(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Tuinbouw-flora van Nederland en zijne overzeesche bezittingen"












^\ > 



,! ■ '^^ m\p^ 









/ r/ 



,/.. v/: 









^^^^^ 






•f;-»^?' r 






.'^A /^^^\ 






^^-^^^ 



TUINBOUW-FLORA 



NEDERLAND EN ZIJNE OVERZEESCHE REZITTINGEN: 

BEVATTENDE 

DE GESCHIEDENIS E>' AFBEELDINGEN VAN 

NIEUWE OF MERKWAARDIGE PLANTEN. RLOEHEN. VRUCHTEN, 

MEDEDEELINGEN' OMTRENT DE RULTUUR IN HAREN GEHBBLBN' OHVAKG , 

IN BETREKKING TOT 

NEDERLAND EN ZIJNE OVERZEESCHE BEZITTINGEN. 

UITGEGETEN 

ONDER DE BESCHERMING VAN ZIJNE MAJESTEIT DEN KONING; 



W. H. DE VRIESE, 

ROOOLBBRAAK TB LBYDBH^. 



LIBRARY 
NEW YORK 
BOTANICAL 

OARDEN 



TWEEDE DEEL. 



TE LEYDEN, BIJ A. W. SYTHOFF. 

1855. 



XT 



I N H o U D. 

LIBRARY 

NEW YORK 
^^.^^^ BOTANICAL 

QARDEN 



Bladr. 

i/jie Hiba-boom van Japan 1. 

Over de Laurierkers van Caroiiua, (door n. g. tholen; 3. 

Araucaria excelca, (Medegedeeld door F. w. de virieu) 8. 

Verslag van den staat der Landhuishoudkundige school te Groningen, in het jaar 1854 ... 8. 

Circulaire van het Bestuur van het X^« Nederlandsch Landhuishoudkundig Congres 11. 

Vlugtige blikken op den plantengroei van Suriname, in betrekking tot de welvaart dier Kolonie. 12. 

Bilbergia toegewijd aan Prins camille de rohan 33. 

Over Liliiim giganteum 34. 

Guano voor Orchideën-kultuur 35. 

De Botanische tuin van Peradenia (Ceylon) 35. 

' Opmerkingen aangaande Dioscorea Batatas, van den Heer decaisne. 36. 

Nog iets over het Oïdium van den wijnstok 40. 

De Redacteur van de "Tuinbouw-Flora" aan den Uitgever, den Heere a. w. stthoff, te Leiden. 43. 

Vlugtige blikken op den plantengroei van Suriname, in betrekking tot de welvaart dier Ko- 44. 

lonie. (Vervolg van Bladz. 32) 44. 

Planten -Tentoonstelling te Parijs 53. 

Reglement voor de hier voren bedoelde Tentoonstelling 54, 

Verbetering 57. 

Een woord over de uit den Leidschen Kruidtuin in Suriname ingevoerde Sarsaparil-plant . . . 58. 

De Boeren Goudmijn. Tijdschrift voor den Nederlandschen Landbouw in zijn geheelen omvang. 58. 

Kleine Champignons in betrekking tot Planten-ziekten 59. 

De keizerlijke Paulownia, in bloei bij den Heer p. h. martin, op Vredenhof te 'sGraven- 

. weg bij Rotterdam 72. 

'^ Japansche Leliën, Leliën in het algemeen. Hare geschiedenis, hare kuituur, enz 75. 

Overzigt van de verslagen over de physiautotypie of zelfdruk van de voorwerpen der natuur, 

ingediend aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, door g. vkolik, w. h. de 

vriese en f, dozy, (door h. w.) 78. 

Lord Palmerston, beschermer der botanische wetenschap 86. 

Flora van Nederlandsch-Indië door F. a. w, miquel. Hoogleeraar in de plantenkunde te 

Amsterdam 86. 



VI 

Bladz. 

De Deodar ceder uit 's Rijks Akademie-tuin te Leyden, overgebragt naar Java, ia 1854. . . . 95. 

De Mangostan in vrucht op Syon House 95. 

De kuituur der Orchideën, door ch. morel. (Medegedeeld door h. witte) 97. 

Jacobus schuurmans stekhoven. Hortulanus aan 's Rijks Akademie-tuin te Leyden, Cor- 
resp. Lid der Kon. Ned. Maatschappij tot aanmoediging van den Tuinbouw 129. 

Een Encephalartos spec. in den Hortus Botanicus te Amsterdam. (Medegedeeld door J. c. 
groenewegen) 130. 

De kuituur van Gunnera Chilensis Lam 131. 

Perken met Veltheimia Uvaria : 138. 

Eenige oorzaken van kwijning of ziekten der planten. (Medegedeeld door h. witte) 133. 

Een nieuw geschrift over horticultuur 144. 

Vereeniging voor de Flora van Nederland en zijne Overzeesche Bezittingen 145. 

Proces- Verbaal van de beoordeeling der voorwerpen, ingezonden op de 13^« Tentoonstelling 
van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot aanmoediging van den Tuinbouw, Be- 
schermheer Z. M. den Koning 147- 

De Kina-Inzamelaars in de bosschen van Peru 151. 

De kuituur der Orchideën, door ch. morel. (Medegedeeld door h. witte). Vervolg van bladz. 128. 161. 

De druiven in de Westlandsche dorpen in 1855 193. 

Eenige woorden over Dr. john. lindleï's nieuwste werk getiteld: «Theorie en praktijk der 
horticultuur", verschenen in 1855 198. 

Over het nut van "Bastaard-planten en Metis", door Dr. klotzsch 201. 

Nog iets over Gunnera Chilensis Lam 209. 

Over den duur van het kiemvermogen der zaden van eenige harsachtige, altijd-groene hoo- 
rnen. (Medegedeeld door h. witte) 211. 

Planten of verpotten van Coniferen , door den Hr. carrière 215. 

St. Petersburg. Kew 215. 

Cacteën 216. 

Nieuwe appelen. (Medegedeeld door K. J. w. ottolander) 217. 

Pelargonium Endlicherianum. (Medegedeeld door h. witte) 218. 

De Zuidkust van de Krim en hare tuinen, door Prof. Dr. koch 221. 

De benoeming van een Hortulanus van 's Rijks Academie-tuin te Leiden 223. 

De kuituur der Orchideën, door ch. morel. (Medegedeeld door h. witte.) Vervolg van bladz. 192. 225. 

De Kina-boom overgebragt uit Amerika naar Java. Vervolg van bladz. 160 257. 

De Zuidkust van de Krim en hare tuinen, door Prof. Dr. koch. (Vervolg van bladz. 224). 271. 

Amherstia nobilis Wall. (Medegedeeld door h. witte) 280. 

' De invoering van vier nieuwe soorten van zoete batate (Batatas edulis) uit Japan. (Medege- 
deeld door Jhr. ph. fr. von siebold) 281. 

Tamarix tetrandra 285. 

Over het Para-gras, Panicum jumentorum. humbdt & kunth 285. 

Phlox Admiraal Tengbergen 287. 

Levende en groeijende bruggen 283. 

Ilex latifolia. fol. variegatis 288. 

De kuituur der Orchideën, door ch. morel. (Medegedeeld door h. witte.) Vervolg van bladz. 256. 289. 



VII 

Bladz. 

Eenige coniferen van het Himalava-gebergte en het gebied van Nepaul 327. 

•TEen middel tot leeniging van hongersnood 329. 

Behandeling der warme kast-planten gedurende den winter. (Medegedeeld door h. wittk). . . 332. 

Brieven over een verblijf te Buitenzorg; door james motlet Esq., aan Sir william hoo- 

KER , door J.M 334. 

Japansche Leliën, Leliën in het algemeen. Hare geschiedenis en kuituur. Vervolg van bladz. 78. 339. 

Eoode meisjes-lehe enz 441. 

Fuchsia robusta 345. 

Een middel om harde zaden tot kieming te brengen 345. 

I^e Chinesche Igname (Dioscorea Batatas), haar wél slagen en hare tegenspoeden in Enge- 
land en Frankrijk, door Dr. naudi.v •. 346. 

Catalogne général des Pépinières Royales de Vilvorde. Prix-couraut pour Tautomne 1855 

et Ie printemps 1856 353. 

Prijs-Courant voor het jaar 1855 van j. c. kodbard. Bloemist te Leiden 357. 

Over de Begonia's , door J. F. klotzsch 358. 

l)e nieuwste nomenclatuur der Xederlandsch Oost-Indische palmen van de tuinen , naar aan- 
leiding van de laatste onderzoekingen van Prof. F. a. w. miquel 360. 

Programma der veertiende Tentoonstelling, van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij 

tot aanmoediging van den tuinbouw, onder bescherming van Z. M. den Koning 374. 



PLAATSING DER PLATEN. 



Tegenover bladz. 

Thujopsis dolabrata. Sieb. & Succ 1. 

,, (zwart) 1. 

Bilbergia Kohaniana de Vriese 33. 

Vallei van San Juan del Oro 151. 

Appelen 217. 

Phlox 287. 

Een levende brug, gevormd uit de wortels van den Ficus elastica in het 

Himalaya- gebergte 288. 

De Coniferen in het Himalaya- gebergte 327. 

Lilium coridion Sieb. & Vriese 341. 

,, parth^ieion Sieb. & Vriese 341. 

Fuchsia robusta 345. 

Clematis, behoort bij Deel I 189. 








^ m- y 



j'gj»,. 



'W?"^ 




H 






%_/ 




3 



=^ 



^ 



CU 

:n 

1 

o 

Q 



CO 

O- 

o 
-o 



^f0m 



f- 




dd 



pc; 
o- 







to 




f^DE Hl 



BA-B003I VAN JAPAN. 

THUJOPSIS DOLABR\TA SIEB & SUCC. 

CONIFEREëN, CYPRESSINEëN, EENHUIZIGEX. EENBROEDERIGEN. MO>OECIA. 

MONADELPHIA. 



CuAR. GEN. — Thujopsïs. Flores monoici. 
Masculi: amenta tcrminalia, solitaria, cylindrica, 
nuda. Stamina (flores) numerosa, axi decussa- 
tim affixa, dense quadrifariam imbricata. Fila- 
menta brevissima sursum dilatata in squamam 
excentrice peltatam suborbicularem, in cujus 
margine inferiore antherae locula ailixa sunt 
tria ad quinque, rima longitudinali deorsum 
dehiscentia. Foeminei: amenta tenninalia, soli- 
taria, nuda. Bracteae nullae. Squamae 8-1Ö, 
decussatim imbricatae, ai)ice reflexae, coriaceae. 
Ovula ad basin ciijusvis squamae quinque, bise- 
riata, erecta, orthotropa, apice pervia, lage- 
naeforraia, compressa, ala brevi apice emargi- 
nata cincta. Strobuli (secundo anno maturesceutes) 
squamae lignoso-incrassatae, e basi cuneata, 
concava, orbiculares. Semina quinque erecta. 

Arbor excelsa trunco crasso, ligno duro ru- 
bente, ad construendas aedes quaesito, ramis 
primariis verticellatis pendulis, secundariis ra- 
mulisque numerosissimis distichis. Gemmae nu- 
dae. Folia ultra quintum annum persistentia, 
decussata, arcte imbricata, praeter apicem tota 
ramo adnata eumque velantia, squamaeformia, 
coriacea, glabra , difforraia; superna et inferna 



opposita, plana, spathulata, obtusa, biuervia, 
superna tota stomatibus destituta, inferna sub- 
tus inter nervos et marginem stomatum fasciis 
duabus albidis notata; lateralia a marginibus 
secundum longitudinem complicata et equitantia , 
carinata, falcato-lanceolata pagina superiore vix 
conspicua, ramo adnata, inferiore parte dimi- 
dia (longitudinali) superiore stomatibus desti- 
tuta, altera inferiore (terram spectante) lata 
stomatum fascia albida notata. Flores vernales, 
coëtanei, nudi, termiuales; strobuli secundo 
anno maturesceutes, squamae post disseminatio- 
nem in rhachi persistentes. 

Hab. Unica species habitat in montibus In- 
sulae Nippon et amat humida vallium declina. 

Char. Sp. T. dolabrata SIEB. & zucc. 
foliis quadrifariam imbricatis adpressis squa- 
maeformibus, in ramulorum facie superiore pro- 
funde viridibus, in inferiore albo-pruinosis, se- 
riebus lateralibus carinatis equitantibus, supe- 
riore et inferiore planis. 

Nom. Jap. Asu naro , Asufi, Hiba. 

Sin. Bakan Hak, Gan si Hak. 

Thuja dolabrata Thunb. fl. Jap. p. 266. 

Cfr. Sieb. fl. Jap. II. 31. t. 119. 120. 



Pi. Een gekleurde afbeelding van een mann-tak. 2 Een klein takje. 3-4 De blaadjes van boven 
en van onder gezien. 5 Idem takje. 6 Vrouw. Bloei. 7 Vrouw. Amentum. 10 Een blaadje zijde- 
lings. 11-13 Eitjes. 14 Manu. Bloei. 15-16 Bloera aan de rugzijde en van voren. 17-18 Vrouw. 
Bloem met eitjes. 19 Dezelfde aan de rugzijde. 20 Een schub uit een onvruchtbare kegel. (Naar 
voN SIEB. Fl. Jap. de analyse overgenomen.) 



Eerst tegen het einde van de XVIF^ eeuw werd men in Europa eeniger- 
mate bekend met de planten van Japan. Andreas cleyer, die, in 1683, 
als Hollandsch Gezant het hof van Yedo bezocht had, bleef tot 1686 als 
opperhoofd van de Hollandsche Factorij te Nagasaki, en op Java terug ge- 
komen zijnde, maakte hij tot in het jaar 1700, onderscheidene verhandelingen 
over Japansche planten bekend in de Acta Naiurae Ctiriosorum, en nadat 
hij op Japan door de inlanders 1360 afbeeldingen van planten had laten 
maken, zond hij die naar Berlijn aan Dr. a. menzet., die daaruit eene Ja- 

II. i 



pansclie Tlora zamenstelde, welke onuitgegeven bewaard bleef in de Konink- 
lijke bibliotheek te Berlijn. Op hem vdgde engelbert kaempfer, wiens 
onderzoekingen omtrent de Japansche Flora eene groote wetenschappelijke 
waarde hebbeu, vooral om de naauwkeurige opgaven der Japansche en Chi- 
nesche benamingen der planten. Er is van zijne botanische nasporingen slechts 
een gedeelte bekend geworden. In 1775 kwam c. p. thungberg op Japan en 
maakte eene verzameling van 1000 plantsoorten, van welke hij er 800 be- 
schreef in zijne Flora Japonica. In 1823 kwam Jhr. ton siebold op Ja- 
pan. Zijne onderzoekingen van den plantengroei betrefien niet alleen de om- 
streken van Nagasaki of van het eiland Iviou Siou, maar ook uit die van 
Yedo, en van andere streken des lands, van waar hem die door zijne vrien- 
den werden toegezonden. Een getal van omstreeks 2300 soorten zigtbaar 
bloeijende planten werd door dien natuur-onderzoeker zamengebragt, hetwelk 
later nog is vermeerderd door de soorten van BtiRGfER uit Japan overgezon- 
den. Deze eerstgenoemde planten nu maken den grondslag van von siebold's 
beroemde Flora Japonica en van andere geschriften van dien geleerde over 
de planten van Japan, in verbinding met Dr. zuccarini uitgegeven. 

Doch keeren wij, na deze uitwijding, tot onze Thujopsis terug. 

Deze merkwaardige boomsoort was, in de vorige eeuw door thungberg, 
een Zweedsch natuurkundige, die Japan bezocht heeft, gebragt tot het ge- 
slacht Tlmja. Hij beschreef haar in zijne Flora Japonica p. 266 als Tkuja 
clolabrata. De Heeren von siebot.d en zuccarini hebben haar, onder den 
naam Tlmjopsis^ van Tkvja afgescheiden, waaraan zij, wel is waar, zeer ver- 
want is, maar waarvan zij niettemin verschilt door dat de schubben van den 
kegel houtig zijn en doordien er in den oksel van elke schub twee rijen 
zaden zijn; voorts, doordien de ondervlakte der bladen in de Tkuja s geene 
poriën heeft, en in de Thnjopsïs daarentegen zoowel in de onderste rei bla- 
den, als in de helft der zijdelingsche in de lengte en aan de rugzijde, met 
witte- wasachtige huidporiën voorzien is. Ons voorwerp werd in 1854 inge- 
voerd uit Java, gelijk wij in het vorige deel der Elora hebben beschreven. 
In de open lucht schijnt dit gewas wel te slagen. Wij hadden het tot laat in 
ISTovember in onze perken. De ondervinding heeft geleerd dat de kuituur van 
stek zeer gemakkelijk is. 

De geschiedenis der Japansche Coniferen is door de H.H. von sieboi.d 
en ZUCCARINI voorgedragen in de reeds meermalen genoemde Flora Japonica. 
Dit uitstekende geschrift is zeker een van de gewigtigste bijdragen tot de 
historie van het plantenrijk, die in den nieuweren tijd zijn verschenen. In 
dat werk munt in belangrijkheid boven alles uit de mededeeling over de 
Japansche Coniferen, waardoor over die schoone groep een nieuw licht is 
opgegaan. 



OVER DE LAIRIERKERS VA^ CAROLINA. 

Deze boom is niet alleen in [N'ederland, maar ook in Europa Aveinig beleend; 
beter gezegd, wordt daar weinig aangetroffen. Men is welligt nimmer op het 
denkbeeld gekomen, dat deze laurierkers over een 30 of 40 tal jaren, eene 
belangrijke plaats kan vervullen onder de boomen en houtsoorten. Mogelijk 
heeft men het hout, dat nu schier veracht, van weinig waarde gekeurd en in 
zijn Vaderland zoowel als in Xederland naauwelijks goed genoeg geacht wordt 
voor brandhout, nooit naauwgezet onderzocht, met het oog op eigen voor- 
deel, of in het algemeen belang voor alle landen der wereld. Het zij mij ver- 
gund dienaangaande eenige opmerkingen in het midden te brengen, in de 
hoop dat andere, grooter kenners of industriëlen ze mogen opvatten en dat- 
gene bewerken, wat het doel is van deze aanteekeningen. 

De Karolij?ische LaurierJcers, Primus caroliniana behoort te huis in het 
warmere gedeelte van Noord-Amerika. Zijn onderscheidingsnaam duidt aan, dat 
het vaderland de staat Karolina is in de Yereenigde Staten. Hij behoort tot de 
natuurlijke orde der Aynygclaleae. Hij bezit schoongroene, stevige bladen, die 
hij in zijn vaderland nimmer verliest. Alleen bij strenge ^^^nters, zoo als in 
het begin van dit jaar (1855), verliest hij hier te lande zijne bladen, doch 
bij matige koude, blijven zij gezond aan het hout zitten. Buitengewoon zware 
koude, met noorden of oosten wind vergezeld, zoo als in gezegd jaar, doet 
aan de planten eenig nadeel, gaande daardoor niet alleen de bladen verloren, 
(hetwelk echter van zeer weinig belang is), maar vriezen vele jonge planten 
tot den grond toe af; en sterven zelf de toppen der jonge takken van andere 
boomen een eind in. Alhoewel dit wel een ramp is, is zulks toch niet on- 
overkomelijk; de oudere, bijv. reeds vijfjarige boomen mogen op het meest een 
jaar achteruit zijn, de nog jongere planten botten met weinig uitzondering, 
allen weer uit. Te opmerkelijker is de gehardheid dezes booms tegen onze 
strenge winterkoude, dewijl hij hier on middel ijk aangebragt is uit een weelderig 
klimaat, zoo als Spanje en Italië, waar men zeldzaam sneeuw ziet vallen. 

In Karolina wast hij wel en groeit tot een middelmatig hoogen, zeer 
schoonen boom; ook bij ons te lande groeit hij even snel en dikt dien even- 
redig aan. 

Een weinic: beschuttincr tecfen vlakte of valwinden is altoos nan te prijzen. 
Yooral is zulks een vereischte voor jonge planten, die teder zijn en veel lijden 
van koude winden of togten. Bij driejarigen ouderdom behoeft hij zooveel 
zorg niet meer, doch altoos, hoe oud ook, eenige beschutting. 

Als iets opmerkingswaardig dient gemeld te worden, dat de laurierkers op 



schrale gronden groeit; bijv. ontgonnen heide- en zandgronden. Voortreffelijk 
groeit hij op leemzandgrond en los zand, met eenige klei of leem vermengd. 
Op zware klei of kleizand (dat is half zand en half klei) en veengronden, 
hetzij hooge, lage, of dalgronden, behoeft men de teelt niet te beproeven, 
want het zal toch niet gelukken. 

De Pinus sylvestris [grove den) wordt vrij algemeen gebruikt om onze 
heidegronden mede te doen begroeijen, zoo als bijv. in Noordbraband, waar 
schier alle heidegronden, onbewerkt, met het zaad dier dennen worden be- 
zaaid en naderhand, als zij een 15-20 tal jaren gestaan hebben, weder wor- 
den uitgehakt, voor brandhout of stokken. Zoowel als de grove den^ slechts 
op de dorre heide gezaaid, of alleen tot akkers verdeelde heidegronden op- 
komt en groeit, zoowel zal het Laurierkerszaad, op dezelfde wijze gezaaid, 
ontkiemen en eene plant vormen. Maar nimmer kan de grove den zóó gezaaid , 
eene aan zijne bestemming passende volkomenheid erlangen. Nimmer zal men 
uit een bosch op een onbewerkte heide gezaaid, hoe schoon en veelbelovend 
ook in den beginne staande, eenen boom vellen, tot ander gebruik geschikt, 
dan tot brandhout, daksprieten, schippersboomen, stokken, enz. Echter geen 
regel zonder uitzondering; in hoogst enkele gevallen teelt men op onontgonnen 
heide goede stammen, alleen dan, als de heide los is en meer dan gewoonlijk 
voorzien van voedende stoffen. Doch daar dit zoo zeldzaam is, moet men 
evenmin Pinus sylvestris^ als Prunus caroliniana zaaijen op eenen alleen 
tot akkers verdeelden, of geheel onbewerkten heidegrond. Wij achten niet 
overbodig eenen leiddraad aan te geven, aangaande de mate van vruchtbaar- 
heid van inculte gronden. Daar het toch een eerste vereischte is ter aanteeling 
van eenen vreemden boom, te weten, in welke grondsoort niet alleen, maar 
ook in welke grondaard moet geplant worden, of de mate van lewerhing 
dier grondsoort. 

Groeijen in den bodem, hetzij heide-, zand-, of leemzand- grond (oergrond 
voorzeker niet, dewijl deze in zijnen natuurlijken staat tot de onvruchtbaarste 
behoort) de navolgende planten, als: Setiecio sylvestris, Aegopodium jio- 
dagraria, Campanula trachelium, LiVmm martagon, Pulmonaria, Galeob- 
dolon. Orchis, Anew.one nemorosa, Stachys , Lychnis, Galizim sylvaticuni, 
Phyteuma spicatum, Corydalis, AspervXa, Solidago, enz. dan kan men verze- 
kerd zijn, dat de bodem genoegzame vruchtbaarheid bezit, om bij eene een- 
voudige bewerking, zonder bemesting, de K. laurierkers voldoende voort te 
brengen. Vindt men daarentegen nog al heel slecht ontwikkeld mos [Poly- 
trichon), die in de oude bosschen ook veel voorkomt en Potentilla anserina, 
Lysimachia nummularia, Genista, Bromus, Agrostis, enz. dan kan men het 
er voor houden, dat de bodem zeer slecht is, en niet dan door zwaardere 
bt'werkincr en bemestincr tot cultuur te breniiren. 



Is men zelf met deze planten niet bekend, dan kan ieder kruidkundige ze 
onderscheiden en aanwijzen. 

Is de grond waar eerstgemelde planten in het wild groeijen, los, dan is 
eene afscheiding in akkers van 4 Nedl. ellen breedte, door middel van 4 a 5 
N. palmen diepe greppels, waaruit de specie gelijk over het veld wordt ge- 
werkt, genoeg, om er de Karolijnsche laurierkers in te kunnen planten. Is 
hij daarentegen vast, dan moet dezelve eerst 8 palmen diep omgedolven wor- 
den (zorgende dat de bovenste zode of plag niet dieper dan 4 p. komt te 
leggen). — Ziet men laatstgemelde planten in den bodem groeijen, dan moet 
eerst eveneens gedolven worden en dan bemest; zoo mogelijk met klei, of 
leem en straatvuilnis of andere plantenmest. Kan men goede haardasch ver- 
krijgen, dan zal deze dezelfde dienst doen als de klei, ook weder vermengd 
met straatvuilnis. Van deze mest moet 100 voer, ieder van 500 N 'S. over 
het veld worden gebragt en ondergedolven, zóó dat de boomen niet onmid- 
delijk met de wortelen er in komen te staan, maar er toch vrucht van heb- 
ben. Dan kan men ook hier overgaan tot beplanting met laurierkersen. 

Met vertrouwen beveel ik dusdanige behandeling aan, daarvan de uitkomst 
kennende. Dat deze laurierkers in Nederland bij uitstek goed groeit, en wel 
op gronden die schraal en soms uitgeput zijn, kan men te Naarden zien, waar 
eene uitgebreide kweekerij van deze boomsoort bestaat. Met het grootste gemak 
wordt hij daar gekweekt en heinde en ver van daar in Nederland verzonden. 

Men kweekt de K. laurierkers van zaad, hetwelk men gedurende den winter 
door zand geroerd, in eenen put in den grond moet begraven, diep genoeg, 
dat geen vorst kan hinderen. In het vooijaar wordt het gezaaid, zoodra de 
kiem begint te ontwikkelen. Daar het meermalen gebeurt dat al het zaad in 
dat zelfde voorjaar niet opkomt, moet men de bezaaide bedden nog een jaar 
onaano-eroerd laten li Ertsen. 

De Naardensche kweekerij (de eenige bekende hier te lande), levert 
voornamenlijk planten op, om in hakbosschen geboet te worden, ofte dienen 
voor sierheesters. De driejarige zaailingen zijn reeds kloek genoeg om voor 
dat gebruik geplant te worden. Men is begonnen met slechts hier en daar 
enkele planten in de berken- en eikenbosschen te boeten; dit was van zóó 
goed gevolg, dat men thans al meer en meer de laurierkers daarvoor gebruikt. 
Om de zes of acht jaren, naar mate der grondgesteldheid , kan het geveld 
worden en levert dan slieten op, van 18-20 Nedl. duimen in den omtrek. 
Het hout is spoedig droog en uitmuntend om te branden, felle hitte ge- 
vende en even groote vlam als het essenhout. Wanneer het hout geveld is, 
moet het eenigen tijd op het veld blijven liggen, opdat er de bladen kunnen 
afruijen. 

Als hakhout kan ik hem hier echter slechts voorbijgaande eene plaat.'? 



aanwijzen. Hoe deugdzaam het hout ook moge wezen als brandhout en hoe 
goed ook daartoe aan te wenden, zijn er toch eiken en berken, die op in- 
culte of zandaardige gronden meer opleveren en in den regel beter te ge- 
bruiken zijn. 

Het doel van mijne mededeeling is, dat deze laurierkers worde aange- 
kweekt in geregelde bosschen, als opgaande boomen. 

Het spreekt van zelfs dat men de jonge zaailing dan anders moet behan- 
delen. En wel moet het twee- of ligt drie-j arige zaaigoed uitgeplant worden 
in eene goede kweekerij, en daar eerst tot behoorlijke stamboomen gevormd. 
Van den zaailing af aan, heeft men reeds in een 8- a lOtal jaren een be- 
kwamen stam bekomen van minstens 20 N. d. in omtrek; op die kloekte, 
moet hij op zijne bestemmingsplaats worden gebragt. In geregeld aangelegde 
bosschen plant men den laurierkers 4 N. ellen in het vierkant, doch voor 
enkeld staande regels, is de afstand van 3^- N. ellen voldoende. Zoodra de 
boomen tot elkaar beginnen toe te groeijen, moet men met mes en beitel de 
meest voorloopende takken inkorten; dewijl zij door hun digt gebladerte, 
elkander al spoedig zouden verstikken, of dan ten minste niet zoo snel aan- 
dikken, dan wel bij behoorlijke ruimte. Altoos moet er op het snoeijen ge- 
past worden, hetzij om van tijd tot tijd de stammen hooger op te snoeijen, 
mistoppige te verhelpen, of enkele eenzijdige takken, die den boom zouden 
beuadeelen of misvormen, weg te nemen. 

De laurierkers van Karolina is uit het Westen naar het Oosten overge- 
bragt. Het klimaat van Nederland mag men wel stiefmoederlijk noemen, bij 
de luchtgesteldheid van zijn vaderland. Dus hier heeft hij veel tegen, niets 
voor. Toch zal het gelukken om hem in Europa aan te kweeken; toch zal 
de Europeaan van dezen boom nut hebben. 

De kleur van het laurierkersenhout is bruin en daar waar takken gestaan 
hebben, gevlamd. Hetzij echter verre van mij, te willen betoogen, dat het 
hout even fijn en prachtig is als het mahonijhout. Doch even goed kan het 
gepolitoerd worden, waardoor het zijne grootste schoonheid erlangt vooral aan 
platen gezaagd, van -i N. duim dikte, of en fendoir (splijtbout). 

Laat ons thans verder gaan en ten ruwste eene berekening maken, welke 
waarde onze laurierkers kan verkrijgen bij geregelde teelt. Dat zal tevens 
mijn antwoord zijn, op de vraag; //of hij niet waarlijk eenmaal eene belang- 
rijke plaats kan vervullen, in de rei der edele houtsoorten?" 

Stellen wij dat 2,500 stuks laurierkersen kunnen staan op een bunder 
land. JNFa 40 jaren nemen wij aan dat 500 stuks zijn weggestorven, of ten 
achteren gebleven, of krom of miswassig geworden en dat de overblijvende 
2000 goede, gave stammen, door elkander gerekend, middelmatig 5 palmen 
diameter hebben. Voorzeker kan men de waarde van iederen stam op y 15 



rekenen, dus voor alle stammen te zamen eene som van ƒ '30,0 O O uitmakende. 

Is dat niet eene verbazende sorame gelds van één bunder land? Daaren- 
boven moet deze opbrengst gerekend worden zuiver te zijn, want de 500 
stammen daareven voor onwaarde gerekend, zijn met de veel planteustof be- 
vattende, afgevallen bladen, de takken en wortelen, waardoor de bodem zeer 
veel verbetert, met de takken der gevelde goede stammen, ruim voldoende, 
om alle onkosten goed te maken van het begin af aan. 

In den tegen woordigen tijd zon de waarde van eenen stam van 5 palmen 
diameter op f 15 berekend, te hoog zijn, maar thans aangeplant zou die 
som over een 40- a ^otal jaren voorzeker beneden het middelmatige zijn, 
want dan zal de lanrierkers de plaats moeten vervullen van het mahonij- 
hout. Thans is die plaatsvervanging nog niet noodig; ruimschoots kan men 
voorzien in de vraag naar dat hout en zou het laurierkersenhout niet zoo 
zeer uit verachting, maar uit geen genoegzame kennis van zijne waarlijke 
waarde, naauwelijks \ opbrengen. Toch nog veel, gerekend bij een bunder 
land met Pinussen beplant. En wat heeft men niet te vreezen voor den 
Pinus sylvestris; ik herinner hier slechts de ontzettende verwoesting door 
dennen-rupsen, waardoor reeds meermalen, in een jaar, het schoonste bosch 
totaal vernield werd. 

Ik zeide dat er thans nog ruimschoots kan voorzien worden in de behoefte 
naar mahonijhout. Hoe lang zal dat echter nog duren? Met reuzenschreden 
gaan de oorspronkelijke mahonijhout-bosschen hunne geheele uitroeijing te 
gemoet, dewijl men immer voortgaat met kappen, zonder aan te planten. En 
plant men al aan, dan is zulks zeer gebrekkig, en gaat meestal weer te 
loor, door de weinige of geene zorg ter instandhouding. Duidelijk en klaar 
ligt het voor iedereen, die er slechts eeuigzins mede bekend is, bloot, dat 
er aan mahonijhout gebrek moet komen. 

Het gebruik tegenwoordig daarvan gemaakt is zóó groot, dat, als men 
jaarlijks 60 a 70,000 stuks mahonijhout-boomen aanplantte en met de meeste 
zorg onderhield, er nog naauwelijks in de behoefte kon worden blijven voor- 
zien. Nu wordt er in lange het 2 O'' gedeelte niet aangeplant en zoo als ik 
daareven aanvoerde, nog zeer slecht onderhouden. Nog komt er bij dat op 
de ruwste en meest onbezonnen wijze met het hout wordt geleefd, bij het 
vellen. Moet dus niet alles volstrekt leiden tot eene spoedige opruiming van 
het mahonijhout? Is die tijd daar en wordt het gebrek gevoeld, dan is het 
te laat; want, in weerwil van den weelderigen plantengroei in de tropische 
landen, gaan er toch vele jaren heen, eer er een enkele stam is gegroeid, 
in den handel en voor het gebruik geschikt. 

Is er eenmaal gebrek aan mahonijhout en kan men dan het hout van den 
Karol. laurierk. aanbieden, dat dan toch zooveel goedkooper zal zijn, dan 



B 

zou de verbruiker er welligt aan geweimeu en het wel minder schoone^ maar 
ook minder kostbare blijven gebruiken. En ziedaar eene bron geopend die 
mild zoude vloeijen en dubbel voordeel zou doen, want niet alleen door den 
boom zelven, maar ook zoude de territoriale waarde van Nederland en andere 
landen zeer vergroot worden, dewijl men die soort juist voor de inculte 
gronden kan bezigen. 

Mijne berekening mag ik volstrekt geeu gezag toekennen, maar men zal 
zich toch kunnen overtuigen dat mijne gissing op gronden steunt. 

N. G. THOl-EN. 

Boskoop^ den 10 Maart 1855. 



ARAUCARIA EXGELSA. 

In het koninklijk park te Charlottenburg nabij Berlijn bevindt zich eene 
A. excelsa, welke als de grootste van hare soort in Europa kan worden aan- 
gemerkt. Zij had in het najaar van 1854 eene hoogte bereikt van ongeveer 
40 voeten en was in Mei 1852, bijna negen jaren oud zijnde, uit de serre 
tempérée, voor welke zij te hoog werd, in den vollen grond overgebragt, en 
lAet eene opzettelijk daartoe ingerigte en om de plant opgetrokken oranjerie 
omgeven. 

F. W. DE VIRIEU. 



Verslag van den staat der landJiuislioudhundige school te Groningen^ in het 
jaar 1854. Beschermheer: z. m. de koning. 

Het is met genoegen, dat wij aan de vele voorstanders en begunstigers 
der Landhuishoudkundige School eenig berigt doen toekomen over haren toe- 
stand in het afgeloopen jaar. Zij is in zooverre meer tot zelfstandigheid ge- 
komen, dat, terwijl vroeger haar de jaarlijksche toelage van het Eijk steeds 
door tusschenkomst van het Departement Groningen der Nederlandsche 
Maatschappij ter bevordering van Nijverheid werd gezonden, zij die thans 
onmiddelijk van het Gouvernement ontvangt. Inderdaad is dit ook meer over- 
eenkomstig den wezenlijken staat der zaak, daar onze Instelling wel uit ge- 
noemd Departement ontstaan is en steeds veel medewerking, hetwelk wij 
dankbaar erkennen, daarvan ontvangen heeft, maar dan toch reeds sedert ge- 



ruimen tijd eeue geheel afzonderlijke, op zicli zelve werkende inrigting is. 

De lessen zijn, zoo in liet zomer-halfjaar (aan de boerderij der School, te 
Haren nabij Groningen), als in het -winter-halfjaar (in de Stad Groningen), 
geregeld gehouden. Er waren in het zomer-halfjaar 19, in het winter-halfjaar 
van 26 tot ol leerlingen. 

De meeste dezer jongelieden hebben geregeld werk van hunne studiën ge- 
maakt, doch aan éénen hebben wij wegens verkeerd gedrag het verder ver- 
blijf op deze Inrigting moeten ontzeggen. 

Vier hunner, namelijk de Heereu j. g. van' miekop, k. van der w^erp 
DE WILLIGEN', p. VAN DER ELST CU w. c. L. c. piCKÉ, hebben, bij het ver- 
laten der School, in Maart 1854, ten overstaan der Onderwijzers en in te- 
genwoordigheid van het Bestuur en der overige leerlingen, een examen afge- 
legd in de hier onderwezen vakken; ten gevolge waarvan hun een officieel 
diploma, als Landhuishoudkundige, is uitgereikt. De examens werden vereerd 
met de tegenwoordigheid vaA den Commissaris des Konings in dit Gewest 
en van den Voorzitter der Kommissie van Landbouw, heide daartoe door het 
Bestuur uitgenoodigd. 

De proefneming, waarvan in ons vorig Verslag gewaagd is, om namelijk 
een leerling-lcnecht aan te nemen tegen eene geringe betaling voor kost en 
inwoning, bij den bouwmeester e. leexders te Haren, heeft minder goed 
voldaan; niet omdat wij op het gedrag of op den ijver van dezen leerling- 
knecht eenige aanmerking hadden, maar omdat de wijze van zijn van zoo 
iemand, deels met eenen gewonen knecht op de boerderij, deels met overige 
leerlingen gelijk staande, een eenigzins onnatuurlijke toestand was, die soms 
tot moeijelijkheden aanleiding gaf AVij verheugen ons daarom dezen leerling- 
knecht in de rei onzer gewone leerlingen opgenomen te zien. 

Eene der belangrijkste zaken, welke in dit jaar hebben plaats gehad, was, 
naar ons inzien, dat vier voormalige leerlingen der School, door het Bestuur 
daartoe aanbevolen, door het Ministerie van Koloniën benoemd zijn tot kwee- 
kelingen voor het boschwezeu in Nederlaudsch Indië, welke 4 kweekelingen 
thans op 's Rijks kosten in de houtteelt in het groot in Duitschland nog 
nader onderrigt ontvangen, om daarna als ambtenaren voor het boschwezen 
naar Java te vertrekken. Ook later zal tot gelijksoortige plaatsing op zeer 
gunstige voorwaarden, gelegenlieid zijn voor nog eenige onzer kweekelingen, 
wanneer zij hunnen leertijd alhier behoorlijk zullen volbragt hebben; waartoe 
enkele zich thans reeds alhier voorbereiden. Vii] verheugen ons in dit ge- 
wigtig blijk van vertrouwen aan onze Instelling geschonken, en gelooven, dat 
deze maatregel van het Gouvernement ook op den duur tot behoud der zoo 
kostbare bosschen op het eiland Java — en later welligt ook elders — van 
nut zal wezen. 



10 

Wij verheugen ons ook in het aanzienlijk geschenk, van f 1200 hetwelk 
wij dit jaar van Z. M. den Koning üiogten ontvangen, terwijl later drie 
leerlingen van Zijner Majesteits School te Apeldoorn, op Hoogstdeszelfs kos- 
ten, aan onze zorg zullen worden toevertrouwd, zoodra zij zoover gevorderd 
zullen zijn, dat zij die genoemde School verlaten. 

Ook van andere zijden ontvingen wij belangrijke blijken van deelneming, 
als de gewone jaarlijksche toelage, y 600 der Staten van de provincie Gro- 
ningen; terwijl de baron sixma van' heemstra en de baron g. f. thoe 
SCHWAEZENBERG CU HOHENLANSBERG, beide in Piicsland, ons elk weder, even 
als in het vorig jaar, de aanzienlijke giften van ƒ 25 en y 30 en twee in- 
gezetenen der stad Groningen _ƒ 5 en y 4 aangeboden, terwijl de heer j. t. 
HUISMAN, Lid der Kommissie van Landbouw in de prov. Groningen, Cochin- 
China-hoenders van zuiver ras aan de School toezond. 

Drie ingezetenen van Groningen verpligtten het Bestuur door gelden naar 
lage renten, namelijk twee elk ƒ 1000, en een ƒ 500, naar drie ten hon- 
derd aan de School voor te schieten. 

AVij melden dit punt vooral, omdat wij steeds voortgaan met de gebouwen, 
die vroeger, bij een geringer aantal leerlingen, op eene te beperkte schaal 
waren aangelegd, te vergrooten en te verbeteren, waartoe het aankoopen van 
het gebouw in de stad Groningen, vroeger door den heer c. römelingh be- 
woond, en het bijbouwen daarin van twee kamers, hetwelk in het najaar van 
1854 reeds geschied is, alsmede het vergrooten en opzetten van eene geheele 
tweede verdieping op het gebouw der School te Haren, waarmede men thans 
bezig is, behoort. — Daar vier leden van het Bestuur zich, persoonlijk en 
solidair, tot borgen stellen voor de schulden, Avelke de inrigting voor zooda- 
nigen aankoop enz., natuurlijk tot een vrij aanzienlijk bedrag, heeft moeten 
maken, vertrouwt het Bestuur, dat er personen zullen gevonden worden, die, 
bij zulke genoegzame zekerheid en bij eene jaarlijksche aflosbaarheid der ka- 
pitalen, zich voor aandeden van ƒ 1000 of/ 500 met eene lage rente zul- 
len willen vergenoegen tot ondersteuning dezer voor het algemeen nuttige 
onderneming. Eene vermindering toch van den rentelast is het beste middel 
om deze Instellinc^ duurzaam in stand te houden en meer en meer aan haar 
oogmerk te doen beantwoorden. 

De tijdverdeeling der lessen enz. wordt opgegeven in de Bepaling e7i der 
School, waarvan kosteloos exemplaren verkrijgbaar zijn bij de leden van het 
Bestuur en bij elk der korrespondenten van de School. 

Eindelijk meenen wij nog te moeten herinneren, dat zij, die van deze In- 
stelling gebruik mogten willen maken, verzocht worden zich hiertoe telkens 
eenen genoegzamen tijd, liefst eene maand van te voren, bij het Bestuur aan 



11 

te melden, en wel het best, óf met den aanvang van het zomer-halfjaar (den 
25sten ]\Xaart), dat het meest voor ])raTcbische oefeningen bestemd is, óf met 
den aanvang van het winter-halfjaar, dat meer voor de theoretische lessen is 
en waarvan de nieuwe leerkring eenen aanvang nemen zal op den 15*^*° Oc- 
tober aanstaande. 

Groningen^ 20 Januarij 1855. 

Ket Bestuur der La?idhuisho7idkundige School te Groningen: 

(get.) J. W. C. YAN ITTEESUil, 
voorzittend Komniissaris. 

(get.) H. C. VAN HAI.L, 
Direkfeur. 



Circulaire van het Bestuur va?i het X.^^ Nederlandsch L andhuishoudkundig 
Congres. 

Het Bestuur van het den 19% 20% 21% 22« en 23^ Junij dezes jaars, te 
's Hertogenbosch te houden X"^^ Xederlandsch Landhuishoudkundig Congres, 
van het belang dezer voor den Xederlandschen Landbouw weldadige instel- 
ling doordrongen, heeft de eer de aandacht daarop te vestigen. 
De te behandelen onderwerpen, betreffen: 

1®. Akkerbouw, Veeteelt en Zuivelbereidiug; 

2^ Houtteelt en Tuinbouw, 

3p. Xatuurkunde, Land- en Yolkshuishoudkunde en Statistiek. 
Opdat dit Congres het daarmede voorgesteld groot doel kunne bereiken 
en algemeen nuttig zij, is gewis de allereerste vereischte, dat de bij het 
Programma te omschrijven punten van behandeling., bevatten, zoowel die 
onderwerpen welke door wetenschap of ondervinding ergens zijn gebleken 
op algemeene verspreiding en aanbeveling aanspraak te hebben, of tot proef- 
neming nog aan het oordeel van anderen behooren te worden getoetst, als 
de hindernissen en bezwaren, welke deze of gene onderneming of toepassing 
in den weg staan. 

Wenschende dat het Programma zoo volledig mogelijk zij, neemt het Be- 
stuur de vrijheid , met gepasten aandrang , de medewerking in te roepen , van 
zoodanige LandbovAoers ., Landeigenaars ., Volkshuishoudkundigen en Geleer- 
den, wier kennis en ervaring anderen tot voorlichting kunnen strekken, en 
gevolglijk met alle bescheidenheid ü uit te noodigen, mn uiterlijk vóór den 
20 Maart aanstaande, aan hetzelve te willen doen kennen, de voorstellen en 
vraagpunten, waarvan de behandeling bij het Congres door U wordt gewenscht. 



12 

Ter nadere ontwikkeling en toelichting dier voorstellen of vraagpmiten, is 
uwe tegenwoordigheid bij het Congres hoogst wenschelijk, maar ook in ieder 
ander geval, zal op uwe tegenwoordigheid door het Bestuur bij zonderen prijs 
•worden gesteld en elke raadgeving hetzelve zeer Avelkom zijn. 

Indien liet Bestuur van uwe tegenwoordigheid bij het Congres tijdig moge 
kennis dragen, zal het zich des verlangd wordende gaarne beijveren, om, 
voor uwe behoorlijke huisvesting alhier te zorgen. 

Het Bestuur voornoemd., 

(Get.) J. G. VAN HUGENPOTH, 

Voorzitter. 

(Get.) F. J. M. HITS, 

Secretaris. 



VLUGTIGE BLIKKEN OP DEN PLANTENGROEI VAN SURINAME, IN 
BETREKKING TOT DE WELVAART DIER KOLONIE. 

Nimmer welligt werden de belangen der Nederlandsche West-Indische 
Bezittingen zoo in ernst ter harte genomen en op zoo uiteenloopende wijze 
ter sprake gebragt, als nj» sedert eenige jaren geschied is. Het is te algemeen 
bekend, om hier herhaald te worden, wat daarover is voorgevallen ook in 
de Vergadering van 's lands Vertegenwoordigers, en met hoeveel warmte en 
belangstelling destijds die belangen zijn besproken en behandeld. Men moet 
veel locale kenms hebben, men moet met talrijke bijzondere omstandigheden 
bekend zijn om juist te waarderen wiens beschouwing in deze zaak de regte 
geweest zij. In zulke gewigtige zaken uit de verte te oordeelen, moet uiterst 
moeijelijk zijn, te meer, daar de gevoelens over de oorzaken van verval en de 
middelen van herstel, op de plaats zelve, vaak uit een loopen. Indien het ons 
geoorloofd ware over beide eene meening in liet midden te brengen, dan 
zouden wij durven beweren, dat, wat de kolonie zelve aangaat, het kwaad, 
immers voor een deel, is gelegen in eene te groote gehechtheid aan eenen 
verouderden gang van zaken bij vele kolonisten en in eene niet gepaste, of 
niet toereikende waardering van nuttige toepassingen, welke elders reeds tot 
goede uitkomsten geleid hebben. Het is algemeen bekend dat eene proeve tot 
Europesche kolonisatie is ondernomen te Groningen aan de Saramacca. Een 
verslag van het onderzoek naar den toestand van dat etablissement, door den 
voormaligen Gouvernements-Secretaris der Kolonie Mr. j. ae. lisman, is, reeds 
voor eenige jaren, ook door de nieuwspa pieren ter algemeene kennis geko- 



13 

men. Daaruit bleek, dat deze toestand en de resultaten niet zeer gunstig zijn 
geweest, en dat er krachtige middelen noodig "vvaren, om daar aan te gemoet 
te komen. Een nieuw onderzoek naar de mogelijkheid of uitvoerbaarheid van 
kolonisatie wordt, gelijk bekend is, sedert eenigen tijd, in het werk gesteld. 

Het beginsel eenmaal aangenomen zijnde, dat eene Europesche kolonisatie, 
welke allengskens wordt uitgebreid, niet alleen voor de kolonie, maar ook 
togen het pauperisme in het vaderland nuttig en in de uitvoering moge- 
lijk is, moet, dunkt mij, de eerste vraag zijn, wat daarbij tot grondslag 
moet worden aangelegd. Het antwoord moet ongetwijfeld zijn: de landbouw 
op eene breede schaal, uitgaande van grondige kennis en door de wetenschap 
van den tegenwoordigen tijd voorgelicht. Bij iedere landbouw-ondememing 
moeten, gelijk ieder weet, talrijke voorwaarden in aanmerking komen, Avier 
veronachtzaming moet leiden tot mislukking. Ik noem liier onder: de ligging 
of geographische verhouding, de rivieren, de gesteldheid van den grond, van 
de lucht, en bovenal de kennis van hetgeen eene landstreek, als 't ware, van 
zelve oplevert. Yerder, de natuurlijke gesteldheid van andere nabij liggende 
landen en de politieke verhouding met dezelve. En wat nu koloniën aan- 
gaat, moet vooral niet worden uit het oog verloren de aard, de geschiktheid, 
het aantal en de gezindheid der inboorlingen of van hen door wier handen- 
arbeid aan den grond zou moeten worden ontleend, wat hij hier spaarzamer, 
elders in ruime mate kan opleveren. Ik behoef wel niet te ontvouwen hoe- 
danig in dit laatste opzigt de verhouding zij van de schoone landstreek 
waaraan wij, ook in het belang van Nederland, zoo gaarne eenen groo- 
teren bloei en meerdere welvaart £reschonken zas^en. Uit f^ebrek aan menschen- 
handen toch, die den veld-arbeid moeten verrigten, Avorden geheele plantagien 
verlaten. Ik zal de namen niet vermelden van eenige der schoonste en meest 
uitgebreide bezittingen aldaar, welke men heeft voorgesteld voortaan tot 
dit aantal van verlaten gronden te rekenen. Wie slechts eenigermate be- 
kend is met de kracht en de weelderii^heid dier gronden, kan niet anders 
dan zulk eenen loop van zaken bejammeren en, hij moge grondbezitter in 
Suriname of belangstellend toeschouwer zijn, zich geiloopt gevoelen, om niet 
alleen te wenschen, maar ook om^r met alle middelen naar te streven, dat 
verbetering en herstel in de plaats treden van stilstand en verval. 

Yoor weinige jaren, ik meen kort na den tijd toen deze koloniale belangen 
en de inzigten omtrent derzelver herstel zóó veel weerklank vonden, was er hier 
te lande ernstig sprake van de oprigting van eene Surinaamsche Maatschappij 
van Landbouw, die echter niet is tot stand gekomen. Ik was niet in de ge- 
legenheid om met de bedoelingen der oprigters in bijzonderheden bekend te 
worden, maar het was onmisbaar, dat, ware zij werkelijk in 't leven gekomen, 
de geachte mannen die haar hadden ontworpen, in 't wel begrepen belang 



14 

der vaderlandsche zaak en der kolonie, ook zouden hebben bedoeld eenen 
verbeterden landbouw, voorgelicht niet alleen door ondervinding van elders, 
maar ook door kennis aan de wetenschap ontleend. Ik bedoel daarbij echter 
geenszins proeven of theoriën, waarvan de uitkomst onzeker of de waarde 
alleen in de bespiegeling is te zoeken; — neen, ik bedoel vooral die weten- 
schappelijke kennis, welke zekere resultaten kan geven, indien men haar op 
eene rationele wijze aanwendt. 

Zal ik mij veroorlooven te zeggen, waarin ik zou meenen dat de landbouw 
in Suriname niet alleen, maar in elke kolonie, ja in ieder land der aarde, hare 
meest hechte grondslagen vinden moet? Het is in de kennis van hetgeen de 
grond en het klimaat voortbrengen kunnen en ontwikkelen. Hoe vollediger die 
kennis is, met des te zekerder schrede gaat men voorwaarts. Zonder dit ele- 
ment kan men wel op den ouden voet voortslenteren, maar vooruitgaan, ver- 
beteren, uitbreiden kan men niet. Raadpleegt men de geschiedenis; er is geene 
beschaafde, geene verlichte Europesche natie, geene van welke men kan zeggen 
dat zij het stoffelijk belang van het land harer inwoning wezenlijk heeft voor- 
gestaan, of zij heeft een onderzoek doen in het werk stellen naar den aard 
van die voorwerpen, welke het land oorspronkelijk opleverde en waaruit voor 
landbouw, nijverheid en handel voordeel kon ontstaan. Ik haal slechts tot 
voorbeeld aan het magtige Russische rijk, waar de beschaving later is door- 
gedrongen dan in andere staten, en welks Beheerscheresse aan een der groote 
natuurkundigen der vorige eeuw een dergelijk onderzoek van haar uitgestrekt 
gebied opdroeg, waarvan de resultaten op Ruslands bloei en magt eenen on- 
miskenbaren invloed hebben uitgeoefend. 

Ik meen, dat, wat in dit opzigt geldt van Europa, in veel meerdere mate 
waar is ten aanzien van die landen der aarde, waar de voorwaarden die de 
vruchtbaarlieid te weeg brengen of haar ten top doen stijgen, allen in de 
hoogste mate vereenigd voorkomen, namelijk in de keerkringslanden. Kent 
men nu die keerkringslanden in hunne natuurlijke gesteldheid en producten? 
Der waarheid hulde doende, moet men die vrage ontkennend beantwoorden; 
want, zelfs van de meest doorzochte landstreek tusschen de tropen zijn ons 
niet alleen, maar ook zelfs aan natuurlijke inboorlingen meerdere voortbreng- 
selen onbekend, van welke de bewoner of de van elders aangekomene nut 
kan trekken. Wij aarzelen geenzius dit ook toe te passen op al de Neder- 
landsche koloniën en alzoo ook op Suriname. Het is daarbij niet alleen te doen 
om eene dorre optelling, of, voor leeken althans, vervelende en nuttelooze be- 
schrijving van honderden, ja vaak duizenden van gewassen die eenige land- 
streek oplevert; maar bovenal moet men hierbij vragen: wat zoodanige streek 
oplevert voor de voeding en het onderhoud van de inboorlingen of van den 
vreemde; daarna, welke de voorwerpen van uitvoer en dus van handel kunnen 



15 

zijn; eindelijk, door het overbrengen en uitvoeren van welke gewassen uit 
andere landen in eene kolonie nut en voordeel, levens-onderhoud en handel 
zouden kunnen bevorderd en vermeerderd worden. 

Ik heb meermalen aanleiding gehad tot overwegingen als deze, waartoe de 
gelukkige gelegenheid om (hoewel hier te lande) met de gesteldheid van het 
plantenrijk in Suriname van naderbij bekend te worden, mij gebragt heeft. 
Ik wensch hier, in betrekking tot den bloei der evengenoemde kolonie, in 
eenige korte trekken te ontvouwen, wat zij in het groeijend rijk het meest 
merkwaardigs aanbiedt. 

De voortbrengselen van het plantenrijk in Suriname zijn ons gedeeltelijk 
bekend door de inboorlingen zelve, of door de kolonisten, of eindelijk door 
enkele oudere geschriften in onze taal over die kolonie, hoezeer niet opzet- 
telijk over den plantengroei, maar daarover slechts ter loops handelende. Ik 
bedoel, onder anderen, het werk van Mr. jax jacob haktsinck, getiteld jB^- 
schrijving van Guiana of de wilde kust in Zuid- Amerika en voornamelijk 
de volkplantingen £ssequebo, Demerary, Berbice en Suriname, Amst. 1770. 
Onder de nieuwere auteurs, zijn feexstra en i.ans, die, door hunne bij- 
dragen of over die kolonie in het algemeen, of over hare producten, den 
landbouw en den plantengroei van dit schoone land hebben toegelicht. Maar 
groot zijn bovenal de verdiensten van de Heeren splitgerber en focke. 
De eerste deed, gelijk men weet, op eigen kosten eene reis naar de kolome, 
om de schatten en de weelde der natuur daar te onderzoeken. Hij heeft die 
onderneming volbragt op eene wijze, die der wetenschap en het vaderland tot 
eere strekt, maar zijn groote ijver had, bij zijn terugkeer in het vaderland, het 
verlies van zijne gezondheid, en weldra van zijn leven ten gevolge. De rijke 
schat van voorwerpen, iii^et groeijend rijk in Suriname, bijeengebragt, is met 
zijne overige uitgebreide verzamelingen later door zijne achtingswaardige familie 
afgestaan aan de Leidsche Hoogeschool. De Hr. focke ^ Lid van het Ge- 
regtshof te Paramaribo, gaat steeds voort met planten te verzamelen en ge- 
droogd aan Hollandsche botanisten over te zenden. Allengs wordt alzoo onze 
kennis aangaande den toestand van het plantenrijk in dat schoone en vruchtbare 
land op goede gronden gevestigd. Maar de tijd is nog verre af, waarop wij 
zullen kunnen geacht worden de Surinaamsche Plora volledig te kennen. 
Geheel anders is het gesteld met de wetenschappelijke kennis van de aan 
Suriname aangrenzende landen van Zuid-Amerika. Het dusgenaamd Engelsch 
Guiana, dat is, onze voonnalige bezitting Demerary, is nimmer te voren zoo 
goed bekend geweest als thans. Dezen lof moet men zeker aan de Engel- 
sche natie ruimschoots toekennen, dat zij de waarde en den invloed der 
wetenschap erkent en die ook in hare bezittingen in vreemde landen toepast. 
De beroemde Sir robert schombiirgck onderzoekt sedert verscheidene jaren 



16 

die koloniën in alle rigtingen, ook en vooral botanisch. Zijne talrijke, over de 
natuurlijke geschiedenis en geographie van dat land, bekend gemaakte ge- 
schriften hebben hem de schitterendste belooningen van wege de Engelsche 
regering doen verwerven; terwijl zij, die zich hier te lande thans bezig houden 
met het onderzoek der planten van Suriname, vaak opheldering daarvan er- 
langen uit de voorwerpen door schombuugck in de aangrenzende Engelsche 
Bezittingen verzameld. Ik zou dit met merkwaardige voorbeelden kunnen 
staven. Het dusgenaamd Spaansch Guiana, dat is, Venezuela, Nieuw-Grenada, 
en het Caracasaansche gebied is ons voor een groot deel in zijne natuur- 
voortbrengselen bekend geworden, door de in 't begin dezer eeuw aldaar ge- 
dane navorschingen van den onovertroflen von humboldt. Het Eransche 
gebied is ons bekend door de nasporingen van aubt.et; terwijl eindelijk 
het meer zuidelijk gelegen Brazilië meer dan eenig gedeelte van Zuid-Amerika 
in onderscheidene rigtingen door talrijke natuuronderzoekers is doorkruist, 
tot groot nut voor den handel en de nijverheid. Ik zou hier nog kunnen 
spreken van de eilanden aan Amerika grenzende, waarvan de voortbrengselen 
zijn bekend geworden door tussac, ramon de la sagra en anderen. 

Zulke voorbeelden moeten ons aanmoedigen om eenen gelijken weg van 
onderzoek in te slaan of te blijven volgen, wat onze eigene Amerikaansche 
Bezittingen betreft, ten einde aldus te herstellen wat wij tot hiertoe, voorzeker 
niet tot eere of het belang des Vaderlands, verzuimden, of slechts gedeeltelijk 
behartigden. 

Indien ik intusschen nu zal handelen over den plantengroei van Suriname, 
zoo moet ik mij, elk gevoelt dit voorzeker, in groote moeijelijkheid bevin- 
den. Geheel iets anders toch is het, om in een geheel en streng weten- 
schappelijken zin eene zaak raedetedeelen, en eene geheel andere zaak is 
het zoo iets op eene populaire wijze voor te dragen. Ik ben aan mij zei ven 
verpligt hier aan te voeren, ten einde eene anders geregte aanmerking van 
onvolledigheid, of (men vergeve mij de uitdrukking) onwetenschappelijkheid, 
te ontgaan, dat ik slechts eenige meer in 't oog vallende punten kan aan- 
roeren, en mij zoo min mogelijk binden aan eene systematische behandeling. 

Er groeijen in de kolonie talrijke grassoorten. Daaronder zijn er van de 
fijnste en meest geschiktste tot voeding van hoornvee. Er zijn streken met 
de vruchtbaarste en de weelderigste grasvelden; maar het vee ontbreekt vaak, 
en daarmede de zuivel. Het ras van Surinaamsche koebeesten is Engelsch en 
Hollandsch, het is echter niet uitmuntend. Ondoelmatige behandeling, maar 
veelal het sleclite water is eene voorname reden, waarom dit niet beter is; 
de meeste plantagien toch zijn laag en vormen aan zee of aan de rivieren 
gelegen landen, ingedijkt op de wijze van onze polders, vaak door gebrek 
aan voldoende lozin*? en door de stortreo'ens aan eenen voor het vee on:re- 



17 

schikten waterstand onderhevig en daardoor voor de gezondheid nadeelig. 
Naar de bevinding van deskundigen, zijn de weiden in de hooger gelegene 
streken niet alleen drooger en toch weelderig, maar ook de landstreek zelve 
voor den mensch, die de zorg over het vee zou moeten hebben, in allen deele 
meer geschikt, maar bovenal gezonder. Belangrijk zijn de wenken tot ver- 
betering in dit opzigt, gegeven door den Hr. laxs, in zijne Bijdrage tot de 
hennis der kolo7iie Suriname 's Hage 1842. bl. 91 — 99. Kon men er 
toe geraken, om op eene der meest daartoe geschikte plantagien een of twee 
knappe boeren-huisgezinnen over te brengen en voor dezelven al de inrig- 
tingen daar te stellen, welke tot hun landbouw-bedrijf noodig zijn, — ik 
zou meenen, dat, van het voorbeeld eener enkele wel geslaagde zoodanige 
onderneming, groote resultaten, eene meer algemeene belangstelling, meer 
navolging, ja, in 't algemeen, veel meer wenschelijke gevolgen zouden 
zijn te verkrijgen, dan, na jaren van inspanning, na vele onkosten en eiu- 
delijke teleurstelling, zijn verkregen van het etablissement aan de Saramacca. 

De maïs behoort tot de nuttigste grasgewassen, die de aarde voortbrengt. 
Zuid-Amerika is in het opleveren van talrijke soorten van maïs het vrucht- 
baarste. Ook in de kolonie wordt maïs veel verbouwd tot voeder voor vee 
en voor raenschen. Het is mij niet bekend dat het maïs-raeel wordt uitge- 
voerd, althans naar Europa. Somwijlen worden er echter levensmiddelen af- 
gevoerd naar Cnyenue en bepaaldelijk meel. Bij mislukking van den oogst 
kan ook in Suriname, of bij groote en langdurige droogte, op Curagao ge- 
brek zijn. Mnar, ik zou vragen, of, bij eene toekomstige of wenschelijke 
uitbreiding van kuituur van den landbouw in de kolonie, ook de uitbreiding 
van den verbouw van Maïs niet zou kunnen in aanmerking komen als pro- 
dukt van uitvoer naar Nederland, waar, even als elders in Europa, het meest 
meelgevend gewas door een noodlottig bederf aangetast, eene dringende be- 
hoefte aan andere meelhoudende voortbrengsels heeft doen ontstaan en waar 
de meer algemeene verbouw van maïs tot het verkrijgen van meel Steeds aan 
onmiskenbare bezwaren onderhevig blijft; -^ ik ga talrijke andere meelgevende 
grasgewassen, gierst, rijst, het sorghumzaad, voorbij. Er is reden om te geloo- 
ven dat het suikerriet, thans in Amerika zoo algemeen, daar niet oorspron- 
kelijk is. De Engelsche industrie heeft aan die teelt en fabrikage groote 
voordeden aangebragt. Heeft men die vorderingen toegepast in de kolonie? 
Wij meenen, slechts bij uitzondering. Die zaak heeft intusschen reeds de aan- 
dacht en belangstelling van den vorigen Gouverneur van Suriname, Baron van 
RADERs, tot zich getrokken. Het is bekend, dat destijds eene commissie uit 
onze kolonie naar Britsch-West-Indie is afgezonden, om naar de vorderin- 
gen in dit opzigt, aldaar onderzoek te doen. 

De kolonie is rijk aan zoogenaamde Arums- of Arons-kelkige gewassen, 

II. 2 



18 

aldus genaamd, omdat de op eenen langen en dikken knods of steel geplaat- 
ste bloemen door een eigenaardig blad- of vliesachtig bekleedsel op de Avijze 
van eenen kelk zijn omgeven. Al die gewassen zijn, zonder nitzondering , 
vergiftig. En tocli heeft men ze ten nutte weten aan te wenden. De gekookte 
wortels of knollen worden met veiligheid tot voedsel aangewend, omdat door 
de hitte van de kooking het gift, dat vlugtig is, vervliegt. Er blijft eene bijna 
zuivere zetmeel-aardige stof over. Geene soort is meer algemeen aangewend 
dan de Calad'mm escidenhim^ in de fransche kolonie choux caraïbe genoemd. 

Er is in het plantenrijk eene groep, om hare schoonheid, hare pracht, hare 
weelderigheid, en men kan er bijvoegen, hare nuttigheid boven duizende 
andere planten geëerd, gewaardeerd. Het zijn de palmen, die men wel eens 
met den naam van de // Vorsten onder de gewassen" pleeg te bestempelen. 
Zij hebben hooge, vaak slanke stammen, aan welker toppen zich één bun- 
del van reusachtige groote bladen ontwikkelt. Niet zelden hebben zij eene 
hoogte, die afwisselt van 70, 80, 90 voeten, ja zelfs tot 160-180! Nu 
eens groeijen zij als 't ware maatschappelijk, dan weder vertoonen zij hunne 
statige krmnen boven het bladgewelf der wouden. Zij nemen in aantal en in 
soorten toe, naar gelang men den aequator, dat is de deelen der aarde na- 
dert, waar de vruchtbaarheid het grootste, waar het gelukkigste climaat is, 
en waar de natuur zonder 's menschen toedoen, eenen overvloed van de uit- 
muntendste voedingsgewassen oplevert en waar alzoo ook die plantenvorm in 
den hoogsten graad is ontwikkeld; waar de kokos zijne kruinen majestueus als 
ten hemel verheft op de eilanden van Oost-Indie; waar de Maurissie tiert 
in weelderige pracht aan de oevers der Orenoco; waar de dadel rijpt en aan 
geheele volken levensonderhoud geeft, - daar zou onze fantaisie, als 't ware, ons 
zelven doen voorstellen als levende in eenen benijdenswaardigen gelukstoestand. 

Met die schoone, maar tevens nuttige plantenvormen is Suriname rijkelijk 
bedeeld. Ik heb vroeger van de aldaar voorkomende soorten eene optelling 
gegeven, waaruit men mag besluiten, dat er ten minste 17 soorten voorkomen; 
eene groote verscheidenheid voorzeker, indien men in aanmerking neemt 
de betrekkelijk geringe oppervlakte, waarop zij daar voorkomen. Men mag 
bovendien veilig aannemen, dat er, door een voortgezet onderzoek, meerdere 
soorten zullen ontdekt worden. 

Op slechts enkele uitzonderingen na, zijn al die soorten belangrijke han- 
dels-artikels, ook indien zij zelve of hare produkten naar Europa worden 
overgevoerd; terwijl men tot laatstgeraeld doel bezigt kleine hermetisch gesloten 
kistjes, waarin worden gelegd rijpe zaden in min of meer vochtige aarde. 

//Aan de keerkringslanden van alle Werelddeelen ," zegt ton humboldï, 
//zijn voornamelijk drie plantenvormen, die door schoonheid uitmunten, ei- 
gen: de Palmen, de Pisanggewassen en de boomachtige Varens. Waar warmte 



19 

en vochtigheid gelijktijdig haren invloed uitoefenen, daar is de grootste ver- 
scheidenheid van vormen. Daarom is Zuid-Amerika het schoonste gedeelte 
van de Palmen-wereld" i). 

De phyto-geographische Tabellen van het beroemde Palmen-'^'erk van von 
MARTius geven, bij den eersten aanblik, al dadelijk de bevestiging van het- 
geen de grootste Natunronderzoeker van deze eeuw, voor ruim veertig ja- 
ren, heeft ter neder gesteld. 

Indien men nu de ligging van Suriname in aanmerking neemt, dan is 
het wel niet anders te verwachten, clan dat die schoone plantengroep, gelijk 
zoo vele andere familiën , ook daar onderscheidene vertegenwoordigers moet 
hebben. //Weinige landen toch kunnen, wat de weelde en de verscheidenheid 
der vegetatie betreft, met Hollandsch Guyana vergeleken worden; de gun- 
stigste omstandigheden schijnen zich aldaar te vereenigen, om aan het Plan- 
tenrijk dien luister bij te zetten, welken men slechts vindt tusschen de 
keerkringen, alwaar zij in de vochtige bosschen zeer algemeen voorkomt. 
Dit land, gelegen op eenen geringen afstand van de evenachtslijn, tus- 
schen den Oceaan en het gebergte dat hetzelve van Brazilië scheidt, 
moet dus eene zeer afwisselende Plora bezitten; en wanneer men hierbij 
voegt, dat de vruchtbaarheid van den grond door geen land op den gehee- 
len aardbodem wordt overtroffen, en dat eene gestadige warmte van 80o-95o 
Fahr., gepaard gaat met eene zeer sterke mate van vochtigheid, dan zal men 
zich niet verwonderen, dat men in zulk een klimaat eene onophoudelijke af- 
wisseling aantreft van bloemen en vruchten, die in den regentijd wel ver- 
mindert, maar nimmer geheel ophoudt" -). 

