(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Tijdschrift voor entomologie"

1 



5fea 



HARVARD UNIVERSITY 




LIBRARY 



MUSEUM OF COMPARATIVE ZOOLOGY 



Tijdschrift voor Entonioiogie 



UITGEGEVEN DOOR 



De Nederlandsche Entomologische Vereeniging 



ONDER REDACTIE VAN 

J. B. CORPORAAL, DR. K. W. DAMMERMAN, 

G. L VAN EYNDHOVEN, B. J. LEMPKE 

EN J. J. DE VOS TOT NEDERVEEN CAPPEL 



MUS. COi?. ZOQL 
UBgftKY 



flAY ~i i9^ 



TWEE-EN-NEGENTiGSTE DEEL 

Jaargang 1949 (1950) 

(Gepubliceerd 3 October 1 950) 



NEDERLANDSCHE ENT0M0L06ISGHE VEREENIGING 



De contributie voor het lidmaatschap bedraagt ƒ 10. — 
per jaar. Ook kunnen Natuurhjke Personen, tegen het stor- 
ten van ƒ 150. — in eens, levenslang lid worden. 

Natuurlijke Personen, niet ingezetenen van het Rijk in 
Europa. Azië of Amerika, kunnen tegen betaling van ƒ 60. — 
lid worden voor het leven. 

Begunstigers betalen jaarlijks minstens ƒ 10. — of (alleen 
voor Natuurlijke Personen) ƒ 100. — in eens. 

De leden ontvangen gratis de Entomologische Berichten 
(6 nummers per jaar; prijs voor niet-leden ƒ0.50 per num- 
mer), en de Verslagen der Vergaderingen (2 à 3 per jaar ; 
prijs voor niet-leden ƒ0.60 per stuk). 

De leden kunnen zich voor ƒ 6. — per jaar abonneeren op het 
Tijdschrilt voor Entomologie (prijs voor niet-leden ƒ 12. — 
per jaar). 

De oudere publicaties der vereeniging zijn voor de leden 
voor verminderde prijzen verkrijgbaar. 

Aan den boekhandel wordt op de prijzen voor niet-leden 
geene reductie toegestaan. 



TiìdSGbrift voor Entomologie 



UITGEGEVEN DOOR 



De Nederlandscbe Entomologische Vereeniging 



ONDER REDACTIE VAN 

J. B. CORPORAAL, DR. K. W. DAMMERMAN, 

G. L VAN EYNDHOVEN, B. J. LEMPKE 

EN J. J. DE VOS TOT NEDERVEEN CAPPEL 



Miis. znm. ZO0L 

UBMf 



flAY -1 1951 
UNIVERSITY 



TWEE-EN-NEGENTIGSTE DEEL 

Jaargang 1949 (1950) 

(Gepubliceerd 3 October 1950) 



A 



^ \y 



INHOUD VAN HET TWEE-EN-NEGENTIGSTE DEEL 



Bladz. 
Verslag van de een-en-tachtigste Wintervergadering I — XVII 



Prof. Dr G. P. Baerends 
en J. M. Baerends- 
va n R oon . . . 



Embryological and Ecological investigations 
on the development of the egg of Am- 
mophila campestris ]ur 53—112 



Dr K. W. Dammerman Continuity versus priority in Nomenclature 34 — 52 



E. F. Gilmour 
B. J. Lemp ke 



t Prof. Dr J. C. H. de 
M e ij e r e 

t Prof. Dr J. C. H. de 
M e ij e r e 

C. J. M. Willemse . . 



C. ]. M. Willemse 



New Dutch East Indian Lamiinae 



219—247 



Catalogus der Nederlandse Macrolepido- 

ptera IX 113—218 

Achtste supplement op de nieuwe naamlijst 

van Nederlandsche Diptera van 1898 1 — 14 

Die Larven der Agromyziden, Neunter 

Nachtrag 15— 33 

Second addition to the knowledge of the 
Dermaptera and Orthoptera of the 
Canary Islands 248 — 250 

Description of a new genus and species of 
Acrididae (Orthoptera) from the Solo- 
mon Islands 251 — 255 

Register 256-269 

Corrigendum • 269 



VERSLAG 

EN 

WETENSCHAPPELIJKE MEDEDELINGEN 

VAN DE 

EENENÏACHTIGSTE WINTERVERGADERING 

DER 

NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING 

GEHOUDEN IN DE DIERGAARDE „BLIJDORP" TE ROTTERDAM 
OP ZONDAG 27 MAART 1949, DES MORGENS TE 11 UUR i)- 



Voorzitter : de President, Dr K. W. Dammerman. 

Aanwezig : Het Lid van Verdienste Dr D. Mac Gillavry en de 
gewone Leden : G. Bank }r, Ir G. A. Graaf Bentinck, Dr J. G. 
Betrem, P. J. den Boer, H. W. Botzen, P. J. Brakman, P. Chrysan- 
thus, J. B. Corporaal, Dr K. W. Dammerman, Prof. Dr W. M. 
Docters van Leeuwen, H. C. L. van Eldik, H. H. Evenhuis, G. L. 
van Eyndhoven, F. C. J. Fischer, Dr H. }. de Fluiter, H. G. van 
Galen, \V. H. Gravestein, Ir M. Hardonk, B. de Jong, Dr C. de 
Jong, I. A. Kaijadoe, Dr D. J. Kuenen, H. Landsman, Dr S. Leef- 
mans, B. J. Lempke, J. P. van Lith, G. S. A. van der Meulen, E. J. 
Nieuwenhuis, S. Nieuwenhuizen, -Dr A. Reyne, Prof. Dr W. K. J. 
Roepke, W. A. Schepman, Dr. E. A. M. Speijer, Dr L. J. Toxopeus, 
J. J. de Vos tot Nederveen Cappel, P. van der Wiel, Prof. Ir T. H. 
van Wisselingh. 

Afwezig met kennisgeving : de gewone Leden : Dr G. Kruseman 
Jr, Mej. M. Mac Gillavry, D. Piet, Dr C. O. van Regteren Altena. 

De Voorzitter opent de vergadering en heet de aanwezigen har- 
telijk welkom. Hij vertolkt den dank der Vereniging voor de gast- 
vrijheid, welke de Directie der Diergaarde ,,Blijdorp" haar voor deze 
vergadering heeft verleend. 

Vervolgens is aan de orde het vaststellen van de plaats, waar de 
volgende wintervergadering zal worden gehouden. Besloten wordt 
tot Leiden. 

Hierop volgen de 

WETENSCHAPPELIJKE MEDEDELINGEN 

Allereerst deelt de heer W. K, J. Roepke het volgende mede : 

Over twee Agrilus' soorten (CoL) 

De Rijksstraatweg te Wageningen is gedeeltelijk met eiken be- 
plant, die naar schatting thans ongeveer 100 jaar oud zullen zijn. 
Deze bomen hebben door oorlogshandelingen erg geleden, niet al- 
leen in Mei 1940, maar ernstiger nog in den winter 1944 — 45. Veel 



Afzonderlijk gepubliceerd 1 Maart 1950. 



II VERSLAG. 

van hen zijn sedert dien reeds gekapt en ongetwijfeld zullen nog 
ettelijke verwijderd moeten worden. Door de vriendelijke hulp van 
den Rijkswaterstaat te Arnhem, door mij zeer op prijs gesteld, kwam 
ik in het bezit van één van deze sterk beschadigde bomen. 

De bedoeling was om er Scolytus intricatus Ratz, uit te kweken, 
teneinde met deze kevers bepaalde proeven te kunnen nemen. Helaas 
verkreeg ik op deze wijze slechts zeer enkele van deze bastkevers ; 
misschien was de boom te laat gekapt of die insecten waren in 
1948 veel minder talrijk dan in voorafgaande jaren. 

Tot mijn aangename verrassing kwam er een aantal exemplaren 
van de Buprestide Agrilus biguttatus F. uit, waarvan Everts : Col. 
Neerl. II (1903) p. 84 zegt : ,,vrij zeldzaam in diluviale streken van 
Z. -Limburg, ook éénmaal bij Katwijk". De kevers komen te voor- 
schijn uit onregelmatige, ronde boorgaten in den bast, echter alleen 
in het dikste gedeelte van den stam. Te oordelen naar het aantal 
dezer boorgaten moet de soort vrij talrijk zijn, al heb ik geen enkel 
exemplaar in het vrije veld gezien. In de coll. Uyttenboogaart is 
deze kever niet vertegenwoordigd, Smits van Bürgst heeft echter 
in zijn verzameling 7 exemplaren uit de omgeving van Breda van 
1901 en 1905. Hij zegt in zijn boekje: Nuttige en schadelijke In- 
secten, 2e druk (1908) p. 170: ,,de larven dezer soort leven in 
oude eiken, tusschen bast en spint. De gangen zijn sterk gekronkeld, 
het spint nauwelijks rakende. Verpopping in de schors". 

Ik kon de kevers, die in Mei-Juni uitkwamen, ongeveer 4 à 6 we- 
ken in leven houden en wel in een groten aquariumbak. Zij aten 
gretig jong eikenblad, dat geregeld als voedsel werd aangeboden. 
Dit jonge blad werd op een karakteristieke wijze beschadigd, als het 
ware uitgerafeld. Was er geen zon, dan hielden de kevers zich ta- 
melijk stil en waren zij weinig beweeglijk. In de zon echter werden 
zij levendig en probeerden zij te vliegen. Slechts éénmaal zag ik 
een poging tot paring, waarbij een mannetje een wijfje met trillende 
vleugels achtervolgde. De paring zelf werd echter niet waargenomen. 
Evenmin werd het afzetten van eieren geconstateerd, ofschoon ik 
een dik stuk eikenhout met de schors in den bak had geplaatst. Het 
wijfje heeft een lange, uitstulpbare, duidelijk tweeledige legbuis. 

In het Mast- en Liesbosch bij Breda zag ik in Juli 1948 de 
karakteristieke vlieggaten dezer soort op oude, pas gevelde eiken. 

Bij deze gelegenheid moge de aandacht op een tweede zeldzame 
A^n7us-soort gevestigd worden en wel op A. sinuatus OL, de pere- 
spiraalboorder. Dit insect leeft als larve onder den bast van pere- 
takken, waar het spiraalsgewijze een boorgang vreet. Enkele tien- 
tallen jaren geleden, toen de Plantenziektenkundige Dienst met zijn 
werkzaamheden pas begon, moet dit insect iets talrijker in Neder- 
land zijn voorgekomen, daarna is het practisch verdwenen. Pas in 
recenten tijd moet het plaatselijk weer zijn opgetreden. In de ver- 
zamelingen schijnt de kever slecht vertegenwoordigd te zijn. Uyt- 
tenboogaart heeft de soort niet, maar in de coll. Smits van Bürgst 
bevinden zich 4 exemplaren uit de omgeving van Breda, van resp. 
1898 en 1902. 

Volgens Everts is de soort vrij zeldzaam, hij geeft echter verschil- 



VERSLAG. Ill 

lende vindplaatsen op. Het insect is klaarblijkelijk een zuidelijker 
soort ; in België en nog in Frankrijk moet de soort tamelijk alge- 
meen zijn en belangrijke schade doen aan perebomen. Zij moet een 
voorkeur hebben voor oude bomen, liefst in min of meer verwaar- 
loosde boomgaarden. 

De larve vreet niet alleen spiraalgangen, zoals in de leerboeken 
algemeen wordt vermeld, maar maakt ook typische zig-zag-gangen, 
zoals hier door een tweetal medegebrachte objecten duidelijk gede- 
monstreerd wordt. 

De heer Van der Wiel zegt, dat Agrilus biguttatus inmiddels 
reeds meerdere malen in aantal in ons land is v/aargenomen, o.a. 
door den heer Berger, die de soort in groot aantal heeft gekweekt 
uit eikenschors, dat in de omgeving van Eindhoven was verzameld. 
Spr. heeft zelf deze soort in aantal aangetroffen onder de schors 
van een ouden eikenboom te Denekamp, waar de kevers echter reeds 
ten gevolge van hoogwateroverstroming van de Dinkel waren ge- 
storven. 

De heer Mac Gillavry heeft Agrilus biguttatus meermalen in 
Zuid-Limburg gevangen. Agrilus sinuatus ving hij eens te Leiden 
in zijn tuin, terwijl hij later het genezen lidteken van de vreterij der 
larve ontdekte op den entstam van een pereboompje. 

De heer H. J. de Fluiter doet een mededeling over : 
Galeruca pomonae Scop. als prooidier van den patrijs (Col.) 

D.d. 12 Sept. 1947 ontving Spr. van den heer H. A. Schwarz 
den krop van een patrijs. De vogel was op dien dag om 18 u. ge- 
schoten in de ,,Veenkampen" te Wageningen. 

De ,,Veenkampen" liggen in het z.g. ,, binnenveld", een gebied 
dat bestaat uit droge grasvelden (blauwgras), enkele stukken bouw- 
land, op dat moment in hoofdzaak beplant met voederbieten, en den 
Eemwal, bestaande uit grond opgeworpen bij het graven van de grift 
en begroeid met velerlei kruidachtige planten. 

De krop bleek bij onderzoek vrijwel geheel opgevuld te zijn met 
$ en 9 van de keversoort Galeruca pomonae Scop. Niet minder dan 
36 ? $ en 1 7 S $ van deze soort kv/amen uit den krop te voor- 
schijn. De 2 ? hadden allen een sterk opgezwollen abdomen, dat 
talrijke eieren bevatte. Opvallend was de gaafheid der dieren ; 
slechts één der 53 dieren had een beschadigd dekschild. 

Onder de dieren bevonden zich enkele (2) exemplaren met een 
zeer donkere, vrijwel zwarte bovenzijde ; zij behoren tot de var. 
anthracina Weise, die door Everts o. m. voor Nederland vermeld 
wordt van Arnhem, Maastricht en de zeekust. 

Daarnaast bevatte de krop enkele donkerbruine tot zwartbruine 
exemplaren ; de meeste dieren (48 ex.) vertoonden echter de voor 
de soort normale lichtbruine tot geelbruine bovenzijde. Spr. laat een 
doosje met demonstratiemateriaal circuleren. 

In den krop van den patrijs bevonden zich behalve deze kevers nog 
enkele haverkorrels, een vrucht van een viooltje, enkele zeer kleine 
,,klaver"-blaadjes en wat ander plantaardig materiaal, dat reeds ten 
dele verteerd was. 



IV VERSLAG. 

D.d. 26-IX-'47 werd op dezelfde plaats wederom een patrijs ge- 
schoten. De krop van dit dier bevatte naast vele haverkorrels, 
,,klaver"-blaadjes, ? boekweitzaad en wat gras, slechts 1 normaal 
gekleurd ç exemplaar van G. pomonae Scop. 

Summary. 

In the gizzard of a partridge (Perdix perdix L.), shot in the neighbourhood of 
Wageningen on the 12th of September 1947 36 $ Ç and 17 J g of Galeruca 
pomonae Scop. were found. 

Most of them showed the normal colour, but some were darkbrown or even 
black (var. anthracina Weise). 

De heer C. de Jong vraagt waar Galeruca pomonae pleegt voor 
te komen. De heer De Fluiter antwoordt, dat het dier in droge 
grasvelden e.d. leeft. 

Diefstal van Lepidoptera te Parijs» 

De heer J. B. Corporaal maakt de aanwezigen attent op een be- 
langrijke diefstal van vlinders te Parijsi). Uit de grote collectie 
van den heer Le Moult schijnen ongeveer 20.000 stuks te zijn ont- 
vreemd en hoewel men zware verdenkingen koestert tegen een 
Fransen lepidopteroloog, kan men blijkbaar geen bewijzen aan- 
voeren. 

De belangrijkste genera, waaruit gestolen is, zijn : Morpho, Or- 
nithoptera, Charaxes. Agrias, Papilio, Parnassius etc. 

De heer Bcntinck vermeldt, dat een dergelijke diefstal gedurende 
den vorigen oorlog is gepleegd te St. Quentin in Frankrijk, waar de 
zeer zeldzame vorm van Lycaena dispar Hw. voorkwam. De meeste 
dezer exemplaren bevonden zich in een collectie aldaar in een der 
weinige huizen, die nog onbeschadigd uit den oorlog overbleven. 
De gehele vlindercollectie bleek onbeschadigd te zijn, maar alle 
exemplaren van den Fransen dispar waren gestolen en zij zijn tot 
op den huidigen dag nog niet teruggevonden. 

Zeldzame of bijzondere Macrolepidoptcra. 

De heer G. S. A. van der Meulen vermeldt en vertoont het vol- 
gende : 

I. Wat betreft Coenonympha arcatila L. kan Spr. meedelen, dat 
deze soort niet alleen voorkomt op de bewuste plek in Hoenderloo, 
doch dat hij deze in 1948 ook in de buurt van de Woeste Hoeve 
zag. Lempke had dus wel gelijk door in zijn Catalogus van deze 
soort o.a. te vermelden : ,,maar toch stellig nog in loofbossen op de 
Veluwe voorkomend". De heer Van Wisselingh heeft de aandacht 
gevestigd op de sterke variabiliteit van de soort. Spr. kan weer 
enige aberraties vermelden : 

a. Een ex., waarbij de ogen aan de onderzijde der achtervleugels 
sterk gereduceerd zijn, behalve het grote oog, dat normaal is. 

b. Een ex. waarbij aan de onderzijde der voorvleugels een geel- 



Zie ook Entomologische Berichten XII, No. 290, 21.V.1949, p. 392. 



VERSLAG. V 

achtige veeg loopt langs den achterrand, wortelwaarts van het 
apicaaloog ongeveer als ab. lineigera van pamphilus. De meeste exx. 
van arcania hebben dit niet, waarom Spr. meent, dat dit aberratief is. 

II. Twee exx. van Hemaris fuciformis L., gevangen te Huizen 
4.VIII.1948 op Buddleia. Dit is een tweede generatie en reeds ver- 
meld in de E.B. no. 285, pag. 304. 

III. Een ex. van Drymonia trimacula Esp., gevangen te Holten 
28.VI.1947 door den heer Knoop. 

IV. Enige exx. van Asphalia diluta F., gevangen te Volthe op licht 
31. VII. 1948 door Knoop en Klein jan. Ze behoren alle tot de sub- 
species hattwiegi Reisser, met scherpe en duidelijke dwarsbanden. 

V. Een ex. van Celama holsatica Sauber, gevangen te Volthe op 
licht 31. VII. 1948 door Knoop en Klein jan. Het is nu voldoende 
bekend, dat centonalis en holsatica twee soorten zijn. Behalve het 
verschil in copulatieorganen heeft holsatica over het midden der 
achtervleugels een donkeren band, centonalis niet. 

VI. Een ex. van Graptolitha lamda F. subsp. zinckenü Tr., ge- 
vangen te Volthe 26.III.1945 door Knoop. Het dier zat tegen een 
paal. Volgens Cat. Lempke zijn er enige gevallen bekend van over- 
wintering der pop, welke dan in het voorjaar zou uitkomen. Gezien 
de gaafheid van dit dier komt het Spr. voor met een analoog geval 
te doen te hebben. 

VII. Een ex. van Catocala sponsa L., gevangen te Volthe op 
smeer 11. IX. 1948 door Knoop en Klein jan. Op dien avond wer- 
den twee exx. buitgemaakt, welke, gezien den laten datum, geen 
van beide meer gaaf waren. Het beste ex. laat Spr. rondgaan, een 

? . Ter vergelijking gaat een ex. van nupta mede rond. 

De heer Bentinck merkt op, dat een verwisseling van de beide 
genoemde Catoca/a-soorten z.i. bijna niet mogelijk is, aangezien 
sponsa één maand vroeger vliegt dan nupta. 

Nieuwe en zeldzame Lcpidoptera in 1948» 

De heer G. A. Bentinck vermeldt en vertoont het volgende : 
I. Wat zijn eigen vangsten betreft : 

a. Een ex. van Alispa angustella Hb. op 9. VI. '48 te Meerssen ge- 
vangen. Deze zeldzame soort, die in vruchten van Euonymus euro- 
paeus leeft, was buiten de duinstreken nóg nauwelijks waargenomen. 

b. Enige exx. van Cacoecia aeriferana H.S. op 5. VIII. '48 te 
Amerongen op licht gevangen. 

c. Een ex. van Capua reticulana Hb. op 8. IX. '48 te Amerongen, 
en een op 9. VI. '48 te Meerssen gevangen. 2 exx. uit Z. Beveland, 
die Spr. van Dr Kuenen kreeg, gaan mede ter vergelijking rond. 
Aldaar was de soort schadelijk op vruchtbomen. 

d. Een ex. van Olethreutes hercyniana Tr. op 9. VI. '48 te Meers- 
sen gevangen. 

e. Een ex. van Bedellia somnulentella Z. op 7. VIII. '48 te Ame- 
rongen gevangen. 

f. Een ex. van de zeer zeldzame Tinea angustipennis H.S. op 
3. VII. '48 te Norg op licht gevangen ; het 2e ex. voor Nederland, 



VI VERSLAG. 

De soort is in 't buitenland eveneens zeer zeldzaam ; de rups is nog 
onbekend. 

g. Een ex. van Anarsia lineatella Z. Op de laatste herfstver- 
gadering (1948) vermeldde de heer G. v. Rossem deze soort als 
nieuw voor de Nederl. fauna, terwijl zij schadelijk aan gewassen 
optrad. Hij was zo welwillend Spr. een ex., afkomstig uit Naaldwijk, 
te geven, dat hierbij mede rondgaat overeenkomstig zijn toestemming, 
daar de soort op voornoemde vergadering niet vertoond werd. 

II. Namens Majoor J. C. Rijk : 

a. Van Cryphia divisa Esp. {Bryophila raptricula Hb.) ving hij 
verleden zomer wederom een aantal exx. te Meerssen, nl. 12 stuks 
tussen 27.VII en 21. VIII. 

b. Enige exx. van Cryphia algae F. op 3.VIII.'48 te Meerssen. 
Van deze beide Cryphia-soorten gaf hij welwillend respectievelijk 
2 en 1 ex. aan Spr. 

c. Een ex. van Calophasia lunula Hufn. op 30. VII. '48 te Meers- 
sen gevangen. 

III. Op verzoek van den heer C. Doets : 

a. 2 5 ^ van Acalla permutarla Dup. op 31. VIII en 8. IX. '48 
tussen Rosa spinosissima in de duinen der A'damse Waterleiding 
gevangen. De rups leeft des zomers op deze plant. Nieuw voor Ne- 
derland. 

b. Enige exx. van Cnephasia communana H.S. Genitaliën-onder- 
zoek heeft bewezen, dat deze soort ook hier inheems is. In coll. 
Doets : 5 s $ en ì $ ; in Mus. A'dam : 7 $ $ en 2 ç : $ . Duidelijk 
verschil in gen. met chrysantheana Dup., waar ze weer nauw mee 
verwant is. Verschijnt reeds begin Mei — begin Juni, terwijl chrys. 
meest in Juli vliegt. Gevangen te Hilversum, Enschede, Arnhem. 
Vooral kenbaar aan den zeer schuinen achterrand der voorvleugels. 
Nieuw voor Nederland. 

c. Enige exx. van EvetrîapinicolanaT)h\à. Genitaliën-onderzoek 
heeft ook hier bewezen, dat deze soort hier te lande voorkomt. Zij 
schijnt zelfs wel bijna even algemeen als de zeer na verwante 
buoliana Schiff. Er is in vleugeltekening en in gen. een groot onder- 
scheid. Volgens den Eng. auteur zou zij evenals buoliana in jonge 
scheuten van Pinus sylvestris leven. Nieuw voor Nederland. 

d. Drie exx. van Ancylis comptana Froel. op 30.VII.'48 op den 
Bemelerberg gevangen, echter tamelijk afgevlogen. Rups in Juni en 
najaar aan lage planten. Was in geheel Europa bekend, behalve in 
Nederland ; thans ook nieuw voor Nederland. 

e. Vele exx. van Psacaphora terminellaV\f estvjood in Aug. 1947 
als rups in grote vlekmijnen in bladeren van Circaea lutetiana te 
Valkenburg (L. ) gevonden. Imagines zijn bij massa's uitgekomen in 
Mei — Juni. Was lang alleen uit Engeland en Duitsland bekend. 
Benander vermeldt haar echter nu ook voor Zweden. Nieuw voor 
Nederland. 

f. Enige exx. van Antispila treitschkieïla F.R. in Aug. '47 als 
larve ontdekt in vlekmijnen in bladeren van Cornus sanguinea te 
Valkenburg (L. ). In Juni kwamen 11 imagines uit. Als de rups 
volwassen is, snijdt zij een ovaal stukje uit het blad juist boven de 



VERSLAG. VII 

mijn ; ze laat zich in dit zakje op de aarde vallen en blijft daar liggen 
zonder nog voedsel tot zich te nemen en verpopt in het voorjaar. 
Nieuw voor Nederland. 

g. Enige exx. van Nepticula frejella Heyd. Eind Aug. — begin 
Sept. '47 werden vele mijnen in bladeren van Convolvulus arvensis 
langs den Zeeweg bij Overveen gevonden. De zeer kleine imagines 
kwamen begin Mei uit. De heer VâRi kweekte gelijktijdig deze soort 
uit Convolvulus sepium te Amsterdam. Ze schijnt alleen uit Duits- 
land en Zwitserland bekend te zijn, en is locaal, hoewel ter plaatse 
veelvuldig. In Aug. '48 vond hij in een half uur 60 mijnen. Nieuw 
voor Nederland. 

Van de 3 laatste soorten worden ook de mijngangen getoond. 

Variabiliteit bij de narcissenvlieg, Lampetia equestris (F,) (Dipt.) 

De heer L. J. Toxopeus vertoont voor het medelid D. Piet, dat 
verhinderd is, een serie van de Narcissenvlieg, Lampetia equestris 
(F.), die het rot van de bollen veroorzaakt. De Heer Piet heeft, 
behalve een aantal van deze insecten, die in Holland verzameld zijn, 
hierbij ook een kleine serie gezet, die hij bijeenbracht van den Col du 
Lauteret, in de Franse Alpen, waar zich prachtige weiden vol 
Narcissus poëticus bevinden. Deze Franse vliegen zijn veel groter 
dan de Nederlandse en vallen op door haar uniform uiterlijk, terwijl 
de laatste een groot aantal kleurverscheidenheden vertonen. De hier 
zo algemene variëteit met donkere dwarsband over het abdomen 
ontbreekt bij de Franse. Op het eerste gezicht zou men zeggen met 
een andere soort te doen te hebben. 

Het blijkt bij determinatie echter, dat er hier maar één soort in het 
spel is, n.l. de genoemde equestris, die echter verschillende malen 
beschreven werd. Een van deze synonymen zal wel op de Franse 
subspecies betrekking hebben, maar hierover is het onderzoek nog 
niet afgelopen. 

Een andere kwestie is, waar men den Nederlandsen vertegenwoor- 
diger moet indelen. Hieromtrent doet Spr. de suggestie aan de hand, 
deze te beschouwen als een populatie, ontstaan door hybridisaties. 
Men kan aannemen, dat bij den import van narcissensoorten ten 
behoeve van de cultuur, een aantal locale rassen van de Narcissen- 
vlieg ons land is binnengekomen. De vlieg is niet volkomen gebon- 
den aan de narcis, maar van de voedselplanten is geen enkele soort 
oorspronkelijk inlands. Aldus kan met N. Tazetta een equestris- 
subspecies uit Spanje, met N. poëticus een uit Zwitserland of Frank- 
rijk, met N. Pseudonarcissus een andere uit de Oriënt meegekomen 
zijn, afgezien nog van de locale vormen uit verschillende streken van 
het plantenareaal. 

Deze, of wellicht een paar van deze, hebben zich vermoedelijk in 
ons land vermengd. Bij hybridisatie van rassen vergroot zich de 
variabiliteit door het naar voren treden van tevoren latent gebleven 
raseigenschappen. Zo is het mogelijk, dat de roodbruine kleur van 
de thorax bij geen enkele bekende subspecies gevonden wordt, maar 
dat dit een primair deel van het Syrphiden-patroon is, bij equestris 
latent geworden, maar dat bij hybridisatie weer optreedt. 



vili VERSLAG. 

Het zal dus de moeite waard zijn, materiaal van deze soort uit 
.verschillende oorsprongsgebieden bijeen te brengen, en om eventueel 
na te gaan, of hier te lande nog iets van de oorspronkelijke stam- 
rassen is terug te vinden, b.v. of in streken, waar de trompetnarcis 
van oudsher verwilderd is, een andere en meer uniforme vlieg voor- 
komt dan in de centra van de cultuur, waar verschillende importen 
kunnen hebben plaatsgevonden. Spr. beveelt dit onderzoek aan de 
aanw^ezigen warm aan. 

Naar aanleiding van het gesprokene merkt Dr Betrem op, dat 
men in dit geval niet alleen moet denken aan een hybridisatie van 
ondersoorten uit verschillende gebieden, maar zeer zeker ook aan 
oecologische invloeden, speciaal die van het klimaat, als bijv. voch- 
tigheid en temperatuur. Ongetwijfeld leven de dieren in verhouding 
tot hun oorsprongsgebied onder extreme omstandigheden. Het is 
bekend, dat insecten onder invloed van extreme factoren zeer sterk 
kunnen gaan variëren, zodat volgens Spr. bovenstaande mogelijk- 
heid om de variatie te kunnen verklaren zeer zeker ook genoemd 
moet worden. 

De heer Betrem merkt verder nog op, dat men aan de grens van 
het verspreidingsgebied veelal uiteenstralende subspecies aantreft. 
De heer Toxopeus geeft dit gaarne toe, maar meent, dat het niet 
als vaststaand mag worden aangenomen, dat L. equestris hier vóór 
de introductie van de narcis reeds voorkwam, zodat men moei- 
lijk van een randgebied kan spreken. 

De heer Speyer merkt op, dat men in de entomologie zeer voor- 
zichtig moet zijn met het gebruik van de termen der genetica in de 
systematiek. Men weet b.v. niet wat voor eigenschappen de oor- 
spronkelijke vormen of soorten hadden en daardoor laat zich het 
vraagstuk van hybridisatie moeilijk oplossen. Vele soorten kunnen 
niet zo nauwkeurig worden gekweekt als b.v. Drosophila, zodat 
men met de conclusies zeer voorzichtig moet zijn. 

De heer Mac Gillavry zegt, dat wijlen Prof. De Meijere zich 
ook zeer voor dit vraagstuk interesseerde. Hij heeft hem indertijd 
materiaal uit Bergen (N.H.) gezonden, maar weet niet of het be- 
werkt is. 

De heer Roepke meent, dat het moeilijk zal zijn na te gaan, waar 
de inheemse L. equestris vandaan kwam, daar bollenimport van de 
meest uiteengelegen landen heeft plaats gevonden, zelfs veel uit Ja- 
pan. Het is echter slechts bij hoge uitzondering, dat deze insecten 
op andere bollen dan die van narcissen leven. 

Vangsten van Macrolepidoptera in 1948. 

De heer T. H. van Wisselingh deelt het volgende mede : 
Voor de vangst van Macrolepidoptera is het jaar 1948 wel bui- 
tengewoon ongunstig geweest, hetgeen zich vooral afspiegelde in 
het geringe aantal exemplaren, dat per avond bij de vangst op 
licht en op stroop werd aangetroffen. 

Toch was het aantal soorten, dat ik in 1948 aantrof slechts weinig 
geringer dan in de voorafgaande jaren, welke wat vangomstandig- 



VERSLAG. IX 

heden met 1948 waren te vergelijken, nl. 408 tegen 442 en 441 in 
1947 en 1946. 

Evenals na den warmen drogen zomer in 1947 was na den kou- 
den en natten zomer van 1948 het aantal najaarssoorten zeer gering. 
Ook nu ontbraken meerdere anders gewone najaarsnoctuïden, ter- 
wijl van soorten, welke anders in een groot aantal exemplaren ver- 
schijnen, nu slechts enkele exemplaren werden waargenomen b.v. 
van Conistra vaccinii L., Agrochola Iota Clerck, Agrochola circellaris 
Hufn. e.a. 

Toch deed ik in 1948 nog aan aantal interessante vangsten, waar- 
van te vermelden zijn : 

Nothopteryx (Lobophora) polycommata Hb. Het vorige jaar ver- 
meldde ik de vangst van één exemplaar van deze soort, welke nog 
slechts een enkele maal in ons land werd waargenomen, op licht te 
Aerdenhout. Op 27 Maart en op 29 Maart 1948 ving ik een exem- 
plaar in de duinen onder Vogelenzang. 

Sterrha {Acidalia) muricata Hufn. Van deze soort ving ik op 
5 Juli 1948 een geheel rood exemplaar in de Appèlbergen bij de 
Punt. Dezen vorm ving ik reeds eerder in 1918 bij Peize. 

Boloria aquilonaris Stichel (arsilache Esp.) Behalve enkele oudere 
vangsten in Limburgse venen, was het dier in latere jaren alleen 
bekend van een veenplas in de Appèlbergen bij de Punt. Na een 
vergeefse tocht naar deze vangplaats op 5 Juli 1948 ontdekte ik 
later op dien dag deze soort bij een veenplas op de heide tussen 
Donderen en Norg ; ze vloog hier in aantal. Den volgenden dag 
zocht ik bij een iets noordelijker gelegen veenplas en hier vloog 
aquilonaris in zo groten getale, dat in den tijd van een half uur 
25 stuks konden worden bemachtigd. Hieronder was een exemplaar, 
waarbij de zwarte vlekken op het midden van de voorvleugels tot 
een doorlopenden band zijn verenigd. Deze vorm is beschreven door 
Derenne in 1932 als ab. cinctata. 

Maculinea teleius Brgstr. {euphemus Hb.) was evenals vorige 
jaren vrij talrijk op een terrein bij de Maas ter hoogte van Swalmen. 
Het viel echter op, dat in 1948 het merendeel van de gevangen 
exemplaren behoorde tot de ab. paucipitncta Courv., waarbij de 
zwarte vlekken op de bovenzijde sterk in aantal zijn verminderd of 
soms geheel ontbreken, terwijl ik deze ab. in vorige jaren slechts 
zeer zelden aantrof. 

Pontia daplidice L. ving ik op 20 Juli 1948 op den Welterberg 
bij Heerlen. 

Nycterosea obstipata F. verscheen op licht te Aerdenhout op 
22 Aug. 1948. 

Chiasmia clathrata L., in het Oosten en Zuiden van ons land 
op verschillende plaatsen te vinden, doch uit de duinstreek nog niet 
vermeld, ving ik op licht te Aerdenhout op 8 Sept. 1948. 

Een overwinterd exemplaar van Xylena exsoleta L. verscheen 
op stroop te Aerdenhout op 29 Maart 1948. 

Van Schrankia taenialis Hb. ving ik op 25 en op 27 Juli een 
exemplaar op stroop te Epen (Z.L.). 

Van Episema caeruleocephala L. ving ik op 12 October 1948 te 



X VERSLAG. 

Aerdenhout een exemplaar, waarbij de ronde en de niervlek zijn 
samengevloeid tot een grote driehoekige vlek. 

Voorts trof ik nog een tweede generatie aan van Heliophobus 
saponariae Esp. op 2 Aug. 1948 te Aerdenhout en van Opistho- 
graptis luteolata L. op 10 Sept. 1948 eveneens te Aerdenhout. 

Naar aanleiding van het medegedeelde merkt den heer Bank op, 
dat hij eens in Augustus/September Chiasmia clathrata in de duinen 
heeft gevangen. 

Met betrekking tot de vangsten van Boloria aquilonaris Stichel 
wenst de heer Van der Meulen den lepidopterologen aan te raden 
toch niet te veel van deze dieren weg te vangen. Er zijn momenteel 
slechts een paar vindplaatsen bekend en het zou jammer zijn wan- 
neer deze soort in ons land uitsterft. 

Optreden van Tenuipalpus oudemansi (Acar., Tetran.) 

De heer G. L, van Eyndhoven bespreekt 2 gevallen van aan- 
tasting van vruchtbomen door de mijt Tenuipalpus oudemansi 
Geijskes 20.11.1939. De eerste zending werd hem gezonden door 
den Plantenziektenkundigen Dienst en betrof een aantasting in 
Bennekom ; de tweede kwam van den Rijkstuinbouwconsulent voor 
Limburg en de Gemeente Deurne en betrof het voorkomen te Beek 
(L. ). Beide zendingen arriveerden in de tweede helft van Maart; 
te Beek waren de mijten, die vermoedelijk hadden overw^interd, ech- 
ter reeds 27 Februari door den tuinbouwonderwijzer Claessen 
waargenomen. 

Tenuipalpus oudemansi is pas in 1939 door Geijskes beschre- 
ven 1), zowel van appel als van beuk (Fagus). Het schijnt de enige 
soort te zijn, die in ons klimaat in de vrije natuur voorkomt. De 
overige species van dit genus leven in de tropen en subtropen. Drie 
ervan worden door Geijskes uit. Nederland genoemd (orchidarum 
Parfitt 1859, phoenicis Geijskes 20.11.1939 en cactorum Oudms. 
1929), waar zij in kassen en huizen op planten uit warme streken 
leven. 

Ten slotte moet Spr. wijzen op een storende fout in Geijskes' 
publicatie. Twee afbeeldingen zijn nl. verwisseld. Fig. 7 {phoenicis) 
is in werkelijkheid T. oudemansi, en fig. 9 {oudemansi) is in wer- 
kelijkheid T. phoenicisß) Prof. Dr W. K. J. Roepke is zo welwil- 
lend geweest Spr. in staat te stellen de type-preparaten te verge- 
lijken en te bestuderen ; deze bleken van de juiste etiketten voorzien. 

De heer Kuenen zegt, dat hij deze soort ook heeft gezien. De die- 
ren schijnen geen schade van enige betekenis te veroorzaken. Naar 
zijn mening moet men ze speciaal zoeken in verwaarloosde boom- 
gaarden. 



^) Beiträge zur Kenntnis der europäischen Spinnmilben (Acari, Tetranychidae) , 
etc. Meded. Landbouwhoogeschool XLII, Verband. 4, p. 25, fig. 9. 

^) There is a disturbing mistake in the publication of Geijskes, as 2 figures 
have been confounded. Fig. 7 {phoenicis) is in reahty T. oudemansi, and fig. 9 
(oudemansi) is in reahty T. phoenicis. The labelhng of the type-specimens is 
correct. 



VERSLAG XI 

De heer M. Hardonk geeft een uiteenzetting 
Over de vleugelpigmenten der Pieriden en verwante stoffen (Lep.). 

In de entomologische vakliteratuur wordt in het algemeen slechts 
weinig aandacht besteed aan de chemie der pigmenten, die in zo 
sterke mate bijdragen tot de kleurenweelde der insecten. Practisch 
alle witte, gele, oranje, rode, bruine en zwarte tinten zijn pigment- 
kleuren, de groene en blauwe gedeeltelijk. De meeste, vooral de 
glanzende, blauwe en groene kleuren, evenals de metallische, de 
weerschijnkleuren en het parelmoer, berusten op optische effecten 
en komen tot stand door breking en buiging van het licht. Het groen 
op de onderzijde van de achtervleugels van Anthocharis cardamines 
L. en van Pontia daplidice L. is geen echte kleur, maar de groene 
indruk wordt veroorzaakt door een innige menging van geel en 
zwart. De pigmenten behoren tot een groot aantal klassen van 
chemische verbindingen. Sommige worden, niet of practisch niet 
veranderd, direct uit het voedsel verkregen, zoals de gele tot rode 
carotine kleurstoffen, die in alle bladeren voorkomen en de flavonen, 
een groep van bloemkleurstoffen. De meeste andere pigmentsoorten 
worden echter in het insectenlichaam gevormd uit afbraakproducten 
van eiwitstoffen. 

De aanwezigheid van één enkele pigmentgroep kan gemakkelijk 
aangetoond worden zonder de vleugels te beschadigen, nl. de fla- 
vonen, witte tot lichtgele pigmenten, die in ammoniakdampen diep 
geel worden. Deze verkleuring verdwijnt weer spoedig in zuivere 
lucht. Zij komen o.a. voor bij Nymphalidae, Satyridae en bij de 
Dismorphiinae, een vrijwel tot Zuid-Amerika beperkte subfamilie 
der Pieridae. maar waartoe ook onze Leptidia sinapis L. behoort. 
Ford (1941 — '43) maakte van het al of niet voorkomen van flavon- 
kleurstoffen gebruikt bij het ordenen van de Dismorphiinae en Dos 
Passos deed dit in 1948 bij het classificeren van nearctische soorten 
van het genus Oeneis (Rhop., Satyridae). Tot mijn spijt moet ik 
opmerken, dat Ford's chemische formuleringen in zijn ,, Butterflies" 
(Collins, Londen, 1945) niet altijd even gelukkig zijn. 

Van de talloze pigmentgroepen wilde ik hier echter alleen de 
pterinen, de witte, gele tot rode kleurstoffen van de Pieriden vleugels 
iets nader bespreken en kort wijzen op de physiologische werking 
van nauw verwante verbindingen, die in de vitamine B groep thuis- 
horen. De melaninen, w^aaraan de zwarte tekening te wijten is, 
blijven dus buiten beschouwing, evenals het pterobiline, een ver- 
binding van een tot de groep der galkleurstoffen behorend blauw 
pigment met een eiwit, dat de blauwe tot groene kleur langs de 
aderen van de achtervleugels van de witjes veroorzaakt. Normaal 
is deze kleurstof overdekt door de gelig witte schubben en dus niet 
te zien. Daar deze kleurstof in water oplosbaar is, verspreidt zij zich 
soms bij te lang weken van droge vlinders in min of meer smalle 
banden langs de aders en soms in vlekken over de vleugels. Een 
exemplaar van P. brassicae, dat reeds bij het vangen groene strepen 
langs de aderen had, geef ik hierbij rond. Uit een millioen grote 
koolwitjes werden 200 mg pterobiline verkregen. 



XII VERSLAG. 

In 1882 isoleerde Griffith een wit pigment uit P/erfs-vleugels, 
dat hij ,,lepidopteric acid", dus „vlinderzuur" noemde en dat hij 
meende identiek te zijn aan of in alle geval afgeleid van urinezuur, 
het bekende afbraakproduct van eiwitten. Deze mening hield lang 
stand tot de resultaten van de onderzoekingen van Schöpf, Wie- 
land, PuRRMANN, Becker van 1925 tot 1942 aantoonden, dat men 
hier te doen had met een tot dusverre onbekende groep van pig- 
menten, waaraan de naam pterinen werd gegeven. Behalve bij vlin- 
ders, werden zij ook gevonden bij Hymenoptera, Neuroptera en 
Hemiptera, later in de schubben van vissen, in de urine van zoog- 
dieren en den mens en in nieren, milt en lever en andere organen. 

De pterinen kunnen uit de met aether ontvette vleugels worden 
geëxtraheerd met verdunde ammoniak of natronloog en ook met 
glycerine. De oplossingen in alkalische vloeistoffen vertonen een 
karakteristieke intensieve blauwe fluorescentie in ultraviolet licht. 
De hoeveelheid pterine in een vlinder is zeer gering, zo werden uit 
1164 g vleugels, afkomstig van 215.000 exemplaren van Pieris napi 
39.1 g pigment verkregen of 0.18 mg per vleugel. Geïsoleerd werden 
drie witte pigmenten : leucopterine, isoxanthopterine en mesopterine, 
het oranjegele chrysopterine en twee rode kleurstoffen pterorhodine 
of rhodopterine en erythropterine. Leuco-, isoxantho- en xantho- 
pterine werden synthetisch bereid, het laatste zelfs op technische 
schaal wegens zijn physiologische eigenschappen. Met de chemische 
structuur zal ik U nu maar niet lastig vallen. Verder zijn nog enkele 
andere w^itte en gele pterinen geïsoleerd uit vleugels van Appias- en 
Ca^opsz7ra-soorten en van Colias croceus Fourcr. en een violet 
pterine uit de rode vleugelpunt van Anthocharis cardamines. Ge- 
woonlijk komen deze pigmenten naast elkaar voor, waarbij echter 
steeds één kleurstof overheerst. Eigenaardig is echter, dat gevallen 
bekend zijn, dat bij de beide sexen van een soort geheel andere 
pigmenten optreden. Zo bevatten de vleugelschubben van Gone- 
ptetyx rhamni bij beide sexen leucopterine en danken de middenstip- 
pen haar kleur aan de aanwezigheid van erythropterine, terwijl de 
gele kleur van het mannetje wordt veroorzaakt door het overheer- 
send xanthopterine, dat bij het wijfje slechts in geringe hoeveelheid 
voorkomt, maar bij het mannetje vindt men bovendien nog chryso- 
pterine en bij het wijfje mesopterine. De groene en citroengele 
kleur der vleugels van G. rhamni ontstaan door een gelijkmatige 
onderlaag van het blauwgroene pterobiline, waarop de gelig witte 
resp. gele pigmenten liggen. 

Door oxydatie van de gele pigmenten ontstaan oranjerode tussen- 
producten, dan het purperrode rhodopterine en daaruit ten slotte 
het kleurloze leucopterine. Blijkbaar verlopen deze oxydatie-proces- 
sen in de zich ontwikkelende poppen onder invloed van enzymen, 
die b.v. in de lever en den darm- en maagwand zijn aangetoond, 
maar nog niet in de vlindervleugels, hoewel daar wel andere zuur- 
stofoverdragers werkzaam zijn. De processen, welke leiden tot de 
vorming van melaninen en pterinen, verlopen volgens Becker niet 
gelijktijdig en werken elkaar zelfs tegen. Het optreden van flava- 
en su//urea-vormen bij Pieriden zou een gevolg kunnen zijn van 



VERSLAG. • XIII 

onvoldoende zuurstoftoevoer of van een tekort of inactivering van 
het oxydatie-enzyme. Bewaren van poppen in lucht met een sub- 
lethale blauwzuur- of zwavelwaterstof-concentratie, w^elke stoffen 
sterke enzymevergiften zijn, zou dan gele vormen moeten leveren. 

De waarnemingen van Piepers, dat bij vele tropische Pieriden 
de vleugels in de pop eerst rood gekleurd zijn, welk rood geleidelijk 
vervangen wordt door geel en wit en wel beginnend van af de 
vleugelwortel, zou door oxydatie van een rood pigment verklaard 
kunnen worden. Zuurstoftoevoer naar de schubben kan vrijwel 
alleen geschieden van uit het lichaam, dus via de vleugelwortels, 
daar volgens Fraenkel de epidermis geen of practisch geen zuurstof 
doorlaat. 

De pterinen moeten uiteindelijk uit eiwitstoffen ontstaan zijn, 
maar kunnen toch niet als producten van de gewone stofwisseling 
worden beschouwd, daar zij niet, maar urinezuur wel, in het meco- 
nium voorkomen. 

Hiermede wil ik dan van het entomologische deel van dit overzicht 
overgaan op een ander gebied : 

De physioligische werking van pterine verbindingen. 

Kort nadat Koschara in 1936 uropterine — xanthopterine uit 
urine geïsoleerd had, deelden Tschesche en Wolff mede, dat deze 
kleurstof reeds in zeer kleine doses een gunstigen invloed had op het 
bloedbeeld bij een anaemie, die bij jonge ratten veroorzaakt was door 
een eenzijdig melk-, dus eiwitrijk-diëet. In 1941 vonden Simmons 
en NoRRis een zelfde effect bij een overeenkomstige bij vissen opge- 
wekte bloedarmoede. 

Het grote onderzoek in de Verenigde Staten naar den aard van de 
in lever en gist en in planten voorkomende factoren van de vitamine 
B groep, zoals b.v. de vitamines B^, B^q. B^^, de kuikengroeifactor, 
het folinezuur uit spinazie, lever en gist en verschillende groeifac- 
toren voor micro-organismen, kon in 1946 en 1948 door Stoksstad 
en HuTCHiNGS afgesloten worden door definitief vaststellen van den 
chemischen opbouw van folinezuur en van de L. casei-factor uit gist 
en lever en door synthese van eerstgenoemde stof. Het bleek, dat 
al deze factoren opgebouwd zijn uit xanthopterine, para-aminoben- 
zoëzuur, een andere belangrijke stof met vitaminekarakter, en wisse- 
lende hoeveelheden glutaminezuur, één der bouwstenen van de 
eiwitten. 

Deze biologisch en physiologisch actieve stoffen vertonen de 
voor pterinen karakteristieke fluorescentie in ultraviolet licht. De 
activiteit van verschillende ruwe concentraten werd gecontroleerd 
door hun effect op groei en vermenigvuldiging van bacteriën, die 
folinezuur niet kunnen ontberen. Maar ook insecten werden voor 
dit doel gebruikt. De metamorphose van de larven van Aedes aegypti 
L. tot pop en imago treedt niet in als folinezuur in het milieu ont- 
breekt. Ook de meelworm Tenebria molitor heeft deze stof nodig 
voor normale groei en ontwikkeling. 

De meest kenmerkende werking van de folinezuur groep is die 
op het bloedbeeld. Folinezuur is volgens de uitgebreide onderzoe- 



XIV. VERSLAG. 

kingen van Spies een goed middel bij verschillende soorten van 
bloedarmoede, vooral bij voedingsanaemie, spruw, perniciosa en 
macrocytische anaemie onder snelle regeneratie van bloed en been- 
merg. Bij bloedarmoede ten gevolge van ijzergebrek werkt foline- 
zuur niet. Wel heeft deze stof, die nu op vrij grote schaal synthetisch 
wordt bereid, gunstigen invloed op bloedarmoede na infectieziekten 
en na loodvergiftiging. Bij andere vormen van bloedarmoede is 
folinezuur onwerkzaam, maar door het aanbrengen van kleurwijzi- 
gingen in het molecule is het mogelijk, stoffen met genezende wer- 
king te krijgen, die echter nog te giftig zijn. Folinezuur zelf is phar- 
macologisch onschadelijk, eerst bij zeer hoge doses treedt bescha- 
diging van lever, milt en nier op. 

Even moet hier ingelast worden, dat in de tweede helft van 1948 
gelijktijdig in Engeland en in Amerika uit lever en gist het vitamine 
Bi2 werd geïsoleerd, een rood gekleurde, cobalt-houdende gekris- 
talliseerde eiwitachtige verbinding, dus geen pterine, die 20-50.000 
maal zo actief is als folinezuur bij de bestrijding van pernicieuze 
anaemie. 

Het uit een schimmelsoort geïsoleerde rhizopterine is niet van 
xanthopterine afgeleid, maar van een ander nauw verwant pterine, 
het is geen groeistof voor bacteriën, maar integendeel een bactericide. 
Evenmin heeft het invloed op het uitkomen van kippeneieren, op 
den groei en den gezondheidstoestand van kuikens en biggen en 
bevordert ook niet de vorming van rode bloedlichaampjes. 

Ten slotte moeten nog even gememoreerd worden de onderzoe- 
kingen van TscHESCHE in 1947, die naar aanleiding van zijn studiën 
over mitosevergiften ook den invloed van xanthopterine op kippen- 
borstfibroblasten en muizencarcinoom onderzocht en w^aarnam, dat 
daarbij in vitro een snelle stijging van het aantal prophasen optrad, 
gevolgd door een vermeerdering van het aantal cellen met patholo- 
gische metaphasen. Fraenkel publiceerde eveneens in 1947 de 
resultaten van een onderzoek van het algemene effect van xan- 
thopterine en folinezuur op het ziektebeeld bij kankerpatiënten. Hij 
constateerde, dat de uitwerking onvoldoende was voor regelmatig 
klinisch gebruik, doch dat verder onderzoek gewenst was. In den 
laatsten tijd komen uit Amerika berichten, dat ,,teropterine", een 
synthetisch conjugaat van folinezuur met in totaal drie moleculen 
glutaminezuur een gunstige werking zou hebben bij kankergevallen. 
Hier moet echter nog veel meer systematisch werk worden verricht, 
evenals bij virusbestrijding. 

De heer Toxopeus vraagt of melaninen in verband staan met de 
gele en rode vlinderkleurstoffen. Hij deelt verder mede, dat om- 
streeks 1938 Mrs. M. E. Walsh, toen wonende te Sukabumi op 
Java, een zeer bekende verzamelaarster van insecten, een aanvrage 
van een Franse maatschappij voor fabricage van chemische pro- 
ducten kreeg om 50 kilo Appias nero te leveren voor chemisch on- 
derzoek. Hieraan kon uiteraard niet worden voldaan, want al is die 
Piéride locaal niet zeldzaam, het zal toch bezwaarlijk gaan, er in 
één seizoen een honderdduizend exemplaren van bijeen te krijgen. 
Blijkbaar heeft het doel voorgezeten, dergelijke onderzoekingen als 



VERSLAG. XV 

waarvan de heer Hardonk sprak, aan. deze menierode vlinders te 
verrichten. Bij het op de Molukken voorkomende ras is de oranje 
kleur vervangen door zwart, terwijl bij de dieren op Nieuw Guinea 
de kleur blauwgrijs is. 

De heer Hardonk antwoordt hierop, dat er geen overgang is be- 
schreven van pterinen tot zwarte stoffen. Vermoedelijk is de zwar- 
te Molukken-vorm een gevolg van het gaan overheersen van de me- 
lanine vorming die door andere mechanismen beheerst wordt dan de 
productie van de pterinen. Men zou kunnen denken aan het weg- 
vallen van het concurrerende oxydatie-enzyme voor de vorming 
van de rode pterinen, waardoor het zw^arte melanine ongehinderd 
over de gehele vleugel kan ontstaan. In feite zou dit neerkomen op 
het verlies of de degeneratie van een geen, dat een bepaald physio- 
logisch proces regelt. Het is bekend, dat bij de Pieriden de tyrosi- 
nase, het oxyderende enzyme, dat verantwoordelijk is voor de oxy- 
datie van bepaalde stoffen tot melanine, over de gehele vleugel 
voorkomt. Een zich in de pop ontwikkelende vleugel van b.v. P. 
brassicae wordt bij bestrijken met een tyrosine oplossing, één der 
grondstoffen van de melaninen, geheel zwart. Het ontstaan van 
de Nieuw Guinea vormen is niet verklaarbaar, daar blauwe tussen- 
producten noch bij de pterine-vorming, noch bij die van melaninen 
waargenomen zijn. 

Aantekening. 

Bij overweging achteraf zou toch nog een mogehjkheid bestaan. De blauw- 
grijze kleur der Nieuw Guinea-vormen zou een mengkleur kunnen zijn, tot stand 
komend door gelijkmatige menging van zwart melanine met een matig gekleurd 
pterine, dus op dezelfde wijze als het groen op de onderzijde bij P. daplidice en 
A. cardamines, of door overdekken van den blauwen ondergrond van pterobiline 
door zwart melanine, dit in analogie met de groene kleur van het citroentje. In 
beide gevallen moet dan de pterine-vorming onderdrukt zijn, maar ook de in- 
tensiteit van de melanisatie. Dat deze variëren kan, blijkt uit het verschil in diep- 
te van het zwart tussen de eerste en tweede generatie van b.v. napi. Microscopisch 
onderzoek zou misschien, naast chemische analyse, uitsluitsel kunnen geven of 
de blauwige tint een mengkleur is of niet. 

Diverse waarnemingen» 

De heer E. A. M. Speijer maakt de aanwezigen er op attent, dat 
de klassieke entomologische boeken op het ogenblik goedkoop zijn. 

Verder heeft hij met enige medewerkers de vindplaatsen van o.a. 
Lucanus cervus nagegaan en daarbij geconstateerd, dat dit dier 
vooral in de streek van Hattem kan worden gevonden. 

Bij den coloradokever {Leptinotarsa decemlineata) heeft hij een 
grote variatie in de tekening geconstateerd. 

Van Rhizotrogus heeft hij duizenden exemplaren in Zwolle 
waargenomen. 

Met het zoeken naar Acherontia atropos heeft hij in Westelijk 
Overijsel weinig resultaat gehad. 

De Opinions in de Bibliotheek. 
De Bibliothecaris, de heer F. C. J. Fischer, deelt nog mede, dat 
de Bibliotheek thans de volledige uitgave bezit van de Opinions etc. 
der Internationale Commissie voor de Zoölogische Nomenclatuur. 



XVI VERSLAG. 

Cyrtidae (Dipt.) in Pelargonium-stengel. 

De heer S. Lcefmans toont een aantal vliegen, behorende tot de 
familie der Cyrtidae ( Acroceridae) en mogelijk tot de soort O goo- 
des pallipes Latr. 

Deze vliegen ontving hij in het afgelopen jaar van Mej. G. Brink, 
Ie assistente van Prof. }. Westerdijk te Baarn. 

Zij trof deze vliegen aan in een Pelargonium-stengel, die uitgehold 
was. Dit ziektebeeld niet kennende, verzocht zij hem om raad. Spr. 
vroeg nadere inlichtingen, waarna Mej. Brink mededeelde, dat de 
stengel hol en droog was en dat de vliegen in een hoopje bovenin 
den hollen stengel, bij den bloemtros, gevonden zijn. 

De stengel werd ontvangen van den hortulanus van het Can- 
tonpark te Baarn. 

De meeste vliegen waren beschadigd, alsof ze door een foura- 
gerend insect mishandeld waren, maar niet door een spin, daar 
spindraden niet aanwezig waren. Mogelijk echter door een Crabro 
of Mellinus, of een andere solitaire wesp, die met vliegen foura- 
geert. 

Zoals bekend, leven de Cyrtidae parasitisch bij spinnen. 

Onze grote dipteroloog, wijlen Prof. De Meijere, vermeldde in 
zijn naamlijst van Nederl. Diptera van 1939, p. 150, 3 soorten van 
deze familie, t.w. Ogcodes gibbosus L., Ogcodes zonatus Er. en 
Paracrocera orbiculus F. Volgens Verrall, p. 462 e.V., meent Spr. 
te moeten aannemen, dat we in dit geval nog met een andere soort 
te doen hebben, die, ingeval dit door een dipteroloog wordt be- 
vestigd, nieuw voor de fauna zou zijn. 

Clausen gebruikt den genusnaam Ogcodes Latr. 1796, hetgeen 
nomenclatorisch correct is. Meestal ziet men in de literatuur den 
naam Oncodes, een wijziging van Blanchard 1840, welke naam 
geen geldigheid bezit. 

Wijlen De Meijere deelde ook enige biologische bijzonderheden 
in zake de levenswijze bij deze familie mede. Hij noemde de leden 
ervan ,, zeldzaam". Bijzonderheden zijn te vinden in het handige en 
fraaie boekje van zijn hand, getiteld : ,,Tweevleugelige insecten" 
(Thieme, Zutphen), waarin ook vele biologische bijzonderheden uit 
zijn zo rijke ervaring betreffende de Nederlandse Diptera zijn vast- 
gelegd. 

De vliegen uit deze groep leggen massa's eieren, veelal op plan- 
tendelen en daar bij sommige soorten de neiging bestaat zich daartoe 
bijeen te verzamelen, worden takken, stengels of twijgen bedekt met 
een zwarte korst, die aan een fungus doet denken. 

Bij enkele soorten werden 3000 tot bijna 4000 eieren van één 
wijfje geteld en Clausen (,,Entomophagous Insects"), aan wie ik 
deze bijzonderheden ontleen, houdt het voor waarschijnlijk, dat dit 
aantal wel tot 10.000 per wijfje kan stijgen. 

Uit die eieren komen kleine, donkere larfjes, die als landbloed- 
zuigers of spanrupsen, zich met het anaaleinde vasthechten en 
wachten op een spin. Ook De Meijere heeft dit waargenomen, bij 
materiaal ontvangen van Wageningen, op paardestaart (Equise- 
tum). 



VERSLAG XVII 

De larfjes kunnen het lang (ongeveer een week) zonder voedsel 
uithouden. Dit, en het grote aantal eieren, compenseert de betrek- 
kelijk geringe kans om een v/aard-dier te vinden. Komt er een spin 
in de buurt, dan bestijgen ze die en boren zich in, waarschijnlijk in 
de membraneuse verbindingen der pootgeledingen. Cole zag dat bij 
een Theridium en ze veroorzaakten hun waard grote ,,jeuk", wat 
bleek uit de krampachtige pogingen om de larfjes (planidien) af 
te strijken en dood te bijten. In Clausen is verder de ontwikkeling 
te vinden. Aanvankelijk vond King ze in allerlei lichaamsdelen der 
spin, het laatste (3e) stadium verblijft in het abdomen der spin en 
vreet dit leeg ; men raadplege Clausen voor meer details. Verpop- 
ping vindt buiten de waard plaats. Voor afbeeldingen van het ei, 
de larven en pop wordt verwezen naar Clausen : ,,Entomophagous 
Insects". Volgens Comstock zouden ook leden dezer familie in de 
eiermassa's van spinnen leven, maar dit is later onjuist gebleken. 

De aandacht van de collega's is op deze alleszins belangrijke fa- 
milie gevestigd. 

Door de vriendelijke hulpvaardigheid van Dr G. Kruseman Jr., 
kan spr. de drie soorten uit de collectie De Meijere uit het Museum 
te Amsterdam tonen, alsmede een Equisetum-stengel, bijna geheel 
bedekt met de zwarte eieren. Verder toont spr. de afbeeldingen uit 
het boek van Clausen voor den karakteristieken vorm van de ver- 
tegenwoordigers dezer familie, de eieren en de larven. 

Vespa crabo in de Betuwe. 
De heer C. de Jong deelt een waarneming mede van Vespa cra~ 
bro in de Neder-Betuwe. Van oudere inwoners van Waardenburg 
vernam hij, dat ongeveer 35 jaar geleden bij het rooien van een 
knotwilg (Salix) een kolonie van wespen daarin genesteld bleek 
te zijn. Zij vermeldden zeer grote, bruin met geel gekleurde wespen, 
wat z.i. alleen op V . crabro betrekking kan hebben. 

Niets meer aan de orde zijnde, wordt de vergadering door den 
Voorzitter, onder dankzegging aan de sprekers, gesloten. 



— 1 — 



Achtste Supplement op de Nieuwe Naamlijst 
van Nederlandsche Diptera van 1898 

(Tweede Supplement op mijne Naamlijst van 1939) 

door 

Prof. Dr. J. C. H. DE MEIJERE') f, Amsterdam 

Met Fig. I op p. 2, Fig. II op p. 10. 

Daar mijn gezondheidstoestand, het verzamelen van Dipteren 
niet meer toelaat, moet ik mij in dit supplement beperken tot het ver- 
melden van enkele soorten, die door mijn opvolgers in den laatsten 
tijd als bewoners van ons land zijn bekend geworden en van eenige 
vergeten soorten. 

Het is voor een goed deel aan de Nederlandsche Entomologische 
Vereeniging, die op 12 October 1945 haar honderdjarig bestaan 
vierde, te danken, dat onze kennis van de Nederlandsche fauna in 
deze eeuw zoo is vooruitgegaan. De eerste naamlijst van inlandsche 
Diptera, in 1853 verschenen en samengesteld door Snellen van 
VoLLENHOVEN en VAN DER WuLP, bevatte 694 sooren en nu is het 
aantal tot 349 1 2 ) gestegen. Uit de Tendipedidae, de Lycoriidae en de 
niet galvormende Itonididae zijn zeker nog vele nieuwe soorten voor 
onze fauna te verwachten, maar dat ook andere families nieuwe 
aanwinsten zullen leveren, bewijzen de vele nieuwe Syrphiden. 

Onze medeleden Van Doesburg, Van Ooststroom en Piet 
hebben in de laatste jaren hiervan talrijke voor ons land nieuwe 
soorten ontdekt. Vooral eerstgenoemde heeft in de omgeving van 
Baarn, vooral op het terrein bij het kasteel Groenendaal veel nieuws 
gevonden en ook in Zuid-Limburg. 

In de vroegere supplementen is meermalen het Linschoterbosch 
genoemd, waar ik indertijd veel verzameld heb. Dit is een vochtig 
loofbosch, een eikenhaagbeukenbosch, zooals dit type tegenwoor- 
dig genoemd wordt ; dit terrein en naaste omgeving heeft heel wat 
zeldzaams opgeleverd. 

3. Thaumaleidae. 

Thaumalea testacea Ruthe. Van Dr. Geijskes vond ik een briefje 
van 1 Febr. 1936, dat hij bij den Plasmolen in een kommetje van 
het beekje aan den St. Jansberg larven vond van deze soort op 
10 Aug. 1935 tezamen met die van Simuiium latipes Mg. en larven 
en poppen van Dixa {maculata ?). Eerstgenoemde soort is tot dus- 
verre alleen van Geulle in Zuid-Limburg bekend, waar ik een paar 
muggen buitmaakte. Nu dit terrein bij Mook in den bezettingstijd 
vernietigd is, bestaat deze kom misschien ook niet meer. 

■'■) Voor den druk gereed gemaakt door zijn leerling Dr. G. Kruseman. 
2) Dit is m.i. 3518. — G. Kr. 



2 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE f, ACHTSTE SUPPLEMENT 

6. Itonididae. 

Gitaudiella inclusa Frauenf. (Fig. I: 1 — 4). Van den. Planten- 
ziektenkundigen Dienst ontving ik stukken riet met galletjes buiten- 
op, zooals deze soort gewoonlijk binnenin maakt. Zij waren in 
Februari 1946 gezonden uit den Noord-Oost Polder bij Emmel- 
oord, waar ze op tamelijk groote oppervlakten te vinden waren. 
Daar er in sommige nog levende larven aanwezig waren, werden 
deze door den heer Van Rossem verder gekweekt en zij leverden 
eenige muggen ; er waren ook eenige stukjes met binnengallen tus- 
schen, zoodat niet zeker, is, dat alle muggen van de buitengallen 
waren. De mugjes verschenen in Maart en April, zeker iets vroe- 




Fig. I. 1—4 Giraudiella inclusa Fr. waarsch. uit buitengal. 1 vleugel. 2 spatula. 
3 puparium van Tachine, achterstigmen en anus op afstand. 4 achterstigma. 
5 Psychoda phalaenoides Zett., einde van de spriet. 6 id. van Ps. pusilla Tonn. 
8 Puparium van Hydrellia griseola Fall. 9 pup. van waarsch. Ephydride, 10 
mondhaak, 11 voorstigma, 12 achterstigma, 13 achterstigma, 14 mijnen van 
Scaptomyzella llava Fall, in jong bloemkoolblad. 

ger dan buiten, in het wat verwarmde laboratorium. Een dergelijk 
stuk heb ik van het Naardermeer genoemd in mijn 6e Suppl. op de 
Nederl. Diptera p. 120. T.v.E. 1939. De mugjes van nu heb ik ver- 
geleken met de gewone, maar kan geen verschillen vinden ; zelfs 
niet in de genitaliën van het $ . Daarvan is het grondlid dik ovaal, 
het 2e lid veel smaller ovaal met een klein tandje aan het einde. Ik 
moet dus aannemen, dat deze soort in de onderste dikkere deelen 
van het riet, zooals ze ook nu waren, gallen buitenop kan maken, 
men zou ze als forma biolog. phragmitis (door mij verbeterd in 



OP DE NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERL. DIPTERA. 3 

phragmitidis)^) Giraud kunnen onderscheiden. Giraud spreekt 
van een Epidosis Löw, dit is een synoniem van Porricondyla Ron- 
dani, waaronder Houard ze plaatst. 

De gallen zitten meest in de onderste helft der internodiën, soms 
zeer dicht opeen, waarschijnlijk omdat de eieren aan de binnenzijde 
van het onderste blad worden afgezet ; het gaatje van 1 mm mid- 
denlijn, waaruit de pop is gekomen, ligt nu eens bovenaan, dan 
weer onderaan en zal wel een door de larve gepraeformeerd dek- 
seltje gehad hebben ; kleinere gaatjes, wel van Microhymenoptera, 
zijn er ook telkens. In een der gallen vond ik een klein vliegen- 
tonnetje, het vliegje was reeds uitgekomen en kan wel niet anders 
dan een Tachine geweest zijn ; de achterstigmen hebben drie diver- 
geerende knopjes. Dit zou dan het eerste geval zijn van een Tachine 
uit eene Itonidide ; althans in het werk ,,Die Tachinen" van Baer 
van 1921 staat er geen daarvan vermeld. 

In figuur I : 1 en 2 geef ik een afbeelding van den vleugel en van 
de spatula van de galmug der binnengallen. De spatula van Porricon- 
dyla heeft volgens Kieffer's Monographie 1900 p. 291 Ann. Soc. 
Ent. France één eindspits, is dus geheel anders en niet tweelobbig. 

In het voorjaar van 1947 is het tot mijn spijt niet mogelijk ge- 
weest, riet met buitengallen te verkrijgen om de muggen daaruit te 
kweken, maar op grond van de gelijkheid der poppen volgens 
Suppl. 6 p. 120, de overgangen tusschen de gallen en de ongewone 
levenswijze voor een Porricondyla blijf ik bij mijn meening dat alle 
door Giraudiella inclusa Fr. veroorzaakt worden. Giraud zelf neemt 
trouwens de Porricondyla s niet als de veroorzakers der buitengallen 
aan, zegt alleen, dat deze in de kweekruimte verschenen, misschien 
was er wat aarde bij, waarin de poppen gelegen hebben. 

Midden October 1946 kreeg ik weer enkele rietstengels van den 
N.O. Polder, 3 dikkere en eenige dunne stukjes. In de dikkere za- 
ten de galletjes binnenin, er waren in het gladde oppervlak hier 
en daar gaatjes, waaruit iets uitgeko'men was, iets levends scheen 
nergens meer aanwezig te zijn ; boven eiken knoop was een opeen- 
hoping van gallen evenals bij de buitengallen in het voorjaar. In een 
van de dunne stukken, ook alle met binnengallen, vond ik 3 licht- 
rose larven met spatula, dus galmuglarven, maar Houard geeft op, 
dat die van inclusa wit zijn ; in een ander dun stukje vond ik in een 
gal 3 witte larfjes met koppen ; in een tweede gal een wit, meer be- 
haard larf je met een kop, alle van Microhymenoptera. 

De heer Van Rossem berichtte mij nog, dat de in den zomer 
van 1946 ontvangen gallen alle binnengallen waren, zooals ik ook 
aangaf en dat hij daarin rose en witte galmuglarven gevonden had. 
In Januari 1947 ontving ik van hem 4 muggen, alle uit dunne stuk- 
jes, die ik alle als Giraudiella inclusa Fr. bestemmen moet, wat ook 
te verwachten was. Het verschil in opgave van de kleur is hem en 
ook mij nog niet duidelijk. Bij bezoek van de uitgestrekte rietvelden 



^) Volgens Dr. Coldewey is de genitivus van Phragmites in klassiek Latijn 
phragmitis ; mijn verbetering is dus overbodig. Schlechtendal schrijft T arsone- 
mus phcagmitidis en Hendel : Agromyza phragmitidis, dit zou van lateren datum 
zijn. 



4 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE f, ACHTSTE SUPPLEMENT 

langs het HoUandsch Diep kon hij nergens de buitengallen vinden, 
maar van rietplanters hoorde hij, dat deze aantasting daar toch wel 
voorkwam. 

In zijn boek over Nederlandsche gallen van 1946 geeft Docters 
VAN Leeuwen de buitengallen als Porricondyla phragmitis Gir. op ; 
deze genusnaam is zeker dubieus, want de EpidosisAarven plegen 
in vermolmd hout te leven. In de Synopse des Cécidomyies d'Europe 
et d'Algérie van Kieffer, Metz, 1898, is op p. 45 phragmitis met 
een vraagteeken onder Epidosis opgenomen met de toevoeging : 
"Eclos dans un récipient contenant des tiges de roseau" ; ook vol- 
gens hem leven de larven van Epidosis in rottend hout en ook hij 
heeft niet aan verband met de buitengallen, waarvan Giraud 
spreekt, gedacht. Volgens van der Wulp, Dipt. Neerl. 1 p. 63 is, 
wel naar Giraud, E. phragmitis Gir. vleeschrood ; sprieten eenigs- 
zins geknopt, 3-ledig, heupen en dijen bleekgeel, schenen en tar- 
sen bruinzwart ; vleugels glasachtig met donkerbruine beharing. 

Didymomyia reaumuriana F. Lw. Geulhem VI. 1947, van Eynd- 
hoven. T.v.E. 89, 1947, p. LXIV. 

7. Lycoriidae. 

Epidapus atomarius Deg. In bodemfauna van bosschen te Hoen- 
derloo regelmatig, maar niet zooveel als Lycoria socialis 
Winn. 

Lycoria armata Winn, is volgens Lengersdorf in Lindner p. 67 een 
synonym van L. humeralis Zett. Bij deze soort is in Suppl. 7 
op den 2en regel weggevallen : Te Loenersloot vond ik een 
$ en een $ . 

fenestralis Zett. Amsterdam-Z. in huis. 30-VI-1946. 

socialis Winn. Larven in de bodemfauna van bosschen te 

Hoenderloo. Deze soort ontving ik ter bestemming van het 
,, Instituut voor Toegepast Biologisch Onderzoek in de Na- 
tuur", aldaar ; de larven zijn daar zeer belangrijk voor de 
vertering van het strooisel. 

9. Psychodidae. 

Psychoda phalaenoides Zett. (Fig. 1:5). De Meijere, Verg. 
14 Juni 1944, p. XXIII. Van den heer Van Eyndhoven ontving ik 
8 Mei 1946 een versehe bloeikolf van Arum maculatum uit een tuin 
te Haarlem. Daarin zaten geen levende Dipteren, maar om de vrou- 
welijke bloemen was een dichte band van doode mugjes van deze 
soort, meest zoo sterk beschadigd, dat ze niet telbaar meer waren, 
toch wel eenige honderden ; $ $ zag ik er niet onder. Een paar 
hooger en iets meer apart zittende hadden nog gave sprieten en 
stelden mij in staat de soort te bepalen. (Fig. 1:5). Een oudere 
kolf, die ik in 4 Juni 1945 van dezelfde vindplaats ontvangen had, 
had een dergelijke band, maar geen enkel gaaf exemplaar meer. Het 
is wonderlijk, waar zoo vele exemplaren in een stadstuin vandaan 
komen. Botanici zeggen, dat de muggen of vliegen, na de $ $ bloe- 
men bestoven te hebben, een dag later met stuifmeel uit de inmid- 



OP DE NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERL. DIPTERA. 5 

dels opengegane meeldraden beladen te zijn, langs de dan niet meer 
afsluitende haarkransen kunnen ontwijken en weer in een andere 
kolf hetzelfde spel kunnen spelen, maar dit klopt voor deze Psy^ 
choda's niet ; zij worden, zooals ook door mijne opgave in de ver- 
gadering van 3 Juli 1943 blijkt, bij groote aantallen het slachtoffer 
en gaan voor hun eigen voortplanting ook verloren, w^ant de wei- 
nige eieren, die ik toen vond, zullen wel geen resultaat gehad kun- 
nen hebben. 

Zoo is deze vorm van symbiose voor deze Psychoda's fataal, ter- 
wijl hij voor andere van wederzijdsch nut kan zijn. Bijzonder is in dit 
geval het optreden van de haarkransen en de opeenvolging van de 
feiten, die door hormonen in hun opvolging worden geregeld, die 
door de mannelijke bloemen w^orden gevormd (zie de intreerede 
van Prof. Van Herk op 18 Maart 1946 p. 10). Hoe zoo'n ingewik- 
kelde samenhang ontstaan is, weten wij nog niet. Men krijgt den 
indruk, dat het levende organisme in staat is datgene te maken, wat 
ervoor nuttig is, maar dat is philosophie, in den geest van Lamarck 
en Bergson, die den onderzoeker nog niet bevredigt. Dat neemt 
niet w^eg, dat daarnaast een tw^eede bron van nieuwigheden moge- 
lijk is door spontane wijzigingen in het erfelijkheidsmateriaal ; beide, 
maar vooral de laatste, zijn onderhevig aan de natuurkeus van 
Darwin. 

Hier moge ik nog herinneren aan de mededeeling van Dr. Jacob- 
son over de kolossale bloemkolf van Amorphophallus titanum Becc. 
te Fort de Koek (Verg. 18 Febr. 1933 der Ned. Indische Ent. Ver.), 
waar de bestuiving geschiedt door de Silphide (Col.), Diamesus 
osculans Vig. Den volgenden dag kunnen zij er weer uit, maar J. 
gelooft niet, dat zij andere bloemen nog bestuiven kunnen wegens 
de zeldzaamheid daarvan. 

Psychoda pusilla Tonnoir 1922 (Fig. I: 6) Vorden 12-VII-46, 
Corporaal leg. Tonnoir heeft in zijn Monographie van dit genus 
(Ann. Soc. Entom. de Belgique LXII, 1922) deze soort alleen van 
Hammern (Ober-Österreich, Mik leg.). 

13a. Heleidae. 
Forcipomyia divaricata Winn. Vorden 7-VII-46, Corporaal leg. 

13b. Tendipedidae. 
Van de Tanytarsus-gvoep is tot mijn spijt een rij van soorten in de 
Naamlijst van 1939 niet afgedrukt geworden, die had moeten staan 
tusschen Micropsectra quinaria en {Xenotany tarsus) miriforceps op 
p. 146 2e kolom. Zij waren in Suppl. 5 reeds vermeld, maar zij 
worden nu alle vet gedrukt, omdat zij bij het totaal van de Naamlijst 
moeten worden opgeteld. Het zijn : 
Micropsectra recurvata Gtgb. heusdensis Gtgb. 

subnitens Gtgb. var. holochloris Edw. 

Tanytarsus (s. str. Ie groep) inaequalis Gtgb. 

• arduennensis Gtgb. lestagei Gtgb. 

• curticornis Kieff. (s. str. 2e groep) 

ejuncidus Walk. excavatus Edw. 



PROF. DR. J. C. H. DE MEIJEREf, ACHTSTE SUPPLEMENT 

— macrosandalum Kieff. pseudotenellulus Gtgb. 

samboni Edw. tenellulus Gtgb. 



Tanytarsus signatus v. d. W. tenuis Mg. 

verralli Gtgb. (subgenus?) 

Subgenus giltayi Gtgb. 

inopertus Walk. var. silvaticus Edw. 

laetipes Zett. = danicus (Cladotany tarsus) 

V. d. W. atridorsum Kieff. 

nigrofasciatus Gtgb. • mancus Walk. 

Limnophyes hydrophilus Goetgeb. Deventer, in bloem van Aristo- 
lochia clematitis, de Boer leg. VI- 1942. 

25. Bombyliidae. 
Thyridanthrax fenestratus Fall, gekweekt uit poppen van Am- 
mophila adriaansei Wilcke, De Lev. Natuur L. 1947 p. 35. 

28. Empididae. 

Tachista connexa Mg. Geulhem 23 Juni 1946 Corporaal leg. 

De verhandeling van H. Low over dit genus in Silezië is in onze 
Bibliotheek als separaat uit Dl. 17 van Breslau 1863 ; ik begrijp 
niet, waarom Lundbeck Dl. 14 hiervoor opgeeft. 

29. Dolichopodidae. 

Hercostomus {Gymnopternus) angustifrons Staeg. Beerse bij 
Balsvoort, Boxtel. 31-VI-46 Piet leg. Inventaris. Contactcomm. 
Beekonderzoek. 

Dolichopus simplex Mg. was in de Naamlijst van 1939 vergeten. 

30. Musidoridae. 
In mijn Naamlijst van 1939 staat op p. 154 vermeld Musidora 
(Lonchoptera) meijerei Collin. Dit is het ex., dat ik in mijn studie 
over deze familie als een $ van furcata vermeld had. Deze $ $ 
schijnen in Engeland niet zoo zeldzaam te zijn als bij ons ; Collin 
heeft er verscheidene van ; bij hen is de subcostaalader evenals bij 
de ? ? slechts met zeer korte borsteltjes bezet, terwijl bij meijerei 
de laatste borstel dicht voor het einde van deze ader veel langer 
en steviger is. Collin heeft deze soort beschreven in The Ento- 
mologist's Monthly Magazine, Vol. LXXIV. 1938 p. 63. Het bleek 
hem toen tevens, dat impicta geen synonym van furcata is, maar 
een goede soort, die den langen borstel aan het begin van deze 
borstelrij heeft. Mijn $ van meijerei is van Winterswijk 17-VI- 
1904 ; ik heb het in Suppl. 5 p. 204 vermeld ; de soort is ook in 
Engeland zeldzaam, want Collin noemt slechts twee vindplaatsen. 
De genitaliën van het $ van furcata worden door hem ook afge- 
beeld. 

31. Syrphidae. 
Aderaberraties by Syrphiden : Kabos, Verg. 14 Juni 1944 p. 
XXIX. T.v.E. 87. 



OP DE NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERL. DIPTERA. 7 

Penivun dubium Lundb. Baarn. Van Doesburg leg. Verg. 23 Febr. 

'46. T.v.E. 89 '46 p. XXXI. 
Orthoneura geniculata Mg. Piet. Ent. Ber. XI. No. 264 — 266 p. 262. 

intermedia Lundb. Piet, Ent. Ber. No. 264 — 266 p. 262. 

Chilosia barbata Lw. Geulhem V. Van Doesburg. T.v.E. 88 p. 353. 

chrysocoma Mg. Laren (N.H.) Van Doesburg. Verg. 

14 Juni 1944. T.v.E. 87, p. XXIV ; T.v.E. 88 p. 358. Epen 
(L.). 25-V. 

Neoascia geniculata Meig. Bussum. Van Doesburg leg. T.v.E. 88, 

1945 (1947), p. 353. 
Pyrophaena rosarum F. Twente in aantal ; $ $ allen aan Juncus- 

stengels. Piet Verg. 3 Febr. 1946. T.v.E. 89 '46 p. XXIX. 
Platychirus sticticus Meig. Geulhem. VI. Van Doesburg. T.v.E. 

88, 1945 (1947), p. 354. 
Xanthandrus comptus Harris met geheel zwart abdomen. Baarn. 

Van Doesburg, Verg. 14 Juni 1944. p. XXIV. 
Epistrophe annulata Zett. Baarn V. Van Doesburg. T.v.E. 88, 

1945 (1947), p. 354. 

lasiophthalma 'Lett. Baarn, 22-III-45. Van Doesburg. Verg. 

23 Febr. '46. T.v.E. 89, p. XXX— XXXI. 

punctulata Verr. Baarn, eind Maart en begin April 1945 

vele ex. ook een melanistisch, geheel zwart ? van Does- 
burg leg. Verg. 23 Febr. '46. T.v.E. 89 p. XXXI. 

Van deze soort zag ik een 2 van Mechelen (L. ) gevan- 
gen 30-V-'46 door D. Piet ; het heeft de roodgele kleur 
aan de onderzijde van het 3e sprietlid, maar wijkt door 
grootendeels geel beharing van het schildje, en niet geheel 
gelen buik van de beschrijving af en gelijkt daardoor op 
lasiophthalma Zett. 

guttata Fall. Amsterdam. VIII '44 Piet leg. Verg. 23 Febr. 

'46. T.v.E. 89 p. XXVIII. 

lineola Zett. Baarn, Leuvenum, Van Doesburg. T.v.E. 88 p, 

354. 

Leucozona lucorum L. Epen. V. Van Doesburg. T.v.E. 88 p. 354. 
Lasiopticus pyrastri L. var. unico lor Curt. VoUenhove 13 ex. op één 

dag 29 Juli. Van Doesburg. Ent. Ber. XI. Nr. 264—266 

1945 p. 288. 
Scaeva F. Deze genusnaam wil R. C. Shannon volgens Kabos. 
T.v.E. 85 p. XXXIII weer ingevoerd zien voor Catabomba py- 
rastri L., die er het genotype van is, maar volgens Verrall, Brit. 
Flies VIII p. 340 is de naam Scaeva reeds door Wiedemann als sy- 
nonym van Syrphus F. bij Meigen aangeduid, en zulke namen 
mogen volgens de nomenclatuurregels niet meer gebruikt worden* ) . 
Didea intermedia L. Baarn 5-VI. Van Doesburg leg. Verg. 14 Juni 

1944 p. XXIV. 
Syrphus albostriatus Fall, melanistische var. Van Doesburg. Verg. 

14 Juni '44 p. XXIV. 

annulipes Zett. Baarn VII. Van Doesburg. T.v.E. 88 p. 354. 



*) Noot bij het persklaar maken. ^ M.i. is deze interpretatie van de nomen- 
clatuur-regels onjuist ; deze regel geldt voor homonymen. Kr. 



8 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE f, ACHTSTE SUPPLEMENT 

arcuatus Fall. Baarn. Eindhoven, Epen, Van Doesburg. 

T.v.E. 88 p. 354. 

Volucella inflata F. Eperheide. VI. Van Doesburg. T.v.E. 88 p. 355. 

zonaria Poda. Baarn. Van Doesburg. Verg. 23 Febr. '46. 

T.v.E. 89 '46 p. XXXII. 

Eristalomyia anthophonna Fall. Ill en IV, Vili en IX bij Leeu- 
warden, 29-IV '43 te Wolvega, van Minnen leg. 

Eristalis vitripennis Strobl Baarn V, van Doesburg. T.v.E. 88 
p. 355. 

Penthesilea asilica Fall, te Rijs (Gaasterland) 25-V-42, van Minnen 
leg. Epen. V, VI, Van Doesburg. T.v.E. 88 p. 356. 

fioccosa Meig. Epen VI, Van Doesburg. T.v.E. 88 p. 356. 

Pocota apiformis Schrank Soestdijk IX. Van Doesburg. T.v.E. 

88, p. 356. Kabos, Bussum ibid. 
Cerioides conopoides L. Epen V, Baarn VIII, Van Doesburg. T.v.E. 

88. pp. 356. 
Chrysotoxum arcuatum L. Ootmarsum, Piet leg. Verg. 23 Febr. 

'46. T.v.E. 89 p. XXVIII. 
Tubifera hybrida Löw, Van Doesburg. Ent. Ber. XI. Nr. 264 — 

266. 1945 p. 288. 
Myiolepta luteola Gmelin Baarn, 29-VI-44. 1 $ van Doesburg 

leg. Ent. Ber. XI. Nr. 264—266. 1945. p. 287. 
Zelima abiens Meig. Baarn. 15-VI'-45. 1 S van Doesburg leg. 

Verg. 23 Febr. '46. T.v.E. 89 p. XXXII. Baarn. VII. Van 

Doesburg T.v.E. 88 p. 357. 

lenta Mg. Van Doesburg, leg. Verg. 14 Juni '44. T.v.E. 

89 p. XXIV. 

■ tarda Meig. Baarn. VII. Heemstede VII, Van Doesburg. 

T.v.E. 88. p. 356. 

Eumerus flavitarsis Zett. Baarn. 18-VI-45. Van Doesburg. Verg. 
23 Febr. '46. T.v.E. 89 p. XXXÎ. VII, VIII. Van Does- 
burg. T.v.E. 88 p. 357. 

41. Psilidae. 

Chyliza pittata Mg. Van deze soort ontving ik jaren geleden 
eenige larven van den heer P. Vermeulen, die hij gevonden had 
in stengels van Orchideeën. Deze larven zijn beschreven door Mevr. 
Bodine de Vos-de Wilde in haar proefschrift van 27 November 
1935 op p. 88. In zijn proefschrift van 2 Juli 1947 "Studies on 
Dactylorchis" poneert de heer Vermeulen stelling XIII : ,,Van 
Chyliza vittata Mg. als Orchideeënparasiet bestaat een voorjaars- 
en een zomergeneratie". Dit is blijkbaar zijn bevinding en dus 
meer dan een stelling. 

Megachetum atriseta Mg. Larve leeft in Orobanche. Kabos Verg. 
4 Maart '44, p. XVI. 

Chamaepsila nigricornis Mg. Schade aan jonge slaplantjes en 
Chrysanthen, de Wilde. Verg. 23 Febr. '46. T.v.E. 89 '46 p. XXX. 

45. Ulidiidae. 
Chrysomyza demandata F. Baarn. IX '43. Van Doesburg leg. 
Kabos Verg. 14 Juni 1944. T.v.E. 87 p. XXIX. 



OP DE NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERL. DIPTERA. 9 

49. Trypetidae. 
Rhagoletis meigeni Lw. Van deze soort vond Dr. W. J. Maan 
einde Juni 1947 een aantal exx. op een Hortensia in zijn tuin te 
Amstelveen, op de naburige planten veel minder. Iets later waren 
zij ook door de voordeur in huis gedrongen ; in de hall zaten wel 
ruim 100 exx. Deze soort leeft als larve in de bessen van Berberis 
vulgaris ; ik heb ze slechts zelden gevangen. 

56d. Ephydridae. 

HydrelUa griseola Fall. Puparium (Fig. 1:8) onder de epidermis 
van preiblad. Heemskerk. 29-VI-46. Dr. Maan leg. Deze gewoon- 
lijk in Gramineeën levende soort gaat bij uitzondering in andere 
Mono- en Dicotylen ; zij is uit Allium nog niet vermeld. 

Het is een smal lichtgeel puparium van 3,25 mm lengte ; voor- 
stigmen zijn niet aanwezig ; de achterstigmen zitten vlak naast el- 
kaar als smal driehoekige komische uitsteeksels, die wel de 3 knop- 
pen dragen aan het achtereinde. Een kronkelige mijngang van de 
larve was in het preiblad aanwezig. 

Dr. Maan vond nog een 2e dergelijk popje lager tegen de plant 
bij de aarde ; dit is 2,44 mm. lang ; het bleek mij een andere soort 
(Fig. I: 9- — 13); is ook lichtgeel; heeft voorstigmen met 3 (?) 
kleine knoppen ; de achterstigmen zitten op korten afstand van el- 
kaar en hebben elk op het iets uitstekende ronde achtervlak 3 knop- 
pen ; aan voor- en achtereinde zijn talrijke dicht opeenstaande on- 
regelmatige dwarsribbels, hier en daar met elkaar verbonden. Ik 
bewaarde het, maar jammer genoeg kwam er den 15en Juli een 
parasitisch wespje uit, zoodat ik de soort van het vliegje niet kan 
aangeven ; het leek mij ook een Ephydride. Er is een Cladoneurum 
bekend, die in Beta mineert, maar overigens geene in cultuurplan- 
ten, zoover ik weet, behalve de reeds genoemde HydrelUa griseola. 
Maar dit larfje behoeft niet in planten geleefd te hebben. 

58g. Drosophilidae. 

Scaptomyza apicalis Hardy = Scaptomyzella flava Fall. Fig. I: 14. 
Amsterdam, aan de Boerenwetering, begin November 1945 larven 
in bladschijf en bladsteel van zeer jonge bloemkoolplantjes en daar- 
door schadelijk. 8 November hadden de meeste de planten reeds 
verlaten en was er nog slechts één te vinden, die bij kamertempe- 
ratuur 12 December uitkwam. Dr. Maan leg. 

Het is een ? donkerder dan de type, het 3e sprietlid is zwart, 
het achterhoofd in de bovenhelft, ook thorax van boven en achterlijf 
donker, de thorax van boven witachtig bestoven met 3 donker- 
bruine langsstrepen, maar kop, ook de voorhoofdsdriehoek en de 
tasters, ook de pooten geel, klopt dus niet met griseola Zett. De 
blaadjes waren 4 — 5 mm lang en 2 mm breed, een paar, die ik van 
Dr. Maan ontving, bevatten talrijke larfjes, de mijnen beantwoor- 
den aan Hendels beschrijving ; de van de hoofdnerf uitgaande 
breede gangen waren meest saamgevloeid ; zij bevatten aan hun uit- 
einde meest één larfje, dat daar ook het sponsparenchyn had opge- 
geten, zoodat daar een doorschijnend vlekje ontstond. 



10 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJEREf, ACHTSTE SUPPLEMENT 

In Suppl. VII, p. 15 heb ik Hennig verweten, dat hij steeds Scap" 
tomyzetta schrijft, maar sedert heb ik gezien, dat Hendel in zijn 
opstel : über die minierenden europäischen Scaptomyza- Arten und 
Ihre Biologie, Zool. Anz. LXXVI 1928 p. 290 boven zijn diagnose 
ook zoo schrijft ; dit is echter klaarblijkelijk een schrijf- of drukfout, 
want verder heeft hij steeds Scaptomyzella, evenals ook Duda in 
,, Lindner" 1934. Hering heeft in zijn Minenwerk Scaptomyzella 
[lava Mg., maar deze naam is van Fallcn, zie ook Hendel I.e. 

59. Agromyzidae. 

Dizygomyza crrans Mg. Van deze soort was nog een rest in de 
coll. Van der Wulp aanwezig, dat later in mijne collectie kwam 
met het etiket Hobrink 2/8 v. E. Dit is het ex., dat in de Naamlijst 
van 1898 p. 139 van Empe vermeld wordt, waar dit buitenverblijf 
van den heer A. J. van Eyndhoven gelegen was. Ik heb dit ex. nu 
met Hendel's beschrijving in Lindner vergeleken en bevonden, 
dat het werkelijk deze soort is ; de vleugel klopt geheel ook door de 
vrijblijvende subcosta en den spitsen bovenhoek van de schijfcel. 
De boom, waarin zij de mergstralen maakt, is nog niet bekend. 

Phytomyza {Napomyza) nigriceps v. d. W. is vergeten in de 
Naamlijst van 1939. 

Phytomyza tenella Mg. Deze soort moet vervallen, zie T.v.E. 86, 
p. 74 ; de vroeger als tenella beschouwde soort is asteris Hendel. 
Zie T.v.E. 81 p. 103. Ie kolom. 

Phytomyza {Napomyza) lateralis Fall. Door den heer G. VAN 
RossEM ontving ik einde Maart 3 vliegen van deze soort van den 
Plantenziektenkundigen Dienst, die begin Maart 1947 versche- 
nen waren uit witlof van Dedemsvaart, w^aar zij schadelijk waren 
aan geëtioleerde bladeren in de kuil. Van deze soort is evenals van 





i 



d 



/ 





Fig. II. Larve van onbekende familie in witlof. 1 larve. 2 mondskelet van ter 
zijde. 3 id. van boven. 4 wratjesband achter zintuiggroep. 5 voorstigma. 6 achter- 
einde. 7 vermoedelijke mijngang. 



OP DE NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERL. DIPTERA. 11 

Ophiomyia pinguis ook door mij deze levenswijze reeds bekend 
gemaakt. (T.v.E. 1925 p. 249 en 1926 p. 232). 

Volgens Van Rossem toonden deze bladeren korte mijntjes, zoo- 
als in fig. II aangegeven en op mijn verzoek zond hij mij begin April 
de eenige nog gevonden larve, maar die bleek mij een geheel 
andere te zijn, zelfs geen Agromyzide. 

De beschrijving moge hier volgen (zie ook Fig. II) : 

Larve vuilwit, ca. 4 mm lang, vrij dik, mondhaken gescheiden en 
even groot, behalve de eindtand, een eind daarachter met een vrij 
lang stomp uitsteeksel, bovenste verticaalplaten vrij smal, onder- 
rand zwart, verder wat lichter, onderste platen, die verbonden 
zijn, zijn even lang en aan de zijranden zwart, in het midden licht ; 
onderaan den pharynx zijn de pharyngeaallijstjes aanwezig. Onder 
de zintuiggroep liggen een aantal wratjesrijen, elk met afgeronden 
rand en in het midden met een donker vlekje, verder zijn er vrij 
breede wratjesgordels met veel dicht in groepen staande wratjes 
van denzelfden vorm, maar alle kleurloos, mçer naar achteren ko- 
men er meer spitse wratjes en in de achterhelft van de larve wor- 
den de gordels onduidelijker. Het achtereinde toont van boven 4 
lange papillendragers en meer naar beneden ter w^eerszijden nog een 
kleiner ; onderaan ligt de anus tusschen twee lobben. De voor- 
stigmen zijn schubvormig, niet breed, met ca. 7 of iets meer knoppen, 
die vrij lang gesteeld zijn. Achterstigmen met 3 knoppen. 

Door den heer Van Rossem werd ik er op attent gemaakt, dat er 
nog een 3e Dipteron in de geëtioleerde bladeren van witlof zou 
leven, nl. Phytomyza continua Hend. ; de mededeeling van Van 
DEN Bruel in de Buil. et Ann. de la Soc. Ent. de Belgique LXXVI 
(1936) 445 was hij zoo goed mij toe te zenden. Hieruit blijkt, dat 
deze exx. door de beeren Deshusses uit witlof gekweekt, door 
Villeneuve als Ph. [Napomyza) lateralis Fall, en zulke door 
Hering als Ph. continua Hendel gedetermineerd waren ; lateralis 
zonder tp (achterdwarsader) gelijkt zeer veel op continua. In het 
Belgische artikel wordt ook vermeld, dat ik (Suppl. 6, Nederl. Dipt. 
p. 131) bij lateralis zulke exx. opnoem ; deze had ik echter niet uit 
witlof gekweekt ; er wordt nu verondersteld, dat dit continua s 
kunnen geweest zijn. Die exx., die ik in het 6e Suppl. p. 131 als 
Ph. {Nap.) lateralis Fall, heb aangegeven, heb ik nogmaals kunnen 
onderzoeken en bevonden, dat dit niet juist was : het zijn alle echte 
Phytomyza s uit de nabijheid van affinis en atricornis, maar zonder 
verband met continua, die ik uit Holland nog niet ken. Bij al deze 
exemplaren is de afstand rl+2 — r3 + 4, hoogstens 3 X , meest 
21/^ X r 5 — m, terwijl deze continua meer dan 4 X zoo groot 
zou zijn. 

Het puparium van continua werd door mij in Nachtr. 2 p. 281 
voor een door den heer Deshusses in de wortels van Cichorium En- 
divia te Genève gevonden ex. beschreven en is duidelijk van Nap. 
lateralis verschillend. In zijn Mijnenwerk noemt Hering deze soort 
slechts bij Cichorium voor geëtioleerde bladeren en zegt, dat con- 
tinua anders alleen in den wortelstok van Composieten leeft. 



12 PROF. DR. J. C. H. DE iMEIJEREf, ACHTSTE SUPPLEMENT 

61. Chloropidae. 

Lipara similis Schiner. — Prof. DocTERS van Leeuwen heeft de 
gal van deze soort kenmerkend beschreven op de verg. van 14 Febr. 
1937 in T.v.E. 80 p. XLIX. Nu de vliegen nog ! 

Thaumatomyia trifasciata Zett. Larven in wortels van witlof- 
planten ( geëtioleerde Cichorium Intybus) in de omgeving van 
Barendrecht omstreeks 27 Augustus 1946 ; imagines verschenen 
28 Aug. en 6 Sept. '46. Plantenz. dienst. De twee imagines vormen 
de twee uitersten, wat de kleur betreft; de Ie is zeer licht, de 
zwarte strepen op de thorax goed gescheiden, abdomen geheel geel, 
slechts vooraan met 2 kleine zwarte vlekjes, dus van de kleur van 
Chlorops hypostigma Mg. ; de 2e heeft deze strepen door fijne 
lijnen gescheiden en een geheel zwart abdomen. Deze soort is blijk- 
baar ook zeer variabel ; de haartjes op den voorhoof dsdrieh oek zijn 
zeer fijn en slecht met microscoop en bovenbelichting te zien. Duda 
heeft in Lindner Chlorops hypostigma Schiner als synonym van 
Thaum. notata Mg., waarschijnlijk omdat Schiner een afgeplat 
schildje voor zijne soort aangeeft ; bij de echte Chi. hypostigma 
heeft Duda hetzelfde citaat zonder verder commentaar ; er zullen 
dus ook van notata exx. met de kleur van hypostigma voor moeten 
komen, ofschoon dit door Duda niet vermeld wordt. 

Thaumatomyia notata Mg. Naarden, plaag in huis, 21-III-47 ; de 
donkere vorm van deze in groote zwermen voorkomende soort. 

63. Anthomyidae. 
MoreUia podagrica Low, Kabos Verg. 4 Maart '44. T.v.E. 87, p 

XVL 
Dialyta halterata Stein, Kabos Verg, 4 Maart '44. T.v.E. 87, p 

XVL 
Fannia ornata Mg., Kabos Verg. 4 Maart '44. T.v.E. 87, p. XVI 
Hebecnema affinis Malloch, Kabos Verg. 4 Maart '44. T.v.E. 87 

p. XVL 
Azelia zetterstedti non Wied., Kabos Verg. 4 Maart '44. T.v.E. 87 

p. XVL 
Limnophora (Pseudolimnophora) nigripes R.D., Kabos Verg 

4 Maart '44. T.v.E. 87, p. XVL 
Chortophila (Crinura) angustifrons Mg., Kabos Verg. 4 Maart '44 

T.v.E. 87, p. XVL 
Coenosia tigrina Fabr. — Van deze soort ontving ik onlangs van 
Dr. W. J. Maan eenige exx. van welke hij waargenomen had, dat 
zij de uienvlieg Chortophila antiqua Mg. aanvielen ; ze doorstaken 
ze tusschen kop en thorax en zogen de slachtoffers uit. Van deze 
Coenosia zegt O. Karl in zijn werk over Muscidae in : Die Tier- 
welt Deutschlands 1928 p. 211 : ,,Ein arger Räuber der eifrig auf 
kleine Insekten Jagd macht". Dat deze vlieg ook andere van de 
grootte van Ch. antiqua Mg. (7 mm), aanvalt, was mij niet be- 
kend ; zij is zelf maar 6 mm lang. 

In het feestnummer T.v.E. 89 1945 (verschenen 1947) vind ik 
in de literatuurlijst stukken van B. M. Hobby over de prooien van 
verschillende Dipteren, o.a. van Coenosia tigrina F. in J. ent. Soc. 



OP DE NIEUWE NAAMLIJST VAN NEDERL. DIPTERA. 13 

Pegomyia bicolor Wied. — Mijnen in Begonia, Nijmegen, imag. 
begin Sept. Wegman leg. Ontvangen van Plantenz. Dienst Sept. 
'46. Dezelfde soort staat voor dit genus ook in Hering's mijnenboek. 

64. Tachinidae. 

Lucilia bufonivora Moniez. — Bladerend in oude vergaderings- 
verslagen vond ik een mededeeling van den heer Schuyt, 17 Febr. 
1918 p. XXIX, die te Wamel op 17 Juni 1917 een pad aantrof, die 
door vliegenlarven op gruwzame wijze was mismaakt ; dit moeten 
wel larven van bufonivora geweest zijn. Er zijn twee onzekere na- 
men van Meigen, volgens Lundbeck is splendida Mg. zeker een sy- 
nonym van silvarum Mg. ; de exx. van illustris Mg. in de Naamlijst 
van 1898 zijn meest ook silvarum ; voor deze in en op padden le- 
vende soort is de naam van Moniez zekerder. 

Anthracomyia melanoptera Fall. Beerse bij Balsvoort Boxtel, 
l-VI-46 Piet leg. 

Ceromasia of Lydella. — Omtrent dit in het 7e Supplement ver- 
melde ex. deelde Dr. D. Mac Gillavry mij mede, dat het aanspiet- 
sen ook door den wind kan gebeurd zijn. Hij nam dit zelf dikwijls 
waar en vermeldde het in het verslag van de excursie naar Ter- 
schelling in 1912 in de Lev. Natuur, en in de Engelsche literatuur 
wordt dit windeffect ook veel vermeld. De Lanius zou dus van dit 
kwaadaardige geval vrijgesproken worden. 

Weberia pseudofunesta Vili. — Op 20 Augustus 1947 vond mijne 
vrouw binnen op het keukenraam onzer woning een kleine Tachine, 
die ik volgens Stein, 1924, als funesta Mg. determineerde, welke nu 
volgens Villeneuve pseudofunesta moet heeten. Het is een ? van 
4 mm lengte, geheel zwart, het voorhoofd mat, de oogen naakt, de 
sprieten aan de basis iets verbreed, verder kort pubescent, de schou- 
ders niet merkbaar lichter, de thorax ook mat, het achterlijf met meer 
glans, zonder macrochaeten, met lange legbuis, de vleugels bijna 
geheel zwart, aan den achterrand iets lichter, aan de basis, boven 
de witte squamulae ongekleurd, op elkaar op het achterlijf liggen- 
de, de spitscel aan den vleugelrand gesloten, de boog niet hoekig, de 
vleugels iets korter dan het achterlijf. Daar ik de literatuur omtrent 
deze moeilijke groep niet heb kunnen nazien en het dier door een 
ongelukje bij het prepareeren niet geheel gaaf is, waardoor ik dus 
niet geheel zeker ben, geef ik deze kenmerken op. 

66. Nycteribiidae. 

Pedicellidia dufouri Westwood. — Hiervan zond de heer P. J. 
Bels mij begin Augustus een aantal exx. uit den St. Pietersberg 
(Nederl. gedeelte); diverse volwassene had hij afgehaald van Myo- 
tis myotis en verscheidene pupariën van het plafond van de kraam- 
kamer op 7 Juli '46, waarvan op 27 Juli ca. 7 bij hem thuis waren 
uitgekomen ; een verscheen nog bij mij op 3 Augustus. De $ 9 
zijn nog al variabel ; van de in het midden afgebroken rij van bor- 
steltjes op segment II teekent Falcoz elke helft met 4 borstels, maar 
het zijn er soms minder, soms veel meer, tot 14 dicht bij den zij- 
rand. Kolenati spreekt bij P. leachi Kol., die als synonym wordt 



14 DE MEIJERE f, 8e SUPPL. NAAML. NED. DIPT. 

beschouwd, van een ,,10-zähniges Ctenidium". Bij een $ zag ik het 
„Hornplättchen" van het 3e tergiet, omgeven door een helder rin- 
getje, alsof er niets uitstulpbaars in zat evenals de „Haftscheibe" bij 
het $ . ScHiNER vermeldt niet, dat deze alleen bij het $ voorkomt. 
Dit $ heeft 5 — 3 borstels aan tergiet II. 

LITERATUUR. 

Barendrecht, G. le mededecling over Fungivoridae. T.v.E. 79. p. XXXIII. 

2e mededeeling over Fungivoridae. T.v.E. 79. p. LXXXVII. 

3e mededeeling over Fungivoridae. T.v.E. 80. p. XXXIX. 

DocTERS VAN Leeuwen. W. M. Gallen op Phragmites communis. T.v.E. 80. 

p. XLIX. 

(met Han Alta). Gallenboek. 1946. 

Zoöcecidiën van het eiland Ameland. Entom. Ber. 1947. No. 277 

p. 181^184. 

Doesburg, P. H. van, Sr. Mededeelingen over Syrphiden. Entom. Ber. XI no. 
264^266 p. 287. 

Nederiandsche Syrphidae Verg. 14 Juni 1944. T.v.E. 87 p. XXIV. 

Mededeelingen over Syrphidae. T.v.E. 88 1945 (1947) p. 353^357. 

Syrphidae uit Baarn en omstreken. T.v.E. 89 1946. p. XXXI. 

Kabos, W. J. Merkwaardige Nederiandsche Diptera. Verg. 4 Maart '44. T.v.E. 

87. 

Nieuwe, zeldzame en afwijkende Diptera, verdeeling hoogere Mus- 

ciden. Verg. 14 Juni '44. T.v.E. 87. p. XXIX. 

Korringa, P. Vliegen 's nachts op bessen van Prunus serotina. De Lev. Natuur. 

L^1947. p. 29. 
Leefmans, S. Over levenswijze van Contarinia torquens de Meij. T.v.E. 80, 

p. XXXV. 
Meijere, J. C. H. de, Psychodidae in Arum maculatum. Verg. 14 Juni '44. T.v.E. 

87, p. XXIII. 

Over eenige Dipterenlarven, waaronder een galmug, die mijngan- 
gen maakt en twee Dipteren, die gallen op paddenstoelen veroor- 
zaken. T.v.E. 88, 1945. p. 49-62. 

OosTSTROOM, S. J. VAN, Sciopus exul Parent in den Leidschen Hortus. Entom. 

Berichten XI, No. 258, p. 196. 
Piet, D. Nieuwe Syrphidae en Tabanidae Verg. 4 Maart '44. T.v.E. 87, p. IX. 

Orthoneura geniculata Mg. en intermedia Lundbeck. Ent. Berichten 

XI, 1945, p. 62. 

Belangrijke vondsten in 1944 en 1945. T.v.E. 89 1946, p. XXVII. 

RossEM, G. van. Massaal optreden van een Bibionide. E.B. XI, nr. 260. p. 217 

-218. 
Sant, L. E. van 't en Wilde, J. de. Psila nigricornis Meig., een winterplaag in 

sla onder glas. Meded. Dir. v. d. Tuinbouw 1944 (Sept.-Oct.), 

p. 432-437. 
Sunier, Dr. A. L. J. Van een bloementapijt en een zwever, die zich stilletjes 

toch vasthield. De Lev. Natuur L. Afl. 6. 1947 p. 73—77. 
WiLCKE, J. Wolzwevers. De Lev. Natuur. IL. 1 Mei '44, p. 7 — 8. In De Lev. 

Natuur IL van 1 Juni '44 is aangegeven op p. 22, dat fig. 2 den 

Donkeren Zwever en fig. 3 den Heizwever voorstelt. 

De bonte sluipvlieg (Echinomyia fera L.). De Lev. Natuur IL. 

1 Augustus 1944. p. 47. 

Poppen van Thyridanthrax fenestratus Fall, in cocons van Ammo- 

phila adriaansei Wikke. De Lev. Natuur, L '47, p. 35. 



Noot bij het persklaar maken. 

3 soorten vervallen : Lycoria armata Dinn., Phytomyza tenella Mg., Lucilia 
Ulustris Mg. 

Nieuw vermeld worden 56 soorten. 

Totaal volgens het 7e supplement 3465 soorten, zoodat het aantal Nederiand- 
sche soorten nu 3518 bedraagt. G. Kr. 



- 15 - 



Die Larven der Agromyziden 

Neunter Nachtrag 
I. Europäische Agromyziden. 
II. Minierende Dipterenlarven von Niederländisch-Ostindien. 

Prof. Dr. J. C. H. DE HEUERE f, Amsterdam') 
L 

In diesem Nachtrag habe ich noch einige Larven beschrieben, 
welche ich nach Abschluss des 8. Nachtrages erhalten habe. Weil 
mein Gesundheitszustand ermüdende Studien kaum mehr zulässt, ist 
dieser Nachtrag als Abschluss meiner Arbeit auf diesem Gebiete 
zu betrachten. 

