Skip to main content

Full text of "Tijdschrift voor entomologie"

See other formats


mm 



WÊËmm 

; H23SBÌ -'■' 



HP 
■HE 




■■:■>■■:••■■■•■■■■■;■■■: 

'■■-■'■■' ' '■'■ ■■ ■' ' : 
BE3 .;..-.., • 






DEEL 99 1956 



TIJDSCHRIFT 
VOOR ENTOMOLOGIE 



UITGEGEVEN DOOR 



DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING 




Tijdschrift voor Entomologie, deel 99. 1956 



Aflevering 1 + 2, p. 1 — 106 verscheen 12 mei 1956 

3, „ 107—154 „ 26 sept. 1956 

4, „ 155 — 237 „ 14 dec 1956 



INHOUD VAN DEEL 99 
ä. 

Corbet, Ph. S. — The life-histories of Lestes sponsa (Hansemann) and 

Sympetrum striolatum (Charpentier) (Odonata) 217 

Havelka, J. — Beitrag zur Kenntnis der Gattung Galeruca Geoffroy 

(Coleoptera, Galerucidae) 47 

Lempke, B. J. — Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera (Vierde 

Supplement) 155 

Lieftinck, M. A. — Revision of the Carpenter-bees (Xylocopa Latreille) of 

the Moluccan Islands, with notes on other Indo- Australian species . . 55 

Lith, J. P. van — Notes on Epeolus (Hymenoptera Aculeata, Apidae) . 31 

Krüger, E. — Phaenoanalytische Studien an einigen Arten der Untergattung 

Terrestribombus O. Vogt (Hymenoptera, Bombidae). II. Teil ... 75 

Obraztsov, N. S. — Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae. I. All- 
gemeine Aufteilung der Familie und die Unterfamilien Tortricinae und 
Sparganothinae (2. Fortsetzung) 107 

Roepke, W. — Some new or little known Lepidoptera Heterocera from In- 
donesia and New Guinea, II 23 

Wiel, P. van der — Bijdrage tot de kennis der Nederlandse kevers, IV . 1 

Register 230 



DEEL 99 AFLEVERING 1—2 1956 



TIJDSCHRIFT 
VOOR ENTOMOLOGIE 



UITGEGEVEN DOOR 



DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING 



^OLo Q 




Vo^° 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99. afl. 1 — 2. Gepubliceerd 12 Mei 1956 



v&i 



Nederlandsche Entomologische Vereeniging 

Bestuur 

Dr. G. Barendrecht, President (1955 — 1961), Heemstede- Aerdenhout. 

Prof. Dr. D. J. Kuenen, Vice-President (1953—1959), Leiden. 

G. L. van Eyndhoven, Secretaris (1951 — 1957), Haarlem. 

Ir. G. A. Graaf Bentinck, Penningmeester (1952 — 1958), Amerongen. 

Dr. G. Kruseman, Bibliothecaris (1954 — 1960), Amsterdam. 

Dr. J. Wikke, (1951—1956), Bennekom. 

Dr. F. E. Loosjes (1955—1958), Bennekom. 

Commissie van Redactie voor de Publicaties 

Dr. G. Barendrecht (1955 — 1961), Heemstede- Aerdenhout. 

Dr. A. Diakonoff (1952—1955), Leiden. 

G. L. van Eyndhoven (1951—1954), Haarlem. 

Dr. L. G. E. Kalshoven (1952—1955), Blaricum. 

B. J. Lempke (1950—1953), Amsterdam. 

P. Chrysanthus (1955—1958), Oosterhout, N.B. 

J. J. de Vos tot Nederveen Cappel (1952—1955), Leiden. 

Bestuur der Afdeling voor Toegepaste Entomologie 

Dr. F. E. Loosjes, Bennekom. 
Dr. D. Dresden, Utrecht. 
Ir. J. W. Heringa, Amsterdam. 
Dr. Ir. G. S. van Marie, Deventer. 
E. Th. G. Elton, Oosterbeek. 

De contributie voor het lidmaatschap bedraagt f 10. — , voor student-leden 
f2.50, per jaar; buitenlandse leden betalen f60. — ineens. — Natuurlijke Per- 
sonen kunnen levenslang lid worden tegen het storten van f150. — ineens, Na- 
tuurlijke Personen niet-ingezetenen van het Rijk in Europa, Azië of Amerika, 
tegen het storten van f 60. — ineens. — Begunstigers betalen jaarlijks minstens 
f 10. — of, alleen Natuurlijke Personen, f 100. — ineens. 

De leden, behalve de student-leden, ontvangen gratis de Entomologische Be- 
richten van 12 nummers per jaar, waarvan de prijs voor student-leden f 1.50 per 
jaar, voor niet-leden f 1. — per nummer bedraagt. 

De leden kunnen zich voor f7.50 per jaar abonneren op het Tijdschrift voor 
Entomologie ; hiervan bedraagt de prijs voor niet-leden f 30. — per jaar. 

De oudere publicaties der Vereniging zijn voor de leden tegen verminderde 
prijzen verkrijgbaar. 

Tijdschrift voor Entomologie 

Het Tijdschrift voor Entomologie wordt uitgegeven door de Nederlandsche 
Entomologische Vereeniging en is bestemd voor de publicatie van de resultaten 
van de studie der Entomologie van algemene en bijzondere aard. Het verschijnt 
in één deel van 300 — 350 bladzijden per jaar, bestaande uit vier afleveringen. 
Bovendien worden supplementdelen, handelende over bijzondere onderwerpen, 
op onregelmatige tijdstippen uitgegeven. 



BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER NEDERLANDSE 

KEVERS, IV 

(l6e vervolg op het aanhangsel in Coleoptera Neerlandica III) 

DOOR 

P. VAN DER WIEL 

Doorwerth 

met medewerking van Chr. Berger, W. C. Boelens en P. J. Brakman 

Sedert het verschijnen van „Bijdrage III" is mijn vriend A. Reclaire helaas 
overleden, ons werk zal ik nu alleen vervolgen, gelukkig met medewerking van 
genoemde heren. Hulde aan Brakman, welke in een aantal publicaties nieuwe 
soorten voor ons land zowel als zeldzame vangsten uit Zeeland vermeldt. 

De volgende afkortingen zijn gebruikt: 
C.N.: E. J. G. Everts, Coleoptera Neerlandica, De schildvleugelige insecten van 

Nederland en het aangrenzend gebied, Bd. III, 's-Gravenhage 1922. 
N.N. : E. J. G. Everts, Coleoptera Neerlandica, Nieuwe naamlijst der in Neder- 
land en het omliggende gebied voorkomende schildvleugelige insecten, 
Zutphen 1925. 
\V. : A. Winkler, Catalogus coleopterorum regionis palaearctiae, Wenen 
1924 — 1932. 

De nomenclatuur is die der N.N.; voor zoverre zij bij W. anders is, hebben wij 
zijn nomenclatuur aangegeven. 

Namen van de vinders zijn de volgende: 

Ba.: R. Batten. Be.: Chr. Berger. Bo.: W. C. Boelens. Br.: P. J. Brakman. 
B.N.: C. M. C. Brouerius van Nidek. Gr.: W. H. Gravestein. Kr.: Dr G. 
Kruseman. KI.: B. H. Klijnstra. M.G.: Dr D. Mac Gillavry. Pl.D.: Planten- 
ziektenkundige Dienst. Re.: Dr A. Reclaire. v.R.: A. van Roon. Sch.: Pater A. 
M. Schölte SJ. Wi.: P. van der Wiel. 

Nieuw beschreven zijn: Anthicus tobias Mars. 4-pustulatus ab. nov. (pag. 17). 
Donaria tomentosa Ahr. boelensi ab. nov. (pag. 18). Crioceris 12-punctata L. 
heydeni ab. nov. en macgillavryi ab. nov. (pag. 18). Crioceris asparagi L. qua- 
dristigma ab. nov. (pag. 19). 

Cicindela maritima Latr. a. azureus Gravest. (C.N. 2; N.N. 3: W. 21 A). 
Op bovenzijde prachtig levendig blauw. Een $ ex. Texel (Slufter), 20.VIII.1947 
(Gr.) (Zie Verslag 80e Wintervergadering N.E.V. p. XXV) en 1 ex. Texel, 
2.V.1949 (Be). 

Calosoma inquisitor L. a. cupreum Motsch. (C.N. 4; N.N. 8; W. 1504 A). 
Een ex. Deurne (N.Br.), 21.V.1946 (Be). 

Carabus auratus L. a. labittei Clément (C.N. 6; N.N. 19; W. 934k A). Van 
deze opvallende ab. werd 1 ex. gevangen bij Wijlre (Z.L.), 29.V.1934 (H. W. 
E. Croockewit). 



2 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

Dyschirius. Van het genus Dyschirius Bon. verscheen een nieuwe determinatie- 
tabel „Het Genus Dyschirius Bon. in Nederland" door B. H. Klijnstra {Ent. 
Ber., vol. 15 (No. 11), p. 233, 1954), gevolgd door de beschrijvingen en mede- 
delingen betreffende de in ons land waargenomen soorten „Het genus Dyschirius 
in Nederland, vervolg" {Ent. Ber., vol. 15 (No. 12), p. 263, 1954). Het zou 
geen zin hebben deze uitstekende tabel hier op te nemen, zodat ik volsta met een 
verwijzing. De biologische gegevens in het Vervolg zijn zeer interessant. 

Bembidion tenellum Er. (C.N. 22; N.N. 110; W. 2631 A). In een noot van 
Bijdrage III werd deze soort weder als inlands vermeld nl. langs de oever van de 
Westerschelde (Z. Beveland), voorjaar 1946 (Leefmans), bovendien 2 ex. Oost- 
kapelle (Z.), 30.III.1946; 2 ex. N. & St. Joosland (Z), 13.IV.1946 (Br.) en in 
enig aantal Arnemuiden (Z.), 6.VII.1946 en 3.VIII.1946 (Br.). 

Poecilus dimidiatus Oliv. a. viridis Letzn. (C.N. 27; N.N. 181; W. 4899e A). 
Van deze bronzig-groene vorm werd een ex. bij Eindhoven in 1948 (Be.) ge- 
vangen. 

Harpalus (Ophonus) rufibarbis F. {brevicomis Schaub., Dej. part.) (C.N. 32; 
N.N. 243). Van deze voor onze fauna geschrapte soort werd 1 ex. gevangen op 
Texel (de Koog), 12.VIII.1937 (Gr.). 

Harpalus (O.) parallelus Dej. (C.N. I 86; N.N. 247a; W. 3892 A). Van 
deze soort — geen variëteit van puncticollis Payk. — werd een ex. gevangen te 
Bemelen (Z.L.), 14.IX.1936 (Wi.). 

Anisodactylus poeciloides Steph. (C.N. 35; N.N. 258; W. 4383 A). Deze 
zeldzame soort werd door Br. gevangen op de volgende plaatsen: enige ex. tussen 
Veere en Vrouwenpolder (Z.), 25. VI. 1948, op zandig terrein achter de nieuwe 
zeedijk. In 1949 was de soort reeds talrijker, in 1950 zeer algemeen: 27.V.1950 
en 24.VI.1950 werden telkens een 100-tal ex. gevangen. 

Van de blauwzwarte a. coerulescens Schilsky werd slechts een paartje gevangen; 
later werd door Be. aldaar 1 ex. gevonden. 

Verder werd de soort nog in enige ex. gevangen achter de nieuwe zeedijk bij 
Ritthem (Z.), eveneens op zandig terrein. 

Bradycellus distinctus Dej. (C.N. 35; N.N. 290bis; W. 4323 A). Tot heden 
was slechts 1 ex. van Texel (Gr.) bekend. Door Br. werd 27. V. 1950 en 24. VI. 
1950 telkens 1 ex. bij Vrouwenpolder (Z.) gevangen, op de vindplaats van 
Anisodactylus poeciloides Steph.; bovendien 1 ex. bij Oostkapelle (Z.), 10.X. 
1954, onder Cakile in de duinen, tezamen met een serie van B. verbasci Dfts. 
(Br.). 

Bradycellus sharpi Joy (C.N. 35; N.N. 291bis; W. 4324 A). Drie ex. bij 
Baarn, 22.IV.1922, 16.V.1922 en 24.III.1923 (Re., Br. det.) en 1 ex. Vijlen 
(Z.L.), 22.VII.1951 (Wi.). 

Nieuwe tabel van de Nederlandse Bradycellus-sooiten: 

1. Middeltarsen bij het $ gewoon (Subgen. Bradycellus i.sp.), voortarsen bij het g 

zwak verbreed; grotere soorten van 3 — 4j/£ mm 2. 

Middel- en voortarsen bij het $ verbreed en op de onderzijde met twee rijen schub- 
haartjes (Subgen. Tetraplatypus Tschit., Tracbycellus Ganglb., non Moraw.). De klein- 
ste soort van het genus. Pekzwart of pekbruin, de naad en de zijkant der dekschijden 
roodbruin. Halsschild met stomphoekige, aan de top zwak-afgeronde achterhoeken, de 



P. van der Wiel : Nederlandse kevers IV 3 

zijden daarvoor iets uitgerand; scutellairstreep goed ontwikkeld, de ogen weinig uit- 
puilend. Lengte iy 2 — 3 mm similis Dej. 

2. Achterhoeken van het halsschild duidelijk, hetzij stomp of scherp 3. 

Achterhoeken van het halsschild volkomen afgerond 5. 

3. Derde tussenruimte der dekschilden zonder stip achter het midden. Deze soort lijkt zeer 
op ver bas ei, doch iets donkerder gekleurd en meer gewelfd. De achterhoeken van het 
halsschild meer uitstekend en scherper, bestippeling achter de voorrand en van de basis 

krachtiger. Lengte 4 — A x / 2 mm distinctus Dej. 

Derde tussenruimte der dekschilden met een stip achter het midden 4. 

4. Halsschild iets minder verbreed dan bij sharpi, zijkanten voor de achterhoeken minder 
uitgerand, de achterhoeken iets stomper. Dekschilden gestrekter en minder gewelfd, 
scutellairstreep iets langer, bestippeling aan de basis van het halsschild krachtiger en 

dicht, in 't algemeen licht gekleurde soort. Lengte 4 — 4y 2 mm verbasci Dfts. 

Halsschild iets meer verbreed dan bij verbasci, zijden voor de achterhoeken duidelijk 
uitgerand, de achterhoeken scherper en iets uitstekend. Dekschilden korter en meer ge- 
welfd, scutellairstreep korter, bestippeling aan de basis van het halsschild krachtig 

doch minder dicht; donkerrood tot donkerbruin gekleurd. Lengte 4 — 41/2 mm 

sharpi Joy 

5. Grotere soorten van ÒV2 — 4\/i mm 6. 

Kleinere soorten van 3 — 3V2 mm > zijden van het halsschild iets sterker afgerond dan bij de 
volgende soorten, met smallere, minder dicht bestippelde basis-indrukken; dekschilden 
korter, gewelfder, tussenruimten vooral achter het midden meer gewelfd. Roestrood, de 
dekschilden gewoonlijk donkerder roodbruin collaris Payk. 

6. Donker gekleurd, zwartbruin tot zwart, randen van halsschild en dekschilden en de 
naadstreep iets lichter gekleurd. Ogen vlakker dan bij harpalinus, dekschilden korter en 
meer gewelfd, scutellairstreep gewoonlijk kort; basaal-indrukken van het halsschild 
vlakker en grover bestippeld, gemiddeld iets kleiner .Lengte 3V2 — 4 mm ... csikii Lacr. 
Vooral het halsschild lichter gekleurd, ogen gewelfd, uitpuilend; dekschilden langer en 
minder gewelfd, scutellairstreep vrij lang; basaalindrukken van het halsschild dieper, doch 

minder krachtig bestippeld; gemiddeld iets groter. Lengte 3% — 4 1/2 mm 

harpalinus Dej. 

Licinus depressus Payk. (C.N. 38; N.N. 308; W. 3715 A). Van deze soort 
was slechts 1 ex. uit ons land bekend, in 1848 door Snellen van Vollenhoven 
vermeld. Door Br. werd op 1.X.1949 een paartje gevangen in de waterleiding- 
duinen bij Vrouwenpolder (Z.), na meer dan 100 jaar werd deze uiterst zeldzame 
soort dus teruggevangen. 

Brachynus explodens Dfts. (C.N. 41; N.N. 349; W. 6686 A). Van deze 
soort — welke in Bijdrage II door ons voorlopig werd geschrapt voor de Nederl. 
fauna — werd 1 ex. bij Nuth (Z.L.), 7.V.1950 (P. Poot) gevangen, boven- 
dien werd van de a. strepens Fisch. 1 9 bij Eys (Z.L.), 23.VI.1946 (Br.) ge- 
vangen. . 

Haliplus lineatocollis Mrsh. a. beckmanni Ahlw. (C.N. 43; N.N. 368; W. 
6973b A). Een ex. van deze donker gekleurde ab. werd gevangen bij Arnhem Z., 
22.VII.1946 (Re.). 

Coelambus lautus Schaum. (C.N. 50; N.N. 379bis; W. 7140 A). In een 
sinds jaren volgelopen zanduitgraving op een heideterrein te Hilversum, werd 
deze soort ontdekt {Ent. Ber., vol. 12, p. 221, 1948), op de volgende data werd 
de soort gevonden: 1$ 4.X.1946 (Re.); 1 $ 15.VII.1947; 2 9 en 1 $ 18.VII. 
1947; 2 9 28.VII.1947; 1 $ 26.VIII.1947 en 1 $ 3.IX.1947 (Re.); 1 9 
2.IX.1947 (Wi.); 2 $ 3i.VIII.i947 (Be.) en bovendien 18 $ en 1 9 30. IX. 
1947 (Re.) en 19 9 en 5 S 8.X.1947 (Wi.). Op laatstgenoemde datum waren 



JM 4 1956 



4 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

de kevers diep in het zand verborgen. Merkwaardig dat deze oostelijke soort zo 
ver westelijk doorgedrongen is. 

In de tabel in C.N. I, p. 122, zou de soort aldus ingelast kunnen worden : 

1. Zijrand der dekschilden van voren, in een zwakke bocht naar de schouderhoek, op- 
waarts gericht 2. 

Zijrand der dekschilden van voren, in een sterke bocht naar de schouderhoek, op- 
waarts gebogen la. 

la. Dekschilden aan het uiteinde gemeenschappelijk toegespitst; de vier zwarte langslijnen 
zijn ver voor de basis afgekort, de Ie en 3e streep zijn veel korter dan de 2e en 4e 
streep. Dekschilden kort en breedovaal, aan de zijden afgerond; bovenzijde bij het $ 
en $ glanzend, in beide sexen fijn bestippeld met onregelmatige langslijnen van grovere 
stippels, bij het $ zijn deze grove langslijnen krachtiger. Bovenzijde geel, onderzijde 

zwart, onderzijde sterk en dicht bestippeld. Lengte 3 — 3Vz mrn conjluens F. 

Dekschilden aan het uiteinde niet of althans zeer weinig gemeenschappelijk toegespitst: 
de vier langslijnen bereiken bijna de basis en zijn gelijk van lengte, de 4e streep in het 
midden gewoonlijk onderbroken. Dekschilden langovaal, aan de zijden minder afgerond; 
bovenzijde bij het $ glanzend, met zeer fijne grondbestippeling en verspreide grove be- 
stippeling; bovenzijde bij het 9 mat > me ' rijen van iets duidelijker stippels. Geel, onder- 
zijde zwart, fijner bestippeld dan bij conjluens. Lengte 3V2 — 4 mm lautus Schaum 

Deronectes canaliculatus Lac. var. pantherina Reel. & v. d. W. (C.N. 52; 
N.N. 315; W. 7334 A). Van deze in Ent. Ber., vol. 12, p. 222, 1948, beschreven 
nieuwe var., werden 2 ex. gevangen in dezelfde plas als Coelambus lautus, Hil- 
versum, 29. VII. 1946 (Re.). Van de nominaatvorm onderscheidt de var. zich als 
volgt: achterhoeken van het halsschild iets meer uitgebogen, de gewelfde tussen- 
ruimten der dekschilden minder scherp aangeduid, de dekschilden opvallend dof- 
fer dan bij de typische vorm. De var. is vooral ook door de kleur onderscheiden: 
de fijne zwarte langslijnen en de verspreide zwarte vlekken op de dekschilden zijn 
minder sterk aangeduid dan bij de typische vorm, de dekschilden zijn geel, be- 
zaaid met zeer kleine ronde grijsachtige vlekjes, die vooral op de achterhelft 
duidelijker en donkerder van kleur zijn. 

Rhantus pulverosus Steph. a. ruficollis Schilsky (C.N. 61; N.N. 449; W. 
7560c A). Een $ bij Hilversum, 20.IX.1948 (Re.). 

Thiasophila angulata Er. var. pexa Motsch. (C.N. 83; N.N. 572; W. 7059 B). 
Van deze var. werd een ex. gevangen in een nest van Formica exsecta Nyl. te 
Nunspeet, 13— 16. VIII. 1921 (Wi.). 

Atheta parvicornis Muls. & Rey (C.N. 98; N.N. 636bis; W. 6409b B). 
Meerdere ex. bij Bemelen (Z.L.), 26.V.1954 (Bo.), deze soort is zeer verwant 
aan A. ami cul a Steph. 

Atheta bohildae Brundin (C.N. 101; N.N. 684bis; W. nog niet genoemd). 
In aantal gevangen te Deurningen bij Hengelo (O.), III en IV.1942 (Bo.). In 
1947 in Denemarken gevonden en door Brundin beschreven; verwant aan A. 
terminalis Grav. 

Autalia longicornis Scheerp. (C.N. 104; N.N. 74lbis; W. noemt de soort 
nog niet). Door de auteur wordt de soort ook van Valkenburg (L.) vermeld. 
In Ent. Ài. Mag.. 1947, pp. 104 — 107 werd deze nieuwe soort beschreven, zij 
komt voor in Oostenrijk (o.a. Wienerwald), Engeland (Surrey), N. Frankrijk 
(Calvados), O. Frankrijk (Vogezen), Z. Duitsland (Schwarzwald, Beyeren), Stier- 



P. van DER Wiel : Nederlandse kevers IV 5 

marken, Carinthië en Noord-Italië. Deze soort gelijkt zeer op A. impressa Ol. en 
onderscheidt zich aldus: 

Sprieten iets korter en dikker, het 4e lid nauwelijks langer dan breed, de volgende leedjes 
ongeveer IV2 maa ' z0 breed als lang; kop naar voren verbreed, in verhouding smaller 
dan bij longicornis, meer eivormig, ogen groter en minder uitpuilend; halsschild smal- 
Ier, zijden meer parallel, dekschilden naar achteren minder verbreed impressa Ol. 

Sprieten langer en slanker, 4e lid li/ 2 maal zo lang als breed, volgende leedjes nauwelijks 
verbreed; kop naar voren breder, zijden naar achteren meer versmald, de ogen kleiner 
en meer convex, naar voren meer uitpuilend; halsschild breder, naar de basis meer 
versmald, dekschilden naar achteren verbreed longicornis Scheerp. 

Bolitochara lucida Grav. (C.N. 104; N.N. 743bis; \V. 5989 B). Deze ge- 
makkelijk te herkennen soort werd gevangen: 1 ex. Vijlen (Z.L.), 26.VI.1950 
(Be.), in aantal aldaar 22.VII.1951, 21.V.1951 en 3.VII.1951 (Be. en Wi., uit 
beschimmelde takkenbossen) ; 1 ex. Bemelen (Z.L.), 6.VIII.1948 en aldaar 3 ex. 
26.V.1954 (Wi., uit oud hout) en 2 ex. Wijlre, 21.X.1951 (Wi., uit holle boom, 
in boommolm). 

Bolitochara obliqua Er. (C.N. 104; N.N. 745bis; W. 5996 B). Ook deze in 
C.N. I beschreven soort werd op enige plaatsen gevangen: in aantal bij Vijlen 
(Z.L.), 22.VII.i95i (Be. en Wi., uit oude beschimmelde takkenbossen); 4 ex. 
Wijlre (Z.L.), 21.X.1951 (Wi., uit holle bomen) en 1 ex. Vaals, 20.VI.1954 
(Wi.). 

Phytosus nigriventris Chevr. (C.N. 104; N.N. 754bis; W. 5863 B). In Ent. 
Ber., vol. 8, p. 42, 1930, werd de vangst van 1 ex. van deze soort van Cadzand 
vermeld. Sedert dien heeft Br. de soort in enig aantal gevangen bij Vrouwen- 
polder (Z.), alwaar de soort op zijn aanwijzing op 29-VI.1954 weder werd ver- 
zameld (Bo., Wi.). Waar in C.N. I de onderscheiding van Pb. haïtiens Kr. en 
nigriventris Chevr. niet erg duidelijk is aangegeven, geef ik hier duidelijker ken- 
merken. 

Lichaam zeer gestrekt, kop en achterlijf iets glanzend, zeer fijn bestippeld. Kop sterk afge- 
rond, ogen kleiner en fijner gefacetteerd, laatste sprietlid geel balticus Kr. 

Lichaam iets minder gestrekt, kop en achterlijf dof en iets grover bestippeld. Kop iets 
meer rechthoekig, ogen iets groter en grover gefacetteerd, laatste sprietlid gebruind. 
nigriventris Chevr. 

Diglossa mersa Haliday (C.N. 106; N.N. 786; W. 5758 B). In groot aan- 
tal op het strand voor de nieuwe zeedijk te Ritthem (Z.), 5. V. 195 3 (Br.). Onder 
deze ex. kwam ongeveer 4% voor van de macroptere vorm, met dekschilden 
even lang als het halsschild. Bij deze macroptere vorm zijn de sprieten gevormd 
als bij de nominaatvorm. Bij D. submarina Fairm. zijn de sprieten minder slank, 
vooral naar het uiteinde forser, 8e tot 10e sprietlid ongeveer even lang als breed. 
Bij D. mersa zijn de sprieten slanker en losser geleed, 8e tot 10e sprietlid duide- 
lijk breder dan lang, laatste sprietlid V/ 2 maal zo lang als breed. Bo. meldde mij 
nog dat submarina zeker een spec. prop. is, deze soort bezit ook een anders ge- 
vormde penis dan D. mersa. 

Hypocyptus pulicarius Er. (pulicarius Palm + hanseni Palm, seminulum 
Ganglb., Luze, Reitt. & Joh., alle part.) (C.N. 107; N.N. 806bis; W. nog niet 
genoemd). Denekamp, 2.1.1955 (Bo.). 



6 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

Tachyporus solutus Er. a. caucasicus Kolen. (C.N. 108; N.N. 816; W. 5629a 
B.). Beetsterzwaag, 2.VII.1947, 1 ex. (Wi.). 

Mycetoporus mulsanti Ganglb. (tenuis Muls.) (C.N. 111; N.N. 845bis; W. 
5418 B). St. Pietersberg, VII.1908, 1 ex. (M.G.), dit ex. stond in de coll. M.G. 
bij nanus Er. 

Mycetoporus piceolus Muls. & Rey (C.N. 112; N.N. 846bis; W. 5423 B). 
Een ex. bij den Haag, 22.III.1935 (Kr.); 1 ex. Cadzand, 11.V.1952 (Br.) en 
1 ex. Omg. Eindhoven, XI. 1954 (Be.). Geen var. van M. baudueri Muls. & Rey 
{nanus Er.), doch spec. prop. Everts vermeldde reeds in C.N. III een ex. van 
den Haag. 

Mycetoporus reichei Pand. (C.N. 112; N.N. 848bis; W. 5454 B. als var. van 
solidicornis Woll.). Een ex. bij Eindhoven, VI. 1954 (Be.). 

Quedius fuliginosus Grav. {subfuliginosus Britten, Fagel) (C.N. 116; N.N. 
883; W. 5297 B) en Quedius curtipennis Bernh. {fuliginosus Britten, Fagel). 
(C.N. 116; N.N. 883bis; W. 5297c B als var. van fuliginosus Grav.) zijn twee 
goede soorten, welke zich als volgt onderscheiden: 

Kop langer, op de bovenzijde weinig gewelfd, naar de basis minder versmald; ogen tamelijk 
vlak gewelfd. Sprieten langer, éénkleurig roodbruin. Dekschilden gewoonlijk korter, 
iets grover bestippeld; gewoonlijk iets groter dan fuliginosus Grav.; de aedeagus is aan 
de basis smaller, aan de top breder, de parameer is in het midden niet versmald en 

steekt niet boven de aedeagus uit curtipennis Bernh. 

Verspreiding: N. & St. Joosland (Z.) en Oostkapelle (Z.) (Br.); Amsterdam, Overschie, 
Soest, Hilversum, Eindhoven, Winterswijk, Schin op Geul (Z.L.) en Wijlre (Z.L.). 

Kop duidelijk korter, op de bovenzijde gewelfd, naar de basis sterker versmald; ogen sterker 
gewelfd. Sprieten iets korter, donkerder van kleur, de basale leedjes op de bovenzijde 
donker gekleurd. Dekschilden gewoonlijk iets langer, iets fijner bestippeld; gemiddeld 
iets kleiner; de aedeagus is breder aan de basis en smaller aan de top, de parameer is 

in het midden ingeknepen en steekt aan het uiteinde iets boven de aedeagus uit 

fuliginosus Grav. 

Verspreiding: N. & St. Joosland (Z.), Oosktapelle (Z.) en Norg (Dr.) (Br.); Zeeburg. 
Baarn, Leeuwen (Gdl.), Winterswijk, Ommen, Oisterwijk, Leuvenum, Milsbeek en 
Beetsterzwaag. 

Quedius pallipes Luc. {hammianus Sharp) (C.N. 116; N.N. 885bis; W. 5303, 
als subspec. van picipennis Payk.). Deze vrijwel uitsluitend aan de zeekust voor- 
komende soort is zeer verwant aan Q. picipennis Payk., de laatstgenoemde soort 
schijnt de kuststreken te mijden. De soorten onderscheiden zich als volgt: 

Dekschilden duidelijk langer, even lang als het halsschild, kleur der dekschilden gewoonlijk 
donker roodbruin, soms echter zwart. Halsschild met één bijkomende (of enkele dicht 
bij elkaar geplaatste) stippel, deze stippel of stippels bevinden zich achter aan de buiten- 
zijde van de laatste stippel van de normale rij van twee (of drie) stippels op de schijf 
van het halsschild. De parameer is slanker en gestrekter, meer toegespitst, bijna niet inge- 
bogen. Aan de kuststreken van ons land, Engeland, Frankrijk, Middenlandse zee en 
IJsland pallipes Luc. (hammianus Sharp) 

Dekschilden korter, korter dan het halsschild, kleur der dekschilden hetzij lichter roodbruin 
(var. molochinus Grav.) of zwart (nominaatvorm). Halsschild zonder bijkomende stip 
(of stippels) terzijde en achter de normale stippelrij. De parameer is in verhouding 
korter, minder toegespitst, naar de basis duidelijk ingebogen. De soort schijnt de kust- 
streek te mijden en komt meer in het binnenland voor picipennis Payk. 

Q. pallipes Luc, verspreiding in ons land: aan de Zeeuwse buitenwateren niet zeldzaam 



P. van der Wiel : Nederlandse kevers IV 7 

(Br.), Terschelling, Texel, Wieringen, Schellingwoude, Zeeburg, Muiden, Amsterdam, 
Ankeveen, Bergen op Zoom, Vrouwenpolder (Z.), Westkapelle en 1 J Houthem 
(Z.L.). Deze laatste vindplaats doet vreemd aan en doet aan etiketverwisseling denken, 
het is een oud ex. uit de coll. Re. 

Q. picipennis Payk., verspreiding in ons land: Grijpskerk (Gr.), Beetsterzwaag, Zwolle, 
Leersum, Denekamp, Ommen, Amsterdam, Muiden, Hilversum, Kortenhoef, Wamel 
(Gdl.), Eindhoven, Valkenburg (L.), Wijlre (Z.L.) en Meersen (Z.L.); de var. molo- 
chinus Grav.: Putten (Gdl.), Nunspeet, Kootwijk, Amsterdam, Wijk aan Zee, Ankeveen, 
Loosdrecht, Hilversum, Overschie, Eindhoven, Waalre, Wamel (Gdl.), Arnhem en 
Winterswijk. 

Quedius auricomus Ksw. (C.N. 117; N.N. 893bis; W. 5360 B). Van deze 
zeldzame soort werd 1 ex. gevangen te St. Odilienberg (L.), 8. IX. 1951 (Be.). 

Quedius aridulus A. Janson (C.N. 118; N.N. 898bis; W. nog niet genoemd). 
Van deze zeer aan Q. boops Grav. verwante soort werden 2 ex. gevangen te 
Meyendel (bij den Haag), 6.XI.1953, volgens opgave van Bo. Deze soort is door 
de afwijkende penis te herkennen. 

Philonthus nitidus F. (C.N. 120; N.N. 938bis: W. 4729 B). Van deze in 't 
algemeen in bergstreken voorkomende soort werd 1 ex. gevangen bij Dwingelo, 
1.VII.1942 (Post). 

Philonthus sparsus Luc. (C.N. 121; N.N. 945bis; W. nog niet vermeld). 
Deze aan Ph. sordidus Grav. verwante soort werd door Br. gevangen bij N. & St. 
Joosland (Z.), VI. 1944, 1 ex. (Tottenham vidit). De verschillen tussen beide 
soorten zijn als volgt: 

Bestippeling der dekschilden aan de basis verspreid, apicaal dichter wordend. Kop met 
een microsculptuur van fijne golvende dwarslijntjes sordidus Grav. 

Bestippeling der dekschilden over de gehele oppervlakte gelijkmatig en veel spaarzamer. De 

kop zonder microsculptuur, microscopisch glad, de parameer wijkt van sordidus af 

sparsus Luc. 

De nieuwe soort komt aan de kust van N. Afrika en W. Europa voor. 

Lithocharis nigriceps Kr. (C.N. 309; N.N. 1035ter; W. nog niet vermeld). 
Van deze soort werd 1 ex. bij Houthem (Z.L.), U.V. 1947 en 1 ex. bij Overschie, 
11. VIII. 1947 gevangen (beiden Re., det. Bo.). Kop en halsschild minder dof dan 
bij L. ochraceus Grav., halsschild roodgeel, dekschilden meer geelbruin, achterlijf 
bruin met lichtere zijden en achterrand der tergieten. Kop aan de zijden meer af- 
gerond, naar achteren minder verbreed en aan de achterhoeken meer afgerond; 
halsschild met onbestippelde middellijn (bij ochraceus egaal bestippeld); de mid- 
delste sprietleedjes ovaal (bij ochraceus aan de zijden rechter). 

Stenus ossium Steph. v. joyi Scheerp. {jnsularïs Joy) (C.N. 137; N.N. 1120; 
W. 4030 B). In mijn collectie vond ik 1 ex. van Ommen, 25.VI.19l6 (van der 
Hoop) . 

Stenus flavipalpis Thoms. (C.N. 137; N.N. 1122bis; W. 4051 B). Van deze 
meer in bergstreken voorkomende soort werd 1 ex. uit aanspoelsel bij Rhenen ver- 
kregen, 27.11.1937 (Re.). 

Bledius germanicus Wagn. {limìcola Tott.) (C.N. 139; N.N. 1139bis; W. 
nog niet genoemd). Deze soort werd door Wagner als subspec. van B. spectabilis 
Kr. beschreven en later door Tottenham als nieuwe soort uit Engeland. Waar 
ook de genitaliën verschillen, kunnen wij deze vorm als goede soort vermelden. 



8 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

In ons land niet zeldzaam en op de volgende plaatsen waargenomen: Callandsoog 
(Zwanenwater), 4.VII.1925 (Lieftinck); 4 ex. Camperduin (N.H.), 2 I.V. 
1936 (Wi.); 1 ex. Wieringen, 30.V.1937 (Wi.); 22 ex. Texel, Slufter, 24.IX. 
1947 en 9 ex. aldaar 25.V.1948 (Wi.); 3 ex. N. & St. Joosland (Z.), 2.V.1948 
(Br.); 2 ex. Ritthem (Z.), 1.VII.1950 (Br.) en 3 ex. Vrouwenpolder (Z.), 
20. VI. 1954 (Br.). Komt hoofdzakelijk binnendijks voor, het ex. van Wieringen 
buitendijks. Deze soort onderscheidt zich als volgt van B. spectabilis Kr.: gewoon- 
lijk iets kleiner en smaller; halsschild, dekschilden en tergieten fijner en minder 
dicht bestippeld; dekschilden lichter bruinrood met scherper begrensde en grotere 
zwarte vlek aan de basis en langs het schildje; bij het $ is de kophoorn langer, 
fijner en in het midden scherper, tot de top gegroefd. Bij spectabilis is de voor- 
rand van het halsschild rechter met duidelijker voorhoeken, de zij rand rechter; bij 
gertnanicus zijn de voorhoeken van het halsschild meer afgerond en naar beneden 
gebogen, de zij rand ingebogen en naar de basis meer afgerond. 

Van spectabilis — welke zowel buiten- als binnendijks voorkomt — zag ik de 
volgende ex.: Bergen op Zoom, 1 ex. 7— 9.VI.1919 (Wi.), 1 ex. 9— 14.VI.1920 
(Wi.); 5 ex. 4 en 8.VI.1921 (Re.) en 1 ex. VI.1922 (KL); 6 ex. Sas van Goes 
(Z. Bev.), 7.IV.1929 (Wi.); 1 ex. Wieringen, 21. VI 1933 Wi.) en 6 ex. N. en 
St. Joosland (Z.), V.1940 (Br.). 

Ploeonomus punctipennis Thoms. (C.N. 155; N.N. 1229bis; W. 3l45bB). 
Geen a. van pusillus Grav., doch spec. prop. Uit ons land zag ik de navolgende 
ex.: 3 ex. Geulem (Z.L.), 24 — 29.III.1921 (Wi.); 1 ex. Houthem (Z.L.), 
19.IX.1929 (Wi.); 1 ex. Norg (Dr.), 24.V.1931 (Wi.); 1 ex. Bekkum bij Hen- 
gelo (O.), 2.IV.1934 (Wi.); vele ex. Oostkapelle (Z.), 10.IV.1948 (Br.); 1 ex. 
Roden (Dr.), 18.VI.1950 (Wi). en 1 ex. Voerendaal (L.), 12.VI.1952 (Wi.). 

Stenichnus Godarti Latr. (C.N. 170; N.N. 1328bis; W. 2201 B). De grootste 
soort van het genus; gevonden werden de volgende ex.: 2 ex. Epen (Z.L.), 24. V. 
1951 (Be., Wi.); 1 ex. Voerendaal (Z.L.), 11.VII.1952 (Be.); 1 ex. Gulpen, 
6.VII.1952 (Be.) en 2 ex. Voerendaal (Z.L.), 1.VI.1953 (Be.). 

Scydmaenus perrisi Reitt. (C.N. 171; N.N. 1340bis; W. 2410 B). In een 
mierennest van Lasius brunneus Latr. in een holle appelboom bij Bemelen (Z.L.), 
2 ex. 7. VIII. 1946 (Be., Wi.), in gezelschap van Batrisus formicarius Aubé, Ba- 
trisodes Delaportei Aubé en B. venustus Reitt. In enig aantal werd de soort even- 
eens in een nest van Lasius brunneus gevonden te Voerendaal (Z.L.), 25. VI. 1955 
(Be., Br., Wi.), ook hier in gezelschap van Batrisus en Batrisodes-soorten. Het 
bleek ons dat deze soort vooral in de broedgangen leeft, terwijl Batrisus en Ba- 
trisodes-soorten in het gehele nest voorkomen. 

Parabathyscia wollastoni Janson (C.N. 177; N.N. 134lbis; W. 993 B). Deze 
blinde Silphide werd door Br. in enig aantal gezeefd uit een hoopje rottend gras 
in zijn tuin te N. & St. Joosland (Z.), 19.IX.1948, 30.IX, 6.X en 14.X.1948. 
Tevens maakte Br. attent op enkele onjuistheden in C.N. I: de sprieten zijn veel 
korter dan het halve lichaam, de voortarsen zijn bij het $ vijfledig, bij het 9 
vierledig, de overige tarsen zijn in beide geslachten vijfledig. 

Nargus badius Strm. (C.N. 173; N.N. 1348bis; W. 1463 B). Van deze soort, 
welke ik reeds lang uit ons land verwachtte, werden 4 ex. gevangen te Leuvenum, 
9. IV. 1949 (Wi.), bij het uitzeven van dorre bladeren. 



P. van der Wiel : Nederlandse kevers IV 9 

Liodes rubiginosa Schmidt a. obscura Fleisch. (C.N. 186; N.N. 1416; W. 
1727b B). Van deze ab. met donkere kop en halsschild werden enige ex. te Eind- 
hoven en omgeving gevangen o.a. VII. 1949 (Be.). 

Liodes scita Er. (C.N. 186; N.N. I423bis; W. 1794 B). Deze opvallende soort, 
vooral te herkennen aan de in het midden duidelijk hoekig gebogen 2e, 3e en 4e 
stippellijnen, werd in 4 ex. gevangen in de omgeving van Eindhoven, VII. 1949 
(Be.). 

Agathidium piceum Er. (C.N. 189; N.N. l445ter; W. 1896 B). In „Fauni- 
stik der Mitteleur. Käfer II" wordt deze soort door Horion ook uit „Holland" 
opgegeven. Horion schreef aan Br. dat zich een ex. van deze soort bevindt in 
het Natuurhist. Museum te Maastricht, dit ex. werd door Rüschkamp gevangen te 
Valkenburg (L.). 

Ptinella aptera Guér. (C.N. 198; N.N. 1485; W. 2700 B). Door Everts 
wordt deze soort alleen van Gronsveld vermeld. In mijn collectie bezit ik de soort 
van Denekamp, 6.VIII.1932 (Wi.), Bekkum bij Hengelo (O.), 2.IV.1934 (Wi.) 
en Winterswijk, 17.V.1937 (Re., Wi.). Van alle drie vindplaatsen meerdere ex. 
onder eikenschors gevangen. Bij de var. tenuis Csiki {an gustata Matth. nee Gillm.) 
zijn de dekschilden korter, duidelijk korter dan breed, overtuigende ex. zag ik nog 
niet uit ons land. 

Van de langvleugelige f. alata ratisbonensis Gillm. bezit ik 1 ex. van Denekamp, 
6.VIII.1932 (Wi.) en 1 ex. van Bekkum bij Hengelo (O.), 2.IV.1934 (Wi.). 

Als hoofdkenmerk van P. aptera Guér. wordt opgegeven dat de achterhoeken 
van het halsschild een uiterst klein uitstekend tandje bezitten, ook met de micros- 
coop is dit tandje gewoonlijk niet te zien, doordat het halsschild geheel tegen de 
basis van de dekschilden aansluit. Zeer verwant aan P. aptera is de gemiddeld iets 
kleinere P. tenella Er., waarbij dit tandje ontbreekt, de achterhoeken zijn hier 
iets stomp of afgerond. 

Ptinella tenella Er. (C.N. 198; N.N. i486; W. 2706 B). In de N.N. komt 
P. angustula Gillm. te vervallen als soort en komt als var. bij P. tenella te staan. 
P. tenella bezit ik in mijn collectie van de volgende plaatsen: Epen (Z.L.), e.l. 
18.VII.1934 (Wi.), uit eikenschors gekweekt; Bemelen (Z.L.), e.l. IX.1946 
(Wi.), gekweekt uit de molm van een appelboom en Geulem (Z.L.), 21. VI. 1948 
(Wi.); van deze drie vindplaatsen bezit ik meerdere ex.; bovendien bezit ik 2 ex. 
van Spaubeek (L.), 29. VIII. 1929 (Sch., achter dennenschors) en 1 ex. van Grons- 
veld (Z.L.), VI. 1898 (Veth). Het laatste ex. werd door Everts als aptera Guér. 
gedetermineerd. In C.N. III vindt men de vermelding dat vermoedelijk enige ex. 
van deze vindplaats zouden behoren tot de v. angustula Gillm., in de N.N. werden 
deze ex. als afzonderlijke soort vermeld (zie boven). Bij mijn materiaal vind ik 
deze var., waarbij de dekschilden iets korter dan breed zijn, van de volgende 
vindplaatsen: 2 ex. Epen (Z.L.), e.l. 18.VII.1934 (Wi.); 1 ex. Epen (Z.L.), 
15.IX.1934 (Wi.); 1 ex. Bemelen (Z.L.), e.l. IX.1946 (Wi.) en 1 ex. Geulem 
(Z.L.), 21.VI.1948 (Wi.). 

Van de gevleugelde vorm f. alata gracilis Gillm. ving ik 1 ex. bij Ruurlo, 15.V. 
1937. 

Bij de var. biimpressa Reitt. bevinden zich op het halsschild twee duidelijke 
langsindrukken, van deze var. bezit ik 2 ex. Epen (Z.L.), e.l. 14.VII.1934 



10 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. l — 2, 1956 

(Wi.); 1 ex. Epen (Z.L.), 15.IX.1934 (Wi.); 1 ex. Bemelen (Z.L.), e.l. IX.1946 
(Wi.) en 3 ex. Geulem (Z.L.), 21.VI.1948 (Wi.). 

De twee soorten (P. aptera en temila) onderscheiden zich — afgezien van het 
al of niet ontbreken van het uitstekend tandje aan de achterhoeken van het hals- 
schild — als volgt: 

Lengte 0,65 — 0,7 mm, dus gemiddeld iets groter dan tenella. Bij de nominaatvorm de 
dekschilden slechts Vs langer dan het halsschild, ongeveer even lang als breed; bij v. 
tenuis Csiki de dekschilden korter dan breed. Kop, halsschild en dekschilden tamelijk glanzig, 
de microscopische grondsculptuur van kop en halsschild wijdmazig, de bestippeling op het 
halsschild uiterst fijn en verspreid, de bestippeling der dekschilden iets grover en meer ver- 
spreid. Kleur roodachtig geel, achterlijf in het midden donkerder. Gevleugelde vorm: dek- 
schilden ongeveer tweemaal zo lang als het halsschild, breder, de zijden rechter, naar het 
uiteinde minder versmald, kleur bruinachtig, achterlijfspits iets lichter P. aptera Guér. 

Lengte 0,6 — 0.65, dus gemiddeld iets kleiner dan aptera. Bij de nominaatvorm de dek- 
schilden de helft langer dan het halsschild, duidelijk langer dan breed; bij de v. angustula 
Gillm. de dekschilden hoogstens zo lang als breed. Kop, halsschild en dekschilden tamelijk 
mat, vetglanzend; de microscopische grondsculptuur van kop en halsschild engmazig, de 
bestippeling van het halsschild duidelijker en dichter, de bestippeling der dekschilden iets 
fijner en dichter. Kleur geelachtig, achterlijf in 't midden bruinachtig. Gevleugelde vorm: 
dekschilden ruim tweemaal zo lang als het halsschild, smaller, de zijden meer afgerond en 
naar het uiteinde versmald; halsschild smaller, naar de basis versmald; kleur geelachtig-bruin, 
achterlijfsspits bruingeel P- tenella Er. 

Platysoma frontale Payk. (C.N. 203; N.N. 15l4bis; W. 3468 B) enige ex. 
omgeving Roermond, najaar 1948 en VI. 1949 (Broeder Wulfrannus); 2 ex. 
Echt, 30.IV.1950 (Be.); 6 ex. Eindhoven, V.1950 (Be.) en 1 ex. Doorwerth, 
21.VII.1954 (Wi.). 

Saprinus semistriatus Scriba (C.N. 206; N.N. 1546; W. 8282 B). Door ge- 
nitaliënonderzoek van een zeer groot aantal ex. van wat tot dusverre werd opgevat 
als S. semistriatus, is Ihssen tot de ontdekking gekomen dat semistriatus een 
verzamelnaam was voor drie soorten (Kol. Zeitschr., vol. 1, 1949 (1950), pp. 
176 — 190 en Br., in Ent. Ber., vol. 13, p. 157, 1950). Door dit onderzoek is 
klaarheid geschapen, al kunnen de namen van de twee door Ihssen nieuw be- 
noemde soorten niet behouden blijven, aangezien zij reeds eerder beschreven 
waren. 

Van genoemde soort (semistriatus) zagen wij ex. van N. & St. Joosland (Z.) 
(Br.); Valkenburg (L.), Haamstede (Schouwen), Meerssen (Z.L.) en Terborg 
(Wi.); Leersum (Doct. van Leeuwen); Hilversum (Re.); St. Odilienberg (L.) 
en Eysden (Be.). Bovendien bezit ik een 9 van Schin op Geul, waarbij het me- 
sosternum alléén aan de zijden bestippeld is. Buitenlandse ex. bezit ik van Bel- 
linchen a.D., Mark (F. Zumpt). 

Saprinus planiusculus Motsch. (cuspidatus Ihssen) (C.N. 206; N.N. 1546bis; 
W. nog niet vermeld). Deze soort zagen wij van N. & St. Joosland, St. Jansteen 
en Ritthem (Z.) (Br.); Bergen op Zoom, Noordwijk a.Z., Texel (Hoorn), Texel 
(de Koog), Zandvoort, Domburg, Haamstede (Wi.); den Haag (v. Eldik); 
Holl. Rading, Hilversum en Bergen op Zoom (Re.) en St. Odilienberg (Be.). 
Een afwijkend $ , waarbij het mesosternum aan de zijden sterk bestippeld is, vond 
ik bij Vierhouten, 18. VII. 1926. Buitenlandse ex. bezit ik van Bellinchen a.D., 
Mark (F. Zumpt) en Umg. Wiener Neustadt (N.O.) (L. Bach, ex. Coll. Breu- 
ning). 



P. van der Wiel : Nederlandse kevers IV 11 

Saprinus punctatostriatus Mars. (meridiondis Ihssen) (C.N. 206; N.N. 
1546ter; W. nog niet genoemd). In ons land werd tot heden de nominaatvorm 
niet gevonden, de kans hierop is ook zeer gering, aangezien de hoofdverspreiding 
in het Middellandsezeegebied ligt; wel bezit ik twee buitenlandse ex. n.l. van 
Wien Prater (Coll. Breuning). 

Van de var. subnïiescens Bickh. (W. 8282b B) werd een $ gekweekt uit een 
kauwen-nestkast van Bekkum bij Hengelo (O.), IX.1938 (C. Osse). 

De drie soorten kunnen als volgt onderscheiden worden: 

1. Mesosternum grof bestippeld. De vier rugstrepen der dekschilden volledig ontwikkeld, 
zij reiken in de regel tot in de bestippeling op de achterhelft der dekschilden. Aedeagus 

apicaal spatel vormig verbreed, vrijwel recht af geknot semistriatus Scriba 

Mesosternum zeer fijn bestippeld, op het midden bijna glad, slechts aan de randen 
soms iets duidelijker bestippeld 2. 

2. Derde rugstreep der dekschilden (gerekend vanaf de schouder) sterk verkort, niet tot 
in de bestippeling op de achterhelft reikend. Aedeagus apicaal geleidelijk iets verbreed. 

daarna toegespitst, van terzijde gezien gelijkmatig gebogen planiusculus Motsch. 

De vier rugstrepen zijn volledig ontwikkeld en ongeveer even lang. De aedeagus gelijkt 
veel op die van planiusculus, doch van terzijde gezien is de top plotseling rechthoekig 

naar buiten gebogen punctatostriatum Mars. 

Bij var. subnitescens Bickh. reikt de bestippeling op de dekschilden aan de naad niet 
meer naar voren als aan de randen, de bestippeling iets minder gedrongen. 

Plegaderus dissectus Er. (C.N. 210; N.N. 1558bis; W. 8212 B). Van deze 
soort werden 3 ex. gekweekt uit molm van een appelboom, Bemelen (Z.L.), e.l. 
VII.1951 (Wi), 5 ex. 26.V.1954 (Be., Wi.) en 3 ex. VII.1954 (Be.); boven- 
dien enige ex. Voerendaal (Z.L.), 12.VII.1952 (Be., Wi.). 

Aphodius luridus F. a. apicalis Muls. (C.N. 307; N.N. 1618; W. 7644ÌD). 
Een ex. Woensdrecht, 8.VI.1921 (Re.) en 1 ex. Elten, l6.IV.1943 (Re.). 

Onthophagus nuchicornis L. a. immaculatus Muls. (C.N. 310; N.N. 1636; 
W. 7305c D). Van deze totaal ongevlekte ab. werden te Hilversum 1 ex. 2. V. 1926 
en 1 ex. VI. 1926 (Re.) gevangen; verder 12 ex. Texel (de Koog), 19. V. 1948 en 
Texel (Slufter), 2 5. V. 1948 (Re., Wi.). 

Nemosoma elongatum L. (C.N. 237, N.N. 1771bis; W. 6599 C). Van deze 
interessante soort werd 1 ex. gevangen in een verwaarloosde appel-boomgaard te 
Voerendaal, 11. VII. 1952 (Be.). De appelbomen waren sterk aangetast door 
Scolytus mali Bechst. 

Cychramus quadripunctatus Hrbst. (C.N. 223; N.N. 1858bis; W. 7019 C). 
Bij Houthem (Z.L.) werd destijds 1 ex. gevangen, 10.VI.1935 (Wi.). Thans is de 
soort eindelijk teruggevonden n.l. bij Vijlen (Z.L.), enig aantal 18.VI.1955 van 
hazelaar geklopt (Be., Wi.), op dezelfde plaats werden de volgende dag enige ex. 
van bramen en sparren geklopt (Be., Br., Wi.). 

Pocadius ferrugineus F. a. rottrautae Kniephof (C.N. 223; N.N. I860; W. 
7032dC). Van deze donkere en kleine vorm werd 1 ex. te Bergen N.H., 
VIII. 1909 (M.G.) gevangen en 2 ex. aldaar X.1953 (Nonnekens). 

Rhizophagus grandis Gyll. (C. N. 225; N.N. 1866bis; W. 7137 C). Deze in 
de gangen van Dendroctonus micans Kug. levende soort werd gevangen te Hars- 
kamp, 1 ex. 12.VII.1948 (Voûte), 2 ex. 's Heerenberg, 6.XII.1951 (Elton) en 
1 ex. Nunspeet, op Sitkaspar, 29. IX. 1953 (Voûte). 



12 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

Rhizophagus nitidulus F. (C.N. 225; N.N. 187lbis; W. 7155 C). Onder de 
schors van een dode beuk werden 3 ex. te Roden (Dr.), 4. VII. 1948 (Br.) ge- 
vonden. 

Rhizophagus dispar Payk. (C.N. 225; N.N. 1871ter; W. 7151 C). Onder 
eikenschors werden de volgende ex. verzameld: Vijlen (Z.L.), 2 ex. 19. V. 1951 
(Wi.); 1 ex. 21.V.1951 (Wi.); 3 ex. 3.V.1953 (Be.); in aantal 23.V.1954 (Be., 
Wi.) en eveneens in aantal in de omgeving van Eindhoven, V.1953 (Be.). 

Rhizophagus parvulus Payk. (C.N. 226; N.N. 1872bis; W. 7146 C). In de 
omgeving van Bussum, werd een 5-tal ex. van deze soort 2. IX. 1951 (B.N.) ge- 
vangen. 

Laemophloeus testaceus F. (C.N. 249; N.N. 1896bis; W. 7277 C). Deze 
soort werd in aantal verzameld in de omgeving van Roermond, 10.1.1948 (Broeder 

WULFRANNUS). 

Laemophloeus corticinus Er. (C.N. 249; N.N. 1898bis; W. 7303 C). Onder 
dennenschors, 1 ex. bij Delden, 2.VII.1949 (Bo.). 

Laemophloeus ater Oliv. (C.N. 249; N.N. 1899; W. 7288 C). De op de 
bovenzijde geheel zwarte nominaatvorm was uit ons land nog niet bekend, werd in 
aantal gevangen bij Roermond, 10.1.1949 (Broeder Wulfrannus). 

Crytophagus vini Panz. (C.N. 230; N.N. 1918; W. Micrambe 7558 C). Van 
deze soort werd 1 ex. te Oostkapelle (Z.), 13.VII.1944 (Br.) gevangen. Later in 
groot aantal van Ulex europaeus geklopt bij Vrouwenpolder (Z.), 30. III. 1946 
(Br.). 

Cryptophagus villosus Heer. (C.N. 230; N.N. 1918bis; W. Micrambe 7578a 
C). Dit is de soort welke reeds lang uit ons land bekend was, doch tot heden als 
var. van de vorige soort werd aangezien, het is echter een spec. prop. 

Cryptophagus postpositus J. Sahlb. (C.N. 230; N.N. 1922; W. hïrtulus Kr. 
7587 C). De in C.N. III onder de naam C. hïrtulus Kr. beschreven soort dient 
Cr. postpositus J. Sahlb. genoemd te worden, omdat blijkens de typen van 
Kraatz C. hïrtulus een verzamelnaam is van meerdere soorten. Uit ons land wer- 
den de volgende ex. bekend: 3 ex. Houthem (Z.L.), VIII. 1923 (Kempers); 1 ex. 
Valkenburg (L.), 6.VI.1931 (Re.) en 1 ex. Amsterdam, 23.V.1902 (Leefmans), 
dit laatste ex. wellicht geïmporteerd. Een Zuid-Europese soort, welke in ons land 
zeer zeldzaam is. 

Cryptophagus corticinus Thoms. (rufus Ch. Bris.) (C.N. 228; N.N. 1952bis; 
W. 7622a C). In ons land tot heden slechts eenmaal gevonden n.l. 1 $ bij Vaals, 
15.V.1932 (Re.) (det. Br., vid. Bruce). Deze soort gelijkt op subfumatus Kr., 
heeft dezelfde karakteristieke naar voren uitgetrokken voorhoeken van het hals- 
schild, waardoor de voorrand van het halsschild iets uitgerand is. Bij de overige 
kortharige inlandse Cryptophagus-sooiten komt dit kenmerk niet voor. De be- 
stippeling van het halsschild is veel dichter bij corticinus dan bij subfumatus, de 
bestippeling van de voorste helft der dekschilden is bij corticinus grover doch 
minder dicht dan die van het halsschild; bij subfumatus zijn de dekschilden fijner 
dan het halsschild bestippeld. De beharing der dekschilden is bij subfumatus lang, 
dicht en geel, bij corticinus veel korter, meer verspreid en zilvergrijs; tenslotte 
zijn bij subfumatus de dekschilden mat, bij corticinus glanzend. 

Cryptophagus pseudodentatus Bruce (C.N. 229; N.N. 1931; W. nog niet ver- 






P. van der Wiel: Nederlandse kevers IV 13 

meld). De in C.N. onder de naam C. pallidas bedoelde soort dient C. pseudo- 
dentatus Bruce genoemd te worden, omdat de echte C. pallidas Strm. een geheel 
andere soort is, die in Zuid-Europa algemeen voorkomt, doch in ons land uiter- 
mate zeldzaam is. C. pseudodentatus echter is de meest algemene soort van het 
genus, in ons land overal te vinden, o.a.: Rhenen, Vijlen (Z.L.), Doetinchem, 
Valkenburg (L.), Geulem (Z.L.), Ankeveen, Vlieland, Assen, Schin op Geul, 
Nunspeet, Lage Vuursche, Dieren, Texel, Vaals, Denekamp, Wijlre (Z.L.) en 
Hilversum. 

Cryptophagus pallidus Strm. (C.N. 229; N.N. 1931bis; W. 7599 C). Van 
deze in Zuid-Europa algemeen voorkomende soort werd slechts 1 ex. te Voeren- 
daal (Z.L.) in een oude appelboomgaard, 11.VII.1952 (Be.) gevangen (det. 
Br., vid. Bruce). 

Caenocelis subdeplanata Chr. Bris. (C.N. 231; N.N. 1948bis; W. 7722a C). 
Van deze zeldzame soort werden de volgende ex. in ons land gevangen: 1 ex. 
omg. Eindhoven, 20. V. 1950 en van dezelfde vindplaats 1 ex. III. 1954 (Be.). 

Atomaria lewisi Reitt. (C.N. 233; N.N. 1968bis; W. nog niet vermeld). Deze 
interessante soort werd bij ons op de volgende plaatsen gevonden: verscheidene- 
ex. N. & St. Joosland (Z.), 16.VI.1944, 2.IX.1947; 7.IX.1948 en 19.IX.1948 
(Br.); 5 ex. Overschie, 2— 11.VIII.1947 en 2 ex. aldaar 11.VIII.1948 (Re.); 4 
ex. Eindhoven, 1948 en 1952 (Be.); 1 ex. Vijlen (Z.L.), 6.VII.1952 (Be.) en 1 
ex. Epen (Z.L.), 5.VII.1953 (Be.). Deze soort werd door Reitter in 1877 be- 
schreven uit Japan en is sedertdien bekend geworden van China, Siberië en Tur- 
kestan. In 1937 werd zij voor het eerst in Europa gevonden nl. bij Londen. Te N. 
& St. Joosland en Overschie werd zij in gezelschap gevonden van Vhilonthns 
rectangulus Sharp welke een soortgelijke verspreiding heeft. Van alle inlandse 
soorten te onderscheiden door de lange en afstaande beharing der dekschilden; 
zeer verwant aan A. zettersted/i Zett., daarvan te onderscheiden behalve door de 
beharing, door de bestippeling. Bij leivisi is deze op het halsschild en dekschilden 
vrijwel van gelijke sterkte, bij zetterstedli zijn de dekschilden veel fijner bestippeld 
dan het halsschild. 

Atomaria ornata Heer (niet syn. met A. versicolor Er., doch een goede soort) 
(C.N. 233; N.N. 1974bis; W. 7774a C). Uit naalden onder sparren gezeefd, 
1 ex. Norg (Dr.), 3.VII.1948 (Br.). Deze soort gelijkt op A. versicolor, doch is 
daarvan onmiddellijk te onderscheiden, doordat bij ornata de zijden van het hals- 
schild aan de basis het breedst zijn en van hier tot ongeveer het midden rechtlijnig 
naar voren versmald. Het halsschild heeft over de gehele achterrand een duide- 
lijke basaalgroef, bij versicolor is deze onduidelijk; de bestippeling van het hals- 
schild is veel dichter en krachtige dan bij versicolor, de bestippeling der dek- 
schilden is bij ornata fijner dan die van het halsschild, bij versicolor ongeveer 
even sterk. A. ornata is voorts forser en langer, het ex. uit Norg meet bijna 2 mm. 
A. versicolor wordt algemeen vermeld van schimmel van wijnvaten, ornata wordt 
uit bergstreken van Oostenrijk, Duitsland, Zwitserland, N. Italië en Frankrijk op- 
gegeven. 

Phalacrus brisouti Rye (hybridus Flach) (C.N. 211; N.N. 1991bis; W. 
7866 C). Deze voor ons land nieuwe soort werd gevangen: 1 ex. Arnemuiden 
(Z.), VIII.1941 (Br.); N & St. Joosland (Z.), 2 ex. VI.1952, 18 ex. aldaar 



14 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

7.VII.1946, 1 ex. 20.VII.1947, 1 ex. 20.VIII.1947 en in aantal 30.VII.1947 
(Br.), bovendien 7 ex. bij Cadzand (Z.), VIII.1951 (Be.). 

Phalacrus championi Guill. (brunnipes Rye) (C.N. 212; N.N. 1991ter; W. 
7878 C). Door Br. werd van deze soort gevangen: 1 ex. N. & St. Joosland (Z.), 
VI.1942; 3 ex. aldaar 12.VI.1949, 30.VII.1949 en 23.VIII.1953 (Br.) en 1 ex. 
Kleverskerke (Z.), 11. VIII. 1945 (Ba.). 

Olibrus corticalis Panz. a. adustus Flach (C.N. 212; N.N. 1997; W. 7897a 
C). Van deze donker gekleurde ab. werd 1 ex. op Vlieland 26. VII/3. VIII. 1931 
(Re.) en 2 ex. op Texel (de Koog), 15 — 17.IX.1946 (Re.) gevangen. 

Enicmus brevicornis Mannh. (C.N. 244; N.N. 2017bis; W. 8181 C). Enige 
ex. Oostkapelle (Z.), 26.VI.1948, in aantal aldaar 22. VII. 1948, in verdroogde 
Myxomyceten op een beukenstam (Br.). 

Litargus balteatus Lee. (C.N. 256; N.N. 2055bis; W. nog niet vermeld). 
Enige ex. uit beschimmelde tulpenbollen, geïmporteerd uit Frankrijk, St. Pankras 
(N.H.), 8.VIII.1931, 13.VIII.1931, e.p. 24.VIII.1931, e.l. IX.1931, e.l. X.1931 
(Plantenziektenk. Dienst); 1 ex .Amsterdam, uit Brasiliaanse aardnoot (Wi.) en in 
groot aantal uit beschimmelde Malta-aardappelen, Amsterdam, 8. XI. 1938 (Kr., 
Wi.). Deze soort werd door Zacher uit Guatamala-maïs vermeld, uit het Brits 
Museum zag ik ex. van N. Sonora, Mexico (Morrison), Jalapa, Mexico (Hoege) 
en Arizona (Morrison). De soort is als volgt van L. coloratus Rosh. te onder- 
scheiden: 

Sprieten geheel geel, laatste sprietlid slechts iets langer dan het voorlaatste, iets langer dan 
breed. De beharing op de dekschilden grof en ook op de donker gekleurde gedeelten 
geelachtig coloratus Rosb. 

Sprietwortel geelachtig, vanaf het 3e of 4e lid pekbruin, laatste sprietlid tweemaal zo lang 
als het voorlaatste lid, bijna tweemaal zo lang als breed. De beharing op de dekschil- 
den fijn en alleen op de licht gekleurde gedeelten geelachtig balteatus Lee. 

Cis jacquemarti Mellié (C.N. 235; N.N. 2062bis; W. 9132 C). In aantal 
verzameld uit een grote Polyp or us-soott op een beukenstomp, Doorwerth, 3. VI. 
1954 en 21.VII.1954 (Wi.), bovendien in zeer groot aantal gekweekt uit mede- 
genomen zeer grote Polyporus-soort van dezelfde beukenstomp, XI en XII. 1954 
(Wi.); 2 ex. Bemelen (Z.L.), V.1954 (Be.) en 9 ex. Oostkapelle (Z.), 18. III. 
1954 in de onherkenbare resten van een Polyporus-soott op beuk (Br.). De v. 
gldbratus Mellié: terwijl bij de nominaatvorm de voorhoeken van het halsschild 
scherp rechthoekig, iets naar voren uitgetrokken zijn, zijn bij de var. de voor- 
hoeken afgerond of iets stomphoekig, niet naar voren uitgetrokken. Van de var. 
2 ex. bij Bemelen (Z.L.), 21.VII.1951 (Wi.) en 1 ex. aldaar V.1954 (Be.). 

Langelandia anophthalma Aubé (C.N. 239; N.N. 2084bis; W. 8436 C). Van 
deze interessante soort werd 1 ex. gevangen bij Kleverskerke (Z.), 3. XI. 1945 
(Ba.); dit ex. had zich vastgeklampt aan een ex. van Valgus hemipterus L. 

Microchondrus latus Redt. (C.N. 257; N.N. 2097bis; W. Symbiotes 8616C). 
In een vermolmde boom 1 ex. bij Cadier & Keer (Z.L.), V.1954 (Be.); op de- 
zelfde vindplaats 1 ex. in een holle haagbeuk, 20.VI.1955 (Wi.). 

Scymnus interruptus Goeze (C.N. 270; N.N. 2117bis; W. 8860 C). Een klein 
ex. (?) van deze soort werd gevangen bij Wissenkerke (Z.), 5. VII. 1952 (Ba.). 



P. van der Wiel : Nederlandse kevers IV 1 5 

Heterocerus fossor Ksw. (C.N. 282; N.N. 2228; W. 6195 C). Totaal zwarte 
ex. werden gevangen: 1 ex. Bergen op Zoom, 7 — 18.VI.1920 (Wi.) en verschei- 
dene ex. te N. & St. Joosland (Z.), V.1940 (Br.). 

Agrilus subauratus Gebl. (C.N. 320; N.N. 2245bis; W. 5565 C). Van deze 
fraaie soort werd bij Vaals, 8. VI. 1952 een ex. op wilg gevangen (Be.). 

Agrilus viridis L. a. nocivus Ratzeb. (C.N. 321; N.N. 2246; W. 5624c C). 
Van deze blauwe ab. werden gevangen: 2 ex. Didam, 8. VII. 1946 (Be.) en 1 ex. 
Vijlen (Z.L.) 8.VI.1952 (Be.). 

Corymbites cupreus F. a. aeruginosus F. (C.N. 338; N.N. 2268bis; W. 3892 
C). Van deze purperkleurige ab. werd 1 ex. bij Colmond (Z.L.), VII. 1935 
(Willemse) gevangen; de nominaatvorm is in ons land nog niet aangetroffen. 

Elater sanguinolentus Schrnk. a. immaculatus Schauf. (C.N. 331; N.N. 2327; 
W. 3178c C). Deze ab. met geheel rode dekschilden werd in ons land gevangen 
te Ankeveen, 1 ex. VII. 1922 (Klaassen), 3 ex. bij Hilversum, 25.V.1925 
(Broerse), 31.V.1943 en 19-VI.1944 (Re.) en 7 ex. in de omgeving van Eind- 
hoven (Be.). 

Elater elongatulus F. a. balteatulus Reitt. (C.N. 331; N.N. 2329; W. 3187b 
C). Deze op E. balteatus L. gelijkende vorm werd gevangen te Hilversum, 27. V. 
1947 (Re.). 

Elater nigrinus Payk. (C.N. 331; N.N. 233lbis; W. 3217 C). Van deze zwarte 
Elater werd bij Vijlen (Z.L.), 30.V.1949, 1 $ (Br.) en 1 S (Wi.) gevangen. 

Helodes minuta L. a. nigripennis Tourn. (C.N. 343; N.N. 2334; W. 5992d 
C). Deze ab. met geheel zwarte dekschilden werd gevonden te Bunde, 21. V. 1951 
(Br.). 

Lampyris noctiluca L. a. bellierï Reitt. Deze pekzwart gekleurde ab. kwam 
's avonds binnenvliegen, 1 $ Doorwerth, 20. VI. 1954 (Wi.). 

Podabrus alpinus Payk. (C.N. 346; N.N. 2356; W. 325 C). Deze weinig in 
ons land aangetroffen soort, werd in 1954 en 1955 bij Vaals en Vijlen (Z.L.) 
in enig aantal van sparren geklopt. Behalve de nominaatvorm werd ook de a. 
rubens F. met geheel geel halsschild gevangen. Bij Vaals werd de a. mocquerysi 
Reiche verzameld: 5.VI.1954 (Be.), 20.VI.1954 (Wi.), en 19.VI.1955 (Be., Br., 
Wi.); de a. lateralis Er. werd eveneens bij Vaals, 5.VI.1954 (Be.), 20.VI.1954 
(Be., Wi.) en 19.VI.1955 (Be., Wi.) en bij Vijlen (Z.L.) 23.VI.1955 (Be., 
Wi.) verzameld. Verder vermeld ik nog een ex. van Vaals, 5. VI. 1954 (Be.), 
waarbij kop en halsschild geheel rood en de dekschilden geheel geel zijn. 

Cantharis cryptica Ashe (C.N. 350; N.N. 2372bis; W. nog niet gemeld). 
Deze nieuwe soort werd van C. pallida Goeze afgesplitst. Beide soorten zijn in 
ons land zeer verspreid en niet zeldzaam; op sommige plaatsen komen beide 
soorten voor. De onderscheiding is als volgt: 

Dekschilden, behalve van de min of meer neerliggende beharing, nog voorzien van langere 
en afstaande haren; het eindlid der kaaktasters eenkleurig rood; het uiteinde der mid- 
den- en achterdijen bijna steeds zwart. De aedeagus is aan het uiteinde niet omgebogen, 
het uiteinde is diep driehoekig ingesneden cryptica Ashe 

Dekschilden min of meer neerliggend behaard, zonder langere en afstaande beharing; de 
schuine eindrand van het laatste kaaktasterlid duidelijk donker gekleurd; de midden- 
en achterdijen geheel licht gekleurd. De aedeagus is aan het uiteinde dorsoventraal om- 
ïn pallida Goeze 



16 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

Rhagonycha fulva Scop. (C.N. 350; N.N. 2377; W. 688 C). De a. usta 
Gemm., waarbij de zwarte kleur aan de top der dekschilden tot naar het midden 
reikt, werd op meerdere plaatsen in ons land gevonden. Bij a. cailloli Chobaut is 
het halsschild donkerder, met zwarte vlekjes, de dekschilden bijna geheel zwart; 
hiertoe kan gerekend worden het reeds in Bijdrage III genoemde ex. van Oegst- 
geest (van Ooststroom), 1 ex. Oude Mirdum, 24.VII.1942 (van Heynsber- 
gen) en 1 ex. Biesbosch, 24.VII.1951 (van Heynsbergen). 

Malthinus seriepunctatus Ksw. a. pallidithorax Pk (C.N. 351; N.N. 2384; 
W. 903c C). In mijn collectie bezit ik een ex. van Valkenburg (L.), VII. 1887 
(Mr. Leesberg). 

Malthinus fasciatus Oliv. (C.N. 351; N.N. 2384bis; W. 908 C). Een ex. van 
deze soort werd gevangen bij Bemelen (Z.L.), 4. VII. 1951 (Wi.). 

Dasytes plumbeus Müll. a. coerulescens Schilsky (C.N. 360; N.N. 2423; 
W. 2292dC). Bovenzijde met blauwachtige schijn: 1 ex. Santpoort, 19-V.1918 
(Burger); 1 ex. Assen, 27.V.1930 (Wi.); 2 ex. Denekamp, 16.VI.1933 en 
23.VI.1947 (Wi.); 1 ex. Hilversum (Re.); 1 ex. Schin op Geul, 13.VI.1937 
(Re.) en 1 ex. Beetsterzwaag, 2.VII.1938 (Re.). 

Corynetes coeruleus de G. (meridionalis Obenb., obenbergeri Janson) (C.N. 
363; N.N. 2438bis; W. meridionalis Ob. 2841 C). Alle tot nu toe uit ons land 
bekende ex. behoren tot deze soort, de andere soort — C. ruficornis Strm. (coe- 
ruleus auct.) zag ik nog niet uit ons land; zij komt dus voorlopig te vervallen. De 
verschillen zijn als volgt: 

Lichaam vlakker, dekschilden achter de schouders breder doch vlakker ingedrukt, stippel- 
rijen op de dekschilden fijn en regelmatig, deze stippels in de lengte gerekt; de schou- 
derbuil groter, doch vlakker en minder dicht bestippeld; beharing aan de zijden van het 
lichaam langer en meer naar voren gericht; halsschild fijner en minder dicht bestippeld, 
aan de basis bij het schildje met een bijna onbestippeld gedeelte; 2e tot 8e sprietlid 

gewoonlijk geheel donker gekleurd; punt van de aedeagus lansvormig 

coeruleus de G. (meridionalis Obb.) 

Lichaam iets gewelfder, dekschilden achter de schouders met kleinere, diepere indruk, 
stippelrijen op de dekschilden grover en onregelmatiger, de stippels niet in de lengte 
gerekt, doch rond; de schouderbuil kleiner, gewelfder en grover bestippeld; beharing aan 
de zijden van het lichaam korter en minder naar voren gericht; halsschild grover en 
dichter bestippeld, ook aan de basis bij het schildje duidelijk bestippeld; 2e tot 8e 

sprietlid geelachtig, soms ook de sprietknots lichter gekleurd 

ruficornis Strm. {coeruleus auct.) 

Hylecoetus dermestoides L. a. morio F. (C.N. 361; N.N. 2444; W. 2870e C). 
Van deze zeldzame soort werd de ab. met zwarte dekschilden gevangen bij Best, 
1 ex. 9.V.1953 (Be.) en 1 ex. bij Vijlen (Z.L.), 3.V.1953 (Be.). 

Hedobia imperialis L. a. senex Kr. (C.N. 367; N.N. 2450; W. 9313a C). 
Een ex. Terborg, 19.V.1934 (Wi.). 

Sphaericus gibbioides Boield. (C.N. 365; N.N. 2989 III; W. 9648a C). Deze 
kleine Ptinide werd met lavendelzaad uit Zuid-Afrika geïmporteerd, Amsterdam, 
1.1940 (Prof. H. Engel), later in aantal doorgekweekt. Bovendien werd deze 
soort in een provisiekast te Rotterdam, 20. IX. 1946 (B.N.) gevonden. 

Ptinus brunneus Dfts. a. hirtellus Strm. (C.N. 366; N.N. 2499; W. 9769c 



P. VAN der Wiel : Nederlandse kevers IV 17 

C). Met een aantal ex. van de nominaatvorm en de a. testaceus Boield. in ge- 
droogde kamille gevonden, Amsterdam, 7.X.1938 (Kr.). 

Tetratoma ancora F. (C.N. 380; N.N. 2546bis; W. 2137 D). Een ex. van 
deze fraaie soort werd gevangen bij Epen (Z.L.), VI. 1954 (v. R.). 

Mordella holomelaena Apf. (C.N. 385; N.N. 256lbis; W. 1941 D). In Lim- 
burg vermoedelijk verspreid en niet zeldzaam: Wittern, Bemelen, Vijlen, Vaals, 
Vlodrop (Br., Wi.). Waarschijnlijk behoren alle uit ons land vermelde ex. van 
M. aculeata L. tot deze soort en moet M. aculeata voor onze faunalijst vervallen. 

Mordellistena nana Motsch. a. varipes Schilsky (C.N. 386; N.N. 2566bis; 
W. 1977a D). Een ex. van deze ab. werd gevangen bij Geulem (Z.L.), 21. VI. 
1948 (Be.). 

Mordellistena micans Germ. (C.N. 386; N.N. 2570bis; W. 1990 D). Een 
tweetal ex. gevangen te Swalmen (L.), 1. VII. 1951 (Wi.). 

Van de genera Mordella en Mordellistena zal t.z.t. een nieuwe tabel gegeven 
worden, bewerkt naar de uitstekende tabellen van Ermisch. 

Aderus brevicornis Per. (C.N. 391; N.N. 2600bis; W. 425 D). Een ex. van 
deze zeldzame soort bij Oostkapelle (Z.), 10. VII. 1948 (Ba.), op Schizophyllum 
commune gevangen. Deze soort behoort tot het subgenus Olitelus, waarbij het 2e 
tot 10e lid der sprieten niet langer dan breed en ongeveer van gelijke lengte zijn. 
Bovenzijde donker bruinrood, sprietleden duidelijk breder dan lang, halsschild 
met een in het midden onderbroken dwarsindruk aan de basis. 

Anthicus humilis Germ. (C.N. 392; N.N. 2603; W. 645 D). Deze soort komt 
voorlopig te vervallen, alle ex. uit Nederland behoren tot de volgende soort. 

Anthicus constrictus Curt. (C.N. 392; N.N. 2603bis; W. niet genoemd). 
Tot deze soort behoren alle Nederlandse exemplaren welke tot nu toe tot A. 
humilis Germ, gerekend werden. In Zeeland op vele plaatsen aangetroffen, zowel 
de nominaatvorm als de a. lameyi Mars. (Br.). 

Anthicus instabilis Schmidt (C.N. 394; N.N. 2603ter; W. 742 D). Van deze 
soort werd een $ gevangen op de Beer (Hoek van Holland), 5. VII. 1931 (v. R., 
det. Br.). 

Anthicus sellatus Panz. (C.N. 394; N.N. 2604bis; W. 986 D). Een klein ex. 
van deze soort werd gevangen bij Ritthem (Z.), 1. VIII. 1948 (Ba.). 

Anthicus tobias Mars. a. 4-pustulatus ab. nov. (C.N. 393; N.N. 2605bis; W. 
768 D). Met een groot aantal ex. van de nominaatvorm werd een 18-tal ex. van 
deze nieuwe var. gevangen bij Valkenburg (L.), 10 en 11. VIII. 1946 (Wi.). Ter- 
wijl bij de nominaatvorm de basis geheel breed geelrood gekleurd is, is deze gele 
tekening bij deze ab. gereduceerd tot een losstaand rondachtig geel vlekje aan de 
buitenzijde der dekschilden, de rest van de basis is donker gekleurd. Behalve de 
genoemde 18 ex. werden nog een klein aantal ex. gevonden welke een overgang 
vormen tot de nominaatvorm. 

Nacerda ustulata F. (C.N. 396; N.N. 26llbis; W. 29 D). Van deze opval- 
lende soort werden twee $ en een $ gevangen te Nisse (Zd. Bevel.), 5. VII. 
1953 in een riet-moeras je op oeverplanten (Br.). 

Phytho depressus L. (C.N. 397; N.N. 2620; W. 262 D). Bij de donker ge- 
kleurde vormen is het achterlijf bij de mannetjes donker gekleurd, bij de wijfjes 
gewoonlijk geelachtig bruin, soms iets donkerder. 






18 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

Volgens mij kunnen wij de volgende aberraties onderscheiden : 

Dekschilden blauw en blauwgroen : nominaatvorm 

Dekschilden groenachtig : a. chloropterus Everts 

Dekschilden violet of paars : a. jestivus F. 

Dekschilden bruin, soms met donkerder top : a. castaneus F. 

De ex. met bruine basis der dekschilden, de achterhelft normaal gekleurd noem- 
de ik a. semicastaneus (Ent. Ber., vol. 14, p. 7, 1952). 

De ab. coeruleus F. (met roodgeel achterlijf) = nominaatvorm 9 . 

Strangalia melanura L. (C.N. 409; N.N. 2653; W. 592 E). Bij een $ van 
Hilversum, 12. VI. 1946 (Re.) zijn de schenen grotendeels geel gekleurd, bij de 
nominaatvorm donker gekleurd. 

Plagionotus detritus L. (C.N. 416; N.N. 2685; W 907 E). Tot heden was 
de soort slechts uit geïmporteerd hout bekend (Zwolle en kort geleden Zaandam, 
van Heynsbergen), door Br. werd de soort echter op staande eiken aangetrof- 
fen n.l.: 1 $ Oostkapelle (Z.), 15.V.1948; verscheidene ex. aldaar 8 — 26.VI. 
1948 (Br.). In de omgeving van Velp werden enige ex. op zieke eiken aangetrof- 
fen (v. R.). Deze soort blijkt dus toch tot onze fauna te behoren. 

Monochamus sartor F. (C.N. 418; N.N. 2688; W. 1583 E.). In de geschre- 
ven vindplaatslijst van Everts wordt gemeld: Rotterdam; Arnhem, VIII (in 
huis). Van de heer Louwerens ontving ik een zeer gaaf en fraai ex., gevangen 
op het terrein van de N.S.F, te Hilversum, 27.11.1951. Vermoedelijk zal ook dit 
ex. wel met hout geïmporteerd zijn, hoewel het voorkomen te Hilversum niet 
onmogelijk is. 

Monochamus galloprovincialis Oliv. (C.N. 418; N.N. 2690; W. 1589 E). 
Volgens de geschreven vindplaatslijst van Everts werd in ons land slechts 1 $ 
van de var. pistor Germ, gevangen bij Rotterdam. Van de nominaatvorm werd in 
de boswachter ij Schoorl een volkomen gaaf $ gevangen op Oostenrijkse den, 
Pinus austriaca, 20.IX.1949 (Dr Ir H. van Vloten). In hoeverre dit ex. zich te 
Schoorl ontwikkeld heeft of op een of andere wijze geïmporteerd is, is niet uit te 
maken. 

In een noot vermeldt Dr de Fluiter — welke in Ent. Ber., vol. 13, p. 135, 
1950, deze vangst vermeldt — dat Everts in C.N. III schrijft: „De 3 in Neder- 
land gevangen soorten " en dat dit zou moeten zijn ,,De 3 in Nederland ge- 
vangen ex ". Dit is echter niet het geval, Everts bedoelde wel degelijk de 

3 in ons land bekende soorten van Monochamus. 

Donacia tomentosa Ahr. a. boelensi ab. nov. (C.N. 424; N.N. 2732; W. 
2358 E). Van deze soort werd langs de Schipbeek bij Eibergen, 20.VI.1952 (Wi.) 
een bijna geheel zwart ex. met blauwe weerschijn gevangen met een aantal ex. 
van de nominaatvorm. Deze opvallende ab. benoem ik naar Dr W. C. Boelens, 
welke mij op dit interessante terrein opmerkzaam maakte. 

Crioceris 12-punctata L. (C.N. 426; N.N. 2742; W. 2442 E). Bij de a. 
fauconneti Pic ontbreekt vlek 4 op de dekschilden, uit ons land zag ik ex. van 
Zeist, den Haag, Eerbeek, Wageningen, Warmond, Loenen (Vel.) en Nunspeet. 
In „Die Käfer von Nassau und Frankfurt" wordt door von Heyden genoemd 
een var. waar de vlekken 4 en 5 ontbreken, uit ons land zag ik deze ab. van 
Zeist, Nunspeet en Terborg (Gdl.). Deze ab. noem ik naar Prof. Dr Lucas von 



P. van der Wiel : Nederlandse kevers IV 19 

Heyden a. heydeni ab. nov. Een interessante vorm, waarbij de vlekken 3 op de 
dekschilden over de naad verbonden zijn tot een dwarsstreep, werd gevangen 
te Nunspeet, V.1928 (M.G.); deze noem ik macgillavryi ab. nov. 

Crioceris asparagi L. (C.N. 426; N.N. 2743; W. 2456 E). De beschrijving 
van Linnaeus duidt zonder twijfel op de vorm welke door Schuster als a. 
cruciata beschreven is. Pic had dus gelijk dit de nominaatvorm te noemen en de 
vorm welke gewoonlijk als de typische vorm wordt aangezien, waar de drie zwarte 
banden dus over de naad doorlopen, een nieuwe naam te geven n.l. a. linnaei Pic 
De vorm waar de 2e en 3e dwarsband gebroken is, noem ik a. quadristigma ab. 
nov., uit ons land zag ik 2 ex. van Nunspeet, VII. 193 5 (Wi.). 

Orsodacne cerasi L. (C.N. 422; N.N. 2752bis; W. 2379 E). Van de a. 
lacordaìreì Frm. (a. lineola Lac.) werd 1 ex. bij Vaals, 1. VI. 1949 (Wi.) en 1 ex. 
5. VI. 1954 (Be.) gevangen. De a. limbata Oliv, werd eveneens in 1 ex. bij Vaals, 
1. VI. 1949 (Wi.) gevangen. 

Cryptocephalus coryli L. a. semiconnexus Pic (C.N. 428; N.N. 2769; W. 
2945c E). Onder een aantal ex. te Hilversum, 20. V. 1943 (Re.) verzameld, be- 
vond zich 1 ex. van genoemde ab. 

Phytodecta linnaeana Schrnk. a. nigricollis Westh. (C.N. 438; N.N. 2830; 
W. 4025gE). 'Een oud ex. van deze ab. vond ik in de collectie M.G., gevangen 
te Bunde (Z.L.) (v. d. Brandt). 

Hydrothassa hannoverana F. a. potentillae Hrbst. (C.N. 439; N.N. 2840; 
W. 3978a E). Kerkrade: 2 ex. 27.IV.1899, 1 ex. 20.V.1899 en 4 ex. IV en V 
(Latiers); 1 ex. van dezelfde vindplaats 27.V.1899 (v. D. Beek). 

Ochrosis ventralis 111. (C.N. 453; N.N. 2872bis; W. 5043 E). Van deze 
soort werd 1 ex. gevangen bij Epen (Z.L.), 17 — 22. IV. 1947 (Ba.). 

Bruchus loti Payk. (C.N. 492; N.N. 3010bis; W. 5646 E). In Zuid-Limburg 
werd 1 ex. 14. V. 1950 gevonden (Be.). 

Platyrrhinus resinosus Scop. (C.N. 501; N.N. 3024bis; W. 10 F.). Van 
deze soort was een oud ex. zonder vindplaats bekend en werd de soort als in- 
lands ingetrokken door Everts. Enige ex. zijn thans echter bekend geworden n.l. 
2 ex. van Deurne (N.B.), op oud hout bij een houtzaagmolen, 28. VI. 1944 (W. 
Wasser) en 1 ex. Helenaveen, V.1948 (Be.). 

Athribus nebulosus Forst. var. küsteri Reitt. (C.N. 501; N.N. 3031; W. 
Brachytarsus 74 F). Deze var. werd bij Terborg (Gdl.) gevangen, 1 ex. 2. VIII. 
1939 (Wi.). 

Choragus horni Wolfr. (C.N. 502; N.N. 3033bis; W. nog niet vermeld). 
Door Dr Wolfrum werd deze soort van Ch. sheppardi Kirby afgesplitst. In 
Zuid-Limburg werden de volgende ex. gevonden: 3 ex. Valkenburg, 20. VIL 1950 
(Wi.), van een oude meidoorn geklopt en 5 ex. Bemelen, 7.VII.1952 (Be., Wi.), 
op oud appelhout. 

De soorten onderscheiden zich als volgt: 
Gemiddeld iets groter, bruin tot zwartbruin; sprieten iets langer, 3e lid driemaal zo lang als 
breed, 9e lid tweemaal zo lang als breed, 10e lid driehoekig, langer dan breed. Dek- 
schilden tweemaal zo lang als breed, tussenruimten gewelfd en bestippeld; pygidium aan 
de basis zo breed als de lengte van de achtertarsen, de top breed afgerond. Bestippeling 
van de achterborst minder grof dan die van de voorborst, grover dan die van het achter- 
lijf, de stippels kleiner dan de tussenruimten. Lengte 1,7 — 2,4 mm sheppardi Kirby 



20 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

Gemiddeld iets kleiner en donkerder gekleurd; 3e sprietlid tweemaal zo lang als breed, 9e 
lid IV2 maal 20 lang als breed, 10e lid zo lang als breed. Dekschilden iy 2 maal zo 
lang als breed, iets gestrekter, tussenruimten minder gewelfd en dichter bestippeld; 
pygidium kleiner, aan de basis duidelijk smaller dan de lengte der achterschenen, de 
top smal afgerond. Bestippeling van de achterborst veel dichter en grover, de stippels 
breder dan de tussenruimten. Lengte 1,4 — 2,2 mm homi Wolfr. 

Polydrosus chrysomela Ol. a. insquamosus Everts. (C.N. 535; N.N. 3072; 
W. Eusomus 3153d F). Van deze ab. zag ik een ex. met duidelijke schouder- 
builen, 's Heer Arendskerke (N. Sloe, Z.), 16.VI.1953 (Br.). Zelf bezit ik een 
ex. uit Bergen op Zoom, 7 — 9. VI. 1919 (Wi.), waarbij de schouderbuilen zicht- 
baar zijn, echter niet zo fraai als bij het eerstgenoemde ex. 

Coniocleonus glaucus F. (C.N. 553; N.N. 3116; W. 4649 F). Van de nomi- 
naatvorm, welke nog niet uit ons land bekend was, werd destijds een ex. gevangen 
bij Harderwijk, VI.19I8 (H. Quirijnen). Overgangsvormen werden mij bekend 
van Harderwijk, 1 ex. VI. 1918 (H. Quirijnen) en 1 ex van Roermond, IV.1950 
(Be.). 

Magdalis rufa Germ. (C.N. 577; N.N. 3172bis; W. 6066 F). Tezamen met 
ex. van Larie obius erichsoni Rosh., werd 1 ex. in de omgeving van Eindhoven, 
IV. 1948 (Be.) van een den geklopt. 

Acalles hypocrita Boh. (C.N. 580; N.N. 3195bis; W. Echinodera 6954 F). 
Deze grote A. -soort werd in 1 ex. gevangen bij Gronsveld (Z.L.), 24. VI. 1950 
(Be.). 

Anthonomus conspersus Desbr. (C.N. 575; N.N. 3317bis; W. 5912 F). 
Geen ab. van A. pulicarins L., doch spec. prop. Deze soort zag ik in aantal van 
Vaals, Assen en Winterswijk (Wi.) en tevens van Vijlen (Z.L.) (Be., Wi.). De 
ab. javeti Desbr. behoort bij A. conspersus, uit ons land bezit ik 2 ex. van Assen, 
23.V.1931 (Wi.) en 1 ex. van Vaals, 27.V.1927 (Wi.). 

Apion carduorum Kirby (C.N. 625; N.N. 3447; W. 6I8F). Bij de mannetjes 
zijn de schenen wel degelijk naar binnen gekromd; de poten zijn slanker dan bij 
de mannetjes van A. scalp turn Rey. 

Apion aeneum F. a. obscurum Gabr. (C.N. 623; N.N. 3455; W. 426 F). 
Van deze zwarte ab. werd 1 ex. gevangen bij Wijlre (Z.L.), 13.IX.1943 (Wi.). 

Apion pisi F. a. amplipenne Gyll. (C.N. 626; N.N. 3510; W. 700a F). 
Deze ab. met zwarte dekschilden is in 2 ex. gevangen bij Voerendaal (Z.L.), 
10. VII. 1952 (Be.). 

Scolytus carpini Ratzb. (C.N. 637; N.N. 354lbis; W. 8216 F). Deze nieuwe 
soort voor onze fauna werd gevangen te Swalmen (L.), 1 ex. 13. VI. 1937 (Wi.). 

Polygraphus poligraphus L. (C.N. 639; N.N. 3562bis; W. 8384 F). Van 
deze aanwinst voor onze fauna werden 2 ex. gevangen bij Huizen (Gooi), 6. VI. 
1953 (Heistek). Bij Delden vonden wij 12.VI.1955 een gevelde dennenboom 
welke sterk was aangetast door deze soort, de bast was doorzeefd van gaatjes. Van 
de imagines werden slechts weinig ex. onder de bast gevonden (Ba., Br., Wi.), 
doch er waren nog verscheidene popjes aanwezig. Uit de medegenomen schors 
gelukte het mij nog een 3-tal ex. te kweken (e.p. 28.VI en 1.VII.1955). 

Crypturgus cinereus Hrbst. (C.N. 753; N.N. 3564bis; W. 8425 F). Van 
deze soort werd 1 ex. gevangen te Beetsterzwaag, 3. VII. 1938 (Wi.) en uit mede- 



P. van der Wiel : Nederlandse kevers IV 21 

genomen schors nog 4 ex. uit de pop gekweekt (e.p. 20. VII. 1938). 

Xyloterus signatus F. (C.N. 649; N.N. 357lbis; W. Trypodendron 8659 F). 
Twee ex. werden gevangen bij Winterswijk, 17. IX. 1941 (Wi.). 

Xyloborus monographus F. (C.N. 648; N.N. 3576bis; W. 8754 F). Van 
deze nieuwe soort voor onze fauna zag ik de volgende ex.: Oostkapelle (Z.), 
1 ex. 19.III.1949 (Ba.); Vijlen (Z.L.), 1 ex. 12.V.1949 en 2 ex. 3.V.1953 (Be.); 
Amsterdam, in uit Duitsland geïmporteerd eikenhout, enige ex. VI. 1951 (Pl.D.) 
en Winterswijk, 2 ex. 21. VI. 1952 (Be.). De $ zijn in ons land nog niet ge- 
vonden. 

Ips typographus L. (C.N. 645; N.N. 3587; W. 8696 F). Tot heden waren 
uit ons land slechts enkele ex. bekend welke in heipalen (dus waarschijnlijk ge- 
ïmporteerd) waren gevonden (dode ex.). De soort is thans echter in aantal ge- 
vonden bij Assen, 12. VIII. 1949 (Elton) en eveneens in aantal in de omgeving 
van Eindhoven, 4. V. 1950 (Be.), bevendien werd 1 ex. op het strand bij Zoute- 
lande (Z.), 17.V.1953 (Br.) gevangen (aangevlogen uit zee ?). 

Met inbegrip van Bijdrage IV is het aantal in Nederland gevondene Coleoptera 
thans gestegen tot 3834 soorten. 

Doorwerth, Utrechtseweg 366, Juli 1955. 



SOME NEW OR LITTLE KNOWN LEPIDOPTERA 
HETEROCERA FROM INDONESIA AND NEW GUINEA, II *) 

BY 

W. ROEPKE 

Entomological Laboratory, Agricultural University, Wageningen 

10. Actias selene vandenberghi subspecies nova (pi. 1 fig. 19) 

Typical specimens of Actias selene selene Hb. are from Assam. The species has 
a wide range on the Asiatic continent, extending to Mandchuria and Japan in 
the North and Northeast, and to Ceylon and Hongkong in the South and South- 
east. It is recorded by Swinhoe, 1903 (Fase. Mal., Lep. Het. p. 52) from 
Nawngchik, (northern?) Malaya. Its western limits seem to be uncertain. Very 
little is known about its occurrence in the Malay Archipelago. I have seen 
specimens from North Borneo. Jordan, 1911 (Nov. Zool., vol. 18, p. 130) 
described a subspecies callandra from Port Blair, Andamans. Furthermore Kalis, 
1934 (Ent. Rundseh., vol. 51, p. 146, pi. 43 — 44), described a new subspecies, 
a male from Mt. Andjasmoro, East Java, as Actias selene seitzi, whereas Toxo- 
PEUS, 1942 (Treubia, vol. hors série, p. 146, pi. 43—44) described and figured 
the subspecies Actias selene micie, bred from a cocoon found on the Southern 
slope of Mt. Smeru, also in East Java. As both mountains are neighbouring vol- 
canoes, miae Tox. is likely the same as seitzi Kalis though this question remains 
open to discussion until more material from both localities becomes available. 
Lecerf, 1933 (Bull. Mus. N.H. Belg., vol. 9, part 33, p. 3) reports a large female 
of what he calls "Actias selene Doubl." (sic!) from Sarangan, Mt. Lawu, Central 
Java. I think that this identification may be a lapsus and that a female of Actias 
maenas Doubl, may be concerned. Kalis, 1951 (Idea, vol. 8, p. 93) mentions a 
specimen (no sex is given) "all in rags", from Maros, South Celebes. This is all 
that could be traced about the occurrence of Actias selene in the Archipelago. As 
the data are scarce, it is probable that this Saturniid is rare in that insular region. 
Therefore I was rather astonished to discover three females of Actias selene 
from Sumatra, in the van den Bergh collection, in the Zoological Museum, Am- 
sterdam. They are so distinct at the first glance that I do not hesitate to describe 
them as a new subspecies. 

9 . Antennae dark brown, quadripectinate, the foremost branches of the mid 
joints about thrice, the lower ones twice as long as the corresponding joints. 
Coloration of head with palpi and costa of fore wing as in the typical selene, the 
ground colour of wings a delicate light bluish green, perhaps somewhat faded, but 
not markedly different from selene selene or selene seitzi Kalis (?= miae Tox.). 






*) The first part of this paper appeared in this Tijdschrift. 195-1, vol. 97, part 4, p. 
257—262. 

23 



24 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. l — 2, 1956 

The pinkish coloration along outer border of hind wing tails is very faint. The 
size is very large, the fore wing apex more acute than in selene selene and 
selene seitzi (? = miae). The hind wing apex is decidedly hooked, the termen 
markedly undulating. The tails are rather broad. Therefore, the general shape is 
somewhat different from selene selene and selene seitzi. 

The markings in fore wing consist of an oblique basal band, only visible in the 
specimen figured, as the two other females have the wing base rubbed off. The 
ocellus on mc on both wings is unusually large, its longest axis, parallel to the 
veins, measures 11, 12 and 14 mm in the three specimens. The border of this 
ocellus, directed towards wing base, is black, crescent-shaped, only forming a 
marginal meniscus, whereas in miae it fills nearly half of the ocellus. The greater 
part of the ocellus is pale yellowish, slightly pinkish in its centre and a little 
whitish-hyaline near the black crescent. Outline of ocellus rather well defined. 
Furthermore, there are two cross bands in terminal area of fore wing, the inner- 
most more distinct, greyish, rather broad and slightly bent inwards, the outer 
diffuse, more yellowish, more or less fusing with the slightly yellowish sub- 
terminal area. In hind wing a corresponding pattern is developed, a basal band is 
also weakly indicated. Ocellus about as in fore wing, the cross bands more ap- 
proaching termen, somewhat broadened near and in base of tails, the subterminal 
one more marked than in fore wing and distinctly yellowish. 

The underside has the basal and innermost cross band on fore wing wanting, 
the ocellus without the sharp border line, but with more developed pinkish in 
centre. In hind wing the basal band wanting, both cross bands well developed 
and approached to termen. 

Material: 3 ? , two of them labelled Pangkalan Brandan, 1921, the third one 
which I have selected as holotype, on account of its better preservation, without a 
label, but in the same box and undoubtedly belonging to the same lot. Measure- 
ments: 

holotype exp. 180 mm, length of fore wing costa 104 mm; 

paratype „ 173 „ , „ „ „ „ „ 95 „ ; 

)> >> i- i j ,, , ,, ,, ,, ,, ,, 1UU ,, . 

The locality Pangkalan Brandan is situated in North East Sumatra, at a low 
elevation. The three specimens are preserved in the Amsterdam Museum, in the 
van den Bergh collection. 

The following subspecies of Actias selene have come to my knowledge: 

1. A. selene selene Hb. 1806: Assam, India, Ceylon, S. China, Hainan, N. Borneo 

2. ,, ,, gnoma Butl. 1877: Japan 

3. „ ,, mandschurica Stgr. 1892: Mandchuria 

4. „ „ ningpoana Feld. 1862: S. and E. China, Tonkin, Formosa 

5. ,, „ callandra Jordan 1911: Andamans 

6. „ „ malaisei Bryk 1944: Birma, Shan States 

7. ,, „ vandenbergbi Rpke. 1955: N. E. Sumatra 

8. „ „ seitzi Kalis 1934 $ : Mt. Andjasmoro, E. Java 

9. ,, ,, miae Tox. 1942 ? : Mt. Smeru, E. Java (an praecendentis ? ?) 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, ail. 1 — 2, 1956 



Plaat 1 




Act/as selene landenbergbi subspecies nova, Ç , holotype. Natural size. 






Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, all. 1 — 2, 1956 



Plaat 2 








10 



Fig. 1. Hypuetm modes/a species nova, $ , holotype. Fig. 2. Anomis dealbata A. E. Prout, 
$ . Fig. 3. Carea pryeri Druce, $ . Fig. 4. Apatele javanica species nova, $ , holotype. 
Fig. 5. Pseudosiccict lichenaria genus novum, species nova, $ , holotype. Fig. 6. Elusa 
orioli species nova, $ , holotype. Fig. 7. S<//vn/ longipectinata A. E. Prout, ,$ . Fig. 8. f/.y- 
/;/./tw joiceyi L. B. Prout, 3 . Fig. 9- Gadirtha cuprescens fakfakensis Strand, 3 . Fig. 10. 
Sarrothripns javanus species nova, $ , holotype. All figures slightly enlarged. 



W. ROEPKE : Lepidoptent from Indonesia and New Guinea 25 

11. Apatele javanica species nova (pi. 2, fig. 4 $ ) 

$ . A typical Apatele. Head with palpi, thorax and abdomen greyish brown. 
Fore wing of the same coloration, outer area between postmediana and termen 
lighter, rather whitish. Markings black, consisting chiefly of a basal band and a 
tornai streak, as in many other Apatele. Some dark markings along costa; reniform 
and orbifer distinct by dark outlines. Antemediana hardly discernible, double. 
Postmediana distinct, also double, filled with white, dentate and strongly curved 
inwards below vein 4. Cilia alternately greyish brown and whitish. Hind wings 
much lighter, with a distinct and curved, slightly darker postmedian line and 
darker dc. Cilia also dotted, but less vividly than in fore wing. Tibiae of legs 
with a long, greyish brown pilosity, tarsi spotted with whitish. 

1 $ , 42 mm, holotype, Tjibodas, West Java 1400 m (Kalshoven), 1 $ , 
paratype, 35 mm, much rubbed but unmistakebly the same species, Djunggo, Mt. 
Ardjuno, 1500 m, East Java, IX. 1937 (Kalis). 

Mr. Tams, of the British Museum, informs me that the species looks like a 
very large Apatele albiorbis Hamps. from Ceylon, and that the British Museum 
has one specimen, unnamed, from Java. 

12. Elusa orion species nova (pi. 2 fig. 6 Ç ) 

9 . A typical Elusa. Antennae bipectinate over about three fourths of their 
length. Palpi small, porrect, third joint short, about one third of second. Fore 
wings velvety brown with a strong lustre, without markings except a small white 
patch in cell near base and two similar patches at the end of cell, the innermost 
small and rounded, the outermost large, very obvious, consisting of a smaller 
upper and a larger lower portion. Hind wings, abdomen and underside uniformly 
greyish brown, the fore wing with the central patch somewhat shining through. 
Tarsi separated by narrow white bands. 

1 $ , 32 mm, holotype, labelled W. New Guinea, MacCluer Gulf, Bintuni 
Bay, R. Tisa, 9-V.1941 (E. Lundquist). 

Mr. Tams wrote me that the species comes near E. din aw a Beth. -Baker and 
that the British Museum has three examples exactly like orion, which do not quite 
match dinawa Beth. -Baker. 

Pseudosiccia genus novum 

Antennae in both sexes thin, filiform, about three fourths length of costa. 
Ocelli minute, only visible under a strong lens. Palpi porrect, second joint sur- 
passing frons, rather roughly scaled, third joint minute, conical. Head and 
thorax above adpressedly, but rather roughly scaled. Abdomen on the first four 
visible tergites with small, but distinct dorsal crests, on the fifth tergite this crest 
weak. Fore wing with the costa and hind margin straight, the termen slightly 
bent, hardly crenulate. Vein 2 at some distance from lower angle of cell, veins 3 
and 4 separate from lower angle of cell, vein 5 from near base of vein 4. Vein 6 
from upper angle, 7, 8 and 9 from a small areola, 8 and 9 on a long stalk. In 



26 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

hind wing veins 3 and 4 from lower angle of cell, de and vein 5 very weak, the 
latter nearer to origin of vein 4 than to vein 6. Veins 6 and 7 from upper angle, 
vein 8 connected with 7 at base. Mid and hind tibiae without spines, the latter 
with two pairs of spurs. 

Type of the genus: Pseudosiccia lichenaria nova species. 

The genus should be placed in the subfamily Erastriinae. 

13. Pseudosiccia lichenaria species nova (pi. 2, fig. 5 9 ) 

Palpi with darker and lighter brown scales, head and thorax above light greenish 
yellow, perhaps somewhat faded. Fore wing with a variegated pattern, dark 
greyish brown in greater part of basal area, mixed with greenish yellow. The 
median area mostly whitish, at costa much broader than towards hind margin, 
with small dark spots along costa, a dark spot in cell; reniform and orbifer ob- 
solete or wanting, mixed with some greenish yellow. A very undLilating post- 
median line borders the light area from the dark terminal area which is again 
variegated with dark greyish, brown or black, and with some white and greenish 
yellow. Termen with small dark triangular spots on the ends of the veins, cilia 
light yellowish. Hind wings grey, the cilia light. Abdomen light greyish brown, 
the dorsal crests darker brown except the first one which is yellowish white. 
Underside grey, in hind wing lighter than in fore wing, the former with a distinct 
dark shade on dc and a postmedian curved line. Legs hairy, dark greyish brown, 
speckled with whitish. 

1 ? , 24 mm, holotype, West Java, Tjibodas, 1400 m, Vili— IX.1950 (Kals- 
hoven). 1 $ , 25 mm, allotype, East Java, Ranu Damngan, Mt. Smeru, 800 m, 
VI. 1941 (Lieftinck), badly damaged. 

Both sexes are alike. Superficially, the insect resembles the Lithosiid Parasiccia 
mokanshensis Reich, as figured by Daniel, 1951 {Bonn. Zool. Beitr., Heft 3 — 4, 
pi. 1, fig. 11). Structurally it is quite different. 

14. Sarrothripus javanus species nova (pi. 2, fig. 10 9 ) 

9 . A typical Sarrothripus. Head and palpi whitish, patagia and tegulae whitish, 
more or less intermingled with black scales. Ground colour of fore wing whitish, 
more or less interspersed with greyish brown scales, chiefly in terminal and inner 
areas. With a number of undulating and dentate black cross bands. Near middle 
of costa a dark triangular patch, vaguely bordered towards termen and in its lower 
part. Orbifer and reniform not distinct. Cilia whitish and greyish. Abdomen grey. 
Underside darker and more uniformly grey, in lower part of hind wing grading 
into whitish. Near apex of hind wing a white spot. Cilia grey, legs white and 
greyish. 

The insect might be well protected by this cryptic coloration when resting on 
a stem covered with lichens. Fresh specimens may display a greenish shade. 

1 9 , 31 mm, holotype, Mt. Lawu, Central Java (Rosier). 1 9 , 31 mm, 
Tjondro di Muka, Mt. Dieng, 1850 m, Central Java (Dupont). Both specimens 
in the Wageningen collection. The Leiden Museum has two specimens West Java, 






W. ROEPKE : Lepidoptera from Indonesia and New Guinea 27 

5000'. I have seen this insect in Java from various mountain localities. It is 
attracted by lamp light. 

Sarrothripus javanus belongs to the widely spread palaearctic S. degeneranti* 
Hb. of which Lempke, 1949 {Tijdschr. Entom., vol. 90, p. 95) recently has shown 
that it specifically differs from 5". revayantis Scop. It may be its representative in 
the Malay Archipelago, but I think it is different. Other related species may be 
S. kebea Beth. -Bak. 1906 {Nov. Zool., vol. 13, p. 225) and its Sumatran "sub- 
species" S. kebea lichenaria A. E. Prout {Bull. Hill Alus., vol. 2, p. 166). Having 
seen the type specimens in the British Museum, I think that lichenaria may be 
more related to 'javanus than to kebea. In future, additional material and study 
might throw more light on these relationships. 

15. Gadirtha cuprescens fakfakensis Strand (pi. 2, fig. 9 ? ) 

Hampson, 1912, Cat., vol. 11, p. 348, fig. 21 Ç (cuprescens): Khasis; New Guinea. 
Strand, 1916, Arch. Naturgesch. ser. A, vol. 1, p. 85 (cuprescens fakfakensis): New 
Guinea. Gaede in Seitz, 1937, vol. 11, p. 401: New Guinea. 

S . Antennae longer than one half costa, delicately ciliate over about two 
thirds of their length. Palpi long, straight, obliquely upturned, third joint 
moderately blunt, second incrassate, smooth, adpressedly scaled. Fore wing rather 
narrow, about twice as long as broad, costa and hind margin straight, apex 
rectangular, tornus evenly rounded. Veins 3, 4 and 5 separate at base, from (near) 
lower angle of cell, 8, 9 and 10 free from areola. Hind wing with veins 3, 4 
and 5 from lower angle of cell, 6 and 7 from upper angle. No dorsal crests or 
tufts on abdomen, except perhaps on basal segment, but not distinct in the scanty 
material available. Entire body including fore wings about clay colour, only the 
hind wings darker greyish. The photograph reproduced on pi. 2, fig. 9, is too dark. 
Fore wing with the pattern extremely faint, almost invisible, consisting of traces 
of strongly dentate, light brownish lines. Three black dots are clearly discernible, 
one at base of wing, a second at costa quite near base and a third halfway between 
dc and termen. Hind wing on upper- and underside, as well as underside of fore 
wing, evenly greyish brown. 

$ . Unknown. 

1 S , 36 mm, N. Guinea bivak ... (further notes illegible, probably brought 
home by the Dutch New Guinea Expedition, 1926). 

The late Embrik Strand named this subspecies, as many other "varieties", etc., 
of Hampson's Catalogues, without having seen them and probably without having 
had any knowledge of the material involved ! 

16. Carea preyeri Druce (pi. 2, fig. 3 $ ) 

Druce, 1911, Ann. Mag. N.H., ser. 8, vol. 8, p. 150 $ : North Borneo. Hampson, 1912. 
Cat., vol. 9, p. 554 $ , pi. 188. fig. 17 $ : ib. Roepke, 1935. Zool. Meded. Mus. Leiden. 
vol. 18. p. 272 $ : West Borneo. Gaede in Seitz, 1938, vol. 11, p. 433 S . pi. 41 f ^ : 
Borneo. 

The ground coloration of the specimen is a rather dark greyish brown, with a 



28 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

slight reddish or purplish tinge on fore wing upperside. Both transversal lines 
on the latter are straight, the outermost ending in tornus. The underside of both 
wings is lighter, more reddish. 

1 $, 42 mm, Samarinda, S. E. Borneo, XI— XII. 1938 (Mrs. Walsh). 

17. Savara longipectinata A. E. Prout (pi. 2, fig. 7 $) 

Prout, A. E., 1922 Bull. Hill. Mus., vol. 1, p. 241 $ 9, pi. 21, fig. 4 $.5 $: 
Central Ceram, 6000'. 

The fore wings are dull reddish brown, below apex without a light patch. It 
resembles somewhat the common Arthisma sci s sural/ s Walk., but is somewhat 
larger and darker, and the incision in hind wing termen, of course, is wanting. 
The termen of fore wing is evenly rounded. It may be nearly related to S. contraria 
Walk, from Borneo and to latimargo Hamps. from Burma. A revision of the 
genus Anoints and allies to which Savara belongs, may clear up this situation. 

1 $ , 37 mm, Samarinda, S. E. Borneo, X.1939 (Mrs. Walsh). 

18. Anomis dealbata A. E. Prout (pi. 2, fig. 2 $ ) 

Prout, A. E., 1926, Entomolog., vol. 59, p. 79 9 : Bum. 

This insect is characterized by its strongly undulating termen of fore wing which 
is angled on vein 5. By this feature it differs from all other Anomis and may, 
therefore, have a separate place within the genus. The coloration is bright, head 
and thorax are brown above, mixed with fulvous. Fore wing with the outer half, 
bordered by the dentate mediana, dark purplish grey, ferrugineous towards termen. 
Median and basal areas fulvous, the cross lines dark, the antemediana strongly 
projecting along lower border of cell. Reniform and orbifer distinct, dark purplish 
brown. In basal area several small light yellow spots. Hind wing and abdomen 
greyish brown. Underside light purplish or reddish grey, with a distinct, darker, 
curved median cross line on both wings. Tarsi spotted with white. 

1 5 , 37 mm, Tjibodas, West Java, 1400 m. 2 $ , Patuhawattee, West Java, 
1750 m (Mrs. Walsh). 

This beautiful and easily recognizable moth is known to me since many years, 
but I could not identify it until I compared it with the type specimen in the 
British Museum. 

19. Hypaetra modesta species nova (pi. 2, fig. 1 9 ) 

9 . Antennae filiform, length about two thirds of costa. Palpi with the second 
joint somewhat broadened apically, third joint rather short, blunt. Wings of nor- 
mal shape. Fore wing with a bluish grey brown ground coloration, especially 
under a lens and in certain lights a blue hue is distinct. Pattern consisting 
of a triangular, dark brown subapical patch, its base occupied by the 
costa. With indistinct cross lines of the same colour. Reniform indistinct, other 
markings wanting. With a row of subterminal dark dots between the veins. Cilia 
greyish brown. Hind wing lighter greyish brown, with a dark apical shade 



W. ROEPKE : Lepidoptera from Indonesia and New Guinea 29 

extending along termen to anal angle. Cilia lighter greyish brown, in apical region 
darker grey. Underside greyish brown, darkest in outer area, hind wing with many 
small dark dots, arranged in transversal lines. Fore wing with the area below vein 
lc very light coloured, the rest darker brownish, with a denticulate, dark post- 
mediana. Along costa with lighter bluish scales. A small tuft on second abdominal 
tergite dark brown. Tegulae with a bluish shine. 

$ . Unknown. 

1 $ , 42 mm, holotype, Samarinda, South East Borneo (Mrs. Walsh). 

By its rather simple fore wing pattern this Noctuid is quite different from all 
other species of the genus Hypaetra. 

20. Hyblaea joiceyi L. B. Prout (pi. 2, fig. 8 $ ) 

Prout, L. B., 1919, Ann. Mag. N.H., ser. 9, vol. 3, p. 188 $ : Isle of Mioswar, Geel- 
vink Bay, Dutch New Guinea. 

$ . Head with the palpi greyish brown, the latter with the first and second joint 
white below, as well as the underside of thorax. Fore wing greyish brown, without 
any trace of markings, only the reniform indicated by a diffuse dark patch. Hind 
wing very distinct, being bright scarlet, anal area with a tuft of long, greyish 
brown hairs. Cilia greyish brown. Underside of both wings lighter yellowish 
brown, more or less suffused with red, without markings, fore wing with an 
obsolete darker spot indicating reniform. The venation in both wings agrees with 
that of the type of the genus, Hyblaea puera Cr., as elaborately redescribed by DE 
Koning and Roepke, 1949 {Treubia, vol. 20, p. 28). Hind tibia much thickened 
by the same structure as in puera, see the just quoted publication. Our specimen 
matches Prout's diagnosis well, except that Prout gives the coloration of head, 
thorax and fore wings upperside as chocolate brown. 

1 $ , 42 mm, Exploratie Bivak, Ned. New Guinea Expedition, X.1926, 

(DOCTERS VAN LEEUWEN). 

Mr. Tams had the kindness to identify the specimen, the general features of 
which are quite different from those of the common Hyblaea. 

As de Koning and Roepke (1949) have shown, by studying the morphology 
of the common Hyblaea puera Cr. from Java, the genus Hyblaea cannot be inserted 
in the large family Noctuidae as it is understood at present. A separate family, 
Hyblaeidae, therefore should be erected, as already anticipated by Zerny and 
Bayer 1936 {Handb. Zool, Insecta, vol. 2, p. 1703). 

Postscriptum. The specimens nrs. 12 — 13 and 15 — 20 were received for study 
from the Museum Zoologicum, Bogor, Indonesia. They are now temporarily 
deposited in the Leiden Museum. 

The author wishes to express his kindest thanks to the authorities of the British 
Museum (Natural History), the Leiden and Amsterdam Museums for their 
valuable assistance. 



NOTES ON EPEOLUS 
(HYMENOPTERA ACULEATA, APIDAE) 

BY 

J. P. VAN LITH 

Rotterdam 

A. The Epeolus tarsalis group 

In this paper special attention has been given to the forms of Epeohts Latr. 
which belong to the sibiricus-groap of Bischof f (1930), then consisting of the 
species Sibiriens Rad., tarsalis Mor. and praeustus Per. 

Bischoff was the first to draw attention to the peculiar shape of the frontal 
area in this group. The longitudinal carina between the eyes is enlarged laterally 
and these enlargements partly cover the insertions of the antennae. He also 
remarked that the only male he then knew — a tarsalis Mor. from Sarepta — had 
no long hairs just before the margin of the last sternites. 

Pittioni (1945) called this "die Gruppe des Epeolus tarsalis Mor." and as 
tarsalis was described fourteen years earlier than sibiricus his term seems to be 
more correct. 

Since the discovery of Epeolus rozenburgensis in Holland in 1948 no further 
material of the tarsalis group seems to have been collected in other parts of 
western Europe. The specimens of this group are still very scarce and the fact 
that of some forms only one sex is known sofar, does not facilitate comparative 
studies. In his interesting paper Pittioni (1945) described what he considered 
to be the male of praeustus Perez and the female of tarsalis Mor. Unfortunately 
he had not had the opportunity to examine the type of praeustus, but based his 
description of praeustus on a female from Tyrol which Friese (1895) had 
compared with the type and declared to be similar. However, this Tyrol specimen 
is much finer and much more sparsely punctured than the type from the Pyrenees. 
During the IXth International Congress for Entomology of Amsterdam Dr. 
Berland of the Paris Museum had the kindness to show me the only female 
praeustus left in the collection of PéREZ. At that time I had already returned the 
specimens of the Vienna Museum, and therefore could not compare them with 
those, but I was able to ascertain that the puncturation of the type was only 
slightly less close than that of rozenburgensis. I am indebted to Dr. Auber, who 
is the present curator of the Paris collections of Hymenoptera, for recently making 
for me a drawing of the puncturation of the temples of the type of praeustus. This 
drawing confirmed my opinion that the specimens from Tyrol — male as well as 
female — represent a form which is clearly different from the type of PéREZ 
from the Pyrenees. 

Through intermediary of Mr. Y. Hirashima, Fukuoka (Japan), Prof. K. 
Tsuneki, Fukui (Japan), and of Mr. P. M. F. Verhoeff, Den Dolder (Nether- 

31 



32 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

lands), I have now been able to study some very interesting specimens of the 
tarsalis group, originating from East Asia and Southeast Europe, which may throw 
some light on the relationship of the various forms. 

A male from Japan, which Prof. Tsuneki sent me, has a frontal area which is 
only slightly different from that of the other forms of the tarsalis group, but it 
differs in some other very important respects. Firstly there are long, backward 
curved hairs on the fourth and fifth sternites. Secondly the genital apparatus is 
different from that of the other forms, the appendices of the aedeagus being much 
shorter. A female from Japan, which does not originate from exactly the same 
locality but which undoubtedly belongs to the same species, has an almost com- 
plete white band on the anterior edge of the first tergite. 

So this is a form which in view of the shape of the frontal area must be allied 
to the other species of this group but which shows yet some important differences. 
From the key just published by Hirashima (1955) it appears that this bee must 
be identical with melectijormis Yasumatsu, which was confirmed by the examinat- 
ion of a couple which Mr. Hirashima was so kind to send to me. 

The other forms of the group which we knew sofar, are difficult to 
distinguish. As is evident from the analytical tables the material from each 
locality shows only slight differences as compared with that from other, localities. 

I have to thank Dr. M. Beier of the Vienna Museum for kindly sending me 
for examination all the specimens of the tarsalis group which are in the collections 
of that Museum and which have been studied previously by Pittioni (1945). 
I had already seen part of this material in 1948. 

Pittioni (1945, p. 146) remarked that the tarsalis group could be considered 
either as a subgenus or as a species divided into subspecies. After the study of 
melectijormis, which is a distinctly separate species, there is now more reason, 
on comparative taxonomical grounds, to suppose that all or nearly all of these 
very closely related forms {tarsalis. praeustus and rozenburgensis) are subspecies 
(geographical races) only of tarsalis. The latter was described by Morawitz in 
1873 and originates from Derbent in Transcaucasia. Presumably even Sibiriens is 
not more than a subspecies of tarsalis. However, with the very scarce material 
which we have at our disposal at the present moment it is not yet possible to say 
definitely whether the forms of Pittioni's tarsalis group are reproductively iso- 
lated or not. For a long time I have therefore been hesitating to sink praeustus and 
rozenburgensis to the subspecific rank. Finally, for practical reasons, I have 
considered it advisable not to wait until we know more about their reproductive 
isolation, if any, and their distribution, but to re-arrange the forms which we now 
know as follows. 

Epeolus sibiricus Rad. 

Ep. sibiricus Radoszkowski 1887, Hor. soc. ent. Ross., vol. 21, p. 295 ( $ $ ). 

Ep. sibiricus Bischoff 1930, Deutsche Ent. Zeitschr., Heft 1, p. 5 ( Ç ). 

Ep. sibiricus Pittioni 1945. Zeitschr. Wiener Ent. Ges., vol. 30, p. 132 ( $ £ ). 

I have not seen this species. According to Bischoff it is distinguishable by the 
extension of the red colour of the thorax and the reduction of the white markings 



J. P. van Lith : Nates on Ëpeolus 



33 






w B 








G 










^ -C ^ •- 








ti 










° ~^ S 








-o 










mc Ü 








o 










3 2« 








«b 










o S 


e 




c 

c 

1-1 




C 


c 


c 




COI 

hairs 

ba: 

fifth 


T. 

"c 


r^. 


Je 

60 


U 
TJ 

O 


h 

TJ 

"o 


tl 

TJ 

"o 




t>0 


_Q 


— 


60 


60 


00 




















60 




















c 






tl 


T 




TD 




TJ 




'c 






CU 


C 




c 




C 




u -S 






~3 


CC 


J 


cd 




cd 




jS ~ 






00 

«j 


1 


fc 


tl 


t) 


u 




o 








tl tl u 


'C i 


s 75 


'L\ v 




ti 










'/i r, m 










'^ ^ 








5 ö 


S c 


ni 


JS o 




« O 








c 


— O -3 


o — 




o — 




— £ 








U <J <7i u. 


(J U 'o 


<_i u 


















Vi 




u 
















vi 








-o i> 




V 




tl 

~ C 

ti w : — 




11 


-o 

■" cd 


iT o 




c .tJ 






a mu, 




cd 


cd ti 






o c 




O 

Tj 




-CO« 






-C M 


>N 




(LI f 






„ *-c.S 




£ 


^ . - 


C — ; 

'3b 2 






tl 


ti 


sh tl 60 


ti 


tl H 


11 11 qj 




V) 


o S 


o 


H G « m 

e S <« <* 


S o 


S o^ 


« B 






•a ü 


TÎ 


• 3 O ti e 
m-, </) « C 


T° 


g~ 


S £ * 


P cd 




















"o 




















e 


o rt 


i 








cd 


TJ 


TJ 

cd 




ed 

U4 


tj ■= o 


d 






ti 


O, 


U 

IH 

O. 




3 


K OU, 

«P, 


r 1 o 


ti 
O 


1) 

C 


^ vT 
Ja" ti 

•3 H2 


£"8 

U TJ 


tl tl 




3 




<L 

> 


U 


"ïï 


S 


u-. ^ 


'«3 '> 

Mi (5- 


£ > 




c 




















u 




















? c 






































v a 3 

-O ._ tl 














o 






— (J 




















^ 3 O 
O ° 


4» tl 


ti 


u 


ti 




u 






J> O 


O 


O 


o 


rv.. 


ï) 






i-i 














11 








(j 


sj 


<-l 


u 


















-o 


TJ 


TJ 


TJ 






tl 






cd 


cd 


cd 


cd 








Q 




u 


u 


ti 


ti 














'-4 




V-l 










"o 




O. 




r. , 


CL 






U 




11 


w 


■^ tl 


JL? - n 


^ Qj 


Vi 

tl 












■- TJ 


H T3 


Ui TJ 


TJ 










u 


O 
















1* _^, 
> (-1 


u 


3'? 


03 's. 


<£'$ 


> 














cd 














TJ 






s- v 












c 




"5 


.2 










^^ 


cd 




00 


'G 






cd 


Cd 

O u 


"3 *& 

T "O 
c 


c 
o 


3 
< 






u 


" cd 


**- — vH 


c 


' 






41 C ^ 
t1 KG 

2 -fj cd 

§ ob 


o "S 3 .— •. 

_e £ c 

o ti . £< 
ï6 2D 


-C 

o 

z 


C 
li 
TJ 

'S 


"O 
























6 ^v 
























C -3 










.<-> 














c 




v> 
tl 




O 
















fr-l 

vi ."ti 




3 

S 





."-5 
"3 


-Ss 

Cu *- 






c 




5 




« 'S 
-2j -o 






Je 


5 


N — 


JQ 


_n 


JQ 


o 








S 


3 


3 


3 


^ *-» 






V 




C 


V) 






ì3 *t 








,«2 


."o « 


.Jj 






•5 5 










^: > 






















-;* CU 






~\ 


'S 


ss 


5 


'S 


'S 


'S Sì 










*-i 


^ 


!-i 


*-ï 


*-l ^ 








s 


w 


fc. 


V. 


v> 


^^r 






\ 


^ 


'S 


g 


'S 


^s 










** 








""* 





34 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, ai-l. 1 — 2, 1956 






^ < 



D p 5 < 



< CO 



^"2 s 
p s. _ 

"■? & 

c o 
rt 



►ti 



^ n n 
<*- üt §- 



CL 



a'-o 



7Î1 



'S. 2 

s as 

"- 1 ni n> 

T! t. 3" 
J3 n> P 

S. Cu 



Cï3 

P P 



P s 

3 S. 

Cu C_ 



Ul ui 
<T> rt 



n 



3 £ g 



3 c 2 



*ti £ 2-^ v 8 ° JT" 
<# £ er : 3 c c 

S o £^ £L ff E. 



cLt, , 

CR on on 



on 



ri 



ETS 

Cf « 



93: 

Z o 






Na- 



n 


s 


G.O 








65 •-»■> 

3 fi 


po 


z 

P 

< 

p 


3 

3- g" 

P s- 

5' 








Cu ut_ 

"<* 
O 
p n 

S 

rt on 
rt 






ui p 





P 

P 


3 
























u_ 




n. n 






Qg wT" 


rt 




IQ 


%-< 






D 




u] 


P 


*a 






r> 









n 






3 rt 




rt 


3 


Cu 



3 * 



rt> c O 



< _ 

P on Cu 



ff " 3 £:* 

S" C <E. on ff 

£ p 

5" « ° 
O p 



a p- a 



p _. 

QTQ P 

rt rt 



3 5T 

P rn 




S- n 

p n o 

EL s? 2 



|. P. van Lini : Notes on Êpeolus 35 

on the abdomen. The puncturation on the foreside of the posterior femora is coarse 
and close. 

The types originate from Wladiwostok. The identity of the host has not yet 
been established with certainty, but Pittioni supposes this to be Colletés collaris 
Dours — or a closely related form — which has also been taken at Wladiwostok. 

Epeolus tarsalis tarsalis Mor. 

Ep. tarsalis Morawitz 1873, Hor. soc. ent. Ross., vol. 10, p. 182 ( $ , Derbent). 

Ep. tarsalis Friese 1895, Die Bienen Europas I, p. 190 ( $ partim). 

Ep. tarsalis Bischoff 1930, Deutsche Ent. Zeitschr., Heft 1, p. 6 ( $ , Sarepta). 

Ep. tarsalis Pittioni 1945, Zeitschr. Wiener Ent. Ges., vol. 30, p. 133 (partim). 

A male from Derbent (Transcaucasia) in the Vienna Museum is labelled 
"Epeolus tarsalis $ F. Moraw. var." in the same handwriting as the locality label. 
The puncturation of the temples, front and foreside of the posterior femora is 
close, like that of rozenburgensis from Holland. The puncturation of the second 
sternite is somewhat less close than in rozenburgensis, also on the margin. The 
puncturation of the tegulae is somewhat finer than in the other forms of this 
group. 

A male from Middle Korea (Shoyo-Zan, 10. IX. 1943) is still more closely 
punctured on the temples and on the foreside of the posterior femora and also 
on the second sternite and the margin thereof. The yellowish-grey pubescence of 
the head and thorax seems to be somewhat more dense than in the other forms. 
The long hairs on the basis of the last sternites are golden. 

A male from Japan (Mt. Yufu, Aso-Kyushu, 2.X.1932), leg. K. Tsuneki, 
differs from the preceding two males in having a fairly widespread puncturation 
of the temples. The last sternites (4, 5 and 6), especially the margins thereof, 
are yellowish and the long hairs on the basis of the sixth sternite are very light 
golden. The puncturation of the tegulae is as coarse as in rozenburgensis, with 
shining interstices on the anterior half. 

I wonder whether this is the male which Hirashima has described as himu- 
kanus (1950, p. 40). As Hirashima's male has no apical fringes of curved hairs 
on the sternites it is very likely that his species is indeed a subspecies of tarsalis 
Mor. 

Bischoff (1930) records a male from Sarepta with large and shining interstices 
on the foreside of the posterior femora (as compared with sibiricus). Perhaps this 
is also a separate subspecies. 

Epeolus tarsalis subsp. 

A female from Moravia (Moravia Mer., Hovorany, 5. IX. 1941, leg. Zavadil, 
coll. Verhoeff) has an entirely black scutellum. There is a broadly interrupted 
white line on part of the margin of the fourth tergite and a very vague spot on 
each side thereof. This might be the opposite sex of the tarsalis tarsalis Morawitz. 
It will be better, however, to defer a definite conclusion until we have more 
material from this locality. 



36 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — -2, 1956 



?o „°.«©o 











^eSCft&^ffifStë&Wre 





>o°°o e i o°oooc 



^rÄgf^^s?!^ 



ffi ffsssga 



■»Soffio <io°oOOo oc««,, 





*a Ë$0$$8$S&fâffi Sa9 






T. P. van LiTH : Notes on Epeolus 37 

Epeolus tarsalis praeustus Perez 

Ep. praeustus Pérez, 1883, Act. soc. Linn. Bord., vol. 37, p. 324 ( 9 Eaux-Bonnes, Py- 
renees). 

Ep. praeustus Friese, 1895, Die Bienen Europas I, p. 194 ( 9 , partim). 

Ep. praeustus Pittioni, 1945, Zeitschr. Wiener Ent. Ges., vol. 30, p. 138 (partim). 

Of the three females taken at Eaux-Bonnes only one female is left in the Paris 
Museum. This is more closely punctured on the foreside of the posterior femora 
than tirolensis and the tarsalis subsp. from Mongolia and Austria. The punctur- 
ation is somewhat less close, however, than in rozenburgensis and resembles that 
of the female from Moravia. The tubercles of the scutellum are somewhat reddish. 
There are four white markings on the fourth tergite. The puncturation of the 
temples is somewhat less close than in the Moravian female. 

The host is Colletés frigid us Perez. 

Epeolus tarsalis rozenburgensis van Lith 

Ep. rozenburgensis van Lith, 1949, Tijdschr. Entom., vol. 91, P- 105. 

The female is different from the other females which have closely punctured 
femora in having only two white spots on the fourth tergite. The scutellum is 
entirely or nearly entirely red whilst the axillae are black or partly black and only 
seldom entirely red. The puncturation of the second sternite is more close than in 
the other forms. 

The male of rozenburgensis is the only male I know sofar which has the long 
hairs on the basis of the last sternites dark brown. In the other males — in the 
tarsalis tarsalis from Derbent they are not visible — these hairs are golden. The 
tegulae are more coarsely punctured than in the tarsalis tarsalis from Derbent. 

All specimens have been taken at Hook of Holland in August-September during 
the years 1948-1952 in or near a colony of Colletés succincta halophila Verhoeff. 

Epeolus tarsalis subsp. 

Ep. tarsalis Friese 1895, Die Bienen Europas I, p. 190 ( $ ). 

Ep. tarsalis Pittioni 1945, Zeitschr. Wiener Ent. Ges., vol. '30, p. 133 (partim). 

The couple from Northern Mongolia and perhaps also the males from Weiden 
(Neusiedlersee, Austria) and the female from Bisamberg (near Vienna, Austria) 

Figs. 1 — 10. Puncturation of the lower half of the foreside of the posterior femora; rest of 
the puncturation omitted. 1, Epeolus tarsalis subsp., 9 , Northern Mongolia. 2, idem, $ . 
3, Epeolus tarsalis rozenburgensis van Lith, 2 , Holland ("De Beer", Rozenburg). 4, idem, 
$ . 5, Epeolus tarsalis tirolensis subsp., nov., 9 , Tyrol. 6. idem, $ . 7, Epeolus tarsalis 
subsp., 2 , Moravia (Hovorany). 8, Epeolus tarsalis tarsalis Mor., $ , Transcaucasia (Der- 
bent). 9, Epeolus tarsalis subsp., $ , Middle Korea. 10, Epeolus tarsalis subsp., $ , Japan. 
Figs. 11 — 18. Puncturation on two places behind the eyes of: 11, Epeolus tarsalis rozen- 
burgensis van Lith ( $ and 9 ) and Epeolus tarsalis tarsalis Mor. $ . 12, Epeolus tarsalis 
tirolensis subsp. nov., $ . 13, Epeolus tarsalis subsp., $ and 9 , Northern Mongolia. 
14, Epeolus tarsalis tirolensis subsp. nov., 9 . 15, Epeolus tarsalis subsp., 9 , Moravia. 
16, Epeolus tarsalis praeustus Perez, 9 , Pyrenees (copied from a drawing received from 
Aiiber). 17, Epeolus tarsalis subsp., $ , Middle Korea. 18, Epeolus tarsalis subsp., $, 

Japan. 



38 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

are a form, or perhaps two forms, intermediate between rozenburgensis and 
tirolensis. 

In the Mongolian female the legs are orange-red including the trochanters. 
Shoulders, tegulae, scutellum and axillae are red. The female from Bisamberg is 
less red-coloured; the shoulders are reddish only, not fully red and of the scutel- 
lum the tubercles only are reddish. The Mongolian female has two white spots 
on the margin of the fourth tergite, whereas the Bisamberg female has four spots, 
the outer two being small. 

Northern Mongolia, 1892, leg. Leder, $ and 9 , coll. Naturhistorisches Mu- 
seum, Vienna; Weiden (Neusiedlersee) 1. IX. 193 5, S , leg. Pittioni, coll. British 
Museum, London, Sept. 1940, $ , coll. Bischoff; Bisamberg (Vienna) 30. VIII. 
1936, 9 , leg. L. Strauss, coll. British Museum, London. 

It is not unlikely that the Mongolian and Austrian forms represent two dif- 
ferent subspecies but before naming these forms we better await more material 
from these regions. 

Epeolus tarsalis tirolensis subspec. nov. 

Ep. praeustus Friese, 1895, Die Bienen Europas I, p. 194 ( 9 ■ partim). 
Ep. tarsalis Friese, 1895, I.e., p. 190 ( $ , partim). 
Ep. praeustus Friese 1926, Die Insekten Mitteleuropas, p. 110 ( 9 ). 
Ep. praeustus Bischoff, 1930, Deutsche Entom. Zeitschr., p. 6 ( 9 , Innsbruck). 
Ep. praeustus Pittioni, 1945, Zeitschr. Wiener Ent. Ges., vol. 30, p. 138 ( $ and 9 , 
partim). 

This subspecies is characterized by the very widespread puncturation of temples, 
front, foreside of posterior femora, and of the second sternite, in both sexes. 
Pittioni has given an extensive description of the male in 1945. The scutellum of 
the female is almost black. 

Holotype: 9 , St. Pauls (Tyrol), leg. Schletterer (according to Friese, 
1895), coll. Naturhistorisches Museum, Vienna. 

Allotype: $ , Tyrol, leg. Schletterer, coll. Naturhistorisches Museum, Vienna. 

I hope that in future studies of more extensive material will be possible which 
will ascertain whether the above mentioned characteristics are constant. 

Male genitalia 

Pittioni gives drawings of the genital armature of tarsalis tirolensis (praeustus 
det. Pittioni) and of the tarsalis subsp. from Weiden am Neusiedlersee in 
Austria, which drawings are copied in this paper (figs. 20 and 21, respectively). 
In figs. 19 and 22 the genitalia of the Korean tarsalis and of rozenburgensis are 
depicted. These genital armatures all agree with regard to the length of the 
appendices of the aedeagus which appendices nearly reach the end of 
the aedeagus or even equal the same in length (tarsalis subsp. from Weiden). 

All parts of the genitalia are curved downward. The two parts which constitute 
the aedeagus are united on the ventral side and the enlarged and rounded lateral 
parts of the basal half are mostly bent to each other so that they just touch. The 



J. P. van Lith : Notes on Epeolus 39 

distal half is much narrower and has the shape of a gutter which is open on the 
dorsal side. The end is flat again, except in the tarsalis from Korea. In tarsalis 
iirolensis and in tarsalis rozenburgensis the end is excavated. These parts, however, 
are very membraneous and flexible and it is therefore advisable not to attach too 
much value to the shape thereof. As a result of this membraneous nature the 
aedeagus can be either almost entirely folded or nearly unfolded. The latter 
situation seems to be the case in Pittioni's sketch of praeustus (tarsalis tirolensis). 

I have not been able to detect any conspicuous difference in the shape of the 
seventh and eighth sternites. 

The genital armature of melectiformis (fig. 23) on the whole is very similar to 
that of the other forms of the group, with the exception of the very short ap- 
pendices of the aedeagus, which make it easily distinguishable. 

B. Epeolus melectiformis Yasumatsu 

From the short description given by Yasumatsu in 1938 it was not clear that 
this species is so closely related to tarsalis, judging from the shape of the frontal 
carina. 

In 1955 Hirashima published a key in which he described the facial process 
as "large, prominent, remarkably projecting laterally" and also the other charact- 
eristics given by him for melectiformis correspond very well with those of the two 
specimens which I had received from Tsuneki. This similarity was confirmed 
later by the examination of the couple which Mr. Hirashima kindly sent me. 

A detailed description of the two first mentioned specimens is given for the use 
in later studies and for comparison with tarsalis. 

In both sexes the frontal area is raised and enlarged on both sides so that it 
partly covers the implantation of the antennae. Contrary to the previously mention- 
ed allied forms this frontal area is somewhat excavated and therefore, when seen 
from above, the foreside of the longitudinal carina only reaches about as far as 
the forward bent tips of the enlargements. 

Colour black; tarsi and ends of jaws reddish. The female has a narrowly 
interrupted white band on the anterior edge of the first tergite. 

The male has long, curved hairs near the apex of the fourth and fifth sternites. 
The lateral processes of the aedeagus are considerably shorter than in the other 
species of this group. 

Female. Labrum shining, very closely, coarsely and irregularly punctured, no 
smooth area near the basis. Two teeth of moderate size at a distance from the 
apex of about one quarter of the length of the labrum. A small tooth in the 
centre of the apex of the labrum. 

Clypeus closely punctured, with narrow and shining apical margin. A long- 
itudinal suture divides the clypeus in two parts each of which is somewhat con- 
vex, especially on the basal half. Front closely punctured with only a few narrow, 
shining lines near the ocelli. Between the oculi and ocelli a few shining interstices 
which are about as broad as the punctures. Vertex behind the eyes closely punct- 
ured. Temples very closely punctured, punctures often in rows, with 
narrow interstices which sometimes are nearly as broad as a puncture, but as a 



IO 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, all. l — 2, 1956 




Figs. 19 — 23. Male genitalia. 19, Epeolus tarsalis subsp., Korea. 20, Epeolus tarsalis tiro- 

lensis subsp. nov., Tyrol (copied from Pittioni, 1945). 21, Epeolus tarsalis subsp., Austria 

(Weiden) (copied from Pittioni, 19-15). 22, Epeolus tarsalis rozenburgensis van Lith. 

23, Epeolus melectiformis Yasumatsu. 



J. P. van Lira : Notes on Epeolm 41 

rule less than half as broad. Third segment of the antennae longer than the 
following and nearly as long as the last segment. 

Thorax coarsely punctured, especially on the anterior half, with a number of 
shining interstices which on the whole are as broad as the punctures. Tegulae 
closely and finely punctured, except the outer margin, which is very finely striated. 
Scutellum very coarsely and irregularly punctured, also on the sharp-triangular 
axillae. Postscutellum more closely, finely and regularly punctured. Area cordealis 
of the propodaeum dull, very fine - alutaceous, on the lateral parts nearly smooth. 
Around the area cordealis a shining area; the rest of the propodaeum closely 
punctured. Metapleurae coarsely and closely punctured. 

Tergites with relatively fine punctures, the somewhat depressed posterior part 
still finer, with a narrow and shining apical margin. The blunt apex of the 
pygidium is somewhat excavated and the outer margin is raised. 

The second sternite coarsely punctured, in the central part the interstices are 
somewhat larger than the punctures, punctures on the apical margin only half as 
large, near the edge still finer. Apical margin of the second and third sternite 
considerably depressed, in the middle about twice as broad as laterally. Fourth and 
fifth sternites very finely punctured. Processes of the sixth sternite with six teeth 
on the ventral margin at regular distances from each other; on the dorsal margin 
with three or four teeth which are somewhat smaller and also a few indistinct 
teeth. 

Mesosternum very coarsely and irregularly punctured. Posterior coxae shining, 
coarsely punctured, on the posterior half interstices up to twice as large as the 
punctures. Foreside of the posterior femora coarsely punctured, on the basal half a 
few shining interstices as large as the punctures, margin finer punctured. 

Colour black, tarsi and upper jaws reddish, apex of margin of second and third 
tergites transparent, horny-brownish. 

Round the outside of the implantation of the antennae half a circle of decumbent 
white hairs. Rest of the head with short and greyish pubescence. Pronotum with 
a yellowish-white band. On the thorax from the foreside two indistinct and short, 
longitudinal, yellowish-white stripes. Margin of mesonotum, mesopleurae, shoul- 
ders, lower part of scutellum and postscutellum also with yellowish-white hairs. 
Rest of thorax and scutellum with very short and black hairs. Pubescence in the 
upper corners of the propodaeum silvery. Behind the wings a tuft of long and 
yellowish-brown hairs. Foreside of the posterior coxae with a very dense and 
silvery pubescence. Back of the posterior femora with a row of long and somewhat 
curved brown hairs. Back of posterior tibiae and inside of all tarsi with short and 
erect red hairs. Outside of middle tibiae with a row of short and red bristles. Rest 
of the legs with short grey pubescence. Wings with dark margin, veins brownish 
black. 

Anterior edge of the first tergite with a white band which is narrowly inter- 
rupted; posterior margin with a broad white band, interruption in the middle as 
broad as the band. Posterior margin of the second, third and fourth tergites 
laterally with two white spots, those of the second tergite on both sides vaguely 
connected by some light hairs which are partly brown. Rest of the tergites with 
black and squamose pubescence. Fifth tergite with a lozenge-shaped patch of silver)' 



42 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

pubescence, laterally a vague spot of white squamose hairs. Pygidium with short 
brown bristles pointing backward. 

Margin of the second and third sternites laterally with vague white spots. 
Fourth sternite with vague and white apical band. Margin of fifth sternite not 
visible. Rest of the sternites clothed with blackish pubescence. 

Male. Labrum shining, coarsely and closely punctured; in the centre of the basis 
a small rectangular area. Apex with small tooth in the centre. Two teeth on the 
labrum as in female. 

Clypeus and frontal area as in female, but no distinct suture. Front shining, 
coarsely punctured with small interstices which are smaller than the punctures: 
near the eyes the interstices are somewhat larger. Between oculi and ocelli there 
are very large interstices with a few very fine punctures. Vertex behind ocelli very 
closely punctured. Temples very coarsely and closely punctured, interstices smaller 
than punctures. Third segment of antennae longer than following segments. 

Thorax, scutellum, and tegulae as in female. Postscutellum and propodaeLim 
not visible. Metapleurae as in female. 

Tergites somewhat more coarsely punctured than in female, the depressed 
margin with finer punctures. Sides of the seventh tergite convergent, especially 
the basis thereof; apex rounded with a very slight emargination. 

In the centre of the second sternite the interstices are somewhat larger than the 
punctures; margin depressed as in female. Fourth sternite deeply, fifth sternite 
less deeply emarginated. The latter is also considerably depressed on the posterior 
half. Third, fourth and fifth sternites with a broad and smooth apical margin. 
Mesosternum, posterior coxae and fore-side of posterior femora as in female; distal 
part of the latter not much finer punctured. Genitalia, see fig. 23. 

Colour black, tarsi, the ends of the upper jaws and outer margin of tegulae 
reddish, the shining apices of the margins of the sternites are brownish transparent. 

Clypeus with a very dense and decumbent white pubescence, especially around 
the implantation of the antennae. On the rest of the head short and grey erect 
pubescence. Yellowish white band on pronotum, a less dense greyish pubescence 
on the anterior half of the mesonotum with two vague longitudinal stripes; margin 
of mesonotum and of shoulders and also the mesopleurae with greyish pubescence. 
Rest of the thorax and the scutellum with short and dark erect hairs. Behind the 
basis of the wings a tuft of long hairs as in female. Foreside of the posterior coxae 
with a very dense and decumbent silvery pubescence. Outside of the middle tibiae 
with a longitudinal row of short golden bristles. Posterior side of hind tibiae and 
inside of the tarsi with erect red hairs. Rest of the legs with grey hairs. 

Anterior part of first tergite with white band, apex of first and second tergites 
with broadly interrupted white band; some of the outer squamose hairs are 
brownish. Third and fourth tergites laterally with two white spots; the two on 
each side of the fourth tergite are connected. Fifth and sixth tergites with a 
narrowly interrupted apical band. Rest of the tergites with black squamose 
pubescence. 

Second and third sternites with white apical bands, that of the second is inter- 
rupted (worn?). Fourth and fifth sternites with a row of long and curved brown 
hairs before the shining margin. Basis of the fifth tergite with long light brown 



J. P. van Ljth : Notes on Epeol/n 43 

hairs. The basis of the other sternites is not visible. Sixth sternite with short 
reddish-brown hairs. 

9, 26.VIII.1954, Fukui Pref., Japan, leg. K. Tsuneki. 

S, 23.VIII.1954, Mt. Haku, Japan, leg. K. Tsuneki. 

C. Taxonomical notes on Epeohts tarsalis rozenburgensis 

Having studied a number of tarsalis rozenburgensis collected during five con- 
secutive years in or near the same colony of Collectes succincta halophila Verhoeff, 
I should like to make a few remarks on the variability of this subspecies. 

In the original description of rozenburgensis (1949) a peculiar mistake was 
made in using the term tibiae instead of femora when the puncturation of the 
latter was discussed. 

In addition to the original description it should also be mentioned that the 
long dark hairs on the basal part of the fifth and sixth sternites are also present 
on the third and fourth sternites. As a rule, however, they are not visible in dried 
specimens. 

I was not able to find much variation in the density of the puncturation of the 
femora of the second sternite and of the head. The most conspicuous variation in 
this population was in the coloration of the axillae and, to a lesser degree, also of 
the scutellum. In 19 out of 28 females the scutellum was entirely red, in the other 
nine specimens a narrow margin only on the anterior side of the scutellum was 
dark. 

In 22 of the females the axillae were entirely black, in five of them the axillae 
were half red and of one female only the axillae were nearly entirely red. 

Coloration of scutellum and axillae of 28 females 



Axillae black Axillae half red 


Axillae nearly 
entirely red 


Scutellum red 

Anterior margin of 
scutellum black 


13 
9 


5 


1 



The tegulae were red, in ten females they were somewhat darkened. 

The posterior margin of the white markings on the tergites of the female 
has a golden brownish tinge, not only of the bands on the first two tergites, as 
described in the three types, but also of the white spots on the third and fourth 
segments. The later in the season the insects have been taken, the more these 
golden brown hairs have a tendency to grow pale (dried specimens will soon 
fatten, but can easily be cleaned by a 24 hours bath in acetone). 

As one might expect, there was some variation in the size of the bees, but it is 
remarkable that there was a certain decline in the average size of the males as well 
as of the females. Although I had a relatively large number of both sexes at my 
disposal, it was not sufficient for obtaining reliable averages. Anyhow, in the 
years 1950 and 1951, when most of the specimens were taken, the decline was 
very striking. 



AA Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

The available data are arranged in the following table: 





1948 


1949 


1950 


1951 


1952 




mm 


mm 


mm 


mm 


mm 




8 


9 


9 


8 


8 




10 


S 


8 


8 


7,5 








9 


7,5 


7 


individual 






7,5 


7 




sizes of 






10 


8 




28 females 






10 
9,5 
9 
8 
9 


8 
8 

8,5 
8 

7 
S 




average sizes 


9 


8,5 


8,9 


7,8 


7,5 





1948 


1949 


1950 


1951 


1952 




mm 


mm 


mm 


mm 


mm 




9 


8 


8,5 


7,5 


7,5 






8 


8 


7,5 


7 






9 


8 


7 


8 


individual 






9 


6 


7,5 


sizes of 






8 


6,5 


7 


32 males 






8 


7 


/ 








7,5 


7 


8 








8 


9,5 


7 








7,5 












9 












8,5 












9 






average sizes 


9 


8,3 


8,25 


7.25 


7,4 



The male and the largest female of 1948 measured respectively ten and eleven 
millimetres, but as the abdomens were pulled out during preparation, I have 
reduced their measured lengths by one millimetre. 

D. Biological notes on Epeolus tandis rozenburgensis 

In 1934 I discovered a large colony of a subspecies of Colletés succinola L. on 
„De Beer", a nature reserve near Hook of Holland. In 1943 P. M. F. Verhoeff 
published a more detailed description of this subspecies and called it halophila. 

In 1937 the colony was very large. The nests were distributed over a surface of 
about 500 square metres with a density on some places of about 80 nests per 
square meter. 

During the war the site was not accessible. When I could resume my study in 
1946 it appeared that a big dike had been constructed round the island which had 
thoroughly changed the landscape and it was only in 1948 that the colony or what 
was left of is was refound. 

The first specimens of Epeolus tarsalis rozenburgensis were discovered in 1948 



J. P. van Liti i : Nut es on Epeolus 



45 



and their number seemed to grow steadily until 1950, when the greater part of 
the halophila colony had moved to a spot which was situated at a distance of 
about 50 metres from the previous site. 

In 1952 only a few hdophila were seen and there were much less Epeolus than 
in the years before. It had already struck me in 1951 that so many males of 
Epeolus were undersized. 

In 1953 and 1954 the nests of the host had fully disappeared and there was 
not any Epeolus to be found although some Colletés females were still visiting the 
flowers of Aster tripolium and undoubtedly some nests must have been in the 
neighbourhood. In 1955 I have not been able to find any hdophila or rozen- 
burgensis at all. 

I could not find an explanation for the fact that the Colletés colony disappeared 
so suddenly, but I am sure that the steadily increasing density of the vegetation 
after the construction of the dike must have been detrimental to the nesting pos- 
sibilities of Colletés whilst the growing number of rozenburgensis must also have 
undermined the forces of the Colletés colony. 

In this connection the publication of F. K. Stöckhert (1950) should be 
mentioned. In this paper the author discusses the increasing number of Crocisa 
scutellaris F. in a colony of Anthophora Borealis Mor. during a period of about 
forty years, which resulted in the extinction of the host as well as of the cuckoo 
bee. 

In their behaviour the Epeolus tarsali s rozenburgensis made a very lazy im- 
pression. They could easily be picked from the flowers, which was partly due to 
the cold and strong wind which was sometimes blowing during sunny weather. 

I never saw them at a long distance from the colony except in one case when I 
took a female rozenburgensis on the flowers of Aster tripolium L., where the 
females of halophila collected their food south of the dike. Most of the other 
specimens were taken on the flowers of Cirsium arvense Scop., but they also 
visited Senecio jacobaea L., a Sonchus sp. and low yellow composites. Once only 
I found a male on the flower of a Pulicaria sp. 

The bees were most abundant during the last days of August and the first week 
of September. The following table gives the dates of captures. As will be under- 
stood this table can only give a very incomplete idea of their appearance, the 
excursions being restricted to the week-ends. 





21st 


23rd 


24th 


27th 


29th 


31st 


3rd 


5th 


9th 




Aug. 


Aug. 


Aug. 


Aug. 


Aug. 


Aug. 


Sept. 


Sept. 


Sept. 


1948 










1 S 






3 9 




1949 


2 $ 1 9 




4 $ 2 $ 














1950 








abundant 






abundant 






1951 




many 














many 


1952 






mostly 
males 






some 
males 
i 9 









(6 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, ail. 1 — 2, 1936 

References 

Bischoff, H., 1930. „Beitrag zur Kenntnis paläarktischer Arten der Gattung Epeolus (Hym. 
Apid.)". Deutsche Ent. Zeit sehr., 1930, Heft I, p, 1—15. 

Friese, H., 1895. "Die Bienen Europas", vol. 1, Berlin. 

Friese, H., 1926. „Die Bienen, Wespen, Grab- und Goldwespen". Die Insekten Mittel- 
europas insbesondere Deutschlands, vol. 1, Hymenopteren I. Teil, p. 110. 

Hirashima, Y., 1955. "A new species of the genus Epeolus Latreille from Japan (Hymen- 
optera : Apidae)". Inserta Matsumurana, vol. 19, p. 40 — 43. 

LlTH, J. P. van, 1949. „Epeolus rozenburgensis nov. spec. (Apidae, Hym. aculeata)". 
Tijdschr. Entom., vol. 91, 1948 (1949), p. 105—112. 

MoRAWiTZ, F., 1873. „Die Bienen Daghestans". Hor. Soc. ent. Ross., vol. 10, p. 182. 

PéREZ, J., 1883- „Contribution à la faune des Apiaires de France. XII". Act. Soc. Linn. 
Bordeaux, vol. 37, p. 205 — 378. 

Pittioni, B., 1945. „Beiträge zur Kenntnis paläarktischer Apiden (Hymenopt.) I., Die 
Gruppe des Epeolus tar salis Mor.". Zeit sehr. Wiener Ent. Ges., vol. 30, p. 
128—147. 

Radoszkowski, O., 1887. „Révision des armures copulatrices de la famille Epeolus". Hor. 
Soc. ent. Ross., vol. 21, p. 295. 

StöCKHERT, F. K., 1950. „Die mediterranen und kontinentalen Elemente in der Bienen- 
fauna des Fränkischen Stufenlandes". Gymnasium Eridericianum, p. 85 — 118. 

Verhoeff, P. M. F., 1943. „Colletés succineta halophila nov. subsp.". Tijdschr. Entom., 
vol. 86, p. XXXIX. 

Yasumatsu, K., 1933. „Die Schmuckbienen (Epeolus) Japans (Hymenoptera, Melectidae)". 
Trans. Kansai Ent. Soc, Nr. 4, November 1933, p- 1 — 6. 

Yasumatsu, K., 1938. „Schmuckbienen (Epeolus) der mandschurischen Subregion 
(Hymenoptera, Apoidea)". Trans. Sapporo Nat. Hist. Soc, vol. 15, p. 223 — 226. 



II. BEITRAG ZUR KENNTNIS DER GATTUNG GALERUCA 
GEOFFROY (COLEOPTERA, GALERUCIDAE) ') 

VON 

JAN HAVELKA 

Prag (CSR.) 

In den Coleopteren-Sammlungen aus dem National-Museum in Prag habe ich 
zwei neue Arten aus der Gattung Gderuca Geoffroy festgestellt, und zwar Gale- 
nica improvisa spec. nov. von Algerien und G. ida spec. nov. von der Insel Kreta, 
welche mit der Art G. In duo sa Joannis, 1866 verwandt sind. Ein Exemplar der 
G. ida habe ich auch in der Sammlung aus dem Museum Frey in Tutzing ent- 
deckt. Beide neue Arten beschreibe ich untenstehend. 

Die bekannte Art G. luctuosa ist in Südfrankreich und in Nordwest-Spanien 
verbreitet. Sie ist eine sehr junge Art, welche sehr oft auch an derselben Lokalität 
in der Grösse des Körpers, der Form der Flügeldecken, der Halsschildform 
sowie der Penisform veränderlich ist. Sehr verwandte Art is G. abbreviata 
Joannis, 1866 aus Frankreich und Italien. Diese Art ist mehr konstant. 

Die Art G. luctuosa bestimmen wir nach dem Schlüssel von Weise (1886 — 
1893), wir müssen dafür nachfolgende Schlüsselnummern durchgehen: 11 ... 6, 
61 ... 7, 71 ... 8, 81 ...14, 14 ... 15, 151 ... 17, 171 ... 18, 181 ... 20, 20 ... 21, 
21 = G. luctuosa Joannis-). Es ist notwendig bei der Bestimmung der zwei 
neuen Arten auch so vorzugehen. Diese Arten sind nach folgendem Schlüssel zu 
unterscheiden. 

Schlüssel 

1. Grösser, über 12 mm, schwarz, stark glänzend; Halsschild vorne deutlich breiter, an den 
Seiten zweimal ausgebuchtet, 2,6 X breiter als höher (78:30); Flügeldecken nach 
hinten stark verbreitert, mit sehr fein gekennzeichneter 1. und 2. Primärrippe und noch 

weniger zu beobachtenden Sekundärrippen; Körperlänge 12,1 mm; Algerien 

G. improvisa spec. nov. 

— Kleiner, 7 bis 11 mm 2. 

2. Schwarz, glänzend, erinnernd an die grösseren stärkst punktierten Exemplare von 
G. tanaceti; Halsschild vorne deutlich breiter, an den Seiten zweimal ausgebuchtet, un- 
gefähr 2,4 X breiter als hoch (65 : 27), Vorderecken scharf rechtwinkelig oder sehr 
spitz und in diesem Falle nach aussen gerichtet; Flügeldecken ohne Sekundärrippen, 1. 
und 4. Rippe sind manchmal schwach ausgeprägt, die Härchen an den Flügeldecken 
sehr kurz, kürzer als der Durchschnitt des Punktes, in dem sie stehen; Flächen zwischen 
den Punkten unregelmässig stark gerunzelt; Abdomen breiter und gewölbter; Körper- 
länge 7 bis 11 mm; Südfrankreich, N.-W. Spanien G. luctuosa Joannis. 

— Schwarz, braunschwarze Flügeldecken, glänzender: Halsschild vorne deutlich breiter, 
an den Seiten zweimal ausgebuchtet, ungefähr 2,15 X breiter als hoch (56:26); 
Flügeldecken mit schwach angedeuteter 1. und 2. Primärrippe, Härchen an den Flügel- 

! ) I. Beitrag siehe: Acta Soc. ent. Cechosloveniae, vol. 51, 1954, p. 155 — 118. 
2 ) Als Gegenteil wird angeführt: 20 1 .... 22 = G. pomonae Scopoli spec, geogr., eretica 
Weise, juliginosa Joannis ?, spectabilis Faldermann spec, geogr. 

47 



is Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, ai-l. 1 — 2, 1956 

decken ungefähr so lang wie der Durchschnitt der Punkte; Flächen zwischen den Punk- 
ten fast glatt; Abdomen einigermassen schmäler und flächer; Körperlänge 9,6 bis 9,9 

mm; Insel Kreta G. ida spec. nov. 

— Schwarz, unausgefärbt dunkel pechbraun oder braun, matt glänzend, stark punktiert, 
Halsschild vorne deutlich breiter, an den Seiten zweimal ausgebuchtet, ungefähr 2,14 X 
breiter als hoch (60 : 28), Vorderecken gross, rechtwinkelig; die dunkelsten, vierrip- 
pigen Stücke der G. pomonae ähnlich, aber die Seitenrinne an den Flügeldecken sehr 
breit und ausgeprägt; Flügeldecken mit massigen Primärrippen und 2 — 4 ebenso hohen 
Sekundärrippen; Körperlänge 7 bis 11 mm; Frankreich, Italien ... G. abbreviata Joannis. 

Ich lege zwei meiner ursprünglich angefertigten Tabellen bei. Zum Vergleich 
habe ich auch die Halsschildumrisse der gegenteiligen Arten: G. eretica Weise, 
1889 (Kreta: Knossos) (Fig. 9), G. speetabilis speetabilis Faldermann, 1837 
(USSR, Kaukasus: Elbrus-Geb.) (Fig. 10), G. pomonae pomonae Scopoli, 1763 
(Jugoslavien: Radoha) (Fig. 11) und die Penise der G. pomonae pomonae Scop. 
(Fig. 12, 13), G. speetabilis speetabilis Faldermann (Fig. 14, 15) und G. eretica 
Weise (Fig. 16, 17) gezeichnet. 

Galeruca (Galeruca) luctuosa Joannis, 1866 (Nachträge zu den bisherigen 
Beschreibungen) . 

Länge: 7 bis 11 mm, Breite: 5 bis 6,8 mm. Verbreitung: Südfrankreich, Nord- 
W. Spanien. Kopf um etwas mehr als 2,5 X breiter als hoch (38 : 15). Fühler 
mit zahlreichen schwarzen Härchen dicht bedeckt. 

Behaarung des Halsschildes goldgelb, Härchen ebenso lang wie der Durch- 
schnitt der Punkte. Halsschild mit scharf rechtwinkeligen oder sehr spitzigen nach 
aussen gerichteten Vorderecken (Fig. 2, 3); Punkte stark, kreisförmig, von ver- 
schiedener Grösse, einige sind so gross wie auf den Flügeldecken. 

Flügeldecken weniger nach hinten verbreitert, mit verhältnismässig grösseren, 
unregelmässig gestellten Punkten. Mikroskulptur: Auf den Flächen zwischen den 
Punkten sind verschiedene mikroskopische Punkte, zwischen ihnen sind stärkere 
Furchen, von welchen nur ein kleiner Teil quer ist. Flächen zwischen den spär- 
lich und kurz behaarten Punkten an dem Schildchen sind mit unregelmässigen 
mikroskopischen Punkten bedeckt, darum ist die Oberfläche ein wenig matt; in 
der Mitte des Schildchens ist ein breiter, senkrechter Eindruck. 

Abdomen enger, gewölbter und am Ende mehr spitzig, stark glänzend; Punk- 
tierung stark, jedoch das letzte Sternit feiner unregelmässig punktiert; Behaarung 
silbergrau, Ausschnitt am letzten Sternite mehr ausgeschnitten, Umriss des Aus- 
schnittes stärker behaart, sodass die Härchen überragen, und mit tieferen Punkten 
bedeckt; über ihm ist ein grosser bogenartiger Eindruck; die beiden Seitengrübchen 
sind rotbraun, ellipsoid, tief und sehr dicht mit längeren Härchen bedeckt, welche 
den Umriss des Sternites überragen. Punkte in den Grübchen und an den Seiten 
des Sternites sehr grob. Sternite sind mit tieferen, queren, feinen Furchen bedeckt; 
das letzte Sternit dicht gefurcht. Mikroskulptur: Auf den Flächen zwischen den 
Punkten sind sehr feine, ungleich grosse mikroskopische Punkte, welche im 
Durchschnitt kreisförmig und alle regelmässig sind. 

Penis kleiner und enger, mit wenig verengter und stumpfer Spitze, stark 
bogenartig gewölbt, Länge: 3,1 mm, Breite 1,1 mm (44 : 15) (Fig. 4, 5). 



J. Havelka : Der Gattung Gaieruca 11 



49 



(M I M I M i j l I)|l I I MIM I ) I I M I I" I I I I I H|[l [ l| [ | I l |l I Ml I M l| 





Fig. 1. Gaieruca improvisa spec. nov. (Algerien: Djebel Aurès). Körperumriss des $ . — 
Figs. 2. — 3. G. luctuosa Joannis (Frankreich: Morbihan). Halsschild des $ . — Figs. 
4. — 5. Dieselbe. Penis. Figs. 6. — 7. G. improvisa spec. nov. (Algerien: Djebel Aurès). Penis. 



50 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

Galenica (Galeruca) improvisa spec, now (Fig. 1, Körperumriss des $ ; Fig. 
6, 7, Penis). 

Holotypus: $, Algerien: Djebel Aurès, VII. 1932, Igt. Dr. Leo Heyrovsky 
(Coll. National-Museum, Prag). 

Länge: 12,1 mm, Breite: 7,4 mm. Schwarz, bei stärker einfallendem Lichte 
mit schwachem braunem Hauch, stark glänzend, viel länger und breiter als die 
grössten Exemplare von G. luctuosa, mit breiteren und tieferen Seitenrinnen am 
Halsschilde; Flügeldecken nach hinten sehr verbreitert, mit breiterer Seitenrinne. 

Kopf breiter (41 : 15), stark punktiert, am Scheitel mit kräftigen und unregel- 
mässigen Punkten, ungefähr so gross wie am Halsschilde; Härchen in den 
Punkten kürzer als der Durchschnitt der Punkte, über den Augen in der Richtung 
zu dem Clypeus ist die Punktierung feiner und dichter. In der Mitte des Kopfes 
ist eine feine, senkrechte Reihe. In der Mitte des Kopfes, in der Linie der Unter- 
basis der Augen ist ein rhombischer Eindruck. Die Entfernung der Augen von der 
Kopfbasis ist kürzer als bei G. ida. Clypeus ist in der Richtung nach der Stirn in 
der Mitte fein ausgeschnitten, an den Seiten dünn, fein und kurz behaart. Scheitel 
halbwegs gebräunt, jedoch die Umgebung der Augen und Fühler schwarz. Zwi- 
schen den Fühlereinsätzen sind zwei grosse Hügel mit scharfen Spitzen, in der 
Mitte durch eine Reihe geteilt. 

Fühler lang (6,5 mm), ungefähr ò 1 / 3 X länger als die Höhe des Halsschildes, 
dünner mit anliegenden schwarzen Härchen bedeckt, welche den Umriss der 
einzelnen Glieder überragen. An den Umrissen sind die Härchen braunschwarz. 
Auf den fünf letzten Gliedern sind die Härchen noch viel feiner und zahlreicher, 
darum sehen diese Glieder matter aus als die vorhergehenden. Glieder- 
längenverhältnisse: 1. Gld = 15, 2. Gld = 6, 3. Gld = 11, 4. Gld = 10, 
5. Gld = 9, 6. Gld = 8, 7. Gld = 8, 8. Gld = 8, 9- Gld = 8. 10. Gld 
= 8, 11. Gld = 10 Mikrometerteile. Fühleransatz erwächst aus dem krater- 
förmigen rotbraunen Ringelchen. 

Halsschild ist ungefähr 2,6 X breiter als hoch (78 : 30), Vorderecken in 
Spitzen herauslaufend und fast rechtwinkelig, Hinterecken stumpfwinkelig. Basis 
in der Richtung nach dem Kopfe in der Mitte fein ausgeschnitten. In der Hals- 
schildmitte ist ein breiter, ovaler, seichter und senkrechter Eindruck, mit einer 
sehr feinen senkrechten Reihe, welche mit Punkten unterbrochen ist. Halsschild 
zweimal an den Seiten ausgebuchtet, hinter der Mitte ist nach beiden Seiten ein 
scharfer Ausschnitt, von welchem der Halsschild sich in der Richtung nach oben 
verbreitert. Seitenrinnen sind ebenfalls hauptsächlich von der Stelle an verbreitert, 
wo der Halsschild sich zu verbreitern beginnt. Punkte stärker und unregelmässiger 
als auf den Flügeldecken; graue Härchen in den Punkten sind ungefähr so lang, 
wie der Durchschnitt derselben. Einige Punkte zusammenfliessend. Mikroskulptur: 
Flächen zwischen den Punkten mit regelmässigen mikroskopischen Punkten von 
verschiedenen Grössen. 

Schildchen halbkreisförmig, 1,5 X breiter als höher, in der Mitte ohne Ein- 
druck, mit grösseren und kleineren Punkten. Mikroskulptur: Flächen zwischen den 
Punkten mit sehr dichten, regelmässigen, mikroskopischen Punkten, darum ist die 
Oberfläche matt glänzend. 

Flügeldecken nach hinten stark verbreitert, mit feineren, gleich grossen Punkten 



J. Havelka : Dei- Gattung Galenica 11 51 

in den senkrechten Reihen, insgesamt kleiner als am Kopfe und Halsschild. 
Härchen in den Punkten kurz und schwach, kürzer als der Punktdurchschnitt. 
Seitenrinne sehr breit, 1. und 2. Primärrippe sehr fein angedeutet, Sekundär- 
rippen sehr wenig auffallend. Die Naht ist niedriger als bei G. luctuosa und 
quer fein gefurcht. Mikroskulptur: Flächen zwischen den Punkten mit verschie- 
denen grossen mikroskopischen Punkten, zwischen denen feine quere Furchen 
sind, ungleich und unregelmässig voneinander entfernt. 

Abdomen breit und an der Spitze mehr abgerundet, flacher, glänzend, mit 
sehr fein gekrümmten kurzen goldgelblichen bis kupferfarbigen Härchen; bei 
G. luctuosa aber ist das Abdomen spitzig und gewölbter. Punktierung einzelner 
Sternite feiner, Punkte an allen Sterniten quer, länglich oval, kleiner als bei 
G. luctuosa. Ausschnitt am letzten Sternite seichter, am Boden des Ausschnittes ist 
in der Mitte ein scharf begrenztes gelbbraunes, kreisförmiges Grübchen, das 
aber bei G. luctuosa und G. /da fehlt. Dicht über dem Ausschnitt ist ein seichter 
Eindruck; die beiden Seitengrübchen sind schwach rotbraun pigmentiert und dich- 
ter mit längeren Härchen bedeckt, aber diese Härchen überragen nicht den Umriss 
des Ausschnittes. Punkte an den Umrissen ausserhalb der Grübchen sind grösser 
und gröber. Behaarung auf den übrigen Sterniten ist unregelmässig, aus fast 
gleich langen anliegenden Härchen bestehend. Alle Sternite sind quer ziemlich 
tief gefurcht; Analöffnung schmal, gespaltet und fast kahl. Mikroskulptur: 
Flächen zwischen den Punkten mit sehr subtilen mikroskopischen Punkten, welche 
stellenweise unregelmässig und in den Strichen verlängert sind, dabei oft Punkte 
zusammenfliessend. 

Beine sind mit schwarzen sehr feinen Härchen bedeckt. An den Umrissen der 
Beine sind stärkere rotbraune Borsten. Vorderschienen sind kürzer als bei 
G. /da, 1,2 X länger als der Tarsus. Schienen enden an der Aussenseite mit stär- 
keren Spitzen, mit einigen rotbraunen Stacheln. In der Innenseite ist die Spitze 
scharf, im Gegensatz zu G. luctuosa, wo sie fein abgerundet ist. Längen- 
verhältnisse der Tarsusglieder bei dem Vorderbein: 1. Gld = 13, 2. Gld = 8, 
3. Gld — 6, 4. Gld =10 Mikrometerteile. Tarsusglieder stark schwarz, glänzend, 
mit dem 3. Glied massig länger (im Gegensatz zu G. luctuosa), Pulvillen gold- 
gelb, Krallen rotbraun, Vordertarsus länger. 

Penis viel länger und breiter, mit breiter Basis, mit wenig verengter und 
scharfer Spitze, schwach bogenförmig gewölbt, Länge: 3,5 mm, Breite 1.37 mm 
(49: 17) (Fig. 6, 7). 

Galenica (Galeruca) ida spec. nov. Fig. 8 (Körperumriss des $ ), Fig. 18, 19 
(Penis). 

Holotypus: $ , Insel Kreta: Gazi, V.1934, Igt. Dr. Josef Maran et Dr. Ot. 
STEPaNEK (Coll. Barton im National-Museum in Prag). Allotypus: 9 , Insel 
Kreta: Nida-Ida-Berge, V.1934 (Coli. Barton im National-Museum in Prag) — 
Cotypus: 9 , Insel Kreta: Ida-Gipfelstock, 2000—2500 m, 6.VII.1942 (Coli. 
Museum Gg. Frey, Tutzing). 

Länge: 9,6 mm, Breite 5,8 mm ( $ ); Länge: 9,5 mm, Breite: 6,2 mm, Länge: 
9,9, mm, Breite: 6,0 mm ( 9 )• 

Schwarz, mit den braunschwarzen Flügeldecken, glänzend (glänzender als bei 
G. luctuosa und G. cret'/ca), aber weniger glänzend als bei G. improvisa, mit 



52 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. l — 2, 1956 




Fig. 8. Galeruca ida spec. nov. (Kreta: Gazi). Körperumriss des $ . — Fig. 9- G. eretica 
Weise (Kreta: Knossos). Halsschild des $ . — Fig. 10. G. spectabilis speetabilis Falder- 
mann (Kaukasus: Elbrus-Geb.). Halsschild des $ . — Fig. 11. G. pomonae pomonae 
Scopoli (Jugoslavien: Radoha). Halsschild des $ . — Figs. 12 — 13. Dieselbe. Penis. — 
Figs. 14 — 15. G. spectabilis spectabilis Faldermann (Kaukasus: Elbrus-Geb.). Penis. — 
Figs. 16 — 17. G. eretica Weise (Kreta: Knossos). Penis. — Figs. 18 — 19. G. ida spec. nov. 

(Kreta: Gazi). Penis. 



J. Havelka : Der Gattung Galenica II 53 

seichteren und engeren Seitenrinnen am Halsschilde. Flügeldecken nach hinten 
wenig verbreitert, mit engeren Seitenrinnen. 

Kopf enger (35 : 15), feiner und regelmässig fast auf der ganzen Fläche 
punktiert, mit kreisförmigen Punkten mit um etwas längeren Härchen als der 
Punktdurchschnitt. Punkte gleich gross wie am Halsschilde, aber seichter und 
wenig scharf begrenzt. In der Mitte des Kopfes ist eine stärkere senkrechte Reihe; 
Stirn flach gedrückt; in der Linie der Hinterbasis der Augen ist ein Eindruck 
darum kaum bemerkbar. Augenentfernung der Kopfbasis länger als bei G. impro- 
visa. Clypeus fast gleich, in der Richtung zur Stirn mit sehr kleinem unbedeuten- 
dem Ausschnitt, auf der ganzen Fläche dichter mit längeren gleich langen Härchen 
bedeckt. Scheitel gleich wie die Stirn punktiert, stark schwarz. Hinter den roten 
Fühlerwurzeln sind zwei unbedeutende ausgehobene Hügel, zwischen ihnen endet 
die Reihe. Hügel an der Basis sind verbunden, aber nach den Seiten in der Rich- 
tung zu den Spitzen verbreitert, sodass damit eine dreieckige Spalte entsteht. 

Fühler kürzer (4,8 mm), länglich und dicht grau behaart, das 2. Glied an der 
Basis rot. Fühleransatz mit rotem, kraterförmigem Ringel. Längenverhältnisse der 
Glieder: 1. Gld = 11, 2. Gld = 5, 3. Gld = 9, 4. Gld = 8, 5. Gld = 7, 
6. Gld = 7, 7. Gld = 7 Mikrometerteile (weitere Glieder beim $ fehlen), 
Verhältnisse bei dem 9 : 1. Gld = 11, 2. Gld = 5, 3. Gld = 8, 4. Gld = 7, 
5. Gld = 7, 6. Gld = 7, 7. Gld = 7, 8. Gld = 5, 9. Gld = 6, 10 Gld = 6, 
11. Gld = 9 Mikrometerteile. 

Halsschild ist ungefähr 2,15 X breiter als hoch (56:26), zweimal an den 
Seiten schwächer ausgebuchtet, ungefähr in der Mitte verläuft er bogenförmig 
auf die Seiten. Diese Seiten nach den Vorderecken leicht bogenförmig zugespitzt 
und an den Spitzen mit einem grossen grubenförmigen Punkt versehen. In 
der Mitte des Halsschildes ist ein breiter, ovaler tiefer Eindruck, ebenso ist auf 
beiden Seiten des Halsschildes je ein unregelmässiger kleiner Eindruck. Ein tiefer 
Eindruck ist mit glänzenden Flächen zwischen der Punktierung begrenzt; Hals- 
schild in den Vorderecken tief grubenförmig gedrückt, an der Basis in der Rich- 
tung zum Kopfe in der Mitte stärker ausgeschnitten und an den Seiten mehr aus- 
gehoben. Punkte sind dicht gestellt, unregelmässig gross, an der Basis an den 
Seiten des Halsschildes grösser und so gross wie an den Flügeldecken. Die grauen 
Härchen überragen den Rand der Punkte und sind durchwegs so lang wie der 
Durchschnitt dieser Punkte. Sie sind wie auf dem Kopfe auch nach verschiedenen 
Seiten gerichtet. Flächen zwischen den Punkten sind halbwegs buckelig. Punkte 
sind kreisförmig oder ein wenig kantig. Seitenrinnen verlaufen von der Mitte 
nach den Vorderecken und bilden tiefe, nach den Spitzen verbreiterte Reihen. 
Hinterecken scharfwinkelig und fein abgerundet. 

Schildchen ist trapezoïdisch, in der Mitte mit tiefer senkrechter Reihe, welche 
dreieckig ist, mit der Spitze in der Richtung nach dem Ende der Flügeldecken ge- 
richtet, mit einigen grösseren Punkten, mit längeren grauen Härchen. Mikroskulp- 
tur: Flächen zwischen den Punkten mit den mikroskopischen Punkten dünner be- 
deckt. 

Flügeldecken im letzen Drittel am breitesten, mit schwach angedeuteten 1. und 
2. Primärrippen, welche an der Basis der Flügeldecken stärker verdickt sind; die 
Naht ist stark, quer fein gereiht, ungefähr in halber bis ganzer Länge 



54 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

der Reihen. Punkte regelmässig kreisförmig, dicht, mit Härchen ungefähr so lang, 
wie der Durchschnitt der Punkte. Flächen zwischen den Punkten fast glatt. 
Mikroskulptur: Flächen zwischen den Punkten mit sehr feinen, queren oder nur 
massig schrägen Furchen bedeckt, welche voneinander ungefähr um i/ 2 ihrer 
Länge entfernt sind; zwischen den Furchen sind mikroskopische Punkte, die Um- 
gebung der Oberfläche der Furchen ist darum sehr subtil körnförmig. 

Abdomen ist halbwegs enger (im Gegensatz zu G. luctuosa), grauschwarz, matt 
glänzend, flächer, silberlich bis weissgelb mit längeren sehr feinen Härchen be- 
deckt; Punkte kreisförmig, kleiner; das letzte Sternit mit 2 satten gelbbraunen 
Seitengrübchen, in der Mitte und an den Umrissen dichter behaart, in der Mitte 
fein, an den Seiten tief punktiert. Über den Seitengrübchen ist das Sternit stark 
bogenförmig erhöht, in der Mitte in 2 Bogen fein erhöht. Abdomenspitze weniger 
scharf als bei G. luctuosa. Der Ausschnitt an dem letzten Sternit stark und dicht 
mit ziemlich überragenden Härchen bedeckt. An dem Umriss des Auschnittes 
befinden sich starke Punkte. Härchen überragen den Umfang aller Sternite, 
welche quer, tief und lang, bogenförmig über den Punkten gefurcht sind. Auf 
dem letzten Sternite sind die Furchen namentlich lang und unregelmässig quer. 
Weitere Sternite sehr fein und dicht körnförmig punktiert, darum erscheint die 
Oberfläche matt glänzend. Grosse Punkte seichter, kreisförmig, einige etwas oval, 
kleiner als bei G. luctuosa. Bändchen an den hinteren Umrissen der Sternite 
breiter, gelbbraun. Mikroskulptur: Flächen zwischen den Punkten mit sehr sub- 
tilen Furchen, welche gegenseitig netzartig zusammenfliessen, und zwischen denen 
sich mikroskopische Punkte befinden. 

Beine dicht und lang mit weiss- bis goldgelben Härchen bedeckt; an den 
Spitzen der Vorderschienen ist eine Reihe gleich langer rotbrauner länglicher 
Stacheln, welche um die ganze Spitze sehr dicht und regelmässig gestellt sind. 
Unterteil der Tarsen mit goldgelben Pulvillen, an der Oberfläche sehr dicht 
behaart, Krallen rotbraun. Längenverhältnisse des Vordertarsus: 1. Gld zz 
11, 2. Gld —6,ò. Gld = 5, 4. Gld = 7 Mikrometerteile. Vordertarsus kürzer. 

Penis kleiner und enger, mit sehr schmaler Basis, mit bedeutend verengter 
Spitze, stark bogenförmig gewölbt, Länge: 3,0 mm, Breite: 0,95 mm (Fig. 18, 19). 

Literatur 

Faldermann, F., 1837: Nouv. Mém. Mose, vol. 5, p. 326, t. 12, fig. 4. 

Jacobson, G., 1925: De Chrysomelidis palaearcticis. ■ — Descriptionum et annotationum 

series IV. Rev. Russe Ent., vol. 19, p. 168, 169- 
JOANNis, L., 1866: Monographie des Galerucides. Abeille, vol. 3, p. 12, 30, t. 2, f. 12; p. 

13, 66, t. 2, f. 21; p. 16, 24; p. 12, 48. 
LABOissièRE, V., 1934: Galerucinae de la faune française. Ann. Soc. Ent. France, vol. 103, p. 

34, 35, 40, 41, 42, 44. 
Ogloblin, D. A., 1936: Fauna SSSR: Galerucinae, vol. 26, fase. 1, p. 38, 41. 
Reitter, E., 1903: Übersicht der mir bekannten Coleopteren-Arten der Gattung Galenici 

Geoffr. Wiener Ent. Ztg., vol. 22, p. 136. 
Reitter, E., 1912: Fauna Germanica, vol. 4, p. 147. 
Scopoli, J. A., 1763: Ent. Carn., p. 83. 
Weise, J., 1886 — 1893: Naturgeschichte der Insekten Deutschlands, vol. 6 (Erichson), p. 

645, 646, 652. 
Weise, J., 1889: Deutsche Ent. Zeit., p. 65. 
Weise, J., in Junk-Schenkling, 1924: Catal. Col., Pars 78, fase. 13. Galerucinae, p. 71—77. 



REVISION OF THE CARPENTER-BEES (XYLOCOPA 

LATREILLE) OF THE MOLUCCAN ISLANDS, 

WITH NOTES ON OTHER INDO -AUSTRALIAN SPECIES 

BY 

M. A. LIEFTINCK 

Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Leiden 

The present paper is a continuation of my recent survey of the Carpenter-bees 
of the Lesser Sunda Islands (1955), in which, however, no species were discussed 
that occur also in the islands of the Moluccas, between Celebes and New Guinea. 

The Moluccas, as here understood, comprise the Sula Islands (Taliabu, Mangole 
and Sanana), the northern Moluccas (Morotai, the Halmahera group and Obi), 
and the southern Moluccas (Bum, Ambon with adjacent small islands, and 
Ceram). The Banda, Kei and western Papuan islands are left out of consideration 
here as the species occurring there differ markedly from those of the Moluccas 
proper. 

There is a very noticeable decrease in the number of species of Xylocopa east- 
wards of the Sunda Islands and Celebes. For instance, according to van der 
Vecht's recent synopsis (1953), the island Celebes still has one representative 
each of the subgenera Biluna and Zonohirsuta, and four of Maiella^), not count- 
ing a number of subspecies of some of the last species-group. Remarkably enough, 
these are absent from the Moluccan islands, with the exception of one, viz. X. 
(Maiella) nobtlis tricolor Ritsema, the only carpenter-bee known from the Sula 
Islands. This, also, is the only connecting-link between the faunae of Celebes and 
the Moluccas, differing scarcely from nobtlis F. Smith, which itself occurs on 
Celebes in a number of races. 

The remaining four (of which possibly only three deserve full specific rank) 
are likewise members of the subgenus Maiella and form a compact group of 
rather uniformly coloured species which appear much more closely related inter se 
than with either the Malaysian group of confusa J. Perez, or the Papuan cluster 
of provida F. Smith. Although perhaps one of them may prove to have penetrated 
eastwards some way into the western part of New Guinea, all species or subspecies 
are peculiar to one island, or group of islands, and there is no definite proof of 
two forms occurring together on one of them. Like most other members of Maiella. 






1 ) The validity of the subgeneric name Maiella Michener 1942 (= Orbitella Maa 1938, 
olim: nom. praeocc.) has recently been called in question by Maa (Vidensk. Medd. Dansk 
naturh. Foren., 1954, vol. 116, p. 192 footnote), who revalidated the name Koptortosoma 
Gribodo 1894 (typ. subgen. gabonica Gribodo), or its emendation Coptortbosoma J. Perez, 
as a probable substitute for Maiella. However, since gabonica Grib. does not appear to have 
been re-characterized in recent times, I prefer for the present to retain the name Maiella to 
denote a large group of Old World species of Xylocopa. 

55 



56 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. l — 2, 1956 

the dissimilarity of the sexes is great and is not confined to colour, but extends 
likewise to form. 

The Moluccan species discussed here have the characters in common of the 
subgenus, as defined by Maa (1938, sub Orbitella Maa). 

Both sexes agree in having the third antennal segment elongate and a little 
shorter than the next three segments united; the clypeus is densely punctate and 
carries a low median longitudinal impunctate ridge, which is incomplete anteriorly. 
The posterior basitibial plate of the female is simple, lanceolate, not foveate, 
bluntly pointed, reaching about half the length of tibia, whereas in the male it is 
rather narrower, more acute and about -/ 5 as long as the tibia. All males agree in 
having the postero-basal angle of the third pair of femora rounded, not very 
strongly protuberant, and the basal tooth on the ventral surface reduced to a low 
and blunt, ridge-like prominency. Wing-membrane of female very dark brown 
with brilliant iridescent colours, of male subhyaline, variously shaded with yellow- 
ish or light brown tints and with bronzy reflections. Both sexes with the "r-tn 
vein" (first abscissa of Rs, or first intercubitus) on fore wing always incomplete 
at least anally, often reduced to a costal rudiment, and occasionally absent alto- 
gether; first r-m (second intercubitus) sometimes also obliterated and rarely even 
wanting. 

In addition to the better known species of the unicolor group, for which a key 
of both sexes is presented in the next pages, I have appended some remarks on 
other species, some of them dovibtfully recorded from the Moluccas. 

I am under deep obligation of the hymenopterists in charge of museum col- 
lections in Europe and the United States, mentioned below, where types or other 
valuable specimens are preserved and to whom I wish to express my best thanks 
for the loan of the specimens under their care. I am particularly grateful to Dr 
Karl V. Krombein, of the United States National Museum, Washington D.C., 
for much helpful information. 

The following abbreviations have been used in citing museum specimens 
studied: 

(BM) British Museum (Natural History), London 

(CAS) California Academy of Sciences, Science Museum, San Francisco 

(LEW) Laboratorium voor Entomologie, Landbouwhogeschool, Wageningen 
(MA) Zoologisch Museum, Amsterdam 
(ML) Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Leiden 

(MZB) Museum Zoologicum Bogoriense, Bogor (Java) 
(NMR) Natuurhistorisch Museum, Rotterdam 
(NMW) Naturhistorisches Museum, Wien 

(OUM) Oxford University Museum, Hope Department of Entomology, Oxford 
(USNM) United States National Museum, Washington, D.C. 

Summary of contents 

X. (Maiella) nobìlts tricolor Ritsema. — Further description; key Ç . Sula Is. 

X. (Maiella) coronata F. Smith. — Status discusseci; $ described; key Ç $ . Notes on 

distribution and variation. Compared with jorbesii Kirby from Tanimbar. New 

records: Tidore I. and Obi I. 



M. A. Lieftinck : Revision of the Carpenter-bees 57 

X. (Maiella) coronata combinata Ritsema (comb. nov.). — Further description; key $ $ . 

Notes on variation. Obi I. 
X. (Maiella) morotaiana spec. nov. — Descriptive key 9 . Morotai I. 
X. (Maiella) unicolor F. Smith. — Status & synonymy discussed; redescriptions and key 

$ $ . Notes on distribution and variation. New records: Haruku I., Saparua I., 

Boano I. New synonyms: Mesotrichia ceramensis Ckll.; Xylocopa flaiocinerea 

Alfken; Mesotrichia muiri Ckll. 
X. (Maiella) buruana spec. nov. — Descriptive key 9 $ . Buru I. 
X. (Maiella) forbesii Kirby. — Further notes; Tanimbar Is. New synonym: X. (Koptor- 

thosoma) pseudocoronata Maidl. 
X. (? Maiella) mohnikei Cockerel 1. — Status discussed: a doubtful species from "Amboyna". 
X. (Maiella) confusa J. Perez. — Erroneously recorded from "Amboyna". 
X. (Cyaneoderes) incompleta Ritsema. — Erroneously recorded from "Amboyna". 
X. (Neoxylocopa) brasilianorum sonorina F. Smith (comb, nov.) — Type re-examined; 

synonymy. Original locality corrected: Hawaii Is. 
X. (Platynopoda) perforator F. Smith. — Types re-examined. Original locality corrected: 

Timor I. 

Key to the females 

1. Pubescence of abdomen unicolorous black. Body not exceeding 25 mm in length and 
wing-expanse less than 48 mm 2 

l'. Pubescence of first metasomal tergite yellow, of the remaining tergites almost wholly 
reddish-brown, or black turning to red-brown towards apex of abdomen. Head and thorax 

entirely black-haired. Body 23 — 25, wing-expanse 52 — 54 mm. Hab.: Sula Is 

nobilis tricolor Ritsema 

2. Abdomen of the usual oval shape, dorsal surface moderately convex, greatest width at 
apex of second metasomal segment. Tergites densely punctate, hence tegument moderately 
shiny, the punctures about equal in size to the interspaces, except a narrow area on each 
side about the median line of tergites 1 — 3 or 1 — 4 where the interspaces are wider. 
Depressed black pubescence on disk of tergites rather dense, short and silky, except on 
first metasomal segment where the depressed tomentum is intermixed with numerous 
longer and erect hairs. Body-size, pubescence, shape of wings and colour of membrane 
variable 3 

2'. Abdomen oval, but all segments comparatively a little longer and at the same time with 
the tergites somewhat more convex, the intermediate segments more parallel-sided, 
greatest width slightly more distant from base, metasomal segments 2 and 3 about equally 
broad. Tergites distinctly more sparsely punctate, hence tegument more shiny, the 
interspaces much wider than the punctures, except laterally where they are almost 
equal in size. Distance separating median and lateral ocellus about two-thirds the 
diameter of each lateral ocellus. Depressed black pubescence on disk of tergites more 
scanty, the hairs also a little shorter and hence dorsum of abdomen appearing less silky; 
the first metasomal segment only sparsely intermixed with longer and erect hairs. Wings 
relatively broad, with markedly convex distal margin and apex of fore wing rather 
broadly rounded; basal part of membrane with low purple or purplish-blue iridescence, 
the apical part beyond the nervures predominantly metallic green or greenish bronze, 
whether or not narrowly bordered with purplish. Body pubescence entirely black. Size 
relatively small: body 18 — 20, expanse 39 — 46 mm. Hab.: Buru buruana spec. nov. 

3. Body pubescence entirely black, without intermixture or local development of bright 
yellow hairs 4 

3'. Body pubescence mainly black, but at least the head partly yellow: scanty pubescence on 
face, frons and vertex yellowish-white with numerous black hairs intermixed, long 
and dense pubescence beyond that level as far as preoccipital ridge pure yellow; occiput 
above with dark hair-fringe, and lower part of genal area with the pubescence gradually 
turning brownish-black. Distance separating median and lateral ocellus equal to or a 



58 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

trifle shorter than the diameter of each lateral ocellus. Wings relatively broad, with 
markedly convex distal margin and with the apex of fore wing rather broadly rounded; 
iridescent colour of membrane variable, usually not unicolorous but always very brilliant 
and predominantly metallic-green or -blue, either the whole surface or only the basal 
portion often intermingled with reddish purple, and the extreme distal border usually 
with a purplish seam. Size variable: body 15.5 (dwarves. Obi) — 22, expanse 35 (dwar- 
ves. Obi) — 45 (Halmahera, Obi) mm 5 

4. Distance separating median and lateral ocellus equal to or a trifle shorter than the 
diameter of each lateral ocellus. Wings relatively broad, with markedly convex distal 
margin and with the apex of fore wing rather broadly rounded; usually with brilliant 
reddish-purple iridescence all over the membrane. Average size smaller: body 18—22.5, 

expanse 36 — 38 mm. Hab.: Morotai. (Possibly a subspecies of coronata) 

..., morotaiana spec. nov. 

4'. Distance separating median and lateral ocellus about one-half or a trifle more than 
one-half as long as the diameter of each lateral ocellus. Wings relatively more drawn 
out, with the distal margin less convex and with the apex of fore wing more pointed; 
usually the basal part with brillant blue or violet, the apical portion beyond the veins 
with metallic blue or green, and the extreme distal border again with purplish 
iridescence. Average size larger: body 20 — 24.5, expanse 40 — 47 mm. Hab.: Ambon, 
Haruku, Saparua, Boano, Ceram unicolor F. Smith 

5. Thorax entirely black-haired (typical subspecies), or at most with traces of yellow hairs 

intermixed on scutellum (intermediates). Hab.: N. Moluccan islands and W. Obi 

e. coronata F. Smith 

5'. Thorax with complete transverse yellow hair-band, 2.0 — 2.5 mm broad, covering posterior 
marginal area af mesoscutum, the whole scutellum, and the axillae as far as wing-base 
(typical subspecies), with a narrow yellow hair-band restricted to scutellum and axillae, 
or only part of the scutellum with black hairs intermixed (intermediates). Hab: N. and 
W. Obi e. combinata Ritsema 

Key to the malesi) 

1. Dorsal pubescence of body in fresh examples raw sienna or buckthorn brown, this 
tomentum erect and densest on mesoscutum and scutellum, distinctly longer, not so dense 
and directed backwards on upper portion of propodeum. Pubescence on dorsum of 
metasomal segments short, not very dense, the tergites distinctly shining through and 
the punctation discernible with the naked eye: pubescence at sides of tergites distinctly 
longer than on the back; apical segments laterally with numerous dark brown or blackish 
marginal hairs intermixed. Pubescence on outer surface of tibiae I — III ochraceous-buff 
(brownish yellow), the median longitudinal hair-streak on tibia III cinnamon-brown on 
basal part, tawny on distal part. Longer pubescence on inner surface of tibia III light 
brown in the centre, dark brown on either side of it, the marginal hair-fringe moderately 
long and dense. Pubescence of basitarsus III predominantly ochraceous-orange to tawny, 
with some long dark brown or blackish hairs on the inside near base. Mandibles black, 
rarely with a vestige of a dark reddish basal spot. Front of head either entirely black, or 
(usually) with rudiments of an indistinct T-shaped spot on clypeus: traces of a median 
reddish-brown longitudinal stripe down the impunctate median keel and an obscure 
reddish spot placed on either side at the antero-lateral corner. Scape of antenna either 
entirely black or with narrow, complete or incomplete, reddish or brown anterior stripe. 
Abdomen a little more convex above. Posterior border of femur III, when viewed 
obliquely from behind, with distinct (though slight) ante-median concavity; postero- 
basal lamella in ventral view strongly pronounced, recurved, and apically also a little 
downcurved; basal tubercle comparatively large, ridge-like, rounded or very bluntly 
triangular. Apex of gonocoxite (stipes) with the strongly downbent apical portion 



1 ) The males of X. (Maiella) nobilis tricolor Ritsema, and morotaiana spec. nov. are 
still unknown. 



M. A. Lieftinck : Revision of the Carpenter-bees 59 

abruptly elbowed, the outer angle protuberant and almost acute-angulate in lateral view, 
the inner prolongation in dorsal view likewise angulate. Size: body 19 — -23, expanse 
42 — 46 mm buruana spec. nov. 

l'. Dorsal pubescence of body not brown, either predominantly green, or various shades of 
yellow. Abdominal segments slightly more flattened above 2 

2. Dorsal pubescence of body in fresh examples courge green or deep chrysolite green, 
sometimes turning to olive-yellow or yellowish-citrine, but always with a greenish tinge; 
this tomentum erect and densest on mesoscutum and scutellum, distinctly longer, more 
scanty, and directed backwards on upper portion of propodeum. Pubescence on dorsum 
of metasomal segments rather longer and much denser than in buruana, the tergites only 
slightly shining through and the punctation less easily discernible with the naked eye; 
pubescence at sides of tergites distinctly longer, more tufty, than on the back, and with 
numerous dark brown or blackish hairs intermixed, except on first and (or) second 
metasomal tergite, where the lateral hairs are green. Pubescence on outer surface of 
tibiae I — II orange with distinct greenish tinge, on III usually cinnamon- or ochraceous- 
buff, the median longitudinal hair-streak on tibia III cinnamon brown on basal part, 
tawny or brownish-black on distal part. Longer pubescence on inner surface of tibia III 
considerably longer, denser, and more tufty, than in both buruana and unicolor, brownish- 
black in colour. Pubescence of basitarsus III black, except a double or triple exterior 
row of orangish marginal hairs along full length and, in addition, often with an apical 
tuft of orange or ferruginous hairs. Mandible-bases invariably marked with an oval or 
reniform orangish spot. Front of head usually with small, transverse, orange-yellow spot 
on supraclypeal area and invariably with a conspicuous, heavy, T-shaped yellow mark on 
clypeus, the horizontal portion of the T usually swollen on both ends and filling out 
most of the antero-lateral edges of the clypeus. Scape of antenna with complete, 
conspicuous and broad, bright yellow or orange anterior stripe. Posterior border of 
femur III, when viewed obliquely from behind, with very distinct antemedian concavity; 
postero-basal lamella in ventral view bluntly rectangular, not recurved, but its apex 
distinctly downcurved; basal tubercle rather long, ridge-like, but very low and with 
almost straight upper margin. Apex of gonocoxite (stipes) with the strongly downbent 
apical portion abruptly elbowed, the outer edge rectangular and obtusely projecting in 
lateral view, the inner prolongation in dorsal view shorter and evenly rounded. Size 

variable: body 17.5 (dwarves. Obi) — 25, expanse 36.5 (dwarves, Obi) - — 47 mm 

coronata F. Smith 

2'. Dorsal pubescence of body in fresh examples bicolorous: yellowish-white (light buff or 
cartridge-buff) on head, thorax and first metasomal segment, yellow-ocher, ochraceous- 
buff, or chamois, on the remaining segments of abdomen; this tomentum erect, short, 
very dense and felty, the majority of the hairs on upper portion of propodeum also erect, 
only a postero-lateral tuft of longer light brown hairs and a few of the hindermost 
pale yellow middle propodeal hairs directed backwards. Pubescence on dorsum of 
metasomal segments shorter and much denser than in the preceding species, the tergites 
not shining through and the punctation invisible with the naked eye; hair on first 
metasomal tergite erect and only little longer than the appressed pubescence on the suc- 
ceeding segments; pubescence at sides of tergites distinctly longer than on the back, 
though less tufty, and at most tergites 5 — 7 with very few longer brown and black 
hairs intermixed; apical hair-tufts of tergite 7 usually entirely light-coloured, but 
occasionally the hair-bases on ventral surface somewhat obscured on either side of the 
middle. Pubescence on outer surface of tibiae I and II light buff, on III ochraceous-buff, 
the median longitudinal hair-streak on tibia III cinnamon-brown on basal part, tawny 
or ochraceous-orange on distal part. Longer pubescence on inner surface of tibia III 
dark reddish-brown to almost black, the marginal hair-fringe at times a little brighter 
brown, but these hairs invariably shorter and less densely crowded than in the preceding 
species. Pubescence on the outside of basitarsus III ochraceous-orange, that on basal one- 
third or one-half of the inside black, the hair on the remaining portion turning to 
rufous, this tint brightest on the apical tuft. Mandibles black, or (usually) with traces 
of a dark reddish basal spot. Front of head with transverse yellow spot on supraclypeal 



60 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

area and with obliterated T-shaped mark on clypeus: a narrow longitudinal stripe down 
the impunctate median keel and a spot, variable in shape and size, placed on either side 
near anterior margin. Scape of antenna with narrow, complete or incomplete, yellow or 
orangish anterior stripe. Posterior border of femur III, when viewed obliquely from 
behind, hardly noticeably excavated before the middle of its length; postero-basal lamella 
in ventral view evenly rounded, not recurved and its apex only slightly downcurved; 
basal prominency in the form of a very small and low blunt tubercle. Apex of gonocoxite 
(stipes) with the strongly downbent apical portion very shortly "stalked", abruptly 
elbowed, the outer angle bluntly rounded and but little projecting in dorsal and lateral 
aspect, but with its inner prolongation in dorsal view equally long and sharply 
protuberant. Size: body 21 — 26, expanse 41 — 47 mm unicolor F. Smith 

Xylocopa (Maiella) nobilis tricolor Ritsema 

1876. Ritsema, Tijdschr. Ent., vol. 19, p. 180—181. — $ Sula Is.: Sulabesi (= Sula 

Sanana I.) (X. tricolor). 
1901. PéREZ, Actes Soc. Linn. Bordeaux, vol. 56, p. 64 — 65 (notes on variation). ■ — 9 

Sula Is. 
1953. Van der Vecht, Idea, vol. 9, p. 60 (key Ç ), 62. 

Material studied (all from the Sula islands). — 1 $, "Sula Bessy" (= Sula 
Sanana I.), D. J. Hoedt (holotype, ML). 2 $ , Sula Sanana I., 3 m, IX.1939, S. 
Bloembergen (MZB). 1 $ , Sula Mangole I., Lampau, 5 m, IX.1939, S. Bloem- 
bergen (MZB). 1 $ , labelled "Sul", and "X. nobilis Sm." in F. Smith's hand, 
with printed label "Smith coll. pres. by Mrs. Farren-White 99 — 303" (BM). 

The two fresh individuals from Sanana are true to the type, except that in one 
of them the reddish pubescence on the second metasomal tergite occupies a still 
greater part of the surface, only the extreme base being black-haired, and that 
only at the sides of the segment. This specimen, on the other hand, has the apical 
half of the first row of long hairs on the pronotum distinctly yellow in colour, thus 
approaching typical nobilis; in the second individual, however, no traces of yellow 
pronotal hairs are discernible. 

The female from Sula Mangole agrees with the type of tricolor by the absence 
of any yellow hairs on the head and mesosoma, and also by having the first 
metasomal tergite entirely yellow-haired. It differs very strikingly, however, in 
that the second tergite is entirely black, only the tips of some of the longer 
lateral hairs near the apical margin being reddish; the third tergite, also, is mainly 
black-haired, though all lateral hair-tufts are red, as is also a very narrow fringe on 
either side of the median line along the posterior border of the tergite; the 
pubescence on the dorsum of the fourth tergite is narrowly black only at its base, 
but the rest of the surface is red; lastly, the remaining segments are entirely red- 
haired. Apical fringes of sternites 3 — 6 red. 

As follows from this description, the colour-pattern of the abdominal pubescence 
in specimens from the Sula Islands is far from constant and, when good series can 
be examined, may prove to be even more variable than in the other subspecies of 
nobilis. The solitary example from Sula Mangole has the abdomen more exten- 
sively black than typical nobilis, whereas in the Sanana specimens it is just the 
reverse. It is also of interest to note that tricolor approaches nobilis, from southern 
Celebes, much more closely than either the subspecies binongkana van der Vecht, 
from the eastcoast, or volatilis Smith, from the northern part of the island Celebes. 






M. A. Liki'Tinck : Revision of the Carpenter-bees 



61 



For a discussion of the species of Maiella from Celebes, the reader is referred to 
van der Vecht's interesting account (1953). 




Fig. 1. X. (Maiella) e. coronata F. Smith, $ Halmahera, Dodinga (ML); Fig. 2. X. 
(Maiella) unicolor F. Smith, $ Saparua (ML); Fig. 3. X. (Maiella) buruana spec. nov. 
$ Buru (ML), a — Inner (ventral) surface of femur III, showing contour and basal 
prominency; b — basal portion of left femur III, seen from behind towards apex, to show 
basal prominency en profile; c — frontal view of head (labrum omitted); d — basal 
portion of right antenna, frontal view. 



62 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

Xylocopa (Maiella) coronata F. Smith (figs. 1 and 4) 

I860. Smith, J. Proc. Linn. Soc. London, Zool., vol. 4, suppl., p. 135. — 5 "Kaisaa" 

(= Kajoa I.). 
1874. Smith, Trans. Ent. Soc. London, pp. 279 — 280. — Ç "Island of Kaisa (Eastern 

Archipelago)", same specimen. 
1885. Ritsema, Notes Leyden Mus., vol. 7, p. 54 (pars). — Halmahera, Batjan, Ternate. 
1909. Friese, Ann. Mus. Nat. Hung., vol. 7, p. 211 (key 9 ), 212 (pars!). — 9 Batjan. 
1924. Maidl, Nova Guinea, vol. 15, Zool., p. 80 (comparative notes). — $ Halmahera, 

$ Batjan. 
1955. Lieftinck, Verh. Naturf. Ges. Basel, vol. 66, p. 14 — 18 (comparative notes). 

Material studied (all from the northern Moluccan islands). — 2 9 , bearing 
round white labels "Kai" and "Kaio' , with additional white labels "Xylocopa 
coronata Smith" in F. Smith's hand, here selected as lectotype and paratype 
(OUM, type collection). 1 9, with round label "Gil" [olo, = Halmahera], and 
additional purple label "X. coronata Smith" in F. Smith's hand (OUM, type col- 
lection). 1 $ , with (illegible) round locality-label, ex coll. F. Smith, pres. by 
Mrs. Farrell- White, labelled "X. coronata Smith", in F. Smith's hand (BM, 
general collection). 1 9 , labelled "Batchian" (BM, idem). 5 $ , 6 9 , Halmahera, 
Dodinga (15,1 9 ), North (1 $ , 1 9 ), Southeast (1 $ ), and South (2 $ , 
4 9) Halmahera, 1 $ erroneously labelled holotype (all ML). 2 9 , N. Hal- 
mahera, Tobelo, 1933, M. J. van Diejen, and 1 $ , S. Halmahera, H. A. Bern- 
stein, identified in 1897 by H. Friese as X. coronata, with label "Acari 53497" 
(MA). A series of both sexes, Central Halmahera, Goa valley, sea-level up to 100 
m, Akilamo, Atjengo, Galelo, Dodinga, Kau, and Tolewang, IX — XI. 1951, 
native coll. (MZB). 1 9, Ternate, H. A. Bernstein (ML). 1 9, Ternate, 
Bukunora, 50 m, 6— 8.IX.1951, native coll. (MZB). 1 9, Tidore, 24 — 29-LX. 
1929, H. Boschma, Snellius Exped. (MA). 1 $ , 2 9 , Batjan, J. W. van Lans- 
berge (ML). 1 5,4 9, Batjan, H. A. Bernstein (ML). A series of 9 (one 
examined), Batjan, VII — VIII. 1929, W. Roepke (LEW). A series of both sexes, 
S. Batjan, Wajaua and Labuha, sea-level, VI— VII. 1953, A. M. R. Wegner et 
al. (MZB). A series of both sexes (including 1 gynandromorphic specimen, 
16.VIII.1953), W. Obi, Kasowari, 0—50 m, Vili— IX.1953, A. M. R. Wegner 
et al. (MZB). Besides these, a few females from N.W. Obi, IX— X. 1953, A. M. 
R. Wegner, approaching combinata by having traces of yellow thoracic 
pubescence. 

This species is, I believe, confined to the northern group of the Moluccan is- 
lands, including Obi. A discussion of its geographical variation is given under 
coronata combinata Ritsema. 

The female of coronata has an astonishing prima facie likeness to the same sex 
of forbesii Kirby, from the Tanimbar Islands. This species, however, can be 
distinguished from coronata by the complete development of the first abscissa of 
Rs on fore wing; other characters have already been mentioned in my previous 
account of forbesii (1955). The reader will find additional notes on this 
interesting species at the end of the present paper. 

Apart from the fact that the female of coronata is almost a perfect replica of 
forbesii, their confusion in the literature is not astonishing and can easily be ex- 



M. A. Lieftinck : Revision of the Carpenter-bees 63 

plained by the circumstance that the original habitat of coronala has long been 
misunderstood. Recently, however, I have discovered that "Kaisaa" is evidently 
not a transcription of Kisser, or Kisar (one of the easternmost Lesser Sunda is- 
lands), as it was thought to be, but an abortion of the little islet Kajoa, near 
Batjan, in the northern Moluccas ! It was not until I could examine Kirby's type 
specimens of forbesii that this species proved to be a member of the confusa 
group, the male being easily distinguished from that of coronata. In this con- 
nection it is interesting to see that Kirby, at the end of his description of forbesii. 
says of it: "Closely allied to X. coronata, Smith, from Kai o a". (The spacing is 
mine). 

Xylocopa (Maiella) coronata combinata Ritsema (comb, nov.) 

1876. Ritsema, Tijdschr. Ent., vol. 19, p. 181. — 9 Obi (combinata). 
1909. Friese, Ann. Mus, Nat. Hung., vol. 7, p. 211 (pars!). — 9 Obi only (combinata). 
1924. Maidl, Nova Guinea, vol. 15, Zool., p. 78 (introduction and first footnote: restricted 
to Obi I.) 

Material studied (all from the Moluccan island Obi). — 2 9, Obi, H. A. 
Bernstein, Ritsema's cotypes, selected as lectotype and paratype (ML). 2 9 , 
labelled "Obi I. 98 — 203" (BM, general collection, unidentified), 1 9, Obi, 
Laiwui, 1914, Denin, identified by F. Maidl as X. combinata Rits. (MZB). A 
series of both sexes, N.W. Obi, Laiwui, 0—200 m, IX— X. 1953, A. M. R. 
Wegner et al. (MZB). Besides these, a minority of the females from W. Obi, 
Kasowari, VIII — IX. 1953, A. M. R. Wegner et al., which are somewhat inter- 
mediate between combinata and coronata, as are also three females from Batjan, 
Labuha, 6. VII. 1953, same collectors (MZB). 

I am indebted to Mr. A. M. R. Wegner, of the Museum Zoologkum at Bogor 
(Java), for the privilege of studying fresh series of both coronata F. Smith and 
combinata Ritsema, two closely allied and imperfectly known forms, which were 
collected by Mr. Wegner and his assistants on the islands Halmahera, Ternate, 
Batjan and Obi. The collection comprises several hundred individuals, all care- 
fully labelled, and is of particular importance because both sexes are represented 
from all islands visited. A careful examination of the extensive series now at 
hand enables me to clear up some obscure points in the synonymy of these bees 
and to establish the fact that both "species" are obviously geographical races of 
but one species. 

Typical coronata from Halmahera, Batjan and adjacent islands, has the meso- 
soma entirely black-haired, and nearly all populations are very uniform, showing 
hardly any variation in this respect. In X. combinata from Obi, however, the 
thorax is marked with a fairly broad and well-defined transverse band of yellow 
pubescence. This pubescent fascia in the plus variants, i.e. in typical individuals, 
covers (1) a narrow area along the posterior border of the mesoscutum on either 
side of the middle line; (2) the entire scutellum; and (3) laterally also the 
axilla as far as the wing-base. The yellow band is variable in width, measuring 
from 1.0 — 2.5 mm, but all intergradations may occur in a single population at a 
given locality on Obi. 



64 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 



Now, a thorough comparison of all populations from all localities, and of both 
colour extremes, has revealed that the females of coronata and combinata can only 
be held apart by the amount of yellow hairs present on the posterior segments of 
the thorax. This circumstance, coupled with the fact that the males of the two 
forms are indistinguishable, has led to the conclusion that combinata is a geograph- 
ical subspecies of coronata. 

As far as we know at present, X. coronata is the only species of carpenter-bee 
inhabiting the Halmahera group of islands, and the same is true for its race 
combinata on the island Obi. But, whereas the former occupies a much wider 
range — comprising all islands of the north Moluccas except Morotai — , the 
latter is restricted to certain parts of Obi. This can perhaps best be explained by 
the supposition that the ancestral form had originated in the northern Moluccan 
islands at the time when the Halmahera group and Obi still formed a whole; or, 
in other words, that it arrived at its southern limit before the isthmus, i.e. the 
stretch of land now occupied by Obi Strait, had sunk beneath the sea; and this 
would afford some evidence of the relative archaism of these bees. We may 
further assume that, when the southernmost island Obi became isolated, coronata 
differentiated into a subspecies, the isolation having been long enough to produce 
an insular race exhibiting a more variegated colour-pattern, the different colour of 
the pubescence being probably brought forth under the influence of the changed 
environment. Of far greater interest, however, is the fact that this conspicuously 
yellow-banded form (typical combinata) was only observed by Mr. Wegner in the 
lowlands of N.W. Obi, near the capital Laiwui, whereas in western Obi, at the 
coastal village Kasowari, he came across a mixed population consisting of almost 
60% typical coronata and 40% intermediates, no single individual of typical 
combinata being found ! 



Characters 


V 

"S 
S 

u 

H 


o 


Kajoa 
Halmahera 


c 


"G 

o 3 


IS 


Thorax entirely black-haired {coronata coronata) . . 1 


1 


2 


27 


40 


38 





Thorax posteriorly with traces of yellow hairs on 

scutellum intermixed 











3 


17 


■ 2 


Thorax posteriorly with narrow yellow hair-band 

restricted to scutellum 














9 


6 


Thorax posteriorly with broad yellow band on meso- 
scutum, scutellum and axillae {coronata combinata) 




















196 


Total 


1 


1 


2 


27 


43 


64 


204 





This is probably a good example of what E. Mayr in his "Systematics and the 
Origin of Species" (1942, p. 99) has called secondary intergradation. Northern 
(Halmahera-Batjan) and southern (Obi) populations of coronata were separated 
completely at one time; the southern one developed to a distinct subspecies which, 
though having possibly acquired a different habitat preference during its isolation, 
has not perfected a reproductive segregation after the colour difference had 



M. A. Lieftinck : Revision of the Carpenter-bees 65 

evolved, for as soon as it came into contact again with the northern subspecies it 
evidently hybridized freely with it. Now, as we have seen, the majority of the 
very variable population occurring at Kasowari, in the hybrid zone of W. Obi, 
are identical with coronata, not with the geographically much nearer populations 
of combinata on the northcoast. This can only be explained by assuming a very 
recent 'parental influx' of coronata into W. Obi from some place at the opposite 
coast of Halmahera or Bat jan, either by transportation across the sea through the 
air, or involuntarily, by human agencies. The possibility of transport of these 
wood-boring insects in drifting logs or by timber-carrying vessels (e.g. from 
Ternate !) should not be underestimated. Unfortunately nothing is known of the 
width of the hybrid zone of coronata in West Obi, since carpenter-bees were only 
found at the two coastal localities mentioned. i) What makes this case exceptional 
is that the most important human settlement on the northcoast of the island 
(Laiwui) was apparently not colonized a second time, for an almost pure popu- 
lation of combinata has become quite stabilized here, exactly where one would 
least expect it. 

Xylocopa (Maiella) morotaiana spec. nov. 

Material studied. — North Moluccas: 2 5 , Morotai I., H. A. Bernstein; 
1 9, "I. Morty", Morotai, ex coll. Gribodo (ML). 1 ?, Morotai I., Guguti, 
1926, Erie (MZB). 1 $, Morotai I., 25— 26.VIII.1945, D. G. Hall (USNM). 
Holotype: Morotai I., Guguti, 1926 (ML). 

Though differing very markedly in colour, this interesting new form ap- 
proaches coronata so closely in structure and venation, that I have scarcely any 
doubt that it is only subspecifically distinct from that species, which is its nearest 
geographical neighbour. As a matter of fact, morotaiana agrees with coronata in 
every respect except that there is no trace whatever of yellow pubescence on the 
head or thorax, even the hairs on the clypeal surface being deep black. The basal 
antennal segments are black, the flagellum from the 5th segment onwards 
acquiring an increasingly more definite reddish-brown tint on its anterior surface. 

Anticipating the discovery of the male, I have thought it advisable to treat this 
insect provisionally as a distinct species. 

Xylocopa (Maiella) unicolor F. Smith (figs. 2 and 5) 

1860. Smith, J. Proc. Linn. Soc. London, Zool., vol. 4 Suppl., p. 135 (pars, not $ !). — 

$ Amboyna. 
1874. Smith, Trans. Ent. Soc. London, p. 274 (pars! "Amboyna; Ceram; Buru"). 
1901. PéREZ, Actes Soc. Linn. Bordeaux, vol. 56, pp. 54 — 55 (comparative notes on 

structure). 
1909. Friese, Ann. Mus. Nat. Hung., vol. 7, p. 210 (key), 215 (pars !). 
1912. Maidl, Ann. Naturh. Hofmus. Wien, vol. 26, pp. 300—301, figs. 33—34 (posterior 

leg and genit. $ ). — $ $ Amboina. 



*) It is interesting to note that the settlement Kasowari is of very recent origin; it was 
established in 1952 about five kilometres distant from the older village Kawassi, which was 
deserted owing to the infertility of its soil. Kasowari is about 25 kilometres distant as the 
crow flies from the capital village Laiwui on the northcoast (A. M. R. Wegner, in litt.). 






66 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1—2, 1956 

1916. Cockerell, Entom. News, vol. 27, p. 462. — $ E. Ceram (Mesotrichia ceratnensis). 
1926. Alfken, Treubia, vol. 7, pp. 261 — 262. — $ Ceram (flavoanerea). 
1939. Cockerell, Occ. Pap. B. Bishop Mus., vol. 15, p. 137. — $ 9 Ceram (Mesotrichia 
muiri) -f- 9 Amboina (Af. unicolor). 

Material studied (all from the southern Moluccan islands Ambon, Haruku, 
Saparua, Boano, and Ceram). — 2 9 (one of these obviously type unicolor}, 
labelled "Amb" (round, white) and "Xylocopa unicolor Smith" in F. Smith's 
hand (OUM, type collection). 1 9 (sub X. acutipennis) with written label in 
Smith's (?) hand "X. unicolor Smith, Amboy. and Ceram", and printed label 
"Smith coll. B.M. 1899 — 303" (BM, general collection). 1 9, Amboina, Hila, 
Oct. 1923, C. J. Brooks coll., no. 17151, B.M. 1936—681 (BM). 1 9 with 
printed labels "Dr. Doleschal, 1869, Amboina" and "C. F. Baker coll. 1927" and 
two written identification labels "X. unicolor Sm., Mol." and "unicolor Sm. 9 
det. Fr. Maidl" (USNM). 1 9 labelled "Amboina XII Beccari 1874", and "P. 
Herbst collection, ex Reed" (CAS). 2 $,2 9, Ambon, D. J. Hoedt (ML). 
2 9 , Ambon, Geser Kiandarat, 1938, P. Buwalda (MZB). 1 $ , 3 9 , Ambon, 
low country, Laha, 17.X.1949, Amahusa, 19.X.1949, and Soja di Atas, 400 m, 
11 & 19.X.1949, M. A. LiEFTiNCK (MZB). 1 9, Haruku I., 3— 7.V.1930, H. 
Boschma, Snellius Exped. (ML). A series of both sexes, Saparua I., various 
localities in low country, 22 — 23.X.1949, M. A. Lieftinck (MZB). 1 9 , P. 
Boano (off N.W. Ceram), D. J. Hoedt (ML). 1 9 , N. Ceram, Wahaai, Moens 
(ML). 1 9,1 $ , N. Ceram, Wahaai, 20.III.1917, Denin, $ with "X. unicolor 
Sm. $", det. F. Maidl (MZB). 2 9 , E. Ceram, southcoast, Kisalaut, Engels, 
X. unicolor Sm. 9, det. F. Maidl (MZB). 1 9, Ceram, presented by R. E. 
Turner, 1913 — 438, identified with X. unicolor Sm. (USNM). 1 9 , East Ceram, 
H. Elgner, 1913, identified by T. D. A. Cockerell as X. (Mesotrichia) 
unicolor Sm. (USNM). 1 $, Ceram, Piru, 11.1909, F. MuiR, ex coll. W. M. 
Giffard 1909, cotype of X. (Mesotrichia) muiri Ckll., identified by T. D. A. 
Cockerell, with red label "paratype USNM No. 58100" (USNM). 

Up to the present our knowledge of the taxonomy and nomenclature of this 
and allied species of Maiella has been in a very confused state. This, of course, is 
mainly due to the striking dissimilarity of the sexes, which is not confined to 
colour, but extends likewise to form. But, since male and female have very dif- 
ferent habits and, consequently, are often found solitarily and at different places, 
the difficulty of correctly associating the sexes has led to a great many errors in 
the existing literature, most statements of authors being based on the wrong as- 
sumption that Smith's male Xylocopa unicolor from "Ambon" was the same 
species as his female, described from the same locality in a previous paragraph of 
his article. The difficulty of the subject is further aggravated by the fact that of 
the two species inhabiting the southern Moluccas, the females of each are entirely 
black-haired and can only be held apart on close inspection, whereas the males 
are easily separated. Added to this, new names were sometimes proposed for old 
Museum specimens of doubtful origin to which wrong locality-labels had been 
attached. These circumstances taken together have inevitably resulted in the 
existing chaos of the nomenclature. 



M. A. Lieftinck : Revision of the Carpenter-bees 61 

In the Oxford University Museum are three females and one male figuring 
under the name unicolor and labelled accordingly by F. Smith himself. Two 
females and the only male each carry a round pin-label with the written in- 
dication "Amb"[on], whereas the third female is without locality, bearing only 
a blue pin-label with "unicolor' ', in Smith's handwriting. The two first-mentioned 
females correspond very closely with the series in our collections from Ambon, 
Saparua and Ceram, and I have selected one of Smith's examples marked "Amb" 
as the lectotype of unicolor. The third female, however, is a good deal smaller 
in size and has a narrower body; its abdomen is distinctly less densely punctured, 
more shiny, than that of the others, and the gloss on the apical half of its fore 
wings is less brilliant, more greenish, than in typical unicolor. This specimen is 
certainly not conspecific and would well go with buruana spec, nov.; its locality 
is unknown. Lastly, the solitary male (Smith's allotype) of supposed unicolor, is 
altogether different from the striking pallid-haired examples of that sex which I 
now consider to be the real male of that species. 

Smith's aberrant individual may be briefly characterized as follows. — Stature and 
pubescence of confusa J. Per., but ventral surface of proximal part of femur II not polished 
and shiny and with the basal tooth very low and ridge-like. Fore wing with first abscissa of 
Rs almost wanting, reduced to a mere upper rudiment. Mandibles with distinct yellow basal 
spot. Clypeus with well-developed T-shaped yellow mark. Scape of antenna bright yellow, 
flagellum yellow-brown anteriorly, the remainder dark brown. No visible clypeal keel. 
Pubescence of tibia I — II greenish-yellow, of basitarsus I — II, however, brownish-yellow; 
tibia III on the inside entirely black-haired; hair on basitarsus III above and on the inside 
deep black, on the outer surface yellow-brown with black hairs intermixed. Distal % of 
the hair-streak on outer side of tibia III rusty-red. Pubescence of abdomen greenish-yellow 
(not brown!), with many black hairs intermixed at the sides of the tergites and with black 
hair-tufts on either side of metasomal tergites 6 — 7. Length of body 21 mm circa. 

As follows from this description, this insect structurally belongs to the same 
group as the other members or the subgenus inhabiting the Moluccan islands, and 
it may well represent a distinct species. It is certainly neither conspecific with 
unicolor, nor with its representative from Buru, which is here re-defined under 
the new name buruana spec. nov. From coronata it differs by the yellowish, not 
green, pubescence of the body, but otherwise it agrees with that species in many 
respects. I am at present unable to identify this male with any degree of certainty. 
Like the third female in the Oxford Museum, it might not have been collected on 
Ambon at all, and in that case — by the absence of a topotypical female ■ — its 
status will remain uncertain. Smith himself seems to have been in doubt as to the 
origin of his series of specimens, for in the original description he gives "Am- 
boyna" as the only locality for unicolor, whereas fourteen years later he adds 
Ceram and Buru to its habitat. As we have seen, the only female of unicolor in 
the British Museum is labelled "Amboy & Ceram". It is, of course, just possible 
that a second species of the same group occurs in Ambon and Ceram, and, if so, 
than the name muiri Ckll. might perhaps be revived {vide pos(ea), but all 
available evidence is against such a supposition. 

The very conspicuous pale yellow-haired males of unicolor were on many 
occasions captured in company of totally black-haired females, i.e. along with 
individuals that have now proved absolutely identical with Smith's types of 



68 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

unicolor from Ambon. The two sexes were collected by H. Elgner and a Sun- 
danese collector in E. and N. Ceram, respectively; by F. MuiR likewise in Ceram; 
and by Hoedt and myself in the islands Ambon and Saparua. It may be said that 
the evidence from which the pallid males and black females are inferred to be the 
sexes of one species is not absolutely conclusive, for no one has witnessed their 
union; but I constantly found both of them in company, frequenting even the 
same bushy hill, fruit-yard or shrub, the black females visiting the flowers of 
Stachytarpheta and Melasioma, the whitish males hovering about the tree tops 
nearby. These observations afford so strong a presumption in favour of my 
opinion, that little doubt on the subject can be reasonably entertained. 

Friese (1909) records the female from Gorom, Ceram, Bum and Palawan, 
the male from Ceram, Batjan and Ambon. The new records are insignificant 
as they are at least partly based on wrongly identified specimens. 

Maidl (1912), who examined both sexes from Ambon (collected by von 
Doleschal, MocsaRY and Pfeiffer), correctly associated the sexes and gave 
a short characterization of the male, with sketches of its structure. 

Cockerell (1916) received a male from East Ceram which did not tally with 
Smith's description of that sex; he therefore described it as a new species, cera- 
mensis, with the following comment: "A female of Mesotrichia uni color (Xylo- 

copa unicolore comes with the same data , and I might have supposed the new 

form to be its male, but for the fact that the male of M. unicolor (already 
recorded from Ceram by Friese) is known and has a yellow clypeus". As I have 
pointed out above, the male described by Smith is not conspecific with his 
unicolor female; and since the males of the genuine unicolor in our collections 
agree perfectly with Cockerell's description of ceramensis, this name falls as a 
synonym of unicolor Smith. 

In 1926, the synonymy of our species is further complicated by Alfken, who 
mistrusts Maidl's correct interpretation of the facts, relying entirely on Smith's 
erroneous association of the sexes. The following verbatim quotation of Alfken's 
arguments may suffice to establish the fact that jlavocinerea must also be dropped 
as a synonym of unicolor. 

"In seiner Arbeit "Die Xylocopen des Wiener Hofmuseums", in Ann. Naturhist. Hof- 
mus. Wien, v. 26, p. 300, 1912, schreibt Maidl, dass sich das $ von X. unicolor F. 
Smith von den Verwandten unter anderem durch die am Thorax und erstem Tergit bleich 
weissgelbe Farbe der Behaarung unterscheidet. Von dieser eigentümlichen Haarfärbung ist 
aber in den beiden Beschreibungen der Art von Smith nichts erwähnt. Sie dürfte ihm, da 
sie sehr auffällig ist, wohl kaum entgangen sein. Ich glaube nicht fehl zu gehen, wenn ich 
annehme, dass die echte X. unicolor F. Smith Herrn Kollegen Maidl nicht vorgelegen hat. 
Smith gibt von dem $ seiner X. unicolor an, dass die Seiten des Hinterleibs gegen die 
Spitze hin schwarz bebüschelt sind. Hiervon erwähnt Maidl nichts. Die von ihm als 
unicolor aufgefasste Art hat auch keine schwarzen Büschel haare an den Hinterleibsseiten, 
sondern ist einfarbig gelb behaart. Sie ist eine andere Art, die ich auch von Ceram besitze, 
und die meines Wissens noch nicht benannt worden ist; sie möge X. jlavocinerea heissen." 
{loc. cit., p. 261). 

Lastly, in 1939, it was again Cockerell who entered into a discussion of the 
dissimilarity of the sexes in the unicolor group. Misled by Smith's unfortunate 
error, he described yet another new species, Mesotrichia muiri. male and female, 



M. A. LlEFTlNCK : Revision of the Carpenter-bees 



69 




Fig. 4. X. (Maiella) e. coronata F. Smith, $ Halmahera, Dodinga (ML); Fig. 5. X. 
(Maiella) unicolor F. Smith, $ Saparua (ML); Fig. 6. X. (Maiella) buruana spec, nov., 
<$ Buru (ML), a — apical portion of left gonocoxite, left lateral view; b — genitalia, 
ventral view; c — apex of left gonocoxite, ventral view, more highly magnified (hair 

omitted). 

from Ceram: the female agreeing with the description of unicolor, the male 
closely resembling cermnensis Ckll., but differing thus: "tegument of face en- 
tirely black; conspicuous long black hairs, mixed with the fulvous, at sides of 
abdomen; first intercubitus with only the lower end lacking". From this descript- 
ion it would appear that Cockerell's two males from Ceram were indeed dif- 
ferent from his ceramensis and our series of male unicolor, and that a new name 
was justified for its recognition. Cockerell even hazards the conjecture of the 
existence of a single type of female, with three different males, one on Ambon 
and two on the larger island of Ceram ! This, however, was but mere conjecture, 
since Cockerell's supposition was based entirely on Smith's descriptions. Through 
the kindness of Dr. Karl Krombein, I have been able to examine one of 
Cockerell's males, labelled by the author "Alesotrich/a munì Ckll., cotype". 
This specimen does not fit the description in all respects: (1) tegument of face 
not entirely black, but dark brown, marked with a pair of large reddish spots, one 
on either side, along anterior border, and with a reddish longitudinal streak 
down the middle of the clypeus; (2) long pubescence at sides of abdomen entirely 
yellow. In point of fact, this cotype agrees in every respect with specimens of 



70 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

unicolor from other sources in our collections ! Although I have not seen the 
type, I have come to the conclusion that Cockerell probably had two species from 
different localities before him when describing muiri, and that either the type 
was not collected in Ceram, or, as a quite likely possibility, that a confusion with 
another bee has taken place. So much is certain, that Cockerell's cotype muiri 
from Ceram is absolutely identical with unicolor. 

Xylocopa (Maiella) buruana spec. nov. (figs. 3 and 6) 

1909. Friese, Ann. Mus. Nat. Hung., vol. 7, p. 215 (pars) — $ W. Buru, no description 

{unicolor). 
1926. Alfken, Treubia, vol. 7, pp. 261 — 262. — Ç $ Buru (unicolor). 

Material studied (all from the Moluccan island Buru). — 2 $,5 9, Buru, 
III. 1914, Denin, 1 $ labelled by F. Maidl X. confusa Per. (MZB). 1 $ , 1 9 , 
Buru, 1921, L. J. Toxopeus (MA). 4 $ , 7 9 , Buru, station 1, 4, 5, 6 and 13, 
IV.1921 — 11.1922, L. J. Toxopeus, identified by J. D. Alfken with X. unicolor 
Smith (ML). 1 $ , Buru, station 4, III. 1921, L. J. Toxopeus (MZB). 1 $ , W. 
Bouru (= Buru), Bara, IX, no. 99 — 197, unidentified (BM). Holotype $ and 
allotype 9 : Buru, III. 1914, Denin (ML). Paratypes of both sexes in MZB, one 
paratype $ in BM. 

As I have pointed out on page 68, Alfken has confounded this new species 
with unicolor F. Smith, for which he proposed the superfluous new name flavo- 
cinerea, leaving our insect without a proper name. The characters enumerated in 
the keys may suffice to recognize the two sexes of buruana from Smith's species 
unicolor. 

Apart from the distinguishing features already mentioned, slight differences 
appear to exist also in the relative lengths of the basal flagellar segments of the 
antennae (cf. figs. 2 d and 3 d) and in the width of the inter-ocular distance as 
compared with the diameter of the compound eye (figs. 2 c and 3 c), but I do not 
know whether these characters are sufficiently constant to be of any use. 

Although Alfken identified the examples from Buru with unicolor Smith, he 
was yet well aware of the discrepancies existing in the descriptions of the male: 
"Die vorliegenden Buru-Tiere möchte ich als X. unicolor F. Smith ansehen. Ich 
finde freilich nicht, dass der Clypeus gelb ist und 2 schwarze Basalflecke hat. 
Unsere Art hat einen schwarzen Clypeus. Der Kopulationsapparat des Buru- 
Männchens weicht auch von dem von Maidl gezeichneten seiner X. unicolor sehr 
ab; auch die Gestalt des Hinterleibs ist eine andere". Except for his remark on 
the colour of the clypeus — the obscurely yellow spots present in most examples 
were overlooked by him - — Alfken was quite right in considering his males 
different from Smith's and Maidl's specimens. 

As far as we know at present, X. buruana is confined to the island Buru. 

Xylocopa (Maiella) forbesii Kirby 

1883. Kirby, Proc. Zool. Soc. London, p. 344. — $ 9 Tanimbar Is.: Larat and Maru. 
1885. Ritsema, Notes Leyden Mus., vol. 7, p. 54 (notes; forbesii sunk as a synonym of 
coronata Smith I86I). 



M. A. Lieftinck : Revision of the Carpenter-bees 71 

1908. Friese, Nova Guinea, vol. 5, Zool., pi. 15 fig. 20 ( $ insect, Tanimbar) {coronata). 

1909. Friese, Ann. Mus. Nat. Hung., vol. 7, p. 212 (pars). — $ 9 Tanimbar-Larat 
only ! (coronata). 

1924. Maidl, Nova Guinea, vol. 15, Zool., p. 80. ■ — $ Tanimbar-Larat and 9 New 

Guinea (X. \Koptorthosoma~\ pseudocoronata). 
1955. Lieftinck, Verh. Naturf. Ges. Basel, vol. 66, p. 14 — 18 (descr., incl. key $ ), figs. 

4, 4a, 7 — 9, structures $ ). — $ 9 Tanimbar Is. 

Additional material. — 15, labelled "210A. Ma roe 83 ", with additional label 

29 
"coronala Sm.", allotype forbesii Kirby (BM). 1 $,4 9, Tanimbar islands, ex 

coll. J. Lindemans (NMR). 1 9 , labelled "Asia Arch. Tenimber, Larat, 1901, 
1 — 2, H. Kühn", and identified by H. Friese as X. coronata F. Sm., with addit- 
ional label "X. pseudocoronata Maidl 9 Type", in F. Maidl' s hand; 1 9 , with 
small blue label and two additional labels "N. Guinea" (red ink), "X. pseudo- 
coronata Maidl 9 Type, in F. Maidl's hand (NMW). 

In order to unravel the synonymy of this species in a satisfactory manner, it 
was necessary to examine also Maidl's type specimens of X. pseudocoronata, 
described from "2 9 9 aus Neu-Guinea beziehungsweise Tenimber-Larat, 

letzteren gesammelt von Kühn und als coronata Sm. von Friese bestimmt, ", 

etc. I have to thank Dr. Max Beier, of the Vienna Museum, for his kindness to 
send me these specimens on inspection. I am satisfied that these two insects agree 
in every detail with the other females I have seen from the Tanimbar islands, 
including Kirby 's allotype, and I have no doubt that Maidl's cotype was 
purchased from a dealer, the written indication "N. Guinea" being in all 
probability wrong. So much is certain, that pseudocoronata is the same species as 
forbesii. 

Xylocopa ( ? Maiella) mohnikei Cockerell 

1907. Cockerell, Bull. Amer. Mus. Nat. Hist., vol. 23, p. 228. — 9 "Amboina". 

This species I have not seen. According to Cockerell, superficially it is 
exactly like X. bryorum auct, but it differs in several respects from that species. 

The bees described by Cockerell in the above-mentioned paper belonged to 
the collection of the "well-known entomologist Henry Edwards, and are the 
property of the American Museum of Natural History". Eleven species, of which 
six were new to science, are mentioned in this paper as from "Amboina", the 
collector(s) being unfortunately unknown. It is worth attention, however, that 
at least eight of these species, including X. mohnikei, are either difficult to 
classify and have never been found since, or are wrongly identified. Therefore, 
I conjecture that most, if notali, insects recorded in Cockerell's paper from "Am- 
boina" were wrongly labelled, their origin remaining uncertain. If, on the other 
hand, X. mohnikei should prove to be a distinct species, then its occurrence on 
the island Ambon requires confirmation. In that case it is just possible that it can 
be associated with the puzzling male which F. Smith reported from Ambon, but 
which he erroneously associated with the female of his unicolor. 






72 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

Xylocopa (Maiella) confusa J. Perez 

In the general collection of the British Museum are one male and one female, 
both labelled "Amboyna, R. & L. Perkins, 1911.307", and identified as confusa 
Per. These specimens show all features characteristic for confusa, but, like the 
next example of X. incompleta, the locality given for them is doubtless incorrect, 
confusa being an inhabitant of Malaysia and the island Celebes. 

Xylocopa (Cyaneoderes) incompleta Ritsema 

1880. Ritsema, Notes Leyden Mus., vol. 2, p. 222 — 224. — 5 Java (error!), $ ? W. 
Sumatra. 

1953. Van der Vecht, Idea, vol. 9, p. 68. — $ 9 Malaya; 9 Sumatra (notes). 

The synonymy of this species has recently been established by van der 
Vecht (loc. cit.). In the British Museum collection is an unidentified female of 
this species labelled "Amboyna, coll. by F. MuiR, presented by R. C. L. Perkins, 
1911 — 307", with an additional label "Mites taken, Jan. 1932, N. le Vècque, E. 
136". I have no doubt that this insect, which is absolutely identical with females 
of incompleta which I have examined from the Malay Peninsula, Sumatra, and 
Borneo, was wrongly labelled. 

Xylocopa (Neoxylocopa) brasilianorum sonorina F. Smith (comb, now) 

?1773. Degeer, Mém. hist. Insect., vol. 3, p. 573 — 574, pi. 28 fig. 8. — 9 Surinam 

{Apis aeneipennis). 
1874. Smith, Trans. Ent. Soc. London, p. 278. — 9 "Sunda Islands" (error !) (X. 

sonorina) . 
1899. Perkins & Forel, in Sharp, Fauna Hawaiiensis, vol. 1, pt. 1, p. 113. — Hawaii 

(X. aeneipennis). 
1951. Michener, in Muesebeck & Krombein, Hym. Amer. N. of Mexico, Mon. 2, U.S. 

Dept. Agric, p. 1246. — Hawaii (X. bras, varipuncta). 

1954. Michener, Bull. Amer. Mus. Nat. Hist., vol. 104, p. 157 (Neoxylocopa subgen. nov., 
type Apis Brasilianorum L.). 

Type material. — 1 9 , with blue label "Sandw. Isl." (not "Sunda Isl."), and 
" , holotype X. sonorina F. Smith (BM). The following interesting in- 

o 

formation on the origin of this bee is found in the registers of the British Mu- 
seum: "1864.8. Sandwich Islands, presented by E. W. H. Holdsworth Esq.: 6 
Opatrum, 1 Xylocopa, 1 Polistes, 4 Isopoda". 

The identity of Xylocopa sonorina F. Smith, erroneously reported from the 
Sunda Islands, has always puzzled students of these insects. From the facts men- 
tioned above it is at once evident that the confusion was mainly due to the 
erroneous transcription of the abbreviation "Sandw. Isl." on the locality-label, 
which, though somewhat indistinct, is clearly legible on close inspection. Since 
sonorina F. Smith 1874 has priority over varipuncta Michener (nee Patton 1879, 
Canad. Entom., vol. 11, p. 60, 9 Arizona), the use of this last subspecific name 
for the introduced Hawaiian insect is no longer allowed. 



M. A. LlEFTlNCK : Revision of the Carpenter-bees 73 

Smith's type of sonorina agrees in every respect with a series of Hawaiian 
brasilianorum in the collection of the British Museum. 

Apis aeneipennis Degeer was described from Surinam; its status remains un- 
certain. 

Xylocopa (Platynopoda) perforator F. Smith 

1861. Smith, J. Proc. Linn. Soc. London, Zool., vol. 6, p. 61—62. — $ $ Ternate 

(error!). 
1940. Maa, Lingnan Sci. Journal, vol. 19, p. 567 (bibliography, synonymy, distribution, 

etc., incl. key $ $ )■ 
1955. Lieftinck, Verh. Naturf. Ges. Basel, vol. 66, p. 31 — 32. — Sumatra; Java; Lesser 

Sunda Is.; Borneo. 

Type material studied. — 1 9,1 $ , both carrying round labels indicated 
"Tim" [= Timor !] and, in addition, $ with blue, $ with white labels "Xylo- 
copa perforator Smith" in F. Smith's handwriting (type collection, OUM). 1 $ , 
with round label "Tim", in the type collection, No. 17 B. 51 (BM). — The 
pair in the Oxford Museum should be considered to be the types of this species, 
and since Smith described the $ first, I have selected the $ in that collection 
as the lectotype of perforator F. Smith, the $ in the Oxford and British Museums 
representing Smith's cotypes. 

In a previous paper (loc. cit.) I have already expressed doubt as to the cor- 
rectness of the interpretation of the locality originally given for perforator, since 
no specimens had ever been taken since on the Moluccan islands. A recent 
examination of the three specimens present in the Oxford University and British 
Museum collections has proved that all carry a written label with "Tim", which 
obviously is an abbreviation of Timor, on which island the species has repeatedly 
been collected in more recent times as well. The original locality thus is Timor, 
not Ternate. 



PHAENOANALYTISCHE STUDIEN AN EINIGEN ARTEN 

DER UNTERGATTUNG TERRESTRIBOMBUS O. VOGT 

(HYMENOPTERA, BOMBIDAE). II. TEIL) 

VON 

EDGAR KRÜGER f 

Fortsetzung 

Inhaltsverzeichnis 

4. Bombus terrestri* L. (Fortsetzung) 75 

Ethnos des nördlichen Spanien 76 

Ethnos von Mallorka 78 

Ethnos von Portugal 78 

Ethnos der dänischen Inseln 83 

Ethnos von Norwegen 84 

Ethnos von England 84 

Ethnos der Kanalinseln 85 

Ethnos von Schottland und Irland 86 

Ethnos von Bulgarien 87 

Ethnos von Kleinasien 87 

Ethnos der Umgebung von Konstantinopel 88 

Ethnos von Griechenland 88 

Ethnos von Kreta 88 

Ethnos des Kaukasusgebietes 89 

Ethnos der Umgebung von Orenburg 89 

Ethnos von Ost-Turkestan und des Borochorogebirges 90 

Ethnos von Algier und Tunis 91 

5. Bombus sporadicus Nylander 92 

Ethnos von Norwegen 93 

Ethnos von Schweden 93 

Ethnos von Nordrussland 93 

Ethnos von Baikalien 94 

Ethnos des Ussurigebietes 95 

6. Bombus sapporoensis Cock 96 

7. Bombus ìgnitus Smith 97 

8. Bombus patagiatus Nylander 98 

Ethnos von Nordrussland 98 

Ethnos von Baikalien 99 

Ethnos des Ussurigebietes 101 

Ethnos von Sui Yuan 102 

Ethnos von Tschili und dem Sinin-Gebirge 102 

Ethnos des Min-Shan 103 

9. Bombus vasilìevì Skorikov 103 

10. Bombus mala/sei Bischoff 105 



*) Fortsetzung von Band 97, S. 298, dieser Zeitschrift. 



75 



76 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

Das Ethnos von Nordspanien 

Weibchen: 64 Exemplare von Zarauz. Sie verteilen sich auf die Gradus des 
Collare wie folgt. 2 (semipostcollarts), 4, 2, 5, 11, 22, 17 (perlatocollaris). Wir 
unterscheiden 6 Sektionen: 

1. Sektion. 13 Exemplare. Wie die Nominatform gefärbt, auch im Farbton der 
gelben Binden, aber 2 Exemplare mit tief olivbraunem (nicht rotbraunem !) 
Farbton. 4 Exemplare mit blassbräunlichem Saum auf dem 4. Tergit (jerejulvo- 
marginalis) . 

2. Sektion: 7 Exemplare. Die Corbiculahaare teilweise braun, bei 4 auch der Cly- 
peus und die Area centralis mit einzelnen braunen Haaren, 2 leiten mit mehr 
braunen Haaren zur 3. Sektion über. 3 Exemplare jerefulvomarginalis, 2 julvo- 
mar g inai is. 

3. Sektion: 5 Exemplare. Wie die der 2. Sektion, aber mit mehr braunen Haaren 
auf dem Clypeus und in der Area centralis. Corbicula ganz und die 2. Tibia zum 
Teil braun behaart. Je 2 jerejulvo- und julvomarginalis. 

4. Sektion: 10 Exemplare. Wie die der vorigen Sektion, aber die 2. Tibia mit 
mehr braunen Haaren, auch Trochanteren und ventraler Teil des Episternum 
braun. 3. Tergit bei einem Exemplar mit orolateralen braunen Erstlingshaaren, bei 
einem anderen mit beiderseitigen braunen Haarfleck. 3 Exemplare jerejulvo- und 
2 julvomarginalis. 

5. Sektion: 15 Exemplare. Wie die der 4. Sektion, aber mit viel mehr braunen 
Haaren. Ausser auf dem Clypeus und in der Area centralis auch solche im me- 
dianen Teil der Areae triangulares. Episternum zum Teil ventral, 2. Tibia ganz 
braun behaart. 1. Tibia, die auch bei einzelnen Weibchen der vorigen Sektion 
wenige braune Haare hat, in weiterer Ausdehnung braun. 3. Tergit bei einem 
Exemplar mit einigen braunen oralen Erstlingshaaren, bei 2 mit beiderseitigem 
oralen braunen Haarfleck, bei 3 mit schmaler brauner oraler Binde (tenuifulvo- 
zonatus), eines mit breiterer brauner Binde, besonders im Seitenteil (fulvolato- 
zonatus). 4 Exemplare jerejulvomarginalis, 7 julvomarginalis. 

6. Sektion: 14 Exemplare. Wie die der vorigen Sektion, aber Gesicht fast ganz 
braun behaart, bei 2 Exemplaren einzelne braune Haare auch im oralen Winkel 
der Area triangularis. 1. Tibia braun, der 2. Femur grösstenteils braun. Epister- 
num weiter dorsalwärts mit braunen Haaren, bei einem Exemplar das ventrale 
und mediale Drittel braun. Scutellum in der Regel mit caudalen braungelben 
Haaren. Bei einem Exemplar mit fast ganz braunen Scutellum (propefulvo- 
scutellaris) ergreift die braune Behaarung auch den Raum des Mesonotum und 
erreicht auf ihm in schmaler medianer Zone den caudalen Rand des Collare. 3. 
Tergit bei 2 Weibchen mit braunen oralen Erstlingshaaren, bei 2 mit beider- 
seitigem braunen oralen Fleck, bei 4 mit schmaler brauner oraler Zone (tenuijul- 
vozonatus). Je ein Exemplar gehört zu den Gradus julvopraezonatus, propejulvo- 
zo flatus und julvozonatus. Es ist zu beachten, dass der braune Farbton des 3. 
Tergites nicht allein vom Braun des 2. sondern auch des 4. abweicht. Dieses hat 
bei 7 Exemplaren einen rotbräunlichen Saum zwischen der schwarzen und der 
weissen Behaarung; er kann in verschiedener Höhe je nach der Grenzlage zwi- 
schen Weiss und Schwarz liegen und rückt bei einem Exemplar mit stark redu- 



E. Krüger : Studien an Terrestribombus 11 

zierter schwarzer Behaarung bis an den oralen Rand vor (fulvopraecingulatus). 

Ich schliesse hier die Beschreibung einiger Weibchen aus Nordwestspanien und 
aus Mittelspanien an. 5 Weibchen von Burgos: eines wie die Nominatform ge- 
färbt, 3 gehören zum fulvopraezonatus bzw. propefulvozonatus. Bei 4 der Exem- 
plare hat das 4. Tergit einen leicht bräunlichen Saum. Ausserdem sind Gesicht 
und Beine wie bei den Exemplaren der beiden letzten Sektionen von Zarauz aus- 
gedehnt, das Episternum im ventralen Drittel braun behaart. Von 2 Exemplaren 
aus der Umgebung von Madrid ist eines wie die Nominatform gefärbt, das andere 
gehört zur 5. Sektion von Zaraus (fulvopraezonatus). Ein Exemplar von Castilien 
gehört der 6. Sektion an und hat auf dem 3. Tergit orale braune Erstlingshaare. 
Zwei Weibchen vom Escoriai sind wie die Weibchen der 3. und 5. Sektion ge- 
färbt, ein Weibchen vom Montserrat und Gerona wie die der 5. (fulvolatoprae- 
zonatus und fulvopraecingulatus). Das letztere hat sehr helle gelbe Binden. 

Arbeiter: 20 Exemplare von Gerona, Montserrat, Barcelona, Toledo, Escoriai 
und der näheren Umgebung von Madrid. Nur die Gradus propelato-, iato- und 
perl at oc oll ari s sind vertreten. Exemplare der 1. Sektion sind nicht vorhanden. 2 
Arbeiter der 2. Sektion haben braune Haare an der Corbicula, aber keine im 
Gesicht. 10 gehören in die 3-, 6 in die 4. Sektion, ein Exemplar in die 5. 

3. Tergit bei allen ohne braune Behaarung, der braune Saum des 4. Tergites fehlt 
im allgemeinen und ist nur bei 3 Exemplaren angedeutet vorhanden (ferefulvo- 
marginalis). Chitin der Corbicula bei 3 rotbraun, bei 14 dunkelbraun bis schwarz- 
braun und bei 3 Exemplaren schwarz, durchschnittlich etwas heller als bei den 
Weibchen. 

Männchen: 22 Exemplaren von Barcelona, Montserrat, Gerona und vom Es- 
coriai. Ich unterscheide 6 Sektionen. 

1. Sektion: 4 Exemplare. Wie die Nominatform gefärbt. 

2. Sektion: 5 Exemplare. Gesicht mit spärlichen braunen Haaren. Tibien braun, 
Episternum grösstenteils schwarz. 

3- Sektion: 4 Exemplare. Wie die der 2. Sektion, aber Clypeus oral und Femora 
zum Teil braunbehaart. 

4. Sektion: 4 Exemplare. Wie die der 3. Sektion, aber der Clypeus fast bis zur 
Basis braun behaart. Ein Exemplar fulvopraecingulatus. 

5. Sektion: 3 Exemplare. Wie die der 4. Sektion, aber auch die Area centralis und 
triangularis mit braunen Haaren. Ein Exemplar des fulvomarginalis und fulvo- 
praecingulatus. 

6. Sektion: 2 Exemplare. Wie die der 5. Sektion, aber auch sämtliche Tibien, 
Femora, Trochanteren, Ober- und Untergesicht bis auf die mittlere Seitenpartie 
braun behaart. 3. Tergit braun mit oralen Erstlingshaaren oder mit oraler 
brauner Binde (fulvopraezonatus). Episternum dorsal schwarz oder dorsal gelb. 

Die nordspanische Form des B. terrestris kann nicht als besondere Rasse ange- 
sehen werden, weil die Anzahl der Individuen, welche wie die Nominatform ge- 
färbt sind, nicht unbeträchtlich ist. Wir können daher die var. ferrugineus nur 
als eine allerdings sehr häufige Morphe bezeichnen. Es ist aber wohl möglich, 
dass sie im Süden Spaniens als Rasse auftritt. 



78 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. l — 2, 1956 

Das Ethnos der Insel Mallorca 

Weibchen und Männchen liegen nicht vor. 

Arbeiter: 17 Exemplare von Alcudia.i) Sie gehören den Gradus collaris bis 
perl at oc oll ari s an. Bei 7 Exemplaren sind Clypeus, Area centralis und der dorso- 
mediane Teil der Area triangularis, Corbicula, Mittel- und Hintertibien und teil- 
weise die hinteren Femora braun behaart, bei 3 Exemplaren nur der Clypeus und 
die Area centralis, bei 5 ist die braune Behaarung noch weiter reduziert, jedoch 
bleiben Tibien und Corbicula braun behaart. Bei den höheren Gradus der braunen 
Behaarung kann auch das Episternum ventral braun sein. 16 Männchen mit einem 
bräunlichgelben Saum auf dem 4. Tergit. Das Chitin der Corbicula ist schwarz, die 
Farbe der Binden bleichgelb, fast beigefarbig. Mir ist ein solcher Farbton beim 
B. terrestris als Folge der Ausbleichung niemals begegnet, so dass ich annehme, 
das wir es mit einer spezifischen Farbtönung zu tun haben, und dass das Ethnos 
von Mallorca einer besonderen Rasse angehört, die aber im übrigen sich von 
dem spanischen Ethnos nicht unterscheidet. Ich bezeichne sie vorlaufig als Rasse 
balearicus. 

Das Ethnos von Portugal 

Bombus terrestris, Rasse lusitanicus nov. 

Weibchen: 205 Exemplare von Castello da Vide (leg. Antonio Flores), 
9 von St. Thirso da Famalicae, 14 von St. Martinho. Gesicht nur bei 5 Exemplaren 
schwarz behaart, bei 13 mit vereinzelten braunen Haaren im oralen Teil des 
Clypeus, 14 mit vorwiegend braun behaartem Clypeus und einzelnen braunen 
Haaren in der Area centralis. Bei 41 Exemplaren verdichtet sich die braune Be- 
haarung der letzteren zu einem Büschelchen, bei 55 fliesst die braune Behaarung 
beider Areale zusammen, und es treten braune Erstlingshaare in der Area triangu- 
laris auf, bei 49 haben sich die letzteren zu einem seitlichen Büschel vermehrt, bei 
11 bildet die braune Behaarung der drei Areale ein zusammenhängendes Feld, bei 
7 Exemplaren haben sich schliesslich die braunen Haare der Area triangularis 
seitlich weiter ausgebreitet und können auch im oralen Winkel derselben erschei- 
nen. Scheitel und Stirn schwarz. Collare leuchtend hellgelbbraun, in der Breite 
wenig variabel, die Gradus cryptarum bis propecollaris fehlen. Die maximale 
Frequenz liegt mit 156 Exemplaren beim Gradus lat o collaris. Episternum — selbst 
beim Gradus perl at o coli ari s ■ — höchstens nur unmittelbar unter dem dorsalen 
Rande gelb behaart. Braune Haare breiten sich vom ventralen Rande mehr oder 
weniger weit dorsalwärts aus. Ich unterscheide 7 Gradus im Braunwerden des 
Episternum. 1. Gradus: Ventraler Teil noch ganz schwarz. 2. Gradus: Wenige 
braune Haare im ventralen Winkel. 3. Gradus: Die braunen Haare bedecken etwa 
das ventrale Viertel, wobei eninige braune Haare diffus weit dorsalwärts vordrin- 
gen. 4. Gradus: Episternum zu einem Drittel braun; die oral stehenden braunen 



*) Unter den Arbeitern befindet sich ein auf der rechten Seite teilweise ganz abnorm 
gefärbtes Exemplar, bei dem der Scheitel, ein zur Medianen geneigtes Stück des Collare, 
ein sich bogenförmig anschliessendes und an den Seitenrand des Mesonotum reichendes 
Feld, das die Schulter frei lässt, die laterale Partie des Scutellum und der dorsale Teil des 
Episternum tiefrostfarben ist. 



E. Krüger : Studien an Terrestribombus 79 

Haare reichen diffus bis zur gelb behaarten Zone. 5. Gradus: Episternum bis zur 
Hälfte braun. 6. Gradus: In dem noch bisher hauptsächlich schwarz behaarten 
Teil treten besonders oral zahlreicher braune Haare diffus auf, wobei sich die 
Grenze des nur braun behaarten Bezirkes weiter dorsalwärts verschiebt. 7. Gradus: 
Zwei Drittel des Episternum braun, der verbleibende Rest besonders wieder oral 
mit viel zahlreicheren braunen Haaren als vorher. Die graduellen Frequenzen 
sind: 29, 28, 51, 45, 28, 12, 1. Scutellum schwarz oder mit eingesprengten grei- 
sen, gelblichen und braunen Haaren. Ich unterscheide 7 Gradus. 1. Gradus: Scu- 
tellum schwarz. 2. Gradus: Einzelne diffuse braune Haare paracaudal. 3. Gradus: 
Die braunen Haare breiten sich spärlich und diffus weiter oralwärts aus. 4. 
Gradus: Weitere lockere Vermehrung derselben. 5. Gradus: Die verschwommene 
Braunfärbung wird mit blossem Auge erkennbar, einzelne braune Haare dringen 
bis zum oralen Rande vor. 6. Gradus: Scutellum ganz mit braunen Haaren besetzt, 
zwischen denen schwarze und braunschwarze Haare verschiedener Länge stehen. 
7. Gradus: Scutellum sprunghaft abweichend fast ganz braun (fulvoscutellaris). 
Bei einigen Exemplaren dringen die braunen Haare heteronom im paramedianem 
Raum oralwärts vor. Die Frequenzen sind: 74, 69, 28, 13, 7, 6, 1. Von den 
Exemplaren mit greisen Haaren auf dem Scutellum verdient eines besondere 
Beachtung; bei diesem begrenzen greise caudale Haare ein davor liegendes braun 
behaartes Feld, in das längere und kürzere schwarze Haare eingesprengt sind. Auf 
dem Episternum dieses Exemplares sind die ventralen braunen Haare durch cau- 
doventrale greise Haare begrenzt. Bei dem erwähnten Exemplar fulvoscutellaris ist 
die interalare Binde mit zahlreichen braunen Haaren durchsetzt. 1. Tergit schwarz, 
2. mit wenig variabler wie das Collare gefärbter Binde. 3. Tergit bei 80 Exem- 
plaren schwarz, bei 33 mit orolateralen braunen Erstlingshaaren des Zentralfeldes. 
35 mit Vermehrung derselben besonders in medianer Richtung. 25 mit zusammen- 
hängender, aber diffuser brauner Binde im oralen Teile des Zentralfeldes. 11 mit 
deutlicherer seitlich in das Medialfeld vordringender brauner Binde, 8 mit einer 
das orale und mediale Zentralfeld ausfüllenden Binde (Julvolatopraezonatus), 1 
Exemplar mit brauner Binde, die in das caudale Feld vordringt; nur caudal stehen 
noch wenige schwarze Haare (propefulvozonatus), 1 Exemplar des fulvozonatus. 
Die Braunfärbung erfolgt aber nicht nur im Zentralfelde sondern auch im Seiten- 
feld. Sie setzt hier aber erst dann ein, wenn die des Zentralfeldes fortgeschritten 
ist. Die Modalität des Braunwerdens ist gewissen Metabolieen unterworfen, von 
denen diejenige hervorgehoben werden soll, bei der die Binde nicht wie ge- 
wöhnlich verschwommen, sondern caudal scharf gegen die schwarze Restbehaarung 
abgesetzt ist. Das fast völlige Fehlen der schwarzen Behaarung des 4. Tergites 
ist für das Ethnos von Portugal sehr charakteristisch, wodurch es sich von allen 
anderen verwandten Ethna unterscheidet. Fast alle Exemplare haben ausserdem 
vor dem oralen Rande dieses Tergites einen bräunlich verdunkelten Saum, der mit 
einer leichten Vergelbung der Haarbasis beginnt, aber anfangs durch die sich 
darüber neigenden schwarzen Haare des 3. Tergites verdeckt wird. Die Intensivie- 
rung dieses Farbtons erfolgt von vorneherein wie die Vermehrung der bräun- 
lichen Haare simultan und mindestens innerhalb des Zentralfeldes über dessen 
ganze Breite, wobei nur der laterale Teil ein leichtes Voraneilen erkennen lässt. 
Ich unterscheide 5. Gradus im Braunwerden der weissen Haare. 1. Gradus: Noch 



80 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. l — 2, 1956 

keine braunen Haare. 2. Gradus: Oraler Rand leicht gebräunt. 3. Gradus: Oraler 
Rand breiter und intensiver gebräunt. 4. Gradus: Der breitere Saum wird dem 
blossen Auge erkennbar. 5. Gradus: Die braune orale Zone nimmt ein Viertel bis 
eine Drittel der Tergitbreite ein. Frequenzen: 6, 54, 66, 39, 14. Das 5. Tergit ist 
stets weiss behaart, das 6. ausser apikalen schwarzen Haaren gelbbraun. Ich unter- 
scheide bei der Färbung der 1. Tibia. 8 Gradus. 1. Gradus: Nur einzelne kurze 
Borsten schwarz, sonst mit längeren braunen Haaren. 2. Gradus: Alle kurzen 
Borsten und die langen proximalen Haare zum Teil schwarz. 3. Gradus: Einzelne 
den kurzen schwarzen benachbarte lange Haare werden der ganzen Front entlang 
schwarz. 4. Gradus: Weiteres Vordringen der schwarzen Haare; die apikalen 
schwarzen Haare werden zahlreicher. 5. Gradus: Stärkere Auflockerung der brau- 
nen Behaarung durch schwarze Haare. 6. Gradus: nur noch wenige braune Haare 
am Hinterrand. Der schon bei den vorangehenden Gradus allmählich verschwin- 
dende hell gefärbte Flaum erlischt und wird schwarz. 7. Gradus: Weitere Reduk- 
tion der braunen Behaarung. 8. Gradus: Tibia ganz schwarz behaart. Frequenzen: 
14, 12, 16, 33, 63, 28, 12, 4. Im Schwarzwerden der 2. Tibia unterscheide ich 
ebenfalls 8 Gradus. 1. Gradus: Einige schwarze Haare am vorderen distalen Rande 
und an der distalen Fläche, sonst braun behaart. 2. Gradus: Unter Vermehrung 
am distalen Ende dringen schwarze Haare bis zur Hälfte der Tibia vor. 3. Gradus: 
Starke Vermehrung der schwarzen Borsten. 4. Gradus: Lange schwarze Haare 
dringen im distalen Gebiet vereinzelt bis zum hinteren Rande vor. 5. Gradus: 
Weitere Vermehrung der schwarzen Borsten, längere schwarze Haare stehen nun 
diffus am hinteren Rande. 6. Gradus: Die vordere Randpartie ist fast ganz 
schwarz behaart. 7. Gradus: Die schwarzen Haare sind bis nahe an den hinteren 
Rand vorgedrungen. 8. Gradus: 2. Tibia nun ganz schwarz behaart oder nur noch 
mit einzelnen braunen oder braun gespitzten Haaren am Hinterrande. Frequenzen: 
16, 38, 40, 25, 27, 22, 8, 4. Die Vorderkante der Corbicula eilt der Hinterkante 
im Schwarzwerden stark voraus. Zuerst werden die kurzen Haare, bzw. die Bor- 
sten, dunkelbraun, dann schwarz, worauf die längeren Haare folgen. Das Schwarz- 
werden der Haare der proximalen Seitenfläche erfolgt stark diffus. Wir unter- 
scheiden 7 Gradus im Schwarzwerden. 1. Gradus: Nur die kurzen Haare der 
Vorderkant bräunlich verdunkelt, alle anderen Haare rotbraun. 2. Gradus: Auch 
die Basis der langen Haare der Vorderkante und zum Teil der proximalen Seiten- 
fläche verdunkelt, die ganz kurzen Haare der Hinterkante schwach verdunkelt. 
3. Gradus: Die Verdunkelung der langen Haare der Vorderkante ist weiter fort- 
geschritten, die proximale Seitenfläche bis zum terminalen Ende schwarz behaart. 
Hinterkante jetzt auch mit mittellangen basal verdunkelten Haaren. 4. Gradus. 
Weitere Verdunkelung der Haare der Vorderkante, die Haare der Hinterkante 
beginnen basal schwarz zu werden. 5. Gradus: Die kurzen und mittellangen 
Haare der Vorderkante schwarz, ihre langen Haare noch auf weite Erstreckung 
braun, die der Seitenfläche fast sämtlich schwarz. Kurze Haare der Hinterkante 
schwarz, der Verdunklungsprozess ergreift auch ihre lange braunen Haare. 6. 
Gradus: Vorderkante nur noch mit wenigen, Hinterkante mit zahlreicheren 
braunen Haaren. 7. Gradus: Vorderkante ganz, Hinterkante bis auf einzelne hell 
gespitzte Haare ebenfalls schwarz behaart. Frequenzen: 57, 45, 30, 22, 21, 3, 1. 
Die grösste Tendenz zum Braunwerden hat die Corbicula, dann die 2., schliesslich 



E. Krüger: Studien an Terrestribombus 81 

die 3. Tibia. Die drei Femora werden im folgenden nicht einzeln behandelt. Da 
sie mit einander stark korreliert sind, kann sich die Darstellung auf den 3. Femur 
beschränken. Wir unterscheiden 6 Gradus. 1. Gradus: 3. Femur ganz rotbraun 
behaart. 2. Gradus: Vorderfläche mit zahlreichen schwarzen Haaren, besonders am 
proximalen Ende. 3. Gradus: Vorderfläche mit wenigen braunen Haaren. 4. Gra- 
dus: Nur noch auf der Unterseite braun, sonst schwarz behaart. 5. Gradus: Spär- 
liche braune Haare noch auf der Unterseite. 6. Gradus: 3. Femur ganz schwarz 
behaart. Frequenzen: 20, 53, 30, 38, 22, 18. Wie bei den Tibien hat der 3. Femur 
die grösste Tendenz zur Braunfärbung der Behaarung, dann folgen der Reihe 
nach der 2. und 3. Femur. Die beiden vorderen Femora weichen in ihrer spe- 
ziellen Modalität von einander und vom 3. Femur ab. Die Trochanteren sind 
im wesentlichen braun behaart. Mit dem Braunwerden der übrigen Körperteile 
geht das Hellwerden der Sternite parallel. Sie können am caudalen Rande gelb- 
lich oder bräunlich behaart sein; die Sternite 4 und 5 sind es immer, dann folgen 
die beiden vorangehenden, jedoch bleiben einzelne Haare noch schwarz. Da das 
Untersuchungsmaterial der portugisischen Rasse besonders gross ist, wurden die 
korrelativen Beziehungen zwischen dem Braunwerden der Haare der einzelnen 
Variationsfelder genauer untersucht. Diese Korrelationen sind in Prozenten fol- 
gende: 

zwischen dem Gesicht und dem 3. Tergit 67.22 ± 3.93 

zwischen dem Scutellum und dem 3. Tergit 73.75 ± 3.29 

zwischen dem Episternum und Gesicht 74.05 ± 3.28 

zwischen dem Episternum und dem 3. Tergit 77.82 ± 2.83 

zwischen dem 3. und 4. Tergit 29.42 ± 6.79 

zwischen der 1. und 2. Tibia 82.90 ± 2.34 

zwischen der 1. Tibia und der Corbicula 84.90 ± 2.09 

Wir sehen, dass die Korrelation zwischen der Braunfärbung der Behaarung des 3. 
und 4. Tergites sehr gering, wenn überhaupt vorhanden ist, sie variieren unab- 
hängig von einander. 

Anhangsweise sei noch an der weissen Behaarung gedacht, die sich auf dem 
Thorax und den beiden vorderen Tergiten einstellen kann. Sie findet sich sehr 
häufig auf dem Scutellum, dem Episternum, dem Mesonotum und dem Median- 
segment. Wenn in unmittelbarer Nachbarschaft braune und schwarze Haare auf- 
treten, dann stehen die weissen Haare auf der Grenze zwischen denselben. Ob 
diese weissen Haare eine taxonomische Bedeutung haben, ist zweifelhaft. 

Arbeiter: 261 Exemplare von Castello da Vide (leg. Antonio Flores), St. 
Thirso da Famalicae, Sierra de Estrela, St. Martinho. Gesicht weniger braun be- 
haart als bei den Weibchen, die maxmialen Frequenzen liegen im 1. und 2. 
Gradus, bei den Weibchen im 4. bis 6. Gradus. Die beiden letzten Gradus 
sind bei den Arbeitern überhaupt nicht vertreten. Bei Unterscheidung von 
8 dadus ergeben sich für die Arbeiter folgende Frequenzen in Prozenten: 26.95, 
30.50, 18.74, 13.27, 7.04, 3.51, 0.00, 0.00. Für die Weibchen: 2.56, 6.67, 7.18, 
21.03, 28.20, 25.13, 5.64, 3.59. Die Modalität wie bei den Weibchen, doch 
eilt nicht selten die Area triangularis im Braunwerden der Haare voraus. Als 
ametabolisch ist auch das gleichzeitige Auftreten einzelner brauner Haare auf dem 
Clypeus, der Area centralis und triangularis zu betrachten. Collare wie bei den 



82 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

Weibchen. Episternum mit weniger braunen Haaren als bei letzteren. Bei der 
Unterscheidung von 7 Gradus sind die prozentualen Frequenzen für die Ar- 
beiter. 23.40, 19.00, 29.00, 21.65, 5.63, 0.43, 0.00, für die Weibchen: 18.01, 
14.27, 19.87, 22.95, 16.75, 7.46, 0.62. Die beiden ersten Tergite wie bei den 
Arbeitern, 3. Tergit nur bei 2 Exemplaren mit oralen braunen Haaren. 4. Tergit 
im allgemeinen mit viel mehr schwarzen Haaren als bei den Weibchen, 24 Exem- 
plare zur Hälfte der Tergitbreite und darüber hinaus schwarz behaart; einzelne 
schwarze Haare können sogar den caudalen Rand erreichen. Die bräunliche Be- 
haarung tritt auch bei den Arbeitern als Saum auf, nur steht er infolge der varia- 
blen Grenze zwischen weisser und schwarzer Behaarung auf verschiedener Höhe 
des Tergites und kann an den caudalen Rand abgedrängt werden. Braune Haare 
des 6. Tergites blasser und fast stets mit weisslichen oder weisslichgelben Haaren 
untermischt. Bei der braunen Behaarung der 1. Tibia unterscheiden wir 6 Gradus. 
Bei der entsprechenden Reduktion der Gradus der Weibchen ergeben sich fol- 
gende Frequenzen: 

Arbeiter: 18.3, 19.3, 34.3, 20.4, 5.3, 2.4 

Weibchen: 2.0, 6.0, 50.0, 27.0, 6.6, 8.0 

Die braune Behaarung ist also bei den Arbeitern geringer, für die 2. Tibia, 
deren braune Behaarung quantitativ nicht untersucht wurde, gilt das gleiche. Für 
die Corbicula ergeben sich bei Unterscheidung von 7 Gradus (beginnend mit der 
extremen Schwarzfärbung) folgende Frequenzen: 

für die Arbeiter: 3.73, 5.40, 16.59, 25.72, 22.80, 18.25, 7.47 

für die Weibchen: 0.56, 1.67, 11.70, 12.50, 16.70, 25.08, 31.73 

Auch die Corbicula ist also bei den Arbeitern weniger braunbehaart. Diese Er- 
scheinung der geringeren braunen Behaarung tritt an allen Körperteilen auf. Die 
prozentuale Korrelation im Braun werden verschiedener Bezirke ist folgende: 
zwischen dem Gesicht und der 1. Tibia 79-73 db 2.33 

zwischen dem Gesicht und der Corbicula 74.28 ± 2.89 

zwischen dem Gesicht und dem Episternum 68.19 ± 3.06 

zwischen der Corbicula und der 1. Tibia 81.23 ± 2.19 

Diese Aufstellung ergänzt die korrelativen Beziehungen im Braunwerden ein- 
zelner Körperteile. 

Männchen: 629 Exemplare von Castello da Vide (leg. Autonio Flores). 
Zahlreichere Männchen scheiden wegen schlechter Erhaltung für die Analyse aus. 
Gesicht wie bei den Weibchen und Arbeitern, jedoch eilt die caudale Partie der 
Areae triangulares im Braunwerden der Haare voran. Ferner stehen im caudalen 
Teil und im oralen Winkel derselben oft gelbe Haare, die auf den Clypeus und 
die Area centralis übergreifen und dann mit braunen Haaren gemischt auftreten. 
Man kann 8 Gradus des Braunwerdens unterscheiden. Die Frequenzen sind, mit 
dem maximalen Schwarz beginnend, folgende: 79. 47, 104, 114, 85, 46, 18, 11 
oder in Prozenten: 15.69, 9.34, 20.65, 22.60, 16.85, 9.13, 3.57, 2.18. Zu be- 
achten ist die relativ hohe Frequenz des 1. Gradus. Die Entwickelung der braunen 
Haare ist wie bei den Weibchen stärker als bei den Arbeitern. Ein Exemplar mit 
citronengelb behaartem Clypeus weicht sprunghaft ab: citrmoclypeatus. Scheitel 
schwarz, jedoch zahlreiche Exemplare mit gelben Haaren, die in das eigentliche 
Stirnfeld vordringen. Gelbe Behaarung des Episternum kann abweichend von den 



E. Krüger : Studien an Terrestribombus 83 

Weibchen und Arbeitern sich weiter ventralwarts ausdehnen und in allerdings 
seltenen Fällen den ventralen Rand erreichen (luteoepislernalis). Bei zahlreichen 
Exemplaren ist der ventrale Raum des Episternum braun behaart. Die braunen 
Haare dringen auch hier dorsalwärts vor und bei gleichzeitiger dorsaler gelber 
Behaarung bleibt nicht selten eine mittlere Zone schwarz behaart. Ich bezeichne 
diese so charakteristisch gezeichneten Männchen als tricoloriepisternalis. Scutel- 
lum schwarz behaart, des öfteren mit mehr oder weniger braunen Haaren. 1. Ter- 
git schwarz behaart, selten und auch nur in beschränktem Umfange mit gelben 
Haaren. Sie erscheinen in zwei Initialzentren. Das eine liegt im caudalen 
Zentralfelde hart neben dem Limes, das andere median. Das erstere hat 
ausgesprochen distinkten, das andere stark diffusen Charakter. Zu Beginn der 
Gelbfärbung wird der laterale Herd allein angetroffen, bei der weiteren Vermeh- 
rung ist jedoch der mediane stärker beteiligt. Bei 5 Exemplaren beschränkt sich 
die gelbe Färbung auf wenige Haare, bei 6 breitet sie sich weiter aus, bei 3 ist 
fast das ganze Tergit gelb behaart (luteotaeniatus). Die Gelbfärbung ist weder 
mit der fulvozonaten Färbung noch mit der bräunlichen des 4. Tergites korreliert. 
2. Tergit mit breiter gelber Binde. 3. Tergit schwarz, die braune Behaarung nicht 
so häufig und ausgedehnt wie bei den Weibchen, aber stärker ausgeprägt als bei 
den Arbeitern. Beginn dieser Färbung mit einzelnen oralen braunen Haaren bei 
23 Exemplaren, bei 10 ist eine schmale orale diffuse braune Binde vorhanden, die 
bei 9 Exemplaren sich verbreitert (julvopraezonatus) . Die Braunfärbung setzt erst 
dann ein, wenn die braune Gesichtsbehaarung weit fortgeschritten ist, was aber 
auch unterbleiben kann. 4. Tergit im wesentlichen weiss behaart, die schwarzen 
Haare dringen weiter caudalwärts vor als bei den Arbeitern. 4. Tergit mit mehr 
oder weniger intensiv braungelben Saum. Maximal reicht die braune Behaarung 
bis zum caudalen Drittel des Tergites oder es können die restlichen hellen Anal- 
haare bräunlichgelb werden. Die braune Behaarung ist bei den Männchen stärker 
ausgeprägt als bei den Weibchen, was im beachtlichem Gegensatz dazu steht, dass 
umgekehrt die Neigung zu brauner Behaarung das 3. Tergites geringer ist, was 
wieder darauf hinweist, dass beide Tergite im Braunwerden nicht korreliert sind. 
5. und 6. Tergit weiss behaart, das 7. ebenso oder auch bräunlich rot, zuweilen 
schwarz behaart (nigroapicalis). Beine sehr variabel gefärbt; sie können ganz 
schwarz, ganz braun behaart sein oder alle Übergänge zeigen. Chitin der distalen 
Beinsegmente wie bei den Weibchen und Arbeitern schwarz oder schwarzbraun. 

Das Ethnos von Dänemark 

Weibeben: 27 Exemplare aus der Umgebung von Kopenhagen. Langhaariger 
als die Nominatform. Sie verteilen sich auf die Gradus wie folgt: 1 (cryptaroi- 
äes), 2, 8, 4, 2, 1. Breite der Abdominalbinde wie bei der Nominatform; 2 
Exemplare luteopraestriatus. Das Braun der Binden sehr dunkel, ein Exemplar 
rufostriatus mit dunkelrotbraunen Collare. Ein Exemplar mit fast ganz bräunlich- 
gelbbehaartem 6. Tergit. Ein Exemplar propevirginalis, ein weiteres von Slagelse 
(leg. Muchard, X. 1903) gehört zum vaginalis. Ein Weibchen aus der Sammlung 
Drewsen mit dem Vermerk: Stranden gehört ebenfalls zum virginalis; bei die- 
sem sind sämtliche hellen Haare des 4. bis 6. Tergit braun. Ein Exemplar fer- 



84 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

rugineus mit rotbraunen Haaren an der Corbicula, den vorderen und mittleren 
Tibien, den Femora, Trochanteren, auf dem ventralen Teil des Episternum, dem 
Clypeus, der Area centralis und mit einem bräunlichen Saum auf dem 4. Tergit, 
das Chitin der Corbicula, der mittleren und hinteren Metatarsen rotbraun. Auch 
bei den übrigen Exemplaren ist im Gegensatz zum Ethnos Südschleswig das Chitin 
der Corbicula mehr oder weniger braun (bei 6 Exemplaren rotbraun, bei 16 dun- 
kelrotbraun). Auch drei Weibchen von Helsingborg gegenüber Helsingör haben 
dunkelbraunes, nicht schwarzes Chitin. 

Arbeiter: 19 Exemplare von Klampenborg und Tarbeck. Binden heller als bei 
den Weibchen. Mit wenigen Ausnahmen (latocollaris) gehören sie dem Gradus 
collar is an. Chitin der Corbicula nur bei 19 Prozent schwarz, sonst rotbraun bzw. 
dunkelrotbraun. 3 Arbeiter rufocorbiculosus. 

Das Ethnos von Norwegen 

Weibchen und Männchen liegen nicht vor. 

Arbeiter: 72 Exemplare von Hamar. Sie verteilen sich auf die Gradus des Col- 
lare wie folgt: 5 (semipostcollaris), 16, 26, 15, 10 (propelatocollaris). 5 Exem- 
plaren gehören dem rufocorbiculosus an. Fast alle Arbeiter (97 Prozent) mit rot- 
braunem oder braunem Chitin der Corbicula. 

Das Ethnos von England 

Bombus terres tris, Rasse vir gin al is Smith 

Weibchen. 29 Exemplare von Sussex, Cambrigde, Dover, Boscombe, Seven 
Oaks und Weymouth. Sie verteilen sich auf die Gradus des Collare wie folgt: 
5 (cryptaroides), 2, 6, 4, 8, 1, 2 (latocollaris). Abdominalbinde bei einigen 
Exemplaren verschmälert. Farbton der Binden dunkel. Die Verdunkelung findet 
sowohl nach dem simultanen wie expansiven Modus statt. 4. Exemplare rufostria- 
tus und Uebergangsformen dieser Färbung zur Nominatform. Die Weibchen nei- 
gen zur Schwarzfärbung des 4. Tergites: 1 Exemplar mit schwarzer Behaarung des 
oralen Drittels, 9 der oralen Hälfte, 13 der oralen zwei Drittel, 3 mit schwarzer 
Behaarung von drei Vierteln des Tergites und ein Exemplar mit fast ganz schwarz 
behaarten 4. Tergit; nur die Fimbrien braun (fulvofimbriatus). Bei letzteren ist 
auch die Mitte des 5. Tergites schwarz behaart. Die hellen Haare der Endtergite 
sind bei allen Exemplaren mehr oder weniger braun, jedoch ist der Farbton nicht 
so intensiv wie bei der Rasse xanthopus. Chitin der Corbicula schwarz, zuweilen 
bräunlich. 

Arbeiter: 68 Exemplare von Cambridge, Southwold und Whipsnade (1902 und 
1939), ferner von Weymouth. Farbton der Binden heller als bei den Weibchen. 
Sie verteilen sich auf die Gradus des Collare wie folgt: 3 semipostcollaris, 11 
postcollaris, 24 propecollaris, 3 latocollaris. 8 Exemplare mit weissen, die übrigen 
mit braunen Analtergiten. Die braune Behaarung beginnt auch bei diesem Eth- 
nos auf dem 4. Tergit zwischen der schwarzen und weissen Behaarung und dehnt 
sich bis zum caudalen Rande aus, gleichzeitig ist das 6. Tergit oral und lateral 



E. Krüger : Studien an Terrestribombus 85 

braun behaart. Dann werden die oralen und lateralen Haare sowie die Basis der 
caudalen Haare des 5. Tergites braun, nur ihre Mitte bleibt weiss. Nun werden 
auch die mittleren Haare braun (11 Exemplare). Die Braunfärbung erreicht nicht 
die Intensität wie bei den Weibchen. Chitin der Corbicula sehr variabel gefärbt. 
Bei den Exemplaren von Weymouth haben 7 rotbraunes, 16 dunkel rotbraunes 
und 2 schwarz gefärbtes Chitin. Bei den Arbeitern von Cambridge, Southwold 
und Whipsnade bestehen jahrgangsmässige Differenzen. Bei den Exemplaren 
aus dem Jahre 1939 ist das Chitin durchweg schwarz, bei 16 von 23 Exemplaren 
aus dem Jahre 1902 dagegen rotbraun oder dunkelrotbraun, bei den übrigen 7 
schwarz. Von besonderen Varianten sind zu nennen: zwei Exemplare rufocorbicu- 
losus von Weymouth und ein propedisectus. 

Männchen: 46 Exemplare aus der Umgebung von London, Cambridge und 
Southwold. Sie gleichen in der Färbung und. der Breite des Collare den Arbeitern, 
neigen aber mehr zur Braunfärbung der Abdominalbinde, ohne jedoch die dunkle 
Tönung der Weibchen zu erreichen. Die helle bräunliche oder weisse Behaarung 
wird auf dem 4. Tergit weitgehend durch die schwarze verdrängt. Ein Exemplar 
mit ganz schwarzem 4. Tergit (nigrocingulatus) und auf dem 5. mit schwarzen 
oralen Cilien. Meistens ist die Braunfärbung der Analtergite auf das 4. beschränkt, 
hier auch wenig ausgedehnt und bei zahlreicheren Exemplaren median unter- 
brochen. Bei 7 Exemplaren ist hinter der schwarzen Behaarung der caudale Raum 
braun behaart, bei einem derselben das 5. Tergit oromedian so gefärbt. Selten 
■tritt die braune Behaarung auf den folgenden Tergiten auf und dann zunächst nur 
vor dem oralen Rande derselben, so dass eine bindenartige Zeichnung entsteht, 
noch seltener ergreift sie alle hellen Analhaare. Bei den mir vorliegenden Männ- 
chen ist die braune Haarfärbung auch nicht so intensiv wie bei den Weibchen. 
Bei einem Exemplar ist das 4. Tergit asymmetrisch gezeichnet, indem die braunen 
Haare links auf das caudale Seitenfeld beschränkt sind, während rechts auch noch 
der ganze caudale Bezirk des Zentralfeldes bis zur Medianlinie braun behaart ist. 
Bei 2 Exemplaren haben die beiden letzten Tergite eingesprengte schwarze Haare. 

Das Ethnos der Kanalinseln 

Weibchen: 13 Exemplare von Sercq, Alderney, Yersey, Guernesey (leg. C. und 
O. Vogt). 5 Exemplare gehören dem Gradus propecollaris, 7 dem collaris und 
1 Exemplar dem periato collari s an. Gelbe Abdominalbinde breit, der Gradus 
luteopraestriatus fehlt. Farbton der Binden wie bei der Nominatform. Analtergite 
nur bei einem Weibchen leicht gebräunt (propevirginalis). Chitin der Corbicula 
bei 8 Exemplaren dunkelrotbraun, bei den übrigen schwarzbraun oder schwarz. 

Arbeiter: 82 Exemplare von denselben Fundorten wie die Weibchen. Die Gra- 
dus des Collare verteilen sich wie folgt: 2 (postcollaris), 7, 24, 27, 18, 4 (per- 
latocollaris). 3 Exemplare mit schwachen Saum brauner Haare auf dem 4. Tergit 
sonst Analtergite weiss behaart. 4 Exemplare rufocorbiculosus; auch die 2. Tibia 
kann fuchsrot behaart sein. Chitin der Corbicula im allgemeinen heller gefärbt 
als bei den Weibchen, bei 53 Exemplaren dunkelrotbraun, bei 12 rotbraun, bei 
den übrigen schwarz. 

Männchen: 53 Exemplare von denselben Fundorten. Im allgemeinen wie die 



86 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

Nominatform gefärbt. Collare und Abdominalbinde kaum variabel. Es sind die 
Gradus propecollaris, collaris und propelatocollaris vertreten, 3 Exemplare weichen 
ab (propetrisectus bzw. trisectus). Gesicht schwarz behaart, bei einem Exemplar 
das Untergesicht mit kurzer greisgelber Grundbehaarung. Zahlreiche Männchen 
mit diffusen gelben Stirnhaaren, die von der Scheitelkante aus vordringen. Epi- 
sternum häufig mit gelber dorsaler Behaarung, die bei 19 Exemplaren bis zur 
Mitte desselben reicht. 4. Tergit bei einem Exemplar mit ausgesprochen rotbrau- 
nem Saum; bei 4 Exemplaren ist er abgeschwächt vorhanden. Hintertibien wie bei 
der Nominatform. Ein Männchen der Form alboguttatits, bei einem anderen be- 
findet sich ein grosser weisser Fleck auf der rechten Seite des 2. Tergites. 

Das Ethnos von Schottland 

Weibchen liegen nicht vor. 

Arbeiter: 28 Exemplare von Milton, Mull und Kingussie. Sie weichen in der 
Färbung von den englischen Arbeitern nicht ab. Wie bei letzteren ist die braune 
Analfärbung nur schwach ausgebildet. Chitin der Corbicula bei 7 Exemplaren rot- 
braun, bei 15 dunkelbraun, bei den übrigen schwarz. 

Männchen: 33 Exemplare von denselben Fundorten wie die Arbeiter. Sie 
weichen durch das dunkle Kolorit der Binden sowohl von den Männchen in Süd- 
england wie auch von denen der Kanalinseln ab. Auch ist die Behaarung länger. 
Die braune Färbung der Analtergite nur schwach und fast ausschliesslich auf das 
4. Tergit beschränkt. 

Ich schliesse hier die Beschreibung einiger Weibchen und eines Männchen aus 
Irland an. 

Eines der Weibchen ist ein typischer Vertreter der Rasse virginalis mit stark 
rotbrauner Analfärbung: braun ist die caudale Hälfte des 4. Tergites (bei schwar- 
zer der oralen Hälfte), das ganze 5. und die Seiten des 6. Tergites. Ein zweites 
Weibchen unterscheidet sich von dem vorigen durch die ausgedehnte schwarze 
Behaarung des 4. Tergites, das nur im caudalen Drittel braun behaart ist (Julvo- 
postcingulatus). Chitin der Corbicula bei dem ersten Weibchen schwarz, bei dem 
letzteren schwach bräunlich. 4. Tergit des Männchen nur seitlich mit wenigen 
braunen Fimbrien, 5. bis 7. schwach bräunlich. 

Das Ethnos von Ungarn und Siebenbürgen 

Weibchen: 59 Exemplare von Ungarn und 16 von Siebenbürgen. Die Exem- 
plare von Ungarn verteilen sich auf die Gradus des Collare wie folgt: 6 (semi- 
postcollaris), 9, 9, 13, 14, 7, 1 die von Siebenbürgen: 3, 4, 3, 4, 2; der Gradus 
perl at oc oll ari s fehlt. Zahlreichere Exemplare mit verschmälerter Abdominalbinde. 
Der Farbton des Gelb wie bei der Nominatform, 2 Exemplare rufostriatus, 1 
Exemplar alboguttatus. 

Arbeiter und Männchen liegen nicht vor. 

Das Ethnos von Bulgarien 

Weibchen: 21 Exemplare. Sofia, Küstendil, Kaloferski-Balkan, Touria (Kazam- 
lik), Monastir. Sie verteilen sich auf die Gradus wie folgt: 4 (postcollaris), 1, 5, 



E. Krüger : Studien an Terrestribombus 87 

7, 3, 1. Farbton der Binden wie bei der Nominatform. Chitin der Corbicula bei 
3 Exemplaren rotbraun, bei 11 dunkelbraun, sonst schwarz. 

Arbeiter: 41 Exemplare von Sofia, Sinaja, Kaloferski-Balkan, Liilinplanina, 
Stara-planina, Losen-planina, Strand-Balkan (Bosna, Dorf Konak), von der 
unteren Kamtschija und den nordlichen Abhängen des Ossegowska-Gebirges. Col- 
lare und Abdominalbinde wie bei den Weibchen, aber heller im Farbton. Epister- 
num bei 24 Exemplaren im wesentlichen schwarz, im dorsalen Saum gelb behaart, 
bei 11 zur Hälfte, bei 3 zu drei Vierteln, bei einem fast ganz gelb. Clypeus zuwei- 
len mit kurzen gelben Haaren, die sich auf die Area centralis ausbreiten kön- 
nen. Zahlreichere Exemplare mit teilweise gelb behaarter Stirn und ausgedehnt 
gelb behaarter Scheitelkante. 1 Arbeiter mit in der Mitte gelb behaartem 1. Tergit. 

Männchen liegen nicht vor. 

Ich schliesse hier die Beschreibung einiger Weibeben aus anderen Orten des 
Balkan an (Jablonica, Szt. Gothard, Mezoe-Zah, Sarajewo, Vrelos, Orseni und 
Hudowa, Mazedonien). Diese Exemplare unterscheiden sich im allgemeinen nicht 
von der Nominatform, die von Oraseni und Gothard gehören dem Gradus post- 
collaris, das von Vrelo Bos dem semipostcollaris an. Chitin der Corbicula fast 
stets robtraun oder dunkelbraun. 

Das Ethnos von Kleinasien 
Bombus terrestri*, Rasse lucoformis nov. 

Weibchen: 24 Exemplare von Brussa (1000 m), Derindge, Jassian, Sultan 
Dagh (1500 m, leg. C. und O. Vogt, 1905). Besonders gross und kurzhaarig. 
Farbton der Binden hell Chromgelb mit leichter Beimischung von Braun, die den 
Farbton stumpf erscheinen lasst; nur bei einem Exemplar wie bei der Nominat- 
form. Die Weibchen der Rasse lucoformis und die der Rasse terrestriformis des 
B. lucorum, die bei Brussa anscheinend an denselben Oertlichkeiten vorkommen, 
sind in der Bindenfärbung nicht zu unterscheiden, wodurch bisher die Bestim- 
mung ungemein erschwert wurde. Das Merkmal der Punktierung des Parafacetten- 
feldes führt aber zu einer sicheren Diagnose. Collare wenig variabel; einige Exem- 
plare gehören dem Gradus propelatocollaris, die meisten dem lato- und perlato- 
collaris an. Auch die Abdominalbinde ist sehr breit. Chitin der Corbicula niemals 
rein schwarz, bei 2 Weibchen rotbraun, bei 6 dunkelrotbraun, bei den übrigen 
schwarzbraun. Analtergite nicht reinweiss, sondern leicht gelblich, ebenso der 
basale Teil der hellen Behaarung des 4. Tergites. Haare der Corbicula des öfteren 
rötlichgelb oder rötlichbraun gefärbt. Das Gelb des Collare kann auf das Epister- 
num übergreifen, die Grenze zwischen der gelben und schwarzen Behaarung er- 
scheint dann verschwommen. 

Arbeiter: 54 Exemplare von Derindge, Dohan Tschai Berge und der Gueve 
Berge; wie die Weibchen gefärbt. 

Männchen: 3 Exemplare von Derindge und den Bergen von Dohan Tschai. 
Der Farbton der Binden so hell wie beim B. lucorum. Clypeus, Stirn und Scheitel- 
kante zum Teil gelb behaart, ebenfalls das Episternum (entweder ganz oder in 
der dorsalen Hälfte). Ein Exemplar von Dohan Tschai kurzhaarig, das andere 
vom gleichem Fundort, ein Exemplar von Derindge deutlich länger behaart. 



88 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

Ethnos der Umgebung von Konstantinopel 

Weibchen: 5 Exemplare: 4 derselben stimmen im Farbton der Binden mit der 
Rasse lucoformis überrein, eines weicht den bräunlichen Farbton derselben ab. 
Die Binde des 2 Tergites ist bei 4 Exemplaren schmäler. Collare breit wie bei der 
kleinasiatischen Form, bei einem schmäler (Gradus collaris), die anderen gehören 
zum Gradus periato coli ans. 4. Tergit bei 2 Weibchen mit schwachbräunlichem 
Saum. Behaarung länger als bei den kleinasiatischen Weibchen. 

Arbeiter: 28 Exemplare von Konstantinopel, 5 von Boejukdere. Sie gehören 
dem Gradus collaris, lato- und perlatocollaris an. Färbung der Binden wie bei der 
Rasse lucoformis. Chitin der Corbicula bei 4 Exemplaren rotbraun, bei den übri- 
gen dunkelbraun bis schwarzbraun. 

Männchen: 43 Exemplare von denselben Fundorten wie die Arbeiter. Farbton 
der Binden hellgelb mit einem Stich ins Bräunliche. Collare wie bei den Weibchen 
und Arbeitern. Fast sämtliche Exemplare mit gelb behaartem Gesicht und gelber 
Stirn; bei 2 Männchen sind die gelben Haare auf die Scheitelkante beschränkt. 
Die kurze gelbe Behaarung des Gesichtes beginnt im oralen Winkel der Area 
triangularis und kann sich auf die Area centralis und den Clypeus ausdehnen. 

Das Ethnos von Kreta 

Weibchen: 13 Exemplare vom Idagebirge (1600 m — 2400 m, 6 — 10.VII.42), 
Omalos-Ebene (1000 m, 11. — 16.VI.42), Nida-Hochebene (1300 m, 5. — 12. 
VIL 42) leg. Kl. Zimmermann. 1 Exemplar von Oost-Kreta (Sammlung Schulz 
vom 23.V.1935). Collare und Abdominalbinde sehr breit wie bei der Rasse luco- 
formis. Da die vorhandenen Exemplare bis auf eines nicht farbfrisch sind, er- 
scheint ihre Identität mit derselben nicht ganz sicher. Ich werde in dieser An- 
sicht dadurch bestärkt, dass der Farbton des intakten Weibchens deutlich dunkler 
gelb ist. Die Behaarung der Analtergite ist bei einem Exemplar braun getönt, 
sonst wie bei der Nominatform gefärbt. Chitin der Corbicula dunkel gefärbt. 

Arbeiter: 26 Exemplare von Chanea (24. IV. 1942), Omalos Hochebene (11. — 
16VI.1942), Nida Hochebene 8. — 12.VII.1942), Sitia (2. — 9.V.1942), Palaeo- 
chora (Südkreta, 3. — 5. VI. 1942). Sämtliche Exemplare wie die Weibchen ge- 
färbt. Analtergite wie bei der Nominatform. Chitin der Corbicula etwas heller 
als bei den Weibchen. 

Männchen: 6 Exemplare. Omalos Hochebene (26.IV.1942), Palaeochora (I.V. 
1942), Chanea (16.— 20.VII.1942). Farbton der Binden heller als bei den Weib- 
chen und Arbeitern. Episternum zur Hälfte oder zu einem Drittel gelb behaart. 
Auch das Gesicht kann gelb behaart sein. Ein Exemplar mit kurzen gelblichen 
Haaren im Ober- und Untergesicht. Stirn bei einigen Exemplaren dorsal gelb 
behaart, ebenso das 1. Tergit bei einem Männchen caudolateral und median. Die 
Männchen von Chanea etwas kurzhaariger als die übrigen. 

Das Ethnos von Griechenland 

Weibchen: Nur 2 Exemplare aus Attica und einem nicht näher bezeichnetem 



E. Krüger : Studien an Terrestribombus 89 

Fundort. Beide Exemplare gehören zur Rasse lucoformis. Farbton der sehr breiten 
Binden wie bei den kleinasiatischen Weibchen. Chitin der Corbicula schwarz bzw. 
schwarzbraun. 

Arbeiter: 15 Exemplare von Aegina, Athen, Euboea, Pentelikon, Morea und 
vom Parnass. Wie die Weibchen gefärbt, aber ein Exemplar mit dunkelbraunen 
Binden. Chitin der Corbicula schwarz bis dunkelrotbraun. 

Männchen: 4 Exemplare aus Attika, 1 Exemplar von Samos-Marathokampos. 
Wie die Männchen von Sizilien gefärbt, aber ein Exemplar mit dunkler gefärbter 
Abdominalbinde. Das Exemplar von Samos mit besonders breitem Collare und 
teilweise gelber Behaarung des 1. Tergites. 

Das Ethnos des nördlichen Kaukasus 

Weibchen: 9 Exemplare. Sie gehören den Gradus lato- und perlatocollaris an, 
Binde des 2. Tergites breit. Da die Tiere nicht farbfrisch sind, ist der Farbton 
der Binden nicht genau zu beschreiben; er scheint sich aber dem des lucoformis zu 
nähern. Ein kleines Weibchen hat braungelbe Färbung der Binden. Chitin der 
Corbicula dunkelrotbraun bis schwarz. 

Arbeiter: 13 Exemplare aus der nordkaukasischen Steppe. Farbton der Binden 
bei den farbfrischen Tieren hellbräunlichgelb. Chitin der Corbicula wie bei den 
Weibchen. 

Männchen: 21 Exemplare aus der nordkaukasischen Steppe. Farbton der sehr, 
breiten Binden wie bei den Arbeitern. Bei 3 Exemplaren Gesicht und Stirn 
schwarz behaart, bei den übrigen Gesicht mehr oder weniger gelb, besonders die 
Stirn an und vor der Scheitelkante. Letztere kann ganz gelb behaart sein. Mit 
dieser Gesichts- und Stirnfärbung geht die des Episternum parallel. Bei einem 
Exemplar ist dasselbe im dorsalen Viertel, bei den übrigen mit Ausnahme der 
schwarzgesichtigen Exemplare reichen die gelben Haare bis etwa zur Hälfte ven- 
tralwärts. Bei einem Exemplar ist das 1. Tergit fast ganz gelb behaart (luteo- 
taeniatus), bei 2 Exemplaren mit caudolateralen gelben Haaren. 

Das Ethnos von Transkaukasien 

Weibchen: Nur 5 Weibchen von Helenendorf. Die sämtlich gut erhaltenen 
und farbfrischen Tiere stimmen im Farbton der Binden mit der Rasse lucoformis 
überein. Sie gehören den Gradus lato- und perlatocollaris an. Behaarung kürzer 
als bei den Weibchen von Brusse. 

Arbeiter und Männchen liegen nicht vor. 

Das Ethnos von Orenburg 

Bombus terrestris, Rasse uralicola m. 

Weibchen: 8 Exemplare: Sie gehören zum Gradus lato- und perlatocollaris. 
Farbton des Collare hellbräunlichgelb, die der Abdominalbinde mit einem Stich 
ins Grünliche. 1 Exemplar mit bräunlichgelb behaarter Abdominalbinde. Bei 



90 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

einem Weibchen ist das 6. Tergit fast ganz schwarz behaart (nigroapicalis). 
Chitin der Corbicula dunkelbraun. 

Arbeiter: 7 Exemplare. Wie die Weibchen gefärbt; auch bei ihnen ist die Ab 
dominalbinde heller als das Collare. Chitin der Corbicula mehr rotbraun, heller 
als bei den Weibchen. 

Männchen: 58 Exemplare. Collare breit, aber nicht so breit, wie man nach den 
Weibchen und Arbeitern erwarten sollte. Charakteristisch ist das sehr helle Gelb 
der Binden, das auch bei den Männchen einen leicht grünlichen Ton hat, so das 
es dem des Incortini ähnlich ist. Behaarung des Clypeus sehr variabel. Bei 6 Exem- 
plaren stehen noch wenige gelbe Haare im oralen Winkel der Area triangularis, 
bei 26 Exemplaren vermehren sich hier die gelben Haare und es treten auch einige 
auf dem Clypeus auf, bei 22 Exemplaren reicht die gelbe Behaarung der Area 
triangularis weit dorsalwärts hinauf und der Clypeus hat zahlreiche eingesprengte 
gelbe Haare. Auch die Stirn- und Scheitelbehaarung ist variabel. Bei einem Exem- 
plar ist sie ganz schwarz, bei 5 Exemplaren treten einzelne gelbe Haare an der 
Scheitelkante auf, bei 19 vermehren sich diese stark und einzelne greifen diffus 
auf die Stirnpartie über, die bei 29 Männchen hier sehr zahlreich werden. Beim 
Gelbwerden des Episternum können wir 5 Gradus unterscheiden. 1. Gradus: Epi- 
sternum bei 2 Exemplaren bis auf wenige dorsale gelbe Haare schwarz behaart. 2. 
Gradus: Bei 6 Exemplaren ist das dorsale Viertel gelb. 3. Gradus: Bei 14 Exem- 
plaren ist etwa ein Drittel gelb. 4. Gradus: Bei 22 Exemplaren hat das 
Episternum bis zur Hälfte gelbe Behaarun. 5. Gradus: Bei 12 Exemplaren 
ist das Episternum zu drei Vierteln gelb behaart. Auch das 1. Tergit 
ist sehr variabel gefärbt. Wenige seitliche und caudomediane gelbe Haare bei 
13 Exemplaren, bei 16 haben sich die lateralen gelben Haare medianwärts, die 
medianen hauptsächlich oralwärts ausgebreitet, bei 17 haben sich die beiden Herde 
gelber Haare zu einem in der Mitte oralwärts verbreiterten Saum vereinigt, bei 
10 sind gelbe Haare unter allgemeiner Vermehrung in das seitliche mittlere Drit- 
tel des Tergites eingedrungen, bei 2 Exemplaren stehen nur noch schwarze Haare 
am oralen und lateralen Rande. Durch die sehr starke Variabilität des 1. Tergites 
unterscheiden sich die Männchen von Orenburg von allen anderen Ethna. 

Das Ethnos von Oost-Turkestan und dem Boro-Chorogebirge 

Weibchen: 3 Exemplare von Jlijsk, Ost-Turkestan und Djarkent. Sie gehören 
dem Gradus perl at o coli ari s an und stimmen im Farbton der Binden mit den 
Weibchen von Orenburg überein. Chitin der Corbicula schwarzbraun bis rotbraun. 

Arbeiter: Nur 2 Exemplare aus dem Burchantale des Boro-Chorogebirges. Beide 
stimmen im Farbton der Binden mit den Weibchen überein. Eines ist länger be- 
haart, im dorsalen Teil des Episternum gelb und hat ein exceptionell breites 
Collare, das einem dem perl at o coli ari s übergeordnetem Gradus latissimocollaris 
angehört. Die Zugehörigkeit zum B. terrestris ist bei diesem Exemplar fraglich. 

Männchen: 10 Exemplare aus dem Burchantale. In der Breite und im Farbton 
der Binden mit den Weibchen und Arbeitern übereinstimmend, von der Nominat- 
form abweichend durch die hellgelbe kürzere Behaarung des oralen Winkels der 
Area triangularis und durch das teilweise gelb behaarte Episternum, ferner durch 
die diffuse gelbe Behaarung der Stirn, die sich bis zu ihrem oralen Rande aus- 



E. Krüger : Studien an Terrestribombus 91 

breiten kann. Die helle Gesichtsbehaarung kann auf den Clypeus übergreifen. 

Ich schliesse hier die Beschreibung eines Weibchens von Togus Tjurae (Kogard 
Tau) in Zentralasien (leg. R. TANCRé, 30. III. 1902) meiner Sammlung an. Es 
ist farbfrisch und gut erhalten. Gesicht, Stirn und Scheitelkante schwarz. Collare 
sehr breit (Gradus latissimocollaris), auch die Abdominalbinde (2. Tergit ohne 
schwarze Fimbrien). Der Farbton der Binden wie bei der Nominatform. Epister- 
num nur dorsal mit gelben Haaren, sonst schwarz. 1. und 3. Tergit schwarz, das 
4. und 5. weiss nicht mit der leicht gelblichen Tönung des typischen terres tris 
sondern rein weiss. 6. Tergit fast ganz schwarz, nur seitlich mit wenigen gelb- 
bräunlichen Haaren. Beine und Unterseite schwarz. Die Behaarung des hinteren 
Metatarsus an der Aussenfläche grau, nicht gelblich wie bei der Nominatform. Es 
gehört vielleicht einer eigenen Rasse an. 

Wahrscheinlich erreicht der Bombus terrestris hier die Ostgrenze seiner Ver- 
breitung, wenigstens sind aus den östlicher gelegenen Gegenden, aus denen die 
VOGTsche Sammlung ein sehr grosses Material von Vertreten des Terrestribom- 
bus besitzt, keine Exemplare vorhanden. 

Das Ethnos von Algier 
Bombus terrestris, Rasse africanus (O. Vogt in lit.) 

Weibchen: 2 Exemplare von Teberda (leg. Ferton), 1 Exemplar von Tiemcen. 
Collare und Abdominalbinde sehr breit (lato- und perlatocollaris), hellbräunlich- 
gelb. Chitin der Corbicula schwarz. 

Arbeiter: 6 Exemplare von Maison carré und Chemin des Crêtes. Binden sehr 
breit und hellgelb. Chitin der Corbicula etwas heller als bei den Weibchen. 
1 Exemplar julvopraecingulatus. 

Männchen: 9 Exemplare von Tebessa und Blidah-Medeh (leg. Quedenfeldt). 
Wie die Weibchen gefärbt, aber Clypeus und Stirn fast ganz gelb behaart. 

Dieses Ethnos stellt sehr wahrschijnlich wegen der besonderen Färbung der 
Binden und der ausgedehnt gelben Behaarung des Gesichtes und der Stirn eine 
besondere Rasse dar. In der VoGTschen Sammlung sind diese Exemplare und 
diejenigen von Algier mit dem von O. Vogt versehenen Vermerk „africanus" 
bezeichnet. 

Von den Weibchen aus Tunis liegen 2 Exemplare von Ain Drahan (leg. B. 
v. Bodemeyer) vor. 17 Arbeiter stammen zum Teil von Ain Draham (leg. B. 
v. Bodemeyer), eines von Nordtunis, 3 haben keine nähere Fundortsbezeich- 
nung. Alle Weibchen und Arbeiter sind wie diejenigen aus Algier gefärbt; ebenso 
12 Männchen, nur sind die Binden stark braun getönt (fulvostriatus). Bei 3 
Exemplaren hat das 4. Tergit oral einen braunen Saum und bei 4 Exemplaren 
sind die Hintertibien rotbraun behaart. 

Das Ethnos der Canarischen Inseln 

Weibchen: 5 Exemplare von Villaflor auf Teneriffa. Das 4. Tergit caudal in 
wechselnder Ausdehnung und die Analtergite weiss behaart, sonst ganz schwarz. 
Das Mesonotum bei einem Exemplar mit wenigen orolateralen gelben Haaren, bei 
den übrigen ohne solche. 2 Exemplare mit braungelben Saum auf dem 4. Tergit. 
Chitin der Corbicula dunkelbraun bis schwarz. 



92 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

Arbeiter: 11 Exemplare von Teneriffa. Wie die Weibchen gefärbt, jedoch 7 
mit 2ahlreicheren gelben Haaren im oralen Bezirk des Mesonotum. Sie bilden 
aber keine dem blossem Auge erkennbare Binde. Chitin der Corbicula etwas hel- 
ler als bei den Weibchen. 

Männchen: 2 Exemplare von Villaflor, 2 ohne nähere Fundortsbezeichnung. 
Wie die Arbeiter gefärbt, aber mit mehr gelben Haaren auf dem Mesonotum, bei 
einem Exemplar ist das gelbe Collare schwach sichtbar, 2 Exemplare gehören dem 
Gradus postcollaris an. 2. und 3. Tibia zum Teil hell behaart. 

Nach G. Enderlein (i.l.) kommt die Rasse canariensis auf allen Inseln des 
canarischen Archipels vor. Nach ihm treten z.B. auf Gran Canaria überall viele 
Uebergangsexemplare zum B. terrestris-typicus mit gelben Collare auf. Ob sich 
diese Bemerkung auf alle drei Geschechter oder vielleicht nur auf die Arbeiter 
und Männchen bezieht, geht aus seiner Darstellung nicht hervor. Auch andere 
Beobachter stellen das fest, aber ohne genaue statistische Untersuchungen ange- 
stellt zu haben. Solche wären sehr erwünscht, speziell im Hinblick darauf, ob die 
gelben Erstlingshaare nicht, wie man eigentlich erwarten, sollte, auf dem 2. Tergit 
sondern auf dem Pro- und Mesonotum auftreten. Sollte das letztere der Fall sein, 
so würde zu untersuchen sein, ob beim Fortschreiten der gelben behaarung die 
inverse Modalität beibehalten wird und somit eine spezifische Eigenschaft der 
Rasse canariensis darstellt. 

5. Bombus sporadicus Nylander 

Beschreibung der Nominatform 

Webichen: Nach Nylander, dem Exemplare von Osterbotten (Carleby) und 
Uleoborg vorlagen, ist das Collare gelb, ebenso gefärbt ist der dorsale Teil des 
Episternum, der caudale Abschnitt des Scutellum und die ersten beiden Tergite. 
Hinzuzufügen ist, dass Gesicht und Stirn dicht stehende kurze gelblichbraune 
Haare haben, die von der langen schwarzen Behaarung verdeckt sind. 3. Tergit 
ganz schwarz, das 4. im oralen Teil schwarz, im caudalen weiss, das 5. weiss, das 
6. bis auf apikale schwarze Haare ebenfalls weiss behaart. Corbicula schwarz be- 
haart mit eingestreuten braunen Haaren. Im Habitus und der Dichte der Be- 
haarung dem B. terrestris ähnlich. 

Arbeiter und Männchen wie die Weibchen gefärbt. 

Der Bombus sporadicus wurde von Nylander im Jahre 1847 als besondere Art 

beschrieben. Er hat, das sei noch- 
mals ausdrücklich betont, gar nichts 
mit den sporadicoiden Individuen 
des Bombus magnus zu tun, ausser 
der konvergenten Farbähnlichkeit. 
Wenn einige Autoren meinen, dass 
vereinzelte Individuen des Bombus 

lucorum mit sporadicus-Tendenz 
Abbildung 24. Auftreten der kurzen greisen auftreten; s0 hören diesC) wie 
Haare des Gesichtes bei den Weibchen des B. 

sporadicus. Die Kreise bedeuten die kurze greise ich g laube ' nunmehr nachtgewiesen 
Grundbehaarung. zu haben, zum B. magnus. 




E. Krüger : Studien an Terrestribombus 93 

Unter dem sehr grossem Material des Bombus lucorum der VoGTschen und der 
eigenen Sammlung habe ich solche Exemplare nicht gefunden. Die Modalität der 
Ausbreitung der kurzen hellen Grundbehaarung des Gesichtes habe ich in den 
Figuren der Abbildung wiedergegeben, die ich nicht näher zu beschreiben brauche. 
Sie weicht ganz und gar von der bei den verschiedenen Rassen des Bombus mag- 
nus auftretenden Modalitäten ab. 

Das Ethnos des südlichen Norwegen 

Weibchen: Nur 2 Exemplare von Hamar. Bei dem einen Exemplar sind die 
Binden schmal (das Collare nur etwa ein Drittel so breit wie bei den Exemplaren 
von Russland. Siehe unten !). Scutellum, Episternum, das 1. Tergit ganz schwarz, 
das 2. im caudalen Teil schwarz, sonst gelb behaart. Die kurze Behaarung der 
Area centralis, des caudomedianen Teiles der Area triangulares und der Stirn 
graugelb. Haare der Corbicula zum Teil braungelb. Dieses Exemplar ähnelt in 
dem bräunlich gelben Farbton der Binden sehr dem B. terrestris, stimmt aber in 
den plastischen Merkmalen, wie besonders in dem caudal verschwommen abge- 
setztem Collare, und der hellen Grundbehaarung ganz mit dem B. sporadicus 
überein. Das andere Weibchen ist ebenso gefärbt, nur ist das Collare etwas breiter 
und das 1. Tergit median gelb behaart. 

Arbeiter: 16 Exemplare von Hamar. Gesicht und Stirn wie bei den Weibchen, 
Scheitelkante zuweilen mit gelben Haaren. Collare breiter als bei den Weibchen, 
aber ebenfalls schmäler als bei denen von Ostrussland (Gradus propecollaris und 
collaris). Scutellum ausgedehnt gelb, nur im oralen Teil schwarz behaart, Epi- 
sternum schwarz, die beiden ersten Tergite gelb, die folgenden wie bei der No- 
minatform. Die schwarzen Corbiculahaare stets weisslich oder gelb gespitzt oder 
auch die langen Haare mehr oder weniger braungelb, zuweilen rötlich. 

Männchen: 7 Exemplare von Hamar. Wie die Weibchen und Arbeiter gefärbt. 
Gesicht schwarz. 1 Exemplar mit gelbem Clypeus, gelbem Scheitel und ganz gel- 
bem Episternum. Scutellum ausgedehnt gelb behaart. Sonst ist letzteres schwarz 
mit wenigen caudalen gelben Haaren. Bei einem Männchen sind orales und me- 
diales Feld des 4. und das ganze 5. Tergit schwarz behaart (nigrocingulatus). 
5 Exemplare sind sehr gross, 2 merklich kleiner und länger behaart. 

Das Ethnos des mittleren Schweden 

Weibchen: liegen nicht vor. 

Arbeiter: 6 Exemplare von Stockholm (leg. R. Klaue, VII. 1936). Wie die 
Arbeiter von Norwegen gefärbt. Scutellum caudal mit wenigen gelben Haaren, 
Corbicula, haare bräunlich gespitzt. 

Männchen: 1 Exemplar von Delsbo. Wie die von Norwegen gefärbt. 

Das Ethnos des östlichen Russland (Gouvernement Perm) 

Weibchen: 12 Exemplare. Gesicht schwarz mit bräunlichgelber bis graugelber 
kurzer Grundbehaarung auf dem Clypeus, in der Area centralis und dem cau- 



94 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

domedianen Teil der Areae triangulares. Bei einem Exemplar Gesicht fast ganz 
braun behaart ( fulvo facialis ) . Scheitel und Stirn schwarz behaart. Collare breit 
(lato- und perlatocollaris), wie das 1. und 2. Tergit fahlbräunlichgelb, caudal 
verschwommen abgesetzt, das schwarze Interalare oral mit kurzen gelben Haaren. 
Episternum nur dorsal mit gelben Haaren, die schwarzen Haare graustichig, da 
die Spitzen derselben heller gefärbt sind. Scutellum variabel, im Extrem ganz gelb- 
braun oder nur am caudalen Rande mit gelbbraunen Haaren (Uebergänge vor- 
handen). 1. Tergit bis auf laterale, seltener auch caudale schwarze Randhaare hel- 
ler braungelb behaart. Die Binde des 2. Tergites mit schwarzen Fimbrien. 4. Ter- 
git oral und medial schwarz. Unterseite und die Beine mit Ausnahme der Cor- 
bicula schwarz behaart. Corbiculahaare entweder ganz gelbbraun oder durch auf- 
steigendes dunkles Pigment mehr oder weniger schwarz. 

Arbeiter: 9 Exemplare von Poliokowa, Tschima, Griasuncha und Wolkowo. 
Wie die Weibchen gefärbt, aber Gesicht durchweg mit mehr schwarzen Haaren. 

Männchen: 7 Exemplare von denselben Fundorten wie die Arbeiter. Gesicht, 
speziell die kurze Grundbehaarung wie bei den Weibchen. Der Clypeus kann ganz 
gelbbraun behaart sein. Scheitel schwarz mit eingesprengten gelben Haaren oder 
fast ganz gelb (Uebergänge vorhanden). Das breite Collare hellgelbbraun, Scu- 
tellum meistens ausgedehnt gelbbraun. Die braungelbe Behaarung des Episternum 
im allgemeinen nicht weit ventralwärts vordringend, nur ein Exemplar mit ganz 
gelbbraun behaartem Episternum. 1. Tergit heller, 2. dunkler gelbbraun. 4. Ter- 
git ausgedehnt oder ganz schwarz behaart. Endtergite wie bei den Weibchen. 
Beine im wesentlichen schwarz, jedoch können die 2. und 3. Tibia mit den ent- 
sprechenden Femora zum Teil greisgelb behaart sein. Ein Männchen weicht durch 
den fast ganz gelb behaarten Clypeus, die gelbe Stirn, das gelbe Episternum, die 
kurze grauweisse Grundbehaarung des Gesichtes und die fast ganz gelbe Behaa- 
rung der Beine sprunghaft ab. Die Behaarung ist im allgemeinen lang und strup- 
pig, länger als bei den Weibchen und Arbeitern. 

Das Ethnos von Baikalien 

Weibchen: 2 Exemplare von Kulskoe (leg. Klemm). Sehr kurz behaart. Col- 
lare sehr breit, braungelb. Scutellum zum Teil gelbbraun. 1. Tergit hellgelbbraun, 
die Abdominalbinde dunkler. Corbicula, Stirn und das Gesicht schwarz, letzteres 
mit wenigen braunen Haaren. 

Arbeiter: 20 Exemplare von Pronino (Fluss Witim), Kunta und 1 Exemplar 
von Kulskoe (leg. Klemm). Ebenfalls bedeutend kurzhaariger als die von Perm. 
Collare im allgemeinen nicht so breit wie bei den Weibchen. Episternum bei den 
meisten Exemplaren weiter ventralwärts gelb behaart als bei den Weibchen. 

Männchen: 2 Exemplare von Baturino und den Baikalbergen. Gesicht schwarz, 
Scheitel und Stirn zum Teil gelb behaart. Ein Exemplar mit sehr schmaler und 
undeutlicher schwarzer Interalarbinde. Kaum kurzhaariger als die Männchen von 
Perm. 

Wahrscheinlich gehören hierher noch zwei Männchen von Turkestan (Narynj). 
Scheitel und Stirn, Clypeus und ein breites Collare gelb. Episternum fast ganz 



E. Krüger : Studien an Terrestribombus 95 

gelb, scutellum jedoch nur mit wenigen gelben Haaren, 1. und 2. Tergit gelb- 
braun, das schwarz behaarte 3. Tergit seitlich mit wenigen gelben Haaren. Be- 
haarung relativ kurz. Ein Männchen und ein Arbeiter vom Kuku-Nor Gebirge 
(leg. TANCRé) sind ebenfalls recht kurzhaarig. Das Männchen ist bis auf die 
schmale und undeutliche Interalarbinde, das schwarz behaarte 3. und 4. Tergit 
und die weissen Analtergite gelb behaart. Der Arbeiter hat ein ganz gelb be- 
haartes Episternum und Scutellum. Aehnlich gefärbt ist ein Arbeiter von Jakutsk. 
Ein Männchen von Irkutsk ist wie das des Kuku-Nor Gebirges gefärbt und hat 
kurze und glatte Behaarung; nur ist die Interalarbinde breiter. Zum B. sporadicus 
stelle ich ferner einen Arbeiter und ein Männchen von Krasnojarsk. Bei dem 
letzteren ist das Gesicht fast ganz schwarz, die Stirn aber ausgedehnt gelb, die 
Interalarbinde schmal und undeutlich. Beide Exemplare sind kurzhaarig. 

Das Ethnos des Ussuri-Gebietes 

Bombus sporadicus, Rasse czerskianus O. Vogt 

Weibchen: 6 Exemplare von Ssutschan, Berg Samodynza, Kangustal (leg. S. R. 
Zarapkin), 1 Exemplar vom Hankasee (leg. Czerski). Gesicht schwarz mit 
kurzer graugelblicher Grundbehaarung im Untergesicht und im dorsomedianen 
Teil der Areae triangulares. Stirn und Scheitel schwarz. Das sehr breite Collare, 
das Episternum im dorsalen Viertel oder Drittel und das Scutellum bis auf mehr 
oder weniger orale schwarze Haare gelbbraun behaart. Die schwarze interalare 
Binde mit zahlreichen eingesprengten gelbbraunen Haaren, die bis an den caudalen 
Rand des Mesonotum reichen und zum Teil nur wenig kürzer als die langen 
schwarzen Haare sind. 1. und 2. Tergit bis auf die schwarz behaarten Seitenteile 
gelbbraun behaart, das 3. Tergit schwarz behaart, ebenso das 4. bis zur Mitte 
oder noch darüber hinaus, wobei die verbleibende weisse Restbehaarung auf einen 
schmalen caudalen Saum reduziert sein kann. 5. Tergit weiss, nur mit spärlichen 
schwarzen Haaren caudal, oral und median. 6. Tergit abgesehen von apikalen 
schwarzen Haaren hellgelblkh behaart. Corbicula mit schwarzen, oft mehr oder 
weniger weit gelblich gespitzten Haaren. Sehr kurzhaarig und daher schlank er- 
scheinend. 

Arbeiter: 80 Exemplare von Ssutschan, Tigrojawa, Berg Samodynza (leg. S. R. 
Zarapkin, 5 — 6VII.1928), 1 Exemplar vom Fluss Tjutiche. Wie die Weibchen 
gefärbt, aber die Stirn mehr oder weniger gelb behaart. Collare noch breiter, bei 
einzelnen Exemplaren doppelt so breit wie die schmale schwarze Interalarbinde. 

Die eingesprengten gelbbraunen Haare zahlreicher, so dass sie verschwommener 
erscheint; bei einem Exemplar sind die schwarzen Haare so weit reduziert, wie es 
sonst nur bei den Männchen des Terrestribombus vorkommt (ähnlich dem Gra- 
dus propepseudolaesoides). Episternum ausgedehnt braungelb, auch das Scutel- 
lum. 1. Tergit heller, die Abdominalbinde dunkler gelbbraun, besonders zuweilen 
an der Basis (fulvopraestriatus). 4. Tergit nur am caudalen Rand weiss, sonst 
schwarz behaart, 5. weiss, bei einem Exemplar bilden schwarze Haare eine orale 
Binde (nigropraearmillatus). Beine zuweilen heller behaart als bei den Weibchen 
mit teilweise braun behaarten Trochanteren und Femora. 



96 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. l — 2, 1956 

Männchen: 2 Exemplare vom gleichen Fundorte wie die Weibchen und Ar- 
beiter. Stirn teilweise, das sehr breite Collare, Episternum dorsal, Scutellum und 
die beiden ersten Tergite braungelb. 3. und 4. Tergit, der orale Teil des 5. und 
die Beine einschliesslich der 3. Tibia schwarz behaart. Bei einem Exemplar ist 
die caudale weisse Behaarung des 5. Tergites weithin mit schwarzen Haaren 
durchsetzt und das 6. fast ganz schwarz behaart. 

Mehrere Weibchen von Manschukuo (B. M., Gaolindsy, 2 — 8.VII.1939, leg. 
Alin) sind ebenso kurzhaarig wie die des Ussuri-Gebietes und gehören wahr- 
scheinlich ebenfalls zur Rasse czerskianus O. Vogt, desgleichen 3 Männchen aus 
derselben Gegend (B.M.), von denen ein Exemplar ein fast ganz gelb behaartes 
Pro- und Mesonotum hat (pseudolaiesoides), während bei den beiden anderen 
Männchen die schwarze interalare Binde von zahlreichen hellen Haaren durchsetzt 
ist. 

Ich halte den czerskianus für eine besonders kurzhaarige Rasse des B. sporadi- 
cus, da er mit der Nominatform in den plastischen Merkmalen übereinstimmt. 
Der in der VoGTschen Sammlung befindliche Arbeiter von Tjutiche ist die Type 
der Rasse. 

Ein W eibchen von Sachalin hat mit dem B. sporadicus die längere fast quadra- 
tische Wange und die feine Punktierung des Supraorbitalfeldes gemeinsam, weicht 
aber durch die Gestaltung des Parafacettenfeldes etwas ab. Collare breit und wie 
beim B. malaisei Bischoff (siehe unten) graugelb. Scutellum in den caudalen zwei 
Dritteln ebenfalls graugelb. Binde des 2. Tergites mehr bräunlich. Gesicht mit 
Ausnahme weniger brauner Haare, Stirn und die Beine bis auf einige bräunliche 
Haare schwarz. Behaarung fast so kurz wie bei der Rasse zcerskianus. Ich möchte 
dieses Tier als zu einer besonderen Rasse des B. sporadicus gehörend ansehen und 
schlage dafür die Bezeichnung sachalinensis vor. 

6. Bombus sapporoensis Cockerell 

Weibchen: Ein Exemplar der Varietät mariae Skorikov aus dem Ussuri-Gebiet. 
Gesicht schwarz, nur mit wenigen braunen Haaren auf dem Clypeus und in der 
Area centralis. Scheitel und Stirm schwarz behaart. Prothorax mit schmalem grau- 
gelblichen Collare, in dessen pro- wie mesonotalen Teil schwarze Haare einge- 
sprengt sind, wodurch es von der schwarzen interalaren Binde unscharf abgesetzt 
erscheint. Diese Unscharfe wird also nicht dadurch bewirkt, dass etwa helle Haare 
in dieser auftreten. Episternum graugelblich behaart, nur im caudalen Teil schwarz 
und oralwärts mit einzelnen diffusen schwarzen Haaren. Scutellum schwarz mit 
einzelnen caudalen hellgelben Haaren. 1. Tergit graugelblich mit zahlreicheren 
lateralen und oralen und einzelnen caudalen schwarzen Haaren. 2. Tergit im 
oralen Teile bräunlichgelb, caudalwärts allmählich blasser werdend und vor dem 
caudalen Rande mit zahlreicheren schwarzen Fimbrien. 3. Tergit schwarz, 4. — 6. 
braunrot behaart. Unterseite und Beine schwarz. Corbiculahaare zum Teil braun- 
gespitzt, sonst schwarz. 

Ein Weibchen von Jakowlevka, Kreis Spasski im Ussurigebiet (B.M.Ì gehört 
zur Nominatform mit schwarz behaartem 1. Tergit; jedoch ist nur der caudale 
Teil des 4. Tergites rotbraun behaart. 



E. KRÜGER : Studien an Terrestriboinbits 97 

Arbeiter: 243 Exemplare von Ssutschan, Tigrojawa, Kangustal, Berg Samodynza 
(leg. S. R. Zarapkin). Gesicht schwarz behaart, bei zahlreicheren Exemplaren 
mit wenigen braunen Haaren auf dem Clypeus, selten auch in der Area centralis. 
Ein Exemplar sprunghaft abweichend mit ganz braun behaartem Clypeus (fulvo- 
clypeatus). Collare graugelb, schmal und gegen die interalare schwarze Binde 
unscharf abgesetzt. Scutellum schwarz, bei vielen Exemplaren besonders caudal 
mit eingesprengten graugelben Haaren {catagraphus Skorikov) oder (bei 75 
Exemplaren) mit so vielen graugelblichen Haaren, dass es sich hell von der 
interalaren schwarzen Binde absetzt (Jnvitabilis Skorikov). Episternum mindestens 
in der dorsalen Hälfte graugelb, sonst schwarz. 1. Tergit greisgelb, oral, lateral 
und zuweilen auch caudal mit schwarzen Haaren. 2. Tergit strohgelb, häufig oral 
gebräunt (fulvopraestriatus). Nach Skorikov soll dieses Tergit bei einer Varie- 
tät catagraphus hellrot behaart sein. Bei einer von ihm determinierten und signier- 
ten Cotype aus dem Ussuri-Gebiet (S.V.) ist es aber basal nur dunkler gelbbraun; 
auch bei den zahlreichen übrigen Arbeitern der VoGTschen Sammlung fand ich 
keinen mit hellroter Behaarung des 1. Tergites. 3. Tergit schwarz, 4. mehr oder 
weniger caudalwärts schwarz, sonst wie die Analtergite rotbraun behaart. Unter- 
seite und Beine mit Ausnahme der mehr oder weniger rotbraunbehaarten Corbi- 
cula schwarz. Die langen Haare derselben oft gelb- oder braunspitzig, bei 8 Exem- 
plaren ganz rotbraun (fulvocorbiculosus). 

Man tichen: 10 Exemplare von Ssutschan, Berg Samodynza (leg. S. R. Zarap- 
kin). In der Färbung der Gesichtsbehaarung lassen sich zwei Typen unterschei- 
den. Bei 8 Exemplaren Gesicht mehr oder weniger blassgelb und bei einigen 
derselben mit wenigen schwarzen oder ganz vereinzelten braunen Haaren. Diese 
gelbe Behaarung entwickelt sich aus einer kurzen graugelben Grundbehaarung. 
Bei den beiden anderen Exemplaren tritt nun diese helle Grundbehaarung ganz 
zurück und der Clypeus ist rotbraun behaart. Scheitel und Stirn gelb. Collare sehr 
breit, dementsprechend die schwarze Interalarbinde schmal, bei einem Exemplar 
fast obsolet (die letzten schwarzen Haare stehen nicht zentral sondern lateral ge- 
häuft und verlieren sich diffus medianwärts. Scutellum, Pleuren und Metanotum 
gelb behaart. 1. Tergit blassgelb, 2. bräunlichgelb ohne caudale schwarze Haare. 
3. Tergit schwarz, entweder mit lateralem gelben Haarfleck (luteomaculatus) 
oder häufiger mit schmaler caudaler gelber Binde (luteopostzonatus). 4. Tergit 
basal schwarz, sonst braunrot, nur bei 3 Exemplaren ganz rotbraun behaart. 5. — 7. 
Tergit braunrot. Sternite gelb behaart, nur das 7. mit rotbraunen Fimbrien. Tibien 
und Femora gelb behaart, einzelne Haare der 2. und 3. Tibia zuweilen rotbraun. 
Im allgemeinen länger behaart als die Weibchen und Arbeiter, aber ein Männ- 
chen besonders auf dem Abdomen extrem kurzhaarig. 

7. Bombus ignitus Smith. 

Weibchen: 21 Exemplaren von Peking, je eines von Kuling, Korea und der 
Provinz Chekiang (B.M.). 2 von Tokio (S.V.). Schwarz behaart mit mehr oder 
weniger, selten fehlenden, gelben Haaren auf dem Thorax, die aber kein mit 
dem blossen Auge erkennbares Collare bilden. 2. Tergit häufig mit paralateralen 
gelben Seitenflecken (luteoguttatus). Das 4. Tergit fast ganz, das 5. und das 6., 
letzteres mit Ausnahme schwarzer apikaler Haare braunrot behaart. 



98 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, AFL. 1 — 2, 1956 

Arbeiter: 17 Exemplare von Peking, Nanking, aus Korea und Japan (B.M. und 
S.V.). Wie die Weibchen gefärbt, aber die gelbe Behaarung ausgedehnter: 1 
Exemplar mit eben sichtbarem schmalen Collare, 1 Exemplar mit scharf abge- 
grenztem gelben Haarfleck neben dem Limes des 2. Tergites, ein anderes mit 
schmaler fast zusammenhängender gelber Abdominalbinde. 

Männchen: 5 Exemplare aus Japan (B.S. und S.V.). Gesicht entweder ganz 
schwarz oder zum Teil gelbbraun, bei 2 Exemplaren ganz braun behaart (fulvo- 
facialis). Stirn schwarz, bei einem Exemplar gelb (luteofrontalis). Collare gelb, 
sehr breit. Episternum, Scutellum caudal, 1. und 2. Tergit gelb, 3. ganz, 4. oral 
und medial schwarz, caudal wie auch die Endtergite rotbraun behaart. Beine 
schwarz, die Tibien bei einigen Männchen mit wenigen rotbraunen Haaren. 

Die Type des B. kalinowskü Rad. (= ignitus Smith) (S.V.) hat ein schmales 
Collare und eine schmale orale Binde des 2. Tergites. Ein Weibchen aus der 
Provinz Shansi (S.V.) hat ein schmales weisses Collare und schmal gebändeltes 
gelbes 2. Tergit. Der Clypeus ist bräunlich behaart, die Endtergite rötlich. Die 
Zugehörigkeit zum B. ignitus ist zweifelhaft. 

8. Bombus patagiatus Nylander 

Beschreibung der Nominatform 

Weibchen: Clypeus und Area centralis braun, der übrige Teil des Gesichtes 
abgesehen von der kurzen greisen Grundbehaarung schwarz behaart. Scheitel und 
Stirn schwarz, ebenfalls mit greiser Grundbehaarung. Collare weiss von mittlerer 
Breite (Gradus collaris), caudal verschwommen abgesetzt, weil in die schwarze 
Interlarbinde oral kurze greise Haare eingemischt sind. Scutellum weiss, oral mit 
schwarze Haaren. Episternum und 1. Tergit weiss, 2. gelb, 3. schwarz, 4. oral 
schwarz, caudal weiss, 5. weiss, 6. apikal schwarz, lateral weiss behaart. Beine bis 
auf die hinteren proximal weiss. 

Arbeiter: Wie die Weibchen gefärbt, aber Gesicht und Corbiculae geringer 
braun behaart. 

Männchen: Wie die Weibchen, aber die kurze Grundbehaarung des Gesichtes 
und der Stirn wie auch die langen Haare des 1. Tergites mehr gelblich und die 
Beine (Femora und Tibien) ausgedehnt weiss oder weisslich behaart. 

Das Ethnos des Gouvernement Perm. 

Weibchen: 28 Exemplare vom Flusse Usswa, Poliakowo, Tschima. Gesicht 
variabel: 5 Exemplare mit wenigen braunen Haaren auf dem Clypeus und in der 
Area centralis, bei 19 diese Felder ausgedehnter braun, bei 8 nur mit wenigen 
schwarzen Haaren. Die kurze Grundbehaarung ist im Untergesicht und im dor- 
salen Teil des Obergesichtes greis, im mittleren Teil schwarz gefärbt. Diese greise 
Färbung ist mit der braunen der langen Behaarung nicht streng korreliert. Schei- 
tel und Stirn wie bei der Nominatform. Collare wenig variabel (Gradus collaris). 
Episternum ganz oder fast ganz weiss. Die Verdrängung von Weiss durch Schwarz 
erfolgt vom caudalen Winkel und der caudoventralen Kante her und ist oral ge- 



E. Krüger : Studien an Terrestribombus 99 

richtet. Scutellum mehr oder weniger weiss behaart, immer mit oralen schwarzen 
Haaren, so dass die Interalarbinde auch caudal nicht scharf begrenzt ist. 1. Tergit 
bis auf die nach unten umgeschlagenen Seitenteile weiss behaart, bei 4 Exem- 
plaren dagegen hellgelb (flavotaeniatus). Die Umwandlung von Weiss in Gelb 
beginnt im medianen Teil. Bei 3 Weibchen ist die weisse Behaarung median durch 
schwarze verdrängt. 2. Tergit gelb bis auf die Seitenteile und den caudalen Saum. 
Die oralen schwarzen Cilien sind auf wenige beschränkt oder bilden einen lockeren 
Saum. Die übrigen Tergite wie bei der Nominatform. Behaarung der Beine voria- 
bel, hintere Femora im allgemeinen mit geringer weisser Behaarung, bei einigen 
Exemplaren ganz schwarz behaart. Behaarung der Corbicula ebenfalls variabel, bei 
4 Exemplaren sind alle Haare gelbbraun (flavocorbiculosus), bei 16 sind sie 
besonders an der Vorderkante mit schwarzen untermischt, bei 6 sind nur noch 
wenige gelbbraune oder gelbbraun gespitzte Haare besonders an der Hinterkante 
vorhanden, bei 2 Männchen sind alle Haare schwarz (atrocorbiculosus). 

Abetter: 46 Exemplare von denselben Fundorten wie die Weibchen, ausserdem 
von Wolkowo. Gesicht mit geringerer brauner Behaarung, die auch ganz fehlen 
kann; nur 3 Exemplare mit reichlicheren braunen Haaren im Untergesicht. Cor- 
bicula ebenfalls mit geringerer brauner Behaarung; statt dessen sind die langen 
schwarzen Haare oft weisslich oder gelblich gespitzt. 7 Exemplare atrocorbiculosus. 

Männchen: 2 Exemplare. Wie die Arbeiter gefärbt, aber die weissen Haare 
gelblich getönt. Clypeus und Area centralis mit einem Schopf gelblicher Haare. 
Tibien und Femora ausgedehnt weiss behaart. Behaarung ziemlich lang. 

Das Ethnos von Baikalien. 

Weibchen: 108 Exemplare von Kulskoe (leg. H. Klemm). Gesicht mit kurzer 
weisslicher und längerer weisser, nur in der lateralen Mittelpartie der Areae 
triangulares mit schwarzer Behaarung. In dieser hellen Grundbehaarung treten 
mehr oder weniger zahlreiche braune oder braungelbe längere Haare auf. Wir 
unterscheiden 6 Gradus der Braunfärbung. 1. Gradus: Zwischen der Grund- 
behaarung nur vereinzelte gelbbraune lange Haare. 2. Gradus: Vermehrung der 
braunen Haare auf dem Clypeus und in der Area centralis. 3. Gradus: Weitere 
Vermehrung in diesen Bezirken, wobei auch kürzere weissliche Haare umgefärbt 
werden. 4. Gradus: Unter weiterer Vermehrung der braunen Haare des Unter- 
gesichtes treten solche auch im Obergesicht auf. 5. Gradus: Im Untergesicht ist 
jetzt auch die kurze Grundbehaarung vorwiegend gelbbraun. Auf dieser und der 
vorhergehenden Stufe hebt sich in sehr charakteristische Weise die braune Be- 
haarung des Untergesichtes von der noch vorwiegend weisslichen des Oberge- 
sichtes ab. 6. Gradus: Gelbbraune Haare vermehren sich im oralen Winkel der 
Areae triangulares und breiten sich im dorsomedianen Bezirk derselben aus. Die 
Frequenzen der 6 Gradus sind: 1, 22, 27, 38, 16, 3 oder in Prozenten: 0.9, 20.6, 
25.2, 35.5, 15.0, 2.8. Stirn wie bei der Nominatform. Collare weiss, mit einzelnen 
pronotalen schwarzen Haaren, in der Breite wenig variabel. Es ist sehr viel breiter 
als beim Ethnos von Perm. Bei einem Weibchen ist es clfenbeinfarbig getönt 
(eburneocollaris) . Die kurzen weisslichen Haare der Interalarbinde reichen (in 
caudaler Richtung allmählich an Zahl abnehmend) nur wenig über die Parap- 



100 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. l — 2, 1956 

siden hinaus, während seitlich und paramedian lange schwarze Haare in das Col- 
lare eindringen. Scutellum, Pleuren und 1. Tergit abgesehen vom lateralen und 
oralen schwarz behaarten Teil weiss, bei einem Exemplar hellgelb behaart (ebur- 
neotaeniatus). 2. Tergit hell zitronenfarbig, an den Seiten weiss, den nach unten 
umgeschlagenen Teilen schwarz behaart, bei einem Exemplar mit schmaler weisser 
oraler Lunula, ein anderes mit schmaler gelber Binde (luteopraestriatus). 3. Ter- 
git und die folgenden wie bei der Nominatform. Corbicula fast stets ausgedehnt 
gelbbraun behaart, bei 54 Exemplaren nur mit wenigen schwarzen Haaren, bei 3 
greift die braune Behaarung auf die benachbarte Tibia über (Farbton hier mehr 
rötlich). Nur bei 3 Exemplaren sind die Haare des Corbicula schwarz (atrocorbi- 
culosus). Beine sonst ausgedehnt weiss behaart, vor allem die Trochanter und 
die Femora, während die Tibien schwarz behaart sind. Für den Grad der weissen 
Beinbehaarung im Ganzen kann der 3. Femur als Gradmesser dienen. Wir unter- 
scheiden 8 Gradus. Die schwarze Anfangsstufe wurde nicht beobachtet. Die 
Frequenzen sind in Prozenten: 0.9, 2.3, 9.3, 23.4, 36.21, 20.6, 4,3, 7.5. Behaarung 
kürzer als beim Ethnos von Perm. 

Arbeiter: 199 Exemplare von Kulskoe, Tschita, Pestschanka, vom Flusse Witim 
und anderen Orten Baikaliens. Wie die Weibchen gefärbt, aber Gesicht mit weni- 
geren braunen Haaren. Eine Analyse der Arbeiter von Pestschanka ergab: 13 
Exemplare ohne braune Haare, 17 mit wenigen auf dem Clypeus, 8 mit mehr 
braunen Haaren daselbst und auch solchen in der Area centralis. Die letzteren 
entsprechen dem 3. Gradus der Weibchen. Bei 4 Exemplaren ist die kurze greise 
Behaarung auf die Area centralis und den dorsomedianen Teil der Areae triangu- 
lares beschränkt, bei 22 stehen zusätzlich kurze helle Haare auf der Basis des 
Clypeus und im oralen Winkel der Area triangularis, bei den übrigen auch im 
Mittelfeld der letzteren. Corbicula mit viel mehr schwarzen Haaren, braune Haare 
im wesentlichen nur an deren Hinterkante und in geringer Zahl. 47.2 Prozent 
der Arbeiter von Pestschanka gehören zum atrocorbiculosus. Die Untersuchung 
der Exemplare der anderen Fundorte ergibt ziemlich gut damit übereinstimmend 
41.4 Prozent. Die Ausdehnung der weissen Behaarung des 3. Femur ist unge- 
fähr die gleiche wie bei den Weibchen. Zwei Arbeiter von Pestschanka weichen 
durch das ganz weiss behaarte Gesicht ab (albofacialis). 

Männchen: 70 Exemplare von Irkutsk, Baturino, Mannsurka, Dureni-Troitzkas- 
sewatsk, Listwenitschnoje, 35 von Krasnojarsk und Jennisseisk. Wie die Weibchen 
und Arbeiter gefärbt, aber braune Behaarung des Gesichtes noch mehr redu- 
ziert, dagegen die weisse weiter ausgedehnt. Letztere tritt in charakteristischer 
Weise zuerst als weiser Schopf im oralen Teile des Clypeus auf, vergrössert sich 
dann caudalwärts und bezieht schliesslich die Area centralis ein. Wenn dieser 
Gradus erreicht ist, werden einige lange Haare im caudalen Teil des Clypeus und 
zahlreichere in der Area centralis hellbräunlichgelb (7 Exemplare). Der dunkler 
braune Farbton der Weibchen wurde bei den Männchen nur selten angetroffen. 
Ein Exemplar mit relativ zahlreicheren so gefärbten Haaren. Scheitel und Stirn zu- 
weilen ganz weiss oder es sind in die weisse Behaarung mehr oder weniger 
schwarze Haare eingestreut. Collare in der Breite wenig variabel, nicht rein weiss 
sondern gelblich getönt, öfter deutlich hell chromgelb. Schwarze Interalarbinde 
meistens breit, seltener verschmälert, die langen schwarzen Haare mit kürzeren 



E. Krüger : Studien au Terrestriboiiibits 101 

hellen untermischt. Scutellum etwas heller als das Collare, fast weiss behaart, eben- 
so das Episternum. 1. Tergit weiss, seitlich und oral mit mehr oder weniger 
schwarzen Haaren, zuweilen leicht gelblich getönt. Ein Exemplar albopustulatus. 

2. Tergit gelb, mit unter im Zentralfeld bräunlich verdunkelt, mit mehr oder 
weniger schwarzen caudalen Haaren. 4. Tergit oral schwarz, caudal weiss in 
wechselnder Ausdehnung. Die Analtergite weiss; nur bei ausgedehnter schwarzer 
Behaarung des 4. können am oralen Rande des 5. und am caudalen des 6. und 7. 
Tergites schwarze Haare auftreten. Beine und Unterseite vorwiegend greis be- 
haart. Die hellen Haare der 3. Tibia meistens ganz oder doch an ihrer Basis röt- 
lichbraun. Auch die mittlere Tibia zuweilen mit braunen oder gelbbraunen Rand- 
haaren. Das oben erwähnte Exemplar albopustulatus weicht noch durch die sehr 
schmale prothorakale gelbliche Binde, durch die geringe weisse Behaarung des Scu- 
tellum, durch die in der Mitte sehr schmale gelbe Abdominalbinde und die 
schwarz behaarten Femora ab (propetrisectus). Bei drei ebenfalls sehr schmal- 
bindigen Männchen von Irkutsk ist die weisse Behaarung des 4. Tergites auf 
einen schmalen caudalen Saum reduziert. Alle Männchen sind länger behaart als 
die Weibchen und Arbeiter. 

Das Ethnos des Ussuri-Gebietes 

Bombus patagiatus. Rasse brevipilosus Bischoff 

Weibchen: 27 Exemplare vom Hankasee (einige derselben wegen schlechter 
Erhaltung nicht analysierbar). Im allgemeinen wie die Nominatform gefärbt, 
aber noch kurzhaariger als die von Baikalien. Gesicht mit noch mehr braunen 
Haaren, auch die helle kurze Grundbehaarung weit ausgedehnter, besonders im 
Obergesicht. Collare durchschnittlich breiter, so dass die schwarze Interalarbinde 
verschmälert ist. Ein Exemplar eburneolaeniatus. Corbicula bei 12 Exemplaren 
ganz gelbbraun, bei 13 ist der grössere Teil der Haare so gefärbt, nur 2 Exem- 
plare mit wenigen braunen Haaren zwischen den schwarzen. 2. Tibia gewöhnlich 
schwarz behaart, bei 12 mit wenigen, bei einem mit zahlreicheren rötlichbraunen 
Haaren. Femora ausgedehnt weiss behaart. Die ersten drei Gradus (einschliess- 
lich der monochromatisch schwarzen Stufe) des 3. Femur sind nicht vertreten. Die 
Frequenzen der folgenden sind: 3, 2, 4, 7 ,4, 4 oder in Prozenten: 10.5, 8.3, 16.7, 
29.2, 16.7, 16.7. 

Arbeiter: 11 Exemplare von Esutschan, Tigrojawa, Kangustal, Berg Samodynza 
(leg. S. R. Zarapkin). Wie die Weibchen gefärbt, aber Gesicht und Corbicula 
mit viel wenigeren braunen Haaren. Corbicula bei 27 Exemplaren schwarz be- 
haart, bei den übrigen meistens nur mit spärlichen braunen Haaren. Die weisse 
Behaarung der Beine ähnlich wie bei den Weibchen. Die ersten drei Gradus des 

3. Femur fehlen auch hier. Die Frequenzen der folgenden sind: 3, 17, 28, 21, 7, 
1 oder in Prozenten: 3.9, 22.1, 36.4, 27.3, 9.0, 1.3. 

Männchen: 5 Exemplare vom Hankasee. Wie die Männchen von Baikalien, 
aber kurzhaariger. Bei zwei derselben Collare ausgesprochen gelb, Scutellum und 
1. Tergit gelblich getönt. 

8 Weibchen vom Amur (leg. Doerries 1878/80, B.M.), 2 Weibchen und 1 



102 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, ail. 1 — 2, 1956 

Männchen von Manschukuo (Sjaolin, leg. Alin 19 — 20. VIII. 38) stimmen gut 
mit den Exemplaren vom Hankasee überein. 

Die Form albopilosus Reinig ist in der VoGTschen Sammlung nicht vertreten. 
Sie weicht in der Färbung stark von der Rasse brevipilosus ab, ist aber ebenfalls 
kurzhaarig und stimmt in der schwarzen Färbung der Corbiculahaare mit ihr über- 
ein. Sie kommt in der Umgebung der Station Chalassu im Gr. Chingan-Geb. vor 
und wurde dort von D. u. A. Alin gesammelt. 

Das Ethnos von Tsingsuiho (Sui Yuan) 
Bombus patagiatus, Rasse pseudosporadicus Bischoff. 

Weibchen: 2 Exemplare (B.M.). Collare breit bräunlichgelb mit eingespreng- 
ten schwarzen Haaren, gegen die interalare Binde verschwommen abgesetzt, was 
dadurch bewirkt wird, dass in ihr besonders oral zahlreiche kurze und auch 
längere bräunliche Haare stehen. Scutellum ebenfalls wie auch der dorsale Teil 
des Episternum bräunlichgelb. Clypeus, Area centralis und besonders das Ober- 
gesicht mit kurzer gelblichgreiser Grundbehaarung, aus der lange schwarze Haare 
hervorragen. 1. und 2. Tergit braungelb. 

Nach meinem Dafürhalten gehört diese Form als Rasse zum B. patagiatus, 
erstens wegen der sehr kurzen Wange und zweitens wegen der stark verschwom- 
menen caudalen Begrenzung des Collare. Mein pseudosporadicus hat als Form des 
B. ma gnu s nichts zu tun mit dem pseudosporadicus Bischoff. Auf Grund unserer 
oben erhobenen Forderung, konvergenten Farbvariationen der Hummelarten 
gleiche Namen zu geben, sind die beiden Bezeichnungen beizubehalten. 

Das Ethnos von Tschili und vom Sinin-Gebirge 

Bombus patagiatus, Rasse beickianus Bischoff 

Weibchen: 1 Exemplar von Tschili (B.M.) und 2 vom Sinin-Gebirge. (B.M.). 
Der Autor fasst diese Tiere als zum B. lucorum gehörig auf. Sie stimmen aber in 
den plastischen Merkmalen mit dem B. patagiatus überein. Weil nur das Exemplar 
von Tschili farbfrisch ist, lege ich dieses der Beschreibung zugrunde, obwohl nach 
dem Autor die etwas grösseren Exemplare des Sinin-Gebirges als die typischen 
angesehen werden sollen. Clypeus nur mit vereinzelten braunen Haaren, Area cen- 
tralis und triangularis mit zahlreichen kurzen weisslichen Haaren. Collare blass 
zitronenfarbig, gegen die interalare schwarze Binde verschwommen abgesetzt. 
Letztere enthält viele kürzere und kurze helle Haare. Episternum im dorsalen 
Räume hell zitronenfarbig, sein ventraler Raum wie auch das Scutellum heller 
gelblich, fast weiss. 1. Tergit zitronenfarbig, das 2. noch intensiver gelb. Corbicula 
schwarz behaart. Die beiden Exemplare vom Sinin-Gebirge sind stark abge- 
flogen. Sie gehören anscheinend zur gleichen Rasse. 

Reinig erwähnt in seiner Arbeit über die Hummelfauna von Mandschukuo 2 
Arbeiter von Chalassu im Grossen Chingan-Gebirge. Diese sind ebenfalls kurz- 
haarig wie sein albopilosus aus derselben Gegend. Mir erscheint die systematisch- 



E. Krüger : Studien au Terrestribombus 103 

taxonomische Wertung dieser Arbeiter noch unsicher, denn es würden daselbst 
zwei Rassen (nach Reinig zwei Subspezies) mit einander vorkommen. Mir er- 
scheint es auch bedenklich nur auf die Farbenmerkmale von zwei Arbeitern eine 
Subspezies zu begründen, wo wir doch so oft die Erfahrung machen, dass Hum- 
melarbeiter sich in den Farbqualitäten den Männchen nähern. 

Das Ethnos von Min-Shan 

Bombus patagiatus, Rasse minshanensis Bischoff 

Dem Autor haben 11 Weibchen. 3 Arbeiter und 2 Männchen vorgelegen. Ich 
habe 3 Weibchen, einen Arbeiter und ein Männchen aus dem Berliner Museum 
untersucht. Nach meinen Untersuchungen, die sich mit denen des Autors decken, 
unterscheiden sich die Weibchen von denen des Baikalgebietes besonders durch 
die reichlicheren eingesprengten schwarzen Haare des Collare. Die dadurch her- 
vorgerufene verschwommene Abgrenzung des Collare wird wie bei den anderen 
Formen des B. patagiatus noch sehr durch die helleren kürzeren Haare in der 
Interalarbinde verstärkt. Die ersten beiden Tergite sind gleichmässig oder fast 
gleichmässig hell ockerfarbig. Das 2. Tergit hat also nicht den grünlichen Schim- 
mer wie bei den Exemplaren von Baikalien. In der Haarlänge stimmt die Rasse 
minshanensis mit den letzteren überein und ist also länger behaart als die Rasse 
brevipilosus. Die taxonomische Stellung des vom Autor als dazu gehörig signier- 
ten Männchens scheint mir noch der Klärung bedürftig. Mit seiner ausgedehnt 
gelben Unterseite und dem seitlichen gelben Haarfleck auf dem 3. Tergit kommt 
es der Färbung des B. lucorum sehr nahe. 

Ich füge hier eine kurze Bemerkung über die Rasse sajanicus des Bombus 
patagiatus an. Sowohl die Weibchen, wie Arbeiter und Männchen unterscheiden 
sich nach dem Autor (Bischoff) von den Exemplaren von Irkutsk durch das 
schmälere Collare, die geringere helle Behaarung des Scutellum und den weniger 
grünlichen Farbton der gelben Abdominalbinde. 

9. Bombus vasilievi Skorikov. 

Ich gebe hier die Beschreibung des Autors wieder: 

Weibchen: Schwarz, Prothorax und Scutellum von gelblich-aschgrauer Färbe; 
der schwarze Streifen zwischen den Flügeln sehr undeutlich abgegrenzt. Tergit 1 
hellgelb, Tergit 2 grellgelb, Tergit 3 und die vordere Hälfte von Tergit 4 schwarz, 
die übrigen Tergite weisslich-rosafarben. Pleuren gänzlich hellgelb. Clypeus mit 
Beimischung roter Haare. Corbicula von dunkelroten oder fast schwarzen Haaren 
eingerahmt. Unterseite des Körpers dunkel, nach hinten zu röter werdend; die 
zwei letzten Segmente mit einer rosafarbenen Wimper. Vorkommen: Charbin. 
Gan-Su. 

Arbeiter wie die Weibchen. Skorikov gibt wenigstens keine Unterschiede an. 

Männchen bisher unbekannt. 

Skorikov beschreibt ferner eine Variante mollessonae. Bei dieser sind die Quer- 
binden auf Prothorax und Scutellum schmutziggelb gefärbt, bisweilen mit grün- 



104 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 1 — 2, 1956 

lichem Ton. Auf dem Clypeus sind reichliche weisse Haare eingesprengt. Letzte 
Tergite nicht deutlich rosafarben. Bisher wurden 2 Weibchen in dem an die 
Mongolei grenzenden Teil von Transbaikalien gefunden. 

Das in der VoGTschen Sammlung befindliche Weibchen von Charbin (von 
Skorikov signiert) stimmt in den folgenden Punkten nicht mit der obigen Be- 
schreibung überein: die interalare schwarze Binde ist nur oral, nicht caudal un- 
scharf abgegrenzt, das 1. Tergit ist kaum heller als das 2., vielmehr von tief 
gelbbrauner Färbung, die Endtergite sind nicht weisslich-rosafarben, sondern nur 
leicht gelblich getönt. Der obigen Beschreibung ist noch hinzuzufügen, dass die 
kurze Behaarung des Gesichtes greisgelb ist. Wie beim B. patagiatus reichen die 
kurzen hellen Haare der interalaren schwarzen Binde, caudalwärts an Zahl all- 
mählich abnehmend, bis über die Parapsiden hinaus. Bei der sehr kurzen Be- 
haarung werden diese besonders deutlich sichtbar. 

Der B. vasilievi ist auf das engste mit dem B. patagiatus verwandt und stimmt 
mit letzterem in den Kopfmassen und der Skulptur überein. Gleichwohl möchte 
ich ihn als eine besondere Art ansehen. 

Bischoff beschreibt 5 Arbeiter aus Nordchina als zum B. vasilievi gehörig. Die 
stimmen zwar in der thorakalen Färbung mit diesem überein, nicht aber in der 
ersten beiden Tergite, die von ihm als grauweiss beschrieben werden. In der 
VoGTschen Sammlung befinden sich 5 Weibchen von Inn-shan, die ich als eine 
besondere Rasse des B. vasilievi ansehen möchte. Sie zeichnen sich ebenfalls durch 
das unscharf abgesetzte Collare aus, aber die kurze Grundbehaarung der intera- 
laren Binde ist noch ausgedehnter. Das Collare ist nicht gelblich aschgrau sondern 
stumpf gelb. Die beiden ersten Tergite sind gelbbraun und die Analtergite wie 
beim B. vasilievi der Sammlung Vogt leicht gelblich getönt. Die Behaarung ist 
nicht so extrem kurz wie bei der typischen Form. Ich bezeichne die Form als 
Rasse innshanicola. 

Bei der Unterscheidung der Formen des B. patagiatus und seiner Verwandten 
spielt die caudale Begrenzung des Collare eine wichtige Rolle. Wir können dies- 
bezüglich zwei Gruppen unterscheiden, die eine, bei der die Binde noch relativ 
scharf abgesetzt ist, und eine andere, bei der die Farbgrenze unscharf erscheint. 
Zu der zweiten Formengruppe gehört zum Beispiel der B. vasilievi Skorokov. 

Schliesslich sei hier noch die Frage erörtert, ob eine graue Verdunkelung der 
hellen Binden in der Gruppe des B. patagiatus vorkommt. Skorikov beschreibt 
solche Grauvarianten des B. patagiatus als griseus und canosus. Ein Weibchen 
der letzteren Variante stammt aus dem Ussurigebiet, ein anderes von Jakutsk, ein 
Weibchen des griseus von Krasnojarsk. Skorikov führt, das sei hier in Paren- 
these bemerkt, ferner eine grau gebänderte Variante, susterae des B. lucorum, aus 
Boehmen und von Leningrad an, bei der „alle Streifen von intensiv grauer Fär- 
bung" sind. Ferner hat O. Vogt eine grau gebänderte Variante griseofasciatus 
des B. niveatus aus Kleinasien beschrieben. Bei stärkerer Vergrösserung zeigte 
sich, dass bei letzterer die vermeintliche Graufärbung darauf beruht, dass zahllose 
feinste fest haftende Konkremente mit den Haaren verklebt sind. Es handelt sich 
wahrscheinlich hierbei nicht um eine einfache Verschmutzung, wie sie leicht durch 
Auskämmen des Haarkleides entfernt werden kann, sondern darum, dass erst 
ein Exsudat des Chitins der Haut oder der Haare die Voraussetzung für die be- 



E. Krüger : Studien an Terrestribombus 105 

schriebene Erscheinung liefert. Ich werde in dieser Annahme noch dadurch 
bestärkt, dass oft bilateral symmetrische Teile diese Verschmutzung zeigten. Die 
Konkremente, wahrscheinlich feinste Staubteile, konnten weder durch Wasser noch 
durch Alkohol oder andere fettlösende Reagentien, wohl aber durch Kalilauge 
entfernt werden, washalb ich annehme, dass es sich um Eiweiss handelt, dass diese 
Teile so fest mit den Haaren verklebt. Alle von mir untersuchten graubindigen 
Tiere erwiesen sich sowohl beim B. lucorum, wie beim B. terrestres als verschmutz- 
te Exemplare, das gilt auch für den oben erwähnten griseofasciatus. Ich nehme 
dasselbe für die von Skorikov beschriebenen Formen canosus, griseus und 
su st er ae an. 

10. Bombus malaisei Bischoff 

Ich fasse diese Form des Terrestribombus. die auf Kamtschatka beheimatet ist, 
nicht wie der Autor als Subspezies des B. terrestris. sondern auf Grund der plas- 
tischen Merkmale als eine besondere Art auf. 

Weibchen: Gesicht schwarz oder mit wenigen braunen Haaren oder bis auf 
wenige seitliche schwarze Haare ganz braun behaart (fulvofacialis). Stirn schwarz, 
Collare und 2. Tergit fast elfenbeinfarbig. Die Breite des Collare schwankt 
zwischen den Gradus postcollaris und latocollaris. Der Autor erwähnt je ein 
Weibchen von Klutschi und der Achantenbay mit cryptarum Tendenz. Corbicula- 
haare vorherrschend schwarz, bei einzelnen mit braunen Haaren. Bei den Arbei- 
tern ist das Collare sehr breit und die Binde des 2. Tergites ausgeprägter gelb, 
fast beigefarbig. Das einzige Männchen ist wie die Arbeiter gefärbt, aber lang- 
haariger. Ein abschliessendes Urteil darüber, ob die Arbeiter und das Männchen 
Artgenossen des Weibchens sind, kann noch nicht gefällt werden. 



Entomologische Berichten 

De Entomologische Berichten worden eveneens door de Nederlandsche Entomo- 
logische Vereeniging uitgegeven en zijn bestemd voor de publicatie van kortere 
artikelen, van faunistische notities etc, alsmede van de Verslagen der Vergade' 
ringen en van mededelingen van het Bestuur. Zij verschijnen twaalf maal per jaar 
in een aflevering van 16 of meer bladzijden. Deze 12 afleveringen vormen samen 
een deel. 

Alle zakelijke correspondentie betreffende de Vereniging te richten aan de 
Secretaris, G. L. van Eyndhoven, Zeeburgerdijk 21, Amsterdam-O. 

Alle correspondentie over de redactie van het Tijdschrift voor Entomologie te 
richten aan de Redacteur, Dr. A. Diakonoff, Rijksmuseum van Natuurlijke 
Historie, Leiden. 

Alle correspondentie over de redactie van de Entomologische Berichten te rich- 
ten aan de Redacteur, B. J. Lempke, Oude IJselstraat 12III, Amsterdam-Z.2. 

Alle betalingen te richten aan de Penningmeester, Ir. G. A. Graaf Bentinck, 
Kasteel, Amerongen, postgiro 188130, ten name van de Nederlandsche Entomolo- 
gische Vereeniging te Amerongen. 

Alle correspondentie betreffende de Bibliotheek der Vereniging te richten aan 
de Bibliotheek, Zeeburgerdijk 21, Amsterdam-O. 



INHOUD 



Wiel, P. van der. Bijdrage tot de kennis der Nederlandse kevers, IV (16e 

vervolg op het aanhangsel in Coleoptera Neerlandica III) .... 1 

Roepke, W., Some new or little known Lepidoptera Heterocera from Indo- 
nesia and New Guinea, II 23 

Lith, J. P. van. Notes on Epeolus (Hymenoptera Aculeata, Apidae) . . 31 

Havelka, J. II. Beitrag zur Kenntnis der Gattung Galeruca Geoffroy (Co- 
leoptera, Galerucidae) 47 

Lieftinck, M. A. Revision of the Carpenter-bees (Xylocopa Latreille) of 

the Moluccan Islands, with notes on other Indo- Australian species . . 55 

Krüger, E. Phaenoanalytische Studien an einigen Arten der Untergattung 
Terrestribombus O. Vogt (Hymenoptera, Bombidae). II. Teil 
(Fortsetzung) • 75 



NOTICE TO CONTRIBUTORS 

Contributors will receive free of charge fifty reprints of their papers, joint authors have 
to divide this number between them at their discretion. Additional reprints may be ordered 
when returning proofs ; they will be charged at about two Dutch cents per page. 

Manuscripts should be written in Dutch, English, French, German or Italian. If they 
contain descriptions of new genera, species, etc., they should be in one of the four last 
mentioned languages ; only when the descriptions form a minor part of the paper, the 
manuscript may be written in Dutch, with the descriptions in one of these languages. Papers 
in Dutch should contain a short summary in one of these four languages. 

Manuscripts should be typewritten in double spacing on only one side of the paper, with 
a margin of at least three cm at the left side of each sheet. Paragraphs should be indented. 
Carbon copies cannot be accepted, as handling makes them illegible. 

Captions for text figures and plates should be written on a separate sheet in double 
spacing, numbered consecutively in arabic numerals ; the use of a, b, c, or any other sub- 
division of the figure numbering should be avoided. 

Drawings for reproduction should be on good paper in Indian ink, preferably at least 
one and a half times as large as the ultimate size desired. Lettering should be uniform, 
and, after reduction, of the same size. Photographs should be furnished as shiny positive 
prints, unmounted. Plates should be arranged so as to fill a whole page (11.5 x 19 cm) 
of the Tijdschrift, or a portion thereof. Combinations of illustrations into groups are 
preferable to separate illustrations since there is a minimum charge per block. 

Names of genera and lower systematic categories, new terms and the like are to be under- 
lined by the author in the manuscript by a single straight line. Any other directions as to 
size or style of the type are given by the editors, not by the author. Italic type or spacing 
to stress ordinary words or sentences is to be avoided. Dates should be spelled as follows : 
either "10.V.1948" or "10 May, 1948". Other use of latin numerals should be avoided, as 
well as abbreviations in the text, save those generally accepted. Numbers from one to ten 
occurring in the text should be written in full, one, two, three, etc. Titles must be kept 
short. Footnotes should be kept at a minimum. 

Authors will be charged with costs of extra corrections caused by their changing of the 
text in the proofs. 

Bibliography should not be given in footnotes but compiled in a list at the end of the 
paper, styled as follows : 

Mosely, M. E., 1932. "A revision of the European species of the genus Leuctra (Pleco- 

ptera)". Ann. Mag. Nat. Hist, ser. 10, vol. 10, p. 1 — 41, pi. 1 — 5, figs. 1 — 57. 
Text references to this list might be made thus : 
"Mosely (1932) says..." or "(Mosely, 1932)". 

The editors reserve the right to adjust style to certain standards of uniformity. 

Manuscripts and all communications concerning editorial matters should be sent to : 
Dr. A. Diakonoff, Rijksmuseum van Natuurlijke Historic Leiden, The Netherlands. 



DEEL 99 



AFLEVERING 3 



1956 



TIJDSCHRIFT 
VOOR ENTOMOLOGIE 



UITGEGEVEN DOOR 



DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING 





Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3. Gepubliceerd 26 sept. 19?6 



Nederlandsche Entomologische Vereeniging 

Bestuur 

Dr. G. Barendrecht, President (1955 — 1961), Heemstede- Aerdenhout. 

Prof. Dr. D. J. Kuenen, Vice-President (1953—1959), Leiden. 

G. L. van Eyndhoven, Secretaris (1951 — 1957), Haarlem. 

Ir. G. A. Graaf Bentinck, Penningmeester (1952 — 1958), Amerongen. 

Dr. G. Kruseman, Bibliothecaris (1954 — 1960), Amsterdam. 

Dr. J. Wikke, (1951—1956), Bennekom. 

Dr. F. E. Loosjes (1955—1958), Bennekom. 

Commissie van Redactie voor de Publicaties 

Dr. G. Barendrecht (1955 — 1961), Heemstede-Aerdenhout. 

Dr. A. Diakonoff (1952—1955), Leiden. 

G. L. van Eyndhoven (1951—1954), Haarlem. 

Dr. L. G. E. Kalshoven (1952—1955), Blaricum. 

B. J. Lempke (1950—1953), Amsterdam. 

P. Chrysanthus (1955—1958), Oosterhout, N.B. 

J. J. de Vos tot Nederveen Cappel (1952—1955), Leiden. 

Bestuur der Afdeling voor Toegepaste Entomologie 

Dr. F. E. Loosjes, Bennekom. 
Dr. D. Dresden, Utrecht. 
Ir. J. W. Heringa, Amsterdam. 
Dr. Ir. G. S. van Marie, Deventer. 
E. Th. G. Elton, Oosterbeek. 

De contributie voor het lidmaatschap bedraagt f 10. — , voor student-leden 
f 2.50, per jaar ; buitenlandse leden betalen f 60. — ineens. — Natuurlijke Per- 
sonen kunnen levenslang lid worden tegen het storten van f 150. — ineens, Na- 
tuurlijke Personen niet-ingezetenen van het Rijk in Europa, Azië of Amerika, 
tegen het storten van f 60. — ineens. — Begunstigers betalen jaarlijks minstens 
f 10. — of, alleen Natuurlijke Personen, f 100. — ineens. 

De leden, behalve de student-leden, ontvangen gratis de Entomologische Be- 
richten van 12 nummers per jaar, waarvan de prijs voor student-leden f 1.50 per 
jaar, voor niet-leden f 1. — per nummer bedraagt. 

De leden kunnen zich voor f 7.50 per jaar abonneren op het Tijdschrift voot 
Entomologie ; hiervan bedraagt de prijs voor niet-leden f 30. — per jaar. 

De oudere publicaties der Vereniging zijn voor de leden tegen verminderde 
prijzen verkrijgbaar. 

Tijdschrift voor Entomologie 

Het Tijdschrift voor Entomologie wordt uitgegeven door de Nederlandsche 
Entomologische Vereeniging en is bestemd voor de publicatie van de resultaten 
van de studie der Entomologie van algemene en bijzondere aard. Het verschijnt 
in één deel van 300 — 350 bladzijden per jaar, bestaande uit vier afleveringen. 
Bovendien worden supplementdelen, handelende over bijzondere onderwerpen, 
op onregelmatige tijdstippen uitgegeven. 



DIE GATTUNGEN DER PALAEARKTISCHEN 

TORTRICIDAE 

I. ALLGEMEINE AUFTEILUNG DER FAMILIE UND DIE 
UNTERFAMILIEN TORTRICINAE UND SPARGANOTHINAE 

VON 

NIKOLAUS S. OBRAZTSOV 

Sea Cliff, New York, U.S.A. 

2. Fortsetzung 

Tribus Cnephasiini (Stt, 1859) Obr., 1949 

36. Synochoneura gen. nov. 
Obr., p. 97 

S. ochriclivis (Meyr.)* 

ochriclivis Meyrick, 1931, Bull. Sect. Sci. Acad. Roum., vol. 14, p. 63 (Eulia).- — Obr. 
fig. 214—215 (Geäder, Kopf), 232—234 ($ Ç -Genitalien). — China. 

37. Olindia Gn., 1845 
Obr., p. 98 

0. ulmana (Hb.) * (68) 

Schumacherana Fabricius, 1787, Mant. Ins., vol. 2, p. 236 (Pyralis); ulmana HÜBNER 
[1822—23, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 45 fig. 278; non bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., 
p. 65 {Ol et hr e ut es); areolana Hübner [1822 — 23, op. cit., t. 45 fig. 279; non bin.], 
1822, op. cit., p. 58 {Olethreutes); hastiana (ex err.) [ ? Haworth, 1811, Lep. Brit., 
p. 462 (Tortrix)'] CURTIS, 1838, Brit. Ent., t. 711 & expl. (Zeiraphera); fasciana 
(non L.) Wallengren, 1888, Ent. Tidskr., vol. 9, p. 194 {Olindia). — Kennel, 
1910, p. 230, Textfig. 23 ( $ -Genitalien), t. 11 fig. 24 — 25 ( $ Ç ); Meyrick, 1913, 
t. 4 fig. 54; Pierce & Metcalfe, 1922, p. 15, t. 6 ( $ $ -Genitalien); Burmann, 
1949, t. 2 fig. 5—6; Benander, 1950, p. 48, Textfig. 4h ( $ -Genitalien); Obr., fig. 
249 — 250 (Geäder, Kopf), 251 — 255 ( $ $ -Genitalien). — Grossbritannien; Europa, 
ab. cruciana Burmann, 1949, Z. Wien. Ent. Ges., vol. 34, p. 44, t. 2 fig. 3 (Aniso- 
taenia). 
ab. obscurana Burmann, 1949, ibid., p. 44, t. 2 fig. 4 (Aiti sot aeri ia) . 

38. Isotrias Meyr., 1895 
Obr., p. 101 

1. rectifasciana (Hw.) * (69) 

trif asciarla (non F.) Donovan, 1806, Nat. Hist. Brit. Ins., vol. 11, p. 30, t. 370 fig. 
2 {Phalaena Tortrix); rectifasciana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 465 (Tortrix); 
nemorana Frölich, 1828, Enum. Tortr. Wiirt., p. 58 (Tortrix); albulana Treitschke. 
1835, Schm. Eur., vol. 10, pars 3, p. 85 (Sciaphila); hybridana (part.) Stephens, 
1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 66 (Cnephasia, Syndemis). — Ken- 
nel, 1910, p. 231 Textfig. 24 ( $ -Genitalien), t. 11 fig. 28 ( $ ); Meyrick, 1913, 
t. 4 fig. 53, t. 5. fig. 67; Pierce & Metcalfe, 1922, p. 15, t. 6 ( $ $ -Genitalien); 

107 



108 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (176) 

Busck, 1931, p. 210, t. 12 fig. 13 ($ -Genitalien); Obr., fig. 241—245 {$ 9- 
Genitalien), 256 (Geäder). — Grossbritannien; Mittel- und West-Europa; ? Kleinasien, 
ab. curvifasciana Stephens, 1834, 111. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 181 {Cnephasia, 
Eudemis); [aurifasciana Stephens, 1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 181 {Cnepha- 
sia); nom. nud.]; hybridana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M. pars 27, 
p. 227 {Olindia). 

ab. pseudomodestana nom. nov.; modestana (non Tr.) Duponchel, 1836, Hist. Nat. 
Lép. France, vol. 9, p. 528, t. 256 fig. 6 {Sciaphila); borridana (part.) DuPONCHEL, 
1846, Cat. Méth. Lép. Eur., p. 298 {Sciaphila); porrectana (part.) Lederer, 1859, 
Wien. Ent. Mschr., vol. 3, p. 329 {Lobesia); rectifasciana (part.) Rebel, 1901, Stgr.- 
Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 93, no. 1644 {Anisotaenia). 

ssp. insubrica Müller-Rutz, 1920, Mitt. Ent. Zürich, vol. 5, p. 339, t. 2 fig. 5 
{Anisotaenia); ? cuencana (non Kenn.) Mitterberger, 1915, Z. wiss. Ins. Biol., vol. 
11, p. 177 (Anisotaenia); rectifasciana (non Hw.) Prohaska, 1922, Z. Österr. Ent. 
Ver., vol. 7, p. 3 {Anisotaenia); carinthiaca Prohaska, 1922, ibid., p. 22 {Aniso- 
taenia'). — Schweiz; Kärnten; Süd-Tirol; Italien. 

ssp. castiliana Ragonot, 1894, Ann. Soc. Ent. France, vol. 63, p. 187 {Olindia); 
cuencana Kennel, 1899, Iris, vol. 12, p. 13, t. 1 fig. 11 {Olindia); rectifasciana (part.) 
Meyrick, 1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 50 {Isotrias). — Kennel, 1910, p. 
232, t. 11 fig. 29 (als cuencana). — Spanien. 

I. hybridana (Hb.)* (70) 

hybridana Hübner, [1814 — 17, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 38 fig. 238; non bin.], 
1822, Syst.-alph. Verz., p. 61 {Archips); ? puellana Frölich, 1828, Enum. Tortr. 
Würt., p. 58 {Tortrix); cingulana [ ? Scopoli, 1772, Ann. Hist. Nat., p. 118 {Pha- 
laena)'] Werneburg, 1864, Beitr. Schm. Kunde, vol. 1, p. 359 {Tortrix); pedemon- 
tana (part.) Kennel, 1910, Pal. Tortr., t. 11 fig. 27 {Anisotaenia). — Kennel, 1910, 
p. 230, t. 11 fig. 26 { $ ). — Mitteleuropa; Balkan; Kleinasien, 
ssp. pedemontana Staudinger, 1871, Beri. Ent. Z., vol. 14, (1870), p. 275 {Olindia); 
fingalana MiLLieRE, 1884, Rev. d'Ent., vol. 3, p. 3 (Olindia); hybridana (non Hb.) 
Lhomme, 1939, Cat. Lép. France & Belg., vol. 2, p. 281 {Isotrias). — Gebirge 
Frankreichs; Piémont; ? Kaukasus. 

I. joannisana (Trti.)? 

joannisana Turati, 1921, Nat. Sic, vol. 23, p. 327, t. 4 fig. 40 — 41 {Anisotaenia) . — 
Mittel-Italien. 

I. stramentana (Gn.)* 

stramentana GuENéE, 1845, Ann. Soc. Ent. France, ser. 2, vol. 3, p. 167 {Sciaphila); 
albulana (part.) Lederer, 1859, Wien. Ent. Mschr., vol. 3, p. 253 {Olindia). — 
Kennel, 1910, p. 232, Textfig. 25 ( $ -Genitalien), t. 11 fig. 30 — 31 {$ 9). — 
— Schweiz; Süd-Frankreich; Spanien. 

39- Propiromorpha gen. nov. 
Obr., p. 102 

P. rhodophana (HS.)* 

rhodophana HERRiCH-SCHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 234 {Pen- 
thina) [1849, Tortr., t. 52 fig. 368; non bin.]. — Kennel, 1910, p. 167, t. 8 fig. 50 
{$); Obr., fig. 246 — 248 ( $ -Genitalien), 257—258 (Geäder, Kopf). — Süd- 
Europa (mit Ausnahme von Süd-Russland und der Iberischen Halbinsel); Süd-Polen; 
Kleinasien. 

P. adulterinana (Kenn.) 

adulterinana Kennel, 1901, Iris, vol. 13, (1900), p. 221 {Lophoderus) . — Kennel, 
1910, p. 167, t. 8 fig. 51 ( ? ). — Nordwest-Afrika. 



(177) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortrìcidae 109 

40. Eulia Hb., 1825 
Obr., p. 103 

Eu. ministrana (L.) * 

ministrana LiNNé, 1758, Syst. Nat., ed. 10, p. 531 (Phalaena Tortrix); [ferugana 
Hübner, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 10 fig. 56; non bin.]; ferrugana 
Hübner, 1822, Syst.-alph. Verz., p. 60 {Olethreutes). — Kennel, 1910, p. 168, t. 8 
fig. 53 ( 9 ); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 9, t. 3 ( $ 9 -Genitalien); Diakonoff, 
1939, p. 189, fig. 14, B — E ( $ -Genitalien, Geäder, Kopf), 9, F ( 9 -Genitalien) ; 
Benander, 1950, p. 42, Textfig. 5h ( $ -Genitalien); Obr., fig. 216 — 217 (Geäder, 
Kopf), 259 — 262 ($ 9 -Genitalien). — Grossbritannien; Europa; Sibirien; Japan; 
Nord-Amerika. 

ab. dilutana Strand; dilutanus Strand, 1901, Nyt. Mag. Naturvid., vol. 39, p. 66 
(Lophoderus). 

ab. subfasciana Stph.; subfascianus Stephens [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 
184; nom. nud.], 1834, 111. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 144 (Lophoderus); ferrugana 
(non Hb.) Duponchel, 1836, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 478, t. 261 fig. 2 
(Tortrix); livoniana Duponchel, 1845, Cat. Méth. Lép. Eur., p. 289 (Ptycholoma); 
ministranus (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 223 (Lopho- 
derus); infuscanus Strand, 1901, Nyt. Mag. Naturvid., vol. 39, p. 66 (Lophoderus). 

Species incertae sedis 

Eu. ? abdallah Le Cerf 

abdallah Le Cerf, 1932, Bull. Soc. Ent. France, vol. 37, p. 165 (Eulia). — Marokko. 

Eu. ? ancillana (Kenn.) 

anciUana Kennel, 1899, Iris, vol. 12, p. 5, t. 1 fig. 3 (Tortrix, Lophoderus). — 
Kennel, 1910, p. 169, t. 8 fig. 55 ( $ ). — Syrien. 

Eu. ? dryonephela Meyr. 

dryonephela Meyrick, 1932, Exot. Mier., vol. 4, p. 256 (Eulia). — Japan (Hokkaido). 

Eu. ? neftana Luc. 

neftana Lucas, 1943, Bull. Soc. Ent. France, vol. 48, p. 134 (Eulia). — Tunis. 

41. Cnephasia Curt., 1826 
Obr., p. 104 

C. cinareana Chrét. (71) 

cinareana CHRéTiEN, 1892, Naturaliste, p. 132 (Cnephasia); cinereana (err.) Meyrick, 
1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 47 (Cnephasia). — Filipjev, 1934, p. 1408; 
1935, p. 55; Lhomme, 1939, p. 276. — Süd-Frankreich; Nieder-Österreich; Kaukasus; 
Kleinasien. 

C. sedana (Const.) * (72) 

sedana Constant, 1884, Ann. Soc. Ent. France, ser. 6, vol. 4, p. 221, t. 9 fig. 8 

(Sciaphila); cupressivorana (non Stgr.) Kennel, 1910, Pal. Tortr., Textfig. 18 ( $ - 

Genitalien) (Tortrix). — Kennel, 1910, p. 201, t. 10 fig. 32 — 33 ( $ 9 ); Filipjev, 

1934, p. 1408; 1935; p. 56; Obr., fig. 267 ( $ -Genitalien). — (In Alpenzonen von:) 

Nordwest- Afrika; Süd- und Mitteleuropa; Kaukasus; Kleinasien. 

f. (?ab.) valderiana Turati & Verity, 1911, Boll. Soc. Ent. Ital., vol. 43, p. 228 

(Cnephasia); meridionalis [Cleu, 1951, Rev. Franc. Lép., vol. 13, p. 159; nom. nud.] 

RéAL, 1952, ibid., p. 221 (Cnephasia). 

f. (?ab.) agathana Kennel, 1919, Mitt. Münchn. Ent. Ges., vol. 8, (1917/18), p. 62, 

95, t. 2 fig. 15, t. 4 fig. 4 (genit. $ ) (Tortrix); sedana (part.) Filipjev, 1934, Bull. 

Acad. Sci. URSS, p. 1408 (Cnephasia). 



110 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (178) 

[„race" mediterranea RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 61 (Cne- 
phasia, Anoplocnephasia); nom. nud. — Lago di Naret.] 

ssp. alaicana Caradja, 1916, Iris, vol. 30, p. 49 (Cnephasia); sedana (part.) Wal- 
singham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p. 460 (Tortrix)', marcidana 
Kennel, 1901, Iris, vol. 13, (1900), p. 229 {Tortrix; nom. praeocc); oncosts (non 
Meyr.) Filipjev, 1934, Bull. Acad. Sci. URSS, p. 1408 (Cnephasia); obscurana OsT- 
HELDER, 1938, Mitt. Münchn. Ent. Ges., vol. 28, p. 23 (Cnephasia; nom. praeocc). — 
Kennel, 1910, p. 214, t. 11 fig. 7 (als marcidana). — Zentral- und Südwest- Asien. 

C. heinemanni nom. nov. * (73) 

monochromana Heinemann, 1863, Schm. Dtschl. & Schweiz, pars 2, vol. 1, fase. 1, p. 
56 (Sciaphila; nom. praeocc); wahlbomiana var. Rebel, 1916, Ann. Naturhist. Hofmus. 
Wien, vol. 30, no. 235 bis (Cnephasia). — Kennel, 1910, p. 200, t. 10 fig. 31 
( $ ); Filipjev, 1934, p. 1408; 1935, p. 56 (Genitalien) (als monochromana). — Siid- 
Krain; Istrien; Nord- Italien; Sardinien; Transkaukasien; Kreta. 

C. terebrana (Ams. & Her.) * (74) 

terebrana Amsel & Hering, 1931, Dtsche Ent. Z., p. 148 (Tortrix). — Amsel, 1935, 
p. 290, t. 11 fig. 86; 1935a, p. 260. — Palästina. 

C. orientana (Alph.) * (75) 

orientano- Alphóraky, 1876, Trudy Russk. Ent. Obstsh., vol. 10, (1877), p. 48 
(Sciaphila); gueneana (part.) Meyrick, 1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 44 
(Cnephasia). — Kennel, 1910, p. 199, t. 10 fig. 27 ( Ç ); Gerasimov, 1931, p. 28; 
Filipjev, 1934, p. 1408; 1935, p. 56. — Süd-Ukraine; Südost-Russland; Transkaukasien; 
Nord-Iran; Zen trai- Asien. 

ssp. (?) maraschana Caradja, 1916, Iris, voi. 30, p. 48 (Cnephasia); orientano (non 
Alph.) Wiltshire, 1939, Trans. Ent. Soc Lond., vol. 88, p. 54 (Cnephasia). — 
Nord-Syrien (Marasch); Libanon. 

C. tristrami (Wlsm.) * 

tristrami Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p. 460 (Tortrix). 
— Kennel, 1910, p. 215; Filipjev, 1934, p. 1406; 1935, p. 51 ( $ -Genitalien). — 
Palästina; Syrien; Libanon. 

C. grandis (Osth.) * 

grandis Osthelder, 1938, Mitt. Münchn. Ent. Ges., vol. 28, p. 23, fig- ( $ -Genita- 
lien) (Anisotaenia). — Obraztsov, 1950, p. 312, fig. 9a ( $ -Genitalien). — Nord- 
Iran. 

C. facetana Kenn. * 

facetana Kennel, 1901, Iris, vol. 13, (1900), p. 230 (Cnephasia). — Kennel, 1910, 
p. 215, t. 11 fig. 8 ( $); Obraztsov, 1950, p. 313, fig. 9b ( $ -Genitalien). — 
Palästina; Syrien; Mesopotamien. 

C. fragosana (Z.) * 

fragosana Zeller, 1847, Isis, p. 673 (Sciaphila); fragrosana HERRiCH-SCHäFFER, 1851, 
Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 199 (Sciaphila) [1850, Tortr., t. 54 fig. 379; non 
bin.]; ? semibrunneata Joannis, 1891, Bull. Soc Ent. France, p. 81 (Sciaphila); semi- 
bruneata Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 91, no. 1609b (Cne- 
phasia); orientana (ex err.) Kennel, 1910, Pal. Tortr., t. 10 fig. 28 (Tortrix); guene- 
ana (part.) Meyrick, 1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 44 (Cnephasia); reis- 
seri Filipjev, 1934, Bull. Acad. Sci URSS, p. 1405 (Cnephasia). — Kennel, 1910, 
p. 203 (als fragrosana), p. 199, t. 10 fig. 29 (als semibrunneata); Filipjev, 1935, p. 
49 (Systematik und $ -Genitalien). — Nordwest- Afrika; Süd-Europa; Südwest- Asien. 



(179) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 111 

C. callimachana Trti. (76) 

callimachana Turati, 1924, Atti Soc. Ital. Sci. Nat., vol. 63, p. 153, t. 5 fig. Al — 49 
(Cnepbasia). — Cyrenaika. 

C. longana (Hw.) * (77) 

longana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 463 (Tortrix); cap/liana GuENéE, 1845, Ann. 
Soc. Ent. France, ser. 2, vol. 3, p. 167 (Sphaleroptera); loewiana Zeller, 1847, Isis, p. 
25 (Sciaphila); stratana Zeller, ibid., p. 671 (Sciaphila); ictericana (part.) Stephens, 
1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 64 (Sphaleroptera); ? citrana (part.) 
Lederer, 1859, Wien. Ent. Mschr., vol. 3, p. 337 (Grapholitha); graiana Laharpe, 
1860, Contr. Faun. Sic, p. 393 (Sciaphila); pumicana (part.) REBEL, 1901, Stgr.-Rbl. 
Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 92, no. 1628 (Cnepbasia); ongana (err. typogr.) 
Meyrick, 1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 44 (Cnepbasia); minor ReAL, 1953, 
Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 58 (Cnepbasia, Bracbycnepbasia). — Kennel, 
1910, p. 197, Textfig. 11 ( $ -Genitalien), t. 10 fig. 19—21 (2 $, 1 Ç ), p. 217 
(als gratana); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 11, t. 4 ( $ Ç -Genitalien); Benander, 
1950, p. 46, Textfig. 6u ( $ -Genitalien). — Grossbritannien; Schweden; Mittel- und 
Süd-Europa; Nordwest- Afrika; Kleinasien. 

ab. ictericana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 469 (Tortrix); lutosana Hübner [1811 — 
13, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 31 fig. 200; non bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 62 
(Eutrachia); insolatana HERRiCH-ScHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 
178 (Ablabia) [1848, Tortr., t. 21 fig. 152; non bin.]; luridalbana HERRlCH-SCHäFFER, 
op. cit., p. 178 [fig. 153; non bin.] (Ablabia); stratana (part.) Walker, 1863, List 
Spec. Lep. Het. B. M., pars 27, p. 225 (Sciaphila); longana (part.) WoCKE, 1871, 
Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 240, no 771 (Sciaphila); icterana (err. typogr.) 
Hodgkinson, 1874, Ent. Mo. Mag., vol. 11, p. 85 (Cnepbasia). — Kennel, 1910, 
p. 197, t. 10 fig. 22, 24 ($ $, als longana), fig. 23 (Ç, als luridalbana). 

C. nuraghana Ams. * (78) 

nuraghana Amsel, 1951, Fragm. Ent., vol. 1, fase. 1, p. 106, fig. 7 ( $ -Genitalien) 
(Cnepbasia). — Sardinien. 

C gueneana (Dup.) * (79) 

gueneana Duponchel, 1836, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 439, t. 259 fig. 3 
(Argyrolepia); taurominana Razowski, 1955, Z. Wien. Ent. Ges., vol. 40, p. 265, fig. 
1 ( 9 -Genitalien), 3 ( $ ) (Cnepbasia, Bracbycnepbasia). — Kennel, 1910, p. 198, 
t. 10 fig. 25 ($); Razowski, 1955, p. 265, fig. 2 ( $ -Genitalien), 4 ( $ ). — 
Nordwest-Afrika; Kanaren; Sizilien; Korfu; Kreta. 

ab. segetana Zeller, 1847, Iris, p. 670 (Sciaphila); gueneana (part.) Rebel, 1901, 
Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 91, no. 1609 (Cnepbasia). — Kennel, 1910, 
p. 198, t. 10 fig. 26 ( $ ). 

C. pumicana (Z.)* 

pumicana Zeller, 1847, Isis, p. 669 (Sciaphila). — Kennel, 1910, p. 212, Textfig. 
21 ( $ -Genitalien), t. 11 fig. 2 ( Ç ). — Nordwest- Afrika; Spanien; Sizilien, 
ssp. bizensis RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Lyon, vol. 22, p. 58 (Cnepbasia, Bracby- 
cnepbasia); pumicana (non Z.) Lhomme, 1939, Cat. Lép. France & Belg., vol. 2, p. 
278 (Cnepbasia). — Süd-Frankreich. 

ssp. graecana Rebel, 1902, Beri. Ent. Z., vol. 47, p. 105 (Cnepbasia); pumicana (non 
Z.) Graves, 1925, The Ent., vol. 58, p. 293 (Cnepbasia) . — Rumänien; Griechenland; 
Kleinasien. 

C. tof ina Meyr. (80) 

tof ina Meyrick, 1922, Exot. Mier., vol. 2, p. 498 (Cnepbasia). — Palästina. 



112 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (180) 

C. andreana (Kenn.) (81) 

andreana Kennel, 1919, Mitt. Münchn. Ent. Ges., vol. 8, (1917/18), p. 64, t. 2 
fig 16 (Tortrix). — Südost-Russland (Uralsk). 

C. vetulana (Chr.) * 

vetulana Christoph, 1881, Bull. Soc. Imp. Nat. Moscou, vol. 56, p. 72 {Sciaphila). 
— Kennel, 1910, p. 211, t. 10 fig. 57—58 ( $ 9 ). — Süd-Ussuri; Amur; Korea; 
Japan. 

C. virginana (Kenn.) * 

virginana Kennel, 1899, Iris, vol. 12, p. 12, t. 1 fig. 10 (Sciaphila). — Kennel, 
1910, p. 200, Textfig. 12 ( $ -Genitalien), t. 10 fig. 30 ( $ ). — Kleinasien; Syrien; 
Mesopotamien. 

C. albatana Chrét. (82) 

albatana CHRéTiEN, 1915, Ann. Soc. Ent. France, vol. 84, p. 297 (Cnephasia). — 
Algerien. 

C. laetana (Stgr.) * 

laetana Staudinger, 1871, Beri. Ent. Z., vol. 14, (1870), p. 275 (Sciaphila); delitana 
(part.) Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 110, no. 1970 (Ste- 
ganoptycha). — CHRéTiEN, 1903, p. 11; Obraztsov, 1952, p. 37, fig. 1 ( $ ). — 
Spanien. 

C. crassifasciana Joann. 

crassifasciana Joannis, 1920, Bull. Soc. Ent. France, p. 143 (Cnephasia). — Joannis, 
1930, p. 2, t. 1 fig. 3- — Nordwest-Frankreich. 

C. communana (HS.) * 

wahlbaumiana (part.) Duponchel, 1836, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 391, t. 
256 fig. 4b (Sciaphila); ? sinuana (non Stph.) Westwood & Humphreys, 1845, Brit. 
Moths, vol. 2, p. 141, t. 88 fig. 6 (Cnephasia); communana HERRiCH-SCHäFFER, 1851, 
Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 200 (Sciaphila) [1847, Tortr., t. 16 fig. 113—14; 
non bin.]; ? minorana (part.) HERRiCH-SCHäFFER, 1851, op. cit., p. 201 (Sciaphila); 
? wahlbomiana [HERRiCH-SCHäFFER, 1847, op. cit., t. 15 fig. 107; non bin.] Lederer, 
1859, Wien. Ent. Mschr., vol. 3, p. 252 (Sciaphila); virgaureana (part.) Meyrick, 
1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 47 (Cnephasia); alticolana (err. det.) Müller- 
Rutz, 1929, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 14, p. 129, t. 1 fig. 6a ( $ ), t. 2 fig. 
6b ( $ Genitalien) (Cnephasia). — Kennel, 1910, t. 10 fig. ? 47 ( $ , als wahl- 
bomiana); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 12, t. 5 ( $ $ -Genitalien); Adamczewski, 
1936, p. 270, t. 33 fig. 3—4, t. 35 fig. K. 44 ( $ -Genitalien), t. 37 fig. K. 32 ( Ç - 
Genitalien); Benander, 1950, p. 45, Textfig. 6m ( $ -Genitalien); Obraztsov, 1950, 
p. 310, fig. 7b ( # -Genitalien). — Grossbritannien; Europa; Kleinasien; Sibirien, 
ab. lucia RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 59 (Cnephasia). 
ab. caprionica RéAL, 1953, ibid., p. 59 (Cnephasia). 
ab. seminigra RéAL, 1953, ibid., p. 59 (Cnephasia). 
ab. pseudorthoxyana RéAL, 1953, ibid., p. 59 (Cnephasia). 

C. orthoxyana Real * (83) 

cupvessivorana (non Stgr.) Lhomme, 1939, Cat. Lép. France & Belg., vol. 2, p. 278 
(Cnephasia); orthoxyana RéAL, 1951, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 20, p. 224, fig. 
1 — 2 (^9 -Genitalien) (Cnephasia) . — Frankreich; Dalmatien; Sizilien; Türkei, 
ab. reducta RéAL, 1951, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 20, p. 225 (Cnephasia). 
ab. styx RéAL, 1951, ibid., p. 225 (Cnephasia). 
ab. confluentana RéAL, 1951, ibid., p. 225 (Cnephasia). 



(181) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortrìcidae 113 

C. cupressivorana (Stgr.) * 

cupressivorana Staudinger, 1871, Horae Soc. Ent. Ross., vol. 7, (1870), p. 215 
{Sciaphila). — Kennel, 1910, p. 208, t. 10 fig. 49 (nicht die Textfigur 18 !); Toll, 
1953, p. 127, t. 3 fig. 14 — 14a ( $ -Genitalien). — ? Süd-Frankreich; Spanien; Dal- 
matien; Istrien; Rumänien; Griechenland; Kleinasien. 

C. apenninicola Obr. * (84) 

appenicola (err. typogr.) Obraztsov, 1950, Eos, vol. 26, p. 309; appenninicola 
Obraztsov, ibid., p. 310 fig. 7a ( $ -Genitalien). — Mittel-Italien (Montagna Gran- 
de). 

C. fulturata Rbl. ? (85) 

julturata [N. Filipjev i.l.] Rebel, 1940, Bull. Soc. Fouad 1er Ent., vol. (33) 24, 
p. 36, t. fig. 11 — 12 (Cnepbasia). — Granada; Algerien. 

C. hispanica Obr. * 

hispanica Obraztsov, 1950, Eos, vol. 26, p. 308, fig. 6 ( $ -Genitalien) {Cnepbasia). 
■ — Spanien. 

C conspersana Dougl. * (86) 

conspersana Douglas, 1846, Zoologist, vol. 4, p. 1267 (Cnepbasia); ? cretaceana 
Curtis, 1850, Ann. & Mag. N. H., ser. 2, vol. 5, p. 112 (Cnepbasia); perterana 
Doubleday, 1850, Syn. List Brit. Lep., p. 24 (Cnepbasia); decolorana Stephens, 
1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 64 (Cnepbasia, Syndemis); ? stryriacana 
(part.) HERRiCH-SCHäFFER, 1863, Corr. BI. zool. min. Ver. Regensburg, vol. 17, p. 
125 (Sciaphila); cbrysantheana (non Dup.) RéAL, 1952, Rev. Franc. Lép., vol. 13, 
p. 221 (Cnepbasia). — Pierce & Metcalfe, 1922, p. 11, t. 4 ( $ $ -Genitalien). 
— Grossbritannien; [? Deutschland; ? Spanien; ? Nordwest- Afrika; ? Rumänien; 
Transkaukasien]. 

ab. albospersana Pierce & Metcalfe, 1915, Ent. Mo. Mag., vol. 51, p. 9 (Cnepba- 
sia). 

G chrysantheana (Dup.) * (87) 

? asinana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 464 (Tortrix); ? assinana (nom. emend.) 
Stephens, 1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 181, no. 6998 (Cnepbasia); sinuana 
(non Schiff.) Stephens, 1834, 111. Brit. Ent. Haust., vol 4, p. 128 (Cnepbasia, Eude 
mis); wahlbaumiana (part.) Duponchel, 1836, Hist. Nat. Lép. France, vol 9, p- 391 
t. 256 fig. 4a (Sciaphila); cbrysantheana Duponchel, 1843, op. cit., Suppl., vol. 4, p 
410, t. 83 fig. 5 (Sciaphila); ? alternana GuENeE, 1845, Ann. Soc. Ent. France, ser 
2, vol. 3, p. 165 (Sciaphila); ? stephensiana Doubleday, 1850, Syn. List Brit. Lep 
p. 24 (Cnepbasia); chrysanthemana (nom. emend.) HERRiCH-SCHäFFER, 1851, Syst 
Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 200 (Sciaphila) [1847, Tortr., t. 16 fig. 115 — 16; non 
bin.]; alternella [? Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., 
p. 135 (Phalaena Tinea)] Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 
65 (Cnepbasia, Syndemis); ? perplexana Stephens, 1852, op. cit., p. 65, 101 (Cnepba- 
sia, Syndemis); wahlbomiana (part.) Heinemann, 1863, Schm. Dtschl. & Schweiz, 
pars 2, vol. 1, fase. 1, p. 58 (Sciaphila); alticolana (part.) Heinemann, 1863, op. cit., 
p. 60 (Sciaphila); hyeinana (non Hb.) Werneburg, 1864, Beitr. Schm. Kunde, vol. 1, 
p. 477, 574 (Tortrix); conspersana (non Dgl.) Lhomme, 1939, Cat. Lép. France & 
Belg., vol. 2, p. 273 (Cnepbasia); wilkinsoni [Cleu, 1951, Rev. Fx'anç. Lép., vol. 13, 
p. 159; nom. nud.] RéAL, 1952, ibid., p. 221 (Cnepbasia). — Kennel, 1910, p. 204 
(part.), Textfig. 16 — 17 ( $ Ç -Genitalien), t. 10 fig. 44 — 45 ( $ ) (als ivahlbo- 
miana); id., t. 10 fig. 43 ( 9 ); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 11, t. 4 ( $ $ -Genita- 
lien); Adamczewski, 1936, p. 265, 283, Textfig. la ( Ç -Genitalien), t. 33 fig. 1 — 2 
(Falter), t. 35 fig. T. 137; Kn. 1, t. 37 fig. T. 47 ( $ $ -Genitalien); Benander, 



114 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (182) 

1950, p. 45, Textfig. 6p ( $ -Genitalien); Agenjo, 1952, p. 94, t. 4 fig. 37 ( $ ), t. 
13 fig. 2 — 2a ( $ -Genitalien). — Palaearktische Region. 

ab. rectilinea RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 60 {Cnephasia). 
ab. directana RéAL, 1953, I.e. {Cnephasia). 
ab. vulgaris RéAL, 1953, I.e. {Cnephasia). 
ab. interjunctana RéAL, 1953, I.e. {Cnephasia). 

ab. diffusana Hauder, 1913, Jahresber. Mus. Franc. Carol., vol. 71, p. 97 {Cne- 
phasia); ? parvana RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 60 {Cne- 
phasia) . 

ab. peyerimhoffi RéAL, 1953, I.e. {Cnephasia). 
ab. ( ?) pseudochrysantheana RéAL, 1953, I.e. {Cnephasia). 
ab. ( ?) siennicolor RéAL, 1953, I.e. {Cnephasia). 

ab. (?)freii Weber, 1945, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 19, p. 359, t. 1 fig. 1 
{Cnephasia). 

C. octomaculana Stph. * 

octomaculana Stephens [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 180; nom. nud.], 1834 
111. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 127 {Cnephasia); ? penziana (part.) HERRiCH-ScHäF- 
FER, 1855, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, Index, p. 32 {Sciaphila); ? styriacana 
(part.) HERRiCH-SCHäFFER, 1863, Corr. BI. zool. -min. Ver. Regensburg, vol. 17, p. 
125 {Sciaphila). — Kennel, 1910, p. 202, — Textfig. 13 ( $ -Genitalien), t. 10 fig. 
38 ( $ ); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 11, t. 4 { $ Ç -Genitalien). — Grossbritan- 
nien; ? Ussuri-Land. 

ab. albomaculana Pierce & Metcalfe, 1915, Ent. Mo. Mag., vol. 51, p. 9 {Cne- 
phasia) . 

C. atlantis Fil. * 

atlantis Filipjev, 1934, Bull. Acad. Sci. URSS, p. 1404 {Cnephasia). — Filipjev, 

1935, p. 48; Zerny, 1935, p. 132, t. 2 fig. 18. — Marokko. 

C. osthelderi Obr. * 

osthelderi [N. Filipjev i.L; Osthelder, 1935, Mitt. Münchn. Ent. Ges., vol. 25, p. 
58; nom. nud.] Obraztsov, 1950, Eos, vol. 26, p. 304, fig. 3 — 4 ( $ Ç -Genitalien) 
{Cnephasia). — Nord-Syrien (Marasch). 

C. anatolica Obr. * 

anatolica Obraztsov, 1950, Eos, vol. 26, p. 306, fig. 5 ( $ -Genitalien) {Cnephasia). 
■ — Kleinasien (Anatolien). 

C. virgaureana (Tr.)* (88) 

asseclana Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 131 
{Phalaena Tortrix); inter jectana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 464 {Tortrix); vir- 
gaureana TreitsCHKE, 1835, Schm. Eur., vol. 10, pars 3, p. 89, 253 {Sciaphila); 
? obsoletana (non Stph.) Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths, vol. 2, p. 
142, t. 88 fig. 10 {Cnephasia); musculana (part.) Duponchel, 1846, Cat. Méth. Lép. 
Eur., p. 298 {Sciaphila); ? luahlbomiana (non L.) HERRiCH-SCHäFFER, 1863, Corr. Bl. 
zool.-min. Ver. Regensburg, vol. 17, p. 125 {Sciaphila); ? alticolana (part.) Wocke, 
1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur., p. 241, no 780a {Sciaphila); oleraceana Gibson, 
1916, Canad. Ent., vol. 48, p. 373 {Tortrix); ? octomaculana (non Stph.) Petersen, 
1924, Lep. Fauna Estl. ,p. 431 {Cnephasia); rirgaurenana (err. typogr.) Bentinck, 

1936, Tijdschr. v. Ent., vol. 79, p. 206 {Cnephasia). — Kennel, 1910, t. 10 fig. 46 
($, als wahlbomiana); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 12, t. 5 ( $ $ -Genitalien); 
Adamczewski, 1936, p. 265, 273, t. 35 fig. K.2, T.150, T.124, t. 37 fig. T.133, 
T.155 {$ $ -Genitalien); Benander, 1950, p. 45, Textfig. 6p ($ -Genitalien). — 
Palaearktische Region; Newfoundland. 



(183) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 115 

ab. mediocris (non Meyr.) RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 60 

(Cnephasia). 

ab. latior RéAL, 1953, I.e. {Cnephasia). 

ab. confluens [Cleu, 1951, Rev. Franc. Lép., vol. 13, p. 159; nom. nud.] RéAL, 1952, 

ibid., p. 220 (Cnephasia). 

C. pascuana (Hb.) * (89) 

logiana (non L.) Ha worth, 1811, Lep. Brit., p. 464 (Tortrix); wahlbomiana Zin- 
CKEN, 1821, Charpentier's Zinsler Wickler etc., p. 81 (Tortrix); pascuana Hübner, 
1822, Syst.-alph. Verz., p. 63 (Olethreutes); pasivana Treitschke, 1835, Schm. Eur., 
vol. 10, pars 3, p. 253 (Sciaphila); obsoletana [Stephens, 1829, Syst. Cat. Brit. Ins., 
vol. 2, p. 181; nom. nud.] Wood, 1832, Ind. Ent., p. 148, t. 33 fig. 1003 (Cne- 
phasia): ? sinuana Wood, 1832, op. cit., p. 148, t. 33 fig. 999 (Cnephasia): passi- 
vana Doubleday, 1850, Syn. List Brit. Lep., p. 24 (Cnephasia): pascivana Wood & 
Westwood, 1854, Ind. Ent., ed. 2, p. 276, t. 59 fig. 1830 (Cnephasia): ? commu- 
nana (part.) Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 241, no 780d (Scia- 
phila); pascuana [Hübner, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 16 fig. 99; non 
bin.] Zeller, 1878, Stett. Ent. Ztg., vol. 39, p. 101 (Tortrix): pseudotypìca RéAL, 
1952, Rev. Franc. Lép., vol. 13, p. 220 (Cnephasia). — Kennel, 1910, t. 10 fig. 48 
( $ , als wahlbomiana): Pierce & Metcalfe, 1922, p. 11 (als pasivana), t. 4 ( $ $ - 
Genitalien); Adamczewski, 1936, p. 286, Textfig. 2, t. 36 fig. K.l, Tl.l, W.2 
(Falter, $ $ -Genitalien) ; Benander, 1950, p. 44, Textfig. 6r ($ -Genitalien) ; 
Toll, 1953, p. 127, t. 3 fig. 16 — 16a ( $ -Genitalien); Obr., fig. 218 — 19 (Geäder, 
Kopf), 263 — 66 ( <$ 9 -Genitalien). — Palaearktische Region, 
ab. algerana RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 61 (Cnephasia). 
ab. cleuana [Cleu, 1951, Rev. Franc. Lép., vol. 13, p. 159; nom. nud.] RéAL, 1952, 
ibid;, p. 220 (Cnephasia). 

ab. (?) obscurana Reuter, 1900, Acta Soc. Fauna & Flora Fenn., vol. 15, (1899), p. 
46 (Sciaphila). 

f. (?) pyrophagana Rebel, 1939, Z. Wien. Ent. Ver., vol. 24, p. 163 (Cnephasia). 
— Unter-Egypten. 
f. (?) linophagana Rebel, 1939, I.e. (Cnephasia). — Unter-Egypten. 

C. bleszynskii Toll * 

bleszynskii Toll, 1953, Polsk. Pismo Ent., vol. 22, (1952), p. 125, t. 2 fig. 7 
(Flügel), t. 3 fig. 15 ( $ -Genitalien) (Cnephasia). - — Sudeten. 

C. pulmonariana Real * 

pulmonariana RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 61, fig. 5 ( $ - 
Genitalien) (Cnephasia) . — Nord-Frankreich (Seine-et-Oise). 

C. alticolana (HS.) * 

wahlbomiana (part.) ZiNCKEN, 1821, Charpentier's Zinsler Wickler etc., p. 81 (Tort- 
rix): asseclana (non Schiff.) Charpentier, 1821, op. cit., p. 83 (Tortrix); walbomiana 
Hübner [1811—13, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 32 fig. 203; non bin.], 1822, Syst.- 
alph. Verz., p. 66 (Olethreutes): alticolana HERRiCH-ScHäFFER, 1851, Syst. Bearb. 
Schm. Eur., vol. 4, p. 200 (Sciaphila) [1847, Tortr., t. 16 fig. 112; non bin.]; vir- 
gaureana (part.) Meyrick, 1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 47 (Cnephasia); 
branderiana var. Franz, 1943, Denkschr. Akad. Wiss. Wien, math.-nat. KL, vol. 107, 
p. 192 (Cnephasia). — Adamczewski, 1936, p. 276, Textfig. lb, t. 32 fig. 1—3 
(Falter), t. 34 fig. T.109, T.116, T.118 ( $ $ -Genitalien). — Gebirge Mittel- und 
Süd-Europas; Frankreich; Polen; Balkan; Ost-Russland. 

ab. juneta RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 59 (Cnephasia). 
ab. decaryi RéAL, 1953, I.e. (Cnephasia). 



116 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (184) 

C. uniformarla Car. * 

uniformarla Caradja, 1916, Iris, vol. 30, p. 49 (Cnephasia). — Filipjev, 1934, p. 
1408; 1935, p. 55. — Kleinasien. 

C. kenneli nom. nov. * (90) 

obsoletana (non Wood) Kennel, 1901, Iris, vol. 13, (1900), p. 230 (Cnephasia; nom. 
praeocc). — Kennel, 1910, p. 212, t. 11 fig. 1 ( $ ). — Kleinasien; Syrien; ? Kuld- 
scha. 

C. tianshanica Fil. * 

abrasana (non Dup.) Rebel, 1914, Iris, vol. 28, 273 (Cnephasia; err. det.); tiansha- 
nica Filipjev, 1934, Bull. Acad. Sci. URSS, p. 1407 (Cnephasia). — Filipjev, 1935, 
p. 51. — Kuldscha. 

C. genitalana P. & M. * (91) 

? humerana Peyerimhoff, 1877, Pet. Nouv. Ent., vol. 9, p- 101 (Sciaphila); ? p erte- 
rana (non Dbld.) Kennel, 1910, Pal. Tortr., t. 10 fig. 35 ( $ ) (Tortrix); ? chry- 
santhemana (part.) Meyrick, 1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 47 (Cnephasia); 
conspersana (non Dgl.) [ ? Kennel, 1910, Pal. Tortr., p. 201, t. 10 fig. 34 ( $ ) 
(Tortrix)] RéAL, 1952, Rev. Franc. Lép., vol. 13, p. 221 (Cnephasia). — Pierce & 
Metcalfe, 1922, p. 12, t. 5 ( $ $ -Genitalien); Filipjev, 1934, p. 1408; 1935, p. 
55; Adamczewski, 1936, p. 265, 288, Textfig. 2, t. 36 fig. W.l, R.2 ( $ $ -Genita- 
lien). — England; Frankreich; Süd-Deutschland; Polen; Schweden; Dänemark, 
ab. albicans RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 58 (Cnephasia). 
ab. pseudoalternella RéAL, 1953, ibid., p. 59 (Cnephasia). 
ssp. gallicana RéAL, 1953, ibid., p. 58 (Cnephasia) , — West- und Mittel-Frankreich. 

C. hellenica nom. emend. * (92) 

helenica Obraztsov, 1950, Eos, vol. 26, p. 311, fig. 8 ( $ -Genitalien) (Cnephasia). 
— Griechenland. 

C. bogodiana Trti. (93) 

bogodiana Turati, 1924., Atti Soc. Ital. Sci. Nat., vol. 63, p. 152, t. 5 fig. 46 
(Cnephasia). — Cyrenaika. 



Species incertae sedis (94) 

C. (?) alhamana Schmidt (95) 

alhamana Schmidt, Bol. Soc. Esp. Hist. Nat., vol. 33, p. 401 (Tortrix, Cnephasia). — 
Spanien. 

C. (?) distinctana Luc. 

distinctana Lucas, 1937, Bull. Soc. Ent. France, vol. 42, p. 126 (Cnephasia). — 
Marokko. 

C. (?) luctuosana Rbl. (96). 

luctuosana Rebel, 1914, Iris, vol. 28, p. 272, t. 4 fig. 9 (Cnephasia) . — Thian-Schan; 
Kuldscha. 

C. (?) mesomelana (Wkr.) 

mesomelana Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 28, p. 346 (Sciaphila). 
— China (Schanghai). 

C. (?) mienshani (Car.) (97) 

mienshani Caradja, 1939, Iris, vol. 53, p. 11 (Tortrix). — Nord-China (Schansi). 



(185) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktiscben Tortricidae 117 

C. (?) oricasis Meyr. (98) 

oricasis Meyrick, 1932, Exot. Mier., vol. 4, p. 342 (Cnephasia). — Kaschmir. 

C. (?) personatana Kenn. 

personatana Kennel, 1901, Iris, vol. 13, (1900), p. 231 (Cnephasia). — Kennel, 
1910, p. 214, t. 11 fig. 6 ( $ ). — Oberes Amurgebiet. 

42. Cnephasiella Adamcz., 1936 
Obr., p. 108 
C. abrasana (Dup.) * 

abrasaha Duponchel, 1843, Hist. Nat. Lép. France, Suppl., vol. 4, p. 407, t. 83 fig. 
2 (Sciaphila); ? perterana (part.) Kennel, 1910, Pal. Tortr., t. 10 fig. 36 — 37 
(Tortrix). — Kennel, 1910, p. 213, t. 11 fig. 3(C); Pierce & Metcalfe, 1922, 
p. 10, t. 3 ( $ -Genitalien); Adamczewski, 1936, p. 270; Toll, 1953, p. 127. — 
Grossbritannien; Mittel-Europa; Italien; Balkan; Kleinasien; Zentral-Asien. 

C. (?) barbarana (Wlsm.) 

barbarana Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p. 461 {Tortrix). 
— Syrien. 

C. incertana (Tr.) * (99) 

incertana Treitschke, 1835, Schm. Eur., vol. 10, pars 3, p. 91 (Sciaphila); ? wähl- 
bomiana Zetterstedt, 1840, Ins. Lap., p. 984 (Eana); subjectana GuENéE, 1845, 
Ann. Soc. Ent. France, ser. 2, vol. 3, p. 165 (Sciaphila); ? logiana (non Cl., non 
Hw.) Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths, vol. 2, p. 142, t. 88 fig. 9 
(Cnephasia); minorarla HERRiCH-SCHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 
201 {Sciaphila) [1847, Tortr., t. 15 fig. 104 — 6; non bin.]; minusculana [Zeller, 
1849, Stett. Ent. Ztg., vol. 10, p. 247; non bin.] Lederer, 1859, Wien. Ent. Mschr., 
vol. 3, p. 252 (Sciaphila); pascuana (non Hb.) Stainton, 1859, Man. Brit. Butt. & 
Moths, vol. 2, p. 258 (Cnephasia); ? communana (part.) Wocke, 1871, Stgr. Wck. 
Cat. Lep. Eur. Faun., p. 241, no. 780d (Sciaphila). — Kennel, 1910, p. 203, Textfig. 
14 — 15 ($ $ -Genitalien), t. 10 fig. 41 — 42 ($, als incertana und minorano); 
Pierce & Metcalfe, 1922, p. 10, t. 3 ( $ $ -Genitalien); Müller-Rutz, 1929, p. 
129, t. 2 fig. 6a ( $ -Genitalien, als wahlbomiana); Adamczewski, 1936, p. 265, 
268, t. 35 fig. T1.9 t. 37 fig. W.5 ($ Ç -Genitalien) ; Benander, 1950, p. 46, 
Textfig. 60 ( $ -Genitalien); Obr., fig. 268 — 272 (Kopf, Geäder, $ $ -Genitalien). 
■ — Grossbritannien: Europa (mit Ausnahme der Polarregion); Transkaukasien; Klein- 
asien. 

ab. leueotaeniana Schawerda, 1914, Verh. zool.-bot. Ges. Wien, vol. 64, p. 376 
(Cnephasia); fragrosana (ex err.) Kennel, 1910, Pal. Tortr., t. 10 fig. 40 (Tortrix); 
pseudocommunana RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 57 (Cnepha- 
sia, Cnephasiella). 

43. Palpocrinia Kenn., 1919 
Obr., p. 109 
P. ottoniana Kenn. * 

ottomana Kennel, 1919, Mitt. Münchn. Ent. Ges., vol. 8, (1917/18), p. 66. t. 2 
fig. 20, t. 4 fig. 5 (Palpocrinia). — Obr., fig. 279 (Kopf). — Lob-Noor. 

44. Oxypteron Stgr., 1871 
Obr., p. no 
O. palmoni (Ams.) * 

palmoni Amsel, 1940, Veröff. Dtsch. Kolon. Übers. Mus., vol. 3, p. 37, fig. 1 
(Tortricodes). — Amsel, 1948, p. 301, fig. 1 — 2 (Geäder), 6 ( $ -Genitalien), 9 
(Palpus), 12 (Fühler). — Palästina; Syrien. 



118 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (186) 

O. impar Stgr. * 

impar Staudinger, 1871, Beri. Ent. Z., vol. 14, (1870), p. 276 {Oxypteron). — 
Kennel, 1910, p. 226, t. 11 fig. 17—18 ( $ Ç ); Amsel, 1948, p. 301, fig. 7 
( $ -Genitalien), 16 (Fühler); Obr., fig. 220—21 (Geäder, Kopf), 273—274 {$- 
Genitalien). — Südost-Russland; Transkaukasien; Westteil Zentral-Asiens; Südwest- 
Asien. 

O. neogenum Gozm. * 

? impar (non Stgr.) Lhomme, 1939, Cat. Lép. France & Belg., vol. 2, p. 270 {Tortri- 
codes); neogena GozMaNY, 1954, Ann. Hist. Nat. Mus. Nat. Hung., ser. nova, vol. 
5, p. 274, fig. 1 — 2 ( $ -Genitalien), 3 (Fühler) {Oxypteron, Psammozesta). — Spa- 
nien; ? Süd-Frankreich. 

O. (?) partitanum Chrét. 

partitanum CHRéTiEN, 1915, Ann. Soc. Ent. France, vol. 84, p. 297 {Oxypteron). — 
Amsel, 1948, p. 302. — Tunis (Gafsa). 

O. eremicum (Wlsm.) * 

eremica Walsingham, 1907, Ent. Mo. Mag., vol. 43, p. 194 {Tortricodes). — Amsel, 
1948, p. 301, fig. 5 ( $ -Genitalien), 11 (Palpus). — Algerien. 

O. homsanum Ams. * 

homsana Amsel, 1954, Bull. Soc. Fouad 1er Ent., vol. 38, p. 47, fig. 1 ( $ -Genitalien) 
{Oxypteron). — Syrien. 

O. politum (Wlsm.) * 

polita Walsingham, 1907, Ent. Mo. Mag. vol. 43, p. 194 {Tortricodes). — Amsel, 
1948, p. 301, fig. 4 ( $ -Genitalien), 10 (Palpus), 13 — 14 (Fühler). — Nordwest- 
Afrika; Spanien. 

O. (?) exiguanum (Lah.) 

exiguana Laharpe, 1860, Contr. Faune Sicile, (Bull. Soc. Vaudoise Sci. Nat.), p. 11 
{Sciaphila); chapmani Walsingham, 1907, Ent. Mo. Mag., vol. 43, p. 195 {Tortri- 
codes); exigua (laps, calami) GoZMaNY, 1954, Ann. Hist. Nat. Mus. Nat. Hung., ser. 
nova, vol. 5, p. 274 {Oxypteron). — Kennel, 1910, p. 195, t. 10 fig. 14 { $ ); 
Amsel, 1948, p. 302. — Sizilien; Nordwest-Afrika. 

45. Tortricodes Gn., 1845 
Obr., p. ill 
T. adamana Kenn. 

adamana Kennel, 1919, Mitt. Münchn. Ent. Ges., vol. 8, (1917/18), p. 65, t. 2 fig. 
19 {Tortricodes). — Altai. 

T. ignavana (Chr.) * 

ignavana Christoph, 1881, Bull. Soc. Imp. Nat. Moscou, vol. 56, fase. 1, p. 73 
{Cbeimatophila). — Kennel, 1910, p. 225, t. 11 fig. 16 ( $ ). — Zentral-Sibirien; 

Amur. 

T. tortricella (Hb.) * 

tortricella Hübner, 1796, Samml. eur. Schm., Tin., p. 16, t. 2 fig. 11 {Pbalaena Tinea); 
nubilea Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 503 {Diurnea); tortricea Haworth, 1811, I.e. 
{Diurnea); by emana Hübner, [1818 — 19, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 42 fig. 267; 
non bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 61 {Eutrachia); abietana (non F.) Frölich, 
1828, Enum. Tortr. Würt., p. 56 {Tortrix); altemella [? Schiffermiller & Denis, 



(187) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 119 

1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 135 (Phalaena Tinea)'] Treitschke, 1832, 
Schm. Eur., vol. 9, pars 1, p. 39 (Lemmatophila); hyemella Treitschke, 1835, op. 
cit., vol. 10, pars 3, p. 154 (Lemmatopbila): ? alstroemeriana (non Cl.) Werneburg, 
1864, Beitr. Schm. Kunde, vol. 1, p. 462, 553 (Tortrix). — Kennel, 1910, p. 224, 
t. 11 fig. 15 ( $ ); Meyrick, 1913, t. 4 fig. 49, t. 5 fig. 62a — b; Pierce & Metcalfe, 
1922, p. 14, t. 6 ( $ 9 -Genitalien); Amsel, 1948, p. 299, fig. 3 ( $ -Genitalien), 8 
(Palpus), 15 (Fühler); Benander, 1950, p. 49, Textfig. 2e (Geäder), 4) ( $ Genita- 
lien); Obr., fig. 222 — 23 (Geäder, Kopf), 295—98 ($ $ -Genitalien). — Gross- 
britannien; Europa. 



46. Exapate Hb., 1825 
Obr., p. 113 
E. congelatella (Cl.) * 

congelatella Clerck, 1759, Icon. Ins., t. 8 fig. 5 (Phalaena Tinea); gelatella LiNNé, 
1761, Fauna Suecica, ed. 2, p. 370 {Phalaena Tinea); paradoxa Sulzer, 1776, Abgek. 
Gesch. Ins., p. 163, t. 23 fig- 21 — 22 {Phalaena); gelata Fabricius, 1798, Suppl. Ent. 
Syst., p. 460 {Lithosia); gelatana Hübner, [1818 — 19, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 42 
fig. 266; non bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 61 {Eutrachia). — Kennel, 1910, p. 
227, t. 11 fig. 19 ( $ ), 21 ( 9 ); Meyrick, 1913, t. 4 fig. 50; Pierce & Metcalfe, 
1922, p. 14, t. 6 ( $ 9 -Genitalien); Thomann, 1947, p. 481, fig. 3 ( $ ); Benander, 
1950, p. 50, Textfig. 4n ( $ -Genitalien); Obr., fig. 280 — 82 (Geäder, Kopf), 
295 — 98 ( $ Ç -Genitalien). — England; Europa (mit Ausnahme vom Süden), 
ab. kenneli Schille, 1924, Polsk. Pismo Ent., vol. 3, p. 14 (Exapate); congelatella var. 
Kennel, 1910, Pal. Tortr., p. 227, t. 11 fig. 20 (Exapate). 
ssp. tibetana Caradja, 1939, Iris, voi. 53, p. 25 (Exapate). — West-China (Batang). 



E. durateli^ Heyd. * (100) 

duratella Heyden, 1864, Mitth. Schweiz. Ent. Ges., vol. 1, p. 191 (Exapate). — 
Kennel, 1910, p. 228, t. 11 fig. 22 — 23 ( $ $ ); Thomann, 1947, p. 475, fig. 1 — 2 
( $ 9 )• — Schweiz; Frankreich (Gebirge). 



47. Neosphaleroptera Real, 1953 
Obr., p. 115 
N. nubilana (Hw.) * 

[alniana Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 132 
(Phalaena Tortrix); nom. nud.]; nubilana [Hübner, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., 
Tortr., t. 17 fig. Ill; non bin.] Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 467 (Tortrix); 
glareana [? Schrank, 1802, Fauna Boica, vol. 2, pars 2, p. 83] Frölich, 1828, Enum., 
Tortr. Würt., p. 55 (Tortrix); hybridana (non Hb.) Duponchel, 1836, Hist. Nat. Lép. 
France, vol. 9, p. 550, t. 266 fig. 6 (Sciaphila); oxyacanthana HERRlCH-SCHäFFER, 
1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 168 (Lozotaenia) [1848, Tortr., t. 22 fig. 
161; non bin.]; ? juligana [? Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. 
Geg., p. 132 (Phalaena Tortrix)] Werneburg, 1864, Beitr. Schm. Kunde, vol. 1, p. 
464, 555 (Tortrix); conradii Portshinskij, 1888, Sel'skoje Chozjaistvo i Lesovodstvo, 
vol. 159, p. 126, fig. 12 (Tortrix, Grapholitha) . — Kennel, 1910, p. 213, Testfig. 
22 ( $ -Genitalien), t. 11 fig. 4 — 5 (j ?); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 14, t. 6 
( $ 9 -Genitalien); Diakonoff, 1939, p. 205, fig. 12, E ( 9 -Genitalien) : Benander, 
1950, p. 47, Textfig. 6t ( $ -Genitalien); Obr., fig. 293—94 (Geäder, Kopf), 299— 
302 ($ 9 -Genitalien). — Grossbritannien; Europa ( ? mit Ausnahme vom Süd- 
westen); Kleinasien. 

ab. perfuscana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 467 (Tortrix); nubilana (part.) 
Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 66 (Cnephasia, Eudemis). 



120 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (188) 

48. Eana Billb., 1820 
Obr., p. 116 

Sg. Ablabia Hb., 1825 
Obr., p. 119 
E. (A.) argentana (Cl.) * 

argentana Clerck, 1759, Icon. Ins., t. 11 fig. 14 (Phalaena): goiiana LlNNé, 1761, 
Fauna Suec, ed. 2, p. 349 {Phalaena Tortrix); gouana LlNNé, 1767, Syst. Nat., ed. 12, 
vol. 1, p. 879 (Phalaena Tortrix); goiana Fabricius, 1775, Syst. Ent., p. 651 (Pyra- 
lis); margaritalis HüBNER [1776, Samml. eur. Schm., Pyral., t. 8 fig. 48; non bin.], 
1822, Syst.-alph. Verz., p. 55 (Palpita); magnana [HÜBNER, 1811 — 13, Samml. cur. 
Schm., Tortr., t. 36 fig. 225 — 6; non bin.] ZiNCKEN, 1821, Charpentier's Zinsier 
Wickler etc., p. 37 (Tortrix); georgiella Hulst, 1887, Ent. Amer., vol. 3, p. 136 
(Myelois). — Kennel, 1919, p. 196, t. 10 fig. 17 ( ? ); Pierce & Metcalfe, 1922, 
p. 14, t. 6 ( $ $ -Genitalien); Busoc, 1931, p. 210, t. 11 fig. 9 ( 9 -Genitalien); 
Benander, 1950, p. 47, Textfig. 5a ( $ -Genitalien); Obr., fig. 285 (Palpus). — 
Europa; Grossbritannien; Nordwest- Afrika; Kaukasus; Kleinasien; Zentral- Asien; Si- 
birien; Kaschmir; Indien (? ssp.); Japan (? ssp.); Nord-Amerika, 
ssp. plumbeana Kennel, 1910, Pal. Tortr., p. 196, t. 10 fig. 18 (Tortrix). — Korla; 
Uliassutai; China; ? Japan, 
ssp. colossa Caradja, 1916, Iris, vol. 30, p. 48 (Cnephasia). — Altai; Kuldja. 

E. (A). osseana (Sc.) * (101) 

osseana SCOPOLI, 1763, Ent. Garn., p. 238 (Pbalaena); quadripunctana Haworth, 
1811, Lep. Brit., p. 468 (Tortrix); profana Hübner [1811 — 13, Samml. eur. Schm., 
Tortr., t. 36 fig. 227 — 8; non bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 63 (Eutrachia); can- 
tiana Curtis, 1826, Brit. Ent., expl. t. 100 (Cnephasia); boreana Zetterstedt, 1840, 
Ins. Lap., p. 980 (Tortrix); quadripunctata (ex. err.) Wood & Westwood, 1852, 
Ind. Ent., p. 147, t. 33 fig. 995 (Aphelia); stelviana MiLLièRE, 1874, Icon. Descr. 
Lep., vol. 3, p. 434, t. 153 fig. 11 — 14 (Tortrix); bijormana Hauder, 1913, Jahresber. 
Mus. Franc. Carol., vol. 71, p. 95 (Cnephasia); pseudolongana RéAL, 1953, Bull. 
Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 52 (Cnephasia, Ablabia); borreoni RéAL, 1953, I.e. 
(Cnephasia, Ablabia). — Kennel, 1910, p. 195, t. 10 fig. 15 ( $ ); Pierce & Met- 
calfe, 1922, p. 13, t. 6 ( $ $ -Genitalien); Busck, 1931, p. 210, t. 11 fig. 7(9- 
Genitalien); Benander, 1950, p. 47, Textfig. 6v ( <$ -Genitalien). — Europa ( ? mit 
Ausnahme der Iberischen Halbinsel, Süd-Italien und Griechenland); Grossbritannien; 
Sibirien; Island; Nordamerika. 

ab. impunetana Strand, 1901, Nyt. Mag. Naturvid., vol. 39, P- 67 (Cnephasia); 
pallida Müller-Rutz, 1920, Mitt. Ent. Zürich, vol. 5, p. 338, t. 2 fig. 3 (Cnephasia); 
sulfatarana RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 52 (Cnephasia, Abla- 
bia); osseana (non Sc.) RéAL, 1953, I.e. (Cnephasia, Ablabia); alpicola RéAL, 1953, 
I.e. (Cnephasia, Ablabia); alpicolana RéAL, 1953, ibid., p. 61 (Ablabia). 
ssp. darvaza Obraztsov, 1943, Mitt. Münchn. Ent. Ges., vol. 33, p. 88 (Nephodesme). 
—West-Pamir. 

ssp. niveosana Packard, 1866, Proc. Boston N. H. Soc, vol. 11, p. 55 (Sciaphila); 
pratana (non Hb.) Christoph, 1858, Stett. Ent. Ztg., vol. 19, p. 113 (Tortrix); 
osseana (part.) WoCKE, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 240, No. 767 
(Sciaphila, Ablabia). — Kennel, 1910, p. 196, t. 10 fig. 16. — Nord- Amerika; 
? Lappland. 

E. (A.) canescana (Gn.) * (102) 

canescana GuENéE, 1845, Ann. Soc. Ent. France, ser. 2, vol. 3, p. 166 (Sciaphila); 
styriacana HERRiCH-ScHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 198 (Sciaphila) 
[1847, Tortr., t. 17 fig. 119 — 20; non bin.]; monochromana Lederer, 1859, Wien. 
Ent. Mschr., vol. 3, p. 252 (Sciaphila); penziana (part.) Lederer, 1859, I.e.; grises- 
cana RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 52 (Cnephasia, Ablabia); 



(189) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Torlricidae 121 

griseana (ex err.) RéAL, 1953, ibid., p. 61 (Ablabia). — Kennel, 1910, p. 210, 

t. 10 fig. 54; Müller-Rutz, 1929, p. 128, t. 2 fig. 4, 4a ( $ -Genitalien); Kremky, 

1935, p. 127, t. 20 fig. 10, 14 ($ $ -Genitalien); Toll, 1954, p. 45, fig. 3, 5 

($ Ç -Genitalien). — Südliches Mittel-Europa; Süd-Europa; Polen; ? Kleinasien; 

? Zentral- Asien. 

ab. filipjevi RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 52 (Cnephasia, 

Ablabia) . 

ib. montserrati RéAL, 1953, ibid., p. 53 (Cnephasia, Ablabia). 

ab. candidana Laharpe, 1858, (Bull. Soc. Vaudoise Sci. Nat.), Faune Suisse, vol. 6, 

p. 51 (Sciaphila); styriacana (part.) Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., 

p. 240, No. 776a (Sciaphila); canescana (part.) Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. 

Faun., vol. 2, p. 92, No. 1616 (Cnephasia). — Kennel, 1910, t. 10 fig. 55 (als 

styriacana); Müller-Rutz, 1929, t. 1 fig. 4b — c. 

ab. venansoni RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 53 (Cnephasia, 

Ablabia). 

E. (A.) rielana (Real) * 

rielana RéAL, 1951, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 20, p. 230, fig. 5 ( $ -Genitalien) 
(Cnephasia, Ablabia). — Basses Alpes. 

E. (A.) pyrenaica (Toll) * 

pyrenaica Toll, 1954, Bull. Soc. Ent. Mulhouse, p. 45, fig. 1 (Vorderflügelzeichnung), 
2, 4 ( $ $ Genitalien) (Nephodesme). — Hautes Pyrénées. 

E. (A.) incanana (Stph.) * 

[} cineraria Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths, vol. 2, p. 143, t. 88 fig. 16 
(Cnephasia)'}; sinuana (part.) Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, 
p. 65 (Cnephasia, Syndemis); incanana Stephens, 1852, op. cit., p. 101 (Cnephasia); 
pasivana (part.) Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 241, No. 783 
(Sciaphila); derivana (ex. err.) Müller-Rutz, 1929, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 14, 
t. 1 fig. 5, 5a ( $ ), t. 2 fig. 5, 5a ( $ -Genitalien). — Kennel, 1910, p. 203 (als 
sinuana), t. 10 fig. 39 ( $ , als pasivana); Pierce & METCALFE, 1922, p. 13, t. 5 
( $ $ -Genitalien); Kremky, 1935, p. 120, t. 19 fig. 1 ( $ ), 5, 7 ( $ -Genitalien), 
t. 20 fig. 11 ( $ -Genitalien). — Nord- und Mittel-Europa; Grossbritannien; Frank- 
reich; Balkan; Ukraine. 

ab. infuscata RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 54 (Cnephasia, 
Nephodesme) . 

Sg. Eana Billb., 1820 
Obr., p. 119 

E. (E.) clercana (Joann.) * 

clercana Joanne, 1908, Bull. Soc. Ent. France, p. 192 (Cnephasia). — Joannis. 

1930, p. 2, t. 1 fig. 1. — Südost-Frankreich (Lyon , Basses Alpes, Pyrénées Orien- 
tales). 

E. (E.) biruptana (Chrét.) (?) 

biruptana CHRéTiEN, 1922, Oberthür's Etud. Lép. Comp., vol. 19, p. 345 (Cnepha- 
sia). — Marokko. 

E. (E.) joannisi (Schaw.) * 

wahlbomiana & cupressivorana (err. det.) Schawerda, 1927, Verh. zool.-bot. Ges. 
Wien, vol. 76, (1926), p. 23 (Cnephasia); ~> derivana (part.) Müller-Rutz, 1929, 
Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 14, t. 1 fig. 5b ( $ ), t. 2 fig. 5b — c ( $ -Genitalien) 
(Cnephasia); joannisi Schawerda, 1929, Z. Oesterr. Ent. Ver., vol. 14, p. 60, t. 1 



122 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (190) 

fig. 1—2 (Cnephasia). — Filipjev, 1929, p. (55), fig. 1 ( $ Genitalien); RéAL, 
1953, p. 53 ( $ 9 -Genitalien). — Korsika. 

ab. evisa Schawerda, 1929, Z. Oesterr. Ent. Ver., vol. 14, p. 61, t. 1 fig. 3 (Cne- 
phasia). 

ssp. dumonti ReAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 53, fig. 1 — 2 

( $ $ -Genitalien) (Cnephasia, Nephodesme). — Süd-Frankreich (Ardèche, Basses 
Alpes). 

E. (E.) rastrata (Meyr.) (?) (103) 

rostrata Meyrick, 1910, Ent. Mo. Mag., vol. 46, p. 211 (Cnephasia). — Schweiz. 

E. (E.) italica Obr. * 

italica Obraztsov, 1950, Eos, vol. 26, p. 314, fig. 10 ( 9 ), 11, 12 ( $ 9 -Genitalien) 
Cnephasia, Eana) ; canescana (err. det.) OsTHELDER, 1951, Veröffentl. Zool. Staats- 
samml. München, vol. 2, p. 67 (Cnephasia) . — Gebirge Mittel-Italiens; Mazedonien. 

E. (E.) derivana (Lah.) * (104) 

derivarla Laharpe, 1858, (Bull. Soc. Vaudoise Sci. Nat.), Faune Suisse, vol. 6, p. 
55 (Sciaphila); paraliana Zeller, 1872, Stett. Ent. Ztg., vol. 33, p. 103 (Sciaphila); 
virgaureana (err. det.) Diószeghv, 1930, Verh. & Mitt. Siebenbürg. Ver. Naturwiss., 
vol. 79—80, (1929—30), p. 91 (Tortrix). — Kremky, 1935, p. 122, t. 19 fig. 2 
($), 6, 8 ( $ -Genitalien), t. 20 fig. 12 ( 9 -Genitalien); RéAL, 1953, p. 54 (als 
paraliana, Genitalbeschreibung). — Deutschland; Schweiz; Ungarn; Österreich; Süd- 
Tirol; Balkan-Halbinsel; Polen; ? Frankreich; ? Süd-Spanien. 

E. (E.) viardi (Real) * 

viardi RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 54, fig. 8 — 9 ( $ 9 - 
Genitalien) (Cnephasia, Nephodesme). — Basses Alpes. 

E. (E.) cyanescana (Real) * 

cyanescana RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 54, fig. 6 — 7 ( 5 9 - 
Genitalien) (Cnephasia, Nephodesme). — Süd-Frankreich (Alpes méridionales). 

E. (E.) penziana (Thnbg.) * (105) 

penzìana Thunberg & Becklin, 1791, Diss. Ent., vol. 2, p. 43, t. 5 fig. 1 (Tortrix); 
conspersana (non Schiff.) Hübner, 182 5, Verz. bek. Schm., p. 390 (Nephodesme): 
pentziana (nom. emend.) Schawerda, 1929, Z. Oesterr. Ent. Ver., vol. 14, p. 61 
(Cnephasia). — Kennel, 1910, p. 209, Textfig. 19 ( $ -Genitalien), t. 10 fig. 52 
(S); Müller-Rutz, 1929, p. 127, t. 1 fig. 3, 3a — c (Falter), t. 2 fig. 3, 3a ( $■ 
Genitalien); Kremky, 1935, p. 124, t. 19 fig. 3 ( $ ), 9, t. 20 fig. 13 (J J- 
Genitalien); Benander, 1950, p. 47, t. 3 fig. 11 (Vorderflügel), Textfig. 6k ( $ - 
Genitalien); Obr., fig. 283 — 4 (Geäder, Kopf), 303 — 6 ($ 9 -Genitalien). Nord-, 
Mittel- und Süd-Europa; England; Hebriden; Süd- und Ost- Frankreich; Belgien; 
Balkan-Halbinsel; Ost-Baltikum; Polen; Kleinasien; Sibirien. 

ab. bellana Curtis, 1826, Brit. Ent., t. 100 & expl. (Cnephasia); penziana (non 
Thnbg.) Stephens, 1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 180, No. 6992 (Cnephasia); 
diurneana GUENéE, 1845, Ann. Soc. Ent. France, ser. 2, vol. 3, p. 166 (Sciaphila); 
octomaculana (part.) Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 66 
(Cnephasia, Syndemis); clarana RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 
55 (Cnephasia, Nephodesme). — Kennel, 1910, t. 10 fig. 53 ( 9 ); Pierce & Met- 
calfe, 1922, p. 13, t. 5 ( $ 9 -Genitalien). 

ab. alpestris RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 55 (Cnephasia, 
Nephodesme). 

ab. livonica RéAL, 1953, ibid., p. 56 (Cnephasia, Nephodesme); colquhounana (part.) 
Kennel, 19 10, Pal. Tortr., t. 10 fig. 51 (Tortrix). 



(191) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 123 

f. (? ssp.) colquhounana [Doubleday, 1850, Synon. List Brit. Lep., p. 23; nom nud.] 
Barrett, 1884, Ent. Mo. Mag., vol. 20, p. 237, 244 (Sciaphila); penziana ssp. 
Sovinskij, 1937, Trav. Mus. Zool., vol. 19, p. 26 (Nephodesme); colquouhana (err. 
typogr.) RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 56 (Cnephasia, Nepho- 
desme). — Kennel, 1910, p. 209, t. 10 fig. 50 ( $ ); Pierce & Metcalfe, 1922, 
p. 13, t. 5 ( $ $ -Genitalien). — Irland; Insel Man; Shetland-Inseln; Nord-Ukraine; 
Ost-Russland. 

E. (E.) cottiana (Chrét.) * 

cottiana ChrcTIEN, 1898, Naturaliste, p. 178 (Cnephasia). — Kennel, 1910, p. 211, 
Textfig. 20 ( $ -Genitalien),, t. 10 fig. 56; Filipjev, 1929, p. (55), fig. 2 ( $ -Geni- 
talien). — Schweiz; Südost- Frankreich (Gebirge). 

ab. buvati RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 53 {Cnephasia, Ne- 
phodesme). 

ssp. pyrenaea RéAL, 1953, I.e. (Cnephasia, Nephodesme). — Sud-Frankreich (Pyré- 
nées). 

E. (E.) antiphila (Meyr.) (106) 

antiphila Meyrick, 1913, Ent. Mitt., vol. 2, p. 298 (Cnephasia). — Tunis. 

E. (E.) maroccana Fil. 

maroccana Filipjev, 1935, Z. Oesterr. Ent. Ver., vol. 20, p. 57 (Eana). — Zerny, 
1935, p. 132, t. 2 fig. 17. — Marokko. 

E. (E.) nervana (Joann.) * (107) 

nervana JOANNis, 1908, Bull. Soc. Ent. France, p. 190 (Cnephasia); nevadensis Rebel, 
1928, Z. Oesterr. Ent. Ver., vol. 13, p. 50 (Cnephasia). — Joannis, 1930, p. 2, t. 
1 fig. 2; Filipjev, 1935 (vergleichende Beschreibung). — Iberien; Südost-Frankreich 
(Hautes Pyrénées, Hérault, Savoie). 

E. (E.) tyrrhaenica (Ams.) * 

tyrrhaenica Amsel, 1951, Fragm. Ent., vol. 1, p. 108, fig. 8 ( $ -Genitalien) (Cne- 
phasia). — Sardinien. 

E. (E.) ecullyana (Réal) * 

ecullyana RéAL, 1951, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, voi. 20, p. 228, fig. 3—4 ( $ Ç - 
Genitalien) (Cnephasia, Hypostephanuncia) . ■ — Süd-Frankreich; Sizilien. 

E. (E.) wertheimsteini (Rbl.) * 

wertheimsteini Rebel, 1913, Rov. Lap., vol. 20, p. 88, t. 2 fig. 13—14 (Cnephasia); 
vertheimsteini (err. typogr.) Obraztsov, 1935, Ent. Rundsch., vol. 52, p. 1 (Cnepha- 
sia). — Rebel, 1913, p. (4l), fig. 2—3; GozMaNY, 1954, p. 273, fig. 4—5 ( $■ 
Genitalien). - — Ungarn; Süd-Ukraine; Daghestan. 

E. (E.) dominicana (Kenn.) (?) (108) 

dominicana Kennel, 1919, Mitt. Münchn. Ent. Ges., vol. 8 (1917/18), p. 64, t. 2 
fig. 17 (Doloploca). — Zentral-Asien (Dscharkent). 

E. (E.) agricolana (Kenn.) (?) (108) 

agricolana Kennel, 1919, ib., p. 65, t. 2 fig. 18 (Doloploca). — Zentral-Asien 
(Korla). 



124 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (192) 

49. Doloploca Hb., 1825 
Obr., p. 119 

D. punctulana (Schiff.) * 

punctulana Schiffermiller, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 130 (Pbalaena 
Tortrix); schlemmerella Hübner, 1793, Samml. auserles. Vög. u. Schm., p. 6, t. 12 
(Pbalaena Tinea); punctulella Treitschke, 1832, Schm. Eur., vol. 9, pars 1, p. 38 
(Lemmatophila) . — Kennel, 1910, p. 221, t. 11 fig. 11 ($); Meyrick, 1913, p. 
43, t. 4 fig. 51; Obr., fig. 286—7 (Geäder, Kopf), 307—9 ( $ $ -Genitalien). — 
Mittel -Europa; Frankreich; Ost-Baltikum; Ukraine; Ost-Russland. 

D. praeviella (Ersch.) * 

praeviella Erschoff, 1877, Horae Soc. Ent. Ross., vol. 12, (1876), p. 341 (Cbeimato- 
pbila). — Kennel, 1910, p. 222, t. 11 fig. 12 ( $ ). — Zentral-Sibirien (im Süden); 

Ussuri. 

Species incertae sedis 

D. buraetica Stgr. (109) 

buraetica Staudinger, 1892, Iris, vol. 5, p. 388 (Doloploca) . — Kennel, 1910, p. 
222, t. 11 fig. 14 ( $ ). — Kentei-Gebirge. 

D. characterana Snell. (110) 

characterana Snellen, 1883, Tijdschr. v. Ent., vol. 26, p. 191, t. 11 fig. 5, 5a (Dolo- 
ploca). — Kennel, 1910, p. 222, t. 11 fig. 13 ( $ )■ — Amur-Gebiet. 

D. lineata Wlsm. (Ill) 

lineata Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p. 462 (Doloploca). 
— Kennel, 1910, p. 223. — Palästina. 

D. schawerdai Rbl. 

scbawerdai Rebel, 1936, Iris, vol. 50, p. 93 (Doloploca) — Sardinien. 

50. Euledereria Fern., 1908 

Obr., p. 121 

Eu. alpicolana (Fröl.) * 

alpicolana Frölich, 1830, in: Hübner & Geyer, Samml. eur. Schm., Tortr., p. 16, 
t. 52 fig. 328 — 9 (Tortrix). — Kennel, 1910, p. 219, t. 11 fig. 9 — 10 ( $ $ ); 
Thomann, 1947, p. 482, fig. 3 ( $ Ç ); Obr., fig. 288 — 90 (Geäder, Kopf), 310 — 14 
( $ $ -Genitalien). — Alpen Mittel-Europas. 

ab. lugubrana Della-Beffa, 1934, Boll. Lab. Sper. Fitopat. Torino vol. 11, p. 94, 
(Spbaleroptera). — Della-Beffa, 1935, p. 29. 

51. Trachysmia Gn., 1845 

Obr., p. 123 

T. rigana (Sod.) * 

rigana Sodoffsky, 1829, Bull. Soc. Imp. Nat. Moscou, vol. 1, p. 144, t. 3 fig. 3 
(Tortrix); horridana Frölich, 1830, in: Hübner & Geyer, Samml. eur. Schm., Tortr., 
p. 14, t. 52 fig. 327 (Tortrix); ?nodestana Treitschke, 1830, Schm. Eur., vol. 8, p. 
182 (Sciapbila). — Kennel, 1910, p. 166, t. 8 fig. 46 — 7 ( $ ); Benander, 1950, 
p. 42, Textfig. 5j ($ -Genitalien) ; Obr., fig. 291 — 2 (Geäder, Kopf), 315 — 18 
( $ 9 -Genitalien). — Europa (mit Ausnahme von Grossbritannien und der Polar- 
region); Nord-Kaukasus; Sibirien, 
m. alt. monticolana Frey, 1880, Lep. Schweiz, p. 289 (Tortrix); rigana (non Sod.) 



(193) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidoe 125 

HERRiCH-SCHäFFER, 1863, Corr.-bl. zool.-min. Ver. Regensburg, vol. 17, p. 152 (Tort- 
rix); monticala (ex err.) RéAL, 1953), Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 56 
(Cnepbasia, Trachysmia). — Kennel, 1910, p. 166, t. 8 fig. 48 (auf der Tafel als 
rigano). — Höhere alpine Regionen Europas. 

ab. caeca RéAL, 1953, Bull. Mens. Soc. Linn. Lyon, vol. 22, p. 56 (Cnepbasia, Tra- 
chysmia); monticolana (part.) Kennel, 1910, Pal. Tortr., p. 166; rigano, (part.) 
Kennel, 1910, op. cit., t. 8 fig. 49 (Tortrix). 

Tribus Tortricini (Gn., 1845) Obr., 1949 

52. Aleimma Hb., 1825 
Obr., p. 125 
A. loeflingiana (L.) * 

loeflingiana LiNNé, 1758, Syst. Nat., ed. 10, p. 531 (Phalaena Tortrix); plumbeolana 
Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 420 (Tortrix); plumbana Hübner [1796 — 99, Samml. 
eur. Schm., Tortr., t. 9 fig. 54; non bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 63 (Agapeta); 
ameriana (non L.) Hübner, 1825, Verz. bek. Schm., p. 391 (Aleimma); löflingiana 
Lederer, 1859, Wien. Ent. Mschr., vol. 3, p. 247 (Heterognomon); loejjlingiana 
Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 220 (Tortrix); ? mixtana 
[ ? ? Fabricius, 1794, Ent. Syst., vol. 3, pars 2, p. 275 (Pyralis)] Werneburg, 1864, 
Beitr. Schm. Kunde, vol. 1, p. 467, 558 (Tortrix); löfflingiana Petersen, 1924, Lep.- 
Fauna Estl., p. 430 (Tortrix). — Kennel, 1910, p. 174, t. 9 fig- 8 ( $ ); Pierce & 
Metcalfe, 1922, p. 19, t. 8 ( $ Ç -Genitalien); Benander, 1950, p. 40, Textfig. 5d 
( $ -Genitalien); Obr., fig. 319—20 (Geäder, Kopf), 330 ($ -Genitalien), 349—50 
( $ -Genitalien). — Europa; Grossbritannien; Kaukasus; Kleinasien, 
ab. ectypana Hübner, [1799 — 1800, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 30 fig. 190; non 
bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 66 (Agapeta); loeflingiana (part.) Haworth, 1811, 
Lep. Brit., p. 420 (Tortrix); loejjlingiana (part.) Treitschke, 1830, Schm. Eur., vol. 
8, p. 119 (Tortrix). — Kennel, 1910, p. 174, t. 9 fig. 9 ( $ )• 

53. Tortrix L., 1758 
Obr., p. 127 
T. viridana (L.) * 

viridana LiNNé, 1758, Syst. Nat., ed. 10, p. 530 (Phalaena Tortrix). — Kennel, 
1910, p. 174, t. 9 fig- 10 ( $ ); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 20, t. 8 ( $ Ç -Geni- 
talien); Diakonoff, 1939, fig. 13 C— D (Kopf, Geäder), 17 A— C ($ 9 -Genita- 
lien); Obr., fig. 321 — 2 (Geäder, Kopf), 331 — 3 ($ $ -Genitalien). — Europa; 
Grossbritannien; Nordwest- Afrika; Transkaukasien ; Kleinasien; Iran, 
ab. coeruleana Sorhagen, 1881, Beri. Ent. Z., vol. 25, p. 18 (Tortrix'); pjlegeriana 
Vlach, 1942, Acta Soc. Ent. Bohem., vol. 39, p. 125 (Tortrix). 

ab. suttneriana Schiffermiller, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 127 (Pha- 
laena Tortrix); flavana (non Hb.) Zincken, 1821, Charpentier's Zinsler Wickler 
etc., p. 27, 40 (Tortrix); viridana (part.) Duponchel, 1845, Cat. Méth. Lép. Eur., 
p. 287 (Tortrix). — Kennel, 1910, p. 174, t. 9 fig. 11 ( $ )• 

Species incertae sedis (112) 

T. caryocryptis Meyr. 

caryocryptis Meyrick, 1932, Exot. Mier., vol. 4, p. 342 (Tortrix). — ■ Kaschmir. 

T. humana Meyr. 

humana Meyrick, 1912, Exot. Mier., vol. 1, p. 6 (Tortrix). — Himalaja; Nord-Indien. 

T. hyperptycha Meyr. 

hyperptycha Meyrick, 1931, Bull. Sect. Sci. Acad. Roum., vol. 14, p. 63 (Tortrix). 
— China. 



126 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (194) 

T. imperita Meyr. 

'nnperita Meyrick, 1937, Iris, vol. 51, p. 174 (Tortrix). — Yünnan. 

T. myrrhophanes Meyr. 

myrrhopkanes Meyrick, 1931, Bull. Sect. Sci. Acad. Roum., vol. 14, p. 63 (Tortrix). 

— Ost-China. 

T. olgana Kenn. 

olgana Kennel, 1919, Mitt. Münchn. Ent. Ges., vol. 8, (1917/18), p. 61, t. 2 fig. 13 
(Tortrix). — Tunis. 

T. operosa Meyr. 

operosa Meyrick, 1908, J. Bombay N. H., Soc, vol. 18, p. 616 (Cacoecia). — Indien; 
Ceylon; Kwangtung. 

T. rhodochropa Meyr. 

rbodochropa Meyrick, 1927, Exot. Mier., vol. 3, p. 369 (Tortrix).. — Süd- und 
Ostzentral-China. 

T. seclusa Meyr. 

seclusa Meyrick, 1926, Exot. Mier., vol. 3, p. 247 (Tortrix). — Palästina. 

T. segnis Meyr. 

segnis Meyrick, 1918, Exot. Mier., vol. 2, p. 168 (Tortrix). — China; Sikkim. 

T. translucida Meyr. 

translucida Meyrick, 1908, J. Bombay N. H. Soc, vol. 18, p. 616 (Cacoecia). — 
Meyrick, 1932, Exot. Mier., vol. 4, p. 342 ( Ç ). — Kaschmir. 

T. trigonana Wlsm. 

trigonana Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 6, p. 443 (Tortrix). 

— Japan. 

54. Ergasia Iss. & Str., 1932 
Obr., p. 130 

E. indignarla (Chr.) * 

indignarla Christoph, 1881,, Bull. Soc. Imp. Nat. Moscou, vol. 16, p. 69 (Tortrix). 

— Kennel, 1910, p. 168, t. 8 fig. 52 ( Ç ); Issiki & Stringer, 1932, p. 135, fig. 2 
($ $ -Genitalien); Obr., fig. 204 — 5 (Kopie der vorigen Abbildung). — Amur; 
Japan. 

E. tigricolor (Wlsm.) * 

tigricolor Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p. 452 (Tortrix); 
tricolor (ex err.) Matsumura, 1906, Cat. Ins. Jap., Suppl., vol. 1, p. 9 (Tortrix). — 
Issiki & Stringer, 1932, p. 136, fig. 3 ( $ Ç -Genitalien). — Japan. 

E. aurichalcana (Brem.) * 

aurichalcana Bremer, 1864, Mém. Acad. Imp. Sci. St. Petersbourg, ser. 7, vol. 8, 
pars 1, p. 89, t. 7 fig. 22 (Lozotaenia) . — Kennel, 1910, p. 170, t. 9 fig. 2 ( $ ); 
Esaki, 1932, p. 1454, fig.; Obr., fig. 323—4 (Geäder, Kopf), 334—5 ( $ -Genitalien). 

— Südost-Sibirien; China; Japan. 

ab. auristellana Caradja, 1916, Iris, vol. 30, p. 47 (Tortrix). 
ab. isshikii Matsumura, 1931, 6000 Illustr. Ins. Jap., p. 1076, fig. (Tortrix). 



(195) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 127 

E. stibiana (Snell.) (?) (113) 

stibiana Snellen, 1883, Tijdschr. v. Ent., vol. 26, p. 189, t. 11 fig. 4, 4a (Tortrix). 

— Kennel, 1910, p. 171, t. 9 fig. 3 ( $ ). — Siid-Ussuri. 

55. Spatalistis Meyr., 1907 
Obr., p. 131 

S. bifasciana (Hb.) * 

bifasciana Hübner, 1787, Beitr. Gesch. Schm., vol. 1, pars 2, p. 16, t. 3 fig. M 
{Phalaena Tortrix); audouinana Duponchel, 1836, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 
569, t. 166 fig. 5 {Argyrolepia); auduinana GuENéE, 1845, Ann. Soc. Ent. France, 
ser. 2, vol. 3, p. 301 {Chrosis); apicalis Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths, 
vol. 2, p. 169, t. 98 fig. 8 {Argyrotoza) . — Kennel, 1910, p. 152, t. 8 fig. 33 ( 9 ); 
Pierce & Metcalfe, 1922, p. 24, t. 9 ( $ $ -Genitalien); Obr., fig. 210 — 11 ( $- 
Genitalien), 336 — 7 (Geäder, Kopf), 338 ( $ -Genitalien). — England; Frankreich; 
Nord- und Mittel -Europa; Nord-Italien; Ost-Baltikum; Südost-Sibirien; Japan. 

S. aglaoxantha Meyr. 

aglaoxantha Meyrick, 1924, Exot. Micr., vol. 3, p. 116 {Spatalistis). — West-China. 

S. christophana (Wlsm.) * 

christophana Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p. 455 {Tortrix). 

— Kennel, 1910, p. 153, t. 8 fig. 34 ( $ ); Matsumura, 1931, p. 1068, fig.; Esaki, 
1932, p. 1454, fig. — Ussuri; China; Japan. 

S. exuberans (Wlsm.) 

exuberans Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p. 456 {Tortrix). 

— Kennel, 1910, p. 154. — Korea. 

S. leechi (Wlsm.) 

leechi Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H. , ser. 7, vol. 5, p. 454 {Tortrix). — 
Kennel, 1910, p. 153; Matsumura, 1931, p. 1077, fig. — Korea; China; Japan. 

56. Croesia Hb., 1825 
Obr., p. 133 
C. bergmanniana (L.) * 

bergmanniana LiNNé, 1758, Syst. Nat., ed. 10, p. 531 {Phalaena Tortrix); rosana 
Hübner, [1796—99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 22 fig. 137; non bin.], 1822, Syst.- 
alph. Verz., p. 64 {Agapeta). — Kennel, 1910, p. 172, t. 9 fig. 5(9); Pierce & 
Metcalfe, 1922, p. 17, t. 6 ( $ $ -Genitalien); Diakonoff, 1939, p. 221, fig. 11, 
H — I (Geäder, Kopf), 15, C — D {$ $ -Genitalien); Benander, 1950, p. 41, t. 2 
fig. 27 (Flügelzeichnung), Textfig. 5b ( $ -Genitalien) ; Obr., fig. 344 — 5 (Geäder, 
Kopf), 346, 352 — 3 ( 9 $ -Genitalien). — Europa; Grossbritannien; Sibirien; Nord- 
Amerika. 
ab. luteana Sheldon, 1934, The Entom., vol. 67, p. 238 {Argyrotoxa). 

C. forskâleana (L.) * 

forskâleana LiNNé, 1758, Syst. Nat., ed. 10, p. 531 {Phalaena Tortrix); forskähleana 
Fabricius, 1775, Syst. Ent., p. 652 {Pyralis); forskoliana Schiffermiller & Denis, 
1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 127 (Phalaena Tortrix); forskahliana Fabri- 
Cius, 1781, Spec. Ins., vol. 2, p. 285 {Pyralis); forskâleana De Villers, 1789, Linn. 
Ent., vol. p. 395 {Phalaena Tortrix); forskäliana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 
420 {Tortrix); jorskaeleana Zincken, 1821, Charpentier's Zinsler Wickler etc., p. 44 
{Tortrix); forskoleana Hübner [1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 22 fig. 143; 
non bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 61 {Eutrachia); forscaleana Hübner, 1825, Verz. bek. 



128 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (196) 

Schm. ,p. 385 (Rhacodia); forskaliana Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths, 
vol. 2, p. 167, t. 97 fig. 13 (Dictyopteryx); forscaeleana Werneburg, 1864, Beitr. 
Schm. Kunde, vol. 1, p. 34 (Tortrix); folskaleana (err. typogr.) Kennel, 1910, Pal. 
Tortr., t. 9 fig. 1 (Tortrix); jorsskaleana Kloet & Hincks, 1945, Check List Brit. 
Ins., p. 121 (Argyrotoza) . — Kennel, 1910, p. 170, t. 9 fig. 1(5); Pierce & 
Metcalfe, 1922, p. 20, t. 8 ( $ 5 -Genitalien); Benander, 1950, p. 41, Textfig. 5c 
($ -Genitalien); Obr., fig. 347, 351 (Geäder, Palpus). — Europa; Grossbritannien; 
Nord-Kaukasus; Nord-Amerika. 

ab. agraphana Klemensiewicz, 1904, Spraw. Korn. Fiz. Akad. Um. Krakow, vol. 38, 
p. 48 (Tortrix); forskaliana (part.) Westwood & Humphreys, 1845, t. 97 fig. 12 
(Dictyopteryx). 

C. ascoldana (Chr.) * 

ascoldana Christoph, 1881, Bull. Soc. Imp. Nat. Moscou, vol. 56, pars 1, p. 70 
(Tortrix). — Kennel, 1910, p. 171, t. 9 fig. 4 ( ); Matsumura, 1931, p. 1076, fig. 

— Südost-Sibirien; Japan. 

C. holmiana (L.) * 

holmiana LiNNé, 1758, Syst. Nat., ed. 10, p. 532 (Phalaena Tortrix); ? schreberiana 
Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths, vol. 2, p. 114, t. 80 fig. 20 (Lozo- 
taenia). — Kennel, 1908, p. 97, t. 5 fig. 56 ( $ ); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 22, 
t. 9 ( $ 9 -Genitalien); Obr., fig. 339—40 (Geäder, Kopf), 341—3 ($ Ç -Genita- 
lien). — Europa; Grossbritannien; Kleinasien. 

Species incertae sedis (114) 

C. conchyloides (Wlsm.) 

conchyloides Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N.H., ser. 7, vol. 5, p. 453 (Tortrix). 

— China; Japan. 

C. fuscotogata (Wlsm.) 

fttscotogata Walsingham, 1900, ibid., p. 377 (Oxygrapba). — Südost-Sibirien; Japan, 
ab. pretiosana Kennel, 1901, Iris, vol. 13, (1900), p. 208 (Rhacodia). — Kennel, 
1908, p. 98, t. 5 fig. 57. 

C. joannisi (Wlsm.) 

joflnnisi Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p, 455 (Tortrix). — 
China. 

C. quinquefasciana (Mats.) (?) 

5-fasciana Matsumura, 1900, Ent. Nachr., vol. 26, p. 195 (Argyrotoxa) ; quinquefas- 
ciana Meyrick, 1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 52 (Argyrotoxa). — Mat- 
sumura, 1931, p. 1071, fig. — Japan. 

C. undulata (Luc.) 

undulata Lucas, 1946, Bull. Soc. Ent. France, vol. 51, p. 98 (Argyrotoxa) . — Alge- 
rien. 

57. Acleris Hb., 1825 
Obr., p. 135 

A. latifasciana (Hw.) * (115) 

latifasciana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 414 (Tortrix); schalleriana (part.) 
Hübner [1823, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 46 fig. 288; non bin.], 1825, Verz. bek. 
Schm., p. 384 (Acleris); scabrana (part.) HERRiCH-ScHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. 
Eur., vol. 4, p. 149 (Teras) [1847, Tortr, t. 2 fig. 10; non bin.]. — Kennel, 1908, 



(197) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 129 

p. 90 (als scballeriana), t. 5 fig. 32 ( 9 ); Sheldon, 1931, p. 30 und weitere; 
McDuNNOUGH, 1934, p. 296, p. 325 fig. 5, p. 329 fig- 7 ($ 9 -Genitalien). — 
Europa (? mit Ausnahme vom Süden); Grossbritannien; Südost-Sibirien; Japan; 
? Indien; Nord- Amerika. 

ab. labeculana Freyer, 1831, Neuere Beitr. Schm. Kunde, vol. 1, p. 33, 175, t. 18 
fig. 3 (Tortrix); scballeriana (non L.) Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 416 (Tortrix); 
erutana (part.) HERRiCH-ScHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 143 
(Teras) [1847, Tortr., t. 3 fig. 19; non bin.]; ruf ana (part.) Walker, 1863, List 
Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 211 (Teras); cinereanum Reuter, 1899, Acta Soc. 
Fauna Flora Fenn., vol. 15, pars 5, p. 33 (Teras); lipsiana (err. det.) Pierce & 
Metcalfe, 1922, Genit. Brit. Tortr., p. 22, t. 9 ( 9 -Genitalien) (Peronea); labecula 
(ex err.) Dufrane, 1945, Lambillionea, vol. 45, p. 35 (Acalla). — Kennel, 1908, 
p. 90, t. 5 fig. 31 ( 9 ); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 17, t. 7 ( $ 9 -Genitalien); 
FiLiPjEV, 1931, p. 505, 508, t. 25 fig. 4, t. 30 fig. 6 ( $ 9 -Genitalien); Benander, 
1934, p. 122, t. 1 fig. 2 ( $ -Genitalien); Benander, 1950, p. 19, Textfig. 3s ( $ - 
Genitalien) (bei allen Autoren als scballeriana). 

ab. comparana Hübner, [1823, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 46 fig. 284; non bin.] 
1825, Verz. bek. Schm., p. 384 (Acleris); ruf ana (non Sc, non Schiff.) Stephens, 
1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 187, No. 7083 (Peronea); scballeriana (part.) 
Stephens, 1852, List Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 17 (Peronea, Acleris); comariana 
(err. det.) Pierce & Metcalfe, 1922, Genit. Brit. Tortr., t. 6 (59 -Genitalien) 
(Argrotoxa); lattfasciana (part.) Kloet & Hincks, 1945, Check List Brit. Ins., p. 122 
(Peronea). — Kennel, 1908, p. 91, t. 5 fig. 33, 34 ( $ 9 ); Pierce & Metcalfe, 
1922, p. 17; Matsumura, 1931, p. 1061, fig. (als scballeriana). 

ab. perplexana Barrett, 1881, Ent. Mo. Mag s vol. 17, p. 265 (Peronea); scbal- 
leriana (part.) Kloet & Hincks, 1945, Check List Brit. Ins., p. 122 (Peronea). — 
Kennel, 1908, p. 91; Pierce & Metcalfe, 1922, p. 17. 
ab. faaborgensis Strand, 1916, Arch. Naturg., vol. 82, A. 5, p. 167 (Acalla). 

A. comariana (Z.) * 

comariana Zeller, 1846, Isis, p. 262 (Teras); comparana (ex err.) Pierce & Met- 
calfe, 1922, Genit. Brit. Tortr., t. 7 ( $ 9 -Genitalien) (Argrotoxa); meincki Amsel, 
1930, Iris, vol. 44, p. 100 (Acalla). — Kennel, 1908, p. 92; Pierce & Metcalfe, 
1922, p. 17 (Genitalien); 1935, p. 114; Sheldon, 1931, p. 33 (Variabilität); Be- 
nander, 1934, p. 122, t. 1 fig. 1; 1950, p. 19, Textfig. 5r ( $ -Genitalien). — Nord- 
und Mittel-Europa; Grossbritannien; Spanien; Balkan-Halbinsel; Ost-Baltikum; Ost- 
Russland; ? Süd-China. 

ab. proteana HERRiCH-ScHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 144 (Teras) 
[1847, Tortr., t. 5 fig. 29 — 30; non bin.]; comariana (part.) Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. 
Cat. Lep. Pal. Fauna, vol, 2, p. 83, No. 1470 (Acalla). — Kennel, 1908, p. 92, t. 5 
fig- 36 ($). 

ab. potentillana Gregson, 1898, Ent. Weekly Intell., vol. 4, p. 202 (Peronea); 
proteana (part.) Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Fauna, p. 234, No. 673a 
(Teras); comariana (part.) Rebel, 1901, Cat. Lep, Pal. Fauna, vol. 2, p. 83, No. 1470 
(Acalla). — Kennel, 1908, t. 5 fig. 37 ( $ , als proteana); Pierce & Metcalfe, 
1922, p. 19 (Genitalien). 

ab. brunneana Sheldon, 1925, The Entom., vol. 58, p. 285 (Peronea); comariana 
(part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., t. 5 fig. 35 ( 9 ) (Acalla). 
ab. comparana Sheldon, 1925, I.e. (Peronea). 
ab. fuscana Sheldon, 1925, I.e. (Peronea), 
ab. fasciana Sheldon, 1925, I.e. (Peronea). 
ab. latifasciana Sheldon, 1925, ibid., p. 284 (Peronea). 

A. bacurana (Trti.) 

bacurana Turati, 1934, Atti Soc. Ital. Sci. Nat., vol. 73, p. 193, t. 3 fig. 21 (Acalla). 
— Kyrenaika. 



130 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (198) 

A. caledoniana (Stph.) * 

caledoniana Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 18, 97 (Pe- 
ronea, Acleris); calidoniana Kloet & Hincks, 1945, Check List Brit. Ins., p. 121 
(Peronea). — Kennel, 1908, p. 94; Pierce & Metcalfe, 1922, p. 18, t. 7 ( $ 9 - 
Genitalien); Sheldon, 1931, p. 77. — Grossbritannien, 
ab. rufimaculana Sheldon, 1931, The Entom., vol. 64, p. 77 (Acleris). 

A. Sparsana (Schiff.) * (116) 

sparsana Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 129 
(Phalaena Tortrix); sponsana Fabricius, 1787, Mant. Ins., vol. 2, p. 225 (Pyralis); 
lo giano. [? Rossi, 1790, Fauna Etrusca, p. 202 (Pyralis)] (part.) Zincken, 1821, 
Charpentier's Zinsler Wickler etc., p. 69 (Tortrix); javillaceana (non Hw.) Stephens, 
1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 186, No. 7071 (Peronea); jagana Curtis, post 

1834, Brit. Ent., expl. t. 16, p. 6 (Peronea); [fuvillaceana (err. typogr.) Duponchel, 

1835, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, t. 243 fig. 9b; non bin.]; tristana (non Hw.) 
Wood, 1839, Ind. Ent., p. 158, t. 35 fig. 1076 (Peronea). — Kennel, 1908, p. 88, t. 
5 fig. 23 ( 9 ); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 18, t. 7 ( $ 9 -Genitalien); Benander, 
1934, p. 126, t. 2 fig. 5 ( $ -Genitalien); 1950, p. 18, Textfig. 3/ (# -Genitalien) 
(bei allen erwähnten Autoren als sponsana). — Nord- und Mittel-Europa; Grossbritan- 
nien; Frankreich; Spanien; Nord-Italien; Balkan-Halbinsel; Ost-Baltikum; Ukraine; 
Ost-Russland. 

ab. lividana Treitschke, 1835, Schm. Eur., vol. 10, pars 3, p. 135 (Teras); sponsana 
(part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 210 (Teras). 
ab. halliana Thunberg & Becklin, 1791, Diss, Ent., vol. 2, p. 45, t. 5 fig. 9 (Tort- 
rix); javillaceana [HÜBNER, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 11 fig. 62; non 
bin.] Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 409 (Tortrix); (part.) Charpentier, 1821, 
Zinsler Wickler etc., p. 75 (Tortrix); {fuvillaceana (part.) Duponchel, 1835, Hist. 
Nat. Lép. France, vol, 9, t. 243 fig. 9a; non bin.]; sponsana (part.) Kennel, 1908, 
Pal. Tortr., t. 5 fig. 22 (Acalla). 

ab. tristana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 410 (Tortrix); sponsana Barrett, 1905, 
Lep. Brit. Isl., vol. 10, t. 454 fig. 5a (Peronea); haworthana Sheldon, 1930, The 
Entom., vol. 63 p. 245 (Peronea). 

ab. reticulana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 409 (Tortrix); sponsana (part.) Wal- 
ker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 210 (Teras). — Kennel, 1908, 
p. 88, t. 5 fig. 21 ( 9 , als sponsana); Sheldon, 1930, p. 245. 

A. roscidana (Hb.) * 

[roseidana Hübner, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 16 fig. 103; non bin.]; 
roscidana Hübner, 1822, Syst.-alph. Verz., p. 64 (Archips); nebulana Hübner, [1796 
— 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 16 fig. 104; non bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 
62 (Archips). — Kennel, 1908, p. 83, t. 5 fig. 5 ( $ ); Filipjev, 1931, p. 504, 
506 — 7, 517, 526 — 7, t. 24 fig. 4, 4a, t. 30 fig. 1(59 -Genitalien). — Skandinavien; 
Frankreich; Deutschland; Schweiz; Ungarn; Rumänien; Polen; Ost-Baltikum; Nord- 
west- und Südost-Russland. 

ssp. amurensis Caradja, 1928, Iris, vol. 42, p. 293 (Acalla); hispidana (part.) 
Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 81, t. 4 fig. 52—55 (Acalla). — Südost-Sibirien. 

A. hispidana (Chr.) * 

hispidana Christoph, 1881, Bull. Soc. Imp. Nat. Moscou, vol. 56, pars 1, p. 61 
(Teras). — Kennel, 1908, p. 80, t. 4 fig. 50—51 (9 $ ); Filipjev, 1931, p. 501, 
504, 506, 508, 517, 526, t. 24 fig. 2, 2a, t. 28 fig. 1 ( $ 9 -Genitalien). — Südost- 
Sibirien; Japan. 

A. expressa (Fil.) * 

expressa Filipjev, 1931, Annu. Mus. Zool. Acad. Sci. URSS, vol. 31, (1930), p. 517, 
t. 24 fig. 3, 3a — b, t. 31 fig. 2 ( £ 9 -Genitalien) (Peronea). — Südost-Sibirien. 



(199) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 131 

A. similis (Fil.) * 

similis FILIPJEV, 1931, ibid., p. 515, Textfig. A 2—3, t 23 fig- 2, 2a— b, t. 29 fig. 

3 ( $ Ç -Genitalien); lipsiana (err. det.) Caradja, 1916, Iris, vol. 30, p. 45 (Acalla); 
byringerana (err. det.) Caradja, 1916, ibid., p. 44 (Acalla). — Südost-Sibirien. 

A. stachi (Razowski) (?) 

sfochi Razowski, 1953, Polsk. Pismo Ent., vol. 23, p. 107, fig. 1 (Flügelzeichnung), 

4 ( $ -Genitalien) (Peronea). — Kuldscha. 

A. nigriradix (Fil.) * 

nigriradix Filipjev, 1931, Annu. Mus. Zool. Acad. Sci. URSS, vol. 31, (1930), p, 513, 
Textfig. A 4 — 6, t. 23 fig. 1, la — b, t. 29 fig. 5 ( $ 9 -Genitalien) (Peronea). — 
Südost-Sibirien. 

A. nivisellana (Wlsm.) * 

nivisellana Walsingham, 1879, Illustr. Het. B. M., vol. 4, p. 2, t. 61 fig, 3 (Teras). 
Barnes & Busck, 1920, t. 32 fig. 9 ( $ -Genitalien); Filipjev, 1931, p. 520, 527 — 8, 
t. 26 fig. 1, la, t. 32 fig. 3(55 -Genitalien); McDuNNOUGH, 1934, p. 315, p. 327 
fig. 6 ( $ -Genitalien), p. 332 fig. 1 ( $ -Genitalien). — ? Japan; Nord- Amerika, 

A. rhombana (Schiff.) * (117) 

rhombana Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 128 
(Phalaena Tortrix); dimidiana Frölich, 1828, Enum. Tortr. Würt, p. 26 (Tortrix); 
contaminanti (non Hw.) Stainton, 1859, Man. Brit. Butt. & Moths, vol, 2, p. 227, 
fig. (Dictyopteryx). — Kennel, 1908, p. 99, t. 5 fig. 61 ( Ç , als dimidiana). ■ — 
Europa; Grossbritannien; Kleinasien; Nord- Amerika. 

ab. reticulata Ström, 1783, Det. Danske Wid. Selsk. Skrift, p. 83 (Tortrix); [? ame- 
riana (non L.) Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 128 
(Phalaena Tortrix) ]; xylosteana (non L.) Haworth, 1802, Prodromus, p. 32 (Pha- 
laena, Pyralis); contaminana [Hübner, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 22 fig. 
142; non bin.} Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 4l9 (Tortrix); rosana (non L.) 
Hübner, 1825, Verz. bek. Schm., p. 385 (Rhacodia); reticulana (ex err.) Kennel, 
1908, Pal. Tortr., p, 99 (Acalla); rhombana (non Schiff.) Lhomme, 1939, Cat. Lép. 
France & Belg., vol. 2, p. 287 (Peronea). — Kennel, 1908, t. 5 fig. 59 ( $ , als 
contaminana); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 23, t. 9 ( $ $ -Genitalien); Benander, 
1950, p. 23, Textfig. 3d ( $ -Genitalien, als reticulana). 

ab. obscurana Donovan, 1804, Nat. Hist. Brit. Ins., vol. 11, p. 40, t. 374 fig, 2 
(Phalaena Tortrix); ciliana [Hübner, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 27 fig. 
171; non bin.] Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 419 (Tortrix); contaminana (part.) 
Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 212 (Teras); reticulana (part.) 
Benander, 1950, Svensk Insektfauna, fase. 10, p. 23, t. 1 fig. 23 (Peronea). — 
Kennel, 1908, p. 99, t. 5 fig. 60 ( $ , als ciliana). 
ab. unicolorana Strand, 1902, Nyt. Mag. Naturvid., vol. 40, p. 173 (Acalla). 

A. aspersana (Hb.) * (118) 

aspersana Hübner, [1814 — 17, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 41 fig. 259; non bin.], 
1822, Syst.-alph. Verz., p. 58 (Eutrachia); adspersana Frölich, 1828, Enum. Tortr. 
Würt., p. 29 (Tortrix); subtripunctulana Stephens, [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 
2, p. 187 (Paramesia); nom. nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 162 
(Acleris); modeeriana (non F.) Zetterstedt, 1840, Ins. Lap., p. 979 (Tortrix); 
ferrugana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 211 (Teras); 
? decosseana (non Rossi.) Ragonot, 1894, Ann. Soc. Ent. France, vol. 63, p. 183 
(Tortrix); aspersalis (err.) Caradja, 1932, Bull. Sect. Sci. Acad. Roum., vol. 15 
pars 1 — 2, p. 8 (Acalla). — Kennel, 1908, p. 93, t. 5 fig. 38 — 9 ( $ $ ); Pierce & 
Metcalfe, 1922, p. 22, t. 9 ( $ $ -Genitalien); Filipjev, 1931, p. 523, t. 24 fig. 5, 



132 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (200) 

t. 28 fig. 5 ( $ $ -Genitalien); Benander, 1950, p. 20, Textfig. 3n ( $ -Genitalien). 
— Nord- und Mittel-Europa; Grossbritannien; Dalmatien; Ost-Baltikum; Ost-Russ- 
land; Südost-Sibirien. 

ssp. pedemontana Della Beffa, 1934, Boll. Lab. Sper. Fitopat. Torino, vol. 11, p. 83 
(Acalla). — Della Beffa, 1935, p. 19, t. 3 fig. 11. — Piémont. 

A. tripunctana (Hb.) * (119) 

[? centrava Fabricius, 1794, Ent. Syst., vol. 3, pars 2, p. 273 (Pyralis)]; tripunctana 
HüBNER, [1796—99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 20 fig. 129; non bin.], 1822, 
Syst.-alph. Verz., p. 65 (Eutracbia); rufana (non Schiff., non Hb.) Haworth, 1811, 
Lep. Brit., p. 417 (Tortrix); ferrugana (non Schiff.) Zincken, 1821, Charpentier's 
Zinsler Wickler etc., p. 54 (Tortrix); triana Hübner, 1825, Verz. bek. Schm., p. 384 
(Acleris); ? gii 'ran a Frölich, 1828, Enum. Tortr. Würt., p. 24 (Tortrix); ? ocbreana 
(non Hb.) Frölich, 1828, op. cit., p. 25 (Tortrix); costimaculana Stephens [1829, 
Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 187, No. 7084 (Peronea); nom. nud.], 1834, Ulustr. 
Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 160 (Peronea, Acleris); ? longulana Eversmann, 1844, 
Fauna Lep. Volgo-Ural., p. 525 (Teras); proteana (part.) GuENeE, 1845, Ann. Soc. 
Ent. France, ser. 2, vol. 3, p. 146 (Teras); approximana [? Fabricius, 1798, Suppl. 
Ent. Syst., p. 478 (Pyralis)] HERRiCH-ScHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, 
p. 146 (Teras); comparana (part.)' Stephens, 1852, List Brit. Anim. B.M., pars 10, 
p. 18 (Peronea, Acleris); schalleriana (part.) Meyrick, 1912, Wagner's Lep. Cat., 
pars 10, p. 62 (Peronea); brachiana (part.) Sheldon, 1931, The Entom., vol. 6A, p. 
61 (Acleris); [? alpinana Weber, 1945, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 19, p. 357 
(Acalla); nom. nud.]. — Kennel, 1908, p. 94, t. 5 fig. 42 ( $ ); als ferrugana (auch 
bei allen nachstehenden Autoren): p, 93, t. 5 fig. AA ( $ ); Pierce & Metcalfe, 
1922, p. 21, t. 8 ( $ $ -Genitalien); FiLiPjEV, 1931, p. 504 — 6, 508, 522, 526, t. 25 
fig. 3, t. 28 fig. 3(5$ -Genitalien); Sovinskij, 1937, p. 32, t. 1 fig. 1, 3, 4, t. 2 
fig- 7 ( $ 9 -Genitalien) ; Benander, 1934, p. 124, t. 2 fig. 2; 1950, p. 21, Textfig. 
3k ( $ $ -Genitalien). — Europa; Grossbritannien; Nord- Amerika. 
ab. galacteana Krulikovskij, 1903, Rev. Russe Ent., vol. 3, p. 180 (Acalla); fer- 
rugana (part.) Fischer v. Röslerstamm, 1836, Abbild. Bericht. Ergänz. Schm. Kunde, 
p. 40, t. 25 fig. le (Teras); tripunctana (part.) Kennel, 1908, t. 5 fig. 43 ( 9 ) 
(Acalla). 

ab. obliterana HERRiCH-SCHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 164 (Lozo- 
taenia) [1849, Tortr., t. 51 fig. 361; non bin.]; gnomana (non Cl.) Haworth, 1811, 
Lep. Brit., p. 417 (Tortrix); ferrugana (part.) Duponchel, 1835, Hist. Nat. Lép. 
France, vol. 9, p. 143, t. 243 fig. 4 (Glyphiptera); decosseana Rössler, 1881, Schup- 
penfl. Wiesbaden, p. 234 (Tortrix); fimbriana (part.) Meyrick, 1912, Wagner's 
Lep. Cat., pars 10, p. 65 (Peronea); bifidana (part.) Sheldon, 1931, The Entom., 
vol. 6A, p. 61 (Acleris). — Kennel, 1908, t. 5 fig. 40 ( 9 , als ferrugana). 
ab. proteana GuENéE, 1845, Ann. Soc. Ent. France, ser. 2, vol. 3, p. 146 (Teras); 
ferrugana (part.) Fischer v. Röslerstamm, 1836, Abbild. Bericht. Ergänz. Schm. 
Kunde, p. 40, t. 24 fig. la — b (Teras); decosseana (part.) Rössler, 1881, Schuppenfl. 
Wiesbaden, p. 234 (Tortrix); ferruganum Wallengren, 1888, Ent. Tidskr., vol 9, P- 
167 (Teras); fimbriana (part.) Meyrick, 1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 65 
(Peronea). — Kennel, 1908, t. 5 fig. 46 ( 9 , als ferrugana). 

ab. sabulana GuENéE, 1845, Ann. Soc. Ent. France, ser. 2, vol. 3, p. 146 (Teras); 
? conspersana (non F.) Frölich, 1828, Enum. Tortr. Würt., p. 28 (Tortrix); ? gno- 
mana (non Cl.) Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths, vol. 2, p. 163, t. 96 
fig. 5 (Acleris}; ferrugana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, 
p. 211 (Teras). — Kennel, 1908, t. 5 fig. 47—8 ( # 9 ). 
ab. ? virgulana Reutti, 1898, Übers. Lep. Fauna Baden, p. 212 (Teras). 

A. ferrumixtana (Ben.) * (120) 

? ferrugana Kennel, 1908, Pal. Tortr., t. 5 fig. 41 (Acalla); ferrumixtana Benander, 
1934, Ent. Tidskr., vol. 55, p. 124, t. 2 fig. 1 (Acalla). — Benander, 1950, p. 21, 
Textfig. 3i ( $ -Genitalien), t. 1 fig. 21 ($)■ — Schweden; Finnland. 



(201) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 133 

A. ocydroma (Meyr.) (121) 

ocydroma Meyrick, 1935, in: Caradja & Meyrick, Mat. Microlep. Fauna chin. Prov., 
p. 51 (Peronea); oxydroma (ex err.) Caradja, 1939, Iris, vol. 53, p. 11 (Peronea). 

— Nord- und Ost-China. 

A. ferrugana (Schiff.) * (122) 

ferrugana Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 128 
(Phalaena Tortrix); rufana (non Schiff.) [Hübner, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., 
Tortr., t. 20 fig. 127; non bin.] Illiger, 1801, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., vol. 2, 
p. 56 (Tortrix); lythargyrana Treitschke, 1830, Schm. Eur., vol. 8, p. 264 (Teras); 
lithargyrana HERRiCH-ScHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 147 (Teras) 
[1847, Tortr., t. 4 fig. 23; non bin.]; rubìdana (non HS.) Graaf & Snellen, 1868, 
Tijdschr. v. Ent., vol. 11, p. 55 (Teras); lithargyranum Wallengren, 1888, Ent. 
Tidskr., vol. 9, p. 167 (Teras); tripunctulana (non Hw.) Wolff, 1952, ibid., vol. 73, 
p. 56 (Acleris). — Kennel, 1908, p. 95, t. 5 fig. 51 ( 9 ); Benander, 1950, p. 22, 
Textfig. 3h ($ -Genitalien) (bei den beiden Autoren als lithargyrana). - — ■ Nord-, 
Mittel- und West-Europa; Grossbritannien; Spanien; Sardinien; Ost-Baltikum; Polen; 
Nord-Ukraine; Zentral-Russland. 

ab. rubidana HERRiCH-ScHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 146 (Teras) 
[1848, Tortr., t. 47 fig. 328; non bin.]; ferrugana (part.) Walker, 1863, List Spec. 
Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 211 (Teras). — Kennel, 1908, p. 93. 
ab. selasana HERRiCH-ScHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 147 (Teras) 
[1849, Tortr., t. 52 fig. 370; non bin.]; testaceana [Zeller, 1849, Stett. Ent. Ztg., p. 
284; nom. nud. & non bin.] Wocke, 1861, Stgr.-Wck. Cat. Eur. Schm., p. 95 (Teras); 
ferrugana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 211 (Teras); 
fissurana Pierce & Metcalfe, 1915, Ent. Mo. Mag., vol 51, p. 324 (Peronea). — 
Kennel, 1908, p. 94, t. 5 fig. 50 ( $ ); t. 5 fig. 49 ( $ , als ferrugana); als fissurana: 
Pierce & Metcalfe, 1922, p. 23, t. 9 ( $ 9 -Genitalien); Benander, 1934, p. 123, 
t. 2 fig. 3 ( $ -Genitalien); Sovinskij, 1937, p. 33, t. 1 fig. 2, 5, 6, t. 2 fig. 8 
( $ 9 -Genitalien). 

ab. brachiana Freyer, 1833, Neuere Beitr. Schm. Kunde, vol. 1, p. 33, t. 18 fig. 2 
(Tortrix); ferrugana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 
211 (Teras); costimaculana Pierce, 1930, The Entom., vol. 63, p. 259 (Peronea); 
lithargyrana (part.) Benander, 1950, Svensk Insektfauna, fase. 10, p. 22, t. 1 fig. 19 
(Peronea). 

ab. tripunctulana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 417 (Tortrix); rufana (non Schiff., 
non 111.) Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 20 (Paramesia); 
tripunctana (ex err.) Pierce & Metcalfe, 1915, Ent. Mo. Mag., vol. 51, p. 326 
(Peronea); trimaculana Pierce, 1930, The Entom., vol. 63, p. 259 (Peronea). 
ab. bifidana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 418 (Tortrix); ferrugana (part.) Walker, 
1863, List Spec. Lep. Ins., B. M., pars 27, p. 211 (Teras). 

ab. notana Donovan, 1806, Nat. Hist. Brit. Ins., vol. 11, p. 27, t. 369 fig. 3 (Pha- 
laena Tortrix); ? gnomana Curtis, 1833, Brit. Ent., expl. t. 440 (Paramesia); ferru- 
gana (non Schiff.) Werneburg, 1864, Beitr. Schm. Kunde, vol. 2, p. 285 (Tortrix); 
multipunctana Pierce & Metcalfe, 1915, Ent. Mo. Mag., vol. 51, p. 326 (Peronea). 

— Kennel, 1908, p. 94, t. 5 fig. 45 ( $ , als ferrugana). 

ab. ? radiana Hauder, 1913, Jahresber. Mus. Franc. Carol., vol. 71, p. 84 (Acalla). 

A. quercinana (Z.) * (123) 

ferrugana (part.) Treitschke, 1830, Schm. Eur., vol. 8, p. 263 (Teras); quercinana 
Zeller, 1849, Stett. Ent. Ztg., vol. 10, p. 283 (Teras); ? mucidanum Peyerimhoff, 
1874, Pet. Nouv. Ent., vol. 6, p. 346 (Teras). — Kennel, 1908, p. 95, t. 5 fig. 52 
( 9 ); Obr., fig. 358 — 60 ( $ 9 -Genitalien). — Mittel- und Süd-Europa; Schweden; 
Südwest-Ukraine; Ost-Russland; Transkaukasien; Kleinasien, 
ab. disquéi, ab. nova. 



134 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (202) 

A. shepherdana (Stph.) * 

shepherdana Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 19, 98 (Peronea, 
Paramesia). — Kennel, 1908, p. 97, t. 5 fig. 55 ( 9 ); Pierce & Metcalfe, 1922, 
p. 22, t. 9 ( $ 9 -Genitalien); Filipjev, 1931, p. 506—7, 523, t. 25 fig. 6, t. 28 fig. 7 
( $ $ -Genitalien); Benander, 1950, p. 20, Textfig. 3o ( $ -Genitalien). — Nord- 
Europa; England; Frankreich; Dänemark; Deutschland; Ost-Baltikum; ? Ost-Russland; 
Südost-Sibirien. 

A. schalleriana (L.) * (124) 

schalleriana LiNNé, 1761, Fauna Suec, ed. 2, p. 348 (Phalaena Tortfix); logiana (non 
Cl.) Fabricius, 1775, Syst. Ent., p. 651 (Pyralis); niveana (non F.) Hübner, 1825, 
Verz. bek. Schm., p. 386 (Aphonia); semirhombana Curtis, post 1834, Brit. Ent., 
expl. t. 16, p. 7 (Peronea); tristana (part.) STEPHENS, 1852, List Spec. Brit. Anim. 
B. M., pars 10, p. 19 (Peronea, Acleris); long/ana (err. typogr.) Meyer, 1909, 
Krancher's Ent. Jahrb., vol. 18, p. 140 (Acalla); haitiana (ex err.) Pierce & Met- 
calfe, 1922, Genit. Brit. Tortr., p. 18, t. 7 ( $ -Genitalien) (Eclectis). — McDuN- 
NOUGH, 1934, p. 297, p. 325 fig. 9, p. 329 fig- 9 ( $ $ -Genitalien); als logiana: 
Kennel, 1907, p. 77, t. 4 fig. 34 ( $ mit einem männlichen Hinterleib); Pierce & 
Metcalfe, 1922, p. 18, t. 7 ( $ 9 -Genitalien); Benander, 1950, p. 16, Textfig. 3m 
( $ -Genitalien). — Europa (? mit Ausnahme von Süditalien und Griechenland); 
Grossbritannien; China; Nord- Amerika. 

ab. falsana Hübner, 1825, Verz. bek. Schm., p. 384 (Lopas); boscana (non F.) 
Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 415 (Tortrix); logiana (non Cl.) Hübner, [1811 — 13, 
Samml. eur. Schm., Tortr., t. 34 fig. 217; non bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 62 
(Eutrachia); germarana Frölich, 1828, Enum. Tortr. Würt., p. 24 (Tortrix); trigonana 
Stephens [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 187, No. 7081; nom. nud.], 1834, 
Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 159 (Peronea, Acleris); trìstana (non Hb.) 
Lederer, 1859, Wien. Ent. Mschr., vol. 3, p. 152 (Teras); ? schalleriana (part.) 
Werneburg, 1864, Beitr. Schm. Kunde, vol. 1, p. 270 (Tortrix). — Kennel, 1908, 
p. 78, t. 4 fig. 35 ( 9 , als logiana var.). 

ab. plumbosana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 415 (Tortrix); logiana (non Cl.) 
Treitschke, 1830, Schm. Eur., vol. 8, p. 262 (Teras); boscana (non F.) Wood, 
1839, Ind. Ent., p. 158, t. 36 fig. 1083 (Peronea); germarana (non Fröl.) Kennel, 
1908, Pal. Tortr., t. 4 fig. 37 (Acalla). 

ab. castaneana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 410 (Tortrix); plumbosana (non Hw.) 
Wood, 1839, Ind. Ent., p. 158, t. 36 fig. 1082 (Peronea); plumbana Westwood & 
Humphreys, 1845, Brit. Moths, vol. 2, p. 160, t. 95 fig. 4 (Peronea); violaceana 
GuENéE, 1845, Ann. Soc. Ent. France, ser. 2, vol. 3, p. 146 (Teras); tristana (part.) 
Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 208 (Teras); mixtana Walker, 
1863, I.e. (Teras); logiana (part.) Barrett, 1905, Lep. Brit. Isl., vol. 10, t. 453 fig. 3 
(Peronea); germarana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 78 (Acalla). Kennel, 
1908, t. 4 fig. 38 ( 9 , als plumbosana). 

ab. famula Zeller, 1875, Verh. zool.-bot. Ges. Wien, vol. 25, p. 214 (Teras); 
tristana (part.) Zeller, 1875, I.e. (Texas); logiana (part.) Meyrick, 1912, Wagner's 
Lep. Cat., pars 10, p. 65 (Peronea). 

ab. erutana HERRiCH-SCHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 143 (Teras) 
[1847, Tortr., t. 2 fig. 9; non bin.]; rufana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. 
Ins. B. M., pars 27, p. 211 (Teras): logiana (part.) Meyrick, 1912, Wagner's Lep. 
Cat., pars 10, p. 65 (Peronea). 

ab. viburnana Clemens, I860, Proc. Acad. Nat. Sci. Philadelphia, p. 347 (Peronea); 
germarana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 78, t. 4 fig. 36 (Acalla); logiana 
(part.) Meyrick, 1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 65 (Peronea). 

A. affinatana (Snell.) * 

ajjinatana Snellen, 1883, Tijdschr. v. Ent., vol. 26, p. 185, t. 11 fig. 2, 2a (Teras); 
affinitana (nom. emend.) Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 83, 



(203) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 135 

No. 1475 (Acalla); asperana (non Hb.) Caradja, 1916, Iris, vol. 30, p. 45 (Acalla). 
— Kennel, 1908, p. 96, t. 5 fig. 53 ( $ ); Filipjev, 1931, p. 503—7, 521, 527, t. 
25 fig. 1, la, t. 30 fig. 2 ( $ 9 -Genitalien). — Südost-Sibirien; Japan, 
ab. pryerana Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p. 376 (Oxy- 
grapha); lacordairana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 87, t. 5 fig. 17 — 18 
(Acalla). — Filipjev, 1931, p. 503, 526—7, t. 30 fig. 3—7 ( 9 -Genitalien); Esaki, 
1932, p. 1457, fig. 



A. lacordairana (Dup.) * 

lacordairana Duponchel, 1836, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 562, t. 266 fig. 1 
(Peronea); obtusana (part.) Eversmann, 1844, Fauna Lep. Volgo-Ural., p. 524 
(Teras); lacordairiana GuENéE, 1845, Ann. Soc. Ent. France, ser. 2, vol. 3, p. 144 
(Teras); dissonanti HERRiCH-ScHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 145 
(Teras) [1849, Tortr., t. 52 fig. 365; non bin.]. — Kennel, 1908, p. 87, t. 5 fig. 16 
( 9 ); Filipjev, 1931, p. 527, t. 28 fig. 4 ( Ç -Genitalien). — Ost-Frankreich; Schweiz; 
Ost-Baltikum; Ost-Russland; Kaukasus. 

ab. cyaneana Peyrimhoff, 1871, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 3, (1872), p. 409 
(Teras). 



A. variegana (Schiff.) * (125) 

variegana Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 130 
(Phalaena Tortrix); abildgaardana Fabricius, 1794, Ent. Syst., vol. 3, pars 2, p. 274 
(Pyralis); cristana (non Schiff.) [Hübner, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 
10 fig. 55; non bin.} Illiger, 1801, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., vol 2, p. 57 
(Tortrix); blandiana Charpentier, 1821, Zinsler Wickler etc., p. 98 (Tortrix); blan- 
dana Hübner, 1825, Verz. bek. Schm., p. 385 (Eclectis). — Kennel, 1908, p. 85, 
t. 5 fig. 11 ( $ ), 12 — 13 ( 9 ); Meyrick, 1913, p. 63, t. 5 fig. 68; Pierce & Met- 
calfe, 1922, p. 23, t. 9 ( $ 9 -Genitalien). — Europa; Grossbritannien; Nordwest- 
Afrika; Kleinasien; Südwest- und Zentral- Asien; China; Nord-Amerika, 
ab. cirrana Curtis, post 1834, Brit. Ent., expl. t. 16, p. 7 (Peronea); borana (non F.) 
Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 415 (Tortrix); insignana HERRiCH-ScHäFFER, 1851, 
Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 142 (Teras) [1852, Tortr., t. 58 fig. 410]; varie- 
gana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 209 (Teras). ■ — 
— Kennel, 1908, p. 85, t. 5 fig. 15 ( 9 , als insignana). 

ab. caeruleoatrana Strand, 1916, Arch. Naturg., A.5, p. 167 (Acalla); variegana 
(part.) Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths, vol. 2, p. I6l, t. 95 fig. 12 
(Peronea); cirrana (non Curt.) Wilkinson, 1859, Brit. Tortr., p. 176 (Peronea); fus- 
cana Sheldon, 1931, The Entom., vol. 64, p. 4 (Peronea); uniformis Schawerda, 
1936, Z. Oesterr. Ent. Ver., vol. 21, p. 66 (Acalla). 

ab. asperana Fabricius, 1776, Gen. Ins., p. 292 (Pyralis); osbeckiana Thunberg & 
Borgstroem, 1784, Diss. Ent., vol. 1, p. 19, t. 3 fig. 21 (Tortrix); nyctemerana 
Hübner [1814 — 17, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 38 fig. 240; non bin.], 1822, Syst.- 
alph. Verz., p. 63 (Eutrachia); variegana (part.) FröliCH, 1828, Enum. Tortr. Würt.. 
p. 20 (Tortrix); aspersana (laps, calami) Wood, 1839, Ind. Ent., p. 159, t. 36 fig. 
1088 (Peronea); abildgaardana (non F.) Werneburg, 1858, Stett. Ent. Ztg., vol. 19, 
p. 425 (Tortrix). — Kennel, 1908, p. 86, t. 5 fig. 14 ( $). 

ab. argentana Sheldon, 1931, The Entom., vol. 64, p. 5 (Peronea); asperana (part.) 
Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths, vol. 2, p. 161, t. 95 fig. 10 (Peronea); 
albana (non Westw.) Barrett, 1905, Lep. Brit. Isl., vol. 10, p. 233 (Peronea); va- 
riegana (part.) Barrett, 1905, op. cit., t. 454 fig. 2c (Peronea). 
ab. albana Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths, vol. 2, p. 162, t. 95 fig. 
17 (Peronea). 

[f. ? alpicolana Weber, 1945, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 19, p. 357 (Acalla); 
nom. nud. — Schweiz.] 



136 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (204) 

A. permutana (Dup.) * 

permutano, Duponchel, 1836, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 499, t. 262 fig. 4 
(Glyphiptera); permutatana HERRiCH-ScHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, 
p. 141 (Teras) [1851, Tortr, t. 5 fig. 28; non bin.]. — Kennel, 1908, p. 85, t. 5 
fig. 9 — 10 ( $ Ç ); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 21, t. 8 ( $ $ -Genitalien). — 
England; West-, Südmittel- und Süd-Europa; Kleinasien. 

A. japonica (Wlsm.) 

japonica Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p. 373 {Oxygrapba). 

— Esaki, 1932, p. 1455, fig. — Japan. 

A. boscana (F.) * 

boscana Fabricius, 1794, Ent. Syst., p. 269 (Pyralis); cerusana [Hübner, 1796 — 99, 
Samml. eur. Schm., Tortr., t. 11 fig. 63; non bin.] Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 416 
(Tortrix); niveana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 210 
(Teras); nivisellana (non Wlsm.) Caradja, 1916, Iris, vol. 30, p. 45 (Acalla); sca- 
brana (non Schiff.) Pierce & Metcalfe, 1922, Genit. Brit. Tortr., p. 21, t. 8 ( $ 9 - 
Genitalien) (Peronea). — Kennel, 1908, p. 84, t. 5 fig. 6 ( 9 ); Filipjev, 1931, p. 
507 — 8, 520, t. 25 fig. 5, t. 31 fig. 4 ( $ $ -Genitalien) ; Galvagni, 1941 (Variabi- 
lität); Benander, 1950, p. 18, Textfig. 3p ( $ -Genitalien). — Europa; Grossbritan- 
nien; Kleinasien; Zentral- Asien; Südost-Sibirien; China; Japan. 

m. ulmana Duponchel, 1835, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 138, t. 242 fig. 7 
(Glyphiptera); scabrana (non Schiff.) Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 410 (Tortrix); 
obtusana (part.) Eversmann, 1844, Fauna Lep. Volgo-Ural., p. 524 (Teras); parisiana 
GuENéE, 1845, Ann. Soc. Ent. France, ser. 2, vol. 3, p. 142 (Leptogramtna); pulverana 
HERRiCH-SCHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 151 (Teras) [1849, 
Tortr., t. 52 fig. 364; non bin.]; irrorana (part.) Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. 
Eur. Faun., p. 234, No. 664e (Teras); boscana (part.) Meyrick, 1912, Wagner's 
Lep. Cat., pars 10, p. 69 (Peronea); ? f lavano, (part.) Sheldon, 1921, The Entom., 
vol. 54, p. 189 (Peronea). — Kennel, 1908, p. 84, t. 5 fig. 7 ( $ ), fig. 4 ( $ , als 
irrorana); Galvagni, 1941, p. 199, t. 22 fig. A 1 — 7, B 1 — 7, C 1—5. 
ab. cineria Noiriel, 1913, Mitt. Naturf. Ges. Kolmar, neue Folge, vol. 12, p. 337, 
fig. 6 (Acalla). — Galvagni, 1941, p. 199, t. 22 fig. C 6 — 7, D 1 — 7. 
ab. spectrana Duponchel, 1835, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 133, t. 242 fig. 4 
(Glyphiptera); parisiana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, 
p. 209 (Teras); boscana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 84, t. 5 fig. 8 (Acalla). 

— Galvagni, 1941, p. 200, t. 22 fig. E 1 — 7. 

A. ulmicola (Meyr.) (126) 

uhnicola Meyrick, 1930, Exot. Mier., vol. 3, p. 612 (Peronea). ■ — Mandschurei. 

A. logiana (CI.) * (127) 

logiana Clerck, 1759, Icon. Ins., t. 10 fig. 3 (Phalaena); niveana Fabricius, 1787, 
Mant. Ins., vol. 2, p. 233 (Pyralis); treveriano Illiger, 1801, Syst. Verz. Schm. Wien. 
Geg., vol. 2, p. 61 (Tortrix); treueriana Hübner, [1796 — 99, Samml. eur. Schm., 
Tortr., t. 16 fig. 100; non bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 65 (Eutrachia); mulzeriana 
Hübner, 1825, Verz. bek. Schm., p. 386 (Aphonia); placidana Robinson, 1869, Trans. 
Amer. Ent. Soc, vol. 2, p. 282, t. 7 fig. 68 (Teras); bastiona (part.) Wocke, 1871, 
Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 232, No. 652 (Teras); parisiana (non Gn.) 
Walsingham, 1879, Illustr. Lep. Het. B. M., vol. 4, p. 76 (Tortrix); scabrana (non 
Schiff.) Fernald, 1882, Trans. Amer. Ent. Soc, vol. 10, p. 5 (Teras); boscana (non 
F.) Fernald, 1903, Bull. U. S. Nat. Mus., vol. 52, (1902), p. 474, No. 5303 (Acleris). 

— McDunnough, 1934, p. 314, p. 327 fig. 5 ( $ -Genitalien, p. 331 fig. 7 ( 9 -Geni- 
talien); als niveana: Kennel, 1908, p. 87, t. 1 fig. 2 (Geäder); Pierce & Metcalfe, 
1922, p. 20, t. 8 ( $ 9 -Genitalien); Filipjev, 1931, p. 506 — 7, 522, t. 25 fig. 7 — 8, t. 



(205) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen 1 'ortricidae 137 

29 fig. 1 ($ $ -Genitalien); Benander, 1950, p. 17, Textfig. 3« ( $ -Genitalien). 
— Europa (? mit Ausnahme von Iberien und der Balkan-Halbinsel); Grossbritannien; 
Sibirien; Japan; Nord- Amerika. 

ab. scotana Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B.M., pars 10, p. 97 (Oxigrapha); 
treveriana (ex err.) Duponchel, 1835, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 143, t. 242 
fig. 5a — b (Glypbiptera); treueriana (non Hb.) Fischer v. Röslerstamm, 1836, 
Abbild. Bericht. Ergänz. Schm. Kunde, p. 43, t. 25 fig. 2a — c (Teras); ? squamanti 
(non F.) HERRiCH-ScHäFFER, 1863, Correspondenzbl. zool.-min. Ver. Regensburg, p. 
125 {Teras); spectrana (part.) WoCKE, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 233, 
No. 663a (Teras); niveana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., t. 5 fig. 19 (Acalla). 
ab. trisignana Robinson, 1869, Trans. Amer. Ent. Soc, vol. 2, p. 282, t. 7 fig. 69 
(Teras); niveana (part.) Barrett, 1905, Lep. Brit. Isl., vol. 10, t. 451 fig. 5a 
(Le pto gramma); scotana (non Stph.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 88, t. 5 fig. 20 
(Acalla); tripunctana Sheldon, 1931, The Entom., vol. 64, p. 103 (Peronea). 

A. strigifera (Fil.) * 

strigifera FiLiPjEV, 1931, Annu. Mus. Zool. Acad. Sci. URSS, vol. 31, (1930), p. 518, 
fig. B 1 — 3, t. 26 fig. 2, 2a — b, t. 32 fig. 2 (j J -Genitalien) (Peronea). — Südost- 
Sibirien. 

A. umbrana (Hw.) * 

utnbrana [Hübner, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 10 fig. 59; non bin.] 

Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 411 (Tortrix); latifasciana (non Hw.) Wood, 1839, 

Ind. Ent., p. 158, t. 35 fig. 1081 (Peronea). — Kennel, 1908, p. 74; Filipjev, 1931, 

p. 507, 512, t. 27 fig. 2, t. 31 fig. 1(5$ -Genitalien). — Nord- und Mittel-Europa; 

Grossbritannien; Frankreich; Ost-Baltikum; Ost-Russland. 

ab. lamprana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 225 (Peronea); radiana (non 

Hb.) Duponchel, 1835, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 146, t. 243 fig. 6 (Gly- 

phiptera); umbrana (non Hw.) Wood, 1839, Ind. Ent., p. 156, t. 35 fig. 1063 

(Peronea). — Kennel, 1908, p. 74, t. 4 fig. 15 ( $ , als umbrana). 

ab. brunneana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 225 (Peronea); umbrana 

(part.) Barrett, 1905, Lep. Brit. Isl., vol. 10, t. 452 fig. 2 (Peronea). 

A. hastiana (L.) * (128) 

hastiana LiNNé, 1758, Syst. Nat., ed. 10, p. 532 (Pbalaena Tortrix); coronana (non 
Thnbg.) Wood, 1839, Ind. Ent., p. 157, t. 35 fig. 1072 (Peronea); scabrana (non 
Schiff.) GuENéE, 1845, Ann. Soc. Ent. France, ser. 2, vol. 3, p. 145 (Teras); mac- 
cana (err. det.) Pierce & Metcalfe, Genit. Brit. Tortr., 1922, p. 21, t. 8 ( $ -Genita- 
lien) (Peronea). — Kennel, 1908, p. 70, t. 3 fig. 33; Pierce & Metcalfe, 1922, p. 
18, t. 7 ( $ -Genitalien, nicht $ !); Seldon, 1923, p. 75 und die nachfolgenden (Mo- 
nographie); Filipjev, 1930, p. 509, t. 41 fig. 1, 3 ( $ 9 -Genitalien); Dufrane, 1933, 
p. 196, t. 1 fig. 1 (Flügelzeichnung); Benander, 1934, p. 122, t. 1 fig. 4 ( $ -Geni- 
talien); McDunnough, 1934, p. 301, p. 326 fig. 3 ( $ -Genitalien); Vari, 1944, p. 
216, fig. 1 — 2 ( $ Ç -Genitalien); Obraztsov, 1949b; Benander, 1950, p. 12, Text- 
fig. 3a ( $ -Genitalien). Holarktis. 

ab. albana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 103 (Peronea). 
ab. albicapitana Sheldon, 1930, ibid., vol. 63, p. 177 (Peronea). 
ab. albicostana Sheldon, 1930, ibid., vol. 63, p. 193, t. 4 fig. 10 (Peronea). 
ab. albimaculana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 103, t. 2 fig. 1 (Peronea). — 
Sheldon, 1930, p. 175, t. 4 fig. 1 — 3. 

ab. albisparsana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 197 (Peronea). 
ab. albistriana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 412 (Tortrix); hastiana (part) 
Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B.M., pars 27, p. 207 (Teras). — Sheldon, 1923, 
p. 200. 

ab. albostriana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 224 (Peronea); vittana 
Sheldon, 1924, ibid., vol. 57, p. 66 (Peronea). 



138 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (206) 

ab. albovittana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 224 (Peronea); bentincki Dufrane, 
1933, Lambillionea, vol. 33, p. 202 (Acalla). 

ab. apiciana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 178, t. 4 fig. 5 (Peronea). 
ab. aquilana Hübner, [1811 — 13, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 37 fig. 235; non bin.], 
1822, Syst.-alph. Verz., p. 58 (Eutrachia); 7 liberarla Fabricius, 1798, Suppl. Ent. 
Syst., p. 479 (Pyralis); sparsana (part.) Duponchel, 1845, Cat. Méth. Lép. Eur., p. 
291 (Peronea); hastiana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B.M., pars 27, p. 
207 (Teras); bicoloria Müdler-Rutz, 1924, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 13, p. 349 
(Acalla). — Sheldon, 1923, p. 198. 

ab. arcticana GuENéE, 1845, Ann. Soc. Ent. France, ser. 2, vol. 3, p. 144 (Teras); 
orticaria (err. typogr.) Ragonot, 1894, ibid., vol. 63, p. 178 (Teras); byringerana 
(non Hb.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 71 (Acalla); byringerana (err. typogr.) 
Kennel, 1908, op. cit., t. 3 fig. 24 (Acalla); rufijasciana Sheldon, 1923, The Entom., 
vol. 56, p. 151, t. 2 fig. 12 (Peronea); hiibneri Dufrane, 1933, Lambillionea, vol. 33, 
p. 200 (Acalla). 

ab. argentana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 178, t. 4 fig. 7 (Peronea). 
ab. argenteostrigana Sheldon, 1930, ibid., vol. 63, p. 178, t. 4 fig. 8 (Peronea)- 
ab. atra Dufrane, 1933, Lambillionea, vol. 33, p. 202 (Acalla). 
ab. autumnana Hübner, [1814 — 17, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 39 fig. 247; non 
bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 58 (Eutrachia); ? borana Fabricius, 1787, Mant. 
Ins., vol. 2, p. 234 (Pyralis); ? albistriana (non Hw.) Westwood & Humphreys, 
1845, Brit. Moths, vol. 2, t. 93 fig. 13 (Peronea); hastiana (part.) Walker, 1863, 
List Spec. Lep. Ins. B.M., pars 27, p. 207 (Teras); rufana (part.) Walker, 1863, op. 
cit., p. 211 (Teras). — Kennel, 1908, t. 3 fig. 23 (als hastiana); Sheldon, 1923, p. 
177. 

ab. bivittana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 223, t. 2 fig. 15 (Peronea). 
ab. bollingerana Hübner, 1825, Verz. bek. Schm., p. 385 (Eclectis); ? hastiana (non 
L.) Frölich, 1823, Enum. Tortr. Würt., p. 23 (Tortrix); sparsana (par.t) Treitschke, 
1830, Schm. Eur., vol. 8, p. 257 (Teras); scabrana (non Schiff.) Duponchel, 1835, 
Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 137, t. 243 fig. 1 (Peronea); byringerana (non Hb., 
1793) [Hübner, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 10 fig. 61; non bin.] 
Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B.M., pars 10, p. 15 (Peronea, Eclectis); 
buringerana (non Hb.) Snellen, 1882, Vlind. Nederl., Micr., p. 177 (Teras); sub- 
ferrugìnea Dufrane, 1933, Lambillionea, vol. 33, p. 200 (Acalla). — Sheldon, 1923, 
p. 176. 

ab. brevivittana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 225 (Peronea). 
ab. brunnea Müller-Rutz, 1924, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 13, p. 350 (Acalla). 
ab. brunneana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 199 (Peronea); obsoletana 
(non Stph.) Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths, vol. 2, p. 162, t. 95 fig. 
14 (Peronea); autumnana (non Stph.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 72, t. 3 fig. 40 
(Acalla). 

ab. brunneoradiana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 250 (Peronea). 
ab. brunneostriana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 201 (Peronea); albistriana 
(part'.) Stephens, 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 155 (Peronea). — 
Kennel, 1908, p. 72, t. 3 fig. 43 (als albistriana). 

ab. brunnescens Müller-Rutz, 1924, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 13, p. 349 
(Acalla). 

ab. byringerana Hübner, 1793, Samml. ausserl. Vög. u. Schm., p. 15, t. 97 (Pha- 
iaena); eximiana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 413 (Tortrix); ? logiana (non Cl.) 
ZiNCKEN, 1821, Charpentier's Zinsler Wickler etc., p. 70 (Tortrix); buringerana 
Hübner [1811—13, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 34 fig. 216; non bin.], 1822, Syst.- 
alph. Verz., p. 59 (Eutrachia); leprosana Frölich, 1828, Enum. Tortr. Würt., p. 23 
(Tortrix); sparsana (non Schiff.) Treitschke, 1830, Schm. Eur., vol. 8, p. 257 
(Teras); coronana (non Thnbg.) Rennie, 1832, Consp. Brit. Butt. & Moths, p. 177 
(Peronea); abietana (non Hb.) Duponchel, 1836, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, 
p. 554, t. 265 fig. 2 (Peronea); hastiana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. 
B.M., pars 27, p. 207 (Teras). — Sheldon, 1923, p. 129. 



(207) N. S. ObraztSOV : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 139 

ab. centrovittana Stephens [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 186, No. 7062; 
nom. nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 154 (Peronea); hastiana (part.) 
Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B.M., pars 27, p. 207 (Teras); ?nayrana (part.) 
Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 80, No. 1446 / (Acalla); 
centrovittata (ex err.) Dufrane, 1933, Lambillionea, vol. 33, p. 201, fig. 10 
(Acalla). — Kennel, 1908, t. 4 fig. 6 — 7; Sheldon, 1923, p. 225. 
ab. combustana Hübner, [1811 — 13, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 37 fig. 234; non 
bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 59 (Eutrachia); ? furrana Charpentier & Zincken, 

1821, Zinsler Wickler etc., p. 94 (Tortrix); cristana (non Schiff.) Frölich, 1828, 
Enum. Tortr. Würt., p. 21 (Tortrix); sparsana (part.) Treitschke, 1830, Schm. Eur., 
vol. 8, p. 258 (Teras); hastiana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B.M., pars 
27, p. 207 (Teras). — Kennel, 1908, t. 4 fig. 1; Sheldon, 1923, p. 221. 

ab. confusa Müller-Rutz, 1924, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 13, p. 349 (Acalla). 
ab. coronana Thunberg & Borgstroem, 1784, Diss. Ent., vol. 1, p. 18, t. 3 fig. 22 
(Tortrix); scabrana (part.) HERRiCH-SCHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, 
p. 149 (Teras) [1847, Tortr., t. 2 fig. 10; non bin.]; buringerana (non Hb.) Werne- 
burg, 1858, Stett. Ent. Ztg., vol. 19, p. 425 (Tortrix); hastiana (part.) Walker, 1863, 
List Spec. Lep. Ins. B.M., pars 27, p. 207 (Teras); leprosana (part.) Wocke, 1871, 
Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 232, No. 652d (Teras); fasciana Müller-Rutz, 
1924, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 13, p. 349 (Acalla); ferruginea Dufrane, 1933, 
Lambillionea, vol. 33, p. 200 (Acalla). 

ab. cuprea Müller-Rutz, 1924, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 13, p. 350 (Acalla). 
ab. divisana Hübner, [1811 — 13, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 31 fig. 198; non bin.], 

1822, Syst.-alph. Verz., p. 60 (Eutrachia); hastiana (part.) Walker, 1863, List Spec. 
Lep. Ins. B.M., pars 27, p. 207 (Teras); basìlinea Fettig, 1882, Cat. Lép. Alsace, p. 
34 (Teras). 

ab. fasciana Sheldon, 1923, The Entom., voi. 56, p. 223 (Peronea). 
ab. flavana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 249, t. 2 fig. 21 (Peronea); apiciana (non 
HS.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 72, t. 4 fig. 4 (Acalla). 

ab. flavicapitana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 198 (Peronea); opacana 
(non Hb.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 72, t. 3 fig. 41 (Acalla). 
ab. flavicostana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 250 (Peronea); radiana 
(non Hb.) Curtis, 1825, Brit. Ent., expl. t. 16 (Peronea); ? strigana [Stephens, 1829, 
Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 185, No. 7060; nom. nud.] Curtis, post 1834, op. cit., 
expl. t. 16, p. 5 (Peronea). — Kennel, 1908, t. 4 fig. 2 (als radiana). 
ab. flavidorsana Turati, 1919, Nat. Sic, vol. 23, p. 327 (Acalla); jlavodorsana 
(err.) Müller-Rutz, 1924, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 13, p. 351 (Acalla). 
ab. fulvovittana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 224 (Peronea). 
ab. grisea Müller-Rutz, 1924, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 13. p. 349 (Acalla). 
ab. griseana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 152, t. 2 fig. 7 (Peronea). 
ab. griseofasciana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 201 (Peronea). 
ab. griseovittana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 222 (Peronea); hastiana (part.) 
Barrett, 1905, Lep. Brit. Isl., vol. 10, t. 453 fig. la (Peronea). — Sheldon, 1930, 
p. 194, t. 4 fig. 13. 

ab. irrorana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 197 (Peronea). 
ab. latofasciata Dufrane, 1933, Lambillionea, vol. 33, p. 199, fig. 4 (Acalla); coro- 
nana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 71, t. 3 fig. 31 (Acalla). 
ab. leachana Curtis, post 1834, Brit. Ent., expl. t. 16, p. 6 (Peronea); leacheana 
[? Curtis, 1837, Guide, p. 202; nom. nud.] Westwood & Humphreys, 1845, Brit. 
Moths, vol. 2, p. 162, t. 95 fig. 15 (Peronea); psorana (non Fröl.) Sheldon, 1923, 
The Entom., vol. 56, p. 199 (Peronea). 

ab. lemvigiana Larsen, 1916, Ent. Medd., vol. 11, p. 66 (Acalla). 
ab. leucophaeana Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths, vol. 2, p. 158, t. 94 
fig. 7 (Peronea); signana Tengström, 1847, Notis. Sällsk. Fauna Fenn., vol. 1, p. 
93 (Teras); hastiana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B.M., pars 27, p. 207 
(Teras); psorana (part.) Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 80, 
No. 1446c (Acalla). — Dufrane, 1933, p. 202, fig. 13 (als signana). 



140 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (208) 

ab. maculostriana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 249, t. 2 fig. 20 (Peronea). 
ab. mayrana [Hübner, 1832 — 33, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 53 fig. 335; non bin.] 
HERRiCH-SCHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 150 (Teras); longe- 
partitana Bruand, 1847, Cat. Lép. Doubs, (Mém. Soc. emuls. Doubs), p. 34 (Teras); 
hastiana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B.M., pars 27, p. 207 (Teras); 
apicivitta Müller-Rutz, 1924, Mitt. Schweiz. Ent. Ges,, vol. 13, p. 349 (Acalla). — 
Kennel, 1908, p. 72, t. 4 fig. 5. 

ab. metallicana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 151, t. 2 fig. 9 (Peronea). 
ab. mixta Müller-Rutz, 1924, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 13, p. 349 (Acalla). 
ab. mixtana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 129, t. 2 fig. 4 (Peronea). 
ab. nigrana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 198 (Peronea); uniformata Dufrane, 
1933, Lambillionea, vol. 33, p. 203 (Acalla). 

ab. nigrodivisana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 252 (Peronea). 
ab. nigrostriana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 201, t. 2 fig. 8 (Peronea). 
ab. nigrostrigana Sheldon, 1930, ibid., vol. 63, p. 178 (Peronea). 
ab. nigrovittana Sheldon, 1930, ibid., vol. 63, p. 178 (Peronea). 
ab. obscura Müller-Rutz, 1924, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 13, p. 349 (Acalla). 
ab. obsoletana Stephens [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 186, No. 7070; nom. 
nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 156 (Peronea); hastiana (part.) 
Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B.M., pars 27, p. 207 (Teras); autumnana (part.) 
Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 233, No 652f (Teras); joannisi 
Dufrane, 1933, Lambillionea, vol. 33, p. 200 (Acalla). 

ab. ochreofasciana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 201, t. 2 fig. 14 (Pero- 
nea) . 

ab. ochreovittana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 224 (Peronea). 
ab. olivacea Müller-Rutz, 1924, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 13, p. 349 (Acalla). 
ab. plumbeana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 197, t. 2 fig. 13 (Peronea). 
ab. plumbeofasciana Sheldon, 1930, ibid., vol. 63, p. 177 (Peronea). 
ab. plumbeostriana Sheldon, 1930, ibid., vol. 63, p. 177 (Peronea). 
ab. postmaculana Curtis, 1938, J. Soc. Brit. Ent., vol. 1, p. 219, t. 5 fig. A — C 
( $ -Genitalien) (Peronea). 

ab. pruinosana Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 80, No. I446d 
(Acalla); autumnana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., t. 3 fig. 38 (Acalla); hasti- 
ana (part.) Meyrick, 1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 67 (Peronea). 
ab. pseudoconfixana nom. nov.; confixana (non Hb.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., 
p. 71, t. 3 fig. 37 (Acalla). 

ab. radiana Hübner, [1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 28 fig. 177; non bin.], 
1822, Syst.-alph. Verz., p. 64 (Eutrachia); sparsana (part.) Duponchel, 1845, Cat. 
Méth. Lép. Eur., p. 291 (Peronea); hastiana (part.) Walker, 1863, List. Spec. Lep. 
Ins. B.M., pars 27, p. 207 (Teras). 

ab. ramostriana Stephens [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 186, No. 7063; 
nom. nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 154 (Peronea); hastiana (part.) 
Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B.M., pars 27, p. 207 (Teras); radiana (part.) 
Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 233, No. 652i (Teras). 
ab. rufimaculana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 129, t. 2 fig. 3 (Peronea). 
ab. rufimixtana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 129 (Peronea). 
ab. rufistrigana Sheldon, 1930, ibid., vol. 63, p. 176 (Peronea). 
ab. rufivittana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 224 (Peronea); centrovittana (non 
Stph.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., t. 4 fig. 8 (Acalla). 

ab. sagittana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 193, t. 4 fig. 11 (Peronea). 
ab. scoticana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 222, t. 2 fig. 10 (Peronea). 
ab. sheldonana Metcalfe, 1928, The Entom., vol. 61, p. 41 (Peronea). — Sheldon, 
1930, p. 177, t. 4 fig. 4. 

ab. striana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 248, t. 2 fig. 17 (Peronea). 
ab. subcristana Stephens, [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 186, No. 7067; nom. 
nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 155 (Peronea); hastiana (part.) 
Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B.M., pars 27, p. 207 (Teras); aquilana (part.) 



(209) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktiscben Tortricidae l4l 

Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 233, No. 652h (Teras); autumnana 
(part.) Forbes, 1923, Cornell Univ. Agr. Exp. Sta., Mem. 68, p. 485 (Peronea). — 
Sheldon, 1923, p. 175. 

ab. subdivisana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 269, t. 2 fig. 24 (Peronea); 
radiano, (non Hb.) Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths, vol. 2, p. 156, t. 
93 fig. 8 (Peronea): bastiona (part.) Barrett, 1905, Lep. Brit. Isl., vol. 10, t. 453 
fig. lb (Peronea); divisano (non Hb.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 72, t. 4 fig. 3 
(Acalla) . 

ab. subfasciana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 150, t. 2 fig. 11 (Peronea); 
coronano (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 71, t. 3 fig. 30 (Acalla). 
ab. subgrisea nom. nov.; grisea (non M.-R.) Dufrane, 1933, Lambillionea, vol. 33, 
p. 199 (Acalla). 

ab. subhastiana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 150, t. 2 fig. 2 (Peronea); 
coronano (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 71, t. 3 fig. 32 (Acalla); impura 
Dufrane, 1933, Lambillionea, vol. 33, p. 198, fig. 2 (Acalla). 

ab. subradiana Sheldon, 1923. The Entom., vol. 56, p. 250, t. 2 fig. 22 (Peronea). 
ab. subscabrana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 153 (Peronea); bastiona 
(part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 70, t. 3 fig. 21 (Acalla); ? scabrano (non 
Schiff.) Sheldon, 1923, I.e. (Peronea); nigrobasis Müller-Rutz, 1924, Mitt. Schweiz. 
Ent. Ges., vol. 13, p. 349 (Acalla). 

ab. substriana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 249, t. 2 fig. 19 (Peronea). 
ab. subvittana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 224, t. 2 fig. 16 (Peronea). 
ab. transapiciana Sheldon, 1930, ibid., vol. 63 p. 178, t. 4 fig. 6 (Peronea). 
ab. transversana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 197, t. 2 fig. 5 (Peronea); bastiona 
(part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., t. 3 fig. 22 (Acalla). 

ab. tristana Hübner, [1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 9 fig. 50; non bin.], 
1822, Syst.-alph. Verz., p. 65 (Eutracbia); logiana (non Cl.) Hübner, 1825, Verz. 
bek. Schm., p. 384 (Acleris); byringerana (non Hb.) Stephens, 1834, Ulustr. Brit. Ent. 
Haust., vol. 4, p. 156 (Peronea); costimaculana Wocke, 1874, Z. Ent. Bresl., Neue 
Folge, vol. 4, p. 16 (Teras); pseudologiana Reutti, 1898, Übers. Lep.-Fauna Baden, p. 
209 (Teras); ? bastiona (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., t. 3 fig. 26 (Acalla); 
costimacula (err.) Müller-Rutz, 1924, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 13, p. 349 
(Acalla). — Sheldon, 1930, p. 176, 194, t. 4 fig. 14; Dufrane, 1933, p. 199, fig. 5 
(als costimaculana). 

ab. trivittana Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 251, t. 2 fig. 23 (Peronea). 
ab. unicolor Müller-Rutz, 1924, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 13, p. 349 (Acalla); 
autumnana (part.) Müller-Rutz, 1924, I.e. (Acalla). 

ab. ustomaculana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 178, t. 4 fig. 9 (Peronea). 
ab. ustulana Sheldon, 1923, ibid., vol. 56, p. 249, t. 2 fig. 18 (Peronea); aquilana 
(part.) Kennel, 1907, Spuler's Schm. Eur., vol. 2, p. 241 (Acalla). — Kennel, 
1908, t. 3 fig. 42 (als aquilana). 

ab. variegana Sheldon, ' 1923, The Entom., vol. 56, p. 152, t. 2 fig. 6 (Peronea); 
byringerana (non Hb.) Wood, 1839, Ind. Ent., p. 157, t. 35 fig. 1073 (Peronea); 
bastiona (part.) BARRETT, 1905, Lep. Brit. Isl., vol. 10, t. 453 fig. 1 (Peronea); coro- 
nana (part.) Kennel, 1907, Spuler's Schm. Eur., vol. 2, p. 241, t. 83 fig. 4 (Acalla). 
— Kennel, 1908, t. 3 fig. 27 — 28 (als bastiono ab.), fig. 29 (als coronano). 
ab. veterana Hübner, 1825, Verz. bek. Schm., p. 385 (Teleia); scabrana (part.) 
[Hübner, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 10 fig. 58; non bin.] Illiger, 1801, 
Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., vol. 2, p. 62 (Phalaeno Tortrix); ? sparsana (non 
Schiff.) Charpentier, 1821, Zinsler Wickler etc., p. 68 (Tortrix). — Sheldon, 1923, 
p. 173. 

A. hippophaëana (Heyd.) * (129) 

hippopha'èana Heyden, 1865, Stett. Ent. Ztg., vol. 26, p. 377 (Teras); forma m 
Frey, 1883, Mitth. Schweiz. Ent. Ges., vol. 6, (1884), p. 692 (Teras); griseovariegata 
Fischer, 1944, Rev. Franc. Lép., vol. 10, p. 184, t. 5 (Acallo). — Kennel, 1908, 



142 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (210) 

p. 78; Filipjev, 1931, p. 516, 526, t. 23 fig. 3, 3a— b, t. 28 fig. 6 ( $ Ç -Genitalien); 
Obraztsov, 1949c (Variabilität). — Frankreich; Belgien; Elsass; West-Deutschland; 
Schweiz; Nord-Italien; Ungarn; Nordwest- und Ost-Russland. 

ab. variegata Fischer, 1944, Rev. Franc. Lép., vol. 10, p. 184, t. 5 (Acalla); formae 
d, e, g Frey, Mitth. Schweiz. Ent. Ges., vol. 6, (1884), p. 691 (Teras); hippophaëana 
(part.) Kennel, 1907, Spuler's Schm. Eur., vol. 2, p. 242, t. 83 fig. 10 (Acalla); 
ragatzana (non Heyd.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 78, t. 4 fig. 40 — 41 (Acalla); 
centrovittana (part.) Fischer, 1944, Rev. Franc. Lép., vol. 10, p. 186, t. 5 (Acalla). 
ab. albodelineata Fischer, 1944, Rev. Franc. Lép. vol. 10, p. 184, t. 5 (Acalla). 
ab. ragatzana Heyden, 1865, Stett. Ent. Ztg., vol. 26, p. 378 (Teras); ragazana 
Frey, 1883, Mitth. Schweiz. Ent. Ges., vol. 6, (1884), p. 690 (Teras); forma c Frey, 
1883, ibid., p. 691 (f. trans.) (Teras); hippophaëana (part.) Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. 
Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 81, No. 1453 (Acalla); subsponsana Fischer, 1944, 
Rev. Franc. Lép., vol. 10, p. 183 t. 5 (Acalla); nigrosignana (part.) Fischer, 1944, 
ibid., p. 185, t. 5 (Acalla). 

ab. speciosana Fischer, 1944, Rev. Franc. Lép., vol. 10, p. 185, t. 5 (Acalla); forma 
/ Frey, 1883, Mitth. Schweiz. Ent. Ges., vol. 6, (1884), p. 691 (Teras). 
ab. grisea Fischer, 1944, Rev. Franc. Lép., vol. 10, p. 183, t. 5 (Acalla); forma h 
Frey, Mitth. Schweiz. Ent. Ges., vol. 6, (1884), p. 691 (Teras). 
ab. brunnea Fischer, 1944, Rev. Franc. Lép., vol. 10, p. 184, t. 5 (Acalla); forma 
i Frey, 1883, Mitth. Schweiz. Ent. Ges., vol. 6, (1884), p. 691 (Teras); hippophaëana 
(non Heyd.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 78, t. 4 fig. 39 (Acalla); brunnescens 
Fischer, 1944, Rev. Franc. Lép., vol. 10, p. 184, t. 5 (Acalla); nigrosignana (part.) 
Fischer, 1944, ibid., p. 185, t. 5 (Acalla). — Fischer, 1944, p. 183, t. 5 (als hip- 
pophaëana). 

ab. obscura Fischer, 1944, Rev. Franc., vol. 10, p. 184, t. 5 (Acalla); forma k Frey, 
1833, Mitth. Schweiz. Ent. Ges., vol. 6, (1884), p. 691 (Teras). 
ab. albistriana Fischer, 1944, Rev. Franc. Lép., vol. 10, p. 186, t. 5 (Acalla); forma 
r Frey, 1883, Mitth. Schweiz. Ent. Ges., vol. 6, (1884), p. 692 (Teras). 
ab. pseudomayrana Reutti, 1898, Übers. Lep.-Fauna Baden, p. 210 (Teras); forma 
/ Frey, 1883, Mitth. Schweiz. Ent. Ges., vol. 6, (1884), p. 692 (Teras); mayrana 
Fischer, 1944, Rev. Franc. Lép., vol. 10, p. 185, t. 5 (Acalla). — Kennel, 1908, 
p. 79, t. 4 fig. 45. 

ab. brisiacana Reutti, 1898, Übers. Lep.-Fauna Baden, p. 210 (Teras); ? forma q 
Frey, 1883, Mitth. Schweiz. Ent. Ges., vol. 6, (1884), p. 692 (Teras); brunnistriana 
Fischer, 1944, Rev. Franc. Lép., vol. 10, p. 185, t. 5 (Acalla); bistriana Fischer, 
1944, ibid., p. 186, t. 5 (Acalla). — Kennel, 1908, p. 79, t. 4 fig. 42—44. 
ab. apiciana Fischer, 1944, Rev. Franc. Lép., vol. 10, p. 186, t. 5 (Acalla). 
ab. variostriana Fischer, 1944, ibid., p. 186, t. 5 (Acalla); forma o Frey, 1883, 
Mitth. Schweiz. Ent. Ges., vol. 6, (1884), p. 692 (Teras); hippophaëana ab. Kennel, 
1908, Pal. Tortr., p. 79, t. 4 fig. 46 (Acalla), centrovittana (part.) Fischer, 1944, 
Rev. Franc. Lép., vol. 10, p. 186, t. 5 (Acalla). 

A. osthelderi (Obr.) * 

ost heldert Obraztsov, 1949, Mitt. Münchn. Ent. Ges., vol. 35 — 39, (1945 — 49), p. 
224, fig. 1 ( 9 ), 2 ( Ç> -Genitalien) (Peronea). — Nord-Syrien. 

A. napaea (Meyr.) 

napaea Meyrick, 1912, Exot. Mier., vol. 1, p. 18 (Peronea). — Beludschistan. 

A. scabrana (Schiff.) * (130) 

scabrana Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 130 
(Phalaena Tortrix); elevana Fabricius, 1787, Mant. Ins., vol. 2, p. 234 (Pyralis); 
sparsana (non Schiff.) Frölich, 1828, Enum. Tortr. Würt., p. 20 (Tortrix); veterana 
(part.) TreitsCHKE, 1829, Schm. Eur., vol. 7, p. 229 (Tortrix); hastiana (part.) 
Wocke, 1861, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur., p. 94, No. 553 (Teras); leprosana (part.) 



(211) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 143 

Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 232, No. 652d (Teras); insulana 
Krulikovskij, 1903, Rev. Russe Ent., vol. 3, p. 179 {Acalla); nigrobasis Hauder, 
1912, Jahresber. Mus. Franc. Carol., vol. 70, p. 78 (Acalla); pernix Müller-Rutz, 
1924, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 13, p. 354 (Acalla). — Filipjev, 1930, p. 507. t. 
40 fig. 1, t. 41 fig. 2, 4 ( $ $ Genitalien) ; 1931, p. 504, 506, 508: McDuNNOUGH, 
1934, p. 310, p. 327 fig. 3, p. 331 fig. 4 ( $ $ -Genitalien); Vari, 1944, p. 216, fig. 
3 — 4 ($ $ -Genitalien). — Holland; ? Frankreich; ? Belgien; Elsass; Deutschland; 
Schweiz; Österreich; Ungarn; Polen; Ukraine; Ost-Russland; Kleinasien; Sibirien (mit 
Amur- und Süd-Ussuri-Gebiet) ; Nord-Amerika. 

ab. griseis Hauder, 1912, Jahresber. Mus. Franc. Carol., vol. 70, p. 78 (Acalla); 
Sparsana (non Schiff.) Charpentier, 1821, Zinsler Wickler etc., p. 68 (Tortrix); 
autumnana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 72, t. 3 fig. 39 (Acalla); scabrana 
(non Schiff.) Dufrane, 1933, Lambillionea, voi. 33, p. 199, fig. 6 (Acalla). 
ab. pseudocoronana, ab. nova; scabrana (non Schiff.) Duponchel, 1835, Hist. Nat. 
Lép. France, vol. 9, p. 139, t. 243 fig. 1 (Glypbiptera); leprosana (part.) Wocke, 
1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 232, No. 652d (Teras); coronana (part.) 
Rebel, 1901, Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 80, No. I446d (Acalla); insulana (part.) 
Krulikovskij, 1903, Rev. Russe Ent., vol. 3, p. 179 (Acalla); hastiana ab. Kennel, 
1908, Pal. Tortr., p. 71, t. 3 fig. 24—25 (Acalla). — Filipjev, 1930, t. 40 fig. 3 
(als scabrana). 

ab. psorana Frölich, 1828, Enum. Tortr. Würt, p. 20 (Tortrix); hastiana (part.) 
Meyrick, 1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 67 (Peronea); scabrana (part.) 
Maslowski & Maslowski, 1936, Fragm. Faun. Mus. Zool. Polon., vol. 2, (1933 — 36), 
p. 422 (Acalla). — Kennel, 1908, p. 71, t. 3 fig. 35 — 36. 

ab. striana, ab. nova; scabrana (part.) Filipjev, 1930, Annu. Mus. Zool. Acad. Sci. 
URSS, vol. 30, (1929), t. 40 fig. 4 (Peronea). 

ab. radiana, ab. nova: scabrana (part.) HERRiCH-SCHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. 
Eur., vol. 4, p. 149 (Teras) [1847, Tortr., t. 2 fig. 12; non bin.]; ?nayrana (part.) 
Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 233, No. 652n (Teras); „radiana 
Hb." (err. det.) Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 80, No. 
1446g (Acalla). 

A. uniformis (Fil.) * 

uniformis Filipjev, 1931, Annu. Mus. Zool. Acad. Sci. URSS, vol. 31, (1930), p. 
512, fig. A 1, t. 29 fig. 2 ( $ -Genitalien) (Peronea). — Südost-Sibirien. 

A. cristana (Schiff.) * (131) 

cristana Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 129 
(Phalaena Tortrix); rossiana Fabricius, 1794, Ent. Syst., vol. 3, pars 2, p. 259 (Py- 
ralis); ephippana Fabricius, 1798, Suppl. Ent. Syst., p. 479 (Pyralis); lefebvriana 
Duponchel, 1835, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 163, t. 244 fig. 6 (Peronea). — 
Kennel, 1908, p. 67, 69, t. 3 fig. 18; Sheldon, 1917, 1918, 1920, 1921 (Variabili- 
tät); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 20, t. 8 ( $ 9 -Genitalien). Filipjev, 1931, p. 
503, 506, 508, 510, t. 25 fig. 6, t. 28 fig. 2 ( $ 9 -Genitalien); Diakonoff, 1939, p. 
230, fig. 13 I— J (Geäder, Kopf), 17 F— G ($ 9 -Genitalien); Obr., fig. 327—8 
(Geäder, Kopf), 354 — 5 ( $ 9 -Genitalien). — Europa; Grossbritannien; Kaukasus; 
Südost-Sibirien; Japan. 

ab. albicapitana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 53, p. 148 (Peronea). 
ab. albicostana Sand, 1879, Cat. Lép. Berry, p. 133 (Teras); cristana (part.) Meyrick, 
1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 66 (Peronea). 

ab. albipunctana Stephens [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 185, No. 7057; 
nom. nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 152 (Peronea); albipuncta 
(err.) Desvignes, 1945, Zool., vol. 3, p. 841 (Peronea); cristana (part.) Walker, 
1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 207 (Teras); — Kennel, 1908, p. 69. 
ab. alboflavana Curtis, post 1834, Brit. Ent., expl. t. 16, p. 4 (Peronea). 
ab. albonigrana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 327, t. 8 fig. 2 (Peronea). 



144 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (212) 

ab. alboruficostana Clark, 1901, ibid., vol. 13, p. 288, t. 6 fig. 11 (Peronea); ruft- 
costana (part.) Curtis, 1825, Brit. Ent., expl. t. 16 (nicht die Figur !) (Peronea). 
ab. albovittana Stephens [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 185, No. 7052; nom. 
nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 151, t. 36 fig. 2 (Peronea); cristana 
(part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins., B. M., pars 27, p. 207 (Teras); siriana 
(part.) Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 232, No. 650c (Teras); 
desfontainana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 68 (Acalla). 
ab. apiciana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 178 (Peronea). 
ab. argentana Sheldon, 1930, ibid., vol. 63, p. 178 (Peronea). 
ab. argenteostrigana Sheldon, 1930, ibid., vol. 63, p. 178 (Peronea). 
ab. atrana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 290, t. 6 fig. 21 (Peronea). 
ab. attaliana Clark, 1901, ibid., vol. 13, t. 6 fig. 13 (Peronea). 
ab. bentleyana Curtis, post 1834, Brit. Ent., expl. t. 16, p. 2 (Peronea). 
ab. brunneana Stephens [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 185, No. 7046; nom. 
nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 149 (Peronea); brunnea Curtis, post 
1S34, Brit. Ent., expl. t. 16, p. 2 (Peronea); [cristana (part.) HERRlCH-SCHäFFER, 1847, 
Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, Tortr., t. 4 fig. 25; non bin.]; spadiceana (part.) 
Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 232, No. 650k (Teras). 
ab. capuana Johnson (Pseudonym: G. Capucina), 1842, Ann. & Mag. N. H., vol. 
10. p. 366 (Peronea); capuana Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths, vol. 2, 
p. 162 (Peronea); capuzina Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, 
p. 13 (Peronea, Eclectis). 

ab. chantana Curtis, post 1834, Brit. Ent., expl. t. 16, p. 4 (Peronea); ? larseni (non 
Strd.) Larsen, 1927, Ent. Medd., vol. 17, p. 1, t. 1 fig. 1—2 (Acalla). 
ab. consimilana Stephens [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 185, No. 7049; nom. 
nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 150 (Peronea); cristana (part.) Wal- 
ker, 1863, List Spec. Lep. Ins., B. M., pars 27, p. 207 (Teras); ruficostana (part.) 
Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 232, No. 650i (Teras); profanarla 
(part.) Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol 2, p. 79, No. I44lh (Acalla); 
desfontainana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 68 (Acalla). 

ab. cristalana Donovan, 1794, N. H. Brit. Ins., vol. 3, p. 13, t. 77 fig. 1—2 (Pha- 
laena Tortrix); cristana (non Schiff.) Hübner [1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 
28 fig. 176; non bin.], 1825, Verz. bek. Schm., p. 385 (Eclectis); striana (part.) 
Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 68 (Acalla); ? fulrorittana (part.) Kennel, I.e. (Acalla). 
ab. curtisana Desvignes, 1845, Zool., vol. 3, p. 842 (Peronea); charlottana Clark, 
1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 289, t. 6 fig. 16 (Peronea). 

ab. desfontainana Fabricius, 1794, Ent. Syst., vol. 3, pars 2, p. 268 (Pyralis); des- 
fontainiana (emend.) Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 413 (Tortrix); desfontaniana 
(err.) Wood, 1839, Ind. Ent., p. 155, t. 35 fig. 1054 (Peronea); desfontianana (err.) 
Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 13 (Peronea, Eclectis); 
cristana (part.) Walker, 1863, List. Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 207 (Teras). 
— Kennel, 1908, p. 68, t. 3 fig. 15. 

ab. flammeana Webb, 1911, The Entom., vol. 44, p. 289 (Peronea). 
ab. flavostriana Webb, 1911, ibid., vol. 44, p. 291 (Peronea). 
ab. fulvana Sheldon, 1921, ibid., vol. 54, p. 37 (Peronea). 

ab. fulvocristana Stephens, [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 185, No. 7051; 
nom. nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 151 (Peronea); desfontainiana 
(part.) Curtis, post 1834, Brit. Ent., expl. t. 16, p. 3 (Peronea); cristana (part.) 
Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 207 (Teras); desfontainana 
(part.) Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 232, No. 650d (Teras). 
ab. fulvopunctana Sheldon, 1921, The Entom., vol. 54, p. 37 (Peronea); „xantho- 
vittana auct." Webb, 1910, ibid., vol. 43, p. 266 (Peronea). 
ab. fulvostriana Desvignes, 1845, Zool., vol. 3, p. 843 (Peronea). 
ab. fulvovittana Stephens, [1829, Syst. Sat. Brit. Ins., vol. 2, p. 185, No. 7053; nom. 
nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 151 (Peronea); cristalana (part.) 
Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 79, No. I44lf (Acalla); ful- 
vorittana (err. typogr.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 68 (Acalla); cristana (part.) 



(213) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 145 

Meyrick, 1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 66 {Peronea); ? jlavovittana (err.) 
Matsumura, 1931, 6000 Ulustr. Ins. Jap., p. 1060, fig. {Acalla). — Kennel, 1908, 
t. 3 fig. 12. 

ab. fuscana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 288, t. 6 fig. 10 {Peronea). 
ab. ? gibbosana Treitschke, 1835, Schm. Eur., vol. 10, pars 3, p. 130 {Teras). 
ab. gumpiana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 289 {Peronea); gumpinana (non 
Johns.) Clark, 1904, ibid., vol. 16, p. 146 {Peronea); clarkiana Webb, 1910, The 
Entom., vol. 43, p. 200 {Peronea). 

ab. gumpinana Johnson (Pseudonym: G. Capucina), 1842, Ann. & Mag. N. H., vol. 
10, p. 366 {Peronea); cristana var. Webb, 1910, The Entom., vol. 43, p. 200 {Pe- 
ronea); jlavana Sheldon, 1921, ibid., vol. 54, p. 56 {Peronea). 

ab. insulana Curtis, post 1834, Brit. Ent., expl. t. 16, p. 4 {Peronea); cristana (part.) 
Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 207 {Teras). 
ab. intermediana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 291, t. 6 fig. 24 {Peronea). 
ab. jansoniana Webb, 1910, The Entom., vol. 43, p. 267 {Peronea). 
ab. lichenana Curtis, post 1834, Brit. Ent., expl. t. 16, p. 2 {Peronea); nigrosubvit- 
tana (part.) Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, t. 6 fig. 4 {Peronea). 
ab. masoniana Clark, 1901, ibid., vol. 13, p. 289, t. 6 fig. 17 {Peronea). 
ab. merlana Clark, 1901, ibid., vol. 13, p. 290, t. 6 fig. 22 {Peronea). 
ab. nigrana Clark, 1901, ibid., vol. 13, p. 290, t. 6 fig. 19 {Peronea); profanana 
(part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 68, t. 3 fig. 7 {Acalla). 

ab. nigrocostana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 327, t. 8 fig. 1 {Peronea); ni- 
groruficostana Webb, 1910, The Entom., vol. 43, p. 268 {Peronea). 
ab. nigrocristana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 263, t. 6 fig. 1 {Peronea). 
ab. nigropunctana Clark, 1901, ibid., vol. 13, p. 289, t. 6 fig. 15 {Peronea). 
ab. nigrosubvittana Clark, 1901, ibid., vol. 13, p. 264 {Peronea). 
ab. ochreana Sheldon, 1918, The Entom., vol. 51, p. 43 {Peronea); gumpinana (non 
Johns.) Webb, 1910, ibid., vol. 43, p. 200 {Peronea); clarkiania (nom. praeocc.) 
Sheldon, 1918, ibid., vol. 51, p. 14 {Peronea); clarkiana (non Webb) Sheldon, 1918, 
ibid., vol. 51, p. 43 {Peronea). 

ab. ochreapunctana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 289, t. 6 fig. 14 {Peronea). 
ab. postchantana Webb, 1911, The Entom., vol. 44, p. 290 {Peronea). 
ab. prochantana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 264, t. 6 fig. 3 {Peronea). 
ab. procristalana Webb, 1911, The Entom., vol. 44, p. 290 {Peronea). 
ab. profanana Fabricius, 1794, Ent. Syst., vol. 3, pars 2, p. 268 {Pyralis); [? pro- 
fundana Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 97 {Peronea); nom. 
nud.]; cristana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 207 
{Teras); profana (err. typogr.) Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 
232, No. 650m {Teras); sepiana Sheldon, 1917, The Entom., vol. 50, p. 270 {Pe- 
ronea). — Kennel, 1908, p. 68, t. 3 fig. 8 — 10. 

ab. prostriana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 288, t. 6 fig. 8 {Peronea). 
ab. provittana Desvignes, 1845, Zool., vol. 3, p. 843 {Peronea). 
ab. punctana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 264, t. 6 fig. 5 {Peronea). 
ab. purdeyana Webb, 1910, The Entom., vol. 43, p. 201 {Peronea). 
ab. ruficostana Curtis, 1825, Brit. Ent., t. 16 & expl. {Peronea); cristana (part.) 
Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B.M., pars 27, p. 207 {Teras). — Kennel, 1908, 
p. 69. 

ab. ruficristana Webb, 1910, The Entom., vol. 43, p. 268 {Peronea). 
ab. rufinigrana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 290, t. 6 fig. 20 {Peronea). 
ab. sagittana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 193 {Peronea). 
ab. semistriana Desvignes, 1845, Zool., vol. 3, p. 843 {Peronea). 
ab. semiustana Curtis, post 1834, Brit. Ent., expl. t. 16, p. 2 {Peronea). 
ab. sequana Curtis, post 1834, op. cit., expl. t. 16, p. 3 {Peronea); combustana (non 
Hb.) Duponchel, 1835, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 157, t. 244 fig. 2 {Peronea); 
sparsana (part.) Duponchel, 1845, Cat. Méth. Lép. Eur., p. 291 {Peronea); cristana 
(part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 207 (Teras); striana 
(part.) Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 79, No. I44lb {Acalla). 



146 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (214) 

ab. sericana Hübner [1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 14 fig. 83; non bin.], 
1822, Syst.-alph. Verz., p. 65 (Eutrachia); cristana (part.) Walker, 1863, List Spec. 
Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 207 (Teras); desjontainana (part.) WoCKE, 1871, Stgr.- 
Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 232, No. 650d (Teras); ulotana Clark, 1901, Ent. 
Ree, vol. 13, p. 291, t. 6 fig. 23 (Peronea). 

ab. southiana Sheldon, 1921, The Entom., vol. 54, p. 36 (Peronea); cristana var. 
Webb, 191 1, ibid., vol. AA, p. 291 (Peronea). 

ab. spadiceana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 412 (Tortrix); cristana (part.) Wal- 
ker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M„ pars 27, p. 207 (Teras). 

ab. striana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 413 (Tortrix); cristana (part.) Walker, 
1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 207 (Teras). 

ab. subalboflammana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 288, t. 6 fig. 9 (Peronea). 
ab. subcapucina Desvignes, 1845, Zool., vol. 3, p. 842 (Peronea); subcapuzina 
Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 13 (Peronea, Eclectis). 
ab. subchantana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 264, t. 6 fig. 2 (Peronea). 
ab. subcristalana Curtis, post 1834, Brit. Ent., expl. t. 16, p. 3 (Peronea). 
ab. subfulvovittana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 265, t. 6 fig. 6 (Peronea). 
ab. subnigrana Image, 1917, The Entom., vol. 50, p. 267 (Peronea). 
ab. substriana Stephens, [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 185, No. 7045; nom. 
nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 149 (Peronea); profanana (part.) 
Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 79, No. I44lh (Acalla); 
striana (non Hw.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 68, t. 3 fig. 14 (Acalla). 
ab. subunicolorana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 290, t. 6 fig. 18 (Peronea); 
? aquilina Larsen, 1931, Ent. Medd., vol. 17, p. 2, t. 1 fig. 3 (Acalla). 
nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 152 (Peronea); cristana (part.) 
Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 207 (Teras); albipunctana 
(part.) WOCKE, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 232, No. 450b (Teras). 
ab. tolana Desvignes, 1845, Zool., vol. 3, p. 842 (Peronea). 
ab. transapiciana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 178 (Peronea). 
ab. transversana Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 288, t. 6 fig. 12 (Peronea). 
ab. unicolorana Desvignes, 1845, Zool., vol. 3, p. 841 (Peronea); profanana (part.) 
Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 13 (Peronea, Eclectis); 
larseni Strand, 1916, Arch. Naturg., A. 5, p. 167 (Acalla). 
ab. ustomaculana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 178 (Peronea). 
ab. ustulana Sheldon, 1921, ibid., vol. 54, p. 37 (Peronea). 
ab. vaughaniana Webb, 1911, ibid., vol. AA, p. 290 (Peronea). 

ab. vittana Stephens [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 185, No. 7047; nom. 
nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 150 (Peronea); cristana (part.) Wai 
ker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 207 (Teras); spadiceana (part.) 
Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 79, No. I44ld (Acalla). 
ab. webbiana Sheldon, 1921, The Entom., vol. 54, p. 37 (Peronea). 
ab. xanthovittana Desvignes, 1845, Zool., vol. 3, p. 841 (Peronea); proxanthovittana 
Clark, 1901, Ent. Ree, vol. 13, p. 265, t. 6 fig. 7 (Peronea). 

A. mixtana (Hb.) * (132) 

byemana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 413 (Tortrix); [hyemalis Samouelle, 1819, 

Nomencl. Brit. Ent., pars 1, p. 41 (Tortrix); nom. nud.]; mixtana Hübner [1811 — 13, 

Samml. eur. Schm., Tortr., t. 34 fig. 215; non bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 62 

(Eutrachia); castaneana (non Hw.) Stephens, 1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 

1S9, No. 7112 (Chehnatophila); [permixtana Duponchel, 1836, Hist. Nat. Lép. 

France, vol. 9, t. 261 fig. 8; non bin.]. — Kennel, 1908, p. 76, t. 4 fig. 29 — 31; 

Pierce & Metcalfe, 1922, p. 21, t. 8 ( $ $ -Genitalien). — Nord-, Mittel- und 

West-Europa; Grossbritannien; Istrien; Ost-Baltikum. 

ab. griseana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 243 (Peronea). 

«b. brunneana Sheldon, 1930, I.e. (Peronea); mixtana (part.) — Kennel, 1908, 

Pal. Tortr., p. 76, t. 4 fig. 32—33 (Acalla). 



(215) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 147 

ab. provinciana Peyerimhoff, 1872, Mitth. Schweiz. Ent. Ges., vol. 3, p. 410 {Teras); 
mixtana (part.) Meyrick, 1912, Wagner's Lep. Cat., pars, 10, p. 65 (Peronea). 

A. fimbriana (Thnbg.) * (133) 

fimbriana Thunberg & Becklin, 1791, Diss. Ent., vol. 2, p. 44, t. 5 fig. 3 (Tortrix); 
albistrigana Petersen, 1924, Lep.-Fauna Estl., p. 418 {Acalla). — Kennel, 1908, p. 
75, t. 4 fig. 28; Benander, 1934, p. 125, t. 2 fig. 4 ( £ -Genitalien); 1950, p. 14, 
Textfig. 3e ( $ -Genitalien). — Schweden; Finnland; Ost-Baltikum; Ungarn; West- 
Deutschland; Frankreich; Istrien. 

ab. costistrigana, ab. nova; fimbriana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 76, t. 4 
fig. 27 {Acalla). 

ab. unicolorana, ab. nova; fimbriana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 76, t. 4 
fig. 22—23 {Acalla). 

ab. fasciana, ab. nova; fimbriana Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 76, t. 4 fig. 24 — 26 
{Acalla) . 

A. albiscapulana (Chr.) * 

albiscapulana Christoph, 1881, Bull. Soc. Imp. Nat. Moscou, vol. 56, pars 1, p. 63 
{Teras). — Kennel, 1908, p. 79, t. 4 fig. 47; Filipjev, 1931, p. 506, 507, 516, t. 26 
fig. 3, 3a, t. 32 fig. 1 ( J $ -Genitalien). — Ost-Tianschan; Südost-Sibirien; Korea. 

A. filipjevi nom. nov. * (134) 

hispidana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 82, t. 4 fig. 56 {Acalla): grisea (nom. 
praeocc.) Filipjev, 1931, Annu Mus. Zool. Acad. Sci. URSS, vol. 31, (1930), p. 519, 
fig. B 4, t. 27 fig. la — b ( $ -Genitalien) {Peronea). — Südost-Sibirien. 

A. lipsiana (Schiff.) * 

lipsiana Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 129 {Pha- 
leana Tortrix); ? strigulana Frölich, 1828, Enum. Tortr. Würt, p. 28 {Tortrix). — 
Kennel, 1908, 'p. 90, t. 5 fig. 28 — 29 ( 3 9 ); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 22, 
t. 9 ( $ -Genitalien, nicht die des Weibchens); Filipjev, 1931, p. 516, t. 24 fig. 1, 
t. 29 fig. 4 ( $ 9 -Genitalien); McDunnough, 1934, p. 311, p. 327 fig. 9, p- 331 
fig. 6(^9 -Genitalien); Benander, 1934, p. 126, t. 2 fig. 6 ( $ -Genitalien); 1950, 
p. 19, Textfig. 3g ( $ -Genitalien). — Europa; Grossbritannien; Insel Korfu; Nord- 
Amerika. 

ab. griseana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 275 {Peronea); lipsiana (part.) 
Kennel, 1908, Pal. Tortr., t. 5 fig. 30 {Acalla). 

ab. sudoriana Hübner [1822 — 23, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 45 fig. 283; non 
bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 65 {Eutrachia); sudor ana Frölich, 1928, Enum. 
Tortr. Würt., p. 24 {Tortrix); lipsiana (non Schiff.) Stainton, 1855, Ent. Ann., p. 
24 {Peronea). 

ab. costimaculana Sheldon, 1930, The Entom., voi. 63, p. 274 {Peronea). 
ab. eutaeniana Preissecker, 1928, Verh. zool. -bot. Ges. Wien, vol. 78, (1929), p. 
(22) {Acalla); lipsiana (part.) HERRiCH-SCHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., 
vol. 4, p. 148 {Teras) [1847, Tortr., t. 3 fig. 17 — 18; non bin.]. 

A. tephromorpha (Meyr.) (135) 

tephromorpha Meyrick, 1930, Exot. Micr., vol. 3, p. 613 {Peronea). — Mandschurei; 
Ost-China. 

A. apiciana (Hb.) * (136) 

apiciana Hübner, 1793, Samml. auserl. Vög. u. Schm., p. 10, t. 49 {Phalaena); 
bistriana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 399 {Tortrix); crassana { 9 ) DUPONCHEL, 
1843, Hist. Nat. Lép. France, Suppl., vol. 4, p. 138, t. 61 fig. 10 {Peronea); ruf ana 



148 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (216) 

(part.) Stephens, 1852, List. Spec. Brit. Anim. B. M., p. 16 (Peronea, Lopas); 
hastiana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 207 (Teras); 
divisatici (part.) Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 233, No. 652k 
(Teras); olseniana Larsen, 1927, Ent. Medd., vol. 17, p. 2, t. 1 fig. 4 (Acalla). — 
Kennel, 1908, p. 89, t. 5 fig. 26; als rufana: Pierce & Metcalfe, 1922, p. 22, t. 9 
($ 9 -Genitalien); Sheldon, 1930, p. 276 (Variabilität); Benander, 1950, p. 18, 
Textfig. 3c ( $ -Genitalien). — Europa. 

ab. ochreostriana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 276 (Peronea). 
ab. similana Curtis, 1824, Brit. Ent., expl. t. 16 (Peronea); rufana (nom. praeocc.) 
Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 129 (Pbalaena 
Tortrix); lucidana TreitsCHKE, 1830, Schm. Eur., vol. 8, p. 260 (Teras); densana 
Freyer, 1833, Neuere Beytr. Schm. Kunde, vol. 1, p. 34, t. 18 fig. 4 (Tortrix); 
autumnana (part.) Sheldon, 1923, The Entom., vol. 56, p. 177 (Peronea). — Kennel, 
1908, p. 89, t. 5 fig. 25 ( $ , als rufana). 

ab. wolfschlägeriana Hauder, 1924, Jahresber, Oberösterr. Mus. Ver., vol. 80, p. 
275 (Acalla). 

ab. rubellana Müller-Rutz, 1920, Mitt. Ent. Zürich, vol. 5, p. 339 (Tortrix); pur- 
purana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 277 (Peronea). 

ab. ochreana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 277 (Peronea); rufana (part.) 
Barrett, 1905, Lep. Brit. Isl., vol. 10, t. 454 fig. 4a (Peronea). 
ab. albicostana Stephens [1829, Syst. Cat. Brit. Lep., vol. 2, p. 186, No. 7076; nom. 
nud.], 1934, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 158 (Peronea, Acleris); crassana ( $ ) 
Duponchel, 1843, Hist. Nat. Lép. France, Suppl., vol. 4, p. 138, t. 61 fig. 9 (Pero- 
nea); rufana (part.) Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 16 
(Peronea, Lopas); ? radiana (part.) Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 
233, No. 652i (Teras). 

A. lubricana (Mn.) * (137) 

lubricana Mann, 1867, Verh. zool. -bot. Ges. Wien, vol. 17, p. 842 (Tortrix). — 
Kennel, 1908, p. 96, t. 5 fig. 54 ( $ ); Obr., fig. 361—63 ( $ $ -Genitalien). — 
West-Deutschland; Süd-Tirol; Süd-Polen; ? Südost-Russland; Kaukasus. 

A. lorquiniana (Dup.) * (138) 

lorquiniana Duponchel, 1835, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 165, t. 244 fig. 7 
(Peronea); ? at 'omelia Wood, 1839, Ind. Ent.,; p. 172, t. 38 fig. 1181 (Depressala); 
rufana (part.) Stephens, 1852, List Spec. Brit. Anim. B. M., pars 10, p. 16 (Peronea, 
Lopas). — Kennel, 1908, p. 99; Pierce & Metcalfe, 1922, p. 23, t. 9 ($ $- 
Genitalien); Sheldon, 1931, p. 99 (Variabilität). — Schweden; Finnland; England; 
Deutschland; Ungarn; Frankreich; Polen; Ukraine. 

ab. Havana Sheldon, 1931, The Entom., vol. 64; p. 100 (Dictyopteryx); lorquiniana 
(part.) Barrett, 1905, Lep. Brit. Isl., vol. 10, t. 455 fig. 5 (Peronea). — Kennel, 
1908, t. 5 fig. 62 ( $ , als lorquiniana). 

ab. uliginosana Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths, vol. 2, p. 139, t. 87 
fig. 12 (Bactra); atrosignana HERRiCH-SCHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, 
p. 146 (Teras) [1849, Tortr., t. 51 fig. 360; non bin.]; lorquiniana (part.) BARRETT, 
1905, Lep. Brit. Isl., vol. 10, t. 455 fig. 5b (Peronea). — Kennel, 1908, p. 99, t. 6 
fig. 1 ( $ , als atrosignana). 

ab. striatana Ragonot, 1894, Ann. Soc. Ent. France, vol. 63, p. 180 (Teras); uli- 
ginosana (non Westw. 1845) Wood & Westwood, 1854, Ind. Ent., ed. 2, p. 267, 
t. 57 fig. 1773 (Dictyopteryx); lorquiniana var. b. Schleich, 1863. Stett. Ent. Ztg., 
p. 67 (Teras); striata (err. typogr.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., t. 6 fig. 2 (Acalla). 
— Kennel, 1908, p. 100. 

A. orphnocycla (Meyr.) (139) 

orphnocycla Meyrick, 1937, Iris, vol. 51, p. 175 (Peronea). — Yünnan. 



(217) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 149 

A. sheljuzhkoi (Obr.) * (140) 

sheljuzbkoi Obraztsov, 1943, Mitt. Münchn. Ent. Ges., vol. 33,> p. 88, fig. 1 — 2 
( $ 9 -Genitalien), t. 9 fig. 1 (Peronea). — West- Pamir; Süd-Buchara. 

A. abietana (Hb.) * (141) 

abietana Hübner, [1819 — 22, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 44 fig. 275- — 76; non bin.], 
1822, Syst.-alph. Verz., p. 58 (Eutrachia). — Kennel, 1908, p. 73, t. 4 fig. 9 ( $ ); 
Benander, 1934, p. 123, t. 1 fig. 5 ( $ -Genitalien); 1950, p. 12, Textfig. 3f ( $ - 
Genitalien); Obr., fig. 356 (Valva). — Nord- und Mittel-Europa; Nord-Italien; Ost- 
Baltikum; Ost-Russland. 

ab. confixana Hübner, [1819 — 22, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 44 fig. 277; non 
bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 59 (Eutracbia); abietana (part.) Walker, 1863, List 
Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 208 (Teras). — Kennel, 1908* t. 4 fig. 10 ( $ , 
als abietana). 

ab. opacana [Hübner, 1832- — 33, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 53 fig. 334; non bin.] 
Treitschke, 1835, Schm. Eur., vol. 10, pars 3, p. 133 (Teras); erebana GuENéE, 1845, 
Ann. Soc. Ent. France, ser. 2, vol. 3, p. 146 (Teras); maccana (part.) Wocke, 1871, 
Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 233,: No. 654 (Teras); nigricana Hauder, 1912, 
Jahresber. Mus. Franc. Carol., vol. 70, p. 79 (Acalla); abietana (part.) Meyrick, 
1912, Wagner's Lep. Cat., pars 10, p. 68 (Peronea). 

ab. mitterbergeriana Hauder, 1914, Ent. Z., vol. 28 p. 29 (Acalla); abietana (part.) 
Fischer v. Röslerstamm, 1837, Abb. Bericht. Ergänz. Schm. Kunde, p. 69, t. 34 fig. 
d — f (Teras); confixana (non Hb.) Kennel, 1908,- Pal. Tortr., t. 4 fig. 14 (Acalla). 
ab. lutiplaga Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 81, No. 1448c 
(Acalla); abietana (part.) Fischer v. Röslerstamm, 1837, Abb. Bericht. Ergänz. Schm. 
Kunde, p. 69, t. 35 fig. a, d (Teras); lutiplage (err. typogr.) Kennel, 1908, Pal. 
Tortr., t. 4 fig. 13 (Acalla). — Kennel, 1908, p. 73- 
ab. dorsialba, ab. nova; abietana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 73, t. 4 fig. 

11 (Acalla). 

ab. costialba, ab. nova; abietana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 73, t. 4 fig. 

12 (Acalla). 

A. maccana (Tr.) * 

maccana Treitschke, 1835, Schm. Eur., vol. 10, pars 3, p. 133 (Teras); abietana (err. 
det.) Fischer v. Röslerstamm, 1837, Abb. Bericht. Ergänz. Schm. Kunde, p. 69, t. 
34 fig. a — c (Teras); torquana Zetterstedt, 1840, Ins. Lap., p. 989 (Teras); mor- 
morarla [? Curtis, post 1834, Brit. Ent., expl. t. 16] Westwood & Humphreys, 1845, 
Brit. Moths, vol. 2, p. 159, t. 94 fig. 9 (Peronea); effractana (part.) Walker, 1S63, 
List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 21,\ p. 206 (Rbacodia); ? repandana [?? Fabricius, 
1798, Suppl. Ent. Syst., p. 478 (Pyralis)} Werneburg, 1864, Beitr. Schm. Kunde, vol. 
1, p. 467, 561 (Tortrix); macana (err. typogr.) Petersen 1924, Lep.-Fauna Estl., p. 33 
(Acalla). — Kennel, 1908, p. 74, t. 4 fig. 17 ( $ ); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 
21, t. 8 ( $ -Genitalien, nicht die des Männchens); 1935, p. 114, t. 67 ( $ -Genita- 
lien); Benander, 1934, p. 123, t. 1 fig. 3 ( $ -Genitalien); 1950, p. 13, Textfig. 3b 
(<£ -Genitalien); Obr., fig. 357 (Valva). — Nord- und Mittel-Europa; Grossbritan- 
nien; Island; Ost-Baltikum; Polen; Ukraine; Ost-Russland; Nord-Amerika, 
ab. suffusana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 223 (Peronea); ? tri 'stana (non 
Hb.) Westwood & Humphreys, 1845, Brit. Moths., vol. 2, p. 159, t. 94 fig. 13 
(Peronea); maccana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 74, t. 4 fig. 16, 18 
(Acalla). 

ab. basalticola Staudinger, 1857, Stett. Ent. Ztg., vol. 18, p. 268 (Teras); maccana 
(part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 208 (Teras). 
ab. canescana Sheldon, 1930, The. Entom., vol. 63, p. 223 (Peronea); maccana (non 
Tr.) HERRiCH-SCHäFFER, 1847, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, Tortr., t. 3 fig. 16; 
1851, p. 149 (Teras). — ■ Kennel, 1908, p. 75, t. 4 fig. 19 ( 9 , als maccana). 
ab. leporinana Zetterstedt, 1840, Ins. Lap., p. 980 (Tortrix); abietana (err. det.) 



150 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (218) 

Fischer v. Röslerstamm, 1837, Abb. Bericht. Ergänz. Schm. Kunde, p. 69, t. 34 fig. g 
(Teras); lipsiana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 210 
(Teras); maccana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 75, t. 4 fig. 20 — 21 (Acalla). 



A. literana (L.) * 

literaria LiNNé, 1758, Syst. Nat., ed. 10, p. 530 (Phalaena Tortrix); luterana Fabricius, 
1794, Ent. Syst., vol. 3, pars 2, p. 271 (Pyralis). — Kennel, 1908, p. 82, t. 5 fig. 1 
( Ç ); Sheldon, 1921a (Variabilität); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 24, t. 9 ( $ 9 - 
Genitalien); Benander, 1950, p. 16, Textfig. 3t ( $ -Genitalien). — Europa (? mit 
Ausnahme von Südwesten); Grossbritannien; Sibirien; Kleinasien. 
Schawerda, 1936, Z. Oesterr. Ent. Ver., vol. 21, p. 66 (Acalla). 
ab. romanana Fabricius, 1787, Mant. Ins., vol. 2, p. 234 {Pyralis): literana (non L.) 
[Hübner, 1796 — 99,' Samml. eur. Schm., Tortr., t. 15 fig. 88; non bin.] Illiger, 1801, 
Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., vol. 2, p. 39 (Phalaena Tortrix); notatana Hübner, 
1825, Verz. bek. Schm., p. 386 (Oxigrapha); squamana (part.) Wocke, 1871, Stgr.- 
Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 234, No. 664b (Teras); squamulana (non Hb.) Snellen, 
1882, Vlind. Nederl., Micr., p. 177 (Teras). 

ab. griseana Sheldon, 1921, The Entom., vol. 54, p. 158 (Oxigrapha); trimaculata 
Schawerda, 1936, Z. Oesterr. Ent. Vre., vol. 21, p. 66 (Acalla). 
ab. nigrofasciana Preissecker, 1913, Verh. zool.-bot. Ges. Wien, vol. 63, p. (49) 
(Acalla); [squa?nulana (part.) Hübner, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 15 
fig. 93; non bin.]; treueriana [ ? Schifffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. 
Wien. Geg., p. 130 (Phalaena Tortrix)] Charpentier, 1821, Zinsler Wickler etc., p. 
74 (Tortrix); squammulana Hübner, 1822, Syst.-alph. Verz., p. 65 (Eutrachia); 
asperana (non Schiff.) HÜBNER, 1825, Verz. bek. Schm., p. 386 (Oxigrapha); 
squamana ß (part.) Frölich, 1828, Enum. Tortr. Würt., p. 18 (Tortrix); squamana 
(part.) Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 234, No. 664b (Teras); 
ab. fulvoliterana Sheldon, 1921, The Entom., vol. 54, p. 158, t. 1 fig 4 (Oxigrapha); 
literana (part.) [Hübner, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 15 fig. 91; non 
bin.] Illiger, 1801, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., vol. 2, p. 39 (Phalaena Tortrix); 
aerugana (part.) Hübner, 1825, Verz. bek. Schm., p. 386 (Oxigrapha),; squamana 
(part.) Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur. Faun., p. 234, No. 664b (Teras); 
tricolorana (part.) Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 82, No. 
I458d (Acalla). 

ab. fulvomaculana Sheldon, 1921, The Entom., vol. 54, p. 159 (Oxigrapha); literana 
(part.) [Hübner, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 15, fig. 90; non bin.] 
Illiger, 1801, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., vol. 2, p. 39 (Phalaena Tortrix); tricolo- 
rana (part.) Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 82, No. I458d 
(Acalla). 

ab. tricolorana Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 411 (Tortrix); squamana (non F.) 
DuPONCHEL, 1835, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 128, t. 242 fig. 2a (Glyphiptera); 
literana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 209 (Teras); 
julromixtana (part.) Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 82, No. 
1458c (Acalla). — Kennel, 1908, p. 83; Sheldon, 1921a, p. 159, t. 1 fig. 5. 
ab. suffusana Sheldon, 1921, The Entom., vol. 54, p. 160, t. 1 fig. 10 (Oxigrapha). 
ab. abjectana Hübner, 1825, Verz. bek. Schm., p. 386 (Oxigrapha); asperana 
[? Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 130 (Phalaena 
Tortrix)} (part.) Charpentier, 1821, Zinsler Wickler etc., p. 74 (Tortrix); irrorana 
(part.) Hübner [1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 15 fig. 97; non bin.], 1822, 
Syst.-alph. Verz., p. 61 (Eutrachia); squamana y (part.) Frölich, 1828, Enum. Tortr. 
Würt., p. 18 (Tortrix); scabrana (non Schiff) Curtis, 1833, Brit. Ent., expl. t. 440 
(Leptogramma). 

ab. squamana Fabricius, 1775, Syst. Ent., p. 651 (Pyralis); luterana Thunberg & 
Borgstroem, 1784, Diss. Ent., vol. 1, p. 21, t. 3 fig. 20 (Tortrix); asperana (part.) 
HERRiCH-SCHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 152 (Teras) [1847, 



(219) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 151 

Tortr., t. 1 fig. 3; non bin.]; literana (non L.) Werneburg, 1858, Stett. Ent. Ztg., vol. 
19, p. 426 (Tortrix). — Kennel, 1908, p. 83, t. 5 fig. 3 ( $ ). 
ab. mixtana Sheldon, 1921, The Entom., vol. 54, p. 161, t. 1 fig. 7 (Oxigrapba); 
treueriana (part.) [? Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., 
p. 130 (Pbalaena Tortrix)'] Charpentier, 1821, Zinsler Wickler etc., p. 74 (Tortrix); 
squammulana (part.) Hübner, 1822, Syst.-alph. Verz., p. 65 (Eutrachia); asperana 
(part.) Hübner, 1825, Verz. bek. Schm., p. 386 (Oxigrapba); squamana (non F.) 
Frölich, 1828, Enum. Tortr. Würt., p. 18 (Tortrix); squatnulana [Hübner, 1796 — 99, 
Samml. eur. Schm., Tortr., t. 15 fig. 94; non bin.] Snellen, 1882, Vlind. Nederl., 
Micr., p. 177 (Teras). 

ab. Havana Sheldon, 1921, The Entom., vol. 54, p. 188 (Oxigrapba). 
ab. irrorana Hübner, [1796 — 99, Samml. eur. Schm. Tortr., t. 15 fig. 96; non bin.], 
1822, Syst.-alph. Verz., p. 61 (Eutrachia); asperana (part.) [? Schiffermiller & 
Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 130 (Pbalaena Tortrix)] Charpentier, 
1821, Zinsler Wickler etc., p. 74 (Tortrix); squamana y (part.) Frölich, 1828, 
Enum. Tortr. Würt., p. 18 (Tortrix); literana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. 
Ins. B. M., pars 27, p. 209 (Teras); squamana (part.) Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. 
Lep. Eur. Faun., p. 234, No. 664b (Teras); multipunctata Schawerda, 1936. Z. 
Oesterr. Ent. Ver., vol. 21, p. 66 (Acalla). 

ab. squamulana Hübner, 1793, Samml. auserl. Vög. u. Schm., p. 6, t. 14 (Pbalaena); 
treueriana (part.) [? Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., 
p. 130 (Pbalaena Tortrix)] Charpentier, 1821, Zinsler Wickler etc., p. 74 (Tortrix); 
squammulana Hübner, 1822, Syst.-alph. Verz., p. 65 (Eutrachia); asperana (part.) 
Hübner, 1825, Verz. bek. Schm., p. 3S6 (Oxigrapba); squamana y Frölich, 1828, 
Enum. Tortr. Würt., p. 18 (Tortrix); literana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. 
Ins. B. M., pars 27, p. 209 (Teras); tricolorana (part.) Wocke, 1871, Stgr.-Wck. Cat. 
Lep. Eur. Faun., p. 234, No. 664d (Teras); olivana Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. 
Pal. Faun., vol. 2, p. 82, No. l458f (Acalla). 

ab. suavana HERRiCH-SCHäFFER, 1851, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 4, p. 152 (Teras) 
[1847, Tortr., t. 1 fig. 1; non bin.]; literana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. 
Ins. B. M., pars 27, p. 209 (Teras). — Kennel, 1908, p. 83. 

ab. nigromaculana Sheldon, 1921, The Entom., vol. 54, p. 209, t. 1 fig. 6 (Oxi- 
grapba). 

ab. fulvomixtana Stephens [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 188, No. 7098; 
nom. nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol. 4, p. 166 (Leptogramma); aerugana 
(non Hb.) STEPHENS, 1852, List Spec. Brit. Anim. B. M.,i pars 10, p. 12 (Oxigrapba); 
literana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 209 (Teras). 
ab. aerugana Hübner, 1825, Verz. bek. Schm., p. 386 (Oxigrapba); treueriana (part.) 
[? Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 130 (Pbalaena 
Tortrix)] Charpentier, 1821, Zinsler Wickler etc., p. 74 (Tortrix); squammulana 
(part.) Hübner, 1822, Syst.-alph. Verz., p. 65 (Eutrachia); squamana ß (part.) 
Frölich, 1828, Enum. Tortr. Würt., p. 18 (Tortrix); squamana (non F.) Westwood 
& Humphreys, 1845, Brit. Moths, vol. 2, p. 164, t. 96 fig. 11 (Leptogramma); ful- 
vomixtana (non Stph.) Westwood & Humphreys, 1845, op. cit., p. 164, t. 96 fig. 14 
(Leptogramma); literana (part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, 
p. 209 (Teras); squamulana [Hübner, 1796 — 99, Samml. eur. Schm., Tortr., t. 15 fig. 
92; non bin.] Schawerda, 1936, Z. Oesterr. Ent. Ver., vol. 21, p. 66 (Acalla). — 
Kennel, 1908, p. 83, t. 5 fig. 2 ( $ , als squamana). 

ab. fulvana Sheldon, [1930, The Entom., vol. 63, t. 4 fig. 17; sine nom.], 1931, 
ibid., vol. 64, p. 125 (Oxigrapba). 

ab. brunneana Sheldon, [1930, ibid., vol. 63, t. 4 fig. 18; sine nom.], 1931, ibid., 
vol. 64, p. 126 (Oxigrapba). 

ssp. sardivola Schawerda, 1936, Z. Oesterr. Ent. Ver., vol. 21„ p. 66 (Acalla). — 
Sardinien. 

A. emargana (F.) * 

eiiiargana Fabricius, 1775, Syst. Ent., p. 651 (Pyralis); caudana (non F.) Fischer v. 



152 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (220) 

RöSLERSTAMM, 1839, Abb. Bericht. Ergänz. Schm. Kunde, t. 55 fig. ld (Teras); can- 
dana (err. typogr.) Werneburg, 1864, Beitr. Schm. Kunde, vol. 1, p. 457 {Tortrix). 
— Kennel, 1908, p. 65 t. 3 fig. 1 — 2 ( $ $ ); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 23, t. 9 
( $ 9 -Genitalien); Sheldon, 1930, p. 122 (Variabilität); Filipjev, 1931, p. 508, 524, 
t. 25 fig. 2, t. 30 fig. 5(5$ -Genitalien); BuscK, 1931, p. 210, t. 11 fig. 10 ( Ç - 
Genitalien); Matsumura, 1931, p. 1060, fig.; McDunnough, 1934, p. 291, p. 291, 
p. 325 fig. 1, p. 329 fig. 1 ( $ $ -Genitalien); Benander, 1950, p. 11, Textfig. 3v 
( $ -Genitalien); Obr., fig. 329 (Vorderflügelform). — Europa; Grossbritannien; 
Sibirien; China; Japan; Nord-Amerika. 

ab. scabrana Fabricius, 1781, Spec. Ins., vol. 2, p. 284 (Pyralis); effractana Ha- 
worth, 1811, Lep. Brit., p. 403 (Tortrix); caudana (non F.) Hübner, [1811 — 13, 
Samml. eur. Schm., Torte., t. 37 fig. 232; non bin.], 1822, Syst.alph. Verz., p. 59 
{Eutrachia). — Kennel, 1908, p. 66, t. 3 fig. 4 ( $ , als effractana). 
ab. caudana Fabricius, 1775, Syst. Ent., p. 651 (Pyralis); emargana (non F.) Dono- 
van, 1794, Nat. Hist. Brit. Ins., vol. 3, p. 91, t. 106 fig. 1 (Phalaena Tortrix); exca- 
vana Donovan, 1794, op. cit., vol. 3, p. 92 (Phalaena Tortrix); effractana (non Hw.) 
Hübner, [1796 — 99, Samml. eur. Schm., Torte., t. 28 fig. 175; non bin.], 1822, Syst.- 
alph. Verz., p. 60 (Eutrachia). — Kennel, 1908, p. 66, t. 3 fig. 3 ( $ ). 
ab. fasciana Müller-Rutz, 1927, Mitt. Schweiz. Ent. Ges. vol. 13, p. 505 (Acalla); 
emargana (non F.) Donovan, 1794, Nat. Hist. Brit. Ins., vol. 3, p. 92, t. 106 fig. 5 
(Phalaena Tortrix); excavana (non Don.) Haworth, 1811, Lep. Brit., p. 408 (Tort- 
rix); caudana (non F.) Fischer v. Röslerstamm, 1839, Abb. Bericht. Ergänz. Schm. 
Kunde, p. 140, t. 55 fig. Ie (Teras). 

ab. brunneastriana Weber, 1945, Mitt. Schweiz. Ent. Ges., vol. 19, p. 356 (Acalla). 
ab. ochracea Stephens, [1829, Syst. Cat. Brit. Ins., vol. 2, p. 188, No. 7104 (Gly- 
phisia); nom. nud.], 1834, Illustr. Brit. Ent. Haust., vol 4, p. 168 (Teras); caudana 
(part.) Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 206 (Teras). 
ab. griseana Sheldon, 1930, The Entom., vol. 63, p. 124 (Rhacodia) . 
ab. fuscana Sheldon, 1930, ibid., vol. 63, p. 148 (Rhacodia); caudana (non F.) 
Duponchel, 1835, Hist. Nat. Lép. France, vol. 9, p. 168, t. 244 fig. 8 (Teras). 



Species incertae sedis (142) 
A. agrioma (Meyr.) 

agrioma Meyrick, 1920, Exot. Mier., vol. 2, p. 342 (Peronea). — Süd- und Südwest- 
China; Assam. 

A. aphorista (Meyr.) 

aphorista Meyrick, 1923, The Entom., vol. 56, p. 278 (Peronea). — Cypern. 

A. baracola (Mats.) 

baracola Mutsumura, 1931, 6000 Illustr. Ins. Jap., p. 1060, fig. (Acalla). — Japan. 

A. caerulescens (Wlsm.) 

caerulescens Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p. 370 (Oxygra- 
pha); staudingeri Kennel, 1901, Iris, vol. 13, (1900), p. 205 (Rhacodia). — Kennel, 
1908, p. 66, t. 3 fig. 5(5); Matsumura, 1931, p. 1060, fig. — Südost-Sibirien; Ost- 
China; Japan. 

A. crocopepla (Meyr.) 

crocopepla Meyrick, 1922, Exot. Mier., vol. 2, p. 500 (Peronea). — Korea; Ost- 
China. 

A. delicatana (Chr.) 

delicatana Christoph, 1881, Bull. Soc. Imp. Nat. Moscou, vol. 56, pars 1, p. 60 
(Teras). — Kennel, 1908, p. 69, t. 3 fig. 20 ( $ ). — Südost-Sibirien; Japan. 



(221) N. S. Obraztsov : Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae 153 

A. enitescens (Meyr.) 

enitescens Meyrick, 1912, Exot. Mier., vol. 1, p. 16 (Peronea). — China; Japan; 
Formosa; Indien. 

A. exsucana (Kenn.) 

exsucana Kennel, 1901, Iris, vol. 13, (1900), p. 208 (Rhacodia). — Kennel, 1908, 
p. 98, t. 5 fig. 58 ( $ ); Filipjev, 1931, p. 505, 507, 528, t. 31 fig. 3 ( Ç -Genitalien). 
Südost-Sibirien; Nord-China. 

A. hapalactis (Meyr.) 

hapalactis Meyrick, 1912, Exot. Mier., vol. 1, p. 18 (Peronea). — Yunnan; Assam. 

A. longipalpana (Snell.) 

longipalpana Snellen, 1883, Tijdschr. v. Ent., vol. 26, p. 184, t. 2 fig. 1, la (Teras). 

— Kennel, 1908, p. 89, t. 5 fig. 27. — Südost-Sibirien. 

A. maculipunctana (Costa) 

maculipunctana Costa, 1882, Atti R. Acad. Sci. Napoli, vol. 9, p. 338 (Teras). — 
Sardinien. 

A. paradiseana (Wlsm.) 

paradiseana Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p. 371 (Oxygra- 
pha). — Kennel, 1908, p. 67, t. 3 fig. 6 ( $ ); Matsumura, 1931, p. 1061, fig.; 
ESAKI, 1932, p. 1455, fig., t. 11. — Südost-Sibirien; Japan. 

A. placata (Meyr.) 

placata Meyrick, 1912, Exot. Mier., vol. 1, p. 17 (Peronea). — Japan; Assam. 

A. platynotana (Wlsm.) 

platynotana Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p. 376 (Oxygra- 
pha). — Esaki, 1932, p. 1456, fig. — Japan. 

A. porphyrocentra (Meyr.) 

porphyrocentra Meyrick, 1937, Iris, vol. 51, p. 176 (Peronea). — Yunnan. 

A. proximana (Car.) 

proximana Caradja, 1927, Acad. Rom., Mem. Sect. Stiint., ser. 3, vol. 4, fase. 8, p. 
• 392, 418 (Acalla). — Nord-China. 

A. pyrivorana (Rag.) (143) 

malivorana Ragonot, 1875, Bull. Soc. Ent. France, p. LXXI (Teras; nom praeocc. per 
Le Baron, 1870); pyrivorana Ragonot, 1875, ibid., p. LXXV (Teras); sponsana 
(part.) Rebel, 1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 82, No. 1464 (Acalla). 

— Ragonot, 1876, p. 401, t. 6 fig. 1; Kennel, 1908, p. 89, t. 5 fig. 24 ( $ ). — 
Südost-Frankreich. 

A. quadridentana (Wlsm.) 

quadridentana Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p. 369 (Oxy- 

grapha); quadridentata (err.) WU, 1938, Cat. Ins. Sin., vol. 4, p. 53 (Peronea). ■ — 
China. 

A. semitexta (Meyr.) 

semhexta Meyrick, 1912, Exot. Mier., vol. 1, p. 17 (Peronea). ■ — China; Indien. 

A. tunicatana (Wlsm.) 

tunicatana Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p. 372 (Oxygra- 
pha). — Japan. 



154 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 3, 1956 (222) 

A. undulana (Wlsm.) (144) 

undulana Walsingham, 1900, Ann. & Mag. N. H., ser. 7, vol. 5, p. 373 (Oxygrapha). 
— Kennel, 1908, p. 80, t. 4 fig. 48 ( 9 ). — Kleinasien; Nord-Syrien; ? Alai-Gebirge. 
ab. coprana Walsingham, 1900, ibid., p. 374 (Oxygrapha)\ undulana (part.) Rebel, 
1901, Stgr.-Rbl. Cat. Lep. Pal. Faun., vol. 2, p. 81, No. 1456 {Acalla). 
ab. subcoprana, ab. nova; undulana (part.) Kennel, 1908, Pal. Tortr., p. 80, t. 4 
fig. 49 (Acalla). 

Subfam. SPARGANOTHINAE (Wlsm., 1913) 
Obr., 1946 

58. Sparganothis Hb., 1825 
Obr., p. 140 

S. pilleriana (Schiff.) * (145) 

pilleriana Schiffermiller & Denis, 1776, Syst. Verz. Schm. Wien. Geg., p. 126, 317 
(Phalaena Tortrix); vitis Dantic, 1786, Mém. Agric, vol. 2, p. 2, t. 4 fig. 6 (Py- 
ralis); pilleremo. Fabricius, 1794, Ent. Syst., vol. 3, pars 2, p. 251 (Pyralis); vit ana 
Fabricius, 1794, ibid., p. 249 (Pyralis); luteolana Hübner [1896 — 99, Samml. eur. 
Schm., Tortr., t. 21 fig. 136; non bin.], 1822, Syst.-alph. Verz., p. 62 (Archips); dan- 
ticana Walcken, 1836, Ann. Soc. Ent. France, vol. 5, p. 275 (Pyralis). — Kennel, 
1910, p. 118, t. 6 fig. 38 — 39 ( $ 2 ); Pierce & Metcalfe, 1922, p. 25, t. 10 ( $ $ - 
Genitalien); Obr., fig. 325 — 6 (Geäder, Kopf), 364—6 ($ $ -Genitalien). — 
Europa; Grossbritannien; Kleinasien; Südost-Sibirien; Korea; China; Japan; Nord- 
Amerika. 

ab. obscurana Preissecker, 1936, Verh. U)ol.-bot. Ges. Wien, vol. 85, (1935), p. 
(6) (Oenophthira); pilleriana (part.) Barret, 1905, Lep. Brit. Isl., vol. 10, t. 447 
fig. 5b (Oenectra). 

S. xanthoides (Wkr.) * (146) 

xanthoides Walker, 1863, List Spec. Lep. Ins. B. M., pars 27, p. 190 (Begunna). — 
Walsingham, 1879, p. 20, t. 64 fig. 10; Barnes & Busck, 1920, t. 31 fig. 2 ( $ - 
Genitalien). — Nord-Amerika; Marokko. 

ab. breviornatana Clemens, 1865, Proc. Ent. Soc. Philadelphia, vol. 5, p. 140 
(Lept oris) \ xanthoides (part.) Fernald, 1882, Trans. Amer. Ent. Soc, vol. 10, p. 20 
(Oenectra) . 

S. rubicundana (HS.) * 

ferrugana (err. det.) Zetterstedt, 1840, Ins. Lap., p. 989 (Teras); rubicundana 
HERRiCH-SCHäFFER, 1856, Syst. Bearb. Schm. Eur., vol. 6, p. 155 (Lozotaenia) [1852, 
Tortr., t. 58 fig. 415; non bin.]. — Kennel, 1910, p. Ill, t. 6 fig. 22 ( $ ). — 
Skandinavien; Finnland; Ost-Baltikum; Schlesien. 

S. abiskoana (Car.) * (147) 

cinereanct Zetterstedt, 1840, Ins. Lap., p. 978 (Tortrix; nom. praeocc); cineraria 
Wocke, 1861, Stgr.-Wck. Cat. Lep. Eur., p. 96, No. 626a (Tortrix, Diebelia); abis- 
koana Caradja, 1916, Iris, vol. 30, p. 45 (Dicbelia); lapponana (ex err.) Caradja, 
1916, ibid., p. 82 (Dichelia); abisesana (err. typogr.) Walther, 1916, ibid., p. 82. 
noia (Diebelia); rubidana (non Z.) Petersen, 1924, Lep.-Fauna Estl., p. 423 (Diche- 
lia). — Kennel, 19IO, p. 114, t. 6 fig. 30 (als cineraria); als cinereana: Benander, 
1946, p. 75; 1950, p. 27, Textfig. 4c ( $ -Genitalien). — Skandinavien; Finnland. 



Entomologische Berichten 

De Entomologische Berichten worden eveneens door de Nederlandsche Entomo- 
logische Vereeniging uitgegeven en zijn bestemd voor de publicatie van kortere 
artikelen, van faunistische notities etc, alsmede van de Verslagen der Vergade- 
ringen en van mededelingen van het Bestuur. Zij verschijnen twaalf maal per jaar 
in een aflevering van 16 of meer bladzijden. Deze 12 afleveringen vormen samen 
een deel. 

Alle zakelijke correspondentie betreffende de Vereniging te richten aan de 
Secretaris, G. L. van Eyndhoven, Zeeburgerdijk 21, Amsterdam-O. 

Alle correspondentie over de redactie van het Tijdschrift voor Entomologie te 
richten aan de Redacteur, Dr. A. Diakonoff, Rijksmuseum van Natuurlijke 
Historie, Leiden. 

Alle correspondentie over de redactie van de Entomologische Berichten te rich- 
ten aan de Redacteur, B. J. Lempke, Oude IJselstraat 12III, Amsterdam-Z.2. 

Alle betalingen te richten aan de Penningmeester, Ir. G. A. Graaf Bentinck, 
Kasteel, Amerongen, postgiro 188130, ten name van de Nederlandsche Entomolo- 
gische Vereeniging te Amerongen. 

Alle correspondentie betreffende de Bibliotheek der Vereniging te richten aan 
de Bibliotheek, Zeeburgerdijk 21, Amsterdam-O. 



INHOUD 



Obraztsov, N. S. Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae. I. Allge- 
meine aufteilung der Familie und die Unterfamilien Tortricinae und 
Sparganothinae. 2. Fortsetzung 107 



NOTICE TO CONTRIBUTORS 

Contributors will receive free of charge fifty reprints of their papers, joint authors have 
to divide this number between them at their discretion. Additional reprints may be ordered 
when returning proofs ; they will be charged at about two Dutch cents per page. 

Manuscripts should be written in Dutch, English, French, German or Italian. If they 
contain descriptions of new genera, species, etc., they should be in one of the four last 
mentioned languages ; only when the descriptions form a minor part of the paper, the 
manuscript may be written in Dutch, with the descriptions in one of these languages. Papers 
in Dutch should contain a short summary in one of these four languages. 

Manuscripts should be typewritten in double spacing on only one side of the paper, with 
a margin of at least three cm at the left side of each sheet. Paragraphs should be indented. 
Carbon copies cannot be accepted, as handling makes them illegible. 

Captions for text figures and plates should be written on a separate sheet in double 
spacing, numbered consecutively in arabic numerals ; the use of a, b, c, or any other sub- 
division of the figure numbering should be avoided. 

Drawings for reproduction should be on good paper in Indian ink, preferably at least 
one and a half times as large as the ultimate size desired. Lettering should be uniform, 
and, after reduction, of the same size. Photographs should be furnished as shiny positive 
prints, unmounted. Plates should be arranged so as to fill a whole page (11.5 x 19 cm) 
of the Tijdschrift, or a portion thereof. Combinations of illustrations into groups are 
preferable to separate illustrations since there is a minimum charge per block. 

Names of genera and lower systematic categories, new terms and the like are to be under- 
lined by the author in the manuscript by a single straight line. Any other directions as to 
size or style ol the type are given by the editors, not by the author. Italic type or spacing 
to stress ordinary words or sentences is to be avoided. Dates should be spelled as follows : 
either "10. V. 1948" or "10 May, 1948". Other use of latin numerals should be avoided, as 
well as abbreviations in the text, save those generally accepted. Numbers from one to ten 
occurring in the text should be written in full, one, two, three, etc. Titles must be kept 
short. Footnotes should be kept at a minimum. 

Authors will be charged with costs of extra corrections caused by their changing of the 
text in the proofs. 

Bibliography should not be given in footnotes but compiled in a list at the end of the 
paper, styled as follows : 

Mosely, M. E., 1932. "A revision of the European species of the genus Leuctra (Pleco- 

ptera)". Ann. Mag. Nat. Hist., ser. 10, vol. 10, p. 1—41, pi. 1—5, figs. 1—57. 
Text references to this list might be made thus : 
"Mosely (1932) says...." or "(Mosely, 1932)". 

The editors reserve the right to adjust style to certain standards of uniformity. 

Manuscripts and all communications concerning editorial matters should be sent to : 
Dr. A. Diakonoff, Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Leiden, The Netherlands. 



DEEL 99 



AFLEVERING 4* 



1956 



TIJDSCHRIFT 
VOOR ENTOMOLOGIE 



UITGEGEVEN DOOR 



DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING 



/>>/ «SS3 \^0 

ST «p X*>/ fry 



■£ 



/^THSO^ 



J/W 17 



«/ 



RV 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99. afl. 4. Gepubliceerd 14.XII.1956 



* Met titelblad en inhoudsopgave 



TKS. 



Nederlandsche Entomologische Vereeniging 

Bestuur 

Dr. G. Barendrecht, President (1955 — 1961), Heemstede- Aerdenhout. 

Prof. Dr. D. J. Kuenen, Vice-President (1953—1959), Leiden. 

G. L. van Eyndhoven, Secretaris (1951 — 1957), Haarlem. 

Ir. G. A. Graaf Bentinck, Penningmeester (1952 — 1958), Amerongen. 

Dr. G. Kruseman, Bibliothecaris (1954 — 1960), Amsterdam. 

Mr. C. M. C. Brouerius van Nidek (1956 — 1962), 's-Gravenhage. 

Dr. F. E. Loosjes (1955—1958), Bennekom. 

Commissie van Redactie voor de Publicaties 

Dr. G. Barendrecht (1955 — 1961), Heemstede- Aerdenhout. 

Dr. A. Diakonoff (1955—1958), Leiden. 

G. L. van Eyndhoven (1954 — 1957), Haarlem. 

Dr. L. G E. Kalshoven (1955—1958). Blaricum. 

B. J. Lempke (1956—1959), Amsterdam. 

P. Chrysanthus (1955—1958), Oosterhout, N.B. 

J. J. de Vos tot Nederveen Cappel (1955—1958), Leiden. 

Bestuur der Afdeling voor Toegepaste Entomologie 

Dr. F. E. Loosjes, Voorzitter, Bennekom. 
Dr. D. Dresden, Secretaris, Utrecht. 
Dr. Ir. G. S. van Marie, Deventer. 
E. Th. G. Elton, Oosterbeek (G). 
Dr. C. de Jong, Bilthoven. 

De contributie voor het lidmaatschap bedraagt f 15. — , voor student-leden 
f2.50, per jaar; buitenlandse leden betalen f150. — ineens. — Begunstigers 
betalen jaarlijks minstens f 15. — . 

De leden, behalve de student-leden, ontvangen gratis de Entomologische Be- 
richten van 12 nummers per jaar, waarvan de prijs voor student-leden f 1.50 per 
jaar, voor niet-leden f 1. — per nummer bedraagt. 

De leden kunnen zich voor f7.50 per jaar abonneren op het Tijdschrift voor 
Entomologie ; hiervan bedraagt de prijs voor niet-leden f 30. — per jaar. 

De oudere publicaties der Vereniging zijn voor de leden tegen verminderde 
prijzen verkrijgbaar. 

Tijdschrift voor Entomologie 

Het Tijdschrift voor Entomologie wordt uitgegeven door de Nederlandsche 
Entomologische Vereeniging en is bestemd voor de publicatie van de resultaten 
van de studie der Entomologie van algemene en bijzondere aard. Het verschijnt 
in één deel van 300 — 350 bladzijden per jaar, bestaande uit vier afleveringen. 
Bovendien worden supplementdelen, handelende over bijzondere onderwerpen, 
op onregelmatige tijdstippen uitgegeven. 



CATALOGUS DER NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA 
(VIERDE SUPPLEMENT) 

DOOR 

B. J. LEMPKE 

Amsterdam 

Dit deel bevat de subfamilies der Argynninae en der Nymphalinae, waarmee 
de Nymphalidae voltooid zijn. De eerste subfamilie is behandeld volgens de 
monografieën van Warren (1. 1944, Review of the classification of the Argyn- 
nidi: with a systematic revision of the genus Boloria, Trans. R. ent. Soc. London, 
vol. 94, p. 1 — 101, pi. 1 — 46; 2. 1955, A review of the classification of the sub- 
family Argynninae, part 2. Definition of the Asiatic genera, op. cit., vol. 107, 
p. 381 — 392, pi. I — IV). Bij de tweede subfamilie is de volgorde der genera 
dezelfde als die in Verity, Le Ferfalle diurne d'Italia, vol. 4, 1950. 

ARGYNNINAE 

Boloria Moore 

Boloria sifanica Grum-Grzhimailo, 1891 (aquilonari* Stichel, 1908). Voor 
zover bekend nog slechts zeer lokaal op enkele moerassige plaatsen in het oosten 
van het land, waar de voedselplant van de rups, de Veenbes, Vaccïnium oxycoccus 
L. = Oxycoccus quadripetalus Gilib., voorkomt. Op verschillende vindplaatsen, 
waar de vlinder vroeger zeer talrijk vloog, is hij nu geheel verdwenen, vooral door 
ontginning van de terreinen. Ongetwijfeld loopt ook deze soort groot gevaar 
in ons land een slachtoffer van de steeds verder gaande cultivering van de bodem 
te worden en het ware zeer te wensen, dat althans één van de nog bestaande 
vliegplaatsen als natuurmonument gered zou kunnen worden. 

In Denemarken bekend van Bornholm, Seeland en Fünen en van een vrij 
groot aantal vindplaatsen in Jutland. In Sleeswijk-Holstein op alle hoogvenen; 
lokaal bij Hamburg; bij Bremen overal, waar nog hoogvenen voorkomen; in 
Hannover op hoogvenen in de laagvlakte; in Westfalen alleen in het centrale 
Roergebied; in de Rijnprovincie alleen op het Hohe Venn, dat nu echter wel ge- 
heel op Belgisch grondgebied ligt. In België in de Hautes Fagnes (Baraque- 
Fraiture, Foret de St.-Hubert, omgeving van Stavelot, Hockai). Niet op de Britse 
eilanden. 

Eén generatie, tweede helft van mei tot tweede helft van juli (25.V tot 22.VII), 
hoofdvliegtijd eind juni, begin juli. 

Vindplaatsen. Gr.: Harendermolen, Appelbergen, De Punt. (De kolonie te Appel- 
bergen is tijdens de Tweede Wereldoorlog vernietigd, doordat het terrein lange tijd onder 
water heeft gestaan). Bij De Punt (hetzelfde terrein als van Palaeochrysopbanus hippotho'è 
L.) is de vlinder ook al lang verdwenen. Vroeger was hij hier talrijk. Reeds de Gavere 
kende hem van deze vindplaats, zie Tijdschr. Entotn., vol. 10, p. 193, 1867. Nog tot in de 

155 



156 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (178) 

twintiger jaren van deze eeuw kwam de soort hier voor, maar is nu al in lange tijd niet 
meer gezien). Dr.: Donderen (ook vermeld als Norg), de enige vindplaats van betekenis, 
die nog bekend is, maar waarvan het lang niet zeker is, dat ze behouden kan blijven; 
Odoorn, 9, l4.VII.19l4 (Lücker). Ov.: Twente (op verzoek van de ontdekkers geen 
nadere aanduiding). Lbg.: Venlo (hier omstreeks het begin van de twintigste eeuw nog 
talrijk in het Bulteven ten noorden van de stad langs de Duitse grens, nu door ontginning 
verdwenen); Blerick, 1920 (nog een zwerver uit het Bulteven ? Lücker); Brunssum, 14.VII. 
1908 (Mus. Maastricht); Epen, begin juni 1942 (Zool. Mus.); Vaals, 1902 (Zool. Mus.) 
en 1934 (Gielkens). De Zuidlimburgse vindplaatsen zijn ongetwijfeld afkomstig van 
zwervers uit de Ardennen, daar het biotoop voor de vlinder hier geheel ontbreekt. 

Variabiliteit. Meer dan een eeuw lang is deze Parelmoervlinder als 
een ondersoort van Boloria pales Schiff, beschouwd. Hoewel de laatste decen- 
niën hoe langer hoe meer betwijfeld werd, of deze opvatting wel de juiste was, 
kon toch pas in 1953 met zekerheid vastgesteld worden, dat hij wel degelijk een 
goede soort was, toen door de ontdekking van de eerste stadia bleek, dat deze 
duidelijk verschillen van die van Boloria pales. Zie hiervoor Crosson du Cor- 
mier, Guerin & de TouLGOET, Nouvelle note sur Boloria aquilonaris Stichel, 
Rev. franc, de Lêpid., vol. 14, p. 21 — 23, pi. IV. Warren, die door dit artikel 00k 
geheel overtuigd was, dat het hier een zelfstandige soort betrof, vestigde er de 
aandacht op, dat het areaal er van zich uitstrekt tot in Siberië en dat de oudste 
naam, waaronder een van haar subspecies beschreven was, sifanica Grum-Grzhi- 
mailo 1891 is, zodat dit dus de juiste soortsnaam is (1954, Entomologist, vol. 87, 
p. 133—135). 

Onze exemplaren behoren natuurlijk niet tot deze Siberische nominaatvorm, 
maar tot subsp. alethea Hemming (1934, Stylops, vol. 3, p. 97), waarvan de 
locus typicus Neustadt aan de Aisch in Neder-Franken (Beieren) is. 

De individuele variabiliteit is bij onze exemplaren niet opvallend groot. 

Dwergen. Norg (Nijssen). 

f. guêdati Vorbrodt, 1914, Schmett. Schweiz, vol. 2, p. 611 (interligata Cabeau, 
1922, Ret>. mens. Soc. ent. Namur., vol. 22, p. 46). Op de bovenzijde der voor- 
vleugels boven het midden van de binnenrand een liggende zwarte streep, door- 
dat de onderste basale en de onderste mediane vlek met elkaar verbonden zijn. 
Vrij gewoon, overal onder de soort voorkomend. 

f. bivittata nov. Op de bovenzijde der voorvleugels lopen twee vrij dikke on- 
onderbroken banden van voorrand naar binnenrand, ontstaan door de verbinding 
van de derde celvlek met de vlek aan de binnenrand er tegenover en door de 
verbinding van alle submediane vlekken tot één massieve lijn. Venlo, $ , 18. VI. 
19OI, holotype (Zool. Mus.). 

[On the upper side of the fore wings are two uninterrupted rather thick bands from 
costa to inner margin resulting from the union of the third cell spot with the spot on 
the inner margin opposite of it, and of the union of all submedian spots to one massive 
line.] 

f. mediofasciata nov. Voorvleugels met zwarte middenband. Norg, 1948, holo- 
type (van Wisselingh); Donderen (Wilmink). 

[Fore wings with black central band. 

Derenne figures a beautiful specimen of this form under the name of cinctata Favre 
(1932, Lambillionea, vol. 32, pi. IV, fig. 7). However, this is not correct. Favre described 



(179) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 157 

his andata after a specimen of „Argynnis pales napaea", which is Boloria napaea Hoff- 
mansegg in modern nomenclature (Cf. his original description in Mitt. Schweiz, ent. Ges., 
vol. 11, Heft 1, Suppl, p. 7, 1903). 

Osthelder mentions the form in his Schmettert. Südb., p. 97 (1926) as mediofasciata 
Schultz. This is a mistake due to Seitz (1908, Grossschmetterl., vol. 1, p. 230). Schultz 
never described such a form of the present species, but of Clossiana dia L. (Soc. Ent., vol. 
22, p. 177, 1908).] 

f. boxhoï Lambillion, 1906, Rev. mens. Soc. ent. Namur., vol. 6, p. 52. Wcr- 
telveld van voor- en achtervleugels tot aan het einde van de middencel zwart (en 
van de achtervleugels soms zelfs nog iets verder), voorvleugels met verbrede mid- 
denband, achterrand van alle vleugels verdonkerd. Een sterker verdonkerde vorm 
dus dan f. mediof asciata. Epen (Zool. Mus.). 

f. hockacensis Cabeau, 1922, Rev. mens. Soc. ent. Namur., vol. 22, p. 51. Bo- 
venzijde der vleugels vrijwel geheel verdonkerd. Natuurlijk zijn geen twee exem- 
plaren van deze vorm aan elkaar gelijk, zodat de beste oplossing m.i. is alle exem- 
plaren er toe te rekenen, waarbij de zwarte kleur zich minstens van de basis der 
vleugels tot en met de middenband uitstrekt. Cabeau's holotype is afgebeeld in 
Lambïllïonea, vol. 31, pi. V, fig. 4 (1931). De Punt, 13.VII.1904, 7.VII.1906 
(beide exemplaren in collectie Zool. Mus.). 

Clossiana Reuss 

Clossiana selene Schiff. Een van onze meest verbreide Parelmoervlinders, 
vooral voorkomend op vochtige terreinen, zowel op zandgronden als in het 
Haf district, maar ook te vinden op de waddeneilanden en op verschillende plaatsen 
in het Duindistrict, ook, nu dit gebied veel droger is dan in vroeger tijden. Op de 
vindplaatsen meest in aantal. 

Twee generaties, de eerste van half mei tot half juni (18.V tot 13. VII), de 
tweede, die partieel is, van de tweede helft van juli tot begin september (24. VII 
tot 5. IX). In 1939 kweekte VaRi van een Ç , dat 7 augustus gevangen werd, een 
broedsel op. Alle rupsen overwinterden klein, behalve twee, die snel doorgroeiden 
en reeds na enkele weken verpopten. De ene pop kwam op 15. IX uit, de andere 
verdroogde. Ook in de vrije natuur zou in gunstige herfsten dus wel eens een 
enkel exemplaar van een derde generatie tot ontwikkeling kunnen komen. 

Vindplaatsen. Fr.: Vlieland, Terschelling, Ameland, Kollum, Eernewoude, Ooster- 
wolde, Makkinga, Wolvega x Nijetrijne, Scherpenzeel. Gr.: Leek, De Punt, Groningen, Haren, 
Onnen, Vledderveen, Onstwedde, Mussei, Laude, Ter Apel. Dr.: Peize, Steenbergen, Norg, 
Donderen, Paterswolde, Eelde, Ide, Zuidlaren, Zeegse, Gasteren, Eext, Assen, Borger, 
Schoonoord, Hooghalen, Dwingelo, Ansen, Vledder, Frederiksoord. Ov.: Losser, De Lutte, 
Denekamp, Agelo, Reutum, Hezingen, Mander, Tubbergen, Almelo, Lonneker, Twekkelo, 
Elzen, Holten, Nijverdal, Vilsteren, Oud-Leusen, Dalfsen, Staphorst, Steenwijkerwold, Beu- 
lakerwijde, Giethoorn, Vollenhove, Wanneperveen, Okkenbroek, Diepenveen, Bathmen, 
Colmschate. Gdl.: Nijkerk, Hulshorst, Elburg, Tongeren, Apeldoorn, Laag-Soeren, Empe, 
Oosterhoek, Wageningen, Gerritsfies, Hoenderlo; Gorssel, Eefde, Warken, Hackfort, Vor- 
den, Lochern, Ruurlo, Vragender, Korenburgerveen, Winterswijk, Ratum, Aalten, Slangen- 
burg, Zelhem, IJzevoorde, Doetinchem; Nijmegen, Heumen, Hatert, Groesbeek, Sint Jans- 
berg. Utr.: Amerongen, Leusden, Soest, Soestdijk, Baarn, Hollandse Rading, Loosdrecht, 
Botshol, Zegveld. N.H.: Hilversum, Kortenhoef, Muiderberg, Weesp, Amsterdam, Aals- 
meer, Halfweg, Katham, Wijk aan Zee, Aerdenhout, Vogelenzang. Z.H.: Nieuwkoop, 



158 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (180) 

Noordwijk, Katwijk, Wassenaar, Den Haag, Ottoland. ZI.: Renesse. N.B.: Princenhage, 
Breda, Ginneken, Ulvenhout, Tilburg, Goirle, Haarsteeg, Veghel, Erp, Balvoort, Oister- 
wijk, Oirschot, Vessem, Eindhoven, Nuenen, Helmond, Deurne, Asten, Budel. Lbg.: Pias- 
molen, Ottersum, Venlo, Tegelen, Baarlo, Belfeld, Swalmen, Roermond, Roggel, Maas- 
bracht, Höngen, Etzenrade, Schinveld, Brunssum, Heerlen, Bunde, Gronsveld, Gulpen, Epen, 
Nijswiller, Vaals. 

Variabiliteit. De nominaatvorm is die uit de omgeving van Wenen. 
Onze exemplaren stemmen hiermee overeen, zodat ze tot subsp. selene Schiff, 
behoren. 

De exemplaren van de zomergeneratie zijn over het algemeen kleiner dan die 
van de eerste, soms zelfs ware dwergen. Maar er komen ook exemplaren voor, 
die zich nauwelijks van de eerste generatie onderscheiden. De grondkleur van 
onze zomerexemplaren is gelijk aan die der eerste generatie en hun tekening is 
even sterk. Hun vleugelvorm is soms wat spitser en zo kunnen ze het beste 
gerekend worden tot f. angustïpennis Fuchs, 1899, Jahrb. Nass. Ver., vol. 52, 
p. 123. Exemplaren, die tot de zomergeneratie selenia Freyer (1852, Neue Beitr. 
Schmetterl.k., vol. 6, p. 21, pi. 493, fig. 2) behoren met lichtere grondkleur 
en fijnere zwarte tekening, heb ik niet uit ons land gezien. 

A. Grootte. Dwergen. Hier en daar onder de soort, vooral in de zomer- 
generatie. 

B. Kleurvormen. 

f. chlorographa Cabeau, 1912, Rev. mens. Soc. ent. Namur., vol. 12, p. 112, 
pi. IV {lucimacula Meves, 1914, Ent. Tidskr., vol. 35, p. 5). Op de bovenzijde 
der voorvleugels bevindt zich een lichter gekleurde vlek boven het midden van 
de binnenrand tussen ader la en lb en tussen ader lb en 2. Zie Lambillionea, 
vol. 33, pi. VI, fig. 6 en 7 (1933). De afwijking treedt steeds symmetrisch op 
beide voorvleugels op en wordt vrij zeker veroorzaakt door een erfelijke faktor. 
Tamelijk zeldzaam. Agelo (Kleinjan); Tilburg (van den Bergh); Schinveld 
(Sogeler). 

f. flavescens nov. Grondkleur van de bovenzijde der vleugels geelbruin, dus 
opvallend lichter dan bij normaal gekleurde exemplaren, tekening normaal. 
Wolvega (Wittpen); Tilburg (van den Bergh); Erp (Br. Antonius); Venlo 
(Zool. Mus.); Schinveld (Sogeler). 

Holotype $ van Venlo, 4.VIII.1903, in collectie Zool. Mus. 

[Ground colour of the upper side of the wings yellow-brown, so being strikingly paler 
tfian with normally coloured specimens, markings normal.] 

f. alba Liénard, 1850, Mém. Soc. phìlomatìque Verdun, vol. 4, p. 392 (pallida 
Spuler, 1901, Schmett. Eur., vol. 1, p. 26; jlavus-pallidus Frohawk, 1938, Var. 
Brit. Butterfl., p. 55, pi. 12, fig. 1). Grondkleur der vleugels witachtig. Veel 
zeldzamer dan de vorige vorm. Slechts één exemplaar is uit Nederland bekend, 
dat reeds door DE Gavere vermeld wordt uit de omgeving van de stad Groningen 
(1867, Tijdschr. Entom., vol. 10, p. 193). 

f. flavopunctata Strand, 1900, Arch. f. Math, og Nat., vol. 22, nr. 5, p. 20. 
Op de onderzijde der achtervleugels bevindt zich in het midden van het roodbruine 
wortelveld in plaats van een zwarte vlek een gele vlek. Ongetwijfeld bij ons een 



(181) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera ■ 159 

zeer zeldzame vorm. Het beste exemplaar, dat ik zag, is van Breda (Leids Mus., 
no. 33), maar zelfs dit heeft nog een zwakke zwarte ring om de gele vlek. 
Overgangen met een geel gekernde zwarte vlek zijn vrij gewoon. 

f. debrunneata nov. Op de onderzijde der achtervleugels is de bruine kleur 
franjewaarts van de lichte middenband geheel of vrijwel geheel verdwenen. 
Venlo, $, 6. VI (holotype, Zool. Mus.). 

[The brown colour posterior of the pale central band on the under side of the hind 
wings has completely or almost completely disappeared.] 

f. infraclara nov. Op de onderzijde der achtervleugels zijn alle wortelvlekken, 
de gehele middenband en de driehoekige vlekken voor de achterrand zilverwit. 
Bovendien bevindt zich in verschillende cellen franjewaarts van de middenband 
zilverkleur. Op de onderzijde der voorvleugels zijn alle achterrandsmanen lichtgeel, 
terwijl ook de lichte vlekjes aan de voorrand bij de apex deze kleur bezitten. 
De hele onderzijde maakt door dit alles een zeer lichte indruk. Bovenzijde en 
tekening normaal. Een $ van deze prachtige vorm werd op 20.VI.1954 te 
Renesse gevangen (holotype, ter Laag). 

[On the under side of the hind wings all basal spots, the whole central band, and the 
triangular spots before the hind margin silvery white. Moreover, this silver colour is present 
in several cells outwards of the central band. On the under side of the fore wings all mar- 
ginal lunules pale yellow; the same colour is also present in the pale spots at the costa 
near the apex. The whole under side gives a very pale impression. Upper side and markings 
normal.] 

C. Tekening, 
f. ìnterlìgata Cabeau, 1919, Rev. Mens. S oc. ent. Namttr., vol. 19, p. 49. Op de 
bovenzijde der voorvleugels bevindt zich boven het midden van de binnenrand 
een liggende zwarte streep, doordat de onderste vlek van de basale en van de 
mediane rij met elkaar verbonden zijn. Zie South, pi. 66, fig. 3. Bijna overal 
onder de soort voorkomend, vrij gewoon. 

Deze tekeningsvorm is van talrijke soorten der Melitaeinae en der Argynninae 
bekend en zonder twijfel erfelijk, maar nog bij geen enkele soort is de wijze van 
erfelijkheid nagegaan. 

f. transversa Tutt, 1896, Brit. Butt., p. 295. De discale vlekken op de boven- 
zijde der voorvleugels langs de aderen met elkaar verbonden, zodat een door- 
lopende zigzaglijn ontstaat. Zie Lambillionea, vol. 30, pi. 5, fig. 2, 1930. Minder 
gewoon dan de vorige vorm, maar toch ook van vrij veel vindplaatsen bekend. 

f. thalïades ter Haar, [1899] of [1900], Onze Vlinders, p. 27 (medionigrans 
Cabeau, 1930, Lambillionea, vol. 30, p. 54, pi. V, fig. 3). Bovenzijde der voor- 
vleugels met min of meer volledige zwarte middenband. Veel zeldzamer dan de 
vorige vorm. Ter Haar's holotype is afgebeeld in Tijdschr. Entom., vol. 48, 
pi. 2, fig. 10 (1905). Kollum (holotype), Onnen, Mander, Apeldoorn (Zool. 
Mus.); Eelderwolde (van Wisselingh) ; Hooghalen (Blom); Hackfort (Wil- 
mink); Botshol (Bank); Aalsmeer (Janse); Tegelen (Latiers). 

f. striata Lempke, 1936, Tijdschr. Entom., vol. 79, p. 269. Op de bovenzijde 
der achtervleugels zijn de submarginale vlekken wortelwaarts verlengd tot dikke 
zwarte strepen en verbonden met de vlekken van de discale rij. Afgebeeld in 



160 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (182) 

Tijdschr. Entom., vol. 13, pi. 6, fig. 4 (1870). Bürgst bij Breda (holotype, Leids 
Mus.). 

[De Gavere vermeldt in Tijdschr. Entom., vol. 10, p. 193 (1867) uit de 
omgeving van de stad Groningen „une variété dont toutes les taches sont réunies 
en raies longitudinales". Mogelijk behoorde dit exemplaar tot f. striata, mogelijk 
ook tot f. gerda.'] 

[My original description in the Tijdschr. Entom., I.e., was not clear enough. Therefore I 
give a better one now: On the upper side of the hind wings the submarginal spots are 
lengthened basad in the shape of thick black lines and connected with the spots of the 
discal row.] 

f. semicadmeis nov. Op de bovenzijde der achtervleugels zijn de submarginale 
vlekken streepvormig verbonden met de marginale vlekken. Zie South, pi. 66, 
fig. 7. Amerongen (holotype, Stakman). 

[The submarginal spots on the upper side of the hind wings are connected by black lines 
with the marginal chevrons.] 

f. gerda Schultz, 1908, Ent. Z. Guben, vol. 22, p. 39. Op de bovenzijde van 
voor- en achtervleugels zijn de submarginale vlekken streepvormig verbonden 
met de marginale vlekken. Veghel (Br. Antonius). 

f. vanescens Cabeau, 1930, Lambïllionea, vol. 30, p. 54, pi. V, fig. 1. Voor- 
en achtervleugels met de verbonden vlekken van f. gerda, maar de andere vlekken 
ontbreken grotendeels. Zie ook Tijdschr. Entom., vol. 43, pi. 14, fig. 8 en 9 
(de afwijkende onderzijde is van secundair belang). Groningen, De Punt (Zool. 
Mus.); Deurne (Nies). 

f. haljlantsi Cabeau, 1922, Rev. mens. Soc. ent. Namur., vol. 22, p. 17. 
Voorvleugels van f. gerda, achtervleugels bijna geheel zwartachtig. Holotype 
afgebeeld in Lambillionea, vol. 30, pi. V, fig. 4. Halfweg, 8.VI.1951, $ 

(MORRlëN). 

f. veta Motschulsky, 1852, Et. d'Ent., vol. 1, p. 68 (nigricans Oberthür, 1923, 
Lép. Comp., vol. 20, p. 299, pi. DLXIV, fig. 4858). Bovenzijde der vleugels 
grotendeels verdonkerd, onderzijde der achtervleugels met straalvormige zilver- 
strepen langs de achterrand. Eelderwolde, 1942 (Blom); Steenwijkerwold, 1942 
(Veen). 

[F. i'eta is in my opinion the correct name for the rare, but well known form of 
Clossiana selene, in which the upper side of the wings is almost completely blackish (inter- 
media type of SPaNGBERG), and in which the under side of the hind wings is rayed 
with silver. It is very often indicated as f. thalia Hb-, but at present this form is regarded 
as a form of CI. euphrosyne. The original description of Motschulsky is repeated by 
Kolossow (Iris, vol. 43, p. 177, 1929). Although in the specimen described by the Rus- 
sian author the silver markings on the hind wings were also somewhat obscured, it 
represents undoubtedly the same principle of variation as the specimen figured by Ober- 
thür.] 

f. infradefasciata nov. Op de onderzijde der achtervleugels is de gele midden- 
band met de drie zilvervlekken vrijwel geheel verdrongen door de bruine grond- 
kleur. Apeldoorn, $, 15.VI.1899 (holotype, de Vos). 



(183) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 161 

[On the under side of the hind wings the yellow central band with the three silver 
spots is almost completely suppressed by the brown ground colour.] 

Teratologische exemplaren. Bij een eikweek van een Ç van 
Aerdenhout hadden verscheidene exemplaren voorvleugels met een rechte in plaats 
van een naar buiten gebogen achterrand, sommige rechts, andere links (van 
Oorschot). Het resultaat van deze kweek wijst er op, dat deze afwijking van 
de normale vleugelvorm een kwestie van erfelijkheid is. In dezelfde collectie een 
dergelijk exemplaar van Apeldoorn. 

Pathologisch exemplaar. Beide voorvleugels voor de achterrand 
verbleekt. Wolvega (Camping). 

Clossiana euphrosyne L. Vroeger verbreid in bosachtige gebieden in het oosten 
en zuiden van het land, maar de laatste decenniën is de vlinder een zeer zeldzame 
soort geworden, die bijna niet meer gevangen wordt en mogelijk nog maar op 
een enkele plaats voorkomt. De vlinder houdt zich bij voorkeur op open plaatsen 
in loofbosgebieden op, hoewel hij ook op veenachtige terreinen in het noorden 
van het land gewoon geweest is. Het is in elk geval opvallend, dat verschillende 
dagvlindersoorten, die een voorkeur voor het eerstgenoemde biotoop hebben, nu 
veel lokaler en ook veel zeldzamer zijn dan een halve eeuw geleden, zodat men 
zich gaat afvragen, of dit biotoop zelf niet aan het veranderen is, zodat daardoor 
de meest gunstige vliegplaatsen mogelijk aan het verdwijnen zijn. 

Voor zover ze mij bekend zijn, zullen bij de vindplaatsen de jaren aangegeven 
worden, waarin de vlinder van die plaats vermeld werd of er gevangen werd. 
Duidelijk springt dan in het oog, op hoe weinig plaatsen euphrosyne nog in de 
laatste 20 jaar gezien is. 

Eén generatie, waargenomen van begin mei tot half juni (l.V tot 15. VI). 
Er zijn echter ook latere vangsten bekend: 20 juli 1904, Slangenburg (Bouman, 
Levende Natuur, vol. 9, p. 231), juli 1914 (Leids Museum), Houthem, juli 1920 
(van Leyden). Dit zijn stellig wel verlate exemplaren van de normale voorjaars- 
generatie. De zeer weinige exemplaren, die in Engeland van een partiële tweede 
generatie zijn waargenomen, vlogen belangrijk later. 

Vindplaatsen. Gr.: Groningen (De Gavere, 1857, Handelingen Ned. ent. Ver., 
p. 105: „zeer gewoon"; Sikkema in litt, in 1935: ,,in het zuiden van Groningen en het 
noorden van Drente overal, op veenachtige gronden meestal zeer gewoon", al in jaren door 
geen der noordelijke verzamelaars meer gezien). Dr.: Norg (o.a. 1953), Eelderwolde (zie 
opmerkingen bij Groningen). Ov.: Dinkeloord (1917): De Lutte, 1916 tot 1919 (in deze 
jaren algemeen, Bentinck); Denekamp; Diepenveen (1890); Frieswijk („in de tweede 
helft van mei en begin juni 1896 en 1897 bij menigte", volgens de Vos in Tijdscbr. Entom., 
vol. 41, p. 79, ook nog in 1898 en 1901); Deventer (1898, 1912). Gdl.: Putten (1893); 
Hoog-Soeren; Apeldoorn (1904); Empe (Bouwst. Fauna Nederl., vol. 1, p. 223, 1853): 
Gietelo; Laag-Soeren (1934); Brummen; Zutfen; Warnsveld; Gorssel; Vorden (Tijdscbr. 
Entom., vol. 2, p. 82, 1859; 1907); Winterswijk (1905, 1918); Slangenburg (1903, 1906, 
1912. 1915); Doetinchem (1903, 1904, 1913, 1924); Laag-Keppel ; Wehl (1923); Didam; 
Berg en Dal. Utr.: Soest (± 1920). N.H.: Texel één exemplaar, 13.VI.1927 (Janse). N.B.: 
Breda (Heylaerts schrijft in Tijdscbr. Entom., vol. 13, p. 145, 1870: „assez commun dans 
le Liesbosch en juin"); Gilze-Rijen (Tijdscbr. Entom., vol. 30, p. 202, 1887); Oisterwijk. 
Lbg.: Piasmolen (1921); Arcen; Tegelen (1920); Blerick; Maasniel; Roermond (1923); 
Sint Odiliënberg (1923); Posterholt; Herkenbosch (1952, 1953 !); Valkenburg (1895); 
Houthem (1903); Bunde (1907); Maastricht; Epen; Holset (1934). 



162 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (184) 

Variabiliteit. De nominaatvorm is de Middenzweedse. Onze exemplaren 
komen, althans gedeeltelijk, met de vrij kleine Zweedse nominaatvorm over- 
een, maar er bevinden zich ook onder, die niet te onderscheiden zijn van de 
Middeneuropese subsp. nestori Fruhstorfer (1916, Arch. f. Naturgesch,, vol. 82, 
Abt. A, Heft 2, p. 16), beschreven naar exemplaren van de Monte Generoso in 
Zuid-Zwitserland en zich vooral onderscheidende door de meerdere grootte, min- 
der sterk ontwikkelde zwarte tekening en minder sterke donkere wortelbestuiving. 
Blijkbaar vormt ons land reeds enigszins een overgangsgebied naar de zuidelijker 
vorm. In hoofdzaak kunnen onze exemplaren echter aangeduid worden als beho- 
rende tot subsp. euphrosyne L. Voor afbeeldingen van beide geografische vormen 
zie plaat 3 en Verity, Farf. It., vol. 4, pi. 47, fig. 49 — 53 (neston) en 
fig. 57 — 62 {euphrosyne) (1951). 

The Dutch euphrosyne specimens do not belong to a definite subspecies. Some of them 
are indistinguishable from the Swedish nominate form. Others are identical with subsp. 
nestori Fruhstorfer from the Monte Generoso in the south of Switzerland. The majority are 
more or less intermediate between these two geographical forms. See plate 3. 

Heydemann described the populations of Central Europe, especially from central Ger- 
many (without specifying a type locality), as subsp. esperì (1955, Schriften naturiv. Ver. 
Schlesu'ig-Holste/n, vol. 27, p. 136). This subsp. is characterized by its larger size, less 
strong basal suffusion etc., characters, which are also those of subsp. nestori. I therefore 
doubt, if it will be possible to maintain this new subspecies. 

De infrasubspecifieke variabiliteit van onze populaties is niet groot. 

f. int erli gâta Cabeau, 1919, Rev. mens. Soc. ent. Namur., vol. 19, p. 49. Op 
de bovenzijde der voorvleugels is de onderste basale vlek verbonden met de 
onderste mediane, zodat boven het midden van de binnenrand een liggende 
zwarte streep ontstaat. Bijna overal onder de soort voorkomend. 

f. ovalis Hackray, 1933, Lambilltonea, vol. 33, tekst bij pi. VI, fig. 8 (basiova- 
lis Verity, 1950, Farf. It., vol. 4, p. 237). Op de bovenzijde der voorvleugels is 
de onderste basale vlek gesloten en vormt een liggende ovale ring. (In de tekst 
bij de plaat staat foutief de onderste mediane vlek, vandaar de naamsverandering 
door Verity). Herkenbosch, $, 1953 (Zool. Mus.). 

f. transversa Vorbrodt, 1911, Schmett. Schweiz, vol. 1, p. 58, 1911 (transversa 
Nordstrom, 1933, Ent. Tidskr., vol. 54, p. 173). Op de bovenzijde der voorvleu- 
gels zijn de mediane vlekken langs de aderen met elkaar verbonden, zodat een 
van de voorrand tot de binnenrand doorlopende zigzagband ontstaat. Niet al te 
zeldzaam, vrijwel overal onder de soort. 

f. flavopunctata Nordstrom, 1933, Ent. Tidskr., vol. 54, p. 173. Op de onder- 
zijde der achtervleugels bevindt zich in het midden van het roodbruine wortelveld 
in plaats van een zwarte vlek een gele vlek. Zie Verity, I.e., pi. 47, fig. 59- 
Vorden, Breda (Leids Mus.). 

Clossiana dia L. Sporadisch en zeker niet inheems. Of de soort vroeger wel 
een indigeen was, zoals ik eerst meende, is ook heel twijfelachtig. Ik was tot deze 
conclusie gekomen door de mededeling van DE Gavere in Hand. Ned. ent. Ver.. 
p. 105 (1857), waar deze schrijft, dat dia bij Groningen „zeer gewoon" is, terwijl 
de Graaf in Bouwst. Fauna Nederl., vol. 2, p. 147 (1856) op gezag van de 
Gavere en van Bemmelen schrijft, dat dia „jaarlijks gedurende 8 of 9 dagen 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, ail. 4, 1956 



Plaat 3 




10 



Fig. 1 — 3: Clossiana euphrosyne euphrosyne L. 1. $ , Upl., Älvkarleby, 9.VI.1945; 2. $ , 
Äng., Bjästa, 29.V.1904; 3- 9, Visingsö, 23.VI.19n. Fig. 6— S: Clossiana euphrosyne 
neston Fruhstorfer. 6. ,5 , Monte Generoso, Zuid-Zwitserland, 6.V.1927; 7. $ , idem; 8. 
9 , idem. Fig. 4. $ , Herkenbosch, 18.V.19 = >3, niet te onderscheiden van de nominaatvorm 
(Dutch male, indistinguishable from the nominate form). Fig. 5. $ , f . transversa Vorbrodt, 
Doetinchem. 1.VI.1903. Fig. 9- $ . Slangenburg, 24.V.1906, vrijwel overeenkomende met 
subsp. neston (Dutch male, practically identical with subsp. neston). Fig. 10. $ , f. ovalis 
Hackray, Herkenbosch, 13.V.1953- Nrs. 1 — 3 in coll. Naturhistoriska Riksmuseum Stock- 
holm, 6 — 8 in coll. Caron, 4, 5, 9, 10 in coll. Zoölogisch Museum Amsterdam. 



(185) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 163 

in het Onland" voorkomt. Het viel mij evenwel op, dat DE Gavere in 1857 niet 
sprak over Boloria sifanka („pales"), doch alleen over dia, dat hij daarentegen 
in zijn overzicht van de belangrijkste vangsten in de omgeving van Groningen 
in Tijdschr. Entom., vol. 10 (1867) alleen B. sifanka noemde, maar niet dia. 
Ik ben er dan ook van overtuigd, dat de opgave van 1857 op een verkeerde 
determinatie berust, wat in die tijd voor een verzamelaar in een afgelegen provin- 
ciestad wel te verontschuldigen is. Beide soorten komen in grootte en vleugelvorm 
nogal met elkaar overeen. Ook de opgave van de vindplaats Hoogeveen, die uit 
dezelfde tijd stamt, is op zijn minst even dubieus; die kunnen we dus beter laten 
vallen. Als volkomen vaststaand blijven voor dia derhalve slechts enkele vangsten 
uit bosachtige streken in het midden-oosten en zuiden van het land over. Daardoor 
krijgen we een beeld, dat ook beter overeenkomt met de verbreiding in de om- 
ringende gebieden: een slechts nu en dan in een enkel exemplaar binnen onze 
grenzen aangetroffen vlinder, die we dan kunnen beschouwen als een zwerver 
uit België of West-Duitsland. 

Niet bekend van Denemarken, uit Sleeswijk-Holstein, uit de omgeving van 
Hamburg en van Bremen; in Hannover in het zuidelijke heuvelland; in Westfalen 
alleen bekend van Warburg, zeldzaam in het bergachtige gedeelte van de Rijn- 
provincie. In België in de Ardennen, in hoofdzaak in het zuidelijke gedeelte, op 
open plaatsen in bossen, op de vliegplaatsen in de regel gewoon. Uit Engeland 
zijn twee exemplaren bekend, het ene gevangen in 1837, het andere in 1887 
(Proc. ent. S oc. London, vol. 8, p. Ill, 142, 1933), als deze vangsten betrouw- 
baar zijn, ook overvliegers van het continent. 

Twee generaties, de eerste in België in april en mei en de tweede in augustus 
en september. Van beide generaties zijn in ons land exemplaren gevangen. 

Vindplaatsen. Gdl.: Arnhem, $, 1874 (Zool. Mus.); Vorden, twee wijfjes, 
augustus 1906 (Mus. Rotterdam). N.B.: Liesbos, 25.VII.1866 (Leids Mus,); Ulvenhoutse 
Bos, 10.V.1870 (idem). Lbg.: Wahlwiller, 9, 17.VIII.194l (Piet). 

Variabiliteit. De nominaatvorm is de Oostenrijkse. Deze heeft een grote 
verbreiding in Midden-Europa en ook onze weinige exemplaren moeten tot subsp. 
dia L. gerekend worden. 

De zomergeneratie is door Verity onderscheiden als f. postdia (1933, Buil. 
Soc. ent. France, vol. 48, p. 74). De grondkleur der bovenzijde is wat levendiger 
en de zwarte basaalbestuiving is sterk gereduceerd; op de onderzijde der achter- 
vleugels is de kleur veel levendiger en warmer, doordat de paarsachtige tint roder 
is en de gele grondkleur helderder. 

Brenthis Hb. 

Brenthis ino von Rottemburg. Uitsluitend in Zuid-Limburg op weiden en op 
open plaatsen in niet te droge loofbosterreinen, lokaal, op de vliegplaatsen in de 
regel in aantal, al zijn de meeste van deze plaatsen helaas verdwenen. Onze 
vindplaatsen vormen de noordwestgrens van het areaal der soort in West-Europa 
en zijn de uiterste voorposten van het Belgisch-Rijnlandse vlieggebied. 

In Denemarken op de eilanden (behalve Möen), maar niet in Jutland. In 



164 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (186) 

Holstein verbreid tot Zuid-Sleeswij k; lokaal en niet zeldzaam bij Hamburg; zeer 
lokaal bij Bremen; lokaal en niet zeldzaam in Hannover; nog niet bekend uit 
Westfalen; verbreid in de Rijnprovincie (o.a. in de omgeving van Aken gewoon 
volgens Püngeler). In België algemeen verbreid in het oostelijk deel van het 
land. Niet op de Britse eilanden. 

Eén generatie, van de eerste helft van juni tot begin augustus (9- VI tot l.VIII), 
hoofdvliegtijd tweede en derde decade van juni. De soort overwintert als ei en 
de rups leeft op Spiraea. 

Vindplaatsen. Lbg.: Jabeek (Neumann, Sogeler); Etzenrade (diverse verzame- 
laars); Schinveld (Maessen); Kerkrâde (vroeger de rijkste vindplaats, waarvan nog talrijke 
exemplaren in verschillende collecties aanwezig zijn. Latiers schreef, dat ino hier over- 
vloedig voorkwam op een betrekkelijk klein terrein, dat tegen een helling lag en enigszins 
vochtig was. Dit moet de helling van het Hopelbos geweest zijn. Door de aanleg van de 
„miljoenenlijn" is de vliegplaats dan grotendeels vernietigd. Toch ligt nog altijd aan de 
voet van het Hopelbos een laag moerassig terrein en hier ving van Mastrigt nog l.VII. 
1952 een enkel exemplaar); Houthem, l.VIII. 1891 (Zool. Mus.); Meerssen, juli 1891 
(Lycklama volgens Snellen, 1892, Tijdscbr. Entom., vol. 35, p. XLIV); Epen, juli 1950, 
twee afgevlogen exemplaren (Camping). 

Variabiliteit. Von Rottemburg beschreef de vlinder naar exemplaren 
uit Midden-Duitsland, twee „aus hiesiger Gegend" — Klemzig bei Züllichau 
(vgl. Esper, Schmett. in Abb., vol. 1, deel 2, p. 126) en een van Landsberg aan de 
Warthe. Deze nominaatvorm vliegt in geheel Duitsland van Hamburg tot Zuid- 
Beieren en ook de Nederlandse exemplaren behoren tot dezelfde subsp. ino von 
Rottemburg. 

De infrasubspecifieke variabiliteit van onze exemplaren is niet groot. 

f. intermedia nov. Grondkleur van de bovenzijde der vleugels lichter, geelbruin. 
Kerkrade, 9 , 28.VI.1906 (holotype, DE Vos). 

[Ground colour of the upper side of the wings, paler, yellow-brown.] 

f. mterligata Cabeau, 1922, Rev. mens. Soc. ent. Namur., vol. 22, p. 46. Op 
de bovenzijde der voorvleugels is de onderste basale vlek verbonden met de 
onderste mediane vlek, zodat aan de binnenrand een liggende zwarte streep 
ontstaat. Bij deze soort blijkbaar niet zo gewoon. Kerkrade (Latiers). 

f. transversa nov. Op de bovenzijde der voorvleugels zijn de mediane vlekken 
langs de aderen met elkaar verbonden, zodat een zwarte zigzaglijn ontstaat. 
Etzenrade, holotype (Delnoye). 

[The median spots on the upper side of the fore wings are interconnected along the 
nervures, so that a black zigzag line results.] 

f. cadmeis Cabeau, 1922, Rev. mens. Soc. ent. Namur.. vol. 22, p. 1. Op de 
bovenzijde der vleugels zijn de postmediane vlekken verbonden met de submar- 
ginale vlekken. Zie Lambillionea, vol. 30, pi. VI, fig. 6 (1930). Een zeer zwakke 
overgang, waarbij dit alleen met de twee onderste vlekken op de linker voor- 
vleugel het geval is. Jabeek (Zool. Mus.). 

f. depurpurata nov. De paarse bestuiving op de onderzijde der achtervleugels 
ontbreekt geheel of vrijwel geheel. Kerkrade, 28.VI.1906 (holotype, DE Vos). 

[The purple suffusion on the under side of the hind wings fails completely or almost 
completely.] 



(187) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 165 

Issoria Hb. 

Issoria lathonia L. In hoofdzaak verbreid op de zandgronden en in het Loss- 
en het Krijtdistrict. In de duinen zonder enige twijfel inheems, in het binnenland 
onregelmatig, in warme zomers niet zelden gewoon, in koele en natte zomers veel 
minder of plaatselijk soms geheel verdwijnend. Buiten de zandgronden meest als 
zwerver. In het voorkomen van de vlinder in het binnenland zit iets zeer onregel- 
matigs. Nu we sinds 1940 de aantallen geregeld nagaan, blijkt in elk geval 
duidelijk, dat lathonia sterk reageert op warm, droog weer, door dan snel in 
aantal toe te nemen. Overtuigend werd dit bewezen in de warme zomer van 1947, 
toen het aantal waarnemingen buiten de duinen een topcijfer bereikte, dat in 
geen der daaraan voorafgaande of er op volgende jaren ook maar in de verte 
benaderd werd. Bovendien wordt lathonia naar het noorden toe steeds zeldzamer 
in ons land. Maar een heel enkele keer melden de trekwaarnemers uit de noor- 
delijke provincies een daar door hen opgemerkt exemplaar. Op de waddeneilanden 
daarentegen is de soort even gewoon als in de duinen van het vasteland. Dat 
vochtigheid een van de belangrijke factoren moet zijn, die met de temperatuur 
de bestaansmogelijkheid van de vlinder bepalen, blijkt ook wel uit het feit, dat 
het hem volkomen onmogelijk is, vaste voet op de Britse eilanden te krijgen. 
Hij blijft daar steeds een zeer zeldzame immigrant. 

Bekend van alle waddeneilanden. 

De vlinder is waargenomen van 23 maart (1949, een exceptioneel vroege 
datum, Haarlem, v. Herwarth; 1956, na een zeer koude februarimaand, terwijl 
ook maart te koud was, Aerdenhout, van Wisselingh) tot 23 november (1914, 
Putten, Oudemans, zie Ent. Ber., vol. 4, p. 171, 1915), zeker in drie meestal zon- 
der duidelijke onderbreking in elkaar overgaande generaties. Bij het doorlezen van 
de jaarlijkse trekverslagen valt het mij op, dat ik bijna elk jaar weer in twijfel 
verkeer over de juiste afbakening van de verschillende generaties. 

In normale voorjaren is lathonia in april al een gewone verschijning in de 
duinen en blijft dit ook in mei. In juni wordt hij meestal eerst schaarser om later 
in de maand weer toe te nemen. Ook in de zomer is de vlinder geregeld in dit 
biotoop aan te treffen. Over het najaar bezit ik helaas te weinig gegevens, maar 
er behoeft weinig twijfel aan te bestaan, dat hij ook dan in het duingebied is 
te vinden. In het binnenland verschijnt hij in het voorjaar in de regel wat later, 
hoewel ook daar aprilwaarnemingen voorkomen. In het voorjaar is hij daar bijna 
altijd duidelijk schaarser dan in het Duindistrict, maar in de loop van de zomer 
haalt hij de achterstand in. De hoofdvliegtijd van het binnenland valt altijd in 
augustus en meest nog begin september. In de herfst komt vrijwel elk jaar nog 
een veel zwakkere vlucht voor. Volgens Seitz kan zowel de rups als de pop 
overwinteren (1908, Grossschmetterl. der Erde, vol. 1, p. 236). De maart- en 
aprilvlinders zouden dus van overwinterende poppen afkomstig kunnen zijn. 
Opvallend is in dit verband de waarneming van 23. III. 1956, twee dagen nadat 
het weer zachter was geworden. Bij de bespreking van de variabiliteit kom ik 
daarop terug. Zo zou ook de vrijwel ononderbroken vliegtijd te verklaren zijn. 
Intussen is het wel noodzakelijk, dat experimenteel wordt uitgemaakt, of dit 
inderdaad voor ons land opgaat. 

In dit verband is het ook belangrijk er aan te denken, dat de vlinder zich onder 



166 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (188) 

gunstige omstandigheden zeer snel kan ontwikkelen. Van een op 8.VIII.1939 
gevangen ? kweekte VaRi een herfstgeneratie, waarvan alle exemplaren door- 
groeiden en reeds van 11 tot 16 september de vlinders leverden, dus nauwelijks 
vijf weken na het leggen der eieren. En Huhst vermeldt in een voortreffelijk 
artikel over het kweken van Argynninae, dat hij van op 22. IV gelegde eieren al op 
22. V de vlinder verkreeg, dus nog sneller (1931, Int. ent. Z. Guben, vol. 25, 
p. 125). Overigens zitten wij hier met dezelfde moeilijkheid als de Urbahn's 
bij de samenstelling van hun Fauna van Pommeren: „Die Zahl und Folge der 
Generationen ist nicht geklärt, auch nicht das Überwinterungsstadium". (1939, 
Stelt. ent. Z.. vol. 100, p. 265). 

Variabiliteit. Onze populaties behoren tot de nominaatvorm, beschreven 
naar exemplaren uit Midden-Zweden. De in april vliegende exemplaren zijn 
opvallend klein en met een donkere wortelbestuiving op de bovenzijde der 
vleugels. Later in het voorjaar verschijnen echter grotere exemplaren en vooral 
in juni vliegen al vlinders, die even groot zijn als de echte zomerdieren. Hiervoor 
zijn twee verklaringen mogelijk. Deze grotere dieren behoren al tot een tweede 
generatie, of zij vormen de tweede groep van de eerste generatie. De kleine in 
april en begin mei vliegende vlinders zouden dan van overwinterende poppen 
kunnen afstammen en de later vliegende grotere van overwinterende rupsen. Dit 
alles zal door een paar enthousiaste kwekers onder zo natuurlijk mogelijke omstan- 
digheden onderzocht moeten worden. 

De juli-augustus exemplaren zijn gemiddeld groter dan de vroege, maar er 
komen ook veel dieren voor, die net zo groot zijn als de kleine van de eerste 
generatie, vooral bij de mannetjes. Bij de herfstvlinders, die ik voorlopig dus 
aanzie voor de derde generatie, zijn de mannetjes even variabel in grootte als in 
de zomergeneratie, terwijl de wijfjes forse dieren zijn. Dit sluit meteen uit, dat 
de vroege aprilvlinders overwinteraars zouden zijn, daar voor zover ik weet hierbij 
geen forse vlinders voorkomen. 

De grotere zomervorm werd door Verity onderscheiden als f. postlathonia 
(1933, Ent. Ree, vol. 45, p. 57), holotype van Hilversum, 21 juli. Behalve door 
de grootte onderscheidt zij zich door lichtere grondkleur, lichtere, meer groen- 
achtige basale bestuiving, die bovendien minder scherp begrensd is en door 
lichtere en minder uitgebreide bruine kleur op de onderzijde der achtervleugels. 
Voor onze zomerdieren is de waarde van al deze kenmerken echter zeer betrekkelijk. 

De infrasubspecifieke variabiliteit is vrij groot, maar extreme exemplaren zijn 
zeldzaam. 

A. Grootte. 

f. minor Ksenszopolski, 1911, Trudy Izsljedov. Volyni, vol. 8, p. 41. Dwergen. 
Vrij zeldzaam. Laag Keppel (Bentinck); Soest, Weesp, Burgh (Zool. Mus.); 
Katwijk (van der Weele); Zaandam (Aukema); Den Haag (Leids Mus.); 
Oostvoorne (van Katwijk); Helmond (van Westen); Stein (Missiehuis Stein). 

B. Grondkleur. 

f. ardens Jachontov, 1911, Mitt. Kaukas. Mus., vol. 5, p. 308 (fervida Fritsch, 
1912, Ent. Rundschau, vol. 29, p. 143). Grondkleur der bovenzijde dieper, roder. 
Vlieland (Camping); Breda (Zool. Mus.). 

f. pallida Fritsch, 1912, Ent. Rundschau, vol. 29, p. 143. Grondkleur van de 



(189) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 167 

bovenzijde der vleugels bleek geelbruin. Aalsmeer (Zool. Mus.); Vogelenzang 
(van de Pol); De Punt, Wassenaar (van Wisselingh) ; Stein (Missiehuis Stein). 

f. rubrojusca Verity, 1950, Farf. It., vol. 4, p. 271, pi. 49, fig. 18. Grondkleur 
van de bovenzijde der vleugels met een rossige, matte tint. Beschreven naar exem- 
plaren van de eerste generatie. Putten, $ van de derde generatie, dat goed met 
de figuur overeenkomt (Zool. Mus.). 

f. nigroprivata Verity, 1933, Ent. Ree, vol. 45, p. 57; 1951, Farf. It., vol. 4, 
pi. 49, fig. 10 en 11. De zwarte tekening op de bovenzijde der vleugels niet 
zelden gereduceerd in grootte, maar vooral gekarakteriseerd door het vrijwel 
geheel ontbreken van de donkere wortelbestuiving van de voorvleugels en het 
veel lichter worden van die der achtervleugels. Zomervorm, niet gewoon bij ons. 
Terschelling, Twello, Bussum, Noordwijk (Zool. Mus.); Vlieland (Camping); 
Waalwijk (Didden). 

f. paradoxa Fuchs, 1899, Jahrb. Nass. Ver., vol. 52, p. 124. Op de bovenzijde 
der achtervleugels met zilvervlekjes. Een zeer zeldzame vorm. Heemskerk, een 
exemplaar met een klein zilvervlekje in cel lb van beide achtervleugels (S. DE 
Boer). 

f. pseudosaturata Agenjo, 1948, Eos, vol. 24, p. 42, pi. IV, fig. 9- Op de 
onderzijde der voorvleugels is de licht geelbruine grondkleur, behalve bij de apex, 
verdrongen door een veel donkerder bruinachtige tint. Zeddam (Postema); 
Diemen, Wassenaar (Zool. Mus.). 

C. De zwarte tekening. 

f. magïsnïgrata Verity, 1933, Ent. Ree, vol. 45, p. 58; 1951, Farf. It., vol. 4, 
pi. 49, fig. 12 — 14. Zomerdieren met een bijna even donkere wortelbestuiving 
op de bovenzijde der vleugels als bij voorjaarsexemplaren, maar vooral gekenmerkt 
door opvallend vergrote zwarte vlekken. Waarschijnlijk niet al te zeldzaam onder 
onze populaties aan te treffen. Terschelling, Doorn, Soest, Ouddorp (Zool. Mus.); 
Heeze (Didden). 

f. laufferi Agenjo, 1948, Eos, vol. 24, p. 42, pi. Ill, fig. 7. De eerste en de 
tweede zwarte vlek aan de binnenrand der voorvleugels zijn met elkaar verbonden 
langs de anaalader door de vergrote er boven liggende zwarte vlek. Vlieland 
(Camping); Groenlo (Zool. Mus.). 

f. ï-nïgrum Tutt, 1909, Ent. Ree, vol. 21, p. 225. Op de bovenzijde der voor- 
vleugels is de onderste basale vlek met de onderste mediane door een zwarte 
streep verbonden, zodat boven het midden van de binnenrand een liggende streep 
ontstaat. Vrij algemeen, overal onder de soort te verwachten. 

Dat deze bij Melitaeiden en Argynniden zo geregeld voorkomende vorm door 
erfelijke factoren bepaald wordt, blijkt wel uit het resultaat van VaRi's reeds 
vermelde eikweek. Het $ was een overgang naar ï-nïgrum. Van de F x generatie 
behoorden drie exemplaren tot ï-nïgrum en enkele andere waren overgangen. 
Niet bekend is echter, of de vorm dominant of recessief ten opzichte van de 
typisch getekende is. 

f. pupïllata van Melkerts, 1929, Lambïllïonea, vol. 29, p. 123. Als ï-nïgrum, 
maar de verbindingsstreep is in het midden gekernd. Dit komt, doordat de twee 
onderste vlekken ook langs ader 2 (Cu 2 ) met elkaar verbonden zijn. Zie Lambïl- 
lïonea, vol. 39, pi. IV, fig. 7. Veel zeldzamer dan de vorige vorm. Kerkrade 
(Eenens). 



168 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (190) 

f. transversa nov. Op de bovenzijde der voorvleugels zijn de mediane vlekken 
langs de aderen door zwarte lijntjes met elkaar verbonden, zodat een zwarte 
zigzaglijn ontstaat. Wassenaar, $ , 5. VII. 1901, holotype (Zool. Mus.). 

[On the upper side of the fore wings the median spots are connected with each other 
by black lines along the nervures, so that a black zigzag line results.] 

f. costimaculata nov. Op de bovenzijde der voorvleugels zijn enkele costaal- 
vlekken (bij het holotype de tweede, derde en vierde) met elkaar samengesmolten 
tot één grote zwarte vlek aan de voorrand. Bloemendaal, $ , 6. IX. 1953, holotype 
(Kloos). 

[Some costal spots on the upper side of the fore wings (with the holotype the second, 
third and fourth) are fused to one large black spot on the costa.] 

f. hungarica Aigner, 1906, Ann. Hist. nat. Hung., vol. 4, p. 504. De zwarte 
tekening op de bovenzijde der voorvleugels min of meer ineengevloeid en soms 
ook op de onderzijde, al het overige normaal. Harskamp (Küchlein); Velp (of 
Dordrecht, van Medenbach de Rooy); Bussum, Zandvoort, Vlissingen (Zool. 
Mus.); Rotterdam (Mus. Rotterdam). 

f. melaena Spuler, 1901, Schmett. Eur., vol. 1, p. 29. Op de bovenzijde van 
voor- en achtervleugels is de zwarte tekening in mindere of meerdere mate ineen- 
gevloeid, maar de zilvervlekken op de onderzijde der achtervleugels zijn normaal. 
Zwolle (Leids Mus.); Scheveningen (de Vos). 

f. valdensis Esper, [1803], Schmett. in Abb., vol. 1, Suppl., p. 112, pi. CXV, 
fig. 4. Bovenzijde der vleugels als melaena. maar op de onderzijde der achter- 
vleugels zijn de zilvervlekken ineengevloeid tot straalvormige strepen. Slangen- 
burg, $, 9.VIII.I9OO (Zool. Mus.; het exemplaar is afgebeeld in Tijdschr. 
Entom., vol. 48, pi. 3, fig. 1, 1905). 

f. reducta Schirmer, 1918, Deutsche ent. Z.. p. 170. De zwarte vlekken op de 
bovenzijde der vleugels sterk gereduceerd in aantal. Kapelle, 1872, een exemplaar, 
waarbij de postdiscale vlekken op de voorvleugels bijna geheel verdwenen zijn, 
terwijl ze op de achtervleugels zeer klein zijn (de Vos). 

Fabriciana Reuss 

Fabriciana niobe L. Algemeen verbreid in het Duin- en Waddendistrict, hier 
meest gewoon tot vrij talrijk; overigens in bosachtige gebieden op zandgronden, 
hier in de regel veel minder in aantal, hoewel plaatselijk soms een sterke vermeer- 
dering is waargenomen. Opvallend is het zeer schaarse voorkomen in het zuiden 
van het land, terwijl uit het Loss- en het Krijtdistrict nog slechts enkele waarne- 
mingen bekend zijn. 

Eén generatie, tweede helft van mei tot tweede helft van augustus (19.V tot 
19. VIII), hoofdvliegtijd van half juni tot eind juli. 

Vindplaatsen. Fr.: Vlieland (zeer gewoon, Camping), Terschelling (vrij gewoon, 
Lempke), Ameland (veel, Brouwer), Schiermonnikoog, Kollum, Kloosterburen. Dr.: Zuid- 
laren, Annen, Borger, Drouwen. Ov.: Denekamp, Diepenheim, Rijssen, Elzen, Markelo, 
Holten, Mariënberg, Vilsteren, Oud-Leusen. Gdl.: Nijkerk, Harderwijk, Hulshorst, Nun- 



(191) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 169 

speet, Uddel, Tongeren, Epe, Hoog-Soeren (in juni 1954 bij honderden, Boer Leffef, 
Soutendijk), Apeldoorn, Beekbergen, Loenen, Woeste Hoeve, Terlet, Deelen, Hoender- 
lo, Empe, Eerbeek, Laag Soeren, De Steeg, Rheden, Velp, Arnhem, Kemperberg, Ooster- 
beek, Wolfheze, Buunderkamp, Wageningen, Ede, Lunteren, Harskamp, Otterlo, Kootwijk; 
Eefde, Warnsveld, Zutfen, Vorden, Laren, Lochern, Korenburgerveen, Winterswijk, Aalten, 
Zelhem, Slangenburg, Doetinchem, Hummelo, Laag Keppel; Nijmegen. Utr.: De Bilt, Soest, 
Baarn, Vreeland. N.H.: Hilversum, Naarden, Texel (De Koog), Den Helder, Callantsoog, 
Schoorl, Bergen, Egmond aan Zee, Bakkum, Limmen, Castricum, Heemskerk, Wijk aan Zee, 
Velzen, IJmuiden, Santpoort, Overveen, Zandvoort, Vogelenzang. Z.H.: Noordwijkerhout, 
Noordwijk, Warmond, Katwijk aan Zee, Wassenaar. Zl.: Westenschouwen, Haamstede, Re- 
nesse, Domburg, Groede. N.B.: Breda, Ulvenhout, Helmond. Lbg: Arcen, Venlo, Belfeld, 
Roermond, Melick, Nuth, Gulpen. 

Variabiliteit. De nominaatvorm is de Zweedse. Volgens Verity behoren 
de exemplaren uit Midden-Europa tot de grotere en levendiger gekleurde subsp. 
her se Hufnagel (1766, Beri. Mag., vol. 2, p. 82), beschreven naar exemplaren 
uit de omgeving van Berlijn (1929, Buil. Soc. ent. France, p. 241; 1936, Ento- 
mologist, vol. 66, p. 243). Onze Nederlandse exemplaren zijn duidelijk groter 
dan de Zweedse en hoewel van kleurverschil weinig te merken is, kunnen ze 
ongetwijfeld het best tot subsp. herse Hufn. gerekend worden. Zie plaat 4. 

De infrasubspecifieke variabiliteit is vrij groot. Het aantal zilvervlekken op 
de onderzijde der vleugels wisselt sterk. Ze kunnen geheel ontbreken of juist 
prachtig ontwikkeld zijn, terwijl natuurlijk een tussenvorm voorkomt, waarbij de 
zilvervlekken gedeeltelijk afwezig zijn. Ook de grondkleur en de zwarte tekening 
variëren enigszins. 

A. Afmetingen. 

Dwergen. Slangenburg, Den Helder, Domburg (Zool. Mus.); Hoog Soeren 
(Leffef); Texel (van Oorschot). 

B. Grondkleur. 

f. pallida Gillmer, 1907, Int. ent. Z. Guben, vol. 1, p. 248. Grondkleur lichter, 
bleekgeel. Denekamp, Slangenburg, IJmuiden (Zool. Mus.); Doetinchem (de 
Vos); Bergen (Leids Mus.); Wassenaar (Botzen). 

f. fervida nov. Grondkleur van de bovenzijde der vleugels diep (roodachtig) 
bruin. Hoog Soeren (Leffef); Texel (van Oorschot); Zandvoort (Her- 
warth); Wassenaar (Botzen). 

Holotype: $ , 1954, Hoog Soeren, in collectie Leffef. 

[Ground colour of the upper side of the wings deep (reddish) brown.] 

f. berolinensis Reuss, 1916, Int. ent. Z. Guben, vol. 10, p. 24. Grondkleur van 
de bovenzijde der vleugels verdonkerd en bij extreme exemplaren met paarse 
weerschijn. Vooral bij onze wijfjes geen al te zeldzame vorm, maar ook nu en 
dan bij de mannetjes voorkomend. De wortel van voor- en achtervleugels is 
zwartachtig en de postdiscale vlekken zijn vergroot. Soms staan langs de achter- 
rand, vooral bij de voorvleugelapex, lichtere vlekken. Op de bovenzijde lijkt de 
vorm daardoor veel op Mesoacidalia charlotta Hw., f. suf f usa Tutt. Terschelling, 
$, Vlieland, $ (Camping); Elzen, Terlet (van der Meulen); Diepenheim, 
Diepenveen, Slangenburg, Doetinchem (Zool. Mus.); Uddel (Küchlein); Hoog 
Soeren, $ en $ (Leffef); Texel, $ (van Oorschot); $ (Zool. Mus.); 
Castricum (Westerneng); Zandvoort, Wassenaar (van Wisseling). 



170 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (192) 

In Bouwst. Fauna Nederl., vol. 1, p. 223 (1853) wordt een exemplaar van 
Zutfen vermeld „met paarse weerschijn", dat vrij zeker ook tot deze vorm 
behoorde. 

f. nigrimarginata Reuss, 1916, Int. ent. Z. Guben, vol. 10, p. 29. Op de 
bovenzijde der vleugels met een brede zwarte achterrand, doordat de ruimte 
tussen de twee golflijnen vlak voor de achterrand zwart gevuld is. Terschelling 
(van Oorschot); Ede (van de Pol). 

f. infrapallida nov. De grondkleur van de onderzijde der achtervleugels en 
van de voorvleugelpunt witgeel. Texel, 1952, holotype (van Oorschot). 

[The ground colour of the under side of the hind wings and of the apex of the fore 
wings is whitish yellow.] 

f. infrapupillata nov. Op de onderzijde der achtervleugels zijn de ronde 
submarginale vlekken dik zwart geringd en blauw gekernd. Texel, 1953, holotype 
(van Oorschot). 

[The round submarginal spots on the under side of the hind wings have thick black 
rings and blue centres.] 

f. infragrisea nov. De submarginale band op de onderzijde der achtervleugels 
sterk grijs getint. Slangenburg, $, 26. VII. 1901 (holotype, Zool. Mus.); Bergen 
(van Wisselingh). 

[The submarginal band on the under side of the hind wings is strongly tinted with 
grey.] 

f. caeca Preissecker, 1910, Verb. zool. -bot. Ges. Wien. vol. 60, p. (89). Op de 
onderzijde der vleugels ontbreekt alle zilvertekening. Ongetwijfeld zeldzaam. 
Empe (Bouwst. Fauna Nederl, vol. 1, p. 223, 1853); Wageningen, 1898 (Zool. 
Mus., afgebeeld door Oudemans in Tijdsàhr. Ent., vol. 48, pi. 3, fig. 3 (1905) 
als f. eris); Ulvenhout (van Wisselingh). 

f. eris Meigen, 1829, Eur. Schmett, vol. 1, p. 64, pi. XIV, fig. 5. Op de 
onderzijde der achtervleugels zijn enkele vlekken aan de achterrand gekernd, 
overigens ontbreekt alle zilvertekening. Iets gewoner dan de vorige vorm. Rijssen 
(Kortebos); Korenburgerveen (van Galen); Slangenburg, Wassenaar, Roer- 
mond (Zool. Mus.); Doetinchem (de Vos); Texel, Aerdenhout (van Oor- 
schot); Camp, Santpoort (Ceton); Bakkum (de Boer); Wijk aan Zee (ten 
Hove); Overveen (Helmers); Haarlem (Tick); Zandvoort (Gorter); Domburg 
(Tijdschr. Entom., vol. 53, p. XXXV); Breda (Leids Mus.); Ulvenhout (van 
Wisselingh); Arcen (Franssen); Roermond (Mus. Maastricht); Melick 
(Lücker). 

f. niobe Linnaeus, 1758, Syst. Nat., ed. X, p. 481. Op de onderzijde der 
achtervleugels zijn de zilvervlekken matig goed ontwikkeld langs de achterrand 
en in het midden, maar ontbreken aan de wortel. Deze tussenvorm komt overal 
onder de soort voor, maar is niet opvallend talrijk. 

f. infraargentea nov. (cydippe Linnaeus, 1761, Fauna Suecica, ed. II, p. 281, 
nomen rejectum). Op de onderzijde der achtervleugels ook aan de wortel goed 
ontwikkelde zilvervlekken. De gewone rijk met zilver gevlekte vorm, bij ons de 
meest talrijke. Holotype: $ van Wageningen, 10.VI.1898, collectie Zool. Mus. 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 



Plaat 4 




10 



Fig. i_4: Fabriciana niobe niobe L. 1. $, Vim. Malsjö, 1.VII.1917; 2. £ , Boh., Syd- 
koster, 2.VH.1947; 3. $ , Upl., Sandhamn, 6.VII.1925; 4. $ , Upl. : Sandhamn, 20.VII. 
1923. Fig. 5 — 10: Fabriciana niobe bene Hufnagel. 5 Ç , f . transversa now, holotype, 
Slangenburg, 26.VII.190l; 6. 5, Wassenaar, 1.VII.1901; 7. 5, Hulshorst, 18.VI.19H; 
8. $ , Den Helder, 7.VII.1929; 9. 9 , Terschelling, 27.VI.1948; 10. $ , f. ovali s nov., 
holotype, Texel, juni 193-1. Nrs. 1 — 4 in coll. Naturhistoriska Riksmuseum Stockholm, 
5 — 10 in coll. Zoölogisch Museum Amsterdam. 



(193) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 171 

[On the under side of the hind wings also well developed silver spots at the base. This 
richly spotted form is the commonest form of the species in Holland. 

Verity has clearly shown, that Linnaeus' Papilio cydippe is nothing but this strongly 
spotted form of niobe (1913, J. Linn. Soc. Lond. (Zool.), vol. 32, p. 182 — 183), but as 
this name is also often (wrongly) used for the High Brown Fritillary, the next species in 
this Catalogue, it is proposed by a number of lepidopterists to reject this name altogether 
also for infrasubspecific use (1952, Bull. zool. Nomencl., vol. 6, p. 323 — 336). Therefore 
a new name becomes necessary for the richly spotted form of Fabriciana niobe, as Lin- 
naeus described in 1758 the intermediate form with no silver at the base of the hind 
wings.] 

C. De zwarte tekening. 

f. transversa nov. Op de bovenzijde der voorvleugels zijn de mediane vlekken 
langs de aderen met elkaar verbonden, zodat een zwarte zigzaglijn ontstaat. 
Apeldoorn (Berk); Ede (van de Pol); Terschelling, Vorden, Slangenburg, De 
Bilt (Zool. Mus.); Vlieland (Camping); Wassenaar (van Wisselingh); Sche- 
veningen (de Roo). Bij een $ van Castricum staan de verbonden vlekken in 
een rechte lijn onder elkaar (van Oorschot). 

Holotype: Ç van Slangenburg, 26. VII. 1901 in collectie Zool. Mus. 

[The median spots on the upper side of the fore wings are connected with each other 
along the nervures, so that a black zigzag line results.] 

f. ovalis nov. Op de bovenzijde der voorvleugels is de mediane vlek tussen 
ader lb en ader 2 gesloten en vormt een liggende ovale ring. Texel, $ , juni 1934 
(holotype, Zool. Mus.). 

[On the upper side of the fore wings the median spot between nervures lb and 2 is 
closed and forms a horizontal black ring.] 

f. thyra Schultz, 1908, Ent. Z. Stuttgart, vol. 22, p. 39 (bis). Op de bovenzijde 
der vleugels zijn de zwarte kapvlekken voor de achterrand verbonden met de 
submarginale vlekken. Een prachtig $ van Egmond aan Zee, 20. VI. 1947 (Bank). 
Verder alleen enkele zeer zwakke overgangen waarbij slechts een paar vlekken 
met elkaar verbonden zijn: Texel (Gerris, Stammeshaus); Overveen (Helmers). 

f. pelopza Borkhausen, 1788, Naturgesch. Eur. Schmetterl., vol. 1, p. 36, fig. 
De zwarte tekening op de bovenzijde der vleugels en eventueel ook op de 
onderzijde sterk uitgebreid. Vlieland, $, 1953 (Camping); Wassenaar, 1943 
(Leids Mus.). 

f. nigropunctata nov. Op de onderzijde der achtervleugels een of meer zilver- 
vlekken aan de wortel zwart gekernd. Gewoon, overal onder de soort te verwach- 
ten. Holotype van Baarn, $ , 12.VII.1871 in collectie Zool. Mus. 

[One or more silver spots on the under side of the hind wings at the base with black 
centre.] 

f. radiata Spuler, 1901, Schmett. Eur., vol. 1, p. 29. De zilvervlekken op de 
onderzijde der achtervleugels samengesmolten tot lange stralen. Een zwakke 
overgang tot deze vorm, waarbij de gehele cel lb met zilver gevuld is, van Texel 
(van Oorschot). 

Teratologisch exemplaar. De vleugels, vooral de voorste, smaller 
en langer gerekt. Koog-Texel, $ (Stammeshaus). 



172 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (194) 

Pathologische exemplaren. Linker voorvleugel grotendeels, en 
linker achtervleugel geheel verbleekt. Elzen (van der Meulen). 

Op beide voorvleugels in cel 2 tussen de kapvlek aan de achterrand en de 
submarginale vlek een lichte vlek. Bakkum (de Boer). 

De apex van de linker achtervleugel verbleekt. Egmond aan Zee (Westerneng). 

Fabriciana adippe Schiff, i) Sporadisch, vooral in bosachtige gebieden in het 
zuiden van het land, niet inheems. Te oordelen naar oude opgaven in Bouwst. 
Fauna Nederl. was de vlinder hier vroeger misschien wel een indigeen, of was dit 
mogelijk alleen in een oecologisch zeer gunstige periode. Ook de vangsten in de 
Achterhoek zouden er op kunnen wijzen, dat adippe zich daar omstreeks de 
eeuwwisseling korte tijd heeft kunnen handhaven. Misschien is de vlinder in de 
veertiger jaren van deze eeuw ook inheems geweest in de bossen van Zuidoost - 
Limburg, maar mogelijk waren dit slechts overvliegers uit het naburige Duitse 
of Belgische gebied. In elk geval is deze typische bewoner van loofbossen op 
het ogenblik een van onze zeer zeldzame dagvlinders. 

In Denemarken aangetroffen op de grote eilanden, behalve Laaland en Falster, 
en in Jutland, en hier zeldzaam. In Sleeswijk-Holstein lokaal, tot Flensburg; bij 
Hamburg lokaal en niet talrijk; bij Bremen sporadisch; in Hannover lokaal en 
niet zeldzaam; in Westfalen lokaal; in de Rijnprovincie verbreid, in 1945 bijv. 
zeer talrijk in het Staatswald bij Keulen (Johnson, 1946, Entomologist, vol. 79, 
p. 92). In België uitsluitend aangetroffen in het Maasbekken. In Groot-Brittannië 
verbreid in bossen in Engeland van het zuiden tot in Westmoreland toe. Niet 
in Ierland. 

Eén generatie, waargenomen van begin juli tot eind augustus (4. VII tot 
30.VIII). 

Vindplaatsen. Fr.: Kuikhorne (Albarda, in Zool. Mus. een $ met etiket „Fries- 
land"). Gr.: bij Zuidlaren op de heide een $ en $ in copula (Bouwst. Fauna Nederl., 
vol. 2, p. 147, 1856). Gdl.: Harderwijk (Bouwst., vol. 1, p. 223, 1853); Vorden, juli 1903, 
Ç (Mus. Rotterdam); Slangenburg, 26.VII. 1901, $ , 11.VII.1902, $ en $ (Zool. Mus.); 
Hoog-Keppel, 12.VII.1911, ? (Zool. Mus.), 3.VIII.1947 (Kets); Drempt („eenmaal 
menigvuldig", volgens Ver Huell, Bouwst., vol. 1, p. 223, 1853); Doesburg („somtijds 
in grote menigte", volgens Havelaar, Bouwst., vol. 1, p. 223); Nijmegen, juli 1875, $ 
(Zool. Mus.). N.H.: Bentveld, 20.VII.1946, prachtig $ (Botzen). N.B.: Breda, 1869 
(Leids Mus.), 2.VIII.1953, sterk afgevlogen $ (van Oorschot); Teteringen, 1866 (Tijd- 
scbr. Entom., vol. 13, p. 145, 1870, in Leids Mus. met etiket Breda); Ulvenhout, $, 
24.VII.1942 (Verkaik); Oirschot (van den Bergh, Tijdscbr. Entom., vol. 49, p. XXIII); 
Eindhoven, $, 17.VIII.1942 (Leids Mus.); Megen, $, augustus 1875 (Zool. Mus.). Lbg.: 
Baarlo, augustus 1934, drie afgevlogen exemplaren (Leids Mus.); Valkenburg, $, 5.VIII. 
1929 (van Wisselingh); Gronsveld, $, 19.VII.1947 (idem); Eperheide één exemplaar, 
31.VII.1947 (Gaasendam); Epen, $, 4.VII.1942 (Leids Mus.), vier mannetjes, 10 tot 
30.VII.1942 (van Wisselingh), $ , 23.VII.1945 (idem), en 24VII.1945 (Zool. Mus.), 
twee mannetjes, 31. VII en 3VIII.1947 (van Wisselingh), één exemplaar 31.VII.1947 
(Ros); Vijlen, twee mannetjes 24. en 30.VIII.1943 (van Wisselingh); Holset, twee man- 
netjes, 23 en 24.VII.1945 (idem). 

Variabiliteit. Volgens de nu gebruikte nomenclatuur is de Oostenrijkse 
vorm, en meer in het biezonder die uit de omgeving van Wenen, de nominaat- 



1 ) De soortnaam is in overeenstemming met het voorstel van Gray os. in Buil. zool. 
Nomencl., vol. 6, p. 323 — 336, 1952. 



(195) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 173 

vorm. Uit de verbreiding, die Verity voor deze vorm geeft in Farf. It., vol. 4, 
p. 296 (1950) (Noord-Duitsland en Engeland tot de Pyreneeën en tot in Oosten- 
rijk), volgt, dat ook onze Nederlandse exemplaren tot subsp. adippe L. gerekend 
moeten worden. Het betrekkelijk geringe Nederlandse materiaal is vrij variabel, 
vooral wat de kleur van de onderzijde betreft. De typische vorm heeft achter- 
vleugels, die aan de onderzijde sterk geel getint zijn met weinig groen en bruin. 

f. suffusa Tutt, 1896, Brit. Butt., p. 286. De basis van de bovenzijde der 
voorvleugels is sterk zwart bestoven, de zwarte vlekken zijn vergroot en met 
elkaar verbonden. Slangenburg, $ , 1901 (Zool. Mus.). 

f. vulgoadippe Verity, 1929, Bull. Soc. ent. France, p. 279- De onderzijde der 
achtervleugels gemengd met roestkleur. Waarschijnlijk een geregeld voorkomende 
vorm onder de hier gevangen exemplaren. Twee goede wijfjes van Slangenburg 
en Megen in Zool. Mus. 

f. infrarufescens nov. De onderzijde van de achtervleugels eenkleurig rood- 
bruin, vrijwel zonder enige gele tint, met scherp afstekende zilvervlekken; ook de 
onderzijde van de voorvleugels bruiner dan bij normale exemplaren. Slangenburg, 
$, 11.VII.1902 (holotype, Zool. Mus.). 

[The under side of the hind wings of a unicolorous red-brown with hardly a trace of 
yellow and with sharply contrasting silver spots; the under side of the fore wings is also 
browner than with normal specimens. 

A similar specimen is mentioned by S. A. Chartres in The Entomologist, vol. 69, p. 254 
(1936).] 

f. intermedia Tutt, 1896, Brit. Butt., p. 286. Op de onderzijde zijn de zilver- 
vlekken bij de voorvleugelpunt en langs de achterrand der achtervleugels bijna 
verdwenen. Epen, twee exemplaren in 1942 (van Wisselingh). 

f. cleodoxa Ochsenheimer, 1816, Schmett. Eur., vol. 4, p. 118 (pseudocleodoxa 
Verity, 1929, Bull. Soc. ent. France, p. 278). Alle zilvervlekken op de onderzijde 
der vleugels ontbreken. Ulvenhout (Verkaik); Epen, één exemplaar in 1942 
(van Wisselingh). 

Mesoacidalia Reuss 

Mesoacidalia charlotta Haworth, 1803 (Papilio aglaja L., 1758, Syst. Nat., 
ed. X, p. 481, primair homoniem van Papilio aglaja L., I.e., p. 465). Evenals 
Fabriciana niobe verbreid in het Wadden- en Duindistrict en in bosachtige streken, 
vooral op zandgronden, maar in de regel minder gewoon dan niobe. Daarnaast 
komt (beter: kwam) charlotta in een geheel ander biotoop voor, waar niobe 
volkomen ontbreekt, nl. op de nu vrijwel geheel verdwenen blauwgraslanden, 
waar de vlinder niet zelden zeer talrijk was. De laatste bloeiende kolonies bevon- 
den zich in de Gelderse Vallei en in de Krimpenerwaard. Die in de Gelderse 
Vallei is verloren gegaan door de ontwatering van dit gebied, de kolonie van 
„Nek en Bos" bij Lekkerkerk is verdwenen, nadat het blauwgrasland door bemes- 
ting in weiland was omgezet en die van Berkenwoude is vrij zeker geheel uitge- 
roeid door onbeheerst verzamelen. In 1952 zag Landsman er nog slechts één $ 
en het daarop volgende jaar geen enkel exemplaar meer. 

Eén generatie, tweede helft van mei tot eind augustus (23. V tot 30. VIII), 
hoofdvliegtijd van half juni tot eind juli. 



174 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (196) 

Vindplaatsen. Fr.: Vlieland (zeer gewoon, Camping), Terschelling, Ameland (veel, 
A. M. Brouwer), Schiermonnikoog (talrijk, van Wisselingh), Kollum, Eernewoude, 
Wijnjeterp, Wolvega, Scherpenzeel. Gr.: Groningen. Dr.: Peize, Paterswolde, Eelderwolde 
(op deze twee vindplaatsen een kwart eeuw geleden nog zeer talrijk volgens Sikkema, nu 
niet meer). Eel de, Zuidlaren, Annen, Borger, Drouwen, Wapserveen. Ov.: Losser, Dene- 
kamp, Agelo, Vasse, Harbrinkhoek (gem. Tubbergen), Weerselo, Albergen, Almelo, Wier- 
den, Bornerbroek, Goor, Markelo, Elzen, Rijssen, Notter, Holten, Lettele, Diepenveen, 
Stegeren, Junne, Vilsteren, Oud-Leusen, Steenwijk, Steenwijkerwold, Zwolle. Gdl.: Putten, 
Harderwijk, Nunspeet, Tongeren, Assel, Hoog-Soeren, Apeldoorn, Voorstonden, Eerbeek, 
Hoenderlo, Hoge Veluwe, Laag-Soeren, Oosterbeek, Wolfheze, Wageningen (tot voor nog 
geen 20 jaar talrijk in het Binnenveld); Zutfen, Laren, Lochern, Vorden, Terborg, Slan- 
genburg, Doetinchem, De Zumpe, Zelhem, Keppel, Babberich. Utr.: Veenendaal, Rhenen, 
Oud-Leusden, Zeist, Amersfoort, Soesterberg, Waverveen (oude opgave van Sepp, er was 
toen nog een plassengebied). N.H.: Naarden, Muiden, Amsterdam (1955, Stammeshaus), 
Texel (duingebied), Den Helder, Callantsoog, Schoorl, Bergen, Egmond aan Zee, Bakkum, 
Castricum, Limmen, Wijk aan Zee, Velzen, IJmuiden, Overveen, Zandvoort. Z.H.: Noord- 
wijkerhout, Noordwijk, Wassenaar, Den Haag, Scheveningen, Loosduinen, Schiedam, Noor- 
den, Stolwijk, Berkenwoude (tot voor enige jaren talrijk in de eendenkooi), Lekkerkerk, 
(idem). N.B.: Breda, Tilburg, Geertruidenberg, Drunen, Vlijmen, Vught, Cromvoort, 
's-Hertogenbosch, Vessem, Deurne, Helenaveen. Lbg.: Beugen, Venlo, Tegelen, Roermond, 
Odiliënberg, Posterholt, Welterberg, Bemelen, Maastricht, Gulpen, Holset, Vaals. 

Variabiliteit. Door de veranderde soortnaam is de Engelse vorm de 
nominaatvorm geworden (locus typicus: Bedford in Zuid-Engeland, in Schotland 
vliegt een andere subspecies). Deze subspecies vliegt over geheel West- en 
Midden-Europa, zodat ook onze exemplaren tot subsp. charlotta Haworth behoren. 
Subsp. emilocuples Verity (1919, Ent. Ree, vol. 31, p. 195, type van Berlijn) is 
een synoniem van de nominaatvorm. Zie Hemming, 1942, Proc. R. ent. Soc. 
London (B), vol. 11, p. 155. Ongelukkigerwijs is de door Haworth beschreven 
Pap/l/o charlotte een sterk afwijkende vorm. Verity aanvaardt daarom de door 
Hemming opgegeven synonimie niet. Hij wil de naam emilocuples handhaven 
en charlotta gebruiken voor de aberratieve vorm van de soort (Farf. It., vol. 4, 
p. 300 — 301, 1950). Dat kan natuurlijk niet, want bij elke soort, die in subspecies 
te splitsen is, moet een nominaatvorm zijn, die aangeduid wordt met de dubbele 
naam van de soort. 

Het is buitengewoon jammer, dat de populatie van Berkenwoude is uitgegroeid. 
Zij was al tientallen jaren, misschien al eeuwen, volkomen geïsoleerd van andere 
populaties, zodat er steeds slechts een kruising van de dieren van de kolonie 
onderling plaats vond. Daardoor was de kans op het ontstaan van homozygoten 
van recessieve vormen veel groter dan op andere plaatsen. Het gevolg daarvan 
was, dat de populatie als geheel sterk afweek van elke andere vindplaats in ons 
land (met uitzondering van die van Lekkerkerk; uitwisseling van individuen 
tussen deze twee kolonies was natuurlijk niet geheel uitgesloten). De mannetjes 
kwamen overeen met die van andere Nederlandse vindplaatsen, doch de wijfjes 
waren in een willekeurig gevangen serie duidelijk verschillend. Naast exemplaren, 
die volkomen normaal waren, kwamen er ook vrij veel voor, waarbij de grondkleur 
lichter was. Dit begon met vlekken voor de achterrand der voorvleugels, die 
witachtig bruin werden. Bij een graad verder was ook de voorrand licht. Bij 
(zeldzame) extreme exemplaren had de hele voorvleugel een lichte grondkleur 
en verschenen zelfs enkele lichte vlekken in het middenveld der achtervleugels. 



(197) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 175 

Soms was de lichte grondkleur donker bestoven en bij heel mooie exemplaren 
nog met een prachtige paarse gloed. Toch was geen van deze vormen iets vol- 
komen nieuws. In de grond van de zaak waren het meest extreme exemplaren 
van f. suffusa Tutt, die bijv. ook nu en dan onder de populatie van het Binnen- 
veld te vinden waren, maar nooit in zulk een hoog percentage als in de Krim- 
penerwaard. De kolonie van Lekkerkerk, die even geïsoleerd was als die van 
Berkenwoude en een even beperkt gebied bewoonde, kwam vrijwel overeen met 
de laatstgenoemde. 

De infrasubspecifieke variabiliteit is vrij groot, vooral bij de wijfjes. 

A. Afmetingen. 

f. nana Wheeler, 1903, Butt. Switz., p. 72. Dwergen. Markelo, Rijssen (van 
der Meulen); Wageningen (van de Pol); Doetinchem (Zool. Mus.); Zeist 
(Gorter); Texel (van Oorschot). 

B. Kleur vormen. 

f. $ flavescens Tutt, 1896, Brit. Butt., p. 291. Grondkleur van de boven- 
zijde der vleugels in plaats van de gewone roodbruine tint meer oranje, dus 
lichter. Niet zeldzaam, bijna overal onder de soort aangetroffen. 

f. 9 aurea Tutt, 1896, I.e., p. 291. Grondkleur van de bovenzijde der vleugels 
licht oranjebruin, geler dan bij de normale vorm. Vrij zeldzaam. Lochern, Slan- 
genburg (Zool. Mus.); Amersfoort (van Katwijk); Wijk aan Zee (ten Hove); 
Berkenwoude (Mus. Rotterdam); Vlijmen (Leids Mus.). 

f. 9 pallida Tutt, 1896, I.e., p. 291. De bovenzijde der voorvleugels, behalve 
in het midden, witachtig of licht geelachtig getint, langs de binnenrand soms iets 
groenachtig. Berkenwoude, Lekkerkerk (Mus. Rotterdam). 

f. $ suffusa Tutt, 1896, I.e., p. 290. Wortel van de bovenzijde der voorvleugels 
zwartachtig, de zwarte vlekken vergroot, grondkleur langs de voorrand en tussen 
de aderen langs de achterrand witachtig geel. Bijna overal onder de soort aange- 
troffen, zowel op de waddeneilanden als op de zandgronden in het oosten, het 
zuiden en in de duinen, maar ook op de blauwgraslanden. 

f. infraochracea nov. Grondkleur van de onderzijde der achtervleugels mooi 
warm geel. Kollum, $, 11.VII.1901 (holotype, Zool. Mus.). 

[Ground colour of the under side of the hind wings of a beautiful warm yellow.] 

C. De tekening. 

f. transversa nov. Op de bovenzijde der voorvleugels zijn de mediane vlekken 
langs de aderen met elkaar verbonden, zodat een zwarte zigzaglijn ontstaat. 
Elzen, $, 2.VII.1947 (holotype, van der Meulen); Berkenwoude, $ (Ver- 
kaik). 

[The median spots on the upper side of the fore wings are connected with each other 
along the nervures, so that a black zigzag line results.] 

f. cadmeis nov. Op de bovenzijde der vleugels zijn de postmediane vlekken 
verbonden met de subterminale; onderzijde der vleugels normaal. Berkenwoude. 
$ (holotype, Verkaik). 

[The postmedian spots on the upper side of the wings are connected with the subterminal 
ones (the "chevrons"), under side of the wings normal.] 



176 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99. afl. 4, 1956 (198) 

f. obscurci Nickerl, 1837, Böhmens Tagfalter, p. 8, fig. 1, p. 21. De bovenzijde 
der vleugels vanuit de wortel uitgaand min of meer verdonkerd, de onderzijde 
normaal. Wageningen (Landb. Hsch.). Mogelijk heeft de Gavere vroeger deze 
vorm ook in de omgeving van Groningen aangetroffen. In Tijdschr. Entom.. 
vol. 10, p. 194 (1867) schrijft hij: „On trouve quelquefois une belle variété de 
la femelle, entièrement saupoudrée de noir, à l'exception d'un espace annulaire 
autour des taches noires". 

f. nigrescens anon., 1871, Le Rameau de Sapin, vol. 5, p. 22. Op de bovenzijde 
zijn de voorvleugels vanaf de zigzaglijn (dus de postmediane vlekkenrij) tot aan 
de achterrand geheel verdonkerd; onderzijde normaal. Berkenwoude (Nijssen). 

[The form was described in the Swiss magazine by an author who signed his articles only 
with three asterisks. As far as I am informed nothing is known about his identity. The 
form was mentioned again by F. de Rougemont in Bull. Soc. Neuchât. Sc. Nat., vol. 29, 
p. 279, 1901.] 

f. viridiatra Strand, 1912, Ent. Z. Frankfurt, vol. 25, p. 252. Bovenzijde der 
vleugels min of meer melanistisch, onderzijde der achtervleugels eenkleurig groen 
met de zilvervlekken. Wageningen (Zool. Mus., holotype, afgebeeld door J. Th. 
Oudemans in Tijdschr. Entom., vol. 48, pi. 3, fig. 2, 1905). 

f. pluriradiata Verity, 1950, Farf. It., vol. 4, pi. 301. Op de bovenzijde der 
voorvleugels zijn de postmediane vlekken verbonden met de subterminale (de 
chevrons), op de achtervleugels lopen van de mediane vlekken dikke zwarte 
strepen langs de aderen tot aan de achterrand, waarin de subterminale vlekken 
zijn opgenomen; op de onderzijde der achtervleugels drie grote zilvervlekken. 
Zie Lambillionea, vol. 37, pi. IV, fig. 1 (holotype). Groningen (Zool. Mus., het 
exemplaar is afgebeeld in Tijdschr. Entom., vol. 43, pi. 14, fig. 10 en 11, 1900). 

f. altha Thierry Mieg, 1910, Ann. Soc. ent. Belg., vol. 54, p. 384 (hortensia 
Riel, 19II, Ann. Soc. Linn. Lyon, vol. 58 (nouv. série), p. 187. Bovenzijde van 
voor- en achtervleugels min of meer verdonkerd, op de onderzijde der achter- 
vleugels aan de wortel drie grote zilvervlekken. Het spreekt van zelf, dat derge- 
lijke melanistische vormen in verschillende graden kunnen voorkomen, zodat 
het zeker niet nodig is de naam alleen te gebruiken voor exemplaren, die toevallig 
precies overeen komen met de afbeelding van MiLLièRE in zijn Iconografie, vol. 
1, pi. 24, fig. 1 en 2 (I86I), die beide auteurs als holotype voor hun beschrijving 
genomen hebben. Een mooi exemplaar van de kolonie van Berkenwoude in 
collectie Nijssen. 

Argynnis Fabricius 

Argynnis paphia L. In hoofdzaak verbreid in loofbosgebieden in het oosten 
en zuiden van het land, maar bijna steeds in bescheiden aantal. Bovendien nu en 
dan vanuit dit biotoop als zeldzame zwerver doordringend tot in het westen, 
soms midden in de steden, maar haast altijd zijn dit mannetjes. Te oordelen naar 
de vangsten van wijlen Klokman was ook deze bosbewoner omstreeks het begin 
van de twintigste eeuw gewoner dan nu. Soms zaten 40 tot 50 exemplaren op 
één bloeiende braam of distel, schreef Klokman me. Dit is misschien wat 
overdreven, maar in elk geval moet de vlinder toen in de Achterhoek talrijk 
geweest zijn. 



(199) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera lil 

Eén generatie, begin juli tot in de tweede helft van augustus (2. VII tot 
24. VIII), meest in de twee laatste decennia van juli. 

Vindplaatsen. Fr.: Gorredijk, Heerenveen. Gr.: Groningen (oude opgave van DE 
Gavere, die er aan toevoegde: ,,même au milieu des rues de la ville", Tijdschr. Ent om., 
vol. 10, p. 194, 1867). Dr.: Veenhuizen, Assen, Annen, Hoogeveen. Ov.: Losser, De Lutte 
(in 1950 gewoon, Lems), Denekamp, Tilligte, Ootmarsum, Agelo, Volthe, Oldenzaal, Al- 
bergen, Almelo, Borne, Driene, Delden, Vilsteren, Lettele. Gdl.: Putten, Ermelo, Harder- 
wijk, Garderen, Leuvenum, Elspeet, Hulshorst, Nunspeet, Tongeren, Epe, Apeldoorn, Eer- 
beek, Laag-Soeren, De Steeg, Rheden, Beekhuizen, Velp, Arnhem, Warnsborn, Renkum, 
Lunteren, Harskamp; Gorssel, Zutfen, Warnsveld, Vierakker, De Boggelaar, Warken, Vor- 
den, Eibergen, Winterswijk, Het Klooster, Aalten (langs beken, vooral langs bosranden, op 
bloeiende Eupatorium, van Galen), Lintelo, Varsseveld, Zelhem, Slangenburg, Doetinchem, 
Hummelo, Laag-Keppel Hoog-Keppel, Drempt; Montferland, Bijvank, Babberich. Utr.: 
Amerongen, Zeist, Amersfoort, Soest (één exemplaar in 1942, van Elmpt), Lage Vuursche 
(één exemplaar in 1941, Lanz). N.H.: Blaricum, $ en Ç in 1953 (van Tuyl); Bussum, 
een $ in 1941 (Zool. Mus.); Amsterdam, een $ in 1942 zuigend op Buddleia (Lempke); 
Santpoort, een $ in 1942 (Helmers), verscheidene exemplaren gezien in 1947, waarvan 
een $ gevangen op 22.VII (Alders). Z.H.: Leiden, een $ in een tuin in 1916 (in 
collectie Leids Mus.); Den Haag, augustus 1898 (van der Weele), een $ in 1945 
(Hardonk), Rijksweg Rotterdam — Den Haag, een $ in 1946 (van der Schans), Zoeter- 
meer (een $ in 1946, van der Schans), Rotterdam (een $ in 1911, Mus. Rotterdam), 
Voorne (één exemplaar in 1898, van der Weele in brief aan Oudemans), Dordrecht 
(de Joncheere). ZI.: Schengenpolder, $ (Wilmink), Goes, 9 , 1942 (idem). N.B.: 
Breda, Tilburg, Esbeek, Oss, Berghem, Liempde, Nuland, Eindhoven, Deurne. Lbg.: Pias- 
molen, Venlo, Belfeld, Swalmen, Roermond, Sint Odiliënberg, Munniksbos, Posterholt, 
Weert, Borgharen, Stein, Chèvremont, Kerkrade, Wijnandsrade, Elkenraad, Eys, Wijlre, 
Schin op Geul, Gerendal, Valkenburg, Houthem, Meerssen, Maastricht, Keer, Gronsveld, 
Slenaken, Gulpen, Mechelen, Epen, Mamelis, Vijlen, Holset, Vaals. 

Variabiliteit. De Zweedse vorm is de nominaatvorm. Onze exemplaren 
zijn hiermee identiek, zodat ze tot subsp. paphia L. behoren. De infrasubspecifieke 
variabiliteit is bij de Nederlandse populaties over het algemeen niet groot. 

f. minor Derenne, 1926, Lambillionea, vol. 26, p. 4. Dwergen. Putten, klein 9 
(Zool. Mus.); Vaals (Jussen). 

f. 9 rutila Reuss, 1916, Int. ent. Z. Guben, vol. 10, p. 30. Grondkleur van 
de bovenzijde der vleugels oranjegeel, warmer dan bij de normale wijfjes, waar- 
door de kleur tussen de normale wijfjes en mannetjes in staat. Losser, Boekhorst 
(Zool. Mus.). 

f. 9 lutea Reuss, 1916, I.e., p. 30. Grondkleur lichter dan bij normale wijfjes, 
geler. Niet al te zeldzaam. Epe, Slangenburg, Bijvank, Epen (Zool. Mus.). 

f. 9 vìrìdescens Reuss, 1921, Arch. Naturgesch., vol. 87, A 11, p. 210. Grond- 
kleur mooi geelachtig, langs de aderen groenachtig. Arnhem (Zool. Mus.). 

f. 9 valesina Esper, [1797], Schmett. in Abb., vol. 1, Suppl., p. 73, pi. 107, 
fig. 1, 2. Grondkleur van de bovenzijde der vleugels en de onderzijde der voor- 
vleugels heel licht geelachtig, bij de voorvleugelpunt lichte witachtige vlekken, 
het grootste deel der vleugels overdekt met een groenachtige tint. Bij ons bijna 
altijd een zeldzame vorm. De Steeg 1889, Slangenburg, 1900 één exemplaar, 
19OI drie exemplaren, Doetinchem, 1901 (Zool. Mus.); Bijvank, een exemplaar 
gezien in 1947 (Scholten); Den Haag (van der Weele volgens Snellen, 
1904, Tijdschr. Entom., vol. 46, p. 229); Goes, 1942 (Wilmink); Breda, 
29.VII.1854, vijf exemplaren in het Liesbos (Heylaerts, 1870, Tijdschr. Entom., 



178 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (200) 

vol. 13, p. 145, hiervan nog drie in het Leids Mus.), één exemplaar in het Liesbos 
in juli 1907 (Mus. Rotterdam); [Deurne vervalt, was een typisch $ ]; Plasmolen, 
1899 (de Vos); Gronsveld, één exemplaar (Prick); Vaals, augustus 1931 
(dezelfde). 

f. $ imperfecta Reuss, 1921, Arch. Naturgesch., vol. 87, A 11, p. 210. Op de 
bovenzijde der voorvleugels ontbreekt bij de vleugelpunt de zwarte tekening. 
Stellig niet zeldzaam. Vorden, Slangenburg, Venlo (Zool. Mus.). 

f. transversa nov. De mediane vlekken op de bovenzijde der voorvleugels 
vergroot en samenhangend tot een doorlopende zigzagband, ook de mediane 
vlekken op de bovenzijde der achtervleugels forser. Zie South, pi. 50, fig. 4. 
Arnhem, $ , 22.VII.1873 (holotype, Zool. Mus.). 

[The median spots on the upper side of the fore wings enlarged and coalescent, so as 
to form a continuous zigzag band; the spots on the upper side of the hind wings also 
enlarged.] 

f. confluens Spuler, 1901, Schmett. Eur., vol. 1, p. 30. Op de bovenzijde der 
vleugels zijn de postmediane vlekken verbonden met de submarginale. Slechts 
een paar exemplaren, die misschien heel zwakke vertegenwoordigers van deze 
zeldzame vorm zijn en waarbij alleen de onderste voorvleugelvlek verbonden is. 
Assen, $, Doetinchem, valesina- $ (Zool. Mus.). 

Erfelijkheid. Alleen van f. valesina en van de niet-inlandse f. lubbeana 
Fischer is de erfelijkheid bekend. Vooral de Zwitser E. Fischer heeft veel tot 
de oplossing van het probleem bijgedragen. De vorm is dominant en „sex-control- 
led", dus precies als bij Colias croceus Fourcroy, f. hélice Hb. Alleen de wijfjes 
kunnen de valesina-kleur bezitten. De mannetjes, die genetisch valesina zijn, zien 
er als normale exemplaren van hun sekse uit. Merkwaardig is, dat deze dominante 
vorm zwakker is dan de (recessieve) typische. Veel valesinas sterven al in de 
kiem (Fischer, 1925, Int. ent. Z. Guben, vol. 19, p. 275 — 277). Dit komt, door- 
dat de dominante val esina- factor gekoppeld is aan een recessieve lethale factor. 
Toch is dit niet de (enige) verklaring voor de zeldzaamheid van de vorm hier te 
lande, daar er ook lokaliteiten in Europa zijn, waar de vorm veel gewoner is dan 
bij ons. De erfelijkheid van f. valesina is uitvoerig behandeld door Goldschmidt 
& Fischer in Genetica, vol. 4, p. 247 — 278 (1922). 

Van f. confluens Spuler is de wijze van overerving nog onzeker. Zie Cockayne, 
Ent. Ree, vol. 56, p. 11 (1944). 

NYMPHALINAE 

Araschnia Hübner 

Araschnia levana L. Wel het allermooiste voorbeeld, dat we hebben van een 
vlinder, die er in recente tijd in geslaagd is zich in ons land te vestigen en zijn 
territorium met haast ongelooflijke snelheid uit te breiden. 

Tot ongeveer 1920 was levana een van de zeldzaamste dagvlinders van de 
Nederlandse fauna, die slechts nu en dan, en dan alleen in het oosten en zuiden, 



(201) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 179 

in een enkel exemplaar gevangen werd. Maar geleidelijk aan werden toen, eerst 
in het zuiden van Limburg, daarna ook noordelijker, levano.' s met steeds kortere 
tussenpozen opgemerkt, tot het tenslotte duidelijk werd, dat de vlinder zich hier 
kon handhaven. Steeds verder schoven de grenzen van het verbreidingsgebied in 
Nederland naar het westen en naar het noorden, en op het ogenblik is het grootste 
gedeelte van ons land, dat een geschikt biotoop voor de vlinder vormt (brand- 
netelgroeiplaatsen in bosachtig terrein), door hem bewoond. Alleen het duinge- 
bied ligt tot nog toe vrijwel geheel buiten het areaal. 

Op het ogenblik is de vlinder algemeen verbreid in het zuiden en oosten, is 
op de zandgronden van het noorden minder gewoon, maar is ook hier al veel 
verbreider dan tien jaar geleden, en komt op een enkele plaats in het westen voor. 
Bovendien zijn op verschillende plaatsen buiten de bosgebieden zwervers waarge- 
nomen, de levende bewijzen van de drang tot uitbreiding van het vlieggebied. 
Op het ogenblik wisselt de levana-stand al naar de oecologische factoren, die in 
een bepaald seizoen heersen, zoals dat met elke inheemse vlinder het geval is. 
Een zeer goed jaar was 1945, vooral in het zuiden van het land, maar ook daarna 
is de vlinder herhaaldelijk als zeer gewoon gemeld. Door de belangstelling, die 
deze soort uiteraard van de kant van de verzamelaars genoot, en door het betrek- 
kelijk grote aantal waarnemers is het mogelijk geweest de gebiedsuitbreiding vrij 
nauwkeurig vast te leggen. Zie mijn overzichten in Natuurhist. Maandbl. Maas- 
tricht, vol. 35, p. 23, 34 (1946), vol. 36, p. 23 (1947), vol. 37, p. 44 (1948) en 
Ent. Ber., vol. 14, p. 216 — 219 (1953). Te oordelen naar enkele opmerkingen 
in onze literatuur schijnt levano ook vroeger wel eens perioden van bloei binnen 
onze grenzen gehad te hebben. Ver Huell vond haar „voorheen niet zeer 
zeldzaam bij Doesburg en Didam" (Bouwst. Fauna Nederl., vol. 1, p. 224, 1853), 
maar had haar op het moment van de publicatie al in jaren niet gezien. En 
Maurissen schreef in 1870: „Mr. van den Brandt a rencontré cette espèce à 
plusieurs reprises au commencement de juin aux environs du moulin dit Hout- 
molen près de Venlo; la variété prorsa L. paraît y être moins rare au mois d'août". 
De daarop volgende 50 jaar werd levano evenwel een rariteit in ons land. 

Natuurlijk is de uitbreiding van het areaal niet tot ons land beperkt gebleven. 
Ook in Duitsland, Frankrijk en België is het verschijnsel waargenomen. In Zuid- 
Engeland heeft ± 1912 een bloeiende kolonie bestaan (afstammelingen van 
geïmporteerde vlinders), maar deze zou later door een verzamelaar met puriteins- 
faunistische opvattingen uitgeroeid zijn. Of dit echter de ware oorzaak van het 
verdwijnen is, is enigszins twijfelachtig (zie S. H. Kershaw, 1956, Ent. Ree, 
vol. 68, p. 153). 

Drie generaties, de eerste van de tweede helft van maart tot half juni (21. III 
tot 12. VI, maar meest pas in de tweede helft van april verschijnend), de tweede 
van begin juli tot half augustus (3. VII tot 16. VIII), de derde van de tweede 
helft van augustus tot in de tweede helft van september (19. VIII tot 24. IX). 
Deze herfstgeneratie is natuurlijk partieel. In mooie herfsten is zij vooral in het 
zuiden heel gewoon, in ongunstige veel schaarser. 

Vindplaatsen. Fr.: Olterterp, Beetsterzwaag, Oosterwolde, Wolvega. Gr.: Ter Apel. 
Dr.: Annen, Eext, Oosterhesselen, Hooghalen, Wijster, Hoogeveen, Havelte. Ov.: De Lutte, 
Denekamp, Tilligte, Volthe, Almelo, Bornerbroek, Hengelo, Enschede, Markelo, Stokkum, 
Goor, Haarle, Heino, Ommen, Colmschate, Deventer, Zwolle, Vollenhove. Gdl.: Harderwijk, 



180 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (202) 

Leuvenum, Garderen, Epe, Vaassen, Wenum, Wiessel, Apeldoorn, Twello, Voorst, Tonden, 
Laag-Soeren, Rheden Velp, Rozendaal Arnhem Oosterbeek, Doorwerth Heelsum, Wage- 
ningen, Bennekom, Lunteren; Gorssel, Eefde, Warnsveld, Zutfen, Harfsen, Almen, Laren, 
Verwolde, Ampsen, Baak, Hackfort, De Boggelaar, Vorden, Borculo, Neede, Eibergen, Ko- 
renburgerveen, Winterswijk, Stemerdink, Kotten, Bekendelle, Miste, Corle, Vragender, Het 
Klooster, Aalten, Lintelo, Varsseveld, Breedenbroek (Anholterbroek), Slangenburg, Doe- 
tinchem, Hummelo, Ulenpas, Doesburg, Bingerden, Eltenberg, Bijvank, Didam, Babberich; 
Berg en Dal, Nijmegen, Hatert, Sint Jansberg. Utr.: Grebbeberg, Achterberg, Amerongen, 
Leersum, Renswoude, Maarn, Zeist, Amersfoort, Soest, Spakenburg (zwerver, augustus 
1949, Blokhuis), Hollandse Rading. N.H.: Hilversum, Blaricum, Bussum, Naarden, Am- 
sterdam (9.V.1954 het eerste exemplaar in het Amsterdamse Bos, van Oorschot). Z.H.: 
Ackerdijkse Plassen (ten Noorden van Schiedam, in 1948 en 1949 talrijk, Nijssen); Rot- 
terdam (één exemplaar in 1951, Landsman); Poortugaal (een vers exemplaar in 1948, 
Elfferich); Oostvoorne (verschillende exemplaren in 1948, Nijssen); Melissant (één 
exemplaar in 1952, Huisman); Gorkum, een exemplaar in 1945 in de stad zelf (Hey- 
ligers); Zuidhollandse Biesbosch. N.B.: Bergen op Zoom, Wouw, Zundert, Ulvenhout, 
De Rakens, Chaam, Tilburg, Goirle, Kaatsheuvel, Waalwijk, Helvoirt, Lith, 's-Hertogen- 
bosch, Den Düngen, Sint Michielsgestel, Uden, Veghel, Olland (Sint Oedenrode), Boxtel, 
Haaren, Oisterwijk, Hilvarenbeek, Esbeek, Spoordonk, Oorschot, Best, Lage Mierde, Vessem, 
Eindhoven, Neerwetten, Nuenen, Aarle-Rixtel, Mierlo, Heeze, Helmond, Bakel, Deurne, 
Asten, Oploo. Lbg.: Mook, Horst, Tegelen, Steyl, Baarlo, Belfeld, Swalmen, Asselt, Asenraay, 
Maasniel, Melick, Sint Odiliënberg, Herkenbosch, Heel, Weert, Zelfkant, Stein, Sittard, 
Wijnandsrade, Kerkrade, Eikenrade, Wijlre, Schin op Geul, Gerendal, Oud-Valkenburg, 
Valkenburg, Geulem, Houthem, Raar, Geulle, Borgharen, Bemelen, Sint Pietersberg, 
Gronsveld, Rijckholt, Sint Geertruid, Gulpen, Slenaken, Heijenraat, Eperheide, Diependal, 
Epen, Kamerich, Bissen, Dal, Mechelen, Wittern, Nijswiller, Mamelis, Vijlen, Harles, Hül- 
set, Raren, Vaals. 

Variabiliteit. Hoewel de vlinder sterk varieert, heeft hij in zijn enorme 
verbreidingsgebied van West-Europa tot Japan toch hetzelfde uiterlijk, zodat het 
niet mogelijk is subspecies te onderscheiden. 

Is de geografische variabiliteit dus nul, des te groter is de individuele 
(infrasubspecifieke). Voor een belangrijk deel komt dit door de zeer sterke reactie 
van het dier op de temperatuur tijdens het gevoelige stadium van de pop. Beroemd 
is het seizoensdimorfisme, dat zo sterk ontwikkeld is, dat de bruine voorjaarsvorm 
(l evana L.) en de zwarte zomervorm (prorsa L.) als twee goede soorten beschre- 
ven werden, tot pas tegen het eind der achttiende eeuw door het bekend worden 
van tussenvormen twijfel begon te ontstaan, of deze opvatting wel de juiste was. 
Maar dat wilde nog niet zeggen, dat iedereen nu maar dadelijk ervan overtuigd 
was dat levana en prorsa twee vormen van dezelfde soort waren. Lees nog maar 
eens, hoe Freyer eindelijk inzag, dat dit inderdaad het geval was (1829, 
Beiträge zur Schmetterl.k., vol. 2, p. 22). 

Natuurlijk heeft dit frappante dimorfisme de onderzoekers geprikkeld tot 
oplossing van de vraag, hoe het mogelijk is, dat een soort in twee zo sterk ver- 
schillende vormen kan optreden, en dat in een regelmatige volgorde. Het laatste 
onderzoek is dat van F. Süffert (1924, Bestimmungsfaktoren des Zeichnungs- 
musters beim Saisons-Dimorphismus von Araschnia levana-prorsa, Biol. Zentral 'bl.. 
vol. 44, p. 173 — 188). Kort samengevat is het resultaat het volgende. Poppen, 
die zich zonder diapause onmiddellijk tot vlinder ontwikkelen (subitane poppen), 
leveren uitsluitend de prorsa-vorm. Poppen, die een volkomen diapause door- 
maken, d.w.z. die overwinteren (latente poppen), leveren uitsluitend de levana- 
vorm. Het is niet nodig, dat gedurende deze diapause een lage temperatuur heerst. 



(203) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 181 

Bij dezelfde normale temperatuur van ongeveer 15° C. leveren de winterpoppen 
levano, en de zomerpoppen prorsa. Wanneer de ontwikkeling niet onmiddellijk na 
de verpopping inzet, maar na een diapause van één, twee of meer dagen, dan 
ontstaat een tussenvorm, die meer van de te verwachten prorsa afwijkt en meer 
op de levana-votm gaat lijken, naarmate de diapause langer duurde. Deze vertra- 
ging in de ontwikkeling (onvolkomen latentie) kan bij volkomen normale tem- 
peratuur optreden. 

Daarnaast is het echter ook mogelijk de normale cyclus te doorbreken door 
middel van sterk afwijkende temperaturen. Wanneer subitane poppen tijdens de 
sensibele periode (kort na de verpopping) aan een lage temperatuur blootgesteld 
worden, dan leveren zij niet de prorsa-voim, maar de levana-votm. Dit noemt 
Süffert de „kouàe-levana", terwijl de in het voorjaar verschijnende dan de 
„latentie-levana" is. 

Ten slotte bestaat er nog een „latentie-levana door koude". Door de lage tem- 
peratuur ontstaat de latentie, en door de latentie verschijnt dan, zoals te ver- 
wachten is, een levano, in plaats van een prorsa. De periode, waarin de latentie 
opgewekt kan worden, ligt vóór die van de sensibiliteit voor het ontstaan van de 
„koude-l evana". Zeer waarschijnlijk moet ze al plaats gevonden hebben, vóór de 
popontwikkeling begint. 

Natuurlijk heeft men zich ook afgevraagd, of het mogelijk zou zijn uit latente 
poppen door hoge temperatuur na de diapause prorsa te krijgen in plaats van 
levana. Toen Süffert zijn artikel publiceerde, was dit nog niet gelukt. In 1937 
vermeldde G. Dasse het resultaat van zijn kweekproeven in Lambillionea (vol. 
37, p. 190 — 192). Uit poppen, die in september gevormd waren, verkreeg hij 
tussenvormen (por/ma en overgangen), als hij tussen half februari en half maart 
forceerde. Het is dus niet uitgesloten, dat het ook mogelijk zal zijn echte prorsa's 
uit overwinterde poppen te kweken. 

Uit al deze proefnemingen kunnen we de conclusie trekken, dat de zeldzame 
exemplaren van tussenvormen, die zomers bij ons gevangen worden, hun ontstaan 
te danken hebben aan een onvolledige latente ontwikkeling, niet aan lage tem- 
peraturen tijdens het popstadium. Een periode, waarbij de temperatuur een flinke 
tijd constant op 1 tot 10° C. (de bij de koudeproeven gebruikte temperaturen) 
blijft, komt in ons zomerklimaat niet voor. Dieren met een heel korte onderbreking 
van de ontwikkeling zijn vrij gewoon. Zij leveren de exemplaren van f. vertunen- 
sis. Dieren, waarbij de ontwikkeling zo lang stil gestaan heeft, dat zij midden in 
de zomer het uiterlijk van de voorjaarsvorm aannemen, komen voor, maar zijn 
uiterst zeldzaam. Dat in de vrije natuur bij de voorjaarsgeneratie overgangen naar 
de zomervorm aangetroffen zouden kunnen worden, is uitgesloten. De hoge tem- 
peratuur, die Dasse daarvoor gebruikte, komt buiten in die tijd niet voor. 

Volgens Fritzsche zijn de subitane poppen licht en de latente donker (1917, 
Ent. Z. Frankfurt, vol. 31, p. 27). Controle, of dit altijd zo is, is wel zeer ge- 
wenst. Het probleem, dat de partiële derde generatie ons stelt, lijkt me ook een 
nader onderzoek meer dan waard. Süffert schrijft, dat de regelmatige cyclus 
levana-prorsa slechts bij uitzondering doorbroken kan worden, zodat op een gene- 
ratie met subitane ontwikkeling nog zo'n generatie kan volgen (die dan natuur- 
lijk ook het prorsa-\xiteAÏ]k heeft). Maar in mooie warme herfsten is deze derde 



182 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (204) 

generatie helemaal geen uitzondering bij ons ! Er moet dus een oecologische factor 
zijn, die in staat is het erfelijk vastgelegde ritme te verstoren. En als van te voren 
al vast staat, of een pop in de herfst subitaan of latent is (zie Fritzsche !), wat 
gebeurt er dan in een ongunstig najaar met de eerste groep ? 

A. Afmetingen. 

f. minor Dufrane, 1949, Rev. franc Lép., vol. 12, p. 95. Dwergen. Nuenen, 
exemplaren van beide generaties (Neyts); Bemelen, een exemplaar van de eerste 
generatie (Kammerer). 

B. Vormen van de voorjaarsgeneratie. 

f. 1 evana L., 1758, Syst. Nat, ed. X, p. 480, no. 133. De bekende voorjaars- 
vorm, die tegelijk de typische vorm van de soort is. 

f. rufescens nov. Grondkleur van de bovenzijde der vleugels mooi roodbruin. 
Deurne, 9, 10.V.1950, e.l. (holotype, Camping). 

[Ground colour of the upper side of the wings beautifully redbrown.] 

f. caerulocellata nov. Op de bovenzijde van voor- en achtervleugels zijn de 
zwarte antemarginale vlekken blauw gekernd. Volthe (van der Meulen); Epen, 
«3, 18.IV.1946 (holotype, Zool. Mus.). 

[The black antemarginal spots on the upper side of fore and hind wings have a blue 
centre.] 

f. ypsilon Krombach, 1916, Ent. Mitt., vol. 5, p. 300, fig. 2. De zwarte teke- 
ning op de bovenzijde der vleugels sterk vermeerderd; de vlekken, die op de voor- 
vleugels van de apex naar de binnenrand lopen, tot een brede band samengevloeid 
en verbonden met de verlengde costaalvlek tot een y-vormige figuur. Nuenen 
(Neyts); Epen, een goede trans. (Zool. Mus.). 

f. postocellata nov. Op de bovenzijde der achtervleugels zijn de submarginale 
vlekken licht gekernd. Epen, $, 6V.1946 (holotype, Zool. Mus.). 

[The submarginal spots on the upper side of the hind wings are pale-centred.] 

f. postcontinua nov. Op de bovenzijde der achtervleugels zijn de zwarte sub- 
marginale vlekken ineengevloeid tot een doorlopende zwarte band. Bijvank 
(Postema); Berg en Dal, Neerwetten (Zool. Mus.); Sint Jansberg (Gorter); 
Nuenen (Neyts); Kerkrade (Neumann); Epen (van Wisselingh). Waar- 
schijnlijk uitsluitend bij de mannetjes, die meer tot versterking van de zwarte 
tekening neigen dan de wijfjes. 

Holotype: $ van Berg en Dal, 3. V. 1951 (Zool. Mus.). 

[The black submarginal spots on the upper side of the hind wings coalescing into a 
continuous black band. Probably only a male form.] 

f. frivaldskyi von Aigner Abafi, 1906, Ann. Mus. nat. Hung., vol. 4, p. 489, 
pi. XIV, fig. 3. Bovenzijde der voorvleugels door samenvloeiing van de tekening 
met brede zwarte banden langs de drie randen; die langs de voorrand aan de wor- 
tel verbonden met een even brede band, die tot ongeveer halverwege langs de bin- 
nenrand loopt; middenveld der voorvleugels ongetekend; achtervleugels eveneens 
breed zwart gerand aan wortel, voor- en achterrand, en middenveld eveneens 



(205) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 183 

ongetekend. Een prachtig exemplaar van deze zeldzame vorm kweekte Neyts 
voorjaar 1946 uit de pop, afkomstig van Nuenen. 

f. melitoides Lambillion, 1911, Rev. mens. Soc. ent. Namur., vol. 11, p. 78, 
fig. De zwarte tekening op de bovenzijde der vleugels is gereduceerd. Op de 
voorvleugels ontbreken de zwarte vlekken onder en boven de bovenste submar- 
ginale witte vlek; op de achtervleugels ontbreken de postdiscale en submarginale 
vlekken bijna geheel. Waarschijnlijk uitsluitend bij de wijfjes voorkomend, daar 
die meer tot reductie van de zwarte tekening neigen dan de mannetjes. Vooral 
in overgangen, waarbij de reductie niet zo ver gaat als bij het door Lambillion 
beschreven exemplaar. Aalten (van Galen); Naarden (Zool. Mus.); Nuenen 
(Neyts); Deurne (Camping). 

[There cannot be any doubt that the original description as published by Lambillion is 

not quite correct. He writes: "Aux ailes supérieures les deux grosses macules brunes 

antemarginales font défaut, l'inférieure est à peine marquée d'un atome brun, de sorte que 

le point blanc (ici très petit) est complètement isolé". This must be: " les deux grosses 

macules noires ", for otherwise the description is incomprehensible. Lambillion clearly 

means the female form with reduced black markings. On the fore wings the two black spots 
above and below the uppermost white submarginai spot fail and on the hind wings nearly 
all black postdiscal and submarginal spots. The figure is rather indistinct. 

Delcour figures a levana specimen on the plate, published as a supplement to the May 
number of the Rev. mens. Soc. ent. Namur. of 1925 (vol. 25) as melitoides, which has 
nothing to do with the form described by Lambillion.] 

C. Vormen van de zomergeneratie. 

f. prorsa L., 1758, Syst. Nat., ed. X, p. 480, no. 134. Grondkleur van de 
bovenzijde der vleugels zwartachtig, banden en vlekken wit. De meest voorkomen- 
de vorm in de tweede en de derde generatie. 

f. grimardi Duf rane, 1949, Rev. franc, de Lépid., vol. 12, p. 95. Aan de bin- 
nenrand van de voorvleugel bevindt zich een grote witte vlek. Chaam, drie exem- 
plaren, e.l., 1947 (A. M. Brouwer). 

f. margine-lineata Hörhammer, 1932, Int. ent. Z. Guben, vol. 26, p. 338, fig. 
Op de bovenzijde der achtervleugels voor de achterrand bevindt zich een witte 
lijn. Zeker vrij zeldzaam. Denekamp, Epen (Bergman); Empe, Venlo (Zool. 
Mus.); Berg en Dal, Valkenburg (van Oorschot); Oirschot (Westhoff); 
Gronsveld (Kammerer). 

f. divisa Dufrane, 1949, Rev. franc de Lépid., vol. 12, p. 95. In de witte mid- 
denband der achtervleugels bevinden zich in de twee onderste cellen zwarte vlek- 
ken, die samen kunnen hangen en zelfs de gehele middenband daar kunnen op- 
vullen. Gewoon, overal onder de soort. 

f. obscura Fenton, 1881, Proc. Zool. Soc. London, p. 850. Bovenzijde der vleu- 
gels eenkleurig zwartachtig met alleen de witte vlekken en banden, de roodachtige 
lijnen voor de achterrand ontbreken geheel. Niet gewoon. Verwolde, Zwolle, Em- 
pe (Zool. Mus.); Chaam (Brouwer); Deurne (Nies); Gronsveld (Mus. Rotter- 
dam); Gulpen (Botzen); Epen (Bergman). 

f. schultzi Pfitzner, 1905, Iris, vol. 18, p. 277. De witte middenband op de 
bovenzijde der achtervleugels sterk gereduceerd, geheel smal tot gedeeltelijk of 
zelfs geheel ontbrekend. Empe (Zool. Mus.); Sint Jansberg (Gorter); Esbeek 



184 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (206) 

(Mus. Rotterdam); Sevenum (van de Pol); Belfeld (Broeder Antonius); Epe 
(van Wisselingh); Valkenburg (van Oorschot). 

f. lactof asciata nov. De banden en vlekken op de bovenzijde der vleugels niet 
wit, maar crèmekleurig, overigens normaal. Gewoon, overal onder de soort voor- 
komend. 

Holotype: $ van Schaesberg, 13. VIL 1947 (Zool. Mus.). 

[The bands and spots on the upper side of the wings are not white, but creamy.] 

f. vertunensis Cabeau, 1903, Rev. mens. Soc. ent. Namur., vol. 3, p. 31 (inter- 
media Stichel, 1908, Seitz, vol. 1, p. 209, pl. 64, rij d, fig. 4). Op de boven- 
zijde der achtervleugels voor de achterrand twee brede ononderbroken roodachtige 
lijnen, op de voorvleugels een tot aan de apex doorlopende ononderbroken lijn. 
De witte banden gedeeltelijk geelachtig of roodachtig getint, bij minder extreme 
exemplaren echter vrijwel geheel wit. Niet talrijk, maar op vele plaatsen onder de 
soort aangetroffen. Garderen (van Oorschot); Empe, Neerwetten (Zool. 
Mus.); Aalten (van Galen); Zeist (Gorter); Hilvarenbeek (Scholten); 
Eindhoven (Verhaak); Nuenen (Neyts); Deurne (diverse collecties); Steyl 
(Broeder Antonius); Geulem (Hardonk); Gronsveld (Mus. Rotterdam); Die- 
pendal (VaRi); Epen (diverse collecties); Vaals (idem). 

f. poritna Ochsenheimer, 1807, Schmett. Eur., vol. 1 (1), p. 134. Met dezelfde 
brede lijnen voor de achterrand als f. vertunensis, maar bovendien alle vlekken 
en banden roodachtig in plaats van wit. Niet gewoon, maar de laatste jaren zijn 
verscheidene prachtige exemplaren gevangen of gekweekt. Empe (Zool. Mus.); 
Bijvank (Postema); Zeist (Gorter); Hilvarenbeek (Scholten); Eindhoven 
(Verhaak); Deurne (verschillende collecties); Steyl (Broeder Antonius); Asen- 
raay (Lücker); Gronsveld (Mus. Rotterdam); Epen (diverse collecties); Meche- 
len (Zool. Mus.). 

f. levano. Linnaeus. Zeer zelden worden onder de zomergeneratie exemplaren 
aangetroffen, die nauwelijks of in het geheel niet van die der eerste generatie zijn 
te onderscheiden. Alle overgangen van typische prorsa naar vertunensis, van ver- 
tunensis naar poritna en van porima naar levana bestaan, ook in de vrije natuur. 
Nu we weten, dat het fenotype bepaald wordt door de lengte van de eventuele 
diapause, is dit volkomen verklaarbaar. Er moeten, hoewel zelden, exemplaren 
voorkomen, die zomers als pop in diapause gaan, lang genoeg om het levana- 
uiterlijk aan te nemen, maar die zich dan toch nog dezelfde zomer verder ont- 
wikkelen tot imago. Op 7 augustus 1937 ving Lanz te Wageningen een exem- 
plaar, dat volkomen het uiterlijk heeft van de voorjaarsvorm. Op 5 augustus 1951 
zag Knoop te Volthe een exemplaar, dat geheel in kleur en tekening overeen- 
kwam met f. levana. Camping kweekte uit een serie poppen van Deurne, die in 
een koele kelder bewaard werden, op 4 augustus 1949 een zuivere levana naast 
vele exemplaren van porima en vertunensis. In dit geval is het natuurlijk moge- 
lijk, dat door de constant lage temperatuur in de kelder de „koude- levana" ont- 
stond. Kammerer ving 29 juli 1948 te Epen een 9 , dat een zeer sterke over- 
gang naar f. levana is. Alleen de middenband der achtervleugels is nog witachtig 
van kleur. 

Teratologische exemplaren. Eindhoven, een exemplaar, waarbij de 



(207) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 185 

apex van de rechter voorvleugel schuin afgesneden is, waardoor de voorrand veel 
te kort is (Verhaak). 

Vanessa Fabricius 

Vanessa cardui L. Immigrant uit Afrika, die elk jaar ons land bereikt, maar 
hier in de regel niet gewoon is. In sommige jaren evenwel is cardili veel talrijker, 
maar zij vormen een uitzondering. In de oudere Nederlandse literatuur is over 
zulke goede card ui-jaren weinig te vinden. Uit meer recente tijd zijn de volgende 
bekend: 1917, 1928, 1931, 1935, 1946 en 1952. Beneden de middelmaat bleef 
o.a. 1948, maar vooral 1954 en 1955. Overigens moge verwezen worden naar de 
jaarlijks verschijnende trekverslagen. 

In de regel beginnen de migranten in de loop van mei te verschijnen, maar zijn 
dan meestal nog schaars. Juni is meestal veel beter. Toch zijn aprilwaarnemingen 
geen al te grote uitzonderingen en zelfs in maart worden we nu en dan verrast met 
een enkele pas gearriveerde cardui ! Op 27. III. 1940 werd een exemplaar te Rot- 
terdam gevangen, 15 maart 1945 werd er een te Amersfoort gezien, 31. III. 1947 
een te Gorssel en 24.III.1953 vlogen twee Distelvlinders in het Orderbos bij 
Apeldoorn. Dit waren echter steeds individuele trekkers, die vaak weken voor de 
anderen uit kwamen. Veel imposanter was de vroege trek in 1952, toen in Enge- 
land tussen 21.11 en 21. III bijna 500 exemplaren werden genoteerd en bij ons 
tussen 3. III en 21. III toch altijd nog 26. Waarnemingen van in onze luchtstreken 
overwinterende cardui' s zijn uiterst zeldzaam (zie Williams, 1930, The Migra- 
tion of Butterflies, p. 211). De enige mij uit ons land bekende is die van een 
exemplaar in een kelder te Amersfoort op 17 december 1944 (Roepke). Ook in 
Zuid-Europa komt overwintering blijkbaar vrijwel nooit voor. Verity schrijft in 
Farf. It., vol. 4, p. 333 (1950), dat hij in een tijdperk van 50 jaar slechts eens 
in Toscane een exemplaar in de winter heeft zien vliegen en dat hij er nooit een 
op een beschutte plaats verborgen heeft gevonden of heeft zien binnen vliegen, 
zoals dat met andere Vanessinae wel het geval is. Overal in Zuid-Europa is de 
Distelvlinder dan ook een uit Afrika telkens weer toevliegende migrant, die aan 
het eind van elk seizoen weer verdwijnt, hetzij doordat de vlinder er uitsterft, 
hetzij doordat hij er misschien wegtrekt. Zelfs in Midden-Italië komt het voor, 
dat de eerste migranten pas in de tweede helft van mei verschijnen. Dat zijn de 
late seizoenen, waarin bij ons de eerste waarnemingen niet voor eind mei of 
begin juni gemeld worden. 

De afstammelingen van de trekkers (de eerste Nederlandse generatie dus) ver- 
schijnen meestal in de loop van juli, in vroege jaren soms al eind juni, en vlie- 
gen dan het drukst in augustus. Het staat wel vast, dat ook deze generatie zich 
vrijwel elk jaar in ons land voortplant. Deze tweede Nederlandse generatie ver- 
schijnt dan in september (meest in de tweede helft) en vliegt door tot in oktober, 
soms zelfs tot in november. Enkele laatste data zijn: 4.XI.1945, 26.X.1946, 
28.X.1947, 16.X.1948, 1.XI.1949, 18.X.1951. Deze tweede generatie is altijd 
belangrijk zwakker dan de eerste, zelfs in jaren met warme zomers en mooie 
herfsten (1947, 1949). De vlinder is dan ook duidelijk minder tegen ons kli- 
maat bestand dan Vanessa atalajita. Dat we nu zo voortreffelijk ingelicht zijn 



186 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (208) 

over het voorkomen van de Distelvlinder in ons land is een van de resultaten 
van het sinds 1940 lopende trekvlinderonderzoek. 

De vlinder is bekend van Griend, Texel, Vlieland, Terschelling en Ameland. 

Variabiliteit. Hoewel de vlinder een enorm gebied bewoont, dat zich 
van Noord- en Midden-Afrika, Europa en Azië tot in Australië uitstrekt, is de 
geografische variabiliteit zeer gering, gedeeltelijk een gevolg van het feit, dat het 
dier een sterke migrant is, zodat isolatie, een van de voorwaarden voor de vorming 
van subspecies, niet voorkomt. De enige bekende subspecies is de Australische 
kershawii Mac Coy, zodat overal elders, en dus ook in ons land, subsp. cardu't 
voorkomt. Dit wil evenwel niet zeggen, dat het uiterlijk van carduï in zijn gehele 
territorium precies hetzelfde is. De vlinder reageert namelijk vrij sterk op de 
oecologische omstandigheden met verschillen in grootte, kleur en tekening. Daar 
de voorjaarsimmigranten uit een geheel ander klimaatsgebied afkomstig zijn dan 
de vlinders, die zich hier ontwikkelen, zullen ze dus zeer waarschijnlijk wel van 
elkaar te onderscheiden zijn. Maar door het weinig fraaie uiterlijk van deze trek- 
kers bevindt zich hiervan niet veel materiaal in de collecties. 

Daar Linnaeus in zijn oorspronkelijke beschrijving het eerst de Fauna Svecica 
noemt (1758, Syst. Nat., ed. X, p. 475), heeft Verity de nominaatvorm beperkt 
tot de in Noord-Europa meest voorkomende. Door de uitgebreide zwarte tekening 
op de bovenzijde der vleugels maakt deze vorm een donkere indruk. De aderen 
op de voorvleugels zijn vaak vrij zwaar, op de achtervleugels bevindt zich een 
dikke zwarte postdiscaalband, zodat achter het zwarte wortelveld slechts een 
kleine rondachtige vlek van de lichte grondkleur overblijft, en de submarginale 
zwarte vlekken hebben een duidelijke neiging tot vergroting. De grondkleur van 
de onderzijde der achtervleugels is tamelijk donker, bruinachtig. Zie South, pi. 
45, fig. 1. 

De in ons land geboren vlinders behoren voor een belangrijk deel tot deze 
vorm of zijn overgangen tussen deze en de volgende lichtere. 

f. universa Verity, 1919, Ent. Ree, vol. 31, p. 197. De bovenzijde der vleugels 
is lichter dan bij de typische vorm. De aderen op de voorvleugels zijn dun, 
de vlek van de grondkleur op het midden der achtervleugels is franjewaarts 
slechts door een smalle zwarte band van de rest van de geelbruine kleur geschei- 
den en daardoor veel groter dan bij de typische vorm (vaak ontbreekt zelfs het 
bovendeel van de zwarte scheidingsband) en de ronde zwarte submarginale vlek- 
ken zijn kleiner zonder enige neiging tot ineenvloeien; onderzijde van de achter- 
vleugels lichter, meestal van een gr ij sachtige tint. Exemplaren van twee kleur- 
vormen zijn afgebeeld in Farf. It., vol. 4, pi. 51, fig. 29 en 30 en een voor deze 
vorm typische onderzijde pi. 52, fig. 4 (1951). In onze zomergeneratie zijn ge- 
prononceerde universas zeker niet talrijk, al kunnen ze overal onder de soort 
voorkomen. Minder extreme exemplaren en overgangen naar de typische vorm 
zijn gewoon. 

f. inops Verity, 1919, I.e., p. 198. Een nog lichtere vorm, doordat het zwart van 
de bovenzijde nog meer gereduceerd is. Op de bovenzijde der voorvleugels staat 
de buitenste grote zwarte vlek aan de binnenrand geheel los van de zwarte vlek 
aan de onderrand van de middencel; op de achtervleugels is de basale bestuiving 
zeer licht, de donkere postdiscaalband ontbreekt en de ronde zwarte submarginale 



(209) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 187 

vlekken zijn klein. Zie Farf. It., t. e, pi. 51, fig. 26. Assel, 29.VII.1954, een 
af gevlogen immigrant (Soutendijk). Mogelijk komt deze vorm wel meer on- 
der onze immigranten voor, maar vrij zeker onder de hier geboren dieren niet, 
omdat de temperatuur daarvoor bij ons niet gunstig genoeg is (als we hier ten- 
minste inderdaad met een oecologische vorm te maken hebben, zoals Verity 
meent). 

Behalve deze drie vormen, die plaatselijk het uiterlijk van de daar vliegende 
populatie kunnen bepalen, zijn de volgende infrasubspecifieke vormen in ons 
land waargenomen: 

f. minor Failla, 1887, Nat. Sic, vol. 7, p. 71. Dwergen. Niet gewoon, maar 
van vrij veel vindplaatsen bekend. 

f. ochracea Reuss, 1918, Soc. Ent., vol. 33, p. 41, noot 3. Grondkleur van de 
bovenzijde der vleugels zonder enig spoor van rose, dus geelbruin of okergeel- 
achtig. Een gewone kleurvorm, die overal tussen de soort te vinden is, ook bij 
onze gekweekte dieren. 

f. carnea Fritsch, 1912, Ent. Rundschau, vol. 29, p. 136. Grondkleur van de 
bovenzijde, vooral op de voorvleugels, duidelijk roodachtig getint. Er bestaan 
voor deze kleurvorm verschillende namen, al naar de rode tint intensiever is of 
niet, en bovendien verzwakt de rode tint bij oudere exemplaren, zodat het beter 
is alle duidelijk roodachtige exemplaren met dezelfde naam aan te duiden. 
Meestal niet talrijk, maar op vele plaatsen onder de soort aangetroffen. 

f. hunteri Lowe, 1902, Ent. Ree, vol. 14, p. 333. Bovenzijde der vleugels nor- 
maal, maar de onderzijde der voorvleugels prachtig rood gekleurd. Op deze 
maar zeer terloops beschreven kleurvorm werd de aandacht gevestigd door Reuss, 
die opmerkte, dat hij bij de Afrikaanse Distelvlinder vrij zeldzaam is, maar ge- 
woon is bij de van juli tot oktober vliegende Middeneuropese afstammelingen. 
Ook onder onze zomervlinders komen prachtige exemplaren voor. 

f. pallida Schöyen, 1881, Tromsö Mus. Aarsh., vol. 4, p. 77. Grondkleur van 
de bovenzijde der vleugels veel lichter dan bij normale exemplaren, bleek geel- 
achtig, de zwarte tekening, vooral aan de apex, grijsachtig. Amsterdam (Janse); 
Vlaardingen, 1939 (van Katwijk). 

f. ocellata Rebel, 1909, Berge's Schmetterl.b., ed. 9, p. 20 (Jackson/ Clark, 
1927, Ann. Assoc. Amer. Geogr., vol. 17, p. 127). De ronde submarginale vlek- 
ken op de bovenzijde der achtervleugels zijn, althans gedeeltelijk, blauw gekernd. 
Vrij zeldzaam, maar op tamelijk veel plaatsen onder de soort aangetroffen. Meer 
bij de mannetjes dan bij de wijfjes. 

f. melanosa Cabeau, 1913, Rev. mens. Soc. ent. Namur., vol. 13, p. 43. De 
zwarte submarginale vlekken op de bovenzijde der achtervleugels sterk vergroot 
en gedeeltelijk samengesmolten, de geelrode grondkleur ingekrompen en ge- 
deeltelijk met zwart overdekt. Zie Lambillionea, vol. 40, pi. 1, fig. 3 (1940) en 
South, pi. 45, fig. 4. Onder onze zomerexemplaren niet al te zeldzaam, van 
vrij veel vindplaatsen bekend. 

f. semisuffusa Cockerell, 1889, Entomologist, vol. 22, p. 154. Achtervleugels 
nog sterker verdonkerd, bijna eenkleurig zwart; voorvleugels vrijwel normaal. Een 
prachtig exemplaar van deze zeldzame vorm van Leeuwarden, 17.IX.1946, $ 
(Zool. Mus.). 



188 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (210) 

f. subfracta Stach, 1925, Spraw. Kom. Viz., vol. 58—59, p. 114, % 3 op 
p. 115. De zwarte tekening op de bovenzijde der voorvleugels versterkt: de vlek 
aan de onderrand van de middencel langs de middenader verbonden met de zwarte 
apicaaltekening en langs de cubitus door een brede baan met de vlek aan de 
binnenrand, terwijl ook deze vlek met de apicaaltekening verbonden kan zijn; op 
de achtervleugels is de geelbruine vlek achter de middencel sterk verkleind door 
de verbreding van de zwarte postdiscaalband. Amsterdam (van der Vliet); 
Krimpen aan den IJsel (Mus. Rotterdam); Epen (Zool. Mus.). 

f. japonica Stichel, 1908, Seitz, Groszschmetterl., vol. 1, p. 200, pi. 62, rij d, 
fig. 2. De ronde zwarte submarginale vlekken op de bovenzijde der achtervleugels 
zijn sterk verkleind, overigens normaal. Een door de lichte achtervleugels duide- 
lijk opvallende vorm. Niet talrijk, maar vrijwel overal onder de soort te ver- 
wachten. 

f. sexiespupillata Verity, 1919, Ent. Ree, vol. 31, p. 198. Op de bovenzijde 
der voorvleugels bevindt zich onder de rij van vier witte subapicale vlekken een 
extra vlek, zodat er met de grote vlek aan de voorrand mee samen zes zijn. Zie 
Farf. It., vol. 4, pi. 51, fig. 30 (1951) en Lambillionea, vol. 40, pi. 1, fig. 2 
(1940). Vrij gewoon, van vele vindplaatsen bekend. 

f. septiespupillata Verity, 1919, 1. c. Als de vorige vorm, maar bovendien nog 
onder de zesde vlek een zevende tussen de twee cubitaaladeren in de geelbruine 
band van de grondkleur. Deze vlek kan gedeeltelijk of geheel zwart geringd zijn. 
In tegenstelling tot sexiespupillata zeer zeldzaam. Deurne (Nies). 

f. albipuncta nov. Op de bovenzijde der voorvleugels bevindt zich in de geel- 
bruine band tussen de beide cubitaaladeren een witte stip, die correspondeert met 
de extra witte stip van Vanessa atalanta. Deze stip kan geheel of gedeeltelijk 
zwart geringd zijn. Verschilt van de vorige vorm door het ontbreken van de sexies- 
pupillata-vlek. Ten onrechte door Verity in Farf. It., vol. 4, pi. 51, fig. 28, als 
septiespupillata afgebeeld. Zeldzaam, hoewel iets minder schaars dan de vorige 
vorm. Krimpen aan de Lek (holotype, Mus. Rotterdam); Vlaardingen (Elffe- 
rich); Eindhoven (Verhaak). 

[On the upper side of the fore wings a white spot in the fulvous band between the 
cubital nervures, corresponding with the extra white spot of Vanessa atalanta. This spot 
may be partly or completely surrounded by a black ring. 

Verity figures the form in Farf. It., vol. 4, pi. 51, fig. 28 (1951) as his septiespupillata. 
This cannot be correct, because albipuncta has not seven, but six white spots. Moreover 
Verity writes distinctly in his original description, that septiespupillata has, besides the 
white spot of sexiespupillata, "still another between the cubital nervures." True septies- 
pupillata is extremely rare. Nicholson figures one in Ent. Ree, vol. 4, pi. D, fig. 5 
(1893), taken in Kent in 1892. 

I suppose that the white spots of sexiespupillata and of albipuncta depend on different 
hereditary factors, which may occur together in one specimen. As sexiespupillata never forms 
a high percentage of the specimens and as albipuncta is decidedly rare, a combination of 
both in one specimen must be extremely rare, and so indeed is septiespupillata.'] 

f. nigripuncta nov. Op de bovenzijde der voorvleugels bevindt zich een zwarte 
stip in de geelbruine band tussen de beide cubitaaladeren. Eveneens zeldzaam. 
Oosterbeek (Leids Mus.); Breda, 7.VIII.1906, ç (holotype, Zool. Mus.). Ook 
deze vorm kan gecombineerd met f. sexiespupillata voorkomen: Schiedam (Nijs- 
sen). 






(211) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 189 

[On the upper side of the fore wings a black spot in the fulvous band between the cubital 
nervures. 

Also this form occurs combined with f. sexiespupillata, but this combination is as rare 
as the one discussed with the preceding form.] 

f. emielymi Verity, 1919, Ent. Ree, vol. 31, p. 198. Bovenzijde der voorvleu- 
gels normaal; de donkere tekening op de achtervleugels sterk gereduceerd door- 
dat vrijwel al het zwart wortelwaarts van de postmediane rij rondachtige zwarte 
vlekken verdwenen is. Een zeer zeldzame vorm. Deurne, 15.VIII.1945, een prach- 
tig exemplaar (Nies). 

f. varini Meilhan, 1928, Proc. Verb. Soc. Linn. Bordeaux, vol. 80, p. 103. Op 
de bovenzijde der voorvleugels ontbreken de grote witte costaalvlek, en de zwarte 
vlek aan de onderrand van de middencel, terwijl de grote zwarte vlek aan de 
binnenrand gereduceerd is of eveneens ontbreekt; op de achtervleugels ontbreken 
de intraneurale streepjes, die franjewaarts volgen op de ronde submarginale vlek- 
ken, terwijl ook de zwarte tekening aan de wortel en in het middenveld sterk ge- 
reduceerd is. Zie South, pi. 49, fig. 4. Den Dolder, 10.VII.1918, e. 1. (Leids 
Mus.). 

Teratologische exemplaren. De achterrand van de rechter voor- 
vleugel loopt schuin naar binnen. Nijmegen (Zool. Mus.). 

Achtervleugels te klein door te schuin lopende achterrand. Amsterdam (van 
Oorschot). 

Pathologische exemplaren. Voorvleugel aan de voorrand tussen 
de twee zwarte vlekken en aan de binnenrand verbleekt. Ginkel (van der 
Schans). 

Buitenhelft van de linker achtervleugel verbleekt. Schiedam (Nijssen). 

Linker achtervleugel voor de achterrand gedeeltelijk verbleekt. Zeist (Gorter). 

Vanessa atalanta L. Wel de bekendste en gewoonste trekker onder onze dag- 
vlinders. Veel regelmatiger in zijn voorkomen dan Vanessa cardili, al wisselt het 
aantal vlinders per jaar belangrijk. Heel goede jaren waren 1942 en 1950, zeer 
middelmatige 1949, 1951 en 1954. Zie overigens de jaarlijkse trekverslagen. 

De vlinder is in alle maanden van het jaar bij ons waargenomen, maar in de 
winter natuurlijk heel weinig. Januari-meldingen zijn: 14 januari 1926 bij ± -5° 
C. op sneeuw te Heemstede {Lev. Natuur, vol. 37, p. 32, 1932), 21 januari 1949 
een exemplaar te Heemstede (K. Koster). Februari-meldingen zijn even schaars: 
21.11.1945 te Krimpen aan den IJsel (van der Schans), 22.11.1950 te Ameron- 
gen (Bentinck). In maart wordt de vlinder wat vaker gezien (1943, 1946, 1948, 
1949, 1950, 1952, 1953), in 1948, 1952 en 1953 zelfs op drie verschillende data. 
Begin april blijft de Atalanta nog schaars, maar in de tweede helft van deze 
maand is meestal toch een duidelijke toename van het aantal immigranten te be- 
merken. Deze blijven de hele maand mei en juni en soms zelfs nog in het begin 
van juli aanvliegen. 

De eerste in Nederland geboren generatie begint meest in de eerste helft van 
juli (maar soms al eind juni) te verschijnen en bereikt dan eind juli of begin 
augustus haar maximum. Vooral in de tweede helft van augustus zakt het aantal 
meestal sterk, maar in september verschijnt weer een nieuwe vlucht, die vooral in 



190 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (212) 

mooie herfsten tot ver in oktober zich te goed doet op afgevallen fruit, herfst- 
asters, mignondahlia's en andere late bloeiers. In normale seizoenen is deze de 
talrijkste van de twee in ons land geboren generaties. Alleen in koude, natte 
herfsten blijft zij in aantal beneden de eerste van juli-augustus. De vluchtdia- 
grammen, die elk jaar bij de trekverslagen gegeven worden, laten dit heel mooi 
zien. 

Meestal zakt het aantal in de tweede helft van oktober met het optreden van 
nachtvorsten sterk in. Maar vrijwel elk jaar worden nog in november enkele 
exemplaren gemeld, soms tot in de tweede helft van de maand toe. In december 
wordt de vlinder natuurlijk zelden gezien: 6.XII.1942 vliegend te Heemstede, 
21. XII. 1948 een exemplaar op een zolder te Aarle-Rixtel, 2.XII en 18. XII. 1953, 
7.XII.1954 in een kas te 's-Graveland (Vestjens). 

Een scherpe grens is er tussen de twee Nederlandse generaties niet. De oorzaak 
hiervan is, dat de Atalanta zich zonder onderbreking voortplant. Tot heel laat in 
het najaar kan men dan ook rupsen vinden, waarvan buiten niets meer terecht 
komt. Dat soms al in mei rupsen gevonden worden, behoeft na de geciteerde data 
niet te verwonderen. 

Dat de Atalanta er nu en dan in slaagt onze winter door te komen, en in elk 
geval meermalen tracht hier te overwinteren, is wel zeker. In maart 1911 werd een 
exemplaar binnenshuis aangetroffen (van der Dusse, Lev. Natuur, vol. 15, p. 
439, 1911). In hetzelfde tijdschrift, vol. 30, p. 350, 1926, vermeldt Liernur, dat 
twee Atalanta's bij hem op zolder overwinterden, doch in februari 1926 met ver- 
huizen verloren gingen. Eind oktober of begin november 1934 filmde Gast een 
exemplaar, dat bij Almelo onder de afhangende dakrand van een schuur in diepe 
winterslaap gedompeld was. In maart 1935 werd er een in een kelder te Benne- 
kom gevonden (Roepke). In de winter van 1948 — 1949 werden een aantal vlin- 
ders in diapause gevonden op de zolder van Mevr. Dagnelie te Amerongen. 
Hierbij waren ook enige Atalanta's. Van Wisselingh vond 14 april 1949 een 
exemplaar op zijn zolder tegen het raam vliegen. Dat lijkt een te late datum voor 
een overwinteraar, maar het voorjaar was toen zeer laat en koud. 

Of alle in maart hier te lande waargenomen Atalanta's inderdaad bij ons over- 
winterd hebben, is echter lang niet zeker. De vlinder houdt namelijk geen echte 
diapause. Op gunstige dagen vliegt hij ook in de wintermaanden aan de Rivièra. 
L. W. Newman, de bekende Engelse vlinderkweker, is er nooit in geslaagd de 
vlinders buiten of in een kas te laten overwinteren (evenmin als Polak in Artis). 
In 1909 evenwel lukte het hem een aantal de winter door te krijgen in een vorst- 
vrije kamer, waarbij ze echter elke twee of drie dagen gevoerd moesten worden. 
Scheen de zon, dan werden ze levendig. Begin mei begonnen deze vlinders eieren 
te leggen. Hij besluit uit dit experiment, dat de Atalanta geen echte overwinteraar 
is en de hele winter voedsel nodig heeft, zodat hij dan ook maar heel zelden in 
Engeland als imago de winter zal kunnen doorkomen (1911, Trans. ent. Soc. Lon- 
don, p. 173 — 174). Er kan weinig twijfel aan bestaan, dat dit ook voor ons land 
moet gelden (vgl. Macro glos sum stellatarum L., die ook geen diapause heeft in de 
kustgebieden van de Middellandse Zee, maar waarbij ook nu en dan een exem- 
plaar onze winter doorkomt). Volgens Eliot kan het eierleggen aan de Rivièra zo 
vroeg beginnen, dat onder gunstige omstandigheden al omstreeks half februari 



(213) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 191 

verse exemplaren aanwezig zijn, die dan al in maart in Engeland zouden kunnen 
aankomen (1953, Entomologist, vol. 86, p. 120). Inderdaad worden vroeg in het 
voorjaar wel eens door de waarnemers hier te lande mooie gave exemplaren ge- 
meld (bijv. 3 mei 1955 te Leiden, Mevr. Martin), maar de allermeeste immi- 
granten zijn verkleurde dieren, zodat dit waarschijnlijk toch wel exemplaren zijn, 
die een overwintering achter de rug hebben, al is dat niet zeker. We weten name- 
lijk niet, hoe lang een Atalanta rond kan vliegen, voor het dier er min of meer 
afgevlogen uitziet. 

Meest trekt de vlinder individueel, maar soms ook in aantal. De indrukwek- 
kendste trek, die hier ooit is waargenomen, is die, welke door Westerneng op 
26.VIII.1950 bij Zaandam gezien werd, toen enige duizenden exemplaren in noor- 
delijke richting vlogen {Ent. Ber., vol. 13, p. 346, 1951). 

In de trekverslagen komen verschillende meldingen voor van Atalanta's, die 
's avonds op de vanglampen afgekomen zijn, te veel, om nog te kunnen denken 
aan exemplaren, die in hun slaap gestoord waren. Ongetwijfeld trekt de vlinder 
ook in donker, zij het dan ook misschien vrij sporadisch. 

Bekend van alle waddeneilanden, behalve Griend en Rottum. 

Variabiliteit. Ook bij deze soort is de geografische variabiliteit gering. 
Tot in Amerika toe vliegt dezelfde vorm als bij ons. Alleen uit Zuid-Italië is een 
andere bekend. Onze exemplaren (ook de immigranten) behoren dan ook tot 
subsp. atalanta L. 

De infrasubspecifieke variabiliteit is vrij groot. Opvallend afwijkende exem- 
plaren zijn echter zeer zeldzaam. 

f. nana Schultz, 1905, Ent. Z. Guben, vol. 19, p. 67. Dwergen. Vrij zeldzaam, 
maar overal onder de soort te verwachten. 

f. sordida Fritsch, 1913, Ent. Rundschau, vol. 30, p. 26. Grondkleur van de 
bovenzijde der vleugels grijszwart in plaats van fluweelzwart, vooral op de ach- 
tervleugels. Aan de binnenzijde van de rode achtervleugelband worden meestal 
diepzwarte vlekken zichtbaar. Zeist (Brouwer). 

f. fuscescens nov. Grondkleur van de bovenzijde van voor- en achtervleugels 
bruinzwart; wortelwaarts van de rode voorvleugelband een dikke zwarte lijn, wor- 
telwaarts van de rode achtervleugelband zwarte vlekken. Amsterdam, 13. VIII. 
1908, e. 1., Dordrecht, 29.VII.1886, $ (holotype, Leids Mus.). 

[Ground colour of the upper side of the wings brown-black: based of the red band of 
the fore wings a thick black line; based of the red band of the hind wings black spots.] 

f. rubra Fritsch, 1913, Ent. Rundschau, vol. 25, p. 30. De banden op de boven- 
zijde van voor- en achtervleugels purperrood of karmijnrood in plaats van ver- 
miljoenrood. Exemplaren dus met een donkerder rode kleur dan normaal. Niet 
gewoon. Zeist (Brouwer); Den Haag (Leids Mus.); Sint Michielsgestel (Knip- 
penberg); Nuenen (Neyts). Een extreem exemplaar met zeer donkere banden 
van Zeist (Gorter). 

f. rosea Reuss, 1910, Ent. Ree, vol. 22, p. 88. De banden op de bovenzijde 
van voor- en achtervleugels rose van kleur. Krimpen aan den IJsel (Mus. Rot- 
terdam). 

f. eos Fritsch, 1913, 1. c, p. 25. De banden op de bovenzijde van voor- en 
achtervleugels oranjerood van kleur. Kaatsheuvel (van Oorschot). 



192 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (214) 

f. flavescens Fritsch, 1913, 1. c, p. 25. De banden op de bovenzijde van voor- 
en achtcrvleugels geelachtig van kleur. Zeer zeldzaam. Numansdorp (Mus. Rot- 
terdam). 

f. flavomaculata Lempke, 1939, Ent. Ber., vol. 10, p. 120. De apicaalvlekken 
op de bovenzijde der voorvleugels niet wit, maar geelachtig. Aalsmeer (Mej. Mac 
Gillavry). 

f. hyensis Lambillion, 1913, Rev. mens. Soc. ent. Namur., vol. 13, p. 126. Aan 
de onderzijde zijn de apex der voorvleugels en het midden van het voorrands- 
gedeelte der achtervleugels geelachtig van kleur. Amsterdam (Zool. Mus.). 

f. infranigrans nov. Onderzijde der achtervleugels vrijwel eenkleurig zwart - 
achtig, de gele costaalvlek grotendeels zwart bestoven. Amsterdam, twee exem- 
plaren, Uden (Zool. Mus.). 

Holotype: $ van Uden, 1. XI. 1943 in collectie Zool. Mus. 

[Under side of the hind wings nearly unicolorous blackish, the yellow costal spot for 
the greater part dusted with black.] 

f. fracta Tutt, 1896, Brit. Butt., p. 355. De rode band op de bovenzijde der 
voorvleugels doorbroken door de zwarte grondkleur. Vrij gewoon, overal onder 
de soort te verwachten. Exemplaren met breed onderbroken band zijn echter zeld- 
zaam. 

f. angustifasciata nov. De band op de bovenzijde der voorvleugels duidelijk 
versmald. Eindhoven, 31.V.1945 (holotype, Leids Mus.). Bij het holotype is de 
band bovendien doorbroken. 

[The red band on the upper side of the fore wings distinctly narrowed. 
. Gaede mentions a form angustata Stauder in Seitz, Suppl., vol. 1, p. 199 (1930). This 
is, however, a mistake. Stauder never described such a form of Vanessa atalanta, but of 
Nymphalis antiopa L.] 

f. bìalbata Cabeau, 1911, Rev. mens. Soc. ent. Namur., vol. 11, p. 32. Op de 
bovenzijde der voorvleugels bevindt zich in de rode band een witte stip. Bij het 
9 gewoon (maar minder dan exemplaren zonder de witte vlek), bij het $ veel 
minder. 

Het is niet altijd even makkelijk uit te maken, of men met een $ of met een 
9 te doen heeft. Meestal echter is de vorm van het abdomen wel een betrouw- 
bare aanwijzing. Het verschil in de tarsen van de voorpoten is door de sterke 
beharing ook met een binoculair niet te zien. 

[The form of Vanessa atalanta with a white dot in the red band of the fore wings is 
well known. Half a dozen names have been given to it, of which Cabeau's is the oldest. 

There are some observations in literature about the distribution of the form between the 
two sexes. Verity writes (1919, Ent. Ree, vol. 31, p. 198 — 199), that females without 
the white dot are exceptions, for which he proposes the name of sexiespupillata, whereas 
males with the dot are equally exceptional, and for those he proposes the name septiespu- 
pillata. My examination of a very extensive Dutch material shows, that Verity's conclusion 
is not correct, at least not for the specimens taken in Holland. In the female the form is 
common, but less numerous than specimens without the white dot. In the male the form 
is much scarcer. This corresponds with the figures published by T. Bainbrigge Fletcher 
in The Entomologist, vol. 69, p- 273- The form is probably partially sex-controlled. The 
typical form is the one described by Linnaeus, who does not mention a white dot, and both 
names given by Verity should be dropped.] 



(215) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 193 

f. ocellata Stammeshaus, 1954, Ent. Ber., vol. 15, p. 271. De witte stip in de 
rode voorvleugelband is zwart geringd. Zeldzaam. Amsterdam (Stammeshaus); 
Capelle aan den IJsel (Verkaik). 

f. reducta nov. Op de bovenzijde der voorvleugels staan minder dan vijf 
witte vlekken bij de voorvleugelpunt. Zeldzaam. Apeldoorn, $ , 7. IX. 1942 (holo- 
type), Voorschoten (beide in collectie Zool. Mus.); Rotterdam (Mus. Rotterdam); 
Sint Michielsgestel (Knippenberg); Deurne (Nies); Meerssen (Rijk). 

[On the upper side of the fore wings there are less than five white spots at the apex. 

As a rule only one of the spots is absent. The form is rare, but it has already been 
mentioned in literature. See Woodforde, 1920, Entomologist, vol. 53, p. 174, Sevastopulo, 
1920, I.e., p. 283, Richards, 19-46, op. cit., vol. 79, p. 22.] 

f. turcica Wize, 1917, Roczn. Totvarz. Przyj. Nauk Pozn., vol. 44, p. 5 (J el iva 
Wize, 1922, Pozn. Toivarz. Przyj. Nauk, Prace Kom. matem.-przyr., serie B, vol. 
1, p. 261). Op de bovenzijde der voorvleugels bevindt zich franjewaarts van de 
bovenste witte apicaalvlek een kleine witte punt, zodat een figuur ontstaat, die 
herinnert aan de Turkse halve maan met ster. Niet zeldzaam, stellig overal onder 
de soort aan te treffen. 

f. cabeauensis Lambillion, 1903, Rev. mens. Soc. ent. Namur., vol. 3, p. 22. Op 
de bovenzijde der achtervleugels ontbreken in de rode achterrandsband de zwarte 
stippen. Een zeer zeldzame vorm. Soest (Zool. Mus.); exemplaren met sterk ge- 
reduceerde stippen van Amsterdam (Zool. Mus., van Oorschot); Vlaardingen 
(van Katwijk). 

f. caerulocellata nov. Een of meer van de vier zwarte stippen in de rode 
achtervleugelband met blauwe kern. Voorschoten, Rhoon, Stein (Zool. Mus.); 
Amsterdam (van Oorschot); Wassenaar (van Wisselingh). 

Holotype van Rhoon, 25. VIII. 1905, in collectie Zool. Mus. 

[One or more of the four black spots in the red band of the hind wings centred with blue. 

The form is also mentioned by Flower in The Entomologist, vol. 26, p. 31, 1893- He 
collected several specimens "with the spots running through the band blue centred" at 
Ringwood.] 

Teratologische exemplaren. Linker voorvleugel te klein. Sint 
Michielsgestel (Knippenberg). 

Rechter voorvleugel te klein. Eernewoude (ook de rechterspriet, Mus. Leeuwar- 
den); Zelhem (Zool. Mus.); Leiden (Leids Mus.). 

Beide linker vleugels te klein. Bergen op Zoom (Zool. Mus.). 

Beide rechter vleugels te klein. Appelsga (van Minnen); Melissant (Huis- 
man). 

Beide achtervleugels te klein. Voorburg (Leids Mus.). 

Van beide voorvleugels de achterrand binnenwaarts gebogen. Nuenen (Neyts). 

Pathologische exemplaren. Apex van de linker voorvleugel ver- 
bleekt, bruinzwart. Helmond (Knippenberg). 

Apex van rechter voorvleugel en staarthoek van rechter achtervleugel verbleekt 
Capelle aan den IJsel (Verkaik). 

Rode band van de rechter voorvleugel gedeeltelijk geel gekleurd. Zaandam 
(Aukema). 



194 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (216) 

Rode band van de linker achtervleugel gedeeltelijk of geheel verbleekt of geel- 
achtig van kleur. Enschede (van den Enk); Middelie (de Boer); Stavenisse 
(Zool. Mus., afgebeeld in Tijdschr. Entom., vol. 48, pi. 2, fig. 3, 1905); Hel- 
mond (Visser); Eindhoven (Leids Mus.). 

Idem rechter achtervleugel. Lobith, Amsterdam (Zool. Mus.); Zeist (Brou- 
wer). 

Idem beide achtervleugels. Amsterdam (van der Meulen); Baardwijk (Leids 
Mus.). 

Op beide voorvleugels is de onderhelft van de rode band lichter. Hulshorst 
(Leids Mus.). 

Voorvleugelbanden in het midden onbeschubd, aan de randen geelwit; achter- 
vleugelbanden geelwit. Schelluinen (Slob). 

Polygonia Hübner 

Polygonia c. album L. In vrijwel het gehele land aan te treffen, maar lang niet 
overal even gewoon. Het meest in het zuiden en oosten, minder in de bosachtige 
gebieden van het noorden en westen, maar ook daar vrij geregeld voorkomend. 
In het Hafdistrict veel ongeregelder, waarschijnlijk alleen als zwerver. 

De Gehakkelde Aurelia heeft een even opvallende expansie in Nederland 
doorgemaakt als Araschnia levana, maar deze begon eerder, omstreeks 1925. Er 
is, ook al door het toen vrij geringe aantal lepidopterologen, niet veel aandacht 
aan besteed, waardoor wij het verloop ervan niet meer nauwkeurig kunnen re- 
construeren. Zeker is, dat c. album omstreeks 1915 een uiterst zeldzame vlinder 
in ons land was. J. Th. Oudemans schrijft in Ent. Ber., vol. 8, p. 153 — 155 
(1930), dat hij de soort tussen 1901 en 1930 nooit ontmoet had. In het laatst- 
genoemde jaar was c. album reeds gewoon in Zuid-Limburg (Lempke, 1. c, p. 
186) en was het opschuiven in noordelijke richting ongetwijfeld nog aan de 
gang, getuige het feit, dat Oudemans toen pas het eerste exemplaar te Putten 
zag, terwijl hij eenzelfde mededeling van Tolman ontving voor Soest (1. c, p. 
153). Naar aanleiding van zijn artikel kreeg Oudemans „tal van opgaven van 
onze lepidopterologen" (1. c, p. 188), die helaas niet gepubliceerd zijn. 

Zeker twee zonder scherpe begrenzing in elkaar overgaande generaties. De 
eerste, afkomstig van de overwinterde vlinders, vliegt eind juni en juli, de tweede 
sluit daar onmiddellijk op aan en verschijnt in augustus. Dan kunnen echter ook 
nog de late exemplaren van de eerste generatie uitkomen, zodat er dan ook nooit 
een afscheiding tussen beide vluchten is. In 1945 met een zeer gunstige zomer 
vond Korringa nog op 31. VIII twee rupsen te Bergen op Zoom, die pas 2.X 
de vlinders leverden. Mogelijk hebben we hier te maken met een exceptionele 
derde generatie, maar het kunnen ook afstammelingen van de eerste generatie 
zijn, afkomstig van late overwinteraars. Zie verder over de generaties nog bij 
Variabiliteit. 

De overwinterde vlinders worden al vroeg in het jaar opgemerkt, terwijl de 
herfstdieren nog tot ver in oktober op bloeiende planten te zien zijn. Uiterste 
data: 28.11.1952 en 20.X.1937. 

Vindplaatsen. Fr.: Tietjerk, Bolsward, Roordahuizum, Joure, Oosterwolde. Gr.: 
Groningen, Harendermolen, Veendam. Dr.: Westervelde, Veenhuizen, Paterswolde, Zuid- 



(217) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 195 

laren, Eext, Gasselte, Odoorn, Hooghalen, Wijster, Hoogeveen, Diever, Havelte, Wapser- 
veen, Frederiksoord. Ov.: De Lutte, Denekamp, Volthe, Albergen, Almelo, Bornerbroek, 
Hengelo, Enschede, Boekelo, Delden, Diepenveen, Goor, Markelo, Haarle, Hellendoorn, 
Junne, Beerze, Ommerschans, Avereest, Vollenhove, Zwolle, Colmschate, Deventer, Diepen- 
veen, Platvoet. Gdl.: Nijkerk, Putten, Oud-Millingen, Garderen, Ermelo, Harderwijk, Hid- 
den, Elspeet, Hulshorst, Nunspeet, Hattem, Wapenveld, Tongeren, Epe, Hoog-Soeren. Assel, 
Apeldoorn, Twello, Empe, Eerbeek, Laag-Soeren, Rheden, De Steeg, Velp, Arnhem, Ooster- 
beek, Renkum, Wageningen, Bennekom, Ede, Otterlo, Lunteren, Barneveld; Zutfen, Eefde, 
Gorssel, Warken, Vierakker, Hackfort, Vorden, De Boggelaar, Korenburgerveen, Kotten, 
Aalten, Vragender, Bredenbroek (Anholterbroek), Terborg, Halle, Zelhem, Slangenburg, 
Doetinchem, Hummelo, Laag-Keppel, Hoog-Keppel, Bijvank, Montferland, Babberich, 
Zevenaar, Herwen, Beek-Nijmegen, Nijmegen, Hatert, Heezen, Tiel. Utr.: Rhenen, Veenen- 
daal, Amerongen, Leersum, Maarn, Driebergen, Zeist, De Bilt, Utrecht, Den Dolder, Soes- 
terberg, Amersfoort, Soest, Lage Vuursche, Hollandse Rading, Zuilen, Maarsseveen, Maars- 
sen, Nigtevecht, Wilnis, Jutfaas. N.H.: Hilversum, Laren, Blaricum, Valkeveen, Bussum, 
Naarden, Amsterdam (ook in het Bos), Amstelveen, Aalsmeer, Zaandam, Middelie, Castri- 
cum, Heemskerk, Wijk aan Zee, Bloemendaal, Haarlem, Heemstede, Aerdenhout, Vogelen- 
zang, Bennebroek. Z.H.: Sassenheim, Oegstgeest, Leiden, Leiderdorp, Wassenaar, Den 
Haag, Loosduinen, Zoetermeer, Gouda, Schelluinen, Capelle aan den IJsel, Krimpen aan 
den IJsel, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Rhoon, Nieuwenhoorn, Hardinxveld, Dor- 
drecht, Zuidhollandse Biesbosch, Numansdorp, Oud-Beierland, Melissant. Zl.: Domburg, 
Borssele, 's-Gravenporder, Wilhelminadorp, Goes. N.B.: Bergen op Zoom, Breda, Ulven- 
hout, Tilburg, Oisterwijk, Haaren, Hilvarenbeek, Esbeek, Lage Mierde, Reusel, Waalwijk, 
Giersbergen, 's-Hertogenbosch, Rosmalen, Berlicum, Vught, Sint Michielsgestel, Boxtel, Uden, 
Vessem, Aalst, Eindhoven, Nuenen, Helmond, Deurne, Bruggen. Lbg.: Plasmolen, Mook, 
Arcen, Venlo, Tegelen, Steyl, Belfeld, Roermond, Vlodrop, Weert, Nederweert, Stramproij, 
Stein, Geulle, Wijnandsrade, Hoensbroek, Heerlen, Brunssum, Kerkrade, Eys, Wijlre, Schin 
op Geul, Valkenburg, Geulem, Klimmen, Aalbeek, Meerssen, Bemelen, Maastricht, Sint 
Pieter, Gronsveld, Rijckholt, Eckelrade, Gulpen, Waterop, Mechelen, Bissen, Eperheide, 
Epen, Vijlen, Holset, Lemiers, Vaals. 

Variabiliteit. De geografische variabiliteit is gering. Evenals in de rest 
van Europa en in West- Azië behoren onze exemplaren tot de nominaatvorm. Pas 
in Midden- en Oost-Azië worden andere subspecies aangetroffen. Subsp. c. album 
L. bewoont dus een zeer uitgebreid gebied. 

De infra-subspecifieke variabiliteit is daarentegen groot. Voor zover het de 
kleurvormen betreft, hangen deze voor een belangrijk deel samen met de genera- 
tievormen. Ook de zwarte vlekken op de bovenzijde en de witte c-tekening op de 
onderzijde der achtervleugels variëren sterk. De typische vorm is de in de nazomer 
en herfst vliegende met meer roodbruine grondkleur der bovenzijde en zwart- 
achtige grondkleur van de onderzijde der achtervleugels. 

f. hutchinsonü Robson, 1881, Young Naturalist, vol. 2, p. 110. De lichtere 
zomervorm van juni en de eerste helft van juli met meer geelbruine grondkleur 
van de bovenzijde der vleugels en geelbruine of bruinachtige grondkleur van de 
onderzijde der achtervleugels; achterrand van de vleugels in de regel ook minder 
sterk getand dan bij de typische vorm. Zie de afbeeldingen van Oudemans in 
Tijd sehr. Ent om., vol. 48, pi. 2, fig. 6 en 8 (1905), South, pi. 35, fig. 4 en 7, 
Ford, pi. 11, fig. 2 en pi. 38, fig. 1 — 4. 

Over deze vorm is door de Engelse lepidopterologen vrij veel gepubliceerd. 
L. W. Newman (1909, Trans. City of London ent. Soc, 1907 — 1908, p. 86 — 88, 
ook geciteerd in Entomologist, vol. 42, p. 45), schreef, dat de eerste tien of vijf- 
tien eieren, die een wijfje in de lente legt, de vorm hutchinsonü leveren en dat 



196 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (218) 

de volgende eieren typische exemplaren worden. De hutchinsoniïs komen het 
eerst uit, paren, en leggen de eieren, die de herfstgeneratie zullen opleveren. De 
typische exemplaren weigeren te paren en gaan al vroeg in de zomer overwinteren. 
Frohawk herhaalt in zijn boeken deze uiteenzetting. 

Ford geeft een enigszins andere verklaring (1945, Butterflies, p. 245). De 
rupsen, afkomstig van de overwinterde vlinders, splitsen zich in twee gedeelten. 
Het ene groeit snel en levert de zomergeneratie hutchinsonii, het andere groeit 
langzaam en levert eind juli en in augustus de donkere vorm. Deze overwintert 
samen met de (donkere) afstammelingen van de hutchinsoniïs, die in september 
verschijnen. Er overwinteren dus uitsluitend donkere exemplaren (ook onze er- 
varing), die pas in het voorjaar paren. 

Toch is een overwinteren van een hutchinsonii-ex.emipla.3.r, al is het dan stellig 
bij grote uitzondering, wel mogelijk. Hackray deelt mee, dat hij op 7 mei 1918 
twee wijfjes ving met lichte onderzijde (1955, Lambillionea, vol. 55, p. 35). 

J. Newton geeft in Entomologist, vol. 80, p. 170 (1947) het resultaat van 
zijn kweek. Een op 20. IV gevangen $ had op 22. IV eieren gelegd. Daarna be- 
trok het weer en pas op 30. IV begon het dier weer te leggen, ± 100 eieren. De 
eerste eieren werden apart gehouden. De rupsen hiervan groeiden snel. De meeste 
waren in 32 tot 33 dagen volwassen, enkele in 34 tot 38. De rupsen van de 
tweede groep deden er minstens 41 dagen over, de meeste zelfs 47 tot 48. Groep 
I leverde van 1 tot 9 juli 43 hutchinsoniïs, op 10. VII drie donkere exemplaren 
en twee hutchinsoniïs en tenslotte tot 22. VII bijna elke dag donkere exemplaren, 
terwijl de laatste hutchinsonii al op 11. VII verscheen. Groep II gaf een heel an- 
der resultaat. Op 10. VII verschenen één hutchinsonii en twee donkere dieren, op 
11. VII nog een hutchinsonii. Alle andere exemplaren waren donker. Uit deze 
kweek blijkt dus, dat de vroege eieren beide vormen kunnen opleveren. 

Een volgend artikel werd door G. W. Harper & W. E. Waller gepubliceerd 
(1950, Entomologist, vol. 83, p. 145 — 148). Zij kwamen tot de conclusie, dat 
uit elk ei . zowel hutchinsonii als de donkere vorm kunnen ontstaan, wanneer het 
ook gelegd is. Eén factor, die de snelheid van de ontwikkeling bepaalt, is de sap- 
pigheid van het voedsel. Rupsen gevoed met sappige bladeren groeien sneller. 
Zij leveren op een heel enkele uitzondering na exemplaren van de vorm hutchin- 
sonii op. De rupsen, die met minder sappige bladeren gevoed werden, groeiden 
langzamer (bij dezelfde temperatuur !). Op een enkel exemplaar van hutchinsonii 
na behoorden alle vlinders, die hiervan afstamden, tot de donkere vorm. 

L. H. Newman deelt tenslotte nog mee (1950, op. cit., p. 230), dat ook 
donker gekleurde exemplaren van de eerste generatie zich nog hetzelfde jaar 
voortplanten. Reeds Oliver vermeldde dit overigens in Entomologist, vol. 68, 
p. 68—69 (1935). 

Uit al deze gegevens blijkt dus, dat de factoren, die het ontstaan van de lichte 
hutchinsonii bepalen, ingewikkelder zijn, dan oorspronkelijk gedacht werd. Vol- 
ledigheidshalve moet hierbij nog vermeld worden, dat deze vorm ook als uit- 
zondering in de herfstgeneratie kan verschijnen (L. W. Newman, 1911, Proc. 
South London ent. nat. Hist. Soc, 1910 — 1911, p. 159). 

Tegenover al deze Engelse experimenten kunnen we jammer genoeg geen enkel 
Nederlands kweekverslag stellen, zodat we voorlopig uitsluitend moeten afgaan 



(219) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 197 

op het in de collecties aanwezige materiaal. Dit wijst er overigens op, dat de om- 
standigheden hier hoogstwaarschijnlijk dezelfde zijn. De verse dieren van juni en 
de eerste helft van juli behoren tot de lichte vorm. In de tweede helft van juli 
beginnen de donkere exemplaren te verschijnen en in de herfst vliegen die uit- 
sluitend. Maar ook hier komen uitzonderingen op deze regels voor. Op 5. IX. 1947 
werd te Middelie een echte hutchinsonïï gevangen (R. Slot). Er komen ook 
exemplaren voor, die overgangen vormen van de lichte naar de donkere vorm, 
met heel donker bruinachtige onderzijden, maar nog niet de zwarte tint van de 
typische vorm bereikend. Wanneer de sappigheid van het voedsel inderdaad de 
hoofdfactor is, die het ontstaan van hutchinsonïï bepaalt, dan is dat ook zeer be- 
grijpelijk. Er is geen scherpe grens tussen sappig en minder sappig voedsel. 
De overige infrasubspecifieke vormen kunnen we als volgt indelen: 

A. Afmetingen. 

f. pusilla Stichel, 1908, Seitz, Pal. GroszschmetterL, vol. 1, p. 207. Dwergen. 
Vrij zeldzaam. Ermelo, Amsterdam (Jonker); Oosterbeek, Bemelen (Zool. 
Mus.); Nijmegen (Leids Mus.); Naarden (van der Vliet); Ulvenhout (Ver- 
kaik); Nuenen (Verhaak); Stein (Missiehuis); Valkenburg (van Oorschot); 
Hulsberg (Priems). 

B. Grondkleur van de bovenzijde. 

f. neole Oliver, 1937, Entomologist, vol. 70, p. 10. Grondkleur donker rood- 
achtig, ,,mahoniekleurig" volgens de auteur. Amsterdam (van der Vliet); Sint 
Michielsgestel (Knippenberg); Epen (Mus. Rotterdam). 

f. pictior Verity, 1919, Ent. Ree, vol. 31, p. 200. Grondkleur licht, geelachtig; 
de zwarte tekening uitgebreider, met enkele extra vlekjes bij de achterrand van de 
voorvleugels; de vlekken en banden voor de achterrand der vleugels zwart in 
plaats van donker roodbruin. Beschreven als vorm van de donkere herfstgeneratie. 
Een overgangsexemplaar is afgebeeld in Farf. It., vol. 4, pi. 52, fig. 28. Hengelo 
(Zool. Mus.); Babberich (Elfrink); Eperheide (van der Meulen); Epen (van 
Wisselingh). 

C. Grondkleur van de onderzijde. 

Beide geslachten zijn aan de onderzijde der vleugels duidelijk te onderscheiden. 
De mannetjes zijn bont van kleur, de wijfjes zijn veel eenkleuriger. Dit geldt voor 
beide generaties. Ik heb op deze regel geen enkele uitzondering kunnen vinden. 

f. castanea Verity, 1950, Farf. It., vol. 4, p. 346, pi. 52, fig. 22 en 26. Exem- 
plaren van de zomergeneratie met bruinachtige onderzijde. Niet zeldzaam, overal 
onder de soort. 

f. nigracastanea Verity, 1950, 1. c, p. 346, pi. 52, fig. 23. De donkerder ge- 
deelten van de tekening der onderzijde zijn zwartachtig en contrasteren met de 
bruinachtige en geelachtige tinten. De donkere onderzijdevorm van de zomer- 
generatie, die een overgang vormt tot de nog donkerder typische vorm. 

De nominaatvorm in engere zin heeft een zwartachtige onderzijde, bij het $ 
met duidelijke tekening, bij het 9 eenkleuriger. Zie South, pi. 35, fig. 3, Ford, 
pi. 38, fig. 7 en 8. 

f. variegata Tutt, 1896, Brit. Butt., p. 346. Grondkleur van de onderzijde der 
vleugels zwartachtig, sterk met groen gemengd. South, fig. 4. De prachtige bonte 



198 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (220) 

vorm van het $ , gewoon. Bij het $ komen soms exemplaren voor met iets groen 
aan de onderkant, maar nooit zo bont van kleur als bij het $ . 

f. carbonaria Verity, 1916, Ent. Ree, vol. 28, p. 101. De extreem donkere 
vorm met zwarte onderzijde, waarop bij de mannetjes nog zwak de tekening te 
zien is, terwijl de wijfjes vrijwel eenkleurig zijn. Zie Farf. It., vol. 4, pi. 52, fig. 
31. Niet al te talrijk, maar vrijwel overal onder de soort te verwachten. 

D. Tekening van de bovenzijde. 

f. nubilata nov. Op de voorvleugels is de tweede costaalvlek vanaf de wortel 
door een donkere bestuiving verbonden met de er tegenover staande vlek aan de 
binnenrand. Sint Michielsgestel (holotype, Knippenberg). 

[The second costal spot from the base on the upper side of the fore wings is connected 
by a dark suffusion with the spot near the inner margin. 

Specimens belonging to this form were mentioned by Buckstone in Proc. South Loudon 
ent. nat. Hist. Soc, 1946 — 1947, p. 26 (1947) from Bookham, Surrey.] 

f. obscura Closs, 1916, Int. ent. Z. Guben, vol. 9, p. 115. Bovenzijde der 
vleugels verdonkerd met brede donkere achterrand zonder lichte submarginaal- 
vlekken. Laag-Keppel, prachtig $, 20.X.1937 (Zool. Mus.). 

f. ƒ album Esper, [1783], Schmett. in Abb., vol. 1, part 2, p. 168, pi. 87, fig. 
1. De zwarte vlekken op de bovenzijde der vleugels gedeeltelijk ineengevloeid, 
zodat ze minder in aantal zijn, maar veel groter. De vorm van de witte c op de 
onderzijde der achtervleugels is variabel. Zeldzaam. Hierden, 1953 (Stammes- 
haus); Rhenen, 1901 (Koornneef); Kerkrade, 1905 (Latiers); Valkenburg, 
1934 (Veldhuijzen). 

E. Tekening van de onderzijde. 

De witte C aan de onderzijde der achtervleugels, waaraan de soort haar naam 
ontleent, is nogal variabel in vorm, maar lang niet alle afwijkingen komen even 
veelvuldig voor. 

f. g-album Tutt, 1896, Brit. Butt., p. 346, 452 {g-album Gillmer, 1907, Int. 
ent. Z. Guben, vol. 1, p. 88). De C heeft duidelijk de vorm van een G, doordat 
aan het ondereinde een klein dwarsstreepje zit. Zie South, pi. 35, fig. 5 ! Stel- 
lig geen al te zeldzame vorm. Arnhem, Oosterbeek, Hilversum, Stein (Zool. 
Mus.); Hummelo, Dordrecht, Bergen op Zoom, Steyl (Leids Mus.). 

f. o-album Tutt, 1896, Brit. Butt., p. 346, 452 {o-album Gillmer, 1907, Int. 
ent. Z. Guben, vol. 1, p. 88; o-album Newnham, 1917, Entomologist, vol. 50, p. 
230; delta album Joseph, 1919, Verb. zool. -bot. Ges. Wien, vol. 69, p. (46), 
fig. 1 en 2). De C is gesloten en heeft daardoor min of meer de vorm van een 

0. Vrij zeldzaam. Doetinchem (Zool. Mus.); Zeist (Brouwer); Rotterdam 
(Mus. Rotterdam); Eindhoven (Verhaak); Nuenen (Neijts, Verhaak); Stein 
(Missiehuis Stein, Zool. Mus.); Epen (van Wisselingh). 

f. uncipuncta Joseph, 1919, Verb. zool. -bot. Ges. Wien, vol. 69, p. (48), fig. 
3. De C is in tweeën gebroken, zodat een streep met een punt er boven ont- 
staat. Niet gewoon, maar bijna overal onder de soort aangetroffen. 

f. iota-album Newnham, 1894, Ent. Ree, vol. 5, p. 12 (/'. album Bandermann, 
1907, Soc. Ent., vol. 21, p. 181; j-album Gillmer, 1907, Int. ent. Z. Guben, vol. 

1, p. 88). De C nog sterker gereduceerd, doordat de stip verdwenen is en daar- 
door alleen een recht streepje overblijft. Minder gewoon dan uncipuncta, hoewel 



(221) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 199 

vermoedelijk wel op vele plaatsen onder de soort voorkomend. Delden, Arnhem, 
Doetinchem, Venlo (Zool. Mus.); Bennekom (Ceton); Wageningen (Dunlop); 
Aalten (van Galen); Nijmegen (van der Vliet); Dordrecht, Breda (Leids 
Mus.). 

f. c-extinctum Gillmer, 1907, Int. ent. Z. Guben, vol. 1, p. 88 {extinct a Rebel, 
1920, Verb. zool. -bot. Ges. Wien, vol. 70, p. (12)). De C ontbreekt geheel. 
Zeer zeldzaam. Tietjerk (Camping); Hulshorst (Jurriaanse); Aalten (van 
Galen); Nuenen (Neijts); Esbeek, Steyl (twee sterke overgangsexemplaren met 
vrijwel verdwenen C, Leids Mus.). 

Nymphalis Kluk 

Nymphalis antiopa L. Verbreid in bosachtige gebieden door het gehele oosten 
en zuiden, vooral op zandgronden. Het centrum van het Nederlandse areaal is 
de Veluwe. Hier komt de vlinder geregeld voor en is er niet zelden gewoon. Een 
bloedende berk is er in de zomermaanden een bijna zekere pleisterplaats van 
een aantal dezer prachtige dieren. Buiten de Veluwe is antiopa een veel zeld- 
zamere en ook veel ongeregelder verschijning. Naar het noorden toe mindert het 
aantal vindplaatsen snel, ook naar het westen en zuiden. Heylaerts, die zoveel 
voortreffelijke opmerkingen over de fauna van zijn woonplaats Breda maakte, 
noemt de vlinder „assez rare" (1870, Tijdscbr. Entoin., vol. 13, p. 145) en 
Maurissen schreef enige jaren ervoor: „Très rare aux environs de Maestricht" 
{op. cit., vol. 9, p. 172, 1866). Ook nu nog is antiopa in geheel Noord-Brabant 
en Limburg een zeldzame vlinder. 

In het westen van ons land is de Rouwmantel stellig niet inheems, zelfs niet 
in het Gooi en op de Utrechtse zandgronden en evenmin in de duinen. Toch 
is de vlinder op veel plaatsen buiten zijn normale biotoop waargenomen, steeds 
in zeer weinig exemplaren, en zelfs midden in het Hafdistrict. Blijkbaar is hij 
zeer zwerflustig, maar kan zich om een of andere reden in het westen niet hand- 
haven. We moeten wel tot de konklusie komen, dat de oecologische verhoudingen, 
die op de Veluwe heersen, het best met zijn behoeften overeenstemmen. In dit 
verband mogen we niet vergeten, dat antiopa evenmin in staat is, zich op de Britse 
eilanden te handhaven. Telkens weer verschijnt hij hier als zeer zeldzame mi- 
grant, maar sterft er onmiddellijk weer uit. Het is mogelijk, dat de relatieve 
vochtigheidstoestand, vooral in de wintermaanden, de oorzaak is, dat antiopa 
in het westen geen vaste voet kan krijgen, maar met zekerheid weten we hiervan 
niets. 

Over het gedrag van spinrijpe rupsen schreven Besemer en Meeuse in Lev. 
Natuur, vol. 43, p. 1—12, 1938. 

Eén generatie, die half juli begint uit te komen, het talrijkst vliegt tegen het 
eind van juli en in augustus, doch in september weinig meer gezien wordt. Blijk- 
baar begint de diapause al vrij vroeg. Na de overwintering verschijnt de vlinder 
al naar de weersomstandigheden in het vroege voorjaar, soms al in februari 
(26.11.1952 te Sint Michielsgestel, Knippenberg), om tegen het einde van mei 
of begin juni, soms zelfs begin juli, na de copulatie en het leggen van de eieren 
te verdwijnen. Uiterste data van de zomervliegtijd der verse dieren: 13. VII tot 



200 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (222) 

6.XI, van de overwinterde dieren l.VII. In het Zool. Mus. bevindt zich een 
exemplaar van december 1925, kennelijk gestoord of verrast in de winterslaap. 

Vindplaatsen. Fr.: Terschelling, Vlieland; in Zool. Mus. een oud exemplaar met 
etiket „Friesland", dat ongetwijfeld van het vasteland afkomstig is. Gr.: De Punt, Onst- 
wedde, Vlachtwedde. Dr.: Zeegse, Eext, Onnen, Schoonoord (hier in 1888 zeer talrijk, 
zodat bijna alle berken door de rupsen kaal gegeten wfcren en de grond na een storm met 
deze dieren overdekt was, volgens Polak), Hoogeveen. Ov.: Denekamp, Losser, Dalfsen, 
Diepenveen (Zandbelt), Kampen. Gdl.: Nijkerk, Putten, Ermelo, Harderwijk, Leuvenum, 
Elspeet, Hulshorst, Nunspeet, Vierhouten, Uddel, Hattem, Wapenveld, Tongeren, Epe, 
Vaassen, Gortel, Wiessel, Apeldoorn, Hoog-Soeren, Assel, Empe, Voorst, Beekbergen, 
Terlet, Loenen, Laag-Soeren, Imbosch, Carolinahoeve, Dieren, Ellecom, De Steeg, Velp, 
Zijpenberg, Arnhem, Oosterbeek, Wolfheze, Renkum, Ede, Lunteren, Otterlo, Hoenderlo, 
Hoog-Buurlo, Voorthuizen; Vorden, De Velhorst, Groenlo, Aalten, Slangenburg, Doetin- 
chem, Hoog-Keppel, Drempt, Doesburg; Wehl, Montferland; Ubbergen, Nijmegen; Driel. 
Utr.: Amerongen, Doorn, Wijk bij Duurstede, De Treek, Soest, Soestdijk, Baarn. N.H.: 
Hilversum, 's-Graveland, Laren, Bussum, Muiderberg, Weesp, Ankeveen, Amsterdam, Pur- 
merend, Middelie, Oosthuizen, Beemster, Texel, Heemskerk, Bloemendaal, Haarlem, Voge- 
lenzang. Z.H.: Alphen aan den Rijn, Koudekerk, Oude Wetering, Warmond, Leiden, Noord- 
wijk, Katwijk, Den Haag, Schiedam, Rotterdam, Dordrecht. Zl.: Haamstede, , .Walcheren" 
(Bouwst. Fauna Nederl., vol. 1, p. 225, 1853), Goes. N.B.: Breda, Loon op Zand, 's-Her- 
togenbosch, Lith, Sint Michielsgestel, Best, Oirschot, Vessem, Stiphout, Nuenen, Deurne, 
Cuyck. Lbg.: Mook, Venlo, Tegelen, Steyl, Swalmen, Maasniel, Roermond, Maastricht, Sint 
Pietersberg, Heerlerheide, Waubach, Kerkrade. Epen, Holset, Vijlen, Vaals. 

Variabiliteit. De in ons land vliegende populaties behoren tot de nomi- 
naatvorm (beschreven door Linnaeus naar Zweedse exemplaren), zoals trouwens 
overal in Noord- en Midden-Europa. De individuele variabiliteit is niet groot. 

f. nana Stephan, 1923, Iris, vol. 37, p. 38. Dwergen. Apeldoorn, Slangenburg 
(Zool. Mus.); De Velhorst (Wilmink); 's-Hertogenbosch (van Oorschot); 
Maastricht (Prick). 

f. albomarginata Lempke, 1936, Tijdschr. Entom., vol. 79, p. 263. De brede 
achterrandsband der vleugels niet geel, maar wit. Vanzelfsprekend geldt deze 
naam alleen voor verse, niet overwinterde dieren, welke dit kenmerk bezitten. 
Zeer zeldzaam, maar toch ook reeds enige malen in de buitenlandse literatuur ver- 
meld. Zie Slevogt (1910, Grossf. Kurk, p. 22, in juli 1906 twee exemplaren bij 
Bathen in Koerland, „welche einen völlig weissen Rand wie überwinterte Falter 
besitzen") en Nitsche (1917, XXVII. fahres-Bericht Wiener enl. Ver., p. V, 
op 11 augustus 1914 te Walldeg in N.-O. een exemplaar met witachtige achter- 
rand, „könnte man für ein überwintertes Exemplar halten", maar de datum is 
daarvoor natuurlijk veel te laat). Uit ons land slechts één exemplaar bekend, dat 
pas uitgekomen was en aangetroffen werd te Best op 22.VIII.1917 (de Haan, 
Natuurhist. Maandbl. Maastricht, vol. 17, p. 16, fig., 1928). 

f. virescens nov. Op de bovenzijde der vleugels zijn de vlekjes voor de gele 
band niet blauw, maar duidelijk groenachtig. Leuvenum, Nunspeet, Loon op 
Zand (Zool. Mus.). 

Holotype 9 van Loon op Zand, 3. VIII. 1901, in collectie Zool. Mus. 

{The small spots on the upper side of the wings before the yellow border are not blue, 
but distinctly greenish.] 






(223) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 201 

f. violescens nov. De vlekjes voor de gele band op de bovenzijde der vleugels 
zijn duidelijk paarsachtig van kleur. Apeldoorn (verschillende exemplaren uit een 
kweek, die ook dieren met typische blauwe vlekjes opleverde), Slangenburg, Nij- 
megen (Zool. Mus.). 

Holotype $ van Apeldoorn, 13.VIII.1896, in collectie Zool. Mus. 

[The spots before the yellow band on the upper side of the wings are distinctly purplish.] 

f. longomaculata nov. De blauwe vlekken op de bovenzijde der vleugels voor 
de achterrand zijn duidelijk in de lengte uitgerekt. Soest, 9 , 23. VIII. 1944 (holo- 
type, collectie Zool. Mus.). 

[The blue spots on the upper side of the wings before the outer border are distinctly 
lengthened.] 

Een merkwaardig afwijkend exemplaar van Assel heeft de gele band van de 
linker voorvleugel op de bovenzijde van de costa tot de uitspringende tand bijna 
geheel prachtig zilverkleurig. Op de rechter voorvleugel bevinden zich slechts 
enkele zilverkleurige schubben (Küchlein). 

Teratologisch exemplaar. Nunspeet, een asymmetrisch exemplaar, 
e. p. (Buis, Levende Natuur, vol. 13, p. 19). 

Nymphalis polychloros L. Zoals de hierbij gepubliceerde kaart laat zien, is de 
vlinder vrijwel overal in het land waargenomen, waar verzamelaars gewoond of 
gewerkt hebben. Dit betekent evenwel niet, dat hij ook overal geregeld is aan te 
treffen. Integendeel, op vele plaatsen is polychloros een zeer ongeregelde en zeld- 
zame verschijning. Daar komt bij, dat hij de laatste decenniën veel zeldzamer is ge- 
worden, ook op plaatsen, waar hij vroeger gewoon was. Voor een deel is dit 
misschien te verklaren door het rooien van tal van iepen, die aangetast waren 
door de iepenziekte en door het bespuiten van vruchtbomen, maar ik heb toch 
wel sterk de indruk, dat hierbij ook oecologische factoren van invloed zijn. Welke 
dit zijn, is echter niet bekend. 

Dat polychloros vooral in het oosten en zuiden van het land een gewone vlin- 
der is geweest, behoeven we niet te betwijfelen. De Vos (1898, Tijdschr. Entom., 
vol. 41, p. 178) noemde hem voor de omgeving van Apeldoorn soms zeer scha- 
delijk voor perebomen en iepen. Nu is de vlinder in deze omgeving een rariteit. 
Tolman zag de soort nog in 1938 in het Land van Maas en Waal en in de 
Betuwe bij honderden. Voor de omgeving van Breda schreef Heylaerts in 1870 
{Tijdschr. Entom., vol. 13, p. 145): „très commun". Nog een 25 jaar geleden 
was polychloros in Zuid-Limburg heel gewoon. Daarna is hij ook daar zeer sterk in 
aantal afgenomen. In 1953 vond Delnoye hem echter weer „opmerkelijk veel" 
in de Vij lener bossen. 

Dit veel minder voorkomen is overigens niet tot ons land beperkt. Ook in 
Duitsland is het opgevallen. Vroeger waren de rupsen er vaak schadelijk op 
vruchtbomen. K. Harz vermoedt, dat de inheemse vlinders toen vaak aangevuld 
werden door migranten en dat dit tegenwoordig niet meer gebeurt (1956, Pflan- 
zenschutz, vol. 8, p. 33). 

Eén generatie, waarvan de vlinders omstreeks half juni uit de pop kunnen 
komen. Ze vliegen het talrijkst in juli en de eerste helft van augustus. Daarna 



202 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 



(224) 




Fig. 5. De verbreiding van Nymphalis polycbloros L. in Nederland. 

wordt het dier veel schaarser, zodat ook bij deze soort de diapause al vroeg blijkt 
te beginnen. De uiterste data vóór de overwintering zijn 17. VI tot 6.X. In het 
voorjaar verschijnt de vlinder al naar de weersomstandigheden wat vroeger of 
later in maart of april en verdwijnt na de copulatie en het leggen der eieren 
waarschijnlijk in de loop van mei of begin juni (uiterste data 10. Ili tot ll.V). 

Variabiliteit. Onze Nederlandse exemplaren behoren, zoals overal in 
Noord-, West- en Midden-Europa, tot de nominaatvorm, beschreven door Lin- 
naeus naar Zweedse exemplaren. De subspecifieke variabiliteit is wat groter dan 
bij de vorige soort. 

A. Grootte. 

f. pygmaea Slevogt, 1900, Horae Soc. ent. Ross., vol. 34, p. 532. Dwergen. 
Ermelo (Jonker); Gaanderen (Brouwer); Babberich (Elfrink); Rhenen (Fi- 
scher); Renesse (Verhey); Waalwijk (van Oorschot); Wijk aan Zee, Stein 
(Zool. Mus.). 



(225) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 203 

B. Kleurvormen. 

f. dïlucidus Fruhstorfer, 1907, Int. ent. Z. Guben, vol. 1, p. 208. Grondkleur 
lichter, meer geelbruin, de gele costaalvlekken der voorvleugels lichter geel, de 
achterrand der vleugels lichter, sterker met geel getekend. Zie Verity, Farf. It., 
vol. 4, pi. 53, fig. 7 (1950). Gaanderen (Brouwer); Lunteren (Branger); 
Amsterdam (van der Vliet); Eindhoven (Verhaak); Epen (van Wisse- 
lingh). 

f. vigens nov. Grondkleur der vleugels van een mooie diepe warme tint, overi- 
gens normaal. Bloemendaal (Nieuwland); Epen, Holset (van Wisselingh). 

Holotype $ van Holset, 22.VII.1942, in collectie van Wisselingh. 

[Ground colour of the wings of a fine deep warm tint, for the rest normal. 
Though the form has some resemblance with some southern forms, it cannot be identified 
with them, because it further possesses all the characters of the nominate form.] 

f. pallida Tutt, 1896, Brit. Butt., p. 340. De lichte delen van de vleugels, dat 
zijn dus de gele costaalvlekken van voor- en achtervleugels, zijn witachtig van 
kleur. Een exemplaar met zeer lichte witgele vlekken van Rotterdam, 14. VII. 1946, 
dus niet overwinterd en verbleekt (Mus. Rotterdam). 

f. concolor nov. Op de bovenzijde der voorvleugels ontbreken de gele costaal- 
vlekken. Rotterdam (holotype, Mus. Rotterdam). 

[The yellow costal spots on the upper side of the fore wings are absent.] 

f. flavomaculata nov. Op de bovenzijde der voorvleugels staat franjewaarts 
van de buitenste binnenrandsvlek een opvallende gele vlek. Exemplaren met een 
zwakke aanduiding ervan zijn niet zeldzaam, maar dieren, die werkelijk tot deze 
vorm gerekend kunnen worden, komen niet veel voor. Voorschoten, $ , juni 1901 
(holotype, collectie Zool. Mus.). 

[On the upper side of the fore wings a striking yellow spot on the outer side of the 
second black spot at the inner margin. 

Specimens with a feeble indication of this spot are not rare in Holland, but specimens 
with a distinct spot as in Aglais urticae do not often occur.] 

f. postnigrescens nov. Achtervleugels geheel zwart, bij het type alleen aan de 
voorrand nog iets van de normale bruinachtige grondkleur te zien, terwijl de 
blauwe manen ontbreken. Eindhoven, $ , 28. VII. 1942 (holotype, Leids Museum). 

[Hind wings completely black; the type shows only a little of the normal brownish 
ground colour at the costa, the blue lunules fail.] 

C. De tekening der vleugels. 

f. parvipuncta nov. De beide discaalvlekken op de bovenzijde der voorvleugels 
opvallend verkleind. Lochern (Janse); Zeist (Brouwer); Baarlo (Leids Mus.); 
Stein, $, 18.VII.1929 (holotype, Zool. Mus.); Epen (van Wisselingh). 

[The two discal spots on the upper side of the fore wings are distinctly smaller.] 

f. longipuncta nov. De beide discaalvlekken op de bovenzijde der voorvleugels 



204 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (226) 

zijn duidelijk in de lengte uitgerekt. Mussel (Bouwsema); Colmschate, 22. VII. 
1942, 9 (holotype), Putten (Zool. Mus.); Vijlen (Leids Mus.). 

[The two discal spots on the upper side of the fore wings are distinctly lengthened.] 

f. magnipuncta nov. De twee discaalvlekken op de bovenzijde der voorvleugels 
duidelijk vergroot. Denekamp, $ , augustus 1947 (holotype, Leids Mus.). 

[The two discal spots on the upper side of the fore wings distinctly enlarged.] 

f. nubilata nov. Van de tweede zwarte costaalvlek der voorvleugels loopt een 
zwarte bestuiving naar de er tegenover staande zwarte vlek aan de binnenrand. 
Castricum (holotype, Westerneng); Hilversum (Leids Mus.); Goes (Wilmink); 
Nuenen (Neyts); Aalst (Stammeshaus). 

[A black suffusion extends from the second black costal spot on the upper side of the 
fore wings to the opposite spot at the inner margin.] 

f. pluripuncta Heinrich, 1917, Int. ent. Z. Guben, vol. 10, p. 124. Op de 
bovenzijde der voorvleugels meer dan twee discaalvlekken. Vrij gewoon, stellig 
wel op de meeste vindplaatsen onder de soort aan te treffen. 

f. cassubiensis Heinrich, 1910, Beri. ent. Z., vol. 55, p. 106, pi. I, fig. 4. Op 
de bovenzijde der voorvleugels bevindt zich aan de binnenrand onder de beide 
normale zwarte vlekken een vrij lange smalle liggende zwarte vlek. Minder ge- 
woon dan de vorige vorm, maar toch zeker op vele plaatsen onder de soort te 
vinden. Hulshorst (van der Meulen); Colmschate, Laag Soeren, Oostdorp- 
Bergen, Voorschoten, Plasmolen, Stein (Zool. Mus.); De Velhorst (Wilmink); 
Dordrecht (Leids Mus.); Eindhoven (Verhaak). 

f. qi/inquepunctata Raynor, 1906, Ent. Ree, vol. 18, p. 298. Aan de binnen- 
kant van de zwarte achterrandsband op de bovenzijde der achtervleugels staan een 
aantal zwarte punten. Het kunnen er vijf zijn, maar ook minder. Vrij gewoon, 
overal onder de soort te vinden. 

Teratologische exemplaren. Achterrand van de rechter voorvleu- 
gel dieper naar binnen gebogen. Oostvoorne (Zool. Mus.). 

Rechter voorvleugel te klein. 's-Hertogenbosch (Leids Mus.); Aalbeek (Pater 
Maessen). 

Beide linker vleugels te klein. Wijchen (Zool. Mus.). 

Nymphalis io L. Niet gebonden aan een bepaald biotoop en daardoor in 
het gehele land aan te treffen, maar op vele plaatsen zeer onregelmatig in het 
voorkomen. Perioden van talrijkheid wisselen telkens weer af met perioden van 
schaarste, zonder dat hiervoor een oorzaak aan te wijzen is. Dit is niet uitsluitend 
een verschijnsel van de laatste decenniën, maar het kwam ook vroeger voor. 
Onder de nagelaten correspondentie van Dr. J. Th. Oudemans vond ik een brief- 
kaart van van der Weele uit Den Haag, gedateerd 5.IV.1899, waarop deze 
schreef: „Omtrent deze soort kan ik mededelen, dat zij hier zoo goed als ver- 
dwenen is". Zeer goede jaren waren 1947, 1950, 1951, 1954. In onze literatuur 
zijn overigens geen verdere gegevens over de schommelingen in de aantallen te 
vinden. Het is nu eenmaal een feit, dat over de minder zeldzame en gewone 



(227) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 205 

soorten door onze lepidopterologen veel te weinig gepubliceerd is, zodat het bijna 
altijd onmogelijk is het verloop van de ups en downs dezer dieren te recon- 
strueren. 

De vlinder is bekend van alle waddeneilanden, behalve Rottum, en ook van 
Griend. 

Twee generaties, tenminste in gunstige jaren. De exemplaren van de eerste 
komen soms al in juni, meest in juli en begin augustus uit de pop (vroegste da- 
tum 19. VI) en vliegen vooral in augustus het drukst. Al in de eerste helft van 
september vermindert hun aantal echter sterk, een bewijs, dat de dieren in dia- 
pause gaan. In gunstige jaren verschijnen echter in de loop van deze maand weer 
verse exemplaren, de nieuwe tweede generatie, die, zoals de laatste jaren gebleken 
is, in mooie herfsten in flink aantal kan optreden. Dat was vooral het geval in de 
vier zo juist genoemde jaren. Tot in oktober kunnen exemplaren van deze genera- 
tie nog uit de pop komen (12.X.1917, van der Vaart, 24.X.1917, Zool. Mus.). 

In 1947 vond Tolman nog op l.XI een rups te Muiderberg, die drie dagen 
later verpopte. De pop verkleurde wel, maar kwam niet meer uit. Dit moet wel 
een afstammeling zijn van een vlinder van de tweede generatie, die zich nog het- 
zelfde jaar heeft voortgeplant. 

De exemplaren van de eerste generatie, die zich niet hetzelfde jaar voortgeplant 
hebben, en die van de tweede overwinteren en verschijnen al naar de weers- 
omstandigheden weer in het volgende voorjaar om na de copulatie en het leggen 
der eieren te verdwijnen. Uiterste voorjaarsdata: 20. III tot 5. VI. 

Variabiliteit. De Nederlandse exemplaren behoren, zoals vrijwel overal 
in het areaal der soort, tot de nominaatvorm, beschreven door Linnaeus naar 
Zweedse exemplaren. De infrasubspecifieke variabiliteit is vrij groot, maar extreme 
vormen zijn uiterst zeldzaam. 

A. Afmetingen. 

f. hides Ochsenheimer, 1807, Schmett. Eur., vol. 1, eerste gedeelte, p. 109. 
Dwergen. Niet gewoon, maar van vrij veel vindplaatsen bekend. In 1951 kweekte 
van Oorschot een nest Amsterdamse rupsen op, die alle kleine exemplaren 
leverden, al weer een aanwijzing, dat dwergvormen niet uitsluitend van oecologi- 
sche factoren afhangen. 

B. Kleurvormen. 

De grondkleur varieert in tint. Sommige exemplaren zijn lichter met een duide- 
lijk roder tint, andere wat donkerder dan normale dieren. Het is echter niet moge- 
lijk deze kleine tintverschillen duidelijk te omschrijven, zodat ik ook niet zal 
trachten ze bij bepaalde vormen onder te brengen. 

f. violascens Rebel, 1926, Verb. zool. -bot. Ges. Wien, vol. 74 — 75, p. (122). 
Grondkleur van de bovenzijde der vleugels sterk violet getint. Bemelen, 1926, 
een exemplaar met een lila-achtige, glanzende grondkleur (Prick). 

[This form seems to be identical with f. implumi* Watkins, 1942, Entomologist, vol. 75, 
p. 202. Both are described as having a purplish tint, accompanied by an abnormal scaling.] 

f. fulva Oudemans, 1905, Tijdschr. Entom., vol. 48, p. 6, pi. 2, fig. 4. Grond- 
kleur van de bovenzijde der vleugels van een vaal rosse tint, alsof de vlinder 
sterk verbleekt is. Zeer zeldzaam. Arnhem, 1. VIII. 1926 (Missiehuis aldaar), 
17. VII. 1936 (Hardonk); Amsterdam, eind september en begin oktober 1901, 



206 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (228) 

door Polak in Artis gekweekt (21 exemplaren in Zool. Mus., 1 in het Leids Mus., 
1 in collectie Latiers); Bergen, 26. VIII. 1938, één gevangen exemplaar (Mej. 
Mac Gillavry); Voorschoten, juli 1901 (Zool. Mus.). 

f. rubrocarens Brouwer, 1942, In Weer en Wind, vol. 6, p. 56, fig. 2. Grond- 
kleur van de bovenzijde der vleugels grijs, zonder enige rode tint, overigens nor- 
maal. Zeist, augustus 1941, een prachtig gaaf exemplaar (Brouwer). 

[The following is a translation of the original Dutch description: "The only aberrant 
character is, that the butterfly is grey, pearly grey with a rusty-grey outer border on fore and 
hind wings passing into the ground colour."] 

f. pallida Tutt, 1896, Brit. Butt., p. 326. De costaalvlekken op de bovenzijde 
der voorvleugels zijn niet geelachtig, maar wit van kleur. Dit is een vorm, waarvan 
de naam met grote voorzichtigheid gebruikt moet worden, daar bij oudere exem- 
plaren de gele kleur altijd min of meer verbleekt is. Overwinterde dieren hebben 
bijna altijd heel lichte costaalvlekken. De naam kan dan ook uitsluitend gebruikt 
worden voor nog zeer verse zomerexemplaren, waarvan we kunnen aannemen, dat 
de kleuren nog niet verbleekt zijn. De vorm is zeldzaam. Leeuwarden, 7. VIII 
(Camping); Lonneker, 18. VIII (van der Meulen); Blaricum, 9.VIII (Berg- 
man); Amsterdam (Zool. Mus.); Wassenaar (van Wisselingh, Bouwsema); 
Serooskerke (Brouwer); Helmond (Knippenberg). 

f. viridi -ocellata Reuss, 1910, Ent. Ree, vol. 22, p. 140. Het oog van de voor- 
vleugels met de gewone blauwe en paarse tinten, maar als het licht er op valt in 
de goede richting, dan prachtig witachtig groen. Het lijkt mij het beste de naam 
te gebruiken voor alle exemplaren met duidelijk groen getinte oogvlekken. Deze 
komen weinig voor. Wassenaar (Bouwsema). 

Ook overigens varieert het voorvleugeloog nogal in tint bij draaien in het licht. 
Soms is het prachtig helderblauw, vaker min of meer paars. Het is bij deze soort 
echter heel moeilijk een scherpe grens tussen blauw en paars te maken. 

f. griseocellata nov. De blauwe tinten van het voorvleugeloog veranderd in 
grijs. Ooise dijk bij Nijmegen, e. 1. (holotype, Boldt). 

[The blue tints of the eye spot of the fore wings changed into grey.] 

C. De tekening der vleugels. 

f. ir enea Prüf f er, 1921, Bull. int. Ac. Pol. Sc. et Lettres, B, Sc. nat., année 1920, 
p. 122, fig. 1 {hackrayi Cabeau, 1925, Rev. mens. Soc. ent. Nam., vol. 25, p. 6). 
Op de bovenzijde der voorvleugels bevindt zich boven de binnenrand iets voor 
het midden tussen C 2 en A r een zwarte vlek, overeenkomende met de binnen- 
randsvlek van Aglais urticae. Jipsingboerenmussel, Groede (Zool. Mus.); Am- 
sterdam (Klaassen); Heemstede (Leefmans), Rotterdam (Mus. Rotterdam); 
Sint Michielsgestel (Knippenberg); Nuenen (Leids Mus.); Etzenrade (Kam- 
merer). 

f. astrida Derenne, 1926, Lambillionea, vol. 26, p. 73. Op de bovenzijde der 
voorvleugels tussen C 2 en A 1 een duidelijk afstekende licht gekleurde vlek, 
overeenkomende met de zwarte vlek van de vorige vorm. Eernewoude (Camping); 
Amsterdam (Zool. Mus.); Capelle aan den IJsel (Verkaik); Schiedam (Nijs- 
SEN); Eindhoven, Gulpen (Leids Mus.). 

f. mesoides Reuss, 1910 (december), Entomologist, vol. 43, p. 341, noot, 1911 



(229) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 207 

(januari), Ent. Ree, vol. 23, p. 16; fig.: Entomologist, vol. 42, p. 311, fig. 2 
(1909). Het oog op de bovenzijde der voorvleugels franjewaarts begrensd door 
een zwarte band, waarin blauwe vlekjes staan; dat op de achtervleugels met twee 
zwarte balken door het blauw, zodat drie blauwe strepen ontstaan, waarvan de 
middelste meestal in vlekjes is gedeeld. Met overgangen naar de volgende vorm 
(die door Reuss nog afzonderlijk benoemd zijn, zie Int. ent. Z. Guben, vol. 13, 
p. 46, 1919) de meest voorkomende vorm in ons land. Zie ook South, pi. 40, 
fig. 1 en 2, voortreffelijke afbeeldingen van deze vorm, die zeer waarschijnlijk 
overigens niets anders is dan de typische vorm van de soort ! 

f. teloides Reuss, 1910, I.e.; 1911, L c; I.e., fig. 3. Het oog op de bovenzijde 
der voorvleugels franjewaarts begrensd door een blauwe band, gevolgd door een 
zwart lijntje, dat der achtervleugels door slechts één zwarte balk doorsneden en 
daardoor veel blauwer dan dat der vorige vorm. Stellig wel op alle vindplaatsen 
aan te treffen, maar veel zeldzamer dan de vorige vorm. Het blijft altijd een 
verrassing tussen de vele gewone /'o's op Buddleia's en Eupatorium plotseling zo'n 
prachtig geoogde teloides te ontdekken. Zie verder bij Genetica. 

f. splendens Reuss, 1909, Entomologist, vol. 42, p. 311, fig. 4. Ook de ene 
zwarte balk van teloides is verdwenen, zodat een schitterend blauw achtervleugel- 
oog ontstaan is. Een uiterst zeldzame vorm. Tot nog toe heb ik slechts één exem- 
plaar gezien: Eerbeek, $ , 4. VIII. 1937 (Zool. Mus.). 

f. nigriocellata Reuss, 1911, Ent. Ree, vol. 23, p. 16. Het oog der achtervleugels 
eenkleurig zwart, hoogstens met enkele blauwe schubben. Eveneens een zeldzaam- 
heid. Amsterdam, 18.VIII.1936 (Zool. Mus.); Roermond, 3.IV.1953 (Berg- 
man). Bovendien het exemplaar van f. fulva van Bergen. 

f. semi-ocellata Frohawk, 1938, Vars. Brit. Butterjl, p. 96, pi. 23, fig. 2. Het 
oog der achtervleugels is gereduceerd tot twee kleine blauwe zwart geringde vlek- 
jes op grij sachtige grond. Zie South, pi. 41, fig. 3. Rhenen (Zool. Mus.). 

[Op het etiket staat vermeld, dat de pop driemaal een kwartier in aetherdamp 
werd gehouden. Er is natuurlijk geen enkel bewijs, dat deze behandeling de oor- 
zaak is van de afwijkende oogtekening. Het door Frohawk afgebeelde Engelse 
exemplaar werd buiten gevangen. Hoogstwaarschijnlijk een zeer zeldzame reces- 
sieve vorm.] 

f. exoculata Weymer, 1878, ]ahresber. naturwiss. Ver. Eiber j el d, Heft 5, p. 58. 
Achtervleugels zonder oogvlek. Eveneens een uiterst zeldzame vorm. Tot nog 
toe is slechts één Nederlands exemplaar bekend, dat in 1947 te Dubbeldam werd 
waargenomen. L. A. Mulder schreef mij d.d. 10. XII. 1947: „Ik zag in de na- 
zomer in mijn tuin een dagpauwoog, waarvan de onderste vleugels geen kringen 
vertoonden, dus effen roodbruin waren", een niet te misduiden beschrijving van 
deze vorm. 

f. dyophthalmica Garbini, 1883, Bull. Soc. Veneto-Trentina Sc. Nat., vol. 1, p. 
19 {cyanosticta Raynor, 1903, Entomologist, vol. 36, p. 67). Op de bovenzijde 
der achtervleugels staat onder de grote oogvlek een afzonderlijk blauw vlekje. 
Overal onder de soort aan te treffen en vrij gewoon. 

Teratologische exemplaren. Voorvleugels te kort. Lattrop (Leids 
Mus); Nijmegen (Zool. Mus.). 

Linker vleugels te klein. Waalwijk (Didden). 



208 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (230) 

Rechter voorvleugel te klein. Waalwijk (Didden). 

Rechter achtervleugel te klein. Maarssen (Verkuil). 

Pathologische exemplaren. Op het midden van elke voorvleugel 
een grote lichte vlek. Driehuis, 1939 (van Berk). 

De linker achtervleugel heeft de gehele paarsbruine grondkleur verbleekt, de 
rechter achtervleugel alleen de benedenhelft. Leids Mus., zonder vindplaats. 

Op beide voorvleugels de buitenhelft van de grondkleur symmetrisch sterk ver- 
donkerd, onderzijde echter normaal. Elburg, e. 1. (Zool. Mus.). 

Linker achtervleugel verbleekt. Leiden (Leids Mus.). 

Genetica. Tot nu toe is nog van geen enkele vorm van deze soort de erfe- 
lijkheid bestudeerd. We kunnen dan ook niet verder gaan dan enkele zeer voor- 
zichtige conclusies te trekken uit een paar kweken, waarvan min of meer nauw- 
keurige gegevens bekend zijn. Er kan overigens weinig twijfel aan bestaan, dat 
de meeste der opgesomde vormen door erfelijke factoren bepaald worden, waar- 
bij de zeer zeldzame bij nader onderzoek wel recessief ten opzichte van de nor- 
male vorm zullen blijken te zijn. Verschillende van de opvallendste vormen van 
deze soort (en van de meeste andere Vanessinae) komen niet alleen als rariteiten 
in de natuur voor, maar verschijnen ook in onder abnormale omstandigheden 
(hitte, koude, narcose enz.) doorgevoerde kweken. Ook hier geldt dezelfde op- 
merking als bij de Lycaeniden: zowel erfelijke factoren als abnormale oecologische 
factoren kunnen vormen doen ontstaan, die uiterlijk niet van elkaar te onder- 
scheiden zijn. F. fulva wordt door handelaren als temperatuurvorm aangeboden, 
maar uit de kweekresultaten van Polak blijkt vrijwel zeker, dat hij met een erfe- 
lijke vorm te doen had. Volgens zijn mededeling behoorde 30% tot de afwijking 
(1903, Tijdschr. Entom., vol. 46, Verslag, p. 4), terwijl toch de gehele kweek 
onder dezelfde omstandigheden plaats vond. Dit resultaat, gecombineerd met de 
grote zeldzaamheid van de vorm in de natuur, maakt het vrijwel zeker, dat we 
hier met een recessieve vorm te doen hebben en dat het nest rupsen, dat Polak 
opkweekte, afstamde van twee heterozygoten: Aa X Aa levert 14 AA (normaal), 
y 2 Aa (normaal) en I/4 aa (de afwijkende vorm). 

F. dyophthalmica. Ook deze wordt vrijwel zeker door een erfelijke factor be- 
paald, maar de werking ervan kennen we nog niet. Tolman kweekte een broedsel 
rupsen op van Soest, waarvan alle vlinders tot deze vorm behoorden. Herwarth 
von Bitterfeld nam in 1945 29 rupsen mee uit een nest te Heemstede. Ook 
deze dieren leverden alle vlinders met het extra vlekje op de achtervleugels. 

F. mesoides en f. teloïdes. Reuss is van mening, dat deze beide vormen bepaald 
worden door oecologische factoren. In gebieden, waar de zomer koel en het 
klimaat over het algemeen gelijkmatig is, zoals op de Britse eilanden, is mesoides 
de overheersende vorm, terwijl in gebieden met warme zomers, vooral in het 
zuiden van Europa, teloïdes overheerst. Hij schrijft, dat hij zich hiervan over- 
tuigd heeft „by suitably conducted experiments on ova, larva, and pupa" (1910, 
Entomologist, vol. 43, p. 341, noot). Verder, dat in West-Duitsland het resultaat 
(schematisch) in koude jaren is: 80% mesoides, 20% tussenvormen en 0% teloi- 
des en in warme jaren : 80% teloides, 20% tussenvormen en 0% mesoides 
(1919, Int. ent. Z. Guben, vol. 13, p. 46). Toch zijn ook hier aanwijzingen, dat 
deze vormen niet uitsluitend afhangen van oecologische factoren. Van een kweek, 



(231) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 209 

die ik in 1955 van het Leids Museum toegezonden kreeg om te zien, „of er ook 
iets biezonders tussen zat" en waarvan alle exemplaren ongetwijfeld onder de- 
zelfde omstandigheden opgegroeid waren, bleken 104 of 85% tot mesoides te 
behoren en 28 of 15% tot teloides. Van de 21 exemplaren van f. fulva in de col- 
lectie van het Zool. Mus., gekweekt in het Insectarium van Artis, dus beslist 
niet koel, zijn 14 (67%) mesoides, 4 (19%) overgangen en 3 (14%) teloides. 
Beide resultaten wijzen er m.i. op, dat ook erfelijkheid bij het ontstaan van deze 
vormen een woordje meespreekt. 

[F. fulva was formerly offered by German dealers as a temperature form. In 1901 it 
appeared for the first time in Holland in a brood reared by Polak. About 30% belonged 
to the new form. Afterwards it was very rarely taken in our country. These facts suggest, 
that f. fulva is a hereditary form, very probably a simple recessive. There can be little doubt, 
that abnormal environmental factors and hereditary ones can produce forms, which are 
exteriorly perfectly identical. 

Reuss has repeatedly written, that f. mesoides (very probably nothing but the typical 
form) and f. teloides depend on climatical circumstances. Results of Dutch breedings suggest, 
that these two forms, at least to a certain degree, also depend on hereditary factors.] 

Aglais Dalman 

Aglais urticae L. Algemeen verbreid door het gehele land, al wisselt de tal- 
rijkheid natuurlijk met de jaren. Bekend van alle waddeneilanden, behalve Rot- 
tum. 

Per jaar komen al naar de weersomstandigheden twee tot drie generaties voor. 
De eerste, afstammende van de overwinterde vlinders, kan soms al eind mei tot 
begin juni uit de pop komen: J. Lucas kweekte in 1943 25 exemplaren van een 
nest rupsen uit Terbregge, die van 25.V tot 3. VI uitkwamen. Deze generatie 
vliegt vooral in juni, juli en zelfs nog in augustus. Een deel ervan gaat onmiddel- 
lijk in diapause (Polak; Gillmer, 1913, Int. ent. Z. Guben, vol. 6, p. 301; T. 
Bainbrigge Fletcher, 1938, Ent. Ree, vol. 50, p. 56). De rest plant zich nog 
hetzelfde jaar voort en levert de tweede generatie, die vooral in de tweede helft 
van augustus en begin september vliegt. Dan is het 't hoogtepunt van de urticae 's. 
In mooie najaren zijn ze dan soms bij tientallen te zien op bloeiende Buddleia's, 
Sedum spectabile. Aster novi-belgii. Aster novae-angliae en dergelijke herfst- 
bloeiers. 

In vele jaren plant een deel van deze tweede generatie zich ook weer onmiddel- 
lijk voort. Nu men er wat meer op let, worden bijna elk jaar in september en 
oktober rupsen gevonden. De vroege daarvan leveren in gunstige jaren zonder 
enige biezondere voorzorg nog vlinders van een derde generatie, die al eind sep- 
tember of begin oktober kunnen uitkomen. In 1940 vond H. Veen op 15. IX 
een aantal rupsen te Wapserveen. Deze leverden op 27 en 28 september de vlin- 
ders. In 1941 had van Elmpt poppen van Soest, die 7 en 8.X begonnen uit 
te komen. In 1945 kwamen buiten gekweekte vlinders van 6 tot 11 oktober uit 
de pop (Soest, R. Tolman). Maar vaak ook zijn de rupsen zo laat, dat ze zich 
slechts binnenshuis tot vlinders kunnen ontwikkelen en niet zelden mislukt ook 
dit. Verpopping vindt nog wel plaats, maar dan sterft het dier. 

Het grootste deel van de exemplaren der tweede generatie en de eventueel nog 



210 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (232) 

ontwikkelde der derde overwinteren met een deel van de eerste generatie. Met 
Gonepteryx rhamni is urticae wel de gemakkelijkst ontwakende dagvlinder. Een 
mooie dag midden in de winter is niet zelden in staat een Kleine Vos de diapause 
te doen onderbreken, zodat dan ook in elke maand van het jaar vlinders waar- 
genomen zijn. Het grootste deel ontwaakt echter pas in maart en april, copuleert 
dan en plant zich voort. Tot ver in juni kunnen zulke dieren nog gezien worden. 
In de collectie van het Zool. Mus. bevindt zich een ontwijfelbaar overwinterd 
exemplaar (dun beschubd, gele tekening geheel verbleekt tot wit), dat 21. VI. 
1901 te Amsterdam werd gevangen ! Het verbleken begint trouwens al in het 
najaar (19.IX.1900, Amsterdam, bijna wit, 10. XII. 1910, Breda, al volkomen wit, 
beide exemplaren in Zool. Mus.). 

Variabiliteit. Onze exemplaren behoren tot de nominaatvorm, beschreven 
door Linnaeus naar Zweedse exemplaren. De infrasubspecifieke variabiliteit is 
zeer groot, wanneer men afgaat op het aantal in de literatuur beschreven vor- 
men, maar de algemene ervaring is, dat afwijkingen van enige betekenis slechts 
heel zelden voorkomen. Kweken van grote aantallen rupsen met het doel op die 
manier een mooie variabele serie te verkrijgen, levert maar heel zelden een gun- 
stig resultaat op. Ook in het buitenland heeft men dit opgemerkt. Valentine 
kweekte in 1923 8000 rupsen, die slechts 2 aberraties van betekenis opleverden 
en ongeveer een dozijn „polaris" (1924, Entomologist, vol. 57, p. 91)- Sheperd 
kweekte in hetzelfde jaar ruim 5000 rupsen van de eerste generatie op en onge- 
veer 2000 van de tweede. De eerste groep leverde 37 „polaris" en andere afwij- 
kingen op, de tweede 13 exemplaren van verschillende vormen. Hij noemt het 
resultaat „not encouraging" (1. c, p. 141). Ochmann vond onder ongeveer 2000 
exemplaren slechts een zeer geringe variatie (1925, Int. ent. Z. Guben, vol. 19, 
p. 257). Toch kan het toeval de kweker ook wel eens heel gunstig zijn. Wester- 
neng kweekte een klein serietje rupsen van Weesp op, die vrijwel alle afwijkende 
vlinders opleverden. Hetzelfde wordt bericht door Sutton, die in 1942 een klein 
nest rupsen uit de omgeving van Birmingham opkweekte (1943, Entomologist. 
vol. 76, p. 188). En Birch kweekte in 1941 en 1942 vele duizenden rupsen op, 
waarvan hij het resultaat „very encouraging" vond, wat ook blijkt uit zijn lange 
lijst van vormen, die hij onder de vlinders aantrof (1944, Entomologist, vol. 77, 
p. 5). De moeilijkheid is nu eenmaal, dat men aan de rupsen niet kan zien, hoe 
hun genetische constitutie is. 

De grondkleur varieert, afgezien van zeer zeldzame vormen, van meer geel- 
achtige tot meer roodachtige tinten. Maar het is buitengewoon lastig deze bij de 
reeds beschreven vormen onder te brengen. Een uitvoerige analyse van de varia- 
biliteit der soort werd door Raynor gegeven in 1909 {Ent. Ree, vol. 21, p. 
4 — 8). Vier jaar later beschreef Fritsch, zonder het artikel van Raynor te 
kennen, nogmaals een aantal kleurvormen (1913, Farbenspiele von Vanessa urti- 
cae L., Ent. Rundschau, vol. 30, p. 8 — 9). De moeilijkheid is nu uit te maken, 
welke namen van Fritsch synoniemen zijn van die van Raynor, daar beide 
auteurs volkomen andere termen gebruiken voor het beschrijven van hun vormen. 
Tot nog toe is dat aan niemand gelukt. Ook Verity stelt er zich tevreden mee 
beide series namen naast elkaar op te sommen (1950, Farf. It., vol. 4, p. 365). 
Alleen door vergelijking van typen zou dat mogelijk zijn, maar deze bestaan vrij 
zeker niet. 



(233) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 211 

A. Afmetingen. 

f. tirtkoides Fischer de Waldheim, 1851, Ent om. Russie, vol. 5, p. 123. Dwer- 
gen. Beslist niet gewoon, maar van vrij veel vindplaatsen bekend. 

B. Kleurvormen. 

f. brunneo-violacea Raynor, 1909, Ent. Ree, vol. 21, p. 7 (gtth/ti Tschauner, 
1926, Int. ent. Z. Guben, vol. 20, p. 230; implumis Watkins, 1942, Entomologist, 
vol. 75, p. 202). Grondkleur bruinachtig met een paarsachtige gloed, een gevolg 
van een afwijkende vorm der schubben. Zie Frohawk, Nat. Hist. Brit. Butt., 
vol. 1, pi. 25, fig. 17 (1924). Landsmeer (A. de Boer). 

f. igneaformis Reuss, 1910, Entomologist, vol. 43, p. 343 {fervida Fritsch, 
1913, Ent. Rundschau, vol. 30, p. 9). Grondkleur opvallend roder dan bij nor- 
male exemplaren, het geel meest ook dieper van tint. Zeldzaam. Amsterdam (van 
Rossum); Driehuis (Leids Mus.); Santpoort (Helmers); Schiedam (Nijssen). 

f. sordida Fritsch, 1913, Ent. Rundschau, vol. 30, p. 9- Grondkleur doffer, 
daardoor meer geelbruin, de gele tekening donkerder, waardoor deze minder te- 
gen de grondkleur afsteekt. Amsterdam, Naarden (Zool. Mus.). 

f. lucida Fritsch, 1913, 1. o, p. 9. Grondkleur lichter, minder rood, de gele 
tekening goed afstekend; de lichtere delen van de onderzijde ook duidelijk lich- 
ter. Kampen, Amsterdam, Breda (Zool. Mus.). 

Naast exemplaren, die geheel aan de beschrijving van Fritsch voldoen, ko- 
men er ook voor, waarvan de grondkleur der bovenzijde met die van lucida over- 
eenstemt, doch waarvan de onderzijde niet lichter is dan bij typisch gekleurde 
exemplaren. Dergelijke dieren zijn het best als overgangen naar lucida te be- 
schouwen. 

[Because of the many names given by Raynor to colour forms of A. urticae and the 
briefness of his descriptions, it is practically impossible to decide which forms of Raynor 
are identical with those of Fritsch, whose descriptions are much better. I therefore prefer 
the names given by the latter, unless there cannot be any doubt about the identity of forms 
described by both authors.] 

f. salmonicolor Raynor, 1906, Ent. Ree, vol. 18, p. 298 {rosacea Closs, 1916, 
Int. ent. Z. Guben, vol. 9, p. 115). Grondkleur van de bovenzijde der vleugels 
rose. Abbega-Fr., Eindhoven (Leids Mus.); Aalten (Zoöl. Mus.); Bussum (ter 
Laag); Zaandam (Westerneng); Aerdenhout, Wassenaar (van Wisselingh); 
Heemstede (v. Herwarth); Oegstgeest (Kaijadoe); Den Haag (Hardonk). 

f. alba Raynor, 1909, Ent. Ree, vol. 21, p. 7 {pallida Frohawk, 1938, Vars. 
Brit. Butt., p. 91). Grondkleur van de bovenzijde der vleugels wit. Uiterst zeld- 
zaam. Amsterdam, augustus 1929 (Zoöl. Mus.). 

f. flavotessellata Raynor, 1909, 1. c, p. 7 {elisa Stephan, 1923, Iris. vol. 37, p. 
37). Op de bovenzijde der voorvleugels loopt van de buitenste gele costaalvlek 
naar de binnenrand een gele band, waarin de beide zwarte discaalvlekken staan. 
Niet al te zeldzaam, van vrij veel over het gehele land verspreide vindplaatsen be- 
kend. 

f. albidomaculata Stach, 1922, Spraiv. Kom. Fiz., vol. 55 — 56, p. 132. Alle 
vlekken op de bovenzijde der vleugels, die normaal geel zijn, veranderd in wit. 
Een buitengewoon gevaarlijke vorm om te citeren, daar het geel vrij gauw onder 
invloed van het licht verbleekt. Eigenlijk zou de naam alleen gebruikt mogen 



212 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (234) 

worden voor exemplaren, die gekweekt zijn, zodat elke twijfel uitgesloten is. 
Mogelijk behoren de volgende twee volkomen gave exemplaren er toe: Apeldoorn, 
1.VIH.1940 (van Berk) en Koukekerke, 14.VIII.1938 (Brouwer). 

[An extremely dangerous form to cite, because the yellow colour is apt to fade rather 
quickly. Only bred or very fresh specimens should be cited as belonging to this form with 
white instead of yellow spots. 

In 1892 Cosmovici described a form alba {Le Naturaliste, vol. 14, p. 255). Writing of 
the Roumanian A. urticae he said: "Je dois faire une variété, car nos spécimens ont les 
éclaircies costales d'une coloration blanche et non point jaune, et même la tache noire dis- 
coidale, inférieure est éclairci extérieurement de blanc et point de jaune". But Caradja 
strongly denied, that the specimens of his country constituted a subspecies showing these 
characters and affirmed, that his compatriot only described faded specimens taken in spring 
(1895, Iris, vol. 8, p. 46). Cosmovici's name alba therefore should be dropped. 

Stach's specimen was taken on august 8th, so that his name might refer to a really 
existing, but very rare form.] 

f. erythrophaea Fritsch, 1913, Ent. Rundschau, vol. 30, p. 9 {extrema Schön- 
felder, 1925, Ent. Z. Frankfurt, vol. 39, p. 143). De gele vlekken op de boven- 
zijde van voor- en achtervleugels zijn geheel of vrijwel geheel verdwenen, alle 
overige tekening normaal. Soest (Zool. Mus.); Wassenaar (van Wisselingh) ; 
Den Haag (H. Veen). 

f. caerulapicata Raynor, 1906, Ent. Ree, vol. 18, p. 298. Op de bovenzijde der 
voorvleugels is de apex lichtblauw bestoven. Het lijkt me het beste de naam ook 
te gebruiken voor exemplaren, waarbij de witte vlek bij de apex blauw getint is. 
Bussum, Amsterdam (Stammeshaus). 

[In collectie van Wisselingh bevindt zich een klein exemplaar van Gronin- 
gen, 3. VII. 1918, waarbij de middelste zwarte costaalvlek blauw bestoven is. Ik 
geloof niet, dat deze afwijking iets te maken heeft met de kleinheid van het 
dier, maar ik geef er de voorkeur aan een normaal ontwikkeld exemplaar af te 
wachten alvorens er iets meer van te zeggen.] 

f. violescens Slevogt, 1900, Horae Soc. ent. Ross., vol. 34, p. 530. De maantjes 
langs de achterrand der vleugels niet blauw, maar (bij schuin houden) paars. 
Niet gewoon, maar stellig wel op de meeste vindplaatsen onder de soort aan te 
treffen. 

f. luteomarginata Lambillion, 1906, Rev. mens. Nam., vol. 6, p. 47 (fulvomar- 
ginata Raynor, 1909, Ent. Ree. vol. 21, p. 7). De achterrand op de bovenzijde 
der vleugels duidelijk geel gekleurd. Geen al te zeldzame vorm. Hembrug 
(Bank); Haarlem, Voorschoten, Epen (Zool. Mus.); 's-Hertogenbosch (Leids 
Mus.); Deurne (Nies). 

f. griseomar ginata Raynor, 1909, 1. c, p. 7. De achterrand op de bovenzijde 
der vleugels duidelijk grijs gekleurd. Blijkbaar veel minder dan de vorige vorm. 
Zeist (Brouwer); Amsterdam (Zool. Mus.); Rotterdam, 's-Hertogenbosch (Leids 
Mus.). 

f. adumbrata Raynor, 1909, 1. c, p. 8. De gele vlek op de bovenzijde der 
achtervleugels aan de voorrand is geheel of vrijwel geheel door een zwarte be- 
schaduwing verdrongen. Lochern, Amsterdam, Stein (Zool. Mus.); Nijmegen 
(van der Vliet); Deurne (Nies). 

f. infuscata Raynor, 1909, I.e., p. 7. Alle zwarte tekening op de bovenzijde der 



(235) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 213 

voorvleugels dieper van tint en zwaarder, vooral aan de wortel en langs de ach- 
terrand, daardoor somber getekende dieren. Apeldoorn (Leffef); Soest, Amster- 
dam, Haarlem (Zool. Mus.); Sint Michielsgestel (Knippenberg). 

f. subtus-ochrea-balteata Reuss, 1910, The Entomologist, vol. 43, p. 279. Op de 
onderzijde der achtervleugels een scherp afstekende licht geelachtige of bijna wit- 
achtige submarginale band. Stellig zeldzaam. Amsterdam (Zool. Mus.). 

f. subtus-nigra Reuss, 1910, 1. c, p. 278. De donkere gedeelten op de onder- 
zijde der vleugels niet bruinzwart, maar diepzwart. Niet gewoon. Amsterdam 
(Zool. Mus.). 

f. subtusnigrescens nov. De onderzijde der achtervleugels vrijwel eenkleurig 
zwartachtig. Nijmegen (holotype, van der Vliet). 

{The under side of the hind wings nearly unicolorous blackish.] 

C. Tekening bovenzijde voorvleugels. 

f. basi-ichnnsa Reuss, 1910, Entomologist, vol. 43, p. 280. De vleugelwortel 
donker bestoven tot de eerste costaalvlek en de binnenrandsvlek. Volgens Reuss 
veroorzaakt door vertraagde ontwikkeling van de rups of de pop of door onvol- 
doende voedsel. In elk geval tot nog toe bij ons uiterst zelden waargenomen. 
Aalten, 29.XI.1939, e. 1. (van Eldik). 

f. nubilata Raynor, 1909, Ent. Ree, vol. 21, p. 7. Van de tweede costaalvlek 
naar de zwarte vlek aan de binnenrand loopt dwars over de vleugel een bestui- 
ving van zwarte schubben. South, pi. 38, fig. 4. In de buitenlandse literatuur 
vaak vermeld als „polaris Stgr.", een subsp. uit Noord-Scandinavië, ook wel als 
semi-polaris (Birch, 1944, Entomologist, vol. 77, p. 8) of pseudopolaris (Row- 
ley, 1939, Entomologist, vol. 72, p. 292). Vrij gewoon, overal onder de soort 
voorkomend. 

f. fasciata Maslowscy, 1923, Polsk. Pismo Ent., vol. 2, p. 126, fig. 2 (pseudo- 
connexa Cabeau, 1927, Lambillionea, vol. 27, p. 90). Een extremere graad van 
de vorige vorm, waarbij de zwarte bestuiving zo dicht geworden is, dat een vrij- 
wel massieve band ontstaan is. Veel zeldzamer! Afgebeeld in Lambillionea, vol. 
29, pi. 1, fig. 3. Frederiksoord (Janse); Amsterdam (VaRi); Heemstede (Her- 
warth); Den Haag (Hardonk); Vaals (Delnoye). 

f. elongata Birch, 1944, Entomologist, vol. 77, p. 7. Van de twee zwarte dis- 
caalvlekken één of beide in de lengte uitgerekt. Amsterdam, Schoorl (Zool. Mus.). 

f. magnipuneta Raynor, 1909, Ent. Ree, vol. 21, p. 8. Met duidelijk vergrote 
discaalvlekken. Niet talrijk, maar vrijwel overal onder de soort aangetroffen. 

f. parvipuncta Raynor, 1909, 1. c, p. 8. Met kleine discaalvlekken. Dit varieert 
van duidelijk verkleinde, maar goed zichtbare vlekken tot heel kleine puntjes. 
Overal onder de soort en algemeen, al zijn de extreme exemplaren natuurlijk vrij 
zeldzaam. 

f. tripuncta Raynor, 1909, 1. c, p. 8. Met drie discaalvlekken. De extra vlek 
kan zowel boven als onder de twee normale staan en is meestal kleiner dan deze 
twee. Een zeldzame vorm. Groenekan (Leids Mus.); Weesp, Hembrug (Wester- 
neng); Heemstede (v. Herwarth); Capelle aan den IJsel (Verkaik); Schiedam 
(Zool. Mus.); Rotterdam, Sint Pieter (Mus. Rotterdam). 

f. unipnncta Raynor, 1909, 1. c, p. 8. Met één discaalvlek. Vrij zeldzaam. Borne 



2i4 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (236) 

(van der Velden); Kampen, Soest, Gronsveld (Zool. Mus.); Diemen (Stam- 
meshaus); Amsterdam (diverse collecties); Wassenaar (van Wisselingh); Ca- 
pelle aan den IJsel (Verkaik); Krimpen aan den IJsel (van der Schans); Schie- 
dam (Nijssen); Rotterdam (Mus. Rotterdam); Vaals (Delnoye). 

f. impuncta Lempke, 1931, Lambillionea, vol. 31, p. 98. Beide discaalvlekken 
ontbreken, overigens normaal. Zeldzaam. Steenwijkerwold (H. Veen); Laag- 
Keppel, Amsterdam, Stein (Zool. Mus.); Hembrug (Bank); Hillegom (Janse); 
Den Haag (Hardonk); Sint Michielsgestel (Knippenberg). Een exemplaar van 
Weesp is links impuncta en rechts normaal, mogelijk een somatische mozaiek 
(Zool. Mus.). Sterke overgangen met nauwelijks een spoor van de vlekken van 
Middelie (de Boer) en Capelle aan den IJsel (Verkaik). 

f. radiata Raynor, 1909, 1. c, p. 7 (neurodes Cabeau, 1922, Rev. mens. Soc. 
ent. Nam., vol 22, p. 22). De aderen in het roodachtige middengedeelte zwart 
getekend. Niet al te gewoon, maar waarschijnlijk wel op de meeste plaatsen onder 
de soort aan te treffen. Colmschate (Lukkien); Bennekom (van de Pol); Wa- 
geningen (Leids Mus.); Batenburg, Amsterdam, Haarlem (Zool. Mus.); Heem- 
stede (v. Herwarth); Wassenaar (van Wisselingh); Rotterdam (Mus. Rot- 
terdam); Haaren, Sint Michielsgestel (Knippenberg). 

f. costajuncta nov. De eerste en de tweede costaalvlek door een dikke zwarte 
balk langs de voorrand met elkaar verbonden. Nuenen (holotype, Verhaak). 

[The first and the second costal spots on the upper side of the fore wings connected by 
a thick black bar along the costa, all other markings normal.] 

f. magninotata Raynor, 1909, 1. c, p. 8. De zwarte vlek aan de binnenrand op- 
vallend vergroot. Niet al te gewoon, maar zonder twijfel vrijwel overal onder de 
soort aan te treffen. 

f. parvinotata Raynor, 1909, 1. c, p. 8. De zwarte vlek aan de binnenrand 
opvallend verkleind. Vrij gewoon, overal onder de soort te vinden. 

f. parviguttata Raynor, 1909, 1. c, p. 7. De blauwe manen langs de achter- 
rand verkleind. Exemplaren, waarbij deze vlekken zo sterk gereduceerd zijn, dat 
ze bijna niet meer te zien zijn, of waarbij zelfs een aantal ervan ontbreken, zijn 
niet zeldzaam en komen zeker overal onder de soort voor. 

f. magni guttata Raynor, 1909, 1. c, p. 7. De blauwe manen langs de achter- 
rand duidelijk vergroot. Ongetwijfeld een zeer zeldzame vorm. Onder de vele 
urticae's in de collectie van het Zool. Mus. vond ik er slechts één, die inderdaad 
ertoe gerekend kan worden. Amsterdam. 

f. leodiensis Cabeau, 1933, Lambillionea, vol. 33, p. 77. De twee buitenste 
costaalvlekken samengesmolten, de twee discaalvlekken afwezig of zeer klein, de 
gele vlekken ontbreken, evenals de blauwe maantjes voor de achterrand; achter- 
vleugels normaal. Alleen de voorvleugels bezitten dus de ichnusioides-teken'mg. 
Zutfen, 1949 (Wilmink); Leusden, 1942 (Zool. Mus.); Amsterdam (van der 
Vliet); Deurne, 1943 (Nies); Stein, 1946 (Missiehuis aldaar). 

Een paar vermeldenswaardige exemplaren zijn nog de volgende : 

Tussen de eerste en de tweede costaalvlek staat een zwarte stip. Amsterdam, 
alleen linker vleugel (VaRi); Bemelen, alleen rechter vleugel (Maessen). 

Op de rechter vleugel zijn de buitenranden van de drie costaalvlekken gerafeld. 



(237) B. J. Lempke : Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 215 

Capelle aan den IJsel (Verkaik). 

D. Tekening bovenzijde achtervleugels. 

f. angustibalteata Raynor, 1909, 1. C, p. 8. De rode submarginale band opval- 
lend versmald, overigens normaal. Zeldzaam. Amsterdam (van der Meulen). 

f. latibalteata Raynor, 1909, 1. c, p. 8. De rode submarginale band opvallend 
verbreed. Zeldzaam. Wassenaar (van Wisselingh). 

f. magnilunulata Raynor, 109, 1. c, p. 8. De blauwe manen voor de achter- 
rand opvallend vergroot. Niet gewoon. Groningen (Kooi); Vledder (Brouwer); 
Speulde (Küchlein); Bussum, Amsterdam (Zool. Mus.); Heemstede (v. Her- 
warth); Den Haag (Leids Mus.); Bemelen (van Wisselingh). 

f. parvilunulata Raynor, 1909, 1. c, p. 8. De blauwe manen voor de achter- 
rand opvallend verkleind. Evenmin gewoon. Amsterdam (diverse collecties); 
Haarlem (van Wisselingh); Voorschoten (Zool. Mus.); Den Haag (Leids 
Mus.); Sint Michielsgestel (Knippenberg); Bemelen (Kammerer). 

f. luna Reuss, 1909, Ent. Ree, vol. 21, p. 211. De derde en vierde maan vanaf 
de staarthoek samen gesmolten tot één grote blauwe vlek. Amsterdam (Zool. 
Mus.). 

E. Tekening bovenzijde voor- en achtervleugels. 

f. nigrimarginata nov. Voor- en achtervleugels met brede zwarte achterrand, 
overigens niet of nauwelijks afwijkend. Nieuwenhagen, 17. IX. 1929 (holotype, 
Mus. Maastricht). Zie foto in Natuur hist. Maandbl. Maastricht, vol. 23, p. 8, 
middelste fig. 

[Fore and hind wings with broad black outer border, all other markings more or less 
typical.] 

f. ichnusioides de Selys, 1837, Cat. Lép. Belg., p. 18 (atrebatensis Boisduval, 
1873, Rev. Mag. Zool., 3e série, vol. 1, p. 409, pi. 17, fig. 1; semiichnusoides 
Pronin, 1928, Lep. Rundschau, vol. 2, p. 179, fig. op p. 178; semi-nigra Frohawk, 
1938, Vars. Brit. Butteri!, p. 92, pi. 22, fig. 2). Op de voorvleugels de tweede 
en derde costaalvlek samengesmolten tot één grote vlek, terwijl de twee discaal- 
vlekken ontbreken; op de achtervleugels de roodachtige submarginaalband ge- 
reduceerd, variërend van een vrijwel normale band doorsneden door zwarte 
aderen (type van de Selys) tot een rij kleine rode vlekjes (type van Boisduval). 
Deze twee vormen zijn door alle mogelijke overgangen met elkaar verbonden, zo- 
dat ze onder de oudste naam verenigd moeten worden. De blauwe manen op de 
achtervleugels kunnen aanwezig zijn (zowel het type van de Selys als dat van 
Boisduval bezaten ze), maar ze kunnen ook gedeeltelijk of geheel ontbreken. 
Een zeer bekende, zeldzame, maar vrijwel zeker erfelijke vorm. Hierop wijst 
vooral het feit, dat Kaijadoe in zijn omgeving in drie vrij dicht op elkaar vol- 
gende jaren een exemplaar ving. Het vermoeden ligt voor de hand, dat de vorm 
recessief is (en daarom ook zo zeldzaam) en dat in de omgeving van Oegst- 
geest zoveel heterozygoten voorkwamen, dat een copulatie tussen twee zulke exem- 
plaren er nu en dan plaats vond. Arnhem, 1896 (Zool. Mus.); Groenekan (Leids 
Mus.); Oegstgeest, 2.X.1945, 19.VIII.1947, 18.VIII.1951 (Kaijadoe); Was- 
senaar, 1941 (Mus. Rotterdam); Steyl, 1946 (Br. Antonius). 

f. nigrita Fickert, 1897, Jahreshefte Ver. vaterl. Naturk. Württemberg, vol. 53, 



216 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 (238) 

p. LXVIII (nigricaria Lambillion, 1902, Hist. nat. et Moeurs Pap. Belg., p. 64). 
Als ichnusioides, maar de achtervleugels geheel zwart, met of zonder sporen van 
de randmanen. Steenwijk, 15. IX. 1934, Den Haag, 30.VII.1942 (H. Veen); 
Haarlem, oktober 1895 (Zool. Mus., afgebeeld in Tijdschr. Entom., vol. 48, pi. 
2, fig. 5); Brunssum, 3. IX. 1933 (Mus. Maastricht, afgebeeld in Natuurhist. 
Maandbl. Maastr., vol. 23, p. 8, onderste fig.). 

F. Tekening onderzijde. 

f. subtusvenata nov. De lichte submarginale band op de achtervleugels is ver- 
donkerd en doorsneden door lichte aderen. Amsterdam, 24.VIII.194l, e. 1., holo- 
type (Zool. Mus.). 

[The pale submarginal band on the under side of the hind wings is darkened and crossed 
by pale nervures.] 

[f. drus/a Ver Huell, 1851, Konst en Letterbode, no. 40 — 41; 1854, Hand. 
Ned. Ent. Ver., p. 32. Van Medenbach van Rooy toont een tekening, „waaraan 
de heer Ver Huell den naam van Drusia wilde toegekend hebben, daar zij bij 
Doesburg gevangen was". Nomen nudum. De tekening heb ik niet terug kunnen 
vinden.] 

Teratologische exemplaren. Linker voorvleugel te klein. Amster- 
dam (Zool. Mus.). 

Linker achtervleugel te klein. Zeist. (Gorter); Amsterdam (van Oorschot). 

Beide linker vleugels te klein. Amsterdam (van Oorschot). 

Pathologische exemplaren. Rechter voorvleugel langs de achter- 
rand verbleekt. Capelle aan den IJsel (Verkalk). 

Rechter voorvleugel in de buitenhelft gedeeltelijk verbleekt. Weesp (Wester- 
neng). 

Beide voorvleugels met grote lichte vlek. Soest (Zool. Mus.). 

De wortel van de voorvleugels gedeeltelijk zonder rode schubben, daardoor grijs 
van kleur. Kollum, e. 1. (Zool. Mus.). 

Rechter achtervleugel op boven- en onderzijde gedeeltelijk ontschubd. Amster- 
dam (van Oorschot). 

Corrigenda 

Supplement II, p. (91), regel 14 van onderen: „submarginale vlekken" moet zijn 
„submediane vlekken". 

idem, p. (92), line 11 — 12 from top: in stead of "are coalescent" read: "are 
connected with the corresponding chevrons". 

Supplement III, p. (135), regel 2 van onderen: „voorvleugels" moet zijn „voor- 
en achtervleugels". 

idem, p. (136), line 4 from top: in stead' of "the fore wings" read "fore and hind 
wings". 



THE LIFE-HISTORIES OF LESTES SPONSA (HANSEMANN) 
AND SYMPETRUM STRIOLATUM (CHARPENTIER) 

(ODONATA) 

by 
PHILIP S. CORBET 

Department of Zoology, University of Cambridge, England 



Contents 



Introduction 

Lestes sponsa (Hansemann) 

Larval growth 

Emergence and longevity .. 

Sympetrum striolatum (Charpentier) 

Larval growth 

Emergence and longevity 
Discussion 

Acknowledgements 

Summary 

References 



Page 
217 

218 
218 
220 

222 
223 
226 
226 

228 
228 
228 



Introduction 

With regard to their life-histories, it is meaningful to recognise two types 
amongst British dragonflies: spring and summer species. Spring species, typified 
by Anax imperator Leach and Pyrrhosoma nymphula (Sulzer), have been defined 
as those possessing a diapause in the final larval instar; completion of this dia- 
pause in autumn results in a synchronised emergence early the following year. 
Although summer species may have a diapause stage in the life-history, it is by 
definition absent from the final larval instar (Corbet 1954). It has been sug- 
gested (Corbet 1952) that in summer species the final larval instar is entered 
shortly before emergence and that, since growth is not interrupted at this stage, 
emergence is temporally dispersed. The peak of emergence may therefore occur in 
the middle of the emergence period instead of at the beginning, as is the case 
in spring species. 

An implication of a normally distributed emergence curve is the demand it 
imposes upon adult longevity. In summer species it is doubtful whether the 
reproductive potentialities of a population could be realised adequately unless the 
average expectation of life exceeded half the flying season. Thus, summer species 
might be expected to live longer than spring species. 

In the present paper the life-histories of two, univoltine summer species are 
described with the view of testing these hypotheses. 



217 



218 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 



Lestes sponsa (Hansemann) 

L. sponsa is a locally common inhabitant of acid, moorland pools in the 
British Isles; it is found throughout north and central Europe, and extends to 
north Asia, Mongolia and Japan (Longfield 1949). The flying season extends 
from late June until early September. A resident population at the Fish Pond, 
Wokefield Common, Berkshire (Nat. grid ref. 41/653662) provided the material 
for this study. This habitat is described in detail elsewhere (Corbet 1956c). 

There appears to be no previous work concerning the life-history of this species, 
although an indication of what to expect is provided by the work of Pierre 
(1904) on Lestes viridis Van der Lind, and of Wesenberg-Lund (1913) on 
L. dryas (Kirby): in Europe both these species are univoltine and overwinter in 
the egg. The life-history of L. sponsa (fig. 1) has been found to be similar. An 
obligate diapause is developed in the egg and consequently synchronised hatching 
occurs in spring (Corbet 1956b). 



OVIPOSITION 



WINTER PASSED 



DIAPAUSE EGG 



PERIOD OF LARVAL 
DEVELOPMENT 




FLYING 
SEASON 



ADULTS LAY 
DIAPAUSE EGGS 



Fig. 1. L. sponsa. Diagram of life-history. Larval growth rate during April, May and June 
is expressed by length-means of five samples taken in 1953. 

Larval growth 



Larval samples were collected with a hand-net at approximately fortnightly 
intervals from April to June, 1953. They were always taken from the same region 
of the pond: this comprised the south-western mat of Hypericum elode s L. and the 
adjacent patch of Myriophyllum altemiflorum D.C. The dredged material was 
washed in a white enamel tray and the larvae removed for measurement. Larval 
length, which was determined with callipers and a millimetre scale, represented 
the distance (to the nearest whole millimetre) between the anterior extremity of 
the head (excluding the antennae) and the posterior margin of abdominal seg- 
ment 10. The caudal lamellae were omitted, since they are often missing or 
present in a partially regenerated condition. Identification of larvae rested upon 
the knowledge that L. sponsa was the only species of the genus found in the Fish 
Pond. In the case of final instar larvae, this identification could be checked by 
inspection of morphological characters (MacNeill 1951). Larvae were not 
returned to the pond after inspection. 



P. S. Corbet : Lestes sponsa and Sympetrum striolatum 



219 



Table 1. L. sponsa. Population parameters calculated from larval samples (x — larval 

length in millimetres) 



L 



5 IO 15 



jiL 



Date 
(1953) 










Values of x 


N 


X 


Ö 


M 


Least 


Greatest 


25 April 


20 


2.95 


0.51 


0.11 


2 


4 


11 May 


54 


5.13 


0.73 


0.10 


3 


6 


31 May 


61 


11.93 


2.68 


0.34 


6 


17 


17 June 


45 


18.18 


2.53 


0.38 


11 


23 


26 June 


44 


22.14 


1.57 


0.24 


17 


24 



ifc^ 



-i 1 r— 

5 IO 15 20 25 




Length-frequency histograms of larval samples 
appear in fig. 2 and the parameters calculated 
from them are given in table 1. Since L. sponsa 
is univoltine, no problems arise from the need to 
separate age-groups. Comparison of successive 
sample means to obtain an average value for 
growth rate (fig. 1) will, nevertheless, be subject 
to errors deriving from staggered hatching of eggs 
and from emergence of final instar larvae (Cor- 
bet 1956c). It is probable that hatching of the 
eggs is well-synchronised and that, for practical 
purposes, the larval population may be considered 
to be homogeneous in age, but it is clear that, 
from the time that emergence begins, calculated 
values for growth rate will be depressed. The 
reduction in sample variation after 17 June (table 
1) can probably be assigned to the same cause. 
The last sample was taken on 26 June, one day 
after the first observed emergence. Newly-hatched 
(instar 2) larvae are about 2 mm. long, and it 
appears from fig. 1 that the average date of 
hatching in 1953 was about 15 April. 

It can be seen that larval growth is completed 
in 2 — 3 months. This seasonal restriction of the 
larval stage has been noticed previously by Macan 
(1949) and MacNeill (1951), but was attribut- 
ed to larvae having cryptic, mud-dwelling habits 
during winter. As it happens, such an interpre- 
tation is unlikely on other grounds: the larva of 
L. sponsa has the translucent, pale-green colo- 
ration typical of inhabitants of surface weed (e.g. 
Coenagrion, Enallagma, Anax), and not the opa- 



Fig. 2. L. sponsa. Length-frequency histograms of larval 

samples taken in 1953. Abscissa: larval length in mm. 

Ordinate: frequency, in units of 5. 



220 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 

que, dark-brown colour of benthic mud-dwellers (e.g. Pyrrhosoma, Libellula, 
Orthetrum). 

The final larval instar is entered shortly before emergence. Final instar larvae 
first appeared in samples on 17 June, when they comprised 26% of the sample; 
by 26 June this proportion had risen to 88%. It thus appears that the final instar 
lasts considerably less than 30 days at June temperatures. On 17 June no final 
instar larvae showed external signs of impending metamorphosis, but on 26 June 
32 (82%) of the 39 final instar larvae had swollen wing-sheaths, and in 9 of 
these the tissues of the adult labium were lying within the larval postmentum. 
There is no sign of delayed development in the final instar, and therefore 
emergence may be expected to show a temporal variation rather wider than that 
exhibited by the larval sample of 17 June. 

Emergence and longevity 

It is not practicable to study the form of the emergence curve in L. sponsa by 
making daily collections of exuviae. Although exuviae are large and easily identi- 
fied, the littoral vegetation used for emergence is so dense in mid-summer that 
they are very difficult to find. For this reason, the emergence curve is best studied 
by recording the return of mature adults to water. The validity of such an ap- 
proach has already been demonstrated for P. nymphula by using capture-recapture 
methods (Corbet 1952). The only time available for a similar study to be made 
for L. sponsa was during the first 19 days of the flying season in 1952, but the 
results are sufficiently informative to merit presentation. 

In 1952, from 1 May to 17 July, the Fish Pond was inspected carefully every 
day. Furthermore, upon each fine day, about 6 hrs. were spent at the pond col- 
lecting adults of Coenagriidae to obtain population estimates. Therefore records of 
first emergence and mature adult flight may be considered fairly reliable. 

Emergence was first observed on 11 June. The first mature adult, a male, was 
first seen at the pond on 27 June, implying a maturation period of about 16 days. 
This is comparable with the value of 15 days recorded for P. nymphula in the 
same habitat in 1951 (Corbet 1952). 

Adults of L. sponsa have habits different from those of P. nymphula. Instead 
of settling near the shore on trees and bushes, they inhabit the restricted region of 
marginal Juncus and Eleocharis. At the Fish Pond, this represents a narrow strip, 
from 1 — 2 yds. wide, within easy access of the shore. Upon arrival, mature males 
settle upon a plant stem in this zone, and make occasional sallies at passing 
dragonflies. It is therefore possible to maintain close observation upon a po- 
pulation of mature adults. 

From 27 June to 2 July, a succession of 6 fine days, mature adults were col- 
lected and marked. They were released within 10 minutes of capture from a 
constant position on the shore. Collecting was discontinued only when daily 
flight ceased at about 1800 B.S.T. Therefore the size of daily collections is an 
indication of the number of adults present. On 28 June, for example, the 5 
marked insects remained at the pond the whole day, and no more arrivals could 
be detected. 



P. S. Corbet : Lestes sponsa and Sympetrum striolatum 



221 



JUNE 



JU LY 




JUNE 



JULY 




Fig. 3. L. sponsa. Trellis diagrams showing recapture data for mature males for the first ten 
days of the flying season in 1952. Figures in the central squares of the upper diagram are 
the observed recapture frequencies; in the lower diagram these figures represent the cal- 
culated relative recapture frequencies, obtained by reducing captures and releases to a com- 
mon base of 100. Dots in a date column indicate that no sample was taken due to bad 

weather. 



222 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 

Since the two sexes show differential activity, and since females are seldom 
caught near water, recapture data recorded in fig. 3 apply only to mature males. 
In fig. 3 the upper diagram contains the observed recapture frequencies, and the 
lower diagram the calculated relative recapture frequencies, obtained by reducing 
captures and releases to a common base of 100. 

It is clear from the results that males arrived at the pond gradually at the 
beginning of the flying season. If the relative recapture frequencies in fig. 3 are 
compared with the corresponding values for P. nymphula for the first 10 days of 
the flying season in 1951 (Corbet 1952, p. 211), the contrast is marked. In 
P. nymphula the first 15 values averaged about 22, whereas in L. sponsa they 
averaged about 513. In P. nymphula these frequencies were small initially (in- 
dicating dilution of marked insects in a large population), but rose regularly as the 
flying season progressed. This situation was reversed in L. sponsa, showing that 
the population was originally small and was augmented gradually by small influxes 
of adults. 

More extensive records are needed before firm conclusions can be drawn for 
L. sponsa, but results indicate plainly that the peak of the emergence curve did 
not occur within the first 10 days of emergence in 1952, a period within which 
more than 88% of the annual population of A. imperator emerged (Corbet, 
1956c), and probably a comparable proportion of P. nymphula. Thus it is reason- 
able to assume provisionally that the emergence curve of L. sponsa resembles the 
theoretical type postulated for summer species. 

Data concerning longevity are not available for L. sponsa, but it is interesting 
to note that a male, first released on 1 July, was recaptured when a visit was made 
to the Fish Pond on 22 August, 1952. This insect had survived for at least 53 
days after having completed the maturation period. Assuming it to have died 
on 22 August, it provides a value of 69 days for the maximum life-span. This 
greatly exceeds the comparable value of 46 days obtained for P. nymphula in 
1951. 

Sympetrum striolatum (Charpentier) 

S. striolatum is distributed widely throughout the British Isles, but does not 
appear to breed north of Durham and Lancashire. In Europe, it is principally a 
Mediterranean species, extending north to southern Norway and Sweden, and 
east as far as Kashmir (Longfield 1949). The flying season, from late June 
until late October, is the longest of any British dragonfly. 5". striolatum is typically 
an inhabitant of small ponds liable to dry up in late summer. 

Identification of the British species of the genus Sympetrum is very difficult 
in the larval stages. All species have been reared from egg to adult and the larval 
stages described (Gardner 1950a, b, 1951a, b; Gardner & MacNeill 1952; 
Corbet 1951), but diagnostic criteria for their separation in early instars are 
still wanting. Thus, field identifications must rely to some extent on circumstantial 
evidence derived from a knowledge of adult occurrence, or the emergence in 
captivity of members of the population studied. 

The oviposition period (see fig. 4) may extend from late June to late October: 



P. S. Corbet : Lestes sponsa and Sympetrum striolatum 



223 



FLYING SEASON 



EMERGENCE 

n oi 



LARVAL DEVELOPMENT 




OVIPOSITION 
EGGS HATCHING 



Fig. 4. S. striolatum. Diagram of life-history. Larval growth rate is expressed by length- 
means of samples taken in 1952 and 1953- Most of the larval growth is completed in May. 
The fall in mean length in June is probably caused by emergence. 

on 17 October, 1948 several females were seen ovipositing in a Berkshire pond. 
Gardner (1950b) found that eggs laid on 22 September and kept at an 
average temperature of 24° C began hatching after 22 days. Eggs laid by captive 
females from the Fish Pond on 8 August, 1949 began hatching after 9 days when 
kept at 25 — 30° C. A batch from a similar source laid on 4 September, 1949, 
which experienced temperatures of 20 — 25° C, began to hatch after 20 days. 
There seems little doubt that, in nature, eggs normally develop without diapause, 
hatching in from 3 to 4 weeks. Oviposition is exophytic, and newly-laid eggs 
sink to the bottom; thus they undergo development in the region of lowest 
temperature and light intensity. This circumstance may have an important bearing 
on the rate of egg development. 

Larval growth 



The larval population selected for study existed in a small, marginal pool, sub- 
sidiary to Hatchet Pond, near Beaulieu, Hampshire (Nat. grid ref. 41/367015). 
This pool was about 20 ft. in diameter and varied in depth from about 1 foot in 
summer to 3 ft. in winter, at which time it was joined by a narrow isthmus to 
the main body of Hatchet Pond. The habitat was chosen on account of the strong 
field evidence that S. striolatum was the only species of the genus to occur there 
(Fraser, 1952), and also on account of the high larval density. This identifi- 
cation was confirmed by obtaining adults solely of this species from 36 larvae 
collected in 1953. 

Larval development was studied by analyses of samples taken from October, 
1952 to October, 1953. These were taken at intervals of approximately a month, 
except in May, 1953, when two samples were taken. Methods for collecting and 
measuring larvae were the same as those described for L. sponsa. Larvae were kept 
in order to determine the instar composition of samples. 

Length-frequency histograms of larval samples are shown in fig. 5 and the 



224 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 



relevant population parameters in table 2. It is clear that the species is univoltine 
and that, with the exception of 4 September, 1953, samples contain only one 
age-group. It is therefore possible, at least until early June, to calculate the average 
larval growth rate by comparison of successive sample means. The growth rate 
derived in this way is shown in the context of the life-history in fig. 4. The 
apparent negative growth rate between 4 and 28 June is attributed to emergence 



Table 2. S. striolatum. Population parameters calculated from larval samples (x 

length in millimetres) 



larval 















Values of x 




Date 


N 


X 


o 


°M 




















Least 


Greatest 


1952 


. 26 Oct. 


27 


3-04 


0.51 


0.10 


2 


4 




29 Nov. 


13 


3.15 


0.38 


0.10 


3 


4 




22 Dec. 


50 


3.30 


0.91 


0.13 


2 


5 


1953 


: 24 Jan. 


34 


3.06 


0.90 


0.16 


1 


5 




28 Feb. 


61 


3.87 


0.94 


0.12 


2 


5 




28 Mar. 


58 


4.00 


1.12 


0.15 


2 


7 




28 Apr. 


69 


5.03 


2.38 


0.29 


2 


10 




17 May 


124 


8.90 


3.80 


0.34 


2 


16 




4 June 


72 


13.96 


2.27 


0.27 


5 


18 




28 June 


69 


13.41 


3.26 


0.39 


6 


18 




5 Aug. 


76 


16.91 


1.55 


0.18 


9 


18 




4 Sept. 


5 


17.00 


0.87 


0.39 


16 


18 


1953 


4 Sept. 


2 


2.00 


0.00 


OO 


2 


2 




4 Oct. 


116 


2.22 


1.13 


0.11 


1 


5 



Note: Each sample is concerned with one age-group only. The transverse line separates the 

two generations. 



having occurred between these dates. For this to have lowered the mean length to 
such an extent, a substantial accumulation of larvae in the final instar must have 
occurred beforehand. Therefore, it is likely that the estimate for average larval 
growth between 17 May and 4 June also falls short of the real value during this 
period. 

Larval growth is insignificant from December until March, and the greater part 
of larval development is completed in late April and May. From April onwards, 
growth is rapid and variation wide (see table 2). The rate of growth at this time 
is comparable with that exhibited by L. sponsa. It is significant to note that 
Sympetrum represents one of those genera whose members dwell amongst water 
plants near the surface. Therefore, in small ponds in which vertical thermal 
gradients may attain the order of 1° C per inch, larvae experience very high 
temperatures early in the season. 

The final instar is entered in mid-May, and metamorphosis (diagnosed from 
swelling of the wing-sheaths) occurs in early June (table 3). Considerable 
emergence had already occurred by 28 June, as evidenced by the exuviae found 
around the pond on that date. Therefore it may be concluded that the final instar 
is entered about one month before emergence, at any rate at the beginning of the 
emergence period. 



P. S. Corbet : Lestes sponsa and Sympetrum striolatum 225 



L 










90i 



85 




5 IO 5 IO 15 20 5 IO 15 20 



Fig. 5. 5. striolatum. Length-frequency histograms of larval samples taken in 1952 and 
1953. Abscissa : larval length in mm. Ordinate: frequency, in units of 5. 



226 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 

Table 3. S. striolatum. Seasonal incidence of final instar larvae, metamorphosis and emergence. 



Date of samp- 
le (1953) 


Percent, in 
final instar 


Percent, of 
final instar 
showing meta- 
morphosis 


Total larvae 
in sample 


Number of 
exuviae 
collected 


28 April 


0.0 


0.0 


69 





17 May 


1.6 


0.0 


124 





4 June 


54.4 


5.1 


72 





28 June 


40.7 


35.7 


69 


26 


5 Aug. 


94.7 


79.2 


76 


8 


4 Sept. 


100.0 


80.0 


5 


8 


4 Oct. 


0.0 


0.0 


116 






Emergence and longevity 

The form of the emergence curve is not known, but the fact that emergence had 
already begun while some of the age-group were still in instar 6 indicates that it 
must be widely dispersed temporally. Exuviae of this species were found on the 
marginal vegetation of the sampling pond on 28 June, 5 August and 4 September 
(table 3). 

The protracted emergence period raises the question of longevity. Unfortunately, 
few data exist for this species, but it is interesting to note that, in a preliminary 
investigation involving 7 species of Anisoptera, Moore (1952) found S. strio- 
latum to have the highest minimum value for maximum life-span. 

Discussion 

On first inspection, it appears that no mechanism exists to reduce temporal 
variation during the life-cycle of S. striolatum. If the protracted oviposition period 
and the direct development of the egg are considered, however, larval variation 
is perhaps less wide than might be expected from a study of L. sponsa. 

With the view of determining whether there were indications of growth being 
arrested in one particular stage, an instar analysis was made of each larval sample 
during the winter. These analyses were found to be informative on other counts 
and so were continued during the summer, with the exception of 17 May, 1953 
(table 4). 

It is not often possible to determine the instar constitution of larval populations 
of dragonflies, due principally to the wide variation in size and the number of 
instars. However, this procedure proved relatively straightforward in S. striolatum: 
instars 2 — 6 can be recognised unequivocally from characters of the labium (Cor- 
bet 1951); the final and penultimate instars (10 and 9) can be determined from 
the state of development of the wing-sheaths (Gardner 1950b); and larvae can 
be assigned to instars 7 and 8 by taking into account the aforementioned characters 
and head-width. No serious difficulty was experienced in determining the larval 
instars, and it seems that 10 instars is the normal number in the population 
studied. The situation may be different for larvae reared in captivity: Gardner 
(1950b) recorded 11 instars for this species, and Corbet (1951) 13. 



P. S. Corbet : Lestes sponsa and Sympeirum striolatum 
Table 4. S. striolatum. Instar composition of larval samples. 



227 









Instars 










Total in 


Date of sample 


2 3 


4 


5 6 


7 


8 


9 


10 


sample 


1952 : 26 Oct. 


— 3 


20 


4 










27 


29 Nov. 


— — 


1 


12 — 


— 


— 


— 


— 


13 


22 Dec. 


— 11 


17 


18 4 


— 


— 


— 


— 


50 


1953 : 24 Jan. 


1 10 


10 


12 1 


— 


— 


— 


— 


34 


28 Feb. 


— 5 


15 


24 17 


— 


— 


— 


— 


61 


28 Mar. 


— 2 


21 


16 16 


3 


— 


— 


— 


58 


28 Apr. 


— — 


5 


17 21 


11 


15 


— 


— 


69 


4 June 


— — 


— 


2 


3 


10 


18 


39 


72 


28 June 








6 


6 


29 


28 


69 


5 Aug. 










1 


3 


72 


76 


4 Sept. 














5 


5 


4 Sept. 


2 














2 


4 Oct. 


7 87 


13 


8 1 


— 


— 


— 


— 


116 



Note: Each sample is concerned with one age-group only. The transverse line separates the 

two generations. 

The values in table 4 show that most larvae spend the winter in instars 4 and 
5. Instars 7 to 10 inclusive are of relatively short duration, and are restricted to 
spring and summer. There is no indication of an accumulation in any one instar 
as winter approaches, and it must be assumed that there is no well-defined dia- 
pause stage capable of reducing temporal variation in winter. 

There is, however, another way in which temporal variation could be reduced 
before emergence. From tables 3 and 4, and (indirectly) from fig. 4, it is clear 
that an accumulation of larvae in the final instar took place before emergence. At 
first (table 3), the rate of metamorphosis lagged behind entry to the final instar 
but, as the season progressed, it soon came to keep pace with it. It seems reason- 
able to assume that the first larvae to enter the final instar were obliged to post- 
pone metamorphosis until environmental conditions became suitable; then, many 
larvae which had accumulated in the final instar proceeded to metamorphosis more 
or less simultaneously, resulting in a surge of emergence at the beginning of the 
emergence period. There can be little doubt that between 4 and '28 June emergence 
was taking place at a higher rate than subsequently. 

The factor controlling the incidence of metamorphosis in this case may well 
have been temperature. Metamorphosis in A. imperator can be prevented by low 
temperature, even when all other conditions are favourable (Corbet 1956a). In 
latitudes where the annual fluctuation in temperature is considerable, the control 
of metamorphosis by a fairly high lower temperature threshold could do much to 
reduce temporal variation in summer species before emergence, although it is 
unlikely that it could ever be so efficient in this respect as the final instar dia- 
pause of spring species. The position of the seasonal temperature peak at Hatchet 
Pond is not known, but it is probably not reached until August or, at the earliest, 
late July. The highest water temperatures recorded during sampling visits to this 
habitat were on 5 August, 1953 (20 — 23° C). 

In the example under consideration, it is a matter of significance whether the 



228 Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 

delay of metamorphosis in May and June, 1953 was caused by the unusually in- 
clement weather which prevailed at that time, or whether it can be regarded as a 
feature normal to British populations of S. striolatum. The answer to this question 
must await further study. 

Acknowledgements 

My sincere thanks are due to Professor V. B. Wigglesworth, under whose 
supervision this work was carried out, and to those friends who have given me 
assistance in the field. I am indebted to the Department of Scientific and In- 
dustrial Research for the maintenance allowance which made this study possible. 

Summary 

1. The life-histories of Lestes sponsa (Hansemann) and Sympetrum striolatum 
(Charp.) have been determined from observations made on populations existing 
in Berkshire and Hampshire in 1952 and 1953. 

2. L. sponsa is univoltine. Oviposition extends from July to September. The 
winter is spent in the egg, in which an obligate diapause is developed, and syn- 
chronised hatching occurs in April. Larval development is completed in 2 — 3 
months, between April and July. The final larval instar is entered less than 30 
days before emergence, and metamorphosis follows ecdysis without delay. Analyses 
of recapture data indicate that the emergence curve has a centrally disposed peak. 

3. 5". striolatum is univoltine. Oviposition extends from late June until late 
October. The eggs hatch in 3 — 4 weeks, and larvae overwinter in instars 2 — 6, 
most doing so in instars 4 and 5. Larval growth is exceptionally rapid from April 
onwards, and the final instar is entered about a month or less before emergence, 
which begins in June. There is evidence that most emergence occurs at the be- 
ginning of the emergence period. It is suggested that this may be brought about 
by larvae accumulating in the final instar until environmental temperatures rise 
high enough to permit metamorphosis. 

References 

Corbet, P. S. (1951). The development of the labium of Sympetrum striolatu7>i (Charp.) 

(Odon., Libellulidae). Ent. Mon. Mag. 87, 289—96. 
Corbet, P. S. (1952). An adult population study of Pyrrhosoma nymphula (Sulzer): Odo- 

nata: Coenagrionidae). J. Anim. Ecol. 21, 206 — 22. 
Corbet, P. S. (1954). Seasonal regulation in British dragonflies. Nature, Lond. 174, 655. 
Corbet, P. S. (1956a). Environmental factors influencing the induction and termination of 

diapause in the Emperor Dragonfly, Anax imperator Leach (Odonata: Aeshnidae). 

J. Exp. Biol. 33, 1—14. 
Corbet, P. S. (1956b). The influence of temperature on diapause development in the 

dragonfly, Lestes sponsa (Hansemann) (Odonata: Lestidae). Proc. R. ent. Soc. 

Lond. (A) 31, 45—48. 
Corbet, P. S. (1956c). The life-history of the Emperor Dragonfly, Anax imperator Leach 

(Odonata: Aeshnidae). J. Anim. Ecol. (in press). 
Fraser, F. C. (1952). Personal communication. 
Gardner, A. E. ( 1950a). The life-history of Sympetrum sanguine urn Muller (Odonata). 

Ent. Gaz. 1, 21—6. 



P. S. Corbet : Lestes spon sa and Sympetrum strìolatum 229 

Gardner, A. E. (1950b). The life-history of Sympetrum s. strìolatum (Charpentier) 

(Odonata). Ent. Gaz. 1, 53—60. 
Gardner, A. E. (1951a). The life-history of Sympetrum danae (Sulzer) = S. scoticum 

(Donovan) (Odonata). Ent. Gaz. 2, 109—27. 
Gardner, A. E. (195 lb). The life-history of Sympetrum fonscolombìì Selys. (Odonata — 

Libellulidae). Ent. Gaz. 2, 56—66. 
Gardner, A. E. & MacNeill, N. (1952). Separation of Sympetrum strìolatum (Charp.) 

and 5. sanguineum (Muller) (Odonata - Libellulidae). Ent. Gaz. 3, 167 — 9- 
Longfield, C, (1949). The dragonflies of the British Isles. London. Second edition. 
Macan, T T. (1949). Survey of a moorland fishpond. J. Anim. Ecol. 18, 160 — 86. 
MacNeill, N. (1951). Separation characters for nymphs of Lestes dryas Kirby and L. sponsa 

(Hansemann) (Odonata: Lestidae). Entomologist 84, 40 — 2. 
Moore, N. W. (1952). On the length of life of adult dragonflies (Odonata — Anisoptera) 

in the field. Proc. Bristol Nat. Soc. 28, 267—72. 
Pierre, AßBe (1904). L'édosion des oeufs du Lestes viridis Van der Lind. Ann. Soc. Ent. 

France 73, 477—84. 
Wesenberg-Lund, C. (1913). Odonaten Studien. Int. Rev. Hydrobiol. 6, 155—228, 373— 

422. 



REGISTER VAN DEEL 99 

* Een sterretje duidt een naam aan nieuw voor de wetenschap 

** Twee sterretjes duiden een soort of vorm aan nieuw voor de Nederlandse fauna 

* One asterisc denotes a name new to science 

** Two asteriscs denote a species or form new to the Netherland fauna 

Note. From this Index are omitted names from Dr. Obraztsov's paper, „Die Gattungen 
der Paläarktischen Tortricidae" (pp. 107 — 154) of taxa which are lower than subspecies 
(viz., varieties, aberrations, etc.) 



COLEOFTERA 

abbreviata 47, 48 

acalles 20 

aculeata 17 

Aderus 17 

adustus (ab.) 14 

aeneum 20 

aeruginosus (ab.) 15 

agathidium 9 

Agrilus 15 

alata gracilis (f.) 9 

alata ratisbonensis (f.) 9 

alpinus 15 

amicula 4 

amplipenne (ab.) 20 

ancora 1 7 

angulata 4 

angustula (var.) 9 

Anisodactylus 2 

anophthalma 14 

Anthicus 1 

Anthonomus 20 

Aphodius 1 1 

apicalis (ab.) 11 

Apion 20 

aptera 9, 10 

aridulus 7 

asparagi 1, 19 

ater 12 

Atheta 4 

Athribus 19 

Atomaria 13 

auratus 1 

auricomus 7 

Autalia 4 

azureus (ab.) 1 

badius 8 

balteatulus (ab.) 15 

balteatus (Elater) 15 

balteatus (Litargus) 14 

balticus 5 

Batrisodes 8 

Batrisus 8 

baudueri 6 

beckmanni (ab.) 3 

bellieri (ab.) 15 



Bembidion 2 

biimpressa (var.) 9 

Bledius 7 
:: boelensi (ab.) 1, 18 

bohildae 4 

Bolitochara 5 

boops 7 

Brachynus 3 

Bradycellus 2 (subg.) 2 

brevicornis (Aderus) 17 

brevicornis (Enicmus) 14 
ä: brisouti 13 

Bruchus 19 

brunneus 16 

Caenocelis 13 

Calosoma 1 

caniculatus 4 

Cantharis 15 

Carabus 1 

carduorum 20 
^carpini 20 

castaneus (ab.) 18 

caucasicus 6 

cerasi 19 

championi 14 

chloropterus (ab.) 18 

Choragus 19 

chrysomela 20 

Cicindela 1 

cinereus 20 

Cis 14 

Coelambus 3, 4 

coerulescens (ab., 

[plumbeus) 16 

coerulescens (ab., 

[poeciloides) 2 

coeruleus (Corynetes) 16 

coeruleus (ab., Phyto) 18 

collaris 3 

coloratus 14 

confi uens 4 

Coniocleonus 20 

conspersus 20 

constrictus 17 

corticalis 14 

corticinus (Cryptophagus) 
[12 



corticinus (Laemophloeus) 
[12 
coryli 19 
Corymbites 1 5 
Corynetes 16 
eretica 47, 48, 50 
Crioceris 1, 18, 19 
cruciata (ab.) 19 
cryptica 1 5 
cryptocephalus 19 
Cryptophagus 12, 13 
Crypturgus 20 
csikii 3 
cupreum (ab., inquisitor) 

[1 
cupreus (Corymbites) 15 
curtipennis 6 
Cych ramus 11 
Dasytes 16 
delaportei 8 
Dendroctonus 1 1 
depressus (Licinus) 3 
depressus (Phytho) 17 
dermestoides 16 
Deronectes 4 
Diglossa 5 
dimidiatus 2 
dispar 12 
dissectus 11 
distinctus 2, 3 
Donacia 1, 18 
duodecimpunctata 1, 18 
Dyschirius 2 
Elater 15 
elongatulus 15 
elongatum 1 1 
Enicmus 14 
erichsoni 20 
explodens 3 
fasciatus 16 
fauconneti (ab.) 18 
ferrugineus 1 1 
festivus (ab.) 18 
flavipalpis 7 
formicari us 8 
fossor 15 
frontale 10 



231 



232 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 



fuliginosus 6 
fulvo 16 
Caleruca 47 
Galerucidae 47 
galloprovincialis 18 
germanicus 7, 8 
gibbioides 16 
glabratus (var.) 14 
glaucus 20 
godarti 8 
grandis 11 
Haliplus 3 
hannoverana 19 
harpalinus 3 
Harpalus 2 
Hedoba 16 
Helodes 15 
hemipterus 14 
Heterocerus 1 5 
;,: heydeni (ab.) 19 
hirtellus (ab.) 16 
hirtulus 12 
holomelaena 17 
homi 19, 20 
humilis 17 
Hydrothassa 19 
Hylecoetus 16 
hypocrita 20 
Hypocyptus 5 
ida 47, 48, 50 
immaculatus (ab., 

[nuchicornis) 11 
immaculatus (ab., 

[sanguinolentus) 15 
imperialis 16 
impressa 5 
improvisa 47, 50 
inquisitor 1 
insquamosus (ab.) 20 
instabilis 17 
interruptus 14 
Ips 21 

jacquemarti 14 
javeti (ab.) 20 
joyi (var.) 7 
küsteri (var.) 19 
labettei (ab.) 1 
lacordairei (ab.) 19 
Laemophloeus 12 
lameyi (ab.) 17 
Lampyris 15 
Langelandia 14 
Laricobius 20 
lateralis (ab.) 15 
latus 14 
lautus 3, 4 
lewisi 13 
Licinus 3 
limbata (ab.) 19 
lineatocollis 3 
linnaeana 19 
linnaei (ab.) 19 
Liodes 9 
Litargus 14 



Lithocharis 7 
longicornis 4, 5 
loti 19 
lucida 5 

luctuosa 47- — 54 
luridus 11 

"macgillavryi (ab.) 1 
Magdalis 20 
mali 1 1 
Malthinus 16 
maritima 1 
melanura 18 
mersa 5 

micans (Dendroctonus) 11 
micans (Mordellistena) 17 
Microchondrus 14 
minuta 15 

mocquerysi (ab.) 15 
molochinus (var.) 7 
Monochamus 18 
monographus 21 
Mordella 17 
Mordellistena 17 
morio (ab.) 16 
mycetoporus 6 
Nacerda 17 
nana 17 
Nargus 8 
nebulosus 19 
Nemosoma 11 
nigriceps 7 
nigricollis (ab.) 19 
nigrinus 15 
nigripennis (ab.) 15 
nigriventris 5 
nitidulus 12 
nitidus 7 
nocivus (ab.) 15 
noctiluca 15 
nuchicornis 1 1 
obliqua 5 

obscura (ab., rubiginosa) 
[9 
obscurum (ab., aeneum) 

[20 
ochraceus 7 
Ochrosis 19 
Olitelus (sg.) 17 
Onthophagus 1 1 
ornata 1 3 
Orsodacne 19 
ossium 7 

pallida (Cantharis) 15 
pallidus (Cryptophagus) 

[13 
pallipes 6 

pallidithorax (ab.) 16 
pantherina 4 
Parabathyscia 8 
parai lel us 2 
parvicornis 4 
parvulus 12 
perrisi 8 
pexa (var.) 4 



Phalacrus 13, 14 

Philonthus 7, 13 

Phloeonomus 8 

Phytho 17 

Phytodecta 19 

Phytosus 5 

piceolus 6 

piceum 9 

picipennis 6 

pisi 20 

pistor (var.) 18 

planiusculus 10, 11 

Platyrrhinus 19 

Platysoma 10 

Plegaderus 11 

plumbeus 16 

Pocadius 11 

Podabrus 1 5 

poeciloides 2 

Poecilus 2 
!: *poligraphus 20 

Polydrosus 20 

Polygraphus 20 

pomonae 48 

postpositus 12 

potentillae (ab.) 19 

pseudodentatus 12, 13 

Ptinella 9 

Ptinus 16 

pulicarius (Anthonomus) 
[20 

pulicarius (Hypocyptus) 5 

pulverosus 4 

punctatostriatus 1 1 

puncticoilis 2 

punctipennis 8 

pusillus 8 

quadripunctatus 11 
*quadripustulatus (ab.) 

[1, 17 
*quadristigma (ab.) 1, 19 

Quedius 6 

rectangulus 13 

reichei 6 

resinosus 19 

Rhagonycha 16 

Rhantus 4 

Rhizophagus 11 

rottrautae (ab.) 11 

rubens (ab.) 15 

rubiginosa 9 

rufa 20 

rufibarbis 2 

ruficollis (ab.) 4 

ruficornis 16 

sanguinolentus 1 5 

Saprinus 10, 11 

sartor 18 

scalptum 20 

scita 9 

Scolytus 11, 20 

Scydmaenus 8 

Scymnus 14 

semicastaneus (ab.) 18 



Register 



233 



semiconnexus (ab.) 19 

semistriatus 10, 11 

sellatus 17 

senex (ab.) 16 

seriepunctatus 16 

sharpi 2, 3 

sheppardi 19 

signatus 2 1 

similis 3 

solidicornis 6 

solutus 6 

sordidus 7 

sparsus 7 

spectabilis (Bledius) 7, S 

spectabilis (Galeruca) 48 

Sphaericus 16 

Stenichnus 8 

Stenus 7 

Sternus 7 

Strangalia 18 

strepens (ab.) 3 

subauratus 15 

subdeplanata 13 

subfumatus 12 

submarina 5 

subnitescens (var.) 11 

Tachyporus 6 

renella (Ptinella) 9, 10 

tenellum (Bembidion) 2 

tenuis (var.) 9 

terminalis 4 

testaceus (ab., brunneus) 

[17 
testaceus (Laemophloeus) 

[12 
Tetraplatypus (sg.) 2 
Tetratoma 17 
Thiasophila 4 
tobias 1, 17 
tomentosa 1, 18 
Trachycellus (sg.) 2 
typographus 2 1 
ustulata 17 
Valgus 14 
varipes (ab.) 17 
ventralis 19 
venustus 8 
verbasci 3 
versicolor 13 
villosus 12 
vini 12 

viridis (ab., dimidiatus) 2 
viridis (Agrilus) 15 
wollastoni 8 
Xyleborus 21 
Xyloterus 21 
zetterstedti 13 

HYMENOPTERA 

Aculeata 31 
aeneipennis 73 
*africanus (r) 91 
Anthophora 45 



Apidae 31, 55 

Apis 72 

beickianus (r) 102 

Biluna (sg.) 35 

binongkana 60 

Bombidae 75 

Bombus 75 

borealis 45 

brasilianorum 72 

brevipilosus (r) 101 

brunneus 8 

bryorum 71 
*buruana 57, 59, 67, 70 

ceramensis 68 

Colletés 37, 43—45 

combinata (var.) 

[58, 62, 65 

confusa 55, 63, 67, 72 

Coptorthosoma 55 

coronata 58, 59, 62 — 65, 
[67, 71 

Crocisa 45 

Cyanoderes (sg.) 72 

czerskianus (r) 95 

Epeolus 31 

exsecta 4 

flavocinerea 68, 70 

forbesii 62, 63, 70 

Formica 4 

frigidus 37 

gabonica 55 

halophila (ssp.) 

[37, 43, 44 

himukanus 35 

ignitus 97 

incompleta 72 

Koptortosoma 55 

Lasius 8 
*lucoformis (r) 87 
*lusitanicus (r) 78 

Maiella (sg.) 55, 60 

malaisei 105 

melectiformis 32, 39 

Mesotrichia 68 

minshanensis (r) 103 

mohnikei 7 1 
*morotaiana 58, 65 

muiri 67, 68 

Neoxylocopa (sg.) 72 

nobilis 55, 57, 60 

Orbitella 55, 56 

patagiatus 98 

perforator 73 

Platynopoda (sg.) 73 

praeustus 31 

provida 55 

pseudocoronata 71 

pseudosporadicus (r) 102 

rozenburgensis (var.) 31 

sapporoensis 96 

scutellaris 45 

sibericus 31, 32, 35 

sonorina 72, 73 

sporadicus 92 



succincta 37, 43 
tarsalis 31 — 33 
tarsalis (group) 31 
tarsalis (var.) 33, 35 
Terrestribombus (sg.) 75 
terrestris 76, 78 
tirolensis 33, 34, 37, 38 
tricolor (var.) 55, 57, 60 
unicolor 56, 58, 59, 60, 65 
*uralicola (r) 89 
varipuncta 72 
vasilievi 103 
virginalis (r) 84 
volatilis 60 
Xylocopa 55 
Zonohirsuta (sg.) 55 

LEPIDOPTERA 

abdallah 109 
abietana 149 
abiskoana 154 
Ablabia (sg.) 120 
abrasana 117 
Acleris 128 
Actias 23 
adamana 118 
adippe 172 
adippe (ssp.) 173 
adulterinana 108 
adumbrata (f.) 212 
affinatana 134 
Aglais 206, 209 
aglaoxantha 127 
agricolana 123 
agrioma 152 
alba (f., selene) 158 
alba (f., urticae) 211 
albatana 112 
albidomaculata (f.) 211 
albiorbis 25 
*albipuncta (f.) 188 
albiscapulana 147 
albomarginata (f.) 200 
Aleimma 125 
alethea (ssp.) 156 
alhamana 116 
alpicolana 124 
altha (f.) 176 
alticolana 115 
anatolica 114 
ancillana 109 
andreana 112 
angustibalteata (f.) 215 
angustifasciata (f.) 192 
angustipennis (f.) 158 
Anomis 28 
antiopa 199 
antiphila 123 
Apatela 25 
apenninicola 113 
aphorista 152 
apiciana 147 
Araschnia 178, 194 



234 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 



ardens (f.) 166 

argentana 1 20 

Argynninae 155 

Argynnis 176 

Arthisma 28 

ascoldana 128 

aspersana 131 

astrida (f.) 206 

atalanta 185, 188, 189 

atalanta (ssp.) 191 

atlantis 114 

aurea (f.) 175 

aurichalcana 126 

bacurana 129 

baracola 152 

barbarana 117 

basi-ichnusa (f.) 213 

bergmanniana 127 

berolinensis (f.) 169 

bialbata (f.) 192 

bifasciana 127 

biruptana 121 
*bivittata (f.) 156 

bleszynskii 115 

bogodiana 116 

Boloria 155, 156 

boscana 136 

boxhoi (f.) 157 

Brenthis 163 

brunneo-violacea (f.) 211 

buraetica 124 

cabeauensis (f.) 193 

cadmeis (f., ino) 164 

cadmeis (f., charlotta) 175 

caeca (f.) 170 

caerulapicata (f.) 212 

caerulescens 152 
*caerulocellata 

(f., atalanta) 193 

*caerulocellata (f., levana) 

[182 

c. album 194 

caledoniana 130 

callandra (ssp.) 23, 24 

callimachana 111 

canescana 120 

carbonaria (f.) 198 

cardui 185 e.V., 189 

Carea 27 

carnea (f.) 187 

caryocryptis 125 

cassubiensis (f.) 204 

castanea (f.) 197 

c. extinctum (f.) 199 

characterana 124 

charlotta 169, 173 

charlotta (ssp.) 174 

chlorographa (f.) 158 

christophana 127 

chrysantheana 113 

cinareana 109 

cinctata 156 

clercana 121 

Clossiana 157 



Cnephasia 109 

Cnephasiella 117 

Cnephasiini 107 

Colias 178 

comariana 129 

communana 112 

conchyloides 128 
;: concolor (f.) 203 

confluens (f.) 178 

congelatella 119 

conspersana 113 

contraria 28 
'^costajuncta (f.) 214 

costimaculata (f.) 168 

cottiana 123 

crassifasciana 112 

cristana 143 

croceus 178 

crocopepla 152 

Croesia 127 

cuprescens 27 

cupressivorana 113 

cyanescana 122 

dealbata 28 
*debrunneata (f.) 159 

degenerans 27 

delicatana 152 

depurpurata (f.) 164 

derivana 122 

dia 157, 162 

dilucidus (f.) 203 

dinawa 25 

distinctana 116 

divisa (f.) 183 

Doloploca 124 

dominicana 123 

drusia (f.) 216 

dryonephela 109 

duratella 119 

dyophthalmica (f.) 

[207, 208 

Eana 120 

Eana (sg.) 121 

ecullyana 123 

elongata (f.) 213 

Elusa 25 

emargana 151 

emielymi (f.) 189 

emilocuples (ssp.) 174 

enitescens 153 

eos (f.) 191 

eremicum 118 

eris (f.) 170 

Ergasia 126 

erythrophaea (f.) 212 

Euledereria 124 

Eulia 109 

euphrosyne 160, 161 

Exapate 119 

exiguanum 118 

exoculata (f.) 207 

expressa 130 

exsucana 153 

exuberans 127 



fabriciana 168, 173 
facetana 110 
fakfakensis (ssp.) 27 

f. album (f.) 198 
fasciata (f.) 213 
ferrugana 133 
ferrumixtana 132 
fervida (f.) 169 
filipjevi 147 
fimbriana 147 
flavescens (f., atalanta) 

[192 
flavescens (f., charlotta) 

[175 
*flavescens (f., selene) 158 
flavomaculata 

(f., atalanta) 192 
flavomaculata 

[(f., polychloros) 203 
flavopunctata 

[(f., euphrosyne) 162 
flavopunctata (f., selene) 

[158 
flavotessalata (f.) 211 
forskaleana 127 
fracta (f.) 192 
f ragosana 110 
frivaldskyi (f.) 182 
fulturata 113 
fulva (f.) 205, 208 
*fuscescens (f.) 191 
fuscotogata 128 
Gadirtha 27 

g. album (f.) 198 
genitalana 116 
gerda (f.) 160 
gnoma (ssp.) 24 
Gonepteryx 210 
grandis 110 
grimardi (f.) 183 
griseomarginata (f.) 212 

::: griseoocellata (f.) 206 
guédati 156 
halflantsi (f.) 160 
hapalactis 153 
hastiana 137 
heinemanni 110 
hélice (f.) 178 
hellenica 116 
herse (ssp.) 169 
Heterocera 23 
hippophaeana 14 1 
hispanica 113 
hispidana 130 
hockacensis (f.) 157 
holmiana 128 
homsanum 110 
humana 125 
hungarica (f.) 168 
hunteri (f.) 187 
hutchinsonii (f.) 

[195—197 
Hyblaea 29 
Hyblaeidae 29 



Register 



235 



hybridana 108 

hyensis (f.) 192 

Hypaetra 28 

hyperptycha 125 

ichnusioides (f.) 214, 215 

igneaformis (f.) 211 

impar 118 

imperfecta (f.) 178 

imperita 126 

impuncta (f.) 214 

incana 121 

incertana 117 

indignarla 126 
*infraargentea (f.) 170 
*infraclara (f.) 159 
*infradefasciata (f.) 160 
*infragrisea (f.) 170 
*infranigrans (f.) 192 
*infraochracea (f.) 175 
*infrapallida (f.) 170 
*infrapupillata (f.) 170 
*infrarufescens (f.) 173 

infuscata (f.) 212 

ignavana 118 

i-nigrum (f.) 167 

ino 163 

inops (f.) 186 

interligata 

[(f., euphrosyne) 162 

interligata (f., ino) 164 

interligata (f., selene) 159 

intermedia (f.) 164 

io 204 

ioides (f.) 205 

iota-album (f.) 198 

irenea (f.) 206 

Isotrias 107 

Issoria 165 

italica 122 

japonica (Acleris) 136 

japonica (f., cardui) 188 
*javanica (Apatela) 25 
*javanus (Sarrothripus) 26 

joannisana (Isotrias) 108 

joannisi (Croesia) 128 

joannisi (Eana) 121 

joiceyi 29 

kebea 27 

kenneli 116 

kershawii (ssp.) 186 

lacordairiana 135 
*lactof asciata (f.) 184 

laetana 112 

lathonia 165 

latibalteata (f.) 215 

latifasciana 128 

latimargo 28 

laufferi (f.) 167 

leechi 127 

leodiensis (f.) 214 

levana 178, 180, 194 

levana (f.) 184 

lichenaria (ssp., kebea) 

[27 



*lichenaria (Pseudosiccia) 
[26 

lineata 124 

literana 150 

Lithosiidae 26 

loefìingiana 125 

logiana 136 

longana 111 

longipalpana 153 

longipectinata 28 
*Iongipuncta (f.) 203 
*longomaculata (f.) 203 

lorquiniana 148 

lubbeana (f.) 178 

lubricana 148 

lucida (f.) 211 

luctuosana 116 

luna (f.) 215 

lutea (f.) 177 

luteomarginata (f.) 212 

Macroglossum 190 

maccana 149 

maculipunctana 153 

maenas 23 

magisnigrata (f.) 167 

magniguttata (f.) 214 

magnilunulata (f.) 215 

magninotata ( f . ) 214 
* magni puncta 

[(f., polychloros) 204 

magnipuncta (f., urticae) 
[213 

malaisei (ssp.) 24 

mandschurica (ssp.) 24 

margine-lineata (f.) 183 

maroccana 123 
*mediofasciata 156, 157 

melaena (f.) 168 

melanosa (f.) 187 

melitoides (f.) 183 

Mesoacidalia 169, 173 

mesoides (f.) 206, 208 

mesomelana 116 

miae (ssp.) 23, 24 

mienshani 116 

ministrana 109 

minor (f., cardui) 187 

minor (f., lathonia) 166 

minor (f., levana) 182 

minor (f., paphia) 177 

mixtana 146 
: ' : modesta 28 

mokanshensis 26 

myrrhophanes 126 

nana (f., antiopa) 200 

nana (f., atalanta) 191 

nana (f., charlotta) 175 

napaea (Acleris) 142 

napaea (Boloria) 157 

nef tana 109 

neogenum 118 

neole (f.) 197 

Neosphaleroptera 119 

nervana 123 



neston (ssp.) 162 

nigracastanea (f.) 197 

nigrescens (f.) 176 

nigrimarginata (f.) 170 

(f., niobe) 170 

nigrimarginata 

[(f., urticae) 215 
*nigripuncta (f.) 188 

nigriocellata (f.) 207 

nigriradix 131 

nigrita (f.) 215 

nigroprivata (f.) 167 
*nigropunctata (f.) 171 

ningpoana (ssp.) 24 

niobe 168, 173 

niobe (f.) 170 

nivisellana 131 

nubilana 119 
*nubilata (f., e. album) 

[198 
*nubilata (f., polychloros) 
[204 

nubilata (f., urticae) 213 

nuraghana 111 

Nymphalinae 155, 178 

Nymphalis 199 

o. album (f.) 198 

obscura (f., e. album) 198 

obscura (f., charlotta) 176 

obscura (f., levana) 183 

ocellata (f., atalanta) 193 

ocellata (f., cardui) 187 

ochracea (f.) 187 

ochriclivis 107 

octomaculana Ili 

ocydroma 133 

olgana 126 

Olindia 107 

operosa 126 

oricasis 118 

orientana 110 

orion 25 

orphnocycla 148 

orthoxyana 112 

osseana 120 

osthelderi (Acleris) 142 

osthelderi (Cnephasia) 

[114 

ottoniana 117 

ovalis (f., euphrosyne) 

[162 
*ovalis (f., niobe) 171 

Oxypteron 117 

pales 156 

pallida (f., cardui) 187 

pallida (f., charlotta) 175 

pallida (f., io) 206 

pallida (f., lathonia) 166 

pallida (f., niobe) 169 

pallida (f., polychloros) 
[203 

palmoni 117 

Palpocrina 117 

paphia 176 



236 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 99, afl. 4, 1956 



paphia (ssp.) 177 

paradiseana 153 

paradoxa (f.) 167 

Parasiccia 26 

partitanum 118 

parviguttata (f.) 214 

parvilunulata (f.) 215 

parvinotata (f.) 214 
' :: parvipuncta 

[(f., polychloros) 203 

parvipuncta (f., urticae) 

[213 

pascuana 115 

pelopia (f.) 171 

penziana 122 

permutarla 136 

personatana 117 

pictior (f.) 197 

pilleriana 154 

placata 153 

platynotana 153 

pluripuncta (f.) 204 

pluriradiata (f.) 176 

polaris 210 

polaris (ssp.) 213 

politum 118 

polychloros 202 

Polygonia 194 

porima (f.) 181, 184 

porphyrocentra 153 
*postcontinua (f.) 182 

postdia (f.) 163 

postlathonia (f.) 166 
*postnigrescens (f.) 203 
*postocellata (f.) 182 

praeviella 124 

preyeri 27 

Propiromorpha 108 

prorsa (f.) 

[179, 181, 183, 184 

proximana 153 

pseudosaturata (f.) 167 

Pseudosiccia 25 

puera 29 

pulmonariana 115 

pumicana 111 

punctulana 124 

pupillata (f.) 167 

pusilla (f.) 197 

pygmaea (f.) 202 

pyrenaica 121 

pyrivorana 153 

quadridentana 153 

queneana 111 

quercinana 133 

quinquefasciana 128 

quinquepunctata (f.) 204 

radiata (f., niobe) 171 

radiata (f., urticae) 214 

rastrata 122 

rectifasciana 107 
*reducta (f., atalanta) 193 

reducta (f., Iathonia) 168 

revayanus 27 



rhamni 210 

rhodochropa 126 

rhodophana 108 

rhombana 131 

rielana 121 

rigana 124 

roscidana 130 

rosea (f.) 191 

rubicundana 154 

rubra (f.) 191 

rubrocarens (f.) 206 

rubrofusca (f.) 167 

rufescens (f.) 182 

rutila (f.) 177 

safanica 155 

salmonicolor (f.) 211 

Sarrothripus 26 

Savara 28 

scabrana 142 

schalleriana 134 

schawerdai 124 

schultzi (f.) 183 

scissuralis 28 

seclusa 126 

sedana 109 

segnis 126 

seitzi (ssp.) 23, 24 

selene (Actias) 23, 24 

selene (Clossiana) 

[157, 158 
*semicadmeis (f.) 160 

semiocellata (f.) 207 

semisuffusa (f.) 187 

semitexta 153 

septiespupillata 

[(f., atalanta) 192 

septiespupillata 

[(f., cardui) 188 

sexiespupillata 

[(f., atalanta) 192 

sexiespupillata 

[(f., cardui 188) 

sheljuzhkoi 149 

shepherdana 134 

sifanica 163 

similis 131 

sordida (f., atalanta) 191 

sordida (f., urticae) 211 

Sparganothinae 107, 154 

Sparganothis 154 

sparsana 130 

Spatalistis 127 

splendens 207 

stachi 131 

stellatameli 190 

stibiana 127 

stramentana 108 

striata (f.) 159 

strigifera 137 

subfracta (f.) 187 

subtus-nigra (f.) 213 
*subtusnigrescens (f.) 213 

subtus-ochrea-balteata (f.) 
[213 



*subtusvenata (f.) 216 

suf f usa (f., adippe) 173 

suf f usa (f., charlotta) 169 

Synochoneura 107 

teloides (f.) 207, 208 

tephromorpha l47 

terebrana 110 

thaliades (f.) 159 

thyra (f.) 171 

tianshanica 166 

tigricolor 126 

tofina 111 

tortricella 118 

Tortricidae 107 

Tortricinae 107 

Tortricini 125 

Tortri codes 118 

Tortrix 125 

Trachysmia 124 

translucida 126 
^transversa (f., charlotta) 

[175 

transversa 

[(f., euphrosyne) 162 
transversa (f., ino) 164 
""transversa (f., Iathonia) 

[168 
^transversa (f., niobe) 171 
transversa (f., paphia) 

[178 

transversa (f., selene) 

[159 

trigonana 126 

tripuncta (f.) 213 

tripunctana 132 

tristrami 110 

tunicatana 153 

turcica (f.) 193 

tyrrhaenica 123 

ulmana 107 

ulmicola 136 

umbrana 137 

uncipuncta (f.) 198 

undulana (Acleris) 154 

undulata (Croesia) 128 

uniformana 116 

uniformis 143 

unipuncta (f.) 213 

universa (f.) 186 

urticke 206, 209 

urticoides (f.) 211 

valdensis (f.) 168 

valesina (f.) 177, 178 
*vandenberghi (ssp.) 

[23, 24 

vanescens (f.) 160 

Vanessa 185 

variegana 135 

variegata (f.) 197 

varini (f.) 189 

vertunensis (f.) 181, 184 

veta (f.) 160 

vetulana 112 

viardi 122 



Register 



237 



*vigens (f.) 203 
violascens (f., io) 205 

*violescens (f., antiopa) 

[201 
violescens (f., urticae) 212 

*virescens (f.) 200 
virgaureana 114 
virginana 112 
viridescens (f.) 177 
viridiatra (f.) 176 
viridi-ocellata (f.) 206 
vulgoadippe (f.) 173 
wertheimsteini 123 
xanthoides 154 
ypsilon (f.) 182 

ODONATA 



Anax 217, 219 
Coenagriidae 220 
Coenagrion 219 
dry as 218 
Enallagma 219 



imperator 217, 222, 227 
Lestes 218 
Libellula 220 
nymphula 217, 220, 222 
Orthetrum 220 
Pyrrhosoma 217, 220 
sponsa 218—222, 224, 226 
striolatum 222 — 228 
Sympetrum 222, 224 
viridis 218 

PLANTAE 

Aster novae-angliae 209 
novi-belgii 209 
tripolium 45 
Buddleia 207, 209 
Cakile 2 

Cirsium arvense 45 
Compositae 45 
Eleocharis 220 
Eupatorium 207 
Hypericum elodes 218 



Juncus 220 
Lavendula 16 
Malus sylvestris 11 
Matricaria 17 
Melastoma 68 
Myriophyllum 

[alternif lorum 218 
Oxycoccus quadripetalus 

[155 
Picea sitchensis 11 
Pinus austriaca 18 
Polyporus 14 
Pulicaria 45 
Quercus 21 
Salix 15 
Schizophyllum commune 

[17 
Sedum spedatole 209 
Senecio jacobaea 45 
Sonchus sp. 45 
Spiraea 164 
Stachytarpheta 68 
Ulex europaeus 12 
Vaccinium oxycoccus 155 



Entomologische Berichten 

De Entomologiscbe Berichten worden eveneens door de Nederlandsche Entomo- 
logische Vereeniging uitgegeven en zijn bestemd voor de publicatie van kortere 
artikelen, van faunistische notities etc, alsmede van de Verslagen der Vergade- 
ringen en van mededelingen van het Bestuur. Zij verschijnen twaalf maal per jaar 
in een aflevering van 16 of meer bladzijden. Deze 12 afleveringen vormen samen 
een deel. 

Alle zakelijke correspondentie betreffende de Vereniging te richten aan de 
Secretaris, G. L. van Eyndhoven, Zeeburgerdijk 21, Amsterdam-O. 

Alle correspondentie over de redactie van het Tijdschrift voor Entomologie te 
richten aan de Redacteur, Dr. A. Diakonoff, Rijksmuseum van Natuurlijke 
Historie, Leiden. 

Alle correspondentie over de redactie van de Entomologische Berichten te rich- 
ten aan de Redacteur, B. J. Lempke, Oude IJselstraat 12III, Amsterdam-Z.2. 

Alle betalingen te richten aan de Penningmeester, Ir. G. A. Graaf Bentinck, 
Kasteel, Amerongen, postgiro 188130, ten name van de Nederlandsche Entomolo- 
gische Vereeniging te Amerongen. 

Alle correspondentie betreffende de Bibliotheek der Vereniging te richten aan 
de Bibliotheek, Zeeburgerdijk 21, Amsterdam-O. 



INHOUD 



Lempke, B. J. — Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera (Vierde 

Supplement) 155 

Corbet, Philip S. — The lif e-histories of Lestes sponsa (Hansemann) and 

Sympetrum striolatum (Charpentier) (Odonata) 217 

Register 231 



NOTICE TO CONTRIBUTORS 

Contributors will receive free of charge fifty reprints of their papers, joint authors have 
to divide this number between them at their discretion. Additional reprints may be ordered 
when returning proofs ; they will be charged at about two Dutch cents per page. 

Manuscripts should be written in Dutch, English, French, German or Italian. If they 
contain descriptions of new genera, species, etc., they should be in one of the four last 
mentioned languages ; only when the descriptions form a minor part of the paper, the 
manuscript may be written in Dutch, with the descriptions in one of these languages. Papers 
in Dutch should contain a short summary in one of these four languages. 

Manuscripts should be typewritten in double spacing on only one side of the paper, with 
a margin of at least three cm at the left side of each sheet. Paragraphs should be indented. 
Carbon copies cannot be accepted, as handling makes them illegible. 

Captions for text figures and plates should be written on a separate sheet in double 
spacing, numbered consecutively in arabic numerals ; the use of a, b, c, or any other sub- 
division of the figure numbering should be avoided. 

Drawings for reproduction should be on good paper in Indian ink, preferably at least 
one and a half times as large as the ultimate size desired. Lettering should be uniform, 
and, after reduction, of the same size. Photographs should be furnished as shiny positive 
prints, unmounted. Plates should be arranged so as to fill a whole page (11.5 x 19 cm) 
of the Tijdschrift, or a portion thereof. Combinations of illustrations into groups are 
preferable to separate illustrations since there is a minimum charge per block. 

Names of genera and lower systematic categories, new terms and the like are to be under- 
lined by the author in the manuscript by a single straight line. Any other directions as to 
size or style of the type are given by the editors, .not by the author. Italic type or spacing 
to stress ordinary words or sentences is to be avoided. Dates should be spelled as follows : 
either "10.V.1948" or "10 May, 1948". Other use of latin numerals should be avoided, as 
well as abbreviations in the text, save those generally accepted. Numbers from one to ten 
occurring in the text should be written in full, one, two, three, etc. Titles must be kept 
short. Footnotes should be kept at a minimum. 

Authors will be charged with costs of extra corrections caused by their changing of the 
text in the proofs. 

Bibliography should not be given in footnotes but compiled in a list at the end of the 
paper, styled as follows : 

Mosely, M. E., 1932. "A revision of the European species of the genus Leuctra (Pleco- 

ptera)". Ann. Mag. Nat. Hist., ser. 10, vol. 10, p. 1 — 41, pi. 1 — 5, figs. 1 — 57. 
Text references to this list might be made thus : 
"Mosely (1932) says...." or "(Mosely, 1932)". 

The editors reserve the right to adjust style to certain standards of uniformity. 

Manuscripts and all communications concerning editorial matters should be sent to : 
Dr. A. Diakonoff, Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Leiden, The Netherlands. 



DEEL 100 1957 



TIJDSCHRIFT 
VOOR ENTOMOLOGIE 



UITGEGEVEN DOOR 



DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING 



Oir , < 




*Q 3ti o& & 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100. 



Aflevering 1, p. 1 — 128 verscheen 17 april 1957 

2, „ 129 — 308 „ 30 oktober 1957 

3, „ 309—426 ,, 20 november 1957 

4, „ 427 — 497 „ 31 december 1957 



INHOUD VAN DEEL 100 

Balachowsky, A. S. — Sur deux Diaspidinae nouveaux du Thailand 

(Coccoidea) 29 

Barenrecht, G. — A propos du centenaire du Tijdschrift voor Entomologie 1 

Barlow, CA. — A factorial analysis of distribution in three species of 

Diplopods 349 

Botosaneanu, L. — Quelques Trichoptères nouveaux de Roumanie . . 179 

Davatchi, A., D. Hille Ris Lambers & G. Remaudiòre. — On some near 

eastern Aphids 125 

Diakonoff, A. — Remarks on Cryptophlebia Walsingham and related 

genera (Lepidoptera, Tortricidae, Olethreutinae) 129 

Hering, E. M. — Die Larven der Agromyziden (Diptera), III ... . 73 

Kalshoven, L. G. E. — An analysis of ethological, ecological and taxo- 
nomie data on Oriental Hispinae (Coleoptera, Chrysomelidae) ... 5 

Kevan, D. K. McE. — A study of the genus Chrotogonus Audinet-Serville 
1839 (Orthoptera, Acrididae) IV. Wing polymorphysm, technical 
designations and preliminary synonymy 43 

Kiriakoff, S. G. — New Thyretidae (Lepidoptera, Ctenuchidae) ... 95 

Lempke, B. J. — Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera. Vijfde 

Supplement 427 

LiTH, J. P. van. — On the biology of Chelostoma florisomne (L.) (Api- 
dae, Megachilinae) and its parasite, Sapyga clavicomis (L.) (Sapygi- 
dae, Sapyginae) (Hymenoptera) 115 

Marchal, Sir Guy A. K. — Some new Indonesian Curculionidae (Coleo- 
ptera) 61 

Roepke, W. — Die bisaltidae-pol/bete-Gruppe der Gattung Doleschallia 

Feld. (Lepidoptera, Nymphalidae) 25 

Roepke, W. — The genus N y eternerà Huebner, II 147 

Obraztsov, N. S. — Some new species of Ceryx Wallengren (Lepido- 
ptera, Ctenuchidae) 67 

Obraztsov, N. S. — Die Gattungen der Palaearktischen Tortricidae. I. 
Allgemeine Aufteilung der Familie und die Unterfamilien Tortricinae 
und Sparganothinae. 3. Fortsetzung und Schluss 309 

Theo WALD, Br. — Die Entwicklungsstadien der Tipuliden (Diptera, Nema- 

tocera), insbesondere der west-palaearktischen Arten 195 

Willemse, C. Notes on Mecopodidae (Orthoptera, Tettigonoidea) ... 35 

Register 489 

Errata 498 



DEEL 100 AFLEVERING 1 I957 



TIJDSCHRIFT 
VOOR ENTOMOLOGIE 



UITGEGEVEN DOOR 



DE NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING 










Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1. Gepubliceerd 17.IV.1957 



NOTICE TO CONTRIBUTORS 

Contributors will receive free of charge fifty reprints of their papers, joint authors have 
to divide this number between them at their discretion. Additional reprints may be ordered 
when returning proofs ; they will be charged at about two Dutch cents per page. 

Manuscripts should be written in Dutch, English, French, German or Italian. If they 
contain descriptions of new genera, species, etc., they should be in one of the four last 
mentioned languages ; only when the descriptions form a minor part of the paper, the 
manuscript may be written in Dutch, with the descriptions in one of these languages. Papers 
in Dutch should contain a short summary in one of these four languages. 

Manuscripts should be typewritten in double spacing on only one side of the paper, with 
a margin of at least three cm at the left side of each sheet. Paragraphs should be indented. 
Carbon copies cannot be accepted, as handling makes them illegible. 

Captions for text figures and plates should be written on a separate sheet in double 
spacing, numbered consecutively in arabic numerals ; the use of a, b, c, or any other sub- 
division of the figure numbering should be avoided. 

Drawings for reproduction should be on good paper in Indian ink, preferably at least 
one and a half times as large as the ultimate size desired. Lettering should be uniform, 
and, after reduction, of the same size. Photographs should be furnished as shiny positive 
prints, unmounted. Plates should be arranged so as to fill a whole page (11.5 x 19 cm) 
of the Tijdschrift, or a portion thereof. Combinations of illustrations into groups are 
preferable to separate illustrations since there is a minimum charge per block. 

Names of genera and lower systematic categories, new terms and the like are to be under- 
lined by the author in the manuscript by a single straight line. Any other directions as to 
size or style of the type are given by the editors, not by the author. Italic type or spacing 
to stress ordinary words or sentences is to be avoided. Dates should be spelled as follows : 
either "10.V.1948" or "10 May, 1948". Other use of latin numerals should be avoided, as 
well as abbreviations in the text, save those generally accepted. Numbers from one to ten 
occurring in the text should be written in full, one, two, three, etc. Titles must be kept 
short. Footnotes should be kept at a minimum. 

Authors will be charged with costs of extra corrections caused by their changing of the 
text in the proofs. 

Bibliography should not be given in footnotes but compiled in a list at the end of the 
paper, styled as follows : 
Mosely, M. E., 1932. "A revision of the European species of the genus Leuctra (Pleco- 

ptera)". Ann. Mag. Nat. Hist., ser. 10, vol. 10, p. 1 — 41, pi. 1 — 5, figs. 1 — 57. 
Text references to this list might be made thus : 
"Mosely (1932) says...." or "(Mosely, 1932)". 

The editors reserve the right to adjust style to certain standards of uniformity. 

Manuscripts and all communications concerning editorial matters should be sent to : 
Dr. A. Diakonoff, Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Leiden, The Netherlands. 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 Plaat 1 

MÉMOIRES D'ENTOMOLOGIE 



PUBLIES PAR 



LA SOCIÉTÉ ENTOMOLOGIQUE DES PAYS-BAS , 

SOUS LA DIRECTION DE MM.: 

I VAN DER HOEVEN, 

PROFESSEUR A L'UNIVERSITÉ DE LEIDE; 

M. C. VERLOREN, 

DOCTEUR EN PIULOSOPHIE 

ET 

S. C. SNELLEN VAN VOLL E N II OVEN , 

CONSERVATEUR AU MUSÉE ROYAL D'HISTOIRE NATURELLE DE LEIDE. 



Première Livraison. 



LA HAYE, 

MARTINUS NIJHOFF. 
1857. 



A PROPOS DU CENTENAIRE DU TIJDSCHRIFT VOOR 

ENTOMOLOGIE 

Quand, le 12 octobre 1945, nous avons commémoré le centenaire de notre 
Société, le tome en préparation du Tijdschrift voor Entomologie ne portait que le 
numéro 88, et ce n'est qu'aujourd'hui que nous pouvons présenter le tome 100 de 
notre publication principale. 

Quoique nous n' ayons pas l'intention de célébrer cet événement comme une 
fête, nous voulons exprimer en quelques paroles notre profonde satisfaction 
d'avoir atteint cette étape. 

Avant tout il convient d'exprimer quelques paroles de gratitude. Un mot de 
reconnaissance, d'abord, pour le petit nombre de nos membres qui, donnant dans 
leur qualité de rédacteur le meilleur de leurs énergies, ont bien mérité de notre 
Société. 

Comme nos publications ont toujours été rédigées par un Comité de Rédaction, 
nous ne sommes pas tout à fait sûrs des noms de ceux qui ont été les rédacteurs 
directeurs du Tijdschrift voor Entomologie. Mais probablement l'énumération sui- 
vante est assez correcte: 

1853 — 1880 S. C Snellen van Vollenhoven 

1880—1894 F. M. van der Wulp 

1894 — 1906 A. F. A. Leesberg 

1906 — 1940 J. C. H. de Meijere 

1940 — 1952 J. B. Corporaal 

1952 — A. Diakonoff 

D'autre part, nous avons beaucoup d'obligations à l'égard des nombreux auteurs 
qui, de leurs articles, ont enrichi notre périodique. La série de 99 tomes qui 
constitue notre Tijdschrift voor Entomologie, contient les fruits d'un immense 
labeur, exécuté gracieusement et publié quelquefois aux frais de l'auteur, poussé 
comme il l'était par son enthousiasme pour notre science. C'est pour nous une 
grande satisfaction d'avoir pu contribuer à la publication de leur oeuvre. 

L' achèvement de la première centaine nous donne d'autant plus de satisfaction 
que, consultant l'histoire, il faut constater que, surtout pendant les premières an- 
nées de son existence, notre Tijdschrift voor Entomologie plus d'une fois a failli 
échouer. 

Les difficultés contre lesquelles notre Société a dû se débattre se reflètent dans 
les changements d'éditeur. On peut supposer aisément que ces changements re- 
présentent autant de tentatives de surmonter une situation plus ou moins désespé- 
rée. 

Le tome 1, intitulé d'abord: „Mémoires d'Entomologie", titre se trouvant seule- 
ment sur la couverture de la première livraison et du prospectus (voir la repro- 
duction), a été édité par Martinus Nijhoff, à la Haye, les tomes 2 — 6, aux 
frais de la Société, par E. J. Brill, à Leyde, le tome 7 par A. C. Kruseman, à 



2 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

Harlem, les tomes 8 — 69 de nouveau par Nijhoff et les tomes suivants, jusqu' 
aujourd'hui, par notre Société elle même. 

L'édition de T. 7 par Kruseman, rous est revenu assez cher: l'éditeur, con- 
sidérant le restant du tirage invendable, l'a détruit complètement. Ainsi, l'édition 
originale de T. 7 est très rare. Ce n'est qu'en 1888 qu'on en a fait une réimpres- 
sion pour compléter la série. 

Naturellement, le Tijdschrift voor Entomologie, pendant son premier centenaire, 
a subi des métamorphoses et des modifications typographiques. 

Un de ces changements ne manque pas d'importance bibliographique. C'est 
l'indication, dans les tomes complétés, des dates de publication des livraisons dif- 
férentes, donnée importante pour la solution de mainte discussion de nomen- 
clature. 

Or, cette indication ne commençant qu'au T. 38, notre Bibliothécaire, mon ami, le 
Dr. G. Kruseman Jr., quelque peu parent de l'éditeur malavisé du T.7, a bien 
voulu combler cette lacune par un examen des couvertures originales ou des infor- 
mations sur ce sujet dans les rapports annuels. Les résultats de ses investigations se 
trouvent dans l'appendice ci-dessous. Malheureusement, pour les Ts. 1 — 19 il n'a 
pas été possible d'indiquer plus que les dates ultimes avant lesquelles les livraisons 
ont été publiées. 

Mais nous pensons avoir prêté assez d'attention au passé puisque c'est en 
premier lieu l'avenir de notre journal qui demande notre attention. 

Or, nous entamons le second centenaire sous d'heureux auspices. Grâce à 1' 
augmentation de nos échanges, le tirage est plus grand que jamais, le plus sou- 
vent on nous offre plus de copie que la capacité d'un volume ne permet et le 
domaine occupé est toujours croissant. 

Alors, nous croyons permis d'exprimer l'espérance que notre Tijdschrift voor 
Entomologie va vivre et prospérer et qu'il atteindra un second centenaire ! 

G. Barendrecht, 

President N.E.V. 

Appendice 
Dates de publication des livraisons des tomes 1 — 37 

T. 1, livr. 1—3 (p. 1—24) avant le 31 décembre 1857 



le restant 
T. 2, livr. 1—5 

6 
T. 3, livr. 1—4 

5—6 
T. 4, livr. 1—5 

6 



, 17 juillet 1858 

, 30 juillet 1859 

, 31 décembre 1859 

, 4 août 1860 

, 31 décembre I860 

, 1 juillet 1861 

, 31 décembre 1861 



T. 5, livr. 1—5 du 24 août 1861—5 juillet 1862 

6 sous presse le 5 juillet, publiée .... avant le 31 décembre 1862 

T. 6, livr. 1 — 4 „ „29 août 1863 

5—6 „ „31 décembre 1863 

T. 7, livr. 1—4 „ „30 juillet 1864 

5—6 du 30 juillet— 1 octobre 1864 

T. 8, livr. 1—5 „ „26 août 1865 

6 publiée très tard mais „ „31 octobre 1866 

T. 9, le tome entier „ „13 juillet 1867 

T. 10, livr. 1—2 „ „13 juillet 1867 

3—6 „ „25 juillet 1868 



G. Barendrecht & G. Kruseman Jr. : Prologue 3 

T. 11, livr. 1—3 ,25 juillet 1868 

4 30 septembre 1868 

T. 12, le tome entier , .,30 septembre 1869 

T. 13, livr. 1 — 2 30 septembre 1870 

3—6 1 juillet 1871 

T. 14, livr. 1—4 1 juillet 1871 

5 ,30 septembre 1871 

6 31 décembre 1871 

T. 15 p. 1—280 -, 15 juin 1872 

le restant 30 septembre 1872 

(sauf deux planches publiées après) 7 juin 1873 

T. 16, livr. 1—5 30 juin 1873 

6 29 août 1874 

T. 17, livr. 1—4 29 août 1874 

5—6 31 juillet 1875 

T. 18, te tome entier 1 décembre 1875 

T. 19, livr. 1 janvier 1876 

2 mai 1876 

3 août 1876 

4 octobre 1876 

T. 20, livr. 1 décembre 1876 

2 mars 1877 

3 juin 1877 

4 août 1877 

T. 21, livr. 1 décembre 1877 

2 mars 1878 

3 — 4 septembre 1878 

T. 22, livr. 1 décembre 1878 

2 mai 1879 

3 août 1879 

4 octobre 1879 

T. 23, livr. 1 janvier 1880 

2 mars 1880 

3 juillet 1880 

4 septembre 1880 

T. 24, livr. 1 janvier 1881 

2 avril 1881 

3 juillet 1881 

4 octobre 1881 

T. 25, livr. 1 décembre 1881 

2 février 1882 

3 mai 1882 

4 octobre 1882 

T. 26, livr. 1 janvier 1883 

2 mai 1883 

3 octobre 1883 

4 décembre 1883 

T. 27, livr. 1 janvier 1884 

2 juin 1884 

3 octobre 1884 

4 janvier 1885 

T. 28, livr. 1 mai 1885 

2 juillet 1885 

3 novembre 1885 

4 janvier 1886 

T. 29, livr. 1 mars 1886 

2 avril 1886 

3 septembre 1886 

4 janvier 1887 

T. 30, livr. 1 (a et b) février 1887 

2 (a et b) mai 1887 

3 (a et b) juin 1887 

4 (a et b) septembre 1887 



4 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

T. 31, livr. 1 (a et b) janvier 1888 

2 (a et b) mai 1888 

3 (a et b) août 1888 

4 (a et b) octobre 1888 

T. 32, livr. 1 (a et b) févier 1889 

2 (a et b) juin 1889 

3 (a et b) août 1889 

4 (a et b) octobre 1889 

T. 33, livr. 1 (a et b) mars 1890 

2 (a et b) juin 1890 

3 (a et b) août 1890 

T. 34, livr. 1 et 2 expédiées avant le 18 juillet 1891 

le restant 16 juillet 1892 

T. 35, le tome entier 17 juin 1893 

T. 36, livr. 1 „bientôt en mains des souscripteurs" „17 juin 1893 

T. 37, livr. 1 „pas encore publiée, on espère pouvoir l'expédier bien- 
tôt, suivie par livr. 2" avant le 9 juin 1894 

T. 37, livr. „vient d'être complété" „ 6 juillet 1895 



AN ANALYSIS OF ETHOLOGICAL, ECOLOGICAL AND 

TAXONOMIC DATA ON ORIENTAL HISPINAE 

(COLEOPTERA, CHRYSOMELIDAE) 

BY 

L. G. E. KALSHOVEN 

Blaricum 

Summary 

Fairly numerous notes on host plants and larval life of oriental Hispinae can be found 
scattered in the literature. They point to oligophagous or even monophagous habits and a 
striking association with Monocotyl plant families in most instances, while three main kinds 
of larval occurrence can be distinguished: feeding between folded top leaves, boring in stalks, 
and mining in mature leaves. Moreover, the taxonomy of these Hispinae has been well 
studied. 

Therefore, it was considered useful, to investigate to what extent the "biological" groups" 
are in correlation with the classification as accepted by the taxonomists at present. 

For this purpose the available biological data, completed with own observations, have 
been brought together in a list of species arranged according to current classification. This 
survey comprises 133 species. Remarks on the source of the data, some of them critical, and 
new notes on the habits of the species, are added. 

A table is given to show the relative importance of various plant families as sources of 
foodplants of the oriental Hispinae. The preponderance of Monocotyls, particularly Zingi- 
beraceae, Palmae and Graminaceae, is again well brought to light. 

In comparing the grouping according to "biological" and "systematic" points of view a 
fair agreement is found in many instances, but some discrepancies also occur. 

The association of a limited number of Hispinae with Dicotyls may be considered as being 
of relatively recent origin. 

Introduction 

Several Hispinae are pests of palm trees of great importance, such as coconut, 
sago, nipah, and rattan. Many others are injurious to valuable crops like rice, 
maize, sugar cane, banana, or to bamboo and orchids. As a rule the beetles are 
easily recognisable, rather sedentary, clinging to their foodplants for feeding and 
for shelter. Therefore it is not astonishing that considerable material of Hispinae 
is brought together by collectors, among them by field entomologists and by 
workers in applied entomology, who usually attach host labels to the specimens. 
Moreover, the subfamily has attracted devoted students of taxonomy at different 
periods. Of those working in recent times the late Spaeth and Maulik may be 
mentioned. At present E. Uhmann, who completed the manuscript of a new 
catalogue of the family, and J. L. Gressitt, are specialists in this field. 

Thus the Hispinae have been studied fairly well in various respects. As regards 
the species of Indonesia, Java in particular, Zehntner, and especially Leefmans 
published extensive notes and papers on the bionomics of injurious species. 



6 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

Koningsberger gave an interesting account of the habitat of the beetles in culti- 
vated and wild areas, Roepke contributed noteworthy records on host plants, and 
so did AwiBOWO. A considerable amount of data and material was collected by 
T. H. C. Taylor in Java, during his search for parasites for the control of Pro- 
mecotheca in the New Hebrides. A compilation of the main points of all these 
studies was given by the present author in his book "De Plagen van de Cultuurge- 
wassen in Indonesië" (Pests of Indonesian Crops) vol. 2, p. 140, 1951. 

In 1918 Leefmans noted certain differences between larvae of various genera in 
connection with their ways of living: feeding between the unexpanded top leaves 
of palms, or mining the leaves. However, this study was not further elaborated. 

More recently Gressitt (1950) gave a summary of biological details of 
Hispinae from which the following may be quoted: "Apparently all of the spiny 
forms of hispids in the Orient (tribe Hispini) are leafminers and only certain of 
the elongate, more generalized, spineless types have larvae which live externally on 
plants, though more often in protected situations such as calyces, blossoms, petiole 
bases and leaf -buds of certain types of plants." 

In my opinion at least three distinct types or modes of larval habits should 
be distinguished, viz. (a) larvae feeding between the folded top leaves (particularly 
the "heart" of grasses and the "spear" of palms), (b) boring the stalks of her- 
baceous or semi-ligneous plants, and (c) mining in the leaves. 

Gressitt in his above mentioned paper also listed examples of the preference 
for particular host plants for a dozen hispine genera in the oriental region. Roepke 
mentioned in a popular discussion of the insect fauna of the isle of Batchan, 
Moluccas, that the oriental hispines appear to be attached mainly to Monocotyls. 
This fact attracted my attention also when I had the opportunity to make several 
observations on the foodplants of hispines during field work in the teak forests 
and other wooded areas in Java. Here Zingiberaceae, Palmae and Graminaceae, all 
three main host families of Indonesian hispines, are abundant. This obvious as- 
sociation of the beetles with Monocotyls was, therefore, pointed out in the few 
introductory lines to the Hispid family (more correctly Hispine subfamily) in my 
handbook. Evidence of this host selection, was also given in the survey of food- 
plants listed according to Hutchinson's system, with their specific enemies, in 
the appendix to my book (p. 1017 — 1063). 

In 1937 Maulik published a paper on "Distributional correlation between 
Hispine beetles and their host plants". Out of some 2570 species known at that 
time he enumerates 148 species with known food plants, and gives a list of 28 
plant families, representatives of which had been recorded as hosts of Hispinae. 
These families are listed according to the customary botanical system. Monocotyls 
and Dicotyls were not dealt with separately. The highest records were found to 
occur in the Graminaceae (57), Palmae (40), Leguminosae (23) and Compositae 
(20), the other families showing 1 — 8 records (3 on an average) only. 

The present study has a different object from Maulik's. Its aim is in the first 
place to stipulate clearly the predominant attachment of numerous hispine genera 
to monocotyl plants, and to show the distribution of the different modes of larval 
habits over the various tribes. Furthermore, to investigate whether the ethological 
and ecological characteristics of the Hispinae, as manifested in their larval habits 
and their association with certain plant groups, respectively, correspond with the 



L. G. E. Kalshoven : On Oriental Hispinae 7 

division into tribes and genera, as these are accepted by taxonomists on the basis of 
purely morphological characters of the adult beetles. Finally it is hoped that a 
study of this kind may ultimately contribute towards understanding of the possible 
evolution of the phytophagous habits in the Hispinae. 

With these purposes in view the following tabular survey has been drawn up. 
The comprehensive list of hispines and their host plants found in Maulik's 
paper (1937) provided some valuable additions to the data already incorporated 
in my card index. 

If not otherwise indicated, it is assumed that the recorded hosts serve as food 
plants during the larval as well as the adult stage, which appears to be the normal 
state of affairs. A few instances are recorded in which the beetles may feed 
regularly on plants not serving for the larval development. We shall discuss these 
instances in the last section. 

Acknowledgments 

The author is much indebted to Mr. E. Uhmann, Stollberg/ Sachsen, Deutsche 
Demokratische Republik, for the identification of his specimens and for the 
verifications of the nomenclature of the species mentioned in the following list. 
My sincere thanks are also due to my friends Dr. A. Diakonoff and Dr. J. van 
der Vecht for their kindness of reading the manuscript and giving valuable hints 
for the wording of the explanations. 



Tabular survey of reared hispinae 



Tribes, genera, 
species 



Locality 
of host plant 



Host plants 



plant group 
or genus 



plant 
family 



References 



Botryonopini 
Botryonopa 
grandis Baly 
sanguinea Guér. 



N.E. Sumatra, Java 
C. & W. Java 



Ni pa, Metroxylon 
Metroxylon. 
rattan palm 



■ Pälmae 



see next section 



Anisoderini 
Anisodera 
elongata Gestr. 

gracilis Guér. 

guérinii Baly 

lucidiventris Guér. 
s ut ur ell a Uhm. 

Estigmena 

chinensis 
Lasiochila 

gory/ Guér. 

rufa Guér. 






S. Sumatra 
C. & W. Java, 
India, Java 
W. Java 

India, China, Java 

Java 
Java 



X 



Musa (wild and 

cultivated) 
Musa (id.) 

Costus speciosus 

Amomum ca., 
sedge grass 



J. bamboo (various 
species) 



Musac. 

■ Zingib. 
jCyper. 

Gramin. 



leg. Toxopeus 1933 

leg. Leefmans/ 
Awibowo 1932 



see next section 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 






j5 






Host plant« 






CS 


Tribes, genera, 
species 


Locality of 
host plant 








« 

> 


plant group 


plant 


References 








or genus 


family 






Callispini 












Hispodonta 












uni color Heli. 


N. Celebes 


Musa 


Musac. 


leg. Awibowo 




Callispa 












metroxylonidis 












Uhm.l 


W. Java, 250 m 


Metroxylon 




leg. Roepke 




roepkei Uhm. ] 








Uhmann 1929, p. 14 




bioculata Uhm. 


W. Java, 1500 m 


rattan-palm 




leg. Kalshoven 




elegans Baly 


Malaya 


Zalacca 


Palmae 


Miller 1932, p. 18 




kalshoveni Uhm. 


W. Java, 1500 m 


Pinanga 




leg. Kalshoven 




splendidula Gestr. 


N. Celebes 


Metroxylon 




leg. Awibowo 




bowringii Baly 


China, Hongkong 


bamboo (7 species) 


f 


Maulik 1937, 
Gressittl950,p.6 




cumin gii Baly 


Philipp. Isl. 


Bambusa glaucescens 


Schultzel915,p. 18 


t/l 


jeae Baly 


Burma 


bamboo 


Gramin. 


Maulik 1937 


Cl> 


jlavescens Weise 


Philipp. Isl. 


Bambusa blumeana 




Schultzel915,p.l8 


> 

ca 


12-maculata Chap. 


Java, Sumatra, 


Spatboglottis 


Orchid. 


ref. in Kalshoven 


Cl> 




N. Cel. 






1951, vol. 2,p.74 




Ambii spa 










Oh 
O 


laevigata Guér. 


N. India 


high grass 


Gramin. 


Maxw, Lefroy 190: 












p. 364 


-o 


Miltinaspis 










"O 


cassidoides Guér. 


W. Java 


rattan palm 


Palmae 


leg. Drescher 193? 


I 


Leptispini 
Leptispa 










C 


abdominalis Baly 


China 


bamboo . 




Gressitt 1950, p. : 


0, 

Cl» 
V 


ar un di na Maul. 


India 


Saccharum arundi- 






* 






naceum 


Gramin. 


Maulik 1937 


« 


bicornis Spaeth 


Java 


bamboo 


Taylor 1937, p. 1- 


ja 


longipennis Gestr. 


China 


Sinocalamus 
(bamboo) 




Gressitt 1950, p. : 


^ 


pygmaea Baly 


India 


Oryza, Saccharum 




Fletcher 1914, p. 3: 


Cl) 
Oh 


ruf it borax Maul. 


India 


Saccharum 




Id. 1921, p. 17 












*-. 


Eurispini 












Euri spa spp. 


Australia 


sedges 


Cyperac. 


Froggatt 1907, p. ; 
206 




Cryptonychini 












Drescheria 












reinecki Weise 


W. Java, 1500 m 


bamboo 


Gramin. 


leg. Drescher 193« 




Octodonta 












affini s Uhm. 


W. Java 


Metroxylon 




Kalshoven II 1951 

p. 752 




an gul osa Uhm. 


Philipp. Isl. 


Cocos 




Lepesme 1947, 
p. 540 




banguinensis Uhm. 


Philipp. Isl. 


Cocos 




Maulik 1937 




nipae Maul. 


Malaya 


Areca, Metroxylon, 

Nipa, Oncosperma 


Palmae 


Corbe« 1932, p. 




surigaoana Uhm. 


Philipp. Isl. 


Cocos 




Lepesme 1947, 
p. 540 




Brontispa 












chalybeipennis 












Zach. 


Ponape, Palau 


Cocos 




Zacher 1916, p. 2 



L. G. E. Kalshoven : On Oriental Hispinae 









Host plants 








Tribes, genera, 


Locality of 














References 




species 


host plant 


plant group 
or genus 


plant 
family 






depressi Baly 


Philipp. Isl. 


Normanbya merrillii 
Arenga . 




Schultze 1915, 

p. 187 
Proc. Ent. Haw. Soc. 

14, p. 154 




mariana Spaeth 


Saipan, Mar. Isl., 
Guam 


Cocos 


Palmae 


Maulik 1937 




linearis Spaeth 


W. New Guinea 


Areca 

Cocos, Latania, 




leg. Reyne 




longissima Gestr. 


Indonesia, New 




Lepesme 1947, 




(+ var. froggatü) 


Guinea, Fiji Isl., 

New Hebr 


Areca, Phoenix, 
Met r ox., Oreodoxa 
Elaeis, Thrinax 




p. 540 




paluensis Es. & Ch. 


Palau Isl. 


Cocos 




Proc. Haw. Ent. Soc. 

14, p. 227 




lateralis Uhm. 


Austr. New Guinea 


Saccharum offici- 


Gramin. 


Dumbleton 1954, 




Plesispa 




narum 




p. 18 




biroi Gestr. 


N. New Guinea 


Areca 




Maulik 1937 




reichet Chap. 


Mai., Indonesia, 


Cocos, Nipa, Arenga, 




réf. in Kalshoven II, 






E. New Guinea 


Cryptostachys, 
Oreodoxa 




1951, p. 753 




ruf ic oll is Spaeth 


E. New Guinea 


Cocos 


Palmae 


Froggatt 1936, p. 10 




Isopedhispa 












cocotis Maul. 


New Caledonia 


Cocos 




Maulik 1933b, 
p. 280 




Aulo styrax 












nuciferae Maul. 


Solomon Isl. 


Cocos 




Maulik 1929, p. 235 




Oxycephala 












corporaali Uhm. 


Isl. of Buru 






Uhmann 1932, p. 14 




grossa Maul. 


Isl. of Batchian 


f Pandanus 




see next section 




speciosa Boisd. 


New Guinea, 


Pandan. 


Maulik 1937 






Aru Isl. 










tripartita Fairm. 


E. New Guinea 




Froggatt 1936, p. 12 




Pharangispini 












Pharangispa 












purpureiventris 












Maul. 


Solomon Isl. 


ginger 


Zingib. 


Maulik 1937 




Coelaenomenoderini 












J a ve ta 












arecae Uhm. 


S. Sumatra 


Areca 




Kalshoven II 1951, 
p. 759 




corporaali Uhm. 


W. Java, 800 m 


Pinanga kuhlii 


Palmae 


leg. Kalshoven 1933 




thoracica Uhm. 


W. Java, 250 m 


Metroxylon 




leg. Awibowo 1940 




Promecothecini 












Promecotheca 












alpiniae Maul. 


Solomon ' Isl. 


Alpiuia , 


Zingib. 


Maulik 1929, p. 238 




callosa Baly 


Queensland 


Cocos 




Frogatt 1914, p. 151 




coeruleipennis 


Fiji, Sol. Isl., Tonga, 


Cocos, Pritchardia 


Palmae 


Id., p. 150 




Blanch. 


Philipp. Isl. 


Cocos 






cumin gii Baly 


Philipp. Isl. 




Schultze 1915, 












p. 190 






Java 


Nipa 




leg. Koningsberger 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. i, 1957 



L. G. E. Kalshoven : On Orientai Hispinae 



Tribes, genera, 
species 



Callispini 
Hispodonta 
unicolor Hell. N. Celebes 

Callispa 
metroxylonidis 

Uhrn.\, W. Java, 250 m 
roepkei Uhm. 
bioculata Uhm. 



Locality of 
host plant 



Host plants 



plant group 
or genus 



plant 
family 



el e gans Baly 
kalshoveni Uhm. 
splendidula Gestr. 

bowringii Baly 

cumingii Baly 
feite Baly 
jlavescens Weise 
12-maci/lata Chap. 

Ambi is pa 
laevigata Guér. 

Milliiiatjiis 
cassidoides Guér. 

Leptispini 
Leptispa 
abdominalis Baly 
arundina Maul. 

bicornis Spaeth 
loiigipemiis Gestr. 

pygmaca Baly 
rufit borax Maul. 

Eurispini 
Eurispa spp. 

Cryptonychini 
Drescberia 
reinecki Weise 

Octodonta 
affimi Uhm. 

angiilosa Uhm. 

banguìnensìs Uhm, 
N/'pae Maul, 

surìgaoana Uhm. 

Brontìspa 
cbalybeìpennìs 



W. Java, 1500 m 

Malaya 

W. Java, 1500 m 

N. Celebes 

China, Hongkong 

Philipp. Isl. 
Burma 
Philipp. Isl. 
Java, Sumatra, 

N. Cel. 

N. India 
W. Java 



China 
India 

Java 
China 

India 
India 



Australia 

W. Java, 1500 m 

W. Java 

Philipp. Isl. 

Philipp. Isl. 
Malaya 

Philipp. Isl. 



Zach. I Ponape, Palau 



Musa 



Metroxylon 

rattan-palm 
Zalacca 
Pinanga 
Metroxylon 

bamboo (7 species) 

Bambusa glaucescens 

bamboo 

Bambusa blumeana 

Spathoglottis 



high grass 
rattan palm 



bamboo 
Saccharum arundi- 

naceum 
bamboo 
Sinocalamus 

(bamboo) 
Oryza, Saccharum 
Saccharum 



Musac. 



Palmae 



Gramin. 
Orchid. 

Gramin. 
Palmae 



bamboo 

Metroxylon 

Cocos 

Cocos 

Areca, Metroxylon, 

Nipa, Oncosperma 

Cocos 

Cocos 



Cyperac. 



Gramin. 



Palmae 



References 



leg. Awibowo 



leg. Roepke 
Uhmann 1929,p.l4} 
leg. Kalshoven 
Miller 1932, p. is 
leg. Kalshoven 
leg. Awibowo 

Maulik 1937, 

Gressittl950,p.69 
Schultzel915,p.l87 
Maulik 1937 
Schultzel915,p.l87 
ref. in Kalshoven 

1951,vol.2,p.740 

Maxw, Lefroy 1909, 
p. 364 

leg. Drescher 1933 



Gressitt 1950, p. 



Maulik 1937 
Taylor 1937, p. "* 
Gressitt 1950, p. " 6 



Fletcher 191-i.P ^ 
Id. 1921. P' 17 

Froggatt 1907. P- 
206 



Tribes, genera, 
species 



depressi Baly 



mariana Spaeth 

linearis Spaeth 
longissima Gestr. 
(-f- var. froggatti) 



Locality of 
host plant 



Host plants 



plant group 
or genus 



paluensis Es. & Ch, 

lateralis Uhm. 

Plesispa 
biroi Gestr. 
reichet Chap. 

ruficollis Spaeth 

hopedhispa 
cocolis Maul. 

Aulostyrax 
unci ferae Maul. 

Oxycephala 
corporaali Uhm. 
grossa Maul. 
speciosa Boisd. 

bipartita Fairm. 






leg . Drescher 19ÌÌ 

Kalshoven II H 

p. 752 
Lepesme l9->'- 

p. 5-40 
Maulik 193 7 ,, 
Corbe« 1932. F- 1 

Lepesme 19-* ' 
P. 540 



Zacher 191«- * : 






Pharangispini 

fharangispa 
P'i'piireiventris 

Maul. 

^laenomenoderini 
meta 

" e '"e Uhm. 
"»Poraali Uhm. 
"""acica Uhm. 

Sttothecini 
Y ">mecotheca 

S"* Maul. 

' 3 "°"> Baly 

' 0er ^,pe„„ h 

"""Hü BÌÌ anCh - 



Philipp. Isl. 



Saipan, Mar. Isl., 

Guam 
W. New Guinea 
Indonesia, New 
Guinea, Fiji Isl., 

New Hebr 

Palau Isl. 

Austr. New Guinea 

N. New Guinea 
Mai., Indonesia, 
E. New Guinea 

E. New Guinea 



New Caledonia 



Solomon Isl. 

Isl. of Buru 
Isl. of Batchian 
New Guinea, 
Aru Isl. 
E. New Guinea 



Normanbya merrillii 
Arenga 



Cocos 

Areca 

Cocos, Latania, 
Areca, Phoenix, 
Metrox., Oreodoxa 
Elaeis, Thrinax 
Cocos 

Saccharum offici- 
narum 

Areca 

Cocos, Nipa, Arenga, 

Cryptostachys, 

Oreodoxa 

Cocos 



Cocos 



Cocos 



I Pandanus 



plant 
family 



Palmae 



Gramin. 



Palmae 



Pandan. 



References 



Schultze 191 5, 

p. 187 
Proc. Ent. Haw. Soc. 

'4. p. 154 
Maulik 1937 

leg. Reyne 
Lepesme 1947, 
p. 540 



Proc. Haw. Ent. Soc. 

14, p. 227 
Dumhleton 1954, 
P. 18 

Maulik 1937 
ref. in Kalshoven II, 
1951, p. 753 

Froggatt 1936, p. 10 



Maulik 1933b, 
p. 280 

Maulik 1929, p. 235 



Uhmann 1932, p. 1' 
see next section 
Maulik 1937 

Froggatt 1936, p. 12 



Solomon Isl. 



Zingib. 



Maulik 1937 



S. Sumatra 

W. Java, 800 m 
W - Java, 250 m 



Solomon Isl. 

Queensland 

Fiji. Sol. Isl., Tonga 

Philipp. Isl. 

Philipp, isl. 

Java 



Areca 

Pinanga kuhlii 
Metroxylon 



Alpinia 

Cocos 

Cocos, Pritchardia 

Cocos 

Nipa 



Palmae 



Zingib. 



Palmae 



Kalshoven II 1951, 

p. 759 
leg. Kalshoven 1933 

leg. Awibowo 1940 



Maulik 1929, p. 238 
Frogatt 1914, p. 151 
Id., p. 150 

Schultze 1915, 

p. 190 
leg. Koningsberger 



10 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 



S 






Host plants 






fû 


Tribes, genera, 
species 


Locality of 
host plant 






References 


J3 

C3 


plant group 


plant 


> 
wc 






or genus 


family 






cyanipes Er. 


Philipp. Is!. 


Cocos 








nuciferae Maul. 


N. Celebes 


Cocos 




Maulik 1929 


</, 


opacicollis Gestr. 


New Hebr., Sol. Isl. 


Cocos, Areca, 




Lepesme 1947, 


Ui 






Phoenix, Phytele- 




p. 560 


c 






phas, Ravenala 








papuana Cs. 


E. New Guinea, 


Cocos, Metroxylon, 




Froggatt 1914, 


S 




Solom. Isl. 


Nipa, Elaeis 




p. 151 


rt 








Palmae 


Lepesme 1947, 


aj 


ptychospermae 








p. 561 


' ' 


Maul. 


Solom. Isl. 


Ptychosperma 




Maulik 1937 


tu 


soror Maul. 


Moluccas, Sula Isl. 


Cocos 




leg. Reyne, 


Oi 










Maulik 1929 


:>> 


varipes Baly 


Port Darwin 


Cocos 




Froggatt 1914, 
p. 151, 




violacea Spaeth 


Solom. Isl. 


Ptychosperma 




Lever in Maulik 
1932, p. 204 




Gonophorini 










Wallaceana 










1 S 


apical is Gestr. 


Sumatra, Malaya, 


Areca and other 




Kalshoven II 1951 


"S — 




Java 


palm trees 




p. 755 


"° a, 
.. 2 


dactylijerae Maul. 


India 


Phoenix 


Palmae 


Maulik 1919, P- : 


^ -T-t 


inornata Gestr. 


Java 


palms 




see next section 




marginata Gestr. 


W. Java 


Plectocomia 




id. 


Cu S 


Phoenicia Maul. 


Malaya, Cary Isl. 


Oncosperma, Zalacca 




Corbe« 1932, p. . 


-£"-*- 


sp. pr. Phoenicia 


W. Java 


Didymosperma 




leg. Kalshoven 




Downesia 












bambusae Maul. 


W. Java 


bamboo 




Taylor 1937, p. 1< 
(D. excelsa) 




javana Weise 


C. & W. Java 


bamboo 




Maulik 1933a, p. ' 




mar gin'? colli s Weise 


China 


Sinocalamus (bam- 
boo) 




Gressitt 1950, p. ; 




perniciosa Spaeth 


W. Java, 1000 m 


bamboo 


_ 


leg. Awibowo 




sumatrana Gestr. 


W. Java 


bamboo 


Gramm. 


Taylor 1937, p. 1 


a 


Klitispa 










S 
mi 


opacula Spaeth 


C. & W. Java, 

250—1000 m 


bamboo 






U 


Agonita 
pallipes Spaeth 


C. & W. Java, 

250—1000 m 


bamboo 




Ì see next section 


v> 


decorata Gestr. 


Sumatra 


Co el o gyn e 
Spathoglottis, 






<u 


spathoglottis Uhm. 


Java 






O-, 






Arundinacea, Pha- 


■ Orchid. 










laenopsis 








undata Uhm. 


Borneo 


? orchid 








suturella Baly 


Java 


Pandanus 


Pandan. 






bicolor Gestr. 


W. Java 


Metroxylon 




Kalshoven II 195 1 




(Lachnispa) 






- Palmae 


p. 759 




Wallacispa 












javanica Gestr. 


N. Celebes 


Metroxylon 




leg. Awibowo 19 



L. G. E. Kalshoven : On Oriental Hispiuae 



1 1 



Tribes, genera, 
species 



Locality of 
host plant 



Host plants 



plant group 
or genus 



plant 

family 



Refere 



Gonophora 
boivringii Baly 
baemorrhoidalis 

Web. 
integra Baly 
taylori Spaeth 
xantbomela Wied. 
zi 11 zi bar is Mots. 
Mieris pa sp. 
Chaeridionini 
Chaeridiona 

metallica Baly 
Prionispa 
fulricollis Guér. 
Oncocephalini 
Oncocepbala 
angulata Gestr. 



tuberculata Cl. 



Hispini 

Hispellinus 
albertisii Gestr. 
calli cant bus Bat. 



moestus Baly 



Hi spella 
andrewesi Weise 

Phidodonta 
modesta Weise 



Rhadinosa 
fletttiauxi Baly 
nigroeyanea Mots. 
parvula Mots. 



Asamangulia 
cuspidata Maul. 

homi Uhm. 
ivakkeri Zehntn. 



Java 

Sumatra 

C. & W., Java 

Java 

Java 

Ceylon 

W. Java 



India 
Java 



Java 



Malaya 
India 
Java 
India 



Austr. New Guinea 
Philipp. Isl. 

Formosa 

Philipp. Isl. 
Malaya 



China 



India 



S. China 
Japan 
E. Java 




Formosa 
Java 



Curcuma c.a. 

Am o m um c.a. 
Nicolaia c.a. 
pr. Amomum 

Elettaria, Musa 

ginger 

Maranta 



Curcuma 

Pollia tbyrsiflora 

orchids ? r 

Di os corea sp. 

Curcuina sp. 

'egg plant' 

Ipomoea batatas 

Id. 

Ipomoea sepiaria 



? wild Saccharum 
Oryza sativa 

Id. 

bamboo 

Saccharum offici- 
narum 

narrow leaved grass 



Saccharum offici- 
narum, Andropo- 
gon sorghum 

wild grasses 

Oryza sativa 

Saccharum offici- 
nar um, Zea mays, 
Oryza, wild gras- 
ses 

Imperata 

Saccharum offici- 
narutn 

Id. 

Id., + hybr., S. 
spontaneum, bam- 
boo, 

Oryza sativa 

Oryza & other grasses 



( Zingib., 
Musac. 



•}UBJ13J^ 

Zingib. 
Commet. 



Orchid. 
Dioscor. 
Zingib. 
Solan. 

Convolv. 



Gramin. 



, see next section 



Maulik 1919, p. 150 
leg. Kalshoven 



Taylor 1937, p. 144 



Koningsb. '08, p. 70 
leg. Dammerman 
leg. Kalshoven 1930 
Miller, 1932, p. 18 
Maulik 1919, p. 100 
in collection Bogor 
Ind. Jrn. Ent. '40 
p. 97 



leg. Jeswiet 1928 
Uichanco 1929 

p. 572 
Maulik 1919, 

p. 11, 17 
Woodworth 1921 

Corbe« 1924, p. 256 

Gressitt 1950, p. 101 
(H. donckieri) 



Lefroy 1909, p. 365 
Fletcher 1921, p. 18 

Gressitt 1950, p. 102 
v.Heurn,1923 ,p.H9 

\ Zehntner 1894, 
j P- 793 

leg. Verbeek 1930 



Fletcher 1921, p. 18 
Gressitt 1950, p. 104 

Zehntner 1894, 
p. 793 

v. Heurn 1923 
Taylor 1937, p. 145 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 



L. G. E. Kalshoven : On Oriental Hhpinae 



T~\ 




Host plants 


' — 




Locality of 
host plant 








J3 


Tribes, genera, 
species 


plant group 


plant 


References 


> 






or genus 


family 






cyanipes Er. 

nuciferae Maul. 


Philipp. Isl. 
N. Celebes 


Cocos 
Cocos 




Maulik 1929 




opacicollis Gestr. 


New Hebr., Sol. Isl. 


Cocos, Areca, 




Lepesme 1947 








Phoenix, Phytele- 




p. 560 


(LI 






phas, Ravenala 




C 

Ë 


papuana Cs. 


E. New Guinea, 
Solom. Isl. 


Cocos, Metroxylon, 
Nipa, Elaeis 




Froggatt 1914, 
P. 151 


u 


ptychosperniae 






Palmae 


Lepesme 1947, 
p. 561 




Maul. 


Solom. Isl. 


Ptychosperma 




Maulik 1937 


*• 


.row Maul. 


Moluccas, Sul a Isl. 


Cocos 




leg. Reyne, 


a 










Maulik 1929 


£ 


vari pes Bal y 


Port Darwin 


Cocos 




Froggatt 1914, 
p. 151, 




violacea Spaeth 


Solom. Isl. 


Ptychosperma 




Lever in Maulik 
1932, p. 20-1 


Gonophorini 










ï ï 


H^rfZ/dfÉtf»« 










k rt 


apicalis Gestr. 


Sumatra, Malaya, 


Areca and other 




Kalshoven II 1951. 


n ~~ 




Java 


palm trees 




p. 755 


.. 2 


ddclyli ferae Maul. 


India 


Phoenix 


Palmae 


Maulik 1919, P- H 


* -a 


inornata Gestr. 


Java 


palms 




see next section 




marginata Gestr. 


W. Java 


Plectocomia 




id. 


li 


Phoenicia Maul. 


Malaya, Cary Isl. 


Oncosperma, Zalacca 








sp. pr. Phoenicia 


W. Java 


Didymosperma 




leg. Kalshoven 




Downesia 












bambusae Maul. 


W. Java 


bamboo 




Taylor 1937. P- Â 
(D. excelsa) , 




'pavana Weise 


C. & W. Java 


bamboo 




Maulik 1933a. p. « 




margini collis Weise 


China 


Sinocalamus (bam- 
boo) 




Gressitt 1950, P- M 




perniciosa Spaeth 


W. Java, 1000 m 


bamboo 




leg. Awibowo 
Taylor 1937. p- 'fl 


ü 


sumatrana Gestr. 


W. Java 


bamboo 


Gramin. 


a 


Klitispa 










E 


opacula Spaeth 


C. & W. Java, 

250—1000 m 


bamboo 






«J 


Agoni/a 
pallipes Spaeth 


C. & W. Java, 


bamboo 




see next section 1 






250—1000 m 










decorata Gestr. 


Sumatra 


Coelogyne 






a. 


spat ho glot lis Uhm. 


Java 


Spatho glottis, 
Arundtnacea, Pha- 






£• 






Orchid. 










laenopsis 








«ai/a/a Uhm. 


Borneo 


? orchid 








siitiaella Baly 


Java 


Pandanus 


Pandan. 


Kalshoven II ^ 




bicolor Gestr. 


W. Java 


Metroxylon 






(Lachnispa) 






p. 759 




Wallachpa 






Palmae 


leg. Awibowo i oU | 




javanica Gestr. 


N. Celebes 


Metroxylon 





Tribes, genera, 
species 



Locality of 
host plant 



Gonophora 

boirringii Baly 

huemorrhoidalis 

Web. 

integra Baly 

taylori Spaeth 

xunt botitela Wied. 

zi 11 zib.tr is Mots. 
Micrispa sp. 
Chaeridionini 
Chtieridiona 

metallica Baly 
Prionispa 
julvicollis Guér. 
Oncocephalini 
Oucocephala 
ungulata Gestr. 



tuberculata Cl. 



Hispini 
Hi s pelli 11 us 

dbertisii Gestr. 

cMicanthus Bat. 



moestus Baly 



Hispella 
| indrewesi Weise 

| Pbidodonta 

I modesta Weise 

Rbzdinosa 
! le «tiauxi Baly 

pm "'a Mots. 



4l<H 

"*«£ Maul. 

h "" u Uhm 
"** Zehntn. 



Java 

Sumatra 

C. & W., Java 

Java 

Java 

Ceylon 

W. Java 



India 
Java 




Amomtnn c.a. 
Nicolaia c.a. 
pr. Amomum 
Elettaria, Musa 
ginger 
Maranta 



Curcuma 
Polita thyrsiflor 



Java 



Malaya 
India 
Java 
India 



Austr. New Guinea 
Philipp. Isl. 

Formosa 

Philipp. Isl. 
Malaya 



China 
India 



S. China 
Japan - 
E. Java 



orchids ? 

Dioscorea sp. 

Curcuma sp. 

'egg plant' 

lpomoea batatas 

Id. 

lpomoea sepiaria 



? wild Saccharum 
Oryza satira 

Id. 

bamboo 

Saccharum offici- 
narttm 

narrow leaved grass 



Saccharum offici- 
namm, Andropo- 
gon sorghum 



Zingib., 
Musac. 



•JUEJEJ^ 

Zingib. 
Commet 



Orchid. 
Dioscor. 
Zingib. 
Solan. 

Con vol v. 



see next section 



Maulik 1919, p, 150 

leg. Kalshoven 



Taylor L937 



p. Ill 



Koningsb. '08, p. 70 
leg. Dammerman 
leg. Kalshoven 1930 

Miller, 1932, p. IS 
Maulik 1919, p. 100 
in collection BogOI 
Ind. Jrn. Ent. '10 
p. 97 



Gramin. 




wild grasses 
I Oryza satira 

J Saccharum offici- 
narum, Zea mays, 
Oryza, wild gras- 
ses 
Imperata 
Saccharum offici- 
varum 
Id. 
I Id., -f hybr., S. 

spontaneum, bam- 
boo, 
' Oryza satira 
OryzaSc othergrasses 



leg. Jeswiet 1928 
Uichanco 1929 

p. 572 
Maulik 1919, 
p. 11, 17 

Woodworth 1921 

Corbe« 1921. p. 256 

Gressitt 1950, p. 101 
(//. donckiert) 



Lefroy 1909, p. 365 
Fletcher 1921, p. 18 

Gressitt 1950, p. 102 
v.Heum,1923 ,p. 119 

Zehntner 1891, 
p. 793 

leg. Verbeek 1930 



Fletcher 1921, p. 18 
Gressitt 1950, p. 104 

Zehntner 189 i, 
p. 793 

v. Heurn 1923 
Taylor 1937, p. 145 



12 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. i, 1957 



Tribes, genera, 
species 



Locality of 
host plant 



Host plants 



plant group 
or genus 



plant 
family 



References 



Dactylispa 
bakeri Gestr. 

cladophora Guér. 



kaulina Gress. 
luhi Uhm. 
infoscata Chap. 

spinosa Web. 



s ; öst ed 'ti Uhm. 



sumatrana Weise 



bipartita Weise 



leo nardi Rits. 



aspera Gestr. 
debilis Gestr. 

javaensis Maul. 



manter'tì Gestr. 



vet hi Gestr. 



E. Java 
Philipp. Isl. 

China 
China 
Philipp. Isl. 

Java 

W. Java, 800 m 

E. Java 
C. Java 

China 

C. Java 

Philipp. Isl. 
W. Java 

Sumatra 

W. & C. Java 

C. Java 

W. Java, 250 m 

W. Java, 800 m 

W. Java, —800 m 



N. Sumatra 
Java 

W. Java, 800 m 



Saccharum sponta- 

neum 
Bambusa blumeana, 
Hymenachne sp. 



bamboo 

Anthraxon hispidus 
Bambusa blumeana 

Saccharum offici- 
narum 

Panicum palmifo- 
lium, Rottboellia 
exaitata 

Zea mais 

^Imperata cylindrica 
^Saccharum spunta- 
ti e um 
ssp. of Bambusa 
busa, Lingnania, 
Sinobambusa 

Saccharum ojfici- 
narum 

*S. spontaneum 
Bambusa blumeana 

^Sterculia 



* Ceiba peni andrà 

*id. 

Helicteres 
* Gardenia augusta 
Nertera depressa 
Plectronia horrida 
Gardenia, 

salam utan, 
kerema 

Cinchona led gerì ana 

^Curcuma 
*Lagerstroemia 

Plectronia horrida, 
tauluan 



' Gramin. 



Stercul. 



Bombac. 



Stercul. 
I Rubiac. 



PMyrtac. 



Rubiac. 

Zingib. 
Lythrac. 

Rubiac? 



Kobus in Uhmann 

1935, p. 149 
Schultze 1915, 

p. 188 
leg. Kalshoven, 

Uhmann 1956, 

p. 68 
Gressitt 1950, p. 1 
Gressitt 1950, p. 1 
Schultze 1915, 

p. 188 
Zehntner 1894, 
p. 793 (Hispa sp. 

leg. Kalshoven 
(Uhm. 1956, p. 

Kalshoven II 1951 
p. 761 

leg. Kalshoven 

Gressitt 1950, p. Il 



leg. Awibowo 19Î 

leg. Verbeek 192 

Schultze 1915, 
p. 188 

Roepke (Uhm. '29 
p. 149); Kals- 
hoven (Uhm. I 
p. 64 

v. d. Meer Mohi 
1926, p. 500 

leg. Leef mans, 
Franssen 

leg. Kalshoven 

leg. Kalshoven I e 

leg. Kalshoven 
Bernard/Menzel 

1924 
leg. Kalshoven 

(Uhm. 1956, 

p. 62) 
Bernard/Menzel 

1924 
leg. Kalshoven 

Kalshoven 
(Uhm. 1956, p. t 



L. G. E. Kalshoven : On Oriental Hispinae 



13 



Tribes, genera, 
species 



Locality of 
host plant 



Host plants 



plant group 
or genus 



plant 
family 



References 



angulosa Solsky 

nemoralis Gestr. 

Dicladispa 
armigera Oliv. 



alternata Chap. 

Piatypria 
andrewesi Weise 



echidna Guér. 
echinogale Gestr. 



hystrix Fabr. 



E. Asia 

W. Java, 800 m 

India 
Java 

W. Java, 1500 m 

India 
Ceylon 

India 

Java 

Sumatra 

India 



?*Filipendula palmata] 
Kubus moluccana J 



Oryza satira 

id. and wild grasses 

Saccharum offici- 
narum 
*Saccharum sponta- 
neum 

Zizypbus jujuba 
Erythrina 

Erythrina litho- 

sperma 
Erythrina 

Tephrosta candida 
Ca) an us ìndie us 
'katjangen' 
Cajanus indicus 

Une aria gambir 

Erythrina spp. 
Dolichos lablab 
Sesbania grandiflora 
Rubus ellypticus 

Myrica 



Rosac. 



V Gramin. 
I 



Legum. 



Rubiac. 

Legum. 

Rosac. 

Myric. 



Gressitt 1950, p. Ili 

leg. Kalshoven 
(Uhm., '56, p. 69) 

Maulik 1919, p. 15 
v. Heurn 1923; 

Taylor 1937 
Zehntner 1894, 

p. 793 
leg. Kalshoven 1923 



Lefroy 1909, p. 364 
Maulik 1919, 

p. 11, 17 
Fletcher 1919, 

?. 237 
leg. Leefmans 1929 
leg. Leefmans 1924 

leg. Kalshoven 1931 
v. d. Meer Mohr 

1926, p. 500 
Schneider 1940, 

p. 58 

Beeson 1919, 
Maulik 1919, p. 11 

Ind. For. Ree. 1936, 
p. 303 



* adults only 

Annotations to the foregoing table, and references 

Botryonopini 

Botryonopa grandis Baly. A strikingly coloured beetle with metallic blue or 
green elytra, 24 mm in length, inhabiting the coastal regions of Sumatra and Java. 
The species once caused serious injury to a plantation of nipah palms (Nipa fru- 
tkans), as was reported from Northeast Sumatra in 1935. The species was 
identified at the time as B. marginata Uhm., but specimens sent to the Institute 
for Plant Diseases and Pests, Bogor (Buitenzorg), Java, were found to belong to 
B. grandis. 

B. sanguinea Guér. is a common species on the rumbia or kirai palm, Metroxy- 
lon sp., in the valleys of West Java up to 600 m. Koningsberger (1915) 
mentioned it as belonging to the fauna of the jungle borders and stated that it 
occasionally moved from wild palms to the coconut, but this has not been con- 
firmed, as was pointed out by Roepke (in Uhmann, 1929, p. 44). Its occurrence 
in the tops of rattan palms was noticed by Drescher in Banyumas, and by myself 
near Band jar in West Java. 



T.JDSCHMFT VOOR ENTOMOLOGA, DEE L 100, AFL. 1, 1957 



L. G. E. Kalshoven : On Orientai Hisphuu 







baten Cicstr 
dadophora Guér. 



kaulina Gress. 
luhi Uhm. 
injuscata Chap. 

ipinotrt Web. 



l 'hm. 



tiwuiriiu Weise 



bipartita Weise 



Itoaardi Rits. 



.;•,"< u (..ist, 

itbìlìl I H sii 

■ Maul. 






ir/£/ Gestr. 



E. Java 
Philipp. W 



China 
China 
Philipp. 111. 

Java 

W. Java, 800 m 

E. Java 
C. Java 

China 
C. Java 
Philipp, fai, 

\\'. Java 

Sumatra 

W. & C. Java 

C. fava 

\Y. Java, 230 m 

\Y. Java, 800 m 

\Y. Jave, suo m 



N. Sumatra 
Java 

\Y. Java. 800 



Saccharum spanta- 

neum 
Bambina blumeana, 
Hymen.tcbne sp. 



bamboo 

Anthraxoii hispidus 
Bambina blumeana 

Saccharum offici- 
narum 

Panicum palm/fo- 
lium, Rotlboellia 
exaitata 

Zea mais 

'•'Imperata cilindrica 

"Saccharum sponta- 

neum 

ssp. of Bambusa 

busa, Lingnania, 

Sinobambusa 

Saccharum offici- 
ii.nnm 

*S. spontaneum 

Bambina blumeana 

"Sterculia 



"Ceiba pentandra 
*id. 



Gramin. 



U res 

»Gardenia augusta 

Nertera /</'■' ' '•' 
Plectronia borrida 
Gardenia, 

salam utan, 
kerema 



C'inchini i ledgeriana Rubiac. 



Stercul. 

Bombac. 

Stercul. 
Rubiac. 

?Myrtac. 



"Curcuma 

ernia 

Plectronia /.'orrida. 
tauluan 



Zingib. 
Lythrac. 

Rubiac.: 



Kobus in Uhmann 

1935. p. 149 
Schultz 1915, 

p. 188 
leg. Kalshoven, 

Uhmann 1956, 

p. 68 
Gressitt 1950. p. ih 
Gressitt 1950. p. i;: 
Schultze 1915, 

p. 188 
Zehntner 1894, 
p. 793 (Hi p» if | 



Tribes, genera. 
species 



Locality of 
host plant 



leg. Kalshoven 
(Uhm. 1956. p. 'ij! 

Kalshoven II 1951. 
p. 761 

leg. Kalshoven 

Gressitt 1950, p. 12) 



leg. Awibowo 19" 

leg. Verbeek 1926 
Schultze 1915, 

p. 188 
Roepke (Uhm. '8 

p. 149)-. Kals- 

hoven (Uhm. M 

p. 6-1 
v d. Meer Mohi 

1926. p. 50° 
leg. Leefmans, 

' Franssen 
leg. Kalshoven 
lei. X' ,! - 
l eg . Kalshoven 
Bernard/M** 

192-1 
leg. Kalshovefl 

(Uhm. " 






Bernard 
1924 
lea Kalsho*« 

Kalshov. 
(Uhm 



angulosa Solsky 

r.cmoralis Gestr. 

Dicladispa 
armigera Oliv. 



alternata Chap. 

Piatypria 
andrewesi Weise 



echidna Guér. 
tchinogale Gestr. 



hystrix Fabr. 



E. Asia 

W. Java, 800 m 



India 
Java 



W. Java, 1500 m 

India 
Ceylon 

India 

Java 

Sumatra 

India 



Host plants 



plant group 
or genus 



plant 
family 



?*Filipendula palmata) 
Rubus molucc.via 



Oryza salii.: 

id. and wild grasses 

Saccharum offici- 
narum 
"Saccharum sponta- 
neum 

Zizyphus jujiiba 
Erythrina 

Erythrina litho- 

sperma 
Erythrina 
Tephrosia candida 
Cajanus indiens 
'katjangen' 
Cajanus indicia 

Uncaria gambir 

Erythrina spp. 
Dolicho: lablab 
Sesbania grandiflora 
Rubus ellypticus 

Myrica 



Rosac. 



y Gramin. 



Legum. 



Rubiac. 

Legum. 

Rosac. 

Myric. 



References 



Gressitt 1950, pill 

leg Kalshoven 
(Uhm., '56, p, 69) 

Maulik 1919, p. is 
v. Hcurn 

Taylor 1937 
Zehntner 1894, 

le.«. Kalshoven 



Lefroy 1909, p 164 
M.iuhk ioi>), 

p. 11. 17 
Fletcher 1919, 

p. 237 
leg. Leefmans 
leg, Leefmani 

leg. Kalshoven 1931 
v. d. Meet Mohi 
1926, i 

Schneide! I 

p. 58 

Beeson 1919, 

Mauhk 1919, P 1' 

bid, Poi Eia 

p. 303 



' adults only 

Annotations to the foregoing table, and references 
Botryonopini 
Botryonopa grandis Baly. A strikingly coloured beetle with metallii blu« 01 
green elytra, 24 mm in length, inhabiting the coastal regions of Sumatra ami ).^.i. 
The species once caused serious injury to a plantation of nipah palms (Sifu f m 
*«w), as was reported from Northeast Sumatra in 1935. The »pedes was 
identified at the time as B. marginata Uhm., but specimens sent to the Institut! 
' or Planr - Diseases and Pests, Bogor (Buitenzorg), )^±. were found to belong to 
°- grandis. 
B - sanguinea Guér. is a common species on the rumbia or kirai palm, Mttroxj- 
m S P-. in the valleys of West Java up to 600 m. Koningsbergkr (1915) 
"»ntioned it as belonging to the fauna of the jungle borders and stated that it 
*«sionally moved from wild palms to the coconut, but this has not been <on- 
l" 1 "«!, as was pointed out by Roepke (in Uhmann, 1929, p. 44). Its occurrence 
" 'he tops of rattan palms was noticed by Drescher in Banyumas, and by myself 
^ Bandjar in West Java. 



14 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

Anisoderini 

Anisodera beetles are very common in western Indonesia and Malaya. From 
observations made in Java they appear to be mainly associated with large-stalked 
Zingiberaceae, which are a regular feature in ravines and along the borders of the 
jungle forests, reaching a height of a few meters. On my host labels these plants 
are mostly indicated by their vernacular names (hondje and bolang in West Java, 
tepus in Central Java, etc.,), which names are in use for species of the genera 
Amomum, Achasma and Nicolaia. The beetles can easily be found by unrolling 
the youngest still sprouting leaves, where they hide, often in couples. They feed 
there on the succulent inner parts, and when attacked leaves afterwards unfold, 
they show cross rows of holes; these details were already mentioned by Konings- 
berger in 1915. Some species also inhabit wild banana {Musa) and move oc- 
casionally to cultivated banana plants growing close to the forest or to ravines with 
wild vegetation. Once I found some Anisodera beetles in high sedge-grass on the 
slopes of Mount Gedé (ca 1200 m, West Java); out of three specimens captured 
two were identified by Uhmann as A. lucidiventris and one as A. snturella (two 
species considered to be closely allied). All other specimens in the author's col- 
lection, identified as belonging to one of the two species, were collected on large 
Zingiberaceae. 

It may be remarked here that Anisodera beetles have so far defied all 
attemps of taxonomists to divide this genus into readily distinguishable species. 
This is especially true of the material collected in Sumatra, which has been as- 
signed to 8 species. Yet Uhmann wrote (1943, p. 169) "Die Anisodera-Arten 
sind einander oft sehr ähnlich und scheinen recht zahlreich zu sein, denn ich habe 
viele Einzelstücke gesehen, die sich bei keiner der bisher beschriebenen Arten unter- 
bringen Hessen. Auch viele kritische Stücke habe ich gefunden". 

It is regrettable that no notes are available on the hostplants of the Sumatran 
species, except in one case (A. el on gat a). 

Concerning the larval habits of the Anisodera species nothing appears to have 
been published so far, which is a curious fact for so common insects. Fortunately 
I made an observation on one species, A. guêrini. This is a regular feeder on 
Cost us spec io sus, a characteristic large herb with leaves placed spirally (screw- 
wise) and with a terminal inflorescence, growing abundantly in teak forests and 
other wooded areas in Java; Beeson mentions the same host for guêrini in India. 
I found larvae, pupae and immature beetles in tunnels of 8 — 10 cm length in the 
stalks of the host plant at some distance from the top. The presence of these tun- 
nels was indicated by a small oval hole. The unfolded leaves of Costus may show 
cross rows of oval perforations, which are probably the results of the feeding 
activities of the borers in the core (heart) of the still folded leaves at the top. 
The beetles have been caught in light traps but they have also been seen on the 
wing during day-time. 

Thus the larvae of A. guêrini appear to live in galleries in the heart of the 
host plant and can be classified in the ethological group of stalk borers. They 
appear to have somewhat similar habits as the larvae of the related genera Lasio- 
chila and Estigmena, which are shoot borers in bamboo (see below). It may be 
assumed that larvae of other Anisodera species are also stalk borers in Zingibera- 



L. G. E. Kalshoven : On Oriental Hispinae 15 

ceae during their larval stages. A corroboration of this assumption was found in 
a note by Leefmans, who once observed an Anisodera species boring in leaf 
stalks of a banana tree {Musa) in Bogor (1932). 

Estigmena cbinensis Hope, Lasiochila goryi Guér. and L. rufa Guér. Beetles 
bred from larvae boring in tops of bamboo shoots in different parts of Java have 
been assigned by the specialists to these three apparently closely allied species; the 
latter two were originally described from Java. The damage done by the borers 
(identified on that occasion as "Anisodera goryi"*) was described by Roepke 
(19I8) as follows (translated from the Dutch): "The larva tunnels in the wall of 
green bamboo internodes and pupates in it. The beetles bore exit holes. As a result 
of the activities of the insect narrow slits are formed which are not rarely seen on 
ripe, hardened bamboo stalks. The openings allow the entrance of rain water, dirt 
and secondary insect intruders, which prevent a normal development of the inter- 
node". This damage is well known to the Indonesians, who in West Java call the 
borer tjangkilung; however, this name is also used for a Pyralid borer causing 
similar deformation of the bamboo internodes (Koningsberger, 1915, p. 207). 
The habits of Estigmena cbinensis as a very injurious shoot borer of various 
bamboo species have long been known from observations in India and Burma 
(Stebbing 1914, p. 254, Beeson 1941, p. 225, Mathur 1943, p. 117). Beetles, 
identified by Uhmann as belonging to this species were bred by my assistants 
from bambù krisik (Bambusa multiplex) in Bandjar, West Java, and from pring 
legi (Bambusa vulgaris) and pring wuluh (Schizostachyum blumei) in the teak 
area of Central Java; they were also collected from unidentified bamboo in Bogor, 
West Java. 

However, a specimen bred from a shoot boring larva in bambù tali (Gigantoch- 
loa apus) at Bandjar was identified by Uhmann as Lasiochila rufa, and a speci- 
men labelled tjangkilung at Bogor, as L. goryi. No differences between these 
three species as to their habits or habitats have been discovered in Java so far. 

Cryptonychini 

Several species of this tribe were studied to some extent in connection with the 
damage done by them, both as larvae and adults, to coconut and other palms of 
economic importance. They can be collected, as far as known, by opening the 
still folded top leaves, the spear, of their host trees. Plesispa reichei, well known 
through the investigations by Leefmans, attacks young coconut trees. The Bron- 
tispa species, including some of the worst pests of Cocos, live in the crowns of 
mature trees. 

Roepke (1935) recorded how he detected a conspicuous 16 — 18 mm large 
hispid, predominantly steel-blue, with the base of the elytra straw yellow, on a 
very spiny Pandanus sp. near Labuan on the isle of Batchian, North Moluccas, in 
August 1929. The beetle was found between the unexpanded top leaves, where 
larvae and pupae were also present. The species was described by Maulik as Oxy- 



*) In the collection of the Entomological Laboratory, Agricultural University, Wageninger. 
there is a specimen of Anisodera goryi Guér. (det. Uhmann) which bears the label "dari 
daon bamboe" (= from bamboo leaf) "leg. Zehntner" (Salatiga, ± 1900). 



16 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

cephala grossa. From our survey it now appears that three more Oxycephaly. 
species are living on Pandanus in different regions. 



Gonophorini 

The Wallaceana species, small brown beetles, live in the spear of palms in about 
the same manner as the Cal I Is pa species. Though rather common they have not 
been well investigated because their host palms are of less importance than the 
coconut. 

W . marginata Gestr. was found in the bracteolate inflorescence of a rattan palm 
(Plectocomia sp.) (leg. Paine, Mount Salak, West Java, XII. 1930). 

One species often attacks ornamental palms (like veerpalm, waaierpalm, bintang 
mas) grown in tubs in the varandahs of houses in Java. This was already known 
to Zehntner (specimen labelled Salatiga, 1903) and to Jacobson (Semarang, 
1902). The beetles have been variedly identified by several coleopterists as 
W. palmarum Gestr., W. apìcalìs Gestr., and W. inornata Gestr. Probably there 
is only one species involved which shows some variation with regard to the more 
or less marked presence or total absence of a black patch at the end of the elytra. 

W . palmarum has been found to be a serious pest of the Areca catechu palm 
(betel nut) in North Sumatra. It was further collected from coconut near Medan 
by CoRPORAAL (21. IV. 1921) and from kirai {Metroxylon) in Bogor. In Malaya 
it has been reported to be an important enemy of Nipa and Areca palms, the 
larvae feeding at the bases of leaf petioles (Corbett, 1932, p. 21). There is also 
a record about its attacking Eugeissona triste and Metroxylon sagus in the same 
region (Proc. Haw. Ent. Soc, vol. 14, 1950, p. 155). 

Downesia species are indigenous in Java, where they appear to be regular in- 
habitants of bamboos as was observed on several occasions by Drescher (i.l.) 
and his native collectors, and by Taylor (1937). In 1931 I noted that the larvae 
of one species, afterwards described as D. bambusae, mine in the leaves (Kals- 
hoven, 1931, p. 30; Maulik, 1933, p. 60). The beetles are very slender. 

Klitispa opacula Spaeth, formerly referred to the genus Agonita, and Agonita 
pallipes Spaeth have also repeatedly been collected from bamboo in the mountain 
districts by Drescher. Taylor stated that the larvae were leaf miners (1937, p. 
144); I found the same. 

The record of the Coelogyne orchid as the host plant of Agonita decorata Gestr. 
(Kalshoven, vol. 2, 1951) is based on a communication from the orchid grower, 
Mr. Latif, in Kayu Taman, Sumatra, May, 1936. Only one specimen of the beetle 
appears to have been submitted. 

The habits of the Spathoglottis beetle, Agonita spathoglottis Uhm., with its 
leaf mining larva have been studied mainly by van der Vecht (1930). In 
Franssen & Tiggelovend's review of the orchid pests (1935) two more orchids 
are added to the list of food plants, but the species of the beetle is wrongly iden- 
tified as Gonophora xanthomelaena Wied., the name Agonita spathoglottis Uhm. 
being mentioned as a synonym. The same was done in my handbook and was a 
result of the two species having got mixed up in the collections of Bogor and 
London. The mistake was corrected by Uhmann (1953). 



L. G. E. Kalshoven : On Oriental Hispinae 17 

A. undata, formerly considered as a var. of A. spathoglottis, was collected from 
the foliage of a Lagerstroemia tree used as a support of epiphytic orchids in Pon- 
tianak, West Borneo (leg. Schuitemaker). Most probably the species bred on the 
orchids. 

Agonita suturella Baly, a rather conspicuous red beetle, has been taken from the 
leaves of Pandanus plants (corkscrew palms) in widely separated localities in Java 
by F. C. Drescher and myself. No larvae have been observed so far. 

Gonophora bowringi Baly is very common in the teak woods of Java, living 
on temu {Curcuma spp.) and lireh (Zingiber cassumunar). The former herb 
grows abundantly in these forests, actually covering the ground over large stretches. 

G. xanthomela Wied. (formerly xanthomelaend) is a regular inhabitant of the 
gigantic Zingiberaceous herbs called hondje in West Java (largely Nicolaia spe- 
cies), tepus (Amomum coccineum et al.) and bangle {Zingiber sp.) in Central 
Java, bolang near Subah (= Alpinia malaccensis ?), and sentet (Amomum sp. ?) 
near Paree, Kediri, Central Java. In West Java it has been found breeding on wild 
Musa by Taylor (1937, p. 144) and Awibowo (il)- The larvae mine in the 
leaves, the feeding beetles cut very characteristic narrow streaks in the leaf 
epidermis. 

Taylor (I.e.) also mentions orchids as host plants of xanthomela but this must 
be another result of the confusion between this species and Agonita spathoglottis 
explained on the foregoing page. Koningberger recorded Gonophora orientalis 
Guér. as a pest of fleshy-leafed orchids in his second survey of injurious and bene- 
ficial insects of Java (1908, p. 70) and the same author wrote in 1915 (p. 127) 
that the beetle could be found commonly on home-grown orchids in the towns, 
the larvae mining in the leaves. According to information received from Uhmann 
G. orientalis Guér. is a synonym of G. xanthomela Wied. It therefore appears that 
in Koningsberger's time the same misidentification of the species was made as 
in recent years. 

G. integra Baly has approximately the same foodplants as the former species, 
but it is more common in West Java and Sumatra, and has not been found farther 
east than Mount Slamat. So far it has been listed from hondje, tepus and tongtak 
in W. Java (Nicolaia and Zingiber species). 

A small number of mining larvae were found working in a parallel row in the 
leaf of a tepus plant on the East slope of Mount Salak, in a locality where several 
single specimens and couples of G. integra were collected from the same plants. 
Very probably these were the larvae of this species. 

G. taylori Spaeth has been described from beetles collected by F. C. Drescher 
on tepus plants, probably an Amomum sp., on Mount Slamat, Central Java. 

Specimens of G. (Lachnispa) bicolor Gestr., taken from kirai (Metroxylon 
palm) near Bogor, West Java (leg. Franssen V.1937) are present in the col- 
lection of the Institute for Plant Diseases and Pests in that town. 

Oncocephalini 

The record of Oncocephala angulata as a leaf miner of cultivated orchids ap- 
pears to go back to Koningsberger, who mentioned the species very briefly in 
his second list of injurious and beneficial insects of Java (1908, p. 70). This 



18 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

statement he repeated, again without mentioning the species of orchids affected, 
in his comprehensive work "Java Zoologisch en Biologisch" (1915, p. 127). 
Leefmans included the species in his treatise on diseases and pests of orchids 
(1931, p. 8). Although Leefmans did not cite Koningsberger, he may have 
drawn upon this early information as he added no own observations whatsoever on 
the habits of the insect. Again, Franssen & Tiggelovend mention O. ungulata in 
their more detailed booklet on the pests and blights of orchids in Java (1935), 
citing Leefmans. They plainly state that they themselves did not meet the species 
on the plants in Java, where they carried out their studies for several years. Their 
record of the insect's occurrence on Coelogyne orchids in Sumatra is incorrect and 
should refer to Agonita decorata (Kalshoven, 1951, vol. 2, p. 760). As a matter 
of fact, the Bogor collection did not contain any specimens bred from or taken on 
orchids at the time, I searched for authentic material in 1951. On the other hand 
this collection included a few specimens, labelled O. bicristata Chap., a synonym 
for angulata according to Uhmann, which had been collected from two other 
Monocotyl families, while there is a record of the species having occurred on a 
solanaceous plant in Malaya (see table). In all these instances only the beetles 
appear to have been observed. Therefore sufficient evidence is still lacking about 
the regular or true host plants of the mining larvae. 

Specimens of O. tuberculata taken from sweet potato plants (undated) were 
represented in the Bogor collection before 1924, when they were identified by 
Bryant of the British Museum, London. The occurrence of the species on this 
host plant was recently confirmed by Tjoa Tjien Mo, who also collected the 
mining larvae (personal communication by E. Uhmann to the writer). The oc- 
currence appears to be rare, as the insect is not mentioned in Franssen's treatise 
on the injurious insects of sweet potato in Java (1934, p. 205). 

Hispini 

Many host plant records in this readily recognisable group of mostly black, 
spiny beetles, refer to the widely cultivated Graminaceae, sugar cane and rice. 
However, the same Hispini appear to frequent a large variety of wild grasses, in- 
cluding the wild relative of sugar cane, the tall, wide-spread glagah or kaso grass, 
Saccharum spontaneum, for large series of the beetles have been captured outside 
cultivated areas by Knappert, Pasteur, Jacobson and Drescher. This is 
particularly the case with Hispellinus moestus, Rhadinosa parvula, Dactylispa spi- 
nosa, and Dicladispa armigera. 

The ecology of Asamangulia ivakkeri is perhaps the best known among the 
species of the grass inhabiting group, thanks to the early studies of Zehntner, 
who was the first sugar cane entomologist in Java. 

The occurrence of Hispellinus albertisii on Saccharum spontaneum in New 
Guinea (Fly River) seems to be probable through the fact that a series of the 
beetle was collected by the botanist and selectionist Jeswiet, who visited the 
country to study the wild relatives of sugar cane. 

Tentative conclusions 

In presenting this study on the association between tribes and genera of oriental 
Hispinae and certain plant groups, the author is fully aware that most observations 



L. G. E. Kalshoven : On Oriental Hispinae 



19 



have been made in more or less cultivated areas, which means a restriction of the 
number of observed species to a small part of those actually present in the country. 
Moreover it is realized, that a better understanding of the relationships between 
oligophagous insects like the Hispinae, and their host plants could only be ob- 
tained if more data were available about the proportional frequency of plants, 
suitable as hosts, in the habitat of the species. Therefore studies like the present 
must inevitably bear a preliminary character. Yet some general conclusions seem to 
be justified. 

Predominance of Monocotyl host plants 

It is clear from the table on p. 7 — 13 that Monocotyls form far the greater part 
of the host plants of oriental Hispinae. In fact Monocotyls constitute the only 
group of food plants of the first 11 of the 13 tribes mentioned while they pre- 
dominate among the hosts of Hispini. Only in the small tribes of the Oncoce- 
phalini Dicotyls appear to be about equally important as Monocotyls. 

The following table is condensed from the data used in this paper and will 
give an idea of the relative importance of the various plant families as sources of 
food plants of Hispinae in the Orient. 



Plant family 


Associated Hispinae 


Modes of 
larval habits 










tribes 


genera 


species 


represented 


Monocotyledones 










Commelinaceae 


1 


1 


1 


c 


Musaceae & Zingiberacese 


6 


6 


14 


a, b, c 


Marantaceae 


1 


1 


1 


c 


Palmae 


6 


13 


46 


b, c 


Pandanaceae 


2 


2 


5 


b, c 


Orchidaceae 


2 


2 


4 


b, c 


Cyperaceae 


2 


2 


2 + 


b, c 


Graminaceae 


6 


16 


43 


a, b, c 




12 


36 


118 


a, b, c 


Dicotylédones 


j 


3 


15 


c 



Comparison of ethological. ecological and taxonomie data 

Concerning the question whether the division of the Hispinae into tribes cor- 
responds more or less with the division to be made according to the three main 
types of larval habits, it will be seen from the first table (p. 7 — 13) that all but one 
of the tribes include genera of one ethological type only. The exception is formed 
by the Gonophorini, which include one genus {Wallaceana) with larvae living 
between the unexpanded top leaves of the host plants while the other genera have 
leaf mining larvae. 

This deviation from the tribus' habits in Wallaceana is not evident from 
Uhmann's recently published (1955) division of the Gonophorine genera, mainly 
from the Philippines, which is based in first instance on the shape of the last 
tarsal joint and the claws. In the resulting key Wallaceana comes in the same first 



20 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

division as the apparently leaf mining Downesia and Wallacispa. Further investi- 
gations are needed to verify the soundness of the ethological as well as the taxono- 
mie indications about the relationships. 

With regard to the more or less exclusive association with one or more plant 
families it appears that the representatives of six tribes have their host plants in 
one family only, viz., Botryonopini: Palmae, Leptispini : Graminaceae, Eurispini: 
Cyperaceae, Coelaenomenoderini: Palmae, Chaeridionini: Commelinaceae, and 
Pharangispini: Zingiberaceae. However, these six tribes are small, and they are 
represented in our list by only a single genus (sometimes even a single species). 
Therefore they are of little importance for our problem. The food plant range of 
these single genera, as well as the range of the single genera constituting the 
Promecothecini and the Oncocephalini will be further discussed below. 

The Anisoderini, though rather limited in extent, have 4 plant families to their 
record, the Callispini have 5 families, the Cryptochynini, a still more extensive and 
diversified group, only 3 families, the Gonophorini, 7 families, and the Hispini, 
divided in several genera, as many as 9 families. 

Passing now to the more promising consideration of the more or less pron- 
ounced oligophagy of the separate genera, we shall omit those represented in our 
list by a single species only, as they cannot furnish sufficient evidence in our dis- 
cussions. 

Out of the 19 genera represented by 2 to 7 species, 13 are associated with one 
plant family only (all Monocotyls), which may be looked upon as a confirmation 
of their being truly homogeneous units. The exceptions are formed by: a. Onco- 
cephala and Platypria, represented by 2 and 4 species and listed from 3 families 
(see below), b. Anisodera represented by 5 species, four of which are attached to 
the closely related Musaceae and Zingiberaceae, while one has been found on 
Cyperaceae in the adult stage only, c. Agonita represented by 5 species spread over 
3 plant families, d. Gonophora with 6 species all attached to the just mentioned 
interrelated Musaceae and Zingiberaceae, and e. Brontispa with 7 species including 
a single one observed on a graminaceous plant while the others are all inhabitants 
of Palmae. With regard to the best represented genera of our list, Callispa with 
11 species corresponds with Agonita in having a range of 3 hostplant families, 
and Pro??iecotheca corresponds with Brontispa in having all but one of its 12 
listed species attached to Palmae, the exceptional species being recorded from 
Zingiberaceae in this case. Finally there is the genus Dactylispa, represented by 
the largest number of species, viz. 17, which may be arranged in four groups (as 
has been done on purpose in our survey) : a. 8 species attached to Graminaceae, b. 
5 to the Rubiaceae, c. 2 to the interrelated Sterculiaceae and Bombacaceae, and d. 
2 to the Rosaceae. 

From this analysis follows that only the genera Agonita, Callispa, Oncocephala, 
Platypria and Dactylispa show a marked absence of homogeneity in the host rela- 
tionships of their species. For three of these five genera we happen to have 
recent taxonomie studies of Uhmann at our disposal, viz., for Agonita (in the 
1955 paper on the Gonophorini), for Callispa (1952 and for Dactylispa (1954). 

As for Agonita, it is interesting to note, that three of four species placed in one 
subdivision by Uhmann appear to be associated with Orchidaceae, viz., decorata, 
spathoglottis and undata (Uhmann, 1955, p. 234). 



L. G. E. Kalshoven : On Oriental Hispinae 21 

In Callispa the development of a flat margin of the elytra (Seitendach) and 
the arrangement of the pits (Punktreihe) are used for the elaboration of a key to 
the species. In the resulting division the bamboo-inhabiting C. bowringii, jeae, 
and flavescens are found together in one group (nrs. 5 — 9) while cumingii, also 
from bamboo, appears in another small group (nrs. 18 — 23). The palm-inhabiting 

C. roepkei is one of the three species in still another small group (nrs. 12 — 14), 
but the also palm-feeding C. bioculata, elongata and splendidula are incorporated 
in a large group (nrs. 33 — 63). The orchid-associated C. 12-maculata is separated 
with another spotted species in a very small group again (nrs. 66 — 67). There- 
fore, the diversity in habits corresponds to some extent with the differences in 
taxonomie characters. 

In Uhmann's studies of the relationship in Dactylispa, mainly based on the 
elytral sculpture, 14 out of 17 species in our list are discussed; the total list 
comprises not less than 98 species of this difficult genus. Three of our grass- 
inhabiting species, D. kaulina, spinosa, and sumatrana are found in the group 4 
(setifer Kreise), the largest of the 11 groups distinguished, and two, D. bakeri 
and cladophora, in group 10 (insignata Kreise). C. balyi, not in our list but a 
rather common species in Indonesia and closely related to spinosa, also belongs to 
group 4 and may well be attached to Graminaceae for this reason. D. bipartita and 

D. infoscata, both reported from bamboo by Schultze (1915) are in different 
groups (3 and 6) of Uhmann's classification. As Bambusa blumeana is given as 
food plant for all three Dactylispa species mentioned by Schultze, the correct- 
ness of these records seems somewhat dubious, especially so as bipartita has been 
found more than once in Java on a Sterculia. Two Dactylispa species attached to 
Rubiaceae, viz., debilis and vet hi are classified in group 5 {vethi Kreise) and two 
others, aspera and manterii in group 7. Groups 5 — -7, comprising 36 species, are 
considered by Uhmann to be interrelated. D. bipartita from Sterculia (as 
mentioned above), C. leonardi from Bombacaceous and Sterculiaceous plants, and 
angulosa and nemoralis both from Rosaceae, are all placed in different other 
groups, resp. 3, 8, 9, and 6; 8 and 9 being interrelated again. 

Again a partial agreement between the grouping of the species according to 
taxonomie and ecological points of view is evident and is of sufficient extent to 
justify further studies in this direction. It would be particularly interesting to 
investigate the grass-inhabiting D. luhi and sjöstedti, not included in Uhmann's 
paper, as to their position in the taxonomie scheme. 

Shift of Hispinae to Dicotyl plants. 

The association of oriental Hispinae with dicotyledonous plants is apparently 
an uncommon feature, known only of Oncocephala, the groups b, c , and d of 
Dactylispa, and Platypria. It is noteworthy that several species of this assemblage 
have been found on a relatively large number of different plants, even belonging 
to different families. Furthermore, in the same genera occur instances of the use 
of different host plants by the larval and the adult stages. Observations on these 
exceptional cases, which were briefly mentioned in our introduction, are still 
scanty. One example is formed by Platypria hystrix, an Indian species, the larvae 
of which mine in the leaves of Sesbania, while the beetle is known to defoliate 
Eryt brina, and swarming is reported on Kubus elliptica (Rosaceae), Erythrina ar- 



22 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

borescens (Leguminosae) and Aiyrica (Myricaceae) {Ind. For. Ree, 1936, vol. 1, 
p. 303). Dactylispa leopardi apparently may serve for another example, as van 
der Meer Mohr (1926) failed to detect the blotch mines of the larvae of this 
species on the leaves of capok {Ceiba) plants on which numerous beetles and their 
feeding traces were observed. 

In connection with the suggested shift of Hispinae to Dicotyls the following 
observation may be of importance. Once I found a hispine larva which had made 
a short mine in a teak leaf, occurring on a shoot 2 m above the ground. As no 
hispine miners of teak were known in Java and as the larva did not develop further, 
I suppose that it abandoned the mine on the original foodplant, perhaps bamboo, 
which was quite abundant in the locality, dropped on the teak leaf, and began 
mining in it. This observation may also throw some light on Beeson's record 
(1941, p. 227) of Dicladispa armigera as "a defoliator of paddy, sometimes at- 
tacking Tectona grandis". This species is generally known as a common miner of 
Graminaceae including tall Saccharum grasses, all over southwest Asia. 

Apparently the larvae of mining Hispinae not seldom leave their mines. Max- 
well Lefroy (1909, p. 364) observed for Platypria andrewesi that "the larva does 
not remain in one mine but moves about, eating into the leaf a kind of pocket, 
and then emerging -to commence a fresh pocket", etc. Leefmans (1918) states 
that the larva of a Platypria in Sumatra, making blotch mines, has well developed 
legs and repeatedly changes its place. Hering, the well-known specialist of 
mining insects (1951), draws the attention to Coleopterous species "which are 
capable of changing mines and do in fact on several occasions make a fresh mine, 
and he mentions Dicladispa in this connection. Initially my attempts to rear the 
Hispine beetles from the collected mines in Java often failed because the larvae 
left their mines after reaching maturity. This was observed in species on Zingi- 
beraceae and on bamboo. At one occasion I noticed quite a number of fresh large 
mines in bamboo leaves, in a forest near Bandjar, West Java, which all but one 
proved to be empty, the epidermis showing a small slit at the end of the mine. 
However, somewhat similar traces are left by Anthreptes birds preying on the 
larvae of Promecotheca in Cocos fronds in West Java (Kalshoven, 1951, p. 
757). In Prionispa julvicollis, living on the somewhat succulent leaves of one of 
the large Commelinaceae, it was observed that the mature larva, after leaving its 
mine re-enters a leaf near its base, lifting a small patch of the epidermis and pu- 
pates beneath it. 

Evolution in the larval habits and host selection 

I wish to make only a few remarks on this speculative subject. The morphology 
of Monocotyl plants with their almost continuous development of terminal blades 
and fronds appears to be well suited for the development of flat bodied phyto- 
phagous beetles and their larvae living on the tender and nutritious tissues of the 
"hearts" and "spears" of these plants. No Dicotyl plants offer a similar op- 
portunity. 

The stalk boring and leaf mining larval habits may be considered as being 
a further development of the habit of living squeezed between sprouting leaves, 
as under these circumstances the insects are already surrounded by living plant tis- 
sue on all sides. 



L. G. E. Kalshoven : On Oriental Hispinae 23 

The association with Dicotyls may be regarded as a comparatively recent 
development. It is only observed in a few leaf -mining genera of the more specialis- 
ed tribes. 

The spread of the Dicotyl-associated genera over several, botanically not related 
plant families, and the tendency of the beetles to feed on other plants than the 
larvae, may be considered an indication of this evolutionary process still being in 
progress. 

References 

Awibowo, R., 1934. De klapper-bladkever Brontispa froggatti var. selebensis en zijn biolo- 
gische bestrijding. Landbouw 10: 76 
Beeson, C. F. C, 1919. The foodplants of Indian forest insects. The Ind. Forester 45: 312. 
Beeson, 1941. The ecology and control of the forest insects of India and the neighbouring 

countries. 
Bernard, Ch. & R. Menzel, 1924. Over Dactylispa manteroi Gestr., een bladboorder uit 

de familie Chrysomeliden, die op Cinchona ledgeriana voorkomt. Cinchona 1: 50. 
Cherian, M. C and K. Menon, 1940. Short note on Oncocephala tuberculata Oliv. Ind. 

Jrn. Ent. 2: 97. 
Corbett, G. H., 1924. Annual report of the Government Entomologist for 1923- Mai. 

Agric. Jrn. 12: 256. 
Corbett, G. H., 1932. Insects of coconuts in Malaya. Dep. Agric. S. S. & F. M. S., Gen. 

Series 10: 21. 
Dumbleton, L. J., 1954. A list of insect pests recorded in South Pacific Territories. S. P. 

Comm., Techn. Pap. 79: 18 
Fletcher, T. Bainbrigge, 1914. Some South Indian Insects. 
Fletcher, T. Bainbrigge, 1921. Rep. Proc. Fourth Ent. Meet. Pusa. 
Franssen, C. J. H., 1934. Insecten schadelijk aan het bataten gewas op Java, Landbouw 

10: 205 
Franssen, C. J. H. & L. M. J. Tiggelovend, 1935. De vijanden en de ziekten der Orchi- 
deeën op Java en hun bestrijding. 
Froggatt, J. L., 1936. Entomological notes. New Guin. Agric. Gaz. 2: 10. 
Froggatt, W. W., 1907. Australian Insects. 
Froggatt, W. W., 1914. Australian Hispidae of the genera Brontbispa and Promecotbeca 

which destroy coconut palm fronds. Bull. Ent. Res. 5: 149 
Gressitt, J. L., 1950. The Hispine beetles of China. Lingn. Sc. Jrn. 23: 53. 
Hering, E. M., 1951. Biology of the Leafminers. 
Heurn, W. C. van, 1925. De schadelijke insecten van de rijstplant op Java. Med. Inst. v. 

Plantenziekten 61. 
Kalshoven, L. G. E., 1951. De plagen van de cultuurgewassen in Indonesië, II: 740 — 762 

and 1016—1036. 
Kalshoven, L. G. E., 1931. Communication in : Versi. Vergad. Ned. Ent., Ver., Afd. Ned. 

O. Indie, 1 : 30. 
Koningsberger, J. C, 1908. Tweede overzicht der schadelijke en nuttige insecten van Java. 

Med. Depart. Landb. 6. 
Koningsberger, J. C, 1915. Java Zoölogisch en Biologisch. 
Lange, H., 1950. The biology of the Mariana Coconut Beetle, Brontispa mariana Spaeth on 

Saipan. Proc. Haw. Ent. Soc. 14: 143. 
Leefmans, S., 1918. Het Spathoglottis kevertje. De Tropische Natuur 7: 77. 
Leefmans, S., 1919. De tweekleurige klapperbladkever, Plesispa reicbei Chap. Med. Inst. v. 

PI anten ziekten 3 5 . 
Leefmans, S., 1931. De thans bekende ziekten en plagen van Orchideeën in Nederlandsch 

Indie en hunne bestrijding. 
Lefroy, H. Maxwell, 1909. Indian Insect Life. 
Lepesme, P., 1947. Les Insectes des Palmiers. 
Maulik, S., 1919. Chrysomelidae, Hispinae and Cassidinae. Fuuna Br. India. 



24 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. l, 1957 

Maulik, S., 1929. Injurious Hispinae from the Solomon Islands. Bull. Ent. Res. 20: 235. 

Maulik, S., 1932. A new Promecotheca from the Solomon Islands. Stylops 1: 204. 

Maulik, S., 1933a. A new oriental Hispine beetle. The Entom. 66: 90. 

Maulik, S., 1933b. A new Hispine beetle injurious to coconut. Ibid.: 280. 

Maulik, S., 1937, Distributional correlation between Hispine beetles and their host plants. 

Proc. Zool. Soc. 107 A: 129—159- 
Mathur, 1943. Ind. Jrn. Entom. 5: 117. 
Miller, N. C. E., 1932. Prelimenary list of some food-plants of some Malayan insects. Bull. 

S.S. & F.M.S. Dep. Agric. 38, Suppl. 
Mohr, J. C. van der Meer, 1926. Over beschadiging van kapok-bibit door Dactyl/spa leo- 
pardi Rits. De Ind. Culturen 3: 500. 
RoEPKE, W., 1918. Jaarboek Depart. Landb. Nijv. Hand, in Ned. Indie v. h. jaar 1918: 146. 
Roepke, W., 1935- Herinneringen van enen entomoloog aan het eiland Batjan. De Tropische 

Natuur 24: 77. 
Schneider, F., 1940. Schadinsekten und ihre Bekämpfung in ostindischen Gambir-kulturen. 
Schultze, W., 1915. A catalogue of Philippine Coleoptera, Manilla. 
Stebbing, E. P., 1914. Indian Forest Insects. 
Taylor, T. H. C, 1937. Biological control of insects in Fiji. 

Uhmann, E., 1929. Hispinen von den Sunda-Inseln. Zeits. f. wiss. Insektenbiol. 24: 143. 
Uhmann, E., 1932. Ueber drei Hispinen von den Molukken und den Salomonen. Fol. Zool. 

et Hydrobiol. 4: 13. 
Uhmann, E., 1935. Hispinen aus Java und Sumatra. Treubia 15: 141. 
Uhmann, E., 1952. Austral-Asiatische Hispinae, VIII, Callispini. Phil. Jrn. Sc. 80: 343- 
Uhmann, E., 1953. Hispinae aus Java. Idea 9: 89 
Uhmann, E., 1954. Verwandtschaftskreisen und Skulptur der Decken des Austral-Asiatischen 

Dactylispa-Arten. Phil. Jrn. Sc. 83: 1. 
Uhmann, E., 1955a. Gonophorini, besonders von den Philippinen. Ibid. 84: 229- 
Uhmann, E., 1955b. Hispinae aus Indonesia 1. Tijds. v. Entom. 98: 133. 
Uhmann, E., 1956. Hispinae aus Indonesia. Beaufortia 5, no. 50. 
UiCHANCO, L. B., 1929- A summary of insects attacking rice in the Philippines. Proc. Fourth 

Pac. Sc. Congr.: 572. 
Wood worth, H. E., 1921. A host index of insects injurious to Philippine crops. The Phil. 

Agric, 10: 9. 
Vecht, J. van der, 1930. Agonia spatho glottis. Entom. Ber. 8: 65. 
Zacher, 1916. Schädlinge der Kokospalmen auf den Südseeinseln. Arb. K. Biol. Anst. Land- 

u. Forstwirts. 9'. 102. 
Zehntner, L. 1894. Archief v. d. Java Suiker Industrie 4, II: 793. 



DIE BISALTIDE-POLIBETE-GRUPPE DER GATTUNG 
DOLESCHALLIA FELD. (LEPIDOPTERA, NYMPHALIDAE) 

von 

W. ROEPKE 

Wageningen 

Während eines Aufenthalts in Paris, im Juli 1952, hatte ich Gelegenheit die 
Fruhstorf ersehe Sammlung Indoaustralischer Nymphaliden durchzusehen, die sich im 
Laboratoire d'Entomologie an der rue de Buffon befindet, mit ausnähme der Gat- 
tung Polyura Billb. ( =z Charaxes auet, = Eriboea auet.) die s.Z. vom Britischen 
Museum N.H. erworben wurde. Mich interessierte u.a. die oben genannte Tagfal- 
tergruppe, von der Fruhstorfer in Seitz (1912, S. 556 — 560), eine grosse 
Anzahl von Subspecies und Formen unterscheidet, für die er nicht weniger als 35 
verschiedene Namen zur Anwendung bringt ! Die Sache ist um so komplizierter, 
als sich in neuerer Zeit herausgestellt hat, dass D. bisaltide und pol/bete zwei ver- 
schiedene Arten sind, sodass sich die Fruhstorferschen Namen natürlich nur auf 
die eine oder auf die andere Art beziehen können. Auch der leider jung gestor- 
bene Dr. A. S. Corbet (1956, S. 213) wirft in seinen schönen Buch beide Arten 
zusammen, wie sich aus seiner Bemerkung ergibt, dass bisaltide von Ceylon bis 
Australien und den Bismarckinseln verbreitet ist, während sie in Wirklichkeit 
östlich von Java nicht mehr vorkommt, sondern durch polibete vertreten wird. 

Das Verdienst, die beiden Arten zuerst unterschieden zu haben, scheint dem 
Sammler J. P. Rosier auf Java zu gebühren, der leider während des Krieges im 
fernen Osten ums Leben gekommen ist. Er hatte nämlich festgestellt, dass die 
Raupen beider Arten und deren Futterpflanzen verschieden sind und dass sie ver- 
schiedene Biotope bevorzugen. Während bisaltide häufig im Kulturgelände vor- 
kommt und dort auf einer Heckenpflanze Graptophyllum lebt, bevorzugt polibete 
Gebiete ausserhalb des Kulturgeländes und lebt die Raupe auf einer andern, leider 
nicht genannten Nährpflanze. Im Gegensatz zu bisaltide ist die Raupe mit weissen 
Fleckenreihen geschmückt (Roepke, 1952, S. 17). Auch Corbet, I.e., gibt an, 
dass die Raupe der bisaltide auf Malakka durch zwei Reihen weisser Flecken 
charakterisiert ist und dass sie, ausser auf Graptophyllum pictum auf Artocarpus 
heterophyllus und P seuderanthemum malabaricum lebt. Dupon & Scheepmaker 
(1932, S. 86) nennen als Nahrpflanzen Graptophyllum pictum und Eranthemum 
variabile. 

D. bisaltide und polibete sind nicht schwierig zu unterscheiden. Letztere hat 
eine Reihe weisser, subapikaler Punkte im Vorderflügel, die bei ersterer fehlen. 
Die Grundfarbe geht bei bisaltide, namentlich im weiblichen Geschlecht, ins hell 
Braungelbe über. Fruhstorfer (1899, S. 278 — 280) hat bereits das Vorkommen 
von zwei Rassen, wie er sie nennt, erkannt. Er sagt hierüber (S. 278): „Javanische 
polibete lassen sich in zwei Rassen trennen 

„A. Eine kleinere, oberseits wenig weiss punktierte, unterseits gelbbraune, ohne 

25 



26 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 



breite Silberbinde der Flügel, aber vereinzelt mit Silberflecken dekoriert. 

„B. Eine robustere im $ und $ oberseits deutlich punktierte und breiter schwarz 
gesäumte. Deren Unterseite ist rotbraun, von breiten Silberbinden durchzogen, der 
Apex und Analwinkel der Flügel reich (S. 279) silberig violett bestreut. Sämtliche 
Exemplare mit drei basalen Silberflecken der Vorderflügel und zwei auf den 
Hinterflügeln. 

,,A. dürfte der „dry season", B. der „wet season" oder der Bergform ange- 
hören." 

Soweit Fruhstorfer. Seine Scheidung ist berechtigt, nur müssen wir bedenken, 
dass hier keine Rede von „Saisonformen" oder einer „Bergform" sein kann, und 
dass die Beschreibung der Unterseite in vielen Fällen nicht zutreffend ist, soweit 
sie das Vorkommen von Silberflecken und -binden betrifft. In Wirklichkeit han- 
delt es sich nämlich um zwei verschiedene Arten, und zwar ist: 

A. die Art D. bisaltide Cr., B. die Art D. polibete Cr. 

Die Richtigkeit dieser Auffassung konnte ich mit Hilfe eines grossen Materials 
im Britischen Museum N.H., wo übrigens beide Arten bereits aus einander ge- 
halten waren, im Leidener Museum, wo der verstorbene Dr. L. J. Toxopeus beide 
Arten geschieden hatte, im Amsterdamer Museum und in der Sammlung Wage- 
ningen feststellen. Leider zeigen die männlichen Genitalapparate beider Arten 
keine auffällige Unterschiede. Ich habe ein Reihe von Exemplaren untersucht und 
habe die genitaliën gut abgebildet (Roepke, 1938, S. 283, Abb. 38). 

Nach ihrem geographischen Vorkommen können beide Arten mit ihren Unter- 
arten und Formen wie folgt eingeteilt werden. Ein * vor dem Namen bedeutet, 
dass ich den Typus im Pariser Museum gesehen habe. 





A. Dolescballia bisaltide Cr. 


*ceylonica Frühst. 






: Ceylon 


indica Moore 






: Sikkim; Burmah 


*continentalis Frühst. 






: Sikkim; Assam 


*malabarica Frühst. 






: Südindien 


argyroides Frühst. 






: ohne Angabe 


basalis Frühst. 






: ohne Angabe 


andamanensis Frühst. 






: Andamanen; Car; Centr. Nikobar 


merguiana Evans 






: Megui Inseln 


*siamensis Frühst. 






: Siam 


pr atipa Fid. 






: Malakka 


*mariae Frühst. 






: Sumatra 


niasica Btl. 






: Nias; Engano; Mentawei 


*surculus Frühst. 






: Bawean 


^nimbata Frühst. 






: Nordborneo 


*bomeensis Frühst. 






: Nord- und Südostborneo 


bisaltide Cr. 






: Java 


polibetina Frühst. 






: Java. 




B. Dolescballia 


polibete Cr. 


coronata Frühst. 






: Java 


exornans Frühst. 






: Java 



W. ROEPKE : Die bisaltide-polybete-Gruppe 



27 



*scapus Frühst. 

*ermelinda Frühst. 
*celebensis Frühst. 

sulaensis Frühst. 

polibete Cr. 

apameia Frühst. 
cethega Frühst. 

nasica Frühst. 
tualensis Frühst. 
tenimberensis Frühst. 



Sumbawa; Alor; Dammer; Wetar; 

Kisar; Babber 

Sumba 

Celebes 

Sula Mangoli 

Ambon; Ceram; Bum; Banda; 

Uliasser 

Obi 

Bat jan; Halmahera; Ternate; 

Morotai 

Waigeu 

Kei Insein 

Selaru; Tenimber Insein. 



Die Unterarten mit noch weiter östlicher Verbreitung sind weggelassen. In wie 
weit die vielen Fruhstorferschen Namen Gültigkeit haben oder als Synonyme auf- 
zufassen sind, muss der Zukunft vorbehalten bleiben. Es ergibt sich aus obiger 
Zusammenstellung, dass bisaltide die westliche Art ist, die auf Java und Borneo 
ihre Ostgrenze erreicht. D. polibete dagegen ist die östliche Art, die bereits auf 
Java auftritt und östlich hiervon weit verbreitet ist. Von Borneo ist sie nicht be- 
kannt. Auf Java kommen beide Arten vor, wenngleich, wenigstens nach Rosier, 
in etwas verschiedenen Biotopen. 

Cramers Abbildung seiner bisaltide in seinem Werke (1779, S. 9, Taf. 102, 
Fig. c und d), stellt ein Ç vor, mit der irrtümlichen Vaterlandsangabe Surinam. 
Wie schon Fruhstorfer (1899, S. 278) gesagt hat, handelt es sich offenbar um 
ein Java-Exemplar. Von seiner polibete hat Cramer (1782, S. 71, Taf. 234, fig. 
D), ebenfalls ein 9 beschrieben und abgebildet, mit der richtigen Fundortsangabe 
Ambon. 

Fruhstorfers Abbildungen, I.e. 1899, Taf. 2, Fig. 7, als bisaltide borneensis, 
und Fig. 8, als malabarica, müssen also beide als bisaltide aufgefasst werden, ob- 
schon sie mehr wie eine polibete aussehen. Seine Abbildungen 9, 10 und 11, als 
bisaltide tualensis, celebensis und hexophtkalmus kapaurensis, beziehen sich deut- 
lich auf polibete. 

Fruhstorfers Abbildungen in Seitz sind meiner Ansicht nach wie folgt 
zu deuten: 
Tafel 112 a. D. philippensis Frühst. gehört zu polibete 

„ „ „ ,, scapus Frühst. „ „ „ 

,, ., c. ,, stir cuius Frühst. ,, ,, ,, 

,, „ d. ,, nasica, celebensis Frühst. ,, ,, ,, 

Die Arten, deren Unterseite er auf Taf. 137 b abbildet, sind nicht mit Sicherheit 
zu bestimmen. 

Cramer (I.e.) hat die topotypische D. polibete von Ambon beschrieben. Da die 
Subspecies von Java offenbar verschieden ist, muss sie einen besonderen Namen 
tragen, und zwar coronata Frühst. Auf Java kommen also beide Arten neben 
einander vor, nämlich 

Doleschallia bisaltide bisaltide Cr. und 
„ polibete coronata Frühst. 



28 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. l, 1957 

Die Abbildung bei Roepke (1932, S. 83, Abb. 135) stellt ein 9 von D. poli- 
bete coronata vor, dasselbe gilt für die Abbildung bei Dupon & Scheepmaker 
(1936, S. 85, Abb. 55). 

Summary 

1. Doleschallia bisaltide Cr. and polibete Cr. are two distinct species, they can 
be descriminated rather easily though the male genitalia do not differ markedly. 

2. The caterpillars of the two species and their food plants are different. In 
Java they frequent different biotopes. 

3. D. bisaltide is the Western species, occurring from India through Malaya to 
Sumatra, Borneo and Java. 

4. D. polibete is the Eastern species, ranging from Java eastwards to the South- 
sea Islands. In Java, the distribution areas of the two species are overlapping. 

Schrifttum 

Corbet, A. S., 1956. The Butterflies of the Malay Peninsula. 

Cramer, P., 1779. De Uitlandsche Kapellen, Bd. 2; 1782, Bd. 3. 

Dupont 6 Scheepmaker, 1936. Uit Java's vlinderleven. Visser & Co., Batavia. 

Fruhstorfer, H., 1899. Berliner Entom. Zeitschr., Bd. AA. 

Fruhstorfer, H., 1927. In Seitz, Grossschmetterlinge der Erde, Bd. 9. 

Roepke, W., 1932, De vlinders van Java. Dunlop & Co., Batavia. 

Roepke, W., 1938. Rhopalocera Javanica, Bd. 3. 

Roepke, W., 1952. Tijdschr. Entom., Bd. 95. 



SUR DEUX DIASPIDINAE NOUVEAUX DU THAILAND 

(COCCOIDEA) 

par 

A. S. BALACHOWSKY 

Institut Pasteur, Paris, France 

Introduction — Au cours d'une récente mission dans le Sud-Est asiatique, j'ai 
découvert, sur des arbres entourant le jardin de la „Pagode sacrée de marbre", 
sanctuaire bouddhique de Bangkok (Thaïland), deux cochenilles nouvelles pour la 
science, dont la description fait l'objet du présent travail. 

Le première espèce appartient au genre Unaspis Me. Gill, dont le statut a été 
révisé par Prabhaker Rao (1949) et qui comprenait jusqu'ici, huit représentants 
connus dans le monde, originaires pour la plupart du Sud-Est asiatique ou de 
l'Extrême-Orient (Ceylan, Chine, Formose, Japon). 

Certaines espèces, telles que U. citri Comstock et U. yanonensis Kuwana, 
causent des dégâts importants aux cultures de Citrus. U. citri est certainement 
l'espèce la plus nuisible aux orangeries dans les cultures des régions tropicales et 
équatoriales de l'ancien et du nouveau monde où elle a été largement introduite. 
En Afrique noire, cette espèce est acclimatée sur l'ensemble du continent; elle se 
rencontre, non seulement dans les plantations, mais aussi sur les arbres isolés, 
plantés autour des cases dans les villages indigènes (Guinée, Côte d'Ivoire, Came- 
roun, Congo belge, etc.). U. evonymi Comstock se montre particulièrement nui- 
sible au Fusain dans les régions tempérées et subtropicales de l'ancien et du nou- 
veau monde. Le nouveau Unaspis décrit ci-dessous (U. rousseti spec, nov.) consti- 
tue donc la neuvième espèce connue du genre. 

La seconde espèce, décrite ci-dessous, appartient au genre Sishanaspis créé ré- 
cemment par Ferris (1952) parmi les Diaspinae-Parlatorini, pour une espèce qu'il 
a découverte à Sinsha près de Kunming (Yunnan), Chine méridionale, vivant sur 
Quercus sp. Bien que la nouvelle espèce de Bangkok diffère par plusieurs carac- 
tères du génotype (5*. quercicola Ferris), notamment par l'absence de tubercules 
glandulaires et de glandes circumgénitales, ses caractères généraux correspondent 
bien à ceux du genre décrit par Ferris dans lequel je l'ai classée. 

Unaspis rousseti spec. nov. (Figures 1 — 9) 

Caractères macroscopiques — Bouclier $ mytiliforme allongé, brun uniforme 
avec l'exuvie du 2ème stade plus sombre (fig. 1); carène médiane bien marquée 
sur toute la longueur du bouclier. 1 — 2,2 mm. 

Puparium $ linéaire, d'un blanc pur floconneux, tricaréné longitudinalement 
avec l'exuvie larvaire jaune paille en partie cachée par la sécrétion du puparium 
(% 2). 

Caractères microscopiques — $ adulte étroite et allongée (fig. 3) à cuticule 

29 



30 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. l, 1957 




Figs. ] — 9, Unaspis rousseti spec. nov. $ adulte — 1) bouclier o ; 2) puparium $ ; 
3) $ adulte, caractères généraux microscopiques; 4) id., antenne: 5) id., tache orbiculaire 
protothoracique; 6) id., stigmate antérieur; 7) id., caractères généraux du pygidium; 8) id., 
détail d'une épine glandulaire; 9) id., détail de la marge pygidiale. (Figures exécutées par 
GéRARD Langlois, dessinateur à l'Institut Pasteur). 



A. S. Balachowsky : Diaspidinae nouveaux 31 

membraneuse, excepté la zone céphalo-prothoracique et la face dorsale du pygidium 
où elle est légèrement épaissie. Tubercule oculaire nettement saillant (fig. 3). 
Mamelon antennaire surmonté d'une soie courte recourbée et d'une épine latérale 
émoussée (fig. 4). 

Stigmates antérieurs pourvus de groupements de glandes péristigmatiques af- 
fectant une disposition particulière: réunies par groupes de 2 ou 3 éléments ou 
dépendants les uns des autres, comme l'indique la fig. 6. Le nombre de ces glandes 
est variable et comprend en moyenne 8 à 10 éléments. Aux stigmates postérieurs, 
elles sont moins nombreuses (2 à 3 éléments) (fig. 7). La structure de ces glandes 
est nettement triloculare. 

Pygidium (fig. 7 et 9) pourvu de 3 paires de palettes bien développées (L 1 , 
Lo, L 3 ). L 1 robustes, enfoncées dans la marge pygidiale, nettement divergentes 
et non réunies à leur base par une sclérose interne; bord externe beaucoup plus 
court que le bord interne qui est finement serratulé et émarginé à l'apex. L 2 large- 
ment coniques, symétriques, légèrement divergentes avec ~L 2 foi de taille nettement 
plus robuste. L 3 de même structure que L 2 mais plus enfoncées dans la marge 
pygidiale avec Lg^, à peine saillantes et tuberculif ormes (fig. 9). 

Epines glandulaires marginales jumelées, disposées par paires sur chaque seg- 
ment pygidial mais étroitement accolées l'une à l'autre si bien que dans certains 
cas, l'épine apparaît, ou simple, ou seulement divisée à l'apex (fig. 9). Ces paires 
sont disposées métamériquement sur VIII/VII, VII/VI et VI, comme l'indique la 
fig. 9- Une épine simple se trouve à la base de V (fig. 7) et des touffes de 4 à 5 
épines glandulaires sont présentes dans la zone margino-ventrale des segments I à 
IV inclus (fig. 7 et 8). 

Ouverture anale petite, régulièrement circulaire, située légèrement au-dessus du 
centre du pygidium avec une gouttière bien marquée interrompue jusqu'à l'espace 
médian. 

Système glandulaire dorsal du pygidium constitué de macropores marginaux 
de forte taille, courts et larges et de micropores submarginaux et submédians. 
Les macropores (fig. 9) sont de largeur double des micropores et possèdent une 
ouverture ovalaire à axe longitudinal aux lèvres chitinisées (type des mégapores 
des Lepidosaphedina). On compte 5 macropores marginaux de chaque côté du 
pygidium sur les segments V à VII inclus. 

Micropores dorsaux cylindriques et étroits (fig. 7 et 9) nombreux, à ouverture 
ovalaire de petit diamètre, à axe transversal, répartis uniformément sur toute l'aire 
dorsale du pygidium où les éléments submarginaux et submédians sont entre- 
mêmes sans accuser une disposition coordonnée (caractère du genre Unaspis). On 
compte au total, de 70 à 86 éléments répartis sur les segments V à VIII inclus (35 
à 43 de chaque côté). Groupement du segment V plus clairsemé, surtout dans sa 
zone margino-basale (fig. 7). 

Tous ces micropores débouchent dans une aire dorsale chitinisée donnant aux 
ouvertures glandulaires un aspect réfringent. Présence de micropores identiques 
sur les segments prépygidiaux I à IV inclus mais beaucoup plus clairsemés, for- 
mant deux groupes distincts, l'un submarginal (4 à 5 éléments), l'autre sub- 
médian (1 à 4 éléments) (fig. 7). Présence d'une tache orbiculaire submarginale 
chitinisée au niveau du prothorax (fig. 5) et du segment I (fig. 7). 

Glandes circumgénitales totalement absentes. Absence de glandes sur la face 



32 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 




Figs. 10 — 19, Sishatiaspis templorum spec. nov. 10) bouclier 2 ; 11) 5 adulte, caractères 
généraux microscopiques; 12) id., antenne; 13) id., micropores ventraux thoraciques; 14) id., 
stigmate antérieur; 15) id., micropore submarginal ventral; 16) détail de structure du 
pygidium; 17) id., variation de forme du peigne médian; 18) id., variation de forme de Li; 
19) puparium $ . (Figures exécutées par GéRARD Langlois, dessinateur à l'Institut 

Pasteur) . 



A. S. Balachowsky : Diaspidinae nouveaux 33 

ventrale du pygidium. Des éléments identiques à ceux de la face dorsale sont 
présents dans la zone submarginale des segments thoraciques principalement sur le 
métathorax (fig. 3 et 7) et sur les segments I et II de l'abdomen autour des épines 
glandulaires marginales. 

Remarques — U. rousseti se distingue des huit autres espèces à' Unas pi s actuel- 
lement connues par une série de caractères importants: 

1° La présence d'épines glandulaires pygidiales jumelées n'existe chez aucune 
espèce, excepté U. evonymi Comst. subspecifique du Fusain, qui en diffère par 
toute une série d'autres caractères importants (Voir Balachowsky, 1954). 

2° La disposition en petits groupes séparés des glandes péristigmatiques ne se 
retrouve chez aucune autre espèce de genre où les éléments sont accolés en grappe. 

3° Le nombre élevé de micropores dorsaux (70 à 86) ne se retrouve guère que 
chez U. yanonensis Kuwana du Japon (Balachowski, 1954, p. 293) qui pos- 
sède jusqu'à 150 éléments au pygidium mais diffère de U. rousseti par beaucoup 
d'autres caractères (absence de tubercule oculaire saillant; épines glandulaires py- 
gidiales simples, etc.) U. rousseti constitue donc une espèce bien caractérisée du 
genre Unaspis Me. Gill., n'ayant pas d'affinité immédiate avec les autres repré- 
sentants actuellement connues du genre. 

Biologie — Habitat — Une colonie de cette nouvelle espèce a été découverte par 
l'auteur, le 23 Février 1954, sur les deux faces des feuilles de Manguier (Mangi- 
fera indica) plantés à proximité de la „Pagode sacrée de marbre", à Bangkok 
(Thailand). Cette espèce est dédiée à mon ami David Rousset qui fut mon 
compagnon de voyage en Extrême-Orient et dans le Sud-Est asiatique. 

Sishanaspis templorum spec. nov. (Figures 10 — 19) 

Caractères macroscopiques — Bouclier $ circulaire, très fortement bombé, 
presque exclusivement constitué par l'exuvie larvaire du 2ème stade englobant la 
9 adulte. Exuvie larvaire du 1er stade excentrée, rejetée le plus souvent en avant 
du bouclier. Sécrétion de l'adulte limitée à une légère frange marginale débordant 
au-dessous de l'exuvie du 2ème stade. Taille réduite (1,2 à 1,3 mm). Couleur 
foncière du bouclier d'un brun clair, légèrement luisant avec les exuvies concolores 
(fig. 10). Puparium $ blanc, linéaire, épais, avec l'exuvie larvaire jaune pâle 
rejetée en avant, de taille relativement forte par rapport au bouclier ? (1 mm) 

(% 19) ; 

Caractères microscopiques — Ç adulte de forme subcirculaire, presque aussi 
longue que large (fig. 11), avec un très léger rétrécissement dans la zone céphali- 
que. Cuticule entièrement membraneuse avec un léger épaississement de la zone 
occipitale. Tubercule antennaire surmonté d'une seule soie (fig. 12). Stigmates 
antérieurs insérés obliquement, pourvus de 1 à 2 glandes péristigmatiques (fig. 
14), de structure pentaloculaire mais parfois aussi triloculaire. 

Pygidium large, obtu, faiblement saillant (fig. 16), pourvu d'une seule paire 
de palettes (L x ) de forme générale subquadrangulaire mais pouvant parfois pren- 
dre un aspect conique ou irrégulier (fig. 18); ces palettes sont très écartées l'une 
de l'autre par un espace médian égal à 2l/ 2 > 3 fois leur propre largeur. Présence 
d'un seul peigne médian impair et de 5 à 6 peignes latéraux localisés sur le seg- 
ment VI et VII. Ces peignes sont courts, relativement larges, ne dépassent pas la 



34 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

longueur de L t , sont simples ou crénelés à l'apex (fig. 17) avec les derniers élé- 
ments latéraux plus réduits ou dégradés. 

Ouverture anale subcirculaire située légèrement au-dessous du centre du pygi- 
dium, d'un diamètre nettement supérieur à la largeur de L x et entourée d'une zone 
d'épaississement bien marquée (fig. 16). Système glandulaire dorsal constitué par 
trois macropores marginaux cylindriques courts (de chaque côté), du type parla - 
toriforme, sur les segments VI et VII; absence de macropores sur les autres seg- 
ments pygidiaux et prépygidiaux. Micropores dorsaux très peu nombreux, du type 
cylindrique étroit en ouverture circulaire comprenant un à deux éléments sub- 
marginaux et deux à trois éléments submédians dans la zone préanale (fig. 16). 
Présence de micropores identiques (submédians) dans la zone submédiane des 
segments II à IV inclus. 

Ouverture vulvaire longue et arquée. Glandes circumgénitales totalement absen- 
tes (fig. 16). 

Absence de macropores et de micropores sur la face ventrale du pygidium en 
dehors des filières marginales aboutissant à l'extrémité de chaque peigne. Micro- 
pores ventraux identiques à ceux de la face dorsale et à même disposition, présents 
dans la zone submédiane des derniers segments prépygidiaux. Ces micropores 
existent également dans la zone submarginale du métathorax (fig. 15) et autour 
de l'appareil buccal (fig. 13). 

Remarques — Cette nouvelle espèce diffère du génotype (S. quer eie ola Ferris) 
par les caractères suivants : 

1° Absence de tubercules glandulaires submarginaux sur la face ventrale des 
segments thoraciques (quatre groupes chez S. quercicold). 

2° Diamètre de l'ouverture anale nettement supérieur à la largeur de L x (net- 
tement inférieur chez S. querckola). 

3° Présence de trois macropores marginaux parlatorif ormes au pygidium (ab- 
sents chez S. querckola). 

4° Micropores dorsaux peu nombreux au pygidium (nombreux chez S. quer- 
cicold) . 

5° Glandes circumgénitales absentes (présentes chez S. quercicold). 

Ces caractères nouveaux doivent s'étendre au genre Sishanaspis Ferris qui doit 
désormais comprendre des espèces dépourvues de tubercules glandulaires thoraci- 
ques et de glandes circumgénitales. 

La présence de macropores marginaux chez cette nouvelle espèce, accentue les 
caractères parlatoriformes du genre et confirme sa position systématique parmi la 
tribu des Parlatorini. 

Biologie — Habitat — J'ai découvert cette espèce le 23 Février 1954 sur un 
arbre non déterminé, dans les jardins avoisinant la „Pagode de marbre", sanctuaire 
boudhique de Bangkok (capitale du Thailand). Elle vit sur les deux faces des 
feuilles mais paraît plus nombreuse à la face inférieure. 

LlTTéRATURE 

Balachowsky, A. S., 1954. Les Cochenilles paléarctiques de la tribu des Diaspidini. Mem. 

Scientif. Institut Pasteur. 
Ferris, G. F., 1952. Microentomology, vol., 17, p. 6 — 7. 
Rao, V. Prabhaker, 1949. The genus Unaspis McGill (Hom. Coccoidea, Diaspinae). 

Microentomology, vol. 14, p. 52 — 72. 



NOTES ON MECOPODIDAE 
(ORTHOPTERA, TETTIGONOIDEA) 

by 
C. WILLEMSE 

Eygelshoven 

Through the kindness of Dr. B. P. Uvarov I had the opportunity to study 
some members of the family Mecopodidae, collected by Mr. T. H. Ardley in the 
Papuan region. They proved to be very interesting, all being new to science. Very 
little is done about the study of members of this family and only occasional, but 
no systematical collecting was done. The results of my study are presented in the 
following pages. 

Eumossula gen. nov. (figs. 1 — 3, pi. 2) 

Size large, body slender. Head about as long as the pronotum. Frons some- 
what broader than high, seen in profile reclinate; subsmooth, upper part in the 
middle with an indication of a shallow median sulcus, below the middle in the 
lower part with on both sides a row of more or less regular low transverse ridges; 
cheek and vertex smooth; below the eye with an approximately triangular space, 
finely punctate with some low transverse ridges. Fastigium of vertex produced in 
front of the head into a small, somewhat triangular projection, not reaching 
beyond the middle of first antennal joint, its anterior margin obtuse or obtusely 
pointed, sometimes with an indication of an incision in the middle; from above 
with a shallow median sulcus, running from the apex posteriorly to about the line, 
connecting the hind margin of the eyes. 

Antennal scrobae on the inner side lamellately produced, their lower margin 
thickened. First antennal joint broad, reaching beyond the apex of fastigium of 
vertex, second joint narrower and shorter than the first, third joint and remaining 
ones slender, third joint a little longer than the second. Eyes small, rounded, 
globose, prominent. 

Pronotum somewhat longer than broad, its surface coarsely punctured with low, 
irregular ridges; anterior margin rounded, posterior margin truncate or slightly 
truncate — concave; median keel and lateral keels absent; disc with two transverse, 
concavely bent sulci, both percurrent on the lateral lobe, the posterior one in the 
middle of the disc more deeply impressed; a little above the lower margin of the 
lateral lobe these sulci are connected by a short, transverse, rounded sulcus; lateral 
lobe itself somewhat broader than high, lower margin angulately rounded, anterior 
and posterior margin nearly straight; anterior angle angulately rounded, posterior 
angle rounded. Elytra and wings reaching far beyond the top of abdomen and a 
little beyond the top of hind femur. 

Elytron narrow, anterior and posterior margin nearly straight, narrowing 

35 



36 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

Sc C 



Rs. 2 



Rs. I 




Fig. 1. Eumossula gracilis g. & sp. now, female elytron 

gradually from base to apex, at the apex narrowly rounded; anterior area about as 
broad as the others together. The venation is as follows. Costal vein only distinct 
in the basal fourth, nearly parallel to, but not terminating into the anterior margin, 
somewhat variable. Subcostal and radial veins terminating into or near the apex 
of elytron, distinctly separated by a narrow interspace, with rows of short trans- 
verse veins, especially at the basal part and at apical two-thirds. 

Subcostal vein with irregular branches, reaching the anterior margin of elytron. 
Radial vein with its first branch in the apical third, second branch in the apical 
sixth part of the vein, both percurrent into the apical part of the posterior margin. 
Median vein substraight from base to apex and terminating into the posterior 
margin near the apex; there are no distinct branches. Cubital vein at the base 
parallel to, or connected with the anal vein; parallel to, and more or less termin- 
ating into the posterior margin. Anal vein straight, short. Anal field in the female 
with three curved, short veins. 

Stridulating field of the left elytron in the male with a strong, elevated 
stridulating vein about in the middle; the remaining part of the field with an 
irregular and coarse reticulation. Speculum of the right elytron long oval, clear, 
hyaline, on all sides surrounded by a subhyaline area, with some poorly developed, 
irregular short veins. 

Wing subcycloid, principal veins distinct. Costa distinct at the base; subcosta 
slightly curved, nearly reaching the top of the wing; radius with only one branch 
in the apical third, which branch is connected with the media by a short vein; 
media and cubitus united and connected a little behind the base, in the basal 
third there are two branches, the first reaching the posterior margin of wing, the 
second before the apex connected with the principal vein. There are 8 anal veins. 
Intercalated triangle absent. Anterior coxae with a spine from above. Legs slender. 
Anterior femur with a row of 2 — 3 spines on the lower inner margin in the apical 
part; lower outer margin without spines; inner and outer genicular lobe with a 
short spine. Anterior tibia from below on both sides with a row of spines; from 
above with an apical spine on the outer side; auditory foramina on both sides 
open, oval. Median femur from below on the outer margin with 2 — 3 spines; 
genicular lobes on both sides with a spine. Median tibia from below on both sides 
with a row of spines, from above on the inner side with a row of 2 — 6 spines or 
smooth, variable. Hind femur slightly incrassate at the base, apical half slender; 
from below on both sides with a row of spines, smooth from above; genicular 
lobes on both sides with a strong spine. 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. l, 1957 



Plaat 2 




C. WlLLEMSE : Notes on Mecopodidae 

R Sc C 



37 




+ Cu 



Fig. 2. Eumossula gracilis g. & sp. nov., female wing 

Hind tibia with four rows of spines, the spines of the upper margins longer 
than those on the lower margins. Epimerum of prothorax with a distinct spine. 
Prosternum bispinose, the spines at the base not touching each other. Mesosternum 
broader than long, metasternum about as long as broad; their lobes rounded, 
obtuse. 

Male: Ultimate tergit with the posterior margin rounded -truncate. Supraanal 
plate triangular, apex obtuse. Cercus cylindrical, slightly curved inwards from 
base to apex, at the apex more strongly curved and attenuated, and pointed, with 
at the extreme top a small hooked spine. Subgenital plate lamellate, much longer 
than broad, a little behind the base narrowed, with the margins nearly parallel; 
apex deeply and triangularly excised; styli very short, much shorter than the depth 
of the incision; disc of the plate with a longitudinal median keel, a similar keel 
on both sides. 

Female: Posterior margin of ultimate tergit rounded-truncate. Supraanal plate 
long, triangular, apex obtusely pointed; pilose. Cercus cylindrical, as long as the 
supraanal plate, slightly curved, apex obtusely pointed. Ovipositor long, a little 
shorter than the hind femur, straight, margins smooth, not crenulate at the apex. 
Subgenital plate broader than long, hind margin with a deep, triangularly rounded 
incision. 

Type of the genus: Eumossula gracilis spec. nov. 



Eumossula gracilis spec. nov. (figs. 1 — 3, pi. 2) 

General coloration yellowish brown. Head lighter coloured, with a whitish 
stripe along the clypeal margin, somewhat variable. First antennal joint whitish 



38 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 



brown, the following joints of the general coloration, with an indication of an- 
nulation by darker coloured joints. Pronotum of the general coloration, anterior 
and posterior margins sometimes darker coloured. Elytra greenish or brownish 
green, along the anterior margin in the female somewhat darker coloured, in the 
male darker coloured along the posterior margin; there are no dark spots. Wing 
hyaline, anterior area somewhat greenish. All the legs of the general coloration, 
femora with whitish transverse stripes on the outer side. Spines of hind tibiae 
with black tips. Hind tarsus from below blackish brown. Sternum and abdomen 
of the general coloration. Ovipositor dark reddish brown. 




Length of body 




50 mm 


51 mi 


,, „ head 




7 „ 


8 „ 


„ „ pronotum 




8 „ 


9 , 


„ elytron 


48- 


-50 „ 


60 „ 


Width of elytron 


9- 


-10 „ 


11 „ 


Length of anterior femur 


15- 


-16 „ 


17 „ 


„ median femur 




15 „ 


16 „ 


hind femur 




37 „ 


43 „ 


Width of hind femur 




5 „ 


6 , 


Length of hind tibia 




40 „ 


50 „ 


Length of ovipositor 






40 „ 



Geographical distribution: New Ireland, Bis- 
marck Islands. 

Collected by T. H. Ardley, 2 $ , 1 9 . Figs. 
1—4. 



Fig. 3. Eumossula gracilis n. g. & 
sp. $ . Subgenital plate 
C. = cercus St. = stylus 



Holotype: $ paratype $ (New Ireland), at 
the Anti-Locust Research Centre, London. 

The new genus belongs to the Mossula group and is related to the genus Mos- 
suia. It may be distinguished by the following key, containing all the genera, 
having the elytra distinctly longer than the abdomen, reaching (far) beyond the 
top of abdomen and with the metazona of disc of pronotum without distinct 
lateral keel or rugosities forming a kind of keel. 

1. Elytron "coriaceous" with only the subcostal radial veins distinct and elevated, 
the medial and cubital veins very short; the areae filled out by an irregular rhomboidal 
reticulation. Form of elytron lanceolate, reaching only the apical third of hind femur 
or a little shorter. Distribution: Fiji Islands, Solomon Islands. 

Ocica Walker (= Elaeoptera Redtenbacher syn. nov.) 

1.1. Elytron not "coriaceous", veins distinct with normal reticulation; longer, reaching or 
nearly reaching the top of hind femur. 

2. Pronotum smooth. Male styli about as long as the depth of the triangular incision of 
hind margin of subgenital plate. Female subgenital plate without median incision. 
Distribution: Solomon Islands. Paramossula Willemse 

2.2. Pronotum coarsely punctured. 

3. Elytron narrow. Styli of male subgenital plate very short. Male cercus slender, not divided 
at the top, but simple. Distribution: New Ireland. Eumossula gen. nov. 

3-3. Elytron broader. Styli of male subgenital plate long, about as long as the depth of the 
triangular incision of hind margin. Cercus of the male broad, bidentate at the top. 
Distribution: Solomon Islands, Trobriand Islands (N.E. coast of New Guinea), New 
Guinea, Ceram, Buru. Mossula Walker 



C. WiLLEMSE : Notes on Mecopodidae 39 

Segestidea hanoverana spec. nov. (pi. 3, 4 left) 

Size large, body slender. Head, as seen from above, a little shorter ( $ ) or 
as long as ( $ ) the disc of pronotum. Frons as broad as high ( $ ) or somewhat 
broader than high ( 9 ), seen in profile reclinate and somewhat concave; sub- 
smooth with regular, transverse, fine low ridges in the lower part above the clypeal 
margin; about in the middle with a shallow median impression more or less 
indicated; below the eye with a triangular space with a more irregular, shallow, 
transverse sculpture; cheeks for the remaining part and vertex practically smooth. 

Fastigium of vertex produced in advance into a small, somewhat triangular 
projection, which is not reaching beyond the middle of the first antennal joint; 
anterior margin obtuse or obtusely pointed, its surface with a median shallow 
sulcus, running posteriorly to about a line connecting the hind margin of the eyes. 
Antennal scrobae with the inner and lower margin thickened, arcuately bent up- 
wards till below the fastigium of vertex. First antennal joint long and broad, 
about two and a half times as long as broad, reaching distinctly beyond the 
fastigium of vertex, second joint much narrower and shorter, the remaining joints 
slender, filiform. Antennae long, reaching far behind the body. Eyes small, 
globose, somewhat prominent. 

Pronotum coarsely and irregularly punctured, disc somewhat longer than broad, 
anterior margin slightly rounded, posterior margin subtruncate or slightly 
truncate-concave; median keel low, distinct, developed into a groove at the 
posterior transverse sulcus; lateral keels absent; disc with two transverse sulci, the 
first one a little behind the anterior margin and slightly concave, the second one 
a little behind the middle, somewhat concave or substraight, both sulci percurrent 
on the lateral lobe and connected with each other a little above the lower margin 
of the lobe in the anterior part of the lobe; in the male the sulci are less developed 
than in the female; lateral lobe about as broad as high or only a little higher, 
lower margin convex, with its lowest point about in the middle, anterior margin 
substraight, posterior margin straight, sinus humeralis only moderately developed; 
anterior angle angulately rounded, posterior angle broadly rounded. 

Elytra and wings reaching far behind the top of abdomen and of top of hind 
femur. Elytron relatively narrow, anterior and posterior margin gradually nar- 
rowing apically; apex truncately rounded; between the subcosta and radialis with 
a narrow interspace with some transverse veinlets at the base and in the apical 
third; radialis with the first branch arising a little behind the middle of elytron, 
the second and third branch near the apex, all branches terminating into the apical 
margin. 

Epimerum of prothorax terminating into a blunt short tooth. Anterior coxa with 
a spine. Anterior femur from below on the inner side with 2 — 3 small spines in 
the apical part, lobes of the knees with two spines on the inner and one on the 
outer side; anterior tibia from above on the outer side with an apical spine, from 
below on both sides with a regular row of 8 — 9 spines, auditory foramina in the 
male open at the inner side, semirimate at the outer side, in the female on both 
sides open. Median femur from below without spines or only one spine on the 
outer side near the apex, lobes of the knees with two spines; median tibia from 



40 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

above with an inner apical spine; from below, on both sides, with a regular row 
of 9 — 10 spines. 

Hind femur incrassate at the base, attenuate towards the apex, from below on 
both sides with a row of spines, lobes of knees with two spines; hind tibia with 
four rows of spines. 

Prosternum with two spines, at the base not touching each other. Mesosternum 
about as long as broad, mesosternal lobes triangular with the apex rounded. 
Metasternal lobes about as long as broad, their lobes rounded. Hind margin of last 
tergits of the abdomen in the middle with a short spine, more or less developed. 

Male: Ultimate tergit with the posterior margin truncate-concave. Supraanal 
plate triangular, apex more or less pointed; disc with a median sulcus. Paraproct, 
lying on both sides and below the supraanal plate with a very sharp pointed spine. 
Cercus cylindrical, curved inwards, apex somewhat narrowed and pointed with a 
short sharp tooth. Subgenital plate elongate, much longer as broad, in the middle 
narrowed, at the top deeply triangularly excised, with the margins of the incision 
finely crenulate and bearing at the top on both sides a very small, cylindrical 
stylus; disc with a median and on both sides a lateral longitudinal keel. 

Female: Posterior margin of penultimate tergit rounded-truncate. Supraanal 
plate triangular, narrow, lateral margins somewhat concave, apex obtuse; disc 
with a median apical sulcus. Paraproct without spine. Cercus cylindrical, regularly 
curved, gradually attenuated towards the apex, apex pointed. Ovipositor long, 
straight, margins smooth. Subgenital plate broader than long, posterior margin 
with a rounded triangular incision in the middle and a short, shallow median 
groove. 

General coloration brown to yellowish brown. Head light brownish or yellow- 
ish brown, along the clypeal margin of frons and greater part of lower margin 
of the cheek with a yellowish white stripe; cheek and vertex marmorated with 
some darker coloured, more or less regular spots or bands, variable. Cheek brown 
or dark brown with or without a yellowish white stripe, labrum of the general 
coloration. Antennae dark brown or brown, annulated with lighter coloured rings. 
Pronotum of the general coloration, marmorated with lighter or darker spots; its 
margins lighter coloured, sometimes with a dark stripe along the anterior margin 
or more uniformly coloured. 

Elytron yellowish brown to brown, variegated with large dark brown spots in 
the different areas or with only small dark points in most of the areolae; posterior 
margin mostly bordered with brown; principal veins yellowish brown to brown. 
Wing hyaline, veins brown. 

Anterior and median legs brown, femora with darker coloured transverse, 
narrow bands; tarsi blackish brown. Hind femur brown to yellowish brown; from 
below in the basal third with part of inner area and part of lower areae black or 
brownish black, very contrasting, the black area reaching the spines; outer and 
upper area with narrow, transverse, dark, incomplete stripes or more uniformly 
coloured; hind knee darker coloured, spines black or with black tips. Hind tibia 
of the general coloration, the extreme tip somewhat darker coloured; spines with 
black tips. Hind tarsus darker coloured, from below blackish brown. Sternum and 
abdomen of the general coloration. PI. 3, 4 left. 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 



Plaat 3 






Author phot. 
Segestidea hanoverana spec, now, $ , holotype. New Hanover. 



C. Willems] 


3 : Non 


s on M 
S 


Length of body 


47- 


-53 mm 


., pronotum 


7- 


- 8 .. 


„ elytron 


62- 


-65 „ 


Width of elytron 


12 




Length of ant. femur 


16- 


-17 „ 


., med. femur 


17- 


-18 ,, 


,, post, femur 


41- 


-42 „ 


., subgen. plate 


11- 


-12 „ 


,, ., ovipositor 







41 



9 

60 mm 



51 
9 

73 —75 

12 

18.5—19 

17 —18 

45 
3.5— 4 

33 

Geographical distribution: New Hanover (=r Lavongai), Bismarck Islands, 
1954, 3 5,3 9 (T. H. Ardley). 

Holotype: $ , paratype 9 , New Hanover, in the Anti Locust Research Centre, 
London. 

Segestidea insulana spec. nov. (pi. 4, right) 

This species resembles in all its morphological features S. hanoverana, except 
the elytra, which are relatively narrower. 

General coloration greenish brown or yellowish brown. Antennae of the same 
colour and sparsely annulated by lighter coloured rings of joints. 

Head yellowish brown, clypeal margin of frons bordered by a whitish band. 
Pronotum yellowish or greenish brown, with or without irregular darker coloured 
spots or stripes. Elytron green or brownish green, with or without darker coloured 
spots; along the posterior margin and part of apical margin darker coloured; 
principal veins green or brown. 

Wing hyaline, apex more greenish, principal veins green or brown. Anterior 
and median legs of the general coloration; tarsi from below blackish. Hind femur 
yellowish brown, unicolorous, without black from below; outer area with regularly 
arranged rows of lighter coloured stripes or spots. Hind tibia greenish or yellowish 
brown, the extreme top dark brown. Hind tarsus blackish brown. Sternum and ab- 
domen of the general coloration (pi. 4, right) 



Length of body 
,, ,, pronotum 
„ ,, elytron 

Width of elytron 

Length of anterior femur 
,, ., median femur 
,, „ posterior femur 
„ subgenital plate 
,, „ ovipositor 



42 — 51 mm 
6-7 „ 

58 —70 
9 —10.5 „ 

13.5—15 

14 —16 

33 —39 
7.5— 8.5 ., 



51 - 


-55 


8.5- 


- 9.5 


71 - 


-75 


11 - 


-13 


18 - 


-19.5 


18 - 


-20 


42 - 


-45 


3.5- 


- 4 


30 - 


-31 



Geographical distribution: New Guinea, Territory of Papua, Pak Island (2 $ , 
2 9); Lou Island ($, 9); Loregan Manus Island ($, 9) 1954 (T. H. 
Ardley). 

Holotype: $ , allotype 9 , Pak Island; in the Anti Locust Research Centre, 
London. 



42 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

The genus Segestidea belongs to the group Sexava with two more genera, 
which may be distinguished by the following key. 

1. Anterior and median tibiae from above without apical spine. Elytron relatively narrow, 
ratio length and maximum width being in both sexes 1 to 6 — 7. Subgenital plate of 
male with or without styli. Se gestes Stal 1 ) 

1.1. Anterior and median tibiae with one or two apical spines from above or only on the 
anterior or median tibia, variable, but never without any spine. Subgenital plate of 
male always with styli. 

2. Body stout. Elytron broad, ratio between length and maximum width being in the 
male 1 to 3 — 4.5, in the female 1 to 4 — 5.8. Head seen from above shorter or as long 
as the pronotum. Lateral lobe of pronotum generally higher than long. Subgenital plate 
of male shallowly excised at the posterior margin. Sexava Walker 

2.2. Body more slender. Elytron narrower, ratio between length and maximum width being 
in the male 1 to 5.5 — 7, in the female 1 to 6 — 7. Head generally somewhat longer 
than the pronotum. Lateral lobe of pronotum generally longer than high. Subgenital 
plate of male narrower and more deeply excised at the posterior margin. 

Segestidea Bolivar I. 

Key to the species of the genus Segestidea) 

1. Elytron gradually narrowing to the apex; apex sharply angulate, anterior margin forming 
near the apex a broad bow, passing into the posterior margin by an acute angle; radius 
with three branches. Hind femur below at the base blackish brown. Obi Island, Mo- 
luccas, soror Hebard 

1.1. Elytron with the apex truncately rounded, anterior and posterior margins at the apex 
not forming an acute angle; radius with 2 or 3 branches. Hind femur unicolorous or 
below at the base blackish brown. 

2. Hind femur unicolorous, base from below not blackish brown. 

3. Length of body of the female 38 mm (male unknown). Vena radialis of elytron with 
only two branches, the first one arising in the apical fourth. Philippines. 

punctipennis Bolivar I. 
3.3- Length of body of the female 51 — 55 mm (of the male 42 — 51 mm). Vena radialis of 
elytron with 2 — 3 branches, the first one arising in or near the apical third. Pak Is- 
land, Lou Island, Loregan Manus Island. insulana spec. nov. 

2.2. Hind femur from below at the base blackish brown. 

3. Female. Green, palpi orange coloured. Hind femur from below red with rows of 
blackish brown spots. Sides of thorax with a broad brown band. Male unknown. New 
Guinea. princeps Bolivar I. 

3.3. Greyish yellow, yellowish or greenish brown, palpi of the general coloration. Hind 
femur from below at the base completely blackish brown. 

4. Female. Length of body 45 mm. Male unknown. Kneelobes of hind femur with only 
one spine. New Guinea. marmorata Bolivar. I. 

4.4. Female. Length of body 51 — 60 mm. (male 47 — 53 mm.). Kneelobes of hind femur on 
both sides with two spines. New Hanover. hanoverana nov. spec. 



*) In 1955 I described Segestes grandis (Natuurk. Maandbl., 44, p. 36, fig. 2). Upon a 
reexamination this insect proves to be a Sexava spec, of which genus the following species 
are known at present: Sexava femorata Will., grandis Will., leefmansi Will., karnyi Leef- 
mans, nubila Stal and uniform is Will. 

2 ) The species described by Bolivar (1903, Ann. Mus. Nation. Hung., vol. I, p. 161 — 
178) are unknown to me. Therefore the present key is only provisional, especially because 
the males were unknown to Bolivar. 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 



Plaat 4 




Author phot. 

Left: Segestìdea hanoverana spec, nov., Ç paratype. New Hanover. Right: 5. insalano, spec. 

now, $ holotype. Pak Island. 



A STUDY OF THE GENUS CHROTOGONUS AUDINET- 
SER VILLE, 1839 (ORTHOPTERA: ACRIDOIDEA). IV. 

WING POLYMORPHISM, TECHNICAL DESIGNATIONS AND 

PRELIMINARY SYNONYMY 

by 
D. K. McE. KEVAN 

University of Nottingham School of Agriculture, Sutton Bonington, England 

Many orders of insects show a considerable degree of alar polymorphism, and 
among them are included the Orthoptera. 

The possession, by the same species, of wings of differing sizes in different 
individuals has often led to the description of invalid species, especially amongst 
insects of which comparatively little material was available at the time of the 
original descriptions. The Pyrgomorphid Acridoid genus Chrotogonus has suffered 
particularly in this respect and, pending the publication of a comprehensive 
revision of the genus, it is considered desirable to clarify the position as much as 
possible in advance by indicating the synonymy which has now been established 
(Kevan, 1956). This at least will permit references of a general nature to be 
made in future without going into elaborate details of synonymy on the one hand, 
or using incorrect nomenclature, on the other. 

A large number of so-called species of Chrotogonus have been based mainly 
upon variable tegminal and wing characters, with the result that many now prove 
to be synonymous and their names may be used only for infra-subspecific taxa, 
and then only where these are sufficiently distinctive to merit their continued 
recognition. Although many of the different paramorphs of Chrotogonus species 
thus have what might be regarded as infra-subspecific names, there is no uni- 
formity in the matter. There are also many distinctive forms, in one species or 
another, which remain without names of any sort, as reference to the accompanying 
Table will show. 

Bolivar (1904) actually recognized certain infra-subspecific categories in some 
Chrotogonus species, but there is some doubt as to whether the names by him 
all conform to the conditions governing the use of infra-subspecific names laid 
down in the revised Rules of Zoological Nomenclature, since it is not made clear 
beyond doubt by the author that his "forms" are to be regarded as having other 
than subspecific status {Bull. zool. Nomencl., 1950, vol. 4, p. 89 — 96; Hemming, 
1953, p. 84, par. 165). However, since Bolivar did state that no specific (rather 
than subspecific) differences exist between his ff. "macroptera" and "braqu/ptera" 
(usually written by him with the valid spelling "brach/ptera"), we may presum- 
ably accept his names as infra-subspecific. Nevertheless the pedant could argue 
that the formally described "forms", "Chr. Abyssinicus f. brachyptera" , "Chr. La- 
meerei f. brachyptera" and "Chr. Senegalensis f. macroptera ', should strictly be 
regarded as being of subspecific rank and that the two former names are objective 
junior homonyms of Chrotogonus brachypterus Bolivar, 1902 [itself a synonym 

43 



44 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

of Ch. oxypterus (Blanchard, 1836), see Kevan, 1953]. Bolivar's "Chr. Sene- 
galensïs f. brachyptera" and "Chr. Savignyi f. macroptera" , however, are strictly 
infra-subspecific, since they refer to typical forms of their respective nominal spe- 
cies. As will be discussed elsewhere, "f. brachyptera" of what Bolivar calls "Chr. 
Savignyi" is an invalid usage. 

Whether or not there is any merit in recognizing formal infra-subspecific names 
for different variational forms of strongly polymorphic species, such as those of 
Chrotogonus, it cannot be denied that some sort of terminology is at times useful, 
but it would be most undesirable to raise a plethora of new names (all of which 
would presumably have to differ) for the numerous variants for which no infra- 
subspecific names at present exist, or even to perpetuate existing specific and sub- 
specific synonyms (and homonyms) by regularizing their use at an infra-sub- 
specific level. At present, the old names may be used as indicated in the Table, but 
it is here proposed that a series of uniform 'technical designations' for similar 
forms throughout the whole genus should be adopted in accordance with the 
provisions made by the Thirtheenth International Congress of Zoology, and ap- 
proved at Paris in 1948 {Bull. zool. Nomencl., 1950, vol. 4, p. 96, Conclusion 1, 
Recommendation 15; see also Hemming, 1950, p. 214). 

As with existing names, however, considerable difficulty has arisen in finding 
an objective means of deciding how many such technical designations should be 
recognized, because few of the numerous arbitrary categories into which it is 
possible to divide the forms of Chrotogonus species are discrete, there being 
numerous intermediate conditions. After careful consideration it has been decided 
to adopt four such technical designations only, referring to the most clearly 
distinguishable forms. 

In defining technical designations based upon alar development, consideration 
should first be given to the numerous arbitrary categories which have previously 
been used in the study of wing polymorphism and which are sometimes useful 
for descriptive purposes. Some species of Chrotogonus are represented in several, 
often many, of these categories, but none is known in which all conditions of alar 
development are found. 

The most recent account of wing terminology is that of La Greca (1954) who 
draws freely from Ramme (1951) and refers to the works of Puschnig (1914), 
Poisson (1924) and LARSéN (1931). By employing a combination of the cate- 
gories used by these authors it is possible to use already existing terms for the 
majority of the different degrees of wing development in the Acridoidea; only 
very few supplementary terms are added here for the sake of completeness. 

Many of the terms used were previously based on a comparison of the length of 
the wings with that of the abdomen and this is broadly adhered to, but, as Ramme 
(I.e.) has also pointed out, the comparison is not altogether satisfactory since the 
length of the abdomen may vary considerably (especially in females). The distance 
along the hind femora reached by the fore pair of wings when at rest is also a 
useful measurement, except in long-legged forms which are not considered here, 
but a more satisfactory and convenient quantitative means of expressing differen- 
ces in wing-length in Acridoidea is provided by the ratio, length of tegmen (or 
elytron) over length of hind femur (the E/F ratio of acridological literature) — 
cf. fig. 1. 



D. K. McE. Kevan : The genus Chrotogonus 



45 




E/F RATIO 
BELOW 0.25 

0.50 
0.75 
1.00 



1.25 



1.50 



1.75 



ABOVE 1.75 



Fig. 1. Schematic diagram of Chrotogonus sp. (with left tegmen 

removed) to indicate varying degrees of alar development. For 

technical designations based on these, see text; E/F = tegmen 

(elytron)/hind femur lengths. 



46 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

Five major groups of categories of wing development have been recognized, 
although only the first and the third of these are strictly applicable to Chrotogo- 
nus 1 ). They are as follows: 

A) Eupterous group (of Ramme — macropterous, sensu lato, part) — Insects 
capable of flight; fore and hind wings well developed, the latter in length ap- 
proximately equalling the former when at rest and reaching or extending beyond 
the apex of the abdomen and the hind knees. 

B) Parapterous group (Ramme, La Greca = macropterous, sensu lato, part) 
— Insects usually capable of flight; hind wings well developed and considerably 
longer than the fore pair. Among Acridoidea found principally in Tetrigidae; also 
occurs in Ensifera. Various unnamed categories within this group exist, but it is 
not relevant to discuss them here; the prefix "para-" could conveniently be added 
to other terms to denote that the fore wings are shorter than the hind. 

C) Hypopterous group (Puschnig, sensu Ramme, La Greca) — Insects in- 
capable of proper flight due to reduction in length of the hind wings and usually 
of the fore pair also; at least vestiges of the latter always, and of the former 
usually, present. 

D) Stenopterous group (La Greca) — Both pairs of wings greatly narrowed 
without proportional reduction in length; some degree of hypopterism usually also 
occurs. The condition is quite abnormal in Chrotogonus. Various unnamed cate- 
gories within this group exist, but it is not relevant to discuss them here; the prefix 
"steno-" could conveniently be added to other terms to denote narrowing of the 
wings. 

E) Apterous group (sensu stricto) — A single category in which no vestige of 
wings remains. Certain near-apterous forms are known where the front wings are 
concealed by the hind margin of the pronotum (not in Chrotogonus), but these, 
considered strictly, are hypopterous. 

It should perhaps be noted that Puschnig's term "hypopterous", as originally 
proposed, also included apterous forms, but its usage has been restricted as above 
by Ramme and La Greca (ll.cc); the latter author proposes the term "meio- 
pterous" for all forms are not eupterous. The term "macropterous" is often 
loosely used, particularly for parapterous forms, but its meaning has now been 
restricted (see also hereafter); "brachypterous" has similarly been widely used 
for hypopterous forms in general, but the use of this term has also been limited 
(see below). 

The two main groups which contain forms of Chrotogonus may now be sub- 
divided: the Eupterous group contains two sub-groups, macropterous and meso- 
pterous, as follows: — 

1. Macropterous (sensu stricto — or if an unambigous term is required, 
Eumacropterous) ■ — Fully alate, the hind wings at rest reaching or (as in Chro- 
togonus} projecting very slightly (sometimes only just perceptibly) beyond the 
apices of the tegmina. There are three arbitrary categories within this sub-group: 

a) Hyperpterous (Ramme) or as preferred herein, hypermacropterous — Teg- 



x ) The subgenus Shoacris Kevan, 1952 is excluded; it is here raised to full generic status 
on account of its completely apterous condition, rounded, almost vertical frontal profile, 
its long, slender ovipositor valves, and its peculiar type of sculpturation. 



D. K. McE. Kevan : The genus Chrotogonus Al 

mina and wings extending a long way beyond the apex of the abdomen and the 
hind knees, imparting a long narrow appearance to the insect. [E/F ratio in 
Chrotogonus 1.75 — 2.0 or more.] 

b) Holopterous (Ramme) — or as preferred herein, holomacropterous — Teg- 
mina and wings extending appreciably, but not excessively beyond the apex of 
the abdomen and the hind knees. [E/F ratio in Chrotogonus over 1.5 but under 
1.75.] 

c) Hypomacropterous (LARSéN) — This term was originally used for Hemi- 
ptera; here it is taken as referring to Acridoidea in which the tegmina and wings 
scarcely (or even do not at all) surpass the apex of the abdomen and the hind 
knees, giving them a rather squat appearance compared with the above. [E/F 
ratio in Chrotogonus not more than 1.5; very similar to some mesopterous indivi- 
duals (see below), but differing in that the hind wings slightly exceed the teg- 
mina at rest, even if only to a very small degree.] It is possible that Ramme's 
term 'mesopterous' refers to this form, but see below. 

All the above categories in Chrotogonus may be grouped under the single 
technical designation, f. macropterus. 

2. Mesopterous (Puschnig) — Tegmina almost reaching, or even surpassing 
the apex of the abdomen and the hind knees; hind wings large, reaching nearly, 
but not quite to the apex of the tegmina when at rest. [In Chrotogonus, if the 
wings are at right-angles to the body, the hind pair may fall considerably short of 
the apices of the tegmina, but in the resting position the shortfall is never as 
much as 20 per cent in this form; E/F ratio usually a little over 1.5.] 

Puschnig includes this category among the hypopterous group; Ramme places 
it with his eupterous forms. Puschnig says the tegmina do not quite reach the 
end of the abdomen and that the ability to use the wings is retained; Ramme 
(followed by La Greca), on the other hand, includes forms in which the tegmina 
extend slightly beyond the apex of the abdomen and hind knee. These differences 
between orignal and subsequent definitions are disposed of by the present inter- 
pretation which further permits subdivision into "hyper-", "holo-" and "hypo-" 
categories, as in the eumacropterous sub-group. In Chrotogonus the first condition 
is unknown and nothing is to be gained by differentiating between the other two. 
All mesopterous forms in this genus may be given the technical design- 
ation, f. mesopterus. 

The Hypopterous group of categories contains three previously recognized sub- 
groups: brachypterous, micropterous and subapterous, as follows: — 

1. Brachypterous (sensu stricto, Puschnig, Ramme, La Greca) — With 
tegmina and hind wings, or at least the latter, reduced, the former at least being 
of appreciable size; tegmina reaching at least as far as the middle of the hind 
femora and normally contiguous or overlapping dorsally for the greater part of 
their length and covering at least half of the abdomen. [E/F ratio in Chrotogo- 
nus at least 0.75; hind wings at rest falling short of the apices of the tegmina by 
at least 20 per cent. Ch. brachypterus I. Bol., 1902 does not belong here.] 

Since the tegmina and hind wings do not necessarily march in step in their 
respective degrees of reduction, there is theoretically a very large number of inter- 
grading categories into which this sub-group may be divided (see fig. 1). So far 
as Chrotogonus at least is concerned, it is convenient as an aid to identification 



48 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

to make an arbitrary distinction between those forms in which the hind wings are 
comparatively well developed in relation to the tegmina (viz., over two-thirds as 
long when at rest) and those in which the hind wings are considerably more 
reduced than the tegmina (less than two-thirds). The terms isobrachypterous and 
heterobrachypterous may be assigned to these two divisions respectively. The 
prefixes "iso-" and "hetero-" could, if desired, be interpolated into the terms 
suggested for the four purely arbitrary categories of tegmen length suggested 
below to indicate hind-wing size also. The general usefulness of such terminology 
may be small, but it is convenient to have available single terms which may serve 
in contexts where the use of numerical indices or descriptive phrases would be 
cumbersome. The four arbitrary categories are: 

a) Megabrachypterous — Tegmina more or less fully developed, exceeding the 
hind knees at rest, but hind wings reduced in accordance with the term "brachy- 
pterous". [E/F ratio in Chrotogonus over 1.5; isobrachypterous condition not 
recognized.] 

b) Sub-brachypterous (Poisson) — This term was originally used for Hemi- 
ptera; here it is used for brachypterous forms in which the tegmina are reduced, 
but (except in distended females) cover all but the extreme apex of the abdomen, 
and reach to the hind knee-lobes. [E/F ratio in Chrotogonus 1.25 — 1.5; both iso- 
brachypterous and heterobrachypterous conditions occur.] 

c) Eubrachypterous — Tegmina leaving the apex of the abdomen clearly ex- 
posed and reaching about as far as the narrowest parts of the hind femora, but not 
extending as far as the hind knees. [E/F ratio in Chrotogonus between 1.0 and 
1.25 (i.e. tegmina and femora of about equal length); both isobrachypterous and 
heterobrachypterous conditions occur.] 

d) Hemibrachypterous — Tegmina leaving several abdominal segments exposed 
and reaching only as far as the middle of the hind femora (or only slightly beyond 
this). [E/F ratio in Chrotogonus 0.75 — 1.0; with this degree of reduction, it is 
not practicable to recognize an isobrachypterous condition.] 

All of the four above categories in Chrotogonus may be grouped under the 
single technical designation, f. brachypterus. 

2. Micropterous (Puschnig and La Greca) — Tegmina and hind wings 
greatly reduced, leaving at least half of the abdomen exposed; tegmina commonly 
with reduced and modified venation, often lateral in position, not meeting in the 
mid-dorsal line (or if so, then for less than half their length), not reaching the 
middle of the hind femora; hind wings present even if represented only by 
minute scales, occasionally, where the tegmina are extremely abbreviate (as often 
in Chrotogonus), projecting slightly beyond the apices of the latter. [E/F ratio in 
Chrotogonus less than 0.75.] 

Ramme uses "micropterous" in a more restricted sense, applying the term only 
to forms in which the tegmina meet dorsally; the remainder he call "scjuami- 
pterous" (but see below). Three intergrading arbitrary categories may be recogn- 
ized for convenience in this sub-group: 

a) Sub-micropterous (Poisson) — This term was originally used for Hemi- 
ptera; here it refers to forms in which the tegmina may cover up to almost half of 
the abdomen, frequently meeting dorsally for a short distance only (micropterous, 
sensu Ramme), surpassing the bases of the hind femora, but falling short (often 



D. K. McE. Kevan : The genus Chrotcgonus 49 

far short) of their middles. [E/F ratio in Chrotogonus between 0.5 and 0.75; teg- 
mina reaching at least to the hind margin of the second abdominal tergum.] 

b) Squamipterous (Ramme) — When proposed, this term included also the 
next category and the next sub-group; here it is restricted to include those forms 
in which the tegmina are abbreviated to small flaps which leave almost all the 
abdomen exposed, but which extend beyond the posterior margin of the meta- 
notum. [In Chrotogonus not usually extending as far as the second abdominal ter- 
gum and falling short of the bases of the hind femora or just reaching them, 
E/F ratio 0.25 — 0.5; in this genus the first abdominal tergum is often crossed 
dorsally by a distinct furrow which may suggest two segments where there is but 
one.] 

c) Eumicropterotis — Tegmina and wings extremely abbreviate and scale-like; 
not, or scarcely extending beyond the hind margin of the metanotum and falling 
far short of the bases of the hind femora. [E/F ratio in Chrotogonus less than 
0.25; owing to the great reduction of the tegmina, the hind wing-scales cannot do 
otherwise, in most cases, than project slightly beyond them.] 

All of the above three categories in Chrotogonus may be grouped under a 
single technical designation, f. micropterus. 

3. Subapterous (La Greca) — A single category in which the tegmina are 
vestigial, scale-like, or form minute folds in the integument, without venation 
visible to the naked eye; all traces of hind wings absent. 

This category has not been found in Chrotogonus. Uvarov (1953), in discus- 
sing certain specimens of "Ch. rendalli" (i.e., Ch. hemipterus), states that these 
have no hind wings, but an examination of the same material shows this to be in- 
correct; wing-scales are present although very closely applied to the surface of the 
metanotum. 

RésuMé 

Among a large number of categories of wing-polymorphism which have been 
recognized in the Orthoptera, and most of which have been defined or redefined 
above, a large proportion are found in Chrotogonus species. Of these, four sub- 
groups are considered to merit the status of "technical designation" for uniform 
usage throughout the whole genus; several of the other terms may be convenient 
for descriptive purposes. The technical designations are as follows: — 

f. macropterus — in which both pairs of wings are fully developed, the hind 
pair just exceeding the tegmina at rest by a very small amount; 

f. mesopterus — in which both pairs of wings are well developed, the hind pair 
not quite reaching the apices of the tegmina at rest, the shortfall being less than 
20 per cent, of the length and often very little indeed; 

f. brachypterus — in which at least the hind wings, and usually the tegmina 
also, are reduced, but in which the tegmina at rest reach at least to the middle of 
the hind femora and cover at least half the abdomen, normally meeting dorsally 
for the greater part of their length; hind wings at most about three-quarters as 
long as the tegmina; E/F ratio at least 0.75; 

f. micropterus — in which the tegmina and hind wings are greatly reduced 
and in which the tegmina do not extend beyond the middle of the hind femora 



50 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 
ALAR POLYMORPHISM IN CHROTOGONUS, SHOWING 



Valid Species 

and/or 

Subspecies 


Group 


EUPTEROUS 


Technical Designation 


f. macropterus 


f. meso- 
pterus 




\ E/F Ratios b) 
Remarks 


1.75 or more 

(hyper- 

macropt.) 


Between 

1.5 & 1.75 

(holo- 

macropt.) 


1.5 or less 

(hypo- 
macropt.) 


Usually 
just over 

1.5 
(mesopt.) 


oxypterus 
(Blanch.) 


Ch. oxypterus $ syntype 
has E/F = 0.74 


(1.9) 

not 
uncommon 


juscenscens 
Kby. 
(1.6) 

common 






(1.3) 

rare 





betti ipt er us 
Schaum 


Ch. rotundatus $ syntype 
has E/F = 2.1. 

Ch. hemipterus 9 syntype 
has E/F = 0.4. In 

Ch. distanti Ç lectotype 
the tegmina are unequal. 
The types of Ch. varelai 
are lost and E/F is cal- 
culated from description 
only; £ syntype was 
apparently submicropte- 
rus (E/F = 0.7). 


rotundatus 
Kby 
(1.9) 

not 
uncommon 


fumosus 
Bol. 

(1.7) 

common 


tneridionalii 
Sausi. 
(1.4) 

not 
common 




(1.6) 
rare 


senegalensis 

abyssiniens 

Bol. 


Ch. abyssinieus f. brachypte- 
rus lectotype has E/F — 
0.77; syntypes have E/F 
0.8—0.9. 

Ch. ituriensis lectotype is 
•2 ; E/F for $ syntype 
= 1.1. 


(1.8) 

infrequent 


abyssinieus 
Bol. 
(1.7) 

not 
uncommon 


? 

none known 
may occur 




(1-7) 
very rare 


senegalensis 
gab o nie us 
Bol. 


Few specimens available; 
full extent of variation 
unknown. 






? 




(18) 


(1.6) 


none known 
may occur 














a ) The names used in the body of the table are in almost every case assigned to their 
positions by considering only holotypes or lectotypes. These and other critical specimens 
will be discussed at a later date. Frequency of occurrence refers to that in the large 
amount of material examined as a whole; in the field, generally uncommon forms may 
be locally or seasonally common. Upper rows of dots indicate an unnamed form; lower 



D. K. McE. Kevan : The genus Chrotogonus 



51 



RELATIONSHIPS BETWEEN NAMED FORMS ■) 







HYPOPTEROUS 






f. brachypterus c ) 


f. micropterus 


Over 1.5 

(mega- 
brachypt.) 


1.25—1.5 

(sub- 
brachypt.) 


Between 

1.0 and 1.25 

(eu- 

brachypt.) 


0.75—1.0 

(hemi- 
brachypt.) 


Between 

0.5 and 0.75 

(sub- 

micropt.) 


0.25—0.5 
(squamipt.) 


Under 0.25 
(eumicropt.) 






liaspis 

(Blanch.) 

(1.2) 

not 
uncommon 


oxypterus 

(Blanch.) 

(0.9) 

saussurei 

Bol. 

(1.0-) 

usual form 




(0.4) 
? very local 


brachypterus 
Bol. 
(0.2) 

? very local 





(1.3) 

rare 


(0.7) 

not 
uncommon 









marshalli 
Bol. 
(0.9) 

infrequent 


bloyeti 
Bol. 
(0.7) 

not 
uncommon 


hemipterus 

Schaum 

(E/F = ? ; 

hind legs 

lacking) 

dist 
K 
(0.2- 
rendalli 
Kby. 
(0.4) 
carinatus 
Kby. 
(0.5) 
varelai 
Bol. 
(0.4) 
usual form 


micropterus 
Bol. 

(o.i) 

hemipterus 

intermedins 

Griff. 

(0.2) 

anti 

-0.3) 

local 





(1.2) 
very rare 




it u vietisi s 
Sjöst. 
(1.3) 

usual form 




abyssiniens 
f. brachypt- 
erus Bol. 
(0.8) 

uncommon 













(1.1) 
common 










none known 
may occur 


gabonicus 
Bol. 
(0.9) 

? usual form 












(0.7) 












rows of dots indicate frequency of occurrence unknown. New species and subspecies to be 
described shortly are included here for completeness. 

b) Numbers in parenthesis throughout the table indicate the approximate E/F ratios of 
holotypes and lectotypes, or of specimens chosen to represent the categories concerned; 
for details of these, see later parts of this series. 

c) Heterobrachypterous except in Ch. trachypterus, where isobrachypterous (see p. 48). 



50 



TIJD SC„ RIFT VOOK ENTOMOLOCE, DBBt 100, *L. 1, 1957 

ALAR POLYMORPHISM .N^ OG ^, SHOWING 
ALAK _L FÎJPTEROTJS 




EUPTEROUS 



f. macropterus 



not 
uncommon 



Between , , 

1.5 Sc 1.75 1 - 5 ,, or ,ess 

(holo- < h >'P°-, 

v i \ macropt.) 

macropt.) I 



juscenscens 
Kby. 
(1.6) 



Ch. rotundatiis $ syntype 
has E/F = 2.1. 

C/&. hemipterus Ç syntype 
has E/F = 0.4. In 

CA. <&/*»// 9 lectotype 
the tegmina are unequal 
The types of Ch. varelai 
are lost and E/F is cal- 
culated from description 
only; 5 syntype was 
apparently submicropte- 
rus (E/F = 0.7). 



otundatiir, 

Kby 

(1.9) 



D.K.McE.K E v AN:r ^ mc/w/o ^ 



Ch. abyssinkus f. brachypte- 
rus lectotype has E/F — 
0.77; syntypes have E/F 
0.8—0.9. 

Ch. ituriensis lectotype is 
) ; E/F for g syntype 
= 1.1. 



not 
uncommon 



(1.8) 



infrequent 



Few specimens available; 
full extent of variation 
unknown. 



(1.8) 




assign 



'.) The names used in the body of the table are in almost every case s spec iiK*' 
positions by considering only holotypes or lectotypes. These and other en ^ 
will be discussed at a later date. Frequency of occurrence refers to ^ 

amount of material examined as a whole; in the field, generally uncom ,,, . 



be locally or seasonally common. Upper rows of dots indicate an unnarr» 



rows of r) • " " ■ ■ — 

k ^scribed shortlv'^/^TT, ° f occurrence unknown. New species and subspecies to be 
' Nunib «s i n p ar fh Cluded here for completeness, 
{""«ypes and Iectotvne 5 throu / hout t} * table indicate the approximate E/F ratios of 
'°r details of the^ <■ S '> ° r s P eame ns chosen to represent the categories concerned; 

' Het «obrachvDte " *" partS of this «ries, 

""'ypterous exceDt in ru i 

F' in e*. Iracbypterus, where isobrachypterous (see p. 48). 






52 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 





ALAR POLYMORPHISM IN CHROTOGONUS, SHOWING 




Valid Species 

and/or 

Subspecies 


Group 


EUPTEROUS 


Technical Designation 


f 


. macropterus 




f. meso- 
pterus 




\ E/F Ratios b) 

Remarks \ 

\ 


1.75 or more 

(hyper- 

macropt.) 


Between 

1.5 & 1.75 

(holo- 

macropt.) 


1.5 or less 

(hypo- 
macropt.) 


Usually 
just over 

1.5 
(mesopt.) 


senegalensis 
senegalensis 




senegalensis 


lameerei 








f. macro- 


Bol. 


(1.5) 




Krauss. 




pterus Bol. 
(1.8) 
not 


(1-7) 











uncommon 


common 


rare 




senegalensis 


Not much material avail- 




? 




nov. subsp. 


able; full extent of va- 


(1-9) 


(1-7) 






(a) (S. & 


riation unknown. 




probably 


none known 




S. E. Sudan) 




? not rare 


common 


may ocur 




senegalensis 




? 








subsp. nov. 






(1.6) 


(1.4) 




(b) (W. Su- 













dan to Sene- 




none known 


? not 


not 




gal) 




may occur 


common 


uncommon 




homalodemus 


No actual type specimens 
of Ch. savignyi or Ch. 


savignyi 
(Blanch.) 


scudderi 






bomalodemus 


Bol. 


(1.4) 


(1.4) 


(Blanch.) 


latus; E/F ratios calcul- 
ated from Savigny's 
(?1825) figures upon 
which they are based: 
for Ch. savignyi, the 
original figure 23 is 
selected [in his fig 22, 
E/F = 1.65]. 
The type of Ch. scudderi is 
lost and E/F is calculated 
from description. Boli- 
var's (1904) measure- 
ments for Ch. homalo- 
demus type give E/F = 
1.36. 


[savignyi 
f. macro- 
ter us Bol.] 
(1.8) 


(1-7) 










$ common, 




$ usual 


$ not 






9 not un- 


S & 5 


form, 


common, 






common 


common 


$ rare 


$ unknown 












subsp. nov. 


(1.8) 


(1-7) 


(1.4) 


(1.5) 


(Somalilands 




$ uncom- 








etc.) 




mon, 


$ & 2 


$ usual form, 


$ rare, 






Ç unknown 


common 


$ unknown 


9 unknown 



a, b, c) See footnotes on p. 50 and 51. 



D. K. McE. Kevan : The genus Chrotogonus 



53 



RELATIONSHIPS BETWEEN NAMED FORMS •) 







HYPOPTEROUS 






f. brachypterus c ) 


f. micropterus 


Over 1.5 

(mega- 
brachypt.) 


1.25—1.5 

(sub- 
brachypt.) 


Between 

1.0 and 1.25 

(eu- 

brachypt.) 


0.75—1.0 

(hemi- 
brachypt.) 


Between 

0.5 and 0.75 

(sub- 

micropt.) 


0.25—0.5 
(squamipt.) 


Under 0.25 
(eumicropt.) 








lameerei 
f. brachy- 
pterus Bol. 
(1.0+) 

not common 


senegalensis 

Kr. 
[f. brachy- 
pterus Bol.] 

(0.8) 
usual form 


occidentalis 

Bol. 

(0.7) 
roli ni Bol. 

(0.6) 
uncommon 
















none known 
may occur 










(1.3) 
? uncommon 


(1.1) 
? usual form 


(0.9) 

? common 
























(0.9) 

not 

uncommon 


(0.6) 

usual form 


(0.3) 
not common 







homalodemus 

(Blanch.) 

(E/F = ?; 

hind legs 

lacking) 

latus 

(Blanch.) 

[= savignyi 

f. brachy- 
pterus Bol.] 

(1.3) 

aethiopicus 

Bol. 

(1.3) 

$ very com- 
mon, $ usual 
form 


lugubns 
(Blanch.) 

(1.2) 
concavus 

Kirby 

(1.2) 

$ uncommon, 
9 very com- 
mon 











(16) 

$ very rare, 
9 rare 


(0.9) 

$ rare, 

9 not 

uncommon 


(0.6) 

$ unknown, 
9 rare 




-> 










none known 
may occur 


(1.4) 

$ unknown, 

9 usual 

form 











Tijdschrift voor 



Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 



D. K. McE. Kevan : The genus Chrotogonus 




;>, b, e) Sec footnotes on p. 30 and 51 



54 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 





ALAR POLYMORPHISM IN CHROTOGONUS, 


SHOWING 




Valid Species 

and/or 

Subspecies 


Group 


EUPTEROUS 


Technical Designation 


f. macropterus 


f. meso- 
pterus 




\ E/F Ratios t.) 

Remarks \ 


1.75 or more 

(hyper- 

macropt.) 


Between 

1.5 & 1.75 

(hoio- 

macropt.) 


1.5 or less 

(hypo- 
macropt.) 


Usually 
just over 

1.5 
(mesopt.) 


trachypterus 
trachypterus 
(Blanch.) 


Rehn (1953) designated a 
9 lectotype [E/F = 
1.4} for Ommexecha 
gracile Blanch.; thus, 
strictly, the infra-subspe- 
cific name gracilis is not 
now applicable to f. ma- 
cropterus although it was 
so prior to Rehn's action. 


(2.0) 

$ & 9 
not rare 


gracilis 
(Blanch.) 
partim (E/F 
= ?; hind 
legs lacking) 

S & 9 
fairly common 




pallidus 
(Blanch.) 
(E/F = ?; 
too distort- 
ed) 
breits Bol. 
(1.6) 

$ usual 
form, 9 
common 


(1.4) 

$ common, 
9 unknown 


trachypterus 
ro bert si 
Kirby 










robertsi 


(1.8) 

$ known, 
9 may occur 


(1-7) 

S & 9 
not rare 


(1.4) 

$ common, 
9 unknown 


Kirby 
(1-6) 

$ & 9 
common 


turanicus 






turanicus 
Kuthy 
(1-7) 

$ & 9 not 
uncommon 






Kuthy 


(1.8) 

$ known, 
9 may occur 


(1.4) 

9 & $ 
common 


(1.5—) 

$ uncommon, 
9 common 


(Obbiacris) 


Few specimens known 












arenicola 
Kevan 


(1.2) 


Kevan 
(1-0) 












(Obbiacris) 
nov. sp. 
(Somalilands i 
etc.) 


Not much material avail- 
able. 












(1.5 -) 














a, b, c) See footnotes on p. 50 and 51. 






D. K. McE. Kevan : The genus Chrotogonus 



55 



RELATIONSHIPS BETWEEN NAMED FORMS a) 







HYPOPTEROUS 






f. brachypterus c ) 


f. micropterus 


Over 1.5 

(mega- 
brachypt.) 


1.25—1.5 

(sub- 
brachypt.) 


Between 

1.0 and 1.25 

(eu- 

brachypt) 


0.75—1.0 

(hemi- 
brachypt.) 


Between 

0.5 and 0.75 

(sub- 

micropt.) 


0.25—0.5 
(squamipt.) 


Under 0.25 
(eumicropt.) 





trachypterus 

(Blanch.) 

(1.4) 

gracilis 

(Blanch.) 

partim 

(1.4) 

$ very com- 
mon, 9 usual 
form 


incertus 

Bol. 

(1.2) 
sordidus 

Kirby 

(1.2) 

$ rare, 
$ common 

















— - 












































1 





















(1.3) 


(1.1) 




















Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 



D. K. McE. Kevan : The genus Chrotogonus 




;'. b, O Sto footnotes on p. 50 and 51. 



56 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. l, 1957 

and leave more than half the abdomen exposed, not meeting dorsally for more 
than a short distance, if at all; hind wing-scales present; E/F ratio less than 0.75. 
With these preliminary definitions, it will now be possible to proceed to the ful- 
ler revision of the genus. The accompanying Table indicates the relationship 
between the various categories of alar polymorphism, the proposed technical 
designations and the synonymy within the genus. The Appendix lists alphabetically 
the nominal species which have been referred to Chrotogonus sensu lato, and 
indicates any new synonymy; valid species and subspecies of Chrotogonini are in 
bold type. The synonymy is based on critical examination of types. 

Appendix 

Synonymic list of the nominal species hirtherto included 
in Chrotogonus sensu lato. 

abyssiniens Bolivar, 1904, p. 92, 97 = Ch. senegalensis abyssinicus Bol. 

aethiopicus Bolivar, 1922, p. 170, pi. Io2, (XVIII) fig. 1 a, b [éthiopiens, John- 
ston, 1956] =: Ch. homalodemus (Blanch.), typical subspecies 
— syn. nov. 

angustatus Schulthess, 1898, p. 189 [nee Bolivar, 1884, non augustus (Blanchard, 
1836)], nomen nudum = Ch. (Obbiacris) arenicola Kevan. 

angustipennis Kirby, 1902, p. 77 = Trilophidìa angustìpennis (Kirby) [cf. 
Uvarov, 1925.] 

angustus (Blanchard, 1836, p. 624) [angustatus Bolivar, 1884] = Tenuitarsus 
angustus (Blanch.) 

arenicola Kevan, 1952, p. 88, 89 — 91, fig- 1 — 7 = Ch. (Obbiacris) arenicola 
Kevan. 

blanchardi Krauss, 1890, p. 257 = Ch. homalodemus (Blanch.), typical subspecies 
• — syn. nov. [Storey (1919) synonymized Ch. savignyi auctt, 
Ch. blanchardi Krauss and "probably" Ch. scudderi Boi. with 
Ch. lu gu bris auctt., but he did not refer to Ch. homalodemus.'] 

bloyeti Bolivar 1904, p. 94, 106 = Ch. hemipterus Schaum — syn. nov. 

bolivari Adelung, nomen nudum — Ch. turanicus Kuthy [cf. Uvarov, 1912, p. 
26] 

bormansi Bolivar, 1884, p. 37, 39, 493 = Shoacrisi bormansi (Bol). 

brachypterus Bolivar, 1902, p. 605 = Ch. oxypterus (Blanch.) [The usages of 
brachyptera (sic) by Bolivar, 1904, p. 93, 98, 100, 101, are 
possibly infra-subspecific or technically homonymous (see pp. 
43 — 44); they refer to Ch. s. abyssinicus Bol., Ch. s. sene- 
galensis Krauss (and its synonym lameerei Bol.) and Ch. ho- 
malodemus (Blanch.), typical subspecies (as savignyi). ] 

brevis Bolivar, 1904, p. 92, 99 = Ch. t. trachypterus (Blanch.) — syn. nov. 

capitatus Kirby, 1902, p. 78 = Tmetonota terrosa Sauss. [cf. Uvarov, 1925.] 

carinatus Kirby, 1902, p. 80 — Ch. hemipterus Schaum. — syn. nov. 

concavus Kirby, 1914, p. 162, 165 = Ch. homalodemus (Blanch.), typical sub- 
species — syn. nov. 



x ) See footnote, p. 46. 



D. K. McE. Kevan : The genus Chrotogonus 57 

distanti Kirby, 1902, p. 79 = Ch. hemipterus Schaum. — syn. nov. 

ethiopicus Johnston, 1956, p. 112 = lapsus for aethiopicus (q.v.). 

jumosus Bolivar, 1884, p. 38, 42, 493 = Ch. hemipterus Schaum. 

fuscescens Kirby, 1914, p. 162, 163 = Ch. oxypterus (Blanch.) 

gabonicus Bolivar, 1904, p. 94, 105 = Ch. senegalensis gabonicus Bol. 

gracilis (Blanchard, 1836, p. 619, pi. 22, fig. 7) = Ch. t. trachypterus (Blanch.) 
— syn. nov.i) 

guineensis Bolivar, nomen nudum (musei) = Ch. senegalensis gabonicus Bol. 

hemipterus Schaum, 1853, p. 780 = Ch. hemipterus Schaum. 

homalodemus (Blanchard, 1836, p. 615, pi. 22, fig. 4) = Ch. homalodemus 
homalodemus (Blanch.) [The trinomial is used here because 
another subspecies is to be described.} 

incertus Bolivar, 1884, p. 38, 45, 494 [insertus, Wu, 1935] = Ch. t. trachypterus 
(Blanch.) — syn. nov. 

intermedius Griffini, 1897, p. 10 = Ch. hemipterus Schaum. — syn. nov. 
[Described merely as a subspecies of Ch. hemipterus, but not 
meriting even varietal status.} 

ismayli (Blanchard), nomen nudum (musei) — Ch. h. homalodemus (Blanch.) 

ituriensis Sjöstedt, 1923, p. 22, pi. 1, fig. 1 = Ch. senegalensis abyssinicus Bol. 

johnstoni Kirby, 1902, p. 81 = Tmetonota terrosa Sauss. [cf. Uvarov, 1925.] 

lameerei Bolivar, 1904, p. 92, 100 [lameeri, auctt] = Ch. s. senegalensis Krauss. 

latus (Blanchard, 1836, p. 624) = Ch. homalodemus (Blanch.), typical sub- 
species — syn. nov. 

liaspis (Blanchard, 1936, p. 620, pi. 22, fig. 8) = Ch. oxypterus (Blanch.) — 
syn. nov. [The name liaspis has page priority over oxypterus; 
the reasons for selecting the latter name will be discussed 
under that species at a later date; see also Kevan (1956).] 

lugubris (Blanchard, 1836, p. 616, pi. 22, fig. 5) —Ch. homalodemus (Blanch.), 
typical subspecies. [See also note under blanchardi above.] 

macropterus Bolivar, 1904, p. 92, 99 = Ch. s. senegalensis Krauss. [Only tech- 
nically a subspecific name; in reality infra-subspecific (see p. 
43). The use of macroptera (sic) by Bolìvar, 1904, p. 101, 
is clearly infra-subspecific and relates to typical Ch. homalo- 
demus (Blanch.) (as savignyi).~] 

mar shalli Bolivar, 1904, p. 97, 107 = Ch. hemipterus Schaum — syn. nov. 

meridionalis Saussure, 1892, p. 262, pi. 4, fig. 5 = Ch. hemipterus Schaum — 
syn. nov. [Already synonymized with Ch. jumosus Bol. (see 
Uvarov, 1953)]. 

micropterus Bolivar, 1884, p. 38, 40, 493 = Ch. hemipterus Schaum — syn. nov. 

natalensis Saussure, nomen nudum (musei) = Ch. hemipterus Schaum. 

occidentalis Bolivar, 1904, p. 94, 104 — Ch. s. senegalensis — syn. nov. [Already 
synonymized with Ch. lameerei (see Kevan, 1954).] 

oxypterus (Blanchard, 1836, p. 622, pi. 22, fig. 9) = Ch. oxypterus (Blanch.) 
[See also under liaspis. ~] 



*) One female syntype is referable to Ch. oxypterus. All the type material is Indian, not 
Australian, as will be explained later (see also Kevan, 1956; Rehn, 1953). 



58 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

pallidus (Blanchard, 1836, p. 623, pi. 22, fig. 10) = Ch. t. trachypterus 

(Blanch.) — syn. nov. 
rendali/ Kirby, 1902, p. 79 = Ch. hemipterus Schaum. 
roberts/ Kirby, 1914, p. 161, 164, fig. Ill [roberti, Zacher, 1925; robertsoni, 

Ramakrishna Ayyar, 1940] — Ch. trachypterus robertsi 

Kirby. 
rolin't (emend.) Bolivar, 1904, p. 94, 106 [Rollini'] zz Ch. s. senegalens'/s Krauss 

— syn. nov. [Already synonymized with Ch. lame ere'/ Bol. 

(see Kevan, 1954).] 
rotundatus Kirby, 1902, p. 80 = Ch. hemipterus Schaum. 
Saussure'/ Bolivar, 1884, p. 37, 49, 494 — Ch. oxypterus (Blanch.) 
sav'/gnyi (emend.) (Blanchard, 1836: 624) [Sav'/gny~] — Ch. homalodemus 

(Blanch.), typical subspecies — syn. nov. [See also note under 

blanchard'/ above]. 
scaber (Fabricius, 1798, p. 196, nee Gmelin) = Ch. oxypterus (Blanch.) [This 

is the only name in this list which has never actually been used 

in a binominal combination with Chrotogonus (see Kevan, 

1953).] 
scudderi Bolivar, 1884, p. 38, 43, 493 — Ch. homalodemus (Blanch.), typical 

subspecies — syn. nov. [See note under blanchard'/ above. 

Uvarov (1924) was also of the opinion that this species was 

a synonym of Ch. lugubr'/s (Blanch.).] 
senegalens'/s Krauss, 1877, p. 144; 1877a, p. 58, pi. 1, fig. 11 = Ch. senegalen- 

sis senegalensis Krauss. 
sord'/dus Kirby, 1914, p. 162, 167 = Ch. t. trachypterus (Blanch.) — syn. nov. 
trachypterus (Blanchard, 1836, p. 618, pi. 22, fig. 6) — Ch. trachypterus trachy- 
pterus (Blanch.) 
turanicus Kuthy, 1905, p. 217 — Ch. turanicus Kuthy. 
varelai Bolivar, 1904, p. 97, 107 = Ch. hemipterus Schaum — syn. nov. 

References 

Blanchard, E., 1836, "Monographe du Genre Ommexecha de la Famille des Acridiens", 

Ann. Soc. ent. Fr., Vol. 5, p. 603—624, pi. XX— XXII. 
Bolivar [y Urrutia], I., 1884, "Monografia de los Pirgomórfinos", An. Soc. esp. Hist. 

nat., Vol. 13, p. 1—73, 419—500, pi. 1—4. 
Bolivar, [y Urrutia], I., 1902, "Les Orthoptères de St.-Joseph College à Trichinopoly 

(Sud de l'Inde). 3e Partie", Ann. Soc. ent. Fr., Vol. 70, p. 580—635, pi. IX. 
Bolivar, [y Urrutia], I., 1904, ,, Notas sobre los Pirgomórfidos (Pyrgomorphidae)" 

[I}. Bol. Soc. esp. Hist, nat.. Vol. 4, p. 89 — 111. 
Bolivar, [y Urrutia], I., 1922, "Orthoptères, in Voyage de M. le Baron Maurice de 

Rothschild en Ethiopie et en Afrique orientale anglaise (1904 — -1905). Animaux 

Articulés, Vol. 1, p. 169—219, pi. 1—4. 
Fabricius, J. C, 1798, "Supplementum Entomologicae systematicae", Hafniae: IV -f- 572 pp. 
Griffini, A., 1897, "Intorno ad alcuni Ortotteri raccolti dal Rev. L. Jalla a Kazungula 

(Alto Zambezi)", Boll. Mus. Zool. Anat. Torino, Voi. 12, no. 290, p. 1 — 12. 
Hemming, F., 1950, "A new chapter in zoological nomenclature: The reforms instituted 

by the Thirteenth International Congress of Zoology, Paris, July, 1948", Trans. 

Soc. Brit. Ent., Vol. 10, p. 209—216. 
Hemming, F., 1953 (Ed.), "Copenhagen decisions on zoological nomenclature: Additions 

to, and modifications of, the Règles Internationales de la Nomenclature Zoologique 



D. K. McE. Kevan : The genus Chrotogonus 59 

approved and adopted by the Fourteenth International Congress of Zoology, Copen- 
hagen, August, 1953", London, XI + 135 pp., 2 pi. 

Johnston, H. B.. 1956, "Annotated Catalogue of African Grasshoppers", Cambridge, 
XXII + 833 pp. 

Kevan, D. K. McE., 1952, "A Study of the Genus Chrotogonus Audinet-Serville, 1839, 
(Orthopt, Acrid., Pyrgomorphinae) . I. The Subgenera Obbiacris, Nov. and Shoa- 
cris, Nov.", Mitt. Schweiz, ent. Ges., Vol. 25, p. 87 — 96. 

Kevan, D. K. McE., 1953, "On the identity of Gryllus scaber Fabricius, 1798 (Orthopt., 
Acrididae)", Ent. Medd., Vol. 26, p. 482—488. 

Kevan, D. K McE., 1954, "A study of the genus Chrotogonus Audinet-Serville, 1839: II. 
Preliminary notes on synonymy and distribution in the Belgian Congo and adjacent 
territories", Ann. Mus. Congo. Tervuren, in — 4° (Zool.), Vol. 1, p. 446 — 456. 

Kevan, D. K. McE., 1956, "The Chrotogonini: A critical revisionai study of the injurious 
Pyrgomorphine Acridid genus Chrotogonus and its allies (Insecta: Orthoptera)", 
Unpublished Thesis, University of Nottingham, Vol. 1 (text), X -4- 429 pp.; Vol. 
2 (illustrations and publications), VII pp. + 146 figs. 

Kirby, W. F., 1902, "Report on a Collection of African Locustidae formed by Mr. W. L. 
Distant, chiefly from the Transvaal", Trans, ent. Soc. Lond. 1902, p. 57 — 114. 

Kirby, W. F. [& Waterhouse, C. O.], 1914, "The Fauna of British India including Cey- 
lon and Burma. Orthoptera (Acridiidae)", London, X -4- 276 pp. 

Krauss, H. A., 1877, "Orthopteren vom Senegal", Anz. Akad. Wiss. Wien, Vol. 14, p. 
141 — 146. 

Krauss, H. A., 1877a, "Orthopteren vom Senegal gesammelt von Dr. Hanz Steindachner", 
SitzBer. Akad. Wiss. Wien, Vol. 76, Hft. 1, p. 29—63, pi. 1—2. 

Krauss, H. A., 1890, "Erklärung der Orthopteren-Tafeln J. C. Savigny's in der Description 
de l'Egypte", Verh.zool.-bot. Ges. Wien, Vol. 40, p. 227—272. 

KuTHY, D., 1905, "Insecta Heptapotamica a D.D. Almâsy et Stummer-Trauenfels Collecta. 
II. Orthoptera", Ann. Mus. nat. Hungar. Vol. 3, p. 215 — 218. 

La Greca, M., 1954, "Riduzione e scomparsa delle ali negli Insetti Pterigoti", Arch. zool. 
ital., Vol. 39, p. 361—440. 

LARséN, O., 1931, "Beitrag zur Kenntnis der Pterygopolymorphismus bei den Wasser- 
hemipteren", Act. Univ. Lund. (N.F.), Vol. 27, no. 8, p. 1—30. 

Poisson, R., 1924, "Contributions à l'études des Hémiptères aquatiques", Bull. Biol. Fr. 
Belg., Vol. 58, p. 49—305. 

Puschnig, R., 1914, "Bemerkungen zur Arbeit H. Karny's: Ueber die Reduktion der Flug- 
organe bei den Orthopteren," Zool. Jb. (Zool.), Vol. 34, p. 515 — 542. 

Ramakrishna Ayyar, T. V., 1940, "Handbook of Economic Entomology for Southern In- 
dia", Madras, XX + 528 pp., 1 pi. 

Ramme, W., 1951, "Zur Systematik und Biologie der Orthopteren von Südost-Europa und 
Vorderasien", Mitt. zool. Mus. Beri., Vol. 27, p. 1 — 439, pl. 1 — 39. 

Rehn, J. A. G., 1953, "Family Acrididae (Subfamily Pyrgomorphinae)" in "The Grass- 
hoppers and Locusts (Acridoidea) of Australia", Melbourne, Vol. 2, 270 pp., 32 pi. 

Saussure, H. de, 1892, "Orthoptera" in Distant, W. L., "A Naturalist in the Transvaal", 
London, XVI + 277 pp., 5 pi. (p. 260, pi. 4). 

Savigny, J. C, 1825?, 'Histoire Naturelle. Zoologie. Orthoptères", in France, Commission 
d'Egypte, 1809 — 30, „Description de l'Egypte, ou Recueil des Observations et les 
Recherches qui ont été faites en Egypte pendant l'Expédition de l'Armée française", 
Paris, Atlas, Vol. 10, pl. 1 — 7. [Designed and engraved 1805 — 12, seemingly for 
publication 1809 — 13, but not issued until 1822 or 1825; the date 1824 has also 
been quoted in the literature.] 

Schaum, H., 1853, "Über die von Peters mitgebrachten Orthopteren aus Mossambique", 
Ber. Akad. Wiss. Beri. 1853, p. 775—780. 

ScHULTHESS-SCHiNDLER, A. de, 1898, "Orthoptères du Pays des Somalis recueilles par L. 
Robecchi-Brichetti en 1891 et par le Prince E. Ruspoli en 1892 — 93", Ann. Mus. 
Stor. nat. Genova, Vol. 39, p. 161—216, pi. II. 

Sjöstedt, Y., 1923, "Zoological Results of the Swedish Expedition to Central Africa 1921. 
Insecta. I. Acridoidea", Ark. Zool., Vol. 15, no. 6, p. 1 — 39, pl. 1. 



60 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. l, 1957 

Storey, G., 1919, "The identification of the Orthoptera figured by Savigny, and other notes 

on Egyptian Orthoptera", Bull. ent. Soc. Egypt., Vol. 11 (1918), p. 49—68. 
Uvarov, B. P., 1912, "Ueber die Orthopterenfauna Transcaspiens. (O faune prjamokrylykh 

zakaspiiskogo kraja)", Trud. russk. ént. Obshch. (Horae Soc. ent. ross.), Vol. 40, 

no. 3-, p. 1 — 54, pi. 1. 
Uvarov, B. P., 1924, "Some New and Interesting Orthoptera in the Collection of the 

Ministry of Agriculture, Cairo", Tech. Sci. Serv. Bull., Cairo, no. 41, p. 1 — 41, 

pi. 1—2. 
Uvarov, B. P., 1925, "Notes on the Orthoptera in the British Museum. 4. Identification of 

types of Acrididae preserved in the Museum". Trans, ent. Soc. Lond., 1924, p. 

265—301. 
Uvarov, B. P., 1953, "Grasshoppers (Orthoptera, Acrididae) of Angola and Northern 

Rhodesia, collected by Dr. Malcolm Burr, in 1927 — 1928", Pubi. cult. Compan. 

Diam. Angola, no. 21, p. 7 — 217. 
Wu, C. — F., 1935, "Family Acrididae", in "Catalogus Insectorum Sinensium", Peking (Pei- 

ping). Vol. 1, p. 115—214. 
Zacher, R.. 1925, "Orthoptera, Geradflügler", in Reh, L., (Ed.), Sorauer's "Handbuch der 

Pflanzenkrankheiten" (ed. 4), Berlin, Vol. 4, p. 150 — 237. [See also in Blunck, 

H. (Ed.), 5th ed., 1949, p. 310.] 



SOME NEW INDONESIAN CURCULIONIDAE 
(COLEOPTERA) 

BY 

SIR GUY A. K. MARSHALL 

London, England 

My old friend Dr. L. G. E. Kalshoven has kindly submitted to me for iden- 
tification a small collection of Curculionidae obtained by him in the course of his 
work as Forest Entomologist in Indonesia. Of these, four new species are described 
below, and I have to thank Dr. Kalshoven for allowing the types to be placed 
in the collection of the British Museum. 



Anthonominae 

Rhynchaenus flacourtiae spec. nov. (Fig. 1) 

S 9 . Derm testaceous; prothorax with a broad lateral stripe of white setiform 
scales and a few whitish setae on the basal half of the median line; scutellum 
with dense white setiform scales; elytra rather thinly clothed with very short 
recumbent colourless setae and with the following short stripes or tufts of longer 

dense suberect brown setae; interval 1 with a 
short stripe in the middle, followed by a 
shorter stripe of white setae, and the apical 
part of the suture again more or less brown; 
interval 2 with three small indistinct brown 
spots, one before the middle, one at the middle 
and the third on the declivity; interval 3 with 
five spots, one being at the base and another 
at the apex; interval 4 with a large tuft near 
the base; and interval 5 with a faint spot at the 
middle and a darker one on the declivity. 

Head with the eyes strongly convex and 
subcontiguous, the frons sloping steeply down to 
the rostrum. Rostrum about as long as a 
front femur, straight, finely rugulose, with two 
indistinct sulci; similar in the two sexes, but 
that of the $ more densely setose. Anten- 
nae inserted at one-third from the apex; the 
funicle with 7 joints, 1 equal to 2 + 3, 6 and 
7 as long as broad, the others slightly longer. 
Prothorax transverse (3:5), widest at the 
base, rapidly narrowing in front with a moderate curve, very shallowly constrict- 
ed near the apex, the constriction continued across the disk, the base gently 




Fig. 1. Rhynchaenus jlacourtiae 
spec, nov., $ 



61 



62 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

arcuate; the dorsum obscurely rugulose, without any median sulcus. Elytra 
broadly ovate, much wider at the shoulders than the base of the prothorax (8 : 5), 
with a gentle curve from the very prominent shoulders to beyond the middle, 
broadly rounded at the apex; the discal striae somewhat sinuous on account of 
the tufts, with distinct small separated punctures, the intervals much wider than 
the striae, almost flat, the sculpture concealed by the setae. Legs with the front 
coxae contiguous; the hind femora very thick, twice as wide as the middle pair. 

Length 2.90 — 3.2 mm. 

Java: Buitenzorg, 4 $ , 5 $ , bred from "roekem" fruits (Flacourtid), 1919 (L. 
G. E. Kalshoven). 

A very distinctly marked species. 

Baridinae 
Aponychius gen. nov. 

Head separated from the rostrum by a comparatively broad and rather shallow 
depression. Rostrum bent down near the base, thickened and compressed in the 
basal half, the apical half cylindrical; the mandibles bidentate and interlocking. 
Antennae at about the middle of the rostrum in both sexes, the scape remote 
from the eye; the funicle stout, much longer than the scape, with joint 1 longer 
than broad, 2 as long as broad, the rest transverse and widening distally; the club 
with the basal joint shiny and much longer than the rest together, the apex 
sharply pointed. Prothorax subconical, bisinuate at the base, the apex 
truncate. Scutellum small, nearly round. Elytra cordiform, with the apices 
separately produced, with ten complete striae, and entirely covering the pygidium. 
Legs with the femora hardly davate, with a bidentate tooth (the spikes side by 
side) below the middle; tibiae not dilated distally, with the mucro obsolete; 
tarsi with joint 3 very broadly bilobate, the claw-joint very short, not extending 
beyond the apex of joint 3, the claws very small and fused together except at the 
apex. Sternum with the prosternum below the level of the metasternum (as 
seen from below), not produced in the middle of its base, the intercoxal process 
much narrower than a coxa; the mesosternum deeply depressed, the intercoxal 
process steeply declivous, broader than a coxa. Venter with the apical margin 
of ventrite 1 straight, not sinuate, the intercoxal process wider than a coxa, the 
pygidium concealed. 

Genotype: Aponychius kalshoveni spec. nov. 

The very striking species upon which this genus is based belongs to the group 
typified by Acythopeus Pasc. It is not closely related to any of the four genera 
shown in Heller's key to the group (1940, p. 112), differing from all of them 
in the very unusual shape of the elytra, the bidentate femoral tooth which is 
placed unusually near the base, and especially in the very short onychium of the 
tarsi. 

Aponychius kalshoveni spec. nov. (Fig. 2) 

$ $ . Derm dull black, entirely bare; the specimens have been bred and are 
more or less suffused with red-brown — presumably owing to immaturity. 



Sir Guy A. K. Marshall : New Indonesian Curculionidae 



63 



R o s t r u m of the $ as 
long as a front femur, 
strongly bent downwards 
near the base and then 
moderately curved, deeper 
and somewhat compressed 
in the basal half, the apical 
part rather narrower and 
cylindrical; coarsely and 
closely punctate throughout, 
without definite carinae, but 
the punctures smaller on the 
apical half; rostrum of the 
$ with the apical half 
slightly more slender, quite 
smooth, with only sparse 
minute punctures. Pro- 
thorax much shorter than 
its basal width (2:3), ra- 
pidly narrowing from base 
to apex with the sides very 
slightly rounded in the 
middle and very shallowly 
narrowed at the apex into a 
broad collar-like constrict- 
ion; the dorsum quite flat 
down the middle, with deep 
round punctures that are 

separated by less than their diameters and with an abbreviated smooth median line. 
Elytra heart-shaped, widest at the very broadly rounded shoulders and rapidly 
narrowing behind with the sides nearly straight, the apices being produced into 
a broadly rounded process that is somewhat flattened dorsally; the deep striae 
sharply defined and containing catenulate punctures, the intervals broader than 
the striae, quite flat, each with a single row of punctures which on the apical two- 
thirds are small, widely separated and very shallow, but becoming much larger 
towards the base, so that some of them are nearly as wide as the intervals; the 
posterior callus only faintly indicated. Legs with the femora coarsely punctate, 
the lower edge broadly sinuate between the tooth and the apex, the hind pair not 
extending further than ventrite 2. 

Length 5.0 — 5.5 mm. 

Sumatra: Padang, 500 m, 1 $ , 2 ? , bred from orchids, 1919 (De Groot). 




Fig. 2. Aponycbius kahhoveni spec, nov., $ 



COSSONINAE 

Microcossonus ovaticeps spec. nov. 

9 $ . Derm uniformly testaceous, entirely devoid of setae. 
Head longer than broad (7 : 5), obovate; widest behind the middle, the basal 



64 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

fifth part rather abruptly narrower, the frons about as wide as the length 
of an eye as seen directly from above in the same plane, the eyes not 
exceeding the line of the temples; the whole surface (including the frons) 
with sparse small punctures that are rather unevenly spaced. Rostrum about 
two-thirds the length of the head, constricted at the base, then very gradually 
widening to the apex; the dorsum gently convex transversely, punctured like the 
head; rostrum of the 9 very slightly longer, with slightly finer punctures. A n - 
t e n n a e with the scape short, only slightly exceeding the eye, curved, the 
thickened apical part forming about half the length; funicle with joints 2 — 5 very 
transverse. Prothorax elongate (10:7), parallel-sided from the base to the 
middle, then gradually narrowing to the apex, without any apical constriction, 
truncate at base and apex; the dorsum flat, with separated small punctures that 
are slightly elongate, and an abbreviated smooth median line. Elytra elongate, 
narrow, not wider at the shoulders than the prothorax and parallel-sided from 
there nearly to the apex; the dorsum flat, with fine shallow striae containing small 
close punctures, the intervals flat, as wide as the striae, smooth or becoming 
feebly rugulose posteriorly. Legs with the tibiae short and widening from base to 
apex. 

Length 1.5 — 2.0 mm. 

Java: Besuki, Tjuralele, 4 $ , 2 9 , in dead rattan (Forestry Service). 

The genotype, Microcossonus wallacei Woll. 1873, has the head parallel-sided 
from the eyes to the basal constriction, which is much more strongly marked 
than in the present species; the frons and the rostrum are much more strongly 
and confluently punctate; the prothorax is nearly as broad as long and much 
wider behind, and has a shallow subapical constriction; the antennal scape is 
rather longer and more slender, and joint 2 of the funicle is nearly as long as 
broad; the elytra are proportionately much shorter and broader. 

Pentarthrum hebes spec. nov. 

S 9 . Derm red-brown, bare; legs and antennae red. 

Head shallowly constricted immediately behind the eyes, the vertex glabrous 
and with very sparse minute punctures, the frons with close deep punctures, the 
eyes moderately convex, highest at the middle. Rostrum stout, short, a little 
more than half as long as the prothorax (4:7) in both sexes, parallel-sided in 
the basal half and widening very slightly at the apex, nearly straight; the dorsum 
with punctures like those on the frons in the basal half, becoming finer in front, 
those of the 9 finer throughout. Antennae with the scape slightly exceeding 
the hind margin of the eyes. Prothorax a little longer than broad (10 : 9), 
moderately rounded laterally, widest not far from the base, rather strongly 
constricted near the apex, the constriction continued shallowly across the disk; the 
dorsum flattened, with strong punctures that are mostly separated by their own 
diameters or more, becoming larger and much closer on the pleurae. Elytra a 
little wider than the base of the prothorax, somewhat flattened in the middle, the 
striae with deep close punctures that are slightly wider than the striae and thus 
encroach a little on the intervals; these are about as wide as the punctures, flat, 
with a single row of minute punctures. 



Sir Guy A. K. Marshall : New Indonesian Curculionidae 65 

Length: 1.7 — 2.0 mm. 

Java: Samarang, 1 9 , in crevices of teak bark, IX. 1927 (L. G. E. Kalshoven); 
Blijdorp, 1 $,2 ?, V.1940 (type); Gedangan, la, 2 9 (M. Soediro). 

Structurally very close to the Samoan P. hirticolle Mshl., which differs in 
having sparse recumbent setae along the sides of the prothorax and elytra. It also 
has a deeper constriction behind the eyes, which are much more prominent and 
highest behind the middle; and the prothorax is much broader and more coarsely 
punctate. 

Reference 

Heller, K. M., 1940. Indomalayische Rüsselkäfer II. Arb. Morph. Tax. Ent., vol. 7, pp. 
92—113, 1 pi., 3 figs. 



SOME NEW SPECIES OF CERYX WALLENGREN 
(LEPIDOPTERA, CTENUCHIDAE) 

BY 

NICHOLAS S. OBRAZTSOV 

Sea Cliff, N.Y., U.S.A. 

Ceryx darlingtoni spec. nov. 

Female. Antennae simple, entirely black. Head yellow, only a streak between 
the antennae, and palpi, black. Patagia black, yellow at the sides; tegulae yellow 
with black end-hairs. Thorax black with a larger yellow posterior spot; pectus dark 
brown yellow with one yellow spot on each side. Legs, brown. Abdomen black; 
first tergite yellow edged at the sides; second to fifth segments (incl.) with yellow 
postsegmental girdles. Wings black with large hyaline spots. Length of the 
forewing: 13 mm. 

Below the middle cell of the forewing a long spot (spots ir^ and m 3 fused 
together) reaching from the wing basis to the middle of the vein Cu 2 , and with 
the lower angle almost reaching to the tornus; the spot (m 2 ) in the middle cell 
wedge-shaped, almost as long as the cell; an elongated spot (m 4 ) between the 
veins R 5 and Mj; a smaller extra spot above it; two elongated, almost equal spots 
(m 5 and m 6 ), one located between the veins M 2 and M 3 , and the other between 
M 3 and Cu t ; the lower of these spots reaches almost the termen; all forewing 
spots as broad as the corresponding wing cells. Hindwing with a large, ovate spot 
between the veins A 2 and M 2 . 

Type. Monotype, female, Atherton Tableland, Lake Barrine, North Queens- 
land, at about 2800 feet altitude, 1932 (P. J. Darlington, Jr.) (Museum of 
Comparative Zoology, Harvard University). 

Remarks. Similar to C. exapta (Swinh.) but the legs not yellow, five yellow 
abdominal girdles instead of six, and no extra spot between the forewing veins 
Cu x and Cu 2 . Belongs to Section II, C, (?b), ai, (c2) (Hampson, 1898). 

Ceryx calcuni spec. nov. 

Male. Antennae bipectinate, entirely black. Head black; lateral streaks behind 
the eyes white. Patagia and greatest part of tegulae black, the latter with white 
shoulders. Thorax brownish black; pectus without any markings. Legs brown, 
slightly opalescent. Abdomen greenish black; first tergite whitish scaled; post- 
segmental borders of second, third, fourth and fifth segments white, on the second 
segment only at the sides; the bands narrow, more developed at the dorsal sur- 
face. Wings greenish black, with white, hyaline, slightly whitish-haired spots; six 
spots on the forewing, two on the hindwing. Length of the forewing: 17 mm. 

The basal spot (mj) of the forewing subquadrate; a similarly shaped, slightly 

67 



68 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

longer spot (m 2 ) in the middle cell, above and between the bases of the veins Cu 1 
and Cu 2 ; a much broader and longer, almost transverse spot (m 3 ) between the 
veins Cu 2 and A 2 ; a small spot (m 4 ) below the base of the vein R 4 ; two larger, 
semiovate spots (m 5 and m 6 ), one between the veins M 2 and M 3 , and the 
other between M 3 and Cu^ the lower of these spots longer. Hindwing with a 
large basal spot extended from the lower border of the middle cell to the dorsum; 
a separate, round, large distal spot between the veins M 2 and Cu 2 . 

Type. Monotype, male, "Java Sea" (Calcoen) (Rijksmuseum van Natuurlijke 
Historie, Leiden). 

Remark. The new species belongs to Section II, A (Hampson, 1898); there 
it is the single species with white abdominal markings. 

Ceryx giloloënsis spec. nov. 

Female. Antennae serrate, black, yellowish white tipped. Head and body 
brown, slightly shot with yellow. Patagia, tegulae, and legs brown; pectus with 
two yellow patches on each side. Abdomen dark brown, shot with green; first 
and fifth tergites with a small, yellow middle patch each; fifth segment with 
similar lateral patches, one on each side. Wings dark brown, shot with violet; 
spots hyaline, separate; discal scaling somewhat darker. Length of the forewing: 
18 mm. 

Forewing with six spots: a small, elongated spot (iHj) at the wing base below 
the middle cell; the largest, heart-shaped spot (m 2 ) in the middle cell; a rhom- 
boidal spot (m 3 ) below it; oval spots (m 4 , m 5 and m 6 ) between the veins R 5 
and M 1} and M 2 and Cu^ Hindwing with two small spots: an elongated basal 
spot below the middle cell; another, distal spot outward of the vein Cu 2 , nearer 
to the tornus than to the middle cell. 

Type. Monotype, female, Kalam, Island Gilolo, Moluccas, 29 May, 1914 
(Museum of Comparative Zoology, Harvard University). 

Remarks. The new species belongs to Section II, A (Hampson, 1898) and 
has there no close relationship. Possibly a separate genus should be established for 
this species because of the hind tibiae with terminal spurs only. 

Ceryx vespella spec nov. 

Female. Antennae slightly serrate, entirely black. Head and patagia entirely 
yellow; palpi brownish; tegulae yellow (edge hairs missing). Thorax (scaling 
very damaged) with a yellow posterior patch; pectus with yellow patches at sides. 
Legs brown with yellow scaling (this latter very damaged). Abdomen (scaling 
damaged) with first tergite and girdles on second to seventh segments (inch), 
yellow; sixth and seventh sternites entirely yellow; tip of abdomen with pale, 
brownish yellow wool. Wings hyaline, narrowly black bordered and with veins 
black scaled. Length of the forewing: 11 mm. 

Forewing with the subcostal area hyaline; a narrow, black discal patch; the area 
between the veins M x and M 2 filled out by black, before the wing border and 
the discal patch hyaline; the black wing border slightly dilated at the vein Cu x . 
Hindwing with a black border forming a minute tooth at the vein Cu 2 . 






N. S. Obraztsov : New species of Ceryx 69 

Type. Monotype, female, Gempol, East Java, low country, 22 December, 1939 
(H. Boschma) (Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Leiden). 

Remarks. Very similar to C. ve spina (Rothsch.) from Borneo but the veins 
M 2 and M 3 of the forewing separate, the black fascia between the veins M 1 and 
M., incomplete, head (not only the frons as in vespina) and patagia yellow; 
ventral surface of the abdomen not black on the three terminal segments. Belongs 
to Section II, A, a (Hampson, 1898). 

Ceryx morobeensis spec. nov. 

Female. Antennae simple, brown black. Head black; frons streaks behind the 
eyes yellow. Patagia and tegulae yellow, the latter with brown end-hairs. Thorax 
brown black, with two longitudinal streaks and a posterior spot yellow; pectus 
with two yellow spots on each side. Legs brown; interior side of the fore coxae 
yellow. Abdomen brown black; first tergite yellow, with a rectangular brown black 
spot at the middle; second to sixth segments (incl.) with yellow postsegmental 
girdles dilated on sternites. Wings hyaline, with black borders and veins. Length 
of the forewing: 14 mm. 

In the forewing the subcostal area, the space between the veins M x and M 2 
(the latter vein with a small hyaline spot at the base above), the exterior wing 
border with an interior tooth between the veins Cu x and Cu 2 , and the exterior 
third of dorsum, black. The vein Cu 2 bent inward, and this causes the oval form 
of the hyaline area surrounded by it, by the vein Cu x and by the interior tooth 
of the black wing border. The basal half of the vein A 2 and the greatest part of the 
supradorsal area yellow scaled; only in the exterior part of this area, above the 
black wing border, an elongate, hyaline spot. Hindwing with exterior border and 
the vein Cu 2 black; the middle cell, the whole subcostal area and the dorsum 
yellow scaled; the area below the middle cell (between the dorsum and the vein 
Cj) hyaline. 

Type. Monotype, female, Wau, Morobe district, New Guinea, 4 March, 1932 
(H. Stevens) (Museum of Comparative Zoology, Harvard University). 

Remarks. The new species belongs to Section II, C (Hampson, 1898). It has 
a remote likeness with C. sphenodes Meyr. but this latter species differs by a 
somewhat more orange color of the head and body, and the black scaling of wings 
is more developed. Furthermore, the space between the forewing veins Cu x and 
Cu 2 is in sphenodes entirely black. 



Ceryx homoeochroma spec. nov. 

Male. Antennae slightly serrate, dark brown, white tipped. Head, patagia, 
tegulae, and thorax dark brown; pectus with two white patches on each side. 
Legs brown, with a dull bronze and violet reflection; first joint of middle and 
hind tarsi whitish. Abdomen smoky-brown, dully opalescent; fifth sternite yel- 
lowish banded. Wings brown shot with copper; five white, hyaline spots in the 
forewing, two in the hindwing. Length of the forewing: 16 mm. 

The basal spot (m 3 ) of the forewing middle-sized, rather broadly crescent; an 



70 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. i, 1957 

almost equally large, roundish spot (m 2 ) at the middle of the middle cell; a 
small, dot-like, round spot (m 4 ) between the base of the vein R 5 and the vein 
M-,; a slightly larger, roundish spot (m 5 ) between the veins M 2 an d M 3 ; a 
further round spot (m 6 ), about twice as large, between the veins M 3 and Cuj, 
beneath the preceding spot. Hindwing with an oval spot below the middle of 
the middle cell, and a second round spot, twice as large, between the veins M-> 
and Cu 2 . 

Type. Monotype, male, Fort de Koek, 920 m, Sumatra, October, 1913, (E. 
Jacobson) (Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Leiden). 

Remarks. Similar to C. transitiva (Wkr.), especially to its f. vanderpolli 
Rothsch., but the frons and patagia not white; abdomen without basal patches 
and a band on the fifth tergite. 

The hindwing venation of the new species is somewhat peculiar: a trace of the 
reduced vein M 2 is present which is long stalked with the coincident veins M 3 
and Cuj and connate with them at termen. This feature might be regarded as 
a transition to the genus Amata F. where the vein M 2 is normally developed. The 
systematic position of the new species is in Section II, C, b (Hampson, 1898) to 
which transitiva also belongs. 



Ceryx riouensis spec. nov. 

Male. Antennae simple, black (tips broken). Head black; frons and streaks 
behind eyes orange. Patagia orange; tegulae black, with orange shoulders. Thorax 
(very damaged) with orange seen only as traces at the middle, and with orange 
on the posterior edge; pectus with two yellow patches on each side. Abdomen 
black; first tergite orange; second tergite with a few yellow scales ah the 
middle; third to seventh tergites (incl.) with presegmentai, narrow orange 
bands indicated rather at sides; bands of the corresponding sternites broader. 
Legs brown; interior side of the coxae, a longitudinal streak on femora, 
and the base of hind tibiae, orange; first joint of tarsi white. Wings brown black 
with white, hyaline spots, five on the forewing, one on the hindwing; base of 
wings orange patched; underside of both wings orange scaled at the base along 
the veins and distally from the spot m 4 of the forewing. Length of the forewing: 
12 mm. 

The spot (m 2 ) in the middle cell of the forewing rather elongate-ovate, 
extended from the base of the vein Cu 2 to discal veins; a larger ovate spot (m 3 ) 
below the middle cell, between the veins Cu 2 and A 2 ; elongate-ovate spots (m 4 , 
m 5 and m 6 ) in the interspaces of veins R 5 and M l5 M 2 and M 3 , and M 3 and Cuj, 
at their bases. The single hindwing spot between the veins M 3 and Cu 2 , ovate. 

Type. Monotype, male, Durian Island, Riou Archipelago, November, 1923 
(K. Dammerman) (Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Leiden). 

Remarks. The new species belongs to Section II, C, b, ai (Hampson, 1898). 
It is somewhat like C. hageni Snell. and C. exapta Swinh., but both of the latter 
have orange bands well developed also on abdominal tergites, and the wing spots 
are very enlarged and accompanied by extra spots on the forewing. 



N. S. Obraztsov : New species of Ceryx 71 

Ceryx toxopeusi spec. nov. 

Male. Antennae simple, black, white tipped. Head yellow, a black streak 
between antennae; palpi black. Patagia brownish black, with two yellow patches at 
the middle. Tegulae yellow, end-hairs long, brownish black. Thorax brownish 
black, with two lateral yellow streaks being a continuation of the patagia patches 
and ending in a common, large yellow patch on the posterior thorax edge; pectus 
yellow. Legs black; coxae yellow; hind femora with longitudinal yellow streaks 
above and beneath; hind tarsi whitish. Abdomen brownish black; first tergite yel- 
low, with the anterior edge excavate; postsegmental yellow girdles on second to 
seventh segments (incl.). Wings hyaline, black bordered; these borders are en- 
larged at apex and occupy also the subcostal area. Length of the forewing: 14 mm. 

Forewing yellow patched at the base; all the veins black, the discoidals with a 
narrow black patch; the black wing border with an obtuse tooth between the 
veins Cuj and Cu 2 ; under surface of fore wing with yellowish scaling of the 
subcostal area and the vein A 2 . Hindwing with middle cell black; black wing 
border with a tooth inward from the vein Cu 2 ; veins crossing the hyaline area, 
yellow. 

Type. Monotype, male, Emmahaven, Sumatra, 24 December, 1920 (L. J. 
Toxopeus) (Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Leiden). 

Remarks. The new species belongs to Section II, C, b, ai, b 2 (Hampson, 
1898). Similar to the male of C. sumatrensis Obr. but in the latter species the 
eyes are black bordered, the pectus with two separate patches on each side, the 
eighth abdominal segment yellowish scaled, the forewing with a black ray con- 
necting the discal patch with wing borders, and their tooth between the veins G^ 
and Cu 2 reaching to the middle cell. The forewing spots m 1 and m 3 of toxo- 
peusi form a common hyaline area; in sumatrensis they are divided by a transverse 
bar; the border tooth along the hindwing vein Cu 2 does not reach the middle 
cell as in sumatrensis. The new species reminds one also of C. exapta (Swinh.) 
but in that latter only the frons is orange, moreover the patagia and legs are 
entirely orange, and the area between the forewing veins M x and M 2 is filled out 
by black. 

Reference 
Hampson, G., 1898. — Catal. Lep. Phalaen., vol. 1, p. 35 — 47. 



DIE LARVEN DER AGROMYZIDEN (DIPTERA) III 

VON 

ERICH MARTIN HERING 

Berlin-Dahlem, Deutschland 

Die Larven von weiteren Agromyziden-Arten, die bisher noch nicht oder nur 
ungenügend bekannt waren, sollen in ihren spezifischen Merkmalen beschrieben 
werden. Behandlung des Stoffes, Methode und Terminologie wurden wie in den 
beiden früheren Beiträgen angewendet. Bei zarthäutigen Larven, wie denen man- 
cher Phytomyza-Arten, wurde auch eine Färbung mit Congorot vorgenommen, das 
stärker fingiert, aber die Spiracula-Bildung nicht so schön differenziert hervor- 
treten lässt, dafür aber den zarten Stirnfortsatz besser hervorhebt. 

Bei den Abbildungen bezeichnet wieder a: Cephalopharyngealskelett in Lateral- 
ansicht, b: Kopfregion mit Mandibeln, stärker vergrössert, c: vorderes, d: hinteres 
Spiraculum, e: Partie aus dem lateralen Teile eines abdominalen Wärzchen- 
Gürtels. Gerade Striche neben den Larvenbildungen bezeichnen den Ver- 

grösserungs-Masstab; ein Strich entspricht, wenn kein anderes Masz angegeben, 
der Länge von 0,1 mm. 

Für die Zusendung von Larvenmaterial bin ich zu besonderem Danke ver- 
pflichtet den Herren Dr. habil. H. Buhr (Mülhausen/Thür.), G S. D. Grif- 
fiths (London) und Kenneth Spencer (London). 

Agromyzinae 

Dorsaler Fortsatz des Paraclypealphragmas mit 2 Flügeln. 

Agromyza watersi Spencer, 1956 (Abb. 1) 
(Im Druck) 

In der Kopfregion fehlen Zähnchen ober- wie wie unterhalb der Mandibeln. 
Prothorax mit geschlossenem Gürtel von kleinen, wenig zugespitzten Zähnchen 
in 4 — 5 Querreihen, in allen etwa gleich gross. Gürtel des Mesothorax mit etwa 
der gleichen Querreihenzahl, ventral und dorsal aber nur einige wenige Wärzchen 
stehend. Wärzchen hier deutlich in einen halbkugeligen Basalteil und eine auf- 
gesetzte, wenn auch nicht sehr scharfe Spitze gegliedert. Vom Metathorax an die 
Wärzchen in bis zu 14 Querreihen, bis zum 3. Abdominalsegment noch mit 
einigen Wärzchen auch dorsal und ventral. In den vorderen Gürteln Wärzchen 
noch deutlich mit Basalteil und scharfer, aufgesetzter Spitze, gegen das Körperen- 
de immer mehr abgestumpft und in geringerer Zahl von Querreihen. Wärzchen 
der Analregion einheitlich, schlank, stark gebogen, spitz. 

Antennen kurz, fast halb so dick wie die kräftigen, langen Maxillarpalpen, 
beide merklich getrennt entspringend. Longitudinalsklerit gross und kräftig. Man- 
dibeln gleichlang, jede mit 2 grossen, durch weite Einbuchtung getrennten, im 
Profil nicht alternierenden Zähnen. Apodeme der Mandibular-Muskeln nicht 

73 



14 



Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 









Abb. 1: Agromyza waters: Spenc. — 2: Melanagromyza arsii Rond. — 3: Mei. sp. (Sene- 
cio). — 4: Mei. angelicae Frost. — 5: Mel. dettmeri Hg. — 6: Mei. lappae Lw. 



E. M. Hering : Die Larven der Agromyziden 75 

skierotisiert. Labialsklerit schlank, hinten wenig dicker, nach der Ventralseite 
konvex gebogen. Die beiden Flügel des Dorsalfortsatzes am Paraclypealphragma 
sehr verschieden stark, der obere sehr dünn, der untere an der dicksten Stelle 
(vor dem Ende) 3 — 4 mal so dick, beide schwach gebogen. Ventralfortsatz etwa 
2/ 3 so lang wie der dorsale, auch ziemlich hoch. 

Vordere Spiracula breit knöpf förmig, nur kurz gestielt, mit 10 — 11 Bulben in 
weit offenem Bogen. Atrium dick, einmal stark gebogen, allmählich zum Über- 
gang in die Trachea verdünnt. 

Hintere Spiracula mit 3 Bulben, einer davon etwas verlängert, alle stark oral- 
wärts gerichtet. Der Stiel des Spiraculums kurz. Atrium im Mittelteil verdünnt, 
gegen die Trachea-Mündung wieder verstärkt, wenig geknickt. 

Larve in Blattminen an Lathyrus Silvester L. am 19- Juni 1955, England: 
Luccombe (Isle of Wight), von Herrn Kenneth Spencer entdeckt. 

Die Artengruppe Melanagromyza aeneiventris (Fallen) und lappae (Loew). 

Bei einigen Melanagromyza sind im Gegensatz zu allen anderen Arten unserer 
europäischen Fauna sämtliche Orbitenhärchen nach vorn gebogen. Die zu ihnen 
gehörenden Larven besitzen eine biologische Gemeinsamkeit: sie alle fressen im 
Stengelmark (vorwiegend von Compositen und Umbelliferen). Hendel (1931) 
gab nur zwei dieser Arten spezifischen Rang, führte eine weitere Form als Sub- 
spezies an. Es ist immer befremdlich gewesen, dasz scheinbar die beiden Arten in 
der Nahrungswahl für ihre Larven Pflanzenfamilien bevorzugten, die nicht näher 
miteinander verwandt waren. So hegte ich frühzeitig den Verdacht, dasz es sich 
bei den beiden sogenannten Arten um Artengemische handele, wobei sich viel- 
leicht bei den Einzelarten eine engere Nährpflanzen-Wahl ausgeprägt finden 
könnte. Bei einer genaueren Untersuchung der Larven fanden sich Differenzen 
je nach den Fraszpflanzen, die es wahrscheinlich machen, dasz eine gröszere 
Zahl von Arten angenommen werden musz, wenn auch parallele Unterschiede 
zwischen den zugehörigen Imagines kaum wahrnehmbar sind. Nachfolgend sol- 
len die mir bekannt gewordenen Larven von Arten dieser Gruppe in ihren wesent- 
lichen Merkmalen gekennzeichnet werden. 

Charakteristisch für alle diese im Stengelmark lebenden Arten der Gattung ist 
der Bau des Cephalopharyngealskelettes. Das Paraclypealphragma ist nur in den 
oralwärts gelegenen Partien stärker skierotisiert und gefärbt; zu ihm gehört aber 
noch ein gröszerer farbloser Bezirk, der sich durch Färbung mit Orange G. 
hervorheben läszt. Die Mandibeln sind ungleich lang, stets ist die rechte die 
kürzere, sie besitzt nur einen Zahn. Die längere linke Mandibel trägt an der 
Aussenseite einen kleinen zweiten Zahn, den schon DE Meijere (1950, p. 18) 
bei einer Art beobachtete, der aber bei allen Arten vorhanden ist; da er nicht in 
der Ebene des ersten Zahnes liegt, sondern etwas nach links absteht, ist er schwer 
zu sehen. An den hinteren Spiracula ragt inmitten einer etwa elliptisch angeord- 
neten Zahl von Bulben die Stigmen-Narbe als ein stab- oder hornförmiger Fort- 
satz nach oben. Im ersten Falle erscheint das Ende zackig ausgeschnitten. Hendel 
(1931) nahm an, dasz es sich in diesem Falle um eine ursprünglich hornförmige 
Narbe handelt, deren Spitze abgebrochen ist. Obgleich ich reichliches Material 
untersucht habe, kann ich mich noch nicht entschlieszen Hendel beizustimmen, 



76 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

obwohl es leicht denkbar ist, dasz bei den markfressenden Larven beim Heraus- 
nehmen die Narben-Spitzen im Markgewebe hängen bleiben; wenn das so ist, 
scheint aber bei manchen Arten eine gröszere Disposition zum Abbrechen vor- 
zuliegen. Es gibt schlieszlich noch eine dritte Erklärungsmöglkhkeit. In den 
Fällen, in denen die Stigmennarben-Länge bei der gleichen Art etwa gleichgrosz 
ist, wenn eine Hornbildung ausgeprägt, oder das Ende zackig ausgeschnitten er- 
scheint, kann es sich bei der letzten Gestaltung um eine Mehrfachbildung des 
Hörnendes handeln, so dasz 2 — 3 Spitzen statt der einen vorhanden sind; solche 
bei M. cirsii (Rond.) gelegentlich beobachteten Verhältnisse machen mir hier die 
Annahme wahrscheinlich. Die auf dunkler gefärbten Platten angeordneten Bulben 
der hinteren Spiracula sind in der Zahl bei den Arten nicht ganz kostant; man 
beobachtet nicht selten, dasz einige Bulben fehlen; an ihrem Platz sieht man ein 
kleines Loch, das direkt nach auszen mündet. 

Die von Hendel (1931) von dieser Gruppe allein unterschiedenen Arten 
M. aeneiventris (Fll.) (mit schmalen Wangen der Imago) und M. lappae 
(Loew) (mit breiten, vorstehenden Wangen) lassen sich in die folgenden Arten 
aufteilen: 

a. Gruppe der M. aeneiventris (Fll.): 
M. aeneiventris (Fll.), Larve in Urtica. 

M. cirsii (Rond.), Larve in Cirsium (? und Carduus) 
M. trip olii Spenc, Larve in Aster tripolium L. 

M. sp., Larve in Senecio jacobaea L., Chrysanthemum leucanthemum L. 
Als weitere Substrate der Artengruppe werden Arctium, Bupleurum, Eupato- 
rium, Galeopsis, Helianthus und Verhascum genannt. Larven von diesen Pflan- 
zen haben mir noch nicht vorgelegen. 

b. Gruppe der M. lappae Lw.: 

M. angelicae Frost, Larve in Angelica. 
M. dettmeri Hg., Larve in Cent aurea. 
M. lappae Lw., Larve in Arctium. 

M. sp., Larve in Pastinaca sativa L., Eupatorium cannabinum L. und Heracleum 
sphondylium L. 

Die Larven der für diese Artengruppe ferner angegebenen Nährpflanzen He- 
racleum, Pimpinella und Verbascum konnte ich noch nicht untersuchen. 

Melanagromyza aeneiventris (Fallen, 1823) 

Dipt. Suec. Agromyz., p. 4 
= subsp. fuscociliata Hendel (1931), p. 160. 

Die Originalbeschreibung der Art blieb mir unzugänglich. Da aber Zetter- 
stedt (1848, p. 2777) ausdrücklich angibt, dasz FALLéN die Art aus Urtica dioica 
L. erhalten habe, ist der Name FALLéNs auf die Art aus dieser Pflanze anzu- 
wenden. Da die Farbe der Schüppchenwimpern bei der Beschreibung nicht ange- 
geben wurde, benannte Hendel diese Art noch einmal als gesonderte Subspezies. 
Aber aus Urtica erhält man ausschlieszlich die Form mit den dunklen Schüppchen- 
wimpern, so dasz der Name von Hendel ein Synonym zu dem von Fallon wird. 
Ich hatte leider noch keine Möglichkeit, die Larve der Art zu untersuchen. Bei 
de Meijere (1943, p. 60, Abb. VII) ist sie bereits beschrieben, nachdem er schon 



E. M. Hering : Die Lanen der Agromyziden 11 

(1925, p. 243) auf Verschiedenheiten von anderen Arten der Gruppe aufmerksam 
gemacht hatte. Für die hinteren Spiracula gibt er an, dasz sie ungefähr so weit wie 
ihr kürzester Durchmesser voneinander entfernt sind und je 15 relativ grosze 
Bulben besitzen; die Stigmennarbe ist ein kurzes Stäbchen, das nicht am Ende in 
ein gebogenes Horn ausgezogen ist. Nach seinen Abbildungen sind beide Flügel 
des Dorsalfortsatzes am Paraclypealphragma sehr dünn und gleichlang, ebenso 
lang wie der Ventralfortsatz. Das vordere Spiraculum trägt nur 9 Bulben, eben- 
soviel wie bei M. lappae (Lw.), das ist die geringste in der Artengruppe vor- 
kommende Bulbenzahl. Da erfahrungsgemäsz bei dem nur von ihm untersuchten 
Puparium oft Schrumpfungsvorgänge an den Spiracula gegenüber deren Ausbil- 
dung bei der Larve erfolgen, ist Nachprüfung an Larven-Material erwünscht. 

Melanagromyza cirsii (Rondani, 1875) (Abb. 2) 
Bull. Soc. Entom. ItaL, Bd. 7, p. 177, 180. 

Kopfregion ohne Zähnchen, ohne Stirnfortsatz. Prothorakaler Warzengürtel nur 
in der Dorsalhälfte ausgebildet, dorsal geschlossen, aus etwa 8 Querreihen all- 
mählich schwach zugespitzter Wärzchen bestehend. Gürtel des Mesothorax ähnlich 
gebaut, mit etwa 6 Wärzchen-Reihen. Vom Metathorax an gleichartig gebildete 
Gürtel nach hinten zu immer mehr ventralwärts reichend, auf dem 2. Abdominal- 
segment schon auch ventral geschlossen, die Wärzchen nun sehr unregelmäszig 
in etwa 10 Querreihen stehend, die der vorderen 1 — 2 Reihen wenig kleiner. 
Gürtel vom 6. Abdominalsegment? an wieder ventral und dorsal offen, auf dem 
7. nur in wenigen Reihen ganz lateral, 8. einschlieszlich Analregion wärzchenlos. 

Antenne schlank, Maxillarpalpus kurz, dick. Ein bandförmiges Longitudinal- 
Sklerit legt sich halbringförmig über die Kopfregion. Mandibelbau wie überall in 
dieser Gruppe: Linke Mandibel länger als die rechte, beide mit groszem End- 
zahn, die linke jedoch unter diesem noch mit kleinem zweiten Zahn, der an ihrer 
Auszenseite sitzt und etwas seitlich absteht, so dasz er nicht in der gleichen 
Ebene mit dem Endzahn liegt, deshalb leicht zu übersehen ist. Zum Unterschied 
gegenüber den anderen Arten ist hier der Mandibelkörper nach hinten besonders 
stark zur Ansatzstelle des Labialsklerites ausgezogen, das Apodem des mandibu- 
laren Musculus adductor an der Ventralseite der Mandibeln liegend, deren untere 
Hälfte schalenförmig umschlieszend, in Lateralansicht schwer sichtbar, in Ventral- 
ansicht als grosze, abstehende, gegen das Ende verschmälerte Flügel erscheinend. 
Labialsklerit nur vorn an der Gelenkstelle sehr dünn, sonst gleichmässig dick. 
Beim Paraclypealphragma am stark pigmentierten Teil des Dorsalfortsatzes der 
obere Flügel fadendünn, der untere basal sehr hoch, gegen das Ende viel nie- 
driger. Dorsalfortsätze und Ventralfortsatz erscheinen von gleicher Länge. Bei 
Einschlusz der ungefärbten Teile ist der Ventralfortsatz nur 2/ 3 des dorsalen lang. 

Vordere Spiracula einhörnig, an den abgekehrten Seiten mit 14 — 19 Bulben in 
zwei Reihen. Atrium auffällig kurz, mehrmals gewulstet, ziemlich gleichdick blei- 
bend, erst . kurz vor der Einmündung in die Trachea plötzlich geringfügig er- 
weitert. 

Hintere Spiracula mit (15 — ) 20 — 24 ( — 29) Bulben, die auf einer schwärz- 
lichen, an den Rändern helleren Platte unregelmäszig in fast geschlossener Ellipse 
stehen. An der ventralwärts gelegenen Seite der Ellipse die Bulben zahlreicher 



78 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

und unregelmäsziger stehend. Die Spiracularplatten sind um etwas weniger als 
ihren kürzeren Durchmesser voneinander entfernt. Im Zentrum tragen sie die 
Stigmen-Narbe als schwarzes, wenig gebogenes Horn. 

Bei zwei Larven war die Spitze des Hornes doppelt, scheinbar „abgebrochen"; 
seine Länge war aber nicht geringer als die eines normalen Hornes. 

Untersuchte Larven im Stengelmark von Cirsium eriophorum (L.) Scop., am 
2. VIII. und 3.IX.1955 gesammelt von Dr. habil. H. Buhr. 

Ein Puparium von „Distel" {Carduus oder Cirsium) untersuchte auch de 
Meijere (1943, p. 67), fand dort die hinteren Spiracularplatten weiter von- 
einander entfernt, „abgebrochene" Hörner und 13 — 14 Bulben. 

Ein weiteres von mir untersuchtes Puparium von Carduus entspricht etwa dieser 
Beschreibung. Beim Paraclypealphragma ist der Ventralfortsatz nur wenig kürzer 
als der dorsale, beim dorsalen sind beide Flügel etwa gleichlang, der untere mehr- 
mals dicker als der obere. Die Bulben der vorderen Spiracula nicht deutlich er- 
kennbar, anscheinend aber gering an Zahl, 8 — 9 konnten festgestellt werden. Die 
Platten der hinteren Spiracula um reichlich ihren kleinen Durchmesser getrennt, 
mit je 16 — 18 Bulben in regelmäszigen, an den zugewendeten Seiten offenen 
Ellipsen. Stigmennarbe stabförmig, „abgebrochen" erscheinend. 

Puparium in Stengel von Carduus acanthoides L., am 3.IX.1955 bei Mühl- 
hausen (Thüringen) von Dr. H. Buhr gefunden. Die am 11. III. 1956 geschlüpfte 
Imago trug die Kennzeichen der aeneivenlris-Gtupipe. 

Wegen der schon erwähnten Schrumpfungsvorgänge am Puparium ist es nicht 
möglich, Merkmale von Larve und Puparium direkt zu vergleichen. Es scheint 
aber, als ob es sich auch bei den Formen von Carduus und Cirsium um verschie- 
dene Arten handelt. 

Melanagromyza tripolii Spencer 
(Im Druck) 

Bereits de Meijere (I.e.) hatte Verschiedenheiten der Larven und Imagines 
bei den Parasiten von Urtica und Aster tripolium L. erkannt. Seine Darstellung 
des Larvenbaues von M. aeneiventris (Fll.) bezieht sich auf die Art von Aster. 

Kennzeichnend am Mandibelkörper ist die gleichmäszige Rundung des Hinter- 
randes, der Ventralfortsatz des Paraclypealphragmas, der länger ist als der dorsale. 
Das Apodem des mandibularen Musculus adductor ähnlich wie bei M. cirsii (Rd.) 
gebaut, ebenfalls den Unterrand der Mandibeln umfassend, seine Seitenteile länger 
ausgezogen, mehr abstehend. Vordere Spiracula mit 12 — 13 Bulben, unregel- 
mäszig in 2 Reihen stehend. Atrium relativ etwas länger und schlanker, an der 
Mündung in die Trachea stärker erweitert. Die Platten der hinteren Spiracula sind 
weiter voneinander entfernt als ihr Durchmesser, tragen 17 — 18 Bulben, die 
sämtlich am Plattenrande stehen. Stigmennarbe relativ lang und schlank, am Ende 
wenig gebogen, in 2 — 3 Spitzchen auslaufend, „abgebrochen" erscheinend. 

Larve im Stengelmark von Aster tripolium L. bei Benfleet (Essex) am 23. IX. 
1955 von Herrn Kenneth Spencer gefunden. 



E. M. Hering : Die Larven der Agrotnyziden 79 

Melanagromyza spec. 

Auch von dieser Form wurde bisher nur das Puparium untersucht. An ihm 
fällt die grosze Entfernung der hinteren Spiracular-Platten auf, die dem doppelten 
Durchmesser einer Platte entspricht. Die Stigmennarbe ist auszerordentlich kurz, 
„abgebrochen" erscheinend. Nach der gezüchteten Imago gehört die Art zur 
aenezventris-Gtupipe. 

Puparium aus Stengelmark von Chrysanthemum leucanthemum L., bei Maribo 
(Dänemark) von Herrn H. P. S. Sönderup (f) gefunden. 

Melanagromyza sp. (Abb. 3) 
De Meijere, 1943, p. 67, Abb. VI, 12 (als lappae Lw. ?) 

Wärzchengürtel des Pro- und Mesothorax nur in der Dorsalhälfte vorhanden, 
oben geschlossen, Wärzchen klein, papillenförmig, mit kurzer Spitze, in 4 Quer- 
reihen. Wärzchen des ähnlich gebauten Metathoraxgürtels kräftiger, dorsalwärts 
kleiner werdend. Auch die in 6 — 8 Reihen stehenden Wärzchen der folgenden 
6 Abdominalsegmente sind wenig stärker, Gürtel geschlossen, nur auf dem 6. Seg- 
ment dorsal und ventral offen. Weitere Gürtel fehlen. 

Antenne und Maxillarpalpus kräftig, fast gleich dick. Longitudinalsklerit ein 
ventral verschmälertes Band, das auch dorsal unterbrochen ist, so dass zwei gänz- 
lich getrennte Skelettstücke über der Mandibel liegen (III. Stadium), die auch 
zum unten offenen Ring verbunden sein können (II. Larvenstadium). Mandibel 
am Oberende stark konvex. Apodem des mandibularen Musculus abductor ein 
braunes, halbringförmiges Bändchen, das des M. adductor sich schalenförmig um 
die Mandibelbasis legend und sie dorsalwärts beträchtlich, aber nur schmal über- 
ragend. Labialsklerit massig lang; am Paraclypealphragma der dorsale Fortsatz 1,7 
mal so lang wie der ventrale (in den ungefärbten Partien), sein oberer Flügel 
nadeldünn, kürzer als der untere. 

Vorderes Spiraculum deutlich einhörnig, mit 8 Bulben beim IL Larvenstadium, 
mit 13 — 15 beim III. Stadium. Atrium dick, auch beim Eintritt in die Trachea 
nicht verdickt. Bulbenplatten der hinteren Spiracula beim IL Stadium sich be- 
rührend (so auch bei einem Puparium beobachtet), aber an der Berührungs- 
stelle nicht abgeplattet; im III. Stadium (wie auch sonst beim Puparium) schmal, 
um die Hälfte des kürzesten Durchmessers der Bulbenplatte getrennt. Stigmen- 
narbe beim III. Stadium „abgebrochen" erscheinend, an der „Bruchstelle" aber 
mit kleinem Spitzchen. Beim IL Stadium die Narbe zugespitzt hornförmig, relativ 
dick, plötzlich in die kurze Spitze verdünnt. Jedes Spiraculum mit 16 — 20 Bulben. 

Larve im Stengelmark von Senecio jacobaea L., IL Larvenstadium bei Scratch 
Wood, Mddx. am 15.VIL, III. Stadium am 18.VII.1956 bei Boxhill, Surrey 
(England) von Herrn Kenneth Spencer gefunden. 

Puparien aus dem Stengelmark von Senecio erucijoilus L. wurden bei La Baule 
(Loire inf.) und Verson bei Caen im III.1944 (H. Buhr), an S. nemorensis L. 
subsp. fucbsii (Gmel.) Dur. im IV. 1929 bei Soritz (Lausitz) gefunden (K. T. 
Schütze) und untersucht. Die aus ihnen erhaltenen Imagines gehören zur aenei- 
ventris-, nicht zur lappac-Gruppe. 



80 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

Melanagromyza angelicae (Frost, 1934) (Abb. 4) 

Entom. News, Bd. 45, p. 40 
Larve: de Meijere 1925, p. 243 (als lappae Loew) 

Kopf region ohne Zähnchen; Wärzchengürtel des Pro- und Mesothorax nur 
in der Dorsalhälfte vorhanden, die Wärzchen in 6 — 7 Reihen, klein, mit nur 
allmählich verdickten Basalteil. Wie bei den vorigen sind die Gürtel von Meta- 
thorax und 1. Abdominalsegment ventral offen, sie und alle folgenden sind auch 
dorsal offen. Die Wärzchen auf ihnen stehen sehr unregelmäszig, ungereiht; bei 
ihnen ist einem dicken Basalsockel auch eine ziemlich dicke Spitze aufgesetzt. 
Gürtel des 7. Abdominalsegments auch ventral nicht mehr geschlossen, der des 8. 
nur noch seitlich in Spuren vorhanden. 

Antenne schlank, Maxillarpalpus kurz, dick; Longitudinalsklerit schmaler als 
bei den vorigen, aber in gleicher Halbringform. Mandibel von der bei der ganzen 
Gruppe gewöhnlichen Form. Apodem des mandibularen Musculus adductor 
schwer sichtbar, die Basis des nach hinten etwas verdickten Labialsklerites nicht 
umschlieszend. Beim Paraclypealphragma die pigmentierten Dorsal- und Ventral- 
fortsätze gleich lang, beim ersten oberer Flügel sehr dünn, unterer sehr dick. Bei 
Berücksichtigung der ungefärbten Partien ist der Ventralfortsatz 6/ 7 so lang wie 
der dorsale. 

Vorderes Spiraculum deutlicher einhörnig, nicht so keulenförmig wie bei den 
vorigen, mit 13 — 14 Bulben; Atrium unterhalb von ihnen stärker verdünnt, bevor 
es sich zur Einmündung in die Trachea erweitert. 

Die Bulbenplatten der hinteren Spiracula ganz dicht aneinander gerückt, sich 
berührend. Je 16 — 18 Bulben stehen in an den zugewendeten Seiten weit offenen 
Ellipsen. 

Stigmen-Narbe lang hornförmig vorstehend. Atrium auszerordentlich kurz und 
dick, sich schnell zur Einmündung in die Trachea verengend. 

Larven im Stengelmark von Angelica sylvestris L., am 7.VIII.1955 bei Mühl- 
hausen (Thüringen) von Dr. H. Buhr eingetragen. 

Melanagromyza dettmeri Hering, 1933 (Abb. 5) 

Konowia, Bd. 12, p. 37 

Nach dem nur vorliegenden Larven-Fragment und Puparium können die Wärz- 
chengürtel nicht geschildert werden. 

Antenne und Maxillarpalpus schlank, letzter weniger als doppelt so dick wie 
erste. Das bandförmige Longitudinalsklerit zu einem nur ventral offenen Ring 
gekrümmt. Mandibel dorsal ungleichmässig gebogen, länger als bei anderen 
Arten der Gruppe. Über ihr das Apodem des mandibularen Musculus abductor 
als ein sehr dünnes Plättchen; das des M. adductor hinten die Mandibelbasis 
schalenförmig umgreifend und sie dorsalwärts breit überragend. Labialsklerit etwas 
mehr gestreckt. Am Paraclypealphragma bei Berücksichtigung der ungefärbten 
Partien der ventrale Fortsatz wenig kürzer als der dorsale (13 : 15). 

Vorderes Spiraculum kurz einhörnig, mit 11 Bulben in zwei parallelen Reihen. 
Atrium gegen die Trachea wenig und allmählich verdickt. Die Bulbenplatten der 
hinteren Spiracula nur ganz schmal getrennt, etwa um y? des kleinsten Durch- 



E. M. Hering : Die Larven der Agrotnyziden 81 

messers jeder Bulben-Ellipse. Stigmennarbe jedes Spiraculums als dickes, relativ 
langes, am Ende spitzes Horn umgebildet. Jede Bulbcnplatte trägt 14 Bulben in an 
den zugekehrten Seiten weit offener Ellipse. 

Larve in Stengelmark von Centaurea nigra L., am 15.VII.1956 von Scratch 
Wood, Mddx. (England) von Herrn Kenneth Spencer, Puparien in dem von 
C. jacea L. im V.1941 von Herrn H. P. S. Sönderup (f) bei Maribo (Däne- 
mark) gefunden. 

Es erweist sich die Larve durch die stark genäherten hinteren Spiracular-Platten, 
die Imago durch die am hinteren, oberen Rand des Auges des $ stark verlänger- 
ten Haare zur lappae-Gruppe gehörig. 

Melanagromyza lappae (Loew, 1850) (Abb. 6) 
Stett. entom. Zeitg., Bd. 11, p. 380 

Die Larve ist der von M. angelicae (Frost) so ähnlich, dasz nachfolgend nur 
ihre Unterschiede gegenüber der zuvor beschriebenen angeführt werden sollen. 
Das Apodem des mandibularen Musculus adductor ist grosz; es liegt am Ventral- 
rand der Mandibeln, seine langen Fortsätze umschlieszen die Basis des Labial- 
sklerites und ragen über dieses dorsalwärts hinaus. Beim pigmentierten Teil des 
Paraclypealphragma oberer Flügel des dorsalen und der ventrale Fortsatz gleich 
lang, der untere Flügel überragt beide; bei Berücksichtigung der ungefärbten 
Partien ist der ventrale % so lang wie der dorsale. 

Vorderes Spiraculum deutlich einhörnig, mit nur 9 — 10 Bulben; Atrium dicker, 
kürzer, allmählich zur Trachea hin verdickt. 

Die Bulbenplatten der hinteren Spiracula sind breit verschmolzen, ein einheit- 
liches, schwarzes Gebilde darstellend; sie tragen je 20 — 22 Bulben und eine lange, 
hornförmige Stigmen-Narbe. Wie bei der ersten Art dieser Gruppe ist das Atrium 
auch hier äuszerst kurz und dick. 

Larven aus Stengelmark von Arctium lappa L., gefunden am 7.VIII.1954 bei 
Mühlhausen (Thüringen) von Dr. H. Buhr. 

Melanagromyza spec. (Abb. 7) 

Zähnchen der Kopfregion fehlen. Wärzchengürtel des Prothorax geschlossen, 
die "Wärzchen klein, dreieckig, zur Basis nur allmählich verdickt, in 8 — 10 
Reihen stehend. Vom Mesothorax-Gürtel nur lateral einige wenige, winzige 
Wärzchen sichtbar. Metathorax-Gürtel ventral breit offen, auch dorsal nicht ganz 
geschlossen; Wärzchen kräftig, wie auch auf den folgenden mit fast halbkugeliger 
Basis, mit dicker, aufgesetzter Spitze, in 4 — 5 Reihen stehend. Der Gürtel des 
1. Abdominalsegmentes breiter, mit ähnlich gebauten Wärzchen in 8 — 10 Reihen, 
die der hinteren Hälfte mit grösseren Wärzchen, die dorsalwärts kleiner werden; 
dorsal und ventral ist der Gürtel schmal unterbrochen. Auf den folgenden Seg- 
menten 2 — 6 sind ähnliche Gürtel vorhanden, die ventral geschlossen sind, dorsal 
aber vom 4. an unterbrochen sind. Auf dem 7. Segment fehlen die Wärzchen 
ganz. 

Antenne dünn, Maxillarpalpus doppelt so dick, kaum kürzer als die Antenne. 
Longitudinalsklerit breit bandförmig, nicht ganz ringförmig gekrümmt, Apodem 



82 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

des mandibularen Musculus abductor ein kleines, braunes Stäbchen über der Man- 
dibel. Mandibel ähnlich wie bei M. angelicae Frost, die Zähne etwas stumpfer. 
Labialsklerit kurz. Am Paradypealphragma der obere Flügel des Dorsalfortsatzes 
kürzer als der untere, sehr dünn. 

Vorderes Spiraculum nur schwach einhörnig, mit 10 Bulben, die in 2 parallelen 
Reihen stehen. Atrium fast gleich breit, erst an der Mündung in die Trachea 
verdickt. Die Bulbenplatten der hinteren Spiracula sich dicht berührend, an der 
Berührungsstelle abgeplattet. Jede trägt ein spitzes, aber kurzes Horn als Stigmen- 
narbe. Je 15 Bulben stehen in einer an den zugewendeten Seiten weit offenen 
Ellipse. Atrium kurz und dick. 

Larve im Stengelmark von Pastinaca sativa L. am 8. VIII. 1956 bei Bookham 
(England) von Herrn G. C. D. Griffiths gefunden. Er stellte ferner im Mark 
Larven von Napomyza lateral/s (Fallen) (hornförmige Bildung der Stigmen- 
narbe an den hinteren Spiracula fehlend) und solche einer Lonchaea sp. fest; 
letzte unterscheiden sich von denen von Melanagromyza durch einen nach vorn 
gerichteten Fortsatz des Paraclypeal-Phragma, lateral inserierte vordere Spiracula, 
kurzes Horn an den hinteren Spiracula (diese nur mit 3 Bulben !), das vom 
Spiracula-Träger, nicht von der Stigmennarbe ausgeht (vergi, auch Melanagromyza 
sp. von Heracleum). 

Melanagromyza sp. 

Ein Puparium zeigte einhörnige vordere Spiracula mit 12 — 14 in zwei parallelen 
Reihen stehenden Bulben. An den hinteren Spiracula sind die Bulbenplatten 
breit verschmolzen, jede an der Verschmelzungsstelle stark abgeplattet. Die Stig- 
mennarbe ist kurz und dick, erscheint „abgebrochen". Je 20 — 22 Bulben stehen in 
unregelmässigen, an den zugekehrten Seiten weniger unterbrochenen Ellipsen. 

Puparium im Stengelmark von Eupatorium cannabinum L., im III. 1943 bei 
Verson bei Caën gefunden (H. Buhr). 

Diese wie die folgende Art gehören nach der Imago zur lappae-Grappe. Wegen 
der bei der Puparium-Bildung erfolgenden Schrumpfungsvorgänge muss auf die 
Artwertung beider Formen verzichtet werden, zumal nur je eine Fliege aus den 
Zuchten erhalten wurde. 

Melanagromyza sp. 

Vordere Spiracula des Pupariums mit 12 Bulben in 2 Reihen, die Bulbenplatten 
der hinteren Spiracula sind um weniger als den kleinsten Durchmesser jeder ge- 
trennt, die Stigmennarbe erscheint als ein „abgebrochenes", kurzes und dickes 
Horn. Etwa je 20 Bulben stehen in einer an den zugekehrten Seiten weit offenen 
Ellipse. 

Puparium im Stengelmark von Heracleum sphondylium L., bei Verson bei Caën 
im III. 1943 gefunden (H Buhr). 

Herr G. S. D. Griffiths fand im Stengelmark der gleichen Pflanze bei Book- 
ham (Engeland) im VIII. 1956 auch die Larven einer Lonchaea- Art; über die 
Unterschiede gegenüber den Melanagromyza- Arten sei auf die Pastinaca-Form 
verwiesen. 



E. M. Hering : Die Larven der Agromyziden 



83 




7 è ê è * 









1 11 




Abb. 7: Melanagromyza sp. (Pastinaca). — 8, 9: Cephalomyza cepae Hg. — 10: Liriomyza 
violiphaga Hd. — 11: Lir. sp. (Cotula). 12: Lir. sp. (Sonchus). 



84 Tijdschrift voor Entomologie, deel 100, afl. 1, 1957 

Phytomyzinae 

Dorsaler Fortsatz des Paraclypealphragma mit nur einem Flügel 

Phytobia (Cephalomyza) cepae (Hering, 1927) (Abb. 8, 9) 

in Dahl, Tierwelt Deutschi. 6, p. 50. 

Larve: de Meijere, 1928, Tijdschr. Entom. 71, p. 152, Abb. 6; 

Hering, 1956, Dtsch. Entom. Z. N.F. 3, p. 258—261, Abb. 1—3 

Seit der Erstbeschreibung von Imago und Larve der Kleinen Zwiebelfliege hat 
sich unsere Kenntnis ihrer Verbreitung sehr erweitert. Es zeigte sich, dass diese 
ökonomisch wichtige Minierfliege auch bis Südindien und Ostasien vorkommt, 
vielleicht sogar von dort die in Zentraleuropa vorkommenden Populationen ein- 
geführt worden sind. 

Es war recht überraschend, als Nietzke 1953 (Z. ang. Ent. 35, p. 249 — 270) 
feststellte, dass in der Pfalz (Westdeutschland) an relativ geringfügig voneinander 
entfernten Lokalitäten, wie es Landau und Ludwigshafen sind, zwei verschiedene, 
von ihm als „Rassen" bezeichnende Populationen vorkommen, die in den Genita- 
lien, Larven-Merkmalen und Einzelheiten der Lebensweise unterschieden werden 
konnten, von denen eine mit der mitteldeutschen Population von Calbe überein- 
stimmte. Von Herrn Dr. Nietzke, dem ich auch hier noch meinen Dank sage, 
erhielt ich von seinen beiden Fundorten befallene Blätter von Allium cepa L. 
übermittelt, die zur Untersuchung verwendbare tote Larven enthielten, die nach- 
folgend verglichen werden sollen. Augenfällige Unterschiede weisen die Spiracula 
in ihrer Bulbenzahl auf. 

a) Population von Oggersheim bei Ludwigshafen (Abb 9x): Nach Nietzke 
stimmt diese „Rasse" mit der mitteldeutschen von Calbe (Bez. Magdeburg) über- 
ein. Die Larven-Untersuchung an Material von Oggersheim ergab ebenfalls Über- 
einstimmung mit den Befunden von de Meijere (1928); die vorderen Spiracula 
zeigen etwa 7, die hinteren etwa 9 Bulben. Diese „Rasse" hat die geringste Bul- 
benzahl. 

b) Population von Herxheim bei Landau (Abb. 9y): Die Verschiedenheit die- 
ser „Rasse" von der vorigen wurde von Nietzke unter anderem auch mit Ver- 
schiedenheiten im Kopulations-Apparat begründet. Die Untersuchung der Larve 
zeigt, dass bei ihr die Spiracula durch eine grössere Bulben-Zahl ausgezeichnet 
sind. Die vorderen, die nicht mehr so klein knöpf förmig sind, tragen 10 — 13 
Bulben in weit offener Ellipse. Auch die hinteren besitzen eine grössere Bulben- 
Scheibe, auf ihr stehen 14 — 15 Bulben in offener Ellipse. 

c) Population Thüringen (Barbarossahöhle) (Abb. 8). Die Entdeckung dieser 
besonders interessanten Form verdanken wir wiederum Herrn Dr. habil H. Buhr. 
Er fand hier die Larven an einem wildwachsenden, nicht kultivierten Allium. 
Leider konnte bisher die Artzugehörigkeit durch Zucht der Imago nicht erwiesen 
werden, doch besteht wegen der Übereinstimmung sonstiger Larven-Merkmale und 
der Futterpflanzen-Gattung wohl kein Zweifel, dass es sich hier um die gleiche 
Fliegenart handelt. Bei dieser Population ist nun das Maximum der Spiracula- 
Vergrösserung und der Bulbenzahl erreicht: An den vorderen Spiracula wurden 
bis zu 17 Bulben gezählt; sie stehen in zwei dicht nebeneinander liegenden, fast 
parallelen Reihen, von denen in Seitenansicht meist nur eine sichtbar ist. Das 



E. M. Hering : Die Larven der Agromyziden 85 

hintere Spiraculum ist deutlich zweihörnig; es trägt bis zu 25 Bulben, die kurz, 
aber doch deutlich gestielt sind. 

Larve in den Blättern von Allium senescens L. bei der Barbarossahöhle am 
25.VII, bei Kelbra am 18.VIII.1955 (H. Buhr). 

d) Population von Peking (China): Drei untersuchte Larven der Form, die 
wohl zur subsp. chinensis Kato, 1949, zu stellen wäre, zeigten die gleichen 
Merkmale wie die Population von Calbe und die von Oggersheim (Abb. 9x). Die 
vorderen wie die hinteren Spiracula sind etwa knopfförmig, die ersten tragen 
7 — 8, die letzten 8 — 10 Bulben. Der subspezifische Wert dieser Form kann erst 
später einmal nachgeprüft werden, wenn Imagines von Peking mit solchen von 
Calbe verglichen werden können. 

Larve in den Blättern von Allium cepa L., gefunden am 12.VIII.1956 bei 
Peking (H. Buhr). 

Liriomyza