennella Dup. en vinolentella 
H.S. met zekerheid van elkander te onderscheiden. Onder 
deze vier zijn ten minste twee goede soorten, verschillend 
in hare biologie : de eene leeft als rups in appeltwijgen en 
is soms zeer schadelijk, eene andere leeft als rups in vruchten 
van meidoorn. De Duitsche auteurs noemen vinolentella en 
hellerella van appel, putripennella van meidoorn ; de Engel- 
schen spreken van atra en hellerella op appel en putripen- 
nella van meidoorn ; vinolentella zou volgens hen alleen in 
Duitschland voorkomen. De heer D o e t s heeft in zijn 
tuin te Hilversum eene Blastodacna-soort uit appeltwijgen 
verkregen. Het genitaal-onderzoek heeft aangetoond, dat wij 
met eene soort te doen hebben, identiek met eene in het 
Zool. Museum te Amsterdam. Spr. ziet nu in spanning uit 
naar de resultaten van den kweek door den heer D o e t s 
van rupsjes uit meidoorn vruchten. Het genitaal-onderzoek 
moet hierin beslissen. 

Een ander moeilijk geval is de questie van Panimene costi- 
punctana Hw. Mr. Pierce heeft eenige exemplaren van 
deze soort onderzocht ; uit dit genitaal-onderzoek bleek, dat 
costipunctana Hw. met zekerheid voor eene goede soort ge- 
houden kan worden. * ) Door H a w o r t h beschreven, is 
deze naam echter, om onbeken'de redenen, later opgeheven. 
Noch Staudinger en Rebel, in hunne lijsten, noch 
Spule r. Barret of W i 1 k i n s o n noemen dit dier. 
S t a i n t o n noemt het wel op, doch beschouwt het als een 
synoniem van P. gallicolana Z., var. amygdalana Dup. Spr. 
vertoont exemplaren van P. gallicolana en ook van P. galli- 
colana Z., var. amygdalana Dup., met ernaast twee exem- 
plaren van P. costipunctana Hw., die hij van Mr. Pierce 
heeft ontvangen. Kaltenbach neemt in zijn bekend boek 
costipunctana eveneens als synoniem van gallicolana op. 
Ailleen Eckstein geeft in zijn recent werk\: „Die 
Kleinschmetterlinge Deutschlands" P. costipunctana Hw. als 
eene afzonderlijke soort op. 

Vervolgens vertoont Spr. drie ex. van Pammene vernana 
Knaggs, waarvan twee uit de collectie van den heer D o e t s 
(gevangen te Hilversum op 2-VI-1935) en een uit zijne 
eigene collectie, gevangen door den heer P. Korringa 
te Doornspijk (G.) op l-VI-1936. Deze soort wordt niet 
vaak in Nederland aangetroffen. 

De heer Leefmans vermeldt een geval van schade aan 
telefoondraden door rupsen van de kleine wasmot, Achroia 



*) Mr. Pierce deelde Spr. mede (in lit.), dat het niet is vast 
te stellen, of het unieke exemplaar van Pammene costipunctana Hw. in 
het Britsch Mbseum aanwezig (mogelijk de type van H a worth), 
tot dezelfde soort behoort als de exemplaren van P. costipunctana, die 
door Mr. Pierce onderzocht zijn. 



VERSLAG. XXXV 

grisella F., in de telefooncentrale te Batavia. De oorzaak bleek 
te zijn, dat de draden met was geisoleerd waren. De rupsen 
leefden van deze was. Aangeraden werd, rubber in plaats 
van was te gebruiken. Wat betreft Corcyra cephalonica St., 
vermeldt Spr., dat zij van rijstkorrels fraaie, prismatische 
cocons maakt. 

De heer Lcefmans geeft eenige aanvullingen in zake de 
levenswijze van Contarinia torquens de Meijere. 

Door Prof. Quanjer is reeds in 1907 aangetoond, dat 
deze Cecidomyide de veroorzaakster is van de z.g. draai- 
hartigheid in de kool. Door zijne bemiddeling is de soort 
ook beschreven en wel door Prof. de M e ij e r e, in het 
Tijdschrift onzer Viereeniging (1906), waarin men de be- 
schrijving, met anatomische details, kan aantreffen ; ook die 
van de larve. Quanjer heeft in het Tijdschrift over 
Plantenziekten van 1907 verschillende bijzonderheden om- 
trent deze soort medegedeeld. 

Er bleven hier echter hiaten. De eieren waren nog niet 
bekend, noch de poppen en de duur der verschillende stadia. 
Wel was het Quanjer reeds destijds door mededeelingen 
van de koolverbouwers bekend, dat er drie generaties zijn, 
wat men kon nagaan, door de op verschillende tijdstippen 
optredende aantastingen in het veld. 

Spithost en Schoevers hebben bijzonderheden 
over de onderhavige soort gepubliceerd in de Mededeelingen 
van den Plantenziektenkundigen Dienst. Spithost heeft 
o.a. getracht, het verband, vast te stellen tusschen het optreden 
der plaag en het weder, en gaf enkele losse bijzonderheden 
uit de levenswijze ; Schoevers behandelde de voedings- 
wijze der larve { 1 929 ) . 

In de buitenlandsche literatuur was van de biologie meer 
gepubliceerd, en wel in eene publicatie van Taylor (1912) 
en eene van Olombel (1931). Taylor gaf vrij wat bij- 
zonderheden, die hier te lande blijkbaar niet bekend zijn 
geweest, wat wel aan den aard der publicatie te wijten is 
(no. 82 van de University of Leeds and the Yorkshire Coun- 
cil for Agricultural Education)*). Taylor zoowel als 
Olombel ( Compositions de l'Académie d'agriculture de 
France 1931) geven bijzonderheden over den gang der gene- 
raties in Midden-Engeland en de omgeving van Parijs. 
Taylor geeft ook goede afbeeldingen van de muggen, 
eieren en cocons, aard der schade etc. 

Spr. heeft nu ook voor Holland de levenswijze goeddeels 
nagegaan en vond vele bijzonderheden dezer auteurs be- 
vestigd, doch vond ook hiaten en verschillen. Door genoem- 
de auteurs waren de vluchten der muggen nog niet bepaald. 



*) Spr. dankt die aan Prof. Dr. W. R o e p k e. 



XXXVI VERSLAG. 

Het aantal generaties per jaar werd afgeleid, door af te 
gaan op de aantastingen te velde. Met het oog op de be- 
strijding is het echter gewenscht, precies te weten, wanneer 
de muggen beginnen te vliegen. 

Spr. paste eene eenvoudige methode toe om de muggen- 
vlucht vast te stellen, t,w. vangbakken, waarvan hij eene af- 
beelding vertoont. 

Door dagelijksche waarnemingen kon aanvang en verloop 
'der vluchten nu worden bepaald en Spr. vertoont hiervan 
de curven, waarbij tevens de maximale temperaturen en de 
regenval zijn ingeschetst. 

Op deze wijze is het nu ieder jaar uitvoerbaar, de vluchten 
vast te stellen, en dit maakt het mogelijk, met de muggen- 
vlucht rekening te houden bij de planttijden en de bestrijding. 

Bij de sluitkool zal het volgend seizoen getracht worden, 
de eieren en larven te bereiken, vóórdat zich reeds eene gal 
heeft gevormd, wanneer de larven zeer moeilijk meer te be- 
reiken zijn. Bij de bloemkool is het uitzicht gekomen, zelfs 
veel te bereiken door eene kleine verlating van den plant- 
tijd van late bloemkool, welke verlating ook door de practijk 
mogelijk wordt geacht. 

Spr. vestigt nog, in verband met de biologie der muggen, 
de aandacht op eene bijzonderheid in de grafiek. Bij tem- 
peraturen onder de 18 à 20° C zijn de wijfjes weinig actief. 
Zij zitten dan soms dagenlang stil. Nu was de periode van 
6 Juli tot 8 Augustus dit jaar donker, koel en nat ; de tem- 
peraturen te St. Paneras bleven bijna steeds onder de 20° C. 
Spr, brengt dit in verban'd met het merkwaardige herstel der 
aangetaste kool, dat in de aangegeven periode waar te nemen 
viel. 

In gevangenschap leven de muggen vrij lang, doch er zijn 
aanwijzingen, dat dit buiten, tenzij de temperatuur laag is, 
niet het geval is. Twee weken was in gevangenschap al uit- 
zondering ; de meeste muggen leefden korter dan eene week. 

Het is moeilijk, de muggen in kleine ruimten in gevangen 
staat tot eileggen te brengen. Daarentegen is dat in het veld 
zeer gemakkelijk waar te nemen. 

Het eistadium bleek wat langer te kunnen duren dan in 
de literatuur wordt opgegeven, namelijk 3 — 5 dagen, een 
enkelen keer langer. Het aantal in gevangenschap afgelegde 
eieren bedroeg slechts 40, doch in de wijfjes werden 66 — 124 
ovariaaleieren gevonden. De eieren zijn zeer klein, 0,24 tot 
0.30 bij eene breedte van 0.07 mm. 

Spr. vond legsels van 4 tot 48 eieren, doch het aantal larven 
per plant kan nog grooter zijn, omdat herhaalde infecties van 
dezelfde plant kunnen plaats vinden. Zooals bij vele gal- 
vormers, is in zake de voedingswijze der larven nog niet alles 
bekend. 

Er zijn niet minder dan drie theoriën over. Q u a n j e r 



VERSLAG. XXXVII 

meent, dat de larven zuigen ; Schoevers twijfelt er niet 
aan, dat de larven het weefsel met de spatula sternalis be- 
schadigen en het uittredende sap opzuigen en de Fransche 
onderzoeker O 1 o m b e 1 neemt aan, dat de larven een prikkel 
op het weefsel der plant uitoefenen, waardoor vocht wordt 
afgescheiden, waarmede zij zich dan voeden. 

Spr. heeft ook eenigen tijd aan de voedingsquestie besteed. 
Het waarnemen is niet gemakkelijk, aangezien de oudere 
larven wegspringen en men de larven, eenmaal uit de gal 
gehaald, er moeilijk toe kan krijgen, op jong blad te blijven. 

Spr. heeft bij de jonge larven bewegingen gezien, die zeer 
sterk aan zuigbewegingen herinneren en wel op overigens 
onbeschadigd weefsel. Trouwens bevond hij, d a t d e j o n g e 
larven nog geene spatula sternalis bezit- 
ten en zij dus op andere wijze aan den kost 
moeten komen. Evenals O 1 o m b e 1 vond hij planten 
met gallen, zonder dat daarin de karakteristieke bescha- 
diging zichtbaar was. Opzettelijk toegebrachte bescha'diging 
bij jonge planten, op dezelfde plaats als waar men later de 
larven o.a. vindt, had, zonder aanwezigheid dezer larven, 
geene galvorming ten gevolge. 

Verder heeft Spr. herhaaldelijk gezien, dat om larfjes, die 
op een zeer jong blaadje waren geplaatst (van de vele daarop 
gebrachte bleven enkele zitten) vochtvorming plaats vond ; 
zij kwamen als het ware in een bad te liggen. Het valt moei- 
lijk aan te nemen, dat het vocht, dat men in de gallen zeer 
overvloedig aantreft, tenminste wanneer zij niet te oud en 
de larven nog aanwezig zijn, uitsluitend excretie is. Dan zou- 
den de larven in hunne eigene excrementen moeten leven ! 
Het is dus mogelijk, dat de larven ook zoowel door zuigen, 
als wel door een op het weefsel der plant uitgeoefenden prik- 
kel vocht uit de weefsels verkrijgen. De beschadiging, die 
men zeer veelvuldig in de draaiers vindt, varieert van fijne 
zwarte stipjes, stervormige en onregelmatige vlekjes en inge- 
zonken plekjes tot oppervlakkige of diepere wondjes. Een 
principieel verschil in den bouw der monddeelen bij jonge 
en oude larfjes heeft Spr. niet kunnen constateeren. Het 
eindstadium is een algemeen rot, maar dat is niet te ver- 
wonderen bij eene abnormale opsluiting van bladweefsel in 
eene met vocht gevulde ruimte, die zeker niet steriel is of 
blijft. 

Over het genoemde orgaan, de spatula sternalis, dat door 
Reaumur is ontdekt, loopen de meeningen zeer uiteen. 
K i e f f e r beschouwt het als eene verdikking van de cuticu- 
la. Het bevindt zich aan het eerste thoracale segment, ven- 
traal en is naar voren gericht ; een gedeelte steekt vrij uit. 
K i e f f e r schijnt te meenen. dat de spatula pas bij den 
laatsten vorm der Cecidomyiden-larven verschijnt, doch dat 
geldt voor C. torquens niet, want Spr. vond ze ook bij larven 



XXXVIII VERSLAG. 

van 7 dagen, maar niet bij pas uitgekomen, of twee dagen 
oude larfjes. Als functie wordt in de literatuur o.a. opgegeven 
die van schraper, blikopener (praeformatie van een kapje 
aan den cocon), voortbewegingsorgaan en springveer, t.w. bij 
het springen, dat Spr. alleen bij grootere larven waarnam. 

De duur van het larvale stadium was van 15 tot 24 dagen, 
waarvan ook een deel inactief in den cocon wordt doorge- 
bracht. Zij verpoppen in den grond, in een met gronddeeltjes 
bekleeden, doorschijnenden cocon, die door deze bekleeding 
in het veM practisch niet te vinden is. 

In den zomer nam Spr. een generatieduur waar, bij onder 
natuurlijke omstandigheden gekweekte dieren, van 26 tot 35 
dagen. De wintergeneratie kan maximaal van September tot 
Juni in den grond blijven. 

De cocons werden in het veld in diepere lagen gevonden, 
dan in de literatuur opgegeven wordt. 

De larven vertoonden tegen sommige insectici'den een ver- 
rassend weerstandsvermogen. Ook kan men ze zeer lang in 
water ondergedompeld houden. Na eene maand onder- 
dompeling in water leefden van de 11 nog 9 en 
leverden 7 eene mug. 

Daarentegen zijn zij slecht tegen droogte bestand. 

De muggen zijn gevoelig voor Derris en Pyrethrum, 
zoodat zij hiermede mogelijk bestreden kunnen worden. N u 
wij kunnen bepalen, wanneer de vluchten 
beginnen, is deze bestrijding wellicht mo- 
ge 1 ij k. 

Over de bestrijding en wat daarmede in verband staat 
zou nog heel wat te zeggen zijn, doch dat neemt hier teveel 
tijd in beslag, en is ook beter elders op zijne plaats, zoodat 
Spr. met deze bijzonderheden volstaat. 

Op eene vraag van den heer G e ij s k e s, of er geene 
maatregelen genomen kunnen wofden in de plantbakken, 
antwoordt de inleider, dat de kool in nog gesloten bakken 
in het voorjaar juist vrij blijft. Slechts zelden wordt in die 
bakken de kool aangetast. De reden waarom is niet duidelijk. 
Mogelijk staat dit in verband met den afkeer van de muggen, 
om in kleine, afgesloten ruimten eieren te leggen. Dit punt 
moet nog nader worden nagegaan. 

De heer Barendrecht doet zijne 3e Mededeeling over Fun- 
givoridae : 

In de laatste maanden van 1936 voltooide Spr. de bewerking 
van het Fungivoridenmateriaal in de collectie van het Zoölo- 
gisch Museum te Amsterdam, waarover hij op de vorige 
wintervergadering en op de zomervergadering reeds eenige 
mededeelingen deed. Sedert dien werd voornamelijk het reeds 
voorloopig gedetermineerde materiaal uit de collectie van 
Prof. de Me ij ere gerevideerd. Waar deze determinaties 



VERSLAG. XXXIX 

reeds lang geleden, en met gebrekkige hulpmiddelen waren 
verricht, is het niet te verwonderen, dat ook hieronder menige 
nieuwe soort voor de fauna werd gevonden. 

In totaal werden 5 soorten gevonden, die waarschijnlijk 
geheel nieuw zijn, behoorende tot de genera Leia, Allodia, 
Polyxena en Zygomyia. Het aantal soorten, nieuw voor de 
fauna, bedraagt thans 53, waar echter tegenover staat, dat 
enkele uit de lijst zullen moeten worden geschrapt. Onder 
de soorten, die nieuw zijn voor de fauna behoort merkwaar- 
digerwijze ook eene soort, Sceptonia costata v. d. W., die 
in 1859 beschreven werd naar een ? van Driebergen. Het 
is over deze en nog eenige andere, bij deze gelegenheid weer 
terechtgebrachte, soorten van van der W u 1 p, dat Spr. 
enkele mededeelingen wil doen. 

In de eerste plaats vond Spr. een Rhymosia $ , afkomstig 
uit de collectie van der Wulp onder den naam Rhymo- 
sia signatipes v. d. W. Het vindplaatsetiket vermeldt slechts : 
Sterk, b., hetgeen wil zeggen, dat het dier te Driebergen is 
gevangen op het landgoed Sterkenburg, waarschijnlijk door 
S i X. En aangezien de soort beschreven is naar een $ van 
Driebergen, in October gevangen door S i x, hebben wij 
hier wel zeer waarschijnlijk met de type te doen. Evenals 
van de andere soorten van van der W u 1 p, heeft Spr. 
van dit exemplaar het hypopygium gepraepareerd en verge- 
leken met de bestaande afbeeldingen. Bij het vergelijken met 
de figuren in Dziedzicki's jR/iymosfa-monografie van 
1909 kwam Spr. echter tot de onaangename ontdekking, 
dat het hypopygium van de type niet overeenstemt met het- 
geen daar staat afgebeeld als signatipes v. d. W., doch met 
truncata Winn. Daar de naam signatipes ettelijke jaren ouder 
is, zal de naam truncata Winn. dus plaats moeten maken 
voor signatipes v. d. W.. Wij kunnen dat te geruster doen 
daar wij weten, dat D z i e d z i c k i zich ten aanzien van 
truncata Winn. niet vergist kan hebben. Hij vermeldt nl. 
uitdrukkelijk, dat hij hiervan de type in handen heeft gehad, 
eri daarnaar zijne afbeelding heeft gemaakt. Landrock 
heeft zich in dit opzicht bij D z i e d z i c k i aangesloten, 
zoodat de signatipes van zijne monografie ook eene andere 
is dan die van van der W u 1 p, welke laatste ook daar 
met den naam truncata prijkt. Voor signatipes auct., nee 
V. d. W. moet dus nog een andere naam gevonden worden. 

Een iets ander geval is dat van Phronia nitidiventris v. d. 
W. en vitiosa Winn. In de literatuur wordt meestal de laat- 
ste naam gebruikt, hoewel Edwards en Landrock 
reeds twijfel uiten, of dit wel juist is. In de collectie d e 
M e ij e r e bevindt zich een $ , afkomstig uit de collectie 
van der W u 1 p, onder den naam nitidiventris v. d. W. ; 
het vindplaatsetiket vermeldt, alweer in telegramstijl, H. 5/5. 
Dat wil zeggen : den Haag, 5 Mei, terwijl, naar Prof. d e 



XL VERSLAG. 

M e ij e r e Spr. verzekerde, uit de afkorting H. in plaats 
van 's Gr. besloten kan worden, dat de vangst reeds uit den 
eersten tijd van van der Wulp's werkzaamheid afkomstig is. 
Wij vinden in een en ander dan ook voldoenden grond, om 
dit exemplaar tot type van de in 1859 beschreven soort niti- 
diventris te verklaren. En aangezien het zeer kenmerkende 
hypopygium precies overeenstemt met de afbeelding, die 
Dziedzicki in zijn Atlas naar W i n n e r t z' type van 
vitiosa maakte, kunnen wij dezen, jongeren, naam laten ver- 
vallen voor nitidiventris v. d. W. 

Ten slotte nog de opmerking, dat de soort, die' W i n- 
nertz en Dziedzicki nitidiventris noemden, eene 
geheel andere is, waarvoor in 1924 door Edwards de 
naam praecox is ingevoerd. 

Vervolgens is er nog het reeds boven vermelde geval van 
Sceptonia costata v. d. W. Deze soort werd eveneens in 1859 
beschreven naar een ? van Driebergen. Als voornaamste 
verschil met nigra Meig. werd toen de lichtere kleur van het 
abdomen opgegeven. In de Diptera Neerlandica komt deze 
soort echter niet meer voor, daar van der W u 1 p op 
gezag van W i n n e r t z aannam, dat het slechts eene kleur- 
variëteit van nigra Meig. betrof. Dientengevolge komt deze, 
naar een Nederlandsch exemplaar beschreven, soort in de 
naamlijst van Nederlandsche Diptera niet meer voor ! Want 
dat het wel degelijk eene goede soort is, toonde Edwards 
in 1924 aan ; hij vond nl., naast de kleurkenmerken ook ver- 
schillen met nigra Meig. in den bouw van het hypopygium. 
Spr. vond in de collectie de M e ij e r e, behalve de type 
van van der W u 1 p, nog eenige later verzamelde exem- 
plaren van deze soort, 'die dus weer eene verzekerde plaats 
in onze fauna heeft verworven. 

Tot slot nog iets over eene dergelijke verwarring in het 
genus Exechia, als waarover Spr. verleden jaar reeds eene 
mededeeling deed. 

Het betreft Exechia parva Lundst. Reeds in 1924 maakte 
Edwards eene opmerking over de merkwaardige varia- 
biliteit dezer soort, welke zich uiten zou in bepaalde karakte- 
ristieke uitsteeksels van het hypopygium. Merkwaardigerwijze 
gaat Landrock in zijne monografie niet op deze questie 
in. Hij geeft echter eene afbeelding, die slechts zeer geringe 
overeenkomst vertoont met Lundstroem's oorspronke- 
lijke figuren. Nu zou men, indien men slechts over één der 
beide vormen beschikte, er misschien toe kunnen komen, alleen 
op de genoemde uitsteeksels te letten, die nergens anders 
in het geslacht Exechia voorkomen, en het verschil te ver- 
waarloozen. Spr. vond echter in de collectie de M e ij e r e 
2 S $ , die zeker tot de echte parva Lundst. behooren, en 
5 $ S , die veel gelijken op de door Landrock afgebeelde 
soort. Tevens bleek nu, dat het verschil nog veel grooter is 



VERSLAG. XLI 

dan uit de teekeningen kon worden opgemaakt, zoodat wij 
hier zeker met twee soorten te doen hebben, waarvan dan 
één de echte E. parva Lundst. is. E. parva Landr., nee Lundst. 
zou dus van een nieuwen naam moeten worden voorzien. Nu 
vestigde echter Edwards er Spr.'s aandacht op, dat 
Johannsen in 1912 twee Exechia-sóorten uit Amerika 
beschreven heeft, onder de namen capillata en repanda, die 
misschien identiek zouden zijn met onze beide soorten. In 
dat geval zou voor onze soort de naam parva Lundst. toch 
behouden blijven, omdat deze ouder is, maar voor parva 
Lan'dr. zouden wij dan den naam repanda Joh. kunnen ge- 
bruiken. Uit de figuren van Johannsen viel echter met 
zekerheid niets op te maken, weshalve Spr. afbeeldingen van 
beide hypopygia aan genoemden onderzoeker ter beoordee- 
ling toezond. Hij berichtte aan Spr., dat inderdaad de af- 
beelding van het hypopygium van parva Landr. voor die van 
repanda Joh. kon doorgaan. Voorloopig zullen wij den laat- 
sten naam dus ook maar voor de Europeesche soort gebruiken. 

M. Stärcke présente une Observation sur 1' ori- 
gine d'une colonie de Myrmica;^) 

Je me propose de consacrer ma communication d' aujourd'hui 
à une observation, très simple d' ailleurs, mais dont 1' intérêt 
général mérite une mention spéciale. 

Il s' agit d' un "missing link", d' un lien manquant, non 
pas, cette fois-ci, de quelque animal récent ou fossil, remplis- 
sant un hiatus dans une série représentant quelque évolution 
hypothétique, mais d' une façon de fondation d' une four- 
milière par des femelles nouvellement fécondées, qui remplit 
une lacune dans notre connaissance sur 1' origine des moeurs 
sociaux des fourmis et de 1' origine de la caste ouvrière. 

Le plus grand des myrmécologues vivants, W i 1 1 i a m 
Morton Wheeler a découvert un autre "lien man- 
quant" de cette nature pendant son voyage de 1931 — 1932 
dans la Nouvelle Hollande (Harvard zoological expedition 
to Australia) où 1' on trouve tant d' autres "missing links", 
des êtres d' une constitution primitive sous quelque aspect, 
extincts ailleurs. M. le prof. Wheeler a jugé sa décou- 
verte assez intéressante pour consacrer tout un volume à elle 
seule ( Colonyfounding among ants, Harvard Un. Press 
1933), dans lequel il fait passer en révision tous les faits 
connus sur la fondation des sociétés d' insectes. 

On sait que, chez les fourmis supérieures, la femelle fé- 
condée, destinée à fonder une fourmilière de la façon indé- 
pendante, se défait de ses ailes, se fabrique quelque cellule, 
s'y installe et y hiberne ; dès le commencement de la belle 



^) Ter vergadering werd van deze mededeeling een résumé voorge- 
dragen. 



XLII VERSLAG. 

saison, restée dans la même cellule, ou bien ayant quitté son 
hibernaculum et creusé une autre cellule (Eidmann 1931: 
Lasius flavus De G. et niger L., Formica fusca auct.) elle se 
met à pondre et à élever les larves, sans autre ressource que les 
substances nutritives contenues dans ses propres tissus, et 
spécialement ses cellules de graisse et ses muscles thoracaux 
destinés à mettre en mouvement ses ailes et devenus super- 
flus. Elle ne fourrage pas pendant une année ou encore plus 
(J' ai eu une femelle de Formica fusca L., qui a vécu pen- 
dant un an et 5 mois sans autre nourriture que ses propres 
oeufs et peut-être quelques sels et protozoaires présents dans 
la cuillerée de terre sablonneuse qui se trouvait dans sa 
cage). 

Dans 1' été, quelques microergates, ouvrières de taille mini- 
male, sont écloses et ce sont celles-ci, généralement environ 
6 — 12, qui vont fourrager. Voilà donc la fourmilière établie 
de la façon claustrale comme 1' appelle W heeler. Les fe- 
melles agissant de cette façon sont beaucoup plus grandes 
que les ouvrières et en particulier leur gaster est relativement 
considérable. 

En comparant ce mode de propagation avec celui des in- 
sectes non-sociaux, dont la femelle pond des oeufs et les 
quitte aussitôt, laissant aux larves la tâche de se nourrir et 
de se défendre elles-mêmes, ou bien élève et protège les larves 
écloses pendant quelque temps en s' en allant fourrager pour 
elles, comme le font par exemple les Bembex et certaines 
Ammophila parmi les Sphégides, ou bien approvisionne la 
cellule avec du pollen et du miel ou avec des insectes vivants 
ou morts avant de prendre congé, comme le font la majorité 
des Sphégides, les Pompilides, les Apides, et quand on y 
compte aussi celles qui soignent la larve avant sa naissance 
en déposant 1' oeuf dans un insecte vivant et non en prison, 
les Térébrants etc., il est clair que la méthode claustrale ne 
peut être qu' un terme final d' une série, atteint à la suite 
d' une longue évolution et sujette elle-même à des modifica- 
tions régressives qui mènent au socio-parasitisme initial ou 
définitif. 

Dans les Vespoides plusieurs membres de la série sont 
connus. 

Point de départ est le "plan d' action" (behaviour-pattern) 
des Térébrants : 

Type A. La mère pique la proie jusqu' à 1' immobilité, pond 
son oeuf et part. (Toutes les Vespoides infé- 
rieures ) . 

Type B. La proie est transportée. 

a. Vers une cativé préformée (quelques Bethyli- 

dae, Scoliidae et Psammocharidae) . 
h. vers une cavité faite ad hoc (Vespides soli- 
taires à 1' exception des Masaridinae et Psam- 
mocharidae). 



VERSLAG. XLIII 

Type C. La femelle survit à 1' éclosion des larves et les 
nourrit (Espèces de Synagris, Eumenes, Ody ne- 
rus, Zethus, Bembex et Ammophila). 

Type D. (Etape subsociale) La mère et son élevage for- 
ment une famille (société embryonale). La fe- 
melle survit à r éclosion des imagines. 

L' étape subsociale est atteinte en évoluant du Zethus 
cyanopterus Sauss., avec les moeurs d' une Sphégide quoique 
les chenilles qu' elle donne aux larves soient malaxées, au 
Zethusculus lobulatus Sauss., chez lequel, selon Ducke, 
plusieurs femelles font des cellules étroitement ensemble et 
unies plus tard par des cellules entrejointes. Une partie de 
la nouvelle génération reste dans le nid que les jeunes fe- 
melles agrandissent encore. 

Une étape plus élevée est atteinte par les Stenogastrines, 
dont selon W heeler la femelle agit probablement comme 
c' est décrit pour Odynerus tropicalis Sauss. par R o u b a u d : 
la femelle fécondée élève plusieurs larves à la fois et le nid 
est habité par plusieurs femelles, dont chacune n' élève que 
sa propre progéniture. 

J' ai observé une étape analogue chez la Sphégide Ctabto 
{Coelocrabro) leucostoma L. à Beek près de Nymègue où 
quelques femelles habitaient un et le même trou dans un 
vieux prunier, où elles apportaient leurs proies, de petits 
Diptères verts. 

Plus évolué encore est le mode de nidification chez les 
Polybiinae. Chez Polybia on trouve dans le nid un grand 
nombre de femelles, fécondées et non-fecondées, mais il n' est 
pas certain qu' il existe des ouvrières. La colonie émet des 
essaims d' une ou deux douzaines de femelles. 

Chez Belonogastet le nid est commencé par une femelle, 
plus tard plusieurs travaillent ensemble à la construction 
et à 1' élevage. Les femelles immatures de la nouvelle géné- 
ration fonctionnent comme des nourrices, mais il n' existe 
pas de caste ouvrière. 

Encore plus haute se trouve 1' organisation sociale chez 
les Ropalidiinae, Il existe de la pléométrose et des femelles 
un peu plus petites, quoique en petit nombre, comparées aux 
femelles de dimension normale. 

Enfin chez les Polistinae et chez les Vespinae V organisation 
est très spécialisée. Chez quelques Polistes les femelles hiber- 
nent ; au printemps plusieurs d' entre elles se joignent pour 
construire le nid ensemble. Selon R a u cette pléométrose 
des Polistes septentrionaux prend son origine dans 1' essai- 
mage des Polistes tropicaux. Chez Polistes canadensis (L.) 
Sauss. et versicolor (Oliv.) Sauss. Wheeler découvrit à 
Panama, que la colonie qui devient trop grande, ou subit des 
catastrophes, émet un essaim qui se sépare en plusieurs par- 
ties dont chacune devient le point de départ d' une nouvelle 
colonie. 



XLIV VERSLAG. 

Dans les Vespines on trouve des formes de femelles plus 
petites et stériles ou substériles (ouvrières) à côté de transi- 
tions. Seulement chez Vespula squamosa Drury il existe une 
caste ouvrière nettement distinguée des reines, comme c' est 
le cas chez beaucoup de Formicides. 

Passant à celles-là, on n'y trouvait — avant les découver- 
tes récentes de Bondroit (1932) et de Wheeler 
(1931, publiée 1932) - — que des étapes supérieures à la plus 
haute étape chez les Vespines, celle de la Vespula squamosa 
Drury, évoluées plus loin dans la même direction ou bien 
dans de différentes directions, régressives quant à leur point 
de départ, plus spécialisées sous d' autres aspects. 

W heeler observait en 1931, principalement dans West- 
Australia, que les femelles des Myrmecia, Ponérines très pri- 
mitives, et qu' il considère même comme les fourmis les plus 
primitives du monde, très proches des Prionomyrmex de 1' 
Oligocène inférieur, établissent la nouvelle colonie d' une 
manière apparentée à 1' étape des Vespines. La femelle four- 
rage pour elle-même et pour les larves pendant 1' élevage. 
Elle n' a pas encore la capacité de jeûne que possèdent les 
fourmis plus évoluées. Pareille observation est faite par 
Bondroit (Ann. Soc. Roy. Zool. Belg. 62-1932 - p. 
13 — 24) sur Portera coarctata Latr.. Probablement ce mode 
de propagation est suivi par la plupart des Ponérines (selon 
W heeler). 

W heeler a aussi observé un second mode, inférieur au 
type claustral des fourmis supérieures, mais plus élevé que 
le type intermittento-claustral des Myrmecia. Chez Amblyo- 
pone il existe de la pléométrose primaire, plusieurs femelles 
coopèrent à la fondation d' une nouvelle colonie ; les femelles 
vont fourrager comme Myrmecia. 

Le fait observé par moi vient après le type Amblyopone 
et représente une étape encore plus élevée et où, ce qui est 
le plus intéressant, est introduit 1' embryo d' une 
caste ouvrière. Il s* agit de la coopération de deux 
femelles fécondées et d'une femelle non-fécondée, laquelle s'en 
va fourrager pour les autres. 

Je fais suivre 1' observation. 

Observation. 

Le 17-IX-1933 il y eut dans mon jardin à Den Dolder un 
vol nuptial de Myrmica sabuleti Meinert, var. scabrinodo- 
lobicornis (Forel) Santschi. 

Je pris 2 î 9 dealatae et une $ qui ne s' était pas défaite 
de ses ailes et par conséquent n' était pas fécondée. Je les 
mis ensemble dans un nid en verre à deux chambres, 1' une 
(A) humide, obscurcie et chaude, 1' autre (B) sèche, éclaircie 
et moins chaude pendant 1' hiver. 

Le 8.x. les deux désailées se trouvent ensemble dans B, 
1' autre dans A ; le 19.X. une désailée se tient immobile dans 



VERSLAG. XLV 

le tube qui lie A à B, une autre dans A, la troisième est in- 
visible. 

Le 3. XI. toutes les trois sont ensemble dans le tube, la 
troisième est aussi désailée maintenant. 

Le 17-XI, on compte 4 oeufs (1 mesurant 0.59 X 0.36 mm, 
un autre long de 0.65 mm). 

Le 17-11-1934 avec la chambre chaude (À) à 80 — 84 
degrés F. pendant le jour, à 58 — 62 degrés F. pendant la 
nuit, les trois femelles ont bloqué le tube par un cylindre en 
tourbe de 13/2 '^^- H Y ^ environ 26 oeufs. 

Le 21-V. on trouve les trois femelles ensemble dans une 
petite cellule creusée dans un coin sous la tourbe et fermée 
avec des fragments détachés. Il y a un petit tas de 19 oeufs, 
et larves nouveau-nées, couvert des têtes des trois femelles, 
rangées en rayon. 

Le 28-VII. une femelle se trouve dans B, les deux autres 
auprès du paquet de petites larves (environ 25) dans A. 

Le 25-VIII. idem, mais les larves sont plus grandes et le 
paquet plus considérable. 

Le 21-1-1935 il y a des oeufs et des larves, une femelle a 
pris domicile dans le tube, mais se retire lorsqu' on découvre 
le nid. 

Dans r été la température du nid étant abaissée à 55 — 68 
degrés F., les femelles ont mangé toute la progéniture, de 
sorte que le 2-IX-1935 il n' y a plus d' oeufs ni de larves, 
quoique la nourriture ait été assez abondante, et qu' elle se 
composait de viande et de sucre dans A. 

Le 17-XII-'35, depuis deux mois chauffées au régime d' 
hiver, les deux femelles fécondées se sont établies dans le 
tube dont elles ont séparé la moitié la plus humide par des 
tampons en tourbe. Il y a un petit plateau en tourbe bâti dans 
la portion verticale du tube. 

Le tampon dans le milieu du tube est perforé en guise de 
sortie. 

La femelle non fécondée, reconnaissable à un petit frag- 
ment d' aile et à son gaster moins volumineux, se trouve dans 
B. Il n' y a pas d' oeufs visibles. 

Le 7-1-1936 il y a de nouveau un paquet de 8 oeufs dans 
le tube.La No 3 est dans la chambre sèche de 1' appareil (B). 
Il paraît qu' elle fourrage pour la famille ; pour mettre cela en 
évidence on donne à h 45 dans la nuit trois moustiques 
demi-morts dans B. La fourrageuse accourt après 15 secon- 
des, en saisit un et cherche 1' allumette qui représente 1' es- 
calier pour monter dans le tube. Elle fait pendant dix minutes 
des mouvements "Turner", le moustique dans la bouche. 
Après, elle dépose le moustique et reprend la recherche. 

A 1 heure elle trouve les deux autres moustiques, mais les 
quitte après les avoir soigneusement renifles. Trois minutes 
plus tard elle trouve 1' allumette, cherche en vain son mousti- 



XLVI VERSLAG. 

que pen'dant 4 secondes, se rend alors résolument au mousti- 
que No 2, trouve après une courte recherche le tube, mais 
n' y entre pas, et continue sa recherche. Après une minute 
elle dépose le moustique, cherche rapidement 1' allumette, 
reprend le moustique et le dépose près de 1' allumette, monte 
quelques pas sur celle-là, se retourne et monte à reculons le 
moustique. 

1 h. 05 elle le traîne en toute hâte à travers le tube vers 
les deux autres femelles qui le reçoivent avec des signes d' 
émotion positive. 

Elle échange des communications d' antenne avec une des 
fécondées et s' en va hâtivement pour aller chercher le mousti- 
que No 3 (elle n' a pas encore retrouvé le No 1). Une des 
fécondées 1' accompagne jusqu' au tube, mais retourne. 

La fourrageuse a plus de peine à retrouver 1' allumette avec 
le moustique No. 3. Cela évoque 1' image d' un Pompilus ; ce 
n' est qu' à 1 h. 10 qu' elle 1' a dans le tube, par perte de 
mémoire ce n' est qu' à 1 h. 15 qu' elle le traîne au "nid ". 
Elle sort aussitôt de nouveau et cherche sans hésitation le 
No 1, avec lequel elle trouve immédiatement 1' allumette 
mais ne voit pas de possibilité de le monter avant qu' elle 
1' a déposé plusieurs fois pour reconnaître 1' allumette. Le 
moustique No 3 n' est pas transporté jusqu' aux deux autres 
femelles ; il est déposé derrière la porte, le tampon au 
milieu du tube. La femelle No 2 s' y rend, ensuite la No 3. 
Cette dernière (fécondée) sort du "nid", va reconnaître le 
tube jusqu' au bout, se retourne et rentre. 

La fourrageuse s' en va de nouveau à la recherche dans B, 
où on a déposé sur ces entrefaites le moustique No 4, qu' 
elle trouve et qu' elle porte au nid. A 1 h. 40 elle est dedans. 

Le 7-1-1936 toutes les trois femelles dans le nid. 

Le 8-1 on met de nouveau un moustique dans B. Le lO-I 
celui-là est aussi cherché, mais déposé au dehors du tampon. 
Il y a 8 oeufs. (L' observation est répétée encore quelques 
fois ) . 

Le 3-II, par un bouchon détaché, la femelle au gaster petit, 
la fourrageuse, s' est échappée. Pour enseigner les autres on 
dépose un moustique dans le tube à 3 cm en dehors du 
tampon. Après une minute et demie il est emporté déjà. 
Un second moustique, déposé dans B, n' est emporté qu' 
après 2 heures et demie et il est laissé en dehors du tam- 
pon tandis que le premier est traîné en dedans où les fe- 
melles s' y régalent déjà. 

Le 28-II-'36 à 11 h. du soir un moustique est donné entre 
bouchon et tube dans B. A h. 15 il n' est pas encore 
emporté, mais le matin suivant on constate qu' il est dans 
le "nid ". Il y a 23 oeufs et quelques jeunes larves entassées, 
auprès desquelles les deux femelles se tiennent. 

Le 3-III à 9 h. 32 au soir on donne 3 moustiques dans B, 



VERSLAG. XLVII 

dont 1 presque mort et deux capables de marcher et de voler. 
A 9 h. 55 tout est tranquille, une femelle près de la porte 
du "nid", r autre près du paquet d' oeufs. 

Le 4-III à h. 37 tout q. a. Seulement vers les 2 h. 30 un 
moustique a été emporté au nid, les deux femelles sont in- 
visibles, le paquet d' oeufs restant seul. 

Le 6-III à h. 10 (22 heures après) aussi le moustique 
No. 2 (vivant) a été tué et emporté dans le ,,nid". 

Le 8-III on donne un moustique dans B à 2 hrs. de 1' après- 
midi ; à 11 hrs. du soir il est encore là. Le 9-III dans 1' 
après-midi on constate sa disparition et sa présence dans le 
"nid". 

Le 14-III idem (même résultat). 

Le 17-lIL Moustique dans B, qui est encore là le 30-in. 
Les deux femelles sont dans le nid près du paquet d' oeufs, 
qu' elles ont déposé sur un petit plateau en tourbe qu' elles 
ont bâti dans le genou du tube conduisant vers A. Une femelle 
se trouve sur le plateau, 1' autre en dessous. \y^ cm plus 
bas elles ont bâti un second plateau. Dans 1' espoir d' attirer 
leur attention on donne une goutte de miel dilué près du 
moustique déséché. 

Le 30-IV on constate la disparition des petites larves, il 
n' y en a que 15 oeufs. 

Le 15-V la $ No 2 se trouve morte dans B, le nombre 
des oeufs en est de 10. 

Le 22-V il n' y a plus qu' un seul oeuf, la $ restée seule ne 
cherche pas de moustiques ni de viande, même quand la proie 
est déposée devant la porte du "nid". 

Le 28-VI la femelle se trouve sur le plateau inférieur dans 
le genou du tube, on donne une 5 fusca déchirée devant 
la porte. 

Le 13-VII on constate que la femelle ne 1' a pas touchée, 
elle est presque morte dans le genou. Le 15-VII elle est 
morte à 1' âge- de 3 ans. 

La cause de mort est restée obscure. Après la disparition 
de la femelle non-fécondée la famille ne s' est plus redressée, 
en partie par 1' abaissement de la température pendant 1' été, 
laquelle est probablement responsable du cannibalisme, les 
femelles ayant de temps en temps besoin de manger des oeufs 
tandis que la production d' oeufs cessa dès 1' abaissement 
de la température. 

La position est donc ainsi : Deux des trois femelles vont 
fourrager, la troisième ne le fait pas, au moins dès qu' elle 
reste seule. Mais elles laissent cette tâche à la femelle non- 
fécondée si celle-ci est présente, parcequ' elle est plus mobile, 
ayant un gaster moins volumineux ; elle fourrage plus vive- 
ment que 1' autre. 

Mes expériences précédentes (Jaarverslag van de Willem 
Arntsz Stichting over 1930 p, 77 — 78) avec Lasius alienus 



XLVIII VERSLAG. 

Forst, ont eu pour résultat qu' il est probable que les femelles 
qui ne creusent pas de cellule, soit parce qu' elles trouvent 
quelque cavité, soit parce que 1' instinct y tend moins, pro- 
duisent en moyenne plus de progéniture (quoique moins 
protégée) dans un temps plus court. 

Il est clair que 1' établissement d'une nouvelle colonie de 
la manière décrite plus haut offre de grands avantages dans 
la même direction. La division de travail facilite la ponte 
des femelles fécondes et assure une avance à la jeune colonie, 
comparée avec ses contemporaines, issues d' une seule femelle. 

Une étape plus loin présenterait 1' augmentation du nombre 
des femelles non-fécondées et prenant part à la fondation ; 
et ensuite la production de femelles incomplètes ayant la 
même tâche, et voilà 1' ouvrière. 

Reste encore à envisager la question si cette observation, 
faite sous des conditions artificielles, permette des conclusions 
sur la conduite des Myrmica en liberté. 

Les colonies de Myrmica sont d' ordinaire pléométrotiques 
et le nombre des femelles fécondes peut dépasser les 50, au 
moins dans les M. scabrinodis Nyl., sabuleti Meinert et rugi- 
nodis Nyl. tandis que les deux colonies de M. schencki que 
j' ai prises en entier ne renfermaient qu' une seule reine 
chacune. Je crois que les espèces de Myrmica diffèrent entre 
elles aussi en ce qui concerne le mode de fondation des jeunes 
colonies. Beaucoup d' auteurs (de Forel 1873 jusqu' à 
Eid mann 1928) ont observé la fondation d' une colonie 
de Myrmica par une femelle isolée ; moi-même je n' ai jamais 
réussi à élever une colonie d' une Myrmica femelle. En tout 
cas il est certain que la pléométrose et a fortiori la combinaison 
avec une femelle non-fécondée n' est pas de rigueur. A mon 
avis cela ne diminue pas 1' importance de 1' observation. Les 
circonstances qui ont mené à la fondation coopérative dans 
mon appareil se trouvent aussi dans la nature et sa provenance 
est probable, vu la grande quantité de reines dans la plupart 
des colonies de Myrmica ruginodis et sabuleti et 1' immense 
population de sexués dans les essaims. 

Dans les M. laevinodis Nyl. et ruginodis Nyl. reines, le 
gaster me semble encore un peu plus volumineux que chez 
les Myrmica du groupe scabrinodis, les ouvrières microergates 
de ces espèces peuvent également être plus petites que chez 
les sabuleti es. 

Je crois que les M, laevinodis et ruginodis tendent plus 
vers la fondation hoplométrotique, tandis que cette tendance 
est un peu plus petite chez les espèces du groupe scabrinodis. 
L' observation dans la nature décidera, mais on ne voit que 
ce qu' on s' attend à voir et c' est pourquoi je croyais utile 
d' en signaler la possibilité. 

Vervolgens geeft de heer Stärcke nog een glasnest rond, 



VERSLAG. XLIX 

waarin eene kleine sociaalchimaere van Strongylognathus ? 
en 2 g met Tetramorium 9 en ö ö gevonden te Den Dol- 
der, de onderstelling bevestigend van W a s m a n n dat 
hier de beide koninginnen co-existeeren. 

De heer Doctcrs van Leeuwen deelt mede, dat door hem 
in het jaar 1936 meer dan 50 voor de Nederlandsche fauna 
nieuwe gallen zijn bijeengebracht. Daaronder zijn er ook 
enkele gevormd door insecten, op het gewone riet : Phrag- 
mites communis Trin. Bekend waren : 1. de gewone sigaargal, 
veroorzaakt door Lipara lucens Meig., 2. eene kleinere, der- 
gelijke gal, veroorzaakt door Lipara tufitarsis H. Lw. en 3. 
eene gal, verborgen in de holte van den halm, gevormd door 
eene galmug : Giraudiella inclusa Frfld. 

In Eibergen en Leersum vond Spr. de volgende nieuwe 
gallen : 4. eene stengelgal, gelijkend op die, gevormd door 
Lipara rufitarsis, maar nog fijner, slanker en met normaal 
ontwikkelde bladschijven. Deze wordt veroorzaakt door Li- 
para similis Schin., 5. eene groote, lange gal, die ontstaat uit 
een zijstengel van de rietplant. Deze zijstengel wordt onder 
invloed van eene galmug aanzienlijk langer en dikker en de 
bladschijven ontwikkelen zich slechts weinig. In de holte van 
den stengel bevindt zich eene zwarte, korrelige massa, waarin 
een groot aantal roodachtige larven leven van Thomasiella 
arundinis Schin. 

In Leersum vond Spr. bovendien nog : 6. eene vliegengal, die 
veel gelijkt op die van Lipara lucens en waarschijnlijk daar- 
mede verward is. Zij is echter niet symmetrisch spoelvormig, 
maar onregelmatig, aan een kant uitpuilend. Bij de gal van 
Lipara lucens leeft de larve eerst boven het vegetatiepunt en 
ondertusschen verandert daaronder de stengel, en als de 
eigenlijke gal met voedingsweefsel en versterkende weefsels 
is gevormd, dan vreet de larve een gat in het vegetatiepunt, 
en baant zich een weg door het merg. Bij de nieuwe gal leeft 
de larve (vaak komen twee vliegenlarven in de gal voor) 
boven het vegetatiepunt, en de jonge bladeren groeien on- 
regelmatig en vormen daardoor eene uitpuiling. De larve leeft 
tusschen deze bladeren en vreet daarvan, evenals van het 
vegetatiepunt. De stengel onder dit punt blijft, evenals de 
normale stengel, hol met tusschenschotten, die bij de Lipara 
/ucens-gal ontbreken. Spr. hoopt, den galvormer in dit voor- 
jaar te kunnen kweeken. 

Materiaal van de gallen wordt rondgegeven. 

Daarna overhandigt Spr. aan den secretaris enkele brief- 
kaarten en een brief van den bekenden Oostenrijkschen 
entomoloog Gustav Mayr, ter opname in het archief. 

De President wijst op de wenschelijkheid, ook larven- 
materiaal van den onbekenden galvormer voor onder- 
zoek te bewaren. 



L VERSLAG. 

De heer Fransen deelt een en ander mede omtrent zijne 
waarnemingen betreffende de levensge- 
woonten van twee inheemsche Eriophyi- 
d a e. 

Spr. wijst er op, dat in het algemeen de biologie van de 
zgn. galmijten nog slecht bekend is. Systematisch is deze 
groep, die zeer rijk is aan soorten, variëteiten en biologische 
rassen, die onderling slechts kleine verschillen vertoonen, goed 
bestudeerd door 'den eminenten onderzoeker N a 1 e p a. 
Daarom verbaast het te meer, dat — daar het hier eene groep 
mijten betreft van groote economische beteekenis — nog zoo 
weinig biologisch werk is verricht, en, om een voorbeeld te 
noemen, niet eens met zekerheid vaststaat, hoe en waar de 
galmijt E. rihis (Westw. ) Nal., die de ronde knoppen bij 
Ribes alpinum L,, R, rubrum L. en in sterke mate bij R. nigrum 
( zie N a 1 e p a : Neuer Katalog der bisher beschriebenen 
Gallmilben, ihrer Gallen und Wirtspflanzen. Estratto da 
Marcellia ; Rivista intemazionale di Cecidologia ; Bd. XXV ; 
1928. Portici) veroorzaakt, den zomer doorbrengt. 

In 1935 werd de aandacht van Spr, getrokken door Erio- 
phyes pivi var. sorbi (Can.) Nal. (= variola Nah), die gallen 
veroorzaakt op het bladoppervlak van de lijsterbes, Sorbus 
aucuparia L., welke op koffieboonen gelijken. Aanvankelijk 
nam hij waar, dat bij een boom, die in den tuin van het Lab. 
voor Entomologie te Wageningen stond, slechts enkele bladen 
met gallen waren bezet, doch in den loop van den zomer nam 
dit aantal aanmerkelijk toe, zoodat hij besloot, E. pivi eens 
nader te bestudeeren. 

Spoe'dig bleek hem, dat bij oudere gallen uit de aan den 
top gelegen kleine ronde opening doorloopend volwassen 
galmijten te voorschijn komen, die over het blad gaan rond- 
zwerven. Den geheelen zomer werden zulke geopende gallen 
aangetroffen, waaruit honderden mijten te voorschijn kwamen. 

De mijten, die anders zoo lichtschuw zijn, kwamen juist 
op warme, droge en zonnige dagen te voorschijn. Zij waren 
dan uiterst actief, liepen snel en begaven zich naar de blad- 
randen. Daar hechtten zij zich met behulp van de anale 
(= caudale) lobben vast, strekten het lichaam en deden 
aldus aan eene spanrups denken. Met hunne vier pootjes 
voerden zij eene krabbende beweging uit, alsof zij zich ergens 
aan wilden vastgrijpen, en, zooals Spr. waarnam, deden 
zij dit ook grif aan elk voorwerp, dat langs de bladen werd 
bewogen. Zij grepen dit onmiddellijk vast en op het zelfde 
oogenblik maakten zij de anale lob vrij. Bleef zulk een voor- 
werp langen tijd uit, dan kromden zij zich weer, pakten met 
de pootjes het blad en liepen op hunne eigenaardige manier 
verder. Op eene enkele bladslip konden op geringen afstand 
van elkaar soms vele van zulke ,, opzittende" mijten worden 
aangetroffen, en langs den rand van het geheele blad moeten 



VERSLAG. LI 

er duizenden aanwezig zijn geweest. Ook op de bladnerven 
en emergentia namen zij deze houding aan. 

Spr. maakte Prof. R o e p k e op dit gedrag van de mijten 
attent, en deze opperde het vermoeden, dat een en ander 
weHicht verband zou houden met de paring, doch, hoewel 
Spr. waarnemingen verrichtte onder omstandigheden, die 
— wat betreft temperatuur, luchtvochtigheid en belichting — 
sterk uiteen liepen, heeft hij zulks nooit kunnen constateeren ; 
hem lijkt het algemeen uitgesproken vermoeden, dat deze 
dieren binnen de gallen zouden paren, waarschijnlijker. Voor 
inteelt behoeft men niet bang te zijn ; niet alleen kan in elke 
gal eene genetisch zeer uiteenloopende populatie aanwezig 
zijn, doch bij herhaling nam hij waar, dat mijten, die eene 
gal hadden verlaten, na eenige omzwervingen eene andere 
binnengingen, waardoor dus nieuwe elementen aan de popu- 
latie, die in de gal leeft, worden toegevoegd. 

Het eigenaardige gedrag van de mijten op den bladrand 
stelt Spr. in staat, eene verklaring te geven voor de typische 
uitbreiding, die de aantasting door deze mijten in den loop 
van den zomer vertoonde. Spr. zag nl., dat de bladeren aan 
de takken beneden en boven de bladeren met gallen achter- 
eenvolgens worden aangetast, terwijl hij juist vermoedde, 
dat de mijten, die de gallen verlaten, zich naar willekeurige 
bladen, aan denzelfden tak gelegen, zouden begeven. Aan- 
gezien nu door den wind boven elkaar gelegen takken over 
elkander heen worden bewogen en de , .opzittende" mijten 
zich onmiddellijk aan zulk een over hen heen strijkend blad 
vastklampen, is de geconstateerde verbreiding volledig op- 
gehelderd. 

Betreffende de omstandigheden, waaronder de mijten uit 
de gallen te voorschijn komen, en waarbij zij zich naar den 
bladrand begeven, kon Spr. nog het volgende mededeelen : 
Zonlicht en relatieve luchtvochtigheid zijn daarbij vermoe- 
delijk van grootere beteekenis dan de temperatuur van de 
buitenlucht en hij achtte dit zeer begrijpelijk, daar het micro- 
klimaat van zulk eene gal sterk afwijkt van de in bew^eging 
zijnde buitenlucht. In eene rijpe gal, welke door een bruin, 
verschrompeld weefsel is overdekt, zal immers de tempera- 
tuur onder invloed van het zonlicht boven dat der buiten- 
lucht stijgen ; naar Spr.'s meening is dit des te waarschijn- 
lijker, daar Böhm & Breitenlohner ( Die Baum- 
temperatur in ihrer Abhängigkeit von aüszeren Einflüssen. 
Sitzungsber. d. k. Akad, d. Wissensch. Wien ; 1877 ; I Abtlg ; 
Bd. LXXV; pp. 615—645) en later G erlach (Unter- 
suchungen über die Wärmeverhältnisse der Baume, Disserta- 
tion d. phil. Fakultät d. Univ. Leipzig, 1929) iets dergelijks 
voor levende knoppen constateerden, waarin de sapcirculatie 
nog reguleerend werkt op temperatuurverschillen. 

Op dagen, dat de zon achter de wolken verscholen bleef, 



Lil VERSLAG. 

trof Spr. dan ook nimmer zulke „staande" mijten aan, hoewel 
de luchttemperatuur gedurende de waarnemingen varieerde 
tusschen de 23° en 27° C. 

Op dergelijke zonnige dagen kwamen een groot aantal 
vliegen op de bladen van Sorbus, die daar vermoedelijk dauw 
drinken of misschien ook wel snoepen van een secretie-pro- 
duct, dat door kliertjes, aan den bladrand gelegen, wordt 
afgescheiden. Hij vermoedde, dat de mijten zich ook aan 
deze vliegen zouden vasthechten en haar als transport- 
middel gebruiken. Om na te gaan, of zijn vermoeden juist 
was, ving hij deze vliegen, doch trof er nimmer mijten op 
aan. Ook in de literatuur kon hij geene gegevens aantreffen 
omtrent het voorkomen van deze mijten op vliegen, doch, 
gezien de geringe afmetingen van deze mijten, behoeft dit 
geene verwondering te baren. Spr. acht het in ieder geval 
niet uitgesloten, dat zij er in de toekomst wèl opi zullen worden 
aangetroffen. 

Voorts deelde Spr. mede, dat hij van Prof. R o e p k e 
enkele takjes van eene Galium-soort, vermoedelijk Galium 
verum L., ter onderzoek mocht ontvangen. Daarop kwamen 
rijkelijk de zacht viltige gallen van Eriophyes galiohius ( Can. ) 
voor. Toen hij enkele van deze gallen opende, namen de 
daaruit ontsnapte mijten de typische houding aan, waarvan 
bij E. piri sprake was. Spr. opperde het vermoeden, dat de 
door hem waargenomen houding bij alle Eriophyidae voor- 
komt, en hij acht dit te waarschijnlijker, daar ook door de 
leden van het aan de Eriophyidae verwante geslacht Phyl- 
locoptes analoge houdingen worden aangenomen ; zoo neemt 
bv. Phyllocoptes oleivorus (Ashm.) op Citrus zulk eene hou- 
ding aan, zij het dan ook niet op den bladrand, zooals Hub- 
bard in 1884 (Rust of the Orange; Rep. Comm. Agric. 
for 1884, Washington ; pp. 361 — 373) reeds waarnam. Spr. 's 
leermeester, Dr. A. C. O u d e m a n s, had voor eenige dagen 
zijne aandacht gevestigd op deze publicatie, waarin Hub- 
bard o. m. mededeelt, hoe hij waarnam, dat de Phyllocop- 
tiden zich vasthechtten aan jonge spinnen en zich door deze 
met den wind lieten meevoeren naar andere Citrus-tuinen. 
Misschien doen' de zoo nauw verwante Eriophyi'dae het zelfde. 

De heer Docters van Leeuwen merkt op, dat reeds voor 
jaren de verbreiding van de galmijten door insecten werd 
besproken. Inleider antwoordt daarop, dat dit inderdaad het 
geval was, 'doch dat nimmer de galmijten op insecten werden 
aangetroffen, noch de soort insecten werden genoemd, waarop 
galmijten te vinden zouden zijn. Ook Dr. A. C. O u d e- 
mans, wien Spr. daarnaar vroeg, kende geene schrijvers, 
die exacte gegevens aangaande deze kwestie verstrekken. 

De heer Diakonoff merkt op, dat in enkele hem bekende 
publicaties het voorkomen van mijten op vlinders wordt ver- 
meld, waarop Inleider antwoordt, dat ook hem zulks bekend 



VERSLAG. LUI 

is ; niet alleen bij vlinders, ook bij andere insecten is dit 
waargenomen, o.a. door Inleider zelf bij de iepenspintkevers, 
doch de desbetreffende mijten waren nimmer galmijten en 
Spr. stelt den heer Diakonoff daarom de weder- 
vraag, of de mijten in de door hem bedoelde publicaties inder- 
daad galmijten waren, waarop de heer D. ontkennend ant- 
woordt. 

De heer Geyskes zegt, dat Tetranychidae zich aan de 
toppen van de planten verzamelen en zich dan door den wind 
laten meevoeren ; hij stelt Inleider de vraag, of dat misschien 
ook bij de galmijten zal geschieden. Hoewel Inleider zulks 
niet direct wil ontkennen, meent hij toch, dat aan de door 
den heer Geyskes bedoelde verbreiding geene beteekenis 
toekomt, aangezien het Spr. was opgevallen, dat de , .staande" 
mijten zich niet van het blad laten afblazen ; zij reageeren 
daarop door te gaan loopen. Aan de opmerking van den heer 
G., dat dit geen bewijs was, voegt Inleider nog toe, dat hij 
daarin ook geen bewijs, maar wel eene aanwijzing ziet. 

De heer Leefmans vraagt, of het mogelijk zou zijn, dat de 
verbreiding van de galmijten door den wind zou plaatsvinden, 
met het aangetaste blad. Spr. antwoordt daarop ontkennend ; 
verbreiding met de aangetaste bladen zal niet plaatsvinden, 
aangezien de door Eriophyiden aangetaste bladen niet af- 
vallen, doch den geheelen zomer aan den boom blijven. 
• De tweede mededeeling van den heer Fransen handelt over 
den invloed van uitwendige omstandigheden op de verhou- 
ding tusschen de geslachten bij den Plakker {Lymantria 
dispar L. ) 

Spr. herinnert zich, dat in de warme en droge zomers van 
1911 en 1912 niet alleen eene sterke vermeerdering van vele 
onzer bekende dagvlinders viel te constateeren, doch dat ook 
hun uiterlijk afwijkingen vertoonde, welke hij eerst veel later 
meende te moeten beschouwen als modificaties, veroorzaakt 
door de optimale levensomstandigheden, waaronder rupsen 
en poppen zich dat jaar hadden ontwikkeld. 

Dat de temperatuur invloed oefent op de teekening van 
onze dagvlinders is — merkt Spr. op — den meesten entomo- 
logen bekend. Als voorbeeld haalt hij aan het seizoens- 
dimorphisme van onze beide meest gewone witjes, te weten : 
Pieds capae L. en P. napi L., waarbij de zomergeneratie 
donkerder is bestoven, hetgeen een sprekend voorbeeld daar- 
van is ; de hooge temperatuur in de zomermaanden is aan- 
sprakelijk voor deze donkerder uitmonstering, wat door een- 
voudige proeven valt aan te toonen. Niet alleen onder onze 
Pieridae, ook onder de Nymphalidae is seizoens-dimorphisme 
een veel voorkomend verschijnsel, en als het bekendste voor- 
beeld daarvan noemt hij de tot deze familie behoorende kapel, 
Vanessa levana L., waarvan de zomergeneratie door niemand 
minder dan den eminenten Linnaeus voor een andere 



LIV VERSLAG. 

soort, n.l. V. prorsa, werd versleten. Doch ook bij de in ons 
land algemeen voorkomende Nymphalidae, als daar zijn de 
nummervlinder of admiraal {Py rameis {Vanessa) atalanta 
L.), de distelvink of distelvlinder (P. (V.) cardui L. ), verder 
de kleine aurelia, ook genoemd kleine vos of schoenlapper 
{V. urticae L.) en eindelijk de dagpauwoog {V. io L.)., 
ontstaan modificaties in kleur en teekening als reactie op 
wisselingen in de uitwendige omstandigheden, die op rups- 
en popstadium inwerken. 

Dit is echter reeds lang bekend door de klassieke onder- 
zoekingen van W eismann, Merrifield en Stand- 
fu s s. De onderzoekingen, die hij met bovengenoemde soor- 
ten tusschen 1912 en 1916 herhaalde, gaven slechts eene 
bevestiging van hetgeen deze onderzoekers hadden gevon- 
den en hij zal daarom de uitkomsten niet verder bespreken. 

De zoo juist be'doelde resultaten wekten bij Spr. het ver- 
moeden op, dat misschien de groote variabiliteit in afmeting 
en teekening van de in zijne verzameling aanwezige exem- 
plaren van Lymantria (Ocneria) dispar L. zouden zijn toe 
te schrijven aan jaarlijksche schommelingen van het klimaat 
gedurende de ontwikkelingsperiode van rups en pop. Ook 
dacht hij, dat bij deze poly phage rupsen verschillen in het 
door hen genuttigde voedsel soms een zoodanigen invloed 
zouden hebben. 

In 1916 ontving Spr. van zijn vader rupsen van deze vlin- 
ders uit Limburg, alsmede die van enkele andere Lymantriidae, 
te weten den satijnvlinder {Stilpnotia {Leucoma) Salicis L. ), 
den bastaard-satijnvlinder {Euproctis {Porthesia) chrysor- 
rhoea L. ), thans bekend onder den naam N y gmia phaeor- 
rhoea Don. en den donsvlinder {Porthesia similis Fuessl. = 
P. aiiriflua F.), zoodat hij in 1917 met zijne onderzoekingen 
een aanvang kon maken, die evenwel — behoudens die met 
Lym. dispar L. — niets verassends te zien gaven. 

In den loop van den zomer van 1917 kreeg Spr. door 
het voortdurend in aanraking komen met de haren van deze 
Lymantriidae-rupsen eene oogontsteking (zgn. conjunctivitis 
catarrhalis acuta), die het hem onmogelijk maakte, alle 
proeven voort te zetten, en zoo gebeurde het, dat hij de 
rupsen, die met beukenblad werden gevoerd en op de wa- 
randa aan de Noord-zijde van zijne woning stonden, aan 
hun lot moest overlaten. Deze rupsen verhongerden ten deele, 
en een ander deel ging noodgedwongen tot eene vervroegde 
verpopping over. Eene vergelijkende proef, waarbij de rupsen 
met eikenblad werden gevoederd, dat in de buurt van de 
woning van Spr. gemakkelijker was te verkrijgen, kon hij 
blijven verzorgen. 

Toen nu de poppen uitkwamen viel het hem op, dat bij de 
proef met beukenblad op twee na alle vlinders (een paar 
honderd) mannetjes waren. In de proef met eikenblad, waar- 



VERSLAG. LV 

voor rupsen van dezelfde legsels werden gebezigd, was de 
verhouding één op één. Aanvankelijk veronderstelde hij, dat 
dit verschil tusschen beide proeven een gevolg was van het 
verstrekte voedsel. Zijn leeraar Dr. A. C. Oudemans 
spoorde hem aan, de proeven te herhalen en in het volgende 
jaar verrichtte Spr. onderzoekingen met een zeer groot aantal 
rupsen op een afgeschoten deel van de vliering, waardoor ten 
overvloede nog een schoorsteen liep. Het resultaat was, dat 
zich in de proef met eiken- zoowel als met het beukenblad een 
aanmerkelijk surplus aan î î ontwikkelde ; van een invloed 
van het voedsel kon de spreker dus, tegen zijne verwachting, 
niets bespeuren. 

De zoo juist besproken, oogenschijnlijk tegenstrijdige uit- 
komsten kon Spr. toenmaals niet op eene juiste wijze inter- 
preteeren. Vast stond het echter bij hem, dat het mogelijk 
moest zijn, op de eene of andere wijze de verhouding tus- 
schen de geslachten bij Lym. dispar L. te veranderen. Dit 
laat zich oogenschijnlijk al heel weinig rijmen met de opvat- 
tingen, die in de genetica opgeld doen. Gebleken was nl., 
dat bij de meeste dieren reeds in het bevruchte ei het ge- 
slacht is bepaald door het al dan niet aanwezig zijn van een 
zgn. ,,geslachtschromosoom". 

Spr. behandelt dan 'den toestand bij de vlinders. Daar is 
bij de wijfjes in de lichaamscellen naast een even aantal paren 
kennelijk bijeen behoorende chromosomen nog één ongepaard 
chromosoom — het bewuste geslachtschromosoom ; bij de 
mannetjes heeft het bij de wijfjes ongepaarde chromosoom 
een gelijkwaardigen partner ; daar is dus het zgn. geslachts- 
chromosoom tweemaal aanwezig in de lichaamscellen (Ste- 
vens, Dederer, Munson, Cook, Buber, Sei- 
ler, Don ca s ter). In de geslachtscellen, die aan eene 
zgn. reductiedeeling haar ontstaan danken, bevindt zich de 
helft van het aantal chromosomen, dat in de lichaamscellen 
aanwezig is, en wel komt er van ieder chromosomenpaar één 
chromosoom in de geslachtscel. Is er één paar niet volledig 
(zooals bij het geslachtschromosoom) dan brengt dit mede, 
dat de eene helft van de geslachtscellen één chromosoom 
meer heeft dan de andere of dat zich in de helft ervan het 
afwijkende chromosoom bevindt. 

Hierdoor komt het, dat de geslachtscellen (spermatozoïden) 
van de vlinder-mannetjes alle een zelfde aantal chromosomen 
hebben of, zooals men zegt, homogametisch zijn. Bij de wijf jes- 
vlinders daarentegen zal de eene helft van de geslachts- 
cellen (eicellen) één chromosoom en wel het zgn. geslachts- 
chromosoom extra hebben, hetwelk in de andere helft van 
de eieren niet voorkomt. De wijfjes noemt men bij de vlin- 
ders daarom wel heterogametisch. 

Wordt nu eene eicel van een vlinder, waarin een geslachts- 
chromosoom aanwezig is, bevrucht, dan zal uit het aldus ge- 



LVI VERSLAG. 

vormde ei eene mannelijke rups te voorschijn komen. Was in 
de eicel zulk een geslachtschromosoom niet aanwezig, dan 
ontwikkelt zich na bevruchting daaruit een wijfje. In het be- 
vruchte ei is dus het geslacht reeds volkomen bepaald, ja 
bij de vlinders staat het reeds bij de onbevruchte eicellen vast, 
waartoe zij zich zullen ontwikkelen. 

Terloops merkt Spr. op, dat een zelfde toestand wordt aan- 
getroffen bij de vogels en amphibiën. Bij de meeste andere 
dieren is daarentegen de toestand juist omgekeerd, d.w.z. 
het mannetje is heterogametisch en het wijfje homogametisch ; 
daar beslissen dus de spermatozoïden tot welk geslacht de 
bevruchte eicel zich zal ontwikkelen. 

Men zou nu, merkt de spreker op, a priori verwachten, 
dat het niet mogelijk is, invloed te oefenen op het geslacht. 
Dit is echter niet juist gebleken, en vooral bij de dieren, 
waarvan de wijfjes heterogametisch waren, gelukte het, de 
geslachtsverhouding — die onder normale omstandigheden 
geheel in overeenstemming met de kansrekening 1:1 is — 
ten gunste van de mannetjes te verschuiven. Vooral de onder- 
zoekingen uit de school van Hertwig, Adler, Seiler 
en King hebben dit aangetoond. Zoo slaagde Seiler er 
in, bij het motje Talaeporia tubulosa Retz. een doorslaan van 
het evenwicht tusschen de geslachten naar den kant van de 
mannetjes te bewerkstelligen, en wel door de wijfjes, voordat 
zij de eieren hadden gelegd, aan eene hooge temperatuur 
bloot te stellen. Eveneens gelukte hem dit, door de eieren 
overrijp te laten worden. Spr. merkt op, dat wij dus wel 
moeten aannemen, dat in het onbevruchte ei nog niet is be- 
slist, of het geslachtschromosoom gelijktijdig met de pool- 
lichaampjes zal worden uitgestooten. Hooge temperaturen en 
het overrijp worden der eieren zijn factoren, die dit eventueel 
binnen het ei blijven van het geslachtschromosoom bevor- 
deren. 

De zoo juist ontwikkelde theorie is op de resultaten van 
de proeven van Spr. met Lymantria dispar L. niet van toe- 
passing. Immers, in zijne proeven werkten de temperatuurs- 
invloeden en het hongeren op de rupsen in, die het ei reeds 
geruimen tijd hadden verlaten en niet op de onbevruchte of 
pas bevruchte eieren. Van de rupsen in zijne proeven mag 
men dus aannemen, dat het geslacht reeds vaststond, voor 
zij onder proefcondities kwamen. 

Om soortgelijke redenen kan ook de ,, enzymtheorie", door 
Goldschmidt ontwikkeld, volgens Spr. geene verkla- 
ring geven. Deze theorie, die Spr. in korte trekken behandelt, 
luidt als volgt : 

De geslachten worden bepaald door enzymen. Aanvanke- 
lijk zou elke vlinder zich tot een wijfje ontwikkelen, doch 
in het geslachtschromosoom is een enzym aanwezig, dat het 
vrouwelijk enzym tegenwerkt, en v/anneer dit in voldoende 



VERSLAG. LVII 

hoeveelheid aanwezig is, zal het dier in kwestie tot een man- 
netje uitgroeien. Bij de mannetjes is het geslachtschromosoom 
tweemaal aanwezig en daardoor is er een surplus aan man- 
nelijke enzymen, die den vlinder tot een mannetje stempelen. 

Nu schijnt bij alle vlinderrassen zoowel het mannelijk als 
het vrouwelijk enzym in sterkte te variëeren, hetgeen ten 
gevolge kan hebben, dat bij hybriden niet het vereischte over- 
schot van een bepaald enzym aanwezig is om het geslacht 
te bepalen. In dat geval ontstaan dan de uit de kruisings- 
proeven van Goldschmidt zoo bekende hermaphrodi- 
ten, waarin mannelijke en vrouwelijke eigenschappen zijn 
vereenigd. 

Ter verklaring van de resultaten van Spr.'s proeven kan 
men zich nu denken, dat door extreem hooge temperaturen, 
die op het ei inwerken, het vrouwelijk enzym in haar wer- 
king wordt benadeeld of het mannelijke gestimuleerd, doch 
in dat geval zouden ook in een bepaald temperatuur-interval 
hermaphroditisme moeten optreden en dit nu is in zijn proeven 
nimmer voorgekomen. Ook deze hypothese kon hem dus geen 
stap nader brengen bij de verklaring van de resultaten zijner 
proeven. 

Spr.'s waarnemingen werden de laatste jaren bevestigd 
door een groot aantal Duitsche onderzoekers, die oecologische 
studies maakten van de voor den boschbouw schadelijke in- 
secten. Escherich zegt bv. in : ,,Die Erforschung der 
Waldverderber" ; 1936 ; p. 12 : 

,, Dagegen können die klimatischen Verhältnisse im Juni 
und Juli einen grossen, ja ausschlaggebenden Einfluss auf 
die Vermehrungsgrösse einer Generation erlangen. Und zwar 
insofern, als durch hohe Temperaturen das Vermehrungs- 
potential ganz wesentlich gesteigert werden kann, 

1. durch Erhöhung der Eiproduktion der Weibchen, als Aus- 
wirkung günstiger Lebensbedingungen während des letzten 
Raupenstadiums und 

2. durch Ansteigen der Werte des Sexualindex bzw. des weib- 
lichen Prozentanteils. 

Wenn nun die Eizahl um ein Mehrfaches vermehrt wird 
und gleichzeitig die Zahl der Weibchen gegenüber den Männ- 
chen zunimmt (vielleicht von 30 auf 70 oder 80% ), so ist klar, 
dass durch diese gleichsinnige Aenderung von Eizahl und 
Sexualindex ganz erhebliche Verschiebungen der von einer 
Population produzierten Nachkommenschaft eintreten müs- 
sen : ihre Wirkung multipliziert sich." 

De verklaring dezer verschijnselen treft men, volgens Spr., 
in de diverse publicaties uit zijne school aan, die vervolgens 
worden besproken. 

Zwölfer (Zeitschr. f, angewandte Entomologie; Bd. 
XX ; 1934 ; pp. 1 — 50), die zulk eene oecologische studie 
van den aan Lymantria dispar L. nauw verwanten nonvlinder 



LVm VERSLAG. 

Lymantria monacha L. maakte, deelt mede, dat hoewel het 
geslacht van den toekomstigen vlinder reeds in het rupsje is 
bepaald, en verandering daarin dus niet mogelijk is — toch 
eene verandering in geslachtsverhoudingen bij de vlinders 
mogelijk is, doordat de gevoeligheid van de mannelijke en 
vrouwelijke rupsen van den nonvlinder ten opzichte van den 
factor temperatuur uiteenloopt. Zoowel in zijne experimenten 
als in het vrije veld waren hooge temperaturen, die op de 
rupsen in hun laatste ontwikkelingsstadia inwerkten, oor- 
zaak, dat uit de poppen van deze rupsen een surplus aan 
? $ te voorschijn kWam. Mannelijke rupsen zijn .volgens 
Zwölfer beter bestand tegen lage, vrouwelijke rupsen 
juist tegen hoogere temperaturen. Kweekt men de rupsen bij 
25° C. op, dan zijn 80% van de uitkomende vlinders wijfjes. 

De verklaring van de verschijnselen, waarvan sprake is, 
moet dus worden gezocht in de sterfteverschillen tusschen 
de rupsen, die zich tot mannelijke en vrouwelijke vlinders 
zouden ontwikkelen. Deze sterfte van de rupsen was voor- 
heen aan de aandacht van de waarnemers ontsnapt, doch 
wordt door de oecologen, zooals te begrijpen valt, juist sterk 
op den voorgrond geplaatst. 

De invloed van de temperatuur op de pop, waarmede Spr. 
ook experimenteerde, is niet groot, ten minste wanneer men 
beneden de temperatuurgrens blijft, waarbij de poppen ster- 
ven. 

Spr. wil daarna nog eene verklaring geven voor het merk- 
waardige resultaat van zijne hierboven beschreven onge- 
wenschte hongerproef met Lymantria dispat L. op beuken- 
blad. Ook daarvoor zijn de benoddigde gegevens door onder- 
zoekers uit de Duitsche school bijeen gebracht. 

Hofmann (,,Der Einfluss von Hunger und engen Le- 
bensraum auf das Wachstum und die Fortpflanzung der Lepi- 
dopteren" ; Zeitschr. f. angew. Ent. ; Bd. XX ; 1934 ; pp. 
51 — 84) vermeldt eveneens, dat zijne hongercultures met 
Lymantria dispar L. meer mannetjes dan wijfjes opleverden 
en men zou daaruit concludeeren, dat de rupsen van de wijf- 
jes gevoeliger voor honger waren dan die der mannetjes. De 
sterfte van de rupsen bij Lymantria dispar L. was in Hof- 
man n's hongerproeven, die zich over den geheelen ont- 
wikkelingsduur van de rupsen uitstrekten, 50 tot 70%. 

De uitkomsten van de hongerproef, door Spr. genomen, 
laten zich beter verklaren uit de waarneming van A 1 i 
(Experimentelle Untersuchungen über den Einfluss von 
Temperatur und Luftfeuchtigkeit auf die Entwicklung des 
Schwammspinners, Porthetria dispar Linn. ; Zeitschr. f. 
angew. Ent. ; Bd. XX ; 1934 ; pp. 354—381), die aantoonde, 
dat het stadium van rups bij de wijfjes van Lymantria dispar 
L. langer duurt dan bij de mannetjes en aangezien nu de 
rupsen in onze proeven eerst aan het einde van hare ont- 



VERSLAG. LIX 

wikkelingsperiode aan zeer streng hongeren waren onder- 
worpen, zullen vermoedelijk die, welke zich tot mannetjes 
zouden ontwikkelen, reeds zoover zijn geweest, dat zij zich 
konden verpoppen ; bij die, waaruit de wijf jesvlinders zou- 
den ontstaan, was dit nog geenszins het geval en gingen deze 
dood. Uit de poppen kwamen dus uitsluitend mannetjes. 

De hier besproken feiten leken Spr. van voldoende betee- 
kenis, om ze onder de aandacht van de Nederlandsche be- 
roeps- en amateur-entomologen te brengen en hij spreekt de 
hoop uit, dat dit er toe zal bijdragen, dat vele nog niet opge- 
loste vraagstukken betreffende de insecten-epidemieën thans 
ook hier te lande, naar het voorbeeld van de Duitsche school, 
zullen worden aangepakt. Ook theoretische questies op dat 
gebied zijn er vaak voor geschikt, om zonder kostbare hulp- 
middelen te worden opgelost ; dit bewijzen toch zeer zeker 
zijne zoo juist besproken schooljongens-proeven. 

Hoewel volgens Spr. vaak cytologisch onderzoek van de 
gestorven rupsen (of larven) gewenscht zal zijn, is het in het 
geheel geen vereischte. Door het invoegen van eene controle- 
proef onder normale omstandigheden is het immers mogelijk, 
de geslachtsverhouding en sterfte te bepalen, en met deze ge- 
gevens kan men, wanneer men het aantal gestorven rupsen 
telt, alsmede het aantal wijfjes en mannetjes, dat zich tot 
vlinders ontwikkelt, den invloed van abnormale proefomstan- 
digheden volledig berekenen. 



De heer Geijskes deelt een en ander mede omtrent zijne 
vondsten van nieuwe en zeldzame Neuropteroidea voor de 
fauna. 

1. Ephemeroptera : Spr. vond te Wageningen in den Rijn 
op 19.V.36 aan de onderzijde van een bazaltblok aan een 
kribhoofd, eene nymphe van Ecdyonurus insignis Eat., welke 
soort voor ons land alleen uit Limburg, van de Maas, be- 
kend is. Zij werd daar te Maastricht, St. Pieter, Ou'd- 
Vroenhoven (Maurissen) en Venlo (v. d. Brandt) gevon- 
den (zie Gat. Albarda 1889, T. v. E. XXXIII, p. 265). 
Het insect leeft bij voorkeur in den benedenloop van rivieren, 
doch is ook in grootere bergbeken gevonden en heeft eene 
groote verspreiding op het Europeesch continent, van Enge- 
land tot in den Balkan. De naaste vindplaatsen in Duitsch- 
land zijn Nahe bij Rheingrafenstein en Kreuznach en de Ahr 
bij Heimersheim (Schoenemun'd, Tierw. Deutschl. 
1.19.1930, p. 21 en 83). 

Aan de Swalm te Swalmen (L. ) trof spr. op 6 Juli 1936 
enkele imagines van Paraleptophlebia cincia aan, waarvan 
tot nu toe uit ons land alleen 1 nymphe bekend was uit de 
Mechelder beek (L.) (de Vos 1930, Int, Rev. d. ges. 
Hydrobiol. u, Hydrogr. Bd. 24, Heft 5/6 p. 487). De soort 



LX VERSLAG. 

is van verschillende plaatsen in het aangrenzende Duitsche 
Middengebergte bekend. 

2. Odonata. Op 18 Sept. 1936 ving Spr. te Wageningen 
een $ van Sympecma fusca v. d. L., terwijl hem aldaar tot 
nog toe alleen de zeer naverwante 5. paedisca Br. talrijk on- 
der oogen kwam. Dit is de tweede vondst van 5. fusca, ten 
Noorden van de groote rivieren ; de eerste werd ruim tien 
jaren geleden door den heer Lieftinck te Epe (Geld.) 
gedaan. Eene derde Noordelijke vindplaats is Leeuwarden. 
Spr. trof nl. in de oude collectie der N.E.V. te Wageningen 
een $ van 5. fusca aan, op 30. VII. te Leeuwarden door 
H. A 1 b a r d a gevangen. Door deze vondsten blijkt thans, dat 
deze Zuidelijke soort vermoedelijk overal op de diluviale 
gronden, ook in de Noordelijke provincies, voorkomt, alhoe- 
wel daar slechts in zeer gering aantal. In Brabant en Limburg 
daarentegen is het insect gewoon, doch hier ontbreekt, voor- 
zoover tot nu toe bekend, de juist in de diluviale streken 
boven de groote rivieren vrij algemeen voorkomende 5. pae- 
disca Br. 

Eene tweede belangrijke vondst deed Spr. in Juli te Wa- 
geningen. In den tuin van het Lab. v. Ent. ving Spr. op 
3 Juli een jong ? van de zeldzame Erythromma viridulum 
Charp. Hiervan was slechts 1 exemplaar ( $ ) als inlandsch 
bekend, in Juni 1917 door den heer W i 1 1 e m s e bij Heerlen 
gevangen. Door het tweede exemplaar opmerkzaam geworden, 
stelde Spr. een onderzoek naar de herkomst van dit diertje in, 
en kreeg spoedig een vermoeden, dat de soort zich uit de 
kleipoelen in de uiterwaarden ontwikkelt. Inderdaad werd 
1 1 Juli d.a.v. een $ aan een dezer poelen aangetroffen, waar- 
bij tevens het voorkomen van den grooten Anax imperator 
Leach alhier werd geconstateerd. Door de slechte weersom- 
standigheden en het hooge water konden toen geene verdere 
nasporingen meer verricht worden, doch dit jaar zal naar de 
nymphen worden uitgezien. 

Voorts kon Spr. te Brunssum (L. ) in een wat verveend 
gedeelte van een beekje in de heide een aantal exemplaren 
van Ischnura pumilio Charp. buitmaken, waarvan op 12 Juni 
1936 bij zonnig Weer, zoowel uitkomende als copuleerende 
dieren werden waargenomen. De insecten hielden zich bij 
voorkeur op tusschen de lage vegetatie van Juncus supinus. 
Alleen de type-vorm was aanwezig ; de fraaie var. aurantiaca 
de Selys werd niet gezien. Op 6 Juli zag Spr. te Swalmen 
aan de Swalm de fraaie en zeldzame Ophiogomphus serpen- 
tinus Charp. in vrij groot aantal, terwijl hem van deze soort 
ook 1 $ uit Maastricht bekend werd, door Rector C r e m e r s 
ter determinatie toegezonden. Deze Gomphide huist dus, be- 
halve in de Maas zelf. ook in de zijriviertjes daarvan. Van 
de alleen uit Belfeld (L. ) bekend geworden Cordulegaster 
annulatus Latr, trof Spr. in de coll. Smits van Bürgst, 



VERSLAG. LXI 

thans te Wageningen, twee S $ aan, gevangen door Sm. v. 
B, in de omgeving van Breda in 1894 en 1907. Deze vondst 
doet het vermoeden rijzen, dat de soort in het Zuiden, en 
misschien ook in het Oosten van ons land, nog op verschil- 
lende plaatsen te vinden zal zijn. 

3. Over de Plecoptera kan Spr. thans kort zijn, daar eene 
uitvoerige bewerking hiervan door hem in 't vooruitzicht wordt 
gesteld. Het aanwezige inlandsche materiaal is thans ge- 
heel doorgedetermineerd, en daarbij is gebleken, dat het aan- 
tal inlandsche soorten thans op 28 moet worden gebracht. 
Alba r da (I.e.) geeft in zijne lijst 20 soorten op, doch 
hiervan dient Nemura cinerea Oliv, te vervallen. Daarentegen 
worden door A 1 b a r d a 3 soorten aangegeven, welke Spr. 
nóch in diens collectie, nóch in het overige inlandsche ma- 
teriaal heeft kunnen terugvinden. Deze zijn Isopteryx but' 
meisten Piet., Dinocras cephalotes Curt, en Perla abdominalis 
Burm. Doordat vooral de laatste twee goed herkenbare soor- 
ten zijn, en er overigens in de coll. Alb. buitenlandsch ma- 
teriaal goed van staat gedetermineerd, ziet Spr. er weinig 
bezwaar in, ze toch voor de Nederlandsche fauna te hand- 
haven. Van de 3 door Mej. de Vos (I.e.) opgegeven 
soorten moeten, behalve Nemura variegata, de beide andere 
vervallen wegens onjuiste determinatie, die deels mede een 
gevolg is van het feit, dat een aantal nymphenstadia onder 
foutieve soortnamen zijn beschreven. 

4. Onder de Trichoptera heeft Spr, weer enkele nieuwe 
inlandsche soorten ontdekt. Het zijn Hydroptila dampfi Ulm., 
Orthotrichia tetensii Kolbe en Oxyethira sp. (geen costalis 
Curt.), de laatste alleen in het vrouwelijk geslacht, zoodat 
de soort niet nader was te bepalen. De genoemde insecten 
zijn zeer kleine motachtige diertjes, behoorende tot de Hy- 
droptilidae. Hydroptila dampfi Ulm. werd in Juli 1935 in 
grooten getale aan de Kagerplassen ontdekt. Zij werd aldaar 
op de oeverplanten en onder betonblokken, die ter beschoeiing 
aan den waterkant waren aangebracht, aangetroffen. Het 
heeft Spr. vrij veel moeite gekost, om de soort gedetermineerd 
te krijgen, doch ten slotte gelukte dit met volkomen zeker- 
heid. Het bleek, dat dit insect eerst in 1929 door Ulmer 
(Zool. Anz. 80) voor slechts 2 $ $, één afkomstig uit Kö- 
nigsberg, en het ander afkomstig van het Frische Haff, be- 
schreven is. Vermoedelijk ontwikkelt de soort zich aldaar uit 
de Oostzee. Haar voorkomen hier te lande is dus geheel on- 
verwacht, en wellicht mede een gevolg van het voorhanden 
zijn van gunstige levensvoorwaarden in onze zwak-brakke 
Zuid-Hollandsche plassen. 

Orthotrichia tetensii Kolbe werd eveneens aan de Kager- 
plassen ontdekt. Bij Warmond werd aan het venster van 
een bootenhuis bij Poelmeer op 9 Juli 1935 1 $ gevangen. 
Later trof Spr. ook poppen van deze soort aan op de onder- 



LXII VERSLAG. 

zijde van plompebladeren in een wiel bij Wageningen (15.8. 
36), die op den 27sten Aug. d.a.v. enkele imagines 5 ? 
leverden. Van eene niet nader bekende Oxyethira-soort trof 
Spr. op 12 Juni 1936 twee 5 ? in de dichte Juncus-vege- 
tatie van een bronnetje in de Brunsummerheide (L. ) aan. Het 
bleek Spr. aan microscopische preparaten van de abdomina, 
dat wij hier niet te doen hebben met de soort costalis Curt., 
den eenigen bekenden inlandschen vertegenwoordiger van 
het geslacht Oxyethira. In het volgend seizoen zal getracht 
worden de $ $ ervan op te sporen. Met deze drie nieuwe 
aanwinsten is het aantal bekende inlandsche Trichoptera 
gestegen tot 158. 

Verder kan Spr. nog de vondst van een tiental $ -imagines 
van Agraylea pallidula McL. vermelden, eveneens behoorende 
tot de Hydroptilidae, welke alleen voor Nederland naar de 
opgave van Mej. de Vos (I.e.) naar larvenmateriaal, uit 
het Naardermeer afkomstig, bekend was. Spr. deed zijne 
vondst op 4 Sept. 1936 in een ballon van eene lamp op eene 
waranda in een der Hotels aan den Plasmolen. Volgens den 
eigenaar van het hotel was 'de ballon 14 dagen voordien 
nog schoongemaakt, zoodat de ingevlogen insecten gedurende 
de laatste weken van Augustus moeten hebben rondgevlogen. 

Als bijzonderheid kan nog worden vermeld, dat Spr. op 
3 Januari j.l, aan de Dunobron te Oosterbeek een 9 imago 
verzamelde van de aldaar het vorige jaar ontdekte Apatania 
fimbriata Piet. (zie Ent. Ber. Dl. IX, no. 211, 1 Sept. 1936 
p. 261 — 264). Het was omstreeks 12 uur 's middags tijdens 
zonnig weer, met ter plaatse eene luchttemperatuur van 
13.5° C en eene watertemperatuur van 8^° C ! 

5. Ten slotte wenscht Spr. nog eene enkele opmerking te 
maken over de Neuroptera s.str. Ook hiervan zijn weer en- 
kele nieuwe soorten voor de fauna te vermelden. Bij het or- 
denen der collectie te Wageningen trof Spr. een $ van 
Inoceüia crassicornis Schumm. aan, eene Rhaphidide (ka- 
meelhalsvlieg ) gevangen in 1906 in de omgeving van Breda 
door Smits van Bürgst. Dit insect heeft eene zeer 
groote verspreiding in het Palaearkticum tot in Siberië en 
Japan toe, maar schijnt overal zeldzaam te zijn. In onze naaste 
omgeving werd het in Westfalen gevangen. Met deze soort 
mede, is het aantal bekende inlandsche Rhaphididae tot 8 
gestegen (zie Mac Gillavry Ent. Ber. Dl. 4, no. 88, 
1 Mrt. 1916, p. 254—257). 

Eene tweede nieuwe soort voor de fauna vond Spr. onder 
het Neuropteroiden-materiaal, hem door Rector C r e m e r s 
uit het Museum te Maastricht ter determinatie toegestuurd. 
Het is Micromus paganus L., behoorende tot de Hrmerobii- 
dae, waarvan 2 exemplaren aanwezig waren, één gevangen 
te Rijckholtz lO.VII. 1935 en één te Mechelen (L.) 10.VI.34. 



VERSLAG. LXIII 

Door een ongelukkig toeval ging het laatste exemplaar ver- 
loren. 

Verder zag Spr. nog eene eigenaardige, afwijkende C/iry- 
sopa-soort, door den heer Koornneef in Aug. 1921 te 
Baarn gevangen. Het dier is vooral door zijne smalle vleugels 
gekenmerkt. Het is Spr, nog niet gelukt, dit dier op naam 
te brengen, maar het zal nader onderzocht worden. 

De heer Kruseman laat eenige exemplaren van Bombus 
jonellus Kirby rondgaan en deelt het volgende mede : 

Bij het opnieuw rangschikken der hommels uit de collectie 
Oudemans bleken in deze verzameling eenige opvallende 
late vangsten van B. jonellus K, aanwezig. Deze soort is eene 
onzer vroegste soorten ; zij vliegt reeds in Maart en de schrij- 
vers, die iets over vliegtijden vermelden, noemen meestal voor 
het einde van den vliegtijd Juli, In de coll. Oudemans 
bevinden zich 3^0 ( Leuvenumsche bosch 13-IX-1913 en 
17-IX-1913 en Putten (G.) 20-IX-1913) en 6 $ S (5 Leu- 
venumsche bosch 17-IX-1913 en 1 Putten (G.) 22-IX-1922), 
die in September verzameld werden. 

Aangezien V u y c k in De Levende Natuur Dl. 26 ( 1922) 
en Dl, 27 (1923) schrijft: „later dan half Juli heb ik geen 
$ S gevangen" en ,, later dan 19 Juli heb ik geen opgave 
van het voorkomen van deze soort", leek het Spr, van be- 
lang na te gaan, wat er bekend is over de vliegtijden van 
B. jonellus K. 

V u y c k meldt als vroegsten datum 17 Maart. Schmie- 
deknecht in Apidae Europaeae 1882—1884 noemt hem 
eene zeer vroege soort, ,,Die wenigen $ , die ich selbst ein- 
gefangen habe flogen Anfang Juli an Epilobium angustifo- 
lium", Alf ken in Die Bienenfauna von Ostpreussen 1912 
vermeldt: Rossitten $ 28 Mei en ? 19 Juni 1911, Katza- 
gründe $ 25 Augustus 1910, In Die Bienenfauna von Bre- 
men 1913 geeft hij als vliegtijden: oude 9 ? 22 Maart — 
16 Juni; jonge î î 7 Juni — 4 Augustus; ö S 22 Mei — 
11 September; $ $ 3\ Mei — 20 September, Hij spreekt het 
vermoeden uit, dat in gunstige jaren eene partieele tweede 
generatie voorkomt. S 1 a d e n ving 5 5 in October te Con- 
nemara (The Humblebee 1912), Hoffer ving $ $ op 
14 Juni (Die Hummel Steiermarks 1882). Friese und 
Wagner vermelden $ eind Mei — Juli en dat de ? in 
Maart verschijnen (Zool, Studien an Hummeln 1909). 

Dit was al wat Spr, in de literatuur vinden kon. 

In het Zoölogisch Museum te Amsterdam bevinden zich 
nog hommels uit de volgende collecties : 1° de Artis collectie, 
waarin een geschenk van R i t s e m a ; 2° collectie L i e f- 
t i n c k ; 3° collectie B o u w m a n ; bovendien kon Spr. 
de collectie Barendrecht raadplegen, waarin zich Spr.'s 
verzameling bevindt. Het resultaat is in eene rondgegeven 



LXIV VERSLAG. 

tabel vermeld. Hieruit blijken de volgende vangtijden, waar- 
tusschen slechts geringe intervallen zijn (afgezien van de 
late vangsten) : 

vroegste $ 21 -III- 19 14, laatste $ 9-VIII-1929; 

vroegste 5 20-IV-1921, laatste 5 21 -VII- 1921 ; 

vroegste $ 14-V-1920, laatste $ lO-VIII-1892. 

In de coll. Bouwman bevindt zich nog een laat ge- 
vangen $ (Haren 29-VIII-1907). 

Uit al deze gegevens blijkt dat er minstens 4 late kolonie's 
uit Nederland bekend zijn. Het komt Spr. voor, dat het ver- 
moeden van A 1 f k e n zeer wel juist kan zijn. Hij verzoekt 
den leden, nog eens speciaal op deze soort te letten. 

De heer Reclaire deelt mede, dat hij 12.9.1936 te Eijs 
(Z.-L. ) een S van Lasiosomus enervis H.S. heeft gevonden, 
die wel uit het omliggend gebied, o.a. België en het Rijn- 
land, doch nog niet uit ons land bekend was. Deze wants 
vertoont op het oog gelijkenis met de bij ons veelvuldige 
Stygnocoris pedestris Fall., zoodat hij buiten gemakkelijk 
voor deze aangezien, en dus niet medegenomen wordt. La- 
siosomus wordt o.a. van varens vermel'd, en deze stonden 
ook op de plek te Eijs, waar het ex. gesleept werd. In eene 
mededeeling van G, Müller (Hemiptera-Heteroptera der 
Nordthüringer Landschaft ; Deutsche Entomol. Zeit. 1936, 
Hft. I/II, pg. 17) wordt L. e. als eene voor de ,,pontische 
Hänge" kenmerkende soort met ,, mediterraner Einschlag" 
genoemd. Ook andere volgens hem op dergelijke terreinen 
voorkomende wantsen, zooals Coreus scapha F. en Microtoma 
(Aellopus) atrata Goeze, zijn in de buurt van Eijs herhaal- 
delijk aangetroffen. 

Voorts bericht Spr. over eene vondst van Micronecta 
meridionalis Costa [scholtzi Fieb.) te Warmond 17.6.35 aan 
den oever van het Poelmeer door Dr. G e ij s k e s. Het ex. 
bevindt zich thans, dank zij de welwillendheid van dezen 
heer, in de verzameling van Spr. In de ,, Naamlijst" werd 
het voorkomen van deze soort in Nederland nog als twijfel- 
achtig beschouwd, doch zooals nu is gebleken, ten onrechte. 
Snellen van Vollenhoven vermeldt „Sigara minu- 
tissima h." van Leiden, ofschoon, zooals Fokker heeft 
opgemerkt, de beschrijving alleen betrekking kon hebben op 
scholtzi. De vangst was destijds door P e r i n gedaan, in 
elk geval vóór 1878 ; het heeft dus ongeveer 60 jaar geduurd 
alvorens dit kleine waterwantsje teruggevonden werd, en w^l 
in dezelfde buurt. In tegenstelling met Micronecta minutissima 
L., die in stroomend water voorkomt, leeft M. meridionalis 
in stilstaand water. In Engeland is M. meridionalis vrij ver- 
breid, in Duitschland naar het schijnt alleen uit Silezië, 
Thüringen en den Elzas bekend. 



VERSLAG. LXV 

De heer van der Wiel geeft een overzicht van de resuha- 
ten van het onderzoek naar de in nesten levende insecten 
over 1936. 

Veel materiaal werd weer verzameld, vooral door den heer 
Kruseman; ook ontving Spr. verscheidene nesten van 
andere zijden, waarvoor hij ook hier gaarne zijn dank betuigt. 

De volgende vangsten wil Spr. speciaal vermelden : uit 
een oud spreeuwennest uit hollen boom : Euplectus K^rsteni 
Reichb. v. Tomlini Joy (f. n. var.), en in aantal Nemadus 
colonoides Kr. ( Amsterdam ) ; uit hollen boom met vleermuizen 
te Amsterdam : Nemadus colonoides Kr., Quedias ventralis 
Arag. en Amauronyx Maerkeli Aubé ; uit een nest van For- 
mica rufa te Holten (O.) : Ptilium myrmecophilum Allib. ; 
uit mollennesten: Anommatus duodecimstriatus Müll. (Ou- 
derkerk) Cissister minimus Aubé (Heemstede) en Holopa- 
ramecus Kunzei Aubé ( Marum, Gron. ) . 

Van 1933 t/m 1936 werden in totaal 4915 Coleoptera uit 
nesten gevangen en gekweekt, behoorende tot 281 soorten 
en 26 variëteiten en aberraties. 

De heer Broerse zegt, dat het welbekend is, dat Amster- 
dam veelal door de oudere entomologen genoemd wordt als 
de plaats, waar door hen vele zeldzame Coleoptera, en ook 
andere insecten, gevonden zijn. Dat er in deze omgeving 
echter ook nu nog wel zeldzame, ja zelfs voor de Nederland- 
sche fauna nieuwe soorten te vinden zijn, blijkt wel uit de 
volgende vangsten van den laatsten tijd : 

Op de oude Oosterbegraafplaats werd uit eene verblijf- 
plaats van vleermuizen Prionocyphon serricornis Müll, ver- 
zameld, en uit een vogelnest Quedius brevicornis Thoms. en 
Philonthus fuscus Grav. (deze laatste in groot aantal). 
Uit plantenafval werd aldaar gezeefd Perigona nigri- 
ceps Dej. ; dit genus is nieuw voor de Nederlandsche fauna, 
en wordt uit Engeland en Zuid-Frankrijk vermeld. In dit 
zeefsel werden voorts nog gevonden Philonthus thermarum 
Aubé ( door Everts vermeld als eveneens uit planten- 
afval gezeefd in eene broeikas in Den Haag, October ; ook 
vermeld van Gulpen en Putten (G. ) door v a n d e r W iel) 
en Philonthus rectangulus Sharp. Van deze laatste soort, door 
G r i d e 1 1 i uit Italië vermeld, werden door van der 
W iel en Reclaire ook eenige exemplaren verzameld 
te Putten (G.) en Schin-op-Geul (Limb.) ; Spr. ving er tot 
nu toe een 70-tal van. 

De heer J. Koornneef vertoont, namens zijn zoon H. 
Koornneef, een viertal microfotografieën van de hypo- 
pygia der agame generaties van enkele Diplolepis-soorten. 
Deze hypopygia waren, na macereeren in kaliloog, ingeslo- 
ten in ,,euparal", en vertoonden nu bij de soorten D. disticha 



LXVI VERSLAG. 

(Htg.), D. agama (Htg.), D. divìsa (Htg.) en D. quercus- 
folii (L. ) karakteristieke verschillen. Deze vondst is den sys- 
tematicus zeer welkom, daar de galwespen klein en meestal 
moeilijk te herkennen zijn. Merkwaardig is echter, dat D. lon~ 
giventris (Htg.), welke soort ook overigens feitelijk niet van 
D. quercus-folii te onderscheiden is, eenzelfden hypopygium- 
vorm blijkt te hebben als D. quercus-folii. 

Nadat de heer Mac Gillavry zich tot tolk van alle aan- 
wezigen heeft gemaakt door te getuigen van hunne groote 
blijdschap, dat de President wederom niet alleen de geheele 
vergadering heeft kunnen bijwonen, maar ze tot het einde 
toe heeft kunnen leiden, wordt de vergadering door den 
President gesloten. 



VERSLAG 

VAN DE 

TWEE-EN-NEGENTIGSTE ZOMERVERGADERING 

DER 

NEOERLANDSCHE ENT0M0L06ISGHE VEREENIGING, 

GEHOUDEN IN HOTEL „V/ILHELMINA" TE VENLO OP ZATERDAG 
12 JUNI 1937, DES MORGENS TE 11 UUR. 



President : Prof. Dr. J. C. H. de Meijere. 
Aanwezig het Eerelid Dr. A. C. Oudemans en de gewone 
Leden : Ir. G. A. Graaf Bentinck, K. J. W. Bernet Kempers, 

A. J. Besseling, C. M. L. Brouerius van Nidek, J. B. Corpo- 
raal, A. Diakonoff, Prof. Dr. W. M. Docters van Leeuwen, 
G. L. van Eyndhoven, F. C. J. Fischer, Dr. D. C. Geijskes, 

B. H, Klynstra, Dr. G. Kruseman Jr., Dr. D. Mac Gillavry, 
R. A. Polak, Dr. A. Reclaire, Dr. L. J. Toxopeus, Dr. D. L. 
Uyttenboogaart, F. T. Valck Lucassen, J. J. de Vos tot 
Nederveen Cappel, P. van der Wiel en Ir. T. H. van Wis- 
selingh. 

Afwezig met kennisgeving de gewone Leden : Dr. G. Ba- 
rendrecht, Prof. Dr. L. F. de Beaufort, A. C. V. van Bern- 
mei, C. J. Briejèr, }. Broerse, H. Coldewey, C. Doets, P. 
Haverhorst, P. Korringa, Dr. S. Leefmans, B. J. Lempke, 
Dr. Th. C. Oudemans, A. A. van Pelt Lechner en H. van der 
Vaart. 

De President opent de Vergadering met de volgende 
rede : 

Mijne Heeren, 

Hartelijk heet ik U allen welkom, nu wij weder in Lira- 
burg bijeen zijn, thans niet in het gehefde Zuiden dezer 
provincie, maar op de plaats, waar ons medelid van den 
Brandt eertijds zoo veel bijzonders verzamelde. 

Onze verliezen herdenkende, heb ik in de eerste plaats 
ons eerelid sedert 1909, Dr. R. Gestro te vermelden, 
wiens overlijden op 6 Juni 1936 in het verslag van het vorige 
jaar in eene noot aangegeven werd, maar eerst na de zomer- 
vergadering te onzer kennis kwam. Gestro heeft zich 
tot op hoogen leeftijd voor de Coleopterologie verdienstelijk 
gemaakt, vooral op het gebied der Hispidae ; ook wat Neder- 
landsch-Indische soorten betreft, leverde hij voor verschei- 



LXVIII VERSLAG. 

dene families waardevolle bijdragen, terwijl hij als directeur 
van het Museo Civico te Genua ook voor de algemeene 
entomologie zich groote verdienste verwierf. 

Den 19den April 1937 verloren wij ons eerelid Prof. Dr. 
W. M. Wheeler, eerelid sinds 1931. Door zijne zeer 
omvangrijke en veelzijdige studies over het onuitputtelijke 
leven der mieren was hij van internationale bekendheid. 
Zijne studies hierover leidden hem ook tot de behandeling 
van het sociale leven der insecten in het algemeen, eene 
studie, die tegenwoordig, nu de menschheid zoekende is en 
proefnemingen doet omtrent verschillende mogelijkheden op 
haar eigen terrein, meer dan ooit de aandacht trekt en zelfs 
bij anderen dan Wheeler tot vergelijkingen geleid heeft, 
waarbij m.i. nooit mag vergeten worden, dat het hier slechts 
om analogieën gaat, en evenals het vroegere anthropomor- 
phisme van den insectenstaat het entomomorphisme van den 
menschenstaat tot inzichten voert, die onjuist en onweten- 
schappelijk zijn. Ook Wheeler bleef werkzaam tot het 
einde en publiceerde nog in de laatst verschenen aflevering 
van ons tijdschrift eene studie over mieren van Neder- 
landsch-Indië. 

Van onze gewone leden overleed op 13 November Ir. A. 
J. Buis, lid sedert 1907/08. Wij zagen hem weinig op onze 
vergaderingen, nog het meest op de Utrechtsche bijeenkom- 
sten der Afd. Noord-Holland en Utrecht. Zijne groote 
ambitie voor de Entomologie bleek wel uit zijne collectie, 
die ook vele exotische insecten van allerlei orden omvatte ; 
zij werd aan het 'Museum te Amsterdam geschonken. 

Den 7den Februari 1936 verloren wij Prof. Dr. Max W. 
C. W e b e r, lid sedert 1886/87. In jongere jaren als medisch 
student een ijverig Coleopteroloog, werd zijne zoölogische 
carrière eene belemmering voor zijne entomologische ambi- 
tie, zoodat hij vele jaren lang zelden onze vergaderingen 
bijwoonde. Op lateren leeftijd kwam hierin verandering, en 
werd hij een nagenoeg geregeld bezoeker, wiens blijkbare 
ingenomenheid bij nadere kennismaking met onze vereeni- 
ging en hare leden wij zeer op prijs stelden. Als zijn oud- 
leerling, die mijn leven lang mij in zijne genegenheid mocht 
verheugen, weet ik te goed, hoezeer hij waardeering had 
voor ernstige ambitie, zooals hij die bij onze leden vond. 
Hij had het geluk, tot op hoogen leeftijd zijne zoölogische 
studiën voort te kunnen zetten. Dat de entomologie aan de 
Amsterdamsche Universiteit eene plaats verwierf, was voor 
een zeer groot deel aan zijn steun te danken. 

Van de gewone leden bedankten : 

G. van Beusekom, Bussum (1933). 

Dr. J. D. F. Hardenberg, Batavia (1925/26). 

G. van der Meer, Eefde (1926/27). 

R. Tolman, Soest (1929/30). 



VERSLAG. LXIX 

Tot de Vereeniging traden als nieuwe leden toe : 
A. C. V. van Bemmel, Amsterdam, 
D. G. J. Bolten, Amersfoort, 

C. M. L. Brouerius van Nidek, Bergen (N.-H.), 
A. M. J. Evers, Amsterdam, 

P. Korringa, Heemstede. 

D. Piet, Amsterdam, 
Proeftuin Z.-H. Glasdistrict, 

Afd. Onderzoek, Naaldwijk, 
H. Tennissen, Voorburg (Z.-H.), 
Dr. G. van der Torren, Bakkum, 
Dr. J. van der Vecht, Buitenzorg 

(opnieuw toegetreden), 
W. H. Gravestein, Amsterdam-Z., 
Mevr. C. M. Bouwman — Buis, Bilthoven, 
Ir. J. Doeksen, Wageningen. 
Het ledental bedraagt thans : 

Eereleden (incl. de twee aanstonds te 

benoemen Eereleden) 10 

Begunstigers 14 

Correspondeerende Leden 10 

Buitenlandsche Leden 13 

Gewone Leden 142 

Totaal 189, 

tegen vorig jaar 179. Voor het eerst sedert 1932 (toen het 
ledental 204 bedroeg) weder eene toename ! 

Omtrent onze publicaties kan ik vermelden, dat van het 
Tijdschrift D,eel 79 (1936) op tijd verscheen, terwijl van 
Deel 80 afl. 1 + 2 dezer dagen verzonden werd. Van de 
Entomologische Berichten verschenen No. 210 — 215. Tot 
ons leedwezen zag de heer C o 1 d e w e y zich wegens 
gezondheidsredenen in het najaar van 1936 genoopt uit onze 
Redactie te treden. Wij brengen hem hierbij gaarne dank 
voor de zeer zorgvuldige wijze, waarop hij de E. B. redi- 
geerde, wat wegens de betrekkelijke talrijkheid der meer- 
malen minder geroutineerde auteurs een niet gemakkelijk 
werk is. Wij mochten den heer Valck Lucassen be- 
reid vinden, althans tijdelijk, zijne taak over te nemen. 

Bij mijn voorgeschreven bezoek mocht ik onze bibliotheek 
weder in goeden staat bevinden. Onze zeer uitgebreide 
separatencollectie wordt geregeld verder van kaften voor- 
zien of ingebonden. De bibliothecaris heeft, in den laatsten 
tijd bijgestaan door den heer Verhoef f, de hiaten, die 
in den ter perse zijnden catalogus aanwezig zijn, zooveel 
mogelijk nagegaan ; deze zullen in een supplement worden 
opgenomen, tezamen met de inmiddels ingekomen nieuwe 
stukken. 

Met genoegen heb ik te vermelden, dat ons medelid 



LXX VERSLAG. 

H. Koornneef het diploma behaalde van landbouw- 
kundig ingenieur en dat de heer H. J. Mac Gillavry 
den 7den Juni promoveerde op een geologisch proefschrift. 
Dr. S. Leefmans werd aan de Universiteit van Amster- 
dam benoemd tot lector in de entomologie, toegepast op 
de landbouwkunde, Dr. G. Barendrecht tot conser- 
vator, belast met de leiding van het practicum in de alge- 
meene entomologie en het daartoe opleidende onderwijs. 
Hun allen breng ik onze hartelijke gelukwenschen. 

Ik mag nog vermelden, dat wij beproefd hebben, door 
een artikel van den heer Fischer in Natura en van 
Dr. Barendrecht in De Levende Natuur, contact te 
verkrijgen met nog niet bij ons aangesloten entomologen, 
maar tot dusverre zonder waarneembaar gevolg, wat jammer 
is, daar toch ook in die kringen wel personen met ernstige 
ambitie te vinden moeten zijn, voor wie het hunnerzijds ook 
een voordeel zou zijn, zich bij onzen steeds tot hulp bereid 
zijnden kring aan te sluiten. Intusschen gaan wij, nu het 
ledental weder stijgende is, de toekomst met vertrouwen 
tegemoet, en hopen, wij, dat de geest van vriendschap en 
geneigdheid tot overleg, waar het zaken betreft, die ook 
andere leden of ons allen aangaan, gehandhaafd moge 
blijven. In de hoop op welslagen der vergadering open ik 
de 92ste zomervergadering. 

Hierna brengt de heer Klynstra uit het 

Verslag van den Penningmeester over het 

Boekjaar 1936. 

Mijne Heeren, 

Evenals op de vorige Zomervergadering moet ik ook nu 
tot mijn spijt mededeelen, dat het afgeloopen boekjaar met 
een nadeelig saldo, en wel van ƒ 379.40, werd afgesloten. 

Ook nu weer is de Bibliotheek de schuldige. Was mijne 
raming van uitgaven hiervoor ƒ614. — , in werkelijkheid 
bedroegen deze ƒ 957.47. 

De verdere uitgaven en inkomsten verschilden niet be- 
langrijk met de in de begrooting genoemde bedragen, en 
hielden elkander in evenwicht. 

Hierbij laat ik de Balans en de Verlies- en Winstrekening 
rondgaan, welke hiernaast zijn afgedrukt. 

De volgende toelichtingen heb ik te geven : 
BALANS, Debetzijde : 

De inschrijvingen Grootboek Nationale Schuld en de 
effecten zijn berekend naar de beurswaarde op 30 December 
1936, welke belangrijk hooger was dan het jaar daarvoor. 
Hierdoor werd de rekening Koersverlies, die op de balans 
1935 debet stond voor ƒ384.91, opgeheven en ontstond uit 
het batig saldo eene reserve voor koersverlies ten bedrage 
van ƒ862.84. 



VERSLAG. LXXI 

Balans Boekjaar 193 6. 

Activa : 

Postrekening No. 188130 ƒ 20.83 

Inschrijving Grootboek Nationale Schuld in 

vollen eigendom ,, 9.677.25 

Effecten in vollen eigendom 13.020.25 

Inschrijving Grootboek Nationale Schuld in 

blooten eigendom 10.110.— 

Effecten in blooten eigendom ,, 12.732.21 

Secretaris ,, 91.12 

Leden-Debiteuren . „ 365.70 

Catalogus v. d. Bibliotheek ' „ 1.393.78 

Nadeehg Saldo 1936 379.40 

ƒ 47.790.54 
Passiva : 

Fonds Hacke-Oudemans ƒ 200. — 

Fonds van Eyndhoven ,, 1.121.26 

Fonds Mac Gillavry ,, 43.62 

Fonds Hartogh Heys van de Lier ....,, 9.677.25 

Fonds Leden voor het leven 3.500. — 

Legaat Mr. A. Brants 750. — 

Legaat Dr. C. L. Reuvens „ 10.110. — 

Nalatenschap Dr. H. J. Veth „ 12.732.21 

Leden-Crediteuren , 4. — 

Reserve Dubieuse Contributies , 96.96 

Nederlandsch-Indische Entomologische Ver. . ,, 2.16 

Dr. }. Th. Oudemans-Stichting 169.63 

Crediteuren 247.93 

Reserve voor Koersverlies , 862.84 

Kapitaal ,, 8.272.68 



ƒ 47.790.54 

Verlies en Winst Boekjaar 193 6. 

Verlies : 

Tijdschrift voor Entomologie ƒ 525.70 

Entomologische Berichten „ 266.02 

Bibhotheek „ 957.47 

Onkosten , 384.33 



ƒ 2.133.52 

Winst : 

Contributies ƒ 1.215. — 

Rente ... : 539.12 

Nadeehg Saldo 1936 379.40 

ƒ 2.133.52 



LXXII VERSLAG. 

Catalogus van de Bibliotheek. Tot nu toe werd aan druk- 
kosten ƒ 1224. — en voor eene stalen kast voor den kaart- 
catalogus ƒ 169.78 uitgegeven. Deze posten zijn opgenomen 
onder de activa, en nog niet naar de Verlies- en Winst- 
rekening overgebracht. Als alle uitgaven voor den Catalogus 
gedaan en alle subsidies (laten wij hopen op vele en belang- 
rijke) ontvangen zijn, kan over de boeking beslist worden. 

BALANS, Creditzijde : 

Fonds Mac Gillavry. Uit dit fonds werd ƒ 100. — geput 
voor den aankoop van boeken voor de Bibliotheek, zoodat 
hetzelve met dit bedrag verminderde. 

Fonds Hartogh Heys van de Liet, Legaat Dr. C. L. Reu- 
vens en Nalatenschap Dr. H. }. Veth. Deze rekeningen geven 
belangrijk hoogere bedragen aan dan op de vorige balans, 
hetgeen veroorzaakt wordt door koersstijging der betreffende 
beleggingen. 

Fonds Leden voor het Leven steeg met ƒ 300. — en is nu 
groot ƒ3500.—. 

Legaat Mr. A. Brants. Dit legaat verminderde tot ƒ 750. — , 
doordat f 250. — gebruikt werd om de kosten der publicaties 
over Nederlandsche Lepidoptera van de beeren B e n t i n c k 
en L e m p k e in het Tijdschrift voor Entomologie ten deele 
te bestrijden, hetgeen overeenkomstig het doel van dit 
legaat is. 

Dr. J. Th. OudemansStichting. Deze rekening steeg met 
ƒ 67.85, zijnde de helft der rente door deze stichting gekweekt. 

Reserve voor Koersverlies. Deze reserve is nu groot 
ƒ 862.84. Ziet de bemerking omtrent deze rekening hierboven. 

VERLIES- EN WINSTREKENING, debetzijde : 

Bibliotheek. In het nadeelig saldo van deze rekening ten 
bedrage van ƒ 957.47 zijn niet alleen begrepen het bedrag 
voor aankoop ƒ735. — , doch ook ƒ179. — als salaris der 
assistente, die met toestemming der ledenvergadering werd 
aangesteld. 

Onkosten. Op deze rekening zijn niet alleen alle onkosten, 
zooals porti, drukwerk, enz. geboekt, doch ook de contribu- 
ties aan andere vereenigingen en Belasting van de Doode 
Hand. 

VERLIES- EN WINSTREKENING, creditzijde: 
Contributies. Deze daalden^ verder tot ƒ 1215. — . In het jaar 
1935 bedroegen zij nog ƒ 1285. — . 

Mochten de overige posten nog eenige verklaring noodig 
hebben, dan verwijs ik naar de gegeven toelichtingen in de 
Verslagen over 1934 en 1935. 

Voor het loopende boekjaar kan ik de volgende begrooting 
geven : 



VERSLAG. LXXIII 

INKOMSTEN : 

Contributies . . ƒ 1250. — 

Rente „ 505.— 



ƒ 1755.— 

UITGAVEN : 

Bibliotheek ƒ 1700.— 

Onkosten „ 380.— 

Tijdschrift voor Entomologie (ƒ 750. — minus 

Rijkssubsidie ƒ225.— ) ƒ 525.— 

Entomologische Berichten 270. — 

ƒ 2875.— 

Zooals IJ ziet is dit geene sluitende begrooting, maar 
overschrijden de uitgaven met ruim ƒ 1000. — de inkomsten. 
Voornamelijk komt dit door aankoop van „Oberthür, Etudes 
de Lépidoptérologie Comparée" voor ƒ 696.20. Voor deze 
uitgave zijn wij wel verantwoord, daar de gangbare prijs 
voor dit waardevolle werk het driedubbele bedraagt. 

Hoewel het ongetwijfeld voor de financiën onzer Vereeni- 
ging beter zoude zijn, eene sluitende begrooting over te 
leggen, en geen kapitaal in te teren, mag dit toch niet van 
het grootste belang geacht worden. Van grooter belang is 
m.i. het niet inkrimpen onzer publicaties en het verrijken 
onzer Bibliotheek met waardevolle werken. 

Financieel Verslag der 
Dr. J. Th. Oudemans-Stichting. 

Het bezit van genoemde Stichting bestond op 31 Decem- 
ber 1936 onveranderd uit ƒ5600. — Inschrijving Grootboek 
Nationale Schuld 2Y2 %■ Voor de helft der gekweekte rente, 
f 67.85, werd deze Stichting in de boeken der N.E.V. ge- 
crediteerd, zoodat op 31 December j.l. een bedrag van 
ƒ 169.63 te beleggen viel. 

Vereeniging tot het financieren der 

viering van het 10 0-jarig bestaan der 

N e d e r 1 a n d s c h e Entomologische 

Vereeniging. 

Op de Zomervergadering van verleden jaar heeft de 
Voorzitter de oprichting dezer vereeniging medegedeeld. In 
1936 mocht ik drie giften van elk ƒ 25. — en eene van ƒ 30. — 
ontvangen ; in 1937 ontving ik tot nu toe drie giften van 



LXXIV VERSLAG. 

ƒ25. — . De gekweekte rente bedroeg over 1936 ƒ1.28, zoo- 
dat op heden het bezit van bovengenoemde Vereeniging 
ƒ181.28 bedraagt. 

De President zegt den Penningmeester dank voor zijn 
verslag en vraagt naar de bevindingen van de Commissie 
tot het nazien der Rekening erj Verantwoording van den 
Penningmeester over het boekjaar 1936. 

De heer van der Wiel verklaart, mede namens den heer 
Reclaire, dat zij de rekening in volkomen orde bevonden 
hebben ; het was hun een genoegen, dit nauwkeurige werk 
door te zien. Namens de commissie stelt hij voor, de reke- 
ning en verantwoording goed te keuren en den Penning- 
meester te dechargeeren van het door hem gevoerde beheer. 

Op voorstel van den President wordt hierna den Pen- 
ningmeester, onder dankzegging voor zijn zorgvuldig 
beheer, bij acclamatie décharge verleend. 

De President wijst hierop als leden der commissie voor 
het nazien der rekening en verantwoording over het boek- 
jaar 1937 aan de beeren Ir. G. A. Graaf Bentinck en 
Ir. T. H. van W i s s e 1 i n g h. Beide beeren, ter ver- 
gadering aanwezig, aanvaarden deze benoeming. 

De President geeft het woord aan Dr. D. L. Uyttenboo- 
gaart tot het uitbrengen van het 

Verslag van den Bibliothecaris over het jaar 1936. 

In de vergadering, het vorig jaar te Leersum gehouden, 
werd door het bestuur besloten, gevolg te geven aan mijn 
verzoek, eene bezoldigde kracht aan te stellen, teneinde 
meer zorg te kunnen besteden aan het beheer en het onder- 
houden van onze bibliotheek. Bij de eerste keuze zijn wij 
in zooverre niet gelukkig geweest, dat de gezondheidstoe- 
stand van de aangestelde employee na eenigen tijd van dien 
aard bleek te zijn, dat zij hare werkzaamheden niet kon 
voortzetten. Dit was te meer te betreuren, omdat bedoelde 
dame zeer goed op de hoogte was van dit speciale werk 
en zij mij dan ook goede diensten heeft bewezen bij het 
corrigeeren van de drukproeven voor den nieuwen catalo- 
gus. Het bleek nl., dat de copie, waarnaar de drukker moest 
werken, in vele opzichten onnauwkeurig was, en het is noodig 
gew;eest, opnieuw de geheele bibliotheek titel voor titel te 
controleeren op de aanwezige boeken, en op het kaart- 
register. Het behoeft geen betoog, dat dit een zeer om- 
vangrijke arbeid is geweest, waarbij aan het licht kwam, 
dat meerdere boeken in den loop des tijds, d.w.z. sinds de 
uitgave van den vorigen catalogus (indien bij de samen- 
stelling daarvan tenminste dezelfde wijze van controle is 



VERSLAG. LXXV 

toegepast) zijn zoekgeraakt. Daar de uitleen-administratie 
bij het Koloniaal Instituut op uitstekende wijze wordt ge- 
voerd, veronderstel ik, dat deze boeken reeds zijn zoek 
geraakt vóórdat onze bibliotheek aan de zorgen van het K. I. 
werd toevertrouwd. Na het vertrek van Mevr. R a a c k e 
heeft Mevr. Voute weer korten tijd geassisteerd, doch 
aangezien zij naar Indie vertrok, heb ik opnieuw naar een 
bezoldigde kracht uitgezien en heb ik thans in den heer 
Verhoeff een man gevonden die zoowel de bekwaam- 
heid als de liefhebberij heeft, om deze taak te vervullen, 
en waarmee zoowel de secretaris als ik op aangename wijze 
samenwerken. Natuurlijk heeft het afdrukken van den cata- 
logus groote vertraging ondervonden, doch ik heb den in- 
druk, dat deze vertraging aan de firma Van der W i e 1 
niet onaangenaam is geweest, daar zij tot mijn spijt slechts 
langzaam met het zetten en daarna met de revisie der druk- 
proeven is opgeschoten. In den loop van 1937 zal de nieuwe 
catalogus, indien zich geene onverwachte nieuwe moeilijk- 
heden voordoen, geheel gereed komen. 

Voorts werden alle aanwezige manuscripten, brieven, 
teekeningen en platen gecontroleerd en gecatalogiseerd, zoo- 
dat thans een volledig overzicht aanwezig is van alle stuk- 
ken, van welken aard ook, die onze bibliotheek bezit, met 
eene opgave van de juiste plaats, waar alles te vinden is. 

Er werden dit jaar eenige belangrijke werken aangeschaft, 
die toevalligerwijze voor een uitzonderlijk lagen prijs te 
krijgen waren. Het bekendste daarvan is de volledige uit- 
gave van de : ,, Etudes de Lépidoptérologie comparée" van 
Ch. Oberthür. 

Het aantal leeners bedroeg 44, het aantal bezoekers 82, 
het aantal uitgeleende boeken 566, welk aantal op 358 bons 
werd aangevraagd. 

De schenkers, in 1936, wien namens de Vereeniging dank 
wordt gezegd zijn de volgende : Prof. Dr. L. F. de Beaufort ; 
Ir. G. A. Graaf Bentinck ; Dr. J. G. Betrem ; A. Diakonoff ; 
Prof. Dr. W. M. Docters van Leeuwen ; }. Doeksen ; Ir. J. 
J. Franssen ; Prof. Dr. G. D. Hale Carpenter ; Prof. Dr. 
K. M. Heller ; Dr. E. Jacobson ; R. Kleine ; W. J. Kossen ; 
Dt. G. Kruseman ; M. A. Lieftinck ; Dr. A. C. Oudemans ; 
Prof. Dr. W. Roepke ; Dr. A. Schierbeek ; Mej. Dr. M. N. 
Stork ; Dr. D. L. Uyttenboogaart ; F. T. Valck Lucassen ; 
Dr. J. van der Vecht ; Dr. A. D. Voûte ; P. van der Wiel ; 
C. Willemse. Instellingen : Helsingfors Entomologiske By- 
tesförening ; Linnean Society of New South Wales, Sydney ; 
Musée Hoang ho Pai ho, Tientsin. 

De President brengt den heer Uyttenboogaart 
dank voor zijn verslag en voor al hetgeen hij ook dit jaar 
weder voor de Vereeniging heeft gepresteerd. 



LXXVI VERSLAG. 

Hierna is aan de orde de vaststelling van de plaats, waar 
de volgende Zomervergadering zal "worden gehouden. Het 
Bestuur heeft geen concreet voorstel te doen, daar de tot 
nu toe ontvangen inlichtingen nog te onvolledig zijn. Het 
zou de vergadering volmacht willen vragen, naar bevind 
van omstandigheden te beslissen, in de eerste plaats trach- 
tende, in de provincie Friesland eene geschikte lokaliteit 
te vinden. De heer R e c 1 a i r e noemt te Hulshorst een hotel 
aan de Zuiderzee, welke niet lang meer blijven zal zooals 
zij nu is. Van andere zijde wordt genoemd de Holterberg 
in Overijsel ; de heer Kruseman raadt deze plaats af als 
zijnde te droog, en noemt St.-Oedenrode. De heer B e r n e t 
K e m p e r s herhaalt zijn voorstel van het vorige jaar van De 
Lutte. De heer Polak vindt het niet goed, steeds weder 
eene andere plaats te zoeken, en zou prefereeren eene plaats, 
waarvan wij de omgeving reeds kennen. Bij de hierop vol- 
gende stemming wordt met eene kleine meerderheid (aan- 
gezien er vele blanco stemmers waren) besloten, het Bestuur 
in dezen carte blanche te geven, met preferentie voor 
Friesland, 

Voor de hierop volgende verkiezing van een lid in de 
Commissie van Redactie voor de publicaties, wegens het 
aftreden van den heer C o 1 d e w e y waren in het bij Art. 56 
der Wet voorgeschreven dubbeltal aangewezen de beeren 
Barendrecht en de Vos tot Nederveen Cap- 
pe 1 ; bij het openen der stembriefjes blijkt de laatstgenoemde 
te zijn gekozen. Hij verklaart, gaarne zijne benoeming te 
aanvaarden. 

Hierna is aan de orde de vçrkiezing van twee nieuwe 
Eereleden in de vacatures, ontstaan door het overlijden van 
de beeren Prof. Dr. R. G e s t r o en Prof. Dr. W. M. 
W heeler. Op voorstel van het Bestuur worden hiertoe, 
bij acclamatie, benoemd Prof. Dr. Aug. Lameerete Brus- 
sel en de heer Edw. Meyrick te Marlborough. 

Vervolgens zijn aan de orde de 

WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN. 

De Heer Toxopeus spreekt over de Javaansche en Suma- 
traansche vormen van Papilio paris L., naar aanleiding van 
door hemzelf op verschillende plaatsen verzameld materiaal. 

De oudst bekende, maar tevens minst bekende subspecies 
is P. paris arjuna Horsf., die door H o r s f i e 1 d afgebeeld, 
maar niet beschreven werd in de Descriptive Cat. Lep. Ins. 
E. I.e. 1828. Tevens staan in genoemd werk afbeeldingen 
van rups en pop van arjuna. 



VERSLAG. LXXVli 

Men heeft reeds lang tevergeefs getracht te weten te komen, 
uit welke streek van Java H o r s f i e 1 d zijne soort beschreef, 
aangezien bleek, dat over dit eiland van Oost naar West 
verschillende plaatselijke vormen te onderscheiden zijn, het- 
geen voor eene soort, die exclusief het gebergte bewoont, a 
priori te verwachten is. 

De typische localiteit is in dit geval met groote zekerheid 
aan te wijzen, juist omdat rups en pop ook afgebeeld zijn. Uit 
de ,, Introduction" blijkt namelijk, dat Horsfield pas in 
1815 en '16 vlinders ging kweeken en ter plaatse de ont- 
wikkelingsphasen liet afbeelden. Daardoor is ook weer be- 
grijpelijk, dat rups en pop van de afb. aan een doornig takje 
zitten, maar daar komt Spr. nog op terug. 

Tevens moet men uit de door Horsfield verstrekte in- 
formatie afleiden, dat het gekweekte exemplaar en het origi- 
neel van de afbeelding hetzelfde zijn geweest, in dit geval 
een 2 , wat Fruhstorfer reeds vermoedde, en bevestigd 
wordt door de zeer krachtige oogenteekening van de achter- 
vleugel-onderzijde en het dikke abdomen van de afgebeelde 
pop. 

De vraag rijst thans : waar werd de rups gevonden ? 
Horsfield werkte te dien tijde in Soerakarta en zond tel- 
kens verzamelaars naar het omliggend, nog ongecultiveerd 
gebied ; ook trok hij er zelf vaak op uit. De bergen, die Soe- 
rakarta omringen, zijn de Merapi en de Merbaboe in het W., 
de Lawoe in het O. Van beide bergstreken is de stad hemels- 
breed ruim 40 km verwijderd. Daar regelmatig versch voed- 
sel werd aangevoerd (zie Introduction), komen andere vind- 
plaatsen ook niet in beschouwing. Van de twee vindplaatsen 
heeft de Lawoe de beste kansen, omdat deze gemakkelijker 
te begaan is en vooral, omdat de afgebeelde vlinder eerder 
een Oostelijker dan een Westelijker karakter vertoont. Dit 
blijkt uit het verloop van den bovenrand van de glansvlek der 
achtervleugels, w'elke tot ver in de cel doordringt (Fruh- 
storfer gaf dit aan door te zeggen, dat arjuna de boven- 
zijde van tenggerensis heeft). De afbeelding van Hors- 
field is echter in zooverre onnauwkeurig, dat ter rechter- 
zijde de middencel te kort is geteekend, waardoor de groene 
vlek er minder ver dan links binnendringt. Naar het Westen 
toe wordt de vlek kleiner, zoodat bij eene serie, welke Spr. 
van den slechts 45 km W. van den Merbaboe gelegen Soem- 
bing vertoont, de groene vlek de cel nauwelijks meer bereikt. 
Van den Lawoe-vorm heeft Spr. slechts een $ , helaas in vrij 
slechte conditie. Dit bezit echter de door Fruhstorfer 
(die Horsfield 's exemplaren in het British Museum zag) 
aangegeven ,, fadendünne " groene streep op de voorvleugels ; 
ook heeft de blauwe glansvlek de in H o r s f i e 1 d 's afb. 
aangegeven grootte en vorm en men ziet bijzonder veel geel 
bij de marginale manen der onderzijde, wat al evenzeer met 



LXXVIII VERSLAG. 

de afb. klopt. Hiermede is echter nog niet gezegd, dat exem- 
plaren van den Merapi misschien niet nog meer met H o r s- 
f i e 1 d 's type zullen overeenstemmen, maar de vindplaats 
van arjuna Horsf. is thans toch reeds vrij nauwkeurig aan 
te geven. 

De andere van Java beschreven subspecies geven, wat de 
localisatie aangaat, weinig moeilijkheden. Fruhstorfers 
gedeënsis werd van den Gedeh beschreven, zijne tenggeren- 
sis van den Tengger. Is daarmede echter het aantal onder- 
scheidbare vormen uitgeput ? Zeer zeker niet ! 

De reeds genoemde exemplaren van den Soembing in 
Midden-Java vertoonen een zoo ,, einheitlich" type, a,fwijkend 
van gedeënsis zoowel als van arjuna (tot welke het Lawoe- 
exemplaar voorloopig te classificeeren valt), dat bij gelegen- 
heid een nieuwe subspecifieke naam voorgesteld zal worden. 

Dan is het de vraag, of al het Oost-Javaansche materiaal, 
van Ardjoeno tot Idjen, als tenggerensis mag worden betiteld. 

Verder is paris nog niet bekend van Westelijk Bantam, 
van den Tjerimai bij Cheribon, waar geïsoleerde en dus moge- 
lijk afwijkende vormen kunnen verwacht worden. Op den 
Goenoeng Moeria, die Spr. juist met het doel, afwijkende 
bergvormen te zoeken, eenige malen beklom, bleek P. paris 
niet voor te komen, evenmin als de meeste andere typische 
bergdieren — eene groote merkwaardigheid van dit gebergte. 
Misschien komt er de voedselplant van de rups niet voor. 

Die voedselplant is langen tijd een raadsel gebleven ; na 
H o r s f i e 1 d schijnt niemand op Java den vlinder meer ex 
larva gekweekt te hebben. Het vorig jaar echter deelde W. C. 
van Heurn te Soerabaja Spr. mede, dat hij op eene door- 
nige klimmende Rutacee, Toddalia aculeata BI.*), eene 
Papilio-Tups had gevonden, waaruit zich een kreupel paris- 
exemplaar ontwikkelde. Daar de vindplaats in O. -Java lag, 
is dit dus een tenggerensis Frühst, geweest. Het lijdt weinig 
twijfel, dat, nu eenmaal de voedselplant herontdekt is, de 
rupsen vaker zullen worden gevonden. Volgens B a c k e r's 
Schoolflora van Java komt de plant in het bergland vanaf 
1000 m hoogte voor. Dit klopt vrij goed met het voorkomen 
van paris : de laagste vindplaats, die Spr. noteerde, was bij 
Soekanegara in W.-Java op 900 m, de hoogste op den Pa- 
toeha-top in W.-Java op 2400 m. 

Vervolgens vertoont Spr. vier exemplaren van het eiland 
Sumatra. Men zou verwachten, op het zooveel uitgestrekter 
Sumatra nog grootere verschillen tusschen de uiterste plaat- 
selijke vormen aan te treffen dan op Java. Dit is evenwel vol- 
strekt niet het geval. De afstand van de vindplaatsen der 



*) Horsfield 6 Moore (1857) vermelden eene Citrus-soort, maar de 
doorntjes van het afgebeelde takje wijzen op Toddalia. Citrus behoort 
eveneens tot de Rutaceae. 



VERSLAG. LXXIX 

vertoonde objecten is ongeveer 1200 km, d.i. meer dan de 
totale lengte van Java, en toch is er van eenig verschil nauwe- 
lijks sprake. De exemplaren waren afkomstig, resp. 2 $ $ 
uit de Bataksche Hooglanden (leg. Martin), welke Spr. 
aan het Mus. München te danken heeft en 2 SS, welke hij 
zelf tijdens eene excursie op den G. Tanggamoes in de Zui- 
delijke Lampongs ving. Verder zag Spr. in de vlindercollectie 
van het Zool. Museum te Amsterdam nog een exemplaar van 
P. paris uit N. Atjeh, dus weer 500 km verder dan de Batak- 
bergen, dat in sommige opzichten van de ex. uit laatstge- 
noemd gebied afweek, maar te defect is voor eene beschrij- 
ving. Zoo op het oog zou Sumatra dus slechts met moeite op 
drie subspecies van P. paris kunnen bogen, daartegenover 
Java op minstens vier. De oorzaak kan misschien gezocht 
worden in het meer verbrokkeld zijn van het bergland op 
Java, hetgeen de splitsing der soorten, dus de evolutie, in 
de hand werkt. 

Hierna demonstreert Spr. eene zijner belangrijkste vond- 
sten van zijne excursie naar Celebes, welke in het midden 
van 1936 plaats vond, namelijk voedselplant en ontwikkelings- 
phasen van Pyrameis buana Frühst. Deze soort vertegen- 
woordigt onze gewone, volgens de laatste opvattingen echter 
niet inheemsche. Atalanta of Admiraal, in de fauna van 
Zuid-Celebes. Hoe vreemd het ook aanvankelijk lijkt, er is 
een, niet te verwaarloozen contingeriit soorten in de tropen, 
dat aan gewone. Noordelijke vormen herinnert. Dat ligt min- 
der aan den grooten verspreidingsdrang van de soort in 
quaestie, dan aan haar ouderdom, m.a.w. in ver terugliggende 
perioden van de aardgeschiedenis heeft telkens de soort, 
waar de kans kwam, ervan gebruik gemaakt om zich lang- 
zaam, maar zeker, uit te breiden. Soorten met een taai leven 
als soort hebben het dus wel eens tot cosmopoliet gebracht. 
Het gaat er nu maar om, de plaatselijke vormen nog als saam- 
hoorig te herkennen en dat kan op groote moeilijkheden stui- 
ten. Sommige systematici willen van die saamhoorigheidsver- 
klaringen niets weten en spreken van soorten A, B, C enz., 
waar Spr. nog zou spreken van de soort, die zich in hare 
subspecies A, B, C enz. manifesteert. Het doet Spr. dan ook 
in het geheel niet vreemd aan, op Nieuw-Zeeland en Hono- 
loeloe weer , .Atalanta" 's in de fauna te vinden, waar zij in 
Nederlandsch-Indië op geschikte plaatsen overal voorkomen. 

Spr. demonstreert eene doos, waarin bijeengezet zijn Py- 
rameis indica Herbst uit het Himalaya-gebied, P. dejeani 
Gdt. uit W.- en, O. -Java (die onderling nog al sterk ver- 
schillen) en P. buana Frühst, van den Piek van Bonthain, 
welke laatste op verrassende wijze weer het kleurpatroon van 
de Europeesche Atalanta voor den geest roept. 

De twee laatste leven op dezelfde voedselplant, namelijk 
Urtica bullata BI. (= grandidentata Miq.), welke op eenigs- 



LXXX VERSLAÔ. 

zins droge terreinen plaatselijk overvloedig in het bergbosch 
van Indie groeit. De brandnetel heeft zeer lange brandbaren, 
die zelfs door puttees heengaan ; het verzamelen van rupsen 
en poppen is dan ook eene pijnlijke geschiedenis. 

Op )ava had Spr. reeds meermalen rupsen van P. dejeani 
opgekweekt, het lag dus voor de hand, dat hij, een Urtica- 
plek op den Lompo-Batang (Z. -zijde van den Piek van Bon- 
thain) gevonden hebbend, ook daar naar Pyrame/5-rupsen 
ging zoeken;. De rupsen van de Indische Atalanta' s spinnen 
de bladranden aan elkaar en leven er binnen, beschermd door 
de brandbaren van de plant. 

Als zij zich verpoppen, zoeken zij een groot blad uit, dat 
zij evenzoo samenbuigen, en daarbinnen hangt later de pop. 
Daar Urtica bullata tweehuizig en sterk dimorph is, vindt 
men op de kleine bladeren van de $ planten meestal slechts 
kleine rupsen, terwijl de groote rupsen en de poppen in de 
kokers der groote bladeren van de î planten zijn aan te tref- 
fen. Evenals onze Atalanta-pop hebben de poppen van de- 
jeani en buana goudglanzige vlekken. 

De twee door Spr. gevonden poppen zijn uitgekomen, maar 
tijdens den terugmarsch : een van de vlinders is dan ook 
kreupel gebleven. Het meconium, dat een der vlinders in de 
verzameldoos deponeerde, gelijkt weer precies op dat van 
onze Atalanta. 

Tenslotte heeft Spr. zoowel dejeani als buana gevangen. 
De vlucht en het pronken der vlinders komen geheel met die 
van Atalanta overeen, maar doordat zij zooveel kleiner zijn, 
vallen zij niet zoo sterk op. 

Spr. hoopt, hiermede de overtuiging gevestigd te hebben, 
dat niet alles exotisch is, wat onder de tropenzon wordt uit- 
gebroed. 

De heer Docters van Leeuwen heeft eenmaal P. atjuna 
te Buitenzorg gevangen. 

De heer Toxopeus acht deze vangst merkwaardig, maar 
niet ondenkbaar, omdat wel vaker bergvlinders van den 
Salak in Buitenzorg afdalen. Mogelijk is ook, dat deze mede- 
deeling berust op eene verw^arring met den meer in het laag- 
land vliegenden P. karna Felder, die veel op P. paris gedeën- 
sis gelijkt. 