Over de palmen van Nederlandsch Guyana vindt men, tot hiertoe, niet 
dan enkele, korte, verspreide berigten. Wat ons omtrent de soorten van die 
schoone en belangrijke groep, in een wetenschappelijk opzigt, bekend is, dat 
waren wij tot nog toe verschuldigd aan de onderzoekingen van reizigers in 
andere gedeelten van Amerika gedaan, in zoo verre deze landen dezelfde 
soorten van palmen met Suriname gemeen hebben. Brazilië, Pransch Guyana, 
Demerary, Venezuela, Nieuw- Grenada tellen vele soorten van deze familie, 
welke ook in Suriname voorkomen. Men mag echter op goede gronden aan- 
nemen, dat de laatstgenoemde landstreek ook meerdere soorten telt, welke 
elders nog niet schijnen ontdekt, en veel minder, althans, zoo verre ons be- 
kend is, in de wetenschap opgenomen te zijn. 



') A7isichten der Nafar II. 103. Ed. van 1S26. Stutgart und Tubingen. 

*) Splitgeuber"s Botanische 'NalatenscJia'p. VUslajije naur het district Fara, in, de Kolonie 
Suriname. Uit sijne nagelatene papieren medegedeeld door w. u. dk VKlESi:. Tijdschr. voor Nat. 
Gesch. en Pht/s. XII deel, 103. 1845. 



20 
Wij kennen van Suriname thans de volgende soorten: ') 

Areca-vormen. Arecinae. 

De I'allsade-palm^ Eiiterpe oleracea mart. Palm. 29. t. 29-30 (E. 
globosa GAERTN. fruct. 1. 24. tab. 9? Manaca Maraeitanorum vel Palmito 
Humb. Nov. Gen. I. 315) onderscheidt zich, behalve de geslachts-ken- 
merken, nog door digtstaande bloemen, breede, eironde, aan den rand ge- 
tande kelkbladen der mannelijke bloemen, welke bijna half zoo lang, of iets 
langer zijn dan de lancetvormige bloembladen. De buitenste bloemdeelen zijn 
wit, de binnenste paars. Volgens von marïius is de stengel 80-120 en 
het loof van 8-12 voet hoog. (Martius t. a. pi. kunth. en. 3. 178). De 
Heer spliïgerber ontdekte deze palmsoort in Suriname, in het jaar 1838, 
bloeijende in Januarij en Pebruarij , met paarse bloemen. De stammen waren 
60-80 voeten hoog, bij eene dikte van 4-5 duimen. Het komt mij niet 
onwaarschijnlijk voor, dat de Surinaamsche plant het meest overeenkomt met 
E. pisifera /? gaertn. fruct. 2. p. 269. t. 139. fig. 4. omdat zij in allen 
deelen kleiner is dan de Braziliaansche. De naam Pina is voor dezelve bij 
de inboorlingen, naar 't schijnt, even gebruikelijk als die van PaUsade. 
(Herb. Splitg.. 318.) Zij komt ook voor in Columbie en Brazilië, en in 
laatstgenoemd land worden de onderste nog opgerolde deelen der bladstelen 
met de daarin bevatte beginselen van jong blad, als voedsel gebezigd of ge- 
kookt en met azijn, zout en jjeper toebereid, gebezigd. 

De tijd van invoer in de Europesche tuinen wordt door loudon (Hort. 
Brit. p. 382. ed. 1832) gesteld op het jaar ISOO, door sweet (Hort. Brit. 
715. 1859) op 1819, waaruit blijkt, dat men, in dit opzigt in 't onzekere 
verkeert. In het jaar 1846 ontving de Leidsche Akademietuin uit Suriname 
eenige duizenden deels gekiemde, deels ongekiemde zaden in een kistje met 
vochtige aarde, door de goedheid van den Heer van beefting te Valken- 
burg. Hierdoor ben ik in staat geweest, die plantsoort in 't groot te kulti- 
veren en aan alle tuinen en kweekers uit te reiken. 

Komhoe. Coman. Oenocarpis Bacaha Mart. Van Oenocarp^is {TVijuvnic/d) 
heeft VON martius vijf soorten opgeteld, welke allen te huis behooren in 
Amerika en niet ver van den evenaar verwijderd voorkomen. Zij hebben hooge, 
als geringde stammen, die inwendig een week weefsel bezitten, en aan wier 
toppen zich vinvormige, eenigzins gekrulde blaadjes bevinden. 



') Zie mijne Vrrli. dff Palmen vati Suriname in een der Jaarboeken van de Kon. Ncd. 
3Iaafsc/i. ioi Aanvi. van den Tuhihonw. Van die Verli. is' lut navül"-endc een kort uittreksel. 



21 

De Komhoe-palm of Coma n- pal dj , Oenocarpiis bacaha. Mart. onderscheidt 
zicli van de andere soorten van haar geslacht, niet alleen door eenen onf^e- 
doornden, naakten stengel, maar ook door verspreid staande bladen; door 
lijn- lancet vormige viubladen, door eirond-lancetvonnige slippen van den kelk, 
die driemaal kleiner zijn dan de kroonen; door langwerpige, puntige bloem- 
bladen, bijna bolvormige bessen, welke aan den top puntig zijn. Yox mar- 
Tius heeft zijnen O. bacaha als twijfelachtig tot de Palma cornon van au- 
BLET (Guian. Suppl. 102?) gebragt, en vermeldt dezen als in 't wild 
voorkomende in de bosschen aan de oevers van de Solimoë en Rio Xe<?ro, 
alwaar dezelve den naam heeft van Bacaba of Bacaba-assu. Hij zag deze 
plant het geheele jaar door bloeijen en in November en December vruchten 
dragen. De stam was 50-60 voeten hoog, regt en glad, terwijl de bladen 
24 spannen (ongeveer 2^ Nederl. el) lang waren. (Yox mahtius 1. c. 24. t. 
56. f. 1, 2. p. 165.) 

Onze landgenoot de Heer spi.iïgerbee (zie Herb. Splitg. 675) ontdekte 
deze palmsoort het eerst in de maand Maart 183S in de bosschen der ko- 
lonie Suriname, en wel in Para, nabij de plantagie Berlijn, de Blaauwe 
Berg, enz. Hij heeft de hoogte van den stengel aangeteekeud op 20-40 
voeten, en dus lager dan vox marïius. Het is mij uit een naauwgezet on- 
derzoek en uit de vergelijking der voorwerpen met de beschrijvin^-en en af- 
beeldingen van voN MAUTius genoegzaam gebleken, dat de bedoelde Suri- 
naamsche plant geene andere dan de gemelde soort is. 

Aan den Heer en Mr. h. c. focke is de Lejdsche Akademietuin den in- 
voer verpligt van eeuige kiemende noten, die hier weldra tot planten zijn 
opgegroeid. Yoor den handel zou het van belang zijn dergelijke noten in 
grooter aantal aan te voeren. Als hoogst zeldzame plant toch zou dezelve 
onzen handelaren groote winsten verzekeren. In Suriname worden, volgens de 
aanteekeningen van splitgerber, de vruchten gegeten. Yon martius deelt 
aangaande de noten van den Braziliaanschen palm mede, dat men op gast- 
malen afkooksels van de vruchten onder de grootste lekkernijen rekent. Ten 
slotte voegen wij hier bij, wat ook over het gebruik dezes palms door aü- 
BLET, in zijne Histoire des plantes de la Gujjane Franqaise^ is te boek 
gesteld: /'De Comon,'"' zegt aubi.et, "verheft zich zeer hoog en overtreft 
dikwijls de grootste boomen. De inboorlingen van Gujana, even als de kreo- 
leu en de negers, zijn zeer verlekkerd op zijne vrucht, die de mirabellen- 
pruimen evenaart; men kookt die in water met zout. De kreolen maken er 
eenen drank van, welke niet ongelijk is aan chocolade. Als de noot gekookt 
is, dan neemt men het vlies, hetwelk de boterachtige massa bedekt, weg: 
men scheidt deze laatste van de noot af, terwijl men de vrucht wrijft en in 
een vat met heet water schudt: en vianneor men die ijeheele massa heeft af- 



22 

gezonderd, vormt zich, ouder voortgaande schudding, een dikke melk of soort 
van raelkdrank (emulsie) ; men laat die loopen door een zeef, verwarmt op 
het vuur hetgeen er is doorgeloopen , voegt er suiker en zoodanige specerij 
bij als waaraan men de voorkeur geeft, en aldus bereiden zich de kreolen 
eenen chocolade-drank, dien zij niet minder verkiezen dan dien uit de kakao, 
De olie uit de comon-noten bezigt men bij spijzen." 

De Palmiei, Palmyt, Palmito, Palma Real. Oreodoxa regia H. et K. 
nov. gen. I. 305. wordt gerekend tot het geslacht Oreodoxa (willd. h. et 
K. MART. ENDL.), waarvau al de soorten slanke, geringde stammen hebben, 
met eindelings geplaatste, vinvormige bladen, met kamvormig uitgebreide 
vinbladen, die aan den top ongelijk gespleten zijn, in dier voege, dat de 
achterste slip de kleinere is; de voet van den bladsteel is rolrond en met 
eene lange schede voorzien. De inwendige bloeraschede is houtachtig, wikkelt 
al de takken van de bloeikolf in, en opent zich ten laatste aan den top. 

De Oreodoxa regia h. b. et kth. [Oenocarptis regius spr.) is soortelijk 
onderscheiden door eenen middelmatig hoogen stam, die in het midden eenig- 
zins is aangezwollen; door smalle lancetvormige, langpuntige vinnen; door 
elliptische steenvruchten en eene kringvormige uitbreiding van vaten in het 
zaad. (Zie von mart. 1, c. p. 166. en tab. 156. f. iii. iv.) 

Deze palmsoort komt, volgens den Heer ramon de la sagra, voor op 
Cuba [Hist. de Cuba p. 348). 

De Heer splitgerber zag die soort iu de kolonie Suriname in Pebr. - 
Maart 1838 (zie Herb. Splitg. 212) overal gekultiveerd. Hij trof dezelve aan 
met stammen van 40-60 voeten hoog, in het midden der lengte eenigzins 
verdikt, en de bloemen bevat in groene, 3-4 voet lange bloemscheden. 

Vermoedelijk is deze palm van Cuba ingevoerd. De schrijvers vermelden denzel- 
ven althans niet als een op het vaste land der Nieuwe Wereld inheemsch gewas. 

Indien men de vroegere in de jMederduitsche taal, over onze Amerikaansche 
Bezittingen en betrekkingen, verschenen geschriften opzigtens deze planten- 
groep raadpleegt, dan is het opmerkelijk, dat zij een groot aantal soorten van 
ongetwijfeld zeer verschillende palmen onder den algemeenen naam van Pal- 
miei vermelden. Dit nu maakt, dat al deze mededeelingen eigenlijk geenerlei, 
noch botanisch nut hebben, noch ook tot oeconomische aanwending kunnen 
dienen. Men zie, ouder anderen: Beschrijvinge van het heerlyche ende Geze- 
gende Landt Giiajana, waar in gelegen is de seer voorname Lant-streke 
Serrenamme, pag. 53, zonder opgave van jaartal, doch vermoedelijk van het 
laatst der Yl'^^ eeuw. Blijkbaar heeft de schrijver veel ontleend van een 
werkje in het jaar 1676 te Amsterdam uitgekomen, waarvan de titel is: 
Pertinente beschrijvinge va7i Guiatia, gelegen aan de vaste kust van Ame- 
rica., etc. Amst. 1676. 4", en voorts de Beschrijving van Guiana of de vjilde 



23 

hust^ in Zuid,- America en voornamelijh de volkplantingen Essequebo, De- 
merary, Berhice en Suriname, door Mr. jan jacob hartsinxk, 2 deelen. 
Amst. 1770. p. 71. 

Voorts is er bij die auteurs nog sprake van andere soorten van planten, die 
zij palmen noemen, als de Latanns, de Touron-Boom [Ivirapruriens aubl.?) 
de Manikole-hoomen (idem genus?), de Cokeriet-hoam , de lei-appelboom, de 
Aconjourou-boomen, de Parepe-boom, van alle welke de generische en soorts- 
bepaling allermoeijelijkst en onmogelijk moet worden geacht, zoo lang als de 
botanisten of zij die der wetenschap in de kolonie in dit opzigt kunnen van 
nut zijn, ons daarin niet behulpzaam zijn. 

Deze soort is reeds voor lang in de tuinen ingevoerd. Het juiste tijdstip 
is onzeker, maar moet wel zijn vóór 1836 (cat. Lodd.). In den Levdschen 
Kruidtuin zijn in ISiö door de goedheid van den Heer van beefting, te 
Valkenburg, eenige duizenden van die soort., in kiemenden staat ingevoerd. 

Baxiura Barrignda {der Portugezen), Iriartea ventricosa Mart. Het 
is mij niet bekend of deze palm eenen eigenen naam in de kolonie heeft. 
Dezelve is in vele opzigt en hoogst merkwaardig, maar vooral om zijnen 
stengel. Vermoedelijk bezit Suriname meerdere soorten. Van eene enkele echter, 
de hier bedoelde, is dit alleen zeker. Het geslacht Iriartea telt 7-S soorten. 
Zij komen eenzaam en op vochtige plaatsen in de bosschen voor. De eigenaar- 
dige ontwikkeling der wortels is hier vooral merkwaardig. De oorspronkelijke 
wortel dringt aanvankelijk door in den grond. Allengs evenwel vormen er 
zich zijdelings wortels op de oppervlakte van den stam, welke naar beneden 
groeijen en in den grond doordringen. De voortgaande wasdom op alle punten 
van de lengte dier wortels, maakt dat de stam als uit den grond wordt op- 
geheven; dat de oorspronkelijke wortel geheel buiten werkiug wordt gesteld 
en de zware stam, die eene aanzienlijke hoogte (SO-100 voeten) bereikt, 
als op eenen boven den grond verheven kegel van wortels rustende is. Het 
Palmen-werk van vox mabtius geeft, ter opheldering van dit verschijnsel, 
eene zeer schoone afbeelding i^'}»^). De bladen zijn aan den top eu de vin- 
bladen bijna trapeziumvormig, schuins aan den bladsteel aangegroeid, gevou- 
wen, dikwijls diep gespleten in tandvormige of afgeknotte lobben; de blad- 
stelen zijn aan de basis cilindervormig- opgerold, eu ontsluiten zich eindelijk 
zijdelings en in de lengte. 

De /. 'ventricosa onderscheidt zich door eenen in het midden buikig ge- 
zwollen stam, door van voren ui tgesch nipte, bogtige, eenigermate gevouwen 
vinblaadjes, 10-12 afvallende bloemscheden , doordien de kelken der helm- 
dragende bloemen behaard en de bessen bijna bolvormig zijn. 

Volgens voN martius (t. a. pi. 37. t. 35, 36) komt deze palm voor in 
de vochtige ondoordronc^en bosschen van Brazilië, aan de oevers der rivier 



24 

Solimoë. De Heer splitgerber vond deze palmsoort, in April 1838, op 
Berg en Baal; hij zag haar echter in nog jongen toestand. 

Deze soort wordt in Brazilië gebruikt tot het maken van allerlei huisraden, 
van vergiftigde pijlen, het bouwen van vaartuigen, van woningen; de bladen 
worden gebezigd tot beschutting, tot het maken van tenten om zich bij het 
nachtverblijf op vochtige plaatsen tegen de schadelijke en ongezonde daauw 
te beveiligen. Of men er in de kolonie nog eenig ander gebruik of nut van 
heeft, is mij onbekend. Sommige catalogussen voeren dezen naam onder de 
palmen. Of het juist zij, durf ik niet beslissen. 

Sago- dragende Palm. Rai^hia Ruffia Mart. Deze palmsoort wordt in 
Suriname, zoo veel bekend is, slechts zeer zeldzaam gecultiveerd, weshalve 
zij hier kan worden voorbijgegaan. De Heer splitgerber vond haar in den 
tuin van den Heer Voogd, op Combe, in Junij 1838 (zie Herb. 1048). De 
geschubde steng was 12-20 voeten hoog; de bladen waren 20 voeten lang, de 
bloei 10-15 voeten. (Men zie von marïius t. a. pi. 217. kunth Enum. 
III. 217). In de tuinen van Loddiges was reeds in 1820 deze soort. 

Calamus-vormen. Calameae. 
B. Waaijervormig-bladigen. 

Maurissle. Murichi. Moriche. llaurUie. [Ble Fdcker-palme). Mauritia 
fiexuosa L. Yier soorten maken het geslacht Mauritia uit. Zij komen sociaal 
voor op vochtige en lage plaatsen. Zij hebben een en hoogen, gladden, on- 
gewapenden of met kegelvormige dorens voorzienen stam, die rond, in- 
wendig sponsachtig en week is. De bladen zijn waaijervormig-vindeelig, en 
aan den rand somwijlen stekelig. De bloeikolven zijn dikwijls blijvende, en 
hangen neder tusschen de bladen uit de openingen der scheden; zij hebben 
de takken op twee rijen; deze zijn aardragende, schedevormende, geleed. De 
bloemen zijn lederachtig, roodbruin. 

De hier bedoelde soort onderscheidt zich door eenen regtopstaanden on- 
gedoornden stam; de bladen zijn waaijervormig-vindeelig, van onder van ge- 
lijke kleur als boven; de bladstelen zijn halfrond en gootvormig; de schubben 
der besvruchten zijn breeder dan lang. Dezelve komt op onderscheidene plaatsen 
voor in Brazilië, in Pransch Guyana, Berbice, Essequebo, in het Cumaansche 
en Caracasaansche gebied, aan de oevers der monden van de Orenoco, enz. 
(VoN MART. t, a. pi. 44. t. 40.) In Suriname bereikt zij de hoogte van 
30-50 voeten, soms 60-70, en komt vooral in vochtige en moerassige 
streken voor. De Heer splitgerber vond haar vrij algemeen op Potribo, Ca- 
nawappibOy Berlijn in Para, de Blaauwe Berg., enz. (Zie Herb. Splitg. 519.) 

De groei van deze palmsoort is uiterst traag, hoezeer het hout van een 



25 

zacht weefsel is. Men \ril dat zij om eene hoogte vau 25 voeten te bereiken, 
niet minder dan 120-150 jaren zou behoeven. 

Deze palmsoort is opgenomen in de catalogus van Loddiges van 184)2, 
in dien van van Houtte in 18-17 en van Maqoy in 184S. In 1817 ontving de 
Leydsche Kruidtuin die soort door de tusschenkorast van den Heer Baron 
VAX KADERS, dcstijds Gouvcmeur van Suriname. 

De Mauritie-palm maakt op vochtige plaatsen heerlijk schoone groepen 
van een helder glanzend groen. Zijne schaduwen door het gebladerte, maken 
dat de bodem vochtig blijft, en aldus moet men het verschijnsel, dat de 
Indianen voor een groot wonder houden, verklaren, dat de Mauritie, door 
eene soort van geheime attractie, het water om de wortels zou doen zamen- 
vloeijen. Van een gelijk beginsel uitgaande, raden zij aan om de slangen 
niet te dooden, omdat bij hunne uitroeijing de Lagunas of moerasgroeven 
zouden uitdroogen. Zoo worden oorzaak en uitwerksel verwisseld. Von hum- 
BOLDT, van de voordeden die deze palm oplevert, sprekende, noemt hem 
eenen Aveldadigen levensboom. Deze palm alleen voedt aan de monden van de 
Orenoco de vrije stammen der Guaranen. Zij maken hangmatten uit de blad- 
stelen, en spannen die van stam tot stam uit, om, wanneer in den regentijd de 
delta's overstroomen, even als de apen, te kunnen leven op hoornen. Deze zwe- 
vende hutten worden gedeeltelijk met klei bedekt. Op deze vochtige oppervlakte 
stoken de vrouwen vuur aan. Die bij nacht de rivier bevaart, ziet de vlam- 
men dier hangende vuren, bij wijze van rijen, van den grond verheven, hoog 
in de lucht opstijgen. 

Dezelfde plant levert den Guaranen velerlei voedsel. Even voor dat op het 
mannelijke individu de tedere bloemschede te voorschijn komt, bevat het 
merg van den stam een meel als sago, dat in schijven gesneden en gedroogd 
eene soort van brood levert. Het gegist sap is de zoete bedwelmenden palm- 
wijn der Guaranen. De vruchten geven, naarmate men dezelve vroeger of 
later nuttigt, een suiker- of een meelhoudend voedsel. Zoo vindt men, even 
als menige insekten, wier bestaan tot een enkel plantendeel beperkt is, het 
leven van eenen geheelen volksstam, in dit voorbeeld, als 't ware van eenen 
enkelen boom afhankelijk. (Hujib. Ans. p. 26. 15-1.) 

De Mauriiia fiexuosa is de Valme bache van aüblet t. a. pL 102. Wat 
deze beroemde kruidkundige ons over haar gebruik heeft medegedeeld, komt 
met de latere opgaven van von humboldt volkomen overeen. 

Borassus-vormen. Borassinae. 
B. Gevindbladigen. 

De Geonoma- of Tas-palmen, van welke 22 soorten bekend zijn, zijn 



26 

boschbewoners, met rietvormige, dunne, regtopstaande, stijve, geringde, gladde 
stammen. De bladen eerst eenvoudig, later in onregelmatige, gaafrandige, min 
of meer vlakke, zelden vinspletige blaadjes verdeeld, hebben schedevormende 
bladstelen, en zijn gedeeltelijk zijdelings gehecht aan den stam, of allen aan 
den toj). De bloeikolven komen van tusschen de bladen te voorschijn en be- 
staan uit aren of pluimen. De bloemscheden, zich in vezels van een scheidende, 
zijn meestal voor den bloei reeds als verdwenen. De bloemen, eerst, vóór den 
bloei namelijk, in de groeven van de bloeraspil verdiept, komen daaruit bij 
het bloeijen allengskens te voorschijn en zijn van eene stroogele of paarse 
kleur. De bessen zijn eirond of bolvormig, donker gekleurd, blinkende, min 
of meer vleeschachtig en smakeloos. 

Tas-Palm. Geonoma acuüfiora Maiit. De bladen zijn aan den top van den 
stam geplaatst, gevind en gespleten; de bloeikolven zijn takkig en behaard; de 
bloemen op drie of vijf rijen overeenliggende , in horizontale rigting van de 
kolven afwijkende, puntig; de kelken der mann. bloemen nagenoeg gelijk 
komende met de kroontjes, de bessen elliptisch. (Mart. 10. pi. 9.) 

Deze soort komt in Suriname voor in de bosschen der plantagie Onoribo^ 
en Para en aan de Blaauwe Berg. splitgerber vond haar in Junij 1838. 
De stam had de dikte van een vinger en was 6-10 voeten hoog. (Zie Herb 
926 en 647.) Deze hoogte-opgave stemt overeen met die van von martius, 
die haar zag in de vochtige bosschen van de oevers van den Amazonenstroom, 
alwaar de vruchten rijpen in November en December. G. acutiflora is, naar 
mijn weten, tot hiertoe, niet in de tuinen. 

Tas-Palm. Geonoma vmltiflora Mart. Het voorname verschil met de 
vorige soort komt neder op het gepluimd en behaard zijn der bloeikolven, op 
het veel kleiner zijn der kelken dan de kroonen van de mann. bloemen, op het 
zich sterswijs te voorschijn brengen van de tanden der bekers in de vrou- 
welijke bloemen, en het bolvormig zijn der bessen. (Mart. 7. pk 4. 5.) 

A'^olgens splitgerber (Herb. 954), die haar in Junij 1838 aantrof in de 
boschrijke en bergachtige streken van de Blaamve Berg, bereikt zij eene 
hoogte van 6-8 voeten, op eene dikte van naauwelijks éénen duim. De 
oppervlakte heeft witte ringen, die ongeveer twee strepen breed en op eenen 
afstand van 3-4 duim van elkander verwijderd zijn. Martius zag die in de 
Braziliaansche voorwerpen slechts op l-\ duim van elkander verwijderd. De 
bloeitijd is van Jan.-April; de tijd van vruchtdragen is in de mnniiden Oct.-Dec. 
(Mart.) Deze soort is in 1847, door de welwillende tusschenkomst van den 
Heer van beefting, ingevoerd in den Leydschen kruidtuin en alhier nog 
voorhanden. 

Vermoedelijk zal Suriname, behalve de twee gemelde, ook nog wel andere 
soorten van Tas-palmen bezitten, waaromtrent andere onderzoekingen zullen 



27 

moeten voorlichten. Ook dit onderzoek ben ik zoo vrij der bereidwilligheid 
gewoon van mijne Surinaamsche vrienden te blijven aanbevelen. 

TroeU-Palm. Ubiissu [Groot l^almblad). Manicaria saccifera Gaertn. 
De Troeli-palm bemint de vochtige bosschen van Brazilië en Suriname. Hij 
komt in eerstgenoemd land vooral voor nabij de oevers van den Amazonen- 
stroom en in onze Kolonie vooral aan de Saramacca^ op Hamburg (Herb. 
Splitg. 826) en elders. Zijn stam wordt 10-25 voeten hoog, zelden hooger, 
hij is dik, gelidteekend, zonder dorens; inwendig van een week en spons- 
achtig weefsel. De zaagtandige bladen zijn onverdeeld, stevig en zeer (15-20 
voeten) lang. De bloeikolf is in vele eenvoudige takken, die digt met bloe- 
men bezet zijn, verdeeld; hij is opgerigt als hij bloeit, doch hangt nederwaarts 
als hij vrucht heeft, is bruin van kleur en behaard. De bloemen zijn geel 
of roodachtig, groot. De zeer groote uootvruchten hebben eene kurkachtige 
schil. De bloemen zijn eenhuizig in groeven gelegen op eene en dezelfde 
bloeikolf, en met schutblaadjes voorzien; de onderste bloemen der takken zijn 
vrouwelijk. De bloemschede is netvormig-vezelig, voor uitrekking vatbaar en 
scheurt onregelmatig, indien deze uitrekking te zeer wordt voortgezet. Kelk en 
kroon zijn in beiderlei kunne driebladig. De mann. bloem heeft talrijke, de 
vrouwel. slechts sporen van meeldraden. De steenvrucht is 3-hokkig, zelden 1-2- 
hokkig, de zaadschil is van onder voorzien met ééne opening. Zij rijpt van 
Aug.-Oct. (VoN MAET. t. a. pi. 139-140. 230. tab. 198-9.) De golfslag voert 
de zaden ver henen, zoodat zij soms aanspoelen aan de Hebrides. 

De Indianen bedekken met de bladen hunne hutten. Zij drinken het vocht, 
dat in de onrijpe vruchten bevat is. De bloemschede dient hun tot hoofddeksel. 

Mautius verhaalt dat deze palm, als hij (van Pebr.-Mei) bloeit, alom 
eenen zeer sterken, doordringenden, bedwelmenden geur door de bosschen ver- 
spreidt. Gaertneti beweert, dat dezelve ook op Cura^ao zou voorkomen. Er 
is reden om dit te betwijfelen. Hij schijnt reeds voor 1836 in Europa inge- 
voerd te zijn. De Leydsche Kruidtuin ontving ook deze palmsoort het eerst 
door tusschenkomst van den Gouverneur Baron van raders. 

Kokos-vormen. Cocoinae. 

Desmoncus. Deze vorm van palmen is eigenaardig door de slappe rietach- 
tige stengels; doordien zij overal met stekels en haken bezet zijn en veelal 
tegen andere planten opklimmen; doordien de bladen zich over de geheele 
lengte van den stengel verbreiden; door schedevormende bladstelen; gevinde, 
eenigzins omgevouwen vinbladen, die aan den rand niet behaard zijn; door 
knoopachtige verdikkingen aan de stengels, stelen en stekels; door eenhuizige, 
eenvoudig vertakte bloeikolven, die uit de oksels der bladen te voorschiin 



28 

komen; door eeiie dubbele bloemschede, van welke de meer inwendige dikker 
en meestal doornachtig is; door ongesteelde gele bloemen, die met schut- 
blaadjes voorzien zijn; paarse steenvruchten met een dun vleeschachtig be- 
kleedsel en eene zwarte schil. 

De Des?uo?icus-sooTten vervangen in de N'euwe Wereld den Calamus-voim. 
van Oost-Indië. Zij zoeken heete schaduwrijke boschaadjen en werden niet 
opgemerkt boven eene hoogte van 1300 voeten. (Maiit. 48.) 

Veeldoornige Desmonciis. Atitari of latitara der Brazilïane7i. Desmoncus 
polyacanihos Mart. Deze soort heeft de bladscheden, stelen en klawieren met 
haakvormige dorens; de vinbladen zijn langwerpig, aan de beide einden 
smaller; de inwendige bloemschede is zeer sterk gedoomd; de dorens heb- 
ben eene knopachtige verdikte basis; de steenvruchten zijn bolvormig (Mahï. 
85. t. 68.) 

De klimmende stengel wordt in Suriname 30-40 voeten hoog. Split- 
GERBER zag deze soort in de groote bosschen van Para, bij Klein Onorïbo. 
(Zie Herb. 657.) 

Zij was reeds in 1836 in de verzameling van i.oddiges nabij Londen. 
Sterh gedoomde Desmoncus. Desmoncus horridus SpUtg. Mss. De stengel 
is in bogten gebogen, klimmende, 12-25 voeten lang; de onderste bladen 
5-6 voeten; de scheden der stelen, deze stelen zelve, de inwendige bloem- 
scheden en de bladen zijn met dorens; die regt zijn en ongelijk van grootte, 
de ranken zijn met haken voorzien, en, te rekenen van het bovenste paar 
vinbladen, ongeveer twee voeten lang; er zijn 18-24 pareu bladen; ieder 
blad is ongeveer 8-12" lang, 1-1?,'' breed; de steenvrucht is waarschijnlijk 
bolrond i). 

De boven, in korte trekken beschreven soort is nieuw. Immers onder de 
afgebeelde en beschrevene soorten (bij mart. 85 en kunth en. t. a. pi. 258 
sqq.) komt dezelve niet voor. Dit in bijzonderheden aan te toonen, kan niet 
zijn het onderwerp noch doel der tegenwoordige mededeeling; die, hoofdza- 
kelijk bedoelt om meer algemeen te doen kennen, wat de Kolonie in deze 
familie oplevert, en door de opgave der voornaamste kenmerken, tot hand- 
leiding te dienen voor hem, die deze familie aldaar nader wil onderzoeken, 
of in Nederland zich de gelegenheid wil verschaften om met deze planten 
bekend te worden en bij 't ontvangen of ontbieden van palmen van daar, 
weet, wat hij moet vragen, of wat hem wordt toegezondeïi. 



1) '/Caule flexuoso, 12-15' longo, frondibus inferioribus 5-6' longis; vaginis petiolaribus, 
rhacbidibus, spathisque interioribus et foliis aculcatis, aculeis rectis iisaequalibus; cirrhis uucatió 
inde ab ultimo pari piiiiiarum ultcrius in diioruui pcdum longituJiiu'iu proJuctis; fülioloruiu pari- 
bus 18-24; foliolis 8-12" longis, \-\\" latis; dnipis subglobosis (^) " 



29 

De Heer spmtgehber ontdekte deze schoone soort in November 1837 in 
de Kolonie, en wel niet zeldzaam voorkomende in de bosschen en tusschen 
struiken, nabij Paramaribo. (Zie Herb. 61). Zij was in 1847 in den Am- 
sterdamschen Kruidtuin, volgens de opgave van den Heer j. c. groenewegen 
(Maandschr. voor Tuinb. 1847. 76), voorhanden. 

Bactris. Dit palmengeslacht heeft de stammen zeldzaam hooger dan 10-20 
voeten, meestal lager; zij zijn of boomachtig of rietachtig, zoodevormende , 
en planten zich door loten-afgevende wortels voort. De meeste soorten hebben 
zwarte of bruine dorens, die onder de scheden der bladen zijn verborgen en 
bij het afvallen dier scheden afwijken; Aveinige zijn zonder dorens. De bladen 
zijn gevind, de vinbladen zijn kamvormig geplaatst of verspreid, de bladnerven 
zijn overal voorzien met fijne stijve haren. De bloemscheden zijn of aan den 
top of aan de zijden; de uitwendige is doorgaans minder sterk gedoomd dan 
de inwendige. De bloeikolf is eenvoudig, of eenvoudig takkig met ongelijke 
takken. De bloemen zijn geel-groen of rood. 

Paramaka. Bactris Faraënsis 8])lU(j. Mss. Deze merkwaardige palmsoort 
heeft geen stam zoo als de meeste overigen, maar ontwikkelt daarentegen 
zeer lange bladen, die 18-25 voeten lang worden; de bladstelen zijn sterk 
gedoomd, maar naar den top toe bijna zonder doornen; de bladen zijn aan 
den top stekelig en randharig, aan de ondervlakte zijn zij witachtig en min 
of meer borstelharig; de doornen zijn somwijlen 3-4 duimen lang, opgerigt, 
afgewend of neergebogen; de bloemschede is met digte zwarte borstels en 
doornen bezet; de bloeikolf is regtstandig, trosvormig, zeer sterk gedoomd; 
de steenvruchten eirond-langwerpig, borstelig '). 

De Heer splitgekber vond de Paramaka^ in Maart van 1838, in de 
meest inwendige bosschen van Suriname. Hij schreef over dezelve het na- 
volgende: //Onder het hooge hout in Para, dat is, onder loodregte en vol- 
komen gave stammen, die 50-75 voeten bereiken zonder eenen enkelen tak 
te maken, en wier wijd uitgespreide kruinen het overheerlijkste gewelf vor- 
men, dat men zich denken kan, waardoor geen zonnestraal heendringt — on- 
der dit hooge hout, zegt hij, treft men eene geringe vegetatie aan: alle ge- 
wassen van eene meer lage statuur schijnen als versmoord te worden. Ééne 
palmsoort echter schijnt den eeuwigen lommer dier bosschen niet te schu- 
wen: deze is Paramaka, eene soort van Bactris. Deze zonderlinge palm heeft 
geenen stam, zoodat de bladen van over de 25 voeten lengte, als het ware 



') '/Acaulis, frondibns 18-25 pedalibus, prtiolis rachiJibusque aculcatissimis , versus apicem 
fcre iiicrmibiis, piniiis sparsis liucari-lanccolatis, apicc aculcato-ciliatis, subtus albiJis setulosis; 
aculeis intcrdnm 3-1 pollicaribns, crectis , patulis, rcciivvis ; spatha dcnsc uigro-setosa et acu- 
Irnta, spadicc crcctii , raccnioso , acnloali.~ni<> . dnipis ovato-obloiigis, sctosis,"' 



30 

onmiddelijk uit den grond schijnen voort te komen. Zij zijn gewapend met 
eene menigte verschrikkelijk scherpe dorens, waarvan enkele wel een vinger 
lang zijn. De negers beminnen grootelijks de vruchten van dezen palm. Mij 
kwamen zij smakeloos voor" i). 

Yan de Paramaka ontving de Leydsche Kruidtuin in 1847 eenige exem- 
plaren uit Suriname , door de goedheid van den Heer vais' beepting. Zoo 
ver mij bekend is, komt die palm nog in geenen anderen tuin voor. De 
voorstanders van horticultuur en planten-handel in de kolonie, die dezen 
palm in groote massa van kiemende zaden kunnen aanvoeren , zullen daar- 
door de belangen van den handel zeer bevorderen. 

Bactris met lange bladpunten. Bactris cuspidaia Mart. De stengel is 
rietvormig, 4-5 voet hoog, zoo dik als een zwanenschacht , behaard; de 
bladstelen zijn aan den schedevormenden voet en beneden de vinbladen met 
dorens, de stelen zijn ongedoornd, de vinbladen zijn verspreid, langwerpig- 
lancetvormig , sijsvormig, langpuntig, onbehaard, randharig; de schede is 
lan g-borstelig; de bloeikolf is 2-3 spletig. Volgens von martius (t. a. pi. 
103. tab. 73) groeit deze soort in Brazilië aan de rivieren Japura en Soli- 
moë van de provincie Rio Negro en bloeit in December. De Heer split- 
GERBER vond dezclve in de bosschen nabij de Blaamoe Berg. (Herb. n». 
953.) Bij i,ouDON lezen wij dat de tijd van invoer in de tuinen was 1826; 
bij swEET, 1825. 

Meerdere Bactris-soorten zijn in de kolonie voorhanden. Hieraan is geen 
twijfel. Maar het is allermoeijelijkst, om, vooral bij min volledige voorwer- 
pen, tot goede soortsbepalingen te geraken. Deze vormen mogen alzoo tot 
een herhaald onderzoek op de plaats zelve worden aanbevolen. 

Awarra. Astrocaryum Awarra [N. sj).?) Er zijn, tot dusverre, slechts tien 
soorten van het geslacht Astrocaryum door de schrijvers vermeld, en het is 
welligt mogelijk dat de plant, welke wij hier boven hebben aangeduid als 
Awarra, een nieuwe is. Ik maak steeds zwarigheid om dezelve als zooda- 
nig aan te nemen, en ik wensch dus dat men mij vergunne deze soort 
voorloopig nog als twijfelachtig voor te stellen, om daarop, zoo noodig, 
nader terug te komen of haar, indien mijne overtuiging mij daartoe mogt 
brengen, als verscheidenheid voor te dragen. 

Er is in de tuinen eene palmsoort, die onder den naam van A. guianense 
voorkomt, en dezen ook heeft op de catalogussen. De exemplaren door mij 
van die tuinplanten gezien, waren altijd te klein, om met eenige waarschijn- 
lijkheid te bepalen of zij tot eene der bekende soorten behoorden. Het zijn 



>) Splitg. Bot. Nalaf. t. a. pi. p. 172. 



31 

welligt Awarras. Maar, ware dit zoo, ik zou daarin geene genoegzame re- 
den vinden om dien tuinnaam aan te nemen, tenzij men de zekerheid mogt 
kunnen erlangen, dat deze soort alleen in Guyana voorkomt en dat die land- 
streek geene andere Astrocarya bezit. 

De soorten van dit geslacht hebben eenen middelmatig hoogen stam. Zel- 
den missen zij den stengel. Zij komen in groot aantal voor in boschrijke, 
vochtige, heete plaatsen, en zij zijn aldaar verspreid of digt op een geplaatst. 
De stam is overal , behalve ter plaatse van de ringen , met stevige zwarte 
dorens voorzien, die denzelven als "t ware ongenaakbaar maken. De bladen 
staan alle aan den top en zijn gevind. De vinbladen hebben dorens aan den 
rand, en zijn in de meeste soorten zilverwit aan de ondervlakte, terwijl de 
bladstelen ongedoornd zijn. De bloeikolven zijn eenvoudig takkig, even als 
de stam zelf, ongenaakbaar door dorens of borstels, dikwijls wit-zachtharig, 
en besloten in houtachtige gedoomde bloemscheden, die tusschen de bladen 
zijn geplaatst. 

De Aioarra schijnt het meest overeen te komen met yi. vulgare mar. (p. 
74. t. 62. 63), maar verschilt daarvan hoofdzakelijk doordien de ondervlakte 
der bladen niet zilverwit is. De stam is 10-2Ö' hoog, regt 4-7'' dik, 
rolrond, de ringen staan 7-10" van elkander af, naar de basis is de stam 
bijna ongedoornd, naar boven zijn in de tusschenstanden der ringen zware, 
digt staande, zwarte, blinkende dorens van ongelijke grootte, doch meestal 
zeer groot, 5" lang, regt of omgebogen en daardoor schier niet te genaken. 
Het loof met de bladstelen is 10-12' lang. De bladstelen hebben, te reke- 
nen van de basis tot aan het eerste paar vinnen, eene lengte van 4'. De al- 
gemeene stelen der bladen zijn zeer sterk gedoomd, doch naar den top toe 
bijna ongedoornd. De steenvruchten zijn met eene oranjekleurige opperhuid 
bedekt, en nabij de schaal met overlangs loopende vezels voorzien '). 

Nabij de stad Paramaribo, in de bosschen en op de velden is deze palm- 
soort zeer algemeen. De vruchten worden als eene lekkernij door de inlan- 
ders gegeten. (Herb. Splitg. 60.) Bij von martius (t. a. pL 70) wordt 
van slechts éene soort van dit geslacht, A. murumuru^ opgegeven dat 
de noten eetbaar zijn. Splitgerber vond deze soort bloeijende in Febr.- 
Maart 1838. 



') Caiidex 10-25' altus, erpctus, cylindricus, 5-7" crassus, annulis 7-10" a se invicem 
distantibus, basin versus subinermis, superne ia interstitiis annulorum aculeis densis , atris, niti- 
dis, maximis, 5" longis, iiiaequalibus , erectis vel recurvis liorridus. Frondes 10-12'; petioli a 
basi ad pinnas primas usque fere 4'. Rhachides aculeatissimae , versus apicem subinermes , jMnnis 
subtus haud argenteo-albis. Drnpae auranticae, ad putamen fibris longitudinalibus percursae, 
ediiles. 



32 

De Leydsche Kruidtuin ontving voor eenigc jaren van den Heer Mr. h. 
c. FOCKE enkele kiemende noten van de Awarra, die welig opgroeiden. 

B. Ongedoornden. Inermes. 

Olie-P ahniet van de ktist van Guinea. Elaeis Guineënsis Lhm. Mart. 
Deze palm is algemeen in de tuinen (•waarschijnlijk reeds lang voor de eer- 
ste aanteekeningen van loddiges, 1836). Hij schijnt geen inboorling te zijn 
van het vasteland van Amerika en alzoo ook in Suriname ingevoerd te we- 
zen. De Heer spliïgerber erkende dien aldaar in Mei 1838 (zi?, Herb. n». 
467) als niet zeldzaam voorkomende in de nabijheid van Paramaribo, heb- 
bende stammen van 10-20 voeten hoog. In Brazilië wordt deze palm Coco 
(Ie (lente geheeten. Vrij algemeen stelt men dat de Ethiopiërs denzelven van 
Guinea derwaarts overbragten. Op de Antilles wordt hij almede gekultiveerd 
en daarin is een grond te meer, om dit gewas niet als eigen aan de Nieuwe 
Wereld te achten. Het bemint opene en zanderige, min vochtige plaatsen in 
de nabijheid der woningen. Het komt veelal voor in tuinen en plantagiën, 
doch niet in de oorspronkelijke bosschen. In Guinea daarentegen schijnt het 
algemeen voor te komen. Uit de vruchten bereidt men eene gele olie of bo- 
ter, die bijna smakeloos maar aangenaam van geur is en tot bereiding van 
zeep wordt aangewend. (Von maet. t. a. pi. 63. tab. 54. 56.) 

De Kalappns. Klapper. Kokosnoot-Palm. Cocos Nucifera l. De Kokos- 
palm is een bewoner der zuidelijke kustlanden van Oost-Indië, vooral der 
Sunda-eilanden en Molukkos. Van daar is hij verhuisd naar al de keerkrings- 
landen der geheele aarde. Hij is een der nuttigste gewassen van den aardbo- 
dem en voorziet den bewoner der landen waar hij zoo veelvuldig voorkomt, 
in al zijne behoeften. Hij bemint vochtige en moerassige plaatsen, doch be- 
vindt zich zeldzamer op hooge bergen. Ook in Suriname wordt hij gekweekt. 
(Splitg. herb. 318). 

Het hier bedoelde palmgewas is een der oudste bewoners der tuinen. De 
noten, van Indië herwaarts aangevoerd, ontwikkelen zich in onze kassen ge- 
makkelijk. De plant groeit uitnemend traag en eerst na jaren verkrijgen de 
bladen den eigenaardigen gevinden vorm. De Kokos is een der teederste pal- 
men, en zeldzaam treft men exemplaren van eenige beteekenis aan. De Leyd- 
sche Kruidtuin ontving voor eenige jaren een en andermaal voorwerpen van 
die soort, waarvoor Avij aan den weiwillenden gever, Jhr. Mr. d. r. gevers 
DEYNOOT, bij dezen, openlijke hulde herhalen. 

Maripa-palm. Palma iuaja. Maxiiniliana regia Mart. Palmen van de 
schoonste houding niet eencn middelmatigen of zeer hoogen , regten stam , die 

( Wordt vervolgd.) 



r 



\ 




33 



BILLBERGIA TOEGEWIJD AAN PRINS CAMILLE DE ROHAN. 

BILLBERGIA ROHAMANA DE VRIESE. 

ANANASACHTIGE PLANTEN. BROMELIACEAE. ZESHELMIGEN. EENSTIJLIGEN. 
HEXANDRIA. MONOGYNIA. 



Char. gen. Vide vol I. p. 353. 

Char, SpeCIEI. — Billbergia Rohaniana 

DE VRIESE. Foliis rigidis , obscure-viridibus, 
albo-farinoso-latoque vittatis, margine nigro- 
aculeatis ; scapo racemoso , pulchre carneo ; 
bracteis oblongo-vel ovato-lanceolatis , subacu- 
minatis, pulchenime roseis, pellucidisque ; ca- 
1 ycibus roseis , adpressis ; corollis in anthesi con- 
tortis, coeruleo-nibris, petalis in flore aperto 



basi pulchre sanguineis , lamina pulchre cyaneis , 
revolutis. Pistülo clavato , apice valde tumido , 
spirali, pulchre coerulescente , stilo viridi. 

Dico plantam pulcherrimam Serenissimo Prin- 
cipi CAMILLO DE ROHAN , botaniccs et horti- 
culturae eximio Fautori. 

BiUbergia Rohaniana de vriese in Plant, 
nov. et minus cognitis , quae coluntur anno 
1854 in Horto Acad. Lugd. Bat. L. B. 1854. 



Deze Billbergia is ongetwijfeld eene der schoonste, welke, tot dus verre , in 
kuituur zijn gebragt. De regtstandige en stijve bladen met witte breede band- 
vormige strepen afwisselende ; - de sclioone rozenroode bracteën en kelken ; de 
hemelschblaauwe kroonen, de in haar geheel neerhangende bloei en meer an- 
dere kenmerken maken deze plantsoort tot eene der prachtigste onder de 
Bromeliaceën. Wij kweeken haar in eenen bak, die boven de waterhuizen 
loopt. Wij zien haar jaarlijks bloeijen, waartoe blootstelling aan het licht en 
eene enge ruimte voor den wortel veel schijnt bij te dragen. 

Deze plantsoort is nooit beschreven, maar komt onder verschillendenamen 
voor. Ik wijdde haar aan den bekenden grooten voorstander der kuituur Prins 
CAMii.LE DE ROHAN, die in het afgeloopen jaar onzen kruidtuin met een be- 
zoek vereerd heeft. d. v. 



34 



OVER LILIUM GIGANTEUM. 

Het wegens zijne Plora zoo merkwaardige Japan heeft in de laatste jaren 
onze tuinen vooral verrijkt met prachtige Liliaceën. Aan den Heer van houtte 
te Gend, is men de verspreiding daarvan verschuldigd (hoewel zij vooral 
door Jhr. von siebot.d van daar zijn ingevoerd). Wij bedoelen de Lilinm 
lancifoUum, speciosum en zijne rijke verscheidenheden; de Lilium Brownei^ 
etc. Heden ten dage bewonderen wij nog eene, door hare houding, hare zon- 
derlinge bladen, hare enorme stengels en groote bloemen uiterst merkwaardi- 
ge soort. Het is de Lilium giganteum, welke ons, inderdaad lang gesteelde 
bladen aantoont met een eirond-rondachtigen zoom, wier oppervlakte blin- 
kende is en eene breedte heeft van 0°',20. 

Men heeft die plant tot hiertoe gekweekt in potten met heiaarde, op wel- 
ker bodem men scherven legt en die men des winters binnens huis of onder 
glas brengt. De Heer cachet te Angers heeft echter deze plant gekweekt 
in de open lucht, nabij Angers, en dit wel onder eene temperatuur van !# C. 
(ongeveer 48^ Fahr.). Dit voorwerp had in de maand Mei 1854 eene veel 
sterkere ontwikkeling dan onderscheidene andere planten van dezelfde soort, 
welke in potten gekweekt en in de serre temperée bewaard waren. 

De Heer pépin meldt dat hij te Parijs een schoon voorwerp van deze 
soort gezien heeft, hetwelk in eenen pot en gedeeltelijk was geplaatst in 
eenen schotel, die met water gevuld was. Dit voorwerp groeide daarin op de 
wijze van de Richardia aetJiiojyica of Sagiitaria lancifolia. Het is te voor- 
zien dat deze schooue plant eenmaal zal kunnen worden gekweekt in den 
vollen grond , maar bij voorkeur in veenachtigen en vochtigen grond.^De Hr. 
PEPiN meent dat men haar welligt zal kunnen plaatsen op de randen van 
bassins met de Pontederia, enz. [Revue Jiort. Aug. 1854. p. 297.) 

Ik merk hierbij op, dat, zoo ik mij niet vergis, ook onze bekwame land- 
genoot de Heer affourïit te Utrecht, deze Lilium-soort in den open grond 
heeft gekweekt; voorts, is het thans vrij algemeen bekend, dat zij bijna in 
alle verzamelingen voorkomt. In het vorige jaar zag ik bij veitch & Co. 
nabij Londen een exemplaar, binnens huis, 't welk pas had gebloeid en toen, 
naar ik gis, 10-12 voeten hoog was. 



35 



GUANO VOOR ORCHIDEÈN-KULTUUR. 

Proeven genomen te Chiswick in de tuinen van de HorticuUural Society 
hebben bewezen dat Guano genoegzaam opgelost in regenwater, den groei der 
Orchideën sterk bevordert, zonder er in eenig opzigt nadeel aan te doen. Door 
dezelve alle veertien dagen eenmaal te begieten met dit water, zal men plan- 
ten bekomen, die uitmuntend groeijeu en veel grooter bloemen dan gewoon- 
lijk opleveren, (galeotti, in Journ. cVhort. de Brux. 1855-32). 



DE BOTANISCHE TUIN VAN PERADENIA (ceylon). 

In het Journal of hotany berigt Sir. william daaromtrent het onder- 
staande (Febr. 1855 p. 62.) 

Mr. THWAiTEs heeft onlangs een zeer gunstig rapport over dien tuin uit- 
gebragt en hij heeft, zonder de wetenschappelijke belangen van denzelvenuit 
het oog te verliezen, vooral zijne aandacht gevestigd op den invoer, de kui- 
tuur en de verspreiding van nuttige planten; thee, beste indische gember, 
onderscheidene soorten van katoen, manilla-hennep, de meest uitgezochte 
soorten van ananassen, tabak, konzenielje-cactussen, braziel-hout en meerdere 
sierplanten zijn binnen een jaar ingevoerd, in de kweekerijen opgegroeid en 
meer of min verspreid, naar gelang zij vermenigvuldigd zijn. Een museum en eene 
inrigting voor oeconomische botanie heeft men daar gevormd en men heeft vooral 
de aandacht gevestigd op de verschillende weefsels, opgeleverd door inland- 
sche planten, aan welke geen gebrek bestaat. Hiervan zijn stalen voorgelegd 
aan de kamer van koophandel, om hunne waarde te bepalen. Modellen van 
de werktuigen zijn vervaardigd en ten toon gesteld, zoodat de hoofdlieden 
en anderen ze in hunne werking kunnen zien. Sir thwaites houdt zich onder 
de zamenwerking van het gouvernement en andere personen onledig om eene 
zeer volledige verzameling van de oliën en gomsoorten en andere voortbreng- 
selen van het plantenrijk van Ceylon te maken, met het doel om de mon- 
sters van ieder van dezelve te zenden naar Engeland, opdat ze daar behoor- 
lijk kunnen beoordeeld worden. Met zulke bedoelingen moet de tuin van een 
zeer groot nut worden voor de publieke belangen en verdient hij zeker de 
warme belangstelling van het koloniaal gouvernement. 

Ieder jaar maakt de Heer thw^aites excursiën , die hem ook in staat stellen 
nieuwe soorten te voegen bij de Ceylonsche Elora. Het herbarium van dat land 
bevat nu 2757 soorten, de varens ingesloten, maar met uitzondering van al de 



36 

andere cryptogamische fainiliëii. De nieuwe iilanten worden geteekend en alle 
deze materialen zullen dienen voor de uitgave van eene complete Flora van 
dat eiland. 



-Opmerkingen aangaande dioscorea batatas. 



VAN DEN HEER 



DECAISNE. 



De Heer decaisne zond mij onlangs eenige mededeelingen door hem ge- 
daan bij het Pransche Instituut en bij andere gelegenheden voorgedragen 
of openbaar gemaakt. Het belang dezer zaak, maar bovendien het verschil 
van gevoelen, hetwelk te dezen aanzien ontstaan was, vordert, dat wij op die 
zaak terug komen, te meer, daar wij onder het getal van diegenen hebben 
behoord, die zich niet geheel en al aan zijne zijde schaarden, wat betreft 
zijne nomenclatuur. 

Dan, ter zake. Wij lezen in de Revue Jiorticole (Pebr. 1835 p. 69) zijne 
Remarques au sujet du Dioscorea ^«x^a^a^, letterlijk vertaald het onderstaande: 
//Niettegenstaande de zorg, welke ik heb genomen om de karakters der Chine- 
sche Iguame [Dioscorea Batatas) met juistheid op te geven, gaan onderscheidene 
personen, zoowel kruidkundigen als kweekers, in de veronderstelling dat er eene 
dwaling had plaats gehad in de door mij voorgedragene soortsbepaling, voort 
om die plant voor te dragen onder den naam van Dioscorea Japonica. Daar 
het nu volstrekt noodig is, dat in den landbouw de soorten van een en het 
zelfde geslacht en dikwerf zelfs de verscheidenheden van eene en dezelfde 
soort wel onderscheiden worden, zoo heb ik het noodig geacht voor het ver- 
volg alle twijfelingen dienaangaande weg te nemen, zoodanig, dat men deze 
beide soorten niet meer met elkander zal kunnen verwisselen. 

//Dat doel hoop ik te bereiken door van beide soorten eene vergelijkende 
beschrijving te geven en tevens van beide eene afbeelding, waardoor men in 
staat is om bij den eersten opslag de karakteristieke verschillen te kennen. 
De beschrijving van de Japansche plant is gemaakt naar aanleiding van een 
authentiek voorwerp van het Eijks herbarium, mij medegedeeld door mijnen 
vriend Prof. bi.ume te Leiden, en hetwelk, door een gelukkig toeval, af- 
komstig is van een mannelijk individu, evenzeer als onze voorwerpen tot de 
Chinesche Ignarae behoorende; eene omstandigheid, welke maakt, dat beide 
soorten met volkomen regt onderling kunnen worden vergeleken. De lezers 
zullen, even als ik zelf, naar de fig. 4 en 5 en de beschrijvingen, welke wij 



\ 



37 

laten volgen, kunnen beoordeelen, of de scheiding der beide Iguainen in twee 
verschillende soorten, al, of niet op goede gronden is berustende." 

(Wij laten hieronder slechts de vergelijkende beschrijvingen volgen, daar 
\vij, om bijzondere redenen, op de houtgravuren zelve, niet nu, maar later 
zullen moeten terug komen, vertrouwende dat wij, op het einde van dezen 
zomer beter zullen in staat zijn om de stellingen van den geleerden de- 
CAisxE te waardeeren). 

VERGELIJKENDE BESCHRIJVINGEN. 



Dïoscorea Batatas. Dcne. 

"üe stengen en takken zijn rolrond of eeni- 
germatc hoekig, gestreept, paars geteekend, en in 
de sterkste voorwerpen de dikte van eene schrijf- 
pen hebbende; de takken zijn doorgaans korter 
en hebben zij gemiddeld 14-2 mill. dikte. 

De infeniochen of l^de7i wisselen zeer af in 
lengte , welke van 0™03 tot 0™10 of meer ver- 
schilt. 

Bladen (de bladzoom alleen) driehoekig, hart- 
vormig, bijna even breed of zelfs somwijlen 
breeder dan lang, min of meer stomp of pun- 
tig aan den top, dikwijls met eene duidelijke 
punt (apiculées) voorzien (gespitst), met rond- 
achtige lobben aan de basis, welke van elkan- 
der verwijderd staan, door eene breede en niet 
zeer diepe bogt, en aan de zijde min of meer 
buiten het ovcri|^ van den bladzoom uitstekende 
{déhordant un peu Ie resie du, linbe sur les 
cótes). De bladen (zonder den bladsteel mede te 
rekenen) hebben eene gemiddelde breedte en 
lengte van O^OJ; tot 0™05; zij zijn een weinig 
lederachtig, van onder iets breeder, gekleurd. 

De hladsteleii hebben eene lengte van 0,™03- 
•Oj^Oi, zijn gootvormig, van boven gevleugeld 
aan de basis gczwoUen en aan den oorsprong 
van den zoom zijn zij violetkleurig. 

De bloeiwijze bestaat uit okselstandige aren, 
welke dikwijls zich in getale van twee bevin- 
den in den bladhoek, of die, om duidelijker te 
spreken, ontstaan uit de gafFelige, bijna aan de 
basis aanvangende verdeeling van eenen enkelen 
bloeijenden tak, die doorgaans korter is dan de 
heen en wcêr gebogen en hoekige bladsteel , ter- 
wijl zij dikwijls als in eene soort van kluwen 
zijn zamengetrokken. 



Dioscorea Japonica Thbg. 

"De stengen en takken zeer dun, om zoo te 
zeggen draadvormig, glad, hebbende ter naau- 
wcrnood meer dan een mill. in dikte en dik- 
werf dunner. 

De internodién of Uden verschiDen weinig, 
zij bereiken ongeveer O™ 10 in lengte. 

BUden (de zoom alleen). Deze is eirond of 
cirond-langwerpig , min of meer diep-hartvor- 
mig aan de basis, somwijlen zeer ligt driehoe- 
kig door de vaneenwijking {écartemeiit) der 
lobben , welke afgerond zijn en die niet dan zel- 
den over het overige gedeelte van den zoom 
uitsteken (ne debordant que rarement Ie reste 
du limbe), zij zijn voorzien van lange toppen 
en zijn zeer scherphoekig aan den top. De bla- 
den zijn (zonder den bladsteel) 0™,02-0™,03 
breed en 0™,08-0™,09 lang; zij zijn dun, en 
van onder met kleine bruine stippen voorzien. 



Zijn 0™,04! lang, dun, ter naauwemood zijn 
zij van onder gootvormig, en even als de on- 
derste vlakte der bladen zeer lijn bruin-ge- 
stippeld. 

Bestaat uit okselstandige, eenzame, zeer zel- 
den twee aan twee geplaatste aren , en zij zijn 
dit alsdan ten gevolge van dichotomie even als 
in D. Batatas, zeer dun, draadvormig, rol- 
rond en twee- of driemaal langer dan de blad- 
steel en zelfs lanccr dan het criheele blad. 



38 

In het bovenstaande heb ik niets clan de difïerentieële kenmerken van de 
beide planten aangehaald; terwijl al de overige kenmerken, welke aan beide 
gemeen zijn, zoo als het winden van de stengen, het afwisselend of tegen- 
overgesteld geplaatst zijn van de bladen, ecne zamenvloeijing van de nerven 
aan den bladtop , al deze kenmerken , zeg ik , tot de zaak in kwestie geener- 
lei betrekking hebben. 

Alvorens verder te gaan, meen ik aan de kweekers eenen raad te moeten 
geven, ten einde hen vrij te waren tegen teleurstellingen, en tevens de toe- 
komst onzer plant te verzekeren. 

Sommige handelaars verkoopen als zaad van de Igname, de bolletjes, die 
zich in de oksels der bladen ontwikkelen. Uit deze bolletjes die de grootte 
hebben van eene erwt, zullen zich zonder twijfel de planten ontwikkelen, maar 
het is meer dan waarschijnlijk dat de knollen, die daarvan zullen voortko- 
men, in hetzelfde jaar waarin zij geplant zijn, niet genoeg zullen zijn ont- 
wikkeld, om dadelijk tot comsumtie te worden gebruikt en zullen moeten 
worden bewaard ten einde zelve een volgend jaar als zaden te kunnen wor- 
den gebezigd. Een geheel ander resultaat zal men bekomen, wanneer men, ge- 
lijk ik in het Museum doe, stukjes van knolletjes plant. Ik zal hier niet 
behoeven te herhalen al wat ik in mijne vorige mededeelingen over dit on- 
derwerp heb gezegd, maar dit alleen voege ik hierbij, dat het noodig is jaar- 
lijks te zorgen voor eene genoegzame reserve, hetzij door stekken van de stengen , 
hetzij door de fragmenten van wortels, hetzij door den afval van wortels. 

De Chinesche igname is zeer onlangs ontleed door bekwame scheikundigen , 
die daarin, behalve het meel waarvan zij zeer rijkelijk voorzien is, hebben 
gevonden een stikstof houdend beginsel, hetwelk niet in den aardappel aanwe- 
zig is en waardoor het voedend vermogen zeer sterk verhoogd wordt. De 
plant is nog te nieuw, om reeds met zekerheid te kunnen aanwijzen, welke 
de uitkomsten van haar gebruik in de economie zullen zijn; maar ik kan 
hier herinneren, dat zij met goed gevolg is gekweekt door den Heer bous- 
siNGAULT tijdens zijne exploitatie van Bechelbronn in den Elzas, en dat 
deze geleerde scheikundige zich voorstelt daarvan veel voordeel te zullen 
trekken. 

Zie hier het resultaat van analysen waartoe mijn ambtgenoot en vriend de 
Heer fremy, professor aan het Museum, is gekomen, na het scheikundig 
onderzoek, waarmede hij zich wel heeft willen belasten. 



39 



OMLEDI>G VAN' DE KNOLLEN VAN DE CHINESGIIE IGNAME. 

'/Dc knollen der igname," aldus schrijft fkemy , "hebben de volgende com- 
positie aangeboden. 

Water. . . . 79,-3 
Vaste stof. 20,7 



De vaste stof was bestaande uit 



100,0 






16,0 


zetmeel. 






1,0 


cellulose. 






1,1 


minerale zouten. 






1,5 


eiwitaardige stof. 






1,1 


vette stof, suiker, 


oplosbare 


zelf- 


20,7 


standigheden. 







Aan BOUssiNGAULT is men eene analyse verschuldigd van de igname der 
eerste kuituur in den tuin van het Museum en aan Heer payen eene van 
die van Algiers. Wij laten ze beide hier volgen. 



BOUSSIGNAULT. PAYEN. 



Zetmeel en slijmige stof 13,1 . . 

Eitwitaardige stof en andere stikstofhoudende 

materie 2,4 . . 

Vette stoffen 0,2 . . 

Celstof 0,4 . . 

Minerale stoflen 1,8 . . 

Water 82,6 . . 



16,76. 

2,54. 
0,30. 
1,45. 
1,90. 
77,05. 



100,0. 



100,00. 



Bij de vergelijking dezer analysen met die van mij zelven, komt men tot 
het besluit, dat de thans in Frankrijk gekultiveerde igname nadert tot die 
van Algiers en dat zij in den hoogsten graad de eigenschappen van een voe- 
denden knol aanbiedt. 

De nadere bestanddeelen van de igname zijn grootendeels dezelfde als die 
van den aardappel. 

Indien nu de igname slechts 16 procent aan zetmeel bevat, terwijl de 
aardappel er 20 kan opleveren, zoo vindt men daarentegen in de eerste een 
zeer opmerkelijk stikstof houdend beginsel , op hetwelk ik hier in 't bijzonder de 
aandacht vestig. Dit beginsel , hetwelk niet voorhanden is in den aardappel , kan 



40 

eenen zeer gelukkigen invloed uitoefenen op het gebruik van het voortbrengsel , 
met welks onderzoek wij ons hier bezig houden. Het slijmige beginsel hetwelk 
aan het sap der igname eene zalfachtige eigenschap mededeelt en tevens aan 
dien knol, wanneer die gekookt is, eene consistentie als deeg verschaft, ver- 
wijdert zich door zijne kenmerken van de gomachtige stofien, die in de 
planten aanwezig is en nadert tot de albumine, omdat het stikstofhoudend is 
en zich door hitte stremt. Dit ligchaam moet intusschen niet worden verwis- 
seld met de stof, welke men dikwerf aanduidt onder den naam van planteu- 
eiwit. Dit stremt niet dan na eene langdurige kooking en het w'ordt in groote 
hoeveelheid, in oplosbaren toestand, gevonden in de gekookte, of in de op 
eene zeer hooge temperatuur gedroogde igname. 

Aldus levert de igname in kleine schij^es gesneden en in den stoof ge- 
droogd zijnde, een produkt hetwelk men tot poeder kan brengen en hetwelk 
met water behandeld zijnde, eene soort van deeg maakt, dat door zijne plas- 
ticiteit doet denken aan dat , 't welk door roggemeel wordt opgeleverd. • Zonder 
nu het stikstoflioudend beginsel der igname ('t welk geen 2 procent overtreft) 
te willen vergelijken met de kleefstof van het roggemeel, heeft men er hier 
slechts de aandacht op willen vestigen, als op een ligchaam, 't welk welligt 
aanleiding zal kunnen geven , om , althans voor eene zekere hoeveelheid , de 
igname te gebruiken bij het bakken van brood. Het blijkt uit het aangevoerde, 
dat er eene zeer groote overeenkomst bestaat tusschen de zamenstelling van 
de Chinesche igname en den aardappel, en hieruit is het groote verbruik van 
dien knol in China dan ook te verklaren." 



NOG IETS OVER HET OÏDIUM VAN DEN WIJNSTOK. 

Zijne Excellentie de Heer Staatsraad Commissaris des Konings in Zuid- 
Holland heeft bij eene circulaire, gerigt aan de Burgemeesters en Wethouders 
der Gemeenten in de Provincie Zuid-Holland, in dato 8 Nov, 1854. Litt. A. 
no. 10344 (1*''' Afd.) eene mededeeling gedaan van een voorbehoedmiddel tegen de 
druivenziekte. Wij hebben die circulaire en de opgave van het voorbehoedmiddel 
zelf opgenomen in het eerste deel van de // Tuinbouw- Flora" p. 284. 

Het middel bestaat in de aanwending van zwavel, kalk en regenwater ge- 
mengd en gekookt. 

Dit geeft mij aanleiding om het onderstaande berigt, voorkomende in de 
Révue korticole. 1855. 174, over dat onderwerp, te dezer plaatse mede te 
deelcn. Het luidt als volgt : 

Onder al de verschillende methoden om zwavel aan te M'enden tot genezing 



41 

van den wijnstok, is er een, hetwelk tot hiertoe aan de publieke aandacht 
schijnt ontsnapt te zijn, en toch boven alle andere wijzen verdient te worden 
aanbevolen, zoowel om de meerdere werkzaamheid van de zwavel, als om de 
meer gemakkelijke wijze van aanwenden voor allerlei soorten van druiven- 
kuituur is aan te bevelen. Wij bedoelen den uit zijne chemische zeer ver- 
dunde oplossingen neergeslagen z\\avel. Hij is alsdan oneindig fijner verdeeld 
dan de bloem van zwavel, en terwijl deze aangebragt door een blaasbalg in 
de open lucht aangewend, ligtelijk door den wind zou kunnen worden opge- 
heven en verdreven, zoo kan daarentegen de zwavel, neergeslagen uit eene 
oplossing van de verbinding van zwavel met een loogzout en gesuspendeerd 
gehouden in de vloeistof, waarin die zwavel-verhouding was opgelost, als een 
fijne stofregen op de plant worden aangebragt en laat zij op de bladen niets 
dan bijna onmerkbare sporen van stoften achter, die bovendien eene veel 
sterkere werking hebben. 

Men moet werkelijk aannemen, dat zwavel niet anders werkt, dan door dat deze 
is opgenomen. Deze opslurping nu moet bijna in 't geheel niet plaats heb- 
ben , wanneer men bloem van zwavel bezigt : eene stof die reeds digt of soor- 
telijk zwaar genoeg is, omdat zij bestaat uit kleine naaldjes, die in de lucht 
onveranderlijk zijn. Van de soortelijke zwaarte van bloem van zwavel kan men 
zich overtuigen, wanneer men die schudt met water. Zij slaat geheel en al 
neder, terwijl in hetzelfde tijdsverloop de uit zijne oplossingen neergeslagen 
zwavel geheel en al zwevende blijft. 

Het gebruik van den neergeslagen zwavel is gelijk aan dat van zwavel in 
staat van damp; maar deze laatste manier van aanwenden van zwavel is al- 
leen geschikt voor de serres en is bovendien niet zeer gemakkelijk; want, 
indien men te veel warmte aanwendt, dan kan er ontbranding en ontwikke- 
ling van zwaveligzuur ontstaan, hetgeen nadeelig kan zijn voor de planten, 
welke bij den wijnstok geplaatst zijn; in elk geval is men niet zeker van de 
volkomen verspreiding van de zwavel in staat van damp, terwijl elke druppel 
van onze vloeistof daarentegen sporen van zwavel bevat, is men zeker deze te 
kunnen aanwenden op de plaats welke men bedoelt. Het is onnoodig om er 
bij te voegen , dat onze vloeistof kan worden aangebragt , niet alleen met kleine 
maar met groote brandspuiten, 't welk de gelegenheid zou aanbieden om er 
gebruik van te maken bij groote kuituren. Het spreekt van zelf, dat men den 
bek moet laten eindigen met eenen appel met zeer fijne gaatjes, of met eiken 
anderen toestel, dienstig om de vloeistof op eene doelmatige wijze in alle 
rigtingen te sproeijen. En behoort tevens te worden opgemerkt, dat, indien 
men zich van brandspuit-pompen of brandspuiten bediende, men den pomp of 
de spuit telkens zou moeten schoon maken, zoodra dezelve niet meer diende, 
omdat de zwavel, bij zulk eene mate van verdeeling, eene sterke werking 



42 

zou uitoefenen op de metaalaardige deelen, waarmede zij in aanraking komt. 

De preparatie van de vloeistof is als volgt : 

Men neme 400 grammen bloem van zwavel en 175 grammen ongebluschten 
kalk, welken men na denzelven te hebben gewogen, laat blussclien. Het 
mengsel moet men koken in eenen gegoten ketel met 2-3 liters water, 
gedurende een uur, of tot dat de vloeistof eene kleur aanneemt welke 
die van den kastanje-bast nadert , terwijl men daarbij het water dat ver- 
dampt, door ander water vervangt. Men laat de vloeistof dan stil staan. 
Bij het afgieten van de vloeistof bekomt men eene oplossing van zwavelkalk 
(persulfure de calcium). Het bezinksel bestaat uit sulphas calcis, d. i. zwavel- 
zuren kalk, uit zuivere en oplosbare dubbele zwavel-kalk en eene overmaat 
van kalk, die overeenkomt met het gedeelte van den dubbelen zwavelkalk, die 
niet in penta-sulphuretum calcis, vijfdubbelen zwavelkalk, is veranderd. Mengen 
wij nu onze oplossing met een tAvintigtal kannen water , en voegen wij daarbij 
ongeveer 200 grammen zwavel-zuur, welke men vooraf heeft vermengd met 
4-5 kannen water. Dit mengsel behoort men te maken in de open lucht, 
uithoofde van het zwavel- waterstofgas , hetwelk zich ontwikkelt , en waarvan de 
werking zeer schadelijk is. Al het calcium zal tot den staat van zwavelzuren 
kalk overgaan, en er zal in de vloeibare massa ongeveer 300 wigtjes zwavel 
in eenen staat van de grootste verdeeling overblijven. 

Om deze vloeistof te gebruiken, zou het voldoende zijn om dezelve te 
vermengen, na wel te zijn omgeschud, met 475 kannen zuiver water, ten 
einde 5 hectoliters van eene melkachtige vloeistof te bekomen , welke men op 
de wijze, zoo als boven gezegd is, zou kunnen bezigen. De 5 aldus verkregen 
hectoliters kunnen dienen tot het begieten van 50 ares." 

(Wij hebben tegen deze methode echter één bezwaar. De bereiding van 
deze vloeistof is niet zonder omslag. Zij vereischt, onzes inziens, de mede- 
werking van een scheikundige, daar niet iedereen, aan wie de applicatie van 
zulke voorbehoedmiddelen wordt toevertrouwd , daartoe handigheid en geschikt- 
heid heeft.) 



43 



DE liEDACTEUR VAN DE » TUINBOUW-FLORA AAN DEN UITGEVER, 
DEN UEERE » A. W. SYTIIOFf" , TE LEIDEN. 

Waarde Vriend , 

Ik heb U wat nieuws en tevens wat goeds te zeggen. Het betreft onze 
" Tuinhoim-FloraT Als wij. daarvan eens iets goeds hooren, mogen wij het 
wel op prijs stellen. Het betreft eene buitenlandsche, recensie zal ik niet zeg- 
gen, maar ten minste eene aankondiging. Wij hebben, met de hulp van den 
geachten Heer Voorzitter der Koninklijke Nederl. Maatschappij tot Aanmoe- 
diging van den Tuinbouw , al het mogelijke gedaan om deze onderneming tot 
stand te brengen; de Ko^'I^'G heeft ons zoo krachtig geholpen, dat wij het, 
ook om de wille van zijne majesteit, wel degelijk naar waarde mogen 
schatten als wij een prijsje krijgen. Dit uu geeft ons een van de eerste ge- 
leerden in Europa , de Engelsche Kruidkundige sir william jackson hooker. 
Directeur van den Koninkl. botanischen tuin te Kew. Ik Iaat hetgene hij over 
uwe en mijne onderneming zegt in zijn Journal of boiany and Kew Garden 
Missellani/, London 1855. 96. hier volgen. 

'/This is an important horticultural and botanica! work, of which 
'/ twelve numbers , constituting the ürst volume , are now before us , and 
// we regret that our ignorance of the Dutch language preveuts us of gi- 
/' ving such a notice as would render it justice. It is a publication that com- 
//bines the beautiful figures, corresponding with the 'Botauical Magazine' 
«of this country, with a vast amount of varied horticultural information, 
//such as has been hitherto found in the ' Gardeners' Chronicle alone; 
//the paper, type, and execution such as would do honour to any coun- 
"try, and conducted, we believe, mainly, if not entirely, by Mr. W. M. 
// De Brauw , and our valued friend Dr. W. H. De Vriese. Under such 
// auspices it cannot fail to contain much that is useful as well as scientific. 
//It opens -vnth a highly coloured figure, and description, of a new Ja- 
// pan Apricot , and the same number contains a remarkably well executed 
/'figure of WeUingtonia giganten. Among other interesting subjects, wili 
/'be found a fine new Hoya, H. Motoskei; a figure and description of 
// a noble Banyan , Ficus Be7ijamina, L. ; admirable figures of Nepenthes 
" Raffiesiana , of wich that at Plate IX. is particularly satisfactory and 
'/ graceful , showing an entire plant. A considerable portion of the tenth 
// number is devoted to a history and a Japanesc figure of the Dioscorea 
i'Japonica, or Japanesc Yam, an esculcnt of no small importance just 
"now in the horticultural world, when small tubers, less than a hazel- 



44 

//nut, are selling for half-a-crown. Plate XIV. gives a charming repre- 
// sentation of Picea alba , all the upper branches fringed with the rich 
// brown-coloured coues. ïwe last number has a figure of Billbergia thyr- 
n soklea^ Mart., var. zonata, and a representation of the Palm-house at 
// Kew , accompanied bj a description from the pen of Dr. De Vriese. 
// We heartily wish the work all the success it merits : it ougt to be 
//encouraged by every Hollander, in whom it is known there is an in- 
//nate love of flowers." 

Mij dunkt, dit oordeel is waard, dat wij het opnemen en wel, ten einde 
des Schrijvers eigenaardige uitdrukkingen te bewaren, in de oorspronkelijke 
taal, die toch alle onze lezers verstaan. 

Ik hoor U echter, als ik mij niet bedrieg, ééne bedenking maken. Sir 
wiLLiAM namelijk spreekt van zijnen vriend, //our valued friend Dr. de 
Vriese." — Ga niet voort, ik gevoel wat gij zoudt willen zeggen. Wees ver- 
zekerd dat het geen //casus pro amico" is, zoo als wij geleerden zeggen. Sir 
wiij.iAM HOOKER mogc jegcus mij wat toegevend zijn, maar hij zou zulk een 
gunstig oordeel niet vellen, alleen daarom omdat hij mij sedert jaren met zijne 
intieme vriendschap vereert. Hij behoort niet tot de corporatie, waarvan de 
leden elkander, om welke reden dan ook, den bal toekaatsen. Maar hij stelt 
grooten prijs op hetgeen thans in Holland voor de Kruidkundige wetenschap 
gedaan wordt en hij is daarvan een warm en edelmoedig bevorderaar. 

Indien gij im ook eens wat goeds mogt vernemen, wil het mij dan weder- 
keerig berigtcn, — het kwade toch zal ik van zelf wel hooren. Laat ons 
voortgaan om de zaak, die wij hebben op ons genomen, met alle onze pogin- 
gen te bevorderen, opdat zij, kan het mogelijk zijn, ons beide tot eer en U 
niet tot nadeel zij. 

Geloof mij van harte 

Uw Dr. en Vriend, 
Leiden 27 Mei 1855. w. h. de vriese. 



VLUGTIGE BLIKKEN OP DEN PLANTENGROEI VAN SURINAME, IN 
BETREKKING TOT DE WELVAART DIER KOLONIE. 

(Vervolg van Bladz. 32.) 

bijna regelmatig geleed, glad is, met grijsgeel hout. Het loof is gevind en 
sierlijk uitgebreid. De bloeikolven hebben helmstijlige of mannelijke bloemen 
op denzelfdcn stam. Er is eene eenvoudige schede. De bloemen zijn ongesteeld 



45 

en met schutblaadjes. In de mann. bloem is de kelk driebladig, even als de 
kroon; er zijn zes meeldraden; er is een spoor van een stamper. De vrou- 
welijke bloem heeft binnen den kelk en de kroon eenen ringvormigen beker, 
die het vruchtbeginsel omgeeft; dit laatste is driehokkig; de stijl is kort. 
Er zijn drie omgebogen stempels. De steenvrucht is eenzadig, vezelig, met 
eene schaal, welke aan de basis drie poriën heeft. De kiem is meestal in een 
hol kiemwit en daarin bij de basis bevat. Twee soorten van dit geslacht zijn 
tot dus verre gevonden op 5** zuider breedte. Zij komen voor in opene velden. 
De Maripa of KoninklijTce Maximiliana heeft een middelmatigen stam, 
welks kroon de overblijfsels der bladstelen draagt; de helmknoppen steken 
uit de bloemen en zijn tweemaal langer dan de lancet-vormige bloembladen; 
op eiken tak zijn enkele vrouwelijke bloemen. In Brazilië zag von üartius 
dezen palm bloeijen in Mei en Junij, en elders in datzelfde rijk, in Aug. en 
Sept. De vruchten rijpen in April en Mei, en worden door de inlanders ge- 
geten. (Von mart. t. a. pi. 131. t. 91. 93.) De Heer splitgerber zag de- 
zen prachtigen palm in de nabijheid van Paramaribo. 

Voor den handel moeten wij, en zulks boven anderen, aanbevelen: de 
Iriartea ventricosa^ Desmoncus horridus, Baciris Paraensis, Astr. Awarra, 
wier invoer belangrijke winsten kan verzekeren. De cverbrengst is gemakke- 
lijk, namelijk van iedere soort moet men in kleine kistjes met vochtige aarde, 
zooveel mogelijk, b. v. op een duim afstands van elkander leggen de zaden 
dezer soorten, nadat men vooraf zich overtuigd heeft, dat dezelve volkomen 
rijp zijn. Bovenal is echter aan te bevelen, de overzending van die zaden, 
welke zich reeds in aanvankelijk kiemenden staat bevinden. 

Er is naauwelijks eene groep van planten uit te denken met schoonere 
bloemen dan die der Ananasgewassen. Daaronder zijn er ook, die de geurigste 
vruchten leveren. Indien de meer verlevendigde toestand der kolonie om an- 
dere redenen, eene meer snelle gemeenschap met Europa toeliet, zou de uit- 
voer dier vrucht naar het moederland niet onbelangrijke voordeden kunnen 
opleveren. Bekend is het bovendien dat uit de bladen van enkele soorten 
eene goede vezel Avordt vervaardigd. 

De bananen zijn meelrijk en voedzaam in hare vruchten. Men is, meen ik, 
te ver gegaan door ze als voedsel af te keuren, om het gemis aan dat be- 
standdeel, hetwelk men dierlijk of stikstof houdend bestanddeel noemt. Ik ben 
overtuigd dat niet ligt iemand bij bananen of arrowroot het leven zou houden. 
Maar niemand zal meenen dat de neger-gezinnen alleen bananen eeten. 

Onder de zoogenaamde luchtplanten, dat is, die vastgehecht op andere 
planten leven; die echter haar voedsel met weinige uitzonderingen geheel en 
al ontleenen aan de lucht en welke de kruidkundige wetenschap onder den 
naam van Orchideën onderscheidt, is er eene, die, wegens haar aroma of spe- 



46 

cerijigen geur dat de vrucht oplevert, bijzonder opmerking verdient. Het is 
de vanielje. Eene soort van dezelve komt werkelijk in Suriname voor; maar 
het is geen artikel van uitvoer, zelfs niet van kuituur. De Surinaamsche 
vanielje, die wel eens van daar wordt aangevoerd, is voor den handel onge- 
schikt. De echte vanielje is sedert vele jaren aldaar door mij ingevoerd. 

Onder de eigenlijk gezegde specerij -planten is in Suriname een groot aantal, 
die wel als sierplanten , maar niet wegens hare nuttigheid aanbevelenswaardig zijn. 

Intusschen zou ik meenen dat de gember en de kurkuma, er even goed 
zouden voortkomen als in Oost-Indië. 

Er is eene klasse van uiterst giftige gewassen, die bijna over de geheele 
aarde hare vertegenwoordigers heeft; hier zijn zij klein en kruipende, elders 
vleeschachtig, eindelijk op andere plaatsen weder struik- of boomachtig. Bij 
de ligste verwonding van hare opperste laag, stroomt er een wit, men zou 
zeggen, melkachtig sap uit, 't geen in den hoogsten graad giftig is. Geene 
soort is vergiftiger dan de zoogenaamde mancinelle-boom, te meer gevaarlijk 
om hare schoone en den minkundige uitlokkende vruchten. Weinige soorten 
echter zijn nuttiger, dan die welke de bekende E,icinus-olie oplevert, en welke 
in Suriname wel voorkomt, doch, naar mijn weten, geen handelsartikel is ge- 
worden. Van de Cassave, tot dezelfde rei dezer vergiftige planten behoorende, 
gebruikt men de melige wortels. Het gift wordt getemperd, door dien men 
het meel aan eenen matigen warmte-graad blootstelt, en dit op gelijke wijze 
als dat der Aroideën. Indien wij bij deze optelling, gelijk wij hebben aan- 
gevangen, eene systematische orde volgen, dan stoeten wij nu op een tien- 
tal natuurlijke afdeelingen, waarvan wel weinig oeconomisch nut is, maar 
waartoe behooren de schoonste gewassen, die de natuur ergens ter wereld op- 
levert. Een deskundige, die er zich op wilde toeleggen om voorwerpen met 
die krachtige vormen en die schitterende kleuren der bloemen uit te lezen 
onder de Convolvulussen, de Clerodendrums, de Asclepiassen, de Klokjes- 
bloemigen, de Melastomaceën, en deze naar het vaderland over te brengen, 
zou, zoo hier de kuituur mogt gelukken, aan de liefhebbers van schoone 
bloemen bieden, wat de meest gespannen verwachting moet overtreffen; hij 
zou, wij durven er voor instaan, onze bloemisten de gelegenheid verschaffen 
om te Avedij veren met buitenland. Het bevorderen van den invoer van zulke 
gewassen lag in de bedoeling der Koninkl. Ned. Maatschappij tot> Aanmoe- 
diging van den Tuinbouw, maar door de menigte van tentoonstellingen is 
dit goede doel te eenemale verloren gegaan. De myrten-vorm is rijk aan nut- 
tige en tevens aan de schoonste gewassen. De guajave, de jambosas hebben 
aangenaam smakende vruchten; de couroupita, de couratari, de lecythis, die 
tot deze groep behooren, zijn onder de merkwaardigste gewassen, die Zuid- 
Amerika oplevert. De vruchten van enkele zijn eetbaar. 



47 

Schier talloos zijn de soorten van zoogenaamde peul vruchtdragende gewas- 
sen, waarvan men in de onderscheidene deelen der aarde gebruik maakt. Van 
die der heete luchtstreek geldt dit echter bij uitnemendheid. In Suriname is 
de tamarindenboom, waarvan de vrucht een zeer geacht geneesmiddel levert; 
dit geldt ook van eenige cassia-soorten. De Surinaamsche geoffreja- of worm- 
bast werd te voren in de geneeskunst zeer hoog geschat; thans bezigt men 
die hoofdzakelijk in de kolonie zelve. Van dezen bast is mij door een mij- 
ner vrienden eene bijzonderheid medegedeeld, waarvan de waarheid boven 
allen twijfel verheven is en die, zoo hetnog mogt noodig zijn, het bewijs 
levert van hoeveel belang het voor eene rigtige en geneeskundige behandeling 
is, om de voorwerpen van het plantenrijk naauwkeurig te kennen. Op zeke- 
ren plantagie werden eenige negers ziek, zijnde geen arts aldaar tegenwoor- 
dig. De Directeur wilde den wormbast aanwenden. Hij had vroeger gewoond 

op L , en aldaar eenen boom gekend, dien hij voor den Surinaamschen 

geolFrej a-boom hield. Hij liet van daar den bast komen en gaf dien aan de 
zieken. Alle geraakten in groot gevaar. Vijf stierven. Het opzettelijk nader 

gedaan onderzoek van die boomsoort op L heeft bewezen, dat het niet de 

wormbast was, maar eene andere soort, namelijk de Jamaicaansche Geoffreja, 
die uiterst vergiftig is. Dit is tevens een klein staaltje van de geneeskun- 
dige praktijk en de behandeling der slaven door Directeuren op plantagiën, 
waar geen arts is. Waar men er al eenen aantreft, staat deze vaak onder de 
onmiddelijke orders en is vaak geheel afhankelijk van den Directeur en zijn 
de middelen en inrigtingen ter genezing en behandeling soms beneden de 
waarde der menschheid. 

Ik hoorde nimmer dat uit Suriname de copal is uitgevoerd. Intusschen 
groeit de boomsoort, die eene der beste copals oplevert, namelijk de Hyme- 
naea courharil in de onmetelijke Surinaamsche bosschen. Men schijnt het niet 
te weten. Even als de Hymenaeas^ behooren ook de Copaiferas tot de vlin- 
derbloemige of peulvruchtdragende gewassen. Wij erlangen den copaïve-bal- 
sem hier uit Brazilië. Voor geneeskundig gebruik voert men dien naar Su- 
riname. Maar, de echte copaïve-dragende boomsoorten groeijen ook aldaar. 
Is er niets te noemen, dat meer bespottelijk is. Een tak van dien boom van 
daar aangevoerd met bloem en vrucht is in mijn bezit. 

In de korte schets welke ik voordroeg, heb ik niets dan eenige weinige 
van de allervoornaamste vormen kunnen aanroeren, van dat schier ontelbaar 
heir van gewassen hetwelk in de kolonie voorkomt. Ik heb om der kortheids- 
wille zelfs eenige zeer belangrijke voortbrengselen verzwegen. 

Door den Heer h. c. focke is eene lijst van meer dan 100 planten, welke 
in de kolonie gekweekt worden, bekend geworden. Daaronder nu zijn er vele 
welke van elders aangevoerd zijn, zonder dat zij allen in Suriname oorspron- 



48 

keiijk zijn. Hieronder komen voor velerlei edele vruchten, moesgroenten, 
sierplanten, specerijen, oliegevende gewassen, geneesmiddelen, Europesche 
tuinplanten, roozen, vijgsoorten, laurier-gewassen, de broodboom der Stille 
Zuid-zee eilanden, Gardenias, Asters, Bignonias, Asclepiassen , en in 't al- 
gemeen ook planten van die groepen, welke wij boven hebben aangevoerd. 
Die reeds lange lijst zou echter nog door de namen van een groot aantal 
andere planten kunnen worden vermeerderd. Van velen eindelijk zou de kui- 
tuur meer uitbreiding vereischen, indien er over meer menschenhanden kon 
worden beschikt. 

Er is b. V. geene bepaalde reden waarom men aan de specerij en-kul tuur , 
ook in Suriname geene meer opzettelijke pogingen zou toewijden. De mus- 
caat, de peper, de kaneel, de kruidnagelen, moeten er even goed voorkomen, 
indien men daarbij met kunde te werk gaat. De reden toch waarom op Isle 
de Erance, op de Antilies, in Guyana die kuituur niet is volgehouden, moet 
hoofdzakelijk in gebrek aan volharding worden gezocht. Talrijke soorten van 
gewassen leveren harsen, gommen, andere sappen, verwstoflen, enz., welke 
men in hare eigenschappen en welligt nuttige aanwending nog niet heeft on- 
derzocht. 

Voor eenige jaren heb ik op verzoek van den Heer Baron van haders, des- 
tijds gezaghebber aldaar, naar Curacao doen overbrengen de echte socotrynsche 
Aloe-plant, waaraan de kuituur aldaar goede uitkomsten heeft geleverd. Men 
bereidt uit het sap dezer plant een zuur, dat als chysamminzuur bekend is 
en waaromtrent onze beroemde Scheikundige g. j. mulder belangrijke onder- 
zoekingen heeft bekend gemaakt. Dit zuur is eene der prachtigste verwstoffen. 

In het jaar 1846 had ik eene meer bepaalde aanleiding om proeven van 
overvoeren van hier naar Suriname ten uitvoer te brengen. De Gouverneur 
van het land had namelijk de aandacht van het Hoog Bestuur hier te lande 
gevestigd op het nut dat er in gelegen was, om tot het wel gelukken der 
Europesche kolonisatie, te trachten zoodanige produkten te scheppen, welker 
kuituur geene groote ligchamelijke inspanning vereischt en toch voordeel in 
geldelijke waarde aan de nieuwe kolonisten zou opbrengen. Ik werd alzoo 
door den toenmaligen Minister van Koloniën, Z. Exc. den Heer j. c. baud, 
uitgenoodigd , om in dit opzigt te willen voorlichten en tevens aan datgene, wat 
ik zou aanprijzen het noodige gevolg te geven. -In mijne daarop aan de Re- 
gering ingediende memorie werd onder anderen als ter uitvoer geschikt aan- 
geprezen de Aloë van Socotera, en bijna alle voorwerpen van die plantsoort, 
welke ik onder mijn bereik heb kunnen krijgen, zijn verzonden. De Gouver- 
neur van Suriname had tevens verlangd eene goede hoeveelheid echte safraan- 
bollen. Ook hieraan werd voldaan. Er werd bijgevoegd zaad van safloer, in 
eenige ponden ontboden van 't zuiden van Frankrijk. De safloer is oorspronkelijk 



49 

Oost-Indisch gewas en levert eene goede verwstof op, die in den handel zeer 
gezocht is. Eenige van die kuituren schijnen bepaaldelijk geslaagd te zijn. 

Onder de gewassen waarvan de invoer in Suriname toen door mij is be- 
proefd en de kiütuur op ruime schaal is aanbevolen, behoort ook dat, het- 
welk den zoogenaamden Hondurasche Sarsaparil-wortel oplevert. Die wortel 
is, sedert zijne invoering in de geneeskunst omstreeks de helft der zestiende 
eeuw, algemeen gebezigd. Hij werd ten tijde dat eene epidemische ziekte in 
Portugal en Spanje zoo vele slagtoffers maakte, als een radikaal geneesmid- 
del aangeprezen. Die noodlottige ziekte is, vooral wat aangaat haar snel ver- 
loop, gewijzigd, maar het steeds toenemend gebruik dezes wortels, bewijst al- 
thans niet dat zij verminderd is. 

De aanvoer van en de handel in Sarsaparilla bleek, naar de destijds van 
de eerste handelhuizen te Amsterdam ingewonnen berigten, zeer belangrijk 
te zijn. Men onderscheidt Veracrusche, Tampico, Lissabonsche en Hondu- 
rasche. De laatstgenoemde is in den handel steeds voor de beste soort ge- 
houden. Haar aanvoer is, in vergelijking van de andere genoemde soorten, 
gering. Deze aanvoer heeft hier plaats over Lissabon, Frankrijk, Engeland, 
zelden daarentegen van de plaatsen der productie (Mexico, Brazilië, Spaansch 
Guiana) zelve. 

Ik meende dus dat het voor den Nederlandschen handel van gewigt zou 
zijn om de plant, welke dien belangrijken wortel oplevert, over te brengen 
op eigen gebied. Der waarheid opregte hulde doende, moet ik verklaren, dat 
ik dit denkbeeld niet had opgevat, omdat schombükgh hetzelfde voor De- 
merary had aanbevolen, want zijn geschrift, waarin gelijke aanbeveling ge- 
schied was, is mij eerst later in handen gekomen. Het vaderland dezer goede 
Sarsaparilsoort Honduras, Caracas, Columbias, kleine, iets noordelijker lig- 
gende Staten van Zuid- Amerika , welke in geographische Ligging met Suri- 
name niet in die mate verschillen , gaf aanleiding tot de meening, dat daarin geen 
hinderpaal voor die kuituur zou behoeven te zijn. Eene vochtig-warme atmospheer, 
humusrijke bosschen zijn de eerste voorwaarden voor den groei van dit klimmend 
en slingergewas. Zulke plaatselijke gesteldheid is op iedere plantagie in Suri- 
name voorhanden. De bedoelde plant, tot de afdeeling der struikwinden be- 
hoorende, vindt daar hare verwanten. Geen gewas is er, dat, bij eenen zoo 
weelderigen groei, zoo weinig zorg behoeft en zoo enorm produceert. 

De kruidtuin der Leidsche Hoogeschool bezat het eenig voorwerp, dat 
van die plant toen in Europa was. "Wij waren dit verschuldigd aan den ijver 
en belangstelling van den Hr. weijmar, destijds Nederlandsch Consul te La 
Gueira. Wij hebben het gedurende een jaar gekweekt, vermenigvuldigd 
en vervolgens overgezonden. Men schijnt intusschen in de meening te heb- 
ben verkeerd, dat een soort van struikwinden, die daar in 't wilde voorkomt , 

II. i 



5ü 

Tiamelijk Smilax Sttrina'mensis , dezelfde is, als de plant door mij naar Su- 
riname overgezonden. Daarin zal nu de reden zijn, waarom welligt de eerste 
poging haar doel gemist heeft. Indien er een bewijs noodig ware, dat, voor 
het wel slagen van dergelijke proefnemingen van kuituur de tegenwoordig- 
heid van een botanist en een goed landbouwer tevens vereischt wordt, ik 
geloof, dat het door de ondervinding in Suriname verkregen, buiten twijfel 
zou zijn te achten. 

De noodzakelijkheid intusschen, dat dit gewas in Suriname worde inge- 
voerd, staat bij mij vast. Indien ooit van eenige proeve a priori is te be- 
sluiten, dan zou ik meenen, moet het van eene als deze zijn. 

Onder de gewassen, wier kuituur ter zelfde gelegenheid dringend door mij 
is aanbevolen, behoorde eene der edelste soorten van Bananen, tot dus verre, 
naar mijne kennis, in Suriname niet voorhanden. De Miisa Cavendishi of 
s'mensis en de Vanielje, welke laatste echter diiar, gelijk ik heb aange- 
merkt, niet schijnt in 't wilde voor te komen, maar aan de kolonisten als 
de moeder van deze geurige specerij onbekend te zijn. 

Voor eenige jaren werd door den Nederlandschen Consul te Caracas, den 
Hr. VAN LANSBEROE aau de Regering aangekondigd , de afzending van daar 
naar Nederland van eenige kisten grond met de wortels van een aldaar zeer 
algemeen verbouwd en nuttig knolgewas, de arracacha, bestemd om, bij het 
mislukken van den aardappelen-oogst , dezen knol op onze akkers en in onze 
voorraadschuren te vervangen. Door het Gouvernement naar mijn gevoelen 
omtrent die zaak ondervraagd, heb ik aangeraden van die kuituur hier te 
lande af te zien en de te ontvangen knollen onmiddelijk over te doen bren- 
gen naar Suriname. De arracacha wordt in Zuid-Amerika gebezigd in de- 
zelfde mate en op gelijke wijze als hier de aardappel; zij is een der voor- 
naamste voedingmiddelen van het volk. Er is bovendien geenerlei reden om 
te gelooven, dat zij in Suriname niet zou slagen. 

In het overbrengen van gewassen van de eene landstreek naar de andere, 
met het doel om van de produkten voordeel te trekken, komen nog wel ve- 
lerlei andere overwegingen te pas, doch ik zou meenen dat men daarbij toch 
eenigermate de wetenschap kon tot grondslag nemen. Hoe meer de landstre- 
ken gelegen zijn onder dezelfde geograpliische breedte, hoe meer de natuur- 
lijke gesteldheid der landen overeenkomt, hoe meer de landen dezelfde fami- 
liën van planten gemeen hebben, waartoe een over te brengen gewas behoort, 
des te meer waarschijnlijkheid zou men, naar mijne wijze van zien, hebben, 
dat eene proeve kan gelukken. 

Daarom nu zou ik durven beweren dat de Agave-kultuur, die eene bron 
van rijkdom is voor Mexico, dit ook kan worden voor Guiana; dat de No- 
pal er zal moeten slagen; dat in dit land, 't geen bij uitnemendheid rijk is 



51 

aan gewassen uit de groep der Rnbiaceen, ook de in Brazilië te huis be- 
hoorende Ipecacuanha zou moeten opleveren , als die van daar verhuisd 
werd; dat eindelijk de plant, die in Brazilië de elastieke gom verschaft, na- 
melijk Si])ho7iia elastica^ ook in andere koloniën zou tieren, even als de ge- 
ta-pertja en vele anderen. 

Het onderwerp is onuitputtelijk. Maar ik moet mij zelven paal en perk 
stellen. Misschien zullen er zijn, die mij geene genoegzame kennis toekennen 
van het land, waarover ik mij aanmatig te spreken. Als ik de laatste beden- 
king kan toestemmen, zou ik met bescheidenheid moeten opkomen tegen de 
bewering als of de wetenschap in deze niet tot grondslag zou kunnen dienen. 
De invoer toch van gewassen uit het eene in het andere land is, dit weet 
ik zeer goed, eene zaak, die door de ondervinding moet worden beoordeeld; 
maar, het goed toepassen daarvan hangt af van en staat in het naauwste ver- 
band met beginselen van de wetenschap, die ons leert, dat in eene en dezelfde 
landstreek veelal plantenvormeu tot dezelfde groep , die wij familie noemen , 
behoorende voorkomen. Bovendien is de geheele landbouw berustende op en 
tot zijne tegenwoordige ontwikkeling gekomen, door dien plan ten-m ^7 , in- 
dien ik het zoo mag noemen. Het oorspronkelijke van die landen, die nu be- 
bouwd zijn, is niet meei' daar; het aanzien van het geheel is veranderd, de 
primitieve natuur is als 't ware sporeloos verdwenen. 

Ik geef intusschen wat ik aanvoerde voor beter; maar, tot nadere over- 
tuiging, staat dit bij mij vast, dat de bronnen van welvaart, ook in die 
kolonie, niet alleen beter zullen kunnen vloeijen door eene betere en meer 
grondige kennis van het land zelf en deszelfs natuurlijke voortbrengselen; 
maar ook door de aanwending van datgene, wat elders gebleken is nuttig- 
te zijn. Op grond van alles, wat in dit opzigt tot mijne kennis is gekomen, 
geloof ik vast, dat, als men den eenmaal en lang verouderden weg niet ver- 
laat, - als men onkundige en vaak onbeschaafde Directeuren op de plantagien 
niet door meer kundigen vervangt , - als men den landbouw niet verbetert, - als 
men blijft weigeren te raadplegen wat wetenschap en ervaring hebben aan de 
hand gedaan, er op geen betere toekomst zal mogen gehoopt worden. 

Onder de groote bezwaren behoort zonder twijfel het gebrek aan personen, 
die den arbeid op het veld of bij de kuituren vereischt, moeten verrigten. 
Bij het steeds meer veld winnende gevoelen dat men den slavenhandel moet 
afschaften en den arbeid moet opdragen aan vrije menschen, ontstaat de 
vraag, of men het wel slagen van zoodanig stelsel alleen moet, alleen mag 
wenschen van pogingen op eene grootere schaal door de Regering. Ik zou 
meenen: neen. Het moet op prijs worden gesteld als deze voorgaat. Maar, 
men moet zoo veel mogelijk trachten ook zelfstandig te handelen. Er kan ^etw 
groot kapitaal toe noodig zijn, om hier of daar eene of meerdere doeltreffend 



52 

ingerigte ])rocven te doen. Indien men eenige weinige door en door knappe, 
gezonde, aclitingswaardige landlieden wist over te lialen, om naar de kolonie 
te trekken en daar het landbouw-bedrijf te gaan uitoefenen, zou men der 
zaak wezenlijk bevorderlijk zijn. Mogt zoodanige poging wel slagen en ten 
voordeele der uitgezonden personen uitloopen, wie weet hoe vele geschikte, 
bekwame, ja soms gegoede ingezetenen het gegeven voorbeeld later van zelve 
zouden navolgen; terwijl zij zich nu begevende naar Noord-Amerika , te leur 
gesteld, bedrogen en bestolen, zich slechts hebben te berouwen over hun besluit, 
of gevaar loopen met honderden den dood te vinden in de golven, voor dat 
zij de plaats hunner bestemming bereiken. Is nu het stelsel van Europesche 
kolonisatie in Suriname aannemelijk te achten, dan wenschen wij dat de 
goede pogingen daartoe gelukkig mogen slagen. Hier en elders behoorden 
er zich, in dat geval, vereenigingen te vormen, en individuen zoowel als 
gemeente-besturen daartoe de hand te leenen. Talrijke geschikte personen, 
maar die zonder arbeid en ten laste zijn van diaconien- of gemeente-kassen, 
zouden alzoo kunnen worden overgebragt, welligt voor zich zelven gelukkig 
worden, voor anderen niet meer tot last blijven. Veel omvattend zou ook in 
dit opzigt kunnen zijn de werkkring van eene Maatschappij van Landbouw voor 
Suriname. Kolossale kapitalen zouden er aanvankelijk niet toe vereischt worden. 

De vraag, of de Europeer in Suriname tegen het klimaat zou bestand 
zijn, is, geloof ik, beantwoord. Aan geen mindere inspanning of vermoeijenis 
dan hij die op het veld arbeidt, is de soldaat in dat klimaat blootgesteld. 
Hij doet dezelfde dienst als in Europa, is op dezelfde wijze gekleed; hij ex- 
cerceert, betrekt de wacht, staat op post in en buiten de zon, maakt bosch- 
patrouilles en staat bij deze laatste soms ten halven lijve in 't water. Ech- 
ter hoort men noch van grootere sterfte, noch van meerdere ziekten onder hen , 
dan onder andere standen. Op de plantagien zijn bovendien vaak talrijke zieke 
slaven, is veelal eene vrij aanmerkelijke sterfte, terwijl de neger -bevolking 
over het algemeen jaarlijks vermindert. Het scheepsvolk der oorlogschepen 
komt in gelijke categorie als de militairen. De matroozen der koopvaardij 
verrigten daar eenen arbeid, zoo zwaar, als zeker op het veld nimmer ver- 
ligt wordt. In den tijd van den hooibouw is hier in Europa vaak eene tro- 
pische hitte, en toch wordt de arbeid in het open veld niet gestaakt. 

In hetgeen ik voorgedragen heb, kan ik dwalen. Maar hier in meen ik 
mij niet te vergissen, dat, zoo vooral de belanghebbenden niet krachtdadig 
de handen in een slaan, deze belangrijke bezitting steeds meer en meer 
zal teruggaan, die welligt door vereenigde en tijdig aangewende pogingen 
nog is te redden. 

Leiden 7 Maavt 1855. w. h. de vriese. 



53 
PLANTENTEiNTOüNSTELLING TE PARIJS. 

MINISTERIE VA.N LANDBOUW , HANDEL EN PUBLIEKE WERKEN. 



Commissie voor de Regeling. 

KEIZERLIJKE EN CENTRALE MAATSCHAPPIJ VOOR 
HORTICULTUUR. 



ALGEMEENE TENTOONSTELLING VAN 1855. 

Voortbrengselen van horticultuur kunnen ter algemeene tentoonstelling niet 
worden toegelaten, zijnde deze vooral bestemd voor voortbrengselen van kunst 
en industrie. Het Gouvernement wil evenwel de Keizerlijke en Centrale So- 
ciëteit van Horticultuur, gevormd door de vereeniging van de twee Maat- 
schappijen te Parijs, wel magtigen om een beroep te doen op al de Transclic 
en buitenlandsche kweekers, om van den l*"'" Mei tot den Sl*'*^" Octobci 
eene doorloopende en algemeene tentoonstelling van horticultuur te organi- 
seren. 

Ten gevolge daarvan heeft deze Maatschappij, in de Champs-Elysées eeneii 
grooten tuin en ruime kassen ingerigt, waar de tentoongestelde voorwerpen 
al de noodige voorwaarden en al de voor hun behoud dienstige zorgen zullen 
vinden. Haar beroep geldt alle takken van de kuituur, planten, bloemen, 
vruchten, groenten van alle klimaten en alle voortbrengselen van den land- 
bouw, welke met den tuinbouw in een naauw verband zijn. 

De Maatschappij zal gaarne alle industriële voortbrengselen, die bepaalde- 
lijk op horticultuur betrekking hebben, ontvangen. 

Er zullen bij het eindigen der tentoonstelling prijzen worden toegeken ! 
voor alle voortbrengselen, die door de Jury hiertoe zullen waardig gerekemi 
worden. 

Het algemeen reglement zal ten spoedigste worden bekend gemaakt; maai' 
de Maatschappij noodigt reeds van heden af aan alle de kweekers en liel- 
hebbers uit om Haar in den kortst mogelijken tijd te doen kennen: 

10. Den aard en de hoeveelheid der voorwerpen, welke zij zullen ten- 
toonstellen. 
2*^. Het tijdstip waarop dezelve zullen worden gezonden, en den tij ! 

gedurende welken zij op de tentoonstelling zullen kunnen verblijvc:.. 
30. Alle aanwijzigingen , die noodig zullen geacht worden. 



54 

Brieven en aankondigingen moeten worden gerigt aan den Heer i,eon t-e 
ouAY, Secretaris der Commissie voor organisatie, rue de Cherche-Midi, 17. 
(Volgen de onderteekeningen). 

Comte DE MORNY, President, bbrnaud bouchet, enz. leden. 
Leon T,E GuAY, Secretaris. 

Var ijs, I Tebr. 1855. 



REGLEMENT VOOR DE HIERVOREN BEDOELDE TENTOONSTELLING. 

Art. 1. De Keizerlijke en centrale Maatschappij van horticultuur zal op 
1 Mei 1855 eene doorloopende en algemeene tentoonstelling van voortbreng- 
selen van horticultuur openen. Zij zal op 31 October daaraanvolgende worden 
gesloten. 

Art. 2. Zij zal gehouden worden in de Champs Blysées^ op het Carré, de 
FElysêe. 

Art. 8. Zullen worden toegelaten tot deze tentoonstelling planten, boomen, 
heesters, struikjes van allerlei geslachten en soorten, in bloei of niet bloe- 
jende, groenten en vruchten door kunst (forcés) of natuurlijk voortgebragt , 
mitsgaders voorwerpen van kunst en industrie, die in dadelijke betrekking 
staan tot de horticultuur. 

Art. 4. De kweekers en liefhebbers, zoowel Pranschen als vreemden, die 
tot deze tentoonstelling willen bijdragen, worden uitgenoodigd om in den 
kortst mogelijken tijd aan den Secretaris der Commissie van organisatie [rue 
du Cherche-Midi no. 17), te doen geworden eene aanvrage om ten toon te 
stellen, waarbij de opgave vereischt worden 1" van den aard en de hoeveel- 
heid der voortbrengselen, welke zij zich voorstellen te zenden; 2^ de uitge- 
breidheid der plaats welke zij zullen noodig hebben; 3» het tijdstip waarop 
die voorwerpen zullen kunnen worden ten toon gesteld; 4» de tijd gedurende 
AV eiken zij op de tentoonstelling zullen kunnen verblijven ; 5" alle andere 
aanwijzingen, welke zouden kunnen noodig zijn. 

Art. 5. Geenerlei aanvrage zal worden toegelaten, tenzij dezelve ten minste 
veertien dagen voor de opening aan 'het secretariaat der Commissie gerigt zij. 
Gedurende de tentoonstelling zelve, moeten de aanvragen acht dagen vooruit 
woorden gedaan. 

Art. 6. Ter beantwoording van die aanvragen zal de Commissie welke met 
de regeling belast is , doen kennen : l» het aantal voortbrengselen , welke 
zullen worden toegelaten ; 2" de toegestane ruimte ; 3» het juiste tijdstip 



55 

waarop de voortbrengselen zullen worden toegelaten. Zij zal voorts in triplo 
daarbij voegen een admissie-buUetin , op hetwelk zullen gesteld worden de 
naam en de woonplaats van den tentoousteller , en de aard en het getal der 
voorwerpen zal aangeduid worden. 

Art. 7. Al de voortbrengselen bestemd voor de tentoonstelling der Keizer- 
lijke en Centrale Maatschappij voor Horticultuur moeten franco worden ge- 
zonden. 

A Messieurs 
les Commissaires de VEjrposiiion Vnicerselle (T horticulture , Carré de VElysée , 
aux Champs Ehjsés a Paris. 

Envoi de {nom et prénoms). 
Demeurant a (résidencé). 
Exposant de [nature des produits). 

(dat is:) 
Aan Heeren 
Commissarissen der ahjemeene tentoonstelling van tuinbouv: , Carré de VElysée , euz. 
Zending van (naam en voornaam van den inzender of van de firma). 
}Fonende te (residentie of zetel van het etablissement). 
Tentoonsteller van (aard van de voortbrengselen). 

Art. 8. Ieder colis zal van een gelijkluidend adres moeten voorzien zijn, 
en bovendien van de aanwijzing 

10. Van de plaats van waar de afzending is geschied. 
20. Van den naam van hem , die tentoonstelt. 

30. Van den aard der daarin bevatte voorwerpen. Men zal er eindelijk 
moeten bijvoegen het bij art. 6 vermelde admissie-bulletin. 
Art. 9. De colis , welke de voortbrengselen van meerdere tentoonstellers be- 
vatten , zullen de namen van dezelve moeten dragen , en bovendien moeten zijn 
voorzien van de admissie-bulletins van ieder van dezelve. 

Art. 10. Ten gevolge eener aan de Keizerlijke en Centrale Maatschappij 
gedane concessie door de Compagniën van de chemin de fer du Nord , de 
TEst, van Lyon, van Orleans, de TRouen, Rouen, Havre en Dieppe, van 
St. Germain, de Mediterranée , du Midi en Grand- Central, zullen de voort- 
brengselen voor de tentoonstelling van horticultuur van dezelfde voordeden 
van reductie op de tarieven kunnen gebruik maken, als Avelke zijn toegestaan 
aan de voortbrengselen voor de algemeene tentoonstelling van industrie. Deze 
reductie zal alleen worden toegestaan op vertoon van het admissie-bulletin. 
Dit bulletin zal met de colis in duplo worden overgelegd, in handen van de 
Spoorweg-Compagnie, en alle de onkosten voor het transport moeten boven- 
dien vóór het vertrek worden betaald. 

Art. 11. De produkteu van buitenslands en voor de tentoonstelling der 
horticultuur bestemd, worden geheel en al vrij van alle regten toegelaten. 



56 

Dezelve zullen, voorzien van het Aclmissie-Bulletin worden toegelaten door 
de volgende steden en in de hierna genoemde havens: Rijssel, Valenciennes , 
Forbach, Weissemburg, Straatsburg, Saint-Louis, les Verrières de-Youx, 
Pont-de-Beauvoisin , Chapareillan , Sanct-Laurent , du- Var, Marseille, Cette, 
Port- Vendres , Perpignan, Bayonne, Bordeaux, Nantes, Boulogne, Calais, 
Duinkerken. 

Art. 12. Zij zullen, te rekenen van de grenzen, de reductie bij art. 10 
bedoeld, kunnen genieten. 

Art. 13. De voorwerpen worden op de tentoonstelling vrij toegelaten, en 
zij die ze tentoonstellen zijn aan geenerlei betaling, van welken aard ook, 
onderworpen. 

Art. 14. De Commissie voor de regeling is belast om de voorwerpen in 
ontvang te nemen , uit te pakken , en te rangschikken ter tentoonstelling. De 
colis worden in hare tegenwoordigheid uitgepakt; derzelver toestand zal door 
de Commissie worden geconstateerd, en van de averij welke dezelve zullen 
hebben kunnen bekomen, proces-verbaal worden opgemaakt. In geval van 
zware averij zal, door de zorg der Commissie, aan den afzender onmiddelijk 
een afschrift van het proces-verbaal worden toegezonden. 

Art. 15. Alle tentoongestelde planten moeten voorzien zijn van eene leesbare 
en naauwkeurige etiquette, waarop de naam der planten staat. Commissaris- 
sen zullen bij elke zending den naam van den inzender, zijn beroep en zijn 
adres plaatsen. 

Art. 16. De voorwerpen zullen geplaatst worden hetzij in kassen van ver- 
schillende temperaturen en voorzien van verwarmingstoestellen, hetzij onder 
tenten of andere bedekkingen, die het meest geschikt zullen worden gere- 
kend om dezelve te bewaren. De zorg voor de voorwerpen zal worden op- 
gedragen aan voor deze tentoonstelling bijzonder aangestelde tuinlieden en 
gesteld onder het toezigt der Commissie. 

Art. 17. Ieder tentoonsteller zal zijne planten of voorwerpen op de ten- 
toonstelling mogen laten verzorgen, door eenen persoon van zijnentwege. Bij 
de eerste aangifte zal de naam en de kwaliteit van dien persoon moeten wor- 
den opgegeven: men zal hem eene persoonlijke toegangkaart, voor den tijd, 
gedurende welke de voorwerpen zullen worden tentoongesteld, toestaan; deze 
kaart zal aan geen ander kunnen worden afgegeven, noch voor een ander 
tijdstip van de tentoonstelling ter leen gegeven, op straffe van te worden 
terug genomen. 

Art. 18. De vertegenwoordigers der inzenders zullen zich moeten bepalen 
tot het beantwoorden van vragen ,^ie hun zullen gedaan worden, en tot het 
geven van adressen, prijscouranten of prospectussen, welke zullen gevraagd 
worden. Het zal hun op straffe van te worden uitgesloten, verboden wezen, 



57 

om de aandacht der bezoekers iu te roepen, of ze over te halen om de ten- 
toongestelde voorwerpen te koopen. 

Art. 19. De Commissie zal met de grootste zorg waken voor de veilig- 
heid van de te verzenden voorwerpen; maar zij stelt zich niet verantwoor- 
delijk voor schade, diefstal of kwade trouw ten aanzien van dezelve te 
begaan. 

Art. 20. Ingeval van verkoop der voorwerpen worden deze echter eerst af- 
geleverd, op het tijdstip voor den afloop hunner tentoonstelling bepaald. 

Art. 21. De waardering van en het oordeel over de tentoongestelde voor- 
werpen wordt opgedragen aan een Jury door de Maatschappij benoemd, be- 
staande uit zes en dertig titulaire Leden en twaalf plaatsvervangende. Deze 
Jury zal in zes afdeelingen worden verdeeld, ieder van welk zal bestaan uit 
zes titulaire en twee plaatsvervangende leden, en waarvan een der Vice- 
presideuten der Maatschappij de Voorzitter zal zijn. ledere sectie is bij 
beurte werkzaam, en onder het voorzitterschap van den Yice-president of 
van een lid, 't welk wordt gedelegeerd om hem te vervangen. 

Art. 22. Elk voorwerp zal gedurende zijne tentoonstelling door de dienst- 
doende sectie worden onderzocht, die daarvan proces-verbaal zal opmaken. 
Deze processen-verbaal zullen worden herzien en de belooningen door de ge- 
heele Jury, bestaande namelijk uit alle hare sectien, onder het praesidium 
van den Voorziter der Maatschappij. 

Art. 23. Er zullen medailles als belooningen worden gegeven, en de be- 
loonde inzenders zullen, als premie ontvangen de teruggave van de onkosten 
van transport hmmer voortbrengselen voor heen en terug, namelijk over het 
Eransche grondgebied. 

Be President der Commissie. 
Be Secretaris der Commissie. (g^t.) Graaf de morxy. 

(get.) LEÜN LE GUAY. 



VERBETERING. 

In het vorior deel is beschreven en afi^eheeld eene soort van Lilium, ou- 
der den naam L. Jania-Juri. sieb. & de "^ese. 

Het is ons door de mededeeling van Jhr. von siebüld gebleken, dat die 
plant den naam draagt van Lilium Takesima, onder welken zij in het jaar 



58 



1853 uit Japan in de kweekerij van von siebold en C". te Leiden, is in- 
gevoerd. Zij zal dus voortaan L. Takesima sieb. & de vriese heeten. Wij 
grijpen gaarne deze gelegenheid aan om dit te verbeteren. 



EEN WOORD OVER DE UIT DEN LEIDSGHEN KRUIDTUIN IN 
SURINAME INGEVOERDE SARSAPARIL-PLANT. 

Tot opheldering van hetgeen daarover gezegd is in onze reeds vroeger in 
haar geheel afgedrukte en in enkele exemplaren verspreidde //blikken op den 
plantengroei van Suriname enz," heeft de Heer e. f. Baron van raders, 
oud Gouverneur van Suriname, mij wel nader willen berigten: 

ZHWgeb. schrijft mij ongeveer het onderstaande: 

//Bij de lectuur van dat stuk ontwaarde ik, dat UHGel. in de meening ver- 
keert dat de Sarsaparilla door U naar Suriname gezonden, aldaar niet is 
aangeslagen. 

Gelukkig kan ik u daaromtrent desabuseren, alzoo ik van eene der plan- 
ten door mij gecultiveerd en langs eene staak geleid, een bos wortelen heb 
ontleend , welke gedroogd de schoonst mogelijke Sarsaparilla heeft opgeleverd. 
Ik liet die wortels aan eenige der apothekers van Paramaribo vertoonen, die 
dat monster Sarsaparilla uitstekend fraai vonden. 

Toen dacht ik aan de vermenigvuldiging van dat gewas door uitplanting, 
doch ten gevolge mijner verplaatsing is zulks ongedaan gebleven, en naar 
hetgeen ik sedert heb vernomen , zou het wel kunnen wezen , dat die kostbare 
plant niet verder in waarde werd gehouden. 

Voor dergelijke proefnemingen van kuituur is de blijvende tegenwoordig- 
heid van eenen bekwaam tuinman met voldoende botanische kennis, eene 
gewenschte zaak, enz." 

(get.) E. JF. VAN RADERS. 



DE BOEREN GOUDMIJN. Tijdschrift voor den Nederlandschen Land- 
houio in zijn geheelen omvang, inzonderheid ten dienste van hei platte 
land. Hoofdredacteur Br. l. mulder, Hoogleeraar te Deventer, bij 
j. DE LANGE te Deventer. Felr. 1855. 

Deze nieuwe onderneming is in hare strekking zeker reeds te algemeen 
bekend geworden, om hier ter plaatse nog over dit punt uit te wijden. Er bleef 



59 

' slechts te wachteu of de uitvoering zou leveren wat meu had beloofd: eene 
zoo populair mogelijke ontwikkeling van landbouw-kennis voor den landbou- 
wer ten platte lande. De beide voor ons liggende nommers leveren, dunkt 
ons, de verwezenlijking van die belofte door de artikels: 1". mestbak die 
den kleinen boer niets kost en voor eiken landbouwer hoogst nuttig is, 
20. de aanleg en behandeling van den hoptuin; S^. het riet in A^eder- 
land, 40. het middel om verlies van ammoniak uit mest te bepalen, 50. de 
Metenschappelijke landbouw, 60. de hulpmestsoorten , 7". proeven met aardap- 
pelen, 80. mestboek, 9^. bereidingswijze van oliën en koeken uit koolzaad, 
enz. lO". hoe men planten in aanhoudend warme dagen water verschaft , enz. 

Die stukken, vooral van den hoofdredacteur, van de Heeren eibbius , 
wiLKENs, ooMEN CU ougenoemdeu, zijn belangrijk om hunnen inhoud en 
doelmatig, wat aangaat den vorm. 

De overgenomen mededeelingen , uittreksels, verslagen, aankondigingen le- 
veren eene nuttige zamenstelling van hetgeen thans in talrijke geschriften in 
ons vaderland verschijnt en van hetgeen door vereenigingen van allerlei strek- 
king , maar bovenal tot den landbouw behoorende , wordt verrigt. Men moet 
inderdaad verbaasd zijn over de vlugt, dien de zaak van wetenschappelij- 
ken landbouw, vooral in de laatst verloopen jaren, onder ons heeft genomen. 

De //Boeren-Goudmijn" heeft een net en keurig uiterlijk bij een zeer ma- 
tigen prijs. Het kan niet missen of een zoo belangrijk geschrift moet bijval 
vinden. AVij wenschen dien den Heer de lange volgaarne toe. De jeugdige 
Hoogleeraar kenmerkt den aanvang van zijne openbare betrekking door eene 
groote vlijt en, door 't geen onze tijd zoo bijzonder behoeft, eene w-aarlijk 
praktische rigting in de beoefening der wetenschappen, voor wier juiste waar- 
deering en toepassing hij reeds vroeger onderscheidene geschriften heeft in 
het licht gegeven. Moge hij de kracht en gezondheid behouden om op den 
ingeslagen weg met kalmen ijver voort te gaan, en hij eenmaal de voetstap- 
pen drukken van eenen algemeen geachten vader, dan zal de Deventersche 
school, dan zal Nederland ook op hem mogen roem dragen. d. v. 



KLEINE CHAMPIGNONS IN BETREKKING TOT PLANTEN-ZIEKTEN. 

// De natuur spreidt nergens grooter wonderen ten toon , dan in hare 
kleinste voortbrengselen." Dit gezegde van plinius, den grooten natuur- 
kenner bij de Romeinen, is bijna tot een spreekwoord geworden. Plinius 
leefde in 't begin onzer jaartelling. Wat zou plimus wel gezegd hebben als 
hij had geleefd omstreeks het jaar 1663, het vermoedelijk tijdstip van de 



60 

ontdekking der microscopen, of in de tweede helft der XIX"^® eeuw! Nooit 
voorzeker kon men meer van de waarheid dier woorden zijn doordrongen dan 
thans , nu men hunnen zin zooveel te beter kan waardeeren dan toen. De 
natuurleer , vooral der levende wezens , heeft zeker hare grootste aanwinsten 
gehad door het nagaan van de kleinste voortbrengselen tot planten en dieren 
behoorende. Het water levert duizenden van voorwerpen die onze belangstel- 
ling verdienen; in het stof van den dampkring zijn zelfs diertjes waargeno- 
men , die door 't bloote oog niet kunnen worden gezien , en in den schoot der 
aarde zijn de overblijfsels ontdekt van millioenen-tallen van wezens, die een- 
maal aan hare oppervlakte moeten geleefd hebben; krijtbergen, vuursteen- 
lagen, oker en polierschiefer zijn de stoffen die er mede vervuld of grooten- 
deels uit gevormd zijn. 

Uit de algemeenheid van die kleine ligchamen, mag men tevens besluiten 
tot de algemeenheid der oorzaken, waardoor zij ontstaan, en tevens tot den 
invloed dien zij op de huishouding der natuur wederkeerig uitoefenen. 

Omstreeks het midden van den zomer zien wij onze zoete wateren, als 
met een tooverslag, groen worden. Beschouw van dat water een gedeelte van 
een droppel met den microscoop, gij vindt tallooze groene bolletjes, die in 
eene rusteloos wentelende beweging zijn. Later, treft gij ook andere vormen 
aan, die gezamenlijk uitmaken datgene wat men vroeger met den algemeenen 
naam van Priestlysche stof aanduidde. Zou die immense plantengroei zonder 
uitwerksel zijn op den dampkring? Dit gelooft niemand, die het verschijnsel 
aandachtig heeft gadegeslagen. Integendeel, is het proefondervindelijk uitge- 
maakt, dat hij zuurstof- gaz ontwikkelt. 

Uit de oude gewijde geschiedenis kennen wij het verschijnsel van het rood 
worden van het water van den Nijl. Een gelijk verschijnsel weten wij dat 
jaarlijks daar plaats heeft, en aan het menigvuldig bevaren van de roode zee 
in de laatste jaren, danken wij de kennis van de oorzaak van het periodiek 
rood worden van haar water, waaraan zeker de naam Mare Brythraeum door 
de Ouden gegeven, is te danken, — maar vooral ook de kennis dat dit ver- 
schijnsel op honderde plaatsen wordt te weeg gebragt, en zijnen oorsprong 
verschuldigd is aan eene microscopische wierplant, die ehrenberg ons 't eerst 
heeft leeren kennen. Elders nam men iets gelijksoortigs waar, maar het bleek 
dat de oorzaak in de aanwezigheid van kleine diertjes was te zoeken. Men 
merkt algemeen op, dat muren en daken, die niet aan de zon zijn blootge- 
steld een groen beslag bekomen. Ieder korreltje daarvan , veel kleiner dan het 
oog kan waarnemen, is eene plant, die in de wetenschap wel onderscheiden 
is. Onafzienbare sneeuwvelden op de hooge bergen van Zwitserland hebben 
eene roode kleur — het bijgeloof spreekt van bloedregens; — het is niet an- 
ders dan eene microscopisch kleine plant, die als 't ware in die hoogere 



61 

streken het laatste overblijfsel is van den plantengroei en wel niet anders kan 
zijn, dan het voortbrengsel van vegetale stof, die van de oppervlakte der 
aarde, of van de lagere in de hoogste streken van den dampkring opgerezen, 
zich op de sneeuwvelden der hooge bergen heeft neergeslagen, en het eigen- 
aardig verschijnsel te weeg brengt , dat wij roode sneeuw noemen. Plantenstof 
ontwikkelt zich vrij in den dampkring , als product der uitwaseming. Plan- 
tenslijmstof namelijk wordt, hoe weinig dan ook, zonder twijfel met het wa- 
ter dat zij uitwasemen , door de planten aan den dampkring medegedeeld. 
Waar die stof neerslaat, daar vormen zich, onder toetreding van lucht en 
licht , planten. Het plantenrijk zelf wordt , door tusschenkomst van den 
dampkring, de rijke bron voor de verbreiding der gewassen. 

Er is eene klasse van zoogenaamde lagere, vaak ook microscopische plan- 
ten, die in de huishouding der natuur eenen grooten rol verrigten, en die 
den grootsten invloed hebben op den landbouw en alle takken van oeconomie , 
industrie en handel , eene klasse van planten tevens , die nooit te voren zoo 
in bijzonderheden is nagegaan als thans geschiedt , en waarin ons toch nog 
zoo veel duisters is overgebleven. Ik bedoel die planten , die gewoonlijk wor- 
den aangeduid door den algemeenen naam van champignons , hoezeer die 
in den eigenlijken zin alleen van toepassing is op de soorten van het geslacht 
Agaricus, of mushroovis der Engelschen. 

Die planten zijn thans vooral gewigtig , als men ze beschouwt in 't naauwste 
verband met de verwoestingen, die men in sommige voortbrengselen van land- 
bouw en kuituur opmerkt, en waarvan zij, door eenigen als de oorzaak, 
door anderen daarentegen als de produkten worden aangemerkt. — Ik heb 
mij voorgenomen hier in 't kort te handelen over eenige zïehten van hultuur- 
voortbrengselen in betreJcJclng tot champignons. Ik vleije mij dat dit onder- 
werp der aandacht onzer lezers niet onwaardig zijn zal , en dat , moge de be- 
handeling niet in allen deele voldoende kunnen zijn , de uiteenzetting van eenige 
thans zoo algemeen besproken, doch zeker niet algemeen noch populair gekende 
zaken, althans de waarde kan hebben van eene actualiteit. 

Wat men in het gewone leven onder de benaming champignons of padde- 
stoelen verstaat, dit geeft ons slechts gedeeltelijk en dus onvolledig denkbeeld 
van deze zonderlinge plantenvormen. Ik wil trachten er iets meer van te 
doen kennen. 

Oorspronkelijk toch zijn het niet anders dan draden of cellen, die, op 
allerlei wijzen, zijn door een geweven, en die als 't ware de eigenlijke plant 
schijnen uit te maken, terwijl al wat zich later voordoet niet anders schijnt 
te zijn dan de toestel voor vruchtmaking. Er zijn er van een grooten om- 
vang, en van geheele ponden gewigts; er zijn er die zóó klein zijn, dat men, 



62 

met het blootc oog althans , haar aanzijn niet zou vermoeden ; wij bedoelen 
de zoogenaamde microscopische vormen. Het wordt als een der karakters van 
deze groep van planten opgegeven, dat, wanneer zij eenmaal zijn ontstaan, 
zij hare vormen niet meer veranderen. Indien men nagaat de oorzaken of 
omstandigheden onder welke zij ontstaan, dan treft men hier een opmerkens- 
waardig verschil aan met al wat het plantenrijk ons, voor het overige, 
aanbiedt. Doode en rottende, in staat van ontbinding verkeerende planten en 
dieren, of plantaardige en dierlijke stoffen, ziedaar de voorwaarde van hun 
onstaan. Een afgestorven dier, eene bedorvene spijze, het afgevallen, dat is, 
doode gebladerte, — neen, zelfs het niet afgevallen blad, maar dat zijne 
ontbinding nadert , — dat alles zijn de rijke bronnen , waaruit eene vegetatie 
ontstaat, die zoo weelderig is en zoo rijk, dat zij alles overtreft wat de na- 
tuur ons aanbiedt, ook daar, waar ze haren grootsten overvloed ten toon 
spreidt. Er is daarbij nog een verschijnsel op te merken, dat inderdaad aller- 
treffendst is, ik bedoel het bijna plotselijk, het als met een tooverslag ont- 
staan van die zonderlinge ligchamen. Waar gij ze heden niet hebt aangetrofien, 
daar vindt gij ze vaak morgen in eene verbazende groote te voorschijn gebragt_ 
Waar gisteren de bodem efien was, daar stoot heden uw voet, te midden 
van een wandelpad tegen een dikken, vleezigen en saprijken champignon. 
Een voedsel dat weinige uren te voren zuiver, glad was van oppervlakte, is 
later vaak met een eigenaardig wit, of blaauwachtig dons bedekt, 't geen wij 
een schimmel noemen. Dat voedsel kan ons niet meer dienen, onze gezond- 
heid zou er een groot nadeel van ondervinden. 

De omstandigheden, die 't meest de ontwikkeling en den groei van deze 
planten bevorderen, zijn de reeds genoemde ontbonden of in staat van ont- 
binding verkeerende organische stof, de warmte en de lucht. Hieruit moet 
van zelf zijn af te leiden, dat de heete luchtstreken , dat bovenal de bosschen 
der keerkringslanden van deze gewassen een rijken voorraad moeten opleveren. 
Dit schijnt ook inderdaad het geval te zijn , doch wij kennen slechts van 
weinige tropische landen , met name van Java , eenige dier zonderlinge natuur- 
voortbrengselen ; van de meeste overzeesche landen kennen wij ze niet. Onze 
kennis van dezelve bepaalt zich derhalve hoofdzakelijk tot de paddestoelen of 
fungi van Europa. De tijd van het jaar waarop ze bij ons bij voorkeur ont- 
staan, is het najaar, als de vegetatie afsterft. -Linnaeus, de groote grond- 
legger der botanische wetenschap in de XVIII'^^ Eeuw , gewoon als hij was 
zich over onderwerpen die tot haar behooren in beeldspraak uit te drukken , 
zeide er letterlijk het volgende van: //het is een zwervend, voortvlugtig volk, 
dat, wanneer Elora de planten naar huis brengt, al het afval wat zij achter- 
lieten, opzamelt;" //Nomades, fugaces, qui Elora reducente plantas colligunt 
earum quisquilias sordesque." Die uitdrukking is inderdaad kernachtig en 



G3 

allezins waar, want, even spoedig als ze ontstaan ziet men ze ook weder af- 
sterven en als verdwijnen of wegsmelten, en tot de aarde, waaruit zij ont- 
stonden , Avederkeeren. 

Van de meest uiteenloopende vormen zijnde, bieden zij noch het innerlijke 
maaksel aan wat andere planten kenmerkt , noch de groene kleur die in het 
plantenrijk voor 't overige zoo algemeen is. Zij hebben vruchtjes en zaadjes 
van het allereenvoudigste maaksel, en deze vertoonen zich of uitwendig, of 
zijn in bijzondere holten bevat. Deze kiemen zijn voor 't bloote oog niet te 
onderscheiden. Zij zijn bovendien in de meesten in zeer groot aantal, in 
velen tot millioenentallen aanwezig, en bij de bersting van het gemeenschap- 
pelijk omhulsel, 't welk ze omgeeft, worden ze wijd en zijd verspreid, in de 
lucht opgeheven, door den wind weggevoerd om elders, misschien op vele 
mijlen afstands, weder op 't aardrijk neer te vallen, en waar zij eenen voor 
haren groei geschikten bodem aantreffen, te ontkiemen en dezelfde rei van 
verschijnselen en ontwikkelingen op te leveren. 

Een der standvastige kenmerken, waardoor zich de champignons onder- 
scheiden, is daarin gelegen, dat zij nimmer voorkomen in water, en hierdoor 
onderscheiden zij zich, onder anderen, van wieren of Algen. 

Het is experimenteel uitgemaakt dat zij eene geheel andere verhou- 
ding hebben tot den dampkring dan alle overige gewassen. De planten ne- 
men koolzuur uit den dampkring op, 't geen zij ontleden. Zij geven daar- 
van zuurstofgas aan den dampkring terug en behouden de kool in hare 
massa. Anders is het met de Champignons, zij nemen namelijk zuurstofgas 
op en geven koolzuur terug. Terwijl andere planten alzoo den dampkring 
verbeteren, voor de ademhaling van menschen en dieren geschikt doen blij- 
ven, doordat zij als 't ware het evenwigt tusschen zijne bestanddeelen hand- 
haven, wordt daarentegen door de champignons de dampkring bedorven. Zij 
tieren 't best daar, waar ammonia in de grootste hoeveelheid voorhanden is 
of ontwikkeld wordt, en 't is op dit beginsel dat de geheele kuituur van de 
eetbare champignons, zoo als die in de groote hoofdsteden van Europa in 
't groot wordt gedreven, is berustende. 

Bij dat groote verschil 't welk deze champignons met de overige planten 
opleveren , kan het niemand verwonderen , dat bovenal leeken de champignons 
niet aanzien voor planten, en ze zelfs voor iets afzigtelijks houden. Denaam 
Paddenstoelen mag daartoe, vooral bij ons te lande, hebben bijgedragen, 
waaraan zich het denkbeeld verbindt, dat onder deze voorwerpen zich pad- 
den, eene inderdaad afzigtelijke diersoort, ophouden. Het vreemde dat zij op- 
leveren in haar uiterlijk, geeft voedsel aan het bijgeloof, en de bekende ei- 
genschap die zeer velen hebben van uiterst vergiftig te zijn, heeft in die 
vermeende inwoning van het kruipend gedierte kracht gevonden ; en dit ver- 



64. 

hoogt ze almede niet in de schatting van onkundigen; voorwerpen van bij- 
geloof, doen ze bij velen zelfs vrees en afkeer ontstaan, en niet zelden 
worden die , dikwijls prachtige en op zich zelve onschadelijke voorwerpen met 
den voet baldadig vertreden of weggeschopt. Is het niet even zoo gelegen 
met vele dieren? Hoe menig prachtig insect , hoe vaak wordt eene spin , een on- 
schadelijk en zelfs nuttig huisdier, op eene wreede wijze door den mensch ge- 
dood, omdat men het niet kent of omdat men het vreest. Onnadenken- 
den, die we zijn, moest niet de gedachte alleen, dat wij aan die wezens 
het aanzijn niet hebben gegeven, ons terughouden, om hun leven roekeloos 
te vernietigen. 

Maar, is zoodanig de indruk bij leeken, ook bij natuurkundigen was de 
meening niet zoo zeldzaam, dat ze evenmin tot de planten, als tot de die- 
ren konden behooren. Terwijl nu sommigen ze als een afzonderlijk rijk der 
natuur voordroegen, wilden anderen dat ze eigenlijk niets anders zouden 
zijn, dan eene eigene, toevallige formatie van plantaardige stof, die door bij- 
zondere oorzaken of voorwaarden, het licht, de warmte, den grond, als 't 
ware. kan worden in aanzijn geroepen. 

Men moet erkennen, dat, hoe afwijkende ook zulke stelling moge wezen 
van alles wat wij van het plantenrijk kennen , er toch wel iets is aan te voeren 
tot hare verdediging. De snelle groei b. v.; want in eenen nacht groeijen zij 
vaak eenige duimen. Er zijn er die ontstaan na zekere winden, of na stor- 
men, en men kan ze uit dien hoofde meteorische planten noemen. Door een 
bepaald mengsel van organische en inorganische meststof kan men enkele 
soorten kunstmatig en met zekerheid doen ontstaan met uitsluiting van alle 
andere vormen of soorten. Dit is het kunstmiddel om champignons te tee- 
len op bedden, eene kunst die de kweekers wel verstaan. Zij ontstaan op 
zekere bodems altijd onder dezelfde eigenschappen; op bepaalde plantsoor- 
ten ontstaan parsitisch altijd dezelfde soorten van Fungi, zonder dat men het 
stellig bewijs kan leveren dat deze zaadjes van elders "zijn aangevoerd. 

Tegen dit laatste argument heeft echter een der voornaamste beoefenaars 
van deze plantengroep, de groote Zweedsche kruidkundige fries zich ver- 
zet. Hij zegt dat de zaadjes oneindig in aantal zijn; dat men ze bij een en- 
kel individu vaak op 10,000,000 kan berekenen, en dat ze zóó klein zijn, 
dat ze niet met het bloote oog kunnen worden onderscheiden, dat ze als 
rook of damp opstijgen in de lucht; dat ze door insekten, door den wind en 
door hunne eigene veêrkrachtigheid derwijze overal worden heêngevocrd, dat 
er naauwelijks eene plaats is uit te denken, van waar ze zouden zijn uitge- 
sloten. Wij komen hier tot de groote en moeijelijke kwestie, of füngi al- 
leen door zoogenaamde eigene vorming kunnen ontstaan, zonder de preëxis- 
tentie van zaadjes, dan wel of deze altijd en onmisbaar noodzakelijk zijn te 



65 

rekenen om bepaalde vormen te doen ontstaan. Daar dit laatste tot hiertoe 
niet positief is bewezen, kan die stelling, naar mijn oordeel, niet worden 
gehandhaafd, en ben ik genegen, om de boveuaangevoerde gronden, over te 
hellen tot het aannemen van het gevoelen, dat, mogen zij zich door zaden 
kunnen vermenigvuldigen en in stand houden , hetgeen boven allen twijfel 
is verheven, zij toch niet altijd en niet alleen oorspronkelijk door zaden 
behoeven te ontstaan. Ik vleije mij dat de verdere mededeelingen daartoe al- 
thans eenigen grond zullen kunnen leveren. Eene andere vraag, die hier 
voorkomt, maar aan wier behandeling wij ons niet kunnen wijden, is deze, of 
er ook vormen zijn die in elkander overgaan en of er grond zij om aan te ne- 
men dat een en dezelfde champignon in de onderscheidene toestanden van zijne 
ontwikkeling de vormen en eigenschappen van andere soorten representeert. 

Boekdeelen vol zou men kunnen schrijven over de eigenschappen der cham- 
pignons. Als voedsels zijn eenige soorten belangrijk. De eetbare champignon, 
Agaricus campestris, is hieronder in de eerste plaats te noemen, voorts de 
onderscheidene soorten van moriljes en truflels; van de eene en andere wor- 
den in Parijs en Londen en ook hier ten minste i dozijn soorten gegeten. De 
vergiftingen met dezelve, waarvan men zoo dikwerf leest, zijn toe te schrijven 
aan verwisselingen en aan inzameling door onkundigen. Dit intusschen moe- 
ten de liefhebbers van champignons niet uit het oog verliezen, dat enkele 
soorten , die doorgaans onschadelijk zijn , toch somwijlen schadelijke gevolgen 
hebben. De individuele toestand van hem die ze eet, kan hier zeker veel 
toe bijdragen; - dezelfde mosselen en oesters b. v. worden door dezen wel ver- 
teerd, door genen niet verdragen. Vergiftiging door champignons is eene 
der gevaarlijkste, die er bestaan. Zij is vaak doodelijk en middelen tot red- 
ding bestaan er veelal niet, omdat het gif dan eerst zijne werking open- 
baart, wanneer het alle vochten en organen heeft doordrongen. Er is werke- 
lijk, in dit opzigt, analogie tusschen champignons-vergiftiging en vergifti- 
ging met rattenkruid. 

Zwammen van de geslachten Boletus en Poljporus zijn zeer velen in ge- 
bruik. De zwam, dien wij als tondel aanwenden, Volyponis fomeniarms^ 
wordt zelfs kunstmatig in Duitschland voortgebragt. Men heeft 5-6 malen 
'sjaars eenen oogst, wanneer men hout, wel bevochtigd, slechts in eenen 
toestand brengt, om dien zwam te kunnen vormen. 

Onze landlieden kennen eene ziekte die zij het spoor ^ harensporen ^ die 
de geneeskundigen moederJcoren noemen. De eersten echter schijnen het niet 
altijd in te zien, met welk een gevaarlijk produkt zij te doen hebben. In 
natte zomers vooral, merkt men bij voorkeur aan de rogge eene ziekelijke 
vergroeijing van de korrel op, die iets gelijkt op een hoorn. Eene micros- 
copische zwamsoort ontwikkelt zich in de bloem, tusschen de kafjes van de 

II. 5 



66 

rogge-aar, en doet de korrel monsterachtig vergroeijen. Komt die onder het 
meel , dat tot brood wordt gebakken , dan kan daardoor ontstaan eene ziekte 
die inderdaad afgrijselijk is in hare verschijnselen. De Franschen noemen 
haar ergotisme ceréal. Wij kennen ze in al hare bijzonderheden, door de ge- 
schriften van den grooten agronoom tessier, die in de vorige eeuw door de 
Pransche regering werd afgevaardigd om den aard van eene epidemie te on- 
derzoeken, die in het Departement Sologne, wegens zijne onvruchtbaarheid 
en ongezondheid algemeen bekend, dagelijks honderden der bewoners deed 
ten grave dalen en waarvan de oorzaak te zoeken was in deze ziekelijke ont- 
aarding van de rogge-korrel. Eene drooge versterving tastte de ledematen, 
vervolgens de ingewanden aan en de lijders eindigden hun ellendig bestaan 
aan ontsteking van de edelste organen. Men zag de haren uitvallen, de bee- 
nen verlammen, de nagels, de handen, de voeten afvallen, en er waren voor- 
beelden, zoo verhaalt althans tessieii, wiens geloofwaardigheid ik boven alle 
twijfel verheven reken , dat , als men laarzen of handschoenen uittrok , de voet 
of de hand er in terugbleef. Ook bij ons te lande heeft men, betrekkelijk 
korten tijd geleden, treurige gevolgen gezien van onvoorzigtigheid of nalatig- 
heid, bij 't aamvenden van zoodanige zieke rogge. In 1841 was de ziekte in 
dit koren in de streek van Doesborgh zóó veelvuldig, dat er bijna geen en- 
kele halm vrij van was, en de algemeenheid er van gaf onzen toenmaligen 
Minister van Binneulandsche Zaken aanleiding, om daarop de aandacht der 
Provinciale Commissiën van Landbouw te vestigen. In de buitengewoon voch- 
tige maand Augustus van 1838 zag men het om Nijmegen zóó algemeen, dat 
men een bundel halmen met de hand omvattende even zoo veel zieke aren 
omvatte. Ditzelfde zwamachtig produkt wordt in de hand van een voorzigtig 
arts een kostbaar geneesmiddel, waarvan men zeer dikwijls een heilzaam effect 
ziet. 

Men kent algemeen de verwoestingen, die in het hout dat tot construc- 
tie dient, voorkomen. AVoningen, vloeren, zolderingen, boiseringen, maar 
bovenal schepen hebben er van te lijden. Eene zwamsoort, de Merulkis vas- 
tator , is de pest van alle die constructiën ; van het eene deel van het hout 
plant hij zich op het andere over, en de nadeelen die hij veroorzaakt, zijn 
onnoemelijk. De verrotting van het hout en deszelfs vervuring, het drj rot 
der Engelschen, zijn hiervan de gevolgen. Het bestuur van onze Marine kan 
er van getuigen, dat een splinternieuw fregat, de Jupiter, op eene van onze 
landswerven letterlijk door die kwaal was vergaan, alvorens het kon van sta- 
pel loopen, 't geen nimmer heeft plaats gehad. Ik bezit stukken hout van 
het fregat //de Lije," 't geen na eene enkele reize naar Oost Indië, totaal 
onbruikbaar was geworden. 

Hout, maar vooral oud en vermolmd of dood hout, geveld hout en stom- 



67 

pen die aan de lucht zijn blootgesteld , biedt bovendien nog vaak een verschijn- 
sel aan, dat aan niets anders dan aan champignons is te wijten; het geeft 
namelijk dikwijls licht, dat men 's avonds of 's nachts niet zelden opmerkt 
in de bosschen, en 't geen men veelal toeschrijft aan de glimworm (Lampy- 
ris). - Dit phosphorisch , blaauw licht heeft zijnen oorsprong, vaak in cham- 
pignons van eene eigene soort. Een vlokkig, als spinnenwebben gevormd, 
dradig weefsel, 't geen men mt/celium noemt, breidt zich in allerlei rigtin- 
gen uit over de oppervlakte en daar waar het zich vertoont, verspreidt het 
hout den even bedoelden lichtglans; men zou het bijna als lichtdrager of 
lantaarn kunnen gebruiken, zoo als in de tropische landen de bewoners dit 
doen met sommige lichtgevende insekten. Dr. hooker, die eenige jaren in 
Indië, vooral in het Himalaja gebergte heeft doorgebragt, gaf er eene me- 
dedeeling over, waarvan wij reeds in het vorige deel melding hebben ge- 
maakt der //Plora." Op de olijfboomen aan de oevers van de Middellandsche 
zee heeft men eene eigene soort van Agaricus (lioedzwam) ontdekt, die 
's avonds licht geeft, en waarbij het licht van de organen der fructificatie 
uitgaat. Men kan dit phosphoresceren kunstmatig te voorschijn roepen, door 
bepaalde spijzen in kelders bloot te stellen aan bederf. Er ontstaat een cham- 
pignon, een schimmel, een kleverig vocht bedekt de oppervlakte, en in 't duister 
bewaard , ziet men een blaauw en als 't ware golvend licht. In de kolenmijnen 
bij Dresden zijn dergelijke phosphorescerende champignons mede opgemerkt. 
De verlichting der wanden en zuilen geeft er het aanzien van een torenspits aan. 
Champignons ontwikkelen zicli ook op levende dieren. Eene merkwaardige 
ziekte van zijdewormen, die somwijlen geheele magnanerien aantast en aan 
de zijde-iudustrie daardoor groote schade aanbrengt, is de dusgenaamde i'/^?/-^- 
cardine. In Provence vooral is die uitdrukking in gebruik, omdat het lig- 
chaam van de zijdeworm er uit ziet als ware het bedekt met eene soort van 
wol, die met suiker bestrooid is. Die ziekte is van eenen aanstekenden aard. 
De worm wordt op eiken leeftijd aangetast, maar vooral op het tijdstip dat 
hij zal gaan inspinnen. Yeelal heeft de ziekte plaats als de cocon zich reeds 
begint te vormen. De parasiet maakt hem de beweging onmogelijk; het lig- 
chaam gaat over tot eene vaste massa, het wordt breekbaar en trekt zich te 
zamen. Italiaansche geleerden hebben daarin 't eerst eene schimmelplant ont- 
dekt, die zij tot het geslacht Botryiis bragten en waaraan zij ter eere van 
Dr. BAssi, te Lodi, den naam van B. Bassiana hebben gegeven. Op som- 
mige insekten komen champignons voor. Men vindt ze vooral in de West- 
Indiën. Reaumür maakt reeds gewag van planten, die op insekten groeijen. 
IviRBY en SPENCE hebben opgemerkt, dat men parasitische planten vindt op 
insekten , die een gedeelte van den winter in een torpideu toestand doorbren- 
gen. Eeeds in 1769 beschreef fougeroüe de bo>'Daroc, levende insekten 



68 

waarop planten groeijen. De Pransche reiziger melvil bragt van St. Domingo 
omstreeks dat tijdstip een insekt mede, op welks hoofd een champignon 
groeide. Het dier verliest, bij de vorming van dit gewas, allengs het leven 
en verandert eindelijk geheel en al in eene plantaardige massa. Toen dit het 
eerst in Europa bekend werd, gaf dit aanleiding tot twijfelingen, die echter 
thans geheel zijn opgeheven. Men kent zoodanige voortbrengselen, tot de ge- 
slachten Clavaria, Sphaeria, Isaria behoorende, thans niet alleen ait Amerika, 
maar uit Nieuw-Holland, China, enz. Champignons komen bij ziekelij ken 
toestand voor in de longen (bij vogels), in de ingewanden, in de holte van 
eijeren, in de dusgenaamde poolsche vlecht, in den uitwendigen gehoorgang , 
op 't hoofd bij 't kwade hoofdzeer, in de maag; het wezen van de spruw, 
eene gevaarlijke aandoening van de tong en de ingewanden zou daarentegen 
in microscopische wierplanten bestaan, gelijk dat van sommige andere ziek- 
ten van de huid in Acari, d. i. kleine schaal dieren , die men ^slechts zou 
hebben weg te vegen of te verjagen, om eene grondige genezing aan te 
brengen. 

Het is zeker geen toeval te achten, dat in hetzelfde jaar 1845 waarop de 
ziekte der aardappelen ontstaan is , en waarvan de oorzaak en het wezen door 
velen almede zijn gezocht in champignons; ook voor 't eerst zich vertoond 
heeft de ziekte in de druiven , maar in de laatsten iets vroeger in het jaar. 
In 't voorjaar namelijk zag de Heer ïucker, kweeker te Margate, een ge- 
hucht aan den mond van den Theems, op zijne druiven in de kassen 
een wit grijs beslag. Dit werd weldra ook opgemerkt in bijna alle gelijk- 
soortige kweekerijen in Engeland. De Eeverend Dr. berkeley, te Bristol, 
aan wien men de zieke druiven ter onderzoek zond, zag er in eene nieuwe 
soort van het geslacht der champignons , dat onder den naam Oid'mm bekend 
is. Hij noemde het O. TiocJceri. De Oidium zijn kleine champignons , die uit 
zeer fijne, of takfcige, doorschijnende draden bestaan, die aan hoopjes verec- 
nigd voorkomen en waarvan de leden zich tot vruchtjes ontwikkelen, die, 
wanneer zij rijp worden, afvallen. In 1847 zag men de ziekte eerst in de 
geforceerde kuituren, daarna aan de treilles en espaliers om Parijs. In 1851 
was ze hier en daar, doch in ligten graad, in sommige wijnbergen; maar 
terzelfder tijd maakte ze schrikbarende voortgangen in Italië en Hongarije. 
Zij is thans aan gene zijde van de Middellandsche zee in Algerië, in Sjrië, 
ja, overal waar wijnbouw is. In 1852 schijnt zij 't eerst algemeen bij ons 
te zijn geworden. De champignon scliijnt de geheele plant aan te doen, uit- 
genomen den wortel en een deel van den stengel. De witte kleur van het 
blad en van den druif valt dadelijk in het oog. De druif houdt op te zwel- 
len, droogt, scheurt, en komt niet tot rijpheid. Wijn, dien men beproefd 
heeft van zulke druiven te maken, was geheel onbruikbaar. Het waren overal 



69 

eerst, ook bij Mr. tucker te Margate, de PranJkenthaler druiven, die men 
zag aangedaan, en van deze verscheidenheid breidde zich de ziekte op anderen 
nit. De Avarmte van den dampkring en de vruchtbaarheid van den grond te 
zamen bevorderen bovenal de ontwikkeling van het Oidium; eene vochtige 
en lage standplaats is bovendien eene ongunstige omstandigheid te meer. 
Overal is opgemerkt, dat een lage stand veel noodlottiger was voor de pro- 
ductie dan kuituur op heuvelachtige terreinen. Luchtstroom moet dus nuttig 
zijn, gelijk een minder bewogen lucht schaadt. Men heeft allerlei middelen 
ter genezing van het kwaad voorgesteld, bestrooijen met asch, bespuiten met 
water, waarin keukenzout is opgelost, of waarin bloem van zwavel vermengd 
is, of eindelijk hjdrosulpuretum calcis met water. Dit laatste middel is 't beste 
bevonden. Anderen prezen teerberookingen aan, enz. Er bestaat bij de Aca- 
demie des Sciences eene commissie voor deze gewigtige zaak. Wij lezen in 
de Compte rendu van bijna elke sectie dat er berigten zijn ingezonden over 
de druivenziekte , en er volgt dan altijd op renvoyé a la commlssion. Moge 
die commissie eindelijk een rapport uitbrengen! 

Ik heb de schade die men alleen in het West-land, jaren achtereen in de 
druivenkultuur, ten gevolge van deze ziekte heeft gehad, hooren begroot en; 
maar onzeker of het berigt genoeg autentiek was, durf ik het cijfer niet uit- 
spreken. Maar, als wij in de Statistieke tabellen op last van het ]\Iinisterie 
van Financiën uitgegeven zien, dat er in het jaar 1851 voor \ millioen 
versche vruchten zijn uitgevoerd (waarbij de Frankenthaler druiven een voor- 
naam aandeel hebben), dan voorzeker zal men het voor onzen handel en 
kuituur wel van groot gewigt rekenen, om van nader bij met al wat deze 
ontaarding van den druif en hare genezing betreft bekend te zijn. Ik heb 
in de afgeloopen jaren getracht daartoe nu en dan kleine bijdragen te leve- 
ren en ik stel mij voor er mede voort te gaan. 

De wijnbouw is eene gewigtige kwestie voor vele staten van Europa, dien 
niemand, al is hij ook geen voorstander van den wijn, met onverschilligheid 
kan gadeslaan. Honderdduizenden vinden door de kuituur van den wijnstok 
hun brood, en er is wel geen tak van kuituur uit te denken, die zoo veel 
inspanning vordert en die, op vele plaatsen althans, aan zoo groote moeije- 
lijkheid onderhevig is. 

Er blijft mij over mijne meeniug uit te spreken aangaande het oorzakelijk 
verband van champignons en zieke planten, waarop zij voorkomen. Die meening 
strooke wel niet met die van voorname mycologen (d. i. beoefenaars van 
de studie der champignons), maar ik geef mijne gronden voor betere, 
en ik zal, wanneer ik dwaal, wijken voor eene opinie die op goede gronden 
berust. 

Ik houde in alle omstandigheden, in welke champig-nons het wezen van 



70 

planten-ziekten uitmaken, den champignon voor secundair, d. i. voor gevolg, 
voor effect, niet voor oorzaak. 

Ik meen nogthans te mogen aannemen, dat de champignon de oorzaak 
kan worden van hetgeen men de aanstekelijkheid van eene plantenziekte noemt; 
ik geloof dat de champignon de oorzaak wordt van de verbreiding der ziekte; 
dat de champignon de ziekte perpetueert, ook dan, wanneer de oorzaak, die 
haar te weeg bragt, heeft opgehouden te bestaan. 

Observatie en analogie leiden ons tot dit besluit. — De meeste planten- 
ziekten ontleenen haren oorsprong aan gestoorde functie van de opperhuid, 
aan het verbroken evenwigt tusschen de massa vochts, die de planten uitwa- 
semen, en den graad van vochtigheid van den dampkring. De honigdaauw 
b. V., een wit en poedervormig bekleedsel dat de planten bedekt, is een pro- 
duct der uitwaseming. Elke te sterke verdamping door de oppervlakte maakt 
de plant, maar vooral de opperhuid zelve ziek. De ziekmakende oorzaak 
gaat vooraf; de werking van de huid wordt gestoord, de plant wordt, zoo 
als wij dit zouden uitdrukken, verkouden. De stoffen onder de huid onder- 
vinden eene abnormale stofwisseling of omzetting; ieder deel daarvan onder- 
gaat eene eigene metamorphose, het zondert zich daardoor van het omliggende 
weefsel af, het groeit aan, het verheft zich, het doet de opperhuid zwellen, 
bersten, het komt naar buiten, het ontwikkelt zich in alle zijne vormen en 
eigenschappen, het vormt zijne zaadjes en het wordt de rijke bron tot ver- 
breiding van champignons die de oppervlakte van gelijksoortige plantendeelen 
bezoeken en vaak haar maaksel verwoesten, haren groei belemmeren. Die 
stelling wint niet weinig door de omstandigheid, dat dezelfde plantsoorten 
altijd dezelfde vormen of soorten van champignons en nooit andere voortbren- 
gen, en door de zwakheid van het argument dat de zaadjes om in het in- 
nerlijke weefsel zich te kunnen ontwikkelen, door de poriën van den opper- 
huid zouden moeten zijn doorgedrongen, alvorens daar te kunnen ontkiemen, 
iets, 't geen ik even onmogelijk acht, als dat zij door de wortels kunnen zijn 
opgenomen. 

Maar, dat die champignons de plantenziekten kunnen verspreiden en hunnen rol 
kunnen omkeeren, dat is, in plaats van eff'ect oorzaak worden, dit geloof ik, is 
eene ontwijfelbare zaak; de ziekte der druiven is er wel het bewijs van. In 1845 
ontstonden er champignons op de aardappelplant.- De ziekte in dit gewas was 
over de geheele aarde zoo algemeen en ontstond zoo gelijktijdig overal, dat 
men wel eene algemeene oorzaak daar voor kon aannemen. Maar waarom zijn 
er nu nog, na 8 jaren, zoo veel zieke aardappelen en aardappel-planten? of 
is het aannemelijk, dat gelijke atmospherische oorzaken nog bestaan? Ik zou 
niet vreemd zijn van de meening, dat de champignon de ziekmakende oorzaak 
is geworden en gebleven en dat het gewas zich daarvan moeijelijk herhaalt. 



71 

Bij het ontstaan van planten-ziekten mag dit vooral onze aandacht niet 
ontgaan, dat zij bijna altijd kultuur-planten aandoen. Dit zelfde is het geval 
ook met dieren, Aan ziekten zijn 't meest onderhevig de dieren die in staat 
van domesticiteit verkeeren. De ziekmakende oorzaak vindt, op dat ik mij zoo 
uitdrukke, in de kultuur-planten eenen vruchtbaren bodem voor hare ontwik- 
keling. Eene kultuur-plant, of liever eene gekultiveerde plant is in abnormalen, 
ik zou bijna zeggen, in zieken toestand. 

Daarom zien wij ziekten in het koren, in de ooftboomen, in de veldvruch- 
ten; daarom ziet men b. v. in de keerkringslanden duizenden koffijboomen 
wegsterven, zoo als voor 4 jaren onder anderen het geval was op Ceylon, 
maar ziet men dit ook in Arabië? ik betwijfel het. Welke zijn nu de ziekten 
waardoor onze woudboomen worden aangetast, zóó dat ze geheel vernietigd 
worden; ik ken ze niet, ik geloof althans niet dat er van zulke algemeene 
verwoestingen voorbeelden bestaan. 

Bij Tucker te Margate werden reeds door warmte gedreven druiven, en wel 
Frankenthaler druiven, eene kultuur-variëteit, ziek. Een champignon vormde 
zich op de oppervlakte, die op zijne beurt de oppervlakte van andere druiven 
aandeedt en verstoorde, waar het substratum als ik mij zoo mag uitdrukken 
voor zijne ontvangst geschikt was. 

Zullen wij van die kwaal bevrijd worden? Ik geloof ja, maar na vele 
jaren, als men de oorzaken der ziekte zal hebben leeren kennen en daarop 
de aanwending van doelmatige middelen ter genezing zal hebben gebaseerd. 
Ik reken onder die middelen de beste, die welke de natuur zelve zal 
aanbrengen. Water is de natuurlijke vijand van champignons, en van het 
hemelwater, vooral van slagregens, reken ik dat die genezing boven alles 
is te hopen. Maar ik geloof tevens dat men bij kultuur-planten in 't 
algemeen mag aannemen een zeker culmen, een toppunt dat zij bereiken in 
hare ontwikkeling, om zich daarna weder te gaan ontaarden. Van den wijn- 
stok echter en zijne voortbrengselen geloof ik niet dat wij dit nu nog be- 
hoeven te vreezen. Sedert Noachs tijd had dit keerpunt al lang kunnen in- 
vallen, en ik stel mij voor, dat men, bij eene goede en doelmatige behandeling 
van het nu zoo ziekelijk gewas, de middelen zal leeren kennen, om den 
champignon te verdelgen en ons vrij te waren voor het gevaar om het heer- 
lijk druivennat tegen de Mexicaansche pulqué, tegen het opium der Turken, 
of teilen alcohol uit beetwortels te moeten verwisselen. 



72 



DE KEIZERLIJKE PAULOWNIA, IN BLOEI BIJ DEN HEER P. H. MARTIN. 

OP VREDENHOF TE 's GRAVENWEG BIJ ROTTERDAM. 

Het schijnt dat, tot hiertoe, de Tauloionia imperialis Sieh. en Zucc. in 
ons vaderland niet gebloeid heeft, althans niet in gezonde exemplaren. Er staat 
mij flaauw in herinnering dat een niet geheel gezond voorwerp voor eenige 
jaren heeft gebloeid op den Hartekamp, maar dit is mij niet zeker en dus 
nog veel minder in bijzonderheden bekend. 

De tegenwoordige korte mededeeling zal welligt aanleiding geven dat aan 
het licht kome, wat in deze der vermelding waardig is, en wat ik, door ge- 
brek aan de gelegenheid daartoe, maar vooral aan tijd, thans niet kan opsporen. 

Komen geene vroegere waarnemingen van dezen aard thans aan het licht, 
dan mag men het er voor houden dat de eerst hloeijende gezonde hoorn van 
Vauloionia imjienalls Sieh. en Zucc. is die, welke thans bloeit bij den Heer 
P. H. Martin te "'s Gravemoeg bij Rotter dain. 

Door de welwillendheid van den gemelden Heer, ben ik in de gelegenheid 
het volgende over dit voorwerp mede te deelen. Vooraf echter zij het mij 
vergund kortelijk op de historie van den boom en op de mij thans bekende 
antecedenten de aandacht te vestigen. Van deze zal ik zeker een en ander 
onwillekeurig voorbijgaan en ik vraag daarvoor toegevende verschooning; mijn 
doel kan daarenboven niet zijn, in dit kort berigt, die zaak monographisch 
te behandelen. 

Aan de Flora japonica van Jhr. von siebold (p. 27) ontleenen wij het 
volgende betreffende den boom zelveu zoo als die op Japan voorkomt. Zijn 
japansche naam is Kirri. Hij werd in de vorige eeuw door ïhunberg gere- 
kend tot de Bïgnonia^s, door hem als Bignonia tome^itosa beschreven, en 
later onder den naam van Incarvillea tomentosa m het plantenstelsel opge- 
nomen. De beroemde natuurkundige von sieboi.d, aan wiens onvermoeide 
nasporingen en opofferingen wij zulke gewigtige ontdekkingen ten aanzien 
van Japan zijn verschuldigd, heeft teregt ingezien dat die boom niet tot de 
Incarvillea s kon behooren. Hij droeg deze plant voor als de type van een 
nieuw geslacht, hetwelk hij toew^ijdde aan de toenmalige Kroonprinses H. K. 
K. Hoogheid, anna paulowna, thans H. M. de Koningin-Moeder. Er kon 
aan de edele Vorstin door de kruidkundigen geene betere hulde worden ge- 
bragt, dan door Haren doorluchtigen naam te verbinden aan de geschiedenis 
van eenen van de schoonste boomen der aarde en die in zulk eene hooge eer 
staat bij het Japansche volk, dat de bladen en bloemen dienden als zinne- 



73 

beelden op de wapenen van groote mannen en helden. Deze boom, volgens 
VON siEBOLD een der schoonste boomen van Japan, verkrijgt eenen stam die 
2-S voeten in middellijn heeft en die zich tot eene hoogte van 30-40 voeten 
verheft. De kruin is groot en zeer sterk takkig, en de takken zelve zijn dik. 
De bladen zijn groot, en min of meer viltig. De schoone en welriekende bloemen 
ontwikkelen zich in April, nadat zich de bladen hebben ontvouwd. Zij staan 
op groote trossen en doen denken aan die van den gewonen Avilden kastanje, ge- 
lijk zij door hare vormen herinneren aan de bloem van eene zeer bekende kruidach- 
tige plant, het paars Vingerhoedhruid. De zaaddoosjes rijpen in den herfst 
na het afvallen der bladen en bevatten een groot aantal gevleugelde zaadjes. 

De boom komt het meest algemeen voor in de meest zuidelijke streken 
van Japan, waar hij vooral in de valleijen en aan de hellingen der heuvels, 
die aan de sterke hitte der zonnestralen zijn blootgesteld, volkomen wel 
tiert. Zijn groei is ongemeen snel, gelijk dit ook door de ondervinding in 
Europa is bevestigd. 

De afbeelding in de Flora japonica voorkomende, is tallooze malen, in 
verschillende JR.ecev.ils overgenomen i). Het is mij niet bekend dat er eene 
afbeelding van eene in Europa gebloeid hebbende plant ergens is bekend ge- 
maakt. In het zuiden van Europa zou men daartoe zeker overvloedige gele- 
genheid kunnen hebben. 

De JPauloicnia iw,perialis is op meer dan eene wijze in de Europesche 
kuituur ingevoerd. Daaromtrent is mij het volgende bekend, 'twelk door 
anderen, die daarvan meerdere en betere bijzonderheden kennen, des noods 
kan Avorden aangevuld. 

Zij werd ingevoerd door de Heeren c. t,. bi-ume en ph. fr. von siebold, 
blijkens het door die Heeren in November 1842 uitgevaardigd plan van de 
Koninklijke Nederl. Maatschappij tot Aanmoediging van, den Tuinhouw en 
aangeboden ten voordeele van de overgebleven betrekkingen van Dr. pierot, aan 
wien de toen jeugdige instelling den invoer der ecMe Paulournia had te danken. 

In het jaarboek van 1844 (p. 23) der zelfde Maatschappij, komt deze plant 
voor op de: krtiidkundige Naatnlijst van ond en 7demo ingevoerde japansche 
planten^ in de hweekerij der Maatschappij voorhanden en verkrijgbaar. Zij 
wordt daar vermeld op de volgende wijze: 

P. imperialis Sieb S)' Zucc. a. var. Japonica Hasskarl^ ingevoerd door 

PIEROT, TEYSMANN. 

'/ // /?. sinensis. 



') Amiales de la Société Boy. dCAgric. et de bot. de Gand. II. 490. Maandschrift voor Tuin- 
bouw 1S46. p. 85. Le bon jardinier 1853. p. 1328. 



74 

P. imperialis Hort. Paris. 

Hieruit blijkt, dat er ten minste drie verscheidenheden zijn, en tevens dat 
de aanvoer uit Japan en China beide moet hebben plaats gehad. Onjuist is 
het beweren dat het zaad, 'twelk direkt uit Japan werd aangebragt in den 
tuin te Parijs door den Graaf de cussy, de vader zou zijn van al de in 
Europa gecultiveerde Paulownias, zoo als in de Revue korticole van 1853 
p. 245, beweerd werd. 

Wij hebben hetgeen over die verscheidenheden werd voorgedragen, door 
Heeren oprigters en eerste Directeuren der Maatschappij, aangevoerd, omdat 
wij meenen dat zulks bij de beschouwing der Paulownia's Avel mag worden 
overwogen. Er is een onmiskenbaar verschil tusschen de Pauloionia die hier, 
en die elders, b. v. in Engeland gekweekt wordt. 

In 1841 moet, volgens eene opgave van Prof. morren, de Paulownia 
hebben gebloeid in den kruidtuin te Parijs, alwaar dit verschijnsel jaren 
achtereen is gezien. In Engeland (in 1849) en verschillende landen van 
Duitschland werd het almede menigmaal opgemerkt. 

Sedert October 1846 heeft een exemplaar in den Leidschen kruidtuin telken 
jare op dat tijdstip knoppen voortgebragt; bloemen zagen wij nimmer. Ieder 
jaar werden de bladen kleiner en om zoo te zeggen armer, en de bloemtrossen 
meer en meer ontwikkeld. Om Weenen schijnt men de knoppen van de Paulownia 
te doen bloeijen, door de bloemtakken tegen den winter te omgeven met stroo; 
waarna ze, volgens eene mondelinge mededeeling, mij door den Hr. eenzl 
Prof. te Weenen gedaan, in Mei en Junij zich ontwikkelen. Er zijn om die 
knoppen dikke omhulsels, die ze tegen uitwendige invloeden beschermen en 
hierin is de reden, dat de Paulownia in sommige landen bloeit, niettegenstaande 
eene strenge winterkoude. 

De Paulownia van den Hr. martin was in 1842, toen zij geplant werd, 
slechts twee duim groot. Men plaatste haar op eene wel beluwde standplaats. 
Een jaar later had zij reeds eene hoogte van tien voeten bereikt, en in het 
tweede jaar maakte zij een gelijk schot, terwijl men zorgde dat de bladen 
van den stam immer werden weggenomen. In het derde jaar ontwikkelde zich 
vooral de kroon, en aan de takken kwamen ieder najaar bloemknoppen, die 
met elk voorjaar afvielen. Eerst in 1852 gaf zij ongeveer vijftien bloemen. 
In het afgeloopen najaar was de kroon met bloemknoppen als overdekt; men 
hoopte dat een zachte winter die zou sparen, maar de strenge koude scheen 
alle hoop weg te nemen. Op 4 Junij jl. meende de eigenaar te bespeuren , dat 
de kiioppen in omvang toenamen, en eerst sedert 8 Junij zijn de bloemen 
in groote hoeveelheid ontwikkeld. Zij hebben eenen heerlijken geur als violen. 
De boom is thans 45 voeten hoog, 10^ duim in middellijn; was altijd ge- 
zond en zonder bedekking. 



75 

Wij raden de belangstellenden aan op Vredenhoef dit belangrijk en voor 
ons land nieuw verschijnsel te gaan zien en zijn verzekerd dat men daarbij 
op de gewone heusche ontvangst van den Heer martin zal kunnen rekenen. 

En nu nog iets over de bloemen, die mij van Avege den Hr. martin zijn 
toegezonden. Zij zijn donkerder blaauw paars, dan de afbeelding der Flora 
japonica en zouden dus, naar mijn oordeel, pleiten voor het door den schrijver 
beweerde, dat er meerdere verscheidenheden van Paulow7iia imperialis bestaan. 

Dit bloeijen in dit getijde en na zulk een' winter, zal ieder deskundige met 
mij eene merkwaardigheid noemen. Eene plant die leeft in eene streek, welke 
ongeveer op gelijke geographische breedte voorkomt als Teueriffe en die dus 
zeker een warmer klimaat vereischt dan het onze, doet hare bloemknoppen, 
die de strenge en langdurige vorsten en afwisseling van koude en dooi hebben 
doorgestaan, tot volle ontwikkeling komen, en ontplooit hare bloemen met 
de heerlijkste geuren en kleuren. Het is inderdaad een nieuw bewijs, hoe- 
zeer de werking van het leven of hoe men dat inwendig werkzame beginsel 
ook noemen moge, bijdraagt, om de ontwikkeling over alle overige invloeden 
van buiten als het ware te doen zegevieren en te bewaren, en hoe de planten, 
inzonderheid ook in die deelen eenen eigenen warmte-graad moeten bezitten 
en bewaren, die vooral des winters grootelijks van dien der omgevende lucht 
verschilt en die eene der voorname oorzaken en voorwaarden van den wasdom 
is te achten. 



JAPANSCHE LELIËN. LELIËN IN HET ALGE3IEEN. HARE 
GESCHIEDENIS, HARE KULTUUU, ENZ. 

De Leliën, de Tulpen, de Hyacinthen, de Narcissen zijn van ouds in ons 
vaderland bekend en beroemd. In talrijke geschriften vindt men die schoone 
en voor onzen vaderlandschen handel zoo merkwaardige planten beschreven. 
Wij willen daarop in deze bladen de aandacht van onze lezers vestigen en 
roepen daartoe hunne welwillende aandacht in. Een kort Avoord over hare 
vroegere geschiedenis zij hier niet te onpas. 

Het schijnt dat zekere gislain busbecq, afgezant van ferdinand i, 
Eoomsch Koning, aan het hof van Coustantinopel, het eerst de tulpen aldaar 
ontdekt heeft. Hij heeft dit zelf beschreven in vier brieven , door hem geschre- 
ven in 1555 tot 1562 i). Gesner zegt dat de tulp het eerst in 1559 in 



>) Augerii Busbequii ojKra quae exstaut 1633. 



76 

't westen van Europa is aangebragt, en dat busbecq die had gevonden in 
bloei met Narcissen en Hyacinthen , tusschen Adrianopel en Constantinopel , 
in de maand Januarij; tevens, dat zij zeer gemeen was in Thracië en Cappa- 
docië. Men noemde ze in 't oud Hollandsch Tulipanen^ Dulpant of Bulbent; 
TuUpant schijnt de naam te zijn bij de Oosterlingen in gebruik. De tulp 
heeft, als zij wel geopend is , op eene soort van hoofddeksel dat men tulband 
noemt, eenige gelijkenis. Bodoens, Cruydeboech, 1644. p. 366. spreekt van 
//de gemeene soorten van Tulipans die hier te lande eerst uit Constantinopel 
overgezonden zijn." 

Het was in 1559 dat men in Europa voor het eerst de tulpen leerde ken- 
nen; in welk jaar conrad gesner voor 't eerst een tulp beschreef, die uit 
zaad was opgekomen, hetwelk of uit Bjzantium of uit Cappadocië was aan- 
gebragt. De eerste bloei had plaats te Augsburg. Toen charles de l'ecluse 
in 1573 te AVeenen kwam, ontving hij van anger busbecq eene groote 
hoeveelheid zaad van tulpen, die hij in het volgende jaar zag opkomen en 
toen reeds talrijke verscheidenheden van kleuren opleverden i). 

In Holland nam de tulpenkultuur en tulpenhandel een veel grootere vlugt, 
dan iii andere landen. Dit had vooral plaats in 1634 en 1637. Men verhaalt 
dat in laatstgenoemd jaar een rijk inwoner van Alkmaar, ten voordeele van 
het weeshuis in die stad, 120 tulpenbollen verkocht, die de som van 190,000 
gulden opbragten. Een tulpen-liefhebber verkocht een akker tulpen tegen 
twaalf akkers goeden bouwgrond. Een ander gaf een molen met al zijn toe- 
behooren voor eene tulpsoort, die thans geen halve gulden waard is. Bij 
LiNNAETjs kan men vinden aangeteekend, dat iemand eene tulp verkocht voor 
6,700 gulden, en munting spreekt van eenen enkelen tulpenbol, ^ciottjours 
auguste^ die 200 wigtjes woog en die op 5,500 gulden geschat werd, maar 
geen kooper vond. ') Men voege hierbij nog het voorbeeld van een tulpen- 
minnaar, die om eenen enkelen tulp, de vice-roi te betalen, doch die geen 
geld had, in betaling gaf zes en dertig mudden koorn, twee en zeventig 
mudden rijst, vier vette ossen, twaalf schapen, twee ankers wijn, vier tonnen 
bier en twee vaten boter. In 1637 verboden de Staten dien handel, die tot 
zulke schandelijke misbruiken en groote zedeloosheid aanleiding gaf. Het was 
intusschen even zoo gesteld met de Hyacinthen van den Levant, die even- 
zeer als de tulpen in Haarlems omstreken bij voorkeur tierden. De invoer 
moet op het laatst der XVF^ eeuw hebben plaats gehad. Men noemde echter 
oudtijds deze plant de roode Lelie. De VEcluse zegt er van n quant aux 
ff lys rouge., Ovide Ie dit est re crée du sang du Damoysel Hyacinthus., le- 



1) Linnaei syst. (jen. et spec. pi., ed. 'Richter, 1837. p. 219. Clusii rar. plant, kist. 1601. 
p. 143. 



77 

"qjiel Apollo ocist, se joiiant avec lui de sorie que les herhes ftirent arro7i- 
"sées cht sang cTiceluy et que soudain par Ie commandement dAppolo la 
"terre vint cc produire une feur se?)iblahle au Lys, sinon qiCelle est rouge ^ 
" comme Ovide en parle en cette maniere au 10 de sa métamorp/iose. 

//Soudain Ie sang espandu sur la dure 
/'Laisse estre sang, et devieut belle fleur, 
//Prenant du Lys la forme et la figure 
'/Mais rouge une est, Fautre a blanclie couleur. 

Die beroemde plautsoort is de Ryacintkus orientalis L, die nog heden 
in Haarlems omstreken eene bron van "ïvelvaart en rijkdom is. Men zie over 
deze planten het bekende werk: Des jaci7ithes, leiir anatomie, reproduction 
et culture, Amsterdam in quarto, 1768. p. ó. — Al de buitensporigheden die 
van den tulpen-handel worden verhaald, gelden mede de Hyacinthen; waarbij 
wij echter niet kunnen stilstaan. 

De Narcissen hebben nimmer het aanzien gehad, hetwelk aan de beide 
eerstgenoemde soorten van planten is ten deel gevallen- De invoer in Holland 
moet ongeveer gelijktijdig met de overige reeds gemelde planten van het 
Oosten hebben plaats gehad. 

De lelie was bij de Ouden in groote achting. De witte lelie, Lilium can- 
didum, was het zinnebeeld van de hoogste eer. De dichters noemen haar de 
Koning der bloemen , waarvan de roos de Koningin is. Het zou ons te ver 
van het doel dezer mededeeling afbrengen, indien wij al de tegenstrijdigheden 
uit de fabelleer of geschiedenis omtrent het allegorische dezer bloemen gingen 
mededeel en. Daarom bepalen wij ons tot de vermelding van hetgeen Avij vinden 
aangeteekend omtrent den invoer. De leliën zijn uit onderscheidene streken 
aangevoerd, als uit Duitschland, Siberië, Dahurie, den Caucasus, den Levant, 
Nepaul, Japan, China, de Andes, Carolinie en Noord- Amerika. 

Li de zestiende eeuw werden ingevoerd de Lilium candidum, L. peregri- 
num, L. hulhiferum, L. martagon, L. pyrenaicum, welke allen zijn verspreid 
geworden in het midden van . Europa, omstreeks het jaar 1S26. Van som- 
mige dezer soorten kunnen wij hier eenige details geven. 

De Lilium candidum, oorspronkelijk uit den Levant, werd in de tuinen 
eerst algemeen op het laatst der XY"^^ eeuw. Wat vroeger in Europa als lelie 
is vermeld geworden, schijnt eene soort van Iris te zijn geweest. 

Lilium Martagon is sedert lang bekend onder den naam van tulband, 
turksche muts, in België en bij DODOëxs^) als peiitslisdu Calvaire [Lelikens 



') Lodocns Cruythoeck edit 161S. p. 307. Ed. 1641 p. 308. 



78 

van Calvarie), lis de Catherine [Lelikens van Catharie7i), enz. Deze lelie is 
oorspronkelijk van Hongarije, Oostenrijk, Zwitserland, Siberië. Chahles de 
l'ect.use stak die lelie nit den grond nabij Maurpach Ie Greben in Pannonie, 
in de bosschen en op de velden van Leijtenberg, van Calemberg in Oostenrijk 
en tot aan de boorden van de Main nabij Frankfort. 

De Lilium Chalcedonicum L. werd eerst in de XVP® eeuw eenigzins meer 
algemeen. Persie is haar vaderland. 

In opvolgende eeuwen werden al meer en meer soorten uitgevoerd, zoo als 
Liliutn canadense^ L. pomponium (beide in 1629, volgens sweet) , Z. ,y;;ec(5öt- 
hile (in 1754), L. pJdladelpïdcum (1757), L. Catesbaei (1787), L. super- 
hum (1727). 

(Het vervolg in een volgend nommer.) 



OVERZIGT VAN DE VERSLAGEN OVER DE PHYSIAUÏOTYPIE OP 

ZELFAFDRUK VAN DE VOORWERPEN DER NATUUR, INGEDIEND 

AAN DE KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN, 



G. VROLIK, W. H. UE VRIESE EN F. DOZIJ. 



I. VERSLAG VAN DEN I1EER G. VROLIK. 

Aan de Koninklijke Akademie van Wetenschappen werd door den Heer 
Minister van l^innenlandsche Zaken toegezonden een door het Oostenrijksch 
Gouvernement aan Zijne Majesteit den Koning aangeboden prachtwerk, be- 
vattende een Specimeyi Florae cryptogamae vallls Arpasch Carpaiae Fran- 
silvani, door den Eidder lodewijk von hei]Fi>er. 

Dit geschenk had ten doel de meer algeraeene bekendmaking eener methode, 
om voorwerpen der Natuur in hunnen oorspronkelijken vorm terug te geven, 
waarvan de eerste proeven aan de Keizerlijk- Koninklijke Drukkerij te Wee- 
nen waren genomen. 

De moeijelijkheid in het vervaardigen van goede afbeeldsels in hout of 
metaal en deze in rigtigen afdruk weder te geven, deed vroeg den wensch 
ontstaan om de voorwerpen zelve daartoe te doen dienen. Reeds in 1572 
vindt men, in het kunstboek van alexis pedemontanus, de eerste aanwij- 
zing om planten door eigen afdruk voor te stellen. In het Journal des Voya- 



79 

ges van de moxconys wordt vermeld dat omstreeks 1660, zekere Deen, 
WET,KENSTEIN, onderrigt gaf in het afdrukken van plauten. In de PJdloso- 
pJiia botanica van tjnxaeüs leest men dat hisselius, in 1707 in Amerika 
planten-afdrukken vervaardigde. 

Professor kniphof te Erfurt, in medewerking van den Boekdrukker funke, 
begon er zich eindelijk op toe te leggen dien arbeid naar vaste kunstregelen 
te oefenen. Wat daaruit voortvloeide ging grootendeels verloren, en had niet 
in Halle de boekdrukker johann Godfried trampe zich met funke en 
KxiPHOF verstaan tot het uitgeven eener nieuwe uitgave vnn planten-afdruk, 
zoo ware welligt door de ziekelijkheid van funke het geheele plan in ge- 
breke gebleven. Aan den krijgs- en doraeinraad friedrich wilhelm von 
leyser werd de keuze en de beschrijving voor dat werk toevertrouwd. 

Hiervan nu zijn twaalf centuriën in 't licht gekomen met de geslachts- 
en soortnamen van linnaeus, of, bij gebreke daarvan, volgens ludwig. 

De planten werden daartoe aanvankelijk versch gedroogd, daarna met 
boekdrukkers-inkt bedekt en zwart gedrukt, en, bij verkiezing hiervan, ver- 
volgens met hare natuurlijke kleuren afgezet. Bevoegde beoordeelaars verko- 
zen echter de zwarte boven de gekleurde. 

De eerste centurie verscheen in 1758, de laatste in 1764. Ook trampe, 
even als de vroeger genoemde welkexstein, was een Deen, zoowel als een derde, 
van wien mede als uitvinder der zelfafdruk hieronder zal gesproken worden. 

Te gelijk met de uitgave van de centuriën der Botanica in originali seu 
Herbarium vivum^ namelijk in 't jaar 1763, werd in de Gazette salutaire 
(No. 2) een voorschrift gegeven om //alle soorten van planten op het papier 
over te brengen, [pour copier ioutes sortes de plantes sur papier); het is 
echter later niet gebleken dat hieraan bijval geschonken werd. — Lang 
daarna toch (17SS — 1796) werd door hoppe in Regensburg eene Ect7/pa 
plantarnm Rotisbonensium en eene JEcti/pa plantarum selectarum uitgegeven. 
Hierbij moet nog worden genoemd de Neue Methode vo7i natürliche Pfian- 
zenabdrücke/i van graumuller, welke in 1809 en opp's Neue Pflanzenab- 
drücJcen, die in 1814 verscheen. 

Uit dit alles nu volgt dat de uitvinding der plantcu-zelfdruk niet nieuw 
is, maar nieuw is er de uitvoering van in het prachtwerk van den Ridder 
VON heufler, terwijl voor den onvermoeiden alois auer. Regeringsraad en 
Directeur van de Keizerlijk- Koninklijke Hof- en Staats-drukkerij te Wee- 
nen, deze kunst die hoogte en luister bereikte noch bereiken konde; daar 
immers de uitvindingen van onzen tijd, in het bijzonder de galvano- 
plastieh het moesten mogelijk maken om den indruk van een gewas zoodanig 
over te brengen op eene daartoe geschikte plaat, dat hij in onbepaald getal 
kan worden terug gegeven. 



80 

Ten einde men zich de zaak duidelijk maken kunne, moet men zich voor- 
stellen dat een zeker gewas, eene niosplant b. v. zal afgebeeld worden. Hiertoe 
dienen twee platen, eene hardere van koper, eene zachtere van lood en twee 
walsen of ijzeren cylinders, tusschen welke men die platen in zamen voeging 
met de vereischte aanpersing kan laten doorgaan. Met behoedzaamheid spreidt 
men het gewas tusschen de koperen en looden plaat uit, en perst ze beiden 
vereenigd tusschen de koperen en looden plaat door, waardoor in het lood 
een afdruksel der plant ontstaat, welke men in hare ware gedaante wenscht 
voor te stellen. 

De zachtheid dier looden plaat echter laat slechts WTinige juiste afdxukken 
toe; deze kan dus alleen toereikende zijn, indien men er niet vele behoeft. 
De zwarigheid, die hieruit zou kunnen ontstaan, wordt echter opgeheven 
door de galvanoplastiek. — De holle afdruk in het lood wordt ver- 
heven wedergegeven op het koper, terwijl, door eenen gelijken galvanischen 
terugslag op eene tweede koperen plaat dezelfde vorm weder hol wordt voort- 
gebragt, met dezelfde juistheid als men van het graveerstift zou kunnen 
wenschen. 

Ruim twintig jaren voor men de wetenschap op eene zoo genialische wijze 
op het vormen van zelf af drukken toepaste, was zekere peter khyl, een 
Deensch graveur en goudsmid, reeds op de vernuftige gedachte gekomen, of 
het niet mogelijk zijn zoude om, door het bezigen van platen van ongelijke 
digtheid, planten, in haren natuurlijken vorm, op het papier over te brengen; 
de dood trad echter tusschen hem en zijne voorgenomen plannen; desniettemin 
bleven eenige door hem nagelaten proeven in de Archieven van de Akade- 
mie te Koppenhagen bewaard. 

Uit een later in het werk gesteld naauwkeurig onderzoek is gebleken dat 
zijne methode in alle opzigten te veel van die van aueb, verschilt, om aan 
te nemen dat zij beiden op eene lijn zouden kunnen geplaatst worden. 

Hoe voortreffelijk de uitvinding van Aiier nu ook is, en met hoeveel be- 
wondering men de uitvoering dezer bewerking met cryptogamische planten 
ook beschouwe, kan men toch de als van zelf opkomende en billijken twij- 
fel niet onderdrukken of men er even juist en even volmaakt in zal slagen 
de natuur in afdruk weder te ^ewQU bij zigtbaar bloeijende gewassen van 
saprijker weefsel? 

De enkele proef eener Anemone, geleverd in Der PoUgrapJiische Ajjparat, 
oder die verschiedene Kunstfacher der K. K. Hof. imd StaatsdruMerei zu 
Wien^ VON alois auek, Wien 8^. 1853, kan dezen twijfel slechts voedsel 
geven. De onvermoeide von auer zelf deelt in de meening dat zijne methode 
op vaatrijke en sappige planten nog niet wel toepasselijk is. Maar zeer veel 
is er reeds gewonnen doordien men in staat is van de lagere of zoogenaamde 



81 

celplanten conterfijtsels daar te stellen, welke men noode van de natuurlijke 
voorwerpen weet te onderscheiden. 

"Wat nu aangaat den inhoud van vox heuft.er's prachtwerk in Latijnschen 
en Hoogduitschen text, deze ook is voor de wetenschap zeer belangrijk, daar 
het hier, onder bijvoeging van enkele van elders bekomene, hoofdzakelijk geldt 
de crjptogamische planten eener in hare vegetatie nog naaiiwelijks bekende streek, 
namelijk eene vallei van Zevenbergen, welke door hem met de uiterste naauw- 
keurigheid beschreven en onder zijn toczigt afgedrukt zijn. 

II. VERSLAG VAN DEX HEER W. H. DE VRIESE. 

Bij de beoordeeling van de uitvinding van den Ridder vox auek zullen 
wij ons bepalen bij de wetenschappelijke waarde derzelve. 

Uit de voorrede van het hier bedoelde werk schijnt te blijken dat door 
Dr. T.EYDOLT, Professor aan het Polytechnisch Instituut te "Weenen, reeds 
proeven genomen zijn om planten van hoogere orden af te drukken en dat 
deze zaak het eerst door den heer vox aler op lagere planten werd 
toegepast. — Te regt merkt hij zelf aan, dat men bij planten van dik- 
kere, meer vleezige struktuur minder goed slagen zal. Het zijn voornamelijk 
celplanten en in 't bijzonder de wieren, voor welke hij zijne methode aan- 
beveelt, en van welke hij het schijnt mogelijk te achten ook de fijnere deelen 
door zelfdruk terug te geven. Het bedoelde werk kan dit echter nog niet vol- 
komen bewijzen. 

Dit echter is blijkbaar, dat de hierin afgebeelde planten, ons een beeld 
der natuur geven; al kunnen ze ook den toets van microscopen of ver- 
grootglazen niet doorstaan, maar gerust durven wij ook vragen of dit wel 
immer het geval is met gravuren in metaal of op steen, tenzij dezelve onder 
het vergrootglas bewerkt zijn. 

Men heeft wel eens geëischt dat afbeeldingen van natuurvoorwerpen niet 
alleen duidelijk herkenbaar moeten zijn, maar dat men die voorwerpen, naar 
aanleiding dier afbeeldingen, zou kunnen bepalen. 

Behalve dat zoodanige eischen in 't algemeen te hoog zijn, zullen ze wel 
onmogelijk zijn te verwezenlijken voor zoodanige planten, waarvan men de ge- 
steldlieid alleen door middel van het microscoop kan leeren kennen, waartoe 
b. v. de conferven behooren. Hier is alleen een microscopisch en micrometrisch 
onderzoek mogelijk, en toch beeldt men ze in natuurlijke grootte af. 

Zulke afbeeldingen zullen hem die ze beschouwt even weinig nut opleveren 
als het voorwerp zelve met het ongewapende oog gezien, terwijl zij, tenzij 
men ze met vergrootglazen beschouwt, veel te wenschen overlaten. 

Met inachtneming van het bovenstaande, kunnen wij overgaan tot de 

II. « 



82 

beoordeeling der eerste afbeelding, zijnde die van Cladophora. Daar deze de 
plant, onzes erachtens, evenzoo doet kennen als elke andere voorstelling, in 
natuurlijke grootte, welke ons daarvan bekend is, zijn wij verre van haar 
onvoorwaardelijk af te keuren. 

Door een vergrootglas gezien herkent men wel is waar de diagnostische 
kenmerken der plant niet, en komt men tot de ervaring dat men niet de 
fijnste structuur heeft kunnen wedergeven, maar wij vragen andermaal, welke, 
naar eene andere methode vervaardigde afbeelding bestaat er van Conferven 
in natuurlijke grootte, die gelegenheid geeft om die planten te determineren; 
en zoo men al geregtigd is om van de eerstelingen eener uitvinding, jeugdig 
als deze, even groote verwachting te hebben als van de voortbrengselen der 
graveerkunst, zeker zal men er toch geene hoogere eischen aan kunnen doen, 
en zal men van haar toch wel niet vergen dat zij geven zal, wat tot nog 
toe in andere vakken van kunst, op het gebied der natuurkunde, onmoge- 
lijk was. 

De tweede plaat, welke de Sticta pulmonaria voorstelt, geeft ons grond 
om aan te nemen, dat de Lichenen met niet dikken thallus of apothecia, voor 
deze kunstbewerking geschikt zijn; minder gelukkig zoude men misschien 
slagen met Lichenes crustaceï of tartareï, zooals Lecanora, Yariolaria enz. 

Het zal wel niet twijfelachtig zijn dat deze afbeelding de genoemde plant 
juist voorstelt. 

Van de derde plaat kunnen wij alleen de Cetraria nivalis als vrij wel 
gelukt beschouwen, terwijl wij daarentegen ongunstig geslaagd noemen Poly- 
porus peremiis; 't geen ons a priori doet veronderstellen, dat men, wat be- 
treft de Fungi in 't algemeen, van deze methode geene goede verwachting 
hebben kan. 

Plaat 4 en 5 zijn vrij goed. Het zijn namelijk Hepaticae en Musci fron- 
dosiy even als op de zesde plaat, welke in het algemeen echter minder goed 
geslaagd is. 

De zevende Plaat, soorten van Mnium en Meesea voorstellende, kunnen 
wij niet anders dan gunstig beoordeelen. Ook hier vragen wij niet naar de 
microscopische karakters van de vruchtorganen, want geene naar eene andere 
methode vervaardigde afbeelding geeft die terug, maar wij moeten bekennen dat 
ons geene andere afbeeldingen in nat. grootte uit deze twee familiën zijn voor- 
gekomen, welke beter dan deze zijn uitgevoerd, terwijl het ons onmogelijk voor- 
komt dat zulke miniatuur-details door gravuren kunnen teruggegeven worden. 

Het resultaat van onze beoordeeling van dit nieuwe kunstproduct kan dus 
niet anders dan gunstig zijn. Ook heeft men deze bewerking elders op Varens 
en zelfs met goed gevolg op sommige zigtbaar bloeijende planten toegepast. 
Bradbury EVANS gaveu in Engeland zoodanige vrij goede afbeeldingen 



83 

uit van Varens^ Urtica dioica, PelasUes rulgaris, Merciirialis perennis, 
Mentha aquatica. Ook uit sommige proeven door die Heeren genomen , blijkt 
het, dat saprijke planten zich hiertoe niet leenen. Welligt zal men iu 't ver- 
volg ook hierin slagen, door ze vooraf op de een of andere wijze te prepa- 
reren; voor Varens en andere drooge planten kan men deze wijze van af- 
beelden geschikt noemen. 

Wat het wetenschappelijk nut hiervan wezen zal, zal geheel afhangen van 
de verdere volmaking dezer kunst, daar het toch niet wel denkbaar is dat 
men, bij zulke aanvankelijk goede resultaten, zal blijven stilstaan. Dit intus- 
schen zal wel niet zonder waarde zijn, dat men op eene snelle, min kostbare 
en zelfs in vele opzigten zeer naauwkeurige wijze, door deze uitvinding in 
staat wordt gesteld planten-af beeldingen daar te stellen. Uit welk oogpunt ook 
beschouwd, wij gerust meenen deze methode aanbevelenswaardig te kunnen 
noemen. 

Nadat wij het bovenstaande reeds hadden opgesteld werden ons, door de 
Heeren wilso.n en c^. te Meppel, voorbeelden van door hun vervaardigden 
zelf-afdruk, waarbij tevens waren gevoegd de daartoe gediend hebbende Ma- 
den, toegezonden, met een schrijven, hetwelk zakelijk hierop nederkomt, dat 
genoemde Heeren, door eigen nadenken, alleen aangespoord door het voorne- 
men om zoo mogelijk iets nieuws in hun vak te leveren, op het plan van 
zelf-afdruk waren gekomen. Hunne eerste proeven hiervan werden voor eenige 
jaren ingezonden op de expositie te Kampen en later te Londen en te New- 
York, op welke laatste plaats hun, van wege de Auswdrtige Seciion der 
MiUel Europaïsche Importation, hiervoor de zilveren medaille voor industrie 
en handel is aangeboden; — op grond hiervan berigten deze Heeren, dat, 
indien de Oostenrijksche uitvinding niet vroeger werd bekend gemaakt dan de 
expositie te Kampen plaats had, de aanspraak op de uitvinding dezer kunst 
aan hun en bij gevolg aan ons land toekomt. 

III. VERSLAG VAN DEN HEER F. DOZIJ. 

Daar het geschiedkundig overzigt dezer kunst in het eerste dezer versla- 
gen reeds zoo uitvoerig en met zorg is behandeld, meenen wij te kunnen 
volstaan met de beschouwing harer wetenschappelijke waarde. 

Wat aangaat de naauwkeurige gelijkenis van het afgebeelde voorwerp, zoo 
laat de zelf-afdruk de teeken- en graveerkunst achter zich, zoolang er sprake 
is van de meest naauwkeurige afbeelding van de omtrekken van vlakke dee- 
len der plant en vooral van de blad-nervure. — Voor dikkere plantendeelen 
blijft echter de teekenkunst verkieselijker, als kunnende ons een beter denk- 



84 

beeld geven van den stand en de rigting der bladen en takken, wat de 
zelf-afdruk niet vermag. 

Zeker verdient hier vooral in aanmerking te komen de snelle en min 
kostbare "w-ijze van behandeling, waardoor men in staat is de beschrijvingen 
der planten door juiste afdrukken der bladen, of, bij geschiktheid daartoe, 
ook van de geheele plant, duidelijker te maken. Ons komt het echter voor 
dat deze bewerking met kryptogamische planten minder wetenschappelijke 
waarde heeft, daar voor deze eene afbeelding in natuurlijke grootte, meestal 
onvoldoende is, waarom men ook in alle over deze planten handelende wer- 
ken, behalve de plant in natuurlijke grootte, vergrootte afbeeldingen van 
die deelen derzelve, welke het kenmerkend karakter der soort uitmaken, aantreft. 
Bij de afbeeldingen der zelf-afdruk ontbreekt dus in dit geval juist datgene, 
wat voor den kruidkundige de meest wezenlijke waarde heeft. 

Behalve dat, leveren de tegenwoordig min kostbaar te verkrijgen gedroogde 
exemplaren dezer planten, door hare eigenschap van bij bevochtiging met 
water hare natuurlijke houding te hernemen, de beste gelegenheid tot onder- 
zoek op. — De Fungi maken hierop eene uitzondering, doch deze zijn, door 
hunne saprijkheid of door hunne kleinheid, voor de bewerking der zelf-afdruk 
ongeschikt. 

CJit het oogpunt van kunst beschouwd, kan men de afbeeldingen van het 
hier bedoelde werk over het algemeen wel geslaagd noemen. Vooral die soor- 
ten, welke door eeneu opmerkelijken vorm van anderen verschillen, zijn het 
duidelijkst voorgesteld. — Yan de meeste musci, lichenes en hepaticae echter 
ontbreken die kenteekenen, waarop het 't meest aankomt ter onderscheiding 
der soort en die dus de wetenschappelijke waarde bepalen. Bij de meeste 
loofmossen bestaat het welgelijken daarin, dat de stand der bladen aan den 
stengel en de rigting der takken juist afgebeeld zij, aan welken eisch de zelf- 
afdruk niet wel voldoen kan. 

Uit het bovenstaande volgt dus dat deze kunst, vooral bij verdere volma- 
king voor de phanerogamische planten veel voordeel belooft; terwijl de rede 
waarom men hiervan voor de cryptogamen weinig verwachting hebben kan, min- 
der gelegen is in het onvermogen der kunst, dan wel in de ongeschiktheid 
voor deze bewerking, der voor de wetenschap meest essentiëele deelen dezer 
planten. Dit in het oog gehouden kunnen ook wij, uit een wetenschappelijk 
oogpunt, deze kunst aanbevelen. 

In uittreksel medegedeeld door h. witte. 



85 



LORD PALMERSTON, BESCHERMER DER BOTANISCHE 
WETENSCHAP. 

In tlie Gardetier s' Chronicle van 7 Julij jl. lezen wij de volgende mede- 
deeling van Dr. lindley. 

Mogten wij voor eenige weken aankondigen dat lord palmerston de 
gewigtige post van muntmeester liad opgedragen aan eenen der meest bekwame 
mannen van wetenschap, thans kondigen wij met geen minder genoegen eene 
andere regeringshandeling van zijn Lordschap aan, ten aanzien van den 
koninklijken tuin van Kew. 

Het was sedert lang in het oog vallend dat de verpligtingen van den ge- 
leerden directeur van dit groot nationaal etablissement al te bezwarende wer- 
den en verre de krachten van den meest onvermoeiden en ijverigsten man 
te boven gaande. De tuin, de zoogenaamde pleasure-grounds, het park, het 
eindeloos aantal planten van alle oorden te zamen gebragt in de warme kassen, 
de oranjerien, de parterres, het arboretum waren alleen meer dan te veel om 
door een man te worden nagegaan; en voegt men daarbij het prachtige mu- 
seum en het belangrijke herbarium, hetwelk een deel uitmaakt van het eta- 
blissement van Kew, dan werd de benoeming van een' assistent voor den 
Directeur bijna onvermijdelijk noodzakelijk. 

Het gouvernement heeft op voorstel van Sir. Wm. moi.esworth, het her- 
barium, de boekerij en het streng botanisch gedeelte van den tuin geplaatst 
onder het bestuur van Dr. hooker, wiens naam over de geheele aarde alge- 
meen geacht en bekend is bij alle mannen van wetenschap, als die van een 
der meest waardige natuurkenners, en wiens geleerde en werkzame directie 
weldra den tuin van Kew even beroemd zal maken van wege de naauwkeu- 
righeid der nomenclatuur, als die dit reeds is uit hoofde van zijne uitgebreid- 
heid en de practische waarde van zijne verzamelingen. In dit geval hebben wij 
een nieuw bewijs hoe lord palmer ston den regten man op de regte plaats wil 
brengen, indien hij daartoe de gelegenheid heeft. De wetenschap moet de 
verpligting, welke zij aan den edelen Lord heeft, dankbaar erkennen, als het 
blijkt dat hij drie zulke bekwame mannen, als Sir. roderick murchison. 
Dr. GRAHAM, en Dr. hooker geplaatst heeft in wetenschappelijke betrekkingen, 
over welker vervulling hij had te beschikken." 



Mora van Nederlandsch Indië door f. a. w. miquel, Hoogleer aar in de 
^ilantenkunde te Amsterdam. Berste deel. Af. 1. Met platen. Amsterdam. 

C. G. VAN DER POST. UtrecM C. VAN DEll POST JR. Leipzig hij FRIED. 

FLEiscHER, 1855. Oct. 1 — 160. 2 platen. 

Indien ik op dit belangrijk boek eene aanmerking mogt maken, het zou 
zijn op de Avoorden van augustinus, die achter het titel-blad geplaatst zijn. 
Ik zou die bescheiden spreuk willen verwisselen tegen de bekende woorden 
van baco //Nisi utile sit quod facias, vana est gloria," //alle roem is ijdel, 
indien uw streven niet nuttig is." 

Het is uit dit oogpunt vooral, dat ik thans dit geschrift wil beschouwen; 
het is, indien ik mij niet bedrieg, dit hoofddoel aan hetwelk dit boek voldoet. 

Menigmalen vroegen mij niet alleen leken, maar ook zelfs menschen van 
studie, wat men toch over de Indische Plora moest raadplegen, hetzij in 
Indië, hetzij hier te lande, om een overzigt daarvan of ophelderingen omtrent 
de planten van die schoone gewesten en haar gebruik te hebben. Ik moest, 
vooral wat het nut en gebruik betreft, verwijzen naar het Amboineesch 
KruidhoeJc van rumph, of naar de prachtwerken van den Hoogleeraar bi,ume. 
Het eerste is, hoe nuttig en bruikbaar ook in vele opzigten, in andere daar- 
entegen verouderd te rekenen, en ik achtte het daarom minder aan te raden. 
Bovendien is een werk, dat uit eenige folianten bestaat, niet zeer handelbaar. 
De talrijke geschriften van Dr. blume, hoe voortreffelijk ook, kosten geza- 
menlijk eenige honderden guldens en zijn dus daardoor niet onder ieders 
bereik. Er wordt een geschrift vereischt, hetwelk alles omvat in een kort 
bestek, hetgeen ons de Tlora van die schoone Oost-Indische bezittingen doet 
kennen en tevens het nut vermeldt, wat van de planten van die landen is 
te trekken. In een woord: wetenschap en praktijk vereenigd, de praktische 
strekking zonder de wetenschap te kort te doen, de wetenschap daarbij vooral 
in hare hooge waarde gehandhaafd, ziedaar het doei waar naar men streven 
moet. 

Bedrieg ik mij niet, dan is dit het standpunt van den geleerden schrijver. 
Wij trachten hieronder dit in bijzonderheden aan te toonen. 

Het kan bij deze gelegenheid niet onvoegzaara zijn, om eens uit een te 
zetten, wat er al ten aanzien van dien Indischen plantengroei onderzocht en 
te boek gesteld is. 

Dit valt noodzakelijk in twee gedeelten, namelijk dat, hetwelk betreft de 
onderzoekingen der Nederlanders en die van de Engelschen, de twee eenige 
natiën, die over de Indische Elora hebben geschreven, die althans dit gedeelte 



87 

van het gebied der wetenschap tot onderwerp van gezette bemoeijingen ge- 
maakt hebben. 

Het aantal van de geschriften van grooteren en kleineren omvang over 
Indië in den ruimsten zin, door Nederlanders uitgegeven, kan ligt een paar 
honderd bedragen. Hieronder bekleedt eene eerste plaats dat van hendkik 
VAN RHEEDE ïoï DRAKENSïEiN, Gezaghebber van de kust van Malabar. Zijn 
Hortus Malabaricus uitgegeven in 12 deelen van 1678-1703 te Amsterdam, 
door de zorg van commetjjn, is nog steeds eene vraagbaak voor dat gedeelte 
van de Indische Flora. De gravures zijn meesterstukken van kunst en de 
beschrijvingen door inlandsche priesters, hebben vooral nut wegens het 
gebruik der planten. George everard rumph heeft een veertigtal jaren 
doorgebragt om de Flora van Amboina in ruimen omvang te doen kennen. 
Zijn Amboineesch Kruidboek in 7 deelen in folio uitgegeven, van 1741-51 
te Amsterdam, door burmann, is in handen van elk die in de Indische-Mora 
belang stelt. In dit boek vindt men bij naauwkeurige en uitvoerige beschrij- 
vingen van de planten, de meest mogelijke details wegens het gebruik der 
gewassen. Bitrmann heeft zich verdienstelijk gemaakt door het werk van kumph 
aan het licht te brengen. Hij wist dat het handschrift uit Indië was afge- 
zonden en hij redde het uit het stof, waaronder het was bedolven geraakt 
bij Heeren Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie te Amsterdam. De- 
zelfde BURMANN gaf eene Flora uit van Ceylon, eene Flora Indica en tal- 
rijke andere geschriften. De Heer rademacher heeft zijne nasporingen over 
de Indische Flora deels afzonderlijk, deels in de verhandelingen van het Ba- 
taviaasch genootschap bekend gemaakt. Een Spaansch kruidkundige noronha, 
gaf in die verhandelingen in het jaar 1791, eene optelling van meer dan 
700 soorten. Hij bezocht behalve Java, ook de Philippijnsche eilanden en 
hij stierf op Mauritius. Zijne planten hadden betrekking vooral op de Jacatra- 
sche bovenlanden en zijn later toegelicht en opgehelderd door j. k. hasskarl. 
De Engelsche kruidkundigen j. j. bennetï en robert brown hebben uit- 
gegeven de planten verzameld op Java door thomas horsfield, in de jaren 
1802-1818. HoRSFiEi.D heeft geheel Java, naar het schijnt, doorreisd en hij 
heeft groote ontdekkingen in de Flora van dat land gedaan. Hetgeen daarvan 
is verschenen, is eigenlijk slechts een delectus. De Heeren kühl en van 
HASSELT hebben belangrijke ontdekkingen over de Orchideën gedaan, welke 
aan het licht gebragt zijn door Dr. j. g. s. van breda. De Heer blume heeft 
door een groot aantal belangrijke geschriften als b. v. zijne Bijdragen tot de 
Flora van Ned.-Indië, zijn catalogus van den tuin van Buitenzorg, zijne 
optelling van de planten van genoemde Heeren, van hem zelven en van rein- 
WARDT, zijne RumpJua, zijne Flora Javae zijn Musetivi Boianicum, zeer veel 
tot opheldering van dien rijken planten-groei bijdragen. De Heer korthals 



88 

verdient onder de Indische botanici mede eene voorname plaats. Zijne verhande- 
lingen over de kruidkunde der Nederlandsche Oost-Indische Bezittingen , zijne 
nasporingen op Borneo, Sumatra en Java hebben tot zeer gewigtige uitkom- 
sten geleid. De Heeren hasskarl, junghuhn, zollinger hebben, zoowel door 
het uitgeven van een zeer groot aantal geschriften, als door 't verspreiden van 
planten, een niet gering aandeel aan het meer en meer bekend worden van 
den Indischen plantengroei. De Heeren teysmann en binnendijk bragten 
mede het hunne daartoe bij, vooral door het beschrijven van nieuwe planten 
van den tuin te Buitenzorg, maar zeker het meest van alle door het bekend 
maken van eene nieuwe soort van Rafflesia. De kruidkundigen in Nederland, 
die het voorregt niet hadden de tropische Hora door eigene aanschouwing, 
maar slechts door de voorwerpen van Indië aangevoerd, te kennen, hebben 
zich niet aan dien gewigtigen arbeid onttrokken, ja zelfs daaraan een meer 
of min gewigtig aandeel genomen. De schrijver van de in deze bladzijden aan- 
gekondigde Plora, de Heeren dozy en molkenboer, onder de buitenlanders 

Prof. GOEPPERT, DECAISNE, GEORGE BENTHAM, Dr. SPRING, Dr. KUNZE, VON 

schlechtendal, nees VON ESENBECK, MEissNER, LEVEILLÉ CU anderen, (ter- 
wijl onder de mede-arbeiders weliigt ook Eeferent zou kunnen gerekend worden) , 
hebben hun aandeel ten deze geleverd. 

Intusschen is de kennis der Oost-Indische Flora nog in hare beginselen. 
Wie zich wil overtuigen van hetgeen in deze te wenschen blijft, hij leze het 
hoofdstuk //de gedaante en de plantbekleeding van Java door junghuhn" in 
zijn uitmuntend geschrift //Java, zijne gedaante, plantentooi enz. I. 1853, 
waarin een allerbelangrijkst overzigt over alles wat tot dit onderwerp behoort, 
wordt aangetroflen. 

De studie der Plora van het vasteland van Indië en de daarbij thans be- 
hoorende Bezittingen, was vroeger voor Nederlanders een onderwerp van bij- 
zondere opmerkzaamheid, doch is later, sedert de vestiging en uitbreiding 
der Engelschen in Azië, meer bijzonder behartigd door de kruidkundigen onder 
deze onze naburen. Hiervan getuigen hunne kostbare geschriften en hunne 
natuurkundige verzamelingen. 

De Engelsch Oost-Indische Compagnie heeft altijd het grootste belang ge- 
steld in de vorderingen der botanische wetenschap. Zij heeft zulks gedaan 
met eene mildheid en vrijgevigheid, ook jegens kruidkundigen in anderelanden, 
die in de geschiedenis tot hiertoe zonder voorbeeld is. De zucht om van het 
plantenrijk in dat magtige Britsch-Indische gebied voordeel te trekken, was 
daarvan zeker de eerste en eene zeer gepaste drijfveer. De botanische tuinen 
van Buitenzorg op Java en van Calcutta in Bengalen zijn uitmuntende tegen- 
hangers en getuigen beide van het doorzigt der Regeringen, die ze hebben ge- 
sticht. Die van Calcutta gelegen aan den regter oever van de Houglj op eenige 



89 

uren afstands van de laatstgenoemde stad, moet reeds in 1768 (dus tijdens 
het Hollandsche Bestuur) bestaan hebben. Zijne oppervlakte beslaat vijf vier- 
kante mijlen en het getal tuiulieden en van dat het dienstdoende personeel bedroeg 
reeds voor eenige jaren een driehonderdtal. Aan den beroemden nathaniel 
WALLICH, aan vvien het opperbestuur van dien tuin in 't begin dezer eeuw 
werd opgedragen, is hij zijne voorname opkomst verpligt. Wallich, sedert 
1807 als chirurgijn geplaatst op het Deensch etablissement van Serampour 
in Bengalen, kwam weldra in eene zeer naauwe betrekking met Dr. eoxburgh, 
Opperste Intendant van den botanischen tuin van Calcutta. Eoxbukgh werd 
door HAJiiLTON opgevolgd en na diens terugkeer naar Europa, volgde wat,lich 
hem eerst voorloopig en naderhand voor vast op in deze belangrijke betrek- 
king. Er werden allengskens andere botanische tuinen in verschillende deelen 
van Britsch-Indië ingerigt, die, als 't ware, voor dien van Calcutta moesten 
dienen en met dezen geregelde correspondentie onderhielden. Verzamelaars wer- 
den op kosten van de Compagnie uitgezonden, om de verschillende deelen 
van Indië te onderzoeken, en het was op deze wijze dat deze landstreken 
allengs meer en meer begonnen bekend te worden. Het was vooral wallich 
zelf, die groote reizen ondernam om de Indische vegetatie te leeren kennen. 
In 1820 begaf hij zich op het gebied van Nepaul, van hetwelk hij de bergen 
zoowel als de vlakten onderzocht. Hij was een van de weinige botanisten, die 
Sincapore en Penang botanisch heeft nagespoord, 'twelk na hem door meer- 
dere anderen gedaan is. In 1825 door het Indische Bestuur uitgezonden om 
de bosschen voor timmerhout geschikt, in het westelijk gedeelte van Hindos- 
tan na te gaan, greep hij diezelfde gelegenheid aan om de planten van het 
rijk van Aduoh, van de Provincie Rohilcund, de vallei van De3'rat, enz. te 
onderzoeken. In 1826 en 1827 bezocht hij met hetzelfde doel Ava (in het 
Birmansche gebied). Hij bragt van al deze togten ligt 20,000 planten bijeen 
en daaronder vele levende voor den tuin te Calcutta. Deze voorwerpen zijn 
grootendeels gezonden naar Londen aan de Compagnie en vele van dezelve 
zijn in de werken van walijch en anderen beschreven. In 1828 kwam 
walijch in Engeland terug. De Compagnie magtigde hem toen om zijne 
dubbele planten onder de voornaamste Natiën van Europa te verspreiden, 
terwijl een lijst van die planten werd uitgegeven, met de noodige en moge- 
lijke aanwijzingen. Dit is de beroemde en zeer zeldzaam geworden Numerical 
List of dried specinieyis of j^lants^ in the JE ast Indian Coynpanys museum, 
collected nnder the Superintendance of Dr. wallich, at Calcutta. De Lon- 
donsche Linnaeaansche Sociëteit heeft die verzamelingen, welke niet zijn ge- 
distribueerd en natuurlijk de beste zijn, van de Compagnie ten geschenke 
ontvangen. 

Klein, heyne, rottler hebben mede het schier-eiland en daaronder 



90 

HEYNE vooral met koenig de kust van Coromandel onderzocht. Hamii.ton 
heeft, tijdens een twintigjarig verblijf, de vegetatie in Britsch-Indië nagegaan. 
Geoege pinlayson heeft een gedeelte van de Tlora van Siam en Cochin- 
china doen kennen. 

Er is welligt nooit eenig kruidkundige zoo vrijgevig geweest in het met 
milde hand verspreiden van de door hem ontdekte en naar Europa overge- 
bragte gewassen als de Engelsche Kruidkundige roberï wight. Hij heeft 
een groot aantal localiteiten in het schier-eiland onderzocht, zoo als Samol- 
cottah, Eadjahmandry, Madras, Nil-gherry, de gebergten van Dindigoul, 
Courtallum en de geheele Malabarsche kust van Trichore tot aan kaap Co- 
morin, enz. Toen hij in 1832 zich voor een korte poos in Engeland bevond, 
(hij was namelijk naturalist van de Compagnie) heeft hij zijne dubbele planten, 
die hem in eigendom toebehoorden, aan zijne vrienden uitgereikt. Hij handelde 
hierin naar het voorbeeld van wallich , of zoo men wil van de Compagnie zelve. 
Wil men oordeelen van welk standpunt wight was uitgegaan bij die distri- 
butie, men verneme dan wat hij schreef aan een der grootste beschermers 
van de botanische wetenschap, aan wien hij eene doubletten-collectie toezond. 

//Sedert mijne terugkomst in Europa hebbende opgemerkt, welk een groot 
nut de w^etenschap kan trekken van eene vrijgevige verspreiding van planten 
aan de kruidkundigen door de Oost-Injdische Compagnie, zoo heb ik, in na- 
volging (hoewel dan ook op eene kleine schaal) van hetgeen door zulke 
edelmoedige beschermers der wetenschap gedaan is, getracht mijne planten- 
verzamelingen meer en meer nuttig te maken, door dezelve in verschillende 
Seriën tot verspreiding geschikt, te verdeden, gelij leerwijze de Compagnie dit 
thans doet onder de directie van den meest ervaren en meest onvermoeibaren 
onder de natuurkundigen. Dr. wat.lich. 

//In de hoop dat gij wel zult willen medewerken om het gebruik van die 
planten te verbreiden, neem ik de vrijheid om U te verzoeken de bijgaande 
voorwerpen wel te willen aannemen, en ik meen overeenkomstig uwe ziens- 
wijze te handelen, wanneer ik U vraag (ten nutte van de wetenschap) om ze 
zoo toegankelijk mogelijk te maken voor alle kruidkundigen, die zouden wen- 
schen die verzameling te raadplegen, hetzij met het doel om andere voorwer- 
pen daarmede te vergelijken, of om ze voor het uitgeven van botanische 
geschriften te doen dienen." 

Wat dunkt u lezer? Is zulk eene handeling der wetenschap waardig? Ik 
geloof, men zal zeggen: ja! 

Maar kan de Hr. avighï zijne voorwerpen wel zelf gebruiken, en is hij 
daartoe wel botanist genoeg, zou welligt iemand willen vragen? Het ant- 
woord daarop kan worden gegeven door wight s Contrihitious to the hotany 
of India ^ zijne zes dikke deelen der Icoues plantamm Indiae Orienlalis, 



91 

door de Neilgherry plants van denzelfden schrijver, alsmede door ^VIGHT en 
aenott's Prodromus Florae Peninsulae Indiae Orientalis, en door andere 
geschriften, die voor elk beoefenaar der kruidkunde zoo noodzakelijk zijn ge- 
worden, dat het onmogelijk is zonder dezelve bij de hand te hebben, iets 
in de Flora van zuidelijk Azië of onzen Archipel uit te rigten. 

Wij gingen atilliaii eoxbüegh niet met opzet, maar kortheidshalve voorbij. 
Zijn herbarium van het Britsch Aziatisch gebied, van de kust van Coromandel, 
van Banda en Amboina, van andere eilanden van den Archipel en van de Kaap 
de Goede Hoop, is thans voornamelijk te Parijs bij den Hr. delessert. 

De namen van williah jack en Sir thomas stamford eaffles zijn 
in de Indische botanie onafscheidelijk verbonden. Jack vergezelde eaffles 
naar Sumatra, Hij bezweek in 1S22, ten gevolge van zware uitgestane ver- 
moeijenissen. Zijne planten zijn onder den naam van Malayan Miscellanies 
door Sir william hookee bekend gemaakt. Raffles zelf, in Nederland niet 
altijd naar waarde beoordeeld, heeft door de aanmoediging van botanische stu- 
diën op Java en Sumatra groote verdiensten. De ontdekking der Raffiesia 
Arnoldi, de grootste bloem die de aarde draagt, door jack en arvold beide, 
en door den laatsten in tegenwoordigheid van den Engelschen Commissaris, 
is zeker eene der gewigtigste die ooit heeft plaats gehad. Eindelijk mogen 
wij niet verzuimen te gewagen van william geiffith, die aan de militaire 
geneeskundige dienst te Madras verbonden was en wiens planten van de 
bergen Khasya, de provincie Tenasserim, Assam, het Himalava-gebergte, enz. 
verder die van zijne onderzoekingen op Malacca, ligteiijk eenige duizenden 
zullen bedragen. 

Het is niet mogelijk om alles, zelfs niet om het kleinste gedeelte te vermelden 
van hetgeen wat in de laatste jaren is verrigt tot illustratie van de Flora van 
Britsch-Indië; maar wij kunnen toch niet afzijn om te gewagen van de togten van 
Dr. JOSEPH dalton hookee en thomas thomsox, de eerste van welke ge- 
noegzaam bekend is als togtgenoot van eoss met de Terror en de Erebus 
naar de zuidpool en door de uitgave van de Antarctic Flora en de Flora van 
Nieuw-Zeeland, en die later in Britsch Indië vooral in het Himalay a-gebergte 
de schoonste ontdekkingen gedaan heeft, maar bovenal door zijne schoone 
Rhododendrous van Sikkim-Himalava, eene populariteit over de geheele be- 
schaafde wereld heeft verkregen, thomsox was op zijne meesten togten zijn 
medgezel en heeft een aantal geschriften over die en zijne eigene bijzondere 
expeditiëu uitgegeven. 

Het nieuwste werk over dit gebied van Flora van de twee laatst genoemde 
geleerden is in de laatste dagen, men kan zeggen bijna gelijktijdig met 
dat van den Hr. miquel verschenen. Dit heeft tot titel j. d. hookee and 
THOMAS thomsox: Flofa indica, behig a systematic account of the jAanis 



92 

of British-India, tog ether with ohservations on the structure and affinities 
of their natural orders and genera. Vol. I. Ranunculaceae-Fnmariaceae^ wiih 
an introductory essay and, two maps. London Svo. 1855. 

Is het plan van den Hr. miqtjel van een grooten omvang te achten, als 
men let op de uitgebreidheid der Nederlandsche Bezittingen in Azië, — het 
Britsche gebied met al zijne eilanden, zijne gebergten (de hoogste der aarde), 
zijne extratropische Plora enz. mag ook wel medegerekend worden. Wij achten 
dit geschrift een gelukkig verschijnsel, en wanneer de schrijvers van elkan- 
ders terrein af kunnen blijven, zoo als in de stukken die nu zijn verschenen 
het geval is, dan komen zij elkander te gemoet in eene taak die uitnemend 
schoon is te achten, maar waarvan de moeijelijkhedeu schier ontelbaar en 
schijnbaar althans onoverkomelijk zijn. Laat ons kortelijk kennis nemen van 
dit werk onzer twee Engelsche geleerde vrienden, om daarna meer speciaal tot 
dat van den Heer miquel over te gaan. 

De Flora van Britsch-Indië is, uit den aard der verschillende terreinen, 
eene der meest uitgebreide en in hare vormen de meest verschillende van 
dat gedeelte der aarde. Een groot deel van die Elora hebben de schrijvers 
van dit werk door eigen aanschouwing leeren kennen, en zij hebben die 
schatten voor een niet gering deel medegevoerd naar Europa. De planten van 
het Himalaya-gebergte maken daarvan het grootste gedeelte uit. In Europa 
teruggekeerd, hebben zij al hunnen tijd besteed om de materialen voor de- 
zen arbeid voor te bereiden. 

Dit eerste stuk beslaat 280 bladzijden. De inleiding daarvan is zeer ge- 
wigtig. Het doel dezer Elora, algemeene beschouwingen over het onderwerp 
in verband met systematisch botanische studie, de oorzaken van afwijkingen 
in soorten, de middelpunten van soorten, de hybrides of bastaarden, de 
geographische verspreiding, een summier overzigt over hetgeen in de studie 
der Indische botanie gedaan is, de meteorologie van Indië, de vegetatie in 
de onderscheidene provinciën, dit alles maakt het onderwerp van die inlei- 
ding uit. De beschrijvingen van geslachten en soorten zijn in het latijn, de 
verdere uitweidingen in het Engelsch. De zorg aan dit werk besteed, des- 
zelfs naauwkeurigheid vooral zullen hetzelve te allen tijde onder de beste 
botanische geschriften doen rangschikken. Eene bijgevoegde kaart maakt het 
geheel nog veel belangrijker. Zij volgden daarin het reeds door lede boxje, 
in zijne Elora Eossica gegeven voorbeeld. Dit stuk bevat volgens de can- 
DOLT,E de familiën van de Ranunculaceae af tot aan de Fumariaceae. Wij 
wenschen hartelijk eene voortzetting van dezen arbeid, zeker een' der ge- 
wigtigste dien de Engelsche kruidkundigen aan de wetenschap kunnen 
leveren. 

Ik geloof dat al het voorafgegane ons kan leiden tot eene meer juiste 



93 

waardering van het werk van den Hoogleeraar miquel. Zijne Mora strekt 
zich uit tot den geheelen Indischen Archipel. Hij heeft dat gebied en zijne 
grenzen in zijne voorrede omschreven en zooveel mogelijk begrensd. Hij 
vangt aan met de familie der Mimoseën. Dit leidt er ons van zelf toe om 
een staaltje te geven van de geheele wijze van bewerken. 

Eene korte latijnsche beschrijving gaat vooraf. Hierin zijn de eigenlijke 
kenmerken der groep of familie opgenomen, waarop eene uitwijding volgt 
omtrent de geographische verbreiding der Mimoseën, en wel der zoogenaamde 
Acacia-wouden of bosschen van boomachtige Mimoseën. Er wordt hierna ge- 
sproken over de bestanddeelen , waardoor zij zich karakteriseren en waarom 
de Mimoseën nuttig zijn, en hierbij komen vooral de gom [arahine] en looi- 
stof in aanmerking. Wij leeren al verder hier, dat de peulen van sommige 
Mimoseën als een waschmiddel in Indië gebruikt worden; terwijl de zaden 
van anderen een braakwekkend vermogen hebben, en anderen ten laatste gift- 
stofien, kleurende beginsels bevatten, tot de bereiding van parfumeriën die- 
nen, eindelijk anderen een voortrefielijk timmerhout opleveren. 

Hierna volgt een overzigt der geslachten. Zij zijn 15 in getal. Het ge- 
slacht Acacia wordt hier door twintig soorten vertegenwoordigd. Hieronder 
komen eenige nieuwe, nu eerst door den schrijver het eerst voorgestelde 
soorten voor; verder de volgende wegens haar nut merkwaardige gewassen, 
als Acacia Farnesïana Willd., die eene gomstof oplevert; A. Arabica 
Willcl. eene Afrikaansche , maar op Java gecultiveerde plant, de moederplant 
van de Arabische gom van don handel. Acacia leucopkaea Willd. is een 
boom, uit welken in Indië een vergift door destillatie uit het hout wordt 
verkregen ; terwijl volgens anderen die boom de koetera-gom zou opleveren, 
volgens anderen de Bassara-gom. Acacia Caiechu Willd. is de boom die 
de catechu van den handel geeft. Het is de zoogenaamde Cotia Camhar ^ 
Terra of Succus Catechu^ of Terra Jajionica. 

(Over den aard, de verschillende scheikundige zamenstelling en meer an- 
dere punten betreffende deze stoffen , is men het nog niet geheel eens). 

Hierna volgt het geslacht Albizzia met 18 soorten. Van deze is A. sa- 
ponaria BI. belangrijk, omdat de schors en bladen als zeep gebruikt wor- 
den op Amboina, 't geen ook van eenige andere soorten geldt. Het geslacht 
Pithecolohitwi is door 11 soorten gerepresenteerd. Eenige leveren timmer- 
hout, anderen zijn geneeskrachtig. Er is ééne soort van Serianthes en eene 
van Leucaena opgenoemd. Xi/lia dolabriformis Bentk. levert eene goede 
houtsoort op. Van Mimosa zijn drie soorten; eene is er van Besmantkus ^ 
drie zijn er van Adenanthera^ eene van Gagnehina, Bichrostac/iys , Proso- 
pis; van NepUmia zijn er vier, verder eenige Pa/'X^'a- soorten en ten laat- 
ste komen er ettelijke onzekere en dus niet wel te bepalen soorten van 



94 

RUMPH. Van ieder der genoemde soorten worden al de bijzonderheden in 
't kort zamengetrokken gegeven. 

Na dit bij wijze van een staaltje te hebben gegeven kunnen wij kort zijn bij het- 
geen de overige farailiën betreft. Onder de Papilionaceae vindt men vooreerst 
de eigenlijke Caesalpinieae , planten, die in velerlei opzigt merkwaardig zijn 
door hare schoonheid, bloemenpracht en nuttigheid. "Wij willen er eenige 
van optellen. De stam van Phanera purpurea Benth. levert uitmuntend touw ; 
die van Dialium incUcum Linn. wordt op Java gebezigd tot het bouwen 
van molens. Tamarindus indica Linn., eene kultuurgewas , dat uit Egypte oor- 
spronkelijk is, dient tot lommerrijke lanen en levert de bekende zure vruchten. 

Een nieuw geslacht Pahudia Miq. met ééne soort, wordt te regt toegewijd 
aan den Minister pahud, wien de botanische wetenschap veel verpligt is. 

Er worden niet minder dan 24 Cass ia-sooiten opgeteld, waaronder ook 
Cassia Fistula Linn. 

Caesalpinia Sappan Linn. dient om rood te verwen; Haematoxylon Cam- 
pechianum Linn. is naar Java overgebragt en dient tot hetzelfde doel. 

Onder de ware Papilionaceae is Pterocarpus indicus Willd. eene boom- 
soort, die door. den geheelen Archipel is verspreid en waarvan het hout in 
onderscheiden variëteiten voorkomt en als Amboineesch hout bekend is. Tal- 
rijk is het aantal nieuwe door den schrijver 't eerst voorgestelde soorten; 
terwijl dat van diegene, welke van elders reeds, doch niet als burgers van 
den Indischen Archipel bekend waren, zeer belangrijk is. Twee wel uitge- 
voerde lithographiën naar teekeningen van verhuell, lichten een paar be- 
langrijke soorten toe en het portrait van iiumph dient tot titelplaat. Deletter 
en druk zijn allezins aanbevelingswaardig. 

De opdragt aan den bovengemelden Minister is eene billijke hulde van 
dankbaarheid aan zulk een hooggeacht voorstander der wetenschap. 

Wij kennen des schrijvers volharding, in het uitvoeren van hetgeen hij 
heeft voorgenomen, sedert lang. Maar welk een reuzen-arbeid staat hem nu te 
volvoeren ! Met de meest mogelijke geziiidheid om een niet te uitvoerig werk 
te leveren, vreezen wij echter dat de omvang, hoe wel alles ook berekend 
zij , den schrijver niet zal meevallen. 

Als dit werk zal voleindigd zijn, zullen wij een overzigt bezitten van al 
wat in onzen Archipel in het plantenrijk ontdekt is. Meer kan, meer mag 
men niet verwachten. Hiermede zal aan den wensch van allen, die in de 
kennis der natuurlijke voortbrengselen van die schoone bezittingen belang 
stellen, voldaan zijn en men dient dan voor een volgend geslacht de taak 
te bewaren om geheel afgewerkt te leveren datgene, waarvoor, nu voor 
't eerst, op eene breede schaal en echt wetenschappelijke wijze de gronden 
gelegd worden. 



95 

De taak die de Schrijver heeft aangevangen is eene schoone, eene glorie- 
rijke, eene nationale taak, waarin ieder belang zal stellen die de wetenschap 
weet te waardeeren en die Nederlands belangen op den waren prijs weet te 
stellen. Hij verdient dat de Hooge Regering hier en in Oost-Indië hem onder- 
steune, gelijk zij werkelijk doet; hij kan verwachten, neen, - eischen, dat elk, 
in wiens vermogen het zal zijn zulks te doen, hem de middelen levere om 
hem dit werk meer en meer uitvoerbaar te maken. 



DE DEODAR-CEDEP.. 

UIT 's RIJKS AKADEMIE-TUI.\ TE LEYDEN, OVERGEBRAGT NAAR JAVA, L\ 18u4. 

In het eerste deel van de // Tuinbomo Flora'' bladz. 193 hebben wij een uit- 
treksel medegedeeld van Dr. royle, over de geschiktheid van den Deodar-ceder 
als timmerhout. De uitbundige lof, door de Engelschen, vooral in Britsch- 
Indië, aan dien boom toegekend, heeft mij in het vorige jaar doen besluiten, 
om eene proef te nemen, om dien boom naar Java over te brengen. Ik heb 
mij, tot dat einde, eenige voorwerpen van 2 tot 2J voet hoog aangeschaft en 
deze zijn, in Wardsche kisten, door tusschenkomst van de Directie der Ne- 
derlandsche Handelmaatschappij, naar Java overgebragt. 

Omtrent den uitslag der zending berigt mij den Heer teïsmann, onder 
dagteekening van 9 Julij j. 1. dat de beide kisten met Cedriis Deodara uit- 
muntend zijn overgekomen, zoodat de planten er uitzagen, als waren zij pas 
in de kisten gezet. Twee van deze planten zijn te Buitenzorg geplant, twee 
te Tjipannas, ééne op Tjibodas 4,300' hoog, en eene op Kandang badak 
7,700' hoog. Er zijn ook reeds stekken van afgenomen; zoodat men spoedig 
aan de kuituur van dezen nuttigen boom eenige uitbreiding zal kunnen geven. 

Wij vleijen ons, dat, bij de aandacht, Avelke aan de houtkultuur, in Indie 
van Regeringswege, sedert eenigen tijd meer bijzonder is geschonken, ook aan 
dezen boom eene meer algemeene belangstelling, die hij inderdaad verdient, 
zal te beurt vallen. 



DE MANGOSTAN IN VRUCHT OP SYON HOUSE. 

In het eerste deel der // Tuinbouw Flora" hebben wij met een enkel woord 
gesproken over het bovengenoemd landgoed van den Hertog van Northumber- 



96 

land, nabij het stadje Brentfort, gelegen aan de Teems. — De pknten-ver- 
zaraelingen, welke aldaar voorkomen, zijn wereldberoemd. De schrijver dezer 
regelen mogt zich daarin nog in het afgeloopen jaar verlustigen. De Eugel- 
sche nieuwsbladen en wetenschappelijke tijdschriften hebben in de laatste 
maanden in 't breede uitgeweid over het vruchtdragen van den Mangostan 
{Garcinia Mangostana) in de kassen aldaar. Alle reizigers, die de verschillende 
deelen der tropische gewesten, alwaar de Mangostan voorkomt, hebben be- 
zocht, verklaren als uit éénen mond dat de Mangostan de koning der vruchten 
is. De boom komt oorspronkelijk alleen voor in Oost-Indië en mogen al nu 
en dan de pogingen om denzelven naar Amerika of de aangrenzende eilanden 
over te brengen, gelukt zijn, — van het welslagen en vruchtdragen des booms, 
in dat werelddeel, kennen wij geen voorbeeld. Dit nu heeft daarentegen in 
Engeland plaats, waar de kunst haar hoogste toppunt schijnt bereikt te hebben. 

De Mangostan heeft, in het voorjaar van 1855 in ruime hoeveelheid vrucht 
gedragen en niet alleen de Hertog, maar ook zijne vrienden, waaronder vooral 
de Engelsche kruidkundigen Sir. william hookee, en Dr. lindley, hebben 
het genot gehad van de geurigste van alle vruchten, waarin de smaak van 
den ananas, den persik en den druif zijn vereenigd, te eten. 

Het verschijnsel is, uit hoofde van den voorafgeganen langdurigen en 
strengen winter, nog meer te bewonderen. In de maand December bloeide de 
plant en op den 16'**^" April was de eerste vrucht volkomen rijp en werd 
later door meerdere gevolgd. 

De Maatschappij voor horticultuur te Londen heeft eene regtmatige hulde 
gebragt aan den Heer iveson, den hovenier van Sjon House, door hem eene 
buitengewone vereering toe te kennen, welke ieder deskundige zeker Avèl ver- 
diend zal achten, daar deze gelukkige uitkomst hoofdzakelijk aan zijne on- 
vermoeide pogingen en volharding is te danken. 



97 



DE KULTÜUR DER ORCHIDEËN, 



CH. MOREL. 



MKDEGEDEELD DOOR H. WITTE. 



EERSTE GEDEELTE. 
BESCHRIJVING EN KULTUUR. 



RANGSCHIKKING VAN DR. LINDLEY. 

Men verdeelt de Orcliideën in zoodanige welke op boomen {epip]iyta\ en 
zoodanige die zelfstandig in de aarde groeijen [terresiria)\ zij bewonen in 
het algemeen de tusschen de keerkringen gelegen landen en komen deels in 
digte bosschen, waarin steeds eene vochtige warmte heerscht, deels in rui- 
mere, waarin meer licht kan doordringen, of eindelijk ook, hoewel voor een 
minder groot gedeelte, in zoodanige boschstreken voor, waar ze zijn bloot- 
gesteld aan de brandende zonnestralen en daaraan geëvenredigde droogte. 

De familie der Orchideën onderscheidt zich voornamelijk door de volgende 
meest belangrijke omstandigheden: 

l». De vereeniging van al de voortplantingsdeelen in ééne massa, d. i. 
het dusgenaamde zuiltje (columna). 

2". De gestoorde ontwikkeling van al de helmknoppen, met uitzondering 
van eene enkele in de geheele orde, en van twee in de afdeeling der Cy- 
j)Tipedieae. 

30. De bijzondere toestand van het stuifmeel en van den helmknop, waarin 
het bevat is. 

40. De ontwikkeling van een der bladen van het bloemdek of der bloem- 
bladen, hetzij buiten mate, hetzij in eenen ongewonen vorm. 

Onderscheidene kruidkundigen hebben zich in 't bijzonder met de rijke 
familie der Orchideae bezig gehouden; wij noemen hier de Heeren bateman, 
BROWN, HOOKER en PAXTON in Engeland; brongniarï en richard, bene- 

II. 7 



98 

vens LINDEN in België; maar liet is ongetwijfeld de beroemde Dr. lindley, 
die zich 't meest aan hare beoefening heeft overgegeven. 

Wij zullen zijne Massificatie, als zijnde algemeen aangenomen, hier me- 
dedeelen. 

Bij de rangschikking der Orchideën schijnen de voornaamste karakters te 
zijn gelegen in het stuifmeel, hetwelk bij velen vereenigd is in vaste kleve- 
rige massa's, in een voor iedere soort bepaald getal; bij anderen voorkomt 
in den gewonen poederachtigen toestand, of vereenigd in kleine korreltjes, 
welker aantal onbepaald is. 

Onder die, welke kleverige stuifraeel-massa's hebben, komen eenigen voor 
[Malaxeae], welke niet voorzien zijn van duidelijke organen waarmede de 
massa's met den stempel verbonden zijn; anderen {E2nde7idreae) hebben on- 
der aan de stuifmeel-massas plaatjes, welke ze onderling aan elkander ver- 
binden, zonder daarom eene organische vereeniging met den stempel daar te 
stellen, terwijl weder anderen voorzien zijn van een staartje [caudicula], het- 
welk naauw verbonden is met eene klier, welke aan de bovenzijde van den 
stempel geplaatst is en zich daarvan ligtelijk afscheidt. 

Deze laatste toestand is ongetwijfeld veel duidelijker van de beide vorige 
onderscheiden dan die twee van elkander, waarom wij geneigd zouden zijn 
tot het gevoelen dat men de Malaxideae en de Epidendreae moest vereeni- 
gen; dan echter zouden uit de eerstgenoemden niet alleen de geslachten 
Acantophippiwn , Coelogpie, Pholidota, maar nog verscheidene anderen, 
welke daartoe gebragt zijn, worden verwijderd. 

De geslachten met poederachtig of afscheidbaar stuifmeel kunnen gevoege- 
lijk niet naar dat deel der bloem gerangschikt worden; zij worden echter 
gemakkelijk gebragt tot drie natuurlijke afdeelingen, welke gevestigd zijn op 
de bijzonderheden van den helmknop. 

Bij eenigen [Oplireae) is de helmknop opgerigt, zonder aan het zuiltje 
gehecht te zijn, maar daarmede tot eene massa vergroeid en verheft zich 
boven den stempel; de stuifmeel-massa's zijn bij dezen met hare punt naar 
de basis der lobben van den helmknop gerigt. 

Bij anderen [Aretkuseae) is de helmknop aan het zuiltje vastgehecht, op 
welks top hij schuins als een deksel geplaatst is. 

Wederom bij anderen eindelijk {NeoUeae), is hij ook met het zuiltje ver- 
groeid, met die wijziging, dat hij bijna parallel is met de oppervlakte van 
den stempel. 

Voegen wij bij de genoemden ook nog de Cypripedeae, welke twee helm- 
knoppen hebben, terwijl men bij de anderen slechts éénen aantreft, dan zien 
wij deze groep in zeven afdeelingen gesplitst, waarvan de volgende tabel 
een overzigt geeft. 



99 

ANALYTISCHE TABEL DER AFDEELTXGEN. 

1. ÉÉX EXKEI.E HELMKXOP. 

A. Kleverige stuifmeel- massa's. 

a. Zonder staartje of eene scheidbare klier op den stempel. 

lst« Afd. MALAXEIE OF MALAXIDEAE. 
6. ^let een duidelijk staartje, maar zonder eene scheidbare klier op den stempel. 

2de Afd. EPIDEXDREAE. 
c. Jlet een duidelijk staartje, vereenigd met eene op den stempel los aangehechte klier. 
S-ie Afd. VAXDEAE. 

B. Poederachtig, korrelig of van elkander afscheidbaar stuifmeel. 

a. Met eenen eindelingschen regten helmknop. 

4de Afd. OPHREAE OF OPHRYDEAE. 

b. Met eenen eindelingschen helmknop welke met een deksel voorzien is. 

5de Afd. ARETHUSEAE. 

c. Met eenen ruggelingschen helmknop. 

6de Afd. NEOTTEAE. 

2. TWÉÉ HELMKXOPPEX. 

7de Afd. CYPRIPEUEAE. 

Dit is de verdeeling van Dr. lixdi.ey, en wij gelooven deze beschrijvin- 
gen voldoende te zijn voor beminnaars van Orchideën, om te knunen nagaan 
tot welke afdeeling eene plant, welke zij voor de eerste maal zien bloeijen, 
behoort. — Daar het ons doel niet was de Orchideën uit een botanisch oog- 
punt te beschouwen, zullen wij bij deze eenvoudige opgave berusten, met de 
opmerking, dat iedere afdeeling weder uit een meer of minder groot aantal 
soorten bestaat, welker kennis echter eene gezette studie vordert. 

INVOER E.\ BEGI> DER KLLTULR. 

De tropische Orchideën waren reeds sedert lang een sieraad der herbariën, 
toen zij aan de beminnaars van horticultuur nog vreemd, en, om zoo te zeggen, 
onbekend waren; moeijelijk toch zou men haren invoer in de kuituren verder 
dan tot 183 O kunnen terugbrengen. 

Inderdaad trof men op het einde der vorige eeuw, in de kasten van Kew, 
niet meer dan een dozijn dezer planten, in vrij ongunstigen toestand aan, 
welke arme verzameling gedurende de jaren 1800-1815 met nog twaalf andere 
planten vermeerderd werd; terwijl van 1815-1830 drie en vijftig nieuwe 



100 

soorten en verscheidenheden, met de reeds genoemde, alles was, wat men 
van deze talrijke familie bezat en kende. 

Van 1830 af volgden de bezendingen elkander zonder tusschenpoozen op; 
en thans is het getal der in Europa ingevoerde Orchideën zóó groot, dat wij 
billijkerwijze mogen aannemen, dat deze planten-familie de rijkste is in ge- 
slachten, soorten en verscheidenheden. 

Welke oorzaken kunnen er nu bestaan hebben, die de kuituur der Orchi- 
deën bij ons zoo lang hebbeu teruggehouden? 

De eerste en naar onze meening de natuurlijkste zal moeten gezocht wor- 
den in de vrees van deze planten niet levend naar Europa te kunnen over- 
voeren; en zoo al eenigen in goeden toestand werden ontvangen, werden ze 
ongetwijfeld op dezelfde wijze als andere warme-kast-planten behandeld; on- 
bekend met hare natuurlijke en eigenaardige huishouding, dacht men wel te 
handelen door ze, even als andere kastplanten, in potten te zetten en in 
gelijke mate als deze te begieten. 

Men wist niet dat eene warme vochtigheid haar onmisbaar was; dat het 
behoud der wortels daarvan afhing, dat men alle mogelijke zorg droeg tegen 
beleediging der sponsachtige uiterste worteleindjes; in één Avoord : men was met 
hare kuituur onbekend; zij stierven en men dacht er verder niet aan om er 
zich mede onledig te houden. 

De heer cattt.ey, aan wien men het prachtige geslacht Cattleya toewijdde, 
was de eerste, die, met het oog op de natuur der Orchideën, voor deze 
planten eene, aan hare behoeften geëveuredigde, bijzondere wijze van kweeken 
uitdacht. — Zijne uitkomsten in dit opzigt waren spoedig bekend, en hier- 
door aangespoord, beijverden zich verscheidene liefhebbers, om hunne kasten 
met deze schoone planten te bevolken. Eenigen zelfs zonden, ten einde zich 
deze te verschaffen, met groote opofferingen verzamelaars naar de beide 
Indien, waarvan het gevolg was, dat zij weldra in menigte naar Engeland 
werden overgevoerd, waar zij op eene luisterrijk gastvrije wijze, en nu ook met 
kennis van zaken, werden ontvangen. 

Spoedig breidde zich nu de smaak voor Orchideën ook over het vaste 
land uit. — In België, Zwitserland, Duitschland en Eusland werden afzon- 
derlijke kasten voor haar ingerigt, waarin rijke en groote verzamelingen wer- 
den bewaard. — Erankrijk intusschen bleef onverschillig voor deze planten; 
alleen in het Musée (FHistoire naturelle te Parijs werd een vrij groot aantal 
gevonden, en dit baart te meer verwondering, daar Erankrijk zich teregt 
beroemt op in alle opzigten uitstekende kweekers. 

In 1840 werden er verscheidene in de kuituren van eenige liefhebbers 
opgenomen. De eerste uitslag overtrof (ondanks een natuurlijk of ingebeeld 
mistrouwen) hunne verwachtingen; hiervan waren weder andere proeven het 



101 

gevolg, zoodat de Fransche kweekers thans hunne naburen in dit opzigt niet 
meer behoeven te benijden. 

Onder de ïransche Orchideën-beminnaars kunnen wij noemen den heer pes- 
CATOEE, wiens kasten te Celle-Saint-Cloud eene der rijkste verzamelingen van 
Europa bevatten; voorts den heer guibert te Passj , desmoutis, schlumberger 
te Rouaan enz. enz., — en onder de kweekers, de heeren thibaut en kete- 
LEÊR en CHANTIN, wier goed gekweekte en in soorten verscheidene planten 
steeds toereikend zijn, om aan de aanvragen van het immer toenemend aantal 
liefhebbers te voldoen. 

De vertraging van de Orchideën-kultuur in Frankrijk kan dus aan twee 
oorzaken worden toegeschreven; vooreerst namelijk, zoo als wij boven gezegd 
hebben, aan de moeijelijkheid om zich planten te verschaffen, welke men alleen 
uit den vreemde, tot bovenmatige prijzen, kon bekomen, en ten anderen, aan 
de vooroordeelen , die hare kuituur als uiterst moeijelijk, om niet te zeggen 
onmogelijk, deden beschouwen; de eerste oorzaak is thans uit den weg geruimd, 
en het goed gevolg, waarmede de liefhebbers tegenwoordig hunne pogingen 
zien bekroond, zegeviert roemrijk over de laatste. 

De talrijke invoeren uit Brazilië, welke wij hebben bewerkstelligd, hebben 
ons in dat opzigt met Engeland op eenen gelijken voet gebragt, want hebben 
wij aan hetzelve planten van de Üost-Indiën te danken, — wij hebben het 
een deel van haren tegenwoordig rijksten en schitterendsten schat van West- 
Indische Orchideën toegezonden. 

Het is hier de regte plaats om welverdienden lof en dank te brengen aan 
de Heeren pinel te Eio] Janeiro en porte te Bahia; immers aan hunnen 
ijver en goeden smaak hebben wij het meerendeel der schoone planten uit 
die streken te danken. De Heer linden te Brussel en verscheidene Belgische 
verzamelaars hebben mede de kasten met eene menigte schoone soorten van 
Mexico, Columbië, enz. verrijkt; en thans hebben de liefhebbers eene ruime 
en gemakkelijke keuze uit eene zoo groote menigte geslachten en soorten 
om in hunne keurverzamelingen de meest waardigen op te nemen. 

NATUURLIJKE GROEIPLAATSEN. 

Het grootste gedeelte der Orchideën wordt gevonden tusschen de keer- 
kringen; men treft ze echter ook in meer gematigde streken aan. Zij bemin- 
nen een warm en vochtig klimaat, waar zij tegen de zonnestralen beschut 
zijn; dorre en brandende streken daarentegen voegen haar niet, waarom men 
ze op zoodanige plaatsen vruchteloos zoeken zou. 

De boom-Orchideën leven op de stammen en takken der boomen , in groote 
bosschen; ook treft men ze aan in minder beschaduwde streken, tot zelfs 



102 

op naakte, opene rotsen, maar altijd bevochtigd door het water van bronnen 
of rivieren. Zoo leven de Cyrtopodiums gedeeltelijk op aan de zonnestralen 
blootgestelde rotsen, maar hare wortels zijn onophoudelijk door het vocht 
omgeven, waarvan de spleten van den steen steeds voorzien zijn. 

Men vindt de Orchideën ook in lage en vochtige landen , waar in overvloed 
de Vellozia voorkomt, wier vezelige stammen zij gaarne omvatten en waarop 
hare wortels zich gemakkelijk vasthechten kunnen. 

Yelen leven aan den voet der boomen; anderen, in grooter aantal, op de 
takken, in hunne groeven, waar zich plantaardige overblijfselen verzamelen; 
velen eindelijk bewonen de toppen der groote boomen, terwijl ook eenigen 
zich tot zeer hooge streken verheffen, waar de temperatuur dikwijls tot het 
vriespunt daalt. Drooge en dorre of koude en moerassige streken zijn voor 
de Orchideën ongeschikt. 

Zeer overvloedig komen zij voor in Brazilië, te Eio Janeiro, in Mexico, 
Columbia, op La Trinité, vooral in berg- of boschachtige en vochtige stre- 
ken. In de Oost-Indiën op Java, Ceylon, Nepaul en in China, waar zij over 
't algemeen gevonden worden in de bosschen, in de nabijheid van stroomen 
of rivieren. 

Men moet de Orchideën voornamelijk zoeken aan de zoomen der wouden 
of op de ligtere plaatsen. Zeldzamer is het ze te ontmoeten in het binnenste 
der oorspronkelijke wouden. De reizigers die het gewaagd hebben in dit 
gebied der reuzen uit het plantenrijk door te dringen, hebben er slechts 
eene huiveringwekkende eenzaamheid gevonden; de vogels en insecten schij- 
nen zelfs deze sombere streken te vlieden, welke alleen door wilde dieren 
bezocht, en slechts bewoond worden door gevaarlijk kruipend gedierte. 
Verbazend zware boomstammen, sedert eeuwen levenloos, rotten hier lang- 
zaam weg aan den voet van andere boomen, wier ineengestrengelde takken 
een onmetelijk gewelf daarstellen, waar geen zonnestraal vermag door te 
dringen. Alle andere ontwikkeling is hier uitgedoofd ; verbazend groote lianen 
zijn de eenige planten, welke de plaats aan deze reuzen betwisten, om welke 
zij zich winden, waardoor zij de moeijelijkheden en hinderpalen voor eiken 
bezoeker vermeerderen. Slechts met de bijl in de hand is het mogelijk zich 
eenen weg te banen door die indrukwekkende en wilde streken, waarin steeds 
eene verschrikkelijke duisternis heerscht. 

Gelnkkig hij, die, moed genoeg bezittende om tallooze hinderpalen en tel- 
kens vernieuwende gevaren te braveren , eene lichtere plaats bereiken mag ! 
Plotseling ontwaakt voor hem de natuur, eene welige ontwikkeling spreidt 
voor zijnen blik hare kostbaarste schatten uit; een overvloedige oogst, 
niet alleen van Orchideën, maar ook van planten tot andere familiën behoo- 
rende, biedt hem, als ware het om zijnen moed te kroonen en tot beloo- 



103 

ning zijner volharding, eene ruime vergoeding voor de opofferingen, die hij 
zich heeft getroost, voor de hinderpalen en vermoeijenissen, waarmede hij 
heeft te kampen gehad. 

OPSPORING. INZAMELLNG. 

Het is niet moeijelijk zich meester te maken van de Orchideën, welke 
aan den voet of op de binnenste takken van hoornen voorkomen; hiertoe is 
het altijd raadzaam zoodanige uit te kiezen," welke door haren krachtigen 
wasdom het meeste kans op behoud geven ; men moet echter niets achterlaten 
van die planten, die niet van dezelfde soort zijn. AYanneer men inzamelt, 
zijn ze niet allen in bloei , en men zoude dikwijls eene plant knnnen verla- 
ten, waarvan men de verdienste noch de schoonheid vermoedde. 

Minder gemakkelijk is het die Orchideën te verzamelen, welke in de top- 
pen der boomen geplaatst zijn, waar hare tegenwoordigheid meestentijds ver- 
raden wordt door den glans en den geur harer bloemen; het zou zeer on- 
voorzigtig zijn ze te beklimmen; want, alvorens de gewenschte planten te 
bereiken, zou men zich, behalve aan het gevaar eener opstijging tot eene 
aanmerkelijke hoogte, blootstellen aan de ontmoeting van slangen, wier be- 
ten meest altijd doodelijk zijn, en die zich in de holten en spleten der 
groote boomen, onder de daarin steeds in ontbinding verkeerende bladen en 
andere plantaardige overblijfselen, verbergen. Het is alleen na langen en moeije- 
lijken arbeid, en na verscheidene der hardste en beste werktuigen te heb- 
ben onbruikbaar gemaakt, mogelijk, deze zware boomen te doen vallen; en 
nog na hunnen val is het, alsof zij, door den grooten omvang hunner stam- 
men, door de bovenmatige hardheid van hun hout en door de hinderpalen 
welke zij hunne vernielers in den weg leggen, verdedigen willen wat door 
eeuwen geëerbiedigd werd i). 

Is de boom eenmaal geveld, dan doet zijn val het kruipend gedierte vlug- 
ten, dat hem verlaat, en de Orchideën, welke er aan gehecht zijn, kunnen 
er nu zonder vrees worden afgenomen. 

Deze inzameling nu vordert eenige zorg en maatregelen, welke wij wil- 
len vermelden. Een aantal der takken, waarop deze planten leven, zijn ge- 
deeltelijk ontbonden of tot eene zekere diepte verrot. Is dit het geval, dan 
kan men de geheele planten, zonder de wortels of hunne teedere uiteinden 
te kwetsen, er afnemen; zijn de takken van den boom echter gezond, dan 
is het noodig ze af te zagen, met deze voorzorg, dat men aan beide zijden 
der plant zóó veel hout vrij laat, dat men, bij de aankomst der plant in 



') lila usquc minatur , 

Et tremefacta comam concusso vertice nutat. 



104 

Europa, niet genoodzaakt is haar er af te nemen om ze op een ander, meer 
aan haren groei geëvenredigd stuk hout over te plaatsen; immers hebben wij 
opgemerkt, dat de planten, welke wij konden gehecht laten aan het hout 
op 't welk zij waren ontstaan , veel krachtiger zijn , vroeger bloeijen en be- 
ter en fraaijer ontwikkelen dan die, welke men heeft moeten verplanten. 

Andere planten zijn aan takken gehecht, welke veel te groot, en bij ge- 
volg ook te zwaar zijn om ze op de zoo even opgegevene wijze te kunnen 
behandelen. In dat geval moet men zoo diep mogelijk onder de schors trach- 
ten te komen, waarop zieh de Orchideën bevinden, en ze met eenehandzaag 
of een doelmatig mes van den boom verwijderen. De wortels duiden de uit- 
gestrektheid der schors aan, welke men zal moeten behouden, terwijl het 
steeds doelmatig zal wezen, daaraan zooveel bast en hout te laten, als men 
voegelijk in de gelegenheid is te doen. Ook moet men bij de Orchideën het 
mos en de andere kleine planten laten blijven, welke men er aantreft, en 
niets er afnemen ; daar niet alleen deze vaak op de reis tot haar behoud 
strekken, maar het is ons voorgekomen dat wij op zulke stukken hout nog 
zeer belangrijke nieuwigheden mogten vinden, vooral Begonias, Bromelias, 
Varens, enz. 

Ook moet men de stengels en bladen der planten wel nazien, opdat er 
geene insecten in blijven. Deze voorzorg is van zeer veel aanbelang, bijzon- 
der voor haren overtogt, daar deze gasten, ten koste der planten levende, 
ze op de reis zeer veel nadeel zouden toebrengen. 

Wij raden den verzamelaars aan, eenen tuin te hebben met vrij groote 
boomen, ten einde daaraan al de verzamelde Orchideën te hechten of op te 
hano-en; ze in de schaduw te bewaren of onder zoodanige vereischten te ver- 
zoro-en, welke men bij de inzameling heeft opgemerkt, en ze daar te laten 
tot op het tijdstip van den bloei of der verzending. 

Het is thans, nu uit de beide Indien zulke groote aanvoeren dezer plan- 
ten hebben plaats gehad, van zeer veel belang gestreng te zijn in de 
keuze daarvan, en alleen die over te zenden, welke werkelijk kunnen bijdra- 
gen tot de opluistering der kasten, voor welke zij bestemd zijn; maar, daar 
men ook de regten der wetenschap eerbiedigen moet, zijn wij verre van de 
verwerping aan te bevelen van die planten, welke zich niet door kleuren- 
pracht of andere voor den liefhebber aanlokkelijke eigenschappen kenmerken ; 
integendeel, wij raden den verzamelaars aan, deze planten met zorg te droo- 
o-en. te bewaren en tevens al die biizonderheden er van aan te teekenen, 
welke hare bestemming en rangschikking gemakkelijk maken kunnen. Deze 
wijze van verzamelen heeft degelijke verdiensten en de waarde daarvan kan 
ruimschoots opwegen tegen den tijd dien men er aan te koste legt. 

De verzamelaars moeten met groote naauwkeurigheid alle mogelijke bij- 



105 

zonderheden, betreffende de plant, die zij inzamelen, aanteekenen. Zij moe- 
ten opgeven de grootte en den vorm der bloem; de kleur der bloembladen 
en van het lipje, het getal der bloemen, de hoogte der stengels, hun punt 
van aanhechting, het zij aan de basis, op het midden of aan den bovensten 
top der knollen , den vorm en de rigting der bladen , in één woord , zij 
moeten met naauwgezetheid alles opgeven , wat eeuigermate hunne opmerk- 
zaamheid tot zich trok. 

Vooral moeten zij opmerkingen maken betreffende de plaats waar zij de plan- 
ten inzamelden, in betrekking tot hare meerdere of mindere hoogte, warmte 
of gematigdheid, vochtigheid of droogte. Al deze aanwijzingen zijn voor 
hem, die de planten in Europa ontvangt, van veel waarde; daar ze hem 
in staat stellen om haar onmiddelijk op de meest doeltreffende wijze 
te verzorgen, en alzoo alle proeven en op bloote gissingen berustende han- 
delwijzen, welke vaak voor het behoud der planten zoo noodlottig zijn, voor- 
komen. 

VERP.\KKING. VERZENDING. 

Zoodra de verzamelaar een genoegzaam aantal planten bijeen heeft voor 
eene bezending, moet hij deze niet uitstellen ten einde er alvorens meerdere 
bijeen te brengen, maar daaraan onmiddelijk gevolg geven. 

Tegenwoordig, nu de geregelde pakketbooten en de Trans- Atlantische booten 
het vertrek en de aankomst in de havens hebben geregeld, zijn de planten- 
verzendingen op verre na niet meer aan die bezwaren en wisselvalligheden 
blootgesteld, welke men nog voor kort te duchten had. Voor planten van 
Amerika hebben deze verzendingen, bij de noodige voorzorgen voor haar 
behoud, eenen bijna zeker goeden uitslag. 

Omtrent de verpakking zijn onderscheidene wijzen van behandeling ge- 
volgd, welke wij nu zullen nagaan. 

Men heeft de planten verzonden in manden, zonder andere voorzorgen dan 
dat men de kleine struiken in een weinig mos wikkelde en ze midden 
tusschen de sterkere knollen plaatste, ten einde zooveel planten in de mand 
te kunnen bergen, als slechts mogelijk was. Dit eerste middel geeft weinig 
kans op eenen goeden uitslag, en wij voor ons bezitten slechts zeer weinig 
planten, ons op deze wijze toegezonden; meest altijd ontvingen wij ze ge- 
heel uitgedroogd. 

Ook ontvingen wij bezendingen in kisten in plaats van manden, maar 
waarin de planten ten naastenbij op dezelfde wijze waren bezorgd. Het uit- 
droegen van de meesten doet een ledig in de kisten ontstaan, waardoor die, 
welke langer in 't leven bleven, haren steun verliezen en breken, zoodat men 



106 

niet rekenen kan meer dan een vierde der verzonden planten levend te zul- 
len ontvangen. 

De bezendingen in wel gesloten kisten, waarvan de naden waren geteerd, 
ten einde de toetreding der buitenlucht te beletten, zijn ons, bij de anderen 
vergeleken, in vrij goeden staat geworden. De uitslag hiervan was geëven- 
redigd aan de zorg, welke men genomen had voor de plaatsing in de kisten. 

Die planten welke men volkomen had ingepakt en in droog mos ge- 
wikkeld, waarbij men de sterkere struiken op den bodem der kisten door 
middel van latten had vastgezet en zorg gedragen had de verrotte of aange- 
stoken knollen te verwijderen, hebben wij bijna zonder verlies ontvangen. 

De moeijelijkheid, welke er bestaat om zich mos te verschaffen, heeft er 
somwijlen toe geleid om dat door drooge kruiden of maïsbladen te doen 
vervangen. Wij hebben echter nimmer van deze verwisselingen goede uit- 
komsten ondervonden; wij zouden, in een dergelijk geval, het mos vervangen 
willen zien door zeer dunne houtspaanders, die bijna even goed behandeld 
kunnen worden als het mos. De Orchideën, welke onderweg groeijen, hechten 
hare wortels aan deze spaanders, en komen even goed over als in mos. 

De krachtigste en gezondste planten welke wij ontvangen hebben, zijn 
die, welke ons werden toegezonden in kisten met glas bedekt, of draagbare 
kasten. De sterke struiken, op den bodem der kist geplaatst, zijn daaraan, 
door middel van koperdraad, vastgehecht, terwijl spijkers aan de binnen wan- 
den en bovenste schuins liggende ramen gehecht dienen, om, even eens 
met koperdraad ('t welk boven ijzerdraad de voorkeur verdient) , planten vast 
te hechten; zij moeten zoodanig verzorgd worden, dat zij gedurende de reize 
niet kunnen losraken. 

De planten, die gehangen zullen worden aan de twee hellingen der dek- 
sels, moeten vooraf worden aangebragt, terwijl men zorge ze op de plaats, 
welke zij moeten innemen, zoodanig te stellen, dat zij geene der zich in 't bin- 
nenste bevindende kunnen breken of op eene ruwe wijze kunnen stooten. 

Deze kisten worden door middel van kopschroeven zeer hermetisch geslo- 
ten. Men moet ondertusschen uit voorzorg al de voegen doen voorzien met 
mastik, en niet uit het oog verliezen, dat een der eerste vereischten voor 
de goede bewaring en aankomst der Orchideën , eene volkomene afsluiting van 
de buitenlucht is. 

Uit het bovenstaande blijkt dat het verkieselijk is de Orchideën te verzen- 
den in draagbare kasten, of, bij gebrek daarvan, in gevulde kisten. In het 
laatste geval zal men, na de planten te hebben ingepakt, de naden moeten 
digt stoppen en de kist met gewast of geteerd linnen omwinden; deze dub- 
bele verpakking is ons volkomen geslaagd. 

Er zijn vele Orchideën, die in hare natuur slechts kleine knolletjes of 



107 

uiterst zwakke planlnes aanbieden, waarvan de verzending dus zeer moeijelijk 
wordt. Hiervan geven CompareUia^ Sojihronitis , Burlingtonia enz. enz. voor- 
beelden. 

Deze planten kunnen op eene mat genaaid, en op eene voorzigtige wijze 
door droog mos gescheiden worden; waarna men de mat in tweeën vouwt, 
zoodat de planten op elkander gekeerd worden, terwijl men ze daarna in de 
kist plaats; bij deze behandeling zullen zelfs de tederste soorten zeldzaam 
mislukken. 

Bij de verzending van zeer sterke struiken, is de verpakking in eene kist, 
waarin men ze met dwarslatten, door middel van spijkers, aan de zijwanden 
vastgehecht, vastzet, verkieselijk; waarbij men tevens de voorzorg gebruiken 
moet, de knollen stevig aan een te binden en met mos te scheiden, teneinde 
zij elkander niet kwetsen kunnen. 

Yooral merken wij hier op, dat het drooge mos een belangrijke rol vervult 
bij de verpakking der Orchideën, en wij kunnen den verzamelaars niet genoeg 
aanbevelen zich daarvan ruimschoots te voorzien en het op eene drooge en 
bedekte plaats te bewaren, daar het, wanneer het groen of vochtig gebezigd 
wordt, voor de planten doodelijk is, waarom zulks wel moet voorgekomen 
worden. 

Alvorens met de verpakking der Orchideën te beginnen, moet men de 
planten met de meeste oplettendheid nazien en haar zorgvuldig van alle ver- 
droogde en verrotte knollen ontdoen, opdat men verzekerd zij eene gezonde 
en van alle bederf bevorderende zaken vrije planten te verzenden; ook moet 
men haar zorgvuldig uitschudden om er alle insecten, die zich er vaak in 
ophouden, uit te verwijderen. 

De meeste verzamelaars zijn op dit zoo belangrijke punt zeer nalatig; wij 
hebben meermalen kisten ontvangen, welke van insecten krielden, die geleefd 
hadden ten koste van de nieuwe wortels en loten, welke gedurende de reis 
waren ontwikkeld. 

Zeer raadzaam is het de Orchideën niet te verpakken vóór het tijdstip 
der verzending, daar de tijd, welken zij in de kisten doorbrengen, een ge- 
dwongen rusttijd voor de planten is, en men dien dus zooveel mogelijk moet 
trachten te bekorten. Het is dus den verzamelaar aanbevolen , zich wel te ver- 
zekeren van den dag der inscheping zijner planten, terwijl hij er zich voor 
wachten moet, om, indien door somwijlen plaatsgrijpende omstandigheden die 
inscheping niet gelukt, zijne planten in de kisten te laten in afwachting 
van eene andere scheepsgelegenheid. 

De kisten moeten aan boord geplaatst worden tusschendeks, ') nabij de 



^) Het komt ons vreemd voor dat de S. bij de verzending, do plaatsing der kisten iusschendeks 



108 

luiken, en wel zoodanig dat zij op den zelfden dag der aankomst van het 
schip aan land kunnen gebragt worden. De rijksbeambten staan zulk eene 
verhaaste ontscheping toe, wanneer zij bekend zijn niet den inhoud en den 
dringenden spoed daarvan; om zich van dit laatste te verzekeren is het noo- 
dig dit duidelijk op den vrachtbrief uit te drukken. 

Daar de verzending der Orchideën, eene zaak van zeer veel aanbelang is, 
is het niet raadzaam de zorg daarvoor op te dragen aan eenen correspondent 
of zaakwaarnemer, integendeel, de verzamelaar zal weldoen zijne planten tot 
op het schip te volgen en niet te vertrekken, dan nadat hij ze heeft zien 
plaatsen; anders loopt hij gevaar deze vrucht van zijne langen en moeijelijken 
arbeid te verliezen. 

Wij dringen op deze laatste maatregelen bijzonder aan, want het gebeurt 
zeer dikwijls, dat men eerst tien of twaalf dagen, na de aankomst van het 
schip, de planten ontschepen kan. Deze vertraging kan voor de planten, die 
door eene lange reis meestal uitgeput zijn, en door spoedige en doelmatige 
verzorging konden behouden worden, noodlottig wezen, en het zou zeker on- 
mogelijk zijn ze na de aankomst te lossen, indien zij zich bij de lading be- 
vonden, terwijl men dan bovendien gevaar loopt, de planten door elkander 
te werpen, daar de kisten er in zoodanig geval slechts met moeite kunnen 
worden uitgenomen. 

BEHAi\DELIi\G DER ORCHIDEëiN BIJ HARE AANKOMST. 

Zoodra men kennis gekregen heeft van de aankomst der planten, moet 
men de noodige middelen beramen om ze te ontvangen, namelijk: eene vrije 
plaats op eene bedding in het vochtigste en warmste gedeelte der kasten. 
Deze bedding moet bedekt worden met rivierzand, of met sintels van steen- 



aanbeveelt. Immers hebben wij , van eene zoodanige plaatsing van draagbare kasten , meermalen 
de nadeelige gevolgen ondervonden, en nog meer anderen er zich over hooren beklagen. 

Indien ons eene aanmerking geoorloofd zij, zouden wij het er voor houden, dat de glazen kisten 
niet beter kunnen geplaatst worden dan op het verdek; op eene plaats waar men in de gelegen- 
heid is ze goed met touwen vast te maken; terwijl men er zeilen voor gereed houdt om de 
kisten, bij hooge zeeën of ongunstig weder te kunnen dekken. Bij deze plaatsing hebben de planten, 
bij goed weer, indien men zich de geringe moeite getroost om de zeilen er af te nemen, het 
volle genot van het licht, dat toch op den plantengroei eenen zoo grooten invloed heeft en dus 
natuurlijk ook op planten, die reeds zoo zeer in hare fanctiën gestoord zijn, wel niet zonder uit- 
werking zijn zal. — Ook behoeft men niet bevreesd te wezen dat het zonlicht te sterk zal zijn, 
want het behoud van de ruiten vordert reeds van zelf, dat er dwarslatten of ijzeren traliewerk 
over heen gespijkerd worden, waardoor de planten in de kasten genoegzaam tegen te sterk licht 
beveiligd zullen zijn. 

DE VERTALER. 



109 

kolen of stukken heiaarde ter grootte van een duivenei. Bij het ontvangen 
der kisten moet men ze plaatsen en openen op eene overdekte plaats, zoover 
mogelijk van de kasten verwijderd; daar men van eene zijde hierop te let- 
ten heeft dat de planten, die gedurende geruimen tijd opgesloten, en van de 
lucht beroofd waren, niet onmiddelijk in aanraking met de buitenlucht komen; 
terwijl aan de andere zijde de insecten, die zich in de kisten bevinden, vol- 
strekt buiten de kasten moeten gehouden worden, waarin zij spoedig ver- 
meerderen en geene geringe verwoesting aanrigten zouden; daarom zal men 
voorzigtig handelen met de planten, wanneer men ze uit de kasten neemt, 
goed uit te schudden, en na te zien, ten einde die ongenoodigde en gevaarlijke 
gasten te verwijderen. Het beste zal men de ontpakking bewerkstelligen in 
eene oranjerie; daar behoeft men voor de vermeerdering der ontsnapte in- 
secten niet te vreezen, aangezien zij onfeilbaar door de minste koude gedood 
worden. 

Zijn de planten uit de kisten genomen, dan moet de eerste zorg bestaan 
in het schoonmaken en wegnemen van de doode, verrotte of verdroogde knol- 
len. Deze bewerking moet met zorg geschieden; dikwijls komen er geheele bossen 
wortels voor, die allen geheel verloren zijn; zorgvuldig ontwarre men die met 
de vingers, daar het vaak gebeurt, dat deze andere, pas ontstane en van 
gezonde weeke uiteinden voorziene wortels bedekken, welke van te veel aan- 
belang zijn om ze te kwetsen; zoo ook kunnen daarin nieuwe loten of oogen 
verborgen zijn, welke aan de basis der knollen en zelfs op de wortelstokken 
worden gevormd en waarvan de vernieling ongetwijfeld berouwen zou. 

Men kan bij deze behandeling niet te veel oplettendheid in acht nemen, 
daar men zelfs dan nog niet altijd al deze ongelukken voorkomen kan. 

De wortels der Orchideën zijn in levenden toestand inwendig groen; zoodra 
zij dood zijn, worden zij zacht en de draad die door het midden loopt, bui- 
tengemeen hard; zoolang nu een wortel inwendig groen is, moet men hem 
behouden en er alleen het verdroogde gedeelte afnemen; alsdan zullen zich 
bijwortels aan de overgebleven stompen vormen, welke de plant kunnen on- 
derhouden gedurende den tijd , welken zij behoeft om nieuwe wortels te vor- 
men. In het algemeen duidt de wortel, waarvan het eene einde dood en het 
andere levend is, zelf, door eene zigtbare vernaauwing en inkrimping, de 
plaats aan, waar men hem zal moeten scheiden. 

Die wortels, welke volkomen dood zijn, moeten bij den wortelstok worden 
afgesneden; wij hebben reeds gezegd dat zij inwendig eenen buitengewoon 
harden draad bevatten, waarom men hiertoe zeer scherpe en dikwijls op een 
steen aangezette snoeimessen behoeft, Avant deze draden maken ze in een oogen- 
blik stomp. 

Wij raden aan om met het weg nemen der doode wortels te beginnen al- 



110 

vorens men zich met de knollen bezig lioude, ten einde goed bekend te 
worden met den toestand liarer wortelstokken. Daarna kan men de verdroogde 
of verrotte knollen wegnemen. Dikwijls kan men op het eerste gezigt van eene 
Orchideën-struik reeds onderscheiden wat levend en wat volkomen dood is; 
in dit geval kan men haar dan ook onmiddelijk van het laatste ontdoen. — Wij 
raden aan alle liefhebbers om hunne gezonde struiken in haar geheel te laten, 
zonder ze te verdeelen, welke behandeling alleen voor bloemisten noodzakelijk 
is. Het is het doel van den liefhebber, die zich met deze kuituur bezig houdt, 
schoone en sterke planten te hebben, om welke uit den handel te verkrijgen, 
voor sommige geslachten, dikwijls tien of twaalf jaren noodig zijn. 

De bloei van eene kleinere plant is zeer verschillend van dien van een 
sterk voorwerp. Deze wekt bewondering, terwijl gene alleen een denkbeeld 
geeft van de bloemen die men kan verkrijgen en van het vertoon dat zij 
moeten maken. 

Wij hebben gesproken van de verwijdering der verrotte of verdroogde 
knollen. Somtijds gebeurt het, dat het bovenste gedeelte van eene knol aan- 
getast is, terwijl zij van onderen goed groen is en een of twee goede oogen 
heeft. Is dit zoo, dan snijde men er alleen het zieke deel af, met behoud van 
het overige; want het is ons bij ondervinding gebleken, dat die aldus be- 
houden oogen zich met even zoo veel kracht, ja dikwijls nog veel sneller 
ontwikkelden, dan die welke aan volmaakt gezonde knollen voorkwamen. 

Uit het bovenstaande blijkt, dat het geen vereischte is, dat de knollen hunne 
bladen behouden hebben, om nieuwe loten voort te brengen. Zij, die deze 
behouden hebben, verliezen ze in den regel één of twee maanden na de planting. 
Dat die knollen overigens voor de plant noodzakelijk zijn, zal later blijken. 

Wij hebben boven aanbevolen , de Orchideën-struiken zoo sterk mogelijk 
te laten. Bezit men nu echter van eene soort reeds eenige fraaije voorwerpen 
en wil men eene of meerdere struiken verdeelen, dan behandele men ze op 
de volgende, ons door ondervinding zeer doelmatig geblekene wijze. 

Indien de struik volkomen ontdaan is van alle nuttelooze knollen en wortels, 
kiest men zoodanige knollen uit, die ontwikkelde loten of oogen hebben, en 
scheidt die van de plant af, echter zorg dragende, dat men drie of vier 
knollen, achter die welke het nieuwe lot draagt, mede afsnijdt en aan deze 
bevestigd laat. Deze maatregel is noodzakelijk, \Vant de aldus behouden 
knollen dienen om die, welke op het punt is zich te vormen, te voeden, of, 
indien hare sappen daartoe niet meer noodig zijn, werken zij op de zich 
aan hare basis bevindende oogen, welke men ziet zwellen en aangroeijen en 
eindelijk nieuwe knollen voertbrengen , Avaardoor men liet aanmerkelijke voor- 
deel heeft van eene plant te verkrijgen, die op onderscheidene plaatsen is uit- 
gegroeid. 



111 

Alvorens met dit onderwerp te eindigen, moeten wij nog de volgende be- 
langrijke opmerkingen mededeelen. 

Eene plant kan volkomen dood schijnen, daar hare wortels en knollen 
verdroogd zijn; men werpe haar echter niet weg dan na zich wel verzekerd 
te hebben van den den toestand des wortelstoks; is deze volmaakt groen, 
zonder inwendige aansteking, dan beware men hem en waarschijnlijk zuUen 
er zich nieuwe loten op ontwikkelen. 

In de geslachten Epideiiclrmn^ Laelia, Cattleya en anderen, zijn de knol- 
len dikwerf van boven geheel verloren, terwijl zij onder aan den zoom nog 
gezond zijn. Men snijde dan, gelijk wij reeds hebben aanbevolen, de zieke 
deelen weg, en, behoude men ook niets dan gedeelteu van knollen, men be- 
hoeft er evenwel niet aan te twijfelen, dat de plant zich op nieuw zal ont- 
wikkelen. — Eeuige Orchideën hebben geene zigtbare knollen; men kan dus, 
wanneer de bladen gedurende de reis zijn afgevallen, niets anders dan levende 
wortelstokken ontvangen, dit is b. v. het geval met de Hwntleyas; men 
moet zich wel Avachten deze schijnbaar doode planten te verwerpen, daar zij 
slechts verzorging vragen om te gaan ontwikkelen. 

Ook ontvangt men van zekere geslachten zoo als Oncidium, Zygopeialum, 
Peristeria, Odontoglossum en anderen die groote knollen hebben, dikwijls 
struiken, welke van onderen verrot zijn, terwijl het boven den zoom gelegen 
gedeelte gezond bleef. Men moet deze op de reis beschadigde knollen niet 
v;^^ werpen, maar aan de basis al het verrotte er afsnijden. "Wij hebben me- 
nigmaal gezien dat deze knollen, wanneer zij droog op eene plank of eene 
pot in de Orchideën-kast bewaard werden, loten aan de bovenzijde doen ont- 
wikkelen, waarna zich knollen vormen, die hare wortels aan het overblijf- 
sel der knol hechten waarop zij ontstonden en waaruit zij nu hun voedsel 
putten. Zoodanige voorbeelden van bovenstandige knollen zijn niet zeldzaam 
en komen in alle verzamelingen voor. 

jNTa de volkomene zuivering der planten, en alvorens de doode wortels en 
knollen weg te werpen, schudt men daaruit zorgvuldig de aarde en de 
plantaardige overblijfselen, die er mede vermengd zijn, veegt dat behoedzaam 
bijeen en zaait het op eene daartoe vooraf bereide bedding; daar het meer- 
malen gebeurt dat de zaden, die er dikwijls onder gemengd zijn, ontkiemen 
en zeldzame en kostbare planten voortbrengen; daar dit echter buiten ons 
onderwerp ligt, bepalen wij ons hier met deze eenvoudige en gemakkelijke 
handelwijze als raadzaam aan te bevelen, omdat men er somwijlen verras- 
sende uitkomsten aan te danken heeft. 



112 



BEGIN DER KWEEKING. 



Naarmate de Orchideën gezuiverd zijn, moeten zij op de bedding worden 
gebragt, die tot hare ontvangst gereed gemaakt is. Zij worden daarop in 
dier voege geplaatst, dat de zoom der knollen een weinig bedekt is, en op 
genoegzaraen afstand van elkander verwijderd, dat men iedere plant kan na- 
zien en opnemen, zonder eene andere te schaden. 

Het is noodig dat men zooveel mogelijk dezelfde soorten bij elkander 
houdt; want daar niet allen op dezelfde wijze moeten behandeld worden, zou 
men zich, door ze door een te mengen, noodelooze moeijelijkheid berokkenen. 
Bovendien bevelen wij voor de tedere soorten, die met kleine knolletjes of 
die zelfs alleen wortelstokken hebben, eene kleinere bedding met zandige 
fijne heiaarde aan, waarop men de planten nederlegt, zonder ze, zoo als de 
anderen, tot den zoom te bedekken. Deze kleine bedding zal men wel doen 
met een open raam te dekken, in de rigting van de glazen der kast; dit zal 
deze planten vrijwaren van het druipen, hetwelk, voornamelijk in de eerste 
dagen der ontwikkeling, allerschadelijkst is. 

"Wanneer alle planten, op de boven beschrevene wijze, op de groote bed- 
ding, waarvan de grond toereikend bevochtigd is, zijn gerangschikt, moet 
men ze zeer ligt besproeijen. Yier en twintig of zelfs somwijlen veertig 
uren daarna besproeit men ze op nieuw, maar altijd zeer spaarzaam, omdat 
eene te groote hoeveelheid water haar gevaarlijk worden zou en de jonge 
loten, die in de kisten gevormd zijn, en wier eerste behoefte het is zich aan 
de lucht en de .temperatuur der kast te gewennen, zou doen wegsterven. 

Het gebeurt buitendien vrij dikwijls dat zij zacht worden en bij den sten- 
gel hangen; in dat geval moet men er zich wel voor wachten ze te bevoch- 
tigen; maar men zal wel doen de plant op te nemen, haar om te keeren, 
om er de waterdroppels , die er in kunnen staan uit te laten loopen en daarna 
droog te bewaren, waarna in korten tijd het jonge lot zijne stevigheid zal 
terug krijgen en zijne onwikkeling voortzetten. 

De zorgen, welke de Orchideën na hare plaatsing in de kasten vereischen, 
zijn ontegenzeggelijk de belangrijkste van deze geheele kuituur en die de 
meeste oplettendheid vragen. Men moet deze planten eiken dag nazien , de ont- 
wikkeling der oogen en de vorming der wortels volgen, welke men , in verhou- 
ding tot de soorten, niet langer moet laten worden dan 4 tot 10 N. duimen. 
Zoodra de knollen en wortels, maar vooral deze laatsten, gevormd zijn' 
worden de planten van de bedding opgenomen en onder zoodanige voorwaar- 
den geplaatst, als men wenschelijk acht voor hare kuituur, dat is: in pot- 
ten geplant, of in mandjes of op hout opgehangen; wij zullen later de wijze 
dezer behandeling opgeven. 



11:3 

In de eerste maand der planting van de Orchideën zal men vele knollen 
zien bezwijken, 't zij doordien zij op de reis ontstoken zijn, 't zij dat het 
deel der wortelstok, 't welk haar draagt, dood is. Zij worden zwart en ge- 
ven duidelijke blijken van te zullen verrotten. Men moet ze van de struik 
afnemen en de wortelstokken waarop zij stonden, nazien en van het zieke deel 
ontdoen. Dit gebeurt zoo algemeen, dat wij er bij herhaling op aandringen 
om zorg te dragen de struiken zoo sterk mogelijk te laten, daar men bui- 
tendien later te dikwerf genoodzaakt is, ze op deze Avijze te verdeelen. Ook 
kunnen wij niet genoeg waarschuwen tegen te ruime besproeijiugen in de 
eerste dagen, en men vergete vooral niet, na de begieting te zien, of er 
water in de bladen der jonge loten is gebleven; waar dit zoo is, moet men 
ze zoodanig trachten om te buigen, dat het er weder kan uitvloeijen, want 
in vier en twintig uren zijn deze teedere sponsachtige deelen verrot, en men 
stelt zich daardoor bloot, aan het verlies der geheele plant of minstens aan 
eene groote vertraging, welke de ontwikkeling van nieuwe knollen vordert. 

Wanneer men de sterke struiken in dien staat heeft behouden, verkrijgen 
de nieuwe knollen eenen omvang, minstens van dezelfde grootte en hetzelfde 
voorkomen als die waaraan zij grenzen; dit is niet het geval met die plan- 
ten welke men verdeeld heeft; de nieuwe loten van deze laatste geven 
zwakke, kleine knollen, en eerst na verscheidene jaren zal men er verkrijgen, 
die aan de oorspronkelijke gelijk zijn. Er zijn ons op dezen regel nog maar 
weinige uitzonderingen voorgekomen. 

Onder de Orchideën-struiken treft men er bij hare aankomst ook aan, 
die reeds goed ontwikkeld zijn en nieuwe loten en wortels geschoten hebben. 
Voor deze is het niet noodig ze eerst op eene bedding tot groei te brengen; 
men kan ze, nadat zij gezuiverd zijn, onmiddelijk in mandjes, potten of op 
hout zetten, maar het is zeer noodzakelijk ook deze planten in hetzelfde ge- 
deelte der kast te plaatsen en haar dezelfde zorgen te wijden, die men heeft 
voor de boven genoemde; dezelfde wenken betreffende de begieting en de be- 
hoedzaamheid voor de jonge loten, gelden ook voor deze. 

De planten welke men op hout plaatst, moeten aan den zoom zeer ligt 
met mos bedekt worden, met inachtneming van de grootste voorzigtigheid 
voor de oogen, welke op het punt van ontwikkelen zijn, en in t bijzonder 
voor de jonge loten; ook kan men de opgehangen planten zoodanig rigten 
dat het water er niet in kan blijven staan. 

AVij hebben het noodzakelijk geacht de voorgaande bijzonderheden, be- 
treffende de inzameling, verzending en voorloopige behandeling bij de aan- 
komst der Orchideën, te behandelen; dikwijls toch gebeurt het , dat , wanneer 
liefhebbers aan vrienden in de beide Indien aanvragen doen om Orchideën 
en andere planten , men inlichtingen verlangt omtrent de verzending. De 

II. 8 



114 

daaruit voor sommigen voortspruitende moeijelijkheden hebben wij ten deele 
willen opheffen; wij willen ons nu meer bepaaldelijk met de kuituur der 
Orchideën bezig houden. 

OVER DE KASTEN. 

De inrigting der kasten voor Orchideën is eene zaak van zeer groot ge- 
wigt; wij weten dat een warme en vochtige dampkring een der eerste ver- 
eischten is voor de gezondheid en de goede ontwikkeling der planten; de 
inrigting der kasten moet dus geheel en al hiernaar gewijzigd zijn. Wij 
zullen hiertoe de noodige aanwijzingen geven, waartoe wij in eene drieledige 
beschouwing zullen treden. 

1". De kleine kasten, welke een deel der warme kast uitmaken. 

2°. De afzonderlijk voor Orchideën ingerigte kasten van middelmatige grootte. 

3". De kasten voor groote verzamelingen. 

De liefhebbers, die met de kuituur der Orchideën aanvangen, zien veelal 
tegen de kosten op, welke eene daaraan geheel toegewijde kast vordert; zij 
worden dan onder andere planten in eene warme kast geplaatst, en, ondanks 
de moeiten en zorgen van den kweeker, bloeijen de planten niet en groeijen 
slecht; deze teleurstellingen hebben veelal ontmoediging ten gevolge, en dik- 
wijls worden de Orchideën veronachtzaamd, als te moeijelijk voor de kuituur. 

Om in deze moeijelijkheden te gemoet te komen, raden wij den liefhebbers 
aan om van het warmste gedeelte hunner kast twee of drie ramen door mid- 
del van een glazen tusschenschot te scheiden. Dit klein gedeelte kast zal 
voldoende zijn voor de ontvangst der Orchideën, aan welke de verschillende 
wijzen van kuituur verbonden zijn, welke men wil volgen. De planten zullen 
er zich wel in bevinden, zullen ongetwijfeld bloeijen, en de liefhebber, 
thans over den goeden uitslag voldaan, zal spoedig tot den wensch komen, om 
zijne verzameling uit te breiden. Na verzekerd te zijn van het welslagen der 
Orchideën-kultuur, zal hij er eene bijzondere kast voor doen inrigten, waarin 
hij een genoegzaam aantal planten zal kunnen vereenigen, om er altijd in 
bloei te hebben; want dit kunnen wij den liefhebbers verzekeren, dat de smaak 
voor Orchideën spoedig toeneemt en niet gemakkelijk verloren gaat. 

Gaan wij nu de zamenstelling na eener kleine voor Orchideën ingerigte kast. 

De beste plaatsing is op het Zuidwesten, of, anders, op het Zuiden. 

De kast kan 12 of 16 N. ellen lang bij 4 ellen breed zijn. De grond in 
de kast zal 80 N. duimen lager moeten zijn dan de grond daar buiten en 
de regels rusten op een regtopstaand raam, van 33 N. duimen hoogte, 't 
welk geplaatst is op den voormuur, derwijze, dat de kast, in het gangpad 
2 N. ellen hoog is. Het voorste gedeelte der kast moet in zijne geheele 



i 



115 

lengte voorzien zijn van eene liggende plank ') van 30 N. duimen, terwijl 
het gangpad 68 N. duimen breed zal zijn. Eene bedding van 1,66 N. el 
breed, bij 60 N, duimen hoogte, zal het midden gedeelte der kast beslaan. 
Deze bedding zal in het midden harer lengte worden verdeeld door eene 
kom van 1,80 N. el in het vierkant, die dienen moet om den voorraad van 
water te bevatten. Een voetpad van 1 N. el breed volgt op deze bedding, 
en eindelijk zal eene plank van 36 N. duimen langs den achtermuur ge- 
plaatst worden. Ouder deze plank, die op 1,50 N. el van den grond moet 
geplaatst worden, kan men dan eene kleine bedding van 32 N. duimen 
breed aanbrengen, bestemd om planten te ontvangen, zelfs al zijn dit niet 
uitsluitend Orchideën. 

Wij raden den liefhebbers aan, om aan het einde der bedding een gangpad 
te maken, ter breedte van 68 N. duimen, opdat men niet genoodzaakt zij 
langs den gekomen weg terug te gaan. 

De helling van het liggend glas moet 30 tot 33 graden uitmaken. Ten 
einde de circulatie der warmte te bevorderen, zal men wel doen den scherpen 
hoek, die door de liggende glasregels en den achtermuur gevormd wordt, 
door hol bijgewerkt pleister, als anderzints, weg te nemen. Ook make men 
buiten de kast, boven den achtermuur, eene galerij van 50 N. duimen breedte , 
ten einde het schermen met zeilen 's zomers en het dekken met stroomatten 
tegen de koude winternachten, gemakkelijker te maken. 

Bij het binnenkomen der kast zondere men een klein gedeelte af, om het 
verwarmingsfornuis te plaatsen, en om tevens gelegenheid te hebben tot het 
verpotten. Deze afsluiting heeft buitendien ook nog dit voordeel, dat men, 
bij het binnenkomen, de buitenlucht geene gelegenheid geeft om onmiddelijk 
in de kast te dringen, hetwelk, vooral bij koud weder, voor de planten zeer 
schadelijk is. 

Wij nemen aan, dat het andere einde gemeenschap geeft met eene warme 
of gematigde kast; is dit met zoo, dan raden wij aan om ook daar een 
klein gedeelte af te zonderen, tegenover den ingang, voor het luchten der 
kast. 

Wij zullen niet langer stilstaan bij de zamenstelling van éénzijdige kasten, 
dat is: die het licht slechts van ééne zijde ontvangen; de gegeven afmetingen 
zijn die welke wij het best en gemakkelijkst oordeelden; hieraan is men echter 
niet gehouden, en wat den vorm der beddingen en waterkommen betreft, 
deze han2;en o-eheel af van den smaak des eio^enaars. 



') De schrijver gebruikt hier en in 't vervolg het woord tahleite ; wij meenden dit het duide- 
lijkst door het hier gebezigde te kunnen voorstellen. 

DE VERTALER. 



116 

De bedding zal aan de zijden van verwarmingsmonden, in den vorm van 
vlak liggende baksteenen op eene Ned. el afstands van elkander moeten voor- 
zien zijn. Deze openingen dienen om de temperatuur der kast meer of minder 
vochtig te houden, en moeten naar willekeur geopend of gesloten kunnen 
worden. (Zie fig. 1). 




a Midden-beddingen. 
h Kleine achter-bedding. 
c Planken of tafeltjes. 
d Gewelf van pleister. 
e Waterkom. 

f Opening voor de warmte. 
g Gangpad. 



SCHAAL VAN 0,08 N. EL OP DE £L. 
1 3 3 i SEI. 






-^s-<->sss?i: 



De groote Orchideën-kasten moeten naar twee zijden gebouwd worden, de 
eene naar het opkomen, de andere naar het ondergaan der zon gerigt; de 
afmetingen daarvan kunnen merkelijk verschillen; wij zullen hier het plan geven 



117 

van eene der grootste, echter met de opmerking dat de verhoudingen aan- 
merkelijk kunnen gewijzigd worden: 

30 Ned. ellen lang. 
8 Ned. ellen breed. 
4 Ned. ellen hoog, in het midden. 

De grond binnen de kast moet 80 Ned. duimen lager zijn, dan de grond 
er buiten. De glasregels moeten rusten op een regtopstaand raam van 33 
N. duimen, hetwelk in die verhouding op eeuen muur is geplaatst, dat het 
1,65 N. el boven den grond verheven is. De helling van het liggend glas 
mag 28 tot 30 graden uitmaken. Eene gallerij van 60 N. duimen wordt 
buiten aangebragt, bij de vereeniging der beide hellingen, voor het schermen 
en dekken der kast. 

Het inwendige der kast moet op de volgende wijze verdeeld worden: eene 
liggende plank van 70 Ned. duimen loopt langs de beide muren op eene 
hoogte van 50 N. duimen van den grond; twee beddingen, ieder 1,50 N. el 
breed, beslaan de middenruimte, en worden door een gangpad van 70 N. 
duimen gescheiden (dit gangpad is alleen bestemd om gemakkelijker bij de 
planten te kunnen komen); een pad van 1,20 N. el breed loopt om de beide 
beddingen; aan de beide einden der kast worden kleine beddingen van 70 N. 
duimen breed en 50 N. duimen hoog afgezonderd, om planten in den vrijen 
grond te zetten; de groote beddingen zullen ieder 75 N. duimen hoog zijn 
en in 't midden gescheiden worden door eene waterkom van 2,20 N. ellen 
in 't vierkant of in diameter, gewijzigd naar den vorm dien men er aan 
geven wil. 

De paden kunnen uitgegraven worden om daarin de verwarmings-buizcn te 
leggen, en weder met traliewerk bedekt worden; boven deze paden plaatse 
men roeden van gegalvaniseerd ijzer, om er de planten in mandjes of op 
hout aan op te hangen, omdat het onvermijdelijk druipen daarvan, hier aan 
andere planten geenerlei schade kan veroorzaken. 

Wij raden den liefhebbers aan om de planken te doen vervangen door, en 
den bodem der beddingen te doen daarstellen van ijzer tralie- of hout latwerk, 
ten einde de potten van onderen door de daar binnen aangebragte buizen te 
verwarmen, terwijl die warmte zich tevens door de kast verbreidt; men kan 
dit tralie- of latwerk ligtelijk zoo inrigten, dat men eene gelijke oppervlakte 
behoudt, waarop men de potten zeer goed zal kunnen plaatsen i). 



') De schrijver spreekt hier van steenen, in welker plaatsing men tusschenruimten van 10 
centimeters hoog en 1,30 lang zou kunnen houden; hij noemt die steenen pierres de liais. Daar 



118 

De kleine kasten kunnen zeer wel met ramen en glasregels van hout worden 
gemaakt, hoewel wij meenen dat de ijzeren kasten, als zijnde veel sierlijker, 
de voorkeur verdienen. De houten kasten hebben wel is waar het voordeel 
van veel minder luchtverdigting te veroorzaken, maar aan den anderen kant 
zijn zij van veel korteren duur en vorderen gedurige reparatiën; daar immers 
de glasregels, door de voclitige lucht in de kast, immer verrotten, waardoor 
bovendien holten en openingen ontstaan, waarin insecten voor de planten scha- 
delijk zich veel gemakkelijker nestelen dan op het ijzer. 

Het is om deze redenen dat wij in 't bijzonder de ijzeren kasten aanbevelen; 
daar dit metaal echter een zeer goede warmte-geleider is, heeft het deze scha- 
delijke eigenschap, dat het niet nalaat de lucht te verdigten, waardoor er zich 
een aantal droppels aan hechten, die, wanneer zij op de planten vallen, aan 
deze een dikwijls onherstelbaar nadeel berokkenen. 

Men kan hierin voorzien, door langs de dwars-ijzers kleine zinken gootjes 
aan te brengen, die de waterdroppels ontvangen en ze naar een breeder gootje 
voeren, hetwelk zich nu ontlast op eene plaats in de kast, waar dit water 
niet schaden kan, b. v. in de gangpaden, waar het altijd van nut is. 

De beide einden der kast moeten uitloopen in vrij groote afgeschotene af- 
deelingen, dienende tot het verwerken der planten en tot het plaatsen der 
fornuizen. 

Wij willen ons bij dit eenvoudig overzigt, betreffende de zamenstelling eener 
groote kast, bepalen; het is toch niet te betwijfelen of men zal, alvorens eene 
zoo belangrijke uitgave te doen, wel alle mogelijke inlichtingen trachten in 
te winnen, om haar aan het voorgestelde doel het best te doen beantwoorden; 
en de teregtwij zingen zullen geheel afhankelijk zijn van en gewijzigd worden naar 
de rigting der kasten en de ligging der gronden, op welke men die zetten zal. 

§ I. INWENDIGE BESCHIKKING DER KASTEN. 

De planken (of wat men daarvoor in de plaats gesteld hebben mag), die 
zich in de rondte der kast bevinden, worden aangewend voor planten in potten 
van kleinen omvang. Wij gelooven intusschen dat men in éénzijdige kasten 
wel zou handelen, met op de achterplank geene andere dan buigzame planten 
en die moeten aangebonden worden, te plaatsen. Deze plank zou ook kunnen 
weggelaten worden, indien men b. v. den wand met Orchideën die op hout 
groeijen wil versieren. Het zal in zoodanig geval zeer doelmatig zijn, latwerk 



het ons niet teleend is dat men hier op eene min kostbare wijze steenen van zulke lengte kan 
verkrijgen , hebben wij ons deze kleine wijziging van den tekst veroorloofd. 

DE VERTALER. 



119 

aan den muur te bevestigen, hetwelk dienen kan voor de aanbinding der Va- 
nillds, Renaniheras enz. welker stengels zich verlengen en vastgehecht moeten 
worden. Tevens raden wij aan, dit latwerk 16 N. duimen van den muur 
verwijderd te houden, opdat de wortels zich er om kunnen slaan en er aan 
hechten, zonder aan den muur te raken, waarvan de koude vochtigheid hun 
^eG:n. goed zou doen. 

Op de beddingen plaatst men de planten in potten of tobben, zorg dra- 
gende dat de hoogsten onder het hoogste gedeelte der kast te staan komen. 
Yerscheidene liefhebbers laten de beddingen achterwege, en plaatsen de Or- 
chideën op trapvormige stellingen. Deze wijze van schikking geeft in de 
kasten die naar twee zijden gebouwd zijn, ongetwijfeld een veel bevalliger 
aanblik en veroorlooft een beter overzigt van de planten; bij welke voordeden 
ook nog dit komt, dat de langgesteelde bloemen op eene meer natuurlijke 
en tevens bevalliger wijze kunnen afhangen. Intusschen wordt deze plaatsing 
het minst algemeen gevolgd, ongetwijfeld omdat hieraan meer zorgen, hinder- 
palen en moeijelijkheden verbonden zijn. 

Deze stellingen kunnen ook de midden-bedding van eene éénzijdige kast 
vervangen; dan echter moet men de achterplank weglaten en het voorpad der 
kast, als zijnde nu het voorname gangpad, breeder maken. 

De planten die in mandjes en op hout geplaatst zijn, moeten 
zoodanig worden opgehangen, dat, bij de begieting, het daarafvloei- 
jende water niet op de planten, die op de beddingen of planken 
geplaatst zijn, kan druipen; men hange ze aan ijzeren haken welke 
zoodanig ingerigt zijn, dat men de plant, zonder haar af te nemen, 
naar alle zijden draaijen kan. (Zie fig. 3). 

Eenige liefhebbers deden, met weglating van beddingen en stellin- 
gen beide, in het midden hunner kast zware boomstronken met 
hare takken planten, waaraan zij hunne Orchideën vasthechtten. — 
^'5- -• Deze planten groeijen uitmuntend. Men versiert de tronken met 
klimmende planten, plaatst tusschen de takken sterke exemplaren, die anders 
gewoonlijk in potten groeijen, of die soorten, welke meestal aan den voet 
der boomen voorkomen en door sommigen daarom half-aard-Orchideën ge- 
noemd worden, ofschoon het ware boom-Orchideën zijn. — Als een voordeeld 
van deze laatste kweekwijze halen wij aan die van den Heer beer, een 
voornaam liefhebber te Weenen, die, zijne Orchideën zoodanig behandelende, 
aan zijne kast den aanblik van een tropisch woud heeft weten te geven. 

Wij moeten de liefhebbers hier doen opmerken, dat deze wijze van kweeken 
vrij groote moeijelijkheden medebrengt en oplettende zorgen vereischt, in het 
bijzonder wat aangaat de verwijdering der insecten. Eene der voornaamste 
zwarigheden is deze, dat men de planten niet verplaatsen kan en haar dus 



120 

ook geenen rusttijd kan verleenen, die voor haar welzijn en den bloei zoo 
heilzaam is. 

In ieder geval, en hoe men zijne planten ook in de kasten schikken moge, 
moeten zij zoo geplaatst worden, dat zij elkander niet aanraken en men ze 
vrijelijk kan nazien; de kweeker moet ze gemakkelijk kunnen naderen en op- 
nemen om ze te onderzoeken, zonder vrees van ze te breken of de andere 
te beleedigen. Men moet haar kunnen beschermen tegen de insecten en in- 
zonderheid tegen de slakken; hetgeen bijna onmogelijk wordt zoo de planten 
gedrukt en opeengehoopt staan, gelijk dat meestal bij handelaars het geval is. 

De verwarmingsbuizen moeten aldus verdeeld worden: 

2 Gootvormige buizen in iedere bedding. 

2 Eonde buizen, in de rondte der kast onder de planken geplaatst. 

2 Buizen, welke door de voetpaden onder het ijzeren traliewerk loopen. 

Deze beide laatste buizen moeten door middel van eenen sleutel kunnen 
worden opengezet en gesloten, om ze naar willekeur te kunnen verwarmen. 

$ II. VERWARMING DER KASTEN. 

Voor de verwarming der Orchideën-kasten wordt thans algemeen de Ther- 
mosipJwn of verwarming door kokend water gebezigd. 

De warmte, welke men op deze wijze verkrijgt, is ook inderdaad meer 
gelijkmatig en stelt de planten minder aan plotselijke temperatuursverande- 
ringen bloot dan die, welke door stoom of verwarmde lucht verkregen wordt. 
In de beide laatste gevallen toch worden de buizen bijna plotseling koud, 
zoodra het vuur is uitgegaan, terwijl zij, bij de eerste methode, hare warmte 
nog twee tot drie uren na de uitdooving van het vuur behouden. 

De goede wijziging der warmte in de kasten is eene der noodigste zorgen 
voor de Orchideën-kultuur, en men behoort het zoo in te rigten dat men bij 
de felste vorst minstens -f- 15 graden behoudt i). 

Men geloove niet dat juist eene hooge temperatuur voor de Orchideën 
noodzakelijk is; wij hebben gezegd dat men den thermometer niet lager dan 
+ 15 mag laten dalen, maar ook zorge men dat, van 't laatst van November 
tot aan het einde van Mei, de temperatuur niet boven + 20 a 22 graden 
stijgt. 

Het meerendeel der planten, tot deze familie behoorende, verlangt geenen 
te warmen dampkring, en daar zij zich gedurende drie wintermaanden in haren 



') De S. bedoelt hier en in 't vervolg de honderdgradige schaal. 

DE VERTALER. 



121 

rusttijd bevinden, zou het haren wasdom en hare gezondheid schaden, wan- 
neer men haar tot eene ontwikkeling brengen wilde, waarvan het tijdstip in 
hare natuur nog verre af is. Ook die, welke gedurende dit jaargetijde nieuwe 
loten maken, behoeven geene meerdere warmte; de knollen die zich dan vor- 
men, zullen er des te sterker door worden, en beter in staat om tebloeijen, 
wijl ze daartoe langzamerhand ontwikkeld zijn. Men beware dus, gedurende 
die drie maanden, eene gemiddelde temperatuur van 15 tot 18 graden. 

Het is natuurlijk dat, zoodra de zon op de kast schijnt, de warmte daarin 
hierdoor stijgt. Men heeft dus wèl op den weêrstoestand te letten, en de 
warmte der buizen te matigen, zoodra de zonnestralen op de kast vallen. 
Anderhalf uur voor dat de zon haren invloed op de kast verliest, vernieuwe 
men het vuur weder in de fornuizen. 

Tegen het einde van September begint men de Orchideën-kasten te ver- 
warmen. Wanneer de ochtenden koel worden is het nuttig, vóór het opkomen 
der zon, eene sterke verhitting te bewerkstelligen; tegen elf ure 's morgens 
moeten de buizen weder koud zijn. Om dezen tijd is het noodig de vochtig- 
heid in de kast te matigen; men moet dus zeer weinig water in de gootvor- 
mige buizen doen, tenzij de dag nog heet en droog zij. 

Gedurende de duistere en regenachtige dagen van October, is de begieting 
voldoende om eene toereikende vochtigheid in de kast te onderhouden. 

Op het einde van October begint men 's morgens en 's avonds te verwar- 
men, met dien verstande, dat men de planten 's morgens meer warmte geven 
moet dan tegen den nacht, totdat het jaargetijde strenger wordt en het on- 
misbaar is de vuren te onderhouden, ten einde de boven opgegeven gemid- 
delde temperatuur te verkrijgen. 

Tegen het einde van rebruarij tot het laatst van Maart kan men zonder 
bezwaar de warmte tot 26 a 28 graden doen stijgen. Wanneer echter in het 
begin van April de zon meer kracht begint te verkrijgen, moet men de 
kunstmatige warmte in dier voege wijzigen, dat ze niet met die der zon ge- 
lijktijdig haren invloed uitoefent. In ieder geval zorge men dat de tempera- 
tuur niet hooger dan tot 32 a 35 graden stijgt. 

In Mei begint men het stoken na te laten; men moet evenwel nog steeds 
bij koude en regenachtige dagen vuur maken, en dit wel niet alleen in Mei, 
maar ook in Junij en zelfs in Julij, indien de temperatuur der kast beneden 
15 graden daalt en de vochtigheid te zeer toeneemt. 

Wij hebben gesproken van gootvormige buizen. Deze bestaan uit twee 
strooken koper, welke op eene ronde buis, die daartoe een eenigzius platter 
vlak heeft, gesoldeerd zijn, waardoor een kanaal gevormd wordt, hetwelk men 
met water kan vullen; deze goten hebben dezelfde breedte als de buizen 
terwijl de opstaande zijden 3 tot 4 N. duimen hoog kunnen zijn. Deze goot- 



122 

vormige buizen moeten in de bedding of onder de stelling geplaatst worden, 
zoodat de damp, welke er uit opstijgt, zich in gelijke mate door de kast ver- 
spreidt en al de planten omgeven kan. 

Men moet ze vullen met water, hetwelk, door middel eener kraan, regt- 
streeks uit den ketel komt. Dit kokende water nu zal onmiddelijk eenen warmen 
damp door de kast verspeiden, en die damp zal blijven aanhouden zoo lang 
er water in de goten is en de buizen warm zijn. — Het is dus van aanbe- 
lang ze niet verder te vullen dan men denkt dat voor de verdamping noo- 
dig is. 

Deze gootvormige buizen moeten in den winter de vochtigheid in de kast 
regelen. In dezen tijd en vooral gedurende felle koude, moet men met de 
begieting uiterst spaarzaam zijn, wijl de Avortels dan slechts weinig vocht 
behoeven en men meer planten door bovenmatige begieting dan door te 
groote droogte verliezen zal. — Ook met dien damp behoort men dus in de 
Orchideënkast met voorzorg en omzigtigheid te werk te gaan. 

Wij komen hierop terug wanneer wij over het bevochtigen der planten 
zullen handelen. 

§ III. HET BESCHADUWEN DER KASTEN. 

Men moet de Orchideëu zorgvuldig behoeden tegen eene onmiddelijke 
blootstelling aan de zou, vooral van den IS*^^" Maart af tot op het einde 
van September. 

Voor deze beschaduwing zijn weder onderscheidene handelwijzen gevolgd, 
welke wij willen overwegen. 

De gemakkelijkste en voordeeligste wijze van beschaduwen is deze, dat 
men de ruiten wit maakt. Hiertoe lost men krijtwit in water op, en voegt 
er, op vijf pinten water, eene"" pint melk bij. Dit vocht nu, bij droog weder 
op de ruiten gespoten, is toereikend om de planten tegen de werking der 
zonnestralen te beschutten, en kan verscheidene regenachtige dagen door- 
staan 1). Deze bewerking moet telkenmale, wanneer men ziet dat het er af- 
gespoeld is, worden herhaald, wat somtijds vier of vijf maal'sjaars noodig is. 

Heeft deze wijze van beschaduwen hare goede zijden, zij heeft ook hare 
bezwaren. Men voorkomt hiermede alle voorzorgen, welke men bij andere 
handelwijzen in acht moet nemen; maar, behalve de onvermijdelijke onaan- 
genaamheid dat de planten door de witte droppels, die door de reten der 



ï) Dit spuiten moge om de spoedigere bewerking aanbeveling verdienen , om der netheid wille 
achten wij het doelmatiger het met eene groote kwast of een gewoon vloer-varken op de ruiten te 
doen smeren; wat toch ook niet veel tijd vereischt. de vertaler. 



123 

ruiten dringen, morsig worden, is men genoodzaakt de planten altijd te be- 
schaduwen, ook bij duister of bedekt weder, en verkeeren zij dus op den 
duur in eene niet zeer gunstige duisternis. 

Eene tweede wijze, Avaarop men de kasten beschaduwt, is met zeilen aan 
de zonzijde. Op deze Avijze vermijdt men de beide genoemde bezwaren, maar 
worden ook de planten ten eenemale van de zonnestralen beroofd, en de Or- 
chideën, al groeijen ze ook in groote bosschen, genieten toch bij tusschen- 
poozeu iets van het zonnelicht. De kracht daarvan is altijd gematigd door 
de bladen der hen overschaduwende takken, die de zonnestralen breken en 
alzoo het verdroegen onmogelijk maken. De zeilen verdienen echter de voor- 
keur boven het witten der ruiten, omdat zij gemakkelijk door middel van 
rolblokken kunnen opgehaald worden. 

De derde wijze, welke naar onze meening de meeste aanbeveling verdient, be- 
staat in het bezigen van beweegbare horden, welke opgerold worden, opdat 
zij gemakkelijk kunnen worden opgeheven. Deze horden moeten in eene ver- 
ticale en niet in eene horizontale rigting geplaatst worden, daar deze laatste 
rigting de zonnestralen te lang op de planten doet verblijven, wat schadelijk 
is, terwijl, wanneer zij verticaal geplaatst zijn, de houten latten onophoude- 
lijk de stralen breken, en haar slechts een ongevoelig verwijl op de bladen 
der planten toestaan. 

De geschilderde en met zorg behandelde horden, zijn, verre van, even als 
de zeilen of de gewitte ruiten, een onbevallig aanzien te geven, integendeel 
als een sieraad der kasten te beschouwen. 

Van beschaduwen met stroomatten willen wij hier niet spreken, daar 
dit middel voorzeker bij de liefhebbers toch weinig in aanmerking zal ko- 
men. 

Het zij men zich nu bij de beschaduwing van zeilen of horden bediene, 
drage de kweeker vooral zorg zich niet van de kasten te verwijderen, zonder 
de voorzorg genomen te hebben van ze op de ruiten te plaatsen, tegen den 
tijd dat de zon er op zal gaan schijnen; en, moet hij zich noodzakelijk voor 
meer dan één dag verwijderen, zonder iemand die taak te kunnen opdragen, 
dan zal hij , zij het ook bij duister weder , beter doen zijne kasten vooraf 
te bedekken, dan aan de mogelijkheid te zijn blootgesteld, van zijne planten te 
zien verbranden. 

KWEEKIiNG. 

De planten welke uit de warme streken der beide half-ronden in ons kli- 
maat worden overgebragt, zouden onmogelijk kunnen bestaan onder dezelfde 
omstandigheden als die, welke bij ons inlandsch zijn. Het is het groote doel der 



124 

kweeking haar datgene weder te geven, wat een wezenlijk deel uitmaakte 
harer ontwikkeling en welvaart. 

De boora-Orchideën maken, te midden van al die exotische planten eene 
ware uitzondering. Terwijl zij den bodem verlaten en daaraan niets voor haar 
bestaan ontleenen, vestigen zij haar verblijf op de stammen en takken der 
boomen, waarop zij zich hechten, groeijen en zich vermenigvuldigen; en dat 
wel over eene aardoppervlakte van 60 graden breedte; namelijk ongeveer van 
den 30^'^" graad Noorder- tot den 3i*"^" graad Zuiderbreedte. Gemakkelijk is 
het te begrijpen, dat in deze ruimte van meer dan vijf honderd mijlen eene 
groote verscheidenheid in de temperatuur bestaat, welke niet alleen van den 
afstand der evennachtslijn maar ook van de hoogte der streken afhangt. 

Deze verschillen in breedte en hoogte, zouden eene groote moe ij el ijkheid 
in de kuituur der Orchideën doen vermoeden, indien men werkelijk daartoe 
voor elke soort de warmte van haar oorspronkelijk klimaat behoetde. Intus- 
schen heeft de ondervinding geleerd dat de warmte der kasten, berekend op 
een minimum van -|- 12-15 graden tot een maximum van 30-40 graden 
voor alle soorten, eenige Oost-Indische voor welke een hoogere temperatuur 
gunstig is, niet uitgezonderd, voldoende is, mits men zorg drage, haar, 
na den bloei, de noodige rust te laten. 

De Orchideën hebben drie wel onderscheiden tijdperken: dat van den 
groei of de ontwikkeling, dat van den bloei en eindelijk het tijdperk van 
rust; Avelke wel in het oog moeten gehouden Avorden. Deze drie tijdperken 
worden in de kasten van verscheidene liefhebbers goed in acht genomen' 
en de daarop gevolgde goede uitkomsten bewijzen hoe nuttig het is , hierop 
te letten, In de kasten der handelaars wordt hierop in 't algemeen weinig 
gelet, maar in die inrigtingen heeft men veel meer ten doel de planten te 
vermenigvuldigen, dan eenen prachtigen bloei te verkrijgen. Wij zullen op 
dit gewigtig punt van kuituur terug komen. 

De Orchideën zijn in het algemeen van eene krachtige natuur en kunnen 
voor de sterkste warme-kastplanten doorgaan ; zij doorstaan de langste rei- 
zen, en zoo zij slechts levend overkomen, is men bijna zeker haar zich te 
zien herhalen en ontwikkelen. Duidelijk is het dus dat frissche en gezonde 
planten niet anders dan wèl slagen en bloeijen kunnen, indien men haar 
slechts de noodige zorg wijden wil. 

Treden wij nu meer bepaald in de bijzonderheden harer kweeking, welke 
wij aldus verdeden: 

Planten welke in potten, 

// // // opgehangen mandjes of vazen , 

// // op hout gekweekt worden. 



125 



§ I. KWEEKING IN POTTEN. 



De vorm der potten, waarvan men zich gewoonlijk in Frankrijk bedient, 
is voor de kuituur der Orchideën niet zeer doelmatig; daar zij, naar gelang 
harer middellijn, te ondiep zijn. Hierdoor hebben de wortels geene genoeg- 
zame ruimte om zich uit te breiden, waardoor men tot gedurige verpot- 
tingen genoodzaakt wordt, hetwelk niet weinig bemoeijelijkt wordt door de 
■wortels, die zich steeds aan de wanden der potten vasthechten; ook is de 
stof of de aarde, waarvan zij vervaardigd worden, niet aan te bevelen voor 
planten, in warme en vochtige kasten gekweekt, omdat zij daar te spoedig 
ontbonden worden. 

Tegenwoordig worden in onderscheidene pottenfabrieken de Belgische en 
Engelsche potten tot model genomen; het gebruik van roode aarde, welke 
eene goede bakking doorstaat, geeft thans aan de potten eene hardheid, die 
zij te voren niet hadden; zij zijn hooger dan wijd, en stellen de liefhebbers 
alzoo in de gelegenheid, om de Orchideën in potten te kweeken, welke niet 
die ongemakken opleveren, als aan de gewonen eigen zijn, welke men nog 
steeds voor andere planten blijft gebruiken i). 

De Orchideën, welke in potten moeten gekweekt worden, zijn dezulken, 
welker bloemstengels , hetzij van den zoom , hetzij van het boveneinde der knol- 
len, in eene regte rigting opstijgen; terwijl die, welker bloemstengels naar 
beneden vallen of gerigt zijn, of wel, bij welke zij van onder tusschen de 
knollen te voorschijn komen, in mandjes of vazen moeten opgehangen worden. 

Alvorens men de Orchideën in potten plant, moeten deze laatste gedrai- 
neerd worden, dat wil zeggen, dat men ze, tot minstens op de helft der 
hoogte, met potscherven, steentjes en stukken houtskool vult. Zijn ze groot, 
dan plaatst men op den bodem eene omgekeerde andere pot, die ongeveer 
een derde der grootte heeft van die, waarin men de plant zetten zal. 

Men bereide nu zandige heiaarde, aan stukjes gebroken ter grootte eener 
noot en vermenge die, in gelijke hoeveelheid, met gehakt en op den oven gedroogd 
Sphagm^n of wit mos 2), waarbij men nog eenige potscherven voegt, die 



») De lezer zal wel opmerken, dat zulks minder voor ons land van toepassing is, wat den 
grondstof der potten betreft; en, wat aangaat den vorm, de vroeger algemeen gebezigde en nog 
bij sommige kleinere kweekers gebruikte zoogenoemde HoUandsche of oortjes-potten, zijn bij wèl 
ingerigte liefhebbers en kweekers, reeds sinds geruimcn tijd, voor planten van aanbelang in on- 
bruik geraakt. de vertaler. 

') Wij gelooven hiertoe dezelfde Sphagmim te kunnen aanbevelen, van welke de Heer J. schuur- 
MANS STEKHOVEN, vooT het nliveeken van 2^lanten in mos" o. a. het volgende zegt: 

»De mos-soort door my daartoe (hier bedoeld namelijk de Heer s. s. het plaatsen van stekken 



126 

echter kleiner moeten zijn dan de voor de drainering gebezigde, namelijk 
ongeveer 2 N. duimen in 't vierkant; ook menge men er eenige kleine 
stukjes houtskool onder. 

Deze aarde, dus zamengesteld zijnde, is het niet moeijelijk meer de Or- 
chideën te planten. Men begint met op het midden der drainering een wei- 
nig heiaarde te leggen, toereikende voor het midden der plant, die daar 
zoodanig op geplaatst wordt, dat hare wortels naar de drainering kunnen 
afdalen, voorts moet de pot overal met heiaarde, met sphagnum enz. ver- 
mengd, aangevuld worden, echter zorg dragende dat men de pot in het 
midden hooger aanvuUe dan aan de zijden. 

De knollen moeten niet alleen niet met aarde bedekt worden, maar zelfs 
moet de zoom naauwelijks bedekt zijn, en, wanneer de vorm der plant zulks 
niet toelaat, zijn het alleen de oudere en 't verst van de jonge loten verwij- 
derde knollen, welke men in de aarde zetten mag. 

Wij hebben aanbevolen de aarde in 't midden van den pot hooger aan te 
brengen dan aan de zijden, opdat, vooral in den tijd van gedurige begieting, 
het water gemakkelijk naar den binnenwand der pot zou kunnen vloeijen, die 
het naar de drainering voert ; terwijl , indien het eenen uitweg zocht naar het 
midden van den pot, het in te onmiddelijke aanraking komen zou met de hei- 
aarde, die, wordt ze te nat, zich ontbindt en, door te groote vochtigheid, de 
plant doet verrotten, hetwelk met de nieuwe wortels aanvangt. 

Wanneer de wortels eener plant te kort en te weinig in aantal zijn om 
haar in de gemengde aarde staande te houden, komt men haar hierin te hulp, 
door met looddraad aan de stevigste knollen kleine stokjes te binden, welke 
men weder verwijdert, zoodra de plant zich door hare wortels kan staande 
houden. 

Wanneer eene plant in goeden staat van ontwikkeling verkeert, moet men 
haar op den pot plaatsen, met de oude knollen tegen den rand, zoodat er 
voor de nieuwe loten niet alleen ruimte is om zich te ontwikkelen, maar dat 
er zelfs nog toereikende gelegenheid overblijft voor nieuwe knollen, die zij 
zullen doen ontstaan, waardoor men te vaak herhaalde verplantingen voorkomt. 

Hieruit blijkt dat men voor de planting vooral geene te naauwe potten 



in mos) gebezigd, bestaat hoofdzakelijk uit de Sphagnum palusfre Linn. (welke thans in vele 
soorten gesplitst is). De zachtste op het gevoel is mij het doelmatigst voorgekomen, die in de 
omstreken van het Haarlemmermeer, vooral op de zoogenaamde Zuddelanden bij Leymniden , welk 
terrein somwijlen alleen van die mos-soort gevormd is , tot eene diepte van 1 a 2 Ned. ellen ge- 
vonden wordt, begroeid zoowel met de meeste veenaehtige moerasplanten als met de Empetrum 
nigrum, Oxycoccus palustris, Faccinium Vitis Idaea, Drosera rotundifoUa , Viola palustris enz." 
Maandschr. voor Tuinbouw, Dordrecht, blussé & van braam N". 1, Jamtarij 1847, p, 4, 

DE VERTALER, 



i 



127 

moet gebruiken; maar in tegendeel aan de planten de meeste ruimte geven, 
voor hare vrije, somtijds zeer sterke ontwikkeling. 

Dikwerf gebeurt het dat de wortels, in stede van in de aarde en de drai- 
nering door te dringen, zich buiten den pot begeven, zonder eenigen steun te 
zoeken; men moet op zijne hoede zijn dat zij, bij toenemende verlenging, 
niet in de potten dringen die hen omgeven; en men kan ze met behoed- 
zaamheid naar hunnen pot heenwenden waar ze dan in de aarde zullen voort- 
groeijen of wel zich aan de buitenwanden der pot zullen hechten. 

Wij zullen, sprekende over de verpottiug, nadere inlichtingen hieromtrent 
geven. 

§ II. KWEEKING IN OPGEHANGEN MANDJES, 

Deze mandjes of vazen kunnen vervaardigd worden van hout, metaal of 
steen. De doelmatigste echter voor de Orchideën, zijn die van rond geschild 
hout, ter dikte van 0,025 tot 0,03 N. el in doorsnede. 

De vorm hiervan, hangt geheel af van den smaak des eigenaars; in fig. 
3, 4, 5 en 6 zijn eenige voorbeelden hiervan, uit hout of metaal vervaardigd, 
voorgesteld. 

Deze mandjes zijn allen tralie-vormig en wijd genoeg om vrijen doorgang 
te laten aan de bloemstengels, knoppen en schutbladen; er is namelijk tus- 
schen de stukken hout of de metaal-draden eene ruimte van 0,015 tot 0,02 
N. el vrij gelaten. De steenen vazen moeten eveneens op dezelfde wijze door- 
sneden zijn. 

Indien wij dit laatste middel niet aanbevelen, is zulks niet alleen om hare 
meerdere kostbaarheid, maar ook met het oog op de verplanting, die meest 
altijd een opoffering van de vaas vordert, wil men de plant behouden. In- 
tusschen is niets sierlijker en van bevalliger uitwerking in de kasten, dan 
deze kunstig gevormde en doorsneden vazen, waaruit de bewonderingwek- 
kende Orchideën-bloemen nederhangen, waarom wij verre zijn van ze te ver- 
werpen; wij mogten echter de daaraan verbonden bezwaren niet verzwijgen. 

De korfjes of mandjes van metaaldraad kunnen uit gegloeid geel koper of 
uit gegalvaniseerd ijzerdraad bestaan, terwijl de vormen van den smaak des 
vervaardigers afhangen; intusschen is het raadzaam ze van boven wijder te 
maken dan van onderen, eerstens omdat de regte korven een onbehagelijk 
aanzien hebben, en ten anderen omdat zij veel zwaarder bij 't ophangen 
zijn, aangezien zij veel meer aarde bevatten. 

Alvorens de planten in de mandjes of vazen te zetten, zal men wèl doen 
den bodem met sphagnum en kleine stukken hout te bedekken, opdat de ge- 
mengde grond niet door de openingen vallen kan; even zoo handelt men 



128 



met de zijden, en vervolgens ga men met de plant op dezelfde wijze te werk 
als bij de kweeking in potten opgegeven is, met dien verstande, dat men de 





Fig. 5. 




Fijf. Ö, 



?(f^— 




mandjes iets minder vult dan de potten; onder voorbehoud dat men er ge- 
mengde aarde rondom de plant bijvoege, eenige maanden nadat men haar 

heeft geplant. (Wordt vervolgd). 



129 



JACOBUS SCHUURMANS STEFvHOVEN. 

Hortulanus aan 's Rijks Academie-tuin te Leyden, Corresp. Lid der Kon. Xed. ^laat- 
schappij tot aanmoediging van den Tuinbouw. 

Op den 15*^^" September overleed alhier de Heer jacobüs schuurmaxs 
STEKHOVEN, Hortulanus vac den Akademie-tuin, na een langdurig en gedul- 
dig doorgestaan lijden van bijna anderhalf jaar, in den ouderdom van 63 
jaren. Hij was gesproten uit een oud en bekend Hortulanus-geslacht, want 
een zijner voorouders was als zoodanig in dienst bij Keizer joseph te Wee- 
nen. De vader van den nu overleden Hortulanus stekhoven (hoe kan een 
naam beter in overeenstemming zijn met het beroep?) was wegens zijne kunde 
in de kuituur en in de eigenlijke botanische wetenschap te regt beroemd. 
Zijne geschriften over de vaderlandsche planten zijn, voor den tijd waarin 
hij schreef, verdienstelijk. De Heer h. schuurmans stekhoven (de vader) 
werd in 1819 Hortulanus. De zoon, tamelijk geoefend in oude en nieuwe 
talen en al wat tot eene beschaafde opvoeding behoort, ging, onder 's vaders 
toezigt, zich weldra aan dezelfde loopbaan wijden. Eerst als helper zijns 
vaders, later als tweede Hortulanus werkzaam, maakte hij genoegzame vor- 
deringen om hem te kunuen opvolgen. Onderscheidene buitenlandsche reizen 
werden tot vermeerdering zijner kennis en ondervinding en met goed ge- 
volg ondernomen. Hij had eene veelomvattende kennis van planten. Hij be- 
ijverde zich om de geheele wetenschap in haren omvang te kennen en was 
een der ijverigste beoefenaars en bevorderaars van de studie der Vaderland- 
sche Flora. In het jaar 1^39 heeft hij zijn toen hoogbejaarden vader, bij 
zijn overlijden, opgevolgd als Hortulanus, en heeft tot vóór zijne ziekte aan 
den Akademie-tuin zijne beste krachten gewijd. De verdiensten van den 
overledene zijn naar waarde geschat en, even als die van zijnen vader, door 
de geslachten Schmnnansia en SiekJwvia in de wetenschap vereeuwigd. Hij 
was mede-arbeider aan onderscheidene Tijdschriften over botanie en horticul- 
tuur. Zijn herbarium der Nederlandsche Hora is klassiek. Zijne verzameling 
van voorwerpen tot opheldering der vormleer is eenig in hare soort. Zijne 
uitgelezen boekerij getuigt van zijne liefde voor de wetenschap. Binnen- en 
buitenlandsche genootschappen voor botanie, tuinbouw en landbouw vereer- 
den hem met het lidmaatschap. Hij was eere-lid van het Lejdsche Dep. der 
Maatschappij : Tot N%i,t van H Algemeen. 

Zijn dood geeft een klank van weemoed door onze stad; want hij was 
veler vriend en schier bij allen bekend. Zijn einde, dat hij zelf verkondigde, 
als spoedig op handen, zag hij met gelatenheid naderen. Hij stierf in volle 



130 

bewustzijn, na nog kort te voren zich zelven en zijne troostelooze vrouw en 
talrijk gezin aan Gods goedertierenheid te hebben aanbevolen. 

{Overgenoynen tdt de Leydsche Courant van 19 September 1855.) d. v. 



EEN ENCEPHALARTOS SPEC. IN DEN HORTUS BOTANICUS 
TE AMSTERDAM; 

MEDEGEDEELD DOOR 

J. C. GROENE WEGExV, 

HOKTULANDS VAN DEN 3TADS-KRUIDTÜIN TE AMSTERDAM. 

In het begin van de vorige maand ontvingen wij van een geacht corres- 
pondent, den Hr. j. brehm te Uitenhage (Kaap de goede Hoop) het volgende 
berigt, in dato 16 April 1855. //Ik heb nu het genoegen U te informeren , 
dat ik voor U een zeer groote Zamia (15 voet lang) ingescheept heb aan 
boord van the Candace Gapt. c. fischer naar Londen. — Na lang zoeken 
is het mij gelukt U eene zeer groote Zamia te kunnen verzenden, dewelke 
versch is ingepakt en direct ingescheept, zoodat ik niet twijfel of deze Zamia 
zal goed daar aankomen en groeijen. Ik kan U verzekeren dat het zeer 
moeijelijk en ongemakkelijk is deze plant uit de hooge rotsen, gelijk inge- 
klonken, op gelijk pad onbeschadigd te verkrijgen." 

Niet weinig was onze verwachting op dit berigt gespannen en met ongeduld 
werd de aankomst van deze plant te gemoet gezien, tot wij op den 8*'^" dezer 
maand het genoegen hadden eene kolossale kist te zien aanbrengen, inhoudende 
de hoogst welkome Zamia. Dezelve was goed gepakt in drooge houtkrullen 
en drie tusschenschotten , om den stam sluitenden, verhinderden het heen en 
weder schudden van de plant met de verwerking dier zware kist. Bij de 
ontpakking zag de stam er gaaf en goed uit en begon reeds een nieuw schot 
bladen te ontwikkelen, die omstreeks 2 palm tegen het beschot der kist waren 
opgegroeid. De opgave van de maat bleek juist te zijn, daar wij den stam 
buiten het worteleinde op 4i- el hebben gemeten en schatten het bruto gewigt 
op 800 kilo. De omtrek aan den wortel is 1 el- 3 palm en verder tot aan 
den top p. m. 1 el. 

Hoe schoon de stam ook bij den eersten aanblik was, overeinde gezet en 
geplant, vertoonde deze regtopgaande boom zich in nog grootere pracht. 
Terstond na de planting zag men de nieuwe frondes meer en meer ontwik- 
kelen en nu, na verloop van 14 dagen, zijn dezelve reeds ter lengte van meer 
dan \ el gegroeid. Ook de bladen beginnen zich duidelijk te vertoonen en 



131 

voor zoo verre dit nu kan worden gezien, hebben dezelve veel overeenkomst 
met die van Encephalartos caffer. 

Overigens is niet mogelijk deze plant zoo te omschrijven dat men lezende 
den juisten indruk er van ontvangt, daar het ons reeds meermalen is voorge- 
komen dat liefhebbers, die wij mondelings het gewas zoo veel mogelijk hadden 
uitgeduid, bij de beschouwing er van toch als verbaasd stonden. 

Wij kunnen dus niet beter doen dan de belangstellenden uit te noodigen 
te komen zien en houden ons overtuigd dat niemand zich zal beklagen van 
in zijne verwachting te zijn te leur gesteld. 

Amsterdam, 24 Augustus 1855. 



DE KULTUUR VAN GUNNERA CHILENSIS LAM. 

Deze schoone plant maakt teregt een sieraad van den open grond, indien 
men haar wel behandelt. Zij is oorspronkelijk van de Andes, en strekt zich 
op dat gebergte uit van het Caracasaansche gebied tot in Chili, alwaar zij 
op lagere plaatsen voorkomt. Zij is vrij algemeen, doch verkeerdelijk bekend 
onder den naam van Gunnera scahra. Deze nomenclatuur is teregt gebragt 
door den Heer bennet in Horsfield, Plantae Javanicae rariores. I. p. 75; 
naar welk geschrift wij kortelijk verwijzen. 

Zij is sedert eenige jaren in de kuituur, doch in de meeste verzamelingen 
neemt men haar des winters op, kweekt haar in tobben of in potten, 
welke men in het koude jaargetijde naar binnen brengt. 

In 1852 zag ik deze plant voor 't eerst in den open grond te Dijck bij 
Z. D. H. den Prins salm-reifferscheid-dijck. De Heer punke, 's Vorsten 
bekende kweeker, toonde mij een prachtig gewas in den open grond, hetwelk» 
volgens zijne verklaring, des winters slechts even bedekt werd. Ik heb die 
wijze van behandelen dadelijk nagevolgd en ik ben thans in 't bezit van 
planten van eene enorme grootte. De standplaats is 't best in de schaduw, 
in een' lossen en vochtigen grond. Men geeft des morgens en 's avonds telkens 
een' vollen emmer water, die over den wortel wordt uitgegoten. Eene plaatsing 
in veen of veenmosch is nog meer te verkiezen. Wij plaatsten over de plant 
in 't najaar eene breede, eenigzins platte, omgekeerde mande, waarover blad 
wordt gelegd en, bij strenge koude, sneeuw, als die voorhanden is. Reeds 
vroeg in 't voorjaar ontwikkelt zich een krachtig gebladerte, hetwelk, bij de 
vermeerderde zonnewarmte, tot eene reusachtige ontwikkeling komt en dit 
gewas tot eene der prachtigste planten van den vollen grond maakt. 

De bladen van onze grootste plant zijn 1,53 lang (de bladsteel alleen 0,70). 



132 

De breedte van het grootste blad is 1,32. Ned. el. Volgens getuigenis van 
personen, die Hernnhausen hebben bezocht, komt deze grootte nog in verre 
na niet bij die welke de aldaar gekweekte planten bereiken, en mag men dus 
met grond verwachten, dat de onze een volgend jaar nog grooteren omvang 
zal hebben. 

De ondervinding heeft geleerd dat de Gunnera chilensis des winters vol- 
strekt eene bedekking behoeft en dat zij zonder deze afsterft. De laatste 
winter was koud genoeg om ten deze afdoende uitkomsten te leveren. Het 
was echter welligt eene al te sterke proef; want hoewel het op de hooge 
Andes vriest en Chili een gematigd klimaat heeft, is er echter zeker geene 
strenge koude, als die welke in den regel des winters hier heerschende is. 



PERKEN MET VELTHEIMIA UVARIA. 

Er is niets wat in die mate tot sieraad is van plantsoenen, van buiten- 
plaatsen, of van tuinen als de vereeniging in perken van gewassen van de- 
zelfde soort in grooten getale bij elkander. Men kent het efiect van Horten- 
sia's, Neraophila's, van de roode melde, van goudsbloemen, de tom Tumb 
Pelargoniums enz. Een zeer schoon effect maken ook groote perken met ver- 
schillende soorten van gewassen waarbij in 't midden staan Mais-planten; 
daarom Canna's, dan weder lagere gewassen, waarbij men eene mengeling van 
kleuren moet weten aan te brengen. 

Sedert vele jaren kweek ik in dergelijke perken de Veltheimia Uvaria, een 
Kaapsch gewas 't welk door anderen doorgaans in potten en des winters in 
de oranjerie wordt gehouden. Dit geeft een inderdaad prachtig effect. De 
bloeitijd verschilt eenigermate naar gelang de zomer vroeger of later invalt; 
maar meestal heeft men in Augustus en September het genot van een' prach- 
tigen bloei. De oranje-kleurige bloem-aren zijn op lange, meestal 2 voeten 
hooge stelen geplaatst en geven, wanneer de planten digt bij een staan een 
heerlijk effect, dat reeds op verren afstand wordt gezien. De planten moeten 
aanvankelijk een voet van elkander staan. Later groeijen ze in één. Men kan, 
tegen dat de vorst komt, de bladen afsnijden. Er is geen nut in om ze te 
bewaren, daar de meeste toch door de bedekking afrotten. Verder dekt men 
de plant met blad en men ziet haar het volgend jaar weder nieuwe bladen 
maken. Reeds kort na het aanleggen of verplanten van zulke bedden of per- 
ken volgt de bloei. Ik beveel den liefhebbers van schoone bloemperken deze 
methode ten sterkste aan. 



133 



EEMGE OORZAKEN VAN KWIJNING OF ZIEKTEN DER PLANTEN. 

MEDEGEDEELD DOOR H. -nTTTE. 

Even waar als het is, dat de planten-kultuur , bij goede uitkomsten en 
gelukkig slagen, voor den liefhebber eene immer vlietende bron van zelf- 
voldoening en genoegen is; daar bijna iedere dag hem zijne lievelin- 
gen in eenig ander opzigt doet kennen, terwijl nu deze, dan gene zijn oog 
verrast met eenen nieuwen bloemvorm, fraaije kleuren of andere eigenschap- 
pen, die haar hem des te liever maken, omdat hij ze niet in haar vermoed- 
de; of wel, terwijl hij met zelfvoldoening ziet dat eene plant welig tiert en 
zijn blik welgevallig rust op haar frisch gebladerte; even zoo waar is het 
ook dat, bij veel aangenaams, menige minder aangename ervaring zijn deel 
is, en dikwerf aan deze kuituur teleurstellingen verbonden zijn, die menig- 
maal den aanvangenden liefhebber geheel hebben afgeschrikt om er zich ver- 
der mede onledig te houden; terwijl zelfs meermalen meer geoefende liefheb- 
bers, of zelfs kweekers van beroep, de kuituur van eene zekere plantengroep 
hebben opgegeven , teleurgesteld als zij waren door de ongunstige uitkomsten. 

Wij hebben hier bepaaldelijk het oog op ziekten der planten, of, wat wel 
op hetzelfde neer zal komen, gebrekkige ontwikkeling der bladen of bloe- 
men, of van de geheele plant. 

Het ligt voor de hand dat voor dergelijke onaangename en vaak ontmoe- 
digende ondervindingen het meest bloot staan die liefhebbers of kweekers, 
die, nieuwelingen in het vak, juist daardoor meerdere ervaring en kennis 
van de behoeften der planten, van de vele eigenaardigheden, aan de kui- 
tuur van bijzondere geslachten verbonden enz., moeten en zullen verkrijgen; 
terwijl het in den aard der zaak ligt, dat, bij meer ervarenen zoodanige 
teleurstellingen meer bij uitzondering worden aangetroffen; en toch, in 
weerwil van ondervinding, oplettende waarneming en naauwgezette inachtne- 
ming van de vervulling in de bijzondere behoeften der planten, moeten ook 
deze laatsten het menigwerf zien, dat sommige planten hun, voor al hunne 
moeiten en zorgen, slechts met een ziekelijk voorkomen beloonen; terwijl het 
menigwerf gebeurt, dat men bij sommige planten langzame of plotselinge ver- 
anderingen opmerkt, waarvan men, hoe gaarne men het ook zoude wenschen , 
geene verklaring geven kan en geene oorzaak weet te vinden; tot men som- 
tijds, eerst ettelijke jaren later, bij eene andere plant, dikwijls toevallig, 
iets opmerkt, 't welk deze schijnbare onverklaarbaarheid duidelijk maakt. 

Zoo zagen wij dezer dagen eene soort van het geslacht der moerbeziën, 
die krachtig ontwikkelde en in een paar maanden tijds jonge takken van 



134 

meer dan eene el lengte had voortgebragt , niettegenstaande het boompje nog 
maar weinige jaren oud was, in 't midden van eenen weelderigen en for- 
schen groei, plotseling sterven. — Daar dit boompje geplaatst was nabij een 
algemeen gebezigd gangpad , was dit verschijnsel door niemand van het personeel 
van den Akademie-tuin onopgemerkt gebleven, en het ontbrak daarbij na- 
tuurlijk niet aan gissingen en verschil van gevoelen. De een dacht aan plot- 
selinge weêrsverandering, de ander dat het boompje door den bliksem kon 
getroffen zijn, een derde haalde de schouders op, dacht, maar sprak niet 
veel. Het meest algemeene gevoelen was, dat zich insecten bij de wortels 
zouden bevinden; men ligtte het boompje onmiddellijk uit den grond, maar geen 
zweem van insecten was te zien; zelfs waren de wortels volmaakt gezond 
en eerst een paar duimen boven den grond was het stammetje inwendig ont- 
stoken; alles wat zich verder in de lucht bevond was dood. 

Men wil zulk eenen plotselingen dood toegeschreven hebben aan den 
bliksem, niet als regtstreeksche oorzaak, maar doordien hierdoor eene elek- 
trische strooming ontstaat, welke, door de vochtige plaatsen, als door eenen 
conductor aangetrokken , eene plant , door de stremming der ademhaling , spoe- 
dig dooden kan i); terwijl curt sprengel aanneemt, dat dit verschijnsel 
ontstaan kan door de in den grond zich in groote hoeveelheid ontwikkelende 
ammoniak, wanneer de dampkring zeer elektriek is 2). 

Wij hebben gezegd dat de stam, even boven den grond, inwendig ontsto- 
ken was; gereedelijk zou men nu deze ontsteking kunnen aannemen de aan- 
leidende oorzaak te zijn van den dood des booms , maar deze inwendige aan- 
steking kan en zal ongetwijfeld op hare beurt een gevolg zijn, of van de 
eene of andere uitwendige beleediging, of wel van eene stoornis in de ontwik- 
keling of de functiën van het inwendig organisme der plant. Hier zijn oor- 
zaak en gevolg, voor onzen benevelden blik, weder zoo naauw aan elkander 
grenzende, dat wij ons geen verder gissen durven veroorloven. 

Wij voeren dit slechts aan als een dier vele voor ons duistere voorbeel- 
den van planten-ziekten. Trouwens er liggen er voor de hand, en wij be- 
hoeven hiertoe alleen aan het epidemisch verschijnsel onder de aardappel-plant te 
herinneren. De verklaring van zoodanige verschijnselen in het plantenleven 
schijnt, naar ons bescheiden oordeel, aan de wetenschap hoogere eischen te 
doen, dan waaraan zij, niettegenstaande haar vorscheuden blik reeds veel 
duisters heeft opgehelderd, thans nog bij magte is te beantwoorden; en zelfs 
wanneer zij tot eene hoogte zal zijn opgevoerd, waartoe thans de verbeelding 
zich nog niet waagt, dan nog zullen er duisterheden, aan deze gelijk, blijven 



•) Dr. A. T. WIEGMAN, Over de ziekten der gewassen, vertaald door enklaak. p. 94. 

») C. SPKENGEL, in WIEGMAN, t. a. pi. 



135 

bestaan, zoolang men de vraag: wat is het eigenlijke levensbeginsel? onbe- 
antwoord laten moet; en dit juist is het geheim der natuur, dit is het wat 
ons haar doet beschouwen als het uitvloeisel eener Almagt, welke wij eer- 
biedig bewonderen, maar niet begrijpen kunnen. 

Wij voerden dit voorbeeld aan, niet om het op te helderen, want ware 
zulks ook mogelijk, dan zouden wij het niet wagen eene uitspraak te doen, 
waartoe eenen veel dieperen blik in de planten-physiologie wordt ver- 
eischt, dan wij daarin mogen wagen; het was eene onweerstaanbare inge- 
nomenheid met het geheimzinnige, die hiervan de drijfveer was. — In onze 
werkkring doet zich menige vraag voor, waarop zelfs de wetenschap het ant- 
woord moet schuldig blijven; maar dit maakt, voor eiken waren beoefenaar 
der horticultuur, deze kunst des te aantrekkelijker, daar zij zich niet bepaalt 
tot bloot mechanische bezigheden, maar ook tot denken steeds voedsel geeft, 
waardoor het eveiiwigt tusschen ligchaam en geest te meer bevorderd wordt. 

Keeren wij echter tot ons onderwerp terug. 

Ziekten van dezen aard komen in de horticultuur wel is waar van tijd 
tot tijd, maar niet in den regel voor. — Tegen zoodanige vermag dan ook 
de kunst niets, zoolang het verschijnsel, of liever de oorzaken hiervan, niet 
juist bekend zijn. — Dit laatste toch is natuurlijk datgene, waarmede men 
bij de genezing of beter nog ter voorkoming der ziekten in het algemeen, 
en dus ook bij de planten, moet aanvangen. Het moet dus voor den kwee- 
ker eene eerste bezigheid zijn, wanneer eene plant zich gebrekkig of onna- 
tuurlijk ontwikkelt, te trachten de oorzaak daarvan op te sporen, dan kan 
eene oogenblikkelijke schade eene wezenlijke winst voor het vervolg worden. 
Wanneer een nieuw geslacht of eene nieuwe soort kortelings in de kuituur 
is opgenomen, kan men wel is waar, naar aanleiding van de bekende oor- 
spronkelijke groeiplaatsen, en afgaande op het uiterlijk voorkomen der plant, 
bij vergelijking met andere meer bekende, a priori veronderstellen welke hare 
behoeften zijn, en hoedanig zij moet worden behandeld; — maar deze ver- 
onderstellingen kunnen falen, en het zal dan weldra, uit het ziekelijk of traag 
ontwikkelen der plant, blijken, dat aan hare vereischten niet werd voldaan. 

Er komen in de planten-kultuur eenige ziekte-verschijnseleu voor, welke 
als vrij algemeene kunnen worden beschouwd, en die kunnen worden voor- 
komen, aangezien men de oorzaken daarvan heeft leeren kennen, en de mid- 
delen daartegen voor de hand liggen. — Hierop nu willen wij eene wijle 
de aandacht vestigen. 

Yier hoofdvereischten zijn voor het plantenleven onmisbaar; namelijk het 
licht, de lucht, de warmte en het water. De gewijzigde verhoudingen dezer 
vier elementen maken het den kweeker mogelijk, de planten van bijna alle 
hemelstreken te kultiveren en deze kuituur menigwerf op te voeren tot eene 



136 

volkomenheid, die verbazen en bewonderen doet. — Het zijn dan ook deze 
verhoudingen, die voor den kweeker onophoudelijk een voorwerp van studie 
uitmaken; en het is eene naauwkeurige kennis hiervan, in betrekking tot de 
planten welke hij kweekt, welke het eerste en voornaamste vereischte is, om 
goede resultaten te bekomen. 

De verkeerde toepassing hiervan kan als de eenige oorzaak worden be- 
schouwd van alle ziekelijke, gebrekkige of abnormale ontwikkelingen der plan- 
ten; waarvan die ziekten, welke een epidemisch karakter hebben, zijn uitge- 
zonderd; daar deze meer waarschijnlijk aan atmospherische invloeden zullen 
moeten worden toegeschreven. 

Wanneer men bedenkt welke verschillende klimatische verhoudingen onze 
aarde oplevert, dan volgt hieruit gereedelijk het besluit, dat de planten uit 
verschillende hemelstreken ook aanmerkelijk verschillende behoeften hebben; 
en het zal wel geen verder bewijs behoeven, dat eene plant, die in digte don- 
kere wouden der keerkringslauden groeit, eene geheel andere behandeling be- 
hoeft dan eene zoodanige, die men op dorre, heete, aan de brandende zonnestralen 
blootgestelde plaatsen, in diezelfde landen, vindt; en beiden toch zijn zooge- 
noemde warmekast-planten. — De eene verlangt eene beschaduwde warmte 
bij een steeds vochtigen dampkring, terwijl de andere eene drooge warmte 
bij vrij genot van het zonnelicht vordert. — Zoowel het gemis van aanhou- 
dende vochtigheid als van beschadmving zal de eersten, zoo niet dooden, dan 
toch in haren groei belemmeren, terwijl omgekeerd hetzelfde het geval is 
met de laatsten. De planten der keerkringslauden verkeeren, in den regel, in 
eenen toestand van voortdurende ontwikkeling, terwij-l die van koelere kli- 
maten, niettegenstaande zij voortdurend hare bladen behouden, voornamelijk 
in onze kuituren, gedurende eenen zekeren tijd van het jaar, in haren groei 
stilstaan of zich althans weinig of niet ontwikkelen. Verliest men nu dit 
uit het oog en prikkelt men het leven der plant door eene zoodanige behan- 
deling, "welke eene ontijdige ontwikkeling ten gevolge heeft, 't zij door warmte , 
vochtigheid als anderzins, zoo treedt men in de regteii der natuur, die dit 
niet ongestraft toelaat; er volgt uitputting op, en het uiterlijke der plant 
zal het, na verloop van eenigen tijd, doen zien, dat men meer van haar 
vorderde dan zij bij magte was te geven. Zulk eene behandeling moge den 
handelaar, wiens doel het slechts is bloemen te zien, om oogenblikkelijk 
voordeel behagen, — hij, die prijs op eene fraaije, normale ontwikkeling stelt , 
■wachte zich hiervoor wèl; hij legge zich toe op de kennis van de eigenaar- 
digheden welke iedere plant of ieder plantengeslacht karakteriseren en wijzige 
daarnaar zijne handelingen. 

Als onmisbaar voor het plantenleven hebben wij genoemd het licht, de 
lucht, de warmte en het water; maar even min als de planten buiten deze 



137 

elementen kunnen leven, is ook het bestaan der verschillende gewassen aan 
eene luimere of beperktere inwerking hiervan en aan de onderscheidene wijzen 
waarop zij met elkander vereenigd zijn, verbonden. 

Het licht is eene der voornaamste vereischten voor het leven der planten 
in het algemeen, daar het eenen sterken invloed uitoefent op hare ademha- 
ling en de opname en uitwaseming van stoffen in den dampkring, zonder 
welke functiën de loop der plantensappen gestremd wordt, en de bewer- 
king der uit den grond opgenomen stoflen tegengehouden. Doordien de 
wortels hare functiën blijven waarnemen en aanhoudend het water, met andere 
bestanddeelen vermengd, in de plant opvoeren, moet, zoodra de geregelde 
uitwaseming ophoudt, het bestaande evenwigt in de plant verbroken worden; 
eene te groote hoeveelheid water vergadert zich in het weefsel, de afzetting 
van vaste stoflen heeft niet meer, of althans zeer gebrekkelijk , plaats, de plan- 
tendeelen verslappen, verkrijgen, in plaats van de groene, eene meer en meer 
ligt gele kleur en hunne weekheid eindigt ten laatste in verrotting, hetwelk 
eindelijk den dood der jonge deelen en vervolgeus dien der geheele plant , ten ge- 
volge heeft. — Het bewijs hiervan ziet men, in het voorjaar, in het loof der 
aardappelen, die zich op eene donkere plaats bevinden en in het algemeen bij 
iedere plant, welke zich meer of minder van het licht afgesloten bevindt. 

Behalve uit zoodanige ziekelijke ontwikkeling, geeft de plant in gezonden 
toestand het zelve duidelijk te kennen dat zij het licht boven de duisternis 
verlangt. In kasten, die het licht slechts van ééne zijde ontvangen, ziet men de 
planten allen in ééne bepaalde rigting, namelijk naar de licht-zijde, groeijen, 
en bevindt zich eene plant op eene duistere plaats, alwaar door een gat of 
eene scheur slechts een enkele lichtstraal binnendringt, zoo zal zij niet na- 
laten zich zoodanig te rigten, dat zij zoo mogelijk daarvan het genot heeft. — 
Ook de slaap van vele planten, bijzonder met gevinde bladen, zoo als Acacia Sy 
het kruidje-roer-mij-niet, enz.; het sluiten van de meeste bloemen 's avonds en 
het zich weder openen wanneer het daglicht ze beschijnt; het gesloten blijven 
van sommigen b. v. Dimorphoitheca pluvialis, de Mesenibryanthertmni s enz. tot 
de zonneschijn ze opent, dit alles strekt ten bewijze, welk een voornaam deel het 
licht aan het plantenleven heeft. — Ware het ons doel een wetenschappelijk ver- 
toog te houden, zoo kon hier veel nog bijgevoegd worden dat der aandacht 
overwaardig is; het bovenstaande meenden wij toereikend om diegenen, die 
in de wetenschap geheel vreemdelingen zijn, te doen begrijpen, waarom 
sommige planten, die geen genoegzaam licht genieten kunnen, zich zwakker 
voordoen, en ten gevolge daarvan niet of spaarzaam bloeijen. 

Aan den anderen kant zijn er vele planten, die, wanneer ze in te onmid- 
delijke aanraking met het zonnelicht zijn, door het geel worden der bladen 
en eenen kwijnenden groei , aantoonen , dat eene minder lichte standplaats haar 



138 

welgevallige! zou zijn. — Dit zijn b. v. de Palmen en bijzonder de Yarens, 
die, meerendeels in de duistere tropische bosschen groeijende, daar ter plaatse 
slechts aan een schemerend licht zijn blootgesteld. — Dat te sterke zonne- 
schijn voor alle planten, die zich in kasten of bakken bevinden, schadelijk en 
eene bescherming daartegen daarom noodzakelijk is, weet ieder, die maar 
eenigzins met de kuituur bekend is. 

Dat de lucht voor het plantenleven van zeer groot gewigt is, spreekt 
van zelve, wanneer men bedenkt dat zij aan alle organisch leven onaf- 
scheidelijk verbonden is. — Wij zullen hierover alleen in zooverre uit- 
weiden, als het betrekking heeft op eene kunstmatige wijziging derzelve, 
daar wij anders onvermijdelijk ons op het gebied der wetenschap zouden moe- 
ten begeven. 

Daar de kuituur van planten uit warmer luchtstreken natuurlijk eene kunst- 
matige wijziging van de warmte der lucht vereischt, zoo is het noodzakelijk 
zich hierbij te regelen naar den meer of minder hoogen warmtegraad, onder welke 
zich de dampkring gemiddeld op hare oorspronkelijke groeiplaatsen voordoet. — 
De hoogere of lagere streken moeten hierbij wèl in acht genomen worden; 
want niet genoeg is het te weten dat eene plant oorspronkelijk in eenige 
heete streek t'huis behoort; want zij kan groeijen op eene hoogte, welke in 
temperatuurs-verhouding bijna of volkomen gelijk is aan de onze. 

Zoowel eene te hooge als eene te lage temperatuur is voor de meeste plan- 
ten nadeelig. — Er zijn wel is waar gewassen op welke dit, wanneer het 
niet in uitersten vervalt, geeuen in 't oog loopenden invloed heeft, maar 
verreweg de meesten zijn hiervoor zeer gevoelig; wij willen op eenige gevol- 
gen van beide opmerkzaam maken. 

Dat eene te groote warmte, wanneer zij van eenigen duur is, schadelijk 
moet werken op het goed en krachtig ontwikkelen der planten, kan men ge- 
makkelijk begrijpen, indien men het oog houdt op hare levensverrigtingen, 
en voornamelijk op het proces der uitwaseming. — Hoe warmer de lucht is, 
des te sterker heeft de verdamping der plantenvochten plaats en met des te 
meer snelheid moeten de wortels de vochten opnemen en omhoog voeren, om 
het ledige, dat door de uitdamping ontstaat, aan te vullen. Overschrijdt nu 
deze versnelde loop der sappen de grens welke voor eene plant gesteld is, 
dan gaat dit met verlies van krachten gepaard, omdat de afzetting van vaste 
stoffen niet toereikend geschieden kan; wel vormen de weefsels (cellen, vezels 
en vaten) zich met grootere snelheid, maar zij verkrijgen niet die vastheid 
en stevigheid, die hun natuurlijk eigen zijn. 

Verschillende zijn de nadeelige gevolgen, welke hieruit voor de planten voort- 
vloeijen, en gewijzigd naar eene tweede zaak, die hiermede in verband staat, 
namelijk droogte en vochtigheid. — In de eerste plaats kunnen namelijk de 



139 

planten omgeven zijn van eene te heete en te drooge en in de tweede plaats 
van eene te heete en te vochtige dampkring. 

Wanneer de lucht zeer heet is, werkt zij natuurlijk uitdroogend op de 
planten, waarom ervaren kweekers steeds zorgen dat het eene naar het andere 
is geëvenredigd. — Planten, die in kamers gekweekt worden, zijn veelal aan 
eene zoodanige onevenredige verhouding van warmte en vochtigheid blootgesteld, 
daar men ongaarne de meubels opoffert ten gevalle der planten, en het boven- 
dien zeer moeijelijk, om niet te zeggen onmogelijk is, om in den winter de 
kamers, bij eenen hoogen wanntegraad, geëvenredigd vochtig te houden. — 
In de kasten, die hiernaar zijn ingerigt, heeft men dit volkomen in zijne 
magt; het bezwaar hiertegen is echter dit, dat men dikwerf alle warmekast- 
planten, onverschillig van welke natuur, in ééne en dezelfde kast plaatst, ver- 
onderstellende dat het voldoende is, zoodanige kast goed warm te houden en 
de potten nu en dan te begieten. 

Eene voortdurend te heete en te drooge temperatuur oefent op onderschei- 
dene wijzen eenen nadeeligen invloed uit op het plantenleven ; zij veroorzaakt 
namelijk verflensing, waardoor de deelen der plant hunne stevigheid verliezen, 
omdat, door te sterke verdamping, een ledig in het weefsel ontstaat. De 
plant wordt in dit geval slap en zwak, laat de bladen, de toppen der takken 
en eindelijk de geheele takken hangen, en toont, door deze treurende houding, 
dat men haar niet naar eisch behandelde. — Het geel worden der bladen, 
't welk daaruit voorkomt, dat het bladgroen of chlorophyllum, 't welk zich in 
de cellen bevindt, door het verdwijnen van het water, eene gele kleur verkrijgt; 
en ziekte ja veelal den dood van den plant ten gevolge heeft, daar de gele 
bladen in den regel afvallen; — de volkomene uitdrooging der plant, welke 
kennelijk is aan de stijfheid en broosheid der houtachtige deelen; waarvan 
de plant niet meer te redden is; — de verdrooging der schors, der takken, der 
knoppen, der bladen en eindelijk der zaden kunnen de gevolgen zijn eener te 
sterke drooge hitte. De Heer ch. morren heeft van alle deze verschijnselen 
een meer uitvoerig overzigt gegeven i). 

De te groote warmte bij te overvloedige vochtigheid veroorzaakt, bij 
planten, die niet volstrekt eene zoodanige standplaats behoeven, in de eerste 
plaats eene sterkere ontwikkeling der bladen en takken, ten koste der bloe- 
men; dit is juist de tegenovergestelde uitwerking van eene minder warme 
droogte, door welke stiefmoederlijke behandeling men sommige planten tot 
bloeijen dwingt, door den groei der andere deelen op deze wijze tegen te hou- 
den; wij houden beide uitersten voor schadelijk voor 't welzijn der planten. 

In de tweede plaats is hiervan eene verkleuring der deelen het gevolg. De 



') Zie Jmuiles de la Société d' Agriculture de Gand. 1S47. -\". S. p. 284 cu volg. 



140 

takken verlengen zich buitengemeen, worden teer, en van sappen overvuld; de 
bladen bleek en slap; waaruit het duidelijk blijkt dat de plant lijdende 
is. — Deze verkleuringen der bladen worden wel eens voor blijvende ver- 
scheidenheden gehouden, 't welk men echter beter ziet, wanneer de plant onder 
gunstiger conditiën gekweekt wordt, namelijk bij vrijer genot van versche 
lucht, en minder vochtigheid, wanneer de gekleurde takken in haren groei 
zullen stilstaan en nieuwe met frissche groene bladen te voorschijn komen. 

Bij meer andere nadeelige gevolgen hiervan, kan men ook rekenen het 
ontwikkelen van woekerplanten op de plantendeelen en bijzonder op de 
bladen. — De opeenhoopingen dezer microscopisch kleine plantjes doen zich 
gewoonlijk voor als zwarte, bruine, roode of gele vlekken. Dat zij voor 't welzijn 
der plant allerschadelijkst zijn, is niet te ontkennen; zij vermeerderen zich 
buitengemeen snel, beletten de geregelde uitwaseming en benadeelen eindelijk 
de plant op eene zigtbare wijze, behalve dat zij aan dezelve een zeer onbe- 
hagelijk aanzien geven. 

Eene te lage temperatuur doet zich voornamelijk in de kasten, waar men 
de planten door kunstmatige warmte moet in 't leven houden en doen ont- 
wikkelen, nadeelig gevoelen; en dit wel bijzonder gedurende den winter, welk 
saizoen hier te lande altijd, ook bij uitheemsche gewassen, eenen minder opge- 
wekten groei veroorzaakt. 

Het voornaamste of meest heerschende gevolg van eene te lage temperatuur 
is kwijning, zijnde eene verzwakte toestand, veroorzaakt door het gebrek aan 
een der voornaamste levensprikkels: de warmte. — Deze abnormale toestand 
heeft menigwerf het verlies ten gevolge van warme kast-planten, die men, 
uit eene verkeerde meening, in de gematigde kast plaatst, en van zoodani- 
gen, die wezenlijk in deze laatste behooren geplaatst te blijven, en die men, 
deels uit proefnemingen, deels uit overdrijving van een overigens goed be- 
ginsel, in den vrijen grond houden wil. — Dit laatste is in den laatsten tijd 
zeer, misschien wel wat al te zeer toegenomen; wanneer eene plant in de 
vrije lucht slechts het leven behoudt, wordt zij menigwerf aanbevolen als 
zijnde geschikt voor ons klimaat; waardoor onkundigen zich laten medesiepen, 
doch somtijds slechts eene gebrekkige, kwijnende ontwikkeling verkrijgende, 
afzien van de kuituur eener plant, die, onder gunstiger conditiën, door hare 
schoonheid, bewondering zou afdwingen. — Het beginsel kunnen wij niet 
anders dan toejuichen, maar, toont de plant door eene ineengedrongene en 
trage ontwikkeling aan, dat men niet aan hare noodzakelijke vereischten vol- 
doet, dan zie men er van af; tenzij men er zich niet aan laat gelegen liggen 
hoedanig zich eene plant ontwikkelt. — De Heer ch. morren i) vergelijkt 

>) t. a. pi. p. 278. 



141 

zoodanige tuinen bij een klooster met zwaarmoedige, uitgeteerde en stervende 
wezens, in plaats van een paradijs te zijn, waar jeugd, gezondheid, kracht 
en schoonheid het oog bekoren. De levensverrigtingeu worden vertraagd, de 
planten blijven klein en gedrongen; zij bloeijeu niet en brengen nog minder 
vruchten voort, zelfs wanneer zij bloeijen, door de gebrekkige ontwikkeling 
der sexuële organen. — Bij proeven, welke de beroemde de caisdoj-le in den 
plantentuin te Montpellier nam, zag hij dat katoenplanten, die hij den 1*'*" 
en den 15*^®" April zaaide, bij eene lage temperatuur, zwak en traag groeiden, 
terwijl plantjes, die hij den 1''^° Junij daaraanvolgende zaaide, in weinig tijds 
in grootte gelijk waren aan de eersten; terwijl hij in 't begin van Augustus 
de planten, uit deze verschillende zaaisels voortgekomen, niet meer van elkan- 
der onderscheiden kon. 

Zelfs in eene goed verwarmde kast bespeurt men menigmaal dat sommige 
planten kwijnen, ten gevolge van te geringe warmte bij de wortels. — In 
het bijzonder zijn het vele Palmen en ettelijke Cycadeën die hiervoor zeer 
gevoelig zijn. — Men bespeurt zulks aan eene minder frissche kleur der bla- 
den, terwijl de nieuw ontspruitende steeds kleiner zullen zijn, dan de anderen, 
die onder gunstiger invloeden voortkwamen, eindelijk bruin worden, tot ten 
laatste, indien deze toestand te lang aanhoudt, de plant niet meer tot ha- 
ren normalen toestand is terug te brengen en langzaam sterft. Het zijn in- 
zonderheid de eerstgenoemdeu , waarmede men in dit opzigt met oplettenheid 
moet te werk gaan. 

Welke nadeelige gevolgen de vorst op vele planten en inzonderheid op alle 
kast-planten heeft, is te algemeen bekend om in den breede te worden ont- 
vouwd. Verkleuring of ontkleuring der bladen en bloemen, het ontstaan van 
vlekken op de bladen, ineenkrimping van deze laatsten, het afvallen er 
van, ^vernieling der bladknoppen enz. en eindelijk de dood, zijn zoovele ge- 
volgen, voortspruitende uit de sterke inwerking van den vorst op de planten 
weefsels. 

Wij hebben nu nog, zullen wij ons voorgenomen plan ten einde brengen, 
de nadeelige gevolgen te beschouwen, welke een ondoelmatig gebruik van het 
water in de planten-kultuur ten gevolge heeft. — Gedeeltelijk hebbeu wij 
dit reeds gezien, in zoo verre althans de mindere of meerdere vochtigheid 
van den dampkring daarop invloed heeft. — Ons blijft dus nog over dit na 
te gaan in betrekking tot de aarde, waarin de planten in potten geplaatst 
zijn, en wij willen dit ten besluite doen, naar aanleiding van het de Heer ch. 
i,EMAiRE dienaangaande heeft medegedeeld i). 



») L'IUuitration horticole vol 2. livr. 8. p. 53. en volg. 



142 

De Heer lemaire beschouwt, en naar onze besclieidene meening teregt, 
deze zaak uit de volgende vier oogpunten. 

1". Onvoldoende drainering, 2". aanhoudende vochtigheid, 3". langdurige 
droogte en ten 4^. te groote vastheid van den grond. 

10. Onvoldoende drainering. — Vele Icweekers meenen genoeg voor de 
drainering gezorgd te hebben, wanneer zij met eene kleine platte potscherf, 
eene oesterschelp, een stukje lei of van eene dakpan het gat in de pot heb- 
ben bedekt, en toch zal de latere ondervinding hun tot hunne schade doen 
zien, dat zij zich bedrogen hebben. — Zoo een afzonderlijk stukje steen sluit 
het gat der pot veelal hermetisch en weerhoudt alzoo het regenwater en dat 't welk 
er door de begietingen op wordt gebragt, en dat niet altijd door de omge- 
vende warmte kan worden verdampt; waarvan het gevolg is, dat de wor- 
tels, die weldra de bodem der pot bedekken, steeds van water omgeven zullen 
zijnen weldra, door overvoering, hun vermogen verliezen om het op te voeren; 
zij geraken daardoor in eenen staat van volheid en verstijving, worden on- 
geschikt voor de verrigting hunner functiën en ondergaan weldra eene ont- 
binding, welke de uit- en inwendige deel en aantast; in één woord zij ver- 
rotten en deelen ten laatste aan de plant, welke zij voeden moesten, eenen 
ziekelijken en kwijnenden toestand mede, welke onfeilbaar den dood, meer of 
minder spoedig, ten gevolge heeft. 

Men kan dit kwaad gemakkelijk voorkomen. Men behoeft daartoe slechts 
den bodem der potten te bedekken, niet met één, twee of drie, maar met 
eene laag van meer of minder fijn gestooten potscherven als anderzins, welke 
laag naar de grootte der pot moet geregeld worden. Het water, dat nu vrije- 
lijk door de tusschenruimten der potscherven kan wegvloeijen, vindt alzoo 
eenen gemakkelijkeren uitweg om in den grond te dringen, waarop de pot 
geplaatst is of om zich te ontlasten, 't zij in onder den pot geplaatste schotel- 
tjes of op de planken waarop zij staan. 

Een tweede middel, 't welk nog zekerder uitkomsten geeft en waardoor 
men allen stilstand van het water voorkomen kan, omdat bij de gezegde han- 
delwijze nog altijd eene kleine hoeveelheid kan blijven staan, bestaat hierin, 
dat men in den bodem der pot, aan de buitenzijde twee gootjes laat maken, 
die elkander juist in het midden, waar het gat is aangebragt, kruisen; of 
dat men potten bezigt, die onder in den zij-wand, aan den bodem grenzende, 
4, 6 of 8 gaten hebben; of eindelijk zoodanige, waaraan van onderen vier 
ronde balletjes gehecht zijn, waarop de pot rusten kan; waardoor de bodem 
vrij staat van den grond, waarop de pot geplaatst is, en men alzoo aan het 
water, behalve eene vrije doortogt uit de pot, door de altijd noodzakelijke 
drainering, de gelegenheid geeft om meer geregeld en gemakkelijk weg te 
vloeijen. — Het is vooral dit laatste middel, 't welk wij durven aanbevelen. 



143 

Wel is waar vorderen zoodanige potten eene eenigzins grootere uitgave dan 
de gewone, maar men vrage zich ook daarbij af: welke goede uitkomsten 
kunen er uit voort vloeij en? — Reeds dadelijk kan men aannemen, hierdoor 
zeker beveiligd te zijn tegen het verrotten der wortels. 

2". Aanhoudende vochtigheid. — De stilstand van het water in de potten 
kan ook nog uit eene geheel andere oorzaak voortkomen, dan die welke wij 
opnoemden, maar zij oefent denzelfden invloed uit op de wortel-weefsels, zelfs 
ondanks eene goede drainering. — Zij is ook het gevolg van overvloedige 
en langdurig aanhoudende regens, van eene voortdurend groote atmospherische 
vochtigheid en eindelijk van herhaalde te ruime begietingen. In dat geval 
doen zich bij de planten dezelfde ziekte-verschijnselen voor, .namelijk aan- 
vankelijk kwijning en eindelijk de dood. In het eerste geval kan men het 
kwaad verhelpen of zelfs voorkomen, door de potten omver te leggen tot de 
regen opgehouden heeft; in het tweede geval moet men, zoodra de plant een 
lijdend aanzien verkrijgt, de begietingen matigen of daarmede voor eenigen 
tijd geheel ophouden; en zelfs wanneer de ziekte reeds tot op eenen zeke- 
ren graad gevorderd is, kan men die nog tegengaan, door de plant onmiddelijk 
te verpotten met versche, niet zeer vochtige aarde, na alvorens al het zieke- 
lijke en doode van de wortels tot op het frissche en levende te hebben af- 
gesneden, en de voorzorg te hebben genomen, ook de takken een weinig in 
te korten. — In dit geval zal men weldoen de planten gedurende eenigen 
tijd niet aan de vrije lucht bloot te stellen en in eene kast te plaatsen tot 
zij zich weder geheel hebben hersteld. 

30. Langdurige droogte. — Hoewel de droogte door eene regtstreeks tegen- 
overgestelde oorzaak werkt als de voorgaande invloeden, heeft zij toch ten 
naastenbij dezelfde uitwerking als de vochtigheid, namelijk: algemeene kwij- 
ning, verwelking der bladen en jonge takken en ten laatste den dood; indien 
het middel, eene matige begieting, niet onmiddelijk nadat men aan het uiter- 
lijke der plant het gebrek bespeurt, wordt aangewend; en dikwijls is het voor 
sommige planten ook dan reeds te laat; vooral voor die van Nieuw-Holland 
en de Kaap de Goede Hoop, zooals Erica, Protea, Epacris, Banhsia enz. 
In zoodanige gevallen kan men nog, met eenige hoop op goeden uitslag het- 
zelfde middel aanwenden, dat wij boven aanbevolen hebben, namelijk eene gedeel- 
telijke verplanting in verschen grond, zonder aanvankelijke begieting, inkorting 
der wortels en takken, spening in eene kast, bak of onder eene stolp, enz. 

é". Te groote vastheid van den grond. — Indien eindelijk de aarde in de 
potten niet eene zoodanige losheid heeft, dat zij aan het water en aan de lucht 
toegang verleent, heeft men dezelfde ziekte-verschijnselen te wachten; de 
planten verkeeren welligt wat langer in kwijnenden toestand, maar zullen toch 
ten laatste, ten gevolge hiervan, sterven. 



144 

De zamenstelling van den grond is dan ook, gelijk ieder weet, voor de 
hortikultuur eene zaak van het hoogste gewigt en moet eene der voornaamste 
zorgen van den kweeker zijn. Goede aarde moet ligt en los zijn en zooveel 
mogelijk humus van dierlijke en plantaardige zelfstandigheid bevatten, ten 
einde eenen krachtigen en frisschen groei te bevorderen. Het hemelwater en 
dat der begietingen moet gemakkelijk en onmiddelijk daarin, tot op den bo- 
dem der potten, knnnen doordringen, zonder daarin te hunnen blijven siaan^ 
want dit laatste, de stilstand van het water, heeft, zoo als iedereen weet, en 
gelijk wij boven hebben gezegd, de verrotting der wortels en den dood der 
planten ten gevolge. — Eene andere oorzaak van eene zoodanige vastheid 
van den grond, moet gezocht worden in de te vaste en stijve wijze van ver- 
potten. Hier voor wachte men zich dus ook zorgvuldig, zoo men prijs stelt 
op goede uitkomsten. Het is buiten twijfel, dat de verschillende hoedanigheden 
en verhoudingen van dierlijken en plantaardigen humus moeten gewijzigd 
worden naar de natuur der planten, die daardoor gevoed moeten worden. 

Wij eindigen dit stukje met den wensch dat, moge ook al het door ons 
aangevoerde niet voor de eerste maal gezegd worden, het toch, voor dezen of 
^enen, eene wenk moge bevatten, die hem niet ongevallig is. » 

Leyden, 16 September 1855. 



EEN NIEUW GESCHRIFT OVEK HORTICULTUUR. 

Dr. MNDLEY heeft onlangs in het licht gegeven eene tweede uitgave van 
zijne theorie en praktijk der Hortikultuur, onder den titel: The iheory and 
praciice of horticuUure. De eerste uitgave verscheen in 1840. Ze werd ver- 
taald in Duitschland, Eusland en Nederland. 

Zou er voor dit uitstekend boek thans geen vertaler en geen uitgever te 
vinden zijn? en dit wel terwijl wetenschap en praktijk beide ook bij ons zoo 
zeer zijn vooruitgegaan? Wij komen nader op dit voortreffelijke boek terug 
en zullen dan gelegenheid hebben aan te toonen hoe deze van de eerste editie 
verschilt. 



U5 



VEREEMGING VOOR DE FLORA VAN NEDERLAND EN ZIJNE 
OVERZEESCHE BEZITTINGEN. 

Den 20"^" Julij had de tiende jaarlijksche vergadering te Leydeu plaats. — 
In afwachting van het uitvoerig verslag, zal eene voorloopige mededeeling 
van het aldaar verhandelde aan belangstellenden in deze inrigting niet on- 
welkom zijn. Het verslag, door den voorzitter uitgebragt, betreffende het- 
geen door de Vereeniging, gedurende het afgeloopen jaar, werd voorbereid of 
tot stand gebragt tot opbouw der wetenschap, hield in de eerste plaats eene 
hulde in aan de nagedachtenis van Dr. j. h. moi.kexboer. Het schetste dien 
als mensch, als geleerde, als mede-oprigter en ijverig lid der Yereeniging, 
ten allen tijde gereed om een ieder, die zich bij hem vervoegde, met raad 
en daad te dienen en te helpen , en als zoodanig een waardig voorbeeld ter 
navolging ook voor ieder beoefenaar der wetenschap. Een kort overzigt over 
de verrigtingen der Yereeniging in het tienjarig tijdperk van haar bestaan 
gaf daarbij aanleiding om aan te toonen , in hoevele opzigten molkenboek daar- 
aan een werkdadig aandeel had genomen. Het onderzoek der plantenverzame- 
lingen op het eiland Araeland en in Staats- Vlaanderen , beide in een bota- 
nisch opzigt onbekende streken, door de Heeren kros en walraven bij- 
eengebragt, heeft onze kennis der vegetatie van ons land aanmerkelijk ver- 
meerderd. De voorzitter neemt hieruit aanleiding, om te wijzen op eene der- 
gelijke onbekendheid van verscheidene provinciën als Noord-Holland benoor- 
den het IJ, Noord-B rabant, Overijssel, Groningen, Friesland, Drenthe, waar- 
door het voor als nog onmogelijk is, om met de bewerking eener Flora van 
ons land een aanvang te maken. Hij uit den wensch, dat de thans nog in 
vele opzigten gebrekkige waarnemingen omtrent onze Flora door aansluiting 
aan de Vereeniging van personen, in die weinig of niet bezochte streken 
woonachtig, worden verbeterd en aangevuld. De min of meer belangrijke 
toevoegingen tot onze kennis , gedurende het verloopen jaar bestonden eens- 
deels in de ontdekking van nieuwe groeiplaatsen van eenige zeldzame in- 
landsche planten, als: Cetraria glauca^ Paris quadrifolia^ Hyperiaim mon- 
tanum, Elatine hexandra, Najas major en minor, Malaxis pahidosa, Oro- 
b?(s tuberosus en hare, tot nu toe, in ons land nog niet waargenomene ver- 
scheidenheid teyiuifolius ; voorts in de bevestiging der indigeniteit van Amd- 
ranthus retrofiexus en Hyp7mm niiens, de laatste soort door den Heer ac- 
KEii STRATIXG bij Groningen; eindelijk in de ontdekking van de alhier nog 
niet bekende Sticta scrobiculata in rijkelijk vruchtdragende exemplaren in 
het Elspeter bosch. De door de gorter opgegevene, maar door latere kruid- 
kundigen op goede gronden betwijfelde Sticta pulmonacea werd terzelfder 

II. ^" 



146 

plaats in vele fraaije exemplaren verzameld. Eene dwaling van ehrhart in 
zijne Beitrage, als zoude de gorter zich in liet vermelden van CJdora per- 
foUata als inlandsche plant, vergist en die met Saponaria Vaccaria ver- 
wisseld hebben, werd aan het licht gebragt door het wedervinden dier plant 
op de door de gorter opgegevene groeiplaats bij den Briel. In de plaats 
van Saponaria Vaccaria moet derhalve in den Prodromus Plorae Batavae, 
CJdora perfoliata worden gesteld. Uit het verslag van den conservator bleek, 
dat het Herbarium ter gelegenheid van het tienjarig bestaan der Vereeniging 
eene aanzienlijke uitbreiding had verkregen door een geschenk van den Heer 
Dr. VAN DEN BOSCH, bestaande uit 1600 Zuid-Afrikaansche plantsoorten , 
t. w. de venale collectie van Drége, waarbij gevoegd waren eenige honderde 
soorten van Noord- Amerikaansche planten, door dien kruidkundige in Ohio 
verzameld. Eene aanzienlijke verzameling van fungi uit Noord-Duitschland , 
Erankrijk en Spanje werd ook door genoemd lid ingezonden. Prof. de vriese 
schonk aan het Herbarium , onder anderen eene volledige verzameling van 
den door den Heer buse bewerkte Indische Gramineae en Bambusaceae Jung- 
Jmlmianea. Door den Heer suringar werd zijne geheele verzameling Algen, 
tot de door de philosophische faculteit der Leydsche Academie bekroonde 
prijsvraag behoorende, aan onze Vereeniging afgestaan. Ook door andere le- 
den der Vereeniging werden min of meer aanzienlijke bijdragen ingezonden. 
Eene bijzondere vermelding verdient voorzeker het door den voorzitter ge- 
geven berigt, dat het corresponderend lid Dr. t^enormand te Vire eene ver- 
zameling van alle in Erankrijk groeijende planten aan ons Herbarium heeft 
toegezegd, waarvan het grootste gedeelte reeds is aangekomen. Van andere 
personen buiten de Vereeniging ontving men bijzondere blijken van belang- 
stelling in onzen werkkring; t. w. van den Heer huijsman te Harderwijk 
door de toezending der genoemde soorten van Sticta, van den Heer van 
HALT,, JR., de genoemde mededeeling vwi Chlora perfoliata ^ van Dr. schrant 
en den Heer f. du rieu eenige Oost-Indische zeewieren, van Dr. staring 
zijn geheel Herbarium van inlandsche planten met vergunning om daarvan 
een voor het doel der Vereeniging gepast gebruik te maken. Onderscheidene 
zeer belangrijke boekgeschenken werden ten geschenke ontvangen, zoowel 
van sommige leden, als ook van de Smithsoniam Institution te Washington. 
Vervolgens werden door verschillende leden, min of meer uitvoerige, schrif- 
telijke en mondelinge bijdragen en mededeelingen gedaan omtrent velerlei bo- 
tanische onderwerpen , b. v. door den Heer l. h. bdse over Jtmcus insulanus 
Vis. welks beschrijving geheel overeenkomt met de door hem overgelegde 
exemplaren, bij Overveen in de duinen verzameld, alwaar hij ook Juncus 
pygmaeus thuill vond; door den Heer de bruyn werd mededeeling gedaan 
van zijn aangevangen kritisch onderzoek der inlandsche Rubi^ waarvan de 



117 

voortzetting in een volgend jaar kan worden te gemoet gezien; de Heer 
WAT.KAVEx had een naauwkeurig onderzoek in het weik gesteld omtrent het 
sooitverschil van Galeopsis hijida en aanverwante soorten, als ook van Ta- 
raxacvvi Jividum ; de Heer abelevex deelde zijne verdere onderzoekingen 
over de Desmidiaceae mede; Dr. dozy toont in een exemplaar van Cyclo- 
myces fuscus diens van het genus Polyporns verschillende ontwikkeling aan, 
doet vervolgens mededeeling van de voortzetting van het door wijlen Dr. 
Mor.KENBOER en hem uitgegeven plaatwerk Bryolofjïa Javanica, en geeft 
daarna een beknopt overzigt over de, eerlang daarin te behandelen, Poly- 
trichaceae , waaronder eene Indische soort voorkomt, die den typus van een 
nieuw genus Racelopts daarstelt, en waarvan als hoofdkenmerken door hem 
worden aangegeven : de ruwe vruchtsteel , het ontbreken van lamellae op de 
bladen en haar gestrekt celweefsel; hij vestigt ook de aandacht op een on- 
langs door den Heer i.. h. buse bij keusemax te Haarlem uitgegeven werk : 
Neêrlands mossoorten genaamd , en beveelt deze door fraaije uitvoering en 
nette bewerking uitmuntende verzameling van gedroogde inlandsche mossoor- 
ten bijzonder aan. — Eene bijdrage van Dr. van dex bosch over den vorm, 
waarin eene Flora van ons land zou behooren te worden vervat, besluit deze 
wetenschappelijke mededeelingen. — Als plaats voor de vergadering in het 
volgend jaar wordt utrecht en tot honorair president de Heer a. j. de 
BRUTX verkozen. — De gelegenheid tot aansluiting aan de Yereeniging, staat 
volgens hare statuten, voor alle belanghebbenden in haren werkkring niet 
alleen dan, maar ten allen tijde open. 

Dr. BOiRSSE WILS, Secretaris. 



PROCES-VERBAAL VAN DE BEOORDEELING 

DER VOGinVERPEN, I.NGEZOxNDE.X OP DE iö^^ TE.MOO.NSTELLl.VG VAN DE 

KONINKLIJKE NEÜERLAN DSf.HE .MAATSCHAPPIJ TOT AANMOEnifilNG VAX 

DEN TUINBOrW, BESCHERMHEER Z. .M. DE.N KoNlNG. 



De Commissie van Beoordeeling heeft in hare Vergadering van 
heden besloten toe te kennen: 



I. Voor de 10 stuks fraaist hloeijende Orchideën. 

Eene Zilveren Medaille en /lO, gegeven door de Stedelijke Re- 
gering, aan X*>. J^Gi, zijnde van den Heer j. a. wit.t.ixk w.zx., 
te Amsterdam. 



148 

II. Voor de 12 shilcs fraaist hloeijende Gloxinids in soorten. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, aan 
N*^. 477, zijnde van de Heeren h. van litnteren en zoon, 
Bloemisten te Utrecht. 

III. Voor de 1 2 stuks fraaist hloeijetide Ackimenes in soorten. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, aan 
No. 395, zijnde van den Heer c. l. van der straal mz., te 
Rotterdam. 

IV. Voor de 6 stuks fraaist hloeijende Bromeliaceën in 3 verscheidenheden. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, 
aan No. 479, zijnde van de Heeren h. van lunteren en 
ZOON, Bloemisten te Utrecht. 
V. Voor de 20 fraaist hloeijende in potten gekweekte Asters. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, 
aan N". 468, zijnde van de Heeren j. en m. been, Bloemis- 
ten te Rotterdam. 
VI. Voor de 20 fraaiste en meest verschillende Liliunis. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, 
wordt niet toegekend, als zijnde niets ingezonden. 
VII. Voor ^e 10 stuks fraaist hloeijende Lilium lancifoliiim. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, 

aan N». 369, zijnde van den Heer l. j. de lange, te 's Hage. 

VIII. Voor de fraaiste verzameling van 20 stuks fraaist hloeijende Liliput- 

Chrysanthemums , door verscheidenheid en goede kweeking uitmuntende. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, 

wordt niet toegekend, als zijnde niets ingezonden. 

IX. Voor de uitgehreïdste verzatnelitig Cucurhitds in soorten. 

Eene Zilveren Medaille en ƒ10, gegeven door de Stedelijke Re- 
gering, wordt niet toegekend, als zijnde niets ingezonden. 
X. Voor de grootste Kalebas of Pompoen. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, 
aan N». 367, zijnde van den Heer d. boer, te 's Hage. 
XI. Voor de 12 stuks fraaist hloeijende in piotten gekweekte Dahlia s, 
uitmuntende door goede kweeking en schooit gevormde hloemen. 
Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, 
aan N». 321, zijnde van de Heeren bruinseels en C"., Bloe- 
misten te Prinsenhagc. 
XII. Voor de fraaiste Nepenihes Raffiesiana of ampullacea met urnen. 
Eene Zilveren Medaille, gegeven door den Heer joost van vol- 
lenhoyen, wordt niet toegekend, als zijnde niets ingezonden. 



149 

Xin. Toor de fraaiste verzameling van 25 stv.Jcs a,f gesnedene Rozen. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Eegering, 
aan N". 324, zijnde van den Heer g. j. van devexter, te 
Utrecht. 
XIV. Voor de fraaiste verzameling van 25 stv.hs afgesnedene Daklias. 
Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, 
aan N". 469, zijnde van de Heeren j. en m. been, Bloemis- 
misten te Rotterdam. 
XV. Voor de fraaiste verzameling van 25 stuhs afgesneden Liliptit-Dahlias. 
Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, 
wordt niet toegekend, als zijnde niets ingezonden. 
XVI. Voor de fraaiste verzameling van 50 stvJcs afgesnedene Asters. 

Eene Zilveren Medaille , gegeven door de Stedelijke Regering , 
aan N". 457, zijnde van den Heer j. sanbeeg, te Dieren, 
bij Arnhem. 
XVII. Voor de fraaiste en sierlijkst gerangschihte verzameling Vruchten. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, 
wordt niet toegekend, als zijnde niets ingezonden. 
XVIII. Voor de 6 stuhs fraaiste trossen Dndven in 3 soorten. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering 
aan N*'. 318 — 320, zijnde van den Heer o. a. de wit, te 
Slangen vecht, bij Breukelen. 
XIX. Voor de 6 stiihs fraaiste Perziken in soorten. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, 
wordt niet toegekend, als zijnde niets ingezonden. 
XX. Voor de hest Jiier te lande gekweekte rijpe Ananas. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, 
aan N«. 458, zijnde van den Heer j. sanbekg, te Dieren, 
bij Arnhem. 
XXI. Voor de grootste rijpe Meloen. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering 
aan IV». 368, zijnde van den Heer d. boer, te 's Hage. 
XXII. Voor de fraaiste verzameling Taf el-P eren en Appelen in 20 ver- 
scheidenheden. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, 
wordt niet toegekend, als zijnde niets ingezonden. 
XXIII. Voor 6 stuks fraaist naar de natimr vervaardigde Afbeeldinge?i in 
waierverw van nieim ingevoerde planten. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, 
wordt niet toegekend, als zijnde niets ingezonden. 



]5() 

XXIV. Voor de fraaiste verzameling Bloementafels ^ Bloemenhangers^ 
enz. enz. 

Eene Zilveren Medaille, gegeven door de Stedelijke Regering, 
aan N». 345 — 366, zijnde van den Heer d. boek, te 's Hage. 

Nog tien Zilveren Medailles ter beschikking van de Commissie gesteld 
zijnde, heeft zij deze toegewezen aan de volgende: 

Aan den Heer j. a. avillink wz., te Amsterdam, voor N"^. 465, zijnde 
een fraai gekweekte Cissus discolor. 

Aan de Heeren n. van lunteren en zoon, te Utrecht, voor N». 478, 
zijnde een fraai gekweekte Clerodendrum Kaempferii. 

Aan den Heer c. \,. van der straal mz., te Rotterdam, voor N". 381 — 
394, zijnde eene verzameling bloeijende planten. 

Aan den Heer j. kuhn, te Rotterdam, voor N». 81 — 133, zijnde eene 
verzameling bontbladige ' planten. 

Aan den Heer h. witte, te Leyden, voor N». 134 — 140, zijnde eene 
verzameling Agave's enz. 

Aan den Heer c. t.. van der straal mz., te Rotterdam, voor N". 374 — 
378 en 475, zijnde een kastje met bontbladige gewassen. 

Aan den Heer d. boer, te 's Hage, voor een bloeijende Hedj'chium 
Gardnerianum. 

Aan den Heer f. av. de vikieu, te Zalt-Bommel, voor N». 400 — 420, 
zijnde eene verzameling Kultuur-Planten. 

Aan den Heer c. witte, te Rotterdam, voor N». 53 — 80 en 424 — 443, 
zijnde eene verzameling Varens. 

Aan den Heer f. w, de virieu, te Zalt-Bommel, voor N'\ 423, zijnde 
Euryale ferox. 

Alfhis opgemaakt door de Commissie van Beoordeeling , 
op deti 6 September 1855. 

Mr. p. BLUssÉ VAN ouD-ALBLAS, te Hordrccht , Fresideni. 

s. L. DE JONG, te Rotterdam. 

Dr. G. VAN CHARANTE, te Rotterdam. 

H. vöGE, te Amsterdam. 

S. VAN KAMPEN, te Delft. 

G. VAN DEN BRINK, te Kralingen. 

j. I,. A. DESERTiNE, te Lcydcn. 

j, c. GiioENEWEGEN , te Amsterdam, Secretaris. 



151 



DE KINA-INZAMELAARS IN DE BOSSCHEN VAN PERU. 

De schrijver dezer regelen heeft onlangs de aandacht zijner landgenooten 
gevestigd op eene gebeurtenis, die eenig is in de geschiedenis der kuituur, 
d. i. de overbrengst van den Kinaboom uit Zuid-Amerika naar Java. 

Uit dat geschrift vrorden hier, ter opheldering van de lithographische af- 
beelding betreffende dit onderwerp, de volgende gedeelten herhaald. 

De plaat is ontleend aan weddeij.'s Histoire naturelle des Qninquinas, ou 
monograp/iie dn genre Cinchona etc. Paris, 1849. 

De Heer wedde tj, is sedert zijne reize in Zuid-Amerika de voornaamste 
autoriteit in de kina-zaak en van zijne bevindingen mag men zeker wel ken- 
nis nemen. 

Ik heb dien aangaande het onderstaande vermeld in mijne bovenbedoelde 
brochure, waarvan de titel is: de Kina-boom uit Ztiid-Amerika overgehragt 
naar Java, onder de Regering van Koning wit,lem iii. "'s Hage, hij c. w. 
MIELING 1855. 

De Kina-boomen of Cinchonen zijn in hunne verbreiding het eerst nage- 
gaan door VON HUMBOLDT eu in zijn Essai sur la géograpkie des plantes 
heeft hij daaromtrent het navolgende doen kennen. 

De streek waarin zij voorkomen, is tevens die der boomachtige varens, bo- 
ven de Palmen en Bananenstreek. Vele soorten van Cinchonen komen op de 
bergketenen der Andes voor, tot op eene hoogte van 8000 voeten. Enkele 
soorten, die gele Kina opleveren, zoo als de Cinchona lancifolia en Cinchona 
cordifolia Mut., schijnen zelfs de koudere temperaturen te verdragen. De 
thermometer daalt daar dikwijls tot op het vriespunt. Er zijn soorten, die 
tot de lagere; dat is, warmere streken afdalen, en dit zijn, volgens yon hum- 
BOi>Dï, de planten die de roode basten opleveren. Van Cinchona longifolia 
zag voN HUMBOLDT iu de dalen zeer hooge stammen, die nog geen 2270' 
boven de oppervlakte der zee voorkwamen. De Kina van Loxa komt voor 
tusscheu 6000-7000 voeten hoogte i). 

De Cinchonen groeijen, volgens von hijmboldt, op de Andes op eene 
lengte 700 mijlen van den 20° Z. Br. tot den 11° N. Br. Men vindt ze in 
groepen verdeeld. De geheele helling van dit gebergte, bezuiden Huanuco, 
is een te zamenhangend Kina-woud. Meerdere provinciën, als La Paz, Gaai- 
las, Huamalies, Jaen en Huancabamba leveren deze boomen op. Men vintlt 
ze op de westelijke helling van den Chimborazo, op de hooge vlakten van 



') De (listributioiie geographica plantaruni secundum coeli tcmpericm. Lutetiae-Paris. 1817- p. 101. 



152 

Eiobamba en Quito. In de provincie Paets schijnt geen Kina voor te komen, 
terwijl men ten noorden van Almagriez in de provincie Papaylen, ze weder 
aantreft. Men vindt ze bijna onafgebroken zich uitstrekkende op de met sneeuw 
bedekte bergen van Quindin en Tolima, de plateaux van Supia en de berg- 
hellingen van Mariquita, Guaduas, Pampelona, tot aan de bergen van Merida. 

De gemiddelde temperatuur, waaronder de Cinchonen groeijen, is, volgens 
VON HUMBOLDT, 16° R. Hierop maken Cinchona lancifolia en C. ovalifolia^ 
die zeer hoog stijgen, uitzonderingen, en die alleen over dag onder eene 
temperatuur van 8-9° leven, terwijl des nachts uren lang, de temperatuur 
tot het vriespunt daalt. C. oUoncjifolia en C. caduciflora dalen het diepst 
in de valleijen af, alwaar de gemiddelde warmte tot 24° en hooger stijgt. 

De nieuwste reiziger, wiens onderzoekingen ter algemeene kennis werd ge- 
bragt, is Dr. aveddelt,. Hij was een tijd lang de reisgezel van den Pranschen 
Consul, den heer de casïet,nau, gedurende eene expeditie op last van de 
Fransche Regering ondernomen in Zuid-Amerika >), en van wien hij zich, 
van Paraguay af, gedurende de jaren 1845-7, heeft afgezonderd. Zijn ge- 
schrift over de geschiedenis der Cinchonen heeft hem te regt eene groote 
beroemdheid gegeven en als eene der autoriteiten in dit gedeelte der wetenschap 
eene voorname plaats doen toekennen 2). 

Het zij mij vergund hier melding te maken van eenige der voornaamste 
facta, waarvan Dr. weddell in zijn geschrift gewaagt. 

De heer weddetj,, overtuigd van het gevaar, waarmede men bedreigd wordt, 
dat, ten gevolge van de groote exploitatie en consumtie, de beste soorten, 
voornamelijk echter de Calisaya- of Konings-Kina (van welke de chinine be- 
reid wordt) zal worden uitgeroeid, had zich bepaaldelijk voorgenomen, om 
zich met een opzettelijk onderzoek van alle cinchonen bezig te houden, vooral 
ook om daardoor de aandacht te vestigen op eenige soorten, welke later wei- 
ligt de betere soorten zullen moeten vervangen, en die, hoezeer minder werk- 
zame bestanddeelen bevattende, echter, wegens haar overvloediger voorkomen, 
nog eenigermate waarborgen tegen het algeheel verlies van het kostbaarste 
geneesmiddel van het geheele plantenrijk. 

De heer w^eddell liecft de volgende route genomen. In Augustus 1845 
kwam hij uit Brazilië, door het land der Indianen van Chiquitos, in Bolivia. 
Tot aan Santa-Cruz de la Sierra kou hij slechts onvolkomen berigten over de 



') Expéditions dans les partips centrales de rAinérique du Sud, de Rio de Janeiro ii Liuia et 
de Lima au Para, 1843-7 , -sous la direction de frakcis de castklnau. I-VI vol. Paris 1850. 1. Oct. 

^) Histoire naturelle des quinquinas, ou Monographie du genre Cinchona etc. par m. h. a. 
WEDDELL. Paris, 1849. 



153 

Kina bekomen. Yan daar af echter werden dezelve al meer en meer belangrijk, 
en naar aanleiding daarvan, begaf hij zich, op 't laatst van November, in 
meer zuidelijke rigting naar de Rio Grande, langs Peray en Abapo, door de 
provincie Cordillera, die van Azero, de hooge plateaux van Pomabamba en 
de provincie Cinti tot aan Tarya, alwaar hij op 't laatst van Januarij 1846 
aankwam. Deze allermoeijelijkste reize had ten doel om met naauwkeurigheid 
de zuidelijke grens van de Kinastreek [Regio Cinclionifera) te bepalen. De heer 
WEDDELL vond daar de allerlaatste en zuidelijkste Cinchona op 19° Z. br., 
aan welken boom hij, als den zuidelijksten en in die verre oorden afgezon- 
derden wachter ('/ sentinelle retirée ') den naam gaf van Cinchona australis. 

In het begin van Augustus verliet Dr. weddet.l die streken om de groote 
steden van Bolivië, Potosi, Chuquisaca en Cochabamba te bezoeken, in 
welke steden de handel in Kina-basten niet zeer belangrijk was; evenwel zou 
in Chuquisaca, de hoofdstad van Bolivië, eene fabriek van sulphas chinini 
tot stand gebragt worden. Ik durf niet bepalen of dit hetzelfde plan zij, 
waarvan de heer ïschudi gewaagd heeft '); maar, indien dit zoo mogt wezen, 
dan meen ik, op gezag van dezen laatsten uatuuronder zoeker, te kunnen ver- 
zekeren, dat dit plan niet tot stand is gekomen. 

Van Cochabamba begaf zich de heer weddeli. over de hooge bergketenen 
der Andes, naar de Provinciën La Paz, Ayopapa, Enquisivi en Yungas. 
Eeeds bij het begin zijner komst in de Provincie Enquisivi had weddei-l 
gelegenheid om de beste van alle soorten van Kina te bestuderen, namelijk die, 
welke de Calisaya oplevert, zijnde de kostbaarste van alle basten, uithoofde 
van de groote hoeveelheid chinine, welke daarin bevat is. Deze plantsoort, 
welke, tot dus verre, volgens weddelt,, botanisch geheel en al onbekend 
was, heeft hij onder den naam van Cinchona Calisaya beschreven. 

De Provincie Ayopaya is, uithoofde van hare aanzienlijke hoogte boven de 
oppervlakte der zee, bijna geheel zonder bosschen. Meer noordelijk, namelijk 
bij Palca, verhaalde men den heer weddell dat er bij de Rio Ayopapa een 
zeer uitgestrekt Kina-woud was ontdekt. In de Provincie Yungas evenwel, 
de rijkste en de vruchtbaarste van geheel Bolivië, verkreeg wedde ll de 
beste uarigten omtrent de wijze van exploiteren, bereiden, het verkoopen en 
vervalschen van Kina-basten; waartoe inzonderheid strekte een bezoek aan de 
steden Yrupana, Chulumani, Coroico, enz., alwaar men zich meer of min 
met den Kina-handel bezig houdt. Te Puno, Arequipa en in de omstreken 
van het groote meer Titicaca bevinden zich magazijnen van Kina-basten , 
welke daar onafgebroken worden aangebragt. 



') Peru, Skizze enz.; tiierüuJer uitvoeriger aangehaald. 



154 

Gedurende den regentijd hield de heer weddell zich met het onderzoek 
van die groote magazijnen bezig, en toen deze voorbij was gegaan, werden 
vervolgens de Provinciën Larecaja, Caupolican of Apolobamba onderzocht. 

De stad Sorata of Esquibel, gelegen op de westelijke helling der Andes 
en aan den voet van eenen der hoogste pieken, wordt ten onregte gehouden 
voor eene der voornaamste stapelplaatsen van de Kina. Zij is slechts de plaats 
waardoor de transito-handel van de producten der meer inwendig gelegen 
valleijen plaats vindt. Het was daarhenen, dat de heer weddet-l zich begaf 
over de hooge sneeuwbergen van den Illampo, alwaar de rivier Tipoani, de 
hoofdstroom van Bolivië, haren oorsprong ontleent. Langs de gevaarlijkste 
ravijnen, welke zich welligt ergens ter wereld bevinden, komt men tot het 
dorp Tipoani, eene zeer ongezonde plaats, alwaar alleen de zucht naar gewin 
(namelijk goud) den mensch kan nopen zich te vestigen. In alle deze streken 
vindt men Kina, maar geene groote boomen. 

Ten emde de nog ondoordrongen streken te kunnen onderzoeken, besloot 
de heer weddell de bosschen aan de Rio Mapiri te bezoeken, waarna hij, 
na vele togten, uitgeput van krachten en aangetast door de koorts, te Apo- 
lobamba aankwam. Dit land is meer heuvelachtig dan bergachtig en weinig 
boschrijk. De stad Apolobamba, bijna op eene kale vlakte gelegen, is het 
middelpunt van een der vroegst geëxploiteerde gedeelten van Bolivië en waar 
sedert lang gean Kina meer groeit. Om deze te vinden moest weddeli^ zich 
op eenen afstand van 8-10 dagreizen van de bewoonde streken verwijderen. 

In Junij 1847 bezocht de heer weddelt- de Provincie Carabaya, welke in 
menig opzigt eene der meest belangrijke is van geheel Peru. De Cordillières 
verdeelen zich daar in twee deelen ,. waarvan het eene door hooge plateaux, 
het andere door lange en evenwijdig loopende valleijen wordt gevormd. Het 
is in die valleijen, dat, voor 't grootste gedeelte, de Kina-basten wordert in- 
gezameld, welke tegenwoordig uit Peru worden uitgevoerd. Bezoeken aan de 
steden Sandia, Cruzero, Clizco (de oude Incas-stad), de vallei Santa-Anna, 
Cocabambilla, schijnen de laatste punten van het Kina-onderzoek van den 
heer aveddell geweest te zijn. 

Wij hebben bij de opgave van de door de heer wedde li- bezochte plaatsen 
en de rigtingen welke hij gevolgd heeft, ons met opzet langer bezig houden, 
omdat hierdoor niet alleen de verbreiding der Kina-boomen moet worden toe- 
gelicht, maar ook, omdat daardoor moet uitkomen, in hoeverre de Kina-streken 
in Zuid- Amerika, na von humboldt, zijn onderzocht, en vermits aldus al 
de nasporingen op dit punt en van alle reizigers in Zuid-Amerika, sedert 
de la condamine in Loxa, mutis in Nieuw-Grenada, euiz, pavon, von 
HUMBOLDT cn BONPLAND in Onderscheidene gedeelten van Amerika, eindelijk 
die van poeppig om en bij Huanuco (waarvan wij hier niet opzettelijk kun- 



155 

nen gewagen), een geheel maken met die des Heeren weddelt,, en ons in- 
derdaad thans beter dan te voren de geographie der Cinchonen doen kennen. 
Het is te verwachten dat de onderzoekingen in Peru, nu onlangs door den 
ijverigen hasskart- gedaan, onze kennis, in dit opzigt, nog meer volkomen 
zullen maken. 

De Kinastreek heeft eene lengte van ongeveer 29 graden. Zij strekt zich 
uit van den 10° N. Br. tot den 19° Z. Br. Zij vormt eene smalle strook, 
die min of meer bogticr is en die de rigting volgt van de o;roote Cordillières 

DO O O D O 

der Andes, te beginnen van den IQ*^*^" zuidelijken parallel en meestal aan de 
oostelijke helling, waar zij op eene hoogte voorkomt, die volgens de breedte 
eenigzins afvM'sselt, maar die tusschen de 1,200 tot 3,270 meters bevat is. 
Het midden van de bogt, tevens het meest westelijke punt, dat het digtste 
bij de kusten is gelegen, bevindt zich, wat de holle zijde van de bogt be- 
treft, bij Loxa, op 82° W. L. van Parijs. Het laagste punt grenst aan den 
62*'®" en het hoogste verliest zich nabij den 7P'®" graad. 

Het tableau van de vegetatie der Andes ') geeft, in betrekking tot de 
Kina-boomen, een overzigt van de hoogte-punten, op welke de verschillende 
soorten voorkomen. De streek waar de Kina-boomen voorkomen, noemt von 
HUMBOLDT Régioit des Cinchones^ en welke niet minder dan 2,200 meters 
uitgestrektheid in de hoogte heeft, aanvangende bij de hoogte van 700, en 
eindigende bij 2,900 meters. 

De geheele uitbreiding der Cinchonen of het zoogenaamde domein der Kina 
rekent weddelt, op ongeveer 4000 D mijlen. 

De personen, die de Kina inzamelen, worden tot dit moeijelijk werk, van 
kinds af opgeleid. Men noemt ze Cascarilleros. Zonder ander kompas dan 
dat vau een natuurlijk instinct, begeven zij zich in de onmetelijke bosschen, 
waar zij met evenveel gerustheid ronddwalen, als hadden zij den horizon 
voor zich. Ongeoefenden evenwel raken verdoold en men vindt dan somwijlen 
hunne sporen nimmer terug. 

De inzamelingstijd is van Mei tot September. Dan volgt het regen-saisoen, 
't welk ongeveer met onzen winter overeenkomt. 

De Cascarilleros zamelen de Kina echter niet in voor eigen rekening. Zij 
doen dit onder opzigt van een' zoogenaaraden Mayordomo, een vertrouwd 
persoon, die of door particuliere kooplieden, of door de eene of andere kleine 
compagnie wordt afgevaardigd en zich met een gezelschap Cascarilleros naar 
de bosschen begeeft. Hij houdt daarover het toezigt en draagt bovendien zorg 



') Essai sur la Geugrajihie des plantes, accompagiié d'un tableau physique des régious équi- 
noxiales, par al. dk hujiboldt et a. bonpland , rédigé par al. de uumboldt. Paris, 1805. 



156 

voor de ingezamelde schorsen, welke uit de onderscheidene deelen van de 
bosschen worden aangebragt. 

Bij den aanvang van eene nieuwe exploitatie in eene nog niet onderzochte 
streek, worden er diestros of practicos, gelijk men ze noemt, eene soort van 
kwartiermakers, vooruitgezonden. Het zijn de meest geoefende Cascarilleros, 
die de bosschen in alle rigtingen moeten doorkruisen, ten einde na te gaan, 
in hoeverre en in welke rigting het wenschelijk is, dezelve te exploiteren. 
Heeft men eene geschikte plaats gevonden, alsdan wordt daar eene soort van 
kamp ingerigt. Men slaat er hutten en eene soort van schuren op, de laatste 
om den Kina-voorraad te bewaren en te beschutten, en men zaait in den 
omtrek Maïs en anderen veldvruchten voor levensonderhoud. De ondervinding 
heeft geleerd, dat de inzameling te beter slaagt, naar gelang er meer voor- 
raad van levensmiddelen in het kamp aanwezig is. De Cascarilleros trekt de 
bosschen in, voorzien van zijn' bijl en van eene soort van zak, die over zijnen 
schouder hangt, en verder van wat noodig is tot zijn eenvoudig nachtelijk 
leger. Hij is bij zijne nasporingen aan eene menigte bezwaren en gevaren, 
die zelfs zijn leven bedreigen, blootgesteld. De Kina-boomen vormen wel geene 
bosschen, maar komen toch hier en daar in kleinere groepen voor; anderen 
vindt men geheel en al eenzaam staande tusschen andere boomen. De Casca- 
rilleros erkent reeds aan de gesteldheid van de toppen der boomen, of aan 
de kleur of aan het geritsel der bladen, zoo als dit aan sommige boomsoorten 
karakteristiek is, die soorten, welke hij zoekt, en het is opmerkelijk, hoe hij, 
reeds op eenen zeer grooten afstand, aan den bloei alleen, die zich aan de 
toppen der boomen vertoont, de soort die hij zoekt, kan erkennen. Somwijlen 
is het ook alleen de schorslaag, die hem tot kenmerk dient. Anderzins zijn 
het de drooge en afgevallen bladen, die onder 't geboomte op den grond 
liggen. 

Niet zelden komt hij , na lange inspanning , zonder eenige vrucht van zijnen 
moeitevollen togt te hebben medegebragt, terug, wanneer zijn voorraad voedsel 
verbruikt en hij tot die terugtogt wel genoodzaakt is. 

Men velt de boomen, ten einde ze te ontschorsen, nabij den wortel, zoo 
diep mogelijk in den grond, waar de bast tevens het dikste is. Van den ge- 
vallen boom neemt men 't eerst de buitenste laag, of het zoogenaamd opper- 
huidsvlies weg, door het te kloppen of te blekken met stukken hout of met 
den rug van den bijl. Daarna wordt het ontbloote deel van de schors met 
eenen borstel schoongemaakt. Men snijdt vervolgens, door middel van messen, 
strooken of plaatjes, in den vorm in welken men er die van wil afzonderen, 
en waarbij men zooveel mogelijk vermijdt om het hout mede weg te nemen. 
Men snijdt ook dikwerf den stam aan stukkeu, om dien te kunnen keeren 
en in alle rigtingen het schorsgedeelte weg te nemen. Zooveel als mogelijk 



157 

is, tracht men aan die stukken eene lengte van 4-5 palmen en eene breedte 
van 8-10 duimen te geven. 'De schors van de takken wordt niet geklopt, en 
daarom komt die ook doorgaans, met de opperhuid of het buitenste vlies nog 
voorzien, in den handel voor. 

Dat echter in de grootere stukken deze methode van behandeling niet al- 
tijd doorgaat, zulks bewijzen de stukken die men met de epidermis of op- 
perhuid in den handel aantreft, en die de handelaars noemen: sine peridermide. 

De wijze van droogen verschilt naar gelang dat de stukken van dunnere 
takken zijn genomen, als wanneer dit alleen door de zon geschiedt. De groo- 
tere stukken worden, om het krom trekken te verhinderen, geperst. Men legt 
ze, na eene eerste blootstelling aan de zon, in vierkante stapels op elkander, 
zoo als men dit wel planken doet, en hierop plaatst men dan een of ander 
zwaar ligchaam. Hierna droogt men ze op nieuw en zoo gaat men bij af- 
wisseling voort. Goed droogen is altijd aan te bevelen, omdat door in deze 
stukken achtergebleven waterdeelen, de basten ligtelijk eene soort van fer- 
mentatie ondergaan en ten eeneraale bederven. 

De Kina, aldus ingezameld en bereid, moet dan nog uit de bosschen wor- 
den gebragt naar de stapelplaatsen. Hiertoe zijn vaak 15-20 dagen noodig, 
gedurende welke reize de Cascarilleros zijnen zwaren last moet torschen langs 
eenen weg, dien hij slechts met moeite kon vervolgen, reeds toen hij nog 
niet met het produkt belast w^as. Neemt men nu in aanmerking tot welken 
geringen prijs op de markten of de stapelplaatsen de Kina wordt betaald, dan 
kan men niet anders dan zich verwonderen, dat er meuschen worden gevon- 
den, die zich met eenen arbeid, die zoo slecht beloond wordt, willen afgeven. 
Yan uit de kampen Avordt de Kina in pakken op den rug des Cascarilleros 
of op dien van hunne muilezels gedragen naar de steden, en aldaar in lederen 
zakken, welke men seroenen noemt, overgepakt en in den groothandel gebragt. 

Die seroenen wegen gewoonlijk 70-SO Ned. pd. 

De uitvoer van de Kina uit Bolivië is, blijkens de opgave van weddell, 
ook in zijne Histoire naturelle dw Quinquina, zeer belangrijk. Hij kan ech- 
ter in verre na niet voldoende zijn voor de behoefte. Wij moeten gelooven, 
dat die uitvoer niet in zijn geheel bekend is. Alleen de Compagnie van La 
Paz, aan welke de Boliviaansche Regering het monopolie van dit produkt 
had afgestaan, werd bevoegd verklaard tot een' jaarlijkschen uitvoer van 4000 
quintalen, of 40,000 Spaansche ponden, d. i. 400,000 kilogrammen Kina- 
bast. 1) Men legde haar ten laste dat zij deze hoeveelheid overschrijdt en er 
zijn, dien ten gevolge, reclames ontstaan. 



1) Het kwintal gerekend tegen 100 Ned. ponden of kilogrammen. 

Bij de Engelscten is het kwintal of quintal een gewigt van 112 Eng. pd. 



158 

Men neme nu eens aan, zegt weddetj., dat er volstrekt geenerlei beper- 
king op den uitvoer bestond, tot welk eene mate zou die dan niet rijzen? 

Het is intusschen te betreuren, dat, omtrent den uitvoer uit verschillende 
havens van Peru vooral, en die van Nieuw-Grenada zoo velerlei tegenstrijdige 
opgaven bestaan en bijna nergens juiste statistieke aanwijzingen gevonden 
worden betreflende dit gewigtig artikel van handel. 

Weddell b. V. verhaalt, dat de uitvoer van Kina uit Peru zoo enorm 
is, dat dit aan het fabelachtige grenst. Wij willen het gelooven, het 
moet zoo zijn. Vanwaar zou anders de enorme massa, die voor fabrieken van 
chinine noodig is, haren aanvoer hebben? Maar dezelfde Dr. weddell zegt 
ook, dat men thans uit de haven van Carthagena naauwelijks eenige arrobes i) 
uitvoert; terwijl in 't begin dezer eeuw, in 1806, die uitvoer tot het enorme 
cijfer van 1,200,000 ponden was geklommen 2). 

Het eerste, namelijk de groote uitvoer van Peru, is in regelregten strijd 
met een beweren van den Hr. francis castelnau, Pransch Consul te Bahia, 
in wiens boven reeds aangehaalde reize 3) wordt aangevoerd, dat de uitvoer 
van Kina uit Peru van weinig belang is, en wij moeten dit toestemmen, als 
wij de cijfers raadplegen betreflende de statistieke opgaven van den uitvoer 
uit Peru naar Europa en de Vereenigde Staten gedurende de jaren 1838, 1839 
en 1840, te weten: 

1838 — 5,579 kwintalen 557,900 kil. waarde 164,370 piasters. 

1839 — 866^- // 86,650 // // 150,327 

1840 — 2,660 // 266,000 // // 117,999 // '•) 
Zeer opmerkelijk is het dat tschudi zegt, dat vroeger de Kina-bast 

een artikel van den groothandel voor Peru was, maar dat dit sedert 
lang in zijne waarde is verminderd, vooral wegens de vele soorten, welke 
uit andere streken worden aangevoerd. Onjuist moet het zijn, wanneer tschudi 
beweert, dat, vooral wegens het gebruik der chinine, die handel is verslapt, 
omdat namelijk ter bereiding van dit loogzoutachtig beginsel niet zoo veel 
Kina zou worden gebezigd, als er vroeger in substantie in Europa werd ge- 
bruikt. Het niet doorgaan van zoodanige bemerking is, dunkt mij, reeds uit 



Het oude kwintaal van 100 Amstei'damsche pd. waaggewigt ■=. 49,409 kilogr. — Het Fransclie 
quintal = 48,951. — Het engelsche quintal = 50,803. — Het metrieke quintal = 100,000 kilogram. 

Ik volgde, bij het overbrengen van de 4000 kwintalen, waarvan weddell gewaagt, het metrieke 
kwintaal. 

') Eene arrobe is = 11|- kilogr. (volgens weüd.) 

») Weddell t. a. pi. 13. 

■■■) Expédition dans les parties centrales de TAmérique dn Sud. IV. p. 114. 

'•) Het enorme verschil tusschen de jaren 1839 en 1840 zou bijna aanleiding geven om de 
juistheid der opgave te doen betwijfelen. 



159 

dien hoofde tastbaar, vermits men om dertig grammen zwavelzure chinine te 
maken, ongeveer een kilogramme calisaya-kina behoeft; hoe meer chinine men 
dus maakt, des te grooter moet de behoefte aan meerderen uitvoer worden. 

Gedurende den bevrijdings-oorlog, zegt tschüdi, onderging de Kina-handel 
den doodslag, terwijl er vele jaren verliepen, in welke uit Peru geen enkele 
centenaar Kina werd uitgevoerd. Geen wonder; bij revolutiën of oorlog waagt 
niemand zijne kapitalen tot exploitatiën of industriële ondernemingen. 

Wat de inzameling en behandeling betreft, zijn, voor het overige, de be- 
rigten van weüdell en tschudi eensluidende, en hierbij behoeven wij dus 
niet stil te staan. Maar zeer belangrijk is het, wat poeppig mededeelt, dat 
de versche groene bast met het beste gevolg wordt toegediend i). 

Yer van alle bewoonde oorden waar men geneeskundige hulp kon inroepen, 
zich verwijderd bevindende, leed poeppig aan eene hevige anderendaagsche 
koorts. Hij bezigde den versch van de boomstammen afgenomen, groenen 
bast met het gelukkigste gevolg en zulks tot drie malen toe op verschillende 
tijden, en had alzoo het voorregt, om in ruime mate de werking van een 
zoo uitnemend geneesmiddel als de Kina in eenen zuiveren en geheel onver- 
mengden of onveranderden toestand te ondervinden. Deze omstandigheid geeft 
althans een bewijs, dat de bast in den groenen en verschen staat reeds het 
belangrijke loogzoutachtig beginsel bevat, waarom wij dit geneesmiddel te 
regt zoo hoogschatten. 

Er blijven, na de hoogst belangrijke mededeelingen van weddell, eenige 
vragen en wenschen over, waarop later nog moet worden teruggekomen. 

Wij zouden b. v., ook in 't belang der kuituur van de Kina-boomen, ge- 
wenscht hebben dat de heer weddell had kunnen doen kennen, in welke 
gronden de Kina-boomen groeijen, opdat men bij zijne terugkomst die gron- 
den aan een scheikundig onderzoek had kunnen onderwerpen; dat hij had 
toegelicht hoe hoog de verschillende boomsoorten, van welke de basten in 
den handel voorkomen, gemiddeld worden; — hoe de verdere afmetingen zijn 
van den stam; — hoe oud een boom moet wezen, alvorens hij het koorts- 
drijvende beginsel voldoende bevat en tot Kina-inzameling kan dienen; — 
of men de boomen altijd moet vellen; dan wel of men ze kan schillen zonder 
ze te vellen '); — wat de hoeveelheid ponden Kina is, die een boom van 



») Reise in Chili, Peru, und den Amazonen -Ströme. u. s. w. 

») Omtrent dit punt lezen wij bij poeppig het volgende: 

" Bei einiger Vorsicht von Seiten der Cascarilleros würden die verschiedeuen Cinchona-baurae 
»nie ausgerottet werden. Mat hat blos die Vorsicht zu beobachten den Staram möglichst nahe an 
»den Wurzel abzuhauen, urn des Nachwachsens aus derselben gewis seyn zü dürfen. In den mil- 
// deren Gegenden , wie um Cuchero , erfolgt dieses so schnell , das man schon nach sechs Jahren 
«die jungen Stammen von Neuen f allen kan; ia der Kalten der Puna benachbarten Region der 



160 

zekeren leeftijd, hoogte en dikte van den stam gemiddeld kan opleveren. 

Wij zoeken te vergeefs in de geschriften, welke tot dus verre over dit 
onderwerp zijn verschenen en ook in het werk van Dr. w^eddell, naar de 
oplossing van zulke belangrijke vragen, waaraan wij, nu vooral, bij de over- 
brengst van de Kina naar het eiland Java, behoefte gevoelen. Slechts ver- 
spreide en als 't ware toevallige data moeten ons bij benadering tot andere, 
waaromtrent wij nergens bepaalde aanteekening vinden, doen besluiten. 

Het onderwerp der Kina, op zijn tegenwoordig standpunt, is een der moei- 
jelijkste in het gebied der natuurkundige wetenschappen. Het is daarbij van 
eenen zeer grooten omvang; het grijpt aan de eene zijde in de natuurlijke 
geschiedenis, de geneeskunst en de scheikunde, aan de andere in het gebied 
van den handel van de meeste zeevarende en handeldrijveude volken. 

De omstandigheid, dat men al vroeg zoo vele tegenstrijdigheden omtrent 
het nut en de aanwending van dezen bast vindt aangeteekend, moest (het 
werd boven reeds aangemerkt) al dadelijk leiden tot het vermoeden, dat men 
Kina-basten van onderscheiden kwaliteiten had aangevoerd, en dus evenzeer 
tot de meening dat Zuid-Amerika basten van verschillend gehalte en deugd- 
zaamheid oplevert. De loop der tijden heeft dit te eenemale bevestigd. De 
basten, op onderscheidene tijdstippen van de Kina-geschiedenis, en uit ver- 
schillende landen van Amerika aangevoerd, verschillen in hoedanigheid der- 
wijze, dat men, in lateren tijd, niet heeft geaarzeld, om ze van verschillende 
soorten van planten af te leiden, waartoe men echter vaak zonder genoegzame 
en op onzekere gronden besloot. 

AVat de geschiedenis dienaangaande heeft geboekstaafd, is luttel en onze- 
ker. Dat er in den loop der tijden Kina is aangevoerd van Loxa, uit Peru, 
van Bolivië en van Nieuw-Grenada, dit staat vast. Maar welke soorten wa- 
ren het, en op welke tijden is haar invoer geschied. 

(Word vervolgd.) 

"Cejawalder, wc die allcrwirksamsten Cinchonen wachsen , sind geiden zwauzig Jabren erforder- 
" licht." POEPPIGS Reize t. a. pi. II. 222. v. v. 



161 
DE KUL TUUR DER O R C H I D E Ë N. 

(Vervolg van bladz. 128.) 

De planten moeten op zoodanige wijze in de mandjes en vazen geplaatst 
worden, dat de bladen niet aan de metalen draden of kettingen, die ter op- 
hanging dienen, raken; zoo men bemerkt dat bladen der nieuwe knollen in 
die rigting groeijen, moet men deze er van afwenden, hetgeen men gemak- 
kelijk doen kan, door een stukje kurk tusschen de twee knollen te plaatsen, 
en de plant in die rigting naar het daglicht te wenden, naar welke men wil 
dat de bladen groeijen zullen. 

Voor de opgehangen vazen en mandjes is de boven opgegevene drainering 
niet noodig; zij zou slechts schadelijk zijn voor de bloemstengels, door deze 
in hunnen wasdom te verhinderen en geenen vrijen doortogt te laten om zich 
buiten de mandjes volkomen te ontwikkelen. Dit betreft vooral die planten 
welker bloemen, zooals bij Stanhopea^ Acineta, enz., van onder uit de knollen 
te voorschijn komen, en wat de overigen aangaat, daarbij zou eene zoodanige 
drainering alleen eene nuttelooze zwaarte aanbrengen. 

Aanbevelenswaardig is het, de planten zeer ruim in de mandjes te plaatsen, 
daar de verplanting hiervan veel moeijelijker is dan van potten, en men 
anders gevaar loopt, van bij deze behandeling niet alleen de vaas of het 
mandje te breken of te beschadigen, maar ook een groot deel der wortels te 
kwetsen. 

Noodig is het dus, bij de keuze der mandjes, het oog te houden op de 
natuur van de wortels der planten, die men er in plaatsen wil. Verscheidene 
Indische Orchideën, zoo als A'érides, Saccolahium enz. hebben zware vertakte 
wortels; deze moeten in iets diepere mandjes geplaatst worden, terwijl men 
hiervoor, bij het zamenmengen der vulling, minder hei-aarde en potscherven 
en meer sphagnum en houtskolen moet bezigen. 

De planten, welker bloemstelen in eene nederwaartsche rigting groeijen, 
zoo als Stanhojiea, Acineta^ enz., moeten natuurlijk in mandjes van geringe 
diepte worden gezet. Ook zij men hierbij indachtig, al datgene te vermijden, 
wat hare bloemstengels in die rigting zou kunnen belemmeren. 

De planten en vazen moeten zoodanig opgehangen worden, dat het er af- 
en uitvloeijende water niet op beneden dezelve geplaatste planten kan druipen, 
en op eene hoogte, welke toelaat, dat men ze gemakkelijk zien kan, ten einde 
zich van den staat harer vochtigheid en droogte te verzekeren. In verscheidene 
kasten worden deze mandjes, op de gemakkelijke, boven bij fig. 2, aan- 
geduide wijze opgehangen; welke gelegenheid geeft om het mandje naar alle 
zijden te draaijen, zonder in de noodzakelijkheid te zijn het af te nemen. 

II. » 



162 



§ III. KWEEKING OP HOUT. 



De keuze van het hout, waarop men de Orchideën wil doen groeijen, is 
van veel belang. Het is ligtelijk te begrijpen dat men niet zoo gemakkelijk 
deze planten van het eene stuk hout op het andere plaatsen kan, als zulks 
het geval is met potten of zelfs met mandjes; men moet dus hiervoor zoo- 
danig hout kiezen, hetwelk het hardst en het minst in eenen warmen en voch- 
tigen dampkring aan bederf onderhevig is. 

De meeste aanbeveling hiertoe verdient kurk of geschild eikenhout; zij 
hebben ons steeds het meest voldaan en zijn het minst aan bederf of cham- 
pignon onderhevig. 

Eonde en knoestige stukken hout zijn het beste; hierop hechten zich de 
wortels het gemakkelijkst en laten minder los dan op platte stukken. 

Alvorens eene plant op hout te plaatsen, is het noodig wel bekend te zijn 
met de natuur harer wortels. In allen gevalle neme men een stuk hout van 40 
tot 50 N. duimen lengte bij 18 tot 25 K duimen breedte, terwijl men 
bovenaan twee haken bevestigt, ten einde aan hetzelve, bij het ophangen, het 
behoorlijke evenwigt te geven. 

Men plaatst de plant op het midden van het hout, op een weinig sphag- 
num en hecht haar daaraan met looddraad vast, hetwelk men met spijkertjes 
boven aan het hout verbindt. 

Wanneer de planten aldus op het hout geplaatst zijn, hangt men het in 
zoodanige rigting op, dat de knollen in eene helling van 45 graden ge- 
plaatst zijn. 

De afmetingen, welke wij voor de blokken gegeven hebben, gelden alleen 
voor die planten, welke eenen zekeren omvang verkrijgen, waaronder natuurlijk 
niet zijn begrepen zulken, die steeds van eenen teederen bouw zijn, zoo als 
Sojihronitis, Co7npareUia en andere kleine soorten. Deze kleine planten doet 
men wel te plaatsen op ronde stukken kurk van 15 tot 16 N. duimen 
lengte bij 4 N. duimen breedte. Ook hebben wij deze teedere soorten zifen 
kweeken in kleine houten mandjes, met Sphagnum gevuld, waarin zij niet 
alleen welig tierden, maar waardoor men die 'zorgen vermeed, welke aan de 
kweeking op hout verbonden zijn. 

Het zal steeds ondoelmatig zijn twee planten op hetzelfde stuk hout te 
plaatsen, tenzij zij in haren bloei en ontwikkeling volkomen gelijken tred 
houden, anders toch zal men onmogelijk den rusttijd voor elke plant af- 
zonderlijk kunnen regelen of de eene kunnen terughouden, terwijl de andere 
in staat van ontwikkeling verkeert. 

Wanneer de wortels der op hout gekweekte planten zich gaan verlengen, 
moet men somwijlen voor hunne rigting zorg dragen, en ze beletten het 



163 

hout waarop zij geplaatst ziju te verlaten; om dit tegen te houden, hebbe 
men ze slechts iets in den weg te brengen of met looddraad terug te 
houden. 

Hebben de sponsachtige uiteinden eenmaal het hout gevat, dan zal men 
zelden zien dat zij het loslaten. Het is ook noodig de blokken met een 
weinig Sphagnum of mos te bekleeden, om eene zekere mate van vochtig- 
heid te bewaren, vooral wanneer de plant in krachtigen groei is. 

Men moet zich vooral er voor wachten, om het hout niet te zeer te be- 
vochtigen, en opletten welke soorten minder vocht tot zich nemen, ten einde 
deze gedeeltelijk van het mos te ontdoen, totdat de ontwikkeling der plant 
meerdere vochtigheid vereischt. 

Sommige Orchideën, waaronder de afdeeling der Ejjidendreae, vereischen 
bij de wortels weinig vocht, zoodat het voor deze toereikend is, den zoom der 
plant met Sphagnum te bedekken, en zulks bij de wortels geheel na te laten. 

Hebben de planten zich eenmaal aan het hout gehecht, en bevindt men 
hare wortels in eenen goeden staat, dan rigt men het blok in zoo verre op, 
dat zij niet meer eene helling van 45, maai* nu van ]5 tot 20 graden maken, 
en in sommige gevallen bij den bloei, vooral wanneer de bloemen regtop 
stijgen, kan de plant geheel regtstandig gehouden worden. 

VERPLANTING OF VERPOTTING. 

Wanneer eene plant hare pot geheel met wortels gevuld heeft, en de knollen 
daarin niet meer bevat kunnen worden, is het ]ioodzakelijk haar eene grootere 
te geven. De verplanting der Orchideën nu vereischt eenige zorgen, welke 
wij thans willen behandelen; de bewerking toch moet plaats hebben met de 
noodzakelijke maatregelen tegen het breken der knollen en wortels of het 
storen der plant, 't zij in hare ontwikkeling of in haren bloei. 

De beste tijd voor het verplanten der Orchideën is tegen het einde van 
hare rust, zoodra de oogeu beginnen te zwellen, en men bemerkt dat de 
plant op het punt staat haren groei te hernieuwen. 

De kleine planten, welker potten gemakkelijk te behandelen zijn, vereischen 
geene andere zorgen, dan voor het behoud der wortels. Na alvorens gezorgd 
te hebbeu voor het tot de drainering benoodigde en de vermenging van den 
grond, neemt men eene pot, welke de helft grooter is dan die Avaarin zich 
de plant bevindt, keert de pot met de plant om, zorg dragende haar behoed- 
zaam te ondersteunen, en schudt de wortels daarna voorzigtig uit. — Zoo 
de wortels der plant aan de pot zijn vastgehecht, moet men ze vrij maken 
door de pot, van onder af beginnende, te breken in zoo kleine stukjes als 
slechts mogelijk is. Na dit gedaan te hebben, onderzoekt men de plant, ver- 



164 

wijdert met zorg alle doode en verdroogde wortels, en plaatst haar in de 
nieuwe pot, met inachtneming van dezelfde zorgen als bij de kweeking in 
potten zijn opgegeven. 

Indien de pot, zoowel als de plant die zij bevat, te groot en te zwaar zijn 
om behoorlijk behandeld te kunnen worden, gebruiken wij een voetstuk 
in den vorm eener X; in de twee bovenste einden zijn gaten geboord, waaraan 
twee gelijke kruishouten, met ijzeren pennen vastgemaakt worden, zoodat 
men het vierkant, hetwelk nu deze vier kruishouten vormen, naar willekeur 
vernaauwen of verwijden kan. Wordt nu de pot met behoedzaamheid op het 
vierkant geplaatst, dan zorge men de plant zelve te ondersteunen, door twee 
genoegzaam sterke touweu kruislings tusschen de knollen door te laten 
gaan, welke men vastmaakt aan de pennen die de kruishouten verbinden, 
en men behoeft niet meer te vreezen dat de plant uit de pot ontglijden 
zal, waarna men de verplanting op de opgegeven wijze bewerkstelligt, 
steeds beginnende met het verbreken van den bodem der pot, ten einde met 
de ligging der w^ortels bekend te worden. Wij achten het, voor het overige, 
noodeloos hier al de aanduidingen voor het planten der Orchideën in potten 
te herhalen, welke ten volle ook op de verplanting van toepassing zijn. 

De behandeling der in vazen of mandjes gekweekte planten berust op 
dezelfde beginselen, behoudens de volgende wijzigingen: 

Staan de Orchideën in steenen vazen of mandjes, dan is het meest altijd 
onvermijdelijk om of de vazen of de wortels der plant op te otïeren. 

Zijn de mandjes van hout, dan kunnen de liggende en opgerigte gedeelten 
doorgesneden worden, op die plaatsen, waar de wortels zich er niet aan gehecht 
hebben; de stukken hout die aan de wortels vastzitten, behoudt men met deze 
zelve, waarna ze gemakkelijk op den bodem van de nieuwe mand geplaatst 
worden, welken zij dan dekken, terwijl zij tevens voor de drainering dienen. 

De mandjes van koper- of ijzerdraad moeten doorgeknipt en al de stukken 
er van verwijderd worden. Zeldzaam zullen de wortels zich aan het metaal 
hechten, en zoo bij toeval eenigen er aan vastzitten, kan men ze zonder 
moeite er van scheiden. 

De soorten van Stanhopea, Acropera^ Acineta^ Cirrhaea en anderen, welke 
veel wortels maken, kunnen niet zonder nadeel langer dan vijf of zes jaren 
in dezelfde mand blijven. De opeengehoopte wortels 'vormen eene stijve zode, 
welke men zorgvuldig van een scheiden moet, om er de oude wortels, die 
verdroogd en dood zijn, te kunnen uitnemen en niet dan levende, van gezonde 
uiteinden voorziene, te behouden. — Deze wortelmassa's zijn vooral ook hier- 
door schadelijk, dat zij door hare digtheid den doortogt der bloemen moeijelijk 
maken, die door den bodem of de zijden van het mandje haren uitweg 
zoeken moeten. 



165 

"Wij kennen geen ander middel om de Orchideën te hulp te komen, die 
op een stuk hout staan, 'twelk zij geheel omgroeid hebben, dan het onderste 
gedeelte van het blok van de knollen, die zich daar bevinden, te ontdoen, en 
het op eene daartoe ingerigte mande te plaatsen, hetzij men die ophangt of 
op de bedding plaatst. Deze mande moet men vullen zoo goed alsof men 
er eene andere plant in plaatste; alleen neme eene grootere hoeveelheid 
Sphagnum, zoodat dit de helft van het geheele mengsel uitmaakt. 

Indien men voor deze planten slechts liksche blokken bezigt, kan er een 
aantal jaren verloopen, voor men genoodzaakt is om hieraan verandering te 
brengen. Sommige kweekers voegen een tweede stuk hout ten vervolge aan 
het eerste, en geven alzoo aan de wortels gelegenheid om zich uit te brei- 
den, en, is deze bewerking goed verrigt, dan bemerkt men na eenige 
maanden niets meer van deze bijvoeging, daar dit weldra door het mos, en 
de plant met hare wortels bedekt is. 

BEVOCHTIGING. 

De bevochtiging en vooral de besproeijing der Orchideën vereischt eene 
volmaakte kennis van de natuur van het water, 't welk men daartoe bezigt. 
Water, waarin zich kalkdeelen bevinden, is uiterst schadelijk en moet met 
de meeste zorg vermeden worden. Het beste, wat men hiertoe bezigen kan, 
is regenwater, waarom wij den liefhebbers ten sterkste aanraden maatregelen 
te nemen , opdat zij hiervan steeds ruim voorzien zijn , door het in regenbak- 
ken op te vangen , waarin het bewaard wordt , zonder dat de eigenschappen 
daarvan veranderen, welk laatste het geval is, zoo het aan de buitenlucht 
blijft blootgesteld. Men voert het dan door een' geleider uit den regenbak in 
de, in 't midden der kast geplaatsten, kom, welke men niet nalaten moet, 
na iedere begieting weder te vullen, omdat de temperatuur van het water 
dezelfde moet zijn als die in de kast; het gebruik van water, dat warmer is , 
kan niet anders dan zeer schadelijk voor de planten zijn. 

Voor het besproeijen en bevochtigen der Orchideën bedient men zich van 
eene spuit met eene plaat waarin zeer fijne gaatjes geboord zijn, die uiterst 
dunne stralen geven; deze werktuigen moeten naauwkeurig gemaakt zijn en 
zeer juist werken. 

De besproeijing der Orchideën moet niet zonder onderscheid toegepast 
worden op allen, die niet dezelfde hoeveelheid water vorderen. Men onder- 
scheide hierbij wel, die planten welke in rust zijn, die, welke beginnen te 
ontwikkelen; die, waarvan de knollen gevormd zijn en eindelijk die, w^elke 
gaan bloeijen of reeds in bloei zijn. 

De planten, die in toestand van rust verkeeren, moeten weinig of geene 



166 

bevochtiging hebben; alleen moet de aarde, waarin de in potten geplaatsten 
zich bevinden, voor geheele uitdrooging worden bewaard. 

Die, welke beginnen zich te ontwikkelen, moeten een weinig bevochtigd 
worden, doch alleen op de potten of mandjes; echter moet men wel zorg 
dragen, dat men hierbij de jonge loten vermijdt, die anders zeker verrotten 
zullen. 

Men vermeerdert de besproeijing, naar gelang de jonge loten groeijen en 
de reeds gevormde knol in stevigheid wint, zoodat men niet meer voor 
verrotting behoeft te vreezen. Dan kan men ze ruim besproeijen, en, naar- 
mate het weder is, tweemaal daags begieten. 

Beginnen de Orchideën te bloeijen, dan vermeerdert men de bcgietingen; 
echter moet men, tot de bloemstengel zijne ontwikkeling bekomen heeft, op 
zijne hoede zijn, dat men de schubben niet al te nat maakt, en vooral dat 
het water er niet in kan blijven staan , omdat anders deze ligtelijk week worden 
en tot verrotting overgaan. 

Wanneer de bloemen ontloken zijn, vermijde men ze te bevochtigen; 
elke waterdroppel veroorzaakt eene vlek en hierdoor wordt de verwelking 
bespoedigd; men moet intusschen de plant, tijdens haren bloei besproeijen, 
maar zooveel mogelijk voorzorgen nemen, om de bloem te mijden. 

Yan eenige planten, vooral de JEpidendrecB , behoeven de wortels niet be- 
vochtigd te worden, daar de vochtigheid der kast voor haar reeds toe- 
reikende is ; waarom het alleen noodig is hare bladen en knollen eene 
ligte besproeijing te geven. Van anderen daarentegen moeten de wortels zeer 
vochtig gehouden worden; hiertoe behooren Sohralia, verscheidene Cyrtopo- 
diums, enz. Hier moet dus de besproeijing meer bepaald de potten en slechts 
in geringe mate de bladen gelden. 

Wij zullen aan het slot van dit werk eene beschrijvende lijst van Or- 
chideën voegen, waarop wij zooveel mogelijk deze uitzonderingen zullen 
aanduiden. 

Wij laten hier eenen regel volgen , welken wij gelooven in 't algemeen op 
Orchideën-kasten van toepassing te zijn. 

De besproeijingen moeten geregeld worden naar de temperatuur der bui- 
tenlucht. Bij bedekt weder is eene matige bevochtiging voldoende en zelfs 
somwijlen noodeloos. Bij brandenden zonneschijn en sterke droogte daaren- 
tegen, moet men, en wel altijd 's avonds en 's morgens, overvloedig be- 
sproeijen. 

Ook gebeurt het somtijds in den zomer, wanneer het weder gedurende 
eenige achtereenvolgende dagen regenachtig en duister blijft, dat de kast te 
vochtig wordt, 't geen men bespeurt aan het uiterlijke van het hout en de 
potten; in zoodanig 'geval moet men de besproeijing niet alleen opschorten, 



167 

maar zelfs niet aarzelen om te stoken, ten einde het evenwigt in de 
kast worde hersteld, en het overtollige vocht verwijderd. 

Het kan, bij zeer sterke koude, wel eens gebeuren, dat de temperatuur der 
kast beneden 13 graden daalt; in zoodanig geval moeten de planten ten 
naastenbij droog gehouden worden , en men bewaart alleen eenige vochtigheid 
in de kast , 't zij door middel der gootvormige buizen , of wel door eenige 
gieters warm water in de paden uit te storten. Deze bewerking moet, in- 
dien over dag de zon op de kast schijnt, 's morgens en 's avonds herhaald 
worden. 

Hetzij de beddingen met zand, hout of steen bsdekt zijn, houde men 
dit vooral gedurende den winter vochtig; de warmte der daar onder liggende 
buizen zal daarvan eenen damp doen opstijgen, welke er toe bijdraagt om 
de vochtige warmte in de kast te onderhouden. 

Ongetwijfeld moet de gewoonte, door langdurige kuituur verkregen, de 
inlichtingen volmaken, welke alleen door praktische ondervinding ruimer 
ontwikkeling erlangen; men zij echter wel bedacht op het onderscheid tus- 
schen bevochtiging der potten en besproeijing. De eerste kan ten allen tijde 
plaats hebben, behoudens de opmerking, welke planten meer of minder water 
behoeven; terwijl de laatste [voornamelijk de knollen en bladen ten doel 
heeft. — Het beste tijdstip van den dag om de besproeijing te bewerkstelli- 
gen, is tegen het ondergaan der zou; zij treedt dan werkelijk in de plaats 
van den dauw, welke in de tropische streken zeer overvloedig is'. 

PERIODIEKE AFWISSELING VAN DEN GROEI. 

Gelijk de meeste andere planten in haren groei aan eene zekere periodiciteit 
onderworpen zijn, hebben ook de Orchideën drie wel te onderscheiden tijdper- 
ken, te weten: dat van ontioikïceling , van hloei en van nist. 

Het is dus , vooral voor de kuituur dezer planten , van veel belang hierop 
naauwkeurig te letten; want zij zullen, wel is waar, ook onmiddelijk nadat 
zij gebloeid hebben, haren groei voortzetten, maar de op deze wijze 
vermoeide plant zal zwakkere knollen voortbrengen en kan of geheel in 
gebreke blijven te bloeijeu , of de bloemen zullen in kleiner aantal en minder 
fraai zijn dan wanneer, na de noodige rust, hare ontwikkeling eerst later ware 
opgewekt geworden. 

De Orchideën zullen voor 't overige niet meer rust nemen, dan voor hare 
behoefte noodzakelijk is; is eenmaal het tijdstip van haren vernieuwden groei 
weder daar, zoo ziet men, ter zijde van de knollen, hoewel zij bijna geheel 
droog zijn gehouden, de omgevende oogen zwellen, groener worden en ont- 
spruiten. Dit is nu het oogenblik, waarop men moet beginnen de planten 



168 

vochtiger te houden, en dit doet men toenemen naar de mate harer ontwikke- 
ling; men verplaatst ze dan ook naar een warmer gedeelte der kast. 

Het tijdperk, 't welk natuurlijk dat der ontwikkeling opvolgt, is dat van 
den bloei. — Men ziet zekere planten en wel bijzonder die, welke tot de 
afdeeling der Vandeae behooren, hare bloemstengels te voorschijn brengen, 
te gelijk met de vorming der knollen; dit heeft b. v. plaats bij 't meeren- 
deel der soorten van Oncidium, Miliouia, Odontoglossum ^ Burlingtonia, 
enz. In dit geval gaat het tijdstip der ontwikkeling dat van den bloei op 
zijn hoogst twee of drie maanden vooraf. 

De begietingen w'orden alsdan trapsgewijs vermeerderd; echter verzuime 
men daarbij geene der boven opgegeven voorzorgen in acht te nemen, voor 
het behoud der bloemstengels. 

Wanneer de knollen en bladen liunne volkomene ontwikkeling hebben be- 
reikt, wat meestal het geval is tijdens den bloei en in 't algemeen wanneer 
de bloemen verwelkt zijn, vangt de rusttijd voor de Orchideën aan. Men 
moet ze dan in het koudste gedeelte der kast plaatsen, en haar alleen zoo- 
veel water geven dat zij niet uitdroogen, wat voor de wortels schadelijk zou 
kunnen zijn. Eene ligte bevochtiging om de drie of vier dagen zal hiertoe 
voldoende zijn. — Het einde van dezen rusttijd wordt aangekondigd door 
de nieuwe loten, die, door hare verschijning, het oogenblik van het vernieuwde 
leven der plant bepalen. 

Eenige geslachten, vooral de Dendrobiiini's, wijken van dezen algemeenen 
regel af. Het tijdvak van rust vangt bij deze planten aan, wanneer de 
nieuwe knollen haren meesten wasdom bereikt hebben, en eene gele kleur de 
op handen zijnde afvalling van de bladen der oude aankondigt. 

Hier kenmerkt zich het einde van den rusttijd, door een aantal bloem- 
knoppen, welke rondom den knol te voorschijn komen; men moet echter met 
de vernieuwing harer kuituur het oogenblik afwachten, waarop het meeren deel 
dezer knoppen verschenen is. Daarna moet men zooveel mogelijk vermijden 
die knollen te bevochtigen, welke de bloemknoppen dragen; niet alleen uit 
vrees van deze knoppen te vernietigen, maar ook om het ontstaan van bij- 
knollen te voorkomen, die aan het voorkomen der plant schaden en haren 
bloei benadeelen. 

De planten, die op hout gekweekt worden, moeten haren rusttijd in het 
koudste gedeelte der kast doorbrengen; terwijl men ze tevens van het mos, 
't welk de wortels bedekt, ontdoet; bevochtiging is dan voor deze bijna in 't 
geheel niet noodig, daar de vochtigheid der kast de uitdrooging belet. 

Wij kunnen eindelijk op deze inachtneming van den rusttijd der Orchideën 
niet genoeg aandringen; daar toch dit eene wezenlijke voorwaarde is van ecnen 
rijken en overvloedigen bloei. 



169 



HET LUCHTEN DER KASTEN. 



Het is niet mogelijk de Orchideën te luchten op de zelfde wijze als de plan- 
ten van andere warme kasten, daar de noodzakelijkheid om haar in eene 
vochtig warme lucht te houden, niet altijd eene onmiddelijke aanraking met 
de buitenlucht gedoogt. Deze afwijking is in ons klimaat onvermijdelijk; 
waarom wij op het juiste oogenblik wèl te letten hebben, waarop wij de lucht- 
verversching moeten bevorderen. 

De kasten, waarin men hiertoe van boven kleppen heeft, kunnen meer 
worden gelucht, zonder zoo naauwkeurig de luchtsgesteldheid in aanmerking 
te nemen, althans wanneer het niet te koud is. Maar, behalve de weinige 
uitwerking daarvan, levert dit middel eenige bezwaren op, en voldoet het niet 
zoo goed aan het oogmerk, als die middelen, welke wij, na ze den toets eener 
langdurige ondervinding te hebben doen doorstaan, thans zullen voorstellen. 

Bij warm en bedekt weder, na een' onweêrs regen, of zelfs terwijl nog een 
fijne warme regen valt, moet men niet aarzelen de ramen, ter wijdte van 
15 tot 18 duim te openen. Op deze wijze verleent men aan de buitenlucht 
den vrijen toegang gedurende twee of drie uren, of zelfs nog langer. Zijn de 
kasten naar twee zijden gebouwd, zoo opene men de ramen slechts aan de 
eene zijde, om togt voor te komen, welke steeds voor de planten schadelijk 
is. Deze luchtingen moeten overigens alleen dan plaats hebben, wanneer de 
thermometer in de buitenlucht minstens 18 graden teekent. 

Buiten en behalve dit, raden wij aan, de Orchideën-kasten gedurende de 
maand September te luchten, door de ramen, van 's morgens tien tot 
's avonds tegen vijf ure, 15 tot 18 duim wijd open te zetten; dit kan men 
ook nog doen gedurende de eerste dagen van October, tot zoo lang, dat, door 
het binnendringen der buitenlucht, de temperatuur in de kast beneden -h 15 
graden daalt; uu houdt men de ramen gesloten en begint men langzamerhand, 
aanvankelijk alleen des morgens, de kast te verwarmen. 

Deze wijze van luchten in de maand September is naar ons oordeel zeer 
aan te bevelen; behalve het voordeel dat men de lucht der kast zuivert, heeft 
zij ook nog dat, dat de planten hierdoor steviger en tot den op handen 
zijnde winter voorbereid worden. 

Als algemeene regel geldt, dat men zooveel frissche lucht iii de kast moet 
laten, als overeen te brengen is met het behoud der voor de Orchideën noodige 
vochtig warme atmospheer. Zelfs zal men in den winter, wanneer de temperatuur 
der buitenlucht niet te laag is, en bij helder zonnig weder, wèl doen met de 
Orchideën te luchten, door de binnendeuren der beide, aan de einden der kast afge- 
sloten gedeelten, te openen, en de buitendeuren gesloten of lialf geopend te 
houden. 



170 

Dit, dikwijls herhaald wordende, zal eenen gunstigen invloed op de planten 
uitoefenen, en de bedorvene en ongezonde lucht, die men in die kasten 
dikwerf inademt, verwijderen. Deze luchtverversching kan men gedurende den 
winter telkens herhalen, als de zon op de kast schijnt en de temperatuur daar 
binnen boven de 25 graden doet stijgen. Men lette echter hierbij op, dat de 
thermometer niet beneden +15 graden daalt; ook moet men de lucht niet 
te plotselijk en alleen door de geopende binnendeuren inlaten. 

In het algemeen moet er in de kast noch te veel warmte noch te veel 
vochtigheid heerschen, en niets is beter geschikt om de uitersten dezer beide, 
voor de plant noodzakelijke, vereischten te bedwingen, dan eene goed geregelde 
luchtve rversching. 

OVER DE SCHADELIJKE INSECTEN EN DE VERNIELING DAARVAN. 

De insecten die aan de Orchideën het meeste nadeel toebrengen , zijn de 
pissebedden, de bladluis , de slakken en de roode en witte acarus {white scale). 

De pissebedden worden in alle Orchideën-kasten gevonden; zij hebben het 
op alle deelen der plant gemunt, vreten de sponsachtige worteleinden af, 
knabbelen aan de oogen en de loten, aan de bloemknoppen en zelfs aan de 
knollen en bladen; ook de opgehangen blokken en mandjes zijn niet buiten 
haar bereik, niettegenstaande hunne vrije plaatsing; deze insecten loopen langs 
de ramen op, en laten zich dan op de plant vallen, waarop zij willen azen. 
Het is dus wezenlijk noodzakelijk haar eenen aanhoudenden oorlog te verklaren. 

Een algemeen gebezigd vernielingsmiddel bestaat hierin, dat men een aard- 
appel in tweeën snijdt, in het midden uitholt en dan met de vlakke zijde 
op de pot zet. Hierin vestigen zij zich gaarne en wanneer men 's morgens, 
bij het aanbreken van den dag, de aardappelen opligt, kan men er een aan- 
tal dooden. — Knollen, die men even als de aardappelen behandelt, of uit- 
gekookte beenderen geven dezelfde uitkomst. Echter gebeurt het dat deze 
middelen ontoereikend zijn, en dat zij op eene zoo sterke wijze toenemen 
dat het bezorgdheid voor de planten verwekt; is dit zoo, dan aarzele men 
niet tot hare vernietiging laauw water te bezigen. 

Men moet echter, voor men dit gebruikt, de planten in vier en twintig 
of acht en veertig uren niet begieten. Dan doet men water, hetwelk eene 
warmte van 35 graden heeft, in eenen bak en houdt er de pot tot op de helft 
harer hoogte in. Bijna onmiddelijk zullen de pissebedden en andere insecten, 
die in den zamengestelden grond verborgen waren, naar boven komen en zich 
zoeken te verwijderen, en op deze wijze zullen die, welke aan de hand ont- 
snappen, in het water vallen en gemakkelijk te vernielen zijn. 

Men begrijpt dat alle potten en mandjes op denzelfden dag op deze wijze 



171 

door de handen moeten gaan, en dat men de planten niet vroeger in de kast 
moet terugbrengen. 

Water van 35 en zelfs van 40 graden kan geeuerlei nadeel aan de planten 
veroorzaken, vooral wanneer men bedenkt, dat zulks hoogstens ééns in het 
jaar plaats heeft en dat de wortels niet meer dan vijf minuten er mede in 
aanraking zijn. Men moet zulks dan ook niet te dikwijls herhalen. 

De bladluizen zijn van eene donkere kleur en moeijelijk op de planten 
te vinden, aan welke zij aanmerkelijke schade kunnen berokkenen. Gelukkig 
kan men hun spoor op de potten en bladen volgen. Maar, daar men zou moe- 
ten gissen in welke pot zij zich verborgen hebben, moet men ze 's nachts 
zoeken op potten die zij reeds bezocht hebben, wanneer de terugkaatsing van 
het licht ze gemakkelijk zal doen ontdekken. 

De slakken gaan spoediger te werk dan de bladluizen; één nacht is 
voor eene slak voldoende om verscheidene bloemstelen af te knagen. Men 
moet dus, zoodra men haar spoor, dat veel breeder is dan dat van een 
bladbluis, 's nachts vervolgen. Ook kan men, om ze te vangen, in hare nabij- 
heid eene pot met zemelen plaatsen, en het zou eene zeldzaamheid zijn, indien zij 
zich, reeds in den eersten nacht, niet hiermede vangen lieten. 

Het toeval heeft ons een middel geleerd, om de bloemstengels voor de 
slakken te vrijwaren; dit bestaat in een looddraad, hetwelk men twee of 
drie malen om den stengel windt, met de twee afgebroken einden naar 
de basis gerigt. Dit looddraad moet den stengel niet knellen, maar integen- 
deel zich vrij kunnen bewegen en alleen door eene knoopachtige verhe- 
venheid van den stengel, of het uiterste van een schutblad opgehouden 
worden. Vreest nu de slak de aanraking van het lood, dat zij met 
zich mede voert? Of is er eene andere oorzaak die haar in hare opstijging 
belet? Wij weten het niet, maar dit is zeker, dat de slak altijd haar plan 
laat varen en de stengel behouden is. 

De roode en witte acarus zijn insecten, die voor de planten meest altijd 
doodelijk zijn, als men ze niet bij hun ontstaan vernietigd. Men bespeurt 
hunne tegenwoordigheid op de planten, alleen door roode en witte vlekken 
op de bladen. 

Zoodra men deze vlekken bemerkt, moet men de bladen met zeer slap 
zeepwater wasschen en daarna met bloem van zwavel bestrooijen ; den vol- 
genden dag wascht men ze weder, met eene half van zuiver Avater doortrok- 
ken spons, af; welke wassching gedurende twee of drie weken alle drie da- 
gen moet herhaald worden; wat noodig is om de eitjes, die zich nog op 
de plant kunnen bevinden, te vernietigen. 

Men moet met zeer veel oplettenheid de oksels der bladen nazien, en, zoo 
de insecten zich daarin reeds genesteld hebben, de plant uit de kast nemen, 



172 

de schubben en vliezen, die aan de basis der knol zitten, verwijderen, en 
deze laatste met een zacht borstelt] e schoon maken met zeepwater en daarna 
met zuiver water wasschen, zoo als boven is opgegeven. 

Wij hebben aanbevolen de planten uit de kasten te nemen, omdat dit in- 
secten-geslacht zeer gemakkelijk vermenigvuldigt; de eitjes zijn even als 
fijn poeder en uiterst ligt, zoodat de minste togt die over de planten zou 
kunnen verspreiden en alzoo de geheele kast aansteken. 

De liefhebbers die niet meer dan ééne kast hebben, kunnen de aangetaste 
planten naar een der einden brengen en haar met klokken of stolpen bedek- 
ken, totdat zij zien dat zij weder volmaakt gezond zijn. 

De witte acarus dringt zeer spoedig tusschen de knollen en de schub- 
ben en bederft of vernielt, na w'einig tijds, de oogen, die op 't punt staan 
zich te openen; dit, in één woord, is de meest te vreezen vijand voor de 
Orchideën. 

De Heer bate man geeft de volgende zamenstelling op van een bijzonder 
poeder, in de plaats van zwavel, om ze te vernielen: 

Laat een vierde Ned. Pond kamfer oplossen in eene halve pint wijngeest; 
het resultaat zal een uiterst fijn poeder zijn. 

Voeg er bij een half Ned. Pond fijne tabak; 
// // // // // // peper; 

// // // // // // zwavel. 

Bewaar dit in eene goed gesloten flesch en bestrooi er de planten mede, 
zoodra de insecten zich er op vertoonen. 

Wanneer deze insecten in eene kast verschijnen , zal het noodig zijn eenige 
ligte berookingen daarin te bewerken ; voordat men zulks doet , raden Mij aan , 
de planten gedurende vier en twintig uren niet te besproeijeu , daar anders 
de rook, wanneer hij op de vochtige bladen valt, die ligtelijk zou bederven. 

Deze berooking, tweemalen per maand, heeft ten doel de mannetjes dezer 
insecten, die in de kast rondvliegen, te dooden. 

De berookingen zijn ook onmisbaar als de plautenluis op de Orchideën 
verschijnt; in dat geval moet men 's avonds berooken en dit den anderen 
morgen herhalen, om datgene te vernietigen, wat den vorigen avond ont- 
snapt is. 

jNTog komen onderscheidene andere insecten op.de Orchideën voor, zoo- 
als de cochenille, eene platte en ronde luis, enz.; worden de planten daar- 
van aangetast, dan is dit alleen te wijten aan de zorgeloosheid van den 
kweeker. 

Als algemeenen regel kan men vaststellen, dat men de insecten en hunne 
onaangename gevolgen kan voorkomen , door zindelijkheid op kasten en planten. 

De beddingen moeten, wanneer zij van hout of steen zijn, dikwijls wor- 



173 

den afgewasschen ; zijn ze van rivierzand, zoo moeten zij minstens alle twee 
maanden omgeroerd en het groeijen van varens of andere planten daarop 
tegengegaan worden , die evenmin op de potten of mandjes der Orchideën moe- 
ten gezien worden. 

Ook de planken moeten goed in orde gehouden worden, zoo van onderen 
als boven op, en de potten die er op staan, moeten dikwerf worden ver- 
plaatst; ook moeten de voetpaden alle ochtenden worden schoon gemaakt. 

De bladen en knollen der planten moeten alle maanden met eene vochtige 
spons gewasschen worden. 

Ook moet men jaarlijks, tegen het begin van September, de regels en ra- 
men der kast doen schilderen; in één woord alle voorschriften der zindelijk- 
heid zorgvuldig in acht nemen, en men zal hierdoor niet alleen de insecten 
vermijden, maar de planten zullen meer kracht en gezondheid verkrijgen, 
en ruimer bloeijen; waardoor zij ruimschoots de maatregelen en zorgen, die 
men aan haar besteedde, betalen. 

VERMEERDERING EN BEVRUCHTING. 

De in ons klimaat gekweekte Orchideën kunnen niet, zoo als de meeste an- 
dere planten, worden vermenigvuldigd; sleclits zelden ziet men ze, uit eigene 
natuur, zaden voortbrengen, en die, welke men door kunstmatige bevruchting 
verkrijgt, kiemen slecht, of behooren tot geslachten die overvloedig genoeg 
door zij-loten kunnen vermeerderd worden, zonder dat men zijne toevlugt 
behoeft te nemen tot zaden. 

De vruchten der Orchideën zijn gevuld met een uiterst fijn poeder, en de 
voortbrengsels dezer zaden blijven in het eerste jaar buitengemeen klein. 

Wij hebben bij struiken, die wij van Brazilië ontvangen hadden, aaneen- 
schakelingen van knollen ontmoet, op denzelfden wortelstok, waar de eerste 
primitive de grootte van eene erwt had, terwijl de laatste 18 tot 25 Ned. 
duimen hoog en 4 tot 5 Ned. duimen breed was. — Van het eene einde 
des wortelstoks tot het andere hebben wij tot vijfenvijftig knollen geteld, 
waarvan de vier of vijf laatsten de eenige waren, die schenen bloemen te 
hebben voortgebragt. Deze opmerking betrof vooral de planten van de afdee- 
ling der Epide^tdreae ; wij gelooven dat er, na het ontstaan van eenen 
nieuwen knol, een jaar verloopen moet vóór het ontstaan van eenen volgen- 
den; dit althans merken wij in Europa op. 

Wij zijn dus van meening, dat, mogt men ook al volmaakt slagen in de 
kieming der Orchideën , men dit toch niet als het beste middel van vermeerdering 
zal kunnen beschouwen. Wij kunnen slechts één middel daartoe aanbevelen, 
't welk bestaat in de scheiding der knollen: eene bewerking welke men niet 



174 

moet verrigten , vóór dat het lot zeer sterk is , en het , zonder bezwaren voor 
den bloei , kan gescheiden worden. 

Men ziet dikwijls dat een lot, 't welk verscheidene oude knollen achter 
zich heeft, jaarlijks niet meer dan éónen nieuwen voortbrengt. Men moet zoo- 
danige plant, na den rusttijd, onderzoeken en zien of de oogen, die aan 
de basis der knollen voorkomen, geschikt zijn tot ontwikkeling. Niettegen- 
staande dat, kan het toch zeer wel gebeuren, dat, even als de vorige jaren, 
alleen de laatst gebloeid hebbende knol een lot voortbragt , door de sappen van 
al de anderen tot zich te trekken. In zoodanig geval moet men deze sappen ver- 
deelen, en aan den laatsten knop alleen zooveel vergunnen, als voor zijne voe- 
ding noodig is. Hiertoe nu make men eene insnijding in den wortelstok, op 
twee of drie knollen afstands van dien, welke gebloeid heeft. 

Over het algemeen gelukt deze bewerking reeds met het eerste jaar, ter- 
wijl, het sap eenmaal verdeeld zijnde, de plant in staat is om op verschei- 
schei dene plaatsen uit te spruiten. 

Zekere geslachten, zoo als Saccolahium, Vanda, Aërides, enz. geven knol- 
len in de oksels der bladen of op de knoopen van den wortelstok; men kan 
deze nieuwe planten, zonder gevaar voor de moeder-plant, daarvan afnemen, 
zoodra zij wortels gevormd hebben, terwijl zij dan slechts de gewone zorgen 
voor haren verderen groei behoeven. De soorten van P/ialaenopsis worden 
aangekweekt door den bloemstengel op het stuk hout te leggen en de laatst 
aan de basis grenzende knoppen met een weinig mos te bedekken; naarmate 
men dan ziet dat de nieuwe vorming volgt, moet de bloei onderdrukt 
woorden. De Oncidimn papiUo slaagt op dezelfde wijze; maar deze laatste is 
te gemeen, om er deze bewerking op toe te passen. 

Wij hebben gezegd dat de Orchideën slechts zeldzaam zich zelven bevruch- 
ten, waarom de liefhebbers en de kruidkundigen eene kunstmatige bevruch- 
ting te baat nemen. Dit is zeer gemakkelijk te doen. Het is hiertoe vol- 
doende het uiterste einde van de zuil, welke den helmknop bedekt, op te 
ligten, men neemt er met een fijn tangetje de pollen-massa uit, om die op 
den stijl over te brengen, en zoodra is het stuifmeel niet met den stempel 
in aanraking, of het wordt daardoor opgenomen en verdwijnt oogenblikkelijk '). 

Door behulp dezer kunstmatige bevruchting verkrijgt de Heer neuman, 
in den plantentuin [Jardin des plantes) te Parijs,- steeds van de Yanielje een 
aantal vruchten 2j. 



') Letterlijk vertaald. de vertaler. 

^) Het kan velen onzer lezers niet onbekend zijn, dat de kultnur der Vanielje, welke in onze 
O. I. I5e/ittingen , niettegenstaande de blijkbare gesi;hiktheid van den bodem, niet werd gekweekt, 
in de laatste jaren aldaar met het beste gevolg is bekroond geworden. — Het beeft aan de bekende 
activiteit van den Heer teijsmann, Hortulauns van 'sLands Plantentuin te Biiitenzorg, mogen 



175 

Deze bewerking kan zeer goed op planten van geringe waarde worden 
toegepast, maar wij raden liet af om hieraan zeldzame planten of voorwer- 
pen van groote waarde te onderwerpen ; immers , is eene bloem eenmaal be- 
vrucht, zoo verwelkt zij oogenblikkelijk ; terwijl, wanneer men het zaad laat 
rijp worden, men onvermijdelijk de plant noodeloos uitput. 

Men late dus de kunstmatige bevruchting voornamelijk voor kruidkundi- 
gen over, tenzij men het doel mogt hebben, met al de bijzonderheden eener 
plant bekend te worden. 

OPMERKL\GE?«' BETREFFENDE DEN BLOEI. 

De bloemen der boom-Orchideën zijn meestal zoo gerigt, dat men ze van 
beneden naar boven moet zien, terwijl zij, bij de aard-Orchideën, in de tegen- 
overgestelde rigting voorkomen. Dit moet men bij de bloeijende planten in 
acht nemen, en ze zoodanig plaatsen, als voor het gunstig voorkomen der 
bloemen het meest wenschelijk is. 

Eenige liefhebbers hebben, voor de in bloei zijnde Orchideën, eene afzon- 
derlijke inrigting [conservatoire), waar in liet midden trapsgewijs tafeltjes ge- 
plaatst zijn, waarop de planten met smaak gerangschikt worden. Men 
Incht hier 's avonds en 's morgens gedurende een uur en onderhoudt er eene 
gemiddelde temperatuur van H- 18 tot 20 graden. 

Uit deze handelwijze, om namelijk de bloeijende planten afzonderlijk te 
vereenigen, spruiten onderscheidene voordeden voort; behalve dat men ze 
aldus op eene schitterende wijze kan doen voorkomen, houdt men ze 
langer in bloei, en de bloemen zijn niet aan den vochtigen dampkring 
der kast blootgesteld, die eenen schadelijken invloed op haar uitoefent; de 
meeste groote bloemen toch, b. v. van Cattleya^ Laelia, enz., maar vooral 
van Phalaenopsis , worden ontwijfelbaar besmet door de droppels die zich 
op de bloembladen hechten. 

Ook vervroegt een te warme dampkring het tijdstip van de verwelking 
der bloemen , waardoor dus het genoegen der beschouwers verminderd wordt , 
die ze te beter en langduriger bewonderen kunnen, als zij ze kunnen be- 
schouwen op eene plaats , waar de lucht koeler en gemakkelijker voor de 
ademhalinc; is. 

Yerscheidene Orchideën, onder anderen vele O^ïCïWm?» '5, brengen bloemsten- 



gc'ltikken , om , door middel dezer kunstmatige bevruchting , daarvan iu ruime mate de schoonste 
en geurigste vruchten te oogsten ; zoodat het ons als zeer waarschijnlijk voorkomt dat weldra 
op Java deze kuituur , op groote schaal , meer algemeen zal worden ondernomen. 

Behalve te Parijs heeft men in onderscheidene Europesche tuinen, door deze bewerking, goede 
vruchten van deze plant verkregen. de vertaler. 



176 

gels van 2 tot 2| Ned. ellen lengte voort, welke men, niet zonder vrees 
van ze te zien kneuzen of breken , aan zich zelf kan overlaten ; men moet 
deze tegenhouden door middel van dubbele haakjes van gegalvaniseerd ijzer, 
die men naar welgevallen bewegen kan ; men zet er een stokje bij en laat 
den stengel groeijen tot op 35 duim afstands van het glas. Zij blijft door- 
groeijen tot zij zich vertakken gaat. Deze takjes zijn dikwijls zeer talrijk 
en bereiken eene lengte van 75 tot 90 Ned. duim. 

In eenige geslachten behoeven deze bloemstengels eenen geruimen tijd eer 
zij tot bloei komen : zoo , b, v, vertoont de Oncidmm pnlvinatum deze reeds 
in Januarij, terwijl de bloemen eerst in Junij of Julij ontwikkelen. 

Wanneer de knoppen gevormd worden, moet men den bloemstengel oprig- 
ten, de haakjes wegnemen, en haar tot op twee derden harer lengte aan 
een gegalvaniseerd ijzerdraad binden; dit ijzerdraad buigt men dan in de hou- 
ding, in welke men meent dat de bloemen 't best zullen voorkomen, die 
gedurende vijf of zes weken hare volkomene frischheid behouden. 

Eenige Orchideën bloeijen eene of twee maanden nadat de eerste bloemen 
verwelkt zijn, weder op nieuw; deze laatsten zijn niet zoo fraai, minder in 
getal en putten de plant zeer uit. Men kan dezen tweeden bloei echter voor- 
komen, door de planten in den toestand van rust te laten verkeeren, welke 
wij boven hebben aanbevolen. 

De Oncidmm papilio^ die slechts ééne bloem te gelijk voortbrengt, zal 
daarmede aanhoudend blijven voortgaan, totdat de plant geheel uitgeput is. 
Wij bevelen daarom aan, den bloemstengel, na het afvallen der derde bloem af 
te snijden, en wel onder den eersten knoop, nabij de basis, daar men anders 
weder eene vertakking te wachten heeft. 

De duur der Orcliideën-bloemen staat in verhouding tot den tijd welken 
de stengel behoeft voor zijne volkomene ontwikkeling; eenige planten bloeijen 
zeer spoedig, maar behouden de bloemen ook maar twee of drie dagen, an- 
deren bloeijen slechts één dag en nacht, zooals de Sohralia decora; weder 
anderen daarentegen geven bloemen , die elkander gedurende eene maand op- 
volgen , zooals sommige Maxillarias , Warrea IFallesiana , enz. ; en 
wederom bij anderen volgen de bloemen elkander aan denzelfden stengel 
op, zooals bij de meesten van 't geslacht Phajus, CyrtocJdhim , Cymhi- 
dmm, enz. 

Wij kunnen hier slechts algemeene voorbeelden opnoemen, en verwijzen 
overigens den lezer naar het tweede gedeelte van dit werk, hetwelk een 
overzigt dezer planten bevat, en w^aar wij zullen trachten de meest belang- 
rijke uitzonderingen aan te duiden. 

]De meeste Orchideën-bloemen hebben eenen aangenamen geur. Haar bij- 
zonder voorkomen, de verscheidenheid harer schakeringen en de stand en 



177 

vorm, waaronder zij zich aan het oog vertoonen, geven den liefhebber een 
ruim veld voor opmerkingen en waarnemingen, welke zijne belangstelling 
steeds zullen doen toenemen. 

Ook gelooven wij dat geene andere planten-familie, bij een zoo groot aan- 
tal geslachten, soorten en verscheidenheden, bloemen oplevert van zulk eenen 
bijzonder afwijkenden vorm en zulke schitterende, in glans onovertroffen 
kleuren. 

Wij zullen hier ons overzigt van de behandeling der Orchideën eindigen. 
Wij laten er ons niet op voorstaan onveranderlijke regels voor hare kuituur 
te hebben gegeven; wij hebben alleen datgene willen mededeelen wat onder- 
vinding en goede uitkomsten ons noopten anderen aan te bevelen. Daarom 
stellen wij de door ons gebezigde middelen voor aan hen, die er belang in 
stellen gezonde, krachtige en fraaije planten te bezitten. 

Hebben wij hiermede voor de liefhebbers iets nuttigs uitgerigt en den 
smaak voor deze schoone planten helpen bevorderen, zoo zullen wij het door 
ons beoogde doel bereikt hebben, en het zal ons niet berouwen een werk te heb- 
ben ondernomen, waarvoor wij met bescheidenheid de toegevendheid onzer 
lezers inroepen. 



TWEEDE GEDEELTE. 



BESCHRIJVENDE LIJST VAN ORCHIDEÉN. 



Wij hebben de hoofdvereischten voor de Orchideën-kultuur vermeld, en 
wensclien nu ons werk te voltooijen, door aan de bemiunaars op te geven, 
welke onder deze planten het meest aanbevelenswaardig zijn en verdienen 
gekweekt te worden. Wij hebben ze daarom in drie klassen verdeeld: 

De schoonste soorten; die namelijk, welke door de fraaiheid en het aantal der 
bloemen ofwel door haren geur uitmunten, hebben wij aangeduid door de letter A. 

Die, welke in de bovengezegde eigenschappen daarop volgen, door B 

En eindelijk de weder minder fraaije door de letter C 

Al die planten, welke men kan verwerpen, om de onbeduidendheid harer 
bloemen, doen wij kennen door de letter D 

Bij deze verdeeling hebben wij ons gehouden aan den algemeenen smaak; 
ook gelooven wij dat er bij die planten, welke wij geene aanbeveling waardig 
keuren, maar zeer weinige zullen zijn, die bij de derde afdeeling zouden 
kunnen gevoegd worden. 

Vele liefhebbers worden van het bijeenbrengen eener verzameling terugge- 
houden, door de moeijelijkheid welke hierbij bestaat in de keuze der soor- 
ten. — De een kiest op de catalogussen der handelaars de duurste, de 
ander daarentegen de goedkoopste uit. De een zoowel als de ander kan 
zich teleurgesteld zien, en het is om hun berouw of bedrog te besparen, dat 
wij dit overzigt aanbieden. 

Zeker is het toch, dat eene kleine maar uitgelezene verzameling behagelijker 
is dan eene groote, doch waar men minder streng in de keuze der soorten 
was. — Hoe groot of klein ook de verdiensten der Orchideën zijn, welke 
men kweekt, zij vragen dezelfde zorgen en vereischen dezelfde kosten voor 
haar onderhoud; er kan dus geenen twijfel bestaan omtrent de keuze van die, 
welke bij voorkeur in de kasten moeten opgenomen worden. 

Deze beschrijvende lijst heeft ons buitendien nog gelegenheid gegeven, niet 
alleen om bij ieder geslacht de doelmatigste kweekwijze op te geven, maar 
ook om de uitzonderingen bij die planten mede te deelen, welke eene 
bijzondere behandeling behoeven. 



179 

Wij hebben, waar ons dit mogelijk was, bij iedere plant de werken opge- 
geven waarin zij beschreven zijn; die, welke wij geraadpleegd hebben, zijn 
Botanical Register, Flore des jardins de van Houtte, Genera and species Or- 
chidaceous plants, enz.; maar dat, hetwelk ons het nuttigst is geweest en het 
meest onzen arbeid heeft verligt, is het Orchideën-werk van den Heer lyons, 
die zelf eene beschrijvende lijst heeft daargesteld, waar de planten echter 
niet naar hare bijzondere verdiensten geordend zijn, — Onze lijst bepaalt zich 
bij ongeveer 550 soorten en verscheidenheden. 

Wij hadden met het aanduiden der werken, waar de planten beschreven 
of afgebeeld zijn, ten doel, de liefhebbers in staat te stellen, zich van de 
juistheid onzer beschrijving en onzer keuze te vergewissen, en hun een vaak 
vervelend en vermoeijend zoeken voor te komen. 

Een zeer schoon plaatwerk, de Pescaiorea, waarvan de eerste aflevering 
bereids verschenen is i), zal deze Orchideën-lijst aanvullen, terwijl daardoor 
tevens die soorten bekend zullen worden, welke nteerendeels door den Heer 
T.iNDEN, een der beroemdste verzamelaars van Europa, ingevoerd zijn. 



VEEKORTINGEN. 



BR. Botanical Register. 

BM. Botanical Magazin. 

Sert. O. Sertum Orchidaceum. 

VH. Fl. riore des jardins de rEnrope , van 

Houtte. 
EBR. Edimtonrgs Botanical Review. 
Bat. Bateman . 



Fax. Paxtons Register. 

BC. Botanical Cabinet. 

Porff. Portefeuille des horticulteurs. 

EF. Exotic flor. Hooker. 

CB. Collections botaniqnes de Lindley. 

MB. Magazin of botanie, door Paxton. 

G. et S. Genera and Species. 



ACAXTHOPHIPPIUM. Blume. Aard-Orck 

— bicolor [tioeeJcleurig). Cejlon. BR. 1730. *• 

De bloemen hebben eenen rondachtigen vorm en eene fraaije oranje 
kleur, de uiteinden der bloembladen zijn purper of donkerrood gevlekt. 

— JaTanicuin {van Java). Batavia. BM. ^* 

De bloem- en kelkbladen zijn bleek geel, met purper gestreept en ge- 



') Sedert de Schrijver zijn werk daarstelde, zijn reeds meerdere afleveringen van de Fesrnforea 
verschenen , die in kenrigheid voor deze eerste niet onderdoen. de vertai.kr. 



180 

vlekt. Het lipje smal, van eenen bijzonderen vorm en van verscheidene 
omgebogen tanden voorzien; de grond is bleek geel met purper gevlekt. 

A. strlatnm [gestreept). Lindlej. Nepaul. BB. 1838.68. C. 

Het bloemdek is doorschijnend wit, aan de basis ligt purper ge- 
streept; het lipje rijk met purper gespikkeld. 

— §ylhetense {van Sylhet). Sylhet. Lindley. G. et S. 177. if. 

Het bloemdek is room-wit, met rooskleurige tint. 

De bloemen komen bij de soorten van dit geslacht aan den voet der 
knollen te voorschijn en staan op korte bloemstelen. Deze planten moeten 
in gedraineerde potten gekweekt worden, in eenen rijken grond, zamengesteld 
uit hei-aarde en verteerden bladgrond, met potscherven vermengd. Zij 
moeten, gedurende haren rusttijd, bijna droog gehouden, en, wanneer 
zij gaan ontwikkelen, in het warmste gedeelte der kast geplaatst worden. 
Dan begint men ze Ijgtelijk te bevochtigen, en men vermeerdert de be- 
gietingen, naarmate de nieuwe loten in kracht winnen. Zij beminnen, 
vooral als zij beginnen uit te groeijen, warmte aan den voet. 

ACrXETA. Lindley. Boom-Orch. 
Van AKiNETA, onbewegelijk. 

— Barkeri [toegewijd aan Barker). Mexico. BR. 1843.99. B. 

Syn. Peristeria BarJceri. Bateman. 
Met gele bloemen, die in trossen naar beneden hangen. 

— Uumboldtii [toegeio. aan von Humboldt). Venezuela. BR. 1843.18. A. 

Syn. Peristeria Huynboldtii. Lindley. 
Anguloa suberba. Lindley. 
De bloemen zijn groot en verschillend gevlekt, de hoofdkleur echter 
is eene rijke schakering van chocolade. 

Deze planten moeten in opgehangen mandjes gekweekt worden, ten 
einde den vrijen doortogt te verleenen aan de bloemen, welke in eene 
benedenwaartsche rigting groeijen. Zij behoeven, in geen tijdvak harer 
ontwikkeling, overvloedige begieting. 

At:KOP£RA. Lindley. Boom-Orch. 

Van ACEOs, uiterste einde en pera, klein zakje. 

— luteola [geel). Mexico. Hort. C. 

Syn. Lutea. 
De bloemen, die in groot aantal in trossen nederhangen, zijn oranje- 
geel en zeer welriekend. 

— liOddigesii [toegew. aan Loddiges). Mexico. BM. 3563. C. 

Syn. Maxillaria galeata. BC. 
De bloemen zijn bleek geel, met purper gevlekt. 



181 

Van deze soort zijn verscheidene variëteiten , te weten : 
A.. li. anrantlaca. 

— — aurea. 
fusca. 

— — purpurea. 

Zij verscliillen alleen door de schakeringen harer kleuren. 

Deze planten spruiten gemakkelijk uit, en zijn eigenaardig door den 
vorm der bloemen, die eenen aangenamen geur verspreiden en in trossen 
afhangen. Zij worden in opgehangen mandjes of in potten gekweekt, en 
men moet ze, zoodra de knollen gevormd worden, ruim besproeijen. 

iERIDEü. Schwartz. Boom-Ore A. 
Van AER, lucht. 

— affine {verwantschap hehhenclé). Sylhet. Wallich. BR. 1841. a.. 

Sjn. B pidendrum geniculatum.. 
Met zeer schoone rooskleurige bloemen, rijk met donkere vlekken be- 
dekt, welke in sierlijke trossen nederhangen. 

— Brooklf. {naar W. Brook). Bombaj. BR. 1841.126. A. 

Syn. crispum BE. 1842.55 
Met een wit bloemdek, met eene ligt-purpere tint naar het midden; 
het lipje is aan zijnen top bleek purper gestreept, terwijl het naar de 
basis eene rijke en levendige schakering verkrijgt. Deze soort is eene der 
schoonste van het geslacht. Hare lange bloemtakken maken eene bewon- 
derenswaardige uitwerking. Zij moet nooit, zelfs niet in haren rusttijd, 
droog gehouden worden. 

— cornutum {gelioorncl). Lindlej. Roxburg. 1485. A. 

Syn. odoratum. BM. 4139. 
De bloemen zijn zacht rooskleurig, van den top van het bloemdek tot 
aan de basis steeds in donkerder overgaande. De reuk is zeer aangenaam. 
Deze soort geeft een aanzienlijk getal bloemen, die van langen duur zijn. 
Zij wordt niet gemakkelijk vermenigvuldigd, daar de plant zeer sterk 
moet wezen wil zij zich vertakken. 

— quinquevulnerum. {met vijf vlekken). Philippijnsche Eilanden. Sert. 

O. 30. A. 

De bloem- en kelkbladen zijn witachtig, ligtelijk met purper gevlekt; 
zij hebben aan de uiteinden eene vlek van fraai purper-violet; de zijde- 
lingsche lobben hebben eene zwakke purper- tint en purpere vlekken; het 
lipje is in het midden rijk donker karmozijn gekleurd. 

— tessellatum {dobhelsteen-vormig). Oost-Indië. Wight. Cat. 7318. A. 



182 

Syn. Epidendrum tesscllaium Roxhurