(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Tobasche spraakkunst : in dienst en op kosten van het Nederlandsch Bijbelgenootschap"

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves before it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteur srechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 



op het web via http: //books .google . com 



I 



r 



UC-NRLF 

1,111 ii|i; III III 'llillllll III fiiiHIHIlll 
«B 123 70ft 




■^-•'X,^^,?;;^ 



1 






SERKIIEY ^ 

UBRARY 

UNIVERSITY OF 
CAUFORNIA V 



ö'^ 



/ 



TOBASCHE SPUAAKKUNST. 



l^" 



TOBASCHE SPRAAKKUNST, 



IN DIENST EN OP KOSTEN 



NEDERLANDSen BIJBELGENOOTSCHAP, 



VERVAARDIGD 



H. N. VAN DER TÜUK. 



Eerste Stuk. 

(KLANKSTEIiSBL). 



AMSTERDAM, 
PREDERIK MULLER. 



GEDRUKT BIJ C. A. SPIN & ZOON. 
1864. 



PRESERVATION 
COP«' ADDED 
ORIGINAL TO BE 
RETAINED 



MAR 6 1995 

J 



VOORREDE. 



Zoo ik' als afgevaardigde van H Nederlandsch Bijbelgenootschap 
niet verpUgt was een Spraakkunst van [t Tobasch te schrijven 9 
dan zoude ik dit werk nog eenigen tijd uitgesteld hebben, omdat 
ik overtuigd ben niet in staat te zijn 9 een Spraakkunst te leve- 
ren, die van die taal een behoorlijke voorsteliing geeft 9 want om 
dit te kunnen doen, is het noodig, dat men niet aUeen de ver- 
schillende Bataksche tongvallen kent, maar ook de overige talen 
van Sumatra zoo als *t Maniawejsch, Rëdjangsch, Lampongsch 
enz. *t Zoude wéinig moeite kosten één Woordenboek van al die 
talen te geven, zoo men slechts de gelegenheid had ze ter plaatse 
te beoefenen 9 daar zij elkander niet alleen in vele woorden, maar 
zelfs in eigenaardigheden van uitspraak zoo zeer gelijken, dat 
men dikwijls slechts een regel te geven heeft, waaruit men een 
en 't zelfde woord in zijn verschillende vormen kan terug vin- 
den. Be taal, die veel licht over sommige onverklaarbare ver^ 
schijnsels van 't Bataksch zoude hebben kunnen verspreiden, is 
zonder twijfel het Lubusch {of ülusch) in zuid-Mandaüing , daar 
toch de Lubus wel de oorspronkelijke bewoners, althans van 't 
zuidelijk gedeelte der Bataklanden geweest zullen zijn. Ik had 
ook deze taal gaarne in mijn Woordenboek en Spraakkunst wil- 
len opnemen, maar daartoe ontbraken mij de middelen, die 
wel noodig waren niet zoo zeer voor een reis derwaarts, maar 
voor een verblijf ter plaatse van eenigen duur. * 

Uit 't bovenstaande kan men zien, dat ik zeer goed weet, wat 
aan mijne Spraakkunst ontbreekt, en dat ik het aan een ander 
moet overlaten, de door mij waar genomene feiten , — die ik niet 
heb toillen verzwijgen9 hoe duister sornmige mij ook gebleven zijn, — 
nader te onderzoeken, 't Leveren van een model-Spraakkunst, 
waarnaar zich ieder voortaan te regelen heeft, die aan de talen 
van den Indischen Archipel zijn leven wijdt, zal wel voor nie- 
mand mogelijk wezen, ofschoon er zijn, die zich verbeelden, door 
loijsgeerige redeneringen daartoe in st€^at te zijn *. Het zoude mij 

^ Zie myne verhandeling Taco Boordd's beoefening van het Javaansoh bekeken, 

335 



II. VOORREDE. 

gemakkelijker geweest zijn, en ook minder tijd gekost hebben y 
zoo ik een kleine Spraakkunst had lüülen geven, maar ik sta 
niet op het hooge standpunt van een Orakel, om van den le- 
zer te vergen, dat hij iets van mij, zonder dat ik er de be- 
wijzen bij geef, als waarheid moet aannemen. Buitendien is 
een zoogenaamde schets van een spraakkunst meestal niets an* 
ders dan een voorwendsel, om zich van de moeijelijkheden af 
te maken, en tevens, vooral als men op een geheimzinnige wijze 
dcMrin eenige raadsels uitêtrooit, een leepe manier om zich buiten 
schot te houden. De leerling, die begrijpen zal, dat hij zich 
alleen aan 't geen in de §§ staat, vooreerst te houden heeft, en 
de aanmerkingen, aanteekeningen , en 'tgeen over de iongvall^i 
vermeld wordt, overslaan kan, om het slechts hy voorkomende 
moeijelijkheden te raadplegen, kan niet over te groote uitvoerig^ 
heid te klagen hebben. Voor hem is het raadzfmm zich voor- 
eerst bij *t Tobasch te bepalen ^ en van dit eerste stuk niet meer 
dan de 25 eerste bladzijden te lezen , zonder zijn geheugen ie 
vermoeijen met al de aangehaalde voorbeelden , die ik slechts tót 
beioijs der verschijnsels' heb opgegeven, of met de afwijkingen, 
die in de a*5 en h's enz. vermeld zijn. Eerst wanneer hij zich 
de hoofdzaken heeft eigen gemaakt, en reeds aan H lezen van 
teksten is , zal hij daar kennis van moeten nemen, om in staat te 
te zijn een woord in een ongewonen vorm op de regte plaats in *t 
Woordenboek te zoeken. Een korte Spraakkunst van 't Bataksch 
te schrijven is wel niet zeer gemakkelijk, tenzij men al de vormen, 
die een en 't zelfde, woord kan hebben (als b, v, dan, daoan, 
daban, dahan en dawan, husktis, usktls, hukkds en hutsds), 
in een Woordenboek wilde opnemen, en dus een Woordenboek 
geeft, dat door dikheid uitmunt, en de dilettanten in de gele- 
genheid stelt , zeer geleerde vertoogen bij 't groate publiek over 
* de taal houden. Misschien zal een ander mij den tijd besparen 
tot het geven van een verkorte Spraakkunst, die zonder twijfel 
veel nut zoude kunnen doen, zöo hij maar niet de dwaasheid 
begaat, zaken weg te laten, die tot het verstaan van een Ba- 
taksch geschrift niet kunnen ontbeerd worden, 

iUsTEBDAM, H. N. VAN DER TUUK. 

18 Mei 1864. 



INLEIDING. 



I. 'tBataksch behoort tot de familie van talen, die men de Ma- 

» 

Uiêch'Póiynesische heeft genoemd, en wel tot de Westelijke hoofd-af- 
deeling, die zich van de Oostelijke vooral door een krachtiger klank- 
stelsel onderscheidt. In de Westelijke hoofd-afdeeling kan men weder 
twee afdeelingen stellen: ^n consonantiiohe tn e&n vocalische. Tot de 
consonantische zijn te brengen de talen die een medeklinker als slui- 
ter van een woord hebben, en tot de vocalische, die slechts woorden 
die op een klinker uitgaan, kennen. Tot de vocalische behooren b. v. 
HNiasch, en ook 't Malagasisch , hoewel hier de eindklinker van een 
woord nagenoeg stom is; b. v. Idland (weg) = Jav. en Bat, dalan. Tot 
de consonantische behooren 'tBataksch, Maleisch, Javaansch, de talen 
der Philippijnen en andere, die nog niet toegankelijk zijn. Tot een 
middensoort, die men de half-vocdlische Vbh noemen, behooren de ta- 
len, die zoo als b. v. *t Menangkabowsch, Makasaarsch en Bugineesch 
slechts enkele medeklinkers alö sluiters van een woord dulden. 

a, *t Makasaarsch en Bugineesch kennen als sluiters van een 
woord slechts den keel-neosklank {ng) *, en een onvolkomen uitge- 
sprokene k (die wij door q uitdrukken) *. 

b. 't Menangkabowsch kent in inheemscke woorden als sluiters 
van een woord slechts de ^ ^, de A * , de neusklanken (met uitzon- 
dering van de nj) en een zacht gebraauwde r ^ Overgenomen woor- 
den, zoo als öaraé (uit 't Mal.), barhat (uit 't Arab.), zijn als aange- 
leerde uitgezonderd. 

II. 't Bataksch is als de taal van een onbeschaafd volk bijzonder 



* Zie bl. 7 aanU ^ Zie bl. 73 r. 1. ^ Zie bl. bl. 71 aant. onder XII, bl. 
72 aant, 1 en 2 en aanU onder XIV. * Zie bl. 71 aaiU, 1 en 2, bl. 72 aamt. 1. 
* Zie bl. 52 aant. 3. 



IV INLEIDING. 

arm in woorden, die het algemeene moeten uitdrakken, en zeer rijk 
I in dezulke, die 't meer b^zondere te kennen geven. Zoo b. v. heeft 
het geen woord, om aap in 't algemeen uit te drukken, terwijl het van 
iedere bijzondere aapsoort een naam opgeeft ^. De algemefne woorden 
zijn er van bijzondere afgeleid ('t woord voor vogel is er b. v, van hip 
afgeleid *); 't geen wel van alle talen kan gezegd worden. 

in. Er zijn drie hoofd-dialecten: 'tTobasch, het Mandailingsch 
en het Dairisch. 't Tobasch is weder onderscheiden in echt Tobasck en 
9ub-Tobaêchy dat naar mate het naar 't Mandailingsch of Dairisch over- 
helt, ook weder verschillend is. 't Mandailingsch is weder onderschei- 
den in noord-Mandaüingêch (ook wel Angkólasck genoemd) en zmd' 
Mandaüingseh, De juiste grenzen dezer dialecten op te geven, is tot 
nog toe niet te doen. Wat de West-kust van Sumatra betreft, men 
kan veilig stellen, dat het Mandailingsch zich van 't Ophir- of Fasa- 
wfl«-gebergte ten zuiden uitstrekt tot aan de noordelijke grenzen van 
optrok en Batang-toru, 't Dairisch wordt in 't noorden en noord-westen 
van Barus, en verder te Singkel ^ en de binnenlanden dezer plaats 
gesproken. Ten Oosten en Noord-Oosten van Siboga {Si-óolga), Barus, 
Sorkam (Surham), in Silindung, en in de aan 't Meer (tdo) gelegen 
landschappen heerscht tTobasch. Wat de Oostkust betreft, uit de be- 
rigten van elders weet men, dat aldaar in de binnenlanden twee dia- 
lecten gesproken worden, waarvan 'teene 't Dairisch is, en 't andere 't 
Tobasch. In Anderson's Mission to the East-coast of Sumatra heet 't 
Tobasch Fardembanan en 't Dairisch Karow harow. Het laatste is de 
Maleische uitspraak van Karo (naam van een landschap, waar men 
Dairisch spreekt), en 't eerste beteeken t toaar demèan aanwezig is, d. 
i. de taal, waar men de betel demèan noemt, zoo als in 'techt-To- 
basch. Deze benaming is zeer verklaarbaar uit de gewoonte der in- 
landers een vreemdeling op 't onderscheid van dialect opmerkzaam te 
maken door een woord aan te halen, dat iets voorstelt, dat hem zelf, 
zoo als de betel, na aan 't hart ligt. De eerste les, die ik van een Ba- 
takschen geleerde genoot, was een opsomming van de woorden, die 



^ Voor ffeeH heeft het drie woorden tondi {de persoonlijkheid van een leven- 
de), hegu ide persoonlijkheid van een afgestorvene; ook spook) en sumangot {de 
persoonlijkheid van een afgestorven verwant). BQ 't bijbel vertalende gedeelte van 
mtjn taak heb ik Heilige Oeest met tondi parhadija moeten vertalen. 

* Zie bl. 68 aanm.; zie voorts Wdb. oxiikt pinggan en passim. 

^ Hier is het echter zeer met Maleische en Atjinesche woorden vermengd. 



INLEIDING. V 

betel beteekenen, waarbij hij mij vooral op 't hart drukte, mij niet in 
te beelden, ooit kans te zullen hebben, alle in de verschillende land- 
schappen gebruikelijke tongvallen meester te worden, en mij in de 
meening bragt, dat er wel een paar dozijn tongvallen waren aan te 
leeren. 

lY. \^n de taaisoorten zijn te noemen*. 

1**. De andung-iaai d. i. de taal der over een lijk weeklagende 
vrouwen. Ziy bestaat in versierde uitdrukkingen, die nu eens ver- 
ouderde woorden z\jn, dan weder omschrijvende, die men door 't 
voorhechtsel si den vorm geeft van eigennaam; zoo b. v. sirmancijo* 
djah {Stapper) in plaats van pat {been). Vooral in 't Mandailingsch 
worden stukken in de andung opgesteld, waarin de schrijver zich 
over zijn ongelukkig lot beklaagt, zijn ouders van wreedheid beschul- 
digt, daar zij hem niet naar de andere wereld hebben wilden mede 
nemen enz. In de verhalen wordt ruimschoots van andung-viooxdiein 
gebruik gemaakt, en zelfs in depoda (zie 3°.). 

jianm, In Dairisch is deze taaisoort niet in zwang. 

2**. De hata ni hegu aijar d. i. de taal, die iemand spreekt, zoo 
lang zija persoonl^kheid (tondt) plaats maakt voor die van een afge- 
storvene, uit wiens naam hij dan spreekt. De woorden van deze taai- 
soort zijn dikwijls ook omschrijvende. 

3°. hata poda (onderwijstaal) d. i. de taal, die gebezigd wordt in 
de boombast-boeken, die meestal in de verschillende soorten van wig- 
chelarij onderrigt geven. Yele woorden hiervan zijn niet in dage- 
lijksch gebruik; zoo b. v. de namen der 8 cardinaal-punten van 't 
compas, die allen uit 't Sanscrit zijn ontleend (in plaats van kabit- 
saran mn-opkomat-plaate ^ Oosten ^ heet het dan purha *). — ledere 
soort van wigchelarij heeft hare b^zondere termen, waarvan men niet 
altijd de aanleiding kan weten, daargelaten nog, dat sommige soor- 
ten van wigchelarij in vele landschappen niet meer in gebruik zijn , 
zoodat men een boek, daarover handelende zonder haar in praktijk 
te zien brengen, op vele plaatsen niet kan begrepen. Zoo wordt b. v. 
in de pamodilon (de kunst van met een geweer te se/neten^ waarin onder- 
lig* gegeven wordt als ware het een wigchelarij) in plaats van rc^uk 
(buskruid) padusi (Menangkabowsch vrouw), in plaats van taroktok 
(hartklopping-plaats) data gumuru (Mal. darahgumuruh: donderend bloed) 
gebezigd. 



Zie bfly. Wdb. onder affoni. 



VI INLEIDING. 

a. hata tondtmg is een minder deftige naam van de hatapoda, en 
wordt ook in èen engeren zin genomen, namen Üijk wanneer men 
van een wigchelarij spreekt, die niet zoo zeer op den oorlog be- . 
trekking heeft, en als dingen van minder gewigt, als b. v. 't te zoek 
raken van eenig goed, behandelende, niet zoozeer door raadpleging 
van een boek in werking gebragt wordt. 

4**. haia pangaraksaon is de versierde taal, die de ékttu (theoloog, 
wigcnelaar, duivelkunstenaar en doctor te gelijk) big geestaanroepin- 
gen of feestelijke gelegendheden bezigt, sprekende hij dan van le- 
venlooze voorwerpen als van Heeren en Dames, die een naam krij- 
gen, ontleend aan d'een of d'andere eigenschap van het voorwerp; 
43. V. si^radjO'martalmdan (Forst'door-elkander-kruisgemjze'geèonden) in 
plaats van tarik ni gordang (jpauktrond^nen)^ d-adji-marhirlo-hirlo 
{Verst FUkkeraar) in plaats van api (mur) enz. De als dames voorge- 
stelde voorwerpen heeten in deze taaisoort meestal »rdajang (de jonge 
jufvrouw zus en zoo). 

5°. hata tabas (jprevelformulier-tisud). De woorden zijn niet alleen 
verouderde maar zeer vaak geheel onbegrijpelijke, en juist hierdoor 
van onbegrijpelijk veel kracht; zoo b. v. èit8umirlaii(mi *i kr. Mal. 
Usmullahi)^ waarvan geen heidensche Batak de beteekenis weet. 

6**. hata nipartodung (de taal der kan^erhtders) d. i. de taal, die de 
kamferhalers moeten bezigen, om gelukkig te kunnen zijn in 't vinden 
van de zoo moeijjelijk te vinden kamfer. 

Aanm, Zoo zijn ook bij de jagt en vischvangst zekere woorden 
verboden 9 en worden als zoodanig door andeie vervangen. 
Y. De Bataksche taal heeft door aanraking met de beschaafdere 
Maleiyers vele woorden uit HMaleisch ovei^enomen. De Sanscritache 
woorden zijn er niet onmiddelijk in gekomen, maar door een Maleisch 
volk heen, daar zij in hun vorm de blyken dragen, van eerst door een 
taal, die de klankwetten van 't Jav. of Maleisch heeft, verbasterd te 
zyn *. In 't Mandailingsch zijn vele woorden uit 't Menangkabowsch, 
vooral uit dat van 't aangrenzende Bdo ^. 

VI. In klankstelsel is 't Bataksch 't naast verwant met 't Malaga- 
sisch (zie bl. 82 onder), maar in de grammatica met 't oud-Javaansch 



* Zie b. V. bl. 51 «ow^., bl. 67 a, en vgl. mortika, dtt bljkens de o (ah 
vertegenwoordiger van ë, zie bl. 33 è) een transcriptie is van 't Jav. nièrtjika 
nit Sanscr. wrëstjika, mangsi de Jav. vorm van *t Sanscr. man, enz. 

Ziè b. V. poken (bl. 59 aant, 2), de namen van klophaan-soorten , enz. 



INLEIDING. VII 

(Kam) en het Ti^aalscfa. De verwantschap met het Niasch bestaat 
slechts in enkele woorden, waarvan de meesten ook in de zastertalen 
gevonden worden. Vroeger echter moet het meer wooiden met het 
Niasch gemeen hebben gehad ^. 

Vn. De letterkande bestaat uit voorschriften (poda) omtrent wig- 
chelarilj, verhalen, geestaanroepingen, weeklagten (andung), liedjes 
(eHde}, gedichten van langeren adem, zoo als b. v. de n-tmrganggang 
gaól^ en verhaal-raadsels {iorhan-éorhcman). 't Grootste gedeelte be- 
staat nit proza, waarin echter een menigte rijmpjes 2ijn ingevloch- 
ten. Yertalingen uit andere talen bestaan er niet, en waar een Ba- 
taksch geschrift de bl^'ken draagt van uit een andere taal ontleend te 
zijn, is de kleur zoo Bataksch, dat slechts Mer en daar een eigen- 
naam den vreemden invloed kan doen vermoeden. Yoor de- kennis 
van taal en volk zijn de verhalen het belangfykst, daar de personen 
die er in spelen, dikwijls sprekende voorkomen. Voor de kennis der 
dialecten zijn de wigchelarij-voorschriften van veel belang, daar men 
van deze soort van letterkunde bijna in ieder landschap geschriften 
vindt. 

a. De verhalen, weeklagten, liedjes, verhalende raadsels en 
gedichten worden meestal op bamboe geschreven. Men vindt zeer 
weinig verhalen op boombast geschreven, 

b. De wigchelarijj-voorschriften vindt men meestal op boombast 
geschreven. De boombastboeken heeten pustaha (de uitspraak 
van 't Sanscr. pustaka) . of lopijan (lapihin in 't Dairisch). 't Is 
niet onwaarschijnlijk, dat de oudste letterkunde der Bataks in 
wigchelgeschriften heeft bestaan. 

c. In 't Mandailingsch worden de verhalen, die met andung- 
woorden doorspekt zijn, en zingenderwijs verteld worden, turi- 
turjjan genaamd, terwijl die welke in de dagelijksche taal zijn 
opgesteld, en sprekenderwijs worden voorgedragen, hobar-kóbaran 
heeten. 

d. Wetten vindt men zelden opgeschreven,"^ en evenmin rede- 
voeringen, die stellig de schoonste stukken der letterkunde zou- 
den zijn, daar de Bataks (vooral die van Toba) veel werk daarvan 
maken. 

Vni. Daar uit gebrek aan verdeeling van den arbeid j3oms ieder 



* Zie Wdb. b, v. onder suwa, tola, waarvan de verkeerde vertaling uit ver« 
warring met vroeger in het Tobasch gebezigde woorden moet verklaard worden. 



VIII INLEIDING. 

bijna alle ambachten op zijn tijd uitoefent, zoo kent ieder Batak zijn 
taal beter dan iemand die tot een beschaafde natie behoort. Men kan 
hem daarom veilig over de namen der verschillendsoortigste zaken 
raadplegen, als b. v. over de namen van planten, vogels, visschen, 
gedeelten van een gebouw, de termen bq 't schieten enz. Daar bij hem 
het onderscheid tusschen schrift- en spreektaal, waar hij niet met wig- 
chelarij te doen heeft, niet in acht genomen wordt, zoo schrijft hij z\jn 
taal gemakkelijker en beter dan menig individu van een beschaafde na- 
tie, die aan de ketting loopt van een overgeleverde taal. In Mandai- 
ling is de inlander door den invloed van de door de ambtenaren aan- 
gestelde schoolmeesters en tolken, waarvan sommigen vreemdelingen 
zijn, op weg zijn taal slecht te leeren schrijven. Men kent op de Gou- 
vernementscholen te veel gezag toe aan de Mohammedaansch gewor- 
den Bataks, die als nieuwe bekeerlingen met Maleische woorden zoo- 
veel mogeligk zoeken te pralen *; van daar de ellendige schoolboekjes, 
die men aldaar der jeugd in handen geeft, en die, zonder dat men er erg 
in heeft), den Heiden langzamerl^and geheel onder den invloed van 
den Mohammedaan zullen brengen. 



Zoo b. v. bezigt men heden in Mandailing slecbts zelden meer hadjaran 
(paard), en gebmikt in pi. daarvan hudo (Men. Mal.). Dit is wel een groot be- 
w^s van Maleiscben invloed, daar dit woQrd zelfis niet in 'tLnbusch, alwaar 
men hadjawan bezigt, bekend is. 



I. SCHEIFT EN ÜITSPBAAK. 



§ 1. 



Men schrijft van de linker- naar de regterhand, — en daar 't geen, 
waarop men gemeenlijk schrijft, bamboe is, die wegens de kokerach- 
tige gedaante wel niet gemakkelijker dan in de lengte beschreyen of 
liever besneden kan worden — steeds van onderen naar boven. Bij 't 
lezen kan men 't geschrevene in een horizontale ligging vóór zich 
honden. 

N § 2. 

't Alphabeth heet n-nja^sija; de schriftteekens, die op zich zelve 
een klank voorstellen, heeten surat na sappulu sija {de \9 schfiftiee- 
kens) of ina ni surat {groot schrift) in tegenstelling van die, welke 
slechts met hen in verbinding gelezen, en anak ni surat {klein sckriff) 
genoemd worden. 

Ina ni surat: 



gedaante. 
•79 


naam. 

a 
ka 


klaok en tnoscriptie. 

drager van een klinker (te vergelijken met de 
stomme h in 't Eransch). 
h (} 10). 


OC 


ma 


m. 


^ 


na 
ra 


n, 

r (zie nader § 7 aanm. 6). 


5^ 


ta 


t 


ir 


sa , 


«. 


^ 


pa 
■ la 


p, . 
l 


•^ 


ga 


g in 't Engelsche good, 

1 



y 



gedaante. naam. klank en transcriptie. 

^. dja j m 't Engelsche yoA:^, maar met minder sissing; 

altijd zoo nit te spreken , dat de j van de trans- 
criptie {dj) niet afzonderlijk hoorbaar is; radja en 
niet rad'ja. 
-^ da d, 

< nga ng als in wangen y of 't Engelsche sitter, maar 

zoo, dat de klinker a van een voorgaande letter- 
greep open blijft klinken; b. v. tdnga en niet 
tanga. Als beginner van een woord voor de 
meeste Europeanen moeijelijk uit te spreken. 
C30 6a b. 

sr7 v>a w (zie nader § 17). 

T5>^ ja j (aie nader \ 17). 

. ^ tiija nj wordt allera in 't alphabet opgegeven maar nooit 

gebraikt (zie nader \ 7 aanm. 8). 
-sr i de klinker i als op zich zelf een lettergreep vor- 

mende. 
■=.. u de klinker oe (transcriptie: u) als op zich zelf 

staande lettergreep. 
Aanm, In vele landschappen bezigt men 777 in plaats van 
yz, > ®^ ^2i^ ^^ plaats van t^ (vgl. Dairisch A). 
De opgenoemde letters, met uitzondering der twee laatste («• en 
^ ). worden met dea klinker a uitgesproken; b. v. sbb^— rapa. 
Om haar dien klinker te ontnemen, of wel een ander te geven, bezigt 
men de anak ni êurat, waaronder ook begrepen zijn 't teeken, dat de 
ng als sluiter aanduidt, en de pangolat (} 3). 

§ 3. 

Anak ni surat: 

O (kaludm) staat regts achter de letter op dezelfde lijn (^9 o 
——O ript)y én heeft zelfs in een gesloten lettergreep den open klank 
van i in tiiel of onze ie; tistis spreke men tiesties uit. 

> (haborutcan of haborotan) voorziet den medeklinker van den klin- 
ker w, die zelfs in een gesloten lettergreep den open klank heeft van 
oe bij ons (nooit als u in 't Hoogduitsche muttery^ iustus spreke men 
toestoes uit. De plaatsing zie men uit -jT" pu, -«v lu, X/^iJu, 
-^y nu, «» bu, v/^ mg, «^ ku, s=^ ru, 55 (XTZ,) tu, — ^ 
gn, r^ (c^) tvit, o^ mu, ^ «M, c^ <^tó, ^ du, <; «/7«. 



X («a^ala of Mora) staat regis achter den medeklinker op dezelfde 
lijn (CDx io), en voorziet hem van een klinker, die nu eens open 
(als de o in ons boven) dan weder gesloten (als in ons laf) uitgesproken 
wordt (zie nader § 6). 

« {haéadingan) staat links evenwijdig met de bovenste streep 
( 2o he\ en geeft den medeklinker den klank e, die nu eens open (als 
in de eerste lettergreep van let>m), dan weder gesloten (als de e in h^ 
uitgesproken wordt (zie nader § 5). 

\ {jpangólat) staat achter den medeklinker op dezelfde lijn ( — — \ 
p)^ en ontneemt hem zijn a (§ 2 onder); b. v. ff^ — ■ \ rap. De ng 
wordt op die wijze slechts uit onkunde ontklinkerd, en heeft als slui- 
ter tot teeken de 

- {kamüaran of paminggiZ), De plaats van dit teeken is die van 
de hatadingan maar regis (cS bmg). Zoo de medeklinker reeds een i 
of o heeft, pleegt men het boven hen te schrijven; b. v. ooo ^^ng^ 
OOx bong. 

Ieder klinkerteeken staat in een gesloten lettergreep bij den slui- 
tenden medeklinker, en zoo het naast de letter plaats heeft, voor den 
ontklinkeraar (pangolaf); b. v. 5^ "T" \ tup^ ^-~o\ tip, 55 
— — X \ iop. De e kak naar verkiezing bij zijn medeklinker geschre- 
ven worden; de een schryft bahen: co 3«7 ^3 \ , de ander 00 'T^ 

Uitspraak der Klinkers. 
§ 4. De A. 

Omtrent de klinkers t en w valt niets meer te zeggen na 't geen 
$ a gezegd is. Omtrent de a is, na 't geen § 2 bij de < gezegd is, 
nog op te merken, 1°. dat hij in een gesloten lettergreep even als bij 
óns klinkt. 

2°. dat hij in een laatste door n oi m geslotene en niet geklemtoonde 
lettergreep van zijn helderheid zoo veel opgeeft, dat hij naar een o in 
een geslotene lettergreep zweemt (nagenoeg als de Fransche o in école), 
zoodat hij hiermede dikwijls verward wordt; van daar b. v. lejan naast 
lejhn. 

§ 5. De E. 

I. De ö klinkt als de e in ons bef 1". in een geslotene lettergreep 
(b. V. shbèng), 2°. in een opene lettergreep zoo de volgende gesloten 
is, en geen u heeft (b. v. tèjas, èsèng, tüt, mèndat)^ of open zijnde een 

1* 



o of a heeft (b. v. Uo^ mèna)y 3^. in een opeiie laatste lettergreep 
die den klemtoon niet heeft (b. v. fótó), en 4°. in het op bl. 16 (r. B v. 
0.) vermelde geval. 

II. Hij klinkt als de e in de eerste lettergreep van beven 1®. in 
een opene laatste geklemtoond» lettergreep (b. v. mali), 2**. in een opene 
lettergr. als de volgende een u heeft (b. v. èeffu, hesu£), en 3°. in een 
opene lettergr., zoo de volgende wegens 1°. ■/ heeft (b. v. bér^, b/ff/). 

§ 6. Be O. 

I. Als big ons in lof 1°. in iedere geslotene lettergreep, waar III 
en IV geen plaats hebben (b. v. dok, dong, bot, dor), 2°. in een opene 
lettergreep zoo de volgende een b otè heeft (b. v. dbhbt, ibïè), en 3". in 
een opene lettergreep, zoo de volgende een f^ als sluiter of beginner 
heeft {(orang, thnga, dbngan, hbiang). 

IT. Als 00 in ons rooven V*, in iedere opene lettergreep, waar 2". 
en 3". van I. niet plaats hebben; b. v. góra, borat, JMa, bódat, ióru, 
bólon, dóran, bósik, hóbol, tabó, dóbó, 

III. Nagenoeg als de u .iü de Engelsche woorden sun en duU in 
een laatste door l of n geslotene lettergreep (b. v. bólin, hóboV), uitge- 
zonderd zoo z^ met een r oing begint (b. v. tbron, tbngbn, dangbl), 

IV. Als a in de voorvoegsels 55 «=5 x \ , — *^ x N . en OC 
*5 X \ ; b. V, OC ^^ X \ '7^ X -^ marhóda. Zoo die voorvoeg- 
sels voor een stam woord komen, dat met een klinker begint, laat men 
de X ook in 't schrift weg; b. v. 55 s=5 0-^ tarida (55 s=!^x\ 

a. Deze uitspraak der voorvoegsels is in sub-Toba en Man- 
dating alleen gebruikelijk. In Toba spreekt men morhóda uit, en 
schrijft zelfs, hoewel zelden, 55 x *^ O -^• 

b. Zoo mor, tor en por geen voorvoegsels zijn , behouden zij na- 
tuurlijk de gewone uitspraak b. v. in mbrgu, pbrlak, Übrluk (I) maar 
iardbk (voorvoegsel 5^ e^ x \ en stamw. dok), 

c. Zoo 't woord drielettergrepig is, maar niet afgeleid door 
een dier voorvoegsels, spreekt men naar verkiezing o of a uit; b. v. 
mortika en martiha, portibi enpartibL De uitspraak van o is hier 
verkieslijk, om het woord als niet afgeleid te doen uitkomen. 

NB. In 't geen verder volgt zullen die teekens van klinkeruit- 
spraak-wijziging niet meer gebezigd worden , en / drukt voortaan den 
klemtoon op de laatste lettergreep uit. 



Verhouding der Medeklinker* tol elkander. 
§ 7. 





TARB 


1 


uu 






SCHBBPI. 


sroMPi. 


KLAIOail. 


■Alf- 

Eumns. 


niuns. 


BLABB. 


keeUetters 


k 


g 


ng 




r 


h 


verhemelteletters . 


(m 


dj 


ipi) 


i 






tandletters 


t 


d 


n 




1 




lipletters 


p 


b 


m 


w 






sisser (zie aanm. 1). 


8 






" 







Aanm. 1. De medeklinkers, die in de twee eerste re\jen links 
onder elkander staan, worden vasty en de regts van hén staande in 
tegenstelling ijl genoemd (vgl. bl. 7 onder in de aant.). De bena- 
ming vaste strekke men niet tot de 8 uit, daar de sisser hoewel vas- 
ter dan de medeklinkers, die ijl genoemd zijjn, door zijn ^^»t«cA 
aan de ijle verwant is (vgl. aanm. 9, en § 30 XI). De halfklinkers 
zijn onder de ijle gebragt, daar h,io en j elkanders plaats nemen 
($ 22 II 2** en de aanm.). — De vaste medeklinkers zijn naar mate 
van den nadrnk, waarmede zij nitgesproken worden, acherp of 
stomp. De stompe zijn nimmer sluiters (vgl. Janm. 7). 

a. De b wordt wel eens als sluiter geachreven, zoo dezelfde 

lettergreep ook met een b begint; b. v. u^ oo oo \ abc^ 

naast u^ oo "^ \ abap, 
Aanm. 2. De « moet blijkens § 11 onder de acherpe medeklin- 
kers gebragt worden. Hij is een tand-letter; ook in gedaante is h^ 
de Indische tand-« met weglating van de regts staande neerhaal 
(^gl- ^ ^^^ 'Z^)' 1^6 ^/ bestaat niet in T. en sub.-T. (zie nader 
Mandailingach A.). De stompe sisser {z) bestaat in geen Batakschen 
tongval, maar wel in het aan 't Tobasch zeer verwante Huwasch; 
hij zou tot de a staan als de g tot de ^, de ^ tot de ^, en de 3 tot 
de p enz. 

Aanm. 3. De medeklinkers bij wier voortbrenging 't zelfde 
spraak werktuig in werking is, worden hier ^eZ|^**«?acA% genoemd 
(/;, 5, w en tr zijn b. v. gelijkslachtig). 

Aanm. 4. De onder elkander in de drie linksche reijen staande 
medeklinkers zijn ongelijkslachtig , maar gelijJcgradig ^ daar zij tot 
hun geslachtgenooten in dezelfde verhouding staan; de k: g en 



6 

fig = ij: dj en «y = ^.- rf en « =;?.■ 3 en m. Ook de halfklinkers 
z^'n gelijkgradig door dezelfde verhouding tot hon geslachtgenooten, 
daar de j tot de «;, dj en tj staat als de tr tot de w, 5 en p. De » 
staat tot de ar als de ^ tot de g enz., en is dns gelijkgradig met 
de medeklinkers waaronder hij staat. 

Janm. 5. De neusklanken zijn niet alleen gelijkgradig maar te- 
vens als gelijkslachtig te beschouwen, daar zij allen door den 
neus klinken (uit deze dubbele verwantschap volgt § 30 III)* 

Aanm. 6. De benaming smelt- of vloeUleüers is op de / en ? 
niet toepasselijk, daar z\i met een voorgaanden medeklinker, al is 
deze zelfs scherp en vast, nooit één lettergreep kunnen vormen, 
zoodat lettergrepen als b. v. ira en tla niet bestaan, en tora en tola 
moeten worden (vgl. Dairisch A. II a); blijkens § 25 is de naam 
van triUer voor hen 't gepast. De r is als keel-medeklinker te be- 
schouwen, niet alleen omdat hij door sommige stammen scherp 
gebraanwd als de Arab, c uitgesproken wordt, maar ook omdat 
hij zich gaarne bij de a, die een keel-klinker is, bevindt ($ 17 
Y a), en met den keel-neusklank dezelfde uitzondering in } 6 III 
geeft. De l is tandletter, en wordt als zoodanig dikwijls met d en 
H verwisseld (§ 30 II en IV; vgl. ook J 6 III). Hij mag in het 
Bataksch in één woord niet met de r plaats nemen (§ 24). 

Aanm, 7. De stompe medeklinkers mag men als een over- 
gang tot de ijle beschouwen, te meer daar zij zoo zwak zijn, dat 
zij, zelfs waar de woordvorming het niet eischt, na een neus- 
klank van hun geslacht verloren gaan {Baimch K I en vgl. § 80 
IX). Waar zij sluiters zouden moeten zijn, vindt men een scherpe^ 
of w^ een neusklank van hun geslacht in hunne plaats (§ 80 VI 
aanm, 1). 

Aanm, 8. De » wordt als sluiter in plaats van nj vóór een dj 
geschreven (in M. en D. ook vóór een tj). Natuurlijk rigt hij zich 
alsdan naar 't geslacht van dien medeklinker, en klinkt er dus als 
njs die eén ondeelbare klank is, zoodat de j van de transcriptie 
niet gehoord wordt. Dat nj 't zij als beginner 't zij tusschen twee 
klinkers, niet uitgesproken kan worden, blijkt reeds uit zijn naam 
nija in plaats van nja (§ 2). In 't Dairisch wordt hij zelfs niet in 
't alphabeth opgenomen (vgl. Mandailingsch P III). 

Aanm, 9. De « hoewel een scherpe medeklinker, kan met de l 
en r als dóórklinker gelden, daar hij even als deze medeklinkers 
als sluiter den stemstroom niet als dè scherpe vaste medeklinkers 



ky t enp (de tj zie aanm. 10) volkomen afsluit. Van daar dat lïij 
met de Z en r gelyke dienst doet (§ B7 I). 

Aant, Die ruisehing Tan de « eIb sluiter is dan ook de re- 
den, dat woorden die elders op een r, ? en 8 uitgaan, in 't 
Makassaarsch een naslag hebben, die door een opgeslokte k ge- 
sloten wordt, en denzelfden klinker heeft als de voorgaande 
leitergreep, terwyl de klemtoon in 't aldus verlengde woord 
op de derde lettergreep van achteren valt; h, v. lunaaaq = lunas 
(Mal.), sdnggaraq = sdnggar (T,), Jcdpalaq = Mptd (D.) enz. 
Daar andere woorden altijd den klemtoon op de voorlaatste 
hebben, zoo is de klemtoon op de derde van achteren wel een 
bewijs, dat die laatste lettergreep slechts een naslag is, die 
dairom voor een aanhechtsel plaats maakt als een oneigentl^ke, 
niet tot 't stamw. behoorende, lettergreep, 't Bepalende, « geen 
vormend aanhechtsel zijnde, ofschoon op dezelfde wijze geschre- 
ven, verplaatst den klemtoon niet, en doet om die reden dien «a- 
slftg blijven (b. v. kulipascüka d. i. kuhpasdq en a). Dat men nu 
in 't Makassaarsch hurupuq vindt naast huruq^ stoot den boven 
opgegeven regel niet omver, daar de naslag in dit woord ont- 
staan is om 't geruisch van een/, als blazer in 't oorspronkelijke 
Ar. woord (c^J.i.) na te bootsen. De neusklanken worden als 
sluiters van een woord in 't Makassaarsch door ng vertegenwoor- 
digd zonder naslag, waaruit blijkt, dat zij niet zoo mischend ziln 
als de r, Z en 5. Sommigen brengen hen daarom onder de ex- 
plodven, zoodat zij dan met de medeklinkers, die boven vast ge- 
noemd zijn, in één vak zouden moeten staan. Gelukkiger is de 
benaming resonant (§ 30 III e). Dat zij in hét Bataksch yl zijn, 
blijkt onder anderen uit § 30 III e aanm., en Bairisch F. 
Aanm, 10. Hoewél de tj {Mandailingsch A.), dj (§ 2) en nj 
(aanm. 8) ondeelbare medeklinkers zijn, zoo moet men hen toch 
als oorspronkelijk zamengestelde opvatten (zie b. v. § 30 V a)\ van 
daar dat tj nooit even als een andere scherpe medeklinker sluiter 
is , terwijl nj als sluiter Tan een woord niet uitgesproken kan wor- 
den (vgL aanm. 8). 

§ 8. Versmelting van klinkers. 

Twee gelijke klinkers te zamen komende, 't zij bij afleiding, 't zij 
by ontmoeting van twee woorden, worden een, zonder. daarom lan- 
ger te worden (zie d). Komt de zaamgetrokkene klinker op die wijze 



8 

in de laatste lettergreep te staan, dan heeft deze den klemtoon; b. r, 
TTJ —.5^ '7^"oX\ htitahon, — u*«y -^ — X N ^^*«>' -C *-" 
X\ jiadopadop, -7^ ^x\ ^x*^>^"3X\ horhón, — ^x\ 

•^9 «— vrv- "o N porhaldn, OC ^ O -^ Ö •!==■ ifnaridi, 

a. De voor naam woordelijke aanliechtsels mu en hu als ook 
w^^ «^9 X *=5 en öO x/^x verliezen hun eindklinker voor een 
adjectief voornaamwoord. De algemeen gebruikelijke spelling laat ^ 
den klinker ook in 't schrift weg; b. v. -^ ^ ^ \ #0C "o X \ 
hudjurmón {Jtudjürmu on) deze uwe lans. Evenzoo het uitroepen- 
der wijze gebezigde indi; b. v. u^VoÓV -^"oXX indón 
(indi 4- on) zie dit hier/ u*> "oO\ -^ ^^ indadu (indi + 
adu) zie dat ginds/ Bij öO T/^x en i-r^ -79 x ^ ^a» de eind- 
klinker in 't schrift weggelaten worden; b. v. öOX/^o naast 
OOX/^^X"!?^ ^ajt. 

b. De eindklinkers der tusschenwerpsels gaan niet verloren; 
b. V. 00 u*«y OC ba amdng, u^ 55— O^ -^ aU edd, 

c. v^ ^ê— {Of) verliest vaak zijn eerste lettergreep na -3 
als het pak aan/ beteekent; b. v. na Ie in plaats van na alé. 

d. De praepositie di voor 't voornaamwoord i komende om een 
bijwoord te vormen, moet een a inschuiven; b. v. -<^0'2rO 
di-8-i. Daar de zaamgetrokken klinker, zoo als boVen in de § ge- 
zegd is, niet gerekt klinkt als *, zoo zoude, zonder de ingescho- 
ven 8, di + i slechts di geven, en niet te onderscheiden zijn van 
de gelijkluidende praepositie. 

e. Achter 't voorhechtse| «i, zoo 't plaats neemt na mar, wordt 
voor idjur een t ingeschoven (marsiiidjur uit mar -h d -\- idjur; 
vgl. Bairisch E IV c), 

Aanm, In bott is i ook met den eindklinker van het voorgaande 
woord versmolten, maar op welken klinker ging dat uit? kan men 
hier een bota {gelijk beteekenende) onderstellen ? Evenzoo is in ba- 
iapa (Mal.) slechts apa te herkennen; 't Men. kent het niet, en ge- 
bruikt baq apa (l^IU; ^H beteekent gelijk; baq itu: gelijk dat, 
baq ikd: gelijk dit). 

§ 9. 

De sluiter van een voorgaand woord vormt, zoo de zin 't toelaat, éeh 
lettergreep met de volgende met een klinker beginnende lettergreep van 't 
volgende; b. v. •» -79 5^ x \ "s^ •^7 5^ x \ iho-tihot, alwaar de o 
van ho in de tweede lettergreep naar § 6 II open klinkt. 



§ 10. Uitspraak van de -^7 • 

De -^9 19 als sluiter een fiks aitgesproken k; b. v. -^ "t^ x \ 
•^ 'P^ \ dokdak; hij verkrijgt door § 9 zijn gewone waarde; b. v. 
.=.55'79x\.=.55'^7X\ utO'hutok, -77 '«~ -^^ \ ■=? kata- 
hi, In *t schrift verdubbeld is hij altijd kk; b. v. ^ ^ -t^ x \ '79 

O radjokki. 

a. De k als beginner van een lettergreep komt slechts voor in 
twee woorden, namentlijk kujuk en èeka, welke beide woorden, 
niet dQor 't schrift kunnen uitgedrukt worden; kujuk ^ dat alleen 
als uitroeping gebezigd wordt, is misschieu uit een andere taal, 
en èeka zonder twijfel uit een Mandailingschachtigen tongval, 
te meer daar men vaker beta hoort. Een k tusschen twéé klin- 
kers in overgenomen woorden spreekt men als een dubbele k uit ; 
b. V. radjokki van 't Bao-Men. radjoki ( J^jJ- I^e h als beginner 
van een woord of tusschen twee klinkers vertegenwoordigt de k 
elders; b. v. tukor = tokor {Dairisch; zie aldaar B, en Wdb.). 

b. De h valt dikwijls weg achter een »; b. v. oc •79 0X/> 

-3\^ ww/wyflWi^wCoc'T^o 4- -T^-oN-^), •2rox/> 

•«^ ("2^0 H-V79^«^). -^0*77 en -^ o X/^ , als ook 
•2r" O x/^ «~ X \ en ■2r O ^77 "^^ x \ zijn naast elkander in 
gebruik, maar met onderscheid van beteekenis (zie Wdb.). Achter 
a alleen in de woorden u*v -7:5 , "«— -77 x en 00 ^7 "o N 
die ook *av .^ , ^^ wr*> x en 00 ö^ -5 \ gespeld worden; 
achter e alleen in *^ 'PO "o x \ dat ook ^c— x/^ -3 X \ ge- 
speld wordt; achter een u in huwa (uit hukti). Als beginner van 
een woord zeer zelden; b. v. v*5 -77 -^ < "ö \ uit -7? «77 
-^ < -5 \ (§ 22 IV a, en vgl, Mandailifigach B d). 
Aanm, In &yq^ is de h verdwenen, en alleen uit 't Dairische 
tjekep (zie Dairisck D III) te bewijzen. Opmerkelijk is het, dat 

D., hoewel het een k tusschen twee klinkers heeft, in ketjeur de k 

«I» 

verloren heeft, zoodat -het dit woord van T. (Iiasijor) schijnt ont- 
leend te hebben. Dat hier de ir, die, zoo als boven (0) gezegd is, 
in T. ^ is, oorspronkelijk geweest is, ziet men uit 't Sund. ^ï^wr en 
't Mal. tjdkur (vgl. Dairisck D III a). 

§ 11. Be neusklanken als sluiters vóór een scherpen medeklinker. 

Een neusklank wordt als sluiter voor een scherpen medeklinker als 
de scherpe vaste van zijn geslacht uitgesproken ; b. v. -77 «-^ oc \ 



10 

55 J^daptay 55 o X/** -55 ^ "^T 00 iijat-saba — — -3 \ 55 "ZT 
O \ pattiSy «— -Q \ ■2r 55 \ laisat, o2 "ZTO wa^« enz. 

u. Een sluitende » volgt 't geskclit van/»; b. v. 55 o X/^ -3 \ 
— -^r »^OC30> tijap pamribu, — "otN'~'"3tV P^P^^, 

-^a«w. ^ttp^« in plaats van dukpe (-^ **—) komt sr^Zefe» voor. 

d. Een neusklank als sloiter van een eenlettergrepig woord volgt 
wel eens 't geslacht van een stompen medeklinker en ongelijk- 
dachtigen neusklank b. v, *^ oc \ öo» <^ "o ^ {^^ + ^"" 
Zfl»), •^96'P7X/^"B\ (hin -h hijan, vgl. a § 22 IV), -3 
"è \ 55 '^** naast -3 55 ^ï-*, -g 55 ^^7 naast -5 -3 \ 
55ir7. Aldus is -3-30% "3 uit -30-3» "5 OCO\ 
O^ uit -300^, "B "00x55 uit •o555 ontstaan; 
-§y OC (nung ma) is niet alleen num ma (-3 o^ \ OC) maar 
zelfs -3^ < nun ff a geworden. 

c, In woorden, die uit lettergrepen bestaan met denzelfden slui- 
ter en beginner, volgen j» en « 't geslacht van ^; b. v. gonggov/b 
in pi. V. gomgom^ gonggon in pi. v. gongon, De n kan als slui- 
ter ook in andere gevallen vóór een beginnende b een m worden; 
b. V. haim-hottar naast hain-bottar, bomban naast bonban, 

Aant. 't Weglaten* van een sluitenden neusklank vóór scherpe 

roedeklinkers is regel ook in 't Niasch en Moko Moko-Menang- 

kabowsch. In de zustertalcn vindt men er overal sporen van; 

b. V. iakia (Sund.) = tangkk (Mal.), opan (Sund.) = ompan 

(Mal.), lasat (Daj.) = langsat (Mal.), djakit (Daj.) = djangkit 

(Mal.) enz. 

§ 13. Be neusklanhen als sluiters vóór een H. 

Een neusklank als sluiter wordt met een h als beginner een ver- 
dubbelde scherpe vaste medeklinker van zijn eigen geslacht; b. v. 
55 "SO\ 55 -30\ T^tittittu (§ 11), -^7 --sC. OC \ 'Tn^hadappu, 
'70 X s=f -^ X ^ horuk-horung , •«* -77 55 \ lakkat, 

a. Als sluiter van een meer dan twee-lettergrepig woord kan 
de n 't geslacht volgen van de beginnende h van een aanhechtsel ; 
b. V. napurakku naast napuraUu ("o'">"^^"qX + "7^); 
maar zelden hoort men tittikku in plaats van titiittu, 

b. Een sluitende n volgt 't geslacht van de h van een volgend 



11 

woord; b. V. 5^ o t/^ -^ \ '7^ 5? iijak-Jeuta, -^ o OO ^ 
"o N '^^ X <^« ^a^^ {p J 10)-*o enz. 

c. 't Aanhechtsel -77 x "3 "o X N -^^ "5 x \ wordt naar 
deze § honottott, en naar 3 honokkm nitgesproken. 

d. De m moet 't geslacht volgen van een h als beginner van 
een volgend woord, zoo de eerste lettergreep hierin open, en de 
tweede met een p begint; b. v. w^x "o OC x \ "^ "* onok- 
kupang. Zoo de eerste lettergreep gesloten is, kan 't zelfde plaats 
hebben ; van daar onok-korho naast onop-porho (u*v x "5 OC X \ 
77 09 X \ Od x) maar naar den regel van de $ onop^palak {y^ 
x-BOCxx'T^'^^-^^v). 

Aanm, De p is voor sommige stammen van Oostelijk Toba aan 
't meer {taó) onuitspreekbaar, en wordt door hen als k uitgesproken 
{kiso = JPMO, hekeng = hepeng). In 't schrift zijn hier enkele spo- 
ren van overgebleven; zoo vindt men indak-kodó (= indak podó 
u*v "3 O \ -^ ""^ X -^ X § 11). rakkon in plaats van rappon 
(ïs^ — \ -^7 "oX \ § 1*; vgl- Mandailingsch C a), 

§ 13. Een dubbele 'B^. 

Een « dubbeld geschreven, of door afleiding en ontmoeting van 
twee woorden te zamen komende wordt ia; b. v. ■«— ■2r \ '2r X 
C7 -^ lat-aowada, j^ "«^ '2r X \ 5r "o ^ *^ tdoi-sende, ^ 
5=5 X \ 5^ X < "2^ X \ "Zr (tartongos -\- aanh. *a) tartongoUa, 

§ 14. 2)(? scherpe medeklinkers als sluiters vóór een H. 

Ieder scherpe medeklinker als sluiter wordt met een volgende h 
dubbeld; b. v. vr*^ -3 -p? \ '^ anakku (§ 10), -~" 5^ \ -?:} paJtbu^ 
5^ ^ ->" \ -7^5 taruppu, -^r X "«^ 55 X \ -77 "B X \ soloUon, 
jSl "^^ ■2r X \ -7^5 «^o^«w (§ 13), -7^ -27 ^ 'T^ 2r7 \ ^w^««« (§18), 
•^55X — J^^XVT^OCO hutopot-tami. 

a. In lettergrepen, die door denzelfden medeklinker gesloten 
worden, en tevens met een h beginnen, wordt de, sluiter met de 
h een dubbele h (§ 10); b. v. -77 "^ X \ -^7 *— x \ kokkop, 
•77 OC \ "P? OC \ hakkam. Alleen de s is ^liervan uitgezon- 
derd (zie -77 "27 \ •^^ "ZT \ in deze §), maai^in het naar Dai- 
risch overhellende sub-Tobasch wordt ook de s: k; b. v. huk- 
kus = hutsus. Zoo een t sluiter is, vindt men den algemeenen 
regel dezer $ naast de afwijking; van daar huUut naast hukkut 



12 

{7^ S^\'^7 y^ \)i in -^7 -^-5-^7 55 X\ -77X53!: 
"oX \ (kalikokkoton) wordt «^7 55 X \ '77 55 X \ vaker hok* 

kot dan hoUot uitgesproken. Hoewel hukham thans -^ -^7 OC \ 

(§ 12) geschreven wordt, moet het blijkens 'tDairisch (-77 o^ \ 

•77 OC \) op dezelfde wijze zijn kk gekregen hebben. 

Aanm. De ts, die wij uit ns (§ 11), m (§ 13) en êh (deze §) zien 

ontstaan, is de klank dien de Tobasch sprekenden in de^y tusschen 

twee klinkers hooren; van daar hatsak-kaüang (naar § 11, -^7 -3 \ 

•2r •77 "o ^ "^T gespeld) uit katjang-katjaftg (Men. schiet- Aa^^Z). 

Van i(/ï maakt hy meestal ^i (pastima uit pastjima Sanscr. ; vgl. Dai- 

risck D III). Als beginner van een woord of tusschen klinkers wordt 

^ elders door s vertegenwoordigd; b, v, raaun = ratjun (D.), sina 

= tjina (D.). 

§ 15. JEen sluitende N vóór L, R ew M. 

De »,als sluiter wordt gelijk aan een beginnende, ?, r en 7»; b. v. 
•2r-oV'*~'OC\ — ■2ro\ aallappis, -o-SV^s^yXCJOss^-V 
nar-rohar, 55 0t/^"o\^OC ^i/«^ rttjwa, »^-oX\»^"o 
x\ rorro», 0C"oX\0C"oX\ motkmon, 5^o"oï=^r^ 
"o ^ O^ tinaruwammu, *^ -3 \ «~ -3 ^ ^^^fl«, 55 ^T? "^ \ 
■«^ O^ -3 \ tuwal'laen enz. 

§16. 

j&^« sluitende r van een voorhechtsel wordt aan een beginnende l ge- 
lijk gemaakt; — ^ x \ "*" "o ^ <■ P^llandja^ oC »^ X \ "*-* 
^ mallange; daarentegen 5^ ?^ x \ "^^ TTJ \ torluk {tor is hier 
geen voorhechtsel). 

a. Naast porlak spreekt men poUak (— s^ x \ ^^^ -77 \ ) 
uit, hoewel por hier geen voorhechtsel is; aldus schijnt moleng 
uit molleng (oC «=^ x \ ^^^) ontstaan te zijn. 

6. Uit de vergelijking met M. en D. blijkt 't verloren gaan 
ran een sluitende r van *t voorhechtsel oC *=^ x \ vóór si in 
réciproque werkwoorden ; oC '2r O 00 x -<^ O "*-* "o ^ ^P 
elkander schieten (mersibedilen D., marsibodUan M.). 

c, In den tongval van Nai pospos (bovenland van Surkam) is 

pabutoe in plaats van parbuwe na een voorhechtsel op r (als b. v. 

OC *^X \ ) gebruikelijk; b. v. marpabutce (elders: marparbutce). 

Jant. In 't Mal. valt de r der voorhechtsels weg 1°. zoo de 

onmiddelijk volgende lettei^reep r tot sluiter heeft; b. v. ba» 



13 

kardja (bar + kardja), hdparsambahkan (har-h enz). 2°. zoo \ 
woord met een r of Z begint. Zoo 't woord met een klinker 
begint, en op een r eindigt, wordt de sluiter van 't voorhechtsel 
l; b. V. baladjar (uit har + adjar), tcUandjur (Men.) uit taran- 
djur; telantar (Batav.) uit tar{h)antar. In andere gevallen blijft 
de rr^an 't voorhechtsel; van daar hdrtahuran maar hatdrhangan 
(naar 1°.); halantara is dus niet van har en antara (aant. 1 on- 
der § 24). 

§ 17. De hal/klinkers. 

In Tobasch kunnen zij niet uitgesproken worden, 't sub-Tobasch 
volgt in 't gebruik der halfklinkers nu eens T., dan weder D. en M., 
al naar mate het naar een dezer tongvallen overhelt. Daarom zal het 
hieronder niet overal vermeld worden; om de wyze, waarop T. de 
halfklinkers vermijdt, te doen uitkomen, zullen hier al de tongvallen 
met elkander vei^eleken moeten worden. 

I. 2)e hal/klinkers mogen in geen tongval beginner of sluiter zijn. 
Waar elders een woord met een hunner begint, heeft het Bataksch 

1°. de verwante klinkers * en « voor hen; b. v. uwange = toangi 
(Jav.), ijamdn (eigenn.) uit 't Ar. Mal. jamdn, uwalu = wolu (Jay,, 
vnoalu Kawi). 

2*'. Een h in plaats van «?, en dj^ even als in 't Mal., in plaats van/; 
b. V. hange naast uwange (zie 1°.), horna uit Jav. wema (aant, 4 onder 
5 IV § 23), djaha uit Jawa (Sanscr.). 

Aanm: Uit aant. 2 onder VIII moet a in plaats van i in ajuga 

(Sanscr. juga) en evenzoo in 't Makass. ajoka verklaard worden. 

Be W. 

_ II. D. (of Dairisch sub-T) is de eenigste tongval, die «?, waarvoor 
geen k of o staat, tusschen klinkers duldt. In de andere tongvallen 
vindt men dan in plaats van w 1^ een 5, 2**. weggelaten ^ TXiodidX dan de 
twee gelijke klinkers, waar hij tusschen in staat, een worden (§ S), en 
't woord een lettergreep korter wordt, en 3°. door o vervangen, zoodat 
't woord een lettergreep langer wordt. Wanneer, en in welken tong- 
val het een of 't andere geval plaats heeft, is niet door een regel te be- 
palen zoo als uit de voorbeelden hieronder blijken zal. 

III. M. maakt van wa in een geslotene laatste lettergreep gaarne 
o; b. V. mao8 = mawaa (D.). 

a. Zoo in plaats van wa als slotklank elders, een o staat, dan 



14 

is 't woord onmiddelijk uit Men. (zie aant. bl. 15) overgenomen; 
zoo b. 'v. is djao (Java) als b. v. in iimèako djao (Jav, tabak) de 
Men. uitspraak van djatoa; evenzoo sandao in sira sandao (sal- 
peter), en rao (eigenn. van een Mal. landschap ten zuiden Van 
klein Mandailing). 
A€mm. Bij de voorbeelden wordt de vorm van D. voorop ge- 
zet, daar hij in 't Wdb. beschouwd is geworden als die waaruit de 
vormen in de andere tongvallen verklaarbaar zijn. Zoo hij in D. 
niet bekend is, zal bij de onderstaande voorbeelden tot een zus- 
tertaai (Jav., Mal- enz.) de toevlugt genomen worden. 

Voorbeelden van de vertegenwoordiging van een W tusschen twee A's. 

1. kawan (D.), haJ^an (T.), kaon (M.). 

2. tawar (D.), taoarXL), iabar (T.), taor (M.). 

3. tawa8 (Mal.), taos (M. aluin) = tabas (D. en T. prevelformuUer 
bij een geneesmiddel, daar sterk riekende dingende geesten, veroor- 
zakers van kwalen, verondersteld worden te verdrijven); 't blijkt dus, 
dat D. tabas van T. heeft ovei^enomcn. 

4. djawa (Mal. , en Jav. in djewavcut uit djawa + awut; Sanscr. 
jawa), djaba (T.), dja (T. in dja-padang). 

5. mawas (D,), Tnaoas (T.), maos (M.). 

6. dawan (D.), daoan (T.), dan (T. en noord-M.), daban (T.), da- 
kan (zuid-M. in plaats van da-an zie Mandailingsck E a). 

7. Idwaraq (Makass.), rabar (T.). 

8. rawan (Mal., en D. in rawanen), raban (T.). 

9. rawang (D.), raoang en raibang (T.). 

10. tawa (D. in tertawa), ta in martatd (T.) en mantatd (M.). 

11. rawa (Mal.), ra (noord-M. eigenn. = rao zie boven regel 4). 

12. tjawan (D. uit 't Mal. van 't Chin, tsa-twim «*thee-kop"), saban 
(bl. 12 onder in de aanm.),. saoan (T.). 

13. djatoa in ulam-djawa (B.), dja (T.) in baluwang-dja, 

14. sehwal (D. zie § 24; Men. earawal), ^aaraoar (T.), saraor 
(M.). 

15. bawang (D.), baoang (T.); vgl. § 22, aa»<. onder II. 

16. awah (D.), a^ en aoak (T.). 

17. ^flw^a (D.), da (M., en T. in dadS). 

18.^ lawang (D. en Mal. in èunga-lawang) , laoang, lahang (T. en D.), 
waaruit blijkt dat D. ^^aw^ (als spijker beteekenende) van T. heeft over- 
genomen. 



\ 



19. talawa (D.)» talaoa en idhha (T,), taU ($ 8) en naderhand tala 
(§19 I aanm.) in den eigenn. datu tola di haimge (zie aant. op 't Bat. 
Leesb. bl. 28 onder), 

20. katoar (!>.), har (T. in si-karkar), 

21. èulawan (!).)» dtf/i» (T. zie § 8). 

22. ^atffo^, ^;a(MR& (T.), djaé (noord-M.), djaoé (zuid-M.). 

23. ffawak (in ga^awak), gomk^ gak, 

24. soma (in tdok-sawa, slangsoort yan de grootte van een boa con- 
strictor), sa. 

25. sawak (Mal.), saba, 

26. lawan (Mal.) taban (ook D.; vgl. § 30 X aanm. 1). 

^a»m. Als slotklank is wa in T. u geworden in djau uit djawa 
(Niasch ndcaoa; zie fla»<. bl. 16). Bit oude rf/a» wel te onderschei- 
den van djao (zie bl. 14 reg. 2)^ 

Aant. Menangkdbowsch vertegenwoordigt wa ak slotklank door 
o (geslotene klank h); b. v. djaoy djio, hao == djawa, djiwa, 
öawa enz. Makassaarsch van Salé^'er kiest k boven w tusschen 
klinkers (vgl. § 80 X); raka = rawa (Mak.), djaka =: djawa , 
pinakang = pinawang (Mak.) , loke = lowe (Mak.); uki = Ktri 
(Mak. en Jav.), suhangi = suèdngi (Mak. in plaats van suwangi van 
èaw^i = Jav. fö^w^i "nacht"; zoo dat suwangi, dat in 't Mal. van 
de Molukken naar, spokerig of liever 'tEngelsche kauntedheAj^Q- 
kent, eigentlijk nachtelijk is), «)^jjr = uq (Mak.; zie § 22 II 2°). 
SundascA heeft gaarne ii^' in plaats van w vooral tusschen twee 
a*s; lantja == lawa (Mal.), santja (slangsoortnaam) = satoa (zie 
boven n". 24), rarantjak naast laiawak; alleen schijnt kenija= 
kiwa (Jav.) te staan ; kantjah (D. en Men.) = ^duniA (Jav.) is 
dus uit West-Java gekomen (vgl. § 81 VI aant,). 

wi = i, 

IV. wi na a wordt in den regel i; voorbeelden : 

1. ïawi(D.)^lai(T.) in lai4ai, 

2. sawit (D.) = sait (T.). 
8. rötó (D.) = ffltï (T). 

4. awt» (D.) = ai» (T.); vgl. aèin. 

5. Arflwt7 (Bisaj. en Lamp.) = kail (D.), kail (T.). 

6. ^fliwY (Bisaj.), kdwitra (Huwasch) = kait (T.), kait (Mal.). 

a. Zelden wordt wi: u; voorbeelden: 
1. batau (of matau § 30 VIIÏ), uit Mal. batawi (eign. Batavia). 



10 

2. haut (T.) naast kaU (vgL boven n°. 6). 

3. saunff (Sund.), aaong (T. § 29 lV)=samnff (Tag.); vgl. daun 
(Mal.) met rdwind (Huwasch) enz. 

^a»i». 1. 't Men. mantawej (eigenn. van eilanderé die 't blaas- 
roer met behendigheid gebruiken, en die zich op 't vervaardigen 
van blaasroer-pijlvergift toeleggen) is als naam van een krachtige 
soort van genoemd vergift, in T. naitaue (in sub-Tob.: nattauwe) 
geworden (§ 30 ITI); dewata (Sanscr.; Jav. djuwata) is <:ü^3a/0 ge- 
worden; zoodat D. het uit T. heeft. 

Aanm. 2. De «^ na £> in d veranderd zelden; een voorbeeld: hoban 
naast bowan^ 

Aant. Yan uwa hier, en aioa elders zijn aan te halen hmaa 
(Men.) = luwaa (Mal.), saratoal (Men.) == aaruwal (Ar. Mal.), «a- 
wala (Sund.) = auwala (Mal.); langkawas (Bisaj.) = langkuwaa 
(Mal.); en van au = atoa: patoaa (Mal. walviach) =paus (Men.) 
manawangi van naung (Mal. ; vgl. aanm, bl. 16) enz. Hieruit mis- 
schien .te verklaren hauhun {hond eigentl. 't lage voorwerp , zie 
Bairiach F.) van een vroeger ófl»/* (§ 31 V^)=ihawah (Mal.); vgl. 
«•Uam (zwijn) en andapan (Jav. zw^n) van andap {laag). 

Be J. 

V. Zoowel a als o voorwin sub-Tob. enM., wordt « in T.; voorbeelden: 

1. heangan = hajangan (M.). 

2. beom = bojom (M.). 

3. peop = pqjop (sab-T.). 

4. leang = lajang (M.), en lojang (D. en M.). 

5. beuhan =^ bqjuhan (M.). 

6. tfo = ojo (sub-T). 

Aanm, dedk, ook in sub-T. gebruikelijk, heeft misschien vroeger 
dajdk naast zich gehad (zie nader § 28 TI); seat (ook sub-T.: a^ai) 
moet vroeger blijkens aait (Men.) aajat naast zich gehad hebben (zie 
aant. I bl. 18). Evenzoo is lejaéni ook in sub-T. gebruikelijk (vgl. 
onder VI 't vierde voorbeeld, en § 30 XIII). 
NB. De e, die aldus in de derde van achteren komt, wordt met 
een zekere haking uitgesproken , alsof zijn lettergreep een afzonderlijk 
woord ware (beuhan als bè-uhan, de e acherp of gesloten); zie de re- 
den § 22 III d, 

a. Zonderling is het, dat D. , dat een j zelfs bezigen moei 
(zie aldaar C I), ook e heeft in woorden, die in sub-T. en 



17 

M. een j tasschen twee a*B hebbeu, uUgezonderd soms wanneer 
de lettergr. met een r begint (aanm. 6 § 7); b. v. Ujang = lajang 
(M.), béngen = hajangan (M. en snb-Tv) enz.; daarentegen rajar 
en rajam (in den eigenn. dlteru rajam), terw^l het r<^a en raja 
naast elkander bezigt. 
VI. Minder vaak vindt men in T., dat soms hierin door sub-T. 

en noord^Mandailingsch gevolgd wordt, ae, waar elders qfa gebezigd 

Vfotdt; voorbeelden: 

1. tuwan lajan (zuid-M.) = iuwal4aen (§ 15), tuwan laen (noord-M.). 

2. gtdaea (M.) uit 't Men. fftdajan (in ffuléy guUijan "allerlei soorten 
van toespijs"). 

3. lalaen uit een vroeger lalafan in Men. (lalef + au, zie aant op 
bl.. SO onder), zoodat het vroeger misschien gteedt verlnjèterd heeft be- 
teekend. 

4. roèajan (zuid-M.) = robaen (sub-T. en noord-M.), terwijl T. 
naar de boven (V) opgegeven regel ook robean heeft. 

5. sang hinaja naast 8ang hinae (T.). 

6. parkajan naast parham (M.). Opmerkelijk Mdae (-77 "u^ N 

-^ X/N, zie Dair. B en C op bl, 34) = hadea (T.) en hadaja (sub-T.); 
vgl. ook lajda naast lajés. 

a. Van ae in T. in plaats van (^0 in sub-T. of M. z^n de vol- 
gende voorbeelden aan te halen: 

1. aek (T. en sub-T.) = ajok (sub-T); vgl. air (Men.) = ajar 
(Mal.) in aant. 1 bl. 18. 

2. aaep (T. en sub-T.) = aajop (M.). 

3. saem (T. en sub-T.) = aajom (M.). 

è, aja in plaats van een oorspronkatijker ae vindt men in pci» 
hü^a z= pahae, hajan (M.) uit boen als uitspraak van baken (§ 10 b), 
YII.- Zoo de u aan weerskanten van dejf staat, heeft T. in plaats 
van de eerste «.• i; b. y\ aiup = at^up, üung = tujung enz. 

a. Van daar verwisseling van iu of iju met uju; zoo heeft sub- 

T. van Men. nuu^ oimans^Uy dat in T. ma«ttf moet worden, ma- 

êuju gemaakt; misschien is tujimg op dezelfde wijze uit tiung (zoo- 

als in 't Lampongsch) ontstaan. 

YIII. Bej na een a en vddr een u of o in T. weggelaten: voorbeelden: 

1. kau = haju, 

2. ^ao = bc^'o. 

3. «a»r = aajur. 

Deze woorden zijn echter met de Tob. uitspraak ook in sub-T. in 

2 



18 

zwang; H eerste in hau'tanggurtmg ^ 't tweede in eigennamen, ak b. v. 
hcto paisy en 't d^de in aaur-maimca enz. Zelden vindt men in dit ge- 
val de j door i vervangen; een voMbeeld is paiofftm = pe^t^on. 

0. Na een a vindt men ju door i vervangen aUeen in baion (baijon 

in 3ub-T.) uit hajuon, als het in 't algemeen Uaden beteekent, die 

tot tleeh^ of matwerk gebezigd worden^ terwijjl naar den regel in 

T, bauon (snb-T.: bajwm) gebezigd wordt, wanneer het van mam- 

haju (iets vUcMen) het verbale substantief (pbjed van vlechten , wat 

te fBlUchtm ie) is. — Na een » vddr een a wotèij of weggelaten, 

of door i vervangen; zoo vindt men eua naast m« =r suja (in 1u^ 

pur 8i^'a)y lappuang naast lappuiang (§ 11) uit lampujang (Mal.). 

Aant, 1. Men. heeft ai (in twee lettergrepen uit te spreken) 

waar Mal. dikwijjlB t^a heeft; b. v. Icdr =: Ic^ar^ bcdr = be^ar^ 

air = ajar. Mal. heeft wel eens aja waar ai moest staan; b. 

V. majat •=* maU (Men. tweelettergr.) nit Ar. ^^.JLe (m^éénlet- 

tergr.); vgl. hajal (Jav.) met hail (Mal.), me^atn z= main (Mal. 

§ 80 III c), 

jdant, 8. Van ^ hier = c^ elders zijn ala voorbeelden aan te 
halen: byawak (Mal.) = bajawak (Tag.), ajuga in pi. van ^uga 
(bl. 18 aanm.), lajd (Iloco) = haZ^a (Mal.) enz. 

De Klemtoon, 

§ 18. 

De klemtoon valt op de laatste of voorlaatste lettergreep; b. v. daó, 
bóltoky debatdy eibdrang. De klinker van de niet geklemtoonde letter- 
greep is duidelijk, én mag niet kleurloos worden, zoo als in onze uit- 
spraak van teetameni (als teetemenf) en nngkü (als Singh^, De voor- 
laaittfke niet geklemtoonde lettergreep is de Ugtate (in debaid: ba ^ in 
daó: da); die, waarop de klemtoon valt de zware (in genoemde voor- 
bedden ta^ ea o; en in boUoh: bol); en, die na een zware of voor de 
ligtste staat de ligtoy die men ook zwaarackiige zonde kunnen noemen 
(in debaid: de^ in hóUoh: toh)^ terwi|jl als ligtere te beschouwen is de let- 
tergreep die vóór de zware voorlaatste staat (in eibdrang: et). 

Aanm, Tn 't Dairieeh (zie bl. 40 aanm,) is ook een ligtere laatste 
lettergreep, 

a. Woorden van meer dan drie lettergrepen worden nagenoeg 
als twee woorden uitgesproken. Men scheid ze in doelen, waar- 
van 't laatste dri^ lettergrepen heeft, zoo 't getal lettergrepen on- 



19 

even is. Alleen H laatste gedeelte heeft den vollen klemtoon; 
b. V. gabe-MUmi darambanéwa^ dnÊmiiredé^ pabcmèJumókkon; waar* 
uit men ziet, dat de halve klemtoon, die in Heerste gedeelte 
door een ^ is aangeduid» dezelfde plaats als in 't tweede in- 
neemt. 

jiant. De. scheiding in twee woorden komt vooral uit in die 
talen, waar de a als i (of d) uitgesproken woMlt, soo als b. v. 
in 't Menangkabowsch, waar men b. t. tjina^Ma vindt (alsof 
het blmde Ckmm beteekendei) nit ^Umli^ita (de bL 47 on- 
der). 

} 19. FlaaU van de» fdemUnm. 

Op welke lettergreep de klemtoon moet vallen , is hier nog niet 
te bepalen, daar de plaats van den klemtoon niet alleen van de soort 
afhangt, waartoe 't woord behoort, maar ook van de dienst, die het in 
den ein verrigt. Voorloopig honde men zich aan 't volgende: 

I. Substantiven hebben in den regel de voorlaatste zwaar; b. v. hi- 
jtMg {himd), hSUok (hvik) enz. 

a. Uitzonderingen zijn overgenomen woorden, of die, waarin 
de laatste lettergr. een zaamgetrokken klinker bevat (zie b. v. 
n"". 21 bl. 15); debate (Sanscr. dewaia), suitord (Sanscr. stdra. Mal. 
euidra)f iukkurd (Sanscr. sjukra^ Jav. eukra; over de o hier zie § 7 
aanm. 6); ^amdn ({ 17 I), fMumi» (eigenn.) uit 't Men. of Mal. 

o . 

uaaman (Ar. ^Uoc)* — Hoe narumó aan zijn klemtoon komt, 

weet ik niet. 
Mnm. Substantiven, wier laatste lettergreep zwaar is, verleg- 
gen gaarne den klemtoon naar de voorlaatste; zoo b. v. tola (zie 
n"*. 19 bl. 15) uit tald, dibaia (M.) in plaats van déald, 

b. '-^^vOCOXöOr^T* OC'TSX (eigenn. zie ««» Wdb,), 
y,^ ^— y^ ^-. g (eigenn., van een hM) en ■jr O *^ *<» wor- 
den als zamengestelde woorden — waarin 't laatste woord duister 
is — imbnlu-man, do-Ung en silang-de uitgesproken; even zoo ha- 
jum-bang dat uit kc^ -f » + bat^ (uit bowang) bestaat. 

II. Alle eenlettergrepige voomaamw. trekken als adjedirf den 
klemtoon op zich, zoodat dan 't voor hen staande woord een halven 
klemtoon heeft; b. v. -T^.*^ "7^ \ ^^^ "^x \ (deze lieden) hala-hon 
(§ 10); vandaar ook, dat zij den eindklinker van sommige woorden op- 
slurpen (§ 8 a). 

«. Met een eenlettergrepige praépositie vdór ?ich om bywoor- 

2* 



20 

den te maken , vormen zij tweelettergrepige woorden , wier laatste 
lettergreep zwaar is; b. v. düi {aldaar y zie § 8 (Q. Is de praeposi- 
tie meerlettergrepig, clan krijgt deze den halven klemtoon; b. v. 
55 O xr^ "o N ^''^ "o X \ Qcmg^ dit, hier langs) i^a-ndn 
(J9). 
III. De laatste lettergreep is zwaar in 't tusschenwerpsel ale, en in 
een woord, waarmede men iemand aanspreekt; b. v. ale radjanami 
O onze vorst/ Evenzoo bij ieder van de woorden, waarmede men aan- 
spreekt; b. V. v/^ «— u>r o2 "— < ^^ ^-'^ "irycs aU amdk 
(§ 11) pangalaós. 

a, 't Tusschenwerpsel 6i, dat bij 't aanspreken achter den vo- 
cativQS plaats neemt, is uitgezonderd; b. v. oo x^^OOC 
■» vA-r'oC X \ "f* «^ 8^ vA-r OCO\co»'«TOC-o\ 
iA«^ X 't" ^oti ma i oppung radja imhulu-ma^ói (aldus was het er 
mede gesteld. Heer vorst Imbulu-Manf), - / 

§ 20. Be klemtoon in afgeleide of van een aanhechtsel voorziene 
woorden. 

I. Bij vooraan plaatshebbende afleiding heeft 't stamwoord den 
klemtoon; b. v. sandók, en mandók (stamw. dok), mardobus (stsnavr, 
bus), mature (stamw. ro), padodót (stamw. dot; waaronder het in het 
Wdb. had moeten geplaatst worden), dadd (tweemaal da), sipét en si- 
hdk (voorhechtsel si + pet en hak). 

II. De klemtoon verspringt een lettergreep naar achteren door een 
aanhechtsel, al wordt het. woord er niet langer door; b. v. hundülan 
(hundul + «»), hudjérmu {hudjur -h mu), anggim (dnggi + m), pabod- 
hon {pa -\- bóa + hon). 

a. hu en tu als overm^aat uitdrukkende aanhechtsels trekken 
den klemtoon op zich; b. v. oc ""^ "o N ^ 55 magandjakttt 
of OC ""^ "o ^ ^ "^ magandjakku {te lang is het); evenzoo 
an, als het een meerderen graad uitdrukt, en 't daarvan voor 
ziene woord als praedicaat optreedt ; b. v. denggandn {schooner is 
het); evenzoo de woorden van denzelfden vorm, die liever betee- 
kenen, zoo als rahandn, tagondn, adongdn (M.) enz. 

b. *-, •<;.x (<:x D.), OC (OCX D.), =5 en So 
zijn geen aanhechtsels; vandaar laho ma {gal) v/^'^*^ au pe 
{ook ik) enz. — Zoo pe en do, of do en ma onmiddelijk op elkan- 
der volgen, worden zij als één woord uitgesproken met een zware 



21 

laatste lettergreep; b. "v, podó (pe 4- do, zie § 28 I a), dop^(M,), 
domd (M.). Ook als pod6 (óf zijn bijvorm pede) na voor zich 
heeft, behoudt het dien klemtoon; b. v. napodó. — Over nanón 
zie § 32 I. 
Aanm, 1. De regelen van den klemtoon kunnen allen hier nog 
niet behandeld worden (*). — • Bij vele woorden is de klemtoon wil- 
lekeurig, en niet aan een regel te onderwerpen; zoo b. v. spreekt 
men "zr x ""^ 55 x \ > als het op ^een ofé^andren tyd (in de toe- 
komst) beteekent, so^oê uit, maar aogói^ zoo het de beteekenis heeft 
van vroeg in den ochtend. Dat dit niet uit de beteekenis te verkla- 
ren is, blijkt uit bus^ (M.) = aogot. De nominale vorm vanjpau- 
laho» (pa + ula + kon) namentlijk — .^ «— , die als imperatief 
gebezigd wordt, en in *t passief optreedt, wordt pauld uitgesproken, 
als het beteekent doe alsof, veins terwijl patda : doe werken zoude 
, beteekenen. Ook hier is de beteekenis niet de reden van 't onder- 
scheid van lettergreep-klemtoon, want in M. bezigt men' mambaen- 
haen (doen alsof ^ veinzen) v'hn mambaen (maken); waaruit blijkt, dat 
pauld ook van ula (mangula ^^werherC^) moet afgeleid worden. 

Aanm, 2. 't Bataksch kent slechts den lettergreep-toon in een 
woord. De woord-klemtoon, waardoor men op een woord in den zin 
den nadruk legt, is er onbekend. 

Aanm, 3. De klinker der voorlaatste lettergreep wordt wel eens 
gerekt om de beteekenis te versterken, en een m en » worden dan o 
en e, terwijl in de volgende lettergreep i of u dezelfde wijziging 
ondergaat; b. v. adowe (jgindsch zeer zeer ver) in plaats van adum 
(gindsch). 



DE BI ND U'S. 

§ 21. 
Zinscheidingteekens zijn niet gebruikelijk, 't Eenigste teeken, dat 



(*) In 't Wdb. zijn de intransitive werkwoorden, die den klemtoon op de 
laatste lettergreep hebben door een bijvoegelijk naamwoord of deelwoord in 't 
Nederd, vertaald; zoo b. v. is 55 "T^^^ON waar het metingedrongen 
vertaald is, tuktl uit te spreken; daó {ver zijn) is er met ver vertaald. De 
meeste van die woorden nemen den klemtoon op de voorlaatste (maddo en ««- 
ddo), zoo zij na of ma voor zich nemen (zie verder beneden). 



V 



22 

als zoodanig kan beschouwd worden, is een naar den linker kant open- 
staand half cirkeltje, dat achter de letter, haar als 't ware omsluiten- 
de, geplaatst wordt, en eyen als de ontklinkeraar (§ 2)pangólai (qf- 
slidter) heet. Het wordt daar gebezigd, waar de plaatsing van zekere 
woorden, den lezer niet tot 't goed lezen van den zin kan leiden; b. v. 

•T^XOC'TSX"^ 55X\^/*V^ sfie daar de redm^ vMiarom zij 
(z^n voeten door de wortels) worden hehnéld; thans hmtg^ m^ opzoe- 
ken. Stond hier de afiluUer niet,^ dan zoude men nanAt als bepaling 
van 't gekneld zijn opvatten. Dit teeken is mij niet anders dan op 
bamboe voorgekomen, en schijnt van nieuweren datum te zijn. In 't 
Leesboek heb ik er hier en daar meer gebruik van gemaakt dan b^ 
de inlanders, die er zeer achteloos mede zijn, 't geval is. Algemeen 
gebruikelijk ziyn daarentegen de teekens, die 6indu heeten; hiervan 
zijn twee soorten: de eerste die 't begin van een geschrift aanduidt, 
heet èinduffodang (hoqfd-bindu ; de gedaante zie Leesb. I bl. 1), en de 
tweede die aan 't begin van de afdeeling van een geschrift, of wel van 
een ander vers staat: èindu na metek (kleine hindu; de gedaante zie 
Leesb. I bl. 4 onder). 

a. In brieven (op bamboe) wordt in plaats van de Undihgodang 
de Undupinardjólma (hindu in de gedaante van een mensch) gebe- 
zigd. De staart van deze èindu doorloopt de geheele bamboe-ge- 
leding; b. V. 

— ^ ^^ ^^ M - ■ 

— i-^v -7^ -zj ^9 55 \ 55o-3x<:2rx\-so 

S-^ — ^^•Z-'OCXXöOt-^v-SXX ^ w een zend- 

brief mn Guru Sombaon enz. — Naar mate van 't beeld, 

dat men in zoo'n slecht geteekende figuur ziet, heeft zoo'n bindu 

ook andere namen, als b. v. bindupinartdok (Undu in de gedaante 

van een slang) enz. 

b, de Undu na metek heet ook naar de gedaante hindu pinarho- 
ras (hindu in de gedaante van een vrucM). Ook deze hindu heeft 
soms een staart, die de geheele bladzijde doorloopt, om d'eene 
afdeeling van de andere te scheiden. 

c.. In sommige pustahas wordt 't teeken ///, dat bijj de m^ be- 
kend geworden Bataks niet in gebruik is, even als de hindu na 
fwitek gebezigd, maar in onderscheid daarvan ook achter den ti- 
tel van een geschrift vtór 't eigenl^ke begin, omdat men gewoon 
is den titel op denzelfden regel als 't begin te schrijven. Ik heb 




I 



23 

er in 't Leesboek telkens gebruik van gemaakt (zie b. v. bl. I 
Leesb. I). 

Leesoefening. 

(De tekst zie Batakscb Leesb. I bl. 1 en vlgg.). 

{Butdu-godang) Suhutan Nan-!Pjomba-ilik/// asad($Dg ma halak na 
saingan, margowar ü-singga-ulubalang; asa i ma na mardjolmafaot si- 
boru suriga, i ma na marbutahok kuta padang matoga; sukkot ni ha- 
gabejom ma ibana anggo maromas» alai anggo dakdanak sada pe sowa- 
da. Dung ni asa lao ma ibana meda-ngedak tu balijan, dida ma par- 
buwe ni rukkung banggik nunga sai marrafa dibaellamunna; dungni, 
asa di tultuli ma dakka ni bigu i; duk sappe bowanouna di rohana, 
midjur ma ibana, di putibi ma, di lejom ma di pangan djolmana i; 
sabat butong ma djolmana i na mangap parbuwe ni rukkung banggi- 
bi; dung ni, asa modom ma nasida, marnipi ma ^jo^ma ni radja i, 
' dipi-ma: ro doli-doli tu lambungna; dung ni, asa manukkum ma ibana : 

/ <<aba ma ni-ulamu alé itung! di baer ro hamu tulambukkon*'?; boti ma 
ninna. "Oio ito ro pe au tnsdn, addng ma na bu-dok: di pangak ka- 
mü nariap parbuwe ni rukkung banggik, molo naek parsaul^ak kinor- 
bonni di bamuna, pangak-kamü ma sada manuk na marpuli, sada ma- 
nuk sabur bittang bs^ek karoanna; molo so di pangak-kamu i, ra tuk 
kamagowan do hinorbonni; alai molo di pangak-kamu i, ra tuk par- 
saulijaii do binorbooai; op pe da ba ito! i do na budók di bamu di 
baer ro au;" boti ma ninna. '''Oio ito! molo i ma bapé ni ulamuna di 
baen na ro, djadi do tutu; ati-bunang di pabowa bamuna, addng bi- 
noto?" boti ma ninna ^jolma ni radja i. Dung ni, asa sum ma nasida 
na marbata i; asa lao ma doli-doli na: ro i. Dung ni, asa tarsun^ul 
ma djolma ni ra^ja i, dihgot ma nipina i. Duk tora-ngari, asa di 
dokkom ma naposona manakkup manuk duwa, sada na marpuli, sada 
sabur bittang. Dung ni, asa manukkum ma radja i: <<tu aba manni-bi, 
di baep pala duwa di buwat to?" boti ma ninna racfja i. "Oio sianak 
ni namboru! naddng ma ulaonna, di baek kubuwat; sai nae-ngau 

/ mangam manuk; agija-taddk kangoluwam musé"; boti ma ninna djol- 
mana i. Dung ni, asa di parmasak ma tutu; sum masak^ asa di dip- 
pu ma indabat tu pinggan. Dung ni, asa di tibali m% ^xxiiMi manu-bi 
tu panganan; dung ni, asa di batabom ma tutondina: "alé tondikkd! 
mangam manuk na marpuli ma bita, dobot* mangam manuk sabur bit- 
tang; barowan ni nipikku naborngim ma on"; boti ma ninna. Dung 



24 

ni, asa di pangam ma tutu djuhnt mann-hi doho-tindaha-ni; sn-niba- 

na mangan, marnapuram ma ibana. Dung ui, asa sappe ma sabulan 

dung di pangan ^ manu-hi, asa di parsigora halak ma ibana: dung ni, 

asa di dokkor radja i ma guru sijapuluwan mambaep pagar parmeme. 

Dunk sun di baen ^ paga-ri, asa mangam ma nasida; sum mangan, 

asa manukkum ma radja i: nunga di baek ko paga-ri gurunami! pabo- 

^ wa horat-soras dingin-dingin , hadadao ni begu, donok ni parsanlijan"; 

boti ma ninna. *<01o radjanamil anggo tung mara inda-ngadóng di 

rohakku, alai anggo na di dalom laut, tu-ngasik sogot rupani sijar ru- 

pa ni halak, ra tung mambaet tihas i ^ di ho"; boti ma ninna. <<01o 

gurunami I anggo rupana i, atik na behd pe rupana, indada dohonon 

i 4 tu ho; unak so-tijür do tolhat sarowan"; boti ma ninna. "Oio ra- 

' djanami anggo tung di mara ni djolipami, pos roh^m"; boti ma ninna 

datuna i. Duug ni, asa sum ma nasida na marhata i, midjur ma datu 

i. Dung ni asa sappe ma duwa bulan dung na mambaep paga-ri, asa 

matoras ma eme, tubu ma na di dalom laut; ro ma djolma ni radja i, 

di bereng ma tutu, dida ilik do pajak di djolona; dung ni, pittdr gon- 

' dok do panailina. Dung ni, asa di djopput ma tinubuhonna i, di ba- 

^ . luti tulos. Dung ni, asa di appehom ma tu takkingan ili-hi; dung ni 

maridi ma ibana tu aek. Eo ma radja i, dihuttot sijap pndi; monggo]^ 

ma ibana di djolu ni tapi|an. Dung ni maridi ma djolmana i; dida ma 

h butuha ni djolmana i nunga alpis: '<nunga tolhat sarowal lejatni, nun- 

ƒ ga alpit su-ida butuha ni djolmakkan; na songon d^ja ulaning na tubu 

j i?" ninna rohana. Dung ni asa lao ma ibana muli, pittór di djnmung 

ma tu bagas. Dung ni, asa di ranapi ma di baga-si; indadong dida; 

*<na tu dija ma di baen tubuna i?" ninna rohana. Dung m] asa ro ma 

djolmana i sija-naek; duug ni, manukkum ma radja i: "tu dija do na 

tinubuhommi? alé boru ni datulang" ! boti na ninna. Oio radjanami 



^ Be n wordt hier niet naar den medeklinker, waarmede 't volgende woord 
begint, gewijzigd, omdat manu-M (die kippen) anhject is yhb di paiiffan (door 
haar gegeten). Be regel van § 15 zonde hier gelden, zoo 't substantief achter 
di pangan de persoon uitdrukte, waarvan de inhoud van 't werkwoord uitgaat 
{di pangdm manu-M zoude door die Uppen gegeten heteekenen). 

paga-ri is hier 't subject van di baen {toen door hem het hehoedmiddel ge- 
reed gemaakt was enz.); anders zoude hier de sluitende n als p uitgesproken wor- 
den (§11 «). 

i staat hier als substantief; anders zoude het tiha-H zijn. 
* Vlg. noot 3. 



MandaiUttgsch hlanksUUeL 25 

di .takkinga-ni do hu-baen; ai asing do sijjat tnbu ni halak;" boti ma 
ninna djolmana i. "Oio bora ni radjanami! ai aha do lejatni na tinu- 
buhommiP*' boti ma ninna radja i. <<01o, an& ni namborul ilik do na 
bu-tubnho-ni;" boti ma ninna. Dnng ui, asa gond(5k be ma nasida; 
dung ni, asa di rijor radja i ma tu takkingan, dida ma ili-hi nunga 
mandjirir djirir. Dung ni, asa di djopput radja i ma, naeng di sappat- 
tom ma ili-hi; una-ngau di sappattok-ko alé ap&ngl molo tang dibunu 
ho au, sai mago do ho; hapé, molo di pangola ho do aa, sai gabe do 
hoj"' boti ma ninna. Dung ni, asa sundat ma di sappattor radja i. 
(Jmdu na metek of hindu pinarboras) Dung ni, asa sappe ma pitu bor- 
ngin enz. 

MANDAILINGSCH. 

A. Schrift. 

Een A met twee streepjes op den rug, die tompi (ruggevrachf) hee- 
ten, wordt gebruikt om een k uit te drukken. In zuid-M. is s met de 
iompi in gebruik om fy' uit te drakken. De ij is nagenoeg de Engelsche 
ch in child, maar met minder sissing, zoodat het even als reeds van de 
dj (§ 2) en nj (§ 7 aanm. 8) gezegd is, een ondeelbare medeklinker 
is, waarin de/ van de transcriptie niet afzonderlek te hooren is (^ai(;e»^ 
en niet tjat-jing). Beide deze schriftteekens {^^ en ^^) zijn van 
JQogen datum y er zijn slechts bij zeer weinige woorden, en meestal bij 
die uit 't Oeloesch of Menangkabowsch overgenomen zijn, volstrekt 
noodzakelijk (zie nader onder £. en D). 't Schrift verschilt slechts in 
enkele letters, zoodat men, na kennis van 't Tobasche genomen te 
hebben, het met weinig inspanning kan leeren lezen. Alleen de let- 
ters, die veel in gedaante verschillea, geef ik hier op; de overige kan 
men uit 't tweede stuk van 't Leesboek gemakkelijk leeren kennen, j-7 
==-77, ''T^ = '2r, -r=-7-,'-r*(ook:^-^)='27,^-*=='«7-; 
^^ (tja zie boven), ^y (ka zie boven). De ng als sluiter heeft altijd 
de gewone plaats (-^^x song, "^ o ping). De ina ni aurat heeten 
induk ni sural, en de anak ni aurat: danak ni auruL De eerste worden 
in de hier onder staande volgorde in zuid-M. opgegeven, terwyl in 
noord-M. weder een andere in gebruik is: v/^ 7-7 ^^ OC 5^ 
^5» ^- — > «— — 'T* -^ Cx" öo ^-7 < xr^ •= j^ 
^y ^^. — De i heet uluwa, de u: boruta of buruta, de o: sijala 
idu, de e: talinga, en het teeken van een sluitende ng: amiaara» On- 
der de danak ni sural wordt ook de tompi gebragt. 



26 MandaiU^ach klankateUeL 

Janm, In gedaante is de ^^ de Indische tong-«, die in 't 
Sanscr. en Jav. Tan de p slechts door een streep yerschilt; vgl. — • 
met •'^> , xj (p) met 77 (^) en «4 met ««. 
I 

B, de k.en h, 

I. De A is onmiddelijk na een sluiter k; b. v. porhU ^^^porMs (T.), 
marhda = marhuia (T.), manjoloikon = mancMton (oc '75X'^~ 
55 X \ "77 "^ X N )» ^» hoen ko (zaid-M.), di had ko (noord-M., zie 
C) = di baek-ko (§ 12 è). 

II. In tivee volgende lettergrepen is h als beginner onaangenaam, 
en vindt men in plaats van de eerste h een k; b. v. kehe {vertrekken) 
eigentlijk = hehe (T.: opstaan)^ kahdng (alleen als vocativus gebruikt) 
== hahéng (T.), kihik^ kahanff§i (uit haha + anggi in T.; haha wordt 
mijns wetens in dezen tongval afzonderlijk niet gebruikt), enz. 

a. Wanneer door herhaling van een op een medeklinker eindi- 
gend woord wegens I *i tweede woord met een k begint, maakt 
deze tongval soms den b^inner van 't eerste ook tot een k; b. v. 
k^an-kijafd (k^an tweemaal -f t). ^ 

6. 't Bezigt k als beginner ook in gevallen, die niet te bepalen 
zijn; voorbeelden zijn kerek :=zherek (T.), kikii (misschien door 
Mal. invloed, en herinnering aan 't Mal. kikir\ mikim^ kuioat{Ax, 
Mal.), na kohól (door Mal. invloed) = na hoèol (T.), mardok^ 
(stamw. king = hing in T.), kaijü^iren (door 't Men. zie Wdb.), 
kute^ timbako (door 't Men. timbakow), enz. In keta is de Ar uit 
kehe {keta is kehe + ita zie d alhier, en c onder E). 
Amm. zuid-M. heeft bij woorden, waarvan de afleiding niet dui- 
delijk is, zoodat ziy als stam woord kunnen gelden, in plaats van 
kk tusschen klinkers altijd ngk; hieruit rangkon te verklaren als 
rakkon (zie aanm. § 12). 

c. Dikwijls vindt men k in een overgenomen Men. woord, 
waar dit h heeft, alleen maar om het een vreemd voorkomen te 
geven; zoo vindt men mantdkari (in de prevelformulieren) = »wi«- 
tahari (Men. = Mal. mata-hart), Bokajo = ^ahaja (Men.); immers 
daar h in 't Bataksch een k van 't Mal. of Men. vertegenwoordigt 
(§ 10 a), zoo nam men de k uit vrees, dat 't woord met een h te 
Bataksch zoude klinken! (vgl. D IV d). 

d, zuid-M. laat de h weg, uitgezonderd waar I plaats heeft; 
b. V. ijot = ihot, ijan = ihan, danon ^ dahanon enzj» Dit wegla- 



Mandaüingick UankdéUél. 27 

ten yan de h is soms in noord-M. ook bij sommige woorden geijkt 
geworden; zoo b. v. in 't voorliechtsel maJki (b. v. maUolaé = mch 

hiaoM); vgL maihoimg oit moMhotang (zie bl. 41 onder a). 

*■ 

C. Sluitende neuaklanken vóór scherpe medeklinkers. 

Het zuid-M. spreekt de neusklanken als sluiters voor de seherpe 
vaste medeklinkers uit, terw^l noord-M. T. volgt (§ 11), maar met de 
n als sluiter voor een p geen uitzondering maakt ($ 11 a); b. v. teman 
pargandan (zuid-M.), temat pargaruian (noord-M.), pantis (zuid-M.)» 
paiMe (noord.M.), langka (zuid-M.), laJcka (noord-M.) enz. 

a, zuid-M. maakt van dubbele h gaarne ngk (zie aanm. onder 
B.), of werpt soms een k weg; b. v. mandokon == mandokkon 
(zieG.). 

Janê. Daaruit misschien te verklaren, dat wel eens een woord 
dat in T. op k uitgaat, in M. op een klinker eindigt; b. v. 
surduk = surdu (M.); immers aurdukkon kan in zuid-M. surdu- 
kon worden , en dit kan weder als eurduhon in noord-M., dat de 
h tusschen twee klinkers even als T. bemint, gehoord worden; 
zoodat men hon als H aanhecbtsel van 't woord afscheidende, 
niets meer overhield dan eurdu. 

D. de 8 en de tj, 

I. De 8 is in zuid-M. na een sluitende n altijd tj; b. v. lanéjat = 
latsai (T.). Evenzoo de s van 't aanhechtsel sa na iederen anderen slui- 
tenden medeklinker; b. v. dapottja = dapotsa (T.). 

II. In noord-M. is de « altijd ^' na iederen sluitenden vasten mede- 
klinker, 't zij oorspronkelijk in 't woord hoorende of door C. ontstaan; 
b. V. maMji = maksi (T.) = mangsi (zuid-M.), lai^at (zie b§ 1), ^- 
lak-ijókko-ni 1 = alak songkowi 1 (zuid-M., zie B. d), hup tjokkoni i = 
urn 8ongk(hni ^ (zuid-M., zie B. d.), 

III. De 8 als beginner van een lettergreep in een woord, waarin 
reeds een lettergreep door I of II met tj begint, wordt tj uitgespro- 
ken; b. V. èintjutjur (zuid-M.), biiijutjur (noord-M.) =^ï«fé«wr (T.); 
evenzoo antjotjak (zuid-M.) en at^'otjak (noord-M.). 

Aant. In 't Mal. vindt men een s als beginner van een letter- 
greep wel eens in tj veranderd, omdat een andere lettergreep 
met tj begint; b. v. ^tdji naast sutjiy tjuwatja uit Sanscr. swatjtjha^ 



28 MandaUingsch klankêteUél. 

tjatjang (Men.) = aetjang (Jav. en Sund.); vgl. Dairisch 
D II op bl. 35. 
IV. Er zijn echter gevallen, waar de ^^ volstrekt noodzakel^'k is, 
ea men niet uit de plaats door de a ingenomen, weten kan, dat h^ als 
tj moet uitgesproken worden; b. v. -^-^Oi dat uit het Men. «a»- 
9mg (= "2?* "ÏTÖ) nioet ontstaan zijn, want daar de * in de tweede 
lettergreep wegens I tj wordt, zoo moest de a der eerste naar III hem 
gel^k worden. De n zal hier door noord-M. onhoorbaar geworden z\jn 
(C), zoodat misschien ergens in zuid-M. de uitspraak tjanljing nog in 
zwang is. — In ktdjil is de ^/ een overblijfsel van 't Mal. kantjil met 
weglating van een uit n in noord-M. naar C ontstane t, 

a, B\j hatjitjiren (uit Eao-Men. katitiren) is tj ontstaan door de 
zucht 't woord als Maleisch te stempelen; immers men meende 
door U te Bataksch te zijn, want uit tie vergelijking van een 
woord als b. v. 't Mal. tjintjin met 't Bat. tiwtin moest men dat ti 
t« Bataksch vinden (vgl. c. onder B). 

'b. Woorden, waarin tj niet te verklaren is, zijn zeer weinig in 
getal, en denkelijk allen uit 't Men. of XJlusch; b. Y.^markcUjak, ^ 
totjongang, enz. 

E. 

De veramelting van klinkers heeft hier als in T. plaats maar voor- 
aan; b. V. tuta (zuid-M.) uit tu-uta (B. d) = tu-huta (noord-M.), mar- 
kaiata (zuid-M.) in plaats van markata-ata = markata-hata (noord-M.) 
enz.; daarentegen martdi-i en niet maridl zooals in T. • 

a. Zoo a de klinker is in de laatste lettergreep, schuift zuid-M. 
een h in; b. v. parkalahan = parkalcHin (noord-M.) =parkaldn 
(T.); evenzoo is dahan ontstaan uit da-an met wegvalling van de 
w van dawan (n°. 6 op bl. 14). 

b. co X^x behoudt zyn eindklinker v(56r de adjective voor- 
naamwoorden (èajo i), terwijl akkora (§ 8 a) mij in dezen tongval 
nooit voorgekomen is. — In zuid-M. wordt de eindklinker van 
mu en hu niet opgeslurpt (§ 8 a), 

c. Zamentrekkingen in zuid-M. als pintorbangon in pi. v. pitdu- 
orbangon (orbangon = horbangon in noord-M.); en keta in pi. v. 
ke-e Ua (kehe hita in noord-M.) zijn zeldzaam; evenzoo Aon (noord- 
M.) in pi. V. haori. 

d. dié verliest zijn eerste lettergreep (vgl. § 8 c) ook na de in- 
terterjectie ba (nada ba Ie). 



Mandclüingsch JclanMeUeL . 29 

e. Achter 't voorhechtsel pa kan voor ida èen i als ingeschoven 
gelden (paéidahon uit pa + ida -h hon), daar ida thans als stam- 
woord geldt. 

/. tnsschen hala-hi (als Yoomaamw* derde pers.) en i (als ab- 
ject, voomw.) wordt n ingeschoven; b. v* hala-hini{T7 "f "77 \ 

F. Onderscheid van klanken in Mandailingsch en ToöascL 

Lld=tü (vgl. Q); b. V. nuddo = mallo (T.). tuldang i= iuüang 
(T.), jpotófl^ ^poOah (§ 16 a). 

II. wa in een gesloten laatste lettergreep in sub-T. (en D.) is hier 
O; zie bl. 13 r. 3 v. o. en de voorbeelden op bl 14; waaruit bl^kt dat 
soms T. gevolgd wordt. 

III. nj altijd, waar T. en D. n hebben in *t verbale voorvoegsel 
(met een sluitenden neusklank) als de « als beginner van 'tstamw. . 
wegvalt; b. v. manjurat = manvrat {mënurat D.) van suraif mtgezm- 
derd wanneer de tweede lettergreep van.'tstamwoord ook met een « 
begint; van daar manosop van soaop, manusu van susu, 

a. zuid-M. stoort zich soms niet aan de uitzondering. 
^anm. 1. De nj is nu eens vertegenwoordiger van ƒ (sub-T.), dan 
weder van «; b. v. tanja = tana, njdba = ndba, panjogon (zuid-M.) 
= pajogm (bl. 18 r. 3). Wanneer nJ een n , of een j vertegenwoor- 
digt, is niet te bepalen; zoo b. v. is 't Mal. mii^ak ook hier m^ak 
even als in sub-T., terwijl Dairisch minak heeft. 

Aant. Waar d'eene tongval », en d'andere J he^ft, moet men 

daar n en j elkander's plaats niet nemen uitgaan van 

een nj in een elders bestaand woord; b. v. myak (zie aanm. 1); 

èqfom (Dair.: benem) veronderstelt een honjom oï benjem ergens; 

even zoo -77 o x/^ "o \ «» "^^ O "o "3 \ . Zoo zqn na 

(Bataksph aanhechtsel derde persoon) en ja in ya (Mal. voor- 

naamw. derde persoon) beiden uitgegaan van nja (Mal. en Men. 

aanhechtsel derde 'persoon) zoo ais blykt uit 't Men. inja (^ jj 

= ^^\)'> vgl. ook. pqjop mei pen^ (D.). 

Aanm. 2. In plaats van nja of nnja in M. vindt men ook in T. 

nna of nni; b. v. iriaanna en iriaanni = iriaanja of irisannja, In 

sommige streken van Toba gebruikt men, even als in 'tHuwasch, 

ni = na (als aanhechtsel derde pers.), waaruit de overeenstemming 

met 't Mal. aanhechtsel (zie aant.) blijkt. De i schijnt hier een 

poging te zijn den verhemelte-klank nj terug te geven, even als in. 



30 Manétaüingsch klankdeUeh 

andarad, waar si moet gekomen 2^n om tja weder te geven van en- 
dera^a(J).). 

Aant. Men. is afkeerig van nji en heeft ni; b. v. kuniq (§ 30 

XIII aant 1) = kunjit (Mal.), 9uni = sunji (Mal.) enz.; 't Jav. 

sótiis ook; b. V. kunir =3 hunjii^ uni = hunji (Mal.). 

IV. Een d als beginner van een lettergreep, waar T. l heeft in 

woorden, waarin een lettergreep, meestal een voorgaande, metZ of s 

begint; voorbeelden: lidung = lüung^ lidi = lüi^ sido (in mauijidó) == 

=3 èüo^ ê^adoaan (uit Hkadosan^ zie } 10 3) = s^dham. 

Aanm, Er kan hier geen melding gemaakt worden van woordvor- 
men, waarin 'tamiwezig zijjn van zekere klanken niet aan regels 
kan onderworpen worden; zoo b. v. is het geen regel, dat deze 
tongval mh tnsschen twee klinkers kiest, waar T. of een zustertaai 
slechts m heeft; men vindt timbtis = Umus, djombur ^djomur^ 
ffuntèot =3 ffomëi (D., zie Dairiaeh A. II 3 op bl. 83), maar omon =s 
Mal. amhan (vgl. Jav. kewMn)*, zie verder { 30 IX. 



G. 



VerduhbeUng txm densélfden medeklinker in zuid-M. dikwijls verme- 
den; van daar F. I, C. a, en marlange (§ 16), twoan-lajan, monmon 
({ 15), mandokm (C. a). 

a, noörd-M. volgt natuurlijk vaak T.; b. v. nimmu = ningmu 
(zuid-M.), mnna = ningna (zuid*M.) en numma even als in T. (§ 11 J), 
mandokkon even als in T. (G. o). — Ook F. I. geldt er. 

Aaffi. In 't overnemen van woorden uit 't Menangkabowscb 
worden de tweeklanken ef en otOy die daarin slechts als slot- 
klanken voorkomen, of door e of o wedergegeven, of in twee 
lettergrepen (twee klinkers) overgebragt (b. v. tindjóu uit Men. 
tindjato). Die tweeklanken zijn in 't Men. onztdverey waarvan 
het eerste bestanddeel (a) door 't tweede (i of u) gekleurd is; 
komt een met een klinker beginnend aanhechtsel achter hen te 
staan, zoo herkrijgen zij hun eerste bestanddeel ongekleurd; b. 
V. gulajan (in gvlej gtdajan) uit gul^ 4- a», panindjawan uit 
panindjow (van ündjoto) + an. Wij zullen die tweeklanken 
. door eg en ow uitdrukken, omdat ei en ou den leerling aanlei- 
ding zouden geven ze als tweelettergrepig {e-i en o-«) uit te spre- 
ken, daar zij in de transcriptie van Bataksche woorden aldus 
moeten uitgesproken worden. In geslotene lettergrepen kunnen 



MandaiUngseh klanksidêel. 31 

die tweeklanken niet anders dan als twee klinkers uitgespro^ 
ken worden; b. v. kdul en mdU nit JJ en ^^„^j^. 

H. 

De klemtoon is hier als in T. — *t Voorhechtsel «fo (§ 38 I b) ver- 
andert zign klinker niet; mardoktng = maUiktng. 

Noord-Mandaüingsche Leeso^ening. (Tekst zie Batakseh 
Leesb. Il bl. 54). 

(Binêu-ffodang) torkat-torkanan/// '«torkat-torkanatta: h^i ma pam- 
bawat ni lialak di latljat saean ni namora, pita lappis ina ina» pita 
lappis ama ama» pita lappis bodjing bndjing, pita lappis doli doli 
mamataisa, olang di bawat kalak» alang di pangan motiji» i ma di 
baen na ni mata-an ni halakf" ni-Agi na sada hallak. Djadi ro na sa- 
da balak: *<torkat-torkanatta: bijji ma pambawat ni ga^JA di bolnng 
gnmbot di robaen» attjo dapo-t^'a i pangano-n^a?" ni-ngi na sada ha* 
lak. Djadi ro par^jolo nakkinnin: '*pitadar do i di aio ga^ja i marro- 
kanan; di baet pitnda-ri gijot mangan djaak paigalong ni halak, djadi 
makkiüing ma gac^'a i di topi-dora ni na pana djaa-ngi, ^ja^i di begé 
pitnda-ri ma; ^aha do baenonmn disonP ni-ng^a. Djadi ro gac^a i: 
*'i^'a ho, aha baenonmn disónP^ ni-ng^'a. Djadi ro pitnda-ri: '*gijjot 
manakko djauk panjnlnng ni bajo nappnna hanma on do aa nij&n"; 
ni-ng^*a. Djadi ro gadja: "aa pe nijém, rohamu, gijot mambuwat ba- 
long gnmbot na di robaen an do an» nada dapo-tan;" ni-ng^a. Djadi 
ro pituda-ri: <'ra do ho marale-ale hita, attjo hu-bnwat bnlang-gnm 
bo-ti panganonmuP'^'ni-ngi pitnda-ri. ipjadi ro gadja i: "djadi'*; ni- 
ng^a. Djadi di bawat gadja i bolnng ni pangga; dung di buwa-tija 
bidang ni pangga i, ^adi di sapsa-pija ma bolang ni pangga i. Dong 
di sapsa-p^a bolnng ni pangga i, 4}^^ pij'^ko-nijja ma sopa-s(^a- 
na i. di dalat to hauma i. Djadi tora-ngari, djadi dida nappana haama 
i ma panjapsapan ni gadja i di dala-ni^ djadi di dokko-n^'a ma di dato 
panjolo-ngi : "nomma sudé 4j&ung di pangan gadja"; ni-ngya. Djadi 
ro data panjulo-ngi: "attóng olang be hori bamd hanma i, nadnk tar* 
pattang ma i"; ni-ng^'a. I ma dal di baen na ni-pangan ni pitadar 
djaok panjolo-ngi. Djadi di rorosi pitadar bolong-gombot na di ro- 
bae-ni, c|jadi bntok pitadar mangan djanng, bntong ga^ja mangan bo- 
long-gombot"; ni-ngi na sada halak. {Bindu na menek), Djadi ro na 
sada halak enz. 



32 Dairisch klanketeUel, 

Zuid'Mandaüingache Leesorfening, (Tekst' 
zie Leesb. II, bl. 105). 

(Bindthgodang) andung/// iga bo alé bulu-aor-leméa na pitu ruw&sl 
ulang ko mardabu-dabu siluluton di bajo na snmurat ko, di gadubang 
sala-matadjom ko mardabu-dabu siluluton, di raut sala-mapintjur ko 
mardabu-dabu siluluton; i do na pandungkon dalan kalolongas di si 
manaremu i, alé bulu-aor-leman na pitu ruw^sl o ma i na sundat pa- 
lando-lando ruwasmu, na sundat marngeuk di tonga ni situmalun, na 
sundat parsitinggiran ni tarijas kedede di tonga ni situmalun alé bulu- 
aor-leman! di Toba silindung djujiu o mardabu-dabu siluluton! i do 
na padjadi-djadi boru ni situlison alé bulu-aor-lemdnT antjo dalanna 
maiongas marobur simanaremu i, alé bulu-aor-lemi^n na pitu ruw&s! 
1 pe da alé bulu-aor-lem&n napitu ruwas! sai ma i djolo parsaitan 
pardangolan lii simanaremu i, alé bulu-aor-lem&n na pitu ruwas {pindu 
namenek) u-paijut ku-patompang doma djolo parsaitan pardangolan ni 
simanarengku^ion alé bulu-aor-lemdn! muda Urtontang ku-sarij6n, song 
na topa^ di bulan kurnng di bulian lobi-lobi ma, urowa, simanarei^ku 
on, antjo tarpasurung tarpalobi parsaitan pardangolan ni simanareng- 
ku on. Anta ulaning tijé lobi-lobi ni bunga ni siubejon ni dainang do 
simanarengku' on, antjo suwangkon na matartar di ak iii silumimpang 
dalan do simanarengku on di tartarkon dainang enz. *« 



DAIEISCH. 

A. 
't Alphabeih wordt in deze volgorde opgegeven: "— -3 -77 

"=r jSl ; waaruit men ziet, dat er geen nj opg^even wordt, en dat 
TT? en ^;^ hier in plaats van 55 en ^y gebruikt worden. De 
kaluain heet hier kalowan, terwijl de overige namen der anak ni 8uraé 
slechts in uitspraak verschillen; b. v. kaberetën = haboroian^ ketadingin 
= hatadmgan enz. Het teeken van de sluitende ng kan bij o en x 
op de gewone plaats geüschreven worden (^x ^ong 115 o t^ng). Bij 
de andk ni surat van T. worden nog gebruikt: 

I. = (sikordjan) op de gewone plaats van de hamiaaran geschreven, 
is 't teeken van een zachte maar duidelijk hoorbare h als sluiter; b. v. 
<^X^=^X lohlok. 



Datriióh klankstelsel. 38 

Bel 

II. > {kabëreieihpodi d. i. acUer-hahoroian) wordt midden boten of 
tuihter — daar men van onderen naar boven schrijft (§ 1) — de letter 
geplaatst, en heeft den klank van onze toonlooze ^(in begin). Hierbij 
is op te merken: 

a> De kabereten podi^ hoewel een toonlooze ë (zie b) mag nooit, 
zelfs niet voor de triUers (§ 7 aanm. 6), 't verlies van een letter- 
greep veroorzaken (zoo als b. v. in 't Hoogdoitsche glauben = gë^ 
laoven) ; ielü en perd spreke men niet Uu en pra uit. De opene 
lettergreep, waar de ê zich bevindt, wordt tevens gesloten door 
den beginner der volgende dabbeld te schrijven (zie H.)j b. v. "07 
'^ \ -^y (tël^. Is die banner een stompe vaste medeklinker, 
zoo wor4t de opene lettei^reep wegens $ 7 (aanm. 1 onder) met 
een scherpen gesloten; b. v. — "oï' N -^ (peddh), öö "^ \ 
öö ^ \ S^ (bëbëré), CX» '7^ \ *^ (bëg/) enz. Is hij een dj 
of ^y, zoo bezigt men uit gebrek aan een bijzonder teeken voor tj 
een 737 ter sluiting der voorgaande lettergreep; b. v. •«— xA \ 
^ (lëdja), TT 11^ \ 5r -X. *^ N difëtjedur). 
Aanm. 1. De spelling van -3"~"\ooo is zonderling, en 
slechts te verklaren uit een herinnering aan een vroeger nëbi^ dat in 
't Mal. (of Atjineesch?) ergens bestaan kan hebben, zoo als uit de 
Hao-Men. uitspraak nobt- (aant. bl. 60 onder) van 't Ar. nahl ( jj) 
% mag vermoed worden. . " 

Aant. In sommige Jav. handschriften zal men een dieigelijke 
spelling (b. v. pëtdjah = pëdjah enz.) vinden. 
b» De ë doet den klemtoon altijd op de volgende lettergreep val- 
len, zelfs wanneer deze ook van hem voorzien is; b. v. 00 «^ \ 
. «^ "è bëlën, öö '«^ \ "^ bëlgdh enz. Hy neemt nooit plaats in 
eene laatste opene of met h geslotene lettergreep, en is dikwijls de 
vertegenwoordiger van een o in T. of M.; b. v. kërbo = horbo^ 
bëdü == bodily gomët = gumbot (M. zie MaindaiUngsch. aanm. op 
bl . 30), tanoh = tano, bëtoh = boto^ enz. Uit de e kent men de plaats' 
van den klemtoon, zoodat de lastige regels in T. of M. betref- 
fende den klemtoon hier voor een groot gedeelte vervallen (zie 
nader K.). 
• Aanm. agoni is uit T. overgenomen {aanm. bl. 45), daar het 

»agëni zoude zijn, zoo het onmiddeligk uit 't Sanscr. {agni) was over- 
genomen. 

9* 3 



34 Dairisch klankstelsel. 

B. Be -77. 

De -TT? wordt hier altijd h uitgesproken , en vertegenwoordigt h 
in T. of M. bijna regelmatig (§ 10 a); b. v. -77 0C kima = hima 
(T. en M.), -^ ^?^ XTlg \ <?«Artti5 = duhut (T. en M.), enz. 

C. Be ch>. 

I. De u^ , "sr en ^^ worden bij 't opze^n van 't alphabet ge- 
adspireerd uitgesproken (Jia^ hi, hu), maar men is, daar zij ook niet 
gèadspireerd voorkomen, gewoon, overal waar i en « of e en o voor 
een ongelijken klinker de gelegenheid daartoe bieden, van de J en 
w gebruik te maken, om de adspiratie te verhoeden; zoo spelt men 
C09 ^:^ 7J7 \ > en niet 09>u«v TT7 \ > daar dit èuhat zoude uitge- 
sproken worden; evenzoo «— x^ en niet ^8— u*v (dat lehang 
zoude zijn). Van daar dat naauwkeurige schrijvers de J en to ge- 
bruiken na op een klinker uitgaande woorden, zoo 't volgende niet 
met een h begint; b. v. "T^J^xoS (ku^obah), "zrox/^xco 
si'OM) enz. Maar daar nu nog vele gevallen plaats kunnen hebben, 
waarbij 't onderscheid tusschen een stomme i (klinker) en een h niet 

in 't schrift kan uitkomen, zoo pleegt men ook in een woord de half- * % 
klinkers te schrijven, waar zij uii^esproken de uitspraak geenszins . ^ 
wedergeven; men schrot > dan na een a de j vdo'r i en e, en de to fk '^ 
voor u en o; b. v. tr? T^o (fat), ^pr? ^tr* (koe), OC ^ "Zr? \ ^ 
(mans), ch> ^:^ ^x \ (aor). Daar ji, je, tou en too geen erkende # 
lettergr. zijn, zoo kan 't gebruik der halfklinkers hier geen onzeker- 
heid geven. 

Jani. Wordt de to in 't Jav. rawtth {rok in D.), en karaten 
' (vgl. Mal. 3{| ) uitgesproken? 

II. Tusschen twee klinkers of na een sluitenden medeklinker ge- 
schreven, is wrv altijd h; b. v. 'Zr^^^Tr^X adhtd, "5"^-'^~py\ 
puhun, cao *5 \ ^^^ OC \ harham, ^ "55 ^-^^^^ \ nahan enz. Als 
beginner van een woord kan de «^^, zoo hij niet vaneen klinkerteeken 
voorzien is, naar willekeur, mst of ^growt^er adspiratie klinken ; 'teerste 
is vaker 't geval, maar toanneer kan niet door een regel bepaald wor- 
den; zoo b. V. spreekt men u^^ eg» o adji en hadji, kt^ «ar ^^ ^^ j 
hasa uit, maar u^ «t^ 0$ \ is altyd hakum. — 'tVoorhechtsel «met | 
een sluitenden neusklank is nooit gèadspireerd (entasak, emhuwe enz.); 
evenmin de praepositie», die daarom ook wel x^o^^^^^^^^^wordt 

Aanm, Die er lust toe heeft, kan het beproeven een regel 






Bainsch klankateheL 35 

vinden door ^t derde stuk van 't Leesb. vlijtig te lezen, daar 't volgen 
van een met kj^ beginnend woord op een klinker tiitgaand wocMrd 
(zie I) ov^r stomme of klinkende h licht kan verspreiden; ik heb 
er den tijd niet toe kunnen vinden. De Mal. spelling kan hem zijïi 
taak gedeéltd^k slechts vergemakkelijken ; b. v. k/^ oc \ CO 
{Jtamha = L-..w«Jb), daarentegen u^ ^o («^ == «W- 

D. De '2r. 

De •2r' is in de volgende gevallen tj: 

I. Na een sluitenden «; b. v. r^ "o ^ 'ZT *«»^*fl^ (^gl. Mandai- 
linffsch D. I op bl. 27). 

II. Als beginner van een lettergreep, zoo in 't woord een andere 
lettergreep 't zij door I, of anderzins met tj begint; b. v. ^gr- "^x \ 
•^r tjontjang (Men. somang ■= Mal. öm^baw ; vgl- MandaiUngsch D. III 
en IV), '2r"150\'2r"SC\ tjinijin^ "ZT tJ^ \ 'Sr -^ »^ \ tje- 
tjedur (A II a), 

III. Waar 't lequivalente woord in T. of M. ü heeft; b. v. 5r "77 
— ^ \ tjekep = tijop (§ 10 aanm.), -sr -zro ming±=Uing^'7^x'^0 
kotjing = kuüng, "Zro*^ "77 ^'*^a^« = tüaha, "ZTO^^^X Jj/ïAo 
= 550X/>x, öö'0^\'2r'77O\ = 00x55*770% (zie 
Wdb.). . 

a, Itt andere gevallen is het niet te zien , wanneer hij « of tj is ; 
b. V. "2^ O x/^ X tjijoy "Zr O ^^ «waA. Dat de spelling in som- 
mige gevallen een hulpmiddel kan wezen , blijkt uit A . II a (on- 
der); b. V. eo tA \ -TT "77 O \ hetjik, maar öö ^ \ "ZT O 
bed = 5ow (T.). Die Mal, Jav. of Sund. kent , zal hier geen 
zwarigheid hebben, daar deze tongval die talen in 't gebruik 
van tj meestal gelijk is; b. v. '2r> 5r7 "ZT tjuwatja even als in 't 
Mal, , maar ^ oo 9^ \ *5 suberang == subarang (Men.) , ^7 
Tl^ \ ir X/^ ^ \ (zie aanm, bl. 9) enz, 

E. Versmelting van klinkers. 

Kegels hieromtrent zyn als in T.; b. v. co X/*^OCO\ODx 

(bai %mbó)y djumpaku {djumpa aku) enz. 't Volgende is hier nog bij op 
te merken : 

I. De adjective voornaamwoorden kunnen den eindklinker van het 
aanhêchtsel o^ , en van de woorden eo t^ (=%>inT.), u^ 
5^5 O j en oo *-> opslurpen , te gelijker tijd in een laatste lettergreep 

den klinker gerekt makende (K); b. v. öO *">0-^0 (P^9^ + ^^0 

3* 



36 Dairmh klanJcUeUü. 

of verkort hagt^ '2rO-<»S5"o\ «idarën (jsidari + «»), CdIc/^ 

-3 \ daê» {bde 4- e»), hagena {hage 4- «w). 

«. <x en OCX (bl. 20 r. 4 v. onder) kunnen voor een sub- 
stantief voomaamw. hun eindklinker verliezen; b. v. •«— ^ 
2T\ OCOXr^ {Uats + i»o + ya), ^ava «ws^w {law + mö + 
flAtt), ma ff^aA:» {ena H- »^o + fl^«). 

II. Woorden die 't voorhechtsel e (met een sluitenden neusklank) 
hebben, verliezen de ë na op een klinker eindigende woorden; b. v. 
•77 *o N '2r "^ \ "07 UT "77 N {kentja + èntasak)^ kutantuwara 
(kula + ëntufoara), mangan montuwara (mangan tno ëntuicara) enz. 

III. 't Aanhechtsel en (= on en a» in T.) verliest zign e na een 
slptklinker, maar doet dezen gerekt klinken; b. v. dolin (dolt + en), 
këbërün (ke 4- beru + ën)^ ëndufin (ënduri 4- en), uwen {uwe 4- ën) 
enz. 

0. tunggan is een versmolten woord, waarin an slechts te her- 
kennen is. 

IV. De voorhechtsels pë (= pa in T.) en kë (== ha in T.) verliezen 
de ë voor met », e en o beginnende woorden; b. v. pëmpatkën {pë 4- 
mpa^ 4- kën)y pida-hidah {pe 4- idah-iddh), pcUhJcën {pë 4- oi»* 4- kën), 
kengëtën {kë -4- ^èi^ 4- ën) enz.; daarentegen met inschuiving van 
een hpëhutcap (van uwap), enpëhalo (van a^). 

a. Tusschen de praepositie f en ënda en ëndi wordt « ingescho- 
ven; b. V. i'S'ënda, i-a-ëndi. 

b. Tusschen het relative ai, en de praepositie i wordt n ingescho- 
ven; b. V. si-n-i-kuta idi («» 4- » 4- kula idi). 

c. Zonderling is de inschuiving vsnp Achierpë, zoowel tusschen 
't eerste gedeelte van 't herhaalde woord als 't tweede, in pëpoto» 
poiokën {pë 4- tweemaal oio 4- kën). Voor idah kan tj als inge- 
schoven gelden in pëtjidahkën ^vgl. MandaiUngseh bl. 29 r. 1, en 
vgl. bl. 36 bij III); evenzoo vóór edur in tjëijedur (vgl. § 8 e). 

F. Gel^kmaUng van klinkers. 

De ë van 't aanhechtsel ën (E III) wordt gelyk aan een u der voor- 
gaande lettergr., meestal zoo deze slechts door een A of r gesloten is; 
b. y,pusuhun {pusuk 4- ën), napurun (= napuran in T.). 

a. Zoo de voorgaande een % heeft, kan de ë daaraan gelijk ge- 
maakt worden, zelfs wanneer die lettergr. door een vaatm mede- 
klinker gesloten is; b. v. kërsikifi {kërsik 4- ën). Vandaar ook, dat 
soms zelfs de ë van 't aanhechtsel ken aan de i der voorgaande let- 



Dairkch ManksteUel. 37 

tergr. gel^'k wordt; b. v. arifikin (arih + kèn)^ boMnkiu (hahin 
4- kën)^ kerikin (keri + ken)\ waaruit blykt dat % helderder is 
dan ». In de meeste gevallen heeft die gelijkmaking plaats, waar 
de voorgaande lettergreep slechts door een iylen medeklinker ge- 
sloten is; van Ó&&T j^eranpn-anginin ^ ketadingin^ ramin ^ gendirin 
(§ 26 = dinggiran), lapikin (= lop^an)^ piUrin (= Mal. pikiran), 
iongkirin {tongkir + en) enz. — De e van 't voorhechtsel ke wordt 
gel\]k aan de % van 't inhechtsel in; b. v. kinigurün uit kë- 
gurutt {këguru + en) en inhechtsel in, Hnidjuwdh (këdjüwah met 
inhechtsel in) enz. 

b. "De ë wordt aan de i of u der volgende dikw^ls geli[jk, zoo 
er een r tusschen staat; b. v. pënurune van surune (in plaats van 
sërune = sarune, zie J IV), kiripit uit een vroeger kërëpU (zie 
A II 3) = Aarqpi^ (T.). 



G. 



Da neusUanken worden aU duiiera vóór een scherpen medeklinker uit- 
gesproken {panHst langaat enz.). 

a. Yan hun volgen van 't geslacht van den volgenden b^inner 
(§ 11 6) vindt men sporen; b. v. dëndang = dmgdang (T.), nam* 
puhun (nang + pukun), maar gëmgëm (§ 11 c), — Ook hier mnta 
(ill 6). 

H. 

VetdiMding van denzelfden medeklinker in de tdUpraak (A. II a.) 
vermeden; van dü&r përlandja =:paUandJa (§ 16), rënren = rorro» (J 15), 
mm» uit nimmuy nina uit 9it»»a (§ 11 6), Woorden met aanhechtsels 
zijn uitgezonderd (b. v. dokken, dahanna enz.); over de uitzondering r*- 
aanna zie oant». bl. 45. 

J. Onderscheid van klanken in JDairisch en Tobasch. 

I. tf dikwijls, waar T. en M. o hebben (A. II 3). 

II. In een ligte laatste geslotene lettei^reep tf of t, waar T. o of ^ 
heeft; b. v. laus = loos, piduk (IX a) = pidong, kijung = ^f^'ony, 
;na»9 = maoe, këtjejur = hastjor, taJmn = ^o», 2a»» = loon, bakin = 
OO 'S^ "o \ » përmain =■ partmaen, pagit = "— v>^ 55 \ , ^o^»* 
s= gaol (§ 26) enz. 

^a»m. Minder vaak u of 1 in twee op elkander volgende lettergr.» 



38 Bavmch klanksUUeL 

waar T. o of ^ heeft; voorbeelden: mukup = mohopy kupul = ^o- 
pci, minik = menek, mitmit = ^yc 5^ \ ^OC 5^ \ enz. 

III. "Voorhechtsels hebben altijd e zoo zij de ligtste lettergr. uit- 
maken (zie bl. 41 in V); b. v. mendok = mandók (T.), merdekeng = mar- 
doking (M.) enz. 

IV. De ligtere lettergreep heeft vaak ^, zoo de volgende letter- 
grepen een verschillenden klinker hebben; b. v. tjeèmi, tjetjedur^ 
semoUh (isi + moUh) enz.; en gaarne i zoo de klinker dier lettergrepen 
gelijk is; b, v. pinurun in plaats van penurun (van turun), pineren in 
plaats van pënerën (van seretty zie § 30 VI), djinaka = djonaha (T.), 
rintaka = roataha (T.), maar indukur naast endukur = anduhur (T.). 

a. Zoo de volgende lettergreep met een lipletter begint, heeft 
de ligtere gaarne u; b. v. tjuwatja^ sutoalang, sumangan, 

V. De klinker van de voorlaatste zware lettergr., wordt gerekt uitge- 
sproken; b. V. pantis, füiury pdsiep, enz. Hieruit 't volgende te verklaren: 

a. e (als è, zie § 5), waar T. of M. i hebben voor een van u of 
o voorziene lettergreep, terwijl o meestal door e vertegenwoordigd 
wordt (A. II b); b. .v. êtium = inum, edjuk = idjuk^ êpuh == ipu 
(Mal. ipuh), epen = ipon (M.), ênget s= ingot ^ engget = inggat 
(M..),pënggel = pinggoL Soms volgt de ë den klinker der zware 
lettergr.; van daar bereng = èiróng (noot op bl. 21), eket = ihot. 
h, o (als o, zie § 6), waar T. of M. u hebben voor een van i, a 
of o voorziene lettergr., terwijl o meestal door ^vertegenwoordigd 
wordt; b. V. kotjing = htUing (D. III), kodën = hudon^ aondat = 
sundaé, tonggar = tunggar enz. Soms volgt de ^ den klinker der 
zware lettergr.; b. v. onong = unóng (noot bl. 21), tokor = ^w- 
^or, olong-olong (IX) = «Zo-A«Zo^ (M.), otoh-otok = «^o-A«tóA 
ö 10). 

Aanm, 1. Buiten den regel staat poZei^ = />2<?m^ {aanm. K), 
-^fl»w. 2. Van woorden als pituy dat naar den regel jp^^w moest zijn, 
zoude men denken, dat zij overgenomen zijn. Van hindu is dat wel 
niet 'te betwijfelen, daar 't schrift blijkens 't gebrek aan een tee- 
ken voor tjy en stomme h (C. I op bl. 84) van T. overgenomen is. 

VI. awa waar T. «o, a oï aba heeft (zie § 17 II). 

VII. eja waar sub-T. en M. aja hebben (zie bl. 16 r. 2 van onder). 

VIII. am vaak waar T. en M. ai hebben (zie bl. 15 r. 9 van onder). 

IX. zeer dikwijls een neusklank als sluiter van een woord, waar 
T. en soms ook M. een scherpen vasten medeklinker van 't zelfde 
geslacht hebben ; b. v. olong-olong (V h.) = ,^ ^r- «77 x N .=v "«^ 



Dairiéch klanksidsel. 39 

^r7x\ (M.), sumanffan = êuman^foiy ongkam (V b.) = u^^^r? 

— \ (zie nader § 30 VI). 

a. 't Omgekeerde ïnpiduk (aanm. onder VIII § 80) =spid(mff (T.). 

X. Vaak aha waar T. of M. ao hebben; b. v. mahal = ntaól (noot 
bl. 21), takan = iaout djahai = ^W/ (zaid-M.)» bahan =s daon (zuid- 
M.), nahan = "^u^nSx V enz. 

XI. Eenlettergrepige gesloten woorden hebben den klinker gerekt; 
b. y. bük^ güng, kin enz. 

a. Diergel^ke woorden zijn soms in T. of M. tweelettergrepig 
met een o als voorslag (bl. 48 !**.); b. v. bak = ohik, gung = 
ogung: maar Mn is uit kijen = •77 0T>^"o^ (T»)- I^ voor- 
slag heeft in dezen tongval ook wel een neusklank tot sluiter; 
b. V. empat = opat (T. en M.). 

b, Eerdettergrepige vooral opene voorden, hebben ook twee gelijke 
door een h gescheiden klinkers; b. y. tuhu = tu (Malaga8i;jBn T. 
in tutu), lehe = Ie in nudé (T.), nehe = ne {Sumbawa), pikir =spir 
(T.), enz. (vgl. bl. 43 2^). 

Aant. 't Moderne Mal. heeft den eenlettergrepigen vorm, waar 
onder anderen Men., 't Mal. der geschriften» en Makassaarsch 
den tweelettergrepigen heeft met a of ha beginnende; b. v. lang 
= alang (Men. «bb), djung of djong (sfjj^ Perz.?) = ad^ung 
(Aö-I)> ^>V (Perz. viJLij)=o^a«^(ft3l), lat = alat (^^:^\ lui 
= alut (eiJlib blijkens 't Mandail. -77 x ^^^ 55 ^» ^** over- 
genomen is, daar 't anders olut zoude zijn), long (doodkist) =z 
alung (Mak.J, nu (Mal. van Palembang) = dnow (Men.), nU = 
hdrai (Men.) enz. Menangkabowsch scheidt soms den klinker in 
tweeën door h; b. v. djihin = djin (Ar.), ruhun (§ 30 III e.) = 
rum (Ar. Mal. ^. eigeun.). 't Sundaseh maakt den klinker dub- 
bel zonder scheider; b. v. schat = sat in asat (Jav.), do-o^ = bol 
. (Jav.), gu'ung of go-ong = ^»«^ of ^0»^ (Mal.), bu-uk = iS* 
(XI a), ^ê.«« = ^i» (Jav.), du-urn = e?i«« (Jav.), Ai«-itó = hut in 
«Airf (D., Tag. ohoi), ka-ak oiga-ak == kak (D.) of ^o* (T.), efe- 
eng = ^1»^ in dengdeng (Jav.). 
Xn. i:^ even als in M. (zie bl. 29 bij I) waar T. Il heeft; b. v. toU 
dang (V b) = tuUang, 

a. Alleen staat embalno (§ 30 IX) = maUo (T.), maZe^o (M.; vgl. 
Men. manow). 
XIII. ^ even als in M. in 't aldaar (bl. 30 bij IV) vermelde geval, 
waar T. l heeft; b. v. sodip == silnp (§ 25), duhalang (ook Men.) uit tdu- 



40 Bairisch ilankstelseL 

Idlang (zie a. bl. 41); vgl. damn (Men.) = lasma (zie mum, 1 bl. 46); 
bidaïaq (Mak.) naast bilaldq (Ar. Mal. èÜtd) enz. 

XIV. di wel eens waar T. dji heeft; b. v. iadi = fe^ï, ^«im?»^ == 
ffandjü, djodi =z djudji (V è); 't geen zonderling is, daar deze tongval 
anders iji boven ü trekt (bl. 35 III). Minder vaak du waar T. dju heeft; 
b. V. ro^tfi» == radjum, edur (V o) = idfur. ' 

K. Klemioon, 

Deze is*te kennen uit de plaats van de ^(A. II è), tei-wijl een ge- 
rekte klinker in een laatste lettergreep plaats nemende op dtjze den 
klemtoon laat vallen (E I en III). — De uitzondering dehatd, dat hier 
debeta moest zijn, of dibdta (§ 22 III d^ op bl. 45) worden, is te wijten 
aan overname van 't woord uit 't Tobasch; men spreekt het ook debMa 
uit (vgl.de geciteerde plaats onder). 

Aanm, Daar deze tongval een e heeft, en dien klinker ook in 
een laatste lettergreep (bl. 33 b) bezigt, zoo heeft hij ook een ligtere 
laatste lettergreep, wat in T; en M. uit gebrek aan den kleurloozen 
klinker niet 't geval kan zijn; van daar pdei (bl. 36 acmm, 1), 
waarin e door de rekking der voorlaatste A)l. 38 V) moet gekomen 
zijn. Uit de rekking van den klinker in de voorlaatste zware let- 
tergreep is ook 't volgende te verklaren. 

I. De vooraanstaande ligtere lettergreep vaak weggeworpen, waar 
zij in T. of M. met een klinker begint; b. v. bara = abaray rirang = 
arirang^ goni naast agoni. Zoo zij met eeu neusklank gesloten is, en de 
volgende lettergreep met een stompen medeklinker begint, kan deze 
ook door den neusklank weggestooten worden; b. v. nakan = indahan^ 
lalu in pi. V. wdu (§ 30 IV) = andcdu oiindalu; maar balo = imlalo^ 
ëndukur = anduhur, en enderatja = naratja (Mal.). 

a. Zoo zij met een scherpen medeklinker begint , kan slechts de 
klinker wegvallen; b. v. tjemun naast erdjemun = u*^ -3 \ •jj-' O 
OC ""ÖT \ > tjutèan naast ënijuwan = u*> -3 \ •27 5r7 "73 N of 

u^ -30 \ "Z? ^^ "o \ (b^- ^3 ^' 2 V. onder). 

b. De praepositie i wordt vóór een woord vaak weggelaten ; b. v. 
sënda en aëndi in pi. v. i-s-enda en i-s-ëndi (E. IV «), dokken = 
i dokken. Door dat het zoo dikwijls voor tweelettergrepigc woor- 
den geschiedde, heeft men 't zelfs voor eenlettergrepige woorden 
gaan doen; b. v. dok = i dok, 

II. 't Voorhechtsel me, zoo 't door e^n neusklank gesloten is, die 
in sommige gevallen den beginner van 't stamwoord wcgstoot, valt 



DairUch klankstelseL 41 

soms weg, zoo de volgende zware met een m begmt; b. v. muipai in 
plaats van memutoat, munuh in plaats van memunuh (van bumik) = nM- 
munu (T.), magahken in plaats van memagahJeen (van bagak), mahan in 
plaats van memahan (van bahan); daarentegen mëmukar. 

ni. 't Yoorhechtsel me (zonder sluitenden neusklank) wordt vóór 
alle medeklinkers, uitgezonderd l, r en h — daar vddr deze mede- 
klinker geen sluitende neusklank kan uitgesproken worden — omge- 
zet, zoodat er ë uit ontstaat met een sluitenden neusklank van 't geslacht 
van den beginner van 't stamwoord; b. v. empenghe = oc "* ^7 
(T.), ëmbyar in pi. v. mëbyar = mabyar (T.), ëniar in pi. v. mëioTt 
ënggëluh in plaats van megëluh (= oC < X **T > zie § 80 IX), maar 
mëhangke, mêlampisy meritUjan, — remuwar is misschien in plaats Van 
mëruwar (§ 25). Begint *t stamw. met een klinker, dan gaat ë verlo- 
ren; b. V. mela = maüa (T.), moto == maoto (T.) enz. 

a. Deze tongval heeft ongaarne woorden van meer dan drie let- 
tergrepen; van daar tjingano (D. III) = u^ -75 \ 5^ O < "^ x> 
kikëtang^ waarvoor m^ blijkens oc "^ 'PO X 55 (M., zie bl. 27 
r. S) moet weggevaUen zijn; evenzoo: kipangan. Van daar ook tu- 
fcara naast ërUuaoara (antu + ara), jpërbeyan uit pamè^'an^për' 
main miparumaeny dubalang = «Zv^oZa»^ (bl. 39 r. 1 v. o.). 
lY. 't Aanhechtsel ^, de overmaat uitdrukkende, trekt den klemtoon 
(§ 20 II a): ëntorau. De klemtoon van den vocativus is als in T. en M. 
y. In een ligtste lettergreep moet deze tongval e hebben; b. v. mer» 
dëkeng = malliking (§ 28 I £), bëmii = bamtt, bëlgah = balgd: men- 
dok = mandók enz. 

Dairische Leesoefening. (Tekst zie Leesb. Hl bl. 121). 

{Bindu-gëdang) Manuk-manuk saip-ladang/// asa lot mo kunukèn 
suhut sukuten amija i sukutkën sintêrëm lako bangku, asa ku-surat- 
kên mi kêrta-sena, .asa i bètoh kono, alé si-mengguru sukuten, asa i 
peterem kono nola bai sideban. Asa lot mo kunukën piduk arnija mêr- 
gêrar manak-manuk saip ladang; tab i dike nari rohna, malot i bêtoh 
sintêrëm kerèrohna, i kuso si-midahsa pe kunukën, malot i bagah- 
kën bëkasna rob, gërarna ngo kunukën kantja i bagahkën mërgërar 
manuk-manuk saip-ladaug; malot kunukën mërbukbuk manuk-manuk 
saip-lada-ngidi; gahgah mëngangkat ngangkat ngo kantja i tanoh, gah- 
gah mërdëngak-dëngak soraua pida-hidah .piduk si-deban mëngkehe 
mëngkiilu merkabangën, kënan panganën. Asa gahgah mo kunukën 
mëngangkat ngangkat manuk-manuk saip-lada-ngidi; idah mo kunu- 



42 Bairisch klanksteUel. 

keu merbuwah kiju-ara tuganBa mërbelgah kajuna» tuganna ^jumê* 
rangkar dahanna, taganna binbiu bawahna, tuganna mèrsembur piduk 
êmbelgak bëlgab» dëkêt piduk kedek*kedek, dêkët binatang i datas ma- 
ngani bawah kaja-ara idi, eada pe malot ëndabuh buwah kaju ara idi 
djumpa manuk-manok saip lada-ngidi, makin kèlëk-këlêk i bakin so- 
rana idi, menger mo kunukën i b%e-ntjawi; i pêsulak mo kunukên 
i iongkir ênggang; "lako mo ko lêbekên tongkir alé ënggang si-mër 
dëngak-dëngak i tëru-hidi; menger mo ku-bëge tipat ari tipat bërngin; 
tah kade si-ni-dokna asa menger, nina, iga;'* bagi mo i dokken ënija- 
wi. "Uwe;" dok ënggang. Asa lako mija tuhu; këntja soh yami te- 
ruh, moogkam mo kunukën ënggang: "Kasa kono menger alé i tëru- 
hena; hapil, nina, i dëngkoh kaltu i datas, tërpëdëm pe kaltu mada i 
bakin soramu mërdëngak-dënga-kidi ;" bagi mo kata ëngga-ngidi. Asa 
mongkam mo manuk-manuk saip-ladang: asa menger pe aku, alë ëng- 
gang, bakin mëlehe ngaku ku-akap bakin malot aku kënan panganën; 
ku-idah kene kërina mangani buwab i datas, ku-tulus i tëru-hena, tab 
lot g^am sada ëndabub djumpaku katengku, asa ku-pangan, ëntëng 
sada pe g^'am malot djumpaku; i mo, asa mërdëngak dëngak aku gah- 
gah; muda masih mango atemu midah au, tarubkën nahan bangku 
buwah kaju-ara idi"; bagi mo dok manuk-manuk saip-ladang. ''Uwe"; 
dok ënggang. Asa molih miga midatas; këntja soh ija midatas, i kuso 
ëntjawi mo ënggang: ''Kade mango alë ënggaogl asa menger, nina ma- 
nuk-manuk saip-ladang?"; bagi mo dok ëntjawi. Asa mërdëngak-dën- 
gak pe ijja, nina, alé-enijawi! bakin mëlehe ngo, nina, ija malot ma- 
ngan; malot ija norok kabang mënulus panganënna, bakin malo-tija 
mërbukbuk; ku-taruhkën, nina, buwah kaju-ara ena bana, asa lot, nina, 
panganënna enz. 



II. WOORDVORM. 



§ 



I. De meeste stamwoorden zijn tweelettergrepig. Die van meer dan 
vier lettergrepen zijn even zeldzaam als eenlettergrepige, die geen 
betrekking beteekenen. Die van vier lettergrepen worden of als twee- 
lettergrepige woorden uitgesproken (§ 18 o), of ondergaan in de eerste 
twee lettergrepen veranderingen (zie IV bl. 47). 

II. Eenlettergrepige hebben een bij-vorm die tweelettergrepig is ; die 
tweelcttergrepige ziet er op de volgende twee wijzen uit: 



§ 22. Woordvorm, 43 

1°. H^ heeft een o {e in BairUchy bl, 33 h) als eerste lettergreep, 't zy 
open, 't zij door een neosklank gesloten; b. v. omas naast maSy orak 
naast >aA, o«^^(w naast gosy ontjU (M.) uit Mal. tjU (vgl. i^ 2**.), odjitn 
naast (>(/«»» (vgl. XI a., en oa»^. op bl. 89). 

Aanm^ Soms met onderscheid van beteekenis; b. v. onggang 
of enggang (D.) rhinoceros-vogel maar ^a»^ ('t geluid van dien 
vogel); vgl. Jav. ënghak met kak in D. en AaAr in T., opat of 
«»/?a< (D.) 't getal 4, maar pat (zie Wdb.). In pi. v. o vindt 
men wegens § 28 I, ook andere klinkers; b. v. inggot (M.) = onggot 
enz. 

2*. Hy heeft den klinker in tweeën gescheiden door een hoi to ; 
b. V. iihU uit Mïd. (/i< (vgl. ontjit in 1^.), ^oAoZ (nóord-M.) uit Holl. 
kooli lehe {DairUch^ zie h en de aant. bl. 39), ^o^odf (Bifi^j.) = ^^, jw- 
hang (M.) =zpang (T.), mAkj' uit «ww^ (zie öa«^. bl. 15), hohok (Tag.) = 
dw/fc (D.), sahang (Dajaksch) = sang (Bim.), kdhar (Batav. Mal.) uit 't 
Nederd. kar, amk (D.) = ak (T.). ^ 

Aanm, j als scheider van den klinker vindt m^n.in lajan (M.) = 
lahan (D.), dié beiden vap een lan moeten uitgegaan zijn; even zooj 
in ajaq (Mak.) = atcak (D.) uit een oA; (zoo als in T.); en in majas] 
(in de Eng. werken over Borneo mtas gespeld) = mawaa (n**. 5 
bl. 14). 

Aant, dahan (D.; ook Mal.) moet uit een dan ontstaan zijn 
bligkens edan in 't Dajaksch, waar het denkelijk edan zal mee- 
sproken worden, zoodat het dan eigentlijk een eenlettergrepig 
woord is (zie boven 1^. Het is niet altijd mogelijk te bepalen,, 
welke vorm de oorspronkelijke is, daar door 't wegvallen van 
een «?, of h tusschen twee a's een eenlettergrepige vorm kan ont- 
staan; zoo b. V. kan djat in noord-M. ontstaan z\}Xi mi dj ahai(p, 
en Mal.) of djaicat (sub-T. zie n®. 22 bl. 15), maar met even 
groote waarschijnlijkheid kunnen djakat en djawat door 2**. van 
djat uitgegaan zijn. 't Jav. harambang (tweemaal hang met 't 
invoegsel ar) moet van hang (rood) afgeleid worclen, en is dus 
't zelfde woord als 't Mal. hatcang, dat 't zelfde (roode ui) be- 
teekent i. 
m. Drieletlergrepige woorden hebben vaak een bijvorm , die twee- 
lettergrepig is, en soms in een tongval of zustertaai te vinden is; wat 



Vgl. koning (D. eureuma) met kuning (Mal. geel; zie verder "Wdb. onder 
hunik). 



44 Woordvorm, § 22. 

uit de natuur van de ligtere lettergreep te verklaren is; b. v. tampu-- 
ning (M.), tmpoling (D.) =poning; w^ -3 \ 55 s^ \ a&r (attur^ 
bung) naast iurbung; tindawan (Men.), tjendatoan (Mal.) = dawan; 
•^X'T? ^ \ = bidokar (D.), (?»/fl«^ = binduUmg (D.); djüatang 
(Men.), djalatang (Mal.) = latong^ lateng (Ja v.); ampcUam (Mal. c VII 
§ 30) = ^jc'Z^ (Jav.); ^«^w^ (Mal.) uit ttZ«-^«^ (zie aa»^. onder VI § 30) 
enz. (vgl. Dairisch K. 1 op bl. 40). 

o. Uit de vei^elijking blijkt het, dat de ligtere lettergreep (§ 18) 
nu eens gesloten, dan weder open is, en zelfs, dat men haar ge- 
sloten heeft in overgenomen woorden; h, Y,pUudar =zbintudar 
(D., zie bl. 46 bij «1*), sugapa (M.) = sunggapa^ \r^ 0$ \ ""■ 
OC uit upama (Sanscr.), '2r "or^ 55 x *5 = sMra (Mal.; 
uit Sanscr. mtra)^ pahadja (Jav.) uit Sanscr. pangJcadja^ tjempakxi 
naast tjëpaka (Jav.), tenghuluk (D.) = tahuluk; rigarung (D.) =. 
ringgarungy langkawas (Bisig.) uit lakatoaa (§ 25 II), enz. 

5. Drielettergrepige woorden, die met een « beginnen, hebben 
vaak twee vormen, waarvan de een met su^ en de andere met si 
begint; b. v. subodak naast sibodaky mmangot naast simangot, au- 
ranhon naast sirambon, sikkora naast sukkord, aittora naast sut" 
tord enz.; vgl. ook eyalang met mwalang (D.). De naam van *t 
o- teeken (x) namentlijk sikora (§ 3) is aldus uit 't Sanscr. tjakra 
(§ 7 aanm, 6) ontstaan, en beteekende dus rad (^ 25 IV); even- 
zoo sindor (ƒ aanm, 1 bl. 46) liit sandara. Hier schijnt de betee- 
kenis van 't voorhechtsel si invloed uitgeoefend te hebben, want 
door si te nemen gaf men 't woord de gedaante van een tweelet- 
tergrepig stam woord, waarvóór dat voorhechtsel was gekomen. 
In de ligtere lettergreep ook van woorden, die niet met een 9 be- 
ginnen, vindt men nu eens t, dan eens «, meestal zoo de vol- 
gende lettergrepen ongelijke klinkers hebben; b. v. bituha naast 
btduka^ w*>Ö'5^"C/^ naast u^-p^x/j'. 
Aanm. pinasa uit panasa (Sanscr.) schijnt door *t Dairisch (zie 
bi. 38 IV) of een andere taal in T. gekomen te zijn. 

c. Drielettergrepige woorden, wier twee laatste lettergrepen van 
a voorzien zijn, hebben in T. in de ligtere lettergr. gaarne o; b. v. 
otara uit utara (Mal., Sanscr. uttara) , sowara uit suwara (M. en 
Mal. enz., Sanscr. swara), djonaha = djinaka (D., zie bl. 38 IV), 
rostaha = rintaka (D.), sondjata = sindjata (M.) enz; o alhier 
wordt verklaard uit zijn waarde als vertegenwoordiger van den 
kleurloozen klinker {Bairisch, bl.33 II h). Enkele woorden hebben 



12. Woofdvorm. 45 

er a naast; b. V. koaaja naast Aasaja. Zoo de laatste lettergreep 
i heeft en de voorlaatste o, ia u geliefd; b. v. unggoris^ vnggoU 
en ffuppani. Zelfs afgeleide woorden kannen in de ligtere letter- 
greep een anderen klinker hebben, dan hun toekomt naar *i stam- 
woord; b. y. parangan uit porangan (staraw. porang)^ todingkon 
naast todingkon; Tgl. ook harbangan = horhangan (M.), ramhowan 
= romhowan. Dat a in de ligtere lettergr. ook geliefd is, blijkt wel 
uit de uitspraak der voorhechtsels 5^ «9 x \ > OC ^9 x \ en 
"^ *9X\ (§ ö IV), die voor 'tstamwoord hun gewigt verlie- 
^ zen (§ 20). Naast umhaen vindt men imbaen en amiaen, M. heeft 
anggoris = tmggoriSy enpamondnr = humondur (bl. 46 2**.). 

^aii^. Bajaksch heeft er gaarne a, zelfs wanneer de klinker 
der eerste lettergreep van 't stamwoord een andere is; b. v. éfa- 
Man =. durijan (Mal.) van duM == duri (Mal.)» haputan van pu- 
put en an (zie e 1".) enz. 

<?. Zelden vindt men e in de ligtere lettergreep; van daar ook 
de op bl. 16 r. 6 v. o. vermelde uitspraak. Dit is dan ook de 
reden , waarom M. van debate ^ toen het den klemtoon op de voor- 
laatste van 't woord als substantief (§ 19 aanm,) had verlegd, de e 
in % veranderd heeft , daar de e slechts te dulden is in een Ugte (§ 18) 
lettergreep. Hieruit te verklaren djinaka (D.) uit djamaka (Sanscr. 
kleine of verachtel^ke I)jaina of Budhist), want 't is immers de 
eigenn. van een persoon , die partij trekt van de ligtgeloovigheid 
der mensdhen, zijn schuldeischers met praatjes den mond vullen- 
de, terwijl het in 't Mal. de bijnaam is van itnpalanduky als held 
van de fabel, die op de geestelijkheid een satyre bevat, en een 
bewijs van anti-Budhisme i^. Om dezelfde reden is ook nairHï 
(Sanscr.; Bal. neriti) nariH geworden; vgl. Jav. kimawony kitoala 
naast kemawont kernla^ enz. 
Aanm, In D. vindt men resanna, dat uit T. {irisanna) overgeno- 
men is, daar de benaming der windstreken meer in de wigchel- 
letterkunde, die b^ de Dairisch sprekenden van Toba gekomen is, 
te huis hooren, dan in 't dagelijksche leven (vgl. bl. 83 r. 2 v. o). 
Jant, In talen die ë hebben, zoo als b. v. 't Javaansch, kan 
natuurlijk de o niet anders dan als een gewope o, en dus als 
een zamengetrokken tweeklank (au) beschouwd worden; van 
daar. dat 't Jav. ook in overgenomen woorden in de ligtere 
lettergreep gaarne een anderen klinker neemt in plaats van o; 
b. v. gapura uit gopura (Sanscr,), sugata uit sogata (Sanscr.) enz. 



46 Woordvorm, § 22. 

e. Als beginners van de ligtere lettergreep ziet men naast elkander 
optreden: 

1°. scherpe en stompe medeklinkers; b. v. pUudar = hmtudar 
(a III bl. 44), Hndjaro (M.) uit^ïwe^'örö (Men.), garandam (Mal.) 
uit Urandam (Tamil.) enz. 

2°. Gelijhgradige medekUnkers; b. v. tüubmg == pilubang; sU' 
rangkap naast turangkap =r pirangkap (Men.); j^oZat^ = kaiawU 
(Tag., bl. 15 bij IV), ' paringgi ^hsringgi (Mqh.); pamondur (M.) 
=' jWo«<ftfr «= ^«t^ttrfwr (Mal.); sappinur = tmpenur (D.); ^a- 
rambodja (Mal.) nit tarawbudja (Sanscr.); i^MrZa^a naast mrMa; ke- 
taring (D.) = taiaring; pamukuauq (Mak.) = kermkue (Jav.); H- 
M^» (D:) = pamarti; pmnasa = tjmmiija; stdembe (M.) = ^- 

Zawidtf^ (Men. «i : zekere boschgeest, zie § 28 aanm.); djak- 

pang (Daj.) = galapang; darghaju naast garghaju (Mal.); simbora 
uit ^^M?ra (Sanscr.; zie a bl. 44, en bl. 13 bij II); balemen (D.) = 
daloman j bolita = ^o&'to (Mal.). 

3". Boorklinkera (bl. 6 r. 3 v. o.); b. v. rambotik=: sambotik; 
ss§ T? O jT* = longMm. 

4°. Neusklanken met stompe medeklinkers (zie $ 30 VIII). 

5**. ^ en » (§ 80 IV), en minder vaak * en * (§ 30 XI). 
jdant. 'Maleisch heeft als beginner der ligtére lettergreep vaak 

^' waar Menangkabowsch t heeft; b. v. tjdngkada=itdngkaday 

tjandamn = tindawan, tjantadu ;= tmtadu enz. Soms heeft het 

t waar Jav. tj heeft; b. v. tarubuk = tjërubuk (Jav.), tdmpuUng 

= tjemptding, 

ƒ. Door 't streven naar tweelettergrepigheid (I), vindt men vaak 
de afknoiMng der ligtere lettergr. bij door 't invoegsel urn afgeleide 
woorden; van daar moru uit tumoru (van toru), terwijjl D. ^»ml'- 
re;^ (van teruh) heeft behouden ($ 18); masak uit tumasak (van ^- 
«a^), muldak (M.) uit djumiddak = djumuüak (van djudak^djur- 
lak; zie § 16 a). Deze afknotting is regel, zoo 'tstamwoord met 
een lipletter begint, en de afgeleide vorm een bijzondere betee- 
kenis heeft (hierover nader). 

Janm. 1. De afknotting van een laatste lettergreep heeft zelde^i 
plaats; voorbeelden: dndor uit een vroeger sindora (zie b op bl. 
44), angkus (Jav.) uit angkusa (Sanscr.), sindur (Jav.) = sindura 
(D., Sanscr.), dasun (Men.) = lasuna (uit 't Sanscr., vgl. Bairisch 
bl. 40 r. 1). 

Aanm, 2. Zoo woorden een lettergreep meer krijgen, dan is 't 



J 22. Woordvorm. 47 

vertegenwoordigen van een h of een halfklinker door een klinker 
de oorzaak (zie b. v. § 17 II, bl. IG r. 4, § 30 IL aanm. 2). 
IV. Vierleiter^repige woorden helsben vaak een drielettergrepigen 
bijvorm , door wegwerping van een der twee eerste lettergrepen (vgl. 
Bamich a. op bl. 41); b. v. artyan'oa&i u^«^ -30% 5^0X/^. 
Dtkwyh is de weggeworpen lettergreep de 'tweede; b. Y.saknff^am nii 
Men. iiddUnffgaffi (TamiL saditUnggamy, këndaka (Mal., tsie a. bl. 44), 
gidaga (Men.) nit kapardtika (Sanger.); matpati (Mal. duif) nit hhar- 
japaii (Sanscr. een getrouwd paar^ { 30 VIII); djapaU (Sund, duif) uit 
djc^apati (Sanscr. een gdroutod paar); dj^keria (iM,)tdidJajakeria; 
angkara (Mal.) nit dhangkara (Sanscr.), ^arpalej (Mal.) nit kiripiUei 
(Tamil.), parsapan uit pamapan (p9r + isap -^ an); tomöara uit to- 
rumbara; ndandak uit wga-landak ('t laatste woord is in'Mal* gebrui- 
kelijk); tanguma (M.) uit ionga-uma enz. Zelden valt de eerste letter- 
greep van de laatste twee weg; voorbeelden zijn i5t»a^a'(D.) = 5o»i- 
jaga; êinaga (naam van een marga), waar de beteekenisi van ei (zie ö 
bl. 44) ook gewerkt heeft, = tjunijaga (Men. naam van een suku), 

a. Herhaalde tweelettergrepige woorden verliezen den scheiden- 
den medeklinker meestal in 't eerste: ^7^ ö 'PT^ O X/^ "o ^ 
(tweemaal h^afC)^ "77 ö 'T^ O X/^ x naast 'T^OX/^X'T^O 
X/^x, dakdanak in pi. v. danak-dana^ ^ balbahulm^h v. bahüln 
hahtdy Kt^ -7^ -^ < "S \ (JlOa.) uit ^^ rpo -<^ (tweemaal 
hadang) + aanhechtsel a», mdmbarang (nit èangèdrangy § 80 YIII) 
== 6arang*èarang (Mal.), r<f;or ra^'or naast ^'or «yor . In palakpak (uit 
palak-palaK) is 't laatste verkort.. Zoo zijrechter met een klinker be- 
ginnen, worden zij niet verkoi^^, maar trekken soms hun sluiter 
voor 'tgebcele wooid; b. v. gulok-gulök uit tweemaal'»Zo^, alwaar 
de g in plaats van k wegens § 30 I moest komen, ptQup^jup uit 
vjup*ujiqf; vgl. kanak-'kanak (Mal.) = anak-^nak (D.). 
è. Zoo zi|j geen verkorting ondergaan, dan gebeurt 't volgende: 
1**. De twee eerste lettergrepen worden in een bekend woord 
, verknoeid, zoodat 't geheele woord 't voorkomen heeft van een uit 
twee woorden bestaand woord; b. v. Hra-lenggam = eaUnggam 
(zie boven in IV), zoodat 't de beteekenis heeft van lenggam- 
zout in overeenstemming met sira-sandao (salpeter; vgl. sirabun 
en siragong in 't Wdk); <-^*» ^^^ "o O \ ^^ O X^ uit v/*> -^ 
-^0\ 55! O X^ (de sluitende n zie a bl. 44) door aan ari 
(dag) te denken; even zoo tjina-buta (zie aant, bl. 19) uit tjikni- 
bkuta (Sanscr.). 



48 Woordvorm. J 22. 

2**. In de twee eerste lettergrepen geschiedt 't zelfde wat boven 
Tan de drieléttergrepige woorden gezegd is , door dat men ze 
niet door middel van een bekend woord kan vjisthouden; b. v. 
hahodaga uit kapardaka (IV), mangy amun in plaats van manyapwn 
(van sjgamun d. i. «» + hamun), d^apari uit öyapari (Men.); suba-- 
hai uit d-babai (van èa&a)P;.manis^a (T.) = manusya (M.), pura- 
sani (Jnv.) = kuraaani (Mal. <jUp-), "^ "o N 52 -=. ^^ 
uit Mantmoej (§ ao III); katokeren (D.) == paiikoran, amisara 
(M.) uit a»i<9tt7am (Sanscr.), samUara naast aamesara (zie bl. IS 
* r. 8 y. o.)'*mt Sanscr. êaimtjara. Zelfs kennelyk afgeleide of 
zamengestelde woorden ontsnappen soms die veranderingen niett* 
van daar o^ "S \ 55 <S- j=l naast u^ "S^ xS^ ^ .» , 
harwacan naast harumwan en ^ro^tftrofs (M.) ; hwrahum (baro ■+■ 
bunt) enz. 

^a»^. 't Jav. aaratoedi is in 't Mal. zelfs tweelettergrepig gewor- 
den (sardi); zoo ook pdk;/[it in sapakat (eensgezind) uit 't Ar. 

Y. Vjjflettergrepige woorden , welke meestal kennel^k afgeleide zijn , 
ondergaan soms ook in 't eerste gedeelte (§ 18 d) de in III en IV ver- 
melde veranderingen ;'»b. v. daramoanuwa (daro + J» + banuwd)^ sari- 
maiuwa ■=-■ mur-matutoa (§ 25 II!Q enz. 

a. Zqo de tweede lettergr. door een neusklank gesloten is, die 
vóór een scherpen medeklinker als beginner van de volgende let- 
tergr. staat, dan valt hij soms zelfs in 't schrift (§ 11) weg; b. v. 
•T?'^— O — X-^XOC-oX\ {y^n podom) naast -7^ •«— 

OCOX X^^XCC-oXX, 'T?*— 0-^^\"T"^ 

•3 X \ (van purpur) naast -77 ir— oc O \ "^ ^% \ "T* ^^ 
*-3X\« In deze woorden, die men als kennelijk afgeleid be- 
grijpt, is toch de p als sluiter niet te hooren, daar op 't tweede 
gedeelte de volle klemtoon is (§ 18 a). Daarentegen altijd 'T? ' 
'«^0'7752X\'^7x52-oX\ haUkkokkoton (§ 14 a), daar 
hier de ng natuurlijk niet wegvallen kain, daar het dan kdUhokr 
koton^ en dus onkenbaar zou worden. 

§ 23. 

Sluitende medeklinkers. 

.1. Als sluiters kunnen optreden de scherpe medeklinkers, de ueus- 
klankeii en de trillers. 1 



$ 23. Woordvorm, 49 

a. De scherpe Terliemelte-medeklinker en de neusklank vnn 
't zelfde geslacht zijn er van uitgezonderd (§ 7 aanm. 10). 
d. D. heeft ook een h als sluiter (zie bl. 32 I). 