De heer Diakonoff herinnert zich, dat P. paris eene zeen 
snelle vlucht heeft, en vraagt, hoe de heer T o xo p e u s het 
aanlegt, deze soort gaaf te vangen. 

De heer Toxopeus antwoordt, dat P. paris inderdaad een 
wilde, onstuimige vlieger is, maar de $ $ hebben de ge- 
woonte, op modderige plekken te komen zuigen en zijn dan 
gemakkelijk te vangen, omdat zij dan roerloos blijven zitten 
op de uitgekozen plek. Onder het drinken druppelt regel- 
matig vocht uit het abdomen. Verder is P. paris een rond- 
trekker, d.w.z. hij volgt steeds eenzelfden rondgang, zoodat 



VERSLAG. LXXXI 

men, indien men zich lanqs zijne route posteert, veel kans 
heeft, den voorbij vlieqenden vhnder in het net te slaan. 

De ? ? bezoeken bloemen, vooral die van Mussaenda 
frondosa (Mal. : daoen poetri) en zijn dus, als men zich bij 
deze liaan posteert, wel eens te verschalken. 

Den heer de Meijcre is het opgevallen, dat in den laatsten 
tijd door Nederlandsche entomologen het uiteinde van het 
abdomen, ook van de wijfjes, als hypopygium wordt aange- 
duid. Hij heeft nog niet kunnen nagaan, wie dezen term het 
eerst gebruikt heeft, maar vestigt er de aandacht op, dat hier- 
mede reeds bij S chiner (1862), en ook bij v a n der 
Wulp (1877) het dikwijls kolfvormig verdikte uiteinde van 
het $ , dat soms zeer samengestelde copulatie-organen draagt, 
wordt aangeduid, en zoo is het gebruik gebleven bij buiten- 
landsche schrijvers. Als voorbeeld van sterke ontwikkeling 
noemt van der W u 1 p de meeste Dolichopodiden en ook 
bij Tipula is het volgens W e s t h o f f 's uitvoerige onder- 
zoekingen het geval en is het hypopygium door tal van bij- 
zondere aanhangsels gekenmerkt. 

Voorts vermeldt Spr., dat hij zijne studiën over de Agro- 
myzinenlarven nog steeds voortzet en in den derden ,, Nach- 
trag" hiervan een aantal in stengels levende soorten beschrij- 
ven zal, die hij grootendeels van den botanicus Dr. H. B u h r 
te Rostock in Mecklenburg heeft ontvangen. Met buitenge- 
woon speurtalent heeft deze heer in een aantal planten, vooral 
Compositen, o.a. Achillea, Hypochoeris, Lampsana, Matri- 
caria, verder in Galium mollugo, Stachys silvatica, Campa- 
nula-soorten deze stengelbewoners gevonden, waarvan de 
meeste aan andere onderzoekers waren ontgaan. Voor het 
meerendeel behooren zij tot het genus Ophiomyia, eenige ook 
tot Liriomyza. Van verscheidene zijn de imagines nog niet 
gekweekt kunnen worden. Waar dit wel gelukt is, zijn dit 
ten deele soorten, waarvan de biologie nog onbekend was, 
ten deele geheel nieuwe soorten, ook wel zulke, die tot dus- 
verre niet van andere gescheiden gehouden werden, zoodat 
eerst de verschillende larven ertoe leidden, ook de minimale 
verschillen in de imagines te ontdekken. 

Daar hij het artikel nog in dit jaar hoopt te publiceeren, zal 
Spr. op de details hier niet verder ingaan, maar hij wil nog 
gaarne een en ander laten zien, waaruit blijkt, in welke dun- 
ne stengeldeelen deze larven leven en; hoe moeilijk het is, ze 
daarin te vinden, zoodat hier gerust van een nieuw veld van 
onderzoek bij deze biologisch toch reeds zoo interessante fa- 
mihe gesproken mag worden. Dat niet alleen dezelfde soort 
in verschillende verwante planten gevonden werd, maar ook 
meermalen 2 tot 3 verschillende soorten in dezelfde plant 
werden aangetroffen, bemoeilijkt het onderzoek, maar maakt 
het tevens aantrekkelijker ; het wordt daardoor lastiger, uit 



LXXXII VERSLAG. 

te maken, welke larven en gekweekte imagines bijeen behoo- 
ren, doch het is hierbij w^eer een voordeel, dat de imagines 
komen uit tonnetjes, die met de laatste huid der larven iden- 
tiek zijn ; hoezeer het gewenscht is, ook de leege tonnetjes te 
bewaren, volgt hieruit onmiddellijk. 

Ten slotte wil spr. deze gelegenheid te baat nemen, om 
de mugsoort te laten zien, die ook in de groote pers ter sprake 
kwam, omdat zij op het terrein van het Amsterdamsche 
Boschplan de werklieden zóó lastig viel door hare steken, 
dat verscheidenen hun werk niet konden voortzetten. De 
soort, die Spr. van den Gezondheidsdienst ontving, w^erd 
door hem gedetermineerd als Culicoides nubeculosus Mg. 
Wel merkwaardig is, dat hij deze soort vroeger nooit heeft 
aangetroffen, ofschoon hij op de Koenenkade, die dichtbij 
het aangetaste gedeelte ligt, vroeger tallooze malen naar in- 
secten heeft gezocht, zoodat het een faunae n. sp. is. Bij zijn 
bezoek aan het terrein zag hij verscheidene zwermen, maar 
deze bleken voornamelijk uit $ $ te bestaan, en ook enkele 
paartjes in copula te bevatten. 

Zij is, met 2,5 — 3 mm lengte, eene der grootste soorten 
van haar genus. Er waren in ons land wel enkele kleinere 
soorten bekend, die ook steken, maar volgens eigene erva- 
ring zonder verdere gevolgen. In het door Goetghebuer 
bewerkte deel van Lindner zijn 52 soorten uit Midden- 
Europa opgenomen. In de tropen komen er van dit en van 
verwante genera verscheidene bloedzuigende kleine soorten 
voor, die, ook door haar aantal, ware plagen kunnen worden. 

Op eene vraag van den heer van der W i e 1 antwoordt 
Spr., dat het bij dipteren veel voorkomt, dat soorten sterk 
gelocaliseerd worden aangetroffen, zoodat het dus niet al 
te zeer behoeft te verwonderen, dat eene faunae n. sp. meteen 
in groote massa wordt gevonden. 

Op eene vraag van den heer Kruseman antwoordt 
Spr., dat hij in overweging zou geven, bij ? $ gewoonweg 
te spreken van ,, lichaamsuiteinde". 

De heer Kruseman zegt nog, dat in Noord-Holland de 
volgende benamingen gebruikt worden : voor Ceratopogo- 
nidae : knaasjes ; voor Psychodidae : knut ; voor Thripsen : 
donderbeestjes of knuit. 

De heer de Vos tot Nederveen Cappel vertoont eenige 
Catalogi van diverse oude verkoopingen van insectencabi- 
netten en oude bibliotheken, die hij vervolgens voor de 
Bibliotheek ten geschenke aanbiedt : 

1827 van Joan Raye, seigneur de Breukelerwaert, 
Amsterdam. 

1861 van A. J. van Eyndhoven te Zutphen r .hierin 
de volgende verzamelingen : 



VERSLAG. LXXXIII 

coll. A. T- d ' A i 1 1 y, Amsterdam, (ruim 1700 soorten 

Europeesche lepidoptera ; verder geprepareerde 

rupsen, in- en uitlandsche hemiptera, orthoptera. 

neuroptera en coleoptera). 

coll. Dr. C. Dalen, Rotterdam, (ruim 3000 in- en uit^ 

landsche lepidoptera). 
coll. J. C. H. V a n W a 1 c h e r e n, Brummen (lepidoptera 

en coleoptera). 
coll. Prof. D. J. van L e n n e p, Amsterdam, (diverse 

insecten). 
1 878 van A. B. van M: e d e n b a c h de R o o ij ( 11 500 
lepidoptera en 5000 coleoptera). 

Den heer Mac Gillavry valt in den Catalogus van Eynd- 
hoven op boek No. 158, teekeningen Voet, 4°, 145 in por- 
tefeuille, niet complete reeks. Dit moet iets anders zijn ge- 
weest dan de reeks van 1 1 kwarto deelen, welke in Spr.'s 
bezit is. Deze bevat de complete serie teekeningen, waarbij 
ook niet uitgegevene, elk op een blad afgebeeld. 

Misschien bevatte de collectie van Eyndhoven de platen, 
waarop meerdere figuren bijeen gegroepeerd waren, zooals 
zij ten slotte in het werk van Voet zijn uitgegeven. 

De heer Polak deelt mede, dat hij, zoo het zich laat aan- 
zien, eene tamelijk rijke bron van levend insectenmateriaal 
uit tropisch Zuid-Amerika heeft aangeboord. Een bananen^ 
handelaar in de buurt van ,,Artis" waarschuwt Spr., als hij 
in een pas geïmporteerden voorraad levende insecten vindt. 
Spr. kan dan zelf komen kijken. Reeds werden in enkele we- 
ken levende mieren gevonden, die naar den heer S t ä r c k e 
werden gezonden. Daarbij was eene Acromyrinea-soort 
(eene Attine, bladsnijdermier). Eene levende Cassi dide 
stelt Spr. ter bezichtiging ; deze is bestemd voor het Zoölo- 
gisch Museum te Amsterdam. Ook een aantal spinnen, van 
verschillende soorten, werd reeds aan dit Museum afgestaan. 

Verder herinnert Spr. aan zijn strijd tegen de ringelrupsen 
in ,,Artis", eenige jaren geleden. Een groot aantal eieren 
werd toen in den winter verzameld, en op eene koele plaats 
uitgespreid. Een deel der eieren leverde evenwel geene rups- 
jes, maar bevatten kleine sluipwespjes, waarschijnlijk eene 
Telenomus-soort. De geparasiteerde eieren werden weer in 
de boomen gebonden. Het volgend jaar was het aantal eieren, 
dat geïnfecteerd was, veel grooter in verhouding tot de niet- 
geïnfecteerde. De bewerking werd toen herhaald. En nu 
Amsterdam dit jaar weer zwaar van eene rupsenplaag te 
lijden heeft, is ,,Artis", en ook de Plantage-buurt, er vrij van. 

De imagines van de wespjes verschijnen, als de rupsen van 
Malacosoma neustria L. nog niet volwassen zijn. Daar het 
niet zeer waarschijnlijk is, dat deze zeer kleine wespjes zoo 
lang in leven blijven, vermoedt Spr., dat er nog een tusschen- 



LXXXIV VERSLAG. 

waard is. Waarschijnlijk fungeert Orgyia antiqua L. als 
zoodanig. Spr. is voornemens, dit den volgenden zomer te 
onderzoeken. 

Ten slotte stelt Spr. eieren en jonge rupsen van Actias se- 
lene L., Samia cecropia L., Philosamia cynthia Dr. en Atta- 
eus edwardsi Wh. ter beschikking van de aanwezigen. 

De heer Kruseman laat een exemplaar van Aphodius to- 
mentosus Müll, rondgaan. Deze soort is eens te Katwijk door 
P e r i n gevangen. 

In de collectie Everts te Leiden bevinden zich volgens 
den catalogus 5 exemplaren, in het Zoölogisch Museum te 
Amsterdam 3 exemplaren. 

Spr. wijst er op, dat Perin in de Botanie een zeer slechten 
naam had. Hij leest als toelichting, uit ,,Prodromus Florae 
Batavae" ed. altera. Vol I, Pars I, Pag. 179 en 180 het vol- 
gende voor : 

, Crambe schijnt in ons land nu en dan gekweekt 

,,te worden, echter nimmer langs onze zeekusten. Haar 
,, natuurlijke groeiplaats zijn rotsen langs de kust. Toch 
,,vind ik in de verzameling inlandsche planten op 's Rijks 
,, Herbarium berustende, een exemplaar dezer plant, 
,, gevonden door A. Perin bij Katwijk. Het is mij ge- 
, .bleken dat de Heer Perin, die op natuurhistorisch 
,, gebied liefhebberde en; later een ondergeschikte be- 
,, trekking aan 's Rijks Herbarium bekleedde (zijn eigen- 
,,lijk vak was stukadoor), voor het aanbrengen van 
,, zeldzame planten, een kleine vergoeding ontving, waar- 
,, schijnlijk van den toenmaligen directeur, den Heer 
,, Blume. Hierdoor geprikkeld zocht Perin dikwijls zijn 
,, nieuwe indigenen niet op het vrije veld, doch in de 
, .verzameling van 's Rijks Herbarium, die hij dan met 
,,een passend etiquet voorzag en aldus in de collectie 
, .inlandsche planten deed opnemen. Deze vermoedens 
,, worden zeer versterkt door de aanteekening, die ik 
,,vond bij een exemplaar onder den naam van Helian- 
,,themum guttatum, door van Dissel bij Wassenaar ge- 
, .vonden. Dr. H. van Hall, destijds conservator aan 
,,'s Rijks Herbarium merkte hierbij het volgende aan : 
,, Planta false determinata, minime guttatum sed Helian- 
,,themum Tuberaria Mill. Inscriptio in schedula adjecta 
,, bij ,, Wassenaar van Dissel", etiam sine dubio falsa 
,,est et a van Dissel, rei botanicae minime experto, 
,, scripta est ; quae porro hac in schedula leguntur, Perin 
,,scripsit, qui verosimiliter inter alias etiam hanc plantam 
,,ex herbario generali sibi eligerit. v. H. 18 April 1859. 
,,Ik ben daarom steeds voorzichtig geweest met planten 
,,door Perin gevonden, op te nemen, alleen de zoodanige 
,.heb ik opgenomen, die hij werkelijk zou kunnen ge- 



VERSLAG. LXXXV 

,, vonden hebben. Met de voorgaande soort is dit wel 
„eenigszins twijfelachtig". 

De heer Corporaal acht het feit, dat er niet minder dan 
acht exemplaren van deze, ook elders zeer zeldzame soort 
van ééne vindplaats bekend zijn, wel eene aanwijzing, dat 
in dit geval de vindplaatsopgave authentiek zou kunnen zijn. 

De heer van der Wiel deelt het volgende mede : 

Tijdens het verblijf te Leersum — bij gelegenheid van de 
vorige Zomervergadering — werd een ex. van Tilliis elon- 
gatus L. in de eetzaal van het Hotel gevangen. Eene inspectie 
van het omhggende terrein door den heer Kruseman en 
Spr. bracht de broedplaats aan het licht, nl. eene oude schuur, 
welke vroeger als stal gebruikt was. De balken waren sterk 
door Anobium striatum Oliv, aangetast, waarbij Tillus in 
groot aantal als parasiet voorkv/am : de ruiten van de schuur 
zaten vol met Tillus, in 't geheel werden in twee dagen tijds 
nog 212 exx. gevangen. 

Bij nauwkeurig onderzoek bleken bij deze exx. een aantal 
$ $ met rood halsschild voor te komen ; deze vorm was in 
ons land nog niet gevonden, en moet beschouwd worden als 
het $ van den nominaat-vorm. De exx. met zwart halsschild 
vormen de ab. ambulans Fabr. ; tot heden werden bij ons al- 
leen $ $ gevonden, doch uit het buitenland zijn hiervan ook 
Ç ? bekend. Bij het materiaal uit Leersum, bevond zich ook 
een $ met zwart halsschild en groote gele zijvlekken ; dit is 
de ab. oudemansi Corp.. eveneens nieuw voor ons land. Te- 
vens werden van de ab. hyalinus Strm. î ç met rood en 
$ $ met rood of zwart halsschild gevonden, benevens 1 $ 
van de ab. bimaculatus Donov. met zwart halsschild. Laatst- 
genoemde aberraties werden bijna uitsluitend op den twee- 
den vangdag verzameld ; het is niet onmogelijk, dat dit uit- 
sluitend onuitgekleurde exx. zijn, zooals reeds door anderen 
vermoed werd. Een nieuw onderzoek ter plaatse zou deze 
quaestie misschien tot oplossing kunnen brengen. Het achter- 
staand gedetailleerde lijstje van de vangsten van Leersum 
wordt door Spr. rondgegeven. 

Vervolgens vermeldt Spr. nog eenige nieuwe soorten voor 
onze fauna, nl. : 

Eenige exx. van Hypera intermedia Boh. ab. marmorata 
Cap., uit aanspoelsel van den Rijn bij Rhenen op 27 Februari 
1937 verzameld door de heeren Reclaire, Kruseman 
en Spr. Dit is de eerste echte Hypera-soort, welke in ons 
land werd aangetroffen. 

Enkele exx. van Adistemia Watsoni Woll. (det. R o u b a 1) 
uit herbarium-materiaal van den heer Kruseman, ver- 
zameld 25 Juli en 30 September 1935 ; gelijktijdig werden 
gevonden Cartodere [Hum Aubé, C. argus Reitt., C. filiformis 
Gyll. en C. costulata Reitt. Oorspronkelijk dachten zij met 



LXXXVI 



VERSLAG. 



Tillus elongatus L. 



r^ ^ 


r- ^ 


- 'O 


Sm 


Sco 


S fo 


s i 


d'i 


:3-, 


m 1— 1 


OT 1— 1 


co 1— 1 


^> 


4) ^ 


4J ^ 


i) y 


W l 


W l 




^?^ 


1-4 ^ 



nominaat-vorm 
(halsschild rood] 



ab. amhulans Fabr. 
(halsschild zwart) 

(halsschild zwart met 
(geel middenvlekje) 



? ? 
$ $ 



S $ 



S S 



(halsschild zwart met gele 
midden- en zijvlekjes) $ 

ab. oudemansi Corp, 

(halsschild zwart met groote 
gele zijvlekken) 5 



ab. hyalinus Strm. 
(halsschild rood' 



(halsschild zwart) 



$ ê 



(halsschild zwart met geel 
middenvlekje) $ $ 

ab. bimaculatus Donov. 

(halsschild zwart met geel 
middenvlekje) 3 



Totaal 



$ $ 



70 
26 



68 



70 
102 



14 
4 



22 
18 



VERSLAG. LXXXVII 

eene uit Jougoslavië geïmporteerde soort te doen te hebben ; 
aangezien Adistemia echter uitsluitend uit Portugal en Al- 
giers vermeld wordt, is er meer kans, dat zij met Spaansch 
herbarium-materiaal meegekomen is ; de overige soorten wer- 
den vrij zeker uit Jougoslavië geïmporteerd ; alle exx. heb- 
ben zich echter hier te lande ontwikkeld. 

De heer Diakonoff doet eenige mededeelingen betreffende 
Microlepidoptera. 

In aansluiting op zijne mededeeling op de Wintervergade- 
ring van verleden jaar over de vondst van Aphomia gularis 
Z., de notenmot, in Nederland, kan Spr. thans enkele nieuwe 
gegevens omtrent dit in voorraden hoogst schadelijk insect 
berichten. Tegen het einde van April heeft Spr. een bezoek 
gebracht aan een pakhuis van zuidvruchten te Amsterdam, 
waar hij in November van verleden jaar talrijke doode mot- 
ten had aangetroffen. Nu was het de tijd om ter bestrijding 
van dit insect vliegenhangers op te hangen, zooals de op- 
zichter van het pakhuis mededeelde. De motten vlogen er 
nog niet. Desniettemin mocht Spr. enkele interessante aan- 
wijzigingen over de biologie van de mot verzamelen. Bij een 
onderzoek van een) loods, die eenigen tijd gesloten was ge- 
bleven, bleek, dat alle spleten in den zolder, kieren in de 
deuren en in zolderbalken, tusschen de steenen van de mu- 
ren, ieder spijkergat en uitholling volkomen volgepropt wa- 
ren met cocons. Het was niet eenvoudig deze uit hunne 
schuilhoeken te halen ; zij waren bijzonder taai en bovendien 
zaten ze zeer stevig vastgesponnen. Tenslotte gelukte het 
enkele ongeschonden cocons te bemachtigen. Eene groep co- 
cons, aan elkaar gesponnen, bevrijd uit eene nauwe spleet, 
wordt gedemonstreerd. De cocons sluiten dakpansgewijs te- 
gen elkaar aan, zoo dat hunne toppen, waardoor de vlinder 
te voorschijn moet komen, naar de buitenwereld gericht zijn. 
Uit alle spleten staken deze cocontoppen te voorschijn. Goed 
verborgen te zijn, en de bijzonder taaie consistentie van de 
cocons zijn belangrijke factoren in den strijd van dit insect 
tegen; den mensch. De beste tot nu toe toegepaste bestrijdings- 
wijze is het verwijderen van de cocons, vervolgens dicht- 
pleisteren van alle spleten, en kalken van de opslagplaatsen. 
Spr. meent uit de mededeelingen van de werklieden in boven- 
bedoeld pakhuis te mogen afleiden, dat deze plaag reeds ver- 
scheidene jaren aldaar optreedt. 

Eene belangrijke vraag is : kan dit insect, waarschijnlijk uit 
Californie afkomstig, bij ons overwinteren, of wordt het ieder 
jaar opnieuw in het aangetaste product ingevoerd ? Spr. kan 
het eerste bevestigen. Twee grijze rupsen, die in November 
van verleden jaar in balen met abrikozenpitten verzameld 
waren, verpopten zich, waarbij zij zich actiefinde kurk 
van de flesch, waarin ze waren gebracht, inknaagden. 



LXXXVIII VERSLAG. 

In het pakhuis geschiedde de verpopping op dezelfde manier : 
overal in de spinsels was boormeel van aangevreten hout te 
vinden ; de rupsen verbreedden actief de natuurlijke spleten 
in het hout. In het begin van April kwamen in het biologisch 
laboratorium van het Koloniaal Instituut de twee poppen uit ; 
een vhnder is mislukt, de andere pop heeft een $ opgeleverd ; 
dit is het eerste opgezette exemplaar voor Nederland ; het 
wordt ter bezichtiging rondgegeven. Deze twee poppen wer- 
den bij kamertemperatuur opgekweekt. De cocons in het pak- 
huis verzameld bevatten voor een deel nog levende poppen. 
Gisteren, 12 Juni, is het eerste exemplaar van Aphomia gularis 
uitgekomen, een ? ; zij wordt levend vertoond. Hiermede is 
het bewijs geleverd, dat Aphomia gularis in niet verwarmde 
pakhuizen onzen winter als pop levend kan doorbrengen. Vol 
spanning verwacht Spr. binnenkort het eerste massale op- 
treden van de imagines dezer interessante Pyralide*). 

Vervolgens maakt Spr. eenige opmerkingen over het ver- 
loop van het onderzoek der lastige quaestie van de soorten 
van het geslacht Blastodacna, die op appel en; op meidoorn 
leven. In Duitschland onderscheidt men drie, in Engeland 
vier soorten van dit geslacht. Welke hiervan echter goede 
soorten zijn, en welken naam zij behooren te dragen, valt 
niet gemakkelijk vast te stellen. Zeker is, dat er minstens 
twee soorten bestaan, een levend in appelloten en een in de 
vruchten van meidoorn. Deze twee soorten gelijken echter, 
wat kleur en teekening betreft, zeer op elkaar ; en wat de 
genitaalkenmerken aangaat, is het zelfs aan den bekenden 
specialist Mr. Pierce in Engeland niet gelukt, met zeker- 
heid hierin verschillen te vinden. Op aanraden van Prof. 
de Me ij ere heeft Spr. de monddeelen van de rupsen uit 
appelloten (te Hilversum door den heer Doets en te 
H illego m door Spr. verzameld) en van de rupsen uit 
meidoornvruchten (door den heer Doets gekweekt) mi- 
croscopisch onderzocht en vergeleken. Tot zijne teleurstelling 
bleken echter de monddeelen gelijk van bouw te zijn, en 
geene verschilpunten ter onderscheiding der twee soorten op 
te leveren. Den heer Doets is het gelukt, één exemplaar 
van Blastodacna uit Crataegus op te kweeken. Spr. zal nog- 
maals genitalia hiervan met die van de soort van den appel 
vergelijken. Teekeningen van de monddeelen worden ver- 
toond. 

Tenslotte deelt Spr. mede, dat hij de studie van de Neder- 
landsch-Indische Tortriciden begonnen is, in de hoop met- 
tertijd eene revisie van deze groep te geven. Hiervoor zal hij 
ook van genitaalkenmerken gebruik moeten maken. Thans 
geeft hij een tweetal afbeeldingen rond van de ? genitalia 

*) Noot bij de correctie. Op H Juni kreeq Spr. bericht van het eerste 
optreden der imagines. Den dag daarop trof hij Aphomia gularis bij hon- 
derden in bovenbedoeld pakhuis aan. 



VERSLAG. LXXXIX 

van eene Cacoecia en eene Homona-soort ( familie Tortri- 
cidae) en vestigt de aandacht op den merkwaardigen bouw. 
De z.g. ductus bursae is eene nauwe buis, leidend van de 
copulatieopening van het ? naar de bursa copulatrix, waarin 
het sperma tijdens de copulatie wordt afgezet. Deze ductus 
heeft bij de twee genoemde geslachten den vorm van eene 
lange lus. Eene dergelijke constructie van de genitalia moet 
bij de copulatie bijzondere moeilijkheden opleveren. Om het 
sperma in de bursa te deponeeren moet de penis van het $ 
over de geheele lengte van den ductus naar binnen dringen. 
Bij Cacoecia en de hiermede verwante Homona bevindt zich 
aan één kant van deze dunwandige gang eene sterke chitine- 
lijst die, naar de meening van B u s c k, als steun voor den 
in de bursa dringenden penis zou fungeeren. 

De heer Bentinck vermeldt en vertoont het volgende : 

I. Snellen beschrijft in zijn bekend werk over de Micro's 
op p. 835 Coleophora annulatella Tengstr., met C. laripen- 
nella Hein. (Zett. ?) als synoniem, terwijl Staudinger 
in zijn Cat. 1901 deze soort onder No. 3904 laripennella "Zett. 
noemt, met annulatella Tengstr. als synoniem. Uit het geni- 
taliënonderzoek van F, N. Pierce en I. W. Metcalfe 
(The Entomologist Vol. LXVII, 1934, p. 97—99) blijkt, 
dat er inderdaad twee soorten zijn, nl. laripennella Zett. en 
annulatella Tengstr. Om zekerheid te hebben, welke soort 
in ons land voorkomt, of wel beide, zond Spr. zijn geheelen 
voorraad, bestaande uit 16 stuks, aan den heer Pierce. 
Uit het onderzoek bleek, dat alleen laripennella tot nog toe 
in Nederland voorkomt, terwijl annulatella in Engeland veel 
algemeener is dan laripennella. Beide soorten worden ver- 
toond. Het voornaamste verschil ligt hierin, dat de donkere 
bestuiving der voorveugels bij laripennella uit zwarte schub- 
ben bestaat, die vrij sterk afsteken op den achtergrond. Bij 
annulatella is deze bestuiving donkerbruin en daardoor min- 
der scherp zichtbaar tegen den achtergrond. 

II. Een dergelijk geval als hierboven genoemd komt ook 
voor bij Coleophora flavaginella Z. Door genitaliënonder- 
zoek van den heer Pierce is gebleken, dat flavaginella niet 
in Engeland voorkomt ; de soort, die steeds hiervoor gehouden 
werd, is reeds vroeger er van afgescheiden, en heet C. suae- 
divora Durr. - Meyr. ( = flavaginella Meyr. nee Z. ) . Spr. 
zond ook zijne geheele serie van flavaginella aan den heer 
Pierce (16 stuks), waarna bleek, dat tot op heden slechts 
de echte C. flavaginella uit ons land bekend is. De twee soor- 
ten worden op analoge wijze als de beide vorige onderschei- 
den : flavaginella heeft duidelijke zwarte, suaedivora ondui- 
delijke bruine bestuiving. 

III. Spr. deelt vervolgens mede, dat de zeer gecompliceerde 
Homoeosoma nimbella Z.-quaestie thans definitief opgelost 



XC VERSLAG. 

is. Door de medewerking van den heer Pierce zijn Spr. en 
hij tot de ontdekking gekomen, dat de bijna eene eeuw lang 
als ééne soort beschouwde H. nimbella Z. gesplitst moet 
worden in 6 soorten, te weten : H. nimbella Dup., cretacella 
Roessler, saxicola Vaughan, pseudonimbella Bentinck, ravo- 
nella Pierce en bentinckella Pierce. Hun gemeenschappelijk 
werk is zoo juist verschenen in The Entomologist, Vol. LXX, 
1937, p. 97 — 103. Hierin worden de 3 laatstgenoemde soor- 
ten beschreven, en worden van alle 6 soorten photographi- 
sche afbeeldingen gegeven. 

Ook verschenen publicaties over deze quaestie in het T. v. 
E. LXXX, p. 73—74 en in LambiUionea 1936, p. 25G— 254. 

IV. Spr. heeft verleden najaar van den heer V a 1 c k Lu- 
cassen eene partij uileballen ontvangen, uit eenige uilen- 
nesten te Vorden. Daaruit ontwikkelden zich in hetzelfde 
najaar een tweetal exemplaren van de echte tapijtmot, Tri- 
chophaga tapetzella L., eene soort, die in Nederland niet veel 
opgemerkt wordt en schijnbaar weinig schade aanricht, in 
tegenstelhng met de basterdtapijtmot, Tineola biselliella 
Hummel. Tegen einde Mei van dit jaar ontwikkelden zich 
in een paar warme dagen verder nog niet minder dan ± 300 
stuks van deze soort {tapetzella) , alle dus uit eene partij uile- 
ballen van een paar nesten afkomstig. 

De heer Geijskes doet mededeeling van zijne nasporingen 
omtrent onze Neuroptera-iauna. In de eerste plaats wenscht 
Spr. de aandacht te vestigen op de Coniopterygidae. Hiertoe 
behooren zeer kleine, met eene grijze waslaag bedekte diertjes, 
die voor 't meerendeel op Coniferen zijn te vinden. In den 
catalogus van Alb ar da (1889) staan drie soorten als in- 
landsch vermeld, nl. Coniopteryx psociformis Curt., C. aley- 
rodiformis Steph. en C. lactea Wesm. De eerste twee soorten, 
die tegenwoordig elk in een ander genus geplaatst worden 
{Conwentzia Enderl. en Semidalis Enderl. ) ving Spr. beide 
in de omgeving van Wageningen, C. psociformis uitsluitend 
op Coniferen, vooral op Abies, Sem, aleyrodiformis in aan- 
tal op eikenhakhout. 

Omtrent de derde soort, C. lactea, heerscht nogal verwar- 
ring. Volgens de gangbare meening moet tegenwoordig de 
naam lactea Wesm. door tineiformis Curt, vervangen wor- 
den. Onder dezen naam zijn echter* langen tijd een aantal 
soorten schuil gegaan, die eerst in den laatsten tijd goed zijn 
onderscheiden. Zoo zijn thans voor Europa 3 soorten van het 
geslacht Coniopteryx bekend geworden, nl. tineiformis Cur- 
tis 1834, pygmaea Enderlein 1906 en borealis Tjeder 1930. 
Door Spr. werd gedurende de laatste weken van Mei van 
dit jaar in de omgeving van Wageningen de soort pygmaea 
Enderl. met zekerheid achterhaald, in totaal 3 $ en 2 ? . 
Bij eene controle van de hVzef/ormis-exemplaren in de coll. 



VERSLAG. XCI 

Albarda in het Museum te Leiden vond Spr. daarin 5 
inlandsche exemplaren. Deze bleken echter alle ook tot de 
soort pygmaea Enderl. te behooren. Zij staan van de vol- 
gende vindplaatsen geëtiketteerd : Arnhem, Leeuwarden, 
Ginneken, Liesbosch. Van de echte tineilormis Curt, zag 
Spr. nog geen inlandsch materiaal. Deze soort moet dus voor- 
loopig nog uit de lijst van bekende inlandsche soorten ge- 
schrapt worden, doch het is te verwachten, dat zij mettertijd 
zal worden gevonden. Mogelijk komt ook C. borealis Tjeder 
hier voor ; zij werd in Finland, Zweden, Denemarken en En- 
geland gevonden. 

In de tweede plaats wil Spr. enkele nadere gegevens ver- 
melden omtrent zeldzame Hemerobiidae. Op de vorige win- 
tervergadering kon door Spr. Micromus paganus L. als in- 
landsch worden opgegeven, daar deze soort hem toen door 
twee exemplaren uit Zd. -Limburg bekend was geworden. Bij 
de revisie van de Neuroptera in het Museum te Amsterdam 
ontdekte Spr. nog een derde exemplaar dezer soort. Het in- 
sect werd te Vaals op 29.V.1927 door den heer Corpo- 
r a a 1 gevonden. Tevens ontdekte Spr. tusschen zijne eigene 
determinanda een jong, pas uitgekomen ^ , op 3 Juni 1931 
door hemzelf te Oegstgeest gevangen. Aanvankelijk hield 
Spr. dit insect voor een typischen vertegenwoordiger van het 
submontane Zd.-Limburgsche heuvelland. De vondst te 
Oegstgeest doet hieraan weer twijfelen, doch de mogelijk- 
heid moet niet worden uitgesloten, dat hier import met plan- 
ten van elders (aanleg Leidsche Hout!) kan hebben plaats 
gehad. 

Voorts kan Spr. wederom eene nieuwe soort voor de fauna 
vermelden n.l. Sympherobius pellucidus Walk. Dit kleine 
diertje trof Spr. aan in de coll. Mac Gillavry, thans in 
het Mus. Amsterdam ; het werd door den heer Corporaal 
te Bunde op 7.VI.1931 gevangen. 

Tenslotte verheugt het Spr., te kunnen mededeelen, dat 
van de Chrysopa-soort, die door hem op de wintervergadering 
werd vertoond, en vooral gekenmerkt was door de smalle 
vleugels, thans de determinatie is gelukt, dank zij vergelijking 
met buitenlandsche exemplaren in het Museum te Leiden. 
Het bleek te zijn een $ van Chrysopa gracilis Sehn, {tricolor 
Brau.), welke soort nog niet uit ons land bekend was. Aan- 
vankelijk stuitte de determinatie op de vleugeladering, die 
eene kleine afwijking van het normale type bleek te vertoonen. 
Het exemplaar, door den heer Koornneef te Baarn ge- 
vangen, werd met dank aan den schenker voor Spr. 's col- 
lectie bestemd. 

Niets meer aan de orde zijnde, wordt de vergadering, na 
dankzegging aan de sprekers, door den President gesloten. 



XCII VERSLAG. 

De contributie voor de Nederlandsche Entomologische 
Vereeniging bedraagt per jaar ƒ 10. — , voor leden in het 
Rijk buiten Europa f 6. — . Tegen storting van een bedrag 
van ƒ 100. — in eens, of, voor personen in het buitenland, 
van ƒ 35. — , kan men levenslang lid worden. De leden ont- 
vangen gratis de Verslagen der Vergaderingen (2 per jaar) 
en de Entomologische Berichten (6 nummers per jaar). De 
leden kunnen zich abonneeren op het Tijdschrift voor En- 
tomologie voor ƒ 6. — per jaar. 

Voor niet-leden bedraagt de prijs van het Tijdschrift voor 
Entomologie per jaargang ƒ 12. — , netto, en van de Ento- 
mologische Berichten f 0.50 per nummer. 



La cotisation annuelle de la Société Entomologique Néer- 
landaise est fixée à fl. 10. — . Contre un versement de fl. 100.— 
(pour les étrangers fl. 35. — ) on peut être nommé membre 
à vie. Les membres reçoivent les Procès-verbaux des séances 
(2 par année) et les Entomologische Berichten (6 numéros 
par année). L'abonnement au Tijdschrift voor Entomologie 
est, pour les membres, fixé à fl. 6. — par année. 

Le prix du Tijdschrift voor Entomologie pour les personnes, 
qui ne sont pas membres de notre société, est fixé à fl. 12. — 
par volume, net, et des Entomologische Berichten à fl. 0.50 
par numéro. 



The subscription to the Netherlands Entomological Society 
is fixed at fl. 10. — per annum. Life-membership can be ob- 
tained by paying the amount of fl. 100. — (for foreigners 
fl. 35. — ). The Reports of the Meetings (2 per year) and the 
Entomologische Berichten (6 numbers per year) are sent to 
all members. The subscription to the Tijdschrift voor Entomo- 
logie amounts, for members, to fl. 6. — per annum. 

For others the price of the Tijdschrift voor Entomologie 
is fl. 12. — per volume, net, of the Entomologische Berichten 
fl. 0.50 per number. 



Der Mitgliedsbeitrag für die Niederländische Entomologi- 
sche Gesellschaft beträgt fl. 10. — pro Jahr. Lebenslängliche 
Mitgliedschaft kann erworben werden gegen Zahlung von 
fl. 100. — (für Ausländer fl. 35. — ). Die Sitzungsberichte (2 
pro Jahr) und die Entomologische Berichten (6 Nummer pro 
Jahr) werden allen Mitgliedern zugesandt. Mitglieder kön- 
nen auf die Tijdschrift voor Entomologie abonnieren zum 
Vorzugspreise von fl. 6. — pro Jahr. 

Für Nichtmitglieder beträgt der Preis der Tijdschrift voor 
Entomologie fl. 12. — pro Band, netto, der Entomologische 
Berichten fl. 0.50 pro Nummer, 



VERSLAG. xeni 

Voor de leden der Nederlandsche Entomologische Veree- 
niging zijn verkrijgbaar bij den Secretaris, J. B. Corporaal. 
p/a. Zoölogisch Museum. Plantage Middenlaan 53, Amster- 
dam (C), voor zoover de voorraad strekt: 

Tijdschrift voor Entomologie, per deel (ƒ 12. — ) ƒ 6. — 

Entomologische Berichten, per nummer (ƒ0.50) ,. 0.20 

Verslagen van de Vergaderingen der Afdeeling 
Nederlandsch Oost-Indië van de Nederlandsche 
Entomologische Vereeniging, per nummer {ƒ0.50) ,, 0.20 

Handelingen der Nederlandsche Entomologische 
Vereeniging, van 1846- — 1858, met Repertorium . ,, 1.25 

Verslagen der Vergaderingen . . . (ƒ0.60) ,, 0.25 

P. C. T. Snellen, De Vlinders van Nederland, 
Macrolepidoptera, met 4 platen 10. — 

F, M. van der W u 1 p. Catalogue of the de- 
scribed Diptera from South- Asia . . . (ƒ3. — ) ,, 2.40 

F. M. van der Wul p en Dr. J. C. H. de 
M e ij e r e. Nieuwe Naamlijst Nederl. Diptera . ,, 2.10 

Handleiding voor het verzamelen, bewaren en 
verzenden van uitlandsche insecten . . (ƒ0.50) ,, 0.40 

Repertorium betreffende deel I — VIII van het 
Tijdschrift voor Entomologie ,, 0.50 

Repertorium betreffende deel IX — XVI id 0.75 

Repertorium betreffende deel XVII— XXIV id. ,. 0.75 

Jhr. Dr. Ed. Everts, Lijst der in Nederland en 
het aangrenzend gebied voorkomende Coleoptera ,, 0.30 

C. J. M. W i 1 1 e m s e, Orthoptera Neerlandica 

(ƒ5.-) „ 3.- 

M. A. L i e f t i n c k, Odonetta neerlandica I & 
II. per deel (ƒ5.— ) „ 3.— 

Prof. Dr. J. C. H. de M e ij e r e, Die Larven 
der Agromyzinen, I, 1925 {ƒ5. — ) ,, 3. — 

Dr. L. J. T o X o p e u s. De soort als functie van 
plaats en tijd, getoetst aan de Lycaenidae van het 
Australaziatisch gebied (alleen voor leden) . . . ,, 4.— 

Dr. H.Schmitz S. J., In Memoriam P. Erich 
Wasmann S. J., met portret en lijst zijner geschriften 
(450 titels) (ƒ2.50) ., 1.50 

Dr. A. R e c 1 a i r e. Naamlijst Nederl. Wantsen 

(ƒ6.-) „ 3.- 

Dr. A. Ree la ir e, id., Suppl. 1934 (ƒ!.— ) „ 0.50 

Feestnummer ter eere van Dr. J. Th. Oudemans 
1932 (Supplement T. v. E. deel 75) . (ƒ10.— ) .. 5.— 

Dr. J. Th. Oudemans, In Memoriam Jhr. Dr. 
Ed. }. G. Everts, met portret en lijst zijner ge- 
schriften (326 titels) (ƒ2.50) „ 1.50 

B. }. L e m p k e. Catalogus der Nederlandsche 
Macrolepidoptera I (ƒ6. — ) „ 2.50 

De prijzen tusschen haakjes ( ) gelden voor niet-leden 
der Vereeniging. 



XCIV 

LIJST VAN DE LEDEN 

DER 

NEDERLANDSGHE ENTOMOLOGISGHE VEREENIGING, 

OP 1 AUGUSTUS 1937, 

MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER 
TOETREDING, ENZ. 

(De Leden, die het Tijdschrift voor Entomologie Deel 

LXXX ontvangen, zijn met een *, de Leden voor het 

leven met een § aangeduid). 



EERELEDEN. 



*Prof. K. M. Heller, Weisser Hirsch, Strauss-Str. 2", Dres- 
den. 1911. 

*Prof. H. J. Kolbe, Steinàckerstr. 12, Berlin-Lichterfelde W. 
1913. 

*Lord Walter Rothschild. Tring Park, Herts., Engeland. 
1913. 

*Dr. G. de Horvàth. emeritus-director, Zoologische Abtei- 
lung, Ungarisches Nationalmuseum, Budapest. 1929. 

"Dr. L. O. Howard, Principal Entomologist, Bureau of 
Entomology, Washington, D.C., U.S.A. 1929. 

*Dr. A. C. Oudemans, Burgemeester Weertsstraat 65, Arn- 
hem. 1932. 

*Dr. W. Horn, Habelschwerdt Allee 25, Berlin-Dahlem. 1933. 

*Prof. Dr. R. Jeannel, p/a Muséum National d'Histoire Na- 
turelle, 45bis, Rue de Buffon, Paris {Ve). 1936. 

*Prof. Dr. Aug. Lameere, Rue Dufacqz 74, Brussel. 1937. 

*Edw. Meyrick, Thornhanger, Marlborough, Wilts., Enge- 
land. 1937. 

BEGUNSTIGERS. 

§*Het Koninklijk Zoölogisch Genootschap ,, Natura Artis 

Magistra", Amsterdam (C). 1879. 
§De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, Haarlem. 

1884. 
§Mevrouw J. M. C. Oudemans, geb. Schober, Huize ,,Scho- 

venhorst", bij Putten (Veluwe). 1892. 



LIJST DER LEDEN ENZ. XCV 

§ Mevrouw de Wed. J. P. Veth, geb. v. Vlaanderen, 

's-Gravenhage. 1899. 
Mevrouw P. J. K. de Meijere, geb. v. Dam, Noorder Amstel- 

laan 174", Amsterdam (Z.). 1913. 
Mevrouw J. S. M. Oudemans, geb. Hacke, Putten (Veluwe). 

1922. 
§Mevrouw E. Uyttenboogaart, geb. Eliasen, Heemstede. 1922. 
§Mevrouw J. J. Hacke, geb. Oudemans, Bronovolaan 14, 

's'Gravenhage, 1923. 
Mevrouw A. Y. S. Mac Gillavry, geb. Matthes, ,,de Haaf", 

Bergen-Binnen (N.-H.). 1926. 
§C. A. Oudemans, Oude Délit 212, Delft. 1929. 
§Mevrouw J. S. Oudemans, geb. Hoeksma, Arts, Oude Delft 

212, Delft. 1929. 
§Dr. Ir. A. H. W. Hacke, Bronovolaan 14, 's-Gravenhage. 

1929. 
§Mej. C. C. Oudemans, p. a. Damesleesmuseum, Lange Voor- 
hout 48, 's-Gravenhage. 1930. 
§Mevrouw C. A. H. Lycklama à Nijeholt, geb. Tabingh Suer- 

mondt. Twaalf Apostelenweg 75, Nijmegen. 1933. 

CORRESPONDEERENDE LEDEN. 

A. W. Putman Cramer, Lawrence Avenue 322, Westfield, 
New Yersey, U.S.A. 1883. 

Dr. L. Zehntner, Reigoldswil, Baselland (Zwitserland) . 1897. 

Dr. P. Speiser, Kreismedicinalrat, Kaiserstrasse 12, Königs- 
berg i. Pr. 1906. 

Dr. H. Schmitz S. J., Ignatius College, Valkenburg (L.). 
1921. 

*Dr. E. R. Jacobson, Ghijselsweg 6, Bandoeng, Java. 1928. 

Dr. K. Jordan, Zoological Museum, Tring, Herts., Engeland. 
1928. 

J. D. Alf ken, Delmestrasse 18, Bremen. 1929. 

*A. d'Orchymont, Houba de Strooperlaan 132, Brussel II. 
1929. 

H. St. John Donsithorpe, c/o Departement of Entomology, 
British Museum (Natural History), Cromwell Road, Lon- 
don S.W, 7, Engeland. 1931. 

Prof. Dr. G. D. Hale Carpenter, M. B. E., D. M., Penguelle, 
Hid' s Copse Road, Cumnor Hill, Oxford, Engeland. 1933. 

BUITENLANDSCHE LEDEN. 

*René Oberthür, Faubourg de Paris 44, Rennes (Ille-et- 
V ilaine), Frankrijk. — Coleoptera, vooral Carabiden 
(1882—83). 



XCVI LIJST DER LEDEN ENZ. 

Dr. H, Schouteden, Directeur du Musée du Congo, Tervue- 

ren, België. — (1906—07). 
Corn. J. Swierstra, Directeur van het Transvaal-Museum. 

Pretoria. — (1908—09). 
*James E. Collin, ,,Rayland", Newmarket, Engeland. — 

(1913—14). 
*Bibliotheek der R. Universiteit, Lund, Zweden. — (1915 — 

16). 
Prof. Dr. Felix Rüschkamp, p. a. Philosophisch-theologische 

Hochschule, Offenbacherlandstr. 244, Frankfurt ajM, 

Süd 10. — Coleoptera (1919—20). 
*Dr. A. Clerc, 7, Rue de Montchanin, Paris (XVlle), Frank- 
rijk. — Coleoptera, vooral Curculionidae orb. terr. (1926 

—27). 
*Dr. W. Chr. Mezger, 45, Boulevard de la Saussaye, Neuilly 

sjSeine, Frankrijk. ■ — (1926 — 27). 
*Dr. A. Avinoff, Director, Carnegie Museum, Pittsburg, Pa., 

U. S. A. — Lepidoptera (1928—29). 
Prof. N. Bogdanov — Katjkov, Instituut voor toegepaste 

Zoologie en Phytopathologie, Troizkj str., 9, apt. 8, Lenin- 
grad. U. S. S. R. — Oeconomische Entomologie en Tene- 

ibrionidae (1928—29). 
*}ohn D. Sherman Jr., 132, Primrose Ave., Mount Vernon. 

N.Y., U. S. A. — Bibliographie. (1930—31). 
*Dr. Marc André, Muséum national d'Histoire naturelle, 61. 

Rue de Buffon, Paris (Ve), ^ Acari (1933). 
*F. J. Spruijt, Route 1, Box 95, Amherst, Mass., U.S.A. — 

(1933). 

GEWONE LEDEN. 

Prof. Dr. H. }. van Ankum, Wilhelminalaan 34, Zeist. — 
Algemeene Zoölogie (1871 — 72). 

H. A. Bakker, van Reesstraat 36, ' s-Gravenhage. — Neu- 
roptera (1921—22). 

Dr. G. Barendrecht, Conservator Entomologisch Laborato- 
rium, Plantage Doklaan 44, Amsterdam (C). — Hy- 
menoptera (1928—29). 

*Prof. Dr. L. F. de Beaufort, Buitengewoon Hoogleeraar aan 
de Gemeentelijke Universiteit ; Directeur van het Zoölo- 
gisch Museum te Amsterdam, Huize „de Hooge Kley", 
Leusden bij Amersfoort. — (1911 — 12). 

§Dr. W. Beijerinck, Biologisch Station. Wijster (Dr.). — 
(1930—31). 

*P. J. Bels, biol. cand., Velserstraat 101, Haarlem. — Alge- 
meene Entomologie, vooral Formiciden (1934). 

A. C. V. van Bemmel, biol. docts., Ramen 2, Hoorn. — Al- 
gemeene Entomologie (1937). 

Ir. G. A. Graaf Bentinck, Electrotechn. Ing., Bloemendaal- 
sche weg 196, Overveen. — Lepidoptera (1917 — 18). 



LIJST DER LEDEN ENZ. XCVII 

Chr. Berger, med. stud., Frankenslag 324, 's~Gravenhage. — 

Coleoptera (1934). 
K. J. W. Bernet Kempers, Oud-Directeur der Registratie en 

Domeinen, Riouwstraat 152, 's-Gravenhage. — Coleoptera 

(1892—93). 
A. J. Besseling, Koningsweg 30, 's-Hertogenbosch. — (1923 

—24). 
§*Dr. J. G. Betrem, Entomoloog b/h. Proefstation Malang, 

Boeringweg 15, Malang, Java. — Hymenoptera ( 1921 — 22). 
Dr. J. A. Bierens de Haan, Privaatdocent aan de Universiteit. 

Minetvalaan 26, Amsterdam (Z,). — (1918—19). 
Ir. P. A. Blijdorp, Harnjesweg 78L., Wageningen. — Toe- 
gepaste en Algemeene Entomologie, vooral Orthoptera 

(1933). 
*Dr. H. C. Blote, Conservator aan 's-Rijks Museum van 

Natuurlijke Historie te Leiden, Veursche weg 45E, Voor- 

schoten. — (1923—24). 
D. G. J. Bolten, ƒ. v. Oldenbarneveldtlaan 24, Amersfoort. — 

Water-insecten (1937). 
Mevrouw C. M. Bouwman-Buis, Ostadelaan 17, Bilthoven. 

— Arachnidae (1937). 
Prof. Dr. H. Boschma, Directeur van 's-Rijks Museum van 

Natuurlijke Historie te Leiden. — (1935). 
Dr. J. Bosscha, Parc-Hotel, Merano (Italia). — Coleoptera 

(1882—83). 
C. J. Briejèr, biol. docts., Stationsweg 226, Hillegom. — 

Algemeene Entomologie (1936). 
J. Broerse, Rustenhur gerstraat 108 n , Amsterdam (Z.). — 

Nederlandsche Coleoptera (1923 — 24). 
*C. M. C. Brouerius van Nidek, A. v. Scheltemaweg 4, Ber- 
gen (N.-H.). — Coleoptera (1937). 
Prof. Dr. S. L. Brug (1931—32). 
Mej. A. M. Buitendijk, Witte Singel 73a, Leiden — Aptery- 

gogenea ( 1932). 
J. R. Caron, Van der Helstlaan 44, Hilversum. — Lepido- 

ptera (1919—20). 
J. C. Ceton, ,,Grazia Felix", Keijenbergsche weg 9, Benne- 

nekom. — Lepidoptera (1932). 
*H. Coldewey, litt, class, drs., ,,Nieuw Veldwijk" , K 73, 

Twello. — Lepidoptera (1919—1920). 
§}. B. Corporaal, Conservator voor Entomologie aan het 

Zoölogisch Museum, Plantage Middenlaan 53, Amster- 
dam (C.). — Coleoptera, vooral Cleridae (1899—1900). 
Rector Jos. Cremers, Looiersgracht 7, Maasstricht, — 

Coleoptera en Lepidoptera ( 1 906 — 07 ) . 
Dr. K. W. Dammerman, Directeur van 's Lands Plantentuin, 

Buitenzorg, Java, — Algemeene Entomologie (1904 — 05). 
*Mr. E. van Delden, Bankastraat 12, Soerabaja, Java. — 

Lepidoptera van Ned. O.-Indië (1923 — 24). 



XCVIII LIJST DER LEDEN ENZ. 

*Het Deli Proefstation, Medan, Sumatra. — (1908 — 09). 
*A. Diakonoff. biol. docts., Nie. Maesstraat 91, Amsterdam 

(Z.) . — Microlepidoptera; Algemeene Entomologie ( 1933). 
*E. D. van Dissel, Directeur van het Staatsboschbeheer, 

Nassaustraat 15, Utrecht. — (1906—07). 
ProF. Dr. W. M. Docters van Leeuwen, Verlengde Bergweg 

159a, Leersum. — (1921—22). 
Ir. J. Doeksen, p/a Laboratorium voor Entomologie, Wage- 

ningen. — Thysanoptera (1937). 
*P. H. van Doesburg, Cantonlaan 1, Baarn. — Coleoptera 

(1921—22). 
*C. Doets, Prof. Poelsstraat 19, Hilversum. — Microlepi- 
doptera (1935). 
*G. Doorman, julianaweg 14, Wassenaar. — (1915 — 16). 
F. C. Drescher, Pahud de Mortangesweg 3, Bandoeng, 

Java. — (1911—12). 
Mr. E. J. F. van Dunne, Batavia, Java. — Lepidoptera 

(1911 — 12). 
*Th. van Eek, biol. docts., Rijngeesterstraatweg 147, Oegst- 

geest. — (1935). 
*Dr. L. D. Eerland, Paree (Kediri), Java. — (1935). 
*H. C. L. van Eldik, Van der Woertstraat 20, 's'Graven- 

hage. — Lepidoptera en Coleoptera (1919 — 20). 
M. L. Eversdijk, Biezelinge. — Algemeene Entomologie 

(1919—20). 
A. M. J. Evers, Adelaarsweg 69, Amsterdam (N.). — 

Coleoptera (1937). 
§G. L. van Eyndhoven, Eindenhoutstraat 26, Haarlem. — 

Lepidoptera (1927—28). 
*F. C. J. Fischer, Persijnstraat 13a, Rotterdam. — Tricho- 

ptera en Lepidoptera (1929 — 30). 
*Dr. H. J. de Fluiter, Entomoloog, Besoekisch Proefstation, 

Djember, O.-Java. — Toegepaste en Algemeene Entomo- 
logie, vooral Hymenoptera en Diptera parasitica 

(1929—30). 
Ir. J. J. Fransen, Amsterdamsche weg 18, Arnhem. — Toege- 
paste, vnl. Landbouwentomologie (1935). 
Dr. C. J. H. Franssen, Dierkundige bij het Instituut voor 

Plantenziekten, Bataviasche weg 18, Buitenzorg, Java. — 

Aphididae, Paussidae (1928—29). 
§Dr. D. C. Geijskes, p/a Laboratorium voor Entomologie, 

Berg 37, Wageningen. — Aquatiele Neuropteroidea 

(1928—29). 
*Mej. A. Gijzen, biol. docta., Bergweg 236b, Rotterdam. 

Microlepidoptera (1929—30). 
W. H. Gravestein, Rnbensstraat 87, Amsterdam (Z.). — 

Coleoptera (1937). 
*J. A. M, van Groenendael, arts. Wilhelminastraat 21, Soe- 

kaboemi, Java. — (1930 — 31). 



LIJST DER LEDEN ENZ. XCIX 

Dr. J. A. W. Groenewegen, leeraar aan de H.B.S., Johan 

de Withstraat 49, Leiden. — Arachnoidea (1929 — 30). 
P. Haverhorst, Wilhelminapark 70, Breda, — Lepidoptera 

en Hymenoptera aculeata ( 1 928 — 29 ) . 
H. Hoogendoorn, Leeuweringerstraat 130, Oudewater. — 

Algemeene Entomologie, vooral Trichoptera (1934). 
Het Instituut voor Plantenziekten, Buitenzorg, Java. ■ — ■ 

(1930—31). 
Mej. A, Jaarsveld, biol. docta., Javalaan 10, Baarn. — Alge- 
meene Entomologie (1929 — 30). 
§Dr. E. R. Jacobson, Ghijselsweg 6, Bandoeng, java. — 

Algemeene Entomologie (1906 — 07). 
J. A. Janse, Damrak 57, Amsterdam (C). — Nederlandsche 

Lepidoptera Rhopalocera ( 1 930—3 1 ) . 
P. J. Janse Jr., p/a Ondern. Silau Doenia, P. K. Tebing Ting- 

gih, Sumatra's O. K. — Diptera (1930—31). 
*W. de Joncheere, Singel 198, Dordrecht. — Lepidoptera 

(1913—14). 
C. de Jong, Assistent aan 's Rijks Museum van Natuurlijke 

Historie te Leiden, Hoogewoerd 14, Leiden. — Coleoptera 

(1926—27). 
Dr. J. K. de Jong, p/a Zool. Mus., Buitenzorg. — (1927—28). 
Dr. W. J. Kabos, den Texstraat 42 boven, Amsterdam (C). 

— Diptera (1936). 

Dr. L. G. E. Kalshoven, Dierkundige bij het Instituut voor 
Plantenziekten, Buitenzorg, Java. — Algem. Entomologie 
(1921—22). 

Prof. Dr. C. J. van der Klaauw, Hoogleeraar aan de Rijks- 
universiteit, Kernstraat 11, Leiden. — Toegepaste Ento- 
mologie (1929—30). 

§*B. H. Klynstra, Frankenstraat 60, 's-Gravenhage. — 
Coleoptera, voorn. Caraboidea (1902 — 03). 

§F. B. Klynstra, Frankenstraat 60, 's-Gravenhage. — Co- 
leoptera (1935). 

*W. Koenraads, Klimopstraat 88, 's-Gravenhage. — (1933). 

*Ir. H. Koornneef Li., Hoogeweg 18, Velp (Geld.). — Hy- 
menoptera (1936). 

J. Koornneef, Hoogeweg 18, Velp (Geld.). — Algemeene En- 
tomologie, vooral Hymenoptera (191 7 — 18). 

P. Korringa, biol. drs., Antwerpschestraat 58, Bergen op 
Zoom. — Algemeene en toegepaste Entomologie (1937). 

Mr. H. H. Kortebos, Directeur Twentsche Bank, St. Lam- 
bertuslaan 10a, Maastricht. — Lepidoptera (1935). 

W. J. Kossen, Nieuwe Meerdijk 411, Badhoevedorp (N.-H.). 

— Laboulbeniaceeën (1936). 

§*Dr. G. Kruseman Jr., Jacob Obrechtstraat 16, Amsterdam 
(Z.) — Diptera 1930—31). 

Dr. P. A. van der Laan, p/a Deli Proefstation, Medan Su- 
matra. — (1934). 



e LIJST DER LEDEN ENZ. 

Laboratorium voor Entomologie der Landbouwhoogeschool, 

Berg 37, Wageningen. — (1929—30). 
*Dr. S. Leef mans, lector a. d. Gemeentelijke Universiteit te 

Amsterdam, Bcederolaan 11, Heemstede (bij station Aer- 

denhout). — Algemeene Entomologie. Lamellicornia 

(1911 — 12). 
G, de Leeuw S. J , Hobbemakade 51, Amsterdam (Z.). — 

Algemeene Entomologie (1931 — 32). 
H. E. van Leyden, biel. docts., flatgebouw ,,Catsheuvel", 

Adriaan Goekooplaan 111, ' s-Gravenhage. — Lepidoptera 

(1915—16). 
B. J. Lempke, Oude IJselstraat 12^^' , Amsterdam- (Z.) . — 

Lepidoptera ( 1 925 — 26 ) . 
§*M. A. Lieftinck, Conservator, Zoölogisch Museum, Buiten- 

zorg, Java. — (1919—20). 
}, Lindemans, Spoorlaan 90, Ermelo (G.). — Ichneumonidae 

(1901—02). 
N. Loggen, Heidestraat 49, Hilversum. — Lepidoptera 

(1924—25). 
*C. J. Louwerens, Hoofd H. C. School, Toeloengagoeng, 

Java. — (1928—29). 
*H. Lucht, Adm. K. O. „Blawan", Bondowoso, Java. — ■ 

(1931—32). 
§*Dr. D. Mac Gillavry, ,,de Haaf", Bergen-Binnen (N>-H.). 

— Coleoptera en Rhynchota (1898 — 99). 

§Dr. H. }. Mac Gillavry, Palaeontoloog, p/a N.V. Ned. 
Koloniale Petroleum-Mij, Soengei Gerong, Paler. ibang, 
Sumatra. (1930—31). 

§Mej. M. E. Mac Gillavry, Aalsmeerderweg 301, Aalsmeer. 
(O.). — Lepidoptera (1929—30). 

*]. C. van der Meer Mohr, Directeur van het Deli Proef- 
station, Medan, Sumatra. — (1925 — 26). 

*Prof. Dr. J. C. H. de Meijere, Noorder Amstellaan 174". 
Amsterdam (Z.). — Diptera (1888—89). 

G. S. A. van der Meulen, Van Breestraat 170, Amsterdam 
(Z.). — (1924—25). 

* Museo Entomologico ,, Pietro Rossi", Duino (Trieste), Italia 

— (1928—29). 

*De Nederl, Heidemaatschappij, Arnhem. — (1903 — 04). 

*De Nederlandsch-Indische Entomologische Vereeniging, 
p/a Instituut voor Plantenziekten, Buitenzorg, Java. — 
(1935). 

*C. Nies, Heuvel B 43, Deurne (N.-Br.). — Lepidoptera 
(1935). 

*H. Th. Nieuwenhuijsen, Nonnenveld 86, Gorinchem. — 
Algemeene Entomologie (1927 — 28). 

A. C. Nonnekens, 2e Jan van der Heydenstraat 8, Amster- 
dam (Z.). — Coleoptera (1921—22). 

Dr. S. J. van Ooststroom, Assistent aan 's Rijks Herbarium te 
Leiden, Emmalaan 21, Oegstgeest. — Coleoptera (1935). 



LIJST DER LEDEN ENZ. CI 

Dr. A. C. Oudemans, Burgemeester Weertsstraat 65, Arnhem. 

— Acari, Pulicidae (1878—79). 

§J. C. Oudemans, Oude Delft 212, Delft. — (1932). 

§*Dr. Th. C. Oudemans, Landbouwkundig ingenieur. Huize 

, .Klein Schovenhorst", bij Putten (Veluwe). — Algemeene 

Entomologie (1920—21). 
A. A. van Pelt Lechner, Velperiveg 79, Arnhem. — 

(1925—26). 
*D. Piet, Kruislaan 222hs. Amsterdam (O.). — Lepidoptera 

(1937). 
Plantenziektenkundige Dienst, Wageningen. — (1919 — 20). 
R. A. Polak, Weesperzijde 34 boven, Amsterdam (O). — 

(1898—99). 
Proeftuin Z.-H. Glasdistrict, afd. Onderzoek, Zuidweg, 

Naaldwijk. — (1937). 
*Dr. A. Reclaire, Alexanderlaan 17, Hilversum. — Coleo- 

ptera, Rhynchota (1919—20). 
Dr. A. Reyne, }oh. Vermeerstraat 83 ^ , Amsterdam (Z.). — 

Algemeene Entomologie (1917 — 18). 
's Rijks Museum v. Natuurl. Historie, Leiden. — (1915 — 16). 
Ir. J. }. L. de Rooi], Robert Fruinstraat 15, Rotterdam. 

— (1929—30). 

W. A. Schepman, Directeur Amsterdamsche Bank, Bossche- 

weg 25, Vught. — Coleoptera (1919—20). 
L. H. Scholten, C. 66, Lobith. — Lepidoptera (1923—24). 
Dr. E. A. M. Speijer, Pijnboomstraat 98, 's-Gravenhage. — 

Arachnoidea, vooral Pedipalpi en Scorpionidae (1932 — 33). 
*M. Stakman, Frederik Hendrikstraat 10, Utrecht. — 

(1921—22). 
Aug. Stärcke, Arts. Den Dolder (Utr.j. — Formicidae 

(1925—26). 
Mej. Dr. M. N. Stork, Hobbemakade 95' , Amsterdam (Z.). 

— (1928—29). 

Dr. A. L. J. Sunier, Directeur van het Koninklijk Zoölogisch 
Genootschap ,, Natura Artis Magistra", Plantage Midden- 
laan 51, Amsterdam (C). — (1927—28). 

H. Tennissen, Schellinglaan 19, Voorburg (Z.-H.). — Hy- 
menoptera (1937). 

Dr. G. van der Torren, van Oldenbarneveldweg 36, Bakkum 
(gem. Castricum) . — Toegepaste Entomologie (1937). 

*Dr. L. J. Toxopeus — Indo-Austrahsche Lycaeniden 
(1919—20). 

§*Dr. D. L. Uyttenboogaart, Adriaan Pauwlaan 8, Heem- 
stede (post Haarlem). — Coleoptera (1894 — 95). 

H. van der Vaart, Hagelingerweg 139, Santpoort. — Coleo- 
ptera en Lepidoptera (1921 — 22). 

"F. T. Valck Lucassen, „'t Molenblick", Vorden (Gelderl.). 

— Coleoptera (1910—11). 

Dr. J. van der Vecht, Dierkundige bij het Instituut voor Plan- 



cil VERSLAG. 

tenziekten, Buitenzorg, Java. — - Hymenoptera (1926 — 27). 

A. Veldhuijzen, med. docts., Zwolsche straat 217, Scheve- 
ningen. — Lepidoptera (1934). 

Prof. Dr, J. Versluys, 2tes Zoologisches Institut der Univer- 
sität, Wien L — (1920—21). 

*M. C, }, Visscher, Vondelkade 18, Zwolle. — Lepidoptera 
(1935), 

Mevrouw Dr. B, de Vos, geb, de Wiîde, J. M. Coenen- 
straat 22, Amsterdam (Z.). — Algemeene Entomologie 
(1926—27), 

*J, J, de Vos tot Nederveen Cappel, Arnhemsche straat- 
weg 34, Velp (Gld.). — Coleoptera (1902—03).- 

§Dr. A. D. Voûte, Tjisankoei-straat 10, Bandoeng, Java. — 
(1929—30). 

Mevrouw J, Voûte, geb. Broeksma, p/a Dr, Steensma, Clio- 
straat 20, Amsterdam (Z.). — (1931—32). 

§*P, van der Wiel, Gerard Terborgstraat 23, Amsterdam 
(Z.). — Midden-Europeesche Coleoptera en Formicidae 
(1916—17), 

*J, C. Wijnbelt, Eerste Jac, van Campenstraat 16, Amster- 
dam (Z.). — Microlepidoptera (1924 — 25), 

J, Wilcke, biol. docts.. Veeteeltstraat 4, Amsterdam (O.). — 
Hymenoptera ( 1 936 ) , 

§*C. J. M. Willemse, Arts, Eygelshoven (Z.-Limb.). — 
Orthoptera (1912—13). 

*Ir. T. H. van Wisselingh, Hoofdingenieur bij 's Rijks Wa- 
terstaat, Storm V. ' s-Gravesandeweg 95, Wassenaar. — 
Lepidoptera (1924 — 25). 

*J. H, E, Wittpen, le Constantijn Huygensstraat 103huis. 
Amsterdam (W.). ■ — Lepidoptera (1915^ — 16). 

Het Zoölogisch Museum en Laboratorium, Buitenzorg, Java. 
— (1919—20), 

BESTUUR. 

President: Prof. Dr. J. C. H. de Meijere (1936—1942). 
Vice-President: Dr. D. Mac Gillavry (1932—1938). 
Secretaris: J. B, Corporaal (1932—1938), 
Penningmeester: B, H, Klynstra (1934 — 1940). 

(Postrekening der Ned. Ent, Ver,: 188130). 
Bibliothecaris: Dr, D, L. Uyttenboogaart (1934 — 1940). 
F, T, Valck Lucassen (1936—1942). 

COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR DE 
PUBLICATIES. 

Prof. Dr. J. C. H. de Meijere (1936—39). 

J. J. de Vos tot Nederveen Cappel (1937—1940). 

F. T, Valck Lucassen (1936—39). 



Fauna Javanica 

The Staphylinidae Collected by Mr. F. C. Drescher 

by 

MALCOLM CAMERON, M.B., R.N., F.R.E.S. 

(Continued from Tijdschr. voor Ent. vol. 79, p. 54). 
Part. 11. 



Staphylininae. 

MetoHnus Cam. 
Metolinus javanicus sp, n. 

Very closely allied to parvus Cam. (described as an Oligo- 
linus) of the same size and colour, but a little more slender, 
the head obviously longer and narrower, distinctly longer 
than broad, the frontal sulci are obsolete as in parvus being 
reduced to two small inconspicuous foveae, one behind the 
other on each side, the punctures though equally sparing are 
larger and groundsculpture entirely absent ; the thorax has a 
dorsal row of five punctures on each side and these are larger 
than in parvus, ground sculpture is also absent. In all other 
respects similar to parvus. Length 4 mm. 

G. Patoeha, Preanger, alt. 7000 ft. 15-22, v. 28. Unique. 

Leptacinus Er. 

tricolor Kr. Tjilatjap, 21. XII. 26. Also in Ceylon and India. 

Leptacinus unicolor sp. n. 

Shining, black, the thorax with dorsal row of five or six 
fine punctures. Antennae blackish, the first two joints red- 
dish. Legs reddish-yellow. Length 4.5 mm. 

Head a little broader than the thorax, a little longer than 
broad, the sides parallel behind the eyes, the posterior angles 
broadly rounded, median frontal sulci well marked, parallel, 
the lateral reduced to a small fovea, disc impunctate, towards 
the sides with a few small punctures, yet smaller towards 
the post-ocular region, ground sculpture absent. Antennae 
scarcely differing in structure from those of parumpunctatus. 
Thorax about a third longer than broad, the sides a little 
sinuate behind, on each side of the middle with a row of five 
or six fine punctures, externally with three or four others in 
a short curved, row, ground sculpture absent. Elytra as long as 
but broader than the thorax, with a suturai and humeral row 



2 MALCOLM CAMERON, 

of extremely fine, scarcely visible punctures. Abdomen extre- 
mely finely and very sparingly punctured. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. 3.VI.30 : 
12-18.1.33. 3-15.II.33. 

Pachycorynus Motsch. 
dimidiatus Motsch. Tjilatjap. XII. 26. Also Ceylon, India 

Lombok and Philippines. 
ophis Cam. G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. X.33. 

Also in Sumatra. 

Pachycorynus unicolor sp. n. 

Black, shining. Antennae reddish-yellow. Legs reddish- 
yellow, the femora infuscate along the anterior margins. 
Length 6.5 mm. 

Closely allied to niger, but differs from it in the broader 
head with the sides more evenly rounded, not at all widened 
behind and rather more closely punctured, thorax a little 
longer and narrower, the punctures finer, elytra more finely 
punctured. Also very near Baked but differs in the much 
broader head with much more rounded sides and much more 
closely punctured, and narrower and more closely punctured 
thorax. 

G. Tangkoeban Prahoe, 24.VI.29; 1-11.1.33. 

Mitomorphus Kr. 

Mitomorphus javanus sp.n. 

Shining, black, the elytra with metallic bronze-black reflex : 
thorax with dorsal row of six or seven fine punctures, 
externally with a curved row of five others. 

Antennae blackish brown, the first three joints reddish. 
Legs reddish-yellow. Length 7.5 mm. 

Differs from obsoletus in the absence of metallic reflex 
on the head and thorax, the former more egg-shaped and the 
less finely and more sparingly punctured elytra. Head oviform, 
a little broader than the thorax, median frontal sulci short 
and feeble, the lateral fine, linear, obsolete, behind the median 
with four fine quadrately placed punctures, towards the sides 
and base with a few very fine scattered punctures. Thorax 
elongate, narrowed behind, with sculpture as above described. 
Elytra as broad but scarcely as long as the thorax, with a 
row of fine closely placed punctures along the suture and yet 
finer and less numerous subhumeral row, between these two 
rows with four or five others, the reflexed sides with four or 
five punctures. Abdomen extremely finely and very sparingly 
punctured. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt 4000—5000 ft. 12-18.1.33. 
III.VI.VII.30. G. Patoeha, alt 7000 ft. 24.11.28. 



FAUNA JAVANICA. 3 

Mitomorphus basalis sp. n. 

Shining, black, elytra brassy bronze, the shoulders, base 
and reflexed margins yellow ; abdomen with the posterior 
margin of the 5th (visible) and apical half of the 6th yellow. 
Antennae red. Legs reddish-yellow. Length 8.5 mm. 

Head oval broader than the thorax, the median sulci fine 
and short, the lateral obsolete, behind the former with four 
punctures placed quadrately, the surface except along the 
middle with small scattered punctures. Antennae with the 
5th to 10th joints transverse .Thorax longer than broad, 
the sides straight as seen from above and gradually retracted 
behind, with dorsal row of ten small punctures, extenally 
with an equal number arranged in hook shape. Elytra a little 
shorter than the thorax, the punctures moderately coarse, deep 
and close, somewhat confused towards the suture, but exter- 
nally arranged more or less in three rows, the reflexed sides 
with two rows of fine punctures. Abdomen finely and very 
sparingly punctured, ground sculpture transverse, wavy, 

G. Tangkoeban Prahoe, ah. 4000—6000 ft. ILIIL34. 

Mitomorphus Drescheri sp.n. 

Build and colour of the preceding, but larger (9 mm.), 
frontal sulci longer, thorax with dorsal row of eleven or 
twelve punctures and a lateral curved row of nine or ten ; 
elytra with stronger greenish bronze metallic reflex, the 
punctures coarser and more numerous. 

G. Tangkoeban Prahoe. at 4000—5000 ft. 3- 15.11.33. 
Unique. 

Mitomorphus pubiventris sp. n. 

In size, colour and build differing but little from nigroae- 
neus, but at once distinguished by the extremely fine, very 
close puncturation and pubescence of the sides and base of 
the head, the disc except for the usual four quadrately placed 
punctures, smooth ; the punctures of the dorsal and lateral 
rows of the thorax are fine and five or six in number as in 
nigroaeneus, the puncturation of the elytra is very obsolete, 
only a trace of a suturai and subhumeral row being visible, 
the puncturation of the abdomen is extremely fine and close 
throughout the pubescence is likewise dense and fine and 
differs from that of any species of the genus known to me. 
Length 5 mm. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000 — 5000 ft. 12.XL29 : 
8.X.29 : IX.33. 

Indoscitalinus Heller. 
anachoreta Er. Tjilatjap : Djeroeklegi. Widely distributed 

in the Oriental region. 
dispilus Er. Tjilatjap, 6.VIIL25. Also in India. 



4 MALCOLM CAMERON. 

borneensis Bernh. G. Tangkoeban Prahoe ; Batoerraden, 

G. Slamai, Ban'doeng Dago. Also in 
Borneo. 
javanus Bernh. G. Tangkoeban Prahoe : Batoerraden, 

G. Slamat. 
annulatus Fauv. var. deficiens n. 

This only differs from the type in the first four visible 
abdominal segments being yellowish-red instead of the first 
two being black. 

G. Raoeng. Bajoekdoel, alt. 450—700 m. X.XI.32. {Lucht) 
Batoerraden, G. Slamat, X. XII. 28. Also in Bogor and Lom- 
bok. 

Othius Steph. 
Othius javanus sp.n. 

Shining, black, the posterior margin of the thorax narrowly, 
the first two visible segments of the abdomen entirely, yel- 
lowish red. Antennae reddish. Legs reddish yellow, the fe- 
mora a little infuscate. Length 6.75 mm. 

Head as broad as the thorax, distinctly longer than broad, 
the sides nearly parallel, only diverging very slightly behind, 
ocular sulcus short and narrow, ending in a setigerous punc- 
ture, puncturation very fine and very scanty ; ground sculp- 
ture distinct. Antennae short and stout, the3rd and following 
joints transverse, slightly increasing in width. Thorax a good 
deal longer than broad, the sides parallel, the angles broadly 
rounded, on each side of the middle with a row of seven or 
eight fine punctures, externally with ten or eleven equally 
fine ones irregulary distributed : ground sculpture as on the 
head. Elytra as long as and scarcely broader than the thorax, 
with three rows of about nine or ten very fine punctures, 
suturai, subhumeral and intermediate, the reflexed sides scar- 
cely perceptibly punctured ; ground sculpture absent. Abdo- 
men parallel, finely and sparingly punctured, the penultimate 
setiferous, near the posterior margin of each segment with 
four longer black setae. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt 1400 m 18.1.33. {Jacobson) 
Unique. 

Diochus Er. 

punctipennis Motsch. G. Goentoer. 20 — 26. IX. 25. Widely 

distributed in the Oriental region. 
antennatus Motsch. Batoerraden, G. Slamat, VIII. 26. Widely 
distributed in the Oriental region. 

Neobisnius Ganglb. 
praelongus G. & H. Batoerraden, G. Slamat, V.26 : V.28. 
G. Tangkoeban Prahoe, 21. IV. 30. Widely dis- 
tributed in the Oriental region. 



l'Ai INA lAVANIC.A. 5 

Philonthus CiuMis. 
< innicoi'ii^hiiciis ncnih. G. Pafocha, ait. 5000 f(. VI. 28. C. 
Tanqkocban Prahoe. ait. 4000 5000 ft. 
20.VII.30: Panqcranqo, 2.3.1V.31. ( ro.ro- 
pens), r.ohalvsoak. 22 25.VI. 12. {Taxa- 
pens ) . 
jai'iìniis Borali. BatcHM-radcii. (ì. Sl.imat. 1.27. 
sarawakcnsis Bernli. Balcu-iraiirn, (^ Slamai , IO 12, Vili. 26 

Al.so ill Bdinco. 
snhhìcvipcnnis Berilli. Batocrratlcii, (i. Slaiiiat, 1.27. Al.so 

in Stiiiialra ami ,Siiu|ap(irt'. 
niqripcs Ciani. C.. 'l\iiiqkochan Praìioc. alt. 4000 5000 fi. 
IX. XII. 3 1 C^.'CuHMilocr. 20—26 IX. 25. Also in Bor 
nco and Malay Peninsula. 
The number of punctures in the dorsal row varies fi-om S 
to 7 and are often different on the two sides. 
paederoidcs Motseli. Djeroekleqi. Zuid Banjoemas, 5.IV. U), 

Widely distributed in the Oriental rcqion. 
.iciicipcnnis Boli. G. Tanqkoeban Prahoc. alt. 4000-' 5000 ft, 
20. III. 20. Bandoenq Daqo. G. Raoenq. Bajoek- 
doel. .30.x. 32. (Lncht)^ Widely distributed in 
the Oriental reqion. 
Inrdns Kr. Tjilatjap. VI. 25. Widely tlisi libntetl in the Orien 

tal reqion. 
iicminns Kr. Znider Geb. Bakaban. 2H.Vni.27. Widely dis 

tribiited in the Oriental reqion. 
hclonnilioh/cs (lam. Tjilatjap, Vin.XII.2(). Bandoenq Daqo. 

6. IX. 20. Also in Sinqaixire. 
klioicrns Kr. C. Tanqkoeban Prahoe, alt 4000 5000 ft. Also 

in Gcylon and India. 
cUscoidcns Gr, Tjilatjap, 22.11.26. Bandoenq Oaqo, 1 5.1. M . 

Closiiiopolitan. 
iicmlcttcns Kr. Tjilatj.ip, 5. XII. 26. Batoerr.ulen, G. Slamat, 
iO. VII 1. 26. Al.so in Ceylon. Sumatra, l.ambok, 
and Philippines. 
iicmcllns Kr. Tjil.itjap, 20.VIII.26. liandoenq, I 5. IV. 34. Also 

in C-cylon, India, and Malay Peninsula. 
rcniolns Fauv. G. Taiuikoeban Prahoe. alt 4000 5000 ft. 

V.33. Also in Burma and India. 
iltiisijniliiivins Gyll. v, inqnimitns Stepli. P)aiuloeni| l)ai|o, 
II.V.29. Tjilatjap. 5.XII.26. Djeroekleqi, Zuid 
Banjoemas, 7. II. 31. Widely distributed. 
infcrposilns Bernh. Tjibodas, G. Gedeh. alt. 1400 m 24-31. XI. 

33. (Toxopctts). 
(jnicilrntns (^am. Tanqkoeban Prahoe. 1 1. V, VI, VI 1. 33. Ba- 

toerraden, G. Slamat, l().l.')2. 
rciioiiiinnliis n. n. {vicinns Cam. Tijdsch. v. \\\\{. I XXVI. 
1933, p. 380. praeoe.). 

G. Tanqkoeban Prahoe, alt. 4000 5000 ft. 
3.VI,30; 10 31.3 3 Al.so in Sumatra. 



6 MALCOLM CAMERON, 

viduus Cam. (Gabrius). G. Tangkoeban Prahoe. alt 4000 — 

5000 ft. 9. Ill — 12.IV.33. Also in Borneo. 

propinquus Cam. (Gabrius) G. Tangkoeban Prahoe, alt. 

4000 — 5200 ft. Bandoeng Dago. Also in Sumatra. 

thermantm Aube (Gabrius) Tjilatjap, X.25 ; 22.11.26. Batoer- 

raden. 8.VIII.26. Tebok Batong, 12.XII.28. Ba- 

bakan. VIII. 26. Cosmopolitan. 

Philonthus divergens sp. n. 

Head and thorax shining coppery bronze, elytra and abdo- 
men black, less shining. Thorax with dorsal row of four rather 
large punctures. Antennae and legs black. Palpi blackish. 
Length 8 mm. 

Colour of decorus Gr. readily distinguished by the fine 
moderately close puncturation of the head and thorax. Head 
subquadrate, a little broader than long, a little broader than 
the thorax, the posterior angles rounded, median interocular 
punctures widely separated, the eyes a good deal shorter 
than the post-ocular region, on each side of the vertex with 
two obliquely placed punctures, the post-ocular region with 
a few others, the whole surface with distinct ground sculpture 
and a fine, moderately close puncturation. Antennae with the 
3rd joint longer than 2nd, 4th to 8th longer than broad, gra- 
dually decreasing in length, the 9th and 10th about as long 
as broad. Thorax slightly longer than broad, widest a little 
before the middle, from thence more retracted behind than 
in front, the ground sculpture and puncturation as on the 
head. Scutellum very finely and closely transversely striate 
and very finely punctured. Elytra a little longer and broader 
than the thorax, closely and finely punctured, finely pubescent, 
the sides with two or three long black setae. Abdomen finely 
and rather closely punctured and pubescent, much more spa- 
ringly on the last segment. First joint of posterior tarsi a 
little shorter than the last. 

$ : anterior tarsi dilated. 6th ventral segment arcuately 
emarginate the edge broadly bevelled. 

G.^Tangkoeban Prahoe, alt 4000—5000 ft. 12.IV-9.V.33. 
(Type). Labaksaat, Preanger, alt. 2400 m. 22— 25.VI.33. 
( Toxopeus). 

Philonthus preangeranits sp. n. 

Shining, black, the abdomen strongly iridescent, the poste- 
rior margins of the segments and adjacent raised lateral mar- 
gins very narrowly and obscurely reddish. Thorax with 
dorsal row of four punctures. Antennae black, the 11th (and 
sometimes the 10th) joints reddish. Legs black, the femora 
reddish-yellow. Length 8 — 9 mm. 

In build and antennal structure much resembling peliomerus 
Kr. Head ( $ and 9 ) transverse, suborbicular, a little nar- 



FAUNA JAVANICA. 7 

rower than the thorax, the eyes fully as long as the post- 
ocular region. Median interocular punctures absent, behind 
the eyes with a few small punctures ; ground sculpture ex- 
tremely fine. Antennae slender, all the joints longer than 
broad. Thorax as long as broad, the sides parallel ; dorsal 
row of four moderate punctures and three or four exter- 
nally ; ground sculpture as on the head ,: sides with some long 
setae. Elytra as long as but broader than the thorax, very 
finely and closely punctured like the scutellum, finely pu- 
bescent, the sides with long setae. Abdomen very finely and 
sparingly punctured especially behind. Anterior tarsi simple. 
First joint of posterior tarsi as long as the last. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. 3.VI.30. 

Philonthus adjacens sp. n. 

Shining, black, the elytra greenish-bronze : thorax with 
dorsal row of four rather large punctures and with sericeous 
reflex. Antennae black ; palpi pitchy. Legs black. Length 
7 mm. 

Near peliomerus Kr. but differs in the entirely black an- 
tennae and legs, narrower head, longer thorax and much less 
finely punctured elytra. Head slightly broader than long, 
subquadrate, almost as broad as the thorax, the eyes large, 
longer than the post-ocular region, median interocular punc- 
tures widely separated ; behind the eyes with a few moderate 
punctures, ground sculpture fine, occasionally with sericeous 
reflex. Antennae formed as in peliomerus. Thorax a fifth 
longer than broad, the sides practically parallel ; dorsal row 
of four rather large punctures and two others externally, 
ground sculpture fine as on the head, distinctly sericeous, 
at the sides with a few long setae. Scutellum finely and 
closely punctured. Elytra as long as but broader than the 
thorax, as closely but less finely punctured than in pelio- 
merus, the sides setiferous. Abdomen closely punctured at 
the bases of the segments, elsewhere sparingly, the pubes- 
cence long, black and sparing. First joint of the posterior 
tarsi as long as the last. 
$ : Unknown. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt 4000—5000 ft. VILXn.33 : 
14.V.30. 

Philonthus antennalis sp. n. 

Very closely allied to peliomerus Kr. and only differs 
in the following respects, the head is narrower, the last four 
joints of the antennae are orange red, the elytra much less 
closely punctured, the abdomen less closely punctured. 
Bandoeng Dago, 16.in.30. Unique. 



8 MALCOLM CAMERON, 

Philonthus Orientalis sp. n. 

Shining, head black, thorax and abdomen dark castaneous 
red, elytra brassy, head and thorax iridescent, the latter with 
dorsal row of four rather large punctures. Antennae and 
legs black, the femora reddish-yellow. Length 5.5- — 6 mm. 

Build of peliomerus Î , antennae similarly constructed, 
differs in the colour, the iridescence of the head and thorax 
and the elytra a little less closely punctured, the abdomen 
is punctured as in peliomerus. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. 14.V.30 : 
12/4—9/5.33. 

Philonthus Drescheri sp. n. 

Shining, black, the head and thorax with distinct metallic 
reflex, elytra brassy ; posterior margins of the abdominal 
segments narrowly reddish. Thorax with dorsal row of four 
moderate punctures. Antennae black, the last three joints 
reddish-yellow. Leg reddish-yellow, the tibiae infuscate 
Length 6.5 mm. 

Size and build of borneensis Bernh. differs in the longer 
antennae, the penultimate joints as long as broad, the dis- 
tinct metallic reflex of the head and thorax, the more brassy 
elytra which are less finely and more closely punctured and 
the less finely and more closely punctured abdomen. The 
sides of the head, thorax and elytra are furnished with long 
setae as in borneensis. First joint of posterior tarsi as long 
as the last. Anterior tarsi simple. 

Batoerraden. G. Slamat. 6.n.30. Unique. 

Philonthus activus sp. n. 

Shining, head black with metallic reflex, thorax pitchy 
with the anterior and posterior margins narrowly reddish, 
with metallic reflex and four punctures in the dorsal row ; 
scutellum reddish ; elytra greenish to coppery bronze. Ab- 
domen black, the posterior margins of the first four visible 
segments narrowly, the posterior half of the 5th and whole 
of the 6th, reddish-yellow. Antennae black, the 1st joint 
reddish, the 10th and 11th yellowish-red. Palpi reddish. 
Legs reddish yellow, the tibiae infuscate. Length 7 mm. 

In the build of the thorax much resembling minutus Boh. 
but in all other respects different. Head narrower than the 
thorax, suborbicular, the eyes much longer than the postocular 
region, median interocular punctures absent, behind the 
eyes with a few small punctures ; ground sculpture fine, 
transversely striate. Antennae with the 8th to 10th joints 
as long as broad. Thorax very slightly longer than broad, 
widest a little before the middle, the sides from thence a 
little more retracted in front than behind with the dorsal 
row composed of four moderate punctures, externally with 



FAUNA JAVANICA. 9 

two others ; ground sculpture as on the head. Scutellum 
very finely and not very closely punctured, finely trans- 
versely striate. Elytra a little longer and broader than 
the thorax, finely and moderately closely punctured. Ab- 
domen with some fine punctures at the bases of the seg- 
ments almost impunctate elsewhere. First joint of posterior 
tarsi as long as the last. 

$ : Anterior tarsi dilated. 6th ventral segment with small 
arcuate excision, its margin narrowly bevelled. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt 4000—5000 ft. 21.IV.30. 18— 
28.XII.32. 19—31,1.33. 

Philonthus nigrolucens sp. n. 

Shining, black. Thorax with dorsal row of four punctures, 
sericeous, abdomen somewhat iridescent. Antennae and legs 
black. Length 6 mm. 

Near delicatulus Boh. but differs in the colour and much 
shorter and thicker antennae. Head as long as broad, sub- 
orbicular, narrower than the thorax, the eyes a little shorter 
than the post-ocular region, median interocular punctures 
nearer to the lateral than to each other, behind the eyes 
with four or five punctures ; ground sculpture fine. Antennae 
short and stout, 2nd and 3rd joints of equal length, 4th 
as long as broad, 5th to 10th moderately transverse, scarcelv 
increasing in width. Thorax scarcely longer than broad, 
the sides straight, gradually retracted in front with dorsal 
row of four moderate, equidistant punctures and two others 
externally ; ground sculpture distinct, scutellum finely punc- 
tured. Elytra about a fourth longer and distinctly broader 
than the thorax, as closely but more finely punctured than 
in delicatulus. Abdomen very finely, moderately closely punc- 
tured, much less closely than in delicatulus. First joint of 
posterior tarsi shorter than the last. Anterior tarsi simple. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. 18— 28.XII.32. 
Unique. 

Philonthus derivatus sp. n. 

Shining, black, the head and thorax slightly sericeous, the 
elytra with slight greenish bronze reflex : thorax with dorsal 
row of four moderate punctures. Antennae black, the first 
two joints yellowish brown. Legs reddish yellow, the femora 
and tibiae infuscate. Length 5 mm. 

Closely allied to advevsus Bernh. Scheerp {misellus Fauv. ) 
but the antennae are more slender, the penultimate joints 
less transverse, thorax narrower but similarly formed, elytra 
longer and less metallic, more closely puncture'd. The ab- 
domen as in adversus. First joint of posterior tarsi shorter than 
the last. 

G. Tangkoeban Prahoe. alt. 4000—5000 ft. X.33. Unique. 



10 MALCOLM CAMERON, 

Philonthus socius sp. n. 

Shining, black, the head and thorax sericeous, the latter 
with dorsal row of five punctures ; elytra greenish bronze. 
Antennae black, the first two joints reddish, the 11th and 
sometimes the 10th obscurely orange red. Legs reddish yel- 
low. Length 7 mm. 

In build and colour rather like borneensis Bernh. but with 
dorsal thoracic row of five punctures, longer antennae and 
much more closely punctured elytra and abdomen. Head 
transverse, suborbicular scarcely narrower than the thorax 
in the S , in the 9 distinctly narrower ; eyes large much lon- 
ger than the postocular region ; median interocular punctures 
widely separated, behind the eyes with a few larger and 
smaller punctures ; ground sculpture distinct. Antennae rather 
long, the 3rd joint longer than the 2nd, 4th and following 
all longer than broad, gradually decreasing in length, the 
10th as long as broad. Thorax a little longer than broad, 
the sides practically straight, parallel in ,î , a little retracted 
in front in ? , with dorsal row of five moderate punctures, 
the 5th more remote, externally with three or four others ; 
ground sculpture distinct, scutellum finely closely and roughly 
punctured. Elytra a little longer and broader than the thorax, 
finely closely and roughly punctured like the scutellum, finely 
pubescent. Abdomen closely and finely punctured and pubes- 
cent, more sparingly on the last two segments. First joint 
of posterior tarsi as long as the last. 

S : Anterior tarsi dilated. 6th ventral segment with small 
triangular smooth impression, its base very slightly, arcuately 
emarginate. 

Djeroeklegi, Zuid Banjoemas, 7.113\. Tjilatjap, 20.Vin.26. 

Philonthus maculicoUis sp. n. 

Shining, head black, the anterior margin and median 
frontal line yellowish red ; thorax yellowish red with a 
triangular black spot on each side of the base, its apex 
reaching the 4th puncture of the 5-punctured dorsal row. 
Scutellum yellowish red. Elytra pitchy black, the suture and 
an elongate humeral marking extending from the shoulder 
to the posterior third of the disc yellowish red. Abdomen 
black, the posterior margins of the segments broadly red- 
dish yellow. Antennae black, the 1st, 2nd, 10th and 11th 
joints yellowish red. Legs reddish yellow. Length 7.5 mm. 

In build somewhat resembling stragulatus Er. but with 
larger head and in colour etc., entirely different. Head trans- 
verse, subquadrate in $ , more suborbicular in ? , narrower 
than the thorax, the eyes longer than the postocular region, 
median interocular punctures distant, behind the eyes with 
about six punctures : ground sculpture very fine and wavy. 
Antennae long, all the joints longer than broad, gradually 



FAUNA JAVANICA, 11 

decreasing in length. Thorax shghtly longer than broad, the 
sides practically straight and slightly retracted towards the 
front, the dorsal row consisting of five moderate punctures, 
the four posterior equidistant, the 1st more remote and 
situated on the anterior margin itself, externally with three 
others ; ground sculpture as on the head, the sides with some 
long black setae. Scutellum extremely finely punctured. 
Elytra as long as but a little broader than the thorax, mode- 
rately finely and moderately closely puncture'd, the sides 
setiferous. Abdomen extremely finely rather closely punctured 
except on the last segment, the pubescence extremely fine, 
the first five visible segments with a transverse row of six 
larger setiferous punctures across the middle, the posterior 
margins also setiferous, the last segment except for a few 
fine setiferous punctures impunctate. First joint of posterior 
tarsi almost as long as the last. Anterior tarsi dilated in both 
sexes. 

$ : 6th ventral segment with a small rectangular excision its 
edge narrowly bevelled. 

G. Tangkoeban Prahoe, 9/IIÎ, 12/IV33. 

Philonthus uniformis sp. n. 

Shining, black, the thorax slightly sericeous and with a 
dorsal row of five moderate punctures, the elytra with slight 
bluish reflex. Antennae black, the 1st joint reddish below 
the 2nd reddish at base and apex, the 11th orange red. 
Palpi blackish, the 4th joint yellowish. Legs pitchy black, 
the tarsi reddish. Length 6 mm. 

In build somewhat resembling alcyoneus Er. but with 
broader thorax. $ : head subquadrate, a little broader than 
long, the posterior angles rounded, a little broader than the 
thorax, the eyes a good deal shorter than the postocular 
region ; median interocular punctures widely separated, be- 
hind the eyes with a few scattered punctures ; ground sculp- 
ture very fine. Antennae with the 3rd joint a little longer 
than 2nd, 4th, about as long as broad, 5th to 10th transverse 
gradually increasing in width, the penultimate about twice 
as broad as long. Thorax very slightly longer than broad, 
the sides almost straight and parallel, the dorsal row com- 
posed of five moderate equidistant punctures, externally 
with a group of four others, the ground sculpture as on the 
head. Elytra as long as but broader than the thorax, finely 
and rather closely punctured, finely pubescent. Abdomen 
finely and rather closely punctured except on the last segment 
where there are only a few scattered punctures. First joint 
of the posterior tarsi as long as the last. S : Anterior tarsi 
dilated, the 6th ventral segment with a small acute notch 
its border broadly bevelled. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. X.33.Unique. 



12 MALCOLM CAMERON, 

Philonfhus bambusae sp. n. 

Closely allied to vagus Fauv., of the same size build colour 
and antennal structure, but with the elytra yet more sparingly 
punctured and the bases of the anterior abdominal segments 
closely and coarsely punctured, the 6th and 7th each with a 
transverse row of very fine punctures across the middle, 
otherwise practically impunctate. Head slightly transverse, 
suborbicular, nearly as broad as the thorax, the eyes about as 
long as the gently rounded and retracted postocular region, 
median interocular punctures fine, widely separated, ground 
sculpture absent. Antennae with the 4th and 5th joints about 
as long as broad, slightly infuscate, the 6th to 10th transverse. 
Thorax slightly longer than broad, the sides nearly straight, 
slightly retracted in front with a dorsal row of five small 
punctures, the 5th a little more remote, externally with three 
others, ground sculpture absent. Scutellum with six or seven 
small punctures. Elytra as long as but broader than the 
thorax, with a few very fine scattereld punctures each with a 
yellow hair, the sides with setae. Abdomen with sculpture as 
above described first joint of posterior tarsi shorter than the 
last. 

$ : anterior tarsi dilated ; 6th ventral segment acutely emar- 
ginate, the borders broadly bevelled. 

Batoerraden, G. Slamat. 11.VII.26; V.26. 

Philonthus foTticotnis sp. n. 

Shining, black, thorax with dorsal row of five punctures, 
very slightly sericeous. Antennae reddish, the 4th to 10th 
joints slightly infuscate. Legs pitchy, tarsi reddish. 

Length 6 mm. 

Near distinctus G. ö H. {crassicornis Fauv.) and acroleu- 
eus Kr. differs from both in the blacker colour, the more 
sparingly punctured elytra and the much more sparingly 
punctured abdomen. Head subquadrate in $ , more suborbi- 
cular in 5 , a little narrower than the thorax, the eyes large, 
about as long as the postocular region ; median interocular 
punctures widely sparated, behind the eyes with a few punc- 
tures, the ground sculpture fine as in distinctus. Antennae 
short and stout the 3rd joint as long as the 2nd, 4th small 
transverse 5th to 10th much more strongly transverse, the 
penultimate joints fully twice as broad as long. Thorax a 
little longer than broad, the sides nearly straight, scarcely 
retracted in front with dorsal row of five moderate punctures 
the 1st and 5th more remote, externally with three others ; 
ground sculpture as on the head. Scutellum very finely and 
closely punctured, finely pubescent. Elytra as long as and a 
little broader than the thorax, extremely finely, rather ob- 
soletely, moderately closely punctured. Abdomen very finely 
and sparingly punctured, the punctures mostly at the bases 



FAUNA JAVANICA. 13 

of the segments. First joint of posterior tarsi as long as the 
last. 

S : anterior tarsi dilated : 6th ventral segment with arcuate 
emargination its border bevelled. 

Batoerraden, G. Slamat. 1.V.28 : 9.VI.28 : 23.VII.28: 
IV.33. 

Philonthus stiphrogaster sp.n. 

Shining, head and thorax black, the elytra and abdomen 
pitchy, the former with the shoulders and reflexed margins 
reddish and the posterior margins very narrowly but sharply 
reddish yellow, the latter with the posterior margins of the 
segments rather broadly reddish. Thorax with dorsal row of 
six small punctures. Antennae black, the first two joints and 
the palpi reddish yellow. Legs reddish yellow, the tibiae 
pitchy. Length 5 mm. 

In build very similar to peliomerus Kr. but with smaller 
eyes shorter antennae and densely punctured abdomen as in 
densiventvts Cam. 

$ : Head transverse, subquadrate as broad as the thorax, 
the eyes much shorter than the postocular region, median 
interocular punctures widely separated, behind the eyes with 
four or five small punctures ; ground sculpture very fine. 
Antennae with the 4th and 5th joints slightly longer than 
broad, the following as long as broad, scarcely differing from 
one another. Thorax about as long as broad the sides nearly 
straight, very slightly retracted in front with dorsal row of 
six small punctures and four others externally ; ground sculp- 
ture as on the head. Scutellum closely and finely punctured. 
Elytra as long as the thorax, finely and rather closely punc- 
tured, finely pubescent. Abdomen extremely finely and den- 
sely punctured and pubescent throughout. Anterior tarsi 
dilated. First joint of posterior tarsi as long as the last. Sixth 
ventral segment with an acute, smooth triangular impression, 
its base arcuately emarginate. 

G. Goentoer. 20-26. IX. 25. Unique. 

Philonthus ruloniger sp.n. 

Shining, head and thorax bright red, scutellum, elytra and 
abdomen black ; thorax with dorsal row of nine or ten small 
punctures. Antennae with the 1st and 2nd joints reddish, 
the latter ringed with black, the last four clear yellow, the 
rest black. Palpi reddish. Legs reddish yellow. Length 10 mm. 

In build somewhat like peliomerus Kr. but much larger and 
in all other respects different. 9 : Head transverse, sub- 
quadrate the posterior angles rounded, a little broader than 
the thorax, on the front with a short median groove ; median 
interocular punctures slightly nearer to each other than to 
the lateral, eyes distinctly shorter than the postocular region, 



14 MALCOLM CAMERON, 

behind them with a few small punctures : ground sculpture 
fine and close, wavy. Antennae with the 3rd joint a little 
longer than the 2nd, 4th and 5th slightly longer than broad, 
6th as long as broad, 7th to 10th transverse, 11th as long 
as the two preceding together. Thorax a little longer than 
broad, a little widened in front, the sides straight, dorsal row 
of nine or ten moderate punctures, towards the anterior angles 
with a group of two or three small punctures and more 
posteriorly with another of five or six : sides with long black 
setae : ground sculpture as on head. Scutellum closely punc- 
tured. Elytra a little longer and broader than the thorax, 
rather finely, moderately closely punctured, the pubescence 
long, the sides with long black setae. Abdomen sparingly 
punctured on the 1st visible segment, rather closely at the 
bases of the 2nd and 3rd and the anterior halves of the 4th 
and 5th, the punctures aciculate, the 6th very sparingly 
punctured : pubescence scanty but with long setae at the 
posterior margins of the segments and at the sides. 

Anterior tarsi simple. First joint of posterior tarsi longer 
than the last. 

Kopeng, 14.V.33. (Doesburg). Unique. 

Philonthus pluripunctus sp.n. 

Closely allied to eustilbus Kr. but with the 1st joint of 
the antennae black, the penultimate joints shorter, very 
slightly longer than broad, thorax narrower, the punctures 
nïore numerous and closer and for the most part larger ; 
elytra more finely punctured and with slight brassy reflex, 
posterior margins of the first three visible segments of ab- 
domen narrowly rufescent. From eustilboides Cam. it differs 
in the broader head, larger eyes, more closely punctured 
thorax, more finely and more closely punctured elytra with 
slight brassy reflex, the abdomen less finely punctured, and 
with the posterior margins of the first three visible segments 
rufescent and the tibiae and tarsi lighter. Length 7 mm. 

Bandoeng Dago. 8.VII.30 ; 23.XII.29. 

Also in Lombok. 

Philonthus Toxopei sp.n. 

Very shining, black, the elytra blue black, abdomen scar- 
cely iridescent ; thorax multipunctate. Antennae black, the 
last joint yellow. Palpi and legs pitchy black. Length 7 mm. 

In build somewhat resembling borneensis Bernh. but in all 
other respects different. Head transverse as wi'de as the 
thorax, the eyes about as long as the gently rounded and 
retracted postocular region, on the front with a linear im- 
pression, between the eyes with four quadrately placed punc- 
tures and several others on each side between the eye and 
the base ; ground sculpture absent. Antennae stout, the 3rd 



FAUNA JAVANICA. 15 

joint as long as the 2nd, 4th as long as broad, 5th to 10th 
transverse, the penultimate a half broader than long, the 11th 
shorter than the two preceding together. Thorax slightly 
longer than broad, the sides straight, very slightly retracted 
behind, smooth along the middle, the dorsal row consisting 
of ten or eleven moderate punctures, the sides irregularly 
punctured with numerous larger and smaller punctures, and 
with some long setae ; ground sculpture absent. Scutellum 
closely punctured. Elytra a little longer and broader than 
the thorax, finely and somewhat sparingly punctured, with 
rather long scanty pubescence, the sides setiferous. Abdomen 
rather closely punctured at the bases of the segments, very 
sparingly elsewhere, pubescence long and scanty. Anterior 
tarsi simple. First joint of posterior tarsi about as long as 
the last. 

Tjibodas, alt. 1400 m. VI. 32. (Toxopeus) Unique. 

Cafius Steph. 
corallicola Pauv. Babakan. 27. III. 33. Widely distributed. 

Hesperus Fauv. 
semicoeruleus Bernh. var. varicornis n. In this form the last 
four joints of the antennae are yellow. G. Tangkoeban Pra- 
hoe, Preanger, alt. 4000—5000 ft. 14.V.30 : 20.VII.30. 24/V. 
9/V/33. 

Roepkei Bernh. var. distincticornis n. In this form the last 
three joints of the antennae are yellow. Batoerraden, G. Sla- 
mai X.31, IV.32. Bandoeng Dago, 20.V.29, 15.11.30. Tjila- 
tjap, 20.VIII.26. Patimoean, Zuid Preanger, 7-12.VII.25. 

Hesperus javanus sp.n. 

Shining, head and thorax black, the latter with dorsal row 
of four large punctures, scutellum and elytra yellowish red. 
Abdomen iridescent, the first two visible segments yellowish 
red, each with central black iridescent spot, 3rd entirely yel- 
lowish red, 4th to 6th black, the posterior margin of the 
4th and 5th narrowly reddish yellow. Antennae with the 1st 
and the last three joints yellow, 2nd reddish, the rest black. 
Palpi and legs reddish-yellow. Length 10.5 mm. 

In build and antennal structure somewhat resembling Vethi 
Bernh. but in other respects quite different and resembling 
borneensis Bernh. in colour. Head strongly transverse, in the 
$ broader than, in the 5 as broad as, the thorax, the eyes 
a good deal longer than the postocular region, the front nar- 
rowly grooved along the middle, on each side of the groove 
in the $ with a puncture ; against the eye with a large 
puncture and behind with a few more. Antennae rather short, 
the 4th arid 5th joints slightly longer than broad, the follo- 
wing transverse, the 11 th as long as the 9th and 10th together. 



16 MALCOLM CAMERON. 

Thorax as long as broad, the sides almost straight and pa- 
rallel when viewed from above, dorsal row of four large 
punctures, externally with four others placed quadrately, the 
sides setiferous. Scutellum closely punctured. Elytra about 
a half longer and a good deal broader than the thorax, rather 
coarsely, moderately closely punctured and with a long scanty 
pubescence, the sides with setae. Abdomen finely and spa- 
ringly punctured ant with long hairs and setae. 

$ : Anterior tarsi dilated : 6th ventral segment with an 
arcuate emargination. 

Batoerraden, G. Slamat. VIII. 27. 

Hesperus Dtescheri sp.n. 

Shining : head pitchy black, the front, postocular region and 
sometimes the base dark ferruginous red : thorax pitchy black 
the anterior border, anterior third of the sides, the base (with 
a short extension along the middle) and an indeterminate 
spot on each side of the middle, dark ferruginous red : dorsal 
row of three large punctures and a small one at the anterior 
margin : scutellum blackish : elytra black, the base more 
broadly and suture narrowly, the anterior third of the reflexed 
sides entirely, the rest narrowly, red, the postero-external 
angle and sometimes the posterior margin narrowly yellow : 
abdomen with the first three visible segments red, along the 
middle infuscate, 4th black, narrowly dark red at the base, 
5th black with the posterior margin yellow, 6th yellow. An- 
tennae black, the last two joints yellow : mandibles and palpi 
red. Legs yellowish red the tibiae black with a narrow yellow 
ring just below the base as in inaequalis Fauv. 

By the very uneven elytra allied to inaequalis and picticollis. 
Head formed as in inaequalis but with fewer punctures, the 
structure of the antennae scarcely differing from that spe- 
cies ; thorax as in inaequalis with similar large punctures in the 
dorsal row but with the smaller accessory punctures on the 
disc fewer and yet smaller, the lateral group of two punctures 
also smaller, those along the lateral margin itself scarcely dif- 
fering from inaequalis, Scutellum densely and finely punctu- 
red. Elytra very uneven as in inaequalis and very similarly 
coloured, but with much more sparing puncturation, the ab- 
domen also more sparingly punctured although the coloura- 
tion is similar. The sides of the insect are similarly furnished 
with long black setae. 

In the $ the head is broader, the anterior tarsi dilated 
and the 6th ventral segment broadly but very feebly emar- 
ginate. Batoerraden. G. Slamat, 9.1.32 : 22.11.32 : 7.XI.28. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. 7.IX.28. 

Hesperus preangeranus sp.n. 

Very near Feae Fauv. but differing in the following res- 
pects, the head is a little broader with stronger metallic 



FAUNA JAVANICA. 17 

reflex, the base very narrowly and obscurely reddish and 
with more numerous punctures against the eyes, the antennae 
are longer, the penultimate joints fully as long as broad, the 
last three yellow ; the thorax is a little longer and narrower, 
near the base on each side with a small obscure brownish 
marking, but with the puncturation scarcely different, the 
scutellum is red and closely punctured, the elytra have exactly 
the same coloration as Feae and the puncturation scarcely 
differs, the abdomen has the posterior margin of the 4th 
visible segment narrowly and that of the 5th broadly yello- 
wish red, but otherwise colored like Feae, these segments 
(4th and 5th) are also obviously less closely punctured than 
in Feae, the tibiae are entirely pitchy. Length 8.75 mm. 
G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. 11.34 : V.34. 

Hesperominus gen. nov. 

Closely allied to Hesperus, but at once distinguished by 
the tufts of pubescence on the sides of the first four visible 
abdominal segments and the fascia of pubescence on the 5th. 
Moreover the mesosternal process is bluntly pointed and 
extends but little between the coxae whilst the metasternum 
is produced as a long narrow process to meet it so that the 
coxae are very narrowly separated. The 1st joint of the 
middle and posterior tarsi is longer than the three following 
together whilst the 4th is produced below the 5th as a short 
plate. The mandibles are similar to those of Hesperus, but 
the palpi are stouter, the 3rd joint of the maxillary is only 
half as long as the 4th, the 3rd joint of the labial half as 
long again as the 2nd. 

Hesperomimus abdominalis sp.n. 

Shining ; head and thorax black, the latter without dorsal 
row of punctures ; scutellum and elytra yellowish red : ab- 
domen with the first two visible segments red, the following 
black, each side of the first four with a tuft of yellowish 
white pubescence, the 5th with a broad transverse fascia of 
similar pubescence posteriorly. Antennae with the 1st joint 
yellow, 2nd and 3rd reddish yellow, the following black, the 
11th obscurely reddish: mouth parts reddish. Legs yellow, 
the anterior coxae black, the middle and posterior femora 
rather broadly infuscate at apex, the corresponding tibiae 
narrowly infuscate at apex, tarsi yellowish red. Length 13 mm. 

Head transverse, suborbicular, wider than the thorax, the 
eyes about as long as the postocular region, median intero- 
cular punctures absent, only the juxtaocular present, in the 
middle towards the front with a small longitudinal impres- 
sion, on the vertex with two moderate, widely separated 
punctures, behind the eyes with three or four others, here 
and there with an exceedingly fine, scarcely visible puncture : 



là MALCOLM CAMERON, 

ground sculpture absent. Antennae with the 3rd joint a little 
longer than the 2nd, 4th and 5th a little longer than broad, 
6th to 10th transverse gradually increasing in width. Thorax 
a little longer than broad, the sides rounded and dilated in 
front, retracted and sinuate behind, the posterior angles 
rounded, along the middle behind with a fine impressed line, 
at the sides with a few fine scattered punctures otherwise 
impunctate and without ground sculpture, the sides with some 
black setae, Scutellum closely punctured. Elytra about a half 
longer and distinctly broader than the thorax, rather finely 
and closely punctured and yellow pubescent, the pubescence 
longer along the posterior margin and forming a fringe, the 
sides setiferous. Abdomen parallel, rather closely and coar- 
sely punctured in the basal impressions, more finely elsewhere, 
the pubescence other than that forming the tufts and fascia, 
black. Anterior tarsi simple. 
$ : Unknown. 
Batoerraden, G. Slamat. 21.X.28. Unique. 

Tolmerinus Bernh. 

brevipennis Bernh, G. Tangkoeban Prahoe. 14.1.30. 
III.IV.I.X.33. 

Platyschema gen. nov. 

Of depressed form ; the neck narrow not much more than 
a third of the width of the head. Labrum transverse, acutely 
emarginate in the middle, the lobes rounded and with the 
anterior margin membranous. Maxillary palpi long and slen- 
der, the 2nd joint curved and gradually and strongly dilated 
towards the apex as in Amichrotus. 3rd shorter, a little 
thickened towards the apex, 4th very long, slender and poin- 
ted, nearly as long as the 2nd and 3rd together. Labial palpi 
rather long, slender, the 1st and 2nd joints of about equal 
length, the 3rd long and slender, pointed, as long as the 
first two joints together. Mandibles long slender and pointed, 
their structure and that of the tongue not visible. Pronotal 
epipleura narrow, the superior curved line joining the inferior 
well behind the anterior angle, adjacent to the coxal articu- 
lation, the large setiferous punctures remote from it. Mesos- 
ternal process produced fully half the length of the coxae, 
its apex rather broadly rounded, the metasternum separated 
from it by a long intersternal piece, the coxae rather widely 
separated. Legs rather long, tibiae spinose, the middle and 
posterior with a long black seta near the middle. Anterior 
tarsi moderate, the first four joints gradually decreasing in 
length ; middle and posterior with the 1st joint distinctly 
longer and stouter than the 2nd, 2nd to 4th gradually decrea- 
sing in length, the 5th as long as the two preceding together, 
as long as the 1st. The genus would appear to be related 
to Amichrotus and Belonuchus. 



FAUNA JAVANICA. 19 

Platyschema javana sp.n. 

Depressed, shining, black, the elytra greenish bronze. An- 
tennae black. Palpi pitchy. Femora and tarsi pitchy, tibiae 
black. Length 8 mm. 

Head a little longer than broad, subquadrate, as broad as 
the thorax, the posterior angles rounded, the eyes shorter 
than the post-ocular region, between the eyes broadly de^ 
pressed, the front, a plaque on the vertex and a narrow me- 
dian connecting line smooth, the rest of the surface moderately 
finely closely punctured, at the inner margin of the eye with 
a large setiferous puncture and between its posterior margin 
and the neck with two or three others ; ground sculpture 
very fine, wavy ; pubescence short and very sparing. Anten- 
nae with the 3rd joint a little longer than the 2nd, 4th to 
7th a little longer than broad, gradually decreasing in length, 
8th and 10th about as long as broad, 11th shorter than 
the two preceding together. Thorax longer than broad 
(4.5 : 3.5 :), widest at the rounded anterior angles, the sides 
seen from above straightly retracted backwards and but 
slightly sinuate before the rounded posterior angles, along 
the middle with a fine impressed line, on each side with a row 
of three large punctures and one more remote on the anterior 
border itself, externally with a group of three moderate punc- 
tures, the antero-external region rather closely covered with 
smaller punctures ; ground sculpture as on head ; at the sides 
with two or three setae, otherwise practically without pu- 
bescence. Scutellum closely, moderately finely punctured. 
Elytra as long as but a good deal broader than the thorax, 
closely, moderately finely punctured, finely and sparingly 
pubescent, the sides with five or six short setae. 

Abdomen nearly parallel to the apex, closely moderately 
finely punctured except on the last segment where it is more 
sparing, the bases of the first three visible segments feebly 
transversely impressed : pubescence fine. Anterior tarsi simple 
in both sexes. 

S : 6th ventral segment a little produced and broadly 
rounded in the middle, and with a small acute triangular 
smooth impression. 

G.. Tangkoeban Prahoe, 11.34 : 24.VI.29. 

Belonuchus Nordm. 

ferrugatus Er. Batoerraden, G. Slamat, V.28 ; Noesa Kam- 
bangan, V.28 : Tjilatjap, 20.VIII.26. Ban- 
doeng, 11.30. (Toxopeus). 

ruficeps Cam. G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000 — 5000 ft. 
24.IX.29: 20.XII.30: 24.IX.29: 17.XII.32. 

quadratus Kr. v. nigripennis Cam. Tjilatjap, 20.VIII.26 : Ba- 
toerraden, G. Slamat, VIII.27 : Also in Sin- 



ìi) MALCOLM CAMERON, 

gapore and Indo-China, 
mutator Fauv. G, Boerrangrang, Preanger. 9. V.U. 33. Also 

in Lombok. 
rufoniger Fauv. v, montanus Fauv. G. Tangkoeban Prahoe, 

alt. 4000—5000 ft. X.34. 

Belonuchits picticollis sp.n. 

Shining, red, the head with a broad curved blackish fascia 
between the eyes, sericeous ; thorax with similar fascia across 
the anterior third but not extending to the anterior margin 
itself and produced backwards between the dorsal rows of 
punctures so forming a T-shaped marking, sericeous ; elytra 
with a very obscure blackish spot at the postero-external 
angles : abdomen black, the posterior margins of the first 
five visible segments and the whole of the 6th reddishyellow. 
Antennae black, the first two joints reddish, the last two 
yellow. Palpi and legs reddish. Length 8.5 mm. 

Differs from [errugatus in the coloration, narrower thorax, 
rather more finely and distinctly less closely punctured ely- 
tra. Head transverse, quadrate, a little broader than the thorax, 
the punctures fewer than in [errugatus, but similarly situated. 
Thorax slightly longer than broad, the sides not sinuate be- 
hind the anterior angles, retracted behind, the dorsal row of 
six contiguous punctures and one more remote on the anterior 
border, externally with a group of eight or nine small punc- 
tures, the ground sculpture well marked as on the head. 
Scutellum closely punctured. Elytra a little longer and broa- 
der than the thorax, finely and rather closely punctured. 
Abdomen finely and rather closely punctured, much less 
closely towards the posterior margins of the segments, pu- 
bescence fine and scanty. 

G. Boerengrang, Preanger: Alt, 1600 m. 9.VIL33 (Jacob- 
son). G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. L34. 

Belonuchus abdominalis sp.n. 

Near rufoniger Fauv. but at once distinguished by the 
coloration : all the margins of the thorax are narrowly but 
distinctly yellowish red, the scutellum like the elytra also 
yellowish red, the first five visible segments of the abdomen 
have their posterior margins distinctly and rather broadly 
yellowish, whilst the 6th is almost entirely so, often the first 
two segments are entirely of this colour. The antennae are 
formed as in rufoniger with the first three and the last two 
joints red, the sculpture of the head scarcely differs from 
that of rufoniger, the thorax has a dorsal row of six punctu- 
res of which the anterior and posterior are more remote from 
the others, the elytra are less finely and the abdomen rather 
less closely punctured than in that species. Length 8.5 — 1 1 mm. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. X.33. L34. 



FAUNA JAVANICA. 21 

Phucobius Shp. 
cupreipcnnis Cam. Bakakan, 27. III. 33. Also in Singapore 
and Borneo. 

Staphylinus L. 

marmorellus Fauv. G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000 — 5000 ft. 
6.11.29 : 24.III.30 : VI. 33 : Also in Burma 
and Sumatra. 

rufìpennis Cam. Batoerraden, G. Slamat, VI.VII.28 : Also in 
the Malay Peninsula. 

chakeus Bernh. G. Raoeng, alt. 450—700 m. 12.1.33 : (Lucht) 
Batoerraden, G. Slamat, 1.1 2. IX. 27. Also 
in Sumatra and Malay Peninsula. The 
specimens from Java, have the elytra ob- 
scurely mottled with brownish spots. It 
may be distinguished as var. Javanus. 

Staphylinus (Platydracas) associatus sp.n. 

Very near marmorellus but differing as follows, the average 
size is larger (17 mm.), the colour of the antennae, palpi, 
elytra and abdomen more reddish, the pubescence of the head 
and thorax is less dense and of a golden red colour, the 
latter without the brown patches of pubescence present in 
marmorellus, similarly the maculae on the disc of the elytra 
are less marked and more confluent, the pubescence finer 
and golden red, the median fascia of golden hairs along the 
abdomen is more distinct, the head less transverse, in all 
other respects resembling marmorellus. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. 6.II.29 : 
V.VII.33. 

Staphylinus (Platydracus) Drescheri sp.n. 

Fore-parts moderately shining, brassy bronze, the elytra 
with a few small scattered spots of short golden pubescence : 
abdomen dark reddish brown, the first five visible segments 
distinctly bifariate, the fasciae blackish brown and separated 
by median triangular spots of golden pubescence extending 
the whole length of the segments. Antennae blackish, the 
first two joints reddish below. Femora reddish yellow, the 
rest of the legs more or less blackish. Length 10 — 13 mm. 

Very similar to marmorellus in size and build, but with 
the head and thorax entirely brassy bronze, much more coar- 
sely and rugosely punctured, much less pubescent, vertex 
with a short median shining space, eyes a little smaller, the 
postocular region slightly widened behind, penultimate joints 
of antennae slightly less transverse, elytra differently colou- 
red, much less pubescent, more strongly wrinkled, scarcely 
punctured, with spots of short golden pubescence especially 
towards the sides, and long black hairs. Abdomen as above 



22 MALCOLM CAMERON, 

described and with long black and short scattered golden 
hairs towards the sides. More like asemus Kr. in the colour, 
sculpture and pubescence of the fore-parts, but smaller, the 
eyes smaller , temples longer, elytra more distinctly maculate, 
the median golden triangular spots on the abdomen more 
distinct and extending the whole length of the first two 
segments. 

ê : 6th ventral seament with a broad arcuate emaraination. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt 4000—5000 ft. 17.X.28: 
8.X.29. 

Stanhylinus (Platydracus) suspiciosus sp.n. 

Very similar to Dreschen but the head is narrower, the 
eyes much longer than the post-ocular region, the antennae 
shorter the joints more transverse, the 1st joint yellow, in- 
fuscate above ; puncturation of head and thorax not so coarse, 
elytra less brassy, blacker, abdomen less distinctly bifariate, 
in other respects like Drescheri. Lenoth 10 mm. 

Zuid Banjoemas, Djeroeklegi. 29.V.32. Unique. 

Staphylinus {Platydracus) preangeranus sp.n. 

Very similar to auropubescens Cam. in nearly all respects 
and only differs in the much more finely punctured elytra 
which are also more distinctly maculate, two brownish spots 
on the lateral margins being much more marked and the 
golden yellow patch at the postero-external angle more de- 
fined ; the anterior femora and tibiae are pitchy and the middle 
femora infuscate anteriorly, the abdomen evidently less coar- 
sely punctured. Length 12 — 13 mm. 

Bandoeng Daqo. 22. III. 29. Blawan, Idjen Plateau, alt. 
900—1500 m. 10.XII.32 {Lucht). 

Ontholestes Ganglb. 
marmoratus Er : Batoerraden, G. Slamat. 18.1.29. 

Thoracostrongylus Bernh. 
javanus Bernh. G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000 — 5000 ft. 

Thoracostrongylus apicicornis sp.n. 

Similar in all respects to javanus except as follows, the 
last two joints of the antennae are clear yellow, the 9th 
sometimes reddish, the metasternum, reflexed sides of the 
elytra and the first three ventral segments of the abdomen 
yellowish red. Length 7.5 mm. 

Perhaps only a form of javanus. The specimens show no 
secondary sexual characters and are presumbly females. 

Batoerraden, G. Slamat. Vn.2S : 6.IV.30 : V.33. 

Thoracostrongylus picticollis sp.n. 

Head black with slight metallic reflex ; thorax red with 
transverse black fascia at the anterior margin not reaching 



FAUNA JAVANICA. 23 

the lateral margins or the anterior angles, but produced 
triangularly backwards along the middle towards the base ; 
pubescence golden yellow ; scutellum red ; elytra red, the 
posterior margin narrowly yellow, the postero-external region 
with a rather large lozenge-shaped blue-black spot ; abdomen 
with the 1st three visible segments red, the first two of them 
with a large black median marking extending the whole 
length of the segment, the 3rd with narrower triangular black 
spot reaching the posterior margin, the segments closely 
covered with short golden yellow pubescence except on the 
black mark, 4th and 5th segments black, the posterior mar- 
gin of the latter narrowly yellow, the 6th yellow at base, 
black at apex. Antennae black the 8th to 10th joints clear 
yellow, 11th black. Palpi reddish. Legs yellowish red, the 
apical half of the femora slightly infuscate. Length 10 mm. 

In the colour pattern of the elytra and abdomen very 
similar to elegans Cam. the antennae very similarly construc- 
ted but differently coloured, head a little more transverse 
with stronger metallic reflex, thorax rather less finely punc- 
tured etc. Head broader than the thorax transverse, the eyes 
much longer than the rounded post-ocular region, on the 
vertex with small shining impunctate space, the front coria- 
ceous, elsewhere very closely, moderately finely and rugosely 
punctured. Antennae with the 8th to 10th joints about as 
long as broad. Thorax a good deal longer than broad, the 
sides rounded in front, sinuately retracted behind, the sculp- 
ture as on the head and with a short golden red pubescence. 
Scutellum closely punctured and with sparing golden red 
hairs. Elytra as long as but broader than the thorax, closely 
finely and roughly punctured, the pubescence fine and short 
golden red, black on the spots and with some long black 
setae. Abdomen closely and finely punctured and pubescent, 
the pubescence corresponding in colour to the colour pattern 
and with some long black setae. * ) 

S : Unknown. 

Batoerraden, G. Slamat. X.27 : 1130. 

Rhyncocheilus Shp. 

javanicus Epp. G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000 — 5000 ft. 
21.IV.33: 21.IV.30: 3.VL30 : ló/IL 8/IIL33. 

Rhyncocheilus Dcescheri sp.n. 

Head and thorax greasy lustrous, blacksih brown, variega- 

*) This species is very closely allied to one from Borneo, Quop, W. 
Sarawak, collected by Mr. Bryant, 28. VII 14. It has the last 4 joints of the 
antennae clear yellow, the intermediate joints a little longer, the smooth 
space on the vertex of head much larger and the thorax is uniformly red, 
in other respects similar to the above, Bryanfi sp. n. 



24 MALCOLM CAMERON. 

ted with spots of golden pubescence ; labrum yellowish red, 
scutellum black, tomentose, at the base with a few yellow 
hairs : elytra more shining, light yellowish brown, slightly 
uneven, with a few very obscure darker spots and patches 
of yellow pubescence : abdomen black, the elevated side mar- 
gins of the 1st three visible segments reddish and the ad- 
jacent area densely covered with golden pubescence, the 4th 
along the middle with a similar pubescence and the 5th in 
its whole extent and with four small black spots placed trans- 
versely. Antennae black, the first two or three joints yello- 
wish red ; palpi yellowish red. Legs reddish yellow, the femora 
infuscate at base. Length 16 — 19 mm. 

Of the size, colour, build and antennal structure of An- 
drewesi Cam. but at once distinguished by the 4th (visible) 
abdominal segment being rather closely covered with golden 
pubescence along the middle, the puncturation of the head and 
thorax is equally close but rather finer and the posterior mar- 
gins of the first three ventral segments are narrowly and 
sharply red. From princeps Bernh, it is distinguished by the 
colour of the labrum, the longer penultimate joints of the an- 
tennae, the golden yellow fascia of the 5th (visible) seg- 
ment and the gol'den yellow pubescence along the middle of 
the 4th segment. 

$ : 6th ventral segment arcuately emarginate. 

G. Tanqkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. 16-26.IV.29 : 
9-in.12-IV.33. 

Rhyncocheilus preangeranus sp. n. 

$ : closely allied to javanicus 5 , similar in size, build, an- 
tennal structure, sculpture and colour, but at once distinguis- 
hed by the pubescence being golden yellow equally dense and 
similarly arranged. Length 17 — 19mm. S : smaller 12 — 14 
mm, the antennae shorter, the 6th to 10th joints asymmetrical, 
transverse and serrate : 6th ventral segment with narrow 
arcuate excision, in front of it with small triangular impres- 
sion ; 5th broadly and very slightly emarginate. This species 
would appear to be very similar to Foersteri but to differ in 
the structure of the antennae and thick pubescence on the 
elytra. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. 14.V.30 : 21- 
IV.30. 20.Vn.30: 16-n.8-IIL33. 

Naddia Fauv. 

Vethi Bernh. G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000 — 5000 ft. 
5-17.Xn.28. 



Naddia javana sp. n 



Sladdia javana sp. n. 

Somewhat shining, head black, between the eyes with a 
small obscure reddish spot, the postero-external region from 



FAUNA JAVANICA. 25 

the eye to the neck dark red ; thorax dark red, the lateral and 
posterior margins very narrowly and obscurely black : scutel- 
lum black, tomentose : elytra with a large dark red marking 
occupying the reflexed sides and extending on the disc towards 
the suture ; the base, shoulders, suturai region and posterior 
margin blackish : abdomen black, the raised lateral margins 
of the first three visible segments and adjacent area, red- 
dish, and covered with a patch of yellowish white pubescence. 
Antennae blackish brown. Legs reddish brown. Length 12 mm. 

Differs from Vethi in the colour, smaller size, shorter more 
transverse head, shorter temples, the posterior angles less 
produced behind, the rugae less interrupted, antennae a little 
shorter, the 5th. and 6th. joints shorter, the penultimate more 
transverse, thorax with stronger rugae. Head transverse, 
quadrate, broader than the thorax, the eyes much shorter than 
the temples, with coarse, close longitudinal rugae in front 
which behind become more or less broken up into coarse lon- 
gitudinal granules ; pubescence long, scanty, yellowish. Anten- 
nae with the 3rd, joint longer than the 2nd., 4th. to 6th. a 
little longer than broad, gradually decreasing in length. 7th. 
to 10th. transverse. Thorax as long as broad, widest at the 
obtuse anterior angles, the sides feebly rounded and retracted 
to the rounded posterior angles, the rugae much coarser than 
on the head, oblique in front, more longitudinal and interrup- 
ted behind with coarse punctures between, near the base in 
the middle with a shining line ; pubescence as on the head. 
Elytra as long as but broader than the thorax, slightly wider 
behind, towards the lateral margin with a long impression, 
the sculpture consisting of coarse more or less transverse 
rugae, less coarse towards the suture and posterior margin and 
more interrupted ; pubescence yellow on the red area, longer 
and black elsewhere, the posterior margin fringed with long 
black hairs and a few shorter yellow ones. Abdomen rather 
closely punctured and closely covered with black pubescence 
except at the sides of the first three visible segments, where 
it is yellowish. 

$ : 6th. ventral segment with a small arcuate emargination. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt 4000—5000 ft. V.33. Unique. 

Naddia Drescheri. sp. n. 

Rather shining ; head, thorax, scutellum and abdomen black, 
the latter with the raised margins of the first three visible seg- 
ments obscurely reddish, the adjacent area with a patch of 
scanty yellowish white pubescence, the 5th. at the base with 
distinct transverse fascia of similarly coloured pubescence ; 
elytra red. Antennae and legs dark reddish brown. Length 1 1 
mm. In size and build very similar to borneensis, but differs 
in the coarser sculpture of thorax, colour, etc. Head slightly 
transverse, nearly as broad as the thorax, slightly widened 



26 MALCOLM CAMERON, 

behind, the base deeply emarginate, the eyes nearly as long 
as the temples, the sculpture consisting of longitudinal rugae 
and umbilicate punctures which are much coarser at the 
postocular region, the pubescence scanty and yellow. Anten- 
nae with the 3rd. joint scarcely longer than the 2nd., 4th. to 
10th. transverse, gradually increasing in width. Thorax as 
long as broad, the sides gently rounded an'd retracted behind 
to the rounded posterior angles, the anterior obtuse, along the 
middle from base to apex with a well marked shining line, the 
puncturation very coarse, close and deep, the spaces between 
raised and united so as to appear retiform. Scutellum black, 
tomentose. Elytra a little longer and broader than the thorax, 
parallel, very coarsely, rugosely sculptured, with a moderately 
close golden red pubescence, and more sparing and longer 
black and white hairs. Abdomen with some coarse punctures 
at the sides of the segments, elsewhere finely and closely 
punctured and with close black pubescence, except at the areas 
where the pubescence is yellow. 
$ : unknown. 

G. Tangkoeban Prahoe, a.t. 4000—5000 ft. 21. IV.30 : 
7.VIII.29. 

Tympanophorus Nordm. 

jacobsoni Bernh. Bandoeng Dago, 30. VII. 29. 
Djeroeklegi, 16.1.29 : Tjilatjap,26.1.32. Also in Sumatra. 
The species recorded from Sumatra (Tijdsch. V. Ent. 
LXXVII, 1933, p. 392), as rugosus Waterh. is jacobsoni. 

Tympanophorus javanus sp. n. 

Similar in build and colour to ventralis Cam. and only dif- 
fers in the following respects ; the head is shorter and broader, 
more transverse, the eyes smaller, about as long as the post- 
ocular region, the antennal joints a little less transverse, sculp- 
ture of the fore-parts distinctly coarser, the sculpture and 
pubescence of the abdomen scarecely differs from that of 
ventralis and the pubescence of the elytra is as in that spe- 
cies. The last abdominal segment is reddish. The longer 
thorax, the sides of which are straighter and more retracted 
behind at once distinguish this species and ventralis from all 
the known oriental forms. Length 10 mm. 

$ : 6th. ventral segment arcuately emarginate. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. 24.III.30 ; 
23.XII.29: 26.III.29 ; 23.1.29. 

Pammegus Fauv. 

flavipes Fauv. Batoerraden, G. Slamat 7-9.VIII.26. Also in 
Sumatra and India. 

Var. ruficollis Fauv. With the preceding. Also in Burma. 



FAUNA JAVANICA. 27 

Pammegus javanus sp. n. 

Very closely allied to flavipes and only differs in the fol- 
lowing respects : the head is broader, more transverse, the 
elytra are coarsely but not rugosely punctured, the abdomen 
is much more coarsely punctured. The tibrae are infuscate. 
Length 1 1 mm. 

Telok Batong. 12.XII.28. Unique. 

Taxiplagus Bernh. 

abnormalis Bernh. G. Tanqkoeban Prahoe, alt 4000 — 5000 ft. 
28.XI.28. 24.III.30. 



Cyrtothorax Kr. 

Cyrtothorax rufipennis sp.n. 

Shining, head and thorax black, the former with the frontal 
region yellowish red, the latter with the explanate lateral and 
posterior margins yellow ; scutellum black ; elytra red ; ab- 
domen with the raised lateral margins reddish, the 1st. visible 
segment black, the 2nd. black with small reddish lateral spot, 
the 3rd. red, only the base black, the following black ; first 
three ventral segments red. Antennae black, the first three 
joints reddish, the 10th. and 1 1th. yellow. Legs reddish yellow. 
Length 13 mm. 

Head transverse, suborbicular, as wide as the thorax, eyes 
very large ; post-ocular region very short ; the yellow frontal 
region bi-impressed, the impressions with a few small punctu- 
res, the rest of the surface sparingly and rather finely punc- 
tured ; ground sculpture absent. Antennae with the 3rd. joint 
longer than the 2n'd., 4th. to 6th. a little longer than broad, 
gradually decreasing in length, 7th. as long as broad. 8th. 
to 10th. slightly transverse, 11th. shorter than the two pre- 
ceding together. Thorax slightly transverse, widest about the 
middle, the sides more retracted in front, their posterior half 
and the base explanate and impunctate, along the anterior 
margin on each side with six large umbilicate punctures, the 
rest of the surface very finely and sparingly punctured ; 
ground sculpture absent. Scutellum coarsely punctured. Ely- 
tra a little longer and broader than the thorax, rather coar- 
sely and moderately closely punctured, with short, stiff, semi- 
erect black hairs. Abdomen rather finely and closely punctu- 
red at the bases and sides of the first four visible segments, 
elsewhere practically impunctate, the 5th. rather closely co- 
vered with rather fine acicular punctures, the 6th. more spa- 
ringly. Anterior tarsi moderately dilated. 

Batoerraden, G. Slamat. I — 33. Pengalengan, alt. 4000 ft. 
1893 {Fruhstovfer). Type, my collection. 



28 MALCOLM CAMERON, 

Cyrtothorax octomaculata sp.n. 

Shining, black, each elytron with four yellow spots, one 
at the shoulder, two placed obliquely on the disc, one of 
them very small a little distant from the shoulder near the 
side margin, the other larger often irregular in shape, nearer 
the suture and sometimes connected to the smaller spot, and 
another adjacent to the postero-external angle sometimes 
absent (var. sexmaculata) , the posterior half of the suture 
narrowly reddish yellow. Antennae with the 1st. joint yellow, 
the following four and the 1 1th, reddish yellow, the rest black, 
sometimes with the 10th. reddish. Legs reddish yellow, the 
anterior femora infuscate below, the tibiae slightly infuscate. 
Length 8 mm. Head with the usual enormous eyes, as broad 
as the thorax, towards the front in the mfddle with a feeble 
impression and except for the usual juxta-ocular punctures, 
practically impunctate. Antennae with the 3rd. joint a little 
longer than the 2nd., 4th and 5th. slightly longer than broad, 
6th. to 10th. transverse. Thorax slightly transverse of the 
characteristic form, along the anterior border on each side 
with four large punctures, otherwise (except for the usual 
marginal punctures) impunctate. Scutellum with a few punc- 
tures. Elytra slightly longer and broader than the thorax, 
very coarsely, rather closely punctured towards the sides, 
the base and posterior margin practically impunctate, spa- 
ringly clothed with long hairs. Abdomen closely punctured 
at the bases of the segments, less closely along the apical 
borders, the last two segments with a few fine scattered 
punctures, elsewhere impunctate, the pubescence long and scanty. 

S : 6th. ventral segment with a shallow arcuate emarqination. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. VII-Vin.33 : 

vn.30. 

Cyrtothorax elegans sp.n. 

Shining, head black, the frontal region reddish yellow ; 
thorax red, along the middle from base to centre or a little 
beyond with a blackish stripe, towards the lateral margin 
with a blackish spot ; scutellum black ; elytra black, the suture, 
shoulders, reflexed margins and postero-external angles yellow 
and with an oblique yellow fascia (usually dilated on the 
disc) extending from the reflexed margin behind the shoul- 
der tothe suturai angle, but sometimes not reaching so far ; 
abdomen with the first three visible segments red, rarely 
blackish with the posterior margins red, 4th., 5th. and 6th. 
black, the posterior margin of the former narrowly, that of 
the 5th. and 6th. broadly yellow. Antennae with the 1st. 
and 11th. joints yellow, 2nd. to 5th. reddish yellow, the others 
black. Legs reddish yellow. Length 7- — 8 mm. In all respects 
except the colour similar octomaculata. 

Batoerraden, G. Slamat. IX.32 ; 22.in.30; 21.X.29; 9.L32. 



FAUNA JAVANICA. 29 

Quedius Steph. 

Quedius (Sauridus) nigropolitus sp.n. 

Shining, black, the abdomen iridescent. Antennae black, 
the 11th. joint obscurely reddish. Legs black, tarsi reddish. 
Length 10 mm. Head a little transverse, suborbicular, nar- 
rower than the thorax, the eyes large, the post-ocular region 
short, at the base on each side with five or six moderate 
punctures, at the base of the antennal tubercle with another, 
two on the frontal margin and four or five along the orbital 
margin, otherwise impunctate and without ground sculpture. 
Antennae short, the 3rd. joint a little longer than the 2nd., 
4th. and 5th. slightly longer than broad, 6th. to 10th. trans- 
verse. Thorax slightly longer than broad, the sides gently 
rouded and retracted towards the front, on each side of the 
middle with a rather irregular row of six or seven small 
punctures, externally with a few others irregularly placed, 
the sides with a few setae. Scutellum impunctate. Elytra 
scarcely longer but broader than the thorax, along the suture 
with a row of six or seven punctures, along the base with 
four others, the disc subserially punctured, the punctures 
rather large and arranged more or less in three rows, leaving 
a smooth space adjacent to the reflexed margin, this with 
a row of punctures along the reflexion itself ; pubescence 
long and scanty, the sides setiferous. Abdomen parallel, 
rather finely and closely punctured, less closely at the apical 
margins of the segments, the last two more finely and more 
sparingly punctured ; pubescence rather long and sparing. 

Idjen Plateau, alt. 900—1500 m. 12.L34. (Lucht). Unique. 

Quedius {Indoquedius) javanus sp.n. 

Shining, entirely black, the abdomen slightly iridescent. 
Antennae black, the last three joints yellowish red. Palpi 
yellowish red. Legs pitchy black, the anterior and middle 
femora and the tarsi reddish. Length 8.5 mm. Of less robust 
build than [ilicornis Epp., with longer, differently coloured 
antennae ; longer, less coarsely and deeply punctured elytra 
and darker legs ; near borneensis Cam., but smaller and nar- 
rower with more finely and less closely punctured elytra. 
Head large, transversely suborbicular, a little narrower than 
the thorax, with the very large and prominent eyes characte- 
ristic of the sub-genus, with five large punctures along the 
orbital margin and an exceedingly fine, scarcely visible, obso- 
lete and very sparing puncturation ; ground sculpture absent. 
Antennae slender, the 3rd. joint longer than 2nd., 4th. and 
following all distinctly longer than broad, gradually decrea- 
sing in length, 11th. a little longer than the 10th. Thorax 
very slightly transverse, the sides nearly straight, retracted 
towards the front, the posterior angles broadly rounded, be- 



30 MALCOLM CAMERON, 

fore the middle on each side with a large puncture, the front 
margin on each side with three others, the sides and base 
with the usual marginal punctures, also with a scarcely visible 
and sparing puncturation. Scutellum with a few rather coarse 
punctures. Elytra slightly longer and broader than the thorax, 
with moderately coarse, not very close puncturation and long 
black hairs. Abdomen a little narrowed towards the apex, 
very finely and rather sparingly punctured, the pubescence 
as on the elytra. Anterior tarsi strongly dilated. 

G. Tangkoeban Prahoe. alt. 4000—5000 ft. 5.IX.28 : 
24.III.30 : 22.XI.28 : 29.VIII.28. 

Acylophorus Nordm. 

1 scutellaris Bernh. G. Tangkoeban Prahoe, alt 4000 — 5000 ft. 
IV.34. Also in Borneo. 

Acylophorus javanus sp.n. 

Very near furcatus Motsch, but with the head a little lon- 
ger arid narrower, the antennae shorter, of a reddish brown 
colour, with the 11th. joint yellow, the legs pitchy, the an- 
terior femora and the tarsi reddish yellow ; elytra as long 
as the thorax, black, rather more coarsely and a little less 
closely punctured than in furcatus ; abdomen less iridescent, 
the posterior margins of the segments scarcely rufescent. 
Length 5 mm. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. 1.34. Unique. 