In den letzten Jahren hat Dr. Buhr als er im Felde war, meistens 
nahe der Küste im Gebiete der Orne und der Loire in Frankreich 
seine freie Zeit ergiebigst benutzt zum Suchen von Agromyzinen- 
Minen. 

Als besonders merkwürdig habe ich in diesem Nachtrag zu er- 
wähnen die grosse Variabilität der Hinterstigmen bei Phytomyza 
cineracea Hend. und den kleinen Stirnfortsatz bei Ph. abdominalis 
Zett. Auch die ganz schwarze Mine einer javanischen Trypetide ist 
sehr befremdent. 

Wie ich im 4. Nachtrag am Ende zwei Register gegeben habe, 
einen nach den Dipterennamen angeordnet und einen nach den 
Wirtpflanzen, welche meine Hauptarbeit in der Tijdschrift v. En- 
tomologie, 68 und 69, 1925 und 1926 und die 4 ersten Nachträge 
(T.v.E. 71, 1928, 77, 1934. 80, 1937 und 81, 1938) umfassen, so 
möchte ich hier in derselben Weise für die Nachträge 6 — 9 Re- 
gister anschliessen ; der Nachtrag 5, welcher die Kameruner Funde 
enthält, kommt hier nicht in Betracht, weil die Bearbeitung der 
Imagines und der Wirtpflanzen von den deutschen Kollegen durch 
den Krieg unterbrochen und verzögert wurde. Ich möchte dies ihnen 
überlassen, wenn ich es nicht mehr werde tun können^). 

Nach den Registern in Nachtrag 4 und Nachtrag 9 habe ich die 
Larven bzw. Puparien von ca. 430 Arten beschrieben ; hierbei ist die 
Kameruner Ausbeute im Nachtrag 5 nicht mitgezählt, weil die we- 
nigen gezüchteten Imagines noch nicht bestimmt sind, ebensowenig 
wie die Wirtpflanzen. Aus den Niederlanden sind 163 (ausser der 
Sp. aus Prunus) Agromyziden bekannt ; davon sind von 23 Arten 
die Larven, von den meisten auch die Wirtpflanzen ganz unbekannt, 
es sind dies : Melanagromyza rostrata Hend., Dizygomyza errans 
Mg., capitata Zett., mallochi Hend., Sp. aus Prunus, monfalconensis 



^) Druckfertig gemacht von F. C. J. Fischer und Dr. G. Kruseman. 
^) Das Register zu den Nachträgen 6^9 wird in Kürze von Dr. Kruseman 
verfasst werden. 



16 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE f, 

Strobl, geniculata Fall., lineella Zett., Liriomyza perpusilla Mg., 
lutea Mg., [asciata Hend., xanthaspis Lw., Phytagromyza discte- 
pans V. d. W., trìvittata Lw., Cerodonta atronitens Hend., biseta 
Hend., Phytomyza albipennis Fall., elegans Mg., evanescens Hend., 
gymnostoma Lw., nigriceps v.d.W., nigripennis Fall.*). Mehrere 
dieser Arten sind nicht selten, sodass es nicht wahrscheinlich ist, 
dass die Larven Blätter minieren, sonst wären diese wohl gefunden, 
aber wo und in welcher Pflanze leben diese denn ? Dizygomyza er- 
rans, mallochi und die Sp. aus Prunus sind wohl alle Verursacher 
von Markstrahlen an Bäumen, von den beiden ersteren sind die 
Bäume und die Larven unbekannt, von der dritten kennen wir nur 
eine kleine Larve, die an Prunus lebte ; Dizygomyza capitata mi- 
niert wahrscheinlich an Juncus (Nachtr. 6 S. 15); Liriomyza perpu- 
silla ist aus Stengelminen von Crépis, Lampsana und Sonchus ge- 
zogen nach Herings Minenwerk ; L, xanthaspis aus Carex humilis ; 
Cerodonta biseta habe ich vergeblich auf Gräsern gesucht. Phyt. 
gymnostoma soll aus Allium gezogen sein. Von den übrigen habe 
ich gar keine Ahnung. Meine Nachfolger mögen versuchen, wie ich 
es bei Gymnophytomyza heteroneura gemacht habe, die Larven aus 
den Fliegen zu züchten. 

Dann möchte ich auf die in Stengeln minierenden Arten, meistens 
Ophiomyien, aufmerksam machen, von welchen Dr. BuHR manche, 
sowohl in Mecklenburg, als in Frankreich gefunden hat, und die in 
den Niederlanden wohl nicht fehlen dürften, aber hier noch nicht 
erbeutet wurden. 

Es ist sicher von Interesse bei einer sowohl im Imaginai- als im 
Larvenzustand bekannten Gruppe nachzugehen, ob daraus etwas 
über die Evolution zu entnehmen ist. Beide zeigen in den Merkma- 
len Stufenreihen, aber diese decken einander nicht. Offenbar sind 
z. B. dreiknospige Hinterstigmen bei den Larven primitiv, aber in 
mehreren Gattungen kommen auch vielknospige vor. Wenn wir 
also die Arten nach den Imagines einreihen, so würden diese viel- 
knospigen Stigmen polyphyletisch entstanden sein, andererseits, 
wenn wir das nach den Larvenstufen tun, so würde die polyphyle- 
tische Entstehung für die Imaginalmerkmale gelten. Die Merkmale 
oder besser die sie hervorrufenden Gene entstehen unabhängig von 
einander in freier Reihenfolge. Derselbe Komplex kann demnach 
öfters entstehen, aber dies ist um so unwahrscheinlicher je nachdem 
die Genenzahl grösser ist, was aus der Wahrscheinlichkeitslehre 
hervorgeht. Was geschah, das müssen wir mit unserem gesunden 
Verstand beurteilen. 

Hendel hat in Lindner, Agromyziden S. 15 schon seine Ansichten 
über den Stammbaum gegeben ; er betrachtet Dizygomyza als das 
primitivste Genus, davon leitet er die A^romyza-Reihe ab, was 
nach dem Verhalten der sc wohl geht, aber die beiden Flügel der 
oberen Fortsätze bilden hier eine Schwierigkeit, denn vom unteren 
Flügel sollen, auch nach Hendel l.cS. 93 öfters noch Reste übrig 

*) Falls Prof. de Meijere tatsächlich auf eine Gesamtzahl von 23 Arten ge- 
kommen ist, so hat er wohl Dizygomyza luteiceps Hend. als 23. Art gemeint. 

G. Kr. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN 17 

sein, man könnte sie aber auch als Anfänge betrachten, denn auch 
in anderen Familien tritt bisweilen ein heller Fleck in den oberen 
Fortsätzen auf, wie bei einigen Chortophila-Arten, aber solche 
Reste sah ich bei den anderen Familien nie. Das Fehlen von tp ist 
nach meinen Untersuchungen bei den Larven nicht massgebend 
für die Gattung Domomyza, denn jetzt versuchen wir die Systematik 
soviel wie möglich mit dem natürlichen System der Phylogenie in 
Übereinstimmung zu bringen und auch in anderen Gattungen fehlt 
die hintere Querader bei einigen Arten bisweilen oder immer ; das 
ist demnach ein , .kleines" Merkmal. Ein solches ist w^ohl auch die 
Richtung der Orbitenhärchen, welche bei Melanagromyza nach den 
Arten wechselt ; Hendel betrachtet bei Phytoliriomyza eine poly- 
phyletische Änderung als möglich ; für sich allein würde sie zur 
Trennung von Phytagromyza und Phytomyza nicht genügen. Me- 
lanagromyza und Ophiomyia schliessen sich nahe an Ägromyza an, 
sind durch die schwarzen Schwinger verschieden, auch durch das 
Schlundgerüst der Larven, das indessen bei beiden gleichartig ist ; 
sodass sie einander sehr nahe stehen. Liriomyza ist auch namentlich 
durch ein Merkmal der Färbung, das gelbe Schildchen, von Dizy^ 
gomyza getrennt ; Cerodonta steht letzterer Gattung auch sehr nahe, 
weicht durch die vorn spitzen Fühler und auch durch in Gruppen 
geordneten Knospen der Hinterstigmen ab. Der Ast der Dizygomyza 
läuft nach Napomyza-Phytomyza mit als Seitenzweig Phytagro- 
myza, welchem Pseudonapomyza sehr ähnlich ist, auch im Geäder, 
vergi. Ph. buhrì d. Meij. Ent. Ber. X. Nr. 224 S. 83. 

Die später abgetrennten kleinen Gattungen Gymnophytomyza, 
Xeniomyza und Ptochomyza stehen Phytomyza nahe ; ihnen fehlen 
bestimmte Börstchen, aber weil diese bei so kleinen Fliegen schwie- 
rig festzustellen sind, hätten sie wohl als Subgenera von Phytomyza 
betrachtet werden können. Der Anschluss von Encoelocera ist 
schwer festzustellen. Im Ganzen stimme ich besser mit Hendel 
überein, viel besser als mit Enderlein, mit welchem auch Hendel 
I.e. p. 569 gar nicht einverstanden ist. 

Leider sind alle die letzten Zuchten aus dem Material von Dr. 
BuHR durch einschlagende Granaten vernichtet worden. Deswegen 
kann ich von den folgenden Arten keine Artnamen angeben : 8. 
Nachtr. S. 68, Ophiomyia an Sinapis Cheiranthus, I.e. S. 69, 
Ophiomyia an Ranunculus, I.e. S. 70, Liriomyza an Sinapis Chei- 
ranthus, Nachtr. 9, S. 26, Phytomyza an Hypoehoeris radicata. Es 
ist sehr Schade, besonders für die beiden Ophiomyien. 

Desgleichen wird auch von den von mir beschriebenen Dipteren- 
larven in Tijdschr. v. Entom. 88, 1945 die Zucht von Thrypticus 
spec, in Juncus, die von Chilosia spec, in Sonchus zerstört sein ; letz- 
tere hält auch Prof. Hering für eine Chilosia ; nach Lundbeck fand 
Hardy (Scott. Natur 1. 177) Chilosia chaly beata Walk = vernalis 
Fall, in Sonchus oleraeeus. Aus den Puparen von Chortophila spec, 
aus Samenkapseln von Gentiana schlüpften bei ihm, wie zu erwar- 
ten, Chortophila gentianae Pand. 

Ägromyza sanguisorbae Hendel ? Fig. 39 — 41 S. 32. 

Minen in Blättern von Sanguisorba, Lemvig (Dänemark), Sön- 



18 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE f, 

derup leg. Diese Art wurde von Hendel von spiraeae Kaltb. ab- 
getrennt, welche in allerhand Rosaceen lebt, aber für welche er 
Sanguisorba nicht nennt. Hering führt in seinem Minenbuch beide 
Arten für sie auf. In meineim 5. Suppl. zu den Niederländ. Dipteren 
habe ich sie S. 214 für Holland angenommen, weil Hendel ein von 
mir aus Potentilla gezüchtetes Exemplar als sanguisorbae bestimmte, 
und die Verschiedenheit der 2 Arten anzweifelte. 

Die jetzt erhaltenen Larven ähneln in allen Hinsichten meiner 
Beschreibung von spiraeae, Hauptarb. 1, S. 232, namentlich die 
Warzengürtel sind sehr charakteristisch. 

Melanagromyza aeneiventris Fallen, Fig. 1 — 3 S. 31. 
Die Puparien aus Senecio erucifolius, welche ich Nachtr. 7, S. 67 für 
Mei lappae Lw. hielt, sind nach erneuter Untersuchung der Lege- 
röhre doch nicht diese, sondern aeneiventris. Die Säge mit grösseren 
Zähnen ist eine andere Bildung, die dem Raspapparat des vorletzten 
Segmentes angehört und welche bei aeneiventris auch vorhanden ist. 
Ich konnte damals das ursprüngliche Präparat aus Aster Tripolium 
nicht vergleichen. Ob das eine Pupar, dessen Hinterstigmen ein- 
ander berührten, auch zu dieser Art gehört, bleibe dahingestellt. 

Im Stengelmark von Senecio jacobaea, Bretagne Dr. Buhr leg. 
1944. 

Ich deute sie als diese Art, weil diese aus Senecio erucifolius be- 
kannt ist, es kann aber auch M. lappae sein, die Hinterstigmen sind 
nur ihren halben Querdurchmesser von einander entfernt ; sie haben 
je 20 Knospen. Beim einen Exemplar ist an dem grössten Mund- 
haken ein kleiner zweiter Zahn sichtbar. 

* Melanagromyza arnicarum Hering, Fig. 42 — 44, S. 32. 
Anfang Juli 1946 sandte mir Herr Sönderup eine Larve von der 

Heide von Rom, einem kleinen Dorfe in der Nähe von Lemvig. Die 
Larve ist weiss, 5 mm lang, sie hat am Kopfe 2 löffeiförmige 
schwarze Flecken neben einander. Prothorakalgürtel aus zahl- 
reichen Querreihen nicht grosser, spitzer Wärzchen, dorsal am 
deutlichsten, dann folgen noch ein paar solcher Gürtel, weiter ca. 
5 Gürtel, welche ventral am deutlichsten sind, an der Seite mit sehr 
kleinen dreieckigen Wärzchen, nur vorn und hinten etwas grössere, 
mehr in Quergruppen stehende, die letzten Ringe ohne Wärzchen. 
Vorderstigmen wie für das Pupar angegeben, oval mit dichtge- 
drängten Knospen. Hinterstigmen mit einem bei Seitenansicht drei- 
eckigen Narbenstäbchen, das eine mit 17, das andere mit etwas 
weniger, 13 Knospen. Im übrigen wie vom Puparium angegeben. 

* Melanagromyza beckeri Hendel. 

Aus Stengelmine von Crépis virens, La Baule, Loire inf. Dr. Buhr 
leg. Nachtr. 8, S. 68. Hierüber schrieb Prof. Hering mir, dass er aus 
nr. 535 (diese Nummer hatte auch meine Larve) und aus No. 527 
von Buhr nur je eine Fliege erhalten hatte (Pupar 535 gelbbraun, 
527 schwarz), die er von M. beckeri nicht trennen konnte. Die Zahl 
der Hinterstigmenknospen gab ich als 13 an, das stimmt sowohl für 
Ophiomyia persimilis Hend. als für Mei. beckeri. Es ist hier somit 
das Rätsel gelöst über die Farbe der Pupare, was mir Nachtr. 8, S. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN 19 

67 noch nicht gelang ; es gibt schwarze und gelbbraune Pupare bei 
Mei. beckeri Hend. (Nr. 655). 

Crépis virens : feine, meist unterseitige Stengelmine, Bretagne 
1944 Dr. Buhr. — Crépis virens : Puparien aus Stengelminen, Bre- 
tagne Dr. Buhr leg. (Nr. 670). 

Von den letzten schrieb Prof. Hering mir : „Züchtlinge Mei. pa- 
licaria". Dies ist möglich, aber das von mir untersuchte Puparium 
hatte an den Hinterstigmen 9 Knospen, was auf Mei. beckeri Hend. 
hinweist. Die Pupare von pulicaria Meig. und: die gelben von beckeri 
sind schwer aus einander zu halten. Das von mir untersuchte hatte 
gelbe Hinterstigmen, die 3 anderen schwarze ; ob dies eine Artdif- 
ferenz ist, kann ich nicht sagen, doch haben diese hinten nicht mehr 
Knospen. 

Melanagromyza pulicaria Meigen, Fig. 5 — 7, S. 31. 

An Crépis virens, feine, meist unterseitige Blattmine, dann Sten- 
gelmine. Puparien aus Blattstengelminen, von Prof. Hering gezüch- 
tet, Brteagne, Dr. Buhr leg. 1944. 

Die Puparien sind gelb bis weisslich, die Zahl der Hinterstig- 
menknospen ist wechselnd. 

Ophiomyia heringi Stary ? 

Eine Puppe aus einer allseitigen, unter dem Blütenstand liegen- 
den Stengelmine an einer kultivierten Phyteuma-Art aus dem Bota- 
nischen Garten Rostock, Dr. Buhr. leg. 

Bei O. campanularum Stary sind die Hinterstigmen 5-knospig, bei 
heringi 12-knospig ; ich habe sie leider bei diesem Exemplare nicht 
auffinden können, weil es zerbrochen war. 

*Ophiomyza cichorii Hering i. litt. Fig. 47, 48 S. 32. 

An Cichorium Intybus, Puparien aus Stengelminen, Kattenhofen 
in Lothringen, September 1945. Dr. Buhr leg. 

Die fast schwarzen Pupare haben zweihörnige Hinterstigmen, die 
Zahl der Knospen ist schwer festzustellen, wohl 9 oder 10. 

*Ophiomyia labiatarum Hering. 

Aus Stengelminen an Galeopsis Tetrahit, Rostock-Sildemow 2. 
1946, Dr. Buhr leg. 

Von dieser Pflanze sind Stengelminen bekannt mit entfernt lie- 
genden grossen schwarzen Kotballen (Hering Blattminen 2525 a 
und b). Die vorliegenden haben jedoch dünne perlschnurartige Kot- 
linien. Die ersten wohl von labiatarum, ob die anderen ebenfalls ? 
Die schwarzen Pupare haben dieselben zweihörnigen Hinterstigmen 
wie labiatarum, auch hier ist die Anzahl der Knospen schwer fest- 
zustellen. 

Schwarzes Pupar auf Stengel von Lamium, Hebro (Dänemark), 
Juni 1946, Sönderup leg. 

Die Hinterstigmen haben 8 Knospen, daher wohl diese Art, die 
auch gelbe Pupare hat. 

*Ophiomyza spec. Fig. 9 S. 31. 

Am Stengel von Ranunculus acer, Bretagne, Dr. Buhr leg. 1944. 

Dieselbe Art wie die vom 8. Nachtr. S. 69 ; ausser ein Paar des 



20 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE f, 

3. Stadiums von 3 mm war auch das 2. Stadium von ca. 1,5 mm vor- 
handen ; die Hinterstigmen waren dann viel kürzer und gedrungen, 
aber auch mit zahlreichen Knospen. Mundhaken wie beim 3. Sta- 
dium, ganz schwarz. 

Am Stengel von Sinapis Cheirantus ( = jetzt Brassicella erucas- 
trum), unter der Epidermis. Dr. Buhr leg. 

Bei einem Ex. fand ich an den Hinterstigmen 6 und 8 Knospen ; 
hier waren sie nicht deutlich in je 2 Gruppen verteilt. 

*Ophiomyza spec. 142. Fig. 8, S. 31. 

An Barbaraea vulgaris, eine Larve in der Stengelrinde. Dr Buhr leg. 

Die Larve ist eine von dem bei dieser Gattung gewöhnlichen Ty- 
pus ; an den Hinterstigmen hat sie 8 Knospen ; soviel hat auch die 
Art aus Lepidium in Nachtr. 3, S. 184 und die an Sinapis Chei- 
ranthus in Nachtr. 8, S. 68, beide Pflanzen sind denn auch Cruci- 
feren. 

Hier möchte ich nach den Angaben im 4. und 6. — 8. Nachtrag 
noch einen Zusatz geben zu dem Verzeichnis der Hinterstigmen- 
knospen bei den Ophiomyia- und M elanagromy za- Arten im Nach- 
trag 3, S. 177: 

Melandrium rubrum 9 — 1 1 Ophiomyia melandricaulis Hering 
Hieracium murorum 10 Ophiomyia proboscidea Strobl 
Cichorium Intybus 9 — 10 Ophiomyia cichorii Hering 
Crépis paludosa 10 — ^^11 Ophiomyia persimilis Hendel 
Sonchus oleraceus 11 

Hieracium laevigatum 12 ,, ,, ,, 

Hypochoeris u.a. 7 — 1 1 ,, ,, ,, 

Melandrium 12 — 13 Ophiomyia melandryi de Meij. 
Senecio jacobaea 12 — 14 Ophiomyia senecionina Hering 
Ranunculus 28 Ophiomyia spec. 

Centrosema pubescens 3 M elanagromy za centrosematis de Meij. 
Populus 3 M elanagromy za spec. 
Lotus rectus 6 Melanagromyza cunctans Mg. 
Sinapis Cheiranthus 6 — 8. Ophiomyia labiatarum Hering ? 
Centaurea pratensis 8 Ophiomyia proboscidea Strobl 
Barbaraea vulgaris 8 Ophiomyia spec. ? 

Lampsana communis, Lactuca muralis 9 Melanagromyza cunctata 
Mg. 

Hypochoeris radicata 10 — 12 Melanagromyza beckeri Hend, 
Crépis tectorum u.a. 11 — 14 Melanagromyza pulicaria Mg. 
Crépis virens 13 Melanagromyza spec. 
Cirsium 13 — 17 Melanagromyza aeneiventris Fall. 
Urtica spec. 15 Melanagromyza fuscociliata Hend. 
Senecio erucifolius 15 — 17 Melanagromyza lappae Low 
Arnica montana 17 Melanagromyza arnicarum Hering 

Dizygomyza luctuosa Meigen. 

An Juncus articulatus, Larve aus einem Gange im Blatte. In dem 
vergilbten Blatte blieb auffallenderweise der Gang grün. Dr. Buhr 
leg. Mai 1944. 

Diese Art ist aus Carex und Juncus bekannt. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN 21 

*Liriomyza buhti Hering, Fig. 45 S. 32. 

Einige Minen an Campanula rotundifolia, Rom Heide bei Lem- 
vig, Dänemark, August 1946, Sönderup leg. 

Larve 3 mm lang, tiefgelb ; sie stimmt mit den Angaben in 
Nachtr. 3 und 4. Die Stengelmine ähnelt der von Ophiomyia heringi 
Stary und campanularum Stary, sie ist hin und wieder etwas nach 
aussen vorgebuchtet ; die Kotlinie ist eigentümlich, sie besteht aus 
2 parallelen Reihen von Längsgruppen von je 3 — 6 runden schwar- 
zen Klumpen, welche je mit kurzem Zwischenräume auf einander 
folgen ; die Minen sind meistens nicht länger als 6 mm, sie ver- 
laufen spiralig vor und in dem Blütenstand. Die Larven sind in den 
Stengeln der Campanula schwer aufzufinden ; Herr Sönderup 
schrieb mir, dass er einige in Wasser gelegt hatte und am folgenden 
Morgen 4 Larven darin ertrunken gefunden hatte, die ich von ihm 
erhielt. Durch die Kotlinie ähneln diese Minen sehr denen der 
Ophiomyia- Arten, die in Campanula leben (Hering's Minenwerk 
S. 121 ) und sie sind wohl damit verwechselt worden (Nachtr. 3, S. 
202). Weil aus ähnlichen Minen Lir. perpusilla gezüchtet wurde, 
bin ich der Ansicht, dass Lir. buhri mit dieser nahe verwandt ist. 
Die Hinterstigmen ragen auf ziemlich langen Trägern aus dem 
quer abgestutzten Hinterende hervor. 

In denselben Stengeln findet sich eine ca. 3^/2 *"™ lange Larve im 
Mark, m.E. eines Microlepidopterons, Fig. 46, welche fusslos, perip- 
neustisch und farblos ist, am Kopfe sind fast nur die Mandibel und 
ihre Umgebung braun. Herr Sönderup hatte sie schon Jahre lang 
zu züchten versucht, immer ohne Erfolg. Ich gebe hier nur einige 
Zeichnungen zur Wiedererkennung. 

Liriomyza erucifoln Hering in litt, de Meijere 1944. 
L. senecifolii Hering ist synonym : Hering Mitt. Deutsch. Ent. 
Ges. E. V.XIII, nr. 1/4, Juni 1944 ; etucifolii hat Priorität. 

Liriomyza spec. Fig. 49 — 51, S. 32. 

An Gangplatzminen im Blatte von Lathyrus tuberosus, Katten- 
hofen in Lothringen 21 -VII- 1946 Dr. Buhr leg. 

Mundhaken mit 2 scharfen Zähnen, der vordere etwas vorra- 
gend ; Schlundgerüst mit äusserst schmalen oberen Fortsätzen, die 
nur in der kleineren Wurzelhälfte schwarz sind, weiter gelbbraun, 
der untere fast farblos, weder Stirnfortsatz noch Warzenband am 
Kopfe. Warzengürtel massig breit, aus ziemlich grossen, nicht spit- 
zen, meistens gerundeten Warzen gebildet. Vorderstigmen knopf- 
förmig, Hinterstigmen rund mit 7 — 9 Knospen, die ziemlich lang- 
gestielt sind, auch dadurch der Art aus Bessarabien ähnlich, welche 
ich Nachtr. 3, S. 201 beschrieb. Diese miniert auch an Lathyrus, 
aber ich erwähnte nur 5 Knospen, sie soll marmorierte Minen haben, 
was an den Minen in den kleinen Blättchen nicht deutlich ist. 

Liriomyza strigata Meigen. 

Hier will ich daran erinneren, das ich im 1 . Supplement auf meine 
„Naamlijst van Nederlandsche Diptera" von 1939 in Tijdschrift v. 
Entomologie 89, 1944 (1946) S. 16 eine dunkle Varietät dieser Art, 
namentlich was den Kopf betrifft, erwähnt habe, welche Ende Mai 



22 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE f. 

1942 zu Barendrecht (Prov. Zuid-HoUand südlich von Rotterdam) 
in Anzahl aus überwinterten Puparien auf Erbsenpflanzen erschie- 
nen war. Die Tiere waren durch die verdunkelten Köpfe schwer 
bestimmbar. 

Liriomyza sp. 

Eine Larve aus einer Stengelmine an Thlaspi arvense. Lir. stri-' 
gâta 1, was nach der Kotlagerung wahrscheinlich ist. Man findet 
diese Art öfters in Frassgängen an Stengeln vieler Pflanzen. Botan. 
Garten Rostock, Juli 1947 Dr. Buhr leg. 

Wie bei strigata sind die Hinterstigmen vielknospig, aber das 
Schlundgerüst ist ganz schwarz, und die Warzen sind meistens 
nicht abgerundet, darum halte ich sie nicht für strigata. 

Phytomyza abdominalis Zetterstedt, Fig. 16bis, S. 31. 

Von dieser Art habe ich das Puparium beschrieben in Hauptarb. 
II, S. 238 ; 20 April 1947 fand Prof. Hering Minen dieser Art an 
Anemone transsilvanica und A. Hepatica im Botanischen Garten, 
Berlin-Dahlem und sandte mir einige zu, welche Larven von ver- 
schiedener Grösse enthielten, sodass ich dem früheren Bericht noch 
etwas zufügen kann. 

Die Mundhaken haben je 2 nicht lange Zähne, das Schlundgerüst 
hat wenig gebogene obere Fortsätze ; über der Sinnesgruppe liegt 
zwischen 2 halbkreisförmigen Läppchen ein sehr kurzer Stirnfort- 
satz, wie ich ihn noch nirgends fand, die Vorderstigmen haben je 
ca. 16 Knospen, das vordere Horn ist etwas länger als das hintere. 
Es ist eine fast vollständige Reihe von Warzengürteln vorhanden, 
nur ganz vorn und am Hinterende fehlen die Wärzchen ; diese sind 
überhaupt klein, viele sind spitz, dreieckig. Das Hinterende ist schief 
nach unten abgestutzt, die Läppchen, zwischen welchen der Anus 
liegt, haben ein schmales schwarzes Rändchen. Die Zahl der Hin- 
terstigmenknospen kann weniger als 15 sein, z.B. 12. Prof. Hering 
fand an A. transsilvanica, die A. Hepatica sehr nahe steht, im 
Juni '46 und wieder im Oktober die Blattminen ; die 2. Generation 
verpuppte schon im Oktober ; diese Pupare waren gelb, die der 
1. Generation schwärzlich ; Fliegen erhielt er leider nicht. Stary 
konnte nach seiner Abhandlung von 1930 S. 233/234 nicht ent- 
scheiden, ob die Imagines oder die Eier überwintern. Hering schrieb 
mir am 21. April 1947 : 

,, Diese Fliege gibt doch noch manches Rätsel auf. Dass sie sich in 
diesem strengen Winter noch unter dem Schnee so weit entwickelt 
hatte, will mir nicht recht glaublich erscheinen". Stary fand am 
15.1.1930 am Schnee ein $ und ein ? , dagegen 15.III.1931 etwa 
8 Tage alte Larven in den vorjährigen A. Hepatica-Blättern unter 
der Schneedecke, welche erst am 20.III.1931 zerging. Weitere Be- 
merkungen bei Hendel in Lindner S. 327. M. E. waren die Blätter 
doch schon mit Eiern belegt, die sich unter der Schneedecke weiter 
entwickelt haben ; alle Stadien dieser Art ertragen starke Kälte. Die 
Sommergeneration findet sich auch nach Hendel nicht immer ; es 
ist sehr merkwürdig, dass ihre Fliege anders gefärbt ist, {Ph. socia 
Brischke), wie auch die Pupare. Diese sind nach Hendel leermilch- 
weiss, voll gelblich weiss. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN 23 

Phytomyza cineracea Hendel, Fig. 10 — 16, S. 31. 

Ranunculus acer, Larven aus dem Stengelmark; Puparium aus 
Rununculus Flammula. Ranunculus acer, Larven in der Stengel- 
rinde ; die Art verlässt den von der Basis in mehreren Strängen 
nach oben stossenden Gang. Ranunculus repens, Larven aus dem 
Mark von Blattstielen. Dr. Buhr leg. Mai 1944. 

Es freut mich, dass ich von dieser Art jetzt auch die Larven ken- 
nen gelernt habe. Die Mundhaken haben je 2 fast gleichgrosse 
Zähne, welche öfters alternieren ; das Schlundgerüst ist schwarz, 
der untere Fortsatz heller, die oberen Fortsätze nur wenig ge- 
bogen, oben mit schmalem Saume, nahe der Spitze unten mit einem 
durchlöcherten Saume ; die Spitze ist nach vorn umgebogen und zer- 
fasert. Ein Stirnfortsatz ist nicht vorhanden. Prothorakalgürtel stark, 
aus kleinen, schmal dreieckigen Wärzchen bestehend, die in Reihen 
stehen ; fast an allen folgenden Segmenten Gürtel aus solchen 
Wärzchen, aber zerstreut und namentlich dorsal vorhanden, ven- 
tral weniger. Vorderstigmen einhörnig mit vielen Knospen in 2 — 3 
Reihen, Hinterstigmen mehr variabel als gewöhnlich, bald fast 
rund, zweihörnig, mit einem unregelmässigen Bogen von ca. 25 
Knospen, aber bei vielen deutlicher zweihörnig ; mit langen, schma- 
len Hörnern, und mehr als 30 Knospen, sodass ich anfangs dachte 
es mit einer anderen Art zu tun zu haben ; ich fand aber keine wei- 
teren Unterschiede, wohl mehrere Zwischenstufen, Hinterleibsen- 
de unten etwas gewölbt vorspringend, ohne Warzen. Vom Pupa- 
rium ist in Fig. XII 22b der 2te Zahn nicht und Fig. 22e das Hinter- 
stigma zu einfach gezeichnet ; es ist unregelmässig, wie ich es bei der 
ersten Beschreibung des Puparium Nachtr. 1, S. 168 angab. 

Phytomyza clematidis Kaltenbach, Fig. 57bis 8, S. 33. 

Puparium von derselben Form wie das von Ph. pratensis, stark 
gedunsen, nach Hering mit nahezu geschlossenem Kreise von 16 
Knospen, vergi. Nachtr. 1, S. 176 (als thalictvi Esch.-Künd.), 

Phytomyza conyzae Hendel. 

Von Prof. Hering erhielt ich die Nachricht, dass er diese Art 
auch aus Telekia gezüchtet hatte, welche Pflanze Inula und Pulica- 
ria nahe steht. Im Nachtr. 6, S. 27 beschrieb ich eine Phytomyza 
spec, an Telekia aus Bulgarien ; die Beschreibung stimmt genügend 
mit derjenigen von conyzae in Hauptarbeit II, S. 256 um den 
Schluss zu ziehen, dass es sich hier um dieselbe Art handelt. 

Phytomyza diversicornis Hendel, Nachtr. 7, S. 71. 

Über diese Art schrieb Herr Sönderup noch : ,,Sie lebte in Pe- 
dicularis palustris, die Larven im August in den Wurzeln". Meiner 
Beschreibung möchte ich noch hinzufügen, dass das Puparium 
braungelb ist und stark glänzend, ohne Warzengürtel, mit tiefen 
Einschnitten und mit einem Narbenstab an den Hinterstigmen, da- 
durch von dem Puparium von Phytomyza spec, welche in den 
Samenkapseln von Pedicularis silvatica lebt, leicht zu unterschei- 
den. 

Phytomyza (Napomyza) lateralis Fallen. 

Puparien aus dem peripheren Stengelmark von Senecio vulgaris. 



24 PROF. DR. J. G. H. DE MEIJERE f. 

Dr. Buhr leg. 1944. Diese Puparien waren ganz rein weiss ; eines lie- 
ferte die Fliege Mitte Juni. Puparium an Hypochoeris glabra, aus 
einem Gang in den Blattbasen und der Rinde des unteren Sten- 
gelteils, Verpuppung dort. Dr Buhr leg. Mai 1944. An Crépis vi- 
rens, minierte am Rande des Wurzelkopfes und der Wurzel selbst. 
Puparien am Wurzelkopf oder an der Stengelbasis, als Larven im 
Mark und am Wurzelkopf, sowie in kurzen schwärzlichen Auf- 
wärtsstollen und in der Stengelrinde minierend ; Stengelmark mit ca. 
8 cm langen Aufwärtsstollen am Stengelgrunde, Pupar am Wurzel- 
hals, Bretagne, Dr. Buhr leg. 1944. — Ist alles diese Art. 

Phytomyza nigricoxa Hendel, Fig. 17 — 20, S. 31. 

Von dieser und der folgenden Art, beide an Anemone (Pulsatilla) 
pratensis, erstere aus den Samen, die andere aus dem Stengel, war 
Herr SöNDERUP so freundlich, mir im Juli 1944 auch die Larven zu 
übersenden von demselben Fundort, wodurch ich der Beschreibung 
der Puparien noch etwas zufügen kann. 

Ph. nigricoxa ist die kleinste, in Fig. 17 und 21 habe ich Ph. nigri- 
coxa und Ph. nigritella Zett. in demselben Maasstabe abgebildet, 
nachdem ich die getrockneten Tiere in Phenolum liquefactum unter 
das Mikroskop gebracht hatte ; auffällig ist die gedrungene hohe 
Gestalt der Larve der Ph. nigricoxa. Stirnfortsatz nicht vorhanden. 
Die Mundhaken haben je 2 Zähne, welche alternieren, die oberen 
Fortsätze sind massig gebogen, vorn oben mit schmalem Saume, un- 
ten mit langem Reste des unteren Flügels, alles schwarz; die Warzen 
sind bedeutend grösser als bei nigritella, viele namentlich hinten ab- 
gerundet. Vorderstigmen klein halbkugelförmig ; Hinterstigmen mit 
regelmässigem Bogen von ca. 12 Knospen, am Kopfabschnitt und 
ganz hinten fehlen die Wärzchen. 

Herr Sönderup erhielt wieder Pflanzen von Pulsatilla von Koge 
(Insel Seeland), Mitte Mai noch ganz ohne Larven, Mitte Juni mit 
vielen Puparien in den Blumen, wovon er mir einige sandte ; davon 
erschienen vom 4. bis 14. Juli Imagines. Die früheren waren im Juli 
gefunden und lieferten bei Hering im April des folgenden Jahres 
die Fliegen. Jetzt waren alle Pupare schwarz, während ich im 8. 
Nachtr. braungelb angab. Auch bei nigritella sind die Pupare rot- 
braun bis fast schwarz und bei der Phytomyza spec, aus Samen- 
kapseln von Pedicularis sylvatica sind braungelbe und rote bis 
schwarze vorhanden. 

Hat die Art eine 2. Generation und wie lebt dieselbe ? Ph. ni- 
gritella war bis jetzt nicht vorhanden. Von dieser erschienen die 
Fliegen im April 1944 einige Tage früher als nigricoxa. 

Phytomyza nigritella Zetterstedt, Fig. 21 — 25, S. 31 und 32. 

Auch hier fehlt ein Stirnfortsatz. Von den Mundhaken hat der 
eine 2, der kleinere 1 Zahn, der gewöhnlich durch den 2. Zahn des 
grösseren Mundhakens überdeckt wird ; das Schlundgerüst ist 
schwarz, der obere Fortsatz hat an der Spitze einen kurzen Saum 
unten, welche schwarze Längsstreifchen zeigt ; der Rest des unteren 
Flügels ist nur kurz. Warzen kleiner als bei nigricoxa, die Gürtel 
von derselben guten Entwicklung. Vorderstigmen etwas länger, 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN 25 

gleichfalls klein, Hinterstigmen gleichfalls mit regelmässigem Bo- 
gen, mit mehr, ca. 25 Knospen. Sehe Hering Mitt. Deutsch. Ent. 
Ges. E.V. XIII, 1944, S. 42. 

Die früher, auch in meiner Hauptarbeit als nigritella betrachtete 
Art an Caltha heisst jetzt Ph. calthophila Hering ; die dann als 
nigritella bezeichnete ist jetzt Ph. calthivora Hendel. 

Phytomyza plantaginicaulis Hering i. litt., Fig. 30 — 35, S. 32. 

Von dieser merkwürdigen Art am Stengel von Plantago lanceo- 
lata erhielt ich im Juni 1944 neues Material von Larven und Pup- 
pen, welche von Dr. Buhr im Mai gesammelt waren. In den näch- 
sten Tagen erschienen einige Imagines und Parasiten. Die Larve ist 
ca. 2 mm lang und sieht der von Ph. plantaginis R. D. sehr ähnlich. 
Mundhaken mit je 2 Zähnen, welche kaum alternieren, also nicht 
mit 1, wie ich für das Pupar angab. Schlundgerüst schwarz, die 
Fortsätze nur an der Basis, sonst braungelb ; Stirnfortsatz nicht vor- 
handen. Am Kopfe und Prothorax sehe ich keine Wärzchen, wohl an 
den folgenden Segmenten, die Wärzchen klein, spitz dreieckig, zer- 
streut. Vorderstigmen halbkugelförmig, mit zerstreuten Tüpfeln, mit 
je einem kurzen, schwarzen Anhang, wohl ein Drüschen ; Hinter- 
stigmen je mit einem fast regelmässigen Bogen von ca. 15 Knospen. 
Hinterende abgestutzt, ohne Wärzchen. Namentlich durch die Hin- 
terstigmen ist diese Art von Ph. plantaginis verschieden, wo sie 
regelmässig sind mit ca. 12 Knospen ; die Fliege ist gleichfalls klei- 
ner als letztere ; es hat Hendel diese auch gesehen, denn bei der 
Beschreibung in Lindner S. 456 sagt er von Plantago lanceolata, 
dass davon seine kleinsten Exemplare stammen ; bei den jetzigen 
konnte ich auch feststellen, dass das 1. FühlergUed nur ein Här- 
chen trägt, was Hendel auch erwähnt. Hering fand noch als Un- 
terscheid, dass die Palpen schwarz sind und dass der Ovipositor nur 
basal pubesciert ist. Sehe de Meijere, Nachtr. 8, S. 74. 

Prof. Hering teilte mir noch mit, dass die oben erwähnten Exem- 
plare in Lindner von ihm herstammten und im Banat in Blättern mi- 
nierend gefunden waren und demnach nicht die plantaginicaulis wa- 
ren. Sehe Hering, Mitt. Deutsch. Ent. Ges. E.V. XIII, 1944, S. 42. 

Phytomyza ranunculicola Hering i. litt., Fig. 52 — 57, S. 33. 

Blattminen an Ranunculus acer, Kattenhofen in Lothringen. Dr. 
Buhr leg. 9-VII-46. 

Kleine Mine an einem Blattzipfel ; ich erhielt eine Mine und 
einige Pupare. Verpuppung ausserhalb der Mine. Die Pupare sind 
fast 2 mm lang, bräunlich gelb, stark gedunsen oval, dorsal und 
ventral mit leichten Einschnitten, an den Seiten ohne ; die Haut 
dünn und sehr zerbrechlich. Mundhaken mit je 2 spitzen Zähnen, 
Schlundgerüst schwarz, der untere Fortsatz braun, die oberen nur 
am Ende, letztere schmal, wenig gebogen. Am Kopfe weder Stirn- 
forsatz noch Warzenband. Warzengürtel massig breit, aus kleinen 
kurz dreieckigen Warzen gebildet. Vorderstigmen zweihörnig, jedes 
Horn mit 5 — 6 Knospen, Hinterstigmen oval mit einem fast regel- 
mässigen Oval von ca. 16 — ^20 Knospen. 

Diese Art ähnelt Ph. rydeni Her., die Hinterstigmen sind jedoch 
regelmässiger, die Papillen nicht auffällig, auch sind die Minen 



26 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE f, 

kleiner und die Verpuppung findet ausserhalb der Mine statt. Dies 
ist auch bei der Art von Stary, welche ich im Nachtr. 3, S. 238 er- 
wähnte, der Fall ; sie steht der jetzigen auch sehr nahe. 

Phytomyza rostrata Hering, Fig. 26 — 29, S. 32. 

In Alectorolophus major ; Larven aus dem Stengelmark, Dr. Buhr 
leg. Mai 1944. 

Der Beschreibung des Pupariums in Nachtr. 8, S. 73 kann ich 
noch einiges hinzufügen : Kein Stirnfortsatz vorhanden ; Mund- 
haken sehr ungleich, der eine mit 1, der grössere mit 2 starken 
Zähnen. Die Fortsätze des Schlundgerüstes braungelb, die oberen 
sehr wenig gebogen. Warzengürtel massig breit, mit kleinen, wenig 
gefärbten, dreieckigen Wärzchen. Vorderstigmen halb kugelförmig 
mit zerstreuten Tüpfeln ; Hinterstigmen nur wenig vorragend, un- 
regelmässig, die Knospen in verschiedenem Niveau, radienartig an- 
geordnet, mehrere auch auf der Fläche liegend, zusammen 20 — 25. 
Hinterende abgerundet, ohne Wärzchen. 

Phytomyza varices Macqart. 

In Samen von Alectorolophus major, Bretagne, Dr. Buhr leg. 
1944. 

Dieselbe wie von mir in der Hauptarb. II, S. 297 beschrieben. 

Phytomyza spec, Fig. 36 — 38, S. 32. 

An Hypochoeris radicata, 3 Puppen aus einem stark verschlun- 
genen sich grünlich verbreiternden Gange in der Stengelrinde, Dr. 
Buhr leg. Mai 1944. 

Braune Puparien von 2 mm mit starken Einschnitten. Schlund- 
gerüst schwarz, obere Fortsätze stark gebogen. Namentlich in den 
Einschnitten an den Seiten nicht breite Warzengürtel mit kleinen, 
dreieckigen, zerstreuten Wärzchen. Vorderstigmen dicht neben ein- 
ander ; Stigma nicht breiter als der Träger ; Hinterstigmen weiter 
getrennt, auf sehr kurzen Trägern, das Stigma mit regelmässigem 
Bogen von 7 Knospen. 

Phytomyza spec, Fig. 57 bis, 1 — 7, S. 33. 

Larven im Juni in den Samenkapseln von Pedicularis sylvatica. 
Rom Heide bei Lemvig. Sönderup leg. 

Larve : Schlundgerüst mit schmalen, wenig gebogenen oberen 
Fortsätzen. Mundhaken mit je zwei alternierenden Zähnen, davor 
eine schwarze Linie mit nach aussen gerichteten Ästen. Warzengür- 
tel : am Prothorax ein breiter vollständiger Gürtel kleinster spitzer 
Wärzchen, am Mesothorax ein ebensolcher mit etwas grösseren, an 
allen 9 folgenden Segmenten auch vollständige breite Gürtel noch 
grösserer Wärzchen. Diese sind rundliche Schuppen mit kurzer, 
schwarzer Spitze ; sie sind von verschiedener Grösse und stehen nicht 
dicht nebeneinander, an den Seiten erstrecken sie sich fast über die 
ganzen Segmente; die Spitzen sind in der vorderen Hälfte der Gürtel 
nach vorn, in der hinteren nach hinten gerichtet, nur dorsal und ven- 
tral finden sich ziemlich kurze Unterbrechungen ; nur das äusserste 
Hinterende ist warzenlos. Die Vorderstigmen sind fast einhörnig, 
hinten mit zweireihig angeordneten Knospen, Hinterstigmen von 
oben gesehen wie ein fast geschlossener Kreis von ca. 25 Knospen ; 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN 27 

von der Seite gesehen mit noch mehreren Knospen ; ein Narben- 
stäbchen ist nicht vorhanden. Puparium oval, ohne deutliche Ein- 
schnitte, jedoch mit breiten Warzengürteln. Hinterstigmen mit 
einem fast geschlossenen Kreise von 20 — 25 Knospen, der hier und 
da unregelmässig ist. Sie sind etwas weiter als ihr Diameter von 
einander entfernt. Puparium oval, ohne deutliche Einschnitte, gelb 
bis rotbraun bis schwarz, nicht glänzend, die breiten Warzengürtel 
sichtbar. Bei Ankunft am 1. Juli waren schon 2 Fliegen geschlüpft ; 
die Flügel waren verstümmelt. 

IL 

Dr. A. Diakonoff, Konservator am Zoologischen Museum zu 
Buitenzorg, Java, der sich hauptsächlich mit Microlepidopteren be- 
schäftigt, versprach mir, beim Sammeln von Minen der Micro's auch 
auf Dipterenminen zu achten. Nach seinen ersten Befindungen 
sind Dipterenminen in Blättern auf Java viel seltener als in Europa ; 
damit stimmt auch dass die Gattung Phytomyza, die in Europa 
durch eine grosse Anzahl Arten vertreten ist, auf Java fast oder 
ganz zu fehlen scheint. Merkwürdigerweise war die erste Mine, die 
ich von ihm erhielt, keine Agromyzide, sondern eine Trypetide in 
2500 m Höhe auf dem Gunung Gedeh gesammelt. 

Am Anfang dieses 2. Abschnittes habe ich zusammengefasst was 
von Agromyziden aus Niederländisch-Ostindien bis 1940 publi- 
ziert wurde. 

I. Arten, von denen nur die Imagines beschrieben wurden. 
Melanagromyza prouecta de Meij. 1910, S. 161, Krakatau ; 1914. 
Java: 1922, S. 22. 

Melanagromyza decora de Meij. 1922, S. 21 : aus Schoten von Pha- 

seolus radiatus, Java. 

Agromyza sp., DE Meijere 1914, S. 250, Java. 

Dizygomyza albohalterata de Meij. 1914, S. 249, Java ; 1922, S. 23. 

Ophiomyia cornuta de Meij. 1910, Krakatau ; 1922, S. 23. 

Traginops orientalis de Meij. 1911, S. 428. Java. 

II. Arten, deren Larven und Imagines beschrieben wurden. 
Agromyza tephrosiae de Meij. 1917, S. 249 Java, Blattminen an 
Tephrosia ; 1922, S. 23 ; 1930, S. 64. 

Melanagromyza centrosemaiis de Meij. 1940, S. 128 — 131 ; 1941, 

S. 144, Java, im hypocotylen Glied von Centrosema pubescens (Pa- 

pilionacee). 

Melanagromyza coffeae {Koningsberger) 1897; de Meijere 1934, 

S. 251, Java, Minen an Blättern von Coffea. 

Melanagromyza dolichostigma de Meij. Kedelee topboorder. Ein 

Feind von älteren Kedelee - Pflanzen (Soja hispida) und von 

Phaseolus radiatus. Larve in den Spitzen. Van der Goot 1930; 

De Meijere 1922, S. 19. 

Bei dieser Art werden die Eier nicht in, sondern auf den Blättern 
immer in noch zusammengefaltenem Zustande zwischen der groben 
Behaarung der Unterseite abgelegt ; bisweilen wird ein kleines 
oberflächhches Löchelchen in dem Blatte gemacht. Nahrungs- 
löcher finden sich nur an der Oberseite der oberen Blätter und 



28 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE f. 

sind strichförmig wie bei Mei. sojae Zehntner aber bedeutend län- 
ger (Van der Goot). 

Melanagromyza erythrinae de Meij. 1910, S. 160, Docters van 
Leeuwen 1929, S. 1 — 14. Het dadapgalvliegje. Verdickungen an 
Blattstielen und Nerven. Java, Sumatra, Ceram. 

Die Bildung der kleinen Gallen wird von Docters van Leeuwen 
ausführlich beschrieben : zuletzt macht die Larve einen kurzen Gang 
nach der Oberseite der Galle, der nur durch die dünne Epidermis 
verschlossen bleibt. 

Melanagromyza kalshoveni de Meij. 1934, S. 254, in Blättern von 
Antidesma bunias, Java. 

Melanagromyza panici de Meij. 1934, S. 248. Im Blatte von Pa- 
nicum palmifolium. Java. 

Melanagromyza phaseoli Coq. Van der Goot 1930. Het katjang- 
vliegje. Jugendfeind von Kedelee und von Bohnenarten. Larve nahe 
dem Wurzelhals : DE Meijere 1922 S. 17. 

Van der Goot 1930 sagt S. 4 : Der Kopf zeigt an der Oberseite 
bei der Spitze einen eigentümlichen, nicht chitinösen, wurmförmigen 
Fortsatz, der bei anderen Melanagromyza' Arien fehlt. Ich habe 
diesen Stirnfortsatz 1922 als ,, fingerförmigen Anhang" auch er- 
wähnt. Die Eierlöcher werden an der Oberseite der Blätter gebohrt, 
meistens an der Basis, die Nahrungslöcher sind ähnlich, rundlich 
auch oberseits. 

Melanagromyza ricini de Meij. 1922, S. 21, Java in Ricinus- 
früchten. 

Melanagromyza sojae Zehntner 1900 ; Van der Goot 1930, in 
älterer Kedelee; Larve im Stengelmark, DE Meijere 1922, S. 18. 

Diese Art macht die Eierlöcher immer an der Unterseite der 
Blätter, bisweilen ragt das Ei noch etwas aus dem Loch hervor. Die 
Nahrungslöcher liegen dagegen immer an der Oberseite der Blätter 
und sind kurze Striche, oft in grosser Anzahl (Van der Goot). 

Melanagromyza theae Bigot in litt., Ind. Mus. Notes III. 1896, 
No. 4, S. 28 ; Green Ceylon Independent ; Watt ô Mann. De 
Meijere 1922, S. 21, in Thea-Blättern, Java, 1934, S. 256; 1937, 
S. 175. 

Melanagromyza weberi de Meij. 1922, S. 20 ; Java in Schoten 
von Cajanus indicus und Flemingia sp. Bestimmungstabelle einiger 
Indischer Melanagromyza-lmagines, de Meijere 1934, S. 262, 

Dizygomyza cornigera de Meij. 1937, S. 192 ; Java im Blatte 
einer Cyperacee. 

Dizygomyza javana de Meij. 1934, S. 266; 1937, S. 194, in 
Gräsern, u.a. Panicum palmifolium, 1941, S. 15. 

III. Arten, von denen nur die Larven beschrieben sind. 
Melanagromyza sp. DE Meijere 1934, S. 261, in einem Farnblatte, 
Java. 

Melanagromyza sp. DE Meijere 1937, S. 175, Java, im Blatte von 
Dioscorea, 1941, S. 15. 

Melanagromyza sp. DE Meijere 1937, S. 175, Java, im Blatte 
einer Cucurbitacee, Coccinia wightiana. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN. 29 

Melanagromyza sp. DE Meijere 1937, S. 176, Java, Wirtpflanze 
unbekannt. 

Melanagromyza sp. Van der Goot 1930, S. 65, Java, im Stengel- 
mark von Gynandropsis. 

Dizygomyza sp. de Meijere 1934, S. 247, Java in Bambusblät- 
tem. 

Phytomyza sp. Van Deventer 1906, S. 166, Java, in Zucker- 
rohrblättern ; die Larven minieren namentlich in den jungen Blät- 
tern, welche oft über eine Länge von 100 mm ganz ausgefressen 
werden ; sie sind schmutzig weiss, 3,5 mm lang ; man findet sie 
in einer Anzahl von 5 — 10 in den Minen. Die Puppen sind ca. 2 mm 
lang. In den jungen Anpflanzungen könnten die Larven merklichen 
Schaden verursachen ; bis jetzt kommen sie nur in geringer Anzahl 
vor (sie sind später nirgends verzeichnet worden, de M.). 

Litteratur 

Deventer, W. van, 1906, Handboek ten dienste van de suikerrietcultuur en de 
Rietsuiker-fabricage op Java. II. 

DocTERS VAN Leeuwen, W. M., 1909, Mededeel. Algemeen Proefstation op Java 
te Salatiga. Een gal op de bladstelen en de bladnerven van de 
dadap, door een vliegje, Agromyza erythrìnae de Meijere, gevormd. 
Overgedrukt uit de Cultuurgids 1909. 2e gedeelte Afl. Nr. 6. 

Goot, P. van der, 1930. Mededeel. Instituut v. Plantenziekten No. 78. De Agro- 
myza vliegjes der inlandsche katjang-gewassen op Java. 

Koningsberger, Dr. J. C. 1897. Mededeel, v. 's Lands Plantentuin 20, S. 25—36, 
T. 3, fig. 1. T. 6, fig. 5. De dierlijke vijanden der koffiecultuur op 
Java. Deel I. — Beschreibung von Oscinis coffeae (= Melanagro- 
myza cofleae) . 

1908. Tweede Overzicht der schadelijke en nuttige insecten van 

Java. Mededeel. Departement v. Landbouw No. 6. Enthält auch 
viele Literaturangaben. Hierin werden S. 27 kleine Dipterenlarven 
genannt, deren Zucht immer misslang und welche sich fanden in 
jungen Zweigen von Kaffee, Mangga und anderen Bäumen, wo- 
durch öfters die Spitzen der Triebe abstarben (Diese Larven 
könnten von Agromyza sein) . 

(In Zweigen von Coffea ist eine Trypetide, Anomoea alboscutellata 
van der Wulp, festgestellt worden; de Meijere 1911, S. 385). 
Meijere, J. C. H. de, 1910, 1911, 1914, 1917, 1918. Studien zur Kenntnis der 
Südostasiatischen Dipteren: IV, Tijdschr. v. Entom. 53, 1910; 
VI, T. v. E. 54, 1911 ; IX, T. v. E. 57, 1914 ; XIII, T. v. E. 60, 
1917; XIV, T. V. E. 61, 1918. 

1922 : Zur Kenntnis javanischer Agromyzinen. Bijdragen tot de 

Dierkunde. Afl. 22. S. 17-24. 

1934, 1937, 1938, 1941. Die Larven der Agromyziden. Nachtr. 2, 

Tijdschr. V. Entom. 77, 1934 ; Nachtr. 3, T. v. E. 80, 1937 ; 
Nachtr. 4, T. v. E. 81, 1938 ; Nachtr. 6, T. v. E. 84, 1941. 

1940. Über Melanagromyza centrosematis n. sp., nebst Bemerkun- 
gen über andere tropische Melanagromyzinen. Tijdschr. v. Entom. 
83, S. 128—131. 

Watt ö Mann, 1903. Pests and bhghts of the tea plant, 2nd edit. S. 238—239, 
Fig. 27. Calcutta. — Enthält Beschreibung von Oscinis theae 
(= Melanagromyza theae) Bigot, nach DE Meijere, T .v. E. 41, 
1908, S. 176. 

Zehnter Dr. L., 1900, De Kedelee-boorder, De Indische Natuur, Bijblad Arch. 
Javasuiker industr. Soerabaja. I, S. 113. 

IV. Weitere Larvenbeschreibungen. 

Melanagromyza centrosematis de Meij. Fig. 4, S. 31. 

Von dieser javanischen Art gab ich schon eine Beschreibung des 



30 PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE f, 

Pupariums, Tijdschr. v. Entom. 83, 1940. S. 128, und der Larve im 
6. Nachtr. S. 14, Ich füge hier eine Abbildung des Pupariums hinzu. 

Melanagromyza spec. Fig. 44 bis. S. 32. 

Im Mark von Gynandropsis spec. (Fam. Capparidae) auf Java. 
P. VAN DER GooT, De A^romr/za-vliegjes der inlandsche katjang- 
gewassen op Java ; Mededeel, v. h. Instituut voor Plantenziekten 
No. 78, 1930. S. 65, T. 6, fig. d. 

Diese Art hat wie Mei. sojae Zehntn. an den Hinterstigmen eine 
Stigmennarbe, aber diese ist homförmig. In dieser Arbeit des leider 
1944 verstorbenen Directors van der Goot finden sich viele bio- 
logische Angaben über Mei. phaseoli Coq., Mel. sojae Zehntn. und 
Mei. dolichostigma de Meij. 

Trypetide, Fig. 60—61, S. 33. 

Minen in den Blättern eines Baumes. Die Blätter sind handför- 
mig, fünfzählig, die Blättchen sind oval, 7 — 9 cm lang und 4 — 5 
cm breit, ganzrändig, mit einer ziemlich langen Spitze und einem 
bis 5 cm langen Stiele, die Minen fangen mit einer etwa dreieckigen 
Stelle irgend am Blattrande an, meistens nicht weit von der Spitze 
und verlaufen dann als ca. 3 — 4 mm breite Gänge nach der Basis, 
bisweilen mit einem Seitengang, der kürzer ist ; in einem Falle war 
der Anfang nahe dem Blattstiel und war der weitere Gang ca. 8 
mm breit. Die Minen sind am frischen Blatt ganz schwarz, nur 
schmal heller gesäumt und ganz oberseitig ; beim Trocknen werden 
die ganzen Blätter schwarz, was das Auffinden der Larven er- 
schwerte, so dass einige derselben, obwohl sie mit Pfeilchen ange- 
deutet waren, nicht mehr zu sehen waren. West-Java am Gunung 
Gedeh, in 2500 m Höhe lO-V-47, Dr. A. Diakonoff leg. In den 
fünf Blättchen fand ich 2 Larven, eine von 7 mm und eine von 
4 mm. 

Die Mundhaken sind gleich gross, ausser dem Endzahn mit einem 
zweiten, kleineren in der Mitte ; Schlundgerüst schwarz, die oberen 
Fortsätze aus je 2 dicht gegen einander liegenden schmalen Strei- 
fen bestehend, sodass man am Ende 4 Spitzen sieht, untere etwas 
kürzer ; über den Mundzähnen eine Wölbung auf welcher die Sin- 
nesgruppe liegt, dann folgt wieder eine Wölbung die eine deut- 
liche Warzengruppe trägt, mehr nach hinten liegen weitere Gürtel, 
die aus je einer Anzahl von langen Gruppen feinster Wärzchen 
bestehen. Die Vorderstigmen sind wie bei mehreren anderen Try- 
petiden lange schmale Bogen, welche viele ziemlich lang gestielte 
Knospen tragen, zwischen welchen auch kürzere ; dorsal sind die 
2 Stigmen nur kurz von einander getrennt. Auf dem abgestutzten 
Hinterende scheinen keine Wärzchen vorhanden ; es trägt die ein- 
ander berührenden Hinterstigmen mit je 3 ovalen Knospen ; 
Fächerhaare fehlen. 

Die Zeitungen berichteten, dass der Feuerberg Gedeh, der sich 
seit 1909 ganz stille verhielt, jetzt, Ende September 1947, wieder zu 
einem Ausbruch gekommen ist, sodass die Möglichkeit besteht, dass 
der oben genannte Baum, welcher diese schönen Minen zeigte, die 
nach DiAKONOFF nicht gemein waren, durch die Lavaströme ver- 
nichtet ist oder werden w^ird. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN 



31 




A: Fig. 1^21. 
Fig. 1^3. Melanagromyza aeneiventris Fall. 1 Vorderende. 2 Hinterstigma, 
3 Kinterende. Fig. 4. Melanagromyza centrosematis de Meij. Puparium. Fig. 
5 — 7. Melanagromyza pulicariä Mg. 5 Puparium, 6 Hinterende von der Seite, 
7 Hinterende von oben. Fig. 8. Ophiomyia spec, an Barbaraea, Hinterstigma. 
9. Ophiomyia spec, an Ranunculus, 2. Stadium, Hinterstigma. Fig. lO'-ló. 
Phytomyza cineracea Hend. Fig. 16bis. Phytomyza abdominalis Zett. Fig. 17—20 
Phytomyza nigricoxa Hend. 17 Larve. 18 Schlundgerüst. 19 Vorderstigma. 
20 Hinterstigma. Fig. 21—25. Phytomyza nigritella Zett. 21 Larve. 



32 



PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE f, 







V f ''^ ç 


'^ 


r- 


B: 


Flg. 22- 


-51. 



Fig. 21—25. Phytomyza nigrifella Zett. 22 Schlundgerüst. 23 Mundhaken. 
24 Vorderstigma. 25 Hinterstigma. Fig. 26^29. Phytomyza rostrata Her. 
Hinterstigma. Fig. 30—35. Phytomyza plantaginicaulis Her. 30 Schlundgerüst. 
31 Mundhaken. 32, 33 Vorderstigma. 34, 35 Hinterstigma. Fig. 36—38. Phyto- 
myza spec, an Hypochoeris radicata. 36 Puparium. 37 Schlundgerüst. 38, 38a 
Hinterstigma. Fig. 39^ — 41. Agromyza sanguisorbae Hend. oder spiraeae Kalt. 
39 Puparium. 40 Schlundgerüst. 41 Vorderstigma. Fig. 42^44. Melanagromyza 
arnicarum Her. 42 Vorderende. 43 Vorderstigma 44 Hinterstigmen in ihrer 
Entfernung. 44bis Melanagromyza spec, an Gynandropus, nach van der Goot. 
45. Liriomyza buhri Her. Hinterstigmen. 45bis. Kotlinie. 46. Microlepidopteron ? 
in Campanula, a. Kopf, Oberseite, b. Kopf, Unterseite, c. Mandibel. d. Antenne. 
e. Stigma, f. Ende des Abdomens. 47. Ophiomyia cichorii Her. Hinterstigmen. 
49^51. Liriomyza an Lathyrus. 49 Schlundgerüst. 50, 51 Hinterstigmen. 



DIE LARVEN DER AGROMYZINEN 



33 




v: e 



C : Fig. 52-61. 
Fig. 52—57. Phyfomyza ranunculicola Her. Hinterstigmen. 52 Puparium von der 
Seite. 53 Puparium von unten. 54 Schlundgerüst. 55—56 Vorderstigmen. 57 (—59) 
Hinterstigma. Fig. 57bis, 1—7 Phytomyza spec. 1 Schlundgerüst. 2 Mundhaken. 
3 einige Warzen. 4 Vorderstigma, 5 Hinterstigmen, das eine von oben, das andere 
von der Seite. 6 Unterstigmen einer Larve in ihrer Entfernung. 7 Puparium. 
57bis 8. Phytomyza clematidis Kalt., nach Hering. Fig. 60. Trypetidenmine ? auf 
einem Baume in 2500 m Höhe am Gunung Gedeh, Diakonoff. leg. et del. Mine 
am frischen Blatt, naturi. Grösse. Fig. 61. Trypetidenmine auf einem Baume, in 
2500 m. Höhe auf dem Gunung Gedeh. a. Mine am trocknen Blatt b. Vorderende, 
c. Vorderstigma, d. Hinterstigma, e. Warzengürtel. 

N.B. Die Figuren 58 und 59 wurden in Prof. de Meijere's Nachlass nicht vor- 
gefunden. — G. Kr. 



- 34 - 



Continuity versus priority in Nomenclature 

by 
K. W. DAMMERMAN, D. Sc. 

(Rijksmuseum van Nat. Historie, Leiden) 

It is well known that the rules of zoological nomenclature date 
from 1905 when the Code of International Rules of Zoological 
Nomenclature adopted by the 5th International Zoological Congress 
at Berlin in 1901 came into force. One of the principal rules of this 
Code is the Law of Priority (art. 25) providing that the valid name 
of a genus or species can be only that name under which it was 
first designated, from 1758 onwards. The main object to arrive at 
was to obtain more uniformity and stability and to put an end to 
the prevailing confusion with regard to nomenclature. When the 
rules were drawn up it was expected that this uniformity and stabil- 
ity could be attained and this even quite soon. 

Have these expectations been realized ? Now, after more than 
forty years, since the law of priority has been applied more rigidly, 
we may safely maintain that the confusion to-day is no less an- 
noying than before 1905. 

Nowadays nobody, except the specialist, knows or even can know 
what name has to be applied to an animal species, and even the 
specialist himself must always be mindful of a name proved appli- 
cable to-day being invalidated to-morrow. What gives most trouble 
is when names having been in use for a long period for one species 
are transferred to other species, which procedure causes a perma- 
nent source of confusion. In consulting indices it also is a great 
trouble to find a species mentioned in one file under a certain name 
and in the next one under a quite different one. Restricting myself 
to beetle names the following instances may be given. The well- 
known blister beetle, already denoted by Hippocrates (400 b. C.) 
as cantharis, is no longer put in the genus Cantharis but in that of 
Lytta, at the same time the genus hitherto called Telephorus is 
rebaptized Cantharis. The name of the grain-weevil for more than 
a hundred years known as Calandra should be Sitophilus and the 
name Calandra is conferred to the weevils always denoted by the 
generic name Sphenophorus. For the well-known genus of Bruchus, 
the bean-weevils, at one time the name Mylabris was used, after- 
wards Laria, now again Bruchus is said to be valid. But how long ? 
The economically important bark-beetles were first designated as 
Bostrichidae, then Scolytidae, nowadays often Ipidae, the usual 
name Tomicus being replaced by Ips, a name formerly in use for a 
genus of the Nitidulidae. 

The taxonomists usually have scarcely any idea of what a nuisan- 
ce these everlasting transmutations in nomenclature are to the non- 



K. W. DAMMERMAN, CONTINUITY VERSUS PRIORITY 35 

taxonomist. They forget too often that they practise their science 
not only in behalf of themselves. The anatomist, the physiologist, 
the biogeographer, the parasitologist and many others too who only 
need taxonomy as a useful help, want continuity and stability. 

Nomenclature has been called the housekeeper of taxonomy sett- 
ling the affairs, but this lady is now ordered about by the maid- 
servant : the law of priority, with the result that nobody can find 
anything or knows where to look for it except this servant, herself 
having messed the whole business. 

Advocates of the priority law not seldom admit the mutations 
of names to be troublesome but two arguments of defence are ad- 
vanced : first, only one generation would suffice to accept the new 
names, and secondly, only a small percentage of all animal names 
needs alteration. As to the first argument, nearly two generations 
have passed since the Code came into force without any lasting 
stability being effected. Moreover, each new generation could easily 
accustom itself to one or more new names for a species or family 
but the older name by which the taxonomie unit was known in the 
principal literature of the last century or the past fifty years cannot 
be neglected. Specially this breaking of the connection with the 
older literature is considered an unnecessary and lasting trouble. 

The second argument is only formally right, the alterations of 
names, however, mainly concern the names of animals well known 
for a long period and having been provided since long with 
names. The non-taxonomist makes use chiefly of these names and it 
is exactly the mutations of these names that are most troublesome. 

What is the main cause of the trouble ? That we have arrived at 
a blind alley is not so much a consequence of the rules themselves 
as well of the fact that they are of retroactive effect, even as far 
back as 1758, this being contradicted by all principles of legislation. 
Earlier authors are unreasonably required to have applied the rules 
and restrictions which we impose upon ourselves. The later addition 
to rule 25 of names having no validity unless meeting certain 
conditions of publication came rightly into force only from January 
the 1st, 1931. Some scientists would give this rule retroactive effect 
also, fortunately the majority has waived this proposal by which 
again many well-known and long-used names v/ould have become 
unstable. 

Former authors did not reject the law of priority, but they made 
a choice by neglecting unknown publications or those which in 
their opinion were not worthy of consideration. At their time they 
had a perfect right to this attitude which even deserves more 
justification than the unrestricted application of the priority rule, 
requiring the ferretting into all possible and impossible publications, 
zoological and non-zoological, with the purpose of detecting a 
name given to an animal according to the Code. Handlirsch 
(1913) declared with perfect justice that the rules "nicht dazu 
dienen, stümperhafte, in ihrer Zeit betrachtet unwissenschaftliche 
Arbeiten oder selbst solche von Schwindlern oder Narren zu 
glorifizieren". 



36 K. W. DAMMERMAN, 

According to art. 33 names should not be rejected on account of 
tautonomy. Formerly, before the introduction of the Code, this 
rejection was generally accepted and an author raising a specific 
namei) to a generic one substituted a new specific name for the 
original name to avoid tautonomy. 

This avoidance was considered not only desirable but necessary, 
even with such emphasis that botanists still reject names because 
of their tautonomy (art. 68 of the Int. Rules of Botanical Nomen- 
clature). Without adopting the botanical rule it would be wise to 
avoid tautonomy with names having been in general use for a 
long period (e.g. Melolontha vulgaris instead of Melolontha melo- 
lontha) . 

Remarkably enough, recent authors take full liberty to change 
family names, denying the same right to older authors with respect 
to generic or specific names. Names such as Mantidae and 
Phasmidae are corrected into Manteidae and Phasmatidae, whereas 
the names Malacodermidae and Scarabaeidae are rejected because 
of inappropriateness. Also the rule of priority is rarely applied to 
family names, the oldest name being seldom considered the only 
valid one. 

Objections against the strict application of the Code have been 
raised since long and there was already an opposition when it was 
adopted, although the true consequences could not be foreseen at 
the time. I may cite the statement of Sclater (1896) pronounced 
even before the rule of priority became an infragible law : — "It 
is, I repeat, the extremist and the sensationalist, who strive to 
astonish us by carrying out the law of priority to its "bitter end", 
that have caused the disgust which many of us feel at the mere 
mention of priority in nomenclature". 

Not long after the introduction of the International Code MoR- 
TENSEN (1912) took a referendum among Scandinavian and 
Finnish zoologists resulting in 2 votes for and 120 against the strict 
application of the priority rule in all cases. In other countries too 
such referenda were taken and in England there were only 26 
supporters of the rule among 112 voters, and at an annual meeting 
of the Deutsche Zoologische Gesellschaft a motion for the 
restriction of the priority rule was undersigned by no less than 635 
zoologists and submitted to the International Commission on 
Zoological Nomenclature (Zool. Anzeiger 40, 1912). 

Not until 1913, however, the said Commission became empowered 
by the Intern. Zoological Congress at Monaco to suspend the rules 
of the Code in such cases "where in its judgement the strict 
application of the rules will clearly result in greater confusion than 
uniformity". The names in question should be published a year 
before in two or more zoological periodicals giving specialists the 



•*•) I would advocate the use of "specific" name instead of trivial name, trivial 
having in common parlance the meaning of "common" or "vulgar". The Code 
also uses the term "specific" against "generic". Moreover, "subspecific" name 
cannot be substituted by "subtrivial". A species or scientific name is formed by 
a generic + a specific name. 



CONTINUITY VERSUS PRIORITY IN NOMENCLATURE. 37 

opportunity to pronounce their opinion for or against the proposal. 
Formerly a proposal for fixing a name should be accepted unan- 
imously by the Commission, later on only a majority supporters 
was sufficient. The names approved are published as Opinions and 
they are included in the Official List of Generic Names in Zoology. 

Something has been gained by this possibility of suspending the 
rules. The whole procedure, however, of getting names which are 
well-known and of long use to be placed on the Official List is 
very cumbersome. It is therefore no great wonder that now after 
more than thirty years only a very small number of names have 
been fixed as nomina conservanda and placed on the Official List. 
Of the many thousands of generic names of Arthropoda (excl. 
Crustacea) only 104 genera are admitted. Among them 78 genera 
belong to the Insects, 24 to Arachnoids (18 Acari), one to the 
Xiphosura {Limulus) , and one to the Myriapods {Polydesmus) . 
Among the insects there is so far not a single genus of beetles. 

The necessity of an early publication of names remaining fixed 
and unalterable was insisted on at each congress and in many 
papers. In 1915 Apstein in collaboration with other specialists 
has drawn up lists of nomina conservanda for many groups of 
animals, and Handlirsch (1913) has done the same for the in- 
sects in the well-known text-book of Schröder. How scanty the 
progress is, becomes evident if a comparison is made between the 
said lists and the results of the International Commission. 

As a starting point the mistake was keeping to the law of pri- 
ority too strictly and too long. It remains regrettable that zoologists 
have not conferred with the botanists holding a more liberal point 
of view quite from the start. Art. 4 of the International Rules of 
Botanical Nomenclature defines as the essential points in nomen- 
clature : (1 ) to aim at fixity of names ; (2) to avoid or to reject the 
use of forms and names which may cause error or ambiguity or 
throw science into confusion. 

The exception by which suspension of the rules is allowed ought 
to be a principle rule and should be placed at the beginning of the 
Code. Botanists on introducing their rules decided at the same time 
to provide a list of names having come into general use and which 
must be retained. It was also decided that for different groups of 
plants nomenclature starts at different dates or from publications 
of a later date than those of Linnaeus. 

Many papers urging the necessity of revision of zoological 
nomenclature have been published. In these mainly tw^o proposals 
come to the fore, that concerning continuity or permanency, and 
that concerning prescription. The principle of continuity has been 
advocated emphatically by Heikertinger and he has worded this 
principle (1935) as follows: "Gültiger Name einer Gattung oder 
Art ist derjenige, den der Bearbeiter in wissenschaftlichem Gebrau- 
che vorfindet, gleichgültig, ob dieser Name der erstgegebene ist 
oder nicht. Stehen für eine Gattung oder Art zwei oder mehr 
Namen in Gebrauch, so hat der Bearbeiter jenen Namen als gültig 
festzulegen, dessen Beibehaltung die wenigsten nomenklatorischen 



38 K. W. DAMMERMAN, 

Umwälzungen in der bestehenden wissenschaftlichen Literatur 
verursacht". 

The principle of prescription has already been defended in 1858 
by Schaum and afterwards by many others. According to this prin- 
ciple names should be retained which w^ere in universal use for a 
certain period, mostly 25 to 50 years. The year in which the usual 
name has been introduced is generally taken as initial date. 
Wheeler (1913), however, made the proposal that an older name 
traced in a certain publication should not be accepted if it displaces 
one which has been in universal and unchallenged use for 25 years 
at the time of such discovery. 

Now objections can be raised against the principle of continuity 
as well as against that of prescription as hitherto formulated. 
Neither of these principles ought to replace the law of priority in all 
cases. Little difficulties arise in applying this law to names published 
after the introduction of the Code, in 1905. The law causes most 
trouble if applied to the oldest names. Only in a very few instances 
has a proposal been made to the International Commission for 
retaining a name published after 1900. In the first place we have to 
make a distinction between the names established before 1905 and 
those published after that date. The Code should be applicable 
without restriction to the latter names but should not have 
retroactive effect. Chiefly the retaining of names established before 
1905 and having been in continued use is advisable. 

The difficulty is how to ascertain which names were in continued 
use. How to fix these names ? According to the International Rules 
of Botanical Nomenclature these names are by preference those 
which have come into general use in the fifty years following their 
publication, or which have been used in monographs and important 
floristic works up to the year 1890 (art. 21). 

How far back should we go to find out which names were in 
continued use ? A name of Linnaeus could have been in unchal- 
lenged use up to 1800 and replaced afterwards by another one 
becoming the usual name from that date. I should like to advise 
with regard to zoological names the acceptance as fixed data the 
period between 1864, when the zoological Record appeared, and 
1905, when the Code came into force. It is easy to ascertain what 
new names for genera and species are proposed from the date the 
Zoological Records were published, and from that time any 
specialist could of course take these new names into account. In 
consulting the Records it is very striking how many names in use 
in 1864 remained unaltered till about 1900 when the law of priority 
began having its disastrous influence. The names generally used 
between 1864 and 1905 should therefore be considered as having 
been in continued use. 

The best and most effective method to fix these names is to ac- 
cept as starting point for the nomenclature a monograph or cata- 
logue concerning a special animal group, by preference not lower 
than a order, published between 1864 and 1905. In such a public- 
ation the new rules and especially the law of priority should not 



CONTINUITY VERSUS PRIORITY IN NOMENCLATURE. 39 

have been carried out too strictly. Subjective preference in selecting 
names is excluded, the earlier author has already made his choice 
by retaining the names in general use at the time. Moreover, many 
names were adopted or remained in use by the very publication of 
such a comprehensive work. Finally, it will not be difficult to take 
account of all new names established at a later date by consulting 
the Zoological Records and taking such a basic work as starting 
point. The names used in such a monograph or catalogue have 
precedence, irrespective of their being the oldest or not. Not all 
names fixed in this way are available but rejection is only allowed 
on taxonomie grounds and usually not on mere nomenclatorial ones. 

In a monograph or catalogue accepted as starting point names 
may be found which neither were in continued use formerly nor be- 
came approved afterwards. In this case the International Commis- 
sion should be advised to replace such a name by one of more uni- 
versal use including it in the Official List. 

Other names used may be based originally upon an ineligible 
name. Ineligible names are : 

a. names borrowed from a publication dated from before 1758 ; 

b. names being neither latin nor can be considered as such ; 

c. names adopted from an author not using a binary nomenclature ; 

d. names being nomina nuda or based upon an insufficient descrip- 
tion or indication. 

Ineligible names are contrary to art. 3, art. 25a and 25b, and art. 
26 of the Code. Ineligible names are to be distinguished from ille- 
gitimate names which are not in accordance with other rules too. 

Formerly names were not seldom borrowed from works published 
before 1758, this being no wonder the latter date having become 
fixed first at the introduction of the Code. Blanchard (1889) 
proposed to go as far back as 1722, others advocated Linnaeus' 
twelfth edition of the Systema Naturae, 1766, as starting point. 

Are all ineligible names to be rejected ? This is quite unnecessary. 
Only the citation should be suppressed but the names themselves 
could be retained, they should only take status as from the first 
subsequent occasion on which they were published in accordance 
with the rules. The question is still unsettled whether a name adopted 
from a publication the author of which used a binary but not a 
binominal nomenclature should be considered valid or not. A binary 
nomenclature is not seldom found with older authors, e.g. Geof- 
froy, the genus being indicated by a single latin word, but the 
species by a number of words, in fact a short diagnosis. On the 
other hand scientific names are binominal having the generic as well 
as the specific name designated by a single term. 

The question whether names borrowed from authors using only 
a binary nomenclature should have any status of validity or not is 
of little consequence when the principle of continuity is accepted, 
the only question of importance is whether a name should be retained 
on account of its being of continued use. Also the fixing of the 
exact date of publication is negligible in selecting a name. 

According to art. 36 homonyms once rejected can never be used 



40 K. W. DAMMERMAN, 

again. Formerly authors have not always observed this rule, 
specially if the earlier homonym itself was suppressed because the 
name never became into use or was not available being synonymous 
with another name. It is not advisable to reject usual names being 
a later homonym of a name to be cancelled. There is no gain at all 
in suppressing both homonyms, one owing to its being published 
at a later date, the other also owing to other reasons. The Interna- 
tional Commission too suspends this rule when approving a name 
of universal use to be included in the Official List. Nor is there 
urgency either to reject an earlier specific name once suppressed 
on account of homonymy if the species is transferred to another 
genus. 

The forward diligence of some authors proposing new names as 
soon as a homonym is met with is much to blame. The first con- 
sideration should always be whether alteration of the name is not 
to be avoided, or whether suppression of the earlier homonym 
should not be taken into consideration. Any recommendation of 
suppressing an earlier homonym should, however, be submitted to 
the judgement of the International Commission. 

With regard to emendation of names a broader point of view 
should be taken than prescribed by the Code (art. 19) ; here, too, 
the Botanical Rules (art. 70) are more advisable. The spelling of 
a name, specially those derived from classic Greek, should be in ac- 
cordance with special regulations, even if the original author took 
another view. We have the intention to revert to this subject in a 
separate paper. 

Further usual names may be rejected on taxonomie grounds. The 
name may be based upon an erroneous identification. In dealing 
with generic names difficulties seldom arise, for a genus can be 
fixed sufficiently by designation of a genus-typei ) . A specific name 
in general use may be based on an erroneous identification of mat- 
erial, the usual name and the original name being homonymous but 
not synonymous, both being founded on different types. The usual 
name cannot be retained unless the name is given the status of 
availability. 

In uniting or splitting taxonomie units the articles 28, 29 and 31 
of the Code should be observed. In uniting two or more units the 
new unit takes the valid name of the oldest of its components, in 
splitting a unit its name is to be retained for one of the new units, 
if the type can be fixed, for the part containing the type. 

Summarizing our standpoint we get the following draft of the 
principle of continuity or permanency : 
1. To avoid disadvantageous and never ending changes in the 

nomenclature by the strict application of the International Rules 
and especially of the law of priority, the scientific names, which 



^) The term genus-type is used here instead of genotype, a word having a 
definite meaning in hereditary science, although the term genotype in nomen- 
clature is of older origin. The term generotype, sometimes suggested, is not more 
preferable ; moreover, genus-type is in consonance with the usual term species- 
type. 



CONTINUITY VERSUS PRIORITY IN NOMENCLATURE. 41 

were universally adopted and in general use between 1864 and 
1905, should be retained. 

2. These names are : 

a) in the first place the names used in a monograph or cata- 
logue with bibliographic references concerning a special animal 
group, by preference not lower than an order, and published 
between 1864 and 1905; 

b) secondly the names which were in general use for at least 
twenty-five years during the said period. 

The names as comprised under a) and b) have precedence 
and generally are not displaced on nomenclatorial grounds. 

3. Which monograph or catalogue is to be accepted as basic work 
for the nomenclature of a special group of animals should be 
fixed by international agreement. If no monograph or catalogue 
as stated above can be designated for certain groups of animals, 
lists of nomina conservanda concerning these groups should be 
published as soon as possible by the International Commission 
on Nomenclature in accordance with the provisions of article 2 
sub b). 

4. If in any case there is some doubt about the retaining or changing 
of a name adopted according to the above rules this name should 
be retained until the International Commission on Nomenclature 
has taken a decision. 

It is also important to alter the regulations for determining the 
genus-types. The regulation formulated in art. 30 sub I a-d of the 
Code, concerning the hologenustypes, should be maintained. If, 
however, the original author has not designated or indicated the 
typical species of his new genus, subsequent authors should pre- 
ferably choose a species that will fix the generic name as it is gen- 
erally applied. The same regulation is included in the Code ol Bo- 
tanical Nomenclature with regard to non-vascular Cryptogams 
(art. 18, Recommendation VI). 

The author has applied the above mentioned rules to a number 
of names of beetles and worked out the results by accepting the 
well-known catalogue of Gemminger and de Harold, published 
between 1868 and 1876, as basic work. This catalogue (hereafter 
to be designated as Cat. G. H.) chiefly meets the demands made 
on p. 38. The recent Coleopterorum Catalogus by Junk-Schenk- 
LING (1910 — 1940) is not satisfactory, for too many names formerly 
in general use have been changed ; this work is composed by nu- 
merous authors some keeping strictly to the international rules, 
whereas others do not. Moreover, a number of names changed on 
nomenclatorial grounds, and specially family names, are now 
restored again. 

Now Handlirsch (1913) and Apstein (1915) have proposed a 
large number of beetle names to be retained as nomina conservanda, 
144 names being drawn up by the first named author and no less 
than 321 by Apstein. With both authors 376 coleopterous names 
altogether are to be found. Of this total no less than 324 names are 
the same as those used in the Cat. G.H. ; 52 are not in accordance 



42 K. W. DAMMERMAN, 

with the nomenclature of these authors. These 52 names are 
enumerated in the annex List I. 

Handlirsch often gives a generic name without mentioning any 
species, an unsatisfactory procedure, for a generic name can only 
be fixed by supplementing the names of one or more species, pref- 
erably the typical species, included in the said genus. If he pro- 
posed Curculio Linn, as a nomen conservandum the meaning is 
quite uncertain as at the same time also Balaninus nucum and Hy- 
lobius abietis are names recommended for conservation. 

Of the 52 names recorded in List I six names applied by G. & H. 
are not available on account of homonymy ( Tragus, Hydrachna, 
Ceratorrhina, Mefoecus, Macropus and Macrocephalus ; cfr. List 
II). Further there are 12 names exhibiting orthographic variants. G. 
& H. are authors who adhere to very rigid classic principles, there- 
fore many names are emended on purely grammatical grounds. 
Only in a few instances their congruous standpoint can be approved, 
e.g. Acis for Akis. In other cases the original spelling must be re- 
tained for such changes as Bembidion into Bembicidium, or Oma- 
lium and Opatrum into Homalium and Hopatrum are too radical 
to be worthy of being imitated. 

Eleven names proposed by Handlirsch and Apstein cannot be 
borrowed unaltered from the Cat. G.H. for change is necessitated 
on taxonomie grounds, almost entirely for the species being placed 
into new genera, separated from the older ones to which they were 
still brought by G. & H. In one instance only the uniting of two 
genera, Eumicrus and Scydmaenus, took place. 

Finally there are three family names which need further consider- 
ation. The names Anobiidae and Lampyridae are not yet used by 
G. & H., these families being included in those of the Ptinidae and 
Malacodermidae. The old family name Cantharidae (= Meloidae), 
however, should be retained. 

Twenty more names still remain but these can all be borrowed 
from G. & H. without much difficulty. Thus altogether no less than 
344 of 376 nomina conservanda proposed for the Coleoptera can be 
adopted from the Cat. G. H. 

We have to consider now whether there are monographs or 
catalogues for other insect groups which can be recommended as 
basic nomenclatorial works. Annex to this paper a list of publica- 
tions suggested for this purpose will be found. 

In the same way as the Catalogue of Gemminger and de Harold 
satisfies our theses, the well-known Catalogue of the Hymenoptera 
by Dalla Torre will fulfil our purposes. I have, however, to leave 
it to other specialists to test the names advocated by Apstein and 
Handlirsch for the Hymenoptera and compare them with the 
nomenclature used in the said publication. This holds good also 
with reference to the other works suggested ; only some provisional 
remarks can be made here. 

For instance, of the 21 hymenopterous names now placed on the 
Official List 15 are to be found in Dalla Torre's Catalogue. The 
names not in conformance are three generic names : Anthophora 



CONTINUITY VERSUS PRIORITY IN NOMENCLATURE. 43 

= Podalirius (D.T.), Arge = Hylotoma (D.T.), Diprion = Lo- 
phyrus (D.T.). Much can be said in favour of replacing the name 
Podalirius by the later but more generally used name Anthophota. 
The name Lophyrus is preoccupied. In the case of Arge it remains 
to be seen which name should have preference as being in more 
continual use. Further four specific names are not adopted : An- 
thophora pilipes = {A.) acervorum (D.T.), Astata abdominalis = 
A. hoops (D.T.), Bethylus fuscicornis = B. cenopterus (D.T.), 
Pompilus pulcher = P. plumbeus (D.T.). 

It is particularly striking that the International Commission is 
more readily moved to fix generic names in universal use but seems 
very reluctant to suspend the rules with regard to specific names, 
although the retaining of these names which have generally been 
applied is of equal importance. 

It is not so easy to find a work for the Diptera to be recommended. 
The world catalogue by Kertész remained incomplete, recent cata- 
logi, also of the Hymenoptera, being in course of publication are not 
satisfactory for here mostly the principle of priority is more or less 
strictly applied. Only the Katalog der Palaearktischen Dipteren by 
Becker a.o. remains for consideration. 

We are in the same difficulty with respect to the Lepidoptera ; 
only the catalogue by Staudinger and Rebel can be of service 
although this work also only covers the palaearctic region. There 
are certainly some objections to be raised against this restriction ; 
on the other hand the fixation of names of european genera, being 
mostly the oldest and in longest use, is certainly of some advantage. 

As to the Trichoptera we are fortunate enough to have at our 
disposal the recent work by Ulmer, 1907, including all species and 
in which the law of priority is not yet carried out to the bitter end. 
All seven names recommended by Apstein for this group are also 
applied by Ulmer. 

The same applies to Piaget's publication of 1880 concerning the 
eight nomina conservanda proposed for the Mallophaga. As regards 
the Anoplura there are, however, some inconformities. For the 
Suctoria only the monograph by Taschenberg 1880 deserves 
recommendation. 

The Rhynchota are such a divergent group of insects that we 
have to look for a comprehensive work for each separate division. 
Fernald's Catalogue of the Coccidae of the World meets our 
desires in many respects, although here too some names need 
replacing. As to the Heteroptera and Homoptera no complete cata- 
logues being available, we have to confine ourselves to the work of 
Oshanin dealing with the palaearctic species. It is of some ad- 
vantage that it also includes the Psyllidae. As to the Aleurodidaei) 
this family is still so restricted and the number of genera so small 



1) We write Aleurodidae and not Aleyrodidae. It is certainly to be advocated 
to render the Greek u always by y ; however, this is certainly incorrect with the 
u in diphthongs Hke au, eu or ou. The spelling Aleyrodes should be considered 
an explicit orthographic error. 



44 K. W. DAMMERMAN, 

(only three in 1908) that there can be little uncertainty about the 
right names. 

No monograph or catalogue of the Aphids has appeared between 
1864 and 1905 which can serve as a basic work for the nomencla- 
ture. We have to go back to Koch, Die Pflanzenläuse, 1854 — 1857, 
or Kaltenbach's Monograph of 1843. The latter publication seems 
to be more preferable. 

With the Neuroptera (s.l.) too it is impossible to recommend a 
comprehensive work. The contribution by Brauer of 1876 seems to 
give the best results as far as concerns those groups about which 
no later or more complete monographs or catalogues exist. These 
are : the Panorpata, Neuroptera (s.S.), Embiidae and Perlidae. The 
Corrodentia (Psocids) are also to be eliminated for of the nine 
names given by Apstein to be retained only two are used by 
Brauer. 

For the Isoptera we should suggest the revision by Desneux in 
Genera Insectorum, for the Ephemerids Eaton's Monograph, and 
for the Odonata the Catalogue of Kirby. In this publication in three 
cases only other names are applied out of the 14 nomina conser- 
vanda advocated by Apstein : Kirby has Agrion for Calopteryx, 
Caenagrion for Agrion, and Aeshna for Gomphus. 

Al regards the Orthoptera Kirby's Catalogue (1904 — 1910) is 
better left out of account for here too many usual names are 
replaced by novelties which cannot even be approved according to 
the Code. The catalogue by Walker of earlier date is no more 
preferable comprising only the Blattidae and Orthoptera saltatoria. 
The only work to be recommended is Brunner von Wattenwyl's 
Prodromus der europäischen Orthopteren, 1882. This monograph 
is at least complete as far as the european species are considered. 
Of the 29 names of orthopterous insects (Dermaptera incl.) now 
included in the Official List 17 are also used by Brunner, 9 
names concern non-european species. Only three names remain 
about which Brunner has a nomenclature at variance with the 
opinion of the Intern. Commission. These are : the generic names 
Locusta and Blatta, and the specific name of the type species of 
Gryllotalpa. Brunner applies the name Locusta in the usual sense 
with viridissima Linn, as typical species, following here the typifi- 
cation by Latreille 1810. The I.C. has decided that Gryllus 
(Locusta) migratorius Linn, should be the type species. In this in- 
stance the Commission has repudiated two of his own opinions ; 
that of the validity of the designation of genus-types in Latreille 
1810 (Opin. 11 Ô 136), and of the various subdivisions of genera 
published by Linnaeus, 1758, not being acceptable as of sub- 
generic value under the Code (Opin. 124). Further we should 
prefer the name Gryllotalpa vulgaris Latr. which was in continual 
use before the introduction of the Rules instead of the specific name 
gryllotalpa Linn. Only in the case of Blatta orientalis Linn, for 
Periplaneta orientalis as found in Brunner we can entirely fall in 
with the decision of the I.C. 

Uzel's Monograph is the most appropriate one for the Thysan- 



CONTINUITY VERSUS PRIORITY IN NOMENCLATURE. 45 

optera as is Lubbock's -work on the CoUembola and Thysanura. 

If we could decide to take the above mentioned publications as 
basis works for the nomenclature, we should much sooner arrive at 
stability by selecting for each group of insects a great number of 
names which should not be replaced unless there is urgent necessity. 
We have pointed out how many of the nomina conservanda pro- 
posed by Apstein and Handlirsch are to be found in the said 
works, and how also the majority of the names fixed by the Intern. 
Commission and placed on the Official List are in conformance 
with the nomenclature used in the works recommended. Instead of 
giving lists with hundreds of names tens could suffice being cor- 
rections of the nomenclature in the publications adopted for our 
purposes. 

Now, some people will argue that most of the works suggested 
are entirely out of date, but this argument originates from confusing 
nomenclature and taxonomy. The main point is the retaining of 
names having been in continued use. Taking Linnaeus 1758 as a 
starting point for zoological nomenclature, as prescribed by the 
Code, also only involves the acceptance of his names and not in 
the least of his system. 

As a matter of course we cannot place all generic and specific 
names used in these works on the Official List without further dis- 
cussion. But we can retain most of these names not changing them 
■ on mere nomenclatorial grounds. Necessary changes should be pub- 
lished and submitted to the opinion of the International Commis- 
sion and zoologists generally. These changes in the first place refer 
to names to be rejected owing to being homonyms, and the valid 
names by which they are to be replaced. In the latter case adequate 
attention should be paid to what has been said about homonymy 
on p. 40. 

Further the fixation of family names should be recommended, 
beginning with the nataes already in general use in 1864, for each 
family the typical genus with the type-species being included in 
the Official List. This is of special importance concerning those 
family names about which there is some controversy. 

The above proposal to retain the names used in certain mono- 
graphs and catalogues adopted as nomenclatorial basis works shows 
somes similarity with the suggestion to publish lists of "transitional 
names". A committee for this purpose has been established on the 
International Zoological Congress at Monaco (1913), without 
achieving any results, however (cfr. Mortensen 1929). Although 
the object was not very clearly formulated, the main point seemed 
to be to give lists of names not be altered and to be used provi- 
sionally. The proposition made in this paper is to retain also a num- 
ber of names untili a decision is taken by the I. C. about the names 
causing some confusion. 

I should like to make another suggestion in connection with the 
above exposition, regarding the citation of the author's name follow- 
ing the species name. We would advise not to mention the name 
of the original author in adopting names from specified works but 



46 K. W. DAMMERMAN, 

to place double symbols (always in parentheses) behind the species 
name : a symbol for the animal group, followed by the name of the 
author or authors (abbreviated) of the basis publication. So the 
symbols {Cocc. Fern.)i) behind a name do not only indicate the 
species as belonging to the Coccidae, but also that it is recorded by 
that name in Fernald's catalogue. (See also the annex list of spe- 
cial publications). Moreover, by this method we are at once directed 
to the publication where we will find more details. With species 
described after the publication of the work accepted as nomencla- 
torial basis, we give the symbol of the group together with the name 
of the author followed by the year of publication. As most of the 
basic works suggested date from after 1864 the said affixes are 
sufficient directions for consulting the Zoological Record of the 
year and the group indicated and how to know where the species 
has been described. Names placed on the Official List should have 
the symbol O.L. behind the symbol of the animal group : e.g. 
Diprion pini (Hym. O.L. ). 

The above rules w^ould mean a great simplification and a guid- 
ance, also for the non-specialist, as to which names are to be used 
as long as the International Commission has taken no decision. 
They only mean an effort to stop the prevailing and apparently 
never ending uncertainty and confusion in nomenclature and to ar- 
rive at a solution to be adopted provisionally. 

List of publications suggested as basic works for the nomenclature 
of insect groups, with the S57mbols by which they should be cited. 

Coleoptera 

Gemminger et de Harold 1868 — 1876. Catalogus Coleopterorum 

{Col. G.H.) 
Hymenoptera 

DE Dalla Torre 1892 — 1902. Catalogus Hymenopterorum 

{Hym. D.T.) 
Diptera 

Becker e.a. 1903 — 1905. Katalog der Palaearktischen Dipteren 

I_IV {Dipt. Beck.) 
Lepidoptera 

Staudinger u. Rebel 1901. Catalog der Lepidopteren des Pa- 

laearctischen Faunengebietes 3e. Aufl. (Lep. S.R.) 
Trichoptera 

Ulmer 1907. Trichoptera. Genera Insectorum 60. {Trich. Ulm.) 
Suctoria. 

Taschenberg 1880. Die Flöhe (Suctoria) {Suct. Tschb.) 
Rhynchota 

OsHANlN 1906 — 1909. Verzeichnis der Palaearktischen Hemi- 

pteren {Hern. Osh.) 

I. Heteroptera. II. Homoptera (Cicadinea ô Psyllidae). 

Kaltenbach 1843. Monographie der Pflanzenläuse {Aph. Kalt.) 



^) To avoid confusion with compound author's names the symbol of the group 
should always be printed in italics. 



CONTINUITY VERSUS PRIORITY IN NOMENCLATURE. 47 

Fernald 1903. A catalogue of the Coccidae of the World {Cocc. 

Fern.) 
Mallophaga, Anoplura 

Piaget 1880. Les Pédiculines {Pedic. Piag.) 
Isoptera 

Desneux 1905. Isoptera (Termitidae) Genera Insectorum 25 

(Isopt. Desn.) 
Neuroptera (s. 1.) [excl. Trichoptera, Corrodentia, Isoptera, 

Ephemeroptera en Odonata] 

Brauer 1876. Die Neuropteren Europas (Neur. Br.) 
Thysanoptera 

Uzel 1895. Monographie der Thysanoptera {Thrip. Uz.) 
Orthoptera 

Brunner von Wattenwyl 1882. Prodromus der europäischen 

Orthopteren [Orth. Brn.) 
Odonata 

KiRBY 1890. A synonymic Catalogue of Neuroptera Odonata 

{Odon. Kirby) 
Ephemeroptera 

Eaton 1883 — 1888. A Monograph of Recent Ephemeridae 

{Ephem. Eat.) 
Collembola & Thysanura 

Lubbock 1873. Monograph of the Collembola and Thysanura 

{Apt. Lubb.) 

List I 

Nomina conservanda (Coleoptera) proposed by Apstein and 
Handlirsch which are not in conformance with the nomenclature 
used by Gemminger & de Harold. 

Acrocinus longimanus L,. (Apst.) = Macropus I. (G.H.) = Acro- 

cinus I. (Col. Cat.) 
Adimonia tanaceti L. (Apst.) = Galeruca t. (G.H., Col. Cat.) 
Agonum uliginosum Er. (Apst.) = Platynus krynickii Sperk. 

(G.H.) = Agonum k. (Col. Cat.) 
Akis (Handl.) = Acts (G.H.) = Akis (Col. Cat.). 
Anobiidae (Handl.) = Ptinidae (part.) (G.H.) 
Anomala [rischi F. (Apst.) — A. aenea Deg. (G.H.) = A. dubia 

Scop. (Col. Cat.) 
Anthribus albinus L. (Apst.) = Macrocephalus a. (G.H.) = An~ 

thribus a. (Col. Cat.) 
Astynomus aedilis L. (Apst.) = Acanthocinus a. (G.H., Col. Cat.) 
Ateuchus sacer L. (Apst.) = Scarabaeus sacer (Handl., G.H., 

Col. Cat.) 
Bembidium (Apst. ; Handl.) = Bembicidium (G.H.) =Bembidion 

Col. Cat.) 
Brachynus (Apst., Handl.) = Brachinus (G.H.) = Brachynus 

(Col. Cat.) 
Brachytarsus varius F. (Apst.) = Anthotribus v. (G.H.) = ßra- 

chytarsus nebulosus Forst. (Col. Cat.) 



48 K. W. DAMMERMAN, 

Bruchus pist L. (Apst.) = Bruchus pisorum L. (Handl., G.H., Col. 

Cat.) 
Buprestis gigantea L. Apst. =Euchroma g. (G.H., Col. Cat.) 
Campylus linearis L. (Apst.) = Lepturoides l. (G.H.) = Denti- 

collis l (Col. Cat.) 
Cantharis fusca L. (Handl.) =Telephorus f. (Apst., G.H.) = 

Cantharis f. (Col. Cat.) 
Cerambyx heros Scop. (Apst.) = C. cerdo L. (Handl., G.H., Col. 

Cat.) 
Clerus [ormicarius L. (Apst., Handl.) = Thanasimus f. (G.H., Col. 

Cat.) 
Cneorrhinus geminatus F. (Apst.) = C. globatus Herbst. (G.H.) 

= Philopedon plagiatus Schall. (Col. Cat.) 
Cupedidae (Handl.) = Cupesidae (G.H.) = Cupedidae (Col. 

Cat.) 
Cybister roeseli Fuessly (Apst.) = Trogus vitens Müll. (G.H.) 

= C. lateralimarginalis Deg. (Col. Cat.) 
Cyphon variabilis Thunb. (Apst.) = Helodes v. (G.H.) = Cyphon 

V. (Col. Cat.) 
Dicranorhina micans Dru. (Apst.) = Ceratorthina m. (G.H.) = 

Dicranorrhina m. (Col. Cat.) 
Dictyopterus rubens Gyll. (Apst.) = Eros r. (G.H.) = Dictyo- 

pterus r. (Col. Cat.) 
Eleodes (Apst., Handl.) = Elaeodes (G.H.) = Eleodes (Col. Cat.) 
Galeruca nymphaeae L. (Apst.) = Galerucella n. (G.H., Col. 

Cat.) 
Heilipus (Apst.) = Hilipus (G.H., Col. Cat.) 
Hylastinus obscurus Marsh. (Apst.) = Hylastes trifola Müll. 

(G.H., Col. Cat.) 
Hylobius abietis L. (Apst., Handl.) = Curculio a. (G.H.) = Hy~ 

lobius a. (Col. Cat.) 
Lampyridae (Handl.) = Malacodermidae {Lampyrini) (G.H.) 
Lethrus cephalotes Pall. (Apst.) = L. apterus Laxm. (G.H.) = L. 

cephalotes (Col. Cat.) 
Limobius (Apst.) = Limonobius (G.H.) = Limobius (Col. Cat.) 
Limonius cylindricus Payk. (Apst.) = L. aeruginosas Oliv. (G. H., 

Col. Cat.) 
Lina populi L. (Apst.) = Melasoma p. (G.H., Col. Cat.) 
Lytta vesicatoria L. (Handl.) = Cantharis v. (Apst., G.H.) = 

Lytta V. (Col. Cat.) 
Macraspis cincta Dru. (Apst.) — Antichira e. (G.H.) = Ma- 

craspis e. (Col. Cat.) 
Manticora maxillosa F. (Apst.) = Mantichora tuberculata Deg. 

(G.H., Col. Cat.) 
Meloidae (Handl.) = Cantharidae (G.H.) = Meloidae (Col. Cat.) 
Molytes germanus L. (Apst.) = Liparus g. (G.H. Col., Cat.) 
Mononychus pseudacori F. (Apst.) = M. punctum- album Herbst. 

(G.H., Col. Cat.) 
Myelophilus piniperda L. (Apst.) = Hylurgus p. (G.H.) = 

Myelophilus p. (Col. Cat.) 



CONTINUITY VERSUS PRIORITY IN NOMENCLATURE. 49 

Omalium (Apst.) = Homalium (G.H.) = Omalium (Col. Cat.) 
Opatrum (Apst., Handl.) = Hopatrum (G.H.) = Opatrum (Col. 

Cat.) 
Orina gloriosa F. (Apst.) = Chrysomela g. (G.H.) = Chryso" 

chloa g. (Col. Cat.) 
Pelobius (Apst. ; Handl.) hermanni F. (Apst.) = Hydrachna tarda 

Herbst (G.H.) = Hygrobia hermanni (Col. Cat.) 
Phytonomus punctatus F. (Apst.) = Hypera p. (G.H.) = Phy- 

tonomus p. (Col. Cat.) 
Rhagium inquisitor L. (Apst.) = Stenocorus i. (G.H.) = Rhagium 

i. (Col. Cat.) 
Rhipiphoridae (Handl.) Rhipidophoridae (G.H.) = Rhipiphoridae 

(Col. Cat.) 
Rhipiphorus paradoxus L. (Handl.) = Metoecus p. (Apst. ; G.H. ; 

Col. Cat.) 
Scydmaenus tarsatus Müll, et Kz. (Apst.) = Eumicrus t. (G.H.) 

= Scydmaenus t. (Col. Cat.) 
Sitona (Apst.) = Sitones (G.H.) = Sitona (Col. Cat.) 
Strangalia armata Herbst (Apst.) = Leptura maculata Poda 

(G.H.) = Strangalia m. (Col. Cat.) 

List II 

Names of the Coleoptera of List I according to the rule of con- 
tinuity. (A generic name in parenthesis after the first genus name 
indicates a subgenus ; a generic or specific name in parenthesis 
after the name of a species denotes the name used by Gemminger 
& DE Harold; generic names in square brackets are homonyms). 
Cicindelidae 

Mantichora tuberculata {Col. G.H.) 
Carabidae 

Bembidion 

Brachynus 

Platynus krynickii {Col. G.H.) 
Dytiscidae 

Cybister virens [Trogus^ {Col. G.H.) 
Hygrobiidae 

Hygrobia tarda [Hydrachna] {Col. G.H.) 
Cupedidae 
Staphylinidae 

Omalium 
Scydmaenidae 

Scydmaenus tarsatus {Eumicrus) {Col. G.H.) 
Cleridae 

Clerus {Thanasimus) formicarius {Col. G.H.) 
Dascillidae 

Cyphon variabilis {Helodes) {Col. G.H.) 
Telephoridae 

Telephorus [uscus {Col. G.H.) 
Lycidae 

Dictyopterus rubens {Eros) {Col. G.H.) 



50 K. W. DAMMERMAN, 

Buprestidae 

Euchroma gigantea (Col. G.H.) 
Elateridae 

Lepturoides linearis {Col. G.H.) 

Limonius aeruginosus {Col. G.H.) 
Cantharidae 

Cantharis vesicatoria {Col. G.H.) 
Rhipiphoridae 

Rhipiphorus paradoxus [Metoecus] {Col. G.H.) 
Tenebrionidae 

Acis 

Eleodes 

Opatrum 
Scarabaeidae 

Anomala aenea {Col. G.H.) 

Dicranorrhina micans [Ceratorrhina] {Col. G.H.) 

Lethtus cephalotes {aptetus) {Col. G.H.) 

Macraspis cincia {Antichità) {Col. G.H.) 

Scarabaeus sacet {Col. G.H.) 
Curculionidae 

Cneorrhinus globatus {Col. G.H.) 

Curculio abietis {Col. G.H.) 

Heilipus 

Limobius 

Liparus germanus {Col. G.H.) 

Mononychus punctuni'album {Col. G.H.) 

Phytonomus punctatus {Hypera) {Col. G.H.) 

Sitona 
Scolytidae 

Hylastes tri[olii {Col. G.H.) 

Myelophilus piniperda {Hylurgus) {Col. G.H.) 
Anthribidae 

Anthribus varias {Anthotribus) (Col. G.H.) 

Platystomus albinus [Macrocephalus] {Col. G.H.) 
Bruchidae 

Bruchus pisorum {Col. G.H.) 
Cerambycidae 

Acanthocinus aedilis {Col. G.H.) 

Acrocinus longimanus \^Macropus^^ {Col. G.H.) 

Cerambyx cerdo {Col. G.H.) 

Rhagium inquisitor {Stcnocorus) {Col. G.H.) 

Strangalia maculata {Leptura) {Col. G.H.) 
Chrysomelidae 

Chrysochloa gloriosa {Chrysomela) {Col. G.H.) 

Melasoma populi {Col. G.H.) 

Galerucella nymphaeae {Col. G.H.) 

Galeruca tanaceti {Col. G.H.) 



CONTINUITY VERSUS PRIORITY IN NOMENCLATURE. 51 

LITERATURE. 

Apstein 1915 — ■ Nomina conservanda ; Sitzb. Ges. naturf. Fr. 5, p. 119. 

Blanchard 1889 ^ De la Nomenclature des êtres organisés ; Bull. Soc. Zool. 
Fr. 14, p. 212. 

BosCHMA 1946 — De werkzaamheden van de Int. Comm. voor de Zool. Nomen- 
clatuur, in het bijzonder gedurende de jaren 1939 — 1945 ; Entom. 
Ber. 12, 269/270, p. 40. 

1948 — Idem, van 1 Jan. 1946 t/m 27 Juli 1948 ; Entom. Ber. 12, 

284/285, p. 292. 299. 

Brauer 1914 — Die Notwendigkeit der Einschränkung des Prioritätsgesetzes ; 

IX. Congres Intern. Zool. Monaco 1913, p. 815. 
Bulletin of Zoological Nomenclature I 1943 — 
Felt & Bishop 1926 — Science and scientific names ; Amer. Naturalist 60, p. 

275. 
Handlirsch 1915. — Nomenclatur, Typen und Zitaten ; In Schroder's Handb. d. 

Entomologie 3, p. 79. 
Heikertinger 1916 — Nomenklatorische Reformen I ; Zool. Anz. 47, p. 198, 209. 

1918 — Die Nichteignung des Prioritätsprinzips zur Stabilisierung 

der Nomenklatur. — Das Kontinuitätssprinzip in der Tier- und das 
Utilitätsprinzip in der Autornennung ; Wien. Ent. Ztg. 37, p. 129. 

1924 — Was leistet das Kontinuitätsprinzip in der Nomenklatur? 

Zool. Anz. 58, p. 115. 

1935 — Die Zukunft der Tiemamen ; Zool. Anz. 111, p. 53. 

1939 — Ueber den heutigen Stand des Nomenklaturproblems ; VII. 

Intern. Kongr. Entom. Berlin 1938, 1, p. 553. 

International Rules of Botanical Nomenclature 1947 — Brittonia 6, p. 1. 

International Rules of Zoological Nomenclature 1929 — X. Congr. Intern. Zool. 
Budapest 1927. 2, p. 1583. 

Junk — Schenkling 1910 — 1940 — Coleopterorum Catalogus. 

Karny 1923 — Ueber die Anwendung der Nomenklaturregeln ; Entom. Mitt. 
12, p. 168. 

KiRBY 1904—1910 — A Synonymic Cat. of Orthoptera I— III. 

Kloet and Hincks 1945 — A Check List of British Insects. 

Krauss 1902 — Die Namen der ältesten Dermapteren (Orthopteren) Gattungen 
und ihre Verwendung für Familien- und Unterfamilien-Benennungen 
auf Grund der jetzigen Nomenclaturregeln ; Zool. Anz. 25, p. 530. 

Lamy 1937 — • Nécessité du principe de la prescription en matière de nomencla- 
ture ; XII. Congr. Intern. Zool. Lisbonne 1935, 3, p. 2394. 

Mortensen 1912 — A Vote against the strict application of the Priority-rule; 
Zool. Anz. 39, p. 56. 

1929 — On transitional names ; X. Congr. intern. Zool. Budapest 

1927, 2, p. 1564. 

1929 — Some remarks and proposals concerning zoological nomen- 
clature ; X. Congress Intern. Zool. Budapest 1927, 2, p. 1569. 

Neave 1939 — 1940 — Nomenclatur Zoologicus, A list of the names of genera 
and subgenera in zoology from the Tenth Edition of Linnaeus 1758 
to the end of 1935. 

Opinion 1—133 ; Smiths. Misc. Collections, 56 Pubi. 1938 — 73 Pubi. 3395, 
1910—1936. 

Opinions and Declarations rendered by the Int. Comm. on Zool. Nomenclature 

1. Déclarations 1—9; Opinions 1— [133] ; 1943 — 

2. Declarations 10—12 ; Opinions 134—181 ; 1939—1947. 

3. Opinions 182—194 ; 1944—1947. 

Poche 1911 — Die Motive und Ziele der modernen Nomenklaturbewegung; 
Rev. Russe Ent. 11, p. 253;. 

1919 — Zur Begründung dreier Anträge zwecks Einschränkung 

der Zahl der Namensänderungen und Abschaffung des liberum veto 
in der Intern. Nomenklaturkommission ; Arch. Naturgesch. A 83 
(1917) 6, p. 75. 

1929 — Zur Beseitigung von Uebelständen in der Zoologischen 

Nomenklatur ; X. Congres Intern. Zool. Budapest 1927, 2, p. 1534. 

1932 — Die leitenden Grundprinzipien und einige aktuelle Fragen 



52 DAMMERMAN, CONTINUITY V. PRIORITY 

der zoologischen Nomenklatur ; XI. Congr. Intern. Zool. Padua 
1930, 3, p. 1451. 

1936 — 1939 — Neubearbeitung der Internationalen Regeln der 

Zoologischen Nomenklatur ; Konowia 15, p. 264 ; 16, p. 176, 301 ; 
17, p. 45, 138. 

Prout 1933 — Some disputable questions of homonymy ; V. Congr. Intern. 

Entom. Paris 1932, 2, p. 901. 
Regeln der zoologischen Nomenklatur 1902 — V. Intern. Zool. Congres Berlin, 

1901, p. 927. 
Report of the British Nat. Committee on Entomol. Nomenclature ; Proc. Ent. Soc. 

London, 1928, p. 1 R. [by Bethune-Baker, Collin, etc.]. 
Richter 1943 '- Einführung in die zoologische Nomenklatur. 
Schenk and McMasters 1936 ■ — Procedure in Taxonomy. 
Schulze-Kükenthal 1926 — 1940 — Nomenclator animalium generum et sub- 

generum [A-Zaphleges]. 
Sclater 1896 — Remarks on the Divergencies between the "Rules for naming 

Animals" of the German Zool. Society and the Stricklandian Code 

of Nomenclature ; Proc. Zool. Soc. 1896, p. 306. 
Sherborn 1902 — ■ Index Animalium. Index nominum quae ab A.D. 1758 gene- 

ribus et speciebus animalium Lmposita sunt. I 1758 — 1800. Idem 

1922—1932 — II 1801—1850. 
Walker 1868 — Cat. of Blattariae Brit. Mus. 

1869 — 1871 — Cat. of Dermaptera saltatoria and suppl. Biattariae 

Brit. Mus. I— V. 

Wheeler 1913 — Suggestions for securing simplification and permanency in 

nomenclature ; 2. Intern. Congr. Entom. Oxford 1912, 2, p. 97. 
Ziegler 1924 — Ueber das Uebel der neuen Nomenklatur ; Zool. Anz. 61, p. 187. 
The Zoological Record (Records of Zoological Literature) 1864 — 



\ 



- 53 - 



Embryological and Ecological investigations 

on the development of the egg of 

Ammophila campestris Jur.*) 

by 
G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROOM 

(from the Zoological Laboratory, Leyden, Netherlands) 

Contents 
I. Introduction 
II. Anatomical part 

A. Material and technique 

B. Structure of the feminine sexual organs 

C. Structure of the egg 

D. Cleavage 

E. Formation of the germ layers 

1. General survey 

2. Mesoderm 

3. Entoderm 

4. Ectoderm 

5. Serosa 

F. Formation of the organs 

1. General survey 

2. Ectodermal organs 

a. Antennae, mouthparts and extremities 

b. Stomodeum 

c. Maxillary glands 

d. Tentorium 

e. Tracheal system 

f. Proctodeum and Malpighian tubes 

g. Nervous system 
h. Integument 

3. Entodermal organs 
a. Mesenteron 

4. Mesodermal organs 

a. Fat tissue 

b. Muscles 

c. Blood and circulatory system 

d. Reproductive organs 



*) After this paper was completed in 1944, Wilcke (Entomol. Ber., 264/266, 
XI, 1945) found that the Ammophila species we are dealing with is not the 
species campestris as described by Latreille but a new species he called A. 
adriaansei. However Richards (Entmol. Monthy Mag., 82, 1946) is of opinion 
that the species was already described earlier by Curtis under the name Am- 
mophila pubescens. We think that it will give less confusion if we use here the 
same name as in the preceding paper on the life history (Baerends, 1941). 



54 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

III. Appendix to part II, giving a characterization of some stages 
of development and of the time required to reach them 

IV. Ecological part 

A. The microclimate to which eggs, larvae and imagines are 
exposed 

1. Technique of the meteorological observations 

2. Results of the meteorological observations 

B. The relation between the temperature and the activity of 
the imagines 

C. The relation between the temperature and the development 

of the eggs 

D. The relation between the temperature and the rate of 

development of the larvae 

E. Conclusions 
V. Summary 

VI. References 
VII. Explanation of the symbols used in the figures 

I. Introduction 

Hitherto only a small number of ontogenetic researches on Acu- 
leates have been carried out. Apis mellifica L. has been investigated 
by several researchers, a.o. Nelson (1915) and Schnetter (1934); 
Chalicodoma muraria Fabr. was thoroughly dealt with by CARRièRE 
& Bürger (1898) while a few ants and Vespa vulgaris L. were 
subjected to an embryological investigation by Strindberg (1913, 
1914). No Sphegid, however, has been examined from this point of 
view. 

As, during an investigation on the behaviour of Ammophila cam- 
pestris Jur., we incidentally got the opportunity to collect well over 
a hundred eggs, we decided to give a description of the embryolog- 
ical development of this wasp. Although the quantity of eggs we 
were able to collect remained' far below the number of eggs exam- 
ined by for instance Nelson, Schnetter and CARRièRE & Bürger, 
this quantity seems to be sufficient to follow the general course of 
development, but often it proved to be inadequate for the solution 
of more detailed questions. 

In broad outline the development of Ammophila agrees well with 
that of Apis and Chalicodoma. Nevertheless we are going to give 
in the following a full description of this development ; only in case 
of important differences we shall refer to literature. In doing this, 
we realise that we may repeat facts or processes that are already 
more or less known in detail. We feel, however, justified because 
a mere summing up of differences and additions to literature would 
be quite incomprehensible. Moreover, we think, that in some in- 
stances we are able to give a clearer picture of some processes and 
particularly of the sequence and the relative velocity of the pro- 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 55 

cesses than can be found in current literature. Besides for the ecolo- 
gical considerations that will follow, this full description is neces- 
sary. 

In collecting eggs of different ages in the field, it soon became 
clear to us that the age (in hours) is by no means an indication of 
development reached, for in eggs known to be of the same age this 
could be very different. Adlerz (1903) already mentions this with 
regard to Ammophila campestris, he does not ascribe those differen- 
ces to the influence of external circumstances but thinks that it is a 
peculiarity of wesp eggs. This seemed rather improbable to us for 
the following reason. 

Ammophila campestris is one of the Sphegid species that goes on 
provisioning after the larva has hatched. The egg is laid on the first 
caterpillar and only after hatching the larva is provided with a 
second caterpillar. Subsequently 6 to 8 caterpillars are brought in 
during the next days. The activity of the imago is very much af- 
fected by weather conditions. Only on beautiful sunny days cater- 
pillars are brought in. Between two periods of favourable weather, 
seldom lasting for more than a week, weather may remain bad for 
at least the same time. Under favourable weather conditions the 
development from egg to cocoon takes about 10 days. So, if the 
velocity of development of the eggs and of the larva is not affected 
by weather conditions the larva hatched after two days- would star- 
ve before it was brought another supply of food. As a matter of 
fact Adlerz thinks that during spells of unfavourable weather 
numerous larvae die. 

In the Netherlands, during the appropriate season, favourable 
weather is often very rarely (on an average in total about 30 not 
consecutive days) so, providing Adlerz is right, it looks as if a 
colony of this wasp could hardly increase or even maintain itself 
over a number of years. If, however, weather conditions would ef- 
fect the rate of development of the eggs and larvae in the same way 
as they effect the activity of the imago, the brood would not suffer 
from food shortage. 

To solve this problem, micrometeorological observations in the 
nest-area of Ammophila have been tried and the effect of the mi- 
croclimate on the velocity of development of the brood, in particular 
of the eggs, has been investigated. The influence of temperature, 
apparently the most important factor of the microclimate, was also 
tested under laboratory conditions. 

The material has been collected at two places on the Veluwe 
(county Gelderland, Netherlands) one at Hulshorst (near Harder- 
wijk) and another at Hoenderloo (near Arnhem). We are indebted 
to Ir. J. E. JuRRiAANSE who kindly allowed us to work on his 
country-seat and to the Biological Laboratory „De Hoge Veluwe" 
(Dir. Dr A. D. Voûte) for its hospitality. 

We owe much to Prof. Dr C. J. van der Klaauw, for his criticism 
and advice and we are also thankful to Dr A. D. Voûte for some 
very useful remarks. Miss Dr K. Schijfsma, who has been so kind 
to correct the english text, we particularly want to thank heartily at 



56 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

this place. Finally we want to express our gratitude to Miss K. 
Neumann who made the microscopical slides. 

//. Anatomical Part 

A. Material and Technique 

Ammophila campestris digs her nest about 3 cm deep in compact 
sandy soil. Having accomplished this work she brings a caterpillar 
(Noctuid or Geometrid) in the cell and lays an egg on it. Later, only 
after the larva has hatched, the female carries more caterpillars 
into the nest as food for the growing larva. From this it will be 
clear that the mere sight of the wasp paying a provisioning visit 
does not justify the supposition that an egg has been deposited. 
Fortunately the wasp when paying a mere provisioning visit to feed 
the larva spends only a few seconds in the nest, while the laying 
of an egg takes more time, usually the wasp remaining down for 
more than 30 seconds. 

So to find a fresh egg we looked for an Ammophila with prey, 
followed her to the nest and noted the duration of her visit. If we 
wanted the egg to develop in the field for some time we only placed 
a mark near the nest (see for the technique of marking Baerends, 
1941 ), in order to be able to find it back. If, however, we wanted to 
control the development of the egg in a thermostate, we immediately 
dug out the nest. With the boring apparatus shown in fig. 1 we took 
out a cylindrical lump of earth 5 cm in diameter in the middle of 
which was the nest. After opening the apparatus the lump could 
easily be taken out of it. Then we placed the lump in a brass tube 
of equal width and 5 cm high, closed at the bottom with a cork. 
These tubes we brought to the laboratory as quickly as possible 
and placed them in the thermostate. 

When the eggs had been exposed to a certain temperature for the 
time required for the experiment, we took the lump out of the tube, 
broke it and fixed the caterpillar with the egg. We used Freyling's 
fixative at 50° C and kept the eggs in this fluid till it had cooled 
down, after which we transferred them to alcohol 96%. We always 
took care to use fixative not older than one month. 

At first we mounted the eggs in paraffin after passing them from 
alcohol to xylol and then stained them with haematoxylin Ehrlich 
and eosin. Later we transferred them from alcohol via methylben- 
zoate to paraffin and dyed them with orange G instead of eosin. 
The last method yielded somewhat better results. It was not neces- 
sary to treat the eggs with diaphanol but to promote the infiltration 
by paraffin, it appeared recommendable to tear the chorion. 

Our sections were 3 or 4 /x thick ; we generally succeeded very 
well in making transverse sections, but longitudinal sections usual- 
ly failed. 

In this article we shall indicate the position of particular cells, 
cell groups, organs etc. by a relative measure. This measure we 
shall call a "unit". It is one hundredth of the length of the particular 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 57 

egg under discussion, the number of units always indicating the 
distance of a certain point from the top of the egg. 

B. Structure of the feminine sexual organs 

As we wanted to investigate the influence of microclimatological 
factors upon the development of the eggs we had to know when 
development starts, i.e. when the egg is fertilized. For if fertilization 
could take place some hours or more before egg laying, develop- 
ment would proceed to a certain degree in the sexual organs of the 
wasp and it would be impossible to control external influences work- 
ing upon the egg during the first period. To ascertain this we start- 
ed to investigate the sex organs of the female. 

On either side in the abdomen an ovarium is situated consisting 
of 3 ovarioles of the polytrophic type (fig. 2). These ovarioles 
open into two oviducts which enter the vagina from the dorsal side. 
The more the egg approaches the oviduct the more it reaches accom- 
plishment. The 3 most caudal (eldest) eggs in each set of 3 ovarioles 
are not equally far developed but the 3 stages of these eggs at one 
side usually correspond with the stages of the 3 most caudal eggs 
in the ovarioles at the other side. This accounts for the female being 
able to lay 2 eggs in quick succession (Baerends, 1941 ). 

Where the oviducts enter the vagina, the receptaculum seminis 
joins them. In the receptaculae of females we captured at the end 
of the season, we found less sperma than in receptaculae of females 
caught and fixed earlier in summer. This may explain that during 
September the females often lay eggs that do not develop because 
they have not been fertilized. For copulation takes place only at the 
beginning of the season. From the position of the aperture of the 
receptaculum in the vagina we may conclude that the egg is fertilized 
as soon as it enters the vagina. We never found an egg in the vagina 
although we examined females fixed when they were just about 
to lay an egg. We likewise never found cleavage stages in eggs 
fixed immediately after being laid. So we may conclude fertilization 
to take place just before the egg is deposited on the caterpilUar and 
from that moment we assume cleavage to start. 

C. Structure of the egg. 

The bilaterally symmetrical egg is about lYi mm long while its 
maximal cross diameter measures about ^ mm. It is bean-shaped, 
concave on the ventral side and tapering towards the top. The sur- 
face is smooth, the colour milky w^hite. 

Stained with haematoxylin Ehrlich and eosin the ooplasma of the 
egg takes on a blue, the deutoplasm a red colour. Through the 
whole egg the ooplasm shows a spumoid structure, forming numerous 
cavities of different size which contain oil globules. These oil globules 
dissolved in our fixative. The size of the cavities is largest in the 
centre of the egg and diminishes towards the periphery. In the 
centre of the egg lies a cylindrical mass of denser ooplasm about 
half as broad as the egg and with the longitudinal axis corre- 



58 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

sponding. Schnetter (1934) observing the same structure in eggs 
of Apis mellifica called it central column (Zentralsäule) (fig. 33). 
Nearer to the periphery the reticular ooplasm increases gradually in 
denseness, constituting near the surface the cortical layer of about 
10 II thick. Schnetter (1934) describes in the egg of the honeybee 
an ooplasmatic wedge penetrating from the cortical layer into the 
egg. He calls it „Richtungsplasma", which indicates the spot of 
fertilization. In the sections of younger cleavage stages we now and 
again found such concentrations of ooplasm near the apical pole, 
always in the neighbourhood of cleavage nuclei. Sometimes at this 
very place the periphery seemed to have been pierced. Occasionally 
we found in the neighbourhood of such a concentration of plasm 
some small nuclei, probably polar bodies. Moreover, ooplasm is 
concentrated round the original nucleus and round the cleavage 
cells (,, Hofplasma"). 

The deutoplasm is present as globules having a diameter from 
2 — 12 jx, dispersed in the ooplasmic network. 

The original nucleus can easily be found in the very young eggs 
in the ovarioles. Afterwards, when yolk has been deposited in the 
egg the nucleus is hardly discernible, only the concentration of pro- 
toplasm round it remains very distinct. In a few sections of a new 
laid egg in which the structure had been damaged, the nucleus 
presented itself as a light pinkish body of about 40 jx in diameter. In 
one section the centre of the nucleus lay at a distance of 17 units 
from the top in the other the distance amounted to 18 units. When 
cleavage has begun, the nuclei become better visible again. The same 
seems to be the case in other insects, for instance Speicher (1936) 
describes it in eggs of Habrobracon. 

Close to the outside of the cortical layer clings a thin 'membrane, 
the vitelline membrane. Outside this membrane we find as a more 
solid envelope the chorion. In some sections we found places where 
chorion, vitelline membrane and cortical layer were in close contact 
and where these layers seemed to have been transfixed (fig. 5). We 
got the impression that those spots might be the micropyles ; our 
material, however, does not permit us to assert this w^ith certainty. 

D. Cleavage 

Eggs fixed only a few hours after having been laid proved to 
contain cleavage nuclei. In sections of the first stages the nuclei had 
retained little of the stain but in older stages the colouring was 
much better. Fig. 3 shows a number of consecutive cleavage stages. 
In the earliest stage in our possession, the ló-nuclei-stage, we 
found the cleavage cells from the 15th to the 25th unit in the longi- 
tudinal axis of the egg. In the 32 - nuclei-stage the cells are still 
arranged along the central axis, from the 7th to the the 25th unit. 
According to Schnetter (1934) in Apis the first nuclei constitute 
a spherical body in the foremost part of the egg. When the 16- 
nuclei-stage has been reached the constellation of the nuclei be- 
comes more oblonged because of the cells migrating to the egg poles. 

We could observe this situation in the eggs of Ammophila up to 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 59 

the 256-nuclei-stage. In this stage (fig. 3) the nuclei are situated in 
the foremost 2/g part of the egg, on an almost cylindrical surface. 
The nuclei extend from the 5th to the 80th unit. The cleavage cells 
in the foremost part of the egg have moved somewhat towards the 
periphery. 

In Apis this shifting of the nuclei towards the periphery takes 
place after the 128-nuclei-stage, which is in accordance with our 
data on Ammophila. 

In moving towards the cortical layer the nuclei take some ooplasm 
with them (fig. 7), and consequently the network of protoplasm is 
torn up. So within the level occupied by the cleavage cells only a 
poor residue of the ooplasmatic reticulum persists. Outside this sur- 
face, however, it is still intact (fig. 8). 

In the sections hitherto under discussion the nuclei were stained 
light pinkish, globular and about 10 /a in diameter. They were sur- 
rounded by a dark blue area of ooplasm. This appearance is shown 
by the nuclei when resting (fig. 6). During cleavage the nuclei are 
darker and hardly contrast with the surrounding plasm (fig. 9). 
From the fact that in the stages described hitherto, w^e always found 
resting nuclei, we may assume with probability that cleavage takes 
place quickly and simultaneously and that between two periods of 
cleavage activity there may be a rather long period of rest. 

In the 256-nuclei-stage it appears that within the figure formed 
by the nuclei when moving towards the periphery, yet another group 
of nuclei may be distinguished. They look like ordinary resting clea- 
vage nuclei, but they are somewhat larger. From these slides we 
could not conclude whether these nuclei had remained in their place 
when the other cells went to the periphery, or whether they had 
moved on their own account from the periphery back towards the 
centre of the egg. They are the yolk cells (fig. 10, dk). According to 
ScHNETTER (1934) the first yolk cells in Apis also appear after the 
1 28-nuclei-stage. 

In the next stages the nuclei move still nearer to the periphery 
and in the foremost part of the egg they wander quicker. Conse- 
quently the nuclei take on a pear-shaped arrangement. 

Fig. 3 shows the position of the nuclei in a section of the 512- 
nuclei-stage. Here the nuclei range from the 5th to the 55th unit, so 
they have not penetrated backward as far as the nuclei in our slide 
of an egg of the 256-nuclei-stage. Such individual differences often 
seem to exist between equally old stages of different eggs, which 
is also corroborated by Schnetter's work on Apis. In this stage, 
the nuclei from the top to the 19th unit about reached the inner 
side of the cortical layer. In this and in the following stages, till the 
nuclei have passed the major part of the cortical layer, there are in all 
our eggs deeply stained nuclei. This indicates that cleavage proces- 
ses are succeeding each other at a much quicker rate or that division 
is not simultaneous any longer. Naturally also both possibilities 
may obtain together. In Apis Schnetter (1934) too observed that 
as soon as the nuclei have reached the surface layer, cleavage be- 
comes heterochronous. Both in Apis and in Ammophila the nuclei 



60 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

reach the surface layer at about the 10th cleavage, that is at the 
1 024-nucle:-stage. 

Cleavage occurring no longer in all nuclei at the same time the 
chance to find dividing nuclei becomes bigger ; so the fact that in the 
following stages we very often found dividing nuclei, does not 
necessarily mean that the rate of cell division has increased. 

In the egg of the 512-nuclei-stage, within the surface formed by 
the cleavage cells, lie about 20 yolk cells from about the top to the 
25th unit. They are looking like resting nuclei. 

In the next egg, from the point of view of development, we 
counted about 1500 nuclei (fig. 3). This number is no longer a 
power of 2 which is in accordance with the idea suggested above 
that after the 1024-nuclei-stage cleavage becomes heterochronous. 
The fact that in this egg the foremost nuclei from the 3rd to the 36th 
unit are darkly coloured, while the nuclei from the 36th to the 94th 
unit seem to be resting, is in favour of the same view. Only the nu- 
clei lying at the ventral side from the 6th to the 18th unit are situated 
within the cortical layer. We found about 100 yolk cells, looking 
like resting nuclei and occupying a space from the 4th to the 30th 
unit. 

In further developed eggs counting of the cleavage cells in the 
whole egg was no longer faisible to judge the ratio of development, 
so we counted them in a number of successive sections at the same 
relative position through the eggs and took a mean value. 

In the less developed eggs all nuclei of the foremost part are 
laying in the cortical layer ; at the ventral side they have approached 
the periphery somew^hat more than at the dorsal side. From the 
80th to the 100th unit the cleavage cells are still at some distance 
form the cortical layer. The maximum number of nuclei in a trans- 
verse section was found at about the 18th unit. In the older stages 
the nuclei keep moving through the cortical layer to the periphery, 
the plasm enveloping the nuclei accompanies them. Schnetter 
( 1934) on the contrary states that in Apis the "Hof plasma" remains 
behind at the inner surface of the cortical layer. In Ammophila the 
ooplasm only stays behind when the nuclei assume their final po- 
sition at the surface of the egg (fig. 10). 

Schnetter (1934) found in Apis that the nuclei after having 
crossed the cortical layer, reenter it again, forming a single layer 
("gleichmässiges Blastoderm"). Subsequently these cells divide and 
shift along each other till they are arranged in a single layer again. 
In the meantime a new cortical layer is formed inside this "gleich- 
mässiges Blastoderm" by ooplasm migrating towards the periphery 
("inneres Keimhautblastem"). When finally this plasm has also 
been taken up into the cells, Schnetter calls it "differenziertes 
Blastoderm". 

Having only a limited number of eggs of these stages, we could 
not in every detail follow the formation of the blastoderm in Arri' 
mophila. As stated above the cleavage cells first pass the cortical 
layer and take position on the surface of the egg ; afterwards they 
move back into the cortical layer. As the number of cells finally 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 61 

found in the cortical layer (mean number in some transverse sec- 
tions at about the 18th unit) was twice the number of cells found on 
the surface of the egg in younger stages, we conclude that in Am^ 
mophila as in Apis the cells divide after having reentered the cor- 
tical layer. As we could not find any thickening of the cortical 
layer we think that an "inneres Keimhautblastem" is not formed. 
ScHNETTER (1934) observed that in Apis before the formation of 
the final blastoderm more nuclei concentrate on the ventral side, 
while the dorsal side of the cortical layer becomes thinner and poor- 
er in nuclei. This certainly does not occur in Ammophila, the ac- 
complished blastodermcells being all of the same height (20 ju, x 5 ;u,). 
(fig. 34). Only later on, when the formation of the germ layers be- 
gins, a difference in dorsal and ventral blastoderm becomes visible. 

During the formation of the blastodermcells lateral partitions be- 
tween the cells appear first (fig. 12). Afterwards the basal mem- 
brane is formed (fig. 13). At the end of the delimitation of the bla- 
stoderm the yolk cells fuse to syncytia ; soon thereafter they have 
disappeared. In older stages, e.g. at the formation of the intestine, 
yolk cells appear again ; we could not ascertain where these origi- 
nate from ; most probably they segregate from the surrounding 
cellayers, as proved to be the case in Apis. 

When fitted into the picture of the blastoderm formation known 
in Apis and some other Hymenoptera, the few eggs w^e posess of 
these stages yield sufficient data to reconstruct the process in Am- 
mophila. We could find only minor differences with Apis melli[ica 
(DicKEL, 1904 ; ScHNETTER, 1934) with Vespa (Strindberg 1914) 
and with Chalicodoma (CARRièRE & Bürger, 1898). 

From extensive statistical data Schnetter (1934) tried to de- 
duce the position of the centre of differentiation in the egg of the 
honey bee. He found it at a distance of 24 units from the top. 
Our material is of course inadaequate to permit of such a statistical 
research, but in relation to Schnetter's work the following seems 
noteworthy. 

The undivided nucleus we found at about the 17th unit. In the 
512-nuclei-stage the nuclei lying at about the 13th unit have moved 
farthest to the periphery. The nuclei between the 10th and the 15th 
unit arrive first at the cortical layer. At the time that all nuclei 
have entered the surface layer we found the greatest number of 
nuclei in a section about the 17th unit. From these observation we 
might expect the centre of differentiation to lie between the 10th 
and 20th unit, that is in about the same area as in Apis. 

E. Formation of the germ layers 
1. General Survey 

The final blastoderm of Ammophila campestris consists of cy- 
lindrical cells, 20 IX long and 5 ji broad. Their nuclei are spherical, 
4 /x in diameter and coloured light pinkish (fig. 13). 

Soon after the blastoderm has been formed, the cells lying in a 
broad strip at the ventral (concave) side of the egg become round- 
ed off. This strip sinks below the surface and is subsequently 



62 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

covered by a cell layer which is formed by the blastoderm cells 
formerly adjoining the rounded cells, multiplying in the direction of 
the ventral median. Later on this sunken strip is seen to produce 
fat tissue, muscles and reproductive organs, which proves it to be 
mesoderm. From the cells growing over the mesoderm at the poles 
and at the ventral sides of the egg, the integument, tracheal system, 
maxillar glands, stomodeum and proctodeum with Malpighian tu- 
bes are derived. So this layer is the ectoderm. 

About simultaneously with the sinking in of the mesoderm plate, 
round cells from the poles of the egg migrate from the surface to- 
wards the yolk. From these cells originate the intestinal walls, so 
they represent the entoderm. 

During the covering of the mesodermal plate by the ectoderm the 
form of the blastoderm cells at the dorsal side of the egg is chang- 
ing. They become flatter and broader, therefore the cell layer be- 
comes thinner. Soon a rupture between this cell layer and the ecto- 
derm appears. The lateral margins of the dorsal layer grow towards 
the ventral side. Here they join each other, enveloping the egg and 
constituting the serosa. These processes, leading to the formation 
of the germ layers, are in broad outlines similar to those in C/ia/f- 
codoma muraria Fabr. (CARRièRE & BÜRGER, 1898), Apis mellifica 
L. (Nelson, 1915 ; Schnetter, 1934) and Vespa vulgaris L. 
(Strindberg, 1914). Henceforward we will only cite the literature 
in case of differences, not when our statements agree with those 
of other authors or when our description is more detailed than 
theirs could be. 

2. Mesoderm 

The first mesoderm rudiment appears by the cells, in a ventral 
area covering about % of the length of the egg, rounding themselves 
of and dividing. This area ranges from the 12th to the 88th unit. At 
the anterior end it occupies about !/(;, at the posterior end about ^4 
of the circumference of the egg (fig. 4a, 14). 

By cell division the mesodermal plate becomes 4 — 5 cell layers 
thick, at the edges it is thinner. The cells have a diameter of 10 — 14 
/x, when they are not in a cleavage stage they have spherical light co- 
loured nuclei of 8 ju diameter. When cleavage takes place the nuclei 
are smaller and darkly stained. As far as we are able to deduce from 
Nelson's (1915) and Schnetter's descriptions the rounding off 
and the division of the cells giving rise to the mesodermal plate do 
not occur in the same way in Apis. Here cell division only starts 
after the mesodermal plate has sunken below the surface. Accord- 
ing to Strindberg (1914) and CARRièRE ô Bürger (1898) res- 
pectively in Vespa and Chalicodoma the mesodermal plate is more 
than one cell layer thick when it sinks in. 

The sinking in of the mesodermal plate begins at the anterior end 
and gradually proceeds towards the posterior end (fig. 14, 15). The 
areas adjoining the mesodermal plate laterally, the so called side 
plates, first fold in (fig. 20) while remaining in connection with the 
mesoderm. Sinking in deeper the mesodermal plate is severed from 



I 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 63 

the side plates which grow towards the ventral median and join 
each other there (fig. 21, 22). Thus completed, the mesodermal 
plate lies against the yolk and is covered by the side plates. 

In the meantime the mesodermal plate broadens, the edges pene- 
trating farther and farther between the yolk and the ectoderm 
(fig. 4a^d). This proceeds very quickly; the mesodermal plate, at 
first consisting of 5 — 6 layers, is only 2 layers thick when it covers 
2/3 of the yolk. The quick rate of this broadening indicates that 
it is chiefly effected by shifting movements of cells that already 
existed. During this procedure the 'mesodermal cells have an ellipti- 
cal shape, their long axis lying parallel to the surface of the yolk. 
The long axis measures 12 /x the short one 6 jx, the nuclei have a 
diameter of 4 /a and they are darkly stained, which indicates that 
cell division also occurs. This elliptical shape of the cells in the 
broadening mesoderm was also observed by Strindberg (1914) 
in Vespa. 

As soon as the mesoderm covers about ^ of the yolk surface, 
its dorsad extension stops and cell multiplication starts in a radial 
direction, consequently the mesoderm becomes thicker again. The 
cells resume their rounded shape, measuring 6 ^a in diameter. The 
nuclei are faintly coloured. Now the mesoderm is 2 — 6 cell layers 
thick. 

Before the mesoderm thickens and while its cells are still ellip- 
tical, the dorsal edges of that part of the mesoderm which lies be- 
hind the rudiments of the mouth parts, fold back (fig. 4d, 29). In 
this way 2 longitudinal tubes are formed. At regular intervals they 
are constricted, only the wider part (segments) being hollow. 
Soon however as the mesoderm grows thicker, the whole tube wi- 
dens and its intersegmental parts also become hollow. The cells 
of those tubes are cylindrical, 8 — 10 ji high and 4 jx broad (fig. 48). 
Their nuclei are similar to those of the other mesoderm cells. In the 
eggs of Chalicodoma muraria similar tubes are formed in the same 
way; CARRièRE & Bürger (1898) call them "Mesodermröhren". 
Nelson (1915) found them in Apis mellifica, Strindberg (1914) 
in Vespa vulgaris. In many insects continuous tubes are not formed ; 
in this case in each segment appears a separated mesodermal sac 
("Mesodermsäckchen"). Such isolated pockets we find in Am- 
mophila as in other Hymenoptera only in the antennal segments, 
where they give rise to the walls of the cephalic arteria (fig. 40). 
A rudiment of a mesodermal pocket in the segment of the second 
maxilla disappears soon. 

The tubes as well as the pockets represent the primary coelom. 

3. Entoderm 

Shortly after the mesoderm plate begins to sink in, cell concentra- 
tions appear at the apical and caudal pole of the egg. These cells 
measure 10 — 14 p., their faintly coloured nuclei having a diameter 
of 8 /A. The concentrations are in line with the mesodermal plate, 
they are broader than its ends. These cells prohferate from the 
surface of the egg (fig. 35). About the way in which this takes 



64 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

place a number a different views can be found in literature. We 
too tried to find out more about this process ; our material however, 
was not sufficient to elucidate all details of the formation of the 
entoderm. Dickel (1904) believes that the entoderm is formed 
both by invagination and by transformation of yolk cells into en- 
toderm cells. The first idea, however, is based on evidence from one 
slide only ; the second idea this author got when he saw concen- 
trations of yolk cells close against the inside of the polar cell masses. 
Such aggregations of yolk cells are often found near places where 
the cells are actively shifting or dividing. This activity having 
ended, the yolk cells degenerate. CARRièRE & Bürger (1898) think 
that in the mason bee the entoderm is formed by blastoderm proli- 
ferating into the yolk and that finally the outermost layer of these 
cell concentrations would become ectoderm. 

Nelson (1915) in his work on Apis mellifica also believes the 
ectoderm to hail from immigrating blastodermcells. He, however, 
thinks that this entoderm finally is covered by the side plates ex- 
tending themselves over these areas as they do over the mesoder- 
mal plate. Strindberg (1914), investigating the egg of Vespa vul- 
garis, shares Nelson's view. 

We never found any sign of an invagination. In tnany sections 
we found entoderm cells lying in radial rows, which suggests that 
the blastoderm cells at the poles of the egg had simultaneously pro- 
duced a number of daughter cells towards the inside of the egg 
(fig. 35). In accordance with Nelson's and Strindberg's state- 
ments, we observed, that the entoderm becomes covered by cells 
evidently originating from the side plates as these cells are lying 
entirely free from the coherent entoderm cells. 

From the above it appears that there is no essential difference 
between the formation of the entoderm and mesoderm. Both start 
with the cells in the ventral median and at the poles rounding off 
themselves and dividing ; both, after differentiating, are covered by 
cells hailing from the side plates. Between both germ layers we 
could detect neither a difference in cell shape nor a clear line of 
demarcation. 

In the Orthoptera, Lepidoptera, Coleoptera and some Diptera 
that have been investigated from this point of view (Hirschler, 
1928 ; KoRSCHELT, 1936) there is no difference in the formation of 
mesoderm and entoderm from the blastoderm ; mesoderm and 
entoderm appear together. In these objects, within the sunken cell 
plate a differentiated median band and 2 polar cell concentrations 
can be distinguished. These 3 parts give rise to the mid-intestine, so 
they are representing the entoderm, the other parts of the cell plate 
prove to be mesoderm as from this part muscles, heart, fat tissue 
etc. are derived. So the distinction made between mesoderm and 
entoderm is not based on a difference of origin but on the character 
of the organs produced. In Hymenoptera the median band is mis- 
sing and only the polar cell masses are present. This, however 
seems to us no reason to consider mesoderm and entoderm really 
different formations as CARRièRE ô Bürger (1898) did. Never- 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 65 

theless we will continue to use both terms as they facilitate de- 
scriptions. 

By the time the mesoderm has been covered by the side plates, 
both egg poles are filled with entoderm cells, the hindmost cell mass 
being bigger and extending further dorsally than the foremost (fig. 
14, 15). Until the enclosure of the mesoderm has been completed, 
the entoderm remains unchanged and is covered by the ectoderm. 

Afterwards, simultaneously with the first formation of organs 
from the ectoderm, the caudal entoderm grows apicad, dorsal of 
the yolk (fig. 16, 17, 18, 30). At the same time, but at a much slower 
rate two separate tongues of the apical entoderm grow caudad and 
laterad of the yolk (fig. 17, 18, 32). The cells of these tongues are 
not different from those of the cell concentrations from which they 
are recruted. Many nuclei show cleavage stages, they are darkly 
stained contrary to the faintly coloured resting nuclei. The protrud- 
ing tongues of the caudal and apical entoderm reach each other 
at a point 22 units from the top (fig. 18). The laterally tongues 
of the apical entoderm fuse with the sides of the dorsal tongue of 
the caudal entoderm. At their tips the tongues only are a few cells 
layers thick. At its base, the caudal tongue has many (maximally 
8) cell layers. The apical entodermal tongues have a thickness of 3 
cells at most. Only at the poles the entoderm lies close to the 
mesoderm, showing no line of demarcation. In the rest of the egg 
there is always some space between the dérivâtes of these two germ 
layers. 

4. Ectoderm 

As the 'mesodermal plate starts to sink in, the areas adjoining it 
laterally, the so called side plates first fold inward (fig. 19). Later 
on, however, the side plates are severed from the mesoderm plate 
(fig. 20). The edges of the side plates, which became folded in, now 
continue their folding movement and apply themselves against the 
inside of he blastoderm. Out of this double layer a single layer is 
formed again. The cells of these layers first become wedge-shaped, 
move between each other till a single layer is formed and then 
reassume their cylindrical form (fig. 20, 21). 

After this the cells of the side plates divide in a radial direction 
(fig. 21, 22), consequently the blastoderm ventrally becomes a 
double cell layer again. In the same way as described above, out 
of this double layer a single one is formed, the result of this being 
that the side plates grow towards the ventral median (fig. 28). 
Here their edges meet and join each other, in this way covering the 
mesoderm (fig. 4a-d). 

This way of growing of a cell layer, viz. division followed by 
moving of the cells, we often encountered in our study of the devel- 
opment of the embryo of Ammophila campestris. 

Laterally the ectoderm detaches itself from the dorsally situated 
extra-embryonic blastoderm (fig. 16, 29) and broadening grows 
towards the dorsal median. When, in a transverse section, it is 
occupying about 5/6 of the circumference of the egg no more cy- 



66 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

lindrical cells are formed for the time being. The ectoderm now 
starts producing extremely flattened cells that shove over the dorsal 
part of the yolk, so establishing a thin connection between the lateral 
edges of the ventral ectoderm (fig. 4f, 18, 50). Strindberg (1914), 
observing this thin layer in Vespa, called it "provisorisches Rücken- 
verschluss", Nelson (1915) described it in Apis as extra-embryo- 
nic ectoderm. 

The embryonic ectoderm also gradually envelopes both egg poles. 
We do not know in detail how this is brought about, for, at the same 
time, at these places the formation of the organs begins, which 
confuses the picture. 

During the enlargement of the ectoderm, the cylindrical cells are 
12 — 20 ji long and 4 — 8 /x broad. The nuclei are 4—6 fi in diameter 
and, depending on their activity, darkly or faintly stained. 

5. Serosa 

When the cells on the ventral side of the blastoderm are beginning 
to form the mesodermal plate, blastoderm cells at the dorsal side 
also become active and divide (fig. 23). The daugther cells rear- 
range themselves to a single layer and so the blastoderm, that covers 
the yolk on its dorsal surface becomes wider. Consequently laterally 
on both sides of the egg a fold is formed, which becomes well 
developed at its caudal end only (fig. 25, 26). The cells of the 
dorsal blastoderm assume a cubic form and in each a number of 
spots can be found which are poor in plasm while vacuoles are 
discernible (fig. 24). 

Soon the blastoderm is disengaged along the fold (fig. 29), 
beginning at the top of the egg and proceeding backwards. Only 
at the very caudal end; the connection between the dorsal blastoderm 
and the side plates is maintained and here the fold prolongs itself. 
At the same time at this place the side plates are extending themsel- 
ves dorsad over the yolk. As the edges of the side plates remain in 
contact with the dorsal blastoderm, the inner part of the fold is 
pulled over the yolk. At last the side plates join each other along the 
dorsal median and only then they are severed from the dorsal 
blastoderm, the edges of which also fuse together. By this time the 
hind part of the blastoderm, like a sac, covers the dorsal side of the 
caudal end of the egg with a double layer. The interior sheet of 
this sac may be called the amnion. Its cells are similar to the ecto- 
derm cells. The exterior envelope is the serosa ; like the extra- 
embryonic ectoderm of the rest of the egg, the serosa consists of 
flattened cells. Soon serosa and amnion are severed from each 
other. 

In the meantime all round the egg the blastoderm cells are flat- 
tening and each cell stretches itself in all tangential directions. This 
combined with movements of the cells causes the extra-embryonic 
blastoderm to extend more and more to the ventral side (fig. 4, 15, 
16, 31). According to Strindberg (1914) in ants the serosa is 
formed only by the apical part of the extra-embryonic blastoderm 
extending ventrad as well as dorsad. A similar process may take 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 67 

place in Ammophila, as the mid part of the serosa is poorer in cell 
material than the egg poles. 

In this way the whole egg is gradually enveloped by the extra- 
embryonic blastoderm. The hindmost part of this envelope we 
have already mentioned above as covering the amnion. The 
existence of this little amnion rudiment proves that in Ammophila 
the embryonic envelope is a serosa. 

The cells of the amnion soon degenerate and disappear. The 
serosa also degenerates after some time, but during the whole 
course of development we can still find at least some remnants of 
it, the older the egg the less of it remains. 

In other Hymenoptera that have been investigated from this point 
of view, only one envelope is present round the egg. This is, 
however, not in every species formed in the same way. CARRièRE 6 
Bürger (1898) detected a fold between extra-embryonic blastoderm 
and embryonic blastoderm in the polar regions of the egg of the 
mason bee. Korschelt (1936) thinks this fold identical with the 
amnionfold, as appearing in other insects. As a matter of fact, we 
found in Ammophila that caudally a definite amnion rudiment 
developes out of that part of the blastoderm fold which lies closest to 
the embryo. In Chalicodoma the amnion folds do not develop 
further, the envelope which is finally formed is the serosa. 

Although Strindberg (1914) in Vespa did not find an amnion 
fold, the development of the embryonic envelope, at least in the 
middle part of the egg occurs in the same manner as in Ammophila. 
In some ant species Strindberg (1913) did find an amnion fold, 
but here the development of the serosa passes off in a quite diffe- 
rent way. 

While in Ammophila the entire extra-embryonic blastoderm is 
involved in the formation of the embryonic envelopes. Nelson 
(1915) and Schnetter (1934) observed that in Apis only the 
lateral parts of the extra-embryonic blastoderm grow out to form 
the single envelope present. A strip of cells situated in the dorsal 
median (dorsal strip, Dorsalstreifen) does not take part in this 
development, and is finally absorbed by the yolk. 

As Schnetter (1934) defines the amnion as an envelope cover- 
ing the germ band, he calls the envelope formed in Apis amnion 
and the cells of the dorsal strip serosa. On the authority of 
Blütschli, Nelson uses the name amnion in the same sense. 
However from Schnetter's photographs and Nelson's drawings 
of sections showing the envelope at the beginning of its extension 
the differences in the formation of the embryonic envelopes in Apis, 
Vespa, Chalicodoma and Ammophila seem to us much smaller than 
literature would suggest. The existence and subsequent resorption 
of the dorsal strip is the only essential difference we can see and 
such a strip does not occur in Ammophila. 

F. Formation of the organs 
1. General survey 

Immediately after the closing of the ectoderm at the ventral side 



68 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

of the egg, the formation of the ectodermal organs begins. In quick 
succession mouth parts and extremities, tentorium, maxillar glands 
and tracheal system, stomodeum and proctodeum with the Mal- 
pighian tubes appear. Subsequently at a slower rate, the rudiments 
of the nerve system and finally the integument arise (fig. 16, 17, 
18, 59a). 

The rudiments of the ectodermal organs are all clearly defined 
by the time that the caudal and apical tongues of the entoderm 
meet each other and the formation of the mid-intestine begins 
(fig. 59a— c). 

Then, all ectodermal organs being clearly discernible the meso- 
dermal organs arise. They how^ever, are accomplished only after 
the wall of the intestine has been closed and when the integument 
begins to differentiate from the ectoderm (fig. 59a^d). 

2. Ectodermal organs. 

a. Antennae, mouth parts and extremities 

As soon as the ectoderm is closed ventrally, in the apical part 
of the egg the rudiments of antennae and maxillae appear. In first 
appearance each of these rudiments consists of a slight elevation 
of the ectoderm, surrounded by a ring-shaped groove. The first 
and the sixth pair of rudiments lie at the lateral side of the embryo, 
respectively near the top and at about 20 units from it. The other 
rudiments are situated more dorsally between these two. 

The foremost pair of rudiments which will become the antennae 
shows two slender elevations with their tips flexed dorsad (fig. 45). 
The second pair of rudiments represents the appendices of the 
intercalary segment. They soon degenerate. 

The three other appendices, the mandibulae, the first and the 
second pair of maxillae first show themselves as oval elevations, 
with their longest dimension almost at right angles to the axis of 
the egg. With further development, the groove round each of the 
rudiments is smoothed out on their dorsal side, while ventrally it 
becomes deeper ; consequently the elevations are gradually heeling 
over towards the ventral side (fig. 46). 

At the same time the germ band becomes longer ; the yolk main- 
taining its original length, the ectoderm extends over the apical 
pole of the egg towards the dorsal side. The distances between 
the subsequent appendices also increase and simultaneously the strip 
of ectoderm between the left and the right row of appendices 
narrows (fig. 15, 16, 17). Probably these changes are chiefly 
brought about by movements of cells in the ventral area. 

When the ventral ectoderm strip narrows, the ectoderm which 
lies dorsally from the rudiments is pulled towards the ventral side. 
So dorsally, part of the yolk is uncovered again. Soon, however, 
by cell division in its lateral parts the ectoderm is again extended 
dorsally over the yolk. 

The rudiments of the second maxillae, originally situated at the 
22nd unit, now lie at a distance of 33 units from the top, which is 
the maximal relative distance ever reached. 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 69 

Now just ventrally of the top, an invagination appears, which 
proves to be the rudiment of the stomodeum. This newly formed 
hole, is enlarged and deepens because a part of the caudally ad- 
jacent ventral ectoderm is taken up into it. By this movement of 
the ventral ectoderm in an apical direction the rudiments of the 
appendices are carried forward ; at the same time the distances 
between consecutive pairs of rudiments diminish (fig. 17, 18, 53, 
54, 56, 57). 

In the meantime, the above mentioned inclination of the rudiments 
towards the ventral median has continued, resulting finally in an 
overbridging of the deep ventral part of the groove round each 
rudiment. Soon this groove is closed for the greater part, at one 
point only an opening persists. In this way in each rudiment an 
ectodermal tube is formed. 

The tubes that belong to the second maxillae give rise to the 
maxillary glands (see page 70). From the grooves near the first 
maxillae, the mandibulae and the antennae the tentorium is derived 
(see page 71 ). 

The bases of the mouth parts, while increasing in size, move still 
further towards the ventral median (fig. 54, 55). The second 
maxillae are closely applied against the embryo over a distance of 
about 120 iJL, only their foremost part protrudes freely from the 
surface of the egg. They approach each other ventrally and fuse 
together. The 2 maxillary tubes merge into a common outlet (fig. 
54, 55). 

Finally the mouth parts are situated as follows : 

Apically of the mouth parts lie the antennae as very small ele- 
vations of the ectoderm. At both sides of the mouth we find the 
mandibulae and, immediately behind them, the first pair of maxillae. 
The coalesced second maxillae constitute a cross ridge behind the 
mouth opening. In the „axil' of the second maxillae the common 
opening of the maxillary glands is situated. 

When the rudiments of the mouth parts are clearly visible another 
3 pairs of ectodermal elevations arise caudally of the second maxil- 
lae ; these are the thoracal legs (fig 18, 53). Just as in the mouth 
parts we find invaginations at their bases ; those of the 2nd and 
3rd pair of thoracal legs become tracheae, those of the 1st pair 
degenerate. 

The formation of the tracheae out of these invaginations con- 
firms the opinion of CARRièRE & Bürger (1898), that tracheal 
system, maxillary glands and tentorium are homodynamous. Nelson 
(1915) opposes this statement, as he considers the groove of the 
second maxillae to be a stigma and assumes that there is an essen- 
tial difference between tentorium and maxillary glands on one side 
and stigma rudiments on the other. According to him, stigmata 
would always lie dorsally of the elevations while the other organs 
would appear at their ventral side. In our opinion this argument 
does not hold, as we observed that originally a ring shaped groove 
is present which gives rise to all the organs under discussion. 

The thoracal legs hardly develop any more. They have already 



70 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

degenerated to small ectodermal thickenings („Imaginalscheiben") 
when the mouth parts reach their ultimate positions round the mouth 
(fig. 54, 55, 56, 57). 
b. Stomodeum. 

About the time that the mouth parts begin to develop, a small 
invagination appears at the ventral side of the apical pole of the 
egg (fig. 45). This will become the stomodeum. The ectoderm, 
which in this stage is just covering the pole of the egg, still consists 
of rounded cells with dark nuclei ; many cell divisions are still in 
progress. The rudiments of the stomodeum consist of similar cells. 

While the ectoderm, shifting over the pole, is extending along 
the dorsal side of the yolk, the cells at the apical pole of the egg 
and those of the stomodeum assume a cylindrical shape. Then the 
cells of the stomodeum stop dividing, nevertheless, the stomodeum 
continues to sink in (fig. 16, 17, 18). In Apis this also occurs and 
to explain this, Schnetter (1934) assumes that ectoderm, lying 
caudally of the stomodeum, is gradually invaginated. The result of 
this is a ventrad movement of the stomodeum and a shortening of 
the germ band. Although we did not, like Schnetter, make our 
observations also on living eggs, our sections yield enough argu- 
ments to maintain that in Ammophila too the ectoderm layer in the 
foremost region of the egg furnishes the material for the stomodeum. 
During the growth of the stomodeum no more cell divisions occur 
in it, yet the distance between the mouth parts and the stomodeum 
keeps shortening (fig. 16, 17, 18, 53, 54, 55, 56, 57). As simul- 
taneously the caudal edge of the stomodeum moves towards the 
ventral side (compare fig. 16 and 18), it actually looks as if the 
ectoderm material situated between the mouth parts is partially 
used for deepening the stomodeum. As at the same time ectodermal 
cells on the top of the egg are dividing, the apical edge of the 
stomodeum is "pushed" over the top in a ventro-caudad direction. 
In this way the stomodeum is not distended but its form remains 
unchanged during the movement (compare fig. 35 and 55). 

The mouth parts having reached their ultimate positions, the cells 
of the stomodeum begin to divide. The thickness of its wall in- 
creases to several layers (fig. 47). These cells then are rearranged 
in a single layer, causing a lengthening of the stomodeum (fig. 
53 — 57). At their free side the cells secrete a chitinous layer. 

During its entire development, the caudal end of the stomodeum 
is applied against the yolk or, in older stages against the mid 
intestine. Shortly before the larva hatches, at this end, a ring 
shaped fold appears in the wall of the stomodeum. Strindberg 
(1914), who observed it in the embryos of Vespa and Trachusa, 
calls it "Proventrikelanlage", Schnetter (1934) describing it in 
Apis, speaks of "ringförmige Wucherung" or "pilzhutförmiges Or- 
gan". From our sections it appears that this thickening penetrates 
into and pierces the wall of the mid-intestine. In this way the com- 
munication between stomodeum and mid-intestine is established 

(fig. 60). 

Meanwhile round the stomodeum a thin muscular layer has been 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 71 

formed (fig. 44) and in the walls of the stomodeum longitudinal 
folds have appeared, imparting a star shape to it in cross section. 

c. Maxillary glands. 

On page 68 we said that originally the rudiments of the cepha- 
lic appendices are surrounded by a groove. The groove of the second 
maxillae develops into the maxillary gland (fig. 31). 

While the part of the groove, which lies apically of the maxillar 
rudiment becomes shallower, the rest of it continues to invaginate. 
In this way an ectodermal sac is formed which penetrates into the 
mesoderm, just caudally of the maxillar rudiment (fig. 17, 18). Its 
cells are rounded ; they have a diameter of about 10 fi. Their nuclei 
are darkly stained, about 6 ja in diameter ; cell division is in progress. 

The sac grows steadily backwards and extends between meso- 
derm and yolk. Its opening shifts somew^hat to the ventral median 
while the sac flattens. Now the cells become cylindrical ; their 
nuclei are faintly coloured as cell division has stopped. By this time 
the sac is 100 /x long, 120 jjl broad and 4 — 8 ^a wide (fig. 17). 

Then, quickly growing out to a length of about 400 /x the sac 
assumes a tubular shape. The tube finally measures 20 /x in diameter. 
The cylindrical cells of its walls are 12 ^i high and 4 /j, broad (fig. 
49, 51, 52). By branching, it forms 2 or probably more diverticula 
which run winding between the fat cells and are very difficult to 
trace backwards. 

When during the growing of the stomodeum the second maxillae 
are moving in an apical direction, both tubes are carried along. 
Moreover, at the same time both second maxillae and the openings 
of the tubes are approaching each other ventrally (fig. 54, 55). 
Finally the proximal ends of both tubes fuse over some distance 
in the ventral median. As the second maxillae then are situated 
alongside this superficial part of the joined tubes a short groove is 
formed. Subsequently the second maxillae bend over towards each 
other, fuse and cover the gutter, forming the labium. In this way 
the tubes get their common outlet in the "axil" of the labium. 

The common part of the tubes lies ventrally of the nerve system ; 
behind the first furcation each tube curves laterad and dorsad till 
they are situated dorsally of the nerve system on either side of the 
ventral part of the intestine. 

In literature these tubes sometimes are called silk glands, some- 
times salivary glands. Surely in full grown Ammophila larvae the 
function of the glands justifies the first name. We will not, however, 
deny the possibility that as long as the larva takes food the tubes 
could act as salivary glands. So we prefer to refer to the tubes with 
the neutral name "maxillary glands". 

d. Tentorium 

On page 69 we described how, near each of the cephalic appen- 
dices, during its development an invagination in the ectoderm is 
enclosed. The grooves belonging to both antennae in this way be- 
come tubes which flatten out. They grow backwards in converging 
directions, so they meet in due course and fuse (fig. 53, 54). 

The grooves belonging to the first maxillae develop in the 



72 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

same way, they, however, grow out in converging forward directions. 
Finally they meet and fuse which each other and with the "an- 
tennal" tubes. So an X-shaped system of flattened tubes is estab- 
lished (fig. 53, 54) having outward apertures at a short distance 
ventrally of the antennae and somewhat dorsally of the initial basis 
of the first maxillae. The centre of the X constitutes a broad plate, 
which is situaed between stomodeum and suboesophagial ganglion 
(fig. 36). The entodermal cells, which originally were cylindrical, 
now have flattened and they secrete chitin. 

The tubes appearing at the bases of the mandibulae, grow back- 
wards over a short distance but do not flatten out. Chitin is also 
secreted in them ; they constitute the place of attachment for the 
strongly developed mandibular muscles (fig. 36). Nelson (1915) 
calls them "mandibular apodemes". 

Together these tubes represent the inner chitinous cephalic 
skeleton, the tentorium (fig. 57, 60). 
e. Tracheal system 

When the formation of the mouth parts has begun 1 1 shallow inva- 
ginations appear in the ectoderm behind the 2nd maxillae at regular 
distances on both sides of the egg (fig. 17). As has been discussed 
on page 69, these invaginations are serially homologous with the 
invaginations at the bases of the cephalic appendices. The first pair 
soon vanishes. 

Especially in older eggs it is clearly visible that the 10 remaining 
invaginations lie in the last 2 thoracal segments and in eight ab- 
dominal ones. At first these invaginations are oval-shaped in cross 
section, their longest axis lying about perpendicular to the longi- 
tudinal axis of the egg. In the centre it is shallower than at the 
circumference (fig. 48). Subsequently the ectoderm surrounding 
the invagination grows over it from all sides and finally covers it 
nearly entirely (fig. 49). Only in the centre outward communi- 
cation persists. 

The oval cavities soon become lozenge-shaped, their longest dia- 
meter lying parallel with the longitudinal axis of the egg (fig. 54). 
The 4 points of the lozenge grow out, giving rise to tubes that 
extend in the 4 directions of the diagonals of the lozenges. The 
apical and caudal tubes grow out first. In the more caudal abdo- 
minal segments the hindmost tube is longer than the foremost ; the 
reverse is the case in the more apical abdominal segments. In the 
intervening segments both tubes are equally long. The dorsal and 
ventral tubes grow out somewhat later, the latter are longer than 
the former. 

The 10 discrete longitudinal tubes developed in this way on 
both sides of the embryo approach each other and fuse to one big 
tube, the tracheal trunk In each segment the dorsal and ventral 
tubes constitute branches of these trunks. 

Nelson (1915) that states in Apis mellifica the branches of the 
left and of the right trunk communicate ventrally and dorsally. We 
could not ascertain whether this also occurs in Ammophila. In young 
larvae the branches certainly do not communicate, in older larvae 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 73 

they are very difficult to distinguish between the other organs. 

During further development the tracheal system sinks in, while 
its communication with the outside becomes longer, most probably 
by invagination of ectodermal cells (fig. 50). In this way on both 
sides of the embryo 10 short ectodermal tubes arise, connecting the 
tracheal trunk with the stigmata (fig. 60). Originally the cells of 
the invagination are cylindrical, later on they become round or 
elliptical, forming a kind of plaster epithelium (fig. 40). After the 
tracheal trunk has been formed, however, the cells become cubical. 
The nuclei do not change much, their size only decreases from 
5 fjL to 3 II. 

When the integument has secreted a cuticula, a chitinous layer 
also becomes visible in the tracheal trunk. 

f. Proctodeum and Malpighian tubes 

When the rudiments of the tracheal system have appeared a new 
invagination in the ectoderm becomes visible dorsally at the caudal 
pole of the egg. As this invagination develops, it branches into 2 
tubes lying on either side of the yolk and making an impression 
upon it (fig. 17). Later on near the root of those tubes a second 
pair of similar tubes appear. All grow in an apical direction. At 
first the cells of these 4 tubes are cylindrical and similar to the 
ectoderm cells of the surface of the egg. Later on they become more 
cubiform and bear a great resemblance to the cells of trachea and 
maxillary glands. 

The common outlet of those 4 Malpighian tubes is enlarged by 
ectodermal invagination and constitutes a sac (fig. 58a, b). At 
the same time its outward aperture moves form the dorsal to the 
ventral side of the egg. Probably this can be attributed to the same 
process that caused the shifting of the stomodeum described 
above, to wit to invagination of the ectoderm. Thus the proctodeum 
is formed, the final shape of which can be seen in fig. 58 and fig. 
60. It lies on the ventral side of the embryo, close to the yolk and 
has two short coeca. The Malpighian tubes open into the apical 
part of the proctodeum. The cells of the proctodeum remain 
cylindrical. The communication between the proctodeum and the 
mesenteron only appears at a much more advanced stage as a 
narrow fissure. In older larvae already taking food this connection 
is still very narrow. 

g. Nervous system 

After the rudiments of the ectodermal organs described above 
have appeared, a small invagination in the ectoderm becomes 
visible in the ventral median (fig. 32). The first indication 
of it can be found near the second maxillae. It is prolonged in a 
caudal direction till a groove is formed, running from about the 
stomodeum to the proctodeum. This is the neural groove, laterally 
bordered by the two neural walls, protruding somewhat above the 
eggs surface. Perhaps there is some difference in the dimensions 
of the groove and the walls intra-and intersegmental. Our slides, 
being chiefly cross sections, did not give conclusive evidence on 
this point. 



74 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

The ectoderm thickens in this neurogenic area. The neural walls 
increase in size and as there is little place for new cells in the 
narrow nervous groove, these protrude sideways into the embryo, 
constituting a fan shaped figure in each segment (fig. 52). From 
these cell concentrations the ventral cord is derived. 

In addition to these thickenings in the ventral median, concen- 
trations of ectoderm also appear in the apical part on the latero- 
dorsal side of the embryo (fig. 47). Examining successive sections 
here, w^e meet on either side of the embryo 3 thickenings of the 
ectoderm. These are the rudiments of the 3 pairs of cerebral ganglia. 

In the ventral groove all cells are long drawn pear-shaped, 12 /x 
long with big globular nuclei of about 10 jx diameter. These 
neuroblasts we also found in the neural walls and in the ectodermal 
thickenings in the cephalic area. In the cephalic area the peripherical 
cells remain smaller and they soon constitute a new hypodermis 
covering the nervous system (fig. 38, 52). The neural groove is 
covered by hypodermis cells originating from the neural walls. 

The neuroblasts give rise to a great number of smaller nerve cells 
with a diameter of about 6 /x and nuclei of 4 /x (fig. 52). Gradually 
these cells are severed from the hypodermis, the contact being 
maintained longest in the intrasegmental parts of the neural groove. 
In each segment a pair of ganglion rudiments is formed by cells 
from the neural walls. They are joined by nerve cells derived from 
the neuroblasts of the ventral groove, which in each segment move 
to the foremost part of it. Thus these cells from the neural groove 
constitute the commissures between the proper ganglia derived form 
the neural walls. Other cells of the neural walls build a double 
communication between consecutive ganglia, the connectives. 

The nerve cells in the head of the embryo remained arranged in 
3 groups. Some cells move a little and establish the mutual con- 
nections between the 3 cerebral ganglia and, passing on either side 
of the stomodeum, also the communication with the suboesophagial 
ganglia (fig. 43). 

The nerve cells grow ramifications which arrange themselves in 
thin bundles of filaments which finally are situated in the centre 
of the ganglia and in the connectives. 

The development of the nervous system begins at the head and 
preceeds in a caudal direction, so in one egg we can observe several 
consecutive stages. 

In Ammophila we could distinguish 16 pairs of ganglia. The first 
3 pairs have fused to one long drawn sub-oesophagial ganglion, 
the last 3 are nearly coalescent (fig. 60). In Apis, Nelson (1915) 
distinguished 17 pairs of ganglia and CARRièRE & Bürger (1898) 
counted the same number in Chalicodoma. 

From the dorsal wall of the stomodeum a group of cells having 
the appearance of nerve cells is disengaged. In our opinion they 
represent the frontal ganglion, controlling the intestinal system. 
The rest of the "stomogastric system" as Nelson (1915) described 
it in Apis, we could not detect in Ammophila. Though we found 
small concentrations of ectoderm cells near the edge of all the 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 75 

rudiments of the tentorium, they were not clearly defined groups, 
which we could identificate with the corpora aliata. Nor have we 
been able to find in Ammophila the rudiments of the pharyngeal 
ganglia against the wall of the stomodeum. 

The development of the nervous system in Apis has been minutely 
treated by Nelson (1915). Our scanty material does not allow us 
to deal with this subject as thoroughly as he did, so we had to 
confine ourselves to the rough description given above, which does 
not disclose important differences between the development of the 
nervous system in Apis and Ammophila. 
h. Integument 

As has already been described on page 65, when the rudiments 
of all mesodermal organs have arisen, the lateral edges of the 
ectoderm grow out in a thin layer over the dorsal side (fig 47), 
This epithelium remains till all organs have appeared, till the wall 
of the mesenteron has been formed and the intestine is closed at 
the ventral side. Then the cylindrical ectoderm cells covering the 
sides of the embryo, assume a cubical shape and move towards the 
dorsal side. This cubical epithelium takes the place of the thin layer 
mentioned above and soon its cells become cylindrical again. 

In the foremost cephalic part of the embryo, by division of the 
ectoderm cells the integument acquires a thickness of several cell 
layers, while its cells are more or less oval (fig. 43). The rest of 
the embryo is entirely covered by a single layer of cylindrical cells 
(fig. 36, 39). On the whole surface of the embryo a thin chitinous 
cuticula is secreted. 

3. Entodermal organs 
a. Mesenteron 

As has already been mentioned on page 65 the apical and the 
caudal entoderm approach each other, the former as 2 lateral 
tongues, the latter as one dorsal tongue (fig. 18). When these 
tongues have reached each other the apical entoderm begins to 
extend over the dorsal surface of the yolk. Its cells, first arranged 
in two or three layers, rearrange themselves in a single layer against 
the yolk. The moving cells are spindle shaped, their longest axis 
lying parallel to the surface of the yolk. Having covered the yolk 
dorsally the entoderm cells become cubiform. Only at the foremost 
part of the yolk, the covering is postponed till the formation of the 
mesenteron has been accomplished. Apically the caudal entoderm 
tongue is only a few cell layers thick, more backwards it consists 
of many cell layers. The cells in the median of the caudal entoderm 
tongue and in its apical part shift along each other till they con- 
stitute a single layer. Consequently the entoderm becomes thinner 
and it covers a greater part of the yolk. At both edges this sheet 
remains many cell layers thick. 

By this time about the dorsal half of the surface of the yolk has 
been covered, exept apically. Then from the edges and the polar 
parts of the apical and of the caudal entoderm cells (surely also 
newly formed cells, as cell division is in progress) are moving 



76 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

ventrad along the yolk (fig. 50). Finally the entire yolk is enclosed 
by a single layer of entodermal cells fig. 59a — d), which constitutes 
the intestinal wall. While arranging themselves into one layer the 
cells are cubiform, later on they become cylindrical. 

During the development of the intestine the yolk shortens. Con- 
sequently the distance from the top of the egg to the apical end 
of the yolk increases. As the apical entoderm remains closely 
applied to the yolk it is also removed from the top of the egg. 

From the moment that cell movement and cell division set in many 
yolk cells and ooplasm have been concentrating at places of greatest 
activity inside the yolk membrane (fig. 40, 50, 59). When the 
entoderm extends dorsad over the yolk, concentrations of yolk cells 
accompany it on the opposite surface of the yolk membrane. Later 
on, when the movement of the entoderm cells is ventrad, it seems 
as if the yolk cells are carried along with them to the ventral 
median. Near those cells of the migrating entoderm that have 
proceeded farthest we observe in the yolk filaments of plasm enclos- 
ing many yolk nuclei and rediating fan-like from spots on the yolk 
membrane corresponding to these leading entoderm cells. When 
finally the wall of the mesenteron is closed, ventrally over the whole 
length of the egg and dorsally in its foremost part, nearly all the 
plasm and yolk cells are accumulated in these regions. When the 
intestine has been enveloped, the yolk cells disappear. 

The cells of the mid-intestine are cylindrical, 20 ß high and 6 [i 
broad. The nuclei lie close to the yolk, they are 8 /a in diameter ; 
their chromatine mass is darkly stained, strongly contrasting with 
the rest of the contents of the nuclei (fig. 41). The other half of 
the cell is almost entirely occupied by a great vacuole. When cell 
division has stopped the nuclei are less visible in the cells. The 
vacuoles remain until resorption begins, 

4. Mesodermal Organs 

Soon after the first appearance of the mesoderm we can already 
distinguish some of its parts. 

In all thoracal and abdominal segments and also in the antennal 
segment lies a coelomic sac (fig. 4e, f) on either side of the yolk. 
Ventrally of the yolk, over the whole length of the embryo, lies 
a 2 — 6 layers thick mass of mesodermal cells. 

The wall of the coelomic sacs facing the yolk is the splanchnop- 
leura, from which the muscular covering of the intestine is derived. 
The wall of the coelomic sacs lying close to the integument, the 
somatopleura, produces the muscles attached to the integument, the 
muscles of the mouth parts and those belonging to the stomodeum. 

A number of cells situated at the dorsal side of the coelomic sacs 
in the transitional area between splanchnopleura and somatopleura 
develop to cardioblasts, the rudiments of the circulatory system 
( fig. 59) . A few cells lying in the 3rd, 4th and 5th abdominal segment 
in or against the splanchnopleura give rise to the reproductive 
organs. 

The fat cells originate from cells of the ventral mesoderm, facing 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 11 

the yolk. Now the question has been put forward whether the fat 
cells are derived from the splanchnopleura or from the somatopleura. 
KoRSCHELT (1936) identifying with splanchnopleura only the yolk 
facing wall of the coelomic sac, logically must consider the fat cells 
to be dérivâtes of the somatopleura. CARRièRE & Bürger (1898) 
and Nelson (1915), however, call the inner surface of the ventral 
mesoderm mass splanchnopleura and the outer layer somatopleura 
although the lumen of the sac is missing in this part, as can be seen 
in fig. 31 . However, a lumen does exist between the dorsal 
and the ventral groups of mesoderm cells in Ammophila and 
it actually seems as if there is a continuity between the true 
splanchnopleura of the coelomic sac and the dorsal layer of the 
ventral mesoderm. On this evidence we are inclined to believe that 
the fat cells hail from the splanchnopleura, our observations putting 
CARRièRE & Bürger and Nelson in the right. 

a. Fat tissue 

When through cell division in a radial direction the thickness of 
the mesoderm of the abdominal segment has increased to about 6 
cell layers, a number of mesodermal cells lying closely applied 
against the yolk, concentrate in several groups (fig. 37, 38, 48). 
In transverse sections these groups appear as rings of cells, in 
longitudinal sections they look like short winding strains. As within 
these cell groups, usually a "lumen" is present, they give the im- 
pression of a system of very much ramified and anastomosing tubes, 
occupying from the 1st to the 8th abdominal segment but without 
any communication neither with any organ nor with the outside. 
Its cells are cubiform or polyedric, 4 /a in diameter. The nuclei are 
stained as dark as the plasm and they are not very sharply defined. 

This tissue is present during the entire embryonic development 
(fig. 39, 50). Often it is difficult to distinguish between these 
mesodermal tubes and the ends of maxillar glands and Malpighian 
tubes. In the literature on Hymenoptera and other groups of insects, 
we did not come across any description of similar formations of 
fat cells. 

When the intestine begins its resorbing activity the fat cells 
become much inflated, assuming the same appearance as the fat 
cells of other insects. The nuclei are situated against the cell walls, 
the cell increases to a diameter of 40 — 50 /x. After fixation a reti- 
cular structure remains, the alcohol of the fixative dissolving part 
of the cell contents. 

b. Muscles 

aa. Muscles round the mid-intestine 

The small cells of the splanchnopleura multiply and give rise to 
thick strands of cells lying laterally alongside the yolk and making 
an impression on it (fig 38, 50). Originally the cells of the 
splanchnopleura were cylindrical, now they become polyedric, 4 ]x 
in diameter. The nuclei occupy nearly the whole of the cell. A part of 
these cells move ventrad, alongside the yolk and when the ectoderm 
has entirely enveloped the yolk, a number of these cells also move 
dorsad (fig. 59a — d). In this way the whole intestine is covered by 



78 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

a layer of spindle shaped cells, a muscle layer. Dorsally this layer 
is in connection with the parts of the coelomic walls surrounding 
the heart (fig. 41). 
bb. Muscles of the stomodeum 

Among the cephalic segments only the antennal segment has a 
coelomic cavity. Its walls, however, do not produce muscles. In the 
cephalic area the muscles are exclusively derived from the meso- 
derm that is situated ventrally in the embryo behind the invagination 
of the stomodeum (fig. 47m). A small part of these cells give rise 
to the muscles of the stomodeum, they apply themselves against its 
wall as it sinks in. The mesoderm cells originally round, now become 
spindle shaped and constitute a thin muscle layer (fig. 40). Its 
development begins at the forward end and proceeds backward. 
When the communication between the stomodeum and the mid- 
intestine has been established, the apical part of the latter is also 
surrounded by muscles established from the ventral mesoderm of 
the cephalic area. This muscle layer, which is somewhat thicker 
than that enveloping the rest of the mid-intestine, gradually merges 
into the latter, 
cc. Muscles of the mouth parts 

When the mouth parts have been differentiated most of the 
ventral mesoderm of the cephalic area concentrates on either side 
of the embryo inside the bases of the mouth parts. Together w^ith 
the mouth parts these mesoderm cells move apicad. When all the 
organs in the head have been accomplished, these cells constitute 
a pair of big muscles bundles running from a latero-dorsal point of 
attachment via the tentorium to the strongly developed mandibulae 
(fig. 36, 43). Some less prominent muscles connecting the maxillae 
with the tentorium plate hail from the same origin, 
dd. Muscles attached to the integument 

Originally the mesoderm shows no distinct segmentation. When, 
however, the mid-intestine has been closed, the mesoderm cells 
concentrate in each segment. Between those concentrations only 
a small number of mesoderm cells remain. All cells arrange them- 
selves in 4 groups of bands running from the dorsal as well as from 
the ventral side of the embryo to both flanks. Moreover, a few cells 
apply themselves against the inner side of the skin. The form of the 
cells changes from polyedrical to spindle shaped. 

In the 4 groups of bands mentioned above the cells are not all 
directed in the same way. An outer layer of cells, which lie with 
their long axis perpendicular to the axis of the embryo, can be 
distinguished from an inner layer, the cells of which lie parallel to 
the longitudinal axis of the embryo. 

From the inner layer are derived 4 groups of longitudinal muscles, 
the outer layer in the dorsal part constitutes thin muscle bands 
running from the heart to a region of the skin, somewhat dorsally 
of the stigmata. In the ventral part they connect an area of the 
skin just ventrally of the stigmata with the membrane surrounding 
the ventral cord (fig. 39). Nelson (1915) calls them dorsal and 
ventral diaphragma respectively. 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 79 

In the foremost part of the head, on either side of the cephahc 
arteria, a small bundle of muscles connects the skin with the dorsal 
side of the stomodeum 
c. Blood and circulatory system 
aa. Blood cells 

When the fat tissue has been differentiated from the mesoderm, 
a number of small round mesoderm cells, for the greater part 
originating from the most ventral part of the mesoderm greatly 
increase in size. They reach diameters of 8 — 10 ji and they grow 
small ramifications of plasm (fig. 32, 51, 52). We found them 
chiefly ventrally between the neurogenic area and the yolk. Later 
on they wander all through the embryo and when the mesoderm 
extends dorsad along the yolk these big cells move to the dorsal 
median where they are enclosed by the cardioblasts. In this way 
they get into the circulatory system so we may call them blood 
cells, 
bb. Cephalic artery 

Originally the walls of the coelomic sacs of the antennal segment 
consist of polyedric cells. When the mouth parts move apicad and 
the stomodeum lengthens, the coelom of the antennal segment also 
enlarges. While still growing it penetrates through the other cephalic 
segments and finally it reaches the first thoracal segment. Its cells 
flatten and become long drawn in a tangential direction (fig. 40). 

When the embryo has been closed dorsally the coelomic cavities- 
originally situated laterally-move dorsad. The splanchnopleura of 
both sides become contiguous in one line closely above the stomo- 
deum and there they constitute a groove which is open at the dorsal 
side. Subsequently the coelomic cavity is reduced as the somatopleu- 
ra applies itself against the splanchnopleura. As finally these double 
walls approach and meet each other the groove is closed becoming 
the cephalic artery, 
cc. Dorsal artery 

Out of the dorsal wall of the coelomic cavities a row of cells 
arise, which increase in size beyond other coelomic cells. These cells 
are 6 ^ in diameter and their plasm is faintly coloured ; they are the 
cardioblasts. In a cross section 2 — 4 of these cells can be found 
close together on the dorsal surface of the coelomic wall (fig. 50). 
When the intestine has been closed these cells insert themselves 
between the intestine and the epithelium of the dorsal side which 
is simultaneously substituted by cylindrical epithelium. Arrived in 
the dorsal median the cardioblasts of both sides constitute a tube 
and then flatten out (fig. 42). The inner walls of the coelomic 
cavities, consisting only of thin, very much flattened cells have also 
moved towards the dorsal median. Here a part of the splanchno- 
pleura gives rise to the dorsal part of the intestinal muscles. The 
rest of the dorsal parts of the coelomic cavities apply themselves 
against the dorsal artery and establish connections between the 
dorsal artery and the intestinal muscle layer and between this artery 
and the muscles of the skin (fig. 59a). 



80 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON. 

d. Reproductive organs 

When the cells from which the intestinal muscles originate, are 
detached from the splanchnopleura, our attention is drawn by a 
number of cells remaining in the coelomic wall (fig. 50) and being 
somewhat larger than any other mesoderm cell (diameter 6 ji). In 
each transverse section through the 3rd, 4th an 5th abdominal seg- 
ment about 2 or 3 of these cells can be found. They are the rudi- 
ments of the reproductive organs ; we did not notice any trace of 
them in earlier stages. 

By the time the mid-intestine has been accomplished these cells 
are only present in the 5th abdominal segment. Now they have an 
elliptical shape, they are 10 /a high and 4 /x broad; their number 
has increased. When the mesoderm extends dorsad they join in this 
movement (fig. 59). They multiply intensively and so they give 
rise to 2 nearly cylindrical cell masses (fig. 42, 60) being 150 /a 
long, 40 fj. across and finally consisting of cells measuring 8 /x in 
diameter. These cell masses are situated longitudinally in the 5th 
abdominal segment, applied on either side against the dorsal artery 
and against the intestine. They are enclosed by an epithelium of 
flattened mesoderm cells. 

In Chalicodoma CARRièRE & Bürger (1898) found the rudiments 
of reproductive organs in the 3rd, 4th and 5th abdominal segment. 
In Ammophila in the 3rd and 4th segment only a few big cells are 
formed, which subsequently disappear or perhaps wander caudad. 

In Chalicodoma these big cells are already visible shortly after 
the formation of the coelomic sacs. Moreover, in Chalicodoma a 
rudiment of the efferent ducts was clearly visible ; we could not find 
a trace of it in Ammophila. 

III. Appendix 

Characterisation of the stages of development reached after cultivation 
during different numbers of hours at 30° C. 

Stage A-, up to stage Am Present are respectively 1, 2, 4 etc. up to 1024 nuclei. 
After 20 minutes no nuclei were distinctly visible, after 3 hours more than 1024 
nuclei have been counted. 

Stage B. 3 hours. 1500 nuclei could be counted. Nuclei in the foremost part 
of the egg are penetrating into the cortical layer. 

Stage D. 6 hours. Blastoderm nearly differentiated, lateral partitions between the 
cells visible, basal membrane not yet formed. Yolk cells begin to fuse into syn- 
cytia. 

Stage E. 8 hours. Edges of the mesodermal plate in the apical part of the egg 
partly covered by the side plates ; in caudal part mesodermal plate just sinking 
in. The rudiments of the apical and of the caudal entoderm become visible as 
rounded cells. At both poles of the egg a weak fold appears. 
Stage F. 10 hours. In apical part side plates reach each other in the ventral 
median, in caudal part they sever themselves from the mesodermal plate and 
begin to cover it. Mesodermal plate 3^6 cell layers thick. Both ends of the egg 
show an entodermal cap, only the apical entoderm is covered yet by ectoderm. 
Serosa begins to cover the apical pole ; in the greater part of the egg the am- 
nion fold is only faintly discernible, but caudally it is well developed. 
Stage G. 12 hours. Ectoderm covers mesoderm and entoderm entirely. In trans- 
verse sections it covers about ^>'(5 of the circumference of the egg. Mesoderm 
is shifting dorsad alongside the yolk, it is 2 — 3 layers thick. Its most dorsal edges 
fold down to ferm the coelomic sacs. The apical entoderm tongues have not 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 81 

grown much, the caudal one now has a length of about 40 units. Serosa covers 
the apical pole. Caudally the amnion is fully developed. In the area between 
these parts the serosa is severed from the ectoderm. From about the top of the egg 
to the 22nd unit the rudiments of the cephalic appendices have appeared. The 
rudiment of the maxillary gland appears as a wide sac of 120 x 100 /x- The 
stomodeum is only a shallow invagination. 

Stage H. 14 hours. Mesoderm 2—6 celllayers thick. Coelomic sacs have been 
formed from the thoracal segments to the 8th abdominal segment. The apical 
entoderm tongues reach the 25th unit, the caudal one the 50th unit. Serosa en- 
velops the egg entirely ; amnion degenerates. The dorsal edges of the ectoderm 
are moving towards the dorsal median. The rudiments of the cephalic appendices 
have moved towards the ventral median, they are now situated in two rows 
behind the stomodeum, each row about 80 n from the ventral median, towards 
which they are hanging over. The 5th pair lies at a distance of 33 units from the 
top. Behind this pair we find the 3 pairs of rudiments of the thoracal legs. Part 
of the cells of the stomodeum have become cylindrical, their depth is about 40 ix. 
The maxillary glands are about 250 y. deep and still sack-shaped. The rudiments 
of the stigmata are shallow oval invaginations. The rudiment of the proctodeum 
is 20 ix broad and 30 ^ deep. In the lateral walls of the head the ectoderm 
thickens. 

Stage /. 16 hours. Caudal and apical entoderm have reached each other. Except 
in the most caudal part, the ectoderm dorsally of the yolk forms a thin epithelium. 
In the serosa cells cannot be distinguished any more. The stomodeum is 100 fx 
deep and the cells of its walls are round now. The antennae lie just behind the 
stomodeum, the second pair of the cephalic appendices have disappeared, the 
others have approached the stomodeum and are situated in a V behind the an- 
tennae. The base of this V lies 22 units from the top. The thoracal legs have 
become longer and thinner. The maxillary glands are now tubes of 400 n long 
and 20 ^ wide. The rudiments of the trachea are lozenge-shaped 120 «, long 
and 70 ix broad. The proctodeum shows 2 short rudiments of the Malpighian 
tubes, which open into it with common outlet. Of the nervous system the cere- 
bral ganglia appear as three thickenings of the cephalic ectoderm, while in the 
ventral median the neural groove and the neural walls are visible. Fat cells are 
being formed from the first to the fifth abdominal segments. 

Stage J. 17 hours. The lozenges of the tracheal rudiments have become longer, 
their openings to the outside have narrowed. The Malpighian tubes are about 
80 fi long, the proctodeum is 80 y, deep and 50 n wide. The neural groove has 
developed over the whole length of the egg ; neuroblasts are being formed. The 
entoderm starts covering the yolk by expanding and thinning to a single layer. 
Mesodermal cells in the head arrange themselves round the stomodeum to build 
up a muscular layer. The formation of fat cells is now also proceeding in the 6th 
and 7th segment. Some of the ventral mesoderm cells enlarge to blood cells. The 
antennal coelom is about 60 /x long. In the 3rd, 4th and 5th abdominal segment 
the rudiments of the reproductive cells are visible. 

Stage K. 20 hours. The antennae lie on either side of the stomodeum, the other 
mouthparts have moved further towards the stomodeum, the 2nd maxillae now 
lie 12 units from he top. The distance between the top of the egg and the 
3rd pair of thoracal legs has been reduced to 25 units. The openings of the 
maxillary glands have shifted apicad and towards each other, but they have not 
yet fused. The caudal ends of the parts of the tentorium that are formed by the 
grooves of the antennae on either side of the embryo have fused. Those formed 
near the first maxillae have not yet fused. The mandibular apodemes are open 
grooves still. The stomodeum is 200 tx deep, its cells are cylindrical. The 
rudiments of the tracheae are now tube-shaped and the tubes of 2 
adjacent segments have nearly reached each other. The Malpighian tubes have 
reached a length of 400 p,. The proctodeum has got its definite shape. In the 
cephalic part the neural tissue has been covered by a newly formed hypodermis. 
In each segment the nerve cells wander to its foremost part. Now 2/3 of the cir- 
cumference of the yolk is covered by entodermal cells, giving rise to the mesenteron. 
More blood cells have been formed in the entire ventral part of the egg. The 
antennal coelem is 100 p^ long. Reproductive cells are now only visible in the 5th 
abdominal segment. 



82 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

Stage L. 22 hours. The antennae have been reduced to very small elevations, they 
have moved somewhat dorsad. Mouth parts have now reached their ultimate 
positions but second maxillae have not yet fused. Thoracal legs begin to degene- 
rate. The stomodeum is 300 y, deep. Maxillary glands have fused but have not 
yet been completely covered by the second maxillae. Mandibular apodemes have 
closed to tubes with an opening to the outside. The X-shaped tentorium has been 
formed. The tracheal trunk has been constituted but still shows a widening in the 
centre of each segment at the mouthes of the branches. Rudiments of the suboeso- 
phagial and cerebral gangha have been severed from the hypodermis. Ganglion 
frontale is visible in the wall of the stomodeum. More backwards the neuroblasts 
and nerve cells of the median cord are contiguous with the ectoderm at only one 
place in each segment. The rudiments of the ganglia are drawn out, they are 
connected by short thin connectives. In the foremost part of the eggs the intestinal 
wall has been closed ventrally, in the middle of the egg both parts have nearly 
reached each other, in the hindmost part the distance between both ventrad growing 
edges is greater yet. The cells are cylindrical, 20 y, high with big nuclei and 
vacuoles. Muscular layer around the stomodeum has now been formed. A number 
of mesodermal cells lie between the tentorium and the mouthparts. The 
splanchnopleura has formed a muscular layer round the ventral half of the in- 
testine. The walls of the antennal coelom approach each other in the dorsal 
median. On the dorsal walls of the coelomic sacs cardioblasts can be found. 
Stage M. 24 hours. The antennae have been reduced for the greater part. The 
mandibulae how sharp chitinuous furcated jaws. Second maxillae have fused 
now. Thoracal legs appear as slight thickenings only. Chitine has been secreted 
in the stomodeum. Ganglia more rounded and all free from the ectoderm ; con- 
nectives are longer than in the foregoing stages. The dorsal epithelium is thin 
still, cell division does not yet occur laterally in the ectoderm. The intestinal wall 
covers the yolk entirely. Mesodermal cells concentrate in the segments, giving 
rise to the muscles of the body. The splanchnopleurae are giving rise to muscles 
along the dorsal side of the intestine. Mandibular muscles have been differen- 
tiated. Cephalic arteria is still open at the dorsal side. Cardioblasts and blood 
cells are wandering dorsad. 

Stage N. 26 hours. Stomodeum is 450 /x long, in transverse sections its lumen is 
star-shaped. In front of the mid-intestine the "Proventrikelanlage" has been 
formed. Maxillary glands have now been completely covered. The nerve cells 
have grown offshoots. A cylindrical epithelium now covers the dorsal side of the 
embryo. In the segments the mesodermal cells arrange themselves to the diffe- 
rent muscle bundles. Heart has been closed over the whole length of the embryo, 
blood cells lie within it. The reproductive cells constitute 2 compact cylinders, 
lying in the 5th abdominal segment. 

Stage O. 30 hours. Stomodeum as well as proctodeum in open connection with 
the mid-intestine. Chitine is secreted by all parts of the tracheal system. All 
muscle cells have become spindle shaped and constitute real muscles. The 
Malpighian tubes contain swollen cells, their lumina have become narrower. The 
hypodermis has secreted chitin. 

Stage Z. (eating larva) 48 hours. The cells of the intestinal wall are full of a 
granulate substance. The fat cells have swollen, their nuclei lie against the wall 
of the cell. 

IV. Ecological part 

A. The microclimate to which eggs, larvae and imagines are 
exposed 

As told above in the introduction, it soon became clear to us that 
the microclimate exerted a great influence on the activity of the 
imago of Ammophila campestris and on the development of its eggs 
and larvae. We now attempted to obtain a more detailed picture 
of this influence. 

As we had to our disposal only rather simple instruments, the 
extension and exactitude of our meteorological observations have 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 83 

been limited : for our purpose however, they were apparently 
sufficient. 

1. Technique of the meteorological observations 
During the day we registered every hour : 

1°. The temperature of the air, 10 cm above the surface of the 

soil. 
2°. The temperature of the air, just above the ground. 
3°. The temperature in a nest of Ammophila (3 cm below the sur- 
face). 
4°. The illumination on the ground. 
5°. The relative humidity of the air 10 cm above the ground. 

It is a pity that because of our rather tiring work during the 
day, it was hardly possible to do regular meteorological observations 
also during the night. The handicap which the lack of nightly series 
of observations meant to us, w^e partly overcame by occasionally 
making some registrations during the night and by using maximum 
and minimumthermometers. One of these we dug in at a depth of 
3 cm, a second and a third we placed at 30 cm and 200 cm above 
the ground respectively. These two were protected from direct 
radiation by w^hite painted metal screens w^hich, how^ever, permitted 
of a free circulation of the air round the thermometer. 

We would have liked to measure the relative humidity in the cell 
of the nest. This, however, was technically impossible to us. 

The temperature we read in tenth of degrees centigrade. To 
measure the temperature at a depth of 3 cm, we put the thermo- 
meter into the nest and covered it with a hull to> protect it from 
direct radiation of the sun. To measure the temperature in the air 
at about 10 cm and just above the bottom, we placed the thermo- 
meters horizontally upon two iron stands of the required height. 
A white painted metal screen was placed in a distance of about 
10 cm in such a way that its shadow fell upon the mercury of the 
thermometer. 

In the beginning we registered these data at several spots in the 
colony. This, however, being a flat, sandy path nearly without any 
plant, showed a fairly homogeneous microclimate, so later on we 
did our registrations at one and the same place in the colony. 

The illumination we measured with a Westron Phototronic cell, 
connected with a Ferranti galvanometer of 70 Ohm. When very 
intense illumination made the reading of the scale impossible, we 
used reducing filters (blackened photographic plates) which we 
placed upon the cell. Moreover we always placed an opal glass 
uppermost, in order to make the light falling on it diffuse and to 
prevent the setting of the cell from throwing a shadow upon the 
sensitive disk. 

The relative humidity was measured with an ordinary framing 
of a wet and a dry thermometer. 

2. Results of the meteorological observations 

As for the mutual relations between the different meteorological 



84 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

factors our observations of the different days generally agree. So 
we give here only some examples, namely our observations of 
August 16th, 17th, 18th an 19th 1941. 

The curve representing the illumination often shows a sudden 
drop, usually followed by an increase to the original value. This 
sudden change is the effect of clouds, screening off the sun for a 
while (very often those clouds are the cumuli which may be formed 
at beautiful days during midday). Such a decrease of the illumi- 
nation soon affects the temperature of the air at 10 cm above the 
bottom. On the contrary it hardly influences the temperature in 
the air just above the bottom and it never causes a change at 3 cm 
under the ground. Irregularities in the daily course of the tempera- 
ture are intercepted by the "buffer action" of the surface layer of 
the soil. As soon as the illumination diminishes the ground gives 
out some heat which is absorbed by the layer of air just above the 
bottom and allows it to maintain its temperature for some time. 

At a depth of 3 cm we only observed an increase at the beginning 
of the day and a decrease at its end. The heat penetrates more 
slowly into the bottom than through the air, so the curves of the 
temperature at — 3 cm run less steep than those of the temperature 
at 1 cm and at 10 cm above the bottom. The soil, however, gathers 
more heat and keeps it longer, so the curve of the temperature at — 
3 cm often runs horizontally while the temperature of the air is 
already decreasing. This inertia causes that short alterations of the 
illumination do not act upon the bottom temperature. Another con- 
sequence is that during periods of bad weather and at night the 
temperature in the nest does not decrease as much as the tempera- 
ture in the air. 

The highest air temperature we usually found in the layer just 
above the bottom. Sometimes, however, as in our examples at 
August 16th and 17th the temperature just above the bottom did 
not exceed that at — 3 cm. Probably this occurs when the wind 
blow^s stronger. The curve of the temperature at + 10 cm usually lies 
lowest, as the air does not absorb as much heat as the soil. 

Fig. 62 gives a survey of the maximum and minimum tempera- 
tures we registered during a period in August 1941. From these 
data it also appears that the oscillations are smallest at — 3 cm. 
Here the difference between the highest and the lowest maximum 
amounts to 9°, the difference between the highest and the lowest 
minimum to 5°. The oscillations at + 30 cm and at + 200 cm are 
much more considerable ; to wit those of the maxima respectively 
12° and 15°, those of the minima respectively 11° and 8° centi- 
grade. 

In accordance with what we have learned from the daily curves 
of the temperature, the curves of the maxima show the highest 
peaks in the air layer close to the bottom, the maxima at — 3 cm 
have a lower value, those at + 200 cm are the lowest. The minima 
are highest at — 3 cm, they are lowest at + 30 cm, those of + 
200 cm are intermediate. So the biggest changes in temperature 
occur in the layer just above the bottom. During the day it is heated 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 85 

as well by direct radiation from the sun as by radiation of the soil. 
During the night, especially when the sky is cloudless the lowest 
layer of the air looses more w^armth than the higher layers, because 
it is in contact with the strongly radiating surface of the soil. 

The highest temperature observed in the nest was 37°. Probably 
this is an extremely high value, but during hot summer days we 
very often noted temperatures between 30° and 33°. The lowest 
temperature we found was 10° centigrade, during periods of bad 
weather temperatures between 15° and 20° were very common in 
the cell. So this is the wide temperature range to which the devel- 
oping eggs and larvae of Ammophila campestris are submitted. 

The highest temperature we found in the air at 30 cm above the 
bottom amounted to 40° centigrade, the lowest in this area was 
only lJ/^°. During periods of inconstant and rainy weather and 
cloudy skys the temperature seldom rose above 24°, at beautiful 
sunny days much higher values were reached. 

The relative humidity at + 10 cm shows a close correspondance 
with the temperature at the same height (fig. 61). A decrease of 
this temperature immediately causes an increase of the relative 
humidity. Within somewhat wide limits the changes in temperature 
are inversely proportional to the changes they cause in the relative 
humidity. So the relative humidity behaves as in a closed system. 
At night and early in the morning the air is often saturated with 
water damp, at midday the relative humidity may have decreased 
to about 40 %. Therefore, we may conclude from the above that 
the chief variable factor determining the temperature is the illumi- 
nation, while the temperature itself is regulating the relative humid- 
ity. The mutual relations between those three factors of the 
microclimate make it impossible to study their separate effect on 
the wasp and its brood in field observations. Therefore, in the 
following study we will consider only one representative of the 
microclimate, namely its most important factor in processes of life, 
the temperature. 

B. The relation between the temperature and the activity of the 
imago 

Fig. 64 shows the activity of the females of Ammophila cam- 
pestris at different temperatures. These temperatures we measured 
at a distance of 10 cm above the bottom, being about the air layer 
in which the imagines live and work. The activity is expressed by 
the number of caterpillars that is brought in at a definite tempera- 
ture, divided by the number of hours we registered that temperature. 

From fig. 64 it will be clear that the wasps do not feed their 
larvae when the temperature is below 21° centigrade. Then their 
utmost activity is restricted to walking about in the colony and a 
little bit of digging. Temperature decreasing below 20° they do 
not even visit the nesting places. When temperature rises activity 
also increases, only at very high temperatures decrease in the 
activity of the wasps can again be noticed. 

The daily course of the activity of the wasps is in accordance 



86 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

with the above. In fig. 65 the full line represents the number of 
intensely digging wasps that could be counted every half hour of 
the day, the dotted line represents in the same way the number of 
caterpillars that have been brought into the nests. The data for 
those curves we only collected during bright summer days. Both 
curves show a slight drop at about midday, during the hottest part 
of the day. At that time the relative humidity is lowest ; we con- 
sider it improbable, however, that this would be the factor that 
inhibits the activity of the wasps, for, in the heather, the wasps 
are also less active during this time of the day, while here relative 
humidity certainly has a higher value. 

So we have seen that the activity of the imagines of Ammophila 
campestris is entirely dependent on the temperature. The larvae 
get no food at all when the temperature above the bottom is not 
at least 21° during a period of at least 3 to 4 hours. So, if the 
metabolism of the brood should go on with the same intensity 
during bad as during good weather, the larvae would be doomed 
to starve. Adlerz (1903) in fact asserted that a period of bad 
weather could become fatal to the brood of the wasps. 

Studying the microclimate, we found that the temperature in the 
nest indeed follows the change in the air temperature but only to 
some extend. Now it seemed probable to us that the development 
and the metabolism of the brood would practically stop at a bottom 
temperature corresponding with an air temperature too low to 
permit of the wasps feeding their larvae. 

Working from this hypothesis we wanted to ascertain to which 
degree the rate of development of the brood depends on the tem- 
perature of the nest. 

C. The relation between the temperature and the development of 
the eggs 

On page 83 we have already set forth that we could not measure 
the relative humidity in the nest. However, as the soil at the 
depth of the nest cell was always wet, we think we may assume 
that the relative humidity in the cell was rather constant and not 
far from 100 %. So, we only studied the influence of the tempera- 
ture upon the eggs in the nest. 

If the rate of development of the eggs in the field is actually 
regulated by the course of the temperature in the nests, it must be 
possible with the help of the knowledge of the relations between 
temperature and the development of the eggs and of continued 
observations of the temperature in the nests from the moment the 
egg has been laid, to calculate the stage of development of the 
egg at every moment. 

First of all we wanted a more exact knowledge of the influence 
of the temperature on the development of the eggs. For this reason 
we started our experiments in the laboratory. By our first series of 
experiments we wanted to find out, how, at certain temperatures, 
the different stages of development described above, are related to 
time. 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 87 

We collected freshly laid eggs in the field, brought them to the 
laboratory as quickly as possible and placed them, still in the lump 
ol earth, in a thermostate of 30° (see page 56). Here we reared 
them for different numbers of hours. After the time wanted, we 
fixed the egg, examined it microscopically and determined the stage 
of development with the help of the criteria described in the Ap- 
pendix. The result of this series is shown in fig. 67. In this nomo- 
gram the different stages of development have been arranged on 
the ordinate according to the time which it takes before they are 
reached. On the absis the time has been plotted out and so a straight 
line can be drawn in the figure, representing the relation between 
the stages of development and the time at 30°. 

The second question we wanted to answer was, whether a change 
of temperature would cause the time intervals between the different 
stages to change all in the same proportion. This being the case, 
the points representing the stages found after rearing during dif- 
ferent times at any given temperature would also lie on a straight 
line in fig. 67. So we attempted an other series of experiments at 
25.7°. As can be seen in fig. 67, the points actually lie on a straight 
line. We also reared an egg at 33° during 18 hours ; the situation 
of the corresponding point too indicates that the curve representing 
33° in fig. 67 will be rectilinear. As it now seemed very likely that 
the curves representing the different stages at other temperatures 
would be rectilinear too, we could locate the direction of this line by 
determining one point only. Those points we derived from fig. 68, 
which we obtained by the following series of experiments. 

We cultivated a number of eggs all during the same time (24 
hours) but at different temperatures, viz. about 10°, 16.5°, 20.5°, 
24.5°, 30° and 36° centigrade. In fig. 68 these temperatures have 
been plotted out on the absis, while on the ordinate the stages of 
development have been arranged according to the number of hours 
elapsing before they are reached at 30°. 

Much has been written about the form of the curve representing 
the relation between the rate of development and the temperature, 
especially because its shape is of great interest to practical entomo- 
logists when, for prognostic purposes, they want to calculate for 
instance the moment of hatching or something like that. (Maerck, 
1937). For if this relation could always be described by the same 
formula, a minimal number of observations or experiments would 
be sufficient to draw the curve as a base for further calculations. 
It is a pity, however, that till now nobody has ever been able to 
find such a formula and it seems very doubtfully that any general 
formula actually fits the facts (Martini, 1929, Voûte, 1935) 
Nevertheless it may facilitate the drawing of a curve when one 
knows a formula by which a greater part of the curve can be 
described. 

According to Blunck's rule (Blunck, 1914; Bodenheimer, 1924) 
the relation between the temperature and the rate of development 
would be linear. Many investigations, however, (see for instance 
Shelford, 1929; Uvarov, 1931) have shown that Blunck's rule 



88 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

certainly does not hold at extreme temperatures, although it may 
be practically applicable within the temperature range in which a 
certain insect is living (Zwölfer, 1935; Bodenheimer, 1938). 

As far as low and intermediate temperatures are concerned our 
results can fairly well be represented by a logarithmic curve. At 
higher temperatures, however, this curve keeps rising steeper, while 
on the contrary the actual rate of development diminishes. Janisch 
(1928) for this reason is of opinion that a catenery curve would 
give the best representation of the relation betw^een temperature 
and development. Such a line is a combination of two exponential 
curves with opposite sign. One part expresses the increase in the 
rate of development when temperature rises, the other the injuring 
effect of higher temperatures (to get a real catenery curve it is 
necessary not to plot out on the ordinate the rate of development 
as has been done in fig. 68, but the time elapsing at different tem- 
peratures before an egg reaches a certain stage, i.e. the reciprocal 
value ; Blunck's straight line when plotted out in this way changes 
to a hyperbole). In general the catenery curve gives a better repre- 
sentation at higher temperatures, at the lower and intermediate 
temperatures there is hardly any difference between the catenery 
and the exponential curve. 

In fig. 68 we have drawn through the points (each of which was 
determined twice) an exponential as well as a catenery curve. The 
appropriate exponential curve we found by plotting out the lo- 
garithms of the Y-value against their X-values, drawing a straight 
line through these points and deriving from this one the ideal 
exponential curve. 

To choose the most suitable catenery curve we constructed with 

X _ X X 

the help of the formula y = (e + e ) = h cosh h several ca- 
tenery curves for different values of h. It appeared that the curve 
constructed with h = 372 fitted in best with the points. 
Below 31° the differences between the exponential curve and the 
catenery curve lies within the limits of the exactitude with which 
we could determine the points. At higher temperatures the course 
of the chain line shows a closer correspondance with the true curve 
than the exponential curve. 

Above 32° not only the course of the curve gives difficulties but 
the exact location of the points also. It is difficult to identify the 
stages exactly as the slides show such a complicated picture at 
this age. 

According to the catenery-curve, some development would occur 
even at a temperature as low as 0° centigrade. Whether this is 
actually true cannot be measured as at temperatures below 10° the 
rate of development is hardly measurable with our means. 

We may say that from 10° to 32° the catenery curve gives a fair 
representation of our results, which means that we may use this 
curve for our calculations ; for the lowest temperature we observed 
in the nest was 13°, while, if temperature rose above 32°, it was 
always for a few hours only. 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 89 

It will also be clear that in our case we certainly may not use 
Blunck's rule, as between 13° and 32° the curve is far from being 
a straight line. 

With the help of fig. 68 we can now draw all the lines wanted in 
fig. 67. 

Knowing the rate of development at each temperature, we now 
can calculate the stage of development of an egg when the course 
of the temperature in the nest during its development is also known. 
We can do this in two ways, first by reading it from the nomogram 
fig. 67, secondly by calculating the stage of development step by 
step in a manner similar to that indicated by Shelford (1929). 

Before we may use these methods we have, however, to make 
a last series of experiments. It has been shown in some cases, espe- 
cially when cultivating at very high temperatures (Voûte, 1935) 
that the rate of development increased when periods of high temp- 
eratures alternated with periods of low temperatures. Although we 
are inclined to believe, that this only holds for lethal high tempera- 
tures, we have done some experiments to test the effect of intermit- 
tent high and low temperatures. 

Three eggs we cultivated during 36 hours for periods of 9 hours 
at 26° and at 17° alternately. Two eggs were first submitted to 
26°, the third began its development at 17°. All three eggs finally 
reached stage J. 

From the nomogram we can read off which stage should have 
been reached theoretically after 18 hours at 17° and 18 hours at 
26°. We have to follow the line representing 17° for 18 hours and 
then to draw for another 1 8 hours a line parallel to the direction 
of the 26°-line, Then we also reach stage J, so we may conclude 
that changes of temperature as such do not affect the rate of devel- 
opment. 

In stead of using the nomogram, it is easier to calculate the stages 
of development. We will describe the method with the help of the 
following example. 

An egg has been laid Aug. 17th 1939 at 15.10 hour and it has 
been fixed the next day at 21.30 hour. From the determinations of 
the temperature in the field we know that on the first day from 
15.10 till 18.10 the temperature was 30° ; on the same day the tem- 
perature was 29° from 18.10 — 18.40 and on the next day from 
15.00 till 17.30. On Aug. 17th from 18.40—19.10 and on Aug. 18th 
from 14.00 — 15.00 and from 17.30 — 18.30 we observed a tempera- 
ture of 28°, etc. 

From fig. 68 it appears that after cultivating during 24 hours at 
29° the same stage is reached as after 22.4 hours at 30°. So at 29° 
the rate of development is 22.4 times less as at 30°. In the same 
way we can express the development at each temperature in terms 
of the time of development at 30° ; so our final calculation looks 
like : 

3x~-^3x^ + 2.5x^ + etc. = 17.8 hours 

development at 30° centigrade. It appears that actually the egg has 



90 



G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 



just passed stage J, which is reached after cultivating 17 hours at 
30°. 

When the temperatures were higher than 25° we calculated to 
the nearest half hour and to 1°. Between 25° and 20° we calculated 
to the nearest hour and to 1°, below 20° to the nearest period of 
2 hours and to 2°. At these low temperatures the rate of develop- 
ment is so small that a more detailed calculation would only mean 
a would-be exactitude, as the errors caused by the calculation lie 
within the limits of those made by the observations. 

Table 1 shows the results of the calculations for the eggs reared 
in the thermostate, table 2 shows those obtained for eggs which 
developed in the field. These tables show that the calculated stages 
agree very well with the stages actually found. The agreement 
between the calculated and the actual stages is better still when one 
considers that it is very difficult to state differences smaller than 1, 
as entered in the last column of the tables. 

So table 2 proves that in the field it is practically only the tempe- 
rature which regulates the development of the eggs. Of the magni- 
tude and the influence of the temperature one gets an idea by 
comparing in table 2 for instance the stage which is reached after 
cultivating 8 hours at 30°. In one case this stage is reached after 
1 hours, in another only after 25 hours ! 



Table 



1. Eggs cultivated during different times in a thermostate between 27' 
and 29° centigrade. 



Age in 


calculated 


stage*) what was 


difference 


hours 


stage*) 


actually reached 


6 


5.2 


5 C 


+ 0.2 


9 


7.8 


8 E 


— 0.2 


12V4 


10.6 


10 F 


+ 0.6 


15 


13 


12 G 


— 1.0 


I8V2 


16 


16 I 


0.0 


2œ/4 


18 


17^20 J^K 


— 0.5 


21 


18.2 


17^20 J-K 


— 0.3 


24'/4 


21.2 


22 L 


- 0.8 


25V4 


21.9 


22^24 L-M 


— 1.1 


27 


23.4 


24 M 


- 0.6 


28V2 


24.7 


24 M 


+ 0.7 


30 


26 


26 N 


0.0 



*) The figures, indicating the stages as they have been calculated and as 
they have been reached, represent the number of hours it takes an egg to reach 
that particular stage when developing at 30°. 



This chapter also proves the necessity of investigating the rela- 
tion between temperature and development before making any cal- 
culation. It is certainly not allowed to assume a priori that this 
relation will be rectilinear within the limits of the temperature of the 
environment. In Ammophila campestris the relation is only approx- 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 



91 



imately linear between 22° and 30°, while as we have seen the 
temperature range of the environment is much w^ider. 

Adlerz (1903) found a large variation in the times of develop- 
ment for the eggs of Ammophila campestris, although, after his 
opinion, the external conditions remained equal. He thinks that this 
variation might be caused, either by differences in the completeness 
of the egg at the moment of depositing, or by a power of the female 
to keep the fertilized egg in the vagina until the propitious moment 
to depose it, has come. As by anatomical examinations of females 
just before they were going to lay an egg, we never found an egg in 
the vagina, Adlerz' latter explanation had to be rejected. Now 
the former one is also shown to be incorrect as we could prove that 
all eggs when developed under the same conditions, reach the same 
stage of development. Therefore we must assume that in Adlerz' 
observations circumstances have not always been equal. 



Table 



2. Eggs developed in the field under natural conditions during different 
numbers of hours. 



Age in 


Time at which the 


calculated 


reached 


rî i frP-rp-n C(> 


hours 


egg has 


3een laid 


stage*) 


stage*) 


U.111CX ^iiv.c 


6 


13-8-'39 


14.10 


2.8 


3 B 


— 0.2 


6 


23-7-'38 


13.40 


3.2 


3 B 


+ 0.2 


15V2 


23-7-'38 


16.25 


5.8 


5 C 


+ 0.8 


12'/2 


17-8-'39 


17.46 


4.5 


5-6 C-D 


— 1.0 


8 


14-8-'39 


12.43 


4.3 


5-6 C-D 


— 1.2 


I8V4 


17-8-'39 


16.20 


6,4 


6 D 


+ 0.4 


I8V2 


19-7-'38 


16.20 


8.2 


6 D 


+ 2.2 


8^/4 


24-7-'38 


13.30 


7.4 


6 D 


+ 1.4 


25 


15-8-'39 


14.45 


8.6 


8 E 


4- 0.6 


10 


24-7-'38 


12.20 


7.7 


8 E 


— 0.3 


10 


24-7-'38 


11.40 


8.1 


8 E 


+ 0.1 


2IV4 


16-8-'39 


15.40 


7.2 


8 E 


— 0.8 


2P/4 


18-8-'39 


14.58 


9.7 


10 F 


— 0.3 


2IV2 


19-7-'38 


13.35 


10.2 


12 G 


- 1.8 


24 '/2 


23-7-'38 


15.25 


12.7 


12 G 


+ 0.7 


23 


29-7-'39 


17.25 


14 


14 H 


0.0 


27 


18-8-'39 


14.58 


14.5 


14 H 


+ 0.5 


3OV3 


17-8-'39 


14.30 


17.3 


17 J 


4- 0.3 


39^/4 


17-8-'38 


16.06 


19.4 


20 K 


— 0.6 


3OV4 


17-8-'39 


14.11 


17.8 


17-20 J-K 


— 0.7 


31 


24-7-'38 


12.12 


18.9 


20 K 


— 1.1 


48 


19-7-'38 


12.50 


20.6 


20 K 


+ 0.6 


42 


24-7-'38 


13.40 


22.3 


22 L 


+ 0.3 


45 


17-8-'39 


15.30 


22.5 


22 L 


+ 0.5 


27 


15-8-'39 


10.55 


23.4 


22-24 L-M 


+ 0.4 


62 


15-8-'39 


16.30 


25.7 


24-26 M-N 


+ 0.7 



D. Relation between the temperature and the rate of development 
of the larvae 



92 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 

As measure for the rate of development of the larvae we shall 
use here the time wanted for the entire development, from the depos- 
ing of the egg till the formation of the cocoon. We do not possess 
complete information about the microclimatological factors during 
the whole development of a number of larvae, but we approximately 
know how many hours during the development of these larvae 
the conditions permitted the imagines to be active. As we have al- 
ready shown above, this number of hours is a function of the tem- 
perature. In fig. 66 we have plotted out the time of development of 
a number of larvae against the main daily number of working hours 
of the imagines during the same time. It appears that the rate of 
development of the larvae increases at higher temperatures. The 
scattering of the points in the graph is undoubtedly due to the lesser 
exactitude of the data. 