II. Twee medeklinkers tegelijk kunnen noch sluiters noch begin- 
ners van een lettergreep zijn; b. v. u^ «"^ 5^ o \ ^"^ x i^ aliüo 
en niet ali-tlo; de klemtoon op de voorlaatste doet het als één woord 
kennen (§ 19 b). ^ 

III. Als sluiters van een lettergreep in een woord zijn geliefd 
1°. de neusklanken vóór een va«^^»^ medeklinker van hun geslacht, en 
2*. de doorklinkers. 

a. De u kan als sluiter vóór s niet uitgesproken worden (zie 
$ 11, bl. 27 I, en bl. 85 1). Daarentegen is ng op dezelfde plaats 
geliefd; b. v. -^ 'zr (uitspraak in T. en noord-M. zie § 11) 
kanffm (D.) = kansS (Men.). > 

Aanm, 1. In 't Men. is n, als sluiter vóór % overal, waar Mal. 
ng heeft; b. v. Ian8at=: langsat, Diergelijke woorden overgenomen 
worden op zijn Bataksch uitgesproken; van daar latsat (T., § 11), 
laiijat (noord-M.), lanljat (zuid-M.), en langs(U(D). Soms heeft 
zoo'n woord twee vormen , d'een in overeenkomst met het Mal. 
en d'ander met 't Men.; b. f. ^5-* 5r en* 5r— -3 \ 5- uit 't 
Men. IdnseJ (§ 28 la.), 't geen in 't Mal. langsef zoude zijn; van 
daar <X>is\'2ryZ\ = c»5-2^Tr7\ (D.), ^: S ^ "ZT 

Aanm, 2. De ng wordt dikwijls als sluiter w^ens § 11 vóór « 
en i geschreven; b. v. ^^^ "zr O "o ^^ "^T x 5^ O hoewel zy 
de Indische woorden dahdna en ijakii (Jav. aeJctt) zijn. Daar zuid- 
M. en D. ze in overeenstemming met de hun eigene uitspr. dcatg- 
êina en «0»^^» uitgesproken, zoo moeten zij ze van T. overgeno- 
men hebben (vgl. bl. 45 aanm.), 

Aanm. 3. Een n als sluiter vóór ^ of r komt nooit voor dan iu 
't onder (IV) vermelde geval , en van een ng als sluiter vóór een 
l heeft mcA slechts een paar voorbeelden; b. v. bungle, waarnaast 
burUy en djingla, waar naast djüla. 

IV. Ieder medeklinker, die sluiter van een woord kan zijn, kan 
het in een woord van een lettergreep zijn, zoo het uit lettergrepen be- 
staat, die wat betreft sluiter en beginner gelijk zijn; b. v. — t> OCX \ 

■■^OCXX, -^X^, *^ "ÖX V^^-OXN, 00*— \^ 
^^\»'77'2TN'?^'2rr\, ^<»0-<»0, -^'^7X\^^'77X\, 
-*--5 (D.), 'cr-oCXN'^OCXN, '«^ "o N "*" "^ \ > *2r 



50 Woordvorm. § 23. 

— . X \ "2^ — X \ enz. Hier ia echter op de uitspraak van som- 
mige dier woorden in T. (§ 11 c, § 14 a en § 15) te letten. 

«. In diergelijke woorden volgt zelfs in D., waar c § 11 in den 
regel niet plaats heeft, de neusklank wel eens 't geslacht van den 
beginner; b. v. dendang (D.) = dongdang (T.); vgl. dinding (Mal.) 
= dingding, ganggam (Mal.) = gemgem (D.) enz. 

h. Soms hebben zij een bij-vorm, waarin de sluiter der eerste 
lettergreep niet aanwezig is; b. v. ^— x ^"^ OC x \ = *^ OC 
x\^**OCX\tH^>(Mal.)= •77*2ro\'7^'2ro\>^^^«» 
(Jav.) ^=gemgem (ü.), gagah (Mal.) = gahgah (D., vgl. gegoh en 
gogo)^ soBal (Mal.) = yT'^e— x\'2r'«^x\ enz. 

Aant. 1. 't Makassaarsch vertegenwoordigt den sluiter der eer- 
ste lettergreep door een opgeslokte *, tenzij die een neusklank 
is, die Vüór een beginnende r, waarvoor een sluitende n geliefd 
is, n wordt; b. v. hdqbalaq = öO «"■ \ Oö <"~ \, keL-maqma" 
hng = bolèol (in salimhoUolon , zie § 30 VIII), kiqkiatq = *7^ 
"ir o \ "^y '2r o \ > raqraq = dopdap; maar rinring = ding- 
ding, ronrong = domdom enz. De ng en k niet als sluiters voor 
een 8 geliefd zijnde , zoo vindt men in plaats dezer medeklin- 
kers slechts den klinker als ware hij gesloten uitgesproken; b. 
v. sosong = songsong (Mal.), lèsereq = lipgsir {Mah), gasa = 
gangsa, sesa = siksa, parha = pariksa\ sisiq uit een vroeger 
siqsiq^ sèsang = "Z^xtZrJc, en^r. Zoo moet èisu uit bkiksu 
(Sanscr.) ontstaan zijn. 

Jont. 2, 't Makass. en Bug. hebben gaarne n als sluiter vóór 
een r {aant, 1). Zulke woorden in 't Mal. overgenomen, schui- 
ven een <^ in; b. v. sanddra uit 't Bug. sanrüy ganddrang uit 
Bug. ganrang; vgl. onderus (Jav. en Mal. van Ba^via) eigenn. 
van 't eiland Onrust , djenderal van 't Engelsche general enz. 

Aant 3. Mal. en Men. vinden ng vóór r en ? als sluiters on- 
aangenaam , van daar in 't voorhechtscl ma met een sluitenden 
neusklank geen ng vóór dien medeklinker zoo als in 't Jav.; pa- 
ngdlipur lara is dus (vgl. malipur kan) uit 't Jav. Van daar is 
ook r^ rumrum (Kawi) niet, zoo als in 't Jav. rungrum gewor- 
den. Men. heeft uit tenglong van 't Batav. Mal. (een Jav. dia- 
lect) telong (zie Wdb.) gemaakt. 

Aant 4. Als sluiter van een voorgaande lettergreep is in 
Mal. geliefd een neusklank van 't zelfde geslacht als de beginner 
der volgende, tenzij deze een « is, waarvoor ng als sluiter gcbc- 



y^ 



$ 24. Wowêeorm, 51 

zigd wordt (aanm. 1 bl. 49). Een voorgaande lettergr., die met 
een anderen medeklinker gesloten is, Iieefb een klearloozen klin- 
ker; van daar samasta (Sanscr. samaHa), sdldsma (Sanscr. afleg* 
ma), w&ktu (Ar. waktu) enz. Zoo men daarin een anderen klinker 
wü laten hooren, wordt de lettergreep in de uitspraak als een 
afzonderlek woord aangebonden of een kleurlooze klinker inge- 
schoven; b. V. us-man of uaama» (^Uic), kapis-ta (Saact, pa- 
pifta) of kapisdta, Men. schuift soms een d^ u of o na een tril-* 
Ier in; b. v. saroban uit sdrban (Perz. Juby^)» taruH (eign.) uit 
turhiy èalukiA (eign.) uitspraak (bl. 72 aatd, 1) van btdkis Mal., 
Ar. tmsóS), siruga = atoarga (J9kr.)ykurdpef =kdrpej (Mal.), 
iaroH uit kursi (Ar.). Een vaste medeklinker kan ook als sluiter 
van zoo'n lettergr. k worden; b. v. rdkna (in eigenn.) uit rdéna 
(vgl. Jav. gamëkta uit samapta). *i L\jdt dus geen twijfel, dat 
de meeste Sanscr. woorden niet onmiddelijk in 't Bat. uit 't 
Sanscr. zijn overgenomen , daar 't Bat. in zoo'n lettergr. lederen 
klinker kan uitspreken (IV bl. 49 en § 27); zoo b. v. is boma 
uit 't Jav. of Mal. {toerna)^ daar het êama zoude zijn, zoo het 
onmiddelijk ware overgenomen; de o is hier dus vertegenwoor- 
diger van een ë (bl. 38 b). Andere voorbeelden zijn djolma of 
djëlma (D.), sokti (bl. 49 aanm. 2) enz. Dat Mal. in zoo'n letter- 
greep een kleurloozen klinker heeft, blgkt vooral uit de vergelij- 
king van diergelijke woorden als 'T? *5r \ *~ (zie Wdb.) met 
kdrpef {patroontaacJi), oö »5 \ "sr" O ^^t èdrsin enz. Van daar 
dat zulke woorden als sopsop en sohol in Mal. sdsap^ en sdsal z^n. 
Van sxc heeft Men. èadu in den eigenn. si-badu, en van ^|<^ac** 
dulah (Hdulah) gemaakt. Mak. schuift na een triller een a in 
(de uitspraak zie bl. 61 boven); b. v. kardpe mikdrpei, tjaraqdeq 
= ^drdik, hardtjung uit mdrijun (Mal., zie Vul § 30), hordaeng 
= bdrain (Mal., bl. 7 aant,), tjardmeng uit tjdrmiuy kalaqde uit 
kdldef (Mal. uit 't Tamil) enz. Soms bok na een «; b. v. tasagbe 
uit idabih (Ar. Mal.). 

} 24. 

Be trillers mogen in één woord niet te gelijk voorkomen; b, v. rijar 
uit Port.-Mal. rijal; sëlawal (D.), sarawar (sub-T.) uit Men. saraioal; 
vgl. ook harihir met kdlikir (Mal.) enz. Zij verdringen elkander niet 
alleen in een woord, zoo als in de zoo juist aangehaalde voorbeelden, 
maar ook in op elkander volgende woorden, 't zij ze zamengesteld z^n 

4* 



B2 Woordvorm. ♦ § 24, 

of niet. In op elkander volgende woorden wordt meestal de triller ia 
'teerste woord aan dien van 't laatste gelijk gemaakt; b. v. uru-porang 
naast uUt-porang^ garinggang in plaats van galinggang in de uppama we- 
gens 't daarna gebezigde garege^ marongoB in de andung in plaats van 
malongaa wegens 't daarop volgende marobur, OC ^^ OC \ ""^ liT 
O \ wit OC ^'^ OC \ "^ "2:" O \ (niëlampis D.) omdat het van W- 
bir (lippen) gebezigd wordt: oC ^ OC \ — jT* O \ öö O OO «^ 
ON "o (<^«« ^V» ^V^ lippen); «ar O "«T OC OC O \ -« -^ ^^ 
"S\ = '2rO^ OCOCON— ".^^^^ "5\. -2fei&» heeft de 
eerste triller in 't eerste woord de overhand; b. v. -T"«^oo» 
^r^O ïiit* T" *^ö^»^5 0. In D. heeft zelfs der van *i voor- 
heehtsel m^ de l van oZt/^ (=:: »Zi) aan zich gelijk gemaakt {merorih 
= nwndi). 

a. Ook een d wordt, hoewel minder vaak, door een r of Z, aan 
een hunner gelijk; b. v. rori (D.) uit rodi (Men. order van 't be- 
stuur uitgaande, waarbij heerediensten worden opgelegd), e$ 
•^rj ^-7 *as O \ naast -^ -^ ^-7 ^^ O \ > n/^^ ^^^^t djjor^ 
haroring naast karoding, êi-paU^lohoi in plaats van n-padi-lokoC^ 
büulu uit Men. hiludu, 

b. In T. is Z als beginner van een lettergreep in plaats van d 
geliefd, zoo in 't woord een andere lettergreep met Z of * begint; 
voorbeelden zie bl. 30 IV, en bl. 39 XIII. 

Jlant, 1. In 't Mal. heeft 't tegendeel van den regel der § 
plaats {icAedor uit Port. Iraidor). De Z is er geliefd, waar elders 
een n of cf is, vooral zoo de laatste lettergr. op een r eindigt; b. v. 
- t?idlur uit menur (Jav. of Kawi) , lagor (eigenn. van een staat) uit 
Siam. nakhor, lasir (Men.) = dosir^ balar = badar^ Ijjur (vol- 
geps § 25 uit ilur^ Makass. tloroq) = edur (D. bl. 88 V a.); vgl. 
voorts bdldniara uit wananiara (Kawi Sanscr.), larih (Men.) = 
narih (D.). 

Aant. 2. Van de aantrekkende kracht van de r in 't Jav. vindt 
men voorbeelden in zamenstellingen, die als twee woorden wor* 
den uitgesproken (§ 18); b. v. radja-werdi = hdjwoerdi (Mal. 
uit 't Perz. ^^J..:)l), resmin-ing-puri uit leami (lakmi) enz. 

Aant. 3. Men. stelt de trillers als sluiters van een woord ge* 
lijk, ze beiden als de laatste r in 't Engelsch prefer uitspre- 
kende; van daar ook in de spelling .Jj in plaats van badU^ 

fj in plaats van tugal^ /^y*» dat als — ^J^T^^V i» 
overgenomen, uit patugal {Portugal) enz. Woorden die op een 



{ 25. Woordvorm, 63 

triller eindigen, hebben dikwijls in 't Mal. of Men. een by vorm 
met ^ als sloiter; b. v. damak (Mal. èlaasroerpijïtjes) = anak 
damar (Men.), tenggeh (^jjJJjSj) = tinggir^ haijik naast kdtjü^ 
amMk (Men.) = ambü. 

§ 25. KlankverplaaMng. 

De trillende beweging van de r en Z veroorzaken regelmatig klank- 
verpknUHngj waarbij 't volgende is op te merken: 

I. De klinker verandert van lettergreep; b. v. loie = leéo (M. eu 
D.), godir =• gidor blijkens geder (D., bl. 88 V a.), anduri = andiru 
blijkens enderu (D., bl. 88 V a.), èiruran naast Imriran^ sulip = 9ilup, 
iurm uit Men. Hrim, 

II. De beginners van op elkander volgende lettergr. verwisseselen 
van plaats; b. v. dinggërang (D.) uit een vroeger gindorang (bl. 83 5) 
blijkens gandarang (aani, 2 bl. 50), lakija (Men.) = haliia (Mal.), lagi 
= gali, lanok == naleng (D., bl. 38 IX), limang == müang uit hüang (§ 30 
VII f), lidah (Jav.) = düah (D ), njirutioan (Sund.) = {ka-yinutoan 
(aanm, 1 bl. 29), palonak = pinëlak (D.), Üingkawat (Bisaj., zie aant. 
bl. 16, en bl. 44 a.) = halitwas, baruq (Makass.) = raiw^ (Mal.), Aar«- 
toaja (M.) naast ha ju-ara , W« = ^aZa (in «opo — ), derém naast redém^ 
tdlgdng = tanggdl, kënijur (Jav., naar § 28 II uit een vroeger këijur) 
tjakur (Mal.), tereng (aanm. 3 bl. 49) naast S^ -^ \ 5f , d«<9«^(Sund.) 
uit djubur (bl. 65 *), j=l «=5^ 55 X < uit »^ ir9 '55 X < 
enz. 

ni. In een vorm van 't woord is de triller beginner, in een an- 
der sluiter; b. v. ursa = rusa (Mal.), gaor i= garu (bl. 60 IV), gaol 
(bl. 60 IV) = galtty galuh (D.), rumunan = urmunan^ sekël naast sdek 
(D.), arsam = ransam (Men.), saru-maiuwa en sari-wMuwa (bl. 48, 
2*.) = aaür-matuwa, alpts = ^/?t*, hoUo = AoZo«. Dien invloed oefent 
de r niet alleen uit op een volgend woord, als hij sluiter is van een 
voorhechtsel, maar ook wanneer h\j zich in eeiv volgend woord be- 
vindt; b. V. parubfijan mi par + intiee ■+■ an, paruhaon uit par -H liuwa 
+ an^ haêja-ure naast djaba-ure^ gandja-ure naast djangga-ure, 

' Janm. Misschien is oban (M.) = howan door de r van 't voorhechtsel 
mar (in maroèan = marbotcan) ontstaan (bl. 16 aanm. 2); alümg (wesp) 
en latong (brandnetel) durf ik hier niet bijbrengen , daar 't eerste woord 
denkelijk uwaUong blijkens uwaltëng (D.) geweest is , en 't tweede mis- 
schien een verkorting (bl. 43 III). 

IV, De r die slechts door een o, als vertegenwoordiger van ë, van 



54 Woordvorm. § 26. 
een voorgaasden medeklinker gescheiden is, wordt gaarne vódr dezen 
als sluiter gezet, en verdringt daar een anderen. sluiter, terwijl de o 
verloren gaat, en 't woord dus een lettergr. korter wordt; b. Y.gordang 
(Iloco garddng) uit gandarang (aant. 2 bl. 50), surta uit '2r^ï5y\ 

55 X ^ , *2r ^ X \ 'T^ uit een vroeger sohora (als transcriptie 
van tjakra "een wiel of rad" blijkens sihora (bl. 44 in 3), purti uit pu- 
io9i (nog in eigenn.; vgl. *t Mal. ptUari) enz. 

a, M. neemt wel een? den eindklinker yodr de r waarop 't woord 
dan uitgaat; b. y,putir miputdri van zoo even; vgl. mantir (Daj.) 
uit maniari (Mal.). Over sindor zie aanm, 1 bl. 46. Zelden wordt 
de o van vddr de r voor den hem vuórgaanden medeklinker ge- 
zet, en eindigt het woord dan op ar; b. v. '2rx T7 *Tt \ 
(npord-M. sokhar) = "ar ^ x \ T7 (zie hier boven r. 5). 

Aant 't Mal. laat een h van geadspireerde medeklinkers gaarne 
achter de r plaats nemen; b. v. sabarhana misahharanay dar* 
hana uit dkarana, barhala uit hharala en dit weer naar II uit 
hhdlara (door Priedrich te regt uit bhatüra verklaard). Over 
ghara uit garha zie bl. 71 boven in de aant, 

§26. 

Ook de 8 veroorzaakt door z^n geruiach klankverplaatsing ^ en is ook 
daarin met de trillers verwant; b. v. 'T7 "oOX "TT {hitsu) uit -jr? 
"örN'Sr'O (Sanscr. Mal. kuntjt), ^«77550% == '2rO'7^ 
55 \ (M.), 2r "77 TTJ^X (D., bl. 38 V a), ««Ai = siku (Mal.), «<?*w 
(D.), siuèeon (in de andimg: buik) uit «t + ^w^ 4- o» (dus 't met r^st 
ie voorziene voorwerp)^ suwil = syul; mmui (masum sub-T.) uit mas^ 
(bl. 17 r. 8 v. onder), enz. 

a. Hiertoe ook te brengen astu (noord-M., Sanscr. derde pers. 
enkelv. imperat. van as *'zijn'') in mangastui (van iets zeggen wat 
het iSy iets begrepen) y en astman (beteekenis) = u^ "o \ 5?! 
'2r^\ ia OC<:-o\ 55*2^0 en *-^ -B V 5^ "Sr "^ \ • 
Zoo is ook 't Jav. pastika uit spkatika (Sanscr.). — Zou de d van 
c^oto (D) = a^a« niet zoo ontstaan zijn , zoodat i-datas in pi. van 
di'Otas gekomen isP 
Aanm. 1. Hoewel de neusklanken wegens hun galm (onder in 
de aant. op bl. 7) het zouden doen verwachten, zijn zy echter in 
den regel niet de oorzaak van klank verplaatsing; b. v. intuna (D.)=: 
nituttay numangin naast numaingy in welk laatste woord de verande- 
ring niet aldus behoeft verklaard te worden, omdat het slechts een 



5 27. Woordvorm. 55 

betrekking aanduidt {aani. 2 § SI). De praepositie ni wordt bij 't 
derde passief in T. bij stamwoorden, die niet met een klinker be- 
ginnen, inhechtsel (i«), terwijl dit in sub-T. slechts geschiedt bij 
woorden die niet met een dy l oir beginnen; b. v. rinabar = nira-- 
bar (Sub-T.), dinadang (T.) = nidadang (sub-T.), limngat (T.) = 
nilangaé. Zoodra dit passief als substantief gebezigd wordt, wordt 
ni bij stamwoorden, die met een d beginnen, voorhechtsel (w); b. 
V. indahan ('/ gekookte bij uitnemendheid d. \, gekookte rjj»{) in plaats 
van nidahan^ maar daarentegen pinahan van pahan (zie Wdb.). 
Hier schijnt de zucht, 't woord een bijzonderen vorm geven, — 
waarbij men niet aan de oorspronkelijke beteekenis van ni denken 
kan, — in 't spel geweest te zijn; vgl. ook DairUch K III op 
bl. 41. • , 

Aanm, 2. Nog zeldzamer is de klankverplaatsing bij stompe me- 
deklinkers, die een overgang tot de ijle zijn (bl. 6 aanm,l), en 
daarom ook klinkende genoemd worden; b. v. gubo naast bttgoy gahe 
naast hoge; over oban (M.) = hotcan zie bl. 53 aanm, — De dieve- 
taal bestaat in 't willekeurig verplaatsen der lettergr. (b. v. tema = 
mate)^ en wordt zoo vlug door sommigen gesproken, dat men er 
geen woord van verstaat. 

Aant, De h wordt in 't Mal. ook verplaatst buiten den invloed 

van een r {aant. bl. 54), en denkelijk alleen door 'zijn geruisch; 

van daar de spelling ^ (Men. beda)^ waarin men de j als de 

Engelsche tïi (in tfiey) tracht uit te spreken, om blieda weder te 

geven. 

§ 27. Be zware lettergreep, 

I. De zware lettergr., zoo zy de voorlaatste ie, wordt vaak door een 
doorklinker (bL 6 aanm, 9), die er een anderen sluiter verdringt, geslo- 
ten; waarbij op te merken is, dat de s meestal voor geen anderen mede- 
klinker dan de t komt; b. v. kurtut naast Auttui (-77 55 \ '^ 55 \ 
§ 14 a), bulteng naast öO"ov^5?t ^^^«» ï^aast ^e^-oO\55 
-75^ \ , lastom naast «— -3 \ 55 OC x \ , pustop naast puUop, pul- 
ting = ponting (D.), orgos (M.) = ogos, bargot (M.) = bagot^ turbung 
= tubmg (M. in tubung-tubung), talha naast 5^ -t^ , pistik naast — " 
-oO\ 55 -T^OX , gosta (§ 19 I) = ganta (Mal., --»' -©x \ 5^r 
komt niet voor), salpun (D.) = Mmpun (Jav.), enz.; roataJta = rintaka 
(D.) behoort bij a bl. 44. ^ 

a. Minder vaak wordt een neusklank als sluiter gevonden ; b. 



56 Woordvorm, § 27. 

V. — s^ -3 O \ 5r yiii parièej (Mal., uit 't Tamil), — ^ OC X S 
— ■ *7" \ uit een vroeger — t> x "~ ^«T* N blijkens gepul (D.), 
— ^ OC X \ "^ "^ \ uit een vroeger ;?opflr blijkens pepar 
(D.). 

^. Noord-M. heeft van de door Europeanen ingevoerde Jav.-Mal. 
woorden benieng (JÈmx, fortje op Sumatra) enj7m^ar(Eur. uitspraak 
van 't Batav. Mal. pinter) beateng en pistar gemaakt. 
II. Zoo zy de laatste f«, dan gebeurt 't volgende: 
1°. Zij wordt gesloten meestal door een t; b. v. ««(^ naast sud/t, 
gdbé naast gabét^ nangé naast nangét^ ngilüt naast n^/^i^, anggijdt uit 
anggijé, tanddp naast <aw^, ww uit een vroeger 2»i (van m*), Za«fl^ï^ 
uit een vroeger landt (door § 25 II. == -^ ^— o in tersondali, de » 
als sluiter voor de Z moetende verloren gaan, zie bl. 49 in aanm, S); 
vgl. ook Idwpej (Mal.) met lempet (Jav.) enz. 

Aanm, 1. Zoo moet padidit (zekere ratsoort), dat als substantief 
de voorlaatste zwaar heeft (§ 19 I aanm,), ontstaan zijn uit 't denken 
aan didl-didt ('t geluid didi steeds maken); zoödat 't eigentlijk betee- 
kent: didi^geluidmaker. Als a^tf^rir^-uitroeping vindt men Vii naast 
ihity welke laatste vorm ontstaan is door 't lang uithalen van 't 
woord in den klagenden toon. 

Aanm, 2. Daar substantiven in den regel den klemtoon op de 
voorlaatste hebben, zoo kunnen vreemde woorden die op de laatste 
gesloten lettergreep den klemtoon hebben, hierin den sluiter ver- 
liezen; b. V. o^ *3 X \ *2r" O ïïit mantjU (Men.) , solu uit salup 
(Men. uit HoU. sloep). 

2°. De klinker wordt door een «? of ^ in tweeën gescheiden; b. v. 
stpe't (§ 20 I) naast sipehet, holds (voorheehtsel ha + las, § 20 I; dus.- 
H heete voorwerp) naast halatcas, halihi uit een vroeger halt (^a -|- Zi, 
§ 20 1, en dus 't voorwerp dat U als geluid heeft); vgl. bl. 43 2°. 

Aanm, I. 't Adjective, voornaamw. i (§ 19 II) als bepaling van 
bijwoorden wordt vaak door een n of ng gesloten; b. v. •^ — x 
5g •» napota-ngi naast napotangin en napotangmg , nS '7^ "^ 
O N "^ nakkini naast nakkinin en nakkimng, 

Aanm, 2. hapétn 2»»^/ krijgen vaak a,an, ngan, nganien nga- 
nikkon als staart; b. v. kape, hapea, hapengan, hapengani en hape- 
nganikkon (hierover nader beneden). 

Aanm. 3. u^*->o en 00 T/^x of 0ov/*^x (zie bl. 17 
r. 5 V. onder) hebben als vocativus een bijvorm met a aan 't islot; 
anggt naast anggijd; bajó is zelfs nooit in gebruik, terwijl bajotcd 



§ 28. JFoordvorm. 57 

{haody bL 17 r. 6 v. onder) zeer vaak voorkomt; van daar hajd en 
hamd (zie Wdb.). 

Aant. 't Lijdt geen twijfel, dat 't Mal. gigii aldus uit^t is 
ontstaan, te meer daar men dit woord als een herhaald gi te be- 
schonwen. heeft , zoodat oorspronkelijk de klemtoon op de laat- 
ste lettergr. is geweest (even als in daddy zie bl. 20 in I). In 't 
Tag. heeft men nog kohói (met de nagels pellen) van kokó (nagel). 
Mag men hieruit niet besluiten, dat 't Mal. vroeger de regelen 
van T. en M. ten opzigte van den klemtoon volgde, zoodat het 
ook een ligtsie lettergreep bezat met een anderen klinker dan 
den kleurloozen? De verlegging van den klemtoon naar voren 
kan door § 19 I bewerkt z^n; zoo b. v. gagak uit een vroeger 
gagdk blykens gagawak (T., zie bl. 66 in 2^. 

§ 28. Be ligtste lettergreep. 

I. In de ligUte lettergreep kunnen alle klinkers staan; b. v. gu^ 
mir naast gamtr en gomxr; depé (M.) naast dope (M.) en dapé; hütdng 
naast holténg; luné naast lané; namd (M.) naast noma; lamót naast li- 
mót; lingó naast longó; tahé naast Uhéy tuwé (M.) en tijd (hL)\ tahó 
naast een vroeger tohó (blijkens toko in D., en toko in êi-toho-toJio), usu^ 
mdn (eigenn.) uit uadman (zie bl. 51 in de aant.) enz. 

ó. Zoo de zware lettergreep o heeft en de ligtste e of omgekeerd, 
worden die klinkers vaak gelijk gemaakt; van daar podó uitpe + 
do (bl. 20 r. 2 V. ond.), depé QH.) uit do + pe (bl. 20 r, 2 v. ond). 
Aldus moeten ook heré en begé^ uit vroeger bestaande bijvormen 
boréeii ^cy/ blijkens èere en èege in Bair, (bl. 87 I) ontstaan zijn; 
even zoo leksé of letse uit Idnsef (zie aanm, 1 bl. 49). 

ö, 't Voorhechtsel do, en zijn plaatsvervanger met l in pi. van 
dy moet in T. voor eenlettergrepige stamwoorden z\jn klinker ge- 
lijk maken aan dien van 'tstamwoord, dat de zware lettergreep 
wordt (§ 20 I), mits die klinker geen v is, in welk geval o kan 
blijven; b. v. mardapdr (mar + do -i- par), maUihing (mar -{-"do 
4- hing), maUungmg (mar + ^o + ngung), maar mallobus (mar 4- 
do + bus)\ vgl. Mandaüingsch bl. 31 r. 4. 
Aanm. Sommige woorden , die thans als substantief ({ 19 I) de 
voorlaatste zwaar hebben, moeten vroeger den klemtoon pp de 
laatste lettergreep gehad hebben; zoo moet ome naast eme uit een 
vroeger me (vgl. Sund. pa-w^-an), dat met den voorslag o (bl. 43 1*') 
ome geklonken moet hebben, uitgegaan zijn. Op dezelfde wijze moet 



58 Klankvermsselingen, § ^9« 

lali (kiekendief) zijn a gekregen hebben na eerst Mi, — en dit weder 
uit Uil van U (*t geluid van dien vogel) — geweest te z^n. Door den 
invloed van den vocativus (§ 19 III) schijnt 't oorspronkelijkere ö»- 
tet (M. in n-hutef) den bijvorm hetet (in m^betet) in T. gekregen te 
hebben, daar toch dit woord zoo vaak in 't aanspreken gebezigd is; 
vgl. voorts aulemèe = kuldmbei (bl. 46 2°.); vgl. Inüs (Men. en T.) 
= bdUs (Mal.), toingi en benffi (Jav.), 9tapUi uit naireii (zie ia d 
bl. 45), rembe = reme (D., § 80 IX). 

II. Ook de medeklinkers zj\jn er als beginners onzeker, en even 
zoo de sluiting, zoodat men de boven (bl. 44 a, en bl. 46 e) reeds ver- 
melde gevallen ook hier vindt; op die wijze wordt ditjdk of dedk (bl. 
16 Y) als een b\jvorm van 't Mal. banjak (bl. 29 aanm. 1) duidelijjk (vgl. 
ewbejak in D.). Van daar ook portdng naast botdng^ djangan (Men.) 
= dangan (Mal.), pomgta naast bongts, borhd naast bohd^ senuk (Jav.) 
uit tanuk (Mal.), wêntis (Jav.) = bëtis (Mal.), kentjur (Jav.) uit een vroe- 
ger ketjur^ demu (D.) = temu (Jav.), sakdrba (Mal. eigenn.) uit«flpar&» 
(Sanscr. suprMa)^ tjubddak (Men.) = tjampddak (Mal.) enz. 



III. KLANKVEKWISSELINGEN. 
§ 29. Be KUnkers, 

e met a, 

I. De ^ in plaats van a door een e in een andere lettergr.; waarbij 
't volgende op te merken is: 

a. Van de e in een zware lettergr. in pi. v. a door een t van de 
volgende lettergr. aan te halen mamutuhei in pi. y. mamuiuhai 
(van butuha). Ook in een ligte lettergr. bij zamenstelling door een 
i in een lettergr. van 't volgende woord; b. v. same'SO-alip uit 
sama-ao-alip (alip moet "verschillen" blijkens eüip beteekend 
hebben). 

b. De e in een ligte lettergr., zoo de voorgaande een i heeft, 
meestal, wanneer er geen vaste medeklinker tusschen in staat; 
b. V. tdlinge (D.) = talinga, halÜmge naast halilinga^ sandihe = 
sendika (D.). — Zeer zelden, zoo de voorgaande lettergr. een u- 
heeft; b. v. sudé uit 9uda (vgl. de aant. 1). 

Aanm, kidje uit een vroeger hidja (= 't Mal. kidjang, § 31 I) is 
niet te bewijzen, daar men gadang (Men.) = gede (Jav.) vindt. 



§ 27. KlankoerwUséUngen, 59 

Aant, 1. In 't Jav. is ipe uit een vroeger ipa = ipar (Mal.); 
vgl. ook nipe (D.) == nipa (Kajan). Meestal echter maakt er de i 
van een volgende letterg. de a eener voorgaande tot e; b. v. 
hen = hoH (Batav.), esti uit ^a«^» (Sanger.) enz. Van een e in 
plaats van a in een voorgaande door een u vau een volgende let- 
tergreep zijn aan te halen estu (mar) = aéiu in mom^aüuwi (a § 
26), ejUuk naast a»^»^ enz. In 't Daj. vele sporen van een e in 
plaats van a door een t der voorgaande lettergr.; b. v. pire = 
pira (Jav.), Hme = lima (Mal. enz.), ine = ina (T.), enz. Die 
e kan natuurlijk in Mal. als slotklank <|; zijn; b. v. kitêej (Mal.) 
uit U^ (Ar.). 

Aani, 2. Men. van Bao spreekt an als slotklank en uit; b. v. 
jpo^tf» (in M. overgenomen) z=pakan (Mal., bl. 61 , r. 1); 't Mal. 
pon is ei pen; waaruit blijkt, dat het 't zelfde woord is als het 
in Kawi zoo vaak gebezigde pan, dat uit een vroeger pwan^ 
waarvan |70ft nog een overblijfsel is, moet ontstaan zijn. 

e met t. 

II. De e met i in een laatste ligte lettergr., zoo een voorgaande a 
heeft; b. v. pane mipliani (Sanscr.); baume of baunge (§ 30 III) in pi. v. 
haumi (Sanscr. bhumi); bange uit wangi (Jav.)* Jmen naast kain, ham' 
béng (M.) = handling enz.; vgl. maie met mati (Mal.) enz. 

a. Soms in een laatste lettergr. door een sluitenden keel-me- 
deklinker of triller, terwijl i der voorgaande dezelfde verandering 
ondergaat (vgl. bl. 38 r. 2); b. v. eeer naast mr enz.; vgl. ook ^«^^^ 
met i^ng (Jav.), Uing en itjvng (D.). 

b. Soms e in plaats van t in een voorgaande, waar de volgende 
lettergr. a heeft; b. v, eba-eba = iba-iba (D.); e ma in plaats van 
i ma meestal slechts in de uitdrukking e ma nijm. Om het een 
inheemsch voorkomen te geven, is mena uit mina (Sanscr.) veran- 
derd (vgl. aanm, 3 bl. 61). 

J.anm. 1. Een e uit ai (in tweelettergr.) zelden; b. v. nenga-non 
uit na-inga^nan, hela in OC '^ ^7 ^'^ ^=5=" wit ^«20 (van ila); 
vgl. ^ met tot (D. TT? T^^o)) en seian uit eaitan? (de mei slagtan- 
den voorziene), nengel uit na-ingol (III). 

Aanm. 2. Over « in een zware voorlaatste lettergr. in D. = i 
elders zie bl. 38 V a. 



60 Klankverwmelingen. § 29. 

e met o. 

IIT. De e in een laatste ligte lettergreep uit of naast o; b. v. paru- 
maen (schoondoehier) in plaats van parumaon (de in H hvié ie brengene) ^ 
bahen of boen (§ 10 b) = boon (M.), pago (in 't:- o — —^ X «•'^v "o 
y^\)^pageip.\ ^--r^-^xx = ^^^^^SX (M.), i^oinwa- 
riho4ho = tA^. 

^a»f». 1. o en 6 in volgende lettergr. schijnen onaangenaam te 
zijn; van daar zijn woorden als tóle zeldzaam, of hebben een bijvorm, 
waarin beide lettergr. denzelfden klinker hebben, zoo als kope{aant. 
2 XIII § 80), dat kepeh (zie Wdb.), en aosek dat aeset (J 30 XIII) 
naast zich heeft (bl. 67 r. 8 v. ond.). Zoo sch^nt eték uit (dék in pi. 
V. otik (zie boven in II a.) ontstaan te ^ijn (vgl. voorts § 28 I a), 

Janm. 2: Woorden als mor<^ naast merety sorop naast serep 
enz. schijnen nabootsingen te zijn van een woord, dat in een an- 
deren tongval in beide lettergr. een e heeft; vgl. ^. ocx\ "^ 
•77 X \ en ^ OC \ ■*" "77 \ met djëmpèk (D.), modom en me- 
dep (§ 30 VI) met mëdem (D.), mërëm (Jav.), enz. 

Aanm, 8. In zuid-M. vindt men de in pi. v. do, zoo dit voor • als 
substantief komt te staan. 

u met 0. 

IV. In een laatste lettergreep, meestal zoo zij gesloten is met een 
keel-medeklinker of triller; behalve de voorbeelden in Dairisck (bl. 37 
J II) op te merken gaor in plaats van gaier = garu (§ 25 III), gaol iu 
plaats van gaul = galu (§ 25 III) enz. 

Aanm. 1. 't Gebrek aan een gesloten u (§ 3) schijnt de aanlei- 
dingte zijn van y^ -y^ -ys naast j^-t^—xx, "Zr-T^J^N 
naast ^ -79 55 x \ enz. / 

Aard. Men. spreekt na eèn u en t in een laatste lettergr. , die 
door een keel>medeklinker gesloten is , een a uit j waardoor die 
klinkers als to en j (maar vocalischer) klinken; b. v. mamcak^ 
banoah, air j ah, kambjang, In 't Bat. overgenomen zijn zij drie- 
lettergrepig (van daar kuijijang, zie aant. Bat. Ib. bl. 146). Zoo 
een triller de sluiter is, is de a een weinig onduidelijker, en na- 
genoeg a ; b. v. mandtoar = mandul (bl. 52 aant, 3). De tongval 
van Barus spreekt in beide gevallen en o uit (masok, kambeng, 
barok, mandol, sireh); vgl. noot op bl. 153 aanL Bat. Ib. 
Aanm. 2. ë in D. == o in T. en M. (bl. 33 b). 



19. Klankverwisselingen, 61 

Aant. Men, van Bao spreekt a oi e elders, als o uit; b. v. hori 
= hari; dr in een voorgaande lettergreep wordt er i; b. v. pètja 
= pdrtja (zie "~^^x), ijèmin = tjdrmin ?nz. Men. v. Again 
heeft a; b. v. padang = pddavgy tjamin = tjdrmin enz. Ma» 
kassaarsch vertegenwoordigt d door een gesloten a in een opene 
voorgaande lettergr., zoo de volgende niet met een stompen me* 
deklinker begint, in welk geval a door q gesloten wordt; b. v. 
ki^miq = kemit (Jav.), iakang (zie bl. 7 aant*) = teken ^ taggoq 
= tdguk (Mal.). 

Aanm, 3. Over o in eene zware voorlaatste in D = « elders zie 
bl. 38 y d. — In tola en dano (zie Wdb.) is de o in pi. v. u geko- 
men, om die vreemde woorden een inbeemsch voorkomen te ^e ven 
(vgl, bl. 69 II 6)i soma (Sanscr.) is daarentegen suma geworden. 

Aanm. 4. De reden van een u in een voorlaatste zware letter- 
greep in D. en M. = » in T. , zoo als in lumut = limtd, ligt buiten 
^t Bataksch. Dat limót = lumat (Mal.) is, behoort tot § 28 I. 

Aanm. 5. Soms o in T., waar D. a heeft, terwijl 't omgekeerde 
minder vaak plaats heeft; b. v. amhoUng = embalang (D.); sosar = m- 
sar (D.); sorat = sar ai (Mal.); gogo^ gegoh Q).)=gagah (Mal.), gak' 
gak (D.); gonop (M.), gdnap (Mal.) :=ganup (T.); 8€po = sapo (D.); 
sumpëia (D.) = éö'jöate enz. — In 't Luèusck (of Ulusck) vindt men 
viaak o waar Men. of Mal. a heeft; misschien hieruit te verklaren, 
katóban {slaaf) in plaats van katdban (èvitgemaakte) van ta6an; zoo» 
dat men 't woord < een Lubusch voorkomen heeft gegeven om de 
minachting jegens de Lubus als overwonnelingen gekoesterd regt 
te doen uitkomen. 

Aanm. 6. Zelden is de i naast a in een laatste door ng geslotene 
lettergreep; b. v. budjang naast budjing; loming = Idmang (Mal.), 
lemèng (Jav.); peuüng (Sund.) = pdtatig (Mal.), peteng (Jav.). — 
In M. heeft men pining = pinang misschien nadat het eerst pineng 
(naar I d op bl. 58) geweest is.. 

Aanfn In 't Malagasisck is e in een geslotene lettergr. elders, 
door i vertegenwoordigd; b. v. voorhechtsel mi = mer (D.), aan- 
hechtsel ind (a bijna stom) = en (D.), on (T.), tekina (bL 83) = 
teken (Jav.) enz. 

Aanm. 7. Een o in pi. v. uwa, zoo als in 't Jav.- zoo vaak 't 
geval is, zelden; voorbeelden ziyn sora naast suwara (M.), en mora 
in eigenn. = muwara. — Van o uit au (in twee lettergrepen) ook 
maar enkele voorbeelden: dosak (D.) uit da en usah (Men. = 



62 KlanhvertoUèdingen, § 30. 

djauffan); ro, roh (D.) = rauh (Jav.); doli uit dauli (§ SO X 
aanm, 2). 

$ 30. De medeklinkers. 

•TT? met •-^. 

I. h (k in D., zie bl. 84 B.) met g als beginner van een woord dik- 
w^h; b. y. gurap niaast hurap; gtUok-gidok in plaats van kulok-kulok 
(bl. 47 IV o); ^«^««^ (§ é7 I) naast -^7 -^ O \ 5f ; ^«Vüo (§ 27 I) ~ 
küoto (Mdna), gilow (Mal.); hurfik naast gurtik, enz. Tusschen klin- 
kers, of na een sluitenden neusklank minder vaak; b. v. bukang (M.) = 
hugang; êanggaksrs ^ ^yj -^^ \ , iagtl = tahü; vgl, voorts aj¥^a met 
ajoka (Makass.), tdaga met tcHaka (Makass.). 

e^met Z. 

II. Bij de voorbeelden reeds boven (bl. SO IV, } 24 a, en bl. 39 
XIII) opgegeven , z^n nog te vermelden fidok (in eigenn.) naast vlok 
uit tjiJUiq^ (Men., zie aanU onder XII bl. 71), sukt-sulu naast audu audu, 
n-^ap-ari naast ei^alap-arif sadi naast salL Ook hier ziet men, dat het 
onder den invloed van een s geschiedt. 

a. Waar 't woord niet met een a begint, geschiedt de verwisse- 
ling meestal in woorden, waarin twee lettergrepen beiden met d 
of l beginnen, en wel zoo. dat T. gaarne beide lettergrepen met 
denzelfden medeklinker laat aanvangen, terwijl D. en M. woorden 
voortrekt, Waarin een der lettergrepen met een anderen medeklin- 
ker begint; van daar duèalang (D. en Men.) = ulubalang, dalang 
(D.) = dadang; vgl. ook lidung, lidi in M. (bl. SO IV). Van daar 
ook, dat D. dona heeft = doda, 
Aanm. T. schijnt l genomen te hebben in alu (in mangoLu-alu en 
mangaluhon) = adu (D. en M.) wegens den invloed van den neus- 
klank, daar de l wegens zijn groote verwantschap met de n (IV 
bl. 64) nader aan een neusklank staat (vgl. bl. 77 onder); vgl. hali- 
konan =s hadihonan^ en kelong (Makass.) = kidung (Jav.). 

De nensklanken. 

III. Meestal onder den invloed van een « vindt men aDe nensklan- 
ken met elkander verwisseld; vgl. m^or met nyur (Men.), n^ur (D.), 
ng^or (M.) en nj^ur (Mal.); ng^at = ttjjat (D., Ar. Mal.) mangijamun, 
in plaats van manijamun; minggor naast ninggor, domija uit dunija (Ar. 



{ 30. Klankvertcisselingen. 63 

MaL)> fnamis = manis, wwani = toangi (Jav.), uwange of bange (M.) 
en hane (zie § 29 II); nejat (D.) = w<?/a^ uit Mal. majat (zie öö»^. 1 
bl. 18, en bl. 16 r. 2 y. onder), sangijang naast san^ang, nefam (D.) 
= mayam (V a § 17), naming uasst nanging (Jav.), ni^»a uit mühuna 
(Sanscr.) enz. 

a. Onder de voorbeelden, waar de % niet gewerkt heeft, beboo- 
ren b. v. damól uit dangól, nongdn naast wmdn (M.), neknek = 
ngokngok, pangoran naast /^amora», mar (Mal.) = êingar (Men.), 
I^amor (Mal.) = pangur (Men.), ngada (zuid-M.) = mada (D.), en 
nada (noord-M.). 

b. Als beginner van een ligtere letterg. natuurlijk dikw^ls; b. y. 
mandijang (vóór een «igenn. ons w^Un) uit een vroeger in 't Men, 
bestaande spreekwijze nan di jang (cUe bij de Goden is), èamieara 
uit sanestjara (Sanscr.), amisara uit anustcara (Sanscr.) enz. 

c. im en urn worden als slotklanken dikwijls met ui en un, even 
als in 't Men. gelijk gesteld; b. v. rasum naast rasun, malin naast 
maïim, djim (ook Jav.) uit Ar. Mal. djin, jaiin (Jav.) uit Ar. Mal. 
jaiim\ ruhun (Men. zie bl. 39 aatU.) uit rum (Ar. Mal.); vgl. cr^ 

"o \ "ZT OCO\ met asin (Mal. enz.); beton (Batav. Mal.), ba- 
Ztt» ^(Men.) = balum (Mal.), enz. Zoo is majam uit maim = main 
(Mak, zie bl. 18 aani. 1). 

d. Een m en ng worden als sluiters zelden verwisseld, en meestal 
in een laatste lettergreep, die van a, o of « voorzien is; b. v. ^— 
"o \ "ÏT O^ \ = lantjung (D.), gotom naast gotong , uUom = td- 
tong, littom = lütong; tuwam = twcang; vgl. rantjung (Mal.) naast 
ra»^«m. 

«. De stompe vaste medeklinker die zich na den sluitenden 

neusklank bevindt, rigt zich te gelijk naar 't geslacht van deze 

in galm (ond. in de aant. bl. 7) de vaste medeklinkers overtreffende 

klanken; b. v. tunggu-tunggu naast tumbu-tumbu, marindo n&ast ma- 

ringgo, tinggir (Mal.), en in marsiiinggir = tindir (Lamp.) , enz. 

Aanm, In mu (aanhechtsel tweede persoon enkelvoud; ook Jav., 

Mal. enz.), is door de terugwerking van den lipklinker de n in 

een lip-neusklank veranderd: endu (D.) = nu (Makass., zie IX) en 

verder mu; 't geen de yflieid der neusklanken, als geen wederstand 

biedende klanken, bewijst. 

^anL 't Huwasch kent slechts » in plaats van ng en nj der andere 
tongvallen van 't Malagasi, zoodat uranga {garnaal = Jav. urang) 
en urana (regen = Jav. udan) er niet te onderscheiden zijn. 



64 Klankvermsaelingen, §30 

I en n. 

IV. De Z en » (bl. 6 aanm, 6 onder) worden dikwyls verwisseld 
onder den invloed van een neusklank , vooral in woorden waarin een 
lettergreep door ng gesloten is; b. v. unang = ulang (D. en M.); tó- 
nang = iolang; lióung = nibung (Mal.); ninggala en nangJcala (Mak.), 
uit langgala (Sanscr.); lanok (naleng in D., zie VI) = lalai (Mal., VI 
aantn. 2), Mer (Jav., VI aanm. 2); koning koningen (R) = hulih-huUngan ; 
simalolong uit simanolong in plaats yan simanjolong (M., zie bl. 29 
aanm. 1); mahilolong (dat ik voor 't gemak van den leerling onder Zo- 
Zoff^ in 't Wdb. heb geplaatst) is zoo uit mahinóUmg (ma en hólong ntet 
invoegsel in: te beklagen zijn) ontstaan; laung = naung (Mal.), salamo 
uit mnama (Men.); namuk (D.), njamuk (Mal.) = lamuk (Ja v.). 

a. Voorbeelden van de verwisseling zonder den invloed van een 
neusklank zijn lasijak (spaansche peper) uit na sijak (7 geen heet 
op de tong «), nitu (anito Tag.) = litu (Favorl.), Uit (zie bl. 26 r. 
2 v. onder) = nahit^ lobajak (M.) = nabajak, Mu (D.) uit nolu 
(IX), larasëtu (Jav.) = narawadu (Mal.), «op = Zop in lolop (M.); 
waaruit blijkt dat 't eigenlijk ingeslapen zyn (nok, zie XII) be- 
teekcnt, maar van een pand gezegd r^caZZ^ r^'n is gaan betee- 
kenen (vgl. 't gebruik jan pate van een pand , en 't Mal. IcUap dat 
voet slapen, en van een pand vervallen zijn bcteekent, terwyl 't 
gelijkluidende Men.x woord slapen beteekent); vgl. voorts lulasaq 
(Bug.) = Mnasaq (M.) eoz. Uit sommige der voorbeelden blijkt 
de sisser de reden der verwisseling te zijn. 

b. Als sluiter zelden; voorbeelden zijn hojal in plaats van hqjan; 
in simpul (M.) = salpuu (D.) heeft § 25 gewerkt. 

udanm. Bij de voorbeelden lasijak, Zoiö/a^ (zie a), en evenzoo 
bij panasari = pahsari kan natuurlijk 't op bl. 48 in 2°. vermelde 
ook in aanmerking komen. 

Aant, 1. manow (Men.) = embalno (D.), maUo (T.), «naZ&(M.) 
moet uit een vroeger malow ontstaan zijn. 

J.ant, 2. 't Mak. schijnt van een Z en f als beginner van een 
stamwoord, waarin de tweede lettergreep ook met een der tril- 
lers begint, een n onder den invloed van 't inhechtsel um te 
maken; b. v. numalo van Mo, numera van rera, 

Verhemelte- met tand-medeklitikers. 
V. Dikwijls onder den invloed van een i; behalve de voorbeel- 



} 30. KlankverwisMugen, 65 

den in Lairück bl. 85 Hl en bl. 40 XIY) nog op te merken aüji in 
manffodji (wigchelboeken lezen) van adU (Sanscr.), en waar het, even 
al9 in 't Jay. in eigennamen van helden (b. y. eiad^'i marimbulu boei) 
enz. vorst beteekent, uit adki (Sanscr. opper in zamenstell. als adhipa 
"opperheet"); vgl. voorts djeksa (Jav.) uit adkjakm (bl. 43 III), per-^ 
ijaja (Jav.) vii pratyajai mertja (Jav.) uit martya (Sanscr.), enz. 

a. Soms is dj ontstaan uit de praepositie di voor eeïi met een 
klinker beginnend woord; zoo b. v. djae en djalu uit di ae in pi. 
van di hoe (§ 10 h)^ en di tdu, niettegenstaande zij thans als 
snbstantiven in gebruik z^n, door dat men hun ontstaan niet 
meer weet; immers zij moeten vroeger aan 't hoofd en aan de dij 
. (vgl. hae-hae^ in D. 77 T/-^) beteekend hebben, door dat men 
een landstreek als een ligchaam voorstelde, waarvan 'tbovenland- 
sche als hoofd (ulu) en 't benedenlandsche gedeelte als dij (hae) of 
wei (Niasch pae) beschouwd werd. Op dezelfde wijze moet djuma 
uit di uma ontstaan zijn, 't geen bevestigd wordt door hauma 
(ha=:ka in 't Mal. praepositie naar), zoodat beide woorden vroe- 
ger <^ den akker en naar den akker hébben beteekend, en eerst 
naderhand als* snbstantiven in gebruik z^n gekomen. Verdere 
voorbeelden z^*n djaku in ierdjaku djaku (D.) uit di aku, djaton 
(Daj.) uit dia aton, 

6. Minder vaak onder den invloed van een u; behalve de boven 
(bl. 40 XIV onder) aangehaalde voorbeelden, zijn te vermelden 
pUunang (Men.) =zpitjunang (Makass.), djuwata (Jav.) uit dtmata 
in plaats van dewata (Sanscr.), tundjuk in djongkal — (M.) naast 
tunduky djung ada (M.) = dung ada, idjur = edur (D., zie bl. 88 
V a) enz.; vgl. ook djukut (Sund.) = dukiU (D. en Kawi), djuöur 
(Sand.) uit dn5ur (Ar. Mal.), djusta (Batav. Mal.) =: dusia enz. 

De neuaklanken als eluitera met scherpe vaste medeklinkers. 

VI. Behalve de boven (bl. 38 in IX) aangehaalde woorden te ver- 
melden belang' (D.) =^boldk (D.), kalen (D,) = halot, saran (D.)=r 
sarat, iutum (D.) i= tutup, tarum (D.) = tarup, anun (D.) = hanjut 
(Mal., zie bl. 29 aant,), bon = bot, naleng (D.) = lanok (§ 25 II), ba- 
leng (D.) = bahk, seren (D.) == sorot, deleng (D.) = dolok, nangkeng 
(D.) =SL -g -79 -^^x \. posong (D., zie bl. 38 V b) :=pu8ok, udun 
(D.) = udut. Dat niet altyd in T. diergelijke woordeü met een scherpen 
vasten medeklinker gesloten zijn ziet men vlü pidong (bl. 39 IX a), 
djobang = djabak (Mal.), huring = kurik (Men.), ruhang rajbing = ru- 

5 



66 Klanktertetêielingen. 5 30, 

bak-rabik (Mal.), kuUn^ in -^'«— Ö'P^'^-ö^a *«^ (Men., zie 
bl. 73, oa»^. 1 boven). Naast saffon (zie de aanm. hieronder) is geen «o- 
ffüt in gebruik, maar slecbts te vermoeden (aaim. 1). Soms met ver- 
schil van beteekenis; b. v. modom (êlapen) en medêp (toegaan van de 
oogen wegens veifblindend licht, of van iemand, die slaap heeft, zie 
bl. 60 aanm, 2). 

a. 't Dair. alen^ ^ alap in T. schijnt eene Wandeling door 't 
Men. (aant. XII bl. 71) gemaakt te hebben, en dtts nit een alok 
ontstaan te zijn. 
Janm. I. t)iergelijke woorden, behalve die met Af of m^ gesloten 
zijn, hebben een middenvorm, die met een stompen vasten medeklin- 
ker gesloten is. Baar een stompe medeklinker echter geen slaiter 
mag zijn ($ 7 aanm, 1), zoo is de middenvorm in 'tBataksch slechts 
te vinden in van een aanhechtsel, dat met een klinker begint, voor- 
ziene woorden of in een enkeld zamengésteld woord, waarvan 't 
laatste bestanddeel met een klinker begint; zoo vindt men den 
middenvorm van b&n = öoéirx bodari, van b^ng ==s boMq in bela- 
gen {ilaapmixtje in D. ^=^ lage in T., eigentlijk ket ie epreidenê; vgl. 
pabolakkon in M.), van sagan (=£ een vroeger êagaif) in êogaéUm. 
De middenvorin is daarom vaak in een znstertaal te zoeken; van 
daar tarté (Jav. in tatarub) = iarum en tafup^ sarad (Jav*) c= «o- 
tan en aaroJt, seureud (Sand.) s sëtën en e&roi, tutuÓ (in Mdn. tuéu- 
ban "'t vlfes waarmede sommige kinderen geboren worden*) e= tu- 
tuin én tuiup, ungkab (Kawi) =3 mgkam en u*^'j^***'\ (vgl. 
Sund> smghab mef Meü. ünghap). 

Aanm, 2. Pe middenvorm van de woorden die met 11^ of ^ ge- 
sloten zijn, is in 't Jav. met een r en in 't Mal. met een ^ gesloten ; 
b. V. laler (Jav.), Mat (Mal.), naUng (D.), lamok (T.); p«»éf (Jav.), 
puaat (Mal.), posong (D.), pueok (T.) enz. De reden van dit ver- 
schijnsel kan hier zonder een groote uitweiding over de zastertalen 
niet Opgegeven worden. En buitendien wie leest het? 

Aant. Uit 't bovenstèiande Volgt ook de identiteit van t&ê met 
V7 xy^ •*&► \ (D), dfat uit een t^m of iujun (in pi. v. twun of 
^ i«n, zie aanm. onder 2^ bl. 48) ontstaan is, en tut in luiut (Mal.) 
in pi. V. idtt-tvi (=s ulu ni tof), daar ni in 't Mal. als praepoaitie 
liiet in gebruik is (zie 't Wdb. onder tof); dat er een tut in H 
Mal. bestaan moet hehhétk bl^kt uit talt$t (tut met 'tinhechtsel 
ül; de klemtoon op de laatste lettergreep wegens { 80 I bl. 80; 
vgl. 't Mak. kulantuq in zijn beide beteekenissen). 



}'30. Klankvenoisseliuffen. 67 

De nêufklankm alê beginners do» een woord met de eekerpe 
medeklmkers van kun geelacM, 

VU. Daar de m optreedt b\j verbale voorhechtsels, soo ?indt 
men bem als beginner van e&a substantief ongepast, en verandert hem 
daarom gaarne in den scherpen medeklinkcfr van cgn geslacht» om 
daardoor 't woord een nominalen vorm te geven, 't 2^* zalk een woord 
als substantief in zwang is, of wel alleen gebezigd wordt by de vor- 
ming van de passive uitdrukkingen; van daar paeogit in bede — naast 
masogit (bl. 75 XII) , pinangkaho (eigenn.) uit minangkabow (Men. naast 
Menang^ en Mananghahow in gebruik, zie bl. 80 onder in de aani)^ pu- 
ük (Mal.) = mutik^ parpcdi (Mal.) naast marpati^ pakêud (Sund. in 't 
passief) uit maksud {dy^L^%P^^^^9<^ (Jav.) uit mredangga (Eawi Sanscr.) 
= mardangga (Mal.), maispoH (Jav. eigenn.) uit mahUmaii (S9moï.),pufii 
(Jav.) uit tnufH (Sanscr.); pdr^a (Mal. eigenn.) uit mertja (D. en Jav», 
Kawi, Sansc. martya) = mor8a(£J);pandapa(JB,Y,) uit mandapa(SBmct,) 
enz. De waarheid hiervan bl^kt uit de voorliefde van 't Bataksch, vreemde 
met een m beginnende substantiven als werkwoorden te bezigen; van 
daar maea en mueim of muHn (in den t^d plaats keiben ^ gebruikél^h «^, 
in zmang z^n) uit niaea (maand) en musim (moeeon). 

a. Maar daar nu ook de overige neusklanken in de vonning 
van 't actief van een werkwoord in de plaats van een scherpen 
vasten medeklinker treden, zoo heeft men die verandering ook op 
hen gaan toepassen. Hierbij moet opgemerkt worden, dat 't Ba- 
taksch dit niet zoo erg heeft behoeven te doen als 't Jav., daar het 
zoo weinige werkwoorden heeft, die niet met een m beginnen; zoo- 
dat men geneigd zoude zijn, de woorden, waarin een andere neus- 
klank dan m gemelde verandering heeft ondergaan, als uit een 
andere taal ingeslopen op te gev^. Voorbeelden zijn tinggdla 
(misschien uit 't MaL of Jav.) naast ninggaia (§ 80 IV), taiu in ta- 
bu tabu uit een ndbu (bl. 64 IV) = laJbu (Mal. uit Sanaer. edaibu; vgL 
III bl. 43). 

b. Van 't omgdceerde vindt men voorbeelden die denkelyk te 
verklar^ zijn uit de zucht zoo'n vroord een vreemd voorkomen te 
geven; van daar nüa-utama (eigenn. Mal.) uit tüoUama (Sanscr.), 
mirus (Jav.) naast ;rortw (Perz. MaL). 

c. Soms wordt ook de neusklank afgeworpen, zoodat 't woord 
met een klinker begint; b. v. imbar (Jav. nominale vorm van ngim- 

5* 



68 Klanhterwmelingen, § 30, 

har) uit minibar (Ar.), iniutéa (D.) = nüuna (bl. 54 aanm. 1), ing^ 
gcda naast ninggala^ antdboga (Jav.) = nantaboga (Mal., Sanscr., 
auantabhoga), andini (Jav.) uit nandini (Sanscr.), aZ» (Mal. Jijt) ait 
nalu (zie IX)? ampalam naast mampdlam (Mal.), angguliman = 
manguUman (IX), unggoli = nonggeli (D.), ^n2< (Kw. k?o?*) uit »a- 
^n» (Sanscr., bl. 43 ITI), t^po» (M.) =zngijnn (Tag.), öra» (Jav.) =: 
ngaran (Sand.), unte = »^if^e (Alfoersch), monéaj (Tag.), enz. 

2)« neuskldnken als beginners met stompe vaste medeklinkers van 
kun geslacM» 

VIIT. Zeer dikwijls vindt men w en ^ als beginners van vooral lig- 
tere lettergrepen of meer dan drie-lettergrepige woorden met elkander 
verwisseld; b. v. mandailing = bandailing, maima (eigenn.) = baima^ 
matau = batau (bl. 15 r. 2 v. onder), bintora = mintora^ moraturun = 
boraturun (M.), mahatara (I)&y)=batara (Sanscr. bhatara), mijanga (Jav.) 
uit tDJangga (Sanscr.)^ mënjatoak (Jav.) = byatoak (Mal.), mans^ang 
(Men., bl. 44 a.) = basijang, bahota.=: makota (Mal., zie Wdb.), «ar- 
pati (Mal.) uit bMrjapati (bl. 47 IV). Als beginners van twee-letter- 
grepige woorden ziet men ze verwisseld onder anderen in marus naast 
barus, milos = büas; in baUm = maldm en w«^ uit 3i«2i (X aanm, 2) 
heeft de ligtste lettergreep gewerkt. Men vindt zelfs imana naast 
ibana (iba -f na); 't geen verklaarbaar is uit de galm van de «, en 
't gebruik van 't woord als voornaam w. (vgl. aant. 2 bl. 76). 

a. Van de verwisseling van d en n zijn als voorbeelden op te 
merken: nung = dung^ dona (D., § 30 II a) == doda^ nan (b. v. in 
"o "o\'2> *~ OC \ "~ "^7 \), in plaats van dan^ en ni oor- 
spronkelijk = di; by «oi«<£ uit domd^ en in nongdn mi dongdn 
(M.) beeft de ligtste lettergreep gewerkt. 

b. Van de verwisseling van g en «^ is slechts een enkeld voor- 
beeld in 'tBataksch zelve te vermelden; b. v, egot (noord-M). = 
ingot; vgl. ngingi met gigi (Mal.). 

j^anm. Zoo is duk in ^2^»A; (D.) = nuk in manidi; immers de 
woorden, die vogel beteekenen gaan dikw^'ls uit de benaming van 
een bijzondere vogelsoort; zie djangang-djangang (Mak. vogel) van 
djangang (kip), manuk manuk (zie Wdb.) van manuk. 

Aant Mal. heeft zeer dikwijls als beginner van drie-lettergre- 
pige woorden iw, waar Men. en Bat. *, Jav. of Malagasi «?, en 
Sund. ij heeft; b. v. mdngkudu = bangkudu (Men. en Bat.), 



§ 30. Klaniverm89élingen, .69 

wangkudu (Jav.), tjanghudu (Sand.); mangkuwang =s bangkuwang 
(Men. en Bat.), tca&tland (Huwasch bL 63 aant)^ Ijangkuwang 
(Sand.); vgl. Toorts tjanngin (Sand.) met waringin (Jav.), hairin' 
gin (Men. en Bat.); tjarekam (Sund.) met barkam (D.), garkam 
(Mal., bl. 46 2*.), èakëm (Jav.); tjdlinijing (Sand.) met hdlimbing 
(Mal.) enz. 't Sand, ijawene (maagd) is das uit wateene (wene = 
bint in 't Mal.); vgl. bl. 76 in de aani, 

tuitende neuèklanJ^n ie geljjk met beginnende stompe medeklinken^ 
met neusklanken vermseeld, 

IX. Van de verwisseling van ngg met ng, nd met n, enmè met m 
tusschen klinkers zijn vele voorbeelden. 

ngg met ng. 

angguliman (yil c) = manguliman, enggeluh (D.) = ngólu^ mg- 
gar = singar (Men.), danggel (D). = dangól, ëngga (Batav. Mal. ne- 
gatie) = nga? (M. in ngada, d. i. nga -4- ada; vgl. bl. 63 a). 

nd en ». 

sindar = einar (B. en Mal.), sënda naast sëna (D.), tondung =3 ^a- 
nung (Mal.), ëndëratja = naratja (Mal. nit 't Sanscr.), «oA? (Men.) = 
handak (Mal.), bumung (§ 27 I) = bundung (Men.), eundut (Men.) = 
«vntt^, eindausar (D.) = einawar (Men.), kandiwung (Sand.) = nibung 
(Mal., vgl. bl. 40 I); ^«uf« (D. aanhechtsel tweede persoon enkelvoud) 
= nu (Makass.), fW^ = na (M. in »aé^a), andalu of tn^^» (bl. 48 UI) 
= een vroeger nalu (= lalu^ zie IV a), ein^r» (D.) = niru (Men.). 

mb. en m. 

ëmbalno (D.) = maUo (bl. 89 XII a), r^m^e = rm« (D.), ëmbatjang 
"(D.) = maijang (Mal.); kambiri, gambiri (M.) = Ar^mtn (Jav.), karam" 
bodja (Mal.) = karamodja; vgl. itmoroq naast ttmhoroq (Mak.), en bl. 
30 in de oanm. 

^ö»^. De » van een vreemde taal wordt soms nd; van daar 
pindis (Men.) uit pinnace (Engelsch), djandela (Mal.) Miijanela 
(Portug.), almendër (Batav. Mal.) uit Armenier. Zoo moet de 
d van dija, daku en dikow (Mal.) ontstaan zijn door den invloed 
van een sluitenden n van dangan en kan (of akan), zoodat men 
vroeger dangan aku, dangan ^a en dangan ikow moei gezegd hebbeu 
{ikoto bestaat nog in Daj. en Tag.), 't Sund. spreekt een i^tompen 



70 KUmkvmrimlinffen. § 30. 

medeklinker na den neosklank van sqn geslacht zeer zacht uit 
(zoodat men b. y. in plaats ran anefjinff nagenoeg anjing hoort), 
of maakt hem scherp (b. ▼. tintjak = üncQak), 't Bngineesch 
haat na een sluitenden neusklank een stompen medeklinker; van 
daar tan^aq = tandjaq (Mak.)» danghang = dcmggang (Mak.), 
halampang = halambang (Mak). Van daar ook dat w als begin- 
ner yan een .woord na een sluitenden neusklank, die een m moet 
worden, eyen als h een p wordt; b. v. waramparang in plaats van 
warang toarangj loaiampiHq uit watang wUiq, hólampolang in pi. 
yan hólang hóUmg^ bugumpusung in plaats van busung èusung enz. 
Zoo is ook dunrumpulawang uit dunrung tdawang ontstaan. In pi. 
van een d na een sluitenden n heeft het even als 't Mak. gaarne 
r (zie bl. 60 aanU 2). 

h met w, 

X. 't Geruisch, waarmede een h wordt uitgesproken, heeft aanlei- 
ding gegeven tot de verwisseling van dien klank met w (vgl. § 27 II 2^. 
en aanê. bl. 15). Yan daar de vertegenwoordiging van een h van D. of 
Mal. tusschen twee gelijke klinkers door o, t^ en zelfs h (zie aanm. 1 
onder); b. v. djdhtU (D. en Mal.) = djaodt of djatodt; mahoL (D. en 
Mal). = maoal of mawdl^ gerdaha (D,) = gordaoa oigordauHi (vgl. de 
voorbeelden onder § 17). 

Aanm, 1. Uit { 17 II bl^kt de verwisseling van o met 10 en d en 
verder uit Daimoh J. X met h (bl. S9) die van ha met o; waaruit 
de oorspronkel^ke identiteit van tahan (D. en Mal.) met taman (Mal.), 
taban (T.) duidel^k wordt; manaban (zie onder ^oi» in 't Wdb.), be- 
teekent dus eigentl^k iemand tegen houden (manahan Mal.), te meer 
daar mënahan (D.) of manaon (T.) zoo vaak gebezigd worden van 't 
spannen of zetten van strikken, netten enz. om iets te vangen. 

Aanm. 2, De h als bestanddeel van geadspireerde medeklinkers 
in Sanscritsche woorden wordt in T. door a vertegenwoordigd; b. 
y. daupa uit dhupa, hauta uit bhuta^ budd (§ 8) of mudd (VIII) uit 
buddha^ gordd (§ 18) uit greddhra{^ 81 lY), baima of maima (VIII) 
uit bhima^ pane ({ 8, en 29 in II) vliphafj^u Een uitzondering is 
iondif dat misschien door D. (sendiht) of Mal. (sandi) uit sandhi is 
ontstaan, en vroeger aondi moet geweest z^n ($ 8 en 19 I aanm.), D. 
daarentegen scheidt de h y<5or een u van den medeklinker door ë; 
b. y. dehupa uit dhupa, maar voor andere klinkers door denzelfden 
klinker (vgl. bl. 86 F); b. y. aëndihi uit aandhu bwlaha mt buddha, 



$ so. KlankvinmHlmgen. 71 

gerdaha uit greddhra. In dahdi (*i^ u^x '«^ O) ^ doU (T.) uit 
dhuli schijnt « door den invloed van de adspiratie o geworden te z^'n. 
Aani, Ook in de zustertalen vindt men verwarring van h met 
w; b. V. graka (Kawi) = ghara (Mal.) = garwa (Jav.) uit grë- 
hak dat eerst gërka moet geworden zijn; de Mal. en Kavi-vorm 
door $ 25. 't Men. heeft duwaga = dhaga (Mal.). De Men. spel- 
ling .U (;wo> <wï»^- W. 15, */4 to^iQ doet een yro^tt paioa = 
/TaAa (iif, zie Wdb.) vermoeden, hoe zeer ook door het gemakke- 
lijk wegvallen van de h en 't uitspreken van de slot-d als a de 
uitspr. vbXLpaha a]d|M»d daartoe aanleiding kan gegeven hebben. 

Be h met s, 

XI. Onder den invloed van een triller of van een t en u dikioyU; 
b, V. hurbil = 9urhU^ harimborhor = aarimèorhor, Aalimèuèu = saHm- 
Mu^ mandjar = hmandjar, haUttoktoh = saliUoktoh^ sinamara-an 
(zuid-M.) uit htnamo-ra^n^ sarumaer = harumaer, hunutr =x aumur; 
vgl. voorts harhar met sarsoTy en si in 't voorheehtsel masi (b. v. ma- 
êihoiang) sez hi (in ntaiheiang in plants van mahihotang, bl. 27 r. 2); vgl. 
voorts kujdng (Jav.), dat in T. of M. huping zou uitgesproken worden 
(§ 10 a), met «vjf»»^ (M.) enz. 

M»L 1. oa wordt als slotklank in Men. als èh uitgesproken; 
b. V. ^My:> iarèh, Bao: boreh (bj. 61 r. 1). Zulke woorden in T. 
of M. overgenomen zijn natuurlek niet met h gesloten ($ 23 I, 
zie èore). Daaruit de spelling fM^-t ^^ verklaren, daar die eigenn. 
in Men. a0èh en niet zoo als in Mal. en D. aijih luidt. 

^ant. 2. Men. spreekt us als slotklank als wih uit (de w als 
in 't Engelsch uit te spreken, vgl. aani. 1 XIV); b. v. sardünh 
(^*Jj^)- 

De p en k ah sluiters, 

XII. Meestal in een laatste van a, ooï e voorziene lettei^reep; b. 
y. nop = nok (IV «), rajap naast rajak uit rajaé (Juc,). i^V^P = n/«* 
(M.), sep 7=z sek (D.), dop naast (2oi&, ^^ naast tektek (in talektek), 
(^nggogop = anggogok (M.), «o/qp naast «oM, ^o5op naast ^^o^, ^^^j? 
=s 2o^/^; vgl. a^tr;? (Sund.) met masuk. 

Aant. Men. spreekt ap als slotklank ^«^ uit (cLiU»-» ^i^^^j?)- 

i)ö ^ en ^ a& sluiters. 

XIII. Meestal in een laatste van i oï e voorziene lettergreep; b. v. 



73 KlankvrnoiMÜingen, § 80. 

ieset en ioseh (§ 29 UI aanm. 1), hehek = ^ü^, iMSk :=:tuaU (bL 29 
F I); vgl. parik (zie oa»^. Ö) met /wfi^ (Mal.), «m^ met ^UU (Sund.); 
rahit (Daj. en Jav.) = raldk en ^^o^'^ (Mal.)> ^usip = *o«* (DOii?^- 
rit (Jav.) = empërik (D.); lejakni naast lejaini, misschien uit een vroe-» 
ger 2a«Aiif> of laettii (bl. 16 r. 8 v. o.). Verder zijn op te merken randut 
== randuk, syot == sijok, sipaut = dpauk; ygl. e^, waarbijj klankna- 
bootsing gewerkt heeft, met iük (D.; vgl. 't Jav. woord). 

Aant. 1. t^ en ip worden in 't Men. als slotklanken iq uitge- 
sproken; b. T. pariq^ z=z parit (Mal.); van daar ook zulke spellin- 
gen als t^.^^f^Vff-o in pi- v&u «XaIm^^. En zoo kan tdbit (Jav.) 
wel door 't Men, tiit i^^iiV% ontstaan zijn. Als slotklank wordt 
is als ih uitgesproken (pangih = bangis). Hieruit, en uit de toe- 
passelijkheid der beteekenis op een rivier, bangis in air bangis^ 
zoo als wij naar de spelling uitspreken, want hangih (Agamsche 
uitspraak, zie bl. 61 boven) moest uit bangi (= Jav. wangx) door 
de onverstaanbaarheid hiervan ontstaan. Vele woorden worden 
met een sluitenden « geschreven ^ zelfs die in 't Mal. niet op t^ 
maar op i uitgaan; b. r. /^jjj (fidih) = lidi^ ^Jjjji (fonitih) 
=t paniii. Dit schignt uit pedanterie verklaard te moeten wor- 
den. Is perëa (Jav.) = parak door 't Nederl. persen ontstaan? 
't equivalente woord is immers ^tm^ (Eoiwi) van waar ook pohan 
(in pi. V. pwahan) melk (uitpersel). 

AanL 2. Men. spreekt at als slotklank ^q uit; b. v. ^ ^»>^.. 
soièq (Bao s(mq^. Zulke woorden in 't Bat. overgenomen, heb- 
ben soms de q niet; van daar hope uit tjopeq (Bao-Men uitspraak 
van tjapat, zie { 28). 

JDe p eat als sluiters. 

XIV. In een laatste van u voorziene lettergreep; b. v. lusup naast 
lusut, gurut naast gurt^, ajup = hanjut (Mal, zie bl. 65 VI.). 

Jjoid, 1. In 't Men. worden ut en t^;? als slotklanken met el- 
kander gelijk gesteld, en vAq uitgesproken; b. v. lamq = laut^ 
patwiq = patut, hatwiq ^=^ hatup. De w moet hier als in 't 
Engelsch meer als klinkt uitgesproken worden, maar echter 
zoo kort dat die woorden er geen lettergreep }anger door wor- 
den (pdtuwiq en niet patuunq b. v.). Hieruit te verklaren dier- 
gelijke spellingen als („..^ in pL v. e;,^, 
'Jant, 2. 't Jav. taöit uit table (Ar.) zie aant, 1 onder XIII. 



§ 80. KlankverwUêeUngen. 73 

AaiU. 8. Mak. vertegenwoordigt lederen sluitenden yasten me- 
deklinker door q, die voor een klinker k wordt. 

kk (of ngk) met ng. 

XV. Zonderling dat kk of ngk (M.) zoo dikwijls in een bijvorm nff 
is; b. V. dingan naast dikkan^ aongon naast iokkon, 5;^ x < "^XX 
naast 55 x "^7 ■© ^ ^ > bongoi naast èokkot, ningon naast tnkkon, 

Aanm. In 't Dairisch heeft men mSi» en /^a» (bl. 89 XI) uit maff- 
ia» en pangan (vgl. aa»^. 2 alhier). 

AanL 1. Moet men hier een vroegere uitspraak ngh naar de 
letter (bl. 81 midden) aannemen, zoodat de h reeds in den tiyd, 
toen die uitspraak nog in zwang was, weggevallen is? 

Aant 2. Men. laat ng in bijvormen weg (vgl. de acmm, hier 
boven); b. v. djangan (§ 28 II) naast djanl en gat an in plaats van 
garangan; op die wijze moet ook 't Mal. dan (^j|j) uit dangan 
ontstaan zijn (vgl. de beteekenissen van dohof). 

§ 31. Minder regelmatige klankvertoisselingen. 

L Een ng als sluiter, waar een bijvorm van 't woord op een klin- 
ker, meestal een o, » of a, uitgaat; b. v. etong (in meto-ngetong) = eto, 
gado naast gadong^ urdong naast urdo; vgl. djolong (Men.) met djolo, 
gadjah menong (Men. *t zeepaardjé) uit een vroeger gadjah meni? hum* 
huru-an = hurung hurungan^ asang (oc < "ZT "^7 "oX \) =asa, 
taUko (Mak.) = ^a^a^»^ (Mal.), kidfe =' ArM?;a»^ (Mal., § 29 I *)? 

Acmm. Over 't sluiten van % met een n ding zie bl. 66 onder , 
aanm* 1. Men. heeft nan misschien uit -;5 (aanhechtsel derde per- 
. soon) gevormd (vgl. jang uit ^a enz., zie aant, 1 alhier). 

AanL 1. 't Sluiten met een ng heeft grammaticale beteekenis in 
jang (Mal.) uit ^a^ even als kang (Jav.) uit Ara (in ikd)^ en t«^- 
*a»^ (Jav.) uit ika^ aihg (Jav.) uit si (zoo als nog in D.). D. 
sluit «ï (relatief woordje) dikwijls met een neusklank van 't ge- 
slacht van den beginner vap 't woord; b. v. sinterëm (si + terem), 
simpera (si + pera). Aardig is hidu (Men. in mahidu "ruiken") 
vergeleken met hidung (neus; vgl. 'tBim. ngilu "ruiken'* van üu 
"neus,") 

Aant. 2. Als praepositie is i in 't Jav. met ng gesloten (t«^), 
en in 't Balin. met n als aanhechsel (in), 

Aant. 3. Door de vergelijking met de zustertalen vindt men 
bijvormen op 1 en in; b. v. co »^ \ 'ZTO = harsin (Mal.), 



74 KlankfoervnttdiiHgen. } 31. 

lorngin (bl, 55 T), hemgin (D.) :s^ bhgi (Jar.); vgl. kalamarm nit 
kdlam-ari (zie Wdb. onder Mari), wangin (in »km00ii^) = 
waii^' (Jav.), *^OC"oO\ (ïiit Men.) uit rttm» (Ar. Mal.) > 
f»tn (Mal. oost-kost Sum.) in plaats van t»», w»^^tf«t» uit 9un- 
dm (Perz. Ar.) dat in 't Makass., dat hier n; moet hebben (bl. 
7 aant)^ nmduseng geworden is. Minder vaak hebben woorden , 
die op een anderen klinker eindigen, een bijvorm met n als slui- 
ter: nagatarun (Men.) uit nagataru^ baun (Men.) = bau (Aji ran 
daar sabaun^ en baunbaunan ^^ êabau tnbau-baucm)9 talun (in bar- 
talun-icdun) c;; talu ;Yg\. ook sdpu met «ai^jp»» (§ 27 I); bamgan 
(Men.) = ^or»^ (Mal.), dewan (Men. ^0» hemelUng in de verha- 
len) uit At0a "misschien omdat dit déb (aani, bl. 15) zoude wor- 
den; naniim (Men. aèyectief voornaamw., dat niet anders door 
ons te rertalen is dan door de vermelde^ daar het op iets, waar 
gewag van gemaakt is, w^st) uit nan -f- tu (in üu) e?en als nanff' 
ka (adjectief yoornaamw. van dezelfde beteekenis de pas vermelde) 
uit nan + ka in ika (Men. = tui). De praepositie ka is als aan- 
hechtsel kan (Mal., ken Jav. en D., hon in T. en M , zie bl. 83 & 
en § 4 r.). 
II» Een ^ als sluiter, waar een bijvorm een ng heeft; b. v. eangki" 
bung naast eangMbul^ banggéng = banggél^ kanang (Mal.) b iSwmZ 
(Men. in J^y> zie bl. 52 aai^, 8); vgl. in 'iJtLV. gading mdi gadU, 
bu^ffid (Krama) = buwang (VI). 

III. Ak beginners r en «; b. v. tS^'^t^ = ««aP ^, êoba^eaba ^^ 
rabO'TiOa, ^ -öO\ 52 ^T^v = '2r"30\ 52 'T? \- 

^a»^. 't Malagas! heeft soms z waar 't Bat. r heeft; b. v, wza- 
ira = d^d^ (D.), wizatra =£ 6sra^ (M.) enz. 

IV. Een r in een bijvorm gemist; b. v. okar (D.) = rohar (vgl Mal. 
Wair = -77 PB^ \ ■— in beteekenis); gowar (of goor) = ^or«r (M.)f 
^«rar (D.; vgl. Mal. gcUar), imbam = rimbaru (M.), iuwanggong = ^m- 
ranggong^ arar = rerar (D.); vgl. 5»w (Makass.) met r^w^ (Bug.) en 
reme (D.j , %««|^ (of tiung, zie bl. 17 VII = tarung (Mal.), ^oif^ (Jav. 
en Batav. Mal.) enz. Aldus is baruh (Men. in di bamh angin) = da- 
tt^aA (Mal.) en doti^ (D.) in bauhun (zie oa»^. bl. 16). 

a. Een 2 gemist vindt men in ipos = 2tjpa« (Mal.), kidtpaeaq 
(Makass.); asung (Makass.) = Idêung (Mal.), leeung (D.). 

V. b en £? meestal door een f of e; b. v. d^'a ma = ^i?a ma (M.), 
éfe^ar = %«r (Men.); benak uit cfewa* (Men.) kan ook uit § 28 II bly- 
kens ddnak (Mal.) verklaard worden; vgl. bidal (Batav. Mal.) uit 't 



{ 81é JSla»koermmUngen. 75 

PortQg. dedoL^ bjjar (Mal.) met dgar in pad^ar^ dma (Mak.) eigenn. 
van 't eiland Bima, 

YI. d en «; b. y. êolkup = baUsupj êaroangin = haroangin^ êaran- 
ff an (Jav.) = èarangan (Mal.); vgl. dora^ met sorat, horót met «^r^i^ 
(Sund.). Men denke hier aan b als yertegenwoordiger van. een w, die 
wegens zijn gerniscli gemakkelijk met 9 verwisseld wordt* 

Aani, 't Sund. heeft dikwigis als beginner ij waar Mal. een b 
en Jay. een 10 yertoont; b. y. tjatm = bamrs tjai (waUr) = we 
(Kawi in plaats yan wai)', Ijadas == wadoê (Jav.); tja'^ (bl. 89 
00»^.) £s bak (Mal.); ^/o^ii^ = ^o/iast^ (Mal.), waia^ en «o^ji^ 
(Jay.); ^aimg = ^tni^; (;Vtfr == bajur; ygl. M/o^ =3 bmoang 
(II), ;9a(/a2 (Mal., ook als nederig yoomaamw. yan de eerste 
pers.) Krama^yorm yan panowang (Kawi =s Jay, paiwmg) bediende. 
VgL aant. bl. 15. 
YIL « en ^ meestal door een ï; b. y. hoeing = hatinff^ mnggung = 
tinggung (Mal.), ^a« naast iijan (in M. ^^siaii naast eeman)^ enz. B^ 
deze verwisseling wel te letten op 't vertegenwoordigen in T. van een ^ 
in overgenomen woorden door e (bl. 12 aanm); zoo kan eimbora uit een 
vroeger ^imbera (bl. 44 0(), zoo als ^tuTra (Sanscr.) in D, zoude uitge- 
sproken worden (bl. 35 III), ontstaan zijn. Zonderling is het, dat men 
naast eetul en tettd ook peiid vindt, en naast einggung en tinggung (MaL,) 
ook pinggung: waarin de p wel door { 30 YII uit een meitd en minggung 
in pi, v. UmetuL (bl. 46/.) kan gekomen zyn. 

a. ^Z&i» onder den invloed van een u; b. v. haeurutan (M.) = 
« haturuian (bl. 46 2^), eu (D.) = /» (bl. 41 lY). 
Yni. e en \j^; imbidu naast eimbulUf impola uit eimpolay anghi- 
bung naast aangkibung^ aniabi naast eantaH, antjogat en nUjogot naast 
eanijogot en emijogot. 

IX. A (of il^ in D.) en ^ meestal door een »; b. v. A{^a»^, Aryw^ (D.) 
^ %'«M^ (Mal.), ib|?a« (Mal.) =: Hpaa (Jav.), Ainoo» uit ^«laoji, 

X. g en r; gaba-gaba = m&i-ra&i, ^odar = ro^or {igung = Jav. 
•r««^ ligt buiten 't Bat.). 

XI. g en d; daganak in pi. v. dadandk =; dakdanak (} 23 lY d), da- 
<^« = bkagya (Mal.), gali^aU = dali-daU, wagjut (Jav.) uit widyut. 

XII. ^ en 1^'; i^^oóar = gobar^ gamak = djomak^ masagii (Men.) 
uitspraak van maeadjit (Jcsvim^* ^^ bl. 51 aa»Q; vgl. ugi (Mak.) = 
udji (Mal.), eugi = eudji (Mal.). 

Xm. g en w; vgl. talaga met talawoy einagar (Sund.) met sinda- 
mr (D.). 



76 . KlaukverwisseUngen» §31. 

XIV. r «n A (Dairisch *); b. v. raU = hait, rair = katoir (TV bl. 
15) in katoiren enz. 

^ait^. 1. De klank verwisselingen, die buiten 't Bataksch lig- 
gen, en slechts door de vergelijking met de zudtertalen kunnen 
gekend worden, kunnen hier niet behandeld worden. Zij zijn 
voor een Wdb. zeer belangr^k, en noodzakelijk waar men met 
woorden te doen heeft, waarvan de verklaring in de taal zelve 
niet te vinden is. Zoo b. v. is tami (in manami ^*aan de geesten 
offeren'\ en tam-iami «een offerfeest, waaraan 't publiek en 
niet alleen een bijzondere familie deel neemt"), te verklaren uit 
't Jav. tamu (gaaf), zoodat f^/inam eigehtlijk beteekent : .de gees- 
ten iracteeren {aU gast behandelen). Hier is de identiteit van de 
u en % als slotklank slechts te bewijzen uit een vroegere ge- 
daante van 't woord; want zoo een i (die naar § 29 II ook e kan 
zijn) slotklank van een woord is , waar een zustertaai of andere 
tongval een u heeft, dan is er een midden vorm met uj als slot- 
klank , die in de een of de andere taal te zoeken is, en daar 
soms in twee lettergrepen (als um of uwe) bewaard is geble- 
ven; b. V. langi (D. en Jav.), lange (T.), lanu (Huwasch, zie 
aani. onder op bl. 63), languj (Kawi), tangqj (Daj. nominale vorm 
van nangcj, zie. bl. 67 a, § 80 IV); api (Mal. enz.), afu (Mala- 
gasi), apuj (Kawi); tamu (Jav.), tamuwe (T.), tamuwej (Daj)., 
tamoj (Lamp.), tami (zie boven); tuli (Jav.), toloj (Doco.), ttdtff 
(Kawi); 6alu (T.), baluwei (Men.); 8apei(Meu,) in. angin sdpei-sapei 
(een brieve) naast sapuwei =-. sepi (Jav. en Mal.). Andere proe- 
ven van diergelijke klankverwisselingen kan men in de aant, 
van 't Bataksch leesboek vinden. 

jiant. 2. Vele klankverbasteringen staan buiten een regel; zoo 
b. V. die, waaraan de vocativus onderhevig is (itó of itóng van 
ibotOy maéi ranparumaen, tang uit turang). Ook woorden, waar- 
bij aan Ae oorspronkel^ke beteekenis niet gedacht wordt, vooral 
omdat zij ter aanduiding van een betrekking dienst doen, kun- 
nen niet altijd, wat de verandering in vorm betreft, genoegzaam 
verklaard worden. Zoo b. v. heeft men van tapi (Mal. verkorting 
van tatapi uit Sanscr. tathapt) en van hami in sommige landschap- 
pen, waar noord-M. gesproken wordt, tai en hai gemaakt, 't 
Wegvallen van de ^ en w is hier niet anders te verklaren dan uit 
't gebruik van die woorden als voegwoord (maar) en voornw. Om 
dezelfde reden is unang in T. altijd gebruikelijk als het negatief 



$ 31. ' KlankvermMelingen, 77 

imperatief is, terw^'l ulang^ waaruit het veranderd is, steeds ge- 
bezigd wordt als nominale vorm of imperatief van mangulang (van 
iets geen geèruik maken). Ook voomaamw. worden dikwijls , zoo 
als reeds uit kai in pi. v. hami gebleken is, in een vor^i gevonden, 
waarin de klankverwisseling niet aaii een regel is te onderwer- 
pen; van daar ook dat 't Mak. den eindklinker van sommige 
voomaamw., zoo z\j zonder nadruk gebezigd worden, heeft onder- 
drukt, en hen in een vorm weder geeft, die ze b^na onherken- 
baar maakt: aq in pi. v. aku; Jnq (eerste en tweede pers. enkelv.) 
uit kit (zie bl. 73 boven) in plaats van kita (eerste pers. meerv. 
inclusief); hang (uit kaniy zie aant. bl. 7) in plaats van kami, en 
mang (uit mam, zie aant. bl. 7) in pi. v. mami (Jav.). — Dat 
voorts de klankverwisseling dikwijls een middel is geworden om 
een woord een bijzondere beteekenis te geven, ziet men uit latijak 
. (spaanacke peper), dat algemeen in gebruik is in plaats van na 
êyak (} 80 IV a), daar dit te veel zoude insluiten, en ook toepas- 
sel^k zoude zijn op andere heiet op de tong z^'nde specerijen. Dit 
is dan ook de reden, dat men gaamef halawas (zie bl. 56 2®.) in pi. 
V. hdlda gebruikt, want ^o^^-als Hheeie (las) beteekenende sluit 
weder te veel in. Van diergfclgke woorden gaat de byvorm met 
E^n beteekenis dikw^ls verloren; zoo is b. v. koning in D. nooit 
geel, maar altijd curcuma^ terwyl 't Mal. kuning.nog bezigt in 
onderscheiding van kunjü (curcuma = 't Jav. kunir^ zie aanm. 
2 bl. 66).* Zulke woorden hebben das veel van eigennamen, en 
hebben daarom soms ook ^en vorm met «t (een voorhechtsel. 
waardoor men een woord tot eigennaam stempelt); b. v. si-hak 
(een raaf of kraai) van kak ('i geluid van dien vogel), terwyl D. 
kak bezigt, en 't Jav. engkak; even zoo ai-padae (Men. gember) 
van padas (keel op de tong), en dmoein (Lubusch zouf) van mosw 
(= maein, zie aanm, 5 bL 61). $oms ondergaan zij een verande- 
ring die tegen den regel is; zoo b. v. moet het in M. ('2r OC 

\ *"" X ^^~' ) overgenomene Men. simpalah (uitpereel van 't 
vleesch van een cocosnoot) uit eimparah ^ (ei + parah, vgl aant. 

1 bl. 73 ontstaan zijn. Is hier de l in plaats van r gekomen door 
den invloed van de «, of van den neusklank, waarbij een l als 
zeer verwant met de n liever is? (zie bl. 64 IV, en bl. 62 



Simparak koifit ook yoor, maar zelden. Dat timpola niet Bat. is, blijkt 
nit paro = pdrak (Mal.). 



78 KUrnhverwUuUngen. $ 32. 

aanm.), — Ook woorden, waarin een geluid-nabootsing zit, zqn 
aan geen regel gebonden; b. v. èükuruq (Mak.) ^ dukur in en- 
dukur (D. =s andukitr) =c kukuf in takukur (Mal.)i tutu in htUiOH 
^ ptetu in Hpuiu (Men.); vgl. oókffok, gagamak^ hak, kak (D. 
en Daj.), gagak (Men. en Jav.), éw^^a^ (Jav.) enz. (zie Wdb.). 
Bij diergelijke woorden zonde men alleen de gel^kheid van 
klinker als regelmatig willen opgeten. 

§32. 

Ingeschoven medeklinkers. 

Als ingescboyen medeklinkers vindt men: 

I. n in Dairisoh ( lY b bl. 86), MandaiUngsch (E./, bl. 29) en 
verder in nanón (thans in T. en aanstonds in M.), dat ook *-3 ^75 \ 
^B IS X \ gespeld wordt, om beide lettergrepen als twee eenletter- 
grepige woorden te laten hooren', uit rs + ^^^^ "3 X \ (^an daar 
-jjv^^'^v' in D, zie bl. 89 in X). 

II. s in M. en T. (§ 8 d), in D. (in IV a, op bl. 86), verder in — 

•aro^ ^^xvr? -bxv (•— • -h'»-<»x\-i-':?7-s 

X \), van waar ook singoi in tarsingoi, 

A. Ju pasulak, dat ook zsspaulak beteekent, is de s als ingescho- 
ven opgevat door de beteekenis (zie Wdb.). 

III. <iü CC««9x\-2rö5SO<-«^\ (M^)» "^^O-C 
•77 -^xv (Kie Mandaüingsch E. < bl. 29; (/ inD. in. pefy'idahkên ^ 
ijëtfedur (zie IV c bl. 86). 

iV. ^ in MandaiUngsóh (bl. 28 E. a), in Datrwcü (bl. 86 in IV), 
en verder in pahulu (denkelijk om het met pahae in overeenstemming 
te brengen), "** «7^ *0C x \ HT » pahah (dit door Dairisohen in- 
vloed?). 

jianM. Be r is missehien ingeschoven in taripar (uit in + f^iar, 
bl. 46 r. 7), zoo als te vermoeden is uit den Dairischen vorm (tU" 
repar), In 't Men. vindt men karair in plaats van ka-air (naar *t 
waUr of de rmer gaan om een behoefte te doen; air zie aant. 1 
bl. 18). 



§ S3. Speüing. 79 

IV. SPELLING. 

i 33. 

De spelling is nergens bij den Batak geregeld, daar ieder naar de 
in Ki|j& landschap gebrnikel^ke uitspraak schrijft. Zoo spelt men b. y. 
hidséê {geurig) in T. niet alleen *?7 ^ \ "5^ 'T? \ (§ I*) niaar ook 
*r>nh\'2r :2? \ (J H), 'r7S^\7r'K\ (naar de uitspraak) 
en -?7 t27 \ "Xr Trr \ (§ IS), terwijl het naar 't Dairisch overhellende 
snb-Tobasch *r>'^\'Tr>'z;\ (§ Uö)of rpf^^rj^^siS 11), 
nóord-M. '7^ yp; \ -jP? 'atf \ {Mandaiimgêch B. I op bl. 2«), en zuid- 
M. \j^ '2^ \ "^ '27 \ (bl. 26 r. S van onder) er van maakt. In de 
meeste geschriften op boombast vindt men een geregelde spelling, die 
\ woord in zoo'n vorm schrijft, dat ook iemand, die van de Tobasche 
uitspraak niets weet, het tot zi^jn eigen tongval met weinig moeite kan 
terug brengen. Zoo b. v. kan een Mandailingsch sprekende ait de spel- 
ling *9^'7s^\T7'n\ Bien, dat h\j hier hwMi heeft üit te spreken 
(B bl. 26). In 't Wdb. is dan ook deze spelling gevolgd, daar het vol- 
gen van de spelling naar de Tobasche uitspraak het voor iemand, die 
Eioh in Mandailing of Dairi bevindt » geheel onbruikbaar zoüde ge- 
cdaakt hebben. Dat soms de etymologische spelling niet gevolgd wordt, 
«iet men uit -t^ «^^ oc \ (bl. 12 r. 8). Die de uitspraak der ver- 
schillende tongvallen kent, zal geene de mmsta moeite hebben een 
woord op de regte plaats in 't Wdb. te zoeken. ^ 

Aiud. De zonderlinge uitspraak van T. zoude iemand doen 
twijfelen aan 't betveren van alle Bataksch sprekenden, dat 
namentl^k' het Tobaseh de grondtaal is, waétrvan M. en 
D. afgeleid zijn; want de ^uitspraak dezer tongtallen, geeft 
nu en dan de spelling der boombast-geschrifben beter te- 
rug dan de Tobasche. Dat D. van T. afgeleid is, mag men 
wel betwijfelen, en de bewering der Bataks aldus w^'zigen: 
D. was oorspronkelqk een verschillende zustertaid, waarvan 
de sprekenden door de Toba's zijn overwonnen, zoodat zij 
't schrift, en misschien ook de godsdienst ^ van hun over- 
winnaars hebben overgenomen. Dat 't schrift van T. is ont- 
kend, U\jkt genoeg uit 't gelnrek aan een teeken ter aandui- 



* Zie b. Y. fianna (bl. 45 aanm.), dan^sina en gonfffi (bl. 49 aanm, 2). 



80 SpeUvng. § 33. 

ding van den klinker e^ die lierer een o had moeten genoemd 
worden, daar h^ dezen klinker in T. zoo dikwijls yertegen- 
woordigt (bl. 83 i), dan een u (vgl. ook aanm, 2 bl. 38). — 
In hoeverre de godsdienst der Dairisch sprekenden yan de 
Toba's is ontleend, moet nader onderzocht worden door ie- 
mand , die in de gelegenheid zal z\jn 't taalgebied van D. door 
te reizen. De Dairisch sprekenden, waarmede ik in ai^nraking 
geweest ben, beweerden hun beschaving van de Toba's te heb- 
ben, en te oordeelen naar eenige Sanscr. woorden, die in D. 
'gebmikelijk z^n, zal men er vooreerst geloof aan moeten slaan; 
zoo b. V. debata^ agoni en adji (bl. 65 r. 2), waarvan D. dewata, 
ageni en adi (bl. 40 XIYJ gemaakt zoude hebbep, zoo het die 
woorden niet van T. had ontleend. Ook woorden, die niet 
Sanscritsch z^n, schijnen ov.ergenomen te zijn; b. v. keliki^ 
waarvan D. de )& van hcdihi (uit ha + U^ zie bl. 66 2**.) met k 
heeft overgebragt (bl. 84 B.), niettegenstaande daar de h geheel 
in overeenstemming zoude zijn met zijn taalregels (bl. 89 5.) 1. 
Evenzoo ketjeur (bl. 9 in de aanm,) dat ketjekur had moeten zijn, 
daar D. een h (die in Aanfor achter de i is uitgevallen) door k 
wedergeeft (bl. 34 £). Zonderling is ook tampar mmpah (vloek' 
afioeerder) als naam van een haarzui verende vrucht, want sumpak 
is daar een vertaling van bura (in tappar bura) , dat thans in T. 
vervloeking beteekent, maar toen die naam aan de vrucht gege- 
ven werd, nog schuim heeft moeten beteekenen (zie Wdb. onder 
bura) 2. 

Wat voorts M. betreft, het is duideligk, dat T. althans 't 
schrift hieruit moet ontleend hebben, daar het geen nj kan nit* 
spreken, maar toch in 'talphabeth opgeeft. De uitspraak van 
M. komt in sommige opzigten met die van T, overeen, als b. v. 
in het bezigen van een h waar Mal.,. Jav. of D. een k hebben, 
maar in 't hebben van een ij, en in 't kunnen uitspreken (in 
zuid-M.) van een neusklank als sluiter voor een scherpen mede- 
klinker vertoont zijj daarentegen groote afwijkingen. Zoo als 
noord-M. en zuid-M. er thans uitzien, moet men hen beschou- 
wen als talen , die zoo sterk met het üobasch zijn vermengd ge- 



^ Zie ook bl. 14 N^. S, 18 en 26, en faèan (ook D.) op bl. 70 aanm, 1. 
^ Vgl. ook bl. 16 onder in a , waarnit biykt, dat zelfs de uitspraak van T. op 
D. invloed heeft moeten uitoefenen. 



§ 33. JS^nff. 81 

wofden» dat er van de taal der oorspronkdi^jke bewoners van 't 
taalgebied van M., waarvan de Lubn's en üln's nu nog de ver- 
tegenwoordigers z^n, slechts weinige sporen E^n overgebleven. 
Als men er op let, dat sk, enns in T. is in de uitspraak geven, 
en ngk: kk, dan b^jkt het, dat b. v. de volgende woorden 't 
overnemen van Tobasche woorden door M. kunnen staven: hoé- 
Ut in T. is in znid«M. atiijU in tnantjU (in plaats van mahantjUj 
zie bl. 26 r. 2 V. o.), en T. spelt haiMtU omdat nê ook is geeft; haisir 
in T. is in M. hm^ivy en T. spelt bansir om dezelfde reden als 
bij katni opgegeven is. Beide die woorden echter had men even 
goed hoihit en hoèUr kunnen spellen, om de uitspraak weder te 
geven; immers hasMi en hashir geven ook katnt en haiiir^ ter- 
wijl z^* niet anders han^ü en hantjir kunnen worden dan b^ een 
volk» dat U onaangenaam vond, en er nij van maken moest. 
Door ntj (w gespeld) in plaats van U (ah in de spelling) te zetten , 
is de grondklank, waaruit die woorden zijn ontstaan, niet overeen 
te brengen met dien in andere aan hen verwante woorden; neemt 
men kan^ü en danUjir, daU krijgt men de grondklanken tjit en 
^ir, en kan dan deze klanken niet in verband brengen met den 
grondklank in bakkir (spelling hangUr)^ dat in M. hangkir uitge- 
sproken wordt, en in haUr; neemt men echter haahir, dan ziet 
men den grondklank in alle drie woorden, die nagenoeg 't zelf- 
de beteekenen , want dan krijgt men ba^tr, bangAir en hashir 
met den gemeenen grondklank kir. Evenzoo is het met hashü 
gelegen, dat hansii gespeld in M. kantjit geeft, want tjit kan 
men niet in overeenkomst brengen met den grondklank hit van 
èohU (Mal. sakif). De in grondbeteekenis overeenstemmende 
woorden kUaaif akhat en utaat, die allen thans kin9at, anghat 
en tmaat gespeld worden, en in M. hintjat, angkat en utUjat 
klinken, vertoonen een ongelijken grondklank in deze spelling, 
want dan kr^'gt men tweemaal aat en eenmaal hoi (kat in 't 
Mal. augkaC), Men moet dus hier alweder van de uitspraak van 
T. uitgaan, en dus een vroegere spelling kiahai, anghat en ua- 
ha& bij 't onderzoek naar den grondklank opzetten, zoodat men 
dan den grondklank hoi (ook in hoihiU) vindt. Yeilig mag men 
stellen, dat de uitspraak in T. in vroegere tijden meer in overeen- 
stemming was met de etymologische spelling (vgl. bl. 78 XV aant, 
1), zoodat men huahua en hiahia uitsprak, want in die andere uit- 
spraak was de grondklank ligt te ontdekken {hua = kua in D., kis 

' 6. 



Spelling. { 33. 

=r ^ in Dair. kiskis en Mai. kikis), terwijl de hedendaagsche (hui- 
SU8 en hitsis) hem verbergt. De nieawere uitspraak moet echter 
reeds in zwang geweest zijn , toen de Toba's 't taalgebied van M. 
veroverden , want uit hishtU en haahit moest in M. hiskat en hos- 
kit, en niet hiwtjaé en hantjit, zoo als M. uitspreekt, ontstaan. 
De ^ iB in een menigte zustertalen, als b. v. in Jav. en Mal., 
niet bekend, zoodat de oorspronkelijke bevolking van 't taalge- 
bied van M. , die bl^kens 't Ulusch en Lubusch een taal spra- 
ken, waarvan 't klankstelsel met dat van 't Jav. en Mal. overeen- 
kwam, hen in ntj moesten veranderen. Dat 't zuidelijke gedeelte 
der Biitaklanden oorspronkelijk door een Maleisch sprekende be- 
volking bewoond was, blijkt ook uit de menigte Men. of Mal. 
woorden, die in M. aanwezig z\jn, en wel met een uitspraak, 
die in Men. niet geldt, maar nog in 't Mal. in zwang is. Men 
denke slechts aan unggaB, dat ungge (zie oo *^'*'^) zoude 
ziyn, zoo het onmiddelijk uit 't Men. (unggèh, zie bl. 71 aant, 1) 
ware overgenomen; even zoo is het gelegen met pa uit Mal. 
pahOy terwijl het in 't Men. pah is, en ra (noord.M. eign. van 
't landschap Rao) dat naar § 17 II uit ratoa moet zgn, en bij 
geen mogelijkheid uit 't Men. (rao) kan gekomen zijn; zoo ook 
is tobaé 't Mal. tdbat en niet Men. (iobeq, zie bl. 72 aant 2). 
Uit diergelijke spellingen van T. als -79 -3 \ '2r 5^ O \ » 
cS 7^ «7 o \ enz. waar het tegen z^'n eigen uitspraak een 
neusklank als sluiter voor een scherpen medeklinker plaatst, 
mag men veilig besluiten , dat de beschaving uit het O. door een 
Mandailingschen tongval heen naar het binnenland gekomen is. 
Ook de echt-Tobasch sprekenden moeten zich met de overwon- 
nelingen vermengd .hebben, want hoe anders te verklaren, dat 
T., niettegenstaande het geen (/ uitspreken kan, toch dj bezigt? 
immers de stompe geslachtgenoot van de is is dz, zoo als nog 
in 't Malagasi. Zoo men let op de groote overeenkomst van de 
Bataksche uitspraak met die van genoemde taal, zal men het 
niet onwaarschijnlijk vinden, dat 't Bat. vroeger ook een dz 
heeft gehad. Als voorbeelden van die overeenkomst zijn aan te 
halen: 

1*. een h als vertegenwoordiger van k elders; b. v. ahu = aku 
(Mal., Jav. enz.). 

2'. een k (in T. ^, zie § 10 en 11), waar Mal. of Jav. ngk 
heeft j b. v. tuku (een drievoef)^tungku,Kakmna=zóangkuioang. 



§ 33. Speüing. 83 

8°. 't ontstaan van een k door een voorgaanden sluiter uit h 
(bl. 26 I); b. y. wurun-kakaka uit wuruna = burung (Mal.) en 
hahaha = hak (T.). 

4^. 't gemis van den halfklinker j, die door z vertegenwoor- 
digd wordt; b. v. hazu = kaju (Mal.), salazana = salajan (Mal. 
van êolef). 

5**. tsi waar elders ti is (vgl. bl. S5 III); b. v. /«ifu&o = ^- 
djoip (Mal.), tindo (T.); ftUH =jpuUh (Mal.); tsindri = Hndik 
(Mal.); en 't ontstaan van ta uit a door een voorgaanden sluiter; 
b. V. lalantsarutra (uit Idlana + sdrutra), 

6". 't Veranderen van een sluitenden k in. h voor een aan- 
bechtsel, dat met een klinker begint (vgl. $ 10); b. v. iré* 
hind van trakd (de slot-a nagenoeg stom) en ind (aanhechtsel). 



DRUKFOUTEN. 



BI. 8 r. 5 V, o. lees: ika. 

„ 10 „11 lees: -T^o-T^OX/^-SN- 

„ 12 „ 12 „ elders, door. ., 

„ 22 „ 16 „ èindti-godang. 

„ 22 „ 21 „ hindu pinardjolma, 

•„ 22 „ 11 V. o. lees: bindu pinarulok. 

„ 25 „ 17 Y. o. „ en zijn slechts. 

„ 27 „ 6. „ scherpe medeklinkers. 

„ „ „ 9 V. o. „ (dak aongko-ni en hup tjohko^ni. 

„ 81 „ 2 lees: Jcdid en mdU, 

„ 88 „ 17 V. o. lees: bl. 61 boven. 

„ 33„11 V. o. „. ^c--è\. 

„ 36 „ 19 lees: pe + tweemaal idah, 

„ 42 „ 8 en 9 lees: menger, 

„ 42 „ 11 V. o. „ aU'ptjam. 

„ 46 „ 10 moet karambodja uit tarambué^a weg. 

„ 49 „ 5 Ipes: zijn (bl. 6 aanm. 6); 

» )) M 12 V. o. lees: uitspreken. 

„ 53 „ 20 lees: = tjakur. 

„ 66 „ 10 „ behalve soms. 

„ 68 „ 1 „ intuna. 

„ 71 „ 7 V. o. lees: hcj, 

„ 73 achter aanm, (onder XV) in te voegen: Sommige woorden heb- 
ben een bijvorm, waarin »^ tusschen klinkers gemist wordt; 
b. V. ingan = jjan^ tyan = tingon (M., § 4 2°.). In 't Dair. 
enz. 

„ 74 „ 8 V. o. lees: VII). 

„ 75 „ 17 V. o. „ iumetul en auminggung. 



TOBASCHE SPRAAKKUNST. 



TOBASCHE SPRAAKKUNST, 



IN DIENST EN OP KOSTEN 



NEDERLANDSCH BIJBELGENOOTSCHAP, 



VEBVAABDiaD 



DOOB 



H. N. VAN DER TÜÜK. 



Tweede Stuk. 

(de woobden als zindeelen). 



AMSTTERDAM, 

DEPOT VAN HET NEDERLANDSCH BUBELOBNOOTSCHAP. 
Warmoetttraat ka de St. Janutraat, J. V^ 



OEDBUKT BU C. A. SPIN & ZOON. 

1867. 



u 



•:i-i:{'- 



;.ff' .i>,-.; /, 



AAN 
OEN HOOGLEERAAB 

A. RUTGERS 

WORDT DBZB POOINO, 

EEN ONBEKENDE TAAL 

T01BGANKELIJK TB MAKEN, 
DOOB DEN SCHRMTER 

ÜIT HOOGACHTING EN ERKENTELIJKHEID 
OPGEDRAGEN. 



AAN DEN LEZER. 



Zoowel om deo leerling aan de plaats van den klemtoon Ie gewennen» 
ak om tNederlandeefa B^belgenootaehap ntet op oiincM)dige kosten te 
jagen « is in dit stak ieder woord getransefibeerd. De ttanderiptie, door 
mij gevolgd) geeft een woord op atch«nlf naar de nitupraak terug, 
aonder de verandering uit te drukken, die in den aloiter er van door 
een volgeBd woord te weeg gebragt Mroidt; «ifo b. r. tvanseribeer ik 
•<OCPD ^^ "^ \ 79 X met di-öoin io (door uffephiaiêt of ^mnar- 
éigd)s éü niet geheet naar de «iispraok {di*laêk ko), In zamengisfitelde 
woorden, zoo ale b. .v. i»i^ vrv 15X \ IT'O'T^ «^ x \ , heb ik de 
nitepraak gehdel gevolgd (dbo^nSloZ). ^ Alles wat in kleine letter ge- 
drukt ie kan de leerling overslaan, en heeft hQ sleehts dan te leeen, 
wanneer er naar vefweeen wordt; -^ Wat betreft de wijsse* waarop ik 
getracht heb van dese* nog met beoefende taal een voorstelling t6 ge- 
ven « ik beken gaarne, dat zij mij in 't geheel niet voldoet I)e volvoe- 
ring van mijn taak £oo laag uit te stellen, tot ik in staat was, iets 
goeds te leveren, achtte ik in 't belang der beoefenaars der talen van 
den Indisoheti Archipel niet raadzaam, en daarem heb ik mij, wat be- 
treft sommige hoofdstukken, maar wat gehaast. Men neme 't geen ik 
geleverd heb voor lief, en bedenke, dat ik geheel alleen stond voor een 
taak, die slechts door vele beoefenaars naar eisch kan afgewerkt wor- 
den ^ en tevens, dat ik verpligt ben een gro'ot gedeelte Tan m^n t^d te 
goren aan een arbeid» die, eoo als de vertaling van bi^belsdie geschrif- 
ten, den geest ter neder dmkt, omdat men, zoo men geen diltettant- 
zendeling is, de overtuiging heeft, nagenoeg morswerk te zullen leve- 
ten* Ik behoef niet te seggen, dat ik bij t werk van mijn voorgangers, 
die de sniteirtalen hebben behandeld, geen baat heb gevonden, daar 
Btj onder den invkied van een abstracte methode, die de ware natuur 
eener taal, als beddspvaak, miskent, een voorsrtelling gaven, die tiii|j 
aleohie vp een dwaalspoor kende brengen. Ik behoef slechts te w^|2eü 
mp zulke beschouwingen ate **^ logisch voorwerp'* (iü de taal der ster- 
velingen *»«infinitief*), en op de wigze, waarop men in 't'Malcisch b. v. 
aan een staimweord, ofwel aan deto een voudlgstctt vorm van een tran- 



II 

sitief optredend werkwoord de beteekenis beeft aangepast van een infi- 
nitief, soodat b. y. ianam, ''bet planten" zoude beteekenen *. Ik beb 
mij streng aan 'ttaalgebrmk gebonden, en nooit aan een stamw., waarvaa 
zelfs de vorm onzeker is (zie bl. 108, jiaHm.)^ een beteekenis durven ge- 
ven, die bet, als gangbaar woord, niet heeft. Daarom heb ik b. v. ta^ 
uom met begriutf (het, hem, enz.) vertaald, of, naar den vorm, met warde 
(het, hq, ens.) door u hegraiom. Ik geloof niet, dat men ooiteen taal goed 
zal kunnen voorstellen, zoo men zich niet losmaken wil van 't gestreef 
naar een volledig stelsel, want iedere taal is meer of min een bouwval, 
waarin 't plan van den bouwmeester niet te doorzien is voor men uit an- 
dere werken van dezelfde hand 't geen er aan ontbreekt, om de oorspron- 
kemke gedachte te vatten, heeft leeren aanvullen ^ ledere aandachtige 
beoefenaar eener taal zal mq dit toegeven, en dan ook over de wQze, 
waarop men ten ontzent in zulke bouwvallen, als 't Jav. en Mal., eea 
duitend geheel heeft trachten te vinden, zqn staf moeten breken. Is 
het niet belèchel^k van een vorm, ak b. v. 't Jav. pdU^ {loffiêch voor- 
v)erp!)y een werkw. mdlaju af te leiden, en toch in 't Mal. mpakaUar 
een afleiding te zien vanma^imiar^ Is het niet de feiten verwringen, dat 
men in 'tMaleiflch een werkw. mangUpar opgeeft, omdat men er een 
substantief pangUpar ^ heeft meenen te vinden? Wat zoude men van 
iemand zeggen, die uit appUcaikt deêtrwtihU, diipieable en diergelijke 
woorden werkw. ging Of^even, als to appUe, to dedruel en to detpic? 
Waarom heeft men zich niet streng willen houden aan de feiten ^, en 



* Volgens de jongste Maleische Spraakkunst (U. 8é) sonde ^imii^ «werpende 
zQn" beteekenen! 

^ Zoo kan men b. v. nit 'X Bataksch en Tagaalsch leeren, dat pèr in 't ^1. 
de voim is, die 'tvoorh. har in 't passief, of bjj substantieven, aannemen moet; 
pirbtiwaia» b. t. is niet/Mw 4- èuwai + an, maar de passieve vorm van bSieu- 
wU met 't aanh. o». 

^ Lees pangaUpur, 't Stamwooird is Upur en etymologiseh een met 't Batak- 
sche ripwr, zoodat m&i/wr. eigentlgk: (smart ens.) nitwiaeken beteekent. 

* Zoo ook heeft men in hakmtara een van anUara afgeleid woord wUkn zien, 
ofschoon het slechts als versierde benaming van een bosch, woesten^ of vlakte 
gebezigd wordt, en men niet heeft kannen bewezen, dat de sloiter van 'tvoorh. 
^4r v6or een een r inhoudend woord, dat* op een klinker eindigt, in / veranderd 
wordt, zoo als blijkt nit bartttari, 6arura'^ra, ^n zel£s uit bèrantara (zie de Iewm- 
jatim, bl. 158, Sidasari, bl. 63). Om de afleiding vap aniara te bewijcen, heeft 



Ill 

2ich bepaald bij eene bloote vermelding, om een ander de gelegenheid 
niet te benemen, er een betere verklaring van te geven P Geene taal 
heeft zoo onder stelselzncht geleden als de Maleische; juist omdat er 
zoo weinig stelsel in is. Men houdt haar algemeen voor gemakkelijk *, 
en toch is het niemand harer talrijke beoefenaars nog gelukt, haar 
dnidel^k te maken. Men heeft met even veel geweten op haar proeven 
genomen, als een dokter op een zieke waarvan hy de kwaal niet 
kent. De arme patient heeft vr^*' wat moeten slikken, ook nadat de 
dranlges uit de apotheek van Taeo haar zoo sledit bekomefk zijni £r 
rust, schijJBt het, eén vloek op onze beoefening der tal^ van den In- 
dischen Archipel, en het zal ons nimmer gelukken, een er van zoo 
onder de knie te kragen, dat wij haar met kans op welslagen zullen 
kunnen gebruiken. Men moet een taal om haar-zelf beoefenen, niet 
dienstbaar maken aan een doel, waarvan 'tni^agen op de beoefening 
verderfeUjk moet werken. Daarom moet ieder op teleurstellingen voor* 
bereid zyn als die, welke 't Nederl. Ind. Gouvernement b^' de volks- 
leesboeken en 'tB^'belgen. bij de Mal. en Jav. Bijbelvertaling reeds 
hebben ondervonden. Ik ben er overtuigd van, dat men in ons land 
niets goeds zal kunnen leveren, omdat men er te practisch is, en den 
man, die 't zilver nog heeft te zoeken, noodzaakt ook z^n tijd te ge- 
ven aan 't slaan van guldens, 't eenigste waarvoor 't hart van onze 
toonbankhelden in staat is te kloppen. Eerst wanneer men in Duitsch- 
land zich met de talen zal willen bezig houden, waarvan de kennis 



de schrQver der jongste Mal. Spraakkunst er zelf» palaniaran bg gehaald , en 
het woord ptUaniara-an naar 2|jne afleiding gaan 8chr:ijven, hoewel het in xijn 
Wdb. onder laniar reeds plaats heeft. Ja selfs palabag^ verklaart h|j als pal 
(nit p&ry + bagef (bl. 46). Ongelukkiger wQze is dit woord onmidde]{|k nit 
't TÉmil, waar het paicaoagej is (zie English and TamUJHetumary, Madras 1844, 
different torü). Het Mal. heeft de t?- in ^ veranderd, omdat het 't Thmilsehe f9<ih 
ffef ook reeds had overgenomen (zie Bat. Wdb. bage). Ik heb er nooit aan getwij- 
feld, dat balantara 't Indische, vaak in 't Kawi (b. v. Wiuiüha, bl. 6, Bhauma- 
iawja, bl. 241 ond.) gebezigde wananiara is ($ 16, Janl., $ 30, IV), en slechts 
tot de stfjlfranjes der verhalen behoort, even goed als baraqsa (versierde benaming 
van een boom), baianta (versierde benaming van een vlakte, wanania, boteh-be- 
grentd), pangaUpur lara (versierde benaming van een losthof , enz. ; Kawi pa- 
nglipur lara; men vindt in 't Mal. ook pangaHpur sakit), enz. 
Dit blijkt genoeg uit de menigte van onbevoegde liefhebbers. 



I? 

voor ons van zoo veel belang is, zal er een betere toekomst voor hare 
beoefening aanbreken. Ik rd^en dns niet op lezers, die. van 't geen 
men nit 'tTobaach leeien kan, znllen willen profiteeien. De jongste 
"Mal. Spraakkunst^ ^ geeft mij daartoe alleains reden. Verbijsterd door 
de duisterheid van zekere Jav. Grammatica, heeft de schrijver de vor- 
ming van 't passief zoo. verkeerd voorgesteld, dat z^n werk in vele- op- 
zichten een achteruitgang Is. De plaatsing van een persoonlek voor- 
naamw., dat meesisl verkort wordt, voor den vorm, dien een transi* 
tief optredend w«rkw. in 't passief m^H hd>ben, wordt door hem slechts 
ter loops aangeroerd, zonder dat men uit zyn woorden (bl. 75) kan op* 
maken, dat zulk een verbinding de uitdrukking is van een passief *. 
Men vindt dan ook b^ hem niet» gezegd van de beteekeais van ku^par' 
hmoaty kom-han, enz., zoodat hetgeen wonder is, dat y^i^piffimpatkmik aku 
wedergeeft met ^ï^* make voor mff (bl. 114). Om 't voork. pa te verklaren 
maakt h\j een reis naar 't verre Oosten, en vindt daar op een eilandje 
een woord, dat *'(»nwalde plsats" betedcent (bl. 56). Ik: hoop* dat hü 
b^ een tweede uitgave, waarop voor hem, als hooggeleerd^, kans ia, 
zal zien, dat h^ een veigeefedie reis gedsan heeft, en beter zon gedaan 
hebben, zoo hij de beleefdheid had gehad, de naaste buren met een 
bezoek te verwaardigen. -~ Een index, voor ^verige lieden weelde, geef 
ik misschien naderhand, want ik ga eerst wat braak liggen* 



^ ^ Volgens de bekeatenif van den sducfvsr {voorrede, U. III) c«a. '*jnsre 
catchpenny title,*' want hQ wfl het als een «'wetenschappeiyke proef' beschoawd 
hebben, waarbQ do leaiag van 't aaeda 4s«l> van ^do Ttol^ds" een èoo^vwsUchte 
is (bL 4). 

* Dat oen verkort vooraw. nooit pkata neemt vdor wn intiaiMitiaf optredand 
werkw., aoodat non niet htriunm, ht-pargi^ ens. kan zeggen, 8«hönt voor ham 
met genoeg geweest te v^a^ Ja selfs» dat ba/tivmH even goed na im «n i<no als 
na «ft tol parhnoêi wordA» heell kern de oogen niet gaopead. . 

Amstbbdam , H. N, VAN DKE TüüK. 

1 Mei 1867. 



INHOUD. 



EERSTE STUK (klankstblsel). 

Inleiding i Ill— VHI. 

I, Schrift en uitspraak Blz. 1 — 25 . 

Mandaüingsch klankstelsel ¥ 25 — 32 . 

Dairisch klankstelsel // 32 — 42 . 

II. Woordvorm // 42— 58. 

m. Klankverwisselingen // 58 — 78 . 

IV. Spelling \. // 79— 85. 



TWEEDE STUK (de woorden als zindbelbn). 

I. Over stamwoorden j afgeleide moorden en 

de woordsoorten in 't algemeen Blz. 85 — 87. 

II. Het werkwoord it 87 — 151 . 

ni. Het substantief. # 151—217. 

IV. De telwoorden ir 217—220. 

V. De voornaamwoorden // 220 — 267 . 

VI. Het bijwoord v 267—309. 

Vn. De praepozities n 809 — 328 . 

Vin. De conjuncties // 328—342 . 

IX. De interjecties # 342 — 358. 

X. De nadrukwijzers ' // 358 — 393. 

XI. De zamengestelde woorden » 395 — 400. 

Xn. De herhaling. // 400 — 415 . 

XIII. De reduplicatie // 415 — 416 . 

XTV. De herhaling met veranderde klinkers. . . .// 416 — 418. 

Verbeteringen g 419-»431 . 



I. (her stamwoarden, afgeleide woorden en de woordsoorten in H algemeen. 



Onder stamncoord venta men een woord, dat naar de heden gel- §34. 
dende regelen der taal niet tot een eenvoadiger vorm kan gebragt 
worden; b. v. b^ang (kond), kabang (tUegen). Afgeleide woorden zijn die, 
welke op d'een of d'andere w^ze, zoo als uit 't vervolg blijken zal, uit 
een ander zijn gevormd. De beteekenis van een afgeleid woord behoeft 
niet van die van 'tstamwoord te verschillen, zoodat slechts 't geval , 
waarin het gebezigd wordt, verschillend geworden is; zoo b. v. is mar- 
habangan een a%eleid woord , dat 't zelfde beteekent als habang , maar 
wordt slechts in een bijzonder geval gebezigd (§ 57). 

Jamn. 1. We hebben niets te maken met de afleiding, die buiten den huldi- 
gen iftestand der taal ligt; zij is niet onder regels te brengen, zoo men zioh 
aleohts big éene taal heeft te bepalen; zoo is bu v. kabong {vleugel^ van habamg 
a%eleid, maar de wQze waarop het een substantief geworden is, Hgt buiten 't 
Bata)[seh. liSen kan uit zulk een woord geen regel opmaken, waarnaar oOk an- 
dere woorden op dezelfde wigze substantief geworden z|jn. Be o is hier te ver- 
klarte uit de zucht den klemtoon op de voorlaatste lettergreep te plaatsen 
<f 19 I), daar toch die klinker hier een i (in 't D. is dat woord Jtabëng, bl. 3é, 
B., bl. 37, J; I.) vertegenwoordigt, en dus aanduidt, dat de eerste lettergreep 
van habong vroeger langer in de uitspraak aangehouden werd dan in habang, 
daar toch de H een ligtere klinker is. Zulk een afleiding behoort dus tot een 
vroegeren toestand der taal, die zonder een uitweiding over de zustertalen 
niet beschreven kan worden. Ook de wijze, waarop in woorden met gel\)ke 
medeklinkers de klinkers verschillen, om door tegenstelling van klank een ver- 
schillende toepassing uit te drukken, is geen heden geldende regri; é^arar, (ffi- 
rir en djurur b. v. beteekenen alle drie krtÊipen {mandjarart mandjirir en man- 
dfnrur), en worden wel eens door eikander gebezigd, zonder dat men er altQd aan 
denkt, dat er de klinkers tegen over eikander staan; immers nffarar wordt meer 
gebezigd, zoo men van kruipen in 't algemeen spreekt, zonder te denken aan de 

1 



86 

wifte waarop het plaats heeft, of wel aan de hoedanigheid yan '/ kruipende ieie, 
terw^l dfirir meer gezegd wordt van voorwerpen, die 't zy klein zQn, 'tzg een 
«eher gevoel van afgrfjzen verwekken, zoo als b. v. wormen, hagedissen, enz., en 
iffurur van deznlke, die zieh in de lengte uitstrekken, of wél, fcoo als b. v. een 
slang, vreet inboezemen (vgl. Aani. onder { 63, en { 86 in de noot). 

Janm. 2. Dat bQ sommige woorden van een eenlettergrepigen vorm, die hier 
grondklank heet, moet nitgegaan worden, is niet te ontkennen ({ 38, bl. 81), 
maar de wQze, waarop zulk een grondklank een gangbaar woord is geworden, is 
niet altijd ({ 62, 4®.) aan een regel te onderwerpen, 't Mal. tarhang (=r haJboMg) 
kan even als 't fiataksohe woord van een grondkiank hang nitgegaan iQn, maar 
de reden, waarom 't Mal. Ur en 't Bat. hn (of ia, bl. 84 B.) gekooen heelt, 
om er een gangbaar woord van te maken, ligt niet voor dt hand. Dat kü of Uar 
in deze woorden het bij 't passif gebezigde voorheehtsel is ($ 108), wordt door 
den klemtoon van 't Bataksehe woerd tegengesproken (f 20 1). In alle geval 
moet habang thans als stamwoord gelden. Voorts is in 't oog te honden» dat siei 
alle grondklanken eenlettergrepig zfjn geweest, daar sommige hnniier als naboot- 
singen van een gerekt of in versehillende toonen waargenomen geluid vtn den 
beginne af meerlettergrepig geweest zQn (} 88, 92, 6^. Aamn.), 

$ 36. Hoowel men niet altijd aiterl^k aan een stamw. zien kan, tot 
welka woordsoort bet te brengen is, zoo yerrigt het toch in den %\n 
«en dienst, die hel onder d'een of d'andere plaats moet doen nemen. 
Men kan b. v. aan wuumk niet zien, dat het een substantief is, even- 
min ais aan ptUe^ dat het een werkw. ie. Daar een substantief ak prae- 
dieaat sender een abstract werkwoord ({ 86) kan optreden, zoo Hkjj* 
mên sommige woorden nu eens als substantief, dan weder als werkw. 
in gebruik te njn; zoo b. v. kan hegu: ver&adngwêkkead tffn beteeke- 
uen; èegu on: êU \% vifbanngietkhtnd d. i. hier speelt de dnirel meê, 
want ik begrip het niet (letterlijk: iU is een hegu of bovennataurl^k 
wezen). » > ^". De sobstantteven bau en in^a kunnen mits met een an- 
der substantief er achter, beteekenen: ie geur hebben mm, de gedaante 
hMefi van f b. ▼. èa^ ie indakan i {gemelde gekooide r^ riekt naar 
drek), ham tukkap {naair de tukkap rieken, d. i. aan den drank z^n)» 
rt^a bodat bajón (§ 8 a, deee pereoon Ifkt op een Maf), 't Substantief 
boltok (buik) kan beteekenen zwanger beginnen ie u)orden, eetten van r^taa- 
ren (eméi na boUak), en is hier denkel^k in plaats van moUok (} 61, 
. { 80, VIII), zoo als waarsohynl^k wordt uit 't Jav. mePkig (gwan^er 
e^n) van witëng (buik). 



87 

De wwrdêooHen zyn toerkwoordeny subètcmÜêvm {eéffstanêige naam^\ 36. 
woorden) i voornaamwoorden (pronomina) i telwoorden^ bijwoorden (adoer* 
fca)» praepoHüeêt oot^neüee^ inieryediee en nadruhwijterê, 't Jr*- 
Ukel {Udwoord) en adjeeii^ {bijvaegj^k naamwoord) ontbrcdeen. Eyen- 
min heeft men een abstract werkwoord als ops i^'if, dat wij noo<- 
dig hebben om een substantief of adjectief als praedicaat te kunnen 
doen optreden. In 't Bataksch segt men haigd hyang on: groot ie deze 
hondt küang na baiga: 'nkond, die groot is (een groote hond), datn ba- 
jón (} 3, a), '» wigehelaar ie deze persoon. Zelfs werkwoorden, die een 
beweging in zekere rigting yoorsteUen, als b^ ons gaw^ en komen^ kun- 
nen geheel verzwegen worden, terwijl de rigUng uit een praepozitie 
moet opgemaakt worden; b. v. tu aek ibana (naar H water hij d. i. bijj 
is naar 't water gegaan), tjjan aek ibana (pan 't waier i^^ d. i. h^ is 
van 't water gekomen), Sfon dija hUa (waar lang f w^f d. i. waar langs 
moeten we gaan?); tu tombak on pe am maringtman, lomo ni rohakku do 
on (Ib., bL 12, r. 9), dat ik in dit wond ben komen woonen, dit is mijn 
eigen keus, 

II. H Werkwoord. 

\ Werkwoord is de voornaamste woordsoort in deze taal, daar bet § 37. 
de Bikeeste vormveranderingen ondergaat. De vele soorten ia kkunen 
ia te deelen, zal wel noodig z^'n, daar hei te moe^lp is ieder hao- 
ner een naam te geven. Voorop worden behandeld dezulke, die er 
als stamwoorden uitzien, en die we stamwoord^ke werkweordek kunnen 
noemen, terwijjl de a^eleide werkwoorden twee hoofdklassen zullen 
uitmaken. Tot de eerste worden gebragi de eeneoudig afgélmde^ ea. 
tot de tweede de zamengestéld afgeleide. De eerste bebbra slecbts één 
vóór- of inheektsel, als b. v. madabu (voorh. ma + stamw. dabu), samu- 
rung (stamw. surung, inh. urn). De tweede hebben meer dan een dier 
heehtséls; b. v. mahusaem (voorh. ma en hu^ stamw. saem), marhubajo 
(voorh. mar en hu, stamw. bajo), dumarfd^ (»iamw. dede, inh. ar en 
um)y marharukkut (voorh. mar, inh. ar, stamw. hukkid, § 14, a). 
De e^eidende aanhechtsels als b. v. i en hon, worden hier beschouwd 
als slechts 't kenmerk van een soort en niet van een klasse te z$n. 

A. Stamwoordelijke werkwoorden. 

Hiervan heeft men drie soorten. 

De eerste bestaat uit twee lettergr., die meestal gesloten zijn. Zoo §38. 

1* 



88 

KJg gesloten zijn, is zoowel de beginner als slnit^ in beide lettergrepen 
dezelfde, terwijl de laatste lettergreep neeHdl een a heeft. Op een enkele 
nitzondering na (zie M. bieronder), staat in de eene lettergreep een a 
tegenover een anderen klinker in de andere. De klemtoon is zoodanig» 
dat iedere lettergreep zoo wordt niigesproken, alsof 't werkwoord uit twee 
afsonderlijke woorden bestond; b. v. bumhém of bum bam^ gugd of pu ga, 
sdkêik of êok tik. Zij) beteekenen 't geven van een geluid, waarin verschil 
van toon waar te nemen is, en nooit zulk een dat plotseling en eenslui- 
dend is ($ 52, 4**.); bumbdm b. v. beteekent Jdetteren, nu eens dof, dan 
weder helder, van r^ststampers, die in de rijst een dof, maar tegen 't hout 
van 'tstampblok (losung) een helder gelold maken; ritprép van geweer- 
schoten, waarvan b. v. door verschil van lading, 't eene scheller klinkt 
dan 't andere. Deze werkwoorden moeten van den beginne af tweeletter- 
grepig geweest z^'n , daar hunne beteekenis geheel afhankel^k is van de 
tegenstelling der klinkers in de twee lettergrepen (§ 52, Aanm. onder 5^). 
De van hen afgeleide woorden verliezen dien eigenaardigen klemtoon; 
van daar mandokdak, katukiak (D.), humatuktang (§ 11), enz. 

Aanm, Vroeger schijnen er van deze soort meer geweest te zfjn, die op een 
klinker, eindigen; 200 b. t. doda, dat heden als sahstantief geldt, en tevens 't 
ttamwoord is van wuindoda (een hond met doda! roepen) ; even£oo duda^ stamwoord 
van numduda (rQst uit den bokter eiampen, iets ^'n of tot meri itatÊpe»), Beide 
deze voorden hebben op de Toorlaatste lettergreep den klemtoon; van daar dat 
z^ met meer gM een geluid ^«mm. beteekenen, zoodat men niet dódd segt, maar 
dodd dodd (zie beneden bQ de HerkeUng) om het maken van *i gêüdd doda aan 
te duiden, terw^l bémèam gebezigd wordt, en niet déidd, 

M. heeft ngukgnek en t^'uii^et, 

D. heeft taMo (xai een vroeger tahiokf) H bijzonder geluid maken bij 't 



§ 39. De tweede êoort heeft de voorlaatste lettergreep zwaar. De werkw. 
dezer soort worden allen intransitief gebezigd, en beteekenen een 
beweging t houding of toeataud; b. v. lao (§ 10, a., gaan), tindang 
(staan), hitndül {zitten ^ . gezeten zijn)^ habang (vliegen), rapar (vitgehon* 
gerd zijn), enz. Zij kunnen, even als met alle intransitief gebezigde 
werkwoorden 't geval is, ook 2i\s eenvoudig passief {^ 100) optreden ; ia- 
ding b. V. kan niet alleen achter blijven beteekenen, maar ook achter- 
gdaten worden , als eenv. passief van manadikkon (§ 51 , iemafnd achter^ 



l(Ue»)t en zoo ook beteekeut sega: in een ioeséand verkeeren ten gevolgd 
Tan maisegcJum (iets bederven^ kapot maken). 

Amm. gdbe of hage <f 26 Jmm, 2) en khmhah (D.) vorderen een snbitan* 
tief na zieh, en beteekenen: iete worden; b. ▼. gahe 4foima (een meneek woT" 
den), khnbeU H-mMatffu (een eteitffe worden). —-^ nd6ng, dat naar de betee* 
kenie (aamoezig effn, er sijn, op een zekere plaats of in een zekeren tyd he- 
9iamt vooral niet gelQk te stellen met ons s^jn^ zie S ^) tot deze soort moet 
gehitgt worden, M^nt s^jn klemtoon gekregen te hebbói door een versmelting 
mot wng (eetu, zoo men dit zonder klemtoon als H nitspreèkt), aoodat het ei- 
gentiyk ada (nog in 't Mal.) + nn§ is (U. 61» Atum, 7); men lette op 't gebnuk 
van dit woord, als b. v. in adóng ma halak (er leefde, eens een man, er wde eent 
iewtand). Dit adóng behoudt zQn klemtoon ook na na (nadung) maar verliest hem 
na indd (§ 153, indadong), OpmerkelQk is gotap, dat naar holóm te oordeelen, tot 
een andere soort ($ 42) zonde ipoeten gebracht worden, en z^n klemtoon missehien 
te danken heeft aan 't gebruik er van ab kagolapan (door de duisiemit overvallen 
worden, { 112), zoo als. in K. meermalen, 't geval is (Ib. II, bl. 880, r. 20); 
zoodat bet niet als kolom: duiefer gijn als eigenschap beteekent, maar meer. als 
toestand van iets, dat duister geworden, is^ 

De derde êoort heeft de laatste lettergreep zwaar, en beteekent } 40. 
't zijn in een teweeg gebragten toestand; b. v. kitsü ($ 11, gesloten 
zijn), tandm (bedolven zijn), pago (ingekeid zyn), kembdngi {uitgeepreid 
zijjn als een mat b., v., § 48), saém {door een iaem onsckadelj^k gemaaki), 
taUdn {ter neergelaéen, van boven naar beneden), ünggdug, tunff galing 
(zie Wdb., en noot op bL 21), enz. 

a. Deze werkwoorden knnneu tegenover werkwoorden, die een handeling voor- 
stellen, waarvan zulk een toestand 't gevolg kan z^n, als eenvoudig passief 
(f 100) overstaan, masr ook tegenover een substantief, dat een voorwerp 
voorstelt, dat door sijn werking zulk een toestand te weeg brengt; b. v. pitl^i 
(i XI)* gedoien zfjn, dat zoowel togenover mamiitn (iets timten) staat 'als 
tegenover piétu. (deur als sluiter). Zoo kan ook kiteu beschouwd warden te 
beteekenen: in den toestand verkeeren door een sleutel te. weeg gebragt, daar 
toch kiteu (kvisu) naar f 26 't Mal. kun^ is. 

Aanm, Op dezelfde wgze moet ook dilat, dat de nominale vorm ($ 99) en 't 
stam woord is van mantHlat (aan iets Ukken) ontstaan z|jn uit een vroeger dHd, 



90 

dot ik dM tonUmd vêrheerêm ie weeg geiraft door een tottg {dila) moet be- 
teekend Lebben, zoodat düat eent dOdi (bl. 56, II. 1^) is geweert, «n door 't 
gebruik als passive imperatief, die toch een formeel substantief is Q 99), z\)d 
klemtoon heeft verlegd ($ 19 I, ea vgl. Jomt, op bl. Vl), Hieruit Uftkt, dat 
de sluiteudo k van diM (D.) =«: dKAr niet oorspronkelQk kan z|ii, êtenmin «Is 
in 't Mal. en Jay. UdaJk (i 96)/ Ook ümSm moet op dmliae wtJM uit Imm> 
ontstam z^n. Ook in dit woord vindt men in D« «en A als »loiter (Umoi) evea 
«la in 't Jar., Mal. (UnaA) en Sund. (UmiA). De beteafcenis nm tm (ee^/ ihm- 
nottde éeoaiteu) van wï (iuAoud, wft in tela t») is eenigzIlM gew^aigd nr T.»tMar 
niet in M. waar het nog **§eeuld sQn" beteakent. Ook dez« w\)So van woorden 
te maken is veroadcrd. — Of Hft^ffong als substantief oorapiDakelUk *t velfde 
woord als iinggAtg is, durf ik niet aeggon (vgl. i éA, è), 
• •• / . ■ ■ 

B. 4/ï/«Mes^ vmhfioordtn. 

I. ^^r«<tf Hoofdkl(i98€ of eenvoudig afgeleide werkwoorden. 

^41. Hieifvan z^o vijf klassen ^ waarvan ieder ii^eder in soorten te ver- 
deeien is. De «£r«^ A2asM heeft 't voorh. imi, de 6M^«fir 't Toorb. wumffy . 
dat gewijzigd wordt naar den beginser van 't «tattiwo<tod, de derde 
't voorh. mar^ de rierflSe 't inhechtsel um^ en de t^t20 't voorh. pa. 

1. ^fr«/« klasje of werkwoorden met H voorhechtsel ma, 

> Bese klasse bevat twee soorten. 
§ 42. De eêrsitf aöori, die in beteekenie rr^ wel overeenkomt piet ons bg* 
vcegeljjk naamwoord, beteekent H hebben van eeii hoedfmigheid,.die 
als een toestand wordt voorgesteld, waarin iets. 'tag van natareof 
op een andere wijze verkeert. Zij onderscheidt zich van de tweede soort 
niet' aUeen ia beteekeoisv maat ook in vonn, daar z^ 't voorhechtsel in 
zékere aaostonds te vermelden gjevallen verlieeen kan» terwijl zulks bij 
de tweede bijkails nooit plaats heeft. Verreweg de meeste weikwoor- 
den dezer soort/ dte kortheidshalve kw^l/^haÜioê ^erkmooftd^ genoemd 
lallm gorden, blonden 't voorbecbtsel alleen, wanneer s^ als prae- 
dioaat optreden ^ b. v. marata (rood ^), malmbo {koog ^a)» madeng- 
ga» {schoon fff»), em(. Zoo z^ als praedioaat 't voorhechtsel veriiezen, 
't geen in de dagelijksohe taal vooral plaats heeft, dan verleppen zij 
den klemtoon naar de laatste lettergreep; b. v. timèó haju on {hoog is 
deao boom) «c maiimöo hafu on, rard hunga oa {rood is deze bloem) = ana* 
rara bunga on, In plaats van hun voorhechtsel nemen zij als praedicaat 



91 

ook na aan; b. t« na Umb<y k»ju on^ na fara hinga tm. Da klemtooik valt 
hier weder op de voorlaatste, maar op de laatste, too vddf Mkeen 
pvaedicaat «on^Mi (j^el^k^ ah) staat; b. rJ êcmffim na iotéér knida^ aU H 
ware mt iè heit ^ik. Attributief (als b^voegcl^k naanw.) optreden- 
de, móeten st^ 't relative na (§ 149) yéói ^ atamwöord nemen; b. y. i^p 
na bal^a ({ 86). Ook alé tobstantief optredende, yerHeien HJ'tyoor- 
hechtsel, maar hebben dan den klemtoon öp dé voorlaatste,' b. r.paUun 
(f 11) héUefdheH, maar paUén, napaUun of mapaüm (bde^ is); Um^ 
gam {ontzagioekkend vóórkomen), maar tongém^ na Umgam otfnaiongam 
[ontzagwekkend van voorkomen is). 

a. Als substantief hebben zy ook een b\jzonderen vorm die eerst later ({ 122) 
kan behandeld worden. 

h. Voorts verliezen zij ook *t voorheehtsel in zamenstelling zonder echter den 
klemtoon te verplaatsen; b. v. gahe-hoUm (scAairijJt zijn) van na gdbe {rijk 
zijn) e& holón^ ndbóUm of mahoUm {groot zijn)-, datu-iolon (n groot-datu) 
van datu (mgchelaar) en holón (datu na holon zonde beteekensn een wig- 
ehélaar, die groot van ligehaam is of forsch gebonvd). Een woord, dat altyd 
zoo in zamenstelling gebezigd wordt, is raja {pUtu-nya, djohhai-raja, èunga- 
raja, rimèu-raja, enz). I)it raja kan men met ons Aoofd (als b. v. in Aoqfd- 
poort) overbrengen. 

e, Sen enkel dezer werkw. heeft ak praedicaat altijd na om het te onderschei- 
den van een ander geljjklnidend; b. v. na gabe {rijk zijn) tegenover gabe 
{gelukkig zijn, zegen genieten), en gahé {gunstig ot goed zijn, van een voor- 
teeken). M. bezigt na bara = marara of rara. tutu heeft Mjd de 

laatste lettergr. zwaar; van daar na tutu als praedicaat en als attribnat. Bé 
reden Is, dat het een herhaling is van tu, dat nog Malagasisch is, en in D. 
in den vorm tuhu (bl. 39, XI b») voorkomt. Ook lebdn, dat nooit zon- 
der na voorkomt, behöndt z^n klemtoon altijd (na lebdn, $ 148). De reden 

is, dat het eigontl\jk leba -f- an ($ 8) is. Na de negatie so kan gabé: 

na, en uU: ma behonden; van daar na so na gabe (b. v. voorteekens, die niet 
gunstig z^n), waarvoor men ook na so gabét (bl. 56, II, 1^.) kan zeggen; 
na so mauU (iets, dat niet schoon ot gunstig is). De stam woorden, die met 
een a beginnen, kan men niet met na bezigen; van daar komt nasi niet voor, 
en bezigt men een verbalen vorm {na marasi ni roha, die medelijden heeft 
met enz.); evenmin heeft men nasok naast asók. Als praedicaat is masi (f 8) 
in gebruik, maar meer in de poda-itL^l. Hoewel n«M^^/ ontstaan is uit na ingol 
<bl. 59, II, Janm, 1), geldt het thans als stamw.; van daar naast mengel 



92 

ook mé ntm$d^ terwijl M. imgH bengt» en mmmgol in T. met een gew^sigde 
. beteekenis in gebmik is (zie Wdb.). 

d. In de foda en andumf wordt by deze soort vas werkwocrden, zoo zQ als at- 
tribnut o]itnden, ook am in pkata vaa na gebelgd; van daar HtiuÊMm ma- 
torop, aaep mauli Mttnff, mMU m^dona, enz. Ook in M. ia dit 't geval 
{mntjëmg magodtmg^ Mak matffat^'i naast AakA na tffadfij zie Ib. II, U. 
132, T. l&en 19). In D. bezigt men mëkarga (bl. 41, III) ook als attribnnt. 

e. In versierde bijnamen vindt men ba in plaats van nut; b. ?. uanmi èaio- 
dun§ {Todung khphaan) van todang (vlg. { 44, onder). 

§ 48. Een substantief kan tot deze soort overgaan door verlegging van 
den klemtoon op de laatste lettergreep, of door voorplaatsing van 
ma otna, 't Beteekent dan de hoedanigheid hebben, die aan 't voor- 
werp door 't substantief voorgesteld als kenmerkend eigen is; b. v. 
d(Uu {datusch zijn, d. i. zich onderscheiden door 't geen een datu ken- 
' merkt, namentl\jk door 't uitmunten in de wichel wetenschap); rahdt 
(alê een rahaiy of zaag zijn, rwo zijn van bladeren, waarmede men po- 
lijst); tuhtl (als een tukil, of beitel, zijn, /yntWm^^^^ van een geluid); 
iukkót (§ 12, als een iukkot^ of stok zijn, pcd staande zijn); htiibu {als 
een 6uèu of fuik zijnf d. i. langwerpig bol even als een fuik zich voor- 
doen , zoo als een hangbuik), terwijl mabubu in de poda gezegd wordt 
van een persoon, die een hangbuik heeft; na begu {dapper zyn, letterl.: 
als een begu of bovennatuurlijk wezen zijjn, zoodat men den dood niet 
vreest); saring dr (als een saringar, of weergalm, zijn, weergalmen); ma^ 
dohung {rekbaar zijn, letterlijk: als een dohung of snaar gespannen kun- 
nen worden); dandk {kinderachtig zijn) van danaky dat nog in M. kind 
beteekent; èau (letterlijk: bau, of geur hebben)heieek.ent nu bepaaldelijk 
stinken; bagd8{diep zijn) moet op dezelfde wijze gelijk daya« (^»w als een 
ruimte van diepte of hoogte) zijn (zie ^ hieronder) ; vgl. runggden rungga, 
enz. Zulk een uit een substantief geboren kwalificatief werkw. kan men 
meestal (zie hieronder in a) door slechts den klemtoon te verplaatsen 
.(§ 42) niet tot een substantief maken : meu'kan b.v. niet zeggen ^»»a, 
om zijn dapperheid weder te geven, even als men daona zegt, om aan 
te duiden de vertojjderdheid er van, daar beguna: zijn afgestorven indtoi" 
dualiteit of z^n geest zoude beteekenen. Om dus zyn dapperheid weder 
te geven neemt men zijn toevlugt tot 't afgeleide substantief, dat § 122 
behandeld wordt. 

a, tongd of na tonga {onöeprédi^d-vtLn 't gemoed (van de buik gezegd hongerig) 



93 

van tonga {middenrmnUe), en diu lettermk tUs eemwUédeMrmuieMpn, ruimte 
kMen, kan ala sn^stantief optreden; b. ▼. oka wut nm tonga ni roham; 
arga {priji^. waarde) ^n klemtoon verleggende (argd) beteekent dnmr i^n 
{argd hamindjqn t, gemelde henooë ü duw)', tmndal {de rug of onderiatU vnn 
een blad) wordt tunddl, en beteekent met den rug naar ieto toegekeerd; 

vgl. ook Auddi in M. nit Audui ^e Wdb.). Over den klemtoon by 

tongon na mueé ({ 123) zie $ 4& onder. 
è. BQ sonunige woorden ia het onseker, of 't aubstantief oortpionkéiyker ia. 
't Onderscheid in de plaata Tan den klemtoon nn eenmaal de dienal van oen 
woord in den sin bepalende, soo ia het natonrlfk, dat ook wel eens een snbetan- 
tief uit znlk een werkw. is gemaakt geworden; soo b. ?. ugurdung (geèoeMd 
zyn) waarsehyniyk oorspronkiyker dan gurdmng {bocAel); vf^, bagdt en hagai. 

De ttoeede soort behoudt in verreweg de meeste gevallen 't voorh., { 44. 
Koodat men b. v. niet hugéng kan zeggen naast ma!mgang {gewond 
zfn). Ook kannen zij niet als substantief optreden door bloote weg- 
valling van H voorh., soodat men b. v. niet dahuma (z^ vaüeu) kan 
zeggen van madahu {vallen). Ook attributief gebezigd, behouden zij 
't voorh.; b. v. tano na nudMak oitano nuUolbak (aarde, die ingestort 
m), èajo na mahugang (een persoon die gewond is), hoju na maiurhat 
('ii ontwortelde boom). Op een enkele uitzondering na worden deze werk- 
woorden intransit. gebezigd, en beteekenen in 't algemeen 't verkeeren 
in een toestand, die 't zij uit den aard van een voorwerp pkats heeft, 't 
z\j door iets anders is te weeg gebragt. Zij kunnen ook in tegenstelling 
van een transitief gebezigd werkwoord als eenvoudig passief optreden, 
zouder dat dit werkwoord van 't zelfde stamwoord behoeft afgeleid te 
zijn. Zoo b. v. kan madabu beteekenen: vdUen van iets, dat van zelf 
valt, maar ook vaiUen ten gevolge van de handeling van een ander 
iets; magorpung (fijn vergruizéld z^n) vindt men tegenover manêuda, 
als het: iets //ff stampan beteekent, als eenvoudig passief gebezigd (Ib. 
bl. 186, o.); matomhuk, doorboord of van een gat voornen g^n, inge- 
deukt z^n kan als eenvoudig passief staan tegenover maninggang (op 
iets vallen); b. v. maiom^k tano di-Unggamg (de grond was ingedeukt 
door dai gezegde persoon er op vieV), Sommigen kannen beschouwd 
worden als van een substantief afgeleid te zijn; b. v. maüa (besckaamd 
zyn, zich schamen) van Ha; ook uitgescholden zijn als een toestand te 
weeg gebri^t door makkehelai (iemand uilschdden); mnAugang van 
bugang (wonde); marun (J 8, (^ koorts hebben) van arun (koorts); 



/ 



u 

male {hmgetig snjn) van U (in M. iióg kmger). Van vemiveg de mees- 
ten is 't stam woord geen gangbaar w«ord; zoo b. v. is dabu niets anders 
dan de passive imperatief van mandobu (iets laien mUen^ to drop some- 
thing). Een enkele is van een passief afgeleid ; b. v. inmixuttanff {ten 
eten ffeinvüéêtd worden) van ni^ottatiff (3de passief van mang&ttang, 
$ 114). Van kmtfia^ dat alleen nooit vooricomt, maat een vraagtvooid is 
(} 146) , heeft men 't vragende werkwoord fnakuwd (hi wetketi toestand 
verheeren? waideerm?) *^ — 't Voorheebtael ma wordt x6(a een uit het 
Toorhechtsei ia (§ 15S») en een substantief samengestelde uitdrukking 
steeds door na vervangen; b. v. naaahamünff, too fffoot ode een geit 
2^n (in D.: maeahambingy Slechts telden bezigt men ^a (| 80, VIII), 
om dese beteekenis aan te brengen (§ 48, e.)\ een voorbeeld is ia«a- 
onan, dat in D. nog masaonan (bl. 34, C. I.) is, en thans slechts 
adverbiaal optreedt. Zeer telden worden se te gelijk transitief gebe- 
zigd ; voorbeelden z|)n mald (iets genen) , waarvan geen passief mij ooit 
is voorgekomen; marorot (pp een kind poesen), manaek (iets beklimmen^ 
op iets hummen). De beide laatste hebben 't verbreedde passief ({ 116). 

a. Slechts bfj aitxoiidering verliest dese soort 't voorheehtsel; too heeft men 
limói als praedieaat in plaats van het in de ]ooda gebezigde maUmoi, en më- 
lemii (bl. 41, III) in D. Naast nutroêai vindt men ook, maar zelden, ro- 
sdk, M. heeft €la64 maar t= ton^u in beteekenis, zoodat men bezwaarlQk 
aan madabu kan denken. In M. heeft men ook iano na tolbak in plaats 
van tatêo na tnaioUak. In plaats van makuwa heeft het maugutca en mauu' 
ga (^26, Aanm. 1). 

b, 't Stamhoofd vnn magorpung kas Wel vroeger een substantief geweest zijn, 
daar gorpung *t zelfde woord Is als 't Jav. gtdëpvng {meel), dat een vroe- 
ger glflpung veronderstelt, zoo als bl^kt is uit 't Mal. birkek = Snnd. 
bilkek. 

ü, maMMong (f 30 » IV) is denkeiyk nit ma + hinotöng, 3de passief van een 
vroeger makkoUmg (vgl. maikakotongi) , zoodat het eigentlijk betcekent in 
den toeêtand verkeeren tan beklaagd ie worden, B. bezigt mhtgüïëng (dat 
ik nit wanhoop onder ng^Ung in 't Wdb. heb geplaatst); het stamwoord moet 
kUhtg (=: koUng, bl. 87, J. I) z^n, zoodat het als intransitief werkwoord 
(vig. { 45) xick beklagen beteekent. 

Aant. Uit 't bovenstaande blQkt, dat 't Bataksch even als onder anderen 't 
Malagasy geen eigentlijk adjectief kent. In 't Malagasy is evenmin onderscheid 
ttisschen a^eet. en intransitief werkwoord; b. v. maiuri (Hawasch), maturu (an- 



95 

dcTQ Makgas. di&lecten), dafir^k {Dt^j., { 30, VIII) :^ ^iitm (l«f,), Hdw (Mal.) 
Oapm; madiu («m -h; dim) tehoon, gindeiifk, j^zwivêtd otm êehuki gijn, o»- 
êehtMig bli^iên te Hjn na aen godeoordeet dooorgeataaii te hebben ; vgl. ook nuidio 
(Tag.) =1= Uiu (vg). noot onder { 68). In D. beaigt men htijor (teeaboek, bl. S44, 
r. 18; cie bl. 41, III) naast tor (Ib. bl. 49, r. 9 v. o.). 

2. Tweede klasje der eenvoudig afgeleide werkwoorden oi werkwoorden 

met 'i voorhecktsel tnang. , 

Vele werkwoorden dezer klane, vooral coo z^ geen aanheohtsel § 45. 
hebben, worden Eoowel transitief als intransitief gebezigde Alleen ait 
't gebruik kan men weten, wanneer 'teen of 't andere plaats heeft, 
daar de Torm het niet'alt^d uitwast. Zoo b. ▼. is makkandang Q 12) 
altijd transitief, terw^l mangandang^ waarin de beginner van 't stam* 
woord (handang) verdwenen is, alt^*d intransitief voorkomt. Daarente- 
gen vindt men makkuling altijd intransitief gebezigd, en evenzoo in D. 
mengkehe (bl. 84, C, II) en mengkulu. Daar 't actief van een transitief 
werkwoord vooral gebezigd wordt, waar 't object onbepaald is, zoo 
kan het natuurlijk te gelijker t^d als intransitief werkwoord optre- 
den. Zoo kan b. v. manurai (stamw. suraf) niet alleen beteekenen : op 
iets schrijven y 't zij dat iets boombast of bamboe is, mits de spreker 
geen bepaald stuk bamboe of boombast bedoelt, maar ook schrijven, 
aan H schrijven zijn. Zelfs met 't aanhecbtsel t kan het intransitief op- 
treden; b. V. sai na manurati bajón (deze persoon is steeds aan H schrijd 
ven). Zoo het object na 't actief van zulk een werkwoord nog genoemd 
wordt, bedoelt men er altijd een voorwerp mede, dat onbekend is; b. v. 
mamhuwai bom ('^ dochter nemen, 't een of ander meisje, niet by name, 
of op een andere wijze den spreker bekend, als vrouw tot zich nemen), 
zoodat het als intransitief werkwoord den zin heeft van gaan trouwen. 
Zelfs 't getal van 't object kan bij 't actief onbepaald zijn , zoodat het 
even goed meervoudig als enkelvoudig kan zijn, en men een bijzonde- 
ren vorm van 't passief moet bezigen, om bepaaldelijk 't meervoud uit 
te drukken ({ 116); mambuwat kan dus even goed beteekenen: iets ne- 
men^ als: zekere dingen nemen. Voorts is op te merken, dat de han- 
deling door 't werkwoord aangeduid, ook in 't actief (§ 106) zoodanig 
is, dat zij niet gelukt of volbragt behoeft te 2^n, zoodat mambuwat mx^ 
zoo zeer: iets nemen heet, als wel: iets wiUe» nemem d« i. naar iets de 
handen uitstrekken om het te nemen. Eerst uit 't verband of uit een 
bijkomend woord moet 't gelukt of volbragt z^n blijken (§ 106). 



96 

$ 46. Wat de w^tigmg betreft van dm neuMank vam 'é voorheokisd, i« 
vooreerst op te merken» dat de weinige stamwoordea, die met een 
neuflklank beginnen, aan geen vasten regel te onderwerpen z^n; 't 
geen te verklaren is uit 't streven de q)eenhooping van gel^ke neoa- 
klanken te vermijden; van daar 

1^. dat woorden, die met een ng beginnen, in plaats van manp een 
ander voorhechtsel als b. v. mar of ma vertoonen; b. v. mamgatngaü 
{ngaingai)\ mamgoü (M.) van ngot; mangolmgohhm (ngokngok); in welk 
laatste woord men ook mang kan aannemen, met wegvalling van zijn 
sluiter voor den beginner van 'tstamwoord, daar twee n^ê toch niet te 
hooren z^n. 

2^. dat woorden met een n beginnende een a na 't voorhechtsel 
hebben; b. v. mtmganólnól (ndnol), manganongnong (nongmmg), 

a. Over manaek zie { 44, onder. 

D. heeft mêttgH; b. y. mhtgënangHi (stamwoord nangH). ' 

3°. Dat stamwoorden, die met een m beginnen, meestal ma ne- 
men, en soms um met wegvalling van den sluiter, o£mar; b. v. ma- 
matahon (mata); mam^aki {mijak)^ waarnaast ook, maar zelden ^ manga- 
mijaki; marmangmang (mangmang)^ marmasak ({ 58, 2°), umanukkon 
(manuk). Over mangan en modoppon, zie J 62, 1", 
§ 47* Omtrent 't voorhechtsel voor stamwoorden, die met geen neusklank 
beginnen, houde men 't volgende in 'toog: 

1°. De sluitende neusklank van 't voorhechtsel blijft vóór keellet- 
ters en klinkers; b. v. mangalap. (alap), mengkargai (D., harga)^ mak- 
kandang (kandang)^ manggolom (jgolom). De k (k in D.) valt in een paar 
woorden weg, zoo 't werkwoord intransitief optreedt; b. v. mangan- 
dang, mangurtut of mangitkkut (§ 14, a.), mangobol, mangoraik, mangi- 
bul, mangiUy mangamJbirang , mangonai, enz. Zelden valt hij weg, zoo 
't werkwoord transitief gebezigd wordt (vgl. makkembang met mangem- 
bang); een voorbeeld is mangabya, dat echter meer in 't passief gebezigd 
wordt, daar toch 't object van zelf bepaald is (zie Wdb.). 

a, Yan nuMgiuona moet Mnona (8de passief van kona) 't onmiddemke stam* 
ivoord zQn. — mangatara en mangiritanna s^n sabstantiven (in M. be* 
' zigt men nog otara en irisannja, bl. 29, Janm, 2), die H voorhechtsel heb- 
beu, om door een verbaal voorkomen te hebben overeen te stemmen met 
nu^naèija, waarvan de beginner uit een d in plaats van w (zie Wdb.) is ont- 
staan (§ 80 VIII). Vgl. een diergelfk geval { 52, 6^, e. 



97 

M. Alhier valt de k ook b^ transitief gebesigde werkwoorden weg, xoo de 
lettergrepen yan 't stamwoord met denselMen medeklinker beginnen; b. ▼. «m- 
nffUHi (bl 26, B. I), mangUktU (Aittii), man^Oi(t (znid-M. in plaats van ma- 

ngokaty stamwoord kohoi). Een nitiondering is mangiiUjaihm, maar dit 

is sleehts te verklaren nit een yroegeren vorm Mshai (zie bl. 81). 

2°. Voor trillers vindt men na 't voorhechtsel nog a (§ 23, Aanm. 3, 
op bl. 49); b. V. mangarijor (r^or), mangalapa (tapa), 

a. Ook is manga in gebmik b^ dijor door te denken aan rijor ({ 24, a). Naar 
den klemtoon te oordeelen, zoude een da» van mangaddi 't stamwoord moeten 
zQn. In 't Kawi vindt men mang v6or eenlettergrepige woorden; b. v. 
mangdffut (iemand baden), waamit 't Javaansebe ngidus, na eerst angdus of 
angëdut geweest te z^jn, verbasterd is. In 't Bataksch is dit echter heden 
niet 't geval ; van daar mandók en numdim ({ 20 I) van dok en dwm, 
D. Hier bezigt men mëngë; b. v. mëngëlapah, 

Aanm, In numgahuwal, mangdbolon én mangatadja honde men wianga niet 
voor 't verbale voorheehtsel ; het is een transcriptie van 't Mal. maha (\^) door 
den invloed van 't Men., dat v^r woorden, die met een triller beginnen, gaarne 
maha in plaats van ma (in 't Mal.) bezigt, zoodat de Batak, die in dit geval 
manga bezigt, dat maha met z^n voorheehtsel overbragt (mangaradja is das == 
maXaraé^a , en mangaboUm =z maXabatar), 

8^. Voor de tandletters zoowel als vdor de verhemelte-letter dj 
(§ 7, Aa/nm. 8) wordt de sluitende nensklank van 't voorheehtsel n. 
Zoo 't stamwoord met een scherpen medeklinker begint, dan valt deze 
weg, mits 't afgeleide werkwoord tevens transitief gebezigd wordt; b. v. 
manura ifura), manurat (iuraf)^ mandege (degé), tnandjokkdl (djokkal). 
De « en ^ blijven daarentegen meestal, zoo 't werkwoord, 'tz^' altijd, 
't zij vaak intransitief gebezigd wordt; b. v. maUohot (§ 11), en matsadi 
(altijd intransitief); manij^ok (M., alt^d intransitief); maUatong (ook 
transitief); mataamot (ook transitief), mentjüan (D., altijd intransitief); 
mentadi (D., alt^d intransitief); maésipanffanon (altijd intransitief), dat 
onmiddel^k van H-panganon komt. Daarentegen wordt manoUor of ma- 
nortor altgd intransitief gebezigd, niettegenstaande de beginner van 
't stamw. (tortor) weg is gevallen. Naast elkander vindt men matHlo 
en manüo als transitief dikwijls gebezigd, en evenzoo tnatiudakon en 
manudahon» 



98 

er. Woorden, die uit 't Men. %iiu overgenomeD, kunnen hier niet in mnmerking 
komen; b. v. maUUok en maUnru Hier is ^ een poging de (/ van ifiM 
(«peiling ijUapj § 30, XII, Ami.)» en Ijftri weder te geren. Wat betreft «Mi» 
segahon^ boewei 't stamwoord (m^vi) een £atakscbe& votin beeft, het kaüxy» 
U gekregen b«bben door te denken aan 'tNoord-Men. (f^fvao daar dat mea 

ook tego en mattegohon bezigt. Over maitap ({ 11) zie onder a, f 62. 

M. Over 't optreden van i^ alhier zie bl, 29 III. 

4®. Vdór lipletters is de sluitende neusklank i», terwijl de scherpe 
medeklinker wegvalt, en soms ook de stompe; welk laatste geval 
nooit plaats heeft, zoo de lettergrepen van 't stamwoord met dezelfde 
medeklinkers beginnen; b. v. mamiUang (jntsang), mamunu {bunü), 

mambMal {balbd^^ mambohok {hobok). Bg sommige woorden is um 

(§ 62) in gebruik gebleven; b. v. umboto (boto), uinbegé {begé) in plaats 
waarvan M. nog mambegé bezigt. 

a. In gebruik is ook mamoio maar all«en met rtfka , om aan te duiden vgrmoe- 
thns koêêieren; b. v. «£i tapijan on ma hmmn paél/^pa ganup ari, mnang 
mamoto roka ni halak (ontmoet elkander aan deze badplaats dagel^ks , opdat 
men geen venBoedens hoestere). Vaa deaen yorm is pamoto (i 120) afgeleid. 

§ 48. Wat betreft de bekeJumUt die^ welke intranaitief gebezigd wor- 
den, stellen iets voor, dat van uit een voorwerp als 't gevolg van s^b 
wil uitgaat, en dus een handeling, of wat als zoodanig kan beschouwd 
worden; b. v. mandaU (wHgeréi^ van een geweer, »iH wiUen afgaan); 
manimdjang (iundjang^ êcheppeHt 'n 9ekQp ge^en. Hooien van een ge* 
weer). Van een werkwoord afgeleid, dat een teweeg gebragten toe- 
stand of hoedanigheid voorstelt» beteekenen zij in zkh dim toe9tand be-- 
werken of die hoedanigheid vertoonen; b. v, mangembmtg (ziek epreiefen als 
een bloem) v. hembdng (} 40)| tMmuhung {ziek ineenroUen als zekere in- 
sekten, een verkleumde) v&npnhung {gesloien van de hand, gevmeibidd); 
manaiéan (Ib. bh 84, r. 5» bl. 141, r. 7), Miek UUeu zakken (van de wor« 
tels van een hemel-boom), y^ixt^tia» ($ 40); mamoUar {eieh wié verioo- 
nen) van beUér () 42). Van velen is 't attmw. geen gangbaar woord, 
en slechts op te niaken uit andere er van afgeleida woorden; zoo iab. v. 
mdi geen gangbaar woord, en dat het 't stamw. ia van maUadiy ziet 
men uit paM^hon); evenzoo van makkuUng, waarvan 'tsUmw. hiding 
is blljkena Mik^kuUngan (zie Wdb^ bijvO* 

Van die, welke transUief gebezigd worden zijn drie soorten. 



99 

D^ eerste 9oort heeft slechts 't voorheohtsel, de tweede nog daarbij 
'i aanhechtael i, en de derde 't aanheohtsel kön, 

I. De eente soofi stelt een handeling, houding of beweging voor, § 49. 
die onniiddelijk op een object betrokken wordt; b. v, manakko (iets ste- 
len); mdnmggang (op iets vallen) van iinggang; mcmgar^k {pp \e^ schrijd 
linge zitten y enfourcher) ven arsak; mandjMjuL^ in weerwü van iets 
gaan (( 107). Uit de twee laatste voorbeelden ziet men, dat men me- 
nig werkwoord niet in 't Hollandach eniver weder geven kan, koo dat 
we cms moeten behelpen met een praepozitie, en 't passief er van moe- 
ten omschrijven; b, v. di-tinggang (door hem wordt op zeker iets geval- 
len). In 'tBatakscb ia 't voorwerp, waarop het vallen plaats heeft, een 
onmiddellijk object, en behoeft dus niet de tussohenkomst van ecfn 
praepozitie. Zoo ook is de beteekenis van mamukka niet weder te ge- 
ven door een equivalent; hei beteeken t met iets beginnen , iets anders 
(ten behoeve van iemand of van zich zelO vervaardigen: b. y. pukka ea- 
pona (letterL: worde door U met een eopo van hem begonnen^ d. i. 
worde door U voor hem een andere sopo gemaakt), 't Stamwoord van 
dit zonderlinge werkw. is de nominale vorm (§ 90, VII) van 't Sanscr. 
mukha (begin) ^ en verdient de aandacht van die mogten betwijfelen» 
dat in 't passief een formeel substantief pleegt op te treden (§ 99). De 
inhoud van zulk een werkwoord is soms zoo bepaald, dat we vaak een 
b^woord of adverlnale bepaling er b\j hebben te vertalen, zoo ala reeds 
bl^ki uit 't zoo even aangehaalde mangareak^ en verder uit mamarar 
(parar), zieh met iets twreden atellen uit gehrek van ieta betere; mmerbeng 
(eerb0ng)iei^ vm naiü zien, a£iet»^ dat nab^ ie^ zien^manat^ (tat^), iets 
van verre zien oiieX^f dat verwijderd te, zien. Ook van deze werkwoor- 
den is het atamw. zeer dikwjjla niet gangbaar, zoodat het in een 
Wdb. «Ueen kan wedergege^ven worden door een passieven imperatief 
(i 99); daarom is het af te keuren, een stamw. als b. v. dabu (§ 44) 
weder te geven met het vallen. Met kurang (te weinig) er voor» kan 
zulk een stamw. een passieve beteekenis hebben; b. v. hurang do- 
gol (niet genoeg geÊtnremnzm, h, v. van medicünen). 't Werkwo^d 
moet dan een handeling voorstellen, die in zich een herbaUng of duur 
veronderstelt 't Stamw, moet men als een formeel aubatantief be- 
schouwen, zoo ali^ genoegzaam gestaafd wordt uit 't straks aangehaalde 
pukka uit mtfkh4t' Waar 't stamw. te gei\|ker tijd een gangbaar woord 
is, daar lette men op 't volgende; 

l''. Zoo 't stamwoord tegelijk ala substantief gangbaar is, dan betee- 



100 

kent 't werkwoord: iets 't objed maken van *t geen mei H voorwerp , door 
H 9ubstanlief voorgesteld ^ pleegt gedaan te worden; b. v. manguUop, op 
iets met een blaasroer (nUop) ackieten; mamodU; op of naar iets met een 
geweer {bodil) eehieten; makkolak^ iets ^' de vadem {holak) meten; man- 
dwrungy naar iets met een sekepnet (durung) eeheppen om bet te vangeii ; 
manira, iets zout maken ^ intowten van dra (eouf), 

2*. Zoo 't'stamwoord kan opgevat worden als te beteekenen een 
teweeg gebragten toestand ($ 40), dan beteekent 't werkwoord: iets in 
dien toestand verplaateen; b.' v. makkembang^ iets spreiden^ van henibdng; 
makkiisu, iets sluiten^ yan hitêu. Ook van een intransitief werkwoord 
met 't voorhechtsel ma wordt het afgeleid; b. ▼. mandabu^ iets laten val^ 
len (to drop something) van madabu, 

Jamm, 't Gebruik heeft bQ sommige dezer werkwoorden het voorhechlsel 
mar in plaats van mang geQkt; b. v. margadi» (iets verèoopen) en niet mangga- 
di9, dat in M. gebmikelQk is ; wiarbowan (in M.: maroèan); martaH, niette- 
genstaande men mangindjam {indjam) bezigt» en in M. manfolang (tólang) beeft. 
Aan dit mar kan men de beteekenis niet beebten, die 't Mal. har beeft, zooals 
in hardjvioal (iets plegen ie verkoopen als een koopman) in tegenstelling v^an 
mandjmodl (iets verkoopen) , want wuargadie beeft in T. ook de beteekenis van 
manélfuwid. BQ manali kan men stellen, dat vroeger door 't voorheehtsel be- 
paalde^k gezien werd op de meerrondigbeid van 't objeet, daar toch voorwer- 
pen, die men in waarde terug geven kan, zoo als r^jst en geld, als bestaande 
nit korrels, mnntatokken enz. meervoudig zfjn. In den tegen woordigen toestand 
der taal echter kan men die beteekenis aan 't voorheehtsel niet geven , want in 
't passief vertoont marsali niet parsaU maar taU (di^MoU); evenzoo vertoont mar- 
gadie slechts gadis, 't Werkwoord markara zelfii, hoewel 't objeet bepaaldelQk 
meervoudig is (zie Wdb.), vertoont in 't passief kara. Wanneer marbotean of ma- 
rohan op een enkelv. voorwerp doelt, dan vertoont het bowan of (Aan (M.) in 
't passief, en parbowan of paroban (M.), zoo dat voorwerp als meervoodig te 
zijn moet aangeduid worden. Zoo ook zegt men marbubu en niet mambubu, 
terwQl men markutti naast makkuiü vindt. — Woorden, die met een % be- 
ginnen, hebben nog een n achter 't voerhechisel; b. v. marmda (iets tien, be- 
speuren) van ida; mamikot (iets binden); naast mangingoi heeft men marmu- 
got (giek iets te binnen brengen). Alle deze werkwoorden vertoonen in 't pas- 
sief 't zuivere stamwoord, zoodat men b. v. dikot, dingot en dida ({ 8), zegt. 
Waarschijnigk is 't onmiddel\|ke stamwoord van den activen vorm een 3de 
passief (f 115). > Dit zoude wel overeenkomen met de beteekenis van marnida en 



101 

marmngoi, die toch een on willekeurige handeling voorstellen, maar op marmkoi 
is het moeyeiyk toe te passen. 

n. De tweede êoori heeft als aanhechtsel (§ 20, II) t\ een bij- {50. 
Venn van de praepozitie di (§ 1S9), die als aanhechtsel echter een 
ruimer beted^enis heeft, soodat zij ook andere praepozities vertegen- 
woc^rdigt, en dos H object in betrekking stelt ook door middel van de . 
praepozities van {van uU, Eng. /rom), langs, randomly voor ,6^, open / (}^j 
aan, 't Object wordt b^ deze werkwoorden als een plaats voorge- 
steld, die 'tsul^ect niet door een beweging behoeft te bereiken; zoo 
is b. V. 't object van manirai (èif of op iets 2^011^ doen) een voorwerp, 
dat, als plaats, gout (dra) er bij krijgt, door het iets te zijn, waarin 
of waarop zout gedaan wordt, terwijl het bij mantra (§ 49, 1°.) door 
zout wordt doortrokken; bij numortori is 't object iets, waarom het dan- 
sen plaats heeft, en dat in betrekking tot 't subject (de dauser) in rost 
wordt gedacht. Van de verschillende beteekenissen, die deze soort van 
werkwoorden hebben kan, kan men zich een begrip maken door 't 
volgende: 

1". Zoo 't werkwoord afgeleid is van een euöêtanütfy dan beteekent 
het: Mj iets *t door dai euódaniief voorgeitelde voorwerp doen$ b. v. 
't zoo even. aangehaalde manirai^ inan ga t iapu r um , aan iemand betel 
{napuran) geven; manonai, aan iemand een last {tona, woord ^ dai iemand 
over te brengen he^ geven, aan iemand opdragen woorden over te ^bren- 
gen; mandongani, aan iemand een makker {dongan) geven, waarb^ 't 
subject zich zelf als dongan bij 't object voegt (nek bj^ iemand als med- 
gezel voegen, iemand vergezellen); evenzoo makkalaki van haiak (zie 
Wdb.); manarungi, aan iets, een wapen, een söhede (sarung) maken, 
voor een wapen een schede maken; mandaoni, dan iemand geneesmiddel' 
len (daon) toedienen; mangubaU, in' ieta buskruid (ubaé^Tiog in D. ge-r 
bruikelijk) doen, een geweer laden. Maar zoo 't substantief iets voor- 
stelt, dat men by iets niet pleegt te doen^ dan verandert de beteeke* 
nis van de tot aanhechtsel geworden praepozitie van rigting, en 't 
werkwoord moet dan juist 't omgekeerde beteekenen, en dus: van of 
van uit 't object dat voorwerp doem; b. v. mangalakkaH , van iets de 
scjfdl Qakhd) doen, iets afscMUen; makkutui, van iemand de imeen 
{hiUu, § 97) doen, iemand ontluizen; mamutukei ({ 39, 1), uit iets, een 
visch b. V., de darmen {buiuha) doen, ieis otddarmen, > 

^^. Zoo 't werkwoord afgeleid is van een intransUief werhcoord, dat 

2 



/ 



108 

een toestand, beweging of konding voontelt, dan bet«ekent bet: iets 
't object maken van *tgeen zolk een werkwoord beteekent, en wel aoo, 
dat de praepodtie naar mate van de beteekenis van dat werkwoord 
versebillend is; b. ▼. mmmmaUj wm of Umgê ietSt als b. ▼. een ravfn, 
dale» (fmoaf); makkmuhdi^ op iets sUiêm {htmdd); m ammd o Mg ij b^ kis 
daoH {tmdamg), b^ iets Ugemeoatêig j^», om ieta^fM^ sys; mmmga- 
nakJMi, lamgê ieta nÊOf hoee» gaam (makMt), een hdlend terrein op- 
gêém: tnamv^mtgi^ aeer ieta ignrtayM {^tumiMnuig-^ stamwoord ümtoy); 
MMorion, hig ieta of rcmdom iets, b. v. een opgetooiden bnffel, danm» 
{maMortor t. tartor); mMg^ani^ mi ^ iets npkctiden^ iels èe»<me»y van 
mtKMi (I 61), wo<mm. 

8^. Zoo 't werkwoord afydM '\& wm een irfmniiêf werkwoord^ dao 
is cgn objeet ieta, dat slecbta door middel van een praepontie *t ob- 
ject kan zgn van bet werkwoord, waarvan bet «%eleid is; b. v. «aat- 
bmcoH, van (A uU ieta uemen van wutmbawat (iets mmm), dat dechta 
door middel van een praepoaitie (tffan) met 't object van wumkaoati 
kan in betrekking gesteld worden. De rigting van de praepoaitie 
hangt hier even als bij de werkwoorden onder 1^. van de beteekenia 
van *i werkwoord af, loodat aq met vaa wU ie vertalen is, soa 't werk- 
' woord een hapdeUng vooraldt, die 'tolqect naar 't subject verplaatst, 
zoo als b$ mambawai (M tkh iets nemea)^ maar met &y , t», of op, zoo 
die handeling 't objeet van 't subject al verphiatst, zoo als b. v. in «Mmi- 
bat» O 10» by iets plaaitm); van daar mamiaemt b^ ieta dSM», m ieta 
plaaUe»; fnaJÜBêmbamgi^ op iets tprMm^ iets, b. v. de vloer, betpnidm. 

4^. Ook een meervoud wordt door 't aanhecktsel voorgesteld, maar 
een meervond, dat zoowel op 't object als op 't subject slaat, en, 
waat van geen van beiden sprake kan zqn,op den dwxr of het herhaald 
plaats hebben toegepast wordt; mamaraü b. v. beteekent intransitief 
gebezigd van één persoon: gedurig eeir^veu, eUeds aam H echrijvm e^, 
maar eekr^veuy loo van meerdere pononen gesproken wordt, terwijjl 
het^ transitief gebezigd, op vele dingen eehr^fveu beteekent. Dit laatste 
is echter zelden 't geval, daar hiervoor 't verbreedde passief in zwang 
ia, en bq 't actief ook 't getal van 't object onbepaald is (§ 45). Voor- 
beelden van meervoudige beteeke&is z|jn: mauakkoi^ veel, iets van 
groote waarde of vele dingen êielen, *t geen liever in 't passief wordt 
uitgedrukt, daar de active vorm ook steteu van vele personen, of ^ti- 
rig stelen van éen persoon kan beteekenen; mamuri ($ 8), vele dingen 
waéscken, en figuurlijk: een ander*» goederen sehoon opmakeu; makka- 



108 

tai beteekent» intransitief gebezigd, i^treAeH van meer da» een per- 
soon, van daar met dkcmdêr êprekói^ &beed$ of i^er dan "één ünord 
of mei zamenhanff spreken van één persoom, tenvt^l het alé tran- 
sitief i ienaand be^êken^ oner iemand eprekoêy eandnidt; manpUngi 
zegt men van veJe «iibiieGten =d= miUng ($ 51) vati één, terwijl het 
transitief: iets beecJi^tm^ op iets mküim beteekent; 'imtn^ognngi zegt 
mea van de vier perso&en, die q^Mt^-mntiek ttuiBeki (§ 121, 3^)» en 
eveiuoo makkaaari» Op te merken nog de volgoade inttwtsitief ge- 
bezigde werkwoorden: mangonai, raken, treffen van een wapen, van 
hona; mat^arum, koorts verwekken, van arun; manoUqn, bij de oogst 
vier maal zoo veel opleveren als er gezaaid is, d. i. ^o veel so- 
U^'e aan r^st opleveren als er èale*8 gezaaid zijn. Deze beteekenis- 
sen z\jn begrijpel^k uit de onbepaaldheid van 't object, zoodat i«a- 
ttolufd letterlijk beteekent: aan d'een of d'andere, of iemand eolmps 
g€9en, en even zoo mangarmi: aan d'ieen ^f d'andere, of iemand de 
koorts bezorgen, Moe^eliijker is mangonai ^ te verklaren , of het moest 

zyn 't geraakt z^n {hond) bij iemand of iels veroorzaken. > £en 

enkele maal wordt deze vorm gebezigd als meervond van den vorm 
met tol, maar meer in 't passief; zoo b. v. manibaiU, vele dingen 
op iets leggen als meerv. vab manibalkon (iets op iets leggen, $ 51; 
di4ibali ma tu pinggan, door kern werden geooemde ^ijzen op de bor^ 
dén gelegd), 't Gebrnik heeft gewild, dat men vaak slechts uit 'tpas- 
sief weten kan of 't aanbechtsel een prüepoutie vertegenwoordigt, of 
wel een meervoud; zoo b. v. beteekent mambwwali in T. nooit: v^ 
dingen nemen, terwijjl in D. (memuwót$) die beteekenis frequent is; in 
T« mpet men 't verbreedde passief gebruiken om aan te duiden, d^t 
vele dingen genomen worden; even zoo manUiaenê (§ 111^). Daarèn-» 
tegen beteekent manakköi nooit: b^ iemand of ts een plaats Bteb^m, 
iets of iemand beaiden^ ooodat men om dit uit te drukken 't ver^ 
breedde passief moet gebruiken (ji 118). In mamunui ligt een herhaling^ 
daa^ numunu ook: iemand trachten te.daoden kan beteekenen (§ 46 
onder), zoodat mammm letteJ^l^k beteekebt: gedurig iemand trachém ie 
dooden, en van daar: iemand (^ranselen, hd^ dood slaan {yghpama^ 
iemaielhon]), 

a. 't Werkwoord makkuting wordt door 't aanhechsel transitief gemaakt {tot ie- 



^ Vgl. MbL moHfféinai, dat in de S&ri Rama <edid. R^ van^ Sijsisga) telfcetts 
foutief ala mènganijt^a is opgevat (zie de Hikt^i MiH Sahar^ah, bi. 11). 

2* 



104 

mand spreken, iemand aanêpreien), maar komt meer in 't passief voor (b. t. 
di'paiiuUngi). Op een meerv. van oligect doelt het aanheehtsel ook in num- 
dohiy dat ook 't Terbreedde passief heeft. 
b. Zoo men twee werkwoorden deser soort, die nagenoeg dez^de heteékeBis 
hebben, naast elkander plaatst, dan kan 'teerste werkwoord zonder 't aan- 
heehtsel optreden; b. ▼. na numomhak na manakm, de eerste ontginner 
van een land (letterlek: dU 't land mn» haseh en wÜdemis heift getmverd). 
Hier staat manomèaè natunrlQk in plaats van manombaki (iets ontbosseken, 
1"., onder). 

§ 51. III. Ook de derde êooH heeft in haar aanheehtsel een ruimere 
beteekenis, dan er oorspronkel^'k aan toekomt, 't Aanheehtsel han 
beteekent namentlijk in z^n ooTspronkelijken vorm (ha, §^1, 1, onder in 
Aant. 8, en aldaar Aant. 2) naar, maar heeft heden die beteekenis 
slechts als voorhecktsel (§ 73), terwijl het als aanh. ook in den vorm 
htm nog van sommige woorden praeposities maakt (} 160» 2®). De rig- 
ting van > deze tot aanheehtsel geworden praepozitie veronderstelt een 
beweging, die te maken is voor men 't voorwerp bereikt, dat voorge- 
gesteld wordt door 't substantief, waarmede het in betrekking gesteld 
wordt, 't Object van deze werkwoorden is daarom verwijderd , 't zij in 
de werkelijkheid of in de voorstelling; zoo b. v. i^ 't object van mana- 
ngihon {naar iets hiêterm), iets waarnaar men hoort, 't zy een verwij- 
derd geluid, 't zij een woord, waarop men 't gehoor rigt, om het in 
zich op te nemen, terwijl b^ nwhegé (iets hooren) 't geen men hoort iets 
is, dat .men onwillekeurig door 't gehoor waarneemt. Dezelfde tegen- 
stelling ziet men in manaüihon (tailt) of manulntkn {tuM)etk mamida 
({ 49 ^nm). Zoo het a%eleid is van een werkwoord, dat reeds een be- 
weging voorstdt, dan stelt 't aanheehtsel 't object voor als mede in die 
beweging betrokken, of wel daarvan het doel; b. v. makkaèakkon, mei 
iets wegfUegfn (makkabangi, ovêr iets heen nliegm); manffaloé^okkmy 
met iets wegloopen, van maUoéIjtmg; numoriorhony met iets dansen (vgl. 
mauortariy § 60, 2^); 0iaii«2itoi, wegens iets aangieren^ in 't voorbijloo- 
pen aan gaan, zoodat het even goed: iets in 't voorbijgaan halen als 
brengen kan beteekenen, van tuli, 't Aanheehtsel hon staat hier in een 
paar voorbeelden tegenover 't aanheehtsel i even als de praepozitie tu 
tot di; bij makkabangi en manortori is 't object als 't ware een plaats, 
waarb^ of waarover de beweging geschiedt, terw^l bk den vorm met 
hon 't object iets is, waarnaar, waarmede of wegens 'twelk die bewe- 



105 

^ng plaats heeft. Daar nu 't aanhocliteel 't object als verwijderd te zijn 
voorstelt, zoo kan het ook een voorwerp beteekenen, dat van nature 
ongeschikt is 't object te z^'n , en dus tegen alle verwachting als zooda- 
nig optreedt; van d^r man ff alakohon, uieUegeniiaande ietsyaan, b. v. 
in weerwil van een ongunstig voorteeken, dat in den regel den bijge- 
loovige belet te gaan; zoo kan manuwatkn ({ 12, suwan) ook betee- 
kenen iets, dat ongeschikt is geplant tè worden, planim; zoodat we 
het met ioeh pUsnkn hebben te vertalen; b. v. % d%4eon hahami % ma 
suwathn daman ff ; ffabe eme do inon, wat ook uw oudere broeder u ffeffeven 
he0, plant het toch tfaSrije, *t zal Hjèt tèorden (er wordt in deze plaats 
gesproken van de okselharen, die ujn oudere broeder hem uit spot 
\& planting had gegeven). Uit de beweging, die in 't aanhechtsel op^ 
gesloten ligt, is ook te verklaren, dat 't object voorgesteld wordt alt 
verplaatst te wórden; b. v. mangffomakhon^ een handfsol mn iets nemende 
het verplaatien^ b. v. sp^n van een schaal naar 't bord (zie de aanhaling 
in 't Wdb. onder ffomak); even zoo béteekent manakkokon ." een zieke 
kmmd^k wegvoeren om hem aan den invloed van den kwaalvërwekken** 
den geest te onttrekken , van wanakko. Om dezelfde reden wordt ook 
'tobgect voorgesteld als iets, dat door de handeling van 't subject 
verwyderd wordt; b. v. makkaUkon, hti begraven (een Voorwerp van 
ziek af gravende naar den grond verplaatsen), terwijl bij makkaU (iets 
uUgraven) 't object iets is, dat van uit den grond in 't bezit Van het 
subject komt. 't Volgende is op te 'm^ken omtrent de verschillende 
beteekenissen, die dit afgeleide wericwobrd heeft: 

1®. Zoo het afgeleid is Tan een intFansItief werkwoord , dat eèu 
toestuid, houding of beweging voorstelt, dan beteeke^t hét^ iets ii» 
dien toeetitnd verplaateen y of wegetie iets sick in dien ioeHand verplaatêen, 
die konding aannemen ^ b. v. mandjaé&kon, iets doen worden, in wording 
brengen; manuMiöni iets tif den ioeetand verplaatêen van geiorm ie wor- 
den, een kind vefjoe^éh of ter werM Strengen*, mateegakon(\ 47, 3*. a), 
iets bederven, kapot maken; mamodoppon , wegene iets elapen, bepaaldelijk 
van een vogel, die op zijn eijeren slaapt, cipeijeren broeden \jf^ § 9^, b)\ 
mangifamutton (bl: 48, 2^.), naar iemand of iets s^n reekter zijde' toe- 
keeren^ Jegens iemand ziek van de reckterkand bedienen; mangadoppon, 
siek met 'tgdaat naar iemand of iets toekeer en, 

a^. Zoo het afgeleid is van een werkwoord, dat een beweging voor- 
stelt, dan beteokent het niet alleen met, mwxo^ wegens, inweerwüvan 
iets die beweging maken; b. v. fnanortorkon (zie boven, ook: naar iets. 



106 

Huük<m (bl. 104, €Hpi4dr); manff^kkaUm^ noegeiM iets, ab b. v. een 

3"*. Zoo bet vaa ejGin aubstanlief a||[;eleid ig, beieeke&t hei: iels als 
't vopripiQrp door dat snhstanjlïlef ifooi^estdd op ieta anden U aanwen- 
diQg breogeu; b. v. mamraktm^, iato aU ^ouê op iei« thm; b. v. mahou 
iu ikkt^umuna^ worde bet ('t te iroren vermelde aand) door U gebengd 
ah zout^ op uwe.toe^s; mandaoUoi^^ ieta ai$ gan^imiéid (dam) op iele, 
ate b. V. op.eea wQnde« appUcerm, 

4^ Zoo het van eea, trai»9it< werkw. ia afgeliüd, bet. het: iete besi- 
gen 014 Qf dat mede te iom» wat dal» werkw. voorstelt; b. v. mamciu- 
km, iet? ^Ueigen om er mede U elwin; nmnggattarkOH, iete èemgeH om er 
mfide ie. èetaleu, maswhorhifmi, iete begiget^ om et mêdeée koopen. 't Oomid- 
del^e of eerete object «ao dit a%QLeid« werkw. iit 't iiaiddel^ke ei tweaëe 
b$ 't.ivierkv., waarv«a hejk afgeleid.. ie;, V9m momaUk b. n ie.'t eerete-ol^ 
jeot'.het. te aliwie^ yoorwerp^ e» \ tweede 'tgeoB «waamede geelagen 
wordt, tenv^l by m^xmohhon 't omgekeerde het geval ia» By dit werkw. 
woFdt 't middellijke object, door :een praepozitïe, meestal t% (} 1&9), 
i»g«lleid, terwyl bij 't eerste 't wddeliyke object doori^M wordt «oon- 
gegaaM; b», v. mamalm iijang dfihtd Mkot^ 'n hond daan met 'n eéoky 
maar wamaMon MM tu ^«i^, n^ '» êéok elaan, naar een hond; moit- 
gombf^hhoftsjmdalu tu tanggurung m horho, *n rigeto^telsktmper op den mg 
oa» 'm ^^ skfaiêi «Aar mangmbah taaggumngniihaéodokatvuiidu. 
Deze soort van werkw. staat voorts in togefteteUing van de tweede on 
eerete» en iwel wDp^,i&% % obj^et alleen veiaohilt; soo-is b. v. van mofu?»/» 
di^ 't otyeet V voonperp^ teaaropot waarin gegeilfn wordt, terwyl het b^ 
mandupehppon ietsds, waarmedi 't gieten pkmte èe0, en dat dus vefgo^ 
ten wordti ei^en«oo b$ mand^r^e en mandnn^onf «wayiYtaytCbL 103) 
en moej^i^jMoii^ f«4i^^^»wK(iiiy ifkovor^^iiA^a», enz. XKesgel^fce werkw, 
nioeten we d|ae. wedoigefen. define eeii.werkv. met een pnepozitie samen- 
gesteld» «kiuüi (tf, m, iwr, door^h.^. memdemdemiy^mêgieUn op iete, 
ingiiitm)^mt^ngilikk(in {niUch^tea)t nmmgardakhoa ^aaijexC^ maniomJlmky 
km (iete oK^or^kwrai), mmmdsihotn {^f- of witechuiteni^ mêmguUcppon (qf- of 
nUUatm), Biü nimMMUAof» ia 't^ot!iect de kogel» of 'tgeen als aoodanig^» 
als b. V. inal, fungeert, terwyl biy nMmoékl 't voonirerp, waarop 't gQ. 
weer genigi is» 't object is; bij mangnU^ppom is 't p^ije (naika^ 't ob- 
ject, bij manguliop 'tgeen waarop 't bkasioer (uUop) ie gerigt; beidea 
kunnen ook 't blaasroer en 't geweer tot object hebben, vooral ssoo 't 



107 

middel^ke ofa|ect, 'tgeen waaiqi 't geweer af blaasroer gerigt is, niet 
genoemd wordt; fnamoeSiktmf 't geweer qfMiHmf HMngMoj^on , 't blaas- 
roer qfiUuien, -^«^.£ii verder kan dit werkw. beteekenem iets opmahm 
turn 'iffem door 't tfatmooord wordi toorffetMi; b. t. maninMkohOH^ iets 
om iaèdk {éMakoyopmAken, oiriaèakken; nkintffut^ikon, i£iB,vérdo6belm 
(djutdi); numirahon (8^.) beteekent ook: iets aan »out opmaken, verMOU" 
tm; mangiaappott, iets verrookm. Op te merken, dat 't object van 't 
werkwoord aonder H «mh. odk 't itetfie kan a^n; aoo kaa b. v. van nrn- 
nmè§0B i^ wuÊÊOttgokom een farii^ 't oli!i«et sijn, maar de tTveade vorm 
wordt maer gebnüki, Wakmeer men er een Ivaed» of laidd^ijk oliject, 
de penooa of de pkata, b$ noemt^ef in de gedaehtb heeft, ^oodat het 
met omviromdm overeenkomt; b^ v. mamai^oi swrat, tet^bfi^zmden, 
maar manmtffUèoi^ ntraij een brief aan. iemand of eigens naar ioo^zen- 
dm; Boo ook hti* mmmtécdi iets hmden bv ?« een^ geit* maar mtmamhai' 
Um: iets bMm tiati een paai b. v.; bijj tulke werkw. kan 'taank ook 
weggeiaten worden, zoodat men ook manumM hm/ibmg tu mag aeggen. 

«4 't Ir b^ noemen vaa een middemk ol^el nankt ook, dtt soms Am als 

aanheehtsel ^bezig4 wordt, eonder éat het behoeft; b. ?. di'4f^ m Êi rJ k 0H wia 

ükMa di tffufipalam na bidan^, door keu watd U drmgtm geteld (ia èe zon) 

x^n iAmd op de hreeêe foeidê: waikrin éi^tffmmr genoeg zou geli?eeet z^n. 

Bv tongntten TefaehUlMi in dit opsigt Uet én daar; zoo hesigt B. ma- 

tmièim (bl. 87, bi. 40 'K. II), iete ogtfns pkuOêtm, iéto ergODS iikdoen 

^. III, bL 9é, r. 1% en 18), terw^l' T. mambaen {S 10 b.) bezigt. In 

M. zcgl men km-gadU te indtAamj door m^Moi bol MHhsdl^ vonk^M rijit 

. (om ec rfst mede te kbopea)^ terw^ï T« hê*4mkorhoii beaigt. 8oo Ook.Tinft men 

in M. di'êonduk tja ma buwdpak «t djfaaég te pkitgknam m atédfifi^ (f^ifiO» 2°.)> 

. < . WMV is pkats ytt^n idi-iomdak inT. di eoadakioa wozdt gebezigd :(bU 105). 

Aaüm. Ook Muwj^afaM bevat 'tMnhoditfcclAM, olisriicM thcri^ feim Jls 

-staanvoovd in»dt opgsfal Het is alf^eid' van fe» aaaar die ideiding wordt in 

■T* nwt laeer gevóéld; van daar dat het er evei» good: a«i» iemand ^m alst iets 

jffgpia aèn iemand (jiü^kofH'itöa tw roefjes i) beteekent. In M. is .'i onleischeid 

goed bewaard, want het gebruikt manpaèeken (f<29 III) in de laatate beMcénis, 

mum ld, waarven 'taolief a£et voorkomt^ in de eerste? b^ y^ ^MMm. ifm ma boti 

i di éffO'^Hartuwa mumota, door Mem werd gemM ijter aam jy. gég9oea, maar 

OKÊfo ia-iê ht^ i maagaa^ opdat door om gétegde poreêom bagifl^dioorde mei eten. 

Ook in ïk maakt m«i ee» ondersdieid toasdien wOre {begiftigen c=: mamebè in 

T.> vaik blir^ii zie Ib. Ill, U. 294, r. 3 v. o.), maaor mërekën, iets pfpm aan. 



1Q6 

5**. Zeer zelden bete^nt 't aanheobtsei vooTy ten behoeve van; voor- 
beeiden zijn mangvlahon , voor xemaktïé veldarbeid verrichten ^ mataarikott 
voor iemand den koei zoeken; b. v. €lo do ho mangtdaho» au^ wiU ge voor 
vi^ veldarbeid verrichten, indetng tMng matêarihonpanffonon, er is niet 
iemèmd (§ 14yB» V.) om voor hem eteh U zoeken. Zalke werkwoorden heb- 
ben 't verbreedde passief. 

a. Dit teQ behoeve van wordt meettol door de constructie oitgedrukt; men be- 
zigt dsu namelQk een werkwoord te gel^k met een snbiisntief , dtt *t Toor- 
werp voorttélk, ten behoeve wssrvan iets geschiedt, en leidt 't snbst. in met 
de proposities di of m, terwtjl men in plasts rsn m een pronomintal aan- 
heehtsd bezigt, zoo dst voorwerp slechts door een veornssmwooid is aange- 

v-doid; b. V. bmodt ma di au^ ivorde bet door U ten behoeoe van mij genomen; 

'puhèa ma sopona, worde dcor'U een êopo voor hem begonnen; topa ma raut- 
tu, worde door ü voor mij een raut gesmeed (lettermk: toorde door U ge- 
smeed mijn raui); kn-topa pe anggo rauimu, door mij eal voor U een ra ui 
gesmeed worden; di-iopa radja i ma tutu raut m èerena », door den vorst 
werd werkd^k een raui voor effn 9usiers*s zoon gesmeed; padjongdjong ban- 
iUtrta (}&,), worde door U een loods voor ons opgerigt, 

b. In M. h«eft men nog bahon (znid-M. baon) = baken of baen. Het IQdt dns 
geen twijfel, dat dit woord 't aanhechtsel hon bevat, niettegenstaande bet beden 
aki stsmw. even goed als lekon (zie bl. 107 Janm.) moet beschouwd worden. 
J)\ heeft bahan en bakin, 't «erste in de beteekenis van maken, 't tweede in 
die van plaatsen (j 119). Het vat echter beide woorden als stamw. op; i 
vSn daar bakinkën («. onder 4^.), bakini, enz. Belde woorden z^n door 
B. nit T. overgenomen, maur naar z^n klanksteisd gewfjSigd; bahan is uit 
baonXhl. 39 X), en bakin nit baken (bl. 37, J. II). 
D. Hier zjjn meer voorbeelden van de betedEenis ien behoeve van; b. v..- 

ku-béwaikën pMirohën mo, ik aal voor hen (de twiee pasgeboren kinderen) een 
stuk vee tot feestmaal nemen (vgl. onder $ 56). Uit dit voorbeeld ziet nwn te- 
vens, dat hier 't verbreedde passief niet zoo als in T. en M. noodzakdjjk is 
(( 118)» om 't aanh^ die beteekenis te geven. Ook in dit geval komt deze tong- 
val meer met 't Javaansch en Mal. overeen. 

Janm. BQ 't opgeven van stamwoorden heb ik den nominalen vorm geno- 
men, zonder daarmede te wiHen beweren, dat die vorm altgd de oorsproDkemkste 
is; sbo b\ V.. is van maméle (met spQze een geest ^«^t^M, offeren aan, tia.)pele 
als stamwoord te beschonwen, daar het in 't panief optreedt (di-pele, ku-peie, 
enz.), maar 't echte stamwoord is melé uit een vroeger male (j 28) van Ie, waar- 



109 

▼«A ook mauffoieJkom (aamn. onder 4^.). Omgeset in *t pauief werd 9teié niet 

alleen peU (( 80 Vil), maar ook peie (f 19 I). Bat er een tranaitïef werk- 

woozd maié geweeit is, is waarsehfnlQk nit de enkele trannÜTe werkwoorden 

met 't ToorheehtMl «« (( 44 onder), die nUen ook de m in ^ b)j 't pasnef Yeran- 

deireift. In M. ir de mTonn van pek nog als snkitantief in swang, nammimk 

poU (f 28) in polê^poU, ipift (in do taal Tan den nedergedaalden geest). Bat 

mamtele eigentlQk begiftigen beteekent, ^ordt gebaald door *t equivalente mère in 

B. {Amm, onder 4"".). Op asadfile w^se is 't Jav. mmm^ {beiUmmen, heetij- 

gen) , dat in 't passief penei vertoont (di-penek ?= Bat di'-panaei), uit uanék 

(Kawi keeft nog mtmei nit 't Toorkeohtsel. sm -^ nei stamw.) ontstaan, soo als 

blfkt nit 't Bal. mëmei of nnei van net == Mal. neii. Bat. mek, waarvan in 't 

Soad. dé nominale vorm iM is. Voorbeelden, die opmerking verdienen, aQn 

jpukia ($ 49, I); iudfum (B^.) nit 't Ar. Mal. muffmmi^^), ukolopeeke Ut- 

heli soodat 't Bigakseh aan den verbalen vorm wummdiim de beteekems heeft ge- 

lieeht van pnfeteretiis Uai (Big.) van 't Ar>-Mal. n^, waamit bet een mmnéU 

heeft gevormd met de beteekenis va» vooHoopig een beekdi nemen; rèqei (Mal.) 

18 thans als stamwoord (van daar eU'raqti) te beschoawen, hoewel de active voim 

nuÊtagd (Sanaer* mr»k») oorspronkeiyker is. 

8. Derde kloêse der eenvoudig afgeleide toerkwoorden^ oi werkwoorden 
met H voorheehUel mar (§ 6 IV). 

Van deBe klasse zqn 4 soorten. Be eerste soort heeft slechts in een c 52. 
enkel geval (f 5S, 1^.) 't aanheohtsel kon^ en verliest dit aliigd in 't paa- 
sif, de tweede heeft 't aanhechtael »» de derde 't aanheohtsel toi, en de 
vUrde 't aanheohtsel on. 

I. Be eerete soortj udraeMïf gebezigd^ heeft de volgende beteekenissen : 

1^. Van een substantief a%deid, beteekent zij: 

a. Het hebben^ gebmiken, aanhebbo» van, 't eUsh hetdg houden mei 'i 
door 't substantif voorgestelde voorwerp; b. v. mwhakhan^ een üeutfoi 
elaoen (} 97) houden; marhoda, 'n paard oi paarden houden^ 'n paard ge- 
bruiken t te paard rjjden; marabUy een kleed aanhebben ^ nch aankleeden; 
marpabmee (§ 16, e) of marparbuiee, vruchten hebben^ vrucht dragen; 
marbunga^ bloemen hebbeny btoe^en ab een boom; manapura»^ betd ge- 
bruiken y betel nuttigen; martaru4aruan^ een weddingêchap (taru4aruan) 
met elkaar hebben; marpênahan^ vee (jMtahan^ § 116) houden; marpadi- 
rumatondi, zich bezig houden met een middel^ de tondi in huie te bren- 
gen van padiruma tondi (§ 120); marhuwa^ met wat? bezig zi^n van huwa 
(§ 146, a.). 



/ 



/ 



110 

D. heeft «Ufm^NfrM* (bl. S6 F») in ^atU rui mmmapwMm} «en. hew^t dat fst 
een ealwtiiitief dpnra» geweest is (zk Wdb, onder iMqvKitui)* 

troml^men vin streepen uitsweetoidd gom; maUaiefuk§ () 16), ip «« 
laU^mifarwM ge^m; mwrhultmg^ id hakinggal^ op ém httkmfgoMêd 
g^kent wmhoftmg'innmgi vp eérnkmU-boarmde komêitd gelijken; mar- 
^rm^ ^rlru^ (M., zie BéI. Ib. IV, U. Al). 

9^. Yfin deft DoniDilen vorm vaneeD traiMitif wenkiroord a%eleid 
hebben zij de beteekenis vao: 

a. fieflexive wetkwoorden; hJt* marhiri, mhdehamdm lèauokeu 
(muOTfin*, iets wtêêehen); móTiuwap^ giek *i ^gdmt mmehêks maroêtsr, 
giek iMAeeden {mcmgosoTy een kleed tai éhen).: nmréëgëmf ekk wadkiem, 
op g^ koeêe^ eijn ; maiqnmgmy giek wtgaderen. 

è. van eeor eenvoudig passif; b. v. mmitmf doOfbocird gym^ van de 
ocHren {mamurw^ iets doorèat^; mariokiêt IfiggéktkM^^^t nuuMoê^ ge- 
terüken ^n; maüóUik (} 16), gev^fid g^n vao de tAndeli; nmrsopU, 
öemeien s^n* 

3^ Zoo zij afgeleid zijn van een w6c)^, dst eea hoedaaiglieMi voor- 
stelt (§ 42), dan doelen zij op een meervoud van voorwerpen, welke die 
hoedanigheid aan zich vertoonen; b. v. marbirong^ zwart van iemand's 
ligchaamsdeelen (pamaiang) ^ van hiróng; martikko, giek rond vertoonen, 
van een gexeteehap personal, die een kring formeren {iikU); matmok- 
mok f wd gedêMHt vei «r n^om, b. v.» ven een getal buffels (Ib. I» b). 146 
r« 16); marraray rood er mteien van r^pe vniehten (Vb* hh 1), van voel 
betelspog (bl. 18, r. 1 v. o.). Van een enkelvoudig voorwerp gebeai^d, 
slaat dit werkwocvd op de grooite; b. v. «MfMa*, uer^ooé gyn van 
een ficusboom {bolón), mardokdoir geer ewaar g^jm van eon ziekte {dok- 
^y .....«» tnam^ng ^ijang kami niei voor) beteekent mtiger g^m^ ook 
van ééa persoon door aan de pvnudmtg ^ te denken^ 

4P. Zoo z$ a%elekk zi^n van e^n uitro^ing„ die een plotaeling en 
eoishtideod geluid nabootst « dan betedcenen zij: dei geiM geüem^.wmx 
daar zoBc een woord^ eenlettergrafog ie, moet- ket na *ï voorks^kisel 
tweeletteigi^ig gemaakt worden (§ HE). Dit geséhiedt 



^ Tn 't Wdb. z\jik de woorden ^ dto HgeAamm beterimnen, vericeerd vefklSMd: 
aan die «oorden hecht 't Batekseh een meervmulig bqpip, loodat s^ beteekc- 
Ben de kdenuUen te zamen; van daar dat sij met een meervendig werkwoord ge- 
bezigd worden (4 58 en 145). 



Ill 

a. Door herhaUng vaa den beginner en z\|ii klinker; bgv« nutnu^mging 
80 1), «lornwf , «MfN^iM^jif , tmri&idy wuutêtudky mawbMrj em. 

^v Door voorplaaisii^ van db^ waarran de d vaak ia i ▼eranderd 
wofdt, soo 't atamwoqrd geoD r inhoudt (§ S4)y ierw^l zijn klinker de 
boven () 88 6) opgegeven f^raodemg- ondergaai; b. v. maUtmgék (} 16), 
maüinfikf WMÜaiék, wudM^Ap^ wttdüpik, maUUikj mÊÜUmjféê, mardoréty 
wtarêÊêdty mMfdtatéê^y mmégUr^ mmhUmy etts« 

M. heeft in dit in 6 Termelde ge^al steeds do (ygl. D.); b. ▼. wurdokintj. 
't Voorhechtsel is hier soms fnang in plaats van mar; b. v. wumiaU = mariatd 
(T.); evenzoo in t Mal. en Men.; b. ▼. mandangking, waarin ^lUt nog door een 
neosklank gesloten is; vgl. bardangung, Óardaèur, enz. 

D. heeft ook (vgï: M.) steeds dê (bl. 37, J. I); b. ▼. mërdëkeng = «Mifc- 
htng, mêrdjèdjup {jiUffen in 't water) = maÜodjup, mërdëngat = mamgongót. 

Aani, 't Daj. bezigt vddr zulke eenlettergrepige uitroepingen slechts w^e 
(dat na zal moeten aitgesproken worden); b, v. «trdtfAs msdap^ eas. Hiecmede 
atenii 't Mak, overeen; b. v. ma^mig (jbL 61» AmU^ boven), w^of, m e ni n g» 
mkrmig^ enz. 

5^ Dikwijls zijn deze werkwoorden afgeleid van een woord» dat 
meer dan twee lettergr. heeft, of wel meerlettergrepig geworden is door 
middel van 't voorh. ka^ of de inhechtsels al (§ 91 en 02) en ar (§ 89); b. v. 
mardjarvmèufk, margaluMk, marbaUkiaa, marhadjingtffangy enz. Zoo hun 
stamw. niet op gemelde w^jze drielettergrepig is inmaakt,, dan vertoont 
het in z\jn laatste lettergrepen twee verschillende klinkers, die in de 
tongvallen, die een half klinker hebben, door een j of w gescheiden sqn; 
b. V. marpate^ak, nuirdjaguwa, mardjabt^ui (of mardjabiut^ { 17 VII), 
n^ardjafnbojong (of mardjamèeong, § 17 V), mardjoige^ marwjiijak .^ tnar- 
gandejaly marïimibmpiU, Minder vaak zijn die lettergrepen door een 
triUer gescheiden, of vertoonen z\j den half klinker in de heide eerste 
lettergrepen; b. v. niargambura, maróffapptUutymaruioi^or^nMrMwoêOê, 
marumtü. Een enkele is vierlettezgrepig} b. v. mortataiiUDdk (door 
herhaling der eerste lettergr.), markal^aéong (door jb v ee ihn j lo on t e »ono 
't inhechtsel oQ. Deze werkwoorden bootsen een gelnid na, dat een ze- 
keren dnun heeft, een beweging,, die zich verschillend aa& 't oog voor- 
doet, en verder een hoedanigheid, die zieh door onregelmatigheid als^ 
ware als een beweging voordoet, zoo als fnarharukHaU (} 14 a), markare' 
pui (M.) en markarudjtU (M.), kroezelig zijn van 't haar, mardjambiucang ^ 
weUg groeigen van onkruid, mardjaJlmpU (zie Wdb.), enz. (vgl. { 88). 



/ 



112 

Aamn, Hier vinden we das al weèer (^ 88) woorden, die niet nit een een- 
leUergrepigen grondklank kunnen oi^taia zQn; immen luin kenmerk is de schei- 
/ ding van twee lettergrepen door een ^leo medeklinker; onlaieemt men hon dit 

kenmerk, dan vervalt kunne oortpronkeifk nabootaende natuur, 't Rnisehende 
of galmende dier medeklinkers maakt ken msonder geiekikft teri nabootsing ran 
een gerekt geluid; van daar ook een menigte woorden, die sioh op dezdfde wQze 
voordoen; loo b. v. benamingen van gdoiden zoowel sis van dieren naar hnn ge- 
luid, sooals aiiarijas of tar^ai (M.); boHfatt hdbt^ut of baHÊU^ bijahai (D. 
bl. 84, C.) naar 't nacbtelQk gemiaauw (vgl. Wdb. onder nuffong); hijong, kijung 
(B.), iijung (Mal.); bijang: it^'ui ($ 10 n); mawai of nu^oi ($ 22, Amm. on- 
der 2°. op bl. 43); Acj^'am in Ao^amon, howajam (D., bl. 34, C); tarijai 
pAal.); ajam (Mal.); kukurujuk (Sund. en Mal. van Batavia); kijik (Jav.); btm 
(M.); houng: pijo; effou; ngijul, pijul, Hjul (Mal.); t^up; utool-uwol, uwÜ-uwil 
(D.); uwaWhtg (B., $ 25, Janm.); borong-'borong , enz. 

6^. Ëiodéligk kannen zij afgeleid worden van iedere Woordsoort, eu 
beteekenen dan: dat woord bezigen, door het te zeggen of tiit te roepen ; 
b. y. maryaUt ijale (§ 8)! uitroepen; ntarbó, hol uitroepen; marmate 

inénfff mate indng! (ik ga dood^ moederf) uitroepen. maradaiuway 

adatuwa (zie Wdb, onder tuwa I) roepen wordt ook als adatuwa ge- 
bezigd. 

«. Op deze wijze denk ik, dat marka^u ontstaan is uit maraku, *Hk" zeggen 

met de beteekenïs van di ahu i (dat is voor mijn^ rekening, ik neem kef 

op mij), 
b. Een by woord van t^d is martogot (morgen , ió morroto); even zoo in 't Men., 

waar bar = mar is, barisuk van isuk, 't Jav. besuk ïïioti op die wQze uit 

meêuk (ma -\- isuk) ontstaan zQn , daar 't Kawi ma in plaats van mar bezigt; 
^^ vgl. Mal. boUk en baruHk met ' Kawi moUk = maruU in T. en mërarik in 

D. ($ 24). 
e. iVat morkumba of markumba (§ 5, IV, e.) betreft, bet is ^en substantief, dat 

mar gekregen beeft, om het té doen gelgken op morsaba of marsaba (zie 

Wdb.; vgl. $ 47, l\ a). 

§ 53. ^6 werkwoorden dezer soort, die transittf gebezigd worden^ verande- 
ren in 't passief de m van 't voorhechtsel mp. Omtrent hen is 't vol* 
gende op te merken: 

1^. Van een substantief afgeleid beteekenen zij : iets hebben tot, behan- 
delen of beschouwen als 'tgeen dat substantief voorstelt. Zij kunnen H aan- 



7 



-^--^ 



113 

hechtsel hon alleen ia 't actief hebben, vooral zoo de nadruk op 't sub- 
ject is; b. V. i ma na metrhuiakon hukt Padang Maiogn, dU wa$ het, die 
M hfda had Padang nustogu. Zeer dikwijls echter worden sg zonder 
genoemd aanhechtsel gebruikt; b. v. margowar sUdjmaha, Ujfonaha toi 
naam hebben; marpmahain manuh, kippen M vee hebben; marma ho, UM 
moeder hMen, U als moeder beêchouwen; mardjolma^ iemafid M vromo 
hebben, als zjjn eigen trouw behandelen, als vrome gebruiken; - — 
marduwa (iets als twee behandelen, in tweeën deden), heeft ook de al- 
gemeene beteekenis van: iets* verdeden gekregen, maar komt in 't pas- 
sief meer voor. 

a. Hiertoe behoort ook marbagaAon, iets beloven te geven, daar het in 't pas- 
sief parbaga vertoont, van baga-baga, 'm hdafte, wat belocfd geworden is; 
martuwahon (sie Wdb.) heeft aUijd in 'taetief hon, 

2°. Die, welke van geen substantief afgeleid z^'n, hebben nooit 't 
aanhechttel hon; b. v. marmdhan, een beest hoeden, laten graten; mar- 
masak, iets gaar maken (to cook something); marsuwap als transtief /j^/ 
(bl. 110, 2*.): iets bezigen om er zich 't gelaat mede te wasschen. Zij zijn 
niet te verwarren met die welke mar hebben met de beteekenis van 
mang (§ 46 1". en 3"., § 49 Aanm.), want deze veranderen in 't passief 
de m van 't voor^Bga«l niet vap, zoodat zij daar denzelfden vorm ver- f<< / Ty -/' 
toonen als de werkwoorden> met 't voorhechtsel mang; marsuwap ver- 
toont in 't -passief parsuwap, maar margadis slechia gadis ; zoo ook ver- 
toont marmasak slechts masak in 't passief, zoo het: een middel gereed- 
maken beteekent, terwijjl bovengemeld in 't actief gelijkluidend werk- 
woord parmasak vertoont. 

'Aanm. *t Stamwoord van wumnahan is geen gangbaar woord, maar moet 
gevoed worden, gieh voeden, beteekend hebben, en das van pahan komen (vgl. 
Ml, en 't Mal. maian, eten). 



II. Be tweede soort heeft 't aanhechtsel i. 

Zoo zy t»/raii«tï»^ optreden, worden zy toegepast op een meervond 
van subjecten of stellen den inhoud van 't iirerkwooid voor als dikwijl 
of gedurig plaats hebbende; b. v. maridi (§ 8), eieh baden van drie per- 
sonen (Ib. bl. 190 r. 20), en ook steeds baden; mamapuram, betel nuttigen 
van meer dan een persoon; marbungai, bloeden van vele boomen of plan- 
ten; marborasi, vruchten dragen van vele boomen, enz.; margotst (j^ 8), 
mugijk maken van vele personen (Ib. bl. 142, r. 2 v. o.); marharmeani 



ervond \^L 
ikwijls U 



114 

(lb. bl. 87, r. 12 V. o J), feed vieren van vele lieden; merikani (D.), gick 
beng konden met Ukup^e, visch, vleetch enz.; van mannel^ke pereonen; 
merdakcuUy tick hegig koudem met fijêt kooken vaii ?roawei^ke peraoaen; 
mertaêaki (D.), eick hesfig houden met 't gaar maken van vleeeck van vele 
personen. Deee werkwoorden z^n dus 't meervond van de intransitief 
gebezigde werkwoorden met 't zelfde voorbechtsel ({ 5S, L). 
{55. Zoo zq ^rwMt^f optreden, dan vertegenwoordigt 't aanhechtsel een 
praepozitie, terw\jl zijj in 't passief de m van 't voorhechtael in p ver- 
andereu; b. V. margogoi, aan iets kraeki geven; mareangapiy aan ie- 
mand bnUengemeenen voorspoed geven, zegenen; marbutani^ tij iets een 
verdrag maken (van Intldn); martatai, jegens iemand lacken, over iemand 
lacken; marekkeli, iemand toe gÜmlagcken, over iemand gUmlagcken;ma' 
ridi beteekent als transitief: in iets ziek baden. Zoo zij a%eleid zijn van 
een substantief, dat de benaming is van een ambt, dan beteekenen zij 
over iets dat ambt toaamemen; b. v. mardatui, over of b^ iets als datu 
fungeren; marpangtM^ over iets of bij iets als scAeidsreekter fungeren ; 
marpandei^ over iets of b^ iets als pande (zie Wdh.) fungeren. In dit 
geval verbreeden zy vaak in 't actief 't aanhecbtsel in ikkon (vg|. bl. 
56, onder jiamn, 2); b. v. marpanguiuunkkon. 

a, In nuartaei (*ii schold gehed afnaken) siet men oog 't meervoud, daar dit 
soowel een groot aantal eenheden voorstelt, als den inhoad van 't werkwoord 
self versterkt (bl. 102, 4*".). 

D. heeft niërdêmuit kei over iets een» zijn; mêrhUaH, vde dingen medene- 
men, wordt dikwQls als praepozitie gebezigd (f 161). 

§ 56. III. De derde soort, die altijd transitief optreedt, en dus de m van 
't voorhechtsel in 't passief inp verandert (§ 63), behoudt altijjd 't aan- 
hecbtsel kon , dat in de meeste gevallen een praepozitie vertegenwoor- 
digt overeenkomende met wegens, naar aanleiding van. De werkwoor- 
den dezer soort zijn onmiddelijk afgeleid van die slechts 't voorhechtsel 
mar hebben, en intransitief optreden; U v. marp^okon, naar aanleiding 
M» iets, een maal b. v., 'n inmiatie rondrenden {marpijo)i marbadakon, 
naar aanleiding van iets tmist kebben (marbada); matidokon^ naar aanlei- 
ding van iets een tegenpartij kebben (mardU), met de bepaalde betee- 
kenis van naar aanleiding van een ander^s inzet bij *t spel als tegen^ 
part^ optreden f dezelfde inzet ala de tegenpartij makui; mareurae- 
kon^ wegens iets met elkaar twieten (marsurae); mardalaUon, naar aan- 
leiding van iets reigen {mardalan), b. v. wegens de gunstige voorteekenen 



115 

b^ 't wichelen waargenomen, €!ien zekereïi dag kiezen om er op te 
reixen; marèal^aiion^ wepens iets uügaan d. u naar èttiien gaande met 
zkh iets medenewien bepttaldeli|)k van een kraamvrouw gezegd ^e Wdb.); 
marsoritton, iets tat aoMèmg keèhen van eikander ttf ie louen(marêmn)i 
heurteUngs iets gebruiken; b. v. di-paraoriiton naeida ma baru-boru na 
aasada i, zf gébruiMen die éene tfromo heurteUnga ; mamipikon^ iets tot 
aanleiding hMen van droomen (marnipi) d. i. opzettel^k de oogen alvUende 
iets tot aanleng fnaken van H kehben van een droom , want van iets droo- 

men is mangipi; vgl. ook marhatahon, martudjungkon (M.), icegena 

iemand een tué^ung ten teeken van rouw aanhebben^ in d^ rouw zyn 
over iemand; meridókêh (D.), wegena iets een vordering kehben (mèridó), 
en zoo 't middel^ke object, de persoon van wien men te vorderen beeft, 
er b^ genoemd wordt, iets op hem verhalen. 

a. Hiertoe behoort ook ftuurdiongakon, iets hakfertn^ ofschoon de beteekenis 

verschillend schijnt. Men moet hier een maraiiongd ah werkwoord stellen, 

dat beteekenen kan: aiiomgé (voor de Adft) geggen (^ 5S, 6^.), soodat mar- 

Htongakon eigenÜ^k beteekent: naar aanleiding pan iete ''voor de ke^* zeggen. 

D. bezigt mtrekuikën, waarvan my geen passief is voorgekomen, vooral ab 

praepozitie (vgl. mangiknüon in T.); b. v. mëreknikin bagaa idi, ie geUjk mei 

dai kaiês mMagekH wordt er met Mri (4 145) gebeiigd, en beteekent giek im 

allerlei gedaanten veranderen {y-pMagekën dirina b. v.). Voorts beaigt hel 

mMrdaka$Ut9n in de beteekenis van ien hehoeee van iemand heoJten; b. v. ha* 

pungku ngo iërina Jkono ai^nuiagaa ena aaa ku-pMakankèn (IK bl. 99, r. 4)» 

aUen gij die kier in Hkaia eifi^ g^ mifn meeaiera, daarom w^i gij door mi; ge* 

maakt de aatdeiding van kooien, daarom heb ik voor n gekookt (vgl. i 51, 5*^). 

lY. De vierde aoort heeft 't aanhechtsel an, en treedt intransitief § 57. 
op. De werkwoorden dezeir soort worden gebeaigd van een meervoud 
van safaóecten, en 8911 a%eleid van een stamwoordelijk werkw., en niet 
van de kwalificative (§ 42), of van die, welke 't voorhechtsel mar heb^ 
ben, daar deae reeds een anderen vorm- hebben, om 't meetvond uit 
te drukken (§ 52, S"", en § 54). Voorbeelden zi$n marhAangan^, vliegen 
van vele vogels (^abang); maraonggcpan^ eiéient van vele vogels, mjmt- 
eker {aonggop)i marpajakan (Ib. bl. 142, r. 6 v. o., 143, r. e) van jn- 
jdki mairuaetm (Ib.. bl. m, r. 4) van uaé; marbnkkasatn van bukkaa. 
Deze wijze van 't meervoud uit te drukken is in M. en D. op een veel 
ruimer schaal toeg^aat, denkelilk omdat 'tbulpwoord akka in/ IC. zoo 
zelden gebezigd wordt , terwijl het in D. geheel ontbreekt. In T. bezigt 



116 

men akia (} 58) gaarne bij werkwoorden met 't Toorheehtad ma (§ 414). 
Some wordt met 't holpwoord iets anders beteekend dan met den yorm 
met 't amnheefatad; mo b. ▼. markembtaigmi^ mtge^^rnd zijm van mat- 
y ten, maar akkakembtrng^ amüokm «y» van bloemen. 

Mmi. 0e reden na, dat t of ifjn pla aU f c rv i nger «■ (7^1. ( 108 en 129, 
onder) nn ecni als praepontie ieli ah plëoiê wtuarim m betrekking stelt, dan we- 
der op een meenr. doelt, moet dnnkt mQ liggen aan de Toorstelling yan pUats, 
die ak een minite beslaande van xclCi doet denken aan mtgekradbeid of grootte. 
j - 't Smid. beiigt in 't actief ook «s in plaats van t (lyiPViMi-mi, op iets ffetijkem 
= Mal. wtm^'^rwpaf). 't Begrip van getal is te abatraet om anders nitgednikt te 
worden dan door een pronominaal woord (j 1(2, 8*. ianm.) of door een con- 
ereet (vgl. Ami, onder f 58). 

} 58. 'é Eiilpwoord aika. Omtrent 't gebruik er Tan bonde men zicb 
^^ aan'tvolgehde: 

^ 1*. 't yerdringt het Toorbechtael ma, maar niet 't Toorhecbtsel mar 

of manff of 't inhecbtael um (of sijn plaatsvervanger », $ 81); b. v. 
akkadaiu van madaiu; aktabugoHg van mabugang; akkap<mffgol van ma- 
pomggól; akkaMa van maioia; akkarapping van marapping; aikaiaiamgr 
= markaóangam ({ 57) van htbang * ; akiamanuriy waarvoor men ook 
manmti ({ 8 en 54) kan béngen, van manwi (aeh ktmmm, bl. 110, 3^.); 
akkamié^ van iiif^rsrr (idjuty § 61); oHaauNlsM van aumKimi (fOiiaM, 
§ 81); akkadotdot zegt men van defanM^oN;^ (noot onder bL 110), maar 
mamdMU van de persoon; van^aüa^a^ heb ik den ettkelv<mdigen 
vorm nooit aangetroffen (vgl. Wdbu); akkagirgir heeft- men tegenover 
manggirgvr. 

M. bengt tmgka dedits zelden, en dan nog aehter 't voqrheditsci im; b. v. 
m migJ tanm hèk (^ 8) van ménwÊièaJt; wurngkëgoUq^ van wutgoUq^. Het bengt lie- 
ver den in f 57 besehreven vorm; b. v. marramtm t= Mtaró ($ 20); mêHaka- 
wffa = akkéitn (( 10, 6.); Morl^ilMii van il#A#, ens. In een passieveB sin ii er 
wuaéamum in gebmik (tumgmmiogrd tijm van scholden, Ib. bl. 291 r. 10). In 
pburts van #tf»l9Ai9# bengt het M4ilwfol^/ ( Ook bengt het iMTAAivoor- 

aan« maar meestal om tevens tooÊ^eld^emsii^andéif nit te drakken; b. v. wutnuhi 
oio van oioi vaak te gdQk met 't afgeleide werkwoord; b. v. nawt i fcr «uwMm», 



* Misschien moet men een vroeger ma hé hmtg veronderstellen (vgl. Aant, 
bl. 94). 



117 

maradu marmodoma», maradu marmanganan van mangan, Ook bezigt men 

rap (j^ezameutlijJk); b. v. rap mng ialai (lb. II, bl. 24S, r. 2 ▼. o.), aldus *pra- 
hen gij gezamenlijk. 

D. heeft mërmëdëuiën = aiJkamodom; mërdabuAën = aikadaht, van ihtda' 

6uk (bl. 41, III); mëriuèuAën ='aiiatubK, van tubuA, enz. Voorts bezigt 

het tamah, ook te gelgk met den verbalen vorm; b. v. eamah mêrmoUAin 
(bl. 36) van molih. 't Beteekent ook gelijkelijk; b. y. tamah penter ngo ku- 
dëngkoh, gelijkdijk juist is het Aoor ik (uw« beider beweringen z^n juist); voorts 
= dangan in zamenstelling^ met de beteekenis van -genoot, mede-, b. v. p^Hru- 
baten si-tongkik samah si-tongkik alona, de twist van den doove een mededoove 
zijn tegenpartij zijnde, de twist van een doove, zoo iemand die ook doof is met 
hem praat. 

2^. Het neemt plaats voor 't ▼oornaamw. na (§ 149); ook waar 
dit een werkwoord als adjectief doet optreden; b. v. di-paUom ma horbo 
duwa akka na bolon, door hem werden gespiesd twee grooie buffels ; ai akka 
nadóng (§ 8) do lahi-lahina^ want er waren mannen van haar van die 
vrouwen; midjur ma akka na torop, die velen waren gingen naar beneden, 
de groote menigte ging naar beneden van 't hnis. 

3^. Voor substantiven neemt het onmiddelijk plaats, mits er geen 
praepozitie voor 't substantief staat; b. v. boti ma i akka radjanami, 
aldus was het O onze voreten/; i ma akka ninna nasida saluhutsa, die 
waren de woorden van hen aUen, aldus spraken zij; di-togihon dkkang- 
gina i, door hem werden zijne jongere broeders geleid, hij ging hen voor; 
akka naposona boru-boru, zijne vrouwelijke bedienden. Zoo 't substantief 
middelijk subject of object is, en dus door een praepozitie wordt voor- 
afgegaan, dan neemt het plaats voor de praepozitie; ook zoo deze in 
de vorming van 't eerste passief optreedt; b. v. daitson temi akka tu 
dongcdta na di bagasan Umbang on, worde door u gesmeerd uwe drek aan 
onze makkers, die in dezen qfgrond zijn, smeer uwen drek aan die zich 
met ons hier in den afgrond bevinden; aha ni^okmu akka di hami on, 
wat hebt ge te zeggen aan ons hier; aso akka di-boto ho, opdat het door 
uUederi geweten worde (di-boto akka ho kan men niet zeggen); ya otik 
pe sipanganon akka di-pang^n ho, al is weinig de spijze door ulieden ge- 
geten, enz. In de beide laatste voorbeelden is 't enkelvoudige ho meer- 
voud door akka geworden, en toch plaatst men het er niet voor; zoo- 
dat de constructie dezelfde is als die bij een praepozitie. 

Aanm. 't Woord akkalau is een substaDtief, dat onmiddellijk uit 't Mal. of 

3 



y 



118 

Ja?, moet lün oYcargenaaieii; in 't MiL vindt men rei» (als naam van den draak 
of Titan, die de maan Vff Yerdoiiteriag lieet in te swelgen) en in *t Jav. hartM 
{Urawu gespeld). Ik vermoed, dat er vroeger een kaia-rmAu {ée TiUm raJIa^ moet 
geweest aQn; toen hst woord nn als te woord werd nttgeaprdken liet 't Jav. al 
uit, en 't Bat. ar, daar beiden voor inlyeiitsels werden gebonden. 

JiuU. 't Halpwoord Mm sehtlnt (bL 186 onder) oonpronkeljgk 't zelfde 
woord te sQn als het in M. nog gebeagde «ayi» {oudere broeder van een 
manspersoon, oudere mier van een vrouwspersoon). Dat het als holpw. van 't 
meerv. in dienst kwam — en daarom heeft bet sQn eigeniyke beteekenia in T. 
ook opgsgeven — mag ons niet verwonderrti, aoo we letten op «w/faipg {omdz^n 
V. tmtp», i 154) all holpw. om den superlatief nit te dmkken. Dat de inlander 
ook aan een oudere broeder of emeter eerbied verseholdigd is, det men nit 'tge- 
bmik van 't voorh. da v6or dit woord even als v6or die, welkb een der onders of 
grootouders voorstellen (f 152). 't Begrip van onderdom is dos overgebragt op 
^^-^"^ dat van grootte in getal. 

{ 59. Ook bezigt men 't hidpiooord sama. Het wordt vooral te gelijk met 
6e gebezigd, wanneer dit woordje achter 't praedikaat plaats neemt, 
^^'^^ om het op ieder der snbjecten te doen slaan; b. v. sama ao be nasida^ ieder 

hunner hield op; same (§ 29,1 a) so alip be tortomasida na dmoa, de dans 
van ieder van ken heiden was regelmatig (gel^'kelijk regelmatig was bei- 
der dans). Yoor een substantief, of een als snbstantief optredend voor- 
naamwoord, heeft het den zin van onder elkander^ terw^l het 't sub- 
stantief of voornaamwoord tevens meervoudig maakt; b. v. markata 
ma mma bapung », de katten spraken onder elkander; hatt ma ninna bodat 
i markata sama nanda, aldus spraken de bodat-apen onder elkander spre- 
kende; i ma na djumoAkon musuita marbada masiiappulan (§77) scana 
ibanay dat is ket, dat ome vijanden aan 't twisten brengt, en aan ket op 

elkander inhouwen, Overigens wordt het = akka gebruikt, maar 

is dan meer in 'tDairisch sub-Tobasch in zwang (vgl. D. onder § 58 en 60); 
b. v. sama di-pahdlga ma anggukna, door ken werd kun jammeren ver- 
groot , z\j schreeuwden jammerend luider; sama sip nasida, zy zwegen; 
sama tangis ma nasida saluküt, z^ sckreiden allen; sama marabU na bi- 
rong ma salukutna, zff kleedden ziek allen in 'tztQart, z\j hadden allen 
zwarte kleederen aan. 

§ 60. Zoo van personen gesproken wordt, die tegenover elkander gesteld 

'^ worden, bezigt men maradu, dat met van weerskanten kan wederg^e- 

ven worden; b. v. maradu maréatd, van weerskaiUe» lagcken, de een 



119 
i 
hier zoow^ als de andofe daar lachte. Vender beteekeni het wed^w- 

rmy en wordt dan foor 'tstaotwoord Tan een werkwoord geplaatst; 

b. V. nuaradu ikktU, om Hhardst loopen, 

M. Over maradm alhier xie onder § 58. 

D. besigt miraduna = duwa duwaUa ({ 151, 8**); 't wordt geheel a«hteraas 
geplaatst; V. ▼. samak wuM mërdosa hatamdet^ idi merndma^ uta Uedtr woor- 
den Aebben geen tehuïd^ heiden, geen van uw beiden heeft iets sehnldigs gezegd; 
aaa soma tip mo ^a mëngërana idi mëraduua, daarop zwegen zij tiU in het 
spreien ét een zoowel alê d andere, beiden hielden toen op met spreken. 

4. Fïerde kUuH der eenwmdig afgeleide loerkwoorden of werkwoorden 
mei 't inheeHUél urn» 

't Inhechtsel um wordt achter den beginner van 't stamwoord inge- $ 61. 
schoven, zoo deze geen lipletter is; b. v. eumunU van mrut^ iunuUak 
(D.) van tataky utnuèa van tiba. Bij 't laatste voorbeeld lette men op, 
dat de klinkerdrager als zoodanig een medeklinker is. Bij de woor- 
den , die naar onze wijze van spreken met een klinker beginnen , vindt 
men meestal de u van 't inhechtsel weggelaten; van daar tnuba naast 
ufnuóa^ terwijl umaha, dat men vaak ummaha spelt, nooit de u verliest. 
Andere voorbeelden zijn mida van ida, miüng van iting, meeeng van 
eseng, enz. Zoo 't stamwoord met een lipletter begiat, dan wordt er 
slechts ee& m in plaats van den beginner gevonden (b. v.no^ vtan/wi^, 
monggal van öcn^éS), maar de stamwooxd«a met h beginnende, kun- 
nen ook zonder verandering als werkwocwdeii optreden, alsof z^* 't in- 
hechtsel hadden; b. v. ionf^oi = masuk, hoUok (§ 36, ondet). Waar men 
een m in plaats van den beginner van 'I. stam woord vindt, moet ^aen 
een afknotting veronderstellen, zoodat mffte b. v. in plaats van pwmaU 
is, en zijn afgeknotten vorm te danken heeft aan den tegenzin der taal 
de twee eerste op elkander volgende lettergrepen van een drieleltergre- 
pig woord ieder met een lipklank te doen beginnen (bl. 121, 1^}. 
Deze afknotting heeft echter nooit plaats, zoo 'tafgeleide werkwoord 
transitief (^treedt, of wel een hoogeren graad in hoedanigheid aan- 
duidt, >en men plaatst dan vm vooraan; b. v. ufpf^op lesa pcgop, 
uppiUor van piiéórt enz. De afknotting ia eehter ook in andere gevallen 
door 't streven naar tweeleltergrepighdd (§ 22) in zwang gekomen; b. v. 
moru van toru (D. heeft nog iufJtèruh van tëruh), maaak van tas^k, terwijl 
B. ëniasak (bl. 41 , III) bezigt (vgl. fnoaok of meeeng in D. = Jav. gësëng). 

3* 



/ 



/ 



120 

Diergel^ke afgeknotte woorden moeten heden beschouwd worden als 
afgeleid te ssijn yan een stamwoord, dat met een klinker begint; van 
daar dat zij b^ de berhaling *t eigenlijke stamwoord niet herhalen (vgl. 
b. y. meppang-eppang yan teppang met humoêa-kosa). Bij woorden, wier 
eerste lettergreep door een m gesloten wordt, wordt 't inhechtsel niet 
gebezigd; yan daar djombd ook met de beteekenis yan djumamóa, dat 
ik nooit heb aangetroffen. Van maeuk is het stamwoord yerloren gegaan. 

a. Slechts zelden vindt men een beginnenden Upklank in een geiykgradigen 
keelklank veranderd, en waar het geschiedt, is het woord, waarvan dit werkw. 

wordt afgeleid, reeds drielettergrepig; b. v. humaritik van puriiii. Van den 

grondklank gir (vergel^k girgir) heeft men ^wwtr en zQn hQvormen ($ 28). 
Bit woord moet heden als stamwoord gelden, van daar h^ de herhaling niet gumir 
gir, maar gnmtr gumr, 

Zoid-M. heeft djimolo in plaats van é^jumolo, -^ In 't Tag. wordt de 

« van 't inhechtsel in t veranderd, zoo *t stamw. in de eerste lettergreep een i 
heeft; b. v. iminAm van inum. 

Aani, Wat slechts by uitzondering in 't Bataksch geschiedt, mag men bij- 
kans een regel noemen in 't Jav. en Mal.; b. v. gumisa van bisa (Jav.); Jkuma- 
/ wan van awan (Mal.); gumawang (Men., bl. 46, 1°) van awang; idmauaian (in 

plaats van kumanaian) van anak, enz. 

§ 62. Wat de óeteekeniê betreft yan 't aldus geyormde werkwoord, zij 
is, zoo het inirarMief optreedt, zoowel actief als passief. Waar zij actief 
is, wordt er dikwijls in tegenstelling van het in $ 66 behandelde werkw. 
eene beweging door voorgesteld, die niet uit den wil yan 't yoorwerp 
voortkomt; zoo b. y. staat sumurut tegenoyer mangüêurut (§ 82), en 't 
passief yan pasurut{hon) (zich achtertoaartê uwegen, bl. ISO), en betee- 
kent zich mmüekeurig achtencaarts bewegen , d. i. een beweging ach- 
terwaarts door 't gevoel genoodzaakt zijn te maken, van iemand b. y. die, 
door bewondering van een, dans medegesleept , zijn ligchaam achterover 
buigt, telkens wanneer de danser zich achterwaarts beweegt. Op- 
/ merkelijk is de tegenstelling yan pate (pervaUen van een pand, geen 

vaart meer heèèen van een kogel), en maie; beiden beteekenen sterven, 
maar 't eerste wordt liefet yan een levenloos voorwerp gebezigd, terwijl 
't tweede yan voorwerpen gebezigd wordt, die óf leven of als levende 
wezens voorgesteld worden, zoo als b. y. r«»r, de maan^ enz. Op de- 
zelfde wijze bezigt men ook sunti (zie Wdb.,) tegenoyer aumurut. Even- 
zoo beteekent djumebe.- zich onwillekeurig zijwaarts bewegen, terwijl 



121 

diebé slechts g^waarts keilende^ en 't pamtï van padje6e(JkoH): sick sjjr 
waarta bewegen beteekent (bl. 130). Dat by diergelijke werkwoorden nu 
eens de passiye, dan weder de active beteekenis de bovenhand kqjgt, 
is gemakkel^k te verklaren; men denke maar aan 't gebruik van re- 
flexie werkwoorden in 't Fransch om een passief uit te drukken (vgl. 
ook c, § 44). Zoo bezigt men mukkap (van ulMp) van een wonder* 
boom {ékham oï Mas<m na ruioangon)^ die zioh van ze^ openen moet 
voor den eigenaar van de in zijn stam verborgen kostbaarheden, ter- 
w^l B. mongham (J 80, YI) bezigt, om aan te duiden sneh openen in de 
beteekenis van spreken, 't Gkbruik heelEt er verder, zoo als uit de tong- 
vallen bligkt, tameigk willekeurig mede omgesprongen; D. b. v. bezigt 
tumatak = manorior, niettegenstaande het een wiUdceurige beweging 
voorstelt, terwijl het daarentegen hitaaak (bl. 41, lil) heeft met de be- 
teekenis van moêak en mdUmun. D. bezigt wsreanggwr bana (} 145) = 
sumanggar. Hieruit ziet men, dat uit 't gebruik alleen de meer of min 
passive beteekenis moet geleerd woi:den> 't Volgende kan echter eenig- 
zins tot leiddraad dienen : 

1*^. 't verrigkn voHf oï 't voldoen agn een natuurlijke bekoefte; b. v. 
meaeng (eeeng)^ mqjo {pjo), miUng {iUng\ mangan (pangttn% minum (inum), 
modom {pedum) enz. — - Een enkele maal treden ze tevens transitief 
op, maar stellen dan toch iets voor, waarbij aan 't onwillekeurige te 

denken is; b. v. miday iets zien, iets in H oog krijgen, 't Werkw. 

mangan y als transitief, vermoed ik, dat verkort is ui^ mamangan (vgl. 
bL 119, r. 10 V. o.), want men heeft uogpamangan ($ 190). Met 'taan* 
hechtsel hon heeh het de beteekenis van opeten; b. v. molo imana man- 
gation na dapot tarihommiy indien die het zijn, die 't geen door uu> tari- 
kon gevangen ia kebben opgegeten^ enz. Naast modoppon vindt men ook 
mamodoppon (bl. 106, 1^. Ook hier ia het gebruik wispelturig, want 
hoewel iets in 't aekoor opnemen {zonder het te foiüen iets hooren) een 
overeenkomstige beteekenis heeft met mida, zegt men toch nooit megé 
(dat in D. in den vorm van mege gebruikelijk is), maar altyd urn- 
begé (§ 47, 4" en \ 63). Men zoufLe ook uppangan ($ 63) als transitief 
optredend werkwoord verwachten in plaats van mangan. Naast mifiitf», 
als transitief, bezigt men ook manginum, 

2°. Hen eenvoudig passief tegenover een transitief gebezigd werk- 
woord; b. V. masak, gaar geworden zijn door 't vuui (cooked), als eenvou- 
dig passief van marmasak (bl. 113, 2% en te gelijk als intransitief werk- 
woord met de beteekenis van rijpheid geel z^n, als een blad, enz*;. 



/ 



' ^ I' i' = 



122 

mengge^ geweekt t^ als rijst in 't water, als eenvoudig passief van ma- 
npengge; mmuk (bl. KKT), hinmen gaati, ingang twnfe», toegelaêen nowéen 
(Ib*, bl. 930, r. 11, en aanh. in Wdb.), naar ook kmnen gdakn w&rdmy 
ads eenvimdig faaaieï yïïu pamnêuA^hon); wUffm^ naar beneden gaan of 
. èemen, naar ook •efgeget worden Tan een persoon die van z|jn wasr" 
digbeid beroofd woidt; mfiM, teruggaan^ maar ook terugg^agt oïte^ 
fuggegeoen warden y als eenvoudig passief reji paiidoik{hon) (vgfl. vuuU en 
pamfêlS{hm^\ mwppat ook aks eenvoudig passief 'vun mangnppat, mngo 
(verloren raken) kan ook gestoèen syn beteekenen (f 100). 

3**. Een bewegiftg, die zich aan de zintuigen levendig voordoet, 't 
z^ door 't gehoor te treffen of miderzins; b. v. hnmmük, /umnUal, hu- 
mninr, enz. In deze beteekenis irorden zijj 

a. dikwijls herhaald, de herhaling dechts *tstamw. of oneigentlijk 
stamw. ({ ei) aandoende; b. t. kumoea-Aoea, meppang^eppang , mong- 
gal'CHggal, enz. 

6. hebben z^ tet onmiddelijk «tamw. een woord , dat 't z^ door 't 
voorhechtsel ha (in D. ké), waarvan de h dikw^ls g is (§ 82, III, e), 
't z^* op de vr^ze, als reeds boven (§ 62, 5**.) vermeld is, drielettergrepig 
is. 't Voorhechtsel had ga hebben zQ vooral, zoo t stamw^ 't zij twee- 
lettergr«pig is met gel^ke medeklinkers en tegenoverstaande klinkers 
('} 88), 't e^* een eenlettergrepige klanknabootsende uitvoepmg, die met 
do tweeleitergrepig geworden is (bl. Ill, d); b. v. hnmaiHltal, guma- 
é^indjang^ hmnadjedja^ gmMdeifmr^ enz. — Naar de tongvallen te<K>t- 
deèlen vindt men ze dikwijjls als b^vorm optreden van de in 6". \ tö 
besehreven werkw.; b.' v. ^^wmmkwoaing (D.) = mo^djandmmng^ gwma-^ 
é^gt^ftng naast marhaefjingdjang. Meerdere voorbeelden van dezen 
vierlettergrepigen vorm z^ hamaHjjmgy kmne^ung (D.), gumadimbnr, 
gumaddapy enmappfor, hmmadefap (} 90 a) en gtmai^dmt. 

Aanm. BQ gumadimhur, gumadjebui en gumadebap moet men uitgaan van 
een bur, bui en dop, waarvoor de verbasterd is. 

B. Heeft ook, hoewel zelden, een meerv. van dezen vorm met 't aanhechtsel 
t; b. V. twnataki van vele personen. 

4*". Een hooge graad der hoedanigheid, waar 't stamw. eim kwatifi- 
catif werkwoord is, waarby men lette op den vorm (f 61); b. v. gu- 
mabe, rijker g&n^ van na gaèe of gahe (bl. 91, c); wnêalga, grooler i^, 
van balgd of mabalga ({ 42); umbegu^ dapperder e^jn, vaa na begu (f 43); 
dumaiu, knapper e^n in 't wichelen, van date (§ 48). Zoo 't voor- 






^ 

^■^'s. 



128 

werp dat hi^ hoedanigheid overtroffen wordt er bij genoemd wordt, 
dan plaatst men er de eoi^unctie oia (§ 10S) Yoor; b. v. thtmejai napé 
uitmgna oMa torop m odtiè, iairjfker nagf weufe» sijii mMUlm dan ie ma* * 
nigte van hoqfdkarm. Met 't voornaarawoofd na er voor drukt txAk 
een vorm den hoogsten graad alt; h.v.imana uiMsnky i ma ta^ham 
raé^ay die de leepets U He worde door ono koning gemaakt; na di km i 
na tumabOy dèe omkr eifn, a^n de lekkepete; borw nke do on na dmneng- 
gamma on, de dochter van men is deze^ deee sekooneU van hen. Deae 
vorm he^t te gelQker tijd ook verbale kracht; b. %, kmivl ma ibama 
paimahon rumodop, hjj zette ziek neder, waehiende tot dat è^ (de apen) 
lager kwamen (om ze onder 't bereik van zijjn blaasroer te krijgen); 
eummtmg wordt, «aak als comparaiief i«i denjfgén gabeiigd, naar heeft 
ook dft beteekaniai van vaorireffetj^ ; b. v. dlai sadi mmurung do tortor 
ni hahk eiöoru Marondak sulu, maar aUjjd toaê de dane mm Mfft^ 
vrcum M,foaai^óan dia der andors dansereasan (of deflraaiête), 

«. humatop^ wojsdt vaak in oen ventoh adv«ikt«il gebnigd; b. v. êM ku^ 
matoj^ üana mtOak ttftm pardaianen, mo^e kif toch tpotdig temgkeetên mw 
de reu! 

B. Besigi v^t H stauiw. ook ecu hnlpw. vtn deinelfden wmi) b. v. mmutik 
pêngke imoèonut idi mpmda iai dakëru kmta ena nari, eijne vrtmm w mooter 
den de mromt^ va» ébze. kuéa; om een. rapsrfaitief uit t»4nd[kea, beiigt het 
nari aehier 't kwaliflwtief; b. ? . pëm^ nari = «URtan denffgdn ($ I64)i 

Aemm, mdo (f 162) van oh ia geheel coijiuietie geworden; uit de tegeaatel- 
Ung in beteekoaia met out siet men, dat het oonprottkelQk ja g^, geo «^ ^ 
moet beteekend hebben (vgl. f 68 è), 

Trantititf gebezigd zijjn de werkwoorden dezer klasse sleokta een } 53. 
bijvorm yaa dia met 't voorheohtsel mamg^ en worcbn zQ meer gebruikt 
in de versierde taal van ó»poda^ de veriialen, wetten, spreukmatige 
versjes (yppamaj dan in de dageh^jksche; bi v. é^jmnama é^ndji (de 
doèè^teenen kanterat) =» mandjanui dfmdji; mmiioppon omae (poda) := 
TnanguUqppon omae (gotéd uüüazemy als biggelooyig middel tegen zekaren 
kwelgeest); na iumurpaa dingdingna, na nppaln earunena (in de beschrö*- 
viag van een offerkip) » na nutkkurpae dtngdingnoy na mamaiM samnena ; ^^ 
moppo ruma^rin^aru (poda) = na mangoppo ruma na imöaru; na uppan-^ 
gus fiéata ni ari èiiêar, nof tmmukkol mata ni ari mmdut (van den Qod sori- 
poda, vgl. onder pongpang in 't Wdb.); tumaruhon = manaruhon (Ib., bl. 



124 

13 midden); kalak tumokor beru mahan Unokoma (D. oostumair regt) , 
een persoon koopende een me^je M vrouw voor sieh; na mmappikkon djari 
djari (in 't aanroepen der goden)» die de mngerê geiekeiden heeft geseha^ 
pen. Dat deze vorm nog met nitdluiting van de andere, die heden de 
hoofdvorm mag heeten, in zwang is, is reeds boven ({ 46, 8**. en § 47, 
4®.) gezegd. Een ander voorbeeld is maUt^ (waarnaast ook moUap 

en tnotiai), waarvan mjj echter nooit 't passief is voorgekomen. 

Met de beteekenis van nutmde (bl. 106, Jamn.) is ^mn/in gebruik; 
b. V. Umé êombaon; het passief is alleen in echt Tobasch en M. ge- 
bruikelijk, (zie bl. 107, Aanm.), 

a. y«n de woorden wuftUip, wtêiUtp en maiUii moet 't stamw. oiia$ sQn big- 
kent ënM (D.) en hanüU (Men. = hanUtr). Men mdt ook wUjatton ntast 
mamgifaUan (ne 5 159, 1*^. 

b, In pUafcs yan mambaen becigt men vaker umbaem (ook: ambaen en m- 
baen, bl. 45) 200 het als betrekkingswoord *t gevolg aanduidt, loodat we het met 
een oonjonctie moeten wedergeren; b. v. f «m wmbaen na wuurbada, dat had 
Un gevolge de iufisienden, dat maakte, dat tQ twist hadden (rgl. bl. 128, Jatm., 
en vgl. J 102, 2**). 

JoiU. *t Voorh. of inheehtaeL am ia oonpronkelyk 't selfde woorclje ah ma. 
De omsettin^ ia te yerklaren uit den gahn van den nenaUank; zoo den we 
mm in ($ 26, Janm. 1) veranderen, en in D. nit sn^ een ^ met een sluitenden 
neoaklank (bl. 41, III) ontstaan. De a moest wel voor een Upklank » worden, 
te meer daar het tot inheehtsel gewordene woordje bQ de twedettergrepigheid der 
meeste stamw. de derde lettergreep van achteren komt te beslaan. De treffende 
overeenkomst van ëntasai in D. met moiok nit tumaeak mag hierb^ als bew^s 
aangevoerd worden (vgl. rhawpar in plaats van tairuwar, bl. 41, III). Een ver- 
der bew^s is de bjjvonn der werkwoorden met 't voorheehtsel maag, die tot een 
onderen toestand der taal moet bekooren *. Wat 't voorheehtsel ma betreft, wat 
kan het anders zQn dan een pronominaal woordje, en wel oorspronkelfjk een 
voornaamwoord van den derden persoon? De woordjes namentlQk, waarmede men 
met iets noemt, maar sleehts op iets w^st, zfn oorspronkeiyk natnnrkreten, zoo 
als nit honne onbetwistbare eenlettergrepigheid mag vermoed worden. De na- 
tnnriykste wgse, waarop aan diergeiyke woordjes een bepaalde rigting werd 
gegeven, was wel 't versdiü van klinker naar mate deze voor of achter in den 



* In 't Tag. vindt men dit ook; b. v. butaaea naast mata rszjaamata, ma- 
maija (Mal.) 



126 . 

mond gevoimd wordt» Men kooi oorspronkeUji de i» als ydéraan by de lippen 
kUnkende om op *t ver af sQnde of als zoodanig voorgestelde te wysai($ 141, 8^ «), 
terwijl men in tegenstelling de i, als binnen 's monds gevormd, berigde, om bet 
tegengeitelde aan te dolden ; van daar nog tam in 't Mal. (tpy Mêr, gQ er bu- 
ten) in tegensteUing van iamu {fiijUdtu»^ ik er bniten). De persoon, die spreekt, 
denkt aicb in een kring, waar bQ den aangesprokene als een tegenoverstaand 
voorwerp buiten pkatst. Dat kêmm door. 't voorb. ha snbstantief geworden is, 
en tot stam mu beeU» is nog doidelfik nit den klemtoon van ktm^fm, iamA (Tag.) 
Zoo staat nog iml% als aanw^aende nitreepbig tegenover inde» Uit den stam dm 
IS ook tuki, waarvan weder aémwi ($ lél), terwfl bet met een neosUank er 
voor {mdu) nog in D. gebmÜDdyk is als aaab. vMtden tweeden persoon (in 't Mak. 
beeft men mu, bl.69, IX). Toen nn eenmaal door mn op een tweeden persoon, als 
buiten den door den spreker gedaehten kring lieb bevindende, gewoMn werd, 
en in tegensteUing ui was in zwang gekomen, moest men van aeUé bp de « ko- 
men, om op een persoon te w^ien, die als nocb H nocb g^ i^nde in betrekking 
tot dien kring geen bepaalde plaats inneemt. Van daar vindt men imdé (in M. na 
in nada d. i. m 4- ada) als negatie in tegenstelling van imdt en imdA om *i met 
voor te stellen als iets, dat geen bepaalde plaats kan hebben. In 't JFav. beeft men 
nog iJka in t^;enst^lling van Uu {die, dai) en iü {deze, i^, en wel als onverscbil- 
lig wOzend woord, waarmede geen bepaalde plaats wordt aangednid. Deselfde te- 
genstelling vindt men ook in d^ bQ 't jtMMftr-passief ($ 104) om een onJbepudl' 
deu ogen» nit te drukken tegenover di, dat in 't eerste passief door hem be- 
teekent ($ 103, ^ terw^l dmmB.{S 151) weder den tweeden persoon aanduidt. 
't Is waarsebynlyk^ dat da ontstaan is uit ^, toen dese praepoiitie in verbin- 
ding met een nominalen vorm reeds de bepaalde beteekenis verkregen bad van 
door hem: men voelde dat een t ter aandniding van een onbepaalde persoon on- 
geschikt was, en liet dien klinker plaats maken voor a ($ 34, Aanm. 1). Te- 
genover nu heb ik geen ui als voornaamwoord ooit aangetroffen, maar een 
w^zend woordje van dien klank mag men veronderstellen met de beteekenis van 
voornaamwoord verloren gegaan te zQn, door dat bet in gebmik kwam als oor* 
spronkeljke praepozitie ($ 159), want als voornaamwoord van den derden persoon 
heeft men nog na ($ 151, 3^. Als voorhechtsel vinden we si optreden om op iets 
bepaaldfl te w^zen ($ 152), terwijl m nog als aanhechtsel den derden persoon aanduidt 
(§ 151, 8°). Men mist hier dus eu denkelijk om dezelfde reden als men ui mist, 
want men vindt het nog maar alleen als verbastering van de praepozitie tu {S 78). 
De taal is een zinnel^ke beeldspraak en de sprekende mensch ziet in elk voorwerp 
een persoon, een wezen zoo als h\| zelf is, en wat hij aan een voorwerp opmerkt. 
Heli h\| dichterlijk voor als een handeling; hij spreekt van een deur, dat z\| «iet 



/ 



/ 



126 

toe mil, geeft stn levMloon foorwwpm m 4» taaè een getMtt, era. Om éw 
een woefd, drt ee» liaaildipy t erheéUê , te venu», koot fa| een ireoy^e, dat 
een persoon ia 't elgeoMen ionteidt, eut toeh 't wefkweord ee» woord is, vaar- 
made men ïeta aiê pênoon in de red» doet op^tvten. Yeinift% is de lenaBnig 
die de GUnenn aim H wvkwooi^ geven ^ nanentiil^ *i lenenék woord in tegem- 
steliiBg vnn *i doode {nmmmoord^ Bat dat ma d# wegvnlt of a^ m in /^ vera»- 
dert in 't panief ia een bewfa, dat de taal ket pnesief «««10 al» wevkwtxwd ht^ 
sohoowt. Neemt aèn au» aaa ala oofÉp^onM^ een voofnaaawoorè nm den der- 
den persoon te aQar, dan ia het ook geen woHder« waarom sommige Mto, nee 
als b. V. 't Batekieh en JavaaMeh, minder vaak van een ak mkstantief optre- 
dend foomaamweeid vanr den derden ptfsoon gebruik 'malBen,> dan van eea v'oor- 
naamwoord fan dói tweeden of eersten persoon, en waar a^ lel meetes gelral- 
ken tot een omsdurQ? iny kon teevlngi nenasn (f 140, 8^. De vo<MPkeelirtBeb anrr 
en mtm§ sfjn sleciits fersterkingen van wuk, die eerst naderkairf met versehil- 
lende ketoekema in gebmik sfjn gekomen. Wat mor betreft, af n alnüer beelt 
het te danken aan ^ phats in de derde Isttergpeep van aeiitereik viSer ée 
meestal tweehttergiepiga woorden. In t Javaanadi en Haleiseb vindt men nog 
soo een r als shiiter van ndk een lettergreep; b. v. marmoia (Jtfv., naam van 
den liefde-Oed) uit moomatAo, iorwuua (Mal., tohouwtpol, ens.> aAt ttmatji (Ar.). 
In 't Bstaksch is 4it ia den regel Kiel 't geval» daar ket andero' medekfinkers 
voor dit doel beaigfe, als b. t. een aeaskiank {wppmna, U. 44, a]f, een «aier fror- 
takAj in H, r%mtoka\ ena. 't Bataksdh heeft eehter vm die kUnkwet gebxirik 
gemaakt om een versaal van betedcenis uit te drukken, daar de r als ruiaekondê 
klank zeer goed 't active symbolieeh kan voorstellen. Dat verder een neoskhmk 
ook hiervoor in gebralk is gekomen, moet men aan den gatm van loo'n mede- 
klinker toeschreven; men vermeerderde door ng in 't veorfaeoktsel de verbale 
kracht, om een werkwoord te vormen, dat tranaitief optredende, neg activer be- 
tedcenis heeft. Nn nog aQn er sporen van een vroegeren toestand, toen slechts 
wut 't verbale voorheohtsel moet geweest s^n; van daar nog bij enkele wo<Mrdmi 
een geli|kstelliI^f van ma, mor en mm§ (sie bl. 100, Jaim,, bl. 96 en f 44 

onder). In 't Alfbersch van de Minaheea vindt men 't voorhechtsel maJko 

=: mar of mër (D.), bar (Mal.), bara (Ngadjnach), mo^ (Tag.), ag (Iloko), «sa 
(Kawi) en a (Jav.); b. v. maJkaiëlu » bormur (Mal.). Vgl. taka in Jma. 
onder f 113. Om 't meervond nit te dmkken heeft het 't voorhechtsel maia, 
dat aan manpia of maika (noord-M.) doet denkeni(bl. 116 ond^r); b. v. ma- 
korumir {eitlen van vele personen). 



137 



5. V'^de klasse der eenvoudig afgeleide werkwoorden of werkwoorden 
met 't voorhechtsel p a. 

A. Van de werkwoorden dezer klasse ^ dU in^niUirf optreden ^ z^jn } 64. 
twee eoorien; Se eervte heeft slochU 't ▼oorhechtsel y66r 't stamwoord; 
de tweede kerhsalt baarbij nog den beginner fan *t stamwoord met 
z^ klinker. 

1. Be eersêe soort wordt van meer dan één voorwerp gebezigd, en . 
heeft als eerste beteekenis 9kh m denzé^Üen toezond heoinden, waarait 
de tweede, die van reciprociteit, verder is voortgevloeid» vooral zoo 't 
stamw. tegelyk ook optt*eipdt in een werkwoord met ^voorfa. nrnng; b. 
V. padjnppay HkaHder mttnoeten (Ittterl^k: de een toowd als de andere 
wordt gewmden), van éfit^fffa (§ 110); paHndi, op elkander Uggende z^ 
(manindi, op iets Uffigren); peittn^ang^op elkander getallen zjfn (fnaning- 
gang, $ 49); painndal, naar elkander met den rug toegekeerd zijn (letter- 
lek: de een zoowel ale de ander is iunddl, $ 4S, a); paet^sdt eUtander 
veno^tmgen doen (manolsol, iemand tferwifHngen doen)-; pagalH, in dkan- 
ders pkuits komen (manggatsi, iemand vervatten, z^n plaats innemen); 
vgl. voorts pedekka, pëtekah (D.), paeitiky patokkar, paeclnk (b. T. eiadfi 
marringo-ringo binaen ni tangan ). Zoo 't stamwoord met een a be- 
gint, moet men 't sU^mwoord herhalen; b. Y.padop-adop (§ 8), terwijl «^ 
in Dairisch sub-Tobasch wel eens een h wordt ingeschoven; b. v. j9a- 
halo^ pëhalo (D., Wdb., bl. 50é)» vao mangcdOn 

a. Zoo 't stamwoord herhaald wordt, dan atelt het werkwoord twee Balgeeten, 
't 2^ twee voorwerpen of twee partyen, tegen elkander over. De voorwerpen 
gelijken dan in 't een of 't ander op elkander, en slechts de plaats, waar z\j zich 
bevinden, wordt er verschillend door voorgesteld; b. v. ptiheba-heba, tegenover 
dkander staan ieder op een versckillende plaats van twee gelyk hooge bergen; 
padao-dao, ieder op een verschillende plaats stek vervnjderd bevinden van twee 
vrienden; pakuta-kuia, ieder respectievelijk zich in zijn huta bevinden ven lie- 
den die elkander in den bloede bestaan; patundal-tundal, mei den rug naar el- 
kander toegekeerd zijnde, staan, loopen van personen, die iets met elkander ge- 
meen hebben b. v. van rasgenooten; padmva-duwa, twee zijn tegenover elktmder 
b. V. van twee bamboestokken, die even hoog gegroeid sijn, paipar-ipar, ieder 
aan de overkant gi^ (van een rivier b. v.). Be herkaiing kan echter ook de ge- 
dnrigheid of 't eenige malen plaats hebben nitdrakken; b. v. padjuppa^éljuppa , 
elkander gedurig of meermalen ontmoeten van twee personen: rahanén ma hami 



128 

dfolo poiifuppa'dfMppa di iapijan on, mmg pe ata iu ruma, in plaats van haar 
van haren vader tot m^n vronw te vragen, zal het beter zijn, dat wij (zij en ik) 
aan deze badplaats eetdge malen met eliander een zameniowut Jkebben; znlit ge- 
tcAied z^fnde, dan naar de huta. 

Jamm. Tot deze werkwoorden behoorcn pakae en pahdu niet, want zg wor- 
den ook van een persoon gebmikt, en beteekenen sleehts een rigting nemen 
{naar '/ beneden-land of de zeekant gaan, en naar *t baven-land of de berg- 
iant gaan). Van paiae moet opgemerkt worden, dat ket ook als snbetaatief 
(zie Wdb.) gebezigd wordt , en van paktdu, dat de h ingesohoven is, daar 't 
stamwoord %ln is ($ 30, Va). De A sohQnt hier gekomen te sign, om het woord 
op paiae, waarmede het zoo dikw^ls gebezigd wordt om het «p «m neer lit te 
dmkken, te doen geleken. Ook de Jt in mh^iuln is wegens mèngkehe op de- 
zelfde wQze ontstaan. Bat pahae ook snbstantief is, moet toegesehreven worden 
aan de ^ ($ 30, VII). In beide woorden geloof ik dat pa niet het in deze $• behan- 
delde voorheohtsel is, maar ontstaan nit een heden by na met de beteekenis van 
naar (als praepozitie) verdwenen voorhechtsel ha iS 73); zoodat men een kahae- 
te onaangenaam vond, en in pahae veranderde. Men denke hierby dat de h in 
't Dairiseh k is, zoodat de verwisseling eigentlgk met gelQkgradige medeklin- 
kers heeft plaats gehad (bl. 46, e, 2^); of moet men hier denken aan een/)* 
nit een vroeger ma (Aant. onder i 72) P 

§ 65, II. De tweede soort is meestal afgeleid van een stamwoord, dat een 
in zekere houding zijn voorstelt, en den klemtoon op de laatste letter- 
greep heeft. Ook deze werkwoorden worden van meer dan éen subject 
gebezigd, en beteekenen 't vertoonen van dezelfde houding, terw^l 
de klemtoon van 't stamwoord op de voorlaatste lettergreep komt; 
b. V. patutukkalt st^ opgerigt staan ^ van de borsten eener vrouw {tuk- 
kdl van den penis); jpa/«^«/«r van tidur (zie Wdh,)\pUdjidj%kkang, op^ 
gerigt staan van rijsthalmen, die zich weder opgerigt hebben na door 
den wind ter nedergeslagen te zijn (djikkdng); patitühang van tïlkdng; 
padjodjorgok, padjodjongok en padjqjogoky gebuikt of bol zich voordoen, 
als volle kalebassen (djorgóky plomp, bol er uitziende van één). 

a. Van parorondo moet 't stamwoord vroeger rondo geweest z^n, dat laag op 
den grond beteekend moet hebben, daar het 't zelfde woord is als 't Mal. randah 
{laag, vgl. robo = rabah), zoo als blijkt nit si-rumondo (a., die laag Ugt) = na 
mate, en rodóp (bl. 56, II, 1^ bl. 68, II). Heden heeft 't stamwoord de klem- 
toon op de eerste lettergreep (zie noot op bl. 21). 

b. Fadodót ({ 20, I) is sleehts als bjjwoord in gebniik. 't Stamwoord moet 



129 

wel dot t^n, maar ik darf niet met zekerheid zeggen, dat dit oit dokpi (waar- 
naast in zoid-M. wel eens dot gebezigd wordt) ia zamengetrokken. 

B. Van de iranêiHrf pdeiigde werkwoorden dezer klasse ^n er drie § i 
soorten. De eerete heeft 't aanhechtsel kon slechts in 't actief in een 
byzonder geval , de tweede 't aanhechtsel » , en de derde 't aanhechtsel hon. 

I. Be eerste soort zoude men veroorzakende werkwoorden kannen 
noemen, daar zij in 't algemeen beteekenen: veroorzaken dat iets in een 
toestand t plaats, kouding, enz, komt, 

V*, Van een substantief afgeleid, beteekent dit werkwoord: iets tot 
't voorwerp door dat substantief voorgesteld maken; b. v. pahahigatikon), * 
iemand tot een i^ger maken (iemand als een ^zervreter voorstellen); pa- 
datu(kon), iemand tot daiu maken (hem als een wichelaar by een aange- 
legenheid bezigen); papande(kon), iemand tot een werkman maken (hem 
als werkman yoor zich laten werken); pabodat(hon), iemand voor een 
hodat-^Mp uitmaken. Zoo echter 't substantief een plaats voorstelt, wier 
ruimte ter bewaring van iets of bewoning van personen bestemd is, dan 
beteekent 't werkwoord: iets of iemand t» ztdk een ruimte plaats doen ne- 
men; b. y.pabara{kon), een buffel of bu£fels(§ 97) t» de stal draven; pa- 
sunut(kon), een kip in de kooi doen; pasarung{Aon)y een wapen m de sche- 
de doen (wel te onderscheiden van manarungi, zie { 60, 1^). Soms vindt 
men v<^r zulk een substantief nog een praepozitie; b. y.padiruma(hon)t 
de tondi m huis (di ruma) brengen. Ik vermoed, dat hier de praepozitie 
'gebezigd is om het te onderscbeiden van paruma(hon) 'n meisje in huis 
brengen, waarvan parumaen (§ 29, III) 't passief- verbale substantief is. 

2". Afgeleid van een intransitief werkwoord beteekent het: iets of 
iemand in een toestand door zulk een werkwoord voorgesteld verplaat- 
sen, waarby 't voorhechtsel ma altijd wegvalt, en 't inhechtsel um in 
verreweg de meeste gevallen; b. v. paulak(hon), iets terug brengen of ge- 
ven {mulaky, paidjur{hon), naar beneden brengen, met iets naar beneden 
gaan (midjur); pMO?tot{hon), iets doen ophouden, met iets uitscheiden (mat- < 
sohot, bl. 97, 3^; pasadi(hon) van matsadi; paluwa(hon), iets of iemand 
loslaten, iemand op vrije voeten stellen (maluwa); pamuli(hon), iets doen 
teruggaan (muli) heeft denkelijk de m van 't inhechtsel ({ 61) behou- 
den, om het te onderscheiden van paüli(hon). Zoo 't intransitive werk- 



* 't Aanhechtsel plaats ik tnsschen twee haakjes, om te doen uitkomen , dat 
het in 't passief niet gebezigd wordt. 



180 

woord een hoedanigheid voorstelt» dan beteekent 't ai^deidA; iets t»j» 
die hoedoMighiid worsimi b. v. ptmiHAak), ieta fi^mn makm^ ver- 
frac^en^ in ofder brengen {uliy { 42). Zoo 't intransitive werkwoord 
een hondiop:, een eigens s^ii of een beweging voorstelt, dan beteekent 
't afgeleide niet alleen: iets maar ook zich in znlk een houding ^ to&iéamel 
of beweging plaateen; b. v. padonokdkon)^ iets naiij brengen^ zich naè\f 
plaateen, naderen (donók, nab^ ayn); padao(kon), i^ of'sich venoyderen 
(daó^ verwijderd zyn). Diergel\ike werkwoorden worden vaak in 't pas- 
sief gebezigd in tegenstelling van den v(»rm met 't inhechtsel um, om 
bepaaldelijk een willekeurige daad voor te stellen; b. y, pa9urut(kon), 
zich met bewustzin ackterwaarts bewegen ^ tegenover emnumt ($ 6i&); pa- 
djebe(kon\ zich met bewuetg^fn ejfwaartê bewegen tegenover djtmebe (} 62). 
't Object (of sabject van 't passief) ia hier eigentiyk ibana (§ 140), maar 
wordt eelden (een voorbeeld, Ib. bl. 62, r. 16) er bij genoenid. Zoo be- 
teekent di^torwmg zoowel door hem wordt iets mi een rei geplaaiet als 
door hem wordt h^ zelf in een reigeplaatH, dat ook het bevindt zich op een 
rei kan beteekenen (zie b. v. Ib. bl. 13, r. 4 v. o., vgL ook Wdb. onder riaria). 
Zulk e^n passief moeten. w\i door een intransitief werkw. wedergeven; 
b. V. di-paeolhot ma htmdui tu (Ih, bl. U7 r. 15), hif naderde (weging zUten 
bÜ (letterlijk: door hem werd hig zelf nabjjf gebragi, hy zat naar ($ 86); 
nung tar^r aekparaaUnan, ^paimwai «mi tn torn, toen de gedaawteverwi»* 
eeling-rivier overgestoken was, klom h^qf^yan de oevers) natn" beneden; di- 
paondjap, h^ vleit zich neder (van een buffel), h\i bukt zich om zich door 
een kleinen jongen b. v. te laten bestijgen; «e i)okpateleng{hon) in 't Wdb. 

a, 't Werkw. panaei(hon) vertoont in *t passief ook panaei even als manaek 
(als transitief, bl. 94); het beteekent iets naar boven brengen; b. y. Au-panaei 
ma Aarambirta i, taai ik onze coeosnooten naar boven (aan boord) brengen. 

b. Naast paingot{hon) heeft men ook pasingot{hon)i paula{hon) vertoont 
in 't passief pauld (§ ^,'Aanm. 1). In plaats van dit laatste werkw. heeft D. 
pëkulah(kên), dat in 't passief pëhdak vertoont. 

e. Naast paima(Aon) vindt men in 't actief ook tnaima vooral in den her- 
haalden vorm (maima-ima); B. heeft mema (j 69). 't Schijnbare stamwoord (ima) 
is mij nooit voorgekomen. 

§ 67. 3^. Verder heeft dit werkwoord den zin van: iets laten worden 
wat 't werkwoord waarvan het afgeleid is, voorstelt; b. r, pologo(hon), 
droog laten worden 't weder, d. i, wachten tot het droog is (logd); pa- 
lamun(hon), iets rijp laten worden, wachten iet iets r^p iê (malamun); pa- 



131 

jimUui^f(Jk<m)i iets vdweesm laten toardm , waekieB éoi ieie wdwaêteit is (ma- 
godattff); pttmoêaJbfkM), ietg éroog laten toorien^ waekien iot iets droog i$ 
(het op een akker gevelde hout om het te verbranden). 

De boven vermeldde werkwoorden deaer soort hebben in -t actief § 68. 
hm WO de aadruk op 't sabjeet is. Zoo t^ vaneen tdwaord trfgeldd 
zjn, hebben z^ dUijid een passiven vorm en dus ook nooit 't aanhechtsel. 
Men plaatst tevens aehter H telwoord 't subst. of sobstantieve voor- 
naamwoord» dat het getelde voorwerp voorstelt, en dan beteekent 't 
werkwoord, dat dit voorwerp te zamen met een te voren genoemd of 
te denken voorwerp dat getal uitmaakt; b. v. diriakhÊp nKmmk i tolu 
paopat sabunganna^ door hem werden gevangen drie kippen , vier met den 
haan (zie tólu en cpat in 't Wdb.j; ibana paduwa anggina (duwa), hij 
met zijn jongeren broeder ale den tweede; di-lejon tu ama$ig%dapaduwa4om' 
èu * papUu piso, door hem werd aan Oom gegeven zes spaansehe matten^ 
geven met een wapen (dat één spaansehe mat waard was); patolu o», deze 
(dag) medegerekend drie daget^ masak gadong^ di4éjon paduwa na busuk di y^ 
si-adji urang mandopa, toen de gadong's gaar waren^ werd door Mem aan / 
Adji U, M. ésn gegeven twee met een rotte, d« i. h^ gaf Adji U. M. 
twee gadongs waaronder een rotte. Diergel^ke vormen zijn blikbaar 
als passieve imperativen te verklaren, zoodat b. v. j^a^m beteekent; 
worde door ü drie gemaakt wat volgt, voeg er 't volgende bij om drie 
te maken. Met 't pronominale aanhechtsel na hebben zij adver- 
biale beteekenis, en duiden een dag aan, die geteld wordt na den 
dag, waarop men spreekt; b. v. patohtna, op den derden dag na heden, 
d. i. over-overmorgen; paopatna, den vierden dag, te tellen na dezen. 
Ter verklaring hiervan zal men tot 't actief- verbale substantief zyn toe* 
vlugt moeten nemen (?gl. } 126). 

M. w^kt niet af; b. ▼. papituna haroró ni bajo na dao anggo matana pasam- 
bilanna do, de zevende dag is de tijd, waarop de verre gasten komen, maar */ be- 
gin er van (van 't feest) w de negende; even zoo D. , met uitzondering van kli(ê' 
lün = patoluna. 

Een variatie van deze soort zijn de werkwoorden, die in 't actief § 69. / 
ma naast pa hebben. Meestal z^n ze van een mbstantief, waarvóór 
nog de praepozitie tn, afgeleid, 't Aanhechtsel hebben ze niet in 
't actief, zoo ma 't voorhechtsel is; b. v. matuaek of patuaek(hon) (waar- 

* Zie Wdb. Bijv. 



132 

naast ook pakBhmeMJUm) in zwang is), een kind naar de rimer hfenge»; 
nudmbaha (dat ook intransitief gebezigd wordt), iets voer den numd be- 
êtemmen (letterlijjk: iets naar den mend verplatdeen). Van nudtmana, iets 
besinnen is de letterlqke beteekenis: iets naar H begin terplaaUen (tncma 
nit bona, f SO, Vm en vgl. D. alhier), 't Eenigste mg bekende voor- 
beeld van deze werkwoorden, dat niet van een substantief afgeleid is, 
is painro(kon) of maiuró^ dat de bepaalde beteekenis heeft van: een 
meisje doen komen, d. i. koopen om het een der zynen tot vroaw ie 
geven, terwijl M. paro(kon), dat in 't passief paró vertoont, met een 
andere beteekenis bezigt (een geest doen komen); vgl. bl. 180, c. 

D. bedgt in dit gevsl noch am noeh pa; b. ▼. MHa = maiumoua; tuberos, 
dat intransitief gebezigd wordt, hoeft er ook een meervoud {iubëresi, Ib. Ill.bl. 56). 
Ik vermoed, dat beiden uit T. z^n overgenomen, daar de praepozitie <n in D. au 
is; van daar baba milae = maiuaei. Ook turepar (bl. 78, Aanm^ moet overge- 
nomen z^n, daar D. keper nit {ka + ipar, bL 65, a.) in plaats van ipar bezigt. 

} 70. II. De tweede eoort levert slechts weinige voorbeelden op; b. v. 
padjopi (M.) van djqp; paeidungi *, waarnaast ook maeidnngi (dit slechts 
' in H actief) van eidnnff; pandnngi (a. M.), iemand met igts begiftigen 
van andung* 

D. heeft pèkekei (Ib. bl. 96, r. 3) als meerv. van pëkeke(M)i vgl. mam- 
baU (bl. 103). 

4 71. in. De derde êoori dezer werkwoorden wordt meestal met twee 
/ objecten geconstrueerd, 't' Eerste of onmiddelijke object, dat in 't pas- 

sief subject is, is hier een geheel ander dan bij de eerste soort, 
waarvan 'teerste object hier 't tweede of middelijke is, dat door een 
praepozitie, meestal tu (bl. 106,4^, moet ingeleid worden. Deze werkw. 
beteekenen iets aan iemand geven om er mede te doen, wat H werkwoord, 
waarvan zij afgeleid g^, voordéU; b. v. papakation, iets te eten geven 
aan dieren, terwijl papahan(kon): een dier doen eten, voederen betee- 
kent; paoUoppon, iets aan iemand U zuigen geven, maxr paqtsop{kon), 
iemand doen zuigen; paimtppon, iets aan iemand te drinken geven, maar 
painum{kon), iemand doen drinken, 'n dier drenken: pabikkon, iets aan 
iemand op den echoot te dragen geven {pabing(hon) is mij nooit voorge- 



/■■ 



b. V. ata da-pasidungi ma hoiuhuton i, dan vorde er een einde gemaakt 
aan die aangelegenheid. 



133 

komen), van mangabing; padjutfjukkon, iets aan iemand ep 't hoofd ie 
dragen ffeven {padju^jnngihfm) is m^' nooit voorgekomen), van mandju» 
djung; pasalihon, iets aan iemand te leen geven, maAr pasali(kon)y ie- 
mand laten leenen (gerijven met hem geld te leenen), van marsaU 
(bl. 100, Janm.); pa9u6uUon (Ib. bL 188, r. 5), iets aan iemand ter ver- 
Haring cpgeven {hem raadplegen om mteluUeel omirent iets te geven); pa- 
ruhon ({ 8), een grond aan buffels te heérappelen geven ^ in tegenstelling 
van mangaruhon (buffels bezigen om een grond te betrappelen), en ma- 
ngaru (een grond betrappelen van buffels), van aru. Van paruhon en ma- 
ngaru beiden is het object de grond, maar 't subject verschillend, daar 
het in 'teerste werkw. de persoon is, die den grond door trappelen be- 
werkt hebben wil, maar in 't tweede de buffels, die de bewerking uit- 
voeren, terwijl bij mangaruhon de buffels 't eerste of onmiddelijke object 
zijn, en de grond 'tmiddelijke of tweede, dat met tu moet worden in- 
geleid. Ook deze soort kan 't subject zelf tot object hebben; zoo b. v. 
in 't passief dupabikhon anakna i ièana, door zyn zoon werd h^ zelf om 
op de schoot te dragen gegeven aan enz. (zijn zoon gaf zich zelf b.v. aan 
z^n vader op den schoot te dragen , hij zette zich op den schoot z^'ns 
vaders), 't Werkw., waarvan deze soort is afgeleid, treedt meestal tran- 
sitief op, maar welken vorm het hebben moet, hangt af van 't gebruik; 
zoo is b. V. pargahon (iets aan iemand te koop bieden), onmiddelijk 
van mangargai {op iets een bod doen) afgeleid, en niet, zoo als men uit 
paruhon van mangaru zoude verwachten, van tnangarga, dat niet voor- 
komt. Van umbege heeft men patubegehon (iets te hooren geven aan 

iemand), waarin tu de praepozitie is. De reden; dat hier iu er b^ ge- 
bezigd wordt, zal wel zijn, om Hopzettel^ke uit te doen komen, daar 
toch umbegé 't onwillekeurige hooren voorstelt. 

a. Van paêuduhon (iets aanmjzeu, ioonen) ligt de afleiding niet voor de 
hand. M. \ieA^patidahon, dat van ida komt, en letterl.: iets ie tien geven aan 
beteekent. De i moet hier als ingeschoven beschouwd worden, en is moeijelijk te 
verklaren nit een vroeger i%, zoo als in paiubegehon, want ook D. schuift een 
medeklinker in (hl. 184, D.). De beteekenis van manudu b heden niet naar iets 
zien, hoewel het dit wel beteekend kan hebben; heden beteekent het naar iets 
ioegewend gtfn, en komt vaak in 't passief voor {Onndu ni, faced bg). De oor- 
spronkeiyke beteekenis van patuduhon sch^nt dos te zQn: iets aan iemand gapen 
on er zich naar toe te wenden. D. bezigt mënuduhiën , dat in *t passief luduhkhi 
vertooDt. 

4 



/ 



/ 

— / - 

/ 



184 

b. Bq fmmaekta» moei men aan 't yoorhediteel pa niet denken, want het 
heeft de p gekregen door 't passief, en is onniddemk afgeleid vaa nuuêaêk (U. 94). 
't ikcÜef er van is m|j nooit Yoorgekomen , maar sonde wuuêoêkkm moeten s||n. 
Dit hmkt nit de eonstr actie; b. ?. di^pamaekton tu porlang dmkiaknai, doorhem 
tperd gijn kind naar de porUng kUmmende gebragi Qi^ klom met i^n kind op 
de toBSchen de takken groeyende porlang); het onmiddelQke objeet, dat in 't pas- 
sief snbjeot is, is hier 't kind, en niet de porlang. 

M. heeft painakon, dat onmiddel^jk van een substantief {ina) is afgeleid, met 
de beteekenis van paeusuhon ('n kind aan een vrouw ie Moogen ge9en), 

B. heeft pétjidahkën (bl. 34, IV, c), dat 't aanhechtael ook in 't passief 
kan verliezen, in plaats ^rva patuduhon. 

§ 72. fan een telwoord afgeleid drukt deze soort van werkwoorden een 
rangschikkend getal uit, dat zoowel attributief (als adjectief) als ad- 
verbiaal gebezigd wordt; b. v. padwoahon, ten tweede. Na 't telwoord 
kan nog een substantief, 't getelde voorwerp voorstellende, voorkomen; 
b. V. paêappidu sada-borngUton ro ma kUa, op den elfden nacht moget 
gij komen (ik verzoek U te komen); bodari ni na papitu'èomgitton, op den 
avond van den zevenden nacht; i ma si^Jalahammu aUtap mppvlu bomgin 
on; paaappulu sadahon ro ma hami tu hutdm^ dat is wU ge hjj elkander te 
zoeken hebt gedurende deze tien dagen; op den elfden ztdlen wij in uwe 
huta komen. 

D. heeft plêmpaikèn = paopaiiom {hnpat); overi|;ens in T. ; b. v. ku-takil nola 
mo pèdmwa-ngawankên ena katengku (Ib. bl. 247, r. 10 v. o.)> kom zeide ik bij 
mij zdven laat ik deze tweede geleding (van de bamboe) kappen. 

AoMl. De oudere vorm van 't voorh. paizma, dat we nog in 't actief naast 
pa zien optreden ($ 69 en 70; vgl. motu =ipaiu, 5 86); de p moet ontstaan z^n 
niet alleen door 't passief, dat zoo veel vaker dan 't actief optreedt, maar ook 
door de passieve beteekenis, die een intransitief werkw. kan hebben. In 't Mal. 
ziet men iets diergel^ks plaats hebben; b. v. püu {medegesleept worden door 
gjjn aandoeningen) nit een vroeger milu (nog in 't Jav. met de beteekenis van 
mêdegaan); puUh {hersteld gijn in aqn vorigen welstand, weder tot staan ge- 
^agt worden, van vlngtende kr^gers b. v.) nit mmlih (Jav. terugkêerm), moUh 
<B., temgkeeren, maar ook termggebragt zijn, f 62, 2^); pulang {naar hmt 
gaan, enz.) nit een vroeger mulang, bakens barulang en mangukmgi (vaa ukmg); 
en piUag (naast pula) met de adverbiale beteekenis van wêder, wederom; vgl. 

mulak ($ 164). 't Tsg. heeft pasok, dat met 't inhechtsel um masok is, 

terwijl 't Bat. en Mal. matuk heeft, en 't Sand, asup ($ 30, Vil e). 



185 

6. Zeêde klasêe der eenvoudig afgddde werkwoorden of werkwoorden 
met 't ▼oorhechtsel h a. 

Deze werkwoorden zijn bijna uitgestonren. 't Yoorhechtsel Aa is ^ 73. 
oorspronkelijk een praepozitie, die nog in 't Malagasy toé aan beteekeut, 
en in 't Mal. (ka, § 10, a) naar, Z^ worden onmiddel^k afgeleid van 
een substantief; b. v. haduru, naar den kant yan een akker ^oa» om yr 
een natuarlijke behoefte te doen; hadarat (M.), naar den wal gaan, 
b. V. uit het bad. De beteekenis van gaan ligt in de praepozitie opgeslo- 
ten ($ 36), en dat 't voorhechtsel wel degeliyk als zoodanig moet ver- 
klaard worden, blijkt uit D., dat deze werkwoorden niet kent, en in 
plaats van een voorhechtsel een praepozitie bezigt; van daar mi duru 
(§ 159, 2^. De reden, dat deze werkwoorden bQna uitgestorven zijn, 
zal wel liggen aan 't gebruik van ha ter vorming van snbstantiven, en 
een bijzondere soort van 't passief (§ 108). 

a. Of hiertoe ook te brengea is habuwat ? ]iet beteekent vertrekken van een 
voorvecliter, ooiXo^-solu, Hiervan z^n afgeleid pakakuwaf{Aon), een voorvech- 
ter of oorlogt'SQlu ttfeenden, en haAuwaUm{M.), vertrekmatd. Zonde het ook een 
passief zijn, en dns neemèaar (genomen kunnen worden) heteekenen? Wat karu- ' 
war betreft, waarvan ook makkaruwarkon, het is denkelQk uit 't Mal. {kalutoar, 
b1. 52, Amni. 1) overgenomen. ' 

II. Tweede hoofdklasse der afgeleide werkwoorden of zamengesteld 
afgeleide werkwoorden, 

1. Eerste klasse der zamengesteld afgeleide werkwoorden of werkwoorden ^" 

met de voorhechtsels ma-h i. 

Van deze werkwoorden komen niet vele voorbeelden voor. Zoo 't t 74, 
stamw. met een h begint, valt deze weg (J 10, ó); b. v. mahyandu * 
van handn^ mahisoramg van sorang. De oorspronkelgke beteekenis, die 
de twee voorhechtsels aanbrengen , is misschien trachten iets te z^, 
't Blijkt namentlijk, dat zij verdrongen zign geworden door de werk- 
woorden met ma-si y too als bewezen wordt door M. en D. (zie hieronder). 
De beteekenis dezer werkw. wijkt slechts een weinig' af van die met 
de voorheditsels ma^si. Zij is echter nog te zien in mah^andu, dat van 
een handu , dat huisgenoot moet beteekend hebben , afgeleid is. B^ ma- 



Abusivelijk in 't Wdb. onder hijandu geplaatst. 

4* 



/ 



136 

huorang laat de huidige beteekenis salk een verklaring niet toe, daar 
toch sorang heden geen substantief is; even 200 is het met mahisoUU 
(vgl. M. hieronder) gesteld, waarvan 't stamwoord 't zelfde moet betee- 
kend hebben als êoloi *; zoodat het afgeleide werkw. zich bij iemand 

versteken oorspronkl^k beteekent. Zoo men deze werkw. transitief 

wil doen optreden, dan construeert men ze alleen in 't actief met de 
praepozitie di, terwijl in 't passief 't aanhechtsel i optreedt (zie Wdb. 
onder êólatt en vgl. § 81). 

a. Van mahijoppo (of makijeppe) is 't stamw. niet te vinden, maar nit khn- 
pdn (B.), dat van een^iimpo moet komen, is te vennoeden, dat het Jkoppo ge- 
weest is, zoodat het oorspronkelgk naar boven gtum beteekend heeft; yan daar 
dat M. wuMoek (iUwuneu, gaan naar een hnis, dat op palen staat) in dezelfde 
beteekenis bezigt. 

M. heeft i in pUats van M (bl. 37, r. 2), en bezigt de werkwoorden met 
M«-t niet alleen in deze beteekenis, maar ook in die, welke de werkw. met ma^H 
hebben ($ 75); b. v. maiioiaf = makUoiat; wudkotang = wtanhakmg^ nudpahu 
= matipaJku, enz. Het heeft ook wudsuru (zie Wdb. onder iuru), maar dit werk- 
woord heeft een beteekenis, die het hiertoe belet te brengen. 

D. heeft slechts I» (bl. 41, III, a.), en heeft dit werkw. een veel raimer 
beteekenis gegeven. Het beteekent: 

l'. 't zelfde als de werkw. met ntaM en masi in T.; b. v. kutfranff = maM- 
torang; Hküang = nuuihotang, kiharang {kolen halen voor een smidse, Ih. 
241 r. 4) waarvoor T. mangarang en niet masiarang bezigt; kindÜo (ki -\- HdUo, 
bl. 36, II), == masiandüo, enz. 

2^. gereed maken wat 't stamwoord beteekent; b. v. kiroroh, toespijs gereed 
maken, waarvan ook 't meerv. kirorohi (Ib. bl. 57, r. 16) voorkomt. Deze be- 
teekenis moet nit de oorspronkelijke eerst later ontstaan zijn, zoodat kiroroh: om. 
toespijs gaan moet beteekend hebben. 

3*. wordt het transitief gebezigd; vgl. kHapah (Ib. bl 97 r. 8 v. o., terwijl 
bl'. 95 r. 13 V. o. mêngHapah gebezigd wordt); kipangan ïa niet alleen = matii- 
panganon, maar treedt ook transitief op (vgl. Ib. bl. lY, bl. 84 boven). — In 
pi. V. mahijandu gebmikt het slechts kandn, en in pi. v. mahijoppo: mHama^ 
waarvan de afleiding mQ duister is. 

Jani, 't Tag. heeft als zamengesteld voorh. makt (j 10, a); deze werkw. 
beteekenen: 



^ Vgl. Mal. siÜat en tarsdlai. 



137 

1°. Van een intranflitief afgeleid mede dat doen, wat 't 9Umv. voorstelt; b. ▼. 
mukitangis, mede »eenen, makiUnod, mede ziek verheugen, 

2t\ vfti) ee« saUtantief afgeleid een ioeitdg of een gedeeUe van *tgeen 't êub- 
eiai^ef vooreidt verggeken; maüapi^', een vpnig vuur ver zoeken ; mahimama, 
een aandeel in da efrfeni» vragen. Van daar, dat iian onmiddelQk stamw. dikwijl» 
een gedeelte Yooiatelti. b, v. moHkdtima \t vijfde gedeelte van een erfenis ver»- 
zoeten. Zoo a^f na den beginner ?an 't stamw. nog een nensklank aan- 
nemen, beteekenen x\j .sleehts iets verzoeken; b. v. makimaUtè, naar nieuwe 
vragen, van belitè (= barita), 

2. Tweede klasse der zamengesteld afgeleide werkwoorden of 
werkwoorden met de voorhechtselé ma^si. 



^ 



/ 



Van deze li:la9se ziJD drie soorten. 

I. De eersie heeft tot stamwoord een substantief, en beteekent 't § 76* 
voorwerp, door dot suèatanUrf voorgesteld^ trachte» te krügen^ het halen«5 
koopen euz.; b. y^ masikoiang , rotan halen b. v. in een boaoh; masUifn» 
haho , ü^k gaan koopen; masikoda, paarden halen, naar een ImA paarden . 
gaan koopen; mmMéon, hhden, iot vleeklwerk geèruikl, gaan plukken, ^ 
Qet sttbst. kan bij dit werkw. ook op d'een of d'andere wyze bepaald 
zijn; b. v. masiasarhu, voor m^ (§ 151) een nest gaan halen^ halen 't geen 
waaruit mijn nest te maken is, masilüi ni bagof, sagueer-poJMlad-rHben 
gaan halen- Zelfs .twee subatasutivetü kunnen met een oonjunctie ver- 
bonden aohter de voorhechtsels plaats nemen; b. ?, maskidpi dohot ho- 
tang, sulpi en rotan kalen, 

M. zie onder $ 74. 
-D. zie onder § 74. 

. II. Be tweede soort wordt a%eleid van den nominalen vorm van $ 76. 
een transitief werkw., terwijl tevens 't object er achter komt met 'taan- 
hechtael na (} 151, 3*^). Deze werkwoorden worden van meer dan één 
subject gebezigd» en beteekenen, dat ieder hunner respecüveügk iets 
met 't achter aan genoemde voorwerp doet; b. v. mamimmai èodUna, 
ieder hunner neemt ejjn geweer (mamèuwai); waeipapvwas sowara ni èo- 
diina, ieder hunner doet z^n geweerschot kUnken {paputoas[hon']); moei- 
paéadjom raUna, ieder hunner scherpt zjjn hakmes {pata^om\hbn']); 
masibowa» uhuwna^ ieder neemt z^n gewoonte Tnede, ieder heeft zi^n eigen 

gewoonte {marèowan, bl. 100, Janm.), In 't Daihsch sub-T. kat 

men 't voorhechtsel ma ook weg; b. v. sièaheni bodilna nasida saluhutna. 



/ 



/ 



138 

ieder van hen allen laadde zijn geweer. Zoo 't object onmiddelijk 

na 't werkwoord verzwegen wordt, bezigt men na dibcma (§ 8), wU 
hem toehoort of dibana, voor eieh; in welk geval itien tetreas 't hnlp- 
woord be (} 69) bezigt; b. v. sihaUinff na dibana he ma natida^ ieder 
hunner tilde hei ss^ (zijn aandeel) 'op. Noemt men het voorwerp 
nog naderhand, dan moet het met de praepozitié di ingeleid wor- 
den; b. V. eihatUng dibana be ma noêiêa di het/u êibaenon paUangem t, 
ieder hunner Hlde gijn aandeel op, *t houêy waaruU de oorlog'-wpo 
moest gemaakt worden. Naast masUondong dibana heeft men ook wa* 
eUondong tondongonna, ieder gaat naar H zijne ^ ieder bezoekt wat hy 
te bezoeken he^, ieder gaat zijn weg. Moet men 't passief gebrniken , 
dan bezigt men 
§ 76*. 't Htdpwoord be, dat achter 't passief geplaatst wordt; b. v. di-pa- 
tadjom naeida be ma pieonasida^ door ieder hunner werd zjjn zijdegeweer 
gescherpt, 't Zelfde woordje bezigt men bij een intranatief werkw.; 
b. V. modom be ma naeida ^ ieder hunner sliep; las sowada talu be dapé 
nasida^ nog niet was een hnnner overwonnen, ieder hunner hield zieh 
nog staande. Ook getallen maakt het distributief; b. v. nunga ganup 
nasida soda be landjdn e', reeds had ieder hunner één lané^dn; zoo ook 
nunga ganup sarabanan be nasida ^ ieder hunner had één rabanan, 

M. besigt mar in plaats van ma (vgl. B. hifltonder); b. ▼. marneffama na iupa 
di tanganna, ieder hunner houdt zieh bezig met 'tffeen voor zijn hand geschikt 
is, ieder doet 'tgeen hg gewoon of 't geschiktst is te doen; marsUonUomi losungna, 
ieder hunner maakte zijn losung zwart (ieder hondt zich bezig met 't maken 
van buskruid). 

D. bezigt miir (vgl. M. hierboven, en § 77); b. v. miênibuwat èëdilua; 
mêrsidmrukH ^intjinna, ieder hunner schoof zijn ring (naar den scheidsregter); 
ménUèpêt bêkasna of sitgpH bëkasna <zie de vorige bl. r. 2 v. o.), ieder gmg naat 
zvfn plaats. Zoö 't objeet niet genoemd wordt, heeft men hier 't falilpw. alak, dttt 
aandeel schQnt te beteekenen; b. v. mërêidfalo alahna mo sint9rim, ieder der 
menigte ontving zijn aandeel in 't genoemde vleesoh (Ib. bl. 178, midden); 
m^érsisHuk aiahna, ieder hunner trok *t ztfne aan, nameDtlf)k ieder hnnner 
trok het voor hem bestemde bnisje aan (Ib. bl. 10 midden). Dit alah wordt 
ook gtbezigd in plaats vaa een substantief, dat in T. en M. mmde mosten her- 
haald worden; b. v. maht mobah rosa panganën idi dëHt alah panganén si- 
deéan, de smaak van die spijze is niet verschillend van die v€in andere spijzen; 
in wellc voorbeeld door (Oah de herhaling van rasa vermeden is. 



189 

III. De derde ëowi heeft nog 't aanhechtsel o», dat we reeds boven j 77. 
({ 67) hebben aangetroffen als een meerv. van subjecten aanduidende. 
Ook deze werkwoorden worden van den nominalen vorm afgeleid» en 
drukken reciproeUeit uit; b. v. maeièodüaH, op elkander ècMeten, elkan- 
der met schietgeweer beoorlogen (mamodü, op iemand schieten). Z|j 
kunnen ook een object hebben, dat dan 't voorwerp voorstelt, dat aan 
ieder der subjecten behoort; b. v. maeilmwaian boru, elkanders dochter 
nefiten^ onder elkander trouwen van twee famllie's; numpanganan napu- 
rany dkander^s betel. eten; maeiöalöalan ulu, elkander*ê hoofd sUum^ el- 
kander op 't hoofd slaan; masiêalüan hepeng^ elkander^ s duiten leenen; 
maeiundjunan hadatuon^ elhander^s kunde als datu op de prorf stellen, 
mdsipaiddn (§ 8), elkander zien, moet van ^^n paida(hon) komen, maar 
dit is mij, niet anders dan in den herhaalden vorm paida-ida^hon) voor- 
gekomen. Uit de beteekenis ziet men, dat zij van transitief gebezigde 
woorden worden afgeleid; wil men reciprociteit b|j intrans. werkwoor- 
den uitdrukken, dan bezigt men sama nasida of sama ibana^ welke 
uitdrukkingen ook te gelijk met dezen vorm van werkwoorden gebezigd 
kunnen worden; h.v, i ma na é^umadihon musutta marhada masUappuUui 
\ ihna ({ 59). 



M. bezigt mar in plaats van ma (vgl. B. hier onder, en onder i 76); b. v. 
marsibodUan. 

D. bezigt mër (vgl. M. hier, en onder $ 76); b. v. minièëdiUn; mërsi 
dèngiohin êora, naar elkanders stem hooren {mêndêngiohx). 

3. Derde klasse der zamengesteld afgeleide foerkwoorden of werkw. 
met de voorhechtsels mang en si. 

Van dese kkase komen zeer weinige voorbeelden voor» zoodat het { 78. 
moeijel^k te bepalen is, of si hier niet 't substantief vormende voor* 
hechtsel is (§ 152, 2°), zoodat men deze werkwoorden zoude moeten 
afleiden van een door si gevormd substantief; b. v. manihortang van z^""*^ 
hortdng^ maar misschien van een vroeger gebezigd si-hortang met de 
beteekenis van iemand, die zich uitgestrekt heeft; manis^o van syó; 
nuUsisudu, waarnaast matsusudu (bl. 44, b.), zich warmen bij een vunr» 
van sudu, dat mijj niet voorgekomen is, maar dat echter een bqvorm 
van êulu (toorts of ^uk brandhout) moet nin <{ "^O» II), aoodat er een 
sudu, verwarmd door eea suiu (§ 40), moet bestaan hebben; nuMsuari, 
waarnaast matsusuwari (bl. 44, b.), zich warmen in de zon, van suari. 



/ 



/ 



140 

als verbastering van tu ari {naar de zon y d. i. om in de stralen zich te 
bakeren, bl. 76, VII, a). 

a. Van man^jamun (van waar ook uan^j€muit(m, zie Wdb. onder hamun) 
in plaats van mamjtmu» (bl. 48, 2*^ is 't onmiddel^jke stamw. tijamun, zoodat 
het onder $ 47 behoort. 

M. bezigt manuiuwari = wtaUuuicari, en martidudu = maUidudu. 

4. Vierde klasse der zamengesteld afgdeide werkwoorden of werkw. 

met het voorhechtsel hu^ waarvoor nog een ander voorhechtsel 

(ma, mang of mar), 

} 79. I. De eerste soort, waarvan weinige werkwoorden kunnen bijgebragt 
worden, worden van een substantief a%eleid, en beteekenen intransi- 
tief steeds optredende een zich bezig houden met 't bereiden van 't 
geen dat substantief voorstelt; b. v. mahusaem van saem en mahusalH 

van saiü, dat als subst. meestal herhaald wordt. Yan mahur^ang, 

waarvan H stamw. m^' nooit voorgekomen is, en van mahvlae^ waarnaast 
ook maidaey weet ik niet, hoe z^' hunne beteekenis gekregen hebben. 

a. Naast 't transitief gebezigde maktuó, dat in 't passief j^aü»»^ vertoont, 
vindt men mauêoAon en mahttokon, terwQl als meerv. makMSoi gebraikt wordt 
(vgl. D. hieronder). 

M. heeft mang in plaats van ma met wegvalling van de k van 't tweede 
Toorh.; b. V. maaffusofom van sajom (i 17, VI a). Uit pamffust^ang (actief-ver- 
baal snbst.) mag men een manguse^ang, dat medelijden hebhen beteekent, veron- 
derstellen. Voorts heeft men hier nog manguUgi, 

D. heeft pëngësefang = pangust^ang (M., bl. 38, XV), en bezigt mëngknso, 
dat in 't passief kuio vertoont, = mahusó; het heeft m:ênghuiO»i tot meerv.; 
b. V. k^hrina i'kusowi dënganna hUa idi, allen werden door hem ondervraagd 
e0n donpêgenooten, 

^ 80. II. De tweede soort heeft nog 't voorhechtsel war. Ook van deze 
werkwoorden is 't getal niet bijster groot; voorbeelden zijn marhubajOy 

marhuwale *, markusari, markutali, en nog een paar anderen. 

Transitief gebezigd vindt men marhusajangy dat in 't passief /?arAM- 
sajang vertoont, en zich over iemand ontfermen beteekent. 



/ 



* Een minnehandel hebben; 't substantief huwaie (ook ti-hnwale, zie ^ 152, 
2°.), zal wel uit 't werkw. ontstaan zijn door den invloed van 't voorhechtsel 
mar (^ 52), dat aan een ieis heiben doet denken. 



141 

M. heeft 't transitiel gebezigde mariuiffa^finff, dat in 't ^taaiet parkudjadfinff 
vertoont, en van adfinffy ik weet niet hoe, afgeleid schQnt te z^n. — Verder 
marluiombam kutombom, dat beschouwd kan worden afgeleid te zijn van een 
substantief Autombom (in plaats van Aaiombom, f 135, I); markuwale beteekent 
er eensgezind met elkander leven van een getrouwd paar. In plaats van markutaU 
bezigt het manffuntali (vgl. $ 81). 

D. Alhier is mij deze vorm nooit voorgekomen. 

JanL Sommige dezer werkwoorden zoude men kunnen besehouwen als od- 
middelijk afgeleid te zQn van een passief met 't pronominale voorhechtsel Au 
(f 103); maAusaem b. v. ken van Au-êoem {door mij zal een saem op den zieko , 
geapplieeerd worden), als passief van manaem, *n saem op iets aanwenden ($ 49, 
1, 1^ onmiddeUjk afgeleid worden. BQ die 't voorhechtsel mar hebben is zulk een 
passief als onmiddeUjk stamw. niet onwaarschijnlijk ($ 52, I, 6*); zoo b. v. kan 
marAuale uit hu-ale {door mij zal hg tot vriend gemaaki worden) ontstaan Zflu. 
Bit ale is eigentlflk = aio (§ 29, III, $ 164). Ben werkw. mangaU (iemand 
tot ale maken) is mij nooit voorgekomen, maar kan wel nfcar de analogie van . 
makkela (iemand tot zijn tcAoonzoon maken) bestaan hebben. Zulk een passieve 
vorm kan namentQk b^j het iets voornemen gebezigd worden , en moeten wij door 
een futurum wedergeven. 

5. Vijfde klasse der zamengesteld afgeleide werkwoorden of werkw. 
met 't zamengestelde voorhechtsel man gun. 



/' 



De werkwoorden dezer klasse hebben tot stamw. een woord b^in- j gl. 
nende met 9, dj olt, zoodat men mag vermoeden, dat 't zamengestelde 
voorh. eigentlijk mangu en één is met mangi (vgl. § 82, en M. hier). 
Zij treden intransitief op, en verschillen niet in beteekenis van de in- 
transitief gebezigde werkwoorden met 't voorhechtsel mangy die we bo- 
ven (§ 47, S^.) reeds gehad hebbeu. Dit blijkt voldoende ait men^ 
lan (D.) = manguéêüat, dat blijkens manüation van süat ^ komt. An- 
dere voorbeelden van deze werkwoorden zijn mangtUtaktak, mangutsaH' 

dey mangiUsandar , manguUalmak , mangtddppu, Zij kunnen met 

een object slechts door middd van een praepozitie in betrekking ge- 
steld worden , maar in 't passief wordt de praepozitie door 't aanhecht- 
sel i vervangen (vgl. § 74); b. v. sowada takkingan nidjcHmdm hu-pangut- 
sandei, het is niet de takkingan van uwe vrouw ^ waarop door mjj geleund 
wordt (waarop ik leun). 



^ Zie MO, VI, waaruit blijkt, dat iilan = sUat is. 



J 



1^2 

ff. V(K>r 't wegvaUeD vaa de A in 't lameagetteMe voorhechtsel pleit bartan^- 
aiat (Men.) ssz mmtiffuUUat; immers een Jkunsiiat is t= éèmgülat ($ ^ ea iO, «)) 
vgl. M. onder f 79. 

M. heeft moMguntjono = wuingiUona ($ 82), eik fauguntjombopon (( 134), 
dat van een maagun^'ombop (van êombop) afgeleid i8. Over manguntali zie on- 
der f 80. 

D. heeft tunande = numguitande (miaachien in plaats van tumamde, met de 
verwisseling van m in » wegens de dentale t, n en d?), 

0. Zesde klasse der zamengestéld afgeleide werkwoorden of werkwoorden 
/ met 't zamengestelde voorhechtsel mangu 

§ 82. *t Zamengestelde voorhechtsel dezer werkwoordoD heeft denkelijk 
ook een h verloren na den sluitenden neaaklank van mang (vgl. M. 
onder § 79), maar daar dit ni^t vast staat, zoo is het raadzaam deze 
werkwoorden vooreerst tot een b^'zondere klasse te brengen. Zoo 't 
stamwoord met een s, 4f of t begint (vgl. { 81), dan wordt 'tzamenge* 
stelde voorhechtsel met een neusklank gesloten, terwijl bet voor hona 
in plaats van den neusklank een s heeft *; b. v. mangUsokatt mangU- 
tubUy mangiMdjippUy maar mangüsona (§ 14). Deze werkwoorden treden 
intransitief op, en stellen iets voor, dat meer als een handeling dan 
als een toestai^d te beschouwen is; van daar, dat zij vaak in tegenstel- 
ling van hun stamwoord meer van personen of bezielde wezens gebe- 
zigd worden; zoo b. v. mangitaurtd (teruggaan van een geest, die ie- 
mand bezield heeft) in tegenstelling van surut (zie Wdb.). Op dezelfde 
wijze bezigt men mangUtuèu (geboren worde») alleen van een mensche- 
lijk wezen, terw^l ttibu ook van planten {opkomen, groeyen), een gue- 
rilla (mUtaan), enz. gezegd wordt. Dit maugUltdm wordt zelfs transi- 
tief gebezigd (een kind verwekken) alsof het 'tactief was van di4ulmkon. 
Het is echter 't eenigste voorbeeld onder deze werkwoorden , dat ook 
als transitief werkwoord optreedt, en heeft geen ander passief dan dat 
van mamdmhon. Andere voorbeelden van deze werkwoorden zijn man^ 
gUsona (dat naar & 11 mangmsona gespeld wordt), raken van een 
geest, die iemand een kwaal bezorgt, in tegenstelling van hma; wo' 
ngint^ippu, waarvan m|j 't stamwoord nooit voorgekomen is; mangitso' 
hoé, dat naast mafsobot ($ 47, S""), doch minder vaak, in gebruik i»; 



^ Dat hier s eigentlgk 't zelfde is als n blijkt uit roilaha = rintaka (D., 
§ 22, III, a). 



143 

manffièuru (jaloeraek 9jjn)^ WQrdt in 't passief transitief door middel 
van 't aanhechtsel i» en vertoont alsdan pemgibumi *; mangütdu^ waar- 
van 't stamwoord mij nooit voorgekomen is. 

a. Van manginduwan (zie Wdb. onder indmoan) is *t stamwoord dutoa-y 't 
onmiddeiyke stamwoord kan wel een passive vorm induwan z^n, die als substan- 
tief den klemtoon verlegd heeft, en ontstaan is uit een ni-duwdn ($ 26, Aanm, 1), 
als 3de passief van manduwai (dat niet voorkomt, maar: iets va» twee voorzien ^ 
iets èetweeën zoude kunnen beteekenen); 't tweede passief er van is nog in zwang 
{Aaduufdn, zie { 112); fnangitêodai van soda, beteekent man tegen man vech- 
ten (letteriyk een gijn bij iets, een gijn tegenover iemand); 't daarvan afgeleide 
substantief (j>angitsaddn, zie Wdb.) heeft een eenigzins verschillende beteekenis 

gekregen. Mangiduwa moet door i 22, 111, a, een n achter 't voorhecht- 

sel verloren hebben. 

Aanm. Dat een k weggevallen is van 't voorhechtsel mang, wordt waarschijniyk, 
zoo men mangibum, vergelekt met 't Mak. kimèuru en 't Men. tjimburu (§ 30 XI). 

M. heeft mangintqpaè van topak (== mangittubu van tubu)i en mangintjono 
naast manguntjono (vgl. onder § 81). Over de n vóór de tj in dit woord zie 
§ 33 in de Aant. op bl. 81, terw^I de o in plaats van a door Men. invloed gekomen 
is; immers aan woorden, die op de godsdienst betrekking hebben, geeft de Batak 
gaarne een Men. voorkomen (vgl. Bat. Ib. IV b. v. onder baso, barungge). 

D. heeft mênghitubuh naast mhtgintubuh; mëngëntjuwah , dat m\) alleen met 
de beteekenis van naar beneden scAieten van de wortels van een plant voorgeko- 
men is; en mëngiöuwaA, dat = mangabuwal ($ 47 Janm,) is, en ook vergroo- 
tende srijn (van beweringen) beteekent.' 

7. Zevende klasse der zamengesteld afgeleide werhootyrden of werkwoorden 
met de voorhechtsels mar -si (ook mar-ta). 

Hiervan zijn drie soorten: 

I. De eer^ie ioori, die wel eens de r van 'teerste voorhechtsel niet § 
heeft, bevat meestal intransitief gebezigde werkwoorden, die xoowel 
ttm toestand, waarin zich 't subject zelf verplaatst, als een handelli^ 
voorstellen. H Stamwoord is niet altijd gangbaar; voorbeelden zijn: 
marmadjtfr^ leeren {to learn) van adfar, dat als substantief in gebruik 
is; marsièuni, sAch veradiuüen van bum; marsiüdjur (§ 8, ^.), spuwen van 



/ 



Dat 't stamwoord buru is, lijdt geen twijfel; immers in jaloersch zijn ligt 
het rusteloos najagen van 't beminde voorwerp opgesloten. 



/ 



144 

idjtér (waarnaast ook tufjur door verkeerde scheiding in gebruik is, 
bl. 40, XIV); marddjamgójong ^ ziek opriffiat van djongdjmig («^oom); ma- 
rsitappak van tappdk (zie Wdb.); marndjomfjim^ giek op dkander pakken 
van een drom, van djondjon^ marngorgor^ opdammen (van een brand- 
stapel) ?an gorgor; marsitonging van tonging; maraigaiiung, ziek laten 
hangen (zich aan een tak vasthoudende laten hangen) van gattung; mar- 
sigulutt met elkander tmsten van gidut; marsiloló ({ 20) ^, zich hehoaam 
trachten te maken, zich oefenen van lo; masiragu van ragu (zie Wdb.); 
marsitoppu van toppü; marsiteptep, met de tanden een zacht knarsend 

geluid maken (van de margom), enz. Een bijvorm is met ta in plaats 

van ei; b. v. marta^ni naast mareibuni, martamonding (maraimonding 

/ is mij nooit voorgekomen) van monding (onding), Noemt men het 

object bij deze werkw., om H voorwerp aan te duiden, waaraan , waarom 
of waarover 't geen 't werkw. voorstelt plaats heeft, dan bezigt men een 
praepozitie, meestal di*, maar in 't passief, dat hier weder 't verbreedde 
is, 't aanhechtsel i; b. v. marsigtdut di au, twist met elkander heiben om 
mij (di-parsigulutt); zoo ook marsigattung di, aan iets zich laten hangen , 
i^iaar di-parsigaitungi; marsiranggut di, maar holi-hoU pinarsirangguian 
(§ 132) fff asu, beenderen waarover honden twist met elkander hebben; mar^ 
silading di, tot iemand tading hof zeggen, van iemand afscheid nemen, 
maar di-parsitadingi , door hem wordt afscheid genomen van. Van marsi- 
gora is de passive vorm parsigora, en van marsiaé^ar: parsiadjar ; 't ob- 
ject is hier Hgeen, dat geleerd joordt, en bij 't eerste werkwoord 'f geen, 
dat begroet wordt met gora-^eroep (de zwangere vrouw namentlijk, die 
men bij een akker vei^elijkt, van waar men de r^stdiei^es als 't ware 
met gord/ heeft weg te jagen). 

a. '^Sommige werkwoorden, die ook si na 't voorhechtsel mar hebben, kannen 
hier niet b^gebragt worden, daar zQ onmiddeiyk van een snbstantief a^eid z\jn, 
dat reeds 't TOorhechtBel n heeft; soo b. v. manipangano» (van n^anganon) dat 
= maiêipanganon (j 47, 3°.) is, en ook 't meenr. marnpanganom (j 54) heeft; 
nutrtirotsHon = paturotsiton ($ 184). Ook marnbtngunon en maHpurpuron s\jn 
onmiddeUjk van een sabstantief, door si gevormd, afgeleid. 

M. heeft marsiiudu naaat marsidndu (f 78); marsiiampar; tnarsirintak en 
marnrobut (ook ais adverbiom, Ib. bl. 209 r. 16), enz. 



/ 



^ B. V. na marsiloló do au marmaisi, ik oefen mij in 't schrijven (veracht 
das mijn gebrekkig schrijven niet). 



145 

D. laat 't eente voorhechtad weg (vgl. ooder f 74); b. v. tjëboni =i marta- 
buni of mariibnm; iflUnggHi^ dat in T. marnUnggom zonde lyn, zoo niet reeds 
naïUnggam (f 16) er voor in gebmik was; ifèlendung yan lendnng; tjëijedur 
(bl. 86, D. III) = marrituffur, In plaats van mariiatffar heeft het mërtë- ^^ 
radjar, tervr^l het mMimula {een begin maken) bezigt, en in 't daarvan afge- 
leide substantief, pëtëmuBn, de r van 't voorhechtsel niet heeft. De lettergr. tfë 
veronderstelt een vroeger H in T. (hl. 35, D. III), dat door { 22, III e zoowel 
ia als » werd ({ SI, VII). 't Mal. heeft bartamèut^ = marHbum. 

n. De tweede soort heeft alt^'d 't aanhechtsel t, en wordt intransi- § 84. 
tief gebezigd. Ook deze soort laat wel eens de r van 't eerste voor- 
hechtsel weg. Deze werkwoorden drukken een verschil van hoedanig- 
heid uit in meerdere voorwerpen, zoodat 't aanhechtsel hier weder op ^.>^ 
een meervoud slaat (bl. 113, J 54); b. v. mammetmeti, in Ueinte ver- 
schillen^ de een is kleiner dan de andere {metmé^\ marnbdlgai, in om- 
vang verschillen t de een is grooter dan de andere {halgd)\ marsibakati, 
in diepte verschillens van wonden, waarvan d'een dieper is dan d'andere 
(6ahdf)i marsUehali van tehdl^ enz. 

B. bezigt 't aanhechtsel dikwQls niet; b. v. mêrtipëngie , in iehoonheid ver- 

tehiUen {iëmpa m daging ngo , aUeen de gedaante der liehaanuleden ver- 

teUU in êchoonheid, Ib. bl. 71 m,)i mêrainumaik (verseAiUen in voortreffelijk- 
heid, Ib. bl. 72, m.) naast mêmaik (Ib. bl. 74, o.). 

III. De derde soort , die slechts weinige voorbeelden oplevert, heeft § 85. 
nog 't aanhechtsel hon^ dat in 't passief blijft; b. v. marsibauhon (zie 
Wdb.); marsidomdoppon, iets de aanleiding maken van doffe routoklagten 
of l^kmuz^k, wegens een doode teekenen van rouw maken door geween, 
enz.; b. V. parsidomdopponokkon (§ 132) sabtdany tangisan sataon, ge- 
durende een maand moet m^en er lijkmuzijk om maken, gedurende een jaar 
het èeweenen. 

a» Hiertoe brenge men niet marsifutuAon, dat in 't passief ]Mimïf(/» ver- 
toont, en onmiddeiyk van eitutü is afgeleid. 

8. u^chtste klasse der zamengesteld afgeleide werkwoorden of werkwoorden 
met de voorhechtsels jpa-^w (of ma-itu). 



De werkwoorden dezer klasse stellen een klank of beweging voor, \ 86 
die 't zij van vele voorwerpen uitgaat, 't zij dikwijls of herhaald waar- 



^'^ 



/ 
/ 



146 

genomen wordt; b. v. paiudjakkU, lüoidereH, van een menigte apen 
(mandjakkU van eea plant); paitmgangong , gmzm van een menigte in- 
sekten, een zwerm b^en, enz. {iimmgfMgóitig ^ bl. 111, a);/»AM|^oii^o, 
een lang of gereld brommend gdmd wraken van de bodat-aap of een brom- 
mend geimd maken van vele bodat-«pen (mÊÜongóng^ bl. 111, 6, en ( 81 1); 
palukekkeky êchaieren (kekkèk ongebrnikel^k; vgL iekek, en bl. 50 è); 
paiubeèey wawelen, kleUen, zamken {bèbe nit baba om H teemerige uit te 
drukken? *); pahUaktak, MetUren van slagtanden (vgl. mataktak en moM' 
guUaktak); patudjamdjam, regelmatig klinken van een orchest, bestaande 
uit verschillende instrumenten (mandjamdjam , ter eere van iets muz^k 
Tnaken); patugorok^ rochelen van een stervende (gumorok in H^gumorok 
in de andung = ronggur); patugosong van gosong; paiungaor van nga- 
or; patungejong van ngefong (vgl. mejong, § 80, UI); enz. Som- 
mige hebben nog 't aanhechtsel on (§ 184), vooral zoo men een onaan- 
genaam of schrikwekkend geluid op 't oog heeft; b. v. patungoromon 

naast patungorom^ patungoripon^ paiuroUiton, Een enkel spoor van 

een ouderen toestand der taal (vgl. M. hieronder) is maiugarang, waar- 
naast martugarang tugarang ook in gebruik is, terw^'l maar een enkele 
als substantief optreedt (vgl. Aanm, onder § 64) ; b. v. pcdurambat. 

M. In plaats van pa bezigt het 't ondere ma {Aami. onder { 72); b. t. ma- 
tungongong: matuhdkkdk; matubdbel; matudomdom, dof kletteren van een zware 
regen; matudotdot, bibberen van de ledematen (f 58); matuéyigU; matungaruk; 
maturijam; mttturamang , enz. Deze tongval gebmikt echter dep, zoo 't aan- 
hechtsel on (§ 134) er tevens by gebezigd wordt, en zeer natunrl^k, daar dat aan- 
hechtsel een passieven zin heeft, zoodat 't woord er de gedaante van een substan- 
tief door kragen moet; b. v. patungaripon = patungoripon. 

D, Alhier mist men steeds 't eerste voorhechtsel (bl. 41, III a,), en soms ook 
tu (vgl. bl. 136, 3**.); 1). V. tunglHrëmën; rënijitin (bl. 36, F. n). Dat tu- 
ber as hier niet b\j hoort, ziet men uit $ 69. 

9. Negende klaeee der zamengeeteld afgeleide loerktooorden oi ff eikwoorden 

met 't inhechtsel ar vergezeld 't zij van een voorhechtsel of 

een ander inhechtsel. 

De eersie en tweede soort verschillen slechts in klemtoon, die by de 
eerste altijd op de laatste lettergreep, maar bij de tweede op de voor- 
laatste valt. Beide deze soorten hebben 't inhechtsel «m. 



/ 



Vgl. Aekkek met kakkak, tektek met taktak, en | 34 aanm, 1. 



147 

De werkwoorden der eertie êoaré treden intransitief op, en worden $ 87. 
gebeógd van meerdere voorwerpen , waaraan een seUde toestand waar- 
genomen wordt; b. T. Bwmarimggók ^ luide mikkm van Yelen (vgl. wnggo- 
kmi)\ é^wnarambé, dumaredéen djumarakkdr. «— — Sommigen beginnen 
met een r, en hebben de derde lettergreep van achteren door een nensklauk y^ 
gesloten; b« v. rvmang^adêp^ rumanggink^ rumambifdk, runumgg^ók, ru- 
manggomt ^ (M.). Deze voorbeelden , met nitzondering der twee eerste, 
worden hier geplaatst om hnnne beteekenis en hun bijzondeien klem- 
toon, maar behooren naar den vorm onder § 62, 3°. b; zjj hebben, soo 
als men ziet, de twee laatste lettergrepen door een half kUnker geschei- 
den. In plaats van rumanggaddp is in D. gumeradap (zie hier onder) 
in gebruik, terwijl men in T. ook humadap heeft. Op dezelfde w^ze 
moet ook rumanggistk uit een vroeger gumarink (vgl. kumariük, § 31, YII) 
ontstaan z^n. Wat rumanggowüy dat ook met den klemtoon op de voor- 
laatste wordt uitgesproken, betreft, men kan het ook van moU (Ib. IV, 
bl. 189) afleiden, zoodat het uit gumarowU of humarowU (( 22, III é) is 
ontstaan, even als kumerënde (D.) uit mfe^ want nimmer vindt men 
zulk een werkwoord met een lipklank beginnende, zoodat een uma- 
tornt een A of ^ als b^inner moest krijgen (vgl. humantik met mar- 
pwritik, § 89). 

D. kent den klemtoon niet (bl. 33, II 3), zoodat deze twee soorten er een 
zijn; van daar gumeradap, rumënggijo, rumémbaung, djumh'angkar , kumërënde 
(bl. 120, Jant) van ënde. 

De tweede soort bevat werkwoorden, die meestal met k oi g begin- } 88. 
nen, terwijl hun stamwoord slechts zelden een gangbaar woord is; 
voorbeelden z^n kumarepar^ gumarutiar, gumareUong oi gumarettung, 
kumarimun, humarièük, humarUtik, kumarené^^ hanaraUur, Van ütc- 
marodjor kan men kodjór als stamwoord beschouwen. Yan gumarekgek 
is 't stamwoord niet gangbaar, itVR'i^ garekgek als klanknabootsing 

in gebruik is. hwnarüik moet in verband staan mti puriiik (vgl. a 

§ 61). De meeste dezer werkwoorden zyn klanknabootsend, en schil- 
deren door de r een knetterend, klapperend, ratelend geluid, dat ver- ^ 
der is toegepast geworden aan 't geen zich onregelmatig aan 'i^oog voor- 
doet (vgl. bl. 111, 5°.). 

^ Deze vormen zijn voor H gemak van den leerling onder drielettergrepige 
met r beginnende woorden in 't Wdb. geplaatst. 



148 

a. Met ttitsondering van Aumarotyar, kumariUk en guwuirekgfik k«i men bij 
dese werkwoorden oitgua van een eenlettergrepige klanknabootaing, die door een 
met een klinker beginnenden voorslag werd voorgegaan. De klinker is natnnrlfjk 
onversckillig, . daar de klemtoon op de laatste viel ($ 28). Be y of >l werd na> 
tnnriyk gebezigd om de beide eerste lettergrepen van zulk een afgdeid woord 
niet ieder met een lipUank te doen beginnen (bl. 119, r. 10 v. o.). Sleebts b^ een 
enkel woord kan men dit nog dnidel^k zien, zoo als b. v. bij kmmarodimg dat van 
een dong, waaroit mordonf ({ 61, nit een modoitff, ( 27) moet gevormd z^n (vgl. 
owii op bl. 147). 

M. heeft ijwHtarorap (waarvan 't stamwoord rora/p nog in gebmik is) in plaats 
van rumarorap om bet op iffumampar, waarmede bet zoo vaak te gelgk gebesigd 
wordt, te doen gekken (zie Itmagonimg in bet Wdb. b^v.) 

§ 89.. De derde soort heeft nog 't voorhechtsel tnar, en is reeds boven 
($ 62, S"".) besproken. Op te merken is, dat sommige dezer werkwoor- 
den de a van 't inheclitsel in u hebben veranderd, eoo de twee daarop 

y^ volgende lettergrepen een gelijken klinker vertoonen; b. v. marpuran- 
djot vhupondjói; marpuritik^ marpuretek^ marpuroio en marguriding. 
§ 90. De vierde aoort heeft nog 't voorhechtsel mang; voorbeelden £qQ 
mamritir (vgl. martittr, § 62, 4".); manarieir (marsistr, § 52, 4".); 
mawharungbung (pungbüng)\ tnanggarege {gege). Van de meesten ia 't 
stamwoord niet gangbaar (zie b. v. mandarepa), terwijl sommigen, even 
als de werkwoorden van overeenkomstige beteekeuis (§ 52, 5*.), de 
twee laatste lettergrepen door een halfklinker scheiden, zoo als b. v. 
mandjarijur, mandarajap en) wanar^ttr. Sommigen hunner worden tran- 
sitief gebezigd, zoo als manggarijang ^ mambarvbm en manarungkap {sa- 
rukkap *). In de beteekenis is nog altijd 't b^ip opgesloten van 
^ een onregelmatigheid, die als 't ware een beweging is; b. v. in ma- 

/ narukkapi dat van de beeren gebezigd wordt, die een boomstam open- 

scheuren , zoodat de bast in flarden hangt (vgl. ook de beteekdbis van 
tnanggarege, dat in 't Wdb. ouder gege liad moeten geplaatst worden). 

a. Naast mandart^ap vindt men mangarajap^ terw|jl Men. gumaré^ap (vgl. 
kmutdêjap in § 62, 3** b, § 17, V) beeft. 



^ 't Stamwoord is sukkap, en leeft nog in 't Malagasiscb, waar bet sukatra 
is, maar vóór 't aanbecbtsel itui in plaats van ir een ƒ heeft (sukdfina, wat gco- 
pcud xnoet worden; vgl. ook 't Mal. iingkap). 



149 



10. Tiende klasse der zamengesteld af geleide werkwoorden of werkwoorden 
met 'tinh. al vergezeld 't zij van een voorh. of een ander inh. 

De eerste soort heeft te gel^k 't inhechtsel um. De meeste werkw. § 91. 
dezer soort beginnen ook met een h oig^tn hebben zeer zelden een 
gangbaar woord tot stamwoord; voorbeelden zijn: gunuUomöap, guma» 
lutu, Aumalepung, humaletseng {haUtseng is als' substantief in gebruik) 
en gumatetong. Van humalaput is hapét (= hapu, § 27, TI) en van gu- 
mdUUsang: gutsang 'tstamw. Uit de beteekenis blijkt, dat z^ 't zij van 
meer dan een voorwerp gebruikt worden, of wel denkinhoud van 't 
werkwoord als zich herhalend voordoende voorstellen. Enkelen beginnen 
niet met een h of g; b. v. djumëlutuh (D.), dJumaUmot, tumateèun. 
Sommigen hebben een bijvorm met 't voorhechtsel mar; b. v. gumalet' 
tang of gumeUntang (D.) naast margalettang, gunudapas of gumdapas (D.) 

naast margalapas, fnargalasa naast gumalasa, Voor zoover ik weet 

is er maar éen werkwoord van deze soort, dat den klemtoon op de 
laatste lettei^reep heeft, namentl^k sumaüsi van sisi. 

De tweede soort heeft 't voorhechtsel mar^ en is reeds boven (( 52, § 92. 
5^), en zoo juist (§ 91 onder) besproken; andere voorbeelden zijn mar» 
halikking^ martalindan, ntarhaUsung, marhalejong {zwervende z^n; b. v. 

pangalahona, zijn wijze van gaan is zwervende , men weet niet waar 

hijj zich ophoudt); mardjalomdjam{hon) wordt transitief gebezigd. 

a. Men vindt ook marialageiiang in plaats van margtUetttmg ; hier moet 
men dos martagetiang (f 83) met 't inhechtsel al stellen. 

De derde soort heeft 't voorhechtsel mang^ en is, waar het werkw. § 93. 
intransit. optreedt, denkelijk uitgegaan van een eenlettergrepige klank- 
nabootsing; b. V. mandaletes, mandaluius (ook manaluius, § 80, IX), 
mandakse, dat ook manddlesé uitgesproken wordt. Zondert men 't voor- 
hechtsel en inhechtsel van dezen vorm af, dan verkrijgt men woorden, 
die in beide lettergrepen denzelfden klinker vertoonen, en waarin de 
eerste met een d begint ($ 52, 4®. d, en vgl. Aanm, bl. 122). Een en- 
kele wordt transitief gebezigd, en heeft nog 't aanhechtsel i; b. v. mak- 
kalaputi (§ 91). 

a. Naast mandalese heeft men mandarese, waarin de r misschien ontstaan 
is door den invloed van 't een of, andere woord, dat er vaak mede gebezigd 
werd (i 24). 

5 



150 

} 94. De frierde soort heeft nog 't voorhechtsel/Mi, en bevat slechts zeer 
weinige voorbeelden; b. v. padjaiikci, pedjelengkët (D.)> padjalimot 
naast djumaUmot (§ 01), patdUndan naast martaUndan (§ 92), enpata- 

11. Uffde klasse der zamengeiUld afgeleide werkwoorden of werkwoorden 
*"^ met 't voorhechtsel ha^ voorafgegaan door een ander voorhechtsel. 

{ 96. De eerste soort heeft 't voorhechtsel vum^^ en te gelijk al naar mate 
van de beteekenis 't aanh. i oiion. 

0. Die 't aanheehsel % hebben, maken een intransitief werkwoord 
transitief i h. v. makkabüari heeft tot eerste of onmiddelijk object 'tgeea 
gevreesd wordt, terwijl wiabjjar een praepozitie of als zoodanig optre- 
dend werkwoord (§ 161) zonde behoeven , om met dat object in betrek- 
king gesteld te kunnen worden; zoo ook makkaholougi van kóUng^ taak- 
kas* (( 8) van <Mt, makkali^ van lupa^ makkasijoU van syol^ makkata- 
Auti van waioAut^ 

M. bezigt in een pur gevallen kon Uerer; b. 7. numgkdhipahon, manjfka- 
h^arAon; OTerigena makkagijoH iete hegeeren, naar ieto hunkeren (0at), terw^l 
kng^t hier als nbstontief (ne Wdb. bijv.) in gebnik is (vgl. HaL mèngaUn- 
doH, dié in t passief iMMnki, m ktMndak al» sabetmtief veitooni). 

b. Die \ aanhechtsel hon hebben, stellen ^object voor als de aan- 
leiding van een beweging of toestand; b. v. makkapodoppon, wegens iets 
op bed Uggen (T^odom), wegens een ziekte bedlegerig zijn (vgl. § 61, 1**.); 
makkamahappon, wegens iets verzadigd zyn, ziek aan iets verzadigen (ma^ 
hap); makkaborkatton, wegens iets optrekken (borhai), b. v. een dag, die 
giüistig ifl, iU aanlMivg iebèem van 't vertrekken op een expeditie; 
makkabaluhoH , wegeits iemand weduwe of wedmonaar zijn, van bain (§ 85) ; 
mnkks^padbtton, wegens hbk& ünrigifiodóf). s^n^ ijvemg mei iets^^ z^; 
mahkaimkmokkm van. nakmók» en& Yeidei vindt men n^ai km Uk en 
roka, isegmsi ieis zi^ te meden ^eSen, voor iets daniètum z^fn (van uh 
ffA roka *). 

M. Zie onder a; tronwens wegem iets btvreesd zvpt komt op t zdfde neder 
Bis voor ietst bevreesd zijn. 

"D. heeft mëngiëlijasië» pënarihin -■= makkaulihon roha; ntëngkiStënanffkën, 
wegens iets tevreden zijn, enz. 



^ S. 7. uh rokana, schoon is zi^ Remeed (hj| is lekker, tevrfeden of 
dankbaar). 



161 

Be koiedê uoH heeft 't voorhechtsel mar» cd slechts in 'tacÉief nog § 06. 
'taanheehtsel ktm, terwyl in 't passief de m van H voorheohtael in p 
verandwt. Dqte werkwoorden beteekemen: iets aektm toeA *t iiamtff. 
voardeU; b. v. ffkiriamaol(k(m), iets duur (mail) aekten, oppri^ MJ^; 
marhatumihm), iemand gelukldg achten; marhaMti{kan\ iets waar aek^ 
ieny voor waar hemden. — < Van marhéuifJiop(han) heeft 't stamw. nu een 
beteekenis, die op 't eerste geeigt niet in overeenstemming is met die 
Tan 't afgeleide werkw.; in de/KMÜs-taaTbeteekeat het eehter uogfraaé^ 
mooi (vgl. lomó róhana en «2/ rohama). -^ — Van metrhadJimai(hon) n n^j 
't stamwoord niet ak gangbaar woord voorgekomen *. Een voor- 
beeld met nog 't aanhechtsel % is marhas^oU, dat meer in 't passief, ea 

als meerv. van makiasifoli (§ 96, a.) gebezigd w^rdt. Naast mar^ 

haMm{hm) beasigt men marnMaihon). 

M. heeft markaliUhon (dat in 't passief parkaUUhon vertoont), gi^h met 
iets amuteeren. \ 

D. heeft mërk^seiël^iün) met de beteekenis van naar iets hegeerig zij* 
(Ygl. § 96). 

Aanm. Oi paAawiat(hon), dat in 't passief /)aAa«u^^ yertoout, tot deze klasse 
te brengen is, en dos 't voorhechtsel pa heeft, darf ik niet zeggen. De b^son- 
dere klemtoon yan den passieven vorm zoude ook kunnen verklaard worden door 
't denken aan 't nagenoeg 'tzelfde beteekenende j»a«J^ (bl. 21, Jmm. 1). 

ITI. Eet Substantief, 

't Getal werdt bi^ 't substantief niet anders Qitgedmkt dan door 't $ 97. 
hulpwoord akka ({ 68, S"".). Dit geschiedt slechts zeldes, daar 'tweilcw. 
't zij in 't actief of passief vaak gelegenheid geeft 't meerv. uit te druk- 
ken. Een substantief heeft op zich zelf geen getal, zoodat het zoowel 
één als meerdere voorwerpen voorstelt. Het is slechts de benaming 
van een voorwerp, zonder dat er een. getal bjjj gedacht wordt, en ia als 
zoodanig gelijk te stellen met een substantief in 't HoUandseh, dat ^ 
in een zamengesteld woord bepalend optreedt (zooals b. v. in koe* 
9taly paardestal^ koestaart, hondehoh). Yaiv daar dat men dikw^ls uit 't 
verband moet zien, of er een of meer voorwerpen door aangeduid 
wordan; b. v. sada harhona, een ia ^i» èt^d ({ 80), duwa iorhma, twee 
Eijn sifn tt^gau (d. i. h^ heeft ëén, t#ee bnffels). Ook H geêackt^(it^ 



* Vgl. ecfa«er 't Mal. dfmat. 

5* 



\ 



152 

niet door een uitgang of wel verandering in 't woord uitgedrukt. 
Waar het noodig is, bezigt men daarvoor bijzondere woorden, die zelve 

anbstantiven zijn. Bij verwatttsekapstermen gebruikt men ddi, dat 

alleen niet meer gebezigd wordt, maar, blqkens doü-doli (zie Wdb.) en 

dakoU (D.), man moet beteekend hebben, voor 't mannelijke, en boru 

(dociier) v<5or 't vrouwelijke; beiden worden achter 't substantief ge- 
plaatst; b. V. oppu doU, groUmd&r: oppu baruy grooUno&der, Bij men- 
schen is lahi-laU (man) voor 't mannel^ke in gebruik, terwQl boru-boru 

(promo) zoowel big dieren als menschen gebezigd wordt Over bajo in 

tegenstelling van bant zie } 121, 8^ ^ — Zeer vele dieren hebben een 
byzonder woord, om 't mannetje uit te drukken; b. v. dalu, éfjtmggi^ 
êabungan^ enz. Men bezigt diergelijke woorden gaarne te gelijk met de 
benaming van 't dier; b. v. manuk sabungaHy 'n kaan; manuk boru-boru, 
'ff hen; bM dalu, *n beer (van een varken); Umbu djanggi, 'nsHer. fiui- 
mer beteekenis heeft tunggdl, daar het van meer dan éen diersoort ge- 
bezigd wordt, vooral als het groot of edel is; b. v. gadja tunggoL^ 
*n mannetjea-oUfant; hoda tunggal, ^nhengH. Dit woord wordt verder ook 
gebezigd van levenlooze voorwerpen, zoo zij zich in grootte onder iiunne 
soortgelijken onderscheiden; b. v. lÜi iunggal, 'n kokosblaéHb die grooier 
is dan andere kokosbladribben; urat tunggal, 'n hoofd-voortely d. i. de pen- 
wortel van een boom (tap-roof); haha-haba tunggal^ een zeer hevige storm; 
vgl. ook onder djonggi in 't Wdb. Een mannelgk individu voor- 
stellend substantief bezigt men ook gaarne in eigennamen van helden 
en groote mannen; b. v. guru sabungan boaiy Meester Haan IJzer (ei- 
gennaam, van een groeten datu); datu dalu, enz. Over 't gebruik 

van anak en ina zie Wdb. 

M. bezigt b\j levenlooze voorwerpen ook 't van 't Mal. of Men. overgenomen 
tffantan of djanten (bl. 5iD, Jani. 2), van daar gende effantau, 'n êferp van 5 
ü 6 vadem lang; êogar 4janten (zie Wdb. onder sogar), 

D. bezigt anai laü in plaats van laM-lahi; b. v. nc^osona anak ioH, zyn 
tlaaf of inechi; dahhru = boru'boru; b. v. naposona dabëru, gijn slavin of 
dienstmaagd. Yoorts bezigt het Mi = doli {émpung holt), — Een aan dezen 
tongval eigen substantief is dlah (bl. 188 onder). 

{ 08. De vocaüf^an sommige verwantschapstermen ondergaat veranderin- 
gen, vQoral zoo het benamingen zijn van verwanten, die 't zij ouder 
zijn dan de spreker of in zulk een betrekking tot hem staan, dat zijj 
door hem met ham4 moeten worden aangesproken (§ 140). Zij worden 



/ 



153 

op a, tl of o uitgaande, mei een ng gesloten, en soms terens verkort; y' 

b. V. améng^ a^^énkgy in&ng^ kdhdng^ oppuug^ maén (parmwum), U6 of. 

Uóng (jboto)y edd of eddng *. Yan ibeöere heeft men beré, terw^l lae 

en tunggane geen andere veranderingen ondergaan dan in klemtoon 

($ 10 III). De vocitif van hela komt zelden voor, omdat men liever 

heré beagt. Men zegt ook bere in plaats van ibeèere; b. v. berena (bl. 

108, a). 

a. Over iulanff zie Ib. IV, bl. 122, en over anggijd en iqf'owd f 27, Jantn, 3 
op bl. 56; Tgl. Janm, 2 onder § 152, 1°. 

M. gebmikt anggi ook jegens bedienden, en kulangku = laé. 

D. verkort ifiang en ^o^^a in imcji^ en pa, miU zQ jegens moeder en vader 
gebezigd worden, indng en hapd als vriendelijke termen ook jegens jonge lieden 
($ 152, 1^. h) in gebrnik zQnde; khnpu wordt er ook gebruikt door een meestei; 
jegens zqn bediende, die jegens z\jn meester pung zegt; turang wordt tuwdng of 

Overigens valt over de stamwoordelijke sabstantieven niets meer 
op te merken, terwijl de afgeleide eerst na 't passief kunnen behandeld 
worden. Alvorens echter tot het passief over te gaan, is het noodig 
de aandacht te vestigen op een formeel substantief, dat hier den naam 
zal dragen van 

Nominale vorm. 

Hieronder versta men een woord, dat naar den vorm ($ 49, I) als ^ 99. 
substant. te beschouwen is, zonder altijd als zoodanig gangbaar te zijn, 
en dus ook niet alt\)d een voorwerp voorstelt. Zoo is b. v. bunu niet 
aUeen als stamw. van mamunu te beschouwen, maar ook de nominale 
vorm er van, daar het op zich zelf geen gangbaar woord is, en slechts 
vertaald kan wcniden door een passieven imperatief (worde door 27 zeker '^ 
iets of zeker iemand gedood). Van een transitief werkwoord, dat slechts 
't voörhechtsel mang heeft (§ 49, I), verschilt de nominale vorm niet 
van 't stamw., of Üa zoodanig te beschouwen woord (Aanm, op bl. 108). 
't Zelfde is het geval met de werkwoorden, die mor in plaats van mimg 
hebben {Aanm. bl. 100); b. v. gadis^ ida, sali. De nomimle vorm ver- 



Voeg bQ in 't Wdb. bQ eda: wordt ook gebezigd door een vroaw van of 
jegens de znster van haren man, en is ook uit beleefdheid algemeen in gebrnik 
o nder jonge vrouwen, die niet aan elkander verwant zqn. 



154 

aofaill somt alleea in klewtoan van een iatrantitief werkwoord; b. r. 
ümggémg (f 40), maar ÉéngfOMffj nominale yorm of paaaieYe imperatief 
tan mamnggcm§ () 40, I); hUté (§ 40), maar üt^, nomine form of 
pastiere imperatief van makMt»u; itm6m ($ 40), maur itmom^ nonufiale 
vorm en pameve imperatief van iiumanom* Zoo % atamwoord van ttilk 
een werkwoord tevena als snMantief gangbaar is, dan is de nominale 
vorm er niterligk niet van te onderscheiden; b. v. bodü, *n geweer of ncK 
minale vorm en passieve imperatief van mamodü. De nominale vorm 
is altigd de vorm, die in 't passief optreedt, zoodat hij dit in 't al of 
niet hebben van een aanhechtsel geheel volgt; b. v.painum passieve im- 
peratief en nom. vorm van paittum(hon) *, maar painuppon (§ 71) actief, 
passieve imperatief en nominale vorm. De nominale vorm heeft b\j de 
meeste werkw, slechts de beteekenis van een passieven imperatief; bij 
de werkwoorden met 't voorhechtsel pa en mar te gelijk die van een 
actief-verbaal substantief (§ 120); b. v. parmahan, 'n yeehoeder of pas- 
sieve imperatief en nominale vorm van tnarmahan (bl. 113, ^,)\paga- 
Imt^ zaehimakend tniddei of nominale vorm en passieve imperatief van 
pagaèur{hon) ^. -«-«^ Voorts treedt de nominale vorm met een telwoord 

/ als benaming van boeveelheid op (§ 186). Kiemit blgkt, dat het 

passief onder 't snbstantief behoort (§ 49, 1, bl. 106, Aanm,). 

a. De nominale vorm van mambiAen is als praepozitie {tot^ ter) in gebruik 
($ 120, 2°), terwijl B. den actieven vorm {mdA«n) bezigt (zie onder f 120, 2"^. 

Het poMttf. 

§ 100. • Ëen ^entouüg pannef^ d. i. een passwf, waarbQ niet' teveAa een om^ 
standiglieid, 't z\j 't voorwerp, waarvan de inhood van 't werkwoord 
ttitgaat (f 102), teij de uitvoerbaarheid (§ 108), ena. wordt nitgcdrokt, 
beaH 't Bataksch niet naar den wrm. Ben w«rkw. beeft geen vasten 
vorm, die niets meer aanduidt: dan dat z^n inhoud omgekeerd wordt 
Voorgesteld, en dus een toestand beteekent, waarin sich 't object van 
't. actief bevindt» Zoo b. v. bestaat van tnaninggang (( 49, I)geen een- 
vottdig passief, dat niets meer aandoidt dan den toestand, waarin iets 
dèor dat er op gevallen wordt verkeert, zoodat men ntnr mate van 
't geen- de als handeling voorgestelde (zie Aant, onder § 147) inhoud van 
dat werkwoord uitgewerkt beeft, een geheel verscbillend woord als 



^ Zie S 66. 



15« 

b. V. mtftomM (4 41) moet gabruüoBii. De moeyeujjklieid ran 't Ba- 
taksch B^xsktii ii^ vooni in dis keuimder woorden, die ter «andoiding 
van anlk ee» paa^ in gebruik s^. Na eens ëexigt men 't tweede of 
derde ciieumstentiëèle passief» dan veder eet intnmaitidf werkwoord 
van d'esB of d'anderen vorm, sonder dat 't stamwooi^ i^t dat van t 
aofcief behoeft wvroea te komen; b. v« muiakt mmigfe^ m^^/fé^ (§ 62, 
2^), twMng (J 39), uadaöu ($ 44)» maguUmff als eenvoudig passief van 
moMggidaMgi madach» vwk mandaiaii hiiiü, rattétig (\ 40), 9a<ir *, i»»- 
9fik (§ 62, 2^), e^K Van manduda, zoo het: rijst in den bdster «foor 
9Umpem ontboJMerm beteekent, wórdt tarduda als eenvoudig passief ge- 
bruikt (b. v. ttunga sun tarduda, baen di èa^an purindi^mim , t« de 
rijst fedampé^ doe haar dan in een èmdet), maar beteekent het: iets tot 
ffruia stampen f dan bezigt men vtagmfung (§ 44)» tnaêamel of wel Umdt 
(§ 44 j <t) ook lamdi). Zoo ook kan men van manakko (iets stelen) geen een- 
voudig passief votoien, en men gebruikt dan moffo (§ 62, 2°.), even 
als mthttj^oan bezigt mét de beteekenia ook van èeittdm worden ($ 184), 
Van een waar, die eerk^M wordt^ zegt men p(^u((Btfirek vinden) nh eenv. 
passief van mdrgddie. Is het verband niet duidelijk genoeg, zoodat men 
b. V. H peetolen loorden moet doen nitkomen, dan bezigt men 't eerste oir* 
cumstantiëele passief met een onbepaald voornw.» den persoon aandui*- 
deade, door wien gestolen is; b. v. di^takko halak oié&'takkoddta (§ 148). 
Van fnamida (f 49 Janm,) bezigt men nu eens tarida als eenv. passief, 
dan weder dida ({ 8) htdak (§ 148). Bij mamiio (jnjê)^ en m(m(m'^go.{img^) 
bezigt men Uarpijo en éarkm^go: b. v. ta/riong^ na muséfnaraé^aUaBju^ 
war a Tame (daarop werd getnmteerd de Font dj.); na tarp^o^ die genoo- 
digd Zf»^ de genoadigden. Verder worden ook de werkw. met 't voor«- 
kècbtsel mar^ die $ 52, I 2°. behandeld zijn, als zulk een passief gebe^ 
zigd; b» V. imdd nungm tnarbalos Jto, e^t ge niet reeds gewroken? (g^ z\jt 
immers gewroken); zoo komt maruiang op bl. 81 (r. 14 v. o.) van 't 
leesb. voor in de beteekenis van verloren z^ door ket spd^ verspeeld 
»jin (ik heb alles verloren, goud, buffels en die in 't blok zitten, wij 
driedn sleehts z^ het, die niet verspeeld z$n). Men bezigt den der- 
den peteoon enkelv. van 't eerste circumst. passief ({ 102) wei eens zoo, 
dat het op 't eerste gésigt voor een eenvoudig passief konde gehouden 



^ B. T. asa da-saorhon ma di bagasan baUtakul inon; nung saor, asa enz. 
dan moeien die ingrediënten in de zak vermengd worden; zoo zij vermengd zijn, 
dan enz. 



156 

worden, maar eigentlyk denkt men aan d'een of d'andere» van wien 
de liandeling uitgaat, Hzij een onbepaalde persoon, 'tsij een der per- 
sonen, die te ?oren reeds genoemd sgn; b. v. di4aruko» ma ogung % tu 
hagas (Ib. bl. 198, r. 15), de mueifkbekkenë teerde» in huii gébroffi 
door ^een of é^ ander der bijj het feest aanwezigen; </t-mi0a», eo ra 
tidm; di^iqfpaé, ao ra maloa, gepkaU^ wü hd niet opkomen; uiigetrokken, 
niet verwelken (zoo men het plant, zoo men het uittrekt, enz.). In zulke 
twee tegenover elkander met verzwegen conjunctie geplaatste bazinnen, 
bezigt men vaker 't derde circumst. passief (§ 114, 8^.). 
§ 101. . Ook bezigt men een substantief, 't z\j formeel of niet, om een een- 
voudig passief oit te drukken. 

1^. Met de praepozitie tu; b. v. tu bajangan (letterl. naar HUok) als 

/ eenvoudig passief van mamajakkon (iemand in 't blok zetten); b. v. öe-^ 

jasa akka * tu hajangan hamu^ waarom zjjt gjjlieden in 'tólok vaetgezet? 
Men kan ook tu bajang (een nominale vorm, die wel van bajéng te on- 
derscheiden is) zeggen, maar dit is meer gebruikelijk in een bevel; b. v. 
tu bajang ma t, zet die in 't blok/ Andere voorbeelden zijn: moh inda- 
dong oio parboru mangalekon t, tu gaéUs ma bonhboru i, indien de vader 
het (die boete) niet vil geven ^ dan worde de (overspelige) vrouw verkocht 
(jgadis is bloot nomin. vorm); cfjolma mangadop do tjjopon^ anggotuga- 
dis indadong djadi, ale dienstbare moet (die persoon) gehouden wor^ 
den^ maar h^* mag niet verkocht worden; alai anggo di lehondopan» 
gurason, indadong sawt tu gadisan ^, maar zoo h^ de zuivering-boete wU 
geeft, dan gaat haar verkocht worden niet door; anggo naso tu gadU hi- 

h ndn do di-pangido tondi aleinéng/ adóng oio ibatugadia (Ib. bL 241, r. 

17 v. o.), zoo de tondi niet eiecht^ dat men verkocht wordt o moeder! is 
het dan waar schijfdij k dat men verkocht wordt/ mólo so targararsa, tu 
gadis, m^ f, indien hij het niet betalen kan, dan worde hij verkocht! vgl. 
voorts tu talutuk, tupantjang (M.), tu tali, enz. 

t\ met hcfna {geraakt zijn) er voor; b. v. hona sapata^ vervloekt 
worden of z^n, ten gevolge daarvan, zooals het geloof is, Igden; kena 
sumpah (D.); hona hata, uitgejakkerd worden met woorden, een schrob- 
bering gekregen hebben; hona udan, door regen geraakt worden^ beregend 
worden {Twist van Sang Maima en Datu Dalu, bl. 19, r. 16 van onder); 
paima djolo singirmi na so hona garar, heb geduld als je beUeft met je 



/ 



* Zie § 58, 2°. 

" Is een passief- verbaal substantief (§ 132). 



167 

ereéUum^ dat met heiaM ia (waarin garar nomin. vonn is); k<ma Umtak 
hoM dege (M.), op yerscliilleiide iqjze betreden worden, betrappeld wor- 
den ^ b. T. door een kadde boffels (dege en ümtak t^n beiden nominale 
TOimen); Tgi. § 111, onder. *-<-« Een enkele maal wordt viSor 't sub- 
stantief nog de praepo&Ue di gebezigd met de beteekenis door; b. v. 
wumg bami koita di adji ni kalak, opdat wij met geraakt worden door 't 
tooveröeM van een ander. 

3**. kurang plaatst men roor een nominalen vorm om met genoeg ge 
uit te drukken (sie boven $ 49 onder). 

D. bezigt mi ph-defim (( 129) = tu gadisans n-iëna ëwuumu, die door uw 
goud gerdaki is, d. i. die door « gekoekt is» obi niet Hnokormm (i 116) te seg- 
gen; ii-aardabuJkëm iHa óUipnm idi, die door gffn Uaasroer geraekt vielen, 
't Gebnuk. Tan intraniittere werkwoorden «la eenToiidig passief ia kier niet tot- 
ackilknd van dat in T.; b. v. eu'üuHmgna i* V geen er een aekter graten ie, 
wat Tan 't Tleeack nog niet gehaald is (lb« U. 248 ondsr). 

Het drcumetantieële Faeèief, 

Hiervan zijn drie soorten, die hier eerete^ tweede en derde pamej 
zullen heeteo. In 't teoeede en derde paeeirf wordt 't aanhechtsel i door 
an vervangen. In 't ear^^ jNisd^f verschilt de imperatief niet van den 
nominalen vorm (zie § 99). 

1. Het eerste Passief, 

Bij 't eerste passirf noemt of denkt (§ 100, onder) men aan 't voor- { 102. 
werp, waarvan de inhoud van 't werkwoord uitgaat (de agens). 

a. Verzwegen wordt: 

1°. de tweede persoon {ho) in den passieven imperatief; b. v. hmoat, 
worde (het) door U genomen (mambuwa^; pauU, worde (het) door U per* 
fraaid (pauli[kon'])i bmu^ worde (hij, enz.) door V gedood (tnamunm); 
panaek, worde (de boom) door U beklommen (manaek); pa$§gido, worde 
(het) door U geweckt (mangido); pakkuUngi^ worde (hQ) door U aange» 
sproken (makkulingi, bl. 103, a,);parorot, worde (het kind) door U in- 
gepast (marorot, bl. 94), enz. Sleehts zelden wordt de tweede persoon 
er nog aohter genoemd, en ingeleid door de praepozitie S; b. v. èowan 
ma di ho eme na sadappang (§ 8) o», worde door U dese appang rijst 
medegenomen y in welk voorbeeld di ho tevens voor 27" uitdrukt (bl. 108, a.)^ 

2"*. de derde persoon {jhana, § 140), terw^l voor den nominalen 
vorm di (AanL onder § 147) geplaatst wordt; b. v. dp^uwat^ door hem. 



/>* 



158 

haar worü (het) gemmtn\ cU^ftmUy door hem» ebs. waréU (h«l) iwr- 
fraaidi éU-^parorot, door hom wordt (het kind) opgepnd, enz. — ««i — 
Wordt do agtm met een substantief ^«komm^, zoo volgt h^ onmiddemk; 
b. ▼. di^néek radja t, door dm Forëi word (do boom) ieklommtu. 
Nooit wordt duèatn als pmepozitie (door) in dit ge?al gebezigd, en wü 
men het bettigen als inleider van den agens, dan moet het passief uit- 
gedrukt worden door een intransitief werkw.; b. ▼. iaim au di^èaeu, ik 
ben tmrwOnnen door kern gomaaH^ ik 6m door kern ootrwmmm (vgl. Ib. 
bl. 169, r. 4); ripoè ma au dhbaen hegu^ ik worde nermeügd door de 
geeèten, 

M. bengt t^ (f 140) 1» ditt nomftialMl voffm, too de agmu een hepmfd he- 
aiètd ^ekm iê, of df coodaiiig root^etUUd, worétj h. ▼. di^umat t>, ioor hem, 
hftsr» getallle peTMon tootili (het) geMmmêt miir t^lwMr/, door het, een ding, 
of door ittttBad, ik weet niet wie, wordt het Remmen. Een enkele maai wordt 
een levenloos voorwerp ftk «gene mèi sa aaagedaid; h. v. mMé th au hoH totttê 
di baentja, ik ben hongerig ïsoo beladen zijnde door dat gemaakt. Zoo men dat 
voorwerp noemt, maken zoowel ija als m plaats voor 't substantief, dat voorwerp 
voorstellende; b. y. di*huwat dadaèofu i (het) wordt door gemelde prouw genomen, 
g^^j^eff^ ^' besigt i, dat er odt praepositie is, en een bQvonn die in T. nnen dan nog 
gevonden wordt ($ 159, 1^ onder) in plaats taa dii b« ▼. i*buwat = di-buwai; 
dok, door kern of kaar wordt het gezegd (bl. 40, I, 0). 

$ 103. b. De eerste persoon enkelvoud wordt uitgedrukt door 't aanhechtsel 
hu v<5or den nominalen vorm; b. v. ku^uwatj door my wordi (het) ge- 
nomen; hu*paulif hU'panaek, kwfororoi, enz. Op dezelfde wij}ze wordt 
de eerste persoon meervoud inclusitf door 't pronominale aanhechtsel ta, 
vooraan geplaatst, uitgedrukt; b. v. tchluwai^ door ons, Uenm^*, 
wordt (het) genomen; ta^pauU^ ta-parorot, ia-panaek, enz* De eerste per*^ 
so&n meervoud exclusitf (§ 140) wordt uitgedrukt door vooraan ku en 
achteraan kami te plaatsen; b. v. hu-buwat hamiy door om, mij en een 
ander dan gij , wordt het genomen; ku-pauU kami, hu^parorot handy ku- 
panaek hamiyem, 

e. J)e tweede persoon enkelvoud en meervoud wordt achteraan ge- 
plaatst, eA A* vooraan; b. v, cU<èuwai ho, door Uwbrdé{hsA) genomen; 
di^auU h&4 di-paroroi hoy di-pamaek hOy enz. Even zoo Aa»»il en ^o- 
muna; bv V. di*hiwat hemd of hamuna^ door Ulieden otdoor 27 (§ 140) 
wordt het genomen; dupaviU hamu (of kaïmuna)^ di-panaek hamü (of ha- 
muna), enz. 



/ 



159 

d. De derde perêoon meervoud (mmmAi), d» üi Mk^re ftMlea «ok 
in plaats vaa idana gèbecigd wordt (f 140), plaatst nen achteraan ^ y^ 
gelijk mot i2» vooraan) b. r. di^mmai nasida, door ken worde het geiuh 
mèn ; di-prndi nènda, di-paroroé meida^ di-panaek namda, enx* 

Aamn, 1. In lommige tongvallen bezigt men in plaats van ta (JS) ita (Nai- 
pospos), en nta (JS&ambatan, vgl. B. hieronder); b. ▼. Ua-6uwat, sita-buwat = ^««««^ 
ta-èuwat. 

Aanm. 2. £en voornaamwoord, dat anders veranderd of verkort in dit pas- 
sief optreedt, kan in z\|n geheel blijven, zoo het gevolgd wordt door een bepa- 
ling, en kr^gt dan achteraan een plaats, terwQl di vooraan komt; b. v. di-papete' 
pele hami Naipo8po9, h^g (genoemde geest) wordt door ons Naipospotert begifligd, 
wij Naiposposers plegen hem offeranden aan te bieden {di-papele pele hami in 
plaats van ^u-papele pele hami, omdat hami appositief bepaald is door Ntd-pospOM)-, 
aso di'hegé hila na di patiangan on, opdat (het) gehoord worde door on» die in 
deze hrijgssopo zich bevinden {di-begé hita in plaats van ta-begé, omdat hita be- 
paald is door na di pattangan on). 

M. plaatst hami voorop; b. v. Aami-buwat = hu-buwat hami. In plaats 
van nasida bezigt men in 't Zoiden halahi ($ 10) of dla% (bl. 26 B. II, d.)^ en 
in 't Noorden haldni (§ 140). Voorts is er slechts hamu in gebruik. ..^ 

D. bezigt si iu plaats van ta (vgl. Aanm. 1); b. v. si-buwat ==ta-buwat. 

Tot het eerste passief behoort ook 'i poda-jmseie/^ dat in 't dage* § 104. 
l^kseh leven slechts, bij 't opgeven van recepten en voorsohrifken, op 
de wicheiknnst betiekking hebbende, gebeaigd wordt. BJai dmkt de 
derde persoon door da in plaats vaa di uit, maar de persoon is dan 
steeds onbepaald, terwijl er terena meestal een wenach of begeerte door 
uitgedrukt wordt; b. t. da^-bmoaij warde penemen wat volgt, 'teen of 
't andere ingrediësjt, «o» nehte dit of dat; d»4oriorit wonde heto»^ 
daneéi men danêe^ rondom het» In de spreektaal is bet vtevdrongen door 
't derde passief ({ 11&, 2^), -^'^^ Over den oorsprong van da^ zie Auni. 
onder § 63. 

Wat het gehruik van kot eerste pamefhtif^% men besïgt het gi^r^ § 106. 
ne, zoo 't geen, waarvan de inhoud vmi 't werkwoord uitgnat (deogene, 
snbject van 't actnrf), of 't geen » waarop het a]s handeling voorgestelde > 

onmiddelijk betrokken wordt (patiene, object van 'tactief)^ 't zij bekend / 
of bepaald is; b< v. lao ma ibana m^deing-^edang tu M^an^, dida ma par- 
bmoe m rukktmg^angg^ nmga aai marrara ($ 52, 3°.) di*baen lamunna 
(Ib. bl. 1), hij ginff zich naar Ifuiêen vermeen , (en) door inem teerden 



160 

ffêtie» rnkkmg^hanggik vmchUn sUsds rood wegens hunne rapheid (die 
rood waren van rijpheid); <^* ma ro dóH-dóU in lambungna (ter zelf- 
der plaats), door haar gemelde Vorstin) werd gedroomd, dat een jonge- 
Ung aan hare tijde kwam; t^op ihurhón, dUd unang di-paluwa ho (Ib. 
bl. 1S9), pak aan deze mjjn staart, maar worde die niet door U losgela- 
ten (laat die niet los); di-soluk ma èadju-èadjuna i (Ib. bl. 129), doorhem 
werd z}jn huis aangetrokken; di-^eng ma tu toru (Ib. bl. 80, r. 4), door 
haar (waarvan reeds gesproken is) werd naar heneden gezien, maar eenige 
regels verder in 't actief manaili musé ma ibana tu gindjang (hjj keek 
weder naar boeen), omdat de persoon als een nieuw onderwerp wordt 
besproken. Zoo op den agens de nadruk is, 't geen natuurlijk ook 't ge- 
val is in een vraag met wie?, dan bezigt men 't actief; b. v. ise mambu- 
wat, wie heeft het ('t reeds te voren genoemde buisje) genomen?; si-anak 
fit namboruna hapé mamluwat badju-badjuna i, haar verloofde r^Z^ (nie- 
mand anders), blijkt het, hetft haar bui^e genomen; ise do manggarari 
utangmt, wie toch heeft uwe schulden betaald?; aha mamunu, wat heeft hen 
(de gemelde bewoners dier vijandelijke huta) gedood?; au do mambqju i 
(Ib. 15, r. 11 V. o.), ik zelf heb ^^ huidel gevlochten; debate do mana- 
djomi, de Goden hebben die (te voreu genoemde dorens) scherp gemaakt. 
Ook zoo de nadruk ligt op den wil, bezigt men 'tactif; b. v. na naing 
mamunu do ho di au (Ib. bl. 295), g\i wilt m^ dooden; molo hamü ma- 
munu au, beha baenon (Ib. bl. 16, r. 5), indien gij mij wilt dooden, wat 
kan ik er tegen doen? Bat 't object bij 't actief onbepaald of onbekend is, 
is § 46 reeds gezegd. Men zal nu ligt begrijpen, waarom men niet di- 
hmoat ise {door wien is het genomen?), di burnt aha, enz. kan z^gen, 
maar altigd b\j ise en aha 't actief moet bezigen. Van dior ook, dat 't 
substantief of voornaamwoord, dat als agens optreedt, de beteekenis 
van ze^, i» eigen persoon kan hebben zoo 't actief gebezigd wordt; b. v. 
nung i nuMgaUjan pogu ma si-éffonaha duwa Utsang diparanganna na 
mamunu musu inon, anggo na duwa musuna na mate i indaong diAehon 
pogu, ai si-éfjonaha inon do mamunu musu i na duwa (Ib., bl. 226), ^or- 
op ging Djonaka een pogu betalen, twee bitsangs, aan ejjn krijgsknecht, 
die gezegden tijand had gedood, maar voor de twee overige vijanden, die 
gesneuveld waren, werd door hem de pogu niet uitbetaald, want Djonaha 
zeifhad die twee vijanden gedood. 
{ 106. Dit passief, zoowel als het derde (§ 114), kan voorts zoo gebezigd 
worden, dat de voorgestelde handeling haar beslag nog niet heeft ver- 
kregen, zoodat zy slechts een bedoelde is ($ 45). Deze beteekenis heeft 



161 

het vooral in tegenstelling met t tweede passief ($ 108), of de stam- 
woorden, die op dezelfde wijze als H tweede passief geconstrueerd wor- 
den (§ 110); b. V. di'dadapf indadcng dapoUa (§ 110), door hem werd naar 
dien neerhangenden wortel gereikt y niet werd die door hem bereikt , h^' 
strekte zijn hand er naar uit, maar kon er niet bij komen; d%4ogu, in* 
dadong tartoguea (§ 109), door hem werd aan het ding getrokken om het 
voort te krijgen y het konde door hem niet voorgetrokken worden; djuppasa 
(§ 110) ma uloky ck^ppat mapiso t, indang taruppatsa (§ 109), door hem 
werd een üang aangetroffen , en door hem werd getrokken aan H eydewa» 
pen om het uit de schede te krijgen, niet kon het door hem ititgetrokken 
worden. Ook 't verband kan het deze beteekenis geven; b. v. éSnum ma 
di djtdu flaomatu éf/ae, h^ wilde van 't water beneden (aan den zeekant) 
drinken, het ging naar boven (naar den bergkant); k^* wüde er van drin- 
ken boven, het ging naar beneden; di-takkup ma tj^an tanduk ni horbo i, 
lao iu ihuma; xU takkwp ma t^an ihuma, lao tu tandukna, Ay wilde ge- 
melden vogel aan de horene van den duffel vangen, de vogel ging naar de 
staart van den buffel, hij wilde hem vangen aan de staart, de vogel ging 
naar de horens van den buffel. Soms wordt tui4 er b^ gebezigd, om 't 
gelukt zijjn der handeling aan te duiden, maar dan kan 't verband nog 
zoo z^n, dat er een ander woord noodig is, om 'tal of niet plaats heb- 
ben er van uit te drukken; b. v. di-gadis haiak ma tu radja i si-sala- 
mat pandjang gumba, dung ni, asa di-tuhor radja i ma tutu (Ib., bl. 89, 
r. 12), door iemand werd 8. F. O, aan den Forst verkocht, dat reeds z^nde, 
werd hij door den Vorst werkdjjk gekocht, maar di-bola ma tutu haju i, 
manigor maponggól ma takke, door liem werd getracht den boom te kloven, 
terstond daarop brak de b^l (zonder dat de boom er door gekloofd werd). 
Om 'tal of niet gelukken uit te doen komen, bezigt men er woorden 
bij, die een getroffen e^'n (b. v. hond), een doorgaan (b. v. sau{), of een 
verkregen worden (b. v. dapof) beteekenen; b. v. songon na habang do, 
hu-ida, pidong ituna dao sowada hona di-Mop ho, als vliegende naarde 
verte wordt door m^ gezien die vogel zonder door U geblaasroerd ge- 
raakt te zijn; mólo na tutu do na hona ni-ultopmt, zoo 't waar is, dat ge- 
troffen is hetgeen, waarop door Umet 'tblaasroer geschoten is, enz.; nunga 
dapot au ho hu-mop, reeds z^'tigif door mff verkregen door m^ gepakt; 
dapot di4ijap timus ni api na di ngamgar i atap ni hudon i, de onderkant 
van die pot werd door de rook van 't vuur, dat in de potscherf was, ge- 
Makerd; aha di-boto hopagahur baiu on, asa saut hu-pauU hami baen 
parau, wat wordt door U geweten om dezen steen zaM te maken, opdat 



162 

er door om werkél^k e^ vaartuig eau gmaakt worde (opdat het ons g»- 
lukke er een vaartuig van te maken). 

M. Als Toorbeelden alUer mogen dienen: di-Hham tja ma bajo i, nada hui, 
door han werd naar gezegden man gestoken , niet werd die getroffen; di-Upai ija 
Anting i, nada Aona, door kaar werd naar de kat geslagen, niet werd die 
geraakt, 

{ 107. Verder moet opgemerkt worden, dat b^ dit paasief 't subject door* 
gaans met een praepozitie» die een rigting in zieh aLoit (meestal tu% 
wordt ingeleid» zoo 't werkwoord een beweging of rigting in zi(^ sloit, 
en men bij 't subject aan een plaats kan denken; en dan kan zelfs een 
intransitief optredend werkwoord dezen passieven vorm hebben; b. v. 
di4imbwng ma tu aek, doer hem werd gespronffon naar de rimer (h\j ging in 
de rivier springen), niettegenstaande tMuin^ung intransitief gebezigd 
wordt; di^ikkir ma ttfgadoug, door hem werd koert gezei naar de gadon^ 8, 
naar den akker waar gadongs geteeld worden (hy giMgvoAX den gadong- 
akker); du-porsan tdiéopna », cMapoéi tu harungguan t, door hem werdg^n 
blaasroêr geschouderd, en door hem wêfd de vergadering begoeht (hij gittg 
de vergadering bezoeken); maUangei (§ 64) ma porhie, H goU ma tu huta, 
de mieren zwommen » en gingen de huèa vullen; midjur ma ei^obak sjjan 
bagas, di4opoé ma tu harbangan », B. ging naar heneden van het huie, en 
door hem werd naar de poort gegaan; di-taüihon ma tu hamhirang, door 
hem werd gekeken naar de linkerkant ; di-tadikkon ma tjjan i, iudadong 
saut mimum ióana, hjf verliet diepiaati^ en van zjjn drinken kwam nietSy 
hoewel 't subject ook zonder praepositie kan voorkomen, wanneer het 
niet een plaats ia: b. v. di-tadikkon ma na matena i, door hem werden 
zijne dooden achtergekden, Dii gebruik van 't paaaief heeft verdere uit- 
breiding gekregen, en wel zulk eene,. dat züh werkw. die in 't actief 
nooit transitief optreden, dezen passieven vorm aannemen; behalve hd; 
boven aai^ehaalde di^tiwAung vindt men ook di^loó^'ong, ofschoon een 
mangaloéfjong als transitief werkwoord niet voorkomt, en men 't intrai»- 
sitieve maUodjong m 't actief Tooet gebruiken; b. v. ro ma ai-bobak dir 
locfjong ma tu dalan i, Bobak kwam, en Uep hard naar gezegden weg. 
Soms kr\igt een transitief werkwoord in het passief, op deze wijze met 
een psaeppzitie gebruikt, een gehe^ andere beteekenis; mandjuidjul 
b. V. heeft in 't passief zyn subject zonder praepozitie, sboo het: t» 
weerwil van iets gaan beteekent {M-dftdtSsul ma udan na dorae i, door 
hem werd in weerwil van dien zworen regen gegaan), maar met ^ be- 



168 

teekeat het sleeiita erg^M nuar toe ^rwm, van iemand, die in verlegend- 
heid ia; b. v. iu dffa ma tO'^ldjui^ werUmariê ioek zMem we ana be^ 
gtüen? Nog eeikige voorbeden voeg ik hier bgt éü^panigorhom (§ 116) 
ma nijdn iu htUammdat hii etmdê regUikeekê naar z^n huia gegaan «i/b, 
zoo niet, ens,; düotaUom naaida ü dalan t, door ken werd een rei ge- 
formeerd 9f gezegden weg^ z^ liepen in een lei achter elkander op dien 
wQg; dh'kaiakkon ma Ut gincdjang (Ib., bl. 181 onder), doof kern werd naar 
boven gevlogen ^ waar iabang sonde gebruikt ogn, aoo de ag«m« niet reeds 
bekend was (} 105). De transitieYe werkwoorden met 't aanheehtsel hon 
z^n Tooral op deze w^'ae in gebruik, daar in de oorspronkelijke betee- 
kenis van ^ aanh. een ngting opgesloten ligt (bl. lOS). BQ een diergel^k 
gebruik van 't passief kan men het subject ook als verzwegen beschon- 
wen, door aan te nei;Den , dat een woord weggelaten is, dat 'i s^ lieiaam 
of een deel er van voorstelt, 't z^ een, reflezif voornaamwoord ia; door 
kern werd gevlogen met zich naar boven, door kern werden hnnne ligoha- 
men op den weg in een rei g^fiaaiet; door iem werd met ojn oogen naar 
den Unker kant gekeken (vgl. de pas aai^haalde voorbeelden). Immers 
't teflexive voornaamw. of een substantief, dat als zoodanig optreedt, 
wordt dikwijb verzwegen, zooals reeds gebleken is uit } 66 *. In ^m- 
wari nasida tu balkan (js^ gingen naar bmten) moet men de plaats, die 
ontruimd wordt, ah verawegen subject besi^uwen '. 

D. 1)ezigt wel eens een werkwoord met 't aanh. •; b. ▼. i-ioBangi mi tëruA, 
door hem werd naar beneden gevloden. Overigens verschilt deze fongyal niet van 
T. en M^; ran daar i-soMën mi fêruh, door hem werd aangekomen naar heneden^ 
(hij maakte dat hij beneden kwam). 

2. Het tweede Peeekf. 
Om dit passief uit te drukken wordt voor den nominalen vorm 't § 108. 



^ Van 't gebmflc van 't paaiisf dtr op bl. 130 behandslds witkwoordeo laogcn 
de volgende ▼ootbMlds» Bog aangekaalé wordoi: di-padaeip eiikam na rmeam- 
gen ma tuHi, de hfiUê' êiêkam^êiam eieei gHcA wm4te^kr patingom ma muê», 
skêii u weder; poênéf^ djelo aU Morbó aea kakkü kamt in ianggarwngmt , hg 
V neder att fê MS^/ h^el! ofdai we op nw m^ eê0gen. 

^ We knmea ket t erste paiiief veer goei wedirgevea door ons aetief met 
6cn vi^niaamwoovd zonder Idem litgMfrokaa; b. v. ia»alap ma, kale» we kei. 
Dit drcnmstantiëele passief verdient wel het eerste genoemd te wofden, daar het 
onder alle passieve vonse» do» eersten rang bekleedt. 



164 

voorhechtsel tar^ oï ha^ geplaatst. Altijd bezigt men 't voorhechtsel 
Aa, zoo 't actief 't aanhechtsel i heeft, dat in dit passief vervangen wordt 
door An, Dit passief drukt de uiiooerbaarheid der voorgestelde hande- 
ling uit, en wordt dan zeer vaak te gelijk met een ontkenning gebe- 
zigd. Steeds is hierb^ de wil van den agens buiten 't spel, zoodat dit 
passief ook de toevalUgkeid uitdrukt. Waar dit laatste 't geval is, moet 
men altijd 't voorh. iar (§6, IV) bezigen, behalve b^ de werkw. met 
't aanhechtsel t, die in dit passief 't voorhechtsel ha moeten hebben, 
terwyl b^* de werkwoorden, die geen aanhechtsel of 't aanhechtsel ion 
hebben, Aa naast tar in gebruik is, mits de uitvoerbaarheid bedoeld 
wordt. Dat dit passief ook als eenvoudig passief kan optreden, hebben 
we boven (§ 100) reeds gezien. 
$ 109. 2oo de persoon, die de voorgestelde handeling al of niet heeft kun- 
nen volvoeren, vermeld wordt, dan wordt 't substantief of voornaam- 
woord, dien persoon aanduidende, onmiddel^jk achter den nominalen 
vorm geplaatst, terwijjl ibana door 't aanh. sa wordt vervangen; b. v. 

indanff haiuwatta (of tarbuwatsa), het kan niei door hem genomen 

worden. De overige voornaamwoorden bleven ongedeerd; b. v. tariuhor 
kUay het han door ons gekocht worden; iartuhor au, het kan door m^' ge- 
kocht worden. Als voorbeelden van dit passief mogen dienen: iairUikOT 
hita do na sa i, kan het door ons voor eóoceel gekocht worden?; indang be 
hapatangi'tangi (zie bij de herhaling) sowarana i, niet meer kan aange- 
hoord worden e^n stem; indang be Aapaida-ida te ni horhona i mabaor tu 
tapijaUa t, niet m^er is te zien de drek van zyn buffels vloeijende naar 
onze badplaats (het is niet mogelijk bedaard te blijjven aanzien, dat de 
drek van z\jn buffels onze badplaats bezoedelt); vgl. tartogusa en tarup- 

patsa in de aanhalingen in § 106. Zoo dit passief de toevalligheid 

uitdrukt, kan het door een ander woord van den agens gescheiden wor- 
den, en moet er voor 't substantief of voornaamwoord een praepoziüe 
gebezigd worden; b. v. tarbegé ma tu %t, het raakte gehoord aan ge- 
zegden persoon; tarbegé ma tu nasida, z^ hoorden het toevaiUg, het kwam 
hun ter ooren. Waar het een active beteekenis sch^nt te hebben, zoo 
als in taruU (zie Wdb. onder uli)^ is het toch te verklaren als een pas- 
sief, dat als 't ware een toestand voorstelt, daar de wil buiten 't spel 
ig. ...^. Een vragend voornaamwoord als b. v. ise^ mag nooit achteraan 
komen; van daar ise ma na.tarhona dege bagas on, wie zou het «^, die 



Over de oorspronkeiyke beteekenis sie Aant. onder $ 147. 



^lcve..J*-V- «^ 105 / / / -^ 

t» «toai^ i» dit huis te betreden? (wie zou zich verstouten dit huis ie 
bezoeken?). 

Er zijn stamwoorde»^ die op dezelfde wijze als H tweede passief wor- § 110. 
dw geconstrueerd; z^ zijn djuppa oidjuppang^ dapot, suda en tamd; b. v. 
é^uppasa ma ulok^ hij vond hjj toeval een slang; ulok na djuppasa t, de 
slang, die door hem Hj toeval gevonden werd (dien hij ontmoette) ; t»- 
dadong dapotsa^ hjj honde het niet in handen krjjgen; aHttupe indang 
adÓng dapot om, télfs een kleed voor mij (§ 151) is door mij niet kun- 
nen verkregen worden (ik heb zelfs, waarmede mij te kleeden, niet 
kunnen krijgen); na dapot djuiji do i, die door het spel verkregen is is 
die (hij is iemand, die door 't spel in slavernij is geraakt); dapot tarihon 
i si-paundot, door gezegde tarihon is een sp-paundot'Vogel gevangen; in- 
dang tamd ho, indang tamasa (zie Wdb.); indang sudau (§ 8), indang su- 

dasa (zie Wdb.). Zoo een woord er tusschen in gevoegd wordt, dan 

wordt het subst. of 't voornaam w. door een praepozitie, meestal di^ in- 
geleid, en 't aanh. sa moet dan door ibana of nasida vervangen worden 
v(§ 109, onder); b. v. dung dapot saluhutna di anggina, toen alles dom* 
zijn jongeren broeder verkregen was^ of dung dapot saluhutna dibana (of 

di nasida). Zulke woorden kunnen ook op zich zelf als substantief 

optreden, mits bepaald door ni en een substantief, of door een pronomi- 
naal aanhechtsel, terwijl dit met den vorm met het voorhechtsel nim- 
mer kan; b. v. djuppa ni mamis, het aangetroffen worden van H stervens- 
uur; dapotnamiy ons gevangen worden (ons de dupe er van zijn). 

M. bezigt ^a van bezielde voorwerpen (vgl. onder $ 102), maar anders ook 
*t aanheehteel sa; b. y. iarhutoai tja, het kan door hem genomen worden; dapot 
tja = dapotsa. Voorts worden bier ook kona en talu op dezelfde w^ze gecon- 
strueerd; b. V. nada tdiu au, hij kan door mij niet overwonnen worden (ik ben 
niet tegen hem opgewassen); talu hisuknija do gadja, een olifant is door gijn 
loosheid kunnen overwonnen worden; honasa, door dat ia bet getroffen (dija ma 
hu-ida na honasa i, waar is, dat ik het zie, wat er door getroffen is f wat de 
vermelde foik heeft kannen vangen). 

B. bezigt ook tihr big de werkwoorden met *t aanheebtsel i, dat hier door ht, 
in plaats van an (bl. 36, III), vervangen wordt; b. v. tMëbmhi = hatobusan; 
tëritjinghi sHgséng mo kunukën dahan kajuwara pëmvngkakën (Ib., bl. 139, o.), 
de hoofdtak van den ficusboom werd door de sHgshtg hij ongeluk bescheten (miF- 
ngitjingi = mangitingi, bl. 103); tëmakanën (Ib., bl. 174) = haindahanan 
{mënghtakam, $ 50, 1*"); tèrtjekephi aku (Ib., bl. 246, h.) ^ hatifopan au. Daar- 

6 



166 

eateiKen bexigt bel kengitin van ^ngèi (:= ingai) in de beteelrenis ?eii phUehrngf 
ieU in 't hoofd krijgen, en dan wordt de penoonaandoiding voorop geplaatst; 
b. V. fdang (^ keng^ün aku nina minghnMangkH, opémt ktt Aam uiet in *t 
hoofd kome U zaggtn, dat ik h^t ie so^k heb goiraeht. Door anlk een conatiac- 
tie wordt de persoon voorgesteld als in een toeatand te verkeeren, te we^ ge- 
brsgt door 't geen 't werkwoord voorstelt. Zoo ook bezigt men kë, waar dexe 
paiaive vorm een beroofd aljn, een overvallen worden (( 112) betedcent; van daar 

ki]^Gn naaat kimaii» s^ maieaM (j 134); kHtagön = m^oa», ièrpemgan 

besigt sum met de beteekenis van ietk te eim kuumfn krijgen (kano Urpangmn 
nakan, gê hebt gekookte rfjei ie eten kunnen kragen), •— --* Overigens ia bier 
't taalgebruik 't zelfde; b. v. aku ënggo dj'umpa (ffëiak, ik ben im een (f/ëèak ge- 
raakt (er door kannen gevangen worden); iërdëdoh aku (lb„ bl. 198, o.), z$ 
zt^ niet ofzeite^ijk maar bj toeval door mü pertrt^i geworden. 

{ 111. Voorta bezigt men *t voorheobtael taf ook voor intransitief gebe- 
zigde werkwoorden eu substantieven, 'tz\| formele of niet, om een toe- 
stand aan te duiden, waarin door 't lot, bij ongeluk of toeval, verval- 
len wordt, 't Werkwoord moet dan een passieven of nominalen vorm 
(§ ao» VII) aannemen, terw\il in dit geval alt^d 't voornaamwoord, en 
nooit 't aanhechtsel «a gebezigd wordt; b. v. (arpodam Uwna^ kp is in 
slaap geraaU (modom); iargadis ibana^ hij t4 door *t ongeluk verleocM (in 
slavernij geraakt, margadts^ bl. 100, Aanm,), £n zoo vindt men Uur- 
Mut, tarpindjU, en andere passieve vormen, die allen zulk een toestand 
voorstellen, zonder dat er altyd een active vorm tegenover staat. Met 
een negatie beteekent zulk een vom weder nifi kuimm in dien toestand 
gerakm; b* v. indang hs tarpodtm ibana^ kif koude niet meer i» slaap ko- 
men (het gelukte bem niet meer te slapen, door dat geraas). Yan een 
^ substantief a%eleid, beteekent dea^ vorm bei in een toestand geraken, 
die 't gevolg is van de werking van bet door 't substantief voorgestelde; 
b. v^ toffodung^ in, een kml {godw^} rakets, tarsugat door een suga hig 
ongeluk gewond worden^ farbamr, tarkaiak (zie Wdb.)» «^QX. 't Subst. 
kan in dit geval ook een adverbiale beteekenia hebben (} 124), alsof 
het met een praepozitie er v^or als m woord optrad; b. v. tarduru^ aan 
de kant raken y verdrongen worden door een ander, die meer naam heeft; 
b. V. na dung tarduru ibana haemmruM (Ib., bl. 12, r. 5 v. o.), voorzeker 
gal èü door ü aan de kant raken (men zal niet meer van haar als van 
een mooi meisje spreken, zoodra men U gezien heeft); tarpudi^ achter 
raken (di-pudi^ achter^ $ 166). — Met hom heeft het voorhechtscl 



167 

de bepaalde beteekeuis van i» 9têuU tijn^ ziek veraümim, en dan kan y^ 
achter hona nog een nominale vorm geplaatst worden; Urhma dê^ 
(J 109, onder) is due als ^ + hona-dege op te ?atten (} 101, «^. -^ — 
Over taripar asie § 32, Aanm. 

Zoo dit passief van een substantief afgeleid is, en een Torm heeft, {112. 
dien. het, a%eleid van een werkw. met 't aanheehtsel t, moet hebben 
({ 108), dan beteekent het (foervaUm werden door Hgeen dat ËuèêtanÜrf 
voofêteli; b. t. kabornginan, door de nacht ooervcUlen worden; kaudanttn, 
door den regen overvallen worden. Zelfs van twee woorden maakt men 
znlk een passieven vorm ; b. ▼. hagodangan aek (of habóUman t^ok), door 
koog waier ooeroaUen worden (soodat men de rivier niet durft door te 
waden); katorangan ari^ door ket daglkkt overvallen worden; kabotan 
ari, door den avond overvallen worden. Zulke vormen knnnen wijjders 
ook gevormd worden van een werkwoord, eonder dat het 't aanheeht- 
sel i behoeft te hebben; zoo vindt men b. v. van matoröan en maguling 
(4 44), katorhanan dohk, door een berg overstort worden; kagnlingan 
batu, door een rat% overróld worden (een rollende rots op zich krijgen); 
zoo ook karoppakan kariara na bolon, door een grooten fieueboom overval- 
len worden (eea groeten ficosboom op zich krijgen)^, kadondonan dolok 
kan men ook van mandondoni afleiden; vgl. kapulocm^ kapuUongan, 

enï. Sommige woorden van deeen vorm knnnen niet op 't eerste 

gezigt op dezelfde wijze verklaard worden, daar tij door 't gebruik 
hunne beteekenis gewijzigd hebben; b. v. kadaijany verlekkerd njn 
(door de smaak overvallen worden); kadebiddn, door de Ooien vervïoekt ^^^^ 
worden^ enz. Met een negatie volgen diergelijke vt)rmen den algemeenen . 
regel (§ 109); b. v. kaba^kaba na eo kadingdingan, een storm cRe niet kan 
besekot worden (waartegen geen beschot bestand is, of waarvoor men 
zich niet beschutten kan). In dit voorbeeld kan kadingdingan als van 
een werkwoord mandingdingi (voor of tegen iels een besekot maken,^ 160, 
1**.) afgeleid te zijn beschouwd worden, zoodat de letterlijke beteeke- 
nis is: waarvoor geen besekot kan gemaakt worden, Als b^' woord is 

kadttwdn (§ 82, o.) in gebruik (pp den tweeden dag na dezen, overmor- ^ "" 
gen); vgl. kêtèlün (D.). 

M. heeft kaduwan in plaats van hadnwdn, en voelt das de afleiding van duwa 
niet meer. 

D. heeft këduwan en këtëlun = patoluna (§ 68). 

Vdor een kwalificatief werkwoord heeft *t voorlicchtsel tar een ver- § lis. 

6» 



/ 



/ 



168 

miaderende kracht, overeenkomeBde met onzen uitgang acMg (Eng. 
ish). De Torm passief zgnde, zoo valt 't voorhechtsel tna weg; b. t. 
tarfforsing, geelacMig z^n, van garsing; tarbottdr, wUachUg z^n, vau 
hottdr (§ 42), enz. Voorts heeft het de beteekenis van eenigzituhï} 
werkwoorden, die een toestand of beweging voorstellen, maar dan 
moet de passieve vorm den klemtoon op de laatste lettergreep heb- 
ben; b. V. tartuwdt (van tuwa£), daalachiig, d. i. eenigdnê 9chu%M ge- 
houden 9 b. v. van iets, waarnit men schenkt. Ook voor een substantief, 
waarvoor nog een praepozitie, heeft 't voorhechtsel dezelfde beteeke- 
* nis; b. v. nung i magulang èadju-badju i tartutalaga ni hagoê t, daarop 
rolde het huisje eenigzine naar den kant van * thuis, toaar de talaga ie (het 
bereikte rollende de talaga niet volkomen, omdat het niet rond was); 
di'pasurut (bl. 180) tartudjambur , wetende, dat er aan de deur een bot- 

tang gespannen was, week hjj eenigzins terug naar de djatnbur. 

Zelfs vdor werkwoorden met 't voorhechtsel mar vindt men 't voor- 
/ hechtsel; b. v. tarmdlluèdng, eenigzins gaten hebbende; tarmarturpük-iur- 

puk, als H ware in hoopjes zynde. In dit geval moet de klemtoon weder 
naar de laatste lettergreep verplaatst worden. 

0. Zonderling s^n de vormen tarpalobi en tarpaturung, daar zij juist 't te- 
gengestelde, namentl\)k een hoogen graad der hoedanigheid, aanduiden. Z^j wor- 
den als praedikaat van een hoedanigheid gebeeigd; b. v. tutu do marsigulut halah 
mambuwai ho, ai na iarpasurung ma rupdm attóng tijan rupa ni Aalai (Ib., bl. 
12 m.), met regt twist men om uw bedt, want uw voorkomen is zekerlijk verre- 
weg uiistekender dan die van een ander; ise ma si-bt^u hadf'utmón, na tarpasu- 
rung ma hamalonni mambt^u (Ib., bl. 16, o.), wie toeh is de vlechiater van deze 
uwe betelbuidel f zeer buitengemeen is hare bekwaamheid in 't vlechten/ Men 
zal beide deze vormen als passiven moeten verklaren, die de beteekenis van een 
eenvoudig passief hebben, en zal ze dus dienen af te leiden van een actief pasu- 
rung(hon) en palobi(hon), zoodat z§ letterlijk: uitstekend gemaakt oi geacht en 
meerder gemaakt of geacht beteekenen. Hissehien moet men echter bij de ver- 
klaring van deze zonderlinge uitzonderingen aan Maleischen invloed denken (zie 
Aant. hieronder). 

b. In plaats van 't voorhechtsel tar bezigt men ook songon QfeUjk, alt) v6or 
een kwalificatief werkw. voorafgegaan door na. 't Werkwoord of aldus optredend 
substantief ($ 43) heeffc dan den klemtoon op de laatste lettergreep; b. v. son- 
gon na botter hu-ida (bl. 91, boven), songon na musü (f 43, a). 

D. bezigt 't hulpwoord narih het vooraan plaatsende; b. v. north gërsing = 



169 

iargornng. Zoo het dit woord te gelijk met 't voorheehtsel ilèr bezigt, dan drukt 
het te gel^k een veronderatelde mogelijkheid uit; b. ▼. muda narih ièrhangke 
kono mëraiëng panganën i aaar idi nari, tënggokën bat natni, asa ku-taruAi kamt 
panganën ko (Ib., bl. 138, b.), zoo ge eenigzina onwillig mogt zijn ëpijt van 
uit *i nest te gaan halen, roep hef ons dan toe, opdat Mte JJ spijs toevoeren. 

Voor een telwoord een eenheid voorstellende, zamengesteld of niet, bezigt 

men 't voorheehtsel om 't telwoord een distributieve beteekenis te geven; b. v. ^^ 
asa i'biSrekèn mo olës iërsirambar si-singkam dëkët si-barbaren, daarop toerd zoo- 
tfel door S. als door B. één kleed ten geschenke gegeven (ieder honner gaf aan 
zt)n schoonbroeder ^n kleed ten gesehenke); khina mënggërit tërsikali, ieder 
van hen allen tokkelde 't instrument éénmaal. Som» met be ($ 76*) te gelijk; 
b. V. g<ènêp tifrsada be mërbadja-badju na sa-si-lako idi, ieder van die gingen 
had een buisje aan. Verder te gelijk met een werkwoord met 't zamengestelde 
voorheehtsel mèrsi (bl. 139); b. v. pëndoki mo na sa-kaltumu idi si-mërkabhtg 
kMna mërsisintak kabëngna tërsada be, zeg aan allen, die even als gij vede- 
ren hebben, dat zij iedef* zi'eh één veder nitfrekken. 

Jont. In 't Mal. geef f 't voorheehtsel lar een hoogen graad ter kennen; 
even zoo in, 't Alfoersch van de Minahasa» waar het den vorm (aha (of tah voor 
woorden, met een klinker beginnende) vertoont (vgl. maka of »ia>l voor een • 
klinker, bl. 186 onder). In 't Ngadja-Dajaksèh vindt men ta en tara als voor* 
hechtsels van 't tweede passief; b. v. tapatiroh ^ = iarpodom, van batirah (in 
plaats van matiroh, bl. 95 boven); taraduwan = iarbuwat (vgl. Aant. onder 
M47). 

3. Het derde Fasmf. 

Dit passief bestaat uit den nom. vorm, ea de praepozitie ni (§ 159, § 114. 
»**., AanU), die in in wordt omgezet, en in dezen vorm nu eens inh., 
dan weder voorheehtsel is (§ 26, Aanm.). Zoo de agens er bij vermeld 
wordt, en door een substantief genoemd, dan plaatst men dit door ni 
ingeleid achter den passiven vorm, terwijl men een der pronominale 
aanhechtsels bezigt, zoo slechts een voornaamwoord als agens optreedt; 
b. V. na pinyo m hordja, die geroepen zijn door een feest (mamyo); arta 
na tinadikkon ni amana », c^e goederen, die door zyn vader zijn nagelaten 
{manadikkón); ni-dokku, het door mij gezegde (mandók), ni-tddm, het 
(foor U gedane. Het aanhechtsel i wordt in dit passief ook door an ver- 
vangen; b. V. tinortoran van manortori. 



^ 



* Dat hier de p in plaats van b gekomen is, is wel een bew\is dat 't voorh. 
ba oorspronkiyk ma was. 



170 

K. Ittsigt Bteedi ni (vgl. D.), behalve in enkele geheel als eahstantief ge- 
v" bengde woofden, loo eb na binmtat (S 11&)« 

P. even ali M.; b. v. m-pUèhhufilH mm naMgkai $na = pinabongat ma nai- 
kal on; ti-m-piné^jamkhma (bl« 86, IV en 5 71) bai 3= na pinaindjafponMa «a 
1^»; ni'përiirbo rss pimriorbo ($ 115, 4°.); i^ëfui^ibt n-mipepandékeaiu idi, 
't ifMêr, dai door wtjf aan hem ter vermetUmg werd gegeven (= boeikku na 
pinapandeiatti); eê^mperbadjuna =s na pinarbatffuna: ni-pHupa =s. pmatnpai 
m-gërarë» (U. 36, III) = ginowaran, ens. Daarentegen tinènggongku, mijn 
géinnieerden {mijn gast of mijne gaeten}; dimiloMa, »ijn gnneiteerden; vgl. 
dinaiangen {mèndaiang*}^ dinarohén {méndaroht), en nog een paar aUf sabr 
stontiTen gebeagde woor4en. 

( 115. Wat hd gebruik bekeft van ket derde pamUfj bet volgende is er bi) 
op te merken: 

1"*. In een aUribuHeve timaede^ zoodat bet overeeakooat met ons lij* 
dend deelwoord, wanneer dit ak adjectief een substantief bepaalt, 't 
Bektieve voornaamwoord «a wordt er ia dit geval vaak te gel^k bij 
gebndkt, maar wij moetett dit dikwyls dpor een relatief bijwoord, of 
een relatief voornaamwoord in den vierden naamval vertalen; b, v^j^ 
d(mg na niMopmt , de vogel waarop door U met 't blaasroer gesohoten is 
(de toffd die door Ugeilaasroerd is); babi na ünakkona t, 'I varken, dat 

li^ gestolen beeft ('^ parken, dai door hem gedoUn ie). In een 

vraag, die bij ons gerigt is op 't object van een werkwoord in 't actief, 
bezigt 't Bat. dit passief, en maakt 't vraagwoord tot bet snbject (zie de 
reden § 147); b. v. aha ni-ulém fu ladang o», wat gaat ge (§ 86) in dU 
land doen? (letterlijk: wat wordt door ü naar dit land gedaan)*, aha na 
/ "^ pinaeahammu, wat ie 't geen waarop door U steeds geklopt wordt (waarop 
klopt gij steeds P). Zonder een agens er achter, heeft dit passief na- 
genoeg den zin van een eenvoudig passief, zoodat wij het te vertalen 
hebben met een lijdend deelwoord, of door een actief met een onbe- 
paald voornaamw.; b. v. ngingi na ni-lotUhy gevijlde tanden ^ tanden die 
men gevijld heeft. Zoo men 't relatieve voornaamw. na er niet bij be- 
zigt, dan krijgt dit passief de beteekenis van een substantief; b. v. ni- 
uwak ni-goppul, *t door een heer afgescheurde (d. i. boombast, door een 
beer afgescheurd); ni-uUopmi, 't door U geblaasroerde ; tinakkomi, 't door 
U gestólene, Uw door diefstal verkreg ene goederen. Van daar een me- 
nigte subdtantiven van dezen vorm; b. y.pinakan, waar naast ook napi- 
nahan in gebruik is, vee (^t gevoederde); sinonduk, de man van een 



171 

vrouw, husband {de geen voor men épge$chipi worde '); hinaon ^, alge- 
meene benaming ven 't geen men spant, set, enz. om iets te vangen 
('^ gespannene); pinijo ni bodily eifdand van een geweersckoi ('t door êen 
geweer beroepene) als benaming van een lengte-maat: sappinijo ni bodü, 
200 ver dia een geweer draagt, één gevoecrschot-afetand, Diergelijke sub- 
stantieven worden ook gemaakt van intransitieve werkwoorden; b. v. 
pinodom, H tijdstip van den nacht ^ waarop men 't diepste slaapt, het in 
daap zyn ^ bij uitnemendheid, meestal met een telwoord: sappino- 
dom, de eerste slaap oï nachtrust. Voorts heeft men als benaming van 
tijdmaat tinasak napuran (sattinasak napuran, zie Wdb. onder tasak) 
van een in T. verloren gegaan manasak, \qxw\]\ tinasak alleen nog 
in gebruik is als benaming van een maal (zie Wdb.), en letterlijk 

het toebereidde beteekent. Als zulke passieve vormen moet men 

misschien ook nitak en nipi (§ 8) verklaren, zoodat zij letterl. 't tot meel -^ 

gemaakte (van m^ngitak), en 't gedroomde (van mangipt) beteekenen. Al- / 

leen met 't voorh. mar is binegé met een bijzondere beteekenis in ge- 
bruik, zoodat marbinegé {kumen hooremt ajs fiuniheit van de ooren ge- 
zegd) letterlijjk in 'ibemi ssijn van 't gehoorde (§ 52/1, l^ ü.) beteekent. 
Yan de ooren bezi^ men ook marnoMgi in tegenstelling van Wiarüntmigi 
(zie Wdb. ttmgi^, zoodat nangi. misMhien een afgeknotte vorm is van 
Hnangi (f 82, III) , om ia overeenstemming te zijn met tiuxmidA (bi. 
100, Junm,)^ dat oOk htuHen zkn^ 't termiofen hebben van te zien (als fa- 
•eniteit van de oogeti gezegd) beteekei^e^n kan. ^^-^ Soms woraLt een 
-substantief van dezen vorm in tegenstelling van 't passief* verbale sub- 
stantief gebezigd öm i^ts voor te stellen, dat de door 't werkwoord v^- 
beeldde handeling reeds ondergaan heeft; b. v. iHdahan^ het gekookte 
b\j uitnemendheid (pekooMe rijst) ^ in tegenstelling van dah(mon,hetnog 
ie koohene (ontboiêterde r^d, geschikt of bestemd om gekookt te wor- *^>^ 
den). - — ni'^Man {waarop ee» abit is gedaan, het door een abitbediite, 

^ VoUettig» segt men; vsa een vroaw sprekende, no^: sinonduhim inangén 
(toor vie» b^ 'i eten door haar wordt opgeschept, vgl. D. U. 173). 

^ In plaats van iinaon (i 31, IX) Upeas Heqoivalaite tinêgoitg (D.), waat 
een maUaon (van haon) in plaat» vtin tsanaon (van toon) komt siet toox'. 

^ Men ziet hier neg dmdehjk de locative beieekenis nm het tot inheehttel 
geworden »», zoodat pinodom letterlijk in slaap Feteekent. De passieve vorm \^ 
podóm was wel noodzaket)|k om medom (stopen) tot feuMMitief om ie stempelen 
(vgl. pudi i 156 Jant.). 



172 

Yau mangabUii § 60, T.) heeft de bepaalde beteekenis Tan de Mckaam- 
deélen in tegenstelling van parabUan (teaarop de obit is, waarop me» 
een ainlt draagt, § 129), het naakte lichaam. 

a. Om fira (zie Wdb.) te vermijden, zegt men tinaru (dat hei nedergeUgde 
eigentlijk beteekent) een derde passief van tMnarti, dat heden niet: iets ier ne- 
der leggen beteekent, maar bl^kens *t Mal. {manaruK) vroeger beteekend kan 
hebben. 

M. bezigt als substantieven: binuwat ('t genomene), waarnaast nog na binu- 
wat, met de beteekenis van vrouw van een man (m/e, vgl. tinokor in D.); in- 
/ dók of indokon (f 26, Aanm.), 't gezegde; indege van dege. 

D. heeft linaju (i geolochtene), mat- ot vlechtwerk ; tinaU (t getwijnde) = 
idli (b. V. iinali tenggang = tali donda): ni-ukat = Hnonduk; tinokor (^t 
gekochte) = binuwat (zie M.); binangun ('t opgerigte) = tijang; tinogong = 
hinaon (bl. 171, noot 2); en nakan, dat nit T. (indahan) moet overgenomen 
ziljn ($ SO, IX en bl. 40, K. I). 

2^. Als een imperatief, die niet tot een bepaalden persoon, maar 
tot een persoon in 't algemeen gerigt wordt, om 't raadzame, pligtma- 
y' tige te begeeren, en als zoodanig in plaats Tan 't ^'M^passief in de 

spreektaal gebezigd wordt (§ 104); b. v. ni-alap ma ogung i, de ogungs 
worden gehaald/ men hale de ogangs; ^a manuk i di bogaaan appang do 
% hinaen, bindltU do appang % dohot ul09 •', wuê betreft die kip, e^ worde in 
een appang gedaan (en) de appang worde met dat kleed omwikkeld; eit^ 
tap bimmu do i, slechts gedood moet hjf worden (men doode hem, zon- 
der iets meer met hem te doen); ni-duda ma t tu losung na tamlang, 
men ga die (ingrediënten) in een losung, die niet meer gebruiki wordt, 
stampen; mdo sowada di-lehon, hinauUhon roha, zoo het niet door hem 
gegeven wordt, men hebbe er vrede mei/ In een bijzin wordt het dik- 
wijls gebezigd met ning en een pronominaal aanhechtsel , om 't geen 
iemand verlangt, dat gedaan worde, uit te drukken; b. v. molo sina- 
put, nüma hamu (of nimmu), djadi do tutd; zoo het worde ingewikkeld, 
zegt gij, dan is het werkel^k goed (zoo ge verlangt, dat het ingewik- 
keld wordt, ik zal zoi^en, dat het geschiedt). 

3^. Als een passief, waarbij men op geen bepaalden agens doelt; 
b. V. pinaluwa pe ursa on, dit hert zal losgelaten worden (men zal dit 



Vollediger: ni-ukatku mangan, m\jn man (4t>' voor wien door mij 't eten 
opgeschept wordt, vgl. bl. 171, noot 1). 



173 

hert op vrije voeten stellen); ^a nvng do Btm nnanggvUan ^ ali 't beeld 
nu reeds van een eangguL is voorzien, enz. In deze beteekenis is het in 
gebruik vooral in twee tegenover elkander gestelde conditionele bijzin- 
nen, waarin ook vaak de coqjunctie verzwegen wordt; b. v. sinuru i 
mambalbal, sali do do i mambaUal, zoo die bevolen toordt ie kloppen , wil 
die dan zonder falen kloppen? (zoo men dat ding beveelt te slaan, is het 
dan steeds gereed om te slaan?); ^ pinieat, hoUér goiana, ija iindlUk, 
rare gotana, zoo er in geknepen wordt , is de gom er van wU, maar zoo 
er in gehouwen wordt y is de gom er van rood; ni-uppat^ patungoripon ; 
pinasarungy patungoromon, zoo ket (wapen) uitgetrokken wordt, gerft 
het een knarsend geluid, maar zoo het in de schede gedaan wordt, bruU 
het. Uit § 100 (onder) ziet men, dat dit passief met 't eerste in dit 
geval verwisseld kan worden (vgl. ook Ib., bl. 57, r. 7 met 't zoo juist 
aangehaalde voorbeeld). Daar echter door di bij 't eerste passief heden 
een derde persoon wordt uitgedrukt, al is deze onbepaald, zoo moet 
men dit passief bezigen, waar men een anderen persoon om de een of 
d'andere reden wil verzwegen, zoodat het eerste passief alleen in den 
derden persoon met dit kan verwisseld worden; zoo b. v. bedoelt de 
spreker met binoio dumatu ho (het wordt geweten , dat gij knapper datu 
ziji): ik erken Uwe meerderheid ah datu. Door de onbepaaldheid van 
den agens heeft dit passief verder de beteekenis van een eenvoudig 
passief (vgl. M. alhier); b. v. tarulang hauma so (§ 163, 8*. a.) binabo- 
Wan, de akker verwildert ^ niet gewied wordende (zoo hij niet be wied 
wordt). 

a. Zulk een passieve vorm met an, waar tegenover niet altijd een actief 
staat, bezigt men ook als attribunt achter een sabstantief om een voorwerp voor 
te stellen, dat buitengewoon groot is; b. v. lijang ni-lijangan, ^n hol van an- 
dere holen voorzien, *n vervaarlijk groot hol (vgl. Ib. IV, bl. 11). "Van zolok- 
solok heeft men als versierden naam van een muioara: êoloi nnolohan, *n uiUiroo- 
ming met riviertjes er in, een zeer groote uitstrooming (door dat er verschillende 
stroomen in nitkomen). Van kwalificative werkw. maakt men znlk een paasiven 
vorm altyd met 't stamwoord herhaald; b. v. balgd binalgdn, mokmók minokmo- 
hun, groot nog groeier gemaakt, vet nog vetter gemaakt (van den buffel, die 
een overspeler als boete te geven heeft, omdat hy behalve den buffel nog zoo 
veel er bfj heeft te betalen). Zulk een uitdrukking kan op zich zelf ook als 
een concessive b\)zin optreden; b. v. gindjang gimnéfjangan , hoe hoog het ook 
zij, toch enz. 



X 



/ 



y 



174 

M. besigt dit pastief ia bQsi&nea geheel als eenvoudig passief; i>. v. (iftuli 
di'tanam kaUk, dmif m-Unant rMtffm •• daarop »êrd h^ door do kedm egprm- 

£/ k l 9 ^ ptf» (daarop begroef men hem); ioén de vorii begraven wat, «oz. Op «om- 

mige plaatsen, waar snid-M. gesproken wordt, bezigt men m ook in plaats van di, 
maar voor zoo ver ik weet, alleen in den 3den persoon enkelv.j b. v. ju-Zom- 
puXkon tja do iu ht^o manunfffid sadalanan, door kern word 't zwaard gebou- 
wen naar den op lijn eentjes reuendei^ wtan (bij hieuw mefc 't zwaard naar enz.). 
Hier staat ni-iampulikon ija volkomen gelyk met di-iampulkon ija. Zoude dit 
gebrnik van ni niet een spoor z^n van een onderen toestand der taal, toen 
slechts 't derde passief in gebrnik was ook in de beteekenis van 't eerste? im- 
mers 't Kawi, Malagasy, Aifbersch van de Minahasa, 't Tagaalsch en andere 
zustertalen bezigen 't passief met ni of 't inh. in geheel met de beteekenis van 
't passief met di, , » ' 



/ 



4**. Jf geleid tan een toerkw, niet 'tvoorhecktsel mar, dat weder van 
een substantief afgeleid is (§ 53, 1°.), heeft het de bijzondere beteeke- 
nis van de gedaante hebbende van V geen dat substantief voorstelt. Zulke 
vormen treden zoowel als substantief op als als attribuut ter bepaling 
van een ander substantief, 't zij om de gedaante van een voorwerp te 
beschrijven, of wel om er den omvang van aan te duiden; b. Y^pinar- 
djolmay menschebeeld (als adjectief: dat als een tnensch er uit zief)\ Undu 
pinarulok (§ 21); napuran pinarpdt (§ 20) ni hyong, betelblad lijkende op 
een htjong-poot; na pinarretteng * ni anduhur tabUj die in de gedaante 
zijn van tabu-tortelduif -eieren ; pinarhorbo, dat in de gedaante van een 
buffel is (van 't dak van een huis, zie de plaat in 't Wdb.); tittin mos 
pinarsitumuduy een gouden ring, die den omvang heeft van een wijsvinger 
(een gouden wijsvingerring). Zulke substantieven warden ook gebezigd, 
zoo men van geesten spreekt; van daar pinarboru = bont (van een som- 
baon); pinarhula = huta-hula (van een geest). De eigentlijke beteeke- 
nis is wat beschouwd wordt te zijn als 't geen het substantief voorstelt (§ 53, 
/ 1°.); immers men gaat uit van *t denkbeeld, dat geesten geen eigent- 

lijke verwanten hebben, maar slechts wat men als zoodanig in mensche- 
lijke taal kan beschouwen. 

a. Zonderling is de benaming van een hond in de taal van den nedergedaai- 
den geest (Inleiding, IV, 2^.), namentlijk pinamgingi ni lasuMe^, daai a^ let- 



/ 



* In Ib. IV, bl. 163, WM&i pinorrenteng gespald z^n (zie onder Uiht)\ vgl. 
de aanh. in Wdb. byvoegsel onder anduhur. 



175 

termk als tand gehegigd door een latumt betoekant. Miaaehien zal men hier den- 
ken moeten un ilMrugingi m Uuuna {gel^i inojhok-tandeu wign, bl. 110, d.), 
zoodat pifiamgingi enz. moet opgevat worden als die voorzien ü van tanden ah 
knofaok, 

5°. Van een telwoord afgeleid^ dat een verbalen vorm heeft met 't 
voorhechtsel mar (§ 53), heeft het de beteekenis van een breuk; b. v. 
aua da-parduwa ma taoarta i, pinaropat ma da-haen: duwa tu sulivt, sada 
tu datu, soda tu na torop, dan worde die onze tawar verdeeld , in vier dee- 
len worde hy gemaakt: twee deelen voor den principaal , één voor den datu, 

en één voor de menigte, 't Getal, door 'ttelw. voorgesteld, waarvan 

zulk een vorm is afgeleid, duidt dikwijls aan, dat er van iets een ze- ^ 

ker gedeelte is overgebleven; zoo beteekeut b, Y.pinartolu: een derde 
gedeelte over hebben; b. v. nunga pinartdu i, nunga tading na sada nari 
namand si-ahuton; anggo na duwa, nunga 9un di-ahut naposomi (Ib., bl. 
301, onder), die (akker) hetft reeds een derde over: éen gedeeUe slechts 
blijft er over, dat nog van sprokkels gezuiverd moet worden; de twee ove- 
rige deelen zijn reeds door uwe bedienden er van gezuiverd (Uwe bedien- 
den hebben twee derden van uwen akker van sprokkels gezuiverd, 
zoodat nog maar een derde overblijft , dat er nog van te zuiveren is) ; 
nunga pinartolu batang ni hariara i di-pangan balijung inon , duwa na ma^ 
tós, soda nari na so mates, van dien ficus-boomstam was maar een derde 
ooeTy gegeten door de balijung , twee derden waren doorgehakt, een derde 
nog dat niet was doorgehakt, d. i. op een derde na was die stam door- 
gehakt. 

Janm. Zeer zelden wordt van zulk een passief weder een werkwoord afge- 
leid; b. V. manioitang (bl. 94). Naar den vorm zoude dit enkele voorbeeld ook 
tot de in f 78 behandelde werkwoorden knnnen gebragt worden, zoo de be- 
teekenis het maar toeliet. 

De drie sooi^n van 't ciroumstanUëele passief hebben ook een ver« § 116, 
broedden vorm, die hier 

Het verbreedde Passief 

zal heeten, omdat de beteekenis er van ons geene benaming kan aan 
de hand doen. Het kenmerk van dit passief is het niet wegvallen van 
het in 't actief gebezigde voorhechtsel ma$ig. Al de transitief optreden- 
de werkwoorden, die een ander met m beginnend voorhechtsel heb- 



176 

ben, nemen dit passief aan (§ 44, onder, § 53, 55, 66, 74, 80, 81, 82, 
83, 85 en 96) natnurlijk met uitsondering van die, welke mar in plaats 
van mang hebben (§ 46 en § 49 , Aanm.), 
§ 117. Wat den vorm betreft, hij gaat uit van 't actief door slechts de m 
van 't voorhechtsel in ;? te veranderen ; b. v. pamUat van mamUat {di- 
pamUaty door hem wordt in gemelde dingen geknepen), terwijl 't gewone 

I / passief Blechtlpiaat (di-piaat, door hem wordt in gemeld iets geknepen) 
vertoont. In 't oog te houden is, dat de werkwoorden met 't voor- 
hechtsel mang, die 't aanhechtsel hon hebben, den scherpen medeklin- 
ker, die in 't actief na den neusklank weggevallen is, in dit passief 
terug krijgen; b. v. di-pappeakkon (§ 17, V) nasida ma gadong èinoan- 
nanda i (Ib., bl. 64, r. 14,), door hen toerden de gadongs, die zij bij zich 
droegen, terneder gelegd; di-papa jakkon tu pamatang ni ursa t (Ib., bl. 

ƒ 51, r. 3 V. o.), door hem, werden die bladeren op H lichaam van 't hert 

' temeder gelegd (mamajakkon van pajdk); bulu na pinatst^rukkon ni si- 

djonaha i (Ib., bl. 285, m,), de bamboes, die Dj, heimelijk er ingeschoven 
had (manurukkon van suruk); di-pattullakkon hajti-haju (Ib., bl. 44, r. 19), 
door hen wordt met een soort van stokken gestoken (manuUakkon van tul- 
lang); di-pattinggafckon , door hem werden vele dingen ter neder geworpen 
{maninggakkon van tinggdng); di-patsulakkon ^ ma pinadar tu datu daXu, 
door hem werd pinadar (stukken vleesch, zie Wdb.) aan D, B, in den 

/ mond gestoken, d. i. hij onthaalde D. D. volop op pinadar (manulakkon, 
iets aan iemand geven het hem in den mond stekende, van sulang). Zoo 
/ A n^y achter dit passief met tu slechts gebezigd wordt om een rigting aan te 
duiden (§ 107), dan blijft de scherpe medeklinker weg; b. v. di-pani- 
gorhon van manigor {tigór); even zoo waar 't aanhechtsel Ao»; ten be- 
hoeve van beteekent (bl. 108); b. v. di-panuhorhon^ door hem wordt ten 
behoeve van gezegden persoon gekocht (manuhor van tuhor). -^— Som- 
mige werkwoorden, die in 't actief altijd mang hebben, vertoonen 
in dit passief een vorm, die een actief met 't voorhechtsel mar zoude 
doen vermoeden; b'. v. na piitor auda do leatni di-paUehon ho tu halak 
pangisi ni hadjutmi, dadelijk op, schijnt het, is door U de inhoud (betel- 
bladen, enz.) van^ Uwen hadjut aan een ander of anderen (§ 148) weg- 
gegeven (mangalehon)', di-paralap, door hem werden gemelde personen 
gehaaid (mangalap), By de werkwoorden met *t voorhechtsel pa 



j^f f^/ A * In de text van de Ttoiêt van Sang Maima en D. D, (bl, 21, r. 9) is te 



f^t 



spellen: di^pansulanghon in plaats van di-pasulanghon. 



177 

bezigt men akka (§ 58); b. v. akka di-pahembang (Ib., bl. S16, r. 1), 
door kern werden in zijn huis de matten gespreid, 

M. heeft steeds par, waar 't actief een aanlieelitsel heeft; b. v. di-parrahuti , 
door hem werden gemelde dingen gebonden {inangarahuti van rahut); di-partur- 
dut tja ma AalaJb sudena Hmanat (Ib., bl. 146, r. 13), door hem werd aan 
allen toebereidde betel toegeschoven ; di-partarimahon {manarimahon van tarima). c/ A LmLS" 
Anders even als in T.; b. v. di-panampul tja ma êi-andiür, nada but, door hem ' 
werd vaak op A, losgehouwen, niet werd deze geraakt (hy hienw verschillende 
malen naar A.); panampul ma tolonannija (Ib., bl. 287, onder), houw de iee» 
len van hen (die zeven personen). 

D. vertoont als voorhechtsel phig; b. v. i-pengbüreièn, door hem worden ge- ^ 

melde dingen gegeven aan {mereken van bére)\ i-pèngstlukken van mënilukhen 
(sëluk); i'pengdjambarkên van mëndjambarkèn (djambar); vgl. Ib., bl. 176, r. 15. 

Zoo 't aanh. ken: wegent, naar aanleiding van beteekent, dan blijft de scherpe 

medeklinker weg; b. v. idi mo si-ni-penongkirkënnami ena lako baindene (Ib., bl. 
212 boven), dat is het, dat door ons gemaakt is de aanleiding van dit ons bezoek 
bij V (daarom zijn we ü komen opzoeken, mënongkir van iongkir). 

Wat de heteehenis betreft van dezen passiven vorm, zij is twee- § 118. 
ledig. 

1**. een meervotid^ 't zij van de voorgestelde handeling (bl. 102, 4®,) of 
van 't object ^n 't actief, dat hier natuurlijk subj. is. De handeling kan 
er ook door versterkt worden; b. v. di-baen tabo niloppan indaong di- 
pakküala na hoêur {Twiat van Sang Maima en 2>. 2>., bl. 22, boven), we- 
gens de lekkerheid der toespye werd door hem niet zeer gevoeld het 
verzadigd sijn (hij voelde niet erg, dat hij zat was, makküala Yanhüala). 
Bij de reeds in de vorige § vermelde voorbeelden voeg ik nog de 
volgende: di-panidaen (Ib., bl. 1), door hem werden die vruchten in zijn 
buidel gedaan manden); hu-pangolihon dj oio r^amami 40», dat door 
mij deze onze êpaaneche matten ter hooping van een vrouw gebezigd wor- 
den/ (sta u^j toe, deze onze spaansche matten ter kooping van een 
vrouw te besteden); unang anggo pandekdekkon (Twiet van Sang Maima 
en B. D., bl. 11, r. 12), laat die kam toch niet telkens naar beneden 
vallen (natuurlijk is de uitdrukking in 't Bat. passief*); di^pambuwai, 
door hem werden die dingen genome»; di-pangarahont^door hem werden 



* Even zoo pangaruhon horbotta i (Wdb. onder aru), onze buffels moeien 
door U gebezigd worden ter betrapping van den grond (laat onze bufels, enz). 



178 

gemelde personen «Ugmwoêigd: di-^pandanggurhon (Ib., bl. 44, r. 20: 
gadong ma na pinandanggurhonna t, heé moeten gadonge zijn, die door 
Jien worden loeggesUngerd); di-panggotclhon ma pangisi ni huia t, door 
hen (de mieren) toerden de bewoners van die htUa gestoken oï gdeten; di- 
pambureikkon (Ib., bl. 49, r. 22), door hem werden rgstkorrels uiige- 

spüicd op enz. Naast di-paralap (§ 117, onder) heeft men di-alapi, 

om een meervoud uit te drukken. Van mamola heeft men di-bdai 
{door hetn werden die dingen gekloofd), terwijl van m^nulluk (tuUuk) 
weder di^^panulluk in gebruik is. 
cAk.l^X-(» 2**. Een betrekking tot *t object van 't actief, die in den niet ver- 
breedden vorm van 't passief niet uitgedrukt wordt ; b. v. di-panak- 
koi *, door hem wordt bij gemelden persoon gestolen of door hem wordt 
in gemelde plaats een die/stal gepleegd, terw^'1 di4akkoi: door hem wor- 
den gemelde dingen gestolen beteekent (bl. 102,4**). 't Aanhechtsel é 
vertegenwoordigt dus een praepozitie, zoodra het in den niet verbreed- 
^ den vorm reeds op een meerv. van 't object doelt. Zoo heeft men ook 
di'panuhori, door hem wordt van gemelden persoon gekocht, tegenover di- 
tuhori, door hem worden gemelde dingen gekocht. Ja, wat zonderling 
is, het aanh. krijgt hier een andere beteekenis dan in den niet verbreed- 
den vorm; zoo beteekent b. v. di-panortori: door hem wordt op die mat 
b. V. gedanst, terwijl (H-tortori: door hem wordt rondom den buffel ge- 
danst uitdrukt. Verder heeft men di-pandohi, door hem whrdt tot gtzcgde 
personen gesproken, terwijl di-dok: door hem wordt het gezegd, en 't ac- 
tieve mandók: tot iemand spreken of iets zeggen beteekent. Het is 

in den verbreedden vorm ook, dat 't aanh. hon bepaaldelijk ten behoeve 
van beteekent; b. v. di-panuhorhon (^ 117, onder); di-pangulahun (h\. 108). 
Dit di-pangulahon kan echter ook door hem wordt zekere dag uitgekozen, 
/ om er veldarbeid op te verrigten beteekenen (de dag is hier voorgesteld 
als de aanleiding, vgl. B. bl. 177). En zoo heeft men ook di-pamunuhon, 
door hen is die guerilla b. v. tot aanleiding gemaakt van het dooien {gora na 
pinamunuhon ón, deze guerilla, die de aanleiding is van het doen sneuvelen, 
de strijd, die de aanleiding is van ons vijanden dooden). Zonder- 
ling is di'panogoti, dat zoowel door hem wordt iets vroeg in den morgen 
gedaan (— — radja i mangan, de Voret at vroeger in den ochtend), als, 
geconstrueerd met i/u (§ 107), door hem wordt vroeg gegaan naar (torang 



* B. V. nnanff di-panakkoi deha huiatta on (Ib., M. 321, m.), opdat er niei 
iloor iemand in deze onse huia ffesiolèn toerde. 



"' / 

a- f 



170 

m ama, manigor — ^ tu haumana, de volgende dag aangebroken zynde^ 

ging hy terstond vroeg in den ochtend naar zijn akker), Van tordp 

heeft men di-panoroppon^ door kern toordt gemeld iets aan H publiek (na 
torop) bekend gemaakt, — - Over di-panigorhon Eie § U7 en bl. 168, r. 8. 

Uit 't gebruik der tongvallen blykt het, dat de toepassing van dezen § 119. 
passieven vorm nu en dan vrij willekeurig is; soo b. v. is in T. di-bu' 
tcaii: door hem wordt uit iets genomen (bl. 102, 8^), terwijl de equiva- 
lente vorm, i-buwaii, in D. op 't meervoud doelt, en dus in beteekenis 
SS di-pambuwat is. Zoo is het eigenlijk ook willekeur, dat men di-pam^ 
baen betigt voor 't meervoud, maar di-iaeni^ om door hem wordt in ge- 
meld iets gedaan of door hem wordt het gevuld uit te drukken, want in 
di-takkoi doelt 't aanbechtsel i weder op 't meervoud (ygl. i-bakini in D. 
hier onder x=. di^ambaen). Zoo ook bezigt men in T. di-tappuU := di- 
panampul in M. (bl. 177); b. v. dv-tappvli naeida ma radja i, indadongolo 
mabngang, door hen werd meermalen naar den Vorst gehouwen , niet konde 
deze gewond worden, 

M. bezigt ook di^pamhuvaikon tja, door hem toordé ten behoeve van go- 
mfdden persoon genomem b. v. mttda na ra do kamü hu-baen djadi anakhu, an- 
ijo hu-pambwoatiom boru hamu di huta on, »oo gij wilt, dat ik U als zoon 
aanneem, dat ik dan voor TJ een meisje in deze huta neme. T. zoade Uer een om- 
schrtjvxng bezigen (bl. 108, a.). 

D. beeft i-bahani r= di-èaeni (i-bakani mo pérmanganën, door kern werden 
de borden gevuld), maar i-bakini s=s di-^ambaen {i-bakini mi pinggan, door 
-hem werden de sp^zen op de borden gedaan). In mënogongi beeft 't aanbechtsel 
• twee beteekenisaen, zoowel de zoeerrondige ala de praepositionale: i-togongi, 
1^., vele zfjn de verderfaanbrengeude dingen door hem gespannen (Ib., bl. 100, 
t, 17), 3^., door hem wordt voor seker beest een val gezet of gespannen, (b. v. 
€nggo mo tuhu éfjumpa bijahat st^ni-togongënmu idi, Ib., bl. 177, r. 16 t. o., 
reeds is werkelijk gevangen de t^ger, voor wien gij een val heit gespannen). ^- — 
Om ten behoeve van nit te drnkken behoeft deze tongval 't verbreedde passief 
niet altgd te bezigen (bl. 108). Voorbeelden van 't verbreedde passief al- 
hier zQn: si^m-péngidamkën bsrat daginghu ena ngo ids (lb., bl.«SO, r. 5), die 
vmeht is het, waarnaar door 't kind in mijn buik hier sterk verlangd wordt; 
si-ni-pënggarammu idi (aldaar r. 1 v. o.), 't geen sterk door U verlangd wordt. 

Aant. In 't Mal. zijn niet vele voorbeelden van 't verbreedde passitf (pa- 
mindjamkèn aku gunting, leen voor mij een schaar), In 't Sond. xeer vele (b. v. 
pangmeuletmkeun, worde die vogel door U voor mij geroosterd). 



' 'y ' • A. ^rf ad¥f'verbaal Substant^f, 

§ 120. Boor de m van een der roorheehtsels ^ in/» te Terandeien, Tormt 
men een sabstaniief (pandjalaki van mandjalaii, parModat ?an Momio- 
d(U, patigadong van matigadmg^ enz.), waarvan de beteekenia actief 
is, en zoozeer de natanr van 'twerkw. nog deelt, dat het, waar dit 
. transitief optreedt, onmiddelijk met een object in betrekking gesteld 
kan worden. Omtrent den vorm is verder op te merken, dat de werkw. 
met 't voorhecfatsel pa^ die slecbts in 't actief 't aanhechtsel htm heb- 
ben (} 66), hun nominalen vorm als znlk een substantief doen optre- 
den; b. V. pagabur {wat zacht maakt oi zachtmaker) 'Vhn pagabur{hm)^ 
padiruma () 121, 2°.) van padirutna(hon), 't Aanhechtsel • wordt dik- 
wijls weggelaten; b. y. pangarahut naast pangarahidi, pangUi van man» 
gin (§ 8), pangingan van mangingani, pangalui naast pangalud, terwijl 

// men bij de werkwoorden met 't aanhechtsel Aon 't substantief gaarne 
g^ omschrijft (§ 126), tenzij 't stamw. eenlettergrepig is (patt/okkou 

'^- van gok), of wel een vorm zonder aanh. bezigt (pamkka, § 121, 2"). 

Onregelmatig is pangóUing , daar de h van 't stamw. weggevallen 

is, niettegenstaande 't actief makkdUing is. pangali is denkelijk 

onmiddel^jk uit 't Men. overgenomen (Wdb. onder kali). Zoo 't 

inhechtsel urn met de beteekenis van 't voorhechtsel fi^ang optreedt 
(§ 63), dan gaat men b\j de vorming van dit substantief van den ge- 
wonen actieven vorm uit; b. v. pamoto van umboto (bL 98,- 4°.). 
§ 121. Wat de beteekenis betreft, men stelle dit substantfef vooral niet ge- 
lijk met onzen infinitief, daar het nooit znlk een algemeene beteekenis 
heeft, zoodat patnbuwat niet het nemen beteekenen kan. Zelfs waar het 
den inhoud van 't werkwoord tot substantief maakt, beteekent het 
toch een b^zondere wijze, waarop de door 't werkw. verbeeldde hande- 
ling plaats heeft, 't Object van zulk een substantief kan onmiddelijk 
volgen, maar wordt door de praepozitie di ingeleid, zoo er een ander 
woord tusschen staat, al is dit slechts een pronominaal aanhechtsel; 
b. V. panakko napuran , beteldief, de steler van de betel; pandoéo na so 
marwtang, zich wederregteüjk meester maker van die. geen schtdd heeft; 
panuhorhu di hatoban on, mpn dezen slaaf koopmvddel ('t geen mijn mid- 
del ia dezen slaaf te koopen). '/ Gebruik van dit subst. is drieledig. 



^ Uitgezonderd zijn de werkwoorden die slechts ma hebben ($ 122). 



ISl 

i^ De door *i werkwoord verbeeldde handling met de b\jzotuiere be- 
teekenis van de w^ge, waarop zij pUuUe kerft, öf moet keèöem ({ 45, o.); 
b. y. mdo na so gM pakkulinff ninatta i, ita^-adjarif zoo de wijze van 
zich uit te drukken van onze moeder niet goed (betamelijk) w , dan worde 
zij door ons vermaand» Ia deze beteekenis is het vooral in gebruik aU 
subject, terwijl dan dikwijls hohd of be?id {hoedanig zgn, hoe?) als prae- 
dikaat optreedt; b. v. hehd ma pambuwattu di'^baen na dapot au mjjak na 
sa-èotul i, hoe zjj mijn wijze van nemen, opdat door mij verkregen worde 
die fiesch olie? (koe moet ik het aanleggen om die flesch olie te kunnen 
nemen?); hehd ma parpujukku di horeik mulmul , sowddadSng tarpatomu 
i, hoe zij mijn wijze van fijn zand tot touw te draayen? want hH is niet 
aan elkander te kragen; behd ma pangaruwanginami di batu on, na sai 
pir, hoedanig zij onze wijze deze rots uit te hooien/ hij is zoo hard! behd 
pambaettu mangalap ho (Ib., bl. 242, r. 7)> hoedanig is myn doen Ute 
halen? (hoe heb ik te doen om U te halen P); behd ma pabowa na talu, 
hoedanig is dan de wijze te vermelden die overwonnen is? (hoe weet men, 
wie de overwonnene is?); behd parhalakna , hoedanig is zijn wijze van een 
persoon te zijn? (hoe ziet hij er ongeveer uit?). In plaats van dit sub- 
stantief kan men ook het passief van mambaen bezigen, en dan volgt 
't werkw. in 't actief (§ 126, l^); b. ^ . behd ma ta-baen mambuwathuiaon, 
hoedanig zal door ons gedaan worden om deze huta te nemen? In dit geval 
bezigt men gaarne aha als subject; b. v. aha ma hu-baen laning mamalos 
hapandean ni amanguda i, wat zoude door my gedaan moeten worden om 
de handelwijze van Oom te vergelden? (hoe moet ik Oom met gelijjke 
munt betalen?). Voorts kan zulk een subst. ook als subj. optreden van 
't passief (bl. 193); b. v. di-halubat pambuwatna (Ib., bl. 51, m,),doorhem 
is zijn wijze van nemen gechargeerd (hij is op een brutale wijze b^ 't ue- 
nien van die gekookte r\jst te werk gegaan); di'pasotik-sotihg parha- 
bangna (Ib., bl. 115, m.), door hem werd zijn wijze van vliegen als 't ware 
cirkelend gedaan (gemelde vogel vloog in kringen, om op z^'n prooi 
neder te schieten). Men ziet uit deze voorbeelden, dat de b^ woorden, 
die bij ons de w^ze uitdrukken, waarop de door 't werkw. verbeeldde 
handeling geschiedt of geschieden moet, door een praedikaat worden 
wedergegeven, terwijl 't werkw. gesubstantiveerd wordt (§ 30, VII), om 

als subject te kunnen optreden. De werkw.. met 't voorh. pa^ die 

slechts in 't actief hon hebben (§ 66), bezigen dit substantief soms 



^ Zie U. 159, Aamn. 1. 



\ 



182 

met ^n TVLmprp beteekei^is, die Qver^nkopi^ m^t die ?an oiu(en infi- 
DitW; b. V, pMfli %flf# ma di-vla^ M een hm ve^fr<9fl}jen^ of in ordet 
lur^nffen werd door hem gedaan (hij hield zich b^jg i^ei 't verfraajijen 
van eep hoia). Dezen vorm hebben zg ook na q^u werkw. in 't paa- 
sief, dat een bevel vporstel^; b. v. 4i-surumapangtUHpa^otfdQigora,doqr 
kern loerd de ^heidsrechter bevolen, de twieUaofl^gèUg^eid ten einde U 
krengen; di-doikon napoêona pahem^ang antak, door hem Vfrde» z^ne 
bedienden beoole^t, maUen te tpreiden. De vorm even goed een passive 
imperatief kunnende zqn, zoo is het waarschijniyk, dat h\j hier ook 
als zoodanig moet opgevat worden, zoodat de iphoud yaA 't bevel dq 
woorden zelve zjjjn, di^ de beveler uitspreekt ; pien ve^tale dus door 
kern werd tot den eckeifUregter betelender fpy> gezegd: '^WQrde door U 
ten einde gebracht de^twiêt'CH^g^legenheid,*' en door hevk mrd t^an zjfn be- 
diende bevelende gezegd: ^Hoorden door U^att^ g^^eid,** 

H. heeft dezelfde constraotie; b. ¥. öijd ma padjongdjongku di rantjang (Ib., 
bl. 170 bov.), hoedanig z^j mijn cprigten de ranijange? iijd ma pailanija di ho? 
(Ib., bl. 122, o.), hoedanig wat zijn U beschaamd nuükenf (wat zeide h(j U be- 
leedigendsP); bijd ma luwani iehé panaeUu di on (Ib., bl. 49 m.), hoedanig^ 
gou toch mijn wijze dit te beklimmen moeien zijn?; bijd ma pammnumw^'u di au 
90 pala but au, hoe zoudt gij mij doodenf ih kan immers niet verwond worden; 
loet na songon t pakkuUng ni landuk, steeds aldus is de bijzondere wijze, waarop 
een landuk geluid geeft; bijd ma hami-baen pangalului panganonnami , hoe zal 
door ons gedaan worden, de wijze van ons eten te zoeken F (hoe moeten we voor 
ons eten zoeken?). 

D. levert ook niets opmerkel^ks op; b. v. adfar-adfari aku asa ku-bëtoh tah 
katëra phnahan (Ib., bl. 142 m.), beproef mij te onderrichten, opdat door mij 
geweten worde, hoedanig de wijze van doen is (tracht mfj aan 't verstand te 
brengen, hoe ik met dit blaasroer moet handelen); i-pëngobit bibir nart pëngan- 
tusi kata mërbatu (bl. 189), uit de wijze van zich te bewegen der Hppen is de 
wijze van woorden met zin te verstaan (uit de bijzondere wijjze, waarop zich de 
lippen bewegen, weet de doove, hoe hij de beteekenis der woorden heeft te ver- 
staan); bagi mo pëmahamnu (Ib., bl. 142, r. 1 v. o., 148, r. 2), aldus zij Vwe 
wijze van doen (z6o moet ge doen). 

ff. Het middd of teterktuig^ waarmede de verbeeldde hofidüing pUudê 
hetft of moet verrigt wordetk O 46, a,); V "^-.tmdjwvrix vfo^rmede men t»r- 
eierty wil of kan versieren, sieraad ; pagabur , waarmede men zacht of week 
maakt; paeitimèaho (§ 75), waarmede men tabak kocgai of i^ff te koopen 



1 



183 

({ 45 onder), Uéaküerkrfymiddêl, enz. In deze beteekeon, die adn dein 
1**. beschrevene nnnw verwant is, w^rdt 't substafitief echter meestol 
in een andere constructie gebeeigd. Het öbjeet kan ook hierbig rnitnid- 
delijk volgen, maar vaak bezigt men nog de praepozitie d^' en nog Vaker 
ni er voor; b. v. pamaluti gam-gma i, die bedden imikkd-mvdêtl : 
panurbu huta on, deze hukt veriraHd-mddel^ panukor di ({ 121); pa- 
mmggol ni t^ang m bagoB t\ de pilaren tKin gezegd huis breek-middel ('t 
geen , waarmede men de pilaren van gezegd hnis door midden breekt). 
Dikw^ls wordt het als bepaling achter een ander sabstantiëf gebezigd , 
om aan te duiden, waartoe 't voorwerp, door dat snbstanUef voorge- 
steld, dient of dienen kan; b. v. keirho pangin^am g&ndang , 'n buffel 
waarmede men muz^ktHiimmenien leent, en h&rbo paulak gandang, *n buf- /" 
fel waarmede men muziJkinèimmenUfn teruggeeft (d. i. een buffel, dien 
men den eigenaar der muz^kinstrumenten bi] 't leenen, en een, dien 
men hem bij H teruggeven er van ten geschenke geeft); bigang panikka 
(§ 120) ni na mate, een hond, dien men ter gelegenheid van Hmanikkahon 
(zie Wdb. onder tikka) slacht. Zulk een middel voorstellend subst. heeft 
vaak ook de beteekenis van 't geen gebezigd wordt bij 't door 't werk- 
woord voorgestelde, zoo als uit de voorbeelden van zoo juist blijkt, en 
verder uit pananom ni, wat geslacht wordt b^ *t begraten van iemand , 

(iemand begrcu^^Uddd), Wij moeten het verder vaak wedei^even met om 
te, ter, tot enz.» al worden deze praep. niet altijd door boen (bl. 164, a) 
uitgedrukt; b. v. di-buwat ma boen pandud&na, door haar werd gemelde 
stok van Bobak tot haar stamper genomen (om er rijst mede uit den bolster 
te stampen); aha di-loto hopagabur batu on, wat wordt doof ü gewHen 
ter deze steen weekmakingl baen panurbu huta on ma, dii zal dienen om 
deze huta te tferbranden; di-^htrekm ma amok di talaga baen pangmdingi, 
hij hing matten gord^nsgew^ze aan tie talaga om haar te verbergen; baen 
pamonggol ni tjfang ni bagas ni hamuna na sahida on ma i, dat moet 
dienen ter breking van de pilaren der huizen van Ulieden bewoners dezer 
huta (dat zy tot een breèkwerktuig, enz.); las sowadasikkOpdapépanim- 
bang omas i, het is nog niet voldoende om op te wegen tegen dat goi$d; asa 
êinulangan ma parsüi inon dohot polong dohot sira pege, i ma panükmgi, 
dan worde die pdrsili gevoederd met polong, zout en gember, dat zij wat 
ter voedering dient (daarmede voedere men de patsili; vgl. Twist van Sang 
Maima en D, D., bl. 21, r. 5); pamuli begu, 'm middel eenmeest tefug te 
doen keeren of om een geest terug te doen keerenj padirumia tondi ($ 66, 
1"), wat dient om de tondi in huiê te brengen (te verbidden, zoo hij 

7* 



184 

ventoord is); hepêng pantmhahOj geld ter haUng of hooping van ta^ 
hak; aek pangaloppa ni pagar, water ter kooking van een behoedmiddd; 
anggo pangaroAaim (§ 8) addng ma^ wat betreft een dien persoon verschalk- 
middel, het tal er zijn; aha ma ta-baen mamunu %? anggo pamununi 
adóng ma hu-boto, wat zal door ons gedaan worden vm dien te dooden? 
om dien te dooden zal er iets zyn door m^ geweten; di4mwat ma baijon 
pandan sangidas pangolting (§ 120) rukkung ni hudon i, hij nam een 
gescheurde reep pandan-hlad om den hals van den pot er mede vast te 
snoeren; sowada tarbaen iba habang songon pidong pasiding ibana, we 
kunnen niet als een vogel wegvliegen om hem te vermijden; di-baen pa- 
maluti gana^gana i, h^ bezigde het om er de beelden in te wikkelen; aek 
pamurina (Ib., bl. 320, r. 5), water is 't wasehmiddel er van (water 
dient om dat af te wasschen); nakkon rjjar duwa panambai rjjarhu 
na onom on, geef op twee realen ter vermeerdering van deze m^n zes 
realen; panopihi ni utakku (Ib., bl. 219, o.), ter gedeeltelijke afbetaling 
van mijn schuld. 

a. Sommige nominale vormen hebben de beteekenit Ytn dit mbstantief; b. v. 
garar uiangmu (Ib., bl. 208, r. 12 7. o.)» ter betaling van uwe schuld; op de- 
selfde w\jze besigt men ook sae (ter delging van een schold). 

M. Hier is 't taalgebruik 't zelfde; b. t. tola do i pa^jului ni hudjing na 
denggan, het is geschikt ter voorlichting vam een sehoone maagd; na so tupa 
pamhobok soba», die niet geschikt is om er brandhout mede in een bundd vast 
te binden; horbo tolu pangupa ni si-adji di angkokt, drie buffels ter verwelko- 
ming van A.; so u-garahon bosi pamgoti ni oppu ni putora putori (Ib., bl. 141 
m.), opdat ik ijzer gloeijend make om O. wakker te maken; aha hu-boto pam» 
buwat ni mata ni art, wat weet ik om de zon te nemen f (waarmede zal ik 
de zon te pakken kr^genP); djadi di-bunu halan* ma horbo tolu parbokkot ni 
datuk kuwaia di baumi (Ib., bl. 165, onder), daarop doodden zij drie bufels bij 
het in de kist doen van J). K. (vgl. boven, bl. 183); di-palongkop halant ma 
sudé hapt parlompa ni b^jo (Ib., bl. 160), door hen werd al het hout gereed 
gemaakt, waarmede de gasten hon eten konden kooken (letterlek: 't hout kook- 
middel der gasten); pangido indahan i, gezegd middel ter vraging van gekookte 
rijst: taU panambat (Ib., bl 129, r. 1), U touw dat diende mnhfsmU binden 
(*itonw, waarmede 14) vastgebonden was). 

D. Ook hier kunnen we ons tot eenige voorbeelden bepalen; b. v. muda lot 
ngo, nimu, i-bonikht kono pémuwat (Ib., bl. 142 m.), indien ge zegt *t een of 't 
andere neemmiddel te hebben (te bezitten); pHutup pMjèbonln bëru rs^am (Ib., 



185 

bl. 286, boT.), 't geen diende om te bedekken de sehuilpUuiU vmi Jufvrouw R.; 

idi mo ëmtat mahan (U. 154, a.) pëmuwat 0h., ter zcifder pi.), neem dat blaas- 

roer mede om te nemen di« vogels; kadendija pëmuvaiku piduk iü dikêi Hna* 

tang daUu idi (Ib., bl. 141, r. 2), teat ioeh zoude mijn middd »0n om die wh 

geli en klimdieren te nemen? boAan mo pëtërangkgn gi^ ena^ wutak H geen deze ^^ 

duittemii verlichten kan. 

3°. Be persoon, van waar de verbeeldde handeling uitgaat ^ of iets dat 
als zoodanig bescboawd kan worden; b. v. i ma utang ni pandobo na 
80 marutang, na so mardosa, ziedaar de boete van iemand, die zich tce- 
derregtelijk meester m^aakt van die noch schuld noch iets misdaan heeft; 
partiga-tiga djolma^ '» handelaar in menschen (slavehandelaar); j^ardor» ^^-""^ 
si-olijon i, die het te koopen meisje bezit (de te koopen docbter hebber); 
pasigadong ni amatta do i, het zijn de gadonghalers van Uwen vader; 
parabit na bottar an, gene witte abit aanhebber (gene in 't wit gekleedde 
persoon); panakJco napuran t, gezegden betel steeier; pandjalahi, de op- 
lossing van een tprhat-torhanan zoeker; pananggai * , de beschaamd ma- 
ker (om niet bijang, dat vaak een scheldwoord is, te zeggen); ^«r^or- >^ 
han, HorhaiC^ zegger (§ 52, 6°., die iemand uitdaagt, de oplossing van 
een torhat-torhanan te geven); parbonijaga horis i, die handel drijft in 
krissen; pamuro, die tegen de beesten waakt, die op een akker ver- 
woesting kunnen aanrigten; pangago, die ten verderve brengt, 't zij 
een verscheurend beest, een spion, enz., terwijl pengago (D.) van 
dingen gebezigd wordt (Ib., bl. 97, r. 13 v. o., 190, r. 17); pangisi 
(§ 1:^0) ni huta (de huta vullers), de bewoners van een huta, pangisi 
ni hadjut (wat een hadjut vult), de inhoud van een hadjut ; pandjoha , 
de onrechiwmatig op iets aanspraak maker; panundati (Ib., bl. 59, m.), 1 v ^ 
die zegt, aat iets niet doorgaat (sundat); pamorus (Ib., bl. 50, r. 16 v. 
o.), een dief van plantsoen; parmoaat, iemand, die m^odat * gebruikt^ am- 

fioenschuiver ; enz. Zoo men 't' geslacht wil uitdrukken, bezigt 

men bajo ' voor zulk een substantief voor 't mannelijke, en boru voor 
*t vrouwelijke; b. v. bajo panguUop, bajo parrajar, boru panurirang, 
enz. Minder vaak bezigt men boru-èoru in plaats ymboru; h. v. boru- 

^ Dit woord had in 't Wdb. onder tangga II moeten gepUaiat worden. ' 
^ Is in 't Wdb. vergeten. Het is nit 't Men. Mal. ^^^tS^é {toebereide 

opium), dat weder nit 't Hindustani (j(3w«) i> overgenomett. 

^ 't Gebruik van dit woord maakt soms dat men rieebts 't stamwoord bezigt; 

zoo heeft men bajo loos = panaalaos (voorbijgamjer). ^ v^^ 



186 

hofu panggohkon (§ 120). Zelden echter wordt het geebckt uitgedrukt, daar 
de bezigliedea izan man en vjnouw* bepaald zyü (vgl. bl. 114, boven); zoo 
b. V. weet Bén, zoo mm'tleTeQ Tan deaBatakkeot, dat /UM^ofdls«^(zie 
Wdb. ordoH^ een maQiiel^k , en panumi (zie Wdb. 6<mi) een vrouwelijk 
peraooB. is; zeo ia. ook patmakan altijd een knaapje. — n. Voor dit sub- 
stantief wordt meestal een ander substantief gebezigd, om bepaakLelijk 
een persooa aan te duiden, zoo *t verband het niet genoeg uitw\jst; zoo 
b. V. zegt men daiu pangubung (een dooden opwekkende dalu), om het 
van pangubung (een doode opwekmiddeJ) te onderscheiden. Dikwijls be- 
zigt men pande, zoo men tevens de bekwaamheid, bg iet-s vereischt, wil 
te kennen geven; b. v. pande pangogungi (§ 60), de ogung-hespelers (de- 
genen, die in 't bespelen van de ogungs vaardigheid hebben, of zulks 
gewoon zijn te doen),, pande pctrsarune, 9arune-blQzer ; pande parodap , 
pande pak^aarif terwijl men bloot pargaisi of pargondang (muzykanf) 
bezigt. Omtrent 'i gebruik van deze een persoon voorstellende sub- 
stantieven is op te merken , dat zg dikwijls in plaats van 't werkwoord 
y als praedikaat voorop gezet worden om een bijzonderen nadruk op de 
voorgestelde handeling te leggen, en van daar vooral in eea verwijt of 
beschuldiging (vgl. § 152, 2°.); b. v. ai pangalatmm do ho di hami 
(want gij zijt een onp bedrieger), want. gij hebt ons bedrogen; pamogo 
ma ho di hepengnami (dan zijt gij een ons geld onrechtmatig achterhou- 
der), dan hebt gij om^ geld achter gehouden (niet, zoo als behoorde 
ons uitbetaald). In dit geval kan men ook 't actief gebruiken, miU door 
't.relatieve. no, voorafgegaan (§ 126, 1°.); b. v. na mangahkkup ma ho 
di djolmakkj, (dan zijt gij de persoon,, die zich van mgn vrouw weder- 
rechtejgk heeft, meester gemaakt), gij hebt U wederrechtelijk van 
tni^^vroufo.niteester gemaakt,, 

a. Sommig^e sulstantieven, die geen werkwoord tegenover zich staan heb- 
ben, moeten toch naar den vorm hiertoe gebracht worden; voorbeelden. z\jn: pa- 
didit (bl. 56, Janm. 1), pahoppu (grootvader maker, $ 32, l.V), pangulubalang J 
{een geest door den datu tot vluóalang of voorvechter gemaakt); pakkabahaba 
{door een daiu verwekte storm), pangalaho, parsüi (in plaats waarvan D. pèrsi- 
Uki heêU, vgl. f IfSOh pèiuUthan (D.. ^nidahtui^,pm»ataug.{^tibaittng),parha'- 
lajl»(bli 1^1)» 'eos.' Zalke nibstantieven z^a.óf aij^ctd van een vfirloten gegaan 
werkw., h( in overeeMtemiuing mei 'tiietbf-verbelfc aabst. gevormd, 't geen toch 
^x natttorli^k'^is, daar men nit de tsUooKe op dte w^ae afgeleide sabitantievcn 
tot H gevoel moest komen, dat pa substantief vormend «as, sonder er aan to 



/" 



187 

(ietilieB, dftt èe j» uit de m Tfln een YOOrikMhtsel etttstëftn is. Met ro (ld«M) 

beeigt tatsh paéi^nk w$t iStirifig net de- lietecfketois tetens 7tii em iefwu^èttk ah; 
h. V. Hf ina pèngian ¥a4fét i (Ib., bl SSI5, iril.), ffeiéfOè vónt hlhak ah téheidt- 

TBühter (tie een ftil^r vóotbeeld in \ 165, V>. De oÉregelmatige vorm 

pêingttiAhtit (wftér muM n6^ péimhui) it te verlrl&ren ttit de züeftt bet in over- 
eeüstemiiling te briertgen mfèt pmtfftOoithiè (vgk U. 148, M.). 

è. Zelden beeft dü itobManiief een j^essiè^ébetée^nisreen voerbéèld U ptt- 
fUiding (de Wdb. ^1^). tn D. vindi men pHgkré (Ib., bl. 148, r. è v. o.)» 
en phtatêkên (Ib., bl. 180), getehenk (ifü gesehótilen #cfrdt). 

é. AU i^reepofeities tireden op paiutdin^ met lit v^r 't flnbstanÜef , dat bet 
in betreding stelt (zie Wdb. tMngi); pêmdhAn (D.), door tóèdoèn van (Ib., 
bl. f»t). 

M. iieeft niets ó^raerkemks; b. v. ti-pattoêjt pimngmu painkHk huratigirmM 
(Ib., bl. 246, boV.), dié voor V QA, 108, a) pinanff gehaald hSift (den piming- 
boout beklominoik), en die voo^ V heiél héifi kladr gemaakt . 

D. beiigt pëmttrune (H. 87, 6,) = pande partaruné; pdndo përglMéng = 
pandê pan'odapt ^i- Opmèrle^p tü^ përapurun (bl. 110) met de betéekenis 
van pamapurOHan, en pëmgasën naast «gasën, 

Jant. Het iü B. glebezigde piëmërê moet oorspronkel^k ^^^ beteèkend heb- 
ben (tan m}fre, stamw. ^e),' en beeft naderbattd de b^xondere beieékenis gekregen 
van die" iemand («nsteit o^ doebter) alê èrmd geeft (van daar sehoouhroêder, enz.). 
Een bewQs hieNttn is ibiébere (öëèJfre iw D., met weglating van de praepozifie, 
bl'. 40 Ü), 96,1 een önde passieve voria is van ^e (= lf)fre, $ 2^- /r.)', tnei her- 
Ming van de eerste lettergreep van 't stamWoord; immers eeïi ibébéré ii, ais' 
degene, £é naar Batakscbe gewoonte bQ nitnémeodhad aénspraA maakt op 96 
ddéhier Vaa zQn itèkhig, een geteoOnkjl^ met dé bmid Usfiftigde (Beh rroè^^ 
ntainere in T. moet heg^gen beteekend hebben, W. 107, r. 2 v. o.). 



\ 



^geleid van de tmeede en derde sowt van stamwoordei^ke toerkwoor- § 122. 
den (§ 39) of een iniransUief werkwoord met slechts 't voorhechtsél ma (§ 41) 
heeft 't aotief-verbale substantief ha tot vooïbechtsel,> terwi^}! de begin- 
oer van 't stamwoord met ^ijjn klinker tevens herhaald wordt *; b. v.; 
hasusuda van suda, haroró (( 20) yanro^harorobaYKamarobOyhapapt^ak 
(J 19, I) van pajdk (§ 40). De stamwoordelijke werkwoorden va» de 



De eerste soort der stamw. werkwoorden (^ 88) heeft slechts ha; b. v. ^- 
iulHaikg {^ 135)'. --^ adóng'(i 39; Jattm.y ythnitït als snMatitiëf n^dit van 
vorm (b. y, adongna, 't aanwezig zijn dr van). 



/ 



18& 

tweede soort hebben soms een vorm mei par , en du9 alsof er een actief 
met'tvoorh. mar tegenover, stond; b. v.parhabang (bl. ISÏ), parhuttdul ^ 
enz. Van de kwalificatieve werkw. (§ 42) afgeleid, heeft dit substantief 
nog een anderen vorm, namenti^jk 't voorhechtsel Aa en daarna 't in- 
hechtsel »»; b. y. hinadao naast hadadao (§ 19, I) van daó of madao. De 
vorm met 't inh. is gebruikelijk, vooral zoo 't stamwoord met een klin- 
ker of lipletter ^ begint {MnauU van ull^ hinapogos van/M>^(^), of oor- 
/ spronkeHjk een substantief is (§ 43); b. v. hinadatu van daiu. Deze 

vorm is echter ook in gebruik gekomen b\j woorden, die met een me- 
deklinker beginnen, zonder dat er een bepaalde reden voor opgegeven 
kan worden; b. v. 't zoo juist aangehaalde hinadao. Dat een kwalifika- 
tief werkwoord dezen vorm niet behoeft nan te nemen is reeds boven 
(§ 4^) gezegd; maar op te merken is, dat het als substantief bepaald 
moet z^n 't z^ door ni en een volgend substantief, 't zjj door een pro- 
nominaal aanhechtsel; b. v. di-bam dengganiM (Ib. bl. 43 r. 9); inda iung- 
di-haen denggaUu (Ib., bl. 12, r. 1 v. o.), het is niet zoo zeer door mijn 
schoonheid dat men enz.; aUk anak ni napogo», h^jaea eongon i denggan 
ni abitna^ zoo h^j de zoon was van een arme, mtarom is zoodanig de schoon" 
heid van zijn kleeding? Onveranderd bezigt men zn)k een woord ook als 
substantief vooral wanneer reeds een afgeleide vorm voorgaat; b. v. 
hadadao ni èegu donok ni parsaulian (Ib., bl. 3, r. 14), het verwijderd z^ 

van kwellende geesten , het nabij zijn van hetgeen geluk aanbrengt, 

Waar 't stamw. eenlettergrepig is wordt 't voorh. ma behouden ; b. v. 
hinanuUo (§ 19, I) van maló {lo); evenzoo waar zulk een werkw. zonder 
verandering als substantief optreedt; b. v. di-baen malena (door zijn hon- 
gerig zijn). De werkwoorden met 't inhechtsel um worden nooit op 

deze wijze substantief. Een enkele maal vindt nienpar als voorhechtsel 
b\j zulk een werkwoord; b. v. parmodom van modom (zie echter § 124). 

a. Naast hadodoppak is pardoppcA (^ 123) ook in gebruik (misschien wel door 
Dairischen invloed). 

b. Is de voorgestelde hoed.taJgbeid iets ttjdeiyks, dan kan men ook een kwa- 
liftcatief werkwoord met 't relatieve na als substantief doen optreden; b. v. molo 
dau na birongmwna », hu -hurt pe, zoo het zwarte van U (die vuile zwarte stof 
op Üw mO op mQ aansmeert, dan tal ik het afioasehen; di-buri na hatntna i, 
hij wasehte die zeere plek op z^n ly^ (letterlek: zijn dat zeer wat). 



' Be reden vtn dit laatste sie bl. 119, r. 10 v. o. Uitzonderingen z^n ha- 
mamago, waarnaast hinamago, van mago, en hapap^jak ($ 123). 



189 

e. Tusschen tuèu, alt suUtantief, en katutubu wordt onderscheid gemaakt: 
't eerste beteekeat wat geaard wordt ^ baanel {tubuna, haar pas gehorm kintt), 
maar 't tweede het geboren worden, tijdstip van geboren worden (^ 128). 

1). heeft b\j kwalificatieve werkwoorden deselfde vorming, maar bezigt ook 
për, alaof het sabstantief afgeleid was Tan een werkwoord met 't voorhechtsel 
flilr, en kan verder ook den Terbalen vorm met «i^ of I en een sloitenden nens- 
klank (bl. 41, JII) als sabstantief doen optreden; b. v. HnëbtffoJk van hnbtf;'aJt; 
hinHuh (bl. 86, 7. 4.) Tan kuh (bl. 8», XI); Hmdjuwah (Ib., bl. 90, o.) Tan 
hêtfjnwah. Voorts: hërëroh Tan rohj pétdahuh Tan éndabuh; përbnwe Tan èM- 
buwe; p%rdaoh (Ib., bl. *)78, r. 14) Tan èndaoh, en mahin mèlehena = di'baen 



V 



Wat de beteekenis betreft van dit substantief, z^ nadert die van on* } ^^* 
zen infinitief, maar wordt ook dikwijls gebezigd als benaming van 
tpd wanneer, plaats, van toaar, ja zelfs van de bijzondere wijze, waarop 4e 
inhoud van *t werkwoord plaats Ae^. In tegenstelling van den vorm met 
p stellen zij nooit een persoon voor, en men bezigt, waar men H laatste 
wil te kennen geven, *t werkw. met 't relatieve na (bl. 194); b. v. hinapo- -^ 
gos (het armoede l^den of arm zijn) maar na pogos (zie boven bl. 188). Als 
voorbeelden mogen dienen: hadadao ni begu donok ni parsatd\jan (bl. 188); 
songon na musu (bl. 168, d.) hu-ida halalahomuna, uUeder wijze van ü te 
gedragen is, zie ik, als *t ware vijandig; di halalahonami tu gindjang on, 
in ons gaan naar hier boven (toen wij hier naar boven gingen); songon biia 
ni ulok dart hinabisana, gelijk *t ven^ van de dari-slang is z\jn vergiftig 
zijn; madabu ma singgar-singgar tijan langit di harurmoar ni ulok », er 
viel zonneschijn-regen van H uitspaneel op 't tijdstip van het te voorsch^n 
komen van die slang (toen de slang te voorschijn kwam); i ma hasusün 
ni saem ni halak na djuppasa ulok bane doli, dat is H einde van H middel 
tegen een kwaad omen van ieniand,die een banedoli-slang ontmoet heeft (daar- 
mede eindigt de saem van enz.); m^h songon i hapapajak ni oppak ni 
ngingi na ni ktiik i , zoo aldus de ligging ia van de splinter van den ge- 
vijlden tand, enz. ; nunga denggdn , ninna dalu i, harorobo ni horbo i, reeds 
schoon (gunstig als omen), zegt de datu, is de wijze van omvallen van 
den buffel; hinabalga ni boltokku do i, het is geen zwangerschap, maar 
M is de natuurlijke dikheid van mijn buik: hasusuda ni bohal, hei op zijn 
van leeftogi (de t^d, waarop de leeftogt op is); doppak pattangan i ma. 
di-baen hadodoppak ni horbo i, naar de krijgssopo met den kop toegekeerd 
werd door hem geplaatst het front van den buffel (vgl. doppak bagas. 



190 

ni sukui i di-baen pardoppak ^ ni hffrdo t) ; dé^öaem mapgétmhêeMróni radja 
i, ky^ sédde de termjjnt waarop de vorst te komen had (Mj bepaflldei 't 
tijdstip tan de» vorsten komst)^ A-padatton ma dmoa b&tngin kaêOsakat 
td hdfrbo pamda m na tal» i tu na numattgt f, h^ hepaaldèHtoéfe etmalen als 
termi^ywaarap amnkomenmoeit d&kiffel, dm dê avenêonnèiê aai^ dm tioer^ 
temnaar al$ Hete had tê óetalem, ^^^^ Dik^rijld is ih Mfcffltaütiéf Ift gé' 
bniik tiiel di^iam ^m een hoogetv gfntkè tan 00» k^daHighéid als- fé- 
dco op Ut gdteo vaii' 't geen me» zeigt (J^ liti, 1I2^,< b. t. êi^djioU^ para* 
jahm; di paê^, pakna&n dè-haen Mmra^m, véeif $^ndémrde k^ mtft 
hradtt (§ 11») inj^aMs aeUer, opgm&óM toegme zêfn varH a^fn' (omdat 
h^' zoo'n groot vorst is); ai barita ni buea di-dok halak di si: masipado^ 
nan ihuma masitapparan pinggólna di-baen hinaioropna (Ib. bl. 92 m.)» 
wmt men zegt dam van de krokodiUent dat huntte staarten in elkander 
knoepeUy hunne ooren op slkaiuier Jktppen van toege Hunne énorme menigte; 
di-baen malena^ !hi} sohreeawde door g^n hongerig 9^n ((»lidat hij <0(/q 

boDger had). • hakdango (langó) beeft de aetieve betëektittis vati 

idê dat bedwelmt, 

M. volgt T.; b. V. tdriond& ma éMuk mmngaradju arémg BeMr d^ atutuht 
(bl. 26, II, d) ni anak nemera mmUjwta Mung i (Ib.y bl. 128', r. 16), Oe 
Dmtuk M, A, B. sUmd peingende itit hij 4e gebeêtte tfon geittXêenvW^teneoon 
(toea dat vontekind gieren werd). 

D. eveazoo; b. v. Mah Ato vè& ku-debmk mi Mang misrai^ka ÜmHJ» Mtt 
ku'ö^eiëH pMiabahna, iak masakade bogus f/ta (Ib., bl. 6, r. 8), «tf'MA» «1^ dei^ 
bamboe in dit nagenpeg êodemlooife ffOt Uten vallen, opdai ik luiHere Mtaf hst 
pallen er van, om te weten hoe diep hei is f përèwee ktena ps soda peiang nge 
duwa utrim (IK. bl. 183, r. 11 v. o.), daarbij is de veétMd ean' s^ eoeht 
(van die soikerpafan) sUekls éen peUmg en t^ee satiike (zQn vtooüt kedi^eg 
niet meer dan enz^); makt i-bëtoh sinff^rkn kërërohna, de menigte fiseet z^ 
komst nief (men weet niet, van waa)r h^ komt); si'Somada- ed^^ën iërëfohna 

(Wdb: bl. BIS). Btet bezigt ook een ota9ch!*gvi»g möt bëkas (faW^; b. v. 

kade mo asa i*inse kano békaskn rok, waarom toek is het, da* deer Ü ender- 



* Vgl. di'paudnr nasida ma pardeppaknk (Ib., bl. 188, 138 b.)\ mJ braehten 
kun front in éen rigting achter elkander (zq gingen achter elkandter mbt 't ge- 
laat naar éen kant toegekeerd loopen); ndér ma pardoppaimuria rap tuson, zij 
nUeder front gelijkelijk herwaarts achter elkander (loopt op eeii rei atohter dkan- 
der met 't gelaat naar dezon kant toegekeerd): 



191 

zoek gedaan worde naar wm^n harktmutf Ma kwèëioA i diie nan bHoAndgnê IjH^ 
roA, opdal ik weia van waar JJHeder komen ti. 



Zonder dat er een werkwoord met 't voorhechtsel r/uir tegenover J 12.4. 
staat, vindt men substantiven met ^dr. Zy' worden afgeleid van sabstan- 
tiven die een praepozitie voor zich hebben y of van dezulken , die met 
een praepozitie als bg woord optreden; b. y. pardihtUa van di huta {in 
de huid), parpudi van pudi (di pudi , achter), pardjolo van djolo (di djolOy 
vóór), Z\i stellen meer een persoon voor, en daarom kan ook uit een 
intransitief werkwoord zulk een substantief gevormd worden, waar men 
bevreesd is, dat de vorm met ha duisterheid mocht verwekken; zoo 
b. v. zegt men parmodom, slaper, slaapkop; parmodom balija», iemand ^^ 
die buiten (di dalman) slaapt (die de» nachia op è&a akkejr Ib «en bods 
biyft vernachten). Waar een bgwoox^ tegenover dit sabetantief aanwe- 
zig is, beteekeu^ deze vorm bepaald^^k e^n voorwerp, d^i in hetrMm^ 
tot een ander zeken plaats inneemt; b. v. partoru, die onder ««, in verg&^ 
liyking van iet& andeia de onderste {di teir»^ onder)-; petrgindjmng ^ ik 
booen is,, in vergjcl^king van iets andien de bovenste (di pindjan^y bonen); 
pardjohy de voorsite ^ de eerste ; parpudi ^ deackterstey de laeiHe;.partongai, 
de middenste (di ton^a, inttéBlden)\ parbal^an^y, de buitenste (jparbubfjaat^ par* 
hüA^jany de buitenste r^steak). 

Ook rangschikkende^ getaUm. hebben den vaxm van een aeéie^fi'wpbatd § 125. 
substantief; vaa daa£ pahi voor telwQocdeOf ^i b. ^^ pa^iioUv de derde. \ 
Om> dit in. verband te. brengen met. de werkwoorden, dia 't zamengew 
stelde voorhechtael mahi (§ 74) hebb^, zal mon maetea' venondesatelw 
len, dat zulk een snbstaatief lettenÜjk beteekent -.. die such tot drie maakt 
Zulke rangjtelwoordeu zijn echter meer in de jnot&M^aal gebruikel^k. ea 

zijn in de spreektaal door de ia \ 72 vennelda vecdiongen^ Ëen 

andere den vorm van een actief- verhaal sulwtautJef hebheade soort van 

rangschikkende telwoorden is reed» § 68 beband^eld^ Gak dè^ tim 

eerste maanden hebben een naam, die den vorm heeft van een actief- 
verbaal' substantief mét voorplaatMg van si (§162^2°)^ b. v. si-pahatoluy \ 

de derde maand. Een active vorm (maha^ )• komt' niet voor, maar 

moet toch beslaan- hebhen blijkens de werkwoorden met 'Vvoorhechtsel 
maka in 't Makasaarsch (zie Jdnm. alhier); 

Janm, Uit 't Maleiscb, waar men door 't voorJiecfatsel ia een telxvoord tot 



Hun adverbiaal gebruik met manoktanfj ^fr mij duister (zie Wdb. ond. tongtang). 



192 

saUtantief maakt om het rangsciiikkende beteekenis te geven (b. t. katiya , de 
derde), mag men vermoeden, dat een vxo^re actieve vorm {maha — ) ont- 
staan is door plaatsing van 't verbale voorhechtsel, zoodat een mahaiolu: de 
derde zijn moet beteekend hebben; zoo als bevestigd wordt door den verbalen vorm 

nuüha in 't Makassaarsch. In 't Alfoersch van de Minahasa wordt de vorm 

maka adverbiaal gebezigd (vgl. § 72); b. v. makatelu, driemaal. Vgl. 't 

gebrnik in 't Tagaalsch (Totanes, bl. 115). 

Jani. Dat maAa of maA vóot een stam woord, met een klinker beginnende 
(maAatëlu van atelu, een ei), in 't Alfoersch van de Minahasa eigentiyk = nuar 
is (bl. 126, onder) lydt geen tw^fel, daar k in die taal niet h is zoo als in het 
T., M. en 't Malagasy. 

§ 126. 't Adiêf-nerbale BubdanHef wordt omschreven: 

1*. Waar 't actief 't aanhechtsel hon, en een voorh. beginnende 
met M heeft (zie § 120). Men bezigt dan een zinsnede, bestaande uit 
't relatieve na en 't actief; zoo b. v. iw makkehelaikkon do ho di halak, 
door uw onbetamelijk ^oorkometi z^t gjj iemand ^ die de lieden belee^ 
digt (of beschaamd maakt). Hier is na makkehelaikkon op dezelfde 
wyze gebezigd als pamogo en pangdUAèum in de boven (b). 186) aan- 
gehaalde verw^tende uitdrukkingen, en stelt dus een persoon voor. 
— Waar 't actief-verbale substantief de to^ze voorstelt en met hehé, 
geconstrueerd wordt (§ 121, 1*.), bezigt men 't actief en leidt het in 
door 't eerste passief; b. v. hekd ma ku^aen manaruhon ho^ sowada 
hU'èoto dalan tu si, koe moet door m{j gedaan worden V derioaarts ie 
brengen, wani ik weet den weg derwaarts niet (hehd ma panaruhottu di 'ho 

kan men niet zeggen). Waar 't subst. een middel voorstelt (§ 121 , 

2".), bezigt men boen voor 't actief; b. y. pittór adóng do parumaenna, 
dirbowan ho, baen mangulakon ibana, er is nu een schoondochter van haar, 
door U gebragt, om voor haar veldarbeid te verrigten (Gij hebt Uwe 
moeder een schoondochter , die voor haar werken kan , toegevoerd). 

a. 't Actief van de werkwoorden met 't 'voorhechtsel pa, die 'taanhechtsd 
hon hebben, kan men met anggo ($ 165, II) 'voorop als substantief doen optre- 
den; b. V. anggo pagaburhon adóng do hu-boio, een toeekmatend middel is er 
weet ik (ik heb een middel, om het week te maken). 

2°. Waar de voorgestelde handeling een bepaald tijdperk beslaat. 

Men bezigt dan 't actief meestal met na er voor, en een adjectief voor- 

. naamwoord als bepaling er achter, zoodat het zoowel als adjectief als 



I 



193 

als substantief kan optreden; b. v. dung na marpangir t, di-dokkon ma 
pahoppuna i (Ib., bl. 125, o.), gedaan dat zich met pangir zuiveren ^ be- 
val zjj haren kleinzoon ^ enz.; êaleleng ni na marrunggu i, gedurende dai 
zich vergaderen (zoo lang als de toen plaats hebbende vergadering dier 
vorsten duorde); nunga pitu ari nasida na marrunggu i, reed» zeven da- 
gen zijn z^^ die vergaderen (reeds zeven dagen lang zijn zij aan *t be- 
raadslagen); indadong mui be na manólon i, dat door een eed ontkennen 
dier twee twistende personen ging niet meer door. Bij diergelijke ad- 
jeeUve zinmeden is op te merken, dat 't werkwoord, dat bij ons als 
praedikaat optreedt, in 't Bataksch attributief (of als adjectief) staat, 
terwijl wat wij door een bijwoord of adverbiale bepaling uitdrukken 
er praedikaat is; in plaats van gedurende zeven dagen (adverbiale l)epa- 
ling) zijn zij vergaderd (praedikaat) zegt 't Bataksch zeven dagen zijn zij, 

die vergaderen ('t subject is alleen in 't Bat. en Nederl. gelijk). 

Zulk een omschreven substantief bezigt men ook na een subject, om 't 
praedikaat te bepalen door middel van een werkwoord, dat bij ons als 
infinitief door een praepozitie moet worden ingeleid, om als adverbiale 
bepaling te kunnen optreden, b. v. maiaohot ma nasida na margondang 
», zij hielden op, die muzjjk maakten = z\i hielden op met datmuzijk ma- 
ken; lodja hamuna na mardalani, vermoeid z^ gijUeden, die gereisd 
hebt •=■ g^lieden z^t vermoeid van dat reizen; dung sun nasida na mar- 
hata ii toen zy, die spraken^ afgedaan hadden = toen zij gedaan hadden 
met dat spreken; m^mortor ma na tarsonggot na mamida baÖ^at i, die 
verschrikt waren van dat zien van den tyger dansten; sahatbutong ma djol- 
mana i na mangan parbuwe ni rukkung banggik i (Ib., bl. 1), volkomen 
verzadigd was zijn vrouw van dat eten van die rukkung-banggik-vruchten. 
Voorts bezigt meü zulk een omschreven subs, als subject van een pass. 
(bl. 181); b. V. di-pasohot ma na margondang i, doorhem werd uitgeschei- 
den m^t dat muzijk maken (dat muzijk maken is hier 't subject van di- 
pasohot, door hen werd met iets uitgescheiden). In dit geval kan na ook 
wegblijven; b. v. di-pasadi halak ma martaba hariara inon (Ib., bl. 295, 
r. 8), door de lieden werd opgehouden met dat vellen van dien Jlcusboom 
(men hield op met dien boom te vellen). In een bijzin , die de re- 
den opgeeft, plaatst men zulk een omschreven substantief als praedi- 
kaat voorop; b. v. indadong au oio mangatton di-baen na so padjuppa i 
hami, ik wilde die kip niet opeten, omdat wij elkander niet ontmoet had- 
den; di-baen na mamunu djolma i hamuna di onan i ma asa ro i, om- 
dat g^lieden op de onan menschen hebt gedood, is het, dat die komt» 



/ 



194 

De beteekeais vaa zulk een attributief optredend werkw. stelle 

meu niet gelijk met die van (Musen infinitief, want even als 't actief- 
▼erbale substantief heeüi; bet meerdere beteekenissen, en kan ook een 
persoon Toorstellen. Dit geschiedt omdat de in $ 123 beschreven vorm 
iets anders dan een persoon voorstelt; van daar na ro (die kami of k<h 
men, de vreemdding of vreemdelingen j de aanvaUer of aa$tvaUer8, de ée^ 
zoeker of bezoeken) in tegenstelling van iaroró (bL 190); napogos {die 
arm ia, een arme, de armen) in tegenstelling van hinapogoe (§ 128). 
Wil men na ro b. v. de beteekenis geven van Aet komen ^ dan moet men 
^^ het nader bepalen door een adject, voornw. , Hifi. er de meer bepaalde 
beteekenis aan geeft van daé op zekeren tijdplaaU hebbende komen (§ 144); 
b V. na ro l, dal komen, het toen plaaU hebbend komen; na ro on, 
het thdnê plaats hebbend komen; na so masuk on, dit niet binnen komen, 
het nu niet binnen gelaten worden (§ 100). De beteekenis is over 't alge- 
meen bepaalder, zoo b. v. beteekent na dao niet verte masir meer bepaald 
een plaats die ver is; b. v. dungpe ro di na dao au, asa aUtton tugottingmt, 
eerst zij ik gekomen op een verwijderde plaats, dan wind het om uw middel/ 

(wind het niet om uw middel voor ik ver af ben). Sommige van deze 

omschrevene substantieven hebben door 't gebruik geheel de beteekenis 
gekregen van een gewoon subst.; b. v. na poso (die jong is), bediende (pot 
verzachtende term voor sku^; na godang (die groot of volwassen is), ou» 
J ders; na metmet ^ (die klein is), een kind; na mora (die ryk is), vertegen* 

woordigend hoqfd van die van een andere marga zyn dan de vorst), enz. 

a. Zonder na kan 't actief als substantief een ander woord bepalen, zonder 
zoo als bij ons een praepozitie te behoeven; b. v. pande mamhaju, bekwaam 
gijn in hei vlechten. 

B. bezigt si in plaats van na (§ 149), maar laat het vooral in dit geval dikwijls 
weg; b. V. iëna djumpa kita ngo asa si-pekom merburu idi (Ib., bl. 4, b.), het moet 
door ons aangetroffen of verkregen worden voordat we uitscheiden met dat jagen. 

Eet Jctief-verbale substantief met 't aanhechtsel on. 

§ 127. Door 't aanhechtsel ón verkrijgt dit substantief een algemeener be- 
teekenis, zoodat het niet meer een persoon of werktuig kan voorstellen, 
maar den inhoud van 't werkwoord Zuiverder weder geeft. Het heeft 
^ meestal de beteekenis van een bedrijf of kunst, en kan ook een object 

B. V. torang ni arina, sipapungu (M. 137» ond.) na metmetna isi m-hmta 
i, den volgenden dag bracht ieder der bewoners van die huia zijn kinderen bijeen. 



193 

bij üvik b^l^b^a ssoud^r tw9PQbeAkom9t aener praepo^itie; b. y.panaonon 
éi^yiet pêtt«» mufviken aU bezigheid, bedryf of kunst ;/?affa0fioff;iad»5», 
f^nfmJc ^feUsny d. i. z^vl ^ttaa v»n fuiken als een kostwioning (manaon, 
tam); jpa^ad(mg(m ^'*«2aowia, ^ rooi/e» eai» gadtmg» is ^oar gewoon» 
lijk totfr^ oj9 '^ P^V {ma^igaiongy { 75); panguUopon, M 9chiek» met een 
ilaasroer aU kuni3t of bedrijft pamodilon^ de kumt vm met een geweer te 
schieten j pamèn^uon^ vlechtkumi; panurbum, *t verbranden van 'top een 
akker gevelde hout (als een bezigheid). Bepaald door eeq pronominaal 
aanh. of een met de praep. ni ingeleid subst., kan het ook bepaaldelyk 
de wijze of tpedragi van 't geen iemand uitvoert in tegenstelling van den 
vorm zonder aanh*, die eep persoon kan voorstellen» beteekenen; b. v. 
óehd ma pandjalaoita, hoedanig toch wa» onee ^9e van met het net te vie- 
schen? indada dung songon on pandjalaottu^ nog nooU was Mue m^jn met 
het net te viaechen (nooit heeft het zieh aldus toegedragen); t mapartiga» 
tigaon * ni na oto, zie dat is de terzet waarop die dom is handel pleegt te 
drijven (aldus doet de domme als h^* handel dr^ft); beha do partiga-ti- 
gaw if hoe heeft rieh dat handel draven toegedragen? (hoe is het er mede 
afgeloopenP); hinakkuhhon ni pandjoppnion eme i (Ib.» bl. 314, o), geee^ 
gend door (voor rampen beveiligd door) dat plaats gehad hebbend opnemen 
van de rijst (zie djqppnt), waar het subst. bepaaldelijk op een plegtigheid 
ziet, waaraan men naar gewoonte voldoet; margulut di hutanami ala 
ni panurbum nattoari (Ib., bl. 28 m.)> mm heeft twist in wze huta naar 
aanleiding van het gisteren plaats hebbend branden (van 't gevelde hout); 
ia hu-sarihon parrohaommi (§ 144) di au, indada godang ni rohém au tutu, 
zoo ik denk aan die uwe gemoedsgesteldheid jegens mij, dan ben ik niet wer- 
kelijk uw oogappel (zoo ik aan de liefde, die g^ voor m\j placht te heb- 
ben denk , dan ben ik niet meer uw voorwerp van liefde). Dit sub- 
stantief wordt ook als bepaling van een ander gebruikt; b. v. utang 
pangoUon^i de schuld pan 't koc^m van een vroum (Hgeen iemand b\j 't 

koopen van een vrouw pleegt te betalen). Het wordt ook met di- 

boen geconstrueerd (§ 123 op bl, 190); b. v. di-baen panggaUmgonna (Ib.» 

IV, bl ae), wegens zijn gastvrijheid. Op te letten dat dit subst. in 

vorm geluk I^an z\jn aan 't passief- verbale subst. , als dit afgeleid is 
van den verbreedden passieven vorm; panggoraon enparajahan b. v. 
z^n pasaief-verbale substantieven (§ 132). 



* Zoo men hier partiga-üga ni na oto bezigde, zoude de zin z\jn: de handel- 
drijper van een dpmme (die ten beboeye vai» een domme handel dr\}it, bl. 108, a). 



196 

i 128. Be stamwoordeUjke werkwoorden of die slechts 't voorhechtsel ma 
hebben, vormen dit substantief door 't Toorhechtsel ia, zonder herha- 
ling van den beginner van 't stamw. met zijn klinker, of 't inh. m (§ 122); 
b. V. hapogoêon van pogóêy hakon van male. De beteekenis is hier we- 
der algemeener, zoodat dit substantief nimmer zoo als het in } 122 
behandelde een ijjéktip of wijze kan voorstellen; b. v. kapogoêon, ar- 
moedige toestand, hei l^den van armoede; kadortaon, éUnde; Aaleon, 't 
honger lijden, hongersnood; na ung ni4oppa na so djadi dudaon; na 
ung ni^k na so djadi panbaon^ molo pinauba inda patnnda hasusaon, 
anggo sowada pinauba, inda paiunda hasonangon (Ib., bl. 179, b.), wat 
gekookt is mag niet worden gestampt , wai gezegd niet worden veranderd, 
zoo het veranderd wordt, brengt het dan geen moeite aan? maar zoo het niet 
veranderd wordt, brengt hei dan geen gerustheid aan? (zoo men van zijn 
gegeven woord afgaat, raakt men immers in ongelegendheid , zoo niet, 
geniet men vrede); ijapinabowa mandjadi hailaon, ya so pindbowa man- 
djadi hapattunon djadi iu hadengganon, zoo men hei zegt wordt het een 
beleediging ^ maar zoo men het niet zegt, wordt het beleefdheid en ver- 
der tot het goede, Zoo het van een substantief afgeleid wordt, is 

liet de collectieve benaming van het door het substantief voorgestelde, 
en heeft het overeenkomst met onze substantieven op dom; b. v. ha- 
I IA begfon (het begu zijn), het geesledom , de bovenwereld, maar ook dapper- 
heid (^tX als een begu zijn, van na begu, § 43); hadjolmaon, het mensch- 
dom, het ondermaansche ; hasuhuion (het optreden als suhut in een aan- 

/ gelegenheid, waarbij men als principaal een datu raadpleegt) heeft de 
bepaalde beteekenis van ernstige aangelegenheid, oorlogsaangelegenheid 
gekregen. Zoo 't subst. de benaming is van een ambt, stand, waar- 
digheid of bedrijf, dan beteekent de afgeleide vorm al 't geen aan dat 
ambt, enz. verbonden is, zoo als de bekwaamheden daarbg vereischt; 
b. r. hadatuon (wat men weien moet om een datu te zijn), wichelkunde; 
haulubalangon (alles wat er toe hoort om een ulubalang te zijn), krijgs- 
kunde, oorlogskunde ; haradjaon (de kunst van radja te zijn), regeer- 

kunde, vorstelijke eigenschappen. Ook dit substantief wordt met di- 

baen geconstrueerd (J 128 en 122, onder); b. v. si-sobur daro tala si- 

/ har at duguUdugul, si-polgak utohutok di-baen habeguonna (Ib., bl. 10, 
b.), de held bijgenaamd Bauw bloed élurper, BotknokkeU doorbijter, 
Jleriens opzwélger wegens zijn grocte dapperheid (vgl. § 164, a). 

B. i. de toestand van maila ten gevolge vao makkeheUdkkon ($ 44). 



197 

a. Van maló heeft men hamalón ($ 8), bekwaamheid. 
B. bezigt nog 't inhechtsel in; b. ▼. kinigwrün (van gum) = hadatwm. Hier 
18 dos de Torm meer in overeenstemmiog met den in § 122 behandelde. y^ 

't AeHef'Wrhale whsianUef met 't aanheekisel an. 

Door 't aanhechsel an verkriggt dit substantief de bepaalde beteeke- § 129. 
nis van plaats, waar de door 't werkwoord verbeeldde handeling geschiedi of 
geschieden kan. Wij kannen het niet naar den vorm terog geven, en 
moeten vaak de toevlngt nemen tot een adjectieve zinsnede, die met 
een relatief bijwoord of een praepozitie met een voornaamwoord aan- 
vangt; zoo b. V. ia hudon pangaloppammu (§ 1&) indahan (letterlijk pot 
uw pangaloppdn of rijst kooken plaats, { 8, van tnangaloppa) , de pot, 
waarin of in dewelke gij r^at kookt, 't Aanhechtsel is hier weder in 
overeenstemming met 't aanhechtsel t, maar heeft nog ruimer beteeke- 
nis, zoo als uit de volgende voorbeelden blijkt: panibaenan parau i, 
waar men of iemand dat vaartuig maakt; panggowaran, van waar men ' 
of iemand zijn naam ontleent; panaJUhammt (Twiêt van 8. M. en B, D., 
bl. 19, o.), de plaats van den boom, van waar gij dat blad hM afge- 
houwen: di-pauba pakkaüanna, door hem werd veranderd zijn hengelplaats 
(hij ging op een andere plaats hengelen); oio do ho mamóuwat pango- 
eean padammuna £, wtU gij nemen waardo&t uwlieder verdrag nietig wordt 
(zult ge zorgen de dingen te krijgen, waardoor uw verdrag met hen 
krachteloos wordt); da-buwat ma loaung na tarulang boen panduddn ni na 
ta-ptdung t, een losung, die niet meer gebruikt wordt, worde gptomen 
tot 't geen f waarin men wat we aan ingrediënten hebben bij elkander gebragt 
stampen kan; debatd do pangguruan, de Goden zjjn degenen^ waartan 
men afhankelijk is (men moet tegen de Goden opzien als tegen een ^ 
guru); udjungna do patsohotan (§ 47, 3°.), het einde er van is 't geen, 

waarin men te berusten heeft. Ook dit substantief kan in vorm ge- 

l^k zign aan 't passief- verbale, zoo dit van den verbreedden vorm is af- 
geleid. (§ 116 en 1S2); b. v. tano parduguan ni horbo, aarde, waar door 
buffels gevochten is; pasibodHanan (waar op elkander geschoten wordt, § 77), 
slagveld; pasigadongan (waarin gadongs gehaald worden, § 75), gadong- 
zak; na tau pangutsandean , 't geen geschikt is tot iets, waarop geleund 
wordt (§ 81); partonanna, aan wien door hem is opgedragen woorden over 
ie brengen; panuhoran, van wien iemand koopt; panakkoan, van wien ie- 
mand steelt, de door iemand bestolene ^ waar iemand gestolen heeft; pa- 

8 



198 

uortoram^ voorop door iemajid gedanst wordi of U (§ 133). Zoo het 

^%e^i4 ï^ ^^ ^^ werkwoord nai&t 't inhechtael m», dan kao het ook 
een Yorm hebben met 't voorh^tsel jpor, alflof het fan een wwk- 
woord met 't Toorhechtsel mar gevonnd was; b. t. di-godangi tano i 
boen paronggcpamia^ door hen werd die grond «o» ee» kuil voorzien tot 
z^n verèergplaats (monggqp); parpodoman^ waar iemand elaapt (modom). 
— ^ De stamwoorden met m aanvangende of als zoodanig te beschou- 
wen (als b. V. masukf bl. 120) hebben nu eens 't voorh. ha (} 180), dan 
weder 't voorh. par; b. v. hamalnan, waarover men beschaamd ie (faaZ»)^ 
hamaeuhan^ waar men Innnen gekomen is of komt. De vorm met/Mr heeft 
echter dikwijls een beteekenis, die zoowel passief als actief kan opge* 
vat worden; soo b. v. khn parpangiram {pangir^doos, Wdb.) even goed 
opgevat worden als 'tgeen waaruit men pamgvr neemt ('t geen waaruit 
pangir genomen wordt) als 't geen^ waarin men pangir he^fi; nunga 
denggdn dida di si parasaraamm^ kjf sag dat goed daar was wai voor hem 
tot plaats van een nest te hebben dienen konde; parabitan, 't geen waar- 
y over men kleederen draagt (waarover de kleederen gedragen worden) d. 

^ i. de deelen van 't lichaam, die mei^ bedekt; parhuién^ waar men een 

r ^ huta he^, de plaats waar een huta staat; pamapuranan, beteióuidel 

(waaruit betel gebruikt wordt» of waarin men betel heeft), parhapuran, 
pardamoTMt, parubean (Wdb., b\jvo«gsel), /lama/MUf , enz. -^ — Dezen 
vorm hebben ook de substantieven die een waarde, duur, of bedrag 
voorstellen, zonder dat er een werkwoord tegenover slaat; b. v. parsat- 
uwangetehan {v^n sa-woa^^^etek)^ wat de waarde heeft va» één uwang- 
etek (waarvoor men een uwAUg etek heeft te geven); parsadarian; 't geen 
een dag in duur beslaat ('t geen, waarop men een dag heeft te beste- 
den, als b. V. een reis), van sadari ($ 8 en 136); parsabahulan (sa-ba- 
hul) f wat een bahul bedraagt, waarin een bakul gaat; e^uhui parduwar^a- 
rant ^^^ slagtbeest van twee rpaHen waarde, In deee bijzondere beteekenis 
vindt men ook i in plaats Tan an (bl. 116, 4ani.)\ b. v. sada parbiisangi 
halga ni babinon (Ib., bl. 384, r. 8), de grootte van het varken is die een 
/ bitsang waard is; 'babipalUma hupangi, een varken van 5 hupangs waarde; 

I babi parr^ari (of — patr^aran), een varken van een reaal waarde (ook 

— parsad§rijaran); parbanti, wat een baru waard is, 

4. Het van nmpQto afgeleide pmnotoan ($ 120, onder) wordt met een negatie 
en een pKoneminaal aai^hechM vaak als ad?erbiale bepaling gebesigd; b. v. uut^ 
dekdek sa^ggul tj^ iangann» sowadadóng pamotoanna, de ranggvl viel uit hare 



1^9 

Aand, zonder dat zij het merkte (uncojueioMl^i naar den vorm beteakeiit jM- 

motoan: H geen waarvan men weet), Als praepontie is fonUm in gcbiaik ^ 

(doOTy te weeg gebracht door), Naast pariimiaAoan heeft men parimiMAoam. ^'f' 

M. w\jkt niet af; b. ?. pai^rbuam, toaar men iets (b. v. onkmid) heeft J[^ (f J -^ y 
verbrand (een plek waar grasstengels, enz. verkoold z^n); b. v. hij wenidde «^ "' 

gehede liehaam op zulk een plek om er ztoart uit te zien Qh., bl. 87, r. 10, 
12, 13); parmanj'ogotan (Ib., bl. 182, b.), een weg van een morgen ëfitandj 
aha ma panolonannami, wat moet zijn 't geen, waarbij we door een eed dat 
moeien otttkennen; horèo ii-goeong ma panolonanmMf^'u , een rotte èmJV m^ *t 

geen waarèij gijUeden dat met een eed hebt te ontkennen, Over póngangi- 

nen zie Ib. IV, bl. 35. 

B. evenzoo; b. v. përtjëbonin (§ 121, 2^.) van ^'edoiK(bl. I4b); përmangamèn 
bezigt men = panganan (in de beteekenis van bord), daar in dezen tongval 't aanh. y^ 
an ook tot én verdnisterd is, zoodat jMrii^tf «e», daar het reeds ^=zpangatton is, 
doister zonde zijn. Men bezigt j?er^M^ (de btfaondere plaats, die iemand in een 
zekere mimte heeft of beslaat, Ib., bl. 93, r. IB) in tegenstelling van bëkae, om- 
dat dit ook halpw. is'($ 123); pénangkëngën {waar langs men of iemand naar bo- 
ven gaat, een etéilte) wordt =:r nakkohan gebezigd; èatu pihnerëiënku idiQb., bl. 
2é6, b.), de steen, waaraam ik h.^ vastbond. — ^ Over përapurun zie bl. 187. 

AfgeUid van een stamwoordelijk werkwoord of van -een intran&iUrf § 180. 
werkwoord met slechts Hvoorhechtsel ma, heeft dit substantief woder 't 
Toorhechtsel ha, even als het in } 128 behandelde; b. v. haeundutan 
(sundut), hapajahafi {jfajdk), hangoluan {mangdu), haUdman (talu), ha- 
dengganan (denggdn), enz. — :— 't Voorhechtsel ma vervalt behalve bij 
een eenlettergrepig stamwoord; b. v. hamaloan (malS) en hamaiUgan 
(mede), De werkwoorden met m in plaats van 't inhechtsel vm ver- 
liezen nu eens de m, dan weder niet; b. v. haidjuran (midjur), hauwa- 
pan (muwap), hamulahan naast haulahan {mdak)^ hamaiean (mate), ha- 
magoan (mago), enz. 't Eenlettergrepige ro wordt herhaald ^; van daar 

haroroain^ van waar iemand komt, De beteeketda van dezen vorm 

komt overeen met dk van het in § 129 behandelde subst. , maar is hier 
naar 't pass. overhellende, omdat hier een intransit. werkw. ten grond- 
slag ligt (bl. 88, r. 4 V. o.). Voorbeelden zijn: hasundvian (waar de 
zon ondergaai)^ het westen; haèitsaran (van waar de zon opgaai), het oos- 



^ Bit geschiedt om het van haroan (letterlek waarom tnen komt), feest te 
oadencfaeiden. 

8* 



/ 




200 

Un; hamoffoan, waar iemand omgekomen ie of zijn ondergang aan ie dan- 
ken oi te duekien heeft (sie aanh. onder banto) , waar iets verloren ge- 
raakt of ontvreemd is; hoêdjuran^ waarmede men naar beneden komt 

(au pe patupa 1»«, ik zal Hgeen, waarmede g^ naar beneden komiy 

bezorgen y ik zal maken, dat ge naar beneden knnt komen); kamat^an, 
waar iemand derft of gedood wordt; kamutahan^ woartft^ iemand's te- 
rugkomst hl^kt; hapajahan^ waar iets Ugt of ter neder gelegd is ( m 

badju-^adjuna t, waar haar buisje lag); hadekdehauy waar iets gevallen is 
(Twist van S.M, en D. D., bl. 14 onder); hamaloan, waaruU iemand's be- 
drevenheid blijkt y proeve van bekwaamheid; hasohotan ni na djuppa kalak 
vlok sende hüUmat di harangan , H geen , waarmede eindigt het door ie- 
mand in een bosch gevonden worden van een sende hulimat-slang (zoo ook 
i ma hasunan ni na djuppa halak si-gurappang na maroppa); hasurun- 
gan, waarin iemand uitmunt (sumurung); hamonangaUy waaruit iemsind^B 
winst bl^kt Ct geen hij gewonnen of bnit gemaakt heeft; b. y. sere ha- 
monanganki'j üf., H door mij gewonnen goud); hataluan, waaruit ie- 
mand's verloren hebben of overwonnen zijn Uijkt ('t geen hy verloren 

heeft; b. v. hu nengan on, m^n verlies van onlangs); unang niade- 

jakku husudammu; opdat niet te veel zij, dat ge hebt ten kosie gelegd 

(Ib., bl. 264 , r. 6). Met 't pronominale aanhechtsel ita, of bepaald 

door een substantief, door de praepozitie ni ingeleid, geeft deze yorm 
/ te kennen, dat het door 't werkwoord voorgestelde de hoogste of de 

jniste by iets vereischte graad bezit ; b. y. hamaleanna ma ho di ro- 
hakku, gil zuUy denk ik, op zifn hongerigst zijn, gij zult nu wel de 
rechte eetlust hebben; hadenggananna malhot nitak i di-pisai di atas 
pinggan i, dat meel wordt door hem op dat bord gekneed tot den juist 
vereisehten toestand van deeg (letterlijk: op zijn best wordt dat meel vast 
door hem gekneed); mahalga so maotik, hadjagaran ni djolma rupana 
niet te groot en niet te klein is hij , ^t geen waaruit de schoonheid van den 
mensch bestaat is z^n gedaante (hij zag er zoo uit als juist vereischt 
werd om schoon te zijn); hos ma ari hagasanganna nut haloids ni art, de 
dag of zon stond regt boven 't hoofd ('t was juist middag), de warmte van 
den dag was op zijnfdst; hadenggananna godang ni aek i di-baen, de hoe- 
veelheid van dat water werd door hem op zijn fraaist gemaakt (de juiste 
hoeveelheid water werd door hem aangebragt). Zoo als men uit deze 
voorbeelden ziet, treedt de vorm met deze beteekenis zoowel als prae- 
dikaat al» adverbiaal op. Minder vaak als attribuut; b. v. manuk na 
hat^uranna gorak-gorahan , een kip, die juist zoo groot is als vereischt 



201 

wordt om er mede te wichelen (om in de bewegingen er van duidelijk 
voorteekens te kunnen zien); na habietohanna (Wdb. onder hietok). 

a. In versierde bUnamen en andungAAxmen wordt van dit Bubetuitief veel 
gebmik genuakt, en geeft men het tevens den vorm van eigennaam; b. v. êija- 
dosan {H-hadomin, S 10, h,), waarin geUjkheid ia (broeder, enz., zie Wdb. b^v. 
onder ado9)\ tano iijapandolan (M.), de grond waarop geaUum wordt, {hapan 

doUm), ê0abuntuafi (êi-Aabuntuan), enz. Naut haaifaran heeft men pani- 

jarcm (ujar). 

Het actief -verlak substantief met H aanhechtsel un wordt ook door § 131. 
hagas (plaats) als hiüpwoörd omschreven, 't Hulpwoord hebben wij met 
een relatief b^ woord van plaats (waar^ waarop, waarin enz.) te verta- 
len. Deze omschrijving geschiedt vooral in de gevallen waar de gewo- 
ne vorm van ^t substantief aanleiding kan geven tot misverstand; zoo 
zegt men hogasnami monang ma i (Ib., bl. 290, m.), dat oorlogvoeren zij 
't geen ^ waarin w^ de overwinning behalen, omdat hammumgan een an- 
dere toepassing door 't gebruik heeft verkregen (bl. 200). Verder is 
de omschrijving in gebraik, waar een nadere bepaling optreedt, zoo 
als b. V. waar men nog een persoon heeft te noemen, waarop met »t 
of met een pronominaal aanh. zoude moeten gewezen worden , en men 
den vorm nog eens zoude moeten gebruiken; b. v. t^fan i ma hogasna 
gahe si4olong dohot si-torop, van daar was H geen, waardoor T. en T. 
ri§k werden (= tijan i ma hagahean ni si-tolong dohot hagabean nisi-'to- 
rop); djuppasa ma musé sopo na di djappalan na bólah bogasnasida 
(§ 140, 7*., «O modom n/i rappon hah^na i si-adji-panurat (Ib., bl. 80, 
r. 1), daarop trof hij de sopo op de groote weide aan, waarin hy met 
zijn ouderen broeder A, P. hid geslapen (zoo men hier parpodoman be- 
zigde, zoude men het herhalen moeten); di-djudjur ma ari na üU, bulan 
na denggan bogasna marharoan, door hem werd een gunstige dag en een 
gunstige maand naar de regelen der wichelkunde berekenend gezocht om er 
feest .op te vieren (als zijn plaats van feest vieren; hier wMde parharo- 
. anan duister z^n, daar het als passief- verbaal substantief van marha- 
roani^ over iets feest vieren , op den dag of de maand zoude slaan). 
Zelden bezigt men 't hulpwoord te gelijk met den vorm; een voor- 
beeld is bogas hangoluan , waarnaast ook lapang hangotuan in gebruik 

is. Zoo 't werkwoord een beweging voorstelt, bezigt men soms als 

hulpwoord ook dalan (zie Wdb.). 



1). bezigt 't hulpwoord vaker (vgl. ^ 128); b. v. lae hëkatna mërikan Hpat 
idi (Ib., bl. 198, b.), de rivifr, waarin hij pleegde viich ie VMn§en; lot ngo 
djëlmanghu èëkasiu mëdëm (Ib., bl. 41, m.), ii heb een vrouto waarbij ik slaap 
(b4 wie ik slaap); Véiung pënutupi bëkas ei-tagan d&n idi (ïb., U. 385, b.), 
'tf^vtjzéïbloh dai bedekte 't geen waar zieA T. D, bevond (de plMfta van T. 
D.)> '^S^ ku-padankén H-bulany ningku, bëkoêku mèrpanarikin bai mantuma 
(Ib., bl. 280, r. 8 v. o.), ik heb een maand ah termijn bij Oom opgegeven, 
waarin mij te bedenken (gedorende welke ik gelegenheid heb na te denken); pêr- 
panden bëkasna mhtèpa idi (Ib., bl. 242, r. 8 v. o.), hjj voederde ook de tmidee^ 
waar hij smeden ging: rap dike mam ëndija dalan mhtangkih mi datas, waar 
langs zoude de weg zijn naar boven te gaan f 

Aant, 't Mal. en Men. bezigen têmpat, dat ook plaats beteekent, als hnlp- 
woord; b. v. mdlainkèn anakku tëmpat ajahnda mii^drahkèn nagiri tm, geen 
f andere dan M^'n ki$id {pj) zijt degeen, aan wien ik (Uw vader) 't rijk over 

draag: karma tijada sijapa akan tampatnja^ mangadukkn halnja, want er is 
niemand, aan wie hij de ongelegenheid, waarin hij eioh bevindt, klagenderwjje 
kan melden; manudju tampatnja mdnanam bdrhala ümas itu, hij ging naar waar 
h^ het gouden afgodsbedd had begrofoen; di^tjarinja limiow iin tijada lagi pada 
tampatnja manaruh, hij zocht naar de oranje-appel, maar die was niet meer 
waar hij die geptaatet had, Vgl. 't gebruik van gen in 't Jav. 

B. Hei Pasmf-verbale Substantief. 

J182. De mrm gaat uit van den nominalen vorm, die on achter zich 
krygt, zoo 't werkwoord in dien vorm geen aanhechtsel heeft (§ 99 op 
^-^ bl. 154), terwijl an 'taanhecnsel i vervangt, en achter 't aanhechtsel 

Mj^ hm neg onhon komt; b. v. hutcaton (mambuicat), buwatan {mamwwaM)^ 
s^//^^ surattonaf\on of surattonohkon (J 12, c, nianuraiton) , pabowaon (jpabo- 
/ tealkonj). 't Aanhechtsel onhon verliest in den regel de laatste letter- 

greep, zoo 't substantief bepaald wordt door een pronominaal aanhecht- 
sel; b. V. surattonottu (myn op te schrijven iets), mrattonommu {Uw op te 
Bchrjjpen iets), maar suraUonotton (of surattonohkon) ni anakku (mijn 
zQorCs op te schrijnen iets). 

a, In plaats van dohon (mandSk) vindt men vaker dohonon. Uit dökon 
(zoid-M.)is te vermoeden, dat T. vroeger een dohon in plaats van dok als stam- 
woord had. Evetizoo blijkt ait dohom (O., bl. 39, XI, b.), en dum, dat du- 
mon (M.), hoewel het heden als stamwoord geldt, oorsprookeiyk een passief-ver- 
baal substantief is. Diergel|fke heden als stamwoord geldende woorden zijn nii 't 
streven naar tweelettergrepighcid verklaarbaar. * 



/ 



263 

M« pkaiat sleehto 0» vtfor 't aHnheehsel ^mb (vgL D.); b. v. gnratonkon 
(noorü-M.: ift^Miöfkan) vim mmyuraihm, 

B. kwik èuil» (fgl. M.); b. t. êUNUénKm {mHuraikên), terwijl a» én (>m 
op zeer weiAige «itocmderiiifsii itti befiddn ^ s^a. Dit tebQni de reden te zQü , 
dot bflt «eft Tooriiwbtiel berigt, waar ztüks aiet in T. plaats heeft; b. v. pêr- 
mamif^miHt (bl. 199), këmaiê» ($ 1«4) === «M/i^dM. ^ 

Jmi. 'k Javaatasoh beeft in dit «abrtantÜef an böveft è» yetkoreili , en beieft' 
dus 't omgekeerde gedaan van D. Het kee^ ^ eehter beböodeo in den paasieven 
inperatiaf ^, en sekaift een n in aebter statnwoordea op een klinker eindigende; 
b. V. iuMiéën (= iuAaron), worde ket door V gtiochi (sQ het uw ioopteti. 
't Saad. plaatst 't iiaahechtèel hi (gun) aobter 't aanh. an, dftt er in 't aetibf ^^ 
ook in plants van i gabefcigd wordt (Aant bl. 116); b. v. pentdin'ên T&n iken- 
ta&n, 't Mal. bezigt als passiven imperatief den aominalen vorm en daarachter 't 
httlpwoord 0l»A {hèrolehi iets verir^en, vgl. manai van «£); b. v. hSH-olehmu, 
ket ibordé door U gekoeM (het zg Uw koop^). Dit hnlpwoord heeft in 't ge- 
bmik aooveel nitbrtiiding gekregen, diit ket ook na den nominalen Vorm plaats 
neemt in den derden persoon van ket eerste passief, zoo de agens door een tlnb- 
itaatief genoeitod wordt; b. v. di-èunuA oUh ratffa itu, door den vorst wordt het 
gedood. Dit is wel eea sterk bew^s, dat een substantief in de nitdrokking vén ^'^^"'"^ 
't passief optreedt, 't Hnlpwoord wordt voorts ook achter verwantschapstermen 
gébéfeigd; b. T. anak oiek ntangkubumi (^ikind vaH den MangJtuhmi), dat men 
^pvatl» ais 't door deH manffftubumi geteelde Hnd, want men bezigt het hnl'pw. 
bij vent^ntschapstermen om bepaald te doen uitkomen, dat zrilk een tenti\ vaak 
nit beleetöheid' gebeirigdy een eigentmke beteekénis hfeeft, zoodat anaJt oteÜ *t 
zelfda is als anak kandung in 't Men. (eigen kindy door mQ verwekt of gebaard). 
Aan- de beteekenië door van oleh neem ik do vrijheid te twijfelen. <^^ 

Wfit de öeieekmis betreft, dit sabstantief stelt een voorwerp voor, }133, 
dat 't object is van het door 't werkwoord verbeeldde. Daar nu 't werk- 
woord 200 til» men boven (§ 45 onder) gezien heeft, slechts W^ea iets l^^v^ ^i,', , 
gerigte handeling voorstelt, zonder dat dat iets haar behoeft onder- 
gaan te hebben, zoo kan dit subst. zoowel iets betéekenen, dat de han- 



^ Roorda, Jav. Gr. f 294, be:£igt de term objectieve imperatief, dié mën ook, 
zegt hy, de imperatief met hepadtd object kan noemen. D6ot passieve impera- 
tief te bezigen is m<n lïieer in overeenstemmiDg met den terïn passief, en heeft 
dan niet doodig er itog by te zeggen , dat bet een imperatief met bepaald ob- 
ject is (f 101). 



204 

deling reeds heeft ondergaan, als iets, waarop zij slechts gerigt is; 
zoo beteekent b. v. hab^aran {makkab^jari^ ( 96) niet alleen '/ geen ge- 
treesd wordt, maar ook 't geen, waarvoor men bevreesd mod g^n of te 
vreezen heeft; kundulan (makkundnlijt waarop gezëen wordt ^ maar ook 
waarop gezeten kan worden of *t geen bestemd iê^ om er op te aUen (vgl. 
op bl. 209). De laatste beteekenis heeft verre weg de overhand, zoo ala . 
reeds gebleken is uit dahanon (bl. 171, onder). Omtrent *t gebruik is 
het noodig 't volgende op te merken: 

l"*. Als praedikaat optredende (§ 36) drukt het een begeerde noodzaJce- 
lykheid uit; b. v. dalanna i ninna i&uttonokku (Ib., bl. 79, r. 9 v.o.)> 200 
ik 'teerst een vogel, die spreken kan, vind, dan moet^ zeide hüy die 
zijn weg door mjj gevolgd wordpn (dan moest ik den door hem betreden 
weg volgen); rappingon ma pinggolna^ hare ooren (van de overspelige 
vrouw) moeten worden versche^rd; di djolo, part^ahon; di pudi, paimaon 
(bl. 190); sai namón do gararommu utangmt di au (Ib., bl. 307, r. 3), 
n u (ik geef geen uitstel) moet door U die Uwe schuld aan w^' betaald 
worden; sai gana-^ana do dokonon (§ 132, a,) gowarm, beelden moei 
worden gezegd de naam er van (men moet ze beelden noemen, en niet 
zeggen, dat het hout ia); andungwn ma na sahit inon^ de zieke moei 
worden heweeklaagd (de zieke moet als dood beschouwd worden; zoo 
gevaarlijk is z^n ziekte); d^a dé>a puUtngon^ welke zaken moeten voor 
een gededte (zoo ongeveer) by elkander gebracht worden? molo sowada 
garama, gadison ma 1, zoo z^n betaling er niet is, dan moet die verkocht 
soorden (zoo de vader niet betalen kan, moet z^n dochter verkocht wor- 
den); behé dohonokku manuruk (Ib., bl. 42, o.), hoe moet manuruk door m^ 
opgevat worden? (wat moet ik onder manuruk verstaan). <-^ — Dikwijls 
bezigt men nog 't voorhechtsel si (§ 152, 2>*.) er b^j; b. v. dihana ma 
si^anganon^ welk gedeelte er van moet worden genuttigd? aha ma ninna 
si-djalahakku^ wat moet, zegt hij^ door my gezocht worden? (wat wil 
hij, dat door mig gezocht wordt?); ya si^ala^mmu, ninna, sada horbo, 
sada lombu, 't geen door ü, zegt hy, moet worden gezocht is één buffel, 
' één rundbeest, enz.; aekna sibonduton, anggo borsangna i binolokkon do 
(Ib., bl. 43, r. 15 V. o.), 't sap er van is 'tgeen opgeslikt moet worden, 
't uitgekaauwde daarvan daarentegen worde maar weggeworpen, "Ver- 
der beteekent het een stellige toekomst, en wordt dan vaak als het als 
praedikaat optreedt, door sai (§158) voorafgegaan; b. v. i ma si-taruho- 
nokkon ni lajang-lajang mandi, dat zal door de mantü-zwdluw aangebracht 
y woeden (dat zal zekerlijk, dat moet door de mandi-zwaluw aangebracht 



205 

worden); iu dJija pe ièanüi sai panggoraon (} 127, onder), omdat zij 
zoo'n beest tot kind heeft, zal zij, waar zij ook heen gaat, door de lie- 
den steeds met goral worden besokreeuwd (zij zal overal hooren, dat men 
b^ 't zien van haar kind zegt: <*wat heeft zij een raar kindi"); sai na 
bajakkonokku do d-djonaka », die JDf. zal zonder falen door m^ in 't blok 
gezet worden ;^'mdadong be gulutammu au, niet meer zal ik door UUuiig 

gevaUen worden. Zoo men de noodzakelijkheid ontkent, bezigt 

men als negaüe itulada (§ 158, 3^.), en hebben wij het te vertalen met 
niet behoeven; b. v. indada d-gararon i, dat behoeft niet betaald te worden 
(dai is niet 't geen betaald moet worden); indada au eukkunommu, amaita 
i do, niet ik moet door U ondervraagd worden, maar m^n vader (g^ be- 
hoeft ndj niet te vragen, maar mijn vader); indada pauliommu be i boen 
parau, dat behoeft niet meer door U tot een vaartuig gemaakt te worden; 
ittdada tu ai au surattonommu, ik moet niet door ü daarcp geschreven 
worden (Gij behoeft m^n naam niet daarop te schrijven, dat kon je wel 
laten); indada be sappuron ^ hamü, las boen hamé hadjangammuna di ru- 
wang-tonga i, gijlieden behoeft niet m£er in den echt verbonden te worden; 

plaatit uw hadjangan maar dadel^k in 't huiaruim, Zoo men 't actief 

bezigt, zet men 't subject voorop, en de zin begint dan met indang be; 
b. V. indang be Ha mambuwat lape-lape, we behoeven geen zonnescïtermbla- 
den meer te halen. Evenzoo in een bijzin; b. v. mx>lo hamu mamunu au, 
beha baenon, zoo gij mij moet dooden (volstrekt wil dooden), hoe te 

doen? Verder in vragen uit verwondering gedaan, ofwel in een 

toon van verwijt met bejasa voorop; b. v. bejasa paririsommu gana-gana 
i, waarom moeten die beelden door ü op een rei geplaatst worden? ; bejasa 
ma porsommu di au barang aha lüngun ni rohdm (Ib., bl. 106, r. 14 v. 
o.), waarom moet door V voor mij verzwegen worden, wat uwe grief is? 
bejasa ma dohonommu au panggalakkup , waarom moet ik door U voor een 
pangalakkup uitgemaakt worden ? bejasa ma sai papanganammu saluhutna 
djolma na pinangusmt, uwa ta-^pangdu ma deba, waarom moeten al de 
mensehen, die door. U geroofd worden,' door Ü opgegeten worden? kam f 
laat ons er eenigen van in 't leven laten/ bejasa sorommu au, waarom 
moet ik door U gevat worden? (wat behoeft ge m\j op te pakken? ik heb 
immers niets misdreven). Zoo er een negatie achter bejasa gebezigd 
wordt, gebruikt men liever 't eerste pass. ; b. v. bejasa inde di-topot ho 



Is Baar den vonii vaii manappur, iu plaats waarvan men echter pasappur- 
(kon) bezigt; 't stamwoord is 't Zelfde als 't Mal. tjampur. 



/ 



206 

(lb., bl. 5, r. 8), waarom wordi h^ nUi dwf U ^^ezacki? (wnaroin gaat 
gij bem niet besoekenP; Ygl. de aanhaling in § 1421). -^ — Dikwijls 
bezigt men er nog tung vdor, vooral na inde en molo; b. v. ii^dö ttmg 
tadikkowmmu ma kami -dohot dainanff, goo ^ m^ en mijn moeder moei 
(of tolHreii mU)^9erlaien, enz. (zoo gij het over uw hart kant verkr^* 
gen ons te verlaten, enz.); inda iung tageanon na mangttgo hami di ho, 
er behoeft voUtreH niet gevreesd te wm^deur dai 0y Uin H verderf 9tdienx 
storten. Dit tun^ (§ 158) moet men ook gebruiken b^' intransitief gebe- 
zigde werkwoorden; b. v. beeaja ma tung lao ho, toaarom moet gif gaan? 
bejasa ma tung kaSang ho^ waarom moet gy tUegenf Achter meio is ook 
paia (§ 158) zeer in gebruik^ b. v. molopala di-pangam hami na duwa^ 
bokd baenouy xoo h^ one beiden Meetrekt wU of moet opeten, hoe te dóen? 
molo ptda tadUkonommn au, behd baenohi soo gij mjj moei verlaten ^ 
enz.; meiopala marmutu hita, behd haenom, zoo w^ oorlog moeten tfoerei^ 
dnz. 

M. bezigt 't voorhechtsel si slechts zelden. 

D. wijkt in *t gebruik niet af, maar gebruikt natanrlijk hem eigen woor- 
den; b. V. kade mango hentaiénta, wat dan moet door ons gebracht worden i' 
(wat wilt g\j, dat wij brengen?); muda buwah ngo hënfatëniu, zoo slechts vruch- 
ten door mij gebracht moeien worden, enz.; malot nenge tagamën i-bunuh hi- 
iuwara Hta, niet meer behoeft gevreesd ie worden , dat de vleesehspoien ons 
gullen dooden (w^ behoeven niet te dachten, door die spookeu gedood te zullen 
worden); . «lo/o/ nen^e mëralëng naposo (Ib., bl, 173, r. 3 v. o.), het is goed, 
dat g\j allen landgenooten , door de geweerschoten geroepen, gekomen zQt, de 
bedienden behoeven tf nu niet meer te halen; malot ne mëralengi naposongku 
bajindene (Ib., bl. 177, r. 7), mijn bedienden behoeven ulieden niet meer te 
halen. 

Sf". Als bepaüng van een sabstaatief, om aan te duiden, dat 't 
voorwwp', er door voorgesteld, bestemè of geschikt is de door 't werk- 
woord voorgestelde handeling te ondergaan; b. v. éffadihon aek in»^ 
mon ni gadja, worde door W water in wording geèrcÊohi om gedronken te 
wedden door de oV^anten, Biet kan tevens een toekomst uitdrukken; b. v. 
geemp taon mangan^ iha pangulahononna, ieder jaar eten we dóór dai z^ 
voor on>8 veldarbeid verrigten (we kunnen er staat op maken te eten , 
als zijnde 't geen, waarvoor door hen veldarbeid zal verricht worden; 
Ib., bl. 308, m.); ptdotunc» ro ma eindap art doèhonohku, overmorgen 
komt een daghaler, door mij zuUende bevolen worden (overmorgen zal 



307 

er iemand op m^n bevel naar den bepaalden dag komen vragen), 
't Gebruik van dit subatantief als nadere bepaling van 't praedikaat om 
aan te duiden, in koeverre iets van 't subject wordt geptaediceerd, is 
zeer. frequent; b. v. iukiuk na eo t^adilakohonokhm, eem dndkeUngy die 
niet mag ia dea mnd geüagea worden (die niet goed is, dat men er zich 
niet aan stoort, zoodat men toch gaat; bl. 105); arinaêo iapa tdako^ 
nokkon^ een dag^ du niei geêckiki ie om er veldarbeid ep ie «erridUen; 
tttbi partdian, IMer is het em er in te baden (als object van het baden 
er in, § 55); mateadi tonggi on pangamm, dii is zeer zoet om gegdm ie 
worden; gaJbür do i taUihommu, het iê gemakkelijk om door U gehou- 
iDen ie worden (G^ kttnt gemakkelijk er in houwen); pangaieandean 
(bl. 197, onder). Zoo ook met oh (§ 168); b. v. eowadm oio au iabi^ 
jaonj ik wil met geia^jad worden (ik wil niet oa den dood van n^n 
man door zijn jongeren broeder tot vrouw genomen worden). *«->-* Va» 
mamiaen heeft men èaenon, dat mei bekd in een vraag vaak gebezigd 
wordt naar 't geen, dat met iets gedaan moet worden; b. v. bekd 
baenon pidong on, koe moet met dezen vogel gehandeld worden? Met 't 
voorh. ai heeft dit passief-verbale substantief de bepaalde beteekenis 
van Hgeen, dat bestemd is om gemaakt te worden tot Hgeen men er achter 
noemt of 't geen waaruit iets gemaakt ie (bl. 203, onder); b. v. si-baenon 
haily *t geen bestemd ie om er een kengelhaak van te maken; hafu do hapé 
si-^aenon gana-gana i (Ib., bl. 310 b.), het is dus hout, waaruit die beel- 
den z^n vervaardigd, Voorts is dit substantief veel in gebruik 

met nog een ander substantief, door ni ingeleid, ofwel met een pro- 
nominaal aanhechtsel als nadere bepaling er achter, om aan te duiden 
de persoon, Toor wien iets gedaan wordt, of aan wien iets gegeven 
wordt, om er dat mede te doen, wat 't werkwoord voorstelt; b. v. di- 
buwat ma soda djuhut panganon ni epputtoga, door hem werd genomen 
een aiagtbeest om gegeten te worden door O. T. (hij nam voof O. T. een 
slagtbeest tot maal); dimg ni di-leon djolma ni radja i ma indahan do^ 
hot dekke panganon ni omètm i (Ib., bl. 24 o.), vertolgens werd door de 
vrouw van den Vorst gekookte rijst en visch gegeven om gegeten te worden 
door de wolk (de vrouw van den Vorst gaf aan den wolk rijst en visch 
te eten). Met mangaleon kan men ook het in § 71 beschrevene werkw. 
of wel 't eerste passief in pi. v. 't passief-verbale substantief bezigen ; 
b. V. di'leon ma di^angan é^cHmana i (Ib., bl. 1), door hem werden aan 
zijn vrouw die vruchten te eten gegeven. 



208 

M. Voorbeelden alhier lyn: hm to tola do paodomffonhm do i (Ib.^ bl. 128, 
m.), dat Idnd moff met in 't leven ffdaten worden s twpa tola do^ i somèa'SotU' 
tonkop, het ia nog geaehikt om als oferande te worden aangeboden. 

D. Een voorbeeld alhier, dat aang^aaid verdient te worden, is: aeai^thutki 
mo moAar m ari pëntjamètëniën dëJtët përdalanëniën, hêmgin pMëmëniën, 
daarop werden tij door hem onderrigt omtrent den dag, ala bestemd om er veld- 
arbeid op te verrigten en te reigen, en de naeht, als bestemd om te ^apen (hg 
deelde hun mede: de dag is de tQd, waarop veldarbeid verricht en gereisd moet 
worden, en de nacht is de tijd; wanneer geslapen moet worden). 

3°. Zoo het geheel als substantief gebruikt wordt, en dos slechts de 
benaming is van een voorwerp in zijn soort, dan is de oorspronkelijke 
beteekenis toch nog zeer goed na te gaan; b. v. dakanm (bl. 171, ond.); 
panganon, ep^ê (wat bestemd is om gegeten te worden), habHiira»^ i^ 
verschrikkelijks (bl. 204), haüdn, seAaamdeelen^ een eehddwoord, hdeedi" 
gende uitdmkHng Ctgeen waarvoor men zich te schamen heeft, § 96), 
parumaen (§ 29, III), schoondochter (die in huis ie brengen is^j\ 66), enz. 

Als subst. stelt het dikwijls ook een bepaalde taqJc voor; b. v. gotilon, 

't oogsten van de rijst (zie Wdb.); ulaon^ veldarbeid, te vieren feest; ba* 
loan, het wieden; ya sun ordangon i, asa mtdak ma halak iu rwna, toen 
nu H maken van pootgaten gedaan was, ging men terug naar de huta; 
ija ttunga sun rabijon ni halak, nunga sun dohot taèaonna, nuUsinar na-- 
mandt toen nu gedaan was het hakken van kreupelhout van de lieden en 
ook hun veUen van 't geboomte op de te bezaaijen akker, en men niets 
meer te doen had dan 't gehakte hout te laten droogen, enz. -^ — Ëen en- 
kele maal beteekent het substantief een maat; b. v. odontm, een duim 
breed: duwa hati odonon bidangna, twee maal te drukken mei den duim 
moet de breedte er van zyn; tukkolon borsi, een roeiriem in omvang (een 
roeiriem kan er overeind of atutsgew^ze geplaatst worden: tukkolon borsi 
hinaruwak ni babana, de grootte van eijn muü is zoo groei als een roeiriem 
lang, d. i. men kan in z\jn muil een roeiriem overeind zetten); haiton 
porda„ 900 laag zjjn, dat het met een porda afgehaakt kan worden (b. v. 
van vruchten, die men met de niet zeer langej9ord<s bereiken kan). Deze 
maatbenamingen moeten verklaard worden als verbale subst., gevormd 
van een zamengesteld subst. , zoo dat b. v. haiion porda letterlijk betee- 
kent: 't object z^n van een haii-porda (een werktuig om af te baken 



^ Vgl. pabagas^hon) in M. 



209 

bestaande in een pwda) d. i. te bereiken met een als hait gebezigde 
porda; evenzoo beteekent tukkólon borsi letterlijk: 't object z^jn van een 
tukkol'borsi (een stut, bestaande in een korte roeiriem), d. i..te statten 

door een borsi als stnt. De passief-v^rbale substantieven met 't 

aanh. an, hebben niet altijd een werkw. met 't aanh. % tegenover zich 
staan, en kannen ook van een ander werkw. in beteekenis afgeleid 
zijn. Zoo is mij b. v. een mamangani, dat mi iets eten zonde beteeke- 
nen, nooit voorgekomen als een actief tegenover j^aff^aiia», Y^.Hgeen, 
waarvxt kan gegeten worden (b. v. een groot blad); 2*., waaruit gewoon- 
l^k gegeten wordt (bord of schotel) en 3^., waarin door een kwaal w 
gevreten (lidteeken b. v. van een invretende huidziekte; panganan ni 
ngenge, pockmarks). Zulke afgeleide substantieven stellen een plaats 
voor, waar 't geen 't werkwoord voorstelt, of gewoonlijk plaats heeft, 
of kan of moet plaats hebben, daar 't aanhechtsel an weder een prae- 
pozitie vertegenwoordigt, die wy op dezelfde wyze hebben weder te 
geven als 't aanhechtsel i (§ 60). W^ moeten zulk een substantief dik- 
wijls omschrijven met 't geen, waarin, waarot>, waaraan, waarb^, enz.; 
b. V. gadisan, waar verkocht wordt o( verkocht moet worden, enz.; podo-^ 
man, waar geslapen wordt of geslapen moet worden, enz.; inganan, waarin 
gewoond wordt, waarin iets in kan zijn (woonplaats, doos); djappakm, 
waar gegraasd wordt (weide); borotan, waaraan gebonden wordt (sXagtj^aBl, 
mamborotton, een beest aan iets binden om het te slagten); tanoman, waar- 
in begraven wordt (graf); suhutan, waarover verhaald wordt (de held van 
een verhaal, manuhutton, iets verhalen); aropan, waarin in hinderlaag 
gelegen wordt (hinderlaagplaats); sorangan, waarop nedergedaald wordt 
door een geest (de persoon, dien een geest pleegt te bezielen); tu» 
watan, waar langs gedaald wordt (naar beneden hellend terrein); nak- 
kohan, waar langs naar boven gegaan wordt (naar boven gaand terrein); 
landjdn, waaraan gedragen wordt (zie Wdb. lonend); bqfangan, waarin 
vastgezet wordt (blok voor gevangevLen, m^tmajakkon, iemstud in H blok 

zetten), lomingan, tubiran, enz. Waar 't actief 't verbreedde passief 

aanneemt (§ 116), heeft dit substantief natuurlek ook den verbreedden 
vorm; b. v. pargordn, waarover men een gora heeft (de aanleiding van 
een guerilla, margora); parbaddn, waarover men twist heefl (twistappel); 

parmusuan, 't geen, waarover men oorlog voert (marmusu). Over/w- 

nortoran, panakkoan^ pamotoan en andere verbreedde vormen, zie § 129 
en a bl. 198. — »— Verder kan 't aanhechtsel an even als 't aanhecht- 
sel i niet aUeeti op een meervoud slaan maar ook op 't herhaaldelijk of 



210 

üf m aan pUuiU kMen van *i geen 't werkwoord voorstelt; zoo betec- 
kent ddlanan ook toaar geêutig door iemand geloopen wordt; b. v. hu-^uk- 
kun dalananm, ik gal onderzoek doen naar den weg, dien hij pleegt te 
gaan. 't Zelfde woord beteekent ook een groote reis; van daar mwrda- 
lanan ^ , dat men vooral niet opvatte als 't meervoud van mardalan 
y (§ 54), maar als te zi^jn mar + dalanan, Als bepaling van een an- 
der substantief komt ook dit snbstantief dikwijls voor; b. v. lobong 
panganan ni ordang t, de gaten (in den akker), waarin de ordangs keèifen 
gevreten (letterlijk: de gaten-^etplaate van de ordangs ^ d. i. de door de 
ordangs geboorde gaten); tHos tihalan ni rudji-rudji, 'n kleed, waarop 
de verschillende doelen van den koopsom eener bruid gelegd worden of te 
leggen z^n; sopo podoman ni uluèalang toba t, de sopo waarin de Toóasche 
voorvechters sliepen of moesten slapen; lubang pagoan, 't gat, waarin ge- 
heid wordt (de gaten, waarin de palen van 'thuis staan of opgerigt zul- 
len worden). In zamengestelde benamingen vindt men dit snbstantief 
zelfs door een ander onmiddelijk (zonder praep.) bepaald; b. y.gulangan- 
rondang, waar een gebrande rystkorrel rollen kan (benam, van een schei- 
ding in 't haar, bij ons onder den liefelijken naam van luizepaadje be- 
kend); saburan-èittang t waar sterren gestrooid z^n (ben. van kippen, 
die zoo geteekend z^n); sandean-huluhat , waartegenaan een Muhat (§ 8) 
leunende geplaatst kan worden (benaming van een sagueerpalm, die door 
zekeren graad van wasdom een omvang heeft, die toelaat, dat men tegen 
z\jn stam 'n grooten bamboekoker kan laten leunen); tulahan-^tndarasi, 
waarbij een weegschaal weggestooten wordt of mod worden (eemaam van 
een persoon , die zoo rechtschapen is, dat men met hem geen we^schaal 
behoeft Ie ^hx\^tri)\ dabuan-onggang (K.), ahoaar 'door een rhinoceros 
vogel gevallen wordt (van de akkers van een grooten vorst, die zoo on- 
metelijk groot zijn, dat gemelde zeer ver vliegende vogel hen willende 
overvliegen, van vermoeidheid neervalt, voor hij ze geheel heeft over- 
gevlogen)» Zelden slaat 't aanhechtsel an op een onmiddelijk object; 

een voorbeeld is suruan {afgezant , ^gezonden wordt v^n manuru)y\n 
plaats waarvan men oneindig vaker suru-suruan met herhaling van 't 
stamwoord aantreft; zoo zegt men ook ptdungan, maar vaker ptduk- 
pulungan (mamülung). Bij sommige woorden, waarin 't aanhechtsel al- 



* B. V. êodari sogot unang adóng na mardalanan (Ib., bl. 68, r. 17 v. o.), 
gedurende den dag van morgen zij er nienumd, die een grooi% rds deet, ver- 
wijdere sïch niemand ver van hier, daar we hem noodig hebben). 



211 

dus moet opgevat worden, moet men, waar zulk een woord niet uit 't 
Men. of Mah is overgenomen, er aan denken, dat door an, als verte- 
genwoordiger van i, ook 'tzij een meervoud, 'tzij een herhaald of ge* 
wooal^k plaats hebben beteekend wordt; zoo is b. y,paêulakan(j)asulak- 
[kon]) eigent lijk die gedurig gezonden wordt (dien iemand pleegt te zen- 
den); cgvdjungan, 'i geen gedurig op 't hoofd gedragen wordt (de geest, 
dien iemand pleegt op 't hoofd te hebben; van daar de geeit, die een 
bepaalden persoon bezieU), Zoo kan ook 9uktUan (bl. 209) opgevat worden 
als 'i geen pleegt 't voorwerp te zijn van manuhiUton, Op dezelfde wijze is 
ook tabanan te verklaren, daar het op 't meervoud ziet (b. v. kalak ia- 
banan , buU gemaakte personen), 

a. Van toru (§ 166) heeffc men torttan {een laag terrein), terwijl men van 
bagds {diep zijn) bagasan heeft, om het met een praepositie als by woord te kun- 
nen gebruiken; evenzoo èalijan van baU (f 156). , ' . 

b. Vaak bezigt men voor 't passief- verbale snbstantief 't voorhechtsel si, 
vooral waar het geheel als substantief optreedt; b. v. ti-panganon. Ook ii-ha- 
hdn (de oudste in ouderdom of rang), en ti-anggijan {de jongste in ouderdom of 
rang), z^n zulke substantieven, en beteekenen letterlek: een persoon jegens wien 
men "oudere ot jongere broeder *! pleegt te zeggen^ 

Nominale Werkwoorden, 

Onder de afgeleide enbetaidieven behooren ook de nominale werk^ S 134. 
woorden y d. i. werkwoorden, die den vorm hebben van een substantief, 
maar door als praedikaat op te treden ($ 36) de beteekenis hebben 
van werkwoorden. Hunne beteekenis is geheel in overeenstemming 
met hunnen vorm, daar zij steeds een toestand, meer een lijjden dan 
een handelen, voorstellen. 

I. Be eerste soort heeft ^taanh. o», en stelt H lijden aan een kwaal, 
't hebben van een gebrek, of iets dat leelijk staat, en Hverkeeren in een 
onaangenamen toestand voor; b. v. batuhon, aan hoest lijden; arunon, 
aan ie koorts lijden; iposon, *nlidteeken hebben; halejonon, hongerle- 
den; tuwanon, ^den aan den tuwan di atas (zekere Muh. heilige, 
wiens graf zich in de nabijheid van Barus bevind, en die den patient ^ 
met een zekere kwaal bezoekt); miseon, een leelijke snor hebben, bar er 
uitzien, als een kind spreekt dat bang is voor een snor; djangguton, een 

leel^ke baard hebben. Sommigen zijn afgeleid van een actief-ver- 

baal substantief; b, v. pamburhungon of pamurhungon , verkleumd z^n ; 



/' 



212 

panggani^ganion^ ie viUerig e^n; pamundjungcn, 'i gebrek keèbe» van ie 
tsofpiioneel te zijn ('t ongeluk hebben, van anderen in 't een of 't ander 
te ^verschillen, zoodat men aanleiding geeft tot voor zich onaangename 
praaijes); panogtHtogón {sog6)y IwrzeUg van aard eün;pangiia'i9a(m^pan- 
galmgo4ingón, enz. — — Anderen hebben weder 't voorh. ki of m (f 30, XI) 
met een sluitenden neusklank, en tevens 't inh. al; h, v. kdUkkokkoion 
(§ 14, a.)> halippodomon (§ ^yN,a.\haUppurpur<mtkalmatafm^ eaUmboU 

hóUm^ in plaats waarvan D. heikelen heeft. Slechts b|j een enkele is de 

beteekenis van kwaal of gebrek niet meer zoo goed te zien; b. y.pangr 
gidak-gidakon. -^— Over paiiaroMon^ patungoromm, patungoripon^ enz. 

zie § 86. In hohojamon {gapen van slaperigheid, last hebben van 

vaak) is de eerste lettergreep nog herhaald; even zoo in Msombopon, 

M. bezigt panguntjomlopon ($ 81) = sosomèopon. -^- Buister Is m^ de be- 
ginnende m van maimataon en maipusuon, waarin i achter 't voorhecbtsel ma 
vroeger denkemk M is geweest (zie bl. 27, r. 2). 

D. heeft kaden (aan wat? lijden, van iade)\ bëlèëlen (zie in de $, onder); 
rentJUin (bl. 36, F.) = paturoiHton; iungërëmën (bl. 41, III, a). =, patun- 
goromon; Aawajam (bl. 112, Jamm,, en bl. 34, C.) = hohojamon, 

II. De. tweede noort heeft 't aanhechtsel an, 

ff. Van een substantief afgeleid, wordt door 't aanhechtsel een plaats 
aangeduid, zoodat 't subject door dit werkwoord voorgesteld wordt als 
een plaats, waar 't geen 't stam woord beteekent waargenomen wordt; . 
b. V. panaean^ zweeten, de plaats zijn van zweet (pana^); rmgitan. Uut 
hebben van muggen^ iets z^n, waar zich muggen {rongif) bevinden (} 36). 

b. Van een werkwoord afgeleid, heeft deze soort van nominale 
werkwoorden een ander suliject dan hun stamwoord, namentlijk een 
persoon, die lijdt aan 't geen 't stamwoord voorstelt; b. v. haisitan^ 
pijn hebhen (hatait^ zeer doende); ngolngolan, zich verveelen (ngolngól, 
vervelend 9 van een werk, verdrietig van een taak); ngaljjan, het koud 
hebben {ngdlty koud van 't weder b. v.); hodohan^ het warm hebben (ho- 

dók, warm van 't weder), enz. Een enkele heeft nog 't substantief 

vormende voorhecbtsel a door een neusklank gesloten (§ 136); b. v. 
ateólotan van eólót^ apporoian van porót^ een vroegeren bijjvonn van do- 
rót (bl. 58, II). 

c. Wat 't stamwoord voorstelt wordt verder door 't aanhechtsel 
versterkt, zoodat dan de afgeleide vorm een gedurig of in hoqge 
mate plaats Rebben beteekent; \\, v. horatan^ zeer beladen zyn (boraf); 



213 

mmanpau, iteedi of grof winnen h^ het spel (numanff *); èoêurem^ zeer 
verzaagd zjjn {bo8ur)\ ratratan, zeer beiaden z^ met vrttèhten (ran een 
boom b. ▼.); heUeean^ lamvnan, gwfgnran^ enz. 

d. Verder beteekenen deze werkwoorden een Terkrjjgen of yerliezeii 
ala een toestand; b. ▼. maUan ' (Ib., bl. 277, m.)f dooden hMen van 
temand, waarvan krygsknechten zyn gesneuveld; agoan^ een terUeskeó- 
èen^ iets verloren kebèen, beetolen tyn ($ 100); tubman^ dow^: gt^oorie of 
groei iets gekregen hebben^ h^oeid z^n, gezegend z^ mei kinderen; dapo- 
tan (Wdb., bl. 288 » regts) of djuppangan, iets krijgen, vinden; b. v. mula 
au t^i^p djvppangan pidong na malö marhaU-kaia (ib., bL 79, r. U v. o^), 
indien ik Heerdeen vogel ^ die spreken kan, vind, tnz, Deze werk- 
woorden kannen weder onmiddel^k, zonder tassehenkomst eener prae- 
pozitie, door een substantief bepaald worden, dat 't voorwerp voor- 
stelt, waarin 't verlies of de aanwinst 'bestaat; b. v. lubuan dnkid, be- 
groeid z^n mei gras of onkruid, iübuan anak, door dé geboorte van een 
zoon gezegend z^n; dapoian laha, winst verkregen, voordeel behalen ; djol- 
ma na djuppangan baèijai », de menechen, die 't ongeluk hadden eén tijger 
aein ie treffen; t^uppangan pidong na maló marhata-^kaia, *t geluk hebben 
van een vogel, die spreken kan, aan te treffen; isian omas, gevuld z^n 
mM goud; agoati kepeng, geld verliezen, geld kwijt raken (van iemand, 

die bestolen is), euz. Sommigen z^n, zoo als mafi, nog tevens 

als wërkelpe substantieven in gebruik, en vereiseben daarom nog een 
praepozitie voor een bepalend substantief; b. v. haju isian ni 9opona i, 
de boom, waar hare loods zich bevond. 

M. wQkt niet af; ^n voorbeeld volsta: suwanpèon öamHnfna 4iffoam «kék 
domd tja (Ib.» U. 118, o.), als een banting, die sfijn jonjji verhren'k^l wês kfj 
ten eenemals. >•! 



't y^innen ia naar de voorstelling van den inlander een toestand» waarin 
dé menseh doot 't lot of de geesten, de tondi, enz. vervalt. Bit vrbcird gÜdt bedeu 
in *t fiatakieh en Maleiseh (miuang) als stamwoord, iazkr moet rto^éën vroege^ 
honamg, dat verkregen worden beteekende (vgl. Sond. èeunang en meunang, Jav. 
tf^M^ en ^JfMlaf^), afgeleid zQn (§ 61).^ ' 

' Be vonii moest als nomimde ^a^^tf* z||n (vgi: këpaten in D.), zoo als blQki 
nit *t Alfoeneh van de'Minahasa' (tie Niemann's Sifdretge iet de kemus der AU 
foerseke taal in dé 3Rnakasa',m, IXII, ir. 7: patean ni ina wo ni amamèta, 
zij waren van kunne moeder en vader door den dood beroofd). 

9 



/ 



' B. iiMfl Xémsfim =s 4ig9m m ümstm of këptüm =s mutmm (U. 168). 

Vi^ m 't MaL ioMtamgm m itmut^mu 

e. Van een ktoaUfieatief werhtooord afgeleid, bebben zijj den klem- 
toon op Haanbechtsely en geven te kennen, dat de hoedanigheid in 
hooger mate plaats heeft; gabedn^ ryker z^'n, datudm {dati^ \ 48), knap- 
per dtdu gjjn; b. ▼. gdbean do au iua üo, daiiuén do om oêa ko, ik hen 
ryker dan ^', e» ook knapper datu; eongon na daiudn ibana asa a«, alê- 
of h^ knapper daiu wae dan ik! Woorden, op een klinker uitgaan- 
de , kunnen ook een n y66t 't aanhechtsel inachnifen; b. t. daenAt 
(daé). Hiertoe behóoren ook de vooral met adverbiale beteekenis gebe* 
zigde woorden, die liefser beteekenen, als rahandn^ tagondn^ adongén 
(M.), agonin of agandn (} 38), aranón (M.), enz. 

H. kan snik een vonn ook attolmtief beiigen, en Ferplaatit dan den Uem- 
toon; b. V. fw dengganan, die seMoomer of Mer is (denggoMdn, praedOoMt). 
D. heefk ënë» aehter 't eenlettergrepige loi (= adóng)-, ?an daar loÉënën =r 
/ "^ adongén (M.). Overigens »n; b. v. dolim (bL 86, III). 

" — ' / C. Andere af gddde Svbitantieoen, 

./ { 185. ^ sqn verder een menigte substantieven, die kenbaar a%eleid zQn» 
sonder dat echter 't stamwoord alt^'d een gangbaar woord is. Zij wor- 

"^ ^ / den bier opgegeven met de bedoeling een ander in de gelegenheid te 
stellen se nader te onderzoeken, daar z^ naar den vorm ak afgeleide 
woorden in een spraakkunst * moeten behandeld worden. 

I. SnèekmÜeoen met Hvoorhechtsel ha. Zij zijn benamingen van ge- 
luiden, dieren (dikwijls naar hun bijzonder geluid) en planten; b. v.: 

a. De vogdmamen: haUUu (M.) van tuiu (i b^zondere gdnid van deil 
tortelduif, vgl. 9i4urtu)i haUki (} 27, II, S^.) van Z» ft geluid waar- 
mede men een kiekendief tracht te^Vj^agen); kaiuUU (kaijoldik of ke- 
Ijoldik in D.); kaUli (D.), Juutuwok (bl. 118, Janm.), enz. 

b. De gdmdnamen: kaUbmg of heAimbuing (M.); kaêMang van tnk^ 
iamg(S9S),kaMiakQ>.). 



/ / /> ^ In t Wdb. zQn af| niet als afgeleide woorden behandeld, zoodat men 4a- 

tijar b. ▼. niet onder «f^'or, maar onder de met k beginnende woorden aal vinden. 
Omtrent nbodak, waamaaat suèodak (bl. 44, b), is op te merken, dat het hH 
vergiBsing onder bcdai geplaatst ia; men plaatse bet ond«r de woorden met e 
beginnende. 



215 

Amm, Zonderling ii het, dat men niet Tele fan dese geludoamen^ afgeleid 
van de stamw. werkw. der eerste soort ($ 88), aantreft. 

c. De plant- en èoomnamen: halds of halaioas (§ 27, II, 2**) van las; 
kas^or of kêtjeur (D.); hatunggal: hatobe; hatinar (M.), enz. 

d. Hulptelwoorden (§ 189, onder). 

Aatm. 1. Sommige dezer substantieven hebben een bf|vorm zonder 't voor- 
heohtsel; b. v. Hti (T.) = kaüH (O.); iahum (T.) =£= ioHiuru (D.); fyas (T.) 
= Aar^ai (M.); (/|*»r (Mal), //titjrr (Snnd.) == iai^ör (J 10, ^«iw.). An- 
deren schenen van een drielettergrepig stamwoord, dat met een t begint, afgeleid 
te E^n; b. V. haünongnong ; katimuimuk (D.); Aatirangga of Aaturangga (M.); 
katokërhi (D.); kaiomknik (D.); katjilando (D., bl. 85, III). 

Janm. 2. 't Xoorhechtsel schijnt ook andere substantieven gevormd te heb- 
ben; b. V. hatohan (bl. 61,' Aanm. 5); hamé (aant. onder $ 140, 6^. 

Janm. 8. De naam van den flcasboom, namentl^k karijara, bestaat nit twee 
woorden, kari en ara. JOtt kart is = kaju even als /^ (Mal.) = l^fu (Jav. 
in malaju) is (vgl. kaju-ara in D. en karuwaja in M., $ 25). 

II. 8u68iantiet>en met 'i voofkecMsel ai (} 152, 2®). Meestal z\jn het 
▼ogelnamen; b. v. n-pet of ei-peket (§ 27, II, 2*.); «-^«r^a (bijnaam 
van de tortelduif, vgl. I a. en { 27, 1); n-iuèyak van iviigak (oen geluid- 

nabootsing, bl. 112, Aanm); si-kak. si-longing is de naam van een 

insekt, en moet van nging komen (bl. 111, i^.)> terw^l ei-ngongo een geluld- 
benaming is, en in 't Wdb. onder ngongo had moeten geplaatst worden. 

Aamn, Ook deze substantieven hebben soms een b^vorm in een tongval of 
zostertaël, die of geen voorheditsel of een ander heeft; b. v. kak (B.; vgl. Nga^ja- 
Dajaksch) en htgkak (Jav^) r^ H-kak. — Anderen hebben achter H nog tat b. v. 
Hta-géUeng, nta-Ioio, sita^menrng, Hta-etek (vaa eték) en nta-djagar. * 

III. SuöêtanHeven met *t voorheeUeel êa, 't Voorhechtsel sch^nt oor- 
8pit»nk^lijk 't zelfde te zijn als dat van de onder II behandelde substan- 
tieven ($ 152, 8^ e Aanm.); b. v. sa-rungga, êa-lohot, sa-lijo, en met een 
neusklank gesloten, terw^l tevens 't aanh. on (bl. 212, r. 6) gebezigd 
is: êambuèukon van Muk (=3 öukèuk ', bl. 50, b.): 

* Hiertoe behoort misschien ook iitaeran (in 't Wdb. onder taer)\ soodat het 
van 't Arab.-Mal. keran (ui)jk^) gevormd schfjnt te a^ (vgl. na begu en 
%». § 48). . ** ..... 

Vgl. rambutan (Mal.) van rambut (koo/dkaar). 



\ 



816 

IV. Babdemtieven met H voorheehUel a% door een nëusJtiank geêlo- 
ten ({ 184, n, 5. onder). Het zijja meestal namen van fogels, insekten, 
planten en boomen; b. y. aUarija» van een vroegere gelaidbenaming(bl. 
112, Janm,)f die in M. op den vogel-zelf wordt toegepast; aUurbung üaast 
tmrbunff; atiunu^ aUümong^ aitatadu^ andüo^ andcHok (van dólokf), attin- 
ffono, andukur van den geluidnaam dukur (bl. 112, Janm.); apporik^ 

mnj^arik (bl. 112, Aam».), Van andutjjan is 't stam w. dwri^ zoodat 

het ooTspronkel^'k *t voorwerp^ waaraan stekels sjju (bl. 200), beteekent 

Jamm, 1. Zoo als mea reeds oit turhung en iarijaM (M.) gezien heeft, heb- 
ben ook deze sabstantieven een bQvonn zonder of een ander voorheehtael; ?gL 
ook duriioM (MaL ïekwe vrucht met itekelB,,dario zibethinos); tjaniadu (Mal.), 
Ümtadu (Men.) en H-tataru (Sond.) = attatadn: antjo^ak (M., bl. 27, D.) = 

^atjak (Mal.); ambaroba == harabah (Men.). Zoo 't stamw. eenlettergr. ia» 

heeft 't voorh. o of ^ (D.); b. v. onggang of higgoing (D.); lèngkdk (Jav.) = Itak (D.). 

Aanm, 2. Sommige drielettergrepige substantieven schenen dit Toorhechtsel 
ook te hebben, en hebben vaak een bgvorm met i in plaats van a in de derde 
lettergreep van aehteren; soo heeft men indora naast andora, induri naast 4»- 
dmri en Utnwmt naast atemwtm, In 't handsehrift van de Leidsche Academische 
bibliotheek, dat in een tongval, tnsschen 't Dairisch en'Tobasch in staande, ge- 
schreven SS, vind iir ook iiUluhwr = andukur. — ■ In plaats van imJbulu vindt 
men in M. ook êimbuht en in 't Mal. bulu. — — M. heeft imtjogot naast antjo- 
got en rimtjogot (iogai), maar als b^woord van t(jd. Misschien is hier tn de prae- 
positie , soodat 't woord eigentiyk op morgen beteekent. 

N , SubOanÜeten met *t ii^ktsel al (vgl. § 91). Voorbeelden zijn: ta- 
lekiek, baMat, kaldkkang en garodir (§ 24) in M., terwql T.godir bezigt. 

Sommigen zijn afgeleid van een woord met 't voorh. «, gesloten 

door een nensklank; b. v. êaUUoktok (van toktok); êdlippotpot, salimba- 
tukt wimhorbor (§ 24), saiimhcfM (bl. 212), iolimèuèu. Zoo als men 
ziet is slechts een enkele van een gangbaar woord afgeleid, terw^'l de 
meesten na aÊEondering van het voor^ en.inhechtsel een woord vertoo- 
nen, gel^k aan een gangbaar, waarvan echter de beteekenis te zeer 
afwijkt, dan dat het als stamwoord zonde kunnen gelden: aaUmbaiuk 
h. V. is modjeligk met baiuk in verband te brengen. 



^ In H Jav. Up9rii of ëmprü de vogelaattb, ter#0 pifii in 't Ngadja- 
Dj^'akaeh de naam is van t geluid, en mmpU daarentegen vogelnaam. 
• Vgl, W. 171. n. 8. 



217 

M. heeft wel eens M in plaats ?an si; b. v. Aarimèoriot ss êênmb^Hor. 
Het beiigt paiupisan (van ffupU), waarin 't inhechtad ai 't iMrhaalde gedrup» 
pel nabootst. 

B. geeft dè voorkear aan H (vgl. bl. 136): b. v. Mimioktoè, inim^atpët, 
kaUmMu. 

Yl: Substantieven wiet HaanheehUel a nan. Het sijjii slechts eigeo- 
namen van personen, die van dieren zouden afstaminen, terwyl s^ te* 
▼ens met 't ^oorhechtsel n gebezigd worden; b. ?. nAomhumam, 

M. beeft kanoMt soodat waarsebQnltjk aium in plaats ?ta ktman is. De oor- 
sprong' van dit aanheehtsel is mff duister. 

IV. DE TELWOORBEN. 

De koofdgetdUen ê^n sada^ duwa, totn, opat () 82 II, S". Janm), { 186. 
lima, OHom, pitu, uwalu, sya en êappulu, Van tien af telt men sappulM 
êada, êappulu dmoa, enz.; duwapulu, twinHg; Mnpdu^ dertig, enz.; «a- 
ratuê, honderd, duwa rains, twee honderd ^ enz.; êarUm^ duitend^ dmwa 
rièn, twee duizend, tolu rihu, drie duizend, enz.; saloksa. Oen duizend, 
duwa lokêa, twintig duizend, enz. Hoogere getallen hebben geen be- 
paalde beteekenis (zie Wdb. H8e,petak, hanu en hqjan *). Een 

vragend telwoord is piga (hoe veleF). — Zonderling is het, dat men 
sappulu bezigt en niet ea^u, want men zegt duwapuh, enz. Mis- 
schien is hier de neusklank uit f 22, III, a. te verklaren. In 

plaats van soda bezigt men vóór woorden , met een medeklinker begin- 
nende, *t voorh. sa ({ 152); b. v. sa-gattang, sa^fale^ enz., maar ^adan^ 
sadappang ($ 8), enz. Zonderling is sasia en niet sadastn. . 

M. heeft sdUiptm (att 't Men.) = uwmU, samJUkm (Men.) ss «ff«, oi m* 
Utso (Mea4 sa^UqsS) = sa-loisa^ 

D. heeft tëlm (bl. 22); ëmpat = opat; inëu (bl. 88); uwainh zsb wwéhê: 
#mmmI == «i^ ea verder ti- = M-; b. v. timpuUth =s eaj^putu. — Het besigt 
gHap als onbepaalde benaming van een getal grooter dan Hakktizênd: de letter- ^^ 
mke beteekenis dwitUr syn^e, verdient Merby 't gebniik van SHna (10^000) in 

' 't Malagasy, dat eigentmk «mA^ beteekent, vergeleken te worden. Zonder < 

lisg is hiar nd0iri s=: sadmi^ omdii in deien tongval ook soda in gebruik is; men 



^ Het aal wel vit 't Mal. {ko^Ên) overgenomen sf|n. In 't Ng&4ja-0aj. be- 
teekeat keim ileehts duizend. 



/ 



/ 



US 

•eb^tot dot sMtbui Tia T. opgerat te hebben als «a r dsri, en beeft dos ut- taét 
êt' ovci]gebini€ht. 

{ 187. Bij *i gebruik b op te merken, dat de telwoorden achter 't getelde 
Toorwerp ais appositieve bepaling geplaatst worden, zoodat z\j als sab- 
stantieven, en niet als adjectieven (§ 86) moeten opgevat worden; b. ▼. 
nakkoH fjjar dufca, petf op realen twee: di^okkam ma naposona manak- 
kup moMuk Atwa, ey beval hare bedienden twee kippen op te vangen; di- 
taitan obnkna êuwak-kUml (§ 180), ey liet ttoee harer hoqfdharen naar 
beneden (Ib., bl. 77 m.)$ dtfngamim^ êo-halak, éin uwer medgetdlen (Uwe 
volgelingen, een persoon). Voor een kidptelwoord^ benaming van t^d 
of maat echter worden zq vddraan geplaatst. Komt er nog een kwali- 
ficatie! werkw. als attribuat achter 't telw ., dan wordt het door akka 
voorgegaan ; b. y. di-paUom ma korbft dutca akka na bolon (h^ spiescle 

^ boffels twee, die groot waren), hij splesde tioee groote buffde. De 

benaming van hoeveelheid kan men als praedicatief attribuat opvatten; 
b. V. nunga KnAeon di ko mas, goddng (ik heb aan Ü goud gegeven^ veet), 
ik heb U veel goud gegeven, Zoo de telwoorden attributief optre- 
den , dan moeten z^' door 't voornaamwoord na ({ 149) ingeleid wor- 
den; b. v.ryarhu na onom on (deze inijne realen, die ze^ zijn), deze zes 

' realen van my. — na eada {de eene) bezigt men in tegenstelling van 
na eada uari (§ 149, 6°.), de andere, 

tf. 't Gebnuk van tonga v6or een bbofdgetal om de bélft van een eenbeld, 

• tiental, honderdtal, enz/ af te trekken, is niet zoofteqfnent in 't Bat. als in 't Mal. 

waamit bet mlsseliien is overgenomen; b. v. Umga duwa rtfmr, ifem en een hëHf 

reaal (2^é naai), Umgm tolu puin» 35 (3 tienen — J van tien), tanga duwa 

ratuê, 160 (2 honderden — è van honderd). 

p88. De ranggetallen hebben we reeds boven (§ 68, 7d en 125) moeten 

beliendelen. De eerste is pardjolo, en de laaide: pptpudi (§ 124i). 

Als halpwoord b^ de adverbiaal gebezigde telwoorden^ diev^ met maal 
of keer uitdrukken, bezigt men haU of ncU; b. v. ea-XaU of aa-noli^ 
een maal^ duwa kali of duwa noli, tweemaal, enz. -^ — Breukek worden 
omschreven ({ 115, 5®*, en bl. 116, a)i Als kulpwoord van breuken bezigt 
men bagi; b. V. dUbaen ma parbagina' bagi tdlu, door kem werd het in 
drieën gedeeld; bagi duwa di-baen, in tweeën werd het dwr hem gemaakt. 
Voor dé helft bezigt men verschillende woorden naar mate van 't voor- 
werp; b. V. bola, èariba, enz.; even zoo om een vierde nit te drakken; 



b. T. iukMt en haê(J<mm. onder e, S^ Taa{ IS9). Maaiiimèn, die 
natnnrlijk een gedeelte nitdnikken, zoo als èHe, wkai, gakmg^ êokip 

enz., moet inen iitt 't Wdb. leeren kennen. Ah h^ woord is ti-ümpé 

in gebruik (zie Wdb. onder kmga). --^ DhiriMieve teiwoordm wor- 
den door acbterplaatsïng van Ite (§ 76) uitgedrukt; b. v. iada he^ ieder 
één ;p%ga he ^ hoe véle ieder f 

' iD. de onte $ IIS op bl. It^. 



\ 



Hutpidwoorden. 

■ . • ... . . . . • • . , ,. 

Dikw^ls vindt men achter 't telwoord nog. een ander substantief ( l'^* 
als hulpwoord gebezi^, niet alleen om bepaaldelijk een zeker gedeelte 
van, een voorwerp aan ifi duiden, maar ook om. de hoedanigheid van 't 
getelde voorwerp meer of min te doen uitkomen. De keuzQ van £e 
hulptelw. hangt af van.de meerdere of. mindere gelijkheid van *t voor- 
werp met 't geen 't hulpw. op zich zelf beteekent; u^ b. v. telt men 
bij deenen wegens de bolvormigheid, die beiden met elkander gemeen 
hebben, terw^l hare» bij bladen wegens de hun gemeene ^platheid of 
vezeligheid gerekend .worden. B^ sommige dezer hulptelwoorden is op 
de eigentlijke beteekenis niet gelet; van daar dat men bijj 't tellen van 
hftren odk hüul^ als substantief in plaats van hiiiU (§ 19, I.)', bezigt, 
lèrw^l M. met 't zèllde< woord ook voorwerpen telt, die niet rond z^*n. 
B$ 't gebruik van zulke hulptelw. móet iped In plaats van 9ada 't voor- 
hecAtsel êa gebruiken. In de (Mel»n^ vindt xneh dik wijfs bi^$mg (ilud) % 
van mentehen gebezigd, misschien wel omde bf ooi^héid van den mensch 
te doen uitkomen, daar toch in de in die téal^oolft opgestelde stukken 
*s menschen ongelukkig lot 't hoofd-thema is. ^^' Zoo 't telwoord op 
een klinker uitgaat, wordt bet jóór zulk een woord met een neu^lank 
gesloten. Zoo zegt men lanma êamèaiu (witte ui, een steen), ééke wiüe 
ui; cbuk pifam-bulung (hoofdhaac» hoe vele bladen), hoe vdeéoofdha- 
ren^ obuk duwah-^nèuly twee hoofdharen (Ib., bl. 77, m.)\ pinaaaiokai^ 
bakk^ang (naukavrucht, drie pitten), drie nangka-^piUen; gaol pUtd-ei' 
halt drie banaanvruehi'kammen. Alleen halak wordt zonder neuskbnk 
gebezigd (aa^halakt § 1S7). -« — ^ Sommigen' hunner hebb«i achter 't tel* 
fJToord' nog eerst 't voOTheehtsel ha; haba^ b. v. nupura» ioluh-labaha 
(betel drie monden), drieporHeê geprepareerde beie^laden; rippang, b. v. 
"^pege Mnk^karippang (gember, drie vingerwortels), drie gemberwortel- 
vertakkingen; rair (b^ 't tellen van bamboe of.sfnkemet^stokken), ram^ 
bar^ matat enz. Bijj H tellen van boomstammen en hamboesteelen 



d20 

^^ig( mefii iwa, dat pa 't telwoord soowd A^^dofia als kan^tma^ rerföoDt 
{ioUiii'Mèóna of Éoluk4Mmèona)i h^jur ventpont altijd hamb^ry ierw^l 

ifiMH^jr, (M.) $Jbobt0ia^i(rtr na.^en telwooid is. haropU is mis^cliiii^ 

uit lofü in pU^ yaa /c^y»^ (bl. S8, II) op die wyze ontstaan , de r in 
plaats-.fftii de l door d^n Mvtood yan 't daarmede zoodikw^'ls gebar 
zigde aajwra» gekomen aijndie (§ 24); Tgl. Sai^d. ^0^^. 

M. besigt hiMt^tt dan Tl; b. y^pigtrng-KM»' hoeveel etukêf Voorts ^ «r 
eangkiM (ook: eanglnèung) = ,«a<iti en sattgUèvliJa = eatadata in gebmüT; 
b. T. ItfAai <ft' Amm |0|ïii^ ëamgÜbungt rtmt eat^iÜung Be, geef on* ieder één 
^ 'vuunlag e» Un raui; martUU'ribu eangkitml do iUuJiana, hij duieenden ièk^n 

ioeh il sijfn darm een (toch beeft bQ slechts ééa dannj raadsel op de timdUt, o'p 
't snoer waarvan hier darm een toespeling is). ^ — Naast tangkahaha bezigt men 
ook 9angitM%r. Verder heeft men alhier ook Mam^aauu van éamae, 

D. plaatst Toor 6ara (= eUai) nog 't ?oorhechtseI ie; b. v. eingkUara = 
tai'êikat; 'kUhta = ^^(Mm of XamBona; vgl. ook i«M>&4, kawtr^Sn (van «iptr = 
r«r/ de bl. 15, IV en 74, IV), enz. 

.iaM/.' In 't Nga^ja-Üigaksch iQn de hnlptelwoorden inet 't voorheebts'él 
ka seer menlgroldig; b. v. ka-èawak, ka-HUt, ka-piiak, ka^ê^fat, eu. 

i 189*. JDe telwoorden warden aiifjd ioat een neusklanjc gesloten» loo «\j 
idaats nemen vdor een uit een nomiualen vorm bestaande benaming 
vmk hoeyeelheid; h.Y. êal4f^fpU^^piim04rü;pUuHg'iiQlpm, êong-imm 
(M.)> êaiiff'undeiy itMappu^ mm-èaiiirt enz. Hiertoe bebooren ook de 
woorden, die een kd/i aanduiden» als Ma en bariöa; b. v. êamMa.(een 

epUjUel) 9én mamkia (iets koMrmt). Van ècfkbak moet ^le'oor- 

spmnkeUlike beteekenis iekeurtd hoomhaêt zijn (vgl. mambakMd^ een 
boom otMa^êen, ) 60, 1".). -. — Ook de woorden, die den vorm van? 't 
derde p^ss. hebben» moeten een neosklank na 't telwoord bebben ((115 
op bL 171); even zoo die uit een passief- verbaal substantief bestaan; 
h,.v.tak*'köpo$on, 

-^ ^ ' Y. öÊ vöoenaamwöökdèn; 

} 140. • A.^perêO(m!ifke9aoriÊaaimiHHH{denuini.. 

l\ au{^ 10».a,), ik. Hetwordt^zooweljègfihsmeerdemialsmindeNai 



.* Wegvoa i 16 wordt n voor i en r vaak in 't schrift verwmarlöosd; seodtt 
«en^ook lèfïwiï viadt in pkats vaa emu^oppü (even als men na-r^ar vindt ia 
plaats vaB'MHi«r0A«f). 



221 

gebwigd. Ais praedikaat be«igl men hel ook in 't begin van een brief, 
en in de poda van een pangnMolany , door beiden als sprekende perso- 
nen te doen optreden (zie een voorbeeld, § 21, a). Waar men klagen- 
derw^^e^ 't woord richt tot de tMdi^ of zioh met gevoel uitdrukt, be- 
Biltt een ipan óqjiHMUy en een vrouw horu-adi; b. v,,*^aU partondión 
aka ma m mardahu * kmiifg di öaruH^, q Qjf als toui$ èeêckoimlft/ wai 
iogk 90» akfe^ vloek op mijjfqüe^? (welk wreede lotlpescbikking drukt 
i)ai|.< toch?); tmwM ma kamuna ro MM mangalap au^ asa mangoU èo- 
r^fqdp^. welk,e0n gfilmk iê heit dai ^ broédarl om.mf te haiUn gekomen 
9^é^ goodaiik leefl In dezelfde gevallen bezigt men ook z^ eigen 
naam, van. zioh*self als van een derden persoon sprekende; b. v. io 
ma djolo old kakémg mangoli^ jjanggo sh^u^ pamasa, na ung êongon i 
ma l^iMri eoro ju arina (Ib., bl. 61, r. 2), ga gü eem oudere broeder/ 
een nronw ioopm» A, P., M sek^ni wd dai pjn M MOoieQk ongeluk- 
kige' ^ m\j in m$n lot telkens mqn meiqe door den dood te moeten 
verliezen, wel moeten schikken); vgL ook de aanhaling onder «to- 

bdlang in 't Wdb. Over «Sa m zie § 148. In de versierde taal 

der verhalen of in de andnng bezigt men ook hnhngJi^ IS^r.met 't.sian* 
heehtsel hm; b. v. dUindng na lombok sia^Mi^ikiifiMifAMQ 10, JU), 
o moedert dU ieederMjk ie mfwaark êpreeU, . 

M. bexigt in de andmmg of i|i de versierde taal der verhalen (InL VU* e) 
ibamgkn diri (ook: ibamgku wuuUri) of ii'manarengku» oitdrokkingen die beiden tn^ 
Uehaam of mijn penootUiQhkêid beteekenen; h. v. ilï on «4a ms mUud topoi n- 
wumareH^iu i, op welke» dag toe A aou die mijne rampsalige pereoonl^kkeid ge- 
boren gijn f Yetdet kalumu (Znid-M.: abmu, bl. 26 onder) in de «. van vroawen; 
b. V. r«M^a ni kalumu, de voret ven uwe daoin d. i. mijn 90rêt (dierbare eeht- 
genoot); lie ook anggimu in 't Wdb. onder ra^a, 

D. bengt aJtu (bl. 84, B.), en verder in deielMe gevallen als T. en M. ileehtB 
den naam; b. r. ënggo mate mo kak (Ib., bl. 7, r. 2 r. o.), indien ik» door n ge- 
soeht, niet spoedig terog kom, en niet verdwaald ben, dam ben ik arme reedt 
dood. Soms wordt 't voomasmwoord er nog aehter aan gebeiigd; b. v. soo gQ 
den regen aiet nedevdrappelen, dmrok wum^dene akm mo, Aljpclla (Ib., bl. 84 b.), 
.dam ie bet miet andere dam 't iloed gom woe m m paaUg e moeder (siff). 



* Tgl. 't gebnik van 't Mal. en Men. mèmmpa b. v. in d^-Hmpa dmdot 
MarKm {door de uugeeteit dor ooerleden voretem wordt op genwlden persoon 
^eealle», de vbek der overleden vorsten treft hem), en vgl. Wdbu endef timpo. 



2*. ko (tweede pen. enkelv.), pf. Wordt jegens pencmen gebesigd, 
waartegen men kamé niet behoeft te gebmiken. Verder beagt een ou- 
dere Dit teederheid jegens een jongere dawumffjegpm een man, dm- 
wamg jegens een vrouw, dacppÈng * jegens iemand, die sooveel jonger 
is, dat bijj of sg een kleinkind konde z|jn van den spreker (Ib., bl. IQft, 
r. 4), of wel jegens iemand, die tot den spreker in de betrekking 
staat van dienaar tot meester. Ook anggUtku (m^joMffereiroeieridnU' 
ter) en ièoioHu (mlfm broeder of gutter, de Wdb. «Mo), worden ak 
voomw. tweede pers. gebezigd, zoo men b^zonder vriendelijk of teeder 
spreekt. Zalke woorden worden even als kamé geoónstmeerd; b. v. 
ÖMwat damang ma djukut f, door vaderde worde dat vleeêek geiumem (neem 
dat vleescbjong menscbl of geliefde zooni); djaga anggikku ma paraut' 
ta on (Ib., bl. t)6, r. 3 v. o.), worde door U myn jongere broeder! dU 
vaartuig bewaaktf; honong anggütht ma djolo (Ib., bl. 94), dmik er naar 
ik bid U jongere broeder! it^^% «en vorstel^k persoon kauVien ook 
amatta radja (ptiee vader voref) bezigen; b. v. indd tmg dija na hu-dok 
di amatta radja, ik keb niete van aanbelang aan Um^n Meer! te zeg- 
gek. Dit is echter niet noodzak^l^k, zoodat men, naar mate van zijn 
verwantschapsbetrekking, tot eén vont ook ko of kam^ bezigen kan. 
Men voegt er eehter vaak radjammi fonte voret!) beleefdheidshalve bl}. 

M. bezigt je|;ent maimemke vorstel^ ke penonen rad/a i alf tweede penooa, 
en jegens yronwel^ke na dmma i {de rijke), terwfjl hier patvwanmaeu ook sis vo- 
catief iu gebruik is. 

D. heeft kono, dat, even als kene, z^n laatste lettergreep vaak verliest; b. v. 
muda mada ngo kp, mmm, mjêngtUo kama manmk-wummk radja uiip^laiamg 
mate m-boHn eiramu idi,garar mo pènokorku idi dëkët karga nakan H-m^pan- 
gamna idi hangkn; muda maiot ènggeui wiènggarar kono, maiot kono norok keke 
i kutangku ena nart (indien ge zegt, niet te ontkennen, dat de vogel B. S. L. 
ten gevolge van nw lont is gestorven ^ betaal mQ dan Hgeen hf mf), toen ik hem 

koeht, gekost heeft, en 'tgeen hQ geoonsnmeerd heeft; indien ge het niet betalen 

'• «i- • . ''■ . i . . . . . > ' . ' 

wilt, dan moogt ge deze mfne hvta niet verlaten). 

S^ ióat$a (dat'eige&tlijk M^pereooniükkeid heMkeni, vgl. M. on- 
der l^ en ( 148, é^.)^» derde persooa enkelvoud, van ieder, jegens wien 
men geen kamé behoeft te bezigen. Dit voornaamwoord heeft, vooral 
Hiet 'taetiéf (f 106): gebezigd, vaak de beteekenia van kjf eOf^ pj uff; 

^ ikè ( 168. 



223 

h, y. tanffiê ma radja », ianffU ma dohot ibana (Ib., bl. 181 ai,)^ de vont 
meende m ook 9^ zélf weende; eada djdmana soda bonma sada ibana 
(Ib., bl. 67, r. 10 y. o,), drie yan hen slechts bleven er over, een zijn 
vrouw ^ een syn dockéer, en een hp zelf, 't Gebmik van dit woord als 
reflexief yoornaamwoord , zie § 14S. Wil men yan iemand zeer be- 
leefd spreken, dan noemt men ^ijn naam of titel; b. v. radja i {de 
vorsi^, boru ni radja i (de vontedochter, d.i. die dame, vgl. in 't Wdb.de 
beteekenis yan radja), enz. Yan z^'n schoonzuster (Ib., bl. 46, m.) of 
z^n schoonzoon sprekende, bezigt men dikwyls kala^hi (§ 10, II), dat 
even als nadda eigentlijk meervondig is (ygl. M. onder T.)\ b. y. ta- 
gan ni Ma^hi {Tmaf van S, M. en D. D., bl. 11, r. 14 v. o.), de kalk- 
koker van hffm (van mijn schoonzoon). Verder bezigt men dakdanak.i 
() 19, II) sran eenjo^e vrouw, die in zulk een verwaotschapsbetrekking 
tot den spreker ftfiat, dat hij in plaats vaii ho tot haar kam4 moet 
bezigen. Minder vaak bezigt men een substantief met 't prono- 
minale aianhechtsel ta als voornaamwoord derde persoon; b: y.raê^atta, 

(onze vonC), amalta suhut on {onze vader deze principaal) ^ enz. Iti 't 

eerstf pamef wordt ibana, als agens, verzwegen (} 102), en in *i tweede 
soms door 't aanh^htsel za vervangen (§ 109). 

M. bezigt ^a (vgL B.), dat na een pTa.epozitie een ê vordert (ygl. $ 8, iQ» 
b. ▼. di Hja = dibana {aan hem, voor hem enz.) en tu Hja = in ibana {aam 
kern of haar, na een werkwoord een beweging teveoe beteekenende). Over 't ge- 
bmik van ija bg 't eerzte pauirfne $ 102. 

. D. bezigt ^a (vgl. M.) zoowel in 't enkel- ab mecryoad. Het mag nooit 
na eten praepozitie gebezigd worden ($ 159). B^ 't eerste passief wordt het yer- 
zwc^;en (J 102). ^ , 

4^ hita, eerste persoon meervoud inclusief (met insluiting van den 
aangesprokene of de aangesprokenen), 't Wordt verder in plaats van 
ho en au gebezigd, waar men uitdrukkel^k beleefd wil z\jn, of uit on- 
bekendheid met de vërwantschapsbetrekkibg," waarin mèn tot iemand 
staat, niet weet ho of hamu te moeten gebruiken. In *i eerste passief 
wordt het tot voorhechtsel {ta) verkort, of wel door iéa otsita vervangen 
(J 108, Janm» 1). 

M. beiigt hiia ook jegens voorname of vorstemke penonoi. 
D; besigt kUa (bl. 84, B,), maar in 't eerste panief ak' voorheohtsel si, een 
verkorting van sita ($ 108). 



/ 



5". hami^ eeraie persoon meervoud exclusief (den aaDge8{m»kene of 
de aaDgesprokenen nitsluitende). Hoe het in 't €«r«i0 /'tfM^f uitgedrukt 
wordt, kan -men f 103 zien. 

M« heeft ook id» fai H Noorden, en pkatit dit foowel ale hum hQ 't êersU 
jMMiïf^ voortui ($ 108). 

D. heeft immi (U. M, B.), en heugt in 't twiïe ftuntf vbl overeenetemming 
met T. hu' ^ htmi. 

6"*. AtfMii of üoMtma, tweede persoon meervoud. Het wordt ak en- 
kelvoud in plaats van ho gebezigd, jegens personen, die in snik een be- 
trekking tot den spreker staan, dat z^ tot een andere Moryabehooren of 
nis zoodanig moeten beschouwd worden. Folwa99em broeders en zusters 
b. V. bezigen het jegens elkander, omdat de vtonw de marffa van haren 
man volgt, en dus beschouwd wordt tot een andere marpa dan haar 
broeder te behooren. Om dezelfde reden beogen het ook een oa- 
der en zyn volwas»en doekier. Bat men het jegens zQn zustePs man, 
z^n moeder's broeder, zijn schoonkinderen en schoonouders heeft te 
gebruiken, behoeft naauweiijks herinnerd te worden, 't Wordt even 
als andere als voornaamwoord tweede persoon optredende woorden 
achter den passieven imperatief geplaatst (zie bij] 8*.); b. v. paiudu' 
ion kawi ma mpamtina i, tcorde door TJ Uwe gedaante getoond (lokt' 
tr zien). 

M. kent kamuna niet. 

D. beiigt kene, dit vtak even ab kono (zie 9f), if|n liifttste kttorgveep 



AaaU. Uit den kknoAoon van kanm bljkt het» dat men de ifleidbg via wm 
nog ?oelt, soodat het door *t voorhechteel ha substantief geworden is ({ 185, I). 
BQ kawd moet de klemtoon verlegd z\jn, te meer omdat UerhQ geen afleiding van 
m, dat niet als aanhechteel van den tweeden persoon voorkomt, konde gevoeld 
worden, 't LQdt geen tw^fel, dat hier weder door de tegenstelling van klinken 
de betrekkelyke plaats wordt aangeduid (bl. 125), loc^dat door hamé de perso- 
nen, £e daar staan, in tegenstelling geplaatst worden met de personen, die kier 
staan. In kene en kano (O.) staan op overeenkomstige wQse ook veisduUende 
klinken t^n elkander o?er, daar toch I^ne, even als kamu^ om iemand als ver- 
wante te eenn, m^plaats via kom gsbesigd wordt. K«n siet hmr das teelfde 
rigtiag^ dis *\ /sv. gevolgd heeft h^ \ maken van krama nit ngoko^mwikm^ 
In'tTsg. heeftmsnibMMentaiif. 



225 

7*. natida, derde persoon meervottd. 't Wordt ook in plaats van 
ibaita gebezigd in dezelfde gevallen, waar men kamü in plaats van ko 
gebruikt. Ben w^eervoitdig voornaamwoord wordt ook van éen per- 
soon gebezigd, zoo er nog een ander persoon door middel van een con- . 
jnnetie bQ genoemd wordt; men zegt in 'tBataksch altijd b. v. w^ en 
m^ moeder t «tf «s s^n moeder^ enz. in plaats van m^ moeder en ik, 
k^ en t^n moeder i b. v. molo saU rap kami iehé dokot anggikkdn inda- 
dong tagamon djuppa kamipidong na maló markaia'kaia (Ib., bl. 66, r. 2), 
kom/ $00 ik en dege mijn jongere broeder êteeds ie samen eyn, dan ia kei 
niet waarsckjjnlijkt dai wij een vogel, die praten kan, zuUen kunnen vin- 
den; êopo bogasnaeida modom na rappon kdkana i (} 131); mardalan 
kami djolo dolkoi pakoppim (Ib., bl. 177, r. 21), laai mij mei tw kleinsoon 
opreiegaan, 

M. heeft in 't Noorden kalam en kalaXt, maar in 't Zuiden alat. Wordt 
kalakt nog bepaald door 't aanwf|2ende voornaamwoord i, dan wordt er een m 
ingeeehoveD ($ 82, I); b. v. Aalakint (Ih., bL 276) =z haU-ii + i, *t Gebraik 
venehflt hier niet van dat van nanda; b. ?. haiaht dohoi kalak ma mangarabi i 
(Ib., bl. 281, o.), kif en die aan *t kakken gifude heden, ens. 

D. Zie 3*; b. v. kirina ija, gij aüen {=s. ealuküi nasida); asa mangan mo 
V« khina ija H-sada kuta idi, toen aten gij, allen gij die in die ééne kata wm* 
ren (toen aten de bewoners van die hnta, zonder dat er bewoners van een andere 
k9Ua by waren). 

De persoonlijke voornaamwoorden worden vaak vervangen door een f 140* 
substantief, voorstellende iets, dat aan eenindividu eigen is, 't zij een 
lichaamslid of'^at bij of aan h^m is, als b. v. een kleed, 't zij zyn 
róka (zie Wdb.), tehr^l door een pronomiu. aanh., of door ni met een 
subétantief (§ 151)» op den persoon-zeif wordt gewezen; b. v. mamoio 
roka ni kalak (de gemoederen der lieden gaan weten, } 45 onder), men 
koestert vermoedens (bl. W^a.); anrokana mida^ kij ke^i medeleden mei 
enz, (letterlek: medelijdend iê zijn gemoed ziekde enz.)^ poe rokakku (Ib., 
bl. 177, r. IS V. o.; vgl. aid. bl. lö, r. 2 V. ö., bl. 2a, m,y,pitt6r ro- 
kana, kij is regisckapen; piUór ukum ni raeffa i, de vorst ie regivaar- 
dig: pUung maiana, kif is ümd; ruwdk butukana (ruim is z^n buik), kij 
kan veel eten; pUéi buinkana (eng is zyn buik), kij eei niet veel; ro ri- 
masna (z^n toorn komt), k^ wordi boos (vgl. ro in *t Wdb.), enz. Dit is 
.ook 't geval, wanneer wy 't olject (in *t Bat. subject ^an 't passief)* ad- 
verbiaal bepalen, 0411 am te duiden, aan welk een gedeelte van een 



/ 



226 

voorwerp de verbeeldde handeling plaats heeft. Zalk een b^^periende ad- 
verbiale bepaling is b. v. (sla hem) op H hoofde in plaats waarvan 't Ba* 
taksch 8la zijn hoofd zegt; b. v. haibal vluna i (Ib.» bl. 86, r. i4 v. o.); 
/ di'iiham ma butuha ni %'t, kjj êfïik dien man in den buik, enz. --^— ^^ . 

op dezelfde w^ze ook kan iedere adverbiale bepaling, bestaande uit een 
praepozitie en een substantief, of substantief voornw., uitgedrukt wor- 
den; van daar zegt men ook door m^ gal uw ratd getmeed worden in 
plaats van ik zal voor u een raut smeden (bl. 108, a.); worde door XJ met 
zyn iopo biegonnen in plaats van geef hem een andere êopo of laai toor 
hem een andere êopo maken (} 49), enz. 
} 1^1- B. De aanwijzende voornaamwoorden, die zoowel attributief als als 
subst. kunnen optreden, zi\jn van tweederlei soort. De eene soort be> 
paalt de plaats, die een voorwerp in de ruimte inneemt, en de andere 
den tyd , in betrekking waarvan het besproken wordt. 

I. Die vtLU plaats z^n: 

1*. on, deze, dU, Het wQst op een plaats binnen den kring, waar- 
in zich de spreker denkt; b. v. pidong o» (§ 19, II), deze vogel (de hier 
aanwezige vogel). 

2*. an, die, dai. Het wijst op een plaats buiten dien kring (l''.), 
en doelt op iets, dat verwijderd is, maar waarop de spreker als op iets 
binnen 'tgezigt nog met den vinger kan wigzen; b. v. pidong o» (^ 19, 
II), die vogel daar. 

8^ adnwi, gindsch, gindzehe (yon); b. v. bagaê admwi, gindzeh huis, 

a. Zoowd an alt adnwi kannen ook gebe&gd worden van plaatsen, die voor 
den spreker niet sigthaar s^n, maar als zj) zoo toegepast worden, gaan af| ver- 
gezeld van een gebaar, bestaande 't zQ in een wfjseninet den vinger, 'tsQ in 
y^ de voondtgestiAen lippen tot een tuit ^samengetrokken (bl. 129;boven). Bezigt . 
men aduwi van een land, dat zeer verbis, en waarfan de afttand door den spre- 
ker niet bepaald kan worden, dan wordt bet dikw^ls adoè mtgesproken. -. In 

4uhiwi voelt T. de afleiding niet meer het is samengesteld nit adü (nog in 

M.) en t r want anders sonde men itdu t nitspreken ({ 19, II). 

4*^. s wijst op nabij zijnde voorwerpen^ en wordt meestal met halak 
gebezigd; b. v. hakM (§ 19, II), deze lieden, en ook deze naüe d. i. de 
lieden van dit ras of dezen volkstam, zoo er een vertegenwoordiger van 
binnen 't gezigt is. Als vocatief komt het zeer vi^ak voor; b. Y.aU 
kalahé, O gjfUeden, die hier tegenwoordig z^t. 



iS7 

M. besigt adu = athsm (vgl. aanhaliagib 't Wdb. onder tadó), en o» ook 
= • (vgl- { 142 onder); b. v. h^lmón (vgl. S 140, T"") in 't Noorden, en èlakón 
of toi Ml in 't Zuiden. 

D. beiigt «10 en m =ï o», «oi^sM = «w en «fnim, en naké en jlj^^ittf' in den 
Tocatief = ktda^é. 

n. Die van mdv^Vki 

l^ f, «Iftf, dat^ Tan iets, dat in den tijd een punt beslaat al? reeds 
fermeld of op een andere wjjze aan de sprekenden bekend, en nooU van 
iets, dat binnen 'tgezigt ligt, soodat men er op w^zen kan; b. v. pi- 
dcng f, de vermelde vogel (de vogel waarvan we geboord of reedé ge- 
sproken hebben). Men kan het met ons bepalend lidwoord vertalen, 
maar geenszins geljjk stellen, daar het niet toonloos is, maar, evenals de 
andere aanw^'zende voornaamwoorden, den klemtoon trekt ($19, Ü). 

Naast i bezigt men mon, 't geen sommigen vooral bezigen, zoo 't 

voorgaande substantief op i eindigt, om in 't schrift te doen uitko- 
men, dat het bepaald is; b. v. BoHmm (gemeld varken)^ daar, nit erebrek 
aan een teeken voor den klemtoon, babi vaak even als bafn gespeld 
wordt O 8). Dit is echter willekeur, daar men uum ook achter woor- 
den vindt, die niet op i eindigen. aJ^ ^'■*^''^ A *^#'**f*^ 

M. kent inon niet. 

D. besigt' idi, dat ook tot • wel eens verkort wordt ({ 143) vooral in land- 
sehappen, waar de taal naar 't Tobasoh overhelt. 

Jamm. 1. Men heeft inam te verklaren alt ontstaan te s^n nit t -f ^ ($ S2, 1), 
toen ft nog niet toegepast werd op den tQd, en sleehts een gebaargeloid was. 
Men plaalste vervolgens on er achter, om de plaatseiyke beteekenis op te beflfen, 
die ieder hunner, afzonderiyk gebezigd, zonde hebtben. Boor die verbinding kon 
men aan geen bepaalde plaats meer denken, daar 't Mer z^nde 't daar zijnde 
nitsljidt. Dat • vrpq^ ook een gebaarwpord moet gewoost syn, waarmede op 't nabfj 
s^nde gewezen werd., jLb niet alleen waaxschQnlfjk nit 't gebrnik van dien Uinker 

in sommige znsterl^den tit (Jsv., dege, dii), ini (Blal. dêMe, dU),idi (D.) en 

indt (panm. onder ' 2® bier onder) maar ook oit «, dat als een versterkt • 

(vgL adbè) meervondige beteekenis heeft gekregen; immers we v^den nog in 
*t Alfóerseh van de Minahasa b^ voornaamwoorden de «* in « veranderd om 't meer- 
vond nit te dmkken; b. v. ne meervond van m; sera (güUeden) nit een vroeger 
êira (nog in 't Kawi derde persoon enkelvoud); nera (pronominaal aanhechtsél 
pan ken, kun) meervoud van een mra (in 't Kawi achter woorden op een klinker 
andigende, aanbechtsel derde persoon van kern), In 't Malagasy maakt men 't 



/ 



/ 



/ 



228 

mecrvood ^j vooraaamwoorden door laadiolviDg, van de lettergreep re achter de 
eerfte lettergreep; b. v. iri% (eHe of deié v'öoi'werpen) van iu (dat voonrerp); 
ireni (dete voorwerpen) ran ini (dit Toorwerp). De«e lettergreep re doet denken 
y/ ann 't inhechtsel ar, dat In 't Sondaieh loo dikwijls een meervood maakt, en in an- 
dera snatertalen 't frequentatiTe en analoge, begrippen aanbrengt (bl. 111, 5^ en 
f 87 — 90). In 't Mal. heeft men wutriia met itu er acbter ab roomaamwoord 
van den derden persoon meenroad; wat ia dit anden dan een meerrondige vonn 
Yin t* (LiüA (tweede persoon )P Inuners joiit voornaamwoorden Terwitiolen hnn 
rol zoo dikwQls, soo als bl||kt nit jïr«« dat in 't Kawi roomaamwoord ran den 
darden persoon, nuuur in 't Jav. evefi als in 't Sondaseh (t^«) ran den tweede is^ 
terwijl Hld in 't Tsg. en êida (in nasida) weder derde penoon is. 

Jamm, 2. in 't Men. besigt men di sinan (j 143), aldaar; soodat in die taal 

vroeger een inam (vgl. inon) gebmikeiyk moet geweest sf|n. In 't Mal vindt men 

di êoma, dat van een ana {dai, gene), h^ei^nog in *t Alfoerteh van de Minahas». 

/ in gebruik, moet afgeleid xjjn. Ook 't MaL VMna soh^nt uit dat ana verklaard 

V te moeten worden; soodat het eigeotlffk een verbale vorm is (5'61)> die naar 

den geest der Malijische talen adverbiale beteekenis heelt gekregen (f 154). 

jf 2*. mde of <mdeng TJ 31), dat we niet anders dan met de pas vermei- 

(f- de^ dan goo even kunnen weergeven; b. 7. pidong onde^ <fe vogel van zoo 
>. J> ^ Y «tv» » ^ JMW vermelde vogel. Het staat tot t als on tot #»* 

M. beaigt namgHiiondi,tea zamenstelling van nakitn (5 149, 4^) en ondi = onde. 
D. bezigt htdai, dat ook === nakktn ge^bezigd wor^t. , 
Aanm, Dit onde bood ik blykens «««^«(M.yvoor oorspronkel^k 't zelfde woord 
als 't nitroependerw^ze gebezigde indx en ^nd& (ü. S 143). Het moet eerft later 
op den tgd to^qpast geworden sQn (vgl. Aavmy 1 onder 1^. 

;j $ 142. Wat Hgéhn&k betreft der aanw^zende voomdamicoof^den , zi^ knbnen 
ook als sütstantief optreden ; b. v. aea i ma hapé Ha inargowarhon «t- 
èoru iindang panukktmim (Ih.t bl. 87, r:' 1 v. o.), £^ (gemelde vronw) 
me kei vwmiDaar, dké i(it naam had ' Mèoromo T. JP,; hejaèa ma indd 
ku'ida i (Ib., bl. 162, m.), «foarom tocK zoude die (die hiita) niet door 
mü genen^ioordèn? di duüia % biduéan nVóppumi dea hu-parbulusaii djó- 
lo, iarang na la$ do dagügniöa (jj' ^ mar6ulueaUon i', aan m^ eif die, dê 
omeiag van teto grootvader ^ ópdai ik'êui èiekè (eê) ah énidag gébruike om te 



^ Het wórdt jegens minderen gebezigd, en is das, evenkls 't Jav/nVa, eigeüt'* 
/ l^k derde persoon (vgl. 't gèbroik van' er in 't Hoogdoitsch jegens niitfder^n). 



229 

weien of {emaruTs lijf warm i» het aU oimlag gebruikende; bejasa ma on 
mamjjang laning (Ib., bl. 70, o.)f todarom deze (buffels) toch mager zjjn? 
Andere voorbeelden vindt men in 't leesboek op bl. 88 , waaruit bl^kt, 
dat men i vaak bezigt, wanneer op een genoemd voorwerp door ma de 
aandacht gevestigd wordt. Dikwijls bezigt men deze voornaamwoor- 
den als adjectief achter titels als radja ^ boru ni radja enz», om beleef- 
del^k van iemand te spreken; b. v. radja t, gemelde vorste hjj; boru 
ni radja t, gemelde vorstendochier , gemelde dame, sjj. Zoo men iemand's 
rang of waardigheid niet weet, bezigt men ze met bajo, boruoiakkora; 
b. V. molo borvrboru na »o tubuan anak do na ta-manukkon, las pono do 
boru t, indien het een vrouw , die geen zoon gebaard heeft , ie, waar- 
om wy de kipwichelarij in praktik brengen, dan blijft z^ (gemelde doch- 
ter) kinderloos (dan zegt ons wicheltoestel, dat z^ kinderloos zal blij- 
ven). Op te merken is, dat bajo (§ 8, a.) gebezigd wordt door iemand 
van een ander, die van dezelfde kunne is (een man van een man, en 
een vrouw van een vrouw), maar akkora (§ 8, a,) door een mansper- 
soon van een vrouwelijk individu. Deze woorden worden vooral ge- 
bruikt, waar men een derden persoon naar de plaats in de zigtbare 
ruimte of in den tijd door een adjectief voornaamwoord wil bepalen , ^ 
zoodat men in plaats van ibana on, ièana t, enz., zeggen moet bajón, 

bajt, akkorón, akkon * (§ 8, ö.)enz. Bij 't gebruik van o», als 

substantief alleen optredende, lette men er op, dat het meestal op meer . 
dan een voorwerp wyat (vgl. M. onder $ 141 y 4°.), zoodat het nagenoeg 
e heeft verdrongen; b. v. tanda hamuna djolo on^ barang dya helakku, 
ai nunga masirappasan on, neemt deze twee personen op (tracht ze te -^' 
kenden), om te weten, \wdke van hen beiden m^ schoonzoon is, want 
deze personen hebben de een den ander van zijn vrouw beroofd (Er 
wordt hier gesproken van twee personen, die volmaakt op elkdnder 
gelijken, en béiden aanspraak maken op éene vrouw). -^ 

Door voorplaatsing van een praepozitiè Smaakt men van de aan- $ 143. 
wyzende voornaamwoorden demonstratieve bijwoorden van plaats of tjjd, 
Vooi * alleen moet een 4. ingeschoven worden (§ S, d.), terwijl v<$<5r de 
andere voornaamwoorden de s naaf willekeur kan gebezigd worden ^ 
h. y^ di si, tu si (nooit iu'i),' di son naast di on, di san naast dl an,' 
tu sof^ nlaast tu on, tu seduwi naast tu aduwi, di aduwinsaJstdisadmoi 
enz.. Oo^ttent >^ «^ tiaoet opgemerkt worden, dat het zoowel aldaar 



In een pnstaha vind ik' ook akiora inon, 

10 



230 

(op gemelde. pUats) beteel^ea^ als oMoen^ toen ter iiji (op gemeld t^d* 
8tip][. Van onde kau bocq geeai bywoord op d^e wij^ makeo j van daar 
bejsigt noten, waai: dit poodig is, mkhn {\ IBO, f.). Zoo bezigt men 
ook onpe (nu ^enf) in tegeuatdUng vwi i ^e {toen^e^it). , 

tf. fiet is waarschynltjk, ^t nanón (( 32/ I, a) uit na o» is, want anders 
zonde D. iilèt nahdn hebben (bl. 3^, X). Dé bijvorm namón, en «on/x in H. (met 
eenig^ïinè- gewQzigde beteekenis) zonde doen denken aan na ro on (} S en bl. '194i), 
^/ fis ' )hmtt ie meer daar het in M. niét nu op dit oogenUik maar aanstonds 
(mm'è^^lD 'bèteekènt. In M. bezigt men ta-on-ari, dat in T. op dezen iijd 
van den 'dap beteckent, =± «W:», terwijl in B. hirangkdn ena in gebirnik is.' 

M.'beétgt gaarne de vomen' zonder s, behalve waiar 't voornaamwoord met i 
aaifirangf (vgl. t>Y/2è3); b. v. iu dd4 s= iusaduwi (Wdb. bijv.). 

D. bezfgt i s^ndi of s^ndi. Van een vroeger ^ndi (f I4l, II, 2* Aanm.); = 
di' sis Ml ^yi'^di <inó Hta mhigidó hukum (Ib., \X. 165, o.), aldaar (b\j^- 
meiden'-iittp)'" 'mo^^M wij regt vragen; i sënda of 'sènda (minder vaak i eend) = 
é^ 'son; "i sadèna = disAduüti (ib ; 'bl. 215 m.); iagidi (zie Wdb.) of Bagi (vgl. 
f 141, -Vt) =^ 'io/i* (J Ö, Aarnn.); lagena (Ib., bl. 271, f. 9 v. o.) of hagenda 
{èagè'^^'^ndh iri shida)'== iorigon on; nahan = «^ïr(5« (M.). 



§ 144. J^fS^^.jft^fi^J. ffüiOAak iagdabcpaiiilg gebeaifd iickter de ddor 't 

r§iêti^l^e(;i9 ^)n«dhf^ei(i4u])ftiaQtisTti](, zod als ^èiLckn kan üft de^ln 

§,^ ^aifg^hi^die .viiarb^dfifl.^L')lM$.,'YjoobtaQchter benamingen 

va« ti^dgffclii^ za«|i9ilge^t^3sVn nut 't vooDhoQhtsplf / «f (| 182), om «p 

6\j.ifiaartkfi Pil» fif^ vtii^ te ^maken^K h. v. èaddri on , ^^mv ae» ittJg , Ji9 riay 

04)0 .,A^<;<M>(^Q4eai. von dfiag); isoiftaZ» ó»y ^2^flfM0>«M^»v <&»? ke^rpn» 

9^0^ iv(f.JMiQ(i.<4l^«),^^ ^iv^!/nr.:^ Acht^ d^ iujvoorden nait/b«f en 

'¥'Lf'*^'WW'(§*'^»"' ***•') jplw^Bt'»©^ t, meeatal dn er adject. vfi&'tQ mn- 

k^4i> ftU.sliM^ ktiis.dAf) dikt^ijla mst eiqi » )ol^»^<§ 37yll» 2% ^«é»»é 1). 

§ U5. C. Reflexieve .vwrmtamm&rdf» .nofadenyteld^a-gttbeaigd' (zie % ao7» op . 

.- 1. ; ;b]f, . ],C3^), QA, 4edQn'Pfi78O(ml^b!Mi(anB)inifireo0dvka|i al» swodftfiig oplre- 

d(^n;. t>4 Tl \§^Iq»§ if^.M4o$'j[iib;» Uw .Sd, r.'S (v^ioi),) wmnh thof V^utü^ 

ge^olfi^lidi-pa^n, v^,.i^9n^ indnD6it.dnarma {ïb.^ bh GlB, m.), élj^Be'êdde 

ziq^,'(ik-,€^^^itiS<myiyi:éiit niedk)kén'kmd'MeBft (dj.u iwet 't kleed onde^r ^' 

y bqr^t^^ ^ iK)Q^9^ d$' bp«6tèi!i tagibaav^zija) ; lïta^uiémg^i fna IiUa in krutêan 

r(^iiSllk\ia(m'i>'4i'iiSHinitiki .iteviDvo;^..»!^' ^dg)^^Mj hieè(f èic/li^^Mod (h^ 
maakt zich gelijk die dood is); daiu panau-nau napadatu-datu ibanOt 
een zich ah datu slechts voordoend» p&tsó&m, die traokt nek vQor een éatu 



331 

uU te geoen. Bij d$ Werkwoorden met 't roorheclLtsel pa , die hon al* 
leen in 't actief kunnen hebben» vindt men ibana als reiexifif voor- 
naamwoord nu eens gebruikt» dan weder weggelaten f b. y,di-paêyrut 
èioru ni rf^dja i ma ibana tu bagaBon (Ib., bl.ao, r. 13), die jonge dame 
bracht zich zdf aehtertoaarts naar binnen (zij trok zich naar binnen te- 
rug); waar ibana best kan weggelaten worden (bl. 130 en 163). — r. 
Met een pronominaal aanhachtsel bezigt men diri; h. t, dp-tontboffpon 
ma dirina {Twiat van S. if. en J). J9., bl. 2, r. 2), hij wierp zichplqf" 
Jende (op de vloer) ter neder. 't^Gebruik van dit woord is veelal he^ 
perkt tot den derden persoon. Als reflexief voornaamwoord bezigt men 
ook, maar meer in 'tDairisch Sub-Tobasch, en dan nog wel alleen met 
het actief (zie D. hieronder), bana; b. v. na patlatu-^tu bana do ho , 
die zich een datu tracht te maken zijt gij (je geeft je voor een datu oit). 

Voorts bezigt men ook daging , dat even als pamatang op de lede* 

maten slaat (noot op bl. 110), en daarom met 't verbreedde passief ge- 
bezigd wordt; b. V. ttung i maniffor manderse iÖana di-paiHnggakkon da- 
gingna tu papan, daarop werd hij mismoedig en wierp zich (zijn geheele 
lichaam) hevig op de vloer (van planken). In de andung bezigt men ei-ma^ 
ngalijok; b. v. di-rege ma si-mangal^okna matós ma tali tij an dagingna, 
hij echtidde zich om los te komen , en 't touw knapte van zijn lichaam los. 

M. bezigt bij personen zoowel tja als ibana; b. y. di-halihon tja ma tja sipat 
iolonannija (Ib., bl. 6, r. 4 v. o.), hij begroef zich daarin (bl. 105) tot aan zijn 
Juds toe; di-baen ija ma tja djadi gadja (Ib., bl. 7, r. 8), zij maakte zich wor- 
dende een olijfant; di-ulum ija ma ibana (Ib. IV, bl. 4i). Bij levenlooze voor- 
werpen altijd ibana; b. v. marsitampulion ibana ma balijung dohot sandung i, de 
balijung en de sandung kieuwen ieder (§ 76) met zich zelf (zg hieuwen er van 
zelf op los zonder door menscbenbanden in beweging gebracht te worden). In de 
andung of versierde taal der verhalen bezigt men ook iba met een pronom. aanh.; 
b. y. rajarkon ba ibamu tu ipar ni lautan, zeil met je ze^ versta je I naar de 

overkant der zee. Overigens als in T.; b. y. gulu-guluhon ma ho tu panjur- 

duan an (lb., bl.,37^ r. 9), wentel U versehUlende malen in dis plek, waar men 
. onkraid heeft verbrand. 

D. maakt van diri een numer gebniik;.b. v. i-pèrèagekzn dirina (Ib., bl. ^38 m*)» 
h^ veranderde zich in allerlei gedaanten ; i-dabuh dirina (Ib., "bh 94 h.\ de bnf- 
felkop U^ zich paUen; i-sangkëikhi nola mo dirina i Onangun ^aldaar m.), de 
bnÜBlkop hing zich islf weder op aa» de iuispaal; énggo mo aku tertaki di- 
ringku (Ib., bl. 74 b.X. reedt ben ik door m^' zeffin ongelegendheid gebracht (ik 

10* 



/^^ 



232 

heb my self door eigen list bedrogen); èëntri dirimu Qh., bl. 248 o.)» verzadig 
Uge^. Verder wordt dit dirt zonder pronominaal aanbechtsel = iba gebezigd 

() 148). Met *t aetief bezigt men liever bana (zie in de 5); b. ▼. htggo 

wuigakkén lama n-ëowuida H-doêa dukai ena mo (Ib., bl. 271), reedi heeft tij dek 
aélf beiend gemaakt ale die dit kind niet bezit (z^ Terraadt zich de moeder van 

't kind niet te zf|n); mêreanggar bana heeft de beteekenia van sumanggar 

in T., terwQl mënguruni bona, dat letterlek gieh zelf van een lang leven voorzien 
beteékent, de beteékenis heeft gekregen van zijn vollen wasdom bereiken (b. t. van 
een rotting, die ongedeerd door menschenhanden, de rolle lengte nitgegroeid is). 

§ 1^- D. Vragende voornaamwoorden zijn : 

1*. aha^ wai? als substantief vragende naar 't wezen van een ding 
of «aak. 

2*. «M, wie? als substantief vragende naar 't wezen van een persoon 
en ook naar z\jn naam (Ib., bl. 248, r. 2 en 6 v. o.) of titel. 

3". ei-aia. Wit? ah substantief bepaaldelijk vragende naar den 
naam van een persoon, die met n- aanvangt (} 162). 

a. Een sabstantief is ook paruAaon, waarmede men naar de verwaotschaps- 
betrekking vraagt, waarin iemand tot den aangesprokene staat; b. v. paruAaom- 
mu f, wat ie die van XT? (in welke betrekking staat die tot UP). Het is een pas- 
def-Torbaal substantief van een werkwoord maruha, dat ale wat? betrachten 
moet beteekend hebben, want in M. zegt men nog parahaon, 't Stamwoord is 
uha naar $ 25, III =3= hnwa in 't vragende werkwoord mahuwa (bl. 94). Hen 
bezigt ook pardiha; b. v. pardiham i asa loppaommu panganonnt (zie Wdb. onder 
diha), wat ie die van U, dat g^ voor hem eten kookt? 

h. Een vragend b^woord is bohdi beha of borhd ({ 28, II), hoe? hoedanig ie? 
Het wordt dikwyis als praedik. gebezigd met 't actief- verbale substantief als sabj. 
(( 120). 't Is eigentLyk een werkwoord, en oorspronkelijk mahd geweest ($ 30, 
YIII en Aant, ) 147). Be a van 't voorh,, door den klemtoon op de* volgende 
lettergreep ondoidemk zijnde, is nu eens als o dan weder als e gehoord ({ 28). 

4*^. diga^ als adject., welke? ^ en als substantief welke van een bepaald 
getal of een bepaalde boeveelheid, terwijl diha ({ 9, b), als substan- 
tief, welk gedeetie {één ding) van iets? beteekent. Met een prae- 

pozitie er voor maakt men van d^a vragende bijwoorden vKXiplaate 
(} 41); b. V. di djja, waar? tu é^a, werwaarts? tijan d^a, van waar? 
waar la^ngn? Met 't voorhecbtsel to ({ 152) wordt er, in tegenstelling 
van piga (j 186), een vraagwoord van hoegrootheid of bedrag van ge- 



288 

maakt, dat als praedikaat optreedt; b. v. aa^a argana, hoofed is de ^^ 
pr^è er van? (hoeveel kost het?); ea-d^a batffana, koeveel is de grooUe er 

van? (hoe groot is het?). Als vraagwoord van t^d bezigt men fl»- 

digan (wanneer?; over 'tstamwoord zie Wdb. by v.). 

M. bezigt parahaon (zie boven in a) Tan aAa, 

D. bezigt Jtade = aAa, H-kade = si-aAa, kade-kade = paruhaon (vgl. ook 
Ib., IV, bl. 90); dike = dija en di-dija, mike = tudija, dike nart = Ujan dija 
(in de beteekenis van van waar?) en rap dike = iijan dija (in de beteekenis van 
lanffi waar F), maaa-dike = na aa-dija (bl. 94). Voorts hezigt het apai ak vraag* — ^ 
woord naar een zaak of persoon in een bepaald getal of bepaalde hoeveelheid; 
b.' V. opa» mo i-akap kano ti-mêraiana rorohmu idi (Ib., bl. 69 r. 10 v. o.), welke 
van die Uwe toespijzen vindt ge, dat de lekkerste is? apai mo ku-tumpak apai 
ku-alo (Ib., bi. 265, r. 2 v. o.), wie van beiden zal ik ondersteunen (in den 
strijd), en wien van beiden als vijand bestrijden? Yetdet endigan = andigdn. 

Wat betreft '/ gebruik der vragende voornaamwoorden^ zij kannen § 14*^ 
nooit als middel ijk of onmiddel^k object gebezigd worden, noch ook 
als agens met *t passief (§ 105); van daar zegt men aha hab\jarammu^ 
wat is 't geen, waarvoor gjj bevreesd gijt? (wat is uw voorwerp van vrees?), 
en niet tnabyar di aha ho of makkah^ari aha ho (zie ook { 109, onder, 

en § 115, 1".). In indirekte vragen bezigt men v<56r de vraagw. 

't hulpwoord barang, dat op zich zelf de beteekenis heeft van om te we- 
ten (of, wie, wai enz.) *; zoodat we wie in zinnen als b. v. ik weet met, 
wie het gedaan heeft niet met iêe mogen overbrengen; b. v. badju^a» 
djukku do na ku-pahusó di-hamuna, barang iêe na mamhuwai t^anpari- 
d^annami an, het is m^n buisje , waarnaar ik bij ulieden onderzoek doe, 
'om te weten , wie hei is, die het van die plaats, waar wij ons gebaad hd- 
ben, he^ weggenomen; pabowa ma di au amdng liiit ni utang UUt ni sin^ j C 
gvr barang na sa-d^a, meld mij vader/ den omvang van 't geen aan schuld 
te betalen en in te vorderen is, om te weten (opdat ik wete) hoeveel het be- 
draagt; sukkun na musé barang piga pinggan, ninna, vraag nog eens, hoe 



* Vgl. iu dija ma hu-togihon anakkón marmusn asa binoto tff'olo gogo ni 
hapandean i {werwaarts toeh zonde ik dezen mijn zoon zelf voorgaande medene- 
men om oorlog te. voeren, opdat eens geweten worde de kracht van de bekwaam* 
heden, die ik hem heb ingeprent, Ib., bl. 177 r. 14) met mardalan hami 4folo 
dohot pahoppum asa Auluhon (5 8) i^olo ibana masibodilan barang na gogo do 
hapandean na hu^podahon i (aldaar r. 16 v. o.). 



/ 



294 

vèVi bofdèH hig eefftf dftt er we2en moetea; sukkUn djolo partontRokku 
htt/rmg nètdo do au tuèuan anak, ondervraag eens de perBOonl^kAeid , die 
ik dl» iondi he^ te hetracMen^ of ik zai (kans heb) verbied worden met 
de geboorte van een zoon (§ 134, II, d.)\ r^ori hamu ma barang d\fa 
lomo ni rohamuna, onderzoekt, welke van die dingen Uw welbehagen ie 
(welke ü 't meest aanstaat); topot ma djolo api adowe barang iee i na 
marapi s, ga eens naar gindech vuur, opdat ik wete of om te weten, wie 

het ie, die dat vuur heeft, Voorts wordt dat halpwoord voor de 

vraagwoorden gebezigd, om, ze te doen optreden als geheel onbepaalde 
voomaapi woorden, om op voorwerpen te w^zeu, waarvan de spreker 
niets hoegenaamd weet; b. v. barang ei-aha lomo róhdm baen gowar ni 
anakta i, maak tot naam van ons kind welke ei-aha ook Uw welbehagen is 
(gijj kout ons kind een naam geven, het is ons onverschillig welken); 
hu'fippu do barang ise nakkin, hapé ho do, ik dacht straks dat het de een 
of de ander (iemand, die mij geheel onbekend is) was, maar ik zie 
nu, dat gij het z^t. Met pe (§ 166) achter 't vraagwoord wordt het 
zeer dikwijls gebezigd; b. v. barang tu d^a pe djalahi, ga er werwaarts 
ook naèr zoeken. Men kan in dit geval ookjp^ weglaten; b. r. barang 
sa-dija'artakku, si4ongd be hita, hoe veel ook m^n goederen in bedrag 

z^n, voor teder van ons de he^. In twijfelende vragen (§ 158, 6*.) 

bezigt men anang v<56r 't vraagwoord of het door een vraagwoord be- 
paalde substantief; b. v. anang huta nise ({ S) ma on landng ninna ro- 
kana, **wiens huta zoude dit toch z^'n**, zeide ?i^ b^ zieh-zelf (yg\. ook 
de aanhaling in 't Wdb.). 

M. bezigt sanga en èagi; b. v. ta-paró ma djolo begunta i, anijo ia-paUgihon 
njae iU ama ni untjoh on tanga aha do mambaenija, laat ons onzen geest doen ia- 
neit, opdat we hem de ziekte van den vader van dezen knaap te zien geven , om 
te weten, loat het is, dat die verwekt heeft; nada hu-boto, èagi aha mantbaen 
njaêngkón, ik weet niet, wat deze mijne nekte verwekt heeft; nada hu-loto, èagi 
di d^é inganannd, ik weet niet, waar zijn woonplaats it; antso hu-sapai ya 
sanga aha do dosangku, opdat ik hem ondervrage, wat mijn schujd is. Uit deze 
toö**beerien ziet men, dat èagi gebezigd wordt na een negatie, én sauga waar 
tti^ teVén» eeü verlangen, oni iets te weten, uitdnikt. 

D. bezigt tah (dat uittoependéTwiJzè, efen als 't Men. antah, wie weet! be> 
teekent) in bijzlnnenj h. v. tah kade mién^agokën malot kwèëtoh, ik Weet niet, 
wat h\A te zeek oiien verderve heeft gebracht; asa ku-betoh tah katJfra pëmahan 
(Ib., bl. 142 m.), opdat ik wets, hOe te moeten doen; asa ku-bèioh i dike nari 



%%6 

iëkuèiuf0t9 fit ^tpdai ik 4ffm, MM #«uM- 0U»êék pHioÊm Ètfé; éuaêU-iHÓk 
teA apai kmiê »*m}fHhêk (Ib.» H. 186), èpékf ik wHê, ane poh UKMèh '^' èéhit^ ^ 
M§9 it; dn» iU*èmh tiih dftmpè twh méM, opOttt mat ^gtte, ^f het ^HÓkiêÜ 
tmf^vmien, 6/ nieti Uk H^ikè ^é t^nêttk (».; Il: 156 ^.y'ioiè'Wéi, 'iM^ _ 
mmrM k0 mu fe§mm' U. ^^-^-^^ \ n^I^w<M»H hütm^ WMtlt hief meer gehtei^ 
om d» AlgezMeobild of on1>^Mlclbèi<A oit «» dfQltl;eii;^dPntM^ ia^ ht '^ (Ib./bl. 
96 b.), vsiê hêt óói tt$^ m^gei mêtda hi èofonff mpoi g^a iHèrii0A^(H>.; bl. t86 
M.)^ indien er ie ëên cf étuitAêtè vtti tXSüAva. (^e dok, ottvütsc^^llf^ wië) ^ïrfó 

Moa&i ii^aMi'. ■ . • ..;-:: a: 

J((^^. Da frMgMT. ail«, ^>U, ^^ybiS, uU eA ilWie'(bI. 2», '/H. 1^ ^^"l^f|A 
èllaiL Mu e«ttdttnoiitfetttiêf eii %\xA ka «itgegsAn. " 'Wiri; A'ütt bètt^èfl* ^ sflefiÈ^^ r 
ii wel anM$lt <«^ (prMpotfCa) -f- il*,-M»#dirir bM'fói^tf^f ótitsjrfdètefQk ftoét 
betMkawl hebben, bMVhel heclefl- nog <f< ervóttr geplaatst wordt fbl. èafja,"!**!). 
])il ^ililii ifchttlkw élb«t«»tièf is, fi g«]iè«l ill ó^'ei^nitéttuiiittg Bltt/(yMRif/i^ttl^, éttS. 
(U. 65, «); 406r b#t gatottilt er t«ii «ift s«iM«tittef f) ook dd KhSntodii Vèfle^, 
dii «tfgeftti^k O)) 411 dkOMt fiiftt. Wat üha betreft, hét is op idez^lfde w^ïse ott 
^ gofontii aU «^1^ bit >|«, MUI üH i»« en nO^ liH «?tf. ^-^ Dë'itam ^/n fs^nh 
llètthti «1» voOriMehtoel M gebfnik; 1"* toet do pï^epoï^ohftie Hetèékietiis^Vftii 
«tof (4 7t)> ifc^ ém-eolrttlmtlevèft te v»èfiiiéö (§ 1»5), en 8'-al» votftffleOhtèÖ "^h 
't MNtdf^ jMM^f (i 108); Bat het in detfe Isittete beteekenis ook eigeótitjlf eet 
pM^Müle iS) i« Aiel a&eoii wftanehfjviUJk doOr- 't ge1r%t van dé ^t&eporïtie 
tm hh paisieve iritdrskldfigett ({ 101), ttaat ook door 't optreden tèn di'tf'i (Ö. 
S IMfif) in 't rf^yv^r Ö 10^, ' on « in *t rfM* ^«t^*^ (M. .bU Ifi; en iobt S 
«p td/ 171); Xtt "'t lOegtneedOh Ie H ook pi^epo^itie en fege'E^k bij 't iiasiléf 
in gebvaiki ieHiijl \ Jat«énieh ivtf (puiepo^ie) bedglr hg H êe'tke paSÉi^^, ttio 
'têtatowóord Metseen kifnker éenrengt. Deze overeèokomdt iii *t geimik' vén 
€NSn pHaepotitiOll» ^iet te loochenen, en stelt het' boiten twtf/bï, dttt o^ Ü» Uy 
t tmééië' pitêèief OOIrsiprónkelijk een praepozitje ii, zoodat de ^rerbinditig^'triÉL éeH 
praepojBVtie met een fOfmeel robstantief dènzelfden zin' geeft als in oniüéiaal ht 
ie MnhéH mijtt èefèii (het kan door mlf l^reikt worden), mtjh hrdéh ie muèr"t^ 
hhêéhméheir ^^h broêk Wol^ Terstéld),' hei ie nog in ée moük^^ wüTÜt übg 
gemaakt) en diergéiyke iritdmkkingen. Daar in 't passief ttu formeel Ésih^üxaXM 
optreedt, kan men natnnrlfk znlk een passief niet letterlijk OveAréngen. Diie'^j 
öto H hulpwöotd ^an H paiwief (tro^ïfo») lettérfjk v^értaall, om W een 'beïwrihè- 
l^ko beteekenift uit te Haaien, heeft nog niet bewezen, dat het niet 't Indische 
wrMh (groeijen) is (vgl. Engelsch to grow old = oud worden), en zal het ook 
misschien van'Bopp dom Vkden, dat hij aan ja in 't pttssief vAn *t Sanserit naar 
aanleiding rèax 't Hindnatani (djénd), de oorspronkeljke beteekenis nn gaan 



286 

gMft (vgl. $ 86, ond.). AU men nu in wmnMrldag neemt, dit 't 1me$de pmuitfiik 
tegenateUing ran *t eente gebeiigd wordt, om 't geen h^ towèl geechiedt of 't geen 
m/ogt^k ie, bepaaldelQk te itellen tegenover 't geen door itmamd gedaan wordt of 
door iemand in een handeling beoogd wordt, dan ia het verklaren van di (of 
f*), fff en ^a als dezelfde woorden te s^n als de gel^klnidende praepoaities, ge- 
heel in overeenstemming met de eenvoadige middelen, waarmede de taal gram- 
matische Qitdmkkingen vormt, 't Geen hij ioooci geschiedt of alechta kan ge- 
acbieden, wordt in de taal, die toeh nieta andera ia dan een beeldspraak, door 
ha ala praepozitie venaijderd van den agens voorgesteld, terwQl 'tgeen door hem 
beoogd wordt «• iegetuteUing van 't toevallige of mogeiyke door de praepo- 
sitie di (of i) in diens naUjheid wordt gesteld. Die in de taal logica aoekt, siet 
y de eenvoudigste dingen voorhy, en moet vervallen tot den tenn zegwoord, die be- 
halve dat hy aanleiding geeft tot verwarring met een woord, dat ala geiagde of 
praedikaat optreedt, ook nog de ware natanr der taal ala beeldapvaak miakent. 
Al kan ook een verbum een toeatand, een miei werkem, beteekenen, de taal steU 
het in een toeatand verkeeren toch als een werking voor, die, als ware het een 
handeling, van wat ala peraoon beschouwd wordt uitgaat (bl 125). Allea is in de 
taal peraoonaverbeelding, omdat de menach, aubjeetief te werk gaande, ieder 
voorwerp met sieh-aelf, en alles, wat h^ er aan waarneemt, met 't geen h$-z^ 
doet geiyk stelt; tlapen, tieroen en luijeren b. v. z^n ede handeUngen voorge- 
eieldt en verschillen daarom niet in den vorm van wekken, doeden en werken. 
De term werkwoerd is dns vr^j wat beter dan dat z^iweord. — ^ De verbinding 
van Ma, als een persoon in 't algemeen voorstellende (bl. 124), met een atamw., 
om 't actief uit te drukken, ia dns vedbeteekenend, terwijl 'tw^allen van dat 
woordje of de verandering er van in 't passief een bew^a ia, dat 't paaaief in de 
Habjische talen niet als werkwoord wordt opgevat; waarom het dan ook in zyDe 
vorming een substantief, zg het ook formeel, vordert. Als termen zQn ook agens 
(subject van 't actief) en patiena (subject van 't passief) meer in overeenstem- 
ming met Ae-ceuiuaal aangenomen termen aoiief en paeeief. * T7it de door 't 

. werkwoord verbeeldde handeling ia ook te verklaren 't gebruik van tar in 't paa- 
aief, daar bet oorspronkemk 't zelfde woordje is als het in 't Kawi ala negatie ge- 
bezigde woordje, dat nog overgebleven is io 't Bataviaach-Mal. Urada, dat tar 4- 
ada {er zijn) ia; immera ook in de zustertalen wordt niei door een verbinding 
uitgedrukt van een negatie met een werkw., dat er oijn beteekent; b. v. Ui-ori 
f \ (Malagasisch) uit 4H^ m ari (er zijfi); üjada (Mal.) uit /» / en éida (er zffn): 

* Vgl. noot op bl. 203. * Vgl. bl. 61 onder in de Aant. 

In plaats van far (vgl. tijarap in pi v. 't minder vaak voorkomende iarharap). 



S87 

imdadou0 nit uuU + Mnff O ^^^h "*^^ (^0 ut «m * + ht; iajtk ' (Sond. 
en Kawi) uit ié + aja (er tyn), enz. Uit 't verseliülend geVrnik rsn <ri in 't Ma- 
lagasKBcli kan men zien, hoe een woordje, dat een negatie aiidrakt^oonpronkemk 
't selfde kan zjyn ale dat, 'twelk in *t paeaief optreedt, want Ui wordt er ook ge- 
bezigd vdor een herhaald substantief, om een voorwerp aan te dniden, gel^kend 
op *tgeen dat snbatantief voorstelt; b. v. iti-ulun-Mluna (wat op een 4luna of 
mensch gelakt, een beeld), tH-zanak-ednaka (wat op een gdnaka of kind geltjkt, 
een pop). Verder wordt tsi voor een herhaald telwoord geplaatst, om het te dis- 
tribneeren; b. v. Ut-rua-rna {ieder twee) '. Zoo men hiermede *t gebmik van im' 
in T. en M. om een hoedanigheid verminderd voor te stellen ($ 115), en dat van ih' 
in D, om een getal te distribueeren (U. 169) vergelijkt, dan is er niet meer aan te 
twQfelen, dat tar of een zQner b^vormen nu eens als negatie dan weder bQ de 
vorming van 't passief optreedt, 't Sund. bezigt ii = tar in 't Bat. en iar in 't 
Mal.; b. V. iipagvt == iarpagut (Mal.)- In 't Kawi heeft men ta in een i)a8sief: 
b. V. totjap {ta 4- *ttjap\ vermeld worden. Dat nu ta of te wegens de plaats in 
de derde lettergreep van achteren, die het wegens de twee-lettergrepigheid der 
meeste stamw. komt te beslaan, door een r, die naar een vaste klankmaat in 't 
Tag. en Bisaj. g is ^, in sommige talen gesloten \m geworden, om een verschil 
van betee- kenis aan te brengen, is geheel in overeenstemming met mar uit ma 
(bl. 126) ; immers de taal neemt zoo vaak tot een klankwet de toevlngt, om een 

onderscheid van beteekenis te kennen te geven (zie bl. 77 en § 10, 6). Oor- 

spronkel^k was ha slechts een demonstratief woord, dat heden nn eens aan- 
wakend voornaamw. is., zoo als in 't Men. (tibi, deite, dit) en Jav. (zie bl. 125), 
dan weder een praepozitie van rlgting (naar, vgl. Mal. ka, en 5 73), even 
als tu in itu (Mal.) voornaamwoord is, maar in T. en M. praepozitie. Zulke 
demonstratieve wooïdjes hebben een versehillende beteekenis alleen door latere 
toepassing verkregen; van daar na^ als relatief voornaamwoord (5 149) en pro- 



/" 



^ Biykens mada {ma + ada). Dit ma is = 't Jav. ba ($ 30, VIII); van daar 
èotën uit èa + wontën (er zijn), en toja uit ba + cja (Balineesch, er gijn). In 
't Malagasisch is wa interrogatief. Negatie en interrogatie worden vaak door een 
woord voorgesteld; vgl. 't Latynsehe ne, als interogatief, met ne in non, nuliue 
{ne -f- uUus), enz. 

* In 't Alfoersch van de Miaahasa is iija en in 't Makassaarsch tefa vetatief. 
In 't Makassaarsch taq; b. v. taq ttüu {ieder drie). In 't Tag. tig; b. v. 

tigied (ieder een). Men lette er op, dat io deze taal i vaak i in een znstertaal 
vertegenwoordigt {isd == dea in 't Mal.). 

* Tag. en Bis. mag (voorh.) = mar of «er (D.), en mi (Malagasy). 



3SS 

nomiiiAal aaaheektael ($ 151); mu oi.mm tb feirtiff vootaw. üi 't Svi.» •!• 
onbepaald Toomaamwoord in 'i Maleiteh «b Batakack (in am») eb ab ptono- 
aunaal aanhaetoel in 't Hakaananck (bl. 6S; ^mm.); <^ ab voomaBrafwwd 
in H., D. en in 't KaL» rebtief Toomaamwoord in 't Ifal. (f«^, U. 7S, ^Mtf .), 
pronominaal aanlieelitael in 't Jar. {e in pbab ran ^); ^ ab ptatpoaitfe ia M . 
en T.» ab aanwr^aend Toomaamwoord in D. (iiü), ab dcueMtratieve uitroeping 
in T. {imdi, vgl. oudi in M.), enz. Alle pronominale weovden a^n êbchb ge* 
baargelnideny die ab natnorkrcten onbepaald si|n, en eent bttr een Yaatere be* 
teékenb bebben gekregen. — >— Dat de oorspronkdijke pracpoaities eigenli)k da* 
nonatratiere woor^jea a||n, blijkt onder anderen tutk vat 't g«bmik Tan 't voorb. 
i», dat in 't-Men. eren ab in 't Mal. ook naar ab piraepozitie beteekent, met 
decelfde beteekenb ab m in T. en If . ($ 190, 4^) b. ▼. in kapaUmg ^ (Men., 
ffUtérm) ran patêMf (im dêm mÜkU^f iegên den mond^ dmtUr ran den dag). 

} 148. E. Oübepaaide voomaamwoordm worden dikwgls versirêgen, soodat 
men slecbts een actief werkwoord gebruikt, waarbij een onbepaald sub^ 
ject te denken is; b. t. margulut di kutanami (aanhaling op bl. 195), 
men kerft iwiti t» mze kuta; ygl. bl. 156 boven, en verder alhier in l\ 
Als onbepaalde yoomaamwoordén bezigt men : 

1®. kalakj dat eigentlqk iemand of mm amder beteekent (vgl. V^db.); 
b. y. tmang dida kalak, opdai het door niemand geeien worde (opdat 
men het niet sie). Dit zelfde woord bezigt men ook met htieer^ 
paneief om een eenvoudig paetief nit te drakken <| 100); b. v. dfëdi 
iUk ma dida naeida, ^a ièana indang dida kalak (Ib., bl. 21), ifooékd 
zij een iUk zagen ^ maar z^ teerd niet gefien* Om bepaaldelijk iMumdf 
andere nit te drokken, zegt men kalak na maba; b. r. $0 iung adóng 
kalak na- muba ia êon^ er kaa kier niemand anders gekomen z^n ({ 86). 
Dat dit woord , bepaald door een aanwijzend voomaamw., meervondige 
beteekenis beeft ($ 141, I 4''., en § 140, 3^), en verder in M. als derde 
persoon meervond gebezigd wordt (bl. 205), behoeft hier slechts her- 
innerd te worden. Op te merken is echter, dat isen kalak ab sub- 
ject bij H actief slechts in algemeene 8preekwij)Een en wel in tegenstd- 
ling van iba (4®.) bezigt, en dns niet met ons men kan gelijk stellen. 
Wil men, 't actief gebruikende, 't subject onbepaald yoorstellen, dan 
veizwqgt men het (zie bov. in de }) of bezigt addng (bl. WiJêanm.) met 
een door na omschreven actief-verbaal tnbat., waarbij na ook wegg«- 



' Vgl. iakapun fAig., giiiertn) ran hapun{laat op den dag). 



S89 

laten kan worden; b. r. unang adónp na mamida^ opdat er nut t«, die 
het ^te^ {opdat niemand het zie); indaug adóng vMttsarihon panganoM 
(aanh. op h\. 108 boven). 

a. Ook wordt AalaJSi róói dgennamen geplaatst, wanneer men een individu 
noemt als 't hoofd of den voornaamste van anderen, die met hem z^n, als 't zg y' 

aan hem ondergeschikt, of wel omdat h^ onder hen de oudste is; h. v. ro ma 
halak iutoan farengga hulu (Ib., bl. 202), T. P. B. hcam met de zQnen (met 
zeven van zijn onderdanen); irkt ni halak êi-djova/ta , de moeder van Dj. en zijne 
jongere broeders of zuster», daar Bj. de oudste zoon was, naar wien zijn moe- 
der haren naam, Nan-djonahüy droeg. Maar al had !>}. geen broeders of zusters, 
— in 't verh^ waarvan h\j de held is, wordt er direct geen gewag van ge- 
maakt, — dan zoude Tuilak toch gebezigd worden, om beleefdheidshalve de moe- 
der van J)j. aan te duiden, zoodat ina ni halak H-djonaha gelijk staat met tMA^/a 
nasida (§ 151 4^.), daar men, van icmand's verwanten sprekende, gaarne den 
persoon meervoudig uitdrukt; 't geen met een eigennaam niet anders dan door 
halak geschieden kan. Verder bezigt men halak onmiddeiyk na 't eerste passief 
als agens, wanneer deze een te langen naam heeft, en dus ma of do (f 165) 
te ver van 't praedikaat zoude komen te staan. De eigennaam wordt dan nader- 
hand achteraan geplaatst, daar reeds door halak aan den. regel (§ 102, 2°,) 
voldaan is; b. v. di-pangan halak ma nan-rudang bulu begu, het werd door Me- y^ 

vrouw B. B. opgegeten. 

2*". deha wordt even als halak gebruikt, maar i$ meer in 't Dairisch 
sub-Tob. in zwang; b. v. di-takko deèa, het iê door iet/tand of door den een 
óf den afidar gestolen. De eigentlijke beteckenie is een onbepaald Mein 
gedeelte; b. v. l^an deha dainang i amanguddy beg^Hg Moeder mêt iets 
er van. Oom/ Met een actief beteeken t het sommigen, 

D. bezigt het liever dan kalak; b. v, ku-dapU tja djumpa djëbak m deba, 
ik vond hem of haar door een djebak van iemand gevangen; i-bërkat deba (Ib., 
bl. 124, r. 6 V. o.J, toen men zich de vederen had uitgetrokken; phiokor ni 
deba idi (Ib., bl. 119, r. 8 v. o.), gij hebt een ander^s koopprijs (wat een ander 
of iemand er voor betaald heeft) niet teruggegeven; sëndi nari mo, asa i-bMoh 
deba harga tinaruh manuk si-sëlup bëras (Ib., bl. 120, o.), van daar is het, dat 
men weet, dat de prijs van een kippen-ei één solup is. Ook bezigt men al- 
hier sintërëm (bl. 242, en aanhaling boven op bl. 190). 

8"^. ètnu (§ 147 JmU.) wordt met 't voorh. si (§ 152) zeer dikwijls 
gebezigd, om «disn naam van een persoon onbepaald of oningevuld te 



240 

laten. We kunnen het met N.N, otDmgea wedergefen: Op iets, 

dat men niet noemen kan of wil, wijst men met hokka^ dat ook van 
een ongenoemd persoon wordt gezegd; b. v. hohka nengan o», dtU ding 

y/^ van onlangs of die persoon van onlange. 

4^. Ha, waarvan de eigen tl^ke beteekenis lichaam of ikheid schijnt 
te zijn ($ 145), wordt in een algemeen er zin dan halak gebezigd: ter- 
w^l haUk den spreker zelf uitsluit, en de overige personen onbepaald 
voorstelt, sluit iba den spreker in, en wel op die w^'ze, dat hij zich 
als iemand voorstelt, die in een toestand verkeert, waarin ieder an- 
der kan verkeeren; van daar in spreekwoorden in tegenstelling van 
hdUik (I**.); b. V. halak mangan eihodak^ iba hona gotana, iemand of een 
ander eet sihodak maar je-zelf wordt getaald door de (scherpe) gom er 
van (een ander heeft de voordeelen, maar je zelf delast); wo^ (^'flw- 
har ni baby at tung di hagasan huta pe iba so, sai ro do % mangdlap iba 
(Ib., bl. 92, r. 10 v. o.), indien men de door 't lot bestemde schotel is 
van een tijger^ al blyf je ook binnen de huta, hi§ komt je toch halen (in 
de daarop aldaar volgende regelen wordt hita gebezigd); ningon sinonduk 
niba (} 8) asa djadi pahusoan, geen ander dan je man mag ondervraagd 
worden; barang na las do daging nüa tnarbulusatton », om te weten of 

je warm wordt , zoo je het omdoet, Verder beagt men gaarne iba, 

waar men 't medelijden wil opwekken met de bedoeling tevens, dat 
zijn toestand zoodanig is, dat de aangesprokene, in denzelfden toestand 
verkeerende, ook op medelijden aanspraak heeft of zoude kunnen ma- 

y'^ ken; b. v. w^ hebben varkens noch kippen <ft'-^a^» ji70^«»i5a (Ib., bl. 

208, r. 4 V. o.)> wegens onze armoede. In dit voorbeeld ligt tevens een 
zacht verwijt opgesloten over de onbill^kheid bij arme lieden op een 
vleesclunaal onthaald te willen worden. Van daar ook bezigt men iba 
on geheel als voornaamwoord eerste persoon, wanneer men klagender 
wijs spreekt; b. v. attk ast do rohana mamida iba onnarapar, misschien 
heefi hij medelijden met dezen iemand, die honger lijdt (Wie weet, of 
hij geen medelijden heeft, zoo hij mij, zijn evenmensch, honger ziet 
lijden). 

^ M. wijkt niet af; b. ▼. di-Ugi iba, nmr daó, hoe meer je er naar kijkt, dei 

y ie verder gaat hij (raadsel op 't oor). 

B. bezigt diris b. v. malot iifadi ni-alo kata ëmpuug ni tUri (Ib., bl. 83, 
r. 8), men mag 't zeggen van zijn heer niet wederstreven; muda laue diri i 
lamhung knla^ktila nart ni^bmoaikèn panganèn mo tuhu kuta-ktda (Ib., 220, 



/ 



241 

r. 3), MO we van ongê verwanten gaan, worde voor de verwanten een wuuA wer- 
keUji genomen (we moeten onse Terwanten een afteheidamaal geven, loo we ze 
gaan verlaten). 

5^. na lebén (bl. 91» c.) wordt als adjectief gebezigd, om Tan iets on- 
bepaald, in tegenstelling van iets» dat reeds genoemd of bekend is, 
te spreken i b. t. huta na lebdn, een andere Auta, de overige of andere 
huta*s (( 97). Als substantief bepaalt men het door 't pronomin. aanh. 
sel na en verder door 't aanwijjzende voornaamwoord t; b. v. na leban- 
na i (Ib., bl. 69, r. 15 v. o.), de anderen of de overigen. Naast na Uhén 
bezigt men na deha en na déba nart; waaruit men opmaken kan, dat 
na lebdn ook uit 't Dairisch kan z^n, en zijn klemtoon aan den gerekten 
klinker in de laatste lettergreep van 'tDairisohe woord heeft te danken 

(zie D. hieronder). Ons een ander , waar het op verschil doelt, is 

na pnUk; b. v. hauma ni napuUk (Ib., bl. 285, m.), eenandet^s akker; 
e^an dalan na pidik (Ib., bl. 154, o.), langs een anderen weg. 

M. bezigt na hahk =: na pulii, 

D. bezigt ti'deban; b. v. i-lagahilÊn kalak ei-deban (Ib., bl. 71, r. 5), im- 
degedeéld door anderen (door anderen oververteld); èuwak H-d^an (Ib., bl. 140, 
r. 8), andere vruchten ; mago bakin H-debmt (lb„ bl. 145, m.), door anderen 
van kant gemaakt. 

6". een ander, als substantief, drukt men door kalak (1®.) uit, maar 
als adject., waar het op een onbepaald in tegenstelling van een bepaald 
of reeds besproken voorwerp ziet, moet men het met na soda m»«/uit- f 

drukken ; b. v. iulangna na soda musé, een andere oom van kern, 't Bepaalde / 
de andere is na soda nari (vgl. { 187); b. v. tidangna na soda nari, z^n 
andere oom, De met barang gevormde onbep. voornw. zie bl. 284. 

F. Het relatieve voornaamwoord is na. Het maakt adjectieven van { 149. 
werkw: (§ 42), telw. (§ 137), en leidt verder adjectieve zinsneden in, 
terwijl het ook met 't act. subst. maakt (§ 126). Verschillende adjectieve 
zinsneden kunnen, door dat na voorafgegaan, op elkander volgen, zon- 
der door een conjunctie verbonden te worden; b. v. t ma boru^oru, na 
Au'djalaMy nappuna (§ 8) ugtMan, na djuppa hiia », dat is de vrouw, die 
ik zoek, en die de bezitster ie van de goederen die wjj gevonden kebben, 

a. Daar nan (aooi op bl. 220) v66t r èa l vaak na gesdireven wordt, is het y 

niet onnoodig, hierop, ter voorkoming van verwarring, de aandacht te vestigen. /^ 
D. bezigt 't voorhecbtsd' H in plaats van na; b. ▼. manak si^m^pakanku 



•// 



242 

uü =» uum»k na finahaUi. £Ut neemt dikwijle nog een aeoskUnk aaa, voor«l 
vddr een woojrd^ det uit niet meer dw twee lettergrepen be«t»at> K v. Hniêtem 
= na torop. Deze neasklank hoort bij 't woord, en niet b^ 't ▼oorbeohteel 
(bl. 41, III), zoodat men ii (== na) -|- Htërëm (= matorop) moet scheiden; 
zoo ook sin^ffëluA = na mangoluy en das H 4- enggHuh {=^- mangolu). Zelden 
^y^ gaat de i van 't voorh. v66t een woord verloren; b. v. s^nggo plèra {si -f ^inggo 
en pera). Andere vodrbeelden van *t gebrnik van si zijn; bijakat si-mangan 

anakmu idi, de tijger, die Vwen zoon heeft opgegeten; lijahat si-Mpangan anak 

t I 

»» radja idi (Ib., bl. 159, m.), de tijg er y die den zoon van den vorst heeft opge- 
geten (vgl. ook Ib., bl. 106, r. 15 v. 6.); hijahat si-mangankën anakmu idi (Ib., 

bl. 160, b.), de tijger, die XTw zoon' heef t opgegeten. 2oo de praepozitie i 

volgt, wordt tnsschen deze en *t voorhecfatsel si een » Ingeschoven; b. v. ti-ni- 
y djampdlên idi (si-n-i, enz.) = na di djappalan i. 

§ 150. Omtrent H gebruik van » a is op te merken: 
33-i ^"- ^®* ^^^o ^^^^ ^ïs object (een viei'de naamval of accusativus) 
optreden, noch ook een praepozitie voor zich hebben (van daar § 115, 
1?0;. terwijl hf* i^wdkka plaat«.»jpemt (} 66. 2^), 

2% 5#t \ wordt vóór een biiwpord <^ adverhi((le bepaling , die in een 
a^jectie^i^. zinsnede voorkomt» faeraaald; zoodat er soms twee aiject. 
zinsneden onmiddelijk (zonder conjunctie) op elkander knnnen velgen., 
terwijl de laatste de eerste adverbiaal (als bijwoord) bepaalt; b. v. 
y hor as ni utte «, na pajak, na di toru i, gemelde ciiroenvruckten , die lagen 
(en) die owcfer waren, d. i. de citroen vruchten, die onder (b^* woord) 
lagen; na ni-duda na di losung i\ de ingrediënten die gestampt zijn (en) 
die in de losung zijn^ d. i. de ingrediënten, die in de losung (adverbiale 
bepaling) gestampt zijn; ise Ko na malleték-leték na di hagasan lombang 
«, wie zij 't gij, die gedurig een kletterend geluid maakt (en) die in den af- 
grond is, d. i. wie zijt gij, die daar in den afgrond (adverbiale bepaling) 
gedurig klettert; sopo.na di djappalan na bolak, hogasnasida mödom na 
rappon Tiahana i (Ib., bl. 80, b.), de sopo die op de uitgestrekte weide 
was, en alwaar hij sliep, die te zamen met zijn ouderen broeder was, d. i. 
de sopo óp de uitgestrekte weide, waarin hij te zamen met zijn' ou- 
deren broeder (adverbiale bepaling) had geslapen ; asa tumorop. do M- 
ta na lao i na mangihuUon au na tu kuta ni datulang (Ib., bl. 5, r. 6), 
^epdét, Rieden t&ir^lc$r È^i, dit gaai en dié m9 naar d^ kuta mn 
Q^tn voigt^ d. L om imj; naar de Jmêa van Oom , ie fodge» (Aif^hUi» 
l}epaUi2g); nun^ eongon na mtula au na inidak neifa» Mdamwm m (al* 



da&r r. lé v. o.)> ik hen g^jfk die besckaamd ut terug ie keerm wm deee 
uiieder huia, d. i. ik beo al9 't ware beschaamd, wndai ik van deze fdie* 
der huia ternffkeeren moei (adterbiak bijein); lao ma nanda mandapoU 
horu-horu na tadinff na di eopo na di djappalan na bolah i (Ib., bl. 82^ mi), 
^if gingen de vrouwen op toeken ^ die in de »opó op de uiigeHrekte vlaMe 
aohter gebleven of aehier gelaten waren, 2oo als men ziet, komt in een 
adject, zinsnede 't bijtr. of de ad?erb. bepaling achter 't werkw. te ataan. 
Skchts in weinige uitdrukkingen, en wel in dezulke, die tegenover el- 
kander gesteld worden, staat 't bijw., verkort zonder praepoz. (§ 111), 
vooraan; b. v. na djólo tuhu {die eerder of H eerst is geboren, van een be- 
paald getal person.) tegenover napudi tubu (die later oVt laatst geboren is). 
3**. Als genitivus kan na optreden, maar dan wordt 't subject van de 
adjectieve zinsnede meestal te gelijk door 't pronominale aanhechtsel 
na bepaald^ b. v. na imharu üloma (die nieuw is zijn kleed), wiens 
kleed nieuw is; Aalak na tubu anakna barang boruna; iemand, wietis zoon 
of wel dochter geboren is. Voorbeelden zonder 't pronominaal aanhecht- 
sel zijfl; na 60 hn^oto gowar, m sa ku4anda rupa, wiens naam ik niet 
weety en wiensi voorkomen ik mei^kên; panondur na putik huta, defeestbe- 
zoekers, wier hüta een mdére is (van een andere huta herkomaiige 
fee'«ibêzoekevs)j asu na bara djabui (zie Wdb. onder ^abut). 

D. bezigt op dezelfde wijze ti-djae-kuta (= na pulik huta). 

- '^.i^ó&tilaiwowdenvas/i iijd wordt na geplaatst, om den tijd als 
i^fir^trekeik' te bet^ekenen; b; t^' nahkin (§ &), «^rai:« (verleden), maar 
' ajohtn {f^ahst .^ de ' toekamat); na .bodari, gisterejè avond ^ maar te- 
dari (vmt. avond éie nog kom<3n móet); na bomgin^ den gepasseérden 
na<M^\m^t barhgi»y van nscki'. Zet ruien achter zulk een met .na za- 
men gesteld ha^w . nog- • 't' étanwij zendfi voorn w . / , dmr w<^dt de t^d als 
langer «vdfsireJfea* te zijn« er daor .aangeduid; b. v. nakkintn (bl. 66, 
Aanm: .1 .on^^)^ emige 'oog'enkUkipengdeden; Ha èomgin i, verleden naoAt 
(eèu: gofarvpachten geledeïi, iha otkear nigM); naüowarisada i (§ 157). 
YtUvdanr'oökjdat eei^ véitttrjskeDi dag noemende bijjitfoarden met.'t voorb. 
pgi e&ofe]^ri&«iCKnyiittle aaiik na Q 6d) eog voorefgegaan' worden door na 
en tévèna idonr i be|^aald moeten 'Wof den; b. v. napoMmna «, drie da^- 
gen ge^edenj^ na.pacpgina «, vier degen geleden. -^-^ Ook plaatst men 
»a. v^h éen biJDA, doê fjl» bi|wQoni optreedt vanr tijd, en dien wij 
ffiéti/^e» )zpaél!^ moeteu inkiden^ .de zinsnede tevens met i afislui- 
téiidèj teiivijJk 'i subjeot ia. die zinsnede voorop rnoeH staan; b. v. juw- 



244 

gan boras ni pool tea hU'SumM, au na loo tu baiak torn i, na manffaUUui 
hudjur i {TmH van 8. M» en 2>. Z>., bl. 17, r. 2), eet tan den banaan- 
boom y dien ik geplant heby toen ik om de lane ie zoeken naar de onderwe^ 
réld ging; nasida na maraakkap na di ulun-dolok s, toen g^ op die berg» 
hoogte de afepraak maakten; boU ma sakkapta na k^dn di ulun^dolok, 
kita na maUandfa i, aldus was onse afspraak vroeger op de berghoogte , 
toen wy vracht^ droegen; mnbaen na hu-dok hatakkt nakkintn ho na ma- 
ridi (§ 8), daarom sprak ik dat woord eenige oogenblikken geleden^ toen 
g^ aan H baden waart. 

a. De by woorden van een verstreken t(jd, reeds na vóór zich hebbende, 
doet men soms als adjectief na een substantief optreden door hen met een aanw^- 
zend voornaamwoord te bepalen; b. v. dalanna nenganon i, zijn onlangiche weg 
(den weg, dien hfj onlangs gegaan was), maar panurbuon nattoari, *t verbranden 

van 't op den akker gevelde hont, dat gisteren plaats had, In naitowari 

soda tja (yoor-eergisteren) is tja slechts een verlengd t (vgl. bl. 56, Aanm. 3). 

5**. Om een sdnsnede als substantief te doen optreden , zoodat wij 
/ liet met datyCiofniK een werkwoord als weten ^ enz., hebben weder te 
geven; b. v. indadong di-pabowa na nung djwppasa hudjur iy h^ vertelde 
met, dat hij de lans had kunnen vinden (waarin na nung djuppam Kudiwr 
i het subject is van indadong di-pabowa); di si ma ta-boto, na tubuanak- 
«jVt,^. 2./f6 ^^ i dohot na sowada, alsdan weten wij, qf ome zoon geboren wordt o/ 
'^* ^ ^ niet (dan zullen wij te weten komen , of ons een zoon geboren zal wor- 

den); asa hU'boto na di4ejan di au dohot naaowada^ opdat ik wete, qf 
hij het mij geeft of met; tandé na djwnolo autu son, het hkU^ldtaar, 
dat ik herwaarta eerder gekomen ben (§ 36). In deze gevallen wórdt 
na ook wel, doch niet vaak, verzwegen; b. v. a«a di-boto mago hudjur 

i, opdat hij wete^ dat de lans verloren is. Men ziet dos, dat na een* 

zinsnede tot substantief maakt, om ak subject van een passie te kun- 
nen optreden. Yan daar kan een praepozitie door na coiganctie wor- 
deli, op dezelfde w^ze. als wij door midddl van dat een praepozitie 
^ een zinsnede doen beheer8ehen< (vgL b» v« sedert zijn dood mei sedert 
dat h^ dood m); b. v. di-baen na hu-^egédo ho djoü-djod, omdat door mij 
gehoord is gij roepende (omdat ik U hoosde roepen); 'tgeeai tnen letterL 
vertalen kan met door (bl. 158) 4^ door mij is gehoord: gij roepende, . 
Dikwijls wordt de reden of aanleiding, 4ië wi| door een adverèiaim bij* 
zin uitdrukken, door een attributieve zbisnede vervangen, ^ die 't sub* 
stantief of als substantief optredend, voornaamwoord bèpisialt, dat bij 



/ 



245 

ons in den adverbialen bijzin, maar in 't Bat. in den hoofdzin op- 
treedt; h. \. laa »i roha ninaUa on do i éU au na dung mulak êyan dala- 
non, het is de blydschap van m^'n moeder hier over m^^ die reeds terugge^ 
keerd ben van een groote reis, d. i. het is de bl^dschap van m^n moeder, 
omdat ik van een groote reis teruggekeerd ben. 

6°. In uitnoodigende zinnen wordt na achter 't subject geplaatst, en 
dan Yolgt 't werkwoord, door een aanw^zend voornaamwoord bepaald; 
b. V. toU ma hOa na marhddn on, laat ons nu ($ 144) H eedverdrag slui^ 
ten (letterlijk : komi laai ons zijn, die H eedverdrag sluiten deze); nandn ma 
hita na mardalan i, nu m^gen toy zijn, die reizen (iaat ons nu op reis . 
gaan); beta ma hita na tumopot Jputta i, dat tvjj te zamengaan, die bezoe- I h 
ken onzen grootvader (laat ons te zamen onzen grootvader bezoeken 1). 

7^ Voor anggo (§ 165) zet men na, om op de benaming van een 
kleine hoeveelheid of op een werkw., dat een kleine beweging voor- 
stelt, den nadruk te leggen, met 't doel een ontkenning te versterken; 
b. V. indadong marsilip nanggo sa-otik, zij verschilden niet, zelfs een wei" y/^ 
nig; nanggo humutik indadong oio, zelf zich eventjes bewegen M-de hei 

niet, Dit nanggo bezigt men ook om een conditionelen bijzin in te 

leiden, waarin men over iets met een toon van min- of geringachting 
spreekt, met de bedoeling, dat men er niet tegen opziet, of bet slechts 
als een kleinigheid beschouwt, en dan volgt een hoofdzin, die nega- 
tief-interrogatief is; b. v. nanggo ihurhón hu-boen mangaramhas, indd 
nunga maribak i (Ib., bl. 93, r. 7 v. o.), zoo ik slechts deze mijn staart y 
aanwend om op dat net te slaan, is het dan niet reeds verscheurd? d. i. 
ik behoef slechts met deze mijn staart er op te slaan om het in flarden 
te scheuren; nanggo sadari sogot, indd mulak do i (Ib*, bl. 18, o.), zoo 
slechts de dag van morgen er is, is dat dan niet teruggekomen? d. i. mor- 
gen reeds zal wat gij verloren hebt door ü terug gewonnen worden ; 
nanggo oppuita oppun^ -radja si-homang ta-topot, indd dapot do i pidong 
na maló marhata-hata (Ib., bl. 78, r. 14 v. o.), zoo we slechts onzen heer 
den Heer Vorst H opzoeken, zal dat dan niet verkregen worden, een vogel 
die spreken kan? Slechts zelden is de hoofdzin affirmatief; b. v. nanggo 
sap-ponggol ari au di-hvhu, nunga dapot, zoo hij mij slechts gedurende een 
stuk van den dag belegert, ben ik reeds gevangen , d. i. ik ben zoo weer- 
loos tegenover hem , dat hij mij niet eens een geheelen dag behoeft te 
belegeren om mij in zijn niacht te kragen. 



Aldos te spellen op de aangehaalde plaats (vgl. n. op bl. 220). ^^ 



11 



/ 



246 

a. Men kan ook, in plants van fumg$o vdor *t woord, pe (§ 165) achter aan 
plaatsen; b. ▼. hmmmt^ pe towaia^ hêt èewoo^ tiek se^ê niet evenijêt'; *ada pe 
iowada saUung % nA inangajak, met één Ulfi van die eattumg^ê was er, die 
y eervolgde (die een omen, van kans op wraak te hebben, opleverde); tukff ipot pe 

soda êowada da/pot bubuna, eelfi niet één kakkerlak werd door eijnfitik gevan- 
gen (h$ kon met i^jft ftiik niets hoegenaamd vangen). 

M. beiigt hagi (vgl. bl. 284) = nanggo; b. v. taratna ulang kami pieik 
y hagi umgiièung, mitê wff niet verspild worden, z^s éen (mits zelfs niet een 

onaer omkome). Overigens als in T.; b. v. tangkUnng pe ngadadéng lading be 
(lb., bl. 231, o.), er blerf zelfi niet een over, 

D. bezigt g^am y66t of aehter het woord: b. v. maiot nenge sadagijan idak 
piduk dëiëi Hnatang datat, eeffk niet éen meer Mag kij vogel» en kUméieren; 
pidjuwal kami, nina, rijar gijam eipulnh (Ib., bl. 273, o.), leen om, eegt kij, 
realen al was ket maar tien, 

8^. Voor een door 't inhechtael um gevormdeu comparatief geplaatst, 
maakt na een superlatief; b. v.êoda ma buicat na umbalgana i, één worde 
door Ü genomen, de grootste er van; na di ioru i na tumabo (bl. 123). 
§ 161. G. De pronominale aanhechtsels (§ 20, II.) hebben niet alleen de 
beteekenis van bezittelijke voornaamwoorden, maar staan ook dik- 
wijls dafir, waar "wij een praepozitie met een persoonlijk voornaamw. 
zouden gebruiken (§ 140*). Zg staan verder in plaats van de praepozitie 
ni en een persoonlijk voornaam w., zoodat men niet ni au, ni hoy enz. 
kan zeggen (§ 150, S"".). , 

De pronominale aanhechtaeU zijn: 

1**. hu (in plaats van aw, § 140). Na woorden, op een klinker uit- 
gaande, wordt een gelijkslachiige neosklank ingeschoven; b. v. ang- 
gikku (§ 12), mijn Jongere broeder (van een manspersoon), mijne jongere 
zuêter (van een vrouwspersoon); maeiasarku (§ 75). 

M. bezigt b\| verwantschapstermen in 't Noorden baberehu, ibotoku (Ib., bl. 
41, m.) en laeku, niettegenstaande men bij andere woorden, die op een klinker 
uitgaan, ook een neosklank insehoift. Echter bezigt men tuUangku = dainlang 
(* 152). 

D. is geheel in overeenstemming met T.; b. v. anggingku. 

2^. mu (in plaats van ho)j en slechts m achter woorden, die op een 
y klinker uitgaan; b. v. tukkotmu, uw stok; anggim (§ 20, II.)), uw jon- 
gere broeder (jegens een man), uw jongere zueter (jegens een vrouw). 



247 
— Dat cïe aanhechtsels Au en mu hun klioker voor aanwijzende voor- 



^^ Pv j£€ 






naamw. verliezen, is boven (J 8, «.) reeds gezegd. f « ^ ^- 

M. en D. hebben nooit m; b. v. anggimu. D. bezigt ia de hbs. 9ndu; b. v. 
anggindu. 

3". na (in plaats van ibana); b. v. anggina, zijn jongere broeder ^ 

hare jongere zuster, Dit aanhechtsel wordt ook achter eien woord 

geplaatst, om er een substantief van te maken, waarmede men uit- 
roepetider wijs zyn verbazing te kennen geeft over den graad, dieneen 
hoedanigheid of toestand, aan een voorwerp waai^enomen, bereikt 
heeft; b. v. dengganna, de schoonheid er van! hoe fraai in het! oi hoe 
schoon is hij of zij!; pandena^ hoe bekwaam is hij! wat heeft hjj het ver 
gdnragt! pogosna, hoe arm is hij! Men kan natuurlijk ook de praepoz. 
ni met een substantief er achter bezigen; b. v. doge rara ni bibir ni ba- 

jdn (Wdb. onder doge). 't Aanhechtsel heeft echter niet altijd de 

beteekenis van een derden persoon, en moet vaak opgevat worden als 
slechts te dienen tot het maken van een substantief, dat een toestand 
voorstelt, waarover men zich klagend er wijs of met medelijden uit- 
laat; b. V. porsukna i di-ahap ho (dié ellende er van wordt door U ge- 
voeld), welk een ellende wordt door Ü uitgestaan! ijalé tondikku aut na 
mangolu damang tijan dija ma songon on porsukna di-baen kalak^ O 
m^n tondi! zoo Vader leefde , van waar zoude de eUende, door de lie- 
den, verwekt, gelijk dit zijn? d. i. O tondi! zoo Vader nog leefde, hoe 
zoude het mogelijk zijn, dat men mij deze ellende liet doorstaan! 
di-baen porsukna do hn-ahap^ omdat ik onuitstaanbaar veel lijd! ijalé 
sumangot ni damdng porsukna on hu-ahap, O geest van Vader! welk 
een ellende sta ik nu uit! En zoo is ook ngalutna een uitroeping van 

medelijden {hoe jammer is hei^ dat enz.). Met de praepozitie tu 

wordt zulk een door na bepaald substantief verder als praedikaat ge- 
bezigd, om aan te duiden, dat het subject meer en meer in zekeren 
toestand zal geraken; b. v. tu pogosna do ho (Ib., bl. 318, o.), gij zult 
armer en armer worden (gij zult meer en meer in armoede vervallen); / 
tu gabena, rijker en rijker worden; tu dapotna, meer en meer van iets 
H slagtoffer werden (zich méér en meer in 't verderf werken), maar ook 
naar H gevonden worden van iets gaan (^ 36) d. i. het aan 't toeval over- 
laten, of men aan de kost zal komen; nung metmét indd tu balgana 
do t, molO' na balga i tu tuwana do a, zij hij klein, wordt hij dan niet 
groot? en is hij groot (volwassen), dan wordt hij oud; na metmet tu 

11* 



/ 



248 

balgana, na godang tu iwoana, kinderen worden vohoatsen, en vol- 
wassenen worden oud, In uitdrukkiDgen, die in een toon van 

ironie of minachting worden uitgeroepen, plaatst men voor zulk een 
substantief nog na om het als praedikaat te doen optreden; b. v. di-am- 
bang 7u) ho na hegma, ge meent , dat g^ aUeen dapper 2^t! (je verbeeldt 
je dé eenigste dappere te zijn!); amgon ho mama daiuna^ alsof gjj de 
eenigste knappe datu waart! songon ibana rupant na radjana, alsof h^j de 
eenigste persoon was, die radja is! (de vent verbeeldt zich heel wat!); 
ho ma na bijama, gij zjjt buitengewoon vreesachtig (je bent me een bange 
sch^jtert!); ho ma na holsona, gy zjjt de grootste zuchter (je laat den 
moed waarlijk gaauw zinken!). In zulke uitdrukkingen kan men »a ver- 
klaren als te slaan op een voorwerp, dat de spreker niet noemt, maar 
slechts in de gedachte heeft als iets, waaraan h|j ook de hoedanigheid , 
waarover hij zich met minachting uitlaat, heeft waargenomen; homana 
bijama b. v. schijnt wel niets anders te beteekenen dm g^ zjjt de bangste 

van allen, waarb^ ik bangheid heb opgemerkt. Ook kan 't aanhecht- 

sel slaan op een t^d, dien men onbepaald laat, en daarom niet noemt, 
maar slechts in de gedachte heeft; b. v. sijaparina t, dat vroegere er 
van (vroeger dan deze t^d); na sa-nungna i ({ 152, 3^. e), 't Aanhechtael 
slaat hier op een t^d, in vergel^king waarvan men spreekt; b. v. tik^ 
kir ma éfjabüm unang be songon sijaparina t, ga naar uw djabu^ dat het 
niet meer z^ gelijk vroeger (d. i. geef je aan je man over, en wees niet 
meer, zoo als vroeger, van hem afkeerig). 

4^. ta (in plaats van hita). Achter woorden, op een klinker oit- 
^ gaande, vordert het een gelijkslachtigeiMnettsklank; b. v. anggitta 

I ^ G ^^)* ^'^^ jongere broeder of ome jongere zuster; tukkotta, onze stok. 

Men bezigt dit aanhechtsel achter verwantschapstermen zoowel 

in plaats van hu als in plaats van mu. Dit is volstrekt noodzakelgk bg 
ina, ama en apa, daar 't gebruik van am>dm of apdm, en indm slechts 
aan ouders jegens kinderen geoorloofd is (zie de aanhaling in 't Wdb. 
onder tuwalang)^ want zij zijn de laatste woorden van afsnaau wende 
spreekwijzen als bij ons '<je grootje's, je moer's" enz., als men sp^tig 
iemand toednwt, dat hg een dwaasheid heeft gezegd, of iets, dat men 
niet gelooven wil. Bij s^ndere verwantschapstermen is het de gewoonte 
zooveel mogelijk mu of m te vermeden, en door ta te vervangen, 
maar daar dit ev«n goed op den spreker als op den aangesprokene 
kan slaan, zoo plaatst men, om niet duister te worden, vaak er nog 
een ander voornaamwoord achter. Om het op den aangesprokene te 



/ 



249 

doen slaan, bezigt men er nog hamü of hamuna bij; b. v. inaUa hamü 
of inaUa hamuna (Ib., bl. 297, r. 1 v. o.), Uw moeder; amatta hamé of 
amatta hamuna ^ Uw vader. Zoo de spreker zijn eigen verwant bedoelt, 
zet men er nami (5**.) of hami achter; b. y. inaUanami of inatta kami, 
mijn moeder; amattanami of am>aU(^ hami, mijn vader. Zoo het verband 
X duidelijk genoeg is, of(zoo/menlfbeleefd spreken wil, dat men *t voor- / 
hechtsel da (§ 152, 1^.) niet gebruikt, dan kan men nami of hami weg- 
laten (zie een voorbeeld boven, bl. 205). Men zegt echter ook, om ta 
op zich-zelf te doen slaan, omschr^j vender wijze: amMta na di au (Ib., 
bl. 40, r. 17), onze vader ^ die aan mij ie (mijn vader). Dit ge- 
bruik van ta is verder ook toegepast geworden op den derden persoon ; 
van daar inaUa naeida (zjjn moeder) y waarnaast men ook inaUanda /^ 
vindt. Noemt men den derden persoon, zoodat men geen voornaamw. 
bezigen kan, dan bezigt men hala^ voor den eigennaam (§ 148, 1**. a, 
onder). Van iemand's vrouw mag men djolmaita niet zeggen , omdat ta 
ook op den spreker slaan kan ; men bezigt dan uit beleefdheid omschrij- 
vende uitdrukkingen als tuwan^oru^ pardihuta en pardiruma (§ 124) 
met mu of muna^ ^al naar mate zijn verwantschapsbetrekking tot den 
aangesprokene. 

M. bezigt amantamuju (6*^.) = amatta hamu; inania ni halam of inania 
ni hdbtht (bl. 225) =i inatta natida. Men kan ook een verwftntBefaapsnaam eerst 
met ta en dan met m» herhalen; h^y^amanta amamu=iamantamui^'u. In noord- 

M. heeft men ook inantc[ ho. Voorts wordt hier van ta nit beleefdheid een 

ruimer gebruik gemaakt, zoodat men ook van zijn huis enz. bagasta bezigt. 

D. bezigt êi'këna mos (bl. 157) en përdinmah (= pardiruma, enz.), en le- 
vert overigens niets opmerkel^ks op. 

5**. nami (in plaats van hami); b. v. hutanami, onze huta, 
6^. muna (in plaats van hamü of hamuna); b. v. hutamunat uwlieder 
of uw huta (hl 2U, 6^). 

M. bezigt mttju of munju, 

D. bezigt Hdene, een vorm die denkelijk met 't aanh. na {Aani. hieronder) 
nit endu verbreed is, en de klinkers ?an iene (bl. 224, Aant.) heeft gekregen. 

Aant. Zoo men muju of munju met muna vergelekt, dan komt men tot 't 
besluit, dat beiden zamengesteld z^n ait mu en een ander pronominaal aanhecht- 
sel; daar na nog derde persoon is, zoo is het niet onwaarsch^nlijk, dat nju otju 
(dat iju uit te spreken is) ook een voornaamwoord is van den derden persoon , 



250 

« 

en das een klankvariatie vau nja of ya (Mal., in H Men. injck), die op denzelfden 
grondslag iHst als die der boven op bl. 125 aangehaalde voornaamwoorden. In 
't Alfoersch van de Minaham heeffc men mijo * als aanhechtsel van den tweeden 
persoon meervond, en in 't Tag. ki^ó als voornaamwoord tweede persoon meer- 
vond, terw^l men in *t Malagasy iu als aanwijzend voornaamwoord heeft (bl. 
228, boven), 't Yersehil van gebroik doet hier niets ter zake, zoo als blQkt nit 
du in (6ndu, odé en nit nu (aanh. tweede persoon enkelv. Makassaarsch ; relatief 
voornaamwoord in 't Sond., waar het ook anu is) en tmu. Be klinker u w^jst in 
't algemeen op 't afgelegene, zoodat hQ even goed op den tweeden persoon kan toe- 
gepast worden, aU op een verw^derd pnnt in den afstand, en verder op 't on- 
bekende. De stam ju of nju oorspronkel^k slechts een gebaargeloid zgnde, waar- 
van de beteekenis eerst later vastgesteld werd, kan men daarom even goed als 
een klankvariatie van nu {Janm. bl. 68) opvatten ; zoodat k^ifu (Tag.), waar- 
naast Itamó, = Aamu is, als men let op ( 80 III en Aant, op bl. 29. 

7**. naaida blijft onveranderd, behalve soms in het in 4**. vermelde 
geval (bl. 249). 

M. bezigt ui kdUm of ni halahi; een bew^s, dat het haiant en zgn bijvorm 
als substantief (gemelde wiensche») opvat (zie in de $). 
D. bezigt na ook als meervond (vgl. bl. 223). 

8**. sa bezigt men : 

a. in plaats van ibana bij 't tweede passief ($ 109), en achter swada 
(aüeen); b. v. êoëadasat hij of z^ aUeen, Dat hier m gelijk ibana is, blijkt 
uit saêadau (§ 8), ik alleen, en uit 't geen M. er voor bezigt (§ 189). 

b. in plaats van na achter een herhaald telwoord, dat adverbiaal 
optreedt, en al de er door aangeduide voorwerpen zamenvat; b. v. 
êmta-dutoaUa (beiden), dat naast duwa-dwoana in gebruik is. Verder 
bezigt men het b^ 't telwoord sa-luhtU (bl. 269, c); b. v. sa-luhvtsa 
naast sa-luhutna; en verder in balitsa naast balina (zie Wdb. balC), Zoo 
als men ziet, vordert het een gelijkslachtigen neusklank voor zich na 
woorden, die op een klinker uitgaan. 



* Het veriest z\jn m even als mai (= nami, van kai = Aami) aehter woor- 
den, die niet op een klinker uitgaan; 't geen wel een bewQs is, dat mijo 
van al de naar mate van den sluiter van 't woord voorkomende vormen Ujo, 
nijo, enz. de oorspronkelijkste is. De verwisseling van io met i^u is daidel^k 
genoeg (bl. 17, VII). 



251 

c. in plaats vau i, als substantief, en object van een actief, vooral 
van werkwoorden met 't voorhechtsel /^a en 't aanfaecbtsel Ao», of den 
b^vorm (met 't inbechtsel urn) van de werkwoorden met 't voorbechtsel 
mang ($ 63); b. v. an^go dalan n^degeon mnang ho humoUOt aupepatn- 
duhoisa, wat betreft den te heganen weg, bekommer % er niet over, ik gal 
hem aanwezen; inganan ni sombaan i pe au patuduhotsa (Ib., bl. 6, on- 
der), ook de woonplaaie van den sombaon^ ik zal haar aanwijzen; doli'doli 
na tumakkoeay een jongeling ia het, die het geilen heeft; adoppurba ma 
hita lumcpatsa, met *t gelaat naar *t Oosten toegekeerd moeten wy zyn, 

hem (den haan) loslatende (in het gevecht). In nappunasa ($ 8) is 't 

aanhechtsel afgestorven ; van daar kan men ook nappunasa * sopón (Ib., ^^^^\ 
bl. 11, r. 2 V. o.), die deze sopo bezit (de eigenaar van deze sopo) 
zeggen. 

M. Alhier kan 't aanhechtsel ook op een meervoud yan objeeten slaan; voor- 
beelden van 't gebruik «ijn: ise pabowahon? bajo on pabowéua, wie heeft het 
verteld? deze persoon heeft het verteld; antjogot hambeng i ma 4jolo ho marma- 
htmtja, morgen moet gij de geiten eens hoeden (Ib., bl. 148, m.). Over 't alge- 
meen wordt hier van *t aanh. ruimer gebruik gemaakt, zoodat men ook manffo- 
Ugisa aantreft; vgl. § 102. 

D. maakt er nog ruimer gebruik van dan M., en besigt bet selfs na praepo- 
zities of aldus optredende woorden; b. ▼. tergoniar ngo ^ méndèngkohkht sora 
surak ni ktdomaha ena déiët midahsa mènggoné^ei (Ib., bl. 209, m.; vgl. ook 
a&daar, bl. 137, m.), hij «as namentl^i ontsteld, hoorends *t gejuich van deze 
iaUmaha, en ziende hem zich ten strijde toerusten; tja, nina, si-pêiënakèn pa» 
nganênku tipat na-sa-dêkahna rëbaksa idi aku mendedah (bl., bl. 198, h.), zij 
zoude steeds, zeide zij, myn eten bezorgen, zoo lang ik bij haar was om op bare 
kinderen te passen; bagidi ningku mëngkusosa (Ib., bl. 202, m. en 205.), aldus, 
zeide ik, hem ondervragende; ningku mendokkèntja (Ib., bl. 207, o.), eeide ik 
hem aansprekende (tot hem); na-sa-sumanffon si-ketan^a (bl. 89, o), al de su- 
wtangots, é^e eusn zijn kant waren (die hem betroffen, d. i. al de geesten, die 
hem in den bloede bestonden). Zelfis is mahantja er in gebruik = umbaen na 
(bl. 244, 5°.); b. V. kasa mo i-suwani kono baairmu alé rik asa mahantja gu- 
tut dëkët si-debanna ena (Ib., bl. 205 m.), waarom plantet gij uwe basirs o ri- 
grasl zoodat ook in rep en roer kwamen deze andere personen? mahantja da- 
pet bijahai idi (Ib , bl. 159, m.), wat veroorzaken kan, dat de tijger gevangen 

appuna is nit 't Mal. ampuuja overgenomen (bl. 29, onder). 



252 

wordt. In plaats van nappuna of nappunata bezigt men si-dasa, waarran 

de afleiding mQ geheel doister is. Zonderling is daarentegen iërina = ia- 

iuAuisa; hier is «a in plaats van sa gebezigd, om het van iërUa, =: sudaaa 
($ 110), te onderscheiden. Ook bfj telwoorden betigt men na; b. v. piiu-piiuna 
(aüé Mwen). 

§ 151* Zoo er een nevengedelde bepaling (appozitie) op een voornaamwoord 
volgt, dan bezigt men in plaats van een pronominaal aanfaechtael een 
voornaamwoord door de praepozitie ni (J 159) ingeleid; b. v. torior 
ni ntmda na iólu, de dam van hen, die drie zijn (de dans van hen 
drieën). Dit geschiedt ook wanneer zulk een bepaling uit een aan- 
w^zend voornaamwoord bestaat, dat om op de plaats te w^zen, gebe- 
zigd wordt; b. V. tmdi ni hita on (de tondi van ons, die hier z^n); 

vgl. bl. 159, Aanm, 2. Ook de aanwijzende voomaamio» moeten, 

zoo z^ als substantief optreden , door de praepozitie ni ingeleid wor- 
den; b. V. horunt (§ 8), de dochter van dien (diens dochter); boru ni 
on f de dochter van dezen. 

{ 152. H. De pronominale voorhechtède zijn : 

1^. da. Het wordt in plaats van 't aanhechtsel hu gebezigd bij sub- 
stantieven, die een verwante aanduiden, dien men wegens ouderdom 
met eerbied moet bejegenen. Eindigt 't substantief op een klinker , 
dan sluit men het met een ng; b. v. damang (§ 8), mijn vader ^ Vader 
{ama)\ dainang^ mjjn moeder , Moeder {ina); dahahang^ m^ oudere broe- 
der. Broeder (zoo een man spreekt), mijn oudere zuder. Zuster (zoo 
een vrouw spreekt) van haha; daoppung, mijn grootvader of -moeder 

{oppu); datukmg, mijn oom van moeder*ê kant komt Van tulang. 

damang, dainang en daoppung worden ook als voornaamwoord tweede 
pers. gebezigd (§ 140, 2*.). . Bij de zamengestelde verwantschaps- 
termen, waarin ama en ina 'teerste lid is, kan het voorhechtsel weg- 
bleven; men zegt damang-uda naast amang-uda, damak-tutoa naast 
amak-tuwa, damang-horu naast amang-boru, terwijl men in plaats van 

dainang-uda zelfs nang-uda kan bezigen. jilted bezigt men nam- 

boru (§ 11, b), mijne moei, mijne schoonmoeder van een vrouw (Ib., bl. 
175, r. 14), eii nooii dainang-boru : even zoo nat-tulang , waarnaast ook 
nak'Mang (} 11, b.). Naast naUuwa oi nak-tuwa (§ 11, b.) heeft men 
dainak'tuwa. Oök parumaeu, en de anders in den vocatief (§ 98) gebe- 
zigde verkorting maen, kan men zonder 't aanhechtsel hu bezigen in 
den zin van mijn schoondochter. Naast dahahang-boru heeft men ha- 



268 

kang-boru. Van apa vindt men geen dapang, misschien wel omdat 

het uit D. is overgenomen ; men zegt dan apa of apakku ^ = damang, / 

doch zeer zelden (een voorbeeld Ib., bi. 7). De voeatief apéng wordt al- ^ 
t^d in tegenstelling van amdng door een kind jegens z^*n vader, of ie- 
mand, die als zoodanig beschouwd wordt, als b. v. vader's broeder, 
en nooit even als amdng ook jegens een zoon, knaap of iemand anders 
uit beleefdheid gebezigd. In den vocatief valt het voorh. weg($ 98). 

M. besigt itdangku = datuUmg (bl. 246) , terwQl een der ouders si-hutet 
met de beteekenis van mijn doehter (Ib., bl. 95, r. 16 v. o.) tn ti-unijok mt^ ^ie 
van mt^ toon (Ib., bl. 144, r. 4, 145, r. 8, 180, r. 17 ▼. o.) gewoon is te bezigen. 

D. bezigt 't voorheehtsel niet; yan daar inang (ook = ina) met de beteeke- 
nis van dmnang in T.; lêimfung (ook = oppu) met die van daoppung; hapa (= 
ama) met die van damang; kakangku (Ib., bl. 226, b.) = dahahang: fmkunku 
= dahUang; nam-pukun ==■ nat-iulang; anggi = anggikku in de beteekenis ƒ 
niet alleen van mfjn jongere broeder of mijne jongere zuster, maar ook in die 
van mijn jongeren broeders zoon's vrouw (Ib., bl. 280 o.); man^tuioa (Ib., aldaar) 
= dtanak'tuwa: mam-bëru = damang-horu* 

Janm» 1. Vroeger i|éet\n^en een ruimer gebruik van 't voorheehtsel ge- 
maakt hebben, zoo als blQkt uit danak (M.), dat ook in dakdanak zit (bl. 47, a.), 
en verder uit ddtu blQkens 't Mal. datuq (overgrootvader, enz.). Bat datu heden 
een wiehelaar beteekent, doet niets ter zake, daar we guru (leermeester) in D. de- 
selfde beteekenis, zien hebben, terwfjl 't equivalente ratu of datu in 't Javaansèh 
van een vorsteiyk persoon gebezigd wordt*. In 't Kawi is 't voorheehtsel ra; 
van daar in 't Javaansoh rama (ra + ama), rena (ra + ina), raka (ra + ^ka 
= angka in M.), verwantschapstermen, die er van vorstelijke personen gebezigd 
worden. In 't Malagasy is ra in gebruik v^r namen van personen, waarvan 
men met eerbied spreekt; b. v. ra-dama (eigennaam van een beroemden vorst). 
In 'tMaleisch is da aanhechtsel van verwantschapstermen, door vorstelijke per- 
sonen onder elkander of van zulke personen door anderen gebezigd; b. v. anaq- 
da, mijn zoon (zoo een vorst spreekt). Zijn ffoogkeiits zoon (zoo een onderdaan 
spreekt); inangda mijn dry nurse (zoo een vorst spreekt). Zijn HoogAeid*s dry 
nurse (zoo een onderdaan spreekt), enz. Op te merken, dat zulke verwantschaps- 
termen door een onderdaan jegens een Vorst niet mogen gebezigd worden zon- 



* Dit kan ook door een nam-boru van haren neef gebezigd worden. 
Vgl. Aj J iü 't Mal. 1° als verwantschapsterm = êj^ (f 30, VII), en 



2 
^= datu 



y 



254 

der voorafgegaan te worden door paduia ^ , dat tweede persoon is (eigentmk voei 
beteekenende), -zoodat padttia anaqda: Utp Hoogheids zoon of dochter, en paduka 
inangda: Uw SoogheiéPê dry fmrse beteekent. 

Aanm. 2. Daar een woord, op een klinker uitgaande, yoor 't aanlieehtael hu 
een nensklank krijgt, zoo is het waarsohgnldk, dat de vocatief op ng vroeger een 
vollediger vorm bad, zoodat men amangku zeide, even als na nog in 't Fransch 
de vocatief van een poasessief voornaamwoord vergezeld gaat (ma ianU! mon 
pére! enz). Van znlk een completer vorm z^n nog sporen, als b. v. hulangké in 
M. {S ^8)- ^^ '^ Maleiseb en Javaanscfa beeft men verwantscbapstermen op een 
k uitgaande, die ontstaan moeten z^n uit een voeatief, die in lateren tyd weder 
moet in gebruik gekomen zQn , toen reeds de nog in 't Kawi in zwang zQnde re- 
gei, dat woorden op een klinker uitgaande een nensklank aannemen, in onbruik 
was geraakt. Van zulk een ouderen toestand z|jn nog sporen te vinden, als b. 
V. kakang (Jav.), oudere broeder, enz. van itdta (Kawi), soodat kakang door 
een verkeerde seheiding ontstaan is nit kaka-ng-ku; indung in 't Maleiseh (door 
M. overgenomen) naast iuduq van iudu (Daj.), moeder; ijutjung naast tjtUju 
(Mal.), kleinkind: tuiing (Lampongsoh), jongere broeder = <u% (Maleiscb), 
anggi (Bataksch). Zoo als bekend is, z^n zulke vormen beden in 't Javaansch, 
Maleiseh, en andere zustertalen niet alleen meer als vocatief iu zwang, zoodat 
men ze ook van personen kan bezigen. Dat 't Maleiseh vroeger geen k aan 't 
einde had van kakaq en adiq, blQkt uit kakamda en admdai even zoo is hei 
gelegen met mamaq^ en mnik, in plaats waarvan sommige handschriften nog wMma 
en nini ^ hebben. In 't Mal. bezigt men nog niniku enz. als vocatief. 

2**. «i. Dit voorh. is een naamw^'zer, dien we terag kunnen geven 
met een kapitale letter; b. v. aldombut Lombu (een persoon aldus ge- 
naamd), terwijl Umbu: rundbeest beteekent. Het stempelt dus subst. 
tot eigennamen. Het is ook in gebruik b^ plaatsnamen; b. v. êi-goppu' 
Ion, si'buluan, si^Jukkang (een huta in 't Tukka-holbungèché), enz. Ook 
si-anu (§ 148, 3*^.) is een eigennaam, maar die oningevuld is, en even 

zoo n^ha (§ 146). Yrouwennamen hebben na dit voorh. nog vaak 

een woord als ina of 't verkorte iw, bom, purU, dajang, tapi en zelfs 
twee van die woorden tegel^k ; b. v. n-boru tapi ronda, H^oru purti 



In 't Jav. zet men paduka achteraan; b. v. ram^ paduka. Uw Hoogheid's 
vader, 

* Vgl. 't Ngac(ja-Daj. woord. 
Vgl. 't Jav. en Bataksche woord. 



255 

di Man f H-na boru bungam-btdu^ n^m^ombut^tnz. Ala voorhechtsel ?an 
vroawenoamen heeft men ook »a, een verkorting van ina (§ 159, S"*.); 

b. y. na-boru sodak^tuwalrlaen ({ 16) bolon. Groote helden en 

yorsten hebben in hun naam nog adji ^ achter 't voorhechtsel; b. t. 
H^adji marimMu óon; H-adji wrang mandopa; êi^ji di akhcia^ enz. 

Verder dient 't voorhechtsel n ook ter yotming yan sabstantieven 

(} 186), en wordt dikwijls yóor yan een werkwoord afgeleide sabstan- 
tieven geplaatst, om ze geheel tot snbstantieyen te maken, zoodat 't 
verbale er door op den achtergrond raakt; b. y. 9i-panganon, 9pi§9; n- 
panimbangi, die een gelijk bedrag betalen moet als voor de vrouw door ka- > 
ren vroegere man betaald is (als, benaming van een regtspersoon). 't 
Voorhechtsel maakt yan zulk een substantief een benaming van een 
voorwerp, waarbij aan de oorspronkel^k verbale beteekenis niet ge- 
dacht wordt, en dikwijls is het onderscheid alleen daarin gelegen, dat 
de vorm met 't aanh. meer bepaald is; zoo zegt men êira-sipanganon 
om eout bepaaldelijk als iets eetbaars tegenover sira-bodÜ (salpeter), als 
iets oneetbaars, te stellen (vgl. bl. 204, r, 7 v. o.). Deze beteekenis vloeit 
natuurlijk voprt uit het oorspronkel^k begrip van eenheid, dat in si op- 
gesloten ligt(^»m., S°. e,), zoodat sira'Sipatiganon onder alle voorwer- 
pen, die meu sir a pleegt te noemen, zoo als sira-lenggam (bl. 47, 1^.)» 
sira-bodilf sirabun (Wdb.) enz., door si de beteekenis heeft van de eenig- 

sie sira, die men eet, Vddr een actief-verbaal subst. plaatst men 't 

voorh. ook om er een b\jzonderen nadruk op te leggen iemand als 
't ware verw^'tend met zulk een substantief een naam gevende (vgl. 
§ 120, 3^.); b. y. si-palakkuppon horu ma gotoamt, die een huwbaar 
meisje tegen H getooowle-regt aan een persoon uitkuwt is de naam van dien 

(misdadige). Zeer dikwijls bezigt men 't voorhechtsel bij zamen- 

gestelde woorden, waarin een werkwoord 'teerste lid is. 't Werkwoord 
heeft, zoo bet 't voorhechtsel ma heeft, den stamwoordeiijken, maar zoo 
het transitief is, den nominalen vorm; b. v. si-rara-obuk. Roodhaar 
(marara, J 42); si-tura-pinggol , Oordoorstekery als benaming van stam- 
men, alwaar de mannen ook oorringen dragen {manura)\ si-atap^ 
ari, Baghaler (iemand die afgezonden wordt om naar den vooreen 

^ in 't Jav. nog vorst (vgl. de titel sang-adji in de Molokken). In D. wordt 
het hadji uitgesproken, en even zoo in 't Kawi. Flet is in het Tagaalsch kari, /' 
want dj is er onhekend, en wordt door d vertegenwoordigd, terwijl d tusschen 
klinkers r klinkt. 



256 

plegtigheid bestemden dag te vragen); vgl. ook de aanhaling op bl. 

196 , o. Voorts bezigt men «i- ook voor den nominalen vorm in pi. 

van 't actief met 't relatieve na, maar dan is 't object bepaald of be- 
kend, terw^l de voorgestelde handeling tevens volbragt is; b. v. ise 
ma ii-bt^u hadJutmÓH, wie heefl dezen uwen buidel gevlochten? dainang do 
iehé Mam on (Ib., bl. 21, r. U v. o.), Wil is het Moeder die deze diHgen 
({ 142, onder) Haar gemaald he^. Zulk een uit si en een nominalen 
vorm bestaand zamengesteld woord is dikw^ls ook geheel als substan- 
tief in gebruik; b. v. si-Hndangi, ooggetuige (manindangi, bl. 102, b.); 
si-dobo, «ederregtelyke aanval of in beslag neming van een schuldeloos 
persoon (mandobo); soms te gelijk met een object; b. v. yadisingir 
/ si'tungguon, na so djadi si^wat na ro tu huta niba, tu hutana tinopot, 
wat betr^ een credUum, waarom men heeft te manen ^ niet geoorloofd is 
het nemen van die naar je huta komt, maar men ga naar z^ne huta (men 
mag zich van een schuldenaar, die in onze huta komt, niet meester 

maken; men ga naar zijne huta op betaling aandringen). Op te 

letten, dat 't voorhecbtsel by eigennatnen in den vocatief wegvalt; b. v. 
aU bobdk, aUna-ombut (si-na-^mbütf zie bl. 255). Het valt echter niet 
weg ^ , zoo men iemand zeer vriendelijk aanspreekt, zoo als b. v. wan- 
neer men hem tot iets wil overhalen; b. v. si-adosdn, geliefde zuster of 
Ifroeder! (in de andung), si-dongattd, geliefde vriendin/ si-anak ni nam- 
óoré, geliefde bruidegom/ si^oru ui datuldng, geliefde bruid/ alé kerbo 
suranggir (Ib., III, bl. 78), waarde buffel Banggir/ Ja het wordt zelfs 
in den vocatief met 't doel om teeder te spreken vódr een woord ge- 
plaatst, dat het anders niet heeft; b. v. si-na-metmét^ mjjn lief kind van 
na metmet (bl. 194). Deze beteekenis van waarde, liefste, enz., die si 
in den vocatief medebrengt, is gereedel^k te verklaren uit de oorspron- 
kelijke beteekenis van 't voorhechtsel ter uitdrukking van de eenheid 
(vgl. D.); si'dongattd óf si-dongatté/ b. v. (Ib,, bl. 11, r. 2 v. o.) be- 
teekent eigenlijk myn eene of eenigste vriendin, dat bij ons toch ook 't 

zelfde is als m^n liefste vriendin, Voor telwoorden bezigt men 't 

voorh. vaak = 't relatieve na (vgl. D. $ 149), maar dan volgt 't subst. 
waarmede men telt (} 139), terwijl 't getelde voorop staat; b. v. loruna 
su^mom halak i, zjjne dochters, de zes personen (zyne zes dochters). Dit 
geschiedt vooral, waar men de getelde voorwerpen afzondert van een 

NataarüÜk is dit ook 't geval bij woorden, die geheel als substantief in 
zwang s^n, eoo als ii-tindangi, si' hak (§ 135). 



267 

reeds vermeld gelijkBoortig voorwerp, zoodat we het wedergeven moeten 
met zjjne overige oï andere ges dochters, Vdór substantieven ge- 
plaatst, die een tijd voorstellen, maakt het bijwoorden, die in H alge- 
meen den tyd aanduiden als de ruimte, waarin iets plaats heeft, zonder 
dat er van toekomst of verleden de sprake is ($ 150, 4^.); b. v. si- 
bomgin, des nachts; si-arijan, des daags (d. i. vdór den namiddag), y'' 
Overeenkomstig met zulke b^ woorden heeft men ook si-manogot {des 
ochtends) gevormd, hoewel manogot een verbale vorm is (sogót, betee- 
kent vroeg in den morgen). Ook voor songon bezigt men dit voorhecht- 
sel om het als adjectief te doen optreden, terw^l dan tevens een aan- 
wijzend voornaamwoord moet volgen; b. y,pidong si^ongon t, zooda- 
nige vogel (een vogel gelijk de vermelde of bedoelde). 

a. In si'iokkin, dat denkel^k nit sit-iokhin door $ 11 eg 22, III i« ont- 
staan, is n telwoord, en dns een Bairisme; van daar meer in 'tBairische snb-T. 
gebezigd, terwQl men in T. sat-toikin meer gebruikt. Ook fi-tonga sal aldus te 
verklaren zfjn; M. beeft hiervoor ta-tongd. 

b. Zamengestelde benamingen, waarin 't eerste , lid, als nominale vorm, 't 
tweede lid, 't object, bebeerscbt, komen ook voor zonder 't voorhecbtsel; b. v. 
é^ungdjung-bahota, Kroon-op-^t hoofd-drager (als benaming van een gekuifde kip- 
variatie); buha-badju, Buisje-opener ('t eerstgeboren kind, daar de vronwen de 
borsten bloot laten hangen, zoodra zij een kind hebben); gonggop-sahuia, Oe- 
heele-hutarbeschermer (als benaming van een behoedmiddel, zie Wdb. ond. gom- 
gom), enz. 

c. Zeer zelden vindt men nog een praepozitie achter 't voorhechtsel; een 
voorbeeld is si-U-tonga ($ 30, II) in plaats van si-di-ionga {Die in *i midden is, 
van iemand die onder verwanten of ranggeiyken naar z\jn onderdom of rang enz., 
in 't midden staat). Door de verbastering van di in U heeft men van dit woord 

ook den b^vorm atsüitonga ^ (§ 135 op bl. 216). Een andere byvorm is si-bi- ^^ 
ionga, en geef ik den lezer als een raadsellge op, om daarin de 3 te verklaren. 

M. heeft tóói mannennamen ook dja, een verkorting van radja. Over si-bu- 
iet en si-untjói, zie onder 1**. 

D. bezigt si- ook = sa- (J 186), en 't relatieve na (zie $ 149). ^^ 

3**. sa wijst op de eenheid van een voorwerp , en is tevens telwoord 
(§ 186). Dat het ook subst. vormt, hebben we boven (§ 135, III) gezien. 
Omtrent 't gebruik van dit voorh. is 't volgende op te merken: 

* Is in 't Wdb. vergeten. ^-"^ 



258 

a. Door na (bl. 94) te plaat«en vddr een met dit voorhechtsel optre- 
dend substantief maakt men werkw., die de hoegrootheid van iets 
bepalen naar 't geen dat subst. voorstelt gemeten; b. v. na sa-hamünng ^ 
zoo groot als een geit gijn {sa-hambing). 't Voorh. is hier dus maatwij- 
zer, terwyl na zulk een zamengestelde benaming als praedikaat doet 
optreden. De oorspronkelijke demonstratieve beteekenis van 't voor- 
hechtsel, als telwoord, treedt hierbij op den achtergrond , zoodat het 
overeenkomt met ons onbepaald lidwoord, dat in 't onbepaalde op een 
voorwerp wijst zonder dat het getal in aanmerking komt. Van daar, 
dat het voorhechtsel ook gebruikt wordt, waar de te bepalen hoe- 
grootheid die van één voorwerp overschrijdt, terwijl 't woord, dat 't 
meerdere bedrag voorstelt, vddraan geplaatst wordt, namentlijk lobi 
(meer), zoo men dat bedrag niet noemt, maar anders een telwoord; b. 
v. lobi na sa-hambing, grooter dan een geit zign; pitu na sa-kambiugy ze- 
ven maal grooter dan een geit z^n; duwa na sa-gundur^ tweemaal zoo groot 
als een gundur-vrucM zijn ; duwa na sa-batang ni harambir batangna, twee^ 
maal zoo groot als een kokosnoot-boomstam is de stam er van; hudjurnasa- 
bidung-bira, een lans-lemmet, dat zoo breed is als een bir a-blad, In plaats 
van een subst. kan men ook een als subst. optredend voornaamw. na 't 
voorhechtsel bezigen; b. v. na sa-i^, zoo groot als dat vermelde zi]ik; pitu 
na sa-i, zevenm^aal zoo groot als dat gemelde z^n; na sa-on, zoo groot als 

dit zijn; fta sa-dija, hoeveel bedragen? hoe groot zjjn? hoeveel kosten? 

In pi. van na sa- bezigt men als hulpw. sipat (zie Wdb.), zoo iets naar 
de hoogte of diepte wordt gemeten; b. v. nunga sipat djótma tUidang 
sulpinon, de sulpi was zoo koog als een staand menseh. Een meerder be- 
drag wordt in dit geval uitgedrukt door vooraan 't getal met haU of 
mli (§ 138) er achter te noemen; b. s. pitu kali sipat bagot, zevenmaal 
zoo hoog als een sagueerboom. Zulke uitdrukkingen worden vaak als ad- 
verbiale bepaling gebezigd; b. v. lonong ma ibana pitu hali sipat bagot 

(Wdb. onder sipaf), In basaonan (§ 44, onder), adverbiaal gebezigd 

{over 4 dagen), heeft men een spoor van een vroeger ma in plaats van 
na (vgl. D. hieronder); de letterlijke beteekenis is dus zooveel als een 
onan (in de 4 dagen gehouden) bedragen, 

D. bezigt ma; b. v. ma-sa- kamhing , ma-sa-kade (== na sa-dija), ma-sa-ona» 
(= basaonan), enz. , 



Wel te onderscheiden van sai, dat den klemtoon op de eerste lettergreep 
heeft (j 168), terwtjl bij sa-i op ^ 20, I. te letten is. 



269 

Aanm. Het lal niet overbodig s^d hier te wgzen op de gelfjklieid Tan na 
met ma als Toorheohtëel, zoodat dit wel degdyk een pronominaal woordje ia 
(vgl. bl. 124, Jant. en $ 154*). 

b. Voor een subsi., 't «^ een eenvoudig of een met 't relatieve na ais 
zoodanig optredend werkw. ({ 126) of een derden passief, heeft na sa- 
de beteekenis van aHe^ en vat dan al de door 't subsi., 't zij bepaald of 
niet, voorgestelde voorwerpen als eenheid ie zamen; b. v. na ia-korèo 
i, al de gemelde buffels; na sa-na oio, al die genegen zyn; na sa-na mang- 
gulmt, al 'tgeen zich beweegt (al 't. levende); na sa-na ro ringgasna 
(§ 150, 3°.), al die lust hebben het te doen (allen> waarvan de gene- 
gendheid gekomen is, } 140*). Yddr substantieven, die een ruimte 
voorstellen, bestemd een inhoud te hebben, als b. v. hiUa, waarvan de 
bestemde inhoud (m) de bewoners zijn , slaat hei voorhechtsel op den 
ganschen inhoud als substantief, dai vaak apposiiief een ander sub- 
stantief of wc) een als subsi, optredend voornaamw. bepaalt; b. v. hita 
na sa-huta on, to^, al de bewoners van deze huta; di-djomurhon eme ni 
na sa-huta i, hij legde de rijst van al de huta-èewoners te droogen. 

M. bezigt êodo; b. v. sado horbo i =i na sa-horbo i; sado na girdoan gijot 

9 

marmontjak, allen die zeer verlangend zijn een zwaardedans uit te voeren. Dat 
dit sado een zamenstelling is van sa en ado (i Men. ada), zoodat het eigentlijk 
al die er zijn beteekent, durf ik niet beweren. 

D. -bezigt in dit geval ook na sa--, b. v. na sa-si-ni-dok guru idi (Ib , bl. 
162, b.) = na sa-na ni-dokkon ni datu i; na sa-dinilona idi (Ib., bl. 226, m.) 
=: na sa-na pinijona idi (al zijne gétwviteerden of gasten); na sa-si-roh geut = 
na sa-na ro ringgasna; na sa-sumangan (bl. 251). 

e. Ook maakt men mei dit voorh. een onbepaald zamenvaitend tel- 
woord, dat overeenkomt met ons aUeny alles en wel van een werkw.; 
van sude * heeft men sa-sudé', en sa-luhüt van luh4t; b. v. sa-lvhét 

* Dit woord is 't zelfde oorspronkeiyk als suda (op zijn, bl. 59, Jant. 1). 
De verlegging van den klemtoon moet toegeschreven worden aan 't gebruik er 
van als praedikatieve bepaling. Dat sudé komt das treffend overeen met Aabis in 
't Maleisch, dat juist op dezelfde wijze gebezigd wordt; b. v. sammaanja aétjar 
itu habis moH kira-kira iudjuh puluh orang bai^a^ja; maka s'akalijan ma- 
fika iiu hdHs-lah €f;atuh, ens. Ook in D. beteekent it^* (in kërina) op (= 
suda). 



S60 

halak marsigului di au , aüe Heden twislten om my; dung dapot sa-luh^ 
di anggina t, toem dai dUee verkregen toae door zijn jongeren broeder 
(toen z^n jongste broeder al die bekwaamheden op zga duimpje wist). 
Naar mate van den nadruk wordt deze zamengestelde uitdrukking voor 
of achter geplaatst. Zoo als men ziet, wordt zij als praedikatieve appo- 
zitie gebezigd (allen, de lieden twistten om mijjn bezit, toen dat, aUes, 
verkregen was, enz.). Men laat 't voorhechtsl ook weg, of plaatst er 
uog na of sa achter (§ 151, 8**.); b. v. mulak ma nasida sa4uhtdfta, zy 
keerden terug, de geheele hoop ervan (zij, allen, keerden terug); sudé 
hami numma marpungu tu rutoang on, wij allen hebben ons in dit hol 
gaan ({ 86) verzamelen. 

M. bezigt eudé en êudena; b. v. étjadi adóng san^tongkin tnarpunpun ma ha- 
lak, tudé, tu alaman i, ongeveer een oogenbiii daarna, gingen de heden, allen, 
tich op de strooi vereamelen; di-dUati babijat tna tudé pamatang ni n^atffi 
di angkola, een tijger beUkte de ledematen van A. d, A., allen ; dung ro di 
alaman i halak êudena, toen de Ueden op etraat gekomen waren, aUen; alapi 
bof daiU'datu i sudena, haal hoort ge f de vertehiUende wiehelaare, allen, 

D. beiigt kërina (vgl. bl. 262, boven, en noot op bl. 259). 

d. Met een substantief alleen beteekent het deelgenootschap in *t geen 
dat eubêtantief voorstelt. De op die wijze zamengestelde uitdrukking 
is een substantief, dat vaak als praedikaat optreedt (J 36); b. v. nung 
i, manigor ea-hata nasida, rap mangtda, sa-uduran nasida tu hawma tu 
ruma, daarop waren snj maatjes * en verrigtten te zamen veldarbeid, rei*- 
genooten waren z^ naar den akker en dorpwaarts. Een voorbeeld van zulk 
een zamenstelling, geheel als subst. in gebruik, is sa-gowar, naamge- 
noot (d. i: een persoon, die denzelfden naam draagt als iemand, wiens 
naam men niet mag uitspreken, en dien men daarom niet zus en zoo 

noemt, maar, van hem sprekende, sa^owar), Om bepaaldelijk een 

substantief te maken met de beteekcnis van -genoot, bezigt men ook 
dongan voor 't substantief, dat *t voorwerp voorstelt, waarin de deel- 
genootschap plaats heeft; b. v. dongat-sa-huta, hutagenoot (mede-bewo- 
ner van een huta); dongat-êa-ladang , kmdgenoot ('t zelfde landschap be- 
woonende); dongat^sa-^as , huiegeneot. In dit geval .wordt 't voorh. 



EigentlQk woordgenooten (eenatemmig wat hunne woorden betreft). 
^ D. i. zij liepen achter elkander in eene rei zoo als de ganMn of de snug- 
gere hannekemaaljers. 



261 

ook weggelaten; b. v. fhngak^hnta (§ 1«, b,). Een pronom. aanhecht- 
sel. kan bij zalk een zamengosteld woord zoowel na 't eerste als na H 
tweede lid geplaatst worden ; b. v. dtmgaU^O'Uduranna of donffonna sa- 
whtran, zjj» rei (van achter elkander loopenden)-^tf;ioo^; dwganna sa- 

bagas of dangat-M-èagama» hombar (zie Wdb.) wordt altijd zonder 

't Toorhechtsel gebezigd. 

D. bezigt na 't ▼oorheehtsel , dat hier si is ($ 1S6)» een neiuklank; b. ▼. 
iiu-dalanm, reisgenoot; ting-odorén = sa-uduran; ting-kundutSn (Ib., M. 220, b.) 
= sa-Aundulan. Hieniit ziet men dnidelgk dat «o- slechts op eenheid doelt, en 
dat men z^n toevlngt niet tot 't Sanscritsche saAa (mei) behoeft te nemen. 

e. Ter vorming van praepozities , die met een pronominaal aanh. 
of een subst. ook adverbiale beteekenis kunnen kragen. Behalve de 
boven (§ 144) reeds vermelde bijwoorden, is nog aan te halen na sa- 
nungna i (5 160, 4®. en } 151, 3*.), vroeger dan heden, voor dezen; b. v. 
na sa-nungjia i tena do halak di'SarikoUy voor dezen (tot op dezen stond) 
achtte hij een ander ah zijn drek (hij gaf vroeger geen zier om ie- 
mand). Een praepozitie met 't voorhechtsel gevormd is sa4aon of ea- 
leleng, gedurende^ zoo lang als. Deze woorden kunnen voor een actief 
plaats nemen ook zonder dat het eerst door 't relatieve na voorafge- 
gaan wordt (§ 126); b. v. sai hu-ingoé do i m-laon mangolu, ik zal er 
steeds aan denken gedurende het leven (zoo lang als ik leef). Voor een 
substantief plaatst men eerst de praepozitie ni; b. v. sa-leleng ni go- 
ra on, gedurende dezen strijd (zoo lang deze strijd duurt). In zulke uit- 
drukkingen moet men het na 't voorhechtsel geplaatste woord als sub- 
stantief opvatten , zoodat sa-leleng ni enz. eigentl^'k van een lengte van 
dezen strijd zijn beteekent, dat natuurlijk als adverbiale bepaling den 
zin beeft van zoo lang als deze strijd duurt, In sa4aon mangolu kan 
men loon mangolu ook als een zamengesteld woord opvatten, zoodat 

het leeflengte beteekent. Het als bijwoord gebezigde sa-on-ari (bl. 

230, a.) zal men als een zin moeten opvatten {zooveel als nu is tik dag, 
de dag is zoo ver gevorderd). san-dok (§ 20) is 't eenigste voor- 
beeld, waarin 'tvoorh. nog door een neusklank gesloten wordt; de be- 
teekenis is dezelfde als die van sa-luhut (bl. 259, c); b. v. san-dok na 
sa-kamu parutang i (Ib., bl. 161, r. 1 v. o.), ailen zoo veel als gijlieden de- 
biteuren zijt, 

Aanm. Bat in D. H- zoowel relatief voornaamwoord is als telwoord en naam- 

12 



yi 



36t 

wyser» sidt het hoJAem twQfel, 4at de ytwriieehtaels ti en sa eigcntmk één zijn, 
en op de eenheid wqsende pronoBuale woor^es zQn. I>e overige telwoordeB 
zün rabsUntiereii, waurvan de lieteekenii op een getal is oTergebracht, soo als 
dnide^jk is uit Umm, dat in een menigte talen nog Aamd (y^i Tingen) beteekent, 
en Terder nit opat ala een h^vonn van pai ($ 22, II, 1^., Aanu). Een woord, dat 
de eenheid kan vertegenwoordigen is niet te vinden, daar toch hQ voorwerpen, die, 
zooals b. V. de son of maan, alleen in hnn soort zf)n, niet de eenheid, maar 
glans of een andere hoedanigheid 't meest in 't oog valt. Men nam dos z^n toe- 
vlogt tot een w^zend woordje, dat onder de pronominale woorden gesorteerd moet 
worden. Bopp heeft in zQu VergUiehende GframmatiJk (j 808) het waarsch^nlijk 
gemaakt, dat ons een, ein (Hoogd.), mn-t (Gothisch) *t zelfde woord is als 't 
Indische ena *, w^van slechts enkele naamvallen in gebmik zQn, en dat deze, 
dit beteekent. Wat tada betreft, zonde het niet een zamentrekking zQn van ta 
en ada, dat nog in 't Maleisch afzondelgk voorkomt, — en in 't Bataksch al- 
leen verbonden met een negatie (bl. 266) — , zoo aU men vermoeden zoude uit 
tado (M., bl. 259), dat wel ta -\- ada (Men.) zal zynP In 't Niasch heeft men 
sara, dat een samenstelling van $a en ara (== ada blijkens Malagasy ari ) 
schijnt te zfjn. Zolke woorden als Uma verliezen vaak hanne oorspronke- 
lijke beteekenis, jnist omdat z|j niet meer een voorwerp voorstellen, en dienst 
zijn gaan doen als betrekkingwoord. Van daar ook de verandering, die sommigen 
hebben ondergaan, zoo als opai nit pat, en unang nit ulamg ($ 164). Op de- 
zelfde w\|ze moet hae herhaald geworden z^n, eerst toen het een \ is gaan 
beteekenen, om de oorspronkelijke beteekenis van dij te knnnen behonden, ter- 
wijl de oorspronkelijke beteekenis van suku (Mal.) = suhu (|) in 't Javaansch is 
overgebleven {voet, poot). De woorden, die é nitdrnkken, z^n denkel^k allen 
ontstaan nit 't begrip van splijten , kloven of iets dergelijks (vgl. sam-bOa). 't 
Telw. duwa (Bat. en Mal.), nta (Malagasy), ro of do (Jav.), enz. weet ik niet 
anders te verklaren dan nit het nabootsen van scheiding, verdeeling in twee, door 
de sluiting van den mond eerst bij 't uitspreken van u en dan door hem met de a 
te openen. Zonder twijfel is het dwaas, tot het Sanscrit zijn toevlngt te nemen. 
Wat pitu betreft, ik geloof, dat het oorspronkelijk wijsvinger heeft beteekend. 



7 



/ 



De overeenkomst met 't Dairische woord is geheel toevallig, even als die 
van 'tBaskische on met 'tTobasche woord. Gebaargeluiden, zoo als zulke woor- 
den oorspronkelijk zijn, kunnen in ver van elkander staande talen, die niet van 
ééa. stam zyn, geheel gelijk zijn; vgl. ook tu met 't Engelsche to. 

Zie boven bl. 236 onder. 'tSasaksch htettvara, dat de oorspronkel^ke 
Ngokovorm van 't Jav. wontèu moet zgn. 



368 

door dat men Tan de vingers van de eene haod tot aan den w^gdnger van de an- 
dere telde. Het » dns een raUtant. van een endere formaÜe, dat tot stom heeft 
tu *, dat nu nog wQzende praep. van rigting ia, en in 't Mal. itu of 'tMaleas- 
saarsebe antu, iets naar de plaats, die het in de verte inneemt, bepaalt. De 
formatie stemt volkomen overeen met die van pidui (D.) nit een stam dut (bl. 68, 
Aanm.). Ook 't Mal. tudjuh is oorspronkelijk een sabst. van dezelfde beteekenis, 
en moet de sabstantieve vorm zgn vi^n iudju (bl. 90, boven), stamwoord sKama- 
nudju {zich naar ieU hegeven, en als praepositie naar ). Dit tnéfju of tnéjnh 
is naar een vaste klankwet 't zelfde woord als ttuiut tuduh (D. en Jav.), tjuruk 
(Snnd. vinger), en 't Mal. iundJuJt. 't Ngadju-Dajaksch heeft udju, dat weder 
overeenstemt met 't Mal. uncffuk (in mangundjuikhn , iets aanreiken). Wat 
pulu of puluh (D., Mal., Jav. enz.) betreft, ik hond het voor zeer onwaarschijnlijk, 
dat het, zoo als von Humboldt meent, oorspronkelQk haar zoude beteekenen, en 
't zelfde woord is als htdu, want groote getallen — tien is zulks voor een na- 
tnurmensch — kunnen hun naam ontleenen van verschillende voorwerpen , die 
aan een verzameling doen denken; van daar in 't Sandwichsch umi {Hen) en umi- 
umi {baard, als een verzameling haren), maar in 't Maorisch nga-huru (tien), 
en kuru-kuru (haar). Ik geloof eerder, dat pulu 't zelfde woord is als pulung 
(verzameld), en van 't begrip uitgegaan is van de vingers der beide handen ver- 
zameld, 't Getal honderd is in 't Maorisch rau ^ dat ook bladen beteekent, 
maar desniettegenstaande dat behoeft ratua of aiuê (Jav.) niet verklaard te wor- 
den als oorspronkelijk ook bladen beteekend te hebben, daar dit tegen alle wet- 
ten strijdt; immers rau bestaat ook in de Malajische talen in den vorm ra- 
wina (Malag.), ron (Kawi in pi. v. rduit), ddun (Mal.), don (Balineesch). De 
geweldige sprongen, die von Humboldt en £uschmann gemaakt hebben om de oor- 
spronkeiyke beteekenis der getallen te verklaren moeten door een gezonde taal- 
kunde veroordeeld worden, en men zal voorzigtigheidshalve diergelijke woorden 
vooreerst moeten laten rusten. Daarom zal ik hier maar mijne gissing over de 
oorspronkelijke beteekenis van sija, iiwah (D.) en 't Jav. sanga, niet mededee- 



Vgl. 't Nga^u-Dajaksche iniu. 
^ B. V. maka baginda pon bardjatan-lah manudju nagdri kaling (Z. M. reilde 
naar H Indische continent); vgl. Sund. tudju. 

'^ In moderne Mal. werken dikwijls verward met manundjukkèn (zie Pandj'a- 
tandaran, Aant. bl. XVI). 

^ In 't Makassaarsch is bilangang (van Hlang) 't telw. voor 100, zoodat bet 
eigentl\)k 't getelde beteekent. 

^ in 't Sandwichsch is lau weder 400, hoewel het ook bladen beteekent. 

12* 



X 



264 

len. ^ — Dat *t voorh. n-, dat ook in 't Makassaarscli telwoord is, een Daam- 
wQser U geworden, ligt voor de hand, daar toeb een eigennaam de aandoiding 
is van éénheid in een soort. 

§ 158. J. De pronominale üUerjeeties zijn: 

1®. indi. Het wordt gebezigd met een als substantief optredend 
aan w^ zend voornaamwoord; b. v. indt on, zie hier diil indi an, zie 
daar dat! In 't Mandailingsch sub-T., en natuurlijk ook in M. wordt 
de slotklinker er van door den bannenden klinker van 't demonstra- 
tieve voornaamwoord, dat zoo als we boven gezien hebben, den klem- 
toon trekt, opgeslurpt; van daar indón (} 8, a.)\ b. v. indón ning t/a 
(Ib. II, bl. 5, r. 7), zie hier is het, zeide hij, 

2". indu, dat meer in M. voorkomt, en in dien tongval vaak te ge- 
lyk met en voor adu (bl. 227) gebezigd wordt; b. v. indadu, zie dat 
ffindêf Zoo als men ziet, verliest het even als indi zijn slotklinker 
voor 't demonstratieve woord. Het komt ook alleen voor; b. v. indu 
indnff indü pok, zie dat gindz! moeder! zie dat ginds ! pole ! (raadsel op 
'tblaasroer, dat afgeblazen 't geluid pok maakt; men kan die woorden 
overbrengen met naauwelijks heeft men op iets in den a/stand gewezen, of 
ziedaar vliegt H pijltje met een paf, verre weg)', vgl. ook Ib. H, bl. 15, r. 3. 

y^ B. beiigt Hdinai b. v. hukna wuükin roh nota ngo (Ib., bl. 118, m.), zie 

daar gittdil komt hif ioeh weder. De vom van dit woord seh^nt oorspronkel^k 
deselfde te s^jn <ds die van adena (bl. 227). 

3*. indd. Dit woordje is oorspronkel^k ook een demonstratieve uit- 
roeping, zoo als uit den vorm reeds blijkt. De a staat hier tegenover 
de i en u op dezelfde wijze als in éfjarar, djirir en djurur (§ 34, Aanm. 
1 onder; vgl. ook Aant, op bl. 125). De t is in dit woord, zoowel als in 
indt en indü, in T. en M. uit gebrek aan een e (vgl. D. onder 2*.) ont- 
staan (§ 28) ^. Thans is dit woord slechts als negatie in zwang, en 
heeft das dezelfde wijziging van beteekenis gekregen als ons geen, 
geene, dat eigentlijk 't zelfde woord is ah gene (Roogd.jene), waarvan 
de stam ook nog in gindsch, ginder te vinden is. Om een woord voor 
de abstracte negatie te vinden was het wel niet gemakkelijker dan een 
demonstratief woordje te nemen, waarmede men op een verwijderd 
punt wyzende, het niet als buiten den kring, waarin men zich onwil- 

"^ * In 't Wdb. is MMto II te delgen. 

^ Vgl. omH (Aanm. bl. 228). 



265 

Ickeurig dénkt, als 't ware verplaatste ^ De klinker a wijst in dit 
woord op het niet naar een pnnt in de raimte bepaalbare, c?en als 
in 't Jav. ika (bl. 125). Wat betreft V gebmik van imddy hierom- 
trent valt 't volgende op te merken. 

a. Op zich zelf bezigt men het in negatief-vragende zinnen , waarin 
men ontkennender wijze een niet betw^felde werkelijkheid ook in de 
toekomst uitdrukt; b. v. indd na êo ukum dot na èinaemmtQb., bl. 285^0.), 
is wai gij gedaan hehi niet wat onregtmaHg i»? (die handelwijze van u is 

immers onfwettig); indd nunga tnarièak i, zoo ik slechts met mijn staart / cJ ^ 
er op kwispei (bl. 245, 7^), zoude het dan niet in flarden scheuren (letter- 
lijk: is het niet reeds verscheurd?). Verder in uitroepende zinnen, 
waarin men zyn verbazing uitdrukt over een onverwachte vraag; b. v. 
öehd ma indd manderse au (Ib., bl. 91, o.), hoe zoude ik niet den moed 
opgeven/ (immers ik moet wel wanhopig z\jn); èehd ma indd hu-pangan 
on, hoe zoude ik dit niet opeten/ Verder bezigt men het na èejasa (bl. 
205, onder). 

b. Aan 't begin van een oonditioneelen bijjzin, waarb\j de conjunctie 
verzwegen is; b. v. andigan pe unang di'Olowi hamuna indd sahali on 
(aanhaling in 't. Wdb.), wanneer oo/c gehoorzaamt niet, zoo niet deze 
keer (behalve deze maal, is het mij onverschillig, of gig mij gehoor- 
zaamt of niet); verbrand het bui^e, opdat ik het niet zie; indd^ urn- 
bang, zoo niet, icerp het in 't water; molo tung di-paboUhon koruna i, tn- 
dd djolo di'Sukkun ijanakkonna i, si-palakkuppo» boru ma gowami, zoo 
h^ het hart heeft zijn dochter uit te huwen, (en) zoo h^ niet eerst zyn 
verwanten, aan wie hy zjjn dochter naar *t getooonteregt heef t te geven , 
vraagt, dan is palakkuppon boru de naam van dien (bl. 255). 

c. Met adóng (§ 39, Aanm.) er achter, maakt het indadong, dat vaak 
in indaong veranderd , en in inddng verkort wordt. Dit indadong en 
zijn bijvorm is de gewoone negatie (bl. 236, ond.), die uitroepender 
wijze ook neen/ kan beteekeneiu b. v. inddng hu-botooi indaong hu^oto, 
ik weet het niet; indadong! siniUa ni roha tinodo ni si^malolong, neen! 
waar *t gemoed naar smacht is 'tgeen 't oog verkoren heeft. Om het niet 



Zoo moet ook ia de oorspronkel^kste vorm z\jn van de negatieve woordjes, 
die we boven (bl. 236 v.v.) hebben gehad, en staat dos op dezelfde w$z^ tegen- 
over tu (bl. 237). 't 'Gebruik van tar in 't passief = ha u dns in overeenstem- 
ming met de oorspronkelijke beteekenis van 't woordje als een op een afstand wij- 
zend gebaargelaid. 



/ 



266 

ergens aamcezig eijn uit te drukken, plaatst men adóng nog ua inddng, 
Eoodat inddng adóng: het is er niet beteekent (vgi. aanhaling in 't Wdb. 

onder gutgui). Zet men ana ^ nog achter inddng, dan drukken bei- 

/ den een sterke afkearing uit; b. v. indangana i, dat gaat zoo niet, dat 
i$ geer onèekoorlpk. 

d. Met ada er achter geeft het indada, dat een snbst. en ook een 
' substantieven zin als praedikaat negeert (voorbeelden zie § 132, l"*.)* 
} 153*. Na 't relatieve na kan men inddng niet bezigen. Men bezigt in dit 
geval so; b. v. na so hu-boto gowar (bl. 243, 8^.). Ook bezigt men so na 
een conjunctie, die ook verzwegen wordt; b. v. tamlang kauma soöina- 
bowan (§ 116, S^.). Treedt een praepozitie als conjunctie op (bl. 244), dan 
kan na ook weggelaten worden; b. v. di^aen so saut masigadong, door 
dat niet door ging zijn gadongs halen (omdat h^* niet heeft kunnen gaan 
gadoBg's halen). Zoo men achter so nog ada bezigt, dan is er een prae- 
dikaat verzwegen; b. v. anggo dakdanak sadape sowada^ wat betreft kin- 
deren y éen zelfs was er met; ningon oio do mardangdang alominon, molo 
sowada oio enz., mits Uw tegenpartij een dangdang wil Betalen, zoo ky 
niet wü (een dangdang betalen) enz. Van daar ook in gebruik, om de 
kerbsfiRg van een praedikaat te vermijden; b. v. barang na Udé barang 
êowada, of iet waar is of niet (waar); di si ma ta-boio na tubu anakta 
i dohot na sowada (bl. 244, 5^.); sai tikkir do, asa ku-boto na di-lejan di 
au dokot na sowada, ga took naar hem toe, enz. (bL 244, 5^.). Voorts 
bezigt men sowada om twee ontkenningen nevens elkander te zetten; 
b. V. sowada hu^ida sowada hu4oto, ik heb het niet gezien &ix ik weet het 
niet. Men plaatst sowada ook achter las, en drukt er dan en toch nog 

niet mede uit (| 158, 10°.). Veelvuldig is 't gebruik van sowada als 

negatie, wabr wij een conjunctie bij de negatie zouden moeten gebruiken 
(§ 162); b. V. mamida btdung-sukkit sai meol-eol aowadadéng (bl. 288, o.) 
na ntakkaoriy ik ben verwonderd, ziende de sungkit-Uaderen zich steeds 
wiegelen (en) er is niet iets, dat ze in beweging brengt (zonder dat er ie- 
mand is, die ze enz.); sowadadóng tarpatomu, (want) het is niet op d^een 
of d'andere w^ze (§ 158, 28'.) aan elkander te krijgen (§ 121, 1*".); sowa- 
dadóng pamotowanna (bl. 198, a.), zonder dat zjj er iets van merkte; aongon 
na habang daku-idapidong i tu na dao sowada hona d^nltop ho, ik zie, dat 
de vogel als 't ware naar een afgelegen plaats vliegt, (en) niet geraakt is, 

^ Wat dit ana eigentl\jk beteekent, kan ik niet zeggen. Aan 't Jav. ana 
valt bezwaariyk te denken. 



■;.' 



2«7 

door U geblaoêroerd (zonder dat hij door ü geraakt is). ëd eindelijk 

moet men sowada bezigen, waar men een negatie achter 't praedik. moet 
plaatsen; b. v. mate pe êotoada, ook dood niet (ook is hij niet dood). 

M. bezigt nada (Noord) of ngada (Zuid) = indadong; suwada ■■=. sowada^ 
niettegenstaande het vaker so dan 9U bezigt; b. v. di-durung tja ma iu taUtga ni 
lubui i aha pe twoada dapot tja (Ib. bl. 33 m.), zij ging naar de lage kant van de 
rivier-diepte met een seAepnet vissehen, maar niets hoegenaamd konde zij vangen. 

D. bezigt maloi (bl. 237) = indadong; b. ▼. malot nenge = inddng he; 
wtalot mobah = inddng muba. Verder oda = indd in negatief-vragende zinnen met 
een bevestigende bedoeling of in zoogenaamde onechte vragen; b. v. oda ku-hHoh 
kami magahkht bai si-mëngHso kami ena (Ib., bl. 114, r. 8 v. o.), weten we 
kei dan niet te melden aan die ons vragen? (we weten het immers aan die ons on- 
dervragen te melden). Verder zoo een bQzin met tak (bl. 234) voorgaat; h.v.tak 
djUma katëra idi, oda ku-hetoh kami, we weten niet welk een mensek het is» — 
Met verzwegen ooiganctie bezigt men mada; b. v. mada mënektek mënir gija lot ^^ 
ngo ku'bakin, too het niet hard druppelt (overvloedig vloeit), dan zal ik ket maar 
bij kleine druppels doen; en = sowada om de herhaling van een praedikaat te 
vermeden ; b. v. malot ku-bëtok ënggo kimped dëkët mada (Ib., bl. 25 b.), ik weet 
niet, of het reeds vastgesmeed is of niet; mada — mada = sowada — sowada; b. v. 
ntértambah pe i^a mada, surut pe tja mada, zij zijn noch in getal vermeerderd 
noch verminderd. In pi. v. na so bezigt men somada; b. v. mëngkatakht somada 
tuhu = mandók na so tutu; ook na W- (j 149); b. v. si-somada gila, die niet 
krankzinnig zijn. — otang ontkent een substantief of substantieven zin (bl. 272, r. 
6 V. o.) als praedikaat; b. v. otang nenge kono ni-ukatku mangan, gij zijt mijn 
man (bl. 172 noot) niet meer; otang ena kuta ni dfëlma, dit is geen huta van 
menschen; muda otang ngo, sidah, djëlhia si-dasa kuta ena, indien wij zien, dat 
ket geen menschen zijn, aan wie deze huta toebehoort; otang mo kono tuhu begu 
ni bapa (Ib., bl. 235 r. 5), dan zijt gij werkelijk niet de geest van Vader (h\. 263). 

VI. HET BUWOORD. 

Daar de werkwoorden zoo vaak zulk een bepaalde beteeken is heb- & 154. 
ben, dat we ze slechts met een bijwoord of adverbide bepaling heb- 
ben weder te geven (§ 49), zoo viadt men in 'tBataksch vanHbg- 
woord betrekkelijk zelden gebruik gemaakt. Daarbij) komt, dat men 
vaak een werkwoord bezigt ter bepaling van een ander, zoodat wij 
het met een bijwoord hebben over te brengen; b. v. martaki donék 
(van eins zijn naöjj te zijn)^ bijkans nabij zijn (zeer nabij zijn); marajak 






^ 



268 

guUng ari {zich kaaaiende met naar H westen te dalen is de gon), te- 
gen den namiddag, bijkane namiddag; maradu martatd (Ib., bl. 77, r. 
11), 9an loeéfêkanten lachen (wedijverend lachen), manogoi (bl. 112, 
b,). Van daar niet alleen § 72, maar worden verder ook onze bij- 
woorden en adverbiale bepalingen als nog eens, weder, voor de tweede 
maal, des te harder (loopen b. v.), naar huis (gaan), terug (keeren), 
met opzet (iets doen), zoo er de nadruk op ligt, door een passief 
uitgedrukt, zoo het te bepalen werkwoord ook een passiven vorm 
heeft; b. v. nunga di-ulahi datulang di-baen boUang bost, reeds in 
het herhaald door Oom, door hem is een ijzeren knip geplaatst {weder 
heeft Oom een ijzeren knip gezet). Hier kan di-baen bottang bosi niet 
als subject opgevat worden van di-ulahi datulang j want dan zoude voor 
di^faen enz. na gevonden worden (bl. 244, 6^.), of wel een actief-verb. 
sabst. zoude als subject fungeren ^ Andere voorbeelden zi^n hu-paduwa- 
hali do hu'topot, ik heb hem toch voor de tweede maal opgezocht; 
di^duwa-hali ma di-sappak (Ib., bl. 00, r. 3), voor ef^ tweede maal 
wierp hij het (net) uiL Zoo 't bepaalde werkwoord een actieven vorm 
heeft, is het als subject van zulk een adverbiaal bepalend passief op 
te vatten, daar na dikwijls voor een actief weggelaten wordt (vgl. bo- 
ven bl. 244, r. 12 V. o., en § 126 op bl. 193). Op te merken is, dat 
men mangulakkon (vgl. bl. 16S) liever dan mangulahi meestal bezigt, 
zoo tevens een beweging in 't werkwoord zelve opgesloten ligt, of 
daarin door een praepozitie aangebracht is (§ 36); b. v. di-vlakkon na- 
poso ni radja i ma mangaloppa, de bedienden van den vorst gingen we- 
der kooken; di-ulakkon halak lao tu harungguan, men ^ ging weder 
naar de vergadering; di-ulakkon bulu i maUapdk di hauma ni napuUk 
(Ib., bl. 285, m.), de bamboes begonnen weder op de akkers van ande- 
ren (dan Djonaha) te knappen. Dit werkwoord mangulakkon wordt 
zelfs te gelyk met musé gebezigd; b. v. di-ulakkon musé ma marsuri, 
^ij gif^ zich weder kammen. Voorbeelden van md opzet, dooreen 
werkwoord uitgedrukt, ziin jja/pakl na hu-tutiun i hu-dekdekion , alsof 
ik die kam met opzet laai vaUeti! di-tuiiun marikkat mangeahi ^ (Twist 



* Vgl. di-poêoHng-ioting parhdbangna (§ 120 op bl. 181). 
Zoo ik hdlak met men vertaal, is dit oit gebrek aan een ^nere oDdersehei- 
diog in onze taal. Daar halak den sprejker uitsloit, komt het beter overeen met 
't Engelsche ihey oï people ^ dat t?e in de spreektaal met ze wedergeven. 

^ 5 17, y. 



van S. M. en D. D., bl. 15, r. 3 v. o.)» omdat zij hem wegens ver- 
moeidheid rust zagen nemen, Uepm ssij nog harder^ hem m^agende 
(zij liepen hem nog harder achterna). In pi. van di-tuUun, in de be- 
teekenia waarin het in 't laatst aangehaalde voorbeeld voorkomt, bezigt 
men ook di-gogo; b. v. di-gogo radja i pe durutéa lat-soicada (§ 13) po^ 
lut do sijan rukkungna (Ib., bl. 160, r. 17), hoewel de voret zich met 
kracht trachtte los te rukken^ raakten die wortels toch niét van zijn 
haU los. Ons b^ woord voort wordt door di'datdati uitgedrukt; b. v. 
saH di'datd(tti ma di-tuUun manaek, hij klom deeds en des te snéUer 

voort, Zoo op 't bijwoord geen nadruk is, bezigt men een actief 

achteraan; b. v. pogós mulak ^ ay, worde ik weder arm! lao ma ibana 
muU, h^ ging naar huis. Een actief vooraan om den nadruk wordt 
niet vaak aangetroffen (een voorbeeld zie bl. 123, a.), 

a. De constructie van twee passive vormeii heeft ook plaats in de gevallen 
waar wij een infinitief, waarvoor 't Bataksch natuurlijk geen vorm heeft (§ 121), 
als aanvulling van een ander werkwoord bezigen; b. v. ^ai di-asupi halak do di- 
taban huianami (Ib., bl. 12, r. 13), steeds dreigde men onze huta in te nemen; 
sai di'Mupi kalak do naing di-taèan Autanasida (Ib., bl., 13 r. 18), steeds dreigde 
men hun huta in te zullen nemen. Zulk een constructie moet men zoo opvatten, 
dat tusschen de twee passiveu een conjunctie verzwegen is (vgl. f 162), want di- 
asupi halak kan even goed men maakte dreigementen als door hen werd iets be- 
dreigd beteekenen. 

Ook ons bijw. zeer ^ om een hoogen graad uit te drukken, wordt $ 154* 
door een werkw. uitgedrukt, namentlijk door matsali (bl. 97, 3'.) of - 
een zijner bijvormen {matsadi en matsa£). Dit werkw., dat die twee bij- 
vormen heeft, omdat het z^n oorspronkelijke beteekenis heeft afgelegd, 
om als betrékkingsw. op te kunnen treden (bl. 76, onder) is afgeleid van 
sali, een zamentrekking van sa-hali (een maal), zoo als blijkt uit 't Mal. ^ 
sa-kali, dat achter een hoedanigheid voorstellend woord dezelfde functie 
bekleedt^, en verder uit si-kali (D.), dat = sali, \vbht dli zonder falen, 
noodzakelijker wijs beteekent, gebezigd wordt. Voorbeelden van 't ge- 
bruik van matsali of een zijner bijvormen zijn matsadi nengél (jj 42), zeer 
doqf is, matsai na hdon (§ 42), zeer groot is. In pi. van den verbalen 

* Vgl. 't Mal. ^J (Aant. bl. 134), en M. op bl. 278. 

^ Oyer manga, dat in enkele aamenat^ngen 't zelfde uitdrukt, zie bl. 97, Aanm. 

' B. V. indah sa- kali (ten eene mah fraai), zeer schoon. 



270 

vorm kan men ook sai, voorafgegaan door na bezigen, maar dan 
wordt de nitdrakking uitroepender wijs gebezigd , terwijl 't kwalifica- 
tieve woord tevens den klemtoon op de voorlaatste lettergreep heeft; 
b. V. na sai gahe ko, gif zjjt zoo rijk! na sai dae ho, gij zijt zoo leeUgk! 
na 9ai torop inon na êai gogO (Ib., bl. 308, m.), die t^n zoo talr^k en 

zoo sterk! Een ander werkwoord, dat dezelfde beteekenis heeft 

als nuUêoU, is mathtwa, dat oorspronkelijk hetzelfde is als ma^trwa * 
(oud zijn), en zijn neusklank (§ 11) gekregen heeft om iu overeenstem- 
ming te zijn met maUali; b. v. matiitioa pande, zeer bedreven is; maUu- 
wa otó, zeer dom is. Op te letten , dat beide deze adverbiaal optre- 
dende werkwoorden nooit voor een attributief optredend woord kannen 
plaata nemen, zoodat men voor een zeer groote hond niet bijang na 
matsai na bolon zeggen kan. Om dit uit te drukken , moet men een 
afzonderlijken zin achter 't substantief bezigen, die aU praedicatief at- 
tribuut hiervan moet opgevat worden (§ 137); b. v. di-baen panganonna 
maUai dedk (door hem werd ayn eten gemaakt , zeer veel was het), k^ 
maakte voor kern (bl. 108, a.) zeer véle spijzen klaar; di^aen sopona 
matsai djokkds (door hem werd zijn sopo gemaakt, zeer schoon was die), 

Ay maakte voor hem een fraaije sopo. Om een hoogen graad uit te 

drukken bezigt men ook hulpwoorden , als 

1**. sukkot met een substantief, ingeleid door de praepozitie »t, er 
achter; b. v. sukkot ni hagabeon ibana, buitengemeen rjjk is hjj; suk- 
kot ni pambajuofi, zeer bekwaam in *t vlechten is zij. De kwalificatie ve 
werkwoorden behoeven in dit geval den afgeleiden vorm (§ 122) niet 
te hebben , zoodat men ook sukkot ni pogos naast sukkot ni hinapogos 
en sukkot ni hapogoson kan bezigen. In* zulke uitdrukkingen \% suk- 
kot een substantief, en beteekent het hebbent van een te grooten omvang 
om van iets de inhoud te kunnen zijn; zoo is b. v. sukkot nipamba- 
juon letterl. wedergegeven-, een te groote omvang voor de vleektkunst is zi}. 

M. bezigt na lobi voor, en sadjo achteraan, en beiden ipok bij een attributief 
optredend werkwoord; b. v. na lobi bahat halak di ti, zeer vele waren de men- 
schen daar (op gemelde plaats); budjing-hudjing na lobi denggan, een meisje ^ 

^ Dat 't begrip van onderdom overgebragt is op dat van h«t in hooge mate 
plaats hebben , kan verklaard worden nit de beteekenis van tuwa in 't Maleisch , 
dat niet alleen oud van jaren beteekent, maar ook, toegepast op kleor, een hoo- 
gen graad voorstelt, b. v. merah tuwa (donker rood), terwtjl men het tevens in 
de beteekenis van sterk (als b. v. van ikee) bezigt. 



271 

d&t zeer tehoon is (vgl. Ib., bl. 19, r. 11 v. o., bl. 49, r. 15); bt^o nadenggan 
sadjo^ een zeer goed of schoon manspersoon. 

D. bezigt songièt (bl. 88, V. 6.); h v,songm Hnipég^dèm kimd9rta(\K 
bl. 140 m.), zeer arm en ellendig was hif; songiH ni djengkar (Ib., bl. 261, r. 1), 
zeer schoon was hare gedaante; songkU ni péngke (Ib., bl. 63, r. 8 ▼. o.), zeer 
schoon was z$; songkit kjfduèalangën mo kunvken dükU hinigurun i^bHoh, bui- 
tengewone voorveehtersiunst en laieheheetensehap , zegt men, werd door hem ge- 
weten. — — Verder tuganna = matsat; b. v. tugannambagas (bl. 36, II), zeer 
diep is het; tuganna mëlehe, zeer hongerig is; tuganna mèrbëlgah i^funa tu- 
ganna dfumerangJtar dahanna (Ib., bl. 121 , r. 13 r. o.), zeer dik was de stam 
er van, zeer weelderig de takken; tugannambuwe piduk dëkët èinatang datas 
(Ib., bl. 141, r. 2 ▼. o.), zeer vele vogels en kUmdieren zag ik boven (zie ook 
boven, bl. 128). 

2**. boUk, sttbstantief van boldk (§ 42), voorafgegaan door indfi - 
(§ 158) en gevolgd door een sabstantief door de praepozitie ut ingeleid ; 
b. V. inde holak ni binadenggan si-boru-tapi manaoning (is de jonge jaf- 
vrouw M. niet de uitgebreidheid van schoonheid?), O hoe buitenge- 
meen schoon is Mejufvr. Ml 

8^. surat, voorafgegaan door na so qw gevolgd door een substantief 
door de praepozitie ni ingeleid; b. v. na so sural ni hidang do djap- 
palan i (Ib., bl. 65, b., toai niet is H afschrift van breedte was é^ weide), 
buUengemeen uitgestrekt was die weide; na so surat ni deak, ontsachelijk 

talrijk z^n zij. Maar na so surat kan ook alleen, zonder een vol- -- 

gend subst. , optreden , en wel als praedikaat, om met nadruk over iets 
ongeoorloofds te spreken; b. v. na so surat do pandeanna tu au, ss^n 
handelw^ze te mijwaarts is waarlijk ongehoord! In dit geval bezigt men 
ook uhum; b. v. na so uhum pandeanna tu au (zie Ib., bL 269, r. 18 en 
271, r. 7). 

4". sibar met indd voorop, en een substantief, door de praepozitie 
ni ingeleid, er achter; b. ▼. indd sibar ni dao hU'taruhon, O koe ont- 
zettend ver heb ik haar geèragt! (O hoe afgelegen van hier is de plaats, x 
werwaarts ik haar heb gebragt!); na so sibar ni halejon di hami, een 
buitengewone hongersnood is b^ ons (O hoe groote hongersnood heerscht 
er by ons!). 

5°. alang met so voorop, en weder een substantief, door de prae- 
pozitie ni ingeleid, er achter; b. v. so alat^ ni pande ióana manopa , 
niet alledaagsch is zijn bedrevenheid in het smeden (letterlijk: h^ is geen 



y 



272 

halfheid van bedrevenheid in 't smeden). Ook bezigt meu ni-alang met 
indd tung voorop; b. v. indd tung ni-alang ni haUü be hu-hÜala, ik 
y voel niet meer zoo^n erge p^n. Wat iiier ni-alang is, mc^e een ander 
^ ^M^i 't geluk hebben van te kunnen verklaren. 

^/kv^</^v> ö°. sondot. Dit wordt alleen vocJr werkwoorden gebezigd; b. v. 
f^^J^^^ 9<Mdot maUimng-Utting (Ib., bl. 222 m.), zeer gespannen was de buik 
^ van den hond (aU 't ware dreigende ie bersten van volheid) ; eondot 
marroteam (bl. 110, 3^.) siM dagikku^ ^ mjineledemaien waren, aUen, zeer 
óevuUd; sondoé marhirong dagingnmna (Ib., bl. 300 b.), zeer zwart zijn 
uwe ledematen van dien arbeid in de zon; duhut sandot manopan hu-ida 
di haumami (Ib., bl. 314, o.), ik zie dat 't onkruid zich zeer welig op uw 
akker heeft verbreid, >• 

T, Om een excessief ait te drukken, bezigt men 't aanhechtsel hu 
of iu (§ 20, II, a.)\ b. V. magadjakéé of mangandjakkUf te lang is; 
madaehu of madaetü, te leelyk is. Zoo men er een negatie bg te bezi- 
gen heeft, worden die aanh. niet gebruikt, maar so apaU (§ 158, 7^) 
-"""^^ voor 't kwalifikatieve werkwoord; b. v. so apald lunggd sa apald pondjót^ 
niet te ruim (en) niet te naauw is het (b. v. een ring, die juist past). 

M. bexigt tUeen -Atit. — Dat Mer ook werkwoorden als bijwoord optreden, 
blQkt onder anderen rdi:,.(uidng êom-pimjo manggogoi male si-iaduko, onge- 
veer een roepen^s ver tiende» was M. zeer hongerig; mareitumpulan ma halant 
mangulahi, gij hieuwen weder op elkander los; djadi mulai ma tja muli 
(Ib., bl. 44, r. 8), daarop keerden ssij terug naar huie; mulak butting, we- 
der maagd worden (Ib., bl. 46, r. 1, zie ook bl. 45, r. 17). 

D. bexigt -M». — - De volgende voorbeelden van *t gebruik van werkwoorden 
als bijwoorden dienen hier aangehaald te %orden: iah malot n^o i-èëreiën deba 
ngo anaiku idi bangku molih, misschien geeft men mij mijn kind niet terug; 
hakum enggo roh nahan laembUgah idi mentër aku nahan langi laus (Ib.,bl. 216 o.), 
maar zoo straks de vloed gekomen zal zijn, zal ik aanstonds voortgezwommen zijn; 
mada ngo ku-kënakën ku-berekën sirangku idi Ib., bl. 154 o.), geenzins heb 
ik met opzet aan dien vogel mijn zout gegeven; i'Olihi nota kêmbaU kèrbo (Ib., 
bl. 96 b.), zij werd weder een buffel; i-olihi takal kërbo si-ranggir nola mo 
i-^hbuh dirina (Ib., bl. 95 o.), de kop van de buffel E, liet zieh weder vallen; 
mërtahan sip sambing (Ib., bl. 98 o.), steeds slechts zwijgen; mértahan sip 
mango (Ib., bl. 101 m.), toch zweeg zij steeds; mèrajak soh (ib., bl. 106 m.),. 

* Zie bl. 231. ^Zie $ 17, V. 



273 

bijkans aangekomen aan; asa i-g a hg a hi i-ëndekën (lb., bl. 108 b.), daarop 
gong aij het met luider stemme uit. 

Jont. De superlatief wordt in 't Men. door achteraanplaatsing van banar 

nitgedmkt; b. v. èlbg banar, geer schoon is bet. Dit is gebeel in overeenstem- 

ming met 't Jav., dat thnèn ^ en 't Alfoerscb van de Minahasa, dat karëngan * 
daarvoor bezigt. 

Waar wij door een bijwoord de w\jze, waarop de inhoud van een § 155 
werkwoord plaats heeft, aanduiden, bezigt 'tBataksch een woord, dat 
als praedikaat, en een substantief, dat als subject optreedt, zoo als men 
uit de voorbeelden in ( 120, 1^ kan zien. Maar als subject kan ook een 
zamengestelde uitdrukking optreden, die op zich zelf een zin uitmaakt; 
b. V. denggdn do hu-dinffdinff, denggdn do hu-tarup (M)., bl. 9, r. 15), ik heb 
die Bcpo schoon van een beschut y en schoon van een dak voorzien; in welk 
voorbeeld (fe»^^^» als praedikaat optreedt van hu-dingding en hu-tarup, 
zoodat wij het letterlijk moeten wedergeven met schoon is het door mij 
beschot worden er van en schoon is het door mij van een d>ak voorzien er 
van ^. Een ander voorbeeld van zulk een constructie is na sahat ro di. 
dija di-taruhon ho borutta i, tot waar aangekomen is door U die onze 
dochter gehragt. Verder kan van twee woorden, die bij elkander hoo- 
ren, het eerste als praedikaat voorop geplaatst, en door 't subject van 
't tweede gescheiden worden; b. v. sahai ma ibana ro di bona ni haju i, 
aan was hij gekomen bij dien boom {sahat ro, aankomen); sappe ma na- 
sida tolu bidan rui mardsUan i, zij reisden tot drie maanden lang; waarin 
sappe bij tolu bulan hoort, want sappe iolu^bulan beteekent op zich zelf 
tot drie maanden en is eigentlijk een zin (vol of vervuld zijn drie maan- 
den). Zoo gebruikt men ook dikwigls leleng (lang van den tijd) als prae- 
dikaat; b. V. attk leleng au asa ro, misschien ben ik lang voor ik kom (mis- 
schien blijf ik lang weg). Deze bijzondere wijze van een bijwoord 

uit te drukken, moet de reden zijn^ dat men zoo weinige woorden 



Waar, werkelijk. 

't Sabject van hu-dingding en hu-tarup is nataorlijk te voren reeds ge- 
noemd (§ 105). 

Dit woord beteekent op zich zelf reeds aankomen, maar in een toestand, 
waartoe men vervalt; b. v. sahat mamijang ibana na mardalan i, tot mager 
zijn vervallen was hij, die reisde (hij had zoo lang gereisd dat hfj er mager van 
geworden was; vgl. bl. 193). 



/ 



274 

aantreft, die alleen als bijwoord optreden. Znlke woorden s^n b. ▼. 
tutti (bl. 161), momós^ rakkdk {zelden^ maar ook w^d uU elkander 
staande van dun hoofdhaar, planten, die niet digt op elkander staan), 
«t^, katóp^ pitiór (waarnaast ook de verbale vorm mamUtor * en ma- 
nigor in gebruik zyn), enz. Maar ook deze woorden beboefk men niet 
als bijwoorden op te vatten, zoodat roen ze even goed kan verklaren 
als verkorte zinnen, waarvan *t subject slechts in de gedachte blijft, 
en die achteraan staande ons geneigd maken, ze als b^woorden te be- 
schouwen; b. v. di-raknti numós, door kern werd hei gebonden, stevig 
geschiedde het (hij bond het stevig vast). Zij kunnen daarom ook als 
praedikaat voorop geplaatst worden; b. v. kaióp napé ro partunggu 
tu ko (epoedig ztdlen maners bjj U komen (spoedig nog is maners komen 
j-yv ioi JJ oli TJQO als wi|^ zoudeizeggen, kei zal niet lang meer duren ^ of er 

,r komen t enz.); sapala mangaUon ko di au, sü4 baen, zoo gj^ mij volsirekt 
^ moet opeten, doe ket dan gaauw (silu kan hier opgevat worden als 't 
y /V/^A, praedikaat van èaen, dat als substantief*, hier 't subject is); ^«^i» ^/o 
marsigului kalak mamóutoat ko, te regi twistte men om uw óezit, omdat 
g\j zoo schoon z^t (letterlyk: waar is men kad twist om Uioi vrouw 
te nemen ^). Wat pittór betreft, het wordt meestal vooraan geplaatst; 
b. V. pittór mulak do ibana, regtstreeks keerde k^ terug. Het heeft 
>n. even als manigor tiimahittor tevens coi^'unctieve kracht, en dient vaak 
ter inleiding van een zin , waarin 't geen na het in een vorigen zin 
X " vermelde gebeurt vermeld wordt. 

§ 156. Beoorden van plaats of ruimte wórden uitgedrukt door een praepo- 
zitie (§ 159) met een subst., of een als zoodanig optredend woord. Noe- 
mende bijwoorden dezer soort zijn di djolo, vóór, tu djolo, naar voren; di 
pudi, ackter, tupudi, naar aekieren; di toru^ onder, tu toru, naar onde- 
ren; di sijamun (| 10, 6), regts, tu sijamun, naar de regterkant toe; di 
s^amèirang (§ 10, è), Unks, enz. Zulke b^ woordden worden praepoz. (§ 
160), door er ni en een subst., of een pronominaal aanh. achter te plaat- 
sen. Wijzende of pronominale bijwoorden dezer soort zyn di son, tu son, 
di si (§ 143), di dija (§ 146, 4®.), en kunnen nooit praepoz. worden. 

* Vgl. mentër in D. 

^ Zie ^ 99. 

^ De bedoeling van dezen sin is: ipy mnden kei- zeer mMrsehijnJ^k wat ge 
ons Vertelt, dat men namentUjk om uw èerit.nmt elkander twistte (zie 11>.,U. 12, 
r. 16 V. o.). 



/ 



275 

Sommige noemende b^ woorden dezer soort zyn door 't oanh. a» afge- 
leid; b. V. di bagasan*, Hfmen in, tu èagasanf naar binnen, van bagM 
of bagdt (§ 43); di bal^n, buüm^ tu halman, naar buiten, ydXL baU. 

a. Sommige dezer bijwoorden hebben zonder praepositie er voor een geheel 
andere bqteekenis; zoo b. v. el^olo (j 158). Anderen krijgen door 't aanh. an 
een toepassing op den tyd; b. ▼. pudijan in di pudijan, en djolowan {na dJQlo- 
wan en tu djoUnoan on). 

Aant. Wat betreft pudi, het moet een nominale vorm z\jn van een vroeger 
mudi van een stamwoord udi ($ 61), waarvan ook 't Maleische kamudi {roer, 
Hgeen achter is, f 135) en kamadijan (uit kumudijan), nader/tand, zQn afgeleid. ^' 
De beginnende k van 't laatste woord staat even als in 't Jav. in plaats van 
een klinker ^ of lipletter; zoo heeft men iamanakan {zuster* ê zoon, die bij 
de Men. Maleyers de erfgenaam is) van anak, iamawan (bl. 120, Aant.), 
kamuntjaq van puntj'ak. De i is door de plaats in een ligte lettergreep dikwijls 
g; b. V. gamartjik {spatten b. v. van roeiriemen in 't water) van partjik, guma- ,.^ 
wang (bl. 120, Aant.), enz. 't Men. kudijan moet ait kamudijan door weglating 
van 't inhechtsel ontstaan zijn. Bat vele Mal. woorden met 't inhechtsel um te- 
gelijk 't inhechtsel ar hebben, bl\jkt nit 't Men. 'kumilap kilap {schitteren), van 
küap , vergeleken met 't Mal. gamarilapan {schitteren van vele dingen), dat ook 
gamarlapan uitgesproken wordt; vgl. ook manggaldtar {bibberen l. v. v«in de le- 
dematen) = gamdtar of gdmdntar . 

Als bijwoorden van t^'d bezigt men substantieven, zoo men den tijd § 1&7. 
noemt (§ 150, 4°., § 152, 2°. op bl. 257). Wjjzenda oï pronominale bij- 
woorden van tijd zijn dung, nungoï ung {ooi£), inddng dung, nooit; ójoi- 

djót, dikwijls; rakkdk {zelden, vgl. bl. 274), enz. Over di si, on, 

nanón enz., zie § 143 en a. aldaar. Over haduwdn zie § 112 onder. 

Verder heeft men naUowari ^, gisteren, naUowari *sada of naUo- 

Men heeft ook bogasan alsof het afgeleid was van bogas. 
In 't Iloko nog uiteinde, achterste beteekenende, zoodat het 't zelfde 
woord is als 't Jav. wuri. In 't Tag. is kuU de achtersteven van een schip en 
achterste. 

^ Vgl. bl. 147 D., en bl. 120 a. 

* B. V. djadi gdmdtar-lah anggotat^a di bawahku (As. Soc. I«l®. 63, bl,323); 
ikun^'a pon di-kipas-kipaskant^'a dan misejnja pon gdmatar rupanja (As. Soc, 
N". 38, bl. 56). 

De afleiding hiervan is m\j daister. 



276 

tMtn' tada, eergisteren, naUowari aada i (§ 150, 4*.) of naUowari êoda ya 
(bl. 244, a.)> voor-eergideren ; bodarina t, den volgenden avond; sadari 
êOffoi, gedurende den dag van morgen; bodari eogoi, morgen avond; aryanna 
if den volgenden voormiddag daarop; iorang ni arina, den volgenden dag. 
: In pi. van nanón bezigt men nunuUng, nuwaing en andere bijvor- 
men, zoo men in den tegen woordigen tijd spreekt van iets, dat men 
niet ziet geschieden, of waarvan de aangesprokene niet weet; zoodat 
we hei hebben weder te geven met koogêt denkelijk nu; b. v. adóng do 
boru ni ttdangmu numaen denggdn denggdn, enz., er zjjn nu in de huta, 
waar z\j woonen maar niet hier, nickien van U, de een neer en de an- 
dere minder schoon; boru ni djdma maniêya nuwain di kutanami (Ib., bl. 
16, r. 6 v. o.)> ^^ dochter van een sterveling is nu in onze huta (spre- 
kende van Nan-djomba-ilik , die afwezig is.). Naast ganup taon be- 
zigt men ook mangganupi taon als bijwoord (jaarl^ks). na sa-onan 

on beteekent op deze keer, dat er een onan gehouden wordt (vgl. § 144). 
si-tokkin (bl. 267 a.) beteekent, behalve een oogenólik, ook tel- 
kens , elk oogenblik (vgl. bl. 257, r. 2); b. v. bagot di lambung dalan pa- 
narusan si-tokkin, een sagueerboom aan den weg, Koaruit telkens getapt 

wordt ^, di pudian ^ on, voortaan, hierna (van dezen tijd af aan). 

Als bijwoorden van tijd bezigt men ook zinnen als b. v. gindjdng 

ari {de zon of de dag is hoog), waarin 'tpraedikaat, zoodra die zin als 
bijwoord optreedt, den klemtoon naar de voorgaande lettergreep ver- 
legt; b. V. gindjang ari hita mangan, wij eten om 12 of op den middag; 
suda pitu bomgin on {op zijn deze zeven nachten), over 8 dagen (Ib., bl. 
283, r. 3 V. o., bl. 323, r. 4). Zulke adverbiale bazinnen van tijd staan 
vóór. Tot vervelens toe heeft men den vdur-bijzin dung i {gedaan is 
daf) en z^n bijvormen {dung ni, nung i en nung ni)-, b. v. nung i, di- 
tattan ma hotang maüo i tu bagasan lombang, nadat 't gemelde geschied 
was, liet hij de mdUo-rotting in den afgrond neder (daarop liet h^ enz.). 
Achter dat dung en zijn bijvormen kan men natuurlijk ook, in plaats 
van 't voornw. t, een of twee woorden gebruiken; b. v. dung torang ari, 
lao ma nasida, toen de dag lichtte, gingen zij (den volgenden dag gingen 
z^). De hoofdzin, die volgt heeft ma achter 't praedikaat, en kan ook 
met asa aanvangen (b. v. Ib., bl. 34, r. 1 v. o.). 

M. beeft natutoari = naUowari (bl. 44, a.); sadari sanijogoi = sadari sogot. 

^ In 't Wdb. bijvoegsel (bl. 535) is deze plaats verkeerd vertaald. 
^ Zie Aanm. $ 160. 



277 

B. heeft arinna idi 3= arifanna i; bëmffin bony mortfën noóhti % podinena 
= di pudifa» on; iHdah ' = numaing; bërhnbën = murtogoi; bnwari as 
nattowari; buwari ' tjadani =: naÜowari soda i; H-lraKonp (zia .Wdb.);.i-^ig^a 



Zin-bijwoorden. 

Bijwoorden, die 't werkwoord op dezelfde wijze al» 't adjectief naada- § 158. 
woord 't substantief bepalen, zoo als bij ons goèd, b/T. in h^êchr^fi 
goedy kan 'tBataksch, zoo als men gezien heeft, niet hebben, zoodat 
diergelijke bijwoorden even goed ais 't adjectief naamwoord door een 
praedikaat worden vervangen, terwyl 't werkw. als subject moet optre- 
den (bl. 181, onder en § 155). Er zijn echter woorden, die ik uit gebrek 
aan een betere benaming zin-èijwoorden zal noemen, omdat zij, bebalve 
hunne adverbiale beteekenis, een geheelen zin zoo zeer wijzigen, dat 
de bedoeling er van geheel verschillend wordt. Soms kunnen we zulk 
een zin-bij w. met een modaal hulpwerkw. als b. v. zoude (in me zonde 
dat zijn?) wedergeven (zie b. v. in 6®), maar in vele gevallen moeten 
wij, om den zin juist weder te geven, een omschrijving bezigen. Dier- 
gelijke woorden zijn 

1°. djolo *. De eerste heteehenia van dit woord , als substantief, is 
wat voor ieta gdegen ia; van daar dat het met een praepozitie by woord 
van plaats is, en verder ook als praepozitie kan optreden, zoo bet na- 
der bepaald wordt door een met ni ingeleid substantief of een prono- 
minaal aauhechtsel' (§ 160). De tweede heteehenia komt overeen met*^ons 
eerai {before), en eerder; b. v. mda au djolo djuppangan.pid<mg^ en^. 
(Ib., bl. 79, r. 11 V. o.), indien ik eerder (dan hij) H geluk hèf), een vogel 
te vinden, die enz. Maar behalve deze twee beteekenissen, die het óp 
zich zelf bezit, heeft het nog den zin van ons eena, als wo dit zonder 



B. y. i'Sadena Hn taembëlgak, idi mo ku-tongkir; hokum idi, malei sën- 
dah marsak idi (Ib., bl. 215 m.), daar ginds moet de grqote rivier z^^n^, dat ik 
derwaarts ga, want die zal nu hoogst waarschijnlijk niet oggedrpogd jgijp;^ asa 
tunggari shidi ngo idi sëndah (Ib., bl. 235 o.), zoodat die he\\e\ daar nu nóg 
denkelijk zal zijn. 

a 

Het schijnt een klankwijziging van djulu (bl. 65, a.) t^ zijn., zoodat het 
eigentl^jk aan H hoofd beteekent, en komt dns overeen met 't Mal. ^JbJ, waar- 
van de uitspraak (daulu) ontstaan is ook door de behoefte een onderscheid te ma- 
ken tnsschen di hulu (aan 't hocfd ?an de rivier, aan de bron in *t bovenland). 

13 



278 

klem als h nitiprekeii -« of van ons i» r€u ia de spreektaal — waar 
we hei bezigen in een versoek (ak b. t. kom h hier)^ om den toon van 
een be?el (kom hUrf) te verzachten* Zoo zegt nen in 't Batakach, als 
men verlof vraagt terog te keeren mvlak mam éfjolo, dcA ik es terugkeêre, 
d. i. iia mjj toe temg ie keeren (Ib., bl. 97, r. 15 v. o.); even zoo zegt 
iemand, die vertrekt lao mau djoh {dat ik h ga!)^ vergun my te gaan 
(Ib., bl. 186, r. 5 V. o.)* Dit gebrnik van é^oh gaat zelfs zoo ver, dat 
men het naar mate van de w^ze, waarop het' in een zin voorkomt, 
dikw^ met ik versoek ket U^als je öeli^ enz^ beeft te omschrijven ; 
b. V. dongaëu é^oh êthnduran dongammt ithkalak^ oêa lao kamt djolo 
m an /MU op pidong tu ramba i (Ib., bl. 204, o.), een Uwergezeüen zij ee 
mi^n reigenoot ^ , opdai wj ee naar *t èosch vogels met Hhlaasroer gaan 
eekkien^ d. i. sta mg toe een uwer medgezellen met mij naar 't bosch 
mede ie nemen, enz. Zoo men é^ólo in den hoofdzin wegliet, dan zonde 
dongottu ea^udttram dongammi snhkalak niets anders beieekenen dan mijn 
reigenoot is een moer medgeseUen, Andere voorbeelden zijn b&rumuna 
ondiêonma éffolo (Ib., bl. 79, r. U v. o.), uwe dookter e^j es kier, d. i. 
sta mij toe nw dochter hier te laten; eukkun ma mmé é^olo sumangat ni 
daoppung, ondervraag ook eens Orootvader*s geest; nakkon ma é^oh iu son 
pokpamgmuna (Ib., bl. 286, b.), geef me ale je belieft iets van U ten tee- 
^^> dai g^ m^ als sekeidsreckter erkent *; na mangindjam kudjurmt do 
au ^elop die u» lans leeni ben ik es, d. i. ik kom Uwe lans ter ken 
verzoeken; Ugon ma é^eHo di au ememi sae boni ni kaumakki, gerf me als 
je beli^t soooeel van uw rifst als nwulig is voor zaad van mijn akker; 
agijap ma dje^ daó au, asa palu, dai ik eeret, ik bid U, ver ^f sy, dan 
sla er 4^ {o^ 't mozijkbekkett). Op bl. 61, r. 2 van 't leesboek zegt 
Jldji Pama^a, na zelf eeist versdiiUende malen beproeiid te hebben een 
vro4^w ie koopen, tot zjjjn ouderen broeder: Ao ma ((;olo kakdng mangoli, 
ga g^ Broeder/ nu es een vrouw koopen; uit welke plaats men ziet, dat 
de oorapronkel^ke beteekenis van eerder hier niet ie pas kan komen. 

ü. bezfgt lëèèiën; b. v. tdang mo iono têhekht lauê (Ib., M. 160, r. 12 v. o.), 
«I hid U ga mei door (bl^f gij bij 'm^, cdz.); ku-dimBan kono lëbeiën gijam 
(ib., bl. 216, r. 7 V. o.), dai ik Ü dan lezinge (sta mij dan toe O te bezingen). 
IHt lëèekhê sch^nt een passieve imperatief te zQn van een meng^beken, zoodat 
bét letterlijk beteekent doe kei eerder (Ube) plaaU kebben^vlg. ook Ib., bl. 32, 



* 3ie bl. 260, d. 

^ £i« Wdb. on4er pongpang. 



279 

r. 15 ▼. o., bl. 86 , r. 2). Uit dest oonpronkemka iMteekiiut if ew verzoek isar 
goed te TerUaren, daar men met 't woord te gélSfk aan iemand verao^kt, iets 
eerder te doen of te lateii. 't Eertte voorbeeld kan me» dan ook gtcb goed we- 
dargeven met fia POorurH niet weg maar Uijf b^ m^, ens., en evenaoo 't tweede 
(voor g^ ffltj opeet, dat ik n eerst bezinge!). 

Aeni. Bat ïêbe brengt me onwillekeiirif op 'tMakckohe UAih, waarmede het 
etymologi8.d[i niets te maken beeft, want ïêbik is in D. geljyk loei, Bn toeh kan ^. ^ 

bet in 't Maleisob ook den zin vaa een verzoek bebben, vooral in tsgenstolling; 
b. V. UiUh nut*df t^wga tuwttn ahorn ^fiétknda orang tuka int, U vmsmUekul' 
dSge toeh fJw vader, degen oude» ma»; tunffguh ponr damikiftm iMiA ianJüm^ 
mn djuga aian dija, ti^ het ook aidut (dat hei een ondeagead kind ia), meer 
zij toeh tm meddijden jegmu Ma^, d. i. wees haar toch genegen doot met haar 
gebreken medeleden te hebben (zie Si-miski; U. 81 en 139); Ubih ma^tém ês* 
haiat Hta (Mal. bdef)^ onzs vriend wete, ens. (vgl. «ok Fandfaiandiran, bL 88, 
r. 4). Ook danlu wordt in een vriendelljken nnperatief gebeaigd; b. v. tmggal^ 
lah taudarahu daülu di Hni {Indara puiara, bl. 113), afscheid nemende zeide 

hy, blijne m^ iroeder hier eerst l Van een pcraoeu verlof vrégen om 

weg te gaan» is in 't Mal., zoo als bdcend is, èatmuium, 'tgcen lattsrlQk ba* 

teakent muhmm zeggen (bl. 112, 6®.). Dit mukun is in plaais van wiaakuhwu ' 

(om iets tferaoeieu)^ terw^l 't stamw. puhitm is, dat als snbstan&ief boom, èoom^ 
stam beteekent. In 't Jav. heeft men atfiit, dat in 't Kawi maameit ^ ia, en dns 
van wit komt, dat ook boom hetedcent. ïlgnnrUgk \9 ioomtiam odk begin (vgl. 
pangiali en poioq in 't Mal.), zoodat 't begrip van begin, oorsprong ook ia 't 
Javaansch en Maleisch op een verzoek is overgebragt. Zonde 't Makased mnpun X/ 
pok niet te verklaren z$n als een samentrekking van amba-puhun^ik yereoek om 
de delging m$«er sehiild of iets dierge^jk»)? 

2*. ttikkon (bijvormen: ningon *, ikkon of ingon). Het wordt voor 't 
praedikaat geplaatst, en stelt een begrip voor als iets, dat noodzake- 
lijker wijs eerst gebeuren moet, voor 't geen in den volgenden met 
asa beginnenden zin vermeld wordt plaats kan hebben; b. v. ningon 
dapot ho do i, asa gahe ho, eerst moet gy dat verkregen hebben , dan zijt 
gij gelukkig (voor dat gij dat hebt, kunt gij niet gelukkig zijn); ningon 
pinaèpatson bulung-rata asa djadi ni-apasan halak, eerst moet een groen 
blad op iemand's graf uitgeklopt worden , voor iemand gering geacht mag 
worden (iemand moet eerst dood zijn, voor we niets meer vaii hem te 



* Zie WiwAha, bl. 33. 

13 * 



• Zie $ 30, rv. 



>< 



280 

vreezen hebben); ikkon dung pe aMng tmbu ióotoUa, asa mulak au iu hu-- 
tauand (Ib., bl. 12 m.}, eersi nadat er u een broeder van mjj geboren, kan 
ik naar onze huta ierugkeeren; molo djuppa halak^ ningon dübaen do ka- 
mtdi*muUan ni begu ni vlok na djuppaêa i, eoo iemand het aatdrefl, moei 
hij H een of *i andere middel y waardoor de geeet van den dong, die hij aan- 
geiiraffen heeft, terugkeert ^, vcietrekt aangewend hebben, voor hij veilig 
is tegen een ramp. Het kan ook adversatief gebezigd worden, en stelt 
dan iets ak noodzakelijk voor, voor dat 't geen te voren gezegd is 
plaats kan hebben; b. v. nadat Djonaha den scheidsregter gesmeekt had 
een einde te maken aan die oorlogs-aangelegenheid, zeggende dat hij 
zich aan dien's uitspraak zonde onderwerpen, zeide de scheidsregter: 
ningon oio do mardangdang alominon (Ib., bl. 275, b.), maar uwe tegen- 
part^ moet er in toestemmen boete te betalen. Achter 't praedik. geplaatst, 
wordt de zin er tevens conditioneel door; b. v. djadi mas ningon, djadi 
do tutu, zoo het goud moet worden, dan wordt het werkelijk goud. 

M. bezige angkou; b. v. aikon ra do ha marpadan hiia em^o ra om di ho 
(Ik., U. 7 o.), eertt moei gij wilUu dat we met elkander een afspraak maken, 
voor ik U wil hebben; atiffkon iartaon gudam garagadji, eo iarbolus tu iano 
eai. (Ib., bl. 140, r. 1), men moet een gudam-garagadfi kunnen doorstaan, 
poor gegaan kan worden naar U land B, M, 

D. bezigt khta, maar laat het vaak weg, coodat asa djadi in de volgende 
zinsnede reeds genoeg aanduidt, dat men toclT den zin zoo moet opvatten; b. v. 
kéna akofëèmu ku-bakin, asa djadi (Ib., bl. 181 m.), eerst eal ik je doe» voelen 
(eerst znlt ge er van lasten) voor het goed is; ku-bunuh ngo kono, asa djadi, 
eerst moet ik je dooden voor het goed is (ik meet ü volstrekt dooden); molih 
ngo kerina bukbukmidi, asa djadi, alle uwe vederen moeien teruggegeven worden 
($ 62, 2°.) voor het goed is. In pi. v. këna bezigt men si-kali (j 188 en 154*) 
in conditioneele voorzinnen; b. v. muda si-kali ngo aku ngo asa djadi, dokken 
'èmpungta, panganën mahan pënghnpo bagasna idi (Ib., bl. 84 o.), indien ik, zegt 
otuie heer, moei opgegeten worden om te dienen als inwijdingsmaal van zijn 
huis, voor hei goed is, enz.; muda si- kali i-p»rdëngan kono mëdém ngo aku^ a*a 
djadi (Ib., bl. 68 o.), goo ge volstrekt bij mij slapen moet, voor hei goed is, enz. 
Met V eerste passief er achter is mada këna = indadapald (7°) of indada met 
een passief- verbaal sabstantief (bl. 205); b. v. mada këna i-p}iriasak kono (Ib., 
bl. 68, r. 6), gij behoeft (dat eten) niet te bereiden; mada mo këna ku-përdën- 

Onder ierugkeeren van een geest verstaat de Batak onschadelijk gt^. 



281 

gt^n mëdém daèëru ena (Ib., bl. 71, r. 10 ▼. o.), iA b^hotf dete vrwi» ggengint 

ie beslapen, Dat dit kina oonpronktlQk 't zelfde is als het bff 't pasntf 

gebeaigde (^ 101), Iffdt geen twijfel. 

3®. sai * (bijvorm salt en sadi). Dit woord, dat we boven (§ 154) 
reeds in den verbalen vorm gehad hebben , wordt vóox *t praedikaat 
geplaatst, en beteekent 

a, duur van 't geen 't werkwoord of het als praedikaat optredend 
woord voorstelt, zoodat we het met steeds, gedurig knnnen wederge- 
ven; b. V. sai monanffan do ibana (Ib., bl. 169, b.), steeds won hij; sadi 
hosuran ihana mangan boras ni samèuèuho» i, hy was steeds verzadigd van 
Heten van die rambutan^vruchten; sali bott ma ninna parkata nijfidong i 
(Ib., bl. 87, m.), steeds aldus was de inhoud van 't spreken van dien vogel; 
sali so ma ibana di si, hij bleef steeds aldaar (op gezegde plaats); unang 
ho sali tangia, ween niet steeds.- dung ni sai nutrhusari ma ibana, daarop 
peinsde h^ steeds; dung ni sai di-paima, daarop wachtte hij er steeds op. 
Met deze zelfde beteekenis bezigt men het vaak voor een actief ^ dat 
als subject optreedt van het passief van een werkwoord , dat een waar- 
neming, b. V. door 't gehoor, van een zich herhalend of gedurig plaats 
hebbend feit beteekent; b. v. hu-bege sai marsurak-surak , door mij werd 
géhoord steeds juichen (ik hoorde steeds juichen); hu-begé sai margotsi^ 
gotsi, ik hoorde steeds muzjjk maken, 

b. De stelligheid, waarmede de spreker zijn overtniging uitdrukt, 
of verlangt dat iets plaats hebbe; b. v. sai na ro partunggu tu ho (Ib., 
bl. 262, o.), zonder falen zullen schuldmaners tot U komen; sai na mo- 
nang do ho (Ib., bl. 269, o.), gij zult steUig de overwinning behalen; sai 
ro do i maridi tu toru on, die züUen zich hier, ik ben er zeker van, ko- 
men baden; di si hu-suru maralap ho, sai ro do ho, zoodra ik U laat 
halen, moet gij zonder falen komen; moto ibana do tutu, sai hu-tyop do, 
indien hij het werkel^k is, dan zal ik hem stellig pakken; molo sai ogung 
ni daoppung on ma di ho, zoo niets anders dan deze ogung van Grootvader 
aan ü z^ (zoo ge volstrekt dit muzijkbekken van Grootvader moet 
hebben); unang tarida on, sali bunihon do i, opdat dit wiet gezien worde, 
verberg het vooral; een ander voorbeeld bl. 204, 1**. Dikwijls leidt sai 
een hoofdzin in, waarin een feit als onvermijdeiyk wordt vermeld, 
terwijl de vooi^aande bijzin een voorwaarde of veronderstelling in- 

!Niet te ferwarren met sa-i (bl. 268). 



282 

houdt; b. ?. indiea ge de bestemd» portie z^t van een tijger, al blijft 
ge ook te huis, uti ro do i mangiUêp iba (bl. 240, i^'.ion een ander voor- 
beeld zie bl. 205, r. 1). Verder wordt het ook in een dringende wensch 
gebezigd; b. v. aai gabe ho pintuu ni anakmtf vees gelukkig door uwen 
sooH gesegend; aai koroê kamé^ moge het ulieden eieede welgaan f Met 
do teven» achter 'tpraedikaat, bezigt men het ook om een vergel^king 
als volmaakt voor te stellen (§ 166). 

M. bezigt tang, laing of laeng (zuid) en laH (noord); b. f. anggo lang di- 
80% do o, mate do o di-baen amamu (Ib., bl. 129 r. 15 v. o.), vtKüizoogij steeds 
kier hUjft, guit gij door uw vader gedood worden! loet na eongon i pakkuling 
ni landuh (J 121, l*); laing (zie Ib., bl. 236, r. 19 en bl. 237 r. 10). 

Ö. bezigt ook mértahan (bl. 272) in het in a vermelde geval, maar overi- 
gens ii-kaU of tipat, b. v. ulang ko tipat tangit (Ib. bl. 231, r. 10), ween niet 
êteedê: ulang Hpai dahéru idi dokken kene glhrar purmainku idi (Ib., bl. 105, 
r. 4 V. o.), gegt niet steeds "die vrouw" als naam van mijne sekoondochier (vgL 
ook Ib., bl. 86, r. 8); H-kali dokkht ngo i-tulus naposonta idi enz. (Ib., bl. 2, 
r. 1 V. o.), gij moet ongen kneókt hevelen ket te goeken (vgl. boven bl. 



4^. k^dtt of Mndn (bl. 29, Ja/tt.) beteekent voorqfy te voren; b. v. 
naing ku^Mo h^dn arga ni hudjur on, ik wU ^foorafde waarde van deze 
lane weten; pahowa hindn di au^ meld kei mjf vooraf; ham hinén nra do- 
kot asom tu balanga », doe vooraf zout en limoeneap in die èalanga. Ver- 
der ei^enÜ^k; b. v. odAig * kijdn landong dipipi ni ei-pandam , er was 
eigenil^k een doodvlek op Fs óovenwang (P. nu had een doodvlek op den 
boven^wang). Qevolgd door do stelt het 't geen ^t werkwoord voorstelt 
als iets dat plaats gehad heeft, en in een oonditionelen zin als in 
de toekomst reeds plaats gehad hebbende; b. y.lU-gadji kindn dopa^ 
ngaloppa, ky kodden kooker voor loon geëngageerd; molo na éuèu kinén 
do anakkn, zoo mijn zoon zal geboren e^n; au ku^oio kinén do ham te 
eme lobu, wat mjj hetreft^ ik keh vooraf geweten , dest lohtp-r^st naar drek 
stonk. Gevolgd door ma drukt het of een sterk verlangen uit naar 't 
plaats hebben van 't geen 't werkwoord voorstelt, of een sterken twij* 
fel ; b. v. mate kindn ma kOf crepeer I (ik wou, dat je reeds dood waart); 
di-lefan ko kjjén ma i, nu/ gij zoude dat gevent (ironisch: alsof gq het 
geven zoudtl); tamtasa k^ém ma ko, na sm dae ko^ koe zoude zg Uwü* 
len kMenJ gij zijt zoo l/eelük!; oio kijdn ma i gok^ koe zou dat ooU vol 

* Zie f 148, r 



283 

kunnen wordm! Na een Bubstantief en zijju bepaling heeft hijon den zin 
van ons adjectief eigenH^ky echi; b. ▼• batak M$Um do, het is m» eMe 
Batak of h^ is eigenil^k een Baiak (nu wel is waar een Mohamedaan, 
is hQ oorspronkel^k toch een heiden); pangiei ni knfa i kmén^ de eigene- 
lifke bewmere van de huta (die in de hnta te hnis hoorden , in tegenstel- 
ling van de genoodigde personen, Ib., bl. 270, r. 14 t. o.); di^topaé M» 
nipaima i k^én, hij ging naar de oorepronkelfk door kern bewoonde knia 
(naar de hnta, waar l^j te huis hoorde). Achter een yraagw. eindelQk 
heeft dit woord den zin van ons andera om op 't viaagw. den nadruk te 
leggen in vragen, die men doet uit bevreemding, dat iemand iets an- 
ders heeft kunnen denken; b. v. aka Viên na ktda diSaen narotnaon^ 
indd naing manabung, wai anders ie 't geen ik ga doen omdat ik kerwaarU 

gekomen ben? i» ket niet om kamen te kloppen? Verder in vragen uit 

ongeloof gedaan aan iemand's beweren; b. v. na eo tarkona k^dn do ko^ 
kebt ge dan den t^'d er niet toe gekad? (Ik geloof niet, dat het u aan 

tgd ontbroken zonde hebben). na k^d» of na kindn (zie Wdb.) is 

geheel by woord van t^d (bl. 248, 4"*.). 

M. bezigt ook na Mtianan, dat een attributief optredende comparative vorm 
sch^nt te zyn (bl. 214), dikwfjls als adjectief; b. v. iehe ma si-èauH pe^fel tu- 
, laba na Mnattan, JB. P. ging naar de vroegere hamferloodê. 

D. bezigt Hn; b. v. laembelgah kin (ib., bl. 215 o.), het eigentUjke grooie 
taaier in tegenstelling yan een beek of rivier sproi^'e; mi IHasna kin (Ib., bl. 155, 
r. 12 V. o.), de eigenaar van 't zont ging naar gijn eigentlijie plaati (naar de 
plaats waar BQ boorde); in een vooraan staande indirecte vraag, waar barang 
(boven bl. 235) weggelaten wordt; b. y. i-diie kin mo amija i-bakin kono, en- 
gH kono (Ib., bl. 235 r. 17 v. o.), herinner ÏÏ, waar ge hei eigewtUjk voorheen 
hebi geplaaisi; en achter een vraagwoord, dat door barang onbepaald is gewor- 
den; b. V. barang si-kade kin, welke H-kade (bl. 238) ook g\j hem tot naam goed 
vindt te geven (Ib., bl. 34, r. 7). Overigens als in T.; b. v. ni-kuio kïn mo për- 
dalanna (Ib., bl. 208 m.), worde vooraf de aanleiding er van onderzocht; i eadena 
kin, daar ginds eigentÜjk is de groote rivier (boven , bl. 277 n.). 

5"". n^én. Pit woord schqnt eigenüijk te beteekenen, en doelt te- 
vens op een voorgenomen handeling, die niet volvoerd is, maar het 
wordt ook dikw^ls gebezigd om den aangesprokene van iets te verwit- 
tigen, en vaak ook om hem van 't tegengestelde van 't geen hij denkt 
of denken zoude te overtuigen; b. v. begasa ba inémgl maronan do kami, 
manabung kamt n^dn (Ib., bl. 136, m.), toen z^n moeder meende, dat 



2S4 

hij en zyn makker niet naar de onan waren gegaan, zeide hij: %oe 
dat? moeier! w^ sjpt tcèl naar de onan geweest, wü kebbem^ weet k, kauen 
geMopi; vngima do wjék (Ib., bl. 68, o.), hoewel ^n tegenpartij van 
iederen worp in cya eigen voordeel ^^djwdj^ zeide, was de worp toek 
sifn erediimm (was hij, en niet zijn tegenpartij de winner); ^anggo na 
kiê4cpol, daitdang do n^én radja unimdn do n^dn, naimg di au èoruna i 
(Ib., U. 57), dien ik kom opzoeken is Oom eigenü^k, B. U. namenlek y 
ik wü z^n doehter tot vroaw hebben; na mané^alaki pidong na maló mar- 
haia-hata do au nijdn (bl. 71, o.), ik zoek, moetje weten, naar een vo- 
gel, die mfteken kan; na tarmndja do rnmia nanda di kanma ni kalak, 
na masidaoan nijdn nasida nattomari, zij is, zegt zij, door een nmdja op 
iemand^» akker gewond; ejj woê namenÜijk gisteren aan 't zoeken van pad- 
destoelen (zij ging uit met 't doel om paddestoelen yoor groente te 
zoeken); ro ma babijat, sai di-gair ma tano mambuwat appodi n^dn, 
^latsowada dapotsa do, de tijger krabbelde steeds den grond om, met 
het plan de appodi te vangen, maar hy konde die toch niet vinden of in 
zijn macht kragen. Dikwijls staat de zin, waarin het gebezigd wordt, 
in tegenstelling met den volgenden , dien wij met maar zonden aan- 
vangen , maar 't Bataksch vaak zonder een ooigonctie op doet treden , 
of wel zoo als in het laatste voorbeeld met een conjunctief woord ak 
lalsowada (bl. 266), matuwa sow€ula (Ib., bl. 71, r. 1 v. o.), enz.; b. v. 
indadong nijdn utangmu di au, di-baen na dung male do au (Ib., bl. 139, 
m.), uw schuld aan mij is het eigentlifk niet, maar omdat ik reeds hon- 
ger heb. Dikwijls is zulk een voorzin, zoo als de laatst aangehaalde, 
negatief, en de volgende zin vangt dan met alai aan; indd tung adóng 
utangmu di au, alai nunga male au (Ib., bl. 140, onder), er is niet 
zoo zeer een schuld van u aan mij, maar ik ben hongerig; indd tung 
di'lele halak au nydn, alai naing di-djokkong si-boru tandan di bulan, 
niet zoo zeer wofd ik door iemand vervolgd, maar H^vfvrouw T, d, B, 
wil m^ met geweld vasthouden. Voorts wordt n^dn in hoofdzinuen ge- 
bezigd, om te steUen, dat iets gebeurd zonde zijn, zoo er niet iets 
plaats gehad had, dat het verhinderde, 't Verhinderende wordt in den 
volgenden bijzin uitgedrukt, 't zij met al^ of niet; b. v. di-soro babijat 
i ma n^dn ailt , enz., de tijger zoude den ever in zijn klaauwen gekregen 
hebben, maar, of zoo ni^t enz.; di-tahu ma n^dn na tijo i, ba sduk ma 
na litok i, hij zoude het hddere (water) opgeschept hebben, nfaar daar 
trad 't troebele in de plaats er van; di-pamgorhon ma n^dn tu hutanasida, 
di^tadikkou fna nijd» si-robar di tano pulo horsik, re ma muse alogo 



285 

euz., h^ zoitde regUireeki naar hunne htda gegaan zjjn^ en R. op 'tei- 
land ff. aektergehten heöben^ maar een wind kwam weder opzetten, enz. 
Zulke tegenover elkander staande zinnen kan men omzetten door na- 
mentlijk den bijzin met amt oiaiik ($ 162) in te leiden, en in den 
hoofdzin nijdn te bezigen ; de bijzin stelt dan 't niet gebenrde als ge- 
beurd te z\in, terwijl in den hoofdzin, die vaak vragende is, 't tegen- 
gestelde wordt gesteld; b. v. atik boti ma di-dok, adóng talu aUmi ni- 
jén, adóng nijdn monang ho, zoo hi§ zoo gesproken had, zoude dan uw 
tegedpartif ooerwonnen z^'n, en zoudet gij dan overwonnen hébben? aut oio 
anakmuna i baen helakku aha na podó n^én, indd mamilUt ma au di 
artamuna i, zoo uw zoon mijn schoonzoon wilde zijn, wat zoude er dan nog 
zijn? zoude ik dan niet uwe schatten maar voor 't kiezen hebben? aut ni 
inddng hwsamdalutton di ulotsu, di-buwat do nijdn, zoo ik het niet in 
mijn Meed had gewikkeld, zoude hij het genomen hebben. Maar ook beide 
zinnen kunnen nijdn hebben; b. ▼. atik na éffolo (U-undang ho nijdn 
aso indadong saué di^owan ho nijdn manuk ni si-djonaha inon, aso t»- 
daong saut hamd marmsêsu i nyan, indaong' si^djonaha n^dn mdmumi, 
indaong ho maiean (Ib., bl. 277, m.), had gij er eerst de prorf van geno- 
men, zoodat ge J>fs kip niet mede genomen hadt, en g^lieden geen oorlog 
met elkander gevoerd hadt , dan zoude Bj, niemand der uwen gedood en 
gij geen manschap verloren hebben; aut ni adóng nijdn dapot au si-panga- 
non na tabo, indd hamuna do n^dn mangatten, zoo ik. iets lekkers te eten 

had kunnen krijgen, zoudt gij het dan niet eten? Met do (§ 165) in 

een hoofdzin vermeldt het een werkely kheid , waarmede 't geen de bij- 
zin bevat in tegenstrijd is; b. v. dejdk do nijdn duhut gagatonna , alai 
mam^'ang do horho i (Ib., bl. 70, r. 4 v. o.), overvloedig was wel is waar 
't gras, dat zij konden eten, maar de buffels waren toch mager, 

M. bezigt nijdn meVtapi (= alai) in den volgenden «in niet zoo dikwflls; een 
voorbeeld is denggdn do nijdn ari ni na topak i, iapi sa-oiik ma taiana (Ib., 
bl. 19 m.), de dag van hei geboren kind is wel is waar gunstig, maar er ont- 
breekt iets aan (vgl: bl. 9 r. 16 t. o. en 20 r. 2), In een voorain met gari 
(I 162), terwijl de hoofzin vragende is; b. v. gari dapotan au nijdn boru ni 
radjanami tolu, ifidu tumpukmu do i sang-kibung (Ib., bl. 38 r. 16 v. o.), zoo 
ik Mejuforouwl drie visscben had kunnen vangen, zoude dan niet een van hen 
uw aandeel zijn? DikwQls wordt hier nijdn achter een om den nadrak voorop 
staand subject gezet; b. v. toen ieder der kamferhalers gezegd bad, geen droom 
gehad Ie hebben, zeide Baun Pedjel: au nijdn, ro do nipikku (Ib., bl. 8, r. 13 



286 

▼. o.)» ii dMormUêgen, wèi is mifn droom gekomen {ik heb «èl een droom gehad). 
In dit Toorbeeld is de tegentlelliBg goed te zien, mur siiUn ie niet 't gevtl in 
au m^ém, gijoi dohot au markapur (Ib., bL 2 r. 8), ik, meet go weten, wil wiede 
kernver gemm toeken; hetak Aula ho mijdm betak dongen , mmekien e^t gij eigent' 
lifk een werweut van een 'andere merga miteekien een tan deedfie. 

J). bezigt mèmnkhi: b. ▼. kakum begu m hapa ngo nèendOn ëmpmn H-mèKg- 
gërii kuijapi idi, kaea hoge kul^api mat-eëUdo ninaf, too k{j werkd^k vadei^t 
geeet was, de ëmpün, die die kutjapi tokkeU, wattrom tegt kij dan "kei ie geiijk 
de ku^api van Selido'e vadert ku-ènlai nëmukën ei-sada patong ena, pë^umpa 
aku (§ 8) dmt hae përmakan kamèimg ent. Qh., bl. 188 o.), U tonde dete eene 
petang pabnwQn wtedegebragt kebien, maar ik ontmoette ieaiand, die geiten koedde, 
enz. Men gebruikt ook nemm, maar dit kan ook in een hoofdzin stelligheid in de 
toekomst aandoiden; b. ▼. mnda mada mobak pëddk ni gnm, Aëlat mwalnk ber^ 
ngin ena éfjumpa mo nbnu bijakat idi Qh., bl. 102» r. 11 ▼. o.), too 'tonder^ 
w^ van mifn leermeeeter in 't wiekeien niet afwijkt, dan tal binnen dete week 
de t^ger geeangen t^n; maar kn-bére ngo nêmu tada kene, ena alé tuwang enz. 
(ib.» U. 182, r. 18 ▼. o.), ik tonde U een geven, maar mi broeder! enz. Ver- 
der in conee z sife Toorsinnen; b. ▼. kn-imum pe nhau huUd poUmn idi, otang 
bang ei'kt^ëngido bamn nari (Ib., bl. 180, r. 18), koewei ik uw palwtw^ etraki 
gedronken keb, ket wat niet omdat ik kern van u venookt. 

6*. laning of tdaning (§ 22, III). Dit woord wordt in twyfelende 
wagen gebezigd, in dezulke iiamentlijk , waarop men geen beslissend 
antwoord verwacht, zoo als b. v. als men zich-zelf een Traag doet; b. v. 
hejasa ma on mamijang laning (Ib., bl. 70, o.), waarom zouden deze buf- 
fels mager z^n? na tutu do i ulaning nudok ni hulUsulia t, zou Hwaar 
zijn 't geen die hulis-kidia zegt? aha ma hu-baen laning mamalo9 hapan- 
Jeun ni amang-uda », wat zoude ik toch doen om Oom* 9 handelwijze met 
gelijke munt te betalen? anang ^ aha ma ulaning mambuwat ugasatti, wat 
zoude toch mijn goed weggenomen hebben ? indng anang ise ma ulaning 
nappunasa on, heden/ aan wien toch zouden deze dingen toèbehooren? 
songon dija do ulaning na tubu i (Ib., bl., 4 r. 9), hoe zoude toch *t pasge- 
boren kind er uitzien? anang na hehd do laning hita on sogot (Ib., bl. 65, 

m.), wat zal er toch van ons beiden worden? In plaats van ulaning 

is in zulke vragen ook lefatni (IB*) in gebruik; b. v. befasa ma indadong 
martanduk on lejatni lombu on (Ib., bl. 140, r. 9 v. o.), waarom souden 

* Zie S U7. 

* Zie bl. 251* . . 



287 

deu rundöeetten geen korenê kMenf (vgl. ook aldaar r. 8 v. o.); na n- 
jan é^a do ibana UjfUni mardakiM (Ib., bL 154, o.)» waar langt mmde 
hij gjfH weg genomen hebben ? na tv d^a do lao l^atni boru-ioru nappuna 
éopón, vferwaarU gou de orontp, aan «ie deze eopo ioebehoorit gegaan z^n? 

M. bezigt luwani, ulaning, ulatn (Noord, ) 25) en Iwoai of ruwai (Zuid); 
b. y. di art aha ma ulani topaXt si-manarenghu i, op weihen dag zoude ih gebo" 
ren zijn f Met iehé (zuid. iijê) tevens om de terlegendl^eid, waarin men is, welk 
besluit te moeten nemen, aan te doiden; b. f. bijd ma luwani iehé panaekku di 
on (Ib., bl. 49 m. *), hoe zoude ih dit (och moeien beklimmen? (boe moet ik bet 
aanleggen, dit te beklimmen P); welke woorden een vraag z^n, die hy zicb-zelf 
nit verlegenbeid doet; songon dija ma u-dohon ruai iijé (Ib., bl. 258 r. 6), hoe 
zou ik hei moeien zeggen? ite do ulaning on (Ib., bl. 129 r. 3), wie zoude dit 
zijn? In 't zuiden bezigt men ulaning ook in een dringende vraag, waarop men 
gesteld is antwoord te kr^g^; b. v. iano dija ma ulaning on (Ib., bl. 130 m.)» 
19^2^ land is dit toch? alak iodingkon dija do o ulaning (aldaar, onder), iemand 
van waar ioeh zijt gij? In 't noorden bezigt men in dit geval nakngi (16^; b. v. 
aha nakngi anggt baenon ni amang-borungku di-baen di-suru alap halani da' 
mang, wat ioeh mijn waarde! heeft mijn oom ie doen, dat hy Vader laai halen? 

D. bezigt endija; b. v. kade htdija phnuwatku piduk idi dëkët linaiang data» 
idi (Ib., bl. 141 b.), wat ioeh zoude mijn middel wezen die vogel» en klimdieren 
ie vangen? rap dike mam htdija dalan mênangkih mi daias, waar langt ioeh 
zoude de naar boven gaande weg zijn? (waar langs moet ik naar boven gaan?),* 
ënggeui piango tja lèndija mengupahi (Ib., bl. 159 m.), zoude hij genegen z\jn 
bezoldiging ie geven aan enz.; kade ngena htdija (Ib., bl. 246 r. 2 v. o.), wat 
zoude dit toch zijn? kade mo dosangku èndija bai begu barang bai djUma (Ib.» 
bl. 118 o.), wat toch zoude ik jegens de geesten of wél jegens de mensehen mis^ 
dreven hebben? Nog een voorbeeld, zie Ib., bl. 22, r. 16. 

T. apdld. Bit woord schoot ^ meest orereen f e komen met ons 
juiei, waar wij het yóóx een woord plaatsen om ér een b^zonderen na- 
druk op te leggen , en doelt op de noodzakel^kheid van H geen door 
H achter staande woord gezegd wordt; b. v. molo apald di eon makama* 
iean, behd baenon^ zoo juist hier de plaats van sterven moet z^n^ hoe ie 
doen? aha ma apald ngomgór hita manggagai, wai moet het zijn, dat tcij 
^verig grazen? (wat behoeven wij met grazen zalk een haast te nia^ 



* Vgl. Ib., bl. B r. 9 V. o., bl. 6 r. 18. 



' Zie boVen U. 36 a. 



288 

kenP). Zulke vragen, waarin de dringende noodcakelykheid van iets 
betir^feld wordt, drukt men ook door gird tu dya (spoedig waar toe?) 
uit; b. T. giré iu d^a hita mangula (Ib., bl. l4\ m.), wai bekoeven w^ 
fjm mei dem vddarbeid te haasten? Voor een substantief, of als sub- 
stantief optredend voornaam w., kunnen w^ het met ze^s wedergeven; 
b. T. apald i nude di-baen hamima, zeffs die ie door u gedood; apald si- 
anak ni namöoru indéng na podó mangotiop eusukki, tung ibama djumolo 
mangotsop susukkt, zelfs mijn lieve bruidegom he^ nog niet aan mjjn bor* 
sten gdnrkty en zonde hjj dan eerder er oom hurken? Waar het voor- 
afgegaan door anggo ({ 165) vóór een woord staat, om op iets als zeer 
gering te drukken, wordt het niet zoo vaak als j?a2a (8**.) gebezigd; b. v. 
anggo apald i do murd do i baenon, zoo het dat slechts is, gemakkéUijk is 
dat te doen; anggo apald i do na np<iokmu tu au, bowasapala di-sejat ho 
manuhnt di bowan ho indahammi, zoo g^ niets anders aan my te zeggen 
hebt, wat behoeft gy uw kip te slagten en uw ryst ie brengen? anggo apald 
manopa do di'dokkon ho au, bowasa apald di-bowanhoindakammu, zoogy 
mjj niets anders wiU laten doen dan smeden, wat behoeft gij uwe rysi mede 
ie nemen? anggo pala i do Onandakkommu anggo babi na di alaman i indd 
di-boto do i, zoo gij slechts die wichelkennis op uw bezoek medebrengt, 
de varkens op het erf weien het immers ook; anggo pala i do mudd do 
daonnt, als het niets anders is, gemakkelijk is H geneesmiddel er van; 
anggo pala susumt do di-pisai inddng sanga bohd i di-paboio-boto si- 
anak ni namborum, zoo die kerel slechts in niets anders dan in uwe bor- 
sten knijpt i dan is hei niet van belang, of uw bruidegom het weet (dan kan 
uw bruidegom het vernemende, zich zulk een kleinigheid niet aan- 
trekken). Verder heeft het ook de beteekenis van ons zeer niet 

alleen voor kwalificatie ve als praedikaat optredende woorden, maar 
ook vóór een verkorten zin, die als adverbiale bepaling optreedt; 
b. V. di-hatai radja i begu na sijar i, apald denggdn, de vorst sprak den 
iuspirerenden geest aan, zeer schoon geschiedde het; di-tibal djuhut i di- 
aias nindahan, apald denggdn apald uit, hjj legde 't vleesch op de ge- 
kookte ryst, zeer schoon en fraai geschiedde het; iaktang do gota na di 
tanganna i, apald sa-otik, de gom, die op zijn handen was, raakte los, 
zeer weinig was bet; anggo apald na pogos do na marharoan i, manuk do 
sada di-baen parharoan ni anakna i, zpo in der daad arm is, die H feest 
viert, dan wordt door hem éen kip tot maal gebezigd ter viering van de 
geboorte van zjjn zoon; i ma sada apald na tabo ptdong panganon, dat is 
een vogel, die zeer lekker is ie eten. Vóór een attributief optredend 



woord wordt het slechts zeldeu gebezigd; een voorbeeld is: aso hu-iak' 
kup dakka ni sambubuhon apald parioru on, opdat ik deze onderste tak 
van den sambuèuhon grijpe, Met de negatie so hebben we het bo- 
ven (bl. 272, 7*.) reeds gehad. Achter indada en vaak voor een 

passief-verbaal substantief wordt het zeer dikwijls gebezigd in hoofd- 
zinnen, waarin een noodzakelijkheid wordt ontkend, terwijl men in 
bijzinnen liever van pala (8®.) gebraik maakt; b. v. indada apald êautto- 
nokku hamuna, ik behoef ulieden niet te complimenteren; indada apald pa^ 
ngiron kamuna, sunut-suntd manuk ma hamuna, gij behoeft niet feestelijk 
getrouwd te worden , gaai mtmr als de kippen b^ elkander in de kooi; in- 
dada apald m^rhara pangordang dainang indada apald marhara pamoni 
dainang tijan ruma, Moeder behoeft geen pangordangs en pamonis van 

de huta bij den veldarbeid te hulp te roepen, In een uitroeping wordt 

het gebezigd, waar men de onwaarschijnlijkheid van 't geea iemand 
beweert of denkt wil doen uitkomen; b. v. apald Tóba au, alsof ik een 
Tóba wast (hoe kunt ge denken, dat ik een Toba ben?); apaU hundjop- 
pon ma i nakkin i, alsof ik hem straks had omvergestooten / (hoe kunt 
ge denken dat ik hem heb omvergestooten?); apald sa-dija dao i, alsof 

het bijster ver was! * In een dringend verzoek bezigt men het ook, 

en is het misschien het Maleische apa-lah; b. v. angg^at ma apald ho 
mangoli alé hahdng (Ib., b1. 61, r. 4), ga gij dan maar een vrouw koo- 
pen broeder! Zoo ook met ija voorop; b. v. ij apald patuduhon ma di au 

(Ib., bl. 67, r. 3), toon mij toch, enz. Met s&- er vóór leidt het als 

conditionele conjunctie een bijzin in, waarin de noodzakelijkheid wordt 
uitgedrukt; b. v. sapald mangatten ho di au (Ib., bl. 76, r. 10), zoo gij 
jnij volstrekt wilt of moet opeten, enz.; en verder in een verzoek; b. v. 
sapald ho anggt na lodja (Wdb. bijv. bl. 527; zie ook Wdb. bl. 143). 

8®. pala. De eerste beteekenis van dit woord schijnt toereikende te 
zijn; b. V. na so pala inumon, dat niet in zulk een hoeveelheid voorhan- 
den is, dat -hei gedronken kan worden. Voor een telwoord bezigt men het 
om op 't getal een nadruk te leggen, dien wij wedergeven kunnen met • 
tot zelfs; b. V. tu aha manuk i di-baen pala duwa di-buwat ho, waartoe 
die kippen, omdat gij tot zelfs twee neemt. Voorts in een vraag naar de 
noodzakelijkheid; b. v. bejasa ma pala sanga mangan horbo di-baen ha- 
muna hami, waarom moet gij ons tot zelfs op buffelvleesch onthalen? 

^ £en ander voorbeeld zie boven bl. 268 r. 2 r. o. alwaar ijapald moet ge- 
lezen worden. 



/ 
/ 



290 

Achter (mggo (zie in 7*.) en verder in condition^ bijsiiinen heeft het 
deselfde beteekenit ak apald; b. t. mclo pala maU ibami, bekd haenm, 
zoo Mj moet sterven^ hoe te doen? (andere voorbeelden, zie boven bl. 

20e, r. 10). Voorts in onechte tragen; b. v. êo pala i ma hamalu^ 

wakku, manarm panganon ni djolma so óegU, eoude dat mj^n schande met 
sijn^ spijze voor een wumster aan te dragen? (Het zonde mij immers tot 
schande verstrekken, de opdraagster van sp^zen van een monster te 

s^n). Met wea voorop bezigt men het in een vriendel^k verzoek , 

en ook in uitroepingen, waarin de onwaarschijnlijkheid van iets wordt 
uitgedrukt; b. v. uwa pala rap ma hamü djclo^ houdt elkander toch gesel' 
schap I uwa pala tikkir damang namd djolo iboto ni radja t, ga de zuêter 
van den vorst maar eens opzoeken vaartje/ uwa pala dabu ma di au boras 
ni sambnbuhon s, laat die sambubuhon-vruchten voor mij vallen ; uwapcda 
paima mqu, wacht toch op mijl uwa pala na marina au,*t is alsof ik een 
moeder had/ (nu ik zonde een moeder hebben 1) 

Aanm. Uit 't bovenst-aande bl^kt, dat apald en pala in sommige gevallen 
▼erwisaeld wordt. Of na beide woorden eigentl^jk één zijn, darf ik niet beweren. 

M. bezigt pola (ygl. D.) = ptda in de eerste beteekenis (zie Wdb.), maxr pala 
in een uitroeping, waarin men zQn bevreemding nitdrokt o?er iemand's zeggen; 
b. V. hoedanig is nw gevoelen omtrent oom (wat hebt gij voor plannen tegen 
hem), omdat hij U heeft willen dooden, zeide zD; waarop hij antwoordde: bijd 
ma pala rohangku di halant , manuhat di ko do i (Ib., bl. 196 r. 17), hoe xoude 
ik een planjegene hem kunnen hebben, ik laat dat aan U over. 

D. bezigt pëla (vgl. M.) = pala in de eerste beteekenis (zie Wdb.). 

mada këna met een eerste passief = indada apald (zie onder 2**). Voorts pala 
in dringende vragen; b. v. pala kade mo H-ni-dokkenëndene bainami (Ib., bl. 
166 b.), wat mag het toch zijn U geen gijUeden aan ons te zeggen hebt f pala 
kade mo si-iongkirinmu (Ib., bl. 67 r. 15 v. o.), wat toch it Hgeen gij bezoekt? 
(wat komt gij hier zoeken P). Verder wordt het vd<$r een woord gezet om een ne- 
gatie of een kleinigheid te versterken; b. v. medot pala mëharga kamt i-earih- 
iën (Ib., bl. 26, r. 10 v. o.), om ons geeft hij hoegenaamd niets (niet zelfs van 
waarde worden w^j door hem geschat); pala sitok mgo ku-inum polamu idi, men- 
tër enz. (Ib., bl. 180, r. 12), een weinig slechts van uw palpiwijn heb ik ge- 
dronken, en terstond hebt ge zooveel praats tegen m\j. 

9**. nunga (§ 11, b) beteekent reeds; b. v. nunga hu-ida, ik heb het 
reeds gezien, IHt woord wordt voorts zeer vaak réór een zin geplaatst , 
waarin men 't geen men waargenomen of aangetroffen heeft, vermeldt. 



291 

Het leidt een praedikatieTe bepaling van 't subject in , en wordt als zoo- 
danig dikwijls door sai (S**.) gevolgd; b. v. dida ma parbuwe w rukkimg 
banggik nunga sai marrara ^ di-haen lamunna (Ib., bl. 1), door hem toerden 
gezien rukkung-hanggHe-vmchten , rood zijnde wegens hunne rijpheid (hij 
zag rakkang-banggik- vrachten, die rood waren van rijpheid); di-bereng 
ma pidong i nunga sai gumüing-güixtg di asama i, hij zag den vogel zich 
in zijn nest wentelen; di-dapot ma inana nunga lokkot di rere (Twist van 
S. M. en D. D., bl. 16, r. 7 v. o.), hij' nond zijn moeder kleevende aan 
een oude mat (zoo behoeftig, dat zij zich met een stak mat moest klee- 
den); di'dapot nunga adóny modom laU-lahi di djabuna i, zij vond 'n 
man in hare djabu slapende; di-tatap ma lajang-lajang mandidohot manuk' 
manuk patija radja nunga sali hundul di batu tandjung tolu ^ hij zag uit de 
verte de Mandi-zwaluw , en den henelvogel P, R. op de rots T. T. zitten; 
di'bereng ma tubuna e', dida nunga marpajahan onom, z\l keek naar 't geen 
zjj gebaard had^ en zag zes liggen; dida ma taoar i nunga sadi gurguran^ 
hij zag de tawar in sterke gisting; djuppa nasida ma tabu tutung nunga 
marbungai *, z^ vonden tutung-suikerrietstokken in bloei slaan; na so sU' 
rat ni ramos do borasna di gindjang, di toru pe na marurus nunga dardk 
dida (Ib., bl. 69, r. 2 v. o.), zeer taïr^k waren de vruchten van dien 
boom boven, onder ook eag h^ de afgevallen vruchten in menigte ver- 
spreid liggen; nunga mamgcngós di^egé nasida , zij hoorden den vogel met 
zijn wieken een snorrend geluid maken; nunga saé-sa^é bonana i didacfjala 
nunga bot ari dida (Ib., bi. 77, r. 1 v. o.), hij zag dat de boom onderaan 
geheel schoon was^ en bemerkte ook dat het avond geworden wa»; dida ma 
baijon pandan nunga aai di-patornong do di pargadongan i (Ib., bl. 18» 
r. 6 v. o.), hij zag de pandandechtbladen in r^en geschaard op de gadong 
akkers staan. De constractie kan ook zoo zijn, dat e^rst 'tsnbject ge- 
noemd wordt, en dan nunga met de vermelding van 't geen men aan 
een deel daarvan waarneemt; b. v. dida ma si-boru tunggtd di êjudji 
nunga eali pattdudak susuna (Ib., bl. 6S, m.), h^ zag M^irferomw T. 
d. Dj. reeds stonden hare borsten puntig naar boven (hij sag de borsten 

van Mejufvrouw enz., opgerigt staan). In plaats van nunga kan 

men ook do Ji& zulk een praedikatieve bepaKng zetten; b. v. dida hUsé 
do (Ib., bl. 101 , r. 7), door hem werd de poort gesloten genen {hjj zag 
ie poort gesloten). Een praedikatieve bepaling van 't object wordt 



' Zie boven bl. 110, 8°. 
^ Zie § 54 (bl. 113 onder). 



door een werkwoord, door na ingeleid, uitgedrukt; b. v. marnida iba 
on na rapar, zoo hij m^, armen drommel, honger ziet lieden, 

M. kent nunffa niet, en gebruikt numma (Noord) of dunff ma (Zuid); b. v. 
di-Uffi tja numma maie amanija i (Ib., bl. 24 r. 10 y. o.), hij zag, dat zijn vader 
reeds dood vat. 

D. bezigt ënffffo, dat in de gewone beteekenis van reeds ook achteraan ge- 
plaatst wordt (zie Ib., bl. 128 o. en bl. 129 b.). Overigens is 't gebruik als dat van 
nunga in T.; b. v. idah higgo kënan djëèak idi, hij zag den tijger-val iets ge- 
vangen hebben; i-hegeken htggo lot djëlma i bagasna idi, hij hoorde, dat er een 
menseh was in zijn huis; idah mo iakdlna ënggo tjibal (Ib., bl. 153 b.), hij 
zag gijn hoofd liggen. Voorts ook om een sabstantiven zin in te leiden, waarin wat 
gebeard is vermeld wordt; b. v. i-bagahkën kdlak si-deban higgo Jcita soda pë- 
narihin, éCeen of d* ander (iemand) heeft verteld, dat we het eens zijn (vgl. ook 

Ib., bl. 172 r. 17). Ook bezigt het nari (14^ acbter de praedikatieve bepaling; 

b. V. i-tatap mërsembur nari ngo piduk dèkët binatang datas (Ib., bl. 140 o.), hij 
zag uit de verte vogels en klimdieren in menigte zwermen; mh'dlijoho nari ngo 
ku-idah mi ièruh (Ib., bl. 5 m.), ii zie .het naar beneden een doorloop hebben. 

10". las schijnt een verbastering te zijn van laos * , en heeft tot eer- 
ste beteekenis worts : b. v. rutsür tijan duru las lonong di tapijan i, 
het gleed van den kant, en verzonk voorts in, de èae^daaits. Het slaat ver- 
der op duiir, en we' moeten het dan met bïj^ven wedergeven ; b. v. laspono 
boru i (§ 142), dan bUjft zij kinderloos; las êi radja i Ujang t, nog bij 
den vorst was die kond (die hond bleef bij den vorst); djadi las di ramba 
do dfolmana i (Ib., bl. 162. m.), zoodot zijn vrouw nog in de wildernis 
verwijlde; las di radja baUngUngan ma pananggaimi Qb., bl. 280, m.), 
Uwe kond blijve bij vorst B, (blijve 't eigendom van V. B). Voorts 
wordt het ook gebezigd om bijvoeging of vermeerdering van graad uit 
te drukken, zoodat wij het met nog.tn een comparatief hebben weder te 
geven ; b. v. uiang na metmet las pinametmety een kleine schuld worde nog 

kleiner gemaakt. Met de negatie sowada er achter is het vaak 

in gebruik om toch nog niet uit te drukken, maar altijd tegelijk 
met de coigunctieve kracht van die negatie (bl. 266); b. v. di-rijori 
ma tu bagasan sopo, lat-sowada dida do (Ib., bl. 158, r. S), zij ging in 
de sopo naar hem ^t^, maar zag kern toch nog niet; hij had gedurende een 

* Evenzoo beteckcnt laeng in M. eigcntl^jk doorgaan (Ib., bl. 298 r. 21); 
vgl. ook 't gebruik van lalu in 't Maleisch. 



293 

maand reeds gereisd, lat-^owada djuppaêa dopidong na tolu i (Ib., bl. 29, 
r. 1), en ioeh had h^ die drie vogéU nog niet hunnen vinden. Ook vindt 

men lai-Bo (Ib., bl. 29, r. 8). Men bezigt ook maUuwa (bl. 270) met een 

negatie; b. v. nutUuwa eowada do di-hegé eotoara nipidmg na maló mar- 
hata-hata, en toch hoorde hü 'i geluid van een pratenden vogel nog niet; 
nadat maand en jaar verloopen waren, mattuwa êoteada dodjuppa naeida 
enz., trqffm e^ toch dat geluid niet aan; hoe yele lieden hier ook zijjn 
komen dobbelen, mattuwa eo dung do talu au di-haen hdUtk (Ib., bl. 67, 
r. 8 r. o.), toch heeft nooit iemand het nog van mij gewonnen (vgl. Ib., bl. 
69, o., 71 o., 74 m.). 

M. bezigt loet, laing, laeng of lang (bl. 282); b. ▼. toen het reeds nacht 
was, loet 90 adóng na marpijo manman (Ib., bl. 52), twam er toeh nog memand 
hem roepen om te eten; lang so ngot dope tja (Ib., bl. 141 r. 12), en toeh ont- 
waakte hij nog niet; o dope H-angiahan (bl. 28, E. a,) lang so marbagas dope o 
(Ib., bl. 136 r. 12 v. o.), hoewel gij de oudste gijt, x^t gij toeh nog niet getrouwd» 
— laet = SM (bl. 282); b. ▼. anggo au, loet na hehe do^ al zjjn Vader en 
Oom ook yjyandig jegens elkander, ik ga toeh. Ook i^uwo maar aehter 't prae- 
dikaat (Ib., bl. 184, r. 10 v. o.). 

t>. bezigt mada mango; b. ▼. mada mango i-akap mërUnggahgah mi tëruh 
(Ib., bl. 5 r. 8 ▼. o.), en toch voelde hij niet, dat dat hol naar heneden een bo- 
dem had; vgl. ook Ib., bl. 6 r.8 y. o., bl. 9 r.21, bl. 189, r. 1 v.o. Ook malot 
mango (Ib., bl. 9 r. 19). Verder tunggari ngo; b. y. tunggari ngq malot mërdëpar 
i-bëge (Ib., bl. 6 r. 14), en toeh hoorde hij dat stnk bamboe niet Uetterend vallen 
(aldaar bl. 8 r. 10 ▼. o.); ook malot tunggarina (Ib., bl. 8, r. 6 ▼. o.) en tungga- 
rina malot (Ib., bl. 9 r. 23). 

11*. aUing beteekent voorzeker, voorwaar, en duidt vaak een uit- 
komst aan, die in strijd is met 't geen vooraf gezegd is; b. v. di-hoto 
do, ninna, manopa boeikkt, attóng inddng hapé di-hoto, hij zeide mijn 
jjzer te kunnen smeden, maar 't ie gebleken dat hij het niet kan; attóng 
hatu do, wel Hie immers steen ^ en niet, zoo als gij beweert, een kost- 
baarheid ; afting na paotoio-hon ($ 8) do ho hap/, gij blijkt dus een be- 
drieger te zijn. In dezen zin gaat het vaak tevens van hapé(lT,) ver- 
gezeld. Een enkele maal wordt het ook = njjdn (5**.)in een hoofd- 
zin geheel achteraan gebezigd, terwijl de bijzin met attk (§ 168) aan- 
vangt; b. V. attk song on i di-dok radja i sinabulna mangalo au, talu do 
au attóng, zoo de vorst aldus tegen mij zijn zaak had voorgedragen, dan 
zoude ik de verliezende partij geweest zyn: 

14 



/ ^ A 



294 

M. l>nigi anióng oiioiii4ig vato ia dan ita vtn voorwaar I; b. v.. «a dlmf- 
^OM anUng kapé üniinm&n (Ib., bl. 284, o.), 4ea0 vm rimg %$ waariyi fraai ^ 
oio aniónf na dtn§$am wta on i^Umm^u on, ja! waarlijk dU is êchoon^ êÜ 
nwUedsr gewaer. Verder begint mea er een lin mede, waarmede men iemand 
iet» bevedt of verlof geeft iete te doen, «oo hfj reedt aan een ander be?el 
beeft voldaan; b. t. reeds bebben wf) aan uw bevel, een bnfièl op te vangen, 
voldaan; leide de geliefde aUaf van den vorst; awióng amggi bunm Aam4 wta. 
Welnu, dood Aêm dan, mifn liovo Jongen f (lie Ib., bl. 149, r. 12, 14, 22 en 24). 

P. besigt hU9n§: b. v. niettegenstaande al m$ne moeite, Hthtg malei 
iaui JtU'kèndangi tinokor urang haja idi, is hei mij toeh niet gelukt de vrouw 
van U. K. te beslapen (Ib., bl. 74, r. 17); er is, zeidet gfj, een vermeerdering 
van die twee menseben onder, Hiëng iurpësulai si-mënongür mi ihruh enz., en 
echter hei ik iemand naar beneden gezonden, en die zegt, dat er geen veran- 
dering is. 

Aanm. Het is waarschaaniyk dat attóng een bijvorm is van tong, zoodat het 
oorspronkelijk vast, zeker, beteekend heeft. 

12°. tung stelt de mogelijkheid van 't geen gebeurt, en niet alleen 
een mogelijkheid, die van 't lot afhankeligk, maar ook die welke het 
van iemand's wil is. We kunnen het in 'teerste geval met ons mogt, en 
in 't tweede met ons in staat zijn , *t hart hebben wedergeven ; b. v. molo 
tung djuppa halak, zoo iemand hetmogt vinden; molo tung dida halak, 
zoo een ander het mogt zien; molo tung di-bunu ho au, sai mago do ha^ 
zoo gij 't hart hebt my te dooden, zult ge zonder falen ongelukkig wor- 
den; molo tung maruppak di-taba hamuna (Ib., bl. 294, r. 1 v. o.), zoo 
de boom door ulieden geveld, komt te vallen. Het wordt vaak in een 
Gonditioneelen b^sin zonder coog auctie gebeaigd; b. r. twêg sar togot 
di n-anak ni namboru, inddng be tamasa au, zoo het m^n bruidegom tor 
ooren mogt kom^n, zal hij mij niei meer unUen hebben ; tung di-euru ko ma- 
naek au, unang ho oio, zoo hjj ü mogt bevelen mij te beklimmen, wü dan 

niet. In ontkennende hoofdzinnen met itidd veronderstelt het de 

^ j ^ mogelijkheid van 't tegengestelde van 't geen werkel^k 't geval is; b. f. 
inde tung mangolu be ho, aOhunang ^ na hu*taoar, gij zoudt niet meer in 
kven zijn, zoo ik u niet genezen had» Waar geen bijjün volgt ^ ontkent 
inde tmng slechts de mogelijkheid; b. v. inda tung na Uhi hUa, wij kim- 
men niet verdwaald raken; indd tt(ttg na maeuk be iöana tu tonga ni ia- 



^ Zie no en 16a. 



295 

t^opaif (lb., bl. 12 o.), zjj kau niet èinnen de menigte gebragi worde» f ^ 
(d. i. zy kan, bij U vergeleken, niet eens middelmatig genoemd wór* 
den). Men bezigt indd tung daarom ook vaak, om iemand van een 
verkeerde meening, of wel ongegronde vrees af te brengen; indd tung 
di-baen denggaitu (Ib., aldaar), het tcoê niet zoozeer toegenê mjjn echoomh 
heid (g^ moet niet denken, dat men met elkander twistte, omdat 
ik zoo seboon ben); indd tang addng di si na so ^adi pangan'm (Ib., 
bl. 14), er is niet iets daarin y dai niet mag gegeten «orden (std a ge- 
rost, er zit niets schadelijks in). Yragender wijze bezigt men indd 
iung, om te kennen te geven, dat men niet hoopt, dat iets plaats heeft 
gehad; b. v. indd iung di^pangan aüi eme », de eters hebben de rjfst tooh 
niet opgevreten? (ik hoop tooh niet, dat de evers enz.). Natnnrlijk be- 
zigt men indada in plaats van i»ddy zoo een substantief als praedikaat 
ontkend wordt; b. v. indada tnng na so oio au hundtd (Ib., bl. 24, m.), 
die niet teil zitten ben ik geenszins (denk niet, dat het onwil is, dat ik 
niet ga zitten). Met so er voor maakt tung een negatieven impera- 
tief, waardoor een verbod veiligheidshalve uitgesproken wordt, omdat 
men vreest, dat de overtreding er van mogelijk is; b. v. so iung di^ 
pabowa Ao, tertel ket toch niet over/ (ik vrees, dat gij het mogt over* 
vertellen); so tung di-pas^ai ho tu ruma o», laat hem niift in deze huta 
binnen (ik vrees, dat gij zoo dom zult wezen, hem binnen te laten); 
eo tung hona pisomt ati, pas op dat ik niet door uw hakmes geraakt wordt. 
Ook wordt so tung gebezigd, om de oomogel^kheid uit te doen ko- 
men; b. V. so tung adóng halak na muèa tu son, hier kan niemand om- 
ders gekomen z^n; so tung adóng haporusan tu'balijan (Ib., bl. 169, r. 8)» 
want er is geen plaats, waar langs naar buiten gegaan kan worden (want 
het is ons niet mogelijk naar buiten te ontsnappen). -^^ In zinnen 
met bejasa hebben we tung reeds boven (§ 133 op bl. 206) leeren kennen, 
als een woord, waarmede men naar de noodzakel^kheid vraagt, maar 
met dit vraagw. kan het ook in een vraag, die men uit bevreemding 
over de mogelij^kbeid d^et, gebezigd worden; b. v. bejasa ma ho tung 
margowar guru^ hoe komt g^ b^ den naam van guru? (Hoe is het moge- 
l^k, dat gij dea naam van guru hebt?); Met adóng (23®.) kan tung ook 
een vraag maken, waarin men z\jn verwondering uitdrukt over iemand's 
meening, en hem van de ongegrondheid ervan tracht te overtuigen; 
b. V. adóng tung na mab^ar au (Ib., bl. 14 m.), ben ik dan bang? (Ge moet 

niet denken, dat ik bang ben). In uitroepingen oit verbézing 

over de mogelykheid, d«t iemand iets zegt, denkt of doet; b. v. tung 

14* 



296 

ko^ Hitnmn, nappunasa * (Ib., bl. 286, m.), ffVt ^^ff^ffV* hebt er aan^ 
opraak op/ (hoe durft ge beweren, dat ü die akker toekomt); 80 tung 
tomhal % boru-boru^ alsof die alleen een vrouw was! (hoe is het mogelyk 
dat gij over haar zoo spreekt, alsof zij de eenigste vrouw ter wereld 
was); de anderen, die eveh als ik het tegen q verloren hebben, hebt 
gij in uwe sopo gevangen gezet; tja tung aaaadoM tu toru ni balatuk ni 
sêpomón au di-bafakkon ho (Ibï., bl. 69, r. 20), maar ik alleen zd g^ 
hier oèder aan de trap van uwe sopo in H blok! 

IS**, bejaea (of bowasa; verkort baaa) bet. waarom? y en wordt in vra- 
gen gebezigd, die men iemand uit bevreemding over zjjne handelwijze 
(voorbeelden op bl. 205), of wel zich-zelf doet, door dat men iets on- 
dervonden heeft, waarvaa men zich geen verklaring weet te geven, 
wordende in dit laatste geval veelal ma er achter gebezigd ; b. v. bejasa 
ma indd hu-ida i (Ib., bl. 162, r. 18 v. o.), waarom zoude ik het mei ge- 
Éten hebben? Hoewel een vraagwoord, heeft bet vaak even als ons hoe 
daif 'dé beteekenis van wel stellig! Men vraagt den aangesprokene na- 
menUIjk, waarom hij 't z^ een vraag doet, of een zekere meéning 
koestert; b. v. op attóng amdng indadong saui hamu tu onan (dus z^t 
g^lieden vaartje niet naar de onan geweest^ dus is er van uwlieder gaan 
fiaar de onan niets gekomen), wordt geantwoord bejasa ba indng maro- 
fion do bami (Ib., bl. 59, o.), hoe dat^ moeder? wij zijn wel naar de onan 
geweest (hoe komt gij bij het denkbeeld , dat wij van de onan geen ge- 
bruik, gemaakt hebben?). Yan daar ook drukt het vragender wijs een 
bereidwilligheid nit; b. v. bejasa indd hu*leon (Ib., bl. 59, r. 10 v.'o.), 
waarom zoude ik het niet geven? (waarom denkt gij, dat ik het niet 
soitde wilkn geven?). 

M. bezigt bejan (Ib., bl. 44 r. 19). 

D. bezigt kasa, 

Aanm. Uit bejaaa naast bowasa blijkt het, dat het eigentlijk twee woorden 
«$)a en dtts beha of bohd 4- aaa. Dat die afleiding heden niet meer gevoeld wordt, 
/ blijkt nit de mogemkbdd, dat fx^ma nog achter komen kan, want zoo men er 

taa nog in voelde, zoude dat niet kannen, daar ma nimmer achter die conjunc- 
liè plaats kan nemen. Be vorm in M. (b^Oêi) weet ik niet te verklaren. Mia- 
sehlén ia kasa (D.) op dezelfde wfjze uit kade ■+■ asa verbasterd. 

14". namd of namand * is beperkend, even als bij ons maar, slechts; 



} Kie boven bl. 261. 



I^ 't Wdb. gelieve men date woorden bf| elkander ta zettéo. 



297 

b. V. èada namand tUos namda na ioi» r, eék deekiè wat H kleed mn hun 
drieën (zi^ hadden mei hun drieën slechtd één kleed); dan^ namand 
tjfan on^ het w slechte weinig van hier verwijderd; hOana Mn namand 
na eo marutang (Ib., bl. 81, o.), die niet venpeeld z^n^ e^n «ry drieën 
aUehU; ya nung «im raibion ni halak nmga eun dohot iaèaonna, mateinar 
namand^ toen Hweghdkken ran klein hout op den akker, en ook 't oeUen 
van 't geboomte daarop a/geloopen Was, en er niet meer was te doen^ 
dan het gehakte droog te laten worden. Verder wordt het gebeisigd waar 
men een wensch of begeerte tot iets beperkt, als 't geen waarmede 
men zich zal tevreden stellen; b. v. unang tangie namand kOy opdat g^ 
maar niei schreit (ik zal tevreden zijn, als gij maar niet schreü); aeald 
mitffur namd ho^ mits gij maar naar beneden komt. Verder om de nood- 
zakelijkheid uit te drukken in iets onaangenaams te bernsten; fa. v. 
maisadi nengél namdpinggol umbege sowarana i, zeer verdoof d slechts was 
het oor hoorende die stem van hem (er was niets aan te doen, en men 
moest zich laten welgevallen, doof door hem geschreeuwd te worden) $ 
zoo ik niet binnen mag komen, hoe te doenl iu ramha on namand au 
marmalam (Ib., bl. 101 m.), dat ik dan maar in deze wildernis ga ver- 
nachten I; anggo na maie i sori ni arina namd i mate di-baen musu ièana, 
wat den gesneuvelde èetr^, het is maar zijn lot f dat hij door 's viands hand 
sneeft. Van daar ook, waar men als 't ware uit wanhoop een besluit 
neemt, door dat men niets anders er op weet en zich dus tot zekere ban-r 
deling heeft te beperken ; b. v. nadat hij aUe middelen beproefd bad 
zijn dochter en breeder's * zoon , die ongelukkiger wijs elkander had- 
den leeren kennen, met dat gevolg dat zij man en vrouw waren ge- 
wordeu, van elkander te brengen, zinde hijj op middelen, «n.zeide.^tf- 
dpkkon namd nasida ptdik huta, mamnkka hutat^a ma nasida (lb:ibl. tö); 
ik zat. ze maar bevelen zich in een andere huta op te gaan houden, dat 
zij voor zich een andere huta maken t unang au namd di-haen ho baen 
djólmamu (bL 47, m.)> (>pdat ik maar niet door ü tot uwe vrouw ge- 
maakt worde. 



* De kinderen yan een broeder gelden bi) de Bataks voor eigen kindereii; van 
daar geen woord voor neef oi nicht, zoo het broeders Idnderen s\jn, en evenmin 
voor neef en nichi (eonsin en eovaine), zoo het de betrekking aanduidt tntecheii 
kinderen ^tji' broeders van elkander r zoodat hiervoor oök anggi, haka en ibeio 
in gebrotk z^n. 



y 



/ 



/ 

/ 



398 

K. bezigt ook Mmi nur rtüaat noaU ea ook ilomd (ZaiA); li. ▼. tffadi ulu- 
balans ètOaimg baUhmg mmd 1»m§^ (Ib., bl. M m.). *09d«d üêM» kèkiB, B. 
09€rbiêef; pëiu kmné uUmg kdlomg nomd Uêho ntra paiÊJahim§tm <m (Ib, U. 9S, 
r. 1 ▼. o.), omdenterpt uUeéê», opdat dit Umdtehap P maar wiet tem 9€rdtrv€ 
gébrofi worde; mmlak nê/md mm tu UAa on Qh,, bl. 5 o«), dtU ik maar naar dU 
htmfMoodê daar terngkearoi iu^omt^'ap namu êan^fofot Qh,, bl. 6 o.), ik aal 
margin op die penoon wuutr op de loer gaam Uffgem, Verdar wordt bet met 
éfioto gebruikt in een nitnoodiging; ta^alaH nomd éffolo tn ei-adfi «• «. (Ib.» 
bl. 46 b.)> Umt om maar teruffteeren tot Vont Jf. M, (kten wQ de draad T«n 
't verkaal weder opneiBen met ena.). Ter yereterking van een gelQkeBia; b. v. 
emumghm bauting nagowam anak domd (Ib., bl. 113 r. 1 v. o.% gdi^k eon hm- 
ting, die aijmjong oeriore» heeft ^ êkakte waa vont T. d. L. op 'talagveld. 

S. beiigt naris ^^ ▼• ièa*ibandene m^ngan nari n§o aku (Ib.» bl. 99 b.), ik 
èen deokie *t ooerklijfkel van m» maal: êëmènngkH nari ngo êi^tading eangkët i 
binangnn idi (aldaar o,\ mijn kuUel leekte ie *tgeen ooergeUeoen ie aan da 
kniepaai gekaakt; itlang to i^nmpa nari ngo ei-kipangan anakku idi (Ih), bl. 
161 , o.), ale maar gevangen wordt, die m^ eoon keteft opgegeten; pëmuwaüm 
nari ngo krnonkn bai inang (Ib.. bl. 141, r. 16), mijn middd die dieren te ne- 
men tleekts keè ik bij Moeder te bevragen; ntang i-buwat kene nari ngo buk-^ 
bmkkn idi moUk bamdene (Ib., bl. 145, r. 18), opdat gij maar niet mj^ ve- 
deren tot V temg neemt. Verder =c teké (T.) bQ 't nemoi van een beilait (( 164); 
b. V. kn^garangi nari ngo (Ib., bl. 146, r. y. o.), komi laai ik er naar toe kruipen 
opdat ik lie wat in dat nest ia. Verder aditer een praedikaticve bepaling (aie 
onder 9®.), en om een superlatief nit te drukken (boven, U. 123). 

IS"", lejatni (bijvormeo: Utjakm en l^^apm^) beteekent naar H tekent. 
Hel drukt ook one mooie», als modaal werkw., uit, waar w^ het besi- 
gen om naar 't geen we vernomen of bffloerkt hebben oordeelende, iets 



* Baar 't SnVT. ou en dan (zie \ 17) 't eebt-T. in de uitspraak Tolgt, soo 
konde l^jak (22^.) wel uit 't Maleiscb overgenomen z\}n. Dit /^r/Ail treedt als 
praedikaat op, en lejatni zonde dus te verklaren z^o als eigentl^k een substan- 
tief te zf^, dat door «t, eea oudere vorm van 't pronominaal aank. na (bl. 29, 
Jmn». 2), bepaald is; aoodat men bet letterlek kan vertalen met da waarèek^'^ 
lijkkeid er van t wat als adverbiala bepaling vaa een zin optredende de beteekenis 
van moeten of tekijnen heeft gekregen. Dit ia waarscb^nl^k door 't gebmik van 
rupa (bl. 806) en rupana. Zoo \ woord oospronkelijk Maleisch ia, dan moet bet 
blijkens dat ni zeer oud z\)n. 



%99 

voor waarsch^nl^ik te achten; b. v. tta èeyuo» mtiatkon letUm, dU water 
m9H behekd M^n (dit water moet, naar 't geeo ik heb opgemerkt te oor- 
deelen, beheket aijn); iniada é^dma kffatni panffuldm (Ib.» bl. 807, m.), 
Uwe eddaróeider» eehijnen ^m menschen ie eijn (naar wq vernomen heb- 
ben te oordeelen, moeten uwe arbeiders geen menschen s^n); 8im§<m i 
m$ l^ëM ioro ni arina (Ib., hi. 61 b, en m.)f aidut «ekjfnt zjjn lei ie 
9^n; horbo ni hegu do maim (lb., bl. 71 m.), hei moeten è^gbU van geei' 
iem e^nj do 6a indng amggc dahahang i ntagigi do hapé nuamida (} 161) 
au di^en ê^aper kmdk % on lefatni^ n-appudanna i do kaiêa maUomo m 
roha tu au lefatni héle inéng^ zoo moeder! Mijn oudere broeder is hei dus 
die m^ haait hoogsiicaarschijnl^k omdai ik een hunik-sprinkhaan èen, 
de jongtie dechis eehyni mjj genegen ie z^n, ie hei niei moeder? indadong 
maèijar ho lefaini mida é^ala ni radja i, gy schijnt voor 'ineitfan den 
torsi niei bevreesd ie zijn; si-burdjum do lefatni hahdng na maninggalhon 
au, my te verlaten, schijnt u ernst ie z^n broeder! — Slechts in vragen 
heeft het de beteekenis van laning ($ 6®.). 

M. besigt nakngi, lakngi of lakni; h. v. na morm do on nakngi (Ib., bl. 84, 

r. 5 v, o.), dii moei een vorsidijk ferêonaaé(je gijn, In dringende vrtgen 

(bL 287); b. y. tu dija ho nakmgi (Ib.. bl. 187, r. 3 v. o.)» leermterU aüt fü 
toch xoo lang geweest; ite i siadoêamnumju i nahnffi (Ib., bl. 121, r. 10), wie 
is die toch^ die broeder van uf 

X). beagt lakna; b. v. » mo lahta begu bapa (Ib., bl, 288, o.), dat moei 
Vader* s geest gijn (dat scbQnt Yftder's geest te e\|d) ; tot mo lakna këb(farèn (Ib., 
bl. 208, r. 4 ), iets ie vreeaen moei er zijn. 

16^. naütg of naeng, dat als werkwoord willen beteekent, en tevens 
de toekomst uitdrukt, wordt vaak als een adverbiale bepaling gehe- 
ugd, die we wedergeven kunnen met naar uwen wü^ volgens uwe be-- 
geerie; b. v. molo naing mangdtu anggimt paiulngom ma udjung ni horis- 
mt tu babana i (Ib., bl. 95, m.), zoo uw jongere broeder zal leven, sieek 
hem dan de punt van uwe kris in den mond (boven bl. 226), d. i. zoo ge 
wilt, dat uw jongere broeder leeft, enz.; molo naing malum sahiitóu, 
buwai ma di au (Ib., bl. 114 m.), zoo gij wilt, dat deze myn kwaal ge» 
neesi, bezorg m^ dan enz.; m>olo naeng itnang hu-pangan ho^ bowan ma au 
iu gindjang (Ib., bl. 140, r. 6 v. o.), zoo ge wiU, dat ik Unki zal op- 
eten, breng mij dan naar boven; mdo naing di ho deba, zoo gij er iets 
van hebben wilt (zoo een gedeelte er van aan U zal zijn); molo naing sai 
ruar mas na uli tian iambon ni bijang inon (lb„ bl. 222, r. 2), zóo gij 



soo 

wiU, did Heedê fraai ^aad mU dem aar» tm dim ktmd kami^ enz. Bit 
naituf en andere wiüm beteekenende woorden, zoo als b. v. s^^ daan 
in paadTe uitdrukkingen, altqd op den agens; b. v. naing di-batOy kei 
wil door iem geweka worden (hij wil het weten); aha s^olpangammma^ 

wal wil nw te etem ieU zfn? (wat verlangt gij te eten?). Geheel 

achteraan bezigt men naiag in een vraag, die men iemand doet in de 
veronderstelling, dat hij misschien er geen antwoord op weet te ge- 
ven; b. V. êwratni paaappaki on ntnng^ dUia een geschrift over *i wiche» ' 
Iem mei een cUroen; zou kei niet too z^n? 

Janm. Hinehien is mtaunmg (zie boTcn, bl. SS76) van dit utdmg een eompa- 
ratiere Torm, en ook uUanng (6**.), waarnaast ook nlaing gebeiigd wordt, hier- 
mede in verband te brengen. Diergel^ke geen begrip Toorstellende woorden met 
zekerheid af te leiden is tot nog toe een onmogeykheid. 

M. bezigt gijot; b. v. di-baen gijol di au i (Ib., bl. 248, o.), oaidai ik dien 
wil kehhen. Maar het heeft hier doorgaans de beteekenis van hegeeren ; l. ▼. 
mmda na giJot ija diboiongkt, denggdn ma i (Ib., bl. 239, r. 10), zoo ky mijn 
zuster begeert ie kebhen, dan is het goed. 

D. besigt ook nmmg (bl. 34, C), maar voegt er dikw^k katemu aehter, zoo 
het op den aangesprokene slaat; b. v. muda umng katemu mèrijan tanok ii-ni- 
pungkakmu idi (Ib., bl. 14, r. 16 v. o.), too ge wilt, dat de aarde, die gi; 

kebt gevormd, bewoond wordt (vgl. ook Ib., bl. 1, r. 10). Wat betreft ëng- 

gent *, het wordt meer gebezigd in den zin van wilUff zijn iets te doen; b. ▼. 
muda malot enggeut napotomu idi mëndengani 'kami (Ib., bl. 15, r. 4 ▼. o.), 
goo uw dienaar on» geen gezeltekap wil konten kouden, enz. (vgl. Ib., bl. 16, 
r. 6 en 7). 

17^ hape (bq vormen: hapea, kapenga, kapean, kapengan, kapengani 
en kapengamkkon) komt vrij goed overeen met ons due en dan in zin- 
nen, waarin we een overtuiging uitspreken, die 't gevolg is van een 
waarneming; b. v. aekpareaUnan ma on hapé, dit moei dus de gedaante' 
verwieseHng-rinier tijn; na 't zien van 't spoor zeide hij tu son do kapé 
di'bowan, k^ keeft kern dus herwaarts gékragt; toen haar man haar ge- 
zegd had, wat die groene dingen waren, zeide zijj asa gadong ma hapé 
gowama (Ib., bl. 44, r. 17), dan is dus de naam er van ^^gadong,^ Het 
wordt voorts vaak in een bijzin gebezigd , om den inhoud hiervan te- 
gen dien van den voorafgaanden zin te stellen; zoodat het dan tevens 

• ZicW. 37, J. II, en 38, V. a. 



301 

de beteekenis van ecni adversatieve conjunctie heeft, en wQ het met 
maar werkd^k moeten wedergeven; b. r. di-agam dfotma, hapé begu do 
(Ib., hl. 860.), hij doekt dat het een meiuoh waSy maar tcerkelijk wa8 het 
eengeeBt; hapé ko do (§ 147, bl. 234), maar ik zie, dat g^ het tjjt; di- 
agam halak na ro martaban hutana ê, ba dida ma ai-^idji pamasa hapé 
(Ib., bl. 57 m.), hij dacht dat het Heden waren die zijn huta kwamen inne^ 
men, maar hij tag daarentegen A, F, Dezelfde adversatieve beteekenis 
heeft het in een tweeden conditionelen bijzin , die in tegenstelling van 
den eerste gebezigd wordt; b. v. zoo gij het over u verkrijgen kunt 
mig te dooden vader ! dan zult gij zonder twijfel ongelukkig worden , 
hapé molo di-pangolu ho do au, eai gabe do ho, maar zoo gij mij daar- 
entegen in het leven laat, zult gij zonder f alen gezegend zijn. Achter 
een substantief, of als zoodanig optredend voornaamwoord, zet men 
het vaak om er op te drukken als op iets, waarop men de aandacht 
wenscht te vestigen; b. v. asa radja i ma hapé na mardjolmahon enz., 
het was gemelde vorst dus, die tot vrouw had enz.; asa i ma hapéina ni 
radjaüa, die dus was de moeder van Forst enz. Dit gebruik verklare 
men uit de gewoonte der Bataksche schrijvers, nu en dan de toehoor- 
ders sprekende in te voeren (van daar ook in de poda zoo dikwigls oio 

ma gure , ja. wel meester/)» In een uitroeping die met tung (12®.) 

aanvangt, vindt men het ook gebezigd, om de overtuiging uit te 
drukken, waartoe de spreker door de werkelijkheid is gebragt; b. v. 
tung ei-huwaUbuwat pinggan mau hapé {Ih., bl. 125, o.), alsof ik niets 
anders dan een bordehaler was/ (Ik had niet gedacht, dat men mij voor 
borde-haler zoude durven gebruiken, maar ik zie, dat men het toch 
doet). 

M. bezigt alleen kt^ en kapengan; b. v. toen hij de Prinses S. d. m. gezien 
had, zeide h\i bQ zich zelf t ma hapengan hom m begu i (Ib., bl. 36, r. 15 v. 
o.), dat is dus de dochter van den geest. 

B. bezigt k^^ekhi; b. v. maloi kieken tuhu (Ib., bl. 23, r. 16 v. o.), wat gtj 
gezegd hebt blijkt dus niet waar te zijn (vgl. aldaar r. 5 v. o.). 

18'. sahat * wordt vaak gebezigd ter uitdrukking van een volmaakt 
verleden tijd in bijzinnen met dung (bl. 276); b. v. dung sahat hundul 
ibana, toen hij gezeten was (toen hij plaats genomen had); dung sahat 



^ Over de beteekenis van dit woord, als werkwoord, zie Wdb.; aldaar is ver- 
gcteu buiu/ta Aasahatan. (de buik, waar 't eten aankomt), maar/. 



SOS 

ièatta ro di idÉiiii i (lb., bl. 94. r. 4), ioen m itt tijn kuia woê aoMge- 
komejt. Met ro (komen) en eea praepontie, beteekent bet, even als 
ook MAm (lb.« bl. 107, r. 18 r. o.), oMJkmm atm ({ IftS). Het wordt 
verder dikw^'ls gebezigd om een toestand , plaats of graad aia iets, dat 
bereikt is, voor te stellen, en zoo ook voor een telwoord, om aan te 
duiden, dat de daardoor voorgest^de hoeveelheid bereikt is; b. v. 
êokat pliu noU (Ib., bl. 60, r. 4 v. o.)» M sevm maal; sahat marmijang 
(Ib., bl. 89, r. 7), M mager «ordeM toe (boven, bl. 273, n. a). Op de- 
zelfde w^ce bezigt men 

eanga; b. v. êanga pUu noU (Ib., bl. 61, r. 10); wèang êanga kamt 
marmueu hnheukhm hami ma (Ib., bl. 290, r. 7 v. o.), opdat het niet tot 
een oorlog onder one kome, Uden wij den sombaon enz. ondervragen; na 
lebanna i indadong eanga lodja au di-baen mangalo naeida; ^anggo ho 
êanga lodja au hvHikap mangalo ho (Ib., bl. 69, r. 15), de anderen^ e^j 
hebben My «t^^ t^en hen tot vermoeid zijn toe doen epelen, maar gij^ ik 
heb tegen 27, gevod ik, tot vermoeid wordene toe geepedd (de anderen heb- 
ben mij geen moeite gekost, maar g|j wèl); vgl. ook Ib., bl. 75. Na het 
te voren gezegde (bl. 273) behoeft niet opgemerkt te worden, dat zoowel 
eahat als eanga in de juist aangehaalde voorbeelden werkw. z^n, die 
wij met een b^woord of adverbiale bepaling moeten weder geven; zoo 
is b. V. Bahat pUu noli {aangekomen zijn zeven malen) eigentlijk een zin, 
die als adverbiale bepaling optreedt. — • Verder bezigt men 

êappe om een bereikt bedrag of daar aan te duiden, en plaatst het 
als praedikaat, dat wij door een adverbiale bepaling moéten wederge- 
ven, terwijl 't werkwoord ab attribuut optreedt (vgl. boven bl. 198); 
b. V. eappe ma naeida tolu btdan na mardalan t, z^ waren tot drie maan- 
den, die reieden (z^ reisden tot drie maanden lang.) Om aan te 

duiden, dat de voorgestelde handeling doorgaat, bezigt men 

aaut, terw^l 't tegengestelde door eundat wordt uitgedrukt; b. v. 
djadi eaut ma naeida mardalan (Ib., bl. 138, r. 14), zoodat zij doorgittgen 

met loepen (zoodat hun reizen doorging). Al de hier behandelde 

woorden kunnen, 2^00 als men ziet, door een subst., dat als subject op- 
treedt, van het door hen bepaalde werkw. gescheiden worden, want aaut 
mardalan b. v. kan men als twee b^ elkander geplaatste werkw. opvat- 
ten, die w^ slechts gebrekkig kunnen wedergeven met doorreizen. 

M. bezigt lojmi, tibo odz. = eahat QK bl. 194, o., 133, o.), tffabai := 
saut (Ib., bl. 48, o;), maar sanffa in een andere bcteekenis (bi. 234). 



303 

D. beiigt 90h ^ #aA«/, mux soader roA (=5 ro), m ntttUI SMt «» (t Ui^); 
b. V. Ii^a $Qh ^ mi iuUmm (Ib.» U. 168, r. U y. o.) =» 4iMiy ««««i^ Oam 
r« 4Ü i«l«Mi. Vfirder iuims, dat ook üur. sqVT. U, ss #imi<, en j<mnM =» 
«wi^^ (bl. S8, V). 

19*^. at, dat ook als oonjunctie optreedt (§ 168), wordt 'geheel voor- 
aan geplaatst, en leidt een onechte vraag in, waarin men zijn bevreem- 
ding uitdrukt over iemand's bewering of handelwijze, omdat men 't 
tegengestelde verwacht had. Wij drukken 't zelfde uit door iimner» 
met of door dan, zoo de zin vragende is; b. v. at hu-dok tu ho, ik wyt 
het u immerê niet of veruit ik het u dan? (hoe komt gij er bij te den- 
ken, dat ik het u verwijt?); at indadong di-^ejat ho rahot-rahot ni patna 
% (Ib., bl. 52 m.)> hdft ge dan zjjn kniespieren niet doorgesneden? (An- 
dere voorbeelden zie onder 't woord in 't Wdb.). Verder leidt at een 
vraag in, omdat men het te voren gezegde niet begrijpt; b. v. at lehd 
parhalak ni hahamt Qh., bl. 162, r. 4 v. o.), hoedanig iê dan 't voorkomen 
van uw ouderen broeder? (hoe ziet hij er dan uit?); at aha do Ugatni na 
tinuhuhommi (Ib., bl. 4), wat is dan wat gij gemard heet? 

20*^. atik, dat ook als conjunctie optreedt (§ 168), beteekent mis- 
schien; b. V. atik na lupau di rupana (Ib., bl. 157, r. 1 v. o.), misschien 
heb ik e^n voorkomen vergeten; atik ast do rohana (aanhaling in § 148, 
4*.); attk adóng marsahii di huta ni amatia t, misschien is er iemand 
ziek in mijn vade/s huta (er mogt in m^'n vader's huta een zieke z^n). 
Wy moeten het soms wedergeven met wie weet, hoe; b. v. atik na sa- 
dya dao nari hutatta i (Ib., bl. 115, b.), wie weet hoe ver nog die huta 
van u is, 

M. beiigt ieiak; b. v. betak iuté na ni-doi mi huiing i (Ib., bl. 84, b.), 
miuehien is *tgeen de kat zegt waar. 
D. bezigt iah (bl. 284) ook = aitk. 

21^ maldm ^ (óok: baldm, bl. 68, VIII) drukt een vermeerdering 
van graad uit, en is niet alleen ons meer en meer^ des te meer^ maar 
ook ondanks dat, en toch; b. v. laat ons gaan! wie weet, hoe ver die huta 
van u nog van hier gelegen is ari maldm potang (Ib., bl. 105, r. 16), 
en de dag wordt meer en meer duister; unang pinonggolan unang maldm ro» 
dép (Ib., bl. 138, o.)» worde het niet van een stuk ontdaan, opdat het niet 



' In Dairitch sob-T. besigt men makin (210 alhier in J).). 



30^ 

nóff lager reike ;' maléin fnadungêntng ma Mn i (Ib., bl. 140, b.), de 
hawUfoe zakte meer e» meer; ntmga ba!ém rnaéuwa pamataMnt dokot pa- 
matang ninamón (Ib., bl. 65, r. 18 v. o.), m^n Ugehaam en daé van uwe 
moeder kier wordt meer en meer oud (wij worden zoetjes aan oud); toen 
men van binnen de huta de poortgrendels ter sluiting had ingehamerd, 
zeide de vorst, die buiten was, èefaaa maldm raUangommuna karhangan 
on (Ib., bl. 184, m.), waarom moet gijlieden deze poort ondanks mijn ver- 
zoek binnen te mogen komen grendelen?; maldm ro urea i (aanhaling 
in 't Wdb.), deeniettegenstaande dat naderde ket kert de zaaijers. 

M. bezigt mur (voorbeeld, zie boven bl. 240, en Ib., bl. 60). 
D. bezigt makin (Ib., bl. 12, r. 6 en 7 ▼. o.; 21, r. 11; 118, r. 14; 280, 
r. 16). 

22**. ray dat eigentlijk wülen beteekent, maar met deze beteekenis 
meer in M. gebruikelijk is, komt dikwijls in hoofdzinnen voor, om de 
toekomstige waarschijnl^kheid van 't geen 't praedikaat voorstelt uit 
te drukken; b. v. zoo gij dat reeds genomen zult hebben, ra tung ma- 
lum eahUtón (Ib., bl. 140, o.)» dan zal deze mijne kwaal naar alle waar- 
sckynl^kkeid kunnen genezen; zoo gij dat reeds genomen hebt, om door 
mij gegeten te worden, ra tt^ ma na di dalom laut (Ib., bl. 116, r. 13), 
dan zal die in de zee is, naar aUe waarscki/nlijkkeid gloren worden; 
aittap pittu óorngin nari ra midjur ma naaida (Ib., bl. 103, b.), bin- 
nen een week nog zullen zij naar aÜe waarschijnlijkheid naar heneden ko- 
men; indang he /a tardjuwa mrdokmi (Ib., bl. 221, m.), dan zal wat ge 
gezegd kebt niet meer kunnen tegengestreefd worden (dan zal er geen kans 
meer zijn, niet zoo als gij zegt te doen). In vragende zinnen bezigt 
men echter 

do; b. V. indd oio ma kami monang oio ma si-djonaha talu^ ia het 
niet waarschijnlijk dat w^ zuUen overwinnen , en Dj. overwonnen worden? 
hehd do oio do aondot gora on haiaommuna, koe is ket? zal deze twist- 
aangelegenheid, door ü besproken, kans hebhen, ten einde gebragt te wor- 
den? In deze gevallen kan men ook tevens 

toppa gebruiken ; b. v. behd do gora on toppa oio do êondot hataom- 
muna, hoe is het met deze twist-aangelegenheid gelegen? zal zij waar- 
schijnlek door U geëindigd worden? Verder bezigt men 

tumaram, dat ook in affirmatieve zinnen optreedt; b. v. behd do tu' 
mar am do sondot gora on kataotrmuna ?; en ttimiram dapot hita do i ro- 



V 805 

hakku (lb., bl. 103, b.), naar mi/n geveele» zuüenw^ het loaarsck^l^k 
kunnen kragen. Ook bezigt men 

rupa; aha ma pabowaokku i di ho sowada rupa tarpauli (Ib., bi. 105, 
m.), wat behoef ik u dat te zegden? want het iê naar (die waarschijnl^k' 

heid niet te verhelpen. Over rupant en rupana (D.) zie Wdb. Om 

van iets te zeggen, dat het niet anders konde gebeuren, bezigt men 

patut; b. y. patut ma ho taludi-óaen, het is me geen wonder^ dat g^ 
door hem overwonnen zijt. Dit patut is wel van Maleischen oorsprong, 
zoodat men liever 

lajah (of leak *) en lajap (of leap *) bezigt (zie de voorbeelden in 't 
Wdb., bl. 472 en 492, en Ib. III, bl. 240, r. 19, en vergelijk noot boven 
op bl. 298). Om onwaaraeh^nl^kheid nit te drukken bezigt men 

tagamon met een negatie (niet te verwachten, niet te denken is het); 
b. V. zoo ik en mijn broeder steeds te zamen blijven, indadong taga- 
mon djuppa hami pvdong na maló marhata'hata (ib., bl. 66, b.), zullen 
w^ denkel^k geen vogel, die praten kan, kunnen aantreffen; toen Djonaha 
boorde, dat de zaak van die beelden was uitgemaakt; indaong taga- 
mon margora he ibana di rohana ala ni gana-gana inon (Ib., bl. 313, r. 4), 
en hij dachi, naar alle waarsch^nl^kheid niet meer wegene die beelden te 
moeten oorlog voeren , nam hij enz. 

23"*. adétg. De onbepajaldheid , die aan 't gebruik van dit woord 
verbonden is (bl. 238), schijnt wel de reden te zyn, dat het ook als 
een vraagwoord kan optreden, dat wij niet kunnen wedergeven. Het 
leidt vaak een vragenden hoofdzin in , zoo de voorgaande bijzin een voor- 
waarde of veronderstelling inhoudt; b. v. atihunang di-pabowa hamuna 
ad^g binoio (Ib., bl. 2, r. 14), zoo gij het niet gezegd hadt, zoude het dan 
geweten zijn?; molo buwatommu ate-atekii, adóng au manéfjuwa (Ib., bl. 
118 « m.), zoo gij mijn hart voUtrekt wilt nemen, verzet ik mij er dan te- 
gen?: molo ttunga eongon i di-dok ho, adóng djuwahonokku^ zoo gij aidm 
gezegd hebt, is het dan door my te weigeren; nog een voorbeeld zie boven 

bl* 286, r. 7. Met tung hebben wij het reeds boven (bL 295, onder) 

gehad (vgl. Ib., bl. 169, r. 19). Zoo als men ziet, heeft zulk een vraag een 
bevestigende bedoeling, zoodat men 't zij bereidwilligheid er mede uit- 
drukt, 'tzy yragender wijs de werkelijkheid wil doen uitkomen. Verder 
wordt het ook in een vraag gebezigd, die niet van een voorwaarde of on- 
derstelling afhankelijk is, en slaat dan op de onzekerheid, waarin de spre- 

*ZieU7. . . i . 



/ 



806 

ker omtrent 't ja of neen verkeert; b. v. additg do ho margaüê dekke^ 
verkoopt gij bij geval vueh? iee adóug margadiê dekke m ni knia on^ wie 
der bewottêre van deze kuia verkoopt üj geval meek? -— - In een ont- 
kenning wordt het gebezigd, om met nadrak de onm<^l\}kheid uit 
te doen komen ; b. ?. eowadadóng tarpaiomu (boven bl. 181), want het 

/ ie 6^ geen mogelijkheid hij elkander te krijgen, Het kan om op een 

klein getal den nadruk te leggen, ook ran een negatie gescheiden wor- 
den; b. y. eo marmanuk eada kami adóng^ eowada maröaki eada hami 
adóng (Ib., bl. 203, r. 7 v. o.), vant wij hebben geen kippen ^ eêfe mei 
een, en vy hebben ook geen varkens ^ zelfe niet één. — Met na er voor, 
kan het een conditionelen zin inleiden; b. v. nadéng ei'dohonon barang 
/ di uiang gararon barang di iingir iungguon (Ib., bl. 252, m.), eoo er iets 
te bespreken ia, 't »ij omirent een te betalen echuld^ H tij omtrent een ere- 
tHium, op de betaling waarvan aan te dringen ie, -*— Voor een getal 
wordt het zelden gebezigd; een voorbeeld is di-djudjur tnaarinamli 
adóng pUn bomgin nart asa éfjuppa ari na uH (ib., bl. 50, r. 3 v. o.), 
gij tochten op de wicheltabel naar een gunetigen dag^ teven eimalem nog 
tonden er moeten tijn voor de gnneOge dag gevonden werd^ waarop zq 

enz. Zoo in twee op elkander volgende zinnen ai<% optreedt, 

stelt het onbepaalde personen tegen elkander over; b. v. adóng na ro 
adóng na lao, de een kwam en de ander ging (letterlijk : er waren die kwa- 
men^ er waren die gingen). 

M. bciigt adómg dikwQls geltjk seppe (IS^); b. v. adóng ma ifa ea^ht- 
Urn na nutnUOan i (Ib., bl. 48, r. 11 v. o.), toen kij gedurende een maand had 
gereisd (öi liever ongeveer een maand); vgl. ook Ib^ U. 49, r. O en 18; 277, r. 

4; 272, r. 8. Voort» ia eea vnag seUii fóót een vnsgwoord; adóng èffd 

mng ifa numdökon ko (Ib , bl. 189, r. 2), hoedanig wat t^n eeggen tot ut; 
adóng dida hamé èat^nngk» (ib., U. 38, r. 8), heit gijUeden h^ getal mijn Mf 

genenf (vgl. el4a«r, bl. 271, r. 18, 182, r. 8 ▼. o , 252, r. 8.) adóng 

na mangaleAen gogo adóng ma mangateken hohl (Ib., bl. 48, m.), de een gaf hm 
kraehtj de andere onkwetsbaar kmd, ens. 

J>. bedgt in vragen meettal noU, dst eigentl^k weder, wederom beteekent, 

nokter 't pnedikaat; b. v. soo gij denkt, dat het door mif vaartje! tonder 

/ moeite kan gedaan worden, mëhangke nota aku (Ib., bl. 240, r. 2), sonde ik, 

eV /'^e>y*. ^f^^ jj oiu bQstand aangeroepen, dan owwittig eijnf; indien er, segt gQ, gegaan 

V* h^^C^^l moet worden om dat er ieti te halen is O onse vorst! mhidokk^n somada hw- 

t^ <^ ..« «^ gg^t ftola kami sintërim ena (Ib., bl. 115, m.), tonden toij, de menigte Mer, 



307 

(awe onderdanen) dan omun onwil bêimgênt (vgL lb., bl. 51» r. 5); ioq gQ out 
zegt uw zoon te gaan zoeken mada nola kami «inggeut i^arahJthi iono (Ib., bl. 
156, r. 3 V. o.)» gouden wijt door U nitgenoodigd, dan niet wiÜig gijn? — 
Dit nola wordt wijders ook met vraagwoorden gebezigd, en drukt dan terens de 
toekomtt uit; b. y. zoo dat door u gegeven eten op ii, kade nola mo ku-pangan 
kami (Ib., bl. 19, m.), wat gullen wij dan eten f; zoo het waar is dat g(| gezien 
hebt, dat m^n man door een knip van menschen is gestorven, iee nola denman- 
ku menggUuhi dukakku ena (Ib., bl. 190 o.)> wie gal dan met mij dege mijn 
kinderen vergorgenf Zoo ook achter een vraagwoord, wanneer men naar de re- 
den of aanleiding vraagt van 't geen in den volgenden zin, met aêa aanvan- 
gende, vermeld wordt; b. v. kade nola alé si-ku-bakankën gërar, aea rok nola 
kene kërina (Ib., bl. 184, b.), wat ie de reden O gij, voor wie ik een naam heb 
gemaakt, dal gij allen 'weder komt? Achter een als subject om den nadruk 
voorop staand substantief; b. v. dablhru idi nola mo ku-elek-elek (Ib., bl. 29 m.), 
die vrouw dan worde door mij overgehaald. Verder om een tegenstelling 
tiit te dmkken, zoodat wQ het *met en tooh moeten wedergeven; b. v. Gnru 
Mërtuwah heefi; U de vrijheid gegeven opdat gf) niet sterven zondt, naing nola, 
nimu, i'bunuh kono (Ib., bl. 112, r. 6), en toch wilt ge hem, gegt ge, dooden; 
wat ik tot n sprak was goed gemeend, en daarb^ heb ik u den palmw^n te drin- 
ken gegeven, mentër nola ngo aku i-pebijang-bijang kono (Ib., bl. 180, o.), en 
ioeh maakt ge mij terstond voor een hond uit (en toch overlaadt g^ m^ met 
scheldwoorden). In een concessiven voorzin te gelijk met pe; b. v. mate nola 
pe aku i-bakin kene si-ënhn kalak idi, eora inangta ngo ku-dëngkoh mëndokkhi 
mukai pentu bagas ena (Ib., bl. 108, r. 2), al moet ik door u gessen gedood 
worden, het is toch de stem van onge moeder, die ik hoor geggen, de deur van 
dit huis voor haar te openen; katëra nola pe nimu alé baé, bangku ngo (ffët- 
mamu idi, asa djadi (Ib., bl. 28, r. 2 v. o.), hoe gij ook gegt kameraad! aan 
mij moet uwe vrouw toeh gijn voor het goed is (vgl. aldaar bl. 29, r. 2). Zoo 
ook met ena, waar T. slechts on pe (} 143) bezigen zonde; b. v. ena nola pe 
asa tëridah (Ib., bi. 24, r. 3 v. o.), nu eerst is het, dat het gegien wordt. 
~ Sn eindeiyk bezigt men nola in de gevallen waar T. en M. ro (24^.) bezi- 
gen; b. V. mongkam nola inangna idi (Ib., bl. 142, r. 4), daarop sprak gtjne 
moeder (vgl. aldaar, r. 17). Hier slaat het op de benrt die iemand na een an- 
der vervult (toen sprak zyne moeder op hare beurf); zoo ook op bl. 28, r. 9 
V. o. van 't Ib. (gy hebt nu reeds langen t^jd b^ die vrouw geslapen, ribakkin 
aku nola mo lëóekën mëdëm, dat gij nu ook eens bij mij slope l). Overi- 
gens bezigt men hier lot even als adóng in T. en M,; b. v. lot ijm déba si- 
merkaju, lot tja dela mtmukpuk edjuk, loi ijadeba si*kik9tang (Ib., bl. 52, 



X 



y 



808 

r. 14 T. o.), wwMigen kunmer hmMen Aont, anderen idjui, anderen weder 
rotting. 

24*. ro^ dat eigentlijk komen beteekent, wordt dikwijls gebezigd, 
om een ander dan een pas vermeld persoon sprekende of handelende 
op te voeren, zoodat wij het met daarop ^ hij nu enz., hebben weder te 
geven; b. v. toen weende hij steeds, ro ma boru ni radja ï, di-bege ma 
iai^ marunguUungut (Ib., bl. 80, r. 3), de prinses kwam en hoorde een 
deunend geluid maken (de princes nu hoorde enz.; zie ook een voor- 
beeld boven op bl. 284, r. 14 en Ib., bl. 230, r. 2). Dit ro kan 

met z^'n eigentlijke beteekenis optredende, nog voor de praepozitie di 
herhaald worden; b. v. ^a ro do hita ro di ruma, zoo w^ te huis geko- 
men zyn. Meestal echter bezigt men sahaé en dan ro vóór de praepo- 
zitie (bl. 302). 

M. Hier u 't gebruik van ro vooral by 't iprekende opvoeren van een an- 
der persoon zeer freqnent (sie lb„ bl. 3, r.*10, 18, 16, 14 en 12 v. o, bl. 20 
r. 1 en 4); van daar ifjadi marlidung musé ma (met ee^ volgend sabjeot, en de 
woorden, die hy spreekt) = ro ma (vgl. Ib., bl. 287, r. 2 met bl. 230, r. 18). 

D. besigt nola (sie boven, bL 156), en zelden roh (een voorbeeld, Ib., U. 
179, r. 9 V. o.). 

25*. huhét drukt gelijktijdigheid uit; b. v. marende ibana huhét mar- 
dalan, h(f zong al hopende (andere voorbeelden zie in 'tWdb. en Ib., 
bl. 221, r. 8 V. o.; bl. 224, r. 6 v. ó.). 

D; bezigt ninana (zie Wdb. en Ib., bl. 108, r. 8). Ook gakgah (zie Wdb.) 
maar in een volgenden zin vóór 't sabject; b. v. asa i-andjaki mo kunukiin gak- 
(/ah tja mëmëdÜi (Ib., bl. 17S, r. 13 v. o.), daarop omhnppelden gij den tijger, 
en te gelijker tijd losten z^ hunne geweren, 

26*. maon drukt een hooge waarschijnlijkheid in de toekomst uit; 
b. V. tel uit de sp. matten en 'tjfraaije goud opdat wij spoedig nu naar 
onze huiaï terugkeeren, hdtari * hami maon daó hutanami (Ib., bl. 218, 
r. 12 V. o.), we zullen door den avond overvallen worden ^ en onze hnta 
is verafgelegen; aUk hehd ma talu hula-hulatta i di gora i, maüa hita 
maon, zoo soms onze verwanten in cRe aangelegenheid H onderspit delven, 
zuUen w^ gewis ons moeten schamen. 



* Zie boven bl. 281, a. onder. 
In plaats van habotan art (zie § 112). 



309 

27**. kanuhon schijnt een Dairisme te zign (?gl. D. hieronder), eu 
wordt in goed Tobasch zelden, en nooit in M. gebezigd. 

D. heeft kunuken, dat dikw^ls achter 'tpraedikaat en «lo (= ma in T.) ge- 
bezigd wordt in zinnen, waarin van een gebenrd iets gesproken wordt. Naar den 
vorm te oordeelen schijnt het een imperatief te z$n, zoodat wi} het letterlek 
kunnen wedergeven met geloof het (zeggen de verhalers). Men bezigt ook kunuy 
dat zegt men schijnt te beteekenen (zie Wdb. en Ib., bl. 179, r. 10, bl. 140, / 7 
r. 9, bl. 153 - "^ ' ' 



5, r. 9). j 



De in de vorige § behandelde woorden treden, op een paar uitzon-} 158* 
deringen na als 22**,, 28**. en 24**., nooit als praedikaatop, en verdienen 
dus eerder den naam van è^tcoorden, dan de woorden die wij met een 

bijwoord zouden vertalen (§ 16B). Het is niet overbodig hier de 

aandacht te vestigen op de wijze, waarop men den tijd uitdrukt. Zoo 
er namentl^'k geen bijwoord van tijd, zoo als b. v. sogoi (zie boven, bl. 
286, r. 4 V. o.), in een zin optreedt, dan moet men den tyd opmaken, 
't zij uit 't verband, 't zij uit de verhouding van den by- tot den hoofd- 
zin (zie ook § 165). Den verleden tyd drukt men niet alleen door 't de- \ 
monstraÜeve voomw. i (§ 144), maar vaak ook door voorplaatsing van 
't voornaamwoord na uit (zie voorbeelden, boven bl. 287, r. 1 en 8 en 
vgl. bl. 243 in 4^); vgl. ook bc Ven bl. 2B6, r. 4. 

a. Opmerkelijk is het, dat de eerste persoon van het eerste passief van 
mandóhy zoo het den verleden tijd uitdrukt, dikwjls met an verlengd wordt (vgl. -- 
M. alhier); b. v. sijamun ni manuk on ma di torn paöoiea na so tutu na hu- 
dohan inon (Ib., bl. 216, r, 5), de regier zijde van deze Hp zij beneden, om aan 
te duiden, dat het met waar is, toat ik vroeger gezegd heb. 

M. bezigt gaarne 't aanh. an in bflwoorden van verstreken tyd (boven, bl. 
243, 4°.), vooral zoo zy als adjectief optreden; b. v. natuarian (Ib., bl. 173, o.), 
nahinanan (bov., bl. 283 en Ib., bl. 193, o.), nangUnan (Ib., bl. 294, o.). Zulke 
bijwoorden kunnen nog door t bepaald worden; b. v. narianan i (Ib., bl. 36, o.). 

VIL PKAEPOZITIES. 

Vaü deze woordsoort is 'tBataksch niet ruim voorzien, daar niet § 159. 
alleen de aanhechtsels % en hon verschillende praepozities vertegen- 

* Zoo als in 't Tagaalsch en Bisajasch (JkonS) en in \t Malagasy, waar het 
hono gespeld, maar hunu uitgesproken wordt (Over de h in 't Malagasy zie 
boven, bl. 82). 

15 



810 

woordigen (§ 50 en 51), maar ook woorden, 't zij substantieven of werk- 
woorden, als zoodanig optreden ({ 161). De woorden, die alleen als 
praepozities voorkomen, zijn: 

1*. du Het stelt een substantief in betrekking, zoo het voorwerp, 
door dat substantief voorgesteld, als een plaats kan opgevat wor- 
den, die zonder beweging bereikt wordt. Wij moeten deze praepo- 
zitie wedergeven met te (voor eigennamen van plaats, o^ in te huü), 
op f aan, btj, in, naar, mits er geen werkw. voorgaat, dat in zijn be- 
teekenis een beweging insluit (vgl. 2''.); b. v. dibana, aan hem, Uj kem^ 
voor hem; aada dibana sada di iulangna (Ib., bl. 58, r. 15), een voor hem- 
self en een voor zijn oom; na umie di butuha ninana (Ib., bl. 75, b.), die 
in zijn moederde buik sterft; on ma di luo djolviakkón , di au ma baUalmi 
(Ib., bl. 85, b.), deze zij aan U, mijne vrouto hier, aan mij 9^ die klop^ 
per van Ü; na marpahoppu di anak, na marpakoppu diboru, die een 
Meijikind heeft bij een zoon, die een kleinkuid heeft bij een dochter; adóng 
do i di roJUm (Ib.» bl. 72, r. 11), bestaat het naar uto gevoelen?; tuhor 
ma di au, koop het voor mij; djalahi ma di au (Ib., bl. 116, r. 2), zoeit 
voor mij (§ 51, 5®. a.); di ei-djukkang, te ei^'ukkang *. Zelden heeft ^ 
de beteekenis van door (§ 101, 2^ en § 102, V.), en vaker die van we- 
gene, om; b. v. 8(duhét halak mareigulut di au (Ib., bl. 12, r. 13), al de 
lieden hadden twist met elkander om my (te hebben; vgl. aldaar r. 16 

V. o.). Voorts ook om een substantief als onmiddelijk object of 

subject met een woord in betrekking te stellen, zoo dit door andere 
woorden er van afgescheiden is; b. v. na mangambolokkon ho di au 
(Ib., bl. 66, r. 13), g^ wilt mij wegwerpen (§ 126, 1**.); behd ma panga- 
ruwanginami di batu on (§ 120, !**.), waarin batu 't onmiddelijk object 
is van pangaruwahgi; mangadopi ma di-baen pangtdu i ai-eang maima do- 
hot datu dalu di djuhut i dohot dindahan i, de scheidsrechter deed 8, M, 
en B, B, met 't gelaat naar 't vteesch en de rijst toegekeerd zitten; waar- 
in djuhut en indahan 't onmiddelijke object zyn van mangadopi (vgl. 
§ 74, 76 en 81). Zonder dat er woorden tusschen in staan, wordt het 
alleen in versierde taal vó& 't onmiddelijke object gebezigd; b. v. na 
mangijaUon di tapjjan i (van een geest, zie Wdb. onder jjan). Voor een 
onmiddelijk subject geplaatst, vindt men het b. v. in di-gohi ma aek 
di pinggan na pitu i tutu, door hem werden de zeven borden (mef) water 
ff^mld; .waayin pmggan 't onmiddéi^k sobject is van êi-gtjki aek; di- 



Naam van een huta in 't Tuika-holbungsehe, 



311 

hemèangi napo90 ni radja % ma amok di êopó dohot di alaman, hundidan 
ni na ro i, door de hediendm van den vorst werden de eqpo en de (daman 
met matten èespreidy waarop de komenden gouden gUten; alwaar sqH) en 
alaman onmiddelijke subjecten zijn van di-kembangi amak, In dit ge« 
val waarin twee subsJAntieyen in betrekking gesteld worden, kan men 
di ook w^laten, vooral zoo 't werkwoord mangdlehon {Janm, op bl. 107) 
wordt gebezigd; b. v. di-l^'on hoêa gana-gana i, door kern werden die 

beelden (mei) adem begiftigd. Minder vaak stelt di een middell^gk 

subject in betrekking; b. v. adjari au djdo di panorgangon (Ib., bl. 72, 
r. 17), worde ik, ale je belieft, dooru in de panorgangon (sorgang) on^ 
derwezen; adjari au djolo di pangappungon dohot di parmoteahon dóhat 
di hata ni si-palongang (Ib., bl. 78, r. 8 y. o.), onderrigt mij, bid ik «, 
Ml de springkunat en in H zwaardoeckten^ en in 't formulier van verbazing-^ 
walking, In diergel^ke constructies wordt ook dohot (mef) in pi. v. «fige-^ 
bezigd, terwijl men ook de praepoz. weglaat; b. v.di'palitmaparsotttn" 
ganna dohot hapwr, hij besmeerde giek de slapen met kalk (§ 140*); dy-hem^ 
bangi naposo ni suhut i ma pattangan i dohot amak dohot lage, de be- 
dienden van den principaal bespreidden de oorlogsopo met groote en kleine 
matten; di-abiti ma gana-gana i dohot si-gundal, hjj bekleedde die bed* 
den met oude lappen. Zoo men deze voorbeelden vergelijkt met de 
boven aangehaalde, dan ziet mea, dat di en dohot gebezigd wor-» 
den, zoo 't middelijke subject het laatst genoemd wordt. Dat men 
zulk een middelijk tot een onmiddelijk subject door 't gebruik van 't 
aanheofatsel hon kan maken, is boven (bl. 106, 4^.) reeds gezegd. De 
praepozitie weggelaten ziet men in het boven aangehaalde di-gohi ma 
aek, di4ejon kosa, di^hemèangi ma amak en in di-gohi ma pinggan dju- 
hut Mi (h^ vidde de bord^ met varkensvleesch); di-baeni aek {hij vulde 
de pot met water). Deze weglating is, zoo als men nit de voorbeelden 
ziet, vooral gebruikelijk b$ de werkwoorden met Haanhechtsel i en 't 
werkwoord mangalekon, waar dit begiftigen beteekent; andere voorbeel- 
den zijn: gólok i soda lehm au, begiftig mij (met) §en diergoloks; akaalé 
amdng aêa di-leon ho au napuran, wat is het vadertje/ dat ge^ti^ (meS) beo- 
tel begiftigt; hu4uppahi ho duwa bitsang, ik gal u (met) twee bitsangs ge^ 
rieven (helpen). Bij de wegkting van een praepozitie kan 't actief ook 
zonder na (§ 126) als snbst. optreden; b. v. adjari au djoio nunutek (Ib., 
bl. 7S; r. 8), onderwas iMJ (in) het kUmmen; in welk voorbeeld men 
panaehon ({ 127) zonde kunnen gebraiken. Met 't werkwoord mangaie" 
hon vooral bezigt men gaarne als middelijk subject het actief van een 

16* 



312 

werkwoord, dat elen, iets nuUigen beteekent; b. v. di4ejon partunggu i 
ma mamapuran n^djonaha (Ib., bl. 202,, o.), de credüettr ^of (aan) D;'. 
betel te eten; di-lefon ai4jonaha badarina % tnarsipanganon (Ib., bl. 211, r. 
7 y. o.). Dj» gaf hun den avond van dien dag te eten; ku4ejan hamuna 
marsipanganon (Ib., bl. 212; r. 1), t^ heb uUeden te eten gegeven; di-le- 
jon oppuna i ma ibana mangan (Ib., bl. 151, r. 10), door zjjn grootvader 
werd hij (met) eten begiftigd. Het weglaten van de praepozitie is ver- 
der ook in gebruik bij de woorden gok en eap; b. v. nunga goh balan- 
dja i djuhutt de bahndja was vol (met) vleescA; nunga gok babana aek, 
ztfn mond was * gevuld met water; nunga gok pitu piuggan palakki ai-batu 
ni tujung, zeven borden waren gevuld met dikgekorreld stofgoud; wunga 
sap bohina te ni horbo, zijn gelaat was bemorst met buffeldrek; sap ando- 
rana te ni horbo , zijn borst was bemorst met buffeldrek. In enkele sub- 
stantieven is deze praepozitie versmolten (bl. 65, a.). £en bijvorm, 

die denkelijk de oorspronkelijkste is, is 

i (vgl. D. hieronder). Behalve als aanhechtsel ({ 50), komt het nog 
voor in zamengestelde benamingen; b. v. na % dakka (die op de takken 
zijn; benaming van klimdieren, als apen, eekhorens, enz.) naast na di 
dakka. 

M. w^kt niet af; b. v. di-le tja manman raé^a i (bl. 107, Janm.), kif gaf 
den vorst eten; muda marohan djuhut iba, padnmpang dohot anak «f na batu- 
bal», ni'le saoiik (Ib., bl. 163, o.), zoo wij vleeseh bij ons hebben (en) we komen 
't kind van een weduwe tegen, dan worde het met een weinig begiftigd; an^o ni- 
pandungan panjogon si-anak ni namboru (Ib., bl. 194, r. 5 y. o.), opdat m^ 
lieve bruidegom met rijst begiftigd worde; nunma gok than (lb., bl. 5, r. 4 v. o.), 
bij zag dat de taDggal gevuld was met viich. Vooral is longkop bier in gebruik 
zonder een praepozitie v<$or 't sabstantief , waarmede het in betrekking gesteld 
wordt (zie Wdb.). Ook sorang en g^ot worden op dezelfde wijze gebezigd; b. v. 
sorang iêe do ho (Ib., bl. 62; r. 5, terwijl r. 7 een praepoz. wordt gebruikt), hij 
wien huist gij?; nada gUot au sere, ik ben niet begeerig naar goud* — In pi. v. 
dohot bezigt men bier èU, om de herhaling van dohot te vermfjden; b. v« ^Vuft di- 
parkaroan ma si-tapi mombang marulang dohot boru ni hapur i di si-baun pedjel 
(Ib., Ib. 12, r. 18 v. o.), daarop werden Mefujvr. M. M, en de kamferdoehter met 
B. P. in den echt verbonden; zoo ook aid. bl. 42, r. 9 v. o., terwijl dohot op bl. 39, 

ï. 1 V. o. gebezigd wordt. Over <&*-*(;« zie bov., bl. 223. In eigenn. en 

versierde b^nam. van de a. bezigt men zeer dikw^ls t in pi. v. di; b. v. sutannaposo 
ilangit (Ib./bl. 46, n 4), si-marinte i dolok (bl. 66 m. en So,)=i:babijat{a.y 



313 . 

D. bezig;t », dat zeer yaak weggelaten wordt (bl. 40, K. I. a.), alechts v^r 
substantieTeD , een plaats yooratellende; b. v. • iëruh =: di toru {\ 156); i iëng- 
har aU bapd h^bo huwang^para idi ku-ampeiH (Ib., bl. 236, o.), op de süngiar 
vaderde! hoven de buwang-para heb ik die beitel gelegd. Het wordt bijna nooit 
gevonden ter aankondiging van een object dat door andere woorden van 't werk- 
woord gescheiden is; b. y . perëntaina pe ti-Hra alah anakna idi, enz. (Ib., bl. 
193, r. 10), hare wijze nu van wat voor hare jongen beetemd was te dragen, 
enz. Ook bier in dezelfde gevallen verzwijging van de praepozitie; b. v. enggo 
mó iono hu-bëre (bl. 107, Aanm.) panganën (Ib., bl. 69, o.), ih heb u spijs ge^ 
geven; mëre kono bubbuk (Ib., bl. 134, m.), daarom komen wQ om U met vede- 
ren te voorgien; i-tënahi mo dalan, hij onderrigtte hem omtrent den weg (vgh 
andere voorbeelden boven op bl. 169 r. 3 en 208). — Waar 't aanhechtsel kën de 
beteekenis heeft van voor, ten behoeve van wordt het middelde subject of ob- 
ject zonder praepozitie er bQ genoemd; b. v. ni-buwatkën panganen mo tuhu 
kula-iula, worde voor de verwanten een maal genomen (vgl. ook boven bl. 108 

en 115). y^or substantieven, een persoon voorstellende, bezigt men bai 

(bl. 84, C. I); b. v. bai debata idi (Ib., bl. 18, r. 2), hij gaf het aan den god; 
mongkam mo ei-bëru rajam ben si-tagan dori (Ib., bl. 273, b.), B. B. sprak tot 
T» D. V6or de eenlettergrepige pronominale aanhechtsels bezigt men slechts 
ba, dat vd6r ku en ta een neusklank vordert; b. v. bangku ac= di au; bana = 
dibana of di eija (M.); banta = di hita; bamu of bandu = di ho; maar bai- 
nami (Ib., bl. 274, r. 7) = di hami; baindene of de verkorting baindé (bl. 224) 
= di hamuna; b. v. malot nenge mëralengi naposongku baindene (\i\. 206), waarin 

bai even als ^ 't onmiddelfjke object met 't actief verbindt. In Hggo mopi- 

dëkah bona, dat ak adverbiale bijzin (toen er eenigen tijd verloopen was) optreedt, 
is m^j basut dnister. Over hana om tieh als object uit te drukken, zie bov. bl. 282. 

^/tu sluit een beweging in, en komt met ons naar overeen, hoe- 
wel wij het niet altijd hiermede kunnen wedergeven; b. v. laomaibana 
êongvp tu dakka ni harijara t, h^ ging, en zat op de tak van denficus- 
boom; in welk voorbeeld het 't engelsche upon is. Het wordt gebezigd 
met werkwoorden die een beweging voorstellen of in hunne beteekenis 
tevens hebben (§ 107), en is daarom ook veel in gebruik met de werk- 
woorden die 't aanhechtsel hon hebben, om hun middelijk object of 
subject er mede te verbinden (bl. 106). Door de beweging, die deze 
praepositie in zich sluit, moeten wij haar dikwijls met komen oi gaan 
wedergeven; b. v. maridi ma ièana iu aek, hij baadde zich naar de ri^ 
vier (hij ging zich in de rivier baden); di^dokkon mangist hadjut tu da- 



J^,1 



314 

^, h^ beval kern de hudel m kme te gaem tmüem; tde^ im «o», haal hdt 
kefwaariê (gBL hei hakn en breng het hier); di^tUmp «a rim^ iu ha^ 
goM^ i^ gimg dê epaanecie mmttem em ihtu ialem; di-èmri ma offmiff do^ 
icégcfdang êtdmkéi kcitu i di-imn im tapiftm, «y w&êcMen de Mmg^Uek-^ 
iau en paukem, al die mMejfk-itutnmeiÊie» gimgem s^ m de èa^daaU 
woêtchen; uidadoag wumgate au fo gia^jamg i Qb^ bL 77, m.), it dmf 
mH naar bovem paan {\ 86, alwaar nog een ander Toorbeeld); djadi 
nunga do ibana tn rmna (Ib^ bL 86, r. 7 t. o.), waarop %' imMwaarii 
wüde komen. Voorts ook waar men nit wil doen komen, dat iets nog 
in 'tpkn ligt; b. t. met naimg: namg on manggmm kmhbakmgon im 
ko^ ik wilh^ m de voorteekkrekmui leeren. ^** Een enkele maal wordt 
het Teizw^en voor paaaief-verbale anbatantieven, die een plaats voor- 
stellen (bl. 209); b. t. di4toratUm napoeo m radja i ma koróo dmma soda 
horolan^ de bedienden van den vord bomden Uoee bnjfdê {8Ma)een»laff^aal, 
— Met di of een als praepoatie optredend werkwoord wordt het ver- 
wisseld, waar 't voorwerp , door 't substantief vooigesteldy 't qj ver- 
w^derd is, of door t bepaald n}h,r, olodo koiu anakki {wiU gij naar 
dien m^ zoon? wiU ge kern iat muï kebbenF) naast ole do do ko di anak- 
ki; di-dok ma im anakna i (t^ eeide ioi karen eoon) naast diMtmaman- 
dok (bl. 824) anakna t. *- Op te merken, dat tn ei (^ 148) dikwijls 
gebezigd wordt om benistiDg of onverschilligheid uit te drukken; b. 
V. bowau ma tu ei (Ib., bl. 86, b.), als het zoo is, «mm het dan maar 
met m mede (ik wil er wel afstand van doen, zoo ge mij dat er voor in 
de plaats wilt geven); indien de eombaon zegt, dat onze akkers u toe* 
komen, dikoiuei (Ib., bl. 201, r. 14 v. o.), aam u dan maar/ (dan be- 
rusten wij er in, dat zij u toegewezen wordl). Over te in de uit- 
drukking van 'teenvoadig passief zie § 101 en vgl. verder boven bl. 

247, onder. In plaats van di bezigt men tn ook wanneer een 

werkwoord van bew^ng voorgegaan is; vgl, b. v. Ib., bl. 246, r. 2 
V. o., alwaar di, in plaats van dokd, en bl. 246, r. 18, alwaar ^ wegens 
lao gebezigd wordt. 

M. w$kt niet af; b. v. di-alap ija ei-adji U. M. tu toru^ dfadi di-ohen ija 
im bagoi (Ib., bl. 84 m.), kij ging J. M. vam. benede» kaUn, en nam kern 
mede naar kuit. Het heeft iu eija =?= iu Uëuu (boven, bl. 228). 't Gebmik van 
iu is hier vaak de reden, dat men 't aanheebtsel kon verwaarloost; b. v. dt-êon- 
duk ^a, enz. (boven, bl. 107, a.), door kern werden de maisKewnien naar dê 
ttemlttk van konden met een lepel opgeiehept. 



y' 



315 

D. heeft Mt, een verbale vorm yan > ($ 61), vdor sobftantieveii, een plaats 
voorstellende, maar beiigt lako bai of laio ba- jóót die, welke een persoon 
voorstellen; b. v. loi mo dokënënku laio bamu (Ib., bl. 234, r. 2), erj^, dat I i^ 
ik u U uggek heb; kade koQnkenmu lako bangku (Ib., bl. 240, r. 10), wat 
kebt ge m^ te uggeaf; kaiana lako, bamu (Ib., bl. 15, r. 8 v. o., bl. 16, r. 
16 b.), gijm ueggen tot u; malot nenge këpekën pëmarikintta peuarikin mëranak 
dëngan-ei-bëltëk (bl. 261) lako bangku (Ib.. bl. 219, r. 7 v. o.), kij blijkt niet 
meer Jegens m^ zoo gezind ie zijn als iemand jegens den zoon van zpn vollen 
broeder, ~-^ Overigens is 't gebraik als dat van tu in T. en M. ; b. v. alemg 
kami mi shtda, kom ons van hier kalen (kom ons lierwaarts balen). 

Aani, 't Malagasy beeft nog Aa als een voorbeehtsel met de praepozitionale 
beteekenis, en 't Hal. ka ($ 73). Hiervan nog overblijfselen in 't Bataksch (bl. 
65, a,t bl. 132» B), Be praepositie iu, die ook in 't Favorlangscb gebruikt 
wordt, is, even als aUe oorspronkelijke praepozities, een demonstratieve grond- 
klank, waarmede naar een afgelegen pont werd geweren (vgU boven bl. 237). 
't Gebraik van iu ter oitdrokking van den exoesaief (bl. 272, 7*^.) is, zoo men 
dit woordje als een demonstratieve stam opvat, te vergeleken met dat van an ter 
nitdrakking van een comparatief (bl. 214, e.). Men kan den klemtoon op beide 
deze woordjes moe^el^jk anders verklaren dan door te veronderstellen, dat beiden 
vroeger een woord op dezelfde wjjze bepaalden als heden nog de demonstratieve 
voornaamwoorden; immers an kan in denggandn even goed 't gemidnidende voor- 
naamwoord z{|n (§ 141). Men heeft dos die twee verschillende graden door op 
een afstand te wQzen trachten nit te drukken. 

8®. ut verbiadt twee substantieven, en kunnen we met ons van 
(Engelsch of) wedergeven; b. v. iai ni kuta» de inhoud van de huta (de 
bewoners); bobak ni kambing, de toebereide huid van een geil; ogung ni 
daoppung, mijn grooimdei^s muzjjkbehken. Het door deze praepozitie in 
betrekking gestelde substantief kan niet alleen, zoo als in de zoo juist 
aangehaalde voorbeelden, iets voorstellen, van waar een voorwerp af- 
komstig is of de persoon, aan wien bet toebehoort, maar ook het ob- 
ject (e^n voorbeeld zie boven, bl. 183, r. 10 v, o.). In dit geval kan het 
voorafgaande subst. ook een nomin. vorm zijn, die de beteekenis heeft 
van een actief-verbaal subst.; b. v. garar ni utakku (Ib., bl. 213, r« 16 v. o.), 
waarom g^ dat blaasroer aangenomen hebt ter betaUng van mjjn schuld 
aan u; pokpang ni hudjur ma on tittin on pokpang ni piao pukpang ni bo» 
dil (Ib., bl. 226, r. 16), dit voorwerp, deze ring, zij de tegenhouder van 
lane, van zijde^ en èchietgetceer (als 't geen hen belet hunne wapens ge-- 



816 

durende desen wapenstilstaad te gébmiken); êae ui vlangna (Ib., bl. 211, 
r. 1), ter delging vam zijn acküld; iutup ni utakku (Ib., bl. 221, r. 1), 
ter afdoening van m^n seküld van 100 bitsangs; tuhar ni sira on, ter 
kooping van dii eoui. Deze beteekenis kan een pronominaal aanhechtsel 
natuurlijk ook hebben () 151); b. v. t ma eaena uUoppinon (Ib., bl. 209, 
r. 8), dat tij ter ddgimg er van (van m^n schuld), dai mjjn hlaasroer. — 
Dat het ook voor^ ten behoeve van beteekent in zekere constructie, heb- 
ben we boven (bl, 108, a.) reeds gezien; van daar ook Vhupagar ni 
anudta i niet alleen beteekenen *tgeen m^n vader behoedt , maar ook 
het voor mijn vader bestemde behoedmiddel. Verder wordt nt, even als 
de pronominale aanhechtsels, ook zoo gebezigd, dat wij het met een 
abktief zouden wedeigeven, en dus met ons van (Engelsch/rom); b. 
V. di-pangido raé^a i ma ogung ninana i dohot gordang dohot sarune 
(Ib., bl. 158, r. 16), de vorst vertocht om de muz^kbekkeui van z^n moe- 
dert en om de pauhen en de sarune (d. i. de vorst verzocht van zijn 
moeder de muzjjkbekkens, enz.); vgl. boven bl. 226 en bl. 207, onder. 

Na 't derde passief moeten w^j ni met door wedergeven ({ 114), 

maar de eigentl^ke beteekenis bl^ft van , zoodat 't substantief, dat er 
door in betrekking gesteld wordt, naar de denkwijze van den Batak een 
voorwerp voorstelt, dat, als oorzaak of aanleiding het iets ia, waarvan 
het door dat passief uitgedrukte afkomstig is. Dit is geheel in over- 
eenstemming met de natuur van 't passief, bij de uitdrukking waarvan 

een substantief moet optreden. De persoonlijke voornaamwoorden 

kunnen slechts in een enkel geval ni voor zich hebben ($ 151*), daar 
de pronominale aanhechtsels, uitgezonderd natuurlijjk ea ({ 161, S"".), 

de beteekenis van deze praepozitie in zich sluiten. Ook een ge- 

heele zin kan door ni in betrekking gesteld worden (§ 162); b. v. tuwa 
ni ro do ho humata gora on (Ib., bl. 263, o.), V geluk van dat g^ gekomen 
gjjt om deze aangelegenheid als scheidsregter te bespreken (hoe gelukkig 

is het, dat gg gekomen z\jt, enz.!). • Ook van deze praepozitie 

heeft men den bijvorm 

t (vgï. boven, bl. 312), die nog vooral in eigennamen in zwang is; 
b. V. na ^ » bunga ihur, Bunga-ihur's Moeder (naam van een vrouw 

naar haren zoon , die si-bunga-ikur heette). Voorts wordt ni ook 

verkort in 

n by eigennamen, die personen naar dien van oen kind of klein- 



^ In plaats van ina (zie hieronder). 



317 

kind dragen, zoo *t woord, dat den naam uitmaakt, met een triller, 
verhemeke- of tandletter begint. *t Voorheclitsel n valt hierbij weg, 
zoo er geen titel voorgaat, en ina en apa worden dan tevens in na en 
pa verkort; b. v. nan-djonaha (na-n-djonaha), I)fonaha*ê moeder {ina ni 
si-djonaha is geen eigennaam); nar-robar (§ 15), Robat^s moeder; pat- 
aotson (5 11), Sotson'ê vader; oppüUhmhu (§ 16), Lomhu^i grootvader; 
cppur-radja H-homang (Ib., bl. 78, r. 7 v. o., vgl. noot op bl. 246), R. 
TPè grootvader (d. i. de Ho(^-£erwaarde Heer B. H.); amar-radja ni- 
attanan (Ib., bl. 192, r. 10); nan^jomba-üik (Ib., bl. 1), maar ama ni 
parumèal, oppu ni èa^ongga, enz. In eigennamen zoude men dus ook 
ina ni voor klinkers, lip** en keel-letters, in overeenstemming met ama ni 
en oppu ni, verwachten, maar liever bezigt men na i, dat men ook, 
maar zelden, in plaats van non bezigt; b. v. nat-tuwan raru dolok (Me- 
vrouw E. D.) naast na i tutoan raru dolok; na i angin barita (Ib., bl. 
O, r. 3 V. o.), Meftifrrouw J, B, Y6ot klinkers vindt men zelden pa 
(apa) in pi. v. ama ni; b, v, pa «r«a, Una's vader. Uit sommige der ^./ 
aangehaalde voorbeelden (b. v. Nan-djomba ïfik) ziet men, dat men ^ 
zulke eigennamen niet altijd letterlijk kan opvatten, alsof de persoon, 
die ze draagt, altijd een kind of kleinkind had, waarnaar hij zoo ge- 
noemd is, want het zijn vaak slechts namen, overeenkomende met ons 
de Heer, Mevrouw, enz. De Batak bezigt namentlyk verwantschapster- 
men als titels, even als nu nog op 't land in Friesland een oude man, 
dien men eerbied toedraagt, door Jan en alle man met Pieter oom^ 
Doutoe oom , enz. wordt aangesproken. — Deze verkorting van ni is ook 
regel bij 't gebruik van tonga (§ 160); b. v. di tmgal-laut, di tdngan- 
dalan, di tongat-tombak , maar di tonga ni dlaman, di tonga ni bagae, xx 
enz. B^ andere wooxden geschiedt zij alleen in zamenstellingen als 
bonan^kka, ulun-dolok, bungat-tubu, bungat-sutting , bungat-aabi eméifs 
torum-bara, in plaats waarvan men toru ni bara zoude verwachten. In 
zulke zamengestelde woorden is n heden slechts als verbindingsletter 
op te vatten, zoodat de beteekenis van ni er niet meer in ligt^; daar- 
om beteekent bonan-dakka dan ook niet 't dikke onderde gedeelte van een 
tak {Sona ni dakka), maar hoofdtak (de dikste takken van een boom). 

a. Wanneer men een praepozitie voor 4opo bezigt, wordt er vaak nog taru 
of larup achter geplaatst; b. v. hundvl ma noiida di taru-aopo, zij gingen in 



iDaaruit zal men dan ook het onregelmatige iorum-hara te verklaren hebben. 



/ 



318 

é$ êofo tiUem, Dit «ehfiit de reden te iQn van 'tondencheid toseelien jtarUirU' 
topo en pmtêopo; het eente beteekent iewumd, die wiek m een eopo beoimdi, die 
er gebmik vul maakt Qh,, bl. 183, r. 15 en 5 v. o.), en 't tweede de eige- 
uMtar vam de êopo. Bit Uru- of tarup-iopo moet een verbeitering zQn van ianU- 
eopo (d. i. iormn-sopd), door dat men aan tarup daeht. M. beiigt dan ook ionm- 

tjopo (bl. 26, D.). Uit D. (zie hieronder) blfjkt, dat vroeger m ook vóór 

klinken, lip- en keeUetten verkort werd. -~— Hoe dnidd^k door de vergél|}king 
der tongvallen de oonpronkeiyke vorm van een woord kan nitkomen, bmkt ook 
nit Umga m vmn (T., bl. 820) = *t verkorte tanguma (M.) en tahmma (D., in 
plaata van iêngah «jm), dat ook takhmma gespeld wordt (( 22, UI). 

M. bezigt by eigennamen ook jmi i; b. it. pat dongdang» Verder verkort 
men er radja in manneljjke eigennamen tot 4r«> en maakt hiervan, in overeen- 
atemming met na i en pai ook tffa i; b. v. iffa i pais. Dat ook hier t = it» 
. is, ziet men uit ii^raéffa ni en n^raéfja i naast ^f'a i* Ook bg 't derde passief 
wordt hier wel eens i in plaats van ni gebezigd; b. v. na i-dok m haiak % 0b., 
U. 92, r. 21). Noord-M. heeft steeds • na mmg (zie Wdb.) met de beteekenis 
van lit voor een snbst. en vóór halani (bov., bl. 250); van Awtningira4iai = 
ning radja i (Zuid-M.), mnna radja % (T.); mng % kcHani = niing haUn (Zoid- 
M.), mmna naeida (T.); ning % roAanija (Ib., bl. 83, r. 18 v. o.). == ning roa- 
nffa (Zuid), ninna rohana (T.); ning % manuk i (Ib., bl. 33, r. 4 v. o.), ning i 
Anting i (Ib., bl. 34, r. 6), enz. Men ziet dos hier een verwisseling van m 
met na (zie boven bl. 29, Janm, 2). 

D. heeft ma in plaats van ama, dat door een i gesloten wordt in dezelfde 
gevallen waar T. m in « verkort; b. v. mat-tëUdo (Ib., bl. 91 en Jani. Ib. IV); 
maAa^fi (Hadjiê vader, als eigennaam); evenzoo nai- (Wdb.). Men vindt hier 
taing-guipang d. i. tai (bl. 34, C.) + n + guwang; iaim-para, arinonan (ari- 
n-onan), laen-anturge nit lae (bl. 48, C.) + aniurge; ragan-anoak; bénam-peng- 

gU, en bHam-paha. Wat betreft tarintuwa, het is geiyk smnui^vvtf, want 

ëntuwa is = matnwa (bl. 41, III). OvéS: >t» = «^i na #»- zie boven, bl. 242. — 

Dikwflls wordt hier m wi^gelaten; b. v. hiru H-naH êetan (Ib., U. 41, r. 11); 
bata ti^gila (Ib., bl. 41, n^ v. o.). 

Aani» De bijvorm van di en ni beiden is, zoo als we gezien hebben, t, dat 
ook als aanhechtsel, en in D. gebezigd wordt zoowel als praepozitie als by 't eer- 
ste passief. Ook vinden we i in plaats van ni, behalve in M. (zie bov^n), 
ook nog in ièeèere (Jont. bl. 187), terwfll we m nit » in D. zien ontstaan. 
In sommige constructies zien we di met ni verwisseld, zoo als b. v. in 't ge- 
bruik van 't actief- verbale substantief ($ 121, 2°.), en in de aanduiding van 
den persoon, ten behoeve van wien iets verrigt wordt (bl. 108, a,). Hieruit 



319 

moet men beslaiten, dat ni, di en i, alle drie ^, oorsprimkei^k ^n waren, en 
allen aleehta een looatief nitdralcten. Van de drie vonDe» echini % de oonpron- 
mkete, waaruit n» door InschuriBg van een n, loo als nog in D., moet ont- 
staan z$n; zoodat bet gebmik van m achter woorden, die op een medeklinker 
eindigoi, van lateren t^d moet «gn (vgl. mng i in M. met ninna in T.). Moei- 
jeiykw ie 't ontstaan van di te verklaren, ten s^ men aameme, dat <i uit een 
vroegeren r ia ontstaan, went r wordt nog in 't Kawi ingeschoven {i-r-ika =: ^^ 
di H, i-^'ija =p ^t êija). In JD. vindt men % daUi, dat moe^eiyk anders te ver- 
klaren is dan nit een omzetting van di ata$ (f 26), even als men nog in 't Mak. 
iraU {bo9€n) uit ri aie, en irawa {beneden) nit ri awa (Bagineesch ri-awa) 
viudt. In 't Sandasch vindt men d ingeschoven {di-d-itga, di-d^jfeu, di-d-iiu)» 
maar kan hier dien medeklinker als nit r ontstaan verklaren, daar de ^ in die 

taal toch meer linguaal dan dentaal is. Met dat al kan men di tn ni even 

goed besohonwen als stammen van de demonstratieve voornaamwoorden idi (D.) 

en tm (Mal.), zoodat i even goed een verzwakking van heiden kan iQn. %— 

4*^. éijan of aijan beteekent 1^. van (Engelsch /rot»), van uié, en 2*. 
lanffs, aan de zijde van (b. r. t^an ièana, van zijn kant; Ib., bl. 286, r. 
13 V. o.). Zelden in plaats van asa (zie boven bl. 123) voor 't substan- 
tief in een vergelijking. — Als bijwoord is t^an i (daarop, vervolgens) 

veel in gebruik, en wordt dan van een zin gevolgd, die vaak met asa ^ 

begint. — Overgenomen uit M. (zie hier onder) schijnt 

toding, dat dikwijls te gelijk met een andere praepozitie in gebruik 
is, vooral waar dehatd een plaatselijke beteekeuis heeft, zoodat het he- 
den gelijk staat met tonga (§ ICO); b. v. tijan toding debata-di-tonga , van 
de mdden'toereld. 

M. bezigt teman, timan, Hmon, seman (Noord); tingon en f^on (Zuid). — 
In de a, bezigt men iodingion of tadinghon, dat een passieve imperatief moet 
z\)n van manadingion, en das eigentl^jk worde aêhier gelaten ('t volgende) be- 
teekent. B^ een comparatief bezigt het ulang (§ 164), pado of ampodo, 

welke beide laatsten uit 't Men. {pada, ^) overgenomen z:yn, en in de ver* ]^><^ 
sierde taal ook toding; b. v. alé bqfó ama ni puttd bt^o na dangol ni andnng 
toding si-adosanmu na dua tolu, O gij Ama ni pusta! man, die armer is dan 
Uwe vele broeders. 

D. bezigt nari in de eerste beteekenis, maar achter 't sabetantief , waarvd^r 
nog i komt, zoo het een plaats, en bai (bl. 813), zoo het een persoon voor» 



Vgl. nung, dung en nng en boven, bl, 174 in M, 



820 

«telt; b. V. > béiffoi nari = Hjan boffoê; bangku nari = tijtm au, — In de 
twee4« beteekoiii heeft het rap; b. ▼. rap düe, waar laingtf; rap pangatêêm 

(Ib., bl. 221» r. 5), Umgê em naai. Met een compftTatief of bt| 't opgeven 

▼tn yeitehil beagt het ripada, dat nit 't Mal. is overgenomen (dari pada, 
Sifd)» g^olgd weder door bai, soo 't volgende substantief een persoon voor- 
stdt, en tevens met uari achteraan; b. v. ripada hoi daèëru iuta ena nari (ne 
boven, bl. 123). BQ 't opgeven van Terschü wordt nari ook weggelaten (Ib., bl. 

28, r. 20 en Wdb) of ook dékH gebeiigd (zie boven bl. 188). hêntja 

nari is all conjnnetie (sedert dat) in gebmik (Ib., bl. 28, r. 15). » 

l^f Jont, Het is waaxBoh^nlgk, dat iijan een a%eleide praepozitie is (rgl. ƒ Aid. 

it)i en even loo nari (D.), dat met 't Malebehe dari orereenstemt. 

§ 160. Jfu/eleide praeposUieê maakt men 

l^ Fan een noemend hiftcoord van plaats (§ 166), door het 't zij doornt 
en een ander substantief, 't zQ door een pronominaal aanhecbtsel te 
laten volgen; b. v^ di toru ni urur, onder de dakaparren; dipudU ni ba- 
gas ^» achter 'êhuis; dipudina^ achter hem, haar of het; di atas nipa» 
pan , op de vloer; di-baen ma tu atas ni hortas inon (Ib., bl. 267, r. 1) , 

hjj plaatste het op het papier; enz. B^' de bijwoorden, die door 't 

aanhechtsel an afgeleid zijn (§ 156), kan ni wegbl^'ven; b. v. di haga- 
san huta », in die huta; di bagasan parindahanan, in een rijstbuidel; 

enz. Op te merken is 't gebruik ran tonga na een praepozitie voor 

een subst. dat een ruimte voorstelt. B\j 't gebruik van dit woord, wordt 
ni in de gevallen die reeds boven (§ 169, op bl. 817) vermeld zijn, tot 
n verkort; b. v. di iongat-Umbak ^ in 'tbosch, tu tongai-tombak na beguon 
(Ib., bl. 6, m.), breng mij naar het akelige bosch; di tongaUlavi (§ 15), op 
zee; di tongan-dalan^ , op reis, op den weg (Ib., bl. 283, r. 6). Meestal is 
tonga zoo in gebruik, waar de ruimte van 't voorwerp onbepaald is, zoo 
als die van de zee, van een bosch, een te beganen weg, enz., of waar 
men van een plaats zonder nadere bepaling spreekt; b. v. tu tonga ni 
uma {naar H veid, vgl. boven bl. 318), maar tu haumana i (naar z'^n ak- 
ker). Dat tonga ook een meer letterlijke beteekenis kan hebben, en dus 
op een punt slaat in een ruimte, die meer in 't midden ligt, spreekt 



^ In plaats hiervan kan men ook de di huduk ruma bezigen (Ib., bl. 157, 
r. 1). M. bezigt ook huruk ruma en verkort rui-ruma (bl. 62, «.). 

^ Bit gebroik van tónga is ook de reden, dat men di parsitongdn ni dalan 
bezigt, om op halfweg uit ie drukken. 



321 

wel van zelf; zoo zegt men, vooral in versierde taal, zelfs iu Umga ni 
hagas {Twist van, S, M. en D, 2>., bl. 18, r. 14 en bl. 19, r. 7) en di tonga 
ni éjabu * (Ib., IV, bl. 198). Van daar ook vaak tonga bij een substan- 
tief, een ruimte voorstellende, die niet behoeft bepaald te worden; b. 
V. di tonga ni alaman (Ib., bl. 198, r. 17 v. o.), op de alaman (vgl. al- 
daar, bl. 176, r. 10 en 18); madekdek ma tu tonga m alaman ', z^ vielen 
op de alaman (Twist van S. M. en B. i)., bl. 26, r. 11); in welke voor- 
beelden het gebezigd is, omdat, van zelfs blijkt, van welke alaman men 
spreekt; zoo ook zeggen wij ik kom te huisy omdat wij er mede bedoe- 
len in mijn huis, 

a, Een sabstantief, dat y66x zich geen praepozitie behoeft, en slechts door *^ 1< ^Kó 
achterplaatsing ?an ni praepozitie wordt, is ala; b. v. marbada ma nasida ala ni 
boru-ioru i, gij twistten wegens of om die vrouw (een ander voorbeeld in *t Ib., 
bl. 288 r. 17 v. o,). 

Janm. Dat ni wegbleven kan achter de by woorden op an, is toe te sehrQ- 
ven aan de locatieve beteekenis van dit aanhechtsel; waarnit alweder blijkt, dat 
m eigentlijk i is, daar an in 't passief in plaats van 't aanhechtsel i optreedt. /' 
£n zoo is ook in tu pudian on ($ 157) en tu djolowan an 't aanhechtsel an te 
verklaren als denzelfden zin te hebben als ni, zoodat zQ letterlijk aan de aehter- 
kant van dit (tijdstip) en naar de voorkant van dit (tijdstip) beteekenen. 

Aant. Ook in 't Javaansch kan 't aanh. an in adverbiaal gebezigde woorden ^ 
als een praepozitie verklaard worden; b. v. atusan, hij honderden, ewon {ewu -f- / 
an), hij duizenden, rong sasen {rong sasi •\- an), hij de twee maanden, cdz. 
Het is dus waarschynÜjk, dat 't aanhechtsel eun in 't Sand, nit een vroeger an 
verduisterd is; zoo vindt men in die taal nog di hareupan naast di hdreupeun ^ 
als praepozitie (póór iets). De overeenkomst in beteekenis van dit aanhechtsel 
eun met 't Bataksche ni ziet men uit de vergelijking van b. v. ka-tukangeun 
kami (ga achter mij) met tu pudikku (§ 151). 

2°. Van een ander woord door aanhechting van &on; b. v. donok- 
kon (naast of naby iets) van donók. Deze wijze van praepozities te ma- 
ken, is slechts tot eenige woorden beperkt; zoo is mij b. v. daohon van yj^ 'Lit 

Van daar alhier ook «» niet verkort. 

Met alaman bezigt men naast tonga ook pogu (zie Wdb.); b. v. asa mada- 
<hu ma losung i tupogu ni alaman (Twist van S. M. en D. D,, bl. 25, r. 4 v'. o., 
vgl. ook bl. 26, r. 9). 

In de JHirad bl. 11 vind ik dié ook als bijwoord. / . 



f/ltli 



323 

daó nooit yoorgekomen. Andere voorbeelden s$n hambwrlumy laokkom^ 
rappm (rap), dotêom (da$), larékfm^ tokttMtm (ioktang), en êU9Paiekon («ir- 

watkf). üit ta^nghm (M., zie bl. 819) zonde men opmaken moeten, 

dat diergelijke praepozitiea eigentlijk imperatieven zqn, zoodat b. v. 
doHokkom oorspronkel^k weei nah^ het of iets diergdijks heeft beteekend. 



a. Zoo seh^nt toihmy waarnaast êongon (( 80, XY), uit suwaikon ontstaan 
te sQn. 

M. bezigt ramghm (bl. 26, II, Aanm.) ook = doAot (( 161). 

D. besigt todëtiin {todés = iudós) = doUon; b. t. hakum. aku todëtiin 
kene nniërëm ÜU ngo aku malot ku-hHoh gércar kémpungku idi (Ib., bl. 213, r. 
12 T. o.), w4Êt mij hêtrefi, ik be» gèl^k Mm mUêdên, de menigte; ik weet den 
naam van dai mijn kleinkind mei; rèbakkën (rHak =£ rap) = rappon, enjs. — 
In plaats Tan ionga beeft men bier tëngak, tend)! ni vömr *t snbetantief meestal 
niet gebezigd wordt (bl. 318); b. v. i-dokktèn mo i-padjëkkën napaeona djeréten i 
*^. jUngahkèê «•»; hij beval gijn bedienden een slagipaal op de dUman op ie rigien. — 

' * ' ; "^ In plaats yan iu of di gindjang ni berigt men babo (bo?en, bl. 313). 

I 161. Als praepozities treden ook andere woorden op; b. v. 

a. dokot (§ 159, op bl. 811), dat als bijwoord mede, ook, als werk- 
/ woord mede gaan of mede doen, en als conjunctie en beteekent. Met de 

beteekenis van ons door en wegens heeft men 

b, di-haen (zie bov., bl. 158, 190, 195 en 196, ond.), dat de derde 
persoon van H eerste passief is van tnambaen, waarvan de nominale 
vorm of passieve imperatief, namentlijk 

e. baen, als praepozitie iat, bestemd (voor iets) beteekent; b. v. baen 
ahém, wo tot toot is het?; adóng ma i baen svnondukmuna, dan zjj die 
tot uwen man (andere voorbeelden boven, bl. 183 en 192). Deze prae- 
pozitie is vaak in een passief van mambaen te gelijk opgesloten; b. v. 
dirbaen ma sukkU solmna, k^ maakte een sukkitblad tot st^n vaartuig; di- 
baen djolma ni kakana i (Ib., bl. fö), k^ maakte kaar tot vrouw van zign 
ouderen broeder; eaaggo na tarbaen do imbidu ni gidik^gidikkón boni su^ 
wan damang tu Aaumatta i, maar zoo deee m^ne oksdkaren gébesigd kun- 
nen worden tot zaad, ga ze dan in uw akker planten (vgl. bov., bl. 181). 
Men bezigt ook, maar zelden, umbaen of mambaen (IMst van 3, M., bl. 
19, r. 18 V. o.), en verder 

lage; h,v,dikomai borukki bage tuwan-borém, aan u zig m^ doek- 

. ter tot uwe vrouw. Dikw^ls bezigt men in 't geheel geen praepozitie ; 

b. V. asa addng ko ikkaju (Ib., bl. 206, r. 18.), opdat g^ er tot toespps 



8SS 

Tan enz. moo^t zijn; êiJSüpi nihut i ma buUmg'bulang soda di datu inon 
telGtar-rudang'Tudang^ di-leqn aada piso ei-tadjom (Ib., bl. 255, r. 12), 
de principaal gaf aan dm daiu een hoofddoek als BOUian'rudang en een 
mee als ei-tadjom. Vooral eae en tau zijn zoo voor een sabstantief in ge* 
broik; b. y. eae boni m kaumakkt^ voldoende tot zaad van m^ akker; 
na tau pagar (Ib., bl. 87, r. 11), die vogel kan gebezigd worden als be- 
hoedmiddel. Over pangtdu zie boven bl. 187, r. 2. 

binaen ni (^eplaaést, gemaakt, vaêtgeMd door) kan als praepozitie 
(polgene een verdrag, enz.) optreden; b. v. kaumakku i amdng binaen ni 
hataita tm' bodari (Ib., bl. 285 , m.), dat ia mijn akker volgene onze qf- 
epraak van gisteren avond; waarmede vergelijk anggo eongon na hu-dok i 
tutu binaen ni padatta (aldaar bl. 252, r. 16 v. o., maar zoo Hgeen door 
onze afspraak is vastgesteld werkelijk zoo als ik zeide is). 

d, lambung (zie Wdb.); b. v. di lambung ni tinopotna i, bij die zij be- 
zoekt; di lambukkt , bij my (Ib., bl. 32, r. 11 en 13); ro dcli-doli tu lambung- 
na (Ib., bl. 1, r. 6 v. o.), een jongeling kwam b^ haar; ook zonder ni; 
b. V. di lambung lubang-lubang (Twist van S. M. en D. D., bl. 10. r. 10 
V. o.), b^ 't vloergat. 

e» tinoppa ni wordt als songon gebezigd (zie Wdb. onder ada I.). 

ƒ. tinudu ni (zie Wdb. onder tttdu), Verder bezigt men gaarne 

een werkwoord in 't actief, dat een volgend substantief beheerscht met 
een beteekenis, die wij met een praepozitie zonden wedergeven. Be 
kens van zulk een werkwoord hangt af van 't voorwerp, voorgesteld 
door 't substantief , dat door zulk een werkwoord, als praepozitie, in 
betrekking gesteld wordt; zoo zal men 

umbegé (hooren) bezigen, om ons over in men was verwonderd over 't 
gezang van dien vogel (Ib., bl. 193, r. 4 v. o.), en 

mamida of mida (zien), om ons voor in hij' was bevreesd voor dat ding 
uit te drukken; b. y. nunga balim mabjjar ibana mamida sumur i (Ib., 
bl. 70, r. 8 V. o.), hij werd meer en meer bang voor die pui; A. P. 
vlngtte naar 'tboscb, nunga mat^ar mamida anggina, want hjj was be- 
vreesd voor zijn jongeren broeder; kapé mólo ast rohdm mida au (Ib., U. 
118, m.), maar zoo gij medelijden met mij hebt (terwijl bl. 119, t,1, di 
in plaats van mida gebezigd wordt); mab^ar do hami mida hamu (Ib., 
bl. 31, r. 18 V. o.); ma^'ar halak mida hami (Ib., bl. 147, r. 8 v. o.). 
Ons tegen (b. y. in tegen iemand str^'den , in een geding «optreden enz.) 
drukt men door 

mangalo of maralökon ($ 6S) uit; b. y. umpi au radjanamt mangalo 



SU 

raéüaUa B. R. £. (Ib., bl. 160> r. 16 v. o.), «^ t»t^' 6^ Forstl tegen 
Forst D. R. B. (ygl. ook boven, bl. 298, onder); tnamuêêu ma amok ni 
n-hombing fnaraloko» htUa toruan dolM panggabean^ de marga ei-hombing 
voerde oorlog tegen de huta toruan en panggabean margaa. Zoo is ook 
V kumal^ang een actief ({63); b. v. na hwntd^ang hutana i (Ib., bl. 
28, r. 6, o.), die zijn huta omringden (die om sqjn huta gelegen waiten); 
dida ma na di hajangan nunga humaH^ang êopo ni radja i (Ib., bl. 80, 
m.), ky zag die in Hblok waren de acpo va» den vorst omringen (h\j zag 
de gevangenen rondom de sopo van den vorst geplaatst adjn). Zoo ook 
bezigt men 

mandapotton van een brief (^erigt aan iemand), en ook in plaats 
van ro di na sakat (Ib., bl. 71 , r. 16), terwijl 

mandók, als praepozitie, zoowel tot als van (iemand spreken) kan 
beteekenen. In de eerste beteekenis bezigen sommigen er nog tu achter 

(b. V. Ib., bl. 318 , r. 9 v. o.). Met de beteekenis van naar (iets 

den naam dragen) heeft men 

mangihutton (zie Wdb. onder ihut)^ en 

marajak (§ 164) met die van naar den kant van (iets); b. v. mareak 
(§ 17) huta haroroanna i (Twist van S. M. en D. D., bl. 10, r. 16 v. o., 
bl. 24, r. 20), naar den kant uit van de kuéa, van waar hjj gekomen was 

({ ISO). Ook door een passief kan, zoo als w\j reeds uit di'baen 

gezien hebben, een praepozitionale betrekking aangeduid worden; b. v. 

di-^onggom èonang manalu do i di 8i4qppion inon (Ib., bl. 317, r. 6 
V. o.), die verschillende ingrediënten werden door manalu-garen op de 
sU'toppion omvat (zij lagen binnen een krans van manoZn-garen op dé 
aiteppion); zoo ook 

di-tolon parbubean parèalijan (Wdb. onder tolon)^ ingealokt door de 

buitenste rijstzak (binnen de buitenste rotzak). Ook wordt vaak 

een substantief zoo gebezigd, dat w^ het met een.praepozitie zonden 
wedergeven, zoo b. v. wordt 

dongan ^ in de poda gebezigd in de beteekenis van met en en^ ter- 
w^'l het in de gewone taal dikw^b met een pronomin. aaah. , of n» en 
een subst.» met (een persoon) beteekent; b. v. ya gabe eogot a«, ho ma 
dongattu gabe, zoo ik eenmaal (in de toekomst) gezegend word^ dan zuU 



^ Vgl. 't Mal. dongan, dat in 't Men. nog medgeeel beteekent» maar van een 
dattf all Tersachtende nitdmkking gebezigd wordt. Als praepoz. bezigt men in *\ 
Men. 4J^enj waarnaast ook é^en (ae bl. 73, XV. Aant, 2). 



3S5 

ffij mei mij gezegend z^ (dat gij met mij gezegend moogt zijn); dohot 
ma hamuna tu si dongannami manopoi (Ib., b1. 172, r. 3), ga gif mede 
dertoaarU met ons; dongaUu tuóu, het is met mij geboren(ziQ Wdb.); en X 
even zoo H passief' van 

mandongani; b. v. di-dongani poso-poso i ma bahi mangan di palakka 
i (Wdb. onder dongan); een voorbeeld van 't passief van mangaio, zie 

beneden, bl. 3S4. OYcrpanading (bl. 187) zie Wdb. Uit 'tMaleisch */a 4 * < 

oveiigehomen zijn 

daiang (zie Wdb.), en 

sa-pandjang (zie Wdb.); b. v. sai mangandung sa-pandjang dalan i, 
ti] weeklaagde steeds gedurende de geheele reis. 

M. wijkt niet af. Het gebriukt ook mangaiigi = mamida (Ib., bl. 134, r. 
2); mandokon (zuid) = mandok (Ib., bl. 199, r. 2); tvwa ni halakint (hl. 225) 
ning i halak sudena mandók- Aalakt na duwa (Ib., bl. 290, r. 15), hoe gelukkig 
jt^ zijl zeiden de Heden allen, sprekende van ken tweeën; paninggal (vgl. pa- 
nmding in T.) kan hier ook de beteekeais hebben van gedurende de afwezigheid 
van iemand; b. y. paninggalna di-fangko, ehi. (Ib., bl. 128, r. 12 v. o.), gedu- 
rende Mare afwezigheid nam M, M. B. baar kind beimelgk weg. sa-pan- 

djang kan hier ook van de diepte zijn van beteekenen; b. t. sa-pandjang eme, 
zoo diep als eett-rijstaar (was zijne wonde). Het gebroikt ook djadi = boen; 
b. V. nada ra hami baeononmu djadi anakmu, wij willen door u niet tot uw 
kind gemaakt worden (vgl. bov., bl. 231). 

D. heeft mahan (van bahan, en dns een actieve vorm, vgl. bl. 322, r. 5 
V. o.) = baen (bl. 185), pemahan (bl. 187, e.) en verder bakinoï makin 
(bl. 189) = dubaen; tnërëntaü v^r een substantief, dat dan een groote hoeyeel- 
heid of een meerv. voorstelt; b. v. mërëntati djukut, hij zich dragende veel vleesch, 
d, i. met veel vkesch (Ib., bl. 279, r. 12 v. o.); mërekutkH^{}\ï., bl. 118, r. 9 
V. o.), op verbrand waren ie gelijk met Hhois zi)n slaven allen; lako wordt in 

verbinding met een andere praepozitie gebroikt (bl. 315). In pi. s.mar- 

nida bezigt men midah (=s mida, § 63); b. v. higgo mo aku ku-dkap tëdoh midah ^ 

keue (ib., bl. 107, m.), ik verlang naar ulieden; m}frkëbijarhi kene midahsa 
(Ib., bl. 1JJ7, m.), gi^ieden hebt iemand te vreezen in hem (vgl. bl. 136, o., 

alwaar ha%a in plaats van midahsa gebezigd wordt). In pi. v. mandók hezigt 

men veelal ëztbangiën; b. v. nina ëmbangkën aku(lh.f\i\. 210, r. 9 v. o.), zeidt 
zij 'tot mij; mëndokkèn hai = mandók tu (bl. 324); b. v. idi mo kata ni gaman 
smëndokken bangku (Ib., bl. 211, r. 4 v. o.), dat waren de woorden der gamans tot 
mij. — In pi. V. lamhung bezigt men dësing; b. v. rok mi dësingëndene ena (Ib., 

16 



y/43 



/ 



326 

bl. 199» o.), komende m^' mUéiem kier. Ook hier éürngtm, en in pi. t. 

wumdongMu^ wOrdëmffM^/M); K r. dèmfernkm (boven, M. 307); i^perdhtfftm 
kono mMm (boven, bl. 280, r. 5 e» 1 t. o.): «m mhu détÊ^mmm mëasüranA 
(Ib., bl. 15, m.). opdai ik mei kern e^ke. tiAekem <bov., bl. 261). 

} 161* Dikw^ls bezigt men in 't geheel geen praepoeitie; xoo 

l^ in een adoerkiale hepdU$^ von pfjjiopgaDe ; b. ▼. A49kor apatpukt na 
talu i, hij koekt den overwonnene voor 40 sp. matten; di4ukor babi m do- 
nganna kuia i dmoa r'ijar^ k^ kocki een varken mm sffn kniafenooi voor 
2 realen; tartukor hiia do na sa i^ kunnen wij kei voor zoo ved koopen? 

2^. in een adverbiale b^aUng van doel, door een ae^f uiigedrttkl 
(bl. 194, a.), daar een praepozitie aleclits een sobstantief of als subst. 
optredend voornaamwoord kan in betrekking atiAUen; h, v, lao ma hom 
toppid ii'purpuron maridi, Meerou» T, 8, ging om ziek te baden; lao ma 
naeida mardtUan, z^ gingen op reie; tu d^ kuAogikon amakkdn marmusu 
(Ib., bl. 177, r. 15), weruHurU zal ik mi^n zoon, die Mer is, geleiden om 
oorlog te voeren (vgU ook r. 23); zyn noeg^s winst was niet mew toe- 
reikend mamggarar uUmgna i (Ib.» U. 69, r. 9), om. sijn eekidd te bela^ 
len. De werkwoorden met 't voorhechttel pa, die alleen in 't actief kon 
hebben (§ 66), treden in dit geval meestal tonder aanhechtsel op; b. ▼. 
paboa na mamunu naada (Ib., bl. 254, r. 18 v. o.), om te kennen ie geven 
dat zü vijanden gedood kadden (vgl, aldaar, bl. 184, i. 8, 285, r. 4); ^o- 
eiding ibana (boven, bl. 184), om kern te ontmaken (vgl. § 121, 2''.). 

3^. in een bepaling van de êhf, waaruit iets bestaat of vervaardigd 
is; b. T. titün mae, een ring van gond («ie Ib., U. 7); 200 ook, waar 
't substantief, de stof voorstellende, als praedikaat <^reedt; b. v. bain 
do f, dat is van zteen, 

4"". in een adverbiale bepaling van gel^ktjfdigkeid, b$ ons door een 
dei^lwQord van den tegenwoordigen t^d uitgedrukt of wel door een 
praepozitie met een substantief, dat den sin heeft van een infinitief; 
b. V. bek4 ma nkma inatta manéffah na ku4ongoê t, koedanig was 'i doen 
van rnün moeder bij de ontvang si van of ontvangende ketgeen ik zond? 
pittór mekkel do nazida manMlo, «ff laekte bij de o^vangzt; boU ma 
ninna si^jonafia makktding (Ib^ U. 325, r. 4), zoo waz Hze^en van 2^. 
sprekende (vgl. bl. 287, r. 1 v. o.); mmga talu kamidi-baen ko nkwa- 
bung (Ib., bl. 160, r. 4), wjj zijn door 1» bij} het hattenJüoppen overwonnen: 
boti ma ninna si-djonaka mangalusi kaia nipangulu, inon (Ib., bl. 230, r. 
8 V. o.)> aldns was H zeggen van I)j. beemtmOordende de woorden van den 



327 

scheidsregter. In dit geval kan men na ook voor 't werkwoord bezigen; 
b. V. èoh ma dudok radja % na mattang^ang^ zoo zeide de Forst tot de 
^oden smeekende. En zoo kan men mandóky wanneer tu er achter komt 
(bl. 324), ook rerktaren. 

5®. In op dkander volgende adverbiale bepalingen vam plaats iaat men 
vaak in een volgende bepaling een praepozitie weg, soo zij in de voor- 
gaande reeds gebruikt is; b. v. tu tongat4ombak na begwm (tu) lambung 
ni sómbaon radja tumording (Ib., bl. 6, m.)> naar *é èetooverde woud, 
naar de nab^keid van den sombaon R. T.; di toru ni urur na tumording 
(di) af-as m papan, enz. (Ib., bl. 88, r. 4), onder de gereide daksparren 
en op de planken vloer. Zoo wordt di zelfs met na, dat een adjectieve 
bepaling moet inleiden (§ 149), weggelaten, waar V($or 't subst.^ door die 
adjeotieve bepaling gevolgd, reeds een praepozitie is; b. v. tian kart- 
ara (na di)' djuki ni tapian inon (Ib., bl. 292, r. 8), van denfieuéboom, 
die aan de bovenkant van de badplaats i3(vgL aldaar, r. 12, te kariara 
na di djulu ni tapiaUa inon, naar den fieusboont, die aan de bergkant 
van onze baé^laats is). Dit weglaten van na is ook gebroil^elijk in den 
vocat.; b. v. pangülu di huid (Ib., bl. 88, r. 2 v. o.), nuiRipangulu ni huté, 

a. Een adverbia bepaling, b\j ons uit een praepozitie en een infinitief be- 
staande, woccU door .een^ bijzondere con^oct^ wodergegeven (bi. 193). . 

b. Zulke aitdrakl^ingen ale talu gogo X%n krwiht onder dqe^) yatte m^n ala 
mmengestelde woo:cden op^ . , , 

6°. Een praepozitie mag nooit voor 't voórnaÉimw^ na plaats nemen 
(§ 115, en bl 197, 209 en 243, 8".); zie ook § 58 op bl. 117, 8^ 

M. wijkt niet «f«^ft«t betigt tuk&r ni wel etens ais praepodtie bQ^ecn )IÉ)|8- 
opgave; b. t. iukdr itf kapur i (Ib., bl. 8, r^ 11), tfoor die kanjer (voor'^'tgm 
dre kamfer bad «pg^bnagt). — ^ VöPdeir jte/WnAi' ^ bg^umjai}^,^ M* 3»^ r. li 
V. d.), zeg aan oneeh vader: Tiipi S.d.'M. it mol; ae]iter'geblcveif,!om:AM^ 
buisje ieregt te btmgen. - 't - ' " '^ : '' 

D. öok niet; b! V. mdhi 4^hu»ai aH^ dhmHJttr* P^u r^dr ëngpêUtèk^ 
mhtokor (Ib., bl. Itö), ik kéin hmk VMlr zh'reiién niét 'Hemen; 'mt^.YQ^:4ne 
teil ik kern koopèH; tumandakin aên réuf a inggö (th.; \A, 4^ , mJ^i^omieeenf 
'nenic geven, étai ik tl^WfH geniere èm) MT^M^ rM^MHT Wku^nt^nOHpiónamo 
(fb., bi. 26, r: ie), aè'iè k^^^ti^remW'fkm^m'^ta^'U U'^Mam-: '/>-« .v ^' 

• U'OO •: ,:',".' ' 

• * Yrv pat(mtu(konfziéf^)övéti\A}\r^Q ixt^:, to'i 66. • - t':l> ,^m' v* 

16* 



328 

VIII. CONJUNCTIES. 

{162. Van woorden, die zinnen met elkander in betrekking stellen; 
maakt 't Bataksch een spaarzaam gebruik. Er z^n daarom weinige 
woorden» dié alleen als coiyunctiês optreden; zoo is b. ?. 

ai, dat w^ als bijwoord boven reeds gehad hebben ($ 1&8, 19*.) 
ook een conjanctie, die wij met ons taant kunnen wedergeven; b. v, 
indd iunff pala pantan i di ho^ ai ao ^i-%/(lb., bl. 151, r. 13 v. o.), 
die kan op u immers niet verstoord worden ^ want zjf hoort het niet (een 
ander voorbeeld in § 106). -*-* Ook een praepozitie kan een zin op 
zolk een w^ze verbinden, dat w\j in de plaats er van een conjunctie 
of wel twee zinsneden zouden gebruiken; b. v. di bagasan ni hami na 
makiata gora on na so djadi marhada napehamuna (Ib., bl. 226, r. 13)^ 
binnen onsy die deze aangelegenheid bespreken y is hit niet geoorUn^d dat 
gij nog ttcist (terwijl we deze zaak in handen hebben» moogt g^ nog 
niet m^t elkander .twisten). In dit geval i^eegt mm 't sulg'ect (hami) 
voorop te plaatsen , en door een a4jective zinsnede (na makkaia eta,) 
te bepalen (vgl. boren» bl. 844, onder). Zöo kan ook 

ala (bl. 321 , a) zonder ni als conjnnctie optreden ; b. v. aia adóng hata 
na litu (Ib.; bl. 289, r. 6 V; ó.), otndat er een woord is, dat dwaalt, enz. 
(omdat meb' zich 'soms onvöortSgtig 'uitlaat, enz.); mate angitta di sen 
ala dt'pan^an parbuwe ni tuH-iuri malam (Ib., bl. 1Ö6, t, 6 t. o.), m^n 
Jongere broeder is hier gestorven, omdat hjj een vrucht van dé t, m, heeft 
gegeten (vgl. ook^ Ib., bl. 175, r. 12). Onze conjunctie dat, waar- 
mede wij /eenjdnsnede, als substantief, doen optreden, wordt door na 
wedergegeven (boven, bl. 244, 5°.), maar dat voornaam w. kan ook weg- 
gekijtea .w:drdeti; b. y,, dipima^ro Mi^it^laffA^ng^^a Qh.^hl, l, o.), 
i^i:droomêe dat er ^en Jongeling bjj haar kwam: paUfiw^ma dibana laht- 
i&hi dó nti ttdiu 4, vertel' hem ;, dai het ^eemoori.isitf die fi^foren is. (xfiM 
hemt.hei ift een maaneliijki yffr^oon die. geboren js}i, — 7-* Onze con- 
junctie ofy waar zij een substantie ve zinsnede in^idt* wordt door na 
(hl,'2Mi a°:) wedeigegeyen., zoo 'tpraedikaat in,die zinsnede voor staat, 
terwijl /zij, tva&aeer \bet -sobifeQt vooi^aan komt,: we^elaten wordt, en 
dodroc^aq^ier/t subject, waïdt.^Ter^angeAs,b» y.^manukJJB^n sombaon, 
Aami doynimm^ )ju^ppuna^ hauma. 0b^ -U. i^9S^^ r* $), ^o^m 'den.somóapn te 
ondervragen^ if wij , na(m^)jsij».sfiggen^ i^ dien, ^fïlfeir aansprcuik H^ben, 
Verder door 

barang, dat in 't zelfde .g^Vfll ookfjvoqj iepni.vfiiflg\ii?y>ord. ^koet^ ge- 
* bl 



329. 

plaatst worden (§ U7 op bl. 283). Dit harang kan ook als conjanctie 

substantieven verbinden; b. v. anakna harang boruna (zie Wdb.)« 

Een onderscheid in de volgorde der woorden naar mate een conjunctie 
een afbankelijken zin inleidt of niet, zoo als b. v. b^ ons tosschen een 
zin als toant hij U ziek en imdai k^ ziek is, is onbekend. De be- 
trekking tusschen twee zinnen is nog het best te zien uit een bij- 
ssonder woord ter uitdrukking eener negatie ($ 153*); zoo is b. v. in 
iee ho, sowada hthboto ^ (ik weet niet, wie gij z^f) 90»ada een teeken, 
dat ite ko een afhankelijke zinsnede is, want bezigde men de gewone 
negatie {indadongy enz. bl. 265, c), dan zoude voor 't vraagw. (ise) nog 
iarang moeten gebezigd worden, en de afhankelijke zinsnede achteraan 
moeten staan (mdaêmg hu-èoto, harang iêe ko); even zoo di-huwai hegu 
aka, so ku-hoto (Ib., bl. 91, r. 2 v. o.), ik wed niet, door waé ding kei 
weggenomen is (vgl. ben., bl. 886, ond.). Zoo vindt men sowada ook aan 
't begin van een hoofdzin, die op een oonditionelen volgt, zoodat wij 
het met da» niet hebben weder te geven; b. v. zoo de datu de gesneu- 
velden niet op die flaiten hoort blazen , sowada oio he i fnariuhol na 
mate inon (Ib., bl. 254, r. 1), dan zuüen die dooden waarsek^nl^k niet 
gewroken worden, Ook 't bezigen van 't zelfiie woord in op elkan- 
der volgende zinnen, stelt ze met elkander in een betrekking, die w^ 
gewoon zijn door een conjunctie uit te drukken;, b. v. di si lomó ro^ 
kakktt midjur, di si au midjur (Ib., bl. 172, r. 13 v. o.) , zoodra ik lust 
kS naar beneden te komen, kom ik heneden (letterlijk: op dat t^dstip is 
mjjn gemoed genegen beneden te komen, op dat tijdstip kom ik beneden); 
djadi tnas ningon, djadi do tutu. (hoven, bl. 280). Zoo de hoofdzin met 
sai begint, behoeft 't woord niet herhaald te worden (zie een voorbeeld 
boven, bl. 281, r. 9 v. o.). Op dezelfde wijze herhaalt men sada of een 
substantief met 't voorhechtsel sa, om twee voorwerpen, wegens ver- 
schil in 't geen 'tpraedikaat uitdrukt, tegen elkander over te stellen; 
b. V. sada t^ó, sada liiók, sada di s^ambirang, sada di s^amun (Ib., 
U. 70, m.), de een was klaar, de andere troebel, de een was links, 
maar de andere regis (vgl. Ib., bl. 137, r. 4 v. o.). Soms wordt de 
tegenstelling nog versterkt door na s66t 't substantief te plaatsen {na 

sa-halak, Ib., bl. 138, r. 17 en 20). Een ander middel nog om 

een bijzin te kennen is het derde passief; b. v. sinttru i mambalbal 
(boven, bl. 173, r. 4), niuppat, patungoripon, enz. (aldaar, r. 9); «i- 



* Ib., bl. 172, r. 14 V. o. 



330 

uUtyi di ótü^n, ninna^ pidoug (Ib., l^. 211, r. 4), zoo me» bidian op em 
voffêl met het blaasroer acktei^ zegt k^. Hier heelt 't gebruik vali 't 
derde passief denaelfden zin als bij ons de omgekeerde vdgorde der 
woorden in een b\jzin, zoo wi^j een ooignnctie verzwijgen; b. v. schiet 
men huUm op een vogel ^ trekt men kei uU^ beveelt men ket te slaan ^ enz. 

Zeer dikw^ls geeft men 't verband tnsachen twee zinnen aan den 

hoorder of lezer slechts te raden; zoo b. t. laat men alai weg, en 
plaatst slechts do of ma achter 't praedikaat van den adversatieven zin 
(zie voorbeelden boven, bl. 161 en 884). 't Yoomaamw. na heeft vaak 
coi^unctieve kracht conder dat men echter bepalen kan, met welk een 
conjunctie w$ het hebben weder te geven; b. v. aka ma gararku tutu 
di kamuna, na pogos do au (Ib., bL 219, r. 12), wat zoude mijn betalmg 
aan u werkd^k tijn? wnnt ik ben arm {die arm m, ben ik); na oio son- 
dot goramnna o», ku-pasondot kami (Ib., bl. 826, r. 8 v. o.), zoo vlieder 
str^dsaak kan ten einde gebragt worden, zmüen w^ kaar ten einde bren' 
gen; na sowada gararku napé di ko (Ib., U. 217, r. 7 v. o.), maar wjjn 
betaling aan u is er nog niet (maar ik kan u nog niet beialen); zie ook 

de voorbeelden op bl. 242 en 243, onder, en bl. 846, 7*. Een bloot 

tegenMlende zin wordt gekend nit de plaats van 't subject voor 'tprae*- 
dikaat, terw^l het in den vorigen zin aditer staat; b. v. horu ni djdma 
do f, kUa beg» (lb., bl. 10, r. 8 v. o.), een doekter van menseken is die, 
wij zijn geesten (wjj daarentegen z^n geesten). Dit geschiedt, wanneer 
de tweede zin een verschfl in praedikaat heeft, zonder echter de waar- 
heid van den eerste op te heffen. Sommige bijwoorden kunnen 

een hoofdzin aankondigen (§ 168, 3*. b,), en verliezen als zoodanig 
hunne oorspronkelijke beteekenis. Zulk een b^woord is ook 

pittér (bl. 274), daar het dikw^ls sleehts een hoofdzin inleidt, die 
op dung ni (bl. 226) of een anderen t|jd-voorzin vol^; b. v. duugnipiltér 
gondók do panaÜina (Ib., bl. 8, r. 5 v. o.), dat gedaan zijnde, was kaar 
oogopslag ter uedergebogen (keek ziü van verslagenheid naar beneden); 
in welk voorbeeld asa in plaats van piilAr had kunnen gebezigd vKa- 
den, zoo als büjjkt uit Ib^, bl. 4, r. 13 v. o. Met dezelfde beteekenis 
bezigt men mMgor en wel toi vervelois toe (^ Ib., bL 220, r. 18 > 16 
en 21), terwyl mamittor meer een Dairisme is (inenter, bl. 40, K. II). 
Zulk een conjunetirf bjjwoord ^ is ook 



y 



^ Zulke bijwoorden noemt men bij ons bijwoorden van H zinsverband, omdat 
zij , hoewel bgwoord , 't verband tusschen twee zinnen tevens uitdrakkeo ; zoo b. 



381 

' duHff of een zqner bijvormen (b1, 276), daar het niet alleen een 
voomn inleidt, die gevolgd wordt door een vaak met mo aanyangenden 
hoofdain (bl. 888), maar ook met de beteekenia van nadai voor een 
achterzin plaats neemt; b. v. dung ro di Ma ninanai(\h*i bl. 150, r. 16), 
nadat hij i» de hwta van zijn moeder gekomen was (zie oök Ib., bl. 5 , 

r. 1, bl. 9, r. 19 V. o.). Vaste regelen omtrent 't gebruik der con- ,; 

juncties, of als zoodanig optredende woorden, op te geven,. is ondoen- 
lyk, daar vele dier woorden met elkander verwisseld worden (zie bij 
atik en aaa). 

De woorden die, als ccmjnnctie, een opzettelijke behandeling ver- § 163. 
dienen, z^n: 

1°. dakU (§ 159 en 161), dat substantiven verbindt; b. v. radja mar- 
pojung langU hapé gowama di-baen damang dokot dainang (Ib., bl. 19, 
r. 14), R. M\ L.ia dm zijn naam gemaakt door vader en moeder; bott ma 
ninna inana i dokot ninna amana i (Ib., bl. 28, o.), aldus was H zeggen 
van zijn moeder en 't zeggen van zijn vader, Vc^or substantieven, die als 
object optreden, herhaalt men H werkwoord; b. v. nunga ro ho manun- 
djnngi é/jolmamt dokot manundjungi anakmt (Ih,, bl. 174, o.), g^ zijt ge^ 
komen om uwe vrouw en uwen zoon te zoeken. Ter verbinding van zin- 
nen, die opeenvolgende handelingen vermelden, wordi het niet gebe- 
zigd, daar zulke zinnen zonder conjunctie op elkander volgen; b. v. 
di4apa radja % ma badak f, di-èuwat ma ate-atena (Ib., bl. 117, o.), de 
vorst sneed den rkinoeeroe open, en nam z^n kart; lao mapanduda % tu 
óagaSf di-pahowa ma tu raê^a i (Ib., bl. 121, b.), de rijststampster ging 
naar kuis^ en meldde ket aan den vorst (vgl. IL, bl. 129, r. 20 v. o.). In 
op deze w^ze op elkander volgende zinnen kan men dokot ook gebrui- 
ken, maar dan is het b^ woord; b. v. ro ma kaèa-kaia, ro ma dokot 
.udan, een storm kwam^ en ook regen (vgl. Ib., bl. 91, r. 14 v. o., 126, 
r. 4 v. o., 127, r. 14 v. o.). Op zich zelf als werkwoord beteekent het 
medegaan y terwijl het voor een ander werkwoord de beteekenis van ons 
mede heeft, en, als praedikaat, van dat werkwoord gescheiden kan wor- 
den; b. V. molo lao ko^ dokot do au^ molo mate ko dokot do au mate, molo 
mangolu ko dokot ma au mangolu (Ib., bL 137, r. 14), zoo g^ gaat, ga ik 



Y. hezigeD wQ dan, dat by woord van tQd (»» dat geval, aUdan) is, in een 
hoofdzin, zoo de voorgaande b^sin met taanneerof ais aanvangt (ak h^ ziek is, 
dan ga ik hem opzoeken). Zoo zijn ook lat^sowada en maituwa êowada (bl. 298) 
Gonjanetieve b\j woorden. 



332 

meée^ zoo gij sterft ^ èietf ik mede^ indkn gjj leeft, lew ik mede. Staat het 
andere werkw. als praedik. voor, dan is het weder 6jjwoord: b. v. eonang 
ma dohotpargoUi dohci na torop (Ib., bl. 38, r. 5 v. o.), ook de muzfkau- 
ten en de menigte kielden op, Als di^unetieve eonjunetie bezigt mea 

baraug (bl. 328), en eowada om ons noek — noch uit te drukken (bL 
266, r. 12 7. o.). 

2®. alai, maar (voorbeelden zie 1)07., bl. 284, 285). Het wordt ?aak 
weggelaten (bl. 830), of door een ander woord vervangen (§ 158, 17°.)- 
Door Maleischen invloed ook 

tapi (vgl. M. op bl. 840 en D. op bl. 341). 

8°. umbaen is eigentlijk een actief werkwoord (boven, bl. 124, 6.), 
dat als praeposdtie den volgenden zin , die vaak met na aanvangt (bl. 
244, 5".), beheerscht; b. v. di-haen sowada di-boto mandók êongon t, t 
ma umbaen na kn-talnkon, door dat k^ niet tmt gelijk dat te zeggen, 
dat maakte dat ik hem keè overwonnen. In dit voorbeeld ziet men, dat 
na ku-taUtkon als object optreedt van umbaen. Dit als coi\junetie op- 
tredende werkwoord duidt een gevolg aan; b. v. aka ma na ni-ulém 
umbaen na ro hamü tu kuta on (Ib., bl. 217, m.), watistoek, datg^, 
wiU uitvoeren , veroorzakende dat gij in deze kuta komt (wat wilt gij doen , 
dat gij herwaarts komt?, vgl. Ib., bl. 227, r. 4 v. o.); niolo ni-duda na 
ung masak, indd umbaen na malala (Ib., bl. 298, r. 13), zoo men stampt 
wat reeds gaar is, keeft kd niet tot gevolg, dai ket popperig wordt? 
Zoo men met umbaen een voorzin inleidt, moet er achter 't praedikaat 
pe (§ 165) gebezigd worden; b. v. umbaen na rope kami tu kutamón, na 
martunggu tna kami tu ko, dat w^ kier in uwe kuta komen is omdat w^ 
bjj u komen manen; waarin het komen 't gevolg is van 't plan om te 
manen. In dit geval kan het weggelaten worden (vgl. ro pe au tu 'san, 
Ib., bl. 1, r. 2 V. ó., met umbaen na rope, lb., bl. i21, r. 2 v. o.). Men 
gebruikt echter ook 

di-baen (§ 161), dat een passief is, en dus eigentligk alleen de oor- 
zaak moest aanduiden; b. v. o^ ma ni-ulamma di-baen na ro tu kar- 
bangon on (Ib., bl. 134, r. 4 v. o.), wat is kei toek wat gijUeden wilt 
uitvoeren, dat gij by deze poort komt? (vgl. boven, r. 15); na di^bur- 
sik do au, dp^aen na mate, ky ke^ my beften ten gevolge waarvan ik 
^ierf. Heden echter duidt het, zooals men ziet, zoowel 't gevolg als de 
oorzaak aan; b. v. moto di-^aen i di-baen na léleng ko, denggdn do i, zoo 
ket daardoor is, dat gij lang we^ebleven zyt, dan is het goed; i do na hu- 
dok di hamü di-^aen ro au^ dat is het, dat ik u zeggen wUde, waarom ik 



S33 

kom; i do di-èaen na Ideng au (Ib., bl. 98, o.)) dat ia de reden, tcaaroM 
ik lang ben weggebleven. Soms wordt het gevolg uitgedrukt door een 
sin, die met nunga ($ 158, 9^.) aanvangt, voorop te zetten; b. v. nunga 
hamgdp ulaonna i di-baen na nnng hahang djolmana i tu gindjang, z^n 
veldarbeid was onafgedaan, omdat zjjn vrouw naar den hemel was wegge» 
vlogen. In de constructie heerscht veel vrijheid; van daar kan men het 
subject ook voor di-baen plaatsen; h.Y.ido ibana di^-baen ro tu son (lb., 

bl. 36, r. 13 V. o.), dat is de reden, waarom ^ komt, Ook wordt 

di-^aen = asa (4"., a.) gebezigd (een voorbeeld boven, bl. 181, r. 7.). 

4^. asa (ook : aso) heeft verschillende beteekenissen , die allen te 
herleiden zijn tot een oorspronkelijke, welke vervolg-aanduidend moet 
geweest zijn. Het geeft 

a. een doel te kennen, zoodat wij het met opdat kunnen wederge- 
ven; b. V. sikkang ma baJbiüa soda, asa ta-sejat, asa adóng ikkaju »»»- 
dakan bowanotta tu huta ni amak-tuwam (1b., bl. 5, m.), trek een onzer 
varkens van de poolen, opdat we het slagten, en opdat er toespijs zij b^ 
de gekookte rijst, door ons naar de huta van uwen oom te brengen, In dit 
geval zelden door di-baen na vervangen (boven, r. 9), of weggelaten ; 
een voorbeeld patuduhon hamü rupamuna, hu'ida, toon uw gedaante, 
opd^t i^ die zie. De negatie hier te gebruiken is unang (§ 164), waar- 
voor asa ook weggelaten kan worden; b. Vr mandjorbing malabi si-bo" 
lang di baba ni ruwang i unang ruwar dekke i, de si-^ótang schildpad ging 
dwars voor de opening van 't hol liggen, opdat de visschen niet uit konden 
komen; dija ma ihotna hu-baen, a^a unang mangaruUa akkintng, waar is 
wai ik om hem te binden (boven, bl. 816, r. 4) moet bezigen, opdat hy 
straks zich niet losrukke? Ook na unang (Ib., bl. 227, r. 15.). 

b. Een vervolg van 't geen in den voorgaande zin vermeld is; van 
daar vaak, waar de voorzin met dung {hl. 276) aanvangt (vgl. ook bl. 
319, 4**.); b. V. dung matoras eme, asa tuèu ma na di dalom laut, toen 
de rijst rjjp geworden was, werd die in de zeegwas geboren; nung ni, asa 
lao ma nasida mardalan (Ib., bh 177, r. 7 v. o.), dat gedaan z^nde, 
gingen z^ op ra& (aldaar, r. 20, bl. 176, r. 21 en r. 6 v. o.). Het sub- 
ject kan voor asa geplaatst worden; b. v. attk léleng au asa ro, mis- 
schien bl^ ik lang weg (§ 155). Zeer dikwijls wordt het weggelaten; 
b. V. dung ni, di-tahop radja i ma 7nusé(\h., bl. 159, r. 7 v. o.), dat ge- 
daan zijnde, omvatte de vorst D. E. B. weder (zie ook Ib., bl. 176, r. 8 
V. o.). Zoo als men ziet is asa hoofdzin inleidend, en kannen wij het 
met een comma wedergeven (zie ook § 168, 2**. op bl. 279). Waar het met 



X 



334 

een comparatief gebezigd wordt», heeft het dezelfde vervolg aanduidende 
beteekenis; in dumejak napé utanffna asa tarop m o6ui (boven, bl. 
123), wordt iorop ni obuk door a9a als iets dat later genoemd wordt, 

aangeduid. Met dezelfde beteekenis leidt het een zin in, die op 

een voorgaanden niet alt^d uitgedrukten sluit, zoodat w^ het kunnen 
/ wedergeven met ons zoo!; b. v. asa gadong enz. (boven, bl. 800), zoo/ 

I ^ dan heelm die dingen dus "gadong** (vgl. ook bl. 301); aêf nunga di4tegé 

hamü dié atndng hata ni opptdta mariuwa somóaon (Ib., bl. 294, r. 8), 
nu dan f gylieden vaderdes/ hebt H zeggen van omen heer den hmUgen 
êomóaon gehoord. Als zulk een zin te hebben kan het ook of^evat 
worden, wanneer het aan 't begin van een geschrift of een formulier 
gebezigd wordt (Ib., bl. 1), zoodat de er door ingeleide zin op een te 
veronderstellen verzoek, een verhaal b. v. te doen, als 't ware sluit. 

c. Een gevolg, zoodat het met umbaen en di-baen gelqk staat, met 
dat onderscheid alleen, dat de volgende zin niet met na aanvangt; b. 
y. i maaea mate ibana, dat umu de reden, waarom hjf *tier/{yg\, boven, 
bl. 193, r. 2 V. o.). Zoo ook in een zin na een vraag naar de reden; 
b. V. pardihdm i om hppaommu panganonni (boy en, bl. 232, a., en bl. 
311, onder). 't Gevolg wordt ook door 

d^'cu^ uitgedrukt; b. v. djadi madabu ma ibana (Ib., bl. 140, r. 2), 
zoodat hij viel (vgl. aid. bl. 181, r. 20, en 11 v. o.). Minder vaak 'toer- 
volg (Ib., bl. 80, r. 4). Verder ook door 

mmga (bl. 838); dung ni manimbung ma nasida tu alaman, di^h 
naeida ma masitafpulan, nunga sai ripae do dirbaen naeida aUma i (Ib., 
bL 183, r. 5 V. o.), daarop sprongen zjj op de alaman, en vochten met 't 
zwaard tegen hen (de vijanden); zoodat hunne tegenetanders steeds door 
hen snee/den (vgl. aid. bl. 182, r. 12 en boven, bl. 245, T.). 

6**. molo is conditioned (voorbeelden, { 168, 12''.), en wordt vaak 
weggelaten; b. v. nung sun tarduda enz. (boven, bl. 165); indaong oio 
sun (lb., bl. 225, r. 6 v. o.), kan de zaak niet geëindigd worden, enz. 
(boven, bl. 289, onder). Ook bezigt men 

na olo; 't welk een bewijs te meer is, dat molo eigentl^k een werk- 
woord is (bl. 123, Janm.), waarby de beteekenis van o2o (bl. 304) mede 
doet; h, y, na €io sondot, pinasondot; na so oio sun , pinuUoppon gora' 
muna on (Ib., bl. 276, m.), wil z^ ten einde komen, worde zij ten einde ge- 
hragty maar isü het niet eindigen, dan worde deze aangelegenheid losgeblü" 
zen (dan laten wij de vijandel^kheden losbreken , vgl. een ander voor- 
beeld op bl. 330). Ook bezigt men 



835 

muda (ook: nrnia), dat ook in M. en D. gebezigd wordt (zie een 
voorbeeld in { 158, 1®. op bl. 277). — In een tweede in tegenstelling 
gebezigde eonditiooelen zin wordt de oonjnnctie of van Jiape voorafge- 
gaan (boven, bl. 301, en Ib., bl. 54, r. 7 v. o., bl. 55, r. 8), of door 
ang^o vervangen ({ 165). In de poda bezigt men 

djaha (zie Wdb.), dat uit 't Mal. moet z^n, depoda vaak vreemde 

woorden bezigende (Ib. IV, bl. 182, ond.). Over nanggo zie boven 

bl. 245. 

M. verzwijgt de conjanctie zeer dikwijls; b. v. na mora manise ija, sai na 
kurang mora, zoo een rijke haar vroeg, wat hij altijd niet rijk genoeg; di-hegé 
halak nannón, di-hunu halak ma au (Ib., bl. 212, b.), zoo men hetttrakt hoort, 
zal men mij dooden. Verder bezigt het naast muda ook nUda (Noord), dat ook 
= dung in den lin van toen gebezigd wordt (ib., bl. 277, r. 6 v. o., 276,r. 2 
V. o.), terwijl dung ook =s mnda is; b. v. dung na dung mmte dainang, di dija do ^ 
ianomanna (Ib., bl. 46, m.), als Moeder dood ie, tpaar i$ dan haar graf?: dung 
ibó roamu di au (Ib., bl. 130, r. 13), al» gij medeleden met mij hebt. Door 
muda met iusé te bezigen, drokt men 't zelfde uit els door molo iung (^ 158, 
12''.) in T.; b. v. muda muruk halak bueé di hamu, mulak hamu tuson (bl. 218, 
r. 5), (MO men boó» op u mogi worden^ keer herwaarts terug (zie ook bl. 336). 

D. heeft muda tah = molo tung (Ib., bl. 82, r. 7). 

6"*. alik (bl. 303) is veronderstellend; b. v. atik anak ni napogos, 
bejaaa aongon i denggan ni oMtna (boven, bl. 188); atik anak ni na gabe 
ióana, bejasa do lao tu ramha on (Ib., bl. 32, r. 3, en vgl. boven bl. 
285, r. 7 en 15). De negatie er bij gebezigd is unang (§ 164); b. v. ati- 
kunang di-pabowa hamuna, adóng óinoto (boven, bl. 305, r* 12 v. o.). 
Ook laat men aiik weg, en bezigt slecbts na unang; b. v. na unang lomó " 
roAakku dièana^ b^aaa hnh-pawn^ ro tugindjang on (Ib., bl. 33, r. 7 v. o.). 
Zoo de verond^stellende ün vooraan staat, is de volgende hoofdzin 
meestal vragende. Staat h^' achter, dan vangt de hoofdzin vaak met 
indd iung aan (boven, bl. 204, r. 4 v. o.), zelden met aso; b. v. atik 
na saut nakkin maruppak hariara i di-baen halak ^ aso nunga male au \/ 
(Ib., bl. 295, m.), soo dejious goo juist werke^jk geveld was geworden, dan 
zoude ik nu reeds dood zijn. Dit aiik is ook in gebrnik =: barang ({ 147); 
b. V. aiik djolma mambuwaty sowadadong hu^to (Ib., bl. 91, o.), of een 
mensch het genomen heeft, weet ik niet (De gel^jkatelliag van attk met 
iarang ziet men duidelijk uit Ib., bl. 178, r. 18 v. o. en bl. 179, r. 10.). 
£en verzwakking van aitk is 



3S6 

aik^ oïaek (zie Wdb.), dat ook met tuap er aehtw gebesigd woidl , 
om een kooge waanc)^)Il^jk1leid aan te duiden; b. v. iaru «mtv^ni- 
ngantm ma kamuna, aek itrng ro nanéit laeanma t, aek tmig di^amgam 
na vuum Jkamuma, maakt 9poed wtd H eie», uw ëckaoabroeder (de geest) 

mogt n% eens kame», en mog^ u gaan opeten. Ock bengt men als 

veronderetdlende eomjunctie 

out, dat ook door een yragenden hoofilzin gevolgd wordt; b. ▼. ant 

kn^oto, basa ku-sukktiH, zoo ik kei wist, waarom vraag ik er dan naar? 

(?gl. boven, bl. 247, r. 17, en bl. 286, r. 9). Be n^tie er bij gebe- 

/^ x^ zigd is weder nnang, en soms ni* inddng (boven, bl. 285, r. 12, mM^ 

Igl^ of na sowada (ib., bl. 236, r. 4 v. o.). Verder bezigt men ook 

sura en surant (zie Wdb.). 

M. kan ook muda (bov., U. 335) Mvn gekmiken, maar dan ii de volgende zin 
Tragende; b. v. mmda na tutu do na nt-dokkonmt, H-tokm na tutu JUmi, inde 
po mate hami, too 't waar was wat gij xeidet, dat wi; mei meedip eu g^ ^, tou- 
den wij dêu idet dood zijn f Voorts gofi — ^ nijdn (een voorbedd sie boven, 
bl. 286). — Soms aiuta (sie Wdb., bfjF.), dat meestal wdueUen beteekent (Ib., 
bl. 237, r. 10 y. o.); rie ook oMtap en ^ in *t Wdb. 

D. besigt kdkum (f 165) met némukéu^ de boofdsiii ook hier vaak een vraag 
i^nde (boven, bl. 286). Zoo de boofdxin aflbmatief is, besigt men ook iku (bl. 
283) in den b^zin; b. f. kakum ni-heioh kin ugo kono méugkeMbaUkèn dirimu 
khnbali tënggoUu, mada ugo kono uëmuiën ni-buwat (ib., bl. 41, r. 11 ▼. o.), 
zoo men geweten had, dat ge « in een tënggolën hadt veranderd, men zoude u 
niet genomen hebben. De negatie er bij gebezigd is mada (ib., bl. 42, r. 9 v. o.). 

7^. kotrn ^ wordt achter het praedikaat ^ gezet, om een tyd-b^in te 



> 



* In het Ib., bl. 244, r. 17 v. o. sehfjnt het ook = oidU gebesigd te wor- 
den, want de sehrQver besigt andera atik ook in den sin van wie weet, of met 
(f 164); b. V. attk gedukta ma i ninna debate na di gmdjamg (Ib., bl. 271 , r. 
7 V. o.), wie weel, of de booengoden niet zeggen zullen, dal het een door ont 
gepleegd onregt is; evenzoo bl. 272, r. 1. 

J Wat dit ni hier doet is mQ niet gelokt te begrepen. r^ L 343 

^ Letterlijk : die 't ware hebben ingesUH, 
Het sch^nt nit de praepozitie hon en 't pronominale aanhechtsel sa (bl. 
260, 8"*.) ontstaan te z^n. 

Bestaat dit nit een passiven vorm, die niet van een substantief mag ge- 
scheiden worden (f 102 en 109), dan moet hotsa natnariyk achter 't snbstanticf 



387 

maken; b. v. hot-ioUa ari muaé^ lao ma (Ib., bl. 801, b.), eoodra kei 
weder avond geworden wae^' ging Bj» ene.; hakkU-ioUa ibana ro di^a* 
gag^ di-haen enz. (Ib., bl. 816, r. 8), zoodra hij boven op 'thuis aangeko- 
men was, plaatète hy enz. ; euda^hoiaa aa-Man (Ib., bl. ^7, b.), zoodra 
een maand veHoopen wa$, nadat Dj. de pa&ula van Vorst B. had ont- 
vangen, kwam er een crediteur, enz. In een nazin met dung betee- 
kent bet nadat; b. v. duk-kotsa di'tadikkon enz. (ib., bl. 241, r. 6 v. o., 

bl. 226, r. 17). Wanneer het een nazin zonder dung met deze be- 

teekenis inleidt, is het een Dairisme (zie een voorbeeld Wdb. onder 

konsa II). Tusschen na sa en een subst. geplaatst, heeft het een 

beteekenis, die met dien van tijd niet overeen te brengen is (zie aid.). 

M. besig;t Aan^'0 met een a^dere beteeke&is (i. Wdb., by v.); «ie oader U. 340) . 

D. bezigt ihiifa = dung (boven, bl. 277 en Ib., bL 61, r. 7, bl. 171, r. 4 
V. o.); hhiiia hagidi is hier = dung ni en wordt gevolgd voor een met atm aan- y\^ 
vangenden zin. Overigens als in T.j b. v. pulnng-khUja page ÉakMn rok ena 
(Ib., bl. 62, r. 8), xoodra de rijet van dit jaar geoogst is, enz.» muda iot-kën- 
tja idak kono (Ib., bl. 4, r. 6 v. o.), zoo^dra er een is door u gezien , enz. Men 
bezigt het ook tweemaal, eerst ?= dvng en dun als. in T., maar in een achterzin; y' 
b. V. Jtëntja i-deja kono kimija aku (Ib., bl. 148, m.), gij zult er by winnen, 
zoodrd gij mij verkocht zuU hebben. 

S^. djaia o{ djana (\ 80, IV) is copulatu^f, fiij 't gebruik van deze 
eoqjunctie is 't subject of 'tpraedikaat van den verbonden zin een 
ander dan dat van den voorgaande; b. v. na gindjang na óolon ibana 
djala na èirong pamatangna (Ib., bl. 167), hoog en zwaar gebouwd ia kij^ 
en zwart is zyn liohaam; nunga kam iosur radjanami djana mahap kamt 
m4ngan cljvkut^ w^ zijn verzadigd morst! en wij zjjn zat van Hvleesck 
eten (een andei voorbeeld zie boven op bl. 201 en Ib., bl.. 148, r. 17 en 
20 V. o.). Het wordt ook in op elkfiuder volg^de zinnen herhaald; b. 
V. h\j zag de borsten van Mejufvr. T. Dj. stijf opgerigt staan enz,; djala 
4jokkdsrupanay tffata dptggdn «o^o^faiii» (Ib., bl. .68, m.)^.^» daarenboven 
éas, haflrvQorkoppen bevallig , en kare eiem.fr aai ^ Men be^t ook 

komen; b. v. djuppamg au koisa ibana (zie Wdb.), zoodra ik kern, konde vin» 
^, .enz...... <■ .} ^. ...♦ 'n. 

* In 't Ibu, thl. 44, r, 2, vei^biadt h«t een tweede adverbifde bepaling: men 
baadt s|eh er, om 't vuil aan z|jn Ijjf. w^.te werpen, {(jala daon.mna hodokan, 
en als geneesmiddel tegen ket verhit zijn (boven, bl. 816 en 822, r. 2 v. o.). ^ 



338 

odjaHa (} 82, III); b. v. di^en piUorbi do umèam na so dapoisa ku*- 
takkón tahoHonna adjima mate paranganna ku-bunu hami pitu (Ib., bl. 
268, o.), imdat ik in m^ refft woê » hH^ dat h^ m^ huéa niet heeft 
kunnen t>eroverên, en dat w^' teom ziener krjjgekneehten hebben gedood; 
ia on pe boeur do hami adjana mangan horbo di-^en ho (Ib., bl. 800, r. 
19 V. o.), nu temeer too^ want w^ z^n zat, en daarbij gyn wif door u op 
bvffekUeêch onthaald (vgl. aid. bl. 319, r. 1 y. o.). 

D. bezigt (ffanah, dat soms ook exjpHeaiitfi», en met ons immers kan over- 
y^ gebragt worden; wat kent ge, waaimede wij ons kunnen bezig houden of amuse- 
ren, djanah milongosu denga si-ahap i teruh ena (Ib., bl. 14, r, 1 v. o.), t'm- 
mer» wij gevoelen ons hier beneden nog te eeneaam. Voorts als in T.; b. t. men- 
Il tër mo idah djelma soda i iagaeën èultth idi non anak pUfana hnhUgah djanaj 
djengiar ièmpana (Ib., bl. 25, r. 10), déutrop tag h^ een meneeh uii die bamboe 
komen, een j&ngeüng, volwaeeen, enr toiene gedaante êchoak was (r%\, Ib., bl. 
184, r. 8, bl. 197, r. 13 en 18); é^anah kono mangamiekor rffar si-si-pulnh 
idi djanah aiu mün^jtuffmng ieno Vloeken (Ib., bl. 278, b.), fdet alleen kebi 
gij, wat 9oer die tien realen gekoeht is opgegeten; maar iè heb u ook op 't 
hoofd moeten dragen (ygl. Ib., bl. 199 ; r. 11 v. o). 

9". appe * is concessitf, terwijl de zinsnede, die er mede aanyaugt, 
achter staat; b. v. molo djadi do dohonon iba nappunasa, appe indd iba 
nappunaêa, hami ma talu baenomrftu (ib., bl. 3$6, r. Il), zoo het geoor- 
loofd iê te zeggen dat men de eigenaar er oan is, hoewel men er geen 
eigenaar tfan isy dan mogen wij door u overwonnen worden; haumdm dö 
i iehé djonahé hauma ni na aa-huta on binaen ni haten kn-hegé do i^e» 
kar^ara on, appe di ruma homma na marhata tnok (Ib.» bl. 298, r. 2 
V. o.), wel steüig z^'n de akkere 9an al êe bèiiooners dezer huia de uwe 
DjJ ten geooige oan uw woord; ik heb het van deeen ficuê-boom gehoord , 
hoewel g^lieden, die de etfapraak maoMet^ iH dé'hinia^éarty''^n andere 
oonceeeieoe cfövfjxim^ U ^ 

agyd, de zinsnede, «lie er. aiede MHVai^, Toeraan dtaiküde; b. y. 
agijd êongon ii eai di au gana^ganaiAt (\h,, W. 8öT, t. 15 y. ó-),alis dat 
zoOi ik moet die beelden van u hebben (een ander yoorbeeld zie in 't 

^ Het is denkel^k uit an + pe ontstaan (f 11 a.), toen an nog niet be- 
paaldtdSIc op een zigtbaar punt iii de itninte 'werd 'toegepast ^vi^l: boven, bl. 
809 a. eJï'M.): Het h«eft dtn tjgèatlp' dtÉ ^in van nièitegeftstadède datifs^- 
htxxtdt of ^ermel^t it^), ... 



389 

Wdb.). Voor vraagwoorden ; b. v. inddng adóng na oio agijé ise manu» y 
hor tobu on, is er niet iemand (wie ook) die dii stdkerriei wü koopen? 
Even ab akka (bl. 117, S**.) neemt het plaats voor de praepozitie} b. v. 
indadong oh au agjjd tu iee, ik wü aan wien ook niet zijn (ik wil ui&* 
mand als vrouw toebebooren) ; vgl. § 164, IV, 11". — — • Dikwijls wordt 
't zelfde door pe (§ 165) uitgedrukt of wel door een bijzonderen vorm 
van 't passief (bl. 173, a.). 

M. heeft hagi (bl. 2341; b. v. hagi ise (Ib., bl. 918, r. 4), %« aha (bl. 216, j e^ Xl^^ 
r. 4 V. o.). 

D. bezigt iati pe; b. v. n-pangan mango kati pe malot si-hetoh n-mërtasak 
(1b^ bl. 97, m.), dat wij het toeh eten, hoewel wij niet weien, wie het klaar ge- 
maakt heeft (zie ook Ib., bl. 147, r. 8). Over nému en nola met pe zie boven 
bl. 286 en 307. Voorts hape bl. 34, C); b. v. hape ku-dokkë» na sa-dèkahna 
idi ku-elekelek kono, èangku, ningkit, (ffëlmamu ena, malot i-duwe kono (Ib., 
bl. 31, b.), hoewel ik vroeger êteeds tot u vriendelijk sprekende zeide, aan mij 
uwe vrouw hier, hebt gij er niet in bewilligd; hape mate pe aku i-bakin kono, 
gijam lot si-bëtok-b(ftohën mërhukum kita gijamkën (Ib., bl. 167, b.), al moet 
ik door u gedood worden, moge dan iemand, der zaak kundig, over ons regt 
spreken. 

l(f, said of osdLd ^ kanoen wij overbrengen met zoo madr, mits, op-' 
dai matsr; het wordt vaak te gelijk met namand (§ 158, 14°.) gebezigd; 
asald saé nmnand tdakkt di ho (Ib., bl. 209, r. 2), opdat mijn schuld 
aan u maar afgemaakt zij; asald na ^ ki^paboa di ho pattang ni nUopta 
inon (aldaar r. 8 v. o.), als ik u maar 't geen bij 'tgehrmhvan dat uw 
blaasroer verboden is heb medegedeeld (vgl. ook boven, ld. 297). Ook met 
dung (lb., bl. 199; r. 18 v. o.) en nunga (Ib., bl. 173, r. 2> 

11". ^a is conditionsely en wordt dikwijls v66t twee zinnen gebe- 
zigd, die tegen over elkander gesteld worden; b. v. ^a pindboioay man" 
^adi iaüaon; ^ so pinabowa y enz, (bl. 196); ^apinisat, b&ttdr gotana; 
^a tinaUik, enz. (bl. 173)^ Men plaatst het gaarne y66t dung (zie een 
voorbeeld op bl. 173, r. 1), en nunga; b. v. ^ nunga hu^jalo póhpang»» ^ 
muna m, Ih., bl. 257, r. 5 v. o.), nu ik uw pokpang heb ontvangen , enz. 

Sommigen bezigen het ook voor nung i (Ib., bl. 259, r. 4 v. o.). 

Verder bezigt men het even als anggo (} 165) vooreen subject, dat 



/ 



^ Uit 't Men. (sie Wdb.), daar men vaker unang so bezigt (§ \^ff., e). 
* Zie § 168*. 



340 

vooiop gezet wordt; b. ▼. daarop vroeg de vorst: hoe moet ik het zeg- 
gen, o wolk? ^a sp^konommu radjanamt (Ib., U. 88, r. 7), tooi gi^ ie 
zegtfm heet. Forst / is enz. 't Woord, waarvoor men bet plaatst, staat 
dikwijls in tonstelling met een te voren genoemd (boven, bl. 288, r. 
18 v. o.); b. V. nadat hij een weigerend antwoord gekr^en had op zijn 
verzoek van die betel te nemen, zeide hy: ija na mafte ni pidong on^ 
djadi do hu-buicat (Ib., bl. 49, m.), deze met vogddnek bemorste heixiïdany 

mag ik die nemen f (vgl. aldaar, bl. 50, r. 2). Het is blijkbaar, dat 

dit woord eigentlijk niets anders is dan een uitroeping, die bij wijze 
van aanloopje vooraan geplaatst wordt, om een overgang uit te druk- 
ken tot iets anders dan 't geen men vroeger heeft gezegd; zoo b. v. Ib., 
bl. 69, r. 8 V. o., om een persoon, in langen tijd niet te pas gebragt, 
weder op te voeren. ^ A 3 ^O ^ 

M. bezigt êanpa (bl. 284) en bo als di^unctieve eonjuuetie, b. v. dfadi dt-leken 
èoru i ma aanga na omon, tanga na Iqjang na so marimbar do mnga aha anggo 
pamipian, daarop geeft *t meiye *t zij een borttkleedje , '/ zij een armband, het is 
onverschillig vai, tot datgene, naar aanleiding waarvan de broidegom moet droo- 
men; bo anak ni bajo-bajo bo anai ni suhn nada i marimbar piohon martan- 
^^^dang, 'izif iemand van de b(^o4tajoU, 't zfj iemand van de suhus, Hdoet er 
^mai . fee» veneek ee U êemen. -^ iapi of tai (bl. 76, Jani. %) tt=: sOéi (bov«ii, 
bl. 281). --^. i^adi om twee op een volgende hanMingen te verbiniwi (vóo^ 
beeld sie boveh, bl. 814); verdw =: asa om 't vervolg aan te duiden (Ib., bl. 
186, ». 6). -^ — remgkon ot rongion (zuid) = dohot <T. en Noord-M.)? b. v. 
djekd ma di au beUjung rangión rimbas (Ib., bl. 136, r. S), tracht mij een ba* 
l^Êmg en een 'timbas te bezorgen» -~^- embaen =» umjbaen • na; b. y. na gijot 
bunuon n^a mm au^ ambaen di-tanom ija au tu sen (lb; U. 194, m,)y,hiy wil 
mi) doeden» daerem he0 hij mij hier begraven (vgl. Ib., U. 162, r. 14 v. o.). 
ir^rr* anig,a ea sp 3= asa; b. v. i jma so tarbuwang au tu harangan si-tumafsm 
en (Ih., bl.. 180^ r. 9), zie daar waarom ik ^ *t ware geworpen ben naar dese 
wHdernis; nada be na taraniak ho au so mate (Ih., bL 25, r. ^),.gij kunt met 
meer beletten dat ik sterf; btdutkon au tu bide i, an^o hs^-bitwat di ho lan^ 
(ib., bl. 66, r. 16), wikkel mij in diemat^ opdat ik voor ülun^at neme {y^, ook 
bov. , bl. 280). r- I« pi. van duk-iotsa ^bl. 887) bezigt mei dung bueé; b. v. ngép 
/" do au mutak, idung busé depot au kerbo i (Ib., bl. 213, o.), spoedig keer ikie- 

rug, zoodra ik dien buffel heb gekregen. — Hier wordt een vragende zin, waar- 
mee de met anJ^o aanvangende verbdnden is, vaak weggelaten; b. v.'haar vader 
zeide antjo lolot ko indng di lumban dibata di toru (Ib., bl. 263, r. 7 v.'o.), ^at 



/ 



S;41 

is de reden, dai g^ iang moedertje! in. de benedewwerM ge^ee^ g^f, -^ Oon- 
janctieve bijwoorden' van tgd s^jn Hndordng, b. v. eindordng kiudAk au maridi, 
di'iakio manggarang-gnrimg begu amtiku- (Ib., bl. 293, r. 9 ▼. q,)^ tertoiilik 
mij omgekeerd had om te baden ^ onteial m*; 'tepook M. mijn JtUnd (vgli^ Ib., bl. 
211, r. 6 V. o.); ook targan (Ib., bl. 214, r. 6 v. o.), en taran,meeêial met de 
negatie êo; b. ▼. utang djoh ni-kunu ei^a^ wrang maudojpa, n^ng i si^dajang 
rante-omae, taran.to ro ija (Ib., bl. 30, r. ,4 y. o,), yforde de FrifU TT, Jf. niet 
gedood, zegt Mejitforowo i2. O., zoo lang zy nog met gekomen it, -^*- Ook 
dnng bier in een nasin; b. v. hnpa do ho, dung ro di huta, ik zal u ter verwei- 

koming ontAalen^ zoodra gij in de kuia gekomen zijt. ampot beeft zoowel 

den zin van sanga (bl. 284) als van betak (bl. 303); b. ▼. i ma ibana antjo di- 
iamdai am4, ampot adóng dida amu alak na gumatal di sija antjo di-boto am4 
mangora alak i (Ib., bl. 238, t. 6), zie daar is k^, opdat gijlieden hem kent» -^ 
nUssehien ziet g^ iemand hem overlast doen — opdat gij dien persoon ter egt zet; 
na manjapai o do ami, ampot di-lehen ko do iboiomi di enz«, (Ib., bl. 239, r. 
6), wij komen u vragen, of gij uwe zuster aan enz. zoudt willen geven. Verder 
naast muda. in een na%in, zoo de voorzin met busé een toekomst inhoudt; b. v. 
bu'Sapai busé, ampot lopus au, ik zal het vragen, zoo ik aankom (zoodra ik 
aangekomen ben); hu-pabowa pe busé, ampot lopus au {ik zal het zeggen, zoo- 
dra ik aangekomen ben) = hu-paboa pe busé, muda lopus au, — In plaats van 
pittór (bl. 336) in 'tZniden bulüs (Ib., bl. 111, r. 6, 250, r. 1), maar in *t 
Noorden ook manigor. — — Ook wordt dja (in pi. v. t^'ahaf) als conditionele 
coDJonetie gebezigd (zie ook onder ^ .166, I). 

. D. bezigt asa vaak voor een snbstantieven zin, terwQl de reden in den vol- 
genden vermeld wordt; b. y. asa ku-dokken bagidi katangku (Ib., bl. 164, r. 11), 
dat ik aldus spreek, is omdat, zoo g\j u jegens n4) goed gedraagt, en mQ ver- 
lost, ik a ook beschermen zal, enz.; aku, asa roh aku mi bagas ena, lot ngo ba- 
gahènkënku bamu (Ib., bl. 159; r. 4 ▼. o.), wat mij betreft, dat ik in dit huis 
kom, de aanleiding er van is: ^ if iets, dat ik u tè melden heb. Ook vdor een 
nazin, die 't feit vermeldt, waarvan de reden in een voorzin wordt gevraagd; zoo 
ook te gelijk mei mahanfy'a (boven, bl. 251), dat = umbaen na gebezigd wordt, 
en verder als in.T.; b. v. kasa mo kono dekah.asa roh = befasamalelengho 
asa ro; kade mo tongkirmmu mi, bagas ena, asa roh'konQ,(\h„h\i 67, o.), wat 

komt gij hier in huis zoeken, dat gij komt, bakin = di-baen na; b. v. tah 

bakin lot ngo dosamu, asa dfumpa tfjUak ni deba et^a kono (Ib., bl. 163, r. 3), 
misschien is het omdat gij 't een of *t ander misdreven hebt, dat gij door dezen 

iemand toebehoorenden val zijt gevangen. khnhaU (bl. 89, Aanm,) =: dja- 

di; b. V. kembali malot saut i-përtinokor si-rattf'a uwen tinokor wrang kajatuwa 

17 



M8 

(lb., tt. 78, f. i>, MMM M 2. ir. flM^ ^elMèUdemmm m» Z7. ï. T: a2r 
wrotti^ U férwUtetk ^-^ Ook hkr ali in H. Iiy< (lb., U. 186, r, 8), m verisr 
iftH» (:±s ^Mol), dit hkr ecbler ook aittintdeii ftrbMenkw; b. ▼. H-dêkkH mi 
MM (èÊÊkigttê iéli i-fëMa, lÊin^ku^ kmUiiÊfnm M asé wmrëk hHnr^ iaienffkm, 
ÈmbhgiUi iM» éëêëi oêë lèt^ HêêmgHt ku§§ ï m Ungf hm a i kêrëmg-k^SfoMghi idi 
(Ib.i M. 186, m.), ik têède kim ifN p^immaêt'iMipêiwetidmffê) gtët Udrij- 
IJ pen, ópétüt iff ffewuAktiffk, éa^i ik, tenadi§kaouden tpontoi, m opdat <r, dtieht 

1^ a, rlgf kém Ummg r gómh êdn. HMilftl eohtet Teïbuidt kei twM BBbetantieTen 

alf ittbjMt tttt éêtk prMdikiat$ b. r. i^a Utmi tukm éêkU^/mhUd^-pêrU- 
êakna uK (\h., bl. 227, r. 9), Uêndetifêtêm 'ivimeh, déU HfiêfêkUm, $mr 
iMir, ens»; km^ku mó khitm na êa^nffoêëimu Mkët kémèamn dêkêt hagatmu idi 
(Ib., MO, t. It t. o.), diB moetm aam m^ vénêUaa Me uwe goedere» e» mee 
Oaeê» en M kuU, OvwigeBt Is 't gebndk ab d«t van deJkoi in T.; b. t. fhtdé» 
dHH ikü Mdttè, oók de regéié kletterde, *-«**- kêatfa nant b» t. iHtja nart ngo 

ju, ¥ok mmièff-ta/m tuwa mi kuta erna (Ib., bl. 14, b.)> eedert dat U. T. m deeekuta 
fihmen ie, — -^ kHUama, terwifi datj b. v. kiftikami madm idi aio i mmah wrang 
k^fa iêhoa (Ib., bl. 66), terteffl V, K* rdet in knie wae. «^'-i** In pi. f. audot be- 
tigt fflen lomi IkKMtot^ waar een oonjiiiiotia ▼•nw^en iaj b. t. nkmg rohpueukmu, 
Ifmakfi ëmkmee kthfittaikH peia kono, ^ffoiaah ifitok kUngolae pola kadmêg- 
huhmg, fêordt niet dooe, omdat de pdbaw^t die ii voorn mede geiragt^, niet 
veel iê; immerê geeft een dmerg-patmboem eteekte weinig voeki* — Sin aiiUtan- 
tteré Mitt wotdt bief niet door W-, all eqairalent fan na ($ 149) aangekondigd, maar 
dikw^ls door 't sabj. Tooraan te plaatsen; b. ▼. i^enkutiènmo, ifa mtrubattia» (Ib., 
bl. 188, b.), kifterkoMe, dat k^tmietgekadkad ma. (vit ook )iotM, 2^2). 

IX. DE INTEBJECTIES. 

c 154 Méfi kan se gevoegelQk veideolen ia: 

I. Fr&iummalet die we bo?en (§ 158) iteds gehad hebben. 

n. OmooHe ifUerjecUéÊ 9lnt 

l\ to, djéofocm iemani te roepen. 

2^ doff^ (ook da^' en êogtneé) van verbaabg; b. v. doge koróo atu 
on ifadénji dukut gagakonm, meumjjmtg kwio ni ladang (m (Ib., bl. 71, r. 5), 
ik me dezê vtmeMcMe htfih eefu atm/ te m grae voor ken ie vreeien, 
dtut ffffn de in^fsle van M land ma^iiogé M angfiê^amamta^kMcm 
daién tm (Ib., U. 65| r. 7)^ »ie eeü^ hroederl welke deeer wegem tmlien we 
ieehi^en? (fgl. aldaar r. 11 r. o., bl. 71 r. 8 r. o.) 

8*. 30| öm de badenden te waarsi^nwan, wanneer nüen een bad- 
plaats nadert (fgl. bl. 118, 6"^. 



348 

M. h¥^ h9 {hl U9, J4nm.)^ 

4®. li, om een kiekendief, isa om een hond (Wdb. fiora)^ en pu8 om ^"^ 
een küt te veijagen. 

a. Vroeger was ft' eeo nabootsing* van 't b(jsondere gfloM van 4en kiekendief 
O 186. I. «.> 

6*. ffZ/, vaak voor een eigennaam, of een verwantsehapsterm , waai- 
mede men iemand aanspreekt; b. v. aUdongém^dléaméngt env. Meestal 
gebezigd, waar men iemand vriendelijk aanspreekt, of hem verzoekt toe 
te luisteren. Dikwijls wordt 't substantief er achter weggelaten, en dit 
is vooral *tge?al aan 't slot van een verhaal, een jpoé^-voorschrift, enz., 
waar het tot den toehoorder of lezer gerigt is (Ib.i bl. 87; vgl. ook bl. 80, 
r. 16 V, o.)* Men bezigt in de poda ook 

aloi (zie a alhier). Verder wordt aU vooral in gebeden aUd; b. v. 
üled oppüng (Ib., bl. 308 r. 9 v. o.). Met i^a geeft het 

^aU^ dat een uitroeping is van ter nedergeslagenheid, zoo als wan- 
neer men zich over z\jn lot klagend uitlaat (Ib., bl. 80 r. 8 v. o.). 

a. Het gebroik van dese inteijectie en het herhaalde o^tf-o/^ (trn^n^i^, iemand, 
waarmede men familiaar omgaat) geeft 't vermoeden, dat ale eig^tiyk een sabst. 
is, dat iemand beteekende tot leien men, *t woord voert (heden bezigt men aihip ^) , 
soodat het een b^vorm is van aio (bl. 60, III), toen dit nog niet bepaaldelfk op 
een vf|andel\jk gezind of als zoodanig te beschouwen persoon (als b. v. de persoon, 
waartegen men speelt) was toegepast, en nog de beteekenis had van de persoon, 
die tegenover ons in H gesprek staat, zonder joist een tegenstander te zfn, zoo 
als mag opgemaakt worden nit m^gaUnai (D.), dat beantwoorden, iemand te 
woord êtaan beteekent, maar eigeniiyk iemand van een partij in *tffetprei voor- 
zien (bl. 101, 1*.). Ook in mangalo-alo (M., iemand te gémoet gaan om hem te 
verwelkomen) is de hnidige beteekenis van tegenstander niet te zien. Ter bevesti- 
ging van deze afleiding kan dienen, dat in de poda in plaats van «dé dikw^ld 
aUi gebezigd wordt, en wat is dit anders dan een imperatief van mangaloi (sta 
den schrffver te woord)? *. 



Vooral met makiatai gebezigd; b. v. asa hu-akkupi ibana tnaikaiai (Ib., 
bl. 121, r. %), opdat ii met hem spreke (hem make tpt mfjn partjj in 't spreken). 

In 't Malelsch kan laifian, dftt meestal tegenstander beteekent, ook iemand 
beteekenen, waarmede men handel drijft. Het is zelfs waarseh^nl^k, dat dit la- ^ 
wan een passief- verbaal snbstantief is van een werkwoord mèngalow (bl. 80, 6. y 
Jani.) of m&hdhw (Ken.) als equivalent vAn pM^ndb, SMdat het 9igiÉitl|k be- 
ietkent iemand^ die men steeds iêgemHresft (alu tagenpsrtH tsgen over ndi hetft). 

17* 



344 

M. legt nomdn of nongan (f 80, III) uit dongdn (bl. 68, a.) in den mond der 
verhalen, de todioorders aansprekende. 

6^. bawd {baod)\s eigentlijk een vocatief van bajo of bao (bl. 56, 
Janm. 8). Over de beteekenis zie Wdb. 

M. heeft b^fé (in plaats van bafod), 

T. indng (§ 98) wordt vaak gebezigd als uitroeping van ongeduld, 
smart, pijn, droefheid, enz. Men bezigt ook 

yaU indng (Ib., bl. 76 r. 12), en 

indng o/, 

inang/f dat vaak verkort wordt tot 

nangif of nong^ (§ 28); b. y.^inangé aUinéng son ni arikkit of koe 
ongelukkig is myn lot f Een uitroeping van bevige p^n is 

mate indng (ik ga dood moeder/), 

M. heeft inauggou als nitroeping van wrevel, en heeft ook awUng {vader!) 
als uitroeping van verwondering. 

8^. oi achter 't substantief, waarvoor dikw^ls nog dlé^ is een uit- 
roeping, waarmede men iemand aanroept (§ 19, III a). 

9^ ba 9 voor een naam of verwantschapsterm, om tot iemand 't woord 

te rigten, vooral wanneer men iets weigert of onvergenoegd is; b. v. ba 

djonakd/ (Ib., bl. 289 r. 11 v. o.); indadong ba amdng (zie beneden, bl. 

846, 2^.). Zoo ook b\i een ondervonden tdearstelling; b. v. toen zij 't 

hert, waarop zy meenden zich te zullen onthalen, niet zagen, zeiden 

2^1 ba eU difa do urea ni*dokmi (Ib., bl. 62 r. 11), welf waar ie dan 't 

ƒ -^ jk-€.^v^^^ ^^^ ^^^ gg fMin gesproken kebt? Het wordt verder vaak in JB< van ede 

,^ / * gebezigd, waar men minder vriendelyk spreekt, en wordt vooraan ge- 

^ f plaatst; b. y.: ba i ma torhat4orkanamm% (ib., bl. 50, r. 19), zie daar keb 

je nu je raadsel/ Sommigen bezigen het slechts ah een aanloopje 

om een verhaal voort te zetten; b. v. daarop gingen z\j de vrouwen op- 
y zoeken die in de sopo op de groote vlakte waren achtergelaten , ba sdU 

mardalan ma nasida ba sahat ma nasida ro di borw-boru t, ba di-arakon 
ma t^an sopo i ba, enz. (Ib., bl. 82, r. 16 v. o.), z^ liepen steeds door, 
hoamen bij die vrouwen, noodigden ze van tdt de sopo uit mede te gaan, 
enz. (vgl. ook bl. 83, r. 2, 4 enz.). 

M. faeógt bo in een vriendel|k bevd, een oitnoodiging, enz. niet alleen voor 
een voeatief maar dikw^ls ook op deaelfde wQie als djcio Q 158); b. v. ptdu bo 



345 

amggl aUo-aUo i (Ib., bl. 248, r. 13; 52, r. 7 ▼. o.; 53, r. 18 v. o.)> «^ mmi 
mifn lieve jongen! op de Jkalto-AaUoi mtarHgtmiung ho ho di Uti-Uurngkón (lb., 
bl. 49, m,), kom! ga aan mijn êiaari hangen; ro bo ho tu eon (aid.), hom toch 
henoaarUi; oban ho tu on luU t, an^'o enz. (bl. 41, o.), hom! hrengdeluU hier^ 
opdat ens. —o — ^a ho (ook: ^o ho) doidt een vriendelijk antwoord aan (Ib., bl. 
49, r. 19 V. o.). — ~* Voorts beeft ho ook, even als ha, ooiganetieve beteekenis; 
b. Y. 4J^^ ^*^ roanghv, ho U'SHru hajanghon (Ib., bl. 268, r. ^, goodai ik 
hoos ward en hem in 't hlok Uet zetten, 

III. Klanknabootsende uitroepingen; b. v. paki ninna Indu inon (Ib., 
bl. 285, r. 18 V. o.), pak! loaa H geluid van die bamboes , (vgl. verder in 
H Wdb. buSy bom, par, enz.). Hoe men er werkw. van maakt, is boven 
(bl. 110, 4*) reeds gezegd. 

IV. Woorden i die uUroependerwijs uitgesproken worden ^ en een zin 
inhouden. Dezulke zijn : 

1*. oio, ja/ zool bij *t hooren van *tgeen iemand zegt, om te kennen 
te geven, dat irien hem verstaan heeft; b. v. de vorst vroeg: ''werwaarts 
is 'tgeen gij ter wereld gebragt hebt o geliefde vrouw!"; zoo sprak hij. 
Oio radjanamt Si takUngan i do hu-baen, **wel vorst/ ik heb het op de 
takkingan gelegd, want het verschilt van een ander's baarsel;** aldus 
sprak zijn 'vtouw.' Oio boru ni radjanamt ai aha do lejatni na tinubu- 
hommt, **zoo/ wat is dan wat gij gebaard hebt?*'; aldus sprak de vorst. 
Oloafidkni namboru ilik do na hu-iubuhon i (Ib., bl. 4,'r. 16 en vlgd.j, 
wel 2ieve man/eèn ilik heb ik gebaard (een ander voorbeeld zie Wdb.). 
Het lijdt geen twijfel, dat deze interjectie 't werkw. oio is, en dat zij 
dus een zin vertegenwoordigt, die wij moeten wedergeven met **ik ben be- 

reü^mlUg U aau ie hooren, te antwoorden,'' enz. Een bevestigend 

antwoord op een vraag naar 't ja of neen, en waarin dus gteen vraag- 
woord gebezigd wordt, wordt niet door oZo uitgedrakt, maar door 't 
woord in vmag ie herhalen; b. y. op de vraag adéng ioidifjohdm 
é^uppa sogot (zal dai naar uw getoete» kunnen gevondm voorden?) iik het 
antwoord adóng do i sogot djuppa ho (Ib.» bl. 72, r. 1; gjj sidt hei kun" 
nen aantreffen); op nunga malum di-ahap ho (gevoelt gij u reeds her- 
steld?) is 't antwoord nunga (reeds); zie ook § 165, 1. 

M. bezigt oio ook waar men iets komt zeggen, zopals b. v. waar men ie- 
mand te kennen geeft, dat aan aQn bevel is voldaan (Ib., bL 31, r. 4) of hem 
een bevel geeft (Ib., bl. 80, r. 16 v. o.). Met de beteekenis van willen wordt het 
zeer zelden gebezigd , daar hier ra en gijot voor in gebruik s\|n. 't Gebraik van 



S46 

ètbHè #M>i4clb gOMuiltt Tttdi^tat een betere fcrkkring din temn fai t Wdb. ge- 
geteii li* ^ Ondei Miieid , toMdieii beiueii i^mssKt, nf^ tb ve eMBtfocCfe: tu vc^ 
iigt nen mei tot pksiiefeii ziii ', of wtar *l werkw. v c r i w egtu fs; b. t. ttUnèg to 
mmdn^ Ni Oi-óêan ^dUmi Qh,, ti. 169, f. 7), M «brMT têdèHjel éoor kngm «atfe- 
§t»o€rd wtfrdêiê; Mufa ^ m (Ib., bl. 226, r. 10 ▼. o.), tQ wüde idH (^«ird 
worAèB; Vgl. «Miuit t. 8 v. o.).; fé do hó H-foriomn, wiU ^ dat U aau • teit 
kmi Ml MMf #ir ^TM^M ^«ffir (Ml: Ml d^ üd jiaifoarfjili). In «^«nfetrifing tan 
ra wordt ^{^01 met een tctieren sin gebesigd, MoAit bel met een fUAtf idt|fdop 
den agens slsst; b. ▼. t «a da muda ioMatigffi uUmg gi^oi m-btmu Qh., U. 104, 
r. 1 V. o.), giê daar dam een les, goa iemand een broeder is, moet men Mem nUi 
wiUen dooden (indien men hem doodt, dan wordt men op die wQse door de godea 
"y;^ besoefat); na ffijoi bunnon m Jkalanima au (Ib., bl. 194, r. 20), Af} wU mij dooden 
(daarom beeft bfj mff bier bc|praven); laet do na io ^jot jfa, nmg tja, marbagtu 
(Ib., bl. 227, r. 10), toch wilde sy niet, teide zij, huwen; gijoi ro hami tu som 
(Ib., bl 70, r. 5). w^ wiOen Aencaarte komfin (aid., U. 30, r. 17> Voorte be- 
teekent het met di v^or 't objeet; iets begeeren te hebben; b. f. muda na tutu do 
ffifot ho dibotohi^. (Ib., bl. 41, r. 17), aoo ^ m^ smter tot ^roow wiU hebben 
(Tgl. Ib., bl. 239, r. 10). In dit geval bezigt men ra van oen vronw, die een 
man wU hebben, soodat ra 't vronweMjhe vanyt^ is; b. ▼. mnda ra halanz, buwat 
hamét muda eo ra, na eo ra ma i di ham4 0b., bl. 227, r. 7)» «oo sy wU, 
neem haar, ttoo gij niet wil, dan wU g^ u niet tot man hebben. Voorts wordt 
gijot = sijQl,m T. gebezigd (bl. 800); b. v. gifot mate (Ib., bl. 202, r. 16 en 17). 
D. bezigt uwe, dat ook als werkwoord voorkomt j b. ▼. ai Itnggo hono uwe 
i'êhré^a êi'êëlido (Ib., bl. 255, r. 10). want y^' hebt uwe toestemming gegeven 
door S, om ondersteuning georaagd s^ijnde, Over geut zie boT., bl. 300. 

S^. iiÊdadtmg of indatmg (bl. Q9B, e), nèenJ Het ii^rdt (n eèü ireige- 
ring dikw^le ïnet ba gebezigd; b. v. mogeb wij gtrootmoedertjel ben h\tA 
va» Ae26 mw^ Vdtel netoèïiP indètckm^ ba amémg (Ib.; W. 4©, r. 11), wd 
nê^f nadef^fXt^. aléaar r. 3 v. o., bl. 50, r. 6 v. o.> Odk 

éadada kMi men nitfwijpMirdenHIjs besagbn {dai is ioo mêt! éai ir 
wMfêkitfeMmee/); vieo9kjlMyL 

M. bezigt nada of ngada (Znid) ook als ontkennende nitro^ing. 



BiÊiÊafftinfmTha^ih.'f.raaoliamémaniaók, wro Utn Uno m ama- 
Wmrfu ^gènak ni hultamtatfu t', nn» gij siweeren did de plaats, wmur uw X«fo 
«te^, de pfOÈd is im ham» «tcfer)'; walirüp t antwoord ook ra is (tk bo?«, 
bl. Wilnl*.). 'BfejWï, l^ 



147 
D. beiisfc méda ook tli uitroeping. 

3^. fra» pak aan / daar heb je hel/ 't Wordt j;ebezigd zoo men iemand 
iets overlevert of aanreikt; b. v. ^ na aUradjanami garar tii utakku 
n-saribu öiieang i ma on di ho b^akhinon (}b., bl. 221 r. 4 v. o.), nul 
daar hd^je hem! VorHl ter hetaUng ^ van myn schuld van 1000 öUeang z^ 
dUf myn hond; na hamtt, enz. (Wdb.). Afgeleid van dit na, en, naar al- 
len sch^n, een imperatief, is 

nakkon, We moeten het wedergeven met gerfopl; b. v. fuiuk'jndu'- 
ngan nipagar % nakkon ^ de ingrediënten va/n H hehoedmiddel getf ze. overt 
Men voegt er soms tu son bij (vgl. botson hieronder); b. y. dahanon na 
hinunihan i nakkon tu son indngl indahan ni manukia on (Ib., bl. 266, 
r. 11 V. o.), de gecurcumade rijst ^ geef die Her moeder! tot * spijs voor ^ 1 Z 3 o 
deze ome kip (vgl. Ib., bl. 228 r. 2). Ook bezigt men 

botson, verkorting van bowat tu son (§ 11), of 

bUton verkorting van bowat tu on (J^ 143); b. v. boiton t^oto huijur i 
alé amangudd (Twist van S. M. en D. D., bl. 2 r. 6 v. o.), geef als je 
heli^ de lans Oom/ 

M. l)ezi^ na ook met di voor 't sabstantief deo saDgesprokene voorstellende; 
h, r^ na ma (U Aq jpammbuvgon on Qh,, jbl. 48, r. 3}, pat aan poor u dit tpriifg- 
kumtmiddel! (vgl. aid., bl. 47, r. 17 v. o., bl. 24(S, r. 12, 267, r. 6). Ook na 
Ie ($ 8, e,)\ b. v^ »(i h mula/t êoatdungmu om (Ib., bl. 282, r. 12), daar heb je 
je sandung terug, — In jA., v. nakion meestal hokleon; b. v. bokkon tu on Hntinki 
(aid., r. 13 en bl. 293, r. 6). 

D. bezigt nah naast na; b. v. ena wto enggo eun ku-bahanpëngke bërat'banu 
H-ni-dokkünmu idi dié anak nambërü na mo (ib., bl. 61, r. 12), Xier is door 
mij gereed gemaakt de door u gezegde offerrijii Ueve.man! daar 'het jis het!' 

4*. atik geeft als uitroeping een onzekerheid te kennen » en kunnen 
we wedergeven met' wie weet of, hoe^ enz.; b. v. atik sadihari mate au 
(Ib., bl. 199, r. 13 v. o.), wie weet, hoe spoedig ik kom te sterven! (vgl. 
bov. bl. 



M. bei%t «19^^ eipêéia sigteUm (IK U. }fil, r. )^ fd eip^ét^ mpti^QK 
W.168, r.6). 

D. talgt tak (boven, bL m). 



^ Zit boven, bl. 315, onder. 
' Zie boven, bl. 822, r. 2 v. o. 



X 



^48 

6*. maradatuwa, o moge HM zoo gmMg »}jn, dai, en«.; b. v. mara- 
datuwa di-paiumbuk debaid di-patuduhon partondum pidong na mtUó mar- 
hata-hata (Ib., U. 64 r. 17), mogen wij H geluk hebben^ dat het den goden 
behage, dai de iondi een vogely die spreken lean, aanmjze! De goden of 
geesten enz. kan men bij 't gebruik verzwijgen; b. v. maradatuwa mast * 
tung dapot % baenonnami dohot anggüta (Ib., bl. 116 m.), mogen icjj 't ge- • 
l^tk hebhen, dat de goden of geesten zoo genadig zijn, dat ik en mijn jon- 
gere broeder dat mogen vinden! Men bezigt ook 

adaiuiod, dat dikw^ls als tusschenzin Toorkomt; b. v. anggo pidong 
na ni'dokmuna t, ada tuwa, tarbunu au i, den vogel waarvan gij spreekt 
zal ik, zoo het m>eeloópt, kunnen dooden. Ook 

si-qddi^wa, 

D. beiigt adtUuwah en madafuwak. , 

Janm, Het iz waursohfjnmk,.dat dit woord oit 'tMaleisch overgenomen is, 
soodat het (^ntttaan ja uit ada tuw^h, dat, nitroepender wfjs uitgesproken , er zij 
geluk/ beteekenen kan. 

6*. da is waarschljnl^k een verkorting van indd (zie M. alhier), en 
wordt raadplegenderwijs gebezigd (voorbeelden zie in 't Wdb.). Het 
wordt ook met ba en een woord, waarmede men iemand aanspreekt, 
gebezigd vooral waar men met zekere levendigheid zijn bevreemding 
uitspreekt; b. v. bejasa lai-sowada marbabo ho da ba djonahd di haumami 
(Ib., bl. 804, r. 2 V. o.), waarom zjjt gü Djonohal toch nog niet aan 't 
wieden op uw akker?; ho ma na holsona da ba * anggi (Ib., bl. 169, r. 
10), jij bent me al heel bezorgd broeder/ 

M. bezigt het ook in een vragende waarschnwing ; h. v. hu-pangan tna da 
(Ib.,, bl, 6 m.), ik zal het eten, hoort ge f Verder =: indi; b. v. da nijdn na 

U'Udungkon eu. (Ib., bl. 184, r. 12 v. o.), heb ik niet aan ene, gezegdf 

f 
?•. unang. Dit is een by vorm van vilang (§ 80, IV en bl. 76, Aant, 2), 

ep dus een imperatief van manguLang (iets niet gebruiken, in onbruik la- 
ten vervallen). Als uitroeping beteekent het laat het dan / het behoeft 
niet/; en wordt, even als^a^o^' (^Twist van 8, M, en 2). D., bl. 12, r. 4 
v; o.); geVazigd^ waar men oni^erlBchill% is omtrent een ondervonden wei- 
gering (zie de eerste en vierde aanhaling in 't Wdb.). Als woord is het 
a. De negatie in de uitdrukking eener begeerte, en drukt dus een 



' Zie boven, bl. 91, e. 
* Zie { 8, b. 



349 

negatieven imperatief of optatief uit. In dit geval neemt 't subject voor 
'tpraedikaat plaats^ b. v. urumg ko mambaen undang-unéUmg (Ib., bl. 
17, r. 7 V. o.), maak geen middelen óm ons op de protfte stdUn; unang 
Jko eali ta9igia (Tmd van 8. M. en D, 2)., bl. 6, r. 8), ween niet steeds 
of dat ffp niet deeds moget teeenen!; unang ko m^h^ar (Ib., bl. 85, r. 15 
▼. o.), wees niet bevreesd/; unang ko laa (Ib., bl. 175, o.), ga niet f; 
unang be au di huta on baen kamuna (Ib., bl. 6, r, n),phats m^ niet 
meer in deze kutal (vgl. aldaar bL 4, r. 8 v. o.). De conatructie is dus 
dezdfde als in een affirmatieven imperatief; b. v. ugusatta ma baen ha- 
muna (Ib., bL -7, r. 4), maakt voor miff goederen gereed (bl. 108, a.); di 
son ma au baen, plaats mf hkr (kier e^ ik door u geplaatst!); panganon 
üf na saratns loppa dainang * (Ib., bl. 818, r. 8), worde door Moeder eten 
gekookt voor \W personen/ Zoó 't subjeot reeds genoemd is, wordt er 
slechts op verwezen; b. v. konong anggikku ma djolo (boven, bl. 222), 
Heeft men 't subject er nog achter te noemen, dan bezigt men gaarne 
ma of do (§ 165) achter 't praedikaat, maar kan een dezer woordjes in 
een zin weglaten, die conjunctief verbonden is met den voorgaanden, 
waarin reeds van een hunner gebruik is gemaakt; b. v. ro ma ho djolo, 
urupi au (Ib., bl. 160, r. 17 v. o.), kom, ik bid «, en kelp m^ (kom mij 
als je belieft helpen!); djaga anggikku maparautta on en buwat damang 
ma djukut i (boven, bl. 222); pargogoi do au aléoppüng, schenk my tock 
krackt o Heer/; bowan ma au aU apdng, toppi do au (Ib., bl. 7, r. 10 
V. o.), draag mjj vader/ maar draag m^ in een kleed; paluwa ma au, 
laai m^ losl Gebruikt men een actief, dan wordt het voornaamwoord 
van den tweeden persoon enkelvoud niet verzwegen; b. v. mangabppa 
ko inéng (Ib., bl. 218, r. 6), kook, moeder/; tunduk ma ko (Ib., bl. 139, 
r. 16), onderwerp ui; mamapuran ko (Ib., bl. 15, r. 20 v, o.), gebruik 
betel! (vgl. aldaar, bl. 18, r. 2). 

b. Als n^tie achter asa in de beteekenis van opdat (bl. 883), en 
ook alleen als negatief-finale coijunctie. In dit geval neemt 't subject 
achter 't praedikaat plaats; b. v. unftng tarida on (boven, bl. 281, b,); 
ija kutaita on djagd djolo baen kamuna, unang ro panakko tu kuta on 
(Ib., bl. 820, r. 8 v. o.), bewaakt deee onze kuta wel, opdat er geen dief 
in kome; unang ro begu^masa (Ib., bl. 26, r. 1), opdat geen epidemie in 
die huta kome; unang addng dalan ^ ni kalak lao tu gmdjang (Ib., "bl. 



* Zie bl. 222, 2". 
^ Zie $181, onder. 



350 

196, r. IS), ópdai er voor em coder geesn middel ijj naar imfen te foam; 
unang di-poMokkoi deèa htkMa m (boven, bl. 17$). Bij eea voorbeeld 
als ummg esmga hami marmutu (boven, bl. S02) lette men er op, dat 
sanga een werkwoord is, dat hier als pnedikaat optreedt, b 'tsnbjeet 
leeds genoemd, dan laat men het weg; b. v. di4itkkol Moia ni ari 
tmmy eunduê (Ib., bl. 41, r. U v. o.)« de zon werd door kaar in haren' 
loop geUnU^ opdat zij niet ondergaam eoude, 

e. Met de negatie eo er nog achter heeft het deaelfide beteekenk 
als aodU ({ IM); b. v. nnak eo matg é^uppa M^ i, mUe de lane waar 
gevonden wfj; anak eo di4eon ho di au manmbm (Ib., bL :26T, r. 18 v. o.), 
ale gif maar me Up aan m^ gerft; unak eo ckng do ho.mid§ur (Ib., bl. 
178, r. 7 V. o.), ale gij maar naar.èeneden kowdf unak eo home kami di 
kuia on (Ib., bl. 19», r. 18 v* o.), vïite mij maar vatkoaien meisÈand in 
deze hukt genieten, 

d. Met 't voomw. na voor of achter heeft het een i^erondeffteUea* 
^ den tin; b. w.unang na di-éok Ao lat-eo indadong dapé^ nimmu^ djuppa 

ho pidong ma ni^dok ni rohém indodong lao anakta i attdng * (Ib., bl. 97, 
r. IS), hadt gij niet gezegd^ dat gij, eeidetgü, nog den door u begeer' 
den vogel niet hebt kunnen vinden, onze zoon zoude met gegaan zijn; na 
unang lomó rohakhu (zb boven, hL 8S6). De oorspronkelijkste betee- 
kenis van 't woord als imperatief komt hier nog nit, want men kan het 
hier even goed wedergeven met veroaderetel dat niet, ^ns. 

e. Als negatie b^ 4dik en aut (sie boven bl. SSS en 836), en verder 
y^ met den zin van ons dan b^* rahandn (boven bl. 21i); bu/T^ mhandn on 

manikkot unang tu anaèvu, ik verhang mjr Uaver dan veeen zoon toe te 
behooren; unggüta i ma hu4onahon rahandn ma eaU tdibototta i ni-lean 
moe i unang tu Jkaïak namané, dat ik u» jongeren broeder late komen, dat 
goud toerde liever aan mijn broeder gegeven dan aan een ander; dohotdo 
hami inddng hapaidet^ida hami ho eAkU mate^ rahandn do hami mate 
unang ho, ^ gaan mede; w^ kunnen u eirahe niet eterven zien; het ie 
beter, dtU wij eéerven dan gij. Ook anet w^^ting van rahandn; b. v. pieo 
^jan gindjang eakkalan eijon torm eo beha rohakku unang J^-éonong na- 
mand Inbuk on, een hakmee tan haven, en een kerfbloi van onder, het ie 
m^omveroehiilig, lisver dan doÉ ik ia deze rimerdi^ duiken moet (of 
ale ik maar niet in deze rivierdiepte heb te duiken; vgl. ook Ib., bl. 
207, r. 6 V. o., 221, r. 2). 



' Zie bovoi, bl. 293, r. 5 v. o. 



351 

M. hMll tik uitroeping etrngkom tili htdanykm () 2S, III), dat «m imperatief 
t^^tLÏ te s|}A, «1 vft% inddn§, hier itt oBbroik geraekl, ef te leiden. — Of ez$- 
gene nUnif (11k, bl. d56, r. 16, bl. Sl^ r. O 7. o, 25, r. 3), dat ook mit «m- 
;mnA» (boren, bl. 310) verwiftseld wotdt; koo yindt men nmpodüm^ rAnêm (fh,, 
U. 868, t. 15 en 6 v. o.) en tftor^ en om met ti^imén (Ib., bl. 816, r. 18 en 14; 
vgl. ook bl. 819, r. 14, 817, t. 17 ▼. o.). Voortê Ib «Iaji^ bier by een oompara- 
tief e«k in de gevallen, vraiar T. «ms gebruiken conde, gebrdkel^k; %. ▼. <^aiii 
di»^ t^ ut»»§ üu (Ib., %I. 83, i. 80), Xtj^ »« ^^ih»* éan ik, 

D. beeft ttft^Mft (bi. 61, i^»i. 7) als nftraephig, «n oirerigena even alê M. 

^*. iM7tt ié <e6ii ufknoöéfgende uitto^iBg, die aan t begin van een 
«in geplétttst wordt, en Miek^ een rertoek aan een of fneer perMien 
iets te doen; b. y. utea pala retp nut hamü ^'olo, komil t^,ié Mdkeév, 
mei elkander; utoa ^unditl ho marad^an kUtt djalo (Ib*, bl. 41, r. 4 ▼. o.), 
Ifomf zet u neder ^ laten $o^ rust nemen/ (andere voorbeelden zie boven 
bl. 290). Noodigt men ieqaand nit mede te gaan, dan bezigt xnen 

beta of heka (§. 10, a,)\ h, v. beta hUa atik na eadia dao narihutaUa % 
(Ib., bl. 106, r. 14), komi laai one gaani me weet hoe ver noj uw htUa ie; 
beta ma hOa iu ruma (Ib., bl. 57, r. 14 v. o.), koml laai ons ie samen kuia- 
waart» gaan (een ander voorbeeld Ib., bl. 239, r. S en bov., bl. 246^ 6®.). Met 

beei noodigt men iemand alt mede maar tevene ook vóór ie gaan, 
Z()o men iemand uitnoodigt iets mede. ie di>ea, bezigt men. . 

tole; b. V. tole ma Mta ia^iaha enz. (lb.« bl. 295 ^ r. 7 v. o.), komt 
aan,\ dat we te zamen dezen boom veUenl; tola ma kiia (Ib.^ bl. 181 
r. 5), komt! laat ons beiden beginnen te vecliten! tole hita mardjudji 
(Ib., bl. 81, r. 8), komt! laat om te zamen spelen!; waarop 't antwoord 
tole ma Mta tuttc^ (laat ons werkel^k te zamen dat doen i nog een voor- 
beeld zie boven op bl. 245, 6**.). — r Zonderling is iet, dat tole ook 
aan H begin van een voorzin gebezigd wordt met de beteekenis yan 
zoodra als; b. v. tole ma potangna i, asa di-pangido (Ib., bl. 153, r. 16), 
i»oodra de avond er van (van dien dag) er was, vergokt de vorst, enz.; 
ija tole ma nunga pinariohi ^ (Ib., bl. 294, o.), zoodra er reeds een derde 
"van dien boovn^tam overgiêkven was, enz.; iole mtiAah anak t, di4uhori ^ 
si^pangap'pangmm (Ib., bl. 1B2, m.), torn nu mfn tsmn gereed was U- 



*«iebév. M. 175, 5^ 
*«ebev. bl. 178, 2*. 



352 

mg U keerms hoM kjf mioeperjjtju om door zga zoon medagenomen 
te worden. Om deze beteekenis in verband te brengen met die, welke 
't woord als inteijectie bezit, moet men yeronderstellen, dat het den 
zin heeft van gereed zifit; Me ma poiangna i b. v. zonde dns letterlek de 
Qwmd er van gereed zijnde (om te v^ien) beteekenen, zoodat dan tevens 
is te veronderstellen, dat de beteekenis van te «om^, die in 't woord, 
als inteijeotie ^, opgesloten ligt, eigentlijk nit een vraag '^e^jt gij gereed?*' 
is af te leiden. De beteekenis X9Xi gereed tjjn ziet men nu 't best uit ai 
^^toUr 9M ninna radja ^^vndadcmg*' l Mtima namota (Ib., bL 145, r. 1), wamt 
zegt de radja *Hk ben bereid het te doen," dan zegt de namora **neen/^ 
(vgl. ook Ib., bl. 42, r. 18: zoo zij gereed ejjn te vertrekken , enz.). Het 
wordt verder verwisseld met naeng; b. v. dnng m, na^ng lao ma iJbana 
mmga dhlakka tolu kali (Ib., bl. 150, r. 19 v. o.)« toemkü daarop wggaan 
wilde , en k^j drie eekreden kad gedaan t sprak enz. 

M. (Zuid) bezigt kêia (bl. 26, B. II, b.) naast ieAe ita == beta; b. v. dnng 
na 90 iarpangan ko indakan na mata keta! êó u-djdlai donganmu na sa-vmiunff 
(Ib., bl. 136, r. 2 v. o.), aU gij geen ongare rijtt kunt eten (geen vroaw wilt 
hebben, die n wegens te naaawe verwantschap niet gepast iK>orkomt), laat om 
gaan! opdat ik voór u een wederhelft zoeke (vgl. Ib., bl. 260; r. 7 v. o.). — 
mare = tole (Ib., bl. 282, r. 8 v. o.) en mari (Ib., bl. 268, r. 17 v. o.). — 
dja =: uwa. 

B. bezigt kune = uu>a, maar met een ruimere beteekenis, zoodat er meer een 
uitnoodiging in ligt tot iemand iets zamen te doen. Voor zoo ver ik weet, om- 
schrijft men hier meestal tole door kita achter den imperatief te plaatsen; b. v. 
bahan kita mo djinahta (Ib., bl. 135, r. 7), laten wij te zamen om verdrag ma- 
ken (laat ons' van wederzijden elkander trouw belooven); muda si-pangan mo, 
nimu, pangan kita (Ib., bl. 95, r. 16), goo wij, zegt gij ^ het eten moeten, la' 
ten wij het eten; bahan kita mo (Hjukania tjitok pfynungkahëuta, laten vij voor 
OM een tikker maken, een weinig, om er mede te beginnen (vgl. Ib., bl. 145, r. 

14 V. o.). 

< ■ ■ . ^ 

9®. hele ^ voor een woord, waarmede men iemand aanapreekt, 't z\i 



* Naar hele (9^.) te oordeelen, is het een zamentrekkïng van to en aléy te 
meer daar dit na een andere inteijectie zgn eerste lettergreep opgeeft (} 8, «.). 

* Bl. 28, E. a. 

^ Daar M. (zie alhier) he alleen ook bezigt, sch^nt dit woord ook zamenge- 
trokken met alé (vgl. tole); te meer zoo, daar het v6or een woord, waarmede 



. 358 

een eigennaam of een verwantschapstenn, geplaatst, is raadplegend 
(▼oorbeelden zie in 't Wdb.). 

M. bezigt hê vooral na een negatie in onechte vragen, waardoor men i^n 
overtuiging vragender wQs te kennen geeft; b. v. indada hê H-ÖMun-pedjel i 
(Ib., bl. 9, r. 9 v. o.), is dat S, P. mêtr (dat is immers B. P.); nada he di^ 
èoto ho inmnu na dapot di porlah partanggulan (Ib., bl. 48, r. 16 v. o.), weet ge 
dan niet, dat uw moeder gevonden ie in een bloemetuinf (ge weet immers dat uw 
moeder van geen kom af is; vgl. aldaar r. 6 v. o.). Verder in een vriendelQke 
vraag; b. v. piga bomgin nari he radjanamt (Ib., bl. 240, r. 17), hoe vele nach- 
ten nog vont! enz. (vgl. bl. 68, r. 2 en 12); tongon dija ma he kuta ü H-po- 
tang ari t, hoedanig is dan een huta in 't land F. A. ? (vgl. Ib., bl. 99, r. 6). Ach- 
ter indap of andap bezigt men het in een vraag, nit onzekerheid gedaan omtrent 
't geen iemand verlangt; b. v. aha dope ulahanmu tu on? indap ie omon lariba 
tangan Hmbora bariha pinggol (Tb., bl. 33, r. 2), wat nog ie *t geen waarom gij 
herwaarts weder komt t ie het een half borttdoehje ofwel éen ooreierraad? (vgl. 
Ib., bl. 216, r. 8 en 16 v. o). Voorts is het, even als ne in T. (f 165), een nit- 
roeping om op iets te wQzen; h.v, on do he na mangiuUng nangHnan », gie 
hier dan dat itrakê geluid gaf! — — > Van dit woordje schjynt ook 

angie afgeleid te z^n. Dit wordt aan 't begin van een zin geplaatst, om 
iets te zeggen dat 't zQ in str^d is met het in een vorigen zin gezegde, of daar- 
van een nadere verklaring geeft; b. v. aha ambaen mangido tano au di hamü, 
angie tano ni damang do on tano ni daompung, waarom zoude ii van u den 
grond usagen? het ie immers de grond van Vader en Grootvader!; httru djadi 
aha pe ho di-baen io, angie djoJma do ho hu-ida nangkin (Ib., bl. 7, r. 10), 
al verandert gij u in wat ooi, gij gijt toch een meneeh, heb ii etrais gesden; 
dit dienstmeisje is i^ertinent: zij durft zeggen, dat vader ziek is angie torus ! -trx 
do na potangin (tb., bL 23, 15), en toch was hij gisteren avond wel; wees 
niet boos op m\j, omdat ik niet gaauw terug gekomen ben angie marmusu au 
djolo dohot enz. (Ib., bl. 45, r. 6 v. o.), want ii heb eerst moeten baiidaijen 
met die mi)n buisje gestolen heeft. Verder bezigt men hier 



men iemand aanspreekt, gebezigd wordt (he alé anggi b. v. zonde toch denzelf- 
den zin hebben). 

* Vgl. tehé (10°.). 
Bij de neusklanken volg ik in de transcriptie de uitspraak van 't Zuid-M., 
daar z\j met de spelling meer in overeenstenuning is. 
r Zie bov., bl. 56, Janm. 2, onder 2**. 



854 

nmtfl» til uitroeping vu vorbftsittg (fti« WdV,)> en ook waar nes, berrevnd 
dtt iemtnd iets niet weet of gezien heeft, hem op ieto iv^zen* wil; b. ?, makke en 
•M êinuwMn iunoimu ene. (Ib., bl. 268, r. 13), giet gij dan niet, dat dit uw zoon 
tip die «ni .P -— » Achter inde besigt men 

l»o ia een hoofdsiB, die op een Teronderstallttide mniBede volgt (een voor- 
beeld boven. bl. 886). 

Amni, Het ia meer dan waaneh^nmic, dat Ae een grondklank ii, die ab 
nitroeping tw^fel nitdmkt, en ala gebaargelnid pronominale beteekenis heeft ge- 
kregen, 100 all men riet uit de boven (bl. 368 r. 14 in de kleine letter) vermelde 
beteekenis van dit woordje, en verder oit de vragende voomaamw. nUke en dike 
(D., « 146). 

10^ ^il^(ook: iak^^ { 88) iseen uitroeping, waarmede meneenper- 
soonlQkheid zoekt gerust ie stellen, en wordt zoowel tot iemand anders 
ak tot zich zelf gebezigd; het dient om allen twijfel of vrees te voorkó- 
men; b. v.ühodo Uhéhauma i (lb.> bl. 291, b.), wl stellig ii die ak- 
ker 90or Ui; haumaml do % ^d^(lb., bl. 298, r. 2 v. o.), dat i* uw akker, 
wees maar gerud; au do têhé nappuna djolma^ ik hen de man van die 
vrouw t tw^d er niet aan; do ma tdké (Twid van 8, M, en D. D., bl. 
15, r. 10 T. o.)> teel eteUigI; unang tehé anUing na mangago do t, geloof 
mij vadertje f, doe niet zoo als hij zegt; die ie een in 't verderf etorter. Tot 
zich zelf bezigt men het vaak, wanneer men moed gevat hebbende tot 
een besluit komt; b. v. di eon mau modom tehé marbomgin (Ib., bl. 77 , 
r. 8), dat ik hier den naekt slapende doorèrenge; di eon mau teh^ modom 
(Ib., bl. 71, r. 20), laai ik kier slapen; bij zich zelf tot 't besluit geko- 
men zijnde, zich van zijn broeder te scheiden, zeide hg tnolo sali rap 
kami iehé dohoi anggikkón (Ib., bl. 66, r. 8), kom^ zoo ik steede met m^n 
broeder te tarnen ien, zullen we enz.; zou het waar zijjn, wat de hnlis- 
hulis zegt, zeide k^ bij zieh-zelf, alai tehé hu^subo do, maar kom !, ikeal 
het beproeven; dainang do téké ei^aen on (Ib., bl. 21, r. 12 v. o.)^ het is 
wél moeder, die deze dingen gemaakt heeft (zich geruststellende). Zelden 
wordt het uit twijfel gebezigd en waar men met zioh-zelf raadpleegt; 
b. V. aük na so dainang do tehé mambaen on (aldaar, r. 14 v. o.), eou 
misschien moeder niet deze dingen gemaakt hehben? Y($ot een naam of 
verwantschapsterm maakt het een vriendelijke vraag; h.y.ieema go- 
warmu tehé Hó, zeg zuster, hoe ie uw naam?; boti iehé emggi adóng sadjja 
dao nari tjjan adijan on hutaiéu », hoor eené broeder!, hoe ver ongeveer is 
onze huta nog van deze rustplaaU verwijderd f Geheel vooraan besigt men 



865 

aUké, waarmede men bepasldeiyk iemand venoekt aandacht ie 
yerleenen aan 't geen men hem segt; b. v. aUhé oppAng tfsté do malt' 
tap yHoma (aanhaling in 't Wdb.); aUhé radjanaml ading kalak di ba- 
Ua» (Ib., bl. 138, r. 4 t. o.}, koor eenê vorêH^ et' u iemand bmteny enz. 

M. In 't Noorden bezigt men ook iékê, maar in 't Zniden twoé en iijé 
({ 28); b. V. U'tapai do iijé, anijo u-loto (Ib., bl. 269, m.), itml ik zal 
er eens naar vragen, opdat ik het wete!; aha ma ulani tehê na ni-pardaiu-da- 
buhon nibotku di lajona, di-baen enz. (Ib., bl. 217, r. 16 v. o.), wat toch is 
'tffeen mijn broeder mij te vermjten heeft, dat hij enz.; amdng andap ke idani 
tehê di-baen na dulaha marpcjogon i ma boruna, di-baen enz. (Ib., bl. 216, r. 
16 y. o.), vader! is het misschien omdat uw dochter te gulxig eet, dat enz. 
(vgl. aid. bl. 218, r. 3, 8 en 15 y. o.); songon dija ma u-dokon ruwai iijé 
(boy., bl. 287 bij zich uit yerlegendheid wat te doen raadplegende); anta ruwai 
tijé adóng enz. (Ib., bl. 287, r. 9 y. o.), wie weet, of er niet enz. Het wordt 
hier meer in een nitdrakking yan onzekerheid gebezigd (ygl. nog een yoorbeeld 
boyen, bl. 287). In 't Zuiden bezigt men eitehé = atehé, maar ook waar men 
iets gaat mededeelen; b. y. ettehé ompung na ni^buwang m dainang do au, 
wel! moedertje! Moeder heeft mij verworpen. 

D. bezigt tupê als nitdrakking yan oyertniging; b. y. inhu iupe si^m-adjar' 
kèn inang idi (Ib., bl. 140, r. 13 y. o.), kom! het is waar, wat Moeder m^ als 
raadzaam heeft aambevoien, dat ik dan ga, enz. Een beslnit nemende, bezigt 
men non; b. y« ku»^'uba nari ngo (Ib., bl. 5, r. 17 V. o.), Jtom! ik gal eens 
onderzoeken, hoe diep dit gat is (een ander yoorbeeld zie boyen, bl. 898). In 
plaats yan atehé bezigt men hier atupe. Verder heeft men kune, dat ook = 
uwa gebezigd wordt (bl. Sl5d), en geheel vooraan plaats neemt; b. y. hme km- 
bërëtkën i bukbuk Htisku ena katengku (lb<, bl. 246, r. 14), kom! ik zal het 
aan 't haar van deze mffn kuiten vastbinden, zeide ik bij mif zé^. 

11^. anggijdt of ag^'dt (bl. 56, II, 1^, en bl. 44, ».). Dit is eigenlyk 
een vocatief van anggi (bl. 56, Aanm. 3) een woord, dat dikwigls je- 
gens een mindere, vooral in M., uit vriendelijkheid gebezigd wordt*. 
Het is een verbiddende uitroeping, die we kunnen wedergeven met och 
toe, vergun me dan. Het wordt meestal gebezigd in een wensch naar 
iets, waarmede men zich te vreden stellen moet, omdat men toch 
niets beters kan krijgen; b. v. zoo ge niet wilt zeggen, werwaarts hij 



* Vgl. baod (bl. 844), en 't gebrmk vin Ihnbok (moeder!) in 't Jav. om een 
vriendeiyke vermaning te geven. 



356 

/ ^ S^g^n ^*» amiiéi do parkalakna pabona di au (Ib., bl. 157, r.'16 v. 

/ / ., o.), zeg mv dan ten minele, koe hij er uU giei; anggidi ma êa-bomgiM 
' f nart hu-iogong buU i (Ib., bl. 825, r. 12 v. o.)» laai my dan ten minete 
nog een nacht de fuiken eetten; agijdt ho hu-pangan daon ni butuha-male 
(Ib., bl. 189, r. 17 v. o.), dai ik ten minete u opete aU geneesmiddel * ^- 
gen honger; daar ik zoo ongelukkig ben in 't nemen van een vrouw, 
anggijdt ma apald ho mangoU (Ib., bl. 61, r. 4), ga gij dan ten minete een 

wouw kocpen. Aan 't begin van een nazin heeft het conjunctie ve 

kracht, en kunnen wij het wedergeven met cpdat ten minete of met in 
de hoop dat; b. v. neme ik dit als steel van m\jn lans, agydt do i tan- 
dakku a^an gindjang on (Ib., bl. 150, r. 1 v. o.), opdat dat ten minete 
mjjn teken z^ van uU deze bovenwereld (opdat ik ten minste een souvenir 
hebbe van mjjn verbljjf hier in den hemel); laat ons daar gaan ver- 
nachten, angg^dt euminok tahap modom (Ib., bl. 65, r. 15 v. o.), in de 
hoop dat we niêer besehut tegen regen slapen (een ander voorbeeld. 

Twist van S, M. en 2). 2)., bl. 2, r. 11). Een Dairisme is agijappon 

(zie gyamkën hieronder). 

' M. beiigt pinomat, 

D. beiigt gtjam; b. v. inMen g^ wUj dan voUtrekt opeten moet, ku-dimJben 
kono lUekin g^am (Ib., bl. 216, r. 6 v. o.), dat ik u dan ten mimte nog eerst 
hednge *; ik zal inQ diet den vogel tevreden steUen , ata ItU'paHffaH g^€m 'Müt 
. üku miénggarwr hamasa idi (Ib., bl. 165, r. 17 v. o.), opdat U kern ten minste 

j ^ opete, on m^* sehadeloos te steiien voor 't geen ik om zijmentteege heb moeten 

betalen; dat ik desen vogel niet meer te koop Mede, ku-pakani mo maha» ne- 
jamrMJam m mata gijam (Ib., bl., 164, r. 9), dat ik hem dan maar koude alt 
verluitiging pan *t oog (omdat ik er geen geld roor kragen kan, zal ik hem maar 
vermaaksbalvei gaan bonden); mada roh, katenami, musuk, g^am rèbak wwte kami 
(Ib., bl. 205 o.), goo de vijand iomt, doekten wij, dai wy dan ten vunste mede- 
sterven; hétUat hita mo gijam taialna idi (Ib., bl. 158, r. 11), laat ons dan 
maar zijn koofd medenemen/; mate pe, nina, ija, gijam hukum mëndokk}fn (Ib., 
bl. 169, r. 12), al sterve hy, zegt hij, dat dan ten minste Hregt stdks ver- 
ordenel Vóór of achter een getal ook gebezigd om er een nadmk op te leggen , 
of wel in een verzoek naar een kleinigheid, om aan te dniden, dat men «r zich 
des noods mede tevreden zal stellen; b. v. rijar gijam si-pttbuk, wudot nengestfda 
gijam (zie bov., bl. 246). Ook zet men 

- ^ 

Men denke er aan dat m ook 't objeet kan inleiden (bov., bl. 816). 

^ Vgl. boven bl. 279. 



357 

ffijamien, dat een imperatief schynt te zijn (bl.278), geheel aehter aan, ter^ 
wQl men tevens ffijam vooraan kan bezigen; b. v. gi;am lot HröëioJi'èëioikën nier* 
huhtm kita giJamhH (boven, bl. 339), dat er dan ten minste iemand der gaai 
kundig gij^ om over ons regt te spreien; niêrhuium mo üia gijamihi (Ib., bL 
165, r. 14), dat we dan ten minste van *t redt gebruii maien. Bit gijamiht 
wordt ook by de benaming van een kleine hoeveelheid en een negatie ter nitdrnk- 
king van een nadruk gebezigd; b. v. i-iargai deèa pe nuUot gijamiën (Ib., bl. 163, 
r. 5 V. o.), er werd zelfs geen bod op gedaan; si-pësulai mo soda nari gijamiën 
mëndëngani iaita idi (Ib., bl. 14 m.), zenden wij nog aZ was het maar één 
onzer zwalawen uit, om ónzen raaf gegdsehap te kouden. Verder bezigt men 

gija zoowel = agijd (bl. 339) t^=pe{J^ 166); b. v. masa^iade gija na sa^si- 
sëlam (Ib., bl. 42 m.), koe vele ooi de Makomedanen z0n; ise gija (Ib., bl. 95, 
r. 11), wie ook die sp^js moge klaar gemaakt hebben; voorts te gelijk met ÖO" 
rang (bl. 332); b. v. muda tubuk nóla i podin ena anakmu barang bërumu 
gija (Ib., bl. 35, r. 6 v. o.), zoo u weder Mema een zoon ofwel een doekter 
geboren wordt; hij z^ onze vraagbaak, barang kade gija përtëntSnta si-ni-ladang 
etpa (Ib., bl. 46, m.), zoo er ket een en of ^t andere is dat wij, die in dit land- 
sekap zijn, uit te maken kebben (vgl. ook Ib., bl. 136, r. 17, 140, r. 19 v. o.). 

12^ mari, dat misschien uit 't Mal. is, bezigt men om iemand uit 
te noodigen bij zich te komen; men bezigt in de tabaa meestal mari la 
(Mal. marHak) *. Om iemand aan te zetten spoed te maken be- 
zigt men 

karu; b. y. karu mari ma tu on {Tmst van 8, M, en D. D., bl. 15, 
r. 10 Y. o.), kom gaauw kerwaart9; andere voorbeelden zie Wdb., en 
boy. bl. 336. In de tabas bezigt men ter uitnoodiging van de tondi ook 

kurri (zie Wdb.); b. v. hurri mari la mari la. 

Ook substantieyen kunnen uitroepender wijs gebezigd worden}fl64* 
en worden dan doof 't pronominaal aanhechtsel na of wel door een 
substantief, door ni ingeleid, bepaald; b. v. dengganna (zie boy., bl. 
247). Hiertoe zijn ook te brengen 

tuwa-, b. y. tuwa ni met een substantieven zin er achter (zie boven 
bl. 316, r. 10 y. o.), of tuioana; b. v. tuwana ku-baluii au tu hagasan 
idjuk », H geluk er van y ik heb mij zelf* in die idjuk gewikkeld (hoé ge- 
lukkig was het, dat ik mij in die idjuk had ingewikkeld; andere voor- 
beelden in 't Wdb.). En verder 



* Vgl. mare (M. boven op bl. 352). 

* Zie boven, bl. 231. 



18 



X 



3&S 

è^m (ook: hiUa»), dat meer in 'tDaürisch sab-Tobasch gebezigd 
wordt, waarom ik bier maar voorbeelden uit J), sal aanhalen (zie ook 
Wdb.); b. V. b^amia enggo kene rok kerina (Ib., bl. 17S, r. 5 v. o.), koe 
van pas it kei ^ dat ^lieden dUen komt; è^anna ku-idah kono (Ib., bl. 
ai5, r. 1 T. o., 216, r. 14.), hoe van paa zieiku.-^ Andere als uit- 
roepingen gebezigde woorden zgn 

óüang (uit toorn); b. ▼. büang m Umboitón ma (eie aanbal. in 't Wdb.). 

l40a of Ua (verwijtend); b. v. leana 9o di-aiap ko {J\ffUt van S, M, en 
D. D., bl. 12, r. 6 V, o.), hoe onhemch van U^ dai ge kei nieé wiU kalen/ 

raéfja; b. v. ratga ko amdng unang marbMul Umus ni apt iu gindjang 
di-èaen kmmma^ ik bid ü! laat tock de rook van dat vuur niet naar boven 
toarrélen. Het wordt zelfs jegens een vroow gebezigd (Twiet van 8. M. 
en B. D., bl. 11, r. 8 enz.). Andere woorden, die als inteijectie optre- 
den, allen te behandelen is ondoenlijk; zoo heeft men ook dung als in- 
teijectie, wanneer iets b\j ongeluk geschied is; b. v. dung f nunga ma- 
dekdek gandarku (Tunst van 8. M. en D. 2)., bl. 12, r. 6, 11, r. 4), reede! 
reedt it m^n pipetted gevallen i (O jel daar heb ik mijn pypesteel Ja- 
ten vallen). — Ove^ ngalutna zie boven, bl. 247. 

B. bezige iuwak; b. v. tuwahna mango kono mëngepuh idi (dé iapd ^ (Ih., 
M. 149, r. 8), hoe g^uJtkig wat het, dat gij mei ipu gijt gaan seUeten 
vaderde! Ook bezigt men itika (bl. 362), maar meer in een vrensch; b. y, itka 
mërganda mërbunga nola phtoiormu ena (Ib., bl. 153, r. 2), zoo gQ hem weder 
verkoopt, moge dan 't geen gij aan dezen vogel besteed hebt verdubbeld worden; flfia 
sariniuwa kono makani idi (aid. r. 15), zoo gQ dien vogel hondt, moget gij dan 
bij het houden er van een gezegenden ouderdom bereiken (ygl. aid. r. 20 en 22, 
bl. 55, r. 12). Met 't pronominale aanb. na maakt het een bijvoord \ dat w^ 
door een adverbiale bepaling (toevalliger wijze of bij toeval) kannen wedergeven ; 
b. V. ënggo tuhu tëiana ëndai leleng, ale^, si-adji tonggël (Ib., bl. 98, r. 3), 
werkelijk heeft A, T. het stroke bij toeval vergeten (vgl.lb., bl. 163, r. 18). 

X. NADRÜKWIJZEBS. 
{ 165. Onder deze benaming v^sta men niet alleen de woorden, die aan 



* Zie bov., bl. 153. 

9 

3 



Dit woord is in 't Wdb. verkeerd verklaard. 



Deze inteijectie wordt tot 't publiek gerigt, en niet jegens A. T. (zie bo- 
ven, bl. 256, in 't midden). 



359 

een woord, Als bestanddeel ran een zin, een nadruk ge Ven, dien wij 
ddor den toon uitdrukken ({ 20, Aamm. 2), maar ook ^^t^ welke slechts 
acbter een woord plaats nemen, om aan de beteekénis er van een b^- 
zondere toepassing te geven, en ^ocfaL niet mei aanheohtsels moeten 
gelijkgesteld worden (§ 20, 3.). We zullen ze een voor een behande* 
len, en hopen den lezer te overtuigen» dat het moeijelyk is, hun een 
anderen naam te geven, daar zij zoo vele beteekenissen aanbrengen, dat 
men gevaar loopt door een êprehender benaming tot misverstand aan<* 
leidiiig te geven. Dat we bij de behandeling dezer woorden nog meer 
dan vroeger ^ van de woordvoeging moeten mededeelen ligt voor de 
hand. 

I. do neemt plaats achter een woord, en legt er een nadruk op, 
dien we kunnen wedergeven door den toon; b. v. sai f o do i mangdap 
iba, zonder falen homt die (de tijger) je halen; 9ai mago do ko di^aen 
heguy zonder falen worde g\j ongelukkig door toedoen der geesten* In 
deze voorbeelden geeft het een nadruk aan H praedikaat vau'een hoofd- 
zin (bl. 281, h,)y maar ook in op zich zelf staande zinnen bezigt men het; 
b. V. pargogoi do au ojppéng, êchenk mij o Heer f tock kracht/ Zoo ook in 
een vergelijking achter een praedikaat of praedieatieve bepaling, om 
haar als volkomen te zijn voor te stellen; b. v. nunga aongon na ni^oado^ 
san do tortomoHda (Ib., bl. 178, o.), reeds was aU afgepast hun dans 
(hun dansen was volkomen regelmatig); dida butuktt^óUm % nwnga êoi 
songon gara ni apt do, door hem werd gezien de maag (van den visch) 
geheel gel^k aan tfuurkóUn, — In een vraag legt het den nadruk op 
*i woord dat 't geen voorstelt, wat men verlangt te weten; b. v. iae do 
gowarmuy hoe is uw naam? aha do naing panganommu, waê verlangt g\j 
te eten?; sdli oio do imambalöal (Ib., bl. 84, o.), is die steeds ^M^^et» 
te slaan; adóng do % di rohém djuppa aogot, is dat er naar uw gevoelen 
, op d'een of d'anderen tijd te vinden?; tariuhor hiia do na sa^i, kan het 
door ons voor zooveel gekocht worden?; oio do hopasada sowara hita, 
wilt gij dat we ohze stemmen gelijk maken? (vgl. ond. YI). In een vraag, 
om iets te mogen doen, bezigt men djadi do ( bl. 840). In H antwoord 
op zulke vragen bezigt men do op dezelfde wys; b. v. op de vraag hodoi 



^ De lezer zal wel reeds gezien hebben, dat het onmogeiyk is in 'tBatakseh 
de woord-afleidiog te behandelen, zonder tevens van de woordvoeging melding te 
maken, daar toch vele woordvormen in een b^zondere constmotie gebmikt wor- 
den (zie onder anderen $ 120). 

18* 



360 

(zyt^t^* die?) is 'i antwoord au do i (ik ben die); op de vraag aha do na 
tinopoimm tu htdanami on (toot komt ge in deze onze hnta zoeken?) is 't 
antwoord pidoHg na nudó markata'hata do n^én na ku-djalahi (een vogels 
die praten kan eigentlyk is die ik zoek. Op een vraag met a<2% (fo ant- 
woordt men ontkennend met inddng adóng (bl. 265, c); b. v. op adónff 
do i di ladangmuna on (is die er in dit uw land?) is 't ontkennende 
antwoord inddng addng pidong na maU mdhata-hata di ladangnanU on 
(er is hier in ons land geen vogel, die praten kan). Vaak kondigt 
bekd do een volgende vraag aan (bov., bl. 804, ond.). — — • Op een sab- 
stantief of als zoodanig optredend voomw., als subject, legt het een na- 
dmk, dien w^ moeten wedergeven met -alleen, -zelf, niemand of nieU 
anders dan; b. v. debate do manadjomi^, de goden hebben het scherp 
gemaakt? (niemand anders dan de goden, enz.); ai si-djonaka inom 
do mamunu^, want gemelde Bj, had ze gedood (want Dj. zelf enz.); 
nasida na duwa do martaJban (Ib., bl. 178, r. 14), e^ beiden hébben (die 
huta) veroverd (z^ beiden alleen, zonder dat iemand hun hielp, heb- 
ben, enz.). Op een aanwijzend voornaamwoord legt het een na- 
druk, dien wijj met dezelfde, waarvoor 't Bataksch geen bijzonder 
woord heeft, plegen uit te drukken; b. v. hwndid ma nasida é^ taru- 
êopo*, di sopo i do kundtd si-^jonaha dy4apot partwsggu i, zi] gingen 
in een sopo zitten, en in dezelfde sopo vonden de om betaling komen- 
den Dj. zitten. Zeer gebruikel^k is do achter 'tvoornaamw. », als sub- 
stantief, om er op te drukken, als op het iets, dat de aanlei^g of re- 
den is van 't geen in den volgenden zin, met asa of di-baen (bl. 333 en 
vlg.) aanvangende, gezegd wordt; b. v. i do asa hu-suru maralap ho, dai 
is het (de reden) dat ik n heb laten halen ; i do ibana di^aen ro tu son 
(bov., bl. 893, r. 1);ido di-baen na hu-dokkon di ko papunguommu, dat 
is waarom ik u dat zeg bij elkander te brengen. Zoo ook in een vraag 
naar de reden; b. v. aha do radjanami asa di-dokkon ho maralap au, 
wat is het vorst! dat gg mij hebt laten halen? Ook een praedikaat, 
door een werkwoord uitgedrukt, wordt op dezelfde wgs door do als 
aanleiding voorop gezet, maar moet dan door 't voornaamwoord na 
voorafgegaan worden; b. v. na di-bursik do au di-baen na mate, dai 
ik door hem bespoten ben, is de reden dat ik stierf. Zoo het ach- 
ter een substantief of als zoodanig optredend voornaamwoord, als 



^ Zie boven, bl. 160. 
Zie boven, bl. 317, «. 



S61 

praedikaat , staat, dan moet het werk^. door na gesubstantiveerd wor* 
den (§ 126), om als subject te kunnen optreden; b. v. au donamangoU^ 
die een vrouw kom koopeu ben ik. Staat' het door na gesubstanti- 
veerde werkwoord voorop, en is het subject een tweede persoon, dan 

houdt de zin een verwyt in (§ 126, 1*.). In tegenstelling van 

een negatie, drukt het een stelligheid uit, die wiy met een adver- 
satieve conjunctie zouden wedergeven; b. v. indada au pau, landuk 
do, ik ben niet pais, landuk (ben ik) d. i. ik ben geen pcM, maar 
landuk; indéng mangolu, mate s^an Muha do, het (kind) leeft niet, 
het is i» den buik gestorven (d. i. bet kind leeft niet, maar is dood 
geboren). Men ziet hier reeds de zinverbindende beteekenis van *i 
woordje, die verder ook blykt uit de plaats, die het inneemt achter 
het praedikaat van een substantieve zinsnede, zelfs waar deze een 
indirecte vnag inhoudt; b. v. meld hem, lali-lahi do na tubu i dat 
de geborene een mannel^k persoon is; pamanat ma djolo tu ama ni 
na mate i éfjadi do pasondoton nipangulu gora on, aso binoto, wees zoo 
goed big den vader van den gesneuvelde onderzoek te gaan doen, of 
deze aangelegendheid door den scheidsregter mag ten einde gebragt 
worden, opdat men het wete. — In een imperatief bezigt men do om 
't geen men bepaaldelijk verlangt te doen uitkomen; b. v. bowan ma 
au ale apdng toppi do au, draag mQ vader! maar draag mï} in uw 
kleed gewikkeld (opdat niemand mij zie, bl. 349); sali bunihon do t , 
verberg het vooral. — Achter een b^'woord of adverbiale bepaling om 
er een b^zonderen nadruk op te leggen, dien wij roet niettegenstaande 
dat kunnen wedergeven; b. v. behd ma di-baen na dapot bodatparbuwe 
ni atsimun, tu tonga-hire do manaek, hoe kwam het, dat een bodat-aap 
een komkommer konde kragen, niettegenstaande die tegen een steiUe 
aan opslingerdeP — Dikwijls wordt do achter een woord geplaatst, 
dat wij als een bijwoord zouden opvatten, om een zinsnede aan te 
kondigen; b. v. otik do hita marbada musé nunga lao ibana tu gindjang 
(Ib., bl. 197, r. 21), zoodra wij maar eventjes weder twist kragen (met 
onze vrouw), zal ze reeds uaar boven gaan (we behoeven slechts om 
een kleinigheid twist met onze vrouw te krijgen, of zij zal reeds daar- 
om naar den hemel vliegen). In dit geval staat 't subject voor 't prae- 
dikaat. — In een tweede conditionele zinsnede, die met de eerste in 
tegenstelling staat, wordt het zeer vaak achter 't praedikaat geplaatst, 
en drukt dan ons wèl of daarentegen uit; b. v. zoo gij 't hart hebt mij 
te dooden, zult gij gewis ongelukkig worden, kap^ molo di-pangolu ho^ 



862 

do an, M» gaibe do ho (lb., bl. 4, r. 5. v. o.)» maar zoo g\i mij wd (of 
daarenieffen) in 't leven laat, zult g\j gewis gelukkig worden. — Zelfs 
kan hei» achter een praedikaat geplaatst, een zin tot oonditionelen 
b^zin maken; b. v. di na gabe ma i, Jioloropan do halak^ indadong ta- 
rukua aongon t, voor den rijke zy dat, behoort iemand tot de groote 

koop» dan kan hij z<$o niet doen« Na 't subject neemt het plaats, 

wanneer dit om den nadruk, of om met iets anders in tegenstelling ge- 
plaatst te worden, Toorop staat; b. v. maio katakJt» do di^ege ko mar'- 
9ogot» oiokon ma haiakkt; ijanggo harang kata ni kaiak do di^ge ho 
mafBogot» mang di-olokon ko (Ib., bl. 293, r. IS), indien door u morgen 
müne tooorden gehoord worden, bevestig ze, maar indien door u mor* 
gen een andet^e woorden» welke ook» gehoord worden, bevestig ze niet. 
— ^ Verder bezigt men het ook om de w^ze, waarop iets plaats heeft 
of hebben moet, uit te doen komen; b. t. nung % di4arukon H^Jonaha 
y^ ma inana H-bomgin tu kariara inon» di-oppa do marboan inana i iu gin-' 
djang (Ib.» bl. S9S, r. 16 v. o.)» daarop geleidde Dj. zQn moeder naar 
gemelden ficusboom, kü droeg kaar op de armen z^n moeder naar bo- 
ven brengende. — En eindelijjk valt er nog big te vermeiden, dat het 
vaak te geUjjk met eai (bL 281) en nikkon (bl 279), maar zdden met nu- 
ll^, behalve in veigel^kingen (Ib., bl. 169, r. 11 v. o., 178, r. 7 v, o., 
en boven bl. 869), of waar eai voorafgegaan is, voorkomt (vgl. Ib., bl. 
160, r. 10, 12, U, 174, r. 1 en 11, 166, r. 1 v. o. en bov., bl. 246, 7*.). 

M. In 't Zniden bezigt mea do ook vtfor eon dn als oonditioneele conjimetie j 
,.^ b. ▼. do ngada di-patidaon ho, iU marmuiu (11)., U. 116, r. 11), zoo f^ dieii 

niet vilt aanw^sen, moeten wQ oorlog voeren (een ander voorbeeld in 'tllVdb.). 
Het werkwoord, in aalk een sinanede gebroikt, «lait meestal het willen in. — 
bija do 18 hier, even als bekd do (bl. 860), vraag aankondigend (Ib., U. 187, r, 
8). — Verder ii, vooral in 't Zuiden, het uit 't Men. overgenomeae 

djuwo ^ te gelijk met do in gebruik, en wel met de beteekenis van ioek, 
nieiiegeneUumde dat; b. v. heb ik niet aan U. T. B. werkdyk gesegd f*laat ik 
niet medegaan," zeide ik, keke 4;'u«o do Ua (Ib., bl. 184, r. 10 t. o.), "wi 
gaan ioek" ^seide hff; di'pangkuUngion napé suteada, wtanaiH pe euwada, laht * 



* (Men. y^ ontbKekt in 't Wdb. 

^ Is in 't Wdb. vergeten. Plaats das III. Mal. jy, doorgaan (Ib., bl. 180, 
r. 18 V. o.); kdu iu» tot aan (lb.> U. 111, r. 2), aankomen te (aid. r. 12 v. o.); 
ngen — - tu, panqf»^-^ tot (Ib., bl. 246, r. 6 v. o.)j pahht{&on), doorgaan; 



363 

djuwo do ièana iu iano pinang na rorondan^ hij gaf er selfs niet evsAtjes ant- 
woord op, keek er zelis niet naar, maar ging toch door naar 't land P. n. r. 
Ook in *t Zuiden heeft men de in plaats van do voor *t ?oojnaamw. % (b. t. Ib., 
W. 261, r. 2). 

B. bezigt ngo; b. f. de vogel werd niet geraakt, ijawan pëngurasifn ngo 
hém» (Ib., bL 117, r* 1 ▼• o.)> de iom» waarin *i zuiveringsmiddel toae, werdge- 
nakt (maar alleen de kom werd geraakt). In pi. y. malot bezigt men voor ngo 
steeds nuukt, en zoo men maloi ngo bezigt, moet ngo achter 't praedikaat her- 
kaald worden; mmda ngo iu-tënaiën, enz. (bov., bl. 272), iak malot ngo i-èërekën 
dêöa ngo anhUu idi (aid.). Met de tegenstellende beteekeuis van tocA bezigt men 

mango; b. r. mirfakan * np mango (ib., bl. 101, r. 17 v. o.), toch bleef 
9ij moijgenj maiot mango enggeut manganiën enz. (Ib., bl. 101, r. 15), foek 
wilde die vrouw die ri^t niet eten; leleng mango H-haèji ionggël mêngUapah ia- 
kal iërèo ei-ranggir idi (Ib., bl. 95, r. 14 v. o.), toch vergat H. T. den kop 
▼an den baffd B. in stokken te houwen. Vaak met nola om dit tè versterken 
(vgl. na muté in T. IV, onder); b. v. i-dapêi nola mango enggo iatak pa- 
nganën i hagaten iodën <lb., bl. 98, r. IS), hfj vond alweder spys in de pot 
klaar gemaakt; i'-oUki nola mango Mo i^deya enz. <lb., bl. 158, r. Iv. o.), 
hjj ging alweder en yentte den TOgel uit, enz. Ook in vragen bezigt men man- 
go; b. V. d^adi mango katemu (Ib., bl. 128, r. 11 v. o.), mag dat denkt geP; 
i$e mango hono ti-roh idi (Ib., bl. 11, r. 4), wie zijt g^ die dsar komt?; 
ënggo mango alé ialtü i-bakankén manuk-manuk saip-ladang gërar kene (Ib., 
bl. 121, r. 14), heeft reeds de vogel S. L» voor ulieden een niiam gemaakt? 
(waarop 't antwoord op r. 18 ook ënggo is, bov., bl. 345); n-kade mango gërar- 
mu (Ib., bl. 128, r. 20), wat is uw naam?; ise mango endija si-mërtasakkën 
panganènnami idi (ib., bl. 97, r. 4 v. o.), wie is toch, die dat ons eten heeft 
bereidP (vgl. Ib., bl. 129, r. 17 en 10 v. o., bl. 6, r. 17 v. o.); zoo ook in 
een vraag naar de reden; b. v. kade mango asa mengh', nina, manuk-manuk 
saip-ladang (Ib., bl. 122, r. 9 v. o.), wat is de reden, dat de vogel S. L., 
zegt hij, zoo'n leven maakt? mada mango heeft hier ook den zin van toch niet 
(vgl. bov,, bl. 293); b. v. ku'dahuh pe buluh eingawan, mada jnango ku-èëge 
përdabuAna (Ib., bl. 6, r. 4 v. o.), hoewel ik een geleding bifcmboe liet val- 
len, heb ik 't vallen er van toch niet gehoord (vgl. aid., bl. 5, r. 8 v. o.); 
mada mango kumataken so mada tuAu sulengku idi (Ib., bl. 28, r. 2, alwaar een 



b. v. iia-palalu domd iu bariba ê, dat we maar naar de overkant (andere oever) 



* Zie boven, bl. 272 en 282. 



364 

drokfoat), mljn TOonpcUrngBkyker heeft ioek niet wat niet waar is vernield; 
HmataiH si^tukm mango ^ hQ heeft daarentegen de waarheid YeriQjeld. Ook 
plaatit men gaarne mango achter een woord, dat met nadruk herhaald wordt; 
h. ▼. dori da ni-smwan, don mango mahan dapêtH i podin, hun^a m-iutoan, 
iunga mango maJkan dapélèn (Ib., bl. 166, r. 4 v. o.), immers zoo men door- 
nen plant, sijn doornen 't geen te krfjgen is, plant men daarentegen bloemen, 
dan s)|n iioemen ooi 't geen men naderhand te verwachten heeft (plant men 
doornen, men heeft ook doornen te verwachten, enz.); dfllmana idi pe tongkii 
wumqo (Ib., bl. 188, r. 18), die vronw van hem was ook doof (even als de 
twee te voren reeds genoemde personen). In oonditioneele zinsneden bezigt men 
mMêgo achter 't praedikaat met den zin van in de daad, werkelijk; b. v. muda 
matik mango pénarikinëndene midak aku (Ib., bl. 134, r. 13 v. o.), zoo gy 
werkd^k medelijden met mQ hebt; muda ti-hnpo mango, nimu, alé pa bagasta 
idi (Ib., bl. 76, r. 5 v. o.), zoo wQ, zegt gfj, vader! werkelijk ons hna in- 
w4dan willen, enz. Verder om op een benaming van hoeveelheid te drokken of 
een n^tie te versterken; b. v. khina mango ënggeut (Ib., bl. 134, r. U, IS3, 
r. S V. o.), aUen waren genegen enz.; maloi mango iee mènoior (Ih,, bl. 154, 

r. 1), niet één persoon wilde hem koopen (niemand ter wereld, enz.). 

Ook achter uitroepingen; b. v. iëka mango meniër 4fwnpaku i-omiang-ombang 
lae ena, koe gelukkig^ dat ik terstond (die geleding bsmboe), terw^l ik door dit 
water heen en weder geslingerd word, wedervind (een ander voorbedd boien, bl. 
358). — De verkorting 

mang komt ook voor, en wordt achter een woord gezet, om tevredenheid oit 
te dmkken over 't geen men waarneemt; b. v. ziende haren zoon met vele vogels 
te hnis komen: zeide z^j: klÊnSn mang kono da hapA (bl. 163) pidnh idi èmhuwe 
mango ku-idah i-AMai kono, ënduma mamo Hia këpeiH bëtur mangam dju- 
kut piduk (lb„ bl. 148, r. 12 v. o.), gfl hebt, va&ryel waarlijk wat gevangen, 
want ik zie dat ge vele vogels b$ je draagt; we zullen na overvloed hebben en 
ons aan vogelvleesch zat eten; gehoord hebbende dat de tijger in den val was ge- 
raakt, zeide h(| tuwahnami alé htggo mang këpe iffumpa djHak idi bijahat n- 
mangankën anakku idi (Ib., bl. 172, r. 9 v. o.), hoe gelukkig zfln w^j ?rien^«! 
de tgger, die mffn zoon heeft opgegeten, is dus reede door den val gevangen. 

II. anggo. Het wordt voor een woord gezet, dat men dikwijls om 
den nadruk voorop zet; zoo vooreerst vdor een substantief, dat, als 
subject, voor 't praedikaat plaats neemt; b. v. anggo gmoarna n-^^on^ 
pMrmang mnas^ (Ib., bl. 63, r. 16 v. o.), Aflar «öaw is Mejufvrouw 



' Antwoord op de vraag ise ma gowami {hoe is toch de naam van dieP). 



365 

M. O. En zoo meestal in een antwoord op een vraag naar een voor- 
werp voor de benaming van 't in vraag zijnde; b. v. zeg me dan, hoe 
bij er uit zietl anggo parhalakna na gindjang na bolon ibana (Ib., bl. 
157 , r. li V. o.), z^n voorkomen ^ hoog van statnor (en) zwaar gebouwd is 
bij ; waar is de kwartel, die een pont-staart heeft en de haan die eijeren 
legt? anggo manvk saèungan na marpira, on ma na hthèowan^ alai anggo 
Icie na maUai-lai, niarsogoêpe hu-huwaty de haan die e^'eren legt, ziehier 
ia hij, dien ik bij mij draag, maar de kwartel, die een staart heeft, mor- 
gen eerst zal ik hem nemen. Ydor een b^'woord of adverbiale bepaling, 
waarop de nadruk valt; b. v. anggo nanón 9ai na mate do ha baenokku, 
nu zult gij gewis door mijn toedoen sterven (de vorige maal zijt gij mij 
ontsnapt). Staat een adverbiale bepaling in tegenstelling met een an- 
<lcre, dan wordt vóór deze vaak ya geplaatst, dat dan een adversatieve 
beteekenis heeft, en dus gelijk staat met alai (vgl. 366, m.); b. v. anggo 
di 8on indadong Mta manaon, ai dorde aek di son; jjanggo di ei undng do 
aek, hier houden wij het niet uit, want sterk stroomend is 't water hier, 

maar daar ia het water stil. Ook een substantief, dat als object 

van een actief door middel van di (bl. 310) optreedt, en voorop staat, 
moet anggo voor zich hebben; b. v. anggo di dalan si-degeon unang ho 
humoUo (Ib., bl. 6, r. 13 v. o.)» over den te heganen weg moet gij niet 
bezorgd zijn (stond hier ofr^^o niet» dan zoude di-^alan ei-degeon ach- 
ter humdeo staan). Wordt een actief, als substantief optredend, voor- 
op gezet, dan kan het zonder di, ja zelfs zonder 't voornaamwoord 
na, op die wijze als object worden aangeduid; b. r. anggo martogi unang 
ho humoleo (Ib., bl. 40, r. 16 v. o.), (over die) voorgaat (om den weg 
te wijzen) maak u niet bezorgd. Ja zelfs een actief, dat zonder prae- 
pozitie als adverbiale bepaling optreedt (§ 126, a), kan zoo voorop 
staan; b. v. anggo mambaju mattwoa pande, (in het) vlechten is (zQ) zeer 
bedreven; anggo marèuldn oio do au (Ib., bl. 32, r. 9 v. o.), plegtig een 

verbond te sluiten ben ik bereidwillig. Voor een bijwoord plaatst 

.men het ook, waar het voor een zin staat, die door eeïi conjunctief 
bijw. in betrekking met den volgenden gesteld wordt; anggo hoti ma 
di-begé pamilangina , mattuwa sowada do dida na sinuhatanna i (lb.,bl. 74, 
r. 10), aldus werd door hem gehoord hare wijze van tellen, en toch 
niet werd door hem gezien 't geen door haar werd uitgemeten (d. i. 
.hoewel h\j haar aldus hoorde tellen, zag h^ het door haar uitgeme- 

tene niet). Voor een substantief, als subject, plaatst men het ook 

veiligheidshalve, om te verhoeden, dat iemand verkeerde vermoedens 



366 

mogi koesteren; zoo zegt Nimdjamba ilik, toen de bezoekster baar 
een betelbnidel had toegeschoven, met 't verzoek van den betel gebruik 
te maken, anggo hadjuUu indadmg jmarUi (Ib.» bL 18, r. 4)» m^ bmd^ 
bevat niets; 't geen alleen maar gez^d is om te verhoeden, dat de 
bezoekster haar van onbeleefdheid zonde beschuldigen, daar het de ge- 
woonte is, dat die bezocht wordt, wederkeerig betel presenteert. Ook 
waar men iemand's bewering in tw^fel trekt, omdat sq niet overeen- 
stemt met 'tgeen men vroeger heeft vernomen; anggo pakoppAm paöo- 
wahou di au (Ib., bl. 157 r. O v. o.)» aw kleinzoon daareniegen beeft m^ 
gezegd, dat enz. Ydor een imperatief geplaatst, geeft het een na- 
druk te ketinen, dien we met vooral ^ toeh kunnen wedergeven; b. ▼. 
anggo paimduhon aiU na marbowan hn^ur t, wijs mij toeh (p( voorall) 
den ever die de lans heeft medegevoerd aan!; ummg anggo pandekdeit- 
kon ($ 118; Twiii van S, M. en D. D., bl. 11 , b.)> hiat (die kam) took 
niet telkens vallen! -^— Zeer dikw^ls wordt door anggo een substan- 
tief, of als substantief optredend voornaamwoord los voorop gezet, ter- 
w$ het als agens of subject in een daarop volgenden zin slechts door 
middd van een eerste passief of door een voornaamwoord wordt aan- 
geduid; b. V. ai anggo ti-^ji panurat mdadong di4anda anggina i he^ 
alai anggo iéana^ saU di tanda do haiana i (Ib., bl. 80, b.), want AdjU 
panurai, door hem werd zqn jongere broeder niet meer herkend, maar 
h^'Zélf^ door hem werd zijn oudere broeder nog gekend (want Adji 
panniraé kende zijn jongeren broeder niet meer, maar h^ kende zijn 
onderen broeder toch nog); anggo ni-dokmt^ tongóu do i wat ge daar 
gegty juist is het. Voor een op die wijjze slechts genoemd substantief 
kan men ook iareingot di nog achter aaiggo bezigen; b. v. anggo taTm- 
got di pangguru barang ea-d^a, nimmu, indadong hn-djuwahon (Ib., 
bl. 16, r. 12), teat betrffft H leergeld^ hoeveel het ook, zegt gij, is, door 
m^* zal het niet geweigerd worden. — *- Staat een substantief achter 't 
praedikaat, dan geeft anggo er een nadruk aan, die tegelijk beperkend 
is; b. V. hu4opa pe anggo rauimu^ ik zal voor u een raut smeden, dv i. 
daar gij niets anders van mij verlangt dan 't smeden van een ran^, 
zal ik die smeden; unang damang. rueak anggo poftgoltm^ toeee met h^ 
kommerd over we geld eenvrouw te koopen (waarin de praepositie ver- 
zwegen ib). Zoo in dit geval 't substantief voorop staat, bezigt men er 
' gaarne nog pala of qpald voor (zie boven, bl. 888) y maar dat dit niet 
noodzakelijjk is, ziet men uit 't frequente gebruik van anggo t, om op 
iets, dat te voren genoemd is, een nadruk te leggen als op iets, dat 



S67 

men 't aij gemakkel^k kan toestaan, 'tssy met weinig moeite kan veN 
kUiren, ?oodat het gel\jk staat met ons ia kei andere niet?; b. t. anggo 
% buwai damang (Ib., bl. 49, r. 18), dai, neem het vaar^'e! (Als je niets 
meer verlangt te hebben, ga dan je gang maarl); a»ggo i óoraUoH hamü 
tu iobu i (Ib., bl M), r. 4), dtU^ bind hem aan 't suikerriet vast! (als je 
niet meer verlangt, dan je houd aan 't suikerriet vast te binden, ga je 
gang maar!); attggo s, mangido ma paüandja i iu nappunasa i (Ib., 
bL 49, r. 7), dat, de handelsgoederensjouwer vroeg .or om b^ die er de 
eigenaar van was (wat je me daar als raadsel opgeeft, dat kan ik 
je gemakkelijk oplossen; een sjouwerman ging enz.)* I^e beper- 
kende beteekenis heeft het meestal voor een achteraan staand woord; 
b. V. wkkoi ni kagaieo» ma ièana anggo martmaSy alai anggo dak^ 
danak soda pe sowada (Ib., bl. 1, b.), buitengemeen njjk was h^', wel 
te weten (in 't) hebben van gcmd^ maar kinderen ^ éen zelfs (was er) niet; 
mcïo dnng hu*baen t, utima, indadong. oio. ro begu tu kuia m^ anggo 
lao mamkuwat d^olma^ zoo ik (dat middel) reeds gemaakt heb,EQgt 
zy, dan zal er geen geest in deze huta kunnen komen, wel te weten 
om meneehen ie gaan leegnemen (d* i. een geest zal wel kwalen kunnen 
verwekken, maar hq zal niemand kunnen dooden). Men ziet, dat 
hier door anggó het te veel zeggende van een verklaring wordt opgehe- 
ven. Met deze beteekenis kan het tevens een oonditioneele coiyunotie 
in zich sluiten; b. v. indadong oio mulak atr, anggo indadong dapot au, 
ik wil niet terugkeeren, wel te toeten (zoo) het niet door mij kan ge- 
vonden worden. Het kan vooraan geplaatst 't gebruik van molo 

overbodig maken; b. v. anggo i Unabyarammu, indd tung bunuokku hamü 
(Ib., bl. 31, r. 16 V. o.), (soo) dai 't geen g\j vreest is, b\j geen mogelijk- 
heid zult gylieden door mij gedood worden (in pi. waarvan .men ook 
zegt moio i do hinabijarammv , enz.)* Vooral vi5or tung wordt het met 
molo verwisseld (vgl. Ib., bl. 84, r. 13 en 20). Zeer vaak staat het in pL 
van molo in een dchterstaanden zin of wel in een tweede conditioneéle 
zinsnede, die in tegenstelling staat met een voorgaande, terw^l Ao^of 
alai dikw^ls worden weggelaten (bl. 336); b. v. molonaohdohomarhu' 
kk dohoé ibana nnang di-bunu ko, manaek ma hotuginijang; hapéangno 
indadong ra ho marèuldnt di ioru on ma ha pamèurhungon (Ib., bl. 82, 
r. 16 V. o.), zoo ge toiU met haar een eedverdrag alwten^ dat gig haar 
niet ault dooden, klim dan naar boven ^ maar too g^ dat niet toilt, b^jf 
dan hier beneden laH van verkkumdheid hebben (vgl. lb.> bL 251, r. jS v. o^ 
alwaar alai anggo); anggo di-Uon. do panguraaon ($ 101); anggo eongon 



368 

na hu-dok i iuié binaen ni haiatia (Ib., bl. 252, r> 17 v. o.), maar zoo 
't geen door onze woorden ü voêtgeiidd gel^k wat ik Meide it (vgl. een 
ander voorbeeld boven , bl. 196). Be tweede conditioneele zinsnede 
vangt vaak tevens met ^a aan; b. v. molo nunga mate tutu a$a lao kita, 
^anggo mangolu na podÓ leon tittin on, enz. (Ib., bl. 83, r. 12 v. o.), zoo 
kü werkelijk reeds dood ie, dan gaan w^, maar zoo h^ nog leeft, gerfhem 
dan dezen ring enz. Dit yanggo kan ook voor een woord, in tegenstel- 
ling, gezet worden; b. v. indien het zoo is, gaat dan, ijanggo au, indadong 
oio au mulak na podó (Ib., bl. 88, m.), maar tit ,^ ik wil niet terogkeeren ; 
hoe vele lieden ook gekomen zijn om te spelen, ik heb het niet tegen 
hen verloren; ijanggo i nunga talu au di^aen (Ib., bl. 81, r. 17 v. o.), 
maar die, h\j heeft het van mijj gewonnen. Verder om op een voor- 
waarde een nadruk te leggen, zoodat het overeenkomt met ons rnite, wel 
te weten zoo; b. v. indadong daéi da ba amdng, ijanggo denggan ni roka 
be do êongon i (Ib., bl. 55, r. 8 v. o.), wel vader^'e, dat staat niet led^k, 
mits gdijk dal ieder*s goedkeuring is (wel te weten, zoo ieder nwer er 
genoegen in neemt). Vaak bezigt men anggo in plaats van molo ach- 
ter een conjunctie; b. v. ai anggo na binunu ni djólma do si-adji pama- 
sa, sowada oio au habijaon (Ib., bl. 83, r. 21 v. o.), want zoo A. B.door 
een menseh is gedood geworden, dan wU ik niet door zjjn broeder tot mrouw 
genomen worden. — Om een negatie tegenover do te stellen; b. v. tatd 
do i da-buwat indadong tffadi anggo na masak, ongaar worde dat geno- 
men, niet mag 't gare (genomen worden). — Zelden is anggo = nanggo 
(bl. 245, 7^.; een voorb. zie Wdb. ond. sada). 

M. bezigt het seer dikw^ls rooraaii als kenteeken dat er een of twee con- 
janoties verzwegen «ju; b. v. ga vadertje werwaarte ook nw togt leiden moge, 
anffffo lang di son do o (Ib., U. 129, r. 16 v. o.), (wmt zoo) gij Mer steeds siji 
(fiUjft^ eng.; M so tola do paodongonkon do i danak i, anggo di-paodong hi do 
i, along sadarianan ma iano rura ianéffung tsiom on 0b., bl. 128 m.), ket is 
niet raadzaam, dai men hei in *t leven laat, dat kind, (want too) gy het in *t 
leeen laai, zal dit land JB. T, T, ie eender tijd ten gronde gaan (Tgl. ook bov., 
U. 181). In plaats van ifanggo, om in tegenstelling op ieU te drukken, be- 
zigt men hier vaak nijdn achteraan; b. y, au nijém (zie boven, bl. 285) = ijanggo 
au, ro do nipiiiu (T.). 

D, bezigt hakum; b. v. haknm ni-dokmu idi, iuhu ngo idi (Ib., bl. 262, 
r, 4 T. o.), wat gij daar zegt, het is waar; hakum ghrar pidukku idi alé, 
manui-manuk saip-Udang mo gërarna idi (Ib., bl. 149 r. 4 v. o.), de naam sfan 



369 

mijn vogel Tirieiid! Vogel S. L. ziedaar z^n naam! (vgl. aldaar bl. 9, r. 11); 
Aaium harga manuk^tnanui saip'ladangku idi alé sihA, si^puluk duwa hargana 
(aldaar, bl. 130 r. 11), de prijs van dienmi^S, L. vogel, zwageri 12(Spaan8cbe 
matten) is de pr^s er Tan (?gl. boven, bl. 277); malot iu-iëreiën Aaiti» ii- 
sUmp bëras (Ib., bl. 116, r. 6 v. o.), ik geef het niet voor sleekU een sólup otU- 
boleterde rijst. Ook bier verzwijging van een conjunctie; b. v. haktm piiu rijar 
ngo iantja pënawarmu, mada mo eaui èamu pMinagania idi (Ib., bl. 150, r. 
11 V. o.)> als nw bod slechts geven realen is, dan zal mijn koopwaar niet wer- 
kel^k in uw bezit komen. Ook hier in een tweede conditioneele zinsnede in plaats 
van muda; b. v. iapi Aaium lot ngo i hagaten hulan si'sada ena, mengkataiën 
H'tuAuna ngo aulengiu idi (Ib., bl. 23, r. 4 v. o.), maar zoo er een (vermeer- 
dering van die menschen) Unnen deze maand ia, dan heeft mijn tooverkijier de 
zuivere waarheid gemeld. Ook bezigt men hakum in plaats van muda met de 
negatie mada (Ib., bl. 71, r. 19 v. o.), terwijl hakum inalot een noodzakelijke 
voorwaarde aanduidt; b. v. hahtm malot ngo djfumpa kene pUanduk tonggal ba- 
lëmën idi, malot êurung khnbaU dukak èëriihku ena^^K bl. 21, r. 9 v. o.), 
ten zij gijUeden een zwanger mannetJesreeboJkje vindt, zal 'tgeen, waarvan ik 
zwanger ga, geen kind kunnen worden, Als conjunctie hebben we het bo- 
ven (bl. 836) reeds gehad. 

III. ne. De beteekenis van dit woordje, die de bovenhand heeft, is 
aandringend op de spoedige volvoering van 'tgeen men begeert, dat 
geschieden zal; b. v. lao ne pidóng puné tu ruma (Ib., bl. 206, r, 6), ga 
nu vogel panel hutawaartsl (vgl. aid. r. 16); loppa di hami H-panga- 
nonine tu bagaêta (Ib., bl. 203, r. 9), ga nu voor ons (boven, bl. 108, a.) 
sp^'s in uw huis kooken (vgl. Ib., bl. 217, r. 9); lao ne hahang (Ib., bl. 
206), ga nu vliegen!; radja ho ahp ma ne (Twist van 8. M, en B. D., bl. 
II, r. 8), ik bid 27, haal het nu. Zelden bezigt men het nog v(5pr ma 
onmiddelijk na 't praedikaat, om te kennen te geven, dat 't geen door 
'tpraedikaat uitgedrukt wordt, op 't punt is van waar te zijn; b. t. 

iun ne ma, Hzal weldra af zijn (zie een voorbeeld in V, 1".). 

Het is ook als uitroeping in gebruik; b. v. on na ne abapna, adui ma 
ne huiaUa (aanhaling in 't Wdb.); on na ne imbuluna madekdeh di tonga 
ni alaman, zie hier zijn vederen op de alaman gevallen! , 

M. bezigt m; b. v. alap ni tffolo (Ib., bl. 23, r. 4), ga «tl als je blieft 
A. U. M. halen; pijo ma ni djolo (aldaar r. 6 v. o.), anióng alap ma ni (Ib., 
bl. 28, r. 21), wel nu! haal hem onmiddelijk; kehe ma ho ni (Ib., bl. 49, r. 4, 
65, r. 15). Het gebruikt echter 



370 

ne met beta en djuwiolo om beii (foov., bl. 851, 8^.) uit t» dmkken; b. v. 
2tf/tf AM «^ djnmoh ho (lb., bl. 168, r. 16), gun wQ «» te suntti, ga gQ voorf 
— Als nitroeping bezigt men hier he (lie boT. bl. 858). 

D. Hier is ne een verkorting ?an menge (zie beneden ond. V.); b. r. oUmg 
lÊnggamff nê gUrtnriu, myn naam is niet meer eng gang. 

Jani, Het «« ran T. en m van M. kan niet andbrs z^fn dan een jpronotn- 
nale inteijeetie, en wel een b||rorm ^ van indi (f 163) of een vroege^ ondé in 
plaats ran 't hedendaagsebe onde (bl. 228), soodat bet ds bifwoord van tijd n», 
op dii cogenblii in gebmik is gekomen (vgl. ondi in M., en on als bQwoord van 
tfld, f 148). 

IV. pe. Dit woordje wordt achter een woord geplaatst, om er op 
te drukken als iets .b^'geToegds. Die bijvoeging geschiedt zoowel om 
een verklaring aan te kondigen, door 't geen, waarvan de verklaring 
gevraagd is, nog eens te noemen, als wel om 't geen een woord roor- 
stelt, in de toekomst te verplaatsen. Van daar de volgende beteeke- 
nissen: 

1*. ee» toehmd in een steUigen toon 't zy om iemand gerost te stel- 
len, 't zij om z\jn vaste overtuiging uit te spreken; b. ▼. moh so djadi 
au di 9on, Uto pe au harang iu-dya, ku-djalahi inganaUu, zoo ik bier 
niet mag z^'n, eal ik ergens naar toe gaan, en voor mij een plaats 
zoeken; hurleon pe maraogot di ho, het zal u morgen door my gegeven 
worden; maréogot inddng pe manunda, morgen zullen zy niet (op nw ak- 
ker) schade aan 't plantsoen toebrengen; maraogot pe hu-butoat^ morgen 
zal het door mij genomen worden; au pe patupa haidjurammu^ ik zal de 
w^'ze, waarop g\j naar beneden komtj. effectueren; girdpe au ro ma- 
ngajahi ho, spoedig zal ik ii achterop komen; aikin pe di-^hap, etrakê 
zal h\j er van lusten; moh date na birongmuna i, ku^ripe, indien 
dat zwarte van u (op mij) aansmeert, zal ik het afioaeschen; pos ro- 
ha * m dainang indada pe hu-pangan (Ib., bl. 78, r. 3), maakt u niet 
ongerust lieve dochters I geenszins zal ik hem opeten; indada pe hu4i' 
Uk hami {Tioist van 8. M, en D, 2)., bl. 2, r. 19), wij zullen er voh 
strekt niet naar k^'ken. Zoo de negatie 'teerste woord is, wordt zij 
meestal door indada uitgedrukt, en is wat achter pe staat als een snb- 
stantieve zin, die als subject optreedt, op te vatten, zoo dat indada 



* Zie bov., bl. 69, IX, 

* Zie $ 140*. 



371 

pe kU'pangim eigentl^k ï&datik hem cped zal uiei het geval zQn. Men 
bezigt ook inddng pe maar dan is er minder klem op de negatie; b. y. 
inddng pe pasua» di ho tbana soffoi, am do mangappu ko, hij zal hierna 
niet op u vertoornd zijn, ik spreek voor n (ik sta voor n in); naast 
indada pe hu^bowa iu eirtmak ni namborum (ik zal het niet aan uw 
bruidegom z^gen) vind ik ook inddng pe hu-pabowa tu ei^nak m nam» 
horim (in 't zelfde geschrift, zoo dat hier aan geen verschil van tong- 
val kan gedacht worden)^ Men zal indada in dit geval als een ster- 
kere negatie moeten opvatten, door het als praedikaat te verklaren. 
— « Achter oio bezigt men het om volkomene overeenstemming uit 
te drukken; b. v. oio pe anak ni namhoru^ wél êteUig, lieve mani 

M. bezigt nada i = iuddnff pe,- b. y. nada i lupau di hamü (Ib., bl., 218, 
r. 10.); ook met he; b. y. nada he i hu-hnnu ho, ii gal u niet meer dooden (wees 
maar gerust). 

2*^. Om op een bijwoord van tijd te drukken; h.y.onpe (} 11, a.) 
lao ma kamu éffttmolo tu huta (Ib., bl. 45, r. 7), gaat nu eerst naar de 
huta; on pe maeuh ma ho anggitu hvtaita on (Ib., bL 40, r. 17), ga nu 
broeder! in deze onze hutal; on pe molo ra do ho mamèuwat ipanga* 
nokku unang hu^ngan ho (Ib., bl. 53, r. 4)» wel nu dan, zoo gij dat 
wilt nemen om door mi|j gegeten te worden, dan ete ik u niet op!; 
basaonan pe ta-^dahi^ ooer vier dagen laat ons het herhalen! Dikwijjls 
wordt de t^d door pe als 't punt voorgesteld, waarop 't geen daarop 
vermeld wordt eerst plaats heeft kunnen Lebben; b. v. on pe^ aea 
djuppa^ dit is 't tijdstip, waarop het gevonden is (nu eerst is het kun- 
nen verkregen worden); nung pe au daó aea butoaty reeds zij ik ver, 
dan neem het! (eerst wanneer ik ver ben, moet gij het nemen); H- 
tokkin on pe lao, zoo even eerst is hij weggegaan (nog een voorbeeld, 
boven, bl. 128, r. 1). Zoo men den tijd noemt ({ 157), kan men in 
plaats van pe mits met asa^ ook djolo voor 'tb^woord bezigen; b. v. 



^ Gebruikt men alleen on (ena in D., ae een voorbeeld bov., bl. 286) aan 
't begin, dan kondigt bet tevens een adversatiTen zin aan: b. v. atft4f^lma n^dn 
anahmu oh do au mamèaen parumaemmu, on rohar doy goo uto zoon een mensei 
wat, dan zoude ik uto schoondochter willen zijn, maar nu, hij is een leguaan; 
inddng tamau ($ 8) anaimt , aut ni (^'ohna nfjdn oio do au dihana, on alénamhoru 
eijapor-hunih do anaimt, ik wil uw zoon niet hehhen, zoo hij een menteh was, 
zoude ii hem willen toehehooren; maar nu, uw zoon is een hnnii'^prinihaan. 



^olo si-hamgin a9a nrahM tu ikkajumumt^ eerst dee nachts ^ dan toendkeé 

ah Simt op uto toespijs aan. Met 't yoornaamw. t, als substantief, kan 

het zoowel op een Teratreken tijdstip als op een vermeld iets wigzen, 

j dat als reden wordt opgegeven van 't geen nader gezegd wordt; b. v. 

y ipeasa djuppa, dat eerst ^ voorts is het kunnen gevonden worden (toen 

eerslr heeft men het kunnen kragen); sumaU» ho tijan kalakf s^apor 
di-tniukon ko^ * P^ ^^^ f>M ko üjan huta on, verschillend zijt gjj van 
. een ander, want een sprinkhaan hebt g^ ter wereld gebragt, dai is de 
reden, waarom ik verlang, dat g^ uit deze huta gaat (daarom ga uit 
deze huta). In plaats van t kan men ook di si bezigen, om 'bepaalde- 
l^k den t^d uit te drukken; b. v. nun^f mate akktn musutta i saluhut^ 
na, di si pe asa ro hamnna pataru ^ ugasan ni musutta t, als onze vij- 
anden allen straks reeds dood zign, dan eerst moet gig komen om degoe- 

/ deren van onze vijanden aan te dragen; aik na di-boto i do daon nièoru 
ni raé(ja i, molo indóng di^oto, di si ma ta^angan, misschien weet die 
een middel tegen de kwaal der princes, zoo hij het niet weet, alsdan 
eten we hem op! (vgl. boven, bl. 280). 't Bijwoord wtM/krijgt (Joor 

^- pe de beteekenis van later, hierna, zoodat hierbij aan MandailiAg- 
schen invloed te denken is * (boven, bl. 21, ^anm, 1); b. v. musé pe 
hita marharoioan üa-'Suru ma é^ólo na poso i mangdlapi radja na kuma* 
lijang ïadang on, vieren wij later feest! laten we eerst de bedienden 
uitzenden om de naburige vorsten te halen. 

8^ Het legt een nadruk op een woord, om 't geen er door voor- 
gesteld wordt, als iets bggevoegds uit te doen komen, zoodat wy het 
met ons ook, ee^fs kunnen wedergeven; b. v. ontelbaar talrijk waren 
de vruchten er van boven (de aan den boom hangende vrachten), di 
toru pe na marurus nunga dardk dida (Ib., bl. 70, r. 1), ook onder 
zag hy die afgevallen waren in menigte verspreid liggen; ho pe so 
1^ maoto ho hundêd di batu i, ook gjj heb de domheid niet op den steen 

te zitten; neem die (vrouw) tot uw vrouw, obukna pe mattutoa gin- 
djdng (Ib., bl. 23, r. 15 v. o.), haar hoofdhaar ook is zeer lang ('t geen 
bygevoegd wordt om een proeve te geven van de schoonheid der 
vrouw); molo i do haisa dapot ho,ipe hu^djalo, indien ge slechts dat 
hebt kunnen krijgen, ook dat neem ik aan; aupe, daoppung do i (Ib., 



* Zie S 161*, 2*. 

' Dit vezmoed ik omdat het slechti in 't Tohasch van Na-i-pospos met dia 
beteekenia voorkomt. 



373 

bl. 151, r. 19 V. o.)> ook i&y Grootmoeder is die (ook vanm^. is a^' een 
grootmoeder); êopa-êopa ni napuran on pe dos dohoi sopa-'itqtakku (Ib., 
bl. 97, r. 9 V. o.)» ook dit uUgekaamode Melprmmpje is gelijk aan m^n 
(betel-)aitkaauwsel; buLung-djelok pe di loöu i lontak enz. (Ib., bh 279^ 
r. 2 y. b.), ook djeloh-groeiUe staat in gezegde ruine welig. Met dea» 
beteekenis komt het vaak achter een vraagwoord , en geeft er een on* 
bepaalden of algemeenen zin aan (ygl. bo?., bl. 234); b. v. andiganpe 
gararon do utang tunggnon singir (Ib., bl. 262, r. 9 y. o.) ^wanneer ook 
(ten allen tijde) moet een schuld betaald, en een vordering geïnd 
worden; hohd pe nimmu inddng oio au manottor^ hoe gij oqk zegt, ik 
wil niet dansen; Ue pe inddng èoUzê hundtd didy wie ook mag niet al- 
daar zitten {niemand mag daar zitten); bohdpe * di-apoi inddng oio np, 
hoe ook een te voren genoemd persoon hem trachtte te zussen, wilde 
h\j zich niet stil honden; atrngon d^a pe pogoe ni halak, aai marhuta 
do^ hoedanig ook de armoede van iemand is, toch heeft hij een huta. 
— r- Ook een actief, dat zonder praepozitie als adverbiale bepaling 
optreedt (bl. 194, o.), kan op dezelfde wijze voorop gezet worden; b. v. 
marhapetan pe maló, ook in *t bespelen van de hapetdn is hy bedreveii; 
matuaek anak poso-poêo pe djaodi, voor 't brengen vah een pasgeboren kind 
naar 't water ook is het (tijdstip) ongun^ig, In manganpeho indadongdo 
(aelft eten wUtgij niei) is mattgan een versterkende bepaling van. dene* 
gatie, door iets te noemen, waarvan de werkel^kheid ligt te denken is, 
zoodat de ontkenning er van als iets ongelooflijks wordt voorgesteld.--- 
Achter de benaming van een kleine hoeveelheid, 'tz\j door een getal 
of wel door een woord als ^pos^ lanok en Usa voorgesteld, en ook ach* 
ter een werkwoord, dat een kleine beweging voorstelt, om d« negatie 
te versterken; b. v. eada pe inddng adóng mangólu muatma i, éé% zéife 
van zijn yijjanden was er niety die leefde; tung eadape na ro i inda- 
dong na mangate mangalo (Ib., bl. 112, r. 5), van die kwiamen durfde 
zélfs niet een tegen hen op te treden; tung ipos pe sada sowadadapot^ 
humuUk pe sowada (bov., bl. 246, a.); begu ahana pe sowada^ niets 
hoegenaamd had hig. De negatie V hierbg gebezigd, is meestal sfnèada. 
Voorts maakt het, achter het praedikaat plaats nemende, een conces- 
sieve zinsnede, die vooraan staat, en gevolgd wordt door een hoofdafin. 



* In plaats van pe kan men vdor èohti of iehd ook mdng beugen; b. v. 
uainff be Ad di-dok ho, pamganon ma ho, hoe gfj ook segt, g$ moet opgegeten 
worden. 

19 



374 

waarin do achter !t praediknat komt, mits de hoofidzia affirmatiefis, ter- 
wql de negatie, eöo b^ negatief ia« door sowada of mtaéb uitgedrukt 
woedt; b. T. dudok kamu pe êongtm t, ti-foakh^lomtma do t, al segt gy- 
lieden too als dat/ bet is ioek een bedriegel^k praalje van ulieden; w 
maUfe di-baen api, mate do di-boên ramn^ al sterft bij niet door vuur, 
bq sterft took door vergift; ¥mgon dj§a pe pogoê m kalak^ sai markwia do 
(boven, bl. ^78); maüikpe, Moada oio bü {Tufid van 8. M, enD. D,, 
bl. 1), al bienw bij er op los, (de evers) konden ioóh niet geraakt wor- 
den; hu4ailik pe^ êowada oio nuAugang (aldaar, bl. 2), boewei ik er 
op inbienw, »j konden toeh niet gewond worden (een voorbeeld met 
lei-Momada ae bov., bl. 269). Wordt bet priedikaatin den boofdsin door 
een eerste passief uitgedrukt, dan bezigt men indada; b. v. di^eon ko 
pe herbomi eaiuhutna^ indada hU'-^cdo (aldaar, bl. 2, r. 8 v. o.)i al 
geeft ge al uwe buffels, ik neem se ioeh niet aan. Men viadt het ook 
na een sub|jeot aan H begin van een sin, die in tegenstelling staat met 
den volgeaden, die met ya tung aanvangt; b. v. dongan na tal» ipe^ 
iuHda^ dirêopomi di*bq;ttkko» ho, ya tnng saeadau t« toru ni baiatuk ni 
iopomén au di*èt^kon ho (Ib., bl. 69, m.), degenen die even edeik^ keé 
Ugen % wriüren keiben^ ik sie ken door it inuiee 9opo gteatigen getet^ 
meutr, my alieen kebi ge kier onder aan den trap van urne eopo inHUok 
geeeé/; ook met apaid; b. v« apald kamnna pe djólma, apalé au hom ni 
debate étmg di4yop kanuna au^ koewei gij een menech zyt^ en ik een 

gode*éoMer^ dnrfi gy m^ tegenhouden I < Voorts worden veiicbil^ 

lende sobjeoten door nüddel van pe voorop geset, wanneer 'tpiaedi- 
kaat daar hetaelfda woord wordt uslgednikt; b. v. bac^a^re pe denggén 
oitiBor» pe denggén (Ib., bl. 260, r. 3)^ eooied baé^-nre aU eikkoru staat 
(er) goed. -^ Vele woorden^ die aJa concessieve eoqjunotïe gebezigpd 
w«»nloD« bebben pe; too b. v. edikpe (Wdb. ond. atik)^ euipe^ haeipe 
(IX; bov., U. 83»), karupe c£4futupe (M.; Ib^ U. 238, r. Uv«o.,fiO« 
l'^. 14.v»^)aoz., 

4^. Aebtar 't praedikaat in een voorzin geplaatst, msakt pe een zia^ 
«aede^ die eaa feit vermeldt, waarvan de aanleidikig of reden in den 
voigenden zin wordt opgegeven; b. v. ro peautu aan , odAtg manni»' 
dêk^ dei ik herwaorie ben gekomen^ er ie iett dei ik eeggen wU (oaadat 
ik iets te zeggen heb, daarom ben ik gekomen); tu tombak on pe au 
maringwmm^ iemo ni roktdcku dom, dat ik in dit Mondgekmnen ben om 
ar te mtmen^ dit ie myne tterkièzvtg (OBddat ik bet gewild beb, daarom 
ben ik in dit woud komen wonen); umhaen na di-undjoppon pe anggina 



875 

i, nainff dibana bcm-bwu na tol» i (lb., bl. 83, r. 7), Hgeen maaHe doe 
k^ zi§n hroeder naar beneden itiet^ het wti , êmdat hy die drie womoen voor 
zich wilde hebóen; mmbaen na rope hami tu eon tm do na hu-akip pidonff 
onj ^iat tey Aermaarts e^n gekomen ^ ie omdat ik deeen vogel wü halen; 
mamgolngolan pe au di tomdak on, tomdal napurattt do na hu-djagai^ dat 
ik my zoo eenzaam in dU woud ophoud, het ie eleehtê myn betel, daar ik 
de waekt over houd (omdat ik mijn betelplanten beb te bewaken, daar- 
om hond ik mij in dit wood zoo lang op); tadjóm pe duri nydn, tibae^ 
na do, dat de dorene eeherp zijn, de reden daarvan is Jéet ie hun oor» 
epronkelyke natuur; eo mangan pe au, eai na marmumk do rohakku 
(Ib., bl. 128, r. IS y. o.), dat ik niet eet ie omdat ik etan 'tpeinuèn 
ben. Zalke voorzinnen met pe zijn vooral gebraikelijk in anlwoor- 
den op een vraag naar de reden (v;oorbeeiden zie Ib., bl. 1 , r. 2 en 
5 y. o. enz., bl. 164, r. 8 y. o., 264, r. 4 en 9 v. o. en bov., bl. 833 
in 3*^. — In 't Dain'sch aub-Tobasch ia aea ook y<5or znlk een voor* 
zin in gebruik; b. v. aea ro pe am, adóng ma na hu^k, dat ik kom iê 
omdat ik iete te zeggen heb; voorbeelden in D. z^'n asa rok pe aku M 
tuwAng lot mo leke pênarihinku lako bamui otang lekeni beltëkku (M)., 
bl. 67, r. 12 V. o.), de reden dat ik gekomen ben zueterf ie omdat er 
een honger van miyn gemoed * ie omtrent U, het ie geen honger van mijn 
buik (als antwoord op kade mo tongUrinmu mi bagae ena^ aldaar r. 
17, zie ook Ib., bl. 259, r. 8 v. o.). Een verbinding van do, of na 
(§166«), en/itf*i8 

dop/, dat tijdbyvoegend en tevens duuraanduidend bijwoord is, en in 
dezen vorm in M. de overhand heeft. Bijvormen zijn dep/, dapé {^ 28), 
pede en podó (bl. 56, Aanm, 2 en bl. 57, «.). De beide laatste vormen 
hebben vaak nog na ^ voor zich; vsn daar na podó en na pede. Nog 
een andere b^'vorm is napé. Bit bijwoord (nog) kan oek een toekomatiu 



D. i. omdat er iets is in uwe w^ze van doen, dat m\j een raadsel is, waar- 
van ft de oplossing verlang. 

^ De zamenstelling mét pe staat vast (d-toikiU on dapé, lb„ bl. 11, r. 20, 
BfMWt ri-toiÜn on pe, bl. 371 in 2^.)> »>^' of »' (vgl. napé) of «el do 't eerste 
bestanddeel is, is «iet loo seker ; vgl. domd (M^ bl. 298) naast noma of momd (M.), 
èn dapedé naast na pede (bl. 376). In slakken van de Oostkust, in\j door den 
heer £. Netscher na onlangs gezonden , vindt ik da als relatief voornaamwoord 
naast «m (b. ▼. èaèi da bolon, een ^rooi parken), 

^ Dez^ Toorplaatsing van na vindt men ook in namané (bov., bl. 296), soo* 

19* 



376 

zich sluiten , en wordt in dit geval met oen actief gebezigd. Daar M. 
en T. by 't gebruik van dit woord niet verschillen, sollen de voor- 
beelden uit beide tongvallen hier te gelijk medegedeeld worden; b. v. 
na mardakm napé om anggo duwa taon on (Ib., bl. 321 , r. 2), die nog reiü 
ben ik deze twee Jaren (ik zal gedurende deze twee jaren gaan reizen); 
mareogot maronan dapé hami dohot dakakang (Ib., bl. 168, r. 18), mor- 
gen euUen m^» broeder en ik (bov., bl. 226) van de onan gebruik maken; 
damrak napé (bov., bl. 884); adóng pe borukku^ paeigadongon napé ei- 
nlaonna di-óaen kur^a ni rohanay ik M wel een dochter^ maar 'irooijen 
van gadonge is nog de aröetd^ dien s^ op *t veld verrigten kan wegene 
den staat van haren geest (omdat zij nog niet oud genoeg is, anderen ar- 
beid t« verrigten); si-alapon na pedé^ het is nog te halen (het moet nog 
gehaald worden); ami^ aruwar dope ^ batu mamak (Ib., II, bl. léO, 
r. 19 V. o.), 100^ ons bdrtft^ wy gullen naar B. M. uitgaan; au kehe 
dope mangalului ina ni si-mogot radja laht (aid., bl. 13, r. 10 v. o.), ik 
ga de. moeder van M, R. L. nog zoeken; au mangalap pinggan dope tu 
iMmban dibata di gindjang (aid., bl. 44, r. 83), t^ ga naar den hemel bor- 
den halen (vgl. ook aid., bl. 60, r. 8 v. o., 112, r. 17 v. o., 278, r. 2 
V. o.). Met een negatie, om een nog niet in den tijjd plaats hebbend 
iets aau te duiden, heeft men indaong napéQb.f I, bl. 266, r. 17 v. o.) 
of inddng napéy inddug na podó (een voorbeeld bov., bl. 288) of inddng 
na pedéy inddng podó en indek kodó (bov., bl. 11, Aanm). Ook mét 
Ua^so (bov., bl. 293), zoo als men zien kan uit Ib., bl. 167, r. 19, 166, 
r. 19 V. o. In Noord-Mv, vooral waar het naar T. overhelt, heeft men 
nada podó (Ib., bl. 277, r. 12, en r. 18 v. o.), niett^enstaande men 
zonder n^atie depé()Lh,^ bl. 282, r. 19 v. o.) of <A:^(ald., bl. 278, r. 2 
V. o.) bezigt. Nog een b^vorm is gapé^ waarvan de vorm m^ onver- 
klaarbaar is. Ook vindt men dapedéea dapedengan (noot 2 op bL 376» 
en bov., bl. 66, r. 6 van o.)). — Met een benaming van hoeveelheid 
bezigt men 

ffarj, dat hoeveelheid bijvoegend is, en ook achteraan plaats neemt; 
b. V. pitu borngin nari, nog geven etmalen; sa-d^a dao nari (bov., bl. 
864, o.), hoe ver nog f; piga borngin nari^ hoe vele nachten of etmalen 
nog?; sa-hali nari, nog een maal (als b^'woord: op een andere keer); sa- 
otik narit een weinig nog (in D.: tjOok nari, ib., bl. 79, r. 17, 188, n 8); 



dat het te Termoeden is, dat namand door ( 26 (Aanm, 1) in plaats van ma name 
is (zie beneden, § 166*). 



377 

aififat sa^èuUm nari rap hUa di 8on, zijn wij ten minste nog een maand 
kier te zamen/j indahan i di au deba ffart(lb., bl. 166, r. \), nog wai 
ttfêt aan m^ (ik verzoek om nog wat r^'st). Dit nari wordt vaak jn 
attributieve bepalingen van hoeveelheid gebezigd, om in tegenstel- 
ling van een bepaald of reeds genoemd getal voorwerpen een ander of 
andere voorwerpen als daarbij behoorende bij te noemen; b. v. anakna 
i M-'Onom halak nari, zijn zoonen, de zes overige (zijn andere zes zo!<>- 
nen); vgl. bov., bl. 241 en Wdb. onder soda en deèa. Met een negatie 
bezigt men 

mnga (bov., bl. S02) vooraan, om een nog niet bereikte hoeveelheid 
aan ie daiden; b. v. indaong sanga pitu noU^ nog geen zetoen malen, — 
Op een herhaling van dezelfde hayideling slaat 
: muaé, waarvoor nog na geplaatst wordt, vooral waar 't praedikaat 
op verschillende sabjecten beti^ekklng heeft; b. v. hij deed zyn broek 
aan, enz,, di-soluk ma na musé ma kohoena (ib., bl. 57 ^ r. 1), endeed 
ook z^n ^erp om (vgl. aid., r. 10 en bl. 63, r. 11 en 14); di-hara na 
muëé ma kalak êi-adji taroktong (ib., bl, 269, r. 4 en 6 v. o.), hij 
uoodigde ook A, P. ttU èm te komen (vgl. aid., bl. 270, r..2); soms te 
geligk met d^o^ als bijwoord (bov., bl. 831, onder); b. y. masak na 
mnsé ma dohot indahan (ib., bl. 319, r. 10 v. o.), ook de r^ was klaar. 
Dit «iw^^'kan ook een tóekomst inslaiteh *, vooral in M. (bov., bl. 872^ 
m.), waar de bijvorm busé ^ sogot gebezigd wórdt (bl. 21, Aanm, 1); 
b. V. dung malak au husé teman> langit, dung na èunuonmu, iunu ma 
»», zoo ik van den henul teruggekeerd zal z^n, en g^ m^ vdstrekt doo- 
den wHt, dood mif dan (vgl. ook bov., bl. 340), Waar M. naar T. over- 
kdt bezigt men ook èus^ even als muse, en ook in den verlengden vorm 
èusenguni (vgl. bov., bl. ée, Aanm. 2, onder); b. v; dida ija ma buêe- 
ngani kalak nampuna bodü i (Ib.. bl. 287, r. 10), h^ zag de persoon we- 
der, van wien 't geweer afkomstig was (zie ook bl. 241 in 6^.). 

B. heeft denga of 't verkorte deng = dapé; b. v. ieridah denga, het is nog 
te zien (nog aanwezig); dike denga ngo hnpungmu holt (Ib., bl. 17, r. 12), 
toaar is uw meester nog? (aid., bl. 14, r. 4); malot denga kene murah molih 
mi hitandene, si-sëg'én denga ngo asa bëngièt Hta mi hagasku rimbaru idi (Ib.» 
bl. 57, r. 4 V. 0.), nog niet gemakkeliji gaat gij terug naar huis, morgen eerst 
züUen wij in mijn nieuw huis gaan (ik laat n nog niet los, want morgen zullen 
we mijn huis met een feest inwijden); tenghii mo iëmpana tah dikena denga si- 

^ Bit komt overeen met 't gebruik van nola in D. (boven, bl. 807). 



878 

kunugma (lb«» h\. U, r. 181), a#m de geiamUê w va» op, wHi geieélie er 
Mn ^ he^ onihrèkéHde er emn m; HgU mo kono thtgH mo è<èpamdhmu, tak 
ItBggo 1^'adi tmk wudoi denga tffadi (\h., h\. 260, r. 4), vatd weker en k^ 
nemr mm imid's merkf qf kei al goed of nog niet goed U; kaeokht lëbekht^ tak 
kadiea danga mango, nina, pakaina idi moHk, tak mada (Ib., IbL 236, r. 10)» 
ftraag eent, of k^^ segt Ay, «{^ heitH nog kehhen wU ^niet, 't >iegitteTe 
meihi denga (lie dt derde Mahtlmg tlbicr) wordt ook toi madenga en madÖHff 
v€rk^. -^ Oret nolae^ e»a noia pe ziebov., bl. 807. 

V. öe* Dit vocrdje neemt ook acbteraan plaats. Het heeft twee 
beteekeniaeen » die moeyelyk met elkander in verband te brengen zqn. 

1^. Achter 't praedikaat en 't ^Aigcet, eöo een aotief , en achter een 
achteraan plaatsnemend agnns» aoo.een passief gebezigd ia, distribu- 
oert het de voovgesielde handeling tot ieder, der handelenden» i»rvr^\ 
het yióox nut. en do plaats neemt; b. ▼* di-fohi be aia k&iuU ptmgint^ 
man i, Ud^ f>an hm mUde d$ hmdê^ tgaaruU te érinken ipm/ oÊiggo fft^ 
tdrmm, ku-èatm kamt be ijjan kam^ etue bekUii^f lóy sfnUet^ ieder kaar 
van oneen hflnt .m!^eitémeH;.di^agokm èe ma iolóng l\ ieder, kemner tigiéê 
ie iékmg. op,. dijG(.hism i^lsi.kr^qeredde: vertegenwooidlgen moest (%ie 
Wdk)}. ^d^ip^jAeMifcMliL Jto^^ ;»lSNil'(bolr.> U« 188); ik^dok he ma 

^jvio. Uinffm^)ni re^lio' l]h„ bkrïfl&^ir. 9),iaAHi «^ ieder van ^ kant 
cnee grmen^ Mopékgffenl;niidjwrh(^ ma^na-ia^ö mm Qh,, hl. 314» r. 3), 
itider dtr ,ge»os^gdtn ging Haaf benédei^t péUk daUng be naeida modom, 
ieder hommer Iras tia» gen versckübnde daiinfómM diipen;mJ^Aak he ma 
iaeffutHa i (Jib,/bL IM, f. 12 V. p,)n]dieMiielvM Aèm töerd txm weere- 
fffmêen kmgh^egeim (botr<^»bl. IIM^)^ di i.iedei^ van hen beiden galden 
buidel terUg# diQ hati^ Ytrdaitoegesehatea; numbaen kubtma be ma na- 
êida^ ieder kumer (van de vijaadéit) m&akU voor mek een teteckansèng 
(in pi. waarirfla vk&nKiVfémbaen kukuna ma naeida Vm xeggen» § 76); 
tabapn ni dongaU^a-halekkQn akka sun ne * ma^ ai akka nadóng be do 
laki'lahin^,,wat mijne. akkerburen hier te vellen hebben zal weldra afzün, 
want etj kebbet^ teder een man. Een, benaming van hoeveelheid kan op 
dezelfde wij?e als'praedikaat voorop gezet worden; b. v. si-tongdbe' 
'itifa, ieder van onê krijgt de he\ft (wy deelen het met ons beiden). Met 
zulk een benaming van hoeveelheid, of waar van meer dan twee voor- 
werpen ree(Js gesproken is, bezigt men vaak nog 



^ Zie bwr., bl, 36Ü iu lU. 



379 

fmiÊp otgmop er bQ, èe ackt^ 't getal komende, ea daMiDode een 
iid?erbialen tuaaehenun Tomende; b. v: nun^a ganttp^ so^raiamm è»^ 
mndu^ ieder Mnner Md reide een fobamn; tm ffoncp kteMa na piéa fa- 
lekt ea-finpgen 6e ^ di*iean guru t\ ieder van e^ne zenen êekoonètoedere 
iegiftigde die gum mei eh» ^d (goud, om. hunne znater tot vroav te 
hebben); gannp êoUung i di^p^edjak^ sada he, in loenng inm (}h», h\, 
258, r. 6), ieder der zeven vermelde eattungê werd door kern (^ ieder der 
zeven Ueungs opgerigL Ook gebruikt men *t vrerkwoord mangganupi, 
dat bepaaldelijk: ieder, zonder iemand over te slaan, van iete voorzien 
beteekent (vgl. Wdb.); b. v. di-ganupi maganup ripe iei ni huia «, sap- 
pohul be, timbahO'lala inon (Ib., bl. 322, r. 16), hjj begiftigde ieder der 
huisgezinnen, die den inhoud van die huta uitmaakten, voor ieder een 
handvol , met die lata-tabak. Dit ganup (of gonop) is volstrekt noodza- 
kelijk bij 'ik gebruik van een n^atie, om niet in de war te raken met 
be, waar het de in 2^. ppgegevene beteekenis heeft; b. v.anggopala 
hami on aoioada ganup /lami marüli djuhut, maUm di ho hapéleonon, 
zelfê wij hier, niet ieder van ons heeft vleesch gekregen, en toch zoude het 
aan u moeten gegeven worden! 

d\ in een. vraag en met een negatie heeft het ee& eeidint$atievè be- 
teekenis, en \voTdt vaak tweemaal gdbezigd. Jn een yraag vooral gcieft 
het tefbna een . toekomst te kerinen; b. y..0DO aan uidere maal weder 
^m ciediteur komi o^étten» aha be panepUH^opiU ni tdakim b^Qh,^ IA. 
201; r. 23), teai zal deseter gedeeHeHüke efiloening van mijn eckutden kim- 
nen dkmm?i adéng tu dija.be au lao dohoi anggikk6n (Ib., hl. lea, r. 2 
v< !o.), wenoaarte zoude ik met dezen myn jongeren broeder nog hntmen 
gmnf ('t ia immers onmogelyk, dat we weg zullen gaan); indtuihng be 
.muhk. ho tu debate di gindjang (\h.^ bl 104, r. 13),^' keerénietwe- 
der, naar de bovengeden terug (gy zult niei meer, enz.); unangbeia 
marbubuQb,, bl. 325, r. 14 v. o.), zet geen fuiken meèrJ; indadong behu^ 
iopm< ho mulak tugindjang, ik kat u niet m^fr loe om mar boven «eg te 
^<Hüt; indadong 'be dirboto radja i be gamwmna di iombak i (Ib., bl, 7, r. 
,5 v^ o.), .de vont wiet niet meer wai hij in 't botch te bieden MK^^ 
wjet er den weg niet meer t^ vinden; aadeie voorbeelden zie boven, 
'U. •2D5). Met ea^ija en een tweede pasMef bezigt men het v^i waür 
meft vregender ivijs het nutMoQze van een doen wil te kevnen geven; 
b. y. na ung emgon. i do eoro ni arimdi-pangidokm radjokkinm; ea^d^fa be 
4' tért^fffgiteon, gelijk dat nu is *é lat van dien, door zijn noodlot geëseèi ; 
wat zal hdMten deewegen te weenen? In dit geval kan men in plaats 



380 

van ie ook adAtg voonuia bezigen; b. ▼. adénp êm-d^ tofpammarpo' 
got m na ni^tiap (Ib., bl. 144, r. 7), wat zal kit batea de eleitden van 
't geen men ondervindt op te wmmm?; adéng eO'dfa iarkoUokon kooa 
mate (Ib.» bl. 109» r. 10), wat sal het balen wegene den dood bezorgd 
te sfn? <f t is immen oomogel^k door zochten of bezorgd te zijn den 
dood te ontloopen; vgl. ook Ib., bl. 119, r. 16 v. o.). 

M. b^igt longiop = ffanup (zie Wdb.), en w^kt OFerigens niet af; b. v. 
nada tja di on he (lb., bl. 192, r. 1), hij it hier niet meer (vgl. aid. bl. 193, 
r. 7); nada he na iaraniak ko au io mate (Ib., bl. 26, r. 3), gij kunt niet meer 
beletten dat ik tterf (vgL aid., bl. 186, r. 19, 266, r. 17 v. o.); uit wdke 
▼oorbeelden blijkt, dat he geheel achteraan geplaatst wordt, zoo 'tsabject voor- 
op staat. 

D. w\jkt wat betreft het in 1^. yermelde niet af (voorbeelden sie boven, bl. 
169). — In een vraag heeft het nola (bov., bl. 807), maar nenge of 't verkorte 
ne met een negatie; b. v. akankën kiia pituwf kèlang ulang nenge paku kiia, 
laat ons 7 vadem overlaten, houwen wij niet meer er van af! (andere voorbeel- 
den boven, bl. 206, 267, 370). -— Over nola met mango zie boven, bl. 363. 

' VI.' ma legt evenzoo een nadrak op 't Woord dt de woorden , waar- 
itohter :het plaats neemt^ maar drukt tevens deb wil uit, 't zij de spre- 
ker inieen wensefa,: verzoek of bevel, 't plaats bebben van iets begeere, 
Izij- fay ' dit' als gescbiedeiide wil beacbouwd faebbea. Van daar vindi 
«en ma niet alleen in de nitdriikking van een begeerte als b. vl in 
een .bevel, verzoek, uitnodiging enz, maar ook waar een toestand of 
handeling onvoleind wordt^ voorgtnteld, zoodat de voleinding eerst door 
een bijkomende omstandigheid tot stand komt. De voorbeelden^die 
wat' bier in 't algemeen 'van ma gezind wórdt hebben te verklaren, 
«uilen, naar mate zij de -uitdrukking eener begeerte bevatten of niet, 
afzonderlijk behandeld worden. 

1**.' In de uitdrukking eener begeerte .miar/tgeen nog geschieden 
moétr b. v. m^mdi ma hUa djolo (Ib., bl. 48, 'r, 5 v. o.), laien w^ one 
^ddenl; ta-pakt ma djoto gondang di bagaeta on (Ifa., bl. 87, r. 14 v. o.), 
laten we in dU ons huis mas^i maken/; ta^ükkir ma i djolo marêogot 
(èb.v blv 78, r. 11 v. o.), laten we er morgen naar toe gaan! • kldete^ 
voorbeelden bevatten een ttitnodiging , waaraan vriendel^kheid wordt 
bygezet door djolo (§ 168), waarvan 't gebruik reeds geno^ zoude ge- 
weest zijn, en daarom ook de weglating van ^a ten gevolge keiA heb- 
ben; b. V. maradyan kita djolo (Ib., bl. 41, r. 8 v. o.), rusten wij uit. 



In een iu^emütf, die vriendelijk is; b. r. iao ma ka (Ib., bL 8, r. 6 
V. o.), pal (ik wemch of vcfzodk^ dai gij gaat); mamapuram ma ko 
(ib., bl. 18, r. 2), gehrmk idèl; ham^hamü ma êoda' aahpakku ^ saiapa 
omaa (Ib*, bl. 7, r. 8), maak tóor m^ em taiapa pereed^ een euk^ 
van ifondiïk versoek u een salapa YoorxÉij te staken, q]Iz)« Verder waar 
de spieker verkngt, dat iets door iemand j. eexi-desda peraoon, gedaan 
yrorde^h^Y.dii'jmtomiu ma las majnp, kif Itde M voort draven/ In alk 
deze voorbeelden staat ma acbter^'t.praedikaat, zoodat tevens daairop de 
nadmk is« Ackter 't subject neemt iiet ieohter plaats^ waar ditintegen- 
ateiiing van een ander, den nadmk beeft, en diarom ook vooropstaat; 
b. V.. molö gnmopo ho^ ho ma manpolu^ Jsapi móLö gümogo au» au ma ma- 
ft^olK (lb.,.bL 168, in.), zoo gy sterker zyt, ievet ^V maar zoo ik dfiar« 
«ntegan éterker ben, leve i^/;^ ilo ma tal»i«-&»en, au ma monanp ^ vror* 
det^* doorim^ o^rerwonnen, exLikti^ éévferrnhnaui; ho ma djolama* 
ifpatéonOh:', .bl. 43, o.), eet^{/ het 't eerst (eerder daa* ik) d. i. ik ver« 
^oek of weasoh, dat g^ my in. 't' eten er van voorgaat;. Ao ma é^elo ma* 
Hdi, baadt ^ n 't eerst; i ma boen upa^aUu (Ib., bh 7, r. 11), 4^^ worde 
door uUoim^'a goed gemaalcti (2ie bov., bl. 832,^^.); ai*boru}mdrpinda 
Omae ma hoen gomofna^ M^ufwewm M, O, ti}. kire. naam door li gè* 
maakt!; tt^osa^ ma baen kamü (Ib., bl. 7, r. 4), maakt voor n\ij goederen 
(niet bpijeeo,^n tegenstelling^vanfaéteenige regels te voren gebezigde 
fah§won)iA. i. maakrk vóot ni;$ liever goederen; »»a»^' ^e iiointl /«Za^ 
4kaifhiata^dUi hdta si^rdju ma^khèaen (Ib., bl. 8d, r^ I^ v^o.), verkwist 
tiw t^d met ineer mét sebertèpkaat, laten we een «r»i% iöoofd maken! 
(Iaat oasUöver in ernst spreken!); küamdlaoi» aek (ib., bh 82, r, 7 
v« o.), laten 1^ (gij tn ik zonder de ons vergevdilende vrouwen)' nadr 
^t water gaan! Zoo ook acbter een bijwoord, of adverbiale bqfuding, 
waarop de nadruk is, én die men daarom ook voorop zet; b. v. di^eo9^ 
mau baen ()h*^ bl. 8, <r. 18), zet mij hier nederl; diei maho tliareip&U 
tunff (Ib,, bl. 77, r. 90), g& daaraan hangen. — In vragen kan fka zoo* 
wel den wil van den spreker, als van den aangesprokene tevens uit- 
drukken; b. V. aka^ma ei*bowan(Ma baen panpanon ni damanp Qb.^ bl. 
6, r. 2 V. o.), toai is 't geen we mede te nemen hebben om door n ge- 
geien te worden? (wat verlangt ge, dat we medenemen, enz.); aha ma 
•upasan ni dainanp hu-baen (Ib., bl. 7, r. 5), «^^^ verlangt ge, dat ik 
voor a aan goederen gereed maak?; aha ma ni-ulamuna di-baen na ro tu 
huta on (Ib., bl. 17, r. 4), toaé verlangt ge te doen, dat ge in deze hnta 
komt? (zie ook aid., bl. 18, r. 7, 172, r. 16). Zoo men in plaats van 



3B2 

ma achter 't yraagwooid dê bézigi, Uimplaogt non toveos na y^T m- 
Miamutta te leiten, om dit pastil tot lufaatantief te maken (§ 16(*), ea 
ia de vraag meer^tol ieta in 'ib^aonder bepaald; b. v. aka tbnani-^^a^ 
wwia «mèaen na^ro ia ktiia o» (Ib., bh 269». r. IT), toa^ bepmUd«l^k ia t 
geen gf} verrigft^ ^t g$ in dcae bota komt? (waarop H antwoord ook 
met m aanvangt, sie aid. r.. M). In tegènatellbg van do wordt ma ook 
in vragen gebetigd» omagn gemoedsgesteldheid nit te doen komen, 
soo ala h« T. waar men aear nieuwsgierig ia of wel twijfelt, een ant- 
woord te znllen ontiaiigen, terw]|l anlk een vraag, uUroepender w^a 
uitgesproken,, ook gedaan wordt^ om iemand van 't tegengastelde van 
't geen hiy vermoedt te overtuigen of wel om zijn bevreemding uit te 
drukken over 't geevi iemand doet of aegt; b« v. aka md tkanoUol io tH 
au (Ib^ bL A7 , r« 8ft), mai iéio&ft gij mjf tenrngitnU doén? (nit bevreem*- 
ding, dat haar ^n haar onder deti nen» wqjft, dat z^ deaanleiding 
is, dat hun toont. in 'de boasohen mAdwaalt); zoo er. van avond een 
gaat mogt komeuy aha mm 2aM(m;(lb., bl.iié6, r. 90), «»< meet dan gege- 
ven worden? ^e^a vtafig, die gedaan «rordi, omdat de yoiet bevreemd 
ia» d^t zQne onc^rdanen zouder. gadpdgs te huii gekomen zijn, daar 
v^ took. begf$pe»^kén9an; >dat er ntetit te .eten waa){ aka madjukffi 
iéumakiiê pangamaemm ()bL,.bU 2DI, 0. 9 v. o.)« kot nude ik u vlet$ok U 
/ fUia kmmi^m gtnaJ (hoe kant.g$ eoo.opbinyk i^jn; op jboo iets aan 

4e dringeft, want. g^ .neet tmmeBs- dat ik te'ann ben om mgii gaste» 
c^ vleescli te.onlhaleft)i.a^ la^ e&r aAiAUSiiy , uinta da {TwiH wm & 
M. e» B. B.,:hh:U^ r. 7), k0e zóuri^ gMd kuunmê geteui het was 
immers de sia»^ ten aè» Mdeu /bakaanioam (niet een meiseh» zoo als die 
^t beekL omheiadA'SiéaBde)} aka ma maUcpék auggo akka di kammamum 
rdóhoma ^ (Ib., hl- 2BS, r. 6), koejsoude er op idiedar akkere eea knap- 
peud geimd ie verwackéeu^jsifnJ (vgL aid. r. ll)s cé aka ma au muli 
auggo, ütdaSoug kuaboukm^ waaü foadras» ecude ik uaar kuie kmeu, na- 
mmU^k 0cé ik ktb wiet mei mjj draag?. {yf^. een ander vooorbedd bov.. 



Bit thkeéen (f. la^ a.) woxdt task ia vragen achteraan geleaigd in dea 
sis Tsn kan men mggea of deiekmf; ^.1, ma wag dapei da pidong m m-uUop 
Mtewmf aoago» na hakang do ku^idapidóng tin na doe smada kona di-ul- 
iop ko (Ib., hl. 2D5, r. 16), kan men zeggen^ dat da gekkuaroerde vogeü gekre- 
gen gifn (bl. U5)? H gie ge aU 'i ware, zonder geraakt teei^n, ver weg vliegen; 
na maté do dokonon, na jp maké^ do dokonon (Ib., bl. 274, r. 10 1. o.), kan toen 
Mggen konger ie ketien, enken men zeggen niet van vleeiok vereadigd ie g^f 



388 

bl« 80(). Mea besigt in deze gevallen vaak er apaid bij » zoo ala in Ib., 
bl. Ï48, r. 13 (vgl. ook boven, bL 2S6). Meteen negatie bezigt men 
slechts aha 90; b. v» aia 90 di-oloi na ni-êokmuj ai anakna da ha, koe 
gou' 0^ Hgêm ffe zegt mei hejaëtiy mmers g^ z^t haar toon; aha eo kw- 
dok hammeiku inanHukuinai ai ëongon % èinaen ni kaéaUat^an ruma 
én (Ib., bl. 387, r. 9)^ hoe zoude ik nieé zéggen^ dat die aUen mjjne ak^ 
here tignf immer e aldue ie door one verdrag van deze hnta uU vaeége^ 
eAeJd* Ook bezitgt men mdló * ma «o (zie Wdb.). Andere vragen met 
wa^zyb: hutk nke ma dl-taban hamu (Ib., bl. 170, r. 4 v. o.), Wtei^# huta 
hebt gijlieden veroverd? (ik zonde het willen weten)) iee ma gokHmmm 
{Twièt van 8. M, en L, i>.« bL 8, r; 3 v* o.), 7ioe is uw naam? (zeg 
hem ala je belieft); iee ma ei-^qju hadftttmón (Ib., bL 15, r. U v. o.), eeie 
is toch dè.vieohtster.van deie^ uwen baidelF (een vraag, d'tje de «preek* 
«ter doet, dAar zij verbaasd is over de schoonheid van 't vleehlv^erk); m^ 
ma k^na ro^inon {Twigt va» 8. M. en 2>« !>., bL I9,.r; iVT,.o;!),;.im za|t 
gij' toch, die gekomen zytP (nit Terwonderiogdat er eenmensofegebo* 
men is); zoo>ook met teke;h. v. aiieemateké'gowarnuiMa^\y^\:iLv^i 
xi 18 V. o.), maar ito ds dan zeg l de naam van nw moeder?, (alt groeië 
belangïltelliDg ia de penïoon , waarin de spreker een Ivekradet n^eeht te 
zien); iee ma ^ólma mêkis^a ro tu hntdtta oia (Ib., bl. 103, r. 18i v« e«), 
i6u der stervelingen zoude in deiÈe on^e bnta komenl (segt ds oude 
dame, olm hare bezoekster 't vermoeden, dat er iemland in Hon was, te 
benètnen); iee ma tofkona dege èagae on^ wie aoa zich vermeid dié hide 
te 'bezoeken/ Ook met difa;\i. Vvi^ii d^a mk }', etdi di eapéf^ do ka(m 
(Ib.^ bL 77, r. 4 y. oi.), 9a» ¥)aar zoude^die moeten komen! z^. bMen 
deze èopo fiieé veriaten; na' iu dfa ma di-béeü iabunii i (Ib., bL '4^1^. 14), 
weruktéfTteeau z^ haar Mud' gelegd heÖóenf (bij ïich zélf spiekend^}. 
Met do vraagt iee of bepaaldelijk naar een persoon in eenbepéaldgeiai 
pérsoófken, of waar inétk niMrukkelijk antwoord eiseht of welstéllig.verw 
wacht) ,b. V. iee do hawü na oio mangakkupi akggikkónmarmétedk (Ib^, 
bL 167, r. 4)) tflié . is .onder ulieden de man ^ die dezen mijn jongeren 
broeder in 't schermen staan wilp; ise do gowarmu (Ib., bL 78, r^ 13), 
koe is nw naam? (ik beveel hem u te zeggen); iee do,^mnna,go»ar 
ni kahümi (Ib., bl. 170, t, 2 v; o.), hoe is, zegt hij, de-naam van nw 



^ .Dart dit maló 't zelfde is als 't gdplatdende woord (zie* Wdb. ondsr lo) is 
waarschijnlijk, daar toch de zin van maló ma so tanffis au eigentlök ii koe zoude 
ik zoo knap eijn van niet Je kunnen eekreijen! 



384 

onderen broeder? (een vraag» die tevens de zekerheid bevat, dat de 
aangesprokene er een antwoord op geven kan); öom mse do, (Ib., bl. 
13, r. 13), de doekter van wen is s^ P (g^ kunt het m^ zeggen» want gij 
hebt kennis met haar gemaakt). — Met d^fa drukt ma vaak 't verlan- 
gen uit van den spreker, *t zij om iets te hebben, ^z^ om het te zien; 
b. V. d^ ma Mu ni dakahanff-öoru ^ (Ib., bl. 5, r. 2 v. o.), waar is 't 
kind toch, waar aehoDnzuster van bevallen isP (ik verlang het kind 
hier te hebben, om er deze r^st ter verwelkoming in 't leven aan te 
geven); difa ma dalan lao tu éoru (Ib., bl. 824, r. 6), toeUee is de weg 
naar beneden? (hoe hebben we naar beneden te gaan?); d^a mahm^ 
gua tn rokamu (Ib., bl. 176, r. 14 v. o.), wdhe zijn uwe grieven? (wees 
zoo goed ze bloot te leggen). Ook bezigt men djolo in plaats van ma; 
b. V; dfOi djfolo gararmm (1^-» U* 82. r. 10), imuir, ik bid u, is uw be* 
teling? (ik verzoek u m^* te betalen). Ja zel£i dit ^a kan met een 
persoonlijk voomw. van den tweedeu persoon er achter, geheel de be- 
teakents van 'nakkom (bov., U. 347) hebben; b. v. é^a kamu ma moê i, 
aêa im-^jalo (geef hier dat goud, opdat ik het in ontvangst neme). 

/N Met da daarentegen vraagt difa bepaaldelgk naar de plaats; b. v. d^fa 
do kttdekdekem ni uffOêommi (^M tan 8. M. en D. D., bl. 14, m.), 
9cdke ia de plaats waar dat ding van u gevi^n ia? (waar is de plaats 
hier in deie bepaalde ruimte?); di-d^a do nrea ni-dokmiQh., bl. 52, 
r. 12), waar is het hert, waar ge van gesproken hebt? (w$ zyn reeds 
op de plaats waar het z^'n moet, waar iepaaldd^ is het dos?). Hier* 
by valt <^ ie merken, dat do, daar h^t op de werkelijkheid slaat, dik- 

y w^lsgeijbezigd wordt, waar een toestand of handeUng voleind wordt voor* 

ge8teUi;4 van daar zoo vaak^te gel^k met 't vopmaamw. na () 165*) of 
i, zoo ah, behalve uit de zoo juist aangehaalde voorbeelden, ook blykt 
uit i» d^a da diéaen ko isi ni kaia on (Ib., bl. 324, r. 15 v. o.), wer- 
waartê.Mi ^ge de bewonen dezer huta gebragt? ia d^a do na tinten^ 
kommi (Ib., bl. 4, r. 17), wenwaarie ie 't geen ge ter wereld hebt ge- 
bragt?; oüa do leatni Ha tmnbuhomml (aid., r. 17 v. o.), watieèexi 
't geen ge gebaard hebt?; na eongon djfa do ulanmg na Mu i (aid., r. 9), 
koedaniff ioek ie dat geboren isP; na ifan d^a do ko (Ib., bl. 84, r. 15 
V. o.), van waar epl ge gekomen? (aid., bl. 85, r. 16 v. o.). In zulke 
vragen, waarin door 't praedikaat iets voleind wordt voorgesteld, 
kan men ook alleen nunga bezigen (vgl. boven, bl. 290); b. v. nmiga 



Be vrouw van mijn ouderen breeder, daar iboto de guüer (r. e. maa) beteekent. 



3)3& 

iu d^a Ujatni lao uappuna aopón (Ib., bl. 11, r. 9), wenoaarU zoude 
de bewoner dearer »i>po gegaan zi§H?; nunga iu 4ija anggimuna (Ib., 
bl. 8S, r. 11), wenoaarts iê uw broeder gegaan? (vgl. de voorbeelden 
boven, bl. 287). Op dezelfde wijze staat 6ohd do tegenover lohdma 
() 146, b.)\ b. V. bekd ma èaenokku b\jang n^togi dalan {Tioisi van 
S» M. en D, 2)., bl. 6, r. 7), ^00 moet door m^j gedaan worden met 
den hond P. d,? (andere voorbeelden boven, bl. 181); bohd do di-dok 
amanguddm (TwUt van 8. M. en JD. 2)., bl. 4, r. 13), koe heeft uw 
oom gezegd?. Van daar ook, dat hehd ma indd s=s aha ao (bl. 388) 
voorkomt; b. v. 6eh4 ma indd iangiê au (Ib., bl. 125, r. 18), hoe zoude 
ik niei weenen? (andere voorbeelden zie bov., bl. 265). — Met èejasa 
hebben we ma reeds boven (bl. 205, 208; vgl. Ib., bl. 7, r. 2 v. o., 9, 
r. 5, 11, r. 2, 14, r. 10) gehad; evenzoo met hindn (bl. 282). — Ook 
in een vraag zonder* vraagwoord (subjectieve vraag) bezigt men ma; 
b. V. tadikkonommu mau (Ib., bl. 100, r. 17), Mt gij mij aehterlaten? 
En eindelijk is het niet overbodig, hier op te merken, dat de impera- 
tief, of een andere w^'ze een wil te kennen te geven, zoo men een tran* 
sitief werkwoord bezigt, aUijd een passieven vorm heeft, al is ook 't 
subject onbepaald of onbekend, daar toch de agens, in een imperatief 
de verzwegen aangesprokene persoon, bekend is (§ 106); b. y^patudu» 
kon ma di au pidong na maló marhata-haia (Ib., bl. 67, r. 3), toon my 
en vogel ^ die praten kan. Een actieve vorm wordt zeer zelden gebezigd, 
en zoo zulks H geval is, dan heeft h^* den vorm van een substantief (zie 
boven, bl. 154) met 't object er onmiddel^k achter; b. ^,pdhundid^ 
datu ma hita, asa di^attan pareori'ni-ariattay laat ona en datu doen zit- 
ten opdat hy de aanleiding van ona lot onderzoeke. Dat dit niet behoeft, 
ziet men uit Ib., bl. 61, r. 20 en 21, ^Ivf^AX pahundvl ma é^olo datu 
(doe eens en datu zitten), en ta-paUndang ^ bont ai^ao (laten we een 
sibaso doen staan). Zoo men voor, ten behoeve van wil uitdrukken, dan 
kan men te kennen geven, dat 't subject onbepaald is, doornameut* 
lyk de persoon, ten behoeve waarvan iets moet geschieden, door een 
substantief met de praepozitie ni of door middel van een pronominaal 
aanhechtsel aan te duiden, terw\jl waar het bepaald is, de praepozitie 
di voor 't substantief , dien persoon voorstellende, gebezigd wordt; b. v. 
ugaaattu ma baen hamü (bov., bl. 381); iu haju na timbón ma boen af^k' 



^ Daar een datu, geraadpleegd, wichelende git, maar een ai^baao in 'tselfde 
geval, als dansende, ataat» 



/" 



886 

km (lb., bl. 8, r. 18), ga voor «9 eem aopo op éezeu hoogen boom vervaar^ 
digm dflaaUm; ogoê namm pmrekHkm (li.; lb., bl. 81 r. 2), «^ ooor 
9t9 mpmnèei: imtai maAau aU-aU m IM^iman (lb., bL 114, r. 16), 
meem toor «9 hei haft vam ten pmfmwmhiaU (andere voorbeelden zie bov., 
bL 108, a). — Men laat «a in een imperatief ook weg, zoo men een 
tweede penoon tosachen twee werkw., die elkander bepalen, plaatst, 
terw^l de adverbiale bepaling Toorc^ komt; b. t. Móp ho marukmm 
lehét ho nmhaia (Ib., bl. 1S7, m.), ^t vaat in Hregt doe»^ g^t gepaat 
in bet êprdcml; iM ho mnUk (M.), apotdig zfi temg (keer spoedig te- 
nig); mgfy hmmé madaè (M., Ib., 818, r. 7 ▼. o.). 

f*. Ten tweede w(»dt door «ui te kennoi gegeven, dat een hande- 
ling of toestand als onvoleind, of nog tot geen werkelijkheid gekomen, 
^ y; 1 wordt voorgesteld, 't Geen 't praedikaat inhondt, is dan iets, dat in 
een gaottidm tijjd plaats heeft, 't c^ die t$d verleden, toekomslag of 
tegenwoordig is, terwgl de dnur van de verbeeldde handeling hi door 
een andere daarop volgende opgeheven wordt, of de handeling zelve 
haar beslag niet b^jgt (tie voorbedden bov., bl. 161, 163, r. 4, 179, 
) 119, onder). Van daar ma vaak achter 'tpreedikaat in zinnen, die 
op elkander volgende handelingen of toestanden, in een verstreken tijd 
nog Isgenwooidig, vermelden, zoodat wij den toevlngt moeten nemen 
toi wat men bq ons den omoolmaakt verledm i^d (imperfect) ple^ te 
noemen; b. v. iorang ni arma^ lao ma naaida mardakm, dmtg ni makku- 
'Img ma n4api mombak-omro^ enz., de wdgmde dag aangebrokm z^nde^ 
gvêgm t^ op reia^ gedaan s^nde dai (pp rds gaan), aprok Miffuforomo 
M. 8, , enz. Aan 't begin van verhalen vindt men addag ma hdak enz. 
{ar waa een ma» of er leefde ^em maa), dat eigentl^k letteriijk beteekent: 
M u ooor: er lêaft een man^ want ook in dit geval wordt door ma de 
wil van den f^ireker aangednid, daar hij den toehoorder verzoekt zich 
met zijn verbeelding in vervlogen tijden te verplaatsen. Dat adóng ma 
halak b. v. kan dus even goed een andere begeerte dan een verzoek aan 
iemand inhouden zich in een zekeren tqd te verplaatst, zoodat het al 
naar BMte van 't verband, ook er t^ een man (er leve een man) of ^ m 
een ma9a^ (stel het u voor!) beteekenen kan. Zoo vindt men in 't Ib. 
(bl. 44, r. 1) maridi ma halak di «i, men baadt eieh aldaar d. i. men 
pleeigt zich daar te baden, daar de handeling onvoleind wordt voorge- 
steld, en dus als iets, dat zoowel op 't tijdstip, waarop de spreker 
spreekt, als in een anderen tijd plaats heeft. Beagde men in dit 
voorbeeld do in plaats van ma, dan zoude de zin z^ men baadt dek 



887 

daar (men doet er niets ander» d«u baden). Zeer vaak komt ma voor 
ia Kiunien, waarin we een tegenwoordigen tyd zouden besigen, maar 't 
Bataktfch denkt daarb^ volstrekt niet aan t^d; van daar slaat ma in i 
VM i$i^ fU smnbaaa raé^a Um&rêmg (Ib., bl. 8, r. 12, dat is de ver-' 
Uijfyktaia van de stmbaon M, T.) op den tege&woordigen tijd ^, terwijjl 
bet in « M« ei^ppudan borma (Ib., bl* 9, r. 2, daL wat dejongiU ^ 
ner dockien) weder op een verleden tyd betrekking hoeft; daarentegen >^ 
i dó na makkuwaU (Twist van 8. M. en D. D., bl. U» r. 7 v. o.)) die 
is de verUofater (niet Sang Maima soo als wi\j dacliten)* Andei'e voor- 
beelden van 't gebruik van ma in tegenatdling vau do zijin pargadongoM 
ni amaUa ma i (Ib.» bl. é4, r, 15), de godsakkers van mwen vader zya 
dki on f»a smlfam na hu-dak i (Ib., bl. 8> r. U)» dU is de Bombaon» 
daar ik vanaprak^ Ia deze voorbeelden word^dootiaaalechts %V(^ 
langen van den apreker uitgedrukt, dat de toehoorder op H geen go» 
zegd wordt lette; zoo ook i mamasigadang gowama^ kali^adong ma i 
tinnUakkomui t, paeigadoi^an ma parMean na dipudina i, pasigadmg 
ni amMa do i (Ib.» bl. 4é« r. 16 v. o*), ziedaar die genaamd tfün *^a« 
d&ngèaletSt' '^kali-gadong" ii 'igeem waarmade e^ (in den grond, bL 
106 en 107) etehen^ ^'gadongt^' s^n de dingen ^ die sjj wegsUngereny ^^pad^ 
gadonganU'* eyn Ateakkendieaakterhenzjin; de gadong^halers van 
uwen vader zijn die (personen, d. i. want bet zijn de gadongiuüen enz.). 
In bijzinnan drukt mta dikw^ls te gelgk den wil uit van een pttwon, waar* 
van of waar jegens gesproken wordt; b. v. wuHo pangviu ^ maho mmenm 
di go^akkón^ denggéa (ib., U. 226, r. 1 v» o.), indien gü, aegtge, over deee 
9»tr« aangékgenkeid de pangtdu wiU ef»^ goed. In bijzinnen vooral, waarin 
de tijd vermeld wordt, waarop ieia op 't punt staat te fpoaidiieden, be* 
idgt men gnarne tevens naing; b. v. uaing di-^t^ppaUan m»üik i (lb»,bl« 
^, r. 9 v. o.), teen Mi de Hik wilde merkwakken^ eeido enz^ naing inèm 
ma na di dalom kmé^ ra ma wkn si4oppo. langu (Ib^ bL 180 m.), toen die 
in de zee wae op Hpuné was va» gaknren ée werden^ kwaneen geweldige 
regeUf ene. <een an^er voorbeeld bQV., bl. £52). Maar ook zonder naimg 
kan ma aekter 'tpraedikaat een bjjfzin van t^d aanduiden; b. v. ma^ 
wtiU ma ièam 1» gindjang^ sitoh4 marmiit^ur si-bom purU di kuhn. 



,^ 2oo tK>k imalgtmmmi (lli., bL II» r. 2 t. «.), dei i» oms kermeedmris. 
M0B denkt e« «ta, .dat dk woord den foim heeft vaa een acftief-verbaai 
substantief, en door middel van de praepozitie di (bl. 310) gorakkón tot objeet 
heeft ($ 121). 



/ 



388 

te» k^ naar 6omh ktek^ tpumde M^t^omo P. de B. toevailifferw^'g 
(naar beneden). Zelden komt ma achter 'tpraedikaat in een zin, die 
een gelqktgdige handeling bevat; b. y.laofna ibana maridi tu tapkam 
if tK-iowoM ma paiopptma «, z^ ^mg muur de hadpiaaü om ziek te bo- 
dem , em nam haar Uemgoom met ekh mede (Hier mag ata róor di-bowan 
niet gdieogd worden, zie boven bl. 8SS). Even zelden wordt het in 
een pnedikatieve bepaling geb^istgd; b. v. di-^apot ina ni n-djoaaka 
na mmoro ni kU^at ma (Ib., bl. 826, r. 8), Dfe moeder vond hem (haar 
«oom) door een tijger gepakt. — - Opmerkel^k ia het, dat sommigen ma- 
nigor (bov., U. 880) aan 't begin van hoofdzinnen, die op elkander 
volgende handelingen vermelden, ateed» met weglating van ma bezi- 
gen; b. V. nung i mamgor di^eeat manmh na dmoa i; eun di^eat^ manigor 
di4ntungi; nm dShMwi^, mamgor dirloppa é^nhnt-mamnh i; nw maeak^ 
mamgor di-^apaU ta (bl. 108) hnlnng-gaol ^ ^ enz., dat gedaan zijnde; 
dagtte h^ de twee hippen; te gedagt keöèende, handde k^ er de xtederem 
van af; ee van de vederen door branden ontdaan hebbende, hookte hp de 
gedagte happen; gaar s^nde wihielde h^j ee in pisangèladen, enz. Dit 
manigor wordt anders ook in een hoofdzin met do achter 'tpraedi- 
kaat gebezigd, terwijl de voorgaande b^zin ma heeft; b. v. di-bege pa* 
nanggai m ei-tff^naha i madi baga% eowara ni oppuna i dodd dodd, ma^ 
nigor malUüffong do pananggai t^ bagas iao tn eopo (Ib., bl. 220, r. 4), 
toen de hond van Dj. in hm» de stern van e^n meeder **doda*' hoorde roe- 
pen^ liep h^ hard van Hhm» naar de eopo. ^ In een goedkeurende bewe- 
ring met é^adi bezigt men do dikwijls te gel^'k met a^6% of t^tu, ter- 
wQl men geen van beide deze woorden vindt, zoo ma gebezigd wordt; 
b. V. nadat z^n dochter hem gemst gesteld bad, zeide hij djadi ma i 
(Ib., bl. 8, r. 1), did i» goed (dan is het goed); nadat Ljonaha haar ge- 
zegd bad, wie voor hem in de plaats als seholdenaar was weggevoerd, 
zeide zij é^adi ma i (bl. 246, r. 16 v. o.); móh êongon $, djadi ma i 
(Ib., bl. 13, r. 9), als het akhu is, dan is het goed; maar: zoo g\j vlecht- 
bladen kunt krijgen, djadi do tuté (Ib., bl. 18, r. 9), goed is hd werhe- 
mk (vgl. aid., bl. 16, r. 15 v. o.» 17, r. 11, 159, r. 8); zoo g^ verlangend 
zqt, les te nemen, é^adi dq atting (Ib*, bL 18, r. 19), dan is het goed 
(vgl. aid., bh 158, r. 14 en 22). Uit deze voorbeelden ziet men, dat 
éjriuft' do meer in eon hoofdzin gebezigd wordt, zoo de voorgaande bg- 
zin met mdo aanvangt. Men kan ook att6ng of tmtA weglaten en alleen 



Uit een H'èobak in 't Tukka'hoUmngteke geschreven. 



389 

do in dit geval bezigen, of wel alleen aUóng of tutu met wej^lating Yan 
do (zie Ib.» bl. 11, r. 1 t. o. en 6^ r. 7 v. o.). Uit dit gebruik van do 
met aitóng of tuUi blqkt wel, dat do meer op de werkel^kheid doelt 
dan ma; djaêi ma i heeft dan ook meer den zin van dal z\j ffoed/, en is 
vriendelijker. — In plaats van ^'a nung ma (Ib., bl. 79, r. 16 en 18) of 
ija nunga (Ib,, bl. 81, r. 5 v. o.; vgl. § 11, 5.) bezigt men in echt Tobasch 
vaak ija dung do {Twist van S. M. en B. D., bl. 16 r. 12, 19 r. 5 en 9). 
/ 

M. levert niets opmerkeljks op. In 't Zuiden bezigt men me in plaats van 
ma voor het als substantief optredend voornaamwoord t ($ 29, I.). 

D. bezigt mo, waarvoor als negatie, even als v6or ngo (bl. 36S), mada ge- 
bezigd wordt (zie b. v. Ib., bl. 70, r. 16, 203, r. 15). De o er van wordt, 
zoo het voor een als substantief optredend voomaunwoord komt te staan, dijc- 
wyis weggelaten; kade ngidi ift plaats van kade ngo idi (wat is dat?, zie ook 
bov., bl. 36). Van daar ook mada mo verkort in 

madam (Ib., bl. 188, r. 1). Het bezigt ook 

ma, maar aehter 't praedifcaat in een indirecte vraag met tak (bl. 234); b. v. 
tak mata-kade hagat ma (Ib., bl. 6, r. 8), <»» fo weten, hoe fUep kat is; tëngën 
mo tak kade ma (Ib.. bl. 7, r. 16), zie er naar, toai of het is; laat ik de 
diepte er van beproeven, tah masa-kade ma bagasna (Ib., bl. 5, r. 16 v. o.), 
om te weten , hoeveel de diepte er van bedraagt. Voorts bezigt men 

mamo, dat ook verkort wordt in 

mam. Beiden worden gebezigd, om een nadrnk te leggen 't z^j op een vraag- 
woord in een dringende vraag, 't zi) op een praedikaat, waar men een levendig 
verlangen, of z\jn vreugde te kennen (^eeft, 'tzQ op een negatie, om deze te ver- 
sterken; b. V. ënduma mamo kita këpekën (Ib., bl. 143, r, 9 v. o.), we smUen 
dus overvloed aan spijs hebben (in bl^dschap over de vangst van haar zoon, 
zoodat het den zin heeft van: wat een overvloed van eten zullen we hebben I) 
laiangku mamo këpe idi (Ib., bl. 147, r. 5), dat is dus mijn voordeel (in een 
toon van blydschap, en dus: dat is nu eens iets in mijn vooral I); mada ma- 
maku {mamo + aku) ënggeut pUuwahkhi kono (Ib., bl. 170, r. 5), ik wil a 
niet bevrijden {volstrekt niet uit den val laten); ulang kef ah mam katengku (Ib., 
bl. 254, r. 7), opdat, dacht ik, dat ijzer maar niet zonde bedorven worden; 
pëngke mam tuhu pénarihinëndene ku-bahankën gerar mo kene (Ib., bl. 131, r. 
15 V. 6.), is uw gemoed werkel^k goed, dat ik voor ulieden een naam maak? 
(ayt gy er werkeli^ op gesteld, dat ik voor n een naam maak?); èmbnwe mam 
pa9tgan*panganën ena (Ib., bl. 275, r. 16), veel zQn deze snoeperfjen (in een 
toon vap btydschap en dis: Jongens! wat ligt daar een boel eten voor mg!); 

20 



890 

leis mam pëmmiim (Ib., bL 6, r. 1 ▼. •.)» hongefig is *t gemoed (om te weten , 
Wftt aan 'fc uiteinde Y&n dat hol is d. i. Q hoe nieawsgierig ben ik, om te «eteR 
eisJ; mOsff mam ima kaêemn mëréênoj^ idi (Ib.; bl. 274, t. 16), wemoêrtt 
dan iflt gg van zint te gaan handel dt^venf 

VIL ada plaatst men voor e^n substantief» om er iets v^n te zeggen 
ter bevestiging van *t voorgaande, zijnde echter dat iets den hoorder 
bekend, en hem slechts ter herinnering gezegd; b. v. ada bodü, mclo 
salpu djakkatiay majmUak (aanhaling in 't Wdb.), immers een geweer, 
zoo de lading er van te zwaar t«, barst, 

M. betigt nog eerst *i voornaamwoord t voor *t substantief; b. v. ada i da- 
nat nangkinondi, ro ma laU na bontar (Ib., bl. 128, r. 2 v. o.), dat hind van 
zoo even nu , een witte labi kwam enz. Dit a^a t wordt, even als tja in T., gebezigd 
waar men weder van een persoon spreekt, die voor een wijl niet besproken is. 

VIII. j^a leidt een voor«rerp in, dat in tegenstelling van eet» an- 
der, jiust a%ehaiideld, ter spraak g^agt wordt, 'taj als^eo no^ 
msi beapieke» iets» 't eijj omèBi. men er voor een wijijl niet van heeft 
gttspiroken; b. v, na de dochtera van dan aombaon een voot een b^ 
naam vermeld te hebben, gaat de verhaler over tot de socmen met iga 
anakna dutM, eada d^rmé^a ioM^a4<mdjai eade^ enz. (Ib., fal. 9, t. 1 
V. o.), ^fi zoonen nu waren twee ({ 9d), de een was fi. T., de andere 
ene; na van a^*n moeder geaprdcen.te hebben, b^^t Mq^t.Daoana 
over a^jii vaAur te eprduu met igtk amaUanand di todinff dehutd é& Umga 
do ii^ggel (Ib.» U. 161, r. O v. o.), mü^wider iw is op de midden-we- 
reld aokter gebleven (zie ook bov., «bU UO). Zoo vindt men ook ^ 
im^g om een voorwerp in tegeni^elHng van een vroeger vermeld te 
plaateen (zie een. voorbeeld bov., bl. S7é). Bat dit ï^hetaelfde is als 
het boven (bl. 8ft9) reeds behandelde woord, I^dt geen twijfel (vgL 
ook bov., bl. 861 en 868). 
^ 165* Ook het ab relatief voornw. optredende m wordt vaak ter nitdmk- 
ktag van een nadruk gebeaigd (vgl. bl. 245^ 7^.); zoo vooreerst v^or een 
paaaiefi-vegbaai sabst; b. v. aha na buwaéon (lb.y bL 168, r. 6), wat is 't 
^ geen ge^émên moet werden; oiéng ma na óitwaim (aid., r. 8), er is iets, 
êai genomen moei wwdm; èoré-ioru na i^Mppa ëjganporlak ma hapé nm 
êo^ buwakm hoen parumaen (Ib., bl. 175, r. 16), een vrouw, die verkre- 
gen' is van uit een tuin is dus Hgem nid moei genomen wwden tot 
echoendoehier; eai na gararommu do marzogeé di an luMna (Ib., bl. 



m 

218, r. 1), «otiifer fiileii h 'tgeheei er vwi (van uw tchuM} 'i peen door a'^^ 
n borgen betaald moei lóofdeuf sai na èafakkonokku do ei-djonaka (Ib., 
22S, r. 5 ▼. o.), zonder hhti moei ]>f. door m^ in H blok gezet worden; 
mi na bowanotmami do pananggaimt nünón ^b., bl. 2)K1, r. IS v. o.}, zon- 
der ftilen moei nw hond door ons nu medegenomen teerden. In alle deze 
voorbeelden ziet men, datjhet een stellig voornemen uitdmkt (ik wil / N^^ 
volstrekt Ej. in 't blok zetten, ik wil volstrekt, dat ge m^ morgen al- 
les betaalt, enz.). V^r een aetief , dat er door gesubstantireerd wordt, 
vindt men het nn eens en dan weder niet; b. v. na mandjalahi enz. 
(Ib., bl. 71, r. 8 V. o.), dk een vogel, die praten kan, zoekt ben ik ei- 
gentlijk (d. i. ik ben van zins een vogel enz. te zoeken); even zoo bl. 
73, r. 10 en 76, r. 17, terw^ op bl. 72, r. 6 en 74 r. 17 na niet ge- 
bezigd wordt. Toorts voor een actief-verbaal substantief; b. v. molo 
na eo pangalateum do ko di au (Ib., bl. 228, r. 14 v. o.), zoo gij niet een 
mij bedotter zyt (zoo ge my niet bedot kebt); molo na pangulu ho (Ib., 
bl. 256, r. 7 V. o.), indien gij aU pangulu komt (indien ge wilt als pan- 
guln optreden). Voor een eerste of derde passief om bepaaldel^k een 
voleinde handeling aan te duiden, zoodat w$ bet met den zoogenaamd 
volmaakt- verleden tijd hebben weder te geven; b. v. na di-pasulak ra^ 
dja i do au, die door den vorêt gezpnden is ben ik ; na ni-dokkonnaeida do y'^ 
kami (Ib., bl. 46, r. 14 v. o.), die door hen beeolen zyn zign wij (zij heb- 
ben ons bevolen); ai anggo na binuna ni djolma do, enz. (Ib., bl. 88, 
r. 9), want zoo l^j door een raensch gedood is, eiiz. Déze beteekenis 
vloeit natuurlijk voort uit de substantivereAde kracht tan na, zoodat de 
voorgestelde handeling daardoor een feit wordt (bl. 898). — Vdor adóng 
vindt men na zeer dikwijfe, en wel om dat woord (bov., W. 305) een 
affirmatieve beteekenis'te geven; b. v. nadóng ma nlaonna (fc., W. 2, r. 
18 V. o.), er is iets, dat er door verrigt moet worden (d. i. ik wil er 
Ifets mede doen); zoo ook waar een conjunctie verzwegen is ; b. v. «tt* - "^ 
dong si'doUum, harang di ulang gararon baratigdi singir tunggnon (Ib., // 
bl. 252; r. 18), zoo er iete is, dat gezegd moet worden, H zij omtrent 
een ie heialen schuld, *tzij onUrent een te innen schuldoorderhg. Gtiarne 
bezigt men na vdor een woord, dat aan 't begin van èen hoofdzin 
staat, om 'hem als afhankelijk van den voorgaahden bijzin nit te döén 
komen? b. v. molo doppak ruwaf do gana-gana sattung inon, na oio tór- 
tvhd do na mate inon (Ib., bl: 258, r. 4), zoo die beelden van sattung 
(bl. 826, 8".) zich naar buiten met 't gelaat wenden, dan züfllen die ge- 
sneuvelden gewroken worden. Is de hoofdzin negatief, dan bezigt 



^y... 



S9S 

men na êo; b. y. miggo doppak óoffonm kuéa do ga$ia^ana wUtrng kuniy 
na so mariuM do na mate imm (aid., r. 17), too diebeeldeo van aai- 
tung zich met 't gelaat daaientegen naar binnen de hnta wenden, dan 
worden de gesneuvelden niH gewroken. In zulk een hoofdzin kan men 
ook êotoada in plaats van na 90 bezigen, maar dan heeft de voorzin die- 
zelfde negatie; b. v. mólo aowada olOy êowada satd 9un goramuna on 
\ (Ib., bl. 275 r. 8), zoo h^j niet wil (een dangdang betalen, zie boy., 

bl. 266), dan komt deze nlieder aangelegendheid niet tot een einde. 
Verder ook vdor een zin, die ter verklaring moet dienen van 't geen 
men doet; b. v. na unang dida hamu (TinH tan S, M. en D. 2)., bL 9 
r. 16), opdat g^ het met zien zondt (daarom doe ik dat). — Na een 
veigemking van de plaatsen, waarin nfl gebezigd wordt, ben ik tot 
't besluit gekomen, dat de vooraanplaatsing er van slechts dient om 
aan 'tpraedikaat den vorm te geven van een substantief; van daar 
waar men iemand zekere handeling verwijtend toeduwt; immers ook 
bijj ons is b. v. "g\j z\jt een bedrieget^f een sterkere bewering dan «gy 
hebt bedrogen." Maar een woord al» bedrieger kan in 't Bat. met een 
object geconstrueerd worden, zoodat men ook gf e^teen m^ bedrieger 
zeggen kan (bl. 891). Behalve de voorbeelden, boven ({ 126, 1"*., en bl. 
r. 810, 18 V. o., 861, r. 8) reeds aangehaald, verdient nog aangehaald 
te worden na mab^ar do ho (Ib., bl. 14, m.), die beoreeed ie zQt gg 
('t geen geiyk staat met <<gy z^t een lafaard^ of den zin heeft van 
**ik verwet u ongegronde vrees"). Even zoo ligt er een verwet in na 
laodoina modom do ibana (Ib., bl. 62, m.), di^ gegaan is, is dat (hert), 
die sliep was h^ (of "want hQ eUepy\ immers de sprekers willen er 
miede zeggen, dat de peraoon, die hen uitnpodigde het door hem 
dood gewaande hert mede te gaan halen, hen uit domheid vei^gee&che 
moeite had berokkend; van daar ook waar men iemand van een on* 
gegronde meening wil afbrengen; b. v. na naing mangguru pambqfuon 
do (Ib., bl. 17, r. 8 v. o.), die de vleehtknnst toil leeren is zy (d. i. hoe 
kunt g^ wantrouwen hebben omtrent de aanleiding der komst van deze 
dame, want z^ is volstrekt niet iemand, die twist zoekt (inddiungna 
namg marbada^ zie het onmiddel^k voorgaande). Evenzoo waar men 
bevpte^sd is, dat iemi^nd ongeloovig mocht zijn; zoo zegt Dj., die zyn 
moeder in een boom had verstopt, om haar als sombaon in zijn voor- 
deel een beslissing t^ doen geven, uit vrees dat de toehoorders 't geen 
.4e yei^neende sombaon zeide, niet zouden gelooven : na eitéong ma i hata 
ni eomb/aon i (Ib., bl. 294, r. 12), dat waaraeUig ie is 'tz^gen van dien 



398 

sombaon (gij moogt er niet aan twijfelen). Ja zelfs wordt het vdor een 
ak praedikaat optredend bijwoord geplaatst, alleen maar om er een 
nadfnk' op te leggen; b. v. èa bowan ma gararhón na böü ma niitna ei- 
dfonaka (Ib,, bl. SOT, r» lo), "daar! neem deze mijn betaling mede" ; 
aldus zeidé Dj. -^ Dat ^ Taak een Toleindé handeling teven» in zich 
duit (bL 391), Eooddt wij in een vertaling de toevlagt moeten nemen 
tot den volmaakt verleden tijd (} 158'*'), bl^kt ook uit 't gebruik er vau 
met dapói (bor., bl. 161); b. v. na detpot hu-tahan hdmido i (Ib., bl. 170 
r. 4), die kdbmm} buit gemaaH; zoo ook in at%k na lupau di ft^ana- 
(Ib., bl. 157, r. 1 V. o.), misschien i&6Ö ik z]|n voorkomen v^r^^^. Ëven>' 
zoo, waar de voleinding -slechts verondersteild' wordt; b. v. aUkummff na 
hu4awar (bov., bï. %^\ o.), zoo ik u niet Jwê genezen;, al hadt gij het 
mij niet gezegd , na êtdengokim do aUóng dLamatot^ (ib., bl. 108 , ï. 2 v. o.), "^^sT 
t^ solide dezen tooveirk^ker toch geraad^égd hebben; attk na tU-óhi ko ^ 

ma nhvppu^ adóng ho marutang n^én^ zoo gij' mijne beslissing Au^^ acèn- 
gemnnen, zoudt ge dan beboet gewordeü' zijn (zie nog een ander voor- 
beeld bov., bl. 850 in rf.). Hieruit is te vérmoeden dat ni (bov., bl. 
SSd) in aué ni slechts een bijvorm is van »d/ b. v. aut ni unang di-^^u* 
rukan ho dongat-sa^kuidm tu bagaaan Imbimg , tndd ttmg mate napé ho 
n^hi (Ib., bl. 826 r. 7), hadt ge uw hutagenooten niet in den afgrond 
laien vallen, gij zoudt nog niet gestorven zijn (andere voorbeelden bov., 
bl» «86). — Een kwalificatief werkwoord inet 'tinhechtsel um (§ 61) 
hééft na voor zich, zoo het als praedikaat achter 't subject' plaats 
neemt; b. v. tumabo dó i (Ib., bl. 70 r. 8, die z^n lekkerder), maar na di 
ioru ina tumabo (aid., r. 11, die onder 0j^it zijn lekkerder oi de lekkerste). 
Ook vindt men na na matsadi nog gebezigd; b. V. matsadi na teU (Ib.; bl. 
45 r. 16 V. o.), zeer schoon (is uwe dochter); Zoo ook vindt men sai na 
borat (Ib., bl. 326 r. 16) = m boratan (bov., bl, 212 in c). — Over na 
sai zie bov., bl. 270, en over na voor woorden als musé, podó en namd 
bL 875; zoo ook vócft maon (bov., bl. 308); b. v. mate ho na maon 
di-sora bab^at, gij zijt op Hpmt, door een t^er gevat wordende, te 
sterven. — Zeer geliefd is na voor een actief met een object om het 
ak subject te doen optreden van een werkw., dat een bevel inhoudt, 
800 de persoon, die bevolen wordt, onbepaald wordt voorgesteld, of 
liever door geen substantief wordt genoemd, al beteekent dit ook, 
even als halaky een onbepaald persoon; b. v. di-dokkon ma na marp^o 
radja t, door hem 7cerd die den vorst had te roepen bevolen (hij beval 
den vorst te roepen). Men kan hier echter na ook weglaten ; b. v. hn- 



394 

êuru mofiUap ko (bov., bl. 860), ik heb u laUn halen; di^kkm ko nta- 
réUip ü» (aid.), ^ hM mjf kUen halen: om Ai-Mm memddk^^ opdai toe 
hém Men halen. Zoo men üen p«raooD üoemt, die beirokn woidt» ia 
4e «mBiruMio Mor vrij» toodat maa 't sttiiaUmiief > die periooii aan* 
daideoda» loowel voor ab aobtei 'twekkwoaid, dfe handeling diafrg 
te velvoeieA beeft, yoonteUeade, kaa plaatsem Db werkwoord^b met 
*% voorheehtad pa. dia alleeii in 't actief 't atoheefataelJlMi. hebben 
(( 06), moeten bier alt^d dea oooünaleQ votte^ hebben (bl% ^H); b. ▼. 
éMekh