Anchocerus Fauv. 

birmanus Fauv. Batoerraden, G. Slamat : 13-14. III. 26. Also 
in Burma. 

Atanygnathus Jacobson. 

piceus Motsch. Batoerraden, G. Slamat, 7 — 9.VIII.26. Widely 

distributed in the Oriental region. 
terminalis Er. Tjilatjap, IV. 25. Bandoeng, 10. VI. 34. 

Tachyporinae. 
Mycetoporus Mannerh. 

Mycetoporus javanus sp.n. 

Shining ; head black, the front reddish yellow ; thorax yello- 
wish red ; elytra blackish, the scutellum, a more or less dis- 
tinct basal spot, and the posterior margin reddish yellow ; 
abdomen blackish with the posterior margins of the segments 
broadly rufescent, sometimes entirely red. Antennae and legs 
reddish yellow. Length 3.75 mm. Belongs to the group with 



FAUNA JAVANICA. 31 

very obsoletely punctured elytra. Head much narrower than 
the thorax, with a few extremely fine, scarcely visible punc- 
tures ; ground sculpture absent. Antennae with the 3rd. joint 
longer than the 2nd., 4th. and 5th. a little longer than broad, 
6th. as long as broad, 7th. to 10 th. slightly transverse. Thorax 
shghtly transverse, the sides gently rounded, more retracted 
in front, on each side of the middle a little behind the an- 
terior margin with a very small puncture and another a little 
before the base on each side and with a few scarcely visible 
scattered punctures as on the head ; ground sculpture absent. 
Scutellum impunctate. Elytra a little longer but scarcely broa- 
der than the thorax, along the suture with four or five very 
small and obsolete punctures, five or six equally small and 
obsolete externally and at the reflexed margin itself, with a 
similar row, otherwise impunctate. Abdomen very finely and 
sparingly punctured except at the base of the 1st. visible 
segment where the puncturation is much closer ; pubescence 
rather long and scanty. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. 14.1.30. 

Bryoporus Kr. 

Bryoporus orientalis sp.n. 

Shining ; black, the base of the elytra more or less rufes- 
cent, the posterior margins of the abdominal segments nar- 
rowly and obscurely reddish. Palpi and first two joints of 
the antennae yellow, the 11th. obscurely yellowish, the rest 
black. Legs reddish yellow. Length 5 mm. In build resem- 
bling lineipennis but with longer elytra, more slender antennae, 
the rows of punctures on the elytra finer and more obsolete. 
Head much narrower than the thorax, with a moderate punc- 
ture a little internal to the eye on each side, and a few extre- 
mely fine and obsolete scattered ones ; ground sculpture ab- 
sent. Antennae with the 3rd. joint a little longer than the 
2nd., 4th shghtly longer than broa'd, 5th, as long as broad, 6th. 
to 10th. transverse. Thorax a third broader than long, the 
sides rounded, more retracted in front, with a row of four 
small punctures placed transversely a little behind the anterior 
margin, another row similarly situated before the base and 
an extremely fine obsolete and scattered puncturation. Elytra 
more than a half longer than the thorax with seven rows of 
closely placed fine and somewhat obsolete punctures on each. 
Abdomen pointed, with rather close (especially at the bases 
of the segments) aciculate punctures. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt 4000—5000 ft. 3-15.IL33. 

Bolitobius Mannerh. 

Bolitobius {Lordithon) javanus sp.n. 

Shining, black, the thorax and elytra slightly iridescent. 



32 MALCOLM CAMERON, 

5th. visible segment of the abdomen with the posterior bor- 
der narrowly reddish yellow. Palpi blackish. Antennae black, 
with the 1st. 2nd. and 11th. joints yellow. Femora reddish 
yellow, the tibiae and tarsi pitchy. Length 5.5 mm. 

Head a little broader than long, with a few extremely fine 
scarcely visible punctures, the post-ocular region impunctate, 
ground sculpture absent. Antennae with the 3rd. joint slightly 
longer than the 2nd., 4th. a little longer than broad, 5th. 
thicker, about as long as broad, 6th. to 10th. slightly trans- 
verse. Thorax slightly longer than broad, the sides more 
retracted in front and like the base finely margined; with two 
median apical punctures near the anterior arid two basal near 
the posterior border, otherwise practically impunctate, the 
ground sculpture extremely fine. Elytra about a third longer 
than the thorax, with six very fine punctures along the suture, 
four similar ones forming a subhumeral row and six others 
along the reflexion itself. Abdomen conical, the first two 
visible segments very finely and very sparingly, the 3rd. and 
5th. equally finely but a good deal more closely punctured ; 
the pubescence fine. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt 4000—5000 ft. 18-20.XII.32. 
Unique. 

Bolitobius {Lordithon) Drescheri sp.n. 

Head, thorax and abdomen yellowish red (the latter so- 
metimes castaneous) with the posterior margin of the 5th. 
visible segment broadly yellowish ; elytra reddish yellow ; 
along the suture from the base nearly to the posterior mar- 
gin more or less broadly and indeterminately blackish, the 
posterior half of the reflexed sides, also obscurely dark. Palpi 
blackish. Antennae with the first three or four joints reddish 
yellow, the 9th. to 11th. clear yellow, the rest black. Anterior 
legs reddish yellow, middle and posterior with the tibiae and 
tarsi more or less pitchy. Length 6 — 7 mm. 

Readily recognised by the colour and the sculpture of the 
thorax. Head broader than long, the eyes prominent, dis- 
tinctly punctured, the punctures varying in size but small and 
moderately close ; ground sculpture absent. Antennae with 
the 4th. and 5th. joints a little longer than broad, 6th. to 
10th. a little transverse, 11th. as long as the two preceding 
together. Thorax with the two median apical punctures situa- 
ted very near the anterior border, the two pre-basal similarly 
placed as regards the base, occasionally with a pair of punc- 
tures a little before the middle ; a broad area along the middle 
extending from the anterior border to the centre closely co- 
vered with small flat punctures, elsewhere with a few scat- 
tered ones ; ground sculpture extremely fine, wavy. Elytra a 
fourth longer than the thorax, along the suture with four fine 
punctures, externally with a subhumeral row of five or six 



FAUNA JAVANICA. 33 

others situated in a shallow groove and five or six more along 
the reflexed edge itself. Abdomen conical with a row of fine 
punctures along the posterior margins of the segments fur- 
nished with long black setae, the 6th. and 7th. with a few 
small scattered ones, otherwise practically impunctate, the 
sides setiferous. 

G. Tangkoeban Prahoe. alt. 4000—5000 ft. 21.IV.30. 

Bolitobius {Lordithon) bipustulatus sp.n. 

Black, shining, the posterior margin of the thorax very 
narrowly yellowish, the elytra each with a rather large roun- 
ded yellow humeral spot, the posterior margin narrowly 
yellow, less narrowly at the postero-external angle ; abdomen 
with the posterior margins of the segments rufescent. Anten- 
nae with the first four joints yellow, the following blackish, 
the 11th. obscurely yellowish. Palpi and legs yellow. Length 
3.5 mm. 

In colour pattern much resembling proximus Cam. but more 
robust, the antennae longer and more slender, the abdomen 
less punctured etc. Head about as long as broad, scarcely 
perceptibly and very sparingly punctured. Ground sculpture 
absent. Antennae with the 4th. joint small, about as long as 
broad, 5th. stouter, about as long as broad, 6th. to 10th, 
slightly transverse. Thorax with the apical and pre-basal 
punctures situated near the anterior and ' posterior borders 
respectively, otherwise impunctate except for the usual mar- 
ginal punctures, the sides finely bordered, the base immar- 
ginate : ground sculpture absent. Elytra about a third longer 
than the thorax, with a suturai row of five small punctures, 
a subhumeral of four, the reflexed side with seven. Abdomen 
pointed, the posterior margins of the segments with trans- 
verse row of small, asperate setiferous punctures, the 7th. 
rather closely covered with acicular punctures, elsewhere 
nearly impunctate, the sides setiferous. 

G. Tangkoeban Prahoe. alt 4000—5000 ft. 3- 15.11.33. 
Unique. 

Bolitobius (Lordithon) preangeranus sp.n. 

Shining, head black, thorax and abdomen yellowish red, 
the latter with the middle of the 4th. (visible) and base of 
the 5th. segments more or less infuscate ; elytra yellow, with 
large, ill-defined black triangular marking extending from 
about the middle of the reflexed margin to the suture near 
apex, thus occupying the whole postero-external region, the 
suture and base (sometimes) narrowly and obscurely darker. 
Antennae black, the first three joints, palpi and legs yellow. 
Length 4 mm. 

Differs from thoracicus F. in the much longer antennae, 
colour of thorax and abdomen, shorter elytra with larger 



54 MALCOLM CAMERON, 

and blacker marking. Head distinctly broader than long, 
glabrous. Antennae with the 4th. and 5th, joints a little longer 
than broad, the following about as long as broad. Thorax 
with the sides and base finely bordered, the apical and pre- 
basal punctures situated a short distance from their respective 
margins, glabrous. Elytra about a third longer than the thorax, 
along the suture with six or seven very fine punctures, 
another subhumeral row and one on the reflexed side, equally 
fine and similar in number. Abdomen conical, very finely 
and very sparingly punctured, more closely on the 7th. seg- 
ment, the pubescence fine and sparing. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt 4000—5000 ft. 3-15.II.33. 
21.IV.30. 

Var. Toxopei. In this form the elytra are extensively yel- 
low, the base not at all infuscate, the black area smaller, and 
more sharply defined. 

Tjibodas Gedeh, IV. 31. (Toxopeus). 

Bolitobius {s.str.) suturalis sp.n. 

Shining ; head black ; thorax reddish yellow ; scutellum black ; 
elytra yellow with a broad ill-defined iridescent blackish 
fascia extending from the base along the suture nearly to 
the posterior border, the reflexed sides black, occasionally 
with the dark parts obscurely connected near the posterior 
border, or with the elytra blackish the yellow coloration much 
reduced or scarcely visible ; abdomen red. Antennae black, 
the 1st joint yellow ; palpi yellowish brown. Femora yellow. 
Tibiae and tarsi reddish. Length 5 mm. var. coUaris. Thorax 
and abdomen black. 

In build much resmbling exoletus but with shorter elytra 
and more transverse penultimate antennal joints. Head a little 
broader than long, finely, obsoletely and sparingly punctured ; 
ground sculpture absent. Antennae with the 4th. to 10th. 
joints transverse. Thorax with the margins extremely finely 
bordered, with four small punctures along the apical margin 
and two others at the base ; ground sculpture extremely fine 
and wavy. Elytra about a fourth longer than the thorax, along 
the suture with five very small punctures, externally with 
five others situated in a shallow groove, and along the re- 
flexion itself with six more. Abdomen with fine acicular 
punctures, closer at the bases and sides of the segments, 
nearly smooth in the middle, the 7th. segment less finely 
and more closely punctured all over. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. 2-15.II.33. 
Bolitobius (s.str.) decipiens sp.n. 

Nandjoeng Djaja, G. Simpal, alt. 600 m. (de Haas). 

Very closely allied to the var. collaris of the preceding 
species but at once distinguished by the 11th. joint of the 
antennae being entirely yellow, the 4th. and 5th. joints not 



FAUNA JAVANICA. 35 

transverse but slightly longer than broad ; the yellow sub- 
humeral fascia when present appears to be always narrower 
and less dilated behind than in collacis ; in other respects 
there are no appreciable differences. Length 5 — 5.6 mm. 
G. Tangkoeban Prahoe, alt 4000—5000 ft. 2-5.II.33, 
21.IV.30. 24.XII.32. 

Conosoma Kr. 

robustum Cam. Koebangkangkoeng, Zuid Panjoemas, 31.1, 

32. Also in the Malay Peninsula and India. 

breve Fauv. Tjibodas Gehed. IV. 31. {Toxopeus). Also in 

the Malay Peninsula and India. 
biguttatium Motsch. G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000 — 5000 
ft. 17.XII.32. Also in the Malay Penin- 
sula. 

Euconosoma Cam. 

{Heterotachinus Wend. Verisim.) 

pictum Bernh. {Conosoma). {elegans Cam.). Batoerraden, 

G. Slamat, 27.11.28. Zuid Sumatra, G. Tang- 
gamoes. 20. XII. 33. [de Giesting). Also in 

Borneo. 

Tachinus Gr. 

Tachinus {s.str.) javanus sp.n. 

Shining, black, the posterior margin of the thorax narrowly 
reddish (by translucency). Antennae and legs ferruginous 
red. Length 6 mm. Head extremely finely, sparingly punctured 
and without ground sculpture. 

Antennae short and stout, the 3rd. joint a little longer 
than the 2nd., the 4th. to 10th. transverse, gradually increa- 
sing in width. Thorax one half broader than long, the sides 
gently rounded, more retracted towards the front, a little less 
finely and distinctly more closely punctured than the head ; 
ground sculpture absent. Scutellum finely and sparingly punc- 
tured. Elytra parallel, half as long again as the thorax and 
scarcely broader, with a row of four or five larger punctures 
near the side margin and otherwise moderately finely and 
rather closely punctured ; ground sculpture absent. Abdomen 
narrowed towards apex, rather closely covered with modera- 
tely fine acicular punctures, the posterior margins of the 
segments impunctate. 

Î : 8th, dorsal segment with four pointed processes, the 
median pair more produced backwards than the lateral. 6th. 
ventral segment with four processes, the median pair parallel 
and separated by a deep excision with rounded fundus, the 



36 MALCOLM CAMERON, 

apex of each process with three setae ; lateral processes 

stouter, sub-triangular less produced backwards than the 

median and separated from them by an arcuate emargination. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt 4000—5000 ft. 11.34. Unique. 

Tachinomorphus Kr. 

[ulvipes Er. var, niger Cam. G. Slamat. V.25. 
Batoerraden, V.VII. VIII. 26. Tjilatjap IV.25. 
G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. XII.33. 
Zuid Amatra, G. Tanggamoes, 20. XII. 33 {de Giesting). 
Widely distributed in the Oriental region. 

Tachinoderus Motsch. 

T achinoderus javanus sp.n. 

In colour, build and antennal structure similar to longicot- 
nis and himalayicus but smaller (3.5 mm), and with the rows 
of punctures on the elytra irregular, the punctures themselves 
much finer but varying in size, externally along the side 
margin with a practically impunctate space, the reflexed mar- 
gin punctured, the abdomen is much more finely and obso- 
letely punctured than in the other two species. 

G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. 6.IX.33. 

Coproporus Kr. 

latus Motsch. G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000—5000 ft. 
5.IX.28 : V.33. Also in Sumatra, Malay 
Peninsula and Burma. 

flavicotnis Kr. Batoerraden, G. Slamat. 8.VIII.26. G. Boe- 
rangrang, 9.VII.33. Nondjoeng-Djaja, alt. 
400 m. 28. VII. 33 {de Haas). Also in Suma- 
tra and Burma. 

brunneicollis Motsch. G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000 — 5000 
ft. V. 33. Widely distributed in the Oriental 
region. 

sanguinolentus Motsch. Batoerraden, G. Slamat, 11. VII. 26, 
30.VIII.26. Also in the Philippines. 

iddescens Cam. G. Tangkoeban Prahoe, alt. 4000 — 5000 ft. 
17.XII.32. Also in Borneo, the Malay Penin- 
sula and Philippines. 

planus Fauv. G. Slamat, V.25. Also in Burma, Assam, Su- 
matra, Tonkin and E. Africa. 

sulcicollis Bernh. Noesa Kambangan, V.25. Also in Sumatra. 

melanarius Er. Tjilatjap, 20-25.VIII.26. Widely distributed 
in the Oriental region. 

heterocerus Fauv. {varians Cam.). G. Slamat, 12.VII.25. 

Also in Sumatra, Singapore, Malay Peninsula 
and Seychelles. 



FAUNA JAVANICA. 37 

Coproporus coriaceus sp.n. 

Foreparts greasy lustrous, the abdomen more shining, pitchy 
black, the posterior margin of the thorax and occasionally the 
sides narrowly and obscurely reddish ; the posterior margin 
of the elytra very narrowly but distinctly reddish yellow, the 
posterior margin of the abdominal segments scarcely per- 
ceptibly rufescent. Antennae and palpi clear reddish yellow. 
Legs yellowish red. Length 4 mm. 

In size and builtì resembling latus, but with shorter, clear 
reddish yellow antennae and different sculpture. Head, tho- 
rax and elytra strongly coriaceous, here and there with a 
minute puncture, abdomen much less strongly coriaceous with 
equally small but more numerous punctures and short, scanty 
hairs. Antennae with the 3rd. joint a little longer than the 
2nd., 4th. and 5th. slightly longer than broad, 6th. to 10th. 
transverse. 

G. Patoeha, alt. 5000 ft. 19-25.IX.26. Tjibodas Gedeh, 
IV.31. (Toxopeus). 

Leucoparyphus Kr. 

limbifer Motsch. Bandoeng, 25.X.33. Balakan, Zuider Geb, 
28.Vin.27. Widely distributed in the Orien- 
tal region. 



Retouches sur quelques fourmis d' Europe 

par 

A. STÄRCKE 

Den Dolder, Hollande 
(Laboratoire du Willem Arntsz-Hoeve, div. p. soc. exp.) 



II. Lasîus groupe umbratus Nylander. 3) 

Les clefs analytiques de Forel (1874, 1915) et d' Eme- 
ry (1915) se basent surtout sur l'échancrure plus ou moins 
profonde de 1' écaille pour ce qui concerne les 5 5 et les 
$ $ , et puis sur la présence ou absence de poils dressés 
sur les tibias. Ainsi, dans la plupart des collections on trouve 
les ? ? et Ö 5 à tibias poilus déterminées umbratus 
NyL, les autres mixtus Nyl, ou affinis Schenck. Dans 
les cas de doute on se tirait d' affaire par la diagnose de 
var. mixto-umbrata Forel. Les clefs de W a s m a n n (T. v. 
Ent. 1897 et Arch. tr. Inst. Grand-Ducal, Luxembourg 1906) 
partagent la même conception, considèrent ces formes comme 
races et notent la fréquence des cas douteux, qui seraient 
plus communs que les races pures. 

Emery (1915) était le premier à distinguer une forme 
d' umbratus à tibias non poilus {distinguendus) (rangée par 
lui comme race du L. bicornis Foerst) avec une variété htj- 
brida, transition, et B o n d r o i t, en distinguant plusieurs 
nouvelles formes, prononça 1919 le mot décisif en remar- 
quant qu' il ne faut pas attacher d' importance trop grande 
à la pilosité, mais qu' il faut plutôt considérer la forme de 
1' antenne, de la tête, et de 1' écaille. Cependant jusqu' 
aujourd'hui une distinction précise des espèces, partant de 
ces caractères, faisait défaut, et c' est pourquoi je me suis 
mis à 1' examen des types. 

Heureusement le directeur du Musée de Helsingfors, Ni- 
le prof. Richard Frey a bien voulu me confier les types de 
la Formica umbrata Nyl, et le type $ unique F. mixta Nyl. 
Je lui témoigne ma vive reconnaissance. 

En combinant les résultats de mes élevages de femelles 
isolées, adoptées chez alienus ou niger, élevages commencés 
en 1926, avec 1' examen de ces types, admirablement conser- 
vés, et des types de Forel que le Dr, Caria bien voulu 



1) I. Plagiolepis xene etc. Entom. Berichten No. 212 dl. IX 1 Nov. 
1936, p. 277—279. 



FOURMIS D' EUROPE. 39 

me communiquer autrefois, il en résulte que \e„Lasius umbca- 
tus Nyl. i. sp." de Forel, d' Emery, de W a s m a n n, 
deDonisthorpe et de moi-même est un amalgame inex- 
tricable de quelques formes, bien définiables aussitôt que 1' 
on ne part pas des ouvrières, mais des femelles, formes plus 
anciennes et bien plus constantes. 

Il est dommage que M. Bondroit est resté sourd à 
mes demandes répétées de ses types, de sorte qu' il reste quel- 
que incertitude là-dessus ; peut-être qu' il n' en dispose plus, 
sa collection ayant été volée pendant 1' invasion de 1914 — '18. 

On peut donc seulement confirmer la probabilité de la 
supposition de Bondroit (1919) et de Viehmeyeri) 
(1922) que le ,,Lasms umbratus Nyl." d' Emery femelle 
soit en réalité le Lasius meridionalis Bondroit 1919, distingué 
par lui en 1918 comme Formicina sp. ? et fondé sur une femelle 
unique, provenarit d' Aveyron, tandis que le vrai umbratus 
Nyl. renferme des formes identiques ou très proches de var. 
sabularum Bondr. ( 5 ) et var. nuda Bondr. ( Ö ), et que le 
L. mixto-umbratus et L. mixtus de tous les auteurs (à 1' ex- 
ception de Nylander et de Bondroit) constituent un 
amas confus de formes diverses, dont on ne pourrait pas 
même donner une synonymie. 

Les ouvrières umbratus Nyl. et meridionalis Bondr., es- 
pèces qui abondent dans toute 1' Europe centrale, n' ont jamais 
été distinguées, toutefois s' il ne s'agit pas d' une espèce à 
dimorphisme des femelles. 

Lasius umbratus Nyl. 

Types, Nylander, dans sa description de la Formica 
umbrata, mentionne en premier lieu des femelles de Suède, 
communiquées par Dahlbom, ensuite des femelles désailées, 
prises le 6 Août 1845 à Helsingfors et puis des femelles et 
des mâles, capturés le 26 juillet 1846 à Wihtis. Des deux 
types 9 , envoyées par le Dr. Frey, 1' une, la plus intacte, 
est ailée et porte 1' indication ,,H : fors", 1' autre, également 
de Helsingfors, est désailée et porte l'indication ,,! 6 VIII." 
C' est cette dernière je dois choisir comme lectoholotype. Du 
reste, les deux sont semblables en tout. 

Lectoholotype. Femelle désailée du groupe Lasius umbratus 
Nyl. étiquettée : Spec, type No 5062 coll. Nyland. W. Ny- 
land. H : fors, et (écrite) ! 6 VIII. Epinglée par le scutum. 
Tête assez fortement excavée (environ 7 unités soit 120 — 130 
f.i) large avec les yeux de 94 unités de 18, 25 ^.2). Sillon 



^)Viehmeyer i. litt, cité par Emery Boll. soc. ent. it. 1922 p. 
11. Je ne vais pas d' accord avec la seconde conclusion de Viehmeyer, 
qui met en synonymie le distinguendus Em., 1' aifinis Schenck et la v. 
nuda Bondr. 

^) Je ne répète pas les traits communs aux femelles de ce groupe. Dans 
ce travail une ,, unité" est de 18.25 u. 



40 A. STARCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 

frontal réduit à une liqne fine, avec une dépression assez 
courte avant 1' ocelle. Côtés de la tête arqués. Clypeus très 
faiblement caréné ; mandibule ponctuée-ridée. Hauteur maxi- 
ma de la tête 57. ± 2 i ) , hauteur prise par le bord postérieur 
de l'oeil 51 ± 2. Oeil 18 X 15, abondamment orné de poils 
courts, de 32 à 37 u. 

Scape long de 69 unités, (sans artic), large au maximum 
de 9 unités, vu perpendiculairement sur le plan d' extension 
du funicule. 

Dimensions des articles du funicule droit : 

Long, en unités de 18 V4 i" Larg dans le plan perpendic s. le plan 

Fun. 







d'extension ±0.1 


d' extension 


1 


15.5 


6.8 


6.2 


2 


8.0 


5.8 


5.8 


3 


7.0 


5.8 


5.5 


4 


7.8 


6.4 


6.5 


5 


7.5 


6.6 


5.8 


6 


7.6 


6.8 


6.2 


7 


8.0 


7.2 


6.4 


8 


8.0 


7.8 


6.8 


9 


8.2 


8.0 


7.0 


10 


8.2 


8.0 


7.2 


11 


19.6 


7.5 


6.8 



Au funicule gauche manquent quelques articles. Tête et 
dos du thorax abondamment ornés de poils, espacés sur le 
front et le vertex de 5 à 7 unités (90- — -130 /j), un peu moins 
espacés sur les flancs, et longs de 2 à 3 unités sur la tête, 
de 3 à 4 unités sur le scutum. Les poils du bord postérieur de 
la tête et ceux du scutellum atteignent une longueur de 7 
unités. 

Ecaille large et assez basse, presque carrée, élargie au mi- 
lieu, à bord large, excavé en triangle obtus (comme la fig. d' 
Emery: distinguendus 5 ) . 

Largeur maximale de l'écaillé 36 unités. 

Largeur au sommet 20 ; cinq unités plus bas : 29. 

L' écaille atteint environ les s/g de la hauteur du gaster et 
2/3 de celle de 1' épinotum. Hauteur de 1' écaille jusqu'au dos 
du pétiole 31 unités. Longueur des poils les plus longs de 
l'écaillé 5 unités. 

Tibias abondamment pourvus de poils sur toute leur sur- 
face, espacés environ comme sur la tête, levés de 70 à 80°, 
un peu plus obliques vers 1' extrémité. L' abondance est un 
peu moins grande sur les tibias moyens et surtout sur les tibias 
antérieurs. Longueur des poils de 55 à 70 /*. Ces poils sont 
assez difficilement visibles à la loupe de 12 X, et exigent une 
lumière favorable. Les fémurs portent quelques poils perpen- 
diculairs. Pubescence très fournie sur les appen'dices, couvrant 



^) Mesurée en tournant 1' épingle jusqu' à atteinte du minimum. 



FOURMIS D' EUROPE. 



41 



r éclat de la chitine. Sur le funicule la pubescence est élevée 
de 15° a 20°, de sorte que les articles semblent plus larges 
qu' ils ne le sont réellement, lorsqu'on examine à la loupe. 
Pubescence du scape longue de 36 a 45 /^. élevée de 40° à 
70°, une rangée de quelques poils du côté flexeur, longs de 
50 — 60 u, encore davantage, thorax et tête assez luisants, 
pubescence visible comme duvet sous certaines lumières. L' 
ultropak décèle une pubescence très fine et assez serrée, 
blanchâtre ; la longueur en est de 1.8 à 2 unités (de 1834 y") 
1' interstice de la ponctuation de 1 à 1.6 unités. La ponctuation 
est composée de points très fins, mais à 70 X paraissant comme 
des soucoupes peu profondes et très serrées, les interstices 
étant beaucoup plus petits que le diamètre des soucoupes. 
Dans le centre de chaque soucoupe le petit point se trouve 
piqué où s'insère le poil de la pubescence. C'est surtout cette 
microsculpture qui détermine l'aspect moins luisant de cette 
espèce. Poils du gaster abondants, plus longs aux derniers 
segments, allant jusque 13 unités. 




Ecailles $ , umb ; Lasius umbratus Nyl. de den Dolder, umb Meran id 

de Meran, spécimen offrant une déviation, mer : L. meridionalis Bondr. 

daim : L. viehmeyeri Em. var. dalmatica nov. v. a[f : L. af finis Schenck, 

de 1' Hongrie, partie supérieure. Même agrandiss. 30 X. 

D' un brun châtain chaud, appendices un peu plus clairs. 
Longue de 6.2 mm (tête, en flexion). 



2 


8 


5.5 


3 


7 


5.5 


4 


7.2 


6. 


5 


8 


6.2 


6 


8 


6.3 


7 


8.5 


7.5 


8 


9 


7.6 


9 


9 


8 



42 A. STARCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 

Homoiotype ? , étiquettée Mus. Zool. H : fors. Spec, type 
No 5061 Formica umbrata Nyl. Presqu'en tout semblable au 
type. Largeur de la tête de 92 unités. Sillon frontal bien 
développé jusqu' à 1* ocelle. 

Mesures des articles du funicule en unités de 18J4 /"• 
Longueur Largeur max. Hauteur de l'écaillé 21, poils du 
Fun, 2 8 5.5 sommet 53/2- hauteur du pétiole 

entier 43, Poils de la tête espacés 
de 5 à 7 unités en direction longi- 
tudinale, de =b 3 unités en direc- 
tion transversale. Poils de l'occi- 
put de 4 unités. A la loupe on 
discerne environ 20 poils au bord 
extenseur du tibia postérieur, le 
tibia est poilu de tous les côtés. Longueur de ces poils de 
3^ à 4, leur distance de 4}/^ à 6 en direction longitudinale, 
de 21/2 à 3}/^ unités en direction transversale. 

Aile antérieure 8.4 mm. Cellule discoidale fermée, sa lon- 
gueur 49, largeur 38 unités. Pubescence fournie, donnant un 
éclat soyeux sur le gaster, un duvet sur la tête et le thorax 
sous lumière oblique. D' un brun châtain, comme le type, 
appendices plus clairs ; 6.4 mm (tête un peu en flexion). 

Les nombreuses femelles de Hollande que j'ai examinées 
sont identiques presqu'en tout avec ces types. Seulement la 
pubescence du scape est en général plus couchée, tout en 
offrant toutes les transitions et en gardant la rangée de 3 — 12 
poils dressés du côté flexeur. (Cette rangée fait défaut chez 
les meridionalis, distinguendus et af finis.) 

La hauteur de 1' écaille fluctue beaucoup, mais son bord 
supérieur et 1' échancrure offrent toujours le même type d'as- 
pect (fig 1, umb.). Quant à la pilosité des tibias, on trouve 
des fluctuations à pilosité réduite des côtés et aussi des spé- 
cimens où la direction des poils du côté extenseur est un peu 
modifiée dans le sens postérieur (c.à.d. que les poils sont 
dirigés en dedans au lieu d'en haut). 

Plusieurs fois la pilosité des tibias antérieurs est très ré- 
duite, mais celle des tibias postérieurs est toujours bien 
marquée. 

Je donne ici quelques mesures d'une $ du Ravenberg à 
Beek près de Nymègue. 

Longueur Largeur (1 = 18,25^). 

Fun. 2 7 5.2 Hauteur de l'écaillé 30^/^ 

de l'excavation ... 5J/2 
Poils du bor'd de l'écaillé ... 4 
Largeur max. de l'écaillé ... 33 
Hauteur du pétiole avec 

écaille 45 

Largeur de la tête 90 

Hauteur de la tête max. ... 58 



2 


7 


5.2 


3 


7.8 


5.5 


4 


7 


6.0 


5 


7.5 


6.4 


6 


7.4 


6.8 


7 


8.2 


7.4 


8 


8.2 


8.0 


9 


8.8 


8.2 



FOURMIS D' EUROPE. 43 

Hauteur de la tête par bord ant. de 1* oeil 57 

,, ,, „ ,, „ post. ,, , 50 

Variabilité. De 57 femelles d'un vol nuptial dans mon 
jardin en juillet '33, 3 avaient le funicule moins large, l'ar 
ticle 8 mesurant 9 X 7.5 unités, 2 ont la ponctuation plus 
piquée (intermédiaire entre umbratus et meridionalis) , chez 2 
la rangée de poils du scape manque (transition à var. sabu- 
latum Bondr. — l'écaillé n' est pas sinuée mais de forme 
typique). Chez 1 la pubescence du scape est dressée comme 
celle du type de N y 1 a n d e r, chez 1 1' écaille est assez 
haute et sinuée (max. de largeur au-dessous du milieu), 48 
sont typiques en tout. 

De 5 femelles récoltées à Meran (Ti) i) 2 sont typiques 
(Finele Loch 500 M. 9-7-'30 S. et Haf fling 1300 M 25-7-'28 
S.), chez 1 la rangée de poils du scape manque (Gilf ll-7-'30 
300 M.). Chez 1 1' écaille ne s' élargit que peu (v. fig. 1 umb. 
Meran.) (Haf fling 1300 M. 25-7-'28 S.) et enfin chez 1 
1' écaille est assez haute et sinuée et la pilosité un peu réduite 
(var. mixto-umbtata Forel). 

Deux femelles de Kiczera (Beskides, Hetschko leg. 21- 
9-'93) types m.c. offrent le scape pileux de tous les côtés : var. 
hirtiscapus nov. var. Type : Ecaille haute de 35, le pétiole 
entier de 50, 1' échancrure un peu moins profonde, un peu 
arrondie, mais aussi large. Tête large de 91 unités. Cette 
femelle est remarquable à cause de la date de sa capture. Le 
vol nuptial s' exécute en Hollande dès la seconde semaine 
de juillet jusqu'à mi-août, mais presque toujours en juillet. 

Deux femelles de Den Dolder (Hollande) transitions. Les 
autres variations ne sont que des fluctuations à transitions 
fréquentes. 

L'ouvrière de cette fourmi, au moins dans mes nombreux 
élevages et dans les premières générations, possède des tibias 
non-pileux ou peu pileux (ce n' est pas la var. nuda Bondr., 
puisque chez celle-là la ç a aussi le tibia non-poilu). 

C' est à dire qu' à 1' Ultropak 77 X on constate parfois 
quelques poils de la pubescence luxés et dressés dans diverses 
directions. A la loupe cela peut imposer comme de la pilosité 
mais c' est un phénomène différent. Les vrais poils sont im- 
plantés dans des pores piligeres plus grandes que la ponctua- 
tion d' où sort la pubescence, et on les trouve à distances 
régulières et 'dressés sous le même angle ou presque, tandis 
que la pubescence décollée offre toutes les transitions entre 
adhérence et position plus ou moins oblique. J' ai essayé de 
décoller la pubescence avec un pinceau fin et raide, en vain 
chez les spécimens secs de la collection, mais j'ai réussi à 
décoller ça et là un poil pubescent chez des ouvrières vivantes. 



^) Faun. ital. nov. sp. vide Emery Boll. Soc. ent. It. LIV p. 12 (1922) 
non so se il tipo del L. umbratus si trovi in Italia. 



44 



A. STARCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 



Cependant je possède des ? 9 de umbratus Nyl., prises 
au vol nuptial, à la sortie du nid (Den Dolder), tandis que 
des ouvrières prises en même temps ont les tibias pileux. 

Les femelles de ce nid-là avaient 1' article 8 d' environ 
9 X 7.6, comme le type, mais les $ $ étaient grands (5 mm) 
et avaient 1' écaille échancrée en arc avec angles arrondis 
( comme meridionalis ) . 




Ecailles ^ , aff. L. affinis Schenck ; mer L. meridionalis Bondr. de den 
Dolder (microergate d' un élevage) ; umb L. umbratus Nyl. (id.) 

Je ne sais pas comment expliquer cela, mais il n* est point 
impossible qu' une même colonie héberge les deux espèces 
{meridionalis Bondr. et umbratus Nyl.), vu que j' ai réussi 
à faire adopter par une colonie de Lasius alienus 2 femelles 
désailées d' umbratus et 12 idem de meridionalis. 

Une autre possibilité serait 1' existence d' une variabilité 
très étendue de la pilosité, allant chez les ouvrières de nulle 
jusqu' à abondante, mais je n' en ai pas de preuves. Peut-être 
c'est un phénomène phaenotypique, comme la pilosité de 
certaines plantes. 




Hauteur de 1' écaille 



$ . 1 et 2 umbratus et 3 affinis. 



Il est à remarquer que N y 1 a n d e r ne dit rien sur la 
pilosité des tibias de 1' ouvrière unique dont il se dit convaincu 
qu' elle se trouve avec la femelle décrite, et qu* il ne décrit 



FOURMIS D' EUROPE. 



45 



qu' en quelques mots, le trouvant trop risquable de baser 
une description sur un seul specimen. 

Mâle. Il n' existe pas de certitude que le mâle décrit par 
N y 1 a n d e r appartient à cette espèce, vu qu'il provient 
d'une autre localité. Voici ce que je puis ajouter à la descrip- 
tion de son type : Mâle du groupe umbratus Nyl. Epingle 
par le mesonotum. Etiquette : Spec. typ. No 5063 Formica 
umbrata Nyl. Vichtis. coll. Nyland., et en écriture : G.H.m. 
(ce qui signifie probablement G, Hällström leg.) Long 5 mm. 
Aile ant. 5 mm. 
Scape sans art, 39 

Longueur Largeur Longueur des poils des yeux 
Fun. 1 10.0 5.0 1.8 unités. Tête presque pas 

échancrée, large de 62 unités, 
front large de 13. Sur la tête 
et le thorax quelques poils de 
max. 3 sur la tête, 3]/^ à 4 sur 
le scutum. Sillon frontal pro- 
fond, mandibule avec 7 dents, 
No 1, terminale, grande et 
pointue, séparée du rang linéai- 
re des autres par une encoche, 
les 3 suivantes subégales, à pei- 
ne visibles à 24 X, No 5, 6 et 
7 microscopiques. Moitié distale de la mandibule brune, moitié 



1 


10.0 


5.0 


2 


6.0 


4.0 


3 


6.0 


3.6 


4 


6.2 




5 


7.5 


3.6 


6 


8.0 


3.6 


7 


8.2 




8 


8.0 




9 


7.5 




10 


7.0 




11 


7.0 


3.8 


12 


19.0 


3.8 




Ecailles $ , vues de derrière, X 65, et esquisse de 1' écaille du type ^ 
de Nijlander, vue obliquement. 



46 A. STARCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 

proximale presque noire. Clypeus avec une bosse arrondie 
avant le milieu. 

Pubescence sur le funicule longue, couvrant 1' éclat de la 
chitine, élevée d' environ 25° à 30°. Tibia moyen à gauche 
avec 4 poils de pubescence obliques, élevés de 30° à 40°, du 
côté extenseur, pour le reste les tibias ne sont pas pileux. 

Quelques-uns d' entre les poils de la pubescence sont un 
peu décollés, sans être dressés. Fémurs avec une dizaine de 
poils du côté flexeur et deux ou trois du côté extenseur. 
Pubescence du côté flexeur demi-élevée. Tibia post, long 65, 
haut 6.8 unités. L' écaille n' est pas très bien visible,, à cause 
des ailes, elle est large avec bor'ds fort arrondis, largement 
et assez profondément échancrée avec angles non-arrondis, 
(voir esquisse fig. 4.). Hauteur de 1' écaille 17, du pétiole 
entier 27. Genitalia externa comme ceux des specimens con- 
nus du groupe. Assez peu luisant ; microsculpture réticulée- 
ponctuée avec des points plus gros pour la pilosité. 



dX. \'^^- 




Valvules externes de 1' appareil copulateur $ , daim. var. dalmatica, dist. 
distinguendus de l'Hongrie, ail. affinis de l'Hongrie. 

Les mâles que j' ai vus prendre leur vol en sortant d'un 
nid dans mon jardin d' où ne sortaient d' autres femelles que 
umbratus Nyl. et dont les ouvrières avaient les tibias non 
pileux, sont conformes au type décrit, seulement beaucoup 
plus petits — 3}/^ mm. Ce sont ces mâles que je considère 
comme les vrais allotypes. Scape 33, tête large de 56 ± j^ 
unités ; hauteur de 1' écaille 16 ± 1, pétiole entier haut de 
27 unités ± 1. Tibias non pileux. Poils sur le dos du gaster 
avant 3, milieu 5, derrière 8 unités. L' écaille porte une 
échancrure à angles non-arrondis, (fig. 4 ,,umb."). 

L. umbratus umbratus Nyl. var. mixto-umbrata Forel. 

J' ai examiné de cette forme les trois types 5 , 3 cotypes 
Ö et deux $ ç cotypes, communiqués par M. le Dr. Cari, 
du Musée de Genève, à qui je dois mes remerciements. Les 
g 5 étiquettées L. mixto-umbratus 5 Burghölzli, les $ 9 : 
L. umbratus Nyl. 9 BurghôlzH 23 V '91. 

Les 5 Ö types sont de dimensions plutôt grandes, d' un 
jaune de miel obscur avec le gaster brun-clair. No 1 a la tête 
luisante (omme mixtus), sillon frontal seulement appréciable 
près de 1' ocelle, écaille avec une échancrure étroite et pro- 



FOURMIS D' EUROPE. 47 

fonde. Tibia postérieur gauche sans poils, idem droit avec 
4 poils obliques et épais. 

Les Nos 2 et 3 ont la tête moins luisante, la pilosité est 
comme chez umbtatus Nyl. mais un peu courte. Sillon frontal 
du No 2 profond, celui du No 3 superficiel. 

Ecailles presque sans échancrures. Tibias postérieurs comme 
le tibia droit du holotype, avec trois ou quatre poils de pu- 
bescence épais décollés et érigés obliquement. Pour le reste 
comme les autres ouvrières d' umbratus Nyl. 

Les trois cotypes S ont le sillon frontal resp. seulement 
développé 'dans sa moitié postérieure, représenté par une 
faible carène, nettement indiqué mais très peu profond. 

La tête est un peu plus luisante que chez umbratus. Tibia 
postérieur avec resp. 7, 5 et 4 poils du côté extenseur. Pilo- 
sité de la tête courte (approchant mixtus). 

Les deux ç ? sont longs de 63/2 oim., aile antérieure 
8.2 mm. Funiculus d' umbratus Nyl. Tête voûtée, échancrée 
derrière comme umbratus. Ecaille haute, sans échancrure. 
Largeur de la tête 90 resp. 87 unités. Pilosité du thorax faible : 
sur le scutum on ne voit pas de poils à 12 X, sur le scutellum 
3 ou 4. Le tibia postérieur porte sur son bord extenseur chez 
un specimen 4, chez 1' autre 8 poils courts. Il résulte de cet 
examen que cette forme est une variété 'd' umbratus Nylander 
ou de distinguendus Emery, avec écaille approchant meridio- 
nalis Bondr. 

Une ? du Raffling 1300 M (Meran Ti) 25. VII '28 (S) 
a r aspect général et 1' écaille de meridionalis, mais la pubes- 
cence en est plus élevée ; sur les funicules elle est aussi moins 
luisante. Le funicule est intermédiaire, art. 8 mesure 8.8 X 7.2. 
Hauteur max. de la tête 59, largeur 94. Je 1' attribue à cette 
variété, qui est peut-être alpine, toutefois pas exclusivement, 
car j' ai le meridionalis typique de Lermoos. (Reclaire). Une 
9 de Den Dolder (HoU :) ll-VIir29 a 1' écaille peu échan- 
crée, mais pour le reste c' est umbratus Nyl. typique et je 
la considère comme tel. 

Les ouvrières déterminées mixto-umbratus Forel par W a s- 
mann que j' ai vues, sont des umbratus Nyl. Elles ont la 
pilosité sur le tibia variant de faible à nulle, comme le type 
de 1' espèce, et pilosité normale sur la tête. 

La diagnose de la var, sabularum Bondroit 1918 convient 
assez bien à la variété mixto-umbratus Forel ( î types) de 
Burghölzli. 

L. umbratus Nyl. subsp. distinguendus Emery. 

La $ distinguendus possède les traits principaux de 1' um- 
bratus, notamment la tête voûtée, la formule antennaire et la 
forme de 1' écaille. Il se distingue par la pilosité du thorax 
et de la tête beaucoup plus courte, invisible à 24 X sur le 



48 A. STARCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 

scutum, et par les tibias non-pileux de la femelle, tandis que 
chez r umbtatus i.sp. seulement 1' ouvrière a le tibia nu, ou 
presque. 

Sa patria semble avoir sa limite vers le Nord sur le ver- 
sant sud des Alpes. 

A Meran on trouve 1' umbratus, à Vérone c' est le distin- 
guendus qui le remplace, c' est bien une vraie race géogra- 
phique. 

Les $ $ de cette subsp. ont autant de poils sur le scutum 
que 1' umbratus $ , mais ils sont plus courts, microscopiques. 
De 3 ? 5 que, gracieusement, me donna Mr. J. P. Röss- 
1er et qui provenaient de Nagytétény (situé à quelques K.M. 
sud de Boedapest), No. 1 ne présente sur le scutum presque 
pas d' autres poils que de très courts, longs d' environ 
15 — 18 /t« invisibles à la loupe. Chez les Nos 2 et 3 on en 
discerne à peine quelques-uns à 24 X, mais beaucoup moins 
et de beaucoup plus courts que chez umbratus 2 . No. 2 a 
1' article 8 du funicule long de 7.5, large de 7.5. Chez No 3 
cet article mesure 7.2 X 7.2 unités. Chez les Nos 1 et 2 les 
tibias n' ont pas d' autres poils qu' un ou deux ou pas du 
tout, chez la No 3 le tibia postérieur a une rangée de 4 poils 
au tiers proximal, plus loin seulement quelques pubescences 
un peu décollées. Cela répond à la description de la var. 
hybrida Emery, laquelle par conséquent serait bien une va- 
riation individuelle, ne méritant pas de nom. La microsculpture 
est celle d' umbratus, un peu moins profonde au dos, aussi 
profonde aux côtés. Les ouvrières accompagnant ces $ $ ne 
présentent en poils sur le tibia que quelques pubescences 
décollées ça et là, comme 1' 5 umbratus. Leur écaille est 
échancrée largement et superficiellement. Les ouvrières de 
Modène, reçues jadis de Mr. le prof. Menozzi et déter- 
minées par lui distinguendus Emery ont au contraire 1' écaille 
profondément échancrée en triangle. 

Une $ de Broût-Vernet (Allier) 14-7 '87, H. du Buysson, 
possède les qualités du u. distinguendus v, hybrida en ce qui 
concerne 1' écaille, le funicule, les poils très courts du scutum, 
et le tibia presque sans poils, mais la rangée de poils du scape 
est présente et les poils de la tête sont intermédiaires. De 
cette même localité j' ai trois séries d' ouvrières, dont la plu- 
part ont le tibia abondamment pileux, mais un specimen d' 
entre elles a le tibia non-poilu. 

Je possède une petite série de distinguendus 5 $ $ $ $ 
des monts d' Aoste (VIII 1916 feu Edm, Reitter leg.) dont 
la 5 se distingue par un reflet blanchâtre, cérumineux, sur- 
tout sur la tête, dû à la pubescence un peu plus serrée mais 
surtout plus longue et plus épaisse. 

L' écaille est échancrée en triangle d' environ 110° sur 
les deux tiers de son bord terminal, largeur de 1' échancrure 
1 unités ( 1 82 M ) . ( chez a[[inis Ö 1' échancrure ne prend qu' 



FOURMIS D' EUROPE. 4^ 

un tiers du bord et est plus profonde, — 100°). Tibias sans 
poils proprement dits, ça et là un poil de pubescence plus 
ou moins décollé (comme distinguendus) . 

Les ? $ possèdent les caractères (tête voûtée, excavée, 
formule antennaire, écaille, tibia) de 1' umbratus distinguen- 
dus, mais la pilosité du scutum se range entre 1' umbratus i. 
sp. et r u. distinguendus : le nombre des poils est appauvri 
et ils sont longs de 30 — 50a*, invisibles à 12X. Les reflets 
soyeux sont aussi un peu accentués chez la $ , 

Sillon frontal profond, tibias à 24 X rt sans poils, au 
microscope on découvre — 6 poils obliques ou simplement 
un peu décollés. Tête large de 93 unités, mandibules et en- 
virons jaunâtres ; 7 mm. ; d'un brun marron : Var. cereomicans 
nov. var. ' 

Cette variété se distingue de belgarum Bondr. (d' après 
la description) par la pilosité appauvrie et par 1' écaille. Des 
5 ç ? de cette série, 4 présentent la cellule discoidale ouverte, 
caractère généralement de valeur au moins générique. 

Lasius affinis Schenck. 

Il me semble qu' une série du groupe umbratus, récoltée à 
Nagytétény, reçue de la part du myrmécologue hongrois J. P. 
R Ö s s 1 e r, appartient à cette espèce mal connue. Leur carac- 
tère marquant c' est la hauteur de l' écaille, égalant chez la 
? la hauteur de 1' épinotum et celle du gaster, ou presque. 

? . Habitus de umbratus Nyl. Tête large de 93 unités, ex- 
cavée environ de 7 unités, voûtée. Front entre les articulations 
large de 33 unités. Longueur des articles du funicule : 13, 8, 
7.8, 7.6, 8, 9, 9, 8.8, 9, 9.5, 21. Largeur: 6.5, 5.6, 5.8, 6, 6, 
6.2, 6.2, 6.8, 7, 7. 6.4. 

Le funicule est, comme disent ces chiffres, un peu plus 
allongé que chez umbratus, moins allongé que chez meridio- 
nalis. Scape 75 unités (un tantinet plus long), appréciable- 
ment aplati à 1' extrémité. Ecaille haute de 40 unités {um- 
bratus 28 ±: 1 ) hauteur totale du petiolus 59 {umbratus 40 
± 43^2' rneridionalis 51 ± 3). 

Bord supérieur large, enfoncé et très luisant au milieu, 
échancrure plus étroite et plus profonde que chez umbratus, 
en triangle d' environ 100°. plus luisant, moins soyeux qu' 
umbratus, bien que la pubescence de la tête soit encore plus 
fournie. — ponctuation sur la tête espacée d' environ 1 unité 
(18.25 m), — mais elle est plus fine et plus adhérente, ex- 
cepté sur les funicules. Pubescence du gaster beaucoup moins 
serrée que chez umbratus, pilosité aussi plus épaisse. Pilosi- 
té sur la tête comme umbratus, un peu plus longue (3 — 5 
unités) celle du scutum abondante et plus longue, 5 — 7 unités 
{umbratus 2 — 4, distinguendus — ij^). Tibias avec pubes- 
cence un peu oblique, sans poils, excepté 2 — 4 près du fémur. 



50 A. STARCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 

7 mm., d' un brun obscur noirâtre sur la tête et le thorax, 
bouche brun clair, moitié distale de la mandibule obscure. 
Pattes d' un brun jaunâtre, antennes brunes (un peu plus 
obscures qu' umbratus.) 

S Ecaille un peu plus haute qu' umbratus, assez profondé- 
ment échancrée, tibias avec 2 — 4 poils près du genou, pour 
le reste sans poils ou avec 1 — 3 poils obliques. Pour le reste 
± comme umbratus. 

$ 3.6 — 3.8 mm. Têtes des 3 specimens larges de 53, 53, 
53 unités ; scapes longs de 35, 333^ 33 unités. Funicule 
filiforme, 1' article 8 long de 8 unités. Ecaille haute -26, assez 
large, épaisse dessous 'de 8 unités ; moins large et moins ar- 
rondie que celle d' umbratus et de meridionalis ; son plan 
postérieur échancré en triangle aigu, son plan antérieur super- 
ficiellement échancré en arc (v. fig. 4 p. 45). 

Scutum à pubescence clairsemée, assez élevée, courte de 

1 unité. Oeil orné de poils courts précisément comme umbratus. 

Pilosité du gaster plus clairsemée mais aussi longue que 
chez umbratus, derrière un peu plus longue, resp. avant 5 — 6, 
milieu 3 — 5, derrière 7 — 10 unités. Pubescence du scape n' 
élevée que de 5 — 15°. {umbratus S 30 — 40° du côté flexeur). 
Pubescence du gaster clairsemée longue de 1 — \}/2, espacée 
de 3 unités, celle du scutum longue 1 — 13/2- espacée de 1}/^ — 

2 unités. 

Mandibule toute noire. Scape et 2 articles du funicule 
noirâtres, moitié proximale du funicule enfiimée. Pattes d' un 
brun obscur, distalement moins obscures, premier article du 
tarse enfumé, le reste jaunâtre. 

Trois traits distinguent ce mâle de celui d' umbratus Nyl. : 
r écaille moitié moins large, la pubescence très éparse du tho- 
rax et du gaster, surtout du dernier, et la pubescence du scape 
plus couchée. 

En partant de la conception moderne de la subspecies com- 
me représentante régionale de 1' espèce, le Lasius affinis 
Schenck n' est pas une subspecies, mais une espèce meridio- 
nale, son territoire se couvre en partie avec celui de 1' umbratus 
distinguendus. 

Extrême sud de la France, Italie septentrionale, Suisse, 
Allemagne méridionale, Autriche, Hongrie, Kroatië, Dalmatia, 
Karst. 

De r Hongrie je ne connais du groupe umbratus que 1' 
affinis et le distinguendus. 

Lasius meridionalis Bondr. (Faunae neerl. nov. nomen) 
Bon droit Ann. soc. ent. France 1918 p. 30. 
,,Formicina spec ? $ Facies d' umbrata, mais tête et 
thorax plus luisants ; mandibules moins fortement sculptées ; 
écaille plus haute, simplement tronquée au sommet ; les tibias 
sont pileux. — Long de 7 mm. Aveyron (Dr. Rabaud)" 



FOURMIS D' EUROPE. 51 

Bon droit Ann. soc. ent. Belg. 1919 p. 143: 

„F. m e r i d i o n a 1 i s n. sp. — F. sp. ? Bondr. Ann. Fr. 
1918 p. 30. 

$ Scape plus aplati que chez F. umbrata, funicule plus 
allongé, les articles 2 à 6 au moins moitié plus longs que 
larges, les suivants environ moitié plus longs que larges, le 
dernier long comme les 2 précédents réunis. 

Ponctuation céphalique plus fine que chez umbrata, occiput 
un peu moins échancré, sillon frontal, net. Ecaille à peine sinuée 
au sommet, les angles largement arrondis (tout à fait sem- 
blable à la fig. 82. I p. 249 du travail d' Emery). Les poils du 
thorax assez longs, ceux du gastre très courts sauf vers 1' ex- 
trémité, écaille pileuse, tibias assez abondamment pileux. Corps 
brun obscur, les appendices plus clairs. L. 7 mm. Aveyron 
(Dr. E. Rabaud). 

Cet insecte a les téguments luisants du F. mixta, par la 
forme de la tête se rapproche plutôt d' umbrata, antennes 
encore plus allongées que celles de ce dernier. C' est peut- 
être le F. umbrata Em. (loc. cit. p. 249)." 

Je n' ai pu examiner le type mais il saurait exister peu de 
doute qu' il s' agit de 1' espèce appelée umbratus i. sp. par 
Emery et jadis par moi-même, et amalgamée avec umbra- 
tus par Forel, W asmann, Donisthorpe, Stitz 
et tous les auteurs (tous les sexes) et par Bondroit ( ö ). 

Voici les données supplémentaires, prises sur des specimens 
de Den Dolder, Hollande. 

? . Tête moins voûtée que celle d' umbratus. Hauteur maxi- 
male 48 — 53, au niveau du bord antérieur de 1' oeil 47, du 
bord postérieur de 1' oeil 45. Largeur 88 unités (de 18.25/< ). 
Côtés moins arqués, excavation de 1' occiput environ 5 (um- 
bratus 7). Largeur du front entre les articulations 29. 

Formule antennaire de 2 specimens. 

larg. 6.1 (5.0) 
„ 5.2 (5.2) 
„ 5.5 (5.2) 
„ 6.0 (5.6) 
„ 7.0 (5.8) 
„ 7.0 (6.2) 
„ 7.2 (6.8) 
9 ,, 9.4 (9.0) „ 7.6 (7.0) 

Hauteur de 1' écaille 33, du pétiole entier 52. Largeur maxi- 
male de r écaille 33. du bord supérieur 26. Poils des yeux 
long. 2. Pubescence de la tête très couchée, très mince et très 
fournie, espacée long, de 1 — \]/^, larg. de J4 — 1 unité, longue 
de d= IH ^)- 

^) L' éclat d' une partie n' est pas seulement déterminé par la densité 
moins grande de la pubescence et par le manque de sculpture, mais aussi 
par 1' adhérence de la pubescence, une pubescence J4 élevée cassant 1' 
éclat non seulement par les poils eux- mêmes mais encore par leur ombre. 
Un effet invers donne la pubescence très érigée, exposant la chitine. 



Fun. 2 long. 


7.5 (9.8) 


3 „ 


7.6 (8 ) 


4 „ 


8.2 (8 ) 


5 „ 


9.0 (8.8) 


6 „ 


9.5 (8.0) 


7 „ 


9.4 (9.0) 


8 „ 


10.0 (9.0) 



52 A. STARCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 

Ponctuation plus fine que chez umbratus. Pubescence du 
funicule aussi serrée mais plus mince et plus couchée, le funi- 
cule plus luisant. 

Pilosité du corps circa comme umbratus ; long. 4 — 5 sur le 
scutum. Microponctuation sur le scutum à peine visible â 
24 X. Reflets soyeux beaucoup moins pronocés que chez 
umbratus. Poils des jambes aussi abondants, un peu plus fins 
et élevés de 70 à 80°. Couleur en mitoyenne plus noirâtre, 
excepté le devant de la tête. 

5 Allotypes de Den Dolder. (La ? seulement est décrite.) 

J' ai examiné des ouvrières de deux élevages de cette espèce 
chez alienus, chacun sortant d' une seule femelle. Chaque fois 
j' ai réexaminé la $ en narcose après avoir pris de ses ouvriè- 
res de la première ou de la seconde ponte. Ces ouvriè- 
res ont le tibia postérieur plus poilu que celui d' umbratus, 
on compte 6 à 9 poils radicalement érigés du côté extenseur 
et encore quelques poils obliques, plus obliques d' autant qu' 
on s' approche du bout distal. Comme exceptions on trouve 
des specimens avec seulement 4 ou même 3 poils bien abstants. 

L' écaille est un peu moins rétrécie vers le bord. Il ne serait 
pas utile de donner des mesures, puisqu' il s' agit de microer- 
gates. (voir fig. 2 mer). 

Le tibia postérieur est plus massif que celui d' umbratus. 
(mer. long. 35, haut 6.2 — umbr. long 38, haut 5.). 
$ Allotypes de Den Dolder. 

Ecaille haute 16, pétiole haut de 27 unités ; écaille carrée 
à bords arrondis, large de 17, superficiellement échancrée 
en arc sur un tiers de sa largeur. Tibia post. long. 69, haut 
6,5 (resp. 63 et 6.4 chez un autre specimen) 

Tibias généralement non pileux, le tibia post, parfois avec 
deux ou trois poils obliquement décollés. 

Yeux poilus. Femur post, poilu de tous les côtés. Pubescence 
du gaster espacée de 3^ — 1, longue de 1 — \]/^ (jusque 2}/^ 
sur les côtés), également fournie sur le scutum. Le reste à 
peu près comme les autres 5 5 du groupe. 

Commune dans les régions diluviales et calcaires des Pays- 
Bas, et probablement dans toute 1' Europe centrale. 

Lasius mixtus N y 1 a n d e r. 

$ Holotype unique. Etiquettée Type spec. 5066 Formica 
mixta Nyl. $ Upsala. 

? Désailée. Tête moins échancrée qu' umbratus, largeur 
avec les yeux 82 unités, i.e. plus petite qu' umbratus. 
Fun. 2 long 7.5 larg. 6.0 Pubescence encore plus épais- 
3 ,, 5.5 ,, 6.0 se que chez umbratus, couvrant 



4 „ 5.6 

5 „ 6.0 

6 „ 7.0 

7 .. 7.5 



6.4 la chitine sur les funicules, cou- 
7.0 chée. Microponctuation de la 

7.5 tête encore plus serrée que chez 
8.0 meridionalis, espacée de 10 — 



FOURMIS D' EUROPE. 53 

8 ,, 7.6 ,, 8.0 14 fi, la pubescence très fine. 

9 ,, 7.0 ,, 8.5 A 70 X les interstices au moins 
deux fois plus grands que les points piqués, ceux-ci encore 
plus fins que chez meridionalis, beaucoup plus fins que chez 
umbcatits. Sillon frontal à peine indiqué. Ecaille assez haute, 
le bord faiblement mais distinctement sinué, moins élargie au 
milieu qu' timbratiis, large de 27 unités sous le sommet. 

Fémurs avec quelques poils, tibias non pileux. Oeil aussi 
poilu que celui d' itmbratns. Pilosité de la tête restreinte à 
quelques poils rares et courts à 1' exception du bord posté- 
rieur et des parties buccales. 

Dos du thorax idem. Le scutum porte une micro-ponctuation 
tres fine et serrée. 

Longueur du specimen (courbé) 5.5 mm. D' un brun assez 
clair (probablement un peu blanchi par le temps). 

Les femelles mixtus des Pays-Bas ont le funicule un brin 
moins épais, mais toujours les articles 8 et 9 sont-ils plus 
épais que longs. Leur couleur est tantôt brune (Den Dolder), 
tantôt presque noire (Limbourg), très lu'sante. Il suffit de 
mesurer la largeur de la tête et 1' article 8 ou 9 du funicule 
pour la reconnaître. 

L' ouvrière mixtus a pour caractère distinct'f surtout la 
tête luisante, à pilosité courte, comme rasée. Cette espèce 
est rare aux Pays-Bas, moins rare dans le calcaire du Lim- 
bourg. 

Lasius viehmeyeri. Emery Boll. soc. ent. Ital. L IV p. 1 3 — 1 5 
(1922) {itmbratits var.) 

9, Caractères: 1. grande taille (9 mm) 2. funicule encore 
plus allongé que celui de meridionalis, 3. tête plus large, 
côtés de la tête plus arrondis que chez les autres espèces, 
(c* est surtout cette qualité, déjà bien montrée dans 
la fig. d' Emery, et très apparente chez ma femelle de Knin, 
qui me la fait considérer comme espèce distincte), 4. écaille 
peu émarginée, haute, 5. éclat prononcé, 6. scape et tibias 
sans poils. Dimensions: tête 1.7 X 1.9; scape 1.6, funicule 
2,2, aile ant. 8.5, moitié fortement, rembrunie. Morée, une 
fois trouvée. 

Parmi les fourmis, récoltées par le géologue hollandais 
H. J. Mac Gillavry pendant une excursion à travers 
les montagnes dalmatiennes (1935) se trouve une femelle du 
groupe umbratus capturée à Knin, S. E. de Zara, sur le ver- 
sant occidental des Alpes dinariennes. Cette femelle présente 
les caractères du Lasius viehmeyeri Em., mais elle a la taille 
plus petite (8 mm au lieu de 9) et le funicule encore plus 
allongé (2,34 mm au lieu de 2,2) ; ce qui me décide à la 
décrire comme variété (dalmatica nov. v.) plutôt que de 
risquer une synonymie erronée. Voici les données complé- 
mentaires. 



54 A. STARCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 

Tête large de 100 unités, soit 1.82 mm. Aile ant. 8.2 mm. 
Scape 11 unités (1.4 mm.), funicule 128 unités (2,34 mm.). 
Articles du funicule longs de 14, 9.4, 8.2, 9.2, 10, 10, 10.6, 
10.6, 10.8, 11.2, 24 unités, larges de 6.2, 5.2, 5.2, 5.4, 5.8, 
5.8, 6.2, 6.2, 6.2, 6.4, 6.2 unités. Largeur du front entre les 
articulations de 29 unités. Hauteur maximale de la tête 61, 
au niveau du bord ant. de 1' oeil 61, du bord post, de 1' oeil 
58 unités. 

Poils sur la tête visibles à 12 X (4 unités). Pubescence 
encore plus courte que sur le scape, relevée d' environ 20 — 30 
degrés. Ponctuation de fond microscopique, très fine, espacée 
d'environ 18 ," (1 unité), les interstices beaucoup plus grands 
que les points. Oeil long de 20 unités, poilu, longueur des poils 
de 2 unités. Pubescence du scape courte (2 unités), élevée d' 
environ 20 degrés, celle du bout distal et du funicule un 
peu plus longue et plus relevée, visible à 12 fois sous lumière 
favorable (2 à 3 unités), élevée de 20 — 30 degrés. 

Ecaille haute presque comm 1' epinotum, conformée comme 
celle de meridionalis, mais un peu élargie dessous, haute de 

39 unités. Pétiole haut de 55 unités. Largeur max. de 1' écaille 

40 unités, de 1' échancrure superficielle 23 unités. 
Pilosité sur le scutum bien visible à 12 X, longue de 3 — 4}/2 

unités, plus longue sur le scutellum (4 — 5 unités). 

Tibia postérieur long de 95, haut de 20,2 unités, pubescence 
comme sur le funicule, un peu plus longue vers le bout distal, 
une rangée de piquants du côté flexeur, 3 petits poils près 
du genou. Les autres tibias sans poils. Femora avec quelques 
poils courts du côté flexeur. 

Les poils les plus longs des derniers segments mesurent 
18 unités, ceux des autres segments très courts (2 — 3 unités, 
c' est à dire presque invisibles à 12 X) et demi-relevés. Le 
premier segment seulement porte quelques poils plus solides 
et longs de 5 unités. Tête et thorax très luisants, noirs, gaster 
assez luisant, à reflet soyeux minimal (beaucoup moins qu' 
umhtatus) , brun noirâtre. 

Pattes brunes, tarses et antennes d' un brun clair, chaque 
article noirâtre au bout distal, mandibule brun marron. 

Probablement appartient à cette variété le seul mâle du 
groupe umbratus capturé pendant ce voyage et provenant de 
la même localité : 

$ . 33/2 ^^> ^il^ 3ï^t. 4 mm. Ecaille ressemblant à distin- 
guendus $ , plus rétrécie en haut et moins large, largement 
et peu profondément échancrée, haute de 16, large de 153/2 
unités, au sommet large de 8. 

Scape 33, funicule 78 unités, articles : 6, 6, 4.8, 5.4, 5.6, 
5.6, 6.4, 6.4, 6.4, 6.4, 5.4, 13. Funicule filiforme, large d' en- 
viron 3.2 — 3.4 unités, excepté le premier article, large de 53^- 
Dernier article large de 3.2 unités. Scape brun, à pubescence 
dense mais extrêmement fine, blanchâtre, ne couvrant pas la 



FOURMIS D' EUROPE. 55 

chitine. Funicule brun jaunâtre, premier article noir, les sui- 
vants un peu enfumés, à pubescence longue de 2 unités, élevée 
d' environ 30 degrés. Pas de poils. Luisant ; la microsculpture 
consiste en une ponctuation assez serrée mais beaucoup plus 
fine que chez distinguendus $ . Quelques poils sur la tête 
et le thorax. Poils des yeux fort courts, 14«. Largeur du front 
113/2 (tête endommagée aux côtés). 

Mandibule serrement pointillée, opaque, noirâtre, le bord 
masticateur testacé. Tibia post. 55 unités, haute de 5, testacé, 
à pubescence aussi fine que celle du scape, très couchée, sans 
poils. Femur à pubescence un peu moins fine, élevée de 45 
degrés du côté flexeur {\}/2 unités), sans poils, testacé. Gas- 
ter poilu comme celui des autres espèces, jusqu' à 8 unités 
sur les derniers segments. Organe copulateur à valves exté- 
rieures plus pointues que celles du distinguendus $ , m.c. 

Se distingue du $ umbratus par l'écaillé plus haute etc., 
par le tibia plus mince, par le femur non poilu, par le funi- 
cule un peu moins allongé (articles du milieu tout au plus 
deux fois plus longs que larges, un peu plus longs chez 
umbratus) . 

Se distingue d' af[inis par la forme de 1' écaille etc., de 
distinguendus par le femur non poilu, le thorax plus luisant, 
à microponctuation plus fine, et par 1' organe copulateur. 

Le $ viehmeyeri n' est pas décrit. 

Tableau synonymiquc abrégé des Chthonolasius 
de l'Europe. 

Lasius bicornis Foerster. Hym. Stud. V. L p. 41 (1850). 

Plateau des Hautes Fagnes et en- 
virons, Nassau, Lombardie et d'après 
Ruzsky, Caucase et Crimée (?). 

Formica bicornis Schenck Jahrb. Ver. Naturk. Nassau 

Hft. 8 (1852) p. 129 î. Mayr Verh. 2—6. G. Wien 

(1855). 

Formica incisa Schenck ibid. S. 63 5 . 

Lasius bicornis Mayr Europ. Form. (1861), Forel et cet. 

auct. 

L. umbratus bicornis Forel Fourmis d. 1. Suisse 1874. 

Ruzsky et cet. auct. 

Formicina bicornis Bondroit Ann. S. ent. France (1918). 
Var. Citrina (ou subsp.) Emery Boll. s. ent. Ital. v. 54 p. 

13. (1922). Italie méridionale, Toscana. 

Lasius affinis Emery Ann. Ace. Nat. Napoli v. 2 p. 9 

(1869). Formicina bicornis affinis Emery Boll. s. ent. 

Ital. V. 47. (1916). 
Var. neapolitana Emery Boll. s. ent. Ital. v. 54 (1922). 

Naples. 

Lasius bicornis Emery Ann. Ace. Asp. Nat. Napoli 



56 A. STARCKE, RETOUCHE SUR QUELQUES 

(1869). Formicina bicornis Emery Boll. s. ent. It. (1916) 
^ $ ( partim. ) 
Var, microgyria Bondroit Ann. soc. ent. Fr. 1918 Formi- 
cina microgyna. 

France S. O. 
Lasiiis oertzeni. Forel i) Ann. soc. ent. Belg. v. 54 p. 26 
(1910) ö ç 5 (bicornis subsp.) 

Morée, Asie mineure. 

Lasius affinis Schenck Jahrb. Ver. Nat. Nassau V. 8 p. 62 

(1852). Moitié méridionale de l'Europe cen' 

traie, 
Lasius umbratus Nyl. var. affinis Emery Gen. Insect, et 
div. auct. 

Lasius umbratus r. affinis Forel F. d. 1. Suisse 1874. 
L. bicornis r. affinis Forel, Insect. Helvet Form. 1915. 
L. mixtus (partim) div. auct. 
L. umbratus mixtus div. auct. 

L. umbratus var. distinguenda Menozzi et cet. auct. par- 
tim. 
Lasius viehmeyeri Emery Boll. s. ent. Ital. v. 54 p. 13 (1922) 
5 $ fig. I (L. umbratus var. viehmeyeri). 2) 
Var. dalmatica Stärcke Tijdschr. Entom. 1937 p. 53 Dalmatië. 

Morée, Chypre. 
Lasius rabaudi Bondr. Buil. soc. ent. Fr. p. 177 (1917). 9 

Pyr. or. Espagne. 
Lasius umbratus umbratus Nylander Acta soc. se. Fenn. V. 
2 p. 1048 (1846) $, ?^ 7 S (Formica). 

Europe boréale et moitié septentrio' 
naie de l'Europe centrale jusqu' au 
versant sud des Alpes, 
Lasius umbratus div. auct. (?) { ^ $ partim). 
Donisthorpea umbrata Donisthorpe Brit. Ants 1915 ( 9 ). 
Acanthomyops umbratus Donisthorpe Brit. Ants 1927 
(9 nee ö ) Betrem De Lev. Nat. 1927 ( 9 ). 
Formicina umbrata Bondroit Ann. s. ent. Fr. 1918 9 . 
Formicina umbrata var. nuda Bondr. id. 1917 ( ö nee 9 ). 
Lasius mixtus div. auct. (partim 5 ). 
Lasius umbratus mixtus id. 

Lasius umbratus v. mixto-umbrata Forel — Fourmis d. 1. 
Suisse 1874 et eet. auct. ( 5 partim.). 
Lasius umbratus v. distinguenda Viehmeyer in Emery 
Boll. s. ent. It. 1922 ( § ). 

Lasius sabularum Stärcke Natura 1928 p. 260. T. v. Ent. 
1930 XV. 



•*■) Cette forme, avec ses ailes concolores, écaille encore plus haute que 
1' affinis et échancrure plus profonde que large, est bien différente des autres. 

^) 9 9 mm, écaille sinuée, haute comme celle d'affinis, funicule encore 
plus allongé que celui de meridionalis ; g 5 mm. C'est bien une espéce 
distincte. 



FOURMIS D' EUROPE. 57 

Lasius distinguendus ibid. T. v. Ent. LXXV. p. XXI 

1932. 

Lasius nudus ibid. T. v. Ent. LXXVII p. XXXI (1934). 
Var. mixtO'Umbrata Forel Fourmis d. 1. Suisse 1874. p. 48 
g $ cet. auct. (partim.) Alpes, Malo les Bains. 

Formicina umbrata Nyl. var. sabularum Rondroit. Ann. 

s. ent. France p. 30 (1918) 5. 

Formicina sabularum Bondr. Ann. s. ent. Belg. 1919 Q 
Var. hirtiscapus ? nov. Beskides. 

Var. belgarum Bondroit Ann. s. ent. France p. 31 (1918) 

Formicina belgarum 9 . ? ? Anvers. 

L. umbratns distinguendus Emery Rend. Ace. Se. Bologna 

p. 64 (1915/1916) Formicina bicornis subsp.) 5 $ 

Italie sept. Kroato-Slavonia, Hon- 
grie, France méridionale. 

Formicina bicornis r. distinguenda Emery. Boll. s. ent. 

It. V. 47 1916). 

Lasius umbratus var. distinguenda Emery Boll. s. ent. 

It. (1922) ibid. Genera insect. 1925) et cet. auct. 

Lasius mixtus div. auct. (partim). 

Lasius umbratus r. distinguenda var. hybrida. Emery 

Rend. Ace, Sc. Bologna p. 66 1915/16) 5 ? , et cet. auct. 
Var. cereomicans nov. ^ 9 ê L. umbratus T. v. Ent. 1927 

XLI. Aosta. 

Lasius meridionalis Bondroit Ann. s. ent. Belg. p. 143 (1919) 

(Formicina) 2. Europe centrale. 

ibid. Ann. s. ent. Fr. 1918 p. 30 (Formicine sp. ?) 

(partim). 

Formicina umbrata Emery Boll. soc. ent. Ital. 1916. 
Lasius mixtus Nylander act. Soc. se. fenn. 1846, v. 2 p. 1050 

(1846) (Formica) ^ 2 $ et eet. auct. partim). 

Europe boreale et centrale. 

incertae sedis : 
Lasius umbratus exacutus Ruzsky App. Pr. Soc. nat. Kasan 

No. 206 p. 15 (1902) ^. 

Russie méridionale et Caucase. 
Lasius carniolicus Mayr, Eur. Form, p. 51 (1861) et cet. 

auct. 1) Europe et Asie sept. 

Acanthomyops umbratus Nyl. var. affino-umbratus Donis- 

thorpe Brit. Ants 1927 p. 273 5. 
Formicina umbrata v. nuda Bondroit Bull. soc. ent. Fr. p. 176 

(1917) 5. 
Lasius (Chthonolasius) umbratus Nyl. st. ibericus Santschi 

Eos p, 349 (1925) 5. 
Lasius (Chth.) u. st. iberic. v. Sancho. id. p. 350 Ö. 

Clef 9 
1. Aile ant. moitié enfumée 2 



^) Je ne sais si cette espéce appartient bien au groupe umbratus. 



58 A. STÄRCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 

- id. concolore, écaille haute comme l'épinotum, 
échancrure plus profonde que large. 

Espèce de Grèce oertzeni For. 

Long, dr 5 — 6 mm, échancrure de l'écaillé semi-circu- 
laire ou presque 3 

carniolicus Mayr. 

Long. 6,0 — 7,8 mm, échancrure moins profonde, tête 
large de 1.7 mm au plus 5 

Long. 9 mm, très luisante, tête fort encavée, large de 
1,9 mm, à bor'ds arrondis, écaille haute, obtusément 
émarginée, funicule allongé, 2.2 mm Espèce de 
Grèce viehmeyeri Em. 

(Long 8 mm. tête large de 1,8 mm, écaille à peine échancrée, 
funicule encore plus allongé. 2,34 mm... v. var. dalmatica, nov. var.) 

3. Echancrure un peu moins profonde que sémicirculaire 

(v. fig. Emery 1916. ,,affinis") Italie méridionale 
Toscana bic. var. citrina Em. 

Ech. sémicirculaire bicornis Foerst. 

Ech. plus profonde, variétés méridionales 4 

4. Tête peu excavée derrière (v. fig. Bondr. 1918 p. 33) 

Pyr. or v. microgyria Bondr. 

- plus excavée. Naples v. neapolitana Em. 

5. Ecaille haute comme l'épinotum ou presque 

af finis Schenck. 

Ecaille atteint ± 4/5 de la hauteur de l'épinotum 

au plus 6 

6. Art. 8 du funicule plus épais que long ... mixtus Nyl. 

au plus 1,2 fois plus long qu'épais 7 

— au moins 1,3 fois plus long qu'épais 10 

7. Pilosité du scutum appréciable à 12 X, tibia pileux 8 

invisible à 12 X, tibia non pileux ou peu 

pileux 9 

8. Ecaille largement échancrée en triangle, tibia p. fort 

poilu ... umbratus Nyl. /. sp. et var. hirtiscapus. 

plus haute, sinuée ou tronquée, tibia p. 

moins poilu ... var. mixto umbrata For. 

9. Ecaille largement échancrée en triangle 

u. distinguendus Em. et var. cereomicans. 

sinuée ou tronquée 

var. mixto- umbrata For. 

10. Articles du funicule plus que deux fois plus longs 
qu'épais rabaudi Bondr. 

1,3 — 1,5 fois plus longs qu' épais 

meridionalis Bondr. 

1. Ecaille haute (v. fig. 2 af finis) 2 



FOURMIS D' EUROPE. 59 

n'atteignant que ± la moitié de l'épino- 

tum, amincie en haut 4 

courte, épaisse, non échanerée 

carniolica Mayr. 

2. Ecaille peu échanerée viehmeyeri Em. 

profondément 3 

3. Ecaille sémicirculairement éch bicornis (et var ?) 

plus que Espèce de Grèce oertzeni For. 

moins que affinis Schenck. 

4. Pilosité du milieu de la tête obsolète, écaille sinuée 
ou tronquée mixtus Nyl. 



appréciable à 12 X 5 

5. Pilosité du tibia post, pauvre à nulle 

umhratus Nyl., distinguendus Em. 

et var. 
(1' ibericus Sant. se distingue par ses mandibules lisses 
entre les points.) 

pauvre à abondante 

meridionalis et umbr. v. belgatum. Bondr. 



$ 
Les distinctifs mentionnés dans les clefs ne sont pas relia- 
bles ou trop vagues. Pour ce qui regarde les écailles de quel- 
ques espèces, voir la fig. 4 ; le L. carniolicus est reconnaissable 
à son écaille épaisse au bord. 

Note. En montant les specimens <5 et ö de ce sous-genre, 
on doit prendre soin de détâcher le gaster et de le 
monter séparément en travers afin de faciliter 1' examen 
de l'écaillé et des valvules. 

Notes éthologiques. 

Les espèces du groupe umbratus sont réputées 
à tort hypogées, elles sont plutôt nocturnes. J'ai 
observé pendant deux années une colonie d' um- 
bratus i. sp. dans une arène ouverte à l'huile selon 
Krausse. Chaque soir, vers les dix heures elles appa- 
rurent en grand nombre à la surface et se répandirent 
dans toutes les directions, allant et cherchant avec 
beaucoup de vivacité. Au commencement, beaucoup 
se noyèrent dans l'huile, mais les autres apprenaient 
en quelques jours à se méfier de cette substance et 
à éviter cet égout. 

Je me permets la remarque que ce fait est simple 
mais bien étonnant, vu que les individus noyés n'ont 
pas eu le temps de profiter de leur expérience, car 
une fourmi tombée dans l'huile ne guérit pas. On a 
la choix entre les suppositions suivantes : A. Ces four- 
mis auraient la faculté d'apprendre par les mésavon- 



60 A. STARCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 




Fig. 6. Lasius umbratus Nyl. femelle désailée, attitude méfiante. X 5. 

tures des autres, par moyen de communications ou 
d'observation. B. On aurait simplement une sélection 
des plus prudentes. C. Un certain nombre d'entre elles 
seraient saisies de panique depuis le déménagement 
et auraient perdu leur raison habituelle. La supposition 
C. me paraît la plus probable, mais je ne veux pas 
exclure les autres. 

Les insectes que je leur présentais furent saisis et 
transportés dans les chambres des larves. Les ouvrières 
elles-mêmes prenaient seulement le sucre, le miel, et 
les sucs de quelques champignons comme les Bolètes 
et l'Amanita muscaria. (Je ne possédais pas leurs pu- 
cerons). 

Au cours de quelques mois, l'huile se desséchait 
peu à peu, et enfin l'égout se trouvait absolument à 
sec, sans aucune viscosité. Cela n'empêchait pas mes 
fourmis de faire halte à la frontière. 

J'ai observé le même échantillon de dressure à l'asile 
d'aliénés à Medemblik. Un mur, entourant un jardin, 
ayant été enlevé pour une réconstruction, les malades 
se promenant dans le jardin ne rencontraient plus d'ob_ 
stacle pour gagner la liberté dans le parc public qui 
se trouvait de l'autre côté du mur enlevé. Cependant 
aucun d'eux ne profitait de l'occasion, malgré le spec- 
tacle attrayant des passants à quelques pas. 

Et, allant plus loin, ce ne sont pas les aliénés seuls 
que l'on attrape à des habitudes conservées à tort, et 
à consacrer des frontières imaginaires. 

En sortant avec une lanterne, on peut aisément voir 



FOURMIS D' EUROPE. 61 

les umbratus et les meridionalis § ^ sortant de leur 
trous après le coucher du soleil, la lumière ne les ef- 
fraye pas beaucoup. 

Adoption. Selon la légende 1' umbratus ? se laisserait 
adopter par le niger, le mixtus par 1' alienus. En réalité les 
femelles fécondées meridionalis et umbratus choisissent le 
premier nid d' une de ces espèces qu' elles rencontrent, et 
1 adoption se fait aussi facilement chez 1' une que chez 1' autre. 

Sans doute voient elles de 1' air où se trouve 1' entrée d' 
un nid, une accumulation de descentes se trouvant dans les 
environs des nids, jusqu' à une distance de deux ou trois 
mètres. Beaucoup sont emportées par le vent et forcées de 
descendre dans des localités mal appropriées au but. 

Après la descente elles se débarassent tout de suite de leurs 
ailes et cherchent 1' entrée. 

Ces soirs de vols nuptiaux les ouvrières alienus et niger 
sont inquiètes et à 1' alerte. Un certain nombre sont sorties 
et vont en patrouille dans le voisinage. 

La femelle umbratus ou meridionalis (habituellement les 
vols nuptiaux de ces espèces coincident) dans bien des cas 
marche directement vers 1' entrée, ou bien elle cherche en 
hésitant et finit par se cacher quelque part. En arrivant dans 
la proximité de quelque entrée, elle rencontre une ouvrière 
alienus ou niger qui 1' attaque aussitôt. Elle s' enfuit alors 
quelques pas pour 1' éviter et reprend sa marche. Quand la 
petite ennemie la retrouve et se cramponne à une de ses ap- 
pendices en 1' arrosant de venin, elle fuit en toute hâte et 
fait halte après quelques pas pour se débarasser d' elle. Si 
elle peut 1' atteindre des mandibules, elle la tue et se débarasse 
tant bien que mal du cadavre. Souvent la tête reste attachée 
à une patte, et la femelle met alors jusqu' à une demi-heure 
à s' en délivrer. 

Ayant ou non réussi, elle reprend enfin sa marche vers le 
nid, rencontre une seconde ouvrière, avec laquelle le même 
drame se déroule, peut-être encore une troisième, mais enfin 
une ouvrière alienus réussit à se fixer au scape d' une antenne. 
Alors, la femelle umbratus ne sait souvent plus s' en débaras- 
ser et r on trouve nombre de ces femelles se promenant la 
tête ornée d' une couronne consistant en une ouvrière alienus 
enroulée sur le front. Seule, ou ornée de cet encensoir, elle 
parvient enfin à entrer dans le nid, et grâce au parfum du 
nid, que ses combats lui ont communiqué et que sa cou- 
ronne augmente encore, elle n' éveille que peu de méfiance 
dans les étroits couloirs. Dans les chambres du nid c' est 
autre chose. Attaquées de tous les côtés à la fois, pincées, 
arrosées, tirées par les antennes et les pattes, beaucoup sont 
tuées. Mais quelques-unes réussissent à atteindre au galop une 
chambre à larves. Il n' est pas vrai que les colonies sans reine 
seraient plus disposées à 1' adoption. Au contraire, les colonies 



62 A. STARCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 

avec beaucoup de larves offrent plus de chance. Car, aussitôt 
après son arrivée dans une telle chambre la femelle marche 
vivement vers le tas des larves, les renifle, les prend entre les 
mandibules et tâche à se maintenir sur le tas, en tenant tête 
aux attaques. 

A 1' instant elle est accalmie, elle semble savoir qu' à pré- 
sent elle est sûre. 

Le nuage de parfum qu' exhalent les larves 1' enveloppe 
d' un manteau invisible, plus protectif qu' une cuirasse. A 1' 
aise elle se met à nettoyer ses appendices et son corps. De 
temps en temps elle doit encore se défendre contre une attaque 
contre laquelle elle déploie maintenant une tout autre tactique 
que pendant la marche. Alors, fixée par plusieurs assaillantes 
elle faisait la patiente, se laissait tirailler, caressant seulement 
de ses antennes, si celles-ci étaient libres, les corps des en- 
nemis comme pour implorer leur pardon, faisant seulement 
exception pour quelque malheureuse que lui arrosait ou mor- 




Fig. 7. Femelle maltraitée, avec sa couronne d' ouvrière L. alienus, crispée 
à un scapus. X 5. 

dait une partie sensible du corps, comme 1 antenne ou la 
bouche, ou bien les anneaux du gaster. Une fois le but at- 
teint, elle montre les dents et tue parfois quelques impruden- 
tes, car elle sait très bien se battre. 

Les vols nuptiaux s' exécutent le soir, vers les 4 — 7 hrs., 
un ou deux soirs par année. Exceptionellement un troisième 
vol se fait fin d' Août. Dans mon jardin j' ai noté les dates 
suivantes : 

24—7 '26, 31—7 et 1—8 '27, 29—8 '27, 6—8 et 27—8 '28, 
12—7 '29, 2—8 '30, 5—8 '31, 5—7 et 27— 7'32, 23—7 et 
6—8 '33. 



JFOURMIS D' EUROPE. 63 

C'est à dire que le vol nuptial précède d' une quinzaine 
de jours celui des espèces hôtesses. L' avantage de cette pré- 
cocitè se trouve dans la présence, à cette époque, d' un grand 
nombre 'de larves 5 dans les nids des hôtes qui auront évolué 
plus tard en nymphes ou imagines, et d' une grande quantité 
de cocons î et 5 qui répandent une forte odeur protective 
au bénéfice de 1' intruse, (quoiqu' imperceptible pour nous.). 

Lorsqu' une femelle umbratus rencontre une congénère d' 
un autre nid, elles s' attaquent immédiatement et mortellemenr. 
II y a cependant des exceptions. 

Adoption multiple. Le 29 — 6 '27 je mis 20 S 5 aliénas 
avec 100 cocons 5 et un cocon $ dans une arène de Krausse 
à 1' huile ; le 31 — 7 j' ajoutai une femelle désailée du groupe 
umbratus. Temp. 70° F. Elle est attaquée à froid ; après 
quelques minutes on la laisse tranquille. Le matin suivant 
elle est à 1' aise, adoptée et courtoisée. Le soir du 1 — 8 j' 
ajoute deux femelles ailées du même vol. Elles se cachent, 
une d' entre elles entre dans le nid ; on 1' attaque aussitôt. 

Le 2 — 8 toutes les trois sont paisiblement ensemble dans 
le nid, les deux ailées sont tiraillées, au même moment que d' 
autres ouvrières alienus les lèchent. Au soir 1' aspect est 
changé, les attaques sont de nouveau plus violentes, la reine 
adoptée est laissée tranquille et courtoisée. Le 3 — 8 la reine a 
une cour de lècheuses, 1' une des femelles ailées a été adoptée, 
mais elle paraît hébétée et elle n' a pas de cour, 1' autre se 
trouve dans 1' huile. J' ajoute deux nouvelles femelles désailées 
qui se cachent à côté du nid, (Le fond de 1' arène est couvert 
d' un peu de terre humide, couverte d'une vitre 8.3 X 8.3). 
Le matin suivant (4 — 8) elles sont adoptées. La femelle ailée 
adoptée hier est morte, pas moins de 7 alienus lèchent le cada- 
vre. Pas loin d' elle se trouvent les deux d' hier, elles aussi 
léchées, mais avec moins de zèle. Enfin la première femelle 
adoptée se trouve maintenant un peu négligée et même of- 
fensée. Parfois deux alienus lui tiraillent 1' antenne ou une 
patte. Une autre danse autour d' elle, essaie de mordre son 
gaster, monte sur son dos et mord à sa nuque. La reine reste 
passive, elle meut lentement les antennes tourmentées et se rend 
ensuite vers les deux autres femelles, où on la laisse plus 
tranquille. Pendant ce jour-là et aussi le jour suivant 1' aspect 
reste le même. Le 5 — 8 d' une heure avancée du soir les atta- 
ques sur 1' umbratus No 1 deviennent moins fréquentes ; 
elle circule lentement, on la tiraille peu ou pas du tout, et 
elle n' a pas de cour non plus. Les deux autres ont une cour, 
et la morte ailée encore davantage. Cependant parfois une 
ouvrière la tire par une patte, d' un geste ennemi. Maintenant 
une femelle désailée niger fraîchement captivée, est laissée 
dans 1' arène. Celle-ci, différemment des umbratae ne tâche 
point d' entrer dans le nid ou de se cacher, mais elle fuit 
en grande hâte. Il faut à plusieurs reprises la déposer de nou- 



64 À. STÄRCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 

veau au fond, pour 1' empêcher de se noyer tout-de-suite dans 
r huile. Après une demi-minute elle se cache dans la tourbe. 
Le matin suivant on ne la voit plus, probablement elle s' est 
enfuie à travers 1' huile. 

Le 6 — 8 j' ajoute les femelles survivantes de la même ré- 
colte (du 1 — 8) au nombre de trois. (La plupart des femelles 
récoltées sont déjà mortes, bien que les tubes soient pourvus 
d' ouate humide). Elles se cachent. A 9 hrs. du soir elles 
sont à ce qu' il paraît adoptées. Il y a maintenant 6 reines 
adoptées et une ? ailée, morte et maintenant mise à part, 25 
ouvrières alienus, plusieurs veaux vacillants et ± 100 cocons. 

Des alienus 6 accompagnent les femelles No 2 et 3, 3 à 4 
se trouvent auprès des Nos 4 et 5, tandis que la No 1 et une 
des dernières trois sont ambulantes et assez négligées. Elles 
rejoignent tantôt 1' un groupe, tantôt 1' autre, la No 6 sort 
parfois 'du nid mais rentre bientôt. Environ 10 ouvrières cir- 
culent et seulement 5 à 8 lèchent les cocons et les veaux. On 
ne déménage plus les cocons, bien que leur position soit fort 
défavorable car ils sont couchés dans une vraie mare de 1' eau 
ajoutée avant-hier. Il paraft que la présence des intruses dé- 
moralise la population. 

Cet après-midi j' ajoute environ 400 cocons ^ et S alienus 
avec 12 ouvrières prises dans deux colonies. Il n' y a pas de 
combat grâce au dot, tous se mêlent aussitôt. Le transport 
commence aussitôt et est fini au soir (Temp. 72° F). 

Le soir j' ajoute 8 femelles désailées du groupe umbratus 
fraîchement captivées sous des pierres dans une autre localité 
à 1200 mètres de distance. Toutes sont, après de courtes 
menaces, presque directement adoptées. Une femelle ailée 
alienus au contraire, ajoutée à neuf hrs. du soir avec 5 cocons 
9 alienus, qui se rend immédiatement sous la vitre, est vio- 
lemment attaquée et prend la fuite ! A 11 hrs. du soir la colonie 
compte 14 femelles adoptées, dont un groupe 'de 2 umbratus 
et un groupe de 12 meridionalis. Le 10 — 8 des 14 femelles 
1 1 sont encore en vie. Une se trouve, morte, à côté du nid, 
celle-ci avait acquis une lésion du premier segment à F occa- 
sion de sa capture. Hier et avant-hier 3 femelles alienus sont 
écloses, deux d' entre elles se sont envolées. La $ ajoutée 
le 6- — ^8 est encore présente et dans le nid, beaucoup d' ouvriè- 
res alienus sont écloses. 

Fin d' août j' ajoute environ 200 petites larves alienus. 
Le 20—9 il y a un petit paquet d' oeufs (environ 10) ; 9 
femelles du groupe umbratus sont encore là en un groupe 
serré auprès des oeufs. Les mâles alienus éclos ont tous été 
négligés, ils sont morts et ont été déposés hors du nid. On 
ne les a pas tués, mais ils avaient faim et ne recevaient aucune 
nourriture. Le 13 — 10 il y a les 9 femelles du groupe umbratus, 
± 150 ouvrières alienus et beaucoup de larves en deux gros 
tas ; auprès de 1' un se trouvent toutes les femelles umbratus, 



FOURMIS D' EUROPE. 65 

auprès de 1' autre une foule d' ouvrières alienus. Plusieurs 
larves umbratus sont desséchées et rejetées au dehors. 

Mars 1928. En hibernant les reines moururent peu à peu 
probablement à cause de 1' huile qui suait continuellement 
par dessus les flancs de 1' égout dans le nid. Le 12 — 3 '28 il 
n' y a plus qu' une femelle g. umbratus et 2 ouvrières alienus 
vivantes. Cette reine mourut après 2 jours. Il n' y eut jamais 
de combats, cet élevage aurait sans doute réussi dans un nid 
propre. 

Pléométrose meridionalis chez niger. En 1928 j' ai eu un 
élevage de 4 femelles meridionalis dans une colonie niget 
sans reine, habitant un nid en verre de 4 chambres, du système 
décrit par moi dans le Zool. Anz. 1930, chaque chambre con- 
sistant en un verre Petri, muni de tubes de communication. 
Au début il n' y avait qu' une chambre humide avec les 4 
reines et environ 400 ouvrières niger, mais les ouvrières trans- 
portaient de la terre vers deux des autres chambres et dans 
chacune s' établit une ? meridionalis avec sa cour. La position 
n' était point stable, elle variait plutôt de jour en jour, de 
manière à trouver aujourd'hui 2 reines dans le verre A, demain 
peut-être trois dans le verre B etc. Il se développait une 
progéniture nombreuse et j' ai continué cet élevage pendant 
une année. 

De ces deux observations j' ai gagné la conviction que la 
présence des deux espèces socio-parasites dans la même four- 
milière est parfaitement possible. 

Coëxistance des deux reines. La femelle fécondée du groupe 
umbratus, une fois adoptée 'dans un nid alienus ou niger tue 
la reine du nid qui dès le premier moment d' une rencontre, 
fuit en panique. J' ai vu une exception. Le 7 — 8 '30 je mis 
5 ? ? deal, et une ç ailée niger, capturées le 2 — 8, dans un 
nid en verre à deux chambres. Il y avait déjà 30 oeufs. Le 
14 — 11 ! il y avait déjà 34 cocons en 2 tas, un tas de 30 
cocons avec 3 $ 9 et un tas de 4 cocons avec 2 ? 5 . La 
femelle ailée est morte. C' est là une tolérance extraordinaire, 
les' combats entre les reines commençant d' habitude avec 1' ap- 
parition des larves. Le 14 — 12 (une chambre du nid offrant des 
températures de 48 — 64° F.) il n' y a plus qu' une seule reine 
vivante avec de nombreuses larves, environ 20 microergates 
et beaucoup de cocons. Quand j' ouvre le nid, les microergates 
restent dans leur cavité avec toute la couvée, cependant 3 
des reines tuées ont été rejetées hors de la cavité, la quatrième 
est en morceaux a côté. Le 23 — 7 '31 j. ajoute une femelle 
désailée umbratus dans la chambre humide (19° C). Le 24 — 7 
(26° C) 1' umbratus se tient à côté de la cavité. Le jour sui- 
vant elle est adoptée et les deux reines s' entretiennent ami- 
calement et caressent ensemble les larves. Cet état continue 
pendant tout 1' automne et 1' hiver suivant. En février 1932 
je pouvais montrer la colonie à 1' association à la Haye. Il n' 



66 A. STARCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 

est pas possible de savoir si les larves proviennent de la niger, 
de 1' umbratus ou de toutes les deux. 

Le 13 — 3 '32 la ? umbratus est morte, beaucoup 
d' ouvrières également, on la lèche encore, elle ne porte 
point de traces de combat. Comme j' ai employé cette 
colonie pour mes expériences avec 1' indigo-carmin sur la 
nutrition des larves, probablement la mort doit être attribuée 
à ce colorant, à tort réputé innocent. Il n' y a plus que deux 
larves en vie ; les rares ouvrières survivantes ne quittent 
plus la cavité pour aller fourager, elles sont lentes et noncha- 
lantes, probablement malades. En tous cas la coexistence des 
deux reines en bonne harmonie et avec une progéniture flo- 
rissante a duré plus que 7 mois. 

Immunité de certaines fourmilières contre 1' adoption. 

Le 24 — 7 '34 je mets une femelle fécondée umbratus Nyl. 
prise le 21 — 7, dans le tube d' un nid en verre à deux cham- 
bres ; j' ajoute 100 cocons 5 alienus, dont la femelle prend 
possession, et 2 cocons 9 alienus qu' elle renifle avec un 
déplaisir très apparent et qu' elle tâche de mordre. Après un 
quart d' heure j' ajoute 4 grandes ouvrières du même nid 
avec le reste (env. 30) des cocons avec un peu de sable de 
ce nid dans la chambre sèche ; 1' arrivée des ouvrières la 
saisit de panique. Les ouvrières portent tous les cocons dans 
le tube. Le soir à 8.30 la femelle entre de nouveau dans le 
tube, passe en se battant avec gaster courbé les ouvrières 
alienus qui se tiennent sur le tas des cocons et fuit dans la 
chambre humide avec 1 alienus fixée à une patte et poursuivie 
de deux autres. Le 26 — 7 elle est morte et rejetée dans la 
chambre sèche. Le 20 — 8 cette colonie contient 13 ö Ö avec 
30 cocons. J' ajoute une femelle fécondée umbratus Nyl. 
prise le 18- — 8 (temp. 70° F.) je la mets dans la chambre 
sèche où elle se bat avec une ouvrière, qu'elle tue avec man- 
dibules et poison, 1' ouvrière morte reste cramponnée à une 
patte de devant. Libérée après une demi-heure, elle subit de 
nouveau des attaques qu' elle n' attend pas, mais contre les- 
quelles elle se défend en prenant 1' offensive. Cependant le 
jour suivant on la trouve morte dans la chambre humide. 
Ce même jour j' ajoute une femelle ailée alienus, prise trois 
jours auparavant. Elle se tient tranquille et provisoirement 
on la tolère. Quatre jours plus tard elle est encore en vie, 
mais les relations ne sont toujours pas parfaitement amicales ; 
le 21 — 1 '35 elle se trouve, désailée et morte, dans la cham- 
bre sèche. Le 24 — 7 '35 j' ajoute de nouveau une femelle 
umbratus Nyl. du jour précédent. (temp. 72° F.) ; le 26 — 7 '35 
on la retrouve dans le tube coupée en deux en présence d' 
une ouvrière tuée par elle. Le 8 — 8 je donne de nouveau une 
femelle umbratus, récemment capturée, cette fois-ci avec une 
petite dot de 2 cocons. Le lendemain elle est morte ; une 



FOURMIS D'EUROPE. 67 

ouvrière alienus morte reste fixée à une mandibule. Le 11 — 8 
j' ajoute de nouveau une femelle umbratus Nyl, (temp. 78° 
F) du même soir. Il y a 13 ouvrières alienus avec un cocon 
î ajouté quelques jours avant. Le lendemain elle se tient 
encore dans la chambre sèche ; comme elle est en danger 
de mourir de soif je la transporte dans la chambre humide, 
où elle se cache. Les alienus avec les cocons sont dans le 
tube. Je n' ai plus revu cette femelle. Aujourd'hui cette colonie 
jouit d' une santé parfaite, mais elle a résisté avec succès à 
toutes les tentatives d' adoption. Ces alienus sont abnorma- 
lement courageuses, il est rare de voir une colonie si peu 
nombreuse refuser si acharnement toutes les adoptions. Il 
est bien possible que 1' expérience faite avec la première 
femelle umbratus, une lâche qui ne savait même pas vaincre 
4 alienus, les a rendues si courageuses. 

Echouement d' une tentative à constituer une plémétrose 
artificielle d* umbratus. 

Le 23 — 7 '34 je prends 6 femelles désailées umbratus Nyl. 
prises le 21 — 7, je les mets dans une boîte à cacao avec env. 
800 cocons et quelques dizaines d' ouvrières alienus. Je les 
mêle en secouant et en tournant la boîte pendant dix minutes 
(temp. 78° F), et les verse dans une arène de Krausse, cou- 
verte d' une vitre et unie par un tube avec un nid en verre 
à deux chambres. Dans 1' aréne les umbratus ne sont pas 
importunées par les alienus, mais les umbratus s' attaquent 
entre elles comme des tigresses. Elles se servent surtout du 
venin pour arme de combat. Trois sont tuées, trois vont dé- 
ménager avec le fleuve d' alienus portant des cocons. Le 
24 — 7 il n* en reste qu' une seule ; les cocons sont tous dans 
le tube. J' ajoute 2 nouvelles femelles umbratus Nyl. dans 
la chambre sèche. Deux heures après la première entre danï 
le tube, elle est assaillie par les alienus, mais elle se courbe 
et se fait jour. Arrivée dans la chambre humide elle est atta- 
quée avec véhémence par la femelle résidant là, la vainqu- 
euse des combats d'hier, qui est forte et un peu plus grande. 
Celle-ci monte sur le dos de la nouvelle arrivée, täte avec 
fureur les articulations, saisit le pétiole et continue à le tordre 
avec acharnement. C'est trois heures de 1' après-midi ; le soir à 
10 heures la victime est coupée en deux, une alienus lèche le 
gaster arraché, une autre s'occupe du thorax ouvert. La 
femelle No 8 se trouve encore dans la chambre sèche où 
elle a à sa disposition une goutte de miel délayé et une goutte 
d' eau. Plusieurs cocons sont éclos. Le soir je compte 38 g ö 
aliénas et 1 $ , dont 12 dans le tube avec la moitié des 
/tocons. La femelle umbratus No 7 a tué une alienus pen- 
dant son séjour dans la chambre sèche. Après ce meurtre les 
autres alienus ne s' y sont plus montrées. Deux jours plus 
tard, le 26 — 7 1' umbratus No. 8 est trouvée dans la chambre 



68 A. STÀRCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 

sèche, couchée sur le dos, morte, mais pas mutilée. La vain- 
queuse a donc tué 5 concurrentes par le venin et une par 
les mandibules, tandis qu' une concurrente est morte peut- 
être par le venin des alienus ou à la suite de quelque cause, 
p.e. par son venin à elle, éjaculé à sa capture, ce qui arrive 
souvent. Le 24 — 8 il y a encore 20 cocons alienus et 2 grands 
paquets d' oeufs. Le 27 — 9 on constate la présence de plus 
de 200 oeufs et larves jeunes (beaucoup plus que dans mes 
autres socio-chimaeres des mêmes espèces). De ce grand 
nombre, relativement peu ont été élevées jusqu' à 1' imago, 
le 18 — 12 le compte d' un quart des larves donne 4-9, tandis 
que le nombre des microergates, observées en 1935 ne dé- 
passait pas 30. 

Le 5 — 1 '36 il y a environ 40 petites ouvrières umbratus, 
autant d' alienus et la reine vaillante. Je 1* examine en nar- 
cose, c' est umbratus Nyl. 

Incapacité de survivre seule. 

Les femelles niger et alienus, isolées dans un tube bouchonné 
et privées de nourriture survivent pendant plusieurs semaines, 
au moins la majorité d' elles. Les femelles du groupe umbratus 
traitées de la même façon, meurent au contraire en par- 
tie déjà le premier jour, et il m' est arrivé plusieurs fois que 
d' une trentaine de capturées, gardées isolément dans des 
tubes, je n' en trouvais plus une seule vivante après 4 jours, 
quand le moment fut venu pour les utiliser pour quelque 
expérience. Je crois que 1' ejaculation du venin constitue la 
principale cause de mort. Les femelles qu' on prend entre 
les doigts sont souvent déjà mortes après quelques heures ; 
mieux vaut les ramasser au moyen du tube avec un peu de 
sable. On trouve la même mort rapide chez les ouvrières 
Formica et surtou chez Camponotus qui ont la vessie irritable. 
Les ouvrières Lasius sont plus continentes. 

Tentatives de faire adopter des femelles umbratus chez me- 
ridionalis. 

Le 21 — 7 '32 je pris 40 ouvrières et 150 cocons meridionalis 
d' un nid, et 15 ouvrières avec 50 cocons d' un autre, et y 
ajoutai une femelle fécondée umbratus placée dans la cham- 
bre humide. Elle y fut attaquée à chaud et mourut en quel- 
ques instants sous le flot d' assaillantes. Une seconde femelle 
fut sauvée du même sort seulement par 1' enlèvement immé- 
diat. Je la mis dans la chambre sèche avec quelques cocons 
et 8 Ö § . Celles-ci se tenaient indifférentes, tandis que la î 
faisait des tentatives d' approchement. Le 23 — 7 la femelle, 
exposée au soleil, suivit les ouvrières vers la chambre humide. 
Là je la retrouvai le soir, couchée sur le dos avec les pattes 
moyennes et postérieures dans un état parétique, une ouvrière 
meridionalis étant encore en train de la mordre. Je 1' enlevai 



FOURMIS D' EUROPE. 69 

et la remis dans la chambre sèche avec une goutte d' eau ; les 
ouvrières y transportaient bientôt 3 ouvrières meridionalis 
tuées par elle. Le lendemain elle était morte. J' ai fait encore 
quelques fois des tentatives pareilles ; toutes ont échoué. 

Adoption d' alienus ? par meridionalis g . 

De toutes les tentatives de ce genre, c.a.d. 1' inverse de ce 
qu' on voit dans la nature, une seule a réussi partiellement, 
et une autre complètement. J' en fais suivre la description. 

I). Le 3 — 8 '33 je pris environ 300 cocons meridionalis 
avec 40 ouvrières, j' y ajoutai une î alienus désailée, prise 
le 31 — 7, elles sont toutes ensemble logées dans un nid en 
verre à deux chambres. Cette femelle est attaquée à chaud 
après un quart d' heure. Quelques articles du funicule gauche 
lui manquaient déjà. Temp. 19° C. Le 4 — 8 elle est mutilée et 
mourante. Temp. 22° C. J' ajoute une seconde femelle de 
la même capture et dépose le nid dans la cave (58° F). Le 
9 — 8, trouvant que la femelle s' enfuit toujours dans la cham- 
bre sèche, je lui donne là aussi env. 300 cocons et 10 ^ 
meridionalis (16° C). Le 10 — 8 elle est attaquée comme 
auparavant. Je la délivre de sa couronne d' ennemies et la 
mets de mouveau dans la chambre humide (16° C). Le len- 
demain elle est adoptée mais ses mouvements paraissent un 
peu atactiques. Je remets le tout à 22° C. Le 15 — 8 je la 
trouve morte. 

II) Le 30 — 8 '29 je pris une femelle alienus var. alienoniger 
et je 1' élevais ensuite avec sa progéniture. Le 17 — 5 '31 elle 
avait 4 S S et une larve. Le 23 — 7 j' ajoute une 9 fécon- 
dée umbratus qui après des combats initiaux est adoptée à 
19° C et reste en vie à 25° C. Elle accompagne les alienus 
dans leur cellule, cependant le 9 — 8 elle est morte. Causa 
mortis ignota. La petite colonie souffrant de moisissures, la 
reine alienus reste bientôt toute seule. Le 25 — 8 j' ajoute 4 
5 ^ alienus avec 33 cocons ; la colonie se tient bien et est 
employée pour diverses expériences, de sorte que le 28 — 7 '33 
la reine se trouve de nouveau seule. Maintenant j' ajoute env. 
500 cocons meridionalis avec 5 ouvrières. Le 4 — 8 '33 elle 
s'est retirée dans le tube. Déposée par moi dans la chambre 
humide, où sont les cocons, elle fuit. Ce soir une patte anté- 
rieure est demi-paralysée et la femelle semble un peu étour- 
die. J' ajoute une nouvelle femelle alienus prise le 31 — 7 '33 
ce qui déclenche de nouvelles attaques sur les deux mal- 
heureuses. La nouvelle arrivée, vigoureuse et jeune, se défend 
avec beaucoup d' agilité ; sur ces entrefaites elle trouve le 
temps de s' emparer d' une larve meridionalis et de la porter 
vers un coin du morceau de tourbe humide. C' est bien frap- 
pant de voir cette créature, d' ordinaire si paisible, se com- 
porter presque comme une femelle sanguinea envahissant un 
nid de fusca, sautant d' un côté à 1' autre, mordant, se retour- 



70 A. STARCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 

nant, tenant tête aux assaillantes, tandis qu' elle s' empare 
d' une larve après 1' autre, se volant un petit paquet d' en- 
fants, tout en se 'défendant violemment. Découvrant le tas 
de cocons, elle en prend aussi et tâche de s'y enfoncer. Bien- 
tôt r odeur la cache car les attaques deviennent plus hési- 
tantes. Cependant, on réussit à lui fixer les appendices et 
à la tirer à part, où elle est gardée prisonnière de plusieurs 
ouvrières immobiles. Le soir, elle est en bonne santé et se 
tient debout parmi les cocons, assez à 1' aise et faisant sa 
toilette. Le 10 — 8, six jours après, elle est tolérée sur les 
cocons, mais elle n' est pas encore courtoisée. J' ajoute encore 
± 50 ouvrières. Cela déclenche à l' instant de nouvelles 
attaques a chaud, ce qui prouve au premier abord que ce 
n'est pas seulement 1' odeur de la couvée, communiquée à 
son corps, qui la protège, mais encore une certaine adaptation 
individuelle de la part des ouvrières. Cependant la preuve 
n'est pas absolue, car la masse ajoutée entraine un renfor- 
cement de 1' odeur propre aux meridionalis, ce qui agrandit 
le profil odorikinétique envers l'odeur mêlée de 1' intruse. }' 
interviens et j* éloigne beaucoup d' ouvrières meridionalis. 
Le jour suivant 1' adoption est stable. Le 31 — 8 il y a un 
paquet d' oeufs déjà considérable à côté de 2 larves minus- 
cules, bien soignées par les meridionalis. La plupart des co- 
cons meridionalis se dessèchent ou sont envahis de moisissures. 
(Transfert positif sur 1' alienus avec détachement de 1' an- 
cien objet des tendances nourricières). Le 10 — 9 à 10, 30 du 
soir je mets encore 100 cocons du même nid dans la chambre 
humide et ensuite la même quantité dans la chambre sèche, 
où circule une ouvrière. Elle prend le ,,pas des courriers " 
et s' en va frapper 1' alarme. Sans aucun effet cependant, 
les ouvrières dans la chambre humide ayant assez à s' occu- 
per de leur propre acquisition (68° F). A 10 hrs 50 je mets 
encore ± 400 cocons meridionalis dans la chambre sèche 
où circulent maintenant 2 ouvrières. A présent, presqu' in- 
stamment le transport commence, 4 5 ? y prennent part, 
après une minute : 6, à 11 hrs 20 : 8, à 11 hrs 25 : 9. Le 8 — 10 
les moisissures envahissent tout le nid, j' offre un nouveau 
nid à la colonie, qui 1' accepte. Le 18-11 je dois constater un 
peste d' acariens : la plupart des ouvrières ont la peau presque 
couverte d' hypopes, de même que le thorax de la femelle 
alienus ; 2 grandes larves. Le 1 7-7 '34 il n' y a encore que 
40 larves de tous les âges, les acariens tuant beaucoup d' oeufs 
et 'de larves. Le 28-7 un accroissement de ± 30 très petites 
larves de la nouvelle ponte ; elles se développent assez bien, 
quoiqu' un grand nombre d' hypopes importunent larves et 
ouvrières. Le 22-11 se montrent 12 cocons micro. Le 18-12 
les premières 8 microergates alienus sont éclos ; il y a 26 
cocons. Le 21-1 '35 il y a le premier paquet d' oeufs de la 
troisième ponte. Beaucoup d' ouvrières ont péri par les aca- 



FOURMIS D' EUROPE. 71 

riens, ceux-ci disparaissent peu à peu. Les 22 ouvrières alienus 
sont restées presque libres de ce peste, elles nettoient aussi 
les meridionalis qui ne savent pas s' en débarasser. Le 26-7 
'35 j' ajoute encore 20 ouvrières meridionalis du même nid 
avec 20 cocons Ö et ±: 60 oeufs. Sur ceux-ci se trouvent 
quelques acariens. Il y a seulement quelques tiraillements, la 
fusion se fait aussitôt et les ouvrières arrivantes sont nourries 
par les anciennes. Au transport les deux prennent part. Le 
28-10 '35 il y a le paquet d' oeufs de la nouvelle ponte. Je 
n' ai pas pu constater si les oeufs meridionais ajoutés le 
26-7 ont été ou non élevés, je crois que non. Les cocons ont 
été ouverts en partie, la plupart sont desséchés ou pourris. 
Ceci semble indiquer que la direction du transfert soit donné 
par les qualités spécifiques de la reine, car les cocons alienus 
sont très bien soignés. Dans les sociochimères umbratus (ou 
meridionalis) ? chez alienus 5 on trouve 1' inverse : bons 
soins pour les cocons umbratus. (J' ignore si les cocons alienus 
sont négligés si la colonie ne renferme qu' un petit nombre 
d' ouvrières). Maintenant que la fourmilière contient un 
certain nombre d' ouvrières alienus, les acariens ajoutés le 
26-7 '35 n' ont pas réussi à envahir la population. Le 28-10 '35 
on voit le grand paquet d' oeufs de la 4ième ponte. Ils se 
développent bien ; le 12-2 '36 il y a un assez grand nombre 
de larves et 2 cocons. Les meridionalis et les alienus, plus 
petites que celles-là, soignent les larves et la reine en groupes 
absolument mêlés. 

Préférence pour les troncs pourris. La sociochimère une 
fois formée, les colonies umbratus-alienus (ou aequivalents) 
restent en place jusqu' à une certaine époque de leur déve- 
loppement. A ce moment elles déménagent vers un tronc ou 
une racine pourris. J' ai suivi le développement dans mon 
jardin d' une colonie umbratus-alienus laquelle possédait en 
1932 — quand probablement 1' adoption eut lieu — un beau 
nid sous une tuile. En 1933 se montrait un nombre croissant 
d' ouvrières umbratus et déjà au cours de 1934 les alienus 
étaient bien rares. En 1935 la colonie avait déménagé et à 
sa place se trouvait une fourmilière Tetramorium-Strongy- 
lognathus. Dans mes élevages la disparition des alienus ne 
va pas si rapidement, les dernières disparaissant au cours de 
la 4ième année. 

Fréquence des infections avec umbratus es. A un endroit 
de mon jardin, laissé dans 1' état bruyère, sur 7 colonies 
alienus 3 étaient plus ou moins infectées (1927). Une de ces 
trois se trouvait déjà dans la phase de socio-chimaere, la 
seconde hébergeait une femelle umbratus adoptée, et à côté 
de la troisième la femelle umbratus attendait sous une pierre 
1' occasion d' y entrer. L' infection avec le groupe umbratus 
est probablement un des facteurs principaux qui restreignent 
1' hégémonie du Lasius alienus dans les Pineto-Callunètes. 



72 A. STARCKE, RETOUCHES SUR QUELQUES 

Influence de la sociochimaere sur les moeurs. Les ouvrières 
du groupe umbratus, faisant part d' une sociochimaere avec 
des espèces à habitudes diurnes, perdent, au moins dans cer- 
taines circonstances, leur préférence exclusive pour les pro- 
menades nocturnes. Cela est vrai tant pour les sociochimaeres 
avec le groupe niger, que pour celles avec le fuliginosus. Un 
après-midi d' été chaud, 1' atmosphère étant chargée d' électri- 
cité, ]' ai vu des alienus qui habitaient un sentier dans la 
bruyère à den Dolder, fiévreusement travailler à 1' agrandis- 
sement des ouvertures du nid. Il y avait une ouverture où 
des ouvrières jaunes du groupe umbratus se mêlaient aux 
alienus d' une dimension égale, les deux espèces ne se dis- 
tinguant pas r une de 1' autre en ce qui concerne la distance 
jusqu* où elles transportaient leurs grains de sable bien que 
c' était en plein soleil. J' ai observé un déménagement de 
fuliginosus quittant un tronc d' arbre et se dirigeant vers une 
cave d' un pavillon de 1' asile. Beaucoup de grandes ouvrières 
meridionalis marchaient dans le cortège mêlées aux [uligi- 
nosus. Ce déménagement durait toute une journée et le chemin 
était sans ombre aucune. J' ai décrit cette observation (du 11 
août 1924) dans Natura No 2 p. 28-30 (1925) ; des obser- 
vations pareilles ont été décrites par d' autres auteurs. Les 
faits de ce genre prouvent que la sociochimaere n' est pas 
simplement un mélange de deux espèces, mais bien quelque 
chose de nouveau, un , .emergent" selon le terme de L e w e s, 
adopté par W h e e 1 e r i ) pour les sociétés ; c' est un or- 
ganisme. 



^) W. M. Wheeler. Emergent Evolution and the development of 
societies. Norton, New York 1928. 



Homoeosoma nimbella Dup. (nee Z.) en 
pseudonimbella mihi nov. spec. 

door 

Ir. G. A. GRAAF BENTINCK 

In het verslag van de laatste Zomervergadering (1936) 
maakte ik reeds melding van een kleine verandering in de 
nomenclatuur van 2 soorten van het geslacht Homoeosoma 
(T. V. E. LXXIX. p. LXXVII) met de mededeeling, dat ik 
binnenkort uitvoeriger hierop terug zou komen. 

Voodat ik mijn opsliel over de 4 Homoeosoma-soorten 
(T. v. E. LXXIII. p. 237—250) kon schrijven, moest ik 
eerst in het Britsch Museum onderzoeken welke vorm van 
de tot toenmaals onder nimbella Z. samengevatte 4 soorten 
de eigenlijke nimbella van Zeiler was, welke vorm 'dus recht 
had op dien naam. Wat de oorzaak ook was, weet ik niet, 
maar de types van Zeiler bleken toen in 1928 in het Museum 
onvindbaar, ze waren niet in zijn collectie, misschien wel 
verloren geraakt. Ik moest dus geheel en al op de beschrij- 
ving afgaan. Nergens werd over het gemis van ader 5 der 
voorvleugels gesproken, behalve bij Snellen, die reeds stellig 
meende, bij zijne beschrijving van nimbella, meerdere soorten 
dooreen te mengen. De vorm, die ader 5 miste, paste aller- 
minst daardoor bij de beschrijving, vandaar, dat ik overtuigd 
was, dat var. IV. (zie p. 239 en 247 van voorn, stuk) de 
eigenlijke nimbella Z. was, en noemde ik derhalve var. I. en 
II. snellenella (p. 248). 

Thans is de heer F. N. Pierce bezig met zijn werk te 
voltooien over de Genitalia der Pyraliden. Ik maakte hem 
opmerkzaam op het geval nimbella. Bij zijn bezoek van on- 
langs aan het Britsch Museum werden de zoogenaamd ver- 
loren types van Zeiler teruggevonden. We waren beiden 
verbaasd te vernemen, dat Z e 1 1 e r's oudste type van 1839, 
waarnaar hij ( evenals later Hübner en Fabricius) 
nimbella het eerst beschreven had, de vorm was zonder ader 
5, dus mijn snellenella. Zijn andere exemplaren van 1847 
behooren tot meerdere soorten met ader 5, destijds nog alle 
onder nimbella gerekend. Maar thans blijkt, dat niet Zeiler 
in 1839, doch Duponchel in 1837 wegens prioriteits- 
rechten auteur wordt van nimbella. Ook de types van D u- 
p o n c h e 1 werden in Parijs gevonden en misten eveneens 
ader 5, zoodat de soort zonder ader 5 nimbella Dup. (nee Z.) 
moet heeten en synoniem is met mijn snellenella. 



74 Ir. G. A. GRAAF BENTINCK. 

Geen wonder, dat Vaughan exemplaren vond verschil- 
lende van deze, die hij saxicola noemde, doch over het ader- 
stelsel schreef hij niets. 

Een ander ex. van Zeiler, zonder vindplaats, draagt 
zijn etiket : ,,nimbella var. b. Is. 48". In Isis 1848 p. 602 be- 
schrijft Zell er dit ex. als zoodanig. Volgens Pierce is 
dit ex, geheel gelijk aan mijn var. IV, door mij dus abusivelijk 
voor nimbella Z. gehouden. Het is dus deze soort, die des- 
tijds een nieuvv^en naam had moeten hebben inplaats van var. I 
en II, die dus nimbella Dup. worden. Deze var. IV, die, be- 
halve wat het aderstelsel betreft, het meest op nimbella Dup. 
gelijkt, noem ik derhalve pseudonimbella mihi nov. spec. Het 
ex. var. b. van Zeiler, zooeven genoemd, is dus het type 
van pseudonimbella en bevindt zich als zoodanig in het 
Britsch Museum. We krijgen nu deze gevolgtrekking : 
snellenella Bentinck wordt nimbella Dup. en nimbella Z. ( = 
var. b. Z. = var. IV mihi) wordt pseudonimbella Bentinck. 
Men lette goed hierop in mijn voornoemd stuk, (dat overigens 
onveranderd blijft) op p. 237 — 250, vooral bij de determinatie 
lijst op p. 249—250. 

De heer Pierce ontdekte bij zijn onderzoek naar de 
genitaliën nog 2 soorten er bij, die hij binnenkort zelf be- 
schrijven zal in Engeland. Deze zijn tot nog toe niet in 
Nederland bekend. Bij ons komen dus voor : nimbella Dup., 
saxicola Vaughan, cretacella Roessler en pseudonimbella mihi 
nov. spec. 

De larve van pseudonimbella is onbekend, de voedselplant 
eveneens, hoewel in Isis 1848 staat : var. b. op Stanchio ge- 
vangen, en Prof. Hering bezit een ex. van deze soort op 
Solidago gekweekt. 

De heer Pierce zal binnenkort in zijn werk over de ge- 
nitaliën der Pyraliden ook die van de 6 soorten behandelen, 
die eens alle als nimbella Z. beschouw'd werden. Behalve het 
verschil der valvae, die ik destijds aangaf (p. 247), legt hij 
nog meer gewicht op den aedoeagus van deze soorten. Deze 
geven nog duidelijker verschillen aan dan de valvae. Ook be- 
vestigde hij door zijn onderzoek, dat cretacella Roessler = 
senecionis Vaughan, een vraag, die alsnog in Engeland be- 
twijfeld werd. 

Hiermede is, dank zij de verdere bemoeiingen van den 
Heer Pierce, deze ingewikkelde geschiedenis van de 
nimbella-groep definitief recht gezet. 



Contributions to the knowledge of the 
Fauna of the Canary islands XIX 

by 

Dr. D. L. UYTTENBOOGAART 

(Heemstede) 



Since my forelast publication on the Coleoptera of the 
Canary-Islands*, I partook in the International Entomolo- 
qical Congress at Madri'd and visited on that occasion the 
Museo de Ciencias Naturales where I found an enormous 
well prepared material from the Canary-Islands partly un- 
determinated. I undertook to study most of the anonymous 
Coleoptera and have already finished the genus Laparocerus, 
between which I detected three new species. Also the Museu 
de Ciences Naturals at Barcelona entrusted to me the deter- 
mination of a small but very interesting collection from the 
island Lanzarote, collected in the neighbourhood of Puerto 
Arecife by Mr. E, Balaguer. My intention was to publish 
my remarks on these collections in the Annales of the respec- 
tive Museums, but the civil-war in Spain doubtless will for 
some time to come make these publications impossible and I 
therefore joined them to those regarding my own collections 
and those of my wife on the excursion made bij 30 members 
of the Entomological congress to Gran Canaria and to 
Tenerife, while my friend Mr. B. H. Klynstra collected 
only Adephaga for himself and presented me with the remain- 
der of his Canarian collection ; Miss Longfield from London 
and Mr. Seyrig from Paris presented me also with some 
Coleoptera collected on the same excursion and from Mr. 
Appenhagen at Tacoronte Tenerife, who to my regret has 
deserted the Entomological ranks, I obtained some interesting 
Coleoptera, collected in former years. 

Below I am going to relate the results of my study of all 
this material and also of that collected by myself in 1925 
and 1927 and not already published**, as far as new and 



This was No. XVI appeared in Sept. 1935 in Societas Scientiarum 
Fennica. Commentationes Biologicae VI. 3 ; No. XVII in Tijdschrift 
voor Entomologie T. 77. 1934 p. 162—166; No. XVIII in Publica- 
zioni de! Museo Entomologico Pietro Rossi No. 1. 1 Maggio 1936. 
Tijdschrift voor Entomologie T. 73. 1930 p. 211—235. 



76 



Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 



interesting species or facts concerning already known species 
have come to light. 

Carabus coarctatus Brulle. 5 specimens were collected 

by my wife in the neighbourhood of the Cruz 
de Tejeda Gran Canada (1700 M.). These 
specimens are entirely black, brilliant but with- 
out any metallic lustre, the specimens from 
Los Tilos (780 M.) and Barranco d'Azuaje 
(485 M.) in my collection are green and red- 
coppercoloured. I propose for the black aber- 
ration the name of eliasenae. 

abbreuiatus Brulle (= interruptus Dej.) Several 

specimens were collected on Montana Bermeja 
Tenerife (1425 M.) all with beautiful red- 
and green metallic lustre. I posses 2 specimens 
from Fuente fria, which are of somewhat greater 
bulk with the pronotum more elongated and 
with sharper hindangles ; these specimens give 
the impression of standing between the typical 
abbreviatus and the race Cabrerai End. (Prof. 
Bolivar presented me with a couple of this race 
collected on Monte de los Silos (1200 M.) From 
Villaflor I posses 2 specimens of abbreviatus 
with an obtuse black colour without any me- 
tallic lustre. 

Nebria currax Woll. Prof. Bolivar collected several 

specimens along the brook at Lagunetas Gran 
Canada (1000 M.). This is the first recovery 
of the species since Wollaston's time. I am 
much indebted to Prof. B. for the presentation 
of one specimen for my collection. 

Dyschirius uyttenboogaarti Klynstra. Only one specimen 
from Lanzarote (P. Arecife) See the descrip- 
tion in next part of these contributions. 

Broscus glaber Brulle. 5 specimens {4 $ S 1 ? ) were 

collected by my wife in the neighbourhood of 
the Cruz de Tejeda, Gran Canaria (1700 M.) 
The species has never been recovered in the 
locality indicated by Wollaston viz. the cindery 
hills between Las Palmas and the Puerto de 
la Luz (where nowadays the golflinks are 
situated). Von Heyden announces the capture 
of one specimen in the "Monte" (1871). 

Bembidion subcallosum Woll. very common along the brook 
at Agua Mansa Tenerife (1200 M.). In two 
specimens the humeral white spots are missing. 

Trechus flavocinctus Jeann. 8 specimens Monte Aguirre 

Teneriffe (1400 M.) sifted from dead leaves 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 



n 



and rubbish on the soil un'der the laurels. This 
species is abundantly distinct from flavolimba- 
tus. Woll. from Gran Canaria, with which it 
was formerly confused, 

Trechus uyttenboogaarti Jeann, * 5 specimens discove- 

red in sifting bark and lichen from the laurels 
in the same locality. Prof. Jeannel tells me that 
Dr. Cabrera had already suggested to him 
the probability that the Trechi living on the 
soil and those living under the bark of the 
laurels should belong to two different species. 

Carterus cordatus Dej. The museum at Madrid possesses 

a beautiful series collected by Mr. Manuel de 
la Escalera and his son at Bajamar Tenerife 
in 1921. My supposition in No. XVI of my 
Contributions that the specimen found at Ata- 
laya Gran Canada might have been introduced 
to the island by human agency, is therefore 
erroneous, I again carefully compared the The- 
nerifan specimens with cordatus Dej., this time 
from the Museum at Amsterdam and from the 
collection of Mr. B. H. Klynstra at The Hague. 
There are certainly differences, but also the 
specimens of the last named collections are 
different inter se and I feel compelled to con- 
sider these differences as individual aberrations. 
Most remarkable is the vehement brilliancy of 
the Tenerifan specimens as compared to the 
European. 

Nesacinopus solitariits Woll. 2 specimen from P. Arecife 
Lanzarote, 

fortunatus Woll. 1 specimen from P. Arecife 

Lanzarote, Hitherto only known from Gran 
Canada. 

Stenolophus lanzarotensis Klynstra. Only one specimen from 
P, Arecife Lanzarote. See the description in 
No. XX of these Contributions. 

Bradycellus ventricosus Woll. Sifted from dead leaves on 
the Mte Aguirre Tenerife. The species was 
also collected by Mr. Klynstra in the same 
locality. 

Anisodactylus (Anisodurus) cupripennis Germ. Mr, Klynstra 
collected this species (originally from the Ar- 
gentine Republic) in the neighbourhood of Las 
Palmas Gran Canada. Quite certainly this spe- 
cies has installed itself as a member of the 
Canarian fauna. 



* Description not yet published. 



78 Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 

Macarozabrus laevigatas Zimm, 2 9 ? collected by my wife 
at the Cruz de Tejeda Gran Canaria. She 
also found the remains of two more specimens. 
The only one known from Gran Canaria was 
1 S collected by myself in the chestnut-wood 
of Osorio in Oct. 1927. The Gran Canarian 
specimens are absolutely typical with hardly 
any trace of stripes on the elytra. In the Mu- 
seum at Madrid and in the collection of Mr. 
Klynstra I saw specimens from Tenerife, who, 
as regards the sculpture are difficult to be dis- 
tinguished from crassus Dej. Superficially one 
might be inclined to suspect that crassus Dej. 
is only an alpine race of laevigatas Zimm. but 
the fact that the typical laevigatas lives in Gran 
Canaria in exactly the same circumstances as 
crassus in Tenerife points to the contrary. In 
fact the males are quite different with respect 
to the character mentione'd below. 

crassus Dej. Very common on Montana Ber- 

meja Tenerife (1400 M.). The specimens are 
all very typical, the males distinguished inter 
alia by the versus the apex enlarged and flat- 
tened posterior tibiae. This character is only 
indicated in the male of laevigatus Zimm. 

Calathus [lavocircumdatus. Nova species, C. ascendens 

Woll. proxime agnatus et fere aequi magnitu- 
dinis sed colore ut in specie simplicicollis Woll. 
Prothorace subquadrato, antice perpauci-postice 
vix angustato, angulis posticis fere rectis sed 
ad apicem rotundatis, ad latera vix recurvo 
acute flavo praetexto, ad basin utrimque mar- 
ginato in medio simplici, capite prothoraceque 
ceterum piceis, impunctatis, subnitidis, hoc te- 
nuissime alutaceo ab utroque basis latere fovea 
tenui sed manifesta corrugata impresso. Elytris 
profunde striatis interstitiis subconvexis im- 
punctatis tenuissime alutaceis, tertia cum duobus 
punctis umbilicatis, uno in medio, altero in ul- 
tima tertia parte, nona super totam longitudinem 
punctis umbilicatis versus apicem confertioriter 
ornata, fuscopiceis, sutura anguste, lateribus 
latioriter flavopretextis, linea basali in utroque 
manifeste arcuata, antennis pedibusque flavis, 
tibiis simplicis. 1 S Lanzarote Puerto Arecife. 
Femina adhuc latet. Type in my collection. 

At first sight this Calathus may be distin- 
guished from all the other members of the genus 
by the sharply yellow-coloured lateral margins 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 79 

of the pronotum and by each elytron being 
circumdated by a sharp yellow margin (i.e. as 
well the side as the suture). It may further be 
known by its subquadrate prothorax which is 
somewhat narrowed versus the apex and hardly 
versus the base, the posterior angles being right 
but rounded off at the top, the basis being 
margined on both sides but simple in the middle. 
The head and prothorax (apart from the yellow 
margin) are pitchbrown, unpunctuated and shi- 
ning, under the miscroscope (X 30) the pro- 
notum shows a minutely alutaceous surface, on 
both sides of the base is a tiny but distinct 
corrugated impression. The elytra are deeply 
striated with somewhat convex unpunctuated 
minutely alutaceous interstices, on the third 
interstice two umbilicated points, one in the 
middle, the other in the last third part, the 
ninth interstice along its entire length with a 
row of large umbilicated points more densely 
together versus the apex, somewhat lighter co- 
loured than head and pronotum, the basal line 
on both sides distinctly concave. Antennae and 
legs yellow, the tibiae without long and densely 
accumulated bristles ( fimbriae ) . 
Calathus angustulus Woll. 2 ? ? Monte Aguirre Tene- 

rife. Very difficult to collect because of its 
enormous agility, several specimens escaped. 
Wollaston classifies the species under the group 
with "tibiis simplicis" However my two 
females have their middle- and posterior tibiae 
adorned with short fimbriae along the apical 
half as is generally the case with the females 
of the "fimbriatae" and the males must therefore 
doubtless show the same character as is the 
case with : 

ascendens Woll. (very common on the Montana 

Bermeja) w-here the female has the middle- 
and posterior tibiae fimbriated exactly like 
augustulus and the 5 shows the same cha- 
racter in an increased state. My conclusion is 
that there is no sharp separation between the 
two groups erected by Wollaston, angustulus 
and ascendens (and perhaps more species) 
being intermediate between the two. 

angularis Brulle, very common at the Cruz de 

Tejeda (1700 M.), Gran Canaria. The males 
have their middle and posterior tibiae densely 
fimbriated with long lashes, while the females 



80 



Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 



also show some trace of this character. The 
species is moreover distinguished by an umbiH- 
cated point at the base of the first elytral stripe. 
This point is lacking in canariensis Har. 

Masoreus nobilis Woll. 5 specimens collected by Mr. E. 
Balaguer at Puerto Arecife Lanzarote. This 
species is certainly not identical with testaceus 
Luc, being always of greater size and moreover 
distinguished by the somewhat sharply protru- 
ding anterior edges of the pronotum. She is 
perhaps a race of aegyptiacus Dej. , 

■ alticola Woll. 1 specimen Monte de los Silos 

Tenerife (Miss Longfield) 1 in the Canadas 
(Portillo) at 2500 M. Tenerife, is certainly 
not identical with Wetterhali Gyll. (see 
Winkler's cat.) It is distinguished by the 
evidently alutaceous obtuse head and pronotum 
and by the simple scutellum, which is canali- 
culated in Wetterhali. 

Blechrus plagiatus Schaum. 1 specimen collected at P. 

Arecife Lanzarote. 

Mctabletus maximus, nova species. M. obscuroguftatus Dfts. 
agnatus sed multo major. Alatus, piceus, sub- 
nitidus, alutaceus, elytris piceis obsolete striatis 
fascia longitudinali albidoflava interstias quar- 
tam quintamque continente, macula humerali 
albidoflava oblonga oblique retro directa, in 
ultima tertia parte fasciaque transversali albi- 
doflava ad suturam interrupta mutuo junctis 
ornatis. Capite prothoraceque aeneo-nitidis. 
subtilissime alutaceis, hoc latior quam longus 
(7:5), elytris oblongis in interstitiam tertiam 
impunctatus. Antennarum quatuor basales arti- 
culi nigri ceteri fusci, femora nigra, tibiae 
tarsique picei. Prothorace minus cordato angulis 
posticis vix designatis. Long 43/2 mM. Habitat 
insulam Lanzarote. Adhuc semel tantum lectus. 
By its relatively enorm size this species may 
at first sight be distinguished from all the other 
members of the same genus. It belongs to the 
same group (alati) as ob scuro guttatus Dfts. 
but apart from size the very clear pale yellow 
pattern on the elytra consisting of a longitudinal 
fascia reaching from the shoulder in an oblique 
direction, then occupiing the fourth and fifth 
interstices unto the last third part where it 
w^idens into a transverse fascia interrupted by 
the suture, and the obsoletely but quite visibly 
striated elytra will be enough to separate them. 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 



The prothorax is less clearly cordate, the 
posterior angles hardly indicated and the sides 
from there more gradually narrowed. Type in 
my collection. 

Meladcma coriaceum Lap. My supposition that the Cana- 
rian specimens of Meladema should be iden- 
tical with the Madeiran lanio F.* is, according 
to Mr. W. A. Balfour-Browne, erroneous. 
The Canarian species is coriaceum Lap. 

Laccobius regularis Rey. According to Mr. Balfour- 
Browne all the specimens of Laccobius men- 
tioned by me under the names : minutus L. 
and sinuatus Motsch. belong to regularis Rey.** 

Nargus anbei Jeann. The Gran Canarian Nargus which 

1 identified with pinicola Woll.,*** is accor- 
ding to Prof. Dr. R. Jeannel a separate species 
described by him under the name aubei. 

Phloeobium Boisd. ( = Metopsia Woll. ) cimicoides Woll. 

2 specimens sifted from detritus under laurels 
at Monte Aguirre Tenerife. An extremely rare 
and very remarkable species. 

Astenus megacephalus Woll. 4 specimens sifted in the 

same locality as the former. 

Staphylinus brachypterus Brulle is a common species in the 
Sylvan districts of Tenerife, it was collected at 
Monte de los Silos by Miss Longfield, on the 
Mte Aguirre by Mr. Klijnstra arid on the Mta 
Bermeja by myself. 

umbricola Woll, Of this species cited by 

Wollaston as "rarissimus", 1 specimen was col- 
lected by Miss Longfield at Monte de los Silos, 
1 on Mta Bermeja by Mr. Klynstra, 1 at las 
Mercedes by Mr. Klynstra and 4 on the Mte 
Aguirre by myself. 

Heterothops minutus Woll. Bernhauer identifies this species 
with dissimilis Grav. but I already expressed 
my doubt as to the correctness of this identifi- 
cation. I had this time a large material at my 
disposal collected by Prof. Dr. R. Jeannel and 
by myself and submitted this to the judgment 
of Mr. P. van der Wiel at Amsterdam. He 
writes me as follows : 

"All the Canarian specimens have their elytra 
longer than the pronotum, while in dissimilis 
the elytra are shorter than the pronotum. After 
this character the Canarian species might be 

*) Tijdschrift voor Entomoloaie T. 73. 1930. p. 216. 
**) loc. cit. p. 217. 
***) loc. cit. p. 217. 



82 



Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 



sericans Muls. & Rey., but I have no material 
for comparison. If it does not belong to that 
species it is certainly a separate species, 
distinguished from dissimilis Grav. by the 
following characters : 



dissimilis Grav. 
Head relatively less 
narrow. Antennae 
shorter and somewhat 
thicker. 

The pubescence at the 
sides of the abdomen 
less dense and shorter. 
Elytra shorter than 
pronotum" 



minutus Woll. 
Head narrower. An- 
tennae long and slen- 
der. 

The sides of the ab- 
domen with dense and 
tolerably long pubes- 
cense. Elytra longer 
than pronotum." 
Most of these characters are also mentioned in 
Wollaston's description. After my opinion 
minutus Woll. is a separate species, as Gangl- 
bauer mentions in his description of sericeus 
Muls & Rey : 

"Das Abdomen sehr fein und dicht punktiert, 
sehr fein und dicht, ziemlich kurz seidig pubes- 
cent, wenig glänzend" These characters are cer- 
tainly not appropriate to the canarian species. 
Philonthus nigritulus Grav. As this species has been split 
up by Joy and by Gridelli in several separate 
species, I submitted all my canarian material 
to the judgment of Mr. P. van der Wiel, who 
has made a special study of this group. He 
came to the conclusion that of 15 specimens 8 
belong to nigritulus Grav. sensu stricto [5 $ $ 
and 3 $ 2 ) 1 $ and 1 ? belong to an allied 
species or to a subspecies of nigritulus and 
2 $ $ and 3 ? ? to another allied species or 
to another subspecies. The habitat of none of 
these three forms is restricted to one single 
island. 

ccuentatus Gmel. Mr. Klynstra took on Mte 

Aguirre Tenerife one specimen in which the 
red spot on the elytra is wanting. 
Stenus guttula Müll, Mr. Klynstra took at Agua Mansa 

Tenerife 1 entirely melanistic specimen. Not 
only is the red spot on the elytra lacking, but 
the antennae and legs are also entirely black. 
Oligota inflata Mannh. 4 specimens collected in the 

garden of the hotel at Orotava Tenerife. In 
Transactions Ent. Soc. 1871 part II p. 294 this 
species is called, on the authority of Dr. Sharp 
O. parva Kr. Wollaston expresses his doubt 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A S.O. 



83 



as to the correctness of this determination and 
supposes the canarian specimens to belong to 
a separate species ; Bernhauer determinated my 
specimens from Gran Canaria as inflata Mannh. 
and my Teneriffan specimens are absolutely 
identical with those. 

Atheta zosterae Ths. I collected on Mte Aguirre Ten. 

1 specimen which is entirely black. My speci- 
mens from Gran Canada have light brown 
elytra and pronotum. 

Agathidium globulum Woll. Between the coleoptera, which 
Prof. Dr. R. Jeannel submitted to my judgment 
there are 3 specimens of this species from 
Vueltes de Taganana (zt 1000 Mr) Tenerife, 
who confirm my opinion that a mistake is to 
be found in Wollaston's description. As one 
of the characters, who distinguish globulum 
from marginatum St., Wollaston mentions that 
head and prothorax are alutaceous, but this is 
precisely the case with marginatum. All the ca- 
narian specimens I saw (also those in Wol- 
lastons collection) have no trace of an aluta- 
ceous sculpture on head and prothorax. On the 
contrary the elytra of the canarian species are 
evidently alutaceous in the Teneriffan speci- 
mens and hardly alutaceous in the specimens 
from Gran Canaria. 

Oophorus Eschz. algerinus Luc. 1 specimen from P. Are- 
cife Lanzarote. Compared by Mr. K. G. Blair 
with an african specimen in the collection of 
the British Museum. There is a slight difference 
in colour. In the canarian specimen the poste- 
rior angles and the base of the prothorax are 
brownish yellow, in the african specimen these 
parts are dark. New for the canarian fauna ! 

Drasterius bimaculatus Rossi. 2 specimens from P. Arecife 
Lanzarote. One of the numerous varietates co- 
loris. New for the canarian fauna ! 

Dryops gracilis Karsch. All the canarian specimens 

called by Wollaston : prolifericornis F. and by 
me : auriculatus Geoffr., belong to gracilis 
Karsch, according to Mr. H. Bollow (Ham- 
burg ) . 