E. Conclusions 

The activity of the imago as well as the development of the eggs 
and larvae are chiefly regulated by the temperature of the environ- 
ment. The brood of Ammophila campestris depends on the tempera- 
ture of the nest as well as on the temperature of the air outside the 
nest as the latter determines whether the imago will bring food or 
not. Now we found that the temperature at — 3 cm shows a close 
correspondence with the temperature at + 1 and at + 10 cm, the 
temperature in the soil generally being only lower. So when the 
temperature at the surface falls, the temperature in the nest will also 
decrease and with it the rate of development and of metabolism 
of the brood decreases. At about 20° the wasps stops provisioning ; 
this temperature being reached in the outside air the temperature 
in the nest does not exceed 18°. Now if the larva is not to starve the 
rate of development below 18° must be very slow and this in fact is 
the case as can be seen in fig. 68. 

To depths over 1 5 cm the daily changes of the temperature hardly 
penetrate. At a depth of 7 cm for instance the daily amplitude of the 
temperature is only half that of the surface layer (Minnaerts, 1939). 
From measurements we made at — 6 cm it appeared that at this 
depth the maximal difference of the temperature during a fortnight 
in August amounted to 5° only. Therefore it seems probable that 
brood of Sphegidae living at depths greater than 15 cm under the 
surface of the ground will develop with a constant rate even while 
the imagines are forced to idleness. If these larvae still had to be 
provisioned after they have hatched they would have a good chance 
to starve during a period of bad weather. Now those species, for 
instance Philanthus triangulum Fabr. and different species of the 
genus Cerceris first of all fill up the cell with enough food for the 
entire development of the larva and only then deposit their egg. On 
the contrary species which, like Ammophila campestris keeps pro- 
visioning after the larvae have hatched, must live in nests only a short 
distance below the surface of the soil. Such a species is for instance 
also Bembex rostrata L. which in fact digs shallow nests. 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 93 

V. Summary 

The mode and the rate of development of the eggs of Ammophila 
campestris have been investigated. 

The egg is fertilized just before it is laid ; then cleavage sets in, 
leading to the formation of the blastoderm. The course of the 
cleavage, the formation of the germ layers and of the different 
organs has been described. These processes generally agree with the 
results of investigations upon Apis mellilica and Chalicodoma 
muraria. We will mention here only the most important discrepan- 
cies with literature. One of these is the formation of a real amnion 
element near the caudal pole of the egg, which is an argument in 
favour of the assertion that in Ammophila the final complete em- 
bryonic envelope is the serosa. A second is the formation by the 
mesoderm of a quaint system of cells in which fat is stored later on. 

To get an idea of the micrometeorological influences to which the 
image and its brood are exposed, we attempted measurements of 
illumination, temperature and relative humidity. The temperature 
which depends very much on the illumination, chiefly regulates 
the activity of the imagines and the rate of development of the 
brood. 

After having studied the relation between temperature and the 
rate of development in the laboratory we could calculate the stages 
of development of eggs developing in the field from the temperature 
records made in the nest. The relations between the temperature 
of the air, the temperature in the nest, the activity of the imago and 
the rate of development of the brood are such that the rate of 
development of the brood is about nil at an air temperature that 
forces the wasp to inertia. 

VI. References 

Adlerz, G. (1903). ^ Lefnadsförhallenden och instinter inom fam. Pompilidae 
och Sphegidae L K. Svenska Vet. Akad. Handl., 37, no. 5, 1^181. 

Baerends, G. p. (1941a) — On the hfe-history of Ammophila campestris Jur. 
Proc. Ned. Acad. Wetensch. Amsterdam, 44, 483^488. 

(1941b) — Fortpflanzungsverhalten und Orientierung der Grab- 
wespe Ammophila campestris Jur. Tijdschr. v. EntomoL, 84, 68—275. 

Blunck, H. (1914) — Die Entwicklung des Dytiscus marginalis L., vom Ei bis 
zur Imago. Z. wiss. Zool., Ill, 76—151. 

BoDENHEiMER, F. S. (1926) — Über die Voraussage der Generationenzahl von 
Insekten. III. Die Bedeutung des Klimas für die landwirtschaftliche 
Entomologie. Zeitschr. angew. EntomoL, 12, 91 — 122. 

(1938) — Problems of animal ecology, Oxford. 

CARRièRE, J. und O. Bürger, (1898) — Die Entwicklung der Mauerbiene, Chalico- 
doma muraria, im Ei. Nova Acta phys. med. Leop. Acad., 69, 253— 
420. 

DiCKEL, O. (1904) — Entwicklungsgeschichtliche Studien am Bienenei. Zschr. 
Wiss. Biol.. 77, 481-527. 

Hirschler, J. (1928) — Embryogenese der Insekten. In Schröders Handbuch 
der Entomologie, Jena. 

Janisch, E. (1928) — Die Lebens- und Entwicklungsdauer der Insekten als 
Temperaturfunktion. Zschr. Wiss. Zool., 132, 176^186. 

KoRSCHELT, E. and K. Heider (1936) — Vergleichende Entwicklungsgeschichte 
der Tiere. Teil II. Jena. 



94 



G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 



Maercks, h. (1937) ^ Über die Sicherheit der Voraussage von Schlupfterminen 
bei Schadinsekten. Arb. physiol. angew. EntomoL, 4, 17--30. 

Martini, E. (1929) -— Über die Kettenlinie und die Exponentialkurve überhaupt 
als Bilder für die Abhängigkeit der Entwicklungsdauer von der 
Wärme. Zschr. f. angew. EntomoL, 14, 273—284. 

MiNNAERT, M. (1939) — De natuurkunde van het vrije veld II. Zutfen. 1939. 

Nelson, J. A. (1915) ^ Embryology of the honey bee. Princeton. 

ScHNETTER, H. (1934) • — Morphologische Untersuchungen über das Differenzie- 
rungszentrum in der Embryonalentwicklung der Honigbiene. 
Zeitschr. f. Morphol. u. ökol. d. Tiere, 29, 114—195. 

Shelford, V. E. (1929) — Laboratory and field ecology. Baltimore 

Speicher, B. R. (1936) — Oogenesis, fertilisation and early cleavage in Habo- 
bracon J. of Morphol., 59, 401—421. 

Strindberg, H. (1913) ■ — Embryologische Studien an Insektion. Zschr. Wiss. 
Zool., 106, 1-227. 

(1914) — Zur Kenntnis der Hymenopterenentwicklung ; Vespa 

vulgaris nebst einige Bemerkungen über die Entwicklung von 
Trachusa serratulae. Zschr. f. Wiss. Zool., 112, 1—47. 

UvAROV, B. P. (1931) — Insects and Climate. Trans. EntomoL Soc. London, 79, 
1—247. 

Voûte, A. D. (1935) — Die Eientwicklung der Mehlmotte, Ephestia Kühniella 
Zell., bei konstanten und schwankenden Temperaturen. Zeitschr. 
Angew. EntomoL, Bd. XXII, 1—26, 165—185. 

Zwölfer, W., (1935) — Die Temperaturabhängigkeit der Entwicklung der 
Nonne. (Lymantria monacha) und ihre bevölkerungswissenschaft- 
liche Auswertung. Zschr. angew. EntomoL, 21, 333^384. 



VII. Explanation of the symbols used in the figures 



a — 


antennae 


m — . mesoderm 


aco — 


antennal coelom 


md — mandibula 


am — ■ 


amnion 


mp — . mesodermal plate 


amf — 


amnionfold 


mt — Malpighian tubes 


b — 


blastoderm 


mu — muscles 


bl — 


bloodcells 


mum — muscles of the mandibulae 


bpi, bp2 — 


coeca of the proctodeum 


mv — membrana vitellina 


c — 


heart 


mxi — . first maxilla 


ca — 


cephalic arteria 


mx2 — ■ second maxilla 


cb — 


cardioblasts 


mxg — groove near second maxilla 


cc 


central column 


mxgl — maxillar gland 


eg — 


cerebral ganglion 


n — nucleus 


ch — 


chorion 


nc — nerve cells 


cl — 


cortical layer 


nb — neuroblasts 


coc 


circumoesophageal com- 


ng — neural grooves 




missure 


nw — neural walls 


CS 


coelomic sac 


op — ooplasm 


dect — 


thin dorsal ectoderm 


p — ■ proctodeum 


dp- 


deutoplasm 


pa — „Proventrikolanlage" 


ect — 


ectoderm 


s — serosa 


ent — 


entoderm 


sg — suboesophageal ganglion 


exb — 


- extra-embryonic blasto- 


si — stigma 




derm 


sp — ■ side plate 


f — 


rudiments of the fat cells 


sr — rudiment of the serosa 


f g - 


frontal ganglion 


St — stomodeum 


g — 


ganglion 


ti-3 — thoracal legs 


go — 


rudiment of the gonads 


tni-3 — parts of the tentorium 


i 


integument 


tr — trachea 


ia — 


appendix of the intercalary 


vc — ventral cord 




segment 


y — yolk 


im — 


intestinal muscles 


yc — yolk cells 


iw — 


intestinal wall 


yes — syncytia of yolk cells 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 



95 




Fig. L Boring apparatus for digging out the nests. 

Fig. 2. Reproductive organs of the female of Ammophila campestris. 

Fig. 3. Cleavage stages. 

Fig. 4a. — f. Diagrammatic transverse sections just behind the middle of the egg. 



96 



G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 




Fig. 


5. 


Fig. 


6. 


Fig. 


7. 


Fig. 


8. 


Fig. 


9. 


Fig. 


10. 


Fig. 


11. 


Fig. 


12. 


Fig. 


13. 



A point at the surface of the egg that may be a micropyle. 
Cleavage nuclei. 

Nuclei migrating towards the periphery with a "wake" of plasm. 
Cordon of migrating nuclei ; inside this cordon the plasmatic reticulum 

has been torn up. 
The nuclei have penetrated into the cortical layer. 
The nuclei lie on the outside of the cortical layer. 

The nuclei have multiplied and they have reentered the cortical layer. 
Cell delimitations appear in the cortical layer. 
The cells of the blastoderm have been formed. 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 



97 




>0| 



lol 



en 



0-» 



lu 



W ° 



.. o 



■So 



Qx> 



98 



G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 



Ss y 
ö|i 

■ ■ Ö « 

5^"- O 

_ < 

ro CT £. 
PPC o 
- "-O 

S^ "^ n> 
n> re 3 

" S. S, 
^1? I 

3 " " i 

3 3 ra * 

^ CQ 
M tu -• 

2 ^ • 
P O ^ 

-^ 

3 f^ •• 

1 ^CA 

re O oT 






•• O 



3 " 

a w 
a re 



"O 

lo 




3 3 3g ^ ,^ 

r-r <>. >s T (Jq)^ «/^ V*- / «TT 



<? !^ IjD 



.$. IQD 




EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 



99 










• «•• 




Pig. 25 







amffrudimentj 








Transverse sections through an egg in stage E. 
Fig. 19. Through the caudal part, sector 1 of fig. 4a. 
Fig. 20. Somewhat more apically, sector 1 of fig. 4b. 

Fig. 21. Through the middle of the egg, about the same sector as fig. 20. 
Fig. 22. Through the apical part, sector 1 of fig. 4c. 

Fig. 23. Through the middle of the egg, the dorsal blastodermcells are dividing. 
Fig. 24. Through the caudal part, sector 2 of fig. 4a. 

Transverse sections through an egg in stage F. 
Fig. 25. Through the caudal part, sector 2 of fig. 4c ; with the rudiment of the 

amnionfoid. 
Fig. 26. Through the middle of the egg, same sector ; with amnionfoid. 



100 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON. 




\ •• \ A • * • • 






Transverse sections through an egg in stage G, showing amnion and serosa. 

Fig. 27. Through the caudal part. 

Fig. 28. Through the middle of the egg ; sector 1 of fig. 4d. 

Fig. 29. Through the middle of the egg ; sector 2 of fig. 4d. 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 



101 





a 




X 






o 


C 


u 


03 


M 


ÜJ 


KI 








J3 




W 






c 


3 



<u 






> 


03 


J3 




03 




C 


U 


a 




a 


.0 


h 


(0 


u 




J2 


(Ü 


Ö 


03 


tfl 


m 


3 


(U 









D3 






£ 


^ 


4> 



102 G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON. 






mu 




ta 



3S 




Â, 



mu 



3é 



Fig. 33. Transverse section through an egg before cleavage sets in. 
Fig. 34. The final blastoderm. 

Fig. 35. The formation of entoderm at the caudal pole of the egg. 
Fig. 36. Transverse section through an egg in stage L, through the 2nd maxillae 
which form a groove round the outlet of this gland. 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 



103 




Fig. yi . Transverse section through the middle of an egg in stage H ; the 

mesodermcells are configurating to form fat tissue. 
Fig. 38. Transverse section through the middle of an egg in stage K. A part of 

the mesoderm cells have arranged themselves in „tubes". 
Fig. 39. Transverse section through the middle of an egg just before hatching. 
Fig. 40. Transverse section through the head of a larva in stage L, showing 

the muscle layer of the stomodeum and the antennal coelom. 



104 



G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 



w 3- w M TI 

n M O >a co 
HT. o. << ^ • 






^ 3 ro O < 
3" S- ^ ff" S 

o - D- \, s- 

Si f^ ^° 

TO "O w ITJ 3" 






m 



TO •^ 



3^° 3- 



2 n- 3 TO TO 

^ TO &• 2^ CQ 

D- n 
TO e;- 

O c ST 5^5- 

£.3 O CD 

O O O C TO 

g TO -"co _, 

Ko CL ^ 



0) B" 



TO 

h 0) CD 
w CQ o 
o S' 3 



3- ^ 



TO O 



0) 



ä er O 
3.CQ- o ? 

^ !-^g to" 
TO — :? 
— Ht" «, 
" -> S S 

(D CQ 3 

3 



, r- a 3 D- 



^ 3 < 3 ii, 

5 TO ^ n- 

3' Q- % O 3- 



n^'9 û 



B)_ 1-5 3- 3 TO_ 
n' 3 O C" § 



■•Zn 




EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 



105 




Pì9 Lil 



Fig. 45. Transverse section through the rudiments of antennae and stomodeum 

of an egg in stage G. 
Fig. 46. Transverse section through a first maxilla of an egg in stage H. 
Fig. 47. Transverse section through the most apical part of an egg in stage H, 

with stomodeum and ectodermal thickenings going to form the cerebral 

ganglia. 



106 



G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 




Fig.iyS 



•^'S-^' • ^ . 



mxql 




^'S-^^.9 



Dès et ri, S^fehSASrvi 




Fig. 48. Transverse section through a stigma in stage H. 

Fig. 49. Transverse section through a stigma in stage I. 

Fig. 50. Transverse section through a stigma in stage K . 

Fig. 51. Transverse section through the caudal part of an egg in stage K, 

sector of the ventral median. 
Fig. 52. Transverse section through the some egg as in fig. 51, but somewhat 

more apically, sector of the ventral median. 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 



107 




108 



G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON. 




Pi55/ 



P'3^3 



Fig. 58. Diagram of the development of the Malpighian tubes and the proctodeum. 
Fig. 59a-d. Diagram of the development of some organs. 
Fig. 60. Reconstruction of an egg just before hatching. 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 



109 



33 3 v^ -»m 



/6o 




''-rV 




' f"\ 


s 


ff " 


M \ 




•>-._-._-' 





/ifû 






o 






/ZO 


(D 




S 




E 


zoo 


3 




ri 


90 




6û 


»^ 






IfO 




20 







F 


To 


3 




X 


U 






«; 




V- 


IfO 



Time 



10 1 /2 Tîi Ti 7s 2Ô 22 2^ 2 7/ 3 5 7Ô 71 7Ç 73 73" Ta zT 

Aug./é'" Aug. lyt»' 



33 

31 

V 

23 
il 
'9 
'7 
/S 
/3 
/2 



tamp. +iocm 




temp. + icm 

temp. — •3 cm 
tllumi nation 
reUtite humidity ^ 

I ,\ 



\.x— -v.^' 




Time 



/o II /It lé Iß Zo 27. Xi/ l Li 6 û 

,th 



Aug. /ô* 



Il /l/ /6 /S lì 12 11/ 



Fig. 61. Results of the micrometeorological observations on August 16th, 17th, 
18th and 19th 1939. 



110 G. p. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 




% '%. "/« "/'v "^i "/>B '%o %^ ^%^ ^%i 



Fig. 62. Maximum and minimum temperatures during a period in August— Sep- 
tember 1940. 

Fig. 63. Relation between the temperature and the relative humidity 10 cm 
above the ground. 

Fig. 64. Relation between the activity of the wasps and the temperature. 

Fig. 65. Daily course of the activities of the females. 

Fig. 66. Relation between the development of the larva and the temperature. 



EMBRYOLOGICAL AND ECOLOGICAL ETC. 



Ill 




« T^ /6 ao 2tf 29 32 36 ^O ^^ ^^ 



Fig. 67. Nomogram of the relation between the rate of development of the eggs 
and the time at different temperatures. 



112 



G. P. BAERENDS AND J. M. BAERENDS-VAN ROON, 



zo 



JS 



/o 



J5 

E 

> 

[•M o 
L «^ 



J 

I 

H 

1-6 
F 

E 

D 

C 




Temperature 



Ô X If "i s 7Ö 7z /if /6 ta Zo II 2tf 16 IS 30 JZ 3i{ 36 3(9 

Fig. 68. Relation between the rate of development of the eggs and the temperature 
after experiments in the thermostate. 



(608) 113 



Catalogus 
der Nederlandse Macrolepidoptera 

door 

B. J. LEMPKE 

IX 

Geometridae (vervolg) 

Larentiinae 

Lythria Hb. 

651. L. purpurata L. Algemeen verbreid op droge terreinen, waar 
de voedselplant der rups, Rumex Acetosella L., voorkomt. Ook op 
plaatsen in het lage land, die aan deze voorwaarden voldoen : 
spoordijk bij Diemen, fabrieksterrein en spoordijk te Amsterdam, 
Fort De Waver bij Uithoorn. Echter ook te Spanga in Friesland, 
in het rietland, een volkomen afwijkend biotoop! (1940, Beije- 
RiNCK leg.) 

Twee (bij uitzondering drie) generaties, de eerste van half April 
tot half Juni (14-4 tot 12-6), de tweede van half juni tot eind Aug. 
(15-6 tot 28-8), van de derde ken ik alleen een ex., dat 22 Sept. 
1941 en een ander, dat 15 October 1938 te Soest gevangen werd 
(R. Tolman leg.). (Heezen kweekte echter i ? van een derde 
gen., dat reeds op 24-8 uitkwam. Verdere controle der vliegtijden 
is dus noodzakelijk.) 

Var. De vlinder is zeer variabel. Verschillende artikelen zijn de 
laatste jaren over de vormen van deze soort verschenen : 

1. KiTT, M., 1918, Lythria purpurata L., Verh. zool. -bot. Ges. 

Wien 67: (198). 

2. Lempke, B. J., 1934, Lythria purpuraria L. et purpurata L., Lam- 

billionea 34 : 14, pi. 1 en IA. 

3. KiTT, M., 1935, Lythria purpuraria L. und purpurata L. und ihre 

Formen, Zeitschr. Österr. Ent. Ver. 20 : 69. 

4. Lempke, B. J., 1936, Lythria purpuraria L. et purpurata L. Ad- 

denda, Lambillionea 36 : 37. 

5. Heydemann, f., 1936, Beitrag zur Kenntnis von Lythria purpu- 
raria L. und L. purpurata L., Entom. Zeitschr. Frankfurt 50 : 
159, 3 platen. 

Zoals uit de titels blijkt, behandelen de meeste artikelen ook de 
verschillen tussen L. purpurata L. en de (nog) niet inlandse L. 
purpuraria L. 

1. f. sordidaria Zeiler, 1839, Ins. Lapp. : 954 {demaisoni Prout, 
1914, Seitz 4 : 156). De kleine voorjaarsvorm met vrij donkere 
grondkleur der voorvls., waarop 2 purperen banden niet scherp 
afsteken. 



IH B. I. LEMPKE, CATALOGUS DER (609) 

2. f. purpurata Linné, 1761, Fauna Svecica, ed. II: 341. De 
grotere heldergekleurde zomervorm. Grondkleur der voorvls. 
groenachtig geel, bij de wortel een helder gekleurde purperrode 
band, die de binnenrand niet bereikt, voor de achterrand een der- 
gelijke band over de hele breedte van de vleugel, die aan de 
voorrand dikwijls gespleten is. 

3. f. unicolora Lpk., 1934, I.e. : 42, pi. I, fig. 4. Voorjaarsdieren met 
eenkleurig zwartachtige voorvls. zonder purperbanden. Vledder, 
Zeist (Br.) ; Groenekan (L. Mus.); Amsterdam, Venlo (Z. Mus.); 
Vogelenzang (Vari, Wiss. ). 

4. f. depurpurata Kitt, 1918, I.e. : (199). Voorvleugels eenkleurig 
groenachtig geel zonder purperbanden. Texel, î van gen. I (Z. 
Mus.). 

5. f. pseudo-typica Lpk., 1934, I.e. : 42. Exx. van de voorjaarsgen. 
met de heldere grondkleur en tekening van de zomerdieren. Ze zijn 
echter veel kleiner dan deze laatste. Arnhem, Loosduinen (Z. Mus.); 
Breda (L. Mus.). 

6. f. hilariata Kitt, 1918, Le. : (199). Grondkleur der voorvls. hel- 
der okergeel zonder de olijfgroene tint van de typische vorm. Vrij 
gewoon. Terschelling, Soest (Lpk.); Oude Mirdum (Herwarth); 
Veenhuizen (Beijerinek); Lonneker, HoU. Rading, Amsterdam (v. 
d. M.); Apeldoorn (de Vos); Bennekom (v. d. Pol); Montferland 
(Sch.); Maarn, Noordwijk, Loosduinen (Z. Mus.); Bilthoven, Hil- 
versum, Den Haag, Breda (L. Mus.); Zeist (Br.); Hilversum, 
Huizen (Doets); Texel, Vogelenzang, Plasmolen (Wiss.); Kijk- 
duin (Gold.); Bergen op Zoom (Btk. ); Eindhoven (Verhaak). 

7. f. suf f usa Lpk., 1934, I.e. : 38. Voorvls. donker olijf groen met 
flauwe purperen banden. Vrij gewoon in de zomergen., maar ook 
in de voorjaarsgen. voorkomend (voor deze laatste exx. gebruikte 
ik in 1934, I.e. : 42, de naam pseudosuffusa ; ik acht het niet nodig 
deze aparte naam te handhaven). Veenhuizen (de Vos); Peize 
(Wiss.); Scherpenzeel-Fr., Den Haag, Hintham, Vlijmen, Breda 
(L. Mus.); Vledder, Bilthoven, Oostkapelle (Br.); Lonneker (v. 
d. M.); Arnhem (Heezen); Montferland (Sch.); Groenekan, Soest 
(Lpk.); Amersfoort, Noordwijk, Loosduinen, Domburg, Plasmo- 
len (Z. Mus.); Holl. Rading, Hilversum (Doets); Castricum (F. 
F.); Kijkduin (Gold.); Eindhoven (Verhaak). 

8. f. nigricaria Lpk., 1934, I.e. : 38. Zomerdieren met eenkleurig 
zwartachtige voorvls. Montferland (Btk.); Soest (een $ met don- 
kergrijze voorvls., Lpk.). 

9. f. tenuivittata Lpk., 1934, I.e. : 38. Voorvls. met zeer smalle 
purperbanden. Sepp 6, pi. 42, fig. 11. Arnhem (Sch.); Oosterbeek, 
Overveen, Noordwijk, Loosduinen (Z. Mus.); Hilversum (Lpk.); 
Huizen (Doets); Texel, Zandvoort (Wiss.); Den Haag, Vlijmen 
(L. Mus.); Kijkduin (Gold.); Ginneken (Mus. Rd.). 

10. f. mevesi Lampa, 1885, Ent. Tidskr. 6: 103 (griseolineata 
Gzekelius, 1924, Verh. Mitt. Siebenb. Ver. Naturw. Hermannstadt 
72 — 74 : 251 ; griseovittata Lpk., 1934, I.e. : 39). De banden van de 
voorvls. zijn grijs in plaats van purperkleurig. Nes-Ameland, Zeist 



(610) NEDERLANDSE MACROLEPÏDOPTERA 115 

(Br.); Beekbergen (v. d. M.); Nijmegen, Amersfoort, Domburg, 
Breda (Z. Mus.); Soest (Lpk.). 

11. f. effusata Lpk., 1934, I.e.: 39. Zomerexx. met de normale 
lichte grondkleur ; de banden zijn zeer flauw, maar normaal van 
kleur. Nijmegen, Noordwijk, Loosduinen (Z. Mus.); Hatert 
(Wiss.); Bilthoven, Zeist (Br.); Bussum (26); Scheveningen (v. 
d. Bergh); Hoek van Holland (Mus. Rd.); Vaals (Btk.). 

12. f. trilineata Stander, 1916, Zeitschr. wiss. Insektenbiol. 12 : 
112. De buitenste band der voorvls. over zijn gehele lengte in twee- 
ën gespleten, zodat dus drie banden ontstaan. Havelte, Aerden- 
hout (Wiss.); Harderwijk, Amersfoort, Loosduinen, Noordwijk (Z. 
Mus.); Leuvenum (L. Wag.); Heerde, Soesterveen, Laren-N.H. 
(Knf. ); Apeldoorn (de Vos); Arnhem (Heezen); Bennekom (F. 
F.); Ede (v. d. Pol); Gaanderen, Zeist (Br.); Babberich (Sch.); 
Sibculo (Botzen); Huis ter Heide (Lg.); Soest (Lpk.); Hilversum, 
Huizen (Doets); Holl. Rading, Amsterdam (v. d. M.); Den Haag 
(L. Mus.); Scheveningen (De Roo v. W.); Bergen op Zoom (Snij- 
der); Helmond (Visser); Deurne (Nies); Plasmolen (Wiss.); 
Heel (Delnoye). 

13. f. tangens Hannemann, 1917, Int. ent. Z. Guben 11 : 57 
{conjunctiva Lpk., 1934, I.e. : 39). De wortelband door een korte 
horizontale zijstreep met de buitenband verbonden. Terschelling 
(Lpk.); Ide-Dr., Amersfoort, Noordwijk, Loosduinen (Z. Mus); 
Veenhuizen (Waning Bolt); Havelte (Wiss.); Arnhem (L. Wag.); 
Groesbeek (v. d. M.); Nijmegen (v. d. Beek); Veenendaal (Ca- 
ron); Groenekan, Soest, Hilversum (Lpk.); Laren-N.H. (Knf.); 
Breda (Mus. Rd.). 

14. f. tri[urca Hannemann, 1917, Int. ent. Z. Guben 11 ; 57. 
Combinatie van de beide vorige vormen, dus de buitenste band ge- 
splitst, en de wortelband door een horizontale streep verbonden met 
de binnenste van de twee achterrandsbanden. Amsterdam (v. d. 
M., Z. Mus.). 

15. f. triangulata Hannemann, 1917, I.e. : 57. De wortelband en 
de achterrandsband tot één brede band samengevloeid, waarin aan 
de voorrand nog enkele resten van de grondkleur staan. Terschel- 
ling (Lpk.); Arnhem (Sch.); Hilversum (Caron, Doets); Amster- 
dam (v. d. M. ; Z. Mus.); Camperduin (Heezen); Bergen op 
Zoom (Nijssen); Breda (L. Mus.). 

16. f. rubrouittata Hannemann, 1917, I.e. : 57. Als de vorige vorm, 
maar de brede rode middenband zonder resten van de grondkleur. 
Camperduin (Heezen); Den Haag (v. d. Weele); Sliedrecht (Ver- 
kaik). 

17. f. latevittata nov. {tangens Hannemann, 1917, Suppl. Ent. 6 : 
16, fig. 5, nee Int. ent. Z. 11 : 57). De buitenband sterk verbreed, 
maar niet de achterrand bereikendi). Wolvega (v. d. Bergh); 

^) The outer band strongly enlarged, but not reaching the outer margin. 

(This form was figured by Hannemann in 1917 as tangens, but did not 
correspond with his description of a few months before in Int. ent. Z. Guben 11 : 
57. The form originally described as tangens by Hannemann is the same I 
named conjunctiva in 1934, as was definitely proved by KiTT (1935, Z. Ost. Ent. 
Ver. 20: 84), who saw Hannemann's types. 



116 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (611) 

Scherpenzeel-Fr., Bussum (Wp.); Peize (L. Wag.); Donderen 
(Jonker) ; Ellecom, Wageningen, Nijmegen, Hilversum, Wassenaar, 
Domburg (Z. Mus.); Arnhem (Heezen); Sibculo (Botzen); Mont- 
ferland (Sch.); Bilthoven, Oostkapelle (Br.); Soest, Valkeveen 
(Lpk.); Hilversum (Doets); Huizen-N.H. (Nieuwland); Diemen 
(Plantenz. D.); Vogelenzang (Wiss.); Bergen op Zoom (Mus. 
Rd.); Plasmolen (de Vos). 

18. f. rubrior Hannemann, 1917, I.e. : 57. De buitenband van de 
voorvleugels verbreed tot de achterrand. Sepp, I.e., fig. 12, is een 
overgang. Dwingelo (Beijerinck); Lutterzand (Van Westen); 
Beekbergen, Amsterdam (v. d. M.); Bilthoven (Berk, L. Mus.); 
Soest (Lpk.). 

19. f. confluens Oberthür, 1896, Et. d'Ent. 20: 71, pi. VI, fig. 
100. Als de vorige vorm, maar bovendien de wortelband door een 
horizontale dwarsstreep met het rode achterrandsveld verbonden. 
Wijster (Beijerinck); Venlo (Z. Mus.). 

20. f. sarmatica Prüf f er, 1914, Buil. int. Ac. Sc. Cracovie 2 (B): 
199, pi. X, fig. 5, 10 [schumanni Hannemann, 1917, I.e. : 57). Op 
een smal veld aan de wortel na is de hele voorvl. eenkl. rood. Cam- 
perduin (Heezen). 

P a t h o 1. ex. Achtervleugels geelwit verbleekt. Amsterdam, 
? van gen. I (PI. Z. D.). 

Genetica. Niets is nog bekend over de erfelijkheid der vele 
purpura fa- vor m en. Onnodig dus er op te wijzen, dat hier weer een 
dankbaar onderwerp voor onderzoek is, waaraan elke serieus wer- 
kende amateur kan meehelpen. De enige mij bekende ab ovo 
kweek is die van Heezen, die van een 9 van Camperduin in de F^ 
uitsluitend exx. met verbrede banden kweekte. Dit wijst dus op 
erfelijkheid, maar verder dan ook niets, daar noch het $ , noch ver- 
dere gegevens over de kweek aanwezig zijn. Vermoedelijk worden 
de verschillende graden van de ontwikkeling der rode banden ver- 
oorzaakt door de werking van polymère factoren. Hierop wijst o.a. 
het feit, dat latevittata, de eerste stap van verbreding, gewoon is, 
terwijl sarmatica een zeldzame vorm is en exx. met geheel rode 
voorvls. zelfs nog niet uit ons land bekend zijn. Door selectie moe- 
ten ze dan evenwel te kweken zijn. 

Vermoedelijk danken ook enkele vormen hun ontstaan aan oeco- 
logisehe factoren, i.e. de temperatuur tijdens het gevoelige stadium 
van de pop. 

Larentia Tr. 

652. L. clavaria Hw., 1809 [cervinata Schiff., 1775, in errore)i). 
Zeer lokaal door bijna het gehele land aangetroffen, over het alge- 
meen een zeldzaam dier. Vermoedelijk echter is de vlinder vooral 
in het Westen meer verbreid dan op het ogenblik bekend is. De 



' ^)Geometra cervinata Schiff., 1775, Syst. Verz. : 111, is geen nieuwe naam, 
maar een „correctie" en verkeerde determinatie van Phalaena cervinalis Scopoli, 
1763, Ent. Carn. : 126, welke naam door Schiffermüller zelfs als synoniem ge- 
citeerd wordt. De naam cervinata is dan ook ongeldig. Scopoli's soort is no. 677. 



(612) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 117 

beste manier om de soort in handen te krijgen is in Juni naar de 
rupsen te zoeken op heemst en in het Oosten en Zuiden op Malva. 
De vraatsporen zijn onmiskenbaar, grote gaten in de bladeren, 
waardoor nog lang na de verpopping haar aanwezigheid te zien is. 

In Denemarken bekend van de eilanden en Jutland. In het aangren- 
zende Duitse gebied een zeldzaamheid : alleen gevonden in Oost- 
Holstein, op een paar plaatsen in Westfalen en op 4 vindplaatsen 
in de Rijnprovincie ! In België uitsluitend bekend uit de Oostelijke 
helft, lokaal. In Groot-Brittannië verbreid, maar het meest in het 
Zuiden aangetroffen. Zeer lokaal in Ierland. 

1 gen., begin Septr. tot begin Octr. (4-9 tot 7-10) naar wild ge- 
vangen exx., stellig echter nog later. De meeste exx. in de collecties 
zijn gekweekt (29-8 tot 12-11). 

Vin dpi. Dr: Hoogeveen (Bouwst. 2: 186). Gdl. : Nijkerk, 
Harderwijk, Empe, Zutfen (Bouwst., I.e.); Leuvenum, 1920 
(Gold.); Velp (de Roo v. W.); Arnhem, 1869 en 1872 (Z. Mus.); 
Oosterbeek, 1869 (Z. Mus.). N.H. : Diemen, 1899 en 1900 (ook 
wel vermeld als Amsterdam ; de heemst, die hier vroeger langs het 
Merwedekanaal groeide, is verdwenen; Z. Mus.); Amsterdam, 1938 
(v. d. M.); Middelie, 1946 en volgende jaren (rupsen talrijk; de 
Boer en Slot); Haarlem (Bouwst., I.e.). Z.H. : Middelharnis, 1919 
(Jch.); Tien Gemeten, 1914 (Mus. Rd.). Zl. : Kapelle, 1880 (de 
Vos). N.B.: Breda, 1873 (L. Mus., Z. Mus.); Vught, 1930 (ten 
Hove); Cuyck, 1887 (Gold.). Lbg. : Venlo, zonder jaartal (Z. 
Mus.). 

Var. 1. f. tangens nov. Zie Gat. VIII : (557). Diemen, 6 exx. (Z. 
Mus.); Middehe (de Boer). 

2. f. approximata nov. Zie Gat. VIII, I.e. Middehe (Wiss.). 

3. f. planicolor nov. Zie Gat. VIII, I.e. Diemen, Middelie (Z. 
Mus.). 

Ortholitha Hb. 

653. O. coarctaria Schiff. Alleen bekend van de Veluwe, het 
Noorden van Limburg en aansluitend Gelders gebied en het Wes- 
ten van Noord-Brabant. 

In Denemarken op de eilanden weinig aangetroffen, maar alge- 
meen verbreid in Jutland. In Sleeswijk-Holstein bij Angeln en op 
het Wadden-eil. Sylt. Bij Hamburg plaatselijk, hier en daar niet 
zeldzaam. Bij Bremen lokaal. Niet in Hannover, Westfalen en de 
Rijnprovincie. In België niet waargenomen. Niet in Groot-Brittan- 
nië en Ierland. 

1 gen., eerste helft van Mei tot tweede helft van Juni (12-5 tot 
22-6). 

V i n d p 1. Gdl. : Radiodorp, Dreyen, Loenen, Rheden, Worth 
Rheden, De Steeg, Velp, Oosterbeek, Wolfheze, Heumensoord. 
N.B.: Breda, 1920 (Mus. Rd.). Lbg.: Mookerheide, Plasmolen. 

Var. De typische vorm (uit Oostenrijk) heeft heldergrijze voor- 
vis. met smalle bruine bandjes of zelfs maar lijntjes. Vooral de 
twee donkere banden voor de aehterrand zijn bij de Oostenrijkse 



118 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (613) 

exx. sterk gereduceerd (volgens 2 exx. in Z. Mus.). Deze vorm 
komt in ons land niet voor. 

1. subsp. infuscata Stgr., 1871, Cat. ed. II : 177. De grijze grond- 
kleur sterk bruin bestoven, de bruine banden breed, veel minder af- 
stekend. Het lijkt, alsof de bruine kleur de grondkleur is, die door- 
sneden wordt door smalle bruingrijze banden, vandaar ook Stau- 
dinger's diagnose : , .multo obscurior, al. ant. fuscis, griseo-striga- 
tjs." Bijna al onze exx. behoren tot deze vorm. Brants, 1911, 
Nederl. Vlinders (7-8), pi. VII, fig. 27. 

2. f. intermedia nov. Vleugels heldergrijs, als bij de typische 
Oostenrijkse vorm, maar met de brede bruine banden van infus- 
cata^). Brants, fig. 20 (een heel mooi ex.) en fig. 25. De Steeg, 
Mookerheide (de Vos); Velp, 1 ? (Z. Mus.). Stellig een zeld- 
zame vorm. 

3. f. seminigra Schawerda, 1921, Zeitschr. Öst. Ent. Ver. 6 : 92. 
Voorvl. van de wortel tot en met de normaal dubbele bruine dwars- 
band eenkleurig zwartbruin, dan volgt een smalle witachtige dwars- 
band, dan weer een zwartbruin veld, dat door de witte achterrands- 
lijn gedeeld wordt. Overgangen van De Steeg, Oosterbeek en 
Wolfheze in Z. Mus. 

4. f. approximata nov. Zie Cat. VIII: (557). ,,Veluwe", 1 ex. 
(Z. Mus.); Mook (Wiss.). 

5. f. tangens nov. Zie Cat. VIII, I.e. De Steeg, Mookerheide (de 
Vos); Velp, Oosterbeek, Wolfheze (Z. Mus.). 

6. f. cotangens nov. Zie Cat, VIII, I.e. Brants, fig. 23 en 26. 
Loenen (de Vos); Rheden, De Steeg, Velp, Wolfheze (Z. Mus.). 

7. f. impuncta nov. Zie Cat. Vili, I.e. Wolfheze (6, 7). 

654. O, mucronata Scopoli. Gewoon in alle heidestreken. Bekend 
van Texel. In de duinen van het vasteland aangetroffen te Castri- 
cum. 

1 gen., van begin Mei tot half Juni (5-5 tot 17-6); late exx. van 
deze zelfde generatie zijn waarschijnlijk de volgende : in Z. Mus. 
een ? van Juli van Laag Soeren ; Hengelo, 1 ? 10-7-1919 (Btk. ). 
(De Roo van Westmaas, die ± 1858 in Sepp 8 : 143 — 150 zon- 
der enige twijfel de biologie van deze soort behandelde, had bij een 
ab ovo kweek in 1857 enkele rupsen, die sneller dan de andere 
groeiden. Deze verpopten toch echter pas eind.Septr. en leverden 
6 Octr. de vlinders. De Roo schrijft uitdrukkelijk, dat de zomer van 
1857 warm was. Dit maakt het dus vrijw^el onmogelijk, dat exx. van 
begin Juli reeds tot een tweede gen. zouden behoren.) 

Var. Literatuur: Heydemann, 1941, Stett. ent. Z. 102: 12 — 
15, plaat, fig. 1 — 12. 

1. f. mucronata Scopoli, 1763, Ent. Cam. : 222. Voorvls. been- 
kleurig grijs, dus lichtgrijs, met een geringe maar grove bestuiving 
van donkergrijs, meest met slechts twee dwarslijnen, daar de wortel- 
lijn in de regel zeer onduidelijk is. In ons land komt deze lichte vorm 



^) Wings clear grey as with the typical Austrian form, but with the broad 
brown bands of inluscata. 



(614) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 119 

betrekkelijk weinig voor. Apeldoorn. (Wiss.); Korenburgerveen, 
Ede, Soest, Hilversum (Lpk.); Bussum (v. d. M.); Oisterwijk (Z. 
Mus.). 

2. f. pallidada Lambillion, 1905, Cat. Lép. Belg. : 257. Grondkleur 
der voorvls. witachtig grijs, nog lichter dan de typische vorm, de 
twee dwarslijnen, die het middenveld begrenzen, scherp afste- 
kendi). Nog minder dan de vorige vorm. Apeldoorn (de Vos); 
Breda (L. Mus.). 

3. f. brunnescens nov. Grondkleur der voorvls. licht bruingrijs, 
de twee dwarslijnen, die het middenveld begrenzen, scherp afste- 
kend2). De Roo in Sepp, I.e., pi. 38, fig. 14. Eveneens zeldzaam. 
Velp (de Roo); Soest (Lpk.); Middelaar (mooi geelbruin ex., Sch.), 

4. f. extradentata Prout, 1914, Seitz 4 : 158. In het achterrands- 
veld der voorvls. treedt een donkere bestuiving op, waardoor de 
lichte getande golflijn scherp afsteekt. Met de zwakker geteken- 
de overgangsexx. meegerekend, is deze vorm stellig overal gewoon. 

5. f. nigrolineata Heydemann, 1941, Stett. ent. Z. 102: 14. Ex- 
emplaren van één der voorafgaande lichte vormen, w^aarbij de 
dwarslijnen op de voorvls. bruingrijs tot zwartgrijs zijn, buiten- 
waarts witachtig grijs gezoomd. Apeldoorn (Wiss.); Heerde (Luk- 
kien); Soest (Lpk.). 

6. f. scotica Cockayne, 1940, Proc. South London ent. nat. Hist. 
Soc. 1939 — 40: 60, pi. IV, fig. 2. De eerste graad van verdonke- 
ring van het middenveld : aan de binnenzijde van de distale (bui- 
tenste) dwarslijn treedt een in de regel vrij zwakke donkere be- 
stuiving op, de lijn, die het middenveld wortelwaarts begrenst, is 
nog vrij van bestuiving of slechts zwak bestoven, de golflijn is 
zwak tot vrij duidelijk zichtbaar. Heydemann (1941, I.e., fig. 4) 
beeldt deze vorm af onder de naam umbrifera, waartoe Prout's 
diagnose alle aanleiding gaf, maar ten onrechte. In Schotland is 
deze vorm verrew^eg overheersend. Ook hier te lande de meest voor- 
komende vorm. 

7. f. umbrifera Prout, 1914, I.e. : 158. Seitz 4, Suppl. : 74, pi. 7 f, 
fig. 2. Beide het middenveld begrenzende dwarslijnen bezitten aan 
hun binnenzijde een krachtige donkere bestuiving. Het middenveld 
blijft overigens echter over de volle lengte licht van kleur. Vrijwel 
de enige in Zuid Engeland voorkomende vorm van de soort (type 
van Epping Forest bij Londen). Bij ons alleen als zeer zeldzame 
vorm hier en daar gevonden. De Lutte (Btk.); Laag Soeren (L. 
Mus.); Soest (Lpk.). 

8. f. nigrita nov. De gehele grondkleur der voorvleugels dicht be- 
stoven met zwartachtige schubben, het middenveld gedeeltelijk ver- 
donkerds). Soest (Lpk.). 



^) The type of Lambillion was taken at Fond d'Arquet near Namur on June 
2, 1898, as Derenne wrote me some months before his death. So it is absolutely 
certain that it belonged to the early species. 

^) Ground colour of the fore wings pale brown-grey, the two transverse lines 
which border the central area, sharply contrasting. 

^) The whole ground colour of the fore wings densely powdered with blackish 
scales, the central area partly darkened. 



120 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (615) 

9. f. multistrigaria Heydemann, 1930, Int. ent. Zeitschr. Guben 
24 : 127, pi. I, fig 11, 12 ; 1941, I.e. : 13, fig. 9 en 10. Voorvls. sterk 
verdonkerd, maar het middenveld rondom de discaalvlek bijna 
steeds lichter van tint. Scherp steken de lichte begrenzing van wor- 
tellijn en de beide discaallijnen alsmede de golflijn af, zodat een 
donkere bonte vorm met 4 opvallende lichte lijnen ontstaat. Laag 
Soeren (Z. Mus.); Hilversum (Lpk.); Bussum (v. d. M.); Kerk- 
rade ( Latiers ) . 

10. f. luridata Heydemann, 1941, Stett. ent. Z. 102 : 14, fig. 8. 
Voorvleugels met geheel donker gevuld middenveld, dat scherp 
afsteekt tegen de overigens lichte vleugel. De Roo in Sepp, I.e., 
fig. 15. Zeldzame vorm.- Velp (de Roo); Hilversum (Doets). 

11. f. luridaria Bkh., 1794, Eur. Schm. 5: 59 {nigrescens Coc- 
kayne, 1941, Ent. Ree. 53: 26). Voorvleugels eenkleurig bruinig 
zwart, de twee roestkleurige discaallijnen scherp afstekend, vaak ook 
de wortellijn nog zwak zichtbaar. De Roo, I.e., fig. 13. Barneveld, 
Houthem (Z. Mus.); Apeldoorn (de Vos, Z. Mus.); Soest (Lpk.); 
Hilversum (Doets); Bussum (v. d. M.). 

12. f. appToximata Heydemann, 1941, Stett. ent. Z. 102 : 14. Het 
middenveld der voorvls. sterk versmald. Vledder (Br.); Laag Soe- 
ren (Z. Mus.); Soest (Lpk.); Epen (Wiss.). 

13. f. latefasciata nov. Het middenveld der voorvls. sterk ver- 
breedi). Heerde (Lukkien); Hilversum (Lpk.). 

14. f. bipuncta nov. De middenstip der voorvls. in tweeën ge- 
deeld2). Soest (Lpk.); Vught (L. Mus.). 

15. f. juncta nov. De wortellijn der voorvls. op 1 of meer plaat- 
sen door een horizontale streep met de antemediane dwarslijn ver- 
bondenS). Heerde (Lukkien); Soest, Hilversum (Lpk.). 

16. Dwergen. Oisterwijk (Mus. Rd. ); Epen (Wiss.). 
Genetica. De zwartachtige vorm luridaria Bkh. is dominant 

over f. scotica Ckne. (Dr E. A. Cockayne in litt.) en ongetwijfeld 
ook over de andere lichte vormen. Dit verklaart ook op eenvoudige 
wijze, waarom De Roo uit een licht (dus waarschijnlijk typisch) v 
reeds in de F^^ een luridaria kreeg (I.e. : 149). Overigens is genetisch 
nog niets over de soort bekend. 

655. O. plumbaria F. Evenals de vorige soort algemeen verbreid 
in heidestreken. Bekend van Texel en Terschelling. 

1 gen., half Juni tot eind Aug. (15-6 tot 29-8). 

Var. Literatuur: Heydemann, 1941, I.e.: 15 — 19. De vlinder 
is even variabel als O. mucronata. De vormen van beide soorten 
lopen voor een groot deel parallel, maar zijn (nog afgezien van de 
vliegtijd) steeds vrij gemakkelijk van elkaar te onderscheiden. Ook 
het percentage waarin de corresponderende vormen bij beide species 
voorkomen, is niet gelijk. 

1. f. plumbaria F., 1775, Syst. Ent. : 628. Voorvleugels leigrijs of 



' ) The central area of the fore wings strongly enlarged. 
^.) The discal spot of the fore wings divided into two parts. 
^ ) The basal line of the fore wings connected with the antemedian line on one 
or more spots by a horizontal line. 



(616) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 121 

blauwig grijs met 3 duidelijke bruinachtige dwarslijnen, één aan de 
wortel, en de beide, die het middenveld begrenzen. Wel op de 
meeste vindplaatsen onder de soort voorkomend, maar niet talrijk. 

2. f. pallidaria Heydemann, 1941, Stett. ent. Z. 102 : 18, fig. 16. 
Grondkleur der voorvls. lichter, w^itachtig grijs. Ootmarsum 
(Wiss.). 

3. f. extradentata Heydemann, 1941, I.e. : 15, fig. 15. Voorvls. 
met duidelijk afstekende golflijn in het franjeveld. Bijna steeds is 
deze vorm gecombineerd met umbrifera of met overgangen daar- 
toe. Veel minder dan de corresponderende vorm van O. mucronata. 
Reutum, Elzen (v. d. M.); Havelte, Soest, Hilversum, Valkeveen 
(Lpk.); Breda (L. Mus.). 

4. f. nigrolineata Dannehl, 1927, Ent. Zeitschr. Frankfurt 40 : 
461. Exemplaren, waarbij de dwarslijnen op de vleugels zwartbruin 
in plaats van roestgeel of geelachtig zijn. (Heeft alleen betrekking 
op de exx. zonder donkere bestuiving langs de dwarslijnen van het 
middenveld). Steenwijk (Wiss.); Paterswolde (Z. Mus.); Wijster 
(L. Mus.); Stroe (Lpk.); Malden (Bo.). 

5. f. umbrifera Heydemann, 1941, I.e. : 15, fig. 21. Aan de bin- 
nenzijde van de beide dwarslijnen, die het middenveld begrenzen, 
bevindt zich een donkere, soms zwartbruine beschaduwing, die bij- 
na steeds donkerder is dan bij de vorige soort. Onze meest voor- 
komende vorm. 

6. f. nigrita Heydemann, 1938, Ent. Z. Frankfurt 52 : 392 ; I.e. 
1941, fig. 22. Voorvls. met de donkere beschaduwing van umbrifera 
en bovendien over de gehele oppervlakte dicht bestoven met zwart- 
bruine schubben, vooral aan de voorrand, bij de vleugelpunt en 
langs de achterrand. Noordlaren (Blom); Winterswijk, Hilversum 
(L. Mus.); Malden, Hatert, Schaaik (Bo. ); Stroe, Leusder hei. 
Soest (Lpk.); Leersum (Btk.); Huizen (Vari). 

7. f. pseudolimitata Heydemann, 1930, Int. ent. Z. Guben 24 : 
128, pi. I, fig. 17. Exemplaren van f. umbrifera, waarbij de grond- 
kleur sterk geelbruin getint is. Deze tint gaat uit van de twee mid- 
delste dwarslijnen en vervloeit dan in de grondkleur. Ook de lichte 
golflijn en het achterrandsveld er achter eveneens geelbruin getint. 
Hilversum (Lpk.); Breda (L. Mus.). 

8. f. luridata Hufnagel, 1767, Beri. Mag. 4: 526. Voorvls. met 
eenkleurig donker middenveld, dat scherp tegen de lichte grond- 
kleur afsteekt. Terschelling, Havelte, Stroe, Ede, Soest, Hilversum 
(Lpk.); Vasse, Agelo, Elzen (v. d. M.); Kootwijk (Wiss.); Mal- 
den, Schaaik (Bo. ). 

9. f. fuscomarginata nov. Achterrandsveld der voorvls. vanaf 
de postmediaanlijn verdonkerdi ) . Steenwijk (Wiss.). 

10. f. nigrescens Cockerell, 1889, Entomologist 22 : 55 {obscura- 
ria Rothke, 1896, Jahresber. Ver. naturw. Sammelwesen Krefeld 
1895 — 96: 28). Voorvls. eenkleurig zwartbruin met lichte, scherp 
afstekende dwarslijnen, hoewel ook zelfs deze vrij onduidelijk kun- 
nen worden. Noordlaren (Blom); Steenwijk (Wiss.); Oud-Leusen 



Outer area of the fore wings darkened from the postmedian line. 



122 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (-617) 

(Ov.) (Kleinjan); Apeldoorn (de Vos); Twello (Cold.); Imbosch 
(Sch.); Uchelen, Beekbergen (v. d. M.); Ede, Leusder hei. Soest, 
Hilversum ( Lpk. ) . 

11. f. disconu'data Dannehl, 1927, Ent. Zeitschr. Frankfurt 40: 
46 1 . Voorvls. zonder middenstip. Zeer zeldzaam ! Hilversum 
(Doets). 

12. f. bipunctata nov. Voorvl. met dubbele middenstipi). Vrij- 
wel even zeldzaam. Hilversum (Lpk.); Naarden (Z. Mus.). 

13. f. approximata Prout, 1914, Seitz 4 : 158 ; 1937, Suppl. : 74, 
pi. 7 e, fig. 52). Middenveld der voorvls. sterk versmald. Vledder 
(Br.); Markelo (Kleinjan); Leuvenum (L. Wag.); Boekhorst (Z. 
Mus.); Heumensoord, Malden (Bo. ); Soest (Lpk.). 

14. f. juncta nov. De wortellijn der voorvls. op 1 of meer plaat- 
sen door een horizontale streep met de antemediane dwarslijn ver- 
bondenS). Terschelling, Soest (Lpk.); Steenwijk (Wiss.). 

Opmerking. De eerste moderne lepidopteroloog, die het ver- 
moeden uitte, dat de beide zogenaamde generaties van O. mucro- 
nata Scop, in werkelijkheid twee goede soorten waren, was R. 
BoLDT, een van de beste veldentomologen, die ik ooit ontmoet heb. 
Hij baseerde dit op het feit, dat in het voorjaar twee groepen van 
rupsen te vinden zijn, bijna volwassen exx., die meest in Mei de 
vlinder leveren, en veel kleinere, die pas ongeveer een maand later 
volwassen zijn (1935, Ent. Zeitschr. Frankfurt 49: 131). 

In Maart 1939 hield Cockayne een voordracht (gepubl. Juli 
1940, Proc. South London ent. nat. Hist. Soc. 1939—40: 59—61. 
pi. IV), waarin hij betoogde, dat in Engeland een latere soort en 
twee vroege soorten voorkomen, welke beide laatste hij als O. um- 
brifera Prouten O. scofzca Ckne. aanduidde. Zij zijn echter niets an- 
ders dan de Zuidengelse en de Schotse subsp. van de vroege soort. 

HoFFMEYER (1940, ,,Ortholitha-Tvillinge-Arterne", Flora och 
Fauna 46 : 81 — 92) stelde voor Denemarken 2 soorten vast en gaf 
uitstekende figuren van de verschillen ertussen, doch de nomen- 
clatuur kon nog niet op bevredigende wijze opgelost worden. 

Dit werd gedaan door Heydemann (1941, Neuer Beitrag zur 
Kenntnis von Ortholitha mucronata Scop, und plumbaria F., Stett. 
ent. Z. 102 : 1—28, pl., fig. 1—24). 

Het beste verschil tussen beide soorten is natuurlijk de vliegtijd. 
Maar wie een flinke serie van de 2 Ortholitha' s naast elkaar heeft 
staan, ziet, dat ze ook een heel verschillende indruk maken. Gemid- 
deld is de vroege mucronata (bij ons) een veel lichter dier dan de 
latere plumbaria. Andere uiterlijke verschilpunten zijn : 
1 . De middenstip der voorvls. is bij de meerderheid der mucronata s 
streepvormig, bij de meerderheid der plumbaria s puntvormig 
(vele uitzonderingen !). 



' ) Fore wings with double central spot. 

^ ) The type, which is in the collection of the British Museum (Natural 
History), belongs to O. plumbaria F. (D. S. Fletcher in litt., 1 June 1949). 

^ ) The basal line of the fore wings on one or more places connected with the 
antemedian line by a horizontal line. 



(618) 



NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 



123 



2. Op de onderzijde is deze stip bij de meeste mucronata s duidelijk 
zichtbaar, bij plumbaria bijna steeds onduidelijk of geheel weg. 

3. Bij mucronata staat de stip vrijwel precies in het midden tussen de 
2 dwarslijnen, bij plumbaria dichter bij de antemediane dwarslijn 
(vooral bij plumbaria nogal uitzonderingen). 

4. De wortellijn der voorvls. bij mucronata meestal zwakker dan de 
beide andere of zelfs ontbrekend, bij plumbaria bijna steeds duide- 
lijk. 




^S 



Fig. 33. Boven: aedoeagus van Ottholitha mucronata Scop. (no. 23) en O. 

plumbaria F. (no. 25). Onder, sterker vergroot: cornutus van O. mucronata Scop. 

(no. 23) en O. plumbaria F. (no. 25). 




Fig. 34. Bursa van 
Ortholitha mucronata 
Scop. (links, no. 36) 
en O. plumbaria F. 
(rechts, no. 31). 25 x. 



124 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (619) 

5. De getande golflijn is bij mucronata veel vaker duidelijk aanwe- 
zig dan bij plumbaria. 

Aan het copulatie-apparaat zijn ook enkele verschilpunten op te 
merken, waarvan de voornaamste zijn : 

6. Bij mucronata $ is de uncus korter, bij plumbaria $ langer. 

7. Dezelfde verschillen gelden voor de lengte van de aedoeagus. 

8. Bij mucronata $ is de cornutus breder, met grovere tanden aan 
de ene rand, bij plumbaria smaller met fijnere tanden. 

9. Bij mucronata ? is de ductus bursae langer, de haak op de bursa 
korter, het onderste deel van de bursa niet gechitiniseerd, de doorns 
op de bursa korter ; bij plumbaria $ is de ductus bursae korter, de 
haak langer, het onderste deel van de bursa wel gechitiniseerd, de 
doorns op de bursa langer. Zie fig. 33 en 34 naar Nederlandse exx. 
van beide soorten. 

656. O. chenopodiata L., 1761 {limitata Scop., 1763). Verbreid 
door het gehele land op grazige plaatsen, hoofdzakelijk op zand- 
grond, ook hier en daar op kleigrond (Groningen en Betuwe), 
plaatselijk niet zelden gewoon. 

1 gen., eerste helft van Juni tot eind Aug. (9-6 tot 30-8), hoofd- 
vliegtijd tweede helft van Juli tot begin Aug. 

V i n d p 1. Fr.: Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog, Leeuw- 
arden, Kollum, Rijs, Scherpenzeel. Gr. : Loppersum, Winsum, Gro- 
ningen, Helpman, Haren, Noordbroek. Dr. : Peizermade, Paters- 
wolde, Anlo. Ov. : Denekamp, De Lutte, Lonneker, Agelo, Vasse, 
Hengelo, Borne, Delden, Colmschate, Deventer, Steenwijk, Kam- 
pen. Gdl. : Putten, Harderwijk, Nunspeet, Apeldoorn, Twello 
(geregeld maar niet talrijk), Empe, Dieren, De Steeg, Velp, 
Arnhem, Oosterbeek, Lunteren ; Zutfen, Warnsveld, Almen, Vor- 
den, Ruurlo, Aalten, Varseveld, Doetinchem, Bijvank, Babberich ; 
Eiden, Kerk-Avezaat, Beek-Nijmegen, Nijmegen, Hatert, Ingen. 
Utr. : Amerongen, Heuvelse Steeg, Zeist, Bilthoven, Utrecht, 
Groenekan, Soest, Maarseveen, Loosdrecht. N.H. : Hilversum, 
Laren, Valkeveen, Bussum, Texel (Oude Schild, De Koog), Den 
Helder, Catrijp, Schoorl, Alkmaar, Heilo, Castricum, Wijk aan 
Zee, Velzen, Haarlem, Overveen, Aerdenhout, Vogelenzang, 
Zandvoort. Z.H. : Noordwijk, Katwijk, Wassenaar, Scheveningen, 
Den Haag, Hoek van Holland, Rotterdam, Dordrecht, Ouddorp. 
Zl. : Domburg, Vlissingen, Wolfaartsdijk, lerseke, Groede. N.B. : 
Willemstad, Bergen op Zoom, Breda, Ginneken, 's-Hertogenbosch, 
Vught. Lbg. : Venlo, Tegelen, Roermond, Munniksbosch, Kerkrade, 
Kunrade, Schaesberg, Nuth, Voerendaal, Ransdaal, Strucht, Val- 
kenburg, Houthem, Bunde, Meerssen, Sint Pietersberg, Bemelen, 
Gronsveld, Gulpen, Slenaken, Eperheide, Epen, Mechelen, Lemiers. 

Var. 1. f. chenopodiata Linné, 1761, Fauna Svecica : 332. 
Grondkleur der vleugels vuil geelbruin met iets lila-achtige tint, bij 
de $ $ meest wat lichter dan bij de S 5 . Svenska Fjärilar, pi. 34, 
fig. 17 a ; South, pi. 54, fig. 8. Hoofdvorm. 

2. f. clarior Nordstrom, 1940, Svenska Fjärilar: 240, pi. 34, fig. 
17 b. Voorvleugels met beengele of grijsachtige grondkleur en 



(620) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 125 

duidelijke bruingele tekening. Wel in hoofdzaak een ? vorm. Ter- 
schelling, De Koog-Texel, Tegelen (Lpk. ); Noordbroek, Nunspeet, 
Beek-Nijm., Kerk-Avezaat (Z. Mus.); De Lutte (v. d. M.); Hil- 
versum (Doets); Aerdenhout (Wiss.); Breda (15); Epen (Wiss.). 

3. f. birgittae Nordstrom, 1940, I.e., fig. 17 c. Voorvls. donker 
okergeel, middenveld violetbruin met brede roestbruine zomen. 
South, fig. 9. Een prachtige bonte vorm, die zowel bij $ als ? 
voorkomt en overal onder de soort te vinden is. 

4. f. brunnea nov. Grondkleur der voorvls. helder bruini). Naal- 
denveld, $ (Wiss.). 

5. f. monodii Thierry Mieg, 1885, Le Naturaliste 7 : 237. Grond- 
kleur van voor- en avis. sterk verdonkerd, slechts hier en daar nog 
iets van de geelachtige kleur te zien. Epen (Wiss.). 

6. f. planicolor nov. Zie Gat. VIII : (557). Agelo (v. d. M.); 
Gastricum (F. F.). 

7. f. plurimelineata Stauder, 1922, Ent. Anz. 2 : 82. Alle dwars- 
lijnen opvallend duidelijk : tussen wortelband en middenband 2 tot 
5 duidelijke dwarslijnen, achterrandsveld met minstens 2 scherp 
afstekende donkere golf lijnen. Epen, een vrij goed ex. (Lpk.). 

8. f. tangens nov. Zie Gat. VIII, I.e. Groenekan, Breda (L. 
Mus.), 

9. f. semifasciata nov. Op de voorvls. ontbreekt de donkere 
band, die het middenveld wortelwaarts begrenst, geheel-). Anlo, 

S (Blom). 

10. f. reducta nov. Voorvls. met slechts 3 dv/arslijnen : de wor- 
tellijn en de beide lijnen, die het middenveld begrenzen ; achtervls. 
alleen met een donkere booglijnS). Golmschate (Lukkien). 

11. f. impuncta nov. Zie Gat. VIII, I.e. Golmschate (Lukkien); 
Apeldoorn (de Vos); Bijvank (Sch.). 

12. Dwergen. Groenekan (L. Mus.); Overveen (Z. Mus.). 

657. O. moeniata Scopoli. Verbreid door het gehele Oosten en 
Zuiden op heideachtige, ook met brem begroeide plaatsen, op de 
vindplaatsen in de regel gewoon. 

1 gen., eind Juni tot half Septr. (28-6 tot 15-9), hoofdvliegtijd 
eerste helft van Augustus. 

V i n d p 1. Gr. : Groningen. Dr. : Steenbergen, Anlo, Schoon- 
oord. Ov. : Elzen, Rijssen. Gdl. : Nijkerk, Putten, Ermelo, Harder- 
wijk, Garderen, Stroe, Oud-Millingen, Uddel, Leuvenum, Nun- 
speet, Vaassen, Hoog Soeren, Apeldoorn, Harskamp, Ellecom, De 
Steeg, Rhederhei, Rozendaal, Velp, Arnhem, Oosterbeek, Wolf- 
heze, Wageningen, Bennekom, Lunteren, Zilven, Lochern, Aalten, 
Nijmegen, Groesbeek. Utr. : Amerongen, Leersum, Doorn, Drie- 
bergen, Maarn, Zeist, Soestduinen, Soest, Baarn, Lage Vuursche. 
N.H. : Hilversum, Laren, Blaricum, Bussum. N.B. : Breda, Prin- 



^) Ground colour of the fore wings clear brown. 

^) The dark band on the inner side of the central band on the fore wings 
fails completely. 

■*) Fore wings only with 3 transverse lines : the basal line, and the two lines 
which border the central area ; hind wings only with a dark submarginal line. 



126 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (621) 

cenhage, Tilburg, Vught, Uden, Best, Geldrop, Nuenen, Helmond, 
Deurne. Lbg. : Mook, Venlo, Tegelen, Steyl, Roermond, Melick, 
Brunsum, Heerlen, Houthem. 

Var. 1 . f. confluens nov. In het middenveld der voorvls. zijn de 
beide middenstippen met elkaar verbonden^). Bijna overal onder de 
soort. 

2. f. unipuncta nov. Voorvls. met slechts 1 middenstip2 ) . Hoog 
Soeren, Mookerheide (Wiss.); Apeldoorn (de Vos); De Steeg, 
Wageningen, Lochern, Soest, Venlo, Houthem (Z. Mus.); Velp 
(Gold.); Nijmegen (Sch.). 

3. f. margaritata nov. Zie Cat. VIII : (557). Op alle vindplaat- 
sen. 

4. f. divisa nov. Voorvleugels met ononderbroken licht midden- 
veld van voorrand tot binnenrand^). Schoonoord (Snijder). 

5. f. obscura nov. Wortel- en achterrandsveld der voorvls. ver- 
donkerd, waardoor het donkere gedeelte van het middenveld minder 
sterk afsteekt*). Schoonoord, ? (Z. Mus.). 

658. O. bipunctaria Schiff. Bijna uitsluitend in het Zuidlimburgse 
krijtdistrict en daar plaatselijk niet ongewoon, slechts 1 vindplaats 
noordelijker uit Limburg bekend. 

Niet bekend uit Denemarken. Ook niet van Sleeswijk-Holstein, 
Hamburg en Bremen. In Hannover bij de stad (op de laatste uit- 
lopers van de Middelgebergten en hier niet zeldzaam). In West- 
falen meer in het Oostelijk gedeelte. In de Rijnprovincie talrijk. In 
België overal volgens Derenne (1929, Addenda Gat. Lép. Belg. : 
112). Dit zal wel in hoofdzaak op het hoge Oostelijke gedeelte 
slaan, stellig niet op de Kempen en zeker ook niet op Vlaanderen. 
In Groot-Brittannië verbreid door heel Engeland en Wales. Niet 
in Schotland en Ierland. De Noordgrens van het verbreidingsge- 
bied op het Continent loopt dus door Limburg. 

1 gen., eerste helft van Juli tot begin Septr. (13-7 tot 7-9). 

V i n d p 1. Lbg.: Tegelen, Kerkrade, Kunrade ( Welterberg ) , 
Ransdaal, Schin op Geul, Valkenburg, Houthem, Bemelen, Maas- 
tricht, Gulpen, Wijlre, Epen, Mamelis, Vaals. 

Var. 1. f. unipuncta Wehrli, 1926, Mitt. Ent. Ver. Basel no. 12 : 
5, fig. 25. Voorvleugels met slechts 1 middenstip. Welterberg (Br.). 

2. f. confluens Wehrli, 1926, I.e., fig. 26. Beide middenstippen der 
voorvls. met elkaar verbonden. Welterberg (Wiss.); Houthem (de 
Vos); Gulpen (8). 

3. f. margaritata nov. Zie Gat. VIII : (557). Overal onder de 
soort. 

4. f. herberti Prout, 1914, Seitz 4 : 163, pi. 6 i, fig. 2. Het gehele 
middenveld bruingrijs gevuld. Houthem, $ (Z. Mus.). 

5. f. cotangens nov. Zie Gat. VIII, I.e. Welterberg (Wiss.). 



^) The two discal points in the central area of the fore wings are joined. 
^) Fore wings only with one central point. 

^) Fore wings with uninterrupted pale central area from costa to inner margin. 
•*) Basal and outer area of the fore wings darkened so that the dark part of 
the central area contrasts less strongly. 



(622) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 127 

Mesofype Hb. 

659. M. virgata Hufn. Op een paar vangsten na uitsluitend be- 
kend uit de duinen langs de zeekust. 

In Denemarken gevonden op Bornholm, Seeland, Funen en Lol- 
land (bijna steeds aan de kusten); langs de kusten, en op een 
enkele plaats in het binnenland, van Jutland. In Sleeswijk-Holstein 
langs de kusten van de Oostzee en op de Wadden-eil. Sylt en 
Amrum. Niet bij Hamburg, Bremen en in Hannover. Evenmin in 
Westfalen en de Rijnprovincie. In België in de duinen langs de 
Noordzee, maar ook uit de Ardennen bekend (Logne aan de Our- 
the). In Engeland op geschikte plaatsen overal aan de kusten 
(behalve in het Noordoosten) en aan de Westkust van Wales. Ook 
op de Downs, de twee rijen van kalkheuvels in het Zuiden, en in 
Cambridgeshire en Berkshire, dus midden in het land. In Ierland 
zeer zeldzaam, als de opgaven inderdaad betrouwbaar zijn (Dono- 
van, 1936, Cat. Macrolep. Ireland : 71). 

2 gens., die van de eerste helft van April tot begin Septr. zijn 
waargenomen (9-4 tot 9-9). Ergens in de laatste helft van Juni of 
het begin van Juli zal wel de grens liggen, doch ik vind over de ver- 
schillende jaren een doorlopende reeks van data, zodat deze niet 
met zekerheid is vast te stellen. De Graaf (Sepp, serie 2, 4 : 205) 
kreeg uit eieren van 1 1 Juli het volgend jaar in April en Mei de 
vlinders. Uit eieren van 7 Mei verschenen ook pas in het volgend 
voorjaar de imagines. Naast bivoltine komen dus ook univoltine 
stammen voor. 

V i n d p 1. Fr. : Vlieland, Ameland. Gdl. : Oosterbeek, 7-6-1862 
(Z. Mus.). N.H. : Texel, Petten, Kamp, Bergen, Egmond aan Zee, 
Castricum, Heemskerk, Wijk aan Zee, IJmuiden, Velzen, Bloe- 
mendaal, Haarlem, Overveen, Aerdenhout, Vogelenzang, Zand- 
voort. Z.H. : Noordwijk, Katwijk, Katwijk aan Zee, Wassenaar, 
Den Haag, Scheveningen, Kijkduin, Loosduinen, Monster, Hoek 
van Holland, Staelduin, Rockanje, Ouddorp. Zl. : Domburg, Zoute- 
lande, Groede. N.B.: Breda (Mastbos), 21-6-1870, S (Kallen- 
bach). Lbg. : Epen, 23-5-1938, $ (Wiss., cf. verspreiding in Bel- 
gië!). 

Var. 1. f. impunctata Petersen, 1902, Lep. Fauna Estland: 118. 
Voorvls. zonder middenstip. De Graaf in Sepp, I.e., pi. 38, fig. 9. 
Wassenaar (Wiss.); Den Haag (Z. Mus.); Monster (Cold.). 

2. f. tangens nov. Zie Cat. VIII : (557). Overveen, Wassenaar, 
Domburg (Z. Mus.); Aerdenhout (25), Katwijk (24). 

3. f. cotangens nov. Zie Cat. VIII : I.e. Wassenaar (Wiss.). 

4. f. diluta Galvagni, 1920, Verh. zool.-bot. Ges. Wien 70 : (82). 
Grondkleur geelachtig grijs, geelachtig bruin, vuil strogeel, bij ex- 
treme exx. strogeel. De Graaf, I.e. fig. 8. Bij ons nu en dan zowel in 
de eerste als in de tweede gen. Ameland (Lukkien); Overveen (Z. 
Mus.); Wassenaar {37); Monster (Cold.). 

5. f. obliquata Thunberg, 1784, Diss. ent. Ins. Svecica 1:12, plaat 
(fig. 9) {contrariata Heydemann, 1933, Int. ent. Z. Guben 27 : 
373, fig.). Bonte vorm met 2 scherpe donkere ongedeelde dwars- 



128 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (623) 

banden op de voorvls., die aan de buitenkant breed witachtig afge- 
zet zijn. Ook de donkere middenband der avis. is franjewaarts 
breed witachtig gezoomd. South, pi. 54, fig. 3 en 10. Wassenaar 
(div. colls.); Den Haag (16 ; is het ex. afgebeeld in Sepp, I.e., fig. 8, 
maar de grondkleur is niet geel! Verkleurd ?). 

6. f. obscurata nov. Voor- en avis. donkergrijs, banden en mid- 
denstip nog donkerder, de lichte tekening vrijwel geheel verdwe- 
neni). Wijk aan Zee, Staelduin (Z. Mus.); Aerdenhout (35). 

Minoa Tr. 

660. M. murinata Scopoli. Tot nog toe slechts eenmaal in ons 
land aangetroffen. 

Niet in Denemarken. In het gehele omringende Duitse gebied al- 
leen aangetroffen in het Roerbekken en in de Rijnprov., in dit 
laatste gebied niet zeldzaam tot talrijk. In België plaatselijk door het 
gehele hoge Oostelijke deel. In Groot-Brittannië in het Zuiden van 
Engeland en van Wales, tot ongeveer 52° N.B. Niet in Ierland. 

De Limburgse vindplaats is dus de Noordwestelijkste op het con- 
tinent en is de uiterste voorpost van het Belgisch-Rijnlandse terri- 
torium. De (voornaamste) voedselplant in Engeland is de amandel- 
wolf smelk (Euphorbia amygdaloïdes L.), bij ons een zeer lokale 
plant in de Zuidlimburgse bossen. In de Rijnprov. (ook in Beieren) 
leeft de rups op cipreswolf smelk (Euphorbia Cyparissias L. ), die 
echter in het enige bij ons in aanmerking komende biotoop niet voor- 
komt. De kans, dat murinata hier inheems is, is dus niet groot. 

In België komen 2 generaties voor, in Engeland is, als bij vele 
op het Continent regelmatig bivoltine soorten, de tweede gen. uit- 
zondering (niettegenstaande het gunstige Zuidengelse klimaat!). 
Ons ex. behoorde tot de eerste gen. 

Vin dpi. Lbg. : Bunde, Juni 1927 (Rk.). 

Lithostege Hb. 

661. L. griseata Schiff. Tot het laatste kwart van de vorige 
eeuw kwam deze soort op een zeer beperkt gebied in het Rijk van 
Nijmegen voor, doch is sinds 1881 niet meer waargenomen en be- 
hoort nu ongetwijfeld tot de in ons land uitgestorven soorten. 

Niet in Denemarken. Nergens in het ons omringende Duitse ge- 
bied, behalve in Zuid-Hannover. Niet in België ! In Engeland 
uiterst lokaal in Norfolk en Suffolk (de 2 graafschappen tegen- 
over onze kust). Ook het in South genoemde Breek District ligt in 
Suffolk. Niet in Ierland. 

Mogelijk kan de Gelderse vindplaats opgevat worden als die van 
een laatste relict in het Noordwesten van het Continent uit het At- 
lanticum met zijn zoveel gunstiger klimaat of misschien zelfs uit het 
daaraan voorafgaande warme en droge Boreaal en stierf de soort 



^) Fore and hind wings dark grey, bands and central spot still darker, the 
pale markings have almost completely disappeared. 



(624) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 129 

hier uit, omdat zij zich in het ongunstige miHeu niet langer kon 
handhaven. 

1 gen., die eind Mei en Juni moet vHegen. Er bestaan geen ge- 
dateerde Nederlandse exx. 

V i n d p 1. Gdl. : Nijmegen, Ubbergen. 

[Ziehier alles, wat over de soort vermeld is : 1. Een M.S. aanteke- 
ning (waarschijnlijk van De Graaf) in het ex. van Bouwst. 2 : 204 
in Bibl. N.E.V.: „Nijmegen, 1859 (Backer)". 2. Snellen, 1867. 
De Vlinders : 619 : ,,Tot dusverre alleen uit Gelderland bekend, 
waar de vlinder bij Nijmegen gevangen is. 3. Snellen, 1882, De 
Vlinders, Microlepidoptera 2 : 1177 : ,, Sedert de uitgave van mijn 
Macrolepidoptera nog enige malen bij Nijmegen gevangen." 4. Ter 
Haar, 1899 — 1904, Onze Vlinders : 267 : ,, Vroeger was de vlinder 
in de vestingwerken te Nijmegen niet zeldzaam en na het slechten 
daarvan is hij nog eenmaal in de omstreken gevangen (ter Haar). 
Dit was tegen de helling van de Ubbergse heuvelen in de onmiddel- 
lijke nabijheid van de stad. Sedert 1881 is hij echter niet meer 
waargenomen." 

Alleen in de coll.-Z. Mus. bevindt zich wat Nederlands mate- 
riaal, nl. 2 ongedateerde exx. van Nijmegen e coll. -Ter Haar en 
l ex. ,,zeer waarschijnlijk ' van Nijmegen e coll. -Molengraaf.] 

Chesias Tr. 

662. C legatella Schiff., 1775 {spartiata Fuessly, 1781). Overal 
op zandgronden, waar brem groeit, door het gehele Oosten en 
Zuiden, en ook van enkele vindplaatsen in de duinstreek bekend. 
Vooral op licht in de regel een vrij gewone tot gewone soort. 

1 gen., half Septr. tot begin Nov. (12-9 tot 3-11). 

Vin dpi. Fr.: Leeuwarden, 1946 (Van Minnen), Balk. Gr.: 
Groningen, Haren. Dr. : Schoonoord, Wijster, Dwingelo. Ov. : 
Denekamp, Ubbergen, Almelo, Zenderen, Borne, Rijssen, Colm- 
schate. Diepenveen, Platvoet. Gdl. : Putten, Leuvenum, Apeldoorn, 
Twello, (vrij geregeld), Velp, Arnhem, Oosterbeek, Wageningen, 
Bennekom ; Zutfen, Warnsveld, Winterswijk, Aalten, Doetinchem, 
Montferland ; Nijmegen. Utr. : Amerongen, Doorn, Maarn, Zeist, 
De Bilt, Bilthoven, Soestduinen, Amersfoort, Soest. N.H. : Hilver- 
sum, Bussum, Amsterdam (spoordijk !), Aerdenhout. Z.H. : Noord- 
wijk, Leiden, Leidsendam, Den Deyl, Loosduinen. N.B. : Bergen op 
Zoom, Princenhage, Breda, Ulvenhout, Oisterwijk, Nuenen, Deur- 
ne. Lbg. : Mook, Plasmolen, Venlo, Roermond, Kerkrade, Rolduc, 
Houthem, Rothem, Meerssen, Maastricht. 

Var. De soort is sexueel dimorph. Bij het $ is de grondkleur 
lichter (meer met wit gemengd) dan bij het S . 

1. f. nigro-griseata Heydemann, 1933, Int. ent. Z. Guben 27 : 
393. De roestbruine kleur om de beide dwarsvlekken in het midden- 
veld der wis., langs de voorrand en langs de achterrand bijna 
geheel overdekt door de zwartbruingrijze grondkleur, waardoor 
de voorvls. veel eentoniger van tint worden. De witachtige tekenin- 
gen echter blijven behouden, Svenska Fjärilar, pi. 34, fig, 22 b. 



130 . B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (625) 

Vooral bij de $ $ een gewone vorm, die wel overal onder de soort 
is aan te treffen. Bij de $ ? veel zeldzamer : Apeldoorn, Nijmegen 
(Z. Mus.). 

2. f. obsoleta nov. Exemplaren van de vorige vorm, w^aarbij ook 
de normale lichte tekening vrijwel geheel verdwenen is, zodat de 
voorvls. bijna eenkleurig donker bruingrijs zijni). Arnhem, 2 $ $ 
(Z. Mus.); Montferland (Sch.). 

663. C. rufata F. Vrijwel hetzelfde verbreidingsgebied als de vo- 
rige soort en ook aan dezelfde voedselplanten gebonden, maar over 
het algemeen iets minder gewoon. 

De vliegtijd begint in gunstige jaren reeds in de tweede helft van 
Maart en duurt tot half Aug. met (volgens de beschikbare ge- 
gevens tenminste) een gaping van begin tot eind Juni (22-3 tot 
7-6 en 29-6 tot 1 6-8 ) , maar ook deze zal bij meer kweken wel ver- 
dwijnen. Algemeen wordt deze lange vliegtijd als die van slechts 
één zeer onregelmatig uitkomende generatie opgevat, bijv. door 
Prout (1914, Seitz 4 : 180) en Urbahn (1939, Stett. Ent. Z. 100 : 
694). Deze opvatting wordt gesteund door het volgende citaat uit 
Barrett (1902, Brit. Lep. 8 : 417): „Mr. E. H. Taylor records the 
emergence of specimens of a single generation in the year 1894, 
from March 24th till September 28th". Ook bij Van der Meulen 
kwamen pas in Juli vlinders uit overwinterde poppen. Verder onder- 
zoek naar het voorkomen van eventuele bivoltine stammen blijft 
echter gewenst. 

V i n d p 1. Gr. : Groningen. Dr. : Schoonoord. Ov. : Denekamp, 
Agelo, Albergen, Almelo, De Lutte, Hengelo, Lonneker, Elzen. 
Gdl. : Putten, Ermelo, Harderwijk, Leuvenum, Nunspeet, Udde- 
lermeer, Apeldoorn, Empe, Loenen, De Steeg, Velp, Arnhem, Oos- 
sterbeek, Wolfheze, Wageningen, Dreyen, Ede ; Gorsel, Vorden, 
Eibergen, Aalten, Doetinchem, Wehl, Montferland ; Berg en Dal, 
Nijmegen, Hatert. Utr. : Amerongen, Leersum, Zeist, Bilthoven, 
Soest, Baarn. N.H. : HoU. Rading, Hilversum, Huizen, Bussum, 
Naarden. Z.H. : Noordwijk, Wassenaar, Den Haag. N.B. : Ber- 
gen op Zoom, Breda, Tilburg, Oisterwijk, Uden, Deurne, Cuyck. 
Lbg. : Mook, Plasmolen, Milsbeek, Venlo, Tegelen, Blerick, Bel- 
feld, Roermond, Melick, Echt, Brunsum, Kerkrade, Rolduc, Hou- 
them, Geulem, Epen, Vaals. 

Var. 1. f. rufata F., 1775, Syst. Ent. : 633. Tamelijk eenkleu- 
rige vorm, waarbij de donkere postmediaanlijn alleen in de boven- 
helft goed ontwikkeld is en ook daar niet sterk afsteekt ; de witte 
tekening niet sterk ontwikkeld. South, pi. 57, fig. 1 en 2. Ongeveer 
de helft onzer exx. 

2. f. bombycata Hb., [1787], Beytr. 1 (2): 14, pi. (2) 2, fig. K 
{ornata Heydemann, 1933, Int. ent. Z. Guben 27: 393). Mooie 
bonte vorm, postmediaanlijn vrij breed en over de hele lengte 



^) Specimens of the preceding form in which also the normal pale markings 
have almost completely disappeared, so that the fore wings are nearly unicolo- 
rous dark brown-grey. 



(626) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 131 

zwart, het wit van de dwarslijnen scherp afstekend. Iets gewoner 
dan ru[ata. 

3. f. monotonica Nordstrom, 1940, Svenska Fjärilar : 241, pi. 34, 
fig. 23b. Gehele vvl. donker roodbruin met onduidelijke tekening, 
wortelveld en golf lijn lichtgrijs. Oosterbeek (Z. Mus.). 

4. f. nigrescens Heydemann, 1933, I.e. Grondkleur der wis. 
zwartgrijs bestoven, ook het bruin donkerder. Alle witachtige teke- 
ning ontbreekt op een streep in het middenveld en de fel afstekende 
golflijn na. Een paar donkere trans. exx. van Putten en Nijmegen 
(Z. Mus.). 

5. f. tangens nov. Zie Cat. VIII : (557). Loenen-G. (de Vos); 
Doetinchem (Gold.); Wehl (Sch.); Nijmegen (Gold., Z. Mus.); 
Naarden, Venlo (Z. Mus.); Breda (Wiss.). 

6. f. cotangens nov. Zie Gat. VIII, I.e. Apeldoorn (de Vos). 

7. f. margaritata nov. Zie Gat. VIII, I.e. Breda (Jch. ). 

Anaitis Duponchel 

664. A. plagiata L. De soort heeft in ons land 2 verbreidingsge- 
bieden : Zuid- en Midden-Limburg en de duinstreek. Pas de laat- 
ste jaren bleek het voorkomen van plagiata in het laatstgenoemde 
biotoop. Misschien kwam de vlinder daar steeds voor, maar te ge- 
ring in aantal om op te vallen en zijn ook voor dit dier de weers- 
omstandigheden blijkbaar gunstig geweest. Buiten deze twee cen- 
tra zijn tot nog toe slechts 2 al jaren lang op zich zelf staande 
vondsten bekend. 

In Denemarken is plagiata gewoon op Bornholm en komt op een 
paar plaatsen op Seeland voor, terwijl van Jutland slechts enkele 
exx. bekend zijn. Niet bekend van Sleeswijk-Holstein, Hamburg, 
Bremen en Noord Hannover. Wel gevonden bij de stad Hannover 
en in het Zuiden der provincie. Verbreid in Westfalen en vooral in 
de Rijnprov. In België verbreid in het Maasbekken en verder be- 
kend van Hal (in Brabant, ten Z. van Brussel). In Groot-Brit- 
tannië verbreid over heel Engeland en Schotland. Eveneens ver- 
breid over heel Ierland. 

2 gens., de eerste van begin Mei tot in de tweede helft van Juni 
(5-5 tot 24-6), de tweede van begin Augustus tot begin Septr. (2-8 
tot 5-9). 

Vin dpi. Gld. : Vorden, 1902 (L. Mus.). Utr. : Amerongen, 
1926 (Btk.). N.H. ; Gastricum, 1947 ( Westerneng), Heemskerk, 
1949 (dez.), Aerdenhout, vanaf 1947 (talrijk, Wiss.). Z. H. : Den 
Haag, 1949 (Hardonk). Lbg. : Steil, Belfeld, Melick, Maastricht, 
Gronsveld, Eisden, Bemelen, Meerssen, Rijckholt, Berg en Terblijt, 
Valkenburg, Schin op Geul, Aalbeek, Schinveld, Voerendaal, Brun- 
sum, Kerkrade, Rolduc, Gulpen, Eys, Wittern, Slenaken, Epen, 
Kamerich, Vaals. 

Var. 1. f. tangens Fritsch, 1911, Int. ent. Z. Guben 5 : 163. De 
beide lijnen, die de binnenbegrenzing van het middenveld der 
voorvls. vormen, raken elkaar onder het midden en lopen dan weer 
uiteen. Veel minder dan bij de volgende soort! Melick (v. d. M.); 
Meerssen (Btk.); Rijckholt (Rk.); Epen (Wiss.). 



132 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (627) 

665» A. efformata Guenée. Veel gewoner dan de vorige soort, 
verbreid over de zandgronden van het gehele land ; alleen nog niet 
bekend uit de drie Noordelijke provincies en het duingebied. 

(Ook in Denemarken veel verbreider dan plagiata, maar juist op 
Bornholm ontbrekend. Verbreid en talrijk in het O. en midden van 
Sleeswijk-Holstein ; bij Hamburg verbreid en gewoon ; evenzo bij 
Bremen. In Hannover in het N. der provincie, bij de stad en zeld- 
zaam in het Z. Nog niet zeker bekend uit Westfalen. In de Rijn- 
prov. van de rand van het leisteengebergte af Noordwaarts ver- 
breid. In België bekend van verschillende plaatsen. Op de Britse 
eilanden schijnt de vlinder een veel geringer verbreiding te hebben 
dan plagiata. Hij bereikt niet meer Devon en Cornwall en komt 
niet ten Noorden van South Yorkshire voor. Ook in Ierland is hij 
nog niet aangetroffen.) 

Twee, en in gunstige jaren zelfs drie, generaties : de eerste van 
begin Mei tot tweede helft van Juni (7-5 tot 23-6), de tweede van 
half Juli tot begin Septr. (17-7 tot 5-9), de derde van half Septr. 
tot begin Nov. ( 12-9 tot 2-11). 

V i n d p 1. Ov. : Agelo, Bornerbroek, Buursen, Rijssen, Bath- 
men. Frieswijk, Colmschate, Platvoet, Deventer, Olst. Gdl. : Gar- 
derbroek, Putten, Leuvenum, Elspeet, Hulshorst, Epe, Apeldoorn, 
Twello (vrij gewoon), Loenen, Dieren, Velp, Arnhem, Ooster- 
beek, Wolfheze, Wageningen, Bennekom, Lunteren ; Eefde, Al- 
men, Boekhorst, Lochem, Vorden, Aalten, Doetinchem, Zelhem, 
Bijvank, Montferland, Babberich, Duiven, Westervoort ; Berg en 
Dal, Beek-Nijm., Ubbergen, Nijmegen, Groesbeek. Utr. : Grebbe, 
Rhenen, Amerongen, Leersum, Maarn, Zeist, Bilthoven, Groene- 
kan, Utrecht, Amersfoort, Soest, Baarn. N.H. : Hilversum, Huizen, 
Bussum, Naarden, Valkeveen, Amsterdam (spoorbanen). Z.H. : 
Dordrecht. Zl. : Groede. N.B. : Bergen op Zoom, Breda, Ginne- 
ken, Rijen, Tilburg, Goirle, Oisterwijk, Rosmalen, Vught, Uden, 
Eindhoven, Nuenen, Helmond, Bakel, Deurne, Cuyck. Lbg. : Mook, 
Plasmolen, Blerick, Tegelen, Belfeld, Roggel, Roermond, Melick, 
Echt, Brunsum, Schaesberg, Kerkrade, Kunrade (Welterberg), 
Voerendaal, Schin op Geul, Valkenburg, Geulem, Houthem, Berg, 
Bemelen, Meerssen, Borgharen, Maastricht, Gronsveld, Gulpen, 
Slenaken, Mechelen, Eperheide, Epen, Wijlre, Vaals. 

Var. De tekening varieert sterk in duidelijkheid. Naast exx. 
met donkere scherp afstekende dwarslijnen komen ook flauw ge- 
tekende dieren voor. Deze uitersten worden door allerlei overgan- 
gen verbonden. Gemiddeld zijn de exx. van de eerste gen. groter 
dan die van de tweede. De derde gen. is in de regel vrij klein, 

1. f. suflusa Prout, 1937, Seitz 4. Suppl. : 87, pi. 9 a, fig. 4. 
Grondkleur der vleugels niet grijs, maar bruinachtig. Venlo, ê (Z. 
Mus.). 

2. f. fuscofasciata Lempke, 1935, Ent. Ber. 9 : 157. Het gehele 
middenveld der voorvls. donkerbruin gevuld, zodat een donkere 
middenband ontstaat. Wolfheze (L. Mus.); Bakel (Knippenberg). 

3. f. tangens Hannemann, 1931, Int. ent. Z. Guben 24: 401. 
Diagnose zie Gat. VIII : (557). Sepp, serie 2, 1, pi. 38, fig. 11 en 



(628) 



NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 



133 



12. Overal onder de soort, vooral bij de ? 9 . 

4. f. [asciata Hannemann, 1931, I.e. De beide het middenveld be- 
grenzende banden raken elkaar onder het midden en blijven dan 
verenigd. Zie Cat. VIII, I.e., de fig. voor cotangens. Veel zeldzamer 
dan de vorige vorm. Apeldoorn, Arnhem (Z. Mus.); Bijvank 
(Sch.); Hilversum (Caron). 

5. f. simplificata nov. Van de dwarsband, die het middenveld der 
voorvls. franjewaarts begrenst, is alleen de buitenste lijn overi). 
Tilburg (Van den Bergh). 

6. f. obsoletla nov. De tekening der voorvls. zeer zwak of zelfs 
gedeeltelijk ontbrekend^ ) . Oosterbeek (Z. Mus.); Babberich (El- 
frink); Tilburg (Knippenberg). 

7. f. impuncta nov. Zie Cat. VIII: (557). Bussum (2), Rijen 
(9); Valkenburg (Btk.). 

Opmerking. In een serie valt plagiata op door haar meer- 
dere grootte en scherper tekening tegenover de kleinere en fletsere 
efformata, maar individuele exx. zijn niet altijd met zekerheid naar 
deze kenmerken te determineren. 

Daarentegen is het zo eenvoudig beide soorten naar de bouw 
van het achterlijf, zowel bij het $ als bij het $ , uit elkaar te hou- 
den, dat elke beginner zijn materiaal met zekerheid op naam kan 
brengen. 





Fig. 35. Onderzijde van 

het abdomen der cTd". 

ontschubd. 

Links: Anaitis plagiata 

L., rechts: A. efformata 

Gn. 15 X. 



Bij de $ $ is het slechts nodig de punt van het achterlijf met 
een zacht penseel aan de onderzijde te ontschubben. Men ziet dan 
óf de lange smalle valven van plagiata, of de veel kortere en bredere 
van efformata. 

De determinatie der ? 5 is nog veel eenvoudiger : men behoeft 



1) Of the postmedian band on the fore wings only the outer line remains. 

2) The markings of the fore wings very feeble or even partially absent. 



134 



B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER 



(629) 



slechts de punt van het achterUjf van terzijde te bekijken. Bij pla^ 
giata is de laatste achterlij f sring telescoopvormig uitgerekt en (ten- 
minste bij exx. in de collecties) bijna steeds omlaag gericht, bij 
eflotmata is deze ring nauwelijks verlengd en ligt in dezelfde rich- 
ting als de andere abdominaalringen. Zie fig. 35 en 36. 




Fig. 36. Uiteinde van het abdomen der 2 9 van terzijde. 
Boven: Anaitis plagiata L., onder: A. efformata Gn. 15 x. 



Acasis Duponchel 

666. A. viretata Hb. Verbreid in bosachtige streken door vrijwel 
het gehele land en ook hier en daar buiten dit biotoop aangetroffen. 

2 gens., de eerste van de tweede helft van April tot de tweede 
helft van Juni (20-4 tot 21-6), de tweede van begin Juli tot in de 
tweede helft van Aug. (1-7 tot 23-8). Of er werkelijk een scherpe 
grens tussen beide gens, bestaat en of de hier aangegeven grens de 
juiste is, zal gecontroleerd moeten worden. In elk geval kreeg 
DoETS 26 Juli een vlinder uit een rups, die 30 Juni gevonden werd. 
Een zeer laat vers ex. ving J. Lucas 25 Sept. 1945 te Rotterdam. Dit 
moet wel haast tot een ongetwijfeld zelden voorkomende partiële 
derde gen. behoord hebben ! 

V i n d p 1. Fr, : Kippenburg. Dr. : De Punt, Roden, Veenhui- 
zen, Wijster. Ov. : De Lutte, Volthe, Albergen, Almelo, Hengelo, 
Dalfsen, Goor, Bathmen, Colmschate. Gdl. : Putten, Leuvenum, 
Hattem, Apeldoorn, Twello (vrij geregeld), Velp, Arnhem, Oos- 



(630) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 135 

lerbeek, Wolfheze, Heelsum, Renkum, Wageningen, Bennekom, 
Ede, Lunteren ; Vorden, Laren, Aalten, Bijvank ; Berg en Dal, 
Beek-Nijm., Nijmegen, Groesbeek. Utr. : Rhenen, Amerongen, 
Zeist, De Bilt, Bilthoven, Groenekan, Amersfoort, Soest, Baarn, 
Lage Vuursche, Holl. Rading. N.H. : Hilversum, Bussum, Muider- 
berg, Amsterdam (div. colls.). Santpoort, Haarlem, Overveen, 
Bentveld, Zandvoort, Heemstede. Z.H. : Wassenaar, Den Haag, 
Rotterdam. Zl. : Serooskerke, Wemeldinge. N.B. : Breda, Ulven- 
hout, Eindhoven, Nuenen, Helmond, Cuyck. Lbg. : Plasmolen, 
Venlo, Tegelen, Berckt, Belfeld, Odiliënberg, Kerkrade, Rolduc, 
Schimmert, Houthem, Epen, Vijlen, Vaals. 

Var. De soort varieert sterk in de hoeveelheid zwart op de 
voorvls. 

1. f. mediogrisea Warnecke, 1944, Z. Wien. ent. Ges. 29 : 250. 
Het middenveld der voorvls. eenkleurig of vrijwel eenkleurig zwart- 
grijs of zwartachtig. Heelsum, Breda (Mus. Rd.); Soest (Lpk.); 
Haarlem, Wassenaar (Wiss.). 

2. f. divisa nov. Het middenveld der voorvls. is alleen langs de 
beide zijkanten zwart gezoomd, zodat van voorrand tot binnen- 
rand een eenkleurig groen middengedeelte ontstaati). Soest (Lpk.); 
Breda (13). 

3. f. reducta nov. Het achterrandsveld der voorvls. eenkleurig 
groen zonder zwarte tekening^). Hilversum (Doets); Bussum (Z. 
Mus.); Haarlem (Wiss.). 

4. f. approximata nov. Zie Gat. VIII : (557). Breda (Mus. Rd.). 

5. Dwerg. Leuvenum (Z. Mus.); Den Haag (Van Eldik). 

Nothopter)^ Prout 

667. N. polycommata Schiff. Alleen zeer lokaal in de duinstreek 
aangetroffen en daar tot op de huidige dag voorkomend. 

Niet in Denemarken aangetroffen. In het aangrenzende Duitse 
gebied alleen bekend uit Westfalen (lokaal) en de Rijnprov. 
(Trier). In België zeer zeldzaam, gevangen te Warnant en te Di- 
nant, vindplaatsen dus, die aansluiten bij de Rijnprovincie. In 
Groot-Brittannië komt de vlinder voor in het Zuiden van Enge- 
land (tot ruim 52° N.B.) en het uiterste N.W. (het Noorden van 
Lancashire en Cumberland) ; bovendien bekend van een enkele 
vindplaats in Schotland. Niet in Ierland. 

Daar de vlinder niet uit de Belgische duinstreek bekend is en zijn 
verspreiding in Frankrijk ook zeer beperkt is, ligt het Nederlandse 
deel van zijn areaal volkomen geïsoleerd. Het ligt wel voor de hand 
aan een vroegere samenhang met het Zuidengelse vlieggebied te 
denken. 

1 gen., gevangen exx. van eind Maart tot de tweede helft van 



■"■) The central area of the fore wings only bordered with black along the two 
transverse lines so that from costa to inner margin a unicolorous green central 
part results. 

^) The outer area of the fore wings unicolorously green without black mar- 
kings. 



136 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (631) 

April (27-3 tot 19-4), gekweekte reeds vanaf 4 Maart. 

Vin dpi. N.H. : Overveen, 19-4-1864 (Z. Mus.), 28-3-1926 
(Btk.); Aerdenhout, 13-4-1947, Vogelenzang 27 en 29-3-1948 
(Wiss.). Z.H. : Den Haag, 30-4-1881 (Snellen, 1882, De Vlin- 
ders, Microlepidoptera 2: 1177); 1895 en 1896, e.l. (Kallenbach, 
De Vos, L. Mus.). 

668. N. carpinata Bkh. In hoofdzaak verbreid in bosachtige 
streken op zandgronden, plaatselijk niet ongewoon. 

1 gen., tweede helft van Maart tot half Mei (22-3 tot 14-5). 

V i n d p 1. Fr. : Veenklooster, Dr. : Echteld. Ov. : Hengelo, Boe- 
kelo. Lettele, Colmschate. Gdl. : Leuvenum, Uddelermeer, Apel- 
doorn, Twello ( 1 ? in 1930), Velp, Arnhem, Renkum, Bennekom ; 
Eefde, Aalten. Utr. : Zeist, Groenekan, Amersfoort, Leusden, 
Soest, Baarn, Holl. Rading, Linschoten, Nigtevecht. N.H. : Hilver- 
sum, Bussum, Amsterdam (1868, Z. Mus.), Velzen, Driehuis, 
Bloemendaal, Haarlem, Overveen, Bentveld, Aerdenhout, Zand- 
voort. Z.H. : Lisse, Noordwijk, Leiden, Woerden, Wassenaar, Den 
Haag, Rotterdam, Dordrecht. N.B. : Geertruidenberg, Oudenbosch, 
Breda, Nuenen, Eindhoven, Deurne. Lbg. : Venlo, Tegelen, Swal- 
men, Brunsum, Kerkrade, Houthem, Meerssen, Rijckholt, Vaals. 

Var. 1. f. obscura nov. Voorvls. zwartgrijs met normale teke- 
ning! ). Amsterdam (Z. Mus.); Aerdenhout (Wiss.). 

2. f. tangens nov. Zie Gat. VIII: (557). Leuvenum, Houthem, 
een extreem ex. van Wassenaar (Z. Mus.); Den Haag (6). 

3. Dwergen. Overveen (Z. Mus.). 

Lobophora Curtis 

669. L. halterata Hufn. In bosachtige streken in het Oosten en 
Zuiden en in de duinen, over het algemeen geen gewone soort. 

1 gen., half April tot half Juni (16-4 tot 16-6). 

V i n d p 1. Ov. : Almelo, Wierden, Colmschate. Gdl. : Twello 
(zeldzaam), Empe, Arnhem; Zutfen, Vorden, Aalten, Slangenburg, 
Bijvank, Babberich. Utr. : Zeist, Soest. N.H. : Bussum, Amsterdam 
(20-5-1925, Z. Mus.), Bergen, Driehuis, Santpoort, Haarlem, Over- 
veen, Bentveld, Aerdenhout, Zandvoort, Vogelenzang, Heemstede. 
Z.H. : Lisse, Wassenaar, Den Haag, Scheveningen, Dordrecht. Zl.: 
Haamstede. N.B. : Breda. Lbg. : Elsloo, Brunsum, Kerkrade, Hout- 
hem, Meerssen, Maastricht, Vaals. 

Var. 1. f. rudolphi Lampa, 1885, Ent. Tidskr. 6 : 105. Voorvls. 
sterk verdonkerd, zwartgrijs, 'met nauwelijks lichter middenveld. 
Svenska Fjär., pi. 35, fig. 7 d. Almelo (v. d. M.); Slangenburg 
(Gold.); Bijvank (Sch.); Overveen (Z. Mus.); Aerdenhout 
(Wiss.). 

2. f. zonata Thunberg, 1791, Diss. Ent. Ins. Suecica 4 : 60. Voor- 
vleugels met breed wit of geelwit middenveld, scherp afstekend 
tegen de donkere antemediaanband en het donkere achterrandsveld. 



^) Fore wings black-grey with normal markings. 



(632) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 137 

Seitz 4, pi. 6 g, fig. 2 ; Svenska Fjär., I.e., fig. 7 e ; Culot, fig. 399. 
Slangenburg (Cold.); Driehuis (van Berk); Overveen, Maastricht 
(Z. Mus.); Zandvoort (Rk.); Heemstede (Herwarth); Vogelen- 
zang (Wiss.); Den Haag (4). 

3. f. unicolor nov. Voorvls. eenkleurig grijs (niet verdonkerd), 
alleen met smalle donkere band aan de worteU). Wassenaar 
(Wiss.). 

4. f. variegata nov. Voorvleugels met een middenveld van de 
normale grondkleur, dat aan weerszijden door een brede lichtgeel- 
achtige band is afgezet^). Prachtige bonte dieren! Vogelenzang, 
verschillende exx. (W^iss.). 

Mysticoptera Meyrick 

670. M. sexalata Retzius, 1783 {sexalisata Hb.. [1788]). Ver- 
breid over een groot deel van het land, niet aan een bepaald biotoop 
gebonden. 

Waargenomen van half Mei tot begin Septr. (15-5 tot 1-9). 
Hoofdvliegtijd de eerste twee decaden van Juli. Waarschijnlijk 
komt nu en dan een partiële tweede gen. voor en is de verdeling 
der vliegtijden : eerste gen. 15-5 tot 31-7, tweede 14-8 tot 1-9, hoe- 
wel het niet uitgesloten is, dat ook een ex. uit de laatste decade van 
Juli reeds tot de tweede gen. behoort. In elk geval komt deze niet 
geregeld voor. [Urbahn (1939, Stett. ent. Z. 100 : 699) vermoedt, 
dat de vlinder toch slechts 1 lang gerekte gen. heeft. Nader onder- 
zoek dus gewenst.] 

Vin dpi. Fr.: Veenwouden. Dr.: Wijster. Ov. : Vasse, Agelo, 
Reutum, Almelo, Bornerbroek, Okkenbroek, Colmschate, Diepen- 
veen, Zwolle. Gdl. : Putten, Apeldoorn, Twello (op sterk licht vrij 
geregeld), Velp, Bennekom, Ede, Lunteren; Vorden, Boekhorst, 
Lochem, Winterswijk, Aalten, Didam, Lobith ; Nijmegen, Leeuwen. 
Utr. : Groenekan, Nigtevecht. N.H. : Hilversum, Bussum, Korten- 
hoef, Amsterdam, Halfweg, Heemskerk, Driehuis, Overveen, Vo- 
gelenzang, Heemstede. Z.H. : Noordwijk, Den Haag, Rotterdam, 
Schiebroek, Charlois, Streefkerk, Rockanje, Numansdorp, Dor- 
drecht, Willemsdorp. N.B. : Breda, Oosterhout, Hilvarenbeek, Ois- 
terwijk, 's-Hertogenbosch, Nuenen, Eindhoven, Helmond, Deurne. 
Lbg. : Mook, Venlo, Roermond, Sittard, Brunsum, Meerssen. 

Var. 1 . f. uniformata nov. De twee lichte dwarsbanden, die het 
middenveld begrenzen, zijn bruinachtig van kleur, waardoor de 
voorvls. veel eenkleuriger geworden zijn^). Colmschate (Lukkien); 
Lochem, Overveen, Noordwijk, Schiebroek (Z. Mus.); Hilversum, 
Kortenhoef (Doets); Amsterdam (v. d. M.); Breda (19). 

2. f. approximata nov. Zie Cat. VIII : (557). Bornerbroek (v. d. 
M.). 



^) Fore wings unicolorous grey (not darkened), only with narrow dark band 
at the base. 

"^) Fore wings with a central area of the normal ground colour which is 
bordered on both sides by a broad pale yellowish band. 

^) The two pale transverse bands bordering the central area, are of a brownish 
colour through which the fore wings have become much more unicolorous. 



138 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (633) 

3. f. impuncta nov. Zie Cat. VIII, I.e. Apeldoorn (de Vos). 
T e r a t o 1. e X. Rechter achtervl. ontbreekt. Bornerbroek, 2 e.l. 
(v. d. M.). 

Operophtera Hb. 

671. O. fagata Scharfenberg, 1805 {boreata Hb., [1809—1813]). 
Tot nog toe slechts zeer zeldzaam op enkele plaatsen aangetroffen, 
behalve in de bossen bij Vaals, waar de vlinder vrij gewoon is. 

In Denemarken zowel op de eilanden als in Jutland. In Sleeswijk- 
Holstein in beukenbossen. Bij Hamburg in sommige jaren niet zeld- 
zaam. Bij Bremen talrijk in beukenbossen. Bij de stad Hannover 
niet zeldzaam. V. G. M. Schultz (1935, Int. ent. Z. Guben 29 : 29) 
vermeldt het volkomen kaalvreten van berken door fagata-rupsen 
bij Soltau in de Lüneburger Heide. In V/estfalen veel zeldzamer 
dan brumata. In de Rijnprovincie tot nog toe slechts 5 vindplaatsen 
(o.a. Aken). In België lokaal in de Oostelijke helft. Op de Britse 
eilanden (waar de rups op berk leeft) verbreid over heel Enge- 
land en het Zuiden van Wales, in Schotland tot Sutherland. In 
Ierland alleen bekend van een paar vindplaatsen in het Noorden. 

1 gen.. November en December (waargenomen van 10-11 tot 
2-12). Bovendien in L. Mus. enige gekweekte exx. van Maart. In 
de buitenlandse literatuur heb ik nog geen enkele vermelding van 
voorjaarsvangsten gevonden. Zie echter de vliegtijd van de volgen- 
de soort ! 

Vin dpi. Gdl. : Arnhem, 10-11-1872 ( $ )^) en 25-11-1872 
( 5 ) (Z. Mus.) N.B. : Breda, 24-3-1884, 24 tot 26 Maart 1885, 
5 exx. e.l. (L. Mus.). Lbg. : Amby, 2-12-1930 (Rk.); Vaals, Nov. 
1948, verscheiden exx. (Delnoye). 

672. O. brumata L. Verbreid over het gehele land, in bosachtige 
streken zeer gewoon ; in boomgaarden, waar geen doeltreffende 
maatregelen genomen worden, soms schadelijk. Bekend van Texel. 

1 gen., eerste helft van October tot eind Maart (10-10 tot 29-3), 
hoofdvliegtijd November en December. Tijdens vorst wordt de 
vlucht onderbroken. Zo werden in de winter van 1940 — 41 zowel te 
Heemstede als te Grave op lijmbanden twee vluchten vastgesteld 
van 8-11 tot 14-12 en van 4-3 tot 29-3 (Leefmans, in litt.). 

[Deze waarneming is wel zeer interessant, wanneer we ze verge- 
lijken met de ervaringen van W. Speyer (1938, Über das Vorkom- 
men von Lokalrassen des Kleinen Frostspanners {Cheimatobia bru~ 
mata L. ), Arb. phys. angew. Ent. Berlin-Dahlem 5: 50 — 76). Hij 
stelde vast dat de ontwikkeling in de pop zonder onderbreking 
plaats vindt en tegen de herfst voltooid is, terwijl overliggen nooit 
werd opgemerkt. Bovendien is de snelheid van deze ontwikkeling 
in hoge mate onafhankelijk van de temperatuur. Alleen een lang- 



*) Niet 10 April, zoals Snellen schrijft (1882, De Vlinders, Microlepidoptera 
2 : 1179). Hier wordt ook een $ vermeld, gevangen in Maart door Kallenbach 
te Rotterdam. Dit ex. (17-4-1875) is echter een Nothopteryx carpinata Bkh. ! 
(Het ex. stond in deze collectie nog bij O. ïagata.) 



(634) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 139 

durig verblijf in een koude ruimte vertraagt de ontwikkeling (maar 
in natura komt dit bij ons niet voor), terwijl een langdurig verblijf 
in een kas niet de minste invloed heeft. Op vlak bij elkaar liggende 
klimatologisch overeenstemmende plaatsen kunnen de vlinders op 
zeer verschillende tijden te voorschijn komen. De vleugelloosheid 
der 2 $ heeft het ontstaan van talrijke plaatselijke biologisch 
verschillende rassen sterk bevorderd. Deze rassen hebben eigen 
tijden van ontpoppen, die geregeld worden door erfelijke factoren. 
Maar overal valt de tijd van het verschijnen van bramata toch 
ongeveer samen met het optreden van de eerste nachtvorsten. Wan- 
neer de bodem te lang afgesloten wordt door water of vorst, dan 
neemt Speyer aan, dat de nog niet uitgekomen poppen daardoor 
vernietigd worden (p. 55). Dat de Maart-exx. dezelfde zijn als 
die uit Nov. — Dec, lijkt me uitgesloten. $ $ leven maximaal 35 dg., 
? 2 als regel ± 30 dg., slechts bij zeer hoge uitzondering tot ruim 
60 (in het laboratorium!), maar de dieren hebben sterk te lijden 
van vorst, sneeuw of rijp (Speyer, 1938, Die Lebensdauer der 
Frostspanner-Falter {Cheimatobia brumata L.) unter dem Einflusz 
von Begattung und Eiablage, op cit. 5 : 155 — 165). Waarschijnlijk 
leven in ons land dan ook (erfelijk vastgelegde ?) zeer laat uit de 
pop komende stammen, waarvan verder onderzoek sterk aan te 
bevelen is.] 

Var. De lengte van de stompjes der achtervleugels varieert bij 
de 2 ' 2 zeer sterk. Er komen niet zelden exx. voor, waarbij ze even 
lang zijn als die van de vorige soort. Zelfs bij hetzelfde individu 
kunnen de beide helften verschillen. Zo heeft Coldewey een 2 
van Twello, waarbij de avi. links 1 X en rechts 1^ X de lengte 
van het achterlijf is. Ook in de fauna van Hamburg wordt opge- 
merkt, dat bij de 2 2 in die omgeving alle overgangen van korte 
stompjes tot /a^afa-lengte voorkomen (Loibl, 1937, Verh. Ver. 
naturw. Heimatf. Hamburg 25: 120). Determinatie van de 2 2 
van beide soorten alleen naar de lengte der vleugelstompjes is dan 
ook vrijwel w^aardeloos. 

1. f. hunei Prout, 1914, Seitz 4 : 194. De dwarslijnen op de 
voorvls. samengevloeid tot duidelijk afstekende donkere banden, 
één aan de wortel en één in het midden. Svenska Fjär., pi. 35, fig. 
11 b. Hengelo-O. (Btk., Vàri); Colmschate (Lukkien); Twello 
(Gold.); Ede (van de Pol); Zeist (Gorter); Holl. Rading (Doets); 
Bloemendaal (Leefmans); Oegstgeest (46); Breda (27); Nuenen 
(Neijts, Verhaak); Roermond (Lek.). 

2. f. unicolor Lambillion, 1912, Revue Soc. ent. Nam.: 112. 
Vleugels eenkleurig, zonder dwarslijnen en middenstip. Svenska 
Fjär., I.e., fig. lic. Golmschate (Lukkien); Oosterbeek, Bloemen- 
daal, Leiden (Z. Mus.); Bijvank (Sch.); Zeist (Br., Gorter); 
Muiden (Doets); Amsterdam (37); Haarlem (Wiss.); Heemstede 
(Herwarth, Leefmans); Nuenen (Neijts). 

3. f. fusca nov. Grondkleur der vleugels donkerbruini ) . Nuenen 
(Neijts, Verhaak); Aalbeek (Priems). 



Ground colour of the wings dark brown. 



140 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (635) 

4. f. brunnea nov. Grondkleur der vleugels lichtbruin, achtervls. 
met duidelijke middenbandi). Hengelo-O. (Vari); Haaren-N.B. 
(Knippenberg). 

5. f. nigrescens nov. Grondkleur der vleugels zwartgrijs zonder 
bruine tint^). Twello (Gold.). 

6. Dwergen. Leuvenum, Twello (Gold.); Ede (van de Pol); 
Soest (Lpk. ); Heemskerk ( Westerneng) ; Amsterdam (Küchlein); 
Aerdenhout (Wiss.) ; Rotterdam, Breda (Z. Mus.) ; Nuenen 

(Neijts). 

Oporinia Hb. 

673, O. dilutata Schiff. Verbreid door het gehele land in bos- 
achtige streken, op vele vindplaatsen gewoon. 

1 gen., begin Octr. tot in de tweede helft van November (1-10 
tot 22-11). 

V i n d p 1. Fr. ; Eestrum, Kollum, Leeuwarden, Oosterwolde, 
Balk. Gr. : Groningen, Haren, Glimmen. Dr. : Paterswolde, Peizer- 
made. Veenhuizen, Schoonoord, Wijster. Ov. : Oldenzaal, Volthe, 
Albergen, Almelo, Zenderen, Borne, Delden, Rijssen, Golmschate, 
Diepenveen, Zwolle. Gdl. : Barneveld, Putten, Leuvenum, Hattem, 
Apeldoorn, Twello (zeer talrijk), Wilp, De Steeg, Velp, Arnhem, 
Oosterbeek, Wageningen, Bennekom, Ede, Lunteren ; Warnsveld, 
Aalten, Doetinchem, Bijvank ; Berg en Dal, Nijmegen, Zoelen. 
Utr. : Rhenen, Amerongen, Maarsbergen, Zeist, De Bilt, Bilthoven, 
Groenékan, Soest, Baarn, Lage Vuursche. N.H. : Hilversum, Bus- 
sum, Valkeveen, Alkmaar, Bergen, Haarlem, Bloemendaal, Over- 
veen, Aerdenhout, Vogelenzang, De Glip, Heemstede. Z..H* ; 
Hillegom, Lisse, Noordwijk, Katwijk, Wassenaar, Den Haag, 
Woerden, Rotterdam, Dordrecht. N.B. : Bergen op Zoom, Princen- 
hage, Breda, Ginneken, Ulvenhout, Haaren, Oisterwijk, Nuenen, 
Helmond, Deurne, Cuyck. Lbg. : Plasmolen, Venlo, Roermond, 
Limbricht, Sittard, Kerkrade, Rolduc, Epen, Vijlen, Vaals. 

Var. De typische vorm heeft grijsachtige, vrij duidelijk gete- 
kende vleugels. Hoofdvorm. 

1. f. obscurata Stgr., 1871, Gat., ed. II : 187. Grondkleur der 
vleugels bruinachtig verdonkerd, tekening duidelijk. Svenska Fjär., 
pi. 35, fig. 12 b; Culot, fig. 603. Gewoon, overal onder de soort. 

2. f. pallida Prout, 1899, Ent. Ree. 11 : 122. Grondkleur der 
vleugels vuilwit, tekening gewoonlijk duidelijk. Eestrum, Putten 
(Z. Mus.); Twello (Gold.); Aalten (v. G.); Zeist (Br.); Groene- 
kan, Bussum, Hillegom, Den Haag (L. Mus.); Aerdenhout (Wiss.); 
Vaals (Delnoye). 

3. f. virgata nov. De dwarslijnen, die het middenveld begrenzen, 
zijn ineengevloeid tot 2 donkere dwarsbanden, zodat een mooie 
bonte hoofdzakelijk $ vorm ontstaat^). Kollum { $), Arnhem, 



^) Ground colour of the wings pale brown, hind wings with distinct discal bandi. 

'^) Ground colour of the wings blackish-grey without brown tint. 

^) The transverse lines bordering the discal area are joined to two dark 
transverse bands so that a fine mottled form results which occurs chiefly in 
the Ç . 



(636) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 141 

Oosterbeek, Wageningen, Baarn, Haarlem, Overveen, Den Haag, 
Breda (Z. Mus.); Twello, S (Cold.); Soest (Br.); Deurne (Lpk.). 

4. f. latifasciata Prout, 1899, Ent. Ree. 11: 122; Maart 1900, 
Entom. 33 : 60, pi. II, fig. 12 (bicinctata Fuchs, 1900, Jahrb. Nass. 
Ver. 53 : 58). Als de vorige vorm, maar bovendien is ook het mid- 
denveld zelf (en meestal eveneens het wortelveld) verdonkerd, zo- 
dat een brede donkere middenband ontstaat. Stellig wel de meest 
opvallende vorm ; zeldzaam, vrijwel uitsluitend bij het ? . Paters- 
wolde, Bussum, Overveen (ook de grondkleur donkerder, daardoor 
minder opvallend) en een $ van Putten (Z. Mus.); Wijster (Beije- 
rinck); Twello, S (Cold.); Baarn (Lpk.); Aerdenhout (met don- 
kere grondkleur. Wiss.). 

5. f. coarctata Prout, 1899, I.e. : 122. Middenveld der voorvls. 
sterk versmald, doordat de banden, die het begrenzen, elkaar dicht 
genaderd zijn. (Prout citeert: Erschov, 1870, Horae Soc. ent. 
Ross. 6, pi. III, fig. 4. Bij dit ex. zijn alleen de 2 het middenveld be- 
grenzende banden van de tekening overgebleven. Natuurlijk moet 
de naam ook gebruikt worden voor exx., waarbij alle dwarslijnen 
aanwezig zijn.) Putten, Baarn (Z. Mus.); Twello (Cold.); Bus- 
sum, Breda (L. Mus.); Vaals (Delnoye). 

6. f. tangens nov. Zie Cat. VIII : (557). Zie Sepp 6, pi. 28, fig. 
6. Bijna alle exx. zijn tegelijk smalbandig. Paterswolde, Putten, 
Arnhem, Oosterbeek, Haarlem, Overveen (Z. Mus.); Wilp 
(Cold.); Aerdenhout (Wiss.); Breda (L. Mus.); Vaals (Delnoye). 

7. f. margaritata nov. Zie Cat. VIII: (557). Bussum, Alkmaar 
(L. Mus.). 

8. f. inscripfata Donovan, 1811, Nat. Hist. Br. Ins. 15: 25, pi. 
517. Op de voorvls. staan 5 scherp afstekende donkere banden, 
doordat de ruimten tussen de lijnengroepen telkens donker gevuld 
zijn. Zie South, pi. 78, fig. 6, waar een dergelijke vorm van O. 
autumnata is afgebeeld. Zonder twijfel vrij zeldzaam en waar- 
schijnlijk uitsluitend bij de ? $. Twello (Cold.); Aerdenhout, 
prachtig $ (Wiss.); Wassenaar (33). 

9. f. fimbriata Haworth, 1809, Lep. Brit. : 320. Grondkleur ver- 
donkerd, alle tekening ontbreekt, behalve die voor de achterrand, 
waardoor daar een donker afstekende band aanwezig is. Vaals, $ 
(Delnoye). 

10. f. tectata Fuchs, 1900, Jahrb. Nass. Ver. 53 : 58. De dwars- 
lijnen zeer onduidelijk of zelfs geheel ontbrekend. Putten (Z. 
Mus.); Apeldoorn (de Vos); Twello (Cold.); Groenekan, Alk- 
maar, Hillegom, Rotterdam, Breda (L. Mus.); Soest (Lpk.); 
Vaals (Delnoye). 

1 1 . f . disjuncta nov. De middenstip der voorvls. is niet verbon- 
den met de dwarslijn en staat dus losi). Vooral bij de ? Î , overal 
onder de soort aan te treffen. 

12. f. impuncta nov. Zie Cat. VIII : (557). Apeldoorn, Aerden- 
hout (Wiss.) ; Groenekan, Den Haag, Breda (L. Mus.). 

Genetica. De zeldzame f. latifasciata Prout is geslacht- 



The discal spot of the fore wings is not connected with the transverse line. 



142 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (6^7) 

gekoppeld („sex-linked") en recessief ten opzichte van de normale 
vorm ( Dr E. A. Cockayne in litt. ) . $ $ van een dergelijke vorm 
kunnen alleen ontstaan uit de kruising van een (minstens) heterozy- 
goot S met een (homozygoot) latif asciata- ? . De kans hierop is in 
de natuur door de zeldzaamheid van de vorm niet groot. Vandaar 
dat de $ .$ van Putten en Twello rariteiten moeten zijn. 

F . virgata is misschien een allelomorph van latifasciata, die zich 
vrij zeker genetisch op dezelfde wijze tot de normale vorm ver- 
houdt. Ook hied komen de S 5 in de vrije natuur slechts bij grote 
uitzondering voori). 

674. O. christyi Prout. Pas in 1947 werd het eerste ex. in Ne- 
derland door Delnoye in het bosgebied van Z. O. -Limburg ge- 
vonden. Op mijn verzoek verzamelde hij daar in het najaar van 
1948 een flinke serie Oporinia's, die ik geheel ter bestudering toege- 
zonden kreeg. Zij bestond uit 90 christyi's en 35 dilutata s, wel een 
bewijs, hoe gewoon de soort daar is. Het biotoop komt heel goed 
met het Deens-Duitse overeen : gemengd bos, waarvan een kwart 
uit beuk en een kwart uit eik bestaat. Dit biotoop is evenwel vol- 
strekt niet tot Zuid-Limburg beperkt, en tot mijn voldoening vond 
ik dan ook in de collectie- Verhaak het eerste in oostelijk Noord- 
Brabant gevonden ex., terwijl frater De Mast een ex. in het centrum 
der provincie ving. Daar deze beide op licht werden gevangen, is 
nog niet met zekerheid bekend, in welk biotoop de vlinder hier 
voorkomt. Maar ook hier wordt natuurlijk genoeg gemengd loofbos 
aangetroffen. 

In Denemarken bekend van de meeste eilanden en van vele 
vindplaatsen op Jutland, in beukenbossen gewoon. Ook in geheel 
Noord-Duitsland is christyi een karakterdier van beukenbossen. 
In Holstein verbreid, waarschijnlijk in alle beukenbossen, in som- 
mige jaren talrijk ; in Sleeswijk tot nog toe van slechts één vind- 
plaats bekend. In de omgeving van Hamburg in beukenbossen, in 
sommige jaren niet zeldzaam ; in de o'mgeving van Bremen gevon- 
den ; in Hannover in beukenbossen bij de stad. In Westfalen bij 
Bielefeld, Dortmund en Gelsenkirchen, ook hier zeker in alle beu- 
kenbossen. In de Rijnprovincie bij Krefeld, Aken en in de Hunsrück. 
In België pas enkele jaren geleden herkend (Berger, 1947, Buil. et 
Ann. Soc. ent. Belg. 83 : 43), maar over de verspreiding zijn nog 
geen betrouwbare inlichtingen te krijgen, evenmin als over het 
biotoop, waarin de vlinder daar thuis hoort. Wel schijnt hij in het 
midden meer voor te komen dan in het Oosten en hij werd reeds in 
veel collecties gevonden. Verbreid over de Britse eilanden : in 
Zuid-Engeland spaarzaam, hier vermoedelijk een beukenbosdier, 
in Noord-Engeland vooral op bergiep, hoewel de rups daarnaast 



-'^) O. dilutata Schiff., f. latifasciata Prout is a sex-linked recessive (Dr E. A. 
Cockayne in litt.). The two Dutch $ $ caught in nature must therefore be 
rarities. 

F. virgata Lpk., possibly an allelomorph to f. latifasciata. behaves in the same 
way. It is not rare in the $ , but I know only one $ . I have no doubt that 
this form is a sex-linked recessive too, though it has not yet been proved. 



(638) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA H3 

ook op andere houtgewassen voorkomt, die verspreid staan tussen 
de iepen ; in Schotland is de berk de hoofdvoedselplant en in Ierland 
berk en els. 

1 gen., die tot nog toe waargenomen is van de eerste helft van 
October tot half Nov. (12-10 tot 14-1 1 ). 

V i n d p 1. N.B. : Eindhoven, Haaren. Lbg. : Vaals, Vijlen. 
Var. De vlinder is in ons land vrij variabel, vooral het ? . 

1. f. christyi Prout, 1899. Ent. Record 11 : 122. Voorvls. met 
lichtgrijze grondkleur, vooral het $ zwak getekend. Seitz 4, pi. 9 f, 
fig. 3. Vaals, zowel bij $ als $ niet gewoon (Delnoye). 

2. f. intermedia Heydemann, 1932, Zeitschr. Öst. Ent. Ver. 17 : 
26. Bonte dieren met grijze banden, die duidelijk tegen de lichte 
grondkleur afsteken. Vaals, enkele exx. (Delnoye). 

3. f. virgata nov. Het middenveld der voorvls. aan weerszijden 
afgezet door een donkere band overeenkomstig dezelfde vorm van 
O. dilatata'^). South, pi. 78, fig. 3. Vaals, enkele ? 9 (Delnoye). 

4. f. clara Harrison, 1933, Trans. Northern Nat. Union 1 : 122. 
De derde en vierde band op de voorvls. zeer zwak, de ruimte tussen 
tweede en vijfde band grijs, zwak zwart bestoven, voor de achter- 
rand een donkere band. Vaals, gewoon (Delnoye). 

5. f. oblita Allen, 1906, Ent. Record 18: 86. Gehele grondkleur 
der voorvls. verdonkerd, tekening nauwelijks zichtbaar. Eindhoven 
(Verhaak); Haaren (Knippenberg); Vaals, hoofdvorm (Delnoye). 

6. f. coarctata Harrison, 1933, I.e. : 122. Middenveld der voorvls. 
sterk versmald doordat de derde en vierde band dicht bij elkaar 
staan. Vaals, enkele exx. (Delnoye). 

7. f. tangens nov. Zie Gat. 8: (557). Onder de exx. van f. 
coarctata. Vaals, enkele exx. (Delnoye). 

675. O. autumnata Bkh. Verbreid over een groot deel van het 
land, vooral in bosachtige streken. Minder gewoon dan Oporinia 
dilutata. 

1 gen., eerste helft van Octr. tot eind Nov. (12-10 tot 24-11). 

V i n d p 1. Dr. : Peize, Wijster. Ov. : Volthe, Almelo, Zenderen, 
Borne, Golmschate. Gdl. : Putten, Leuvenum, Apeldoorn, Twello 
(1 ex.), Arnhem, Bennekom, Ede; Zutfen, Warnsveld, Aalten, 
Bijvank. Utr. : Zeist, Soest (vrij gewoon), Baarn, Holl. Rading, 
N.H. : Bussum, Amsterdam, Bergen, Heemskerk, Aerdenhout, 
Vogelenzang. Z.H. : Wassenaar, Rotterdam. N.B. : Bergen op 
Zoom, Breda, Ginneken, Ulvenhout, Haaren, Eindhoven, Nuenen, 
Deurne. Lbg. : Brunsum. 

Var. 1. f. autumnata Bkh., 1794, Naturgesch. Eur. Schm. 5: 
293. Grondkleur der vleugels zilverwit, dwarslijnen bruinachtig 
grijs. Zeer zeldzame vorm hier te lande, vrijwel al onze exx. hebben 
donkergrijze voorvls. Zeist, een vrijwel typisch 9 (Gorter); Was- 
senaar, 1 S (Wiss.). 

2. f. melana Clark, 1896, Ent. Ree. 7 : 289, pi. 3, fig. 3 en 4. 



^ ) The central area of the fore wings on both sides bordered by a dark band 
corresponding with the same form of O. dilatata. 



144 



B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER 



(639) 



Voorvls. zwartgrijs met duidelijk zichtbare tekening. Tot deze 
vorm (ik zag het type in Tring) behoren onze bonte donkere exx. 
Niet gewoon. Zenderen (v. d. M.); Borne (Cold.); Bijvank (Sch.); 
Zeist (Gorter); Soest (Lpk.); Aerdenhout (Wiss.). 

3. f. schneideri Lampa, 1885, Ent. Tidskr. 6: 111. Voorvls. 
zwartgrijs met zwakke of nauwelijks zichtbare tekening. Onze meest 
voorkomende vorm. 

4. f. coarctata Nordstrom, 1924, Ent. Tidskr. 45:187. Midden- 
veld der wis. sterk versmald. Soest (Lpk.). 

5. f. tangens nov. Zie Cat. VIII : (557). Soest (Lpk.). 





Fig. 37. Onderzijde van het abdomen der J" cT. ontschubd. Links: Oporinia dilutata 

Schiff.; midden: O. christgi Prout; rechts: O. autumnata Bkh. 15 x. 
[These figures, made after Dutch material, correspond with the classical ones of 
Wolff, which are also copied by Warnecke and Hoffmeyer.] 





Fig. 38. Onderzijde van 
het abdomen van Oporinia 
dilutata Schiff. J" (de beide 
bovenste figuren) en O. 
christyi Prout cf (de beide 
onderste). 15 x. 
[This figure proves that the 
hook in dried specimens is 
of no value. The two top 
figures, in which the hook 
is high, are O. dilutata 
Schiff., the two bottom ones, 
in which the hook is low, 
are O. christyi Prout. Made 
with a camera lucida after 
Dutch material.] 



(640) 



NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 



145 



Opmerking. Na de publicatie van de tekst van het geslacht 
Oporinia in Seitz 4 door Prout (1914) hebben verschillende 
auteurs een speciale studie aan dit genus gewijd, zodat onze kennis 
vaiï de verbreiding der soorten belangrijk is toegenomen. Ook de 
verschillen tussen O. dilutata Schiff., O. christyi Prout en O. autum- 
nata Bkh. zijn langzamerhand zo grondig besproken, dat er niet 
veel meer aan toe te voegen is. 

Ik geef hierbij figuren naar Nederlands materiaal. De $ $ , die 
vooral bij O. christyi en bij donkere exx. van O. autumnata zeer 
zwak getekend kunnen zijn, determineert men zonder enige moeite 
wanneer het uiteinde van het abdomen aan de onderzijde met een 
zacht penseel ontschubd is. Bij O. dilutata en O. christyi bezitten 
de valven een krachtig ontwikkelde haak, die bij O. autumnata 
slechts uiterst zwak is aangeduid. Volgens verschillende auteurs 
(Wolff, Hoffmeyer, Warnecke) zit de haak bij christyi veel 
hoger dan bij dilutata en hiermee zijn de exx. van fig. 37 in over- 
eenstemming. In fig. 38 zijn echter exx. afgebeeld, waarbij precies 
het tegenovergestelde het geval is. Het kenmerk is dan ook waar- 
deloos, het hangt er eenvoudig van af, of bij het gedroogde ex. 
de valven ingetrokken zijn of verder uitsteken. Daarentegen zijn 
dilutata S en christyi S goed te onderscheiden aan de 2 kleine 
chitine-uitsteeksels aan de rand van het achtste abdominale sterniet 
(de octavels). Bij dilutata zijn ze forser en staan ze verder van 
elkaar dan bij christyi (bij autumnata staan ze ook ver uit elkaar, 
maar zijn zeer klein). 

Zijn de $ S eenmaal gerangschikt, dan zijn ook de ? ? meestal 
wel uit elkaar te houden, omdat ze in de regel duidelijker getekend 
zijn. De band, die franjewaarts het middenveld begrenst, bestaat 
uit 3 lijnen. Raakt de binnenste daarvan de middenstip, dan behoort 
het ex. zeker tot O. dilutata. Staat de stip los, maar zijn vooral in 
de benedenhelft van de lijn de duidelijk inspringende golvingen te 
herkennen, dan heeft men zeker te doen met O. dilutata, f. disjuncta. 
O. christyi en O. autumnata lijken in tekening zeer sterk op elkaar. 
Bij beide maakt de bedoelde lijn even onder de voorrand een rechte 
hoek en loopt dan vrijwel recht naar de binnenrand. Daarentegen 
is de band, die het middenveld wortelwaarts begrenst, bij autumnata 
in de regel scherper geknikt dan bij christyi. Bovendien is deze 
laatste soort duidelijk kleiner en komt in kleur veel meer met dilutata 
overeen. Zie fig. 39. 




Fig. 39. Vleugeltekening van: 1. Oporinia dilutata SchiflF. 2. O. dilutata SchiS., 
f. disjuncta Lpk. 3. O. christyi Prout. 4. O. autumnata Bkh. 2 x vergroot. 



146 



B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER 



(641) 



De genitaliën der 2 $ bieden al heel weinig houvast. Pierce 
(1914, Genit. Geometridae : 41) zegt van dilutata: „Signa two, 
discoid, scobinate", van christyi : ,, Signa two, small", van autum- 
nata : ,, Signa two, distinctly smaller". Hij tekent (pi. XXXV) 
dilutata met grote signa, die van christyi kleiner, die van autumnata 
nog kleiner. Harrison (1915, Entom. 48: 33) zegt van de signa 
van autumnata : ,, small and scobinate" en tekent die van dilutata 
(pi. I, fig. II D) veel kleiner en donkerder dan Pierce, die van 
autumnata (fig. I D) iets kleiner en lichter. In mijn preparaten zie 
ik geen enkel betrouwbaar verschil tussen dilutata en christyi, de 
signa zien er precies hetzelfde uit. Alleen is het apparaat van het 
christyi' 9 iets kleiner. Daarentegen had het autumnata- 9 duide- 
lijk donkerder signa ! Ik heb dan ook geen kenmerk kunnen vinden, 
waardoor de 9,9 met zekerheid anatomisch te onderscheiden zijn. 
Zie fig. 401). Dit komt ook overeen met de ervaring van Berger 
(1947, I.e.). 




Fig. 40. Bursa van Oporinia dilutata Schiff, flinks, no. 312), O. christyi Prout 
(midden, no. 315) en O. autumnata Bkh. (rechts, no. 316). 25 x. 

Triphosa Stephens 
676. T, dubitata L. Verbreid door vrijwel het gehele land, niet 
alleen op de hogere gronden, maar ook bekend van verscheiden 
plaatsen in het lage land ; over het algemeen niet gewoon. 



^) I could not find rehable differences in the genitalia of the $ 2 of O. 
dilutata and O. christyi, except for a slight difference in size in favour of the 
former species, though Pierce (1914, I.e.) draws the signa of christyi smaller 
than those of dilutata. 



(642) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 147 

1 gen., tweede helft van Juli tot eind Nov. (23-7 tot 26-1 1 ) en na 
de overwintering tot eind Mei (25-5). In Z. Mus. nog een ver- 
kleurd ex. uit Venlo van 15-6, dat waarschijnlijk toch wel een uit- 
zondering zal zijn. 

V i n d p 1. Fr. : Bolsward. Gr. : Haren. Dr. : Hoogeveen. Ov. : 
Almelo, Frieswijk, Colmschate, Zwolle, Kampen. Gdl. : Harder- 
wijk, Leuvenum, Apeldoorn, Twello (ongeregeld), Ellecom, Arn- 
hem, Oosterbeek, Bennekom ; Vorden, Boekhorst, Lochem, Ruurlo, 
Aalten, Doesburg, Bijvank, Babberich, Herwen ; Nijmegen. Utr. : 
Amersfoort, Soest. N.H. : Hilversum, 's-Graveland, Amsterdam, 
Middelie, Heemskerk, Haarlem, Overveen. Z.H. : Noordwijk, Kat- 
wijk, Boskoop, Giesendam, Rotterdam, Dordrecht, Numansdorp. 
Zl. : Wemeldinge, Domburg. N.B. : Breda, Ginneken, Uden, 
Vught, Cuyck, Nuenen, Deurne. Lbg. : Venlo, Odiliënberg, Maas- 
tricht, St. Pieter, Bemelen, Meerssen, Spaubeek, Valkenburg, Voe- 
rendaal, Rolduc, Lemiers. 

Var. De typische vorm heeft, vooral in de middenband, een 
mooie roodachtige gloed over de voorvleugels. Later verdwijnt 
deze echter geheel (soms reeds vrij vroeg : een $ van 9 Aug., ge- 
vangen te Twello), zodat vooral de overwinterde exx. een vale 
grijsachtige kleur krijgen. 

1. f. cinereata Stephens, 1829, 111. Brit. Ent, Haust. 3: 263. 
Vleugels zwakker getekend en zonder de rode tint, grijsachtig bruin. 
Een mooi gaaf ex. van Apeldoorn (Z. Mus.); Nijmegen (Wiss.). 

2. f. punctigera Strand, 1903, Arch. Math, og Nat. 25 (9): 15. 
Achtervleugels op de middenstip (en soms flauwe sporen van don- 
kere aderpunten) na ongetekend. Waarschijnlijk geen zeldzame 
vorm. Twello (Gold.); Bijvank (Sch.); Nijmegen, Haarlem, Cuyck 
(Z. Mus.); Breda (6). 

3. f. tangens nov. Zie Gat. VIII : (557). Gewoon, overal onder 
de soort. 

Calocalpe Hb» 

677. C. cervinalis Scop., 1763 {certata Hb., [1806—1807]). 
De verbreiding in ons land, voor zover deze tenminste op het ogen- 
blik bekend is, is wel zeer merkwaardig : enkele vindplaatsen in 
het midden en geheel los daarvan een tweede territorium in het 
Zuiden van Limburg. 

In Denemarken tot nog toe alleen op de eilanden aangetroffen 
(Seeland, Fünen, Laaland, Möen, Bornholm). In het aangrenzende 
Duitse gebied in Sleeswijk-Holstein bij Flensburg (1926), dus vlak 
bij de Deense grens ; in de omgeving van Hamburg verbreid, niet 
gewoon, maar in aantal toenemend ; niet bekend van Bremen ; even- 
min met zekerheid bekend van Hannover ; in Westfalen bij W^al- 
deck ; in de Rijnprov. bij Neuenahr en Trier. In België tot nog toe 
alleen aangetroffen bij Dinant (maar in de Oosthelft stellig toch 
wel meer voorkomend in aansluiting aan ons Zuidlimburgse vlieg- 
gebied). Op de Britse eilanden alleen in Engeland, verbreid van 
het Zuiden tot Durham. 



148 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (643) 

2 gens., de eerste van begin Mei tot begin Juni (1-5 tot 6-6), 
de tweede, die ongetwijfeld slechts bij uitzondering voorkomt, in 
Augustus (Apeldoorn, 6-8-1894, Z. Mus.; 13-8-1907, Mus. M.). 

V i n d p 1. Ov. : Deventer. Gdl. : Apeldoorn (vele ab ovo ge- 
kweekte exx.); Twello (ongeregeld). Utr. : Driebergen. Lbg. : 
Maastricht, Amby, Houthem, Geulem, Schin op Geul, Vaals. 

Var. De meeste exx. behoren tot de typische vorm met licht- 
bruine grondkleur, die roodbruin getint is, en met duidelijke don- 
kere dwarslijnen. 

1. f. infuscata Rebel, 1910, Berge, 9e ed. : 336. Voorvis. bijna 
eenkleurig donkerbruin met minder duidelijke tekening, achtervls. 
eveneens verdonkerd. Apeldoorn (1 ex. de Vos, 2 exx. Z. Mus.). 

2. f. variegata Schwingenschusz, 1918, Verh. zool. -bot. Ges. 
Wien 68 : 152. Wortelveld en middenveld der wis. buitenwaarts 
afgezet door witgrijze of geelgrijze banden, waardoor het dier een 
veel bonter uiterlijk krijgt. Houthem (Jch.). 

3. f. tangens nov. Zie Gat. VIII : (557). Apeldoorn, verscheiden 
exx. (Z. Mus.). 

1 

678. C. undulata L. Vooral verbreid op de zandgronden en hier 
vrij gewoon, in het lage land veel minder. 

1 gen., waargenomen van de derde decade van Mei tot begin 
Septr. (22-5 tot 8-9), hoofdvliegtijd in Juli. 

V i n d p 1. Fr. : Terschelling, Leeuwarden, Tietjerk. Gr. : Gro- 
ningen, Hoogezand. Dr. : Paterswolde, Norg, V^eenhuizen, Assen, 
Wijster, Hoogeveen, Vledder. Ov. : Ootmarsum, Agelo, Vasse, 
Almelo, Daarle, Colmschate. Gdl. : Hoevelaken, Nijkerk, Garder- 
broek. Putten, Harderwijk, Elspeet, Nunspeet, Tongeren, Apel- 
doorn, Twello (geregeld, sommige jaren gewoon), Empe, Brummen, 
Imbosch, Dieren, De Steeg, Velp, Arnhem, Renkum, Bennekom, 
Lunteren ; Zutfen, Almen, Vorden, Lochem, Ruurlo, Eibergen, 
Aalten, Varseveld, Gaanderen, Montferland, Bijvank, Babberich ; 
Berg en Dal, Beek-Nijm., Nijmegen, Heumen, Hatert, Groesbeek. 
Utr. : Amerongen, Maarsbergen, Maarn, Zeist, Soest, Maarseveen, 
Nigtevecht, Holl. Rading. N.H. : Hilversum, 's-Graveland, Kor- 
tenhoef, Amsterdam, Bergen, Castricum. Z.H. : Leiden, Wassenaar, 
Voorschoten. N.B. : Bergen op Zoom, Hoogerheide, Princenhage, 
Breda, Ginneken, Ulvenhout, Tilburg, Goirle, Hilvarenbeek, Sint 
Michielsgestel, Uden, Nuenen, Helmond, Deurne. Lbg. : Mook, 
Plasmolen, Ottersum, Venlo, Tegelen, Weert, Roermond, Echt, 
Limbricht, Heerlen, Kerkrade, Hulsberg, Geulem, Houthem, Berg 
en Terblijt, Gronsveld, Eperheide, Epen, Holset, Vijlen, Vaals. 

Var. De typische vorm heeft op de voorvis. tussen de franje- 
waartse begrenzing van het middenveld en de golflijn 5 gegolfde 
lijnen, op de avis. 6 lijnen vóór de golflijn. Op de voorvis. raken 
de twee lijnen, die het middenveld begrenzen, elkaar telkens, zodat 
een snoer ontstaat. 

1. f. pßucilineata Ljungdahl in Bryk, 1921, Int. ent. Z. Guben 
14: 184. De lijntekening op de vleugels sterk gereduceerd, overi- 
gens normaal. Svenska Fjärilar, pi. 36, fig. 1 d. Colmschate (Luk- 
kien). 



(644Ì NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 149 

2. f. heimichi Hannemann, 1930, Int. ent. Z. Guben 24; 366. 
Het snoer op de wis. geheel donker opgevuld, zodat een smalle 
donkere middenband ontstaat, overigens is de tekening normaal. 
Apeldoorn (de Vos). 

3. f. subfasciata Reuter, 1893, Acta Soc. Fauna Flora Fennica 9 
(6): 68. Als de vorige vorm, maar de golflijnen onduidelijk. Svenska 
Fjärilar, I.e., fig. 1 e. Almelo (Kortebos); Vaals (Delnoye). 

4. f. culoti Bryk, 1921, I.e. : 199. De snoervormige middenband 
der wis. is van voorrand tot middencelvlek open, terwijl de beide 
grenslijnen sterk divergeren, zodat een lichte wigvormige vlek ont- 
staat. Colmschate (Lukkien); Nijmegen, Mook (zwakke exx., Z. 
Mus.); Nigtevecht (7). 

5. f. nordströmi Bryk, I.e. : 199. Op de wl. raken de beide dis- 
caallijnen, die het parelsnoer vormen, elkaar nergens, zodat een 
lichte middenband van de grondkleur ontstaat. Svenska Fjärilar, 
I.e., fig. 1 b. Apeldoorn, Wassenaar (Wiss.); Groesbeek (Lpk.); 
Amsterdam (Vari); Bergen (Mac G.). Bovendien enkele over- 
gangen : Putten (Z. Mus.), Apeldoorn (de Vos), Twello (Gold.). 

6. f. septemlineata Bryk, I.e. : 198. Op de avis. voor de golf lijn 7 
in plaats van 6 donkere lijnen. De Steeg, Venlo (Z. Mus.). 

7. Dwergen. Amsterdam (v. d. M.). 

Philereme Hb. 

679. P. vetulatla Schiff. Verbreid in bosachtige streken in het 
Oosten en Zuiden. Geheel los daarvan ligt een klein vlieggebied 
in de duinen van Zuid-Holland. Overal is de vlinder vrij zeld- 
zaam. 

1 gen., eerste helft van Juni tot half Aug. (10-6 tot 12-8). 

V i n d p 1. Dr. : Rolde. Ov. : Enschede, Volthe, Vasse, Rijssen. 
Gdl. : Leuvenum, Twello (zeldzaam), Otterlo : Vorden, Winters- 
wijk, Aalten, Gaanderen, De Zumpe, Didam, Babberich, Bijvank ; 
Nijmegen, Hatert. Z.H. : Wassenaar, Den Haag, Scheveningen, 
Staelduin. N.B. : Princenhage, Ulvenhout, Breda, Eindhoven, 
Nuenen, Deurne. Lbg. : Venlo, Oud-Vroenhoven, Bemelen, Oud- 
Valkenburg. 

680. P. transversata Hufn., 1767 {rhamnata Schiff., 1775). De 
verbreiding van deze soort in ons land komt merkwaardig met die 
van de vorige overeen : bosachtige streken in het Oosten en Zuiden 
en volkomen op zich zelf staand het duingebied van Voorne. De 
vlinder is echter veel zeldzamer dan P. vetulata. Dit geldt trouwens 
ook voor het gehele omringende Duitse gebied. 

In Denemarken zowel op de eilanden als in Jutland. In Slees- 
wijk-Holstein alleen in Oost-Holstein. Bij Hamburg lokaal, zeld- 
zaam. Niet bekend van de omgeving van Bremen. Bij de stad 
Hannover veel zeldzamer dan vetulata. In Westfalen op een acht- 
tal vindplaatsen aangetroffen. In de Rijnprov. bekend van 5 vind- 
plaatsen (o.a. 1 ex. bij Viersen). In België zeldzaam in de Ooste- 
lijke helft. In Engeland verbreid in het Zuiden en vaak gewoon, in 



150 B. I. LEMPKE, CATALOGUS DER (645) 

het Noorden zeldzaam. Niet bekend van Schotland en Ierland. 
1 gen., half Juni tot eind Juli (17-6 tot 30-7). 

V i n d p 1. Ov. : Hengelo. Gdl. : Twello (vrij zeldzaam), Velp ; 
Dcetinchem, Bijvank, Babberich ; Ubbergen, Nijmegen. Z.H. : 
Oostvoorne, Rockanje. N.B. : Cuyck. Lbg. : Mook, Blerick, Ge- 
rendal. 

Var. Een bijna eenkleurig donkerbruin ex. van Rockanje (Jch.). 
dat echter niet genoeg afwijkt om het tot een der weinige bekende 
vormen te kunnen rekenen. 

Lygris Hb. 

681. L. prunata L. Verbreid door het gehele land, plaatselijk vrij 
gewoon. Bekend van Texel en Terschelling. 

1 gen., half Juni tot half Septr. (17-6 tot 14-9). 

Var. 1 . f. juncta nov. Op de voorvls. is een vrij brede verbin- 
ding tussen wortel- en middenveld, zodat het onderste deel van de 
lichte antemediaanband geheel af gesnoerd is^). Zeldzaam. Paters- 
wolde, Putten (Z. Mus.); Amsterdam (v. d. M.); Wassenaar 
(Wiss.). 

(Overgangsexx., waarbij de beide donkere banden elkaar net ra- 
ken, zijn vrij gewoon.) 

2. f. constricta Strand, 1901, Nyt Mag. for Nat. 39 : 58. Van de 
donkere middenband der wis. is het onderste deel afgesnoerd door 
een witte lijn. Svenska Fjärilar, pi. 36, fig. 5 b. Middelie (De Boer); 
Haarlem, Wassenaar (Wiss.). 

3. f. obscurata Barca, 1922, Ent. Tidskr. 43 : 39, fig. 1. De lichte 
antemediaanband en het lichte achterrandsveld der wis. van de- 
zelfde donkerbruine kleur als de banden. Bij de Nederlandse exx., 
die ik gezien heb, zijn de achtervls. en de onderzijde normaal, zo- 
dat ze niet geheel beantwoorden aan de beschrijving van de in 
Noorwegen gevangen exx., waar ook deze gedeelten verdonkerd 
zijn. Onze vorm is dus minder extreem. Apeldoorn, Amsterdam, Rot- 
terdam, Domburg, Breda, Houthem (Z. Mus.). 

4. f. contrariata nov. De lichte antemediaanband en het lichte 
achterrandsveld veel lichter dan bij typische exx., bruinachtig wit, 
zodat het normaal gekleurde wortel- en middenveld scherp afste- 
ken2). Barrett, Brit. Lep. 8, pi. 360, fig. 2 a (1902). Putten, e.l. 
(Z. Mus.); Deventer (Gold.). 

682. L. testata L. Verbreid door het gehele land zowel op zand- 
gronden als in het lage land, vaak gewoon, vooral op heiden, waar 
de rups zonder twijfel van één der beide heide-soorten leeft. 

1 gen., begin Juli tot begin Octr. (3-7 tot 5-10). 

V i n d p 1. Fr.: Schiermonnikoog (gewoon. Wiss.), Ameland, 



^) On the fore wings there is a rather broad junction between basal and cen- 
tral band, so that the lower part of the pale antemedian band has been cut off. 

2] The pale antemedian band and the pale marginal area much paler than 
with typical specimens, brownish white, so that the normally coloured basal and 
central area sharply contrast. 



(646) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 151 

Terschelling (vrij gewoon, Lpk.). Vlieland, Nijetrijne, Appelscha. 
Gr. : Harendermolen, Vledderveen. Dr. : De Punt, Paterswolde, 
Donderen, Anlo, Assen, Rolde, Hoogersmilde, Vledder, Dwinge- 
lo, Havelte, Wijster, Schoonoord, De Klenke. Ov. : Lonneker, 
Twekkelo, Agelo, Albergen, Hengelo, Delden, Holten, Raalte, 
Okkenbroek, Bathmen, Diepenveen, Lettele, Colmschate. Gdl. : 
Putten, Harderwijk, Leuvenum, Hulshorst, Nunspeet, Epe, Tonge- 
ren, Apeldoorn, Twello (geregeld, maar niet talrijk), Empe, Hoen- 
derlo, Dieren, Ellecom, Velp, Arnhem, Wolfheze, Bennekom, Lun- 
teren, Scherpenzeel ; Laren, Lochem, Vorden, Ruurlo, Aalten, Var- 
seveld, Doetinchem, Gaanderen, Didam, Montferland, Bijvank, 
Lobith ; Berg en Dal, Nijmegen. Utr. : Veenendaal, Rhenen, Zeist, 
Groenekan, Soest, Baarn, Loosdrecht, Nigtevecht. N.H. : Hilver- 
sum, 's-Graveland, Bussum, Kortenhoef, Ankeveen, Diemen, Am- 
sterdam (slechts een enkel ex.). Halfweg, Kwadijk, Middelie, 
Texel, Heemskerk, Wijk aan Zee, Beverwijk, Driebuis, Zand- 
voort. Z.H. : Hillegom, Noordwijk, Katwijk, Wassenaar, Den 
Haag, Loosduinen, Staelduin, Lekkerkerk, Numansdorp, Dor- 
drecht, Goeree, Ouddorp. Zl. : Westenschouwen, Domburg. N.B. : 
Bergen op Zoom, Halsteren, Oudenbosch, Princenhage, Breda, Ul- 
venhout, Rijen, Tilburg, 's-Hertogenbosch, Vught, Uden, Oister- 
wijk, Hilvarenbeek, Nuenen, Asten, Deurne, Cuyck. Lbg. : Pias- 
molen, Milsbeek, Venlo, Tegelen, Swalmen, Roermond, Melick, 
Brunsum, Kerkrade, Wijnandsrade, Voerendaal, Maastricht, Hol- 
set. 

Var. De typische vorm heeft oranjegele paars getinte voorvls. 
(South, pi. 63, fig. 5—7 ; Seitz, 4, Suppl., pi. 10 h, fig. 4). Het in 
Svenska Fjärilar, pi. 36, fig. 6 a, afgebeelde typische $ is veel feller 
gekleurd dan onze exx., die veel beter met de eerst geciteerde fi- 
guren overeenstemmen. Of er een zo sterk geografisch verschil be- 
staat als de afbeeldingen doen vermoeden, moet afgewacht wor- 
den. Wat hier omschreven is als de typische vorm is bij ons de 
meest voorkomende. 

1. f. achatinata Hb., [1796—1799], Samml. Eur. Schm., fig. 301. 
Grondkleur der voorvls. oranjegeel zonder spoor van de paarse 
tint. Seitz, 4, pi. 8 e, fig. 7 ; Keer, pi. 68, fig. 6. In alle biotopen en 
op vrijwel alle vindplaatsen aanwezig, vooral bij de Î ? . 

2. f. insulicola Stgr., 1901, Gat. ed. 3: 291. De grondkleur der 
voorvls. verdonkerd met sterke paarse tint. Ook bij de beschrij- 
ving van deze vorm heerst geen eenstemmigheid. In zijn diagnose 

(,,obscurioribus, rubro-brunnescentibus") noemt Staudinger de 
paarse tint niet. Deze diagnose is echter een samenvatting van de 
beschrijving van Hoffmann (1884, Stett. ent. Z. 45 : 366), die er 
uitdrukkelijk bijvoegt : ,,und der bläuliche Uebergusz erscheint in- 
tensiver, die ganze Farbenanlage ist somit trüber". Behalve van de 
Shetland-eil. vermeldt H. volkomen gelijke exx. ook van Borkum en 
de Oberharz. Wat in Seitz, Suppl. 4, pl. 11 d, fig. 1, als insulicola 
afgebeeld wordt (naar een ex. van de Hebriden), beantwoordt in 
het geheel niet aan Hoffmann's beschijving, er is geen spoor van 
de sterke paarse tint. Een uitstekende figuur is daarentegen de af- 



152 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (647) 

beelding in Svenska Fjärilar, pi. 36, fig. 1 b. Behalve exx., die met 
deze overeenstemmen, komen bij ons nog paarsere voor, waarbij 
nauwelijks meer enig spoor van de normale grondkleur te zien is. 
Ook bij deze exx. is de onderzijde echter nauw^elijks verdonkerd. De 
mooiste insulicola' s ken ik van de Wadden-eilanden en de Drentse 
heideni). Ameland (Br.); De Punt, Norg, Donderen, Anlo(Wiss.): 
Peizerveen, Apeldoorn (Z. Mus.); Terschelling, Koog-Texel, 
Dwingelo (Lpk. ); Hoogersmilde (Van Eldik); Nunspeet (Mac 
G.); Lonneker, Twekkelo, Albergen, Amsterdam (hier een prachtig 
,? ; V. d. M.). 

3. f. contraria Heydemann, 1938, Ent. Zeitschr. Frankfurt 51 : 
393. Exx. van insulicola, waarbij wortelveld, middenveld en api- 
C/aalvlek door een scherpe w^itte lijn afgezet zijn, terwijl de lichte 
banden aan weerszijden van het middenveld ivoorwit bestoven 
zijn, zodat wortelband en middenveld scherp afsteken. Paterswolde, 

$ (Wiss.). 

4. f. obscura Brettschneider. 1927, Int. ent. Z. Guben 21 : 199. 
Niet alleen de bovenzijde, maar ook de onderzijde sterk verdon- 
kerd. Seitz 4, Suppl., pi. 10 h, fig. 5. De vorm is erfelijk, maar de 
kweekresultaten van de auteur (I.e.) laten geen nauwkeuriger con- 
clusie toe, daar niets meegedeeld wordt over de F^. Dwingelo, een 
prachtig donker $ (Lpk.). 

5. f. uniformata nov. Wortelband en middenveld niet verdon- 
kerd, de dwarslijnen steken echter scherp tegen de lichte grondkleur 
af2). Diepenveen, Apeldoorn, Leeuwen, Oisterwijk, 4 ? 2 (Z. 
Mus.). 

683. L. populata L. Met de bosbessen verbreid door het gehele 
Oosten en Zuiden in bosachtige streken, ook (maar veel minder) van 
enkele plaatsen uit het duingebied bekend. Bosbessen komen hier 
echter niet voor, zodat, wanneer de vlinder hier inderdaad inheems 
is (of was), de rups hier op een andere voedselplant (wilg) moet 
leven. 

1 gen., half Juni tot half Aug. (18-6 tot 15-8). 

V i n d p 1. Gr. : Groningen. Dr. : Norg, Donderen, Assen, Oos- 
terhesselen. Ov. : De Lutte, Agelo, Vasse, Almelo, Borne, Delden, 
Holten, Frieswijk, Diepenveen. Gdl. : Nijkerk, Putten, Harderwijk, 
Leuvenum, Nunspeet, Apeldoorn, Hoog Soeren, Twello (niet ge- 
woon), Empe, Loenen, Laag Soeren, Imbosch, Velp, Arnhem, Oos- 
terbeek, Renkum, Bennekom, Ede, Lunteren ; Vorden, Korenbur- 



^) The form figured in Seitz, Suppl., pi. 11 d, fig. 1, as insulicola Stgr., has 
nothing to do with this form. It is true that Staudinger in his very short origin- 
al description (1901, I.e.) does not mention a purplish tint, but he refers to 
Hoffmann (1884, I.e.) and this author emphatically mentions the "bluish" tint. 
The form is not restricted to the Hebrides (Hoffmann already mentioned Bor- 
kum and the Harz), but it is also common in Scotland. In Holland it is especially 
found in the Wadden islands and on the heaths in the North of the country. 

-) Basal and discal band not darkened, the transverse lines however strongly 
contrast with the pale ground colour. 

[I know the form only in the female se.x, but it occurs independently from the 
ground colour.] 



(648) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 153 

gerveen, Winterswijk, Kotten, Aalten, Slangenburg, Doetinchem, 
Gaanderen, Montferland, Bijvank, Beek-Didam (Muizenberg), 
Babberich ; Beek-Nijm., Ubbergen, Nijmegen. Utr. : Amerongen, 
Maarn, Soest. N.H. : Amsterdam (1862, Tijdschr. voor Ent. 5: 
179), Wijk aan Zee. Z.H. : HiUegom, Den Haag. N.B. : Breda, 
Oisterwijk, Cuyck. Lbg. : Plasmolen, Venlo, Echt, Meerssen, Maas- 
tricht, Geulem, Aalbeek, Hulsberg, Kerkrade, Wittem, Gulpen, 
Mechelen, Epen, Holset, Vaals. 

Var. De typische vorm (LiNNé, 1758, Syst. Nat., ed. X : 525) 
heeft een gedeeltelijk donker gevuld middenveld (,, anticis subfasci- 
atis") op vrij donkergele grondkleur (Svenska Fjärilar, pi. 36, fig. 
7 a). Hiermee stemt het grootste deel van onze exx. overeen. 

1. f. mediofasciata Nitsche, 1926, Zeitschr. Öst. Ent. Ver. 11 : 
74. Vvls. met eenkleurig donker middenveld. Seitz 4 Suppl., pi. 11 h, 
fig. 6. Zeldzaam. Arnhem (Missiehuis Arnhem); Imbosch (Br.). 

2. f. dotata Linné, 1758, Syst. Nat., ed. X : 526. Van wortel- en 
middenveld alleen de grenslijnen aanwezig, de donkere vulling ont- 
breekt geheel. Svenska Fjärilar, I.e., fig. 7 e. Groningen (De Ga- 
vere, 1867, Tijdschr. voor Ent. 10: 215): Vasse (v. d. M.); Die- 
penveen, Korenburgerveen (Lpk.); Apeldoorn (de Vos); Arnhem 
(v. d. Pol); Vorden (Btk.); Nijmegen, Amerongen (Wiss.); Kerk- 
rade (Latiers); Vaals (Berk). 

684. L, mcUinata F„ 1787 {associata Bkh., 1794). Verbreid door 
vrijwel het gehele land, vrij gewoon tot gewoon. 

1 gen., begin Juni tot begin Aug. (7-6 tot 1-8). 

V i n d p 1. Fr. : Kollum, Bolsward. Gr. : Delfzijl, Noordbroek, 
Haren, Veendam. Dr. : Vledder, Hoogeveen. Ov. : Hengelo, Borne, 
Almelo, Weldam, Nijverdal, Colmschate. Gdl. : Nijkerk, Putten, 
Harderwijk, Leuvenum, Heerde, Apeldoorn, Twello (gewoon, vaak 
talrijk), Empe, Laag Soeren, Arnhem, Oosterbeek, Bennekom, Lun- 
teren ; Zutfen, Vorden, Wildenborch, Lochem, Boekhorst, Aalten, 
Doetinchem, Bijvank, Lobith, Herwen ; Berg en Dal, Nijmegen, 
Neerbosch, Leeuwen. Utr. : Doorn, Zeist, Bilthoven, Den Dolder, 
Soest, Groenekan, Holl. Rading, Maarseveen, Loosdrecht. N.H. : 
Hilversum, Bussum, Amsterdam, Middelie, Purmerend, Zaandam, 
Driebuis, Haarlem, Overveen, Aerdenhout, Zandvoort, Heemstede. 
Z.H. : Bodegraven, Leiden, Oegstgeest, Voorschoten, Leidsendam, 
Den Haag, Reeuwijk, Zevenhuizen, Rotterdam, Hillegersberg, 
Schiedam, Vlaardingen, Oostvoorne, Oud-Beierland, Numansdorp, 
Dordrecht, Melissant. Zl. : Kapelle, Goes. N.B. : Bergen op Zoom, 
Breda, Ingen, Nuenen, Deurne. Lbg. : Plasmolen, Tegelen, Steyl, 
Belfeld, Roermond, Meerssen, Maastricht, Brunsum, Voerendaal, 
Epen, Vaals. 

Var. Gering. De grondkleur is wat lichter of donkerder geel, 
het middenveld der voorvls. is soms wat smaller, maar extreme exx., 
die een naam verdienen, komen slechts zelden voor. 

1. f. approximata nov. Zie Gat. VIII: (557). Hillegersberg 
(Mus. Rd.). 



154 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (649) 

685. L. pyraliata Schiff., 1775 {dotata Stgr., 1871, nee Linné, 
1758). Verbreid op de zandgronden, maar lang niet overal ge- 
woon. Ook hier en daar uit het lage land bekend (uitbreiding via 
de spoorbanen en zwervers ? ) . 

1 gen., tweede helft van Juni tot half Aug. (20-6 tot 18-8). 

V i n d p 1. Fr. : Leeuwarden. Gr. : Groningen, Haren. Dr. : 
Vledder. Óv. : Hengelo, Albergen, Almelo, Weldam, Holten, Colm- 
schate, Diepenveen, Platvoet. Gdl. : Nijkerk, Harderwijk, Apel- 
doorn, Twello (vrij gewoon), Empe, Arnhem, Renkum, Wage- 
ningen ; Zutfen, Warnsveld, Vorden, Lochem, Borculo, Aalten, 
Doetinchem, Bijvank, Babberich, Herwen, Lobith ; Kerk-Avezaath, 
Wamel. Utr. : Leersum, Zeist, Maarseveen, Loenen, Holl. Rading. 
N.H. : Hilversum. Kortenhoef, Amsterdam, Heilo, Heemskerk, 
Wijk aan Zee, Bloemendaal, Haarlem, Overveen, Aerdenhout, 
Bentveld, Zandvoort, Vogelenzang. Z.H. : Noordwijk, Leiden, 
Wassenaar, Den Haag, Rijswijk, Loosduinen, Hoek van Holland, 
Schiedam, Rotterdam, Oostvoorne, Rockanje. Zl. : Domburg, Groe- 
de. N.B. : Tilburg, 's-Hertogenbosch, Nuenen, Helmond, Cuyck. 
Lbg. : Plasmolen, Venlo, Roermond, Brunsum, Kerkrade, Rolduc, 
Voerendaal, Geulem, Houthem, Aalbeek, Meerssen, Bemelen, 
Gronsveld, Gulpen, Epen, Diependal, Vaals. 

Var. 1. f. deleta Strand, 1903, Archiv Math, og Nat. 25 (9): 
15. Van de tekening zijn alleen de twee lijnen over, die het midden- 
veld begrenzen. Seitz, pi. 8 g, fig. 5 ; South, pi. 65, fig. 4. ,, Fries- 
land", Lochem, Wamel, Amsterdam, Overveen (Z. Mus.); Twello 
(Gold.) ; Wassenaar (Wiss.). 

2. f. obsoleta nov. Voorvls. slechts met flauwe roodachtige 
dwarslijneni ) . Wassenaar, $ (Wiss.). 

3. f. mediofasciata nov. Middenveld geheel of grotendeels ge- 
vuld met een donkere geelbruine kleur^). Twello (Gold.); Amster- 
dam (Z. Mus.); Aerdenhout (Wiss.). 

4. f. juncta nov. Op de voorvls. de wortellijn door 1 of meer ho- 
rizontale lijnen met de antemediaanlijn verbonden^). Wassenaar 
(Wiss.). 

5. f. conjuncta nov. De beide lijnen, die het middenveld begren- 
zen, door 1 of meer donkere lijnen langs de aderen met elkaar ver- 
bonden^). Diepenveen (Lpk.); Wassenaar (Wiss.). 

6. f. approximata nov. Zie Gat. VIII: (557). Doetinchem 
(Gold.); Maarseveen (de Nijs); Haarlem, Wassenaar, Epen 
(Wiss.); Overveen (Btk. ). 

7. f. centrolineata nov.^) Op de voorvls. is alleen de wortellijn en 



^) Fore wings only with obsolete reddish transverse lines. 

-) Central area of the fore wings wholly or for the greater part filled with a 
darker yellow-brown colour. 

^) On the fore wings the basal line joined by one or more horizontal lines to 
the antemedian line. 

■*) Both lines bordering the central area are joined by one or more dark lines 
along the nervures. 

^) On the fore wings only the basal line and a rather broad sharply con- 
trasting line in the middle (resulting from the complete coalescense of the two 
discal lines ?) remain, all other markings fail. 



(650) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 155 

een vrij brede scherp afstekende lijn in het midden over (ontstaan 
door de volledige samensmelting van de beide discaallijnen ?), 
overigens ontbreekt alle tekening. „Friesland", 1 $ (Z. Mus.). 
8. f. aurantior nov. Grondkleur der vleugels oranjegeel^ ) . Was- 
senaar (Wiss.). 

Cidaria Tr, 

686. C. fulvata Forster. Hoofdzakelijk verbreid in bosachtige 
streken op zandgronden, ook hier en daar op kleigrond, waar wilde 
rozen in de heggen voorkomen. 

1 gen., tweede helft van Mei tot eind Juli (20-5 tot 30-7). 

V i n d p 1. Ov. : Weldam, Colmschate. Gdl. : Nijkerk, Putten, 
Harderwijk, Ermelo, Apeldoorn, Twello (geregeld), Empe, Velp, 
Arnhem, Oosterbeek, Wageningen ; Zutfen, Vorden, Lochern, Aal- 
ten, Doetinchem, Doesburg, Lobith, Herwen ; Berg en Dal, Nij- 
megen, Hatert. Utr. : Leersum, Driebergen, Zeist, Amersfoort, 
Soest, Baarn, Maarseveen. N.H. : Hilversum, Laren, Blaricum, 
Naarden, Bussum, Wijk aan Zee (in 1896 in de duinen zeer alge- 
meen, OuDEMANS, 1897, Tijdschr. voor Ent. 40: 392), Velzen, 
Overveen, Aerdenhout, Zandvoort. Z.H. : Wassenaar, Den Haag, 
Oostvoorne. Zl. : Domburg. N.B. : Breda. Lbg. : Venlo, Roermond, 
Kerkrade, Rolduc, Valkenburg, Houthem, Meerssen, Eperheide, 
Vaals. 

Var. 1. f. lineata Wehrli, 1918, Int. ent. Z. Guben 11 : 242. Op 
de bovenzijde der avis. een duidelijke donkere postmediaanlijn. 
Apeldoorn, Berg en Dal, Nijmegen, Soest, Overveen, Den Haag 
(Z. Mus.); Twello (tr.. Gold.); Herwen (Sch.). 

2. f. rufescens nov. Middenband der voorvls. donker roodach- 
tig2). Aerdenhout (Wiss.). 

Plemyria Hb. 

687. P. rubiginata Schiff., 1775 {Phalaena bicolorata Hufn., 
1767, Beri. Mag. 4 : 608, nee Phalaena bicolorata Hufn., 1766, op. 
cit. 3 : 410)3). Verbreid door het grootste deel van het land, vooral 
op niet te droge plaatsen in verband met het voorkomen van de 
rups op els. 

1 gen., eind Mei tot half Septr. (27-5 tot 16-9), hoofdvliegtijd 
Juli. Mei- en Septr. -exx. komen weinig voor. 

V i n d p 1. Fr. : Kollum, Leeuwarden, Drachten. Gr. : Lopper- 
sum, Groningen, Haren. Dr. : Paterswolde, Schoonoord, Wijster. 
Ov. : Lonneker, Denekamp, Almelo, Colmschate, Kampen. Gdl. : 
Nijkerk, Putten, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Apeldoorn, Twel- 
lo, Empe, Dieren, De Steeg, Arnhem, Oosterbeek, Lunteren ; Zut- 
fen, Vorden, Lochern, Barchem, Winterswijk, Aalten, Doetinchem, 
Bijvank, Babberich ; Nijmegen. Utr. : Driebergen, Zeist, Amers- 



* ) Ground colour of the fore wings orange-yellow. 

^) Central band of the fore wings dark reddish. 

^) Geometra rubiginata Schiff., 1775, is geen homoniem van Phalaena rubi- 
ginata Huhi., 1767, tegenwoordig Scopula rubiginata Hufn., zie Cat. VIII : 
(583)! 



156 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (651) 

foort, Soest, Baarn, Groenekan, Nigtevecht, Linschoten. N.H. : Hil- 
versum, Bussum, Amsterdam, Zaandam, Beemster, Texel, Bergen, 
Heemskerk, Wijk aan Zee, Haarlem, Overveen, Aerdenhout. 
Z.H. : Woerden, Hillegom, Lisse, Noordwijk, Oegstgeest, Leiden, 
Wassenaar, Voorburg, Den Haag, Rijswijk, Loosduinen, Kijkduin, 
Staelduin, Schiedam, Rotterdam, Oostvoorne, Rockanje, Oud- 
Beierland, Numansdorp, Dordrecht, Melissant. Zl. : Serooskerke. 
N.B. : Bergen op Zoom, Breda, Teteringen, Hilvarenbeek, Oister- 
wijk, Uden, Nuenen, Helmond, Deurne. Lbg. : Venlo, Tegelen, 
Steyl, Roermond, Melick, Heerlen, Voerendaal, Aalbeek, Meers- 
sen, Bemelen, Maastricht, Eperheide, Epen, Vaals, Vijlen. 

Var. De typische vorm bezit slechts de costaalhelft van de mid- 
denband (Seitz, pi. 8 h, fig. 1 ; Svenska Fjärilar, pi. 36, fig. 12). 
Dit blijft ook zo na de naamsverandering. De definitie van Schif- 
fermüller (1775, Syst. Verz. : 114) is, als bijna altijd, van weinig 
waarde (,,Schneeweiszer rostgelbfleckichter Sp."). Maar Fabri- 
cius (1787, Mantissa Ins. 2: 205) beschreef de soort naar het 
materiaal uit de Weense collectie (,, Habitat in Austria Mus. Dom. 
Schief f ermyller") en zegt van de middenband: ,,dimidiata", dus 
half, bovendien citeert hij de figuur van Sulzer ( 1 776, Phalaena 
alstroemeriana in Abgek. Gesch. Ins., pi. 23, fig. 5), die eveneens 
een ex. afbeeldt, dat de gehele binnenrandshelft van de midden- 
band mist. 

Deze typische vorm is wel op alle vindplaatsen aan te treffen, 
maar niet talrijk. 

1. f. parvula Retzius, 1783, Gen. et Spec. Ins. : 42. Ook op het 
midden van de binnenrand staat een donkere vlek, waarvan meestal 
nog wel te zien is, dat zij ontstaan is uit de samenstelling van 2 
aparte vlekjes. Type: De Geer 2 (1), pi. 6, fig. 2 (1771). Onge- 
twijfeld wel de meest voorkomende vorm in ons land. 

2. f. bipunctata Hannemann, 1920, Int. ent. Z. Guben 14 : 122. 
Op het midden van de binnenrand der voorvls. staan boven elkaar 
2 kleine afzonderlijke vlekjes. Een vrij gewone vorm. Apeldoorn, 
Oosterbeek, Vorden, Nijmegen, Baarn, Hilversum, Amsterdam, 
Leiden, Rockanje, Breda, Vaals (Z. Mus.); Twello, Doetinchem 
(Gold.); Zeist (Br.); Nigtevecht, Leiden, Breda (L. Mus.); Ber- 
gen (Mac G. ); Haarlem, Wassenaar (Wiss.). 

3. f. plumbata Curtis, 1837, Brit. Ent. 14, pi. 643. Voorvls. met 
heel smal onderbroken middenband, overigens normaal. Vrij zeld- 
zaam in ons land. Loppersum, Wassenaar (Wiss.); Zeist (Br.); 
Nigtevecht (L. Mus.); Hilversum (Caron); Amsterdam (Z. Mus.); 
Rotterdam (L. Mus., Z. Mus.). 

4. f. completa Rebel, 1910, Berge's Schmett.buch, 9e ed. : 339. 
Voorvls. met ononderbroken volledige middenband. Barrett 8, pi. 
33, fig. 1 b (type van Rebel !). Zeldzaam. Lisse (Z. Mus.); Oegst- 
geest (links, rechts plumbata, L. Mus.); Kijkduin (Cold.). 

Thera Stephens 

688. T. variata Schiff. Tot nog toe zeer lokaal op betrekkelijk 



(652) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 157 

weinig vindplaatsen aangetroffen, maar -waarschijnlijk wel meer in 
sparrenbossen te vinden, slechts van weinige vindplaatsen (Bij- 
vank en het bosgebied van Z. O. -Limburg) als gewoon bekend. 

2 gens., de eerste van begin Mei tot in de tweede helft van Juni 
(5-5 tot 21-6), de tweede van de eerste helft van Aug. tot in de 
tweede helft van Septr. (12-8 tot 24-9). Evenals bij de volgende 
soort komen ook hier exx. tussen beide gens, voor, waarvan moei- 
lijk uit te maken is, of het vroege exx. van de tweede gen. of late 
van de eerste zijn, waarvan de poppen bleven liggen : Epen, 19-7- 
1930, vers $ (Lpk.), 26-7 (Wiss.). 

V i n d p 1. Dr. : Norg, Dwingelo. Gdl. : Putten, Apeldoorn, 
Twello (zeer zeldzaam), Velp, Arnhem; Bijvank ; Hatert. N.H. : 
Oud-Bussum, Naarden. Z.H. : Noordwijk. N.B. : Tilburg. Lbg. : 
Kerkrade, Gulpen, Epen, Holset, Vijlen, Vaals, Meerssen. 

Var. 1. f. variata Schiff., 1775, Syst. Verz. : 110 (Hübner, 
Samml. Eur. Schm., fig. 293). Grondkleur van de banden der 
voorvls. bruingrijs. De Roo in Sepp, 2e serie 4, pi. 31, fig. 12 (± 
1885)1); Svenska Fjärilar, pl. 36, fig. 13 a ; Seitz 4, pi. 8 h, fig. 2. 
Hoofdvorm. 

2. f. brunneofasciata nov. Grondkleur van de banden der voor- 
vls. zuiver helder bruin, zonder grijze tint^). Bijvank (Seh.); Naar- 
den (Z. Mus.); Epen (Wiss.). 

3. f. nigr of asciata Gumppenberg, 1890, Nova Acta Acad. Leop.- 
Carol. 54 : 440. Grondkleur van de banden der voorvls. zwart- 
achtig. Epen (Wiss.). 

4. f. obscura Höfer, 1924-25, Verh. zool.-bot. Ges. Wien 74—75 : 
(5), fig. 1 en 2. Voorvls. verdonkerd tot eenkleurig zwartachtig 
grijs, de banden nog donkerder afstekend. Epen (Wiss.). 

5. f. albata nov. Grondkleur der voorvls. zuiver wit, de donkere 
tekening scherp afstekend^). Putten (verschillende exx. in 1922, 
'27 en '28 (Z. Mus.); Vaals (tegelijk costovata ; Delnoye). 



^) Deze figuur is de enige variata, die op de plaat voorkomt, en ook het enige 
ex., dat De Roo van de soort bezat. Alle andere exx. behoren tot Thera obelis- 
cata Hb. 

2 ) Ground colour of the bands of the fore wings pure clear brown, without 
grey tint. 

^) Ground colour of the fore wings pure white, the dark markings sharply con- 
trasting. 

[Though this form strongly resembles Thera albonigrata Höfer (1920, Verh. 
zool.-bot. Ges. Wien 70: (19), fig. 1, 2) it is not identical with this Austrian 
form. As Gornik claimed species right for albonigrata (1942, Zeitschr. Wien. 
Ent. Ver. 27: 69), which was sustained by the examination of the genitalia 
(Albers, 1943, op. cit. 28: 209^214), it was highly desirable to compare our 
form with albonigrata. I therefore sent a specimen to Herrn H. Reisser in Vienna, 
who kindly undertook the comparison. His conclusion is, that albata is a variata 
form, not identical with Thera albonigrata. The latter is larger, and its flying 
time and caterpillar differ from those of variata, whereas albata has the same 
habitus and biology as variata (there are no notes of its caterpillar). This 
conclusion completely coincides with the opinion I had already formed. 

F. albata is certainly a hereditary unit. June 1927 Oudemans took a worn Ç 
at Putten (prov. of Guelderland). It only produced one $ on Sept. 5 of that 
year. This specimen belongs to the same form, which points to the possibility 
that albata is dominant.] 



158 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (653) 

6. f. tenuif asciata Osthelder, 1929, Schmett, Südb. : 419. Midden- 
veld der voorvls. sterk versmald. Epen (Lpk., Wiss.). 

7. f. interrupta Schawerda, 1914, Jahresber. Wiener Ent. Ver. 
24 : 146. Middenband der voorvls. in de benedenhelft onderbroken. 
Norg, Epen (Wiss.); Bijvank (Cold., Sch.); Hatert (Bo.); Oud- 
Bussum (L. Mus.). 

[Wiss. bezit een ex. van Epen, waarbij op de linker voorvl. de 
middenband boven het midden is onderbroken. Dit is een geheel 
andere variatie-richting, die veel zeldzamer schijnt voor te komen.] 

8. f. dissoluta Höfer, 1920, Verh. zool.-bot. Ges. Wien 70 : (20). 
Middenband der voorvls. in meer dan twee delen gebroken. Bijvank 
(Sch.); Epen (Wiss.); Vijlen (Delnoye). 

9. f. costimaculata Höfer, 1920, I.e. : (21 ), fig. 3. Van de midden- 
band der voorvls. is slechts het bovenste deel over. Bijvank (Sch.); 
Vaals (Delnoye). 

689. T. obcliscata Hb. Verbreid door vrijwel het gehele land op 
zandgronden, op vele plaatsen een gewone soort. Bekend van Texel 
en Ameland. Buiten het normale vlieggebied aangetroffen te Am- 
sterdam ( S , 1922, V. d. M.) en te Goes (1 ex.. Van Willegen). 

2 gens., de eerste van eind April tot begin Juli (28-4 tot 7-7), de 
tweede van de tweede helft van Aug. tot eind Octr. (25-8 tot 
28-10). 

,,In sommige jaren schuift zich daar nog een vliegtijd tussen in, 
bijv. in 1924 op Ullerberg (Leuvenum) van 11-7 tot 6-8. Tutein 
NoLTHENius heeft er speciaal bij aangetekend, dat de exx. van 22 
tot en met 28-7 ,,vers" waren. Het komt mij voor, dat dit nog geen 
tweede gen. is, maar dat het vlinders zijn uit poppen, die in Mei van 
hetzelfde jaar zijn blijven overliggen. In 1925 begon op Ullerberg 
een tweede vliegtijd op 21-7 (vele) en 22-7 (idem), maar daarna 
was Tutein tot half Septr. afwezig, zodat weken lang de aanteke- 
ningen ontbreken. 

In Twello heb ik alleen in 1937 een spoor van een tussen-vliegtijd 
waargenomen : tussen een eerste gen. van 20-5 tot 13-6 en een 
tweede gen. van 27-9 tot 27-10 verscheen 1 ex. op 1 1-8. Het schijnt 
dus wel, dat de tussenvliegtijd in Juli en begin Augustus slechts 
sporadisch voorkomt." (Coldewey in litt.) 

Ik beveel het bovenstaande probleem voor verder onderzoek aan. 
In de aantekeningen van Van Wisselingh vond ik slechts 1 ex. 
uit de tussenperiode : 20 Juli 1929. 

Var. De vlinder is zeer variabel en moet ook om deze reden 
sterk aanbevolen worden ter verdere bestudering. Het is lang niet 
altijd makkelijk de exx. bij de een of andere vorm in te delen. 

1. f. herrichi Höfer, 1920, Verh. zool.-bot. Ges. Wien 70 : (22). 
fig. 8 {[irmatoides Nordström, 1940, Svenska Fjärilar : 255, pi. 36, 
fig. 14 c). Vvls. licht grijsbruin, middenveld licht geelbruin, duidelijk 
afstekend (type: HERRiCH-ScHäFFER, 1846, Geom., fig. 240 — 242; 
er is nauwelijks enig verschil in tint tussen de figuur van Nord- 
ström en de afbeeldingen van H.-S. ). Zulke lichte exx. zijn bij ons 
verre van gewoon. Putten, Apeldoorn, Arnhem, Renkum, Nijmegen, 



(654) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 159 

Bussum, Haarlem, Oisterwijk, Venlo (Z. Mus.); Leuvenum 
(Cold.); Tongeren (Hardonk); Loosduinen (L. Mus.); Breda (L. 
Mus., Z. Mus.). 

2. f. obeliscata Hb., [1787], Beitr. Schmetterl.k. 1 (2): 6, pi. (2) 
1, fig. C. Voorvls. licht grijsbruin, middenveld vrij donker bruin 
(maar zonder zwarte tint !), scherp getekend. De Roo in Sepp, 2e 
serie 4, pi. 31, fig. 15 (fig. 16 en 17 zijn overgangen met donkerder 
grondkleur); Svenska Fjärilar, I.e., fig. 14 a; Seitz, pi. 8 h, fig. 5. 
Op de meeste vindplaatsen onder de soort voorkomend, maar niet 
gewoon. Diever, Bussum (F. F.); Colmschate (Lukkien); Leuve- 
num (L. Wag.); Nunspeet (Vari); Apeldoorn, Laag Soeren, Breda 
(L. Mus.); Twello (Cold.); Loenen-G. (v. d. M.); Velp (de Roo); 
Ellecom, Arnhem, Zeist, Bussum, Bloemendaal, Overveen, Oister- 
wijk, Venlo (Z. Mus.); Arnhem, Montferland (Elf rink); Benne- 
kom (v. d. Pol); Aalten (v. G.); Hatert (Bo.); Leersum (Wiss.); 
Hilversum (Caron); Roermond (Fr.). 

3. f. brunneo-albata Heydemann, 1933, Int. ent. Z. Guben 27 : 
397. Grondkleur der voorvls. witachtig, middenveld bruin, scherp 
afstekend. Leuvenum (Cold.); Tongeren (Hardonk); Oosterbeek 
(benevens tr. exx. van Renkum en Venlo, Z. Mus.). 

4. f. pseudovariata Heydemann, 1933, I.e. : 396. Grondkleur der 
voorvls. licht min of meer bruin getint grijs, middenveld (en wor- 
telveld, dat steeds met het middenveld correspondeert) iets donker- 
der en bruiner, door zwarte lijnen afgezet en door zwarte aderen 
doorsneden. Aan de binnenrand loopt het middenveld in een don- 
kere vlek uit. South, pi. 70, fig. 2 (door Heydemann zelf geciteerd). 
Vooral de exx. met grijze grondkleur (Sepp, I.e., fig. 13 en 18) lij- 
ken sterk op Thera variata, de wat bruinere minder (Sepp, fig. 14 
en 19). De afbeelding in Seitz (Suppl.) 4, pi. 11 c, fig. 3, is een 
donkerder variant. Ongetwijfeld (evenals in N.W. -Duitsland en 
Groot-Brittannië) onze hoofdvorm. 

5. f. medionigricans Reutti, 1898, Uebers. Lep. Fauna Baden, 
ed. II ; 135. Middenveld der voorvls. zwartachtig, in de regel 
scherp afstekend tegen de lichtere grondkleuri). Volthe (v. d. M.); 
Colmschate (Lukkien); Putten, Leuvenum, Hoog Soeren, Nijme- 
gen, Rhenen, Oisterwijk (Z. Mus.); Bennekom (v. d. Pol); Mont- 
ferland, Bijvank, Beek-Nijm. (Sch.); Berg en Dal (Bo.); Amers- 
foort (Wp.); Soest (Lpk.); Venlo (L. Mus.). 



^) Heydemann (1933, Int. ent. Z. Guben 27 : 397) is of opinion that f. m'gro- 
{asciata Gumppenberg (1890, Nova Acta Acad. Leop. -Carol. 54: 440) belongs 
to Thera obeliscata Hb. and not to T. variata Schiff., because Röszler, to which 
Gump, refers, writes : ,,eine an Föhren nicht seltene Varietät". This sentence, 
however, only refers to f. mediolucens and not to the second form with the black 
band. I therefore agree with Prout (1937, Seitz, Suppl. 4: 112) that there was 
no necessity for a change. Röszler mixed up both species and already long before 
1933 f. nigrolasciata Gmpbg. had been fixed as a form of T. variata Schiff. 

Reutti (1898, I.e.) described f. medionigricans from Freiburg, Maisch, and 
Heydemann was informed by Dr O. Schröder that only pine trees (Pinus) are 
found here, not spruce, so Hdm. correctly fixed medionigricans as a form of 
Thera obeliscata. This fixation must be considered definite. 



160 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (655) 

6. f. nigrescens nov. Grondkleur der voorvls. zwartgrijs tot zwart, 
wortelveld en middenveld bruinzwart tot zwartachtig, duidelijk af- 
stekendi). Putten (Z. Mus.); Hulshorst (L. Mus.); Berg en Dal 
(Bo.); Zeist (Br.); Soest (Lpk.); Aerdenhout (Wiss.). 

7. f. mediolucens Röszler, 1880, Jahrb. Nass. Ver. 33 : 154. Midr- 
den- en wortelveld hebben ongeveer dezelfde lichte geelbruine 
kleur als f. herrichi, maar de grondkleur der voorvls. is donkerder, 
grijsachtig bruin, waardoor het contrast sterker is. Svenska Fjäri- 
lar, pi. 36, fig. 14 b, is een sterk verdonkerd ex. Wijster (Beije- 
rinck); Colmschate (Lukkien); Putten, Ermelo, Renkum, De Bilt, 
Naarden, Breda (Z. Mus.); Leuvenum (L. Wag.); Montferland 
(Sch.); Groesbeek, Mook (L. Mus.); Soest (Lpk.); Hilversum 
(Caron); Bussum (v. d. M.); Wassenaar (Wiss.). 

8. f. nigrolucens nov. Grondkleur der voorvls. zwartbruin, wor- 
tel- en middenveld lichtbruin, niet door donkere lijnen afgezet^). 
Barrett, 1902, Brit. Lep. 8, pi. 366, fig. 3. Een van de mooiste 
vormen, maar zeldzaam. Mook (Bo. ). 

9. f. nigrolineata Cockayne, 1946, Ent. Ree. 58 : 93. Voorvls. 
eenkleurig roodbruin (type) of grijsbruin, de lijnen, die wortel- en 
middenband afzetten, zwartachtig, scherp afstekend, maar de ban- 
den zelf niet verdonkerd, de aderen in het middenveld zwartachtig. 
Laag Soeren (Z. Mus.). 

10. f. obsoleta nov. Voorvls. eenkleurig grijsbruin, tekening zeer 
zwak of zelfs vrijwel geheel verdwenen^). Ambt-Delden, Bussum 
(v. d. M.); Berg en Dal (Bo.); Zeist (Br.); Soest (Lpk.); Hilver- 
sum (Caron); Oisterwijk (Z. Mus.). 

11. f. castanea nov. Voorvls. donker roodbruin, tekening zeer 
flauw^). Hilversum (Caron). 

12. f. obliterata Buchanan- White, 1878, Scott. Nat. 4 : 216. 
Voorvleugels bruinachtig zwart, tekening onduidelijk. Seitz 4, pi. 
8 h, fig. 4; Barrett, I.e., fig. 3 c. Putten, Gorsei (Z. Mus.); Bij- 
vank (Sch.); Mook, Berg en Dal (Bo.); Zeist (Br.); Soest (Lpk.); 
Tilburg (Priems). 

13. f. tristrigaria Donovan, 1808, Nat. Hist. Br. Ins. 13 : 60, pi. 
461, fig. 2. Voorvls. met 3 scherp afstekende zwarte strepen bij de 
vleugelpunt, evenwijdig aan de aderen. Sepp, fig. 16. Velp (De 
Roo); Nijmegen, Noordwijk (Z. Mus.); Soest (Lpk.). 

14. f. approximata nov. Zie Cat. VIII : (557). Weerselo (v. d. 
M.); Leuvenum (Cold.); Montferland (Sch.); Berg en Dal, Hatert, 
Mook (Bo. ); Zeist (ex. met haast lijnvormig middenveld, Br.); 
Soest (Lpk.); Wassenaar (Wiss.). 

15. f. intemipta nov. Middenveld der voorvls. in 2 delen gebro- 
kens). Colmschate (Lukkien); Putten, Nijmegen, Breda (Z. Mus.); 

^) Ground colour of the fore wings black-grey to black, basal and central 
area brown-black to blackish, distinctly contrasting. 

-) Ground colour of the fore wings black-brown, basal and central area pale 
brown, not bordered by dark lines. 

^) Fore wings unicolorously grey-brown, markings very feeble or even almost 
vanished. 

■*) Fore wings dark red brown, markings obsolete. 

^) Central area of the fore wings broken up into 2 parts. 



(656) 



NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 



161 



Leuvenum (L. Wag.); Nunspeet (Mac G.); Berg en Dal, Hatert, 
(Bo.); Amerongen (Wp.); Zeist (Br.); De Bilt (Kallenbach); 
Soest (Lpk.); Hilversum (Lg.). 

16. f. dissoluta nov. Middenveld der voorvls. in meer dan 2 delen 
gebrokeni). Twello (Gold.). 

17. f. reducta Höfer, 1920, Verh. zool.-bot. Ges. Wien 70 : (22). 
fig. 9. Van het middenveld der voorvls. alleen het costaalgedeelte 
over. Zeist (Br.). 

18. Dwergen. Leuvenum, Twello (Gold.); Soest (Lpk.). 




Fig. 41. Vleugeltekening van Thera variata Schiff, (links) en T. obeliscata Hb. 
(rechts). Vergroot. 



Opmerking. Thera variata Schiff, en T. obeliscata Hb. be- 
horen met nog enkele niet inheemse soorten tot een groep van zeer 
na aan elkaar verwante species, maar als in zoveel dergelijke ge- 
vallen is in series toch wel een duidelijk verschil te zien. 

Bij T. variata is de lijn, die het middenveld franjewaarts be- 
grenst, op de aderen veel dieper ingesneden dan bij T. obeliscata, 
de lichte golflijn is bijna altijd heel duidelijk, de achtervleugels heb- 
ben een duidelijke middenstip en booglijn. Zie fig. 41. 

Er komen echter ook wel obeliscata s voor met een duidelijke 
golflijn, evengoed als exx. met booglijn en middenstip op de achter- 
vis., en vooral als de middenband der voorvls. dan onderbroken 
is, is het wel eens wat minder makkelijk de soort te bepalen. 

Helaas laten de genitaliën ons bij deze 2 soorten in de steek. 
Pierce (1914, Genit. Geom. Br. Islands: 67) geeft wel verschil- 
len op in de bedoorning van de aedoeagus der $ $ , maar noch 
GocKAYNE (1926, Ent. Ree. 38 : 35), noch Albers (1943, Zeitschr. 
Wien. ent. Ges. 28 : 209 — 214) konden enig standvastig verschil 
vinden, en ik kan dit slechts ten volle bevestigen. Het aantal doorns 
is niet standvastig. Ook de ? 5 bieden, wat de genitaliën betreft, 
geen enkel houvast. De vorm van het ostium bursae is bij beide 
soorten variabel en de bursa zelf is slechts een dun vliezig zakje 
zonder enig specifiek kenmerk. Dit alles, gevoegd bij het feit, dat 
beide species in gevangenschap niet moeilijk met elkaar te 



') Central area of the fore wings broken up into more than 2 parts. 



16Ì B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (657) 

kxuisen zijn, Avijst er wel op, dat de verwantschap tussen hen zeer 
nauw is. 

De rupsen van variata hebben altijd groene borstpoten en 
leven altijd op spar, die van obeliscata hebben altijd rode borst- 
poten (De Roo heeft in Sepp dus rupsen van laatstgenoemde soort 
afgebeeld ! ) en leven bij voorkeur op den, hoewel spar niet hele- 
maal versmaad wordt : Tolman heeft ze ook van deze boom ge- 
klopt. Zie ook Cockayne, 1926, I.e. : 37, die eveneens Picea en 
Abies vermeldt. 

690. T, juniperata L. Verbreid op droge zandgronden in het 
Oosten en Zuiden, door het voorkomen van de voedselplant vrij 
lokaal, maar op de vindplaatsen meest in aantal. Daarnaast ook 
bekend van verschillende plaatsen in de duinstreek, waar Juni- 
perus communis L. ook hier en daar voorkomt, en waar andere 
soorten in de tuinen gekweekt worden, en van enkele grote steden 
in het lage land (met plantmateriaal aangevoerd? zwervers?). 

1 gen., begin Octr. tot in Nov. (5-10 tot 5-11). 

V i n d p 1. Fr.: Leeuwarden (Mus. Leeuw.). Gr.: Haren. Dr.: 
Rolde, Wijster, Lheebroek. Ov. : Lutterzand, Almelo, Kampen. 
Gdl. : Leuvenum, Apeldoorn, Twello (sedert 1945 enkele exx. per 
jaar), Empe, Laag Soeren, Velp, Arnhem, Oosterbeek, Wagenin- 
gen, Hoenderlo, Kootwijk ; Warnsveld, Boekhorst, Aalten. Utr. : 
Zeist, De Bilt, Amersfoort, Soest. N.H. : Amsterdam (1929, F. F. ; 
1937, V. d. M. ; 1941, Z. Mus.), Zaandam (1946, Westerneng), 
Castricum, Haarlem, Overveen, Aerdenhout, Heemstede. Z.H. : 
Boskoop (soms schadelijk in de boomkwekerijen, v. d. Pol), Oegst- 
geest. Wassenaar. N.B. : Breda, Sint Michielsgestel, Deurne. 
Lbg. : Venraay, Venlo, Valkenburg. 

Var. De tint varieert van meer bruingrijs tot meer zwartgrijs. 

1. f. caeca Osthelder, 1929, Schmett. Südb. : 422. De middenstip 
der voorvls. ontbreekt. Vrij gewoon, wel overal onder de soort 
voorkomend. 

2. f. approximata nov. Zie Cat. VIII: (557). Arnhem, Aalten 
(Z. Mus.); Zeist (Gorter); Aerdenhout (Wiss.). 

3. f. divisa Strand, 1901, Nyt Mag. Nat. 39 (1): 60. Midden- 
veld der voorvls. één of meermalen onderbroken. South, pi. 70, 
fig. 4. Apeldoorn (1); Amsterdam, Haarlem (Z. Mus.). 

4. f. costajuncta nov. Wortelband en middenveld der wis. langs 
de voorrand breed met elkaar verbonden^). Overveen (Sch.). 

5. f. costaciausa nov. Wortelband en middenveld der voorvls. 
raken elkaar aan de voorrand-). Heemstede (Herwarth). 

6. f. istriana Naufock, 1913, Boll. Soc. Adr. Sc. Nat. 27 (1): 101, 
fig. De zwarte streep uit de voorvleugelpunt loopt door tot aan de 
basale zijde van het middenveld. Bovendien lopen in cel 5 en 6 
twee horizontale zwarte strepen van het middenveld in de richting 



■^) Basal area and central area of the fore wings broadly connected with each 
other along the costa. 

^) Basal area and central area of the fore wings touch each other on the 
costa. 



(658) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 163 

van de franje, zodat een tekening ontstaat, die veel lijkt op die van 
de Zuideuropese Thera cupressata Geyer. Beschreven naar exx. 
van Triest, maar ook reeds uit Zuid-Beieren vermeld (Osthelder, 
1929, Schmett. Südb. : 421). Een prachtig ex. van Overveen (Btk.) 
en een van Venraai (Z. Mus.). 

7. f. obscura nov. Grondkleur donkergrijs ; de lijnen, die wortel- 
en middenveld begrenzen, aan de binnenzijde breed zwartgrijs af- 
gezet, waardoor de benedenhelft van het middenveld zelfs geheel 
gevuld is^). Twello (Gold.). 

691. T. firmata Hb. Verbreid op droge zandgronden in het Oos- 
ten en Zuiden en hier en daar in de duinen, op de vindplaatsen 
soms vrij gewoon. 

1 gen., begin Juni tot half Octr. [1-6 (-1937, Aalten, v. G.) tot 
12-10], hoofdvliegtijd tweede helft van Septr. en begin Oct. [Zie 
in verband hiermee de niet door Prout in Seitz, Suppl. 4 vermelde 
kweekresultaten van Skell, 1933, D. ent. Z. Iris 47 : 3 !] 

V i n d p 1. Dr. : Peize, Wijster. Ov. : Almelo, Haarle, Colm- 
schate. Gdl. : Putten, Leuvenum, Hoog Soeren, Apeldoorn, Twello 
(slechts 1 ex.), Velp, Arnhem, Oosterbeek, Bennekom ; Vorden, 
Aalten, Doetinchem, Bijvank, Montferland. Utr.: Amerongen, Leer- 
sum. Driebergen, Zeist, De Bilt, Bilthoven, Soest (vrij gewoon). 
N.H. : Hilversum, Naarden, Driebuis, Overveen, Aerdenhout. 
Z.H. : Wassenaar, Duinrei, Meyendel, Den Haag, Scheveningen. 
N.B. : Ossendrecht, Breda, Ginneken, Tilburg, Rosmalen, Vught, 
Oosterhout, Eindhoven, Helmond, Deurne. Lbg. : Venlo, Tegelen, 
Belfeld, Swalmen, Roermond, Epen. 

Var. 1. f. grisescens nov. Grondkleur der voorvls. zuiver grijs^). 
Colmschate, $ (Lukkien). 

2. f. brunneofasciata nov. De banden op de voorvls. donkerbruin, 
scherp afstekend^). Colmschate (Lukkien); Zeist (Gorter). 

3. f. approximata nov. Zie Gat. VIII: (557). Bijvank (Sch.); 
Aerdenhout (Wiss.). 

4. f. interrupta nov. Middenband der voorvls. onder het midden 
onderbroken^ ) . Zeist (alleen de linker vleugel, Br.). 

Chloroclysta Hb. 

692. C. siterata Hufn. Verbreid in bosachtige streken op zand- 
gronden, maar in de regel niet gewoon. 

1 gen., tweede helft van Septr. tot (na de overwintering als imago) 
eind Mei (21-9 tot 24-5), bij gunstig weer ook midden in de winter 
vliegend (29 December, Putten, Z. Mus.). 

V i n d p 1. Ov. : Colmschate. Gdl. : Nijkerk, Putten, Harderwijk, 
Leuvenum, Nunspeet, Epe, Apeldoorn, Empe, Laag Soeren, Elle- 



^) Ground colour dark grey ; the lines bordering basal and central area are 
on their innerside broadly set off by black-grey which even completely fills the 
lower half of the central area. 

) Ground colour of the fore wings pure grey. 

^) The bands on the fore wings dark brown, sharply contrasting. 

■*) Central band of the fore wings interrupted below the middle. 



164 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (659) 

com, De Steeg, Velp, Arnhem, Oosterbeek, Wolfheze, Doorwerth ; 
Didam, Bijvank ; Nijmegen. Utr. : Amerongen, Zeist, Bilthoven, 
Soest, Soestdijk, Holl. Rading. N.H. : Bussum, Haarlem. Z.H. : 
Wassenaar, Dordrecht, Oud-Beierland (zwerver?). N.B.: Breda, 
Ulvenhout, Oisterwijk, Eindhoven. Lbg. : Roermond, Kerkrade. 

693. C. miata L. Tot nog toe is deze vlinder, die van de vorige 
soort onmiddellijk door de veel lichtere achtervls. is te onderschei- 
den, slechts twee keer in ons land aangetroffen. 

In Denemarken bekend van Bornholm, Seeland, Möen en Fünen 
en lokaal in Jutland. Slechts 2 vondsten van Sleeswijk-Holstein : 
1 $ te Lübeck in 1921 en 1 ex. op Sylt in 1933 ; niet bekend van 
Hamburg en Bremen ; 1 $ in 1929 op het Wadden-eil. Norderney ; 
1 ex. bij Hannover. In Westfalen bekend van Waldeck en Bochum 
(hier in 1879); uit de Rijnprov. zijn 5 vindplaatsen bekend (o.a. 
1 ex. van Krefeld en zeldzaam bij Aken). In België blijkbaar tame- 
lijk verbreid in het Oosten (er worden van C. miata door Derenne 
zelfs meer vindplaatsen vermeld dan van C. siterata, maar zijn deze 
alle betrouwbaar ?). Verbreid over Engeland, Wales en Schotland, 
tot op de Hebriden en Orkaden. Verbreid over Ierland, maar 
minder gewoon dan C. siterata. 

1 gen., waarvan de vliegtijd ongeveer met die van de vorige 
soort moet overeenkomen. 

Vin dpi. N.H. : Amsterdam, herfst 1913 (Lpk.). Z.H.: Loos- 
duinen, $ , 28-4-1889 (Z. Mus.). 

Dyss trema Hb. 

694. D. truncata Hufn. Verbreid door het gehele land in bosach- 
tige streken, plaatselijk niet zelden vrij gewoon, ook van verscheiden 
vindplaatsen in het lage land bekend. 

2 gens., de eerste van de eerste helft van Mei tot half Juli (11-5 
tot 10-7), de tweede van begin Augustus tot begin October (3-8 tot 
7-10). 

V i n d p 1. Fr. : Kollum, Tietjerk, Rijperkerk, Leeuwarden. Gr. : 
Groningen, Haren. Dr. : Paterswolde, Veenhuizen, Wijster, Hooge- 
veen. Ov. : Ootmarsum, Agelo, Volthe, Almelo, Borne, Hengelo, 
Colmschate, Diepenveen, Kampen. Gdl. : Nijkerk, Putten, Harder- 
wijk, Leuvenum, Nunspeet, Elspeet, Apeldoorn, Twello (gewoon), 
Empe, Laag Soeren, De Steeg, Velp, Arnhem, Oosterbeek, Renkum, 
Bennekom, Lunteren, Garderbroek ; Winterswijk, Aalten, Doetin- 
chem. Doesburg, Didam, Bijvank, Babberich, Lobith ; Berg en Dal, 
Ubbergen, Nijmegen, Hatert ; Wamel. Utr. : Amerongen, Leersum, 
Zeist, De Bilt, Bilthoven, Utrecht, Groenekan, Amersfoort, Soest, 
Zuilen, Maarseveen, Breukelen, Loenen, Nigtevecht, Holl. Rading. 
N.H. : Hilversum, 's-Graveland, Bussum, Amsterdam, Bergen, 
Alkmaar, Egmond aan den Hoef, Heemskerk, Driebuis, Bloemen- 
daal, Haarlem, Overveen, Aerdenhout, Heemstede. Z.H. : Woer- 
den, Hillegom, Noordwijk, Oegstgeest, Katwijk, Leiden, Wasse- 
naar, Den Haag, Rijswijk, Kijkduin, Loosduinen, Delft, Rotterdam, 



(660) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 165 

Giesendam, Oostvoorne, Rockanje, Numansdorp, Dordrecht. Zl. : 
Domburg, Serooskerke, Kapelle. N.B. : Bergen op Zoom, Ouden- 
bosch, Breda, Oosterhout, Tilburg, Rosmalen, 's-Hertogenbosch, 
Oisterwijk, Eindhoven, Nuenen, Helmond, Deurne. Lbg. : Pias- 
molen, Baarlo, Swalmen, Maalbroek, Linne, Limbricht, Brunsum, 
Rolduc, Kerkrade, Voerendaal, Aalbeek, Valkenburg, Houthem, 
Geulem, Bemelen, Meerssen, Maastricht, Epen, Vijlen, Lemiers, 
Vaals. 

Var. Het spreekt wel haast van zelf, dat deze en de volgende 
soort, vaak met elkaar verward, en zeer variabel, in de laatste 
decenniën grondig onder handen genomen zijn. Het eerste artikel 
verscheen van Heydemann (1929, Int. ent. Z. Guben 23: 253), 
spoedig gevolgd door een omvangrijke monografie over het gehele 
genus (1929, Mitt. Münch. ent. Ges. 19; 207—292, pi. V-XV). 
L. Müller hield zich intussen ook met de variabiliteit van de 
beide ons interesserende soorten bezig (1929, Zeitschr. Öst. Ent. 
Ver. 14 : 98 ; 1930, 15 : 10), vooral in een uitvoerig artikel in 1931 
(Ent. Rundsch. 48: 112). Heydemann nam dit laatste tamelijk 
critisch onder de loupe (1932, Int. ent. Z. Guben 26 : 1), waarop 
Müller het antwoord niet schuldig bleef. Wie van de polemiek 
,, genieten" wil, kan ze vinden in Z. Öst. Ent. Ver. 16 (1931) 
en 17 (1932). Een uiteraard goed résumé geeft Prout in Seitz 4, 
Suppl. (1938). 

1. f. tmncata Hufnagel, 1767, Beri. Mag. 4: 602. Middenveld 
der voorvls. witachtig grijs met verschillende donkere lijnen, die 
elkaar op één of meer plaatsen raken. Seitz 4, pi. 8 k, fig. 2 ; Svens- 
ka Fjärilar, pi. 36, fig. 22 a ; South, pi. 66, fig. 1 . Stellig wel op vrij- 
wel alle vindplaatsen aan te treffen, maar nooit een belangrijk deel 
van de populatie uitmakend. 

2. f. griseofasciata Müller, 1931, Ent. Rundschau 48 : 120. Als de 
vorige vorm, maar de dwarslijnen raken elkaar in het middenveld 
nergens, zodat een ononderbroken grijze band ontstaat. Wasse- 
naar (Wiss.); Breda (Z. Mus.). 

3. f. russata Hb., [1796—1799], Samml. Eur. Schm., fig. 305. 
Als de typische vorm, maar middenveld wit. Seitz, I.e., fig. 3 ; 
Svenska Fjär., I.e., fig. 22 b. Eveneens vrijwel overal onder de 
soort aan te treffen, maar evenmin een talrijk voorkomende vorm. 

4. f. albata Culot, 1917, Noct. et Géom. 3 : 160, pi. 23, fig. 479. 
Vvls. met breed wit middenveld bijna zonder of met weinig opval- 
lende lijnen. Oostvoorne (Z. Mus.). 

5. f. saturata Stephens, 1829, 111. Br. Ent. Haust. 3 : 231. Vvls. 
met donkergrijs middenveld. Ook deze vorm schijnt wel bijna 
overal voor te komen. Ootmarsum (Btk.); Almelo (v. d. M.); 
Colmschate (Lukkien); Aalten (v. G.); Wamel, De Bilt, Rotterdam, 
Valkenburg (Z. Mus.); Groenekan, Bloemendaal, Overveen (L. 
Mus.); Heemskerk (Westerneng) ; Haarlem, Aerdenhout, Wasse- 
naar (Wiss.); Kapelle (de Vos); Nuenen (Neijts). 

6. f. tysfjordensis Strand, 1901, Nyt Mag. Nat. 39 : 61. Midden- 
veld der voorvls. donkergrijs tot zwart met nog enige lichte vlekjes. 
Twello (Gold.); Oosterbeek, Nijmegen, 's-Hertogenbosch, Valken- 



166 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (661) 

burg (Z. Mus.); Hilversum (Caron); Wassenaar (Wiss.); Bergen 
op Zoom (L. Mus.); Breda (L. Mus.; Z. Mus.). 

7. f. perfuscata Haworth, 1809, Lep. Brit. : 325. Middenveld der 
voorvls. zwart. Svenska Fjär., I.e., fig. 22 d ; South, I.e., fig. 3. 
Hoofdvorm, waartoe verreweg het grootste deel van onze exx. 
behoort. 

8. f. albonigrata nov. Wortel- en middenveld der voorvls. zwart ; 
antemediaanband wit, zw^art bestoven ; marginaalveld w^it, zwak 
zwart bestoven, waardoor de witte golflijn nog ziehtbaar isi). 
Amerongen, 19-9-'47 (Rk. ); Numansdorp (Z. Mus.). 

9. f. f uliginosa Prout, 1909, Trans. City of London ent. nat. 
Hist. Soe. 18 : 46. Voorvleugels donkerbruin bestoven met vrij on- 
duidelijke tekening. Barrett, Br. Lep. 8, pi. 356, fig. 1 j (type). 
Ook wel South, i.e., fig. 4. Nijmegen (Wiss.); Rolduc (Mus. M.). 

10. f. nigerrimata Fuehs, 1900, Jahrb. Nass. Ver. 53 : 57. Voor- 
vls. eenkleurig roetachtig zwart met zeer onduidelijke tekening ; 
achtervls. en onderzijde verdonkerd. W^el vrij verbreid, maar veel 
zeldzamer dan perfuscata. Paterswolde, Arnhem, Rotterdam, Delft 
(L. Wag.); Borne (v. d. Velden); Colmsehate (Lukkien); Twello 
(Cold.); Bennekom (v. d. Pol); Babberich (Sch.); Nijmegen, Ha- 
tert, Rockanje (Z. Mus.); Bilthoven (Br.); Soest (Lpk. ); Bussum, 
Rotterdam (L. Mus.); 's-Gravenland (F. F.); Aerdenhout, Wasse- 
naar, Epen (Wiss.); Serooskerke, Voerendaal (Br.); Brunsum 
(Gielkens); Aalbeek (Priems). 

11. f. rufescens Ström, 1783, Kong, danske Vidensk. Selsk. 
Skrifter, Nye Sämling 2 : 85. Middenveld der voorvls. geelachtig 
tot geelbruin. Svenska Fjär., I.e., fig. 22 e ; South, I.e., fig. 2. Even- 
als de wit- en lichtgrijsgebande exx. vrijwel overal onder de soort 
aan te treffen, maar in de regel nog minder gewoon dan deze kleur- 
vormen. 

12. f. ochreata Schille, 1900, Soe. Ent. 15 : 113. Middenveld der 
wis. breed okergeel met witaehtige inslag (langs de voorrand!). 
Zeldzaam. Doetinchem (Cold.); Leiden (Z. Mus.). 

13. f. fusco-rufescens Prout, 1938, Seitz 4, Suppl. : 117. Midden- 
veld der voorvls. geelbruin, maar vooral langs de voorrand sterk ver- 
donkerd ; rest van de voorvls. zwartachtig, met nog duidelijke spo- 
ren van de witte afzettingen van wortel- en middenveld en de 
witte golflijn; achtervls. en onderz. normaal. Almelo (v. d. M.); 
Twello (Cold.); Arnhem (Z. Mus.); Aerdenhout, Wassenaar 
(Wiss.); Rotterdam (26); Bergen op Zoom (Korringa); Eind- 
hoven (Verhaak). 

14. f. mixta Prout, 1909, I.e. : 44. Middenveld als bij de vorige 
vorm, de rest van de voorvls. vrijwel eenkleurig zwart ; achtervleu- 
gels en onderzijde verdonkerd. Voerendaal (Br.); Maastricht 
(Rk.). 

15. f. depuncta Romaniszyn, 1925, Polskie Pismo Ent. 4 : 198. 



•^) Basal and central area of the fore wings black ; antemedian band white, 
powdered with black ; marginal area white, feebly powdered with black, 
through which the white submarginal line is still visible. 



(662) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 167 

De zwarte middenvlek op de bovenzijde der voorvls. ontbreekt. 
Kan bij alle kleurvormen optreden, wordt dus bepaald door een 
factor, die zich onafhankelijk van de factoren voor de kleurvormen 
gedraagt. Elspeet (Wiss.); Wamel (Z. Mus.); Wassenaar (29). 

16. f. effusa nov. De witte lijn, die het middenveld franjewaarts 
begrenst, gaat onscherp over in de bruine tint van het achterrands- 
veldi). Apeldoorn (de Vos). 

17. Dwergen. Twello (Cold.); Bennekom (v. d. Pol); Zeist 
(Br.); Aerdenhout (Wiss.). 

Genetica. Dysstroma truncata met haar zo gevarieerde kleur 
en tekening is wel een zeer dankbaar object voor genetisch onder- 
zoek. Verscheiden jaren heeft de Deense auteur K. Groth zich met 
deze (en de volgende) soort bezig gehouden en het resultaat van 
zijn talrijke kweken gepubliceerd in twee voortreffelijke artikelen 
(1935, Flora og Fauna 41 : 73—100 en 1937, op cit. 43 : 99—112). 
beide verlucht met een prachtige gekleurde plaat, waarvan ik de 
figuren alleen niet citeerde, omdat zich zo weinig exx. van de pu- 
blicaties in ons land bevinden. 

Het is wel uitermate moeilijk, zo niet onmogelijk, de gecompli- 
ceerde kleuren en lijnen van de Dysstroma's zo tot in kleinigheden 
te analiseren als dat met de erfelijke eigenschappen van verschil- 
lende planten en Drosophila's gedaan is, daar de vlinders zeer moei- 
lijk door te kweken zijn. Wij moeten ons tot nog toe tevreden stel- 
len met een ruwe verdeling van de kleurvormen in 4 groepen : 1. 
die met wit middenveld (no. 1, 2, 3 en 4), 2. die met zwart midden- 
veld (no. 5, 6, 7, 8), 3. die met geelachtig of bruingeel middenveld 
(no. 11 en 12), 4. de melanistische vorm (10). Groth vond nu, 
dat de tweede, derde en vierde groep alle dominant zijn ten op- 
zichte van de witgebande. De combinatie van de tweede met de 
derde groep geeft f. fusco-rufescens Prout, die van de derde met 
de vierde f. mixta Prout. Tot nog toe is vooral de laatste vorm bij 
ons in natura uiterst zeldzaam. Voor verdere bijzonderheden ver- 
wijs ik naar de artikelen zelf. 

Uit ons land ken ik 3 ab ovo kweken, die evenwel nauwelijks te 
analiseren zijn, omdat in 2 gevallen slechts het $ , en in het derde 
zelfs dat niet bekend is. Heylaerts (1883, Tijdschr. voor Ent. 26 : 
CLIV) geeft het resultaat van een kweek, dat als volgt geïnterpre- 
teerd kan worden : ? met zwart middenveld leverde 7 exx. met 
zwart middenveld, 4 met wit en 4 met geel, plus enige ,, overgan- 
gen". Caron kweekte van een ? met zwart middenveld 3 exx. van 
de witte groep, 22 van de gele en 6 van de zwarte. Knoop kweekte 
van een onbekend 2 5 exx. van de witte groep, 7 van de gele en 
1 van de zwarte (in coll.- Van der Meulen). Interessant is, dat de 
beide laatste kweken uitsluitend ? $ opleverden2 ) . 

^) The white line which borders the central area distantly, passes vaguely into 
the brown tint of the outer area. 

-) Two all female broods are known in Holland of Dyssttoma trancata. 
Especially in English literature this phenomenon has been mentioned with other 
species. It is no doubt a hereditary feature, as is clearly demonstrated by Don- 
caster (1913, Journal of Genetics 3 : 1 — 10). He found when experimenting with 
all female broods of Abraxas grossulariata L., that the 5 Ç of unisexual fami- 
lies often, and possibly always, had 1 chromosome less than normal ones. 



168 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (663) 

695. D. citrata L., 1761 {immanata Haworth, 1809). Minder ver- 
breid in ons land dan truncata en vooral veel zeldzamer, hoewel de 
vlinder toch wel op vrij veel plaatsen in bosachtige streken voor- 
komt. Tot nog toe heb ik in geen enkele- collectie materiaal uit Lim- 
burg gezien ! 

1 gen., begin Juli tot half Septr. [3^7 tot 10-9), hoof dvlieg tijd 
Augustus. 

V i n d p 1. Fr. : Rijperkerk, Kippenburg. Dr. : Eelde, Veen- 
huizen, Wijster. Ov. : Volthe, Almelo, Borne, Hengelo, Colm- 
schate. Diepenveen. Gdl. : Hoog Soeren, Apeldoorn, Twello (al- 
leen in 1933 en 1934 enkele exx.), Arnhem; Vorden, Lochem, 
Hengelo, Groenlo, Korenburgerveen, Winterswijk, Aalten ; Ha- 
tert. N.H. : Velzen, Driehuis, Vogelenzang. Z.H. : Wassenaar, 
Dordrecht. N.B. : Breda, Berlicum, Nuenen, Eindhoven, Deurne. 

Var. Literatuur zie bij Dysstroma truncata Hufn. 

1. f. variata Thunberg, 1784, Insecta Svecica 1 : lU). Grond- 
kleur van het middenveld der voorvls. wit, met donkere lijnen. 
Seitz 4, pi. 8 k, fig. 4 ; Svenska Fjärilar, pi. 37, fig. 1 b ; South, 
pi. 66, fig. 10. Eelde (Wiss.); Apeldoorn, Vorden (Z. Mus); 
Hengelo (Btk.); Winterswijk (de Vos); Berlicum (Knf.); Nuenen 
(Br.). 

2. f. insolida Prout, 1909, Trans. City of London ent. nat. Hist. 
Soc. 18 : 48. Middenveld der voorvls. aan weerszijden begrensd 
door een zwarte band, daartussen een ononderbroken grijs veld. 
Barrett 8, pi. 357, fig. 1 g. Vorden (Z. Mus.); Nuenen (Br.). 

3. f. citrata L., 1761, Fauna Svecica, ed. II : 332. Middenveld der 
voorvls. donkergrijs met de gewone lijnen. Svenska Fjär., I.e., fig. 
1 a. Overal onder de soort. 

4. f. simpliciata Walker, 1862, List Lep. Ins. Br. Mus. 25 : 1422. 
Middenveld zwart, met nog enkele grijze of witte vlekken. Twello 
(Gold.). 

5. f. strigulata F., 1794, Ent. Syst. 3 (2): 192. Middenveld der 
voorvls. zwart, franjewaarts er van aan de costa een grote wit- 
achtige vlek. Svenska Fjärilar, I.e., fig. 1 f ; Seitz, I.e., fig. 7 ; South, 
I.e., fig. 7 en 8. Met f. citrata de hoofdvorm hier te lande. 

Genetica. Hoewel citrata lastiger te kweken is dan truncata, 
heeft Groth toch kunnen vaststellen (1937, I.e.), dat bij deze 
soort 3 groepen van vormen onderscheiden kunnen worden, nl. 1. 
die met witte middenband, 2. die met grijze middenband en 3. die 
met zwarte middenband. De eerste is recessief ten opzichte van de 
beide andere. De combinatie van 2 en 3 geeft waarschijnlijk ook 
exx. met een zwarte middenband. 

Opmerking. Daar de beide Dysstroma's in Nederland nog 
nooit critisch besproken zijn, is het niet ondienstig de verschilpun- 
ten tussen de twee soorten aan te geven en deze af te beelden naar 
Hollands materiaal. 



^) Prout (1938, Seitz 4, Suppl. : 120) rejects this name, because it is a homo- 
nym. The rule for homonymy is, however, not applied to names below the rank 
of a subspecies. 



(664) 



NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 



169 





Fig. 42. Vleugeltekening van Dysstroma truncata Hufn. (links) en D. citcata L. 
(rechts). Vergroot. 




Fig. 43. Bursa van Dysstroma truncata Hufn. (links, no. 326) en D. citrata L. 
(rechts, no. 329). 25 x. 

A. Vleugeltekening. 1. Op de bovenzijde der voorvls. 
steekt de antemediaanband (die tussen wortelband en midden- 
band) bij citrata altijd duidelijk af en is scherp geknikt. 2. De lijn, 
die het middenveld franjewaarts begrenst, springt bij citrata iets 
boven het midden ver naar buiten. 3. Op die plaats is bij citrata de 
witte golflijn onderbroken. Bij truncata springt het middenveld 
minder sterk naar buiten en loopt de golflijn zonder onderbreking 



170 



B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER 



(665) 




Fig. 44. $ copulatieapparaat van Dgsstcoma truncata Hufn. (boven, no. 335) 
en D. citrata L. (onder, no. 331). 25 x. 



door. 4. Ook op de onderzijde der voorvls. is het verschil in franje- 
waartse begrenzing van het middenveld duidelijk. 5. Op de onder- 
zijde der achtervls. is de postmediaanlijn bij citrata. recht- tot 
scherphoekig gebroken, terwijl zij bij truncata gelijkmatig gebogen 
is (uitzonderingen komen voor). 6. D. truncata heeft op de boven- 
zijde der achtervls. vaak een duidelijke rij submarginaalvlekken, 
citrata zelden. Met behulp van al deze kenmerken samen is vrijwel 
elk ex. te determineren. (Alle exx. met geelachtig middenveld zijn 
tot nog toe truncata s gebleken.) 

B. Genitaliën. $ . Valven bij citrata breder en gelijkmatiger 
gebogen dan bij truncata. Aedoeagus bij citrata forser dan bij trun- 
cata met veel sterker ontwikkelde groep doorns. ? . Het sterker ge- 
chitiniseerde bovendeel van de bursa bezit bij truncata aan de on- 
derrand een rij zeer korte doorntjes, die bij citrata vrijwel geheel 
ontbreken. De bursula (het boven op de bursa liggende uitsteeksel, 



(666Ì NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 171 

in de fig. rechts) is bij citrata veel groter dan bij truncata. Het 
signum is bij citrata veel langer, maar smaller. 

Al deze verschilpunten zijn ontleend aan Heydemann. Het is 
niet mogelijk, daar nog iets nieuws aan toe te voegen. 

C. Biologie. D. truncata heeft 2 generaties en overwintert 
als rups, D. citrata heeft 1 gen. en overwintert als ei. 

Xanthorhoë Hb. 

696. X. fluctuata L. Door het gehele land in alle geschikte bioto- 
pen voorkomend, algemeen tot zeer algemeen. Bekend van Texel, 
Terschelling en Schiermonnikoog. 

De vliegtijd duurt van eind Maart tot eind October (28-3 tot 
23-10), terwijl in de zachte winter van 1947 zelfs reeds op 8 Fe- 
bruari te Steyl een ex. tegen een boomstam werd gevonden ! (Ent. 
Ber. 12: 247, 1947). Zeer waarschijnlijk komen als regel slechts 

2 generaties voor. ,, Misschien zouden enkele exx. uit het laatst 
van Septr. en uit Octr. tot een derde gen. kunnen behoren, maar 
eerder geloof ik aan verlate exx. der tweede. Gewoonlijk ligt er 
tussen beide generaties in hetzelfde jaar een periode van ongeveer 

3 of 4 weken, waarin men de vlinder niet ziet (meestal eind Juni 
en begin Juli); maar in sommige jaren lijkt het er meer op, of de 
generaties zonder merkbare onderbreking in elkaar overgaan." 
(COLDEWEY, in litt.) 

Var. Literatuur: L. B. Prout, 1896, Ent. Record 8: 54. De 
vlinder is zowel wat grondkleur als tekening betreft vrij variabel, 
hoewel extreme vormen weinig voorkomen. 

1. f. fluctuata L., 1758, Syst. Nat, ed. X : 527. Voorvls. licht- 
grijs met een donkere scherp afgesneden middenband, waaraan de 
onderhelft ontbreekt (,,alis cinerascentibus : anticis fasciis abbre- 
viatis tribus fuscis"). South, pi. 80, fig. 13. Vrij zeldzaam, maar 
toch wel overal onder de soort aan te treffen. 

2. f. fibulata Hufnagel, 1767, Beri. Mag. 4 : 604. Grondkleur als 
de vorige vorm, maar de middenband in de vorm van donkerder 
ringen of van een iets donkerder beschaduwing voortgezet tot de 
binnenrand. Snellen, 1867, Vlinders van Ned. 1 : 668, ,,var. I." 
Hoofdvorm. 

3. f. abstersata Herrich-Schäf fer, 1839, in Panzer, Deutschl. Ins., 
heft 165, fig. 2. Voorvls. met volledige donkere middenband. South, 
fig. 12. Niet gewoon. Colmschate (Lukkien); Nunspeet, Nijmegen 
(Vari); Babberich (Elfrink); Berg en Dal (Bo.); Bennekom (v. d. 
Pol); Zeist (Gorter); Hilversum (Caron); Amsterdam (div. colls. ); 
Zaandam ( Westerneng ) ; Middelie (de Boer); O verveen (Fr.); 
Aerdenhout, Wassenaar (Wiss.); Heemstede (Herwarth); Den 
Haag (Btk.); Numansdorp (Z. Mus.); Eindhoven (Verhaak); 
Steyl (Missieh. Steyl); Kerkrade (Latiers); Vaals (Delnoye). 

4. f. insolida Prout, 1896, Ent. Ree. 8: 163. De middenband 
volledig als bij abstersata. Alleen de randen er van zijn echter 
donker. Van voorrand tot binnenrand loopt in het midden een band 
van de lichte grondkleur. Haren (Van Nidek); Apeldoorn (de 
Vos); Nijmegen, Berg en Dal (Bo. ); Leiden, Rotterdam (Z. Mus.). 



172 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (667) 

5. f. approximata nov. Zie Cat. VIII : (557). De naam moet zo- 
wel voor exx. met volledige als onvolledige, maar sterk versmalde 
band gelden^). Colmschate (Lukkien); Driehuis (van Berk); 
Breda (26). 

6. f. degenerata nov. Van de middenband zijn 2 vlekjes over, 
het ene aan de voorrand en het andere aan de binnenrand2). 
Twello, Doetinchem (Cold.); Hilversum (Lg.); Breda (Z. Mus.). 

7. f. costovata Haworth, 1809, Lep. Brit. : 334. Van de midden- 
band is alleen een klein vlekje aan de voorrand over. Barrett 8, 
pi. 342, fig. 1 b, 1 d, 1 i. Zeldzaam. Colmschate (Lukkien); Nijkerk, 
Apeldoorn, Wijk aan Zee (Z. Mus.); Wageningen (Mus. Rd.); 
Wassenaar (Kallenbach); Helmond (Nies). 

8. f. immaculata Tutt, 1891, Ent. Ree. 1 : 322. De middenband 
der voorvls. ontbreekt geheel. Twello (Cold.); Lobith (Sch.); 
Breda (Langeveld). 

9. f. albescens nov. Grondkleur der vleugels zuiver wit^). Vrij 
zeldzaam. Colmschate (Lukkien); Deventer (Cold.); Loenen-G. 
(de Vos); Berg en Dal, Nijmegen (Bo.); Zeist (Br.); Noordwijk, 
Rotterdam, Charlois (Z. Mus.); Breda (49). 

10. f. ochreata Prout, 1896, I.e. : 162. Grondkleur der vleugels 
geelachtig. Deventer (v. d. M.); Twello (Cold.); Bennekom (v. d. 
Pol); Nijmegen, Amsterdam (Z. Mus.); Zaandam (Westerneng); 
Den Haag (F. F.); Breda (28); Vaals (Delnoye). 

11. f. undulata Prout, 1896, I.e. : 163. De grondkleur der voorvls. 
verdonkerd door talrijke gegolfde lijnen op lichtere grond. Snel- 
len, 1867, I.e., ,,var. II." Barrett, I.e., fig. la, 1 h ; South, fig. 11. 
Kollum, Putten, Apeldoorn, Arnhem, Berg en Dal, Ubbergen, 
Hatert, Rotterdam (Z. Mus.); Paterswolde, Vogelenzang, Wasse- 
naar (Wiss,); Colmschate (Lukkien); Twello (Cold.); Nijmegen 
(Bo.); Zeist, Nuenen (Br.); Groenekan, Katwijk (L. Mus.); Am- 
sterdam (v. d. M.). 

12. f. neapolisata Millière, 1872, Icon. 3: 267, pi. 130, fig. 7; 
1887, Ann. Soc. ent. Fr., pi. V, fig. 7. De band tussen wortel- en 
middenveld en het gehele aehterrandsveld donkergrijs (1872, $ 
van Zuid-Europa) of donker bruingrijs (1887, $ van Pitcaple, 
Schotland), waardoor de voorvls. veel eentoniger worden. Het mid- 
denveld aan weerszijden nog slechts door een smalle witte lijn afge- 
zet. Zeldzaam. Putten, Apeldoorn, Nijmegen, (Z. Mus.); Colm- 
schate (Lukkien); Aalten (v. G. ); Zeist (Gorter); Amsterdam 
(Vari); Wassenaar, Epen (Wiss.); Den Haag (v. Eldik); Kijk- 
duin (v. d. M.); Rotterdam (L. Mus.). Een extreem donker ex. 
bezat Bo. van Nijmegen. 

697. X. montanata Schiff. Door het gehele land verbreid in bos- 
achtige streken op zandgronden, maar daarnaast ook op vele plaat- 



^) The name must be used both for specimens with complete and with 
incomplete, but strongly narrowed central band. 

-) Of the central band 2 small spots are left, one on the costa, the other on 
the inner margin. 

^) Ground colour of the wings pure white. 



(668) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 173 

sen in het lage land voorkomend, zoals blijkt uit de lijst van vind- 
plaatsen. 

1 gen., begin Mei tot begin Juli (6-5 tot 2-7), hoofdvliegtijd eind 
Mei tot half Juni. 

V i n d p 1. Fr. : Ameland, Schiermonnikoog, Tietjerk, Kollum. 
Gr. : Delfzijl, Winsum, Groningen, Haren, Glimmen, Ter Apel. 
Dr. : Paterswolde, Eelderwolde, Wijster, Vledder, Havelte, Wap- 
serveen. Ov. : De Lutte, Agelo, Almelo, Vilsteren, Frieswijk, Colm- 
schate. Gdl. : Putten, Apeldoorn, Twello (vrij gewoon), Gietelo, 
Loenen, Laag Soeren, Arnhem, Oosterbeek, Wageningen, Benne- 
kom, Scherpenzeel ; Vorden, Lochem, Aalten, Doetinchem, Didam, 
Montferland, Bijvank, Babberich ; Nijmegen, Hatert, Zoelen, Zalt- 
Bommel. Utr. : Grebbe, Amerongen, Zeist, Groenekan, Amersfoort, 
Soesterberg, Soest, Harmeien, Loosdrecht, Zegveld, Abcoude. 
N.H. : Hilversum, 's-Graveland, Bussum, Naarden, Muiderberg, 
Amsterdam, Amstelveen, Aalsmeer, Texel, Alkmaar, Castricum, 
Heemskerk, Wijk aan Zee, Velzen, Santpoort, Bloemendaal, Over- 
veen, Aerdenhout, Zandvoort, Heemstede, Vogelenzang, De Glip. 
Z.H, : Leiden, Wassenaar, Duinrei, Waalsdorp, Den Haag, Sche- 
veningen, Rijswijk, Loosduinen, Staelduin, Schiedam, Rotterdam, 
Kralingen, Zevenhuizen, Gouderak, Dordrecht. Zl. : Haamstede. 
N.B. : Bergen op Zoom, Breda, Ginneken, Princenhage, Rijen, 
Hilvarenbeek, Oosterhout, Udenhout, Oisterwijk, Erp, Nuenen, 
Deurne. Lbg. : Plasmolen, Venlo, Roermond, Stein, Brunsum, 
Kerkrade, Wijnandsrade, Spaubeek, Voerendaal, Aalbeek, Val- 
kenburg, Geulem, Houthem, Meerssen, Bunde, Bemelen, Rijckholt, 
Gulpen, Mechelen, Epen, Wijlre, Lemiers, Vaals. 

Var. De typische vorm heeft op de voorvls. een donkerbruin- 
achtige middenband, die om de middenstip de lichte tint van de 
grondkleur heeft ; de achterrand van voor- en avis. is zwak gete- 
kend. Svenska Fjärilar, pi. 37, fig. 6 a ; Barrett 8, pi. .341, fig. 1 a. 
Hoofdvorm. 

1. f. continuata Kroulikovsky, 1908, Soc. Ent. 23: 11. Midden- 
band der voorvls. eenkleurig, zonder de lichte vlek bij de voorrand. 
Svenska Fjär., I.e., fig. 6 b; Barrett, I.e., fig. 1, 1 b. Hoewel niet 
talrijk, is de vorm toch vrijwel overal onder de soort aan te treffen. 

2. f. nigrofasciata Osthelder, 1929, Schmett. Südb. : 434, pi. 17, 
fig. 20. Middenband der voorvls. zwartachtig. Niet gewoon. South, 
pi. 80, fig. 9. Winsum (v. d. M.); Twello (Gold.); Groenekan (L. 
Mus.); Wassenaar, Epen (Wiss.); Houthem (Jch.). 

3. f. lutescens nov. Middenband der voorvls. geelbruin^). 's-Gra- 
veland, vers ex. (Vari). 

4. f. divisa Osthelder, 1929, I.e., fig. 21. Middenband der voorvls. 
over de hele lengte in het midden van de witte grondkleur. Alleen 
de zijranden blijven dus donker. Groningen (de Vos); Babberich 
(Elfrink); Naarden, Houthem (Z. Mus.); Wassenaar (Wiss.). 

5. f. pseudolapponica (Schawerda in litt.) Osthelder, 1929, I.e. 
[Zie voor de juiste auteursnaam: Schawerda, (15 Dec.) 1929, 



■'•) Central band of the fore wings yellow-brown. 



174 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (669) 

Zeitschr. Öst. Ent. Ver. 14 : 118.] Middenband der voorvls. bleek, 
onduidelijk. Glimmen (Blom); Frieswijk (de Vos); Wageningen 
(v. d. Pol); Heemstede (Leef mans); Bergen op Zoom (L. Mus.); 
Nuenen ( Verhaak ) . 

6. f. approximata nov. Zie Gat. VIII: (557). Paterswolde (L. 
Wag.); Muiderberg (v. d. M.); Loosduinen (Hardonk); Haam- 
stede (Br.). 

7. f. tangens nov. Zie Gat. VIII, I.e. Amsterdam (F. F.); Sche- 
veningen (Kallenbach); Nuenen (Neijts, Verhaak). 

8. f. degenerata Prout, 1896, Ent. Ree. 7 : 249. Van de midden- 
band zijn 2 vlekken over, de ene aan de binnenrand, de andere aan 
de voorrand. Babberich (Elfrink); Wassenaar (Wiss.); Den Haag 
(Z. Mus.); Houthem (L. Mus.). 

9. f. costimaculata Rebel, 1910, Berge's Schmett.buch, 9e ed. : 
345. Van de middenband alleen een vlekje aan de voorrand over. 
Barrett, I.e., fig. 1 d. Babberich (Elfrink); Den Haag (17); Rijswijk 
(Hardonk). 

10. f. [uscomarginata Stgr., 1871, Gat., ed. II : 186. Voor- en 
achtervls. met brede donkere achterrand, waarin een duidelijke 
witte golflijn. Svenska Fjär., I.e., fig. 6 e ; Barrett, I.e., fig. 1 i. 
Eelderwolde (Wiss.); Agelo (v. d. M.); Arnhem, Nijmegen, Breda 
(Z. Mus.); Benneko'm (v. d. Pol); Montferland (Sch.); Babberieh 
(Elfrink); Heemstede (Herwarth); Nuenen (Neijts); Roermond 
(Lek.); Geulem (Lpk.). 

11. f . albomarginata nov. Achterrand van voor- en avis, een- 
kleurig wit zonder spoor van donkere tekeningi). Putten (v. d. M.); 
Arnhem, Loosduinen (Z. Mus.); Wageningen, Bennekom (v. d. 
Pol); Zeist (Gorter); Bussum (Küchlein); Vogelenzang (Vari); 
Nuenen (Neijts); Roermond (Lek.). 

12. f. lacticolor nov. Grondkleur van de vleugels geelwit^). Prin- 
eenhage (Wp.). 

698. X» spadicearia Schiff. Verbreid door vrijwel het gehele 
land, op vele plaatsen zeer gewoon. Alleen in het Noorden schijnt 
de vlinder minder voor te komen dan de volgende soort. 

3 gens., de eerste van eind April tot eind Juni (29-4 tot 27-6), 
de tweede van begin Juli tot begin Septr. {7-7 tot 6-9), de derde 
(waarschijnlijk zeer partieel) tweede helft van Septr. (wild en ge- 
kweekt van 22-9). 

V i n d p 1. Fr. : Leeuwarden, Beetsterzwaag. Gr. : Haren. Dr. : 
Veenhuizen, Wijster, Frederiksoord. Ov. : De Lutte, Denekamp, 
Lonneker, Borne, Volthe, Almelo, Wierden, Rectum, Okkenbroek, 
Frieswijk, Golmsehate, Ommen, Steenwijk. Gdl. : Nijkerk, Putten, 
Harderwijk, Leuvenum, Nunspeet, Apeldoorn, Twello (zeer ge- 
woon), Eerbeek, Arnhem, Wolfheze, Doorwerth, Heelsum, Benne- 
kom, Lunteren ; Warnsveld, Eefde, Aalten, Doetinchem, Didam, 
Bijvank, Babberieh, Lobith (hier zeldzaam volgens Scholten, 1938, 

^) Hind margin of fore and hind wings unicolorously white without a trace 
of dark markings. 

-) Ground colour of the wings creamy. 



(670) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA I75 

Tijdschr. voor Ent. 81 : 201); Berg en Dal, Beek-Nijm., Nijmegen, 
Eiden. Utr. : Grebbe, Amerongen, Zeist, Amersfoort, Soest, Groe- 
nekan, Abcoude. N.H. : Bussum, Valkeveen, Diemen, Amsterdam, 
Uithoorn, Ouderkerk, Halfweg, Landsmeer, Twiske, Edam, Purmer, 
Middelie, Beemster, Texel, Heemskerk, Wijk aan Zee, Velzen, 
Driehuis, Santpoort, Bloemendaal, Haarlem, Overveen, Aerden- 
hout, Zandvoort, Vogelenzang, Heemstede. Z.H. : Nieuwkoop, 
Hillegom, Sassenheim, Oegstgeest, Leiden, Wassenaar, Voorburg, 
Den Haag, Rijswijk, Delft, Rotterdam, Schiedam, Hoek van Hol- 
land, De Beer, Oostvoorne, Dordrecht, Melissant. Zl. : Haamstede, 
Domburg, Serooskerke, Goes. N.B. : Bergen op Zoom, Breda, 
Princenhage, Tilburg, Helvoirt, 's-Hertogenbosch, Nuenen, Deurne, 
Asten. Lbg. : Plasmolen, Milsbeek, Venlo, Tegelen, Steyl, Stein, 
Kerkrade, Rolduc, Wijnandsrade, Kunrade, Aalbeek, Voerendaal, 
Valkenburg, Geuiem, Houthem, Meerssen, Bemelen, Rijckholt, 
Maastricht, Sint Pieter, Gronsveld, Wijlre, Gulpen, Eperheide, 
Epen, Mechelen, Vijlen, Nijswiller, Vaals. 

Var. De typische vorm heeft een roodachtig bruin middenveld, 
waarvan de randen meestal w^at donkerder zijn dan het midden. 

1. f. griseocamparia Vorbrodt, 1917, Mitt. Schweiz, ent. Ges. 12 : 
475; 1931, op. cit. 14, pi. 9, fig. 8 {contrastaria Nordstrom, 1940, 
Svenska Fjär.: 259, pi. 37, fig. 8 c). Middenband der voorvls. licht- 
grijs, alleen de randen roodbruin. Soest (Lpk. ); Amsterdam (v. d. 
M.); Wassenaar (Wiss.); Valkenburg (Br.). 

2. f. brunnescens nov. Tussen wortel- en middenveld een brede 
geelbruine band, ook het gehele achterrandsveld geelbruini ) . Over- 
veen (Z. Mus.); Wassenaar (een nauwelijks als spadiceada te 
herkennen ex. zonder spoor van enige tekening, ook niet op de avis. ; 
Wiss.). 

3. f. deletata Fuchs, 1900, Jahrb. Nass. Ver. 53 : 58. Bijna een- 
kleurig grijs, de voorvleugels met een roodachtige tint aan de 
wortel en langs de voorrand. Enkele overgangen. Twello (Cold.); 
Lobith (Sch.); Babberich (Elfrink). 

4. f. griseofasciata nov. Alle tekening normaal, maar de grond- 
kleur van de banden donker grijsachtig in plaats van roodachtig. 2) 
Wassenaar ( Wiss. ) . 

5. f. planicolor nov. Zie Gat. VIII: (557). Amsterdam (v. d. 
M.); Diemen (Z. Mus.); Heemstede (Wiss.); Deurne (Nies). 

6. f. nigtof asciata Djakonov, 1926, Jahrb. Martjan. Staatsmus. 
4: 35. Middenband der voorvls. zwart. Putten (Z. Mus.); Twello 
(Gold.); Diemen (Lpk.); Halfweg (Helmers). 

7. f. effusa Müller, 1930, Zeitschr. Ost. Ent. Ver. 15 : 94, pi. XII, 
fig. 5, 6. De witte lijn, die het middenveld franjewaarts begrenst, 
gaat zonder scherpe afscheiding in het achterrandsveld over. Am- 
sterdam (Z. Mus.). 

8. f. tangens nov. Zie Gat. VIII : (557). Amsterdam (v. d. M.); 
Bloemendaal (Z. Mus.). 



^) Between basal and central area a broad yellow brown band, the whole outer 
area of the fore wings also yellow-brown. 

^) All markings normal, but the ground colour of the basal and central area 
dark greyish instead of reddish. 



176 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (671) 

699. X. ferrugata Clerck. Verbreid door het gehele land, vooral 
in het Noorden duidelijk meer voorkomend dan spadicearia, in het 
Westen daarentegen in aantal exx. in elk geval de mindere. 

Ook bij deze soort 3 gens., de eerste van eind Maart (uitzonde- 
ring in 1948) tot begin Juli (30-3 tot 3-7), de tweede van begin 
Juli tot eind Aug. (6-7 tot 27-8), de derde (zeer partieel) van begin 
Septr. tot half Octr. (4-9 [-1949, vers $ te Utrecht, Berk] tot 
13-10). 

V i n d p 1. Fr. : Terschelling, Leeuwarden, Beetsterzwaag. Gr. : 
Delfzijl, Loppersum, Nienoort, Haren. Dr. : Paterswolde, Eelder- 
wolde, Roden, Norg, Donderen, Steenbergen, Veenhuizen, Anlo, 
Wijster, Vledder. Ov. : Ootmarsum, Denekamp, Agelo, Albergen, 
Almelo, Borne, Hengelo, Haaksbergen, Frieswijk, Colmschate, Olst. 
Gdl. : Garderen, Putten, Leuvenum, Nunspeet, Heerde, Apeldoorn, 
Twello (zeer gewoon). Eerbeek, De Steeg, Velp, Arnhem, Ooster- 
beek, Wageningen, Bennekom, Lunteren ; Zutfen, Vorden, Lochern, 
Korenburgerveen, Aalten, Doetinchem, Didam, Zevenaar, Mont- 
ferland, Bijvank, Babberich, Lobith (in tegenstelling tot spadicearia 
gewoon. Scholten, 1938, Tijdschr. voor Ent. 81 : 201); Berg en 
Dal, Ubbergen, Nijmegen, Hatert, Groesbeek, Batenburg, Wamel, 
Kerk Avezaat, Deil. Utr. : Grebbe, Rhenen, Amerongen, Maars- 
bergen, Maarn, Zeist, Bilthoven, Groenekan, Soest, IJselstein, 
Utrecht, Maarseveen, Loosdrecht, Nigtevecht, Botshol. N.H. : Hil- 
versum, Bussum, Diemen, Amsterdam, Halfweg, Middelie, Texel, 
Heemskerk, Overveen, Aerdenhout. Z.H. : Leiden, Wassenaar, 
Voorschoten, Den Haag, Loosduinen, Vlaardingen, Schiedam, 
Rotterdam, Charlois, Zoetermeer, Reeuwijk, Numansdorp, Dor- 
drecht, Melissant. Zl.: Serooskerke, Goes, Hulst. N.B.: Lage Zwa- 
luwe, Geertruidenberg, 's-Grevelduin-Kapelle, Bergen op Zoom, 
Breda, Ulvenhout, Oudenbosch, Tilburg, Oisterwijk, Sint Michiels- 
gestel, Uden, Eindhoven, Nuenen, Helmond, Asten. Lbg. : Pias- 
molen, Milsbeek, Venlo, Tegelen, Steyl, Roermond, Stein, Lim- 
bricht. Schimmert, Kerkrade, Voerendaal, Spaubeek, Schinveld, 
Geulem, Meerssen, Ulestraten, Maastricht, Sint Pieter, Epen, 
Vaals. 

Var. De typische vorm heeft een eenkleurig roodachtig midden- 
veld der voorvls. Zij komt stellig wel overal onder de soort voor, 
maar is op de meeste vindplaatsen verre van gewoon en sterk in de 
minderheid ten opzichte van de volgende vorm. In het Westen 
beslist zeldzaam. Seitz 4, pi. 9 e, fig. 1 ; Svenska Fjärilar, pi. 37, 
fig. 9 a ; South, pi. 75, fig. 3. 

1. f. unidentaria Haworth, 1809, Lep. Brit.: 308. Middenveld 
der voorvls. zwart. Hoofdvorm, in het Westen van het land zelfs 
de vrijwel uitsluitend voorkomende vorm. Seitz, I.e., fig. 4 ; Svenska 
Fjär., I.e., fig. 9 b ; South, I.e., fig. 1 en 2. 

2. f. hoyeri Prüf fer, 1922, Ann. Zool. Mus. Pol. Hist. Nat. 1 : 
140, pi. 11, fig. 6. Tussen het wortelveld en het zwarte middenveld 
een oranjebruine band ; middenveld franjewaarts oranjebruin ge- 
rand, achterrandsveld verder eenkleurig licht bruingrijs, de 2 
zwarte vlekjes bij de apex en de witte golflijn zwak. Apeldoorn, 



(672) 



NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 



177 



Venlo (Z. Mus.); Twello (Cold.); Nijmegen (Wiss.); Seroos- 
kerke (Br.). 

3. f. violacearia Vorbrodt, 1917, Mitt. Schweiz, ent. Ges. 12: 
475; 1931, op. cit. 14, pi. 9, fig. 7. Voorvls. donker violetgrijs zonder 
rood, de ruimten tussen de banden lichter, franjeveld grijsachtig ; 
achtervls. violetgrijs. Twello (Cold.); Epen (Lpk. ). 

4. f. unicolor nov. Voorvls. eenkleurig paarsig rood zonder af- 
scheiding van banden of dwarslijneni ) . Zeist (Br. ; Gorter). 

5. f. divisa nov. Middenveld der voorvls. over de hele lengte in 
het midden licht, alleen aan de randen donker. Zowel bij de rode 
als de zwarte kleurvormen^ ) . Norg (Wiss.); Wijster (Beijerinck); 
Twello (Cold.); Arnhem, De Steeg, Rotterdam (Z. Mus.); Lobith 
(Sch.); Soest (Lpk.). 

6. f. coarctata Prout, 1904, Entom. 37 : 154. Middenveld der 
voorvls. sterk versmald. Apeldoorn (de Vos); Twello (Cold.); 
Amsterdam, Venlo (Z. Mus.); Nuenen (Neijts). 

Genetica. De zwarte middenband is recessief ten opzichte 
van de roodachtige (Doncaster, 1907, Proc. Ent. Soc. London: 
XX). 




1 ii]ßm 







Fig. 45. Vleugeltekening van Xanfhochoë spadicearia Schiff, (links) en X. ferrugata 
Clerck (rechts). Vergroot. 

Opmerking. Verreweg de grootste meerderheid van de exx. 
der beide laatste soorten is naar het uiterlijk te determineren. Bij 
X. spadicearia is het middenveld der voorvls. meestal levendig ge- 
tekend met duidelijke lijnen, door het achterrandsveld loopt een 
vrij scherp afstekende witte golflijn ; de achtervls. bezitten duidelijke 
dwarslijnen en de achterrand is meestal verdonkerd ; op de onder- 
zijde zijn de achtervls. scherp getekend. Bij X. ferrugata is het 
middenveld der voorvls. meestal eenkleurig ; het achterrandsveld 
is onscherp getekend met onduidelijke golflijn ; de achtervls. zijn 
onduidelijk getekend, eenkleurig, of met donkerder wortel. Zie 
fig- 45. 

1) Fore wings unicolorously purplish red without bands or transverse lines. 

2) Central area of the fore wings in the middle over its whole length pale. 
With the red as well as with the black colour forms. 



178 



B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER 



(673) 







Fig. 46. Ontschubd achterlijf, van boven en van terzijde, van Xanthorhoë spadi- 
cearia Schiff. $ (boven) eaX. ferrugata Clerck ^ (onder). 15 X. 

Twijfelexx. zijn bij de S $ gemakkelijk te determineren door het 
uiteinde van het achterlijf met een zacht penseel te ontschubben. 
Van boven en van onderen gezien vallen de grote rechthoekig 
naar binnen gebogen haken aan de valven bij spadicearia dadelijk 
op. Zie fig. 46. 

De ? ? zijn in het praeparaat prachtig te onderscheiden. Het 
meest opvallend zijn de verschillen in de vorm van het ostium bursae 
en de lamina dentata (het signum): bij beide soorten bestaande uit 
een groep lange smalle doorns, maar kleiner en asymmetrisch van 
vorm bij spadicearia, groter en vrijwel symmetrisch bij ferrugata 
(zie fig. 47). 

700. X. biriviata Bkh., 1794 {pomoeriaria Eversmann, 1844). 
Zeer lokaal in het Oosten en Zuiden en op een enkele vindplaats in 
het Westen (springzaad in de grienden I). 

In Denemarken zowel op de eilanden als in Jutland, in het Oos- 
ten van het schiereiland talrijk. In Slecswijk-Holstein plaatselijk 



(674) 



NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 



179 




Fig. 47. Ç genitaalappa- 
raat van Xanthorhoë spa- 
dicearia SchifF. (links, no. 
197) en X. fercugafa 
Clerck (rechts, no. 189). 
25 X. 



talrijk, evenals bij Hamburg. Niet zeldzaam bij Bremen, en bij Han- 
nover. In Westfalen plaatselijk talrijk. In de Rijnprovincie 5 vind- 
plaatsen (o.a. Krefeld en Aken), in de Hunsrück plaatselijk niet 
zeldzaam. In België slechts van enkele vindplaatsen in het Zuid- 
Oosten en midden bekend. Ontbreekt op de Britse eilanden. 

Twee generaties, de eerste van de eerste helft van April tot half 
Juni (10-4 tot 16-6), de tweede van half Juli tot begin Septr. (12-7 
tot 1-9). 

V i n d p 1. Gr. : Slochteren. Ov. : De Lutte, Lemselo, Almelo, 
Delden, Colmschate (op de vindplaats veelvuldig, Lukkien). Gdl. : 
Nijkerk, Twello (vrij zeldzaam); Zutfen, Winterswijk, Didam, Bij- 
vank ; Nijmegen, Groesbeek. Z.H. : Rotterdam, Dordrecht. Lbg. : 
Spaubeek, Kerkrade. 

Var. 1. f. aestiva Fuchs, 1884, Ent. Z. Stettin 45: 269. De 
zomer-exx. zijn kleiner, minder bont en donkerder dan die der eer- 
ste gen. 

2. f. tangens nov. Zie Gat. VIII : (557). Slochteren (de Vos); 
Colmschate, Bijvank (Sch.); Twello (Gold.). 

701. X. designata Hufn. Verbreid door vrijwel het gehele land, 
vooral op zandgronden en in bosachtige streken, op de vindplaatsen 
niet zelden gewoon. 

3 gens., de eerste van de tweede helft van April tot begin Juli 
(21-4 tot 3-7), de tweede van de eerste helft van Juli tot begin 



180 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER ' (675) 

Septr. (12-7 tot 8-9), de (zeer partiële en zelden voorkomende) 
derde gen. begin Octr. (9-10-1933 een vers ex. te Twello, CoLDE- 
wey). 

V i n d p 1. Fr. : Kollum, Tietjerk. Gr. : Groningen. Dr. : Paters- 
wolde, Veenhuizen, Wijster. Ov. : Lonneker, Volthe, Agelo, Al- 
melo, Borne, Weldam, Colmschate, Deventer, Frieswijk, Ommen, 
Zwolle. Gdl. : Nijkerk, Putten, Leuvenum, Hattem, Apeldoorn, 
Twello (zeer gewoon), EUecom, De Steeg, Velp, Arnhem, Ren- 
kum, Wageningen, Bennekom, Lunteren ; Zutfen, Vorden, Lochem, 
Boekhorst, Hengelo, Winterswijk, Aalten, Doetinchem, Bijvank, 
Babberich, Lobith ; Beek-Nijm., Nijmegen, Leeuwen, Wamel. Utr, : 
Amerongen, Maarsbergen, Maarn, Driebergen, Zeist, De Bilt, Bilt- 
hoven. Groenekan, Soest, Maarseveen, Loosdrecht, Nigtevecht. 
N.H. : Hilversum, Naarden, Muiderberg, Amsterdam, Middelie, 
Santpoort, Bloemendaal, Haarlem, Overveen, Aerdenhout, Bent- 
veld, Vogelenzang. Z.H. : Leiden, Oegstgeest, Wassenaar, Duin- 
rel, Den Haag, Rijswijk, Rotterdam, Dordrecht, Giesendam, Melis- 
sant. N.B. : Breda, Oudenbosch, Oosterhout, Ingen, 's-Hertogen- 
bosch, Nuenen, Helmond, Deurne. Lbg. : Plasmolen, Tegelen, 
Roermond, Kerkrade, Rolduc, Voerendaal, Aalbeek, Valkenburg, 
Geulem, Meerssen, Geule, Epen. 

Var. 1. f. su[[usa Hannemann, 1917, Suppl. Ent. 6 : 17, fig. 16. 
Voorvls. bruinachtig grijs met onscherpe tekening, achtervls. wit- 
achtig. Nijmegen (Bo. ). 

2. f. hafneri Stauder, 1923, Int. ent. Z. Guben 17 : 113. Grond- 
kleur lichtgrijs, ook van het middenveld, dat alleen door de donkere 
dwarslijnen wordt aangegeven, en van het wortelveld ; achtervls. 
witachtig grijs. Nijmegen (Bo. ); Wassenaar (Wiss.). 

3. f. divisa nov. Grondkleur normaal, lichtgrijs; middenveld van 
dezelfde kleur, de donkere begrenzing normaaU). Barrett 8, pi. 
343, fig. 2 a. Volthe, Amsterdam (v. d. M.); Apeldoorn, Nijmegen, 
Breda (Z. Mus.); Twello (Gold.); Groenekan, Rotterdam (L. 
Mus.); Aerdenhout, Wassenaar (Wiss.); Oosterhout (de Vos). 

4. f. binderi Stander, 1923, I.e. Middenveld der wis. vlees- 
kleurig rose. Twello- (Gold.); Wamel (Z. Mus.); Wassenaar 
(Wiss.). 

5. f. planicolor nov. Zie Gat. VIII : (557). Barrett, I.e., fig. 2 b, 
behoort tot dezelfde variatierichting, al is hier het middenveld 
zwartbruin van kleur. Nijkerk, Apeldoorn, Arnhem, Driebergen, 
Rotterdam (Z. Mus.); Twello (even donker als de fig. in Barrett, 
Gold.); Nijmegen (Bo.); Amsterdam (L. Wag.). 

6. f. coarctata Prout, 1914, Seitz 4 : 288. Middenveld der voorvls. 
sterk versmald. Een prachtig ex. met bijna lijnvormig middenveld 
van Rolduc (Z. Mus.). Minder extreme exx. van: Twello (Gold.); 
Vorden (Mus. Rd.); Winterswijk (Z. Mus.); Nijmegen (Bo.); 
Nigtevecht, Breda (L. Mus.); Bentveld (Wiss.); Vogelenzang 
(L. Wag.); Tegelen, Kerkrade (Latiers). 



^) Ground colour normal ; central area of the fore wings of the same colour, 
the dark borders of it normal. 



(676) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 181 

7. f. tangens nov. Zie Cat. VIII : (557). Barrett, I.e., fig. 2 a. 
Op vrijwel alle vindplaatsen, niet zeldzaam. 

8. f. cotangens nov. Zie Cat. VIII, I.e. Eveneens vrijwel overal 
onder de soort voorkomend. 

Een ex. van Twello (Cold.) heeft een middenveld, dat vlak onder 
de costa ingesnoerd is, op beide vleugels niet gelijk. 

Ochyria Hb. 

702. O. quadrifasciata CIcrck. Het hoofdverbreidingsgebied: 
van deze soort is het duingebied. Daarnaast, maar veel zeldzamer, 
komt de vlinder ook hier en daar in het Oosten en Zuiden voor. 

1 gen., eind Mei tot half Aug. (25-5 tot 15-8), hoofdvliegtijd 
eind Juni, Juli. 

V i n d p 1. Fr. : , .Friesland" (Z. Mus.). Ov. : Colmschate. Gdl. : 
Nijkerk, Harderwijk, Velp, Arnhem ; Zutfen, Babberich. Utr. : 
Soest. N.H. : 's-Graveland, Bussum, Amsterdam (1873, Z. Mus.; 
1928, V. d. M.), Alkmaar, Castricum, Driebuis, Santpoort, Bloe- 
mendaal, Haarlem, Overveen, Bentveld, Aerdenhout, Zandvoort, 
Vogelenzang, Heemstede, De Glip. Z.H. : Lisse, Noordwijk, Kat- 
wijk, Wassenaar, Waalsdorp, Den Haag, Scheveningen, Loosdui- 
nen, Hoek van Holland, Oostvoorne, Rockanje, Dordrecht, Nu- 
mansdorp. Zl. : Kapelle. N.B. : Breda. Lbg. : Sint Geertruid, Epen. 

Var. 1. f. quadrifasciata Clerck, 1759, Icônes 1, pi. 6, fig. 4. 
De afgebeelde (en dus typische) vorm heeft een eenkleurig zwart 
middenveld, afgezet door lichte lijnen, en het gehele achterrands- 
veld is eenkleurig bruin. Maar deze vorm komt uitsluitend bij het 
$ voor en dan nog slechts bij uitzondering. Daar hij zonder twij- 
fel een lagere rang dan die van een subspecies heeft, gelden de 
prioriteitsregels er niet voor en kunnen we zonder enig bezwaar 
de ,,aberratie"-naam er voor gebruiken, die later aan de vorm ge- 
geven is. Daardoor vermijden we ook de ongewenste situatie, dat 
het typische 5 en $ tot twee zowel phaeno- als zonder enige twij- 
fel ook genotypisch verschillende vormen zouden behoren en dat 
de met het typische S overeenstemmende vorm van het $ apart 
onderscheiden zou moeten worden. 

De locus typicus van de soort ligt ongetwijfeld in Zweden. De 
,, typische" vorm (waarmee de auteur dan de meest voorkomende 
bedoelt) heeft daar volgens Nordström (1941, Svenska Fjärilar : 
260) een middenveld, dat het midden houdt tussen thedenii en 
dissolufaria. Dit komt ook met de ervaring hier te lande overeen. 
Ik fixeer daarom de volgende vorm als typisch voor $ en 9 : 

Wortel- en middenveld der voorvls. grijsachtig, het middenveld 
met duidelijke middenstip en dwarslijnen, de randen donkerder dan 
het midden, achterrandsveld bruingrijs met vrij duidelijke tekening. 
South, pi. 72, fig. 4. Hoofdvorm bij $ en 9 . 

2. f. brunneomarginata nov. Als de typische vorm, maar achter- 
randsveld bruini). Overveen (Wiss.); Breda (14, S ; 24, ? ). 

^) As the typical form, but outer area brown. [See for the description of the 
typical form p. (678)]. 



182 B. J. LEMPKE. CATALOGUS DER (677) 

3. f. tristis Warnecke, 1944, Zeitschr. Wien Ent. Ges. 29 : 250. 
Als de typische vorm, maar het achterrandsveld grijs zonder bruine 
tint. Vrij gewoon. Bloemendaal, Bentveld, Vogelenzang, Wasse- 
naar (Wiss.); Lisse (27, $), Breda (15, 16, 18, 5 ? ), Oostvoorne 
( ? , L. Mus.). 

4. f. nigromarginata nov. Als de typische vorm, maar het ach- 
terrandsveld zwartachtig i ) . Overveen ( 2 , Btk. ) . 

5. f. thedenii Lampa, 1885, Ent. Tidskr. 6 : 110. Middenveld der 
voorvls. zwartachtig, achterrandsveld bruin, ongetekend. Svenska 
Fjärilar, pi. 37, fig. 7 b. Waarschijnlijk uitsluitend bij het $ voor- 
komend. Wassenaar (1 $, Wiss.); Den Haag (10, 13), Breda 
(19); Scheveningen (1 5 , Z. Mus.). Een ç met bruingrijs ach- 
terrandsveld van Noordwijk (4). 

6. f. obscura nov. Middenveld der voorvls. zwart, de grondkleur 
der vleugels overigens donkergrijs^ ) . Aerdenhout (; Ç , Wiss.). 

7. f. reduplicata Heinrich, 1916, Deutsche Ent. Z. : 527. Midden- 
veld der voorvls. over de hele lengte licht, grijs, maar de randen er 
van zwart. Ongetwijfeld zeldzaam. Overveen, 2 5 $ (Wiss., Z. 
Mus.). 

8. f. dissolufaria Petersen, 1902, Lep. Fauna Estland, ed. I : 246. 
Middenveld der voorvls. van dezelfde tint als de grondkleur, zon- 
der donkerder randen, wel met de dwarslijnen, waardoor het nau- 
welijks afsteekt en de hele voorvl. veel eenkleuriger wordt. Sv. 
Fjär., Le, fig. 7c. Overveen (Z. Mus.); Aerdenhout, Zandvoort, 
Wassenaar (Wiss.). 

9. f. tangens nov. Zie Gat. VIII : (557). Overveen, Den Haag, 
Scheveningen (Z. Mus.); Wassenaar (Wiss.). 

10. f. cotangens nov. Zie Gat. VIII, I.e. Den Haag (Z. Mus.). 

Observation. Glerck's figure of quadrifasciata shows a 
moth with a completely unicolorous black central area, bordered by 
narrow pale bands, and a unicolorous brown outer area, at least 
in the copy of the Leyden University Library, which I could con- 
sult, and which is a good one. 

As far as I know, all specimens with black central area are ? , $ . 
All descriptions and all figures belong to this sex. Moreover Dr E. 
A. GocKAYNE checked the Tring collection for me and Herr H. 
Reisser some Viennese collections. They neither contain black ban- 
ded $ $. I do' not understand, how Prout could write (1937, 
Seitz 4, Suppl. : 126) that bmnneofasciata Hoffmann (1917, Mitt. 
Naturw. Ver. Steiermark 53 : 151 ) can be used for the black banded 
lî , as he correctly refers one line earlier to the original description, 
in which Hoffmann writes that the form is described after a $ 
from Lichtenwald with wholly black central area. The form is very 
probably sex-linked or sex-controlled, moreover even with the 
? rare. 

It would not be convenient to consider this rare $ aberration the 



•) As the typical form, but outer area blackish. 

^) Central area of the fore wings black, the ground colour for the rest dark 
grey. 



(678) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 183 

type form of the species, and to consider a quite different form of 
the other sex as the $ type form (differing phaenotypically as well 
as genetically). And what to do with the ? corresponding with this 
$ type then ? 

A sound solution for this complication is in my opinion to dis- 
card Clerck's figure as the type form. This is permitted, because it 
represents a form of a lower status than a subspecies, which is not 
protected by the rule of priority. We continue to use the aberra- 
tional name created for it {thedenii Lampa, 1885 = brunneof asciata 
Hoffmann, 1917), and we create a new description for the type. 
As such I hve fixed on p. (676) the commonest form of the spe- 
cies, in both sexes : 

"Basal and central area of the fore wings greyish, the central 
area with distinct discal spot and transverse lines, the borders of it 
darker than the centre, outer area brown-grey with rather distinct 
markings." 

It is excellently figured bij South, pi. 72, fig. 4. 

Nycterosea Hulst 

703. N. obstipatà F., 1794 [fluvìata Hb., [1796—1799]). Immi- 
grant uit Zuid-Europa, steeds zeldzaam, en vele jaren geheel ont- 
brekend. 

Uit Denemarken zijn alleen een paar exx. van Möen en Born- 
holm bekend. In het omringende Duitse gebied weinig waargeno- 
men : 1 ex. in 1947 op het Wadden-eil. Wangeroog, 1 ex. bij 
Munster in 1916, idem bij Essen in 1931 en 1932 ; in de Rijnprov. 
bij Wijier (1 ex.), een paar exx. bij Burtscheid en Aken in 1912, 
en in de Hunsrück. In België slechts van enkele vindplaatsen in het 
Oosten bekend (Dinant, Boitsfort, Virton). In Groot-Brittannië 
vooral in het Zuiden van Engeland (ook alleen als immigrant), 
maar tot in Noord Schotland gevangen. In Ierland zeldzaam, maar 
bekend van vrij veel vindplaatsen over het hele eiland. 

Uit de lijst van vindplaatsen blijkt, dat de vlinder bij ons werd 
aangetroffen in 1866 of '67, 1882, 1899, 1907, 1928, 1932, 1937, 
1938, 1942, 1945, 1946, 1947 en 1948. Tot nog toe was 1932 met 
twaalf gevangen exx. het beste jaar. Ook bij deze soort valt de voor 
Lepidoptera zo gunstige periode op, die tegen het eind der dertiger 
jaren inzette. 

De vlinder is bij ons waargenomen van de tweede helft van Mei 
tot half November (23-5 tot 12-11, de laatste datum in 1938). 
Slechts enkele vangsten vallen in Mei, Juni en na September, 10% 
valt in Juli, 40% in Augustus en 31% in September. In 1938, 1947 
en 1948 is hier meer dan 1 gen. waargenomen. Toch is het klimaat 
hier ongetwijfeld weinig geschikt voor obstipata. Dat blijkt wel 
duidelijk uit het geringe aantal exx., dat zich bij ons kan ontwik- 
kelen. Wij zitten trouwens al dicht bij de noordgrens op het Con- 
tinent van het gebied tot waar de immigranten zich nog kunnen 
uitbreiden. 

In gunstige omstandigheden gekweekt, ontwikkelen de rupsen 
zich snel. Zie Boldt in zijn vlot artikel over de bij Nijmegen gevon- 
den exx. (1933, Ent. Zeitschr. Frankfurt 46: 250). 



184 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (679) 

Vin dpi. Dr.: Schoonoord, 23-5-1899, 9 (Z. Mus.). Ov. : 
Colmschate, 12-11-1938 (Lukkien). Gdl. : Twello, 26 en 28-8-1932, 
2 $ $; 18-9-38, ?; 8-6-48, ? (Gold.); Bennekom, 1937 (Cet.); 
Korenburgerveen, 12-8-47, ^ (Sch.); Lobith, 23-8-28; 9-7-37 
(Sch.); Nijmegen, 29-9-32, ?; bovendien uit gevonden rupsen 3 
5 5 en 6 î ? , die van 6 tot 15-11 uitkwamen (Bo.). Utr. : Zeist, 
22-9-47, 2 ? $ (Gorter). N.H. : Amsterdam, 5-9-45, 5 (Lpk.); 
Zaandam, 7-8-47, 5 (Westerneng); Haarlem, 3-8 en 29-8-38. ?; 
28 en 29-8-38, telkens een 5 (Heezen); Aerdenhout, 1-9-46, 2, 
en 22-8-48, 5 (Wiss.); Bentveld, 31-7-28, 5 (Wiss.); Zandvoort, 
8-9-38, $ (Btk.); Catrijp, 25-8-47, 5 (Witmond). Z.H. : Wasse- 
naar, 6-6-38, 5,5-8 (?) en 18-9-38, 5 (Wiss.); Scheveningse 
Bos, 23-10-1882, $ (L. Mus., vermeld in Tijdschr. v. Ent. 26 
CXXXIV als van Den Haag); Kijkduin, 6-9-46, 5 (v. d. M.) 
Vlaardingen, 29-7-47, 5 (Nijssen); Rotterdam, 29-9-46 (Lucas) 
Numansdorp, 8-6-07 (Z. Mus.). Zl. : Serooskerke, 21-8 en 1-9-38 
totaal 4 exx. (Br.), N.B. : Bergen op Zoom, 27-8-46 (Korringa) 
Deurne, 25-7-38; 27-7 en 8-8-45 samen vier exx. (Nies). Lbg. 
Venio, 17-9, 2; 15-10, 5 (Z. Mus.; een der exx. vermeld in 
Tijdschr. voor Ent. 13: 86 en 135, 1870, gevangen in 1866 of 1867) ; 
Eperheide, 25-7-37, 5 (v. d. M.); Lemiers, Aug. 1942 (Delnoye). 

Var. De vlinder is sterk sexueel dimorph. Het 5 is lichtbruin 
met een smal donkerbruin middenveld, het 2 is donker grijsachtig 
rood met nog donkerder middenveld, waarin de scherp wit gerande 
middenstip staat. 

1. f. 5 interrupta Schawerda, 1921, D. ent. Z. Iris 35: 124. 
Middenveld der voorvls. onderbroken. Wassenaar (Wiss.). 

2 f. 5 costovata Foltin, 1938, Z. Öst. Ent. Ver. 23: 126. Van 
de middenband is alleen het bovenste deel in de vorm van een 
voorrandsvlek over. Nijmegen (Bo. ). 

3. f. purpurea Dannehl, 1927, Ent. Z. Frankfurt 41 : 19'. 2 met 
diep purperrode grondkleur, $ met sterke rode tint. Haarlem, 2 
(Z. Mus.). 

4. f. 9 inocellata nov. Voorvls. zonder de witte ring om de mid- 
denstipi). Nijmegen (Bo. ); Zeist (Gorter). 

Orthonama Hb. 

704. O. vittata Bkh., 1794 {Ugnata Hb., [1796— 1799] ) 2). Ver- 
breid op niet te droge plaatsen door een groot deel van het land, 
plaatselijk vrij gewoon tot gewoon. 

^) Fore wings without the white ring round the central spot. 

^) Phalaena Geometra vittata Bkh., 1794, Schmett. Eur. 5 : 63, is not a ho- 
monym of Geometra vittata Thunberg, 1784, Diss. ent. Ins. Suec. 1 : 8 (=: Pha- 
laena rubiginata Hufn., 1767). The name is perfectly valid (opinion 124), and 
Prout's nomenclature (1914, Seitz 4: 228) is not correct in this case. 

[Opinion 124 states that : "The various subdivisions of genera published by 
Linnaeus in 1758 are not to be accepted as of this date (1758) as of subgeneric 
value under the Internatonial Rules". It stands to reason that this decision, which 
was published in 1936, so many years after the publication of Seitz 4, must 
also be applied to those authors who used Linnaeus's system of nomenclature 
and of whom Borkhausen was one of the last. It will be highly necessary to 
amendate opinion 124 in this sense.] 



(680) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 185 

Drie generaties, de eerste van de tweede helft van Mei tot be- 
gin Juli (21-5 tot 8-7), de tweede van de tweede helft van Juli tot 
begin Septr. (20-7 tot 5-9), de (zeer partiële en zelden voorkomen- 
de) derde in de tweede helft van Septr. (18-9 tot 27-9). 

Vin dpi. Fr.: Nes-Ameland, Kollum, Warga, Leeuwarden, Hies- 
lum, Beetsterzwaag, Oosterwolde, Rijs. Gr. : Delfzijl, Loppersum, 
Haren. Glimmen. Dr. : Paterswolde, Roden, Veenhuizen, Wijster, 
Hoogeveen. Ov. : De Lutte, Volthe, Rectum, Almelo, Borne, Hen- 
gelo, Colmschate, Zwolle, Giethoorn. Gdl. : Putten, Ermelo, Har- 
derwijk, Leuvenum, Epe, Heerde, Apeldoorn, Twello (gewoon), 
Laag Soeren, Velp, Arnhem, Oosterbeek, Renkum, Bennekom, Lun- 
teren ; Zutfen, Eefde, Lochem, Korenburgerveen, Bredevoort, Aal- 
ten, Doetinchem, Babberich, Herwen, Lobith ; Beek-Nijm., Nijme- 
gen, Hatert, Wamel, Echteld, Zalt-Bommel. Utr. : Rhenen, Ame- 
rongen, Zeist, Bilthoven, Groenekan, Soest, Baarn, Zuilen, Maar- 
sen, Maarseveen, Harmeien, Abcoude. N.H. : Hilversum, 's-Gra- 
veland, Laren, Naarden, Kortenhoef, Diemen, Amsterdam, Zaan- 
dam, Middelie, Catrijp, Haarlem, Overveen, Aerdenhout, Zand- 
voort. Heemstede. Z.H. : Hillegom, Leiden, Leiderdorp, Katwijk, 
Wassenaar, Den Haag, Rijswijk, Loosduinen, Rotterdam, Zeven- 
huizen, Spijkenisse, Numansdorp, Dordrecht. Zl. : Serooskerke, 
Goes. N.B. : Bergen op Zoom, Breda, Ginneken, Oudenbosch, Hil- 
varenbeek, Oisterwijk, Cuyck, Nuenen, Deurne. Lbg. : Plasmolen, 
Venlo, Roermond, Geulem, Meerssen, Gulpen, Epen. 

Var. 1 . f. costbvata nov. Het onderste gedeelte van het mid- 
denveld der voorvls. ontbreekt^). Zutfen, 's-Graveland (L. Mus.); 
Wassenaar (Wiss.). 

Colostygia Hb. 

705. C. olivata Schiff. Slechts één reeds bijna driekwart eeuw 
oude vangst uit het Zuiden van het land bekend. 

In Denemarken bekend van Möen en van 1 vindplaats op Lol- 
land en lokaal in Jutland. In het omringende Duitse gebied in 
Sleeswijk, Midden- en Oost-Holstein (aansluitend dus aan het 
Deense vlieggebied) , dan pas weer in Westfalen (Waldeck, en 
een zeer oude vermelding van Osnabrück) en de Rijnprovincie (in 
totaal 7 vindplaatsen, maar niet dicht bij onze grens). In België al- 
leen bekend uit de Zuidelijke helft van de Ardennen. In Groot- 
Britannië in het Zuiden langs de kust, verbreid door het Westen, in 
Schotland vooral in het bergland. In Ierland zeldzaam, alleen spo- 
radisch in het Noorden. Het Nederlandse ex. was dus hoogst- 
waarschijnlijk een zwerver uit de Ardennen of de Rijnprovincie. 

De vlinder heeft 1 gen., die van Juni tot in Aug. kan voorkomen. 
Ons ex. stamde van begin Juli. 

Vin dpi. Lbg.: Valkenburg, $, 2 Juli 1881 (L. Mus., ver- 
meld door Snellen, 1883, Tijdschr. voor Ent. 25: XXV). 



^) The lower part of the central area of the fore wings fails. 



186 B. I. LEMPKE. CATALOGUS DER (681) 

706. C. pectinataria Knoch, 1781 {Phalaena viridaria F., 1775, 
nee Clerck, 1759). Verbreid door een groot deel van het land, 
vooral in bosachtige streken en op zandgronden, maar lang niet 
overal ge"woon. 

Twee gens., de eerste begin Mei tot half Juli (4-5 tot 17-7), de 
tweede van half Aug. tot in de tweede helft van Septr. (13-8 tot 
19-9). 

V i n d p 1. Fr. : Tietjerk, Beetsterz waag, Olterterp, Oosterwolde. 
Gr. : Slochteren, Groningen, De Punt. Dr : Peize, Veenhuizen, 
Wijster, Vledder. Ov. : Agelo, Volthe, Albergen, Eerde, Colm- 
schate. Gdl. : Nijkerk, Voorthuizen, Putten, Harderwijk, Leu- 
venum, Apeldoorn, Twello (slechts een enkel ex. in 1932 en 
1948), Empe, Laag Soeren, Arnhem, Oosterbeek, Renkum, Ede; 
Eefde, Vorden, Boekhorst, Aalten, Muizenberg, Montferland, Bij- 
vank, Babberich, Lobith ; Berg en Dal, Hatert, Groesbeek. Utr. : 
Rhenen, Amerongen, Zeist, De Bilt, Soest, Lage Vuursche, HoU. 
Rading, Loosdrecht. N.H. : Hilversum, Amsterdam, Alkmaar, 
Heemskerk, Wijk aan Zee, Bloemendaal, Haarlem, Overveen, 
Bentveld, Aerdenhout, Zandvoort, Vogelenzang, Heemstede, De 
Glip. Z.H. : Noordwijk, Leiden, Wassenaar, Meijendel, Den Haag, 
Zevenhuizen, Rotterdam, Rockanje, Dordrecht, Melissant. Zl. : 
Haamstede, Domburg. N.B. : Breda, Hilvarenbeek, Veghel, Nue- 
nen, Deurne. Lgb. : Plasmolen, Roermond, Kerkrade, Houthem, 
Meerssen, Epen, Diependal, Vaals. 

Var. 1. f. albocincta nov. De zwarte begrenzing van het mid- 
denveld der voorvls. is alleen aan voorrand en binnenrand over, 
overigens wordt het slechts door een witte lijn begrensd^). Leu- 
venum (Gold.); Amsterdam, Overveen (Z. Mus.). 

2. f. costovata nov. Van de middenband der voorvls. is alleen de 
zwarte vlek aan de voorrand over^). Arnhem (Z. Mus.). 

3. f. approximata nov. Zie Gat. VIII : (557). Bij deze exx. is het 
middenveld dus wel smal, maar overigens normaal^). Slochteren 
(Wiss.); Montferland (Sch.); Zandvoort (Btk.); Dordrecht 
(Jch.); Breda (L. Mus.). 

4. f. clausa nov. Zie Cat. IV : (204). Rhenen (Herwarth); Bre- 
da (19). 

5. Dwergen. Zeist (Mus. Rd.); Nuenen (Neijts). 

707. C. multistrigaria Haworth. Verbreid in de duinen (tot nog 
toe niet noordelijker bekend dan Castricum), bovendien in een en- 
kel ex. in het binnenland aangetroffen. 

Niet voorkomend in Denemarken. In het omringende Duitse ge- 
bied alleen in de Rijnprovincie (2 exx. bij Krefeld in 1934 en plaat- 
selijk niet zeldzaam in die Hunsrück). In België bekend van Luik 
(1 ex. in 1936 in de stad, in 1939 twee exx. in de omgeving). 



^} The black border of the central area of the fore wings only remains on 
costa and inner margin, for the rest it is only bordered by a white line. 

-) Of the central area of the fore wings only the black spot on the costa 
remains. 

^) With these specimens the central area is narrow, but for the rest normal. 



(682) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 187 

Hier moeten we ongetwijfeld denken aan een samenhang met het 
vlieggebied in de Rijnprovincie, daar het Franse territorium door 
een zeer wijde gaping van Luik gescheiden is, terwijl daar boven- 
dien een andere subspecies vliegt. Verbreid over de Britse eilan- 
den tot op de Orkaden toe. De Noordgrens van het areaal op het 
Continent ligt dus in onze duinstreek. 

1 gen., begin Februari tot half Mei (7-2 tot 12-5), hoofdvliegtijd 
Maart, begin April. 

Vin dpi. Gdl. : Leuvenum, 13-3-26, $ (Cold.) en 18-3-26, $ 
(Z. Mus.). N.H. : Castricum, Heemskerk, Driebuis, Haarlem, 
Overveen, Zandvoort, Aerdenhout, Vogelenzang, Heemstede. 
Z.H. : Noordwijk (o.a. ook van Vinkeveld), Wassenaar, Duin- 
rel, Den Haag, Scheveningen, Dordrecht, 12-4-1908, $ (Jch., ver- 
meld door Snellen, 1909, Tijdschr. v. Ent. 52 : 186). 

Var. 1. f. virgata Tutt, 1904, Ent. Ree. 16: 303. Middenveld 
der voorvls. donkerder, duidelijk als een donkere band afstekend. 
Overveen (Z. Mus., Wiss.); Wassenaar (div. colls. ). 

2. f. pallida nov. Grondkleur witachtig ; op de voorvls. zijn van 
de donkere tekeningen alleen de dwarslijnen overi). Boogduin (bij 
Overveen?), 24-4-1863, ? (Z. Mus.). 

708. C. didymata L. In een groot deel van het land voorkomend, 
vooral op niet te droge plaatsen vaak gewoon, maar toch lang niet 
zo verbreid, als ik vermoed had. 

1 gen., tweede helft van Mei tot begin Aug. (20-5 tot 7-8), 
hoofdvliegtijd Juli. Het extra-vroege ex. werd in 1927 te Vaals 
gevangen (Rijk). 

V i n d p l. Fr. : Kollum, Tietjerk, Leeuwarden, Warga, Wol- 
vega. Gr. : Slochteren, Groningen, Veendam, Ter Apel. Dr. : Norg, 
Rolde, Assen. Ov. : Denekamp, Volthe, Albergen, Colmschate. 
Gdl. : Nijkerk, Harderwijk, Leuvenum, Apeldoorn, Dieren, Arn- 
hem, Oosterbeek, Lunteren ; Zutfen, Vorden, Laren, Lochem, Bar- 
chem. Aalten, Bijvank, Babberich ; Berg en Dal, Ubbergen. Utr. ; 
Amerongen, Woudenberg, Zeist, Groenekan, Soest, Nieuwersluis, 
Nigtevecht. N.H. : 's-Graveland, Blaricum, Bussum, Muiderberg, 
Weesp, Amsterdam, Amstelveen, Koog aan de Zaan, Alkmaar, 
Wijk aan Zee. Haarlem, Overveen, Aerdenhout, Vogelenzang. 
Z.H. : Woerden, Noordwijk, Warmond, Oegstgeest, Leiden, Kat- 
wijk, Wassenaar, Voorschoten, Den Haag, Rijswijk, Schiebroek, 
Overschie, Schiedam, Rotterdam, Giesendam, Staelduin, Oostvoor- 
ne, Numansdorp, Dordrecht. N.B. : Breda, Ulvenhout, Oosterhout, 
Hilvarenbeek, 's-Hertogenbosch, Nuenen. Lbg. : Plasmolen, Venlo, 
Horn, Roermond, Kerkrade, Rolduc, Houthem, Meerssen, Eisden, 
Epen, Vaals. 

Var. Linnaeus (1758, Syst. Nat., ed. X: 528) beschrijft al- 
leen het ? van deze sexueel dimorphe soort (,,alis albidis obsolete 
cinereo-bifasciatis : posteriori macula fusca biloba"). Zo een wit- 



^) Ground colour whitish ; on the fore wings only the transverse lines remain 
of the dark markings. 



188 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (683) 

grijs, tamelijk zwak getekend typisch $ wordt afgebeeld in Svenska 
Fjär., pi. 37, fig. 18 a. (Het ? in South, pi. 11 , fig. 8, is veel ster- 
ker geband ! ) Onze meeste 5 $ behoren tot deze typische vorm 
of zijn wat sterker geband zoals het ? in South. 

De typische (Zweedse) ^ 5 zijn donker bruingrijs, duidelijk ge- 
band. Svenska Fjärilar, I.e. ; South, fig. 5 en 6. Ook de grote meer- 
derheid onzer 5 $ stemt met deze vorm overeen. 

1. f. 5 brunnescens nov. De donkere tekeningen der vleugels 
bruini). South, I.e., fig. 4. Bijvank (Sch.); Amsterdam (v. d. M.). 

2. f. planicolor nov. Zie Gat. VIII : (557). Lisse, i (L. Mus.). 

3. f. 9 contrasta nov. Grondkleur der vleugels zuiver wit, teke- 
ning donkerbruin (zonder gele tint), scherp afstekend-). Rolde 
(Wiss.); Laren-G., Amsterdam, Overschie (Z. Mus.). 

4. f. 9 albidissima Strand, 1919, Arch. Naturgesch. 85 (A. 4): 
28. Grondkleur vuilwit, op de voorvls. alleen de proximale helft van 
de middenband zwak aangeduid, de rest van de tekening op de 
donkere vlekken aan de achterrand na bijna verdwenen ; achtervls. 
ongetekend. Tietjerk (Z. Mus.). 

5. f. 9 flavescens nov. Grondkleur der vleugels lichtgeel, teke- 
ning normaal^). South, pi. 11, fig. 7 en 9 ; Barrett 8, pi. 346, fig. 
2 a. Lochem, Den Haag (Z. Mus., benevens enkele overgangen). 

Lampropteryit Stephens 

709. L. ocellata L. Verbreid in bosachtige streken en in de dui- 
nen, op de vindplaatsen vaak gewoon. 

Twee generaties, die van begin Mei tot begin Septr. voorkomen 
(4-5 tot 8-9). ,, Tussen deze beide ligt in hetzelfde jaar ge- 
woonlijk een tijd van 3 tot 5 weken. In Twello begint de eerste gen. 
meestal omstreeks 21 Mei, in sommige jaren echter wel 14 dagen 
vroeger of later ; de tweede gen. vliegt in de tweede helft van Juli 
en vooral in Augustus. Gemiddeld ligt de grens tussen beide gene- 
raties op ongeveer 15 tot 20 Juli". (Coldewey, in litt.) 

V i n d p 1. Fr.: Ameland (talrijk, Lukkien), Schiermonnikoog. 
Gr. : Glimmen. Dr. : Paterswoide, Wijster. Ov. : Denekamp, Vol- 
the, Almelo, Rectum, Hengelo, Twekkelo, Eerde, Oud-Leusen, 
Frieswijk, Colmschate, Deventer. Gdl. : Putten, Leuvenum, Nun- 
speet, Apeldoorn, Twello (zeer gewoon), Loenen, Laag Soeren, 
Velp, Arnhem, Oosterbeek, Wageningen, Bennekom, Lunteren ; 
Zutfen, Vorden, Lochem, Aalten, Doetinchem, Montferland, Bab- 
berich ; Nijmegen. Utr. : Amerongen, Doorn, De Bilt, Soest, Holl. 
Rading, Lage Vuursche. N.H. : Hilversum, Texel, Castricum, 
Heemskerk, Wijk aan Zee, Bloemendaal, Haarlem, Overveen, 
Zandvoort, Aerdenhout, Vogelenzang. Z.H. : Noordwijk, Katwijk, 
Wassenaar, Den Haag, Scheveningen, Hoek van Holland, De 



^) The dark markings of the wings brown. 

^) Ground colour of the wings pure white, markings dark brown (without 
yellow tint) , sharply contrasting. 

'■^) Ground colour of the wings pale yellow, markings normal. [The form is 
not identical with 9 lutescens Prout, 1938, Seitz 4, Suppl. : 134, pi. 12 i, fig. 1, 
which has much darker yellow-brown ground colour.] 



(684) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 189 

Beer, Oostvoorne, Ouddorp. Zl. : Domburg, Koudekerke. N.B. : 
Bergen op Zoom, Breda, Cuyck, Eindhoven, Nuenen, Deurne. Lbg.: 
Plasmolen, Milsbeek, Venlo, Roermond, Valkenburg, Houthem, 
Hulsberg, Bunde, Eperheide, Epen, Vaals. 

Var. 1. f. obscura nov. De witachtige band tussen wortel- en 
middenveld der voorvls. sterk verdonkerd^ ) . Volthe (v. d. M.); 
O ver veen (Z. Mus.). 

2. f. albomarginata nov. Achterrand van voor- en avis. zonder 
donkere tekening op het zwartachtige vlekje bij de apex der voorvls. 
na, hoewel ook dit kan ontbreken^). Oosterbeek (Z. Mus.); Bloe- 
mendaal (Lpk. ); Wassenaar (Wiss.); Eperheide (v. d. M.). 

3. Dwergen. Wassenaar (Wiss.). 

710, L, suf fumata Schiff. Tot nu toe slechts eens in het Zuiden 
van Limburg aangetroffen. 

In Denemarken alleen bekend van Jutland en daar tamelijk ver- 
breid. In Sleeswijk-Holstein in het gehele Oosten verbreid in beu- 
kenbossen, soms niet zeldzaam. Bij Hamburg hier en daar in voch- 
tige bossen, meest van beuken. Niet bekend van Bremen. Bij Han- 
nover over het algemeen zeldzaam, maar plaatselijk gewoon ; bij 
Osnabrück zeldzaam. In Westfalen alleen bekend van Witten in 
het Roergebied en van Waldeck. In de Rijnprovincie slechts op 3 
plaatsen aangetroffen : Krefeld, Keulen en Trier. In België bekend 
van verscheiden vindplaatsen in het Oostelijk gedeelte (Noordelijk- 
ste : Andrimont bij Spa). In Groot-Brittannië verbreid, maar tame- 
lijk lokaal, over Engeland, Wales en Schotland behalve het uiterste 
Noorden. Verbreid en gewoon over geheel Ierland. Het is duidelijk, 
dat onze vindplaats een uitloper is van het Belgische vlieggebied, 
al is natuurlijk ook een samenhang met de Rijnprovincie mogelijk. 

1 gen. (in Engeland van April tot begin Juli). Het Nederlandse 
ex. werd in de tweede helft van Mei gevangen. 

V i n d p 1. Lbg.: Epen, 25-5-1920, ? aan de rand van het 
Onderste Bos. Het legde enige eieren, waaruit 4 exx. opgekweekt 
werden, die in April en Mei 1921 uitkwamen. Alle exx. (behalve 
een kreupel ex, in Z. Mus.) in coll. -de Vos. Zie ook ToxoPEUS, 
1921, Tijdschr. v. Ent. 63 : 164—166. 

Coenotephria Preuts) 

711. C. bcrberata Schiff. Verbreid in de duinen en in Zuid- 



^) The whitish band between basal and central area of the fore wings strongly 
darkened. 

2) Hind margin of fore and hind wings without dark markings with the 
exception of the blackish spot near the apex, although this may also fail. 

^) C. verberata Scop. Valkenburg, 11 Juli 1936, 1 ex. (Kortebos). Nergens in 
het omringende gebied aangetroffen. De dichtstbijzijnde vindplaatsen zijn de 
Harz en de Vogezen, zodat we de soort ongetwijfeld als een adventief moeten 
beschouwen. 

[In de eerste 3 delen van de Catalogus heb ik de grens tussen de verschillende 
rubrieken, die onze vlinderfauna samenstellen, nog niet zo scherp getrokken, 
waardoor enkele soorten, die zeker tot de adventieven gerekend moeten worden, 
tussen de andere opgenomen zijn. Aan het slot van de Catalogus hoop ik dit 
te corrigeren.] 



190 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (685) 

Limburg (verspreiding van de berberis !), daarbuiten slechts op een 
enkele plaats aangetroffen. 

In Denemarken alleen bekend van Möen, waar de vlinder op 
Möens Klint gewoon is (Noordgrens !). In het omringende Duitse 
gebied niet bekend uit Sleeswijk-Holstein ; bij Hamburg slechts 
2 keer als rups op gekweekte berberis ; niet bij Bremen noch ergens 
anders in de provincie Hannover ; in Westfalen bij Sterkrade in 
het Roergebied (1919), overigens alleen in het Oosten; in de 
Rijnprov. op 6 vindplaatsen gevonden, die door het gehele gebied 
verspreid liggen. In België op verschillende plaatsen in de Ooste- 
lijke helft en het midden (tot Leuven) aangetroffen, aansluitend 
dus aan het Zuidlimburgse vlieggebied. Op de Britse eilanden 
alleen in het Oosten van Engeland, dus tegenover onze duinstreek. 

Twee generaties, de eerste van eind April tot half Juni (26-4 
tot 13-6), de tweede van eind Juli tot begin Septr. (26-7 tot 8-9). 

V i n d p 1. Gdl. : Empe, Velp, Arnhem, Oosterbeek, Doetinchem. 
N.H. : Amsterdam (1888, L. Mus.), Santpoort, Bloemendaal. 
Haarlem, Overveen, Aerdenhout, Bentveld, Zandvoort, Heem- 
stede. Z.H. : Wassenaar, Den Haag. N.B. : Breda, Ginneken, 
Vught. Lbg. : Schin op Geul, Voerendaal, Aalbeek, Valkenburg, 
Houthem, Meerssen, Maastricht. 

Var. 1. f. tangens nov. Zie Gat. VIII : (557). Gewoon, overal 
onder de soort. 

2. f. interrupts Metschl, 1925, Int. ent. Z. Guben 19 : 26. Mid- 
denband der voorvls. onderbroken. Overveen ( Cold. ) . 

712. C. derivata Schiff., 1775 [nigr of asciarla Goeze, 1781). 
Slechts bekend van enkele vindplaatsen in het Oosten van het land 
en uit Zuid-Limburg. Hoewel de vlinder in het laatstgenoemde ge- 
bied jaren achtereen werd opgemerkt, is al bijna 40 jaar lang daar 
geen ex. meer gesignaleerd. In elk geval op het ogenblik een zeer 
zeldzame soort. 

In Denemarken op de eilanden (het meest op Bornholm, Möen 
en Fünen) en op enkele vindplaatsen in Oost-Jutland. In 
Sleeswijk-Holstein alleen in het Oosten, lokaal en zeldzaam ; bij 
Hamburg zeldzaam ; van Bremen slechts een zeer oude vermel- 
ding ; bij Hannover zeer zeldzaam ; niet zeldzaam bij Osnabrück ; 
in Westfalen slechts bekend van Arberg, Höxter, Hagen en Mun- 
ster ; in de Rijnprov. gevonden bij Krefeld, Elberfeld, Aken (2 
exx., 1 in 1888!), Bonn en Trier. In België alleen in het Maas- 
bekken. In Groot-Brittannië verbreid over geheel Engeland, Wales 
en het Zuiden van Schotland. In Ierland verbreid, maar niet ge- 
woon. De Gelders-Overijselse vindplaatsen (+ Cuyck) hangen 
dus hoogstwaarschijnlijk samen met de Westfaalse, de Zuid- 
limburgse ongetwijfeld met de Belgische en die uit de Rijnprovincie. 

1 gen., eind April tot eind Mei. 

V i n d p 1. Ov. : Diepenveen (Lukkien); Deventer, 1901 
(Gold.). Gdl.: Twello, 27-5-25, 12-5-29, 14-5-31 (Gold.); Empe 
(Bst. 2: 194); Velp (de Roo van Westm.); Vorden (Bst., I.e.); 
Doetinchem, 11-5-21 (Gold.); Hoog Keppel, 26-4-20 (Z. Mus.); 



(686) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 191 

Babberich, 3-5-43 (Elfrink). N.B.: Cuyck, 16-5-1890 (Z. Mus.). 
Lbg. : Kerkrade, 1898 (Mus. Rd.), 1906, 1907, 1909 en 1911, div. 
exx. (Latiers), 25-5-1910 (Btk.); Houthem, rupsen in 1912 (Tijd- 
schr. V. Ent. 57: 132), die in 1913 enkele vlinders opleverden 
(Jch.). 

Var. Bij de typische vorm is de grondkleur licht bruingrijs tot 
lilagrijs (South, pi. 88, fig. 7). 

1. f. clara nov. Middenveld der voorvls. witachtigi). South, I.e., 
fig. 8. Twello (Cold.). 

713. C. sagittata F. Lokaal, vooral in het Oosten van het land, 
over het algemeen zeldzaam. Zie ook Scholten (1938, Tijdschr. 
v. Ent. 81 : 202) over zijn ervaringen bij Lobith. 

In Denemarken bekend van verschillende eilanden en van Jut- 
land, waar in 1948 het eerste ex. werd gevangen. Niet in Sleeswijk- 
Holstein ; bij Hamburg zeer lokaal, alleen ten Zuiden van de Elbe ; 
niet bij Bremen ; vroeger bij Hannover, thans met de voedselplant 
verdwenen ; in Westfalen alleen 1 ex. in 1909 in het midden- 
Roergebied ; niet in de Rijnprovincie. In België alleen vermeld van 
Virton (in het uiterste Zuiden, oude vangst). [In Frankrijk met 
zekerheid slechts van één vindplaats bekend : Cysoing bij de Bel- 
gische grens !] In Engeland alleen bekend van de ,,Fens", het 
lage, moerassige gebied aan de Oostkant op onze breedte, en van 
een paar plaatsen op ongeveer dezelfde breedte aan de Westkust 
ten Z. van Birmingham. 

1 gen., half Juni tot half JuH (17-6 tot 11-7). 

V i n d p 1. Ov. : Colmschate. Gdl. : Nijkerk, Twello (vrij zeld- 
zaam in 1930 tot en met 1933, overigens ontbrekend op 1 ex. in 
1947 na); Boekhorst, Laren, Wildenborch, Babberich, Lobith (de 
vindplaats is hier verdwenen !); Beek-Nijmegen. Z.H. : Dordrecht 
(1914, 1934, Jch.). N.B. : Oisterwijk. 

Var. 1. f. approximata nov. Zie Gat. VIII: (557). Lobith 
(Sch.). 

2. f. interrupta Hirschke, 1910, Verh. zool. -bot. Ges. Wien 60 : 
417. De donkere middenband der wis. onder het midden gedeeld. 
Twello (Gold.); Lobith (Garon). 

Euphyia Hb. 

714. E. cuculata Hufn. Al in geen eeuw meer in ons land waar- 
genomen ! Slechts bekend van één vindplaats in Gelderland. 

In Denemarken op de meeste der grotere eilanden aangetroffen 
en op enkele plaatsen in Jutland, overal zeldzaam. Alleen bekend 
uit Oost-Holstein ; zeldzaam bij Hamburg ; alleen een oude ver- 
melding bij Bremen ; zeldzaam bij Hannover ; lokaal in Westfalen ; 
slechts 4 vindplaatsen in de Rijnprovincie. In België zeer zeldzaam : 
Dubuy (oude opgave), Antwerpen en Virton. In Groot-Brittannië 
alleen in het Zuiden en Oosten van Engeland, vooral op kalk, en 



^) Central area of the fore wings whitish. 



192 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (687) 

met een zeer wijde gaping er tussen weer in het midden van 
Schotland. In Ierland zeldzaam en zeer plaatselijk. 

1 gen., eind Juni en Juli volgens South. Van Nederlandse vlieg- 
tijd is niets bekend. 

V i n d p 1. Gdl. : Empe, $, e.l. (Van Eyndhoven, ± 1860, in 
Sepp, 2e serie 1 : 39—40, pi. 10, fig. 5 ; Bst. 2 : 194). 

*715. E. unangulata Hw. Dat deze vlinder tot onze fauna ge- 
rekend wordt, berust uitsluitend op een 80 jaar oude vermelding 
van Maurissen ! De verbreiding in het omringende gebied in aan- 
merking genomen, heeft de vangst van de vlinder hier te lande 
evenwel niets verwonderlijks, hoewel het dier overal in het ons om- 
ringende continentale gebied een zeldzaamheid is. Dit is ook wel de 
reden, dat de soort hier sedertdien nooit meer teruggevonden isi). 

In Denemarken bekend van de eilanden (behalve Seeland) en 
van enkele vindplaatsen in Jutland. In Sleeswijk-Holstein in het 
midden en Oosten der provincie ; bij Hamburg zeldzaam ; niet bij 
Bremen ; bij Hannover zeldzaam ; in Westfalen lokaal (o.a. Osna- 
brück en Gelsenkirchen); in de Rijnprovincie 5 vindplaatsen (o.a. 
Elberfeld). In België zeer lokaal. In Engeland vooral verbreid, hoe- 
wel lokaal, in de zuidelijke helft, naar het Noorden veel zeldzamer ; 
niet in Schotland. In Ierland zeldzaam, maar verbreid. 

2 gens.. Juni en tweede helft van Juli en Aug. volgens de fauna 
van Hamburg. Van Nederlandse vliegtijd is niets bekend. 

V i n d p 1. Lbg. : ,,Pris sur la colline boisée entre Geulheim et 
Houthem" (Maurissen, 1867, Tijdschr. v. Ent. 9: 187). [Later, 
1883, op. cit. 25 : CXI, geeft deze auteur als vindplaats : Maas- 
tricht, dat sindsdien als enige Nederlandse localiteit in onze litera- 
tuur voortleefde. Natuurlijk is de vroegere nauwkeurige aandui- 
ding de juiste.] 

716, E. picata Hb. Al weer een uiterst zeldzame vlinder, die 
slechts in weinige, en dan nog meest zeer oude, exx. uit ons land 
bekend is. 

In Denemarken verbreid op de eilanden en in Jutland (hier op 
vele plaatsen gewoon). In geheel Sleeswijk-Holstein in het Oosten 
en midden van het Noorden naar het Zuiden, maar lokaal en zeldr 
zaam ; bij Hamburg lokaal en zeldzaam, in gemengde bossen, voor- 
al met beuken ; van Bremen alleen een oude opgave bekend ; even- 
zo van Hannover, maar daar in 1932 terug gevonden; bij Osna- 
brück zeldzaam ; in Westfalen alleen bekend van Wanne in het 
Roergebied {l S in 1928); in de Rijnprov. gevonden bij Duisburg, 
Aken, Trier, op de hoge Eifel en in de Hunsrück. Vrij veel vind- 



ij De collectie-MAURisSEN is in het bezit van de Universiteit te Luik en 
maakt daar op het ogenbhk deel uit van de algemene Belgische collectie, doch 
de exemplaren zijn alle voorzien van etiketten, welke aangeven, uit welke ver- 
zameling zij afkomstig zijn. Vele er van hebben geen vindplaatsetiket. De con- 
servator, Dr F. Carpentier, was zo vriendelijk voor mij na te zien, wat er van 
Euphyia unangulata Hw. aanwezig is. De universiteits-collectie bevat 3 exx. af- 
komstig uit de verzameling van Maurissen, alle zonder vindplaatsetiket. In elk 
geval staat hiermee dus vast, dat de opgave betrouwbaar is. 



(688) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 193 

plaatsen zijn bekend uit België, vooral in het Oosten. Op de Britse 
eilanden alleen in de zuidelijke helft van Engeland en in Wales, 
bovendien zeldzaam en zeer lokaal in Ierland. 

De vlinder is bij ons gevangen eind Mei, in Juli en Aug. (28-5 
tot 13-8). Waarschijnlijk horen alle exx. tot één enkele gen. 

Vin dpi. Gdl. : Oosterbeek, 14-7-1875 (Z. Mus.); Boekhorst, 
13-8-1890 (Z. Mus.); Beek bij Nijmegen, 15-7-1866 (L. Mus.); 
Ubbergen, 13-7-1883 (L. Mus.); Nijmegen, z. d. (Z. Mus.); bo- 
vendien in Z. Mus. nog een ex. met etiket ,, Gelderland". N.H. : 
Haarlem, ?, Juni (L. Mus.); ?, 1861 (L. Wag.); 27-7-1874 (Z. 
Mus.). Lbg. : (Maurissen, 1866, Tijdschr. v. Ent. 9 : 186, zonder 
opgave van vindplaatsen ; in L. Mus. een $ met etiket ,, Limburg, 
Maurissen"); Epen, 28-5-1911, S (Z.Mus.). 

Var. 1. f. albofasciata Gauckler, 1900, Ent. Nachr. 26: 371. 
Tussen het middenveld der voorvls. en een smalle donkere band 
langs de achterrand een brede witte niet door donkere golflijnen 
gedeelde band. Beek-Nijm. (Z. Mus.). 

717. E. rubidata Schiff. Verbreid in bosachtige streken in het 
Oosten en Zuiden, vrij zeldzaam. 

Twee generaties, de eerste van half Mei (bij uitzondering !) 
tot eind Juli (16-5[-1948, Gold.) tot 31-7), de tweede, die zeer 
partieel is, begin Aug. tot half Septr. (3-8 tot 18-9). De laatste 
datum werd door Brants in 1924 waargenomen. Van een ab ovo 
kweek in 1929 kwam geen enkel ex. nog datzelfde jaar uit (CoL- 
dewey). 1 

V i n d p 1. Ov. : Denekamp, Colmschate. Gdl. : Nijkerk, Put- 
ten, Harderwijk, Apeldoorn, Twello (geregeld ongeveer 4 exx. per 
jaar), Empe, Laag Soeren, Arnhem, Oosterbeek; Gorssel, Ver- 
den, Doetinchem, Bijvank. Utr. : Amersfoort. Lbg. : Venlo, Eper- 
heide. Epen, Vaals^). 

Var. 1 . f. derufata nov. De rode tint op de voorvls. vervangen 
door grijsachtig2). Twello (Gold.). 

2. f. albescens nov. De benedenhelft van het middenveld en het 
daarbij aansluitende deel van de gewaterde band wits). Twello 
(Gold.). 

3. f. tangens nov. Zie Gat. VIII : (557). Twello, Amersfoort (Z. 
Mus.); Epen, Vaals (Wiss.). 

4. f. margaritata nov. Zie Gat. VIII, I.e. Apeldoorn (de Vos); 
Twello (Gold., Z. Mus.). 

718. E. luctuata Schiff., 1775 {lugubrata Stgr., 1871). In Neder- 
land heeft deze soort twee geheel van elkaar gescheiden verbrei- 
dingsgebieden ; een vindplaats in een bos in Overijsel, en het bos- 



^) De Gavere (1867, Tijdschr. voor Ent. 10: 217), schrijft: „Trouvée une 
seule fois". Dit zal wel of ten Z. van de stad Groningen of in de prov. Drente 
geweest zijn. 

^) The red tint on the fore wings replaced by greyish. 

^) The lower half of the central area of the fore wings and the adjoining part 
of the subterminal area white. 



194 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (689) 

gebied in het Zuidoosten van Limburg. Hij werd pas in 1913 in 
ons land ontdekt door Coldewey (1922, Tijdschr. voor Ent. 65: 
XLII). Deze vindplaats is inmiddels verdwenen, doch op vrij korte 
afstand daarvan vond Lukkien later een tweede, waar de vlinder 
nog steeds voorkomt. Merkwaardig is hier (in Overijsel) de uiterst 
beperkte vliegplaats. Terwijl hetzelfde biotoop (dennenbos met een 
on der groei van bramen en wilgenroosjes) op vele plaatsen in de 
omtrek aan te treffen is, ontbreekt tot nog toe overal elders elk 
spoor van luctuata ! 

In Denemarken alleen bekend van Bornholm, waar in 1944 twee 
exx. werden gevangen. Niet bekend van Sleeswijk-Holstein ; bij 
Hamburg alleen ten Z. van de Elbe ; zeldzaam bij Bremen ; talrijk 
bij Hannover ; verbreid in Westfalen ; 4 vindplaatsen in de Rijn- 
prov. In België ,, overal", wat wel te optimistisch zal zijn. Uit Enge- 
land zijn 2 exx. bekend, 1 in 1924 in Noord Kent gevangen, het 
andere in Essex. Prout (1938, Seitz, Suppl. 4: 149) acht het 
niet onwaarschijnlijk, dat het adventieven waren. 

Het is duidelijk, dat de Overijselse vindplaats een uitloper van 
het Westfaalse vlieggebied is, terwijl Zuid-Limburg met België 
samenhangt. 

Twee gens., de eerste van half Mei tot in de tweede helft van 
Juni (16-5 tot 18-6), de tweede van half Juli tot in de tweede 
helft van Aug. (14-7 tot 20-8). 

(Bij een ab ovo kweek in Juni 1948 door Lukkien verschenen 
de meeste exx. in de eerste helft van Juli, doch 4 poppen leverden 
geen vlinders. In een onverwarmd vertrek geplaatst kwam 15 No- 
vember een dezer poppen uit, van de andere 3 verbraken de vlin- 
ders pas in April 1949 de pophuid.) 

Vin dpi. Ov. : Tjoene (Diepenveen). Lbg. : Holset, Vijlen, 
Vaals. 

Var. 1. f. approximata nov. Zie Cat. VIII: (557). Diepen- 
veen (Z. Mus.). 

2. f. separata Romaniszyn, 1929, Motyli Polski 1 : 430; Polskie 
Pismo Ent. 8: 221. De witte band, die het middenveld franje- 
waarts begrenst, over de hele lengte door een zwarte lijn gedeeld. 
Overal onder de soort. 

3. f. indistincta Osthelder, 1929, Schmett. Südb. : 452. Wortel- 
en middenveld der voorvls. eenkleurig zwart, achterrandsvçld 
eveneens. Deze donkere delen zijn niet scherp afgescheiden van de 
witte postdiscale band. Diepenveen (Z. Mus.). 

719. E. bilineata L. Algemeen verbreid op zandgronden, maar 
ook daarbuiten op meerdere plaatsen aangetroffen, vooral langs 
of in de nabijheid van spoorbanen. Bekend van Texel (gewoon, 
Lpk.), Terschelling (idem), Ameland, Schiermonnikoog (talrijk, 
Wiss.). 

Vliegtijd half Mei tot half Septr. (17-5 tot 13-9). Eind Mei of 
begin Juni is de normale tijd, dat de eerste exx. verschijnen. In 
Twello is in de loop van ongeveer 20 jaar de vroegste datum 3 Juni. 
Over het aantal generaties lopen de meningen nogal uiteen. Snel- 



(690) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 195 

LEN VAN VoLLENHOVEN (Sepp, 2e Serie, 1 : 120) schrijft, dat het 
uitgemaakt is, dat bilineata 2 gens, heeft (maar hoe en door wie ?) 
en ook Coldewey helt tot deze mening over : ,,Naar het mij voor- 
komt zijn er 2 gens., waarvan de tweede — in de tweede helft van 
Aug. en in Septr. — dikwijls vrij schaars is of bijna geheel schijnt te 
ontbreken." (in litt.) Daar staat de ook door Prout geciteerde 
ervaring van Schneider, een der beste Zuidduitse Geometriden- 
kenners (f 1942), tegenover: hij vond nooit 's zomers rupsen en 
kreeg nooit eieren van in Juni — Aug. gevangen $ 9 , wel van la- 
tere (1930, Ent. Anz. 10 : 32). Maar Hepp merkt weer op (1930, 
op. cit. : 65), dat bij Frankfort aan de Main eind Aug. gave vlin- 
ders van opvallend bleke kleur op 't licht afvlogen, die hij voor een 
partiële tweede gen. hield. Urbahn eindelijk (1939, Stett. ent. Z. 
100 : 719) meent, dat de Pommerse vliegtijd 1-6 tot 8-9 slechts 
tot 1 gen. behoort. Botzen ving, evenals Hepp, van 4 tot 7 Septr. 
1947 een kleine serie volkomen gave, maar bleke S $ te Geulem. 
Deze moeten zonder twijfel tot een tweede gen. behoord hebben. Ik 
geloof dan ook, dat voor ons land de opvatting van Coldewey de 
juiste is. Het spreekt wel vanzelf, dat ik nadere bestudering van dit 
probleem ten zeerste aanbeveel. En passant kunnen dan misschien 
ook enkele genetische kwesties bij het onderzoek betrokken wor- 
den, waartoe deze variabele, maar nog nooit nader onderzochte 
soort alle aanleiding geeft. 

Var. 1. f. unidentaroides Strand, 1919, Arch. f. Naturgesch. 
85 (A 4): 32. Van de lijn, die het middenveld der voorvls. franje- 
waarts begrenst, ontbreekt de kleine tand dicht onder de voor- 
rand, terwijl de grote tand juist onder het midden niet dubbel is, 
doch ongespleten. Nunspeet, Vogelenzang (Vari); Apeldoorn (de 
Vos); Bussum (v. d. M.); Amsterdam, Overveen (Botzen); Sant- 
poort (Z. Mus.). 

2. f. margaritata Kautz, 1923, Verh. zool. -bot. Ges. Wien 72 : 
{77). De beide middelste dwarslijnen in het middenveld raken el- 
kaar op verschillende punten, zodat een paarlsnoervormige teke- 
ning ontstaat. Gewoner dan de typische vorm, waar de lijnen el- 
kaar niet raken. 

3. f. subillineata Strand, 1919, I.e. : 31. Op de wis. zijn slechts 
3 duidelijk zichtbare lijnen : de lijn, die het wortelveld begrenst, en 
de beide grenslijnen van het middenveld. Alle overige tekening is 
zeer onduidelijk of ontbreekt geheel. Montferland (Sch.); Nijme- 
gen (Z. Mus.); Soest (Lpk.); Amsterdam (Botzen); Bergen (Mac 
G.); Houthem (Jch.). 

4. f. dumetata Schrank, 1802, Fauna Boica 2 (2) : 33. Grond- 
kleur der vleugels bleek bruingeel. Dit lijkt me de beste vertaling 
voor ,,verblaszt ledergelb". In zijn oorspronkelijke beschrijving 
citeert Schrank de figuur van ScHäPFER (1761) in diens Icônes 1, 
pi. 12, fig. 4, die evenwel in 't geheel niet aan deze kleurbeschrij- 
ving voldoet. M.i. is de uitvoerige beschrijving echter hoofdzaak. 
Seitz, Suppl. 4, pi. 15 c, fig. 6. Apeldoorn, Oosterbeek, Soest, 
Loosduinen, Rotterdam (Z. Mus.); Nijmegen, Wassenaar 
(Wiss.); Groenekan, Leiden, Kapelle (L. Mus.); Den Haag (van 



196 B. I. LEMPKE, CATALOGUS DER (691) 

Eldik); Amsterdam (v. d. M., Botzen); Santpoort, Bergen op 
Zoom, Geulem (Botzen). 

5. f. bicolor nov. Voorvls. bleekgeel met bruingrijze tint, achter- 
vis. normaal! ). Vooral in de duinen, zowel op de Wadden- 
eilanden als op het vasteland, maar ook op een enkele plaats in 
het binnenland. Ameland (Vari); Terschelling (Lpk. ); Ootmar- 
sum, Amsterdam, Santpoort, Bergen op Zoom (Botzen); Naarden, 
Vogelenzang, Wassenaar (Z. Mus.); Leiden (39); Kijkduin (v. 
d. M.). 

6. f. anaemica Kautz, 1922, Mitt. Münch. Ent. Ges. 12: 16. 
Zeer bleke vorm met heel licht geelachtige voor- en achtervls. Ter- 
schelling (Lpk.); Berg en Dal, Overveen, Vogelenzang (Z. Mus.); 
Warnsveld (Vari); Zeist (Br.); Amsterdam, Halfweg, Santpoort 
(Botzen); Bergen op Zoom (L. Mus.). 

7. f. mixta nov. Grondkleur der voorvls. warm geelbruin, de 
achtervleugels normaal geelachtige). Schiermonnikoog (Wiss.); 
Overveen (Btk. ). 

8. f. flavobrunnea nov. Grondkleur van voor- en achtervls. mooi 
warm geelbruin^). South, pi. 85, fig. 5. Een prachtige kleurvorm. 
Arnhem, Naarden (Z. Mus.); Soest (Lpk.); Amsterdam (v. d. 
M.); Bergen (Mac G. ); Zandvoort, Dordrecht (L. Mus.); Tilburg 
(v. d. Bergh). 

9. f. bubaceki Kautz, 1922, Verh. zool.-bot. Ges. Wien 71 : 170, 
pi. I, fig. 15 [31-V] ; Mitt. Münch. Ent. Ges. 12 : 16 (Juni 1922). 
Middenveld der voorvls. wit. Epen (Lpk., Wiss.). 

10. f. fasciata nov. Wortel- en middenveld der voorvls. bruin- 
geel, de rest van de voorvls. normaaH). Soest (Lpk.). 

11. f. infuscata Gumppenberg, 1890, Nova Acta Acad. Leop.- 
Carol. 54 : 288. Het middenveld der voorvls. langs de randen don- 
kerbruin. South, fig 6 en 9. Exx. met geheel verdonkerd midden- 
veld (behalve langs de costa) komen weinig voor (Amsterdam, 
Botzen). Alle mij bekende Nederlandse exx. zijn $ $ . Bij deze is 
de vorm echter zeer gewoon en overtreft in aantal de exx., die geen 
verdonkering bezitten. [Kautz, die in het begin van de twintiger 
jaren herhaaldelijk over de variabiliteit van Euphyia bilineata ge- 
schreven heeft, deelt mee (1923, Verh. zool.-bot. Ges. Wien 73: 
{77)), dat hij zelf slechts ? ? van infuscata waargenomen had. 



^) Fore wings pale yellow with brown-grey tint, hind wings normal. 

[Heydemann (1934, Int. ent. Z. Guben 27: 417) mentions this form from the 
Northfrisian Wadden islands and the inland dunes of Schleswig and calls it 
dumefata Schrank. In that form, however, fore and hind wings have the same 
pale brown-yellow tint, quite different from bicolor. In Holland the form is found 
in the coast dunes of the islands and the continent, but mixied with anaemica and 
quite typically coloured specimens ; also, but rarer, inland.] 

-) Ground colour of the fore wings warm yellow-brown, the hind wings typ- 
ically yellowish. 

■') Ground colour of fore and hind wings beautifully warm yellow -brown. 

■*) Basal and central area of the fore wings yellow-brown, the rest of the 
fore wings normal. 

[This form cannot be identical with or even a transition to f. phaenofaeniata 
Kautz (1922), the central band of which is "deep brown". It is doubtless caused 
by a quite different hereditary factor.] 



(692) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 197 

maar dat Schima een $ bezat (uit Oostenrijk?) en dat Bubacek 
enige $ $ van Corsica meegebracht had. In een ander artikel 
schreef hij (1923, Zeitschr. Oest. Ent. Ver. 8 : 63), dat de donkere 
kleur een gevolg van lage temperatuur schijnt te zijn. De ware 
aard van de vorm is natuurlijk deze, dat hij erfelijk is, al moet 
dit nog experimenteel nagegaan wordeni).] 

12. f. stygiata Kautz, 1923, Mitt. Münch. Ent. Ges. 12: 16. 
Niet alleen is het middenveld der voorvls. verdonkerd als bij f. 
infuscata, maar eveneens het gehele achterrandsveld, alleen vlak 
langs de voorrand blijft daar een smalle lichte streep van de 
grondkleur. Veel zeldzamer! Wijster (Beijerinck); Lonneker (v. 
d. M.); Nunspeet (Mac G.); Babberich (Elfrink); Soest, Stein 
(Lpk. ) ; Maartensdijk (Berk) ; Venraai (Z. Mus.) ; Mechelen 
(Küchlein). 

13. f. cuneata Osthelder, 1929, Schmett. Südb. : 462. Aan de 
binnenkant van de golflijn staan duidelijke zwartbruine wigvormige 
vlekken. Vogelenzang, een vrij zwak $ (Vari); Zaandam, een 
mooi $ (Bank). 

720. E. polygrammata Bkh. Pas in de zomer van 1949 ontdekte 
Nies deze nieuwe aanwinst voor onze fauna op een afgelegen 
plek in de Peel. Dat deze ijverige speurder de vlinder niet eerder 
ontdekte, komt, doordat volgens zijn ervaringen het dier overdag 
niet opvliegt, terwijl het (tot nog toe) ook niet op de lamp afkomt. 

Het is alleen in de late schemering te vangen met een lamp in de 
ene en het net in de andere hand. Het eerste ex. zag NiES overdag 
tussen het gras zitten en toen de goede methode eenmaal gevonden 
was, bleek de soort op de vindplaats verre van zeldzaam te zijn ! 

In Denemarken bekend van 1 vindplaats op Bornholm en twee 
in Jutland (één bij de Duitse stad Flensburg). In Midden-Holstein 
meermalen, in Oost-Holstein 1 ex. in 1939 bij Mölln ; niet bij Ham- 
burg en Bremen ; in Hannover zeldzaam bij de stad ; in Westfalen 
bij Rietberg, Bielefeld, Dortmund en in het Roerkolengebied ; in de 
Rijnprov. bij Krefeld, Aken (1 ex. in 1896 op Paffenbroich) en op 
de Hildenerheide. In België bekend van verschillende vindplaatsen 
in het Oosten, van Virton tot Visé. In Engeland kwam de vlinder 
vroeger in de ,,fens" van Cambridgeshire voor, maar wordt nu als 
uitgestorven beschouwd. Niet in Schotland en Ierland. 

Twee generaties, waarvan de vliegtijden voor ons land echter 
nog geheel uitgewerkt moeten worden. In 1949 werden de vlinders 
van 7-13 Aug. gevangen. Dit was toen ongetwijfeld het hoogtepunt 
van de vliegtijd, daar in 3 dagen 35 exx. werden verzameld. De 
eerste gen. vloog in 1950 xan 20 Mei tot eind Juni. 

Vin dpi. N.B.: Deurne (Nies). 



^) I only know Dutch ç,ç of f. in[uscata. Kautz (1923, Verh. zool. -bot. 
Ges. Wien 73: {77)) wrote that in Austria $ $ oi the form are extremely 
scarce. He only knew 1 $ in the collection of Schima and a few which 
Bubacek took in Corsica. The form is doubtless a partially sex-controlled 
hereditary one, though its possibility to express itself in the $ must be 
extremely limited. 



198 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (693) 

Var. 1 . f. contrastata nov. Grondkleur lichter ; de beide don- 
kere banden, die het middenveld begrenzen, scherp afstekendi). 
Deurne (Nies). 

Ecliptopera Warren 

721, E. capitata H. S. Zeer lokaal in het Oosten en Zuiden, 
1 oude vindplaats in het Westen, gebonden aan groot springzaad. 
In Denemarken op de grote eilanden (behalve Bornholm) en in 
Jutland aangetroffen, lokaal. In Sleeswijk-Holstein op verschillende 
plaatsen, de rupsen soms in groot aantal ; op verschillende plaat- 
sen in de omgeving van Hamburg, zeldzaam ; bij Bremen zeld- 
zaam ; eveneens bij Hannover ; uit Westfalen slechts enkele exx. 
bekend (Waldeck, Warburg, Bielefeld en Hagen); in de Rijn- 
prov. zeldzaam (Elberfeld, Aken, Hunsrück). Slechts van enkele 
plaatsen in België bekend (o.a. het Forêt de Soignes bij Brussel). 
Niet op de Britse eilanden. 

Twee generaties, de eerste van de tweede helft van Mei tot 
de eerste helft van Juli (24-5 tot 10-7), de tweede van de tweede 
helft van Juli tot de eerste helft van Aug. (23-7 tot 7-8). 

V i n d p 1. Ov. : Colmschate (verschillende malen door Lukkien 
ab ovo gekweekt). Gdl. : Hoog Soeren, Teuge, Twello (zeldzaam), 
Empe ; Warnsveld, Hoog Keppel. Z.H.: Dordrecht (1878, Jch.). 
Lbg. : Brunsum, Kerkrade. 

722. E. silaccata Schiff. Verbreid op zandgronden en in bos- 
achtige streken (ook hier en daar in de duinen), plaatselijk niet 
zeldzaam. 

Twee gens., de eerste van begin Mei tot begin Juli (3-5 tot 3-7), 
de tweede van half Juli tot begin Septr. ( 19-7 tot 2-9). Hoofdvlieg- 
tijd van de vlinder: Augustus (Coldewey). 

[In 1936 kweekte Tolman de vlinder ab ovo te Soest. Een 5 
van 4-8 leverde een gedeeltelijke derde gen. omstreeks half Septr. 
(16 en 17-9, totaal 8 exx.). In natura is deze herfstgen. hier nog 
nooit waargenomen, doch het lijkt me zeer wel mogelijk, dat zij ook 
buiten in gunstige jaren kan voorkomen.] 

V i n d p 1. Fr. : Friesche Palen. Gr. : De Punt. Dr. : Paterswolde, 
Norg, Donderen, Veenhuizen, Schoonoord, Wijster. Ov. : Borne, 
Almelo, Vriezenveen, Diepenveen, Colmschate. Gdl. : Ermelo, 
Nunspeet, Apeldoorn, Twello (niet zeldzaam), Arnhem, Lunteren; 
Warnsveld, Eefde, Aalten, Didam, Bijvank, Babberich ; Nijmegen. 
Utr. : Soest. N.H. : Hilversum, Bussum, Aerdenhout, Heemstede. 
Zl. : Domburg, Serooskerke. N.B. : Hilvarenbeek, Eindhoven, 
Nuenen, Deurne. Lbg. : Steyl, Aalbeek, Houthem, Meerssen, 
Maastricht, Mechelen, Epen, Vaals. 

Var. 1. f. insulata Hw., 1809, Lep. Brit. : 330. De middenband 
der voorvls. onderbroken door 1 of 2 lichte aderen in het midden. 
South, pi. 63, fig. 4. Volgens Prout (1914, Seitz 4: 252) komt 



^) Ground colour paler ; the two dark bands which border the central area, 
sharply contrasting. 



(694) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 199 

deze vorm vooral in de eerste gen, voor en de typische met onge- 
deeld middenveld (South, I.e., fig. 3) vooral in de tweede. Voor 
zover het materiaal dat toelaat zou ik zeggen, dat de vorm bij ons 
in hoofdzaak in de eerste gen. voorkomt naast vele typische exx. 
Colmschate, Soest (Lpk. ); Fiesche Palen, Diepenveen, Epen 
(Wiss.); Houthem (Z. Mus.). 

Electrophaës Prout 

723. E. corylata Thnbg. Algemeen verbreid op zandgronden en 
in bosachtige streken (ook in de duinen), plaatselijk dikwijls zeer 
gew^oon. 

1 gen., begin Mei tot begin Juli (10-5 tot 3-7). In Z. Mus. een 
groot ? van Venlo, 28-7, dat toch wel bijzonder laat is ! Hoofd- 
vliegtijd eind Mei, eerste helft van Juni. 

V i n d p 1. Fr. : Kollum, Tietjerk, Oosterwolde, Balk. Gr. : Gro- 
ningen, Haren. Dr. : Veenhuizen, Drouwenerzand, Wijster. Ov. : 
De Lutte, Agelo, Hengelo, Rijssen, Holten, Colmschate. Gdl. : 
Putten, Leuvenum, Nunspeet, Viersen, Hattem, Vaassen, Hoog 
Soeren, Apeldoorn, Twello (zeldzaam op licht, vele jaren ontbre- 
kend), Empe, Laag Soeren, Dieren, EUecom, Velp, Arnhem, 
Oosterbeek, Wolfheze, Renkum, Heelsum, Wageningen, Benne- 
kom, Lunteren ; Warnsveld, Vorden, Barchem, Eibergen, Aalten, 
Slangenburg, Doesburg, Bijvank, Montferland ; Berg en Dal, Ub- 
bergen, Nijmegen, Hatert, Groesbeek. Utr. : Rhenen, Amerongen, 
Doorn, Maarn, Zeist, De Bilt, Bilthoven, Amersfoort, Soest, Baarn, 
Lage Vuursche, Holl. Rading, Loosdrecht. N.H. : Hilversum, La- 
ren, Valkeveen, Naarden, Bussum, Heemskerk, Driebuis, Sant- 
poort, Overveen, Haarlem, Aerdenhout, Vogelenzang, Heemstede. 
Z.H.: Hillegom, Noordwijk (Vinkeveld), Leiden, Wassenaar, 
Meyendel, Den Haag, Dordrecht. Zl. : Goes (stellig wel zwerver 
of adventief). N.B.: Bergen op Zoom, Princenhage, Breda, Gin- 
neken, Ulvenhout, Oudenbosch, Tilburg, Hilvarenbeek, Oisterwijk, 
Helmond, Deurne. Lbg. : Plasmolen, Venlo, Baarlo, Berckt, Roer- 
mond, Maalbroek, Limbricht, Sittard, Schinveld, Brunsum, Kerk- 
rade, Wijnandsrade, Aalbeek, Valkenburg, Houthem, Meerssen, 
Gulpen, Epen, Vijlen, Vaals. 

Var. 1. f. unicolorata Heydemann, 1938, Ent. Z. Frankfurt 51 : 
393, fig. 11. De lichte banden, die het middenveld der voorvls. aan 
beide zijden begrenzen, zijn sterk verdonkerd, hoewel ze nog iets 
lichter zijn dan wortel- en middenveld. Deze worden door smalle 
witte lijnen afgezet. Een vooral bij de ? 9 voorkomende vorm, 
maar stellig niet zeldzaam. Reutum (v. d. M.); Ubbergen, De Bilt, 
Noordwijk (Z. Mus.); Montferland, Bijvank (Sch.); Diepenveen, 
Soest (Lpk.); Hilversum, Valkeveen, Bergen op Zoom (L. Mus.); 
Overveen (Btk.); Epen (Wiss.). 

2. f. brunnescens Ljungdahl, 1940, Ent. Tidskr. 61 : 49. Midden- 
veld en wortelveld eenkleurig bruingeel. Ook de lichte banden, die 
het middenveld aan weerszijden begrenzen, bezitten deze tint. 
Svenska Fjärilar, pi. 38, fig. 13 b (Nordström, 1941, I.e. : 265, 
trekt de naam in als synoniem van unicolorata. Deze vorm is echter 



200 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (695) 

veel donkerder, doordat de grondkleur zwartbruin is). Putten, 
Apeldoorn (Z. Mus.); Laag Soeren (de Vos). 

3. f. effusa Nordström, 1940, Svenska Fjär. : 265, pi. 38, fig. 
13 e. De donkere middenband en de wortelband zijn onscherp be- 
grensd. Holl. Rading (v. d. M.). 

4. f. ruptata Hb., [1796—1799], Samml. Eur. Schm., fig. 295. 
Middenband der voorvls. onderbroken. South, pl. 65, fig. 10. 
Zeer gewoon. 

5. f. degenerata nov. Van de middenband zijn nog slechts 2 
vlekken over aan voorrand en binnenrand, door een -wijde gaping 
van elkaar gescheiden^). Lage Vuursche (alleen links, v. d. M.). 

6. f. costaclausa nov. Wortelband en middenband raken elkaar 
aan de voorrand^). Renkum (Z. Mus.). 

7. Dwergen. Oisterwijk (Z. Mus.). 

Mesoleuca Hb. 

724. M. albicillata L. De prachtige vlinder is in bijna het gehele 
land verbreid in bosachtige streken, meest vrij gewoon, plaatselijk 
zelfs gewoon. 

Twee gens., de eerste tweede helft van Mei tot begin Aug. 
(21-5 tot 3-8), de tweede, die zeer zeldzaam voorkomt, in nazomer 
en herfst (29-8-1945, Twello, Coldewey ; 2-11-1945, Leeuwarden, 
Camping). 

V i n d p 1. Fr. : Kollum, Oenkerk, Rijperkerk, Leeuwarden, 
Oosterwolde. Gr. : Slochteren, Haren, Ter Apel. Dr.: Paterswolde, 
Veenhuizen, Schoonoord, Wijster, Vledder, Meppel. Ov. : Agelo, 
Denekamp, Volthe, De Lutte, Oldenzaal, Albergen, Hengelo, Bor- 
ne, Almelo, Ommen, Rijssen, Diepenveen, Colmschate. Gdl. : Nij- 
kerk. Putten, Leuvenum, Tongeren, Vaassen, Apeldoorn, Twello 
(vrij gewoon). Voorst, Empe, Laag Soeren, Velp, Arnhem, Lunte- 
ren; Baak, Vorden, Boekhorst, Lochem, Barchem, Ruurlo, Winters- 
wijk, Aalten, Doetinchem, Bijvank, Babberich ; Nijmegen, Hatert, 
Leeuwen. Utr.: Grebbe, Amerongen, Zeist, Bilthoven, Groenekan, 
Amersfoort, Soest, Lage Vuursche, Rhijnauwen, Utrecht. N.H. : 
Hilversum, Laren, Bussum, Naarden, Kortenhoef. Z.H. : Leiden, 
Wassenaar (zeer talrijk in 1940 bij Duinrei, Wiss.), Waalsdorp, 
Den Haag, Rotterdam ( 1 868, L. Mus. ) , Oostvoorne, Rockanje. Zl.: 
Kapelle (ongetwijfeld zwerver of adventief). N.B.: Bergen op 
Zoom, Hoogerheide, Princenhage, Ulvenhout, Ginneken, Breda, 
Teteringen, Oudenbosch, Helvoirt, Hilvarenbeek, Oisterwijk, 
Nuenen, Helmond, Deurne. Lbg. : Plasmolen, Arcen, Venlo, 
Berckt, Tegelen, Steyl, Weert, Roermond, Maasniel, Maalbroek, 
Odiliënberg, Limbricht, Brunsum, Kerkrade, Rolduc, Voerendaal, 
Hulsberg, Aalbeek, Valkenburg, Geulem, Houthem, Meerssen, 
Waterval, Bunde, Borgharen, Bemelen, St. Pieter, Gronsveld, Gul- 



■^) Only two spots remain of the central band on costa and inner margin, 
widely separated from each other. 

^) Basal and central band touch each other at the costa. 



(696) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 201 

pen, Wittern, Heijenraat, Eperheide, Epen, Hoilset, Mechelen, 
Vijlen, Harlen, Vaals. 

Var. 1 . f. lacticolor nov. Grondkleur der vleugels geelachtig 
witi). De Lutte, Hatert (Wiss.); Soest (Lpk.); Breda (Mus. Rd.). 

2. f. impuncta nov. Zie Gat. VIII: (557). Almelo (v. d. M.); 
De Lutte (Btk.); Twello (Gold.); Didam, Bijvank (Sch.); Babbe- 
rich (Elf rink); Nijmegen (6); Soest (Lpk.). 

3. f. quadripuncta nov. Voor- en achtervls. op de bovenzijde 
met een duidelijke middenstip (niet een doorschijnende van de 
onderzijde l)^). Ter Apel, Apeldoorn, Houthem (de Vos); Wijster, 
Barchem, Breda (L. Mus.); Twello (Gold.); Didam, Bijvank 
(Sch.); Babberich (Elf rink); Gronsveld (Z. Mus.); Soest (Lpk.); 
Wassenaar (Wiss.). 

4. f. reducta nov. De donkere tekening aan de achterrand van 
voor- en achtervls. sterk gereduceerd^). Lochem (Z. Mus.). 

5. Rechter voorvl. bijna geheel bruinzwart op een witte vlek 
aan de costa bij de w^ortel en een andere franjewaarts van de 
middenstip na; golf lijn zichtbaar. Helvoirt (v. d. Bergh). 

6. Op de rechter wl. is de donkere kleur van het wortelveld 
in het midden uitgevloeid en verbonden met de fijne donkere lijn 
voor het achterrandsveld. Deurne (Lpk.). 

Melanthia Duponchel 

725, M. proccllata Schiff. Geregeld in Zuid-Limburg en daar 
niet zeldzaam. Daarnaast zijn ook verschillende vangsten uit het 
midden van het land bekend, evenwel steeds in een enkel ex. en 
bijna altijd met lange tussenpozen, zodat we waarschijnlijk met 
zwervers te doen hebben. 

De vlinder ontbreekt in Denemarken. Eveneens in Sleeswijk- 
Holstein en bij Hamburg ; van Bremen alleen een oude opgave ; 
van de stad Hannover vroeger 1 ex. vermeld, later niet meer waar- 
genomen, wel in het heuvelland van Zuid-Hannover ; in Westfalen 
zeldzaam (Osnabrück, Arolsen, Bochum); in de Rijnprovincie tot 
nog toe slechts van enkele vindplaatsen vermeld (Elberfeld, Aken, 
Trier), maar hier stellig meer voorkomend. In België alleen in het 
Maasbekken (aansluitend dus aan Zuid-Limburg en de Rijnprov. ). 
Op de Britse eilanden alleen in het Zuiden van Engeland. De 
Noordgrens van het verbreidingsgebied loopt dus door ons land. 

Vliegtijd eind April tot eind Aug. (26-4 tot 25-8). Vangsten 
vóór eind Mei schijnen niet zo veel voor te komen. Maar van 29-5 
tot 16-8 heb ik een vrijwel ononderbroken reeks van data. Hoewel 
het zeer waarschijnlijk is, dat er een partiële tweede gen. voorkomt 
(bij Parijs zijn 2 gens, regel : GuRériEN in Lhomme, Gat. Lép. 
France et Belgique: 511), kan ik geen grens aangeven. Exx. uit 



^) Ground colour of the wings yellowish-white. 

^) Fore and hind wings on the upperside with a distinct central spot (not a 
transpiercing one from the underside!). 

^) The dark markings on the outer margin of fore and hind wings strongly 
reduced. , , v ' 



202 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (697) 

de tweede helft van Aug. zullen in elk geval wel tot een nieuwe 
gen. behoren. Misschien wil een Limburger deze puzzle eens op- 
lossen. 

Vin dpi. Gdl. : Nunspeet, 30-7-1929 (Mac G.); Apeldoorn, 
12-7-1900 (L. Mus.); Babberich, 26-4-1943 (Elfrink). N.H. : Hil- 
versum, Mei 1947 (Lg.). Lbg. : Kerkrade, Voerendaal, Schin op 
Geul, Valkenburg, Geulem, Houthem, Meerssen, Keer, Bemelen, 
Maastricht, Sint Pieter, Gronsveld, Berg en Terblijt, Gulpen, Wit- 
tem, Mechelen, Eperheide, Epen, Diependal, Holset, Wijlre, Vaals. 

Var. 1 . f. reducta nov. De donkere golflijnen, die het onderste 
deel van het middenveld voorstellen, ontbreken geheeU). Houthem, 
Gronsveld (Z. Mus.); Gulpen (6); Epen (Gold.). 

2. f. signata nov. Alle golflijnen in het middenveld lopen scherp 
getekend door tot de binnenrand -). Barrett 8, pi. 339, fig. 2. Hout- 
hem (Gold.); Geulem (Wiss.); Epen (Gold.; Wiss.). 

Eulype Hb. 

726. E. hastata L. Verbreid door het gehele Oosten en Zuiden 
in bossen met ondergroei van bosbessen, plaatselijk niet zeldzaam 
tot gewoon. 

1 gen., begin Mei tot in de tweede helft van Juni (3-5 tot 23-6). 

V i n d p 1. Fr. : Beetsterzwaag. Gr. : Groningen. Dr. : Paters- 
wolde. Ov. : Denekamp, Diepenveen. Gdl. : Elspeet (in 1943 zeer 
talrijk in dennenbossen met bosbessen tussen Elspeet en Apeldoorn, 
Wiss.), Hoog Soeren, Apeldoorn, Voorst, Wolfheze ; Winterswijk, 
Zeddam, Didam ; Beek-Nijm., Nijmegen. Utr. : Amerongen. N.B. : 
Breda, Ulvenhout, Tilburg, Oisterwijk. Lbg. : Plasmolen, Venlo, 
Berckt, Tegelen, Roermond, Maalbroek, Schinveld, Kerkrade, 
Rolduc, Voerendaal, Schimmert, Gerendal, Valkenburg, Houthem, 
Meerssen, Epen, Holset, Vijlen, Vaals. 

Var. 1. f. completa nov. Voorvls. met volledige doorlopende 
middenband als bij Eulype subhastata Noleken, overigens nor- 
maal3). Elspeet (Wiss.); Apeldoorn (de Vos; Z. Mus.); Breda 
(L. Mus.; Z. Mus.). 

2. f. laxata Kroulikovsky, 1909, Rev. Russe d'Ent. 9: 300. De 
zwarte tekening gereduceerd, de witte postdiscale band vrijwel 
zonder zwarte stippen. South, pi. 82, fig. 8. Groningen, Breda 
(L. Mus.); Beetsterzwaag (Gold.); Maalbroek (Lek.); Valkenburg 
(Mac G.); Gulpen, Epen (Wiss.). 

Terato 1. ex. Beide achtervls. te klein. Vaals (Wiss.). [In 
Tijdschr. voor Ent. 76: XXXVI (1933) was dit ex. vermeld als 
Eulype subhastata Noleken.] 



■^) The dark undulating lines which represent the lower part of the central 
area, fail completely. 

2) All undulating lines in the central area are sharply marked up to the 
inner margin. 

^) Fore wings with complete central band as in Eulype subhastata Nokken. 



(698) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 203 

Epirrhoë Hb. 

727. E. tristafa L. Tot nog toe zeer lokaal in het Oosten en 
Zuiden van het land aangetroffen, in Noord-Drente plaatselijk 
gewoon. 

In Denemarken verbreid, zowel op de eilanden als in Jutland. 
In Sleeswijk lokaal, in Holstein verbreid ; bij Hamburg talrijk ; 
niet zeldzaam bij Bremen ; bij Hannover zeer talrijk ; in Westfalen 
overal in het bergland, lokaler in het laagland ; in de Rijnprovincie 
verbreid (o.a. zeldzaam bij Aken, talrijk op het Venn). In België 
in het Maasbekken en in de omgeving van Hal (ten Zuiden van 
Brussel). Op de Britse eilanden verbreid op heiden door een groot 
deel van Engeland, Wales en Schotland ; ook vermeld van de 
Shetland eilanden ; zeer lokaal in Ierland, soms gewoon. De Zuid- 
limburgse vindplaatsen zijn de uiterste voorposten van de Han- 
novers-Westfaalse populaties. 

Bij ons waargenomen van begin Mei tot tweede helft van Aug. 
(9-5 tot 23-8), in 2 gens., waarvan de grenzen vermoedelijk zijn : 
begin Mei tot begin Juli (9-5 tot 1-7) en tweede helft van Juh tot 
tweede helft van Aug. (19-7 tot 23-8). 

V i n d p 1. Dr. : Norg, gewoon (Camping etc). Gdl. : Hoenderlo, 
23-6-44 en 22-6-47 (v. d. Pol); Slangenburg, 1-8-1906 (Btk.). 
N.B.: Nuenen, 23-8-1949 (Neyts). Lbg. : Kerkrade, 1-7-1900 (de 
Vos); Schaesberg, z. d. (Z. Mus.); Valkenburg, z. d. (Z. Mus); 
Geulem, 16-6-1907 (Z. Mus.); Houthem, 29-6-36 (Mus. M.); 
Berg en Terblijt, 25-7-1908 (Mus. M.) ; 11-8-1908 (Z. Mus.); 
Epen, 14-6-1908 (de Vos); Vijlen, Juni 1942 (Delnoye). 

728. E. alternata Müller, 1764 {sodata Bkh., 1794). Verbreid 
door het gehele land op niet te droge plaatsen, vaak gewoon. 
Bekend van Texel, Vlieland, Ameland en Schiermonnikoog. 

Drie generaties, de eerste van half April tot eind Juni (14-4 tot 
30-6), de tweede van begin Juli tot begin Septr. (6-7 tot 9-9), 
de derde (zeer partieel, alleen in gunstige jaren) in Septr. (18-9- 
1938, vers ex. te Twello, Gold. ; 14-9-47, vers 9 te Zandvoort, 
V. d. M.). De eerste en de tweede gen. gaan waarschijnlijk ge- 
leidelijk in elkaar over. 

Var. 1. f. divisa Osthelder, 1929, Schmett. Südb. : 450. De 
middenband der voorvls. over de hele lengte door een lichte band 
gedeeld, alleen de randen blijven donker. Velp (ol Dordrecht ? 
De Roo van Westmaas; zie Gat. VIII: (529), noot); Apeldoorn 
(de Vos); Doetinchem (Gold.); Breda (45). 

2. f. tenuifasciata Schima, 1927, Verh. zool. -bot. Ges. Wien 77 : 
(78). Middenband der voorvls. sterk versmald, maar niet onder- 
broken. Agelo (v. d. M.); Dordrecht (Mus. Rd.); Helvoirt (v. 
d. Bergh). 

3. f. e f [usa Müller, 1930, Zeitschr. Öst. Ent. Ver. 15 : 94, pi. 
XII, fig. 4. Het middenveld der voorvls. franjewaarts onscherp 
begrensd. Eindhoven (Verhaak). 

4. f. pseudorivata Wagner, 1923, Zeitschr. Österr. Ent. Ver. 8 : 



204 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (699) 

37, fig. De witte band, die het middenveld der voorvls. franjewaarts 
begrenst, even breed als bij Ep. rivata en zonder of vrijwel zonder 
donkere deellijn, wortel der achtervls. eveneens lichter. Echter te 
herkennen aan de normale a/^erna^a-tekening van de achterrand. 
Apeldoorn (de Vos); Bijvank (Cold.); Naarden (Z. Mus.); Texel 
(L. Mus.); Haamstede (Br.); Eindhoven (Verhaak). 

5. f. obscura nov. De witte band, die het middenveld franje- 
waarts begrenst, smal en over de hele lengte door een zwartachtige 
lijn gedeeld, wortel der achtervls. donkerder^). Apeldoorn (de 
Vos); Hatert (Wiss.); Achttienhoven (Berk); Scheveningen (Kal- 
lenbach). 

6. f. cingulata Tengström, 1875, Notiser p. Fauna et Flora 
Fenn. 14 : 32. Het achterlijf niet zoals bij de typische vorm wit- 
achtig met twee rijen zwarte vlekken, maar donker met smalle wit- 
te ringen. Lonneker, Amsterdam (v. d. M.); Hilversum, Wijk aan 
Zee (Z. Mus.); Epen (Wiss.). 

729. E. rivata Hb. Verbreid op zandgronden en in bosachtige 
streken (ook in de duinen), over het algemeen minder gewoon dan 
de vorige soort. 

Twee generaties, de eerste van half Mei tot half Aug. (14-5 tot 
17-8), de tweede (zeer partieel) in September: Melick, 5-9-1922 
(Fr.), Bemelen, 5-9-1930 (Rk.). 

[Scholten (1926, Ent. Ber. 7: 81) heeft uitvoerig over zijn 
kweekervaringen met de soort geschreven. Ook bij zijn ab ovo 
kweek verschenen enkele exx. van de herfstgen. in het begin van 
September.] 

V i n d p 1. Fr. : Oosterwolde. Gr. : Groningen, Haren. Dr. : 
Veenhuizen. Ov. : Vasse, Colmschate, Deventer. Gdl. : Putten, 
Nunspeet, Apeldoorn, Twello (gewoon). Laag Soeren, Velp, 
Arnhem, Oosterbeek, Renkum, Bennekom, Lunteren ; Zutfen, 
Leesten, Winterswijk, Aalten, Didam, Bijvank ; Eiden, Ubbergen, 
Nijmegen, Hatert, Groesbeek. Utr. : Rhenen, Amerongen, Drie- 
bergen, Zeist, Soest, Maartensdijk, Abcoude. N.H. : Wijk aan 
Zee, Velzen, Haarlem, Overveen, Aerdenhout, Vogelenzang. 
Z.H. : Noordwijk, Wassenaar, Den Haag, Rotterdam. N.B. : Til- 
burg, Nuenen, Eindhoven. Lbg. : Plasmolen, Venlo, Tegelen, 
Steyl, Roermond, Melick, Neer, Kerkrade, Valkenburg, Geulem, 
Meerssen, Bemelen, Mechelen, Eperheide, Epen, Vaals. 

Var. 1 . f. effusa nov. Het middenveld der voorvls. onscherp 
begrensd^). Hatert (Wiss.). 

2. f. approximata nov. Zie Cat. VIII : (557). Epen (Wiss.). 

3. f. pseudoalternata nov. Wortel der achtervls. even donker 
als bij Epirrhoè alternata Müller, overige tekening normaal^). 
Wassenaar, Epen (Wiss.). 



^) The white band bordering the central area distally, narrow and over its 
whole length divided by a black line, base of the hind-wings darker. 

^) The central band of the fore wings not sharply bordered. 

^) Base of the hind wings as dark as in E. alternata, the rest of the markings 
normal. 



(700) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 205 

4. f. divisa nov. Het middenveld der voorvls. over de hele lengte 
door een lichte band gedeeld^). Oosterbeek (Z. Mus.). 

730. E. galiata Schiff. Tot nog toe slechts van enkele vind- 
plaatsen bekend. Vooral in Zeeland schijnt de vlinder echter wel 
geregeld voor te komen. 

In Denemarken bekend van Bornholm (hier soms gew^oon), See- 
land en Möen en in 1 ex. van Jutland. Niet in Sleeswijk-Holstein ; 
slechts een enkel zeer oud ex. van Hamburg ; niet bij Bremen ; be- 
kend van Borkum ; alleen vroeger bij Hannover ; in Westfalen lo- 
kaal (o.a. niet zeldzaam bij Osnabrück); 5 vindplaatsen in de 
Rijnprov. In België „bijna overal, maar zeldzaam". In Engeland 
tamelijk verbreid, vooral langs de Zuidkust. In Schotland vrij zeld- 
zaam. In Ierland gewoon langs de kust, in het binnenland zeer lo- 
kaal. 

Van de Nederlandse vliegtijd is nog zeer weinig bekend, maar 
stellig komen hier 2 gens. voor. De eerste is waargenomen in Juni 
en Juli (15-6 tot 15-7), de tweede in Aug. (13-8 tot 26-8). 

Vindpl. Gr.: Rottum, 15-6-1921 (Wiss.). Zl. : Domburg, 
26-8-1913 (Z. Mus.); Zoutelande, 13 en 14-8-37 (3 exx., Br.). 
N.B.: Breda, 15-7-1867 (L. Mus.). Lbg. : Maastricht, 15-6, een 
oud ex. (Z. Mus.). 

Var. De typische vorm (Hübner, Samml. Eur. Schm., fig. 272) 
heeft een bruin wortelveld op de voorvls. Het middenveld is zwart- 
achtig met bruine randen, het achterrandsveld is bruinachtig ver- 
donkerd. Seitz, pi. 10 b, fig. 1. Dit schijnt onze hoofdvorm te zijn. 

1. f. chalybeata Hb., [1809—1813], Samml. Eur. Schm., fig. 
350. Middenveld der voorvls. eenkleurig zwartachtig, achterrand 
bruinachtig getint. Rottum (Wiss.). 

2. f. unilobata Hw., 1809, Lep. Brit. : 331. Middenveld eveneens 
zwartachtig, franjeveld vrij sterk getekend, maar zonder bruine 
tint. South, pi. 81, fig. 3. Breda (L. Mus.). 

3. f, emina Schawerda, 1912, Verh. zool. -bot. Ges. Wien 62 : 
(143). Als unilobata, maar het achterrandsveld der voorvls. wit met 
zeer weinig tekening. Zoutelande (Br.). 

Perizoma Hb, 

731. P. affinitata Stephens. Verbreid op zandgronden en in 
bosachtige streken, over het algemeen niet gewoon. 

Twee generaties, de eerste van de eerste helft van Mei tot in 
de tweede helft van Juli (11-5 tot 23-7), de tweede, die zeer par- 
tieel is, van begin Aug. tot begin Septr. (1-8 tot 4-9). 

Vindpl. Gr. : Groningen, Haren. Dr. : Roden, Norg, Paters- 
wolde. Ov. : Hellendoorn, Colmschate. Gdl. : Nijkerk, Twello ( 1 
ex.), Bennekom, Lunteren; Lochem, Aalten; Beek-Nijm., Ub- 
bergen, Nijmegen. N.H. : Heilo, Wijk aan Zee, Velzen, Driehuis, 

' ) The central area of the fore wings over its whole length divided by a pale 
band. 



206 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (701) 

Santpoort, Bloemendaal, Overveen, Bentveld, Aerdenhout, Zand- 
voort, Vogelenzang. Z.H. : Noordwijk, Oegstgeest, Wassenaar, 
Duinrei, Den Haag, Loosduinen, Oostvoorne. N.B. : Breda, Rijen, 
Eindhoven, Nuenen. Lbg. : Kerkrade, Geulem, Houthem, Meers- 
sen, Berg-Terblijt, Epen, Vaals. 

Var. 1. f. rivinata Fischer von Roeslerstamm, 1838, Abb. 
Schmett.k. : lOQi^). Achtervleugels veel lichter dan bij de typische 
vorm, witachtig met donkere achterrand, overigens weinig afwij- 
kend. Hellendoorn (v. d. M.); Twello (Cold.); Overveen (Z. 
Mus.); Wassenaar (Wiss., L. Mus.). 

2. f. effusa Schneider, 1933, Ent. Zeitschr. Frankfurt 47 : 18, 
fig. 2 {tenuivittata Nordström, 1940, Svenska Fjärilar : 268, pi. 38, 
fig. 25 d). De postdiscale witte band op de voorvls. versmald, zo- 
dat ongeveer de franjehelft er van ontbreekt. Groningen (de Vos); 
Nijmegen, Wijk aan Zee (Z. Mus.); Beek-Nijm., Wassenaar 
(Wiss.); Bloemendaal (Lpk.); Rijen (L. Mus.). 

3. f. lineata nov. Voorvls. met volledige witte golflijn, overigens 
normaal^), Den Haag (L. Mus.). 

732. P. alchemillata L. Verbreid in bosachtige streken en ook 
hier en daar in het lage land, vooral op de zandgronden plaatselijk 
gewoon. 

1 gen. met een vrij lange vliegtijd : begin )uni tot begin Septr. 
(3-6 tot 1-9); hoofdvliegtijd Juli, begin Aug. Heel zelden nog 
een partiële tweede gen. ; 4 Octr. 1949 een gaaf ex. te Twello 
(Gold.). 

V i n d p 1. Gr. : Groningen, Ter Apel. Dr. : Helderwolde, Roden, 
Veenhuizen, Vledder, Dwingelo. Ov. : De Lutte, Denekamp, Vol- 
the, Weerselo, Albergen, Almelo, Borne, Colmschate (gewoon). 
Gdl. : Putten, Leuvenum, Nunspeet, Apeldoorn, Twello (zeer tal- 
rijk), Ellecom, De Steeg, Velp, Arnhem, Oosterbeek, Wolfheze, 
Renkum, Wageningen, Bennekom ; Boekhorst, Lochem, Winters- 
wijk, Bijvank, Babberich, Lobith, Herwen ; Beek-Nijm., Nijmegen. 
Utr. : Rhenen, Amerongen, Zeist, De Bilt, Amersfoort, Soest, 
Baarn, Nigtevecht. N.H. : Hilversum, Laren, Bussum, Naarden, 
Diemen, Amsterdam, Bergen, Heemskerk, Driehuis, Bloemendaal, 
Haarlem, Overveen, Bentveld, Aerdenhout, Zandvoort. Z.H.,: 
Hillegom, Noordwijk, Wassenaar, Den Haag, Zevenhuizen, Hille- 
gersberg, Rotterdam, Dordrecht. N.B. : Princenhage, Breda, Gin- 
neken, Hilvarenbeek, Oisterwijk, Helmond, Deume. Lbg. : Pias- 
molen, Venlo, Tegelen, Swalmen, Roermond, Limbricht, Kerkrade, 



■^) I am not certain if this name is correct for our specimens with paler hind 
wings. Formerly they were indicated as turbarla Stephens, 1829, 111. Brit. Ent., 
Haust. 3: 298. But Prout (1914, Seitz 4: 260) rejects this name, because it is 
based on a wrong determination (Colosfigia turbata Hb., turbarla Tr.). 

Fischer von R. gave his name to the large $ of "civulata" (= alchemillata 
L.) mentioned bij Treitschke (1835, Schmett. Eur. 10 (2): 206) without 
locality, so probably from Austria. But it seems doubtful if these Central Euro- 
pean specimens of a[[initata with more white markings are identical with ours. 
CL OsTHELDER, 1929, Schmett. Südb. : 457. 

^) Fore wings with complete subterminal line, for the rest normal. 



(702) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 207 

Voerendaal, Geulem, Meerssen, Ulestraten, Bemelen, Berg en 
Terblijt, Maastricht, Gulpen, Eperheide, Epen, Holset, Vaals. 

Var. 1. f. interrupta Boldt, 1927, Lep. Rundschau 1 : 89. Op 
de voorvls. is de witte middenband in het midden door de donkere 
grondkleur onderbroken. Overal onder de soort, maar niet talrijk. 

2. f. peter seni Prout, 1915, Seitz 4: 260. Voorvleugels ook met 
een duidelijke witte band als wortelwaartse begrenzing van het 
middenveld, soms bovendien nog met een witte band als afzetting 
van het wortelveld. De Bilt, een vrij zwak ex. (Z. Mus.). 

3. f. [ennica Reuter, 1893, Acta Soc. Flora et Fauna Fenn. 9 
(6): 75. De franjehelft van de postmediane band der voorvls. 
ontbreekt. Haarlem (Wiss.). 

733. P. bifasciata Hw., 1809, Lep. Brit: 334i) {unifasciata 
Hw., 1809, I.e. : 335). Zeer lokaal op enkele vindplaatsen in het 
Oosten en Zuiden, pas in de allerlaatste tijd in de duinstreek op- 
gemerkt, doch stellig wel meer te vinden, als maar naar de rupsen 
gezocht wordt, die plaatselijk zeer gewoon kunnen zijn. Zie Schol- 
ten, 1938, Tijdschr. voor Ent. 81 : 205—207. 

In Denemarken bekend van enkele plaatsen op Seeland en 
Lolland en in een paar exx. van Aarhus. In het omringende Duitse 
gebied aangetroffen in Hannover (een paar maal bij de stad), 
drie keer in Westfalen (o.a. Gelsenkirchen) en in de Rijnprovincie 
(Elberfeld en zeer talrijk als rups bij Aken). Nog niet bekend uit 
België. Verbreid over Engeland (vooral in het Zuiden), Wales 
en Zuid-Schotland ; zeer lokaal in Ierland, maar plaatselijk als 
rups gewoon. 

1 gen., gevangen alleen in Augustus (tot 17-8), gekweekt vanaf 
eind Juni (24-6) tot eind Aug. (28-8). 

Vin dpi. Gdl. : Velp, Aug. 1866 (Z. Mus.); Babberich (El- 
frink); Lobith (talrijk, Scholten, I.e.). N.H. : Aerdenhout, 16-8- 
1949, mooi gaaf ex. (Wiss.)., Z.H.: Numansdorp, 11-7-1873 
(Jch.). N.B.: Breda, 1894 (Tijdschr. voor Ent. 46: 251). Lbg. : 
Steyl, 11 Aug. 1932 (Stoffels); Houthem, 1893 (Tijdschr. voor 
Ent. 36: 227). 

Var. Toen ik in 1948 een aantal Nederlandse exx. kon verge- 
lijken met een serie Engelse in het Museum te Tring, kreeg ik de 
indruk, dat onze exx. tot een andere subsp. behoren. De Engelse 
waren duidelijk somberder van uiterlijk. Het materiaal was echter 
niet groot genoeg om een definitieve conclusie toe te laten. 

Het prachtige Nederlandse materiaal, dat Scholten bijeen ge- 
bracht heeft, bewijst, dat de soort vrij variabel is. South (pi. 83, 
fig. 4, 5) beeldt 2 vormen af, een tamelijk bonte, en een meer een- 
kleurige. De grote meerderheid onzer exx. behoort in elk geval tot 
een bont type. 

1. f. bifasciata Hw., I.e. De bonte vorm met donkerbruin wortel- 
en middenveld, dat duidelijk tegen de grijsachtige grondkleur af- 



1) Prout (1938, Seitz, Suppl. 4: 167) spelt de naam bifaciata Hw. Inderdaad 
staat dit op p. 334, maar op p. 600 in de index schrijft Haworth correct : bifas' 
ciata, waaruit duidelijk blijkt, dat de spelling op p. 334 een drukfout is. 



208 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (703) 

steekt. South, fig. 4. Bij onze exx. is het middenveld franjewaarts 
afgezet door een scherp afstekende brede band, die bestaat uit een 
smalle witte en een bredere lichtgele lijn, gescheiden door een 
donker lijntje. Hoofdvorm. 

2. f. unif asciata Hw., I.e. {aquilaria H.-S., 1844, Syst. Bearb. 3 : 
163, pi. 55, fig. 336). Grondkleur donkerder, zodat de beide ban- 
den daar nauwelijks tegen afsteken, maar postdiscale lichte lijn 
even scherp afstekend als bij de vorige vorm, golflijn ontbrekend. 
Met de afbeelding van HERRiCH-ScHäFFER (naar exx. van Re- 
gensburg) komen slechts enkele exx. van Lobith goed overeen. 

3. f. planier nov. De brede lichte postdiscale lijn is bruinachtig 
van kleur, waardoor de vleugels veel minder bont worden^). Lo- 
bith, enkele exx. ( Sch. ) . 

4. f. nigrofasciata nov. Middenveld der voorvls. zwart in plaats 
van donkerbruin^ ) . Lobith, slechts enkele exx. (Sch.). 

5. f. unicolor nov. Alle lichte tekening ontbreekt, zodat de voor- 
vls. vrijwel eenkleurig zwartgrijs zijnS). Lobith, 1 ex. (Sch.). 

6. f. approximata nov. Zie Gat. VIII: (557). Lobith, 2 exx. 
(Sch., Lpk.). 

734. P, blandiata Schiff., 1775 {adacquata Bkh., 1794). Uitslui- 
tend bekend uit Zuid- Limburg, waar de vlinder in 1934 door Ma- 
joor Rijk ontdekt werd, steeds vrij zeldzaam. 

In Denemarken zowel op de eilanden als in Jutland, lokaal, 
maar soms in aantal. In Sleeswijk-Holstein 1 ex. bij Flensburg, in 
1871 ; bij Hamburg zeldzaam ; niet bij Bremen ; in Hannover zeld- 
zaam bij de stad (het laatst in 1932); in Westfalen tot nog toe 
slechts van 2 vindplaatsen bekend ; in de Rijnprov. bij Barmen en 
in 1947 1 ex. in de Hunsrück. In België lokaal in het Oosten, aan- 
sluitend aan het Nederlandse vlieggebied. In Groot-Brittannië in 
Wales, Noord-Engeland en vooral Schotland. In Ierland in het 
N.W. en Z.W., zeldzaam. 

1 gen., half Juli tot tweede helft van Aug. (14-7 tot 21-8), dus 
veel later dan de voor Engeland opgegeven vliegtijd (eind Mei tot 
Juli), maar overeenstemmend met die waargenomen bij Hamburg 
(Augustus). 

Vin dpi. Lbg. : Meerssen, 21-8-1934 (Rk.); Maastricht, 
14-7-1939 (Kortebos); Epen, 7-8-1945 en 3 exx. van 19 tot 24-7- 
1946 (Wiss.). 

Var. 1. f. costimacula Wagner, 1919, Int. ent. Z. Guben 13: 
160, fig. 11. Van de middenband der voorvls. alleen een donkere 
vlek aan de voorrand over. Epen (Wiss.). 

735. P. albulata Schiff. Verbreid door een groot deel van het 
land op grazige plaatsen. 



■"■) The broad pale postdiscal line has a brownish colour, so that the wings 
become much less mottled. 

") Central band of the fore wings black in stead of dark brown. 

^) All pale markings fail so that the fore wings are almost unicolorous black- 
grey. 



(704) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 209 

Twee generaties, de tweede echter zeer partieel en alleen bij 
hoge uitzondering. De eerste vliegt van begin Mei tot in de twee- 
de helft van Juli (4-5 tot 19-7). Tot de tweede behoort misschien 
een ex. van 4-8-1938 te Twello (Coldewey, het enige dat jaar 
waargenomen ex.) en zeker een ex., dat 26-9-1948 te Zeist werd 
gevangen ( Gorter ) . 

V i n d p 1. Fr.: Schiermonnikoog (talrijk. Wiss.), Ameland 
(algemeen, Lukkien), Rijs. Gr. : Groningen. Dr. : Peizermade, 
Peizerwolde, Paterswolde, Zweelo, Wijster. Ov. : Volthe, Agelo, 
Albergen, Oud-Leusen, Zwolle, Diepenveen, Colmschate. Gdl. : 
Apeldoorn, Twello (weinig op licht), Voorstonden, Empe, Laag 
Soeren, De Steeg, Arnhem, Bennekom, Lunteren ; Zutfen, Vor- 
den, Barchem, Winterswijk, Aalten, Doetinchem (de Zumpe), Bij- 
vank, Babberich, Lobith; Nijmegen, Groesbeek, Lent, Wamel. Utr.: 
Grebbe, Amerongen, Zeist, Vleuten, Tienhoven, Groenekan, Bots- 
hol. N.H. : Naarden, Ankeveen, Amsterdam, Aalsmeer, Texel, Ber- 
gen, Wijk aan Zee, Velzen, Bloemendaal, Aerdenhout, Vogelen- 
zang. Z.H. : Nieuwkoop, Noordwijk, Wassenaar, Den Haag, 
Scheveningen, Loosduinen, Hoek van Holland, Zevenhuizen, Rot- 
terdam, Dordrecht, Spijkenisse, Melissant. Zl. : Goes. N.B. : Ber- 
gen op Zoom, Breda, Rijen, Gilze, Oisterwijk, Geertruidenberg, 
Engelen, 's-Hertogenbosch, Veghel, Cuyck, Nuenen, Eindhoven, 
Deurne. Lbg. : Arcen, Venlo, Tegelen, Berckt, Baarlo, Horst, 
Roermond, Posterholt, Kerkrade, Schin op Geul, Valkenburg, 
Geulem, Houthem, Meerssen, Geulle, Bunde, Borgharen, Bemelen, 
St. Pieter, Mechelen, Epen, Eperheide, Vaals. 

Var. 1. f. ffriseata Stgr., 1871, Gat. ed. II : 190. Tekening der 
voorvls. niet bruingeel, maar grijs, daardoor scherper afstekend te- 
gen de witte grondkleur, achtervls. grijsachtig getint. Svenska Fjä- 
rilar, pi. 39, fig. 1 c. Oisterwijk (4); Meerssen (Rk.). 

2. f. mundata Klemenciewicz, 1929, in Romaniszyn, Fauna Mo- 
tyli Polski: 450 {tenuifasciata Nordstrom, 1941, Svenska Fjärilar : 
269, pi. 39, fig. lb). Middenveld der voorvls. sterk versmald. 
Apeldoorn ( Kallenbach ) ; Nijmegen (Z. Mus.); Gilze (L. Mus.). 

3. f. reducta nov. Op de wis. alleen de beide lijnen, die het mid- 
denveld begrenzen, aanwezig en duidelijk afstekend^). Houthem 
( Kortebos ) . 

4. f. hebudium Weir, 1881, Entomologist 14 : 221, pi. 1, fig. 17. 
Voorvls. eenkleurig wit. Ankeveen (Z. Mus.); Bergen (Wiss.). 

736. P. flavofasciata Thunberg. Verbreid door een groot deel 
van het land op zandgronden en in bosachtige streken, plaatse- 
lijk vrij gewoon. 

Vliegtijd eind April tot half Aug. (28-4 tot 18-8), waarschijn- 
lijk in 2 gens., waarvan de tweede dan partieel is en niet geregeld 
voorkomt. (Ook Bergmann, 1938, Ent. Zeitschr. Frankfurt 52 : 
99, vermeldt een partiële tweede gen. uit Thüringen, die bevestigd 
werd door kweken.) 

^) On the fore wings only the two Unes present which border the central 
area, and clearly visible. 



210 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (705) 

V i n d p 1. Fr. : Rijs, Oosterwolde. Gr. : Groningen, Haren. Dr. : 
Paterswolde, Wijster. Ov. : Albergen, Almelo, Diepenveen, Colm- 
schate. Gdl. : Nijkerk, Putten, Harderwijk, Apeldoorn, Twello 
(geregeld in enkele exx.), Bennekom ; Eefde, Gorssel, Lochern, 
Aalten, Doetinchem, Didam, Babberich, Herwen, Lobith ; Ubber- 
gen, Nijmegen, Wamel. Utr. : Rhenen, Zeist, Groenekan, Soest 
(gewoon). N.H. : Hilversum, Heemskerk, Wijk aan Zee, Bever- 
wijk, Velzen, Driebuis, Santpoort, Haarlem, Overveen, Bentveld, 
Aerdenhout. Z.H. : Noordwijk, Oegstgeest, Leiden, Wassenaar, 
Den Haag, Scheveningen, Rijswijk, Loosduinen, Oostvoorne, 
Rockanje. N.B. : Breda, Uden, St. Michielsgestel, Cuyck, Nue- 
nen, Helmond, Deurne. Lbg. : Tegelen, Kerkrade, Voerendaal, 
Valkenburg, Geulem, Meerssen, Bunde, Eperheide, Epen, Meche- 
len. Vaals. 

Var. 1 . f. internipta nov. Het middenveld der voorvls. in de 
benedenhelft onderbroken^). Almelo (v. d. M.); Wijk aan Zee, 
2 exx. (Z. Mus.). 

2. f. divisa nov. Het middenveld over de hele lengte door een 
witte lijn gedeeld^). Doetinchem (Gold.); Ubbergen (Z. Mus.). 

3. f. dissoluta nov. Het middenveld opgelost in een aantal lij- 
nen3). Eperheide (v. d. M.). 

4. f. continua nov. De witte postmediane band der voorvls. niet 
door de bruingele grondkleur onderbroken^). Epen (Z. Mus.). 

5. f. aequilimbata nov. Het achterrandsveld der voorvls. een- 
kleurig geelbruin zonder de witte golflijn^). Almelo (v. d. M.). 

Hydriomena Hb. 

737. H. furcata Thunberg, 1784 {sordidata F., 1794). Verbreid 
in het Oosten en Zuiden in bosachtige streken (geassocieerd met 
bosbes) en hier en daar in het lage land en de duinen (geasso- 
cieerd met wilg), op sommige vindplaatsen vrij gewoon. 

1 gen., tweede helft van Mei tot begin Septr. (21-5 tot 4-9). 

V i n d p 1. Fr.: Warga, Tietjerk, Jelsum. Ov. : Denekamp, Al- 
bergen, Almelo, Vriezenveen, Diepenveen. Gdl. : Leuvenum, 
Nunspeet, Apeldoorn, Twello (zeer zeldzaam), Velp, Arnhem, 
Bennekom, Ede ; Vorden, Aalten, Gaanderen, Berghse bos, Mont- 
ferland (hier soms zeer talrijk als rups, zie Scholten, 1938, Tijd- 
schr. voor Ent. 81 : 207); Berg en Dal, Nijmegen. Utr. : Leersum, 
Zeist, Soest. N.H. : Hilversum, Halfweg, Heemskerk, Wijk aan 
Zee, Velzen, Overveen. Z.H. : Leiden, Wassenaar (Duinrei). 
Zl. : Domburg. N.B. : Breda, Deurne. Lbg. : Venlo, Roermond, 
Kerkrade, Voerendaal, Geulem, Houthem, Meerssen, Bemelen, 



1) The central area of the fore wings in its lower half broken into two parts. 

2) The central area over its whole length divided by a white line. 

3) The central area broken up into a number of lines. 

4) The white postmedian band of the fore wings not interrupted by the 
brown-yellow ground colour. 

5) The outer area of the fore wings unicolorous brown-yellow without the 
white subterminal line. 



(706) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 211 

Gronsveld, Eperheide, Epen, Mechelen, Holset, Vaals. 

Var. 1. f. [arcata Thunberg, 1784, Ins. Svecica 1 : 13. Voorvls. 
grijsachtig, donker bestoven, met duidelijke zwartbruine tekening. 
Svenska Pjärilar, pi. 39, fig. 3 a. Hier weinig voorkomend. Mont- 
ferland (Sch.). 

2. f. obscuta Peyerimhoff, 1862, Buil. Soc. Hist. nat. Colmar 2 : 
121. Grondkleur der voorvls. bijna eenkleurig donkerbruinachtig 
tot zwartgrijs, vrijwel ongetekend. Svenska Fjär., I.e., fig. 3 i ; 
Seitz, pi. 10 k, fig. 6, South, pi. 80, fig. 4. Vriezenveen (v. d. M.); 
Warga (Z. Mus.). 

3. f. sordidata F., 1794, Ent. Syst. 3 (2) : 185. Voorvls. groen 
met donkere banden. Seitz, pi. 10 k, fig. 2 ; Svenska Fjär., I.e., fig. 
3 e. Hoofdvorm hier te lande. 

4. f. obliterata Prout, 1 897, Ent. Ree. 9 : 86. Voorvls. groen 
zonder de donkere banden. Svenska Fjär., I.e., fig. 3 d. Nunspeet, 
Amsterdam, Wijk aan Zee (Z. Mus.); Montferland (Seh.); Epen 
(Wiss.). 

5. f. tricolorata Sehrank, 1802, Fauna Boica 2 (2): 30. Als sor- 
didata, maar het middenveld der voorvls. lichtgrijs of witaehtig. 
Zie South, fig. 5, hoewel de grondkleur hier donkerder is. Niet 
zeldzaam. Vriezenveen (v. d. M.); Apeldoorn (Wiss., Z. Mus.); 
Bennekom (v. d. Pol); Vorden (Rk.); Montferland (Sch.); Eper- 
heide (Wiss.). 

6. f. constricta Strand, 1903, Arch. Math, og Nat. 25 (9): 20. 
Het middenveld opgelost in afzonderlijke vlekken, omdat de twee 
lijnen, die het begrenzen, op 1 of meer plaatsen met elkaar ver- 
bonden zijn (de mar gar itat a-tekening dus). Svenska Fjär., I.e., 
fig. 3 e. Berg en Dal (Bo.). 

7. f. centrinotata Nitsehe, 1933, Verh. zool. -bot. Ges. Wien 83 : 
(22). In het middenveld der voorvls. een rij donkere vlekkeni). 
Montferland (Sch.); Berg en Dal (Bo.). 

8. f. flavotincta Culot, 1918, Noct. et Géom. 3 : 253, pi. 36, fig. 
735. Grondkleur der voorvls. geelachtig. Svenska Fjär., I.e., fig. 
3 h. Montferland (Seh.). 

738, H. coerulata F., 1777 [autumnalis Ström, 1783). Verbreid 
door het gehele land, vrijwel overal, waar elzen groeien, gewoon. 
Bekend van Texel, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog. 

Twee generaties, de eerste van de tweede helft van April tot 
begin Aug. (21-4 tot 2-8), de tweede (partieel, bij grote uitzon- 
dering) later in Augustus (Leuvenum, 16-8-1926, Tutein Nol- 

THENIUS). 

Var. 1. f. coerulata F., 1777, Genera Inseetorum : 288. De ty- 
pische vorm wordt door Fabricius beschreven naar een ex. van 
Hamburg met een brede levendig blauwachtige (,,laete coerules- 
centes") band in het midden van de vleugel, terwijl de grondkleur 
overigens donkergroen is met donkere lijnen. Hiermee is onge- 



^) The description of Nitsche (I.e.) is net very clear. I use the name for 
a form with a row of dark spots in the central area of the fore wings. 



212 B. J. LEMPKE. CATALOGUS DER (707) 

twijfeld de vorm bedoeld, zoals die afgebeeld is bij South, pi. 80, 
fig. 2 ; Seitz, pi. 10 k, fig. 3 ; Svenska Fjärilar, pi. 39, fig. 4 a. Het 
midden- en. wortelveld der voorvls. is licht blauwgroen of licht- 
groen. Gewoon. 

2. f. obscurevii'escens nov. Wortel- en middenveld der voorvls. 
donkergroen, de rest van de normale donkere kleuri). Wijster (L. 
Mus.); Arnhem, Breda (Z. Mus.); Hatert (Wiss., Z. Mus.); 
Texel, Brunsum (Wiss.). 

3. f. semifuscata Prout, 1915, Seitz 4 : 263. Het middenveld der 
voorvls. bruinachtig getint, behalve aan de voorrand, de groen- 
achtige banden aan weerszijden er van normaal. Niet zelden ko- 
men exx. voor, waarbij vrijwel het gehele middenveld sterk don- 
kerbruin bestoven is, maar de tekening overigens goed zichtbaar 
blijft. Voor deze exx. kan ongetwijfeld dezelfde naam gebruikt 
worden. Rijs, Putten, Laag Soeren, Arnhem, Hatert (Z. Mus.); 
Vasse, Reutum, Albergen, Almelo (v. d. M.); Weldam (Btk.). 

4. f. obsoletaria Schille, 1900, Soc. Ent. 15 : 113. Voorvls. vrijwel 
eenkleurig donkergrijsachtig, tekening nauwelijks meer zichtbaar. 
Svenska ÌFjar., I.e., fig. 4 b ; South, fig. 10. Niet zeldzaam. Volthe, 
Beekbergen, (v. d. M.); Putten, Apeldoorn (Z. Mus.); Bijvank, 
Babberich (Sch.); Soest (Lpk.); Groenekan (L. Mus.); Berckt 
(Missiehuis Steyl); Voerendaal (Br.); Meerssen (Rk.). 

5. f. literata Donovan, 1810, Nat. Hist. Br. Ins. 14 : 80, pi. 499, 
fig. 2. Lichter dan de typische vorm, wortelband en middenveld 
der voorvls. witachtig (,, milky"). Barrett 8, pi. 370, fig. 1 b. Zwol- 
le, Apeldoorn, Arnhem, Renkum, Lochem, Soest (Z. Mus.); Ber- 
gen op Zoom, Breda (L. Mus.). 

6. f. lineata Heinrich, 1916, Deutsche Ent. Z. : 528, pi. 4, fig. 
20. Voorvls. met scherp afstekende lichte golflijn, die ononder- 
broken van voorrand tot binnenrand loopt. Lonneker, Almelo, 
Muiderberg (v. d. M.); Doetinchem (Gold.); Rijs, Oosterbeek, 
Soest, Abcoude, Rotterdam, Breda, Oisterwijk, Venlo (Z. Mus.); 
Bijvank (Sch.); Groenekan, Bergen op Zoom (L, Mus.). 

7. f. pallida nov. Gehele voorvl. eenkleurig witgroen. Hiertegen 
steken scherp af de 3 fijne donkere lijnen, die wortel- en midden- 
veld begrenzen, een donkere band daartussen en een donkere 
band voor de voorrand^). Barrett, I.e., fig. 1 e. Neerbosch, Aer- 
denhout (Wiss.); Limmen (Lpk.); Haarlem (Rk.); Dordrecht 
(Mus. Rd.); Bergen op Zoom (L. Mus.); Tegelen (Latiers). 

8. f. striata nov. In het lichte middenveld alle aderen sterk ver- 
donkerd^). Leeuwarden, Oosterbeek, Drumpt, Breda (Z. Mus.); 
Zeist (Br.); Den Haag (L. Mus.); Loosduinen (v. Eldik); Boxtel 
(Lpk.). 

9. f. constricta Strand, 1900, Archiv Math, og Nat. 22 (5): 32. 



^) Basal and central area of the fore wings dark green, the rest of the wings 
of the normal dark colours. 

^) Whole fore wings unicolorous white-green with which the 3 thin dark 
lines bordering basal and central area, a dark band between these areas, and a 
dark submarginal band strongly contrast. 

^) All nervures in the pale central area strongly darkened. 



(708) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 213 

Het onderste deel van het lichte middenveld afgesnoerd doordat 
de beide grenslijnen elkaar een of meermalen raken {tangens- of 
margaritata-type dus). Bij deze soort zonder twijfel zeldzaam. Een 
mooi ex. van Breda (24). 

10. f. approximata nov. Zie Cat. VIII : (557). Valkeveen, Am- 
sterdam (Z. Mus.); Ulvenhout (Kallenbach). 

11. f. impuncta nov. Zie Cat. VIII, I.e. Albergen (v. d. M.); Nij- 
kerk, Renkum, Naarden, Noordwijk, Oisterwijk (Z. Mus.); Apel- 
doorn (de Vos). 

Earophila Gumppenberg 

739. E. badiata Schiff. Verbreid, maar lokaal, vooral op zand- 
gronden, over het algemeen geen gewone vlinder. 

1 gen., eind Maart tot half Mei (28-3 tot 17-5). 

V i n d p 1. Ov. : Hengelo, Colmschate (geregeld). Gdl. : Put- 
ten, Leuvenum, Nunspeet, Apeldoorn, Twello (vrij gewoon), 
Empe, De Steeg, Arnhem, Oosterbeek ; Eefde, Vorden, Doetin- 
chem, Herwen, Lobith ; Nijmegen, Heteren. N.H. : Egmond aan 
Zee, Overveen, Bentveld, Aerdenhout, Zandvoort, Vogelenzang. 
Z.H. : Leiden. N.B. : Breda. Lbg. : Kerkrade, Valkenburg, Hou- 
them, Lemiers, Vaals. 

Var. 1 . f. badiata Schiff. Grondkleur der voorvls. roodbruin, 
middenveld lichter, geelachtig (Hübner, fig. 291). South, pi. 88, 
fig. 4. Hoofdvorm. 

2. f. planicolor nov. Grondkleur der voorvls. roodbruin, midden- 
veld van dezelfde tinti ) . Svenska Fjärilar, pi. 39, fig. 6. Arnhem, 
Oosterbeek, Nijmegen, Overveen, Valkenburg (Z. Mus.); Aer- 
denhout (Wiss.). 

3. f. pallidaria Lambillion, 1909, Rev. Soc. Ent. Nam. : 56. 
Grondkleur der voorvls. helder (lichter) roodachtig, middenveld 
witachtig geel. Doetinchem (Cold.); Lobith (Sch.); Zandvoort 
(Btk.). 

4. f. obscurata nov. Grondkleur der voorvls. zwartbruin, mid- 
denveld licht2). Leuvenum, Nijmegen (Z. Mus.); Twello (Cold.); 
Arnhem (L. Mus.); Herwen, Lobith (Sch.); Zandvoort (Btk.); 
Vogelenzang (Wiss.). 

5. f. alpestris Neuburger, 1904, Soc. Ent. 19 : 20. Grondkleur 
der voorvls. zwartbruin, middenveld van dezelfde tint. South, pi. 
88, fig. 3. Arnhem (L. Mus.); Herwen, Lobith (Sch.). 

6. f. defasciata nov. Voorvleugels eenkleurig, alleen met de 
zwarte lijnen, die wortelveld en middenveld begrenzen en de 
zwarte apicaalstreep. De donkerbruine banden binnen de zwarte 
lijnen ontbreken dusS). Aerdenhout (Z. Mus.). 

7. f. subbadiata Strand, 1903, Arch. Math, og Nat. 25 (9): 2. 



1) Ground colour of the fore wings red-brown, central area of the same tint. 

2) Ground colour of the fore wings black-brown, central area pale. 

3) Fore wings unicolorous, only with the black lines bordering basal and 
central area, and the black apical line. So the dark brown bands inside of the 
black lines fail. 



214 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (709) 

Het middenveld is in tweeën gedeeld, doordat de donkere zij- 
lijnen elkaar onder het midden raken {tangens-type dus!). Arn- 
hem (Z. Mus.); Lobith (Sch.); Zandvoort (Cold.). 

8. f. ocellaria Bodart, 1910, Rev. Soc. Ent. Nam. : 31. Midden- 
veld der voorvls. in het midden gesloten, het onderste deel ver- 
vangen door enkele oogjes {margaritata-type dus !). Lobith (Sch.). 

9. f. approximata nov. Zie Cat. VIII : (557). Zandvoort (Z. 
Mus.); Houthem (Jch.). 

10. f. rectifasciatia Lambillion, 1909, I.e. Middenveld der voor- 
vls. sterk verbreed. Herwen (Sch.). 

12. f. impuncfa nov. Zie Cat. VÎII : (557). Barrett 8, pi. 340, 
fig. 2 b. Arnhem (Z. Mus.). 

Pelurga Hb, 

740. P. comitata L. Verbreid over het gehele land op allerlei 
grondsoorten, gewoon. Bekend van Texel, Terschelling en Schier- 
monnikoog. 

1 gen., eerste helft van Juni tot begin Septr. (12-6 tot 5-9). 
Var. 1 . f. unicolor nov. De tekening der voorvls. slechts iets 
donkerder dan de grondkleuri ) . South, pi. 102, fig. 3. Wassenaar, 
? (Wiss.); Amsterdam, Oostvoorne (Z. Mus.). 

2. f. contrastata nov. De lijn, die het middenveld franjewaarts 
begrenst, zwartachtig, scherp afstekend^). Putten (Z. Mus.). 

3. f. zonata Wahlgren, 1913, Ent. Tidskrift 34 : 25. Het gehele 
middenveld der voorvls. eenkleurig donkerbruinachtig. Svenska 
Fjärilar, pi. 39, fig. 10 b. Maarsen (de Nijs). 

4. f. tangens nov. Zie Cat. VIII : (557). Zeer gewoon. 

5. f. impuncta nov. Zie Cat. VIII, I.e. Kralingen (Z. Mus.). 

6. Dwergen. Amsterdam (Z. Mus.); Heerlerheide (Lek.). 

Hydrelia Hb. 

741. H. tcstaceata Donovan. Uitsluitend bekend uit midden- 
en Zuid-Limburg en vooral in het laatste deel verbreid. 

In Denemarken lokaal op de eilanden en in Jutland, meestal 
zeldzaam. In Sleeswijk-Holstein verbreid ; bij Hamburg verbreid, 
maar zeldzaam; niet bij Bremen; in Hannover zeldzaam bij de stad; 
in Westfalen al naar de vindplaatsen zeldzaam tot tamelijk ge- 
woon ; in de Rijnprov. lokaal (Krefeld, Elberfeld, Aken, Oedt, 
Bonn, Trier, Hunsrück). In België ,, bijna overal" (maar zou dat 
ook voor het W^esten gelden?). In Groot-Brittannië in Engeland 
en Wales, alleen in het Zuiden niet zeldzaam. In Ierland lokaal 
en zeer zeldzaam. 

1 gen., eind Mei tot eind Juli (27-5 tot 27-7). 

V i n d p 1 . Lbg. : Venlo, Limbricht, Rimburg, Kerkrade, Wij- 
nandsrade. Valkenburg, Geulem, Houthem, Meerssen, Borgharen. 



^) The markings of the fore wings only a little darker than the ground colour. 
^) The line bordering the central area externally, blackish, sharply contrasting. 



(710) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 215 

Maastricht, Gronsveld, Eperheide, Epen, Holset, Vijlen, Vaals. 
Var. 1. f. impuncta nov. Zie Gat. VIII : (557). Onder de soort. 

742. H. flammeolaria Hufn., 1767 {luteata Schiff., 1775). Ver- 
breid in bosachtige streken door het hele land, plaatselijk niet 
zeldzaam. 

1 gen., tweede helft van Mei tot begin Aug. (20-5 tot 7-8). 

V i n d p 1. Fr. : Tietjerk, Oosterwolde. Dr. : Veenhuizen, Ansen, 
Rheebruggen. Ov. : Ootmarsum, Agelo, Vasse, Almelo, De Lutte, 
Lonneker, Delden, Ommen, Eerde, Oud-Leusen, Zwolle, Colm- 
schate. Gdl. : Nijkerk, Harderwijk, Nunspeet, Apeldoorn, Twello 
(weinig), Empe, Laag Soeren, Dieren, Velp, Arnhem, Renkum, 
Bennekom, Lunteren ; Gorssel, Vorden, Boekhorst, Lochem, Ruur- 
lo, Winterswijk, Aalten, Laag Keppel, Bijvank, Babberich ; Berg 
en Dal, Hatert. Utr. : Woudenberg, Zeist, De Bilt, Bilthoven, 
Groenekan, Amersfoort, Soest. N.H. : Hilversum, Bussum, Drie- 
huis, Santpoort, Overveen, Vogelenzang, Heemstede. Z.H. : Noord- 
wijk, Warmond, Leiden, Wassenaar, Meyendel, Scheveningen, 
Den Haag, Loosduinen, Oostvoorne, Dordrecht. Zl. : Haamstede. 
N.B. : Bergen op Zoom, Oudenbosch, Princenhage, Breda, Ginne- 
ken, Ulvenhout, Oosterhóut, Hondsdonk, Rijen, Tilburg, Hilvaren- 
beek, Oisterwijk, Helvoirt, Veghel, Nuenen, Helmond, Deurne. 
Lbg. : Plasmolen, Venlo, Baarlo, Tegelen, Susteren, Echt, Schin- 
veld, Kerkrade, Voerendaal, Heek, Hulsberg, Aalbeek, Valken- 
burg, Geulem, Houthem, Meerssen, Bunde, Maastricht, Gronsveld, 
Gulpen, Wittem, Mechelenj, Bissen, Eperheide, Epen, Holset, 
Vaals. 

Var. 1 . f. luteosignata nov. De lijnen op de vleugels niet bruin- 
geel, maar donkergeel, daardoor minder afstekend^). Kerperbos 
(Epen) (Wiss.); Wittem (v. d. M.). 

2. f. confluens Hoffmann, 1917, Mitt. Naturw. Ver. Steiermark 
53 : 194. De beide lijnen, die het middenveld begrenzen, onder de 
middenstip met elkaar verbonden. Niet zeldzaam. Apeldoorn, Laag 
Soeren, Hatert, Amersfoort, Wassenaar, Oisterwijk (Z. Mus.); 
Ansen, Mechelen (F. F.); Oud-Leusen (v. d. M.); Plasmolen, 
Geulem, Epen (Wiss.). 

3. Dwergen. Aalten (v. G.). 

Euchocca Hb. 

743. E. nebulata Scop., 1763 {obliterata Hufn., 1767). Verbreid 
door een groot deel van het land op niet te droge plaatsen, vrij 
gewoon. 

Twee gens., de eerste van begin Mei tot de derde decade van 
Juli (8-5 tot 23-7), de tweede van eind Juli tot begin Septr. (27-7 
tot 1-9). Erg scherp is de grens tussen beide gens. niet. 

V i n d p 1. Fr. : Terschelling, Kollum, Tietjerk, Beetsterzwaag. 



^) The lines on the fore wings not brown-yellow, but dark yellow, therefore 
less contrasting. 



216 B. J. LEMPKE. CATALOGUS DER (711) 

Gr. : Haren, De Punt. Dr. : Paterswolde, Veenhuizen, Wijster. 
Ov. : Ootmarsum, Vasse, Agelo, Almelo, Lonneker, Hengelo, Oud- 
Leusen, Rijsen, Colmschate, Deventer. Gdl. : Nijkerk, Putten, 
Hulshorst, Nunspeet, Apeldoorn, Twello (vrij gewoon), Loenen, 
Laag Soeren, Renkum, Bennekom, Ederveen, Lunteren, Hulshorst ; 
Vorden, Lochern, Barchem, Winterswijk, Vragender, Aalten, Doe- 
tinchem, Keppel, Bijvank, Babberich ; Nijmegen, Heumen, Hatert. 
Utr. : Zeist, De Bilt, Groenekan, Fort de Klop, Nederhorstdenberg, 
Nigtevecht, Soest, Amersfoort. N.H. : Hilversum, Amsterdam, Am- 
stelveen, Middelie, Texel, Schoorl, Santpoort, Haarlem, Overveen, 
Vogelenzang. Z.H. : Leiden, Wassenaar, Den Haag, Schevenin- 
gen. Loosduinen, 's-Gravenzande, Rotterdam, Melissant. Zl. : 
Haamstede. N.B. : Bergen op Zoom, Princenhage, Ulvenhout, 
Rijen, 's-Grevelduin-Kapelle, Hilvarenbeek, Oisterwijk, Nuenen, 
Eindhoven, Helmond, Deurne. Lbg. : Venlo, Tegelen, Limbricht, 
Kerkrade, Wijnandsrade, Voerendaal, Hulsberg, Aalbeek, Valken- 
burg, Geulem, Meerssen, Bemelen, Geule, Gronsveld, Noorbeek, 
Gulpen, Epen, Nijswiller, Vaals. 

Var. 1. f. su[[usa Nordstrom, 1941, Svenska Fjärilar : 272, pi. 
39, fig. 14 b. Op de geelachtige voorrand der voorvls. na zijn 
beide vleugelparen vrijwel eenkleurig donkerbruin. Niet zeldzaam 
bij het ê . Wijster, Keppel, Breda (L. Mus.); De Lutte, Wassenaar 
(Wiss.); Oud-Leusen, Rijssen, Amsterdam, Epen (v. d. M.); Put- 
ten, Renkum, Vorden, Venlo (Z. Mus.); Nunspeet (Vari); Hil- 
versum (Caron). 

Asthena Hb. 

744. A. albulata Hufn., 1767 (candidata Schiff., 1775). Op een 
heel enkele vindplaats in het Z.W. na, uitsluitend bekend uit het 
Oosten (tot Twente) en het Zuiden. 

Twee gens., de eerste van begin Mei tot in de tweede helft van 
Juni (5-5 tot 21-6), de tweede van half Juli tot in de tweede helft 
van Aug. (14-7 tot 23-8). 

Vin dpi. Ov. : Volthe. Gdl.: Twello (vrij zeldzaam), De 
Steeg, Arnhem, Oosterbeek, Renkum ; Bijvank ; Ubbergen, Nijme- 
gen. Zl. : Haamstede. 5-6-1938 (Br.). N.B.: Breda, Ulvenhout, 
Ginneken, Hondsdonk, Eindhoven. Lbg. : Plasmolen, Arcen, Venlo, 
Tegelen, Roermond, Posterholt, Spaubeek, Kerkrade, Vijlen, Val- 
kenburg, Geulem, Houthem, Meerssen, Bunde, Geule, Bemelen, 
St. Pieter, Gronsveld, Gulpen, Mechelen, Eperheide, Epen, Nijs- 
willer. 

Var. 1. f. anastomosata nov. Op de voorvls. zijn de derde en 
vierde dtwarslijn geheel of grotendeels samengesmolten^). Nij- 
megen (Z. Mus.); Epen (Wiss.). 

745. A. anscraria Herrich-Schäffer. Uitsluitend aangetroffen in 
Oost-Gelderland en Zuid-Limburg. In Denemarken slechts bekend 



^) On the fore wings the third and fourth transverse lines are completely 
or for the greater part united. 



(712) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 217 

van 1 vindplaats op Seeland (Noordgrens van de soort). Ner- 
gens in het omringende Duitse gebied! (Maar de vlinder moet 
toch wel, gezien de verbreiding in Zuid-Limburg, in de Rijnprov. 
te vinden zijn.) In België alleen bekend van Lanaeken ten W. van 
Maastricht, waar Majoor Rijk de soort ontdekte (ook hier toch 
stellig meer vindplaatsen !). (Ook niet vermeld van Noord-Frank- 
rijk!) Niet in Groot-Brittannië en Ierland. Het areaal schijnt dus 
in elk geval erg verbrokkeld te zijn in West-Europa. 

1 gen., begin Juni tot eind Juli (6-6 tot 26-7). 

V i n d p 1. Gdl. : Slangenburg, Bijvank. Lbg. : Houthem, Meers- 
sen, Bemelen, Gronsveld, Sint Geertruid, Epen. 

Corrigenda 

Catalogus IV (Tijdschr. v. Ent. 82. 1939) 
p. (248), r. 3 v.b. Fabricius' Systema Entomologiae is zonder 
twijfel vóór het Syst. Verzeichnis gepubliceerd. De door 
Turner (en Tams) geponeerde stelling (cf. Cat. V: 
(306), noot 2), dat het Syst. Ent. gerekend moet wor- 
den na het Verzeichnis gepubliceerd te zijn, wordt te- 
recht door niemand aanvaard. Daaruit volgt, dat de cor- 
recte naam voor de soort is : Diarsia mendica F., 1 775 
(= [estiva Schiff., 1775, = primulae Esp., [1788]). 
Noctua mendica F., 1775, is geen homoniem van Pha- 
laena mendica Clerck, 1759. 
p. (270), r. 17 v.b. Prout had ongelijk. Volgens art. 30, b, der 
Internat. Nomenclatuurregels is typica het genotype van 
Phalaena L. Op p. (240), r. 21 v.b., moet de geslachts- 
naam Naenia dus veranderd worden in Phalaena L. 

Catalogus V (Tijdschr. v. Ent. 83, 1940) 
p. (300), r. 5 v.o. en 

p. (301), r. 12 v.b. sagittifera moet zijn: sagittigera. 
p. (306), r. 19 v.b. cucubali Schiff, moet zijn: rivularis F., 1775 

(= cucubali Schiff., 1775). Zie correctie Cat. IV: 

(248), hierboven. 

Catalogus VI (Tijdschr. v. Ent. 84, 1941) 
p. (378), r. 19 v.o. fig. 6 moet zijn: fig. 7. 
p. (393), r. 7 v.o. vol. 44 moet zijn : vol. 46. 

Catalogus VII (Tijdschr. v. Ent. 85, 1943) 
p. (448), r. 3 v.b. f. gueneei Dbld. hoort niet tot deze soort, maar 
tot Luperina nickedii Frr. (Dr. E. A. Cockayne in litt.), 
moet hier dus vervallen. 

Catalogus VIII (Tijdschr. v. Ent. 90, 1949) 
p. (475), r. 2 v.o. Valthe moet zijn: Volthe. 
p. (480), r. 18 v.o. A. lunulina Hw. moet zijn: A. oblonga Hw., 
1809. 



218 B. J. LEMPKE, CATALOGUS ETC. (713) 

p. (481), r. 3 v.b. f. variegata Stgr. moet zijn: f. oblonga Hw., 
Lep. Brit.: 188 (= variegata Stgr., 1871, Cat. ed. 2: 
101)1). 

p. (506), r. 5 v.b. 5. degenerarla Hb. is wel in Engeland aange- 
troffen : 1 ç, New Forest, 1905. Zie E. A. Cockayne, 
Entom. 83 : 123, pi. IV, fig. 9. Het is niet het groene ex., 
dat ik in Londen zag, doch het bevindt zich in de coll. 
te Tring. 

p. (514), r. 24-25 v.o. en r. 7 v.o. brunnea moet zijn : brunnescens. 

p. (515), r. 16 v.b. Hattem hoort bij Gelderland. 

p. (517), r. 4 v.o. from moet zijn : form. 

p. (521), r. 16 v.o. Oegst- moet zijn: Zwam- 

p. (541), r. 20 v.b. De biologische mededeling van Boldt is on- 
juist en berust op een vergissing. A. V. Hedges beschrijft 
een uitstekend geslaagde ab ovo kweek met populier 
(1950, Entom. 83: 97—98). 

p. (542), r. 5 v.o. Juli moet zijn : Juni. 

p. (555), r. 17 v.b. 21-8 moet zijn: 27-8. 

p. (563), r. 23 v.b. Hipparchus Leach, 1815, is een synoniem van 
Geometra Schiff., 1775. Reeds in 1829 (Hist. nat. Lép. 
Fr. 7 (2) : 106) fixeerde Duponchel Phalaena papilio- 
naria L. als het genotype van Geometra. De correcte 
naam voor de soort is dus : Geometra papilionaria L. 

p. (587), r. 3 v.o. paginaprioriteit moet zijn: regel-prioriteit. 
Geen van beide wordt door de Internationale Regels er- 
kend, zodat een beslissing niet nodig is. 

p. (591), r. 17 v.b. toevoegen: Putten (Z. Mus.). 

Catalogus IX 

p. (629), fig. 36. Begin Juni 1950 kwamen 2 ? ? van Anaitis 
plagiata L. uit de pop. Het uiteinde van het abdomen was 
bij de levende dieren wel iets omlaag gebogen, maar lang 
niet zo sterk als bij het afgebeelde collectie-ex. 



1) In part VIII of the Catalogue, p. (480) (Tijdschr. v. Ent. 90: 70), foot- 
note 2, I referred to Barrett's statement, that the type of Noctua oblonga Hw. 
was a form of Apamea remissa Hb. Dr E. A. Cockayne, however, examined 
Haworth's type specimen, which is in the collection of the British Museum (Na- 
tural History) and found that it is "a good example of the uncommon variegated 
form of what we used to call abjecta" (in litt., 15 January 1950). So the cor- 
rect name for the species is Apamea oblonga Hw., 1809 {abjecta Hb., [1809 — 
1813]), and f. variegata Stgr., 1871, is a synonym of the type form. 



- 219 - 



New Dutch East Indian Lamiinae 

(Col., Cerambycidae) 

by 

E. F. GILMOUR 



The following new species are for the major part from islands 
in the Dutch East Indian Archipelago. The types are in the British 
Museum (Natural History) or in my own collection. 

The second half of this paper deals with a number of new species 
of Tmesisternini, a tribe which has the genera Tmesisternus 
Latr., and Trigonoptera Pasc, as its largest members. These two 
genera are extremely widely distributed throughout the East In- 
dies, but there are numerous gaps in this, particularly from some 
of the lesser known islands. I would therefore, like to appeal to all 
collectors out there, or even those with small collections of material 
from this region, to send it in for examination, so that our know- 
ledge of the tribe may be perhaps increased. 

Agnia eximia Pasc. var. abasomaculata nov. 

This very distinct variety differs noticeably from the typical form 
in lacking the median longitudinal pronotal band, which is reduced 
to a very small anterior spot, and the two lateral 
bands do not reach the posterior margin ; all the 
white markings on the basal half of the elytra in 
front of the premedian band are missing, and the 
remaining spots tend to be as in ab. albofasciata 
Breun., where they are united to form transverse 
bands. 

Length, 15.5 mms., breadth, 5.8 mms. 

Ternate. Holotype ( ,5 ) in my collection. Unique. 

Triammatus waigeuensis sp. nov. 

Male : Black, covered with pale brownish pubes- 
cence, which is more or less uniform. Head and 
pronotum almost immaculate above, the latter with 
a narrow, very vague, slightly lighter brown longi- 
tudinal band on each side of the disc. The elytra 
with about four very small velvety dark brown spots, Fig- ^■ 
(which may be partially united, or slightly subdivid- ^^"'^ eximia 

, V t 1 . 1 Ti 1 1,1-1 basaomaculata 

ed) on each elytron, one pair at about the basal third, pgg^, ^^j. 
and the other pair immediately behind the middle; nov ^ (x5 2). 




220 



E. F. GILMOUR, 



a few irregular, less distinct, smaller spots apically along the suture 
and at the apex. The underside covered with greyish-brown pu- 
bescence, with a densely pubescent white lateral longitudinal band 
extending from the lower lobes of the eyes as far as the posterior 
border of the metasternum. 
Elongate, moderately robust. 

The antennae one and a half to one and three-quarter times as 
long as the body ; with a few very sparse hairs beneath on the 
basal segments ; the scape fairly elongate, bearing a large distinct 
complete apical cicatrix, about one and a third times as long as the 
fourth segment, which is about equal in length to the 
scape ; the third, fourth and fifth segments very 
strongly swollen apically ; all the segments very 
finely and closely punctured, the scape with a number 
of scattered larger punctures. The antennal tubercles 
strongly lobularly prolonged vertically, very closely 
approximated. The lower lobes of the eyes as broad 
as long ; about as long as the genae. The frons 
strongly trapezoidal ; the whole head fairly finely 
and closely punctured, with a number of larger scat- 
tered punctures on the vertex, and more closely on 
the upper part of the frons. The prothorax transverse, 
with a slender, pointed spine in the middle of each 
side ; with two anterior and two posterior transverse 
grooves, of which the median two are the strongest ; 
the disc very finely transversely rugose ; a number 
of conspicuous granules laterally and at the base of 
the spines ; the whole very finely and closely punc- 
tured. The scutellum slightly transverse, broadly 
rounded apically ; finely and closely punctured. The 
elytra elongate ; broad basally, distinctly attenuate 
to the apices which are broadly rounded ; covered densely with quite 
large, distinct granules on the basal quarter, these becoming smaller 
there and changing to large distinct, fairly well-separated punctures, 
which gradually become finer towards the apex ; the interstices 
closely micropunctate. 

The underside completely very finely and closely punctured ; the 
prosternai protuberance not as high as the coxae, regularly round- 
ed ; the mesosternal protuberance with a broad, distinct, large 
obtuse tubercle, and vertically truncate anteriorly. The apical vent- 
rite about twice as long as the preapical, and truncate apically. The 
legs of moderate length, with the anterior distinctly elongate ; the 
femora moderately claviform ; the anterior tibiae with a strong 
spinous tubercle internally ; the intermediate tibiae with an external 
groove, limited proximally at the middle by a distinct tubercle ; all 
finely and closely punctured, with sparse larger punctures scat- 
tered here and there ; the tarsi rather broad, with long lateral hairs. 
Length, 18.5 — 21 mms., breadth, 6 — 7 mms. 
Waigeu. Holotype ( ê ) and paratype ( 5 ) in my collection. 
This very distinct new species appears to be rather smaller than 




Fig. 2. 
Triammatus 
waigeuensis 
sp. nov. ^(x4.5) 



NEW DUTCH EAST INDIAN LAMIINAE 221 

the other species of the genus. It is most closely allied to the male 
of T. tristis Pasc, in general fascies, but differs conspicuously in 
colours, the latter species having a complete leaden-grey pubescence, 
with larger black maculae. 

Pericycos teragramus sp. nov. 

Completely black. The head with yellow maculae as follows : 
an elongate one on each side of the frons ; a rounded one on each 
gena, and a large one on the vertex. The tibiae, tarsi and first six 
antennal segments covered with fine sparse greyish pubescence ; 
the apical five antennal segments covered with fine, sparse brownish 
pubescence. The pronotum, the scutellum, the underside, the femora 
and the extreme elytral apex covered with pale ochraceous-yellow 
pubescence, except the middle of the ventrites which are black and 
glabrous ; this pubescence most dense on the metasternum and the 
ventrites laterally. The elytra covered v/ith variably confluent, 
metallic green or bluish maculae, with shining black granules, and 
the interstices glabrous black and shining. 

Male : Moderately robust and elongate. Antennae robust, about 
one and a fifth times as long as the body, with a few very sparse 
setae below on the basal segments ; the scape moderately elongate, 
with a complete apical cicatrix ; the third segment about one and 
a seventh times longer than the fourth, about one and a third times 
as long as the scape ; the following segments gradually decreasing ; 
the third to sixth segments with a small preapical depression ex- 
ternally ; all the segments very finely and fairly closely punctured. 
The frons trapeziform, moderately and fairly closely punctured ; 
the genae a little more coarsely punctured ; the vertex sparsely 
punctured laterally ; the antennal tubercles moderately raised, and 
fairly closely approaching. The pronotum very slightly transverse 
(about 28 : 25) ; narrowed apically, slightly rounded laterally, with 
an extremely small infero-lateral tubercle on each side ; trilobed 
basally ; with two anterior and two posterior transverse grooves, 
each pair widely separated, and the inner of each pair strongly 
medially sinuate on the disc, with a rather distinct depression at 
the middle of each ; the whole completely covered with close, small, 
shining black granules, the interstices extremely finely and sparsely 
punctured. The scutellum slightly transverse, subtriangular, narrow- 
ly rounded apically ; micropunctate. The elytra elongate, convex ; 
each with a strong basal rounded lobe projecting anteriorly on 
each side of the scutellum, and with two slightly raised, obtuse lon- 
gitudinal carinae on about the apical two-thirds ; covered with fairly 
fine shining granules, which are closest basally, and change to 
sparse punctures suturally ; the interstices irregularly, finely micro- 
punctured. 

The underside very finely punctured, closely laterally, rather less 
close medially, particularly on the ventrites. The prosternai protube- 
rance moderately broad, about as high as the coxae, rounded an- 
teriorly, more or less vertically truncate posteriorly. The mesosternal 
protuberance bearing a very large, strongly anteriorly projecting 



222 



E. F. GILMOUR. 



tubercle. The apical ventrite slightly truncate apically. The legs of 
moderate length ; the femora scarcely swollen, almost linear ; the 
intermediate tibiae grooved externally ; the tarsal segments broad, 
with long black lateral setae. 

Female : Distinctly more robust than the male. (The antennae 
broken from the fourth segment, but probably about as long as the 
body). The apical ventrite rather strongly emarginate apically, and 
bearing a long dense tuft of black hairs on each side. The tarsi not 
as broad as in the male, and with much shorter lateral setae. 

Length, 19 — 24 mms., breadth, 6.5 — 9 mms. 

Sarawak : Mt. Merinjak (Allotype) and Sarawak (No further 
data) (Holotype). Holotype ( 5 ) in my collection. Allotype ( $ ) 
in the British Museum (Nat. Hist.). 

This new species is most closely allied to P. princeps Pasc, 
from which it can be immediately distinguished by the elytral suturai 
spots not being yellow and the labrum not yellow. It may be separa- 
ted from the other species as shown in the following key. 

Key to the Genus Pericycos Breun. 

1. The elytra covered with metallic green confluent spots 2 

— The elytra covered with ochraceous spots 3 

2. The labrum yellow pubescent ; the elytral suturai spots yellow 
princeps Pascoe 

— The labrum black ; elytral suturai spots metallic green, like the 
rest teragramus sp. n. 

3. The pronotum as long as broad, bearing a very small lateral 
tubercle ; the base of the elytra with a triangular projection 
philippinensis Breun. 

— The pronotum transverse ; the base of the elytra with a rounded 
projecting lobe 4 

4. The lateral pronotal spine distinct ; the elytra 
with granules over their whole length, except 

suturally guttatus Heller 

■ — The lateral pronotal spine scarcely distinguish- 
able ; the elytra only granular on the basal 
third varieguttatus Schwarz. 

Cylindrepomus peregrinus Pasc, var. connexa nov. 
This variety differs from the typical form in 
its elytral markings. In long series the typical form 
is found to be very constant, but in this variety the 
second and third transverse greyish fascia are con- 
nected or almost connected, by a distinct prolon- 
gation from each band medially. 

The holotype (fig. 3a) has the black pronotal 
'' markings very small and inconspicuous, while in 

Fig. 3. the paratype (fig. 3b) they are very enlarged and 

Cylindrepomus coalesced to form a large lateral longitudinal ma- 
peregrmus Pasc, ^^jg qj^ each side. As these vary considerably from 
var. connexa nov. . ^ . • ^ • i • • ^ i 

<j a holotype- Specimen to specimen in typical series, no varietal 

b. paratype. importance can be attached to this difference. 



NEW DUTCH EAST INDIAN LAMIINAE 



223 



Length, 9.5 — 14 mms., breadth, 2 — 3.5 mms. 

Java (No further data). Holotype ( $ ) and paratype ( 5 ) in 
the British Museum (Nat. Hist.). 

Cylindrepomus grammicus Pasc, var. waigeuensis nov. 

This new variety is distinctly different from the 
typical and other forms of the species in the elytral 
suturai longitudinal yellowish band being divided, and 
missing from about the middle to about the apical 
third or quarter. (This is not due to 'rubbing' as it is 
constant in all the specimens examined). The pronotal 
longitudinal bands are narrow as in the typical form, 
and the holotype lacks the longtudinal bands on the 
vertex as in subsp. hecate Dillon & Dillon, but these 
are fairly distinct, though very narrow on the other 
specimens. 

Length, 16 — 16.5 mms., breadth, 3.2 — 3.5 mms. 

Waigeu : Camp Nok, 2,500 ft. (April, 1938, L. E. 
Cheesman) (Holotype and 1 paratype). Waigeu (No 
further data) (Paratype). Holotype ( S ) and 2 
PARATYPES ( 5 ) in the British Museum (Nat. Hist.) 

One paratype has the right antenna missing from Fig. 4. 
the scape, and the other has both antennae missing Cylindrepomus 
from the scape, although the latter is in better con- Pas^^var^ wai- 
dition than the others as regards pubescence. geuensis nov. <?. 



Amblymora V-£Iava sp. nov. 

Female : Moderately robust, elongate. 

Dark brown ; completely covered above and below 
w^ith more or less uniform brownish pubescence, 
which is somewhat greyish-brown towards the elytral 
apex, where there are also a few small irregular gla- 
brous areas. On each elytron there is a pale yellow, 
oblique, very narrow fascia on the disc, extending 
from the basal sixth behind the humerus, and less 
laterally, to the suture at the basal third, forming a 
broad V with that of the opposite elytron. The ven- 
trites irregularly glabrous medially with grey apically 
and basally. 

The antennae about one and a seventh times as 
long as the body ; slender ; fairly densely fringed 
beneath, except the scape, and the apical two seg- 
ments much more sparsely ; the scape rather elongate, 
subcylindrical ; the third segment elongate, almost 
twice as long as the fourth ; the fifth shorter than the 
third ; the rest gradually decreasing, except the apical 
which is again slightly elongate ; all the segments 
very finely and closely punctured. The antennal tu- n^j^^ ^^^ 
bercles very slightly raised, widely separated. The 



Fig. 5. 
Amblymora v- 



224 E. F. GILMOUR, NEW DUTCH EAST INDIAN LAMIINAE. 

eyes strongly emarginate, rather closely approaching above ; the 
lower lobes large, slightly elongate, about four times as long as the 
genae. The frons distinctly elongate, slightly convex, with a very 
fine median longitudinal groove from the upper part, extending to 
the posterior border of the head ; very strongly and fairly closely, 
coarsely punctured ; the interstices and the vertex closely micro- 
punctured. The prothorax slightly transverse ; with a small, very 
pointed lateral tooth slightly behind the middle on each side ; rather 
strongly convex, and rounded laterally ; narrowed anteriorly ; the 
disc completely covered with very large, quite close, coarse 
punctures which become rather smaller infero-laterally ; the inter- 
stices closely micropunctured ; with a very slight basal transverse 
broad groove. The scutellum slightly transverse, subtriangular, nar- 
rowly rounded apically ; closely micropunctured. The elytra elon- 
gate ; rather strongly convex ; distinctly attenuate, but slightly roun- 
ded to the apex ; the apices rather narrow, obsoletely, and slightly 
obliquely truncate, the suturai and marginal angles rounded ; each 
elytron with four fairly distinct, but obtuse, longitudinal carinae ; 
coarsely and fairly closely punctured basally, then seriately punc- 
tured, with a single row between each carina, and more irregularly 
laterally, becoming much finer apically. 

The underside completely, fairly closely micropunctured. The 
prosternai protuberance broad, as high as the coxae ; transversely 
and vertically truncate posteriorly. The mesosternal protuberance 
broader than the prosternai ; very slightly concave, but almost 
transversely truncate, and vertically truncate anteriorly. The apical 
ventrite about one and a half times as long as the preapical ; trun- 
cate apically ; (the ovipositor slightly more than twice as long as 
the apical ventrite). The legs of moderate length; slender; the 
femora davate ; (Pascoe in his generic description states 'fusiform', 
but the braodest point is not median, but distal !) ; the intermediate 
tibiae grooved externally ; all very finely and closely punctured ; 
the tarsi elongate and slender, and all the segments about equal in 
length. 

Length, 10 mms., breadth, 3.5 mms. 

Aru. HoLOTYPE ( ? ) in the British Museum (Nat. Hist.). 

This new species is probably most closely allied to A. fumosa 
Pascoe, but differs conspicuously from that species and all the 
other known species of the genus in the pale oblique yellow band 
on each elytron, as well as minor differences. 

Pascoe mentions (1867, Trans. Ent. Soc. Lond. (3) 3 456) 
under his species consputa, (to which the above newly described 
species shows distinct affinities), a slightly different specimen from 
Aru, but I have not been able to discover a specimen under this 
species in the British Museum (Nat. Hist.) which agrees with 
v-flava Gilmour from the same island. 



NEW DUTCH EAST INDIAN LAMIINAE 



225 



TMESISTERNÎNI Thomson. 



Trigonoptera immaculata sp. nov. 

Male : Rather small compared to the other species ; elongate. 

Pitchy-brown ; covered above with thin brownish pubescence ; 
the frontal groove and ocular margins very sparsely whitish pubes- 
cent ; on each side of the pronotum an obscure brownish-ochraceous 
irregular macula ; the elytra almost uniformly pubescent, with slight 
lighter brown patches apically ; the underside, legs and antennae 
thinly greyish pubescent. 

The antennae a little more than a seventh longer than the body 
(the eleventh segment is missing) ; slender ; sparsely fringed be- 
neath ; the scape more or less elongate, subcylindrical ; the third 
segment slightly sinuate, elongate, about one and a 
third times as long as the fourth segment, and 
about one and a half times as long as the scape ; 
the rest gradually decreasing. The antennal tu- 
bercles scarcely raised, almost flat. The frons very 
slightly trapeziform and slightly transverse, with 
a distinct, fine, median longitudinal groove, which 
extends to the posterior border of the head ; the 
whole head very finely and closely punctured. The 
eyes strongly emarginate, the lower lobes large, 
slightly transverse, about three times as long as 
the genae. The pronotum about one and a half 
times as broad as long ; convex ; trilobed basally ; 
bearing a small spine laterally on each side a little 
behind the middle ; finely, moderately closely 
punctured, more closely apically, with a narrow 
median longitudinal impunctate region. The elytra 
elongate, attenuate to the apex ; the apex slightly 
emarginate, the suturai angle spinous, the marginal 
angle shortly spined ; the whole covered with 
moderately large, not very close punctures, which 
become slightly smaller to the apex. 

The underside completely very finely, and fairly 
closely punctured ; the prosternai protuberance 
broad, as high as the coxae, truncate posteriorly 
and rather strongly posteriorly projecting ; the mesosternal protube- 
rance broad, bilobed anteriorly ; the apical ventrite a little longer 
than the preapical ; rather narrowly truncate apically. The legs of 
moderate length ; the femora claviform ; the intermediate tibiae 
grooved ; all very finely and closely punctured ; the tarsi moderately 
elongate. 

Length, 8 mms. breadth, 2.8 mms. 

Japen Island ( = Jobi Island) . Holotype { S ) in the British 
Museum (Nat. Hist.), unique. 

This is the smallest species of the genus now known. It is perhaps 
most closely allied to T. obscure Gilmour, in being similarly almost 
immaculate, but differs from that species in lacking the long 




Fig. 6. 
Trigonoptera im- 
maculata sp. nov. 
<? (X 8.4). 



226 



E. F. GILMOUR, 




setae. It differs from all the other species by the elytra being 
immaculate, and without distinguishable, even faint, longitudinal 
grooves. 

Trigonoptera sulcata Auriv. var. reversa nov. 

This variety differs conspicuously from the typical form in the 
premedian broad elytral spot being much broader 
laterally than towards the suture. The apex is also 
more broadly grey ; this macula extending margi- 
nally a little and not restricted to the suture. 
Length, 11.5 mms., breadth, 4 mms. 
Waigeu ; Lamlam. Holotype ( ? )in the British 
Museum (Nat. Hist.), unique. 

Trigonoptera albocollaris sp. nov. 

Male : Only moderately robust ; elongate. 
Pitchy-black ; the underside completely whitish 
pubescent except for a glabrous longitudinal band 
on about the median third from gula to abdominal 
apex. The legs finely greyish pubescent ; the 
antennae very finely brownish pubescent, the 
segments from the fourth extremely narrowly 
annulated with white basally. The upperside glab- 
rous and shining, except for distinct pubescent 
areas : the head with yellow pubescence medially, 
round the eyes and on each side of the anterior 
edge of the frons. The pronotum broadly white 
Fig. 7. pubescent laterally, with an extremely sparsely 

Trigonoptera sulca- pubescent median longitudinal band, which broa- 
ta AuTw^.vaT.cever- ^^.^^ posteriorly. The scutellum yellowish pubes- 
■ '■ cent. The elytra with yellowish pubescent longi- 
tudinal maculae ; the suture and margin narrowly yellowish, the 
marginal band uniting apically with the median discal band, which 
is almost complete from the base ; a lateral discal band between 
these two, complete from the base to a little past the middle, then 
broken into an elongate posterior macula ; between the median 
discal band and the suture is a more broken band of elongate spots 
reaching to about the apical third, which is somewhat bifurcate 
anteriorly. 

The antennae slender, about one and a fifth times as long as 
the body ; sparsely fringed beneath, but rather lengthily on the 
scape and third segment ; the scape elongate, rather slender, slightly 
arcuate, subcylindrical ; the third segment slightly sinuate, about 
one and a quarter times as long as the fourth segment, which is 
about equal in length to the scape ; the rest gradually decreasing ; 
all micropunctate. The antennal tubercles flat. The frons slightly 
trapeziform, about as broad as long, with a fine median longitu- 
dinal groove ; with a distinct short anterior carina, which bifurcates 
medially, the two thus formed running to the vertex and each 
bifurcating again, the median pair uniting medially, the external 
pair running to the posterior border of each eye and becoming 



NEW DUTCH EAST INDIAN LAMIINAE 227 

obsolete. The whole head extremely finely and closely punctured ; 
a few larger punctures on each side of the frons. The eyes very 
strongly emarginate ; the lower lobes moderately strongly swollen, 
transverse, almost two and a half times as long as the genae. The 
pronotum about one and a third times as broad as long ; convex ; 
trilobed basally ; bearing a very small lateral spine on each side, a 
little behind the middle ; a little coarsely and rather sparsely 
punctured. The scutellum slightly transverse, broadly rounded, 
micropunctate. The elytra elongate, strongly attenute to the apex, 
which is distinctly emarginate, both suturai and 
marginal angles being distinctly spinous, the mar- 
ginal projecting more than the suturai ; moderately 
closely granularly punctured basally, thence with 
five to eight very irregular rows of large punctures 
to a little past the middle, thence much more finely 
punctured and more sparsely to the apex. 

The underside completely, rather sparsely, mi- 
cropunctate medially, much more closely laterally, 
(where pubescent) ; the prosternai protuberance 
very broad, almost as high as the coxae, broadening 
and truncate apically and strongly projecting post- 
eriorly ; the mesosternal protuberance very broad, 
bilobed anteriorly ; the apical ventrite about one 
and a quarter times as long as the preapical and 
truncate apically. The legs slender, of moderate 
length ; the femora moderately claviform ; all fairly 
closely micropunctured ; the tarsi not very elongate. 

Length, 11.5 mms., breadth. 3.75 mms. 

Japen Island ; Manai River. Holotype ( ^ ) in 
the British Museum (Nat. Hist.). Unique. 

This distinct new species is most closely allied to 
T. lateplagiata Breun, but differs conspicuously in . Fi9- o- 
not having a greenish tint ; in the head being almost Jbîcouïrîs s^.,nov. 
completely pubescent; in the pronotal lateral ma- cî(x 5.8). 
culae being white, not ochraceous, and continued 
to the underside, and the elytral markings being more distinct. 

Trigonoptera breuningiana sp. nov. 

Male : Not very robust ; elongate. 

Black, shining ; the legs and underside finely greyish pubescent, 
except for a median irregular, longitudinal glabrous band on the 
sternum and ventrites. The upperside glabrous except for distinct 
dense pubescence as follows : the head almost completely white 
pubescent except for a median frontal band, which diverges at the 
vertex and then trifurcates to the apex of the antennal tubercles 
and the posterior border of the head ; the pronotum with a large 
pale yellowish or ochraceous lateral macula on each side, which 
narrows towards the anterior border, which it does not reach, and 
is strongly emarginate anteriorly ; the scutellum sparsely whitish 
pubescent apically ; the elytral suture and margin narrowly white ; 




228 



E. F. GILMOUR, 



on each elytral 'Hisc three distinct longitudinal white bands, which 
are distinctly broken just before the basal quarter, thus forming 
an oblique black band from beneath the humerus to the suture at 
the basal quarter ; the innermost band sometimes uniting with the 
marginal at the apex ; the lateral almways complete and the median 
sometimes complete, or sometimes broken into two elongate spots ; 
the antennae very finely brownish pubescent, sometimes a little 
greyish externally, the third to sixth or eighth segments narrowly 
and rather vaguely (particularly on the apical segments) annulate 
with grey basally. 

The antennae slender, about one and a third as long as the body ; 
rather distinctly fringed beneath on the basal five segments ; the 
scape elongate, obconical, equal in length to the 
fourth segment ; the third segment about one and 
a quarter times as long as the scape ; the rest 
gradually decreasing ; all micropunctate. The frons 
slightly trapeziform, very slightly broader than 
long, with a fine median longitudinal groove ; 
with a rather obsolete bifurcating anterior carina ; 
with a number of very large punctures between 
the base of the antennal tubercles, and a few on 
each side of the frons and on the vertex ; the in- 
terstices micropunctate. The eyes almost subdivi- 
ded ; the lower lobes moderately swollen, distinctly 
transverse and about one and a half times as long 
as the genae. The pronotum about one and a third 
times as broad as long ; convex ; trilobed basally ; 
bearing a very obtuse lateral spine on each side a 
little postmedially ; the whole covered rather even- 
ly with large moderately close punctures. The 
scutellum very slightly elongate, rounded apically ; 
micropunctured. The elytra elongate, strongly at- 
tenuate to the apex, which is extremely slightly 
emarginate, almost truncate, with suturai and mar- 
ginal angles very slightly spiniform ; about the 
basal two-thirds covered irregularly with very 
large, variably sparse, punctures, which stop rather abruptly towards 
the apical third, the interstices and apical third closely micro- 
punctured. 

The underside very finely and fairly closely punctured ; the 
prosternai protuberance moderately broad, almost as high as the 
coxae, truncate apically and moderately posteriorly projecting ; the 
mesosternal protuberance very broad, vertically truncate and very 
slightly bilobed anteriorly ; the apical ventrite slightly longer than 
the preapical, and very slightly rounded apically. The legs slender, 
of normal length ; the femora strongly davate ; all fairly closely 
micropunctured ; the tarsi moderately elongate. 
Length, 9—10 mms., breadth, 3.25—3.6 mms. 
Dutch New Guinea ; Mimika (4° 35' S. 136° 30' E) (Holotype), 
Modowi (Paratype). Holotype ( $ ) and paratype { $ ) in 
British Museum (Nat. Hist.). 




Fig. 9. 
Trigonoptera 
breuningiana sp. 
nov. <î (X 7). 



NEW DUTCH EAST INDIAN LAMIINAE 



229 



This species is most closely allied to T. lateplagiata Breun., but 
differs conspicuously in the elytral bands being white, not yellow, 
and in them not being at all broken medially, as well as in minor 
structural details. 



Trigonoptera neja sp. nov. 

Female : Moderately robust, elongate. 

Black, shining ; the legs finely greyish pubescent ; the underside 
glabrous medially, pubescent laterally (in this specimen this pu- 
bescence is matted and dirty blackish-brown, but will probably be 
found to be greyish in a fresh specimen) ; the antennae very finely 
brownish pubescent, somewhat intermixed with greyish on the basal 
segments. The eyes margined with dense whitish-yellow pubescen- 
ce ; the frons with a similarly coloured spot on each 
side anteriorly, and the broad groove of the vertex 
densely pubescent. The pronotum with only a few 
small inconspicuous sparse patches of greyish pu- 
bescence. The elytra almost completely greyish 
pubescent, except for the humeri, and an elongate 
postscutellar spot, a median elongate spot on each 
side of the suture, and three narrow glabrous 
longitudinal carinae on each elytron, which unite 
preapically in succession from suture to margin, 
the lateral carina extending to the apex ; the elytra 
with large, sparsely scattered black punctures. 

The antennae slender, reaching to about the 
apical sixth of the elytra ; sparsely fringed beneath 
on the basal five segments ; the scape elongate, 
subcylindrical, about equal in length to the third 
segment and about one and a third times as long 
as the fourth ; the rest gradually decreasing ; all 
micropunctured, those on the scape slightly larger. 
The frons very slightly trapeziform, distinctly 
transverse, with a fine median basal carina which 
bifurcates medially, (and is joined there by a much 
finer carina from each side of the labrum), each 
carina running to the vertex and becoming gra- 
dually obsolete posteriorly ; a number of coarse punctures on each 
side of frons, the rest of the head very finely and closely punctur- 
ed. The eyes almost subdivided ; the lower lobes distinctly swollen, 
transverse and about twice as long as the genae. The pronotum one 
and a quarter times as broad as long ; convex ; moderately trilobed 
basally ; with an obtuse lateral spine on each side a little behind 
the middle ; the whole covered with numerous large punctures, the 
interstices closely micropunctured. The scutellum slightly elongate, 
glabrous, micropunctured. The elytra elongate, slightly rounded, 
but strongly attenuate to the apex, which is rather strongly emar- 
ginate, both suturai and marginal angles spinous, the latter the 
longest ; the humeral region with a number of obtuse small tuber- 
cles ; the whole with large, sparse, scattered punctures, somewhat 




Fig. 10. 
Trigonoptera neja 
sp. nov. Î (X 4.4). 



230 E. F. GILMOUR, 

subseriately arranged, the interstices closely micropunctured. 

The underside finely micropunctured ; the prosternai protuberan- 
ce very broad, truncate posteriorly, and strongly posteriorly pro- 
jecting ; the mesosternal protuberance extremely broad, and strongly 
bilobed anteriorly ; the apical ventrite almost twice as long as the 
preapical, with an obtuse median longitudinal groove, and broadly 
truncate apically. The legs slender, not very elongate ; the femora 
moderately davate ; all finely micropunctured ; the tarsi rather 
slender and moderately elongate. 

Length, 15 mms., breadth, 4.8 mms. 

Koberi, 8,000 ft. (I have been unable to find this locality). 
HoLOTYPE ( $ ) in the British Museum (Nat. Hist.). Unique. 

This species is rather distinct from any other in the genus, but 
is perhaps most closely allied to T. maculata Perroud or T. vittata 
Gestro, but differs conspicuously from both, in lacking pronotal 
markings, and in the elytra being almost wholly greyish pubes- 
cence. 

Key to the Genus Ttigonoptera Pascoe 

1 . Elytra more or less dark unicolorous, without any light coloured 
spots or markings immaculata sp. nov. 

— Elytra with light coloured spots or lines, (perhaps indistinct) 2 

2. Elytra with extremely vague, indistinct pale longitudinal bands, 
particularly in the apical half ; head and prothorax with long 

distinct erect setae, and the elytra to a less extent 

obscura Gilmour 1949.- 

— ■ Elytral pale markings at least distinct, though perhaps ill- 
defined ; no numerous distinct long setae 3 

3. Elytra marked with red spots ornata McLeay 1886. 

— Elytral spots not red 4 

4. Elytra with a complete white transverse premedian fairly re- 
gular band 5 

— Elytra without a complete transverse band 7 

5. Scutellum covered with pale yellow pubescence 

flavoscutellata Breun. 1 939. 

— Scutellum covered w^ith brown pubescence 6 

6. Elytral markings clearly whitish, irregular, those in the apical 
half tending to ramify ; lacking a marginal band, except api- 
cally ; the suturai band not joining the transverse premedian 
band pseudomaculata Breun. 1 939. 

— Elytral markings clearly yellow, fairly regular, those in the 
apical half not ramifying ; a more or less complete marginal 
band present ; the suturai band uniting with the premedian 
transverse band transversef asciata Gilmour 1949. 

7. Each elytron with a large transverse premedian white spot 8 

— Elytra without this spot 13 

8. This spot extremely broad near the suture 

sulcata Auriv. s.str. 1924. 

— This spot not broadened suturally 9 



NEW DUTCH EAST INDIAN LAMIINAE 231 

9. This spot extremely broad marginally 

sulcata Auriv. ab. reversa nov. 

— This spot neither broadened suturally or marginally, and fairly 
regular 10 

10. At the basal quarter and apical third of each elytron is a curved 
clear white line 11 

— Elytra without similar lines, only marked with vague longitudi- 
nal whitish bands 12 

11. A number of small spots at the base of the elytra; the longi- 
tudinal whitish line, in the apical third, not reaching the lateral 
border spilonota Gestro, s.str. 1876. 

— Without a number of white small spots at the base of the elytra, 
only a short curved longitudinal line ; the longitudinal w^hite 
line in the apical third reaching the lateral border 

spilonota Gestro, var. albonotata Gah. 1915. 

12. On each side of the pronotum a broad longitudinal clear white 
band leptura Gestro 1876. 

13. Pronotum covered with uniform ochraceous pubescence ... 14 

— Pronotum not uniformly pubescent 15 

14. The suturai ochraceous longitudinal bands complete 

flavicolUs Breun. 1940. 

— The suturai band reduced to the apical quarter ; the second and 

third reduced to small elongate spots 

flavicolUs Breun. ab. stictica Breun. 1940. 

15. Elytra marked with clear round spots, without bands 16 

— Elytra marked with longitudinal bands 21 

,16. Pronotum covered with small round spots, without bands 

guttulata Gestro 1876. 

— Pronotum marked with a longitudinal light band on each side 17 

17. Pronotum without clear discal spots 18 

— Pronotum with clear discal spots 19 

18. Head without any ochraceous spots, except two at the anterior 
border of the frons ; with two pronotal bands ; underside with 

no lateral longitudinal ochraceous band 

japeni Gilmour 1949. 

— ■ Head with seven ochraceous spots ; four pronotal bands ; un- 
derside with a lateral ochraceous band ... gracilis Auriv. 1917. 

19. Elytral spots yellow and small olivacea Auriv. 1908. 

— Elytral spots white, larger 20 

20. Elytral punctures obsolete in the apical half 

woodfordi Gah. 1888. 

— Elytra distinctly punctured to the apex ... tessellata Pasc. 1867. 

21. On each side of the pronotum a large oval spot, sometimes 
broadened and almost bandlike basally 22 

— Pronotum without this spot 24 

22. Pronotal maculae pure white albocollaris sp. nov. 

Pronotal maculae yellow or ochraceous 23 

23. Elytral longitudinal bands yellow, somewhat ill-defined and 
distinctly, fairly broadly broken medially at least, and someti- 
mes basally lateplagiata Breun. 1 940. 



232 E. F. GILMOUR, 

— Elytral longitudinal bands pure white ; clearly defined and 
regular ; complete on the whole, only transversely broken 
basally breuningiana sp. nov. 

24. Elytral punctures surrounded with a very small black circle, (at 
least on about the basal half), which interrupt the clear 
markings marmorata Auriv. 1908. 

— Elytral punctures not encircled with black 25 

25. Pronotum w^ith a broad longitudinal denuded median band, 
extending to the base 26 

— Pronotum without a median band, or if one present, then not 
quite reaching the base 28 

26. Pronotum without either light coloured spots or bands ; almost 
completely dark, with only a few, very indistinct light hairs ... 
neja sp. nov. 

— Pronotum with distinct light coloured markings 27 

27. Pronotum marked with round discal spots 

maculata Perroud 1855. 

— Pronotum marked w^ith bands vittata Gestro 1876. 

28. Ferrugineous (with ochraceous markings) 

[lavipicta Pasc. 1867. 

— • Black or pitchy 29 

29. Elytra obliquely truncate apically (the marginal angle 
spined ) 30 

— Elytra not obliquely truncate apically (the marginal angle also 
spined) 32 

30. Pubescence above greyish-white ; elytral bands strongly broad- 
ened premedially and forming transverse triangular spots ; 
lower lobes of the eyes twice as long as the genae ; without 

distinct punctures in the apical quarter of the elytra 

trobriandensis Breun. 1 948. 

— Pubescence ochraceous or yellow ; elytral bands narrow, not 
broadened ; lower lobes of the eyes not more than one and a 
half times as long as the genae ; with distinct punctures in the 
apical quarter of the elytra 31 

31. Elytra densely and very coarsely punctured; some of the 

elytral punctures with a very small dark brown circle 

sumbawana Breun. 1948. 

— Elytra finely and less closely punctured ; no punctures with 
brown circles nervosa Pasc. 1867. 

32. Elytra with an irregularly rounded spot at the basal third, 

which is the breadth of the two suturai bands 

isabellae Gilmour 1949. 

— Elytra without a similar spot 33 

33. Elytral bands irregularly broken ; pronotal median bands 
broken, or lacking ; the lower lobes of the eyes one and a half 
times as long as the genae sordida Pasc. 1867. 

— ■ Elytral bands fairly regular ; the pronotal bands complete ; the 

lower lobes of the eyes twice as long as the genae 

margaretae Gilmour 1949. 



NEW DUTCH EAST INDIAN LAMIINAE 



233 




Tmesisternus {Arrhenotus) breuningi sp. nov. 

Black, glabrous and shining, except for pale yellow pubescent 
markings as follows : — the frons laterally and medially, and sur- 
rounding the eyes ; a narrow band on each side of the vertex. The 
prenotai disc with two narrow rather sinuate longitudinal bands on 
each side, each pair '.initing anteriorly and posteriorly. The scutel- 
lum with a small oval macula on each side. Each elytron marked 
with five, irregularly broken, longitudinal rows of very small yel- 
lowish spots : — a suturai, a lateral and three on the disc, these 
placed in the grooves between the almost obsolete and very obtuse 
longitudinal carinae ; these spots tend to form themselves into trans- 
verse series, most distinctly in the apical half, where the spots are 
a little larger. The underside covered with pale yellow 
pubescence laterally, glabrous medially. The anten- 
nae dark brown, covered with very fine brownish 
pubescence. The femora and tibiae green, the base 
of the femora and the tarsi light ferrgineous ; shining, 
almost glabrous, covered with very fine sparse pale 
yellowish pubescence. 

M a 1 e : Only moderately robust ; very elongate. 

The antennae about as long as the body ; rather 
sparsely fringed beneath ; the scape about equal in 
length to the third segment ; the fourth segment about 
one and a quarter times as long as the third ; all 
segments micropunctured. The frons very finely and 
fairly closely punctured with a few very sparse large 
punctures here and there. The vertex very finely and 
fairly closely punctured. The lower lobes of the eyes 
rather strongly swollen, transverse, about twice as 
long as the genae. The pronotum about twice as broad 
as long ; strongly broadened horizontally anteriorly, 
the antero-latero-superior tubercle continued in a 
lateral carina ; the infero-medio-lateral tubercle very 
squat and obtuse ; the disc with four obtuse longi- 
tudinal pubescent grooves, which are very coarsely 
punctured along with the lateral glabrous border ; 
smooth and almost impunctate medially, with only a 
few large scattered punctures. The scutellum transverse, broadly 
rounded apically ; the median glabrous band not very closely micro- 
punctured ; closely micropunctured laterally, where pubescent. The 
elytra very elongate, very gradually and slightly rounded to the 
apices, which are rather strongly emarginate, both suturai and mar- 
ginal angles being shortly spined ; each disc with very faint traces 
of two almost obsolete longitudinal carinae ; irregularly covered 
with large scattered punctures, sparsely basally, becoming much 
more close to the middle, thence becoming finer and more sparse 
to the apex ; the interstices very finely micropunctured. 

The underside very closely and finely punctured laterally ; not 
very closely, and very finely micropunctured medially ; the apical 
ventrite very slighty longer than the preapical and broadly truncate 



hiìfì 



v- '».• 






Fig. 11. 
Tmesisternus 
(Arrhenotus) 
breuningi sp. 
nov. <Î(X 6). 



234 



E. F. GILMOUR. 



apically. The femora very strongly davate ; the legs only moderately 
closely micropunctured. 

F e m a 1 e : Similarly coloured to the male. A little more robust 
than the male. The antennae somewhat shorter. The pronotum not 
broadest anteriorly, and much more convex. The elytral apices 
slightly obliquely emarginate.. The apical ventrite about one and 
a half times as long as the preapical ; slightly emarginate apically 
and with a distinct fine median longitudinal groove. 

Length, 11 — 13 mms., breadth, 3.2 — 4 mms. 

Waigeu (3,000 ft. C. J. J.) Holotype ( $ ) and allotype ( ? ) 
in the British Museum (Nat. Hist.). 

This distinct new species is most closely allied to T. (A.) serie- 
maculatus Breun. but differs conspicuously in the elytral yellow 
maculae being much smaller and arranged in five longitudinal series, 
not three. 



Tmesisternus (s.str.) cinnamomeus sp. nov. 
Male : Elongate, robust. 

Pitch-black. Covered almost completely and more or less uni- 
formly above and below with rather dark yellowish-orange pubes- 
cence, except for narrow black glabrous lines as follows : on the 
middle of the frons and vertex ; one on each side of 
the frons extending to the apex of the antennal tuber- 
cles ; two from the posterior border of the lower lobes 
of the eyes, one lateral and one discal ; a narrow me- 
dian longitudinal one on the pronotum, and a very 
narrow median one on the scutellum. The elytral 
pubescence very vaguely lighter in parts. The under- 
side glabrous and shining medially from the submen- 
tum to about the middle of the epical ventrite. 

The antennae slender, almost reaching the elytral 
apex ; fringed beneath, becoming sparser towards the 
apical segment ; all micropunctate. The frons with a 
strong median grooved carinae ; a strong lateral one 
on each side extending to the antennal tubercle and 
shortly branching postero-medially ; the whole head 
finely and fairly closely punctured. The lower lobes 
of the eyes strongly transverse, nearly twice as long 
as the genae. The pronotum transverse distinctly nar- 
rowed anteriorly ; the antero-latero-superior tubercle 
isolated ; the medio-infero-lateral moderately large 
and distinct ; the disc sparsely covered with large 
irregular punctures, the interstices very finely and 
closely punctured. The scutellum about as broad as 
long, very broadly rounded apically ; closely micro- 
punctured. The elytra very elongate, slightly rounded 
to the apices, w^hich are rather broadly, moderately bisinuate, the 
suturai angle obtuse, the marginal angle very slightly produced ; 
with vague traces of two or three almost obsolete longitudinal 
carinae close to the suture ; covered, rather irregularly, with not 




Fig. 12. 
Tmesisternus 
(s. str.) cinna- 
moneus sp. 
nov. <î(x 3.5), 



NEW DUTCH EAST INDIAN LAMIINAE 



235 



very close, large punctures, which gradually become finer towards 
the apex ; the interstices closely micropunctured. 

The underside with about the median quarter glabrous, shining 
and with a number of rather sparse micropunctures ; laterally with 
sparse scattered large conspicuous punctures, the interstices densely 
micropunctured. The apical ventrite about one and a half times as 
long as the preapical and truncate apically. The legs moderately 
elongate ; very finely and fairly closely punctured. 

Length, 18.5 mms., breadth, 5.2 mms. 

Ceram, Mansuela. Holotype ( ä ) in the British Museum (Nat. 
Hist.). Unique. 

This distinct new species is probably most closely allied to T . 
(s.str.) demissus Breun., but differs conspicuously in its almost 
uniform pubescence and the apical marginal elytral angle not being 
triangularly produced. 

Tmesisternus (s.str.) teragramus sp. nov. 

Female : Elongate, robust. 

Pitchy-brown. Covered with pale brownish pubescence and 
closely marbled above and below with greenish grey pubescence, 
except for glabrous narrow carinae as follows : — a median one 
on the frons and vertex, joined on each side by one 
from the antennal tubercles which runs anteriorly 
onto the frons and then backwards ; a median 
pronotal band, extended broadly onto the scutel- 
lum. On each elytron a pale brownish lateral 
antero-medially triangular macula, immediately 
behind the middle. The underside glabrous and 
shining medially. 

The antennae slender, (unfortunately both bro- 
ken after the third segment) ; second and third 
segments fringed beneath, and micropunctured. 
The frons and vertex w^ith a number of very large 
scattered punctures medially ; the interstices very 
finely and closely punctured. The lower lobes of 
the eyes large, transverse, about twice as long as 
the genae. The pronotum transverse, rounded 
laterally and distinctly narrowing anteriorly ; the 
antero-supero-lateral tubercle almost obsolete, isol- 
ated ; the medio-infero-lateral tubercle small but 
distinct ; the disc covered (except medially) fairly 
sparsely with very large punctures ; the interstices 
finely and closely punctured. The scutellum very 
slightly transverse ; broadly rounded apically ; 
finely and closely punctured. The elytra very 
elongate, almost parallel-sided for their basal two- 
thirds, thence rounded to the apices, which are distinctly, but not 
very strongly, emarginate, the suturai angle distinct, the marginal 
slightly spinous ; each disc with two almost obsolete longitudinal 
carinae, which unite preapically ; covered basally with large, mo- 




Fig. 13. 

Tmesisternus (s. 
stc. ) teragramus 
sp.nov. S(X 4.3). 



236 E. F. GILMOUR, 

derately close punctures, which become much finer towards the 
apex ; the interstices closely micropunctured. 

The underside glabrous and sparsely micropunctured medially ; 
laterally with a number of sparse moderately large punctures, the 
interstices very finely and closely punctured. The apical ventrite 
almost twice as long as the preapical, slightly emarginate apically 
and with a fine median longitudinal groove. The legs fairly robust ; 
very finely and fairly closely punctured. 

Length, 15.5 mms., breadth, 4.7 mms. 

Aru. HoLOTYPE (?) in the British Museum (Nat. Hist.). Unique. 

This new species is most closely allied to T. (s.str.) griseus 
Thoms., from which it is immediately distinguishable in lacking a 
transverse median dark band reaching to the suture. 

Key to the Genus T mesisternus Latr. 

A. Latero-superior tubercle of the pronotum isolated, not continued 

in an almost complete lateral carina 

subgenus T mesisternus s. str. 

B. This tubercle continued in a more or less complete lateral 

carina, which extends as far as, or nearly, the base of the 
pronotum subgenus Arrhenotus Pascoe. 

Subgenus Tmesisternus Latr. s.str. 

1 . Elytra unicolourous cinnamon-brown pubescent ; head, prono- 
tum and underside (laterally) almost wholly similarly co- 
loured cinnamoneus sp. nov. 

— ■ Elytra with at least moderately distinct markings, either dis- 
cally, or along the margin, or both 2 

2. Apical half of the elytra clear red, marked with some small dark 
spots, contrasting strongly with their anterior half 3 

— Apical half of elytra never clear red 4 

3. Extreme elytral base clear red jobiensis Gestro 1876. 

— Basal half of elytra violet or dark blue . . . speciosus Pasc. 1 867. 

4. Elytra completely green, without grooves, only marked with 
some very small white spots viridipennis Breun. 1940. 

— Elytra never completely green 5 

5. Each elytron marked with a broad longitudinal greyish-white 
discal band along almost its whole length 6 

— Elytra without a similar band 7 

6. Pronotum sparsely punctured ; elytral band regular, not ap- 
proaching the suture phaleratus Thoms. 1865. 

— Pronotum densely and finely punctured ; elytral band broken 
^ on the posterior half into several spots, of which one almost 

reaches the suture griseouittatus Breun. 1939. 

7. Elytra marked with a very broad transverse, regular, straight, 
reddish-brown or yellowish band, a little before the middle ... 
latefascia Heller 1914. 

— Elytra without a similar band 8 

8. Elytra marked with a transverse yellow band, which covers all 



NEW DUTCH EAST INDIAN LAMIINAE 237 

their surface except the basal and apical parts 

modestus Gah. 1915. 

— Elytra without a similar band 9 

9. On each elytron a broad yellowish or whitish band, which 

extends from the middle of the base to the lateral border behind 

the humerus; no other distinct markings 

humeralis Auriv. 1 923. 

— Elytra without a similar band 10 

10. Elytra marked with a broad transverse, black, postbasal band 
(or at least a quadrangular spot) 11 

— Elytra without these designs 12 

11. This band reaches the lateral border ; the apical quarter of the 

elyrra without ochacreous spots 

transversefasciatus Breun. 1 939. 

— This band does not reach the lateral border ; the apical quarter 

of the elytra marked with ochraceous spots 

nigrofasciatus Auriv. 1908. 

12. On each elytron a large, lateral premedian round black spot, 
and a small similar one at the internal border of the humeral 
callus quadrimaculatus Auriv. 1908. 

— Elytra without these spots 13 

13. Each elytron marked with quadrangular spots, formed by clear 
green scales with a strong metallic lustre, arranged in three 
longitudinal series fulgens Breun. 1 939. 

— Elytra without similar spots 14 

14. On each elytron a large lateral, posthumeral, premedian, whitish 
spot (rounded or triangular) on a dark ground colour 15 

— Elytra without this spot 26 

15. Elytra with numerous deep longitudinal grooves 16 

— Elytra without similar grooves 18 

16. The clear posthumeral spot closely approaching the suture ; 
(the apical marginal angle pointed) sulcatus Auriv. 1910. 

— This spot only reaching the middle of the disc 17 

17. The apical marginal angle rounded 

pseudo sulcatus Schwarz. 1924. 

— • This angle spinous japeni Gilmour 1949. 

18. On each elytron a round pale yellow spot at the middle of the 
base lepidus Pasc. 1867. 

— Elytra without this spot 19 

19. On each elytron a clear premedian spot at the suture 20 

— Elytra without this spot 21 

20. The apical suturai angle exceeding the marginal ; pronotum 
with a lateral brown band lotor Pasc. 1859. 

— The apical marginal angle exceeding the suturai ; no lateral 
brown band on the pronotum opalescens Pasc. 1867. 

21. On each elytron a large light spot, which extends from the 

middle of the base obliquely behind as far as the suture 

mortyanus Thoms. 1 865. 

— Elytra without a similar spot 22 

22. Elytra without a clear spot at the base 23 



238 E. F. GILMOUR, 

— Elytra with a clear spot at the base 25 

23. The apical marginal elytral angle scarcely marked 

elongatus Breun. 1 945. 

— This angle spinous 24 

24. Elytra finely punctured ... externemaculatus Breun. & De Jong 
1941. (= mfofemoratus Breun. 1946). 

— Elytra coarsely punctured ... gebehensis Breun. & De Jong 1941. 

25. The transverse postmedian band reaching the suture ; the 
posthumeral spot is rounded wiedenfeldti Auriv. 1910. 

— The transverse postmedian band not reaching the suture ; the 
posthumeral spot triangular af finis Breun. 1939. 

26. On each elytron two rather large lateral dark brown spots nar- 
rowly ringed with yellow bifuscomaculatus Breun. 1939. 

— Elytra without similar spots 27 

27. On each elytron two short, narrow, distinct, ochraceous bands 
on dark brown, (one posthumeral, which descends obliquely 
from the lateral border to the disc ; one postmedian which rises 

obliquely from the lateral border to the disc) 

dissimilis Pasc. 1 867. 

— Elytra without these bands 28 

28. On the elytra a distinct triangular black spot in common with 
the suture on a clear ground colour 29 

— Elytra without this spot 30 

29. This spot touches the scutellum by its anterior point 

distinctus Boisd. 1 835. 

— This spot placed at the middle of the elytra 

nigrotriangularis Hell. 1914. 

30. On each elytron two or three very narrow yellowish or whitish 
transverse lines or bands, distinct on a dark ground ; the sur- 
face without a metallic lustre 31 

— Elytra without similar bands, or the surface with a metallic 
lustre 37 

31. The premedian elytral band forms a large M. on both elytra 
together 32 

— The premedian band straight or slightly curved 33 

32. On each side of the frons is a large distinct ochraceous spot 
bruijni Gestro 1 876. 

— Frons without such a spot pulvereus Pasc. 1867. 

33. Legs ferrugineous 34 

— Legs and antennae dark like the rest of the surface 35 

34. Anterior elytral band reaching the suture, not very oblique ... 
tersus Pasc. 1862. 

— Anterior elytral band not reaching the suture, extremely 

posteriorly oblique from disc to margin 

cyclopsi Gilmour 1 949. 

35. Apical marginal angle not lobed trivittatus Guér. 1835. 

— This angle ending in a pointed lobe 36 

36. Pronotal and elytral punctures surrounded with a small brown 
circle flavovittatus Breun. & De Jong 1941. 

— These punctures not surrounded with a brown circle 



NEW DUTCH EAST INDIAN LAMIINAE 239 

oblongus Boisd. 1835. 

37. On each elytron a rather broad premedian white transverse 

band, without any other white designs 

vinculatus Heller 1914. 

— Elytra without a similar band, or with other markings present 
as well 38 

38. Elytra marked with two to four, more or less broad, whitish 
or yellowish bands, of which one is premedian and one post- 
median (very rarely the premedian is atrophied) ; legs never 
f errugineous 39 

— Elytra marked otherwise, or the legs f errugineous 41 

39. Apical marginal elytral angle rounded 

I bifasciatus Breun. 1939. 

— This angle never prominent 40 

40. These bands interrupted by numerous small spots of the ground 

colour, thus forming a network of light colour 

politus Blanch. 1853. 

— These bands compact, or formed of elongate spots placed one 
at the side of the other schäumt Pasc. 1867. 

41. Pronotum and elytra marked with narrow curved white bands ; 

the fourth antennal segment white, except the apex 

excellens Auriv. 1908. 

— Elytra without these markings ; the fourth antennal segment 
not white 42 

42. Pronotal disc with five longitudinal brown bands 43 

— Pronotal disc with only three similar bands at the most ... 48 

43. Lateral pronotal spine scarcely marked ... inermis Breun. 1939. 

— Lateral pronotal spine very distinct 44 

44. Apical marginal elytral angle rounded 45 

— Apical marginal elytral angle pointed — 47 

45. Elytra reddish-brown pubescent, with four irregular brownish- 
yellow transverse bands strandi Breun. 1939. 

— Elytra dark brown or black, glabrous except for pale yellowish 
or golden spots, not forming four transverse bands 46 

46. Pubescence pale yellowish-brown ; elytral maculae not very 
elongate, distinctly broken and almost no discal spots in the 

basal median two-thirds ; circa 10 mms 

humboldti Gilmour 1949. 

— Pubescence of golden scales ; elytral maculae elongate, four in 

basal half, five in apical half ; circa 20 mms 

aeneofasciatus Breun. 1948. 

47. Femora reddish-yellow continentalis Breun. 1 945. 

— Femora dark brown monticola Gestro 1876. 

48. Elytra marked with a rather broad, transverse, postmedian 
white band albovittatus Breun. 1939. 

— Elytra without this band 49 

49. On each elytron a narrow whitish band, which begins on the 
disc at the basal quarter and extends obliquely behind to the 
middle of the lateral border oblique f asciatus Breun. 1939. 

— Elytra without a similar band 50 



240 E. F. GILMOUR, 

50. Femora light red, covered with very fine yellowish pubes- 
cence 51 

— Femora brown or black, or rarely reddish, but then covered 
with dense pubescence 54 

51. Lateral pronotal spine scarcely marked ... pullus Breun. 1945. 

— This spine very distinct 52 

52. Elytra without a transverse preapical greyish or yellowish 
band dubius Montrz. 1855. 

— Elytra marked with such a band 53 

53. Apical elytral marginal angle scarcely marked 

petechialis Pasc. 1 867. 

— This angle ending in a triangular lobe 

torridus Pasc. 1867. 

54. On each elytron a yellowish line which extends from the middle 
of the base obliquely to the suture, which it reaches a little 
before the middle 55 

— Elytra without this line 57 

55. Femora and scape brow^n ... pseudohieroglyphicus Breun. 1939. 

— Femora and scape greenish 56 

56. The narrow yellow marking distinct, M-shaped, and reaching 
the suture ; the premedian elytral brown macula triangularly 
pointed apically hieroglyphicus Blanch. 1853. 

— The narrow yellow markings indistinct, not M-shaped, or 
reaching the suture ; the premedian elytral brown macula not 
triangularly pointed apically aubrooki Gilmour 1949. 

57. On each elytron a small, postmedian, lateral, clear yellowish 
spot on a dark brown ground 58 

— Elytra without this spot 59 

58. This spot reaching the lateral border ... herbaceus Pasc. 1862. 

— This spot not reaching the lateral border 

post[asciatus Breun. & De Jong 1 94 1 . 

59. Elytra covered, in part, with metallic scales 60 

— Elytra without metallic scales 64 

60. On each elytron a large lateral posthumeral metallic spot ... 61 

— Elytra without this spot, marked rather with bands 62 

61. Apical elytral marginal angle ending in a pointed spine 

quadriplagiatus Breun, 1939. 

— This angle not spined cupreo signatus Auriv. 1907. 

62. Elytra marked with narrow longitudinal blue bands ; their 

apical part covered with golden scales 

gabrielae Schwarz. 1931. 

— Elytra otherwise marked 65 

63. On each elytron a broad transverse premedian denuded band ... 
dohertyi Jordan 1894. 

— Elytra without a similar band 64 

64. Elytral apices rounded ; elytra with greenish-gold metallic 
scales fsa6e//ac Vollenh. 1871. 

— Elytral apices emarginate ; elytra with white metallic scales ... 
aeneovittatus Breun. 1 948. 

65. At the lateral border of each elytron a longitudinal dark brown 



NEW DUTCH EAST INDIAN LAMIINAE 241 

band, or some similarly coloured distinct spots 66 

— Elytra without a similar lateral band or spots 84 

66. This band bordered on the inner side by a longitudinal rosy 
band on the anterior half marginalis Breun. 1939. 

— This band not bordered by a rosy band 67 

67 . Elytra obliquely truncate apically ; the marginal angle not 
spined 68 

— ' Elytra emarginate apically; the marginal angle spined 70 

68. Elytra marked with some oblique brown bands, which rise to 

the suture (interrupted by some longitudinal yellow lines) 

obsoletus Blanch. 1 853. 

— Elytra without similar bands 69 

69. On each elytron a curved longitudinal band underneath the 
humerus fuscosignatus Breun. 1945. 

— Elytra without a similar band avarus Pasc. 1867. 

70. Elytra marked with a rather large glabrous smooth and shining 
postscutellar spot 71 

— Elytra without such a spot 73 

71. Elytra without discal dark brown bands 

agriloides Pasc. 1867. 

- — Elytra marked with such bands, which reach the suture ... 72 

72. The median dark brow^n elytral band in a zigzag 

pseudointricatus Breun. 1939. 

— The median dark brown elytral band in a slight arc, (with the 
concavity towards the apex) ... pseudotessellatus Breun. 1939. 

73. The lateral brown pronotal band completely covering the lateral 
spine 74 

— This band passes on the inner side of the lateral spine, by the 
latero-superior tubercle 80 

74. Elytral disc covered with reddish-brown to yellowish-brown 
uniform pubescence 75 

— Elytral disc marked with a dark brown design on a lighter 
base 76 

75. At the lateral border of the elytra a longitudinal dark brown 
band laterivittata Breun. 1939. 

— At the lateral border of the elytra two dark brown spots (one 
before and one after the middle) elateroides Gestro 1876. 

76. Elytra marked with a dark brown postmedian transverse 
band tessellatus Boisd. 1835. 

■ — Elytra without a similar band 77 

77. Pronotum without a median longitudinal brown band 78 

— Pronotum with such a band 79 

78. Elytra with four longitudinal yellow lines, and yellow spots in 
the apical third lineatus M'Leay 1886. 

— Elytra without such yellow lines and spots 

laterimaculatus Gilmour 1 949. 

79. The lateral dark brown elytral band interrupted by three yellow 

spots (a premedian, a postmedian and a preapical) 

pleurosticticus Pasc. 1867. 

— This band interrupted by a single median yellow spot 



242 E. F. GILMOUR, 

lateralis M'Leay 1886. 

80. Elytra without a transverse brown band in the posterior 
half 81 

— Elytra marked with such a band 82 

81. All the basal quarter of the elytra finely pubescent, and thus 
darker than the rest transversatus Breun. 1939. 

— In the basal quarter of the elytra, only the lateral border, and 
a postscutellar spot covered with a finer pubescence and thus 
appearing darker densepunctatus Breun. 1939. 

82. On the lateral parts of the pronotum a broad longitudinal dark 
brown band 83 

— Pronotum without a similar band 

pseudomonticola Breun. 1 939. 

83. Apical marginal elytral spine long intricatus Pasc. 1867. 

— This spine short ornatus Breun. 1939. 

84. Elytra completely marbled with reddish-brown, or greyish 
pubescence, except for a median transverse brown band, or a 
lateral transverse brown spot 85 

— Elytra marked with designs, or without a similar band or 
spot 88 

85. The brown elytral marking a spot, not passing the middle of 
the disc towards the suture 86 

— This band reaching the suture 87 

86. Elytra marbled with light reddish-brown 

lugubris Breun. 1939. 

— Elytra marbled with greyish teragramus sp. nov. 

87. This band is narrow; all the pubescence greyish 

griseus Thorns. 1865. 

— This band is broad ; the pubescence reddish-brown 

divisus Auriv. 1927. 

88. Elytra with some raised carinae or discal grooves 89 

— Elytra without such raised carinae or grooves 99 

89. On each elytron a very distinct ovular ochreous-yellow spot at 
the side of the scutellum bifoveatus Auriv. 1926. 

— Elytra without this spot 90 

90. Apical elytral marginal angle rounded 91 

— This angle not rounded 93 

91. Elytra marked with a transverse denuded band 

helleri Schwarz. 1926. 

— Elytra without this band 92 

92. Elytra with a narrow postscutellar glabrous spot 

costulatus Breun. 1939. 

— Elytra without this spot strigosus Pasc. 1867. 

93. Apical marginal angle spinous costipennis Breun. 1940. 

— ■ Apical marginal angle ending in a spine 94 

94. Pronotal disc very finely punctured 95 

— Pronotal disc rather coarsely punctured 96 

95. Elytra with a broad straight, denuded, transverse band a little 
after the middle flavolineatus Breun. 1939. 

— Elytra without a similar band virescens Breun. 1939. 



NEW DUTCH EAST INDIAN LAMIINAE 2^3 

96. Femora and first three antennal segments clear green 

viridis Gestro 1 876. 

— Femora and first three antennal segments dark brown 97 

97. On each elytron an elongate whitish-yellow spot at each side 
of the scutellum schraderi Kriesche 1926. 

— Elytra without a similar spot 98 

98. The postscutellar elytral spot green ... arfakianus Gestro 1876. 

— This spot reddish papuanus Breun. 1945. 

99. Apical-marginal elytral angle ending in a spine 100 

— This angle not ending in a spine 105 

100. Femora green, almost without pubescence 

marmoratus Guér. 1 835. 

— Femora brown, covered with dense yellowish or greyish pu- 
bescence 101 

101. Head and pronotum marked with metallic gold pubescence ... 
metalliceps Breun. 1 940. 

— These parts without this metallic pubescence 102 

102. The postscutellar impunctate spot is covered with pubes- 
cence vagefasciatus Breun. 1939. 

— This spot without pubescence 103 

103. This spot elongate bolanicus Breun. 1939. 

— This spot transverse 104 

104. Apical elytral marginal spine very short 

transversus Pasc. 1867. 

— This spine rather long unipunctatus Guer. 1835. 

105. Each elytron marked with a curved transverse postmedian 
band and another preapical zigzag one, of an ochreous 
colour luteostriatus Heller 1912. 

— Elytra without these bands 106 

106. Apical marginal elytral angle triangularly prominent 

demissus Breun. 1 939. 

— This angle rounded 107 

107. Pronotum covered with ochraceous pubescence and marked 

with three denuded black longitudinal bands 

elegans Heller 1914. 

— Pronotum without similar bands 108 

108. Tibiae clear red, contrasting strongly with the femora ......... 

glaucus Pasc. 1 867. 

— ■ Tibiae greenish, the same as the femora 

conicicollis Thoms. 1864. 



Subgenus Arrhenotus Pascoe 

1. Elytra unicolorous, reddish, bearing some broad, smooth longi- 
tudinal carinae costatus Breun. 1939. 

— Elytra not unicolorous, without similar carinae 2 

2. Elytra dark brown, marked with large elongate clear spots ... 3 

— Elytra without these spots 4 



244 E. F. GILMOUR, 

3. Apical marginal elytral angle spinous ... imitans Breun. 1939. 

— This angle rounded ochraceosignatus Breun. 1939. 

4. Almost completely covered with bluish-green metallic scales ... 

rafaelae Lansb. 1 885. 

— Surface without metallic scales 5 

5. A longitudinal brown denuded band on each side of the pro- 
notal disc 6 

— Pronotum without a similar band 14 

6. Femora dark brown 7 

• — Femora reddish, covered w^ith fine yellow pubescence 11 

7. Femora covered with dense yellowish-brown pubescence ; elytra 
without golden spots 8 

— Femora covered with fine yellow pubescence ; elytra marked 
with spots formed of golden scales 9 

8. Apical suturai elytral angle pointed ; the marginal prominent ; 
pale ochraceous-yellow pubescent, elytra brokenly maculate . . . 
venatus Thoms. 1864. 

— Apical suturai elytral angle prolonged ; the marginal pointed ; 
yellowish-brown pubescent, the elytra with vague, transverse 
brown bands lansbergei Breun. 1 945. 

9. Elytra marked with transverse, more or less complete bands, 
and elongate spots salomonum Auriv. 1920. 

— Elytra with separate rounded spots, more or less arranged in 
longitudinal series 10 

10. Elytral spots large, in three series 

seriemaculatus Breun. 1 939. 

— Elytral spots small, in five series breuningi sp. nov. 

11. On each elytron a large lateral median round yellow spot 

prasinatus Heller 1914. 

— Elytra without this spot 12 

12. On each elytron a longitudinal dark brown band at the lateral 
border soembanus Schwarz. 1931. 

— Elytra without this band 13 

13. The apical suturai elytral angle spinous; elytral spots in six 
longitudinal series tufipes Blanch. 1853. 

— This angle ending in a pointed spine ; elytral spots in three 
longitudinal series wallacei Pasc. 1855. 

14. Completely covered with pale yellow pubescence, this pubes- 
cence denser in places on the elytra in the grooves 

flavescens Breun. 1940. 

— Otherwise marked 15 

15. Elytra covered with brown pubescence and each marked with 
some longitudinal yellow bands heurni Schwarz. 1924. 

— Otherwise pubescent 16 

16. Pronotum covered with yellowish-brown pubescence and mark- 
ed on each side with a narrow longitudinal black band, which 
passes by the lateral spine timorlautensis Breun. 1939. 

— Pronotum not marked thus 17 

17. On each elytron a large round lateral posthumeral distinct light 
spot 18 



NEW DUTCH EAST INDIAN LAMIINAE 245 

— Elytra without a similar spot 20 

18. Elytra bearing numerous longitudinal grooves 

ludificator Heller 1914. 

— Elytra without conspicuous grooves 19 

19. Elytra with two narrow oblique ochraceous bands, one median 
and one postmedian ; without a spot at the marginal apical 

third, or a crescentic median suturai spot 

bilineatus Auriv. 1 927. 

— Elytra without narrow ochraceous bands ; with an oblique 
marginal spot at the apical third and a crescentic median suturai 
spot quadripunctatus Gilmour 1949. 

20. Elytra bearing some deep longitudinal grooves 21 

— Elytra without these grooves, except perhaps a few close to 
the suture 24 

21. Apical marginal angle rounded 22 

— Apical marginal angle distinct 23 

22. Elytral grooves extending to the lateral border ; elytral pubes- 
cence pale yellow, not condensed into transverse bands 

margaretae Gilmour 1949. 

— No elytral grooves in the lateral third ; elytral pubescence light 

reddish brown, and condensed into transverse bands 

rotundipennis Breun. 1948. 

23. Humeri prominent ; the elytral preapical transverse band 
vague irregularis Gestro 1876. 

— Humeri not prominent ; the preapical band distinct 

pseudoirregularis Breun. 1939. 

24. Each elytron with a distinct yellow line (on dark ground), 
which descends obliquely from the humerus to the suture and 
returns to the lateral border 25 

— ■ Elytra without a similar line 26 

25. This line reaches the lateral border at the beginning of the 
apical quarter biarcifer Blanch. 1853. 

— ■ This line reaches the lateral border before the beginning of the 
apical third andreas Kriesche 1926. 

26. Elytra marbled with yellow, except on a broad transverse 
median brown band which rises obliquely towards the suture ; 
the longitudinal lateral carina of the pronotum not very 
pronounced agrarius Pasc. 1 867. 

— Elytra otherwise marked ; the lateral carina more promi- 
nent 27 

27. Apical marginal elytral angle ending in a rather long pointed 
spine 28 

— This angle not ending in a spine 33 

28. Lateral pronotal spine slender and pointed 

subchlorus Heller 1914. 

— This spine longer and conical 29 

29. Elytra marked with distinct ochraceous spots 

ochreomaculatus Breun. 1 945. 

— Elytra without similar spots 30 

30. Each elytron with two longitudinal discal carinae 



246 E. F. GILMOUR, 

albertisi Breun. 1939. 

— Elytra without similar carinae 31 

31. Elytra without a postscutellar smooth spot 

canofasciatus Auriv. 1927. 

— Elytra bearing a postscutellar smooth spot 32 

32. Apical marginal elytral spine is long ... froggatti M'Leay 1886. 

— This spine is short brevespinosus Breun. & De Jong 1941. 

33. Pronotum bearing a broad median longitudinal smooth black 
band 34 

— Pronotum without this band 42 

34. Apical suturai elytral angle prolonged in a prominent rounded 
lobe; the marginal angle equally distinct 35 

— This angle not prolonged in a lobe ; the marginal angle ef- 
faced 35 

35. The denuded postscutellar spot surrounded with small light 
spots muctonatus Gahan 1915. 

— The postscutellar spot surrounded with small light spots 

lictorius Pasc. 1 867. 

36. Elytral apex bisinuate ; between the suturai and apical angles 
an obtuse projection 37 

— Elytral apex not bisinuate, without this projection 38 

37 . The postmedian and preapical elytral bands are narrow and 
yellowish adspersus Blanch. 1853. 

— The bands greyish and broader viridescens Thoms. 1864. 

38. Elytra without any yellow markings in the posterior half 

florensis Breun. 1948. 

— Elytra with yellow markings in the posterior half 39 

39. Elytra with only some small yellow spots in the posterior 
half pseudosuperans Breun. 1939. 

— Each elytron with a transverse yellowish postmedian band, 
which descends to the lateral border 40 

40. This band is rather broad superans Pasc. 1867. 

— This band is very narrow 41 

41. This band is suddenly angled; another band premedially in 
the shape of a large M adspersarius Breun. 1939. 

— This band is slightly and regularly arced ; no M-shaped 
premedian band pseudoviridescens Breun. 1939. 

42. On each elytron a round discal distinct yellow or ochraceous 
spot 43 

— Elytra without a similar spot 46 

43. The light elytral spots not surrounded w^ith dark pubescence ; 
the apical elytral marginal angle not very prominent 44 

— The light elytral spots distinctly surrounded with dark pubes- 
cence ; the apical elytral marginal angle more prominent ... 45 

44. The elytral suture with a single common yellowish spot a little 
behind the middle septempunctatus Boisd. 1835. 

— The suture with two common yellowish spots, the postmedian 

rather larger, and a smaller one a little before the middle 

octopunctatus Gilmour 1949. 

45. The postmedian suturai common elytral yellowish spot without 



NEW DUTCH EAST INDIAN LAMIINAE 247 

a small oval spot laterally on each side 

sexmaculatus Breun. 6 De Jong 1941. 

— This spot with a small distinct oval spot touching laterally on 
each side novemmaculatus Gilmour 1949. 

46. On each elytron a small posthumeral lateral round whitish 
spot, but no premedian line or band 47 

— Elytra always marked with yellowish or greyish-blue premedian 
line or band 48 

47. Elytra with a postscutellar glabrous spot 

trapezicollis Heller 1914. 

— Elytra without a similar spot curvatolineatus Auriv. 1927. 

48. This band is a little broad, and rises obliquely towards the 
humerus 49 

■ — This band is very narrow, and descends obliquely tow^ards 
the lateral border, or is ring-shaped 50 

49. On each elytron a distinct lateral round yellow spot, a little 
before the middle separatus Auriv. 1927. 

— Elytra without this spot ziczac Breun. 1939. 

50. This band rises as far as the suture 

obliquelineatus Breun. 1939. 

— This band redescends close to the suture and forms with that 
of the other side a large M, or is closed again posteriorly ... 51 

51. This band is rather vague 52 

■ — This band is distinct 53 

52. This band is yellowish jaspideus Boisd. 1835. 

— This band is greyish-blue vagejaspideus Gilmour 1949. 

53. The apex of the premedian band is placed close to the second 
external discal carina mimethes Kriesche 1926. 

— The apex of the band is placed close to the internal discal 
carina sepicanus Kriesche 1926. 

I have not seen the following species, described by Breuning 
(1948, Bull. Mus. hist. nat. Belg. 24. (38). 33—6), and have been 
unable to place them conclusively in the above key : — 
T. (A.) pseudagrarius Breun. (New Guinea) — close to agrarius 

Pasc. 
T. (A.) geniculatus Breun. (Flores) — ? runs to 10. seriemaculatus 

Breun. 
T. (A.) postflavescens Breun. (Japen Isl.) — ? runs to 31. cano- 

fasciatus Auriv. 
T. (A.) laticollis Breun. (New Guinea) — ? runs to 21 or 27. 



— 248 - 



Second Addition to the Knowledge of the 

Dermaptera and Orthoptera of the 

Canary Islands 

by 
C. WILLEMSE 

(33rd Contribution to the knowledge of the Fauna of the Canary Islands, edited 
by Dr. D. L. Uyttenboogaart, and continued by Dr. C. O. van Regteren Altena l)). 

The list of species of Dermaptera and Orthoptera of the Canary 
Islands published by me in 1936 (Natuurh. Maandbl., vol. 25) was 
followed by a first addition in 1949 (Tijds. v. Entomol., vol. 91 
(for 1948), pp. 7 — 11). At the time of publication of this addition 
some works were unknown to me and overlooked. The following 
additions have therefore to be made. 

ORTHOPTERA 

Familia ACRIDIDAE 

Dociostaurus maroccanus Thunb. 

Gran Canaria : Tafira, Las Lagunetas ; Tenerife : Las Merce- 
des, Tacoronte, Agua Mansa (Uvarov, 1948)2). 

Aiolopus thalassinus Fabr. 

Gran Canaria : Tafira, Atalaya, Las Lagunetas ; Tenerife : San 
Andres, Las Mercedes, Tacoronte, Villa Orotava, Icod de los 
Vinos, Garachico ; La Palma : Santa Cruz, Barranco del Rio, Los 
Llanos, La Caldera; Gomera : Hermigua (Uvarov, 1948). 

Aiolopus strepens Latr. 

Gran Canaria : Tafira, Las Lagunetas ; Tenerife : Santa Cruz, 
Laguna, Las Mercedes, Tacoronte, Agua Mansa ; La Palma : 
Santa Cruz, Barranco del Rio, Los Llanos, La Caldera ; Gomera : 
Hermigua (Uvarov, 1948). 

Locusta migratoria L. ph. solitaria 

Gran Canaria: Tafira; Tenerife: Laguna, Tacoronte (Uvarov, 
1948). 

Oedipoda canariensis Krauss 

Gran Canaria : Las Palmas, Tafira ; Tenerife : San Andres, 
Santa Cruz; La Palma: Los Llanos (Uvarov, 1948). 

Acrotylus insubricus Scop. 

^) Contribution no. 32 has been published in Zool. Meded. (Leiden), vol. 30, 
no. 15 (1949). 

^) I prefer to use the Spanish orthography of the names of the different loca- 
lities. 



e. WILLEMSE, DERMAPT. & ORTHOPT. CANARY ISL. 249 

Gran Canaria : Las Palmas, Puerto de la Luz ; Tenerife : San 
Andres, Tacoronte, Puerto Cruz, Guimar ; La Palma : Santa Cruz, 
Los Llanos, El Paso, La Caldera (Uvarov, 1948). 

Acrotylus longipes Charp. 

Gran Canaria : Las Palmas, Puerto de la Luz. (Uvarov, 1948). 

Sphingonotus [regi Uvarov, 1948 (Soc. Se. Fennica, Comm. 
Biolog., voi. 8, no. 15, pp. 5 — 6 ( $ and 2 )). 

Gran Canaria : Las Palmas, Puerto de la Luz. 

Sphingonotus rubescens Walk. 

Gran Canaria : Las Palmas ; Hierro : Puerto Estaca ; Gomera : 
San Sebastian (Uvarov, 1948). 

Sphingonotus teydei Uvarov 1948 (Soc. Se. Fennica, Comm. 
Biolog., voi. 8, no. 15, pp. 3 — 5, fig. I { $)). 

Tenerife: Pico de Teyde (rétama zone). Only the male is 
known. 

Sphingonotus willemsei Mistshenko 

Tenerife: Tacoronte (Uvarov). 

Scintharista notabilis notabilis Walker (syn. Acridium minia- 
tum Brulle, nom. praeoccup.) 

Gran Canaria : Tenerife ; La Palma ; Gomera (Uvarov, 1941, p. 
93, 94, PI. I, Fig. A.). 

Arminda brunneri Krauss 

Tenerife: Tacoronte, Puerto Cruz (Uvarov, 1948). 

Calliptamus plebejus Walker 

Gran Canaria : Tafira, Las Lagunetas ; Tenerife : San Andres, 
Laguna, La Esperanza, Tacoronte, Agua Mansa, Icod de los 
Vinos, Juan de la Rambla, Pico de Teyde (rétama zone), Guimar ; 
La Palma: Los Llanos, El Paso, La Caldera (Uvarov, 1948). 

Familia TETRIGIDAE 

Paratettix mevidionalis Ramb. 

Gran Canaria : Las Palmas, Puerto de la Cruz, Tafira, Las 
Lagunetas ; La Palma : La Caldera ; Gomera : San Sebastian 
(Uvarov, 1948). 

Familia TETTIGONIIDAE 

Phaneroptera nana Fieber 

Tenerife : Puerto Cruz, Guimar ; La Palma : Santa Cruz, Bar- 
ranco del Rio (Uvarov, 1948). 

Calliphona {Calliphonides) alluaudi Bolivar L, 1940 (Ciencia, 
voi. 1, p. 157, redescription and erection of a new subgenus for 
this species). 

Calliphona palmensis Bolivar L, 1940 (Ciencia, vol. 1, p. 158, 
fig.). 

La Palma : Barranco del Rio. 

Decticus albifrons Fabr. 

Gran Canaria : Las Lagunetas ; Tenerife : Laguna, Agua Mansa 
(Uvarov, 1948). 

Platycleis sabulosa Azam 



250 C. WILLEMSE, DERM. 5 ORTH. CAN. ISL. 

Gran. Canaria : Las Lagunetas ; Tenerife : Laguna, Tacoronte, 
Icod de los Vinos (Uvarov, 1948). 

Tessellana tessellata Charp. 

Gran Canaria : Las Lagunetas ; Tenerife : Laguna, Las Mer- 
cedes, Tacoronte, Agua Mansa (Uvarov, 1948). 

Familia GRY LUD AE 

Cycloptiloides canariensis Bolivar, 1914. 

Described under the name Ectatoderus canariensis, p. 224, foot- 
note. 

Tenerife: Laguna (Bolivar L). 

The total number of Dermaptera known from the Canary Is- 
lands is 12, that of the Orthoptera 93. 

BIBLIOGRAPHY 

Bolivar, I., 1914. Dermâpteros y Ortópteros de Marruecos. Mem. R. Soc. Esp. 
Hist. Nat, vol. 8, pp. 157^238. 

, 1940. Sobre los Tetigoninos de las islas atlânticas. (Orth. Tett.). 

Ciencia, Mexico, vol. 1, pp. 157—159, 2 figs. 

Chopard, L., 1946. Les Orthopteroides des îles atlantides. Mém. Soc. Biogéogr., 
vol. 8, pp. 199—208. 

Uvarov, B. P., 1941. Geographical variation in Scintharista notabilis (Walker 
1870) (Orthoptera, Acrididae). Proc. R. Ent. Soc. London (B) 
vol. 10, pp. 91-97, 1 pi. 

, 1948. Tettigoniidae and Acrididae collected in 1931 on the At- 
lantic Islands by R. Prey and R. Storâ. Soc. Sc. Fennica, Com- 
ment. Biolog., vol. 8, no. 15, 7 pp. 



— 251 ^ 



Description of a new genus and species of 

Acrididae (Orthoptera) from the 

Solonrion Islands 



by 
C. WILLEMSE 



Buinacris no v. gen. 

$ : Size medium, body slender, finely rugosely punctate. An- 
tenna filiform, joints elongate, relatively thick, reaching only a 
little beyond the hind margin of pronotum. Head a little shorter 
than the pronotum, deplanate, flattened dorso-ventral. Fastigium 
of vertex reaching the second antennal joint, in profile sloping or 
with only the very apex horizontal ; more or less triangular, mar- 
gins narrowed anteriorly, at the apex triangularly incised, with a 
short shallow median groove, which anteriorly terminates into a 
round impression more or less distinct. Vertex in profile subconvex, 
on the sides cribroso-punctate, with dispersed, longitudinal rows of 
points, the middle smooth. Frontal ridge strongly declive, not 
protruding between the antennae, distinct throughout and reaching 
the clypeal margin ; margins subparallel or slightly narrowing 
downwards, margins criboso-punctate, shallowly sulcate. Frons 
cribroso-punctate with low irregular ridges, flat ; strongly declive. 
Lateral facial keels absent, there is only an indication of an incom- 
plete sulcus. Along the anterior margin of the eye with a slightly 
raised margin or ridge, more or less indicated. Eyes prominent 
sideways, long oval. Infraocular distance about twice as broad as 
the first antennal joint or a little broader. 

Pronotum cylindrical, slightly widened in the metazona, finely 
punctate ; anterior margin slightly produced in advance, convex, 
in the middle slightly concave or substraight, posterior margin 
straight or nearly so ; median and lateral keels absent ; transverse 
sulci shallowly indicated, submarginal sulcus perceptible on the 
disc, more distinct on the lateral lobes, first sulcus only on the disc, 
second and third sulcus both on the disc and on the lobes, second 
sulcus a little behind the middle, third sulcus far behind the middle, 
metazona narrow, about one fifth of the length of the prozona. 
Lateral lobe of pronotum much longer than high, lower margin 
slightly ascending anteriorly, in the middle concave, anterior margin 
straight or subconvex, posterior margin subconcave ; anterior angle 
broadly rounded, posterior angle rectangularly rounded. Elytra 
and wings totally absent. 

Meso- and metanotum of meso- and metathorax finely punctate. 



252 C. WILLEMSE, DESCRIPTION OF A NEW GENUS 

together about as long as the pronotum, metanotum somewhat lon- 
ger than the mesonotum. 

Sternum shallowly excavated from below. Prosternai spine for- 
med bij an obtuse, low, quadrate tubercle or rugosity near the 
anterior margin, at the blunt apex of which somewhat rugosely 
sculptured. Behind the prosternai spine there is a median sulcus 
on the prosternum. Mesosternal lobes about as long as broad, their 
inner margin convex, the interspace smaller than the lobe, X-shaped. 
Metasternal lobes long, contiguous behind the foveolae, on the 
posterior part of the metasternum on both sides with a longitudinal 
sulcus, w^hich are connected anteriorly by a transverse impression. 

Anterior and median legs relatively thick. Hind femur reaching 
the top of abdomen, narrow, not attenuated towards the top, more 
or less flattened, keels obtuse, femur from below finely setose ; 
kneelobes small, obtuse. Hind tibia straight, setose, not widened 
apically, with a row of 10 — 14 short inner and a row of 6 — 7 short 
outer spines, including an outer apical spine ; calcaria short, the 
inner ones distinctly longer than the outer ones which are very 
short. Hind tarsus long, overreaching the middle oi hind tibia, 
setose, slender, first and second joint long, second joint a little 
longer than the first one or of about the same length, third joint 
distinctly shorter than the second one. 

Abdomen widened at the top, sternits flat from below, tergits 
with a fine median sulcus. Last abdominal tergits (IX and X) 
broad, widened posteriorly, about twice as broad as long, posterior 
margin with a long, straight, narrow spine in the middle, directed 
straight backwards or slightly downwards, a little shorter than the 
median length of the tergit, with the apex more or less acute. The 
posterior margin has, on both sides of this spine, a broad, concave, 
but not deep excavation, which laterally gradually merges into a 
broadly rounded part, just before the posterior angle, and bears 
in this place sometimes a small spine. The whole of these tergits 
is bulbshaped, there is a complete shallow median sulcus, with on 
both sides an incomplete, oblique shallow sulcus. Besides this there 
is at the base the incomplete separation of the IX and X tergit, 
which separation terminates laterally near the lower margin. This 
lower margin is nearly straight, the posterior angle rectangularly 
rounded or acute. The posterior margin of the tergite is, seen in 
profile, undulated. 

Supra analplate more or less membranaceous, perpendicularly 
placed, broad-triangular, posterior margin in the middle trian- 
gularly produced. 

Cercus falcate, lamellate, enlarged at the base, near the middle 
narrower and at this place nearly rectangularly curved inwards ; 
apical part of the cercus widened and at the apex obliquely truncate, 
terminating into a short spine at the inner side, and the apical mar- 
gin more or less undulated or rounded. At the base of the cercus 
on the upper margin with or without a small tuberosity. 

Subgenital plate broad, flat from below, a litlle behind the middle 
suddenly perpendicularly bent upwards with the posterior margin 



AND SPECIES OF ACRIDIDAE (ORTHOPTERA) ETC. 253 

broadly truncate or somewhat produced in the middle. $ unknown. 
Genotype : Buinacris [orcipata nov. spec. 

This genus is at once differenciated from all other Catantopinae 
bij the long spine-like projection of the last tergit, which makes a 
very peculiar impression. About the biology nothing is known. 
The concave excavation of the sternum and the flat surface of the 
sternits indicates that they are living on plants, where they can 
press the body against the stems, and not on the ground. 



Key to the species. 

Head from above and pronotum brown. Antennae strongly 
annulated with yellow joints. Interocular distance broad, fastig- 
ium of vertex broad, with the lateral margins convex. Hind 
margin of the Xth tergit with a black spine on both sides, above 
the insertion of the cercus. Spine of the Xth tergit from below at 
the base deeply cut (Fig. 2) forcipata nov. spec. 



II. Head from above and pronotum olivaceous green. Antennae 
only with a few yellow joints. Interocular distance less broad, 
fastigium of vertex narrower, lateral margins slightly concave. 
Hind margin of the Xth tergit without black spine. Spine of 
the Xth tergit from below not cut carpentieri nov. spec. 



Buinacris forcipata nov. spec. 

S : Fastigium of vertex with the lateral margins narrowing 
anteriorly, margins slightly convex. Interocular distance about 
three times as broad as the basal antennal joint. 

General coloration brown. Antenna blackish brown, strongly 
annulated with orange-yellow joints. Head brown, vertex from 
above on both sides with a dark brown stripe. Frons and part of 
cheeks black or brownish black. Pronotum brown, sulci darker 
coloured ; upper part of lateral lobe with some irregular olivaceous 
spots, some of them bordered w^ith a dark stripe. Meso- and 
metanotum brown. Prosternum yellow^ish brown, top of prosternai 
tubercle black. Insertion oi the fore coxae black. Meso- and 
metasternum yellowish brown, in the middle with a broad bluish 
black, longitudinal band. Abdomen brown, sternits bluish black, 
except the last abdominal segment which is more yellowish brown. 
Hind margin of the Xth tergit with a blackish spine on both sides, 
the margin itself bordered with blackish brown, median spine 
yellowish brown from above, black at the sides, deeply cut from 
below at the base. Cercus yellowish, with a small black tubercle 
at the base from above ; the outer margin bordered with blackish 



254 



C. WILLEMSE, DESCRIPTION OF A NEW GENUS 



Fig. 1. Buinacris forcipata nov. gen. nov. sp. <J seen from the 
side; hind tarsus broken. 



.Ä ^ '"''^' 



Fig. 2. Buinacris forcipata nov. gen. n. spec. <J seen from above; 
hind tarsus broken. 





Fig. 3. Top of abdomen of 
Buinacris forcipata nov. gen. 
e. spec, seen from above. 




Fig. 4. Top of abdomen of 
Buinacris forcipata nov. gen. 
e. spec, seen from the side. 



brown from about the base to the apex. Subgenital plate yellowish 
brown w^ith an arcuate dark brow^n, transverse setose band in the 
middle. Anterior and median legs brownish yellow, with dark 
irregular longitudinal stripes or small spots. Hind femur yellowish 
green, lower area bluish, inner kneelobe dark brown. Hind tibia red, 
the very base yellowish with a dark stripe from the inner side ; 
spines yellowish red with black tips. Hind tarsus with the first 
joint dark reddish from above, yellowish from below, the second 
and third joints olivaceous brown. Figs. 1 — 4. 



AND SPECIES OF ACRIDIDAE (ORTHOPTERA) ETC 



255 



ngth of 


body 




28 mi 




pronotum 




4,5 




'meso- and 


metanotum 


5 




hind femur 




14 




hind tibia 




13 




hind tarsus 




9 



Locality : Solomon Isl., Bougainville (Buin). One male. Only the 
type is known. Type coll. mea. 

Buinacris carpentieri nov. spec.i) 

$ : Fastigium of vertex with the lateral margins narrowing 
anteriorly, margins slightly concave. Interocular distance not quite 
twice as broad as the basal antennal joint. 

Genaral coloration yellowish brown. Head olivaceous green from 
above, along the upper ïnargin of the eye lighter coloured ; frons 
black, lower part of clypeus and the labrum yellow. Antenna black, 
annulated with only 3 yellow joints. Pronotum olivaceous green, 
upper part of lateral lobe with some irregular lighter coloured 
spots. Meso- and metanotum yellowish. Episternum oi mesothorax 
olivaceous green. Sternum bluish olivaceous, meso- and metaster- 
num yellowish on both sides. Abdomen yellowish, from below 
with the last sternits bluish olivaceous. Hind margin of the Xth 
tergit narrowly 'marginated with blackish brown, without distinct 
black spine ; the median spine not cut at the base from below, 
yellowish, from below darker coloured. Cercus yellowish, along 
the sides darker coloured, the apex marginated with dark brown. 
Subgenital plate olivaceous green, with a transverse, setose, dark 
band in the middle, the part of the subgenital plate behind this 
band is dark brown. Anterior and median legs yellowish with some 
dark stripes. Hind femur yellow ; the lower area at the apex 
olivaceous green ; inner kneelobe with a brown spot. Hind tibia 
red, spines with black tips. Hind tarsus with the first and second 
joint red, third joint yellowish. 



Length of body 


25 


mm. 


,, antenna 


12 




,, pronotum 


4,5 




„ meso- and metanotum 


4 




,, hind femur 


13,5 




„ hind tibia 


12 




,, hind tarsus 


8 




Locality: Solomon Isl., Bougainville (Buin). 


One ] 


naie. Only the 


type is known. Type coll. mea. 







^) Named after my friend Dr. Fritz Carpentier from Liège, who had the 
generosity to present me both specimens for my collection. 



- 256 - 



REGISTER 1) 



ARACHNOIDEA. 

Thenuipalpus cactorum Oudms. X. 

orchidarum Parfitt X. 

oudemansi Geijskes X. 

phoenicis Geijskes X. 

Theridium C. L. Koch XVII. 

COLEOPTERA. 

Acanthocinus aedilis L. 47, 50. 

Acis Hbst. 42, 47, 50 

Acrocinus longimanus L. 47, 50. 

Adimonia tanaceti L. 47. 
*Agnia e.ximia Fase. v. abasomaculata 
[Gilm. 219. 

* a. albofasciata 

[Breun. 219. 

Agonum uliginosum Er. 47. 

Agrilus Curt. I. 

biguttatus F. II, III. 

• sinuatus Ol. II, III. 

Akis Hbst. 42, 47. 

Amblymora consputa Pasc. 224. 

— — fumosa Pasc. 224. 

V-flava Gilm. 223. 

Anobiidae 47. 

Anomala aenea de G. 47, 50. 

dubia Scop. 47. 

frischi F. 47. 

Anthotribus varius F. 47, 50. 
Anthribus albinus L. 47. 

varius F. 50. 

Antichira cincta Dru. 48, 50. 
Arrhenotus Pasc. 236, 243. 

adspersarius Breun. 246. 

adspersus Blanch. 246. 

agrarius Pasc. 245, 247. 

albertisi Breun. 246. 

andreas Kriesche 245. 

biarcifer Blanch. 245. 

bilineatus Auriv. 245. 

* breuningi Gilm. 234, 244. 

brevespinosus Breun. & de 

[Jong 246. 

canofasciatus Auriv. 246, 247. 

costatus Breun. 243. 

curvatolineatus Auriv. 247. 

flavescens Breun. 244. 

florensis Breun. 246. 

froggatti Mc. L. 246. 



Arrhenotus geniculatus Breun. 247. 

heurni Schwarz. 244. 

imitans Breun. 244. 

irregularis Gestro 245. 

• jaspideus Bsdv. 247. 

lansbergei Breun. 244. 

laticollis Breun. 247. 

lictorius Pasc. 246. 

ludificator Hell. 245. 

■ margaretae Gilm. 245. 

mimethes Kriesche 247. 

mucronatus Gah. 246. 

novemmaculatus Breun. & de 

[Jong 247. 

obliquelineatus Breun. 247. 

• — — ochraceosignatus Breun. 244. 

cchreomaculatus Breun. 245. 

octopunctatus Gilm. 246. 

postflavescens Breun. 247. 

prasinatus Hell. 244. 

pseudagrarius Breun. 247. 

• pseudoirregularis Breun 245. 

pseudosuperans Breun. 246. 

• • pseudoviridescens Breun. 246. 

quadripunctatus Gilm. 245. 

• ■ rafalae Lansb. 244. 

rotundipennis Breun. 245. 

rufipes Blanch. 244. 

salomonum Auriv. 244. 

separatus Auriv. 247. 

sepicanus Kriesche 247. 

septempunctatus Bsdv. 247. 

- — — seriemaculatus Breun. 234. 244, 

[247. 

sexmaculatus Breun. & de Jong 

[247. 

soembanus Schwarz. 244. 

subchlorus Hell. 245. 

superans Pasc. 246. 

timorlautensis Breun. 244. 

trapezicollis Hell. 247. 

vagejaspideus Gilm. 247. 

venatus Thms. 244. 

viridescens Thms. 246. 

wallacei Pasc. 244. 

ziczac Breun. 247. 

Astynomus aedilis L. 47. 
Ateuchus sacer L. 47. 
Balaninus nucum L. 42. 
Bembicidium 42. 
Bembidion Latr. 42, 49. 







Preceding a name denotes a name new to science. 

Preceding a name denotes a species or form new to the Netherlands fauna. 



REGISTER 



257 



Bembidium Latr. 42. 
Brachinus Web. 47. 
Brachynus Web. 47, 49. 
Brachytarsus nebulosus Forst. 47. 

varius F. 47. 

Bruchus L. 34. 

pisi L. 48. 

pisorum L. 48, 50. 

Buprestis gigantea L. 48. 
Calandra Clairv. 34. 
Campylus linearis L. 48. 
Cantharidae 48. 
Cantharis L. 34. 

• fusca L. 48. 

vesicatoria L. 48, 50. 

Cerambyx cerdo L. 48, 50. 

heros Scop. 48. 

Ceratorrhina Westw. 42. 

micans Dru. 48, 50. 

Chrysochloa gloriosa F. 49, 50. 
Chrysomela gloriosa F. 49, 50. 
Clerus formicarius L. 48, 49. 
Cneorrhinus geminatus F. 48. 

globatus Hbst. 48, 50. 

Cupedidae 48. 
Cupesidae 48. 

Curculio L. 42. 

abietis L. 48, 50. 

Cybister lateralimarginalis de G. 48. 

roeseli Fssly. 48. 

virens Müll. 49. 

Cylindrepomus grammicus ssp. 

[hecate Dill. & Dill. 223. 

* V. waigeuensis Gilm. 

[223. 

* peregrinus v. connexa Gilm. 

[222. 

Cyphon variabilis Thunb. 48, 49. 

Denticollis linearis L. 48. 

Diamesus osculans Vig. 5. 

Dicranorrhina micans Dru. 48, 50. 

Dictyopterus rubens Gyll. 48, 49. 

Elaeodes Eschsch. 48. 

Eleodes Eschsch. 48, 50. 

Eros rubens Gyll. 48, 49. 

Euchroma gigantea L. 48, 50. 

Eumicrus Cast. 42. 

tarsatus Müll. & Kz. 49. 

Galeruca nymphaeae L. 48. 

pomonae Scop. III, IV. 

V. anthracina Wse. III. 

tanaceti L. 47, 50. 

Galerucella nymphaeae L. 48, 50. 
Heilipus Germ. 48, 50. 

Helodes variabilis Thunb. 48, 49. 
Hilipus Germ. 48. 
Homalium Grav. 42, 49. 
Hopatrum F. 42, 49. 
Hydrachna F. 42. 

tarda Hbst. 49. 

Hygrobia hermanni F. 49. 

tarda Hbst. 49. 

Hylastes trifohi Müll. 48, 50. 



Hylastinus obscurus Mrsh. 48. 

Hylobius abietis L. 42, 48. 

Hylurgus piniperda L. 48, 50. 

Hypera punctatus F. 49, 50. 

Ips de G. 34. 

Lamiinae 219. 

Lampyridae 48. 

Lampyrini 48. 

Laria Scop. 34. 

Leptinotarsa decemlineata Say XV. 

Lepturoides linearis L. 48, 50. 

Lethrus apterus Laxm. 48, 50. 

cephalotes Pali. 48, 50. 

Limobius Schönh. 48. 

Limonius aeruginosus Ol. 48, 50. 

cylindricus Payk. 48. 

Limonobius Schönh. 48. 
Lina populi L. 48. 
Liparus germanus L. 48, 50. 
Lucanus cervus L. XV. 
Lytta F. 34. 

vesicatoria L. 48. 

Macraspis cincta Dru. 48, 50. 
Macrocephalus Ol. 42. 

albinus L. 47, 50. 

Macropus Thunb. 42. 

longimanus L. 47, 50. 

Malacodermidae 48. 

Mantichora tuberculata de G. 48, 49. 
Manticora maxillosa F. 48. 
Melasoma populi L. 48, 50. 
Meloïdae 48. 
Melolontha melolontha L. 36. 

vulgaris F. 36. 

Metoecus Gerst. 42. 

paradoxus L. 49. 

Molytes germanus L. 48. 
Mononychus pseudacori F. 48 

punctum-album Hbst. 48, 50. 

Myelophilus piniperda L. 48, 50. 
Mylabris F. 34. 

Omalium Grav. 42, 49. 
Opatrum F. 42, 49, 50. 
Orina gloriosa F. 49. 
Pelobius hermanni F. 49. 
Pericycos Breun. 222. 

guttatus Heil. 222. 

philippinensis Breun. 222. 

princeps Pasc. 222. 

* teragramus Gilm. 221. 

varieguttatus Schwarz 222. 

Philopedon plagiatus Schall. 48. 
Phytonomus punctatus F. 49, 50. 
Platynus krynickii Sperk. 47, 49. 
Platystomus albinus L. 50. 
Ptinidae 47. 

Rhagium inquisitor L. 49, 50. 
Rhipidophoridae 49. 
Rhipiphoridae 49. 
Rhipiphorus paradoxus L. 49, 50. 
Rhizotrogus Latr. XV. 
Scarabaeus sacer L. 47, 50. 
Scolytus intricatus Ratz. II. 



258 



REGISTER 



Scydmaenus Latr. 42. 

tarsatus Müll. & Kz. 49. 

Sitona Germ. 49, 50. 

Sitones Germ. 49. 
Sitophilus Schönh. 34. 
Spenophorus Schönh. 34. 
Stenocorus inquisitor L. 49, 50. 
Strangalia armata Hbst. 49. 

maculata Poda 49, 50. 

Telephorus L. 34. 

fusca L. 48, 49. 

Tenebrie molitor L. XIII. 
Thanasimus formicarius L. 48, 49. 
Tmesisternini Thms. 225. 
Tmesisternus Latr. 219, 236. 

aeneofasciatus Breun. 239. 

aeneovittatus Breun. 240. 

affinis Breun. 238. 

agrarius Pasc. 247. 

agriloides Pasc. 241. 

albovittatus Breun. 239. 

• arfakianus Gestro 243. 

aubrooki Gilm. 240. 

avarus Pasc. 241. 

■ bifasciatus Breun. 239. 

• bifoveatus Auriv. 242. 

bifuscomaculatus Breun. 238. 

bolanicus Breun. 243. 

'— breuningi Gilm. 233. 

bruijni Gestro 238. 

canofasciatus Auriv. 247. 

' • cinnamomeus Gilm. 234, 236. 

conicicollis Thms. 243. 

continentalis Breun. 239. 

costipennis Breun. 242. 

costulatus Breun. 242. 

cupreosignatus Auriv. 240. 

cyclopsi Gilm. 238. 

■ ■ demissus Breun. 235, 243. 

densepunctatus Breun. 242. 

■ dissimilis Pasc. 238. 

distinctus Bsdv. 238. 

divisus Auriv. 242. 

dohertyi Jord. 240. 

dubius Montrz. 240. 

elateroides Gestro. 241. 

elegans Heil. 243. 

elongatus Breun. 238. 

excellens Auriv. 239. 

externemaculatus Breun. 6 de 

[de Jong 238. 
• flavolineatus Breun. 242. 

flavovittatus Breun. & de Jong 

[238. 

fulgens Breun. 237. 

fuscosignatus Breun. 241. 

gabrielae Schwarz. 240. 

gebehensis Breun. & de Jong 

[238. 

geniculatus Breun. 247. 

■ glaucus Pasc. 243. 

griscovittatus Breun. 236. 

griseus Thms. 236, 242. 



Tmesisternus helleri Schwarz. 242. 

herbaceus Pasc. 240. 

— ■ — - hieroglyphicus Blanch. 240. 

humboldti Gilm. 239. 

' humeralis Auriv. 237. 

inermis Breun. 239. 

intricatus Pasc. 242. 

isabellae Vollenh. 240. 

japeni Gilm. 237. 

jobiensis Gestro 236. 

latefascia Heil. 236. 

■ lateralis Mc. L. 242. 

laterimaculatus Gilm. 241. 

lateri vittata Breun. 241. 

— — ■ laticollis Breun. 247. 

lepidus Pasc. 237. 

lineatus Mc L. 241. 

lotor Pasc. 237. 

— — ■ lugubris Breun. 242. 

luteostriatus Heil. 243. 

— ■ — - marginalis Breun. 240. 

marmoratus Guér. 243. 

metalliceps Breun. 243. 

modestus Gah. 237. 

monticola Gestro 239. 

mortyanus Thms. 237. 

nigrofasciatus Auriv. 237. 

nigrotriangularis Heil. 238. 

obliquefasciatus Breun. 239. 

oblongus Bsdv. 239. 

obsoletus Blanch. 241. 

opalescens Pasc. 237. 

ornatus Breun. 242. 

papuanus Breun. 243. 

petechialis Pasc. 240. 

phaleratus Thms. 236. 

pleurosticticus Pasc. 241.. 

— — politus Blanch. 239. 

postfaciatus Breun. & de Jong 

[240. 

postflavescens Breun. 247. 

■ pseudagrarius Breun. 247. 

pseudohieroglyphicus Breun. 

[240. 

pseudointricatus Breun. 241. 

pseudomonticola Breun. 242. 

pseudosulcatus Schwarz. 237. 

pseudotessellatus Breun. 241. 

— — ■ pullus Breun. 240. 

pulvereus Pasc. 238. 

quadrimaculatus Auriv. 237. 

quadriplagiatus Breun. 240. 

rufofemoratus Breun. 238. 

schaumi Pasc. 239. 

schraderi Kriesche 243. 

seriemaculatus Breun. 234, 247. 

speciosus Pasc. 236. 

strandi Breun. 239. 

strigosus Pasc. 242. 

sulcatus Auriv. 237. 

' teragramus Gilm. 235, 242. 

tersus Pasc. 238. 

tessellatus Bsdv. 241. 



REGISTER 



259 



Tmesisternus torridus Pasc. 240. 

transversatus Breun. 242. 

transversefasciatus Breun. 237. 

transversus Pasc. 243. 

trivittatus Guér. 238. 

unipunctatus Guér. 243. 

vagefasciatus Breun. 243. 

vinculatus Heil. 239. 

virescens Breun. 242. 

viridipennis Breun. 236. 

viridis Gestro 243. 

wiedenfeldti Auriv. 238. 

Tomicus Latr. 34. 

*Triammatus waigeuensis Gilm. 219. 
Trigonoptera Pasc. 219, 230. 

* albocollaris Gilm. 226, 231. 

* breuningiana Gilm. 227, 232. 

f lavi collis Breun. 231. 

flavipicta Pasc. 232. 

flavoscutellata Breun. 230. 

gracilis Auriv. 231. 

guttulata Gestro 231. 

* immaculata Gilm. 225, 230. 

isabellae Gilm. 232. 

japeni Gilm. 231. 

lateplagiata Breun. 

[227, 229, 231. 

leptura Gestro 231. 

maculata Perr. 230, 232. 

■ — ■ — ■ margaretae Gilm. 232. 

marmorata Auriv. 232. 

* neja Gilm. 229, 232. 

nervosa Pasc. 232. 

obscura Gilm. 225, 230. 

olivacea Auriv. 231. 

ornata Mc L. 230. 

pseudomaculata Breun. 230. 

sordida Pasc. 232. 

spilonota Gestro 231. 

V. albonotata Gah. 231. 

sulcata Auriv. 230. 

* ■ v. reversa Gilm. 

[226, 231. 

sumbawana Breun. 232. 

tessellata Pasc. 231. 

— ■ — • transversefasciata Gilm. 230. 

• • trobriandensis Breun. 232. 

■ vittata Gestro 230, 232. 

- — ■ — • woodfordi Gah. 231. 
Trogus Leach 42. 

virens Müll. 48, 49. 

DIPTERA. 

Aedes egypti L. XIII. 

Agromyza Fall. 16. 17, 27. 

• ■ sanguisorbae Hend. (?) 17. 

spiraeae Kaltb. 18. 

tephrosiae dc Meij. 27. 

Agromyzidae 12. 

Anthomyidae 12. 

Anthracomyia melanoptera Fall. 13. 

Azelia zetterstedti Rond. 12. 



Bombyliidae 6. 
Catacomba pyrastri L. 7. 
Cerioides conopoides L. 8. 
Cerodonta Rond. 17. 

atronitens Hend. 16. 

biseta Hend. 16. 

Geromasia spec. 13. 
Chamaepsila nigricornis Mg. 8. 

**Chilosia barbata Lw. 7. 

chalybeata Walk. 17. 

chrysocoma Mg. 7. 

■ spec. 17. 

vernalis Fall. 17. 

Chloropidae 12. 

Chlorops hypostigma Mg. 12. 
Chortophila Macq. 17. 
** angustifrons Mg. 12. 

antiqua Mg. 12. 

■ gentianae Pand. 17. 

spec. 17. 

Chrysomyza demandata F. 8. 

**Chrysotoxum arcuatum L. 8. 

Chyliza vittata Mg. 8. 

Cladoneurum 9. 

Coenosia tigrina F. 12. 

Crinura angustifrons Mg. 12. 
**Dialyta halterata Stein 12. 

Didea intermedia L. 7. 

Didymomyia reaumuriana F. Lw. 4 

Dixa (maculata?) 1. 

Dizygomyza Hend. 16, 17. 

' albohalterata de Meij. 27. 

capitata Zett. 15, 16. 

cornigera de Meij. 28. 

errans Mg. 10. 15, 16. 

geniculata Fall. 16. 

javana de Meij. 28. 

lineëlla Zett. 16. 

luctuosa Mg. 20. 

luteiceps Hend. 16 noot. 

mallochi Hend. 15, 16. 

monfalconensis Strobl 15. 

Dolichopodidae 6. 

**Dolichopus simplex Mg. 6. 

Domomyza Rond. 17. 

Drosophila Fall. VIII, 167. 

Drosophilidae 9. 

Empididae 6. 

Encoelocera 17. 

Ephydridae 9. 

Epidapus atomarius de G. 4. 

Epidosis Lw. 3, 4. 
**Epistrophe annulata Zett. 7. 

guttata Fall. 7. 

lasiophthalma Zett. 7. 

lineola Zett. 7. 

** punctulata Verr. 7. 

'*Eristalis vitripennis Strobl 8. 

Eristalomyia anthophorina Fall. 8. 
**Eumerus flavitarsis Zett. 8. 
**Fannia ornata Mg. 12. 
**Forcipomyia divaricata Winn. 12. 

Giraudiella inclusa Frfld. 2, 3. 



260 



REGISTER 



Giraudiella inclusa f. phragmitis 

[Gir. 2. 
Gymnophytomyza Hend. 17. 

heteroneura Hend. 16. 

Gymnopternus angustifrons Staeg. 6. 

**Hebecnema affinis Mall. 12. 

Heleidae 5. 
**Hercostomus angustifrons Staeg. 6. 

Hydrellia griseola Fall. 9. 

Itonididae 2. 

Lampetia equestris F. VII. 

Lasiopticus pyrastri v. unicolor Curt. 

[7. 

Leucozona lucorum L. 7. 
**Limnophora nigripes R.D. 12. 
**Limnophyes hydrophilus Gtgb. 6. 

Lipara similis Schin. 12. 

Liriomyza Mik. 17. 

buhri Her. 21. 

erucifolii Her. 21. 

fasciata Hend. 16. 

lutea Mg. 16. 

perpusilla Mg. 16, 21. 

senecifolii Her. 21. 

spec. 21, 22. 

strigata Mg. 21, 22. 

xanthaspis Lw. 16. 

Lonchoptera meijerei Coli. 6. 

**Lucilia bufonivora Mon. 13. 

illustris Mg. 13, 14 noot. 

silvarum Mg. 13. 

splendida Mg. 13. 

Lycoria armata Winn. 4, 14 ncot. 
— ■ — ■ fenestralis Zett. 4. 

• — — humeralis Zett. 4. 

** socialis Winn. 4. 

Lycoriidae 4. 
Ly della spec. 13. 
Megachetum atriseta Mg. 8. 
Melanagromyza Hend. 17. 

aeneiventris Fall. 18, 20. 

arnicarum Her. 18, 20. 

beckeri Hend. 18^20. 

centrosematis de Meij. 

[20, 27, 29. 

coffeae Kon. 27. 

cunctans Mg. 20. 

cunctata Mg. 20. 

decora de Meij. 27. 

dolichostigma de Meij. 27, 30. 

erythrinae de Meij. 28. 

fuscociliata Hend. 20. 

kalshoveni de Meij. 28. 

lappae Lw. 18, 20. 

panici de Meij. 28. 

phaseoli Coq. 28, 30. 

provecta de Meij. 27. 

pulicaria Mg. 19, 20. 

ricini de Meij. 28. 

rostrata Hend. 15. 

sojae Zehntn. 28, 30. 

spec. 20, 28-30. 

theae Big. 28. 



Melanagromyza weberi de Meij. 28. 
Micropsecta quinaria Kieff. 5. 

recurvata Gtgb. 5. 

subnitens Gtgb. 5. 

**Morellia podagrica Lw. 12. 

Musidora furcata Fall. 6. 

impicta 6. 

meijerei Coli. 6. 

Musidoridae 6. 

**Myiolepta luteola Gmel. 8. 
Napomyza Hai. 17. 

lateralis Fall. 10, 23. 

nigriceps v. d. W. 10. 

**Neoascia geniculata Mg. 7. 

Nycteribiidae 13. 

Ogcodes pallipes Latr. XVI. 

Ophiomyia Braschn. 17. 

campanularum Stary 19, 21. 

cichorii Her. 19, 20. 

cornuta de Meij. 27. 

heringi Stary (?) 19, 21. 

labiatarum Her. 19, 20. 

melandricaulis Her. 20. 

melandryi de Meij. 20. 

persimilis Hend. 18, 20. 

pinguis Fall. 11. 

proboscidea Strobl 20. 

senecionina Her. 20. 

spec. 19, 20. 

Orthoneura geniculata Mg. 7. 
— ■ — • intermedia Lundb. 7. 
Pedicellidia dufouri Westw. 13. 

leachi Kol. 13. 

Pegomyia bicolor Wied. 

**Penium dubium Lundb. 7. 

Penthesilea asilica Fall. 8. 
** fioccosa Mg. 8. 

Phytagromyza Hend. 17. 

buhri de Meij. 17. 

■ discrepans v. d. W. 

trivittata Lw. 16. 

Phytoliriomyza 17. 
Phytomyza Fall. 17, 27. 

abdominalis Zett. 15, 

affinis Fall. 11. 

albipennis Fall. 16. 

asteris Hend. 10. 

atricornis Mg. 11. 

calthivora Hend. 25. 

calthophila Her. 25. 

cineracea Hend. 15, 23. 

continua Hend. 1 1 . 

conyzae Hend. 23. 

diversicornis Hend. 23. 

elegans Mg. 16. 

evanescens Hend. 16. 

gymnostoma Lw. 16. 

lateralis Fall. 10, 23. 

nigriceps v. d. W. 10, 16. 

nigricoxa Hend. 23. 

nigripennis Fall. 16. 

nigritella Zett. 23—25. 



13. 



16. 



22. 



REGISTER 



261 



Phytomyza plantaginicaulis Her. 25. 

plantaginis R.D. 25. 

ranunculicola Her. 25. 

rostrata Her. 26. 

rydeni Her. 25. 

socia Brischke 22. 

spec. 23, 24, 26, 29. 

tenella Mg. 10, 14 noot. 

varipes Macq. 26. 

**Platychirus sticticus Mg. 7. 
**Pocota apiformis Schrk. 8. 

Porricondyla Rond. 3. 

phragmitis Gir. 4. 

Pseudolimnophora nigripes R.D. 12. 
Pseudonapomyza Hend. 17. 
Psilidae 8. 

Psychoda phalaenoides Zett. 4. 

** pusilla Tonn. 5. 

Psychodidae 4. 
Ptochomyza Her. 17. 
Pyrophaena rosarum F. 7. 
Rhagoletis meigeni Lw. 9. 
Scaeva F. 7. 

Scaptomyza apicalis Hardy 9. 
Scaptomyzella flava Fall. 9. 
Simulium latipes Mg. 1. 
Syrphidae 6. 
Syrphus F. 7. 

albostriatus Fall. 7. 

** annulipes Zett. 7. 

arcuatus Fall. 8. 

Tachinidae 13. 

Tachista connexa Mg. 6. 

Tanytarsus v. d. W. 5. 

arduennensis Gtgb. 5. 

■ atridorsum Kieff. 6. 

— — curticornis Kieff. 5. 

danicus v. d. W. 6. 

ejuncidus Walk. 5. 

excavatus Edw. 5. 

giltayi Gtgb. 5. 

heusdensis Gtgb. 5. 

holochloris Edw. 5. 

inaequalis Gtgb. 5. 

inopertus Walk. 6. 

laetipes Zett. 6. 

lestagei Gtgb. 5. 

macrosandalum Kieff. 6. 

mancus Walk. 6. 

nigrofasciatus Gtgb. 6. 

pseudotenellulus Gtgb. 6. 

samboni Edw. 6. 

signatus v. d. W. 6. 

silvaticus Edw. 6. 

tenellulus Gtgb. 6. 

tenuis Mg. 6. 

verralli Gtgb. 6. 

Tendipedidae 5. 
Thaumalea testacea Ruthe 1. 
Thaumaleidae 1. 
Thaumatomyia notata Mg. 12. 

** trifasciata Zett. 12. 

Thrypticus spec. 17. 



*Thyridanthrax fenestratus Fall. 6. 
Traginops orientalis de Meij. 27. 
Trypetidae 9. 
Tubifera hybrida Lw. 8. 
Ulidiidae 8. 
Volucella inflata F. 8. 

zonaria Poda 8. 

Weberia funesta Mg. 13. 

pseudofunesta Vili. 13. 

Xanthandrus comptus Harr. 7. 
Xeniomyza Her. 17. 
Xenotanytarsus miriforceps Kieff. 5. 

*Zelima abiens Mg. 8. 

lenta Mg. 8. 

* — — tarda Mg. 8. 

HYMENOPTERA. 

Ammophila Kby. 54 e.v. 

adriaansei Wilcke 6, 53. 

campestris Jur. 53 e.v. 

• pubescens Curt. 53 noot. 

Anthophora Latr. 42. 

acervorum L. 43. 

pilipes F. 43. 

Apis L. 54 e.V. 

mellifica L. 54 e.v. 

Arge Schrk. 43. 
Astata abdominalis 43. 

boops Schrk. 43. 

Bembex rostrata L. 92. 
Bethylus cenopterus Latr. 43. 

fuscicornis Jur. 43. 

Cerceris Latr. 92. 
Chelicodoma Lep. 54, 61. 

muraria F. 54, 62. 

Crabro L. XVL 
Cyrtidae XVI. 

Diprion Schrk. 43. 
Habrobracon 58. 
Hylotoma Latr. 43. 
Lophyrus Latr. 43. 
Mellinus F. XVI. 
Ogcodes Latr. XVI. 

gibbosus L. XVI. 

zonatus Er. XVI. 

Oncodes Blanch. XVI. 
Paracrocera orbiculus F. XVI. 
Philanthus triangulum F. 92. 
Podalirius Latr. 43. 
Pompilus plumbeus F. 43. 

pulcher Shuck. 43. 

Trachusa Jur. 70. 
Vespa L. 61 e.v. 

crabro L. XVII. 

vulgaris L. 54 e.v. 

LEPIDOPTERA. 

Abraxas grossulariata L. 167 noot. 
* Acalla permutana Dup. VI. 
Acasis Dup. 134. 

viretata Hb. 134. 



262 



REGISTER 



*Acasis viretata f. approximata Lpk. 

[135. 
* f. divisa Lpk. 135. 

f. mediogrisea Warn. 

[135. 

* f. reducta Lpk. 135. 

Acherontia atropos L. XV. 
Acidalia muricata Hfn. IX. 
Agrias Bsdv. IV. 
Agrochola circellaris Hfn. IX. 

Iota CL IX. 

Alispa angustella Hb. V. 
Anaitis Dup. 131. 

efformata Gn. 132, 133. 

f. fasciata Hann. 133. 
f. f uscof asciata Lpk. 132. 
f. impuncta Lpk. 133. 
f. obsoleta Lpk. 133. 
f. simplificata Lpk. 133. 
f. suffusa Prout 132. 
f. tangens Hann. 132. 

plagiata L. 131^134, 218. 

f. tangens Fritsch 131. 
Anarsia lineatella Z. V. 
**Ancylis comptana Froel. VI. 

Anthocharis cardamines L. XI, XII, 

[XV. 
**Antispila treitschkiella F. R. VI. 
Apamaea lunulina Hw. 217. 

— ■ f. oblonga Hw. 218. 

f. variegata Stgr. 218. 

oblonga Hw. 217. 

remissa Hb. 218 noot. 

f. oblonga Hw. 218 noot. 

Appias Hb. XII. 

nero L. XIV. 

Asphalia diluta F. V. 

ssp. hartwiegi Reiss. V. 

Asthena Hb. 216. 

albulata Hfn. 216. 

* f. anastomosata Lpk. 216. 

anseraria H.S. 216. 

candidata Schiff. 216. 

Bedellia somnulenta Z. V. 
Bryophila raptricula Hb. VI. 
Boloria aquilonaris Stich. IX, X. 
a. cinctata Der. IX. 

arsilache Esp. IX. 

Cacoecia aeriferana H.S. V. 
Calocalpe Hb. 147. 

cervinalis Scop. 147. 

f. infuscata Reb. 148. 

* f. tangens Lpk. 148. 

f. variegata Schwing. 

[148. 

undulata L. 148. 

f. culoti Bryk 149. 

f. heinrichi Hann. 149. 

f. nordströmi Bryk 149. 

f. paucilineata Ljungd. 

[148. 

f. septemlineata Bryk 149. 

f. subfasciata Reut. 149. 



Calophasia lunula Hfn. VI. 
Capula reticulana Hb. V. 
Catocala nupta L. V. 
f. brunnea Warr. 218. 

f. brunnescens Warr. 

[218. 

sponsa L. V. 

Catopsilia Hbn. XII. 
Celama centonalis Hb. V. 

holsatica Saub. V. 

Charaxes Stph. IV. 

Cheimatobia brumata L. 138, 139. 

Chesias Tr. 129. 

legatella Schiff. 129. 

f. nigro-griseata Heyd. 

[129. 

* f. obsoleta Lpk. 130. 

rufata F. 130. 

f. bombycata Hb. 130. 

* f. cotangens Lpk. 131. 

* f. margaritata Lpk. 131. 

f. monotonica Nordstr. 

[131. 

f. nigrescens Heyd. 131. 

f. rufata F. 130. 

* tangens Lpk. 131. 

spartiata Fssly. 129. 

Chiasmia clathrata L. IX, X. 
Chloroclysta Hb. 163. 

miata L. 164, 

siterata Hfn. 163, 164. 

Cidaria Tr. 155. 

fulvata Forst. 155. 

f. lineata Wehrii 155. 

* f. rufescens Lpk. 155. 

Cnephasia chrysantheana Dup. VI. 
* communana H.S. VI. 

Coenonympha arcania L. IV, V. 

pamphilus a. lineigera Strand 

Coenotephria Prout 189. 

berberata Schiff. 189. 

f. interrupta Metschi 

[190. 
* f. tangens Lpk. 190. 

derivata Schiff. 190. 

* f. Clara Lpk. 191. 

nigrofasciaria Gze. 190. 

sagittata F. 191. 

"^ f. approximata Lpk. 191. 

f. interrupta Hirschke 

[191. 

verberata Scop. 189 noot. 

Colias croceus Fourcr. XII. 
Colostigia turbaria Tr. 206 noot. 

turbata Hb. 206 noot. 

Colostygia Hb. 185. 

didymata L. 187. 

f. 5 albidissima Strand 

[188. 
f. brunnescens Lpk. 188. 
f. 2 contrasta Lpk. 

[188. 



REGISTER 



263 



188. 



*Colostygia didymata f. ? 

[flavescens Lpk. 
* f. planicolor 188. 

• multistrigaria Hw. 186. 

* f. pallida Lpk. 187. 

f. virgata Tutt 187. 

olivata Schiff. 185. 

pectinataria Knoch 186. 

* f. albocincta Lpk. 186. 

* . f. approximata Lpk. 186. 

* f. clausa Lpk. 186. 

* f, costovata Lpk. 186. 

Conistra vaccinii L. IX. 

Cryphia algae F. VI. 

divisa Esp. VI. 

Diarsia festiva Schiff. 217. 

mendica F. 217. 

primulae Esp. 217. 

Dismorphiinae XI. 
Drymonia trimacula Esp. V. 
Dysstroma Hb. 164. 

citrata L. 168. 

f. citrata L. 168. 

f. insolida Prout 168. 

. f. simpliciata Wlk. 168. 

. f. strigulata F. 168. 

f. variata Thunb. 168. 

immanata Hw. 168. 

truncata Hfn. 164, 167, 168. 

f. albata Cul. 165. 

* f. albonigrata Lpk. 166. 

. f. depuncta Roman. 166. 

* ■ f. effusa Lpk. 167. 

. f. f uliginosa Prout 166. 

f. fusco-rufescens Prout 

[166, 167. 

f. g riseof asciata Müll. 

[165. 

f. mixta Prout 166, 167. 

f. nigerrimata Fuchs 166. 

f. ochreata Schule 166. 

f. perfuscata Hw. 166. 

f. rufescens Ström 166. 

f. russata Hb. 165. 

f. saturata Stph. 165. 

f. truncata Hfn. 165. 

f. tysfjordensis Strand 

[165. 
Earophila Gumpp. 213. 

badiata Schiff. 213. 

— — • f. alpestris Neub. 213. 

* f. approximata Lpk. 214. 

f. badiata Schiff. 213. 

* f. defasciata Lpk. 213. 

* f. impuncta Lpk. 214. 

* f. obscurata Lpk. 213. 

f. ocellaria Bod. 214. 

f. palhdaria Lbll. 213. 

* f. planicolor Lpk. 213. 

• f. subbadiata Strand 213. 

Ecliptopera Warr. 198. 

capitata H.S. 198. 

silaceata Schiff. 198. 



Ecliptopera silaceata f. insulata 

[Hw. 198. 

Electrophaës Prout 199. 

■ — — • corylata Thunb. 199. 

f brunnescens Ljungd. 

[199. 

* f. costaclausa Lpk. 200. 

* f. degenerata Lpk. 200. 

— f. effusa Nordstr. 200. 

f. ruptata Hb. 200. 

f. unicolorata Heyd. 199. 

Epirrhoë Hb. 203. 

alternata Müll. 203, 204. 

f. cingulata Tengstr. 

[204. 

f. divisa Osth. 203. 

f. effusa Müll. 203. 

* f. obscura Lpk. 204. 

f. speudorivata Wagn. 

[203. 
f. tenuifasciata Schima 

[203. 

galiata Schiff. 205. 

f. chalybeata Tb. 205. 

f. emina Schaw. 205. 

f. unilobata Hw. 205. 

rivata Hb. 204. 

* f. approximata Lpk. 204. 

* — f. divisa Lpk. 205. 

* f. effusa Lpk. 204. 

* f. pseudoalternata Lpk. 

[204. 

sociata Bkh. 203. 

tristata L. 203. 

Episema caeruleocephala L. IX. 
Euchoeca Hb. 215. 

• nebulata Scop. 215. 

. . f. suf f usa Nordstr. 216. 

obliterata Hfn. 215. 

Eulype Hb. 202. 

bastata L. 202. 

* f. completa Lpk. 202. 

. f. laxata Kroul. 202. 

subhastata Nolck. 202. 

Euphyia Hb. 191. 

bihneata L. 194, 196. 

f. anaemica Kautz 196. 

* f. bicolor Lpk. 196. 

f. bubaceki Kautz 196. 

f. cuneata Osth. 197. 

f. dumetata' Schrk. 195. 

* f. fasciata Lpk. 196. 

* f. flavobrunnea Lpk. 

[196. 

. f. infuscata Gumpp. 196. 

. f. margaritata Kautz 195. 

* f. mixta Lpk. 196. 

f. stygiata Kautz 197. 

f. subillineata Strand 

[195. 

f. unidentaroides Strand 

[195. 

cuculata Hfn. 191. 



264 



REGISTER 



Euphyia" luctuata Schiff. 193. 

* f. approximata Lpk. 194. 

f. indistincta Osth. 194. 

f. separata Roman. 194. 

lugubrata Stgr. 193. 

picata Hb. 192. 

f. albifasciata Gauck. 

[193. 

polygrammata Bkh. 197. 

* f. contrastata Lpk. 198. 

rubidata Schiff. 193. 

f. albescens Lpk. 193. 
f. derufata Lpk. 193. 
f. margaritata Lpk. 193. 
f. tangens Lpk. 193. 

unangulata Hw. 192. 

Evetria buoliana Schiff. VI. 

* pinicolana Dbld. VI. 

Geometra Schiff. 218. 

cervinata Schiff. 116 noot. 

Geometridae 113. 
Gonepteryx rhamni L. XII. 
Graptolitha lamda ssp. zinckenii Tr. 

[V. 
Hadena cucubali Schiff. 217. 

rivularis F. 217. 

Heliophobus saponariae Esp. X. 
Hemaris fuciformis L. V. 
Hipparchus Leach 218. 
Hydrelia Hb. 214. 

flammeolaria Hfn. 215. 

f. confluens Hoffm. 215. 

* f. luteosignata Lpk. 215. 

luteata Schiff. 215. 

testaceata Don. 214. 

' f. impuncta Lpk. 215. 

Hydriomena Hb. 210. 

autumnalis Ström 211. 

coerulata F. 211. 

* f. approximata Lpk. 213 

f. coerulata F. 211. 
f. constricta Strand 212. 
f. impuncta Lpk. 213. 
f. lineata Heinr. 212. 
f. literata Don. 212. 
f. obscurevirescens Lpk. 
[212. 
f. obsoletaria Schille 212. 
f. pallida Lpk. 212. 

f. semifuscata Prout 212. 

f. striata Lpk. 212. 

furcata Thunb. 210. 

f. centrinotata Nitsche 

[211. 

f. constricta Strand 211. 

f. flavotincta Cui. 211. 

f. furcata Thunb. 211. 

f. obliterata Prout 211. 

f. obscura Peyrhff. 211. 

f. sordidata F. 211. 

f. tricolorata Schrk. 

[211. 

sordidata F. 210. 



Lampropteryx Stph. 188. 

ocellata L. 188. 

' f. albomarginata Lpk. 

[189. 
* f. obscura Lpk. 189. 

suf fumata Schiff. 189. 

Larentia Tr. 116. 

cervinata Schiff. 116. 

clavaria Hw. 116. 

* f. approximata Lpk. 117. 

* f. planicolor Lpk. 117. 

* ■ f. tangens Lpk. 117. 

Larentiinae 113. 

Lepidoptera IV, V. 

Leptidia sinapis L. XL 

Lithostege Hb. 128. 

griseata Schiff. 128. 

Lobophora Gurt. 136. 

halterata Hfn. 136. 

■ f. rudolphi Lampa 136. 

* f. unicolor Lpk. 137. 

* • ■ f. variegata Lpk. 137. 

f. zonata Thunb. 136. 

polycommata Hb. IX. 

Luperina nickerlii Frr. 217. 

testacea f. gueneei Dbld. 217. 

Lycaena dispar Hw. IV. 

Lygris Hb. 150. 

associata Bkh. 153. 

dotata Stgr., nee L. 154. 

melhnata F. 153. 

* f. approximata Lpk. 153. 

populata L. 152. 

f. dotata L. 153. 

f. mediofasciata Nitsche 

[153. 

prunata L. 150. 

f. constricta Strand 150. 

f. contrariata Lpk. 150. 
f. juncta Lpk. 150. 

f. obscura ta Barca 150. 

pyraliata Schiff. 154. 

f. approximata Lpk. 154. 

f. aurantior Lpk. 155. 

f. centrolineata Lpk. 154. 

• f. conjuncta Lpk. 154. 

f. deleta Strand 154. 

' f. juncta Lpk. 154. 

* f. mediofasciatta Lpk. 

[154. 
* f. obsoleta Lpk. 154. 

testata L. 150. 

f. achatinata Hb. 151. 

f. contraria Heyd. 150. 

f. insulicola Stgr. 

[151, 152 noot. 

f. obscura Brettschn. 

[152. 

' f. uniformata Lpk. 152. 

Lythria Hb. 113. 

purpuraria L. 113. 

purpurata L. 113. 

f. confluens Oberth. 116. 



REGISTER. 



265 



Lythria purpurata f. conjunctiva 

[Lpk. 115 noot. 

f. demaisoni Prout 113. 

f. depurpurata Kitt 114. 

f. affusata Lpk. 115. 

f. griseolineata Czek. 

[114. 
f. griseovittata Lpk. 114. 
f. hilarata Kitt 114. 
f. latevittata Lpk. 

[115, 116. 
— ■ f. mevesi Lampa 114. 
f. nigricaria Lpk. 114. 
f. speudo-suffusa Lpk. 

[114. 
f. pseudo-typica Lpk. 

[114. 
f. purpurata L. 114. 
f. rubrior Hann. 116. 
f. rubrovittata Hann. 

[115. 
f. sarmatica Priiff. 116. 
f. schumanni Hann. 116. 
f. sordidaria Z. 113. 
f. suf f usa Lpk. 114. 
f. tangens Hann. 115. 
f. tenuivittata Lpk. 114. 
f. triangulata Hann. 115. 
f. trifurca Hann. 115. 
f. trilineata Stander 115. 
f. unicolora Lpk. 114. 
Macrolepidoptera IV, VITI. 
Maculinea euphemus Hb. IX. 

teleius Brgstr. IX. 

a. paucipuncta Courv. 

[IX. 
Melanthia Dup. 201. 

procellata Schiff. 201. 

* f. reducta Lpk. 202. 

* f. signata Lpk. 202. 

Mesoleuca Hb. 200. 

albicillata L. 200. 

* f. impuncta Lpk. 201. 

* ■ f. lacticolor Lpk. 201. 

* f. quadripuncta Lpk. 

[201. 

* f. reducta Lpk. 201. 

Mesotype Hb. 127. 

virgata Hfn. 127. 

f. cotangens Lpk. 127. 
f. contrariata Heyd. 127. 
f. impunctata Pet. 127. 
f. obliquata Thunb. 127. 
f. obscurata Lpk. 128. 
f. tangens Lpk. 127. 

Minoa Tr. 128. 

murinata Scop. 128. 

Morpho F. IV. 
Mysticoptera Meyr. 137. 
• sexalata Retz. 137. 

'' f. approximata Lpk. 137. 

f. impuncta Lpk. 137. 
f. uniformata Lpk. 137. 



Mysticoptera sexalisata Hb. 137. 

Naenia Stph. 217. 
**Nepticula freyella Heyd. VI. 

Noctua mendica F. 217. 

oblonga Hw. 218 noot. 

Nothopteryx Prout 135. 

carpinata Bkh. 136, 138 noot. 

* f. obscura Lpk. 136. 

* f. tangens Lpk. 136. 

• polycommata Hb. IX, 135. 

Nycterosea Hulst 183. 

• fluviata Hb. 183. 

■ obstipata F. IX, 183. 

f . $ costovata Foltin 

[184. 
* f. inocellata Lpk. 184. 

■ f. $ interrupta Schaw. 

[184. 

f. purpurea Dann. 184. 

Nymphalidae XI. 
Ochyria Hb. 181. 

quadrifasciata CI. 181, 182. 

f. brunneofasciata 

[Hoffm. 182, 183. 
f. brunneomarginata 

[Lpk. 181. 
f. cotangens Lpk. 182. 
f. dissolutaria Pet. 182. 
f. nigromarginata Lpk. 

[182 
f. obscura Lpk. 182. 
f. quadrifasciata CI. 181. 

f. reduplicata Heinr. 

[182. 

* f. tangens Lpk. 182. 

f. thedenii Lampa 

[181-183. 

f. tristis Warn. 182. 

Oeneïs Hb. XI. 

Olethreutes hercyniana Tr. V. 

Operophtera Hb. 138. 

brumata L. 138. 

* f. brunnea Lpk. 140. 

* • f. fusca Lpk. 139. 

f. hunei Prout 139. 

' f. nigrescens Lpk. 140. 

f. unicolor Lbll. 139. 

fagata Scharf. 138. 

Opisthograptis luteolata L. X. 
Oporinia Hb. 140, 145. 

• autumnata Bkh. 

[141, 143, 145, 146. 
f. autumnata Bkh. 143. 
f. coarctata Nordstr. 

[144. 
f. melana Cl. 143. 
f. schneideri Lampa 144. 
f. tangens Lpk. 144. 
christyi Prout 142, 145, 146. 

f. christyi Prout 143. 

f. clara Harr. 143. , 

f. coarctata Harr. 143. 

f. intermedia Heyd. 143. 



266 



REGISTER 



Oporinia christyi f. oblita Allen 

[143. 

* f. tangens Lpk. 143. 

'■ f. virgata Lpk. 143. 

dilutata Schiff. 

[140, 142, 143, 145, 146. 

f. bicinctata Fuchs 141. 

f. coarctata Prout 141. 

f. disjuncta Lpk. 

[141, 145. 

f. fimbriata Hw. 141. 

f. impuncta Lpk. 141. 

f. inscriptata Don. 141. 

f. latifasciata Prout 

[141, 142. 

margaritata Lpk. 141. 

f. obscurata Stgr. 140. 

f. pallida Prout 140. 

f. tangens Lpk. 141. 

f. tectata Fuchs 141. 

f. virgata Lpk. 140,. 142. 
Omithoptera Bsdv. IV. 
Orthohtha Hb. 117. 

bipunctaria Schiff. 126. 

f. confluens Wehrli 126. 
f. cotangens Lpk. 126. 
f. herberti Prout 126. 

f. margaritata Lpk. 126. 

f. unipuncta Wehrli 126. 

chenopodiata L. 124. 

f. birgittae Nordstr. 125. 

f. brunnea Lpk. 125. 
f. chenopodiata L. 124. 
f. clarior Nordstr. 124. 
f. impuncta Lpk. 125. 
f. monodii Th. Mieg 125. 
f. planicolor Lpk. 125. 
f. plurimelineata Stauder 

[125. 

f. reducta Lpk. 125. 

f. semifasciata Lpk. 125. 

f. tangens Lpk. 125. 

coarctaria Schiff. 117. 

f. approximata Lpk. 118. 

f. cotangens Lpk. 118. 

f. impuncta Lpk. 118. 

f. intermedia Lpk. 118. 

f. seminigra Schaw. 118. 

f. tangens Lpk. 118. 

ssp. infuscata Stgr. 118. 
limitata Scop. 124. 
moeniata Scop. 125. 

f. confluens Lpk. 126. 

f. divisa Lpk. 126. 

f. margaritata Lpk. 126. 

f. obscura Lpk. 126. 

f. unipuncta Lpk. 126. 
mucronata Scop. 

[118, 120—122. 

f. approximata Heyd. 

[120. 

f. bipuncta Lpk. 120. 

f. brunnescens Lpk. 119. 



Ortholitha mucronata f. 

[extradentata Prout 119. 

*■ f. juncta Lpk. 120. 

f. latefasciata Lpk. 120. 
f. luridaria Bkh. 120. 
f. luridata Heyd. 120. 
f. mucronata Scop. 118. 
f. multistrigaria Heyd. 

[120. 
f. nigrescens Ckne. 120. 
f. nigrita Lpk. 119. 
f. nigrolineata Heyd. 

[119. 
f. pallidaria Lbll. 119. 

f. scotica Ckne. 

[119, 120. 

f. umbrifera Prout 119. 

plumbaria F. 120, 122. 

f. approximata Prout 

[122. 

f. bipuncta ta Lpk. 122. 

f. disconudata Dann. 

[122. 

f. extradentata Heyd. 

[121. 
f. fuscomarginata Lpk. 

[121. 
f. juncta Lpk. 122. 
f. luridata Hfn. 121. 
f. nigrescens Cock. 121. 
f. nigrita Heyd. 121. 
f. nigrolineata Dann. 

[121. 
f. pallidaria Heyd. 121. 
f. plumbaria F. 120. 
f. pseudolimitata Heyd. 

[121. 
f. umbrifera Heyd. 121. 

scotica Ckne. 122. 

• • umbrifera Prout. 122. 

Orthonama Hb. 184. 
■ ■ hgnata Hb. 184. 

vittata Bkh. 184. 

^ f. costovata Lpk. 185. 

Pachetra sagittigera Hfn. 217. 
Papilio L. IV. 
Parnassius Latr. IV. 
Pelurga Hb. 214. 

comitata L. 214. 

f. constrastata Lpk. 214. 
f. impuncta Lpk. 214. 
f. tangens Lpk. 214. 
f. unicolor Lpk. 214. 
f. zonata Wahlgr. 214. 

Perizoma Hb. 205. 

adacquata Bkh. 208. 

affinitata Stph. 205. 

f. effusa Sehn. 206. 
f. lineata Lpk. 206. 
f. rivinita Fischer v. R. 

[206. 
f. tenuivittata Nordstr. 
[206. 



REGISTER 



267 



Perizoma albulata Schiff. 208. 

f. griseata Stgr. 209. 

f. hebudium Weir 209. 

f. mundata Klem. 209. 

f. reducta Lpk. 209. 

f. tenuifasciata Nordstr. 

alchemillata L. 

[206, 206 noot. 
f. fennica Reut. 207. 

f. interrupta Boldt 207. 

f. peterseni Prout 207. 

aquilaria H.S. 208. 
bifasciata Hw. 207. 

f. approximata Lpk. 208. 

f. bifasciata Hw. 207. 

f. nigrofasciata Lpk. 

[208. 

f. planior Lpk. 208. 

f. unicolor Lpk. 208. 

f. unifasciata Hw. 208. 
blandiata Schiff. 208. 

f. costimacula Wagn. 

[208. 

flavofasciata Thunb. 209. 

f. aequihmbata Lpk. 210. 

f. continua Lpk. 210. 

f. dissoluta Lpk. 210. 

* • f. divisa Lpk. 210. 

*■ interrupta Lpk. 210. 

rivulata Fischer v. R. 

[206 noot. 
■ turbaria Stph. 206. 

unifasciata Hw. 207. 

Phalaena bicolorata Hfn. 155. 

cervinalis Scop. 116 noot. 

mendica Cl. 217. 

papilionaria L. 218. 

■ Viridaria F. 186. 

Philereme Hb. 149. 

rhamnata Schiff. 149. 

transversata Hfn. 149. 

vetulata Schiff. 149. 

Pieridae XL 

Pieris brassicae L. XL XV. 

napi L. XIL XV. 

Plemyria Hb. 155. 

■ rubiginata Schiff. 155. 

f. bipunctata Mann. 156. 

f. completa Reb. 156. 

f. parvula Retz. 156. 

f. plumbata Curt. 156. 
Pontia daplidice L. IX, XI, XV. 
''Psacaphora terminella Westw. VI. 
Sarrothripus degenerana Hb. 218. 
Satyridae XL 

Schrankia taenialis Hb. IX. 
Sterrha muricata Hfn. IX. 
Thera Stph. 156, 161. 

cupressata Geyer 163. 

firmata Hb. l63. 

f. approximata Lpk. 163. 
f. brunneofasciata Lpk. 

[163. 



* Thera firmata f. grisescens Lpk. 163. 
* f. interrupta Lpk. 163. 

juniperata L. 162. 

f. approximata Lpk. 162. 
f. caeca Osth. 162. 
f. costaclausa Lpk. 162. 
f. costajuncta Lpk. 162. 
f. divisa Strand 162. 
f. istriana Nauf. 162. 
f. obscura Lpk. 163. 

obeliscata Hb. 158, 161. 

f. approximata Lpk. 160. 
f. brunneo-albata Heyd. 

[159. 
f. castanea Lpk. 160. 
f. dissoluta Lpk. 161. 
f. firmatoides Nordstr. 

[158. 
f. herrichi Höf. 158, 160. 
f. interrupta Lpk. 160. 
f. mediolucens Röszler 

[160. 
■ f. medionigricans Reutti 

[159. 
f. nigrescens Lpk. 160. 
f. nigrolineata Ckne. 

[160. 
f. nigrolucens Lpk. 160. 
f. obehscata Hb. 159. 
f. obliterata Buch. -White 

[160. 

f. obsoleta Lpk. 160. 

f. pseudovariata Heyd. 

[159. 

L reducta Höf. 161. 

f. tristigaria Don. 160. 

variata Schiff. 156, 159. 

f. albata Lpk. 157. 

[157 noot. 

f. albonigrata Höf. 

[157 noot. 

f. brunneofasciata Lpk. 

[157. 
f. costimacufata Höf. 

M 58. 
f. dissoluta Höf. 158. 
f. interrupta Schaw. 158. 
f. nigrofasciata Gumpp. 
[157. 

f. obscura Höf. 157. 

f. tenuifasciata Osth. 

[158. 

f. variataSchiff. 

[156, 159. 
Tinea angustipennis H.S. V. 
Triphosa Stph. 146. 

• dubitata L. 146. 

f. cinereata Stph. 147. 

f. punctigera Strand 147. 

* f. tangens Lpk. 147. 

Xanthorhoë Hb. 171. 

biriviata Bkh. 178. 

f. aestiva Fuchs 179. 



268 



REGISTER 



*Xanthorboë biriviata f. tangens Lpk. 

[179. 

designata Hfn. 179. 

f. binderi Stander 180. 

f. coarctata Pront 180. 

* f. cotangens Lpk. 181. 

f. divisa Lpk. 180. 

f. haf neri Stauder 180. 

f. planicolor Lpk. 180. 

■ f. suf fusa Hann. 180. 

f. tangens Lpk. 181. 

ferrugata Cl. 176. 

f. coarctata Prout 177. 

f. divisa Lpk. 177. 

f. hoyeri Prüf f. 176. 

f. unicolor Lpk. 177. 

f. unidentaria Hw. 176. 

f. violacearia Vorbr. 

[177. 

fluctua ta L. 171. 

f. abstersata H.S. 1717. 

f. albescens Lpk. 172. 
f. approximata Lpk. 172. 
f. costo vata Hw. 172. 
f. degenerata Lpk. 172. 
f. fibulata Hfn. 171. 
f. fluctua ta L. 171. 
f. immaculata Tutt 172. 
f. insolida Prout 171. 
f. neapolisata Mill. 172. 
f. ochreata Prout 172. 

f. undulata Prout 172. 

montanata Schiff. 172. 

f. albomarginata Lpk. 

[174. 

f. approximata Lpk. 174. 

f. continuata Kroul. 173. 

f. costimaculata Reb. 

[174. 

f. degenerata Prout 174. 

f. divisa Osth. 173. 

f. fuscomarginata Stgr. 

[174. 
f. lacticolor Lpk. 174. 
f. lutescens Lpk. 173. 
f. nigrofasciata Osth. 

[173. 
f. pseudolapponica 

[(Schaw.) Osth. 173. 

f. tangens Lpk. 174. 

pomoeriaria Eversm. 178. 
spadicearia Schiff. 174, 176. 

f. brunnescens Lpk. 175. 

f. delatata Fuchs 175. 

f. effusa Müll. 175. 

f. griseocamparia Vorbr. 

[175. 



*Xanthoroë spadicearia f. 

[ g riseof asciata Lpk. 175. 

• f. nigrofasciata Djak. 

[175. 

* f. planicolor Lpk. 175. 

* f. tangens Lpk. 175. 

Xylena exsoleta L. IX. 

ODONATA. 

Aeschna F. 44. 
Agrion F. 44. 
Caenagrion 44. 
Calopteryx Leach 44. 
Gomphus Leach 44. 

ORTHOPTERA. 

Acrididae 248, 251. 
Acridium miniatum Brll. 249. 
Acrotylus insubricus Scop. 248. 

longipes Charp. 249. 

Aiolopus strepens Latr. 248. 

thalassinus F. 248. 

Arminda brunneri Krauss 249. 
Blatta Orientalis L. 44. 

*Buinacris Will. 251. 

* carpentieri Will. 253, 255. 

* forcipata Will. 253. 

Calliphona (Calliphonides) alluaudi 
[Boliv. 249. 

palmensis Boliv. 249. 

Calliptamus plebejus Walk. 249. 
Cycloptiloides canariensis Boliv. 

[250. 
Decticus albifrons F. 249. 
Dociostaurus maroccanus Thunb. 

[248. 
Gryllidae 250. 

Gryllotalpa vulgaris Latr. 44. 
Gryllus L. 44. 
Locusta miigratoria L. 44. 
ph. solitaria 248. 

viridissima L. 44. 

Oedipoda canariensis Krauss 248. 
Orthoptera 248. 

Paratettix meridionalis Ramb. 249. 
Patycleis sabulosa Azam 249. 
Periplaneta orientalis L. 44. 
Phaneroptera nana Fieb. 249. 
Scintharista notabilis Walk. 249. 
Sphingonotus freyi Uvar. 249. 

rubescens Walk. 249. 

— — teydei Uvar. 249. 

willemsei Mistsh. 249. 

Tessellana tessellata Charp. 250. 
Tetrigidae 249. 
Tettigoniidae 249. 



ALGEMENE ZAKEN 



269 



ALGEMENE ZAKEN 



Bentinck (Ir G. A. Graaf). Nieuwe 
en zeldzame Lepidoptera in 1948. 
V. 

Corporaal (J. B.). Diefstal van Le- 
pidoptera te Parijs. IV. 

Eyndhoven (G. L. van). Optreden 
van Tenuipalpus oudemansi Geijs- 
kes. X. 

Fischer (F. C. J.). De Opinions in 
de Bibliotheek. XV. 

Fluiter (Dr. H. J. de). Galeruca 
pomonae Scop. als prooidier van 
den patrijs. III. 

Hardonk (Ir M.). Over de vleugel- 
pigmenten der Pieriden en aan- 
verwante stoffen. XI. 

Jong (Dr C. de). Vespa crabro in 
de Betuwe. XVII. 



Leef mans (Dr S.). Cyrtidae in Pe- 

largonium-stengel. XVI. 
Meulen (G. S. A. van der). Zeld- 
zame of bijzondere Macrolepido- 

ptera. IV. 
Piet (D.). Variabiliteit bij de nar- 

cissenvlieg Lampetia equestris F. 

VII. 
Roepke (Prof. Dr W.). Over twee 

Agrilus-soorten. I. 
Speyer (Dr E. A. M.). Diverse 

waarnemingen. XV. 
Wisselingh (Prof. Ir. T. H. van). 

Vangsten van Macrolepidoptera 

in 1948. VIII. 



CORRIGENDUM 



pag. XIII, r. 19 v. b. physioligische, m. z. physiologische. 



INHOUD VAN HET TWEE-EN-NEGENTIGSTE DEEL 

Bladz. 

Verslag van de een-en-tachtigste Wintervergadering I — XVII 

f Prof. Dr J. C. H. de M e ij e re, Achtste supple- 
ment op de nieuwe naamlijst van Nederlandsche 
Diptera van 1898 1-14 

f Prof. Dr J. C. H. de M e ij e r e, Die Larven der 

Agromyziden, Neunter Nachtrag 15—33 

Dr K. W. Dammerman, Continuity versus priority 

in Nomenclature 34— 52 

Prof. Dr G. P. Ba er en ds en J.M. Baerends-van 
Roon, Embryological and Ecological investiga- 
tions on the development of the egg of Ammo- 
phila campestris Jur 53—112 

B. J. Lempke, Catalogus der Nederlandse Macrole- 

pidoptera, IX ... 113-218 

E. F. G i I m o u r, New Dutch East Indian Lamuna« 219 — 247 

C. J. M. Willemse, Second addition to the know- 

ledge of the Dermaptera and Orthoptera of 

the Canary Islands 248-250 

C. J. M. Willemse, Description of a new genus 
and species of Acrididae (Orthoptera) from the 
Solomon Islands 251—255 

Register 256-269 

Corrigendum 269 



Avis 

La Société Entomologique des Pays-Bas prie les Comités 
d'adresser dorénavant les publications scientifiques, qui lui 
sont destinées, directement à : Bibliotheek der Nederlandsche 
Entomologische Vereerùging, AMSTERDAM, Zeeburger- 
dijk 21. 

Toutes les autres publications et la correspondance doivent 
être adressées au Secrétaire. 

Si l'on n'a pas reçu le numéro précédent, on est prié d' 
adresser une réclamation sans aucun retard à la Bibliothèque 
susdite parce qu'il ne serait pas possible de faire droit à des 
réclamations tardives. 

G. L. VAN EYNDHOVEN, 
Secrétaire de la Société 
entoçQologique des Pays-Bas, 
Floraplein 9, Haarlem 



f 



I 
I 



ERNST MAYR LIBRARY 



3 2044 114 195 902 



!