Dermcstcs domesticus Germ. 1 specimen from Las Palmas, 
Gran Canada. This cosmopolitan species was 
not yet mentioned from the Canaries. 

Carpophilus dimidiatus F. and auropilosus Woll. are after 
my opinion $ and $ of the same species i.e. 
dimidiatus F. The ? (auropilosus Woll.) is 



Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 



more convex, of greater size and darker, with 
longer elytra, sides of the prothorax strictly 
parallel, only narrowed a little just before the 
anterior angles. Punctuation coarser. Pubes- 
cence very evident. Long ± 3 mM. 

Carpophilus sp. ? 1 specimen from rotten dates of Phoenix 
canadensis at Orotava Ten. Can not be identi- 
fied with any of the species known to me. Al- 
lied to hemipterus L, but smaller, narrower ; 
the yellow spot on the elytra occupies about 
^ of the length in such a way, that only the 
sidemargins, the suture and the last fourth 
part are dark, the anterior margin of the 
posterior dark part declines on each elytron 
versus the suture backwards. Punctuation as in 
mutilatus Er. 

— mutilatus Er. 19 specimens in rotten dates at 

Orotava. Ten. A most distinguished species by 
its strongly enlarged prothorax and the pro- 
longed third joint of the antennae. 

Leucohimatium elongatum Er. Two couples collected at Agua 
Mansa Ten. under the bark of a dead Pinus 
canariensis. These specimens are only a little 
above 23/2 ™^ ^" length, while Ganglbauer 
mentions as smallest measure 3 mM. I can not 
detect any other difference. 

Mnionomus ellipticus Woll, 2 specimens from Tenerife (one 
collected by myself and one by Mr. Appen- 
hagen on Mte Aguirre). In both specimens the 
subcostae on the elytra, mentioned by Wol- 
laston in a foot-note on p. 140 of his Coleoptera 
Atlantidum, are very evident. On the contrary 
this subcosta is entirely lacking in my specimens 
from Gran Canaria, who moreover are smaller 
and slenderer. In other collections I saw under 
the same name canarian specimens of Mnio- 
nomus, who in size, habitus and sculpture differ 
so strongly inter se and from the specimens in 
my collection, that I suspect that at least three 
different species are mixed up under the name 
ellipticus Woll. A large material is wanted to 
penetrate this problem. 

Ephistemus globulus Payk. 1 specimen in the garden of the 
hotel at Orotava, In using an enlargement of 
X 110 I clearly see that the continuation of 
the prosternum between the forecoxae is mar- 
gined like in (Ootypus) globosus Waltl. Ho- 
wever punctuation, size and colour are in 
perfect accordance with globulus Payk. 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 



85 



Holoparamecus singularis Beck. 1 $ collected at Puerto Are- 
cife. Lanzarote. New for the Canarian fauna ! 

Lathridius nodifer Westw. 2 specimens sifted on the Mte 
Aguirre Ten. They differ from the European 
specimens in my collection by the character 
that the membrane along the prothorax is evi- 
dently less curved inwards before the base. 

Litargus coloratus Rosh. ( = trifasciatus Woll. ) 3 spe- 

cimens in the garden of the hôtel at Orotava. 
It drew my attention that the antennae of these 
specimens are abundantly different (especi- 
ally the 5 last joints)* from those of the nu- 
merous specimens of connexus Fourcr. = bi- 
fasciatus F. in my collection. As in none of 
the systematic works at my disposal (not 
even in Ganglbauer) any mention is made 
about such a difference between the antennae 
of connexus and coloratus, I began to doubt 
the synonimy. It is likely that coloratus is a 




Fig. 1. Scetch of 5 last joints of antenna. 

I Litargus bifasciatus F. II Litargus trifasciatus Woll. 

Strongly enlarged. 

very rare insect, for I had the greatest trouble 
to get well determinated specimens with unda- 
maged antennae for comparison. At last I got 
one from the Museum at Amsterdam labelled : 
V. d. Hoop, Anvers. As coloratus is a mediter- 
ranean species, this specimen, when well deter- 
minated, was at all events imported. However 
as regards colour and sculpture it was in perfect 



*) See annexed drawing ! Note that the antennae of bifasciatus F. are 
cylindrical, those of trifasciatus Woll. flattened. 



86 Dr. D. L. UYTTENBOOGAART. CONTRIBUTIONS 

accordance with Ganglbauer's elaborate des- 
cription of colovatus and to my astonishment 
the antennae where exactly ahke those of my 
Canarian specimens, who also have the same 
sculpture and colour. However hesitating, for 
the possibility exists that the Amsterdam spe- 
cimen was imported from the Canaries. I am 
inclined to suppose, that such an evident dif- 
ference, strong enough to form a generic cha- 
racter, was overlooked by all the authors on 
this subject, if so, doubtless by neglecting the 
use of a powerful microscope, which is abso- 
lutely necessary for an exact study of insects. 

Tarphius canariensis Woll. nov. subsp. postcostatus dif- 

fert a forma typica nodis posticis in elytris 
costis mediocriter elongatis subiectis, ceteris 
nodis levioriter expositis. Monte de los Silos 
Tenerife. E. Appenhagen coll. 11 specimina. 
A local race distinguished from the type by a 
more or less strongly developed costa near the 
apex of each elytron instead of the ordinary 
nodus (hunch) on the same spot in the typical 
form, the remaining nodi are less developed 
than in the typical form, in some specimens 
more or less obsolete. As in the typical 
form the prothorax is extremely variabel and 
the local race has an extreme aberration paral- 
lel to erosus Woll. Types in my collection. 
Cotype in the collection of the British Museum. 

erosus Woll. I collected 4 specimens of this 

extreme aberration of canariensis Woll. on the 
Mte Aguirre Ten. The prothorax is strongly 
scooped out backwards and relatively broader 
than in the typical form. In two specimens the 
nodi (hunches) on the apical part of the elytra 
are somewhat elongated thus causing a super- 
ficial resemblance with the subsp. postcostatus 
mihi. 

— simplex Woll. Several specimens sifted from 

lichen and loose bark on Mte Aguirre (Cruz 
de A furo 1400 M.) Tenerife. A most variable 
species. In 16 specimens the costae on the apical 
part of the elytra are as well developed as in 
postcostatus mihi, but the remaining nodi and 
costae are evidently less developed, flattened 
and of a clear redbrown colour. Also the costae 
on the prothorax are less developed and the 
prothorax is less enlarged with less curved sides. 
In 4 specimens all the costae and nodi are badly 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 



87 



developed ; in three more the costae and nodi 
are obsolete and finally there are three speci- 
mens who are completely agreeing with Wol- 
laston's description. Mr. K. G. Blair wrote to 
me that in the series of the species in the col- 
lection of the British Museum the same varia- 
bility exists. Therefore Wollaston's description 
is incomplete and not apt to identify the species 
between its limits of variation. 

Tarphius caudatus Woll. 13 specimens collected on Mte 

Aguirre Tenerife, together with the former. 

Exochomus 4 pustulatus L. var. floralis Motsch. 1 specimen 
from Puerto Arecife Lanzarote. New for the 
canarian fauna ! 

Scymnus canariensis Woll. Very common in the last 
week of Sept. in nearly all the places visited 
in Gran Canaria, as well as in Tenerife, Gene- 
rally there are the following differences in co- 
lour between $ and ? : $ the entire head and 
broad side-margins of the prothorax yellow ; 
9 only the clypeus and the anterior edges of 
the prothorax yellow. 

opacus Mellié. 1 ? sifted on Mte Aguirre Te- 
nerife. This specimen is much darker and 
obtuser and with a more evident pubescence 
than the $ from Gran Canaria in my collection. 
barbifrons Woll. and ficicola Woll. In the col- 
lection mentioned from P. Arecife, I found one 
typical specimen of ficicola W^oll, in perfect 
agreement with the author's description. On 
careful re-examination of the material in my 
collection I came to the conclusion that part 
of my specimens perfectly agree with the des- 
cription of barbifrons, the remainder with that 
of ficicola, while some specimens show cha- 
racters between the two. On examining the 
sexes all the specimens of ficicola proved to be 
$ $ and all those of barbifrons ? ? , and as 
all my material was reared out of the same 
branch of Ficus carica, I suppose that the two 
species are in reality only the sexes of one 
species that ought to be called : barbifrons Woll. 
(Can, Cat. 1864) with the synonym: $ fici- 
cola Woll. (Col, Atl. 1865). 

Anobium velatum Woll. 2 specimens from P. Arecife 

Lanzarote. I consider this species as only an 
insular modification (race) of villosum Brulle. 

Piotes inconstans Woll. forma lancerotensis nov. var. 

differt a forma gamma Woll. pilis rigidis elon- 



Octotemnus 



Scobicia 



Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 



gatis in elytris sat dense obsitus. elytrorum 
costis basalibus magis apertis pilis rigidis den- 
sissime obsitis. 

Only one 9 of this well distinguished form 
was collected by Mr, E. Balaguer at P. Are- 
cife Lanzarote, it differs from Wollaston's var, 
gamma by the rigid elongated setae on the 
elytra and by the basal costae on the elytra 
being more evident and thickly beset with rigid 
setae. Single type in my collection. 

Mezium americanum Cast. 3 specimens at P. Arecife 

Lanzarote, all still adorned with rigid white 
setae at the base of the elytra. 

Dignomus gracilipes Woll. 1 specimen at P. Arecife Lan- 
zarote. 

Oxycarops [uscipes Brulle, and submetallica Woll. The dif- 
ference between these two species is so trifling 
that I suppose them to represent only individual 
aberrations of the same species. 6 specimens at 
P. Arecife Lanzarote agreeing for one half with 
[uscipes and for the other half with suhmetallica. 

Hegeter transversus Brulle. The status a Woll. very 

common on Montana Bermeja Tenerife. A most 
variable species. Some specimens are very dif- 
ficult to distinguish from tenuipunctatus Brulle, 
however the prothorax is always more obtuse 
with a nearly obsolete punctuation. 

tenuipunctatus Brulle was only collected at the 

Portillo (entrance to the Canadas) Tenerife 
(2500 M.) and not in the higher regions. 

lateralis Brulle, very common round the Refu- 
gio de Altavista (3000 M.) Tenerife, only 1 
specimen w"as found in company with the for- 
mer species at the Portillo. Although very va- 
riable like all Hegeter species, this one seems 
to me to be well defined in its general characters. 

Pseudotalpophila polita Heer. ab. malleata nov. ab. differt a 
forma typica elytris fortiter oblique corrugatis. 
3 spec. P, Arecife Lanzarote. The new aber- 
ration has a striking superficial resemblance 
with Hegeter impressus Brulle from Gran Ca- 
naria so that on first sight it might easily be 
mistaken for that species. Types in my collec- 
tion, cotype in the Museum of Natural History 
at Barcelona. 

Gnophota cribricollis Brulle and inaequalis Woll. I had 
a correspondence with Prof. A, Schuster (Vien- 
na) as to the respective characters of these 
species and we both came to the conclusion 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 89 

that very probably the extremes are local races 
in formation while between the limits of habitat 
the distinguishing characters merge into one 
another. A form which could be referred to the 
description of both species was very common 
at the Cruz de Tejeda Gran Canaria (1700 M.). 
Pimelia auviculata Woll. When visiting Gran Canaria 

in Sept. 1935 I found to my regret that the 
dunes between Las Palmas and the Puerto de 
la Luz are now fastly disappearing, only the 
most arid part is left. Nothwithstanding careful 
searching I could not find again Canariella 
arenapta mihi, neither Pimelia var. hybrida mihi, 
but I collected 4 typical P. auriculata. In re- 
examining the material in my collection I found 
that some specimens I collected in 1925 an'd 
1927 by their evidently corrugated elytra and 
by the development of the elytral costae have 
some affinity to granulicollis Woll. (This spe- 
cies was never re-discovered after Wollaston) 
1 specimen has even some granuli on the disk 
of the prothorax. I suspect all these forms to 
belong to one species, granulicollis Woll. and 
hybrida mihi being the two extreme limits of 
variation. 

ascendens Woll. is also a very variable species, 

as well in sculpture as in general habitus. Ha- 
ving now a large material at my disposal, I 
observed that the real alpine form (from de 
Canadas) is smaller and slenderer than the form 
that lives in the sylvan districts (f.i. Montana 
Bermeja ) . 

canariensis Brulle According to Wollaston 

(Can. Cat. p. 472) a note attached to the types 
states that this species was taken by Messrs. 
Webb and Berthelot on the summit of the Pico 
de Teyde itself. This statement is doubtless 
erroneous. Several entomologists have visited 
since 1836 the summit of the Peak, and in 
Sept. 1935 I belonged myself to a party of 20, 
who carefully investigated : partly the so called 
Pilon d'Azucar, being the ashcone crowning the 
enormous volcano, partly the range at the foot 
of the Pilon, without finding a trace of this 
remarkable Pimelia, on the Pilon itself not even 
a single insect was found. According to Dr. 
Cabrera P. canariensis lives' in the extreme south 
of Tenerife "near the coast" (Medano, Playa 
de Tefita, Playa de Galletas.). 



90 Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 

Melasma lineatum Brulle. Several specimens were col- 

lected by Mr. E. Balaguer near P. Arecife, 
Lanzarote. 

Phylax costatus Brulle, I collected several specimens 

of this alpine species at the Cruz de Tejeda 
Gran Canaria, it is confined to the highest 
regions of that single island. 

Gonocephalum oblitum Woll. This species cited by Wol- 
laston as an inhabitant only of the eastern is- 
lands, was detected by myself in Gran Canada 
(T. V. E. T. 73. 1930) and by Mr'. Appen- 
hagen in Tenerife. 

Phaleria ornata Woll. Between several specimens col- 

lected at P. Arecife Lanzarote, there is one 
aberrant specimen, much smaller than the limit 
mentioned by Wollaston, with only one small 
black spot on each elytron and with nearly ob- 
solete punctuation. I submitted this specimen 
to the judgment of Mr. K. G. Blair, who con- 
siders it as doubtless belonging to ornata Woll. 

Pseudostena [ossoria Woll. Several specimens collected at 
P. Arecife, Lanzarote. 

Hypophloeus pini Panz. 2 specimens under the bark of a dead 
Pinus canariensis (Agua mansa Ten.). On 
careful comparison with European specimens 
I doubt wether Wollaston's determination is 
correct. I see differences between the Canarian 
and the European specimens, but considering 
the variability of many Tenebrionidae, I don't 
feel justified to describe a new species. 

Cylindronotus (subgen. Nesotes All.) altivagans Woll. is not 
mentioned by Reitter in his "Bestimmungsta- 
belle" (Wiener Ent. Ztg. 1922 p. 158 etc.). 
With his dichotomic table one arrives at" gome- 
rensis Woll." Doubtless altivagans is nearly 
allied to gomerensis but its legs are shorter, it 
has a faint metallic lustre, the punctuation on 
the elytral interstices is finer and there is no 
trace of tuberculi near the apex of the elytra, 
as are evi'dent in gomerensis. I collected this 
species at the Portillo de las Canadas Tenerife. 

elliptipennis Woll. Both sexes collected on Mon- 
tana Bermeja Ten. The S is evidently slende- 
rer than the ? with the shoulders more drawn 
in, its antennae, especially the last joints, are 
longer and slenderer than those of the ? . My 
supposition in Tijdschr. v. Ent. T. 77 1934 p. 
164 that specimens with thick antennae should 
belong to another subgenus, was therefore er- 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 91 

roneoiis but I did'nt suspect that such an im- 
portant sexual difference should have escaped 
the attention of all former authors on this 
subject. 

Cylindronotus aterrimtts Woll. 'differs from nitens Woll. in 
being of greater size (belongs under 8" in 
Reitter's dichotomic table) by the fact that the 
obtuse posterior edges of the prothorax are 
somewhat scooped out and by the punctuation 
on the disk of the prothorax being finer and 
less dense, on the contrary the elytral inter- 
stices have a stronger punctuation, 

conformis Gemm. ( = congener Woll. ) collected 

by Miss Longfield in the Monte de los Silos 
and by Mr. Klynstra and myself on Monte 
Aguirre Tenerife. The sexual difference is the 
same as in elliptipennis Woll. It is a most va- 
riable species. More or less brilliant, sometimes 
obtuse, with a more or less evident punctuation 
on the elytral interstices and sometimes with 
traces of rows of small tuberculi near the elytral 
apex. Only in some specimens the flattened 
side-margin of the elytra is as broad as the 
last interstice, in one specimen even evidently 
narrower, this is therefore no general character 
as composed by Reitter. On the contrary the 
broad epipleurae of the elytra form a constant 
character. 

Aphodius hydrochoeris F. mentioned by Wollaston as 
universal and common in the Canaries has 
never been collected by myself, nor by any of 
my correspondents in those islands ; the most 
common Aphodius, I collected there, is : 

Wollastoni Har. which superficially greatly 

resembles the former species ; however, kno- 
wing Wollaston's exactness I may not suspect 
him of having confused both species. 

affinis Panz. ssp, d'Orbignyi Clouet 1 speci- 
men in Barranco de Silva, Gran Canaria 1927. 

sp. 1 closely related to Rendalli Woll. from the 

Cape Verde Islands by the deeply scooped 
out border of the clypeus. Two damaged spe- 
cimens in a cob-web on the Dunos near Las 
Palmas Gran Canaria. Another specimen clo- 
sely resembling these but without caput was 
among the collection of Mr. E. Balaguer, made 
near P. Arecife Lanzarote. 

Psammobius porcicollis 111. On the beach of the Bahia Con- 
fital Gran Canaria 1925 and 1927. 



92 



Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 



Diastictus tibialis F. ( = sabulosus Muls. ) in company 
with Canariella arenapta mihi in the Dunos 
near Las Palmas Gran Canaria 1927. 

Rhyssemus germanus L. 1 specimen at P. Cruz (Orotava) 
Ten. New to the canarian fauna ! 

Ootoma My collection possesses 15 specimens belon- 

ging to this genus. As M. de Peyerimhof is 
busy in writing a monografy of this remarkable 
genus I'll await his publication before enumera- 
ting the species. 

Oryctes ptolixus Woll. has become a very common 

insect in the Canaries since Wollaston's time, 
no doubt by the fact that the heaps of rubbish 
(composte) on the banana-plantations form an 
excellent breeding-place for the jlarvae. The 
adults were swarming at the end of September. 
All the females that came to my notice are, 
relatively to the males, evidently smaller than 
the females of grypus 111. and nasicornis L. 

Hesperophanes roridus Brulle. WoUaston mentions this insect 
in his Canarian Catalogue on the authority of 
Brulle (in Webb & Berthelot "Histoire naturelle 
des Iles Canaries") but says that he can give 
no information about it. In his "'Coleoptera 
Atlantidum " he even supposes that it was a 
mere accidental importation from some other 
country and that probably Brulle had regarded 
two distinct species as sexes of his Callidium 
roridum. However in this case M. Brulle was 
correct, H. roridus, being not only canarian 
but truly indigenous and showing indeed the 
curious difference between $ and 2 mentioned 
in Brullé"s description. Mr. Appenhagen who 
presented me with 5 $ $ and 7 5 ? obser- 
ved the larvae in the stems of the Rétama bianca 
{Spartocytisus supranubiis) in the Canadas 
of the Pico de Teyde, the adults swarm in the 
first two weeks of August, a period, during 
which the Canadas, because of the unsuppor- 
table heat, are seldom visited. The Museum 
at Madrid possesses also some specimens. 

Lepromoris gibba Brulle, from dead branches of Euphorbia 
canariensis. Isleta, Barranco de Silva Gr. 
Canaria. 1927. 

Stenidea albida Brulle, on Euphorbia regis jubae Isleta 

Gr. Can. 1927. 

annulicornis Brulle on flowers in the Barranco 

dAzuaje Gr. Can. 1927. 

Lema melanopa L. Gr. Can. 1925. 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 



93 



Cryptocephalus nitidicollis Woll. A very common insect on 
Achillea millefolium L. in at least the central 
and western parts of the archipelago. It is a 
most variable species as well in size, as in colour. 

Chrysomela obsoleta Brulle. Several specimens at las Mer- 
cedes and on Mte Aguirre Ten. Sept. 1935. 

fortunata Woll. 1 specimen in the Barranco 

d'Azuaje Gr. Can. 1927. New to the fauna of 
Gran Canaria ! 

gemina Brulle Mte Aguirre Ten. Appenhagen 

coll. 

sanguinolenta L. very common Ten. 1925, Gran 

Canaria 1925 at low and intermediate elevations. 

bicolor F. Las Palmas Gran Canaria 1927. 

Aphthona paivana Woll. Gran Canaria (St. Brigida) 

March 1925. 
Longitarsus kleiniiperda Woll. collected bij Mr. Seyrig at 
las Mercedes and in the Mte de los Silos Ten. 

isoplexidis Woll. ssp. persimilis Woll. Orotava 

Ten. 1925, collected by Mr. Seyrig in the 
-Monte de los Silos Ten. Sept. 1935. 

inconspicuus Woll. coll. by Mr. Seyrig at las 

Mercedes Ten. 

sp ? 1 specimen coll. by Mr. Seyrig in the 

Monte de los Silos Ten. problably nervosus 
Woll. at all events closely allied to that species. 

Chaetocncma sp ? Only one specimen of this beautiful 
Chaetocnema was collected by my wife in the 
Monte Gr, Can. 1925. It belongs probably to 
a still unknown species but it seems to me 
impossible to describe a member of the Halti- 
cidae on only one specimen. 

Psylliodes vehemens Woll. Orotava Ten. 1925, El Monte 
Gr. Can. 1925. 

hospes Woll. At the same time in the same 

localities. 

Hispa occator Brulle. Very common near Garrachico 

Ten, in April 1925 on Cistus at a rather low 
elevation, 1 specimen at Agua mansa Ten. in 
Sept. 1935 (2nd. generation?). There is a 
striking difference in colour between the sexes, 
the ground colour of the males being of a dark 
grey, that of the females red, the femora, the 
basal half of the tibiae and the clypeus are 
dark in the males and red in the females. Most 
of the couples were collected in copula. 

Laria rufimanus Boh. common in the region of el 

Monte Gr. Can. March and April 1925, Oro- 
tava Ten. 1925. 



94 Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 

pisorum L. coll. by Mr. E. Balaguer at P. Are- 

cife Lanzarote. 

Bruchidius lichenicola Woll. (= floricola Woll.) on the 
male flowers of Pinus canadensis San Mateo 
Gr. Can. 1927. 

teneriffae Gyll. common on the flowers of Spar- 

Hum and of Cytisus proliferus in el Monte Gr. 
Can. 1925, 1 specimen in Sept. 1935 on Mon- 
tana Bermeja. Ten., on Cytisus proliferus. 

Acanthoscelides obsoletus Say ( = obtectus Say) 1 specimen 
found by Mr. Seyrig in the garden of. the hotel 
at Orotava Ten. 

Aglycyderes setifer Westw. This curious insect forming with 
two species from New Zealand and one from 
New Caledonia the primitive Rhynchophorus 
family : 

Aglycideridae was found in dead branches of Euphorbia 
canariensis at Orotava Ten. in 1925 and reared 
in number from the same plant from the Isleta 
Gr. Can. in 1927. 




Fig. 2. Wing of Aglycyderes setifer Westw. 
after Bernet Kempers. 

Mr. Bernet Kempers investigated the wings of 
this species and describes them as follows : 
"2 à 23/^ times the length of the elytra, ner- 
vature very simple (see annexed sketch), very 
much resembling that of Platypus, my conclu- 
sion being that the Aglycyderidae are closely 
allied to the Platypidae and therefore also to 
the Scolytidae as far as the wings are con- 
cerned." 

Other characters point to the Anthribidae, but 
they possess also characters of the Colydiidae. 
Doubtless the Aglycyderidae are in many re- 
spects one of the oldest and most primitive 
families of the Coleoptera, but in some respects 
they are specialised in a particular 'direction. 

Auletobius cylindricollis Woll. on Rubus canariensis at las 
Mercedes Ten. Sept. 1935. 

convexifrons Woll. $ and ? collected by 

Mr. Seyrig at las Mercedes Ten. 

Apion fallax Woll. (ssp. of violaceum Kirby?) 1 spe- 

cimen at Orotava Ten. in 1925. 

tubiferum Gyll. at Orotava Ten. 1925. See my 

remark in Tijdschr. v. Ent. T. 77 1934 p. 165. 



TO THE KNOWLEDGE OE THE FAUNA, A.S.O. 95 

Apion spartocytisi A. G. K. Marsh. (Tijdschr. v. Ent. 

T. 71 1928 p. 115, T. 77, 1934 p. 165) coll. 
in numbers on a Papilionaçae called Rétama 
bianca by the inhabitants of Gr. Can. which 
led me to the conclusion that the scientific name 
was Spartocytisus supranubiis. Having now seen 
in profusion the Rétama bianca of the alpine 
region on Tenerife, I am convinced that the 
scrub on which I detected in Gran Canaria the 
A. spartocytisi is not the same as the Tenerifan 
Rétama however closely allied to it. This Apion 
is not confined to one Papilionaçae for I col- 
lected it in Sept. 1935 in the mountains above 
Teror Gr. Can. on Cytisus proliferus. 

sagittiferum Woll. a very common insect on 

the laurels in the central and western islands. 
Los Tilos Gr. Can. Oct. 1927 Monte de los 
Silos Ten. (Seyrig) Sept. 1935. This species may 
easily be distinguished from urticarium Hrbst. 
not only by the characters already mentioned 
by Wollaston but also by the elytra being more 
drawn out at the apex in sagittiferum, thus 
being sharper. In both species the difference 
between the sexes is the same, namely the male 
rostrum being evidently punctuated in rows 
and pubescent nearly until the apex, the poste- 
rior part near the forehead being obtuse by a 
fine granulation, the female rostrum longer and 
slenderer, polished and brilliant from the inser- 
tion of the antennae unto the apex, the poste- 
rior part most delicately punctuated in rows and 
pubescent, the anterior part without any trace 
of punctuation or pubescence. Moreover the 
female in its general habitus is somewhat shor- 
ter and broader than the male. The species is 
also distinguished by an evident metallic lustre 
under the squamose covering. 

urticarium Hrbst. ssp. atlanticum mihi (Soc. sc. 

Fennica Commentationes Biologicae VI 2. 1935 
Contributions Fauna Can. Isl. XVI p. 14) El 
Monte Gr. Can. April 1925. 

delicatulum Woll. (See my remarks loc. cit.). 

Los Tilos Gr. Can. Oct. 1927. 

diuerserostratum mihi (loc. cit, p. 13). In the 

collection of the Museum at Madrid I saw two 
specimens of this species which I could study 
at home at my leasure. Both were again 
males resp. from La Cuesta and from Igueste 
Ten. Apr. 1921 (de la Escalera !). In the first 
specimen the underside of the rostrum is pu- 



96 Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 

bescent, while the second agrees perfectly with 
the description. I suspect that diverserostratum 
is only an extreme aberration of the $ of 
delicatulum, however strange it may be that 
this aberration also should be of evidently 
greater size than the normal $ . 

Apion rotundipenne Woll. Very common on the lau- 

rels in the central and western islands. Oro- 
tava Ten. Apr. 1925, Las Mercedes Ten. 1935 
(Seyrig). El Monte Gr. Can. March 1925 and 
Los Tilos Gr. Can. Oct. 1927. It also lives on 
other plants for I found it in the Barranco de 
Silva Gr, Can. near the coast, where no laurels 
were to be seen. The rostrum of the S is 
straight and shorter than the slightly curved 
rostrum of the ? , the male antennae are in- 
serted exactly in the middle, those of the $ 
slightly backwards. There are specimens lac- 
king the purple metallic lustre that is characte- 
ristic to the species. 

umbrinum Woll. Los Dunos, El Monte Gr. 

Can. March and April 1925, Los Tilos, Barr. 
d'Azuaje Gr. Can. Oct. 1927, The female 
rostrum is longer than that of the $ , with 
a fine and dispersed punctuation and with a 
fine pubescence inserted in rows. The male 
rostrum is shorter and thicker with coarser 
and denser punctuation and densely covered 
with the same squamose setae as the remain- 
der of the surface. 

Laparocerus escalerai nov. spec. L. undato Woll, proxime 
agnatus sed stature minore, rostro elongato 
apertioriter striguloso-punctato canalicula mi- 
nus profunda instructa, fovea frontale latiore, 
fronte impresso, oculis magnis ovalibus con- 
vexioribus. Prothorace paulo angustiore, nitido 
polito parce punctato punctis subtilibus cras- 
sisque intermixtis. Elytrorum interstitiis an- 
gustioribus nitidioribus multo subtilioriter trans- 
verso corrigatis punctis subtilibus tenuibus per- 
paucis instructis, striarum punctis profundis 
confertisque sed minus crassis. Callo humerali 
obsoleto qua ex re humeris angustioribus, Tibiis 
anticis ad apicem etiam externo dilatatis (sub- 
genus Wollastonicerus mihi * ) in sexu mascu- 



In my Contributions XVIII (Pubi. d. Museo Ent. Pietro Rossi No. 1) 
I described this subgenus under the name Wollastonia, but this name 
having already been used by Heer (Coleoptera) in 1852 and by 
G. H. Horn in Pubi. Am. Phil. Soc. XIIIp. 433, the name of my 
subgenus has to be changed in Wollasfonicerus. 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 97 

lino interno magis excavatis. Elytris pilis al- 
bidis sat elongatis semi-erectis parce vestitis. 
Long. 11^ mM., 1 $ Monte de los Silos 
Tenerife V. 1921 Femina adhuc latet. Dominis 
M. M. et M. F. de la Escalera reverenter 
dedicatus. 

Habitus and sculpture of this single male 
specimen are so typically different from all the 
known species of Laparocerus that I feel justi- 
fied in describing it as a new species. On 
superficial inspection it resembles in some 
respects undatus Woll., but is already by its 
minor size different from that species, in other 
excavatus Woll. having most in common with 
the last named species, from which however 
it may easily be distinguished by the non- 
alutaceous prothorax and by its fine and dis- 
persed punctuation, by the obsolete humeral 
callus and by the remotely punctuated elytral 
interstices. The type has no trace of some 
squamose covering. Unique type in the collec- 
tion of the Museo de Ciencias Naturales at 
Madrid. 
Laparocerus bolwari nov. sp. L. angustulus niger, nitidus, 
sat dense squamoso-tessellatus pilisque elon- 
gatis pallidis suberectis obsitus ; rostro rufo- 
piceo concavo leviter canaliculato, fronte cum 
fovea distincta inter oculos ; capite leviter sed 
distincte punctato, oculis modice magnis rotun- 
datis prominentibus ; prothorace nitidiore 
angustulo convexo in lateris aequaliter rotun- 
dato, minute et parce aequaliter punctulato, 
basi leviter sed distincte marginato ; elytris 
elongato-ovalibus ad apicem acuminatis sub- 
tiliter sed profunde punctato-striatis, intersticiis 
minutissime subalutaceo-rugulosis punctis su- 
peradditis fere carentibus ; antennarum scapo 
curvato, funiculo brevi, articulo secundo primo 
vix longiore, art. 5, 6 et 7 breviter conifor- 
mibus ; antennis, tibiis tarsisque rufo-ferrugi- 
neis, femoribus piceis ; tibiis anticis ad apicem 
etiam exterioriter dilatatis (subg. Wollastoni- 
cerus, mihi) intus rectis. Long 6 — 7 mM. Tres 
specimina P. Icod IV 1921, Sanzal II 1921, 
Fuente f ria I 1921. 

The characters of this species are so well 
defined that it is hardly necessary to compare 
it with other species ; it superficially resembles 
vestitus Woll., when at least my presumption 



98 Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 

is right that one of the types is a 5 having a 
shorter funiculus and somewhat thicker rostrum 
than the remaining two, bolivari however is 
narrower and less transverse, its punctuation 
quite different, the big points, so evident in 
vestitus especially on the sides, entirely lacking; 
the elytral apex more drawn out, the elytra less 
coarsely striated, the interstices alutaceous and 
rugulose and nearly without punctuation ; the 
second joint of the funiculus scarcely longer 
than the first ; the anterior tibiae 'evidently 
dilated to the outside at the apex. Types in 
the collection of the Natural-History Museum 
at Madrid, cotype in my collection. Dedicated 
to Prof. Candido Bolivar, chief of the ento- 
mological departement of the Museum at 
Madrid. 
Laparocerus rugosicollis nov. sp. L. angustulus, niger, niti- 
dus, sat dense parum aequaliter cinereo-squa- 
mosus, pilis pallidis suberectis versus elytrorum 
apicem remote obsitus, rostro concavo leviter 
canaliculato versus frontem foveato, et capite 
subtiliter alutaceis, ilio dense tenuiter punctu- 
lato, eo subtilissime sat dense punctato punctis- 
que majoribus obsoletis parce irrorato ; oculis 
moderatis rotundatis valde prominentibus ; 
prothorace subcylindrico versus apicem fortio- 
riter quam versus basin coartato, densissime 
crasse subruguloso punctato, (punctis magnis 
profundisque) subcarinato, elytris elongato- 
ovalibus sat fortiter punctato-striatis, interstitiis 
fere levibus punctis superadditis carentibus, 
antennis gracilibus (funiculo art. 2, art 1 vix 
longiore) rufo-ferrugineis, pedibus nigris (tar- 
sis piceis), tibiis anticis rectis ad apicem modo 
intus ampliatis. Long. 8 mM. P. Icc/d, Tenerife, 
IV 1921. 

By the sculpture of the prothorax this unique 
specimen differs so much from all the other 
known Canarian Laparoceri that I feel justified 
to describe it as a new species ; the prothorax 
is very densely, coarsely and rugulosely punc- 
tuated, the punctures being great and deep, it 
has a fine but evident keel in the middle. No 
other of the Can. Laparoceri possesses such a 
roughly sculptured prothorax. The other cha- 
racters are enumerated in the latin description. 
Unique type in the collection of the Natural- 
History Museum at Madrid. 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 99 

Laparocerus mono Boh. After my opinion this species ought 
to be cancelled as belonging to the Canarian 
fauna ; it has never been collected again in 
any of the Canarian Islands since the Barao 
do Castello de Paiva communicated to Wolla- 
ston three specimens as Canarian and even 
if no mistake as to the exact habitat has 
taken place, I should consider those three as 
accidentally imported from Madeira. 

undatus Woll. The 9 is somewhat broader 

than the $ , the elytra somewhat pressed in 
along the suture near the base, the big punc- 
tures on the prothorax deeper and more evident, 
the suberected setae somewhat longer. In fresh 
specimens the elytra are adorned with remote, 
very long and slender (piliform) white metallic 
squamae, somewhat denser together versus the 
apex. 

squamosus Brulle. A most variable species as 

to size and sculpture. Also in the development 
of the callus humeralis there are rather strong 
individual differences, however the callus is 
always evidently less developed than in exca- 
vatus Woll. In the $ sex the rostrum is less 
strigulose than in the 5 . 

■ grosse-punctatus Woll. There has crept in a 

mistake in Wollaston's measurements of the 
species. I found for the length of the $ 6]/^ — 
7 mM., for that of the $ 8 mM. 

vestitus Woll. The $ is always evidently slen- 
derer than the 9 . A most variable species in 
size, habitus and sculpture. The typical form 
and the variation ß are found in the same loca- 
lities from the coast until 1000 M. 

obscurus Woll, Even more variable than the 

former and therefore most difficult to distin- 
guish. The suberect pubescence extends itself 
over the whole surface of the elytra and is 
sometimes longer and more rigid near the apex. 

The female is always of greater size and of 
more compact habitus than the male. I saw one 
$ with a fine brilliant carina on the prothorax. 

tessellatus Brulle. As variable as obscurus. I saw 

a couple, from Monte Silos Tenerife, with a 
much denser and coarser punctuation on the 
prothorax than in normal specimens. In one $ 
from Fuente fria, one ê from Laguneta alta 
and one 9 from Agua garcia, Tenerife, the 
big punctures on the prothorax are for the 



lÔO Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 

greater part confluent in such a way that only 
a few small intervals are left. In the $ sex the 
rostrum is always shorter, the prothorax less 
expanded and less rounded off at the sides 
(principally near the base) with right posterior 
angles (obtuse in the 9 ). 

Laparocerus tibialis Woll. The Î is always of greater size 
and relatively broader than the $ , the elytra 
parallel (more oval in 5 ). 

tetricus. Boh. The punctuation in the $ sex 

is finer and more remote. I saw one $ from 
Santa Cruz, Tenerife, with a punctuation of 
the elytra nearly as coarse as that of tibialis 
Woll. while a ? found in company with that 
$ has precisely evidently smaller punctures. 
However in both specimens the punctuation of 
the prothorax is finer and much more remote 
than in tibialis, principally on the disk. 

KEY TO THE DETERMINATION OF THE 
CANARIAN LAPAROCERL* 

1" Scape of the antennae abruptly clavated at its apex, 
the funiculus long and slender with more cylindrical 
joints. 

2" The anterior tibiae dilated at the apex as well to the 
outside as to the inside (subg. Wollastonicerus 
Uyttenb.). 

3" The humeral callus evident. 

4'" Surface scarceley with any trace of pubescence, length 
not exceeding 12 mM., anterior tibiae of S deeply 

scooped out at inside. Laurel zone of Tenerife 

excavatus Woll. 

4" Elytra with short, suberect, very dispersed hairs, out- 
line elliptic (being rather acute both before and be- 
hind) 12 — 15 mM. Sylvan zone of Tenerife 

undatus Woll. 

4' Surface with a dense, very short and fine decumbent 
pubescence, outline not elliptic. 12 mM. Sylvan Zone 
of Palma sculptus Brulle. 

3' The humeral callus obsolete or poorly developed. 

5" The elytra with at least traces of squamose covering. 

6" The antennal scape evidently curved, antennae and 
legs shorter, eyes small, round and very prominent, 
length not exceeding 7 mM. Alpine region of 
Tenerife scapularis Woll. 



^) The use of this key can only conduct to an exact determination when 
controlling the result with the elaborate descriptions by WoUaston 
and by myself. 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 101 

6' Antennal scape right, antennae and legs longer. 

7" Rostrum deeply canaliculated and punctuated. 

8" Elytral interstices scarcely punctuated. Rostrum short 
and thick. 

9" Caput convex, rostrum densely and coarsely punc- 
tuated, prothorax evidently punctuated with intermixed 
greater and smaller points, elytral interstices unpunc- 
tuated. $ narrower and more shining than $ with 
deeper striated elytra 8 — H/^ mM. Alpine region of 
Tenerife crassifrons Woll. 

9' Caput flat, rostrum with longitudinal strigulose punc- 
tuation, prothorax deeply and coarsely punctuated, 
intermixed with fine minute points, elytral interstices 
with some very small lightly impressed points. 8 — 9}/^ 
mM. Sylvan zone of Ten squamosus Brulle. 

8' Elytral interstices evidently punctuated, with dispersed 
deeply impressed big points, rostrum longer and slen- 
derer. 6)/^ — 8 mM. Sylvan zone of Tenerife 

grosse-punctatus Woll. 

7' Rostrum only lightly canaliculated and finely though 
distincly punctuated, elytral interstices subalutaceous 
rugulose but with scarcely any trace of punctuation. 
6 — 7 mM. Sylvan zone of Tenerife ... bolivari Uyttenb. 

5' The surface with no trace of squamose covering. 
10" Greater (length 11/^ mM.). Elytral interstices trans- 
versely wrinkled with only some fine and remote punc- 
tures, elytral stripes densely arid coarsely punctuated, 
prothorax only remotely punctuated, with very fine and 
somewhat bigger punctures intermixed. Monte de los 

Silos Tenerife escalerai Uyttenb. 

10' Smaller (8 — 9 mM.). Elytral interstices even with a 
more evident and denser punctuation, elytral stripes 
with more remote and finer punctures, prothorax more 
evenly punctuated with very fine but deep punctures, 
with only some indistinct trace of greater intermediate 

punctures. Ins. Hierro on high grassy plains 

aethiops Woll. 

2' The anterior tibiae only delated to the inside, the out- 
side seldom right, generally faintly curved inwards 
near the top. 
11" The 6th and 7th interstices on the elytra confluent ver- 
sus the shoulders and jointly erected and inflated, giving 
the impression as if the shoulders were folded, protho- 
rax conical, at the base very small in proportion to the 
broad base of the elytra. The whole surface with an 
extremely dense even grey and black tessellated squa- 
mose covering (subgen. Cyphoscelis Woll.) 7^ mM. 

Laurel-zone of Gran Canaria eliasenae Uyttenb. 

1 r The 6th and 7th interstices of the elytra separated 



102 Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 

unto the base, not erected nor inflated, the shoulders 
simple. The squamose clothing never covering the entire 
surface. (Laparocerus sensu str. ). 

12" The body without any trace of squamose covering, elytra 
with a sparse, extremely short decumbent pubescence 
and moreover with long, soft, erect hairs over the whole 
surface, the alternate interstices backwards and on the 
declivity with flat tubercles on which the short pubes- 
cence is dense. Surface very shining. 6J/2 ™M. Laurel 
zone of Gran Canaria doramasensis Uyttenb. 

12' The elytra at least with traces of squamose covering. 

13" The first and second joints of the antennae of about 
equal length. 

14" The surface at least somewhat shining. 

15" The punctuation on the prothorax double, consisting 
either of a fine punctuation intermixed with some big 
points or of a coarse punctuation, intermixed with a 
finer one. 

16" Even the disk of the elytra with long erect or suberect 
hairs. 

1 7" The alternate interstices on the elytra at least back- 
wards and sidewards with tubercles, adorned with squa- 
mose clothing. 

18" The intermixed fine punctuation on the prothorax ob- 
solete, elytra oblong. 9 mM. Mountains of Gran Ca- 
naria hirtus Woll. 

18' The intermixed fine punctuation on the prothorax evi- 
dent and dense, elytra broader, not much longer than 
large. 

19" The erect hairs remote and yellow, the elytral tubercles 
big and evident, alternate interstices backwards evi- 
dently undulated. 7 — 9 mM. Laurel zone of Tenerife 
inaequalis Woll. 

19' The erect hairs darker and softer, elytral tubercles 
smaller and less evident, interstices only obsoletely 

undulated. 9 mM. Palma. Laurel zone 

globulipennis Woll. 

1 7' The elytra without any trace of tubercles. 

20" The elytra with suberect hairs and coarse metallic and 
yellow tessellated squamose clothing. Rostrum evidently 
canaliculated. Prothorax with a fine rugose punctuation 
intermixed with greater shallow points. Elytra oblong. 
Ay2 — 5>4 mM. Gomera indutus Woll. 

20' The elytra with longer erect hairs and darker subme- 
tallic squamose clothing. Rostrum broader backwards 
with a deep fovea. Prothorax with a dispersed deep 
punctuation intermixed with very small points. Elytra 
longer, elliptical, with an acute apex. 10 mM. Moun- 
tains of Gomera inf latus Woll. 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 103 

16' The surface free from long erect hairs or these are 
only to be found near the elytral apex. 

21" Elytra elongated oval, habitus slender. 

22" Prothorax short, transverse, apex somewhat scooped 
out, with a dense level punctuation. Rostrum short and 
thick, not canaliculated. Deep fovea between the eyes. 
No trace of erect hairs. 8 mM. Mountains of Gran. 
Canada crassirostris Woll. 

22' Prothorax subcylindrical-conical, with a very dense 
coarse and rugose punctuation and with a fine longi- 
tudinal carina. Elytral apex with dispersed whitish hairs. 
Rostrum concave with a shallow canalicula, backwards 

with fovea, 8 mM. Pinar of Tenerife 

rugosicollis Uyttenb. 

21' Elytra enlarged convex, habitus short and compact, 
elytra sometimes with very short dispersed setulae, 
without any trace of erect hairs. lOj^ mM. Sylvan 
zone of Hierro occldentalis Woll. 

15' The punctuation on prothorax simple. 

23" Length not exceeding 43^2 mM. 

24" Elytra oblong with evident suberect hairs. 

25" Piceous, prothorax evidently rounded off backwards, 
with a shallow punctuation. 3^ — 4 mM. Mountains 
of Gran Canaria obsitus Woll. 

25' Black, prothorax great, suboval with a dense, deep 
and sharp punctuation. Anterior tibiae of $ evidently 
scooped out at inside. 43/2 mM. Intermediate zone of- 
Hierro puncticollis Woll. 

24' Elytra devoid of evident erect or suberect hairs. 

26" Subopake, rostrum slender with coarse rugose punctu- 
ation, prothorax with a very dense sharp rugose punc- 
tuation, elytra with shallow stripes, abruptly sloping 
down to apex. Antennae and legs short. In the $ sex 
the tibiae, principally the anterior, armed with a ho- 
rizontal spine. 3,3 — 3,8 mM. Sylvan zone of Tene- 
rife tenellus Woll. 

26' Shining, rostrum short flattened with a fine dispersed 
punctuation, prothorax with rather dense (non-rugose) 
punctuation, elytra with deep stripes, more gradually 
sloping down to the apex, sometimes with traces of 
dispersed erect hairs. Antennae and legs slender. 
3,8 — ^]/2 mM. Sylvan zones of Tenerife, Palma and 
Hierro tessellatus Brulle. 

23' Length at least 6}4 «iM. 

27" Rostrum narrow and long, eyes small and flat. Habitus 
short, broad, elytra triangular, with broad shoulders 
gradually narrowed unto apex, with dispersed robust 
long and suberect hairs. 6}^ — 7 mM. Sylvan zone of 
Tenerife obtriangularis Woll. 



104 Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 

27' Rostrum thick, eyes big and prominent, Habitus, espe- 
cially of $ , slender, elytra elliptical ovate, shoulders 
narrow, greatest breadth behind the shoulders, base 
triple sinuated, stripes shallow, alternate interstices 
evidently tessellated, with long soft suberect hairs 
versus apex. 83/2 — ^ ^ mM. High Sylvan zone of Tene- 
rife and Palma ellipticus Woll. 

14' Surface opake or subopake, (compare also 26"). 

28"" Elytra without any trace of erect hairs, sometimes with 
a microscopic short pubescence, squamose clothing in- 
distinct, habitus compact, elytra parallel-oblong, jointly 
emarginated at base, interstices very densely and finally 
rugose-alutaceous, eyes small and flat, prothorax sub- 
conical with a fine dispersed punctuation intermixed 
with a dense and minute shallow punctuation. First and 
second joint of funiculus elongated conical. 53/2 mM. 
Sylvan zone of Gran Canaria sulcirostris Woll. 

28"' Elytra with short but evident erect hairs, somewhat less 
opake, squamose clothing distinct, habitus still more 
compact, elytra truncated at base with less rugose in- 
terstices, eyes still smaller, prothorax with an even 
denser and deeper punctuation. Tarsi evidently narro- 
wer and shorter. First and second joint of funiculus 
shorter conical. 3,8 — 4 3^ mM. Sylvan zone of Gran 
Canada compactus Woll. 

28" a. Elytra with long, soft, erect hairs and with a dense 
submetallic tessellated squamose clothing. Prothorax 
rounded off at the sides, punctuation on disk shallow, 
on the sides deeper, intermixed with a dense minute 
punctuation and with an obsolete carina. Elytra oblong- 
oval with normal stripes. 10 mM. Sylvan zone of Tene- 
rife, Palma and Hierro lepidopterus Woll. 

b. Less opake with shorter hairs on elytra, prothorax 
with a somewhat less deep punctuation. 83/2 — 9 mM. 
Gran Canaria var ß Woll. 

28' Only elytral apex with tolerably long dispersed erect 
hairs. Squamose covering less dense, cinereo-metallic ; 
prothorax with a fine, tolerably dense punctuation in- 
termixed on the disk with some deep bigger points and 
with an evident carina principally backwards and a 
margined base. Elytral stripes with abnormally big points 
%l/^- — 9 mM. Las Palmas Gran Canaria, seniculus Woll. 

13' The second joint of the funiculus conspicuously lon- 
ger than the first. 

29" The elytra without any trace of longer erect or sub- 
erect hairs. 

30" The elytra with very short suberect setulae at least 
near apex. 

31" The second joint of the funiculus at least twice as long 
as the first. 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 105 

32" Surface opake. 

33" Elytra finely and rugosely alutaceous, at base triple 
sinuated, shortly oval with suberect setulae over the 
whole surface. Habitus compact. Prothorax sub- 
convex, with a rather sparse very fine and shallow 

punctuation. 6 — 7 mM. Sylvan zone of Tenerife 

obscurus Woll. 

33' Elytra even, truncated at base, habitus long and slen- 
der. Prothorax long with a deep punctuation intermixed 
with a minute dense and sharp punctuation. 8}^ — 9 mM. 
Mountains of Gomera subopactts Woll. 

32' Surface shining, elytra with short fairly coarse suberect 
hairs near apex ; habitus slender. Prothorax subcylindri- 
cal with an even dispersed deep punctuation. 6 mM. 
Tenerife debilis Woll. 

31' The second joint of the funiculus only I3/2 times as 
long as the first, shining, whole surface of the elytra 
with short suberect setulae. Rostrum concave, canalicu- 
lated, with a fine dispersed punctuation, eyes round and 
prominent. Prothorax with a dispersed deep punctuation 
intermixed with a very fine shallow punctuation. 63/2 — 
7}/2 mM. Mountains of Hiervo mendicus Woll. 

30' The elytra without even setulae. 

34" Antennae, especially in the male sex short and robust, 
scapus less abruptly clavated. Habitus ? compact, 
greater, with a distinct minute intermediate punctuation 
on prothorax, $ slenderer and smaller with only an 
obsolete minute intermediate punctuation on prothorax ; 
shining, rostrum cylindrical, somewhat flattened on 
surface, obsoletely canaliculated with a fine punctuation. 
Principal punctuation of prothorax very remote, but 
deep. Squamose clothing cinereous, dispersed. 4]/2 — 
5 mM. Lanzarote, near the coast dispat Woll. 

34' Antennae slender, scapus abruptly clavated. Habitus 
slenderer. 

35" Anterior tibiae deeply scooped out at inside, elytra 
elliptical, elongated. 53^ — 6 mM. Gomera near the 
coast $ gracilis Woll. 

35' a. Anterior tibiae right. Elytra oval, shorter, alternate 
interstices evidently tessellated. In male sex more 
shining with the inside of the tibiae horizontally unci- 
nated and that of the anterior tibiae finely crenulated. 
7,3 — 93/2 rriM. Mountains of Lanzarote ... rasus Woll. 
b. Elytra with deeper stripes, legs darker. Mountains 
of Fuerteventura var. ß Woll. 

29' Elytra with long erect or suberect hairs at least near 
apex. Anterior tibiae right. 

36" Only apex of elytra with a few remote suberect hairs. 
Elytral stripes shallow. Narrower 63^ — 72/3 mM. 



106 Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 

Gometa mar the coast 9 gracilis Woll. 

36' a. The whole surface of the elytra with long, soft, erect 
hairs. Elytral stripes deep. More compact. Elytral 
interstices with a very dense but shallow punctuation 
intermixed with a few bigger points. Prothorax with a 
very fine and dense punctuation intermixed, principally 
at the sides, with a few bigger points. 52/3 — 62/3 mM. 

Coast zone of Tenerife vestitus Woll. 

b. Somewhat more convex with elytral stripes less deep 

but interstices more evidently punctuated 

var. affinis Woll, 

1' The scape of the antennae more equally enlarged to 
the apex, the funiculus shorter and thicker, the joints 
more obconical. 

37" Small (not exceeding 62/3 mM.), scrobe (groove) of 
antennae very deep, short, earshaped, directed upwards 
above the upper margin of the eyes, eyes small, conical, 
very prominently directed backwards. The ? with a 
thick high longitudinal carina on the prothorax, greater 
and broader, with thicker rostrum and less coarse more 
equally punctuated prothorax, with subtriangular elytra 
adorned with long hairs ; the $ with none or obsolete 
carina, smaller and slenderer, with slender rostrum and 
coarsely and rugosely punctuated prothorax, with ellip- 
tic elytra adorned with shorter hairs, (subg. Amphora 
Woll.) Alpine region of Tenerife ... canariensis Chevr. 

37' Greater (exceeding 7 mM.) scrobe backwards evident- 
ly dilated, eyes moderately prominent not directed 
backwards. No evident sexual difference in habitus, 
only the legs somewhat different according to sex. 
(subg. Canopus Woll.). 

38" Elytra opake with a dispersed and minute submetallic 
squamose tessellated clothing. The exterior elytral in- 
terstices somewhat elevated near apex. Prothorax with 
a deep and dense rugose punctuation. 1 1 mM. Gran 
Canaria subnebulosus Woll. 

38' Elytra shining without any trace of squamose clothing. 
Elytral interstices even. 

39" Elytra with a fine pubescence and moreover with long 
erect hairs. No external difference between $ and $ 
Habitus narrow, subcylindrical. 7 — 10 mM. Gran Ca- 
naria coastal and intermediate zone {angustulus Woll.) 
grayanus Woll. 

39' Elytra without any trace of long erect hairs. Posterior 
tibiae different according to sex. Habitus broader, less 
convex. 

40" Elytra jointly emarginated at base with an extremely 
fine and short (microscopic) pubescence, prothorax 
deeply and densely punctuated, scutellum extremely 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 107 

small, elytra deeply striated with big quadrate points. 
S somewhat narrower with the posterior tibiae at the 
inside before apex abruptly somewhat enlarged. 8.8-11 

mM. Coastal zone of Tenerife and Palma 

tibialis Woll. 

40' Elytra about rightly truncated at base, about glabrous, 
prothorax more convex, on the disk less deeply and 
less 'densely punctuated (the points smaller, nearly 
obsolete) scutellum more evident, the points of the 
elytral stripes smaller, $ somewhat narrower, with the 
posterior tibiae at the inside, before the rather enlarged 
apex, somewhat scooped out. 8.8-10 mM. Coastal zone 
of Tenerife tetricus Boh. 



Lichenophagus subnodosus Woll. Extremely common on Mte 
Aguirre, Cruz de Afuro in the lichen on the 
bark of the laurels. The species is most variable 
as well concerning sculpture as colour. The 
males are somewhat narrower than the females. 

impressicollis Woll. Only one male in the same 

locality. Easily to distinguish from the former 
by the form and sculpture of the prothorax and 
by the evidently longer setae. 

Brachyderes sculpturatus Woll. From Mr. Appenhagen I 
got 23 $ $ and 18 ? ? from Pinar de la 
Esperanza, Tenerife. I am now quite certain 
that the red specimens are immature. 

Sitona ocellatus Kust. I posses one specimen from 

Tenerife coming from Dr. Melichar's collection. 
As far as I know this species was not yet 
recorded from the Canaries. 

Strophomorphus canariensis nov. sp. a ceteris speciebus ge- 
neris facile distinguendus per pubescentiam fere 
deficientem, modo in partem elytrorum posterio- 
rem setulae erectae breves squamiformes in 
seriebus aequalibus parce interstitiis subpositae 
présentes ; squamis orbiculatis subfuscis aliquid 
aenescentibus irregulariter albidis permixtis 
dense tectus. Antennae valde elongatae graciles 
ut in specie ventricosus Chevr. formatae, sea- 
pus elongate claviformis modo breviter prostrate 
aliquo squamiforme pubescens ; funiculus clava- 
que cum setis elongatis erectis et cum pubes- 
centia brevi prostrata sericea. Funiculi articulus 
secundus l^/g primo longior. Rostrum breve 
quadratum, transverse Impressum in fundo im- 
pressionis subtili canalicula instructum usque 
ad verticem elongata et ibi in foveae speciem 



Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 

dissipata. Oculi obtuse coniformes retro directi 
(ut in specie subciliatus Reitt.) Prothorax, mo- 
dice tenuiter densissime punctulatus, fere aequa 
longitudine quam in medio latus (^/lo) apud 
basem lattissimus, ab angulis anticis ad eum 
locum lateribus tenuiter incurvis, ab eo loco 
ad basem aliquid coartatis angulis posticis 
rectis, basi derecta tenuiter marginata, in medio 
tenui canalicula versus apicem et versus basem 
obsoleta instructus. 

Elytrorum linea basalis ad scutellum incon- 
spicuum leviter incurvata ; elytra basi arte la- 
tiore quam prothoracem, humeris deficientibus, 
latissima prope medium stern, prim., ad apicem 
valde coartata acuminata, profunde punctato- 
striata punctis modice magnis conferte compo- 
sitis, interstitiis planis, prima, secunda tertiaque 
ad apicem setulis squamiformibus confertioriter 
ornatis ; subtus conferte squamosus squamis 
cano-albidis aliquid aenescentibus, orbiculatis 
in prosterno, metasterno, ventri ac mesothoracis 
episternis, oblongis in mesosterno ac sub capite. 
Niger, tibiis tarsisque piceis, antennis fuscis. 
Long. 8 mM., lat. max 33^4 mM. spec. unie. 
IX 1935. Bosque de las Mercedes Tenerife sub 
Rubo canariensi. 

The first of the genus detected in the Ca- 
naries. Distinguished from all other members 
of the genus by the lack of a real pubescence 
on the surface, only the declivity of the elytra 
being provided with short erect squamiform 
setulae, remotely instructed in regular rows on 
the interstices. The whole body densely clothed 
with round brownish somewhat metallic squa- 
mae irregularly intermixed with white squamae 
forming hither and thither indistinct spots. An- 
tennae evidently long and slender as in Str. 
ventricosus Chevr. Scape in form of an elonga- 
ted club with a short decumbent pubescence 
consisting of somewhat squamiform setulae. 
Funiculus and clava with a double pubescence 
consisting of very short sericeous decumbent and 
of long erect hairs, the second joint of the funi- 
culus nearly l-j^ times as long as the first. 
Rostrum short, quadrate, largely concave with 
a fine canalicula continuous until the vertex 
where it enlarges itself into the shape of a 
fovea. Eyes obtusely coneshaped directed back- 
wards as in Str. subciliatus Reitt. The prothorax 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 109 

with a tolerably fine and very dense punctuation, 
about as long as large in the middle (^/lo), 
shortly before the base largest, the sides from 
the anterior edges unto this point extremely 
faintly rounded, from this point to the right 
posterior edges somewhat narrowed, base trun- 
cated finely margined, apex truncated, the disk 
with a very fine longitudinal canalicula obso- 
lete near apex and base. Base of the elytra 
versus the inconspicuous scutellum somewhat 
scooped out, hardly larger than base of pro- 
thorax, without shoulders. Elytra broadest off 
the middle of the first sternite, from that point 
backwards strongly narrowed with accuminated 
apex, with evident deep stripes, consisting of 
rather big punctures densely together, intersti- 
ces flat, the first, second and third near the 
apex more densely adorned with suberect 
squamose setulae ; on the whole body the 
punctuation is conspicuous notwithstanding the 
dense squamose clothing. Entirely black with 
piceous tibiae and tarsi and brown antennae. 
Unique type in my collection. 
Hcrpisticus oculatus Woll. 3 specimens collected by Mr. 
E. Balaguer near P. Arecife Lanzarote. Wol- 
laston mentions as one of the principal charac- 
ters of this species that the second joint of the 
funiculus is evidently longer than the first ; 
how'ever this is incorrect, as all the specimens 
mentioned have the two first joints of about 
equal length. For all certainty I asked Mr. K. G. 
Blair to compare my observation with the 
types in Wollaston's collection and he wrote me 
that the first type has the second joint only 
slightly longer than the first ; he was so kind 
as to send me the second type for inspection 
and this has the second joint about equal to the 
first. Nothwithstanding, the species is easily 
to be distinguished from eremita Ol. 1st. by 
the somewhat more expanded elytra ; 2nd. by 
the smaller, rounder and much more prominent 
eyes, 3rd. bij an evident longitudinal canalicula 
on the prothorax (if sometimes a seeming cana- 
licula is to be seen in eremita, one will find on 
closer examination that it consists of some con- 
fluent ruggedness of the same sort as always 
exists at the sides of the prothorax) an'd by its 
more even surface. 4th. by the longer legs, 5th. 
by the short rigid hair. Moreover the antennae 



HO Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 

are always shorter and slenderer and the grea- 
test specimens of oculatus are even minor in 
size than the smallest of eremita known to me. 

■ eremita Ol. There exist considerable individual 

differences, so great that one might be inclined 
to separate them as belonging to different spe- 
cies. The large series, I posses, shows clear- 
ly the fact that these differences merge into 
one another. Most curious is the difference in 
size, my smallest specimen measuring 11 mM. 
1. 4 mM. br. and the largest 20 mM.i. 9 mM. 
br. The elytra of the 5 are always more 
expanded than those of the S . Melanara May 
1925, Barranco d'Azuaje, Isleta, Santa Brigida, 
Lagunetas, Oct. 1927, Cruz de Tejeda Sept. 
1935 Gran Canada, Pinar de la Esperanza 
(Appenhagen) Agua Mansa Sept. 1935 Tene- 
rife; Gomera (W. May) 

Microlarinus eliasenae A. G. K. Marsh. * Rather common 
on Zygophyllum fontanesi. Bahia de Gando. 
Gran Canada Oct. 1927. 

Coniocleonus excoriatus Gyll. Las Palmas Febr. 1925, Bar- 
ranco de Silva Oct. 1927 Gran Canaria, P. 
Arecife Lanzarote. 

Conorhynchus {T emmorhinus) conicirostris Ol. ssp. Jekeli 
Woll. Faust ** considers these as synonims but 
I conceive Jekeli as an insular subspecies dif- 
fering constantly from conicirostris by minor 
size, slenderer habitus and by the tessellated 
2nd. interstice. Very common near the coast 
(Melanara) Gran Canada May 1925. P. Are- 
cife Lanzarote. 

Lixus. algirus L. Pinar de la Esperanza Tenerife (Ap- 

penhagen) not mentioned by Wollaston from 
the Canaries, only from Madeira. 

Amaurorhinus clermonti Desbr. From this species, originally 
discovered in a winecask washed up against 
the shore near Arcachon (France) I got from 
M. Clermont a specimen collected by M. Ch. 
Alluaud in Gran Canaria in 1890. 

Mesites persimilis Woll. ab. gomerensis nov. ab. differt 

a forma typica elytrorum interstitiis latiodbus 
fortiter oblique corrugatis, levioriter punctula- 
tis ; prothorace levioriter dispersioriterque punc- 
tulato, fovea frontali profundiore. Bosque del 
Cedro, Gomera IV 1935. Bolivar et Bonnet coll. 



Tijdschr. voor Entomologie T. 71. 1928 p. IH. 
Deutsche Ent. Zeitschr. 1904 p. 218. 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. HI 

I saw a large material of Mesites persimilis 
Woll. collected by Prof. C. Bolivar y Pieltain 
and Mr. Bonnet in the island of Gomera at a 
height of 900 — 1100 M. and by the kindness 
of Prof. Bolivar I got 8 specimens for my col- 
lection, from these only one specimen answers 
in all respects to Wollaston's elaborate des- 
cription (as is the case with those in his col- 
lection and with my unique Tenerifan speci- 
men), all the others are more or less aberrant 
as to sculpture. The extreme form of this aber- 
ration (present in 4 specimens) is so strikingly 
different that one might be inclined to consider 
it as a separate species and therefore, to avoid 
confusion, I have given it a name. Types in 
my collection. 

fusiformis Woll. very common in dried up stalks 

of Euphorbia canariensis near Orotava, Tene- 
rife, also many specimens in dried up stalks 
of Euphorbia regis jubae in the Barranco 
d'Azuaje Gran Canaria, one specimen sifted 
from rubbish under the laurels at Los Tilos 
Gran Canaria (most curious as this locality is 
above the Euphorbia-zone), one specimen at 
Tafira Gran Canaria, and one from the Dunos 
near Las Palmas Gran Canaria. All the Gran 
Canarian specimens differ from the Tenerifan 
by a coarser and denser punctuation of the 
prothorax, while the depression before the scu- 
tellum is less deep and the punctuation in it 
less dense, the elytral stripes are finer and 
their punctuation less coarse, the interstices 
being therefore broader, perfectly plane, (in the 
Tenerifan specimens somewhat convex). I was 
inclined to consider the Gran-Canarian speci- 
mens as belonging to an insular race and to 
describe it as var. jubae, when I got for in- 
spection two Tenerifan specimens from the 
British Museum collected by Mr. Appenhagen 
exactly like the Gran Canarian and later on 
4 Gran Canarian specimens from the Museo 
Pietro Rossi exactly like my Tenerifan, so there 
might only be made mention of an ab. jubae, 
perhaps originated by difference in food. 

Phloeophagia lauri Uyttenb. described as Codiosoma lauri 
in Tijdschr. v. Ent. T. 72 1929 p. 351, according 
to Winkler's catalogue the name of the genus 
has to be changed. Collected in the laurel grove 
of Los Tilos Gran Canaria by myself and on 



112 Dr. D. L. UYTTENBOOGÀART, CONTRIBUTIONS 

Mte Aguirre Tenerife by Mr. Appenhagen. 
See drawing of $ penis and of spiculum 
gastrale. 




Fig. 3. Phloeophagia lauri Uyttenb. a. penis superne visus, 
b. penis subter visus, c. spiculum gastrale, Hnl. X 100. 

Eremotes crassicornis Brulle 2 specimens from a dead 

Pinus canadensis at Agua mansa Tenerife Sept. 
1935. 

Rhyncolus laurineus Woll, very common in dried up stalks 




Fig. 4. Rhyncolus 'laurineus Woll. 
penis superne visus, b. penis subter visus, 
e. spiculum gastrale. Eni. X 100. 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 



113 



of Euphorbia canariensis near Orotava Tene- 
rife in April 1925. I have never collected this 
species myself on the laurels but if in fact a 
Rhyncolus lives on the laurels I am certain 
that it can not be the same species as that from 
Euphorbia, even if the external appearance is 
the same. Not knowing which of the numerous 
specimens in Wollaston's collection are origi- 
nary from laurels, it seemed to me a bootless 
affair to find a difference by extirpation of 
genitalia, even if permission to do so should 
have been granted to me. However from my 
own material I have drawn the penis, also to 
compare it with the same organ of the next 
species being : 

piceus Woll. collected in number from a dead 
branch of Ficus carica in the Barranco d'Azuaje 
Oct. 1927. In studying the male genitalia of 





Smicronyx 



Fig. 5. Rhyncolus piceus Woll. pennis seen from both 
sides and spiculum gastrale. Eni. XI 00 

these two Rhyncoli and of Phloeophagia lauri 
I experienced the difficulty of getting these 
organs in a perfect plane under the microscope 
but at the same time I discovered that a small 
part of the genitalia namely the spiculum 
gastrale, which by its extreme minuteness does 
not offer any difficulty as to get it plane in the 
preparation, is so strikingly different in the 
three species that no confusion is possible. 
albosquamosus Woll. Santa Brigida Gran Ca- 



IH Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 

naria Oct. 1927, Las Mercedes Tenerife Sept. 
1935. 
Neoplinthus cucullus WoU. 3 ? ? specimens in the chestnut- 
wood of Osorio and one $ at Los Tilos Gran 
Canaria Oct. 1927. As Wollaston's description 
is very incomplete, I am giving a more elabo- 
rate one : 

Rostrum rather long, more than twice as long 
as the head including the eyes is broad, the 
antennal groove, reaching the eyes, smooth and 
brilliant but alutaceous by a peculiar extremely 
fine strigulose sculpture. Eyes elongated oval 
rather plane with coarse facets, the greatest 
dimension directed downwards ; the forehead 
evidently concave ; base of rostrum enlarged, 
behind the enlargement with an evident im- 
pression on the surface on either side, the 
rostrum with 7 longitudinal carinae ; the an- 
terior margin of the prothorax below and aside 
with rather long fine setae becoming shorter 
nearer the upperside ; prothorax transverse with 
rounded off apex evidently protruding and the 
impression on either side of the carina shallow 
but levenly enlarged with very great round 
punctures rather densely together. Base of the 
elytra hardly broader than base of prothorax, 
the elytra without shoulders gradually enlarged 
until the middle, than gradually narrowed, with 
an evident rather deep transverse-impression 
on either side before the apex jointly rounded 
off. The 3rd, 5th and 7th interstices evidently 
raised, the punctures of the stripes rather re- 
mote, big and round. Densely squamose with 
round pitchbrown squamae. On the prothorax 
a transverse fascia consisting of light-brown 
squamae obliquely directed from the hindangles 
forward to the middle of the disk, on the elytra 
on the 5th interstice white squamae from the 
shoulder unto one fourth of the length, behind 
on the fourth interstice a white spot, on the 
declivity near the apex a broad interrupted 
white fascia just before the impressions and a 
white spot on the third interstice just before 
the apex. Femora with robust teeth. The last 
sternites whitely squamose with dark spots in 
the middle and sidewards except on the last- 
one. The whole surface with short decumbent 
claviform setulae. The male is smaller and slen- 
derer than the female with the alternate elytral 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 115 

interstices less evidently raised and without 
white spots or fasciae, the squamose covering 
more reddish especially on the underside, the 
impressions near the elytral apex deeper. 
Neoplinthus musicus Woll. Fuente fria Tenerife (Appen- 
hagen). 

velutinus Woll. Mte Aguirre. Mta. Bermeja 

Ten. Sept. 1935. 

Alophus magnificus Woll. 3 specimens Pinar de la Es- 

peranza Tenerife ( Appenhagen). 

Phytonomus [asciculatus Hrbst. (= lunatus Woll.) Bar- 
ranco de Silva Gr. Canaria Oct. 1927. 

Echinodcra * angulipennis Woll. common under the bark of 
centuries-old laurels at Los Tilos Gran Canaria 
Oct. 1927. 

compacta Woll. with the former but rare. 

, crenata Woll. 6 specimens sifte'd from loose 

bark and lichen on Mte Aguirre Tenerife Sept. 
1935. 

orbiculata Woll. 5 specimens with the former. 

Acalles * brevitarsis Woll. Santa Brigida March 1925, 

Los Tilos Oct. 1927 Gran Canaria. 

instabilis Woll. Monte de los Silos Tenerife 

Sept. 1935 (Miss Longfield). 

seticollis Woll. Santa Brigida March and April 

1925 and Oct. 1927 Gr. Canaria common on 
a Spartium sp. 

Ceutorrhynchus quadridens Panz. Santa Brigida Gr. Cana- 
ria Apr. 1925. 

Cionus variegatus Brulle. I saw a large series of this 

insect in the Museum at Madrid under the name 
Mononyx variegatus Brulle but I came to the 
conclusion that it has nothing in common with 
the genus Mononychus Germ, (which no doubt 
was meant by M. Brulle) but is a real Cionus 
sensu str. Sir Guy A. K. Marshall confirmed 
my opinion and told me that the same insect 
had been 'described very correctly as Cionus 
luctuosus by Boheman. Unhappily the law of 
nomenclature compels us to call the species 
variegatus Brulle as a recompense for that 
gentleman's unfathomable superficialness pro- 
ved inter alia by the fact that the beautiful 
coloured drawing of that insect in Webb & 
Berthelot shows us a weevil with two claws 
on either tarsus ! 



In Winkler's Catalogus the genera Acalles and Echinodera have 
been exchanged for one another as far as the Canarian and Madeiran 
species are concerned. 



116 Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 



Afterwards I got for my collection 1 speci- 
men from Mte Aguirre Tenerife (Appenhagen) 
and, by the kindness of Dr. F. Zumpt, Ham- 
burg, 2 specimens from Tenerife. I saw myself 
the feeding-traces of the larvae on a Scrophu~ 
laria sp. in the Bosque de las Mercedes Tene- 
rife Sept. 1935. 

Nanophyes longulus Woll. 2 $ $ and 1 ? on Salix ca- 
nadensis in the Barranco d'Azuaje Gr. Canaria 
Oct. 1927. 

Winkler's Catalogue mentions with ' a ? this 
species as a var. of helveticus Tourn. In my 
collection I posses 4 specimens (ex. coll. Meli- 
char) determinated by Prof. Solari as N. dis- 
tinctus Sol, var. helveticus Tourn. These spe- 
cimens are certainly abundantly different from 
longulus Woll. 

Hylurgus ligniperda F, Pinar de la Esperanza Ten. (Ap- 
penhagen). 

Hylastes Lowei Paiva. Pinar de la Esperanza Ten. (Ap- 

penhagen). 

Liparthrum bicaudatum Woll. Several specimens in withe- 
red stalks of Euphorbia balsamifera on the 
Isleta. Gr. Canaria Oct. 1927. New for the 
fauna of Gr, Canaria, 

ciliatum Eggers (Tijdschr. v. Ent. T. 71. 1928. 

p, 283) common on Ficus carica at Los Lirios 
(near Santa Brigida). Gr. Canaria Oct. 1927 
and reared in number at home from dead 
branches from the same locality. 

Lowei Woll, Common in dead stalks of an 

Euphorbia sp, (probably piscatoria) near P. 
Orotava. Tenerife Apr. 1925, 

Aphanarthrum a[[ine Woll, Very common in withering stalks 
of Euphorbia regisjubae in the Barranco d'Azua- 
je Gr, Canaria Oct, 1927 and reared at home 
from those stalks, the appearing specimens be- 
coming paler and paler according to the pro- 
ceeding desiccation of the stalks, 

bicinctum Woll. P. Orotava Tenerife Apr. 

1925, Barranco d'Azuaje, Isleta, Gr. Canaria 
Oct. 1927 on Euphorbia balsamifera. 

var. obsitum Woll, Barranco d'Azuaje, Isleta, 

Gr. Canaria Oct. 1927 on Euphorbia balsami- 
fera. 

bicolor Woll. Orotava. Tenerife Apr. 1925, 

on Euphorbia sp. 

canariensis Woll, Orotava, Guimar Tenerife 

Apr, 1925, Isleta, Baranco de Silva. Gr. Ca- 



TO THE KNOWLEDGE OF THE FAUNA, A.S.O. 117 

naria Oct. 1927 on Euphorbia canadensis L. 
and reared from dead stalks at home with the 
same result as to the colour of the specimens 
as mentioned under a[[ine. 

Aphanarthrum canescens Woll. var. simplex Woll, a sub- 
species probably peculiar to Gr. Canaria. In 
withering stalks of Euphorbia balsamifera and 
regis jubae Isleta Gr, Canaria. 

■ — piscatorium Woll. P. Orotava. Tenerife Apr. 

1925 in withering stalks of Euphorbia pisca- 
toria, I saw specimens from Gr. Canaria (Las 
Palmas) collected by Dr. Schatzmayr. 

Ceropria (Enderl.) elongata Eggers (Tijdschr. v. Ent. 

T. 70. 1927. p. 39) one single specimen col- 
lected by my wife in March 1925 in Gr. Ca- 
naria (probably near Las Palmas). 

Triotemnus subretusus Woll. Orotava. Tenerife Apr. 1925, 
Isleta. Gr. Canaria Oct. 1927 common in 'dead 
stalks of Euphorbia canariensis L. and reared 
at home from such stalks. 

Coccotrypes canariensis Eggers (Tijdschr. v. Ent. T. 71. 
1928 p. 117) originally reared by Miss R. Scott 
Allen from the fruitkernels of some imported 
Palm from the garden of Santa Catalina. Gr. 
Canaria. Afterwards found in number in the 
fruitkernels of Phoenix canariensis by the Di- 
rector of the Botanic Garden at Orotava. 
Tenerife. He sent to me a number of those 
kernels from which I not only reared this spe- 
cies but also the next-one. They are in strong 
competition, the Coccotrypes attacking the ker- 
nels on the rounded part, the Dactylotrypes 
exclusively in the deep longitudinal furrow. 

Dactylotrypes Uyttenboogaarti Eggers (Tijdschr. v. Ent. T. 
70, 1927 p. 37 — 39) discovered by my wife in 
Gran Canaria but afterwards found to be very 
common also in Tenerife (Enderlein, Director 
of Botanic Garden) and Gomera (Enderlein) 
I found the species myself in the garden 
of the hôtel at Orotava Tenerife Sept. 1935 
and attracted the attention of my fellow- 
excursionists on that insect in the garden of 
the hotel at Santa Brigida. Gr. Canaria Sept. 
1935. It is no doubt very common everywhere 
Phoenix canariensis is found in the Canaries. 
When in competition with Coccotrypes cana- 
riensis Eggers it seems in some cases to be 
reduced in its necessary quantity of food and 
then produces specimens, who are exactly alike 



118 Dr. D. L. UYTTENBOOGAART, CONTRIBUTIONS 

the cotype of Dactylotrypes draconis Enderl. 
in my collection. The Director of the Botanic 
Garden at Orotava supposes that the compe- 
tition compels Dactylotrypes to look out for a 
new source of lood and that it then attacks 
the seed of the Draco-tree, these by their 
smaller oilgrade producing impoverished speci- 
mens differing enough from the normal ones 
to! explain their description as a separate species. 
Ips, nobilis Woll. Pinar de la Esperanza (Appen- 

hagen) and collected by myself from under 
the bark of a dead Pinus canadensis at Agua 
mansa. Tenerife. 



Contributions to the knowledge of the 

Fauna of the Canary-Islands, edited by 

Dr. D. L. Uyttenboogaart XX 

Zwei neue Carabiden der canarischen Insel 
Lanzarote, beschrieben 

von 

B. H. KLYNSTRA 



Dyschirius U yttenboogaarti nov. sp. 

Clypeus ohne Mittelzahn, dreieckig erhaben, hinten spitz- 
winkehg begrenzt und in ein deuthches Stirnkielchen aus- 
gezogen. Halsschildseiten vollständig gerandet. 

Flügeldecken in der Verlängerung des Nahtstreifens mit 
basalem Porengrübchen ; am Seitenrande, hinter den Schul- 
tern, mit drei Borstengrübchen und im 'dritten Zwischenraum 
mit drei deutlichen Dorsalpunkten. Flügeldecken ohne Basal- 
höckerchen und mit zwei Praeapikalpunkten. Die Seitenrand- 
ung der zyhndrischen Flügeldecken setzt sich auf die Basal- 
fläche nicht fort. 

Die zwei ersten Glieder der Fühler und die Hälfte des drit- 
ten rot, die andern Glieder dunkel, fast schwarz. 

Enddorn und Endsporn der Vorderschienen gleich stark 
entwickelt. Das unterste Zähnchen am Aussenrande der Vor- 
derschienen schärfer, grösser und spitziger als das Mittlere. 

Dem D. aeneus (Dej.) Wagn. nahe verwandt; von dem- 
selben durch Folgendes verschieden. Die Stirne ganz glatt, 
ohne Querfalten. Stirnkielchen mehr erhaben und mehr spit- 
zig ausgezogen. Halsschild kürzer und gewölbter, fast kugel- 
rund, ganz glatt ohne Falten. Flügeldecken kürzer und breiter, 
infolge feiner, mikroskopischer Chagrinierung etwas matt ; 
Streifen gröber punktiert. Beine heller, rotbraun. Etwas 
kleiner. Länge 2,8 mm. Fundort Insel Lanzarote. 

Die einzige Type befindet sich in der Sammlung des Herrn 
Dr. D. L. Uyttenboogaart. 

Stenolophus lanzarotensis nov. sp. 

Endglied der Kiefertaster gegen die Spitze massig verengt, 
an der Spitze deutlich abgestutzt. 

Halsschild gelbrot, ausgenommen die Vorseite ; nach hinten 



120 B. H. KLYNSTRA, CONTRIBUTIONS TO THE 

verengt, nur an den Seiten gerandet. Hinterecken des Hals- 
schildes stumpfwinkelig, wenig abgerundet. 

Die drei ersten Glieder der bräunlichen Fühler, die Taster 
und Beine rotgelb. 

Dem St. discophorus Fisch, nahe stehend ; durch folgende 
Merkmale verschieden. Halsschild breiter als lang, Basalein- 
drücke desselben weniger deutlich angegeben, flacher, viel 
dichter und mehr ausgedehnt punktiert. Unterseite gelbrot ; 
Abdomen teilweise schwärzlich rot. Oberseite des Kopfes und 
Vorseite des Halsschildes schwarz. Rest des Halsschildes rot. 
Flügeldecken breiter, flacher, weniger gestreckt und weniger 
gewölbt ; gelbrot mit bläulichem Schimmer, ohne Fleck. 

Länge 7,5 mm. Fundort Puerto Arrecife, Lanzarote. 

Die einzige Type, ein $ , befindet sich in der Sammlung 
des Herrn Dr. D. L. Uyttenboogaart. 



Fauna Javanensis 

Membracidae (Homoptera) 

by 

W. D. FUNKHOUSER 

University of Kentucky 



Recent collections of Membracidae received by the writer 
from Mr. Edward Jacobson of Bandoeng, Java, Mr. F. C. 
Drescher of Bandoeng, Java and Mrs. M. E. Walsh of 
Soekamoemi, Java, have yielded four new species which 
are here described and figured as follows : 




Fig. 1. Elaphiceps javanensis sp. nov. 

1. Elaphiceps javanensis sp. nov. (Fig. 1.) 

Large, brown, punctate, pubescent ; antler-like horns aris- 
ing from front of turret of pronotum ; posterior process long, 
slender, triquerate, arising from top of pronotum and exten- 
ding beyond internal angles of tegmina ; tegmina opaque 
brown ; sides of thorax densely white tomentose ; legs and 
undersurface of body brown. 

Head subquadrate, twice as wide as long, very roughly 
sculptured, weakly punctate, densely pubescent with long 
golden hairs ; base strongly sinuate ; eyes large, prominent, 
gray, translucent ; ocelli large, pearly, conspicuous, equi- 
distant from each other and from the eyes and situated about 
on a line drawn through centers of eyes ; inferior margins 
of genae rounded ; clypeus extending for half its length 
below inferior margins of genae, tip pointed and pubescent. 



122 



W. D. FUNKHOUSER 



Pronotum dark brown, coarsely punctate, sparingly pubes- 
cent ; metopidium sloping, higher than wide ; median carina 
strongly percurrent ; humeral angles strong, triangular, blunt ; 
pronotum extended upward in a turret from which arises 
a pair of antler-like horns in front and the posterior process 
behind ; horns long, slender, projecting forward and slightly 
upward, apical third suddenly bent laterad with a suggestion 
of a secondary prong at the angle ; posterior process long, 
slender, triquerate, curved, arising from just behind the horns 
and extending to a point about one-fourth the distance 
from the internal angles to the tips of tegmina, tip slightly 
upturned. Scutellum entirely exposed, triangular, longer than 
broad, pubescent, tip strongly notched. 

Tegmina long, narrow, pointed, opaque, brown ; base 
coriaceous and punctate ; apical limbus wide and wrinkled ; 
costal margin pilose ; five apical and three discoidal cells. 

Sides of thorax densely white tomentose. Undersurface 
of body brown. Femora and tibiae brown ; tarsi black. 

Length from front of head to tips of tegmina 9.5 mm. ; 
width between tips of horns 5.3 mm. 

Type : female. 

Type locality: G. Tangkoeban Prahoe, 4000—5000', 
Preanger, Java. 

Described from two females and one male, all from the 
type locality, the females collected by F. C. Drescher and 
the male by M. E. Walsh. The male is slightly smaller and 
darker than the females but agrees in all other respects. Type 
in author's collection. 




Fig. 2. Leptocentrus pubescens sp. nov. 

2. Leptocentrus pubescens sp. nov, (Fig. 2.) 

Near L. rufospinus Funkh, but with horns longer, broader 



FAUNA JAVANENSIS; MEMBRACIDAE 123 

and more erect, tegmina without apical fascia, entire thorax 
much more pubescent and no red on posterior process. 

Large, black, punctate, densely pubescent ; suprahumeral 
horns broad, flat, extending outward and upward ; posterior 
process reaching to a point halfway between internal angles 
and tips of tegmina ; scutellum and sides of thorax densely 
white pubescent ; tegmina vinaceous hyaline, legs and under- 
surface of body black. 

Head subquadrate, wider than long, densely pubescent with 
golden hairs ; base arcuate and feebly sinuate ; eyes large, 
yellowish ; ocelli large, conspicuous, pearly, equidistant from 
each other and from the eyes and situated about on a line 
drawn through centers of eyes ; inferior margins of genae 
sinuate ; clypeus extending for half its length below inferior 
margins of genae, tip broad and densely pilose. 

Pronotum black, finely punctate, densely pubescent with 
long golden hairs ; metopidium straight ; median carina strong- 
ly percurrent ; humeral angles heavy, triangular, blunt ; supra- 
humeral horns long, flattened dorso-ventrally, a ridge on 
the upper surface near hind margin, extending outward and 
strongly upward, tips curving backward ; posterior process 
long, slender, tricarinate, impinging on tegmina from the 
internal angles to a point halfway to the extremity, tip sharp ; 
scutellum entirely exposed, densely white tomentose, tip 
bifurcate. 

Tegmina long, narrow, vinaceous hyaline ; base narrowly 
yellow, coriaceous and punctate ; apical limbus broad ; five 
apical and four discoidal cells. 

Sides of thorax densely white tomentose ; undersurface of 
body black ; legs entirely black. 

Length from front of head to tips of tegmina 8.5 mm. ; 
width between tips of suprahumerals 6.7 mm. 

Type : female. 

Type locality : Waterfall of Boroeng, Tengger Mts., East 
Java. Altitude 1200 feet. 

Described from two females and one male collected at the 
type locality by Mrs. Walsh in February 1936 and one female 
taken by the same collector at Japara, Java in December 1935. 
Type in author's collection. 

3. Evanchon maculatus sp. nov. (Fig. 3.) 

Large, brown, punctate, pubescent, with white tomentose 
lines on pronotum ; suprahumeral horns short, triangular, 
extending directly outward ; posterior process heavy, sinuate 
with a double curve ; tegmina translucent yellow with base 
and a broad area at internal angles dark brown ; under- 
surface brown ; femora and bases of tibia dark brown ; apical 
ends of tibiae yellow ; tarsi yellow ; claws dark brown. 



124 



W. D. FUNKHOUSER 



Head subquadrate, about as broad as long, very roughly 
sculptured, finely punctate, densely pubescent ; base strongly 
arcuate and feebly sinuate ; eyes large, brown ; ocelli large, 
conspicuous, vitreous, twice as far from each other as from 
the eyes and situated slightly above a line drawn through 
centers of eyes ; inferior margins of genae sinuate and flan- 
ged ; clypeus twice as long as wide, extending for three- 
fourths its length below inferior margins of genae, tip broad 
and truncate. 




'^ 



Fig. 3. Evanchon maculatus sp. nov. 

Pronotum brown, densely pubescent with long white hairs, 
a curved white tomentose line extending over each supra- 
humeral horn to scutellum ; metopidium sloping, as wide 
as high ; humeral angles large, heavy, blunt, triangular ; 
median carina strongly percurrent and produced in a dis- 
tinct ridge between suprahurnerals ; suprahumerals short, 
triangular, blunt, only half as long as the distance between 
their bases, extending directly outward, not as high as crest 
of pronotum, tips slightly depressed ; posterior process heavy, 
tectiform, sinuate with a double curve, tip blunt, extending 
just beyond internal angles of tegmina ; scutellum broadly 
exposed, brown, longer than wide, base white tomentose. 

Tegmina broad, translucent yellow ; base brown, coria- 
ceous, punctate and pubescent ; a large brown patch covering 
most of the area of the internal angles ; no apical limbus ; 
five apical and three discoidal cells. 

Sides of thorax densely white tomentose ; undersurface of 
body brown ; femora and basal half of tibiae dark brown ; 
distal half of tibiae and all of tarsi yellow ; claws dark brown. 

Length from front of head to tips of tegmina 7 mm. ; width 
between tips of suprahumeral horns 3.6 mm. 

Type : female. 

Type locality : Preanger, Java. 



FAUNA lAVANENSlS: MEMBRACIDAE 125 

Described from three females, two collected at the type 
locality by Mrs. Walsh, one in October 1935 and one in 
May 1936, and the other, which has been standing unde- 
termined in the author's collection for many years, collected 
at Sandakan, Borneo by Professor C. F. Baker. Type in 
author's collection. 




Fig. 4. Tricentcus carinatus sp. nov. 

4. Tricentrus carinatus sp. nov. (Fig. 4.) 

Short, heavy-bodied, brown with bright yellow markings, 
punctate, pubescent ; suprahumeral horns broad, triangular, 
extending outward and upward ; posterior process heavy, 
very highly keeled, bright yellow in middle, tip black and 
suddenly acuminate ; tegmina hyaline without markings ; 
undersurface of body dark brown ; femora shining brown ; 
tibia and tarsi bright yellow. 

Head subquadrate, twice as broad as long, brown ; finely 
punctate, densely pubescent ; base strongly sinuate ; eyes, 
large, vitreous brown ; ocelli large, dark brown, equidistant 
from each other and from the eyes and situated slightly 
above a line drawn through centers of eyes ; inferior mar- 
gins of genae curved ; clypeus broad, expanded, extending 
for half its length below inferior margins of genae, tip 
broadly arcuate. 

Pronotum dark brown except the central part of the 
posterior process which is bright yellow, finely punctate, 
densely pubescent ; metopidium sloping, wider than high ; 
humeral angles small, triangular, blunt ; median carina faintly 
percurrent on metopidium but very high and sharp on poste- 
rior process ; suprahumeral horns broad, flattened dorso- 
ventrally ; as long as the distance between their bases, 
extending outward and upward, tips sharp ; posterior pro- 
cess heavy, very high in center, brown at base and at apical 
third and bright yellow in the middle, tip suddenly acuminate 
and just reaching the internal angles of the tegmina ; scu- 
tellum broadly exposed on each side. 

Tegmina wrinkled hyaline ; base narrowly brown, coria- 



126 W. D. FUNKHOUSER 

ceous and punctate ; veins strong and brown ; apical limbus 
broad ; five apical and three discoidal cells. 

Sides of thorax and undersurface of body brown ; femora 
brown ; tibiae and tarsi bright yellow. 

Length from front of head to tips of tegmina 5.6 mm. ; 
width between tips of suprahumeral horns 3.4 mm. 

Type : female. 

Type locality : Goenoeng Besser, Preanger, West Java. 

Described from a pair collected at the type locality by 
Mrs. Walsh in April 1936. The male is slightly smaller and 
more brightly colored than the female but is otherwise similar. 
Type in author's collection. 



Ein weiterer Beitrag zur Kenntnis der 
Curcuiioniden Javas 

(65. Beitrag zur Kenntnis der Curcuiioniden) 

von 

EDUARD VOSS 

Berlin-Charlottenburg 
Mit 4 Abbildungen im Text nach Zeichnungen des Verfassers. 



Auch die vorliegende Arbeit stützt sich im wesentlichen 
auf Material, das mir von Herrn F. C. D r e s c h e r, Ban- 
doeng auf Java zur Bearbeitung übergeben wurde. 
Gleichzeitig bilden die hier gegebenen Beschreibungen von 
Rhynchitinen und Attelabinen eine Ergänzung zu den in 
dieser Zeitschrift. (Vol. 78, 1935, p. 95—125). bereits be- 
handelten Arten, Bezüglich der hier angeführten Fundorte 
kann daher auf die dort gegebene Umschreibung derselben 
verwiesen werden. 

Bei der Bestimmung der übrigen Curcuiioniden verdanke 
ich wesentliche Unterstützung Herrn Hofrat Prof. Dr. K. 
M. Heller, und Herrn Dr. K. Günther am Dresdener 
Museum die Einsichtnahme verschiedener Typen. Beiden 
Herren danke ich hiermit verbindlichst, ganz besonders Herrn 
F. C. Drescher, dem ich die Möglichkeit verdanke, das 
vorliegende Material studieren zu können ; ausserdem auch 
für freundliche Ueberlassung von Belegexemplaren. 



Oxycoryninae. 

1 . Metrioxena javanica n. sp. 

Kopf hinter den Augen abgeschnürt ; letztere kräftig 
gewölbt, etwas exzentrisch. Rüssel so lang wie der Hals- 
schild, zur Spitze hin gleichmässig schwach verbreitert, seit- 
lich auf der ganzen Länge scharf gekielt ; oben matt cha- 
griniert. Fühler extrem basal eingelenkt. Schaftglied reich- 
lich doppelt so lang wie breit, gekeult ; 1 . Geisselglied wenig 
kürzer, schwach verkehrt kegelförmig ; die folgenden Glieder 
kürzer, nur das 8. Glied von gleicher Form und Länge wie 
das 1. Glied ; 2. Glied so lang wie das 1. Glied ; die folgen- 
den Gheder etwas kürzer und in der Länge wenig diffe- 
rierend, das 5. Glied am kürzesten. 1. Glied der Keule 
schlank, verkehrt kegelförmig, und so lang wie das 7. und 



128 EDUARD VOSS, EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

8. Glied zusammen, das Endglied kurz, kegelförmig mit ver- 
rundeter Spitze. — Halsschild etwas länger als breit, 
die grösste Breite hinter der Mitte befindlich, hier gleich- 
massig und kräftig gerundet, der Vorderrand tief abge- 
schnürt, sodass die Basis fast doppelt so breit wie der Zwi- 
schenraum der Einschnürungsbögen ist. Der Eindruck der 
Einschnürungstiefe wird dadurch verstärkt, dass die Spitze 
des Vorderrands in einen längeren, seitlich gerichteten 
Stachel ausgezogen ist. Ausserdem finden sich auf der Seiten- 
rundung noch 5 Kerbhöcker von massiger Stärke und gleich- 
massiger Ausbildung, aber ungleicher Verteilung angeordnet. 
Ebenso ist die Basis seitlich spitz ausgezogen und führt noch 
einen kleinen Höcker auf der Aussenseite. Der Halsschild 
ist von 5 scharfen Längskielen durchzogen, einer über der 
Mitte, ein in der Mitte konkav nach innen ausgebogener 
submedial, ein weiterer, vor dem Vorrand verkürzter, ge- 
rader, sublateral angeordnet. Ein weiterer ist lateral nur 
stumpf angedeutet. In den Zwischenräumen ist die Punktie- 
rung stark, dicht, gereiht. — Schildchen so lang wie 
breit, hinten flach verrundet. — Flügeldecken fast 
\]/2 mal so lang wie breit, nahezu parallelseitig, hinter der 
Mitte nur wenig verbreitert, die Spitze halbkreisförmig ver- 
rundet. Punktstreifen ziemlich kräftig, gereiht ; Zwischen- 
räume schmal, die Naht, der 4., 7. und 10. Zwischenraum 
auf der ganzen Länge scharf gekielt. — T i b i e n keilförmig 
zur Spitze verbreitert, innen und aussen mit scharfer Längs- 
leiste, besonders die mittleren und hinteren nur kurz ; die 
vorderen in der Mitte in Form eines Fortsatzes ausgezogen. 

1. Tarsenglied stark reduziert. 

? : Halsschild seitlich nur mit 4 Höckern, oder der vor- 
dere, fünfte, nur schwach angedeutet. Schaftglied etwas 
gestreckter. Rüssel länger, schlanker, leicht gebogen, walzen- 
rund, ungekielt, fein kettenartig längspunktiert, zur Spitze 
nur schwach verdickt. 

Färbung gelbbraun, bisweilen dunkelbraun ; Fühler 
und Beine rotgelb ; das 1. Keulenglied, (exact eigentlich das 

2. Glied, da das 1. Glied zu einem 8. Geisselglied umge- 
bildet ist), schwarzbraun. — Oberseite unbehaart; die Rüs- 
selunterseite des $ mit längeren, fransenartigen Härchen 
besetzt. — L : 2, 3 — 3 müi. 

Noesa Kambangan, (11), (Dr., 6/10. XIL 1925) ; G. Sla- 
mai, Batoerraden, (14), (Dr., 10/12. VII. 1926). — Coll. 
Dr., Coll. auct.. 

Auf Grund der lang bewimperten Rüsselunterseite des $ 
von mir zunächst als mit M. sumatrana Hell, identisch be- 
trachtet, von Heller aber als unbedingt verschieden be- 
zeichnet. Die Hauptunterschiede liegen im längeren, seitlich 
schärfer gezähnten Halsschild und dem submedialen, in der 
Mittelpartie scharf nach innen gezogenen, unverkürzten 
Längskiel. 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 129 

2. Metrioxcna dibapha n. sp. 

$ : Kopf breiter als lang, fein runzlig gerauht, hinter 
den Augen schwach, aber scharf eingeschnürt. Stirn fast 
doppelt so breit wie der Rüssel an der schmälsten Stelle. 
Augen stark, etwas exzentrisch, vorgewölbt. Rüssel et- 
was kürzer als der Halsschild, fast gerade, von der Seite 
gesehen zur Spitze hin verjüngt ; von oben gesehen, im ba- 
salen Teil von Stirnbreite, dann zur Mitte hin auf etwa die 
Hälfte verschmälert, um sich zur Spitze hin wieder zu ver- 
breitern. In die Spitze ist ein deutliches Labrum eingesprengt. 
Stirn mit feiner Mittelfurche, die sich auf den Rüssel als 
sehr feiner, undeutlicher Mittelkiel fortsetzt. In einiger Ent- 
fernung, in der Rüsselmitte dem Aussenrand stark genähert, 
je ein scharfer Längskiel, der bis auf die Stirn aufläuft 
und hier unter 45" hinter die Augen abbiegt. Im ganzen 
ist der Rüssel sehr fein matt verrunzelt. Fühler am 
Auslauf der basalen Rüsselverdickung eingelenkt. Beim $ 
sehr kräftig und lang, die Glieder einschliesslich Keule von 
gleicher Dicke. Schaftglied gestreckt, schwach gekeult, etwa 
dreimal so lang wie breit. 1 . Geisselglied nur 1 3^ mal so 
lang wie breit ; 2. und 3. Glied kaum länger ; 4. und 5. Glied 
gleichlang, wie die folgenden fast walzenförmig, jedes 1^ 
mal so lang wie das vorhergehende ; 6. — 8. Glied wiederum 
länger, jedes doppelt so lang wie breit ; das folgende am 
längsten, an der Spitze geschweift ; hier setzt sich ein greis 
tomentiertes, kurzes Endglied an. Abstehende Härchen fehlen 
vollständig. — Halsschild breiter als lang, die grösste 
Breite im basalen Viertel befindlich ; zur Basis wenig, zum 
Vorderrand in gleichmässiger Rundung kräftig verschmälert. 
Vorderrand kaum abgeschnürt, seitlich an der Spitze mit 
kurzem, kegelförmigem Höcker. Auf der Seitenrundung des 
Halsschilds befinden sich 5 Erhebungen, von denen die mitt- 
leren nur flach gerundet, die übrigen stumpfwinklig vor- 
stehen ; die Hinterrecken seitlich spitz vorgezogen. Auf der 
Scheibe 5 feine, scharfe Längskiele in ähnlicher Anordnung 
wie bei der vorhergehenden Art, der submediale Kiel gerade. 
Punktierung massig stark, sehr dicht, wenig gereiht und 
wohl als unregelmässig zu bezeichnen. — Schildchen 
wie bei javanica gebildet. — Flügeldecken doppelt 
so lang wie breit, seitlich schwach und gleichmässig gerun- 
det, von der Mitte ab schmal gerandet ; jede Spitze etwas 
vorgezogen und kurz einzeln gerundet. Die Punktstreifen 
etwas unregelmässig angeordnet und daher schwierig zu 
zählen ; der 3. Streif beispielsweise im basalen Drittel erlo- 
schen ; an dessen Stelle tritt hier ein feiner Kiel. Der 7. und 
10. Zwischenraum auf der ganzen Länge gekielt. — Schenkel 
kurz und stark gekeult ; auch die Vordertibien kurz und keil- 
förmig zur Spitze verbreitert, die Mitte lang und spitz nach 



130 EDUARD VOSS, EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

vorn vorgezogen ; innen und aussen mit scharfem Randkiel. 
Tarsenbildung wie bei der vorigen Art. 

Färbung dunkelbraun ; die basalen Geisseiglieder, 
grösstenteils die Beine und ein länglicher Fleck beiderseits 
des Schildchens rotgelb. — L : 3,8 mm. 

Noesa Kambangan. (U), (Dr., 6/10. XII. 1925). 

Vom gleichen Fundort mit gleichem Datum, gleicher Fär- 
bung ein Exemplar, das ich für ein 5 halte, allerdings mit 
einigen Zweifeln, da die Erhebungen auf den Seiten des 
Halsschil'ds spitziger sind, der Halsschild im ganzen etwas 
länger ist und die Augen flacher gewölbt erscheinen. Die 
Sichtung grösseren Materials muss hier Klärung bringen. 

Die Arten der Gattung Metrioxena wurden, sow^eit sie be- 
kannt geworden sind, von Heller überarbeitet, (Stett. 
Ent. Zeitg., 76, 1915, p. 52 — 58). Von den vorstehend be- 
schriebenen zwei Arten ist M. javanica der sumatrana Hell, 
am îiachsten verwandt, während dibapha hinsichtlich der 
Fühlerbildung isoliert zu stehen scheint. 

Rhynchitinac, 

3. Eugnamptus adjectus n. sp. 

o : Kopf mit Augen fast so lang wie breit, an der 
Basis seicht abgeschnürt, die Schläfen halb so lang wie die 
Augen, leicht gerundet wenig nach hinten verschmälert, mas- 
sig stark und gleichmässig dicht punktiert. Augen gross, 
ziemlich kräftig gewölbt ; die Stirn kaum schmaler als der 
Rüssel an der Basis breit. Rüssel fast doppelt so lang 
wie breit, stumpfwinklig gebogen, von der Mitte zur Spitze 
verbreitert, wie der Kopf punktiert. Fühler wenig hinter 
der Rüsselmitte eingelenkt. Schaft- und 1 . Geisselglied zu- 
sammen wenig länger als der Rüssel an der Einlenkungs- 
stelle breit, das Schaftglied etwas länger als das 1. Geissel- 
glied ; 2. — 4. Glied je fast so lang wie Schaft- und 1. Geissel- 
glied zusammen ; 5. und 7. Glied so lang wie das Schaft- 
glied ; 6, Glied so lang wie das 4. Glied. Das 1. und 2. Glied 
der Keule je etwa so lang wie das 5. bis 7. Glied zusammen 
das 3. Glied der Fühlerkeule wenig kürzer. — Halsschild 
länger als breit, in der basalen Hälfte parallelseitig, vorn 
zur Abschnürung des Vorderrands leicht gerundet verschmä- 
lert. Punktierung ziemlich kräftig und sehr dicht, die Mitte 
mit feiner verkürzter Längsfurche. Schildchen quer, 
viereckig. — Flügeldecken reichlich l}/^ mal so lang 
wie breit, von den Schultern zum hinteren Drittel schwach 
verbreitert. Punktstreifen kräftig ; Zwischenräume schmaler 
als die Streifen, gewölbt, fein und dicht einreihig punktiert. 
— Vorder- und Mitteltibien gerade, die Hintertibien sehr 
wenig gebogen. 

? : R ü s s e 1 länger, mehr gebogen, zur Spitze stark ver- 
breitert, mit hochglänzender, unpunktierter Mittelpartie. 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 131 

Fühler nur um wenig mehr als Schaftgliedlänge von der 
Rüsselwurzel entfernt eingelenkt. Kopf mehr quer, die Augen 
weniger vorgewölbt. 

Färbung stahlblau ; Rüssel schwarz ; Fühler pech- 
braun. — Behaarung greis, lang abstehend, auf den 
Flügeldecken untermischt mit kürzeren geneigten Haaren. 
— L : 4 — 4,5 mm. 

Dem Eugnamptus hirsutus m. sehr ähnlich ; bei diesem ist 
das letzte Glied der Keule wesentlich länger als das 2. Glied ; 
die Fühler sind beim S in der Mitte, beim 5 im basalen 
Drittel des Rüssels eingelenkt, bei adjectiis sind die Fühler 
des 9 etwa im basalen Fünftel des Rüssels eingelenkt und 
beim $ hinter der Rüsselmitte, 

Preanger, G. Djisoeroe, Djampang, Tengal, in 2000' 
Höhe, (XII. 1934, Mrs. E. Walsh) ; G. Tjimerang desgl., 
(I. 1935, Mrs. Walsh). — Coll. Dr., Coll. auct. 

4. Rhynchites balnea tor m. 

Diese von den Philippinen bekannt gewordene Art 
liegt von folgendem Fundort vor : 

Preanger, G. Tjisoeroe, Djampang, in 2000' Höhe, 
(XI. 1934, Mrs. E. W a 1 s h leg.). — Coll. Dr., Coll. auct.. 

5. Rhynchites adjectus n. sp. 

Zwischen Rh. pullatus m. und nitidifrons va.., (vergleiche 
Tijdschr. v. Ent., 78, 1935, p. 107), ist diese hier zu be- 
schreibende Art einzufügen : 

Kopf quer, fein und dicht punktiert ; die Stirn glänzend, 
nur von einzelnen Punkten durchstochen und seitlich etwas 
dichter punktiert, mit tiefem, sich nach vorn verbreiterndem 
Längseindruck. Schläfen kurz, kaum ein Viertel so lang wie 
die Augen, diese gross und massig stark vorgewölbt ; Stirn 
so breit wie der Rüssel an der Basis. Dieser nicht gan^ so 
lang wie Kopf und Halsschild zusammen, leicht gebogen, in 
der basalen Hälfte parallelseitig, zum Kopf hin also nicht ver- 
breitert. An der Spitze leicht verbreitert, in der basalen Hälfte 
mit 3 scharfen Längskielen, von denen der mittlere sich im 
Längseindruck des Kopfes verliert und kurz hinter der Fühler- 
einlenkung aufhört, während die beiden anderen erst kurz 
vor der Rüsselspitze endigen. Von der Fühlereinlenkung ab 
verbreitert sich der Rüssel ziemlich unvermittelt und hier tritt 
neben den Kiel eine breite, tiefe, seitlich wiederum durch 
einen Randkiel begrenzte Längsfurche, welche die Rüssel- 
spitze erreicht. Es kommt dadurch kaum irgend eine Punktie- 
rung zustande und nur die Rüsselspitze selbst ist etwas 
punktiert. Fühler wenig vor der Rüsselmitte eingelenkt. 
Schaft- und 1. Geisselglied von annähernd gleicher Länge, 
je \]/2 mal so lang wie breit; 2. Glied am längsten, etwas 
länger als das 1. Glied ; 3. Glied nur undeutlich kürzer als das 
2. Glied ; 4. Glied so lang wie das 1 . Glied ; die nächsten an 
Länge abnehmend, das 7. Glied nur wenig länger als breit. 



132 EDUARD VOSS, EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

Das 1. und 2. Glied der Keule so lang wie breit, das 2. Glied 
aber etwas schwächer ; das 3. Glied mit dem Endglied etwas 
länger als das 1. Glied. — Halsschild so lang wie breit, 
seitlich nur schwach gerundet, hinter der Mitte am breitesten, 
fast parallelseitig. Punktierung ziemlich kräftig dicht runzlig, 
auf der Mitte eine verkürzte feine Längsfurche. — Schild- 
chen quadratisch. — Flügeldecken etwa \]/2 mal 
so lang wie breit, fast parallelseitig, über der Mitte nur 
wenig gerundet verbreitert. Punktstreifen gleichmässig kräf- 
tig, die Zwischenräume etwas breiter als die Streifen, leicht 
gewölbt, ziemlich kräftig und dicht ein- bis zweireihig punk- 
tiert. — Alle Tibien schlank und gerade, nur die mittleren 
im apikalen Teil leicht einwärts gebogen. 

Färbung schwarz ; Kopf, Halsschild, Flügeldecken und 
Schenkel mit dunkelgrün-metallischem Schein. — Behaa- 
rung kurz aufgerichtet, untermischt mit längeren abstehen- 
den Haaren. Vordertibien innen lang abstehend greis behaart. 

— L : 2,8 — 3 mm. 

G. Goentoer, (1), (Dr., IX. 1925) ; K. O. Blawan, Idjen- 
Plateau in 900—1500 m Höhe, (21), (I. 1935, Lucht leg.). 

— Coli. Dr., Coli. auct. 

Von nitidifrons m. durch die mehr eingeschränkte glän- 
zende Stirnpartie und durch die markante, oben beschriebene 
Rüsselbildung zu unterscheiden, sonst dieser Art sehr ähn- 
lich. 

6. Listrobyctiscus corvinus Pasc. f. coeruleipennis m. 
Diese von Borneo bekannt gewordene Form ist auch 

auf Java gesammelt worden : 

Preanger, G. Tjisoeroe, Djampang. Tengal, in 2000' 
Höhe, (XII. 1934, I. 1935, Mrs. E. Walsh leg.). — Coll. 
Dr., Coll. auct. 

7. Deporaus (Arodepus) nigripennis n. sp. 

Kopf ziemlich kräftig und sehr dicht punktiert, Schläfen 
halb so lang wie die Augen, parallelseitig, kräftig abge- 
schnürt. Augen gross, kräftig gewölbt. Stirn etwas breiter als 
der Rüssel vor der Basis. Rüssel so lang wie der Hals- 
schild, im basalen Teil leicht gebogen ; zur Spitze, von der 
Seite gesehen, schwach verjüngt ; von oben gesehen, von der 
Basis bis zum apikalen Drittel nahezu parallelseitig, dann 
kräftig verbreitert. Basalhälfte mit stumpfem Mittelkiel, auf 
der ganzen Länge des Rüssels seitlich mit kräftiger Punkt- 
reihe, vor der Spitze beiderseits der Mitte mit grosser, fla- 
cher Grube. Fühler wenig hinter der Rüsselmitte einge- 
lenkt, schlank; Schaft- und 1. Geisselglied gleichlang, jedes 
reichlich I3/2 ^^^ so lang wie breit, oval ; 2. Glied fast so 
lang wie Schaft- und 1. Geisselglied zusammen; 3. Glied 
wenig kürzer ; 4. — 6. Glied annähernd gleichlang, kaum län- 
ger als das 1. Glied; 7. GHed 1^^ mal so lang wie breit. 
Das 1 . Glied der Keule so lanq wie das 6. und 7. Glied der 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 133 

Geissei zusammen ; 2. Glied wenig kürzer und etwas breiter ; 
3. Glied mit dem Endglied am längsten, schlank spindel- 
förmig. — Halsschild fast etwas länger als breit, in der 
basalen Hälfte parallelseitig, zur Abschnürung des Vorder- 
rands dann leicht gerundet verschmälert. Punktierung ziem- 
hch kräftig und sehr dicht. — Schildchen quadratisch. 
— Flügeldecken parallelseitig, nicht ganz i]/2 "^^^ so 
lang wie breit, die Spitzen einzeln abgerundet. Punktstreifen 
kräftig ; Zwischenräume fein und sehr dicht unregelmässig 
punktiert. — Hinterbrust seitlich und die Seitenteile fein und 
dicht punktiert. Abdomen fein und verschwommen punktiert. 
Vordertibien schlank, gerade ; Mittel- und Hintertibien sehr 
wenig gebogen, aussen mit fein gesägter Leiste. 

Färbung gelbrot; Fühler, Flügeldecken, Tarsen, Hin- 
terbrust mit Seitenteilen schwarz. Bei 2 Exemplaren sind die 
Beine einfarbig gelb, bei einem von diesen der Halsschild 
gebräunt. — Unterseite massig dicht anliegend greis behaart ; 
Kopf, Halsschild und Rüssel kurz abstehend, und die Flügel- 
decken massig lang und dicht aufgerichtet behaart. — L : 
3 — 3,8 mm. 

Preanger, G. Tjimerang, Djampang in 2000' Höhe, 
(XII. 1934, Mrs. E. Walsh leg.) ; G. Raoeng, Bajoekidoel 
in 450—700 m Höhe, (19), (I. 1935, H. Lucht leg.). — 
3 Ex. — Coll. Dr., Coll. auct. 

8. Deporaus (Arodepus) atricornis n. sp. 

Kopf massig stark und weitläufig punktiert ; Schläfen 
halb so lang wie die Augen, parallelseitig, leicht gerundet, 
hinten schwach abgeschnürt. Augen gross, kräftig halbrund 
vorgewölbt ; Stirn wenig breiter als der Rüssel vor der 
Basis. Rüssel wenig länger als der Halsschild, im basalen 
Teil parallelseitig, im vorderen Teil kräftig verbreitert, in 
der Gegend der Fühlereinlenkung mit seichter Mittelfurche ; 
von hier ab nach vorn, beiderseits der Mitte und zur Spitze 
hin divergierend, je ein kräftiger Punktstreif. Fühler wenig 
hinter der Mitte des Rüssels eingelenkt. Schaft- und erstes 
Geisseiglied gleichlang, länger als breit ; 2. und 3. Glied 
ebenfalls gleichlang, jedes etwas länger als je eins der vor- 
hergehenden Glieder; 4. und 6. Glied so lang wie das 1. 
Glied ; 5. Glied so lang wie breit ; 7. Glied wenig länger als 
breit. 1. Glied der Keule so lang wie das 6. und 7. Geissei- 
glied zusammen ; 2. Glied wenig kürzer ; 3. Glied mit dem 
Endglied etwas länger als das 1 . Glied. — Halsschild 
breiter als lang, seitlich schwach und gleichmässig gerundet ; 
Vorderrand kräftig abgeschnürt und etwas schmaler als die 
Basis des Halsschilds. Punktierung fein und wenig dicht, auf 
einer schmalen Mittelfläche unpunktiert. — Schildchen 
quer viereckig, fein und sehr dicht punktiert. — Flügel- 
decken etwa 134 iri^l so lang wie breit, von den Schul- 
tern geradlinig nach hinten verbreitert. Punktstreifen kräf- 



134 EDUARD VOSS. EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

tig, die Punkte grubenförmig ; die schmalen Zwischenräume 
und Querstege fein unregelmässig punktiert. Der Randstreif 
sehr stark, vor der Schulter gegabelt, in der Gabel mit 
starkem, grubenförmigem Punkt. — Hinterbrust und Ab- 
domen fein und wenig dicht punktiert, die Seitenteile und 
die seitlichen Winkel des 1 , Abdominalsegments kräftig und 
dicht punktiert. Vorder- und Mitteltibien kaum gebogen, 
Hintertibien im Spitzenteil wenig gebogen. Schenkel und 
Tibien mit fein gekerbter Aussenleiste. 

Färbung rot ; Fühler, Tibien und Tarsen, mit Aus- 
nahme der Basis der Tibien, schwarz. — Rüsselspitze seitlich 
mit längeren Haaren besetzt, Kopf und Halsschild kurz 
abstehend behaart ; Abdomen fein und sparsam anliegend 
hell behaart ; Flügeldecken dichter mit aufgerichteten ge- 
bogenen Haaren besetzt. — L : 3,8 mm. 

Preanger, G. Tjisoeroe, Djampang in 2000' Höhe, (XI. 
1934, Mrs. E. Walsh leg.) ; G. Tjikoendoel, Soekaboemi 
in 600—700 m Höhe, (III. 1933, Fr. A. Th. H. V e r b e e k 
leg.). — Coli. Dr., Coli. auct. 

Attelabinae. 

9. Euops (Suniops) scutellaris m. f. n. igniceps. 

Der Nominatform nahestehend, aber die Punktierung des 
Halsschilds viel weniger in Querriefen aufgelöst, dafür die 
feinen Zwischenstege der queren Punkte zu einer Art Netz 
geformt. Zwischenräume der Flügeldecken dichter quer- 
runzlig und der Kopf dichter punktiert. Kopf und Halsschild 
feuerrot überhaucht, die Flügeldecken mit grünlichem Me- 
tallschein. Es ist möglich, dass hier eine selbständige Art 
vorliegt. 

K. O. Blawan, Idjen-Plateau in 900—1500 m Höhe, (21), 
(2. XII. 1934, Lucht leg.). — Coli. Dr., Coli. auct. 

10. Euops walshi n. sp. 

$ : Kopf fein und weitläufig punktiert, der Untergrund 
sehr fein querriefig. Schläfen schwach konisch, wenig ge- 
rundet. Rüssel 1 J/2 iiisl so lang wie breit, im basalen 
Teil fast parallelseitig, dann nach vorn kräftig geradlinig 
verbreitert. Punktierung fein und wenig dicht, der Unter- 
grund sehr fein und dicht punktuliert. Fühler im basalen 
Viertel eingelenkt. Schaftglied 1^ mal so lang wie breit ; 
1. Geisselglied oval, wenig kürzer als das Schaftglied ; 2. 
Glied viel dünner und nur wenig länger als der Durchmesser 
des vorhergehenden Gliedes ; 3. und 4. Glied je etwa so 
lang wie das 1. Glied ; 5. und 6. Glied so lang wie das 2. 
Glied; 7. Glied kaum länger als breit. Das 1. und 2. Glied 
der Keule je etwas länger als breit ; 3. Glied etwas breiter 
als lang ; 4. Glied kaum so lang wie das 3. Glied. — Hals- 
schild breiter als lang, seitlich kräftig gerundet, die grösste 
Breite hinter der Mitte befindlich, zum Vorderrand mehr 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 135 

als zur Basis verschmälert ; auf der Scheibe stark querriefig 
skulptiert, die Punkte verlieren sich in der Querriefelung. 
Seitlich kräftig und sehr dicht punktiert. — Schildchen 
quer, viereckig. — Flügeldecken so lang wie breit, 
von den Schultern nach hinten fast geradlinig verschmälert. 
Punktstreifen kräftig, die Punkte nach aussen auf die Zwi- 
schenräume erweitert, dazwischen ziemlich kräftig einreihig 
punktiert. — Pygidium ziemlich kräftig und sehr dicht 
punktiert. Hinterbrust mit Seitenteilen kräftig und sehr dicht 
punktiert. Abdomen ziemlich fein und massig dicht punktiert, 
dazwischen sehr fein längsrissig skulptiert. Vorderschenkel 
sehr kräftig, ungezähnt ; Mittel- und Hinterschenkel fein 
gezähnt. Vordertibien massig stark gebogen, auf der inneren, 
der Körperseite zugewendeten Seite, mit massig starken, 
spitzigen Erhebungen gleichmässig besetzt, auf der der Kör- 
perseite abgewendeten Tibien-Innenseite mit einigen grossen 
Zähnen bewehrt : die Tibienspitze lappenartig vorgezogen, 
in einiger Entfernung ein Doppelzahn, in gleicher Entfernung 
zwei Einzelzähne, es folgen schliesslich noch zwei kleine 
Höckerchen von der Grösse derjenigen der inneren Höcker- 
reihe. 

? : Vorder-Tibien aussen leicht gebogen, innen im mitt- 
leren Drittel kräftig verbreitert und hier fein gekerbt und 
behaart. Auch die Vorderschenkel fein gezähnt. 

Färbung schwarz ; Beine und Hüften dunkelrot ; Flü- 
geldecken mit dunkelgrünem Schein, bisweilen auch violett- 
blau ; Schultern und Schildchen grün ; Unterseite bisweilen 
bläulich. — L : 2,3—3,2 mm. 

Preanger, G. Tjisoeroe, Djampang in 2000' Höhe, 
(1. 1935, XI. XII. 1934, Mrs. E. Walsh leg.). — Coll. 
Dr., Coll. auct. 

Kenntlich an der kräftigen Aussenbewehrung der Tibien, 
an den roten Beinen und Hüften, und an den ungezähnten 
Vorderschenkeln, — Der Entdeckerin dieser Art ergebenst 
gewidmet. 

Subfamilie Anthonominae. 

Tribus Prionomerini. 

Gattungsgruppe Ochyromerina. 

Die mir von Java vorliegenden Arten der Tribus Prio- 
nomerini gehören den nachstehend gegenübergestellten Gat- 
tungen an : 

1 (10) Fühlergeissel 7-gliedrig. 

2 (7) Halschildvorderrand auch unten 

gerande t, bisweilen allerdings nur 
schmal. Die Vorderhüften von dieser Umran- 
dungslinie um mindestens die Breite des Vorder- 
rands entfernt stehend. 

3 (6) Vorderrand des Halsschilds unten breiter gerandet 



136 EDUARD VOSS. EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

un'd die Vorderhüften von ihm um die Breite des- 
selben entfernt stehend. Vordertibien vom schma- 
leren basalen Teil geschweift auf etwa die doppelte 
Breite, mehr oder weniger parallelseitig, verbreitert. 

4 ( 5 ) Halsschild hinten stark verschmälert und seitlich 

kräftig gerundet. Rüssel meist kürzer als der Hals- 
schild. Eusynnada Hell. 

5 (4) Halsschild an der Basis am breitesten oder nur wenig 

zur Mitte hin verbreitert. Rüssel länger als Kopf 
und Halsschild zusammen. Opseoscapha Fst. 

6 (3) Vorderrand des Halsschilds unten nur sehr schmal 

gerandet und die Vorderhüiten sehr nahe an ihn 
herantretend. Vordertibien, wenn überhaupt ver- 
breitert, gleichmässig ohne geschweiften Uebergang 
sich verbreiternd. Rüssel schlank, mindestens so lang 
wie Köpf und Halsschild zusammen. 

Ochyromera Pasc. 

7 (2) H a 1 s s c h i 1 d V o r d e r a n d u n t e n n i ch t g,e- 

r a n d e t, hier halbkreisförmig ausgeschnitten oder, 
seitlich gesehen, schräg zu den Vorderhüften zuge- 
schnitten. Die Vorderhüften dem Vorderrand stark 
genähert. Halsschild zur Basis verschmälert. 

8 (9) Rüssel gedrungen, kräftig, kaum doppelt so lang 

wie breit. Vordertibien zur Spitze wenig und gleich- 
mässig verbreitert Exochyromera gen. n. 

9 (8) Rüssel schlank, länger als Kopf und Halsschild 

zusammen. Vordertibien im basalen Teil dünn, dann 

geschweift verbreitert. Augen hinten unterschnitten. 

Synnada subg. n. Neosynnada. 

10 (1) Fühlergeissel 6-gliedrig. 

11 (12) Halsschild zur Basis verschmälert. Rüssel schlank. 

Synnada Pasc. 

12 (11) Halsschild an der Basis am breitesten. 

Omphasus Pasc. 
Eusynnada Hell. 
Hierher folgende 4 Arten : 

1 (4) Kopf in der Höhe des Augenhinterrands ohne Quer- 

furche. Flügeldecken breit und verhältnismässig 
flach, ähnlich Amorphoidea- Arten. 

2 (3) Flügeldecken ohne abstehende Behaarung, glänzend. 

Punktstreifen fein, die Punkte einzeln eingestochen, 
nicht gefurcht vertieft. Zwischenräume breit und 
flach und nur undeutlich einreihig punktiert. Hals- 
schild zur Basis stark verschmälert, fein und massig 
dicht punktiert. Augen gross, vorgewölbt, hinten 
etwas unterschnitten. Färbung rot ; Flügeldecken 
schwarz, ringsum schmal rot gesäumt, an der Spit- 
ze in etwas grösserem Umfang. — L : 5,5 mm. 
Das vorliegende Exemplar scheint das î der von 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN ]AVAS. 137 

Heller, (Zool. Mededeel. Leiden, VIII, 1925, p. 
227), beschriebenen Art zu sein. Der Rüssel ist 
schlank und fast so lang wie Kopf und Halsschild 
zusammen, leicht gebogen. Fühler mittenständig. 

Sumatra; Java: Preanger, G. Malang, 
Tjampang, Tengal in 2000' Höhe, (X. 1934, Mrs. 
E. Walsh leg.). — Coll. Dr.. 

11. plaxoides Hell. 
3 (2) Flügeldecken mit kurzer, etwas gekrümmter, abste- 
hender, nach hinten gerichteter Behaarung. Hals- 
schild mehr quer und zur Basis weniger verschmä- 
lert. Kleiner und einfarbig rotgelb bis rotbräunlich. 

Java. G. Tangkoeban Prahoe, Preanger, in 
4000—5000 Fuss Höhe, (2), (XII. 1932 ; VIl'l 1933, 
Dr. leg.) ; G. Slamat, Batoerraden, (Dr., VII. 1929). 
— Coll. Dr., Coll. auct. 12. lata n. sp. 

? : Schläfen sehr kurz, Stirn etwas schmaler als 
der Rüssel vor der Basis breit. Rüssel reichlich 
doppelt so lang wie breit, parallelseitig, fein längs- 
riefig skulptiert, der Mittclkiel schon kurz vor der 
Basis gegabelt ; ziemlich flach oberseits und nur 
schwach gebogen ; oben parallelseitig ; seitlich ge- 
sehen, zur Spitze etwas verjüngt. Fühler m.itten- 
ständig. Schaft schlank, gebogen, wenig länger als 
die basale Rüsselhälfte. 1. Geisselglied kräftig, 
wenig länger als breit ; 2. Glied so lang wie das 1. 
Glied, verkehrt kegelförmig ; die restlichen Glieder 
quer. Keule fast zylindrisch, das 1. Glied etwas 
länger als breit, das 2. Glied etwas breiter als lang, 
die restlichen Glieder kurz. — Halsschild min- 
destens doppelt so breit wie lang, seitlich ziemlich 
gleichmässig und kräftig gerundet, der Vorderrand 
kurz abgesetzt. Punktierung ziemlich kräftig und 
massig dicht, überall zv/ischendurch fein und sehr 
dicht punktiert. — Schildchen kleiner als bei 
der vorigen Art, dreieckig. — Flügeldecken 
etwa n/3 mal so lang wie breit, Schultern ziemlich 
stark verrundet, ohne vortretende Schulterbeule, 
seitlich schwach und gleichmässig gerundet, die 
Spitzen einzeln verrundet. Punktsteifen etwas kräf- 
tiger als bei der vorigen Art und die Punkte etwas 
dichter angeordnet ; Zwischenräume flach, viel 
breiter als die Streifen, ein- bis zweireihig etwas 
schräg nach vorn eingestochen punktiert zur Auf- 
nahme der aufgerichteten Härchen und zwischen- 
durch sehr fein und dicht punktiert für die Auf- 
nahme äusserst kurzer, anliegender Härchen. — 
Vorderschenkel stark gezähnt, an der Aussenkante 
des Zahns mit längeren, ziemlich dicht stehenden 



138 EDUARD VOSS, EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

Wimperhärchen besetzt ; Vordertibien zur Spitze 
innen geschweift verstärkt. Mittel- und Hinterschen- 
kel weniger stark gezähnt. Halsschild unten gerandet 
und die Vorderhüften um reichlich die halbe Breite 
des Vorderrands von diesem entfernt stehend. 

$ : Rüssel wenig kürzer, seitlich mit scharfem 
Randkielchen. Stirn etwas schmaler, die Augen 
mehr vorgewölbt. — L : 3,4 — 3,6 mm. 

4 ( 1 ) Kopf in Höhe des Augenhinterrands durch eine 

Querfurche abgesetzt. Flügeldecken mehr gewölbt, 
seitlich kaum nach aussen gerundet verbreitert. 
Fühler des $ in der Nähe der Rüsselspitze ein- 
gelenkt, beim 2 vor der Rüsselmitte. 

5 (6) Flügeldecken bis nahezu zur Mitte parallelseitig, 

dann nach hinten zur Spitze verschmälert. 

Einfarbig rotgelb. Behaarung ähnlich der vorher- 
gehenden Art, die reihige längere Behaarung je- 
doch weniger deutlich aufgerichtet — L : 2,8 — 3,2 
mm. 

Preanger, G. Tangkoeban Prahoe in 4000 — 5000 
Fuss Höhe, (II— IV, VI. 1933, F. C. Drescher leg.). 
— Coli. Dr., Coli. auct. 13. testacea n. sp. 

$ : Kopf mehr konisch, Schläfen kurz ; Augen 
massig stark vorgewölbt. Rüssel fast dreimal so 
lang wie breit, parallelseitig, leicht gebogen. Stirn 
reichlich halb so breit wie der Rüssel an der 
Basis. Rüssel mit stumpfem Mittelkiel, der zur Stirn 
aufläuft und in der Rüsselmitte erlischt, seitlich mit 
je einer flachen Längsfurche. Punktierung des Kop- 
fes und Rüssels fein und dicht. Fühler vor der 
Rüsselspitze eingelenkt, der Schaft etwas länger als 
die basale Rüsselpartie, schlank, an der Spitze kräf- 
tig gekeult verstärkt. Geissei wie bei der vorigen 
Art gebildet, Keule aber viel kürzer, mehr knopf- 
förmig, wenig länger als breit. — Halsschild 
weniger quer als bei der vorigen Art, seitlich kräf- 
tig gerundet, die Rundung seitlich leicht schräge an- 
geflächt und der Vorderrand länger geschweift aus- 
gezogen. Die gröbere, wenig dichte Punktierung hebt 
sich nur wenig von der feineren Zwischenpunktie- 
rung ab. — Schildchen länger als breit. — 
Flügeldecken 13^2 ™^^ ^o lang wie breit, paral- 
lelseitig im reichlich apikalen Drittel, dann gerun- 
det zur Spitze verschmälert, seitlich nur unbedeutend 
verbreitert. Punktstreifen leicht gefurcht ; Zwischen- 
räume viel breiter als die Streiten, wenig gewölbt, 
einreihig punktiert urt'd die Punkte nur wenig 
schwächer als diejenigen der Streifen, ausserdem 
sehr fein und dicht unregelmässig punktiert. — Vor- 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 139 

derhüften um nicht ganz die Breite des Vorderrands 
vom diesem entfernt stehend. Vordertibien im ba- 
salen Teil gebogen, vorn gerade, innen von der 
Mitte ab geschweift nach vorn verbreitert. Vorder- 
schenkelzahn gross, auf der äusseren konkaven Run- 
dung mit längeren Wimperhaaren besetzt. 

$ : Rüssel schlanker, so lang wie der Halsschild, 
mehr gebogen, von der Basis zur Spitze schwach 
und gleichmässig verbreitert. Fühler zwischen dem 
apikalen Drittel und der Mitte des Rüssels einge- 
lenkt. Augen etwas mehr vorgewölbt. Vordertibien 
kürzer. 
6 (5) Flügeldecken von den Schultern ab nach hinten 
keilartig verjüngt und durch diese Flügeldecken- 
form von den vorhergehenden Arten leicht zu tren- 
nen. Sonst der testacea nahestehend und vielleicht 
nur eine Unterart von ihr. 

S : Rüssel wenig schlanker ; 2. Geisselglied etwas 
kürzer als das 1. Glied. Vordertibien fast gerade 
und im Spitzenteil wenig verbreitert ; Hintertibien 
schlanker, an der Basis kaum dünner, (bei testacea 
an der Basis halb so breit wie im übrigen Teil und 
vor der Mitte geschweift verbreitert). 

Färbung etwas dunkler rötlich, die Behaarung an- 
liegend. — L : 2,5 — 2,8 mm. 

G. Slamat, Batoerraden, (14), (XI. 1932, Dr. 
leg.) ; Preanger, Tangkoeban Prahoe in 2000 m 
Höhe, (2), (Jacobson leg., XI, 1933). — Coli. Dr., 
Coli. auct. 14. rubella n. sp. 

Opseoscapha Fst. 

Die javanischen Arten dieser Gattung, soweit sie bekannt 
geworden sind, wurden in den Ent. Blättern, XXXI, 1935, p. 
228, gegenübergestellt. Es sind zugleich die grössten Arten 
und auch durch langen und schlanken Rüssel ausgezeichnete 
Arten unter den indomalayischen Prionomerini. Sie stehen 
zugleich den Oc/zyromera-Arten habituell nahe, unterscheiden 
sich aber grundsätzlich durch unterseits gerandeten Thorax 
und vom Vorderrand weit entfernt stehende Vorderhüften. 

Exochyromera gen. nov. 

Die in der Gattungs-Uebersicht und in der folgenden Art- 
beschreibung der Genotype : E. crassirostris angegebenen 
Merkmale charakterisieren die Gattung hinreichend. Die Be- 
wehrung der Mittel- und Hinterschenkel kommt in der bei- 
gegebenen Abbildung 1 nicht zum Ausdruck, weil die Zähne 
nach unten gerichtet sind. Letztere sind kräftig und spitz, 
aber die Vorderschenkel sind viel kräftiger ausgebildet als 
die übrigen. 

Die von Guy A. K. M a r s h a 1 1, (Insects of Samoa, IV, 



140 



EDUARD VOSS, EIN WEITERER BEITRAG ZUR 



Col., 1931, p. 270), unter den Tychiinae beschriebene Gat- 
tung Nesendaeus kommt Exochyromera sehr nahe. Sie steht 
zu letzterer in ähnlichem Verhältnis wie die nachstehend 
beschriebene Gattung Synnadophila zu Synnada. In Nesen- 
daeus sind nämlich die Hinterschenkel fast etwas kräftiger 
ausgebildet als die Vorderschenkel. Der längere Rüssel und 
abweichende Tibienbildung geben ausserdem Trennungsmerk- 
male ab, die wohl auf verschiedene Gattungsgruppen hinzu- 
deuten scheinen. 




Abb. 1. Exochyromera ccassirostris n. sp. 



Exochyromera crassirostris n. sp. 

? : Kopf gerundet konisch, massig stark runzlig matt 
punktiert. Augen oberständig, flach gewölbt und die Seiten- 
konturen des Kopfes wenig überragend. Stirn nur halb so 
breit wie der Rüssel an der Basis. Rüssel nur reichlich 
i}/2 ™9l so lang wie an der Spitze breit, an der Basis kurz 
parallelseitig, dann zur Spitze massig stark verbreitert, die 
Fühlerfurchen hier von oben zum Teil sichtbar. Ein von der 
Stirn ablaufender, zunächst sehr feiner Mittelkiel verbreitert 
sich zur Rüsselmitte hin, um dann von hier ab zur Spitze 
in eine glänzende, dreieckige Fläche sich zu erweitern ; seit- 
lich kräftig längsrunzlig punktiert. An der Spitze sind noch 
die Konturen eines verschmolzenen Labrums zu erkennen. 
Fühler im apikalen Drittel eingelenkt. Schaft schlank, 
wenig länger als die basale Rüsselpartie, im Spitzenteil massig 
stark gekeult. 1 . Geisselglied kräftig, wenig länger als breit ; 
2. Glied etwas kürzer als das 1. Glied ; 3., 4., 6. und 7. Glied 
wenig länger als breit, nur das 5. Glied kürzer. Keule ge- 
streckt, das 1. Glied so lang wie breit ; 2. Glied fast so lang 
wie breit ; 3, Glied abgestuft schwächer, kaum so lang wie 
breit ; Endglied quer, wiederum abgestuft vom 3. Glied. — 
H a 1 s s c h i 1 d breiter als lang, seitlich massig stark und 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. Hl 

gleichmässig gerundet, der Vorderand leicht abgeschnürt und 
zylindrisch abgesetzt. Fein und sehr dicht matt runzlig punk- 
tiert. Vorderrand mit Wimperhärchen sparsam besetzt. — 
Schildchen dreieckig, wenig länger als breit. — F 1 ü- 
g e 1 d-e c k e n \}/2 mal so lang wie breit, breit geschultert, 
von den Schultern ab kurz parallelseitig, dann ziemlich kräftig 
gerundet verbreitert, die grösste Breite wenig hinter der Mitte 
der Decken befindlich. Vor der Spitze schwach abgesetzt. 
Punktstreifen ziemlich fein, die Punkte wenig getrennt und 
kaum gefurcht vertieft ; Zwischenräume viel breiter als die 
Streifen, wenig gewölbt, sehr fein körnig skulptiert, ohne 
eigentliche deutliche Punktierung. — Pygidium von den 
Flügeldecken bedeckt. Voi'derschenkelzahn gross und spitz, 
die Aussenkante auf der äusseren Hälfte lang, auf der in- 
neren kurz bewimpert. Mittel- und Hinterschenkelzahn etwas 
kleiner, spitzer. Vordertibien kräftig gebogen, zur Spitze 
gleichmässig und wenig verbreitert, an der Spitze inner 
mit kurzem Stachel, aussen mit kleinem Haken. Krallen 
kurz, scharf gezähnt. 

$ : Viel kleiner, die Stirn etwas schmaler. Vordertibien 
noch gedrungener und etwas mehr gebogen. 

Färbung rostrot ; Schaft, Geissei und Krallen rotgelb. 
— Unterseite weniger dicht und etwas länger, oben dicht 
und kurz anliegen'd behaart ; auf den Zwischenräumen je 
eine Reihe kurzer, schwach gebogener, abstehender, dunkler 
Härchen. — L : 2,5 { ê )— 3.8 ( ? ) mm. 

G. Tangkoeban Prahoe, Preanger, in 4000 — 5000 Fuss 
Höhe, (2), (Dr., 2.XI.1933, 31.VIII.1935). — Coli. Dr., 
Coli, auct. 

Durch den kurzen, kräftigen Rüssel an Brachyderinen 
erinnernd, stehen sie zu den übrigen indomalayischen Prio- 
nomerinen auf ähnlicher Entwicklungsstufe, wie Pactolotypus 
zu den Eugnomini s. Str.. Die Mandibeln sind zweispitzig 
und die Krallen unterschnitten gezähnt. Von Nychiomma 
Pasc, durch 7-gliedrige Fühlergeissel zu unterscheiden. 

16. Ochyromera signatella n. sp. 

$ : Kopf kurz konisch, mit leicht gerundeten Schläfen. 
Augen rund, fast halbkugelförmig gewölbt und etwas ober- 
ständig. Stirn schmal, nur reichlich ein Drittel so breit wie 
der Rüssel an der Basis. Rüssel schlank, wesentlich länger 
als Kopf und Halsschild zusammen, leicht gebogen, nahezu 
parallelseitig, an der Basis, vor und hinter der Fühlereinlen- 
kung ein wenig verengt und an der Spitze schwach verbrei- 
tert. In der basalen Hälfte mit Mittelkiel und je zwei schwa- 
chen Längsfurchen beiderseits desselben. Hinter der Fühler- 
einlenkung gabelt er sich, um sich vor derselben zu einer 
punktfreien Mittelfläche wieder zu verschmälern. Vorn auch 
seitlich glänzend und mit wenig dichten, länglichen Punkten 
durchsetzt. Mandibeln zweispitzig. Fühler dünn und 



142 EDUARD VOSS. EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

schlank, vor der Rüsselmitte eingelenkt. Schaft so lang wie 
der Rüssel zwischen Fühlereinlenkung und Rüsselwurzel, an 
der Spitze nur schwach gekeult. 1 . Geisselglied lang gestreckt, 
so lang wie das 2. — 5. Glied zusammen ; 2. Glied nicht halb 
so lang wie das 1 . Glied ; die restlichen Glieder nur etwa 
so lang wie breit. Das 1 . Glied der Keule verkehrt kegel- 
förmig, etwa so lang wie breit ; 2. und 3. Glied breiter als 
lang ; Englied kurz, kegelförmig. — Halsschild breiter 
als lang, seitlich kräftig gerundet ; Vorderrand zylindrisch 
ausgezogen und wenig schmaler als die Halsschildbasis. 
Punktierung kräftig, wenig dicht, die Zwischenräume un- 
regelmässig aufgeworfen, fein und sehr dicht punktuliert. — 
Schildchen länger als breit. — Flügeldecken 
reichlich \)/> mal so lang wie breit, im basalen Drittel pa- 
rallelseitig, dann nach hinten gerundet verschmälert. Hinter 
den Schultern etwas eingezogen. Punktstreifen fein, die Punkte 
einzeln eingestochen ; Zwischenräume breiter als die Streifen, 
leicht gewölbt. Rings um das Schildchen eine vorn offene 
herzförmige Zeichnung, die dadurch entsteht, dass, begin- 
nend in einiger Entfernung von der Basis, auf dem. 4. Zwi- 
schenraum, dann auf dem 5., dem 4., 3., 2. Zwischenraum sich 
je ein geschwärzter Höcker befindet, von denen jeder einige 
abstehende Haare trägt. Eine kräftige und reicher bebüschelte 
Schwiele befindet sich auf der Mitte des 3. Zwischenraums, 
auch die subapicale Schwiele am Ende des 5. Zwischenraums 
ist schärfer erhaben. — Vordertibien zur Spitze gleichmässig 
verbreitert, ziemlich kräftig gebogen ; innen an der Spitze 
gewinkelt, aussen mit feinem Endhaken. 

$ : Rüssel kürzer und kräftiger, so lang wie Kopf und 
Halsschild zusammen, wenig gebogen. Fühler im apikalen 
Drittel eingelenkt. 

Färbung gelbbraun bis rötlichbraun ; geschwärzt ist 
der Halsschild an der Basis, die Innenseite der Vorderschen- 
kel, die oben erwähnte ringförmige Zeichnung in der Um- 
gebung des Schildchens, ein Schrägband über der Mittel- 
schwiele des 3. Zwischenraums, die seitliche Umgebung der 
subapikalen Schwiele sowie einige kleine Pusteln auf dem 1. 
Zwischenraum ; auch auf der Unterseite des Halsschilds 
seitlich der Hüften leicht geschwärzt. — Neben den schwar- 
zen, abstehenden Härchen, welche meist auf den kleinen 
Erhebungen angeordnet sind, überall dicht anliegend gelb- 
lich behaart. — L : 3,8 — 4 mm. 

Idjen Plateau, K. O. Blawan in 900—1500 m Höhe, (21). 
(2.XII.1934, 3, III. 1935, Lucht leg.). — Coli. Dr., Coli. auct. 

Ein naher Verwandter von O. penicillata Hell., doch ge- 
streckter als diese Art, mit parallelem ersten Zwischenraum, 
nicht verbreiterten Flügeldecken und anscheinend auch an- 
derer Zeichnung. Ein Pärchen lag mir vor. 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 143 

Tribus Anthomomini. 

Synnadophila gen. n. 

Kopf halbkugelförmig, aber mit etwas vorstehenden, vorn 
flach gedrückten Augen, die nach hinten etwas überhängen. 
Stirn etwas schmaler als der basal schwach eingeschnürte 
Rüssel. Dieser länger als der Halsschild, gebogen, massig 
schlank ; Fühlerfurche vom vorderen Drittel scharf zur Basis 
abwärts geführt. Schaft schlank. Fühlergeissel 7-gliedrig, 
Keule oval. Halsschild quer, seitlich vorn schräg zu den 
Vorderhüften zugeschnitten. Schildchen dreieckig. Flügel- 
decken über den Schultern viel breiter als der Halsschild, 
zur Mitte hin schwach verbreitert und dann zur Spitze ge- 
rundet verschmälert. Pygidium von den Flügeldecken be- 
deckt. Schenkel kräftig gekeult und gezähnt, die Hinter- 
schenkel fast ein wenig kräftiger als die übrigen. Tibien in 
der Spitzenhälfte doppelt so breit wie an der Basis. Vordere 
Klauen gespalten, die übrigen innen mit zahnartigem Anhang. 

Die Gattung kann als den Prionomerini zugehörig nicht 
mehr angesehen werden, da die Vorderschenkel in gleicher 
Stärke wie die übrigen gekeult und gezähnt sind, ja, wie 
bemerkt, die hinteren fast etwas mehr gekeult erscheinen als 
die vorderen. Durch die Klauenbildung nimmt die Gattung 
Synnadophila eine Art Grenzstellung zwischen den Eugno- 
minae im weiteren Sinne und den Anthonominae ein ; die 
Klauenbildung weist zu letzterer hin. Die Tibien führen wenig 
vor der Innenspitze einen Endhaken. Die Vorderhüften sind 
nicht getrennt und der Halsschild ist unten vorn halbrund 
ausgeschnitten, hier nicht gerandet, die Hüften dem Vorder- 
rand sehr genähert. Die Fühler sind, besonders beim S , der 
Rüsselspitze genähert eingelenkt. Hierher : 

17. S. subfasciata n. sp. 

$ : Kopf quer, Schläfen kurz, backenartig gerundet, 
fein und sehr dicht punktiert. Augen vorgewölbt, hinten 
unterschnitten, (klaffend) ; Stirn etwas schmaler als der 
Rüssel an der Basis, Rüssel nicht ganz so lang wie Kopf 
und Halsschild zusammen, leicht gebogen, von oben gesehen 
an der Basis am schmälsten, von hier geradlinig zur Fühler- 
einlenkung verbreitert, dann wieder schwach zur Spitze ver- 
jüngt. Mittelkiel undeutlich, seitlich fein und sehr dicht punk- 
tiert. Vorn glänzend, etwas feiner und weniger dicht punk- 
tiert. Fühlerfurche schräg abwärts auf die Unterseite geführt. 
Fühler im apikalen Drittel eingelenkt. Schaft schlank, an 
der Spitze gekeult, etwas länger als der basale Rüsselteil. 

1. Geisselglied IV^ mal so lang wie breit, ziemlich kräftig; 

2. Glied viel dünner, aber so lang wie das 1 . Glied ; die rest- 
lichen Glieder etwa so lang wie breit. Das 1. Glied der Keule 
quer, verkehrt kegelförmig ; 2. Glied nicht ganz so lang wie 
breit, zylindrisch ; 3, Glied quer ; Endglied kurz kegelförmig. 



H4 EDUARD VOSS. EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

— Halsschild quer, gleichmässig und massig stark gerun- 
det, der Vorderrand nicht abgesetzt. Punktie- 
rung ziemlich kräftig und sehr dicht. — Schildchen klein, 
dreieckig. — Flügeldecken breit geschultert, wenig 
länger als breit ; von den Schultern schwach geradlinig zur 




Abb. 2. Synnadophda subfasciata n. sp. 

Mitte hin verbreitert und dann zur Spitze hin gerundet ver- 
schmälert ; an der Spitze einzeln nur schwach gerundet. 
Punktstreifen ziemlich kräftig, doch kaum gefurcht vertieft ; 
Zwischenräume breiter als die Streifen, kaum gewölbt und 
nur undeutlich verschwommen punktiert. — Tibien fast ge- 
rade, die vorderen und mittleren vom basalen Drittel ab zur 
Spitze geschweift verbreitert. Alle Schenkel gleichstark ge- 
zähnt. 

? : Rüssel etwas länger, zur Basis nur wenig deutlich ver- 
schmälert, glänzender und etwas feiner punktiert. Die Fühler 
etwas mehr der Mitte genähert eingelenkt. 

Färbung rotbraun ; Fühler und Beine mehr aufgehellt. 
— Behaarung anliegend, auf dem Halsschild quer ge- 
lagert, seitlich auf den Flügeldecken etwas erhoben. Auf der 
Basis des 3. Zwischenraums in einem länglichen Rechteck 
dichter greis behaart. Im übrigen etwas mehr gelblich. Ahn- 
lich rechteckige Flächen ordnen sich kurz vor der Mitte zu 
einer zickzackförmigen Querbinde, hinter der Mitte zu einer 
verkehrt v-förmigen Binde. Zwischendurch sind einige Haar- 
flecken eingestreut, die das Gesamtbild etwas beeinflussen. — 
L : 2,4 — 2,6 mm. 

Preanger, G. Patocha in 5000 Fuss Höhe, (Dr., IX. 
1926, 1934). — Coli. Dr., Coli. auct. 

Tribus Demimaeini. 

Die Gattung Demimaea Pasc, steht ziemlich isoliert, auch 
unter der Subfamilie Änthonominae. Einige Anzeichen deuten 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 145 

daraufhin, dass die Gattung der Subfamilie Otidocephalinae 
näher steht, und zwar entspricht die Riüsselbildung etwa 
den Otidocephalini, Kopf und Augenbildung den Erodiscini. 
Die nachstehend zu beschreibende Art gehört zu den Arten 
mit bucklig erhabenem Halsschild. 

18. Demimaea gibbicoUis n. sp. 

Kopf kurz halbrund mit aus den Konturen desselben 
nicht vortretenden Augen, die auf der Stirn um weniger als 
die halbe basale Rüsselbreite von einander getrennt sind. 
Augen quer oval. Schläfen nur halb so lang wie die Augen 
im Querdurchmesser. Rüssel 2^^ mal so lang wie an der 
Basis breit, gebogen, sowohl bei der Ansicht von der Seite 
wie von oben im basalen Teil schmaler ; auf der ganzen Länge 
mit stumpfem, punktfreiem Mittelkiel, in der basalen Hälfte 
von einem feinen Nebenkiel begleitet, im übrigen massig stark 
gereiht punktiert. Fühler vor der Rüsselmitte eingelenkt, 
die Fühlerfurche hier von oben sichtbar, scharf nach unten 
gebogen. Fühlerschaft etwas länger als der Rüssel über der 
Einlenkungsstelle breit, die Rüsselbasis nicht erreichend. 1. 
Geisselglied kräftig, Ij/a "^^1 so lang wie breit, verkehrt kegel- 
förmig ; 2. Glied schwächer, doch von gleicher Länge, die 
übrigen Glieder quer. Keule massig kräftig, spindelförmig, 
das 1. Glied kaum so lang wie breit ; 2. Glied quer ; 3. Glied 
mit dem Endglied etwas länger als das 1 . Glied. — Hals- 
schild breiter als lang, seitlich schwach und gleichmässig 
gerundet, stark grubig und stellenweise sehr dicht punktiert. 
Von der Seite gesehen, im vorderen Teil bucklig hochauf- 
gewölbt, nach vorn zum Vorderrand unter etwa 90° zur ba- 
salen ansteigenden Fläche abfallend. — Schildchen 
länger als breit, von schwach dreieckiger Form. — Flügel- 
decken etwa 1 34 iii^l so lang wie breit, über den Schultern 
nicht ganz doppelt so breit wie die Basis des Halsschilds, im 
ganzen von dreieckiger Form, von den Schultern ab kurz 
parallelseitig, von der Seite gesehen, stark gewölbt. Punkt- 
streifen linienartig gefurcht, massig stark ; Zwischenräume 
breit und wenig gewölbt, fein und weitläufig punktiert. — 
Schenkel wenig gekeult, sehr fein gezähnt, Tibien schlank, 
gerade, die vorderen innen leicht geschweift im mittleren Teil 
verbreitert, mit Aussendorn. Klauen tief gezähnt. 

Färbung schwarz, glänzend ; Fühlerschaft, Geissei und 
Tarsen rot. — Behaarung der Unterseite sparsam, greis, 
lang, anliegend. Beine weiss zottig behaart. Halsschild mas- 
sig lang, die Flügel'decken länger abstehend behaart. Lieber 
der Flügeldeckenmitte ein Querband aus büschelartig ange- 
ordneten dunklen Haaren gebildet, davor sparsam greis an- 
liegend behaart ; hinter dem Querband besonders die Naht 
dichter mit tiefgeschlitzten Haarschuppen bekleidet. — L : 
2,6 — 3 mm. 



146 EDUARD VOSS. EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

G. Rao eng, Bajoekidoel in 450—700 m Höhe, (19), 
(X. 1932, IV. 1935, Lucht leg.) ; Preanger, G. Pantjalikan, 
Radjamandala, (3), (27. Vili. 1933, Toxopeus leg.) ; G. 
Tangkoeban Prahoe in 4000 — 5000 Fuss Höhe, Preanger, 
(2), (IX. 1933, Dr. leg.). — Coli. Dr., Coli. auct. 

Trypetinae 
Gattungsgruppe Hoplorhinina 

Es scheint kaum ein Zweifel möglich, dass nachstehend 
zu beschreibende Airten unter die von Pascoe aufgestellte 
Gattung Tithene zu stellen sind. Die Hauptmerkinale der 
Gattung : getrennte, weit vom Vorderrand entfernt stehende 
Vorderhüften, ferner die in einem Geschlecht, { S ), sägeartig 
skulptierte Rüsseloberseite, sind zugleich der Gattung Hoplo- 
rhinoides aus Zentral-Amerika eigen, die ihrerseits w^iederum 
der Gattung Hoplorhinus aus Südamerika nahesteht. In der 
Gattung Tithene ist das Pygidium von den Flügeldecken 
unbedeckt, — im Gegensatz zu den vorgenannten Gattungen, 
und die $ $ weisen noch eine zusätzliche Eigenart auf : die 
Tarsen und Tibien der Vorderbeine sind lang befranst. Auch 
das $ von Parimera uniformis Fst. soll befranste Tibien be- 
sitzen, ein Umstan'd, der vielleicht daraufhin deutet, dass 
diese Art ebenfalls unter Tithene gehört.. Die aufgefundenen 
Arten seien nachstehend gegenübergestellt. 

Die javanischen Arten der Gattung Tithene. 

1 (2) Punktierung des Halsschilds, {$), sehr dicht und 
auf der Scheibe von feinen Runzeln durchzogen, 
welche die Punkte miteinander verbinden ; diesen 
Runzeln schmiegt sich eine äusserst feine Behaarung 
an. Der Untergrund bezw. die Zwischenstege sehr 
fein matt punktuliert oder chagriniert. — Rüssel 
länger als die Flügeldecken, in der basalen Hälfte 
massig stark gebogen, in der vorderen Hälfte ge- 
rade. Fühler etwas hinter der Rüsselmitte ein- 
gelenkt. Das 1. und 2. Geisselglied gleichlang, je- 
des länger als der Rüssel an der Basis breit. — 
H a 1 s s c h i 1 d wohl etwas länger als breit, die 
grösste Breite wenig vor der Basis befindlich ; 
Vorderrand zylindrisch ausgezogen. Flügel- 
decken durchaus anliegend und immerhin so 
dicht behaart, dass die Färbung des Untergrunds 
einen reifartigen Schein erhält. Vordertibien vom 
basalen Drittel ab bis zur Spitze und die Tarsen 
lang zottig behaart. 

Färbung pechbraun ; die basale Hälfte der 
Mittelschenkel hellgelb. 

Philippinen: Luzon, Mt, Makiling. 
negrito Hell.i) 



Ein zweites, mir mit der Type zur Ansicht gesandtes $ weist keine 
runzlige Verbindung der Punkte des Halsschilds auf. 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 147 

2 ( 1 ) Punktierung des Halsschilds ohne Spur einer Run- 

zelung, welche einzelne Punkte kettenartig mitein- 
ander verbindet. Das 1 . Geisselglied des $ kürzer 
als der Rüssel an der Basis breit. 

3 (6) Rüssel des S oberseits mit sägezahnartiger Höcker- 

bildung. 

4 ( 5 ) Rüssel des S kaum gebogen, kräftiger ; Fühler etwas 

hinter der Rüsselmitte eingelenkt. Halsschild und 
Flügeldecken mit dunklen Längsbändern. Beim 9 
sind die Fühler im basalen Drittel eingelenkt. 

Ç : K o p f fein und sehr dicht punktiert, konisch, 
die Schläfen nicht ganz so lang wie die Augen im 
Querdurchmesser. Stirn etwas schmaler als der 
Rüssel vor der Basis, mit feinem Grübchen. R ü s- 
s e 1 etwas länger als Kopf und Halsschild zusam- 
men, massig stark gebogen, von der Seite gesehen, 
zur Spitze gleichmässig leicht verjüngt, von oben 
gesehen, parallelseitig, an der Spitze kräftig ver- 
breitert, hier fast doppelt so breit wie im übrigen 
Teil, im ganzen glänzend und nicht erkennbar 
punktiert. Fühlerfurche über die Einlenkungsstelle 
der Fühler hinaus nicht verlängert, parallel der 
Oberseite. Schaft dünn, an der Spitze keulenförmig 
verstärkt. 1. Geisselglied doppelt so lang wie breit ; 
2. Glied etwas dünner und wenig kürzer ; die übrigen 
Glieder etw^a so lang wie breit, das 7. Glied fast 
zur Keule übergehend. 1. Glied der Keule wenig 
breiter als lang, 2. Glied mehr quer, 3. Glied konisch 
spitz, so lang wie das 1 . Glied. — Halsschild 
breiter als lang, die grösste Breite im basalen Viertel 
befindlich, zur Basis wenig, nach vorn kräftig ge- 
rundet verschmälert. Vorderrand zylindrisch abge- 
setzt. Oben ziemlich flach mit feiner und sehr dichter 
Punktierung. — Schildchen fast halbrund. — 
Flügeldecken wenig länger als breit, Schul- 
tern seitlich nicht vorstehend, über den Schultern 
aber breiter als der Halsschild, nach hinten nur we- 
nig und fast geradlinig verschmälert, die Decken- 
spitzen fast abgestutzt und nur schwach gerundet. 
Punktstreifen fein, wenig vertieft ; Zwischenräume 
viel breiter als die Streifen, wie der Halsschild punk- 
tiert. — Pygidium dreieckig mit verrundeter Spitze. 
Vorder- und Hinterschenkel kräftiger als die mitt- 
leren, die Vorderschenkel kräftiger gezähnt. Vor- 
dertibien schlank und gerade, besonders die mitt- 
leren wesentlich gedrungener und zur Spitze keil- 
artig verbreitert, diese und die hinteren Tibien aussen 
vor der Spitze mit Wimperhärchen von rötlicher 
Färbung besetzt. 



148 EDUARD VOSS. EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

Färbung gelbrot, die Keule und die Schenkel 
in der Mitte oben dunkelbraun. Auf 'dem Halsschild 
ein Mittel- und je ein Seitenlängsband, die Flügel- 
decken an den Seiten ringsum und die Mitte des 
Pygidiums geschwärzt bezw. gebräunt. — Be- 
haarung anliegend staubartig. — L : 4,5 — 6 mm. 




Abb. 3. Tifhene viffata n. sp. 

$ : Rüssel gedrungener, mit drei sägeartig ge- 
zähnten Höckerkielen. Zahn der Vorderschenkel 
länger, etwas gebogen. Vordertibien innen leisten- 
artig verbreitert, bis kurz vor die Basis lang ab- 
stehend bewimpert. Die schwarze Färbung tiefer 
dunkel, oft die Naht und ein seitlicher Längsstreif 
auf dem 4. — 5. Zwischenraum parallel der Rand- 
schwärzung verlaufend. Auch die Tibien zum Teil 
schwarz. 

G. Slamat, Batoerraden, (14), (Dr., I.V. 
1928, XI. 1926, 26/29. V. 1927). — Coli. Dr., Coli, 
auct. 19. vittata n. sp. 

5 (4) Rüssel des $ ziemlich kräftig gebogen, schlanker ; 
Fühler beim $ nur wenig hinter der Rüsselmitte 
eingelenkt. Typische Exemplare weisen auf den 
Flügeldecken 4 aufgehellte Flecken auf : je einer an 
der Basis und an der Spitze der Decken. 

$ : Rüssel länger als Kopf und Halsschild 
zusammen ; auf der ganzen Länge mit feinem Mit- 
telkiel, seitlich desselben längsrunzlig punktiert. Auf 
der vorderen Hälfte seitlich mit oberständiger Hök- 
kerreihe ; ziemhch parallelseitig, an der Spitze und 
an der Fühlereinlenkung massig stark verbreitert. 
Kopf kurz konisch, Augen schwach vorgewölbt. 
Stirn wenig schmaler als der Rüssel vor der Basis, 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. H9 

hinter den Augen mit dreieckigem Eindruck ; fein 
' und dicht punktiert. Das, 1. Geisselglied kräftiger 
als die nächsten Gheder, fast doppelt so lang wie 
breit; 2. Glied etwas kürzer als das 1. Glied; 3. 
und 4. Glied wenig länger als breit ; 5. Glied kugel- 
förmig ; 6. Glied kräftig und fast \y^ mal so lang 
wie breit ; 7. Glied zur Keule übergehend. Diese 
etwa doppelt so lang wie breit. — Halsschild 
kaum länger als breit, im basalen Drittel am breite- 
sten und hier stark gerundet, nach vorn kräftig und 
geradlinig verschmälert ; Vorderrand leicht abge- 
schnürt, ziemlich kräftig und sehr dicht punktiert. 
Halsschild im übrigen fein und dicht punktiert, die 
schmalen Zwischenstege sehr fein punktuliert. — 
S c h i lid c h e n dreieckig. — Flügeldecken 
zusammen wenig länger als breit, von den Schultern 
zunächst geradlinig nach hinten, dann im Spitzen- 
teil aussen abgerundet verschmälert und schräg nach 
innen abgestutzt. Punktstreifen fein ; Zwischen- 
räume wenig gewölbt, fein und sehr dicht unregel- 
mässig punktiert. — Pygidium kurz dreieckig mit 
abgerundeter Spitze. 

? : Rüssel schlank und glänzend. Fühler mehr 
hinter der Rüsselmitte eingelenkt. Halsschild breiter 
als lang. Vorderschenkel feiner gezähnt. Flecken- 
bildung auf den Flügeldecken undeutlich. 

Färbung braun bis schwarzbraun. Körper- 
unterseite, je eine grosse basale und apikale Makel, 
welche die Naht und die Seiten der Flügeldecken 
nicht erreicht, hellgelb bis rot ; die basale Hälfte 
der Mittel- und Hinterschenkel blassgelb ; Schaft 
und Geissei rot, der Kopf aufgehellt. — Behaa- 
rung sehr dünn, anliegend. — L : 3,4 — 4,5 mm. 

Noesa Kambangan, (11), Dr., I, II. 1926) ; G. 
Slamat, Batoerraden, (14), (I, V. 1927/28., Dr. leg.). 
— Coli. Dr., Coli. auct. 20. quadrimaculata n. sp. 
6 (3) Rüssel des $ im Spitzenteil nur rauh längsrunzlig 
punktiert, die Seiten nur wenig und undeutlich auf- 
geworfen. Halsschild mit breitem, schwarzem Mit- 
telstreifen. Fühlereinlenkung beim ? dem basalen 
Drittel genähert. 

$ : Rüssel schlank, ziemlich kräftig gebogen, 
so lang wie Kopf und Halsschild zusammen, pa- 
rallelseitig, an der Fühlereinlenkung wenig, an der 
Spitze etwas mehr verbreitert. Mittellinie des Rüs- 
sels punktfrei, kaum kielartig durchgebildet ; basale 
Hälfte des Rüssels glänzend, sehr fein und dicht 
punktiert ; die vordere Hälfte kräftig längsrunzlig 
punktiert, doch, wie bereits bemerkt, nur undeut- 



150 EDUARD VOSS. EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

lieh wellig aufgeworfen. Kopf konisch mit leicht 
gerundeten Schläfen, die nicht ganz so lang wie der 
Augendurchmesser sind, fein und sehr dicht punk- 
tiert. Stirn wesentlich schmaler als der Rüssel an der 
Basis breit, mit feinem, länglichem Eindruck. F ü h- 
lej mittenständig. l.Geisselglied kräftig, etwa 13^ 
mal so lang wie breit ; 2. Glied schwächer, wenig 
kürzer ; 3. Glied kaum länger als breit ; 4. und 5. 
Glied so lang wie breit ; 6. und 7. Glied kräftiger, 
fast so lang wie breit. Keule doppelt so lang wie 
breit. — Halsschild so lang wie breit, im 
basalen Drittel am breitesten, hier stark gerundet, 
nach vorn kräftig verschmälert. Vorderrand zylin- 
drisch, hinter diesem schwach abgeschnürt. Punk- 
tierung fein und dicht ; Untergrund sehr fein punk- 
tuliert. Hinterecken seitlich etwas vorgezogen. — 
Schildchen quer, trapezförmig. — Flügel- 
decken etwa 1 3^ mal so lang wie breit, von den 
Schultern schwach und fast geradlinig nach hinten 
verschmälert. Punktstreifen massig stark ; Zwi- 
schenräume breiter als die Streifen, leicht gewölbt, 
durchweg fein und sehr dicht unregelmässig punk- 
tiert. — Pygidium massig stark und dicht punktiert. 
Vordertibien vom, basalen Drittel ab lang zottig 
behaart, ebenso die Tarsen. 

? : Rüssel schlank, kräftig und gleichmässig ge- 
bogen, erheblich länger als Kopf und Halsschild 
zusammen, an der Spitze verbreitert, sehr fein und 
zerstreut punktiert. Fühler dem basalen Rüsseldrit- 
tel genähert eingelenkt. Halsschild breiter als lang, 
die grösste Breite wenig hinter der Mitte befindlich. 
Vorderschenkel nur sehr schwach gezähnt. Tibien 
und Tarsen nicht lang behaart. 

Färbung hellrot ; Fühlerkeule, Flügeldecken 
dunkelschwarzbraun mit leicht aufgehellter Basis 
und je einem Fleck vor der Spitze ; ein breites, 
seitlich etwas gerundetes Längsband auf dem Hals- 
schild schwarz. — Behaarung sehr fein, kurz 
und anliegend. — L : 3 mm. 

G. S lam at. Batoerraden. (14), (V. 1927, Dr. 

leg.) ; Noesa Kambangan, (11), (Dr., I. 1926). — 

Coli. Dr., Coli. auct. 21. proxima n. sp. 

Der getrennten Vorderhüften wegen gehört in die nähere 

Verwandtschaft der Gattungsgruppe Hoplorhinina auch die 

folgende, unter die Gattung Parimera als fraglich gestellte 

Art: 

22. Parimera (?) dimidiata n. sp. 

Kopf halbrund mit nicht aus der Kopfwölbung vorragen- 
den Augen ; fein und dicht punktiert mit schwacher Neigung 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 151 

zur Runzelbildung, der Untergrund sehr fein und dicht punk- 
tuHert. Augen queroval. Rüssel schlank, länger als Kopf 
und Halsschild zusammen, ziemlich kräftig und gleichmässig 
gebogen, glänzend, nur undeutlich zerstreut punktiert, an 
der Spitze, (von oben gesehen), kräftig verbreitert und ab- 
geflacht. Mandibeln einfach, (nicht zweispitzig, wie bei den 
Tithene- Arten). Fühler hinter der Rüsselmitte eingelenkt, 
dem basalen Drittel des Rüssels genähert. Schaft schlank, 
an der Spitze schwach keulenförmig verstärkt. Das 1 . Geissel- 
glied auffallend lang und kräftig, an der Spitze fast so dick 
wie der Fühlerschaft, etwa 2^^ mal so lang wie an der Spitze 
dick; 2. Glied reichlich halb so lang wie das 1. Glied; die 
übrigen Glieder breiter als lang. Fiühlerkeule gedrungen, etwa 
13^ mal so lang wie breit ; das 1. Glied fast so lang wie breit, 
so lang wie die restlichen Keulenglieder zusammen. — Hals- 
schild breiter als lang, in der basalen Hälfte ziemlich 
gleichmässig gerundet, dann nach vorn konisch mit leicht 
gerundeten Seiten verschmälert. Vorderrand kurz, schwach 
abgeschnürt. Halsschild oben ziemlich flach ; fein und dicht 
punktiert, die Zwischenräume glänzend. — Schildchen 
viereckig. — Flügeldecken reichlich I3/2 ^^^ so lang 
wie breit ; in der grösseren basalen Hälfte parallelseitig, dann 
nach hinten gleichmässig verrundet, die Spitzen einzeln ge- 
rundet. Punktstreifen ziemlich kräftig, nach hinten etwas 
feiner werdend ; Zwischenräume breiter als die Streifen, leicht 
gewölbt, fein und massig dicht unregelmässig punktiert. — 
Vorderhüften schmal getrennt, (etwa Ve <i^s Hüftdurchmes- 
sers von einander entfernt stehend), vom Vorderrand kaum 
um den Hüftdurchmesser entfernt stehend. Mittelhüften um 
etwa ihren halben Durchmesser von einander entfernt stehend. 
Hinterbrust und Seitenteile kräftig und dicht punktiert, die 
schmalen Zwischenräume sehr fein und dicht punktuliert. 
Schenkel ungezähnt, Tibien aussen gerade, innen leicht ge- 
schweift. Klauen frei, ungezähnt. Pygidium zur Hälfte un- 
bedeckt, fein und weitläufig punktiert, die Zwischenräume 
chagriniert. 

Färbung rot ; Rüssel und die apikale Hälfte der Flügel- 
decken, bisweilen etwas mehr, schwarz. — Unbehaart. — 
L : 3 — 3,5 mm. 

G. S 1 a m a t, Batoerraden, (H), (Dr., XL 1926). — Coll. 
Dr., Coll. auct. 

Anscheinend liegen nur 5 5 vor, (4 Ex.). Bei der Gattung 
Telphasia Pasc, sollen die Vorderhüften nicht getrennt sein. 
Sonst würde sie hierher gehören. Im weiteren Sinne gehört 
die vorliegende Art unter die Trypetinae, wie sie andererseits 
den Erirrhininae sehr nahe steht. Es bleibt abzuwarten, wie 
die $ S sich von den $ ? unterscheiden ; vermutlich gehört 
die Art aber nicht unter die Hoplorhinina in engerem Sinne. 
Unter der Gattung Parimeca sind schon 2 Arten mit unge- 



152 EDUARD VOSS. EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

zahnten Schenkeln beschrieben worden. So wurde auch die 
vorstehende Art hier mit eingeordnet, wenn auch als fraglich. 
Der Gattung Parimera nahe und auch der Gattung Plaxes 
verwandt, - — letztere scheint übrigens unter die Tribus Py~ 
topini zu gehören, — steht das Genus Amorphoidea. Die 
auf Java aufgefundenen Arten grenzen sich folgender- 
massen ab : 

Die javanischen Arten der Gattung Amorphoidea. 

1 (2) Halsschild auf der Mitte der Seitenrundung mit 

einem eckig vorspingenden Zahn. Vorderschenkel 
ungezähnt. Eine breite Art, deren Flügeldecken 
zusammen etwa so lang wie breit sind. Färbung 
rot. Flügeldecken schwarz. (Auf Java noch nicht 
nachgewiesen). 

Neu-Guinea: Kapakapa. bicolor Fst. 

Eine einfarbig schwarze Form auf 'den 

Tenimber Inseln, (Doherty leg.) 

f. n. insularis. 

2 (1) Halsschild auf der Seitenrundung ohne Zahn. Alle 

Schenkel gezähnt. 

3 (4) Rüssel an der Basis, (von oben gesehen.) wesentlich 

schmaler als an der Spitze, oben abgeflacht, mit 
feinem Mittelkiel und ebensolchem Randkiel. Breite 
Art, ähnlich bicolor Fst. 

Färbung rot, Flügeldecken schwarz. 

Nord-Pa 1 a w a n, Binaluan. (XI— XII. 1913, 
Boettcher leg.). (?) lata Motsch. 

4 (3) Rüssel an der Spitze kaum breiter als an der Basis. 

5 (6) Schildchen abstechend weiss beschuppt. Halsschild 

rot mit breitem, schwarzem Mittelband. Die Kör- 
perunterseite seitlich sehr dicht seidenartig glän- 
zend, gelblich behaart, die Seiten des Halsschilds 
ebenfalls, aber weniger dicht. 

$ : Beine, Rüssel, Mitte des Pygidiums dunkel- 
braun. 
Philippinen: Luzon. dorsalis Fst. 

S : Rlüssel und Beine rot Halsschild rot mit 
breitem, schwarzem Mittelband. Flügeldecken und 
Pygidium tiefschwarz. Schildchen und die Naht- 
partie hinter demselben abstechend weiss behaart. 
Rüssel wenig länger als der Halsschild, von der 
Seite gesehen, zur Spitze etwas verjüngt. — ? : 
Einfarbig tiefschwarz. Die Naht hinter dem Schild- 
chen nicht heller beschuppt bezw. behaart. Rüssel 
schlank, mindestens so lang wie Kopf und Hals- 
schild zusammen. 

Java: G. Raoeng, Bajoekidoel in 450 — 700 m 
Höhe, (19), (XI. 1931, I. 1933, Lucht leg.). — 
Coli. Dr., Coli. auct. 22. f. n. javanica. 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 153 

6 (5) Schildchen nicht abstechend weiss behaart. Rüssel 
auch des ? kaum länger als der Halsschild. 

Eine der A. lata Motsch. sehr nahestehende Art 
von gleicher Färbung, sich aber durch schlankere 
Gestalt und dadurch unterscheidend, dass der Hals- 
schild im basalen Drittel am breitesten ist und sich 
zur Basis gerundet verschmälert, während er bei 
lata wenig vor der Basis am breitesten und hier nur 
sehr kurz verrundet ist. 

Auch der Rüssel des $ ist oben kaum abgeplat- 
tet und ohne deutliche Kielbildung, von der Basis 
zur Spitze nur sehr v/enig verbreitert, sehr fein 
längsrunzlig skulptiert. Fühler vor der Rüssel- 
mitte eingelenkt, beim $ von lata in der Mitte des 
Rüssels. Beim $ wenig länger, etwas mehr gebo- 
gen, glänzender und die Fühler nur undeutlich vor 
der Rüsselmitte eingelenkt. 

Färbung rot ; Flügeldecken, Schildchen und 
Pygidium schwarz. — Oben sehr dünn und fein 
anliegend behaart ; in der sehr dichten Punktierung 
der Unterseite befindet sich in jedem Punkt ein 
feines kurzes Schuppenhärchen von gelbseidenem 
Glanz. — L : 3,4 — 3,5 mm. 

G. Slamat, Batoerraden, (14), (VIII. 1925/26, 
Dr. leg.). — Coli. Dr., Coli. auct. 

23. semirubra n. sp. 
Tanysphyrinae. 

24. Tanysphyrus major Roel. f. n. picipes. 
Aus der von Roelofs, (Ann. Soc. Ent. Belg., 1873, p. 125), 
gegebenen Beschreibung wie aus der von Kôno, (Ins. Mats. 
V. 1930, p. 1), aufgestellten Bestimmungsübersicht von T. 
major Roel. und lemnae F. lässt sich nicht auf morphologische 
Abweichungen der vorliegenden javanischen Exemplare von 
major schliessen. Die Beine sind jedoch einfarbig pechbraun 
und nur die Fühler rot. Auch scheint die Schuppenzeichnung 
insofern abzuweichen, als die ersten drei Zwischenräume bis 
hinter die Mitte der Decken unbeschuppt sind, sodass ein 
längliches dunkles Viereck entsteht ; nur auf dem 3. Zwi- 
schenraum findet sich ein kleiner viereckiger Schuppenfleck. 
Ob weitere morphologische Merkmale, die auf eine be- 
sondere Art schliessen lassen würden, feststellbar sind, lässt 
sich nur durch Vergleich von japanischen Arten mit der vor- 
liegenden Form überprüfen. L : 2 — 2,5 mm. 

G. Gontoer, (1), (Dr., IX. 1925) ; Preanger, Bandoeng- 
Dago, (Dr., I. 1931, IV, 1931, XI, 1926). — Coll. Dr., 
Coll. auct. 

Laemosaccinae. 

Der Umstand, dass die nachstehend zur Beschreibung ge- 



154 EDUARD VOSS. EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

langenden Arten die ersten van Java bezw. Sumatra be- 
kannt gewordenen Arten sind, lässt die Vermutung aufkom- 
men, dass es sich hier um eingeschleppte Arten handelt. Eine 
Durchsicht der bisher von Australien und den M o- 
1 u c c e n gegebenen Artbeschreibungen scheint dem aber 
zu widersprechen. Nachstehend sei daher eine Beschreibung 
der in Frage kommenden Arten gegeben. 

25. Laemosaccus leucopectoralis n. sp. 

$ : Kopf schwach konisch gerundet, fein und dicht 
punktiert, der Untergrund sehr fein matt chagriniert. Augen 
wenig aus der Kopfwölbung vorragend, auf der Stirn bis 
auf die Dicke des Fühlerschaftes an der Spitze einander 
genähert. Schläfen nur etwa halb so lang wie die Augen. 
Rüssel doppelt so lang wie breit, kräftig, fast parallel- 
seitig, in der Spitzenhälfte etwas breiter als in der basalen, 
schwach gebogen. Punktierung stark und sehr dicht, die 
Punkte am Grunde fein mattiert. Fühler wenig vor der 
Rüsselmitte eingelenkt, die Fühlerfurche hier von oben sicht- 
bar. Schaft die Augenmitte nicht ganz erreichend. Das 1. 
Geisselglied kräftig, wenig länger als breit ; 2. Glied \]/2 
mal so lang wie das 1. Glied ; 3. Glied etwa so lang wie 
breit, die restlichen quer. Keule kräftig, spindelförmig, so 
lang wie die Geissei ; 1 . Glied so lang wie breit, verkehrt 
kegelförmig ; 2. Glied breiter als lang ; 3. Glied mit dem 
Endglied etwas länger als das 1 . Glied. — Halsschild 
breiter als lang, seitlich ziemlich kräftig und gleichmässig 
gerundet, zum Vorderrand schärfer zugerundet, dieser kurz 
zylindrisch abgesetzt. Im vorderen Drittel kräftig gewölbt, 
(von der Seite gesehen). Punktierung kräftig und sehr dicht, 
wabenartig, der Grund der Punkte mattiert. Basis des Hals- 
schilds nur schwach und breit gerundet vorgezogen. — 
Schildchen eingesenkt, breiter als lang. — Flügel- 
decken so lang wie breit, parallelseitig, breiter als der 
Halsschild, in der Mitte der Länge nach muldenartig ver- 
tieft, die Spitze nur breit und flach gerundet. Punktstreifen 
fein, linienartig gefurcht ; Zwischenräume breit und flach, 
jeder zwei- bis dreireihig fein granuliert. — Vorderhüften 
um etwa Rüsselbreite getrennt. Vorderbeine viel kräftiger 
und länger als die übrigen. Alle Schenkel spitz gezähnt. 
Tibien breit, flach, wie die Schenkel sehr stark, runzlig punk- 
tiert, aussen massig stark gebogen und in einen langen Dorn 
auslaufend, innen fast gerade, mit kurzem Enddorn und 
langen Büschelhaaren. 

$ : Fühler mehr dem Spitzendrittel des Rüssels genähert ; 
die Augen schmaler getrennt. 

Färbung schwarz. — Hinterbrust mit Seitenteilen, so- 
wie seitlich das 2. — 4. Abdominalsegment dicht weiss be- 
schuppt. — Pygidium mit dunklen, kurzen, abstehenden Här- 
chen dicht besetzt. — L : 3,2 — 5 mm. 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 155 

Zuid-Banjoemas, Koebangkangkoeng in 25 m Höhe, (16), 
(Dr., 31. I. 1932) G. Tjisoeroe, Preanger, Djampang Ten- 
ga! in 2000' Höhe, (X. 1932, XI. XII. 1934, I. 1935, Mrs. 
E. Walsh leg.). — Coll. Dr., Coll. auct. 

26. Laemosaccus copturoides n. sp. 

5 : Kopf wenig schlanker als bei der vorigen Art, 
massig stark und sehr dicht punktiert. Augen mehr gewölbt 
und einander mehr genähert als bei dieser. Rüssel etwas 
länger als der Halsschild, wenig gebogen, zylindrisch, vor 
der Mitte etwas verschmälert und zur Spitze auf etwas grös- 
sere Breite als zur Basis erweitert, glänzend, vorn sehr fein 
und zerstreut, im basalen Teil kräftiger und sehr dicht punk- 
tiert. Fühler etwas hinter der Rüsselmitte eingelenkt. 
Schaft dünn und die Rüsselbasis nicht erreichend. Das 1. 
Geisselglied kräftig, \}/2 mal so lang wie breit; 2. Glied so 
lang wie das 1 . Glied ; die übrigen Glieder quer. Keule so 
lang wie die Geissei. — Halsschild so lang wie breit, 
seitlich fast geradlinig, nur in der Mitte leicht eingezogen, 
nach vorn schwach verschmälert, zur Basis kurz zugerundet, 
zum Vorderrand etwas unvermittelt abgesetzt, dieser kurz 
zylindrisch. Punktierung massig stark, sehr dicht, teilweise 
runzlig verlaufen. — Schildchen weniger eingesenkt als 
bei der vorigen Art ; anscheinend mehr dreieckig mit nach 
unten gebogener Spitze. — Flügeldecken wie bei leu- 
copectoralis gebildet, die Granulierung auf den Zwischen- 
räumen einreihig, mehr quer raspelartig nach hinten abge- 
setzt. — Pygidium grösser. Vordertibien weniger gedrun- 
gen, in der Mitte innen schwach gerundet verbreitert. Tarsen 
viel schlanker und dünner. Vorderhüften näher zusammen- 
stehend. 

S : Rüssel nur so lang wie derjenige des 2 vor der Fühler- 
einlenkung, auch vorn kräftig und sehr dicht punktiert. Füh- 
ler etwas kräftiger. 

Färbung pechbraun ; Fühler und Tarsen rotbraun. — 
Die Schuppen der Unterseite und der Halsschildseiten tief 
fächerartig geschlitzt, auf der Mitte der Abdominalsegmente 
nur locker beschuppt. Die Mitte des Halsschilds mit breiterem 
Längsband aus ockergelben Härchen, die der Länge nach 
angeordnet sind, beiderseits der Mitte im basalen Drittel mit 
einem runden Haarfleck, aus locker angeordneten Härchen 
bestehend. Auf den Flügeldecken an der Basis 'des 2. — 4. 
Zwischenraums kurze Schuppenlinien aus ockergelben, längs- 
angeordneten Härchen bestehend, ebenso ein kleiner Fleck 
hinter der Mitte des 4. Zwischenraums, auf dem 6. und 7. 
Zwischenraum vom basalen Viertel bis zum apikalen Viertel, 
auf dem 6. Zwischenraum in der Mitte unterbrochen, ferner 
die Flügeldeckenspitzen umrandet ; die Naht auf der basalen 
Hälfte mit dicht angeordneten, quergelagerten, ockergelben 
Schuppenhärchen bekleidet, auf der hinteren Hälfte ebenso 



156 EDUARD VOSS. EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

mit der Länge nach angeordneten Härchen besetzt. — L : 
3,5 — 5,5 mm. 

Süd-S u m a t r a : Gg. Tanggamoes, Oeloebeloe in 500 — 
1500 Fuss Höhe, (3. VI. 1929, Dr. leg.). — Coli. Dr., Coli, 
auct. 

Bariina c. 

27. Parallelodemas tarsalis n. sp. 

9 : Kopf halbkugelförmig mit aus der Kopf,wölbung 
nicht vorragenden Augen, massig stark und sehr dicht punk- 
tiert. Stirn etwas breiter als der Rüssel an der Basis. Rüs- 
sel etwa \]/2 mal so lang wie Kopf und Halsschild zu- 
sammen, stark und gleichmässig gebogen, walzenförmig, im 
vorderen Drittel schlank verengt und zur Spitze wieder ver- 
breitert ; vom Kopf kräftig abgesetzt. Im basalen Teil oben 
bis zur Fühlereinlenkung mit je einer Längsfurche beider- 
seits der Mitte, ohne dass die Mittelpartie dadurch aber 
kielartig erscheint. Punktierung fein, gereiht, dicht, die Mitte 
bleibt durchweg punktfrei. Mandibeln lang, spitz, innen 
wenig geschweift, aussen leicht konvex gerundet. Fühler 
hinter der Rüsselmitte eingelenkt, näher der Mitte als dem 
basalen Drittel. Schaft schlank und dünn, die Augen wohl 
nicht ganz erreichend. 1. und 2. Geisselglied von annähernd 
gleicher Länge, jedes mindestens doppelt so lang wie breit ; 
die übrigen Glieder quer. Keule fast so lang wie die letzten 
vier Geisselglieder zusammen, das 1. Glied so lang wie breit 
und so lang wie die restlichen zusammen. — Halsschild 
nicht ganz so lang wie breit ; im mittleren Teil kaum ge- 
rundet, schwach konisch, zur Basis wenig, zum Vorderrand 
mehr verschmälert, letzterer leicht konisch abgesetzt. Oben 
massig gewölbt, massig stark und dicht punktiert mit schma- 
len, glänzenden Zwischenräumen. Mitte der Basis nur 
schwach zum Schildchen vorgezogen. — Schildchen 
quer, viereckig. — Flügeldecken etwa 1 ^ mal so 
lang wie breit, parallelseitig, kaum breiter als der Halsschild. 
Punktstreifen fein linienförmig gefurcht. Zwischenräume viel 
breiter als die Streifen, flach ; die flachen, queren Punkte 
durch schmale, raspelartige Zwischenstege getrennt. — Py- 
gidium halbrund, massig stark und sehr dicht punktiert. 
Schenkel ungezähnt ; Vordertibien schlank und gerade ; 
Mittel- und Hintertibien kürzer, an der Spitze aussen etwas 
verbreitert. Das 2. Tarsenglied doppelt so breit wie lang ; 
3. Glied breit blattartig ; 4. Glied dünn, die Klauen klein, 
frei, wenig gespreizt. 

$ : Rüssel wenig länger als Kopf und Halsschild zu- 
sammen, gleichmässig sehr dicht punktiert. Fühler mitten- 
ständig. Flügeldecken reichlich \]/2 mal so lang wie breit. 

Vorderhüften um nicht ganz ihren Durchmesser von ein- 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 157 

ander entfernt und vom Vorderrand des Halsschilds um 
ihren doppelten Durchmesser entfernt stehend. 

Färbung schwarz. — Unterseite massig dicht greis 
beschuppt. Auf den Zwischenräumen mit einer Reihe kleiner, 
anliegender Schuppenhärchen besetzt, die an der Flügel- 
deckenbasis etwas kräftiger und dichter angeordnet sind. — 
L : 4 — 6 mm. 

Preanger, G. Tjisoeroe, Djampang in 2000' Höhe, 
(XII. 1934, I. 1935, Mrs. E. Walsh leg.). — Coll. Dr., 
Coll. auct. 

Faust, (Ann. Mus. Civ. Genova, XIV, 1894, p. 307), 
weist auf die Verschiedenartigkeit der Ausbildung des 3. 
und 4. Tarsengliedes der ihm bekannt gewordenen Arten 
der Gattung Parallelodemas hin, und die vorliegende Art 
scheint eine weitere Bestätigung der Ausbildungsmöglichkeit 
in dieser Hinsicht zu bilden. Andererseits scheint unter den 
vielen aufgestellten Gattungen nach den von Faust ge- 
gebenen Charakteren zu urteilen, Parallelodemas die für diese 
Art zutreffende Gattung zu sein. Nach der von P a s c o e 
(Journ. Linn. Soc. XII, 1873, p. 66), gegebenen Gattungs- 
übersicht würde unsere Art in die Nähe von Myctides Pasc, 
einzuordnen sein. 

Cryptorrhynchinae. 

Alle nachstehend aufgeführten Arten wurden nach der 
von Heller, (Philipp. Journ. Sei.. XIX, 1921, p. 557), 
gegebenen Gattungsübersicht bearbeitet. Sie stehen einander 
verwandtschaftlich nahe und zeigen zugleich die progressive 
Umbildung des Mesosternums zur Aufnahme des Rüssels 
in der Ruhelage. 

Alle Arten haben freie Krallen, nur schmal getrennte 
Vorderhüften, 7-gliedrige Fühlergeissel. Halsschild und Flü- 
geldecken weisen höckerartige Erhebungen auf, die durch 
Schuppenpolster, aufstehende Schuppen oder Schuppenbor- 
sten und in einem Fall durch lange borstige Behaarung 
ausserdem ausgezeichnet sind. 

Fast bei allen Arten sind die Trennungsnähte der ein- 
zelnen Segmente der Mesothorax-Unterseite gut erhalten, 
sodass die durch die fortschreitende Einbuchtung des 
Mesosternums erfolgende Verlagerung derselben gut sicht- 
bar ist. 

Die nachstehend zu beschreibenden Arten sind folgenden 
Gattungen zugewiesen worden : 

Solobrachis Desbr. 

Die unter diese Gattung fallenden Arten unterteilen sich 
wie folgt : 
1 (2) Die seitlichen Fortsätze des Mittelstücks hinter den 
Vorderhüften weisen einen seichten Schrägein- 



158 EDUARD VOSS. EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

druck auf. Schildchen beschuppt. 

1. Solobrachidius subg. n 
2 ( 1 ) Die beiden Antecoxalfortsätze des Mittelstücks 

zwischen den Mittelhüften ohne Eindruck. Schild- 
chen unbeschuppt. 

2. Solobrachis s. str. 
1 . Untergattung : Solobrachidius. 

1 (4) Tibien innen gerade, ohne zahnartige Erweiterung. 

Die subbasalen Warzen auf dem 3. Zwischenraum 
der Flügeldecken nicht schwarz beborste,t. 

2 (3) Ausser der subbasalen Schwiele auf dem erweiter- 

ten 3. Zwischenraum der Flügeldecken sind nur 
kleine, undeutliche Erhebungen vorhanden, die 
eine aufstehende Borstenschuppe tragen. 

$ : Rüssel etwa so lang wie die Rücken- 
mittellinie des Halsschilds, gleichmässig gebogen, 
vom Scheitel durch einen seichten Eindruck abge- 
setzt, nur an der Spitze leicht verbreitert, sonst 
parallelseitig, in der basalen Hälfte beschuppt, vorn 
fein und dicht punktiert. Fühler mittenständig. 
1. Geisselglied kräftig, länger als breit: 2. Glied 
viel dünner, von gleicher Länge wie das 1. Glied : 
3. und 4. Glied noch länger als breit, die übrigen 
so lang wie breit. Keule verhältnismässig schlank, 
doppelt so lang wie breit, — Halsschild quer, 
an der Basis am breitesten, von hier geradlinig nach 
vorn verschmälert, über der Mitte kräftig abge- 
setzt, sodass der vordere Teil stark verschmälert 
ist (vor der Abschnüring seitlich je eine kleine 
Erhebung, die aus den Seitenkonturen nicht her- 
austritt). Punktierung kräftig und dicht, die schma- 
len Zwischenräume sehr fein punktiert. — Schild- 
chen viereckig, ziemlich klein. — Flügeide k- 
ken reichlich 13^2 ^^^ so lang wie breit, bis zum 
Spitzendrittel paralellseitig, dann gleichmässig, ge- 
meinsam verrundet. Punktstreifen massig stark ; 
Zwischenräume viel breiter als die Streifen, leicht 
gewölbt. Auf dem 3. Zwischenraum subbasal eine 
kräftigere, längliche Schwiele, sonst auf dem 3., 5. 
und 7. Zwischenraum mehr oder weniger weitläufig 
angeordnet einige kleinere rundliche Buckelchen, 
die eine aufstehende Schuppe tragen. — Schenkel 
kaum gekeult, mit ziemlich feinem Zähnchen ; Ti- 
bien an der Basis winklig abgebogen, sonst gerade, 
parallelseitig. 

Beim $ der Rüssel etwas mehr gebogen, die 
Glieder der Fühler-Geissel gedrungener. 

Färbung dunkel rotbraun ; Fühler und Tar- 
sen rot. — Beschuppung schmutzig greis. Beine und 
Halsschild nur mit feinen Börstchen besetzt, auf 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 159 

den Flügeldecken die wenigen kurz abstehenden 
Borstenschuppenartig. — L : 3,2 — 4 mm. 

Nord-Pala wan: Binaluan, (XI— XII. 1913, 
Boettcher leg.). — In meiner Sammlung. 

subverrucosus n. sp. 

3 (2) Auf dem 3. Zwischenraum der Flügeldecken sind 

ausser der subbasalen Schwiele noch je zwei weitere 
Erhebungen dichter büschelartig abstehend be- 
schuppt, auf dem 5. und 7. Zwischenraum ebenfalls 
massig starke Erhebungen mit Gruppenbeschup- 
pung ; auch hinter der Halsschildabschnürung ein 
schmal getrenntes Schuppenbüschelfeld, ebenso der 
Vorderrand beiderseits der Mitte reicher und länger 
abstehend beschuppt. 

Rüssel etwas länger als der Halsschildrücken, 
seitlich gesehen, von der Basis zur Spitze schwach 
verjüngt, gleichmässig gebogen. Von oben gesehen 
breiter ; an der Spitze schwach verbreitert. Auf der 
basalen Hälfte schliessen 5 feine Längskiele breitere, 
flache Längsfurchen ab. Vorn glänzend, massig 
stark und dicht punktiert. Fühler mittenständig ; 
ganz ähnlich der vorigen Art gebaut, das 5. — 7. 
Glied jedoch breiter als lang ; Keule gedrungener 
oval, nur \]/2 mal so lang wie breit. — Hals- 
schild wie bei der vorigen Art gebaut, hinter der 
Abschnürung jedoch, wie erwähnt, vier Erhebungen. 
— Flügeldecken gedrungener, nur 1 ]/2 "^^^^ 
so lang wie breit. Punktstreifen und Zwischenräume 
wie bei der vorigen Art. — Tibien und Tarsen eben- 
falls ähnlich der vorhergehenden Art gebaut. 

Färbung schwarzbraun. Fühler und Tarsen 
rotbraun. — Beschuppung bräunlichgreis. Die ab- 
stehenden Schuppen breit und flach. — L : 4 mm. 

Java: G. Raoeng, ,,Bajoekidoel" in 450 — 700 m 
Höhe, (III— IV. 1934, H. Lucht leg.). — Coli. 
Dr., Coli. auct. 28. dispar n. sp. 

4 ( 1 ) Tibien in der Mitte innen stumpf gezähnt, die vor- 

deren im ganzen doppelt geschweift. Die zwei in- 
neren Erhebungen auf der Mitte des Halsschilds 
und die subbasalen Schwielen auf dem 3. Flügel- 
deckenstreif tiefschwarz abstehend beschuppt. 

Rüssel kaum so lang wie der Halsschild, ziem- 
lich kräftig gebogen, verhältnismässig breit, parallel- 
seitig, von der Fühlereinlenkung ab zur Spitze 
schwach verbreitert ; ziemlich kräftig und sehr dicht 
punktiert. Fühler vor der Rüsselmitte eingelenkt, 
dem Spitzendrittel mehr genähert als der Mitte. 
Schaft schlank und zur Spitze massig gekeult ver- 
dickt. Das 1, Geisseiglied kräftig, \]/2 mal so lang 



160 EDUARD VOSS. EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

wie breit ; 2, Glied dünner, so lang wie das 1. Glied ; 
3, und 4, Glied wenig länger als breit ; 5. und 6. 
Glied etwa so lang wie breit ; 7. Glied kräftiger, 
etwas breiter als lang. Keule etwa 13/2 "^^1 so lang 
wie breit, das 1. Glied reichlich so lang wie die 
restlichen zusammen, etwas schräg zugeschnitten. — 
H a 1 s s c h i 1 d fast so lang wie breit, in der basalen 
Hälfte parallelseitig, dann abgesetzt und vorn im 
Halbkreis gerundet. Hinter der Abschnürung mit 4 
kräftigen Erhebungen, von denen die , seitlichen 
nicht über den Seitenrand hinausragen. — Schild- 
chen klein, beschuppt. — Flügeldecken 13^2 
mal so lang wie breit, bis wenig hinter der Mitte 
parallelseitig, dann gemeinsam verrundet. Punkt- 
streifen ziemlich kräftig, die Zwischenräume breiter 
als die Streifen, leicht gewölbt. — Schenkel nur fein 
gezähnt, kaum gekeult, 

Färbung pechbraun ; Fühler rötlich. — 
Beschuppung bräunlichgreis, auf dem Halsschild mit 
Ausnahme eines geschwärzten basalen Dreiecks, 
gelblich, ebenso die Schultern vorn und der 3. Zwi- 
schenraum vor der schwarzen Schwiele gelblich be- 
schuppt ; bräunlichgelb ist eine ovale Ringpartie auf 
der Mitte der basalen Hälfte und ein Querband 
hinter der Mitte der Decken, sowie ein Querflecken 
vor der Spitze der Flügeldecken. Auch die Schen- 
kel sind leicht schattig beringt. Auf allen Zwischen- 
räumen befinden sich massig dicht angeordnete 
pustelartige Erhebungen, die je die Breite eines 
Zwischenraums beanspruchen und auf denen je 
eine abstehende, meist schwärzliche Schuppenbor- 
ste angeordnet ist. — L : 3,8^ — 4 mm. 
Palawan: Binaluan, (XI— XII, 1913, B o e 1 1- 
c h e r leg.). — nigromaculatus n. sp. 

2. Untergattung : Solobrachis sens. str. 
1 (2) Flügeldecken ohne nennenswerte Aufwölbungen, 
lediglich der 3. und 5. Zwischenraum subbasal etwas 
mehr gewölbt. Auch die vier Pusteln auf dem Hals- 
schild, wie üblich quer über die Mitte verteilt, wenig 
erhaben. Zwischenräume breit und flach. Schenkel 
ziemlich kräftig gezähnt ; alle Tibien aussen im ba- 
salen Drittel stumpf gezähnt. 

Schuppenkleid bräunlichrot ; ein basales Dreieck 
auf dem Halsschild und die Spitzenpartie der Decken 
geschwärzt. Die abstehenden Schuppenborsten 
schwarz ; sie sind auf den zwei mittleren Hals- 
schildpusteln, am vorderen Rande des Halsschilds 
und auf der Mitte des 3. Zwischenraums der Flügel- 
decken etwas dichter gruppiert. — L : 5,3 mm. 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 161 

Philippinen: Mt. Banahao, (Baker leg. ) . 
Typus Mus. Dresden. modestus Hell. 

2 ( 1 ) Flügeldecken mit kräftigen Erhebungen. Tibien im 

basalen Teil aussen nur einfach gerundet. 

3 (4) Rüssel schlanker, kaum dicker als die Vordertibien. 

Flügeldecken auch auf der hinteren Hälfte mit 
kräftigen, gruppenweise beschuppten Erhebungen 
und hinter der Mitte ohne weisse Schuppenzeich- 
nung. 

R ü s s e 1 so lang wie Kopf und Halsschild zusam- 
men, massig stark gebogen, glänzend ; von der Seite 
gesehen, zur Spitze gleichmässig verjüngt. Im ba- 
salen Drittel mit Mittelkiel und seitlich gereihter 
kräftiger und dichter Punktierung, vorn sehr fein 
und zerstreut punktiert. Fühler wenig hinter der 
Rüsselmitte eingelenkt. Schaft von der Mitte an 
schlank keulig verdickt. 1. Geisselglied 1^^ mal so 
lang wie breit ; 2. Glied am längsten^ schlank, etwa 
\]/2 mal so lang wie das 1. Glied; 3. Glied halb 
so lang wie das 2. Glied ; die restlichen wenig 
kürzer als das 3. Glied. Keule doppelt so lang wie 
breit, das 1. Glied länger als die restlichen Glieder 
zusammen. — Halsschild etwas breiter als 
lang ; in der basalen Hälfte parallelseitig, dann 
konkav nach vorn verschmälert, nicht ausgesprochen 
abgeschnürt. Vorn an der Spitze mit zwei, über 
der Mitte mit vier quer verteilten Gruppenanhäu- 
fungen von blattartigen, abstehenden Schuppen. 
Punktierung massig stark, dicht und tief. — 
Schildchen viereckig, muldenförmig vertieft. 
— Flügeldecken \]/2 mal so lang wie breit, 
bis über die Mitte parallelseitig, an der Spitze etwas 
schnabelartig vorgezogen. Punktstreifen linienförmig 
gefurcht ; Zwischenräume viel breiter als die Strei- 
fen. Grössere Anhäufungen von blattartig heraus- 
wachsenden Schuppengruppen finden sich auf dem 
3, Zwischenraum drei, auf dem 5. Zwischenraum 
vier. Die subbasale Erhebung auf dem 3, Zwischen- 
raum ist doppelt so lang wie die in gleicher Höhe 
auf dem 5, Zwischenraum beginnende, sodass die 
2. und 3. Erhebung auf dem 5. Zwischenraum in 
der Mitte zwischen der ersten und zweiten, bezw. 
zweiten und dritten Erhebung auf dem 3. Zwischen- 
raum versetzt sich befinden. Die vierte Erhebung 
auf dem 5. Zwischenraum ist zugleich die subapikale 
Schwiele auf der Verbindungsstelle mit 'dem 6. 
Zwischenraum. Schenkel ziemlich kräftig gezähnt. 

Färbung pechbraun, Rüssel rotbraun, Fühler 
und Tarsen rötlich. — Anliegende Beschuppung 



162 EDUARD VOSS. EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

bräunlichgreis, die abstehende braun. Ausser den 
Schuppengruppen finden sich überall noch einzelne 
abstehende Schuppen eingesprengt. Kopf, Beine, 
Seiten des Halsschilds mit abstehenden Borsten. — 
L : 4,5—5,5 mm. 

$ : Rüssel etwas kräftiger und nur so lang wie 
der Halsschild. 

Java: G. Slamat, Batoerraden, (14), (Dr., 22. 
11.1932) ; G. Raoeng, Bajoekidoel in 450—700 m 
Höhe, (19), (IV. 1934, Lucht leg.) ; K. O. Bla- 
wan, Idjen-Plateau in 900—1500 m Höhe, (XII. 
1933, Lucht leg.); G. Tangkoeban Prahoe in 
4000—5000 Fuss Höhe, (2), (Dr., V. 1934). — 
Coli. Dr., Coli. auct. 29. verrucosus n. sp. 

4 (3) Rüssel breiter und kürzer, viel breiter, (wohl dop- 
pelt so breit), als die Tibien. Auf der hinteren 
Deckenhälfte ohne grössere, mit Schuppen be- 
büschelte Erhebungen und auch die schwache sub- 
apikale Schwiele einfach. Hinter der Mitte der 
Flügeldecken mit weisser, v-förmiger Schuppen- 
zeichnung. 

Rüssel etwa 33/2 ^^^ so lang wie breit, ziem- 
lich kräftig gebogen, parallelseitig, im basalen Teil 
mit 5 Längskielen, welche breite, flache Längsfur- 
chen abgrenzen ; vorn ziemlich kräftig und dicht 
punktiert. Fühler vor der Rüsselmitte einge- 
lenkt. Die Spitze des Schaftes erreicht nicht ganz 
die Augen. Das 1, Geisselglied kräftig, länger als 
breit ; 2. Glied länger als das 1. Glied ; die übrigen 
Glieder so lang wie breit, nur das 5. Glied wenig 
kürzer. Keule kräftig, mindestens doppelt so lang 
wie breit, — Halsschild breiter als lang, an 
der Basis am breitesten, in leichter Rundung nach 
vorn verschmälert, der Vorderrand leicht abge- 
setzt. Ueber der Mitte mit vier Erhebungen, von 
denen die seitlichen schwächer ausgebildet sind. 
— Schildchen quadratisch, unbeschuppt. • — 
Flügeldecken nur etwa 1 34 ^^^ so lang wie 
breit, bis zur Mitte parallelseitig, dann gemeinsam 
verrundet. Punktstreifen massig stark ; Zwischen- 
räume viel breiter als die Streifen, leicht gewölbt, 
der 3., 5. und 7. Zwischenraum mehr gewölbt. 
Schultern kräftig gerundet aufgewölbt, ebenso eine 
subbasale Schwiele auf dem 3. und 5. Zwischen- 
raum. Kurz vor und hinter der Mitte der Flügel- 
decken eine ähnliche Aufwölbung auf dem 3. Zwi- 
schenraum, ausserdem kleine Aufwölbungen auf 
dem 3., 5. und 7. Zwischenraum, die nach hinten 
zu verebben. — Schenkel ziemlich kräftig gezähnt ; 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 163 

Tibien innen leicht doppelt geschweift, sie sind 
länger als bei den vorhergehenden Arten. 

9 (?) : Fühler in der Rüsselmitte eingelenkt. 

Färbung pechbraun ; Fühler und Tarsen rot- 
braun. — Schuppen auf dein Halsschild gross, rund, 
auf den Flügeldecken und der Unterseite nur klein. 
Die vordere Halsschildkante beiderseits der Mitte 
trägt wenige, die beiden Erhebungen auf der Hals- 
schildmitte, die drei Erhebungen auf dem 3. Flügel- 
decken-Zwischenraum sowie die subbasale Erhe- 
bung auf dem 5. Zwischenraum tragen zahlreiche 
blattartig aufstehende Schuppen von bräunlicher 
Färbung, ausserdem finden sich überall einzelne 
kürzere Borsten von dunkler oder greiser Färbung 
eingestreut. Halsschild- und Flügeldeckenbasis sind 
gelblichweiss beschuppt, ein v-förmiges Zeichen 
hinter der Mitte der Decken kreideweiss, vor die- 
sem eine dreieckförmige Zeichnung bräunlich ; im 
übrigen etwas schmutziggreis gefärbt. Schenkel 
schwach beringt. — L : 4,5 — 6 mm. 

Java: G Slamat, Batoerraden (14), (I, IV, V, 
XII, 1932/33., Dr. leg.). — Coli. Dr., Coli. auct. 

30. v-signum n. sp. 

Exapries gen. nov. 

Vorderbrust mit scharf begrenzter Rüsselfurche vor den 
Hüften, diese um etwa 1/3 ihres Durchmessers getrennt. 
Mittelbrust nur seicht eingedrückt, der Intercoxalfortsatz aber 
fast senkrecht aufsteigend, ohne seitliche Begrenzung, ähn- 
lich wie in der Gattung Solobrachis s. str. gebildet. Rüssel 
reichlich dreimal so lang wie breit, fast gerade. Fühler vor 
der Rüsselmitte eingelenkt ; 7-gliedrig. 2. Geisselglied kürzer 
als das sehr kräftige erste Glied. Keule nicht ganz doppelt 
so lang wie breit, das 1. Glied fast doppelt so lang wie die 
restlichen. Mandibeln zweispitzig. Halsschild quer, seitlich 
stark lappenartig erweitert ; die Mitte mit hohem Höcker- 
kamm. Schildchen klein, unbeschuppt. Flügeldecken mit ho- 
hen Höckern und Schwielen, die wie der Halsschild lang 
beborstet sind. Tibien gedrungen, an der Basis abgewinkelt, 
sonst gerade, mit Aussendorn. Tarsen gedrungen, 3. Glied 
breit gelappt ; Klauen frei. Abdomen ähnlich wie bei Solo^ 
brachis gebildet. Zwischen den dichten und langen Borsten 
mit einer Kruste verklebt, die Einzelheiten schwierig erken- 
nen lässt. 

Genotypus : Exapries horridus m. 

Heimat : Java. 

31. E. horridus n. sp. 

Stirn so breit wie der Rüssel an der Basis. Rüssel 



164 EDUARD VOSS. EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

wenig gebogen, beschuppt, (an abgeriebenen Stellen ziemlich 
kräftig punktiert und zwischendurch sehr fein und dicht 
punktuliert). Fühlerfurche vorn von oben etwas sichtbar; 
von der Rüsselspitze schräg, fast gerade zur Augenunter- 
seite gerichtet. Fühler etwa im apikalen Drittel einge- 
lenkt. Schaft schlank, an der Spitze schwach gekeult. Das 1 . 
Geisselglied kräftig, \]/2 mal so lang wie breit; 2. Glied 
schwächer und wesentlich kürzer ; die übrigen Glieder quer, 
das 7. Glied kräftiger. H a 1 s s c h i 1 d quer, in der basalen 
Hälfte seitlich ohrenförmig gelappt und lang beborstet, die 
Mitte mit dreieckigem Borstenhöcker, überall mit langen 
Borstenbüscheln, die aus den schwierig zu bestimmenden 
Erhebungen ,, herauswachsen". — Schildchen klein, 
kahl. — Flügeldecken in den Konturen unbestimmt, 
etwa lyî mal so lang wie breit, hinten etwas schnabelartig 
ausgezogen. Auf der basalen Hälfte mit 3 Schwielen, aus 
denen lange, dicht verklebte Borstenreihen büschelartig auf- 
stehen. Anscheinend auf dem 3., 5. und 7. Zwischenraum 
befinden sich auf der hinteren Flügeldeckenhälfte noch je 
2 hohe Höcker, die je einen Borstenbüschel entsenden, auf 
dem 7, Zwischenraum aber mehr bürstenartig angeordnet 
sind. Tibien gedrungen, parallelseitig, gerade, an der Basis 
winklig abgebogen. Schenkel fein gezähnt. 




Abb. 4. Exapries horridiis n. sp. 

Färbung pechbraun ; Fühler, Schaft und Geissei röt- 
lich. — Beschuppung amorph, schmutzig-greis. — L : 
4,5—5,8 mm. 

G. Tjikoendoel, Soekaboemi in 400 — 700 m Höhe, (III. 
1933, Verbeek leg.) ; Preanger, Djampangs in 2000' 
Höhe, (I. 1935, Mrs. E. Walsh leg.). 
Dcretiosomimus Hell. 

Nachstehend vergleiche ich eine javanische Art mit der 

Genotype und einer dritten Art von Sumatra. 

1 (2) Die erste Schwiele auf dem 3. Zwischenraum der 

Flügeldecken bleibt um mindestens ihre Länge von 

der Flügeldeckenbasis entfernt. Der Seitenlappen 



KENNTNIS DER CURCULIONIDEN JAVAS. 165 

läuft hinten nur leicht geschweift an die Halsschild- 
basis heran und bildet hier eine scharfe hintere 
Seitenecke. Rüssel schlanker als bei den folgenden 
Arten, mindestens fünfmal so lang wie breit ; von 
der Seite gesehen, zur Spitze schwach verjüngt und 
nur in der Gegend der Basis beschuppt. Beschuppung 
bräunlich, hinter der Mitte mit schmaler, M-för- 
miger, weisser Schuppenzeichnung. — L : 4,5 mm. 
Philippinen: Luzon, Mt. Makiling, ( B a- 
ker leg.). — Typus Mus. Dresden. 

angulicollis Hell. 

2 ( 1 ) Die erste Schwiele auf dem 3. Zwischenraum der 

Flügeldecken läuft nahe der Basis der Decken ab. 
Rüssel kräftiger, höchstens viermal so lang wie 
breit. 

3 (4) Der seitliche Lappen des Halsschilds ist an der 

Basis akut unterschnürt. Vorderrand des Hals- 
schilds mit zwei stärker aufgeschuppten Erhebun- 
gen, die allerdings bei einem zweiten Exemplar 
fehlen. Die Erhebung der Subapikalschwiele auf den 
Flügeldecken ist um etwa die Länge der zweiten 
Schwielenerhebung auf dem 3. Zwischenraum von 
dieser entfernt. Bei der Aufsicht ist der Seitenrand 
der Flügeldecken unregelmässig gehöckert. 

Rüssel schwach gebogen, im basalen Teil mit 
feiner Kiellinie, vorn fein und dicht punktiert. 
Fühler wenig vor der Rüsselmitte eingelenkt ; 
der Schaft erreicht nicht ganz die Augen. Das 1. 
Geisselglied kräftig, etwa 13^2 ™^1 so lang wie breit ; 

2. Glied schwächer und kürzer ; die übrigen kaum 
so lang wie breit. Keule nicht ganz doppelt so lang 
wie breit. Halsschild und Flügeldecken mit den 
charakteristischen Abweichungen ähnlich anguli- 
Collis gebildet. Die Spitze der Flügeldecken gegen- 
über der folgenden Art mehr schnabelartig vor- 
gezogen. 

Beschuppung greis, diejenige der Erhebungen 
leicht gebräunt. Zwischen den Erhebungen auf dem 

3. Zwischenraum befinden sich auf dem Nahtstreif 
einige gereihte, schwarze Schuppenmakeln. In klei- 
neren, zahlreichen Erhebungen befindet sich eine 
zentrale Schuppe, die aber nur schwach sich erhebt, 
sodass abstehende Einzelschuppen oder -Borsten 
nicht vorhariden sind. — L : 4,8 — 5,8 mm. 

Java: Süd- Küste, Babakan, (12), (Dr., XI. 
1932); Noesa Kambangan, (11), (XII. 1932, Dr. 
leg.). 32. persimilis n. sp. 

4 (3) Der seitliche Halsschildlappen läuft zur seitlichen 

Hinterecke leicht konkav geschweift aus. Der Buckel 



166 EDUARD VOSS. EIN WEITERER BEITRAG ZUR 

auf der ^Subapikalschwiele ist um etwa die doppelte 
Länge der zweiten Erhebung auf dem 3. Flügel- 
deckenzwischenraum von dieser entfernt. Bei der 
Aufsicht von oben sind die Seiten der Flügeldecken 
fast geradling oder hinten nur leicht gewellt. Rüssel 
dicker, das 1. und 2. Geisselglied von gleicher 
Länge. Keule reichlich \]/2 mal so lang wie breit. 
Sonst der vorigen Art ähnlich. 

Beschuppung mehr gelbbräunlich, über der Mitte 
dunkler beschuppt und von der Erhebung auf dem 
3. Zwischenraum ablaufend, durch ein gelbes v- 
Zeichen abgesetzt. Bei dieser Art fehlen die klein- 
sten Nebenhöcker fast vollständig, ebenso abste- 
hende Borsten oder Schuppen in Einzelanordnung. 
— L : 6 — 7 mm. 

Sumatra: Engano. — In meiner Sammlung. 

enganoensis n. sp. 

Parapries Hell. 

Zwecks Abgrenzung der Arten der vorhergehen- 
den Gattungen lag mir auch die Type von Para- 
pries histrio Fst. zum Vergleich vor. Eine zweite 
Art von Sumatra möge nachstehend ihr ge- 
genübergestellt werden. 

1 (2) Auf dem 3. Zwischenraum der Flügeldecken in der 

Nähe der Basis befindet sich nur eine kräftigere 
Erhebung. Ausser dieser auf allen Zwischenräumen 
zahlreiche kleinere von ziemlich gleichmässiger Grös- 
se, alle tragen eine blattförmige, abstehende Schuppe 
oder, meist seitlich, eine Borste. Auffällig durch eine 
schwarze Zeichnung, die sich vom Vorderrand des 
Halsschilds keilartig zur Basis verbreitert und auf 
den Flügeldecken bis hinter die Mitte sich fortsetzt, 
um sich hier zu einer queren Binde, die sich schräg 
nach vorn richtet, zu erweitern. — L : 10 mm. 
Birma: Garin Gheba. — 

histrio Fst. 

2 ( 1 ) Auf dem 3. Zwischenraum befinden sich drei hin- 

tereinander angeordnete starke Erhebungen, die 
aufstehende Gruppenbeschuppung aufweisen, und 
auch die subapikale Schwiele ist in gleicher Weise 
kräftig ausgebildet. Die schräge Zeichnung fehlt. 
N. O, Sumatra. — In meiner Sammlung. 
sumatranus n. sp. 



INHOUD VAN DE EERSTE EN TWEEDE AFLEVERING 

Bladz. 
Verslag van de Zeventigste Wintervergadering . . . I — LXVI 



Malcolm Cameron, Fauna Javanica. The Staphy- 

linidae collected by Mr. F. C. Drescher, Part II 1—37 

A. Stärcke, Retouches sur quelques Fourmis 

d' Europe 38-72 

Ir. G. A. Graaf Bentinck, Homoeosoma nimbella 

Dup. (nec Z.) en pseudonimbella mihi nov. spec. 73 — 74 

Dr. D. L. Uyttenboogaart, Contributions to the 
knowledge of the Fauna of the Canary Islands 
XIX . 75-118 

B. K. Klljnstra, Contributions to the knowledge of 

the Fauna of the Canary-Islands, edited by Mr. 
D. L Uyttenboogaart XX . 119-120 

W. D. Funkhouser, Fauna Javanensis, Membraci- 

dae (Homoptera) . . .121—126 

Eduard Voss, Ein Weiterer Beitrag zur Kenntnis 
der Curculioniden Javas (65. Beitrag zur Kenntnis 
der Curculioniden) .127 — 166 




INSECTICIDEN 

LUSIX ,,A" doodt alle koudbloedige 
insecten als vlooien, luizen, neeten 
bij honden, katten eveneens bij 
vogels, duiven, kippen enz. Giftvrij. 

LUSIX „B" Voor het zuiveren en 
schoonhouden van volières, kooien 
en hokken (in water oplossen.) 

VEE-LUSIX Prima werkend vee-luis- 
poeder voor koeien, kalveren en 
paarden enz. Absoluut onschade- 
lijk en giftvrij. Helpt afdoende. 

PURIX „A" Insectendoodend middel 
voor rupsen, zwarte en groene luis 
enz. op vruchtboomen, planten, 
heesters, kamerplanten, rozen en 
PURIX A" groenten. Purix is onschadelijk 

voor menschen, huisdieren en plan- 
ten, bevat echter wel een maag- 
gift dat koudbloedige insecten 
verlamt en doodt. 

PURIX „B" Voor verstuiving (in poeder- 
vorm). Helpt snel en afdoende. 





MIERIX 




MIERIX Onfeilbaar middel voor het 
dooden van mieren en aardvlooien 



DERRIS Tegen de horzelvlieg en voor- 
al tegen haar larven. Absoluut 
giftvrij en onschadelijk. 

Alle merken zijn wettig gedeponeerd. 



Vraagt inlichtingen bij 

BOUMAN & Co. ■ Apeldoorn 

FABRIEK VAN INSECTICIDEN 
KANAAL NOORD 125 TELEFOON 5794 



DEC ó'i ûojs 

Tijdschrift voor Intomoiogie 



UITGEGEVEN DOOR 

De NederlandsGhe Entomologische Vereenioing 

ONDER REDACTIE VAN 

PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, F. T. VALCK LUCASSEN 

EN 

J. J. DE VOS TOT NEDERVEEN CAPPEL 



TACHTIGSTE DEEL 

Jaargang 1937. 



DERDE EN VIERDE AFLEVERING. 

(NOVEMBER 1937). 



NEDERLANDSGHE ENT0M0L06ISGHË VEREËNIGINO 



De contributie voor het lidmaatschap bedraagt ƒ 10. — 
per jaar. Ook kan men, tegen het storten van ƒ 100. — in 
eens, levenslang lid worden. 

Buitenlanders kunnen tegen betaling van ƒ35. — lid wor- 
den voor het leven. \ 

De leden ontvangen gratis de Entomologische Berichten 
(6 nummers per jaar; prijs voor niet-leden ƒ0.50 per num- 
mer), en de Verslagen der Vergaderingen (2 per jaar; 
prijs voor niet-leden ƒ 0.60 per stuk) 

De leden kunnen zich voor ƒ 6. — per jaar abonneeren 
op het Tijdschrift voor Entomologie (prijs voor niet-leden 
ƒ 12. — per jaar). 

De oudere publicaties der vereeniging zijn voor de leden 
voor verminderde prijzen verkrijgbaar. 

Aan den boekhandel wordt op de prijzen voor niet-leden 
geene reductie toegestaan. 



Die Larven der Agromyzinen. 

Dritter Nachtrag ^) 

von 

Prof. Dr. J. C. H. DE MEIJERE 

(Amsterdam) 



Material für diesen Nachtrag erhielt ich wieder von ver- 
schiedenen Seiten, von Prof. M. Hering (Berlin) aus 
Deutschland, von Herrn B. S t a r y und Dr. B a u d y s aus 
der Tschechoslowakei, von Herrn Nils R y d é n aus 
Schweden, von Herrn Sonderup aus Dänemark, von 
Herrn Kalshoven aus Java. 

Namentlich von Dr. Herbert Buhr (Botan. Institut, 
Rostock, Mecklenburg), der sich für die Minenfauna Meck- 
lenburgs lebhaft interessiert und darüber auch Verzeichnisse 
publiziert hat, erhielt ich schönes Material und manche mir 
neue Art. Sehr hervorragend sind seine Verdienste um die 
Stengelminierer unter den Agromyzinen, von welchen er eine 
ganze Anzahl an allerhand Pflanzen, im besonderen an Com- 
positen, auffand. Es waren schon früher einige Stengelminie- 
rer bekannt, so Phytomyza [lavicornis Mg., in Urtica dioica 
L., Napomyza lateralis Fall., in Anthriscus silvestris Hoffm. 
Dizygomyza abnormalis Mall, in Chenopodium album L. 
Melanagromyza aeneiventris Fall, an mehreren Compositen, 
nach Hendel auch aus Urtica dioica L., M. lappae Low an 
Arctium, Angelica, Heracleum, Liriomyza ornata Mg. aus 
Butomus umbellatus L., Ophiomyia heringi Stary und campa- 
nularum Stary aus Campanula-Arten, Oph. proboscidea Strobl 
aus Aster und Hieracium, Ophiomyia melandryi de Meij. in 
Melandryum dioicum (= rubrum), Liriomyza perpusilla Mg. 
aus Sonchus asper Vili., aber mit bewunderungswertem schar- 
fen Blick hat Dr. Buhr die feinen Minen an allerhand dünnen 
Stengeln, öfters, wie in den Blütenständen von Achillea und 
Lampsana, in sehr dünnen Stengelteilen beobachtet. Diese 
äusserlich, obgleich öfters schwer, sichtbaren Minen werden 
namentlich von Ophiomyia- Arten veranlasst, einige gehören 
aber zu anderen Gattungen. Während die Ophiomyia-havven 
als solche genügend kenntlich sind, sind die übrigen in dieser 
Hinsicht weniger sicher, wahrscheinlich gehören einige zu 



1) Hauptarbeit : Tijdschr. v. Ent. LXVIII, 1925, p. 195—293 und LXIX, 
1926, p. 227—318; Erster Nachtrag ibid. LXXI, 1928, p. 145—178; 
Zweiter Nachtrag LXXVII, 1934. p. 244—290. 



168 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

Liriomyza, aber es könnten auch Phytagromyza-Avten oder 
noch andere Gattungen sein. Mehrere Arten sind von Buhr 
und Hering schon gezüchtet und von Hering untersucht, 
wobei er schon einige Ophiomyien, deren Biologie noch un- 
bekannt war, hierunter antraf, andere sind ganz neu, wahr- 
scheinhch unter den bekannten Arten verschollen, denn 
wahrscheinlich sind die Imagines hier, wie öfters bei den 
Agromyzinen, schwer auseinanderzuhalten. Mit den Larven 
gelingt dies besser und deshalb ist auch in diesem Fall die 
Larvenuntersuchung von besonderem Werte, zumal einerseits 
mehrere Arten sich als Bewohner verschiedener Pflanzen 
erwiesen haben, andererseits in einer und derselben Pflanze 
auch mehrere verschiedene Stengelbewohner von Buhr nach- 
gewiesen sind ; so hat er deren schon 3 in Galium mollugo 
aufgefunden und gibt 2 verschiedene für einige Compositen 
an. Dies macht das Studium all' dieser Arten natürlich höchst 
anregend, das im übrigen besondere Schwierigkeiten mit sich 
bringt. An den teils trockenen, teils in Flüssigkeit konser- 
vierten Stengelstückchen war es oft sehr schwierig die Stellen 
zu finden, wo eine Larve vorhanden sein könnte. Dies 
Stückchen wurde dann aufgekocht und es wurde versucht, 
die Larve herauszupräparieren. Öfters waren nur Reste vor- 
handen, bisweilen handelte es sich auch um Parasiten. Fand 
die Verpuppung im Endteil der Mine statt, dann war das 
Puparium, durch die Epidermis überdeckt, an einer geringen 
Wölbung öfters erkennbar. 

Ueberhaupt war das Material meistens sehr spärlich. 
Dies erklärt genügend, dass meine Angaben öfters nicht 
vollständig sein konnten. Ausserdem erhielt ich von 
Dr. Buhr mehrere, mir noch unbekannte Larven aus Meck- 
lenburg und ferner eine schöne Sammlung von seiner Reise 
nach Süd-Europa, namentlich von Dalmatien (u.a. mehrere 
von Brioni, Istrien und von Korsika). Leider ist auch hiervon 
nur ausnahmsweise die Imago gezüchtet, sodass ich die meisten 
nicht mit Artnamen aufführen kann. Besonders interessant 
sind hier 2 Arten aus Asparagus, von welchen die eine, wie 
Melanagromyza simplex Lw., im Stengel, die andere in den 
Nadeln miniert ; die Gattung ist nicht ganz sicher fest- 
zustellen. 

Auch erhielt ich von Dr. Kalshoven noch einiges aus 
Java. Ausser vollständigerem Material von den schon früher 
beschriebenen Arten Dizygomyza cornigera de Meij. und 
javana de Meij. sandte er mir einige Arten von Melanagro- 
myza, welche zu der theae-Gruppe gehören, also mit stark 
gesägten Mundhaken, die eine aus Dioscorea, die zweite aus 
einer Cucurbitacee, die dritte aus einer nicht näher bestimm- 
ten Pflanze ; diese Gruppe scheint demnach im malayischen 
Archipel besonders zu Hause. 

Was die inzwischen erschienene Literatur anbelangt, so 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 169 

ist zunächst zu erwähnen, dass Hendels Bearbeitung 
der Agromyzinen in ,,L in d n e r" fertig gekommen ist. Es 
ist ein Monument gediegendster Arbeitsamkeit, als Abschluss 
eines der Dipterologie gewidmeten Lebens, denn leider haben 
wir ihn bald nachher verloren. Friedrich Hendel, der Nach- 
folger der Wiener Entomologen Schiner, Brauer und Mik, 
erlag am 26. Juni 1936. 

Hering verfasste nebst mehreren kleineren Minenstu- 
dien 4 Lieferungen (bis Rubus) seines umfangreichen und 
sehr wertvollen Buches : ,,Die Blattminen Mittel- und Nord- 
Europas", worin auch öfters Larvenmerkmale zur Bestim- 
mung herangezogen werden. Dieses Werk wird offenbar 
das Minenstudium sehr fördern. 

Weiterhin will ich noch besonders erwähnen : S t a r y s 
Verzeichnis der Minen der Tschechoslowakei (Act. Soc. 
scient. Nat. Moravicae Bd. VI, 1930 p. 125—244), welches 
nur den Nachteil hat, dass es in tschechischer Sprache 
erschienen ist und deswegen für die meisten Interessenten un- 
verständlich ist. Das kurze deutsche Resumé kann hier nur 
wenig abhelfen. In erfreulicher Weise enthält seine Arbeit 
auch mehrere Angaben und Figuren über die früheren Stände. 

Buhrs Verzeichnis der Minen Mecklenburgs (Meck- 
lenburgische Minen, Stettin. Entom. Zeitg. 93. 1932 
p. 57 — 115) ist gleichfalls sehr zu begrüssen, zumal dieser 
Autor sich bemüht, das von ihm gesammelte und z. T. ge- 
züchtete Material soviel wie möglich zur Vervollständigung 
unserer Kenntnisse beitragen zu lassen, und auch anderen 
Spezialisten zum Studium zur Verfügung zu stellen. 

Agromyza Fall. 

* Agromyza albitarsis Mg. 

Die Larve dieser Art beschrieb ich im Nachtrag II p. 247. 
Seitdem konnte ich noch solche aus Populus tremula (Tessin 
in Mecklenburg) und Populus alba (Ribnitz in Mecklenburg), 
alles von Dr. Buhr gesammelt untersuchen. Alle zeichneten 
sich durch die regelmässig alternierenden Zähne der Mund- 
haken vor denen von alnibetulae Hend. aus. 

An Populus alba L. und tremula L., Mecklenburg, Buhr leg. 

Agromyza cinerascens M acq. 

Hering gibt (Blattminen p. 257) für diese Art ein 
schwarzes Puparium an. In dem Material von Anspühlicht 
vom Rhein erhielt ich seinerzeit (Nachtr. 1 p. 148) neben 
Agr. intermittens auch die echte cinerascens, sodass die Farbe 
wechseln mag. 

* Agromyza genistae Hend. Fig. 1. 

Larve des 2. Stadiums, Mundhaken mit je 2 Zähnen, welche 
nicht alternieren, der unpaare Abschnitt des Schlundgerüstes 



170 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

braun, gerade, die oberen Fortsätze mit schmalen, dicht 
beisammenhegenden Flügeln, welche wenig gebogen sind. 
Lieber der Sinnesgruppe keine Wärzchen. Warzen in den 
Gürteln zerstreut, spitz dreieckig, die vorderen und hinteren 
oft in Quer-Gruppen bezw. Reihen. In der Mitte einige oft 
etwas grösser, gleichfalls spitz dreieckig. Hinterstigmen mit 
3 nach vorn gerichteten langen Knospen. 

Diese Larve gehört in die Nähe der Leguminosen-Bewohner 
Agr. Johannae de Meij., frontella Rond., nana Mg. 

Nach Hendel in „L i n d n e r" ist die Art der Agr. 
(Domomyza) nana Mg. äusserst ähnlich, auch costa nur 
bis Tc 

An Genista tinctoria L. Göttingen, Buhr leg. 

Das Puparium (Kyffhäuser, Hering leg.) ist gelbbraun, 
hinten finden sich auf zwei getrennten konischen Trägern 
die Hinterstigmen. 

Agromyza nana Mg. 

Figur der Mundwerkzeuge der Larve bei Stary (Taf. Ill 
Fig. 5) Magerstein. Die Blattminierf liegen als Luzernen- 
schädling. Ref. Rev. appi. Ent. 1936 p. 403. — Agrom. 
(Domom,) nana Mg, ; Biologie in der Tschechoslowakei. 

Agromyza lathyri Hend. Hierzu gehört auch die Larve aus 
Orobus banaticus, welche ich als Agr. sp. in meiner 
Hauptarbeit I p. 233 beschrieb. (Hering, Anz. f. Schädl. 
kunde VI, 1930 p. 63.) 

* Agromyza nigrescens Hend. (= heringi de Meij.) 
Figur der Mundwerkzeuge der Larve bei Stary (Taf. II 

Fig. 8). 

Agromyza nigripes Mg. 

Figur der Mundwerkzeuge der Larve bei Stary (Acta 
Soc. scient, nat. Morav. Bd. 6, 1930 Taf. Ill fig. 9). 

Agromyza reptans Fall. 

Figur der Mundwerkzeuge der Larve bei Stary. 

* Agromyza rubi Bri. Fig. 2. 

Von dieser Art findet sich das Schlundgerüst abgebildet 
bei Stary, Tab. III Fig. 7. 

Es hat den für diese Gattung gewöhnlichen Charakter. 

Nach Hendel im ,,L i n d n e r" sind Agr. rubi Bri. und 
rubi Hendel nee Bri. (= sulfuriceps Strobl) nicht identisch. 
Rubi Bri. wird von ihm p. 524 unter den ihm unbekannt ge- 
bliebenen Arten aufgeführt ; namentlich wegen der Angabe, 
dass die Art das Flügelgeäder von Fig. 35 bei Meigen haben 
soll, meint er, es könnte eine Dizygomyza sein. Im übrigen 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 



171 



stimmt die Beschreibung fast ganz mit sulfuriceps StrobI, und 
nun, nach S t a r y s und meinem Befund, doch sicher eine 
echte Agromyza auf Rubus lebt, halte ich diese mit S t a i y 
für rubi Bri. 







OÔÔ 



Ô 



U' 



Ö Û Û A A i^ Ö 




Fig, 1. Agromyza genistae Hend. a Vorderstigma, b Hinterstigma. Fig. 2. 

Agromyza rubi Bri. a Warzengürtel, b Hinterstigma. Fig. 3. Agromyza vi- 

cifoliae Her. Vorderstigma. Fig. 4. Agromyza sp. an Celtis australis 

a. Mundhaken, b Schlundgerüst. 

Puparium 2 mm lang, rot, von gewöhnlicher Gestalt mit 
massig deutlichen Einschnitten, von durchbrechenden Protho- 
rakal-Hörnern sind die Öffnungen vorhanden. Mundhaken je 
mit 2 langen, spitzen Zähnen, welche nicht alternieren. Obere 
Flügel schwarz, untere braun. Warzengürtel massig breit 
mit dreieckigen Wärzchen, welche in der Mitte des Gürtels 
etwas grösser sind, vorne und namentlich hinten kleinere, 
vorn die kleinen Wärzchen ziemlich weit auseinander, hinten 
ein breiterer Saum kleinerer Wärzchen in Querreihen und 
Quergruppen, die Wärzchen rundlich mit kurzer Spitze. Zu 
beiden Seiten des Anus eine Strieme mit je 2 Reihen Wärz- 
chen. Vorderstigmen dicht beisammen auf kurzen Trägern. 
Hinterstigmen auf kurzen Trägern, mit 3 Knospen, neben 
dem Anus ein paar kleine Erhabenheiten, ca. 1,7 X ihr Dia- 
meter van einander entfernt. Hinterende ohne Höcker. 

Von Stary erhalten aus der Tschechoslowakei. 

Agromyza vicifoliae Her. Fig. 3. 

Bei dieser von Hering (Minenstudien 13, Zeitschr. f. 
Pflanzenkrankh. und Pflanzenschutz 42. 1932 p. 572) be- 
schriebenen Art endet die Costa bei r4 + 5, sie würde daher 
früher bei Domomyza gerechnet sein und kommt dann in die 
Nähe von nana Mg. Tatsächlich hatte ich ein aus Vicia cracca 



172 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

gezüchtetes Stück (Linschoten) früher bei nana angegeben. 

Als ich die Larven desselben Materiales nochmals unter- 
suchte fiel mir auf, dass sie sich von nana Mg. und auch von 
frontella Rond, dadurch unterscheiden, dass unmittelbar über 
der Sinnesgruppe am Kopfe ein Band von Wärzchen vor- 
handen ist. Ein solches Band fand ich auch bei Larven in 
Vicia cracca von anderen Fundorten und wahrscheinlich 
gehören diese auch zu vicifoliae Her. Sicher ist dies indessen 
nicht, weil aus Vicia-Arten noch ein paar weitere Agro- 
myzen bekannt sind, nämlich Agr. bicophaga Her. (Nach 
Hendel in ,, Lindner" = orobi Hend., was Hering an 
obengenannter Stelle bezweifelt, wohl mit Recht, denn Hen- 
dels Art hat kein Warzenband über der Sinnesgruppe am 
Kopfe der Larve (I. Nachtr. p. 1 47.), bicophaga wohl). 
Diese Art ist aus V. tetrasperma L. und tenuifolia L. be- 
kannt ; ferner Agr. viciae Kalt, aus Vicia sepium L. und 
cracca L., diese beide mit bis m durchlaufender costa, und 
überdies A. nana, auch wenn cracca für sie nicht richtig wäre, 
denn z. B. erwähnt Star y (1930) diese für Vicia silva- 
tica ; überdies erzog nach Hering (Eine Minierfliege als 
Schädling an Erbsenpflanzen, Anz f. Schädlingskunde VL 
1930 p. 64) Herr J. Seidel Agromyza lathyri Hend. aus einer 
Vicia-Art aus Schlesien, und kenne ich Liriomyza congesta 
Beck, aus Vicia sepium. Von bicophaga Her. habe ich in 
meiner Hauptarbeit (H, p. 305) die Larve beschrieben und 
auch diese hat das oben erwähnte Warzenband am Kopfe ; 
ausserdem findet sich dieses bei einer noch nicht gezüchteten 
Art aus Spanien an Ononis sp, welche ich im 2. Nachtrag 
p. 250 beschrieben habe. Diese Larve, die von bicophaga und 
die vorliegende von vicifoliae sind; einander sehr ähnlich 
und haben alle die charakteristischen dreiknospigen Hinter- 
stigmen mit zurücklaufenden Knospen, welche auch nana 
u.a. besitzen. 

Die Larve von vicifoliae sieht derjenigen von bicophaga 
sehr ähnlich, zunächst wegen des Warzenbandes über der 
Sinnesgruppe, dann wegen der Vorderstigmen, welche 
14 — 16 Knospen aufweisen, also weniger als bei nana, welcher 
auch dieses Warzenband abgeht. Von viciae ist die Larve 
noch unbekannt, während lathyri viclknospige Hinterstigmen 
aufweist. 

P u p a r i u m gelbrot, mit massig deutlichen Einschnitten, 
mit starkem Warzenbesatz, hinten auf 2 getrennten konischen 
Trägern die Hinterstigmen, vorn auf 2 gleichfalls getrennten 
die zweihörnigen Vorderstigmen. 

* Agromyza sp. Fig. 4. 

In Blattgangminen von Celtis australis (Ulmacee) fand 
ich nur ein Schlundgerüst eines 2. Stadiums. Die Mundhaken 
haben je 2 spitze Zähne, welche nur wenig alternieren ; je 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 



173 



der vordere wieder an der Spitze gelb. Der unpaare Abschnitt 
des Schlundgerüstes massig lang, gerade, die oberen Fort- 
sätze mit je zwei dicht beisammen liegenden wenig gebogenen 
Flügeln, auch der untere ziemlich lang. 

An Celtis australis, Korsika (Sagone), Sept. 1930, Buhr 
leg. 

* Agromyza sp. Fig. 5, 6. 

Aus Avena sativa und Hordeum tetrastichum bekam ich 
von Herrn Dr. Baudys Puparien dieser mir unbekannten Art. 
Sie sind von roter Farbe> 2 mm lang. Die Einschnitte sind 
tiefer als bei der Art aus Triticum. Schlundgerüst wie bei 
Agromyza gewöhnlich. Auch die Fortsätze ziemlich dunkel ; 
Warzengürtel wie bei der Art aus Triticum ; sie sind oben 
schmal verbunden, aber unten findet sich in der Mitte öfters 
eine gesonderte kleine Gruppe von Wärzchen, auch sind 
die Wärzchen dreieckig, im allgemeinen mehr zugespitzt als 
bei der Art aus Triticum. Besonders auffällig sind die relativ 
grossen Papillen. Vorderstigmen knopfförmig, mit ca. 6 Knos- 
pen, Hinterstigmen mit 3 ovalen Knospen. Am Hinterende 
keine Wärzchen, auch vorn nicht, wo zwischen den Vorder- 
stigmen ein ziemlich tiefer Einschnitt vorkommt. 





S a 



E 



s- iii,f 








Fig. 5. Agromyza sp. an Hordeum tetrastichum, a Schlundgerüst, b. War- 
zengürtel, c Vorderstigma. Fig 6. Agromyza sp. an Avena sativa, Hinter- 
stigmen in relativ richtiger Entfernung Fig, 7. Agromyza sp. an Triticum 
a Vorder-, b Hinterstigma, c Puparium. 

Tschechoslowakei, Dr. Baudys mis., in Blattblasen an 
Avena sativa und Hordeum tetrastichum. 

In der Hauptarbeit I, p. 239, 240 beschrieb ich eine Agro- 
myza {Domomyza) aus Seeale cereale und eine aus Avena. 



174 



PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE. 



Erstere wird jetzt als mit A. intermittens Beck, identisch be- 
trachtet, deren Puparium 2 mm Länge erreicht. Beide scheinen 
mir von den oben beschriebenen Arten von Avena, Hordeum 
und Triticum verschieden zu sein. Die Art aus Seeale hat 
breitere Warzengürtel und nicht auffällige Papillen, bei beiden 
ist der unpaare Abschnitt des Schlundgerüstes länger und 
die Fortsätze sind heller, ganz braun. 

* Agromyza sp. Fig. 7. 

Aus Triticum vulgare erhielt ich von Dr, Baudys ein paar 
Puparien, welche zu dieser Gattung gehören und rnir unbe- 
kannt waren. Sie sind von roter Farbe, 3—33^ mm lang, 
Segmentgrenzen deutlich. Schlundgerüst vom Agromyza- 
Typus. Vorn ragen die Vorderstigmenträger als sehr kurze 
Stäbchen vor, die Stigmen knopfförmig mit ca. 7 Knospen. 
Hinterstigmen etwas dichter beisammen, die Träger etwas 
kürzer, mit 3 ovalen Knospen,. Warzengürtel massig breit, 
aus zerstreuten, dreieckigen, öfters auch abgerundeten Wärz- 
chen gebildet, dorsal schmal durchlaufend, ventral in der 
Mitte unterbrochen, Papillen nicht gross, aber auch an den 
Seiten erkennbar. Anus als kurzer Längsstreif, darüber einige 
Warzen in zwei kurz getrennten Gruppen von je 7 bis 10. 
Mehr nach aussen an jeder Seite ein kurzes dreieckiges 
Läppchen. 

Tschechoslowakei, in Blattblasen an Triticum vulgare, 
Baudys mis. Ueber die Art bin ich nicht ganz sicher ; sie 
scheint mir grösser als mobilis Mg., welche sehr ähnlich ist 
und auch in Triticum lebt. 



* Agromyza sp. Fig. 8, 

Aus Polygonum bistorta L. erhielt ich von Dr. Buhr ein 
A^romi/2a-Puparium, von welchem die zugehörige Fliege 
noch unbekannt ist (Tessin 23.6.1934, Dr. Buhr leg.) Pu- 
parium rot, 3 mm lang. Einschnitte deutlich. Vorderstigmen 
als kurze Stäbchen, weit voneinander, Hinterstigmen des- 





O 



o 



O 



O 



oa / 



Fig. 8. Agromyza sp. aus Polygonum bistorta L. a Puparium, b Schlund- 
gerüst, c Vorderstigma, d Hinterstigma, e Warzengürtel. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 175 

gleichen. Durchbrechende Prothorakalhörner der Puppe als 
dünne gerade Stäbchen mit zahlreichen kleinen Tüpfeln er- 
kennbar. Obere Fortsätze mit 2 Flügeln, beide schmal, der 
obere stark gebogen, der untere gerade. Warzengürtel aus 
zerstreuten, relativ grossen mit kurzen Spitzen versehenen 
Warzen gebildet. Vorderstigmen einhörnig mit 2 Reihen 
sitzender Knospen, von denen die eine ca. 3 Knospen, die 
andere deren ca. 7 enthält. Hinterstigmen anscheinend mit 
einem Bogen von ca. 8 Knospen, die Anzahl aber nicht deut- 
lich konstatierbar. 

Melanagromyza Hend. 

* Melanagromyza simplex Lw. 

Barnes H. F. und Walter C. L. The Asparagus 
miner. Ent. mon. Mag. 70, 1934 No. 843, p. 183—185. An- 
gaben über die Biologie der Larve. Ref. Rev. appi. Ent. 1934, 
p. 542. 

* Melanagromyza theae Green. 

Von dieser Art habe ich auch eine Larve, von welcher der 
vordere Haken 7, der hintere 12 ungefähr gleichgrosse Zähne 
aufwies. 

* Melanagromyza sp. Fig. 9. 

Wieder eine Art von Typus der theae, sie lebt in Dios- 
corea sp. und veranlasst epidermale Minen, glänzend weisse 
ca. 2 — 4 mm breite Gänge, welche sehr oft die Richtung 
ändern. Bisweilen liegen die Abschnitte dicht aufeinander, 
sodass eine blasenartige Mine gebildet wird ; am Ende der 
Mine liegt in geringer Erweiterung das Puparium. Dieses ist 
von schwärzlicher Farbe ; Vorderstigmenträger als fast ge- 
rade Stäbchen vorragend ; Hinterstigmen mit 3 Knospen. Die 
Oberfläche ist dicht ungefähr viereckig gefeldert ; die Unter- 
seite ist sehr dünn, gelblich. Die Warzengürtel zeigen ein 
paar vordere und einige hintere Reihen von grösseren Wärz- 
chen, welche hier auch öfters spitz enden ; die zerstreuten 
Wärzchen der Mittelbinde sind relativ grösser, obgleich doch 
deutlich kleiner und gleichfalls gewöhnlich in eine Spitze 
endend. 

Gedeh (Java) : Waldrand bei Tapos, III. '35, Kalshoven 
leg. 

* Melanagromyza sp. Fig. 10. 

Noch eine weitere ähnliche Art fand Dr. Kalshoven an einer 
Cucurbitacee, Coccinia wightiana Roem. ?, zu Tapos, III, '35. 
Die Mine verläuft wie in Fig. 10 angegeben, zunächst an 
der Unterseite, grünlich, schwer sichtbar, dann oberseits, 
grünlich weiss, grösstenteils folgt sie dem Blattrand. Am 
Ende liegt das gelbe Puparium, in der Form demjenigen von 



176 



PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 



Diz. theae wieder ähnlich ; Vorderstigmen mit mehreren 
Knospen, Hinterstigmen wie bei theae auf gemeinsamem 
Sockel, je mit 3 Knospen. Die Warzengürtel vorn und hinten 
mit einigen Reihen grösserer Wärzchen, welche hier gewöhn- 
lich abgerundet sind, das Mittelband mit kleineren, aber re- 
lativ grossen Wärzchen, hier meistens am Ende deutlich 
spitz. Mundhakeri : der vordere mit 7, der hintere mit 8 
Zähnen, wie der unpaare Abschnitt schwarz, das Schlund- 
gerüst weiterhin von braungelber Farbe. 

Java : Geheh, Tapos, März '35., Kalshoven leg. 




Fig. 9. Melanagromyza sp. aus Dioscorea, Puparium. Fig. 10. Mine einer 
Melanagromyza an einer Cucurbitacee von Java (Coccinia wightiana?) 
Fig. 11. Larve von Melanagromyza sp., java, a Mundhaken, b Vorder- 
stigma, c Hinterstigma. 

* Melanagromyza sp. Fig. 11. 

Gehört ebenfalls zur ^/zeae-Gruppe. Mundhaken schwarz, 
die Endteile braun ; der vordere mit 7 Zähnen, der hintere 
mit 10. Schlundgerüst vom Typus dieser Gattung, der un- 
paare Abschnitt lang und gerade, nur der Unterrand schwärz- 
lich, im übrigen schwach gebräunt, die Fortsätze alle wenig 
gefärbt, der obere Flügel schmal und etwas gebogen, der 
untere etwas breiter und parallel zu dem oberen. Am Kopf- 
abschnitt weder Warzenband noch Stirnfortsatz vorhanden. 
Warzengürtel wenig auffällig, massig breit, aus zahlreichen 
zerstreuten kleinen Wärzchen bestehend, hinten ein paar 
Reihen etwas grösserer. Vorderstigmen auf langen Trägern, 
das verdickte Ende mit 2 Reihen von sitzenden wenig ge- 
färbten Knospen, zusammen ca, 20. Hinterstigmen mit 3 
Knospen. An einer nicht näher bestimmten Pflanze, Java, 
Gedeh (Tapos 750 m), 1934, Kalshoven leg. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 177 

Ophiomyia Braschn. 
Unsere Kenntnisse bezüglich der Larven der Ophiomyien 
sind durch die Funde Dr. Buhr's sehr gefördert worden. Die 
meisten der von ihm entdeckten Stengelminenbewohner ge- 
hören zu dieser Gattung. Die Larven dieser Arten gleichen 
einander sehr ; im allgemeinen sind die beiden Mundhaken 
stark verschieden an Grösse, sodass die beiden Zähne des 
längeren Hakens vor denen des kürzeren gelagert sind und 
das untere Ende des vorderen Hakens oft zahnartig unter 
dem kürzeren vorragt ; am Schlundgerüst ist typisch, dass 
die beiden Flügel des oberen Fortsatzes weit voneinander 
entspringen, wie es nur noch bei einigen Melanagromyzen 
vorkommt. Die Warzengürtel haben vorn und hinten einige 
Reihen grösserer, meistens oben abgerundeter Warzen, in 
der Mitte ein breites Querband von sehr kleinen Wärzchen ; 
auch dieses findet sich bei einigen Melanagromyzen. Die 
Vorderstigmen sind einhörnig, dieses nach vorn ragend mit 
2 Reihen sitzender Knospen versehen. Während in diesem 
allen fast keine Artmerkmale zu finden sind, ist die Zahl der 
Hinterstigmen-Knospen für die Arten charakteristisch ; es 
wechselt diese von 3 — 14, jede Art kann eine kleine Varia- 
tionsamplitude zeigen. In Buhr's Material fand ich folgende 
Zahl der Hinterstigmenknospen : 
Achillea millefolium L., 3 Ophiomyia achilleae Her. Pup. gelb. 

,, ptarmica 3 ,, ,, ,, 

Anthémis tinctoria L., 3, ,, ? 

Achillea ptarmica L., 3 Pup. Schwarz. 
Matricaria inodora L., 3, 

Galium mollugo L., 4 — 5, (Puparium im Stengel, schwarz). 
Campanula rotundifoliai ) 5, (Puparium im Stengel, gelb), 

Ophiom. campanularum Stary. 
Lepidium graminifolium L. (Korsika) 6 
Stachys silvatica L., 6 — 7, Oph. labiatarum Her. 

Calamintha clinopodium 6 — 7, Oph. labiatarum Her. 
Galium mollugo L., 7 (Puparium in der Erde ?) 
Chondrilla juncea^) 10 Puparium gelb. 
Lampsana communis L., 1 1 Oph. persimilis Hend. 

Hypochoeris radicata L. 10 ,, ,, 

Lactuca muralis Fres. 10 ,, ,, ,, 

Leontodon autumnalis 11 — 12 ,, ,, ,, 

Picridium tingitanum 10 — 11 ,, ,, ,, 

Crépis spec. — 

Wohl alles einerlei. Pup. schwarz. ,, ,, 

Weiter sind mir noch bekannt : 
Solidago virga-aurea L., Blattminen, 8 Oph. maura Mg. 

{curvipalpis Zett. ) 
Hieracium vulgatum Fries 9 Oph. proboscidea Strobl 



1) Erscheint im folgenden Nachtrag. 



178 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

Aster amellus L., 2tes Stadium 10 Oph. proboscidea Strobl 
Cichorium intybus L,, etioliertes Blatt 9 Oph. pinguis Fall. 
Campanula persici folia L., patula L, 11 — 12 Oph. H eringi 

Stary 
Melandryum dioicum Sim. 13 Oph. melandryi de Meij. 
Alliaria ? Oph. submaura Her., ist mir unbekannt geblieben. 

Melanagromyza steht dieser Gattung, auch als Imago, sehr 
nahe, sodass einige Arten zu ersterer gehören könnten. Be- 
kannt sind schon : 

Salix, Populus, Rindengallen, 3 Knospen, Melanagromyza 

simplicoides Hend. 
Salix, Populus, Rindengallen, 3 Knospen, Melanagromyza 

Schineri Ger. 
Salix, Populus, Rindengallen, 3 Knospen, Melanagromyza 

cecidogena Her. 
Asparagus officinalis L. 3 Knospen, Melanagromyza 

simplex L"w 
Lotusi) 6 — 7 Knospen, Melanagromyza cunctans Mg. 
Taraxacum officinale Wigg., Blattmine, 14 Knospen, 

Melanagromyza pulicaria Mg. 
Aster tripolium, Arctium, Cirsium, Carduus, 
Eupatorium, Urtica dioica, ± 18 in fast ge- 
schlossenem Ring, Melanagromyza aeneiventris Fall. 
Arctium, Angehca, Heracleum 17 — 19 Knospen 

Melanagromyza lappae Low 

Schade ist, dass ein Teil obiger Ophiomyien noch nicht 
gezüchtet ist und ihre Namen deshalb nicht angegeben wer- 
den können. Nur ein paar wurden von Dr. Buhr und Dr. He- 
ring gezüchtet und von Hering bestimmt oder neu beschrie- 
ben ; Oph. Heringi von Stary, melandryi von mir : letztere 
weicht insofern ab, als sie im Marke miniert, sodass äusser- 
lich nichts zu sehen ist. Es hat sich schon ergeben, dass die 
Imagines schwer aus einander zu halten sind ; wahrscheinlich 
sind einige unter den schon beschriebenen verschollen ge- 
blieben und nicht als besondere Arten erkannt. So wurde 
auch die Art aus Lampsana von Hering früher mit Oph. 
heringi identifiziert, welche in Campanula lebt, aber jetzt als 
persimilis Hendel betrachtet ; nach seiner schriftlichen Mit- 
teilung sind beide Arten nur in Serien als verschieden er- 
kennbar. 

* Ophiomyia campanularum Stary. 

Stengelminierer von Campanula rotundifolia. Das Pupar 
nach Stary dem von Oph. curvipalpis = maura Mg. sehr 
ähnlich. 

Stary, Minier. Insekten Mährens und Schlesiens, p. 230. 



^) Erscheint im folgenden Nachtrag. 



DIE LARVEN DER AGROM.YZINEN. 179 

* Ophiomyia Heringi Stary. Fig. 12. 

Von der Larve dieser neuen Art von Stary, welche im 
Stengel von Campanula persicifolia L und patula L. miniert, 
findet sich eine Beschreibung in deutscher Sprache in Starys 
Abhandlung Acta Soc. Scient, nat. Morav., Bd. 6, 1930 p. 
230. Diese Larve ist nach ihm 2 mm lang, grünweiss, auf 
dem Oberkörper breiter, nach rückwärts verengt. Die hin- 
teren Stigmenträger sind kurz, zweihörnig mit 12 Knospen, 
die vorderen sind kurz stielförmig mit 6 Knospen. Die Mund- 
werkzeuge der Larve sind ziemlich scharf mit starken Zähnen 
versehen, nach unten sichelartig gebogen. Die Puppe ist braun 
bis schwarzbraun, oft bräunlich quergestreift, glänzend. Seg- 
mentfurchen an der Dorsalseite schwach angedeutet, ventral 
tiefer. Die Ventralfläche der Puppe nach innen gebogen und 
die hier befindlichen Längsfurchen sind Abdrücke von Ge- 
fässbündeln im Stengel. 2 Generationen. 

Nach den Figuren 1 — 6 von Taf. I auf p. 213 sind die 
Vorderstigmen ungleichhörnig, die Hinterstigmen zeigen 
einen regelmässigen Bogen von 12 Knospen. Das Schlund- 
gerüst (Taf. Ill, 1) ist wie bei anderen Ophiomyien, die bei- 
den Flügel der oberen Fortsätze eine Strecke weit hinter- 
einander entspringend, der unpaare Abschnitt relativ lang, 
gerade, vorn dicker mit gebogenem Unterrand, die Mund- 
haken anscheinend mit alternierenden Zähnen und überdies 
zwischen und hinter ihnen ein paar kleinerer Zähnchen. Das 
Puparium (Taf. I) ist langgestreckt mit fast parallelen Seiten- 
rändern, vorn etwas dicker ; hinten ragen die Hinterstigmen 
als zwei kurze Stäbchen vor. Die Figuren Taf. VII, Figur 
5 und 6 bei Stary beziehen sich auf die Stengelmine. 

Herr Stary hatte die Freundlichkeit, mir von seiner Oph. 
heringi einige Stengelstücke von Campanula persicifoHa zu 
übersenden ; ich fand hierin Reste eines parasitierten Pupa- 
riums, das Schlundgerüst einer Larve und ein vollständiges 
leeres Puparium. Im Gegensatz zu seiner Angabe, dass Minen 
in dem Blütenstande meistens von oben nach unten verlaufen, 
lagen die Puparien am oberen Ende der Mine mit dem Vor- 
derende nach oben und die Minen fingen auch weiter unten 
an und erreichten kaum die Blütenstandregion. 

Die Mundhaken sind wohl je mit ihren 2 Zähnen vor 
einander gelagert, wie bei anderen Ophiomyien und wie auch 
Starys Figur den Eindruck gibt. Das dunkle Band an der 
Mundhakenbasis ist hakenförmig mit längerem aufsteigenden 
Zinken. 

Das Puparium ist ca. 2mm lang, schmaler als bei der Art 
aus Lampsana, fast schwarz, bei Vergrösserung mit vielen, 
dicht gelagerten, kurzen dunklen Längsstriemchen. Weil es 
so dunkel ist, sind die Einzelheiten schwer zu erkennen, auch 
die Zahl der Knospen an den Hinterstigmen ist nicht zu 
erkennen, aber nach der Larve von Stary schon als 12 an- 



180 



PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 



gegeben ( 1 1 in seiner Figur). Die einhörnigen Vorderstigmen 
ähneln den der anderen Arten, von der Seite sind nach Stary 
6 Knospen zu zählen. 

* Ophiomyia lantanac Frog g . 

Subramaniam T. V. The Lantana Seedfly in India, 
Indian J. agr. Sci. 4 p. 468—470, 1 pi. 1934 — Rev. appi. 
Ent. 1934, p. 594 — 95, Notizen über Vorkommen und Biolo- 
gie in Britisch-Indien. 

* Ophiomyia labiatarum Hering i. litt. Fig. 14. 

Von dieser Art, welche im Stengel von Stachys silvatica, 
gleich unter der Epidermis, einen Gang miniert, fand ich 
zunächst in den mir von Herrn Dr. Buhr gesandten Stengel- 
stückchen nur Mundhaken und Schlundgerüst. Später war 
er auf meine Bitte so freundlich, weiteres Material zuzusen- 
den, welches mir die Vorderhälfte einer erwachsenen Larve 
und ein leeres Puparium, letzteres zum Feststellen der An- 
zahl Knospen an den Hinterstigmen, lieferte. Die gleiche Art, 
wie es mir scheint, miniert auch im Stengel von Calamintha 
clinopodium Morris (= Satureia vulgaris) und hiervon liegt 
mir eine vollständige Larve, gleichfalls von Dr. Buhr gesam- 
melt, vor. 

Die Larve hat ganz den Charakter der Op/zfomyza-Larven. 






Fig. 12. Ophiomyia Heringi Stary, Puparium. Fig. 13. Ophiomyia probos- 
cidea Strobl. Hinterstigmen des Pupariums. Fig, 14. Ophiomyia labiatarum 
Her a aus Calamintha, Hinterstigma, b aus Stachys silvatica, Schlundgerüst, 
wohl des 1, Stadiums, c Mundhaken des 3. Stadiums, d Endteil des Pu- 
pariums, e id. Hinterstigma. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 181 

An den Mundhaken zeigt sie je einen grossen Endzahn und 
einen kleineren 2ten Zahn, die beiden Zähne hegen je mit 
den Spitzen hintereinander. Der unpaare Abschnitt des 
Schlundgerüstes ist schwarz, die Fortsätze sind braungelb. 
Der braune Streifen, welcher von der Mundhakenbasis nach 
oben zieht, ist etwas gebogen. Warzengürtel und Vorder- 
stigmen wie gewöhnlich in dieser Gattung. 

Das leere Puparium befindet sich im Stengel, dicht unter 
einem Knoten, am oberen Ende der Mine, welche in diesem 
Falle an der nächsten Seite des viereckigen Stengels von 
unten heraufkam. Ueber dem Vorderende des Pupariums 
waren 2 dreieckige Läppchen der Oberhaut zum Heraus- 
kriechen der Fliege aufgehoben. Das Puparium fällt durch 
Zartheit und gelbe Farbe auf. Am Ende waren die Hinter- 
stigmen ganz gut erkennbar und zeigten je 7 Knospen. 

An Stachys silvatica. Warsow, 17.VIII.1935, 20.VIÌI.36., 
leeres Puparium Sept. 36., Dr. Buhr leg. 

Die Larven aus Calamintha zeigten sich denen von Stachys 
ähnlich, bei der einen fand ich an den Hinterstigmen je 7 
Knospen, bei der 2ten an einem Hinterstigma 7, am anderen 6. 

Im Stengel von Calamintha clinopodium Morris, Neukölln 
22.VIIL36. Warsow, Dr. Buhr leg. 

Ophiomyia melandryi de Meij. Fig. 15. 

Von dieser Art, von welcher ich früher Puparium und 
Fliege beschrieb (Hauptarbeit L p. 251 ) erhielt ich von einem 
unserer Studenten, Herrn P. Korringa auf meine Bitte auch 
ein paar Larven, welche er neben mehreren Puparien eben- 
falls im Zuiderhoutpark bei Haarlem aufgefunden hatte, an 
derselben Stelle, wo ich seinerzeit mein Material fand. Die 
Puparien lagen auch wieder unter den Knoten, meistens 1 , 
bisweilen 2 bis ausnahmsweise 4. Sie liegen zwischen der 
grünen Rinde und einem sehr dünnen durchsichtigen Mem- 
bran, welche sie von der Markhöhle trennt, sind demnach 
von aussen ganz unsichtbar, worin sie sich von den anderen 
Arten unterscheiden ; auch die Mine verläuft im Mark. 

Larve gestreckt 5 mm, relativ dünn, vorn etwas dicker. 
Mundhaken je mit einem grossen Endzahn und 2tem kleinen 
Zahn. Die beiden Zähne des einen liegen vor dem Endzahn 
des zweiten Hakens. Der unpaare Abschnitt des Schlund- 
gerüstes schwarz, gerade, massig lang, die Fortsätze gelb- 
braun, ziemlich kompakt, der obere Flügel schmal, schwach 
gebogen, der untere etwas breiter, gerade, die nach oben 
steigenden Striemen ungefähr gerade, schwach geschlängelt. 
Warzengürtel wie gewöhnlich in dieser Gattung, mit vorn 2 — 3 
Reihen, hinten 3 — 5 Reihen grösserer Warzen ; das Mittel- 
band aus kleineren, aber relativ doch grossen dicht gelager- 
ten Wärzchen bestehend, am Prothorax zahlreiche kleine, 
dreieckige, in Reihen angeordnete farblose Wärzchen. Vor- 



182 



PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 



derstigmen mit nur einem nach vorn gerichteten Horn mit 
mehreren kleinen Knospen ; Hinterstigmen mit regelmässigem 
Bogen von 13 Knospen. 

* Ophiomyia persimilis Hend, Fig. 16. 

Buhr und Hering erhielten diese Art aus Stengelminierern 
von Lampsana communis, Lactuca muralis und Hypochoeris 
radicata. Aus denselben Pflanzen sandte mir Dr. Buhr Lar- 
ven oder Puparien ; weiterhin auch aus Leontodon autumna- 
lis und Picridium tingitanum ; sie bewohnt also mehrere Com- 
positen. 

Im Stengel von Lampsana communis, Mine in 
der Infloreszenz, die Larve befindet sich unten ; eine von 
dem Blütenstand herablaufende Mine von 6 cm Länge ; diese 
enthielt unten das Puparium. Penzlin, Dr. Buhr leg. Warzen- 
gürtel in der Mitte mit Querbinde von sehr kleinen Wärz- 
chen, vorn und hinten einige Reihen grösserer. Dicht nahe 
dem Hinterende ein Gürtel mit hinten 7 Reihen von grossen 
Warzen. Hinterstigmen mit 1 1 Knospen in zwei Gruppen. 

Aus derselben Pflanze erhielt ich von Dr. Buhr eine Larve 
vom 2. Stadium. Vom typischen Bau der Gattung. Ueber der 
Sinnesgruppe weder Wärzchen noch Stirnfortsatz. Mund- 




Fig. 15. Ophiomyia melandryi de Meij. a Vorderstigma, b Hinterstigma. 
Fig. 16. Ophiomyia persimiUs Hend. a 2 tes Stadium aus Lampsana, Vor- 
derstigma, b id. Hinterstigma; 3 tes Stadium aus Leontodon autumnalis; 
c Vorderstigma, d. id. Hinterstigma, e 3 tes Stadium aus Lampsana, Mund- 
haken, f id. Hinterstigma, g 3 tes Stadium aus Picridium tingitanum, Vor- 
derstigma, h id. Hinterstigma, i Puparium aus Lactuca muralis. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 183 

haken mit kleinem 2. "Zahn, die schwarze Strieme an der 
Basis der Haken breiter als bei der GaUum-Larve. Die kleinen 
Wärzchen im Mittelband der Gürtel sind grösser als bei den 
Galium-Larven. Die Gürtel relativ stark, die hinteren mit bis 
6 Reihen grösserer Warzen hinten, an den vorderen auch 
vorn einige z. B. 3 Reihen grösserer Warzen. Vorderstigmen 
ziemlich klein, einhörnig, von der Seite mit ca. 6 sitzenden 
Knospen. Hinterstigmen mit 11 bis 12 Knospen in zwei kurzen 
Hörnern, je mit 5 oder 6 Knospen. 

In einer Blattmine an Picridium tingitanum. 
Desf. arabicum H. et. S., einer mediterranen Composite, 
fand Dr. Buhr im Botanischen Garten zu Rostock gleichfalls 
eine Ophiomyia-harve, welche mir dieselbe Art, als die von 
Lampsana zu sein schien, namentlich wegen der 10 — 11 
knospigen Hinterstigmen. 

Sie war besser erhalten als die aus Lampsana und ich gebe 
deshalb hier die Beschreibung : Larve von 5 mm Länge ; 
Mundhaken je mit grösserem vorderen und kleinem zweiten 
Zahn, die beiden Zähne des vorderen Hakens gehen voran. 
Schlundgerüst mit schwarzem, ziemlich langem unpaaren 
Abschnitt, die Fortsätze dunkelbraun. Die oberen Flügel 
schmal, die unteren etwas länger und breiter. Warzengürtel 
in der Mitte mit Querband von sehr kleinen Wärzchen, vorn 
mit ca. 2 Reihen und hinten mit 3 — 4 Reihen grösserer 
Warzen, mit abgerundeten oder abgesetzten Enden. Vorder- 
stigmen einhörnig mit 2 Reihen von Knospen ; Hinterstigmen 
mit 10 bis 11 Knospen in zwei Gruppen (6 + 5 oder 4). 

Ueber dieses Exemplar schrieb Dr. Buhr mir vor kur- 
zem, dass diese Larve nicht im Stengel, sondern in einer Blatt- 
mine minierte, wie es bei M. pulicaria der Fall ist. Diese Art 
kann es m. Er, nicht sein, die Larve ist dafür zu schlank 
und hat nicht soviel Knospen an den Hinterstigmen ; den- 
noch ist es wegen der Verschiedenheit in der Lebensweise 
nicht ganz sicher dass sie zu persimilis gehört. 

Im Stengel von Hypochoeris radicata L. 

Mittlere Gürtel vorn mit 1 — 3, hinten 3 — 4 Reihen grös- 
serer Warzen ; im übrigen ähnlich. — Schwarzes Puparium 
unter einem ausgeblühten Köpfchen. Hinterstigmen mit 10 
Knospen. 

Graal, 29.VII.1936, Dr. Buhr leg. 

Im Stengel von Lactuca muralis Eres. 

Schwarzes Puparium von 3 mm Länge ; Stengelmine ca. 
12 cm lang, am unteren Ende das Puparium. 

Ribnitz, 30.VII.1936, Dr. Buhr leg. 

Im Stengel von Leontodon autumnal is L. 

Auch Hinterstigmen der Larve mit 1 1 Knospen ; schwar- 
zes Puparium. Teterow, 23.VIII.1936., Dr. Buhr leg. 

Aus all' diesem geht hervor, dass diese Art durch 11 -knos- 
pige Hinterstigmen (ausnahmsweise 10 oder 12) und durch 



184 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

schwarzes, im Stengel verbleibendes Puparium ausgezeichnet ist. 
Ausser der Art mit schwarzem Puparium, welche sich als 
Oph. persimilis Hend. ergab, fand Dr. Buhr nach seiner 
schriftlichen Mitteilung an Hypochoeris, Lactuca und Lamp- 
sana noch eine zweite Art, deren Puparium, welches eben- 
falls in der Stengelmine verbleibt, bräunlich, schwarz gestreift 
ist. Auch von Stachys silvatica kennt er noch einen weiteren 
Stengelminierer ausser Oph. labiatarum Her. 

* Ophiomyia proboscidea Strobl. Fig. 13. 

Im ersten Nachtrag, p. 151, beschrieb ich das zweite Lar- 
venstadium dieser Art aus Aster amellus. Auf meine Bitte 
war Prof. Hering so freundlich, mir auch einiges Material 
dieser Art aus Hieracium vulgatum Fries zu senden. Die 
Minen verlaufen nach unten, das Puparium befindet sich 
demnach am unteren Ende. Es ist dunkelgrau gefärbt, bei 
starker Vergrösserung mit zahlreichen schwarzen Querlinien ; 
Warzengürtel wie gewöhnlich, vorn mit ca. 2, hinten mit 
2 — 4 Reihen grösserer Warzen mit abgerundeter Spitze ; das 
Mittelband mit sehr kleinen Wärzchen. Die hinteren Stigmen 
mit je 9 Knospen. Am Schlundgerüst sind die Flügel braun- 
gelb, die unteren in der Endhälfte. Der unpaare Abschnitt 
ist dunkler, das braune Band an der Basis der Mundhaken 
ist etwas gebogen. 

Ophiomyia pinguis Fall. 

M e s n i 1 L. Ophiomyia pinguis Fall, nuisible aux endives. 

Bull. Soc. Ent. France 39 No. 9 p. 131—136, 1934. — Auch 
Biologie und Beschreibung der Larve, welche in Cichorium 
intybus lebt. Referat in Rev. appi. Entom. '34 p. 510. 

* Ophiomyia sp. Figur 17. 

Im Stengel von Lepidium graminifohum, von Dr. Buhr auf 
Korsika (Ajaccio, Barbicaja, Sept. 1933) gesammelt, fand 
ich Reste einer Larve im zweiten Stadium, wahrscheinlich zu 
dieser Gattung gehörig. Auch hier sind die Vorderzähne der 
Mundhaken grösstenteils gelb, dahinter kommen ein paar 
kleinere Zähne vor. Vom Hinterende der Mundhaken geht 
ein schwarzes Band nach oben. 

Ueberdies fand ich im Präparat noch ein paar Stigmen auf 
kurzen Trägern V-förmig dicht beisammen, mit ca. 10 Knos- 
pen in zwei Reihen sitzend. Es sind dies wohl die zugehöri- 
gen Vorderstigmen, wieder einhörnig, wie bei anderen Arten 
dieser Gattung. Die Hinterstigmen sind knopfförmig mit 6 
Knospen. Aus Cruciferen ist überdies vor kurzem noch eine 
Art aus Alliaria gezüchtet, welche Hering als submaura be- 
stimmt hat. Es könnte diese auch hier vorliegen. 

* Ophiomyia sp. Fig. 18. 

Von dieser in den Stengeln von Asparagus acutifolius L. 
minierenden Art erhielt ich Material von Dr. Buhr, das er 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 



185 



auf Korsika und Brioni (Istrien) gesammelt hatte. Es enthielt 
leider keine Larven, aber einige, z. T. schon leere Puparien. 
Diese sind langgestreckt, gelb, mit tiefen Einschnitten, und 
liegen unmittelbar unter der Epidermis, nahe dem unteren 
Ende der Mine. Mundhaken mit 1 bezw. 2 Zähnen, welche 
alternieren ; der unpaare Abschnitt ziemlich lang und gerade, 
schwarz ; die Fortsätze schmal, braun ; der untere ziemlich 
lang, grösstenteils membranös, nur unten schmal braun ge- 
säumt. 

Die schmalen Warzengürtel bestehen aus einem Mittelband 
von sehr kleinen Wärzchen und hinten 2 — 3 Reihen grösserer 



/)ü 








Ud\ 



Fig. 17. Ophiomyia sp. aus Lepidium graminifolium L. a Schlundgerüst, 

b Vorderstigma, c Hinterstigma. Fig. 18. Ophiomyia sp. aus dem Stengel 

von Asparagus acutifolius, a Mundhaken, b, c Hinterstigma des Pupariums, 

d Warzengürtel, e Vorderstigma der Larve am Puparium. 

Warzen, wozwischen, aber nicht überall, auch die kleinen 
Wärzchen vorhanden sind. Nur in den vorderen Gürteln 
ist hier vorn gleichfalls noch eine Reihe grösserer Warzen 
vorhanden. Im übrigen ist das Puparium äusserlich glatt, nur 
ganz hinten, nahe den Hinterstigmen stark runzelig durch 
unregelmässige Querlinien. Hinterstigmen je mit 7 sitzenden 
Knospen. Während diese Stigmen am Puparium von gelber 
Farbe sind, finden sich am Vorderende des Pupariums am 
oberen Deckel, vorn nahe der Medianlinie 2 schwarze Hör- 
ner, wohin eine Trachee verläuft. Dünnere Stellen (Tüpfel) 
konnte ich an ihnen nicht immer erkennen ; sie scheinen 
jedoch nach ihrer Lage den Vorderstigmen der Larve zu 
entsprechen. 

Im Stengel von Asparagus acutifolius L. Korsika : Ajaccio, 
August 1933, Istrien : Carol die Leme, April 1933, Brioni, 
März/April 1933. Dr. Buhr leg. 

Aus den mehrknospigen Hinterstigmen lässt sich gleich 



186 



PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 



ersehen, dass diese Art nicht mit dem bekannten Asparagus- 
Parasit Melanagromyza simplex identisch sein kann, welcher 
nach den Angaben 3-knospige Hinterstigmen aufweisen soll. 
In dem Material von Brioni fand ich auch einen Zw^eig, 
an welchem mehrere Nadeln für sich miniert waren und eine 
Larve bezw. Puparium einer viel kleineren Art enthielten. 
Weil diese mir zu einer mir unbekannten Gattung zu gehören 
schienen, habe ich diese am Ende dieses Nachtrags gestellt 
und beschrieben. 

* Ophiomyia sp. ? 

In einer Stengelmine an Daucus carota (Korsika : Corte, 
Sept. 1930, Buhr leg.) fand ich nur die Reste eines schwärz- 
lichen Pupariums, wahrscheinlich von einer Ophiomyia. Ver- 
grössert und bei durchfallendem Licht ist es dunkelbraun. Es 
gelang mir leider nicht, vom Schlundgerüst oder Stigmen 
etwas aufzufinden. Auch von Warzen ist an diesen Resten 
kaum etwas zu beobachten. Ich sah einige niedrige, abge- 
rundete, wie sie auch bei Ophiomyia vorkommen. 

* Ophiomyia sp. Fig. 19. 

Im Stengel von Galium mollugo. Die Art ähnelt in vielem 
der weiter unten folgenden aus derselben Pflanze, weicht 
aber durch die Zahl der Hinterleibsknospen ab. 

Mundhaken je mit kleinem zweiten Zahn, das schwarze 
Band an der Basis der Mundhaken länger, der unpaare 
Abschnitt des Schlundgerüstes relativ lang, schwarz ; die 
Flügel braun, der untere am Unterrand schwarz. Keine 
Wärzchen über der Sinnesgruppe. Warzengürtel von typi- 
schem Bau ; je hinten ca. 4 Reihen grösserer, meistens spitzer 
Warzen, vorn sind solche nur bei einigen vorderen Gürteln 
vorhanden. Vorderstigmen wieder einhörnig, mit mehreren 
sitzenden Knospen. Hinterstigmen mit 4 Knospen. 




Fig. 19. Ophiomyia sp. aus Galium mollugo. a Mundhaken des Isten Sta- 
diums, b id. Mundhaken des 3ten Stadiums, c Vorderstigmen, d Hinterstigma, 
e id. des Pupariums, f Puparium. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 187 

Im ersten Stadium sind die Mundhaken an der Basis nach 
unten stark verlängert. 

Im Stengel von Galium mollugo L. Gehmkendorf 19.VIII. 
35., Teterow 23.8.36., Warsow '22.VIII.36. Dr. Buhr leg. 

Puparium im Stengel von Galium mollugo, 2 mm lang, von 
schwarzer Farbe, bei stärkerer Vergrösserung sehr fein mar- 
moriert. Die kurzen Vorderstigmenträger ragen zusammen 
V-förmig hervor. 

Hinterstigmen auf kurzen geraden Trägern mit je 5 sit- 
zenden Knospen in einem Bogen. Warzengürtel wenig auf- 
fällig, aus 3 — 4 Reihen kurzer abgerundeter Wärzchen be- 
stehend. 

Braunschweig, Buhr leg. 

In Galium mollugo fand Buhr schon 3 Stengelminierer, 
von welchen die obige, Ophiomyia, mit 4 Knospen an den 
Hinterstigmen, im Stengel verpuppt in einem schwärzlichen 
Puparium. Ueber die anderen schrieb er mir : Bei der einen 
Art liegt der Kot in runden Körnern ziemlich entfernt, dies 
ist gleichfalls eine Ophiomyia, (wohl die mit 7 Knospen an 
den Hinterstigmen, auf p. 189 beschrieben (de Meijere), bei 
der anderen hingegen ist er unregelmässig fadenförmig ge- 
lagert. Letztere ist unter Lidomyza beschrieben (p. 204). 

* Ophiomyia achilleae Hering i. litt. Fig. 20. 

Aus dem Stengel von Achillea millefolium, Te- 
terow 23.VIII.'36 Neukaien, 15.VIII.35 und 22.VIII.'36 ; 
die Minen sind schwer auffindbar ; sie finden sich gewöhn- 
lich nur an den dünnen Aestchen in der Blütenstandsregion. 
Die Verpuppung erfolgt in der Mine. Stengelmine, aber nicht 
in der Blütenstandregion, sondern tiefer am Stengel, mit 
Puparium im Stengel. Sanitz, 29.VIII.36., Dr. Buhr leg. 

Mundhaken mit kleinerem, hinteren Zahn, die Zähne des 
einen Hakens vor denen des anderen gelagert, an der Basis 
ein gebogenes schwarzes Band. Am Schlundgerüst der un- 
paare Abschnitt schwarz, das übrige gelbbraun. Auch die 
Warzengürtel von für die Gattung typischem Bau ; die hin- 
teren grösseren Warzen meistens abgerundet ; die vorderen 
grösseren sind nur an ein paar der vorderen Gürtel vorhan- 
den. Vorderstigmen relativ klein, einhörnig, mit im ganzen 
ca. 7 sitzenden Knospen. Hinterstigmen mit 3 Knospen. 
Hinterende ohne Wärzchen. 

Puparium fast 3 mm lang, zart, gelb, stellenweise blasser ; 
Vorderstigmen einhörnig, schwarz. Hinterstigmen 3-knospig, 
dunkelbraun (aus Larve von Warsow 24. VIII. 35, Hering). 

Achillea ptarmica Sanitz 29.VIII.'36, Dr. Buhr 
leg. Wohl dieselbe Ophiomyia, wieder mit 3 Hinterstigmen- 
knospen; in der Blütenstandsregion ; Puparium in der Mine, 
gelb. 

An Anthémis tinctoria L., Stengelmine, Neuka- 
ien, 22.VIII.36. 



188 



PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 



Kleine O phiomy ia-Larve, wohl zweites Stadium, Mund- 
haken an der Spitze gelb ; Schlundgerüst wie in Achillea, mit 
3 Knospen an den Hinterstigmen. Wohl dieselbe Art. 

* Ophiomyia sp. 

An Matricaria inodora. 

Im Stengel schwarzes Puparium von 2 mm Länge. Das 
Schlundgerüst typisch Op/ifomyia-artig, obere Flügel dunkel- 
braun, dünn ; untere etwas breiter und dunkler ; an den 
Einschnitten hin und wieder die grösseren abgerundeten 
Wärzchen der Ophiomyien erkennbar. Hinterstigmen mit 3 
Knospen. Wegen des schwarzen Pupariums nicht von der- 
selben Art wie vorige. Warsow, 3. IX. 35. Dr. Buhr leg. 

An Achillea ptarmica. Ein derbes schwarzes 
Puparium in der Blütenstandsregion, dicht unter einer Blüte, 
gehört wohl zur selben Art. Es sind wieder 3 Knospen an 
den Hinterstigmen vorhanden und die Warzengürtel zeigen 
das Verhalten der Ophiomyien. Bei derselben Pflanze kommt 
ausserdem die vorhergehende Ophiomyia achilleae Her. mit 
gelbem Puparium, und eine Liriomyza im Stengel an dersel- 
ben Stelle vor. Sanitz, 29.VIÎI.36. Dr. Buhr leg. 




V' ^ 



Fig. 20. Ophiomyia sp. aus Achillea millefolium, a Mundhaken, b Vorder 
Stigma, c Hinterstigma, d Puparium. e Hinterstigmen des Pupariums. 
20 bis. Puparium a aus Matricaria inodora, b aus Achillea ptarmica. 
e. d dessen Hinterende und Hinterstigmen. Fig. 21. Ophiomyia sp. aus 
Galium mollugo, a Vorderstigmen, b Hinterstigma, c Schlundgerüst, 
d Warzengürtel. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 189 

Ophiomyia sp. Fig. 21. 

Langgestreckte Larve im Stengel von Galium mollugo. 

Mundhaken schwarz, je mit kleinerem hinteren Zahn, der 
vordere Mundhaken mit beiden Zähnen vor dem hinteren. 
Schlundgerüst für die Gattung vom typischen Bau ; der un- 
paare Abschnitt relativ dick, schwarz, die oberen Flügel sehr 
schmal und dunkel, die unteren etwas breiter und wie der 
untere Fortsatz von brauner Farbe ; schwarzes Band an der 
Wurzel des Mundhakens gerade. Prothorakalgürtel aus Quer- 
gruppen von sehr kleinen Wärzchen gebildet. Warzengürtel 
von für die Gattung typischem Bau, die mittleren mit 3 — 4 
Reihen grösserer Wärzchen vorn und eben so vielen hinten ; 
in der Mitte des Gürtels ein Band sehr kleiner Wärzchen, 
an den weiter nach hinten gelegenen Gürteln die vorderen 
grossen geringer an Anzahl und kleiner, an den letzten 
Gürteln fehlen sie. 

Vorderstigmen ziemlich lang gestielt mit einem nach vorn 
gerichteten Horn, das bei den älteren von schwarzer Farbe 
ist, wohl mit 2 Reihen von Knospen. Hinterstigmen mit 7 
Knospen, das Hinterende abgestützt, unten etwas vorragend, 
nackt. 

Stengelmine an Galium mollugo, Teterow 20.VIII.'35, Dr. 
Buhr leg. 

Dizygomyza Hendel. 
Dizygomyza abnormalis Mall. Fig. 22. 

Von dieser Art beschrieb ich im ersten Nachtrag, p. 152 
das Puparium ; seitdem' lernte ich auch die Larve kennen. 
Die Imagines fand ich im Juni 1934 zahlreich auf Chenopo- 
dium album im Zuchtgarten für Entomologie der Amster- 
damer Universität, in welcher Pflanze ich schon seit mehre- 
ren Jahren die Bohrlöcher einer Agromyzine gesehen hatte. 
Es war mir entgangen, dass als Minierer dieser Pflanze 
schon 1914 von Herrn Kramer Diz, abnormalis gezüchtet 
worden war, sodass ich aus Versehen die Wirtpflanze dieser 
Art als noch unbekannt angab. Im selben Monat fand ich, 
schon am 7. Juni, im Stengel dieser Pflanze eine Anzahl 
Minen, auch hin und wieder die punktförmigen Ablagestellen 
der Eier. Die jungen Larven bohren sich offenbar gleich ins 
Mark und hier findet man später die grösseren Larven, na- 
mentlich in der unteren Hälfte der Pflanze ; über lange 
Strecken ist dadurch bis zur Wurzel das Mark ganz zer- 
krümmelt. Die reifen Larven bohren sich von ca. Mitte Juli 
an nach aussen und verpuppen sich in der Erde, wo sie den 
Winter über liegen bleiben. An der angegebenen Stelle fand 
ich bis Mitte Juli noch einige Imagines, beobachtete auch 
die Copulation, worüber ich an anderer Stelle berichten werde. 
Die Ausbohrstellen der erwachsenen Larven sieht man hin 
und wieder als kleine, längs-ovale Löcher von ca. 1 mm Länge, 



190 



PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 



die durch einen nach oben und unten sich erstreckenden und 
allmähhch sich verschmälernden roten Flecken umgeben sind, 
von derselben Farbe, wie man sie auch öfters an Achseln 
zwischen Stengel und Blattstiel beobachtet. 

Die reifen Larven sind weisslich, mit einem sehr geringen 
gelblichen Anflug. Die Mundhaken sind relativ stark, je mit 
grösserem Endzahn und viel kleinerem zweiten Zahn ; die 
Zähne alternierend ; vom hinteren Ende der Haken geht 
auf jeder Seite eine schwarze Gräte senkrecht nach oben. 
Schlundgerüst kurz und dick, der unpaare Abschnitt schwarz, 
sehr kurz, die Basis der Fortsätze dick, gleichfalls schwarz, 
die oberen Fortsätze bald verschmälernd, z. T. braun, der 
untere insofern gefärbt sehr kurz, in sehr kurzen Gräten 
auslaufend. Sinnesgruppe median mit schwarzer Strieme, 
welche zu den Mundhaken verläuft, ganz ohne Warzen, 



o 




CO 0_o 



o ^0 



ü 



ü oo 








Fig. 22. Dizggomgza abnormalis Mall., a Vorderende der Larve, b War- 
zengürtel, c Vorderstigma, d Hinterstigma. 

auch kein Stirnfortsatz vorhanden. Warzengürtel schmal und 
wenig auffällig, weil aus relativ wenigen, aber ziemhch gros- 
sen farblosen runden Warzen bestehend, welche auch dorsal 
und ventral vorhanden sind. Der prothorakale Gürtel nur in 
der oberen Hälfte entwickelt, aus Reihen oder reihförmigen 
Gruppen kleiner dreieckiger, schwach gebräunter Wärzchen 
zusammengesetzt, dahinter eine Querreihe von grossen, run- 
den, farblosen Papillen mit stark lichtbrechendem Zentral- 
punkt. 

Vorderstigmen zweihörnig, mit 8 — 9 sitzenden Knospen. 
Hinterstigmen mit 3 fast gleichgrossen, nach vorn gerichte- 
ten länglichen Knospen, die obere nur wenig grösser. Hinter- 
ende gerade abgestützt, nur schwach gewölbt, unter den 
Hinterstigmen bis unten mit ziemlich dicht gelagerten farb- 
losen runden Warzen besetzt. 



Dizygomyza (Dendromyza) betulae Kangas. 

Kangas E. Die Braunfleckigkeit des Birkenholzes und 
ihr Urheber Dendromyza {Dizygomyza) betulae n.sp. Com- 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 



191 



munie. Istit. forest. Fenniae 22, 1, Helsinki 1935. — Enthält 
auch die Beschreibung von Larve und Puparium. Vorderstig- 
men mit ca. 10 sitzenden Knospen, Hinterstigmen mit 3 
Knospen in verschiedener Richtung verlaufend. Larven von 
schmaler, wurmförmiger Gestalt. Mundhaken je mit kürzerem 
zweiten Zahn. 



Dizygomyza bimaculata Mg. Fig. 23. 

Von Prof. Hering erhielt ich jetzt auch die Larve dieser 
Art. Die Mundhaken zeigen je zwei scharfe Zähne, der 
vorderste ist etwas mehr gesondert. Schlundgerüst schwarz, 
der unpaare Abschnitt ziemlich lang, gerade, die oberen An- 
hänge wenig gebogen. Ueber der Sinnesgruppe ein Querband 
von feinen Haaren, davor eine Querreihe von mehr oder 
weniger dreieckigen Wärzchen. Hinter den Mundhaken drei 
Fortsätze, deren mittlerer zweispitzig ist ; jede Spitze trägt 
eine Sinnespapille. Auch dorsal ein paar Wulste hinter einan- 
der. Durch dieses Verhalten sieht diese Larve derjenigen 
von Diz, cornigera aus Java sehr ähnlich. Warzengürtel sehr 
wenig auffällig, überhaupt nur im vorderen Teil der Larve 
erkennbar. Sie sind ziemlich schmal und bestehen aus zahl- 
reichen, sehr dicht gelagerten, farblosen, rundlichen bis ova- 
len, schuppenartigen Wärzchen. 




r 



/ 



Fig. 23. Dizygomyza bimaculata Mg. a Vorderende der Larve, b Mund- 
haken, c Hinterende, d Vorderstigma, e Hinterstigma, f Warzengürtel. 

Vorderstigmen breit schuppenförmig mit ca. 16 Knospen. 
Hinterstigmen mit 3 auffällig langen, schmalen Knospen. 
Hinterende abgestutzt, nackt. 

Bei einem zweiten Exemplar waren die Fortsätze des 
Vorderendes weniger deutlich. 

An Luzula pilosa, Berlin-Finkenkrug, IX.35., Hering leg. 



192 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

Über das Puparium dieser Art habe ich in meiner Haupt- 
arbeit I p. 258 schon einige Angaben gemacht. 

Dizygomyza (Dendromyza) cambii Hend. 

S c h i m i t s c h e k, E. Dendromyza-harven als Korb- 
weidenschädhnge. Dendromyza cambii Hendel, die Weiden- 
kambiumminierfliege. Anz. Schädlingsk. No. 11, 1935 p. 
121—126; Ref. Rev. appi. Entom. 24, A. 1936 p. 49. 

* Dizygomyza cornigera de Meij. Fig. 24. 

Von dieser im zweiten Nachtrag, p. 264 beschriebenen 
Art erhielt ich jetzt auch das dritte Stadium : Mundhaken 
mit je zwei Zähnen, welche regelmässig alternieren. Über 
der Sinnesgruppe ein Längsband von Härchen, weiter nach 
hinten, in der Mitte zwischen dem Oberrand der Mund- 
haken und den Vorderstigmen ein konischer Fortsatz, der 
als Stirnfortsatz bezeichnete Anhang des zweiten Stadiums ; 
Schlundgerüst wie beim zweiten Stadium. Unter den Mund- 
haken liegen an den vorderen Segmenten ventral auch einige 
Fortsätze, wie in Figur 24 angegeben, der vordere mit zwei 
kurzen Spitzen. Warzengürtel wenig auffälhg, dorsal schmal, 
ventral nur mit sparsamen Wärzchen, aus sehr dicht gela- 
gerten farblosen, nicht in Reihen angeordneten rundlichen 
Wärzchen bestehend. 




Fig. 24. Dizygomyza cornigera de Meij. a Vorderende, b Mundhaken, 
c Hinterende, d Vorderstigma, e Hinterstigma. 

Vorderstigmen fast farblos, schuppenförmig, mit ca. 14 
kurzgestielten Knospen. Hinterstigmen mit 3 Knospen, die 
verlängerte Endknospe etwas gebogen, davor zwei sehr kurze 
Knospen. 

Hinterende etwas verschmälert, schief nach unten vorn 
etwas abgestutzt ; oben mit den Hinterstigmen und dicht 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 



193 



darunter eine rundliche Warzenplatte aus rundlichen, brau- 
nen Wärzchen. 

An einer Cyperacee, Java (Gedeh, Tapos), Kalshoven leg. 

* Dizygomyza (Calycomyza) gyrans Fall. Fig. 25. 

Mundhaken schwarz, je mit zwei Zähnen, diese alternie- 
rend. Unpaarer Abschnitt des Schlundgerüstes kurz und 
gerade, die oberen Fortsätze wenig gebogen, in der Wurzel- 
hälfte schwarz, weiterhin gelbbraun ; unterer Fortsatz kurz, 
nur an der Wurzel dunkel, weiterhin wenig gefärbt. Über 
der Sinnesgruppe eine Querbinde von in Quergruppen an- 
geordneten dunklen Wärzchen ; kein Stirnfortsatz. Vorder- 
stigmen sehr kurz zweihörnig, vorn etwas mehr vorragend 
als hinten, von der Seite gesehen mit ca. 7 — 9 sitzenden 
Knospen. Hinterstigmen bei den Exemplaren aus Campa- 
nula trachelium mit 4 — 5 Knospen, beim Exemplar aus C. 
persicifolia mit je 3 ; die untere Knospe wenig grösser als 
die obere. Warzengürtel schmal, im ganzen mit grösseren, 
zerstreuten Warzen, hin und wieder auch mit kleineren, die 
dann meistens dreieckig sind. In den vorderen Gürteln die 
Warzen etwa bis zum dritten Abdominalsegment dreieckig, 
in den folgenden Gürteln meistens abgerundet, der freie 
Teil der Warzen gebräunt. Hinterende gerade abgestutzt, 
unten mit schmalen dreieckigen Läppchen. 




Fig. 25. Dizygomyza gyrans Fall, a Vorderstigma, b, c, d Hinterstigmen, 

e, f Warzengürtel. Fig. 26. Dizygomyza jauana de Mey. Hinterende des 

Pupariums. Fig. 27. Dizygomyza scutellaris v. Ros. Hinterende. 

Sehr eigentümlich ist die wechselnde Zahl der Hinter- 
stigmen-Knospen,, während die nächstverwandten Arten 
deren 3 (wie artemisiae) oder regelmässig mehr (wie z. B. 
ca. 10 bei humeralis = bellidis) aufweisen. Auch bei Lirio- 
myza congesta befindet sich eine noch weit mehr wechselnde 
Anzahl, nämhch bei der von mir in meiner Hauptarbeit 



194 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

p. 277 als pusio bezeichneten Form aus Pisum sativum 4 — 8, 
bei den von mir als leguminosarum (ib. p. 282) bezeichneten 
Stücken aus Pisum und auch aus anderen Leguminosen fast 
immer 3, nur in Pisum ausnahmsweise 4. 

An Campanula persicifolia und trachelium L., Mecklenburg 
und Insel Rügen, Buhr leg. 

An Campanula persicifolia, Tschechoslowakei, Dr. Baudys 
leg. 

* Dizygomyza javana de Meij. Fig. 26. 

Von dieser schon im zweiten Nachtrag beschriebenen Art 
möchte ich noch eine Abbildung nach neuerdings erhaltenem 
Material geben, woraus besser der Bau der Hinterstigmen 
des Pupariums hervorgeht. Es findet sich am Ende eine 
lange, schwärzliche, gebogene Knospe, dicht davor eine 
schmale dreieckige zweite Knospe und an der Basis eine 
halbkugelförmige, wenig vorragende dritte Knospe. 

An Panicum palmifolium, Java (Gedeh Tapos), Kals- 
hoven leg. 

Dizygomyza labiatarum Hendel. 

Figur der Mundwerkzeuge der Larve bei Stary (Taf. Ill 
Fig. 3). 

Dizygomyza lateralis Macq. 

Venturi F. Contrubito alla conoscenza dell' Entomo- 
fauna del frumento (= Triticum) II. Bull. Lab. di Entom., 
Bologna, VIII. 1935. — Enthält neben ausführlicher Be- 
schreibung der Imago auch die des 1. und 3. Larvenstadiums 
und des Pupariums. Das Hinterstigma ist nicht vollständig 
interpretiert ; man vergleiche meine Abbildung Nachtr. 2 
p. 267. 

* Dizygomyza scutellaris v. Ros. = scirpi Karl. Fig. 27. 
An Scirpus silvaticus, Warsow 14.VIII.35., Dr. Buhr leg. 
Ich gebe hier noch eine Abbildung des hinteren Endes 

und der Mundhaken. 

* Dizygomyza staryi Her. 

Figur der Mundwerkzeuge der Larve bei Stary (Taf. 
III. Fig. 6). 

Liriomyza Mik. 

Auch in dieser Gattung sind einige Stengelbewohner be- 
kannt geworden. Liriomyza perpusilla führt Hering als sol- 
chen in Sonchus asper All. auf (von ihm von Dr. Buhr er- 
halten). In Buhrs Material fand ich Larven, welche ich als 
zu dieser Gattung gehörig betrachte, in Campanula persi- 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 195 

cifoîia (von ihm als Oph. heringi Stary eingesandt, dereiv 
nächste Verwandte Oph. persimilis Hend. er auch daraus 
erhielt, aber das mir gesandte stimmte damit nicht überein ; 
nach dem Schlundgerüst waren es Larven und Puparien einer 
ganz anderen Gattung ) ; ferner in Achillea millefolium L. 
und ptarmica L. und in Matricaria inodora. 

Alle diese haben dreiknospige Hinterstigmen, Das Pupa- 
rium in Campanula ist gelbi), das von den Compositen in 
soweit bekannt auch. Eine Art in Galium mollugo, mit 11 — 12 
Knospen an den Hinterstigmen, könnte auch hierher gehören, 
aber ist möglicherweise Phytagromyza orphans, von welcher 
ich eine Beziehung zu Galium vermute, weil ich sie in Mehr- 
zahl auf Galium aparine L. erbeutete und die Art, darauf 
eingebunden, in den Blättern derselben Bohrlöcher anfertigt. 

Liriomyza amoena Mg. 

Im November 1936 erhielt ich von Dr. Hering ein Pupa- 
rium aus Sambucus ebulus (von Douelle, Lot, Frankreich, 
leg. Leon Lhomme) aus einer Mine, welche von Lir. amoena 
abweicht.,, Die Gangmine beginnt unterseitig. Die Larve frisst 
lange auf der Unterseite und wird so nicht entdeckt, geht 
dann nach der Oberseite, wo sie in ganz kurzer Zeit ihre 
Entwicklung beendet". Das Puparium schien mir ähnlich 
dem von Lir. amoena ; ob es wirklich zu dieser Mine gehört ? 

* Liriomyza asteris Hering, Fig. 28. 

Puparium gelb mit deuthchen Einschnitten. Mundhaken 
wie bei dieser Gattung gewöhnhch. Unpaarer Abschnitt des 
Schlundgerüstes kurz, gerade ; Schlundgerüst schwarz, die 
oberen Fortsätze hinten braun, massig gebogen. Warzen- 
gürtel schmal, mit zerstreuten dreieckigen Wärzchen. Vor- 
derstigmen knopfförmig mit 8 Knospen, Hinterstigmen mit 
3, die untere etwas grösser, gerade. 

An Aster amellus, Deutschland, Hering leg. Nach Herings 
brieflicher Angabe beginnt der Gang in 98% der Fälle an 
der Unterseite, ist stärker gewunden als bei Phytomyza aste- 
tibia, liegt meist näher der Blattspitze, Anfangsgang lange 
schmal bleibend. 

* Liriomyza cannabis Hend. Fig. 29. 

Mundhaken von geM'öhnlicher Gestalt, schwarz, über der 
Sinnesgruppe ein Warzenband vorhanden. Unpaarer Ab- 
schnitt kurz, schwarz, die oberen Fortsätze schwarz, schmal, 
gebogen. Vorderstigmen knospenförmig, von der Seite ge- 
sehen mit ca. 7 sitzenden Knospen. Hinterstigmen mit 3 

^) Eine weitere Liriomyza, welche Hering vor kurzem aus Campanula 
erhielt [Lir. buhri Her i. litt.) hat ein gelb bis rotbraunes Puparium, ich 
habe sie unten p. 202 erwähnt, aber werde das Puparium im folgenden 
Nachtrag beschreiben. 



196 



PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 



Knospen, die untere hakenförmig verlängert. Warzengürtel 
aus zerstreuten, spitzen Wärzchen gebildet. 

Rostock, Botan. Garten, Buhr leg. 

Durch das Warzenband über der Sinnesgruppe steht diese 
Larve derjenigen von eupatorii näher, als Valerianae, welche 
beide ganz ähnliche Fliegen besitzen. Die Fhege von cari' 
nabis ähnelt nach Hendel im ,, Lindner" mehr der strigata, 
deren Larve sich durch die abgerundeten Warzen unterschei- 
det. 



28 à 




b^a 



Fig. 28. Liriomyza asteris Her. a Vorder-, b Hinterstigma. Fig. 29. Lino- 
myza cannabis Hend. Hinterstigma. Fig. 30. Liriomyza sp. Puparium. 
Hinterstigma. Fig. 31. Liriomyza cicerina Rond., Schlundgerüst. Fig. 32. 
Liriomyza solani Her. a Hinter-, b Vorderstigma. Fig. 33. Liriomyza 
cenfaureae Her. Hinterstigma. Fig. 34. Liriomyza ? aus Exacum tetrago- 
num, a Vorder-, b Hinterstigma. 

* Liriomyza centaureae Hering, Fig. 33. 

Mundhaken mit je 2 relativ langen Zähnen, welche alter- 
nieren. Über der Sinnesgruppe eine Querbinde von Wärz- 
chen. Schlundgerüst ganz schwarz, der unpaare Abschnitt 
kurz, gerade. Die oberen Fortsätze stark gebogen, ziemlich 
breit. Gürtel schmal, die Wärzchen zerstreut, nicht dicht 
aufeinander, klein aber ungleich gross ; die vorderen und 
hinteren durchwegs etwas kleiner, auch die grössten wenig 
spitz, breit, dreieckig oder bisweilen abgerundet. Vorderstig- 
men knopfförmig mit ca. 8 kleinen Knospen ; Hinterstigmen 
mit 3 gleichen, ziemhch kurzen Knospen. Hinterende abge- 
rundet, nackt. 

Gangminen an Centaurea scabiosa, Frankenhausen am 
Kyffhäuser, Juli 1935, Hering leg. 

Dies ist wohl die Art, welche Hering als Lir. fasciola 
subsp. centaureae in Minenstudien VIII, Zeitschr. ang. 
Entom. 1927 No. 182 beschrieb, deren Minen er an Centau- 
rea nigra gefunden hatte, während er ähnhche Minen auch 
an Cent, jacea und montana beobachtet hat. Die Larven der 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 197 

[asciola-F ormen haben eben auch dreiknospige Hinterstig- 
men, eine unten folgende Art aus Centaurea besitzt 9-knos- 
pige (p. 199). 

Liriomyza cicerina Rond. (= ononidis de Meij.) Fig. 31. 

Del Canizo }. Dos Agromicidos perjudiciales al gar- 
banzo. Bol. Pat. Veg. Ent. agr. 7, 1934 p. 91—103. — Rev. 
appi. Ent. 1934 p. 60S. 

Der Autor beschreibt auch die verschiedenen Stände die- 
ser an Cicer arietinum schädlichen Art. 

Liriomyza congesta Beck. 

Aus Korsika : Ajaccio, Gravona Tal, August 1933, er- 
hielt ich von Dr. Buhr eine Gangmine aus Trifolium repens 
L., deren Larve wohl L. congesta war. Das Schlundgerüst 
ist grösstenteils schwarz, die oberen Fortsätze leicht gebo- 
gen, schmal, nur hinten etwas heller ; die Wärzchen in den 
Gürteln dreieckig, die Hinterstigmen dreiknospig. Ebensolche 
Minen mit gleicher Larve sammelte ich im August 1922 in 
Lugano, gleichfalls an Trifohum. Die Minen verlaufen im 
Blatt öfters sehr unregelmässig. 

Mein Befund stimmt mit Dr. B u h r s Angabe in : Einige 
Blattminen und Gallen von der Insel Lesina (Hoar) in Dal- 
matien, Sitzber. Abh. naturf. Ges. ' Rostock, 3. F. Bd. 2, 
1927/29 p. 129. 

Liriomyza puella Mg. 

Ich erhielt von Dr. Buhr blasenförmige Blattminen von 
Lampsana communis, deren Larven mit dieser Art überein- 
stimmen. Sie haben gleichfalls nur 3 Knospen an den Hinter- 
stigmen. In den Warzengürteln sind bei dieser Art die vor- 
deren Wärzchen im allgemeinen kleiner als die mittleren, 
die hinteren hin und wieder auch kleiner. An Lampsana com- 
munis L., Warsow, 17.VIII.1935. 

* Liriomyza solani Hering, Fig. 32. 

Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, diese alternierend. 
Unpaarer Abschnitt schmal gebogen, schwarz, die oberen 
Anhänge sehr wenig gebogen, braun. Über der Sinnesgruppe 
höchstens ein paar kleine Wärzchen, kein Warzenband. 
Warzengürtel schmal, aus zerstreuten, ziemlich grossen, we- 
nig gefärbten, meistens abgerundeten Wärzchen gebildet. 
Vorderstigmen klein, knopfförmig, fast einhörnig, mit ca. 
9 kleinen sitzenden Knospen ; Hinterstigmen mit Bogen von 
ca. 9 Knospen. Hinterende leicht gewölbt, nackt. Puparium 
wie gewöhnlich, gelb, mit deutlichen Einschnitten und mit 
vielen feinen Querhnien. Vorderstigmen wenig breiter als 
die Träger, die hinteren kurz, zweihörnig mit mindestens 9 
Knospen, die unteren etwas grösser als die anderen. 



198 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

Die Larve aus Blattmine von Nicotiana sanderae, Rostock, 
Botan. Garten, Buhr leg. 

Das Puparium aus Datura stramonium, Rostock, Botan. 
Garten, Buhr leg. 

In Blattminen an Solanum, dulcamara, Brno, Tschechoslo- 
wakei, Dr. Baudys mis. 

Im Nachtrag I p. 161 gab ich an, dass nach Hering die 
Hinterstigmen 9 — 12 Knospen zeigen. Nach Hendel im 
,,L i n d n e r" steht die Fliege der L. strigata nahe, welche 
andere Minen aufweist. An Kartoffeln und Tomaten kom- 
men beide Arten vor. 

* Liriomyza violiphaga Hendel. 

Gelbbraunes Puparium mit tiefen Einschnitten. Obere 
Fortsätze des Schlundgerüstes wenig gebogen, grösstenteils 
gelbbraun, nur ganz vorn dunkler. 

Vorderstigmen, wie meistens in dieser Gattung klein, 
knopfförmig mit einem Bogen kleiner Knospen. Hinter- 
stigmen mit 3 Knospen, die oberen wenig vorragend, die un- 
tere etwas verlängert. Warzengürtel schmal, aus ziemlich 
grossen dreieckigen Wärzchen in wenigen Reihen gebildet. 

An Viola silvatica, Taborg 1926, Schweden, Nils Rydén 
leg. 

* Liriomyza sp. ? 

Von Herrn Nils Rydén erhielt ich eine kurze Gangmine im 
Blatte von Plantago lanceolata. Hierin befand sich ein zweites 
Stadium einer Larve, welche mir zunächst zu Phytomyza 
atricornis Mg. zu gehören schien. Wegen des Warzenbandes 
über der Sinnesgruppe konnte es Ph. plantaginis nicht sein. 
Herr Rydén schrieb mir u.a. : dass er atricornis schon öfters 
aus Plantago gezüchtet hatte, dass er indessen bei dem jetzt 
vorliegenden Fall keine Puparien im Blatte gefunden hatte, 
sondern die Larven ausserhalb des Blattes sich verpuppt hat- 
ten, und dass er überdies bei der Zucht eine Liriomyza be- 
kommen hatte ; indessen waren hier auch Orobus-Minen im 
selben Glase mitgebracht worden, sodass er nicht genau 
angeben könnte, aus welcher Pflanze die Liriomyza hervor- 
gegangen wäre. Bei erneuter Untersuchung scheint es mir 
nicht unmöghch, dass wir es hier mit einer Liriomyza zu tun 
haben. Aus Plantago ist indessen nur Lir. strigata bekannt 
(Plantago major), welche aber andersartige Minen veran- 
lasst ; nach Rydén waren es hier mehr oder weniger lang- 
gestreckte Platzminen, bald in der Mitte des Blattes, bald 
in der Blattspitze. Somit handelt es sich hier vielleicht um 
eine, wenigstens für diese Pflanze, neue Liriomyza. 

* Liriomyza sp. ? Fig. 34. 

Larve am Vorderende gelb, weiterhin weiss. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. .199 

Mundhaken mit je 2 Zähnen, welche alternieren. Der 
unpaare Abschnitt schwarz, die oberen Fortsätze schmal, 
massig gebogen. Keine Wärzchen über den Mundhaken. 
Warzengürtel ziemlich schmal, aus zerstreuten, weit aus- 
einanderstehenden Wärzchen gebildet, welche breit, rund- 
lich, mit äusserst kleinen Spitzen, und fast farblos sind. 
Vorderstigmen klein, knopfförmig, mit einer Reihe von sit- 
zenden Knospen. Hinterstigmen mit ca. 10 Knospen, zwei- 
hörnig, denen von Liriomyza strigata ähnhch. 

Puparium glänzend schwarz, mit deutlichen Einschnitten ; 
vorn die zwei kleinen Vorderstigmen, hinten auf zwei ko- 
nischen Trägern die Hinterstigmen. 

Blattmine an dem als Zimmerpflanze gezüchteten indischen 
Enzian (Exacum tetragonum, Amsterdam, 9.X.33., Mac Gil- 
lavry leg.) Der Gang ist anfangs schmal, mit abwechselnd 
links und rechts Linien von schwarzem Excrement, weiterhin 
lang und in den ziemlich kleinen Blättern stark gewunden, 
die Abschnitte einander öfters berührend, mit einseitigen, 
abwechselnden, langen Excrementlinien. 

Von der aus europäischem Enzian gezüchteten Phytomyza 
gentianae und Napomyza gentil Hend. ist die Larve be- 
stimmt verschieden. 

* Liriomyza sp. Fig. 35. 

Aus Amarantus caudatus erhielt ich von Dr. Buhr ein paar 
Puparien ; die zugehörige Fliege ist noch unbekannt. 

Puparium oval, gelbbraun, 1,5 mm lang ; Einschnitte un- 
deutlich. Unpaarer Abschnitt in zwei Hälften der Länge nach 
getrennt. Obere Fortsätze des Schlundgerüstes nur mit einem 
Flügel, dieser wenig gebogen, schmal, schwarz, nur am Hin- 
terende etwas brauner. Warzengürtel schmal, aus wenig 
auffälhgen, zerstreuten, kurz dreieckigen oder meistens ab- 
gerundeten, fast farblosen Wärzchen gebildet. Vorderstig- 
men kurz vorragend, getrennt, mit einer Reihe von Knospen, 
wie bei Liriomyza gewöhnlich. Hinterstigmen auf kurzen 
Trägern mit 7 — 8 Knospen, die 2 bis 3 hinteren etwas mehr 
gesondert als die übrigen. 

An Amarantus caudatus L., Rostock, Botan. Garten, 
22.VIL35. Dr. Buhr leg. 

An Am. retroflexus erwähnt B r i s c h k e, p. 43, ober- 
seitige, helle, vielfach verschlungene Gänge mit einfacher 
Kothnie ; Made hellgelb. 

Vielleicht ist es dieselbe Art ; die Liriomyza-harven sind 
vielfach gelb. 

* Liriomyza sp. Fig. 30. i) 

Aus Centaurea jacea, Ribnitz (Mecklbg.) (9.VII.31, Dr. 
Buhr leg.). Die Art war als Lir. centaureae Her. bestimmt, 
aber das Puparium, welches den pusz7/a-Typus zeigte, hat 

^) Nach jetzt von Prof, Hering erhaltenem Material ist diese Art die 
richtige centaureae Her., die von p. 196 hat er jetzt centaureana benannt. 



200 



PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 



Hinterstigmen mit 9 Knospen, während centaureae deren nur 
3 besitzt. Es ähnelt hierin der Lir. strigata, aber damit stimmt 
die Mine nicht ; der Minengang Hegt an der Oberseite des 
Blattes, mit dicht neben einander liegenden Windungen. 
Puparium von gewöhnlicher Gestalt, gelb, mit deutlichen 
Einschnitten. Mundhaken und Schlundgerüst schwarz, die 
oberen Fortsätze schwarz und ziemlich breit, gebogen, nach 
hinten breiter, die Mundhaken wie gewöhnlich. Über der 
Sinnesgruppe ein Querband von Wärzchen. Warzengürtel 
mit zerstreuten dreieckigen, wenig spitzen Wärzchen. Vor- 
derstigmen wie gewöhnlich mit einer Reihe von ca^ 8 kleinen 
sitzenden Knospen, höchstens als kurz einhörnig zu bezeich- 
nen. Hinterstigmen mit 9 Knospen, keine auffällig grösser. 




Fig. 35. Liviomyza sp. aus Amarantus, a Puparium, b Vorderstigma, 
c Hinterstigmen in normaler Entfernung, Fig. 36. Liriomyza sp. aus 
Picridium tingitanum, a Schlundgerüst, b Vorderstigma, c Hinterstigma 
Fig. 37. Liriomyza sp. aus Tagetes erectus L. a Mundhaken, b Vorder- 
stigma, c Hinterstigma, Fig. 38. Liriomyza sp. aus Lathyrus sp. (Bessa- 
rabien) a. Vorder-, b, c, d Hinterstigmen, e Wbrzengürtel. 

* Liriomyza sp. Fig. 37. 

Zweites Stadium. Die Mundhaken mit zwei Zähnen. Un- 
paarer Abschnitt des Schundgerüstes kurz, schwarz ; die 
oberen Fortsätze gelbbraun, nur an der Wurzel schwarz. 
Über und unter den Mundhaken keine Wärzchen, auch kein 
Stirnfortsatz. Warzengürtel schwer sichtbar. Die Vorder- 
stigmen knopfförmig, das vordere Horn etwas länger. Hin- 
terstigmen mit ca. 8 Knospen. 

An Tagetes erectus L., Rostock, Botan. Garten, 19. VII. 35. 
Dr. Buhr leg. 

* Liriomyza sp. Fig. 36. 

Mundhaken je mit 2 spitzen Zähnen, welche alternieren. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 201 

Über der Sinnesgruppe ein Warzenband. Schlundgerüst 
schwarz, obere Anhänge wenig gebogen. Warzen in den 
Gürteln dreieckig oder etwas breiter, rundlich mit sehr kurzen 
Spitzen, massig gross, die vorderen Wärzchen je etwas klei- 
ner. Vorderstigmen kurz, zweihörnig mit ca. 12 Knospen in 
einer Reihe. Hinterstigmen mit ca. 8 Knospen, die unteren 
etwas länger. 

An Picridium tingitanum Desf. = arabicum H. et S., Ros- 
tock, Botan. Garten, 1. VII. 35., in einer Platzmine, Dr. Buhr 
leg. — Liriomyza, wohl sonchi R. D. 

* Liriomyza sp. Fig. 38. 

An Lathyrus fand Hering zu Tighina, Bessarabien, 1936, 
eine Platzmine, wie sie auch von einigen Umbelliferen be- 
kannt sind. Das Parenchym ist hier nicht gleichmässig aus- 
gefressen, sondern an bestimmten Stellen erhalten geblieben, 
sodass die Mine marmoriert aussieht. In einer der zwei mir 
zugesandten Minen fand ich zwei Larven dicht nebeneinan- 
der. Mundhaken je mit 2 Zähnen, welche etwas alternieren ; 
der zweite Endzahn auf der Höhe des zweiten Zahns des 
längeren Hakens ; dadurch der Endzahn des letzteren etwas 
gesondert, wie dies bei dieser Gattung öfters der Fall ist. 
Schlundgerüst schwarz ; der unpaare 'Abschnitt gerade und 
kurz ; die oberen Fortsätze schmal, wenig gebogen. 

Über der Sinnesgruppe weder Stirnfortsatz noch Warzen- 
band. Warzengürtel aus dreieckigen oder abgerundeten, 
ziemhch grossen und weit auseinanderstehenden Wärzchen 
gebildet, auch ventral gut entwickelt, dorsal spärlich und 
median unterbrochen. Vorderstigmen klein, knopfförmig, auf 
kurzen starken Trägern mit wenigen (ca. 4) sitzenden Knos- 
pen. Hinterstigmen charakteristisch, mit 5 — 6 langen Knos- 
pen, variabel in der Gestalt ; bei der einen Larve ein Stern 
von 5 und ein von 6 vorhanden, bei der anderen Larve weni- 
ger regelmässig ( Fig. 38 b.c. ) . Hinterende nackt. 

* Liriomyza sp. Fig. 39. 

Von schmaler Gestalt, in der vorderen Hälfte etwas brei- 
ter. Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, welche alternieren, 
der vorderste Zahn ziemlich weit nach vorn. Schlundgerüst 
ganz schwarz, der unpaare Abschnitt gerade ; die oberen 
Fortsätze schmal, fast gerade, nur sehr wenig gebogen, der 
untere gleichfalls gerade, halb so lang. Sinnesgruppe median 
mit geringer Bräunung, dahinter keine Wärzchen, wohl mehr 
nach hinten der Prothorakalgürtel, der aus sehr kleinen, 
dunklen, zerstreuten Wärzchen besteht. Unter den Mund- 
haken keine Wärzchen. Warzengürtel schmal, aus zerstreu- 
ten, kurz dreieckigen Wärzchen bestehend ; auch dorsal 
durchlaufen!d, ventral nur wenige, diese von dem übrigen 
Gürtel getrennt ; im ganzen 10 Warzengürtel, die beiden 
letzten Ringe ohne Wärzchen. Vorderstigmen klein, schup- 



^02 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

penförmig, fast gleichhörnig ; von der Seite gesehen mit 
einer Reihe von ca. 7 sitzenden Knospen. Hinterstigmen mit 
3 Knospen, welche relativ kurz sind ; keine derselben haken- 
förmig verlängert. Hinterende gerade abgeschnitten, ohne 
Warzen ; auch unten nur wenig lappenförmig vorragend. 

Im Material von Dr. Buhr traf ich diese Art aus Mecklen- 
burg in den Stengeln von Campanula rotundifolia (Boizen- 
burg a. E., Helmstedt i. Th.) und persicifolia L. (Neubran- 
denburg i. M.). Sie war als Ophiomyia heringi Stary be- 
zeichnet, aber die Larve stimmt hiermit nicht überein, gehört 
auch nicht in diese Gattung. Es ist nicht unmöglich, dass 
dies die Larve von Liriomyza perpusilla halterata ist, welche 
nach Hering (Minenstud. 13, Zeitschr. f. Pflanzenkrankh. 
u. Pflanzenschutz, 42, 1932 p. 575) in verschiedenen Com- 
positen im Stengel lebt. Ehe eine Zucht vorliegt, ist indessen 
unsere Larve nicht sicher deutbar. 

Im Material aus dem Botanischen Garten zu Rostock 
(Juni '32., Aug. '30.) konnte ich in den Minen nichts von 
Larven entdecken ; sie sehen indessen ganz wie die obigen 
aus. 

Das Puparium von dieser Art findet sich im Stengel ; es 
ist fast 3 mm lang, von gelber Farbe, relativ schmal, also 
ziemlich langgestreckt, mit deutlichen Einschnitten. Die Vor- 
derstigmen ragen als kurze Knöpfchen vor, die Hinterstigmen 
auf zwei kurzen, etwas convergierenden Trägern. 

Figur des Pupariums einer unbekannten Agromyzide, wel- 
che im Stengel von Campanula persicifolia miniert. Stary, 
Taf. VII. Fig. 4. — Dieses Pupar finde ich in Stary's Arbeit 
weiterhin nirgends erwähnt, sodass mir auch die Farbe un- 
bekannt blieb. Mit obiger Liriomyza stimmt es nicht. Es ist 
breiter und die Hinterstigmenträger divergieren, während 
sie bei Liriomyza eher etwas convergieren. 

Eher stimmt es mit einer unlängst von Hering aus Campa- 
nula-Stengelmine gezüchteten Art, welche er als Lir. buhti 
benannt hat ; das von ihm erhaltene Puparium werde ich 
im folgenden Nachtrag beschreiben. 

* Liriomyza sp. Fig. 40. 

An Achillea millefolium, Neukaien 22.VIII. Te- 
terow 23.VIII.36. Die Minen , sind schwer auffindbar; sie 
finden sich gewöhnlich nur an den dünnen Ästchen in der 
Blütenstandsregion. Die Verpuppung erfolgt in der Mine. 

Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen, welche alternieren, 
der vordere etwas mehr gesondert. Schlundgerüst schwarz ; 
der unpaare Abschnitt kurz, gerade ; obere Fortsätze ge- 
bogen, massig schmal ; Warzengürtel massig schmal, mit 
in den vorderen noch etwas dreieckigen, in den hinteren 
meistens abgerundeten Wärzchen ; vorn und hinten kleiner, 
in der Mitte des Gürtels sind sie etwas grösser, ohne scharfe 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 



203 



Übergänge. Die Gürtel auch dorsal gut entwickelt, ventral 
weniger. Vorderstigmen nicht gross, mit ef^er Reihe von 9 
kleinen Knospen, kurz zweihörnig, das Hinterhorn etwas 
kleiner. Hinterstigmen mit 3 Knospen, welche wenig an 
Grösse verschieden sind. Hinterende abgestutzt, unten mit 
zwei dre'eckigen Läppchen. 






^,0 



/ 



Fig. 39. Liriomyza sp. aus Stengel von Campanula rotunâlfolia, a Schlund- 
gerüst b Vorder-, c Hinterstigma, d Warzengürtel, e Hinterende des 
Pupariums Fig. 40 Liriomyza sp. aus Stengel von Achillea millefolium, 
a Vorderstigma, b, e, d Hinterstigmen, e aus Achillea ptarmica. Hinter- 
stigma, f aus Stengel von Matricaria inodora, Schlundgerüst, g id. 
Hinterstigma, h Warzengürtel. Fig. 41. Liriomyza oder Phyfagromyza 
aus Stengel von Galium raollugo, a, b Vorder- c Hinterstigma, 
d. Hinterende. 

An Achillea ptarmica. Sanitz, 29.VIII.36. 

Minen in der Blütenstandregion ; Larve z. B. im oberen 
Ende der Mine, dicht unter einem Blütenköpfchen. 

Puparium gelb, im Stengel unter der Epidermis verblei- 
bend. 



204 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE. 

Im Stengel von Matricaria inodora L., War- 
sow, 3. Sept. 1935., Dr. Buhr leg. 

Neben einem schwarzen O phiomy ia~Pupar'mm lagen in 
demselben Stengelstückchen auch noch Reste einer Larve, 
welche mir nach dem Schlundgerüst einer Linomyza anzu- 
gehören schienen. Hierin und in den Warzengürteln kam 
sie mit obiger Art überein. In der Nähe fand ich noch ein 
dreiknospiges Stigma, wahrscheinlich ein Hinterstigma ; 
wahrscheinlich, weil es relativ klein war, vom zweiten Sta- 
duim. Vielleicht dieselbe Art wie obige aus Achillea. 

* Liriomyza sp, ? Fig. 40. 

Stengelmine an Galium mollugo L., Ribnitz, 30.VII.36., 
Dr. Buhr leg. Excrement unregelmässig fadenförmig gela- 
gert ; Verpuppung in der Erde. 

Mundhaken schwarz, je mit 2 Zähnen. Der unpaare Ab- 
schnitt ziemlich kurz, etwas gebogen, auch schwarz ; zu 
beiden Seiten desselben ein breiter schwarzer Flecken, der 
oben in die etwas verdunkelte Umgebung der dort liegen- 
den Papillen übergeht. Obere Fortsätze ziemlich breit, 
schwarzbraun, mit schmalem Streifen als unterer Flügel ; 
der untere Fortsatz ziemlich lang, dunkelbraun. 

Warzengürtel aus relativ kleinen, dreieckigen oder abge- 
rundeten, weit auseinanderstehenden, zerstreuten Wärzchen 
gebildet. 

Vorderstigmen einhörnig mit ca. 7 Knospen. Hinterstig- 
men mit unregelmässigem Bogen von 11 — 12 Knospen. Hin- 
terende oben mit kurzer Spitze, unten mit ein paar kleinen, 
dreieckigen Läppchen, nackt. 

Die Gattung dieser Art ist schwer anzugeben. Vielleicht 
liegt hier Phytagromyza orphana vor, von welcher ich 
seinerzeit bemerkte, dass sie an einer mit Galium aparine 
bewachsenen' Stelle in mehreren Exemplaren vorhanden war ; 
auch eingebunden fertigte sie Bohrlöcher an den Blättern 
dieser Pflanze an. 

Dass Stengelminierer solches tun, sieht man auch bei 
Dizygomyza abnormalis an Chenopodium album, deren Blät- 
ter oft ihre Bohrlöcher zeigen. 

Phytomyza Fall. 

Nach Hendels Bearbeitung dieser schwierigen Gat- 
tung in ,,L i n d n e r" sind folgende Änderungen vorzuneh- 
men : 
p. 399 Ph. anemones (Nachtr. 2 p. 280) ist nicht Synonym 

von fallaciosa Bri., sondern auricomi Hend. 
p. 432 Ph. anemones mimica (Nachtr. 2 p. 280) ist eine 

besondere Art : mimica Her., syn. fascicola Bri. 
p. 407 Ph. avenae de Meij. Diese in meiner Hauptarbeit 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 205 

II p. 251 behandelte Art ist wahrscheinlich Syno- 
nym von [uscula Zett. 

p. 377 Ph. bipunctata Lw. (Nachtr. 2 p. 280) heisst jetzt: 
cirsicola Hend. 

p. 377 Ph. cirsicola Hend. ist = die Nachtr. 2 p. 280 auf- 
geführte bipunctata. 

p. 361 Ph. echinopis Her. (Nachtr. 2 p. 283) ist = bi- 
punctata Lw. 

p. 312. Ph. {Napomyza) gentii Hend. (Nachtr. 2 p. 163) 
ist jetzt gentianella Hend. 

p. 410 Ph. gymnostoma Lw. Hendel hat p. 410 diese Art 
für Allium porrum angegeben. Ich weiss nicht, wo- 
her diese Angabe stammt ; in Hering's Blattminen 
findet sie sich nicht. 
— Ph. {Napomyza) lactucae Vimmer (Act. entom. 
Mus. Pragae IV. 34 p. 117) an Lactuca sativa L. 
finde ich von Hendel in „Lindner" nirgends er- 
wähnt. Über die Larve gibt Vimmer nichts an. 

p. 367.) Ph. nigripennis ist eine Art mit noch unbekannter 
440 ) Ökologie. 

Das Puparium, welches Hering hierzu rechnet 
(Nachtr. 2 p. 286) ist das von Ph. calthivora Hend. 
Die von mir derzeit nigripennis genannte Art, 
auch das Puparium (entgegen Hendel) gehört zu 
calthophila. 

p. 441 Ph. obscur a Hend. Hiermit sind mehrere andere 
Labiatenbewohner synonym, nämlich nepetae Hend., 
tetrasticha Hend, hedickei Her. 

p. 469 Ph. pulsatillae Her. (Nachtr. 1 p. 174) gehört zu 
rectae Hend. 

p. 481 Ph. sonchi R. D. : Hiermit sind u. a. synonym : 
lampsanae Her., hieracina Her. 

p. 352) Ph. temila Mg. Die Ökologie dieser Art ist noch 
387) unbekannt. Die von mir (Nachtr. 2 p. 287) hier- 
unter aufgeführte Art heisst jetzt : asteris Hend. 

p. 380 Ph. thalicfri Roug. Esch. Diese in meiner Haupt- 
arbeit II, p. 294 und im 1. Nachtr. p. 176 bespro- 
chene Art heisst jetzt : Ph. clematidis Kalt. 

p. 489 Ph. thymi Her. (Nachtr. 2 p. 288) ist nicht = 
petoi Her., obgleich wohl sehr ähnlich. 

* Phytomyza abdominalis Zett. (= ? socia Bri.) Fig. 42. 

Diese Larve der zweiten Generation scheint mir identisch 
mit der in meiner Hauptarbeit II p. 239 als Puparium be- 
schriebenen. 

Mundhaken mit je 2 alternierenden scharfen Zähnen. Der 
unpaare Abschnitt des Schlundgerüstes ziemlich lang, ge- 
rade ; obere Fortsätze in der Wurzelhälfte schwarz, weiter- 
hin braun fast gerade ; der untere Fortsatz am unteren Rande 



206 



PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 



schwarz, im übrigen braun. Warzengürtel massig breit, mit 
zerstreuten, braunen, dreieckigen Wärzchen ; auch dorsal, 
ventral nur wenige. Vorderstigmen mit 2 gleichen Hörnern, 
zusammen mit 13 Knospen, der Träger kurz. Hinterstigmen 
mit regelmässigem Bogen von 15 Knospen. Hinterende ab- 
gestutzt, nackt, unten mit ein paar dreieckigen Läppchen. 

Dicht hinter den Vorderstigmen befindet sich beim ein- 
zigen Exemplar eine ziemlich grosse dreieckige Erhabenheit. 

Frankenhausen am Kyffhäuser, 6. Juli 1935, an Anemone 
hepatica. 

Das Puparium dieser Art beschrieb ich in meiner Haupt- 
arbeit II p. 238. Eine Figur der Mundwerkzeuge gibt 
Star y (Taf. I Fig. 7). 

* Phytomyza aconitella Hend. Fig. 44 (siehe auch 1. Nachtr. 
p. 177 Phyt. sp.) 

In Aconitum leben 2 Phytomyzen, nämlich Ph. aconiti 
Hend., von welcher ich in der Hauptarbeit II p. 238 die Lar- 
ven beschrieben habe, und aconitophila, welche früher als 
Phytagromyza, dann als Phytomyza (Napomyza) aconiti 
Hend. (1927) bekannt war, kurz nachher, weil schon eine 








4S-0 



Fig. 42. Phytomyza abdominalis Zett. a Vorderstigma und Umgebung, 
b. Vorder- c Hinterstigma, Fig. 43. Phytomyza actacae Hend. a Vorder- 
b Hinterstigma. Fig. 44. Phytomyza aconitella Hend., a Mundhaken, b 
Vorder-, c Hinterstigma, Fig. 35. Phytomyza aconitophila Hend, a War- 
zengürtel, b, Vorderstigma, c Hinterstigma. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 207 

echte Phytomtjza mit dem Artnamen aconiti Hend. bestand, 
einen neuen Namen aconitophila erhalten hat. Im Sommer 
1934 fand ich in St. Moritz (Schweiz) Minen an Aconitum, 
deren Larven bestimmt von denen der Phytomyza aconiti 
und aconitophila verschieden waren und welche ich, weil 
auch die Minen nach Hendels Blattminenkunde Europas I 
p. 82, besser zu der dritten, damals noch nicht gezüchteten 
Art passen, als diejenigen letzterer betrachte. Trotzdem sie 
nach Hendel die häufigste Aconitum-Mine in den Alpen 
und im Wienerwald ist, ist die Zucht erst vor kurzem ge- 
lungen. Die Larven aus beiden Orten stimmen mit den von 
mir im 1. Nachtrag p. 177 beschriebenen überein. 

Mundhaken mit ziemlich grossen Zähnen, je 2. diese alter- 
nierend. Unpaarer Abschnitt des Schlundgerüstes kurz, 
schwarz ; auch die Fortsätze schwarz, die oberen schmal, 
massig gebogen, der untere halb so lang, schwarzbraun. Kopf 
ohne Wärzchen und ohne Stirnfortsatz. Gürtel massig breit, 
aus zahlreichen, zerstreuten dreieckigen Wärzchen bestehend. 
Prothorakalgürtel namentlich an der Seite entwickelt, von 
oben sind die Wärzchen rund und farblos, ziemlich klein, 
im übrigen die Wärzchen dreieckig und brauner, mehr oder 
weniger in Querreihen. Vorderstigmen dicht nebeneinander, 
einhörnig mit mehreren Knospen. Die Hinterstigmen gleich- 
falls zweihörnig, mit ca. 20 Knospen in unregelmässiger 
Anordnung. 

Bei Ph. aconiti Hend. sind die "Zähne der Mundhaken 
etwas länger und spitzer, die oberen Fortsätze etwas weniger 
gebogen und von brauner Farbe, der untere nur sehr wenig 
gefärbt. Die Warzengürtel sind schmaler und mit längeren 
und spitzeren Wärzchen ; die Vorderstigmen sind zweihör- 
nig. Die Hinterstigmenl zeigen eine fast regelmässige Reihe 
von ca. 18 Knospen. 

Dass das Zitat in ,,L i n d n e r" meiner aconiti nicht bei 
aconitophila gehört, habe ich im Nachtrag II p. 279 schon 
bemerkt. 

* Phytomyza (Napomyza) aconitophila Hendel Fig. 45. 

Mundhaken je mit 2 Zähnen, welche alternieren, von ge- 
wöhnlicher Gestalt, die Zähne spitz. Unpaarer Abschnitt 
des Schlundgerüstes kurz, gerade. Die oberen Fortsätze 
wenig gebogen, schmal, oben schmal geflügelt, von schwar- 
zer Farbe, der untere auch sehr dunkelbraun. Am Kopfab- 
schnitt weder Wärzchen noch Stirnfortsatz. Warzengürtel 
auch dorsal und ventral durchlaufend, massig breit, aus 
runden, braunen, mit kurzer Spitze versehenen W^ärzchen 
von ungleicher Grösse bestehend ; die meisten stehen zer- 
streut, aber nicht dicht, die kleineren sind öfters mehr 
dreieckig, einige auch in Quergruppen. Zwischen den Gür- 
teln finden sich überall zahlreiche grössere, fablose Warzen, 



208 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

bisweilen hinten mit dunklem Rändchen oder Zähnchen, 
stellenweise auch mit konischem, farblosem Höcker. Zwi- 
schen diesen grossen Warzen finden sich stellenweise die 
ähnlichen Papillen mit ihrem stark lichtbrechenden Zentrum. 

Vorderstigmen zweihörnig, mit ca. 13 Knospen. Hinter- 
stigmen mit geschlossenem regelmässigem Bogen von ca. 
20 Knospen. Hinterende schief abgeschnitten, die untere 
Hälfte mehr vorragend. 

Puparium braungelb, oval mit deutlichen Einschnitten ; 
die Hinterstigmen auf konischen Trägern nebeneinander. 

Schweden, Rydén leg. 

Stary, B. (Act. Soc. scient, nat. Morav. Bd. 6, 1930 
p. 231 ; Taf. Ill, Fig. 2) gibt über diese Art an, dass die 
Larve weisslich ist ; die Vorderstigmen haben nach ihm 
12 — 13, die Hinterstigmen 20 — 22 Knospen, was mit meinen 
Angaben stimmt. Er bezeichnet die Art als : Napomyza aco- 
niti Hend. 

* Phytomyza actaeae Hendel, Fig. 43. 

Mundhaken mit je 2 starken und spitzen Zähnen, welche 
alternieren. Schlundgerüst schwarz, der unpaare Abschnitt 
kurz, fast gerade, die oberen Fortsätze massig gebogen, in 
der vorderen Hälfte oben mit braunem Saum, der untere 
halb so lang. Über der Sinnesgruppe keine Wärzchen und 
kein Stirnfortsatz. Warzengürtel mit zerstreuten, spitzen, 
dreieckigen, dunklen Wärzchen ; die der hinteren Gürtel- 
hälfte öfters grösser als die der vorderen ; dorsal auch noch 
einige kleine, farblose, abgerundete ; am Prothorax ein 
schwacher Warzenbesatz, nur an der Seite. Vorderstigmen 
mit ca. 12 Knospen, zweihörnig ; Hinterstigmen mit einem 
nur kurz offenen Kreis von 16 — 18 Knospen. Hinterende 
gerade abgeschnitten, nackt. 

Sassnitz auf Rügen, 6.32. An Actaea spicata L., Buhr leg. 

Diese Art erhielt ich von Dr. Buhr auch aus Cimicifuga 
foetida (Berlin-Dahlem ; Rostock, Botan. Garten, 17.VIII.36., 
Dr. Buhr leg.) 

Actaeae wurde von Hendel früher als sp. biol. von 
obscurella Fall, betrachtet, die in Aegopodium podagraria 
lebt. Die Larven sehen einander offenbar ähnlich, aber die 
Knospen an den Stigmen sind bei obscurella zahlreicher 
(vorn 20, hinten ca. 26). Die Merkmale der Actaeae-Fliege 
werden von Hendel angegeben (Wien. Ent. Ztg. 39, 
1922 p. 69). 

Phytomyza adjuncta Her. Fig. 46. 

Von Dr. Buhr erhielt ich auch Minen von Pimpinella 
saxifraga. Diese Minen stimmen in ihrem Verlauf mit denen 
von adjuncta und sind auch so etiquettiert und in seiner 
Abhandlung verzeichnet, aber die Larven stimmen nicht mit 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 



209 



der auch von ihm erhalteiîi'en ,,adjuncta" in Pimpinella mag- 
na, welche eine neue Art ist, und deren Larve unten be- 
schrieben wird. Die Gänge sind nämlich anfangs sehr fein 
und setzen sich ziemlich plötzlich erweitert meistens am Blatt- 
rande fort. Die Larven haben die scharfen Zähne an den 
Mundhaken, wie bei pimpinellae, können aber wegen der 
Minen diese Art gleichfalls nicht sein. 

Bei ihr sind die Mundhaken wie gewöhnUch, die Zähne 
alle ziemhch lang und scharf. Über der Sinnesgruppe finden 
sich ein paar dunkle Fleckchen wie bei anthrisci daucivoca 
angegeben, weiter hinauf ein kurzer Stirnfortsatz ; ein War- 
zenband ist hier nicht vorhanden. Der unpaare Abschnitt 
etwas gebogen, obere Fortsätze bis zur Mitte ziemlich dick, 
von da an allmählich schmaler, ganz schwarzbraun, bisweilen 
nach hinten etwas heller ; Warzengürtel massig breit ; 
Wärzchen dreieckig, braun, zerstreut, je die hinteren in den 
Gürteln allmählich etwas grösser. Vorderstigmen mit zwei 
gleichen Hörnern und ca. 13 Knospen. Hinterstigmen gleich- 
falls zweihörnig mit ca. 16 Knospen in ganz oder fast regel- 
mässigem Bogen. Hinterende gerade abgestutzt, nackt. 

An Pimpinella saxifraga, Mecklenburg, Teterow, August 
1930, Ribnitz, Juh 1927, Sollin auf Rügen, Juni 1932. 




Fig. 46. Phytomyza adjuncta Her. a Stirnfortsatz, b Vorder-, c Hinter- 
stigma. Fig. 47. Phytomyza aegopodii Hend. a Vorderende, b Hinter- 
stigma, c Hinterstigma mit demjenigen des 2ten Stadiums, d Vorder- 
stigma, Fig. 48. Phytomyza anemones Her. a Hinterstigma, b Warzen- 
gürtel, c, d, e von einem als hellebori buhri bezeichneten Exemplar, 
c Mundhaken, d Vorder-, e Hinterstigma. 



210 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, ' 

*Phytomyza aegopodii Hendel, Figur 47. 

Mundhaken von gewöhnlicher Gestalt mit spitzen Zähnen. 
Unpaarer Abschnitt des Schlundgerüstes massig lang, ge- 
rade ; die oberen Fortsätze schmal, gelbbraun, nur ganz vorn 
schwarz. Über der Sinnesgruppe eine dreieckige, sich nach den 
Seiten hin nicht weit erstreckende Binde von braunen Wärz- 
chen. Kein Stirnfortsatz. Warzengürtel massig breit, aus zer- 
streuten, dreieckigen, braunen Wärzchen von fast gleicher 
Grösse gebildet, welche auch dorsal und ventral vorhanden 
sind. Vorderstigmen fast einhörnig mit ca. 13 Knospen. Hin- 
terstigmen mit einem mehr oder weniger unregelmässigen 
Bogen von 18 — 20 Knospen. Hinterende abgestutzt, unten 
abgerundet, nackt. 

Mine im Blatte von Aegopodium podagraria. Schweden 
Rydén, leg. Seinerzeit gab ich aus Blasen in Aegopodium, 
nach der Larve, Phytomyza angelicae an. Dies wurde von 
Hering (Blattminen, p. 34) und Hendel (in ,,L i n d n e r", 
p. 334) angezweifelt. Ich habe die Larve nochmals unter- 
sucht und bei ihr fehlte über der Sinnesgruppe am Kopfe das 
Warzenband, welches bei aegopodii sehr deutlich ist, bei 
angelicae aber fehlt. Deswegen bleibt die Möglichkeit, dass 
angelicae ausnahmsweise auf Aegopodium lebt, noch zu be- 
achten. 

Die Hinterstigmen zeigen bei diesem Stück 22 Knospen ; 
die oberen Fortsätze sind gelb wie bei angelicae, bei aegopodii 
etwas braun. 

Phytomyza af finis Mg. 

Del Conizo J. Dos Agromicidos perjudiciales al gar- 
banzo. Boll. Pat. Veg. Ent. Agr. 7, 1934 p. 91—103 — Rev. 
appi. Ent. 1934 p. 608 — P. af finis wurde gewöhnlich auf 
Cirsium arvense gefunden, war viel weniger gemein an Cicer 
arietinum als Liriomyza cicerina Rond. 

*Phytomyza anemones Hering, Figur 48. 

Puparium rotbraun, mit deutlichen Einschnitten. Obere 
Fortsätze des Schlundgerüstes wenig gebogen, schwarz. Vor- 
derstigmen zusammen V-förmig vorragend, die Stigmen kurz 
zweihörnig mit mehreren zerstreuten sitzenden Knospen. 
Hinterstigmen fast einhörnig mit ca. 18 Knospen am Rande. 
Warzengürtel massig breit, mit zerstreuten spitzen Wärz- 
chen, die im vorderen Teile der Gürtel klein sind, die hinteren 
sind die grössten. Hinterende abgestutzt, ohne Warzen. 

An Anemone nemorosa L., Mecklenburg, 6, Buhr leg. 

Phytomyza anemones {hellebovi subsp. buhri Her.) 

Mundhaken dick, zusammen mit alternierenden 'Zähnen. 
Unpaarer Abschnitt des Schlundgerüstes gerade, ziemHch 
kurz, die oberen Fortsätze massig gebogen, schwarz, oben 
etwas geflügelt, am Ende unten zerfetzt. Über der Sinnes- 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 211 

gruppe weder ein Warzenband noch ein Stirnfortsatz, War- 
zengürtel massig breit, mit zerstreuten, dreieckigen, ziemlich 
spitzen Wärzchen, welche in der vorderen Hälfte im Gür- 
tel etwas kleiner sind ; hinten die Wärzchen grösser und 
mehr vorragend ; auch dorsal noch einige Wärzchen, ventral 
keine. Vorderstigmen auf ziemlich langen Trägern knopfför- 
mig, mit etwa 12 nach unten abhängenden Knospen in etwas 
unregelmässiger Anordnung. Hinterstigmen relativ gross, 
ungleich zweihörnig, das Hinterhorn grösser und mehr vor- 
ragend, zusammen mit ca. 13 Knospen ; der Träger massig 
lang. 

Hinterende abgestutzt, nackt. 

Puparium graubraun. Die Vorderstigmen V-förmig vor- 
ragend. 

An Anemone hortensis, Dalmatien : Hoar, Milna, April 
1929, Buhr leg. Von hellebori Kalt, an Helleborus beschrieb 
ich das Puparium in meiner Hauptarbeit II, p. 262. Die 
kurze Beschreibung stimmt grösstenteils, nur gab ich für 
die Hinterstigmen ca. 21 Knospen an, also beträchtlich mehr 
als hier. Nach der Fig. 90, p. 261 sind diese auch bei helle- 
bort ungleich zweihörnig. 

Buhr, H. Einige Blattminen und Gallen von der Insel 
Lesina (Hoar) in Dalmatien. Sitzber. Abh. naturf. Ges. Ros- 
tock, 3. Folge, Bd. 2. 1927/29, p. 128. Beschreibung von Mine 
und Imago. — Puparium in der Mine. 

Phytomyza angelicivora Hering. 

Weder Hendel noch Hering führen jetzt obscurella von 
Angelica auf ; Hendel sagt in ,, Lindner" p. 444, meine obs- 
curella (Hauptarbeit II, p. 279) für diese Pflanze könnte wohl 
angelicivora Her. sein. Nach erneuter Ansicht der gezüch- 
teten Exemplare erscheint mir dies richtig. Die Larven sehen 
einander sehr ähnlich. 

Phytomyza anthrisci Hend., Figur 49. 

Von Dr. Buhr erhielt ich Larven aus Orlaya (Daucus) 
grandiflora, Rostock, Botan. Garten, 5.VII.1935. — Sie stim- 
men mit obiger Art und auch das Puparium, was nach An- 
gabe von Dr. Buhr auch durch die Zucht bestätigt wurde. 
Die Hinterstigmen zeigten hier 17 — 18 Knospen in regelmäs- 
sigem Bogen. In meiner Hauptarbeit II, p. 245 steht für diese 
Art 16—20. 

Als Ph. daucivora Her. erhielt ich auch einige Minen aus 
Daucus carota. Nach Hendel in ,,L i n d n e r" p. 347 ist diese 
Art — anthrisci Hend. (Larve in meiner Hauptarbeit II, 
p. 244). Die Larven stimmen tatsächlich überein. An den 
Vorderstigmen fand ich 11 — 12, an den Hinterstigmen 16 — 
22 Knospen ; wenn es so viele sind, ist das Stigma weniger 
regelmässig. Nur ist bei den kleinen Larven aus den trockenen 



212 



PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 



Blattzipfeln der Stirnfortsatz nicht deutlich sichtbar ; ich fand 
ihn indessen sehr deutlich bei einer Larve aus einem Keim- 
blatte, angeblich gleichfalls von Daucus carota, aber doch 
ziemlich breit, welche relativ ziemlich gross war, 2 mm lang. 
Die Vorderstigmen dieses Exemplars zeigten ca. 12 Knos- 
pen, die Hinterstigmenl 21 — 24 in unregelmässiger Anord- 
nung. Demnach gehört diese Larve vielleicht zu derselben Art. 

Phytomyza aquilegiae Hardy. 

In ,,Lindner" erwähnt Hendel p. 348 mit Zweifel bei 
dieser Art die Arbeit von Cory. Nach meiner Mitteilung 
in der Hauptarbeit II p. 274 handelt es sich hier um Ph. mi' 
nuscula Gour. 



* Phytomyza archangelicae Her., Figur 50. 

Mundhaken mit 4 scharfen Zähnen, welche alternieren. 
Unpaarer Abschnitt des Schlundgerüstes ziemlich lang, fast 
gerade ; obere Fortsätze schmal, sanft gebogen, schwarz, 
höchstens hinten etwas bräunlich. Über den Mundhaken we- 
der Wärzchen noch Stirnfortsatz. Warzengürtel massig 
schmal, aus zerstreuten, spitz dreieckigen braunen Wärz- 
chen von gleicher Grösse gebildet. Vorderstigmen lang, zwei- 
hörnig, das vordere Horn mit 5 — 6, das hintere mit 6 — 8 
Knospen. Hinterstigmen gleichfalls mit 2 langen Hörnern 




Fig. 49. Phytomyza anthrisci Hend. aus Daucus carota (.,Ph. daucivora 
Her.") a Mundhakea b. Vorder-, b Hinterstigma, Fig. 50 Phytomyza 
archangelicae Her. a Vorder-, b Hinterstigma, Fig. 51 Phytomyza arnicae 
Her. a Vorder-, b. Hinterstigma, c Warzengürtel. Fig. 52. Phytomyza 
asteribia Her. a Vorder-, b Hinterstigma. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 213 

mit etwas 20 Knospen. Hinterende abgestutzt. 

Die Larve ähnelt Ph. obscutella, diese hat jedoch 18 — 20 
Knospen an den Vorderstigmen, ca. 26 an den Hinterstigmen, 
also mehr. In Gangminen an Archangelica officinalis, Neu- 
haus, 17.VI.1936. Dr. Buhr leg. 

* Phytomyza arnicae Her., Figur 51. 

Die Larve, welche ich von Rydén aus Arnica in Schwe- 
den erhielt ist offenbar mit der aus Tirol (Hendel leg.) iden- 
tisch, welche ich im 1. Nachtrag, p. 166 beschrieb (1928). 
Einige Zusätze kann ich hier indessen geben : 

Bei den Larven aus Schweden sind die Mundhaken ziem- 
lich kurz und dick, die Zähne gross und spitz, fast alternie- 
rend. Über der Sinnesgruppe weder Warzenband noch 
Stirnfortsatz vorhanden. Der unpaare Abschnitt ziemlich 
kurz, gerade ; die oberen Fortsätze ! grösstenteils gelbbraun, 
schmal. Warzengürtel ziemlich breit, auch dorsal und ven- 
tral vorhanden, aus relativ grossen, zerstreuten Wärzchen 
bestehend, welche rund sind mit kurzer Spitze ; die hinteren 
in den Gürteln öfters etwas grösser und meistens mehr in 
Querreihen ; in den hinteren Gürteln oft runde Wärzchen mit 
kleiner oder keiner Spitze. Vorderstigmen mit zwei etwas un- 
gleichen Hörnern, zusammen mit ca. 10 Knospen. Hinter- 
stigmen mit einem unregelmässigen Bogen von ca. 15 Knos- 
pen. Demnach in beiden Fällen etwas weniger, als früher für 
die Tiroler Exemplare angegeben. 

Papillen halbkugelförmig vorragend, aber doch wenig auf- 
fällig. Hinterende abgerundet, nackt, zu beiden Seiten des 
längsgestreckten Anus mit je einem kurzen Läppchen, 

Schweden, Rydén leg. 

* Phytomyza asteribia Her. Figur 52. 

Mundhaken mit je 2 scharfen Zähnen, diese alternierend ; 
unpaarer Abschnitt kurz, etwas gebogen, nach hinten allmäh- 
lich etwas erweitert. Die oberen Fortsätze wenig gebogen, 
nach hinten braun, schmal, oben mit hellbraunem Saum, wel- 
cher sich auf das unpaare Stück nach vorn hin fortsetzt. 
Über der Sinnesgruppe ein Querband von dicht gelagerten 
ziemlich grossen, spitzen Wärzchen ; auch unter den Mund- 
haken einige Wärzchen vorhanden. Warzengürtel mit zer- 
streuten, dreieckigen Wärzchen, welche von etwas ungleicher 
Grösse sind, die vorderen oft kleiner. 

Vorderstigmen von der Seite gesehen kurz zweihörnig ; 
das hintere Horn kürzer, mit ca. 10 sitzenden Knospen. Hin- 
terstigmen mit fast regelmässigem offenen Bogen von 8 — 1 1 
Knospen. Hinterende abgestutzt, unten mit ein paar drei- 
eckigen Läppchen. An Aster jamellus, Deutschland, Hering 
leg. 

Nach Herings Angabe beginnt der Gang stets oberseitig. 



214 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

liegt dicht am Blattrande, meist in der Nähe des Blattgrundes 
beginnend, schnell sich erweiternd ; die Art durchschnittlich 
etwas später auftretend als Liriomyza asteris Hering. 

Hering, M. Die Blattminen Mittel- und Nord-Europas, 
Lief. I, 1935 p. 81. Beschreibung der Mine und auch der 
Imago, welche zur a/òzcep5-Gruppe gehört und Ph. solidaginis 
am nächsten steht. An Aster amellus. 

Die Larve zeigt merkwürdiger Weise grosse Ähnlichkeit 
mit dem Puparium von Phytomyza (Phytagromyza) tripolii 
de Meij., Hauptarb. II p. 296. Die Anzahl der Stigmenknos- 
pen ist aber bei letzterer grösser (12) und die Imagines stim- 
men, auch nach Angabe von Prof. Hering, welcher auf meine 
Bitte seine asteribia mit Hendels ausführlicher Beschreibung 
von tripolii in Lindner p. 520 verglichen hat, in mehreren Hin- 
sichten gar nicht überein. Bei asteribia sind nach seinen An- 
gaben die Orbitenhärchen sehr kräftig, wenn auch spärlich, 
deutlich nach vorn gebogen. Auch die Färbung stimmt nicht. 

Phytomyza asteris H end. 

Dies ist die Art, welche ich in Nachtrag I, p. 176 aus Ko- 
penhagen als temila Mg. beschrieb, auch dieselbe, welche 
ich in der Hauptarbeit II p. 299 als Ph. sp. aufführte, wie ich 
auch schon im 2. Nachtrag p. 287 berichtete. Asteris kommt 
demnach auch an der holländischen Zuiderzee-Küste an 
Aster tripolium vor, sowie auch in Deutschland nach Mate- 
rial, welches ich seitdem von Dr. Hering aus Sülldorf bei 
Magdeburg erhielt. 

* Phytomyza bellidina Hering, Figur 53. 

Mundhaken relativ dick und kurz, der 2. Zahn je kürzer 
als der vordere. Schlundgerüst nur an der Basis schwarz ; die 
oberen Fortsätze gelbbraun, ziemlich schmal, wenig gebogen, 
der untere von derselben Farbe. 

Über der Sinnesgruppe weder ein Stirnfortsatz, noch ein 
Warzenband. Warzengürtel wie gewöhnlich, mit dicht ange- 
ordneten, zerstreuten Wärzchen, diese dreieckig oder etwas 
abgerundet, die vorderen je wenig kleiner ; dorsal und ven- 
tral keine Wärzchen vorhanden. 

Vorderstigmen mit zwei fast gleichen Hörnern mit 11 — 13 
Knospen. Hinterstigmen gleichfalls zweihörnig mit 16 — 18 
Knospen, fast regelmässig. Hinterende abgerundet, nackt. 

Brioni (Istrien), März 1933, Buhr leg. Blattminen an Bellis 
silvestris. Die Art wurde von Hering nach Buhr's Material 
beschrieben, in Minenstudien 15 (Zeitschr. f. Pflanzenkrankh. 
Br. 45, 1935, p. 9.) 

Phytomyza calthophila Her. 

Nach H e n d e 1 in ,,L i n d n e r" wäre das von mir in der 
Hauptarbeit II, p. 297 beschriebene Puparium nicht zu dieser 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 



215 



Art gehörig. In Nachtrag II, p. 286 habe ich die Differenzen 
mit Hering's Figur in Minenstud. VI p. 509 erwähnt, welche 
Figur ich, wie auch jetzt Hendel, zu nigritella Hend. nee 
Zett. rechnet, welche bei Hendel jetzt calthiuora heisst. 

* Phytomyza campanulae Hend. Figur 54. 

Von dieser Art lagen mir nur ein paar verstümmelte Häu- 
tungsstadien zwischen dem 2. und 3. und das Puparium vor. 
Beim 2. Stadium sind die vorderen Zähne wieder im Spitzen- 
teil gelb, der unpaare Abschnitt ist ziemhch lang, fast gerade, 
die oberen Anhänge sind schmal und wenig gebogen, 
schwarzbraun, oben mit schmalem helleren Saum. 

Über der Sinnesgruppe ist eine dreieckige Warzengruppe, 
Vorderstigmen waren nicht auffindbar ; die oben gebildeten 
Hinterstigmen zeigen einen etwas unregelmässigen Bogen 
von etwa 20 sitzenden Knospen ; die des 2. Stadiums zeigen 
dieselbe Anzahl. 

Das Puparium ist oval, nach hinten schwach verschmälert, 
mit massig deuthchen Einschnitten, schwarzbraun ; die Hin- 
terstigmen stehen weit auseinander auf kurzen Trägern. 

Schweden, Rydén leg. 




Fig. 53. Phytomyza bellidina Her. a Mundhaken, b Vorder-, c Hinter- 
stigma, Fig. 54. Phytomyza campanulae Hend. a Hinterstigma des 2ten, 
b id. des 3ten Stadiums. Fig. 55. Phytomyza carvi Her. a Stirnfortsatz, 
b Vorder-, c Hinterstigma, Fig. 56. Phytomyza cccidonomia Her. a 
Vorderende, b Mundhaken, c. Stirnfortsatz, d, e Vorderstigma, f Hinter- 
stgma, g Puparium. 



216 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

* Phytomyza carvi Her. Figur 55. 

Mundhaken schwarz, von gewöhnlicher Gestalt, mit schar- 
fen Zähnen. Unpaarer Abschnitt ziemlich lang, gebogen, die 
Fortsätze schwarz, die oberen schmal gebogen, massig breit. 
Ein kurzer Stirnfortsatz vorhanden. Warzengürtel massig 
breit, aus zerstreuten, dunklen Wärzchen bestehend, welche 
meistens wenig spitz oder abgerundet sind ; die Gürtel auch 
dorsal und ventral durchlaufend, aber die Wärzchen hier in 
viel unregelmässigerer Anordnung mit mehreren nackten 
Stellen ; die Wärzchen meistens abgerundet, die der Ven- 
tralseite öfters in Quergruppen und auch etwas grösser als 
die übrigen. 

Vorderstigmen zweihörnig, mit zahlreichen sitzenden 
Knospen ; die Drüsen unter dem Stigma mit ihren Ausführ- 
gängen sehr deutlich und zahlreich, dunkelbraun. Hinterstig- 
men mit ca. 18 sitzenden Knospen, die Drüsen auch hier 
deutlich. Hinterende unten mit grossem rundem Läppchen. 

Rostock, Botan. Garten, Buhr leg. 

Ein Stirnfortsatz findet sich auch bei Ph. anthrisci Hend. 
und chaerophylli Kalt., ferner auch bei den sonst mehr ab- 
weichenden ilicis Gurt., affinis Fall., sonchi R. D., lappae 
Gour. 

* Phytomyza cecidonomia Her. i. litt., Fig. 56. 

Larve 4 — 43/2 ^^ lang. Mundhaken je mit 2 scharfen 
Zähnen, welche alternieren, der zweite Zahn je kleiner als 
der vordere. Schlundgerüst mit ziemlich breitem, stark ge- 
bogenem, durch die gelbe Farbe auffallendem, oberem Fort- 
satz. Über und unter den Mundhaken keine Wärzchen. 
Über der Sinnesgruppe ein grosser konischer Stirnfortsatz, 
an der Spitze etwas kolbenförmig verbreitert. Warzengürtel 
massig breit, mit zerstreuten dreieckigen oder an der Spitze 
etwas abgerundeten Wärzchen, die hinteren im allgemeinen 
etwas grösser als die vorderen. 

Vorderstigmen oval, mit einem nahezu geschlossenen Bo- 
gen von ca. 14 ungestielten Knospen. Hinterstigmen ein- 
hörnig, mit geschlossenem Bogen von gleichfalls ca. 14 Knos- 
pen. Hinterende abgestutzt, nackt. 

Puparium sehr eigentümlich, äusserst dünn und zart, nur an 
den Einschnitten und wenigen anderen Stellen gelbgetönt, 
3 mm lang. 

Die Larve lebt in einer gallenartigen Anschwellung an der 
Blattbasis von Hypochoeris radicata. Rostock, Riebdahl, 
5.V.1935. Dr. Buhr leg. 

Über diese Art schrieb Dr. Buhr mir den 3 August 36 : 
,, Befallen wird jeweils der untere Teil des Mittelnerven, der 
dabei gallenartig aufschwillt, in dieser Verdickung frisst die 
Larve das Parenchym, an kleineren Blättern geht die Larve 
auch über den verdickten Teil hinaus und legt dann auf dem 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 217 

Mittelnerven eine oft rötlich verfärbte Gangmine an, die aber 
nie das obere Blattdrittel erreicht. Vor der Verpuppung frisst 
die Larve ein kleines rundes, oft nur von der Epidermis be- 
decktes Schlupfloch, das' immer auf der Oberseite mündet 
und in Form eines verfärbten Punktes gut erkennbar ist ; 
reichlich fand ich besetzte Minen im Mai, Juni ; ob es sich 
bei dem Ex. vom 29.V1I36 um eine zweite Generation han- 
delt, vermag ich noch nicht zu entscheiden". 

* Phytomyza cicutae Hendel. 

Auf p. 374 von Hendels Agrom. in ,, Lindner" finde ich 
noch einige Angaben über das Puparium dieser Art mit ihrer 
von den hinteren Stigmen gebildeten Krückengabel, mit der 
das Puparium meist am Blatte festgeheftet wird. 

Phytomyza cirsii Hendel. 

Nach Hendel in ,,L i n d n e r" gehört die von mir in 
meiner Hauptarbeit II, p. 255 zu Ph. cirsii gerechnete Larve 
in Sonchus eher zu Ph. sonchi R. D. Meine Larve hat indes- 
sen keinen Stirnfortsatz, wohl aber ein Warzenband über der 
Sinnesgruppe, stimmt dadurch mit cirsii, aber nicht mit son- 
chi überein. 

Phytomyza conyzac Hendel. 

An Arnica, Dänemark, Sonderup leg. 

Die Larve stimmt mit Ph. conyzae (Hauptarbeit II, p. 256). 
Die oberen Fortsätze nur vorn schwarz, weiterhin braun (bei 
der Form aus Inula werden sie auch nach hinten bald braun). 
Die Hinterstigmen haben einen nicht ganz regelmässigen 
Bogen von 20 Knospen. Das Puparium ist eher glänzend 
schwarz, als dunkelbraun. An der zitierten Stelle ist das 
kleine Vorderstigma als einhörnig angegeben, während in 
Figur 83 a es eher kurz zweihörnig ist. Bei gewisser Ansicht 
ist wirklich das zweite Horn sehr kurz. Ich möchte sie ein- 
fach als conyzae betrachten, umsomehr als auch die von 
Hering (Minenstudien 12, p. 544, 1931) angegebenen 
Unterschiede der Imagines nicht immer zutreffen. So steht 
bei den Imagines, welche ich aus Sonderup's Material züchte- 
te, die 3te de (von hinten gezählt) nicht näher zur 4ten, 
eher etwas weiter oder gleichweit entfernt ; die gelben 
Flecken am Thoraxende sind klein, breit getrennt (über die 
ganze Entfernung der dc-Reihen), gar nicht verwaschen 
verbunden. Es ist meines Erachtens hier kaum eine gut ge- 
trennte Varietät vorhanden. Auch Hendel ist in ,,L i n d- 
n e r" derselben Meinung. 

* Phytomyza doronici Her. 

Die Larve ist nach S t a r y (Act. Soc. scient, nat. Morav. 



218 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

Bd. 6, 1930 p. 231) 2 mm lang, grünweiss. Die Vorderstig- 
men sind zweihörnig mit 16 Knospen, die Hinterstigmen 
haben 28 Knospen. 

* Phytomyza dorsata Hend. Fig. 57. 

Larve im 2. Stadium ; in Gangminen an Ceterach offici- 
narum. 

Mundhaken hoch, die Endzähne mit gelber Spitze ; die 
Haken je mit grösserem End- und bedeutend kürzerem 
zweiten Zahn ; die Zähne nicht alternierend. Der unpaare 
Abschnitt des Schlundgerüstes kurz, gerade ; die oberen 
Fortsätze ziemlich breit und stark gebogen, der untere relativ 
lang. Je neben der Basis der Mundhaken eine schmale dunkle 
Chitinplatte. Warzengürtel schmal, aus relativ grossen brau- 
nen, z. T. abgerundeten, jedenfalls wenig oder nicht spitzen 
Wärzchen bestehend. Über der Sinnesgruppe kein Warzen- 
band. 

Vorderstigmen einhörnig mit ca. 6 Knospen, Hinterstig- 
men einhörnig mit 10 Knospen in zwei Reihen. 

An Ceterach officinarum, Gangminen am Rande der Blätt- 
chen, zuletzt auch diese ganz miniert, Dalmatien (Hoar) 
April 1929, Buhr leg. 

Das gelbe Puparium befindet sich in der Mine. Es zeigt 
keine Einschnitte. An den Seiten deutliche Warzengürtel, 
welche nach oben und unten sich allmächlich verschmälern. 
Die vorderen Stigmen ragen V-förmig vor und sind von 
dunkler Farbe. Das Hinterende ist einfach abgerundet ; die 
ziemlich weit getrennten Hinterstigmen kurz konisch vor- 
ragend, je mit ca. 10 Knospen in zwei Reihen auf dem ein- 
zigen Horn. 

Buhr H. Einige Blattminen und Gallen von der Insel 
Lesina (Hvar) in Dalmatien, Sitzber. Abh. naturf. Ges. Ros- 
tock, 3. F., Bd. 2, 1927/29 p. 126. Beschreibung der Mine. 

* Phytomyza Elsae Hend., Figur 58. 

Dr. Buhr sandte mir auch eine Mine vom Elsass, Septem- 
ber, im Blatte von Bupleurum longifolium. Hier kommen 
Ph. facialis Kalt, und Elsae Hend. ( = facialis Hend. nee 
Kalt.) in Betracht (Hendel, Zool. Anz. 1927, p. 264). 
Die Mine stimmt besser mit letztgenannter Art. Die Larven 
[facialis Kalt. Nachtr. I, p. 169, wo Fig. 23{ b und 24 a 
umzuwechseln sind ; elsae Hauptarbeit II, p. 259 Hinter- 
stigmen 11 — 14, Vorderstigmen 6, beide ohne Stirnfortsatz 
und ohne Warzengürtel über der Sinnesgruppe) sind kaum 
verschieden. 

Im vorliegenden Fall zeigen die Vorderstigmen ca. 8 
Knospen und sind sehr ungleichmässig zweihörnig, die Hin- 
terstigmen ca. 1 1 Knospen in regelmässigem Bogen. Ich halte 
sie für elsae r bei einem Stück dieser Art aus Oesterreich 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 



219 



(Hendel leg.) fand ich gleichfalls 8 Knospen an den Vor- 
derstigmen und diese waren auch ungleich zweihörnig. 




Fig. 57. Phytomyza dorsata Hend. a Schlundgerüst, b Mundhaken, 
c Vorder-, d Hinterstigma, e Hintereride des Pupariums, f Warzengürtel. 
Fig. 58. Phytomyza Elsae Hend. a Vorderstigma, b Hinterstigma des 
2ten Stadiums, Fig. 59. Phytomyza heracleana Her. a Stirnfortsatz, b, 
c Vorderstigma, d Hinterstigma. Fig. 60. Phytomyza kyflhusana Her. 
a Vorder-, b. Hinterstigma. Fig. 61. Phytomyza matricatiae Hend. a aus 
Matricaria inodora, im Stengel übergehend, Vorderende, b, id. Mund- 
haken, c aus Anthémis tinctoria {,,Ph. anthemidis Her.") Hinterstigma. 

Phytomyza flavofemorata Strobl vide pratensis de Meij. ; 
flavofemorata ap. de Meij. 1926 vide melampyri Her. 

* Phytomyza gentianae Hend. 

Von dieser Art erhielt ich noch einiges Material aus der 
Tschechoslowakei von Dr. Baudys. Die Minen befanden 
sich an Gentiana cruciata L. Das Puparium sieht demjenigen 
von Ph. atricornis Mg. ähnhch ; die Vorderstigmen sind wie 
bei dieser V-förmig vereinigt. 

* Phytomyza heracleana Her. i. litt. Fig. 59. 

An Heracleum sphondylium erhielt ich von Dr. B u h r mar- 
morierte Minenflecke, an welchen nicht das ganze Pahsaden- 
parenchym verzehrt wird, vielmehr bleiben vielen kleine In- 
seln von Palisadenzellen stehen. Die Larven zeigen gewöhn- 
liche spitze Mundhaken, der Endzahn ist an beiden Haken 
etwas grösser als der andere, der unpaare Abschnitt des 
Schlundgerüstes ziemlich lang, fast gerade, schwarz. Die 



220 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

oberen Fortsätze sind von braungelber Farbe, schmal und 
sehr wenig gebogen. Über den Mundhaken keine Wärzchen ; 
ein Stirnfortsatz ist vorhanden. Warzengürtel nur an den 
Seiten, mit dicht gelagerten, zerstreuten kleinen Wärzchen ; 
diese breit, dreieckig, nicht spitz, öfters, namentlich hinten in 
den Gürteln, abgerundet. Vorderstigmen relativ klein, sehr 
kurz, einhörnig, mit mehreren, ca. 10 sitzenden Knospen ; 
Hinterstigmen mit ca. 15 — 17 Knospen in regelmässigem 
Bogen. Hinterende gerade abgestutzt, nackt, unten mit zwei 
kurzen dreieckigen Läppchen. 

Puparium glänzend schwarz. 

An Heracleum spondylium L., Mecklenburg, Ribnitz, 
30.VII.36, Insel Rügen, Buhr leg. 

Aus den Blättern von Heracleum sind bisher nur die Minen 
der verbreiteten Phytomyza sphondylii R.D. bekannt, deren 
Minen von der obigen deuthch verschieden sind. 

Letztere sind fleckenartig marmoriert, d.h. sehr unregel- 
mässig zerfressen, sodass überall kleine grüne Stellen ausge- 
spart worden sind. 

Dr. Buhr schrieb mir den 3. August '36 über diese Art : 
Die Heracleum Platzminen sind hier z. Zt. sehr häufig, es 
handelt sich um Larven der zweiten Generation, die aber 
auchschon grösstenteils ihre Minen verlassen haben ; ur- 
sprünglich sind die Minen schwer zu erkennen, erst später, 
gewöhnlich wenn die Larven schon heraus sind, verfärben 
sich die Minen weisslich, gelb, rötlich oder rotviolett und 
fallen dann sehr auf. 

Ebensolche Minen erhielt ich von Dr. Buhr auch von 
Libanotis montana Crtz. Die an dieser Pflanze von Hering 
beschriebenen Minen von Phytomyza libanotidis Her. 
(Minenstudien IX. Zool. Jahrb. Abt. Syst. Oek. Geogr. d. 
Tiere, Bd. 55, 1928 p. 560) scheinen mir gleichfalls ver- 
schieden, mehr gangförmig ; auch gibt Hering an : Die ganze 
Mine erscheint weisslich oder grünlich, während die auffällige 
Marmorierung nicht erwähnt wird. Somit handelt es sich hier 
vielleicht auch um Ph. heracleana Her. 

* Phytomyza kyffhusana Hering, Fig. 60. 

Mundhaken je mit zwei spitzen Zähnen, welche alternieren. 
Unpaarer Abschnitt massig lang, schwarz ; die oberen Fort- 
sätze dunkelbraun, schmal, wenig gebogen, der untere von 
derselben Farbe. Über der Sinnesgruppe ein Querband von 
dicht gelagerten, farblosen, dreieckigen Wärzchen. Warzen- 
gürtel massig breit, mit dreieckigen, zerstreuten Wärzchen, 
die vorderen meistens etwas kleiner. Vorderstigmen nicht 
gross, mit ca. 10 Knospen, Hinterstigmen auf kurzem koni- 
schem 'Träger mit 12 — 14 Knospen in fast regelmässiger 
Anordnung. 

Hinterende abgestutzt, nackt. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 221 

Gangplatzminen an Inula hirta, Frankenhausen am Kyff- 
häuser, 4 Juli 35. Hering leg. — 

Beschreibung der Mine und der Fhege bei Hering, 
Minenstudien IX. Zool. Jahrb. Abt. Syst. Bd. 55, 1928, p. 
556. 

Phytomyza (Napomyza) lateralis Fall. 

Vom ..Plantenziektenkundigen Dienst" erhielt ich im Spät- 
jahr 1936 Gänge dieser Art, ausser in den etiolierten Blät- 
tern, auch im oberen Teil der dicken, rübenförmigen Wurzel 
von ,,witloof" (Cichorium intybus). Im November entwickel- 
ten sich im geheizten Zimmer noch ein paar Fliegen. 

* Phytomyza (Napomyza) lonicerella Hendel. 

So heisst jetzt die Art, welche ich im zweiten/ Nachtrag 
p. 284 als Ph. (N.) lonicerae Kalt, besprochen habe. H e- 
r i n g erwähnt den Fund im Walde von Fontainebleau in : 
Recherches de mines aux environs de Paris, 1934., p. 211. 

Phytomyza matricariae, Figur 61. 

An Matricaria inodora L., Blatt-Stengelmine, 
Warsow, 1.IX.35, Laage 31.VIII.35., Dr. Buhr leg. 

Von Dr. Buhr erhielt ich einige Larven, welche sich im 
Stengel von Matricaria inodora befanden. Sie waren aus 
den Blättern hierin übergegangen. Die Larven zeigen diesel- 
ben Merkmale wie Ph. matricariae : Wärzchen über und 
unter den Mundhaken. Hinterstigmen mit zwei grossen Hör- 
nern und zahlreichen Knospen. Stirnfortsatz nich vorhanden. 

An Anthémis tinctori;a L., Blattminen, Neuka- 
ien 22.VIII.35. Dr. Buhr leg. 

Gleichfalls von Dr. Buhr erhielt ich Larven aus Blattminen 
von Anthémis tinctoria L., welche nach Hering als Ph. anthe- 
midis bestimmt waren. Hendel betrachtet diese als synonym 
von Ph. matricariae, was durch meine Untersuchung dieser 
Larven bestätigt wurde. In Fig. 61c ist ein Hinterstigma 
abgebildet. 

Phytomyza melampyri Her. = flavofemorata ap. de Meij. 
1926. 

Von dieser Art beschrieb ich (Hauptarbeit I p. 261) das 
Puparium als sehr glänzend schwarz. Dies stimmt fast für 
einige noch gefüllte aber namentlich die leeren sind beson- 
ders bei Vergrösserung deutlich dunkel röthch, jedenfalls 
bedeutend dunkler als die von flavofemorata Strobl = pra- 
tensis de Meij. 

* Phytomyza fascicola Bri = mimica Her., Fig. 62. 

Von Dr. Buhr erhielt ich einiges Material dieser in Ra- 
nunculus minierenden Art. Leider waren sie alle etwas zu 



222 



PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 



alt, sodass das Vorderende mehr oder weniger schon einge- 
zogen war und über Warzenband oder Stirnfortsatz am 
Kopfe keine sicheren Angaben zu machen sind. 

Mundhaken wie gewöhnhch, mit alternierenden Zähnen. 
Die oberen Anhänge sind wenig gebogen, schwarzbraun, 
nach hinten sich allmählich etwas verjüngend. Der unpaare 
Abschnitt fast gerade. Warzengürtel mit ziemlich kleinen, 
zerstreuten, breit dreieckigen und dadurch wenig spitz er- 
scheinenden, braunen Wärzchen. Die Gürtel sind schmal, 
nur in der Mitte der Seiten breiter, dorsal und ventral nur 
durch ein paar Reihen vertreten. 

Vorderstigmen mit zwei gleichen Hörnern mit ca. 10 Knos- 
pen in ziemhch unregelmässiger Anordnung. Hinterstigmen 
zweihörnig, mit zahlreichen, ca. 20 unregelmässig angeord- 
neten Knospen. 

Nach der Larve ist diese Art wohl sicher von anemones 
verschieden, als deren var. mimica Hering sie beschrieb. Nach 
Hendels Angabe in ,, Lindner" p. 432 sind auch für die 
Imagines spezifische Unterschiede von anemones bekannt. 

Das Puparium (Südharz, Dr. Hering) ist vorn etwas brei- 
ter, mit seichten Einschnitten, dünnwandig, schmutzig weiss ; 
vorn finden sich V-förmig die beiden Vorderstigmen auf 
etwas nach aussen gebogenen Trägern, hinten auf getrenn- 
ten konischen Trägern die Hinterstigmen. 




Fig. 62. Phytomyza fascicola Her. a Vorderstigma, b, c Hinterstigmen. 

Fig. 63. Phytomyza nigra Mg. a, b Hinterstigmen. Fig. 64. Phytomyza 

obscura Hend. aus Mentha aquatica, a Vorder- b. Hinterstigmen. Fig. 65. 

Phytomyza Olgae Her. a Larve, b Mundhaken, c Vorder-, 

d, e Hinterstigmen. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 223 

Phytomyza nigra de M'eij. Fig. 63. 

Zum Beweis, wie sehr die Anzahl der Hinterstigmenknos- 
pen bisweilen wechselt, gebe ich hier die Abbildung der zwei 
Hinterstigmen ein und derselben Larve dieser Art, das eine 
mit 10, wie gewöhnlich, das andere mit 13 Knospen. Das 
Exemplar stammt von Zeist, 4. Juli 1936. 

* Phytomyza obscura Hend. Fig. 64. 

Aus Mentha sind Ph. petöi Her., obscura Hend., hedickei 
Her., tetrasticha Hend. und atricornis Mg. bekannt. Unter 
dem Namen testrasticha erhielt ich von Dr. Buhr Minen resp. 
in M. arvensis und aquatica. Von dieser Art hatte ich die 
Larven noch nicht gesehen, wohl von obscura (Hauptarbeit 
II, p. 278 : Weder Stirnfortsatz noch Warzenband am Kop- 
fe ; Vorderstigmen mit 2 gleichen Hörnern mit 10 Knospen ; 
Hinterstigmen mit 13- — 15 Knospen in regelmässigem Bogen) 
und von petöi ( 1 . Nachtrag, p. 1 72 : Warzenband über der 
Sinnesgruppe ; kein Stirnfortsatz. Vorderstigmen mit ca. 14 
Knospen in zwei gleichen Hörnern ; Hinterstigmen mit ca. 26 
Knospen ziemlich unregelmässig). Mir lag ,, tetrasticha" aus 
Braunschweig, in Mentha arvensis, und aus Mecklenburg, 
in M. aquatica, vor. Von demselben Fundort wird in Buhrs 
Abhandlung über Mecklenbg. Minen, p. 92 nicht diese Art, 
sondern obscura für M. aquatica angegeben. ■ — Beide waren 
ungefähr im Puparium-Stadium, sodass ich keine ganz ge- 
naue Angaben geben kann. Dennoch schienen sie mir wohl 
identisch zu sein : die Vorderstigmen' mit zwei gleichen 
Hörnern, wohl mit mehr als 10 Knospen ; die Hinterstigmen 
mit einem regelmässigen Bogen von wohl mehr als 20 Knos- 
pen. Ein Warzenband über der Sinnesgruppe konnte ich nicht 
feststellen. Somit stehen diese Larven doch obscura näher 
als petöi. 

Nun ist nach Hendels Angabe tetrasticha doch mit obscura 
identisch. Wenn dem so ist, so kann also die Zahl der Knos- 
pen nicht unbedeutend höher sein, als ich für obscura 
(13—15) angab. 

Die Minen sind nicht viel verschieden und bei dem mir 
vorliegenden Exemplar ist die Anfangsspirale wie bei tetras- 
ticha, der Endteil mit Frasslinien wie bei obscura. Die Art 
tetrasticha wurde von Hendel beschrieben, in Zool. Anz. 
XIX, 1927, p. 266. 

Ph. Hedickei Her. hat (Nachtr. I, p. 171) nach Hering's 
Angaben an den Hinterstigmen 14 Knospen in einem fast 
geschlossenen Oval. 

In ,, Lindner" betrachtet Hendel jetzt obscura Hend.,^e^ras- 
ticha Hend. und hedickei Her. als eine und dieselbe Species. 

Phytomyza pastinacac Her. 

Hendel weist in , .Lindner" p. 450 noch darauf hin, dass 



224 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

in der Figur 119 in meiner Hauptarbeit II, p. 291 für pasti- 
nacae (119 d) viel mehr Knospen angegeben sind als für 
sphondylii (119 b). Ich habe schon Nachtr. I p. 172 ange- 
geben, dass dies für pastinacae nicht immer zutrifft ; bei einer 
Larve aus Pastinaca von Linschoten fand ich bei einem Exem- 
plar 18 und 19. Nach den Angaben in ,,Lindner" möchte 
ich meine Exemplare auch als pastinacae betrachten, obgleich 
die Differenzen der Imagines sehr gering sind. 

* Ph5rtomyza Olgae Her., Fig. 65. 

In einem der von Dr. Buhr erhaltenen Blättchen von Suc- 
cisa pratensis fand ich im Blattstiel eine relativ lange (4 mm), 
aber relativ schmale Larve dieser Art. Die Mundhaken sind 
relativ dick (hoch) mit je 2 stumpfen alternierenden Zähnen. 
Das unpaare Stück ist gerade, die oberen Fortsätze wenig 
gebogen, ziemlich schmal, schwarz ; der untere Fortsatz halb 
so lang w^ie die oberen. Vorderstigmen auf ziemlich langen 
Trägern, lang, zweihörnig, die Knospen nur je 'am Ende ; 
Vorderhorn mit ca. 7 — 8, Hinterhorn mit ca. 8 Knospen. 
Hinterstigmen wenig vorspringend mit Bogen von 4 grossen 
und ca. 5 kleinen Knospen in fast regelmässiger Anordnung, 
die Knospen nach vorn gerichtet. Warzengürtel schmal, aus 
nur wenigen Reihen von meistens in Quergruppen angedeu- 
teten, wenig gefärbten, spitz dreieckigen Wärzchen gebil- 
det ; dorsal und ventral nur sehr spärliche vorhanden, dorsal 
wohl am Prothorax. 

Im Blatt (hauptsächlich im Mittelnerv, mit seitlichen 
Ästen) und Blattstiel von Succisa pratensis, Ribnitz in Meck- 
lenburg, Buhr leg. Hering, M. Minenstudien VI, p. 529. 

Phytomyza periclymeni de Meij., Fig. 66. 

Von Dr. Hering erhielt ich im Oktober 1936 Minen an 
Lonicera xylosteum mit der Anfrage, ob die Larven mit denen 
von Ph. periclymeni stimmten, obgleich die Minen nicht 
platzartig, sondern durch ausgesprochene Gangcharaktere 
gekennzeichnet sind und mit einer sternförmigen Figur begin- 
nen. In den mitgesandten Blättern hegt dieser Minenanfang 
meistens auf einem der Seitennerven des Blattes und dann 
gehen nach verschiedener Richtung kurze Gänge aus. Bis 
jetzt hatte er solche immer als periclymeni betrachtet, aber 
er war gespannt auf das Ergebnis der Larvenuntersuchung. 
Tatsächlich konnte ich keine Differenzen in den Larven auf- 
finden. Diese haben dieselbe Gestalt der Stigmen, das Hin- 
terstigma bilde ich hierneben noch ab ; es zeigt einen vor- 
deren, jhinteren und kurzen seithchen, mittleren Radius, es 
ist stark halbkuglig gewölbt, sodass Bilder entstehen wie in 
meiner Figur 16 c (Hauptarbeit II p. 281). Die Warzen- 
gürtel haben bei dieser Art nur stellenweise gleichgrosse 
Wärzchen, meistens sind hinten ein paar Reihen grösserer. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 



225 



Bemerkenswert ist auch der obere Flügel des Schlundgerüs- 
tes ; dieser ist massig breit, am Ende in der unteren Hälfte 
dicht siebartig durchbrochen. 

Im Sommer 1936 fand ich zu Zeist periclymeni in platzar- 
tigen Minen an Lonicera periclymenum, aber an dem in der 
Nähe wachsenden Symphoricarpus racemosus in gangförmi- 
gen Minen, welche an die von Ph. (Napomyza) xylostei 
erinnerten. Noch am 23. Oktober fand ich am selben Heister 
an derselben Stelle sowohl Puparien und ein paar Larven 
von Nap. xylostei, als auch zu meiner Überraschung ein Pu- 
parium von Ph. periclymeni in fast ähnlichen gangförmigen, 
stark verästelten Minen, auch mit ähnlicher Excrementlinie. 



* Phytomyza phillyreae Her. 67. 

Mundhaken mit je 2 scharfen Zähnen. Unpaarer Abschnitt 
des Schlundgerüstes schwach gebogen. Obere Fortsätze fast 
gerade, braungelb, an der Basis etwas dunkler braun. Über 
der Sinnesgruppe weder ein Warzenband, noch ein Stirn- 
fortsatz. Warzengürtel aus ziemlich kleinen, zerstreuten, 
dreieckigen, wenig spitzen Wärzchen bestehend ; je hinten 
ein paar Reihen etwas grösserer, gleichfalls nicht spitzer, 
z. T. abgerundeter Wärzchen. Vorderstigmen klein, knopf- 
förmig mit ca. 6 Knospen, Hinterstigmen mit am Ende ver- 
breiterter Filzkammer mit 5 massig lang gestielten Knospen. 

Blattminen an Phillyrea angustifolia L. Korsika : Ajaccio, 
Barbicaja, Aug. 1933 ; an Phillyrea media, selber Fundort, 
überdies Istrien : Brioni, März 1933. Pola April 1933, Buhr 
leg. 




Fig. 66. Phytomyza periclymeni de Meij. a, b Hinterstigmen. Fig. 67. 
Phytomyza phillyreae Her. a Vorder-, 6 Hinterstigma. Fig. 68. Phyto' 
myza pimpinellae Hend., a Mundhaken, b Vorderstigma, c Hinterstigma, 
d, e Hinterstigmen einer und derselben Larve. Fig. 69. Phytomyza [lavo' 
[emorata Her. a Schlundgerüst, b Mundhaken, c, d Vorderstigmen, e 
Hinterstigma. 



226 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE. 

B u h r, H. Einige Blattminen und Gallen von der Insel 
Lesina (Hvar) in Dalmatien. Sitzb. Abh. naturf. Ges. 
Rostock, 3. F. Bd. 2, 1927/29 p. 132 Beschreibung von Mine 
und Imago. — Schwarzes Puparium in der Mine. 

Phytomyza pimpincUae Hend. Fig. 68. 

Mundhaken schwarz, von gewöhnlichem Bau. Unpaarer 
Abschnitt fast gerade ; die oberen Anhänge schwarz, leicht 
gebogen, massig dick. Kein Stirnfortsatz vorhanden, auch 
am Kopf keine Wärzchen. Warzengürtel massig schmal, 
mit dicht gelagerten, zerstreuten, dreieckigen dunklen Wärz- 
chen, die hinteren etwas grösser und etwas mehr in Reihen 
angeordnet ; Vorderstigmen deutlich zweihörnig mit ca. 8 
sitzenden Knospen, auf kurzen Trägern ; Hinterstigmen mit 
fast regelmässigem Bogen von ca. 19 Knospen, in einem Falle 
13 an einem, 17 am zweiten Stigma, das mit 13 ganz regel- 
mässig ; in einem andern Fall 12 an einem, 14 am anderen 
Stigma. Hinterende abgestutzt, nackt. 

Breiter, bisweilen 'einer Blase ähnelnder Gang. Mecklen- 
burg, Neuhaldensleben, 8. '31., Müritz 6.31., Dorgun 9. '31. 
an Pimpinella magna L., Buhr leg. 

Diese Art gehört zu den Umbelliferen-Minierern ohne Stirn- 
fortsatz, wie auch obscurella und hat w^ie diese gewöhnliche, 
scharfzahnige Mundhaken im Gegensatz zu der sphondylü- 
Gruppe, wozu auch Ph. sp. (p. 240), berulae Her. und sii 
Her. gehören. 

Pimpinellae wurde von Hendel beschrieben : Konowia 
III, 1924 p. 140. Die Mine von Pimpinellae Hend. ist auch 
nach Hering öfters rein platzartig ; Frass-Spuren sehr deut- 
lich, Kot oft fadenförmig zusammenhängend. Auch die aus 
Pimpinella magna von Ribnitz, 30.VII.36. von Dr. Buhr 
erhaltenen Larven sind wohl diese Art, trotzdem die Mine 
zum Teil platzartigen Charakter zeigt. Das kommt bei dieser 
Art öfters vor, auch bei den holländischen Minen ; das Ex- 
crement ist dann öfters auffällig zu kurzen Fadenstücken, 
in verschiedener Richtung hegend, verschmolzen. Vielleicht 
bezieht sich die Angabe von Ph. pauli löwi in Pimpinella 
auf solche Fälle. 

Phytomyza pratensis de Meij. = f la vof emorata Strobl. 
Fig. 69. 

In den ,, Holländischen Agromyzinen" führte ich nach 
Hendel's Prodromus auch Phytomyza [lavo[ emorata Strobl 
aus Holland auf, mit Erwähnung von Zuchten aus den 
Samen von Melampyrum arvense und pratense. Als ich in 
meiner Hauptarbeit über die Larven dieser Familie II p. 260 
und p. 284 diese Larven beschrieb, kam ich zur Einsicht, dass 
diese Arten nicht identisch waren, und weil ich die aus Mei. 
arvense als Ph. flavofemorata Strobl betrachtete, beschrieb 
ich die aus M. pratense als eine neue Art, pratensis de Meij. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 227 

In 1934 erschien Mark. Tierwelt I p. 17 — 24 von Hering 
ein Aufsatz über nicht weniger als 5 Phytomyzen, welche 
Beziehung zu dieser Pflanzengattung zeigen. Als ich mit 
seiner Tabelle die Arten bestimmte, befand ich, dass meine 
flavol emorata (aus M. arvense) von 1926 = melampyri Her. 
meine pratensis (aus M. pratense) = die richtige flavofe- 
morata. 

Hering schrieb, meine pratensis wäre leicht kenntlich an 
meinen Angaben : ,, Fühler schwarz, Stirn vorspringend", 
aber dies finde ich in meiner Beschreibung nicht ; ich nannte 
die ersten Fühlerglieder dunkel, was sie im Vergleich mit 
denen von melampyri, welche ich als flavofemorata betrachtet 
hatte, auch sind. Die pratensis Her. muss denn auch einen 
neuen Namen haben, und ich möchte dafür sagitta wählen, 
womit Hendel sie beteilt haben würde, bevor er sich ent- 
schluss Hering zu folgen. Im vorigen Jahre habe ich zu Zeist, 
demselben Orte, wo seinerzeit die von Herrn Struykenkamp 
gesammelten ersten Puparien und gezüchteten Fliegen dieser 
Art herstammen (siehe meine Hauptarbeit II, p. 284) im 
Juli zahlreiche befallene Samen von Mei. pratense sammeln 
können, und erhielt bis jetzt aus den seit Anfang Januar ins 
Zimmer gebrachten Puparien nur erst ein Exemplar, und dies 
ist wieder flavofemorata Strobl, Hering. 

In den grösseren noch grünen Früchten von Melampyrum 
pratense traf ich am 27. Juli 2 Larven, später Anfang August 
noch einige nebst mehreren glänzenden, braungelben Pupa- 
rien. Diese lagen neben den Samen und Resten von ausge- 
fressenen Samen frei in den noch geschlossenen Früchten 
und fallen offenbar später, wenn diese sich öffnen und aus- 
trocknen, auf die Erde. In der Blechdose, worin ich sie auf- 
bewahrte lagen bald mehrere am Boden ; am 9. August waren 
alle in Puparien verwandelt. 

Larve stark gedunsen, 2 mm lang, Mundhaken je mit 
kürzerem zweitem Zahn, wenig oder nicht alternierend ; der 
unpaare Abschnitt des Schlundgerüstes kurz, gerade ; obere 
Fortsätze wenig gebogen. Das ganze Schlundgerüst schwarz. 
Am Kopfe weder Wärzchen, noch Stirnfortsatz. Warzen- 
gürtel wenig entwickelt. Porthorakalgürtel aus zahlreichen, 
meist in Reihen angeordneten, dreieckigen Wärzchen ge- 
bildet, dorsal vollständig, die Ventralseite nicht erreichend. 
Dahinter noch 3 Gürtel, diese ventral breit, dorsal schmal 
oder nicht unterbrochen. Die Warzen klein, dreieckig, zer- 
streut, ziemhch weit auseinander. Weiter nach hinten keine 
Wärzchen sichtbar. Hinterende abgerundet, nackt. Vorder- 
stigmen mit ca. 15 Knospen, Hinterstigmen mit geschlosse- 
nem Ring von 16 — 21 Knospen. 

Hendel geht in ,,L i n d n e r" bei der Beschreibung 
seiner Ph. pratensis, p. 458 mit der Deutung Herings mit, 
was nach meiner Ansicht nicht richtig ist ; melampyri Hend., 



228 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

mit gelbem 2ten Fühlerglied, ist nach p. 429 auf Mei. arvense 
gefangen und hat demnach wohl dieselbe Lebensweise wie 
flavo[emorata, die (II p. 260) nach meinen Angaben daraus 
gezüchtet worden ist. Die Angaben auf p. 542, in dem Ver- 
zeichnis der Pflanzen-Arten sind dagegen nicht ganz rich- 
tig ; es soll heissen : 

1. Ph. flavofemorata Strobl, aus Mei. pratense L. gezüchtet, 
angeblich auch in den Samen von Mei. cristatum L., ge- 
fangen auf M. pratense L. und nemorosum L. 

2. Ph. melampyri Her. aus Mei. arvense L. gezüchtet und 
darauf gefangen. 

3. Ph. nigrifemur Her. gefangen auf Mei. nemorosum L., 
pratense L. und arvense L. 

4. Ph. rostrata Her. gefangen auf Mei. nemorosum L. 

5. Ph. sagitta Hendel de Meij. (= pratensis ap. Hering) 
auf Mei. pratense L., arvense L. und nemorosum L. ge- 
fangen. 

6. Ph. temila Mg. gefangen auf M^el. nemorosum L., ar- 
vense L. und pratense L. 

* Phytomyza rectae Hend. pulsatillae Her. Fig. 70. 

2tes Stadium der Larve. Mundhaken mit je 2 Zähnen, 
welche alternieren ; je der vordere an der Spitze gelb. Un- 
paarer Abschnitt des Schlundgerüstes relativ lang, die oberen 
Fortsätze schmal, wenig gebogen, schwarz. Über der Sinnes- 
gruppe keine Warzen, wohl ein Stirnfortsatz vorhanden. 
Warzengürtel aus zerstreuten dreieckigen Wärzchen mit 
dunkler Spitze, je in der vorderen Hälfte deutlich kleiner als 
hinten. Vorderstigmen einhörnig, mit ca. 12 Knospen. Hin- 
terstigmen zweihörnig mit ca. 17 Knospen in unregelmässiger 
Anordnung. Hinterende abgestutzt, nackt. 

An Pulsatilla alpina Schrk. ; bei der Hampelbaude im Rie- 
sengebirge, August 1934, Dr. Buhr leg. 

Über das 3te Stadium dieser Art habe ich im ersten Nach- 
trag, p. 174 schon einige, nicht vollständige Angaben ge- 
macht, welche durch das hier gegebene erweitert werden. 

* Phytomyza (Napomyza) Rydéni Hering, Fig. 71. 
Mundhaken wie gewöhnlich, Schlundgerüst schwarz ; der 

unpaare Abschnitt wenig gebogen, eigenthch nur an der Wur- 
zel, von schmaler Gestalt. Am Kopf weder Warzenband noch 
Stirnfortsatz. Wärzchen fast nur an den Seiten ; an den mitt- 
leren Segmenten sich wenig nach oben und unten erstreckend, 
überhaupt schmal, aus zerstreuten, dreieckigen, wenig spit- 
zen Wärzchen bestehend ; die vorderen und hinteren oft et- 
was kleiner. Überdies an vielen anderen Stellen, auch am 
Hinterende zahlreiche farblose, oben stark an Grösse ver- 
schiedene Wärzchen, namentlich auch dorsal und ventral, 
aber auch zwischen den Gürteln, an welche sie öfters 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 



229 



anschliessen und dann auch ein kleines dunkles Spitzchen 
aufweisen. Zwischen ihnen stehen dann an bestimmten Stel- 
len die etwas mehr vorragenden, gleichfalls farblosen Papil- 
len mit ihrem relativ grossem Zentrum. Vorderstigmen zwei- 
hörnig mit 13 — 14 Knospen, Hinterstigmen mit ca. 23 Knos- 
pen in einem unregelmässigen geschlossenen Bogen. 

Puparium gelbbraun, oval mit deutlichen Einschnitten. Hin- 
terstigmen auf konischen Trägern nebeneinander. 

Schweden, Rydén leg. 




Fig. 70. Phytomyza rectae Hend. aus Pulsatilla a Stirnfortsatz, b Vorder-, 
c Hinterstigma. Fig. 71. Phytomyza Rydéni Her. a Vorder-, b Hinter- 
stigma. Fig. 72. Phytomyza scolopendri R. D. a Vorder-, b Hinterstigma, 
c Warzengürtel. Fig. 73. Phytomyza sii Her. (= berulae Her.) a Hin- 
ferende, b Mundhaken, 2tes Stadium, c Vorder-, d Hinterstigma, alles 
aus Berula angustifolia, e Mundhaken, aus Sium latifolium. 

Diese Art, welche in Ranunculus acer miniert, hat vieles 
mit aconitophila gemeinsam ; namentlich der dichte Besatz 
farbloser, rundlicher Warzen ausser den Gürteln. Die Hin- 
terstigmen zeigen indessen eine deutlich andere Gestalt. 

Die Art wurde von Hering beschrieben in Minenstudien 
14, Zeitschr. f. Pflanzenkrankh., Bd. 44, 1934 p. 68. Die Mine 
an Ranunculus acer L. ist nach ihm sehr ähnlich der von aco- 
nitophila Hendel an Aconitum und Delphinium, was mit dem 
Befund an den Larven stimmt. 



* Phytomyza scabiosae Hendel. 

Puparium im Blatte. Mundhaken kompakt. Fortsätze von 
brauner Farbe, Vorderstigmen zusammen V-förmig vorra- 
gend. Hinterstigmen mit ca. 7 Knospen. Warzengürtel 



230 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

schwach, aus kleinen, zerstreuten Wärzchen bestehend. An 
Scabiosa columbaria L., Mecklenburg, Buhr leg. 

Die Larve von Ph. scabiosarum Hering i. litt, wurde von 
mir beschrieben im II. Nachtrag, p. 286, aus Spanien, wo sie 
von Prof. Hering an dieser Pflanze gefunden wurde. Das 
vorliegende Puparium ist wahrscheinlich mit obiger Art 
identisch. 

* Phytomyza scolopendri Rob. Desv. Fig. 72. 
Mundhaken kurz und hoch, der eine mit einem sehr kleinen 

2ten Zahn, der andere mit nur einem deutlichen Zahn. 
Schlundgerüst kurz schwarz, unpaarer Abschnitt kurz und 
gerade, nach hinten verbreitert ; auch die Fortsätze relativ 
kurz, massig gebogen, am hinteren Ende braun. Wärzchen 
sind hier nicht vorhanden, wohl verläuft zu beiden Seiten des 
Hinterendes der Mundhaken eine schwarze gebogene Strieme 
nach oben. 

Vorderstigmen auf kurzen Trägern dicht beisammen, ein- 
hörnig mit 8 Knospen. Hinterstigmen gleichfalls einhörnig, 
mit 9 grossen Knospen. Warzengürtel massig breit, aus meis- 
tens zerstreuten dreieckigen dunklen Wärzchen von sehr ver- 
schiedener Grösse bestehend, meistens die hinteren grösser 
und in Querreihen, bisweilen auch vorn einige grössere. Die 
Braunfärbung erstreckt sich von den Warzen mehr als ge- 
wöhnhch nach unten hin. Hinterende abgestutzt, nackt. 

An Polypodium vulgare, Mecklenburg, Buhr leg. 

Ph. scolopendri wurde in der Hauptarbeit II, p. 289 er- 
wähnt, eigentlich nur wegen Hering 's Angabe der Verpup- 
pung in der Mine. Hiermit stimmt die geringe Anzahl der 
Stigmen-Knospen, wie sie auch atricornis Mg. besitzt. 

* Phytomyza sii Her. (= berulae Her.) Fig. 73. 
Mundhaken mit kurzen dreieckigen Zähnen, wie bei sphon- 

dylii. Schlundgerüst schwarz, unpaarer Abschnitt gerade ; 
die oberen Fortsätze wenig gebogen und schmal. Über der 
Sinnesgruppe weder ein Warzenband noch ein Stirnfortsatz. 
Warzengürtel aus zerstreuten, dreieckigen Wärzchen ge- 
bildet, wie in dieser Gattung gewöhnlich ; im hinteren Teile 
der Gürtel etwas grösser und etwas in Querreihen, auch öf- 
ters mehr zugespitzt. Vorderstigmen relativ gross, lang, zwei- 
hörnig mit ca. 28 Knospen je in zwei Reihen. Hinterstigmen 
gleichfalls gross, mit 2 langen Hörnern, mit sehr vielen, ca. 
30 Knospen in fast regelmässiger Anordnung. 

Puparium schwarzbraun, mit deutlichen Einschnitten ; Hin- 
terende schief nach unten und vorn abgeschnitten, ohne Läpp- 
chen. 

InB erula angustifolia, Mecklenburg, Buhr leg. 

Ph. berulae und sii, beide von Hering nach dem Mate- 
rial von Dr. Buhr beschrieben in Minenstudien X, Zeitschr. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 231 

f. ang. Entom. XVII, 1930, p. 446/7 sind einander sehr nahe 
verwandt. 

Wegen der sphondylii-ähnlichen Mundhaken gehören auch 
pastinacae Hend. und eine Art (sehe p. 240) aus Pimpinella 
magna in diese Gruppe. 

Aus Sium latifolium, Mecklenburg, Buhr, leg. 

Mundhaken wie bei sphondylii mit kurz dreieckigen 
"Zähnen. Unpaarer Abschnitt ziemlich lang ; die oberen 
Fortsätze schmal, schwarz, wenig gebogen. 

Über diese Art habe ich im 2. Nachtrag, p. 287, nach 
einem, Puparium schon mehrere Angaben gemacht. Nach 
einem verstümmelten Herbarium-Exemplar, welches ich von 
Dr. Buhr erhielt, gleichfalls aus Mecklenburg, konnte iclv 
obiges noch hinzufügen. An der genannten Stelle fehlt bei 
dieser Art das Sternchen, obgleich sie noch nicht in Holland 
aufgefunden wurde. Nach Hendels Angaben in , .Lindner", 
p. 360, ist diese Art als Imago nicht von berulae unterscheid- 
bar. Nach obigem habe ich*^ auch in den Larven keine be- 
stimmten Differenzen aufgefunden, sodass die Identität wohl 
anzunehmen ist. 

Phytomyza sonchi R. D. {= hieracina Her.) Fig. 74. 

2tes Stadium (3tes nur zum Teil fertig) : Mundhaken mit 
4 scharfen Zähnen, welche alternieren, je der vordere mit 
gelber Spitze. Unpaarer Abschnitt gerade, schwarz. Obere 
Fortsätze schmal, wenig gebogen, die Farbe brauner, unterer 
Fortsatz schmal. Stirnfortsatz vorhanden ; keine Wärzchen 
über den Mundhaken. Warzengürtel massig breit, mit 
dreieckigen zerstreuten Warzen, die hinteren auch zum Teil 
in Querreihen oder Quergruppen. Vorderstigraen (3tes Sta- 
dium) relativ klein, ungleich zweihörnig, das Vorderhorn 
länger, mit mehreren unregelmässig angeordneten sitzenden 
Knospen. Hinterstigmen (3tes Stadium) von beträchtlicher 
Grösse, mit ca. 30 sitzenden Knospen in unregelmässiger 
Anordnung. Hinterende gerade abgeschnitten, nackt, auch 
ohne dreieckige Läppchen unten. 

An Hieracium laevigatum Willd. und murorum L., Meck- 
lenburg, Buhr leg. als hieracina Her. bestimmt, auch in Hol- 
land an Hieracium Zeist, 1936, de Meijere. 

Hendel hat in ,,L i n d n e r" mehrere Arten unter 
sonchi R. D. zusammengefasst, darunter auch hieracina Her. 
und lampsanae Her. Die Larven zeigen tatsächlich auch keine 
Differenzen von einiger Bedeutung, sodass sie dem nicht 
widersprechen. Die Anzahl der Hinterstigmen-Knospen ist 
auch bei denjenigen, die ein und dieselbe Pflanze bewohnen, 
variabel. So fand ich an Lampsana communis, Zeist, deren 
24, während ich in meiner Hauptarbeit II, p, 268, bis 30 angab. 

* Phytomyza swertiae Her. i. litt. Fig. 75. 

Mundhaken je mit kleinerem Hinterzahn, die Zähne al- 



232 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

ternierend ; die Vorderzähne mit gelber Spitze, also wohl 
erst 2tes Stadium. Der unpaare Abschnitt des Schlundgerüstes 
relativ lang, gerade, schwarz ; die oberen Fortsätze an der 
Wurzel schwarz, weiterhin braun bis ziemlich hell, gerade. 
Über der Sinnesgruppe keine Warzen, Stirnfortsatz vorhan- 
den, gerade. Auch unter den Mundhaken keine Wärzchen. 

Vorderstigmen einhörnig. 

Hinterstigmen des 3ten Stadium neu gebildet vorhanden, 
noch farblos mit ca. 20 Knospen, also mehr als bei gentianae, 
mit welcher die Larve im übrigen Ähnlichkeit zeigt. 

Puparium rotgelb, oval, mit deutlichen! Einschnitten ; das 
nach unten gerichtete Vorderende mit kurzen V-förmig ge- 
lagerten Vorderstigmen. Hinterstigmen auf konischen, weit 
divergierenden, spitzen Trägern. An Swertia perennis L., 
einer alpinen Pflanze aus der Familie der Gentianaceae, 
Warsow, 17.8.'35. Dr. Buhr, leg. ♦ 

* Phytomyza tanaceti Hendel. 

Nachdem ich Material dieser Art aus Chrysanthemum 
(Tanacetum) vulgare kennen gelernt habe, ist es mir klar, 
dass die Larve in Achillea (Hauptarbeit II, p. 293) nicht 
diese Art sein kann, trotz grosser Ähnlichkeit. Das Schlund- 
gerüst ist bei tanaceti deutlich dünner und mehr gerade. 
Leider fand ich in den Minen nur ein paar in braungraue 
Puparien übergegangene Larven nebst einem Schlundgerüst, 
sodass ich keine vollständige Beschreibung geben kann. 

Mundhaken je mit 2 scharfen Zähnen, welche alternieren. 
Schlundgerüst ganz schwarz ; die oberen Fortsätze fast nur 
an der Wurzel, gebogen, schmal. Über der Sinnesgruppe ein 
Warzenband, auch unter den Mundhaken einige Wärzchen. 
Warzengürtel ziemHch breit, mit zerstreuten, ziemlich gros- 
sen dreieckigen, unten breiten Wärzchen. 

Vorderstigma knopfförmig ; Hinterstigma mit einem nicht 
geschlossenen Bogen von ca. 15 Knospen. 

Die Art in Achillea (welche ich früher für tanaceti hielt,) 
ist Ph, matricariae ; sie hat ein gelbhches 2tes Fühlerghed. 
Die oberen Fortsätze sind mehr gebogen und breiter, etwas 
bräunhch, höchstens an der äussersten Wurzel gelb. 

Phytomyza taraxaci Hend. Fig. 76. 

Mundhaken mit je 2 scharfen Zähnen, welche alternieren. 
Schlundgerüst schwarz, die oberen Fortsätze schmal, leicht 
gebogen. Am Kopfe weder Wärzchen noch Stirnfortsatz. 
Warzengürtel aus zerstreuten, dunklen spitzen Wärzchen 
gebildet. Hinterstigmen schmal, mit zahlreichen (ca. 21) 
Knospen in fast regelmässiger Anordnung. Vorderstigmen 
relativ klein, mit ca. 12 sitzenden Knospen. 

Hinterende abgestutzt, nackt. 

Gangmine im Blatte von Taraxacum officinale, Zeist, 7. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 



233 



* Phytomyza thalictricola Hend. Fig. 11 . 

Larve stark gedunsen, oval. Mundhaken mit je 2 scharfen 
"Zähnen, welche alternieren. Schlundgerüst relativ stark, un- 
paarer Abschnitt kurz, nach hinten allmähhch verbreitert, 
obere Fortsätze wenig gebogen, schwarz. 




Fig. 74. Phytomyza sonchi R. D. aus Hieracium a Stirnfortsatz, b 
Vorder-, c Hinterstigma. Fig. 75. Phytomyza swertiae Her. a. Stirnforsatz, 
b Mundhaken. Fig. 76. Phytomyza taraxaci Hend. a Vorder, b Hinter- 
stigma, Fig. 77. Phytomyza thalictricola Hend. a Schlundgerüst, b. Vor- 
derstigma, c Hinterstigma, d Papille. Fig. 78. Phytomyza tordylii Hend. 
a Vorder-, b Hinterstigma, c Vorderende. 

Sehr eigentümlich ist der starke Warzenbesatz. Überall 
finden sich diese, ausser ganz vorn ; am Kopfabschnitt fehlen 
sie. Hinter dem Vorderstigma ist die ganze Oberfläche mit 
relativ grossen Warzea besetzt ; am Iten darauf folgenden 
Segment sind diese noch dreieckig, an den folgenden sind 
auch viele Warzen rund, fast farblos, mit oder ohne kurzer 
Spitze, oder unregelmässig, bisweilen kurze Gruppen bildend, 
sonst zerstreut, dicht gedrängt ; auch am Hinterende Wärz- 
chen vorhanden ; nur rings um die Hinterstigmen und ganz 
unten fehlen sie. Papillen relativ gross, konisch, mit dunklerer 
Stelle vor der Spitze. Vorderstigmen zweihörnig mit ca. 7 
Knospen. Hinterstigmen mit einem Bogen von ca. 15 Knospen. 

An Thahctrum flavum, Warsow, 14. VIII. '35. Dr. Buhr leg. 

* Phytomyza tordylii Hend. Fig. 18. 

Mundhaken mit je 2 scharfen Zähnen, diese alternierend. 



234 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE. 

Schlundgerüst schwarz, die oberen Fortsätze in der Mitte 
ziemlich breit, leicht gebogen. Stirnfortsatz vorhanden, schmal. 
Über den Mundhaken keine Wärzchen. Warzengürtel ziem- 
hch schmal, mit kleinen, zerstreuten, dreieckigen Wärzchen, 
welche etwas weiter auseinanderstehen und kleiner sind als 
gewöhnlich, an Grösse wenig verschieden, im ganzen wenig 
auffällig. 

Vorderstigmen zweihörnig mit langen Hörnern, schmal mit 
ca. 16 Knospen. Hinterstigmen mit ca. 18 Knospen in regel- 
mässigem Bogen. 

Hinterende abgestutzt, nackt. 

Die Larve ähnelt sehr der von anthrisci, für welche ich 
indessen nur 10 — 12 Knospen an den Vorderstigmen angab. 
(Hauptarbeit II, p. 245). 

* Phytomyza troUii Her. Fig. 79. 

Mundhaken mit je 2 Zähnen, diese alternierend. Je der 
vordere Zahn deutlich grösser als der hintere. Unpaarer 
Abschnitt desSchlund gerüstes gerade ; Schlundgerüst schwarz, 
die oberen Fortsätze massig gebogen, schmal, der untere 
relativ kurz. Über der Sinnesgruppe weder ein Warzenband, 
noch ein Stirnfortsatz. Warzengürtel massig breit, aus nicht 
dicht gestellten, dreieckigen braunen Wärzchen von ver- 
schiedener Grösse bestehend ; durchwegs je die vorderen 
in den Gürteln kleiner ; auch dorsal Wärzchen vorhanden, 
welche von den übrigen nicht viel verschieden sind, gleich- 
falls braun und dreieckig. Vorderstigmen mit ca. 10 Knos- 
pen, kurz zweihörnig. Hinterstigmen mit 14 — 17 Knospen in 
ziemhch unregelmässigem Bogen. Hinterende nackt. 

Gangmine in den Blättern von TroHius europaeus, Tessin 
in Mecklbg. Juni 34., Dr. Buhr leg. 

Hering's Angaben über das Puparium dieser Art habe ich 
schon im 2. Nachtrag, p. 288 erwähnt; er fand 12 Knospen 
an den Hinterstigmen, aber diese Zahl ist meistens nicht 
constant. Ein mir von ihm gesandtes Puparium (Bayern, 
Hering leg.) war schwarzbraun mit wenig deutlichen Ein- 
schnitten ; hinten auf zwei getrennten konischen Trägern die 
Hinterstigmen. 

* Phytomyza trolliivora Hering. Fig. 80. 

In denselben Blättern mit der Gangminen veranlassenden 
Art fanden sich auch kleine rundliche Platzminen, welche je 
eine Larve einer zweiten Art enthielten. Bei dieser zeigen 
die Mundhaken 4 Zähne, welche kaum alternieren. Das 
Schlundgerüst ist ganz schwarz, der unpaare Abschnitt ge- 
rade, die oberen Anhänge ziemlich stark gebogen, an Ende 
unten zerfetzt. Über der Sinnesgruppe weder ein Warzen- 
band noch ein Stirnfortsatz. Warzengürtel ziemlich breit, aus 
zahlreichen ziemHch dichtstehenden, dreieckigen dunklen 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 



235 



Wärzchen bestehend, welche oft ziemhch spitz sind ; dorsal 
gehen diese auf mehrere der mittleren Ringe in ebenso breite 
Gürtel über von grösseren farblosen, abgerundeten Warzen. 
Vorderstigmen zweihörnig mit zwei fast gleichen Hörnern 
und ca. 12 Knospen. Hinterstigmen mit Bogen von ca. 20 




Fig. 79. Phytomyza trollii Her. a Schlundgerüst, b Vorder-, c Hinter- 
stigma, Fig. 80. Phytomyza trollUvora Her. a Schlundgerüst, b Vorder-, 
c Hinterstigma. Fig. 81. Phytomyza vitalbae Kalt. Hinterstigma. Fig. 82. 
Phytomyza umbelliferarum Her. a Vorder-, b Hinterstigma. Fig. 83. 
Phytomyze virgaureae Her., a Vorder-, b Hinterstigma. 
Fig. 84. Phytomyza xylostei Kalt. Vorderende. 

etwas ungleich grossen, sitzenden Knospen. Hinterende ab- 
gestutzt, nackt. 

Platzminen an Trollius europaeus. Tessin : Mecklenburg, 
'33, VI. '34. Dr. Buhr leg. 

Die Beschreibung dieser Art erschien in : Hering, die 
Blattminen Mittel- und Nord-Europas, Lief. I., 1935, p. XII. ; 
sie ist mit Ph. thalictricola Hend. sehr verwandt, aber nach 
der Larve nicht nur eine biologische Unterart derselben. 

* Phytomyza umbelliferarum Hering, Fig. 82. 

Mundhaken mit scharfen Zähnen. Unpaarer Abschnitt des 
Schlundgerüstes etwas gebogen ; die oberen Fortsätze massig 
schmal, gebogen, schwarz wie das ganze Schlundgerüst. Über 
der Sinnesgruppe weder ein Warzenband noch ein Stirn- 
fortsatz. Warzengürtel massig breit, die Wärzchen dreieckig, 
am Hinterende der Gürtel im ganzen etwas grösser und mehr 
in Querreihen. Vorderstigmen zweihörnig mit 11 — 12 Knos- 
pen in regelmässigem Bogen. Hinterstigmen mit ca. 18 
Knospen in einem Bogen, hin und wieder unregelmässig. 
Hinterende abgestutzt, nackt. 

Im Blatte einer sehr fein gefiederten UmbeUifere, nach 
Hering wahrscheinlich eine Daucus-Art, in Brioni (Istrien), 



236 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

Buhr leg., April 1933. Der feine Stiel zwischen zwei Fieder- 
paaren war von der kleinen Larve in ganzer Breite ausgefüllt. 

Die Art wurde von Hering nach Buhr's Material beschrie- 
ben in Minenstudien 15 (Zeitschr. f. Pflanzenkrankh. Bd. 
45, 1935, p. 8.). 

Hendel hat in ,,L i n d n e r", p. 494, für Hering's Ma- 
terial ,,Hispania" als Wohnort angegeben, dies soll Istrien 
heissen. 

* Phytomyza veronicicola Her. 

Nach Star y (Act. Soc. Scient, nat. Morav. Bd.' 6, 1930, 
p. 231, nicht Taf. I. Fig. 12) zeigt die Larve dieser Art an 
den Vorderstigmen 12 — 14, an den Hinterstigmen 8 — 9 Knos- 
pen, letztere kleiner in einem innen geöffneten Kreis. 

Nach Tab. III. Fig. 8 sind die oberen Fortsätze des 
Schlundgerüstes sehr wenig gebogen. 

* Phytomyza virgaureae Her. Fig. 83. 

Mundhaken ziemlich kompakt. Dicht über der Sinnes- 
gruppe liegt ein Quergürtel von feinen Wärzchen, w^ahr- 
scheinlich schon der des Prothorax, obgleich er sich nicht 
weit seitlich erstreckt. Warzengürtel massig breit, aus zer- 
streuten, dreieckigen Wärzchen bestehend. Vorderstigmen 
zweihörnig, mit ca. 12 sitzenden Knospen ; Hinterstigmen 
mit unregelmässigem Bogen von ca. 14 Knospen. 

An Solidago virgaurea L., Mecklenburg, Dr. Buhr leg. 

Von den Solidago-Bewohnern beschrieb ich die Larve von 
Ophiomyia maura Mg. als curvipalpis Zett. Hauptarbeit I, 
p. 249, IL Nachtrag p. 262, von Dizygomyza posticata Mg. 
Hauptarbeit I, p. 268, von Phytomyza solidaginis Hend. 
Hauptarbeit II, p. 297, I. Nachtrag, p. 175. 

Phytomyza (Napomyza) xylostei Kalt. Fig. 84. 

Diese Art und ihre variablen Minen sind unter Ph. peri- 
clymeni näher besprochen. Ich gebe hier noch eine Figur des 
Vorderendes mit dem Stirnfortsatz. 

In seinem Minenwerke gibt Hering an, dass das Pu- 
parium dieser Art meistens an der Unterseite liegt ; ich fand 
es dagegen gewöhnlich oberseits, nur ausnahmsweise unten 
(Holländische Agromyzinen p. 147). 

* Phytomyza sp. Fig. 85. 

Zweites Stadium : Mundhaken mit grösserem Endzahn und 
kleinerem zweiten Zahn, der Endzahn an der Spitze breit, 
gelb. Unpaarer Abschnitt gerade, obere Fortsätze schmal, 
schwach gebogen, an der Wurzel schwarz, weiterhin braun ; 
der untere braun. Hinterstigmen mit ca. 14 Knospen in regel- 
mässigem Bogen. 

An Gnaphalium silvaticum L., Brudersdorf, 18.VIII.1935. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 



237 



In einer gangförmigen Mine mit dicht gelagerten Excre- 
mentkörnern. 

* Phytomyza sp. Fig. 86. 

Larve klein, ca. 1 mm lang, kurz und dick. Mundhaken 
mi t 4 spitzen Zähnen, welche alternieren. Der unpaare 
Abschnitt des Schlundgerüstes etwas gebogen ; die oberen 
Fortsätze ziemlich dick, auch etwas gebogen, schwarz ge- 
färbt, nur nach hinten dunkelbraun. 

Über der Sinnesgruppe keine Wärzchen, aber ein Stirn- 
fortsatz vorhanden. Warzengürtel aus zerstreuten, hin und 
wieder auch Gruppen bildenden dunkelbraunen Wärzchen ; 
diese ziemhch an Grösse verschieden, wenig spitz, dreieckig ; 
die vorderen meistens etwas kleiner ; dorsal und ventral 
sparsam. Vorderstigmen knopfförmig, klein, mit Bogen von 
ca. 12 etwas unregelmässig angeordneten Knospen. Hinter- 
stigmen mit ca. 20 Knospen, hin und wieder auch etwas 
unregelmässig. Hinterende abgestutzt, nackt, hinten mit kur- 
zem Läppchen. 

An Silaus pratensis, Süd-Europa, Dr. Buhr leg. 




Fig. 85. Phytomyza sp. aus Gnaphalium silvaticum, Hinterstigma des 
2ten Stadiums. Fig. 86. Phytomyza sp. aus Silaus pratensis, a Vorder- 
ende b Vorder- c Hinterstigma. Fig. 87. Phytomyza sp. aus Peucedanum 
chabrayi Vorderstigma. Fig. 88. Phytomyza sp. aus Conioaelinum tata- 
ricum a Vorderstigma, b Hinterstigma, c. Warzengürtel. Fig. 89. Phyto' 
myza sp. aus Clematis, a Hinterstigma des 2ten Stadiums b 3tes Stadium : 
Vorderstigma, c Hinterstigma, d Warzengürtel. Fig. 90. Phytomyza sp. 
aus Clematis flammula, a Schlundgerüst, b. M'undhaken, c Hinterstigma 
des 2ten Stadiums. 



238 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

* Phytomyza sp. Fig. 87. 

Eine Larve in Peucedanum chabrayi aus Süddeutschland, 
welche Dr. Buhr mir zusandte, ergab sich als nicht zu 
Ph. pauli-löwi gehörig, welche aus dieser Gattung gezüchtet 
wurde. Weiter würden; zunächst marginella Fall., thy sselini 
Hend. und thysselinivora Her. in Betracht kommen. Bei der 
vorliegenden Larve sind die Mundhaken wie gewöhnlich mit 
spitzen Zähnen, der unpaare Abschnitt relativ kurz, fast 
gerade, ganz schwarzbraun, in der vorderen Hälfte oben mit 
hellerem Saum. Kein Stirnfortsatz vorhanden. Die Warzen- 
gürtel sind massig bereit, mit zerstreuten, dreieckigen Wärz- 
chen ; die der hinteren Hälfte der Gürtel weiter auseinander 
als die vorderen, auch etwas grösser, dreieckig, braun. Vor- 
derstigmen mit 1 1 Knospen auf zwei gleichen Hörnern ; 
Hinterstigmen mit ca. 20 Knospen in ziemlich unregelmässi- 
ger Anordnung. Hinterende ohne Wärzchen. 

Ph. Pauli'Löwi unterscheidet sich u.a. durch die einhörni- 
gen Vorderstigmen. Ph. thysselini würde es sein können.. 

* Phytomyza sp. Fig. 78. 

Mundhaken wie gewöhnhch, mit alternierenden scharfen 
'Zähnen. Unpaarer Abschnitt relativ kurz, gerade, von 
schwarzer Farbe. Die oberen Anhänge ausser an der Wurzel 
braun, schmal und lang, ziemlich stark gebogen. Über den 
Mundhaken keine Wärzchen und kein Stirnfortsatz. Warzen- 
gürtel massig breit, mit zerstreuten, ziemlich weit auseinander- 
stehenden, dreieckigen, braunen Wärzchen ; diese im allge- 
meinen wenig zugespitzt. Die vorderen und hinteren in den 
Gürteln öfters grösser und weiter auseinander, die Gürtel 
namentlich an den Seiten ausgebildet. 

Vorderstigmen mit nur 5 ziemlich grossen Knospen ; Hin- 
terstigmen mit ca. 16 Knospen in einem regelmässigen, fast 
geschlossenen Bogen. Hinterende abgestutzt, nackt. 

An Conioselinum tataricum Fisch., Leningrad, Herbar. 
Kühlewein. Buhr mis. Dies ist wohl eine eigene, mir unbe- 
kannte Art, wegen der wenigen Knospen an den Vorderstig- 
men und der abgerundeten Warzen. 

* Phytomyza sp. 

In Ranunculus, Mine ein bis in die Blätterspitzen reichen- 
des Stigmatonom. Puppe hellgelb. Vorderstigmen 8 — 10, 
Hinterstigmen 24 — 26 Knospen ( S t a r y B. Act. Soc. scient, 
nat. Morav. Bd. 6, 1930, p. 171, 231.). 

* Phytomyza sp. Fig. 89. 

Von Prof. Hering erhielt ich Minengänge an Clematis von 
Bad Kosen leg. Lange). Diese Gänge beginnen auf der Un- 
terseite und wenden sich dann der Oberseite zu, was bei vi- 
talbae nie der Fall ist, deren Mine immer auf der Oberseite 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 239 

beginnt, meistens in der Nähe der Blattspitze, wie ich auch 
seinerzeit in meinen ,, Holländische Agromyzinen" angab und 
gleichfalls Hering in seinem Minenwerke p. 161. 

Mundhaken je mit 2 Zähnen, welche alternieren und stark, 
relativ dick und kurz waren. Unpaarer Abschnitt des Schlund- 
gerüstes fast gerade. Obere Fortsätze schwarz, ganz hinten 
ins Braune ziehend, schmal, massig gebogen, der untere Fort- 
satz halb so lang. 

Über der Sinnesgruppe keine Wärzchen. Warzengürtel 
ziemlich breit ; je die vorderen Wärzchen klein, die mittleren 
etwas grösser, die hinteren bedeutend grösser ; alle ziemlich 
spitz, dreieckig. Papillen nicht auffällig. Vorderstigmen klein, 
fast knopfförmig oder kurz einhörnig, von der Seite gesehen 
mit ± 5 Knospen. Die Hinterstigmen mit einem etwas un- 
regelmässigem Bogen von 15 Knospen. Hinterende ohne 
Wärzchen. 

An dem zweiten Stadium sind die Zähne der Mundhaken 
relativ spitz, je der vordere bedeutend grösser als der hintere 
und an der Spitze breit gelb. Schlundgerüst wie beim 3ten 
Stadium. Über der Sinnesgruppe scheint ein ziemhch spitzer, 
scharfer Stirnfortsatz vorhanden. Diese Stelle war beim 3ten 
Stadium nicht gut erkennbar. 

Warzengürtel wie beim 3ten Stadium, aber die Wärzchen 
meistens an der Spitze abgerundet. Hinterstigmen mit regel- 
mässigem Bogen von 15 Knospen. 

Die Larve ähnelt sehr derjenigen von Ph. vifalbae Kalt. 
(Hauptarbeit II., p. 298), aber die Hinterstigmen haben bei 
letzterer weniger Knospen (ca. 10) und die Gürtel sind bei 
dieser aus unter einander gleich grossen Wärzchen zusam- 
men gesetzt. 

Ph. kaltenbachi Hend. aus Clematis recta steht mehr ent- 
fernt wegen der einhörnigen Hinterstigmen (I. Nachtrag, 
p. 171). 

Die Mine von Clematis vitalba verläuft fast immer nur 
oberseits ; ich habe aber auch eine, wo in der Mitte die Mine 
eine kurze Strecke unterseits verläuft. Vbn dieser Art 
habe ich Ende September 1923 Minen der 2ten Generation 
an Clematis vitalba aus Valkenburg von P. Schmitz erhal- 
ten, welche einen wesentlich anderen Eindruck machen, so- 
dass ich zunächst meinte, es mit einer anderen Art zu tun 
zu haben. Aber die Larven gleichen ganz denen der ersten 
Generation. Hier ist der Anfang nicht auf die Spitze des 
Blattes beschränkt, was bei der ersten gewöhnlich der Fall 
ist, sondern kann in allen Stellen des Blattes liegen, wie auch 
die Bohrlöcher, welche bei der ersten auch meistens in der 
Nähe der Blattspitze liegen. Die Mine bleibt anfangs stark 
gedrängt, öfters eine deutliche Spirale bildend, und das davon 
abgehende Endstück ist bedeutend kürzer ; auch ist das Ex- 
crement dichter, stellenweise eine ununterbrochene Linie bil- 



240 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE. 

dend ; es liegt aber auch einseitig, bisweilen wechselnd von 
der einen nach der anderen Seite. 

* Phytomyza sp. Fig. 90. 

Im Blatte von Clematis flammula, aus Korsika : Corte, 20. 
September 1933, Dr. Buhr leg., fand ich nur eine nicht voll- 
ständige Larve im 2ten Stadium. 

Die Zähne der Mundhaken sind relativ kurz, je der vor- 
dere wieder zum Teil gelb. Die Zähne alternieren und 
folgen dicht aufeinander. Über der Sinnesgruppe keine 
Wärzchen. 

Überdies fand ich im Präparat noch zwei Stigmen dicht 
nebeneinander, von der in Fig. 90c abgebildeten Gestalt ; 
offenbar auch vom 2ten Stadium, mit 14 sitzenden Knospen 
in etwas unregelmässiger Anordnung, wohl die Hinterstig- 
men dieses Stadiums. 

Die Warzen an den Gürteln sind Phytomyza~artig zer- 
streut, dreieckig. Zum 3ten Stadium gehört wohl ein Schlund- 
gerüst mit ganz schwarzen Mundhaken. Auch an diesen 
fallen die kurzen Zähne auf ; der unpaare Abschnitt ist kurz 
und gerade, schwarz ; die oberen Fortsätze sind wenig ge- 
bogen, dunkelbraun. 

Die Gangminen verlaufen in den Blättern sehr unregel- 
mässig ; das Excrement ist einseitig, in langen Strecken an 
derselben Seite ; es besteht aus dicht nebeneinander liegenden 
schwarzen Körnchen. 

Von den anderen Clematis-Bewohnern unterscheidet sich 
Ph. vitalbae Kalt. (Hauptarbeit II, p. 298) durch die gerin- 
gere Zahl (ca. 10) der Hinterstigmen-Knospen ; Ph. kalten- 
bachi (1. Nachtrag, p. 171) durch das fast einhörnige Hin- 
terstigma. 

Es könnte dies wohl dieselbe Art sein, wie die vorige Art. 

* Phytomyza sp. Fig. 91. 

Mundhaken vorn etwas verdickt, mit kurz dreieckigen 
Zähnen, wie bei sphondylii. 

Unpaarer Abschnitt ziemlich lang, schwarz. Obere Fort- 
sätze schwarz, ziemlich dick, leicht gebogen. Kein Stirnfort- 
satz vorhanden. 

Warzengürtel massig breit, mit zerstreuten, dicht beisam- 
men liegenden, dreieckigen, ziemhch spitzen Warzen ; na- 
mentlich die des hintersten Teiles der Gürtel ziemlich stark 
zugespitzt. 

Vorderstigmen zweihörnig mit Bogen von mehreren, ca. 
14, sitzenden Knospen. Hinterstigmen zweihörnig mit zahl- 
reichen (ca. 21) Knospen in unregelmässiger Anordnung. 
Hinterende abgestutzt, nackt. 

In Pimpinella magna L., Neuhaldensleben, VIII. 1931, 
Dr. Buhr leg. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 



241 



Die gangförmige oberseitige Mine zeichnet sich von den 
anderen Arten in dieser Pflanze dadurch aus, dass sie mit 
einem unterseitig hegenden Fleckchen ( = Knäuel von Gang- 
windungen) beginnt. 




Fig. 91. Phytomyza sp. aus Pimpinella magna a Mundhaken, b Vorder-, 
c Hinterstigma. Fig. 92. Cerodonfa sp. aus Phragmites communis a 
Schlundgerüst, b Mundhaken, Fig. 93. Genus ? an Celtis australis, 
Schlundgerüst. Fig. 94. Genus ? in Nadeln von Asparagus acutifolius, 
a Larve, b Vorderende, c Vorderstigma von der Seite, d Vorderende 
des Pupariums, e Vorderstigmen der Larve am Puparium, f Hinterende 
des Pupariums, g Warzengürtel, h Umgebung des Mundes der Larve 
von vorne. 



Cerodonta Rond. 
* Cerodonta phragmitophila Her. Fig. 92. 

In einer Blattmine von Phragmites communis (Korsika : 
Gravona-Tal, September 1933, Dr. Buhr leg.), welche Art 
Hering als Cerodonta phragmitophila n.sp. bestimmt hatte, 
fand ich von der Larve leider nur ein paar Schlundgerüste. 
Diese zeigen die in Fig. 92a abgebildete Gestalt. 

Die Mundhaken haben einen grösseren Vorder- und einem 
kleineren Hinterzahn. Der unpaare Abschnitt des Schlund- 
gerüstes ist gerade, relativ lang und schwarz ; die Fortsätze 
sind hell, bräunlich. 

Dies stimmt genügersd mit anderen Cerocfon^a-Arten. 

Diese Art wurde von Dr. Hering beschrieben in : 



242 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE, 

Minenstudien 15, (Zeitschrift f. Pflanzenkrankh. 46, 1935, 
p. 10). 

* Genus ? Fig. 93. 

In Gangminen in Blättern von Celtis australis ( Korsika : 
Sagone, September 1930, Buhr leg.) fand ich noch ausser 
der Agromyza-harve von p. 172 als Rest einer Larve ein 
Schlundgerüst von der in Fig. 93 abgebildeten Gestalt, wohl 
eines 2ten Stadiums, denn der Endzahn war an der Spitze 
gelb. Haken scheinen gleich gross, je nur mit einem Endzahn 
und dahinter nur eine Ausbuchtung. 

Der umpaare Abschnitt gerade und relativ lang, die oberen 
Fortsätze massig gebogen und ziemlich breit, alles von dun- 
kelbrauner Farbe. Zu welcher Gattung diese Art gehört kann 
ich nicht sagen. 

* Genus ? Fig. 94. 

Ausser den oben unter Ophiomyia beschriebenen Stengel- 
bewohnern bei Asparagus acutifolius L. fand ich in dem 
Material von Dr. Buhr von Brioni (Istrien, 6. April 1933) 
in den Nadeln noch eine bedeutend kleinere, andere Art, 
sowohl als Larve, wie als Puparium, welche wahrscheinlich 
auch zu den Agromyzinen gehört, aber von mir unbekannter 
Gattung. Die Nadeln sind von dieser Art für sich miniert ; 
bald ist die weisse Mine so breit wie die ganze Nadel, bald 
auch bedeutend schmaler ; die Larve findet sich, wenigstens 
in einigen Fällen, der Basis der Nadel nahe. 

Die kleine Larve ist nur ca. 1 mm lang, vorn etwas breiter 
als hinten, Mundhaken breit, je mit 2 Zähnen, der vordere 
kleiner als der hintere, die Zähne nicht alternierend ; 
jederseits ein schwarzes von unten nach oben verlaufendes 
Chitinband. 

Sinnesgruppe mit den Mundhaken von vorn gesehen wie 
in Fig. 94 h ; oben ein aus 2, bisweilen 3 Reihen gebildetes 
Warzenband ; kein Stirnfortsatz vorhanden. 

Schlundgerüst kurz und relativ dick ; der unpaare Ab- 
schnitt kurz, die oberen Fortsätze schwach gebogen. 

Warzengürtel relativ schmal, mit zerstreuten, punktförmi- 
gen dunklen Wärzchen, welche auch dorsal vorhanden sind. 

Vorderstigmen dicht neben einander, klein, von der Seite 
mit ca. 5 sitzenden Knospen im Ganzen ca. 10, die Filzkam- 
mer im äusseren Teile dunkler, als im inneren. Hinterstigmen 
gleichfalls nicht gross, mit 5 sitzenden Knospen. Die Anal- 
gegend etwas gewölbt und stark quergestrichelt. 

Das gelbliche Puparium ist ziemlich lang gestreckt, nur ca. 
1,5 mm lang, also bedeutend kleiner als das oben vom As- 
paragus-Stengel beschriebene, welches 2,5 mm lang und gelb 
ist. Überdies sind bei der Art aus den Nadeln keine Ein- 
schnitte erkennbar. Hinterstigmen als kurze, divergierende, 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 243 

gelbe Hörnchen erkennbar. Ausserdem fand ich am Pupa- 
rium auch die beiden Prothorakalstigmen der Larve dicht 
neben einander, als längere, dünne, schwarze Hörner, in ihrer 
Mitte mit einem dreieckigen Zahn an der einen Seite, am 
Ende mit mehreren Tüpfeln. Es ist relativ länger, aber vom 
selben Bau, wie das beim Stengelbewohner oben beschriebene 
Horn. 

* Spartium junceum« 

Oberflächliche feine Stengelmine, in welcher ich von einer 
Larve nichts auffinden konnte. In : Beitrag zur Kenntnis der 
Minenfauna der Riviera, Mitt. D. Ent. Ges. Jahrg. 3 (1932) 
No. 9, p. 143, erwähnt Hering : ,,Im Stengel dieser Pflanze 
ein unbekannter Minierer (Lep. od. Col.), der später in das 
weiche Mark des Stengels hineingeht." 



ERRATA. 

Hauptarbeit II p. 312 Zeile 19 v.o. 

Phytagromyza, soll heissen : 
Phytomyza (Napomyza). 
„ „ „ .. 21, 22 v.u.: 

milii und nigra gehören zu : 
Phytomyza. 
„ „ „ „ 20 v.u. : 

Phytomyza similis soll 

heissen : 
Phytagromyza similis. 

1. Nachtrag, p. 156, Zeile 6 v.o. : II, soll heissen : I 

„ 165 : Ph. albimargo, hinzuzufügen : an 

Anemone nemorosa L. 
., 169 : Pig. 24 a und 23b sind zu vertau- 
schen : zu 
erigerophila gehören 23 a und 

24 a, zu 
Elsae gehören 23b und 24b. 
,, „ 174 : Ph. ramosa, hinzuzufügen : an 

Dipsacus pilosus. 

2. Nachtrag, p. 248 : Die Zeilen 17 v.o. und 21 v.o. 

sind zu vertauschen, 
p. 255 : Zeile 4 v.u. gelb schwarzbrauner, 

soll heissen gelb-bis schwarzbrauner, 
p. 269 : morionella, dass * fehlt, 
p. 272 : * Dizygomyza sp., das * ist zu 

streichen, 
p. 279 : Ph. adjuncta, hinzuzufügen : 

an Pimpinella, 
p. 283 : Ph. echinopis : das * fehlt, 
p. 287 : Ph. sii : das * fehlt. 



Catalogus 
der Nederlandsche Macrolepidoptera 



door 

B. J. LEM PK E. 



II. 

Van de in dit tweede gedeelte behandelde families 
(Sphingidae tot en met Thyrididae) zijn de Sphingidae 
gerangschikt volgens de behandeling van Jordan in Seitz, 
vol. 2, de Lymantriidae volgens Strand in hetzelfde werk 
en de Lasiocampidae volgerts de monografie van T u 1 1 in 
vol. 2 en 3 van zijn ,, British Lepidoptera." De overige fa- 
milies zijn vrijwel onveranderd gebleven. 

Een bezwaar bij de behandeling der variabiliteit was het 
ontbreken van voldoend groote series der variabele soorten 
in de musea. Bij de thans behandelde families toch berust 
het grootste deel der afwijkingen, in tegenstelling met de 
dagvlinders, op kleurverschillen, welke natuurlijk alleen aan 
veel exx. goed bestudeerd kunnen worden. 

Daar het vaak moeilijk is met zekerheid uit een beschrij- 
ving op te maken, welke kleurvorm bedoeld wordt, heb ik 
zooveel mogelijk figuren geciteerd. Hierbij heb ik me be- 
perkt tot werken, die algemeen bekend en niet te duur 
zijn, n.l. : 

1. D. ter Haar, Onze Vlinders, Ie druk. Weinig 
geciteerd, daar de figuren meestal niet mooi zijn. Afgekort 
als ,,Onze VI." 

2. Dr. P. M. Keer, Onze Vlinders, 2e en 3e druk. 
De platen van de ,,Heterocera" zijn uitstekend te gebruiken, 
omdat dikwijls afwijkende exx. afgebeeld zijn ; dit natuurlijk 
puur toevallig. Afgekort als ,,Keer." 

3. R. South, The Moths of the British Isles, vol. I 
en II, London, Frederick Warne and Co. Ltd. Zeer sterk 
aanbevolen : niet duur (nieuw 21 sh.) en met ±: 1550 bijna 
alle uitstekende, gekleurde afbeeldingen. In 1933 verscheen 
de 8e (vol. I) en 7e (vol. II) oplage. Afgekort als ,, South." 

4. F. Nordstrom en E. W a h 1 g r e n, Svenska 
Fjärilar. Dit prachtige Zweedsche vlinderwerk, waarvan 
op het oogenblik 9 afleveringen zijn verschenen, heb ik 
eenige malen geciteerd om de afbeeldingen van typische 
vormen. Afgekort als ,, Svenska Fjärilar." 

De opgaven over het voorkomen van zeldzame vhnders 



(81) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 245 

in Denemarken dank ik aan Stiftsprovst Dr. Skat H o f f- 
meyer (Aarhus), die over vlinders in het omringende 
Duitsche gebied aan Landgerichtsdirektor G. W a r n e c k e 
(Kiel). 

Bij het samenstellen der vliegtijden is dankbaar gebruik 
gemaakt van de door haast alle lichtvangers verstrekte ge- 
gevens, terwijl de heer Van W i s s e 1 i n g h mij tevens 
al zijn over jaren loopende aanteekeningen ter inzage gaf. 

Aan de voor collecties gebruikte afkortingen moeten de 
volgernde worden toegevoegd : 

25. V. G. = H. G. van Galen, Aalten. 

26. Knf. = J. Koornneef, Velp. 

27. Pt. = D. Piet, Amsterdam. 

28. Mus. Rd. = Natuurhistorisch Museum, Rotterdam. 
In Z. Mus. bevindt zich thans ook de coll.-B u i s, in Mus. 

Rd. de coU.-H averhorst, terwijl hier tevens de coll.- 
D u 1 f e r is ondergebracht. 

Sphingidae« 

Acherontia Laspejn^cs. 

94, A. atropos L. Niet inheemsch. Komt echter de meeste 
jaren voor, vooral in droge zomers (Sch.). Het is niet mo- 
gelijk een lijst te geven van de goede vliegjaren dezer soort, 
daar deze, jammer genoeg, zelden in onze literatuur vermeld 
worden. Ik vond slechts : 20 exx. in 1846 bij Utrecht (Han- 
delingen, p. 23) ; in 1858 en 1859 zeer gewoon, vooral als 
rups (T. V. E., vol. 6, p. 154) ; in 1920 zeer talrijk in 
Leeuwen (op. cit., vol. 64, p. XXI). De vlinders worden 
bij ons vooral in Aug. en Septr., soms Octr., gevangen, 
terwijl gekweekte exx. van Septr. tot in Deer. uitkomen 
(bij vorstvrije overwintering binnenshuis ook wel volgend 
jaar Juni of Juli). In Z. Mus. bevindt zich een volwassen 
rups van Waalwijk, 20-7-1901. Deze moet dus afkomstig 
zijn van een in Mei toegevlogen vlinder. Gold. meldt een 
volwassen rups, 2 Aug. 1904 te Deventer gevonden, die 
onmiddellijk in den grond kroop. Ook deze moet van een 
vroegen immigrant afkomstig zijn. De imago verscheen 
22 Oct. 1904. 

Var. De typische vorm heeft eenkleurig zwartbruine 
wis. met onduidelijke dwarsteekening, lichte teekening 
flauw. Een extreem ex. met bijna eenkleurig zwarte wis. 
van Leiden (Snijder). 

1. ab. intermedia Tutt, Brit. Lep., vol. 4, p. 403, 1904. 
Vvls. met duidelijke dwarslijnen, lichte teekening goed ont- 
wikkeld. Algemeen. 

2. ab. flavescens Tutt, I.e. Grondkleur der avis. lichtgeel. 
Deventer, Utrecht (Gold.) ;, Wageningen (44), 



246 B. J. LEMPKE. CATALOGUS DER (82) 

3. ab. imperfecta Tutt, I.e., p. 400. De binnenste band 
op de avis. ontbreekt. Zevenaar, Leeuwen (alleen rechts), 
Numansdorp (Z. Mus.). Hier ook 1 ex. met etiket ,, Fries- 
land" en 1 met etiket ,, Zuid-Holland". Afb. : T. v. E., vol. 
50, pi. 1, fig. 1. 

4. ab. Banden der avis. donkergrijs in plaats van zwart. 
Kollum (Z. Mus.). 

P a t h o 1. ex. Benedenhelft van linker vvl. veel lichter. 
Dieren (45). 

Herse Oken. 

95, H. convolvuli L. Niet inheemsch. Oudemans is 
het wel gelukt een pop te doen overwinteren, die in April 
uitkwam (Ned. Ins., p. 445, noot 1, ± 1900 ; ex. in Z. Mus.), 
doch in de natuur zijn bij ons nooit voorjaarsexx. waar- 
genomen. De immigranten komen bij ons vanaf half Juli 
(14-7-1936, V. G.) en worden vooral in Aug. en Septr. 
waargenomen, terwijl hun afstammelingen meestal eind Septr. 
en Octr. uit de pop komen. In warme zomers is de soort 
gewoon, soms talrijk (Bst., I, p. 230 : in 1846 veel bij Leiden ; 
19011), 1904). 

Var. Duidelijk sexueel dimorph, de wis. der $ $ zijn 
veel scherper geteekend dan die der $ Î . 

1 ab. virgata Tutt, Brit. Lep., vol. 4, p. 335, 1904. Het 
middendeel der wis. zeer veel donkerder dan de rest. Ame- 
rongen (Btk.) ; Amsterdam (v. d. M.) ; Roermond (Lek.). 

2. ab. suffusa Tutt, I.e. Geheele vvl. donkerder, maar 
teekening zichtbaar, avis. ook meestal sterk bestoven. Apel- 
doorn (de Vos) ; Amsterdam (v. d. M.) ; Numansdorp 
(Z. Mus.) ; Maastricht (Mus. M.). 

Sphinx L. 

96. S, ligustri L. In het grootste deel van het land waar- 
genomen, op vele plaatsen gewoon. In en bij de stad Gro- 
ningen uiterst algemeen, rups vooral op jonge hulst, waar- 
van de toppen dikwijls kaal gevreten worden (Skm.). In 
1934 een aantal volwassen rupsen op Dipsacus in het Ar- 
boretum te Wageningen (dezelfde). 1 gen., eind Mei tot 
half Aug. De poppen blijven dikwijls 2 winters overliggen 
{zie Handelingen, p. 3, p. 16 en p. 34). 

Var. 1. ab. obscura Tutt, Brit. Lep., vol. 4, p. 300, 1904. 
Vvls. donkerder (het zwart van het middenveld uitgebreid 



1) Cold, schrijft: „Einde Aug. 1901 was deze soort op het buitengoed 
..Meermuiden" te Twello zoo talrijk, dat wij, louter uit sportief genoe- 
gen, de groote, snel wegschietende vlinders voor de tabaksplanten met 
het net wegvingen, om ze terstond daarop weer vrij te laten. Zoo veel 
zag ik er in latere jaren nooit weer." 



(83) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 247 

over het achterrandsveld), banden van avis. verbreed (vaak 
gedeeltelijk met elkaar verbonden). Wageningen (L. Wag.) ; 
Groenekan (65, 67) ; Amsterdam (Lpk., v. d. M.) ; Haar- 
lem (Rk., Wiss.) ; Leiden (37) ; Roermond (Mus. M.) ; 
Maastricht (RL). 

2. ab. pallida Tutt, I.e. Wortel, costa en achterrand der 
wis. zeer licht, avis, witachtig rose met gewone zwarte ban- 
den. Putten, Amsterdam (Z. Mus.) ; Heemstede (Wiss.) ; 
Wageningen (55) ; 's-Hertogenbosch (Lanz). Een ex. van 
Amsterdam met verbreede zwarte banden der avis. (Vary). 

3. ab. rosacea Rebel, Berge, 9e druk, p. 92, 1910. Costaal- 
deel der wis. levendig roserood. Maastricht (Mus. M.). 

[4. ab. spiraeae Esp., Schmett. Eur., II, suppl., p. 21, pi. 
XLII, fig. 1, 1798. Klein en op de avis. zonder den wortel- 
band. Empe (Bst., I, p. 230). Of dit ex. werkelijk spiraeae 
was, is niet zeker. De Graaf toch schrijft : ,,var. minor 
Hb. 143." Nu is fig. 143 van Hb. inderdaad de door Esper 
beschreven vorm, doch de toevoeging ,, minor" doet me 
vreezen, dat De Graaf alleen gelet heeft op de kleinheid van 
het ex., niet op het ontbreken van den band]. 

Terato 1. ex. Linker avi. te klein. Den Haag (17). 

97. S. (Hyloicus Hb.) pinastri L. Door het geheele land 
op zand- en duingronden, waar de voedselplanten voor- 
komen. 1 gen., begin Mei tot ver in Aug. Misschien is bij 
de zeer late exx. een enkel van een tweede gen., maar dit 
is lang niet zeker. Sch. meldt een ex. van begin Aug. 1934 
van Babberich, Oudemans een ex. op licht te Putten 15-8- 
1928 (E. B., vol. 8, p. 24), Gold. een ex. op hcht te Twello 
21-8-1935, Tolman, dat de vlinders in Aug. meermalen in 
Soest voorkomen, meestal totaal afgevlogen. In T. v. E., 
vol. 44, V. p. 57 vermeldt Lycklama een rups, die 
eikenloof at. Een uitvoerige lijst van voedselplanten geeft 
Oudemans, I.e., p. 22, 1929. 

V i n d p 1. Gr,: Appelbergen. Dr.: Eelde (Vosbergen). 
Ov. : Lonneker, Rijssen, Holten, Markelo, Steenwijk, Zwolle. 
GdL : Veluwe, Graafschap en Achterhoek, Montferland, 
Bijvank, Lobith, Babberich, Zevenaar, Didam, Berg en Dal, 
Nijmegen, Groesbeek, Driel. Utr. : Rhenen, Amerongen, 
Leersum, Doorn, Driebergen, De Bildt, Bilthoven, Zeist, 
Soest, Baarn. N.H. : Hilversum, Naarden, Bussum, Bloemen- 
daal, Overveen. Z.H. : Noordwijk, Rotterdam (Z. Mus.). 
N.B. : Bergen op Zoom, Breda, Ulvenhout, Hondsdonk, 
Oisterwijk, 's-Hertogenbosch, Alphen, Deurne. Lbg. : Pias- 
molen, Gennep, Venlo, Roermond, Maastricht, Valkenburg, 
Brunssum. 

Var. De typische vorm is bruinachtig grijs, met 3 zwarte 
pijlvlekken in het midden van den vvl., 2 flauw zichtbare 
donkere dwarsbanden, een witachtige middencelvlek en een 
donkere streep bij de vleugelpunt. 



248 B. J. LEMPKE, catalogus DER (84) 

1. ab. ferrea Closs, Int. Ent. Z., vol. 14, p. 91, 1920. Grond- 
kleur der wis. tamelijk donker ijzergrijs (soms bijna zwart- 
grijs). Putten, Nijmegen (Z. Mus.) ; Montferland (Sch.) ; 
Hulshorst (Vary) ; Doorn (Br.) ; Bilthoven (42), Alphen- 
N.B. (47) ; Breda (P.H.) ; Ulvenhout (Mus. Rd.) ; Honds- 
donk (Btk.) ; Oisterwijk (9). 

2. ab. brunnea Spuler, Schmett. Eur., I, p. 87, 1903. Grond- 
kleur van voor- en avis. diepbruin, pijlvlekken aanwezig, de 
lichte vlekken van het achterlijf scherp afstekend. Leuvenum, 
Twello (Gold.); Nijmegen (Bo.) ; Breda (18). 

3. ab. grisea-transversa Tutt, Brit. Lep., vol. 4, p. 277, 
1904. Vvls. eenkleurig grijs, zonder pijlvlekken, maar met 
de banden. Holten (Gold., trans.). 

4. ab. asiaticus Butler, Proc. Zool. Soc. London, 1875, p. 
260. Vvls. grijs, met de pijlvlekken, maar zonder de banden. 
Eelde (L. Wag.) ; Montferland (Sch.) ; Beek-Nijm., Nij- 
megen (Z. Mus.) ; Plasmolen (Wiss.) ; Zeist (P. H.). 

5. ab. vittata Gloss, Int. Ent. Z., vol. 14, p. 91, 1920. Vvls. 
met de 3 pijlvlekken; en 2 zeer sterk ontwikkelde donkere 
middenbanden. Zwolle, Putten, Baarn (Z. Mus.) ; Apel- 
doorn (Z. Mus., de Vos) ; Twello (Gold.) ; Nijmegen 
(Wiss.) ; Bilthoven (39). 

6. ab. minor Stephan, Iris, 1924, p. 16. Dwergen. Putten 
(Z. Mus.). 

7. ab. Zonder de donkere apicaalstreep. Doetinchem 
(Gold.). 

Marumba Moore. 

* 98. M. quercus Schiff. Slechts één jaar is deze zuide- 
lijke soort in enkele exx. in ons land aangetroffen. Herhaling 
van deze vangst is even weinig te verwachten als bij Colias 
chrysotheme Esp. In het omliggende gebied nooit waarge- 
nomen. Voor Duitschland zijn slechts enkele vangsten uit 
Beieren bekend. Osthelder (Schmett. Südb., p. 171, 
1927) vermoedt, dat dit nakomelingen van uit Zuid-Tirol 
aangevlogen dieren zijn. Overigens geeft Jordan (Seitz, 
vol. 2, p. 241, 1911) als vlieggebied aan: „van Neder- 
Oostenrijk tot Malaga, oostwaarts tot Trans-Kaukasië en 
Mésopotamie." 

V i n d p 1. [Gr. : Groningen (Bst., II, p. 152 ; Handelingen, 
p. 74). De juistheid der determinatie is steeds betwijfeld]. 
Z.H. : Alf en, dz 1910, een 5 en 5 in copula, bovendien 
nog een derde ex., een $ . De dieren werden gevangen door 
P. A. Gout, nu te Amsterdam, in den tuin der Martha- 
stichting. De beide in cop. aangetroffen dieren heb ik gezien. 
Hoewel de achterlijven reeds erg van stofluis geleden hebben, 
is toch nog zeer goed te zien, dat de exx. volkomen gaaf 
waren en zonder eenigen twijfel ter plaatse uit de pop ge- 



(85) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 249 

komen zijn. Toch is de soort natuurlijk niet inheemsch. De 
verklaring van het haast ongelooflijke feit is eenvoudig deze, 
dat in het voorjaar van hetzelfde jaar, waarin de 3 exx. 
werden gevangen, een groot aantal uit het buitenland geïm- 
porteerde heesters, waarvan de wortelkluiten zorgvuldig 
ingepakt waren, in den tuin waren gezet. In deze kluiten 
zijn de poppen blijkbaar meegekomen. De tuinman gaf des- 
gevraagd als land van herkomst der planten op : Duitsch- 
land. Gezienl het hiervoor medegedeelde over de verspreiding 
is dit vrij twijfelachtig, maar verder onderzoek is nu natuur- 
lijk niet meer mogelijk. 

Mimas Hb, 

99. M. tilìae L. Algemeen. 1 gen., begin Mei tot begin 
Juh (3-5 tot 2-7). 

Var. De variabelste onzer Sphingiden, zoowel wat kleur 
als teekening betreft. De meeste Nederlandsche collecties 
bevatten veel te weinig materiaal dan dat ze ook maar eenig 
denkbeeld kunnen geven van den vormenrijkdom dezer soort. 
Tutt (Brit. Lep., vol. 3, p. 403-404, 1902) verdeelt de 
vormen in 4 kleurgroepen en elk weer in 6 ondergroepen 
naar den vorm van den middenband. Ik laat hier de kleur- 
groepen volgen in de volgorde van talrijkheid, wat voorkomen 
betreft, en vermeld van de vormen natuurlijk alleen, wat me 
uit ons land bekend is. 

A. Grondkleur roodachtig, sterk groen getint. 

1. ab. transversa Jordan, Seitz, vol. 2, p. 243, 1911. Mid- 
denband volledig. Algemeen. (South, pi. 3, derde fig. van 
boven ) . 

2. tiliae L. Middenband in het midden doorbroken, zoodat 
2 vlekken ontstaan, 1 aan de costa en 1 aan den binnenrand. 
Algemeen, vooral bij de ? Î . Het is zeker, dat deze vorm 
de ,,hterary type", de door Linné beschreven vorm is ; zie 
Wahl gr en. Ent. Tidskr., vol. 42, p. 129, 1921. (Onze 
VI., pi. 19, fig. 3 b). 

3. ab. bipunctafa Clark, Ent. Ree, vol. 1, p. 328, pi. A, 
fig. 3, 1891. Van den middenband zijn 2 vlekken over, 1 
aan den binnenrand en; 1 in het midden. Haren, Nijmegen 
(Wiss.) ; Hengelo (Btk. ) ; Amsterdam (div. colls.) ; Arn- 
hem, Rotterdam (Z. Mus.). (T. v. E., vol. 50, pk 1, fig. 2, 
rechts ) . 

4. ab. centripuncta Clark, I.e., p. 329, fig. 7. Van den 
middenband alleen een vlek over in het midden van den 
vleugel. Roodkerk-Fr., Arnhem, Lage Vuursche, Amsterdam, 
Rotterdam, Numansdorp, Breda (Z. Mus.) ; Scherpenzeel- 
Fr. (Wp.). (T. V. E., I.e., fig. 2, links ; South, onderste fig.). 

5. ab. costipuncta Clark, I.e., fig. 8. Van den middenband 
alleen een vlek aan den voorrand over. Dordrecht (Jch.) ; 
Breda (Z. Mus.). 



250 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (86) 

6. ab. obsoleta Clark, I.e., p. 328, fig. 1. De middenband 
ontbreekt geheel. Dordrecht (Jch.). 

B. Grondkleur groen, zonder rood of bruin. 

7. ab. virescenS'transversa Tutt, I.e., p. 404. Als ab. 1. Vrij 
algemeen. (Keer, pi. 18, fig. 5). 

8. ab. virescens-maculata Tutt, I.e. Als no. 2. Vrij alge- 
meen. 

9. ab. virescens-bipunctata nov. ab. Als ab. 3.i) Twello 
(Cold.) ; Baarn, Venlo (Z. Mus.) ; Amsterdam (v. d. M.) ; 
Den Haag (68). 

10. ab. virescens'centripuncta Tutt, I.e. Als ab. 4. Arn- 
hem (Z. Mus.). 

11. ab. virescens-costipuncta Tutt, I.e. Als ab. 5. Amster- 
dam (Z. Mus.). 

C. Grondkleur geheel rood of roodbruin, zonder groen. 

12. ab. brunnea-transversa Tutt, I.e. Als ab. 1. Keppel 
(42), Naarden (23), Alkmaar (122); Amerongen (Btk.) ; 
Diemen (Wp. ) ; Amsterdam (Z. Mus.) ; Haamstede (Br.). 
(T. V. E., vol. 50, pi. 7, fig. 6). 

13. ab. brunnea Bartel, Pal. Grossschm., II, p. 149, 1900. 
Als no. 2. Deventer (Cold.) ; Amsterdam (v. d. M.) ; 
Leiden (15); 's-Hertogenboseh (L. Wag.). 

14. ab. maculata Wallengren, Lep. Seand. Het., I, p. 16, 
1863. Als ab. 3. Groningen (Wiss.) ; Voorburg (Lpk.). 

15. ab. brunnea~centripuncta Tutt, I.e. Als ab. 4. Nijkerk 
(Z. Mus.). 

D. Grondkleur lichtgrijs of Hcht bruingrijs, zonder groen. 

16. ab. pallida-centripuncta Tutt, I.e., p. 404. 'Als ab. 4. 
Nijmegen (Br.). 

17. ab. pallida-obsoleta Tutt, I.e. Als ab. 6. Haarlem (Sepp, 
vol. 4, tweede blz. der voorrede, fig. op titelplaat) ; 's-Her- 
togenbosch (135, zie T. v. E., vol. 50, pi. 7, fig. 7). 

18. ab. Van den middenband 2 vlekjes over, 1 aan de costa 
en 1 boven, dus los van, den binnenrand. Nijkerk (Z. Mus.). 

Behalve de hierboven genoemde zijn nog een aantal abs. 
benoemd naar den vorm van den band, onafhankelijk van de 
kleur. Voor een volledige opsomming met figuren zie G i 1 1- 
mer. Soc. Ent., vol. 31, p. 53—54, fig. 1—15, 1916. Mij 
uit ons land alleen bekend : 

19. ab. constricta Gillmer, Int. Ent. Z., vol. 10, p. 94, 1916. 
Middenband in het midden zeer diep ingesnoerd, maar nog 
niet doorgebroken. Algemeen. 

Ten slotte zijn een aantal abs. benoemd naar de kleur, 
onafhankelijk van den band. Uit ons land bekend : 

20. ab. viridis Closs, Int. Ent. Z., vol. 5, p. 275, 1911. 
Grondkleur licht geelachtig groen, de middenband licht olijf- 
groen. Keppel, Hengelo (Btk.) ; Rotterdam (P. H.). 



^) Semblable à bipunctata Clark mais avec le fond vert. 



(87) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 251 

21. cib. c/ara Closs, op. cit., vol. 11, p. 84, 1917. Grond- 
kleur mooi roodbruin, de diepgroene banden scherp afstekend. 
Amsterdam (Cold., Lpk. ); Haarlem (Wiss.). 

22. ab. su[[usa Clark, Ent. Ree, vol. 1, p. 329, pi. A, fig. 
10, 1891. Avis. sterk verdonkerd. Noordbroek, Warnsborn, 
Amsterdam (Z. Mus.) ; Lobith (Sch.) ; Berg en Dal (Bo.) ; 
Leiden (11, 57) ; Ginneken (P. H.) ; Roermond (Lek.) ; 
Maastricht (Rk.). 

23. ab. ulmi Boisd., Gen. et Index, p. 49, 1840. Dwergen. 
Amsterdam (Vary); Groenekan (125). 

Smerinthus Latr, 

100. S. ocellata L. Algemeen. 1 gen., begin April (6-4-36 
een ex. op hcht, v. G. ) tot in de tweede helft van Juli. Een 
enkele maal nog in Aug. en Septr., waarbij vooral de late 
data wel van exx. eener (zeer particele en weinig voor- 
komende) tweede gen. zullen zijn. Als zoodanig kan ver- 
meld worden: 1-8-1915, Deventer (Gold.) ; 8-8-15, klein $ , 
e.l., Laren-N.H. (Knf.) ; 23-8-1922, Roermond (Lek.) ; 2-9- 
1886, Breda, twee kleine bleeke exx. { $ en î ), niet ge- 
kweekt (L. Mus.). 

Var. 1. ab. diluta Closs, Int. Ent. Z., vol. 11, p. 82, 1917. 
Teekening der wis. onduidelijk. Zutfen (L. Wag.) ; Rot- 
terdam, Venlo (Z. Mus.). 

2. ab. Het rood der avis. geelbruin. Dieren (48). 

3. ab. Dwergen. Amsterdam (Vary). 

H y b r. hybridus Stephens, List Br. An. Br. Mus., p. 26, 
1850. Kruising van S. ocellata S X A. copuli î. Vvls. : 
teekening haast als bij populi, doch achterrand veel minder 
sterk getand. Avis. : in plaats van het ocellata-oog een groote 
zwartachtige vlek met zeer onduidelijk oog, in plaats van het 
rood van ocellata de roestroode kleur van populi. Bij ons nooit 
in natura waargenomen. P. A. Gout vond echter in 1909 
in zijn kweekkast te Alfen een paartje van genoemde com- 
binatie in copula en kweekte met succes een aantal exx. der 
hybride. 

Amorpha Kirby. 

101. A. populi L. Algemeen. 2 gens., de eerste van half 
April tot ± half Juli, de tweede van ± half Juli tot in Septr. 
Van de vlinders, die in de eerste Juhhelft gevangen worden, 
is niet uit te maken, tot welke gen. ze behooren, waarschijnlijk 
tot de eerste. Van de na 20 Juli gevangen exx. behoort mis- 
schien een enkel tot de eerste gen., maar het grootste deel 
ongetwijfeld tot de tweede. Van die tweede gen. zijn in de 
literatuur verschillende gegevens te vinden. In Handelingen, 
p. 24, 1 854, vermeldt Van Medenbach de Rooy een 



252 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER f88) 

ex., gevangen in Septr. In T. v. E,, vol. 7, p. 25, deelt G r e fa- 
ne r mee, dat hij een tweede gen. kweekte. De eieren w^erden 
14 Mei gelegd, de vlinders kwamen eind Juli uit. In T. v. E., 
vol. 10, p. 197, vermeldt De Gavere een gaaf ex., ge- 
vangen in Aug. 1856. In Nat. Mbl., vol. 17, p. 109—110, 
schrijft R ij k, dat van een ab ovo kweek haast alle vlinders 
na 3 weken uit de pop kwamen en van 20 — 28 Juli ver- 
schenen. In E. B., vol. 8, p. 266, meldt Polak, dat populi 
bij Amsterdam in den regel 2 gens, heeft ; uit eieren van 
voorjaarsvlinders kwam in den nazomer steeds een tweede 
gen. En I.e., p. 306, deelt Frans s en mee, dat in de om- 
geving van Roermond regelmatig een tweede gen. voorkomt. 
De volgende data, hoofdzakelijk ontleend aan lichtvang- 
sten (alleen vermeld vanaf 20 Juli), zullen eiken twijfel aan 
het regelmatig voorkomen van een tweede gen. wel doen 
verdwijnen. 

1894: 24 Juh. Haarlem (Z. Mus.). 
1899: 6 Aug., a.o., Amsterdam (Z. Mus.). 
1901 : 5 Aug., a.o., Oudewater (Z. Mus.). 
1902: 31 Juli, Deventer (Gold.). 
1909: 4 Aug., Utrecht (Knf.). 
1910: 29 Juh (T. v. E., vol. 64, p. XX). 
1918 : 25 Juh, Roermond (Lek.) ; 29 Juh, Laren-G. (Wiss.). 
1919: 30 Juh (T. v. E., I.e.). 
1920: 27 Juh (T. v. E., I.e.). 
1922: 12 Aug., Herwen (Sch.). 
1923: 23 Juh, Doetinchem (Gold.). 

1925: 20 en 23 Juli, 13 Aug., Twello (Gold.); 18 Aug., 
Amsterdam (v. d. M.). 

1926: 19 Aug., Putten (E. B., vol. 7, p. 186) ; 24 Aug., 
Nijmegen (Wiss.). 

1927: 27 Juli, Nijmegen (Wiss.) ; 6 Aug., Twello (Gold.). 
1928 : 20 Juh, Aerdenhout, 21 Juh, Overveen, 24 Juh, Haar- 
lem, 25 Juh, Aerdenhout. 7 Aug., Haarlem (Wiss.) ; 20-28 
Juli, a.o., Maastricht (Rk.) ; 27 Juh, Twello (Gold.). 
1929: 20, 23, 24 en 25 Juli, 21 Aug., Haarlem (Wiss) ; 
27 Juli. Brunssum (Gielkens). 

1930 : 28 Juh. 1 en 2 Aug., Twello (Gold.) ; 31 Juh, 1 Aug., 
Haarlem (Wiss.) ; 26 Aug., Amsterdam (Lpk.). 

1932 : 24 en 31 Juli, Den Haag (F. F.) ; 30 Juh en 10 Aug., 
Twello (Gold.). 

1933 : 20 en 21 Juh, 9 en 13 Aug., Twello (Gold.) ; 22 Juh, 
2 exx., Den Haag (F. F.). 

1934 : 22 Juh, 6 Aug. (4 exx.) en 7 Aug., Twello (Gold.) ; 
24 Aug.. Den Haag ( Veldhuijzen). 

1935: 22 Juh, Aalten (Lpk.)'; 5 Aug., Rotterdam (Mus. 
Rd.) ; 24 Juh, 5, 8, 22, 23, 25 en 31 Aug., Twello (Gold.) ; 
8 Aug., St. Pieter (Mus. M.) ; 9 Aug., Den Haag (Veld- 
huijzen) ; 16 Aug., Hilversum (Doets) ; 20 Aug., Soest 
(Tolman). 



(89) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 253 

1936: 23 Juli, Twello (Cold.); 26 Juli, Brunssum (Giel- 
kens) ; 27 Juli (een pas uitgekomen ? ), 15, 17 en 20 Aug., 
Aalten (v. G. ) ; 8 Aug., Limmel (Prick) ; 8 Aug. een ei, dat 
13 Aug. uitkwam, Amsterdam (Lpk. ) ; 18 Aug., Hilversum 
( Doets ) . 

In dit verband is ook van belang, dat v. G. in 1934 reeds 
op 18 April te Aalten een copula aantrof. Voor zoover ik op 
het oogenblik kan nagaan, bestaat bij ons tusschen beide 
gens, geen verschil. ' 

Var. 1. ab. su[[usa Tutt, Br. Lep., vol. 3, p. 469, 1902. 
Donkergrijs, midden- en buitenveld zeer donker, banden 
scherp. $ gewoon, ? zeldzaam (Soest, Lpk.). Afb. : T. v. 
E., vol. 50, pi. 1, fig. 4. 

2. ab. gdsea-diluta Gillmer, Archiv Ver. Fr. Naturgesch. 
in Mecklenbg., vol. 58, p. 70, 1904. Als 1, maar banden en 
lijnen flauw. $ gewoon, ? zeldzaam. 

3. ab. grisea Gillmer, I.e. Vvls. eenkleurig donkergrijs, 
zonder dwarslijnen of banden, alleen met de lichte midden- 
celvlek. Leiden, $ (19). 

4. ab. roseotincta Reuter, Fiört. Macrolep. Fauna Finland, 
p. 20, 1891. Als 1, maar geheel rose bestoven, waardoor de 
vleugels purper getint zijn. Een prachtige paarse vorm. Apel- 
doorn (de Vos) ; Zutfen (67) ; Doetinchem (Gold.) ; Lo- 
bith (Sch.) ; Malden (Bo.) ; Utrecht (70) ; Amsterdam 
(Vary) ; Alkmaar (68) ; Leiden (18) ; Breda (38) ; Schin 
op Geul (Br.). 

5. populi L. Lichter grijs of aschgrijs, midden- en buiten- 
veld vaak bronsbruin, roestbruin of olijf kleurig. Banden 
scherp. Gewoon bij $ en ? . Keer, pi. 18, fig. 3. 

6. ab. einer ea'diluta Gillmer, I.e. Als 5, maar banden vaag, 
onduidelijk. Minder gewoon dan 5. 

7. ab. pallida-fasciata Gillmer, I.e. Witgrijs, bleek. Midden- 
en buitenveld vaak geelachtig getint. Banden scherp. Kollum, 

$, Apeldoorn, $ (Z, Mus.) ; Zeist, î (Br.) ; Rotterdam 
(H). 

8. ab. pallida Tutt, Brit. Lep., vol. 3, p. 469, 1902. Als 7, 
maar banden en lijnen flauw. Naarden, Arnhem, Rotterdam, 
Breda (Z. Mus.) ; Amsterdam (Z. Mus., Lpk.) ; Nijmegen 
(Wiss.); Zeist (Br.) ; Utrecht (76) ; Kapelle-Goes (de Vos); 
Bergen op Zoom (Snijder). Afb.: T. v. E., vol. 50, pi. 1, fig. 5. 

9. ab. subflava Gillmer, 111. Zeitschr. f. Ent., vol. 7, p. 375, 
1902. Als 7, maar vvls. zonder teekening, alleen met de 
middencelvlek. Haast uitsluitend ? ?. Hengelo (Btk.) ; 
Oosterbeek (Z. Mus.) ; Soest (Lpk.) ; Amsterdam (Vegter). 

10. ab. ferruginea- f asciata Gillmer, I.e., 1904. Grijsbruin 
tot roodbruin, middenveld donkerder, teekening scherp. 
Waarschijnlijk alleen bij het 9. Haarlem, Amsterdam (Z. 
Mus.) ; Rotterdam (Mus. Rd.). 

11. ab. rufescens De Sélys, Ann. Soc. Ent. Belge, I, p. 42, 



254 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (90) 

1857. Als 10, maar teekening flauw. Algemeen bij het 2, 
voor zoover ik weet niet bij het $ . 

12. ab. ferrugìnea Gillmer, I.e., 1904. Als 10, maar zonder 
teekening op de wis. Amsterdam (Wp.). 

13. ab. fuchsi Bartel, Palaearkt. Grossschm., II, p. 193, 1900. 
Roodgeel tot vosrood, middenveld donkerder, teekening 
scherp. De zeldzaamste kleurgroep. Breda (Z. Mus.). 

H. ab. rula-dÜuta Gillmer, I.e., 1904. Als 13, maar teeke- 
ning flauw. Laren-Gdl. (Wiss.) ; Soest (Lpk.). 

15. ab. ruf a Gillmer, I.e., 1904. Als 13, maar wis. een- 
kleurig zonder teekening. Amsterdam (v. d. M.). - 

16. ab. fasciata Spuler, Schmett. Eur., I, p. 90, 1903. Vvls. 
met breed donker middenveld, wortel- en buitenveld hchter. 
Aalten (v. G.) ; Zutfen (66), Rotterdam (13) ; Zeist (Br.) ; 
Roermond (Lek.) ; Amsterdam (Lpk.). 

17. ab. schöngatthi Gloss, Int. Ent. Z., vol. 6, p. 346, 1913. 
Vvls. donkergrijs, zonder den donkeren middenband, maar 
met 5 scherpe getande dwarslijnen. Breda (51). 

18. ab. flavomaculata Mezger, Lamb., 1928, p. 82. Wortel- 
vlek der avis. geelbruin. Amsterdam (Mezger, type). 

19. ab. Dwergen. Amersfoort (Wp. ). 
Gynandromorph. Empe, links ? , rechts $ , in 1844 

uit pop (Bst., I, p. 231 ; Handelingen, p. 4, 1854). 

T e r a t o 1. ex. Rechter avi. te klein. Rotterdam. (Z. 
Mus.). 

Hemaris Dalman, i ) 

102. H. tityus L., 1758 (bombyliformis Esp., 1779; sca- 
biosae Zeiler, 1869). Zeer lokaal. 1 gen., eind April (25-4) 
tot in Juli, meest half Mei tot half Juni. 

V i n d p 1. Gr.: Groningen. Dr.: Paterswolde, Eelder- 
wolde, Odoornerveen, Hoogeveen. Ov. : De Lutte. Gdl. : 
Harderwijk. Nijkerk, Empe, Apeldoorn (in lage weiden, waar 
de vlinder bij voorkeur de bloemen van Prunella vulgaris 
bezoekt, teste De Vos, T. v. E., vol. 41, p. 80), Eerbeek, 
Laag Soeren, Brummen, Oosterbeek, Wageningen, Nijme- 
gen. Utr. : Rhenen (,,komt geregeld elk jaar gedurende vrij 
langen tijd op verschillende bloemen in mijn tuin," Knf. ), 
Soesterberg, Waverveen. N.H. : Amsterdam (De Vlinders, 
I, p. 91 ). Z.H. : Den Deyl bij Leiden (Bst., I, p. 228). N.B. : 
Breda (in Mei van 11 tot 3 uur op rhododendrums, teste Hey- 
laerts, T. v. E., vol. 13, p. 146), Ginneken, Rijen, Strijbeek. 
Lbg. : Plasmolen, Venlo, Roermond, Brunssum, Scharn (gem. 
Heer), Gulpen, Eperheide. 

103. H. fuciformis L. De soort met donker bestoven dwars- 



^) Dalman schrijft uitdrukkelijk: „Typus generis: Hemaris fuci' 
formis", zoodat Hemaris geen synoniem is van Macroglossum, zooals 
Jordan schrijft (Seitz, vol. 2, p. 247, 1911). 



(91) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 255 

ader der wis. Komt waarschijnlijk door het geheele land voor 
op plaatsen, waar veel kamperfoelie groeit, ook op moerassige 
plaatsen. 2 gens., de eerste begin Mei tot eind Juni (5-5 tot 
27-6), de tweede (zeer partieel en weinig waargenomen) in 
Aug. : in Z. Mus. een oud ex. van Aug., e.l., Nijkerk ; Twello, 
23-8-32 en 6-8-34, Cold. 

V i n d p 1. Gr.: Groningen. Dr.: Norg (sommige jaren 
zeer talrijk, Skm.), Schoonoord. Ov. : De Lutte, Almelo, Bor- 
ne, Delden, Rijssen, Holten, Diepenveen. Gdl. : Nijkerk, 
Putten, Leuvenum, Apeldoorn, Vaassen, Twello, Spankeren, 
Loenen, Laag Soeren, Wageningen, Bennekom, Zutfen, Vor- 
den, Lochem, Aalten, Laag Keppel, Montferland, Nijmegen. 
Utr. : Amerongen, De Bildt, Bilthoven, Zeist, Amersfoort, 
Den Dolder, Soesterberg, Soest, Groenekan. N.H. : Amster- 
dam (12-6-1900, e.l., Z. Mus.), Aalsmeer (Oosteinderpoel), 
Holl. Rading, Bussum, Santpoort, Overveen. Z.H. : Wasse- 
naar, Leiden, Meyendel, Den Haag, Dordrecht. N.B. : Breda, 
Strijbeek, Rijen. Lbg. : Venlo, Roermond, Odiliënberg, Steyl, 
Maastricht, Berg, Houthem. 

Var. 1. ab. heynei Bartel, Ent. Nachr., vol. 24, p. 337, 
1898. Achterlijfsgordel zwart in plaats van roodachtig. Ame- 
rongen (Btk.) ; Aalsmeer (Lpk. ) ; Roermond (Lek.) ; Odihën- 
berg (Fr.). 

2. ab. milesiformìs Tr., Schmett. Eur., X, 1, p. 125, 1834. 
De donkere band langs den achterrand der wis. duidelijk 
getand. Lochem (Z. Mus.) ; Apeldoorn (P. H.) ; Twello 
(Gold.) ; Soesterberg (Mus. Rd.) ; Strijbeek (11). 

Deilephila Lasp.i) 

104. D. nerii L. Niet inheemsch. Hoogst zelden bereiken 
exx. van deze Afrikaansche soort ons land. In Mei en Juni 
komen de dieren naar Zuid-Europa, doch ook daar kunnen 
ze jaren lang bijna geheel ontbreken. Deze immigranten leggen 
eieren, waaruit de tweede Zuideuropeesche gen. ontstaat, 
die in Aug. en Septr. vliegt en in sommige jaren zeer talrijk 
kan zijn. Ook van die gen. gaan sommige exx. trekken en 
het zijn dan deze dieren, welke zeer zelden bij ons in Aug.- 
Octr. worden gevangen. De vlinder, die zonder twijfel een 
van onze mooiste Lepidoptera is, komt hier uit den aard der 
zaak haast altijd in zeer afgevlogen toestand voor. Een uit- 
zondering daarop maakt een prachtig, volkomen gaaf ex. 
in coll. Z. Mus., een $ , dat 11 Juni (sic !) 1908 bij Borne is 
gevangen. De volkomen gaafheid en frischheid der kleuren 
sluit immigratie uit. Aan bedrog behoeft evenmin gedacht 

^) Proserpinus proserpina Pali. Dordrecht (T. v. E., vol. 6, p. 15,5 
,,il y a plusieurs années"). In het omringende gebied als immigrant 
waargenomen bij Hamburg (in 1931 en 1932 de rupsen niet zeldzaam), 
in Westfalen en de Rijnprov. (beide zeldzaam). 



256 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (92) 

te worden. De vinder, A. M e y 1 i n g, is volgens Dr. K r u- 
s e m a n volkomen betrouwbaar en bovendien zijn poppen 
zoo vroeg in het jaar nooit te koop. Dr. K. meent, dat een 
rups in 1907 op oleander op het Huis Twikkel geleefd heeft, 
als pop met deze plant in de oranjerie heeft overw^interd en 
in 1908 is uitgekomen. Een andere oplossing is inderdaad 
moeilijk denkbaar, hoewel bijv. S t a u d e r, die in Dalma- 
tië honderden exx, kweekte, schrijft, dat dei poppen nooit 
overwinteren, doch altijd in den herfst uitkomen, terwijl late 
rupsen als pop geforceerd moeten worden, anders sterven 
zij (Z. Wiss. Ins. Biol., vol. 18, p. 254, 1923). Ook Tutt 
schrijft (Br. Lep., vol. 4, p, 260, noot), dat poppen, in Febr. 
aan de Rivièra opgegraven, dood waren, evenals in Maart 
poppen van Hyères. 

Vin dpi. Gr.: Delfzijl, 4-10-1924 (Btk.) ; Groningen, 
4 exx., waarvan het laatste in Aug. 1850 (Bst., II, p. 150 
en T. V. E., vol. 10, p. 197). Ov. : Borne. 11-6-1908 (Z. 
Mus.) ; Zwolle, Sept. 1884 (T. v. E., vol. 30, p. 206). Utr. : 
Soestdijk, 1762 (Sepp, vol. 6, p. 91). N.H. : Amsterdam 
(Bst., I.e.) ; Zaandam, Aug. 1889 (Z. Mus.) ; Velsen, Sept. 
1835 zeven rupsen (Sepp, I.e., p. 92) ; Haarlem, 1834 (Bst., 
I.e.). Z.H. : Rotterdam (Bst., I.e. ; T. v. E., vol. 15, p. LIX, 
hier 4 exx. vermeld, waarvan 1 in 1871) ; Dordrecht, ± 1900 
een ex. gezien, maar niet kunnen vangen (Jch.). N.B. : Breda 
(T. V. È., vol. 13, p. 157), 3 rupsen 10-9-1895 (L. Mus.). 
Lbg. : Venlo (Onze VI., p. 49) ; Lemiers, 1 ex. tusschen 
1900 en 1918 en 1 ex. in 1931 (T. v. E., vol. 75, p. IX). 

Macroglossum Scop. 

105. M. stellatarum L. Niet inheemsch. De soort komt 
echter zoo goed als ieder jaar bij ons voor. De immigranten 
bereiken ons in Juni (vroegste datum : 5 Juni 1933, Soest, 
Tolman) en Juli. Ze leveren een tweede gen., die vanaf 
half Aug. tot in Octr. is waargenomen. De poppen komen, 
evenals in de omringende gebieden, alle hetzelfde jaar uit, 
overwinteren nooit. In sommige jaren is de tweede gen. tal- 
rijk, doch nadere gegevens zijn hierover in de literatuur 
haast niet te vinden. Alleen in De Vlinders, p. 92, noot, 
wordt gemeld, dat de vlinder in 1865 ,, bijzonder over- 
vloedig" was. De herfstvlinders overwinteren, doch komen 
evenals bij Pyrameis atalanta L. zoo goed als alle om het 
leven. In Z. Mus. is een' pop van Texel, die 2 Juli 1914 
uitkwam. Deze kan echter van een vroegen immigrant af- 
komstig zijn. Aan de Middellandsche Zee toch duurt de 
overwintering der imagines zeer kort en leggen ze reeds 
in Febr. en Maart eieren, zoodat het zeer goed mogelijk is, 
dat eind April of begin Mei eeni enkele zwerflustige immi- 
grant in een gunstig voorjaar ons land bereikt en hier eieren 



(93) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 257 

legt. Daar het bovendien zoo goed als zeker is, dat copulatie 
na de overwintering plaats vindt, komt het me zeer onwaar- 
schijnlijk voor, dat we in het Texelsche geval met een af- 
stammeling van overwinterde Hollanders te doen hebben. 

Behalve van Texel is de vlinder ook bekend van Schier- 
monnikoog (Wiss.) en komt overigens door het geheele 
land voor, zonder aan een bepaalde grondsoort gebonden 
te zijn. 

Var. 1. ab. De eerste 3 ringen van het achterlijf vormen 
een breeden zwarten band. Nijmegen (Wiss.). 

Celerio Oken. 

106. C. euphorbiae L. Lokaal, op vele vindplaatsen zeld- 
zaam en onregelmatig, soms plotseling talrijk, waarschijnlijk 
op de meeste plaatsen geen standvlinder. Bij Lobith echter 
elk jaar, vooral als rups gewoon, zoodat daar aan de indi- 
geniteit niet getwijfeld kan worden. In Denemarken is het 
zeer twijfelachtig, of de soort er inheemsch is, in Engeland 
komt de vlinder alleen als zeer zeldzame immigrant voor, 
2 gens., de eerste eind Mei tot in Juli, de tweede eind Aug. 
tot begin Octr. Deze tweede gen. is zeer partieel, de meeste 
poppen overwinteren. Volgens waarnemingert van Sch., die 
de soort elk jaar in aantal kweekt, hangt deze gen. II lang 
niet altijd van het weer af. Waarschijnlijk zijn hier ook 
erfelijkheidsfactoren in het spel. 

V i n d p 1. Gr. : Groningen. Ov. : Olst, Deventer. Gdl. : 
Putten, Twello, Empe, Arnhem, Oosterbeek, Zutfen, Doe- 
tinchem, Drempt, Lobith (zeer veel als rups), Nijmegen, 
Huisen. Utr. : Vechten. N.H. : Amsterdam, Velsen. Z.H. : 
Wassenaar, Rotterdam, Dordrecht. Zl. : Walcheren. N.B. : 
Breda (T. v. E., vol. 25, p. XXXIX : Juh 1889 zeer gewoon 
als rups bij Boeimeer, 16 op 1 plant van Euph. esulae). Lbg. : 
Venlo, Steyl, Maastricht, Brunssum. 

Var. 1. ab. rubescens Garbowski, Sitzungsber. Mathem. 
— Naturw. Classe Akad. Wiss., vol. 101, p. 917, 1892. De 
lichte deelen van de wis. roodachtig getint. Lobith (Sch.) ; 
Nijmegen (Onze VI., p. 47). Afb. : Sepp, vol. 8, titelplaat. 

2. ab. su[[usa Tutt, Brit. Lep., vol. 4, p. 204, 1904. De 
lichtere deelen van de wis. licht okerachtig grijs, maar sterk 
met zwarte schubben bestoven. Nijmegen (Btk. ). 

3. ab. mediofasciata Mayer, Ent. Z., vol. 21, p. 155, 1907. 
Over het lichte midden van de wis. loopt tusschen wortel- 
band en submarginalen band een donkere streep, die de beide 
costaalvlekken met elkaar verbindt en voortloopt tot vlak bij 
den binnenrand. Lobith (Sch.) ; Arnhem (Z. Mus.). 

4. ab. annellata Gloss, Int. Ent. Z., vol. 9, p. 1, 1915. De 
beide costaalvlekken der wis. boogvormig met elkaar ver- 



258 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (94) 

bonden of elkaar onder een hoek rakend. Zutfen (de Vos) ; 
Lobith (Sch.). 

5. ab. unimacula Closs, I.e. De buitenste costaalvlek der 
wis. ontbreekt of is tot een stip gereduceerd. Lobith (Sch.) ; 
Breda (12). 

6. ab. brunnescens Schultz, Ent. Zeitschr. Guben, vol. 17, 
p. 73, 1903. Het middenveld der avis. bruinrood. Nijmegen 
(Z. Mus.) ; Vechten (35). 

7. ab. cuspidata Rbl., Verh. Zool. -bot. Ges., Wien, vol. 
58, p. (270), 1908. De zwarte band op de avis, smal en scherp 
getand. Lobith (Btk.) ; Arnhem (Z. Mus.) ; Huisen (9) ; 
Rotterdam (P. H.) ; Brunssura (Rk.) ; Breda (15). 

8. ab. helioscopiae De Sélys, Ann. Soc. Ent. Belg., vol. 1, 
p. 40, 1857. De zwarte achterrandsband der avis. ontbreekt. 
Alleen een trans. ex. van Venlo (Z. Mus.), waar de band 
zeer smal is. 

107. C. gallii Rett. Over het algemeen lokaal, het meest 
op zandgronden. In Drente is de rups op vele plaatsen elk 
jaar gewoon. Wiss. deelt mee (T. v. E., vol. 69, p. XLI), 
dat deze tusschen Donderen en Norg talrijk voorkomt op 
Epilobium angustifolium in de heide. Skm. meldt over Drente 
(in litt.) : ,,De rups de meeste jaren talrijk. Overal in de 
heiden, langs kanten van wegen en bouwland enz." In den 
regel 1 gen.. Juni en Juli. Gekweekte exx. komen soms veel 
later uit, in Aug. en zelfs in Septr. (8 Sept. 1933 uit een 
pop van 1932, Wiss.). In 1926 kweekte Skm. daarentegen 
een tweede gen. in Septr. In 1935 ving v. G. te Budel een 
ex. op 15 Aug. Of dit een laat ex. der eerste gen. is, of 
een ex. van gen. II, is, gezien de kweekervaringen van 
Wiss., niet uit te maken. Een zeer enkele maal overwintert 
een pop twee keer (Wiss.). 

In Denemarken is de soort zeker inheemsch. Bij Hamburg 
en op vele andere plaatsen in Duitschland komt gallii hoogst 
onregelmatig voor, sommige jaren zeer talrijk, honderden 
rupsen, dan weer jarenlang ontbrekend of zeldzaam. In 
Engeland is het dier niet inheemsch, de poppen komen er 
haast nooit den winter door. Bij ons is de toestand ongeveer 
als bij Hamburg, doch op Texel, in Drente en in Twente 
komt de vlinder geregeld voor. 

V i n d p 1. Fr. : Schiermonnikoog. Gr. : Groningen, Ap- 
pelbergen. Dr. : Eelderwolde, Eelde, Peize, Donderen, Norg, 
Veenhuizen, Assen, Vries, Tinaarlo, Anlo, Zeegse, Schipborg, 
Bunnerveen, Zorgvliet (tusschen Vledder en Appelsga), 
Havelte, Hoogeveen. Ov. : Denekamp, Friezenveen, Stap- 
horst. Gdl. : Nunspeet (in Juli 1933 de rupsen overal in de 
omgeving op Epilobium op de heiden, teste Sint), Apeldoorn, 
Velp, Arnhem, Wageningen, Vorden, Doetinchem, Does- 
burg, Montferland, Nijmegen, Huisen. N.H. : Vlieland, 
Texel, Diemen, Amsterdam (Aug. en Septr. 1897, e.l., IJdijk, 



(95) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 259 

Z. Mus.), Camp, Santpoort, Overveen, Haarlem. Z.H. : 
Katwijk, Leiden, Wassenaar, Den Haag, Rockanje. N.B. : 
Breda, Grientsveen, Budel. Lbg. : Venlo, Roermond, Maas- 
tricht, Brunssum. 

Var. Zeer gering. Skm. schrijft: ,,Deze soort heb ik bij 
honderden gekweekt, varieert weinig. OpmerkeHjk is het, dat 
men in de natuur weinig zwarte rupsen aantreft, terwijl ze 
bij het kweeken, na de beide laatste vervelhngen, meest zwart 
zijn, in zeer enkele gevallen geheel zonder teekening." 

1. ab. pallida Tutt, Brit. Lep., vol. 4, p. 170, 1904. De 
band op de wis. witachtig geel. Onder de soort. 

2. ab. strida Tutt, I.e., p. 171. De zwarte achterrandsband 
der avis, zeer smal, lijnvormig. Bunnerveen, Arnhem (L. 
Wag.). 

108. C. lineata F. subsp. livornica Esp. Niet inheemsch. 
Slechts zeer weinig exx. van dit Afrikaansche dier zijn uit 
ons land bekend. Toch is de vlinder, gezien de ervaringen 
in Engeland, hier meer te verwachten. Uit Denem. is 1 ex. 
bekend (Juni 1883 op Phlox te Nöddebo op Seeland) ; bij 
Hamburg nog niet waargenomen. Behalve de 4 hier onder 
te noemen exx. bevindt zich een afbeelding van een vijfde 
zeker inlandsch ex. in een serie oude teekeningen, in het 
bezit van de bibliotheek van het Kon. Koloniaal Instituut. 
Vindplaats en datum zijn echter onbekend. 

V i n d p 1. Gdl. : Harderwijk (T. v. E., vol. 2, p. 12). 
Zl. : Goes, Juh of Aug. 1931 (Btk.). Lbg.: Maastricht, 
7-7-1928 op Delphinium (Rk.) ; Voerendaal, 17-7-1936, 
eveneens op Delphinium vliegend in den schemer (Br.). 

Pergesa Wkr. 

109. P. elpcnor L. Door het geheele land meer of minder 
algemeen. Ook bekend van Rottum (Wiss.). Skm. vond in 
1915 of '16 te Eelde op een plekje van ongeveer 4 m^, dat 
begroeid was met Epilobium, meer dan 60 volwassen rupsen. 
1 gen., begin Mei tot eind Juli (5-5 tot 27-7). Eind Aug. 
1933 ving v. G. te Aalten een gaaf ex. Dit is het eenige ex. 
van een tweede gen., dat ik ken. 

De bruine vorm der rups vond v. G. vooral op kleine, 
armoedig uitziende en eenigszins alleenstaande planten van 
Epil. angustifolium, aan de onderzijde van de laagstzittende, 
in den regel reeds verdorde bladeren. De groene vorm 
daarentegen zit in den top van de planten uitgestrekt langs 
de stengels. 

Var. 1. ab. obsoleta Tutt, Brit. Lep., vol. 4, p. 64, 1904. 
De witte middenstip der wis. ontbreekt. Bunnerveen, Wa- 
geningen (L. Wag.) ; Aalten (Cet.) ; Zelhem, Overveen 
(Btk.) ; Apeldoorn (Wiss., de Vos) ; Putten (8, 10) ; Nij- 
megen, Naardermeer (Z. Mus.) ; Groenekan (43) ; Nieuwer- 



260 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (96) 

sluis (Pt) ; Roermond (Lek., Fr.) ; Brunssum (Mus. M.) ; 
Rotterdam (Mus. Rd.). 

[2. ab. unicolot Tutt, I.e. Vvls. eenkleurig okerachtig groen. 
„Holland" (5)]. 

3. ab. darà Tutt, I.e. Al het rood praehtig roserood. 
Schoonoord (23) ; Arnhem, Nijmegen (Z. Mus.) ; Roermond 
(Fr.) ; Maastricht (Rk.) ; Nieuwersluis (Pt.) ; Amersfoort 
(V. d. Vlugt). 

4. ab. virgata Tutt, I.e. Achterrand der avis, donker, on- 
geveer als de grondkleur der vvls., zoodat het rood slechts 
overblijft in den vorm van een middenband. Donderen 
(trans., Wiss.). 

5. ab. Het rood der avis. geelachtig rood. Wageningen 
(50), Utrecht (51). 

T e r a t o 1. ex. In Handelingen, p. 4, 1854, vermeldt 
Van L a e r een ex. met 1 avi. Aan dien kant was de wl. 
grooter en vertoonde aan de binnenzijde eenigszins de teeke- 
ning der avis. 

110. P. porcellus L. Over het algemeen lokaal en vrij 
zeldzaam, maar geregeld in de duinen. 1 gen., half Mei tot 
begin Juli. (Lukkien kweekte in 1934 een rups van Diepen- 
veen, waarvan de pop nog hetzelfde jaar in Octr. uitkwam). 

V i n d p 1. Fr. : Gorredijk. Gr. : Groningen. Dr. : Eelde, 
Schoonoord, Frederiksoord, Hoogeveen. Ov. : Steenwijk. 
Kampen, Diepenveen. Gdl. : Nijkerk, Harderwijk, Putten, 
Leuvenum, Apeldoorn, Arnhem, Wageningen, Zutfen, Doe- 
tinehem. Laag Keppel, Doesburg, Lobith, Nijmegen, Hatert. 
Utr. : Rhenen, Zeist, Groenekan. N.H. : Amsterdam, Wor- 
merveer (de rupsen overdag verborgen onder steenen en 
houtspaanders aan den, kant van de spoorbaan, teste Sint), 
Texel, Bakkum, Wijk aan Zee, Beverwijk, Bloemendaal, 
Haarlem, Overveen, Bentveld, Zandvoort, Heemstede, Vo- 
gelenzang. Z.H. : Noordwijk, Katwijk, Oegstgeest, Leiden, 
Meyendel, Den Haag, Scheveningen, Hoek van Holland, 
Rockanje, Gouda. N.B. : Breda. Lbg. : Venlo, Roermond, 
Meerssen, Brunssum. 

Var. 1. ab. data Tutt, Brit. Lep., vol. 4, p. 92, 1904. 
Grondkleur der vvls. olijf okerachtig, het rood helder karmijn- 
rood, dwarslijnen slechts ontwikkeld, de 3 gedeelten van de 
avis. scherp van elkaar gescheiden. Nijmegen, Wijk aan Zee, 
Overveen (Z. Mus.); Breda (15, 18). 

2. ab. scotica Tutt, I.e. Als darà, maar dwarslijnen op de 
vvls. duidelijk zichtbaar, het roode en het middendeel der 
avis. eenigszins donker bestoven. Hatert (Wiss.) ; Den 
Haag (28). 

3. ab. indistincfa Tutt, I.e. Het rood op de vvls. slecht 
ontwikkeld, roodachtig grijs van kleur, dwarslijnen duidelijk, 
avis. met slechts geringe sporen van rood. Apeldoorn (de 



(97) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 261 

Vos) ; Overveen (Btk. ) ; Bentveld (Wiss.) ; Roermond 
(Lek.). 

4. ab. sul[usa Tutt, I.e. Ayls. sterk zwart bestoven. Schoon- 
oord (P. H.) ; Gouda (13) ; Venlo (Z. Mus.) ; Doetincheni 
(Gold.). 

5. ab. lutescens Gkll., Entom., vol. 20. p. 152, 1887. Al 
het rood geelachtig, i) Breda (16), afgebeeld T. v. E., vol. 
13, pi. 6, fig. 1 (figuur niet goed, het ex. is eenkleurig geel- 
bruin met flauwe teekening) ; Katwijk (I.e., p. 146, noot, 
,,eenige exx."). 

Hippotion Hb. 

111. H. cclerio L. Niet inheemsch. Een tropische soort, die 
een zeldzame immigrant is in Europa. In ons land weinig 
waargenomen, uitgezonderd in 1846 (Handelingen, p. 5) 
en 1885. In deze beide jaren werd de vlinder ook in andere 
landeit meer gevangen en was in West-Frankrijk en langs 
de Middellandsche Zee zelfs zeer algemeen. Uit Denemar- 
ken zijn slechts 2 exx. bekend, beide van Esbjerg (Juli 1885 
en Sept. 1920). De meeste exx. zijn bij ons van Aug. tot 
Nov. waargenomen, hoewel ook enkele voorjaarsvangsten 
bekend zijn. Ook rupsen zijn in Nederland aangetroffen. 

V i n d p 1. Fr.: Harlingen, 1850 (Btk.). Gr.: Groningen 
(L. Mus.). Dr.: Assen (Z. Mus.). Ov. : Zwolle, Oct. 1862 
(T. v. E., vol. 13, p. 26), Sept. 1885 (Cold.), 29-9-1885 
(Z. Mus.). Gdl. : Zutfen (Bst., I. p. 229); Oosterbeek 
(Z. Mus.) ; Nijmegen, Juni 1892 (P. H.). Utr. : Driebergen, 
30-9-1885 (Z. Mus.). N.-H. : Amsterdam (Bst., I, p. 229; 
T. V. E., vol. 29, p. XCVI : 2 exx. in 1885, hiervan 1 van 
Octr. in Z. Mus.) ; Bloemendaal, Nov. 1935 (Z. Mus.). 
Z.H. : Rotterdam (L. Mus. ; in T. v. E., vol. 1, p. 101, ver- 
meldt Snellen een rups) ; Dordrecht, 6-10-1857, 7-8-1865 en 
7-10-1869 (Jch.), een ex. zonder datum (P. H.). Zl. : Zierik- 
zee, 5 exx. in 1885 (T. v. E., vol. 29, p. XCVI) ; Walcheren 
(Bst., I, I.e.); Walsoorden, Mei 1926 (Priek). N.B.: 
Breda, 12-9-1868, 13-9-1868. 29-9-1868 (L. Mus.), 15-9-1869 
(Btk.), 2) een rups van 17-7-1895 met etiket : „in horto meo" 
van Heylaerts (L. Mus.) ; Eindhoven (T. v. E., vol. 30, p. 
206). Lbg. : Venlo, 15 Mei, 15 Nov. e 1. (Z. Mus.). (In 
T. v. E., vol. 13, p. 124, schrijft Maurissen : ,,Mr. van den 
Brandt a trouvé cette belle espèce en juin [sic !] et en no- 
vembre 1865 sur la vigne à Venlo.") 



1) Ter Haar (Onze VI., p. 49) noemt dezen vorm suellus Stgr. 
Dit is echter een aparte soort uit Klein-Azië en Trans-Kaukasië. 

2) In T. V. E., vol. 13, p. 146, vermeldt Heylaerts 7 exx. ; behalve 
de reeds genoemde nog van de volgende data : 27-9-1865, 21-9-1866 
en 23-9-1869. 



262 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (98) 

Notodontidae. 

Cerura Schrank. 

112. C. bicuspis Bkh. Tot nog toe slechts op enkele plaat- 
sen aangetroffen. Bij ons is de rups uitsluitend op berk ge- 
vonden, doch evenals in het omringende gebied zal zij hier 
ook wel op els voorkomen. In Denemarken is bicuspis be- 
kend van Randers (Jutland) en van een paar plaatsen op 
Seeland. In Sleesw. -Holst, is de soort zeer zeldzaam, bij Ham- 
burg zeldzaam, in Westfalen verbreid, maar zeldzaam, in 
de Rijnprov. zeer zeldzaam. In België zeldzaam (o.a. Ant- 
werpen), in Engeland lokaal. Misschien 2 gens., te oordeelen 
naar onderstaande data, de eerste eind April-half Juni, de 
tweede in JuH. 

V i n d p 1. Gr.: Groningen, rups in 1926 op berk, maar 
kweek mislukt (Skm.). Gdh : Bijvank, 12-6-1925, e.l. (Sch.). 
14-6-1925, e.l. (Z. Mus.) ; [Montferland, tot nog toe alleen 
leege cocons op berk, Sch.] ; Nijmegen, 30-4-1926 en 16-7- 
1928, gave $ $ (Z. Mus.), 27-7-1927 (Btk.). 

113. C. furcula Cl. Door het geheele land, hoewel niet 
zeer algemeen, in 2 gens. De eerste gen. vliegt eind April 
tot half Juni (28-4 tot 20-6), de tweede begin Juli tot eind 
Aug. (1-7 tot 28-8). 

V i n d p 1. Gr. : Delfzijl, Groningen, Appelbergen. Dr. : 
Hoogeveen. Ov. : Denekamp, Almelo, Rijssen, Markelo. 
Gdl. : Nijkerk, Harderwijk, Nunspeet, Putten, Apeldoorn, 
Twello (weinig), Empe, De Steeg, Arnhem, Oosterbeek, 
Wageningen, Lochem, Vorden, Aalten, Laag-Keppel, Didam, 
Berg en Dal, Ubbergen, Wamel. Utr. : De Bildt, Rhijnauwen, 
Utrecht, Soest, Nichtevegt. N.H. : Hilversum, Diemen, 
Amsterdam, Groet, Alkmaar, Overveen, Heemstede. Z.H. : 
Leiden, Den Haag, Rotterdam, Zevenhuizen, Rockanje, 
Numansdorp, Dordrecht. Zl. : Domburg, Kapelle-Goes. 
N.B. : Breda, Waalwijk, 's-Hertogenbosch, Goirle, Woen- 
sel. Lbg. : Roermond, Sittard, Asenray, Meerssen, Valken- 
burg, Epen, Vaals. 

Var. De typonominale (Zweedsche) vorm is door Clerck 
afgebeeld in Icônes, tab. 9, fig. 9, 1759. Van dezen vorm 
gaf Nordstrom de volgende beschrijving (in litt.) : 
,, Seine Figur ( $ ) zeigt eine hellgraue Form mit etwas 
dunklerem Mittelfeld sowie Anteapicalmakel (nur sind die 
Hfl. — fehlerhaft — dunkler als die VfL, was nie passiert)." 
Deze vorm komt alleen in Zuid-Zweden voor. Ons ras is 
hieraan niet identiek. Het heet : 

1 . ras Salicis Lamarck, Hist. nat. anim. sans vertèbres, vol. 
3, p. 582, 1816 {betulae Lenz, in : Osthelder, Schmett. Siidb., 
p. 184, pi. IX, fig. 2 en 3, 1927). Grondkleur wit. Vrij varia- 
bel in allerlei kleine details. Sommige exx. hebben een wit- 



(99) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 263 

achtig grijze grondkleur (waarschijnlijk transitus naar [urcula 
Cl.). De middenband en de apicaalvlek zijn soms heel sterk 
goudgeel bestoven. In Z. Mus. bevindt zich een ex. met sterk 
versmalden middenband van Numansdorp. Sommige exx. 
missen den donkeren band op de avis. Dit witte ras vliegt 
ook in Engeland, Noord-Duitschld. en Denemarken, i) 

114. C. bifida Hb. Lokaal door het geheele N., O. en Z., 
maar ontbreekt in het W. blijkbaar volkomen. Vrij zeker 
heeft de soort bij ons 2 gens., de eerste eind April tot eind 
Juni (28-4 tot 30-6), de tweede half Juh tot half Aug. (21-7 
tot 9-8). Tolman kweekte een ex., dat 2-10-1936 uitkwam 
(gen. III?), doch in natura zijn zulke late exx. niet waar- 
genomen. 

V i n d p 1. Fr. : Kollum. Gr. : Groningen, Haren. Dr. : 
Paterswolde. Ov. : Almelo, Twekkelo, Zwolle, Olst, Deven- 
ter. Gdl. : Nijkerk, Apeldoorn, Twello (elk jaar een enkel 
ex.). Eerbeek, Spankeren, De Steeg, Arnhem, Oosterbeek, 
Wageningen, Gorssel, Lochern, Vorden, Aalten, Didam, 
Bijvank, Lobith, Herwen, Leuth, Nijmegen, Hatert, Huisen, 
Wamel. Utr. : Soest, De Bildt, Utrecht, Amersfoort. N.B. : 
Bergen op Zoom, Ginneken, 2) Breda, Deurne. Lbg. : Roer- 
mond, Maasniel, Zwartewater, Asenray, Sittard, Maastricht, 
Heer, Amby, Meerssen, Geulem, Epen. 

Dicranura Boisd. 

115. D. erminea Esp. Slechts 1 Nederl. vindplaats is van 
deze in West-Europa hoogst zeldzame soort bekend. Het 
is niet uitgesloten, dat erminea hier te lande weer is uitge- 
storven, daar de laatst bekende exx. dateeren van 1913. In 
het omringende gebied is de vhnder alleen bekend van West- 
falen (Munster), de Rijnprov. (zeer zeldz. ) en België (zeer 
zeldz.). 1 gen., begin Mei tot begin Juh. 

V i n d p 1. Utr.: De Meern. Hier werd in Juni 1904 een 
rups gevonden door Balfour van Burleigh (T. v. 
E., vol. 51, p. LXXV). Daarna werd de soort tot 1913 ieder 
jaar gekweekt, ook ab ovo. In L. Mus. bevinden zich 1 1 
vlinders en 2 buisjes met rupsen, bovendien 1 vlinder in 
coll. -de Vos, in Z. Mus. 4 vlinders. Verder nog een enkel 
ex. in particuliere collecties (Btk., P. H.). 

^) Daarentegen vliegt in Midden- en Z.-Duitschld. een ras met grijze 
grondkleur (salicis Lenz, nee Lamarck, nom. praeocc). Dit ras staat 
in elk geval zeer dicht bij furcula {arcala Cl. Het is ook afgebeeld door 
Hb., fig. 39 en komt eveneens in Frankrijk voor (zie Ernst en Engra- 
melle, vol. 5, pi. 206, fig. 273 d, e en f). 

2) Heylaerts (T. v. E., vol. 13, p. 149) vermeldt 2 rupsen van 
berk. Sch. vestigt er terecht de aandacht op (E. B., vol. 9, p. 37), dat 
deze voedselplant voor bifida onbekend is. Vrij zeker, vooral ook in 
verband met de Belgische vindplaats Antwerpen, waren dit rupsen van 
bicuspis. Daar echter in L. M'us. noch van bicuspis, noch van bifida 
exx. van Ginneken aanwezig zijn, blijft deze kwestie voorloopig onbeslist. 



264 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (100) 

116, D, vinuia L. Door het geheele land, meer of minder 
gewoon (Twello bijv. zelden op licht). Ook bekend van 
Schiermonnikoog. 1 gen., begin April tot eind Juli (9-4 tot 
25-7). 1) 

V a r. De vlinder is zeer variabel in allerlei kleine details. 

1. ab. estonica Huene, Ent. Z. Stettin, vol. 66, p. 225, 1905. 
Het buitenste twee-derde der wis. en de geheele avis. zonder 
teekening. Roermond (Lek.) ; Aalten (Cet.). 

2. ab. mina:x! Hb., Samml. Eur. Schm., fig. 243, 1804. 
Achterrand der avis, zonder zwarte stippen. 2) Amsterdam, 
Bergen op Zoom (Z. Mbs.) ; Leiden (L. Wag.) ; Den Haag 
(12). Overgangsexx. met 1 of 2 stippen bij den binnenrands- 
hoek komen meer voor. 

3. ab. Vvl.punt rood bestoven. De Bildt (Z. Mus.). 
Ook van de rups zijn enkele afwijkingen bekend : 

a. Rug groen, alleen op ring 3, 7 en 8 sporen van de paars- 
bruine kleur. Oisterwijk (T. v. E., vol. 40, p. 379). 

b. De rugvlek strekt zich, evenals bij erminea, op ring 7 
tot de pooten uit. Norg (Wiss.). Osthelder vermeldt 
dergelijke rupsen uit Beieren (Schmett. Südb., p. 186, 1927), 
terwijl Rummel meedeelt, dat op het Eichsfeld ( Midden- 
Duitschland) 20 % der rupsen de erminea-teekening ver- 
toont (Ent. Z., vol. 50, p. 493, 1937). Broedsels, waarvan 
beide ouders als rups deze teekening hadden, leverden bijna 
100 % ermmea-achtige rupsen op. Uit het voorgaande volgt, 
dat erminea nooit naar de rups alleen vastgesteld kan worden. 

Stauropus Germar. 

117, S, fagi L, Komt waarschijnlijk door het geheele land 
in boschachtige streken voor. 1 gen., begin Mei tot eind 
Juh (9-5 tot 31-7), in Z. Mus. echter een ? van 17-8-1907 
(Putten). Misschien een ex. van een bij ons overigens niet 
waargenomen 2e gen. 

V i n d p 1. Ov. : Almelo, Enschede, Markelo, Diepen- 
veen, Zwolle. Gdl. : Ermelo, Putten, Hoog Soeren, Apel- 
doorn, Twello (geregeld in 1 of 2 exx.), Empe, De Steeg, 
Velp, Rozen;daal, Beekhuizen, Arnhem, Oosterbeek, Wage- 



^) In Schmett. Umgebung Stadt Hannover, 1930, staat: ,,Der Falter 
dürfte in teilweiser 2. Generation vorkommen, da man im Herbst beim 
Laubfalle noch kleine Raupen findet. Von VI ab findet man die Art 
gleichzeitig in allen Ständen." Het vraagstuk zij hierbij ter oplossing 
aanbevolen. 

2) Wat in Seitz afgebeeld wordt als minax (vol. 2, pi. 44e), heeft 
met H.'s vorm niets te maken, doch is een ex. van ab. fegelensis Strand 
(= fasciata Gloss nee Schultz) met donkeren band aan wortel en achter- 
rand der wis. Hb. beeldt als vinuia een vrij donker $ af (fig. 34) en 
als minax een $ met geheel witte avis. (op de aderen na) en normale 
wis. De naam kan ook gebruikt worden voor $ $ , die dei zwarte 
randstippen op de avis. geheel missen. 



(101) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 265 

ningen, Ede, Lochern, Aalten, Doesburg, Didam, Bijvank, 
Montferland, Berg en Dal, Nijmegen. Utr. : Doorn, Ame- 
rongen. Driebergen, Zeist, De Bildt, ötrecht. Groenekan, 
Soest, Amersfoort. N.H. : Bussum, Hilversum, Amsterdam 
(15-6-1915, S , V. d. M.), Haarlem, Overveen, Aerdenhout, 
Heemstede, Vogelenzang. Z.H. : Scheveningen. N.B. : Breda, 
Ginneken, 's-Hertogenbosch. Lbg. : Venlo, Reuver, Bruns- 
sum. Vaals. 

Var. 1. ab. virgata Tutt. Ent. Ree, vol. 9, p. 208, 1897. 
Vvls. met donkeren middenband. Putten (Z. Mus.) ; Twello 
(Gold.) ; Wageningen (L. Wag.) ; Ginneken (P. H.). 

2. ab. Dwergen. Zeist (Br.). 

Hoplitis Hb» 

118. H. milhauseri F. Komt waarschijnlijk door het ge- 
heele land op zandgronden en boschachtige terreinen voor, 
in geen geval zoo zeldzaam, als vroeger aangenomen werd. 
1 gen., begin Mei tot begin Juli (9-5 tot 5-7). 

Behalve door lichtvangst, is het aangewezen middel om de 
soort in handen te krijgen vooral het zoeken der cocons. Het 
kunnen zien van de ongeopende cocons is een kwestie van 
oefening. F, ranssen publiceert enkele interessante waar- 
nemingen in Nat. Mbl., vol. 13, p. 143. Hij vond in 2 jaar 
in Limburg 1200 cocons, waarvan 1106 door den vlinder 
verlaten waren en slechts 12 door vogels opengepikt. ,,Er 
is in Limburg haast geen eik, of men vindt er een leege cocon 
van milhauseri". De rups verpopt haast nooit boven 2 m van 
den grond ; zelfs vond Fr. de cocons onder den grond. 
Vooral op beuken worden ze vlak boven den bodem gemaakt. 
Bij voorkeur vindt de verpopping aan de oostzijde van den 
stam plaats, bij hooge uitzondering aan de westzijde (regen- 
kant ! ) 

Van Galen, die zoo bedreven in het zien der cocons 
is, dat hij ze al fietsende opmerkt, verschafte mij enkele 
aanvullingen op bovenstaande gegevens. In 1933 vond hij 
in de omgeving van Aalten 2 cocons, in 1934 zeven en in 
1935 vijftien, die haast alle den vlinder opleverden. ,,In de 
meeste gevallen zaten de cocons op borsthoogte en aan de 
Z. O. -kant van den boom. Op eenigen afstand (3 à 4 m) 
van den stam staande, ziet men de cocons in den regel het 
beste zitten. Men moet de naden van de schors van onder 
naar boven volgen ; ziet men dan eenblaasachtige verdikking, 
dan is het zoo goed als zeker, dat dit een spinsel van mil- 
hauseri is. De spinsels zijn reeds vanaf eind Aug. te vinden." 

Vin dpi. Gr.: Groningen (niet zeldzaam, Skm.), Ster- 
renbosch, Musselkanaal. Ov. : Steenwijk, Zwolle, Olst, Die- 
penveen, Almelo. Gdl. : Nijkerk, Putten, Apeldoorn, Twello, 
Rheden, De Steeg, Velp, Arnhem, Oosterbeek, Wageningen 



266 B. j. LEMPKE, CATALOGUS DER (102) 

(niet zeldzaam, Skm.), Vorden, Winterswijk, Aalten, Kep- 
pel, Zevenaar, Babberich, Montferland, Bijvank, Nijmegen. 
Utr. : Amerongen, Leersum, Austerlitz, De Bildt, Amersfoort, 
Baarn, Soestdijk, Soest, Lage Vuursche, Breukelen. N.H. : 
Hilversum, Bussum, Naarden, Overveen. Z.H. : Den Haag, 
Dordrecht. N.B. : Bergen op Zoom, Breda, Tilburg, Zeeland, 
Deurne, Budel. Lbg. : Plasmolen, Grubbenvorst bij Venlo, 
Reuver, Roermond, Meerssen, Brunssum, Epen. 

Var. De soort varieert weinig. In T. v. E., vol. 57, p. 130, 
wordt een ex. vermeld, dat zeer licht grijs is, de lichtgele 
dwarsband overal scherp begrensd en in cel Ib en 4 geheel 
door de grondkleur doorbroken. ? , Breda. 

Gluphisia Bsd. 

119. G. crenata Esp. Op 1 vindplaats in Gdl. na uitslui- 
tend in het Z. waargenomen ; in Z. -Limburg een gewone 
verschijning op licht. 1 gen., begin Juni tot half Aug. (8-6 
tot 16-8). 

Vin dpi. Gdl.: Aalten, 8-6-1937 (v. G.). N.B.: Breda, 
Deurne. Lbg. : Odiliënberg, Maastricht, Meerssen, Houthem, 
GeuUe, Geulem,v ,Valkenburg, Voerendaal, Epen. 

Drymonia Hb. 

120. D. querna F. Lokaal, hoofdzakelijk in het O. en Z. 

in boschachtige streken. 1 gen., begin Juni tot half Aug. 
(7-6 tot 14-8). 

V i n d p 1. Ov. : Almelo, Hengelo, Markelo. Gdl. : Apel- 
doorn, Twello (geregeld ieder jaar 15-30 exx.), Empe, Velp, 
Arnhem, Oosterbeek, Wageningen, Aalten, Montferland, 
Beek-Nijm., Nijmegen. Utr. : Baarn, Soestdijk. N.H. : Naar- 
den, Amsterdam 1) (24-6-23, $ op hcht, v. d. M.). N.B.: 
Breda, Ginneken, 's-Hertogenbosch, Berlicum (Seldensate), 
Deurne. Lbg. : Venlo, Roermond, Meerssen, Brunssum. 

121. D. trimacula Esp. 2) Lokaal, door het geheele O. en 
Z. in boschachtige streken. 1 gen., begin Mei tot half Juli 
(11-5 tot 20-7). 

V i n d p 1. Gr. : Groningen. Dr. : Paterswolde, Eelder- 
wolde. Ov. : Zwolle, Markelo, Diepenveen. Gdl. : Apel- 
doorn, Twello (geregeld ieder jaar 4-10 exx., alleen in 1936 



^) De verklaring van deze en vele dergelijke vangsten is waarschijnlijk 
dezelfde als die, welke ik bij Argynnis paphia L. gegeven heb. Zie p. (37). 

-) Snellen (De Vlinders, p. 216) noemt de soort dodonaea W. 
V. [Schiff.] Deze naam is echter waarschijnlijk niet te gebruikeni Hij 
is, als zoo vele namen uit het Syst. Verz., een nomen nudum, dat in 
dit geval ook nog verschillend wordt geduid. W erneburg (Beitr. 
Schm., vol. 1, p. 402 — 403) zegt, dat dodonaea Schiff. ^ dodonaea O. 
[^ dodonaea Hb.], Borkhausen echter (Scriba's Beiträge, vol. 2, 
p. 77) zegt, dat het tritophus Esp. is ! 



(103) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 267 

niet gezien, in 1937 talrijk), Dieren, Ellecom, De Steeg, Velp, 
Arnhem, Oosterbeek, Wageningen, Ede, Gorssel, Lochern, 
Laren, Vorden, Barchem, Aalten, Doetinchem, Bijvank, Ub- 
bergen, Nijmegen. N.B. : Breda (Ulvenhoutsche Bosch). 
Lbg. : Venlo, Brunssum, Kerkrade, Meerssen, Vaals, Epen. 
Var. De typische vorm is zeer licht. De grondkleur der 
wis. is witachtig, de wortelhelft van het middenveld is don- 
ker, franjewaarts wordt het begrensd door een getande, aan 
de costa breed beginnende donkere lijn (Esper, Schmett. in 
Abb., Ill, pi. 46, fig. 1 en 2). Bij ons de meest voorkomende 
vorm. 1) 

1. ab. dodonaea Hb., Samml. Eur. Schm., fig. 8, 1800. 
Geheele vvl. donker op een breeden witachtigen midden- 
band na (Keer, pi. 23, fig. 2). Groningen, Breda (L. Mus., 
alle 7 exx., die de coll. op het oogenblik van de soort bevat ! ) ; 
Markelo (Z. Mus., Btk.) ; Apeldoorn (de Vos) ; Twello 
(Gold.) ; Venlo (Z. Mus.). Veel zeldzamer dan de typische 
vorm. 

122. D. chaonia Hb. Door het geheele O. en Z. in bosch- 
achtige streken, op licht vaak een gewone verschijning. 1 
gen., half April tot eind Mei (12-4 tot 29-5). 

V i n d p 1. Gr. : De Punt. Dr. : Paterswolde, Tinaarlo, 
Frederiksoord. C^. : De Lutte, Denekamp, Markelo, Raalte, 
Diepenveen, Zwolle. Gdl. : Nijkerk, Nunspeet, Leuvenum, 
Apeldoorn, Twello (in 1930 en 1931 talrijk — 44 en 57 
exx. — , daarna matig, de laatste jaren weinig, in 1936 maar 
6), Laag Soeren, Hoenderlo, Velp, Arnhem, Oosterbeek, 
Wageningen, Lochem, Aalten, Zeddam, Herw^en, Nijmegen. 
Utr. : Rhenen, De Bildt, Zeist, Amersfoort, Soest, Groene- 
kan. N.H. : Hilversum, Laren (hier in 1916 zoo talrijk, dat 
de vinder, N. J. Bakker, er zijn hagedissen mee voerde, 
teste Knf.), Bussum, Naarden. N.B.: Bergeri op Zoom, 
Breda. Lbg. : Venlo, Roermond, Maasniel, Sevenum, Linne, 
Rolduc, Brunssum, Meerssen. 

Var. 1 . ab. albisignata Lenz in : Osthelder, Schmett. 
Südb., p. 189, pi. IX, fig. 16, 17, 1927. Vvls. met breeden, 
zuiver witten middenband. Markelo (Btk.) ; Nijmegen 
(Wiss., Gold., Z. Mus.) ; Naarden (Z. Mus.). 

2. ab. illunulata Dannehl, Mitt. Münch. E. G., vol. 19, 
p. 104, 1929. Op de vvls. ontbreekt de donkere midden- 
celvlek. Markelo (Btk.) ; Leuvenum (L. Wag.). 

3. ab. lunula Grünberg, Seitz, vol. 2, p. 297, pl. 45e, 1912. 
De lichte middenband der vvls. smaller, bovendien in het 
midden in de breedte donker doorbroken, zoodat een boven- 
en een benedenhelft ontstaat. Aalten (Lpk.) ; Wageningen 
(Z. Mus.). 

^) Dit is var. I van Ter Haar (Onze VI., p. 104). Typische trimacula 
lijkt, in tegenstelling met de verzekering van dezen auteur, in het geheel 
niet op chaonia. 



268 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER a04^ 

4. ab. grisea Turati, Nat. Sic, vol. 20, p. 22, 1907. De 
geheele middenband donker, zoodat de vleugels bijna een- 
kleurig donkergrijs zijn, echter met zichtbare teekening. Pa- 
terswolde (Wiss.) ; Breda (P. H.) ; Roermond (Fr.) ; Mar- 
kelo (trans., Btk. ). 

Pheosia Hb, 

123. P. tremula CL Door het geheele land, meer of min- 
der algemeen. 2 gens., de eerste half April (21-4) tot half 
Juni, de tweede eind Juni tot eind Aug. (27-6 tot 30-8). 

T e r a t o 1. e x x. a, b. Vvls. breeder en apex ronder. 
Roermond (Lek., Fr.). 

c. Rechter avi. ontbreekt. Amsterdam (e.l., Z. Mus.). 

124. P. dictaeoides Esp. Overal, waar de voedselplant 
(berk) in voldoende hoeveelheid groeit, dus vooral op zand- 
gronden. In den regel iets minder gewoon dan tremula, hoe- 
wel D o e t s meldt, dat dictaeoides te Hilversum veel meer 
voorkomt dan de andere soort. 2 gens., de eerste half April 
(14-4) tot in Juni, de tweede begin Juli tot ver in Septr. 
(2-7 tot 21-9). 

V i n d p 1. Fr. : Kollum. Gr. : Groningen. Dr. : Donde- 
ren, Paterswolde. Ov. : Steenwijk, Hengelo, Markelo, Die- 
penveen. Gdl. : Veluwe, Graafschap en Achterhoek, Nijme- 
gen, Berg en Dal. Utr. : Rhenen, De Bildt, Zeist, Soest, 
Baarn, Amersfoort, Breukelen. N.H. : Hilversum, Laren, 
Bussum, Naarden, Valkeveen, Amsterdam (Cet., v. d. M., 
L. Wag.), Santpoort, Haarlem, Overveen, Heemstede. Z.H. : 
Rotterdam. N.B. : Bergen op Zoom, Breda, Oisterwijk, Nue- 
nen. Lbg. : Venlo, Roermond, Hitskerberg, Lerop, Brunssum, 
Epen, Houthem, Bunde, Meerssen, Maastricht, St. Pieter. 

Notodonta O, 

125. N. dromedarius L. Haast overal, zonder aan bepaalde 
grondsoorten gebonden te zijn. 2 gens., de eerste in Mei en 
Juni, de tweede begin Juli (4-7) tot begin Septr. i) 

Var. Onze vorm behoort tot het typonominale ras, 
daar het eerste citaat van Linné luidt (Syst. Nat., XII, 
p. 827, 1767) : ,,AmmiraL ins. t. 14." De figuur van L' Ad- 
miral is een zeer middelmatige afbeelding van een Neder- 
landsch ex. Deze typische vorm is vrij donker en varieert 
nogal in duidelijkheid van teekening. 

1. ab. perfusca Stephens, 111. Brit. Ent., Haust., II, p. 23, 



^) Als bij vele Notodontiden met 2 gens, komen, sommige exx. van 
gen. I pas uit, als geni. II al vliegt. L' Admiral (Naauwk. Waarn., p. 11) 
had 3 poppen. De eerste pop, waarvan de rups zich 19 Oct. 1739 inspon, 
kwam 14 Juli 1740 uit; de tweede, verpopt 7 Juli 1740, kwam 24 Juli 
1740 uit eni de derde, verpopt 16 Aug. 1740, kwam 3 Sept. 1740 uit 
(een derde gen. ?). 



(105) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 269 

pi. 14, fig. 2, 1828 {hibernica Caradja, Iris, vol. 8, p. 97, 
1895). Grondkleur veel donkerder zwartbruin, met nauwelijks 
eenige bruine tint (behalve in de gewone teekening). Het 
ras van Ierland en Schotland, komt echter als ab. ook bij ons 
voor. Apeldoorn (de Vos) ; Putten, Nijmegen (Z. Mus.) ; 
Bussum (Vary) ; Voerendaal (Br.). 

Terato 1. ex. Achterrand linker vvl. springt in op ader 
5. Doetinchem (Cold.). 

126. N. ziczac L. In het geheele land algemeen. Ook be- 
kend van Schiermonnikoog (Wiss.). 2 gens., de eerste 
begin Mei tot eind Juni, de tweede begin Juli tot eind Aug. 

Var. 1 . ab. tristis Maslowscy, Polskie Pismo Ent., vol. 2, 
p. 133, fig. 17, 1923. Vvls. bijna zonder teekening, alleen 
met de zwarte maanvormige vlek. Amsterdam (Z. Mus.). 

2. ab. ,,Vvls. met meer witte grondkleur." S , Breda 
(P.H.). 

3. ab. ,, Donkerder roodbruin bestoven." $ , Roermond 
(Lek.). 

4. ab. Het buitenste derde deel der vvls. zwart bestoven. 
$, Twello (Cold.). 

Op m. Zie Brants, T. V, E., vol. 37, p. 196—222, pi. 
5, over uitstulpbare halsorganen bij de rups. 

127. N. phocbe Sichert, i) Lokaal door het geheele O. 
en Z., op sommige plaatsen niet zeldzaam op licht. 2 gens., 
dë eerste in Mei en begin Juni, de tweede half Juli tot eind 
Aug. (13-7 tot 29-8). 

V i n d p 1. Ov. : Denekamp, Almelo, Diepenveen, Gdl. : 
Apeldoorn, Twello (in 1930 13 exx., 2 of 3 in 1931, '33 en 
'35 ; in het geheel 5 in het voorjaar, 15 in den zomer), Aal- 
ten, Nijmegen. N.B. : Breda, Udenhout. Lbg. : Weert, Bruns- 
sum, Voerendaal, Gulpen, Valkenburg, Geulem, Meerssen, 
Maastricht. 

Var. 1. ab. Ex. met tamelijk eentonig donkere vvls. 
Twello (Cold.). 

P a t h o 1. ex. Vleugels dun beschubd. Twello (Cold.). 

128. N. tritophus Esp. In 1936 voor het eerst in Neder- 
land gevangen. De soort is onbekend in Denemarken, in 
Sleeswijk-Holstein, bij Hamburg en bij Bremen. In Hannover 
zeldzaam bij Hannover en Osnabrück, in Westfalen zeer 
zeldz. bij Munster, in de Rijnprov. zeer zeldz., evenals in 
België. Uit Engeland is slechts 1 ex. bekend. Het is bij deze 
soort (en nog vele volgende) natuurlijk uiterst moeilijk om 
een oordeel over het al of niet inheemsch zijn uit te spreken. 
Er zijn nog zoo weinig plaatsen in ons land, waar systema- 



^) In Lep. Cat., pars 59, 1934, geeft Gaede als auteur Scriba. Dit 
is onjuist. Deze beschrijft in deel I van zijn Beiträge slechts Coleoptera. 
De auteur van phoebe (I.e., vol. I, p. 18) schrijft zijn naam echter niet 
voluit, doch slechts „S — t". Dit was dan Siebert, , .Geheimer Secretair 
in Darmstadt". Cf. Hagen, Bibl. ent, vol. 2, p. 160. 



270 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (106) 

tisch met de lamp gevangen wordt, dat nog allerlei verras- 
sende vangsten te wachten zijn bij uitbreiding van deze 
vangmethode. 2 gens. ; blijkens den datum behoort het ex. 
tot de tweede gen. 

Vin dpi. Lbg. : Meerssen, 15-8-1936, op licht (Rk.).i) 

Peridea Stephens. 

129. P. anceps Goeze, 1781 {trepida Esp., 1786). Door 
het geheele land op zandgronden (ook in de duinen) en in 
boschachtige streken, vrij gewoon. 1 gen., eind April tot 
begin JuH (25-4 tot 5-7). 

V i n d p 1. Gr. : Groningen, Haren. Dr. : Hoogeveen, 
Frederiksoord. Ov. : Twente, Markelo, Diepenveen. Gdl. : 
Barneveld, Putten, Leuvenum, Apeldoorn, Twello, Brum- 
men, De Steeg, Velp, Arnhem, Oosterbeek, Wageningen, 
Eefde, Vorden, Ruurlo, Aalten, Doetinchem, Didam, Nij- 
megen, Hees. Utr. : Maarsbergen, Austerlitz, Driebergen, 
De Bildt, Zeist, Soest, Breukelen. N.H. : Hilversum, Laren, 
Bussum, Naarden, Valkeveen, Amsterdam (11-6-1935, $ 
op licht, V. d. M.), Bloemendaal, Overveen, Zandvoort. 
N.B. : Bergen op Zoom, Breda, Helvoirt, 's-Hertogenbosch, 
Hintham, Deurne. Lbg. : Venlo, Belfeld, Roermond, Linne, 
Brunssum, Epen, Meerssen. 

Var. De teekening van de wis. varieert in sterkte, doch 
afwijkingen van beteekenis zijn mij niet bekend. 

Leucodonta Stgr. 

130. L. bicoloria Schiff. Zeer lokaal in het O. en Z., op de 

vliegplaatsen echter Waarschijnlijk meer voorkomend dan 
lijkt. Wiss. en Sch. vonden in 1926 op den Imbosch door 
kloppen tenminste 17 exx. (T. v. E., vol. 70, p. XLII). 

1 gen., half Mei tot begin Juli (12-5 tot 7^7). Zie voor kweek 
ab ovo Wiss., I.e. en vol. 71, p. XXXVIIL Evenals in het 
buitenland was ook hier de ervaring, dat de kweek lastig is. 
Het beste resultaat werd nog bereikt door het voer onder 
een stolp vochtig te houden. De pop overwintert nog al 
eens 2 keer : van de 9 ab ovo gekvs^eekte exx. uit coll.- 
Lycklama waren er 3 na één overwintering der pop en 6 na 

2 keer overwinteren uitgekomen. 



^) In de Jubileum-uitgave van Natura Docet te Denekamp, 1911 — 1936, 
p. 100, wordt een ex. van Almelo vermeld. Over deze vangst deelt de 
heer Knoop in litt, mede, dat de heer Arend s 20 Juli 1930 een 
$ op een populier bij Almelo zag zitten. Hij deed het ex. in een doosje, 
doch het dier werd later onrustig en daar A. uitsluitend ongeschonden 
exx. prepareert, liet hij het weer vrij, na het eerst aandachtig bekeken 
te hebben. Een onderzoek in Berge, 8e druk, leerde hem, welke vangst 
hij had laten ontsnappen. Het is volgens A. uitgesloten» dat hij met 
phoebe te doen heeft gehad. Toch lijkt het me voorzichtiger een nadere 
bevestiging van de vindplaats af te wachten. 



(107) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 271 

V i n d p 1. Ov. : Weerselo (Agelo), Almelo, Delden, 
Diepenveen. Gdl. : Imbosch, Velp, Rozendaal, Beekhuizen, 
Bennekom, Montferland, Bijvank. N.B.: Princenhage (1931, 
Prick). Lbg. : Roermond, Vlodrop, Vaals, Epen, Wittem. 
. Var. Het Nederlandsche ras is met zijn zuiver witte 
grondkleur gelijk aan het typonominale uit Saksen (zie Syst. 
Verz., p. 49, noot) (M-öbius in htt.).i) 

1. ab. galactina Dannehl, Ent. Z., vol. 46, p. 246, 1933. 
De goudgele vlekken zijn sterk verminderd, evenals de 
zwarte stippen, waarvan de buitenste rij op de wis. ont- 
breekt. Volgens Dann, is de grondkleur roodachtig grijs, 
doch de vorm komt ook bij de zuiver witte exx. voor. Bij- 
vank (Sch.) ; Imbosch (Btk., Wiss., een trans, in Z. Mus.). 

Ochrostigma Hb. 

131, O. velitaris Hufn. In het O. en Z. in boschachtige 
streken, lokaal en zeldzaam. 1 gen., half Juni tot in de tweede 
helft van JuH (12-6 tot 22-7). 

V i n d p 1. Fr.: ,, Frise" zonder nadere aanduiding in T. 
v. E., vol. 6, p. 160. Gdl. : Ermelo, Nunspeet, Hattem, Apel- 
doorn, Arnhem, Oosterbeek, Vorden, Didam, Montferland, 
Bijvank. Utr. : Amerongen, Leersum, Doorn, Zeist, De Bildt 
(,, overal tusschen Doorn en De Bildt uit lage eiken geklopt, 
doch niet overvloedig". De Graaf, Handelingen, p. 62), Soest. 
N.H. : Hilversum. N.B. : Breda. Lbg. : Venlo, Roermond. 

Odontosia Hb. 

132. O. carmclita Esp. Nog weinig waargenomen, maar 
stellig in berkenbosschen toch meer te vinden. Dit blijkt wel 
uit het feit, dat de vlinder bij Amerongen geregeld wordt 
waargenomeri (in 1919 zelfs vrij talrijk, T. v. E., vol. 63, 
p. X), en wordt ook bewezen door de vasthoudendheid van 
Sch., die 9 Mei 1932 op den Imbosch honderden berke- 
stammen afzocht, tot hij ten slotte een paartje vond. 1 gen., 
eind Maart tot half Mei (28-3 tot 10-5). Zie voor kweek 
ab ovo T. V. E., vol. 75, p. LXXXI. 

V i n d p 1. Ov. : Markelo, Diepenveen. Gdl. : Putten, Im- 
bosch, Rozendaal, Wageningen, Bennekom. Utr. : Ameron- 
gen, Meern. N.H. : Hilversum (24-4-1930, Wiss.). 



^) Wiss. en Btk. bezitten Middenduitsche exx. met bruinachtige grond- 
kleur (Altenberg, Darmstadt). Deze vorm is bij onze Duitsche collega's 
onbekend. Möbius, de beste vlinderkenner van Saksen, schrijft : ,, Niemals 
habe ich etwas gesehen oder gehört von Stücken mit bräunlicher Grund- 
farbe. Das können nur alte vergilbte Stücke oder Kunstprodukte sein." 
In elk geval is er geen sprake van, dat er een Duitsch ras bestaat, af- 
wijkend van het onze. 



272 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (108) 

Lophoptcryx Stephens. 

133. L. camelina L. Algemeen, op vele plaatsen in zand- 
streken vooral zeer algemeen. 2 gens., de eerste eind April 
(25-4) tot ± 20 Juni, de tweede eind Juni tot eind Aug. of 
begin Septr. (misschien een enkel ex. van een derde gen.). 
De vlinders uit de overwinterde poppen komen gedeeltelijk 
in het voorjaar, gedeeltelijk pas in Juli uit, wanneer ook de 
tweede gen. reeds vliegt (S n e 1 1 e n, T. v. E., vol. 1, p. 102). 

Var. Seizoensdimorphisme komt niet voor, doch overigens 
is de soort zeer variabel. 

1. ab. giraffina Hb., Samml. Eur. Schm., fig. 277, 278, 
1804. Grondkleur der wis. blauwzwart, zonder eenig bruin, 
teekening normaal. Hoewel in haast alle fauna's vermeld, is 
deze vorm uiterst zeldzaam. Bijna alle als giraffina vermelde 
exx. behooren tot den volgenden vorm. Malden, 2 exx. (Bo.). 

2. ab. mgrra Riesen, Beri. Ent. Z., vol. 53, p. (14), 1908. 
Grondkleur der vvls. zwartbruin. Typisch vrij zeldzaam, maar 
in trans. exx. gewoon, doch haast alleen bij de ^ ^ . 

3. ab. pallida Gillmer, Arch. Ver. Freunde Naturgesch. in 
Mecklenb., vol. 64, p. 36, 1910. Grondkleur zeer licht, on- 
geveer als bij Pt. palpina L. Onder dezen naam vat ik alle 
zeer lichte exx. samen, ook die, welke iets bruiner getint zijn 
dan palpina. Putten, Renkum, Naarden (Z. Mus.) ; Apel- 
doorn (Knf.) ; Ellecom (P. H.) ; Arnhem (L. Wag., Z. 
Mus.) ; Soest (Lpk.) ; Breda (16, 18, 26). 

4. ab. unicolora nov. ab. Vvls. eenkleurig, zonder donkere 
teekening. i) Donderen (Wiss.) ; Harderwijk, Malden 
(Bo.) ; Arnhem (L. Wag.) ; Amerongen (Btk.) ; Drieber- 
gen (Z. Mus.) ; Amersfoort (V. d. Vlugt) ; Soest (Lpk.) ; 
Laren-N.H. (v. d. M.) ; Rotterdam (12). 

5. ab. fasciata Dannehl, Ent. Z., vol. 46, p. 247, 1933. 
Avis. met breeden donkeren achterrandsband, die doorloopt 
tot het lichte bandje voor de anaalvlek. Apeldoorn (Z. Mus.) ; 
Twello (Gold.) ; Wageningen (L. Wag.) ; Groenekan (55) ; 
Heemstede (Wiss.) ; Roermond (Lek.) ; Meerssen (Rk-.). 

6. ab. met gele, weinig geteekende v.- en avis. Laren- 
N.H., 9 (Knf.). 

134. L. cuculia Esp. Slechts eens in Nederland waarge- 
nomen'. In Denemarken alleen op de zuidel. eilanden (zuiden 
van Seeland en Fünen, Moen, Laaland), waar Acer cam- 
pestre nog talrijk in de bosschen voorkomt ; in Oost-Holstein 
op Acer campestre ; bij Hamburg 1 ex. in 1924 ; bij Bremen 
eens vele jaren geleden. In Hannover zeer zeldzaam bij de 
stad Hann., in 1924 vond Pietzsch echter ongeveer 50 
rupsen op een ca. 3 m hoogen Acer pseudoplatanus ; in de 
buurt van Osnabrück niet zeldzaam (talrijk bij Melle). In 



^) Ailes antérieures unicolores, sans dessin foncé. 



(109) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 273 

Westfalen vooral in het bergland ; in de Rijnprov. zeer zeld- 
zaam ; in België zeldzaam, vooral in bosschen ; in Engeland 
lokaal, bijna uitsluitend in bosschen op kalkgrond. 
Vin dpi. N.B.: Breda, 1898, 2 exx. e.l. (L. Mus.). 

Pterostoma Germar. 

135. P. palpina L. Algemeen, vooral in niet te droge 
streken. 2 gens., de eerste eind April (27-4) tot ± 20 Juni, 
de tweede eind Juni tot eind Aug. of begin Septr. (misschien 
een enkel ex. van een derde gen.). 

Var. Tusschen de 2 gens, bestaat geen verschil. De 
tint van de wis. varieert eenigszins en ook de teekening 
kan meer of minder duidelijk zijn. 

1. ab. grisea Kitt, Verh. Zool. -bot. Ges. Wien, vol. 64, 
p. (177), 1914. Grondkleur van lichaam en vleugels grijs, i) 
Groningen, Rotterdam (L. Wag.) ; Amsterdam (Lpk. ) ; 
Rockanje (Knf.) ; Roermond (Fr.) ; Meerssen (Rk.). 

Phalera Hb, 

136. P, bucephala L. Algemeen tot zeer algemeen. 1 gen., 
half Mei tot begin Aug. (11-5 tot 6-8). Deze uiterste 
data werden beide in 1934 waargenomen door Cold. Diens 
uitvoerige gegevens wekken sterk den indruk van 2 vlieg- 
tijden, wat evenwel nog niet wil zeggen, dat er ook 2 gens, 
zouden voorkomen. In T. v. E., vol. 52, p. XLVII, w^ordt 
een ex. vermeld, dat 1 Oct. 1908 te Dordrecht werd ge- 
vangen. In verband hiermee zij opgemerkt, dat de soort in 
Z. Eur. 2 gens, heeft. 

Var. De vlinder is vrij variabel. De middenstip der 
wis. varieert van volkomen ontbreken tot een groote vlek, 
hoewel deze beide uitersten bij ons zeer zeldzaam zijn. De 
lichte zilverkleur kan nu eens een groot deel der wis. in- 
nemen en dan weer haast geheel afwezig zijn. 

1. ab. demaculata Strand, Archiv f. Math., vol. 25, sep. 
p. 8, 1903, De middenstip der wis. ontbreekt volkomen. 
Nijmegen (Bo. ). Exx. met zeer flauwe stip komen meer voor. 

2. ab. magnimaculata nov. ab. Vvls. met groote gele, 
bruingekernde middenvlek. 2) Apeldoorn (de Vos). Waar- 
schijnlijk kende ook De Gavere dezen vorm, want hij schrijft 



1) Kitt schrijft, dat deze vorm in Neder-Oostenrijk sporadisch onder 
de voorjaarsgen. voorkomt, ,,die in het algemeen sterker bruinachtig 
getint is dan de bleek okergele zomergen." Dus daar seizoensdimorphisme ! 
Ook S pul er (Schmett. Eur., I, p. 100, 1903) schrijft: ,,Bij de eerste 
gen. overwegen donkerder, grijzere exx., bij de tweede kleinere, lichtere." 
Ik kan voor onze fauna echter geen bepaald overwicht van een of 
anderen vorm vaststellen. 

2) Ailes antérieures portant une grande macule discale jaune, pupillée 
de brun. 



274 B. J. LEMPKE. CATALOGUS DER (110) 

(T. V. E., vol. 10, p. 202) : „Quelques individus ont au milieu 
de l'aile antérieure une tache jaune, qui les rapproche de 
P. hucephaloides Hb." 

3. ab. tenebrata Strand, I.e., p. 8, 1903. Vvls. zeer donker, 
doordat de lichte zilverkleur bijna geheel ontbreekt. Ook de 
avis. meestal donkerder. Apeldoorn (de Vos) ; Aalten 
(Lpk. ) ; Arnhem (L. Wag.) ; Amsterdam (Z. Mus.) ; Ber- 
gen op Zoom (Snijder). 

4. ab. pallida nov. ab. Grondkleur der vvls. veel lichter 
dan normaal, de bruine teekening is geelachtig geworden, 
de donkere thoraxteekening ontbreekt i). Diemen (Z. Mus.). 

5. ab. nanula Stephan, Ént. Z., vol. 37, p. 44, 1924. Dwer- 
gen. Aalten (Lpk.) ; Amsterdam, Venlo (Z. Mus.) ; Leiden 
(39). 

Terato 1. ex. Klein, met zeer smalle vvls. Hilversum 
(Doets). 

Pygaera O. 

137. P. anastomosis L. Zoo goed als zeker niet inheemsch, 
maar een zeer enkele keer bij ons waargenomen. In Dene- 
marken met zekerheid alleen bekend van Bornholm ; ont- 
breekt in Sleesw.-Holst. ; bij Hamburg zeldzaam ; één maal 
bij Bremen ; in Hannover bij de stad Hann. en bij Lüne- 
burg ; niet in Westfalen ; zeer zeldzaam in de Rijnprov. ; 
in België lokaal, zeldzaam ; niet in Engeland. Heeft evenals 
de andere soorten van het geslacht 2 gens., doch van even- 
tueele Nederlandsche vliegtijden is niets bekend. 

V i n d p 1. Gdl. : Nijmegen, eenige exx. door U y e n, 2) 
teste Ter Haar (Onze V'l., p. 108). [Brummen. In Bst., I, 
p. 246: „V. W. coll." In T. v. E., vol. 6, p. 160, schrijft 
De Graaf : ,,J' en ai vu un exemplaire dans la collection de 
M. van Walchren étiqueté : Pays-Bas." Snellen (De Vlin- 
ders, I, p. 126) schrijft dan : ,, Waarschijnlijk in Gelderland 
bij Brummen gevangen." Een twijfelachtige vindplaats 
dus]. 3) 

138« P. curtula L. Komt door het geheele land voor, maar 
toch het meest in het O. en Z. Ook geregeld in het duin- 
gebied, in het polderland echter veel minder. 2 gens., de 
eerste half April tot begin Juni (11-4 tot 5-6), de tweede 
half Juli tot in Septr. (13-7 tot 10-9). Evenals bij vele (alle ?) 



^) Fond des ailes antérieures beaucoup plus pâle que normalement, le 
dessin brun est devenu jaunâtre, celui foncé du thorax fait défaut. 

) U y e n was een smid te Nijmegen in den tijd van Ter Haar en 
is nu reeds lang overleden. Zijn collectie is waarschijnlijk verloren 
gegaan. Het lot er van is in elk geval onbekend. 

3) In coll. -de Vos is een ex. van Breda, 2-6-1888, afkomstig van 
Heylaerts. Daar deze de vangst niet gepubliceerd heeft, is het misschien 
voorzichtiger de vindplaats niet ten volle te vertrouwen. 



(Ill) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 275 

soorten met 2 gens, komen niet alle poppen, die van de 
voorjaarsgen. afstammen, nog hetzelfde jaar als gen. II uit, 
doch een deel der poppen overwintert, om het volgend voor- 
jaar tegelijk met de afstammelingen van gen. II uit te komen. 
Binnenshuis bewaarde poppen komen soms in het najaar 
of 's winters uit. Zoo kwamen bij Wiss. in 1921 poppen uit 
op 7, 8 en 9 Oct., op 6 Nov. en 1 Deer. en op 15 en 16 Febr. 
1922. Bij Gold. kwam een $ uit de pop op 5-10-1925. 

Var. De vlinder komt in 2 tinten voor, afgezien van 
enkele afwijkende exx. Linné beschrijft de soort als volgt 
(Syst. Nat., X, p. 503, 1758) : „P. Bombyx elinguis, alis 
deflexis glaucis : striga alba apicibus macula testacea." De 
typische vorm is dus de blauwachtig of liever paarsachtig 
grijze zonder bruinachtige tint. Voor zoover ik heb kunnen 
nagaan, komt deze vorm uitsluitend in gen. I voor (South, 
pi. 35, fig. 2, ,,the spring form"). 

1. f. (p. p. gen. aest.) brunnescens nov. Grondkleur bruin- 
grijs. Alle exx. der gen. II, maar komt ook in gen. I voor, 
vooral bij de Î Î i). South, I.e., fig. 1, ,,the summer form." 

2. ab. rufescens nov. ab. Geheele apicaalvlek rood, ook 
grondkleur der wis. soms roodachtig getint. 2) Twello 
(Gold.) ; Soest, Deurne (Lpk.) ; Breda, Venlo (Z. Mus.). 

139. P. anachoreta F. In het W. algemeen, in het N. nog 
onbekend, in het O. en Z. meestal verre van gewoon. 2 gens., 
de eerste begin April tot in Juni (9-4 tot 9-6), de tweede 
half Juli tot in Aug. 

V i n d p 1. Ov. : De Lutte, Diepenveen. Gdl. : Nijkerk, 
Harderwijk, Apeldoorn, Twello (weinig), Empe, Voorst, 
Arnhem, Velp, Wageningen, Doetinchem, Laag-Keppel, 
Doesburg, Didam, Bijvank, Lobith, Nijmegen, Neerbosch, 
Wamel. Utr. : Amerongen, Utrecht, Amersfoort, Soest, 
Groenekan, Ankeveen, Nichtevegt, Abcoude. N.H. : Bus- 
sum, Amsterdam, Alkmaar, Haarlem, Overveen. Z.H. : 
Leiden, Wassenaar, Den Haag, Delft, Rotterdam, Hillegers- 
berg, Schiebroek, Zevenhuizen, Giesendam, Numansdorp. 
Zl. : Walcheren. N.B. : Bergen op Zoom, Breda, Hintham, 
Oeffelt, Deurne. Lbg. : Vienlo, Roermond, Brunssum, Voe- 
rendaal, Geulem, Meerssen, Maastricht. 

Var. Gering. De dwarslijnen op de wis. zijn meer of 
minder duidelijk, de 2 zwarte vlekjes onder de apicaalvlek 
zijn soms met elkaar verbonden tot een streepje, soms is het 
onderste vlekje heel klein of ontbreekt, 

140. P. pigra Hufn. In de zandstreken van bijna het ge- 
heele land, daarbuiten weinig. 2 gens., de eerste in Mei en 



^) Fond brun-gris. Ce caractère est celui de tous les exemplaires de 
la génération estivale, il se rencontre également chez ceux de la généra- 
tion vernale principalement chez les femelles. 

2) La macule apicale entièrement rouge, le fond des ailes antérieures 
est de même souvent teinté de rougeâtre. 



276 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (112) 

begin Juni, de tweede begin Juli tot in de tweede helft van 
Aug. (2^7 tot 17-8). 

V i n d p 1. Fr.: Kollum. Gr.: Groningen, (zeer gewoon, 
Skm.). Dr. : Paterswolde, Donderen. Ov. : Denekamp, Al- 
bergen, Almelo, Diepenveen. Gdl. : Nijkerk, Putten, Leuve- 
num, Nunspeet, Heerde, Apeldoorn, Twello, Empe, Dieren, 
Winterswijk, Aalten, Doetinchem, Doesburg, Didam, Bij- 
vank, Ubbergen, Beek-Nijm., Nijmegen, Hatert. Utr. : 
Maarsbergen, De Bildt, Soest. N.H. : Hilversum, Laren, 
Wijk aan Zee, Bloemendaal, Haarlem, Overveen, Zand- 
voort. Vogelenzang. Z.H. : Hillegom, Lisse, Leiden, Was- 
senaar, Den Haag, Scheveningen, Hoek van Holland, Rot- 
terdam, Rockanje. Zl. : Walcheren. N.B. : Bergen op Zoom, 
Ginneken, Breda, Oisterwijk, Nunen, Deurne, Oeffelt. Lbg. : 
Plasmolen, Venlo, Roermond, Maalbroek, Lerop, Brunssum, 
Gronsveld. 

Var. 1 . ab. purpurea nov. ab. Vvls. paarsachtig zonder 
de roestroode vlek bij de vvl.punt. i) Den Haag (13) ; 
Rockanje (Z. Mus.). 

2. ab. obscurior Stgr., Stettin. Ent. Z., vol. 48, p. 102, 1887. 
Vvls. veel donkerder dan gewoonlijk, ook de avis. donkerder. 
Groningen, S, e.l., 1926 (L. Wag.). (Deze naam onder 
eenige reserve. Stgr. heeft den naam gegeven aan een $ van 
Koeldsja in Chineesch Turkestan, het eenige ex., dat hij van 
die vindplaats kende. Het blijft natuurlijk de vraag, of dit 
wel gelijk was aan onze ab.). 

Thaumetopoeidae. 

Thaumetopoea Hb, 

141. T, processionea L. Zoo goed als zeker niet meer 
inheemsch. De laatste vangst dateert van 1900. De Graaf 
schreef nog (T. v. E., vol. 6, p. 158) : ,, Locale ; la chenille 
fort commune certaines années." Ook later is de vlinder nog 
enkele keeren als gewoon gemeld. In Denem., Sleesw. -Hol- 
stein, bij Hamburg en Bremen onbekend ; in Hannover 
vroeger bij de stad, sinds tientallen jaren niet meer waar- 
genomen ; in Westfalen in het N.O. ; in de Rijnprov. op 
sommige plaatsen talrijk ; in België weinig verbreid ; in 
Engeland onbekend. 1 gen., begin Juli tot begin Septr. (6-7 
tot 5-9), het meest in Aug. 

Vin dpi. Gdl.: Arnhem, 1873 (Z. Mus.), in den zomer 
van 1877 in vrij grooten getale (Brants, T. v. E., vol. 21, 
p. LXXXVIII) ; Nijmegen, 1861 (Z. Mus.) ; tusschen Nij- 
megen en Hees ±: 1878 talrijk (Oudemans, Nederl. Insecten, 



1) Ailes antérieures pourprées sans la macule rouille-rouge près de 
l'apex. 



(113) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 277 

p. 458). Z.H.: [Heikop bij Vianen, 1828 (Van Hall, Bij- 
dragen tot de natuurk. wetensch., vol. 5, p. 115, noot, 
1830)]; Dordrecht, 1860 (Jch.). N.B.: Breda, 1875 (L. 
Mus., Btk., P. H.) ; Rijsbergen (T. v. E., vol. 13, p. 27) 
(Heylaerts schreef over Breda en omgeving, I.e., p. 148 : 
,,peu commun. Quelquefois en abondance.") ; 's-Hertogen- 
bosch, 1859 in de omstreken vrij overvloedig (Snellen, 
T. V. E., vol. 2, p. 82), 1860 en 1861 (L. Mus.). Lbg. : 
Venlo (Z. Mus.) ; Roermond, 1897, 1898 (L. Mus.), 1899 
(Wiss.), 1900 (Z. Mus.). 

Lymantriidae. 

Dasychira Stephens, 

142. D. fascelina L. Door het geheele land op zandgron- 
den, vooral heiden en duinen. 1 gen., half Juni tot eind Aug. 
(11-6 tot 29-8). 

V i n d p 1. Gr.: Harendermolen. Dr.: (overal op heide- 
velden, maar minder talrijk dan Org. ericae, teste Skm.) 
Norg, Donderen, Zeegse, Odoornerveen, Bunnerveen, 
Schoonoord, Hoogeveen, Wapserveen. Ov. : Albergen, Al- 
melo, Holten. Gdl. : Apeldoorn, Hoog Soeren. Twello, Loe- 
nen, Wageningen, Bennekom, Ede, Doetinchem, Montfer- 
land, Nijmegen, Hatert, Groesbeek. Utr. : Amerongen, Doorn, 
Utrecht, Amersfoort, Soest. N.H. : Hilversum, Bussum, Texel, 
Bergen, Alkmaar, Wijk aan Zee, Haarlem, Overveen, Zand- 
voort. Z.H. : Noordwijk, Wassenaar, Den Haag, Hoek van 
Holland, Oostvoorne, Rockanje. Zl. : Haamstede. N.B. : 
Breda, Stiphout. Lbg. : Mook, Plasmolen, Venlo, Maasniel, 
Brunssum, Rumpen, Vaals. 

Var. De typische vorm is donkergrijs met zwartachtige 
dwarslijnen. Onze exx. verschillen sterk in tint en teekening. 

1. ab. unicolor Schultz, Ent. Z., vol. 24, p. 35, 1910. Vvls. 
eenkleurig lichtgrijs zonder teekening. Breda (29, trans.) ; 
Bunnerveen (L. Wag. ; trans.). 

2. ab. laricis Schille, Soc. Ent., vol. 14, p. 73, 1899. Vvls. 
bijna eenkleurig licht aschgrijs. haast zonder zwarte en witte 
bestuiving ; de 2 dwarslijnen verkort, bereiken niet meer den 
binnenrand. Schoonoord, 9 (Z. Mus.). 

3. ab. callunae Peets, Verz. Gross-Schm. Hannover (55.- 
57. Jahresber. Naturhist. Ges. Hann.), p. 214, 1907. Grond- 
kleur licht, teekening scherp, zwart. Schoonoord (Z. Mus., 
verscheiden exx. in L. Mus.) ; Holten (Cold.) ; Apeldoorn, 
Loenen (de Vos). 

4. ab. medicaginis Hb., Samml. Eur. Schm., fig. 81, 1800. 
Vvls. donker zwartgrijs, dwarslijnen en middencelvlek duide- 
lijk. Rockanje (Z. Mus., trans., iets lichter dan fig. van Hb.). 

5. ab. De middencelvlek raakt de buitenste dwarslijn. 



278 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (114) 

Zeegse (L. Wag.) ; Schoonoord (Cold.) ; Mook (Wiss.). 

143. D. pudibunda L. Algemeen, vooral op zandgronden 
en in boschachtige streken. 1 gen., begin April tot eind Juni 
(2-4 tot 26-6). 

Var. De typische vorm is grijsachtig (,,alis cinerascenti- 
bus", Syst. Nat., X, p. 503, 1758). 

1. ab. $ albescens nov. ab. Grondkleur witachtig, zonder 
grijze bestuiving, teekening duidelijk, i) Deurne (Nies). 

2. ab. juglandis Hb., Samml. Eur. Schm., Bomb., fig. 84 
{ $ ), 85 ( ? ), ±: 1800. s : teekening veel sterker dan nor- 
maal, wis. met scherpe zwartachtige dwarslijnen en een zeer 
donkere middencelvlek ; 2 eveneens met scherpe donkere 
dwarslijnen en opvallend-duidelijke middencelvlek. Ik ken 
alleen Nederl. ? $. Slochteren (Wiss.) ; Apeldoorn (de 
Vos) ; Nijmegen (Z. Mus.) ; Amsterdam (Snijder). 

3. ab. concolor Stgr., Cat., ed. I, p. 29, 1861. Vvls. zwart- 
grijs, eenkleurig (de meeste $ S ) oi met meer of minder 
duidelijke dwarslijnen (de meeste ? ? ), avis, meestal veel 
lichter. In 1925 voor het eerst in ons land waargenomen, 
thans van vele vindplaatsen bekend en op sommige zelfs 
gewoon, ontbreekt echter nog in het N. (Skm.). Ov. : Lon- 
neker, Almelo, Diepenveen. Gdl. : Putten, Elspeet, Apeldoorn, 
Twello, Wageningen, Bennekom, Aalten, Bijvank, Nijmegen, 
Malden, Hatert. Utr. : Rhenen, Utrecht, Amersfoort, Soest, 
Baarn. N.H, : Amsterdam, Overveen. N.B. : Deurne. Lbg. : 
Meerssen. 

4. ab. fusca nov. ab. Alle vleugels eenkleurig roetachtig 
of koffiekleurig bruin, zonder grijs of zwart ; avis. soms 
iets lichter getint ; van de teekening slechts flauwe sporen 
te zien.2 ) Almelo, 6 5 5,6?$ ( Cet. ) ; Elspeet, 2 $ $ , 
3 $ 9 (Cold.). 

5. ab. unilineata nov. ab. Vvls. slechts met 1 dwarslijn, 
de middelste.3) De Bildt (77). 

6. ab. Tweede en derde dwarslijn met elkaar verbonden, 
zoowel onder den voorrand als aan den binnenrand. Elspeet 
(Cold.). 

7. ab. Dwergen. Elspeet (Cold.) ; Apeldoorn (Z. Mus.). 

8. ab. Asymmetrisch ex. Linker vvl. bijna zonder teeke- 
ning, rechter vvl. normaal. Elspeet (Z. Mus.). 

Orgjâa O. 

144. O. gonostigma F. Lokaal, vooral op zandgronden 
en in boschachtige streken. 1 gen., begin Juni tot begin Aug. 
(7-6 tot 2-8). (Wiss. kweekte in 1925 enkele exx. van een 



^) Fond blanchâtre, sans saupoudrement gris, dessin clair. 

2) Toutes les ailes enfumées ou uniformément brun de café, sans gris 
ou noir ; ailes postérieures parfois un peu plus pâles ; il n'y a que de 
faibles traces des dessins. 

3) Ailes antérieures avec une seule ligne transversale, celle du centre. 



(115) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 279 

tweede gen., die 16 en 17 Sept. uitkwamen ; niet in natura 
waargenomen). 

V i n d p 1. Gr. : Harendermolen. Dr. : (sommige jaren in 
het N. niet zeldzaam, Skm.) Hoogeveen, Wapserveen. Ov. : 
Lonneker, Holten, Diepenïveen. Gdl. : Nijkerk, Garderen, 
Leuvenum, Apeldoorn, Empe, Voorstonden, Laag Soeren, 
Oosterbeek, Renkum, Doetinchem, Doesburg, Didam, Bij- 
vank, Berg en Dal, Nijmegen, Neerbosch, Groesbeek. Utr. : 
Maarsbergen, Zeist, Amersfoort, Maartensdijk. N.H. : Holl. 
Rading, Hilversum, Bussum, Naardermeer. Z.H. : Noord- 
wijk, Wassenaar, Voorschoten, Delft, Ouddorp. N.B. : 
Bergen op Zoom, Breda, Gilze-Rijen, Geertruidenberg, 
Waalwijk, Veghel, Eindhoven, St. Michielsgestel, Deurne. 
Lbg. : Venlo, Roermond, Brunssum, Rolduc, Simpelveld, 
Maastricht. 

Var. 1. ab. Î [lavescens Maslowscy, Polsk. Pismo Ent., 
vol. 2, p. 133, fig. 16, 1923. Lichaamsbeharing geelachtig. 
Vrij gewoon. 

145. O. antiqua L. Door het geheele land, in den regel 
algemeen. Eind Juni tot begin Nov. (28-6 tot 3-11). Het 
aantal gens, is mij niet volkomen duidelijk. De eieren komen 
na de overwintering zeer onregelmatig uit. Sepp (vol. 2, p. 
92) vond eind Aug. eieren. Deze kwamen 8 Juni uit en de 
vlinders daarvan vlogen ± half Aug. Pt. vond Febr. 1936 
een aantal legsels te Ankeveen. Ver in Juni waren de rupsen 
nog niet verschenen. De eieren, die ongetwijfeld nog uit- 
gekomen zouden zijn, werden toen helaas weggedaan. Hoe- 
wel dus vele legsels een cyclus van ongeveer een jaar door- 
loopen eri slechts 1 gen. voortbrengen, zal in elk geval een 
deel van de vroeg uitkomende rupsen (maar zeker niet alle) 
wel een tweede gen. opleveren. Waarschijnlijk zijn dit dan 
de in Septr.-Novr. rondvliegende dieren. Nadere bestudee- 
ring van het vraagstuk is echter zeer noodzakelijk, i) 

Var. De $ $ verschillen sterk in tint van het bruin. 

146. O. ericae Germar, In haast alle heidestreken in het 
O. en Z. Over het algemeen zeldzaam, in Drente echter 
gewoon (de rupsen op de Drentsche heidevelden soms bij 
duizenden, teste Skm.). 1 gen., half Juli tot begin Septr. 
(10-7 tot 6-9). 

V i n d p 1. Dr. : Norg, Donderen, Peize, Peizerwolde, 
Zeegse, Rolde, Schipbork, Bunnerveen, Schoonoord, Zwee- 
loo. Ov. : De Lutte, Oldenzaal, Vriezenveen. Gdl.: Nij- 
kerk, Uchelen, Hoog-Buurlo, Rozendaal. Utr. : Soest. N.B. : 
Breda, Vught, Oisterwijk, Moergestel, Helenaveen. 



^) Lukkien schrijft: ,,Van rupsen, in 1930 gekweekt, bleken alle 
vrouwel. exx. 1 vervelling meer door te maken dan de mannelijke. In 
1931 hadden sommige $ $ ook 1 vervelling meer, maar andere even- 
veel. De vlinders van deze laatste exx. waren echter aanmerkelijk kleiner 
dan normaal." 



280 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER ^16) 

Var. 1. ab. $ antiquoides Kb., Samml. Eur. Schm., fig. 
279, 280, ? 1818. Met witte veeg in het midden van den 
voorrand der wis. Norg, Zweeloo, Hoog-Buurlo, Breda, 
Oisterwijk (Z. Mus.). Waarschijnlijk overal onder de soort. 

Arctornis German 

147. A. 1-nigrum Müller. Nog weinig waargenomen, waar- 
schijnlijk ten deele door de verborgen! levenswijze in de 
kronen der boomen. In Denem. zeldzaam, maar toch van 
ruim 20 vindplaatsen, zoowel in Jutland als op de eilanden, 
bekend. Dr. Hoffmeyer schrijft me, dat hij bij Vejle fjord 
(Jutland) de kleine rupsen iederen herfst klopte. Door heel 
Sleesw.-Holst., maar zeldzaam ; bij Hamburg en Bremen 
zeldzaam ; in Hannover vroeger de $ $ niet zeldzaam op 
licht bij de stad, ook bij Lüneburg ; in Westfalen en de 
Rijnprov. overal zeldzaam. In België in de bosschen van de 
oostel. helft, tamelijk zeldzaam. Niet in Engeland. 1 gen., 
Juni, begin Juli (voor zoover bekend). 

V i n d p 1. Gdl. : Aalten, 1-7-1936 een kreupel $ in cop., 
het $ ontsnapte (v. G.). Het $ legde een aantal eieren ; 
van de kweek zal in E. B. een verslag verschijnen. Mid- 
dachten, ± 1899 een dood $ (Gold., zie E. B., vol. 9, p. 
113). N.B.: Bürgst bij Princenhage, 1901 een rups (T. v. 
E., vol. 45, V. p. 3). Lbg. : Plasmolen (Ottersum), 1901 
drie rupsen, waarvan één 25-6-1902 den vlinder opleverde 
(in Z. Mus.) 1) ; weer een aangestoken rups in 1925 (Wiss.). 

Stilpnotia Wcstwood et Humphreys. 

148. S. Salicis L. In het geheele land waargenomen, ook 
bekend van Schiermonnikoog (Wiss.). Soms zeer algemeen, 
dan weer jaren achtereen veel minder. In 1917 en 1918 
kwamenl de rupsen te Diemen bij honderden voor, daarop 
jaren lang geen enkele meer. Voor Twello meldt Gold. : 
,, Sinds 1930 (± 15 exx.) steeds afnemend, in 1936 heele- 
maal niet meer." 1 gen., tweede helft van Juni tot half Aug. 
(24-6 tot 16-8). 

Var. 1. ab. Dwergen. Rotterdam (Z. Mus.). 

L5miantria Hb. 

149. L. dispar L. In bijna het geheele land waargenomen, 
in het N. niet veel, meestal zeldzaam, in het Z. gewoon 
tot zeer gewoon. Schadelijk is de soort hier zelden. In 1918 



^) L. c, V. p. 4 wordt opgegeven: 3 rupsen Aug. 1901, op het etiket 
van dem vlinder staat: rups 13 Oct. 1901. De eerste datum, waarvan 
de vermelding niet door den vinder zelf (Brants) geschiedde, is dan 
ongetwijfeld onjuist. 



(117) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 281 

richtten de rupsen echter groote verwoestingen aan te Wan- 
neperveen, vooral in het riet (Phragmites) (E. B., vol. 5, p. 
218). Ook Skm. meldt, dat de rupsen te Eernewoude, de 
eenige hem bekende Friesche vindplaats, bij massa's op riet 
voorkomen. 1 gen., half Juli tot begin Octr. (12-7 tot 5-10), 
na begin Septr. echter niet veel meer (10-9-1923, Wiss.; 
25-9, Z. Mus. ; 5-10-1902, een eierleggend ? , T. v. E., vol. 
46, V. p. 5). 

Var. Literatuur: Lempke, Lamb., 1936, p. 227 enz. Het 
typische $ is grijs met bruingewolkte teekening (Keer, pi. 
26, fig. 5). Deze vorm is bij ons vrij gewoon, meestal echter 
is de grijze grondkleur donkerder dan bij het afgebeelde ex. 

1. ab. disparoides Gaschet, ' Ann. Soc. Ent. Fr., 1876, p. 
521. Dwergen. Vrij gewoon. 

2. ab. nigra De Sélys, Ann. Soc. Ent. Belge, vol. 1, p. 52, 
1857. Vvls. geheel zwart. Rotterdam, S (L. Mus.). 

3. ab. $ brunnea Schulze, Int. Ent. Z., vol. 4, p. 26, 1910. 
Grondkleur niet grijs, maar donkerbruin. Haast overal onder 
de soort, 

4. ab. S' unicolor Lmbll., Gat. Lép. Belg., p. 441, 1913. 
Vvls. eenkleurig, zonder dwarslijnen. Zelhem, Nijmegen, Am- 
sterdam, Reewijk (Z. Mus.) ; Aalten, Soest (Lpk. ) ; Heer- 
len (Br.). 

5. ab. S variegata Lmbll., I.e., p. 442. Onregelmatige witte 
vlekken op 1 of meer vleugels. (Sepp, vol. 8, titelplaat). Oos- 
terbeek, Soest (Z. Mus.) ; ,, Friesland" (14), Breda (19, 22) ; 
,, Gelderland " (L. Wag.) ; Grave, 26 exx. in alle mogelijke 
graden van slechts geringe witte teekening tot een bijna ge- 
heel wit ex. (Bo.). De bekende ,, Fleckenzwitter", die echter 
met Zwitter, gynandromorphen, niets te maken hebben. De 
geheele habitus blijft mannelijk. Waarschijnlijk zijn het 
pathol. exx. 

6. ab. ? sulfusa Schulze, Int. Ent. Z., vol. 6, p. 263, 1912. 
Voor- en avis. donkerbruin bestoven. Oosterbeek (Z. Mus.) ; 
Ginneken (P.H.) ; Oisterwijk (L. Wag.) ; Grave (Bo.) ; 
Belfeld (Rk.) ; Willemstad (Wiss.). 

7. ab. $ submarginalis Schultz, Ent. Z., vol. 24, p. 35, 1910. 
Langs den achterrand der avis. een breede donkere band. 
Bodegraven (Cet.) ; Grave (Bo.). 

8. ab. $ [asciatella Strand, Lep. Cat., vol. 62, p. 148, 
1934. De lijnen op de vvls. verbreed tot banden. Bodegraven 
(Cet.) ; Ginneken (P.H.). 

9. ab. ? medio-fusca Lmbll., Cat. Lép. Belg., p. 73, 1903. 
Vvls. met breeden middenband, de andere lijnen ontbreken. 
Breda (59) ; Grave (Bo. ). Een zeldzame vorm ; trans, exx., 
waarbij de andere lijnen nog meer of minder zichtbaar zijn, 
komen meer voor. 

10. ab. 2 disparina Von Müller, Fauna Lep. Silesiaca, pi. 
2, 1802. Vvls. alleen met de golf lijnen, zonder de V en de 



282 ß. J. LEMPKE. CATALOGUS DER (118) 

stip. Apeldoorn (Knf.) ; Amerongen (Btk. ) ; Bussum (v. d. 
M.). Een overeenkomstige vorm komt ook bij het S voor: 
Grave, verscheiden exx. (Bo. ). 

11. ab. ? angulilera Schultz, Ent. Z., vol. 24, p. 35, 1900 
(disparirla Snellen, De Vlinders, I, p. 175, 1867, nee Von 
Müller). Vvls. alleen met de V en de stip, zonder de 3 dwars- 
lijnen. Amsterdam (47; Z. Mus.); Arnhem, Wageningen, 
Zevenhuizen, Rotterdam (Z. Mus.) ; Soest (Lpk. ) ; Zeist 
(Br.) ; Den Haag (41) ; Willemstad (Wiss.) ; Grave (Mus. 
Rd., Bo.). 

12. ab. $■ insignata Schultz, I.e., 1910. Vvls. eehkleurig 
wit. Grave, slechts 1 ex. (Bo. ). 

Bo. heeft groote series uit Grave gekweekt (alleen van 
de S S bezit hij 230 exx. !). Natuurlijk zijn daar allerlei in- 
teressante vormen bij, o.a. : 

13. ab. De basaallijn op de vvls. meer naar het midden 
en door donkere lijnen langs de aderen met de verbreede 
mediaanlijn verbonden. Grave (Bo. ). 

T e r a t o 1. e X. a. $ zonder linkerspriet. Amsterdam, e.l. 
(Z. Mus.). 

b. $ zonder rechter avi., e.l., Bergen op Zoom (Wp.). 

c. $ , vvls. sterk verkort, zoodat de avis. uitsteken. Grave, 
a.o. (Bo.). 

d. ? , vvls. lancetvormig uitgerekt en de zwarte punten 
langs den achterrand tot een ononderbroken streep verbon- 
den ; Grave, a.o., ongeveer 10 exx. Sommige behooren tot ab. 
angulifera, bij 1 ex. zijn de V en de middenstip met elkaar 
verbonden ( Bo. ) . 

e. $ , ,,met breed-driehoekige, mannelijke vleugels", e.l., 
Wanneperveen (E. B., vol. 5, p. 218). 

O p m. Ik heb den indruk, dat in ons land 2 rassen van 
dispar voorkomen, die verschillen in grootte. Al mijn Am- 
sterdamsche exx. zijn prachtige groote dieren, duidelijk groo- 
ter dan exx. uit Aalten, Deurne en Meerssen. Voorloopig 
moet ik deze kwestie onbeslist laten. 

150. L. monacha L. Door het geheele land in boschachtige 
streken (maar niet uitsluitend), ook in de duinen. Vind- 
plaatsen buiten de zandgronden zijn : Noorder Hoogebrug 
(bij Bedum, op klei), Nieuwersluis, Amsterdam (21-7-1896, 
Z. Mus.; 17-7-1929 en 12-8-1932, v. d. M.), Rotterdam, 
Dordrecht, Heenvliet. In T. v. E., vol. 51, p. XXVI, ver- 
meldt Van den Bergh de soort als talrijk op iepen te Til- 
burg. 1 gen., begin Juli tot eind Aug. 

Var. 1. ab. nigra Freyer, N. Beitr., vol. 2, pi. 98, fig. 3 
(nee fig. 2), 1833. Vvls. met zwarten middenband van 
costa tot binnenrand. Putten, Nunspeet, Nijmegen (Z. 
Mus.) ; Leuvenum (L. Wag.) ; Apeldoorn (71, Knf.) ; 
Twello (Gold.) ; Bijvank (Sch.) ; Amerongen (Btk.) ; Drie- 
bergen (22); Zeist (Knf.); Ginneken (P.H.); Beifeld 
(Rk.) ; Arcen, Linné (Fr.). 



(119) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 283 

2. ab. oethiops De Sélys, Ann. Soc. Ent. Belg., I, p. 52, 
1857. Vvls. geheel zwart op een rij witte vlekken langs den 
achterrand na. Putten (Z. Mus.) ; Austerlitz (98), Breda 
(27, 28, 29, 34) ; Bergen op Zoom (Snijder). 

3. ab. atra Von Linstow, Ent. Z., vol. 21, p. 97, 1907. Vvls. 
geheel zwart. Denekamp (Cold.) ; Almelo (Cet.) ; Putten 
(Z. Mus.) ; Rozendaal (100) ; Breda (P. H.) ; Amsterdam 
(v. d. M.) ; Nunspeet, Venendaal (Wp.). 

4. ab. transiens Thierry-Mieg, Le Naturahste, vol. 8, p. 
237, 1886. Aile exx., waarbij de zwarte teekening uitgebrei- 
der is dan bij den typischen vorm, zonder tot één der 3 voor- 
gaande vormen te behooren. Overal onder de soort. 

5. ab. eremita Hb., Samml. Eur. Schm., fig. 246,? 1804 
(= nigra Freyer, I.e., fig. 2, 1833). Grondkleur der vvls. 
bruinachtig of grijsachtig, zwarte teekening normaal, duide- 
lijk zichtbaar. Almelo, Aalten (Cet.) ; Delden (18) ; Putten, 
Nunspeet, De Steeg, Lochem, Nijmegen, Bilthoven, Naar- 
den (Z. Mus.) ; Leuvenum, Lunteren (L. Wag.) ; Oldebroek 
(L. Mus.) ; Twello (Cold.) ; Bijvank (Sch.) ; Amerongen 
(Btk.) ; Auterlitz (81—83), Hilversum (17), Breda (36); 
Arcen (Mus. M.). 

6. ab. brunnea Stipan, Ent. Z., vol. 37, p. 40, 1923. Ge- 
heele lichaam en vleugels grijsbruin, teekening der vvls. flauw. 
Bijvank (Sch.) ; Zuidlaren (L. Wag.) ; Baarn (Knf. ) . 

7. ab. subfusca Schultz, Ent. Z., vol. 24, p. 36, 1910. Alles, 
wat bij den typischen vorm zwart is, is hier geelbruin, even- 
als het rood van het lijf. Nijmegen, Baarn (Z. Mus.) ; Arn- 
hem (11) ; Apeldoorn, Heenvliet (Knf.). 

8. ab. flavoabdominalis Schultz, I.e., 1910. Achterlijf geel. 
De Steeg (Wiss.). 

9. ab. Dwergen. Putten, Nunspeet, Nijmegen, Leeuwen, 
Ewijk (Z. Mus.). 

Ter a tol. ex. In T. v. E., vol. 17, p. XXIII, vermeldt 
Heylaerts een vlinder, uitgekomen met een rupsenkop. 

Porthesia Stephens. 

151. P. chrysorrhoea L., 1758 {similis Fuesshn, 1775). 
Overal algemeen. Ook bekend van Vlieland. 2 gens., de 
eerste half Juni tot eind Aug. (16-6 tot 27-8), de tweede 
eind Septr. tot eind Octr. (25-9 tot 22-10). i) Deze tweede 
gen. is zeer partieel, maar komt waarschijnlijk vrij geregeld 
voor: 25-9-32, 26-9-34, 2-10-34, 3-10-34 (2 exx.), 9-10-33 
(2 exx.), 10-10-33 (Cold.) ; 22-10-25 (Wiss.). 

Wat den soortnaam betreft, Linné beschreef den vhnder 
als volgt (Syst. Nat., X, p. 502) : ,,P. Bombyx ehnguis, ahs 

■'■) 3-9-34, eeni klein ex. De laatste vangst daarvoor was 16-8-34, 
zoodat het ex. waarschijnlijk al tweede gen. is, ook om zijn kleinheid 
(Cold.). 



284 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (120) 

deflexis albidis, abdominis apice barbato luteo". De 3 laatste 
woorden kunnen slechts op den donsvlinder betrekking 
hebben. Ook bij de volgende soort komen weliswaar zeer 
zelden exx. met gele achterlijfsbeharing voor, doch het 
woord „apice" past in geen geval op den basterdsatijnvlin- 
der. Bovendien heeft het eerste citaat van L. {,,Raj. ins. 156. 
n. 1 : 15") evenmin betrekking op deze laatste soort. Ray 
(Raius) beschrijft, zooals Rothschild overtuigend aan- 
toont (Nov. Zool., vol. 24, p. 355-56, 1917) den donsvlinder. 
Deze naamsverandering is zeer te betreuren, maar is toch 
slechts een gevolg van het onvoldoende raadplegen der oor- 
spronkelijke beschrijving.!). 

Var. De typische vorm, waartoe bijna alle ? 2 en enkele 
$ $ behooren, heeft geheel witte vleugels zonder donkere 
vlekjes. 

1. ab. punctellata nov. ab. Bij den binnenrandshoek 1 of 
meer zwarte vlekjes. 2) Zeer algemeen bij de $ $ , weinig 
bij de 5 $ . 

2. ab. nyctea Grum Grshimailo, Horae Soc. Ent. Ross., 
vol. 25, p. 464, 1891. Op de wis. 1 vlekje (of meer) aan den 
binnenrandshoek, 1 aan den wortel. Breda (29, 38) ; Amers- 
foort (Van der Vlugt).3) 

Euproctis Hb. 

152. E. phaeorrhoea Donovan {chrysorrhoea auct. nee L. ). 
In het N. zeldzaam (Skm. vond er slechts 1 ex., een $ te 
Eelderwolde in 1930), in de duinen en het Z. zeer algemeen, 
vaak schadelijk, in het midden wisselend. 1 gen., eind Juni 
tot eind Aug. (30-6 tot 24-8). 

V i n d p 1. Fr. : Lemmer. Gr. : ,,In Groningen zeer zeld- 
zaam", De Gavere, Handelingen, p. 105, 1857. Dr.: Eelder- 
wolde, Hoogeveen. Ov. : Kampen, Diepenveen (,, talrijk", 
Lukkien). Gdl. : geheele prov. (in Twello in 1930 en '31 zeer 
talrijk). Utr. : Soest, Utrecht. N.H. : Hilversum, Diemen, 



^) Den naam chrysorrhoea L. als nomen conservandum voor den 
basterdsatijnvl. beschouwen gaat niet, daar L.'s beschrijving dan nergens 
meer op past. De generieke nomenclatuur Iaat ik onveranderd, tot de 
Britsche nomenclatuurcommissie deze zaak bestudeerd heeft. 

^) Près de l'angle anal, il se trouve une ou plusieurs macules noires. 

^) Behalve de niet-inlandsche abs. frimaculafa Strand en quadrimaculafa 
Strand zijn er nog diverse auriflua's: 

1. auriflua Schiff., Syst. Verz., p. 52, 1776. Nomen nudum. 

2. aurifìua Esp., Eur. Schm . vol. 3, p. 107, pi 39. fig. 6, 1785. Op de 
wis. 2 vlekjes bij den apex, 2 bij den binnenrandshoek en 3 in het midden. 

3. auriflua Fab., Mant. Ins., vol. 2. p. 125, 1787. ,,Puncta interdum nigra 
sparsa in pagina superiori alarum". Nom. praeocc. 

4. auriflua Hb., Samml. Eur. Schm, fig. 68, ± 1800. Eenige vlekjes aan 
den binnenrandshoek en 1 aan den wortel. Nom. praeocc. Hiertoe behoort 
het ex. van Amersfoort. Doordat ik de diagnose van nyctea iets uitgebreid 
heb, is een nieuwe naam echter overbodig. 



(121) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 285 

Amsterdam (de laatste jaren steeds meer), duingebied (ook 
Texel en Vlieland). Z.H. : duingebied, Woerden, Rotter- 
dam, Dordrecht. Zl. : Walcheren, Stavenisse. N. B. en 
Lbg. : geheele prov. 

Var. De typische vorm heeft geheel witte vleugels. 

1. ab. punctellata Strand, Seitz, vol. 2, p. 135, 1910. Vvls. 
met weinig zwarte stippen. Oosterbeek, Nijmegen, Venlo (Z. 
Mus.) ; Wageningen (L. Wag.) ; IJmuiden (de Vos) ; Am- 
sterdam (F. F.) ; Haarlem (Wiss.) ; Maastricht (Rk.). 

2. ab. ptinctigera Teich, Corr. Nat. Ver. Riga, vol. 41, p. 
87, 1889. Punten op de vvls. talrijker, vaak rijen vormend. 
Oosterbeek, Nijmegen, Amsterdam, Stavenisse, Venlo (Z. 
Mus.) ; Roermond (Fr.). 

3. ab. xanthorrhoea Obthr., Lép. Comp., vol. 12, p. 282, 
1916. Achterlij f sbeharing goudgeel (ras van Algiers, Tunis, 
Sardinië). Breda (T. v. E., vol. 26, p. CLI) ; Amsterdam 
(trans., F. F.). 

4. ab. Dwergen. Wijk aan Zee, Hillegom (Z. Mus.). 
Tetarol. ex. Met afwijkend aderstelsel (T. v. E., vol. 

8, p. 96). 

Lasiocampidae. 
Poecilocampa Stephens. 

153. P. populi L. Door haast het geheele land waarge- 
nomen, blijkbaar zonder voorkeur voor een bepaalde grond- 
soort, in den regel niet talrijk. 1 gen., half Octr. tot in Dec. 
(15-10 tot 1-12). In Z. Mus. bevindt zich een ex. van 
Schoonoord, April 1905, een groote uitzondering. 

V i n d p 1. Fr.: Kollum, Rijen. Gr.: Aduard, Ten Boer, 
Groningen, Haren, Appelbergen. Dr. : Paterswolde, Schoon- 
oord, Hoogeveen, Frederiksoord, Wapserveen, Diever. Ov. : 
Denekamp, De Lutte, Hengelo, Delden, Ommen, Diepen- 
veen. Gdl. : Nijkerk, Putten, Leuvenum, Epe, Apeldoorn, 
Twello, Empe, Laag Soeren, Arnhem, Oosterbeek, Wage- 
ningen, Bennekom, Zutfen, Vorden, Doetinchem, Nijmegen, 
Hees. Utr. : Maarsbergen, De Bildt, Zeist, Soest. N.H. : Hil- 
versum, Bussum, Amsterdam, Santpoort, Haarlem, Over- 
veen. Z.H. : Woerden, Leiden, Voorschoten, Den Haag, 
Scheveningen. N.B. : Bergen op Zoom, Princenhage, Breda, 
Ginneken, Udenhout, Helvoirt. Lbg. : Plasmolen, Venlo, 
Tegelen, Brunssum, Rolduc, Kerkrade, Vaals. 

Trichiura Stephens. 

154. T. crataegi L. Meer of minder lokaal door het ge- 
heele land, vooral op zandgronden en in boschachtige streken. 
1 gen., half Aug. tot begin Octr. (18-8 tot 1-10). De rups 



286 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (122) 

moet, evenals bij P. populi, eerst aarde eten alvorens in te 
spinnen, anders misukt de veroopping. Zij varieert sterk (zie 
T. V. E., vol. 23, p. 195— 197,' pi. 12). 

V i n d p 1. Fr. : Kollum, Warga. Gr. : Groningen, Haren, 
Appelbergen, De Punt. Dr. : Schoonoord. Ov. : Ootmarsum, 
Denekamp, Losser, Hengelo, Markelo, Diepenveen. Gdl. : 
Nijkerk, Putten, Ermelo, Leuvenum, Apeldoorn, Twello, De 
Steeg, Renkum, Wageningen, Zutfen, Eefde, Warnsveld, 
Vorden, Barchem, Aalten, Dinxperlo, Slangenburg, Doetin- 
chem, Didam, Bijvank, Herwen, Berg en Dal, Groesbeek, 
Malden, Leeuwen. Utr. : Amerongen, De Bildt, Bilthoven, 
Ankeveen. N.H. : Hilversum, Laren, Bussum, Muiderberg, 
Limmen, Haarlem, Bentveld, Zandvoort. Z.H. : Leiden, Den 
Haag. N. B. : Bergen op Zoom, Breda, Oisterwijk. Lbg. : 
Mook, Roermond, Epen, Valkenburg, Houthem, Bemelen. 

V a r. Het typische $ is grijs met donkeren middenband, 
het Î donker grijsbruin. 

1. ab. pallida Tutt, Brit. Lep., vol. 2, p. 486, 1900. Veel 
lichter, het $ witachtig met donkeren middenband. Overal 
onder de soort. South, pi. 50, fig. 1. 

2. ab. defasciata nov. ab. Lichte S $ zonder den donkeren 
middenband, alleen met de 2 dwarslijnen.i) Hengelo, Put- 
ten, Renkum, Bilthoven, Zandvoort (Z. Mus.). 

Terato 1. ex. Rechter avi. te klein. Putten (Z. Mus.). 

Eriogaster Germar. 

*155. E, catax L. Slechts één al bijna een eeuw oude 
vangst uit ons land bekend. Uit het omringende gebied al- 
leen bekend uit Hannover (zeer zeldzaam bij de stad, in 
1926 echter verscheiden exx. op licht), Westfalen (vroeger 
bij Munster) en de Rijnprov. (zeldzaam) ; overigens nergens 
van Denem. tot en met Engeland waargenomen. 

V i n d p 1. Gdl.: Brummen (Bst., I, p. 238; zie ook De 
Vlinders, I, p. 189, waar de zekerheid van de vangst blijkt). 

156. E. lanestris L. Zeer lokaal en zeldzaam, alleen in het 
O. en Z. waargenomen. 2 vliegtijden (niet : generaties) ; de 
hoofdvliegtijd in Maart en April, de tweede als uitzondering 
in Septr. en Octr. De eieren van deze najaarsdieren zullen 
waarschijnlijk w'el overwinteren, doch waarnemingen hier- 
over zijn niet bekend, tenminste niet uit ons land. 

Vindpl. Ov. : Delden, 1899 (Prick). Gdl.: Vorden, 
Octr. 1899, e.l. (P.H.) ; Doetinchem, Doesburg (Bst., I, p. 
238); Velp, 1890 (de Vos). N.B.: Breda, 1865, 1868, 
11-9-1876 (e.l.), 28-3-1897 (alles L. Mus.), 31-3 (z. j., Btk.), 
3-4-1931 (Prick). Heylaerts, T. v. E., vol. 13, p. 149, noemt 



1) Mâles pâles sans la bande centrale foncée, il n' y a que deux lignes 
transversales. 



(123) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 287 

de soort ,, très-rare" en. schrijft : „Les chenilles sur Ie Prunus 
spinosa dans Ie Liesbosch". Lbg. : Roermond, 13-4-1922 
(Gielkens) ; Bemelen, 10-4-1896 (Z. Mus.) ; Simpelveld, 
Vaals (T. v. E., vol. 13, p. 127). 

Malacosoma Hb. 

157. M. castrensis L. In bijna alle heidestreken waarge- 
nomen, soms talrijk. 1 gen., eerste helft van Juli tot eerste 
helft van Septr. (10-7 tot 8-9). 

V i n d p 1. Gr. : Groningen. Dr : Eelderwolde, Peize, Don- 
deren, Bunnerveen, Zeegse, Gasteren, Schipbork, Schoon- 
oord, Havelte. Ov. : Steenwijk, Vriezenveen, Markelo. Gdl. : 
Nijkerk, Harderwijk, Putten, Leuvenum, Apeldoorn, Hoog 
Soeren, Loenen, Dieren, Rhederheide, Hoog Buurlo, Deelen, 
Rozendaal, Arnhem, Oosterbeek, Wolfheze, Heelsum, Wa- 
geningen, Zutfen, Montferland, Nijm.egen, Hatert. Utr. : 
Leersum, Amerongen, Driebergen, De Bilt, Zeist, Baarn, 
Soestdijk, Soesterberg, Amersfoort. N.H. : Hilversum (zeer 
veel, Doets), Laren, Texel. N.B.: Geertruidenberg, Bergen 
op Zoom, Ossendrecht, Woensdrecht, Ginneken, Breda, 
Oisterwijk, Deurne, Helenaveen. Lbg. : Mook, Plasmolen, 
Venlo, Swalmen, Roermond, Melick, Heerlen. 

Var. 1. ab. $ [asciata Gloss, Int. Ent. Z., vol. 11, p. 105, 
1917. Geheele middenveld der wis. bruin gevuld. Hilversum 
(Doets). 

2. ab. S brunnea Tutt, Brit. Lep., vol. 2, p. 532. 1900, 
Geheele vvl. bruin. Hilversum (Pt.) ; Bergen op Zoom 
(Snijder). 

3. ab. ^ obsoleta Tutt, I.e. Vvls. geheel geel met ondui- 
delijke teekening, avis. normaal. Texel (42). South, pi. 48, 
fig. 5. 

4. ab. î virgata Tutt, I.e., p. 533. De wortel van de vvls. 
geel, overigens normaal. Soest, Venlo (Z. Mus.). 

5. ab. ? unicolor Tutt, I.e. Vvls. zonder de 2 gele dwars- 
lijnen. Alleen enkele trans. exx. : Schoonoord, Arnhem, Oos- 
terbeek, Mook (Z. Mus.) ; Roermond (Lek.). 

G y n a n d r. Kleur en habitus ? , doch linker spriet $ en 
hnker kophelft geel behaard. Baarn, 1898 (Z. Mus.). 

158. M. ncustria L, Algemeen. 1 gen.. eind Juni tot begin 
Septr. (25-6 tot 3-9). 

V a r. Zeer variabel. Alle kleurvormen komen zoowel bij 
$ als bij 9 voor, al zijn ze niet alle bij beide seksen even 

gewoon. Ze kunnen in 2 groepen verdeeld worden : a. die 
waarbij de 2 dwarslijnen op de wis. donker zijn, en b, die, 
waarbij deze lijnen licht zijn. De eerste groep is in 3 kleur- 
vormen te verdeelen : 1. okerachtig geel, 2. geel, 3. licht grijs- 
bruin, terwijl de tweede groep 2 kleurvormen bevat, nl. 1. 
een lichter rooden vorm en 2. roodbruin (de donkerste exx). 



288 B. J. LEMPKE. CATALOGUS DER (124) 

1. ab. quercus Esp., Schmett. Eur., Forts., p. 35, pi. 85, 
fig. 3, 1790. Okerachtig geel met 2 donkere lijnen. Vrij ge- 
woon bij het $. South, pi. 48, fig. 1. 

2. ab. annularis Fourcr., Ent. Par., II, p. 262, 1785. Kleur 
als 1, met donkeren middenband. Roermond (Lek.). 

3. ab. ochracea-unicolor Tutt, Brit. Lep., vol. 2, p, 548, 
1900. Als 1, teekening flauw. Amsterdam, $ (Z. Mus.). 

4. neustcia L. Geel met 2 donkere lijnen. Zeer gewoon bij 
het $ . Onze VI., pi. 27, fig. 1 b. 

5. ab. virgata Tutt, I.e. Als 4, met donkeren middenband. 
Soest, $, Amsterdam, 9 (Z. Mus.). 

6. ab. unicolor Tutt, I.e. Als 4, teekening flauw. Putten, 
$, Amsterdam, 5 (Z. Mus.). 

7. ab. cervina Tutt, I.e. Lieht grijsbruin met 2 donkere 
dwarslijnen. Gewoon bij het ? , minder bij het S . 

8. ab. cervina'Confluens Tutt, I.e. Als 7, de 2 dwarslijnen 
raken elkaar. Schoonoord, Soest (Z. Mus.); Breda (19). 

9. ab. cervina-virgata Tutt, I.e. Als 7, vvls. met donkeren 
middenband. Gewoon bij het $ . 

10. ab. cervina'fracta Tutt, I.e. Als 7, band in het midden 
doorgebroken. Rotterdam (T. v. E., vol. 50, p. 147, pi. 2, 
fig. 12). 

11. ab. vulgaris Bkh., Rhein. Mag., vol 1, p. 368, 1793. 
Grondkleur lieht roodachtig, vaak met iets okerachtige tint, 
vvls. met 2 lichte dwarslijnen. Gewoon bij ^ en $ . South, 
pi. 48, fig. 2 en 3. 

12. ab. rufescenS'Virgata Tutt, I.e. Als 11, vvls. met don- 
keren middenband. Vrij gewoon bij 5 en ? . Arnhem, Nij- 
megen, Leeuwen, Loosdrecht, Amsterdam (Z. Mus.) ; Al- 
melo (Cet,). 

13. ab. rufescenS'Unicolor Tutt, I.e. Als 11, teekening on- 
duidelijk. Delfzijl, $ (Wiss.) ; Putten, $, Arnhem, 2 2 ? 
(Z. Mus.) : Maastricht (Rk.) ; Ginneken (Mus. Rd.). 

14. ab. pyri Seop., Ent. Carn., p. 199, 1763. Grondkleur 
diep roestrood of roodbruin, vvls. met 2 lichte dwarslijnen. 
De donkerste vorm. Gewoon bij $ , zeldzaam bij $ : 1 ex. 
Amsterdam (Z. Mus.). 

15. ab. ruf a-vir gâta Tutt, I.e., p. 549. Als 14, vvls. met nog 
donkerder middenband. Apeldoorn (Wiss.) ; Wyehen, Sant- 
poort (Z. Mus.). 

16. ab. rufa-unicolor Tutt, I.e. Als 14, teekening flauw. 
Zelhem (Btk.) ; Arnhem (Z. Mus.) ; Amsterdam (v. d. M.); 
Haarlem (Rk.). T. v. E., vol. 50, pi. 2, fig. 10. 

17. ab. maculifera Kol., Verh. zool. -bot. Ges. Wien, vol. 
58, p. 28, 1908. Van den donkeren middenband der vvls. is 
slechts een vlek aan de eosta over. Sittard (Mus. M.) ; 
Arnhem (I.e., p. 147, fig. 13). 

18. ab. bicolor Sibille, Lamb., 1927, p. 74. Wortel der vvls. 
geel, band en buitenveld bruin. Peizermade (L. Wag.) ; 
KoUum (Z. Mus.). 



(125) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 289 

19. ab. Vvls. donker, avis. licht. Aalten (Cet.). 

20. ab. Op den linker vvl. ontbreekt de benedenhelft van 
den band. Putten, $ (kleur als 4), Leeuwen, $ (kleur als 7) 
(Z. Mus.). 

Pachygastria Hb. 

159. P. trifolii Schiff. Op zandgronden, vooral op heiden 
en in de duinen. In Drente gewoonhjk veel minder talrijk 
dan Las. quercus L., bij Ede, Bennekom en Wageningen 
daarentegen zeer talrijk (Skm.). Van de Wadden-eil. bekend 
van Texel en Terstelling, van de zuidelijke eil. van Goeree 
(Ouddorp) en Walcheren (Domburg). Verder aangetroffen 
te Amsterdam, 1912 (Wp.) en Lobith (Sch.). 1 gen., tweede 
helft van Juh tot half Septr. (22-7 tot 10-9). 

Var. Schiffermüller heeft de soort niet beschreven, doch 
slechts een beschrijving van de rups door Reaumur aange- 
haald, waardoor in ek geval vaststaat, dat Schiff, de auteur 
is. De eerste afbeeldingen en beschrijving van den vlinder 
zijn afkomstig van Esper. Deze beeldt (Schmett. in Abb., 
vol. 3, pi. 15, fig. 1) een $ af met 2 lichte dwarslijnen 
op de vvls en (I.e., fig. 2) een ? met 1 dwarslijn, zonder 
de basaallijn. Tutt heeft den eersten vorm als den typischen 
gefixeerd en, hoewel deze veel minder voorkomt, moeten we 
dit als definitief beschouwen. 

De soort komt in ons land in 2 niet scherp van elkaar 
gescheiden rassen voor, een duinras en een heideras. Aber- 
ratief komt de heidevorm ook in de duinen voor en omge- 
keerd. In series is het verschil der 2 rassen echter zeer duide- 
lijk, vooral bij de 5 5 . 

1. ras (in het binnenland ab.) cervina Tutt, Brit. Lep., 
vol. 3, p. 11, 1902 {medicaginis Snellen etc, nee F.J.A.D.i)). 
Vvls. roodgrijs met meer of minder duidelijken middenband, 
avis. roodbruin. Het Nederlandsche duinras, ; ook op de 
eilanden. Buiten het duingebied nu en dan als ab., vooral 
bij de S $ : Nijmegen (Wiss.) ; Lobith (Sch.) ; Hilversum 
(Z. Mus.) ; Breda (11) ; Roermond (Fr.). T. v. E., vol. 50, 
pi. 3, fig. 23. 

Het heideras treedt in een lichter en een donkerder rood- 
bruinen vorm op. 

2. ab. unÜinea-typica Tutt, I.e., ip. 12. Grondkleur rood- 
bruin (de hchtere vorm), vvls. met 1 dwarslijn. Overal in 
de heidestreken, maar minder dan de donkerder vorm. Aber- 
ratief ook in de duinen : Wijk aan Zee, $ , Wassenaar, S 



1) Ab. medicaginis Dr. F. J. A. D. [onbekend, wie dit was], Bork- 
hausens Rhein. Mag., vol. 1, p. 363, 1793. ,,AIis reversis luteo cine- 
reis $ . Geelgrijs, aan den: wortel bruinachtig, de thorax ook geel- 
bruin ; het 9 gewoonlijk lichter, dikwijls geheel vuil geel." Aan deze 
beschrijving beantwoordt geen' enkel Nederlandsch ex. 



290 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (126) 

en $ (Z. Mus.). South, pi. 56, bovenste $. 

3. tri[olii Schiff. Als 2, wis. met 2 dwarslijnen. Breda, 1 S 
(Z. Mus.). South, I.e., bovenste S. 

4. ab. obsoleta-rufa Tutt, I.e. Diep voskleurig roodbruin 
(de donkerder vorm), teekening op de wis. onduidelijk. 
Putten, Apeldoorn (Z. Mus.) ; Twello (Cold.). 

5. ab. rufa Tutt, I.e. Kleur als 4, teekening der wis. dui- 
delijk. De hoofdvorm in de heidestreken ; in de duinen : 
Wassenaar, 1 ^ (Z. Mus.). Sepp, vol. 2, tab. 14 ; T. v. E., 
I.e., fig. 22 ; South, I.e., onderste $ en 2 . 

6. ab. De middenstip op de wis. in de lengte uitgerekt. 
Veenhuizen (de Vos). 

7. ab. De middenstip ontbreekt bijna geheel. S , Breda 
(P. H.). 

Lasiocampa Schrank. 

160. L. quercus L. Bijna door het geheele land op allerlei 
grondsoorten waargenomen, tot het veengebied en polderland 
toe. 1 gen., begin Juli tot half Aug. {7-7 tot 12-8). Een 
enkele keer overwintert de pop en duurt de cyclus dus 2 jaar, 
zooals dit regel is bij de niet inlandsche subsp. callunae 
Palmer. Zoo deelt Oudemans mee (T. v. E., vol. 71, p. XII), 
dat een rups van Schoonoord bij hem eerst als rups en daarna 
als pop overwinterde. Volgens Polak (in litt.) komt dit als 
groote uitzondering bij Drentsche exx. voor. Ook Veen meldt 
(in litt.) een rups van Havelte, die 6-7-1932 verpopte en 
23-7-33 een 2 opleverde. Bij v. G. eindelijk kwam 27-6-37 
een, Î uit een' overwinterde pop van Aalten. 

Vin dpi. Gr. : Harendermolen. Dr. : geheele prov. Ov.: 
Rossum (bij Denekamp), De Lutte, Hengelo, Diepenveen. 
Gdl. : Veluwe, Graafschap en Achterhoek, Montferland, 
Bijvank, Nijmegen en omgeving. Utr. : Leersum, Den Dolder, 
Amersfoort, Soest, Loosdrecht, Ankeveen, Kortenhoef. N.H. : 
Hilversum, Diemen, Aalsmeer, Texel, duingebied. Z.H. : 
duingebied (ook Ouddorp), Zevenhuizen, Rotterdam, Dor- 
drecht, Numansdorp. Zl. : Westerschouwen, Walcheren, 
Kapelle-Goes, Stavenisse. N.B. en Lbg. : geheele prov. 

Var. Een van onze interessantste Lasiocampiden. Een 
vraag, die bij deze ook geografisch zeer veranderlijke soort 
van groot belang is, is de kwestie, welke de typonominale 
vorm is. Linné geeft (Syst. Nat., X, p. 498, 1758) geen 
,, Patria" aan, zoodat de door hem vermelde citaten moeten 
beslissen. Het eerste citaat ,,Mou//'. ins. 187. f. 2." is waarde- 
loos (volgens Werneburg moet het leelijke plaatje de eerste 
toestanden van Pach. trifola voorstellen, maar in elk geval 
staat toch niets vast omtrent de herkomst der afgebeelde 
voorwerpen). Ik neem daarom het tweede citaat : ,,Goed. ins. 
1. t 17.", waardoor het Nederlandsche ras, en wel 



(127) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 291 

dat met kleine, normale middenstip (zie verder), het typo- 
nominale wordt. Identiek hiermee is de Engelsche vorm van 
quercus, zooals die door South wordt afgebeeld op pi. 52. i) 
Linné beschrijft het typische $ (1-c.) als volgt: ,,P. Bombyx 
elinguis, alis reversis ferrugineis : striga flava, punctoque 
albo." Dit roestroode of roodbruine S met s m a 1 1 e n gelen 
band komt slechts aberratief voor. Het ? beschrijft L. niet. 
Ik beschouw daarom als den typischen vorm dien, welke in 
ons ras het meest voorkomt. De kleur daarvan is okerachtig 
bruin, het buitenveld, vooral van de wis., meestal lichter dan 
de wortelhelft (cf. South, I.e., onderste fig.). 

In Nederland komen 2 vrij scherp van elkaar gescheiden 
rassen voor. Het eene bewoont N. -Drente en Groningen 
(Friesch materiaal ken ik niet) en is gekenmerkt door een 
sterk vergroote middenstip der wis. In L. Wag. bevindt zich 
een serie van eenige honderden exx. uit het N., die onmid- 
dellijk door dit kenmerk van het andere ras te onderscheiden 
zijn. Dit laatste, dat ik als het typonominale beschouw, be- 
woont de rest van het land. Waar precies de grens tusschen 
beide rassen ligt, is nog niet bekend. Uitzonderingen komen 
natuurlijk voor, aan beide zijden. Voorloopig zie ik van het 
geven van een naam aan het noordelijke ras, dat ongetwij- 
feld ook N.W.-Duitschland zal bewonen, af, omdat mijn 
persoonlijke ervaring nog te gering is met Drentsch materiaal. 

Maar ook het typonominale ras vormt op zich zelf geen 
eenheid. Afgezien van de groote individueele variabiliteit zijn 
series uit het W. (en wel speciaal uit het duingebied) g e- 
m i d d e 1 d duidelijk lichter dan die uit het O. en het is de 
vraag, of de donkerste vormen van het ? in het W. voor- 
komen. Maar de lichte vormen komen wel in het O. voor, 
al is het dan in veel mindere mate en al ontbreken ze op 
sommige vliegplaatsen waarschijnlijk volkomen. Er bestaat 
dus geen scherpe grens tusschen een ,, duinpopulatie" en een 
, .binnenlandpopulatie," doch het betreft hier alleen inderdaad 
duidelijk verschillende gemiddelden. 2 ) 

1. quercus ^L. $ roodachtig of roestkleurig, band op v.- 
en avis. smal. Breda (13). Het ï, zooals ik dat zoo juist 
gedefinieerd heb, komt in het geheele land voor, ook in de 
duinen. 

2. ab. $ latovirgata Tutt, Brit. Lep., vol. 3, p. 55, 1902. 
Als $ 1, maar band breed. Breda (14). 



^) La race typononiinale est celle de la Hollande (selon la seconde 
citation de Linné), elle est semblable à la forme anglaise figurée par 
South, pi. 52. 

2) Herhaaldelijk, te beginnen met Snellen, is ook subsp. callunae Palmer 
uit ons land gemeld, maar ten onrechte. De vorm onderscheidt zich, 
behalve door de kleur van rupsen en vlinders, vooral door de biologie. 
In het laagland van N.W\-Europa verschijnt hij pas in Noord Sleeswijk, 
vlak bij de Deensche grens. 



292 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (128) 

3. ab. $ basipuncta Tutt, I.e. Gele vlek aan den wortel 
der wis. Algemeen in alle kleurvormen. 

4. ab. S spartii Hb., Samml. Eur. Schm., fig. 173, ± 1800. 
Grondkleur kastanjebruin, banden smal. Arnhem (Z. Mus.). 
Keer, pi. 27, fig. 9. i) 

5. ab. S roboris F. J. A. D., Borkh. Rhein. Mag., I, p. 362, 
1793. Als 4, met breede banden. Alle exx., waarbij de band 
breed, naar buiten vervloeiend is. Hoofdvorm van het $ 
in het W. Ik ken den vorm van Arnhem, Wolfheze, Diemen, 
Bakkum, Limmen, Rotterdam, Numansdorp, Kapelle-Goes, 
Breda, Venlo en Gulpen. 

6. ab. $ purpurascens Tutt, I.e., p. 56. Diep purper- of 
chocoladebruin met smalle banden. Putten, Apeldoorn, De 
Steeg, Arnhem, Rotterdam (Z. Mus.) ; Aalten, Deurne 
(Lpk.). South, pi. 52. 

7. ab. $ purpurascens'latovirgata Tutt, I.e. Als 6, met 
breede banden. Hoofdvorm van het O., maar komt ook in 
het W. onder den lichteren vorm voor : Rotterdam, Kapelle- 
Goes. Ook in Z.-Limbg. : Houthem. 

8. ab. ê burdigalensis Gerhard, Beri. E. Z., vol. 26, p. 
127, 1882. De gele band strekt zich op de avis., op een 
smal bruin randje na, tot den achterrand uit. Houthem, Gul- 
pen (Z. Mus.) ; Stavenisse (Snijder). 

9. ab. $ obsoleta Tutt, I.e. Eenkleurig geel of licht oker- 
achtig geel, zonder dwarslijnen. Diemen (Lpk.). 

10. ab. ? vir gâta Tutt, I.e. Als 9, met een hebten band 
over voor- en avis. Apeldoorn, Zandvoort, Wassenaar (Z. 
Mus.). 

11. ab. $ ochracea'Virgata Tutt, I.e. Dof okerkleurig, tee- 
kening als 10. Winterswijk, Hilversum, Wassenaar (Z. 
Mus.) ; Aalten, Diemen, Scheveningen, Deurne (Lpk.) ; 
Kapelle-Goes (de Vos). 

12. ab. 9 ochracea-marginata Tutt, I.e. Als 11, buitenhelft 
der vleugels hchter dan wortelhelft. Venlo (Z. Mus.). 

13. ab. 9 brunnea-virgata Tutt, I.e. Grondkleur bruin, 
met lichten band over v.- en avis. Harendermolen, Putten, 
Numansdorp (Z. Mus.) ; Apeldoorn (de Vos), 

14. ab. Î brunnea-marginata Tutt, I.e. Als 13, buitenhelft 
van de vleugels lichter dan de wortelhelft. Putten, Apeldoorn 
(Z. Mus.) ; Aalten, Soest (Lpk.). 

Een extreem $ , haast zoo donker als de donkere $ ê van 
Macr. rubi, van Bunnerveen (L. Wag.). Bruine ? $ meer 
dan eens gekweekt uit rupsen van Zeegse (Skm.). Een bruin 
9 van Mook (Mus. Rd.). 

15. ab. ? . Vvls. grijsgeel, avis. okerachtig. Bunnerveen 
(Skm.). 

Terato 1. ex. 9 zonder rechter avi. Diemen, e.l. (Pt.). 



^) Meestal vermeld als een Zuideuropeesche vorm. Hübner geeft echter 
uitdrukkelijk als land van herkomst Duitschland op. 



(129) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 293 

Macrothylacia Rambur. 

161. M. rubi L. Door het geheele land op zandgronden 
en in boschachtige streken, vooral op heiden, ook in de 
duinen. Buiten dit gebied aangetroffen te Herwen (Sch.) 
en Anisterdam (T. v. E., vol. 55, p. XV). 1 gen., begin Mei 
tot eind Juni (3-5 tot 30-6). 

Var. Het is bij de zeer weinige duinexx., die ter beschik- 
king staan, op het oogenblik niet uit te maken, of er sprake 
is van een verschil tusschen duindieren en heidedieren. 

I. ab. $ ruf a Tutt, Brit. Lep., vol. 3, p. 127, 1902. Grond- 
kleur helder vosrood (de donkerste kleurvorm der SS), 
dwarslijnen op de wis. normaal. Algemeen. 

2.- ab. S rufa-fasciata Tutt, Le. Als 1, de 2 lijnen op de 
wis. raken elkaar en vormen een lichten band. Schoonoord 
(Z. Mus.). 

3. ab. S rula-unilinea Tutt, I.e. Als 1, een van de 2 dwars- 
lijnen op de wis. ontbreekt. Roermond (Lek.) ; Soest (Lpk. ). 

4. ab. S ferruginea Tutt, I.e. Grondkleur doffer roestrood 
(de lichter roodbruine S S ), lijnen normaal. Algemeen op 
haast alle vindplaatsen. South, pi. 59, fig. 2. 

5. ab. S ferruginea-approximata Tutt, I.e. Als 4, lijnen dicht 
bij elkaar. Schoonoord (Z. Mus.) ; Apeldoorn (de Vos). 

6. ab. S ferruginea~fasciata Tutt, I.e. Als 4, lijnen als 2. 
Putten (Z. Mus.). 

7. ab. S ferruginea-unilinea Tutt, I.e. Als 4, wis. met 1 
dwarslijn. Nijmegen, Hatert (Wiss.) ; Roermond (Lek.). 

8. ab. S brunnea nov. ab. Grondkleur bruin tot geelbruin, 
zonder eenige roode tint. i) Soest (Lpk). South, I.e., fig. 1. 

9. ab. î grisea Tutt, I.e. Grondkleur grijs, zonder roode 
tint, dwarslijnen normaal. Schoonoord, Nijmegen, Arnhem, 
Wageningen (Z. Mus.) ; Apeldoorn (de Vos) ; Zandvoort 
(Wiss.). 

10. ab. 2 grisea-approximata Tutt, I.e. Als 9, lijnen dicht 
bij' elkaar. Schoonoord (Z. Mus.). 

II. ab. ? grisea-conjuncta Tutt, I.e. Als 9, de 2 lijnen 
raken elkaar (in het midden ongeveer). Schoonoord, Putten 
(Z. Mus.). 

12. ab. Î grisea-vtrgata Tutt, I.e., p. 129. Als 9, de ruimte 
tusschen de 2 dwarslijnen donkerder. Oosterbeek (Z. Mus.). 

13. ? rubi L. Roodachtig of bruinachtig grijs, lijnen nor- 
maal (,,ahs reversis cervinis"). Algemeen. South, fig. 3. 

14. ab. ? cervina-virgata Tutt, I.e. Als 13, de ruimte tus- 
schen de 2 dwarslijnen donkerder. Deventer ( Gold. ) ; Wel- 
terberg (trans., Sch.). Dit laatste ex. is eigenlijk een com- 
binatie van rubi L. en grisea Tutt : de wortel is grijs, de rest 
der wis. is bruinachtig. 



Fond brun ou jaune-brun sans aucune teinte rouge. 



294 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (130) 

15. ab. transfuga Kroul., Soc. Ent., vol. 23, p. 11, 1908. 
? met de roodbruine kleur van het $ . Vught (38). 

Dendrolimus Germar. 

162. D, pini L. Uitsluitend in dennenbosschen in het O. 
en Z. 1 gen., eind Juni tot in de tweede helft van Aug. 
(29-6 tot 20-8). Vrij zeldzaam. 

Vin dpi. [Fr.: T. v. E., vol. 6, p. 159: „En Frise"]. 
Ov. : Denekamp, De Lutte, Markelo, Rijssen, Ommen, 
Diepenveen. Gdl. : Putten, Ermelo, Nunspeet, Hattem, Leu- 
venum, Apeldoorn, Twello, Loenen, Imbosch, De Steeg, 
Arnhem, Wageningen, Scherpenzeel, Terborg, Doetinchem, 
Doesburg, Montferland, Lobith (zwerver). Berg en Dal, 
Beek-Nijm., Nijmegen, Groesbeek. Utr. : Bilthoven, Den 
Dolder, Soest, Soestdijk, Baarn. N.H. : Amsterdam, $ , 23- 
7-18 (zwerver, v. d. M.). N.B. : Breda, Oisterwijk, Deur- 
ne. Lbg. : Venlo, Roermond, Arcen, Linne. 

Var. De beschrijving van Linné luidt (Syst. Nat., X, p. 
498) : ,,P. Bombyx elinguis, alis reversis griseis : strigis dua- 
bus cinereis ; puncto albo triangulari." Deze donkergrijze of 
zwartgrijze typische vorm met 2 lichtgrijze dwarslijnen op 
de wis. en een witte middenstip is een heel andere dan in 
de meeste werken als de typische vorm wordt beschreven 
of afgebeeld. Nederlandsche exx. zijn me niet bekend. Een- 
kleurig grijze dieren zijn trouwens toch al heel zeldzaam 
bij ons. 

Normale exx. bezitten op de wis. 3 dwarslijnen, die ik zal 
aanduiden als binnenste, middelste en buitenste dwarsiijn. 
Daardoor kunnen 4 velden ontstaan, die ik wortelveld, dis- 
caalveld, postdiscaalveld en achterrandsveld noem. Bijzonder 
aanbevolen voor de studie van de pfni-vormen : F. K r a m- 
linger en P. Köhler, „Dendrolimus pini L. aus den 
Kieferwäldern bei Wiener-Neustadt", Weenen, 1913, 12 pp., 
1 gekleurde plaat met 20 fig., 1 zwarte met 17 fig. en 9 
textfig. 

1. ab. grisescens Rbl., Berge, IX. ed., p. 129, 1910. Een- 
kleurig lichtgrijs met normale teekening (dus met de 3 dwars- 
lijnen). Breda (16). 

2. ab. cana Gloss, Int. Ent. Z., vol. 14, p. 107, 1920. Grond- 
kleur donkergrijs, met de 3 dwarslijnen. Venlo (Z. Mus.). 

3. ab. unicolor- grisescens Grünberg, Seitz, vol. 2, p. 171, 
1911. Eenkleurig geelachtig grijs met middenstip. Putten 
(Z. Mus.). 

4. ab. bicolor nov. ab. [pini multi auct. nee L.). Wortel- 
veld en postdiscaalveld bruin, discaalveld en achterrands- 
veld grijs. 1) Hiertoe behoort 80 à 90 % onzer exx. T. v. E., 



^) Les aires basale et postdiscale de couleur brune, les aires discale 
et marginale de couleur grise. 



(131) NEDERLANDSCHE MÂCROLEPIDÔPTERÂ. 295 

vol. 50, pi. 3, fig. 26 en 28 ; Keer, pi. 29, fig. 2. In allerlei 
tinten. 

5. ab. confluens Lahn, Ent. Z., vol. 31, p. 22, 1917. Wor- 
tel-, discaal- en postdiscaalveld bruin, achterrandsveld grijs ; 
van de dwarslijnen, is alleen de buitenste aanwezig. Apel- 
doorn (de Vos). T. v. E., I.e., fig. 29 (ontbrak echter in 
coll.-Oudemans ) . 

6. ab. brunneus Kraml. et Köhler, I.e., p. 7, 1913. Vvls. 
eenkleurig bruin met duidelijke scherpe dwarslijnen. Putten 
(Z. Mus.) ; Apeldoorn (de Vos). 

7. ab. unicolor-brunnea Rbl., I.e., 1910. Vvls. eenkleurig 
bruin, dwarslijnen flauw. Putten, Beek-Nijm., Nijmegen (Z. 
Mus.) ; Hattem (8), Breda (10). T. v. E., I.e., fig. 30. 

8. ab. bilineatus Kraml. et Köhler, I.e., p. 7, 1913. De mid- 
delste dwarsstreep op de vvls. is verdubbeld. Markelo ( Btk. ) ; 
Diepenveen (Lukkien) ; Putten, Nunspeet (Z. Mus.) ; Bre- 
da (21) ; Roermond (Lek.). 

9. ab. duplolineatus Kraml. et Köhler, I.e., 1913. De bin- 
nenste dwarslijn verdubbeld, de middenstip staat tusschen 
de dubbele lijnen in. Markelo (Btk.) ; Breda (P. H.). 

10. ab. impnnctatus Kraml. et Köhler, I.e., p. 8. De midden- 
stip der vvls. ontbreekt. Oisterwijk (Cold.). 

Cosmotriche Hb. 

163. C. potatoria L. In het geheele land, in vochtige stre- 
ken algemeen, in droge veel minder. 1 gen., half Juni tot 
eind Aug. (18-6 tot 26-8). 

Var. De typische vorm is geel (,,alis reversis flavis"), 
terwijl de Nederlandsche gele vorm de typonominale is, daar 
het eerste citaat van Linné luidt: ,,Goed. ins. 1. t. 12." De 
vlinder heeft in ons land twee vrij scherp van elkaar ge- 
scheiden rassen. Het eene bewoont de lage deelen van Noord- 
en Zuid-Holland en zoo goed als zeker ook van Friesland 
en is gekenmerkt door het voorkomen van gele $ $ en het 
bijna of geheel ontbreken van bruine of grootendeels bruine 
$ $ . Het andere bewoont de hoogere gronden (waarschijn- 
lijk het geheele land buiten het polder- en merengebied) en 
kenmerkt zich door het voorkomen van igeheel of grooten- 
deels roodbruine S $ en het ( op heel enkele uitzonderingen 
na) volkomen ontbreken van geheel gele 5 5 . In de grens- 
gebieden, zooals de Ankeveensche plassen en Z. O. -Fries- 
land, komt een gemengde populatie voor, waarbij de ê ê 
haast alle bekende vormen vertoonen. Bij de 9 2 is van 
rasvorming zoo goed als niets te bespeuren. Dr. T o x o- 
p e u s vermoedt (in Htt.), dat het verschil in normaal voedsel 
een groote rol spelen zal, misschien met een locaal verschil 
gecombineerd. Op het oogenbhk kan van eenige bepaalde 
conclusie echter nog geen sprake zijn. 



296 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (132) 

1. ab. grisescens Mezger, Lamb., 1933, p. 1 1 (? pallida 
Spuler, Schmett. Eur., I, p. 121, 1908). Grondkleur grijs- 
achtig. Nijetrijne (Lpk. ). 

2. ab. berolinensis Heyne, Soc. Ent., vol. 14, p. 3, 1899. 
Grondkleur bleekgeel, teekening normaal, bruinachtig. S : 
Wolvega ( Bo. ) ; Naardermeer, Amsterdam, Warga ( Z. 
Mus.) ; Den Haag (79). ? : Hardegarijp, Wageningen 
(L. Wag.) ; Nijetrijne, Ankeveen (Lpk.) ; Apeldoorn (Z. 
Mus.) ; Hatert (Wiss.) ; Amerongen (Btk. ) ; Loosdrecht 
(Knf.) ; Rotterdam (Kallenbach) ; Overasselt (Bo.) ; Val- 
kenburg (Rk. ), 

3. ab. obsoleta-berolinensis Tutt, Brit. Lep., vol. 3, p. 162, 
1902. Als 2, de dwarslijnen op de wis. ontbreken. $ : Am- 
sterdam (Z. Mus.). ? : Wolvega (trans., Bo.) ; Naarder- 
meer, Assendelft, Noordwijk (Z. Mus.). 

4. potatoria L. Kleur geel. S : Nijetrijne, Wormerveer (hier 
uitsluitend) (Lpk.) ; Diemen (v. d. M.) ; Amsterdam (Z. 
Mus.) ; Hoek van Holland, Rotterdam, Breda (P. H.) ; 
Paterswolde (Wiss.). $ : haast overal onder de soort. T. v. 
E., vol. 50, pi. 2, fig. 14 en 19. 

5. ab. obsoleta-potatoria Tutt, I.e. Als 4, zonder dwars- 
lijnen. $ : Amsterdam (Z. Mus., de Vos) ; Aalsmeer (Lpk.) 

6. ab. atrinerva Grünberg, Seitz, voi. 2. p. 164, 1911. 
Grondkleur geelachtig, aderen, vooral op de wis., zwart ge- 
tint. Amsterdam (Grünberg, i.e.). In geen enkele mij bekende 
coll. aanwezig, i) 

7. ab. nigrescens nov. ab. Costa der wis. tot de midden- 
celvlek breed zwart bestoven ; de 2 lijnen, die uit de vleugel- 
punt komen, zwart; buitenhelft der avis. zwart bestoven. 2) 
Alleen bij de gele $ $ . T. v. E., I.e., fig. 15. Amsterdam 
(L. Mus.) ; Scherpenzeel-Fr., Assendelft (Z. Mus.) ; Nije- 
trijne, Wormerveer (Lpk.). 

8. ab. lutescens Tütt, I.e. Diep geel of oranjegeel, teeke- 
ning normaal. $ : Nijetrijne, Aalsmeer (Lpk.) ; Amsterdam 
(Z. Mus.) ; Heemstede (Wiss.) ; Den Haag (35) ; Roer- 
mond (Lek.). $ : algemeen, vaak prachtige haast oranje 
dieren (= aurantiaca Mezger, Lamb., 1933, p. 12), T. v. E., 
I.e., fig. 20. 

9. ab. obsoleta-lutescens Tutt, I.e., p. 163. Als 8, zonder 



') In Jaarb. Ver. tot Behoud van Natuurmon., 1923-28, p. 117, wordt 
een ex. uit het Naardermeer vermeld. Deze determinatie is echter onjuist. 
Het aldus genoemde $ is ab. berolinensis. (Het andere $ uit het meer 
is ab. diminuta, 2 $ $ zijn ab. lutescens en 1 is ab. obsoleta-lutescens) . 
In coll.-Jurriaanse (L. Mus.) zijn 5 $ $ en 5 $ $ van Amsterdam 
(Polak leg.), gedetermineerd als atrinerva. De $ $ zijn nigrescens, de 
$ Ç lutescens en obsoleta-lutescens. 

^) Côte des ailes antérieures largement saupoudrée de noir jusqu' à la 
macule discale ; les deux lignes venant de 1' apex sont noires, la moitié 
extérieure des ailes postérieures est saupoudrée de noir. 



(133) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 297 

de 2 dwarslijnen. 5 : Warga, Naarden, Amsterdam, Assen- 
delft (Z. Mus.) ; Aalsmeer (Lpk.). 

10. ab. pvoxima Tutt, I.e. Grondkleur geel, costa breed 
bruin bestoven, dwarslijnen roodbruin, avis. geelachtig. De 
eerste graad van roodbruin worden. $ : Wartena ( Bo. ) ; 
Duiven (de Vos) ; Aalsmeer (Lpk.). 

11. ab. intermedia Tutt, I.e. Grondkleur geel, voor- en 
achterrand der wis. roodbruin, dwarslijnen gewoon, avis. 
roodachtig of bruinachtig geel met donkerder dwarsschaduw. 
Keer, pi. 28, fig. 2 ; T. v. E., I.e., fig. \6. $ : Twisk, Scher- 
penzeel. Leeuwen, Oosterbeek, Amsterdam (Z. Mus.) ; Aals- 
meer, Ankeveen (Lpk.). 

12. ab. diminuta Tutt, I.e. Roodachtig bruin, een gele striem 
vanuit de middenvlek, een gele vlek aan den wortel der wis. 
T. v. E., I.e., fig. 17; South, pi. 61, onderste $. Bij het $ 
van het roodbruine ras zeer algemeen, bij het lichte ras als 
groote uitzondering : 1 $ van Amsterdam (Z. Mus.). 

13. ab. extrema Tutt, I.e. Eenkleurig roodbruin, zonder 
geel, met de gewone dwarslijnen. T. v. E., I.e., fig. 18 en 21. 
Alleen bij het donkere ras. S : Bunnerveen (L. Wag.) ; 
Heerde (Knf.) ; Asselt, Kerkrade (Z. Mus.) ; Harderwijk 
(Bo.) ; Apeldoorn (de Vos) ; Aalten (Lpk.) ; Hatert (Wiss.); 
Roermond (Lek.) ; Meerssen (Rk. ). î : Vriezenveen (v. d. 
M.) ; Oldenzaal, Twello (de Vos) ; Apeldoorn, Laag Soe- 
ren, Arnhem (Z. Mus.) ; Aalten (Vegter). (De ? ? blijven 
altijd lichter van tint dan de S S ). 

14. ab. Grondkleur lichtgeel, maar geheel bruin bespren- 
keld. Gorssel, $, Wageningen, ? (L. Wag.). 

15. ab. Vele exx. hebben slechts 1 discaalvlek op de wis. 
G y n a n d r. Van Medenbach de Rooy meldt een ex., 

links $, rechts $ (Handelingen, p. 12, 1854). 

Terato 1. ex. Een ex. zonder hnker avi. uit de pop. 
(Van Eyndhoven, i.e., p. 4). 

Epicnaptera Rambur. 

164, E. ilicifolia L. Zeer lokaal, doch geregeld in Noords 
Brabant ; ook eenmaal in Gelderland gevangen. 1 gen., 
9 April tot 17 Mei volgens gekweekte exx. 

Vin dpi. Gdl. : Nijmegen, 1924 (Wiss.). N.B.: Breda 
(T. V. E., vol. 15, p. XX en 118: 20 rupsen op Calluna 
vulgaris in Juli 1870 op de Galdersche Heide; I.e., vol. 38, 
p. XXXVII: talrijke rupsen). Udenhout, Tilburg, Oister- 
wijk, Moergestel, Spoordonk, Oirschot, Deurne, Vierlings- 
beek. 

Var. 1. ab. unicolor-rufescens Tutt, Brit. Lep., vol. 3, 
p. 189, 1902. Bijna eenkleurig rood. Breda (1, 2) ; Moer- 
gestel (Z. Mus.). 

2. ab. grisea Tutt, I.e. Donkergrijs, worteldeel van alle 



298 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (134) 

vleugels roodachtig getint, dwarslijnen lichtgrijs. Onze VI., 
pi. 28, fig. 5. Breda' (3). 

165, E. tremulifolia Hb» Zeer lokaal en zeldzaam in het O. 
en Z. 1 gen., begin Mei tot eind Juh (4-5 tot 29-7). 

V i n d p 1. Ov. : Almelo. Gdl. : Apeldoorn, Vorden, Doe- 
tinchem, Nijmegen. Z.H. : Dordrecht. N.B. : Breda. Lbg. : 
Plasmolen, Venlo, Keer, Epen. 

Gastropacha O. 

166. G. quercifolia L. Door het geheele O. en Z., vooral 
op zandgronden, en in de duinen. Skm. schrijft : ,, Overal in 
heidestreken. Rupsen op Calluna, els, wilg. Prunus padus, 
Rhamnus frangula". 1 gen., eind Juni tot begin Aug. (30-6 
tot 11-8), een klein, laat ex. van Soest echter nog 13-9. 

V i n d p 1. Gr. : Harendermolen, Appelbergen, De Punt. 
Dr. : Peize, Norg, Donderen, Zeegse, Schipborg, Bunner- 
veen. Roden, Lieveren, Anlo, Odoornerveen, Hoogeveen, 
Havelte. Ov. : Almelo, Lonneker, Rijssen, Diepenveen, De- 
venter. Gdl. : Harderwijk, Putten, Epe, Apeldoorn, Twello, 
Empe, Laag Soeren, Arnhem, Oosterbeek, Wageningen, 
Laren, Winterswijk, Aalten, Laag Keppel, Doesburg, Didam, 
Bijvank, Lobith, Nijmegen, Hatert. Utr. : Driebergen, Amers- 
foort, Soest, Groenekan, Kortenhoef. N.H. : Schoorl, Ber- 
gen, Wijk aan Zee. Z.H. : Wassenaar, Oostvoorne. Zl. : 
Kapelle-Goes, Wilhelminadorp. N.B. : Bergen op Zoom, 
Zundert, Breda, Oisterwijk, Deurne, Cuyck. Lbg. : Venlo, 
Roermond, Melik, Echt, Sittard, Brunssum, Kerkrade, Maas- 
tricht, Meerssen, Houthem, Geulem, Geulle, Voerendaal, 
Epen, Mamelis. 

Var. De Nederlandsche exx. zijn over het algemeen 
donker tot zeer donker. Vooral de Drentsche exx. zijn don- 
kere dieren. Of we echter van bepaalde rassen kunnen 
spreken, valt, te oordeelen naar het beschikbare materiaal, 
zeer te betwijfelen. Wel zijn de lichtere vormen tot nog toe 
uitsluitend uit het Z. bekend, maar er zal eerst aan groote 
series onderzocht moeten worden, of er een algemeene regel 
bestaat. Waarschijnlijk zal dan wel blijken, dat er alleen 
duidelijk verschillende gemiddelden tusschen verschillende 
populaties bestaan. 

1. ab. ulmifolia Heuäcker, Ent. Z. Stettin, vol. 34, p. 244, 
1873. Grondkleur okerachtig (als populifolia) . Meerssen 
(Rk.). 

2. quercilolia L. Helder bruinachtig rood (roestrood), langs 
den achterrand donker (,,ahs reversis dentatis ferrugineis 
margine postico nigris"). Sittard (de Vos); Voerendaal (Br.). 

3. ab. alnifolia Ochs., Schmett. Eur., III, p. 250, 1810. Kleur 
als 2, doch met veel meer donkere partijen : langs den voor- 
rand der wis., langs den achterrand van alle vleugels en in 



(135) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 299 

het midden van de avis. Keer, pi. 28, fig. 6. Hoofdvorm bij 
ons. 

4. ab. purpurascens Tutt, Brit. Lep., vol. 3, p. 205, 1902. 
Grondkleur purperkleurig, sterk zwart bestoven. De donkerste 
vorm der Nederl. exx. Alle Drentsche exx. van Wiss., maar 
ook overal elders onder de soort voorkomend, tot in Zd.- 
Lbg. toe (Houthem, Z. Mus.). 

[5. gen. II hoegei Heuäcker, I.e., 1873. Tweede gen., veel 
kleiner. Nooit waargenomen. Ik bezit een ex. uit Soest, dat, 
in natura aangetroffen, ongetwijfeld voor hoegei gehouden 
zou zijn. Het is zeer klein en kwam pas 13 Sept. 1932 uit 
een pop, die den heelen zomer over was blijven liggen]. 

167. G. populifolia L. Zeer lokaal en zeldzaam, in Zd. 
Limbg. de laatste jaren echter vrij geregeld. 1 gen., eind 
Juni tot eind JuH (28-6 tot 27-7). 

V i n d p 1. Ov. : Dalfsen, Zwolle. Gdl. : Empe, Arnhem, 
Wageningen, Zutfen, Doesburg, Herwen, Lent, Nijmegen, 
Groesbeek, Wamel, Leeuwen. Z.H. : Rotterdam, Dordrecht. 
N.B. : Breda. Lbg. : Venlo, Tegelen, Roermond, Melik, 
Meerssen, Maastricht, Epen. 

Odonestis Germar. 

168. O. pruni L. In een groot deel van het land waar- 
genomen, over het algemeen echter niet gewoon. 1 gen., 
eind Juni tot half Aug. (25-6 tot 10-8). 

V i n d p 1. Gr. : Groningen. Ov. : Steenwijk, Denekamp, 
Diepenveen, Deventer. Gdl. : Leuvenum, Apeldoorn, Twel- 
lo (geregeld ; aantal stijgend tot 1932, ± 15 exx., daarna 
steeds dalend), Empe, Arnhem, Oosterbeek, Wageningen, 
Ede, Zutfen, Vorden, Aalten, Varseveld, Doetinchem, Does- 
burg, Lobith, Herwen, Ubbergen, Beek-Nijm., Nijmegen, 
Hatert, Huisen. Zetten, Leeuwen. Utr. : Zeist, De Bildt, 
Utrecht, Soest. N.H. : Hilversum, Bussum, Naarden, Amster- 
dam. Z.H. : Leiden, Wassenaar, Dordrecht, Alblasserdam. 
[Zl. : T. v. E., vol. 40, p. 290, zonder vindplaats]. N.B.: 
Bergen op Zoom, Zevenbergen, Breda, Tilburg, Cuyck. 
Lbg. : Ottersum, Venlo, Roermond, Brunssum, Valkenburg, 
Maastricht. 

Var. 1. pruni L. De beschrijving van Linné luidt (Syst. 
Nat., X, p. 498, 1758) : ,,P. Bombyx: elinguis, alis reversis 
luteis : strigis duabus fulvis punctoque albo." Deze typische, 
diep gele of oranjegele vorm, die nergens in de literatuur 
vermeld wordt, is zeldzaam. Arnhem, Vorden, Nijmegen, 
Cuyck (Z. Mus.). 

2. ab. aurantiaca nov. ab. Oranjerood, i) De gewone 



^) La forme commune est rouge-orange, Ie type est jaune profond ou 
jaune-orange. 



300 B. J. LEMPKE. CATALOGUS DER (136) 

overal voorkomende vorm, waartoe bijna alle Nederl. exx. 
behooren. 

3. ab. vulpecula Dannehl, Ent. Z., vol. 39, p. 115, 1925. 
Op de wis. is alleen de buitenste dwarslijn aanwezig, de 
binnenste ontbreekt. Nijmegen (de Vos) ; Roermond (Fr.). 

4. ab. Grondkleur rooder dan gewoonlijk, geheel overeen- 
komend met de afb. van het Siberische ras rufescens Kard. 
in Seitz, vol. 2, Suppl., pi. 10 c, 1932. Lobith (Sch.). 

P a t h o 1. ex. Op den rechter vvl, vereenigen de 2 dwars- 
lijnen zich boven de middenstip tot een donkere vlek. Leu- 
venum (Gold.). 

Endromididae. 

Endromis O. 

169. E. versicolora L. Verbreid in de zand- en bosch- 
achtige streken van het geheele O. en Z. 1 gen., half Maart 
tot in de tweede helft van April (19-3 tot 21-4). 

V i n d p 1. Dr. : Frederiksoord. Ov. : Steenwijk, Dene- 
kamp, Hengelo, Enschede, Rijssen, Bathmen, Diepenveen. 
Gdl. : Nijkerk, Harderwijk, Putten, Apeldoorn, Teuge, Im- 
bosch, Arnhem, Heelsum, Bennekom, Zutfen, Eefde, Aalten, 
Montferland, Bijvank, Lobith (zwerver), Nijmegen, Hatert. 
Utr. : Amerongen, Leersum, Doorn, De Bildt, Utrecht, Amers- 
foort. N.H. : Hilversum (Lg.; een copula 10-4-1935 op 
beukestam, Doets), Amsterdam (1895, $ op een hoop gras- 
zoden op het Damrak, Roelants leg.). N.B. : Halsteren, 
Breda, Oudenbosch, Waalwijk. Lbg. : Venlo, Heithuizen, 
Roermond, Maastricht, Vaals. 

Var. 1. ab. obsoleta Tutt, Brit. Lep., vol. 3, p. 240, 1902. 
Teekening der avis. flauw. Apeldoorn (30), Amerongen 
(24) ; Putten (Z. Mus.). 

2. ab. $ wis. met kleur als die van het ? . Diepenveen 
( Lukkien ) . 

3. ab. $ avis. roodachtig bruin. Roermond (Lek.). 

Lemoniidae. 
Lemonia Hb. 

170. L. dumi L. Uiterst zeldzaam ; kan zich hier waar- 
schijnlijk niet duurzaam handhaven. 1 gen., Octr. (voor zoo- 
ver bekend). In Denemarken 4 vindpl. (2 op Seeland, 1 op 
Moen en 1 op Falster) ; ontbreekt in Sleesw. -Holst. ; bij 
Hamburg zeldzaam ; bij Bremen en in Hannover onbekend ; 
zeldzaam in Westfalen ; zeer zeldzaam in de Rijnprov. ; in 
België lokaal en zeldzaam ; niet in Engeland. 

Vindpl. Gdl.: Oosterbeek (T. v. E., vol. 3, p. 12); 



(137) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 301 

Nijmegen (op. cit., vol. 5, p. 174). N.B.: Oudenbosch (op. 
cit., vol. 46, p. 238) ; Breda (op. cit., vol. 14, p. 99: 1 9 
op 14 Oct. 1870, terwijl 2 $ S in den zonneschijn rond- 
vlogen ; behalve dit î is in L. Mus. nog aanwezig van Breda 
of omgeving : l $ , 24-10-1878, Mastbosch ; 1 ^ , 7-10-1881 ; 
1 $, 12-10-1893, Bürgst; 1 rups 2-7-1886, Mastbosch). 

Saturniidae. 

Eudia Jordan, 

171. E. pavonia L. Door het geheele land op zandgron- 
den, ook in de duinen. Overal in heidestreken. Doch ook 
van enkele plaatsen buiten de zandgronden bekend. Sommige 
jaren zeer talrijk, dan weer enkele jaren veel minder, vooral 
ook doordat vele poppen pas na 2 of 3 jaar uitkomen (een 
enkele maal na 4 jaar. Polak in litt.). 1 gen., in den regel 
van eind April tot eind Mei. Prick meldt echter enkele veel 
latere vangsten : Houthem, $ , Juni 1928 ; Houthem, $ , be- 
gin Juli 1929, een pas uitgekomen prachtig ex. ; Merkelbeek, 
$ , 30 Aug. 1930. Hij voegt er aan toe, dat hij enkele jaren 
achtereen late exx. ving of zag. Verdere waarnemingen (en 
publicatie er van) zijn zeer gewenscht. 

V i n d p 1. Afgezien van de vele vindplaatsen in de heide- 
streken zijn de volgende van belang : Fr. : Gorredijk. Gdl. : 
Lobith. Utr. : Waverveen. Z.H. : Barendrecht. ZI. : Drei- 
schor, Duiveland, Stavenisse, Arnemuiden, Kapelle-Goes. 
Lbg. : o.a. het geheele zuiden. 

Var. Het Zweedsche ras is het typonominale (eerste 
citaat van L!). Dit onderscheidt zich van het Middeneuro- 
peesche {centralis Schulze. Int. Ent. Z., vol. 6, p. 203, 1912), 
doordat het kleiner is. De Zweedsche exx. hebben een vlucht 
van 42-70 mm (Svenska Fjärilar, p. 55). Onze vorm is reeds 
grooter (49-80 mm), zoodat hij óf tot pavonia centralis 
Schulze behoort, óf er een overgang naar vormt. Wegens 
gebrek aan Middeneuropeesch materiaal kan ik dit niet uit- 
maken. 

1. ab. de[lexa Schultz, Ent. Z., vol. 23, p. 36, 1909. De 
oogen zijn op alle vleugels zoo ver naar buiten geplaatst, 
dat ze de dubbele getande dwarslijn raken. Algemeen. 

2. ab. melanopis Stättermayer, Zeitschr. Öst. Ent. Ver., 
vol. 5, p. 60, 1920. In de oogen ontbreekt zoowel de roode 
als de blauwe halvemaanvormige vlek. Tilburg (trans., Wp.) ; 
Den Dolder (64). 

3. ab. caeca Stätterm., I.e. De spiegel in het oog, het witte 
vlekje, ontbreekt. Hatert (Wiss.) ; Bergen op Zoom (Snij- 
der) ; Roermond, Rolduc (Mus. M.). 

4. ab. defasciata Schultz, I.e., p. 37, 1909. De dubbele 
dwarslijnen, die het middenveld aan weerszijden begrenzen. 



302 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (138) 

ontbreken. Putten, Beek-Nijm., beide $ $ trans., alleen op 
avis. (Z. Mus.). 

5. ab. edentata 'Schultz, I.e., p. 37. De buitenste dubbele 
dwarslijn niet, zooals anders het geval is, getand. Putten, $ , 
alleen op wis. (Z. Mus.). 

6. ab. occlusa Braun, Lamb., 1928, p. 56. Op de avis, is 
de ruimte tusschen de binnenste en buitenste dubbele dwars- 
lijn van even onder het oog tot aan den binnenrand donker 
gevuld, doordat de dwarslijnen van daar af samen loopen. 
Haast overal onder de soort. 

7. ab. alboplaga Gschwandner, Verh. zool. -bot. Ges., Wien, 
vol. 69, p. (71), pi. 8, fig. 1, 2, 1919. Bij àe $ $ staat het 
oog op crêmewitten, bij de ? Î op zuiverwitten grond. En- 
kele $ $ vormen een sterken overgang tot dezen vorm of 
kunnen er zelfs toe gerekend worden. Bij de exx. in coll.- 
Sch. is het opmerkelijk, dat het oog van de $ 9 van de 
Rhederheide op veel donkerder grond staat dan bij die van 
Lobith en omgeving, waardoor de laatste een veel lichter 
indruk maken. 

8. ab. rosacea Newnham, Ent. Ree, vol. 2, p. 198, 1891. 
Sterk rose gekleurd. Slechts enkele zwakke overgangsexx. : 
De Punt (Wiss.) ; Dreischor (Snijder). 

9. ab. atromaculata Stätterm., I.e., 1920. Het rood van de 
apicaalvlek zwart. 2 , Barendrecht (Mus. Rd.). 

10. ab. $ lutescens Tutt, Brit. Lep., vol. 3, p. 314, 1902. 
Avis. geel in plaats van oranjegeel. Breda (Z. Mus.). 

1 1 . ab. ? , zeer hcht en flets geteekend en dun beschubd. 
Gorssel (Gold.) ; Harskamp (24) ; Hilversum, uit een over- 
jarige pop (Cet.). 

Aglia O. 

172. A. tau L. Uitsluitend in het O. en Z. waargenomen, 
op de vliegplaatsen in den regel niet zeldzaam. 1 gen., begin 
April tot in de tweede helft van Mei (10-4 tot 18-5). 

V i n d p 1. Gdl. : Nunspeet, Imbosch, Dieren, Ellecom, 
Rhedersteeg, De Steeg, Middachten, Beekhuizen, Velp, Arn- 
hem, Oosterbeek, Vorden, Montferland, Beek-Nijm., Nijme- 
gen, Groesbeek. Utr. : De Bildt (1912). N.B. : Breda, Cuyck. 
Lbg. : Mook, Plasmolen, Maastricht, Vaals. 

Var. 1. ab. ? andvoides Heinrich, Deutsche E. Z., 1916, 
p. 511. Met de kleur van de $ $. Ellecom (Lukkien) ; 
Breda (5). 

2. ab. De witte tau vaalgrijs van kleur. Vorden (Btk.). 

Thyrididae. i ) 
Thyxis Lasp. 



^) Wegens plaatsgebrek komen de Drepanidae in deel III. 



n39) NEDERLANDSCHE MACROLEPIDOPTERA. 303 

173. T. fenestrella Scop. Uitsluitend in Zd. -Limburg, op 
de vliegplaatsen vrij gewoon. 1 gen., begin Juni tot in de 
tweede helft van Juli (10-6 tot 21-7). Biologie : Rij k. Nat. 
Mbl., vol. 17, p. 119-120. 

V i n d p 1. Lbg. : St. Pieter, Maastricht, Gronsveld, Bun- 
de, Bemelen, Rijckholt, Oud-Valkenburg, Spaubeek, Bruns- 
sum, Gulpen, Epen. 

Corrigenda op deel L 

11. Colias hyalc L. p. (15) : 9. ab. [lavoradiata. Auteur 
is: Deutsch, Z. Öst. E. V., vol. 3, p. 59, 1918. 

31. Brenthis euphrosyne L. De zin op p. (32) : ,,in 't Z. 
van Gr ", Skm. in litt., behoort bij B. selene Schiff, (cor- 
rectie van Skm.). 

67. Heodes tityrus Poda ab. flavcscens nom. nov. pro ab. 
intermedia Lempke, T. v. E., vol. 79, p. 295, 1936, nee m- 
termedia Pionneau, L'Echange, no. 444, 1931. 



Deux nouveaux Coléoptères de Java 



par 

M. PIC. 



Je dois la connaissance des deux nouvelles espèces -décrites 
ici (et dont je possède des paratypes) aux communica- 
tions de J. B. C o r p o r a a 1 ; elles proviennent du récolteur 
F. C. Drescher, et ont été trouvées dans un champignon 
(Fomes melanoporus Mont) à Java. 

Xylographus javanus n.sp. (Cisidae) 

OblongO'elongatus, convexus, nitidus, sparse griseo pubes- 
cens, niger, palpis labro antennisque ad basin testaceis, capite 
diverse, abdomine et pedibus brunneis. Antennis brevibus, 
articulis tribus ultimis brevibus et latissimis, brunneis ; tho- 
race marginato, elongato, antice attenuato, medio subarcuato, 
lateraliter postice fere recto, diverse pro parte sat fortiter et 
sparse punctato ; scutello trianguläre, laeve ; elytris thorace 
non latioribus, sat elongatis, postice breve attenuatis, anguste 
marginatis, diverse pro parte fortiter non dense, pro parte 
fere regulariter punctatis ; pedibus brevibus et latis, tibiis 
excavatis et externe spinolosis. Long 4 — 4,5 mill. 

Java : Goenoeng Tangkoeban Prahoe. 

Var. Thorace pro parte rufo et elytris lateraliter rufo mar-- 
ginatis (var. nov. rufomarginatus) . Un exemplaire. 

Peut se placer près de X. ceylonicus Ancey, en diffère par 
la forme plus allongée, le thorax moins court, plus fortement 
rétréci en avant, les élytres sans pli humerai brillant. 

Labidocera Drescheri n.sp. (Tenebrionidae) 

Oblongo-elongata, nitida, subconvexa, luteo pubescens, 
rufa. Capite lato, minute plus minusve sparse punctato, ante 
oculos in mare paulo tuber culato-nitido , oculis, minutis, valde 
distantibus ; antennis brevibus, pro majore parte dilatatis, 
articulis primis gracilibus, scapo particular e, elongato, apice 
S intus plus minusve longe et paulo arcuato dentate-spinoso, 
9 apice plus minusve angulato ; thorace capite paulo latiore, 
parum breve, antice sat, et postice paulo, attenuato, lateraliter 
anguste marginato, plus minusve minute non dense punctato ; 
elytris thorace non latioribus, parum elongatis, postice at- 
tenuatis, sat minute, irregulariter non dense punctatis ; pedi- 
bus gracilibus. Long. 2,5 — 3 mill. 

Java : Goenoeng Tangkoeban Prahoe. 

Se distingue de L, abnormis Geb. par la forme moins ro- 
buste, le thorax moins transversal, la dent qui prolongue le 
scape chez le $ différente, non fortement coudée a l'extrémité. 



REGISTER 



ARACHNOIDEA. 

Acari de Geer IV, VI. X-XV. 
Acarus baccarurn L. VlII, IX, XII. 

cornigerum XII. 

salicinus L. VIII. XII. 

tritici Lagr. Foss. V. 

vitis L. IX, XII. 

Actineda C. L. Koch IX, X. 

agilis Banks X. 

baccarum L. IX. 

' coccinea Targ. Tozz. IXi. 

cornigera C. L. Koch IX. 

flaveola C. L. Koch IX. 

hilaris C. L. Koch IX. 

javanica Beri. X. 

kochi Oudms. IX. 

pallescens C. L. Koch IX. 

pini C. L. Koch IX. 

rabuscula C. L. Koch IX. 

ribis C. L. Koch IX. 

setosa L. Koch IX^ 

■ triangularis C. L. Koch IX. 

velox Beri. X. 

■ vitis Beri. IX, X. 

Amblypygi XV. 
Anthracomarti XIII, XV. 
Anystis von Heyd. IV, IX, XII. 

agilis Banks XI. 

baccarum L. X-XII. 

setosa L. Koch XI. 

sinensis Beri. XI. 

vitis Schrk. X, XI. 

Arachnoidea XIII-XV, XIII nota. 
Araneida XV. 

Argasidae XIII, XVI. 
Chernetes XV. 
Damon XXIX. 

médius tibialis (E. Sim.) 

[XXVIII, XXIX. 
Dermaleichus attelabinus Debey V. 

rhynchitinus Debey V. 

Dermanyssidae XV. 
Eriophyes galiobius Can. LIL 

piri V. sorbi (Can.) 

[Nal. L, LIL 

ribis (Westw.) Nal. L. 

variola Nal. L. 

Erythraeus cornigerus Dug. IX. 
Fixicoxata XIV. 

Heteropus VI. 



(Heteropus) alastoris IV. 

ventricosus Newp. V, VII. 

Holothyridae XV. 

Ixodes ricinus L. XXI. 

Ixodidae XIII, XVI. 

Ixodides XII, XIII, XV, XVI. 

Lais heterogyne Fil. VII. 

Mesostigmata XIV-XVI. 

Notostigmata XV. 

Opiliones XV. 

Pediculoides Targ. Tozz. IV, VI. 

■ herpi Oudms. V. 

scolyti Oudms. VII. 

tri citi Targ. Tozz. V. 

Pedipalpi XIV. 
Phrynichus XXIX. 
Phrynidae XV. 

Phthiroides mégnini Oudms. Vili. 
Phyllocoptes LIL 

• oleivorus Ashm. LII. 

Physogaster larvarum Lichtenst. VII. 
Podogona XV. 
Pseudoscorpioni XV. 
Pyemotes Amerl. IV, VI-VIII. 

bruckeri Oudms. VI. 

eccoptogasteri pruni Amerl. 

[VII. 

hartigi Oudms. IV. 

heterogyne Fil. VII. 

■ rhynchitinus Debey V, VI. 

■ triciti Lagr. Foss. V. 

ventricosus Newp. IV-VI. 

Pygmephorus Kram. Vili, 
Ricinulei XV. 

Scorpiones XIV, XV. 
Siteroptes Amerl. Vili. 
Solifugae XV. 
Sphaerogyna larvarum Lichtenst. 

[VII. 

ventricosa Lab. et Mégn. 

[VIII. 
Spinturnicidae XV. 
Stygophrynus berkeleyi Grav. 

[XXVIII. 

' Dammermanni Röhwer XXX. 

Tarantulidae XV. 
Thelyphonus caudatus L. XXIX. 
Trombidi-Sarcoptiformes XV. 
Trombidium cornigerum Herm. IX. 

cursorium Gerv. IX. 

Uropygi XV. 



306 



REGISTER. 



COLEOPTERA. 

Acalles brevitarsis Woll. 115. 
• instabilis Woll. 115. 

seticollis Woll. 115. 

Acanthoscclides obsoletus Say 94. 

obtectus Say 94. 

Acylophorus Nordm. 30. 

furcatus Motsch. 30. 

• javanus Cam. 30. 

? scutellaris Bemh. 30. 

Acythopaeus Pasc. III. 

aterrimus Waterh. III. 

orchidivorus Blkb. III. 

Adistemia LXXXVII. 

Watsoni Woll. LXXXV. 

Agathidium globulum Woll. 83. 

marginatum St. 83. 

Aglycideridae 94. 
Aglycyderes setifer Westw. 94. 
Alophus magnificus Woll. 115. 
Amauronyx Maerkeli Aubé LXV. 
Amaurorhinus clermonti Desbr. 110. 
Amichrotus 18. 

Amorphoidea 136, 152. 

bicolor Pst. 152. 

dorsalis Fst. 152. 

insularis Voss 152. 

javanica Voss 152. 

lata Motsch. 152, 153. 

semirubra Voss 153. 

Amphora canariensis Chevr. 106. 
Anchocerus Fauv. 30. 

birmanus Fauv. 30. 

Anisodactylus cupripennis Germ. 17 . 
Anisodurus cupripennis Germ. 11 . 
Anobium striatum Oliv. LXXXV. 

velatura Woll. 87. 

villosum Brulle 87. 

Anommatus duodecimstriatus Müll. 
Anthonominae 135, 143, 144. [LXV. 
Anthonomini 143. 

Anthribidae 94. 

Aphanarthrum affine Woll. 116, 117. 

bicinctum Woll. 116. 

V. obsitum Woll. 116. 

■ bicolor Woll. 116. 

canariensis Woll. 116. 

canescens v. simplex Woll. 117. 

• piscatorium Woll. 117. 

Aphodius af finis Panz. 91. 

hydrochoeris F. 91. 

d' Orbignyi Clouet 91. 

RendaHi Woll. 91. 

■ sp.? 91. 

■ tomentosus Müll. LXXXIV. 

Wollastoni Har. 91. 

Aphthona paivana Woll. 93. 
Apion atlanticum Uyttenb. 95. 

delicatulum Woll. 95, 96. 

diverserostratum Uyttenb. 95, 96. 



(Apion) fallax Woll. 94. 
rotundipenne Woll. 96. 

sagittiferum Woll. 95. 

spartocytisi Marsh. 95. 

• tubiferum Gyll. 94. 

■ umbrinum Woll. 96. 

urticarium Hrbst. 95. 

■ violaceum Kirby 94. 

Arodepus atricornis Voss 133. 

1 nigripermis Voss 132. 

Astenus megacephalus Woll. 81. 
Atanygnathus Jacobson 30. 

piceus Motsch. 30. 

terminalis Er. 30. 

Atheta zosterae Ths. 83. 
Attelabinae 134. 

Attelabus curculionoides L. V. 

nitens Scop. V. 

Auletobius convexifrons Woll. 94. 

cylindricollis Woll. 94. 

Bariinae 156. 

Belonuchus Nordm. 18, 19. 

abdominalis Cam. 20. 

ferrugatus Er. 19, 20. 

mutator Fauv. 20. 

■ picticollis Cam. 20. 

— ■ — quadratus v. nigripennis Cam. 19. 
• ruficeps Cam. 19. 

rufoniger Fauv. 20. 

v. montanus Fauv. 20. 

Bembidion subcallosum Woll. 76. 
Blechrus plagiatus Schaum. 80. 
Bolitobius Mannerh. 31. 

■ bipustulatus Cam. 33. 

decipiens Cam. 34. 

— — Drescheri Cam. 32. 

exoletus Er. 34. 

javanus Cam. 31 

— — preangeranus Cam. 33. 
■ V. Toxopei Cam. 34. 

proximus Cam. 33. 

suturalis Cam. 34. 

V. collaris Cam. 34, 35. 

thoracicus F. 33. 

Brachyderes sculpturatus Woll. 107. 
Bradycellus ventricosus Woll. 11 . 
Broscus glaber Brulle 16. 
Bruchidius floricola Woll. 94. 

lichenicola Woll. 94. 

teneriffae Gyll. 94. 

Bryoporus Kr. 31. 

lineipennis 31. 

Orientalis Cara. 31. 

Byctiscus betuleti F. V. 
Cafius Steph. 15. 

corallicola Fauv. 15. 

Calathus angularis BnUlé 79. 

angustulus Woll. 79. 

ascendens' Woll. 78. 

canariensis Har. 80. 

flavocircumdatus Uyttenb. 78. 



REGISTER. 



307 



(Calathus) simplicicollis Woll. 78. 
Callidium VI. 

fennicum F. VI. 

roridum Brulle 92. 

Canariella arenapta Uyttenb. 89, 92. 
Canopus Woll. 106. 

Carabidae III. 

Carabus abbreviatus Brulle 76. 

' r. Cabrerai End. 76. 

coarctatus Brulle 76. 

ab. eliasenae Uyttenb. 76. 

interruptus Dej. 76. 

Carpophilus auropilosus Woll. 83. 

dimidiatus F. 83. 

hemipterus L. 84. 

. mutilatus Er. 84. 

sp. ? 84. 

Carterus cordatus Dej. 17. 
Cartodere argus Reitt. LXXXV. 

costulata Reitt. LXXXV. 

filiformis Gyll. LXXXV. 

filum Aubé LXXXV. 

Ceropria (Enderl.) elongata Eggers 

[117. 
Ceutorrhynchus quadridens Panz. 115. 
Chaetocnema sp. ? 93. 
Cholus cattleyae Champ. III. 

■ cattleyarum Barber III nota. 

Chrysomela bicolor F. 93. 
■ fortunata Woll. 93. 

gemina Brulle 93. 

obsoleta Brulle 93. 

■ sanguinolenta L. 93. 

Cionus luctuosus Bob. 115. 

variegatus Brulle 115. 

Cissister minimus Aubé LXV. 
Coccotrypes canariensis Eggers 



"117. 



Codiosoma lauri Uyttenb. 111. 
Colydiidae 94. 

Coniocleonus excoriatus Gyll. 110. 
Conorhynchus conicirostris Ol. 110. 

Jekeli Woll. 110. 

Conosoma Kr. 35. 

' biguttatum Motsch. 35. 

breve Fauv. 35. 

elegans Cam. 35. 

pictum Bernh. 35. 

robustum Cam. 35. 

Coproporus Kr. 36. 

• brunneicollis Motsch. 36. 

' coriaceus Cam. ZI . 

flavicornis Kr. 36. 

heterocerus Fauv. 36. 

1 iridescens Cam. 36. 

latus Motsch. 36, ?n . 

melanarius Er. 36. 

planus Fauv. 36. 

sanguinolentus Motsch. 36. 

' sulcicollis Bernh. 36. 

varians Cam. 36. 



Coraebus bifasciatus Ol. Vili. 

fasciatus Villers Vili. 

Cryptocephalus nitidicollis Woll. 93. 
Cryptorrhynchinae 157. 
Cylindronotus altivagans Woll. 90. 
' aterrimus Woll. 91. 

conformis Gemm. 91. 

congener Woll. 91. 

elliptipennis Woll. 90. 

gomerensis Woll. 90. 

nitens Woll. 91. 

Cyphoscelis Woll. eliasenae 

[Uyttenb. 101. 
Cyrtothorax Kr. 27. 

elegans Cam. 28. 

■ octomaculata Cam. 28. 

• — • — v. sexmaculata Cam. 28. 

■ rufipennis Cam. 27. 

Dactylotrypes draconis Enderl. 118. 

1 Uyttenboogaarti Eggers 117. 

Demimaea Pasc. 144. 

gibbicollis Voss 145. 

Demimaeini 144. 

Deporaus atricornis Voss 133. 

nigripennis Voss 132. 

Deretiosomimus Hell. 164. 
• angulicollis Hell. 165. 

enganoensis Voss 166. 

persimilis Voss 165. 

Dermestes domesticus Germ. 83. 
Diastictus sabulosus Muls. 92. 

tibialis F. 92. 

Dignomus gracilipes Woll. 88. 
Diochus Er. 4. 

antennatus Motsch. 4. 

punctipennis Motsch. 4. 

Drasterius bimaculatus Rossi 83. 
Dryops auriculatus Geoffr. 83. 
• gracilis Karsch. 83. 

prolifericornis F. 83. 

Dyschirius aeneus (Dej.) Wagn. 119. 

uyttenboogaarti Klynstra 76, 119. 

Eccoptogaster pruni VII. 
Echinodera angulipennis Woll. 115. 
■ compacta Woll. 115. 

crenata Woll. 115. 

orbiculata Woll. 115. 

Ephistemus globosus Waltl. 84. 

globulus Payk. 84. 

Eremotes crassicornis Brulle 112. 
Erirrhininae 151. 

Erodiscini 145. 
Euconosoma Cam. 35. 

elegans Cam. 35. 

■ pictum Bernh. 35. 

Eugnamptus adjectus Voss 130. 

• hirsutus Voss 131. 

Eugnominae 143. 
Eugnomini 141. 

Euops scutellaris f. igniceps Voss 134. 

Walshi Voss 134. 



308 



REGISTER. 



90. 



110. 



Euplectus Karsten! Reichb. 

[v. Tomlini Joy LXV. 
Eusynnada Heil. 136. 

lata Voss 137. 

■ plaxoides Hell. 137. 

rubella Voss 139. 

• testacea Voss 138, 139. 

Exapries Voss 163. 

• horridus Voss 163. 

Exochomus quadripustulatus 

[v. floralis Motsch. 87. 
Exochyromera Voss 136, 139, 140. 

• ■ crassirostris Voss 139, 140. 

Gnophota cribricollis Brulle 88. 

inaequalis Woll. 88. 

Gonocephalum oblitum Woll. 
Hegeter impressus Brulle 88. 

lateralis Brulle 88. 

tenuipunctatus Brulle 8J 

transversus Brulle 88. 

Herpisticus eremita Ol. 109, 

oculatus Woll. 109, 110. 

Hesperonimus Cam. 17. 

abdominalis Cam. 17. 

Hesperophanes roridus Brulle 92. 
Hesperus Fauv. 15. 

■ borneënsis Bernh. 15. 

Drescheri Cam. 16. 

Feae Fauv. 16, 17. 

inaequalis Fauv. 16. 

' javanus Cam. 15. 

— — • picti collis 16. 

preangeranus Cam. 16. 

Roepkei Bernh. v. 

[distincticornis Cam. 15. 

semicoeruleus Bernh. v. 

[varicornis Cam. 15. 
^— Vethi Bernh. 15. 
Heterotachinus Wend. 35. 
Heterothops dissimilis Grav. 81. 

minutas Woll. 81. 

• sericans Muls. et Rey. 82. 

sericeus Muls. et Rey. 82. 

Hispa occator Brulle 93. 
Holoparamecus Kunzei Aube LXV. 

' singularis Beck. 85. 

Hoplorhinina 146, 150, 151. 
Hoplorhinoides 146. 
Hoplorhinus 146. 

Hylastes Lowei Paiva 116. 
Hylurgus ligniperda F. 116. 
Hypera intermedia Boh. ab. 

[marmorata Cap. LXXXV. 
Hypophloeus pini Panz. 90. 
Indoquedius filicomis Epp. 29. 

javanus Cam. 29. 

Indoscitalinus Hell. 3. 

anachoreta Er. 3. 

annulatus Fauv. 



borneensis Bernh. 4. 



dificiens 
[Cam. 4. 



(Indoscitalinus) dispilus Er. 3. 

javanus Bernh. 4. 

Ips nobilis Woll. 118. 
Labidocera abnormis Geb. 304. 

■ Drescheri Pic 304. 

Laccobius minutus L. 81. 

regularis Rey 81. 

sinuatus Motsch. 81. 

Laemosaccinae 153. 

Laemosaccus copturoides Voss 155. 

■ ■ leucopectoralis Voss 154, 155. 

Laparocerus 75. 

aethiops Woll. 101. 

■ angustulus Woll. 106. 

bolivari Uyttenb. 97, 98, 101. 

canariensis Chevr. 106. 

■ compactas Woll. 104. 

crassifrons Woll. 101. 

crassirostris Woll. 103. 

. debilis Woll. 105. 

dispar Woll. 105. 

doramasensis Uyttenb. 102. 

■ eliasenae Uyttenb. 101. 

ellipticus Woll. 104. 

escalerai Uyttenb. 96, 101. 

^— excavatus Woll. 97, 99, 100. 

globulipennis Woll. 102. 

gracilis Woll. 105, 106. 

grayanus Woll. 106. 

- — — grosse-punctatus Woll. 99, 101. 

hirtus Woll. 102. 

■ inaequalis Woll. 102. 

indutus Woll. 102. 

inf latus Woll. 102. 

■ lepidopterus Woll. 104. 

■ V. ß Woll. 104. 

■ — — • mendicus Woll. 105. 

morio Boh. 99. 

obscurus Woll. 99, 105. 

- obsitus Woll. 103. 

obtriangularis Woll. 103. 

occidentalis Woll. 103. 

— ■ — ' puncticollis Woll. 103. 

rasus Woll. 105. 

V. ß Woll. 105. 

rugosicollis Uyttenb. 98, 103. 

■ scapularis Woll. 100. 

sculptus Brulle 100. 

seniculus Woll. 104. 

■ squamosus Brulle 99, 101. 

subnebulosus Woll. 106. 

subopacus Woll. 105. 

— ■ — ■ sulcirostris Woll. 104. 

tenellus Woll. 103. 

^— tessellatus Brulle. 99, 103. 

tetricus Boh. 100, 107. 

tibialis Woll. 100, 107. 

undatus Woll. 96, 97, 99, 100. 

- vestitus Woll. 97-99, 106. 
V. af finis Woll. 106. 

Wollastonia Uyttenb. 96. 



REGISTER. 



309 



(Laparocertus) Wollastonicerus 

[Uyttenb. 96, 97, 100. 
Laria pisorum L. 94. 

rufimanus Boh. 93. 

Larinus sturnus Schall. III. 
Lathridius nodifer Westw. 85. 
Lema melanopa L. 92. 
Lepromoris gibba Brulle 92. 
Leptacinus Er. 1 . 

parumpunctatus Gyll. 1. 

tricolor Kr. 1. 

• unicolor Cam. 1. 

Leucohimatium clongatum Er. 84. 
Leucoparyphus Kr. 37. 

limbifer Motsch. 37. 

Lichenophagus impressicollis Woll. 

[107. 

subnodosus Woll. 107. 

Liparthrum bicaudatum Woll. 116. 

ciliatum Egg. 116. 

Lowei Woll. 116. 

Listrobyctiscus corvinus Pasc. f. 

[coeruleipennis Voss 132. 
Litargus bifasciatus F. 85. 

coloratus Rosh. 85, 86. 

■ connexus Fourcr. 85. 

— ■ — • trifasciatus Woll. 85. 
Lixus algirus L. 110. 
Longitarsus inconspicuus Woll. 93. 
isoplexidis Woll. 93. 

kleiniiperda Woll. 93. 

nervosus Woll. 93. 

persimilis Woll. 93. 

sp. ? 93. 

Lordithon bipustulatus Cam. 33. 

Drescheri Cam. 32. 

javanus Cam. 31. 

preangeranus Cam. 33. 

■ proximus Cam. 33. 

— thoracicus F. 33. 

Macarozabrus crassus Dej. 78. 

laevigatas Zimm. 78. 

Masoreus aegyptiacus Dej. 80. 
^ alticola Woll. 80. 

nobilis Woll. 80. 

— — testaceus Luc. 80. 

■ Wetterhali Gyll. 80. 

Meladema coriaceum Lap. 81. 

lanio F. 81. 

Melasma lineatum Brulle 90. 
Mesites fusiformis Woll. 111. 

ab. jubae Uyttenb. 111. 

V. „ „ 111. 

persimilis Woll. 111. 

ab. gomerensis 

[Uyttenb. 110, 111. 
Metabletus maximus Uyttenb. 80. 

obscuroguttatus Dfts. 80. 

Metolinus Cam. 1. 

javanicus Cam. 1. 

parvus Cam. 1. 



Metopsia cimicoides Woll. 81. 
Metrioxena dibapha Voss 129. 

javanica Voss 127, 129. 

sumatrana Heil. 128. 

Mezium americanura Cast. 88. 
Microlarinus eliasenae Marsh. 110. 
Mitomorphus Kr. 2. 

basalis Cam. 3. 

Drescheri Cam. 3. 

javanus Cam. 2. 

■ nigroaeneus 3. 

obsoletus 2. 

pubiventris Cam. 3. 

Mnionomus ellipticus Woll. 84. 
Mononychus Germ. 115. 
Mononyx variegatus Brtillé 115. 
Mycetoporus Mannerh. 30. 

javanus Cam. 30. 

Myctides Pasc. 157. 
Naddia Fauv. 24. 

• borneensis 25. 

Drescheri Cam. 25. 

javana Cam. 24. 

Vethi Bernh. 24, 25. 

Nanophyes distinctus Sol. v. 

[hel veti eus Tourn. 116. 

helveticus Tourn. 116. 

longulus Woll. 116. 

Nargus aubei Jeann. 81. 

pinicola Woll. 81. 

Nebria currax Woll. 76. 
Nemadus colonoides Kr. LXV. 
Neobisnius Ganglb. 4. 

praelongus G. & H. 4. 

Neoplinthus cucullus Woll. 114. 

musicus Woll. 115. 

velutinus Woll. 115. 

Neosynnada Voss 1 36. 
Nesacinopus fortunatus Woll. 77. 
— i — solitarius Woll. 77. 
Nesendaeus Marsh. 139. 
Nesotes altivagans Woll. 90. 
Nychiomma Pasc. 141. 
Ochyromera Pasc. 136, 139. 
■ penicillata Heil. 142. 

signatella Voss 141. 

Ochyromerina 135. 
Octotemnus opacus Mellié 87. 
Oligolinus parvus Cam. 1. 
Oligota inflata Mannerh. 82. 

parva Kr. 82. 

Omphasus Pasc. 136. 
Ontholestes Ganglb. 22. 

marmoratus Er. 22. 

Oophorus Eschz. algerinus Luc. 83. 
Ootoma 92. 

Opseoscapha Fst. 136, 139. 
Oryctes grypus 111. 92. 

nasicornis L. 92. 

prolixus Woll. 92. 

Othius Steph. 4. 



310 



REGISTER. 



(Othius) javanus Cam. 4. 
Otidocephalinae 145. 
Otidocephalini 145. 
Oxycarops fuscipes Brulle 88. 

■ submetallica Woll. 88. 

Oxycoryninae 127. 
Pachycorinus Motsch. 2. 
■ Bakeri 2. 

dimidiatus Motsch. 2. 

niger 2. 

ophis Cam. 2. 

• unicolor Cam. 2. 

Pammegus Fauv. 26. 

flavipes Fauv. 26, 27. 

V. ruficollis Fauv. 26. 

javanus Cam. 27. 

Parallelodemas 157. 

tarsalis Voss 156. 

Parapries Heil. 166. 

histrio Fst. 166. 

sumatranus Voss 166. 

Parimera 150-152. 

(?) dimidiata Voss 150. 

uniformis Fst. 146. 

Perigona nigriceps Dej. LXV. 
Phaleria ornata Woll. 90. 
Philonthus Curt. 5. 

acroleucus Kr. 5, 12. 

■ activus Cam. 8. 

adjacens Cam. 7. 

adversus Bernh. Sheerp 9. 

• aeneipennis Boh. 5. 

alcyoncus Er. 11. 

antennalis Cam. 7. 

bambusae Cam. 12. 

belonuchoides Cam. 5. 

borneensis Bernh. 8, 10, 14. 

■ crassicornis Fauv. 12. 

cruentatus Gmel. 82. 

• — -— cyaneoviolaceus Bernh. 5. 

decorus Gr. 6. 

• • delicatulus Boh. 9. 

densiventris Cam. 13. 

derivatus Cam. 9. 

discoideus Gr. 5. 

distinctus G. & H. 12. 

divergens Cam. 6. 

— ■ — ■ Drescheri Cam. 8. 

eustilboides Cam. 14. 

eustilbus Kr. 14. 

forticornis Cam. 12. 

fuscus Grav. LXV. 

— ■ — • gemellus Kr. 5. 
■ geminus Kr. 5. 

gracilentus Cam. 5. 

idiocerus Kr. 5. 

■ interpositus Bernh. 5. 

javanus Bernh. 5. 

maculicollis Cam. 10. 

minutus Boh. 8. 

misellus Fauv. 9. 



(Philonthus) nigripes Cam. 5 

nigritulus Grav. 82. 

nigrolucens Cam. 9. 

— ■ — ■ Orientalis Cam. 8. 
■ paederoides Motsch. 5. 

peliomerus Kr. 6-8, 13. 

' pluripunctus Cam. 14. 

■ preangeranus Cam. 6. 

propinquus Cam. 6. 

quisquiliarius Gyll. v. 

[inquinatus Steph. 5. 

rectangulus Sharp LXV. 

remotus Fauv. 5. - 

renominatus Cam. 5. 

rufoniger Cam. 13. 

sarawakensis Bernh. 5. 

— ■ — ■ socius Cam. 10. 

• ■ stiphrogaster Cam. 13. 

stragulatus Er. 10. 

— — sublaevipennis Bernh. 5. 

tardus Kr. 5. 

therraarum Aube LXV, 6. 

Toxopei Cam. 14. 

uniformis Cam. 11. 

vagus Fauv. 12. 

■ vicinus Cam. 5. 

viduus Cam. 6. 

Phloeobium Boisd. cimicoides 

[Woll. 81. 
Phloeophagia lauri Uyttenb. 111-113. 
Phucobius Shp. 21. 

cupreipennis Cam. 21. 

Phylax costatus Brulle 90. 
Phyllotreta dilatata Thoms. IL 
— ■ — tetrastigma Com. IL 
Phymatodes testaceus v. 

[variabilis L. VI. 
Phytonomus fasciculatus Hrbst. 115. 

lunatus Woll. 115. 

Pimelia ascendens Woll. 89. 

auriculata Woll. 89. 

V. hybrida Uyttenb. 89. 

canariensis Brulle 89. 

granulicollis Woll. 89. 

Piotes inconstans v. gamma Woll. 

[87, 88. 

■ — — f. lancerotensis Uyttenb. 

[87. 
Pissodes VI. 
— ■ — ■ nota tus F. VI. 
Platydracus associatus Cam. 21. 

Drescheri Cam. 21, 22. 

preangeranus Cam. 22. 

suspiciosus Cam. 22. 

Platypidae 94. 
Piatypus 94. 
Platyschema Cam. 18. 

javana Cam. 19. 

Plaxes 152. 

Prionocyphon serricornis Müll. LXV. 
Prionomerini 135, 139, 143. 



REGISTER. 



311 



Psammobius porcicollis 111. 91. 
Pseudostena fossoria Woll. 90. 
Pseudotalpophila polita Heer ab. 

[malleata Uyttenb. 88. 
Psylliodes hospes Woll. 93. 

vehemens Woll. 93. 

Ptilium myrmecophilum Allib. LXV. 
Pyropini 152. 
Quedius Steph. 29. 

borneensis Cam. 29. 

brevicornis Thorns. LXV. 

filicornis Epp. 29. 

• javanus Cam. 29. 

nigropolitus Cam. 29. 

• ventralis Arag. LXV. 

Rhynchites adjectus Voss 131. 
■ • balneator Voss 131. 

betuleti F. V. 

nitidifrons Voss 131, 132. 

pullatus Voss 131. 

Rhynchitinae 130. 
Rhyncocheilus Shp. 23. 

Andrewesi Cam. 24. 

Drescheri Cam. 23. 

Foersteri 24. 

javanicus Epp. 23, 24. 

preangeranus Cam. 24. 

princeps Bernh. 24. 

Rhyncolus laurineus Woll. 112. 

piceus Woll. 113. 

Rhyssemus germanus L. 92. 
Sauridus nigropolitus Cam. 29. 
Scobisia barbifrons Woll. 87. 

■ ficicola Woll. 87. 

Scolytidae 94. 

Scolytus mali Bechst. VII. 

■ multistriatus Marsh. VII. 

scolytus F. VII. 

Scymnus III. 

■ canariensis Woll. 87. 

Sitona ocellatus Kiist. 107. 
Smicronyx albosquamosus Woll. 113. 
Solobrachidius Voss 158. 

dispar Voss 159. 

nigromaculatus Voss 160. 

subverrucosus Voss 159. 

Solobrachis Desbr. 157, 158, 160, 163. 

modestus Hell. 161. 

verrucosus Voss 162. 

■ ■ v-signum Voss 163. 

Staphylininae 1 . 
Staphylinus L. 21. 

asemus Kr. 22. 

associatus Cam. 21. 

' auropubescens Cam. 22. 

brachypterus Brulle 81. 

■ chalceus Bernh. 21. 

' ■ V. javanus Cam. 21. 

Drescheri Cam. 21, 22. 

' marmorellus Fauv. 21. 

preangeranus Cam. 22. 



(Staphylinus) rufipennis Cam. 21. 

suspiciosus Cam. 22. 

umbricola Woll. 81. 

Stenidea albida Brulle 92. 

annulicornis Brulle 92. 

Stenolophus discophorus Fisch. 120. 

1 lanzarotensis Klynstra 77, 119. 

Stenus guttula Müll. 82. 
Strophomorphus canariensis Uyttenb. 

[107. 

subciliatus Reitt. 108. 

ventricosus Chevr. 107, 108. 

Suniops scutellaris f. igniceps Voss 

[134. 
Synnada Pasc. 136, 140. 
Synnadophila Voss 140, 143. 

• sub fasciata Voss 143. 

Tachinoderus Motsch. 36. 

himalayicus 36. 

javanus Cam. 36. 

longicornis 36. 

Tachinomorphus Kr. 36. 

fulvipes Er. v. niger Cam. 36. 

Tachinus Gr. 35. 

javanus Cam. 35. 

Tachyporinae 30. 
Tanysphyrinae 153. 
Tanysphyrus lemnae F. 153. 

major Roel. f. picipes Voss 153. 

Tarphius canariensis Woll. 86. 

caudatus Woll. ^7. 

erosus Woll. 86. 

postcostatus Uyttenb. 86. 

simplex Woll. 86. 

Taxiplagus Bernh. 27. 

■ abnormalis Bernh. 27. 

Telphasia Pasc. 151. 
Temmorhinus conicirostris Ol. 110. 

Jekeli Woll. 110. 

Tenebrionidae III, 90. 
Thoracostrongylus Bernh. 22. 

apicicornis Cam. 22. 

Bryanti Cam. 23. 

elegans Cam. 23. 

javanus Bernh. 22. 

picticollis Cam. 22. 

Tillus elongatus L. LXXXV, 

[LXXXVI. 

ab. ambulans Fabr. 

[LXXXV, LXXXVI. 

ab. bimaculatus Donov. 

[LXXXV, LXXXVI. 
■ ■ ab. hyalinus Strm. 

[LXXXV, LXXXVI. 
ab. oudemansi Corp. 

[LXXXV, LXXXVI. 
Tithene Pasc. 146, 151. 

negrito Hell. 146. 

proxima Voss 150. 

quadrimaculata Voss 149. 

vittata Voss 148. 



312 



REGISTER. 



Tolmerinus Bernh. 18. 

brevipennis Bernh. 18. 

Trachyploeus II. 

' alternans Gyll. II. 

aristatus Gyll. II. 

bifoveolatus Beek. II. 

Heymesi Hubenth. II. 

Olivieri Bed. II. 

scabriculus L. II. 

spinimanus Germ. II. 

Trechus flavocinctus Jeann. 76. 

flavolimbatus Woll. 11 . 

uyttenboogaarti Jeann. 11 . 

Triotemnus subretusus Woll. 117. 
Trypetinae 146, 151. 
Tychiinae 140. 
Tympanophorus Nordm. 26. 

Jacobsoni Bernh. 26. 

javanus Cam. 26. 

rugosus Waterh. 26. 

ventralis Cam. 26. 

Ulomini III. 

Xylographus javanus Pic 304. 

V. rufomarginatus Pic 304. 

Xylopini III. 

Zophobas sp. ? III. 

DIPTERA. 

Agromyza Fall. 169, 242. 

albitarsis Mg. 169. 

alnibetulae Hend. 169. 

bicophaga Her. 172. 

cinerascens Macq. 169. 

• frontella Rond. 170, 172. 

genistae Hend. 169. 

' Heringi de Meij. 170. 

intermittens Beck. 169, 174. 

Johannae de Meij. 170. 

lathyri Hend. 170, 172. 

mobilis Mg. 174. 

nana Mg. 170, 172. 

• ■ nigrescens Hend. 170. 

nigripes Mg. 170. 

— — • orobi Hend. 172. 
• reptans Fall. 170. 

rubi Bri. 170, 171. 

Hend. 170. 

sp. 172-174. 

' sulfuriceps Strobl 170, 171. 

viciae Kalt. 172. 

vicifoliae Her. 171, 172. 

Allodia XXXIX. 

Calycomyza gyrans Fall. 193. 

Cerodonta Rond. 241. 

■ ■ phragmitophila Her. 241. 

Contarinia torquens de Meij. 

[XXXV, XXXVII. 
Culicoides nubeculosus Mg. LXXXII. 
Dasyneura VI. 

brassicae Winn. VI. 



Dendromyza betulae Kangas 190. 

cambii Hend. 192. 

Dizygomyza Hend. 170, 189. 

abnormalis Mali. 167, 189, 204. 

■ artemisiae 193. 

- bellidis 193. 

betulae Kangas 190. 

bimaculata Mg. 191. 

cambii Hend. 192. 

cornigera de Meij. 168, 191, 192. 

gyrans Fall. 193. 

humeralis 193. 

javana de Meij. 168', 194. 

labiatarum Hend. 194. 

lateralis Macq. 194. 

leguminosarum de Meij. 194. 

posticata Mg. 236. 

pusio de Meij. 194. 

— — • scutellaris v. Ros. 194. 
«— — staryi Her. 194. 
Domomyza 173. 

nana Mg. 170, 171. 

Exechia XL, XLI. 

capillata Joh. XLI. 

■ • parva Landr. XLI. 

Lundst. XL, XLI. 

■ — — repanda Joh. XLI. 
Giraudiella inclusa Frfld. XLIX. 
Leia XXXIX. 
Lipara lucens Meig. XLIX. 

rufitarsis H. Lw. XLIX^ 

similis Schin. XLIX. 

Liriomyza Mik LXXXI, 168, 

[187, 188, 194, 195, 
[198, 199. 202, 204. 

amoena Mg. 195. 

. asteris Her. 195, 214. 

buhri Her. 195 nota, 202. 

cannabis Hend. 195, 196. 

centaureae Her. 196, 199, 200. 

cicerina Rond. 197, 210. 

- congesta Beck. 172, 193, 197. 

eupatorii 196. 

fasciola ssp. centaureae Her. 

' ononidis de Meij. 197. 

ornata Mg. 167. 

perpusilla Mg. 167, 194. 

haltcrata 202. 

puella Mg. 197. 

. pusilla 199. 

solani Her. 197. 

sonchi R. D. 201. 

> sp. 198-202, 204. 

strigata 196, 198-200. 

Valerianae 196. 

■ violiphaga Hend. 198. 

Melanagromyza Hend. 168, 175. 

aeneiventris Fall. 167, 178. 

cecidogena Her. 178. 

cunctans Mg. 178. 

lappae Low 167, 178. 



REGISTER. 



313 



(Melanagromyza) pulicaria Mg. 

[178, 183. 

Schineri Germ. 178. 

simplex Lw. 168, 175, 178, 186. 

simplicoides Hend. 178. 

sp. 175, 176. 

theae Green 175, 176. 

Napomyza aconiti Hend. 206, 208. 
aconitophila Hend. 207. 

gentii Hend. 199, 205. 

lactucae Vimm. 205. 

lateralis Fall. 167, 221. 

lonicerae Kalt. 221. 

lonicerella Hend. 221. 

Rydéni Her. 228. 

xylostei Kalt. 225. 

Ophiomyia Braschn. LXXXI, 167, 

[177, 180, 183, 187, 
[188, 204, 242, 
. achilleae Her. 177. 187, 188. 

campanularum Stary 167, 

[177, 178. 

curvipalpis Zett. 177, l78, 236. 

Heringi Stary 167, 178, 195, 202. 

labiatarum Her. 177, 180, 184. 

lantanae Frogg. 180. 

maura Mg. 177, 178, 236. 

melandryi de Meij. 167, 178, 181. 

persimilis Hend. 177, 178, 

[182-184, 195. 

pinguis Fall. 178, 184. 

proboscidea Strobl 167, 177, 

[178, 184. 

sp. 184, 186, 188, 189. 

submaura Her. 178, 184. 

Phronia nitidiventris v. d. W. 

[XXXIX, XL. 

praecox Edw. XL. 

vitiosa Winn. XXXIX, XL. 

■ Phytagromyza 168. 

aconiti Hend. 206. 

orphana 195, 204. 

tripolii de Meij. 214. 

Phytomyza Fall. 204, 240. 

abdominalis Zett. 205. 

aconitella Hend. 206. 

aconiti Hend. 206, 207. 

• aconitophila Hend. 206, 207, 229. 

actaeae Hend. 208. 

adjuncta Her. 208, 209. 

aegopodii Hend. 210. 

af finis Fall. 216. 

■ Mg. 210. 

albiceps 214. 

anemones Her. 204, 210, 222. 

V. mimica Her. 204, 222. 

angelicae de Meij. 210. 

angelicivora Her. 211. 

• — — anthemidis Her. 221. 

anthrisci Hend. 211, 216, 234. 



(Phytomyza) (anthrisci) daucivora 

[209. 

aquilegiae Hardy 212. 

archangelicae Her. 212. 

amicae Her. 213. 

asteribia Her. 195, 213, 214. 

asteris Hend. 205, 214. 

atricornis Mg. 198, 219, 223, 230. 

auricomi Hend. 204. 

avenae de Meij. 204. 

bellidina Her. 214. 

- berulae Her. 226, 230, 231. 
bipunctata Lw. 205. 

calthivora Hend. 205, 215. 

calthophila Her. 205, 214. 

campanulae Hend. 215. 

• ■ carvi Her. 216. 

- — — • cecidonomia Her. 216. 

chaerophylli Kalt. 216. 

cicutae Hend. 217. 

• cirsicola Hend. 205. 

■ cirsii Hend. 217. 

clematidis Kalt. 205. 

conyzae Hend. 217. 

daucivora Her. 211. 

doronici Her. 217. 

dorsata Hend. 218. 

echinopis Her. 205. 

Elsae Hend. 218. 

facialis Hend. 218. 

■ Kalt. 218. 

fallaciosa Bri. 204. 

fascicola Bri. 221. 

flavicornis Mg. 167. 

flavofemorata de Meij. 219, 221, 

(227, 228. 
Strobl 219, 221, 226, 228. 

fuscula Zett. 204. 

■ gentianae Hend. 199, 219, 232. 

gentianella Hend. 205. 

— ■ — gentii Hend. 205. 

gymnostoma Lw. 205. 

hedickei Her. 205, 223. 

hellebori Kalt. 211. 

■ ssp. buhri Her. 210. 

heracleana Her. 219, 220. 

■ hieracina Her. 205, 231. 

• ilicis Curt. 216. 

kaltenbachi Hend. 239, 240. 

kyffhusana Her. 220. 

lactucae Vimm. 205. 

lampsanae Her. 205, 231. 

lappae Gour. 216. 

laterahs Fall. 221. 

• libanotidis Her. 220. 

■ lonicerae Kalt. 221. 

• lonicerella Hend. 221. 

marginella Fall. 238. 

matricariae Hend. 221, 232. 

melampyri Hend. 227. 

— Her. 219, 221, 227, 228. 



314 



REGISTER. 



(Phytomyza) mimica Her. 204, 221. 

minuscula Gour. 212. 

nepetae Hend. 205. 

• nigra de Meij. 223. 

• nigrifemur Her. 228. 

nigripennis de Meij. 205. 

nigritella Hend. 215. 

obscura Hend. 205, 223. 

obscurella Fall. 208, 211, 213, 

[226. 
Olgae Her. 224. 

pastinacae Hend. 231. 

Her. 223, 224. 

pauli-löwi 226, 238. 

periclymeni de Meij. 224, 225. 

petöi Her. 205, 223. 

■ phillyreae Her. 225. 

pimpinellae Hend. 209, 226. 

plantaginis 198. 

pratensis Her. 228. 

de Meij. 219, 221, 226, 227. 

■ pulsatillae Her. 205, 228. 

rectae Hend. 205, 228. 

rostrata Her. 228. 

Rydéni Her. 228. 

sagitta Hend. de Meij. 227, 228 

scabiosae Hend. 229. 

scabiosarum Her. 230. 

scolopendri R.D. 230. 

sii Her. 226, 230. 

■ socia Bri. 205. 

solidaginis Hend. 214, 236. 

sonchi R.D. 205, 216, 217, 231. 

• ■ sp. 226, 236-238, 240. 

sphondylii R.D. 220, 224, 226, 

230, 231, 240. 

swertiae Her. 231. 

tanaceti Hend. 232. 

taraxaci Hend. 232. 

tenella Mg. 205, 214, 228. 

tetrasticha Hend. 205, 223. 

thalictri Roug. Esch. 205. 

thalictricola Hend. 233, 235. 

thymi Her. 205. 

thysselini Hend. 238. 

■ thysselinivora Her. 238. 

tordylii Hend. 233. 

tripolii de Meij. 214. 

■ trollii Her. 234. 

trolliivora Her. 234. 

■ umbelliferarum Her. 235. 

veronicicola Her. 236. 

virgaureae Her. 236. 

vitalbae Kalt. 238-240. 

xylostei Kalt. 225 

Polyxena XXXIX. 
Rhymosia XXXIX. 

signatipes v. d. W. XXXIX. 

truncata Winn. XXXIX. 

Sceptonia costata v. d. W. XXXI X, 

[XL. 



(Sceptonia) nigra Meig. XL. 

Termitoxeniidae XVI. 

Thomasiella arundinis Schin. XLIX. 

Tipula VI, LXXXI. 

Zygomyia XXXIX. 

EPHEMEROPTERA. 

Ecdyonurus insignis Eat. LIX. 
Ephemcroptera LiX. 
Paraleptophlebia cincta LIX. 

HYMENOPTERA. 

Acanthomyops umbratus Betr. 56. 

Donisth. 56. 

V. affino-umbratus Donisth. 

[57. 
Acromyrinae LXXXIII. 
Amblyopone XLIV. 
Ammophila XLII, XLIII. 
Anthidium strigatura Panz. VII. 
Anthophora abrupta Say VI. 

• retusa L. VI. 

Aphaenogaster fulga Rog. XXIII, 

[XXIV. 
Apidae XLII. 
Belonogaster XLIII. 
Bembex XLII, XLIII. 
Bethylidae XLII. 
Bombus jonellus K. LXIII. 
Camponotus XXIII, XXIV, 68. 

herculeanus ligniperdus Latr. 

[XXIII. 

pennsylvanicus de G. 

[XXIV, XXVI. 
Chalcididae VI. 
Chthonolasius 55. 

umbratus st. ibericus Santschi 

[57. 
V. Sancho Santschi 

[57. 
Coelocrabro leucostoma L. XLIII. 
Colobopsis truncatus Spin. XXIV. 
Crabro leucostoma L. XLIII. 

rubicela Duf. et Perr. VII. 

vagus L. VII. 

Crabronidae IV. 
Cynips VII. 
Diplolepis LXV. 

agama Htg. LXVI. 

disticha Htg. LXV. 

divisa Htg. LXVI. 

longiventris Htg. LXVI. 

■ quercusfolii L. LXVI. 

Donisthorpea umbrata Donisth. 56. 
Eumenes XLIII. 

coarctata L. IV. 

Formica XXIV, 68. 

bicornis Schenck 55. 

• cinerea Mayr XXIII. 



REGISTER. 



315 



Formica exsecta Nyl. XXilII. 

fusca L. XXIII, XLII, 

[XLVII, 69. 
subsericea Say XXIV. 

incisa Schenck 55. 

meridionalis Stärcke 51. 

mixta Nyl. 38, 51, 57. 

pratensis Ratz. XXIII. 

rufa L. XXIII, XXV. 

sanguinea Latr. XXIII, 

[XXV, 69. 

ambrata Em. 51. 

. . Nyl. 38, 39, 42, 45, 51. 

Formicina bclgarum 57. 

• bicornis Bondr. 55. 

Em. 56. 

affinis Em. 55. 

r. distinguenda Em. 57. 

ssp. 57. 

■ meridionalis Bondr. 57. 

■ microgyna 56. 

sabularum Bondr. 57. 

sp. ? 39, 50. 

umbrata Bondr. 56. 

— Em. 57. 

V. nuda Bondr. 56, 57. 

V. sabularum Bondr. 57. 

Hymenoptera IV, VII. 

Lasius affinis Schenck 38, 39, 42, 

[48-50, 55, 56, 58, 59. 

alienus Forst. XXIII, XLVII, 

[38, 44, 52, 61, 63-72. 

V. alienoniger 69. 

- — ■ — belgarum Bondr. 49. 

■ ■ bicornis Forst. 38, 55, 58, 59. 

V. affinis Forst. 56. 

' V. citrina Em. 55, 58. 

■ — ■ — • V. microgyna Bondr. 56, 58. 

. V. neapolitana Em. 55, 58. 

■ • carniolicus Mayr 57-59. 

• cereomicans Stärcke 49, 57-59. 

■ distinguendus Em. 38-40, 42, 

[47-50, 54-59. 

exacutus Ruzsky 57. 

■ flavus de G. XLII. 

fuliginosus Latr. 72. 

hybridus Em. 38, 48, 57. 

ibericus Santschi 57, 59. 

■ V. Sancho Santschi 57. 

■ meridionalis Bondr. 39, 42-44, 

[47, 49, 50, 52-54, 57-59, 
[61, 64, 65, 68-72. 

mixto-umbratus Forst. 38, 39, 

[46, 47, 56, 58. 

mixtus Nyl. 38, 39, 46, 47, 

[52, 53, 56-59, 61. 

niger L. XXIII, XLII, 38, 61, 

[63, 65, 66, 68, 72. 

nudus Stärcke 57. 

oertzeni Forst. 56, 58, 59. 

rabaudi Bondr. 56, 58. 



Lasius sabularum Stärcke 56. 

■ umbratus Nyl. 38, 39, 43-50, 

[52-55, 58, 59, 61, 63-69, 71, 72. 

V. hirtiscapa Stärcke 43, 58. 

V. nuda Bondr. 39, 43. 

■ V. sabularum Bondr. 

[39, 43, 47. 
■ umbratus Nyl. 56. 

■ V. belgarum 

[Bondr. 57, 59. 

— — V. hirtiscapa 

[Stärcke 57. 

V. mixto-umbratus 

[Forst. 46, 57. 

viehmeyeri Em. 53, 55, 56, 

[58. 59. 

• — . V. dalmatica Stärcke 53, 

[56, 58. 
Leptothorax acervorum F. XXIV, 

[XXV. 
Masaridinae XLII. 
Messor XXVI. 

structor Latr. XXIV. 

Monodontomerus VI. 
Myrmecia XLIV. 
Myrmica XLI, XLVIII. 
• laevinodis Nyl. XLVIII. 

- rubra L. XXIII, XXIV. 

• ruginodes Nyl. XXII, XLVIII. 

sabuleti Meinert XLVIII. 

V. scabrinodolobicomis 

[(For.) Santschi XLIV. 

scabrinodis Nyl. XLVIII. 

schcncki Em. XLVIII. 

Odynerus XLIII. 

tropicalis Sauss. XLIII. 

Osmia VII. 

Pheidole XXVI. 

Pimpla sp. VI. 

Plagiolepis xene Stärcke 38 nota. 

Podalirius retusa L. VI. 

Pogonomyrmex barbatus F. Smith 

[XXIV. 
Polistes XLIII. 
■ canadensis (L.) Sauss. XLIII. 

gallica IV. 

versicolor (OL) Sauss. XLIII. 

Polistinae XLIII. 

Polybia XLIII. 

Polybiinae XLIII. 

Pompilidae XLII. 

Pompilus XLVI. 

Ponera coarctata Latr. XLIV. 

Prenolepis XXIII. 

Prionomyrmex XLIV. 

Psammocharidae XLII. 

Ropalidiinae XLIII. 

Scolia hirta Schrk. VIL 

Scoliidae XLII. 

Sphegidae XLII. 

Stenamma westwoodi XXIII. 



316 



REGISTER. 



Strongylognathus XLIX, 71. 
Synagris XLIII. 
Telenomus LXXXIII. 
Terebrantia XLII. 
Tctramorium XLIX, 71. 
Trichogramma XXXIII. 
Vcspidae IV. 
Vcspinae XLIII. 

Vespula squamosa Drury XLIV. 
Zethus XLIII. 

• cyanopterus Sauss. XLIII. 

Zethusculus lobulatus Sauss. XLIII. 

LEPIDOPTERA. 

Acalla abietana Hw. XXXIII. 
Acherontia Lasp. 245. 

atropos L. 245. 

a. flavescens Tutt 245. 

■ a. imperfecta Tutt 246. 

a. intermedia Tutt 245. 

Achroia grisella F. XXXIV. 
Acidalia marginepunctata Goeze 

[XXXI. 
Actias selene L. LXXXIV. 
Adopaea acteon Rott. XXVII. 
Aglia O. 302. 

tau L. 302. 

■ a. 9 androides Heinz. 302. 

Agrotis puta Hb. XXVIII. 
Amorpha Kirby 251. 

populi L. 251-253. 

• a. cinerea-diluta Gillm. 253. 

• a. fasciata Splr. 254. 

a. ferruginea Gillm. 254. 

a. ferruginea-fasciata 

Gillm. 253. 

a. flavomaculata Mezg. 

[254. 

a. fuchsi Bartel. 254. 

a. grisea Gillm. 253. 

a. grisea-diluta Gillm. 253. 

■ a. pallida Tutt 253. 

a. pallida-fasciata Gillm. 

[253. 
■ a. roseotincta Reuter 253. 

a. rufa Gillm. 254. 

a. rufa-diluta Gillm. 254. 

• — ■ — a. rufescens de Sélys 253. 

• a. schöngarthi Closs 254. 

a. subflava Gillm. 253. 

' a. suffusa Tutt. 253. 

Angerona prunaria a. sorc'iata Füssl. 

[XXXI. 
Aphomia gularis Z. XXXII, 

[LXXXVIl, LXXXVIII. 

sociella L. XXXII. 

Arctornis Germ. 280. 

1-nigrum Müll. 280. 

Argynnis paphia L. 266 nota. 
Attacus edwardsi Wh. LXXXIV. 



Blastodacna XXXIII, LXXXVIII. 

atra Hw. XXXIV. 

hellerella Z. XXXIV. 

• • putripennella Dup. XXXIV. 

vinolentella H.S. XXXIV. 

Borkhausenia formosella S.V. XXVII. 
Brenthis euphrosyne L. 303. 

selene Schiff. 303. 

Cacoecia LXXXIX. 

Calophasia lunula Hufn. XXVIII. 

Celerio Oken 257. 

euphorbiae L. 257. , 

— a. annellata Closs 257. 

— a. brunnescens Schultz. 

[258. 

• a. cuspidata Rbl. 258. 

a. helioscopiae de Sélys 

[258. 
a. mediofasciata Mayer 

[257. 
a. rubescens Garbowski 

[257. 

■ a. suffusa Tutt 257. 

a. unimacula Closs 258. 

gallii Rott. 258. 

a. pallida Tutt 259. 

a. stricta Tutt 259. 

lineata F. ssp. livornica Esp. 

[259. 
Cerura Schrank 262. 

bicuspis Bkh. 262, 263 nota 2. 

bifida Hb. 263, 263 nota 2. 

furcula CI. 262, 263, 263 nota 1. 

r. betulae Lenz. 262. 

r. Salicis Lamarck 262. 

r. Salicis Lenz. 263 nota 1. 

Coleophora annulatella Tengstr. 

[LXXXIX. 

flavaginella Meyr. LXXXIX. 

Zett. LXXXIX. 

laripennella Hein (Zett. ?) 

[LXXXIX. 
Zett. LXXXIX. 

suaedivora Durr-Meyr. 

[LXXXIX. 
Colias chrysotheme Esp. 248. 

hyale a. flavoradiata Deutsch. 

[303. 
Corcya cephalonica St. XXXII, 

[XXXIII, XXXV. 
Cosmotriche Hb. 295. 

- ? paUidd Splr. 296. 

potatoria L. 295, 296. 

a. atrinerva Grünb. 296, 

[296 nota. 

a. aurantiaca Mezg. 296. 

a. berolinensis Heyne 296, 

[296 nota. 

a. diminuta Tutt 296 nota, 

[297. 
a. extrema Tutt 297. 



REGISTER. 



317 



(Cosmotriche potatoria) a. grises- 

[cens Mezg. 296. 

a. intermedia Tutt 297. 

a. lutescens Tutt 296, 

[296 nota. 

a. nigrescens 

[Lempke 296, 296 nota. 

a. obsoleta-berolinensis 

[Tutt 296. 

a. obsoleta-lutescens Tutt 

[296. 
a. obsoleta-potatoria Tutt 

[296. 

a. proxima Tutt 297. 

Dasychira Stephens 277. 

fascelina L. 277. 

a. callunae Peets 277. 

• — ■ — • ■ a. laricis Schille 277. 

• a. medicaginis Hb. 277. 

• a. unicolor Schultz 277. 

■ pudibunda L. 278. 

a. 5 albescens Lempke 

[278. 

■ a. concolor Stgr. 278. 

a. fusca Lempke 278. 

a. juglandis Hb. 278. 

• a. unilineata Lempke 278. 

Deilephila Lasp. 255. 

■ nerii L. 255. 

Diacrisia sanio L. XX VIL 
Dendrolimus Germ. 294. 

pini auct. 294. 

■ L. 294. 

— a. bicolor Lempke 294. 

a. bilineatus Kraml. 

[et Köhler 295. 
a. brunneus Kraml. 

[et Köhler 295. 

■ — a. cana Gloss 294. 

a. confluens Lahn 295. 

■ a. duplalineatus Kraml. 

[et Köhler 295. 

■ — ■ a. grisescens Rbl. 294. 

a. impunctatus Kraml. 

[et Köhler 295. 

a. unicolor-brunnea 

[Rbl. 295. 

a. unicolor-grisescens 

[Grünb. 294. 
Dicranura Boisd. 263. 

erminea Esp. 263, 264. 

vinula L. 264, 264 nota 2. 

■ a. estonica Huene 264. 

■ a. fasciata Gloss 264 

[nota 2. 

a. minax Hb. 264, 

[264 nota 2. 

a. tegelensis Strand 264 

[nota 2. 
Drepanidae 302 nota. 
Drymonia Hb. 266. 



(Drymonia) chaonia Hb. 267, 

, [267 nota. 

a. albisignata Lenz. 267. 

— a. grisea Turati 268. 

— — - — — ■ a. illunulata Dann. 267. 

■ ■ a. lunula Grünb. 267. 

• dodonaea Hb. 266 nota. 

O. 266 nota. 

W.V. [Schiff.] 266 nota. 

quema F. 266. 

trimacula Esp. 266, 267 nota. 

a. dodonaea 267. 

tritophus Esp. 266 nota. 

Endromididae 300. 
Endromis O. 300. 

versicolora L. 300. 

■ a. obsoleta Tutt 300. 

Ephestia kuchniella Z. XXXIII. 
Ephyra pendularia GÌ. a. griseolata 

[Staud. XXVI. 

— ■ a. subroseata 

[Woodf. XXVI. 
Epicnaptera Rmbr. 297. 

ilicifolia L. 297. 

■ ■ a. grisea Tutt 297. 

■ a. unicolor-rufescens 

Tutt 297. 

tremulifolia Hb. 298. 

Eriogaster Germ. 286. 
■ catax L. 286. 

■ lanestris L. 286. 

Eudia Jordan 301. 

pavonia L. 301. 

a. alboplaga Geschw. 302. 

a. atromaculata 

Stätterm. 302. 

■ a. caeca Stätterm. 301. 

■ r. centralis Schulze 301. 

■ • — — a. defasciata Schultz 301. 

• a. deflexa Schultz 301. 

■ a. edentata Schultz 302. 

a. $ lutescens Tutt 302. 

a. melanopis Stätterm. 301. 

— a. occlusa Braun 302. 

a. rosacea Newnh. 302. 

Euproctis Hb. 284. 

chrysorrhoea auct. 284. 

L. LIV. 

phaeorrhoea Donov. 284. 

■ • a. punctellata Strand 285. 

a. punctigera Teich. 285. 

■ a. xanthorrhoea Obthr. 

[285. 
Gastropacha O. 298. 

populifolia Esp. XXVIII, 

[XXXI. 
L. 299. 

quercifolia L. 298. 

■ a. alnifolia Ochs. 298. 

a. hoegei Heuäcker 299. 

a. purpurascens Tutt 299. 



318 



REGISTER. 



(Gastropacha quercifolia) a. ulmifolia 
[Heuäcker 298. 
Gelechia cerealella V. 
Gluphisia Bsd. 266. 

crenata Esp. 266. 

Gnophria rubricollis L. XXVII. 
Hadena funerea Hein. XXXI. 
Hemaris Dalman 254. 

bombyliformis Esp. 254. 

' fuciformis L. 254. 

— ■ a. Reynei Bartel. 255. 

' a. milesiformis Fr. 255. 

scabiosae Z. 254. 

tityus L. 254. 

Heodes tityrus Poda a. flavescens 

[Lempke 303. 

■ • a. intermedia 

[Pionneau 303. 

a. intermedia 

[Lempke 303. 
Herse Oken 246. 

convolvuli L. 246. 

• • a. suffusa Tutt 246. 

■ a. virgata Tutt. 246. 

Hesperia sao Hb. XXVIII. 
Hibernia leucophaearia Schiff. XXVII. 

■ a. marmorinaria Esp. 

[XXVII. 
• a. merularia Weymer 

[XXVII. 
Hippotion Hb. 261. 

■ ■ celerio L. 261. 

Homoeosoma bentinckella Pierce XC. 
• cretacella Rossi. XC, 74. 

nimbella Dup. XC, 73, 74. 

Z. LXXXIXi, XC, 73, 74. 

■ — ■ — pseudonimbella Bent. XC, 73, 74. 

ravonella Pierce XC. 

saxicola Vaugh. XC, 74. 

■ senecionis Vaugh. 74. 

snellenella Bent. 73, 74. 

Homona LXXXIX. 
Hoplitis Hb. 265. 

milhauseri F. 265. 

Hydroecia fucosa Frr. v. paludis 

[Tutt XXVI. 

paludis Tutt XXVI. 

Hyloicus pinastri L. 247. 
Incurvarla tumorifica VII. 
Larentia autumnata Bkh. XXXI. 

dilutata Bkh. XXXI. 

montanata Schiff. XXVI. 

• • ■ a. fuscomarginata 

[Staud. XXVI. 

testacea Don. XXXI. 

Lasiocampa Schrank 290. 

quercus L. 289-291. 

a. $ basipuncta 

[Tutt 292. 

a. $ brunnea-marginata 

[Tutt 292. 



(Lasiocampa quercus) a. $ bruiïnea- 
[virgata Tutt 292. 

a. $ burdigalensis 

[Gerh. 292. 
• ssp. callunae Palmer 290, 

[291 nota. 

a. $ latovirgata Tutt 291. 

■ a. $ obsoleta Tutt 292. 

a. o ochracea-marginata 

[Tutt 292. 
a. $ ochracea-virgata 

. Tutt 292. 

■ ■ — a. $ purpurascens Tutt 

[292. 

a. $ purpurascens- 

latovirgata Tutt 292. 

a. $ roboris F.J.A.D. 292. 

• • a. $ spartii Hb. 292. 

a. $ virgata Tutt 292. 

Lasiocampidae 244, 285. 
Lemonia Hb. 300. 

dumi L. 300. 

Lemoniidae 300. 
Leucodonta Stgr. 270. 

bicoloria Schiff. 270. 

■ — ■ a. galactina Dann. 271. 

Leucoma Salicis L. LIV. 
Lophopteryx Stephens 272. 

camelina L. 272. 

a. fasciata Dann. 272. 

a. giraffina Hb. 272. 

• — — a. nigra Riesen 272. 

a. pallida Gillm. 272. 

a. unicolora Lempke 272. 

cuculia Esp. 272. 

Luff ia ferchaultella Stph. XXVII. 
Lymantria Hb. 280. 

dispar L. LIII-LVIII, 280, 282. 

a. $ angulifera 

[Schultz 282. 

a. $ brunnea Schulze 281. 

a. $ disparina v. Müll. 

[281. 

a. disparoides Gaschet 281. 

• — — a. $ fasciatella Strand 

[281. 
a. $ insignata Schultz. 

[282. 
a. $ medio-fusca Lmbll. 

[281. 
■ a. nigra de Sélys 281. 

a. $ submarginalis 

[Schultz 281. 

• a. o suffusa Schulze 281. 

a. $ unicolor Lmbll. 281. 

a. $ variegata Lmbll. 

[281. 

disparina Snell. 282. 

monacha L. LVIII, 282. 

a. aethiops de Sélys 283. 

a. atra v. Linstow 283. 



REGISTER. 



319 



(Lymantria monacha) a. brunnea 

[Stipan 283. 

a. eremita Hb. 283. 

a. flavo-abdominalis 

[Schultz 283. 

a. nigra Freyer 282, 283. 

a. subfusca Schultz 283. 

a. transiens Thierry- 

[Mieg. 283. 
Lymantriidae 244, 277. 
Macroglossum Scop. 254 nota, 256. 

Stellarum L. 256. 

Macrothylacia Ramb. 293. 

■ rubi L. 292, 293. 

a. $ brunnea Lempke 293. 

a. $ cervina-virgata 

[Tutt 293. 

a. $ ferruginea Tutt 293. 

a. $ ferruginea-approxi- 

[mata Tutt 293. 

a. J ferruginea-fasciata 

[Tutt 293. 
a. $ ferruginea-unilinea 

[Tutt 293. 

a. Ç grisea Tutt 293. 

a. Ç grisca-approximata 

[Tutt 293. 
a. Ç grisea-conjuncta 

[Tutt 293. 
■ — — a. $ grisea-virgata 

[Tutt 293. 

a. rufa Tutt 293. 

■ — ■ — a. $ rufa-fasciata 

[Tutt 293. 
■ — ■ a. $ rufa-unilinea 

[Tutt 293. 

a. transfuga Kroul. 294. 

Malocosoma Hb. 287. 

castrensis L. 287. 

a. $ brunnea Tutt 287. 

a. $ fasciata Closs 287. 

a. $ obsoleta Tutt 287. 

a. , $ unicolor Tutt 287. 

a. Ç virgata Tutt 287. 

neustria L. LXXXIII, 287, 288. 

— — a. annularis Fourcr. 288. 

a. bicolor Sibille 288. 

a. cervina Tutt 288. 

a. cervina-confluens Tutt 

[288. 

' — a. cervina-fracta Tutt 288. 

• a. cervina-virgata Tutt 288. 

a. maculifera Kol. 288. 

■ a. ochracea-unicolor Tutt 

[288. 
• — • a. pyri Scop. 288. 

a. quercus Esp. 288. 

• a. rufa-unicolor Tutt 288. 

a. rufa-virgata Tutt 288. 

a. rufescens-unicolor Tutt 

[288 



(Malocosoma neustria) a. rufescens- 
[virgata Tutt. 288. 

a. unicolor Tutt 288. 

a. virgata Tutt 288. 

a. vulgaris Bkh. 288. 

Marumba Moore 248. 

• quercus Schiff. 248. 

Miana aerata Esp. XXXI. 

a. intermedia 

[Hormuzaki XXXI. 

a. meretricula Bkh. XXXI. 

a. unicolor Tutt XXXI. 

latruncula Hw. XXXI. 

Mimas Hb. 249. 

tiliae L. 249. 

a. bipunctata Clark 249, 

[250 nota. 
— ■ — a. brunnea Bartel 250. 

a. brunnea-centripuncta 

[Tutt 250. 

a. brunnea-transversa Tutt 

[250. 

a. centripuncta Clark 249. 

a. clara Closs 251. 

a. constricta Gillm. 250. 

a. costipuncta Clark 249. 

a. maculata Wallengr. 250. 

— ■ — a. obsoleta Clark 250. 

a. pallida-centripuncta 

[Tutt 250. 

a. pallida-obsoleta Tutt 

[250. 

a. suf fusa Clark 251. 

a. transversa Jord. 249. 

a. ulmi Boisd. 251. 

a. virescens-bipunctata 

[Lempke 250. 

a. virescens-centripuncta 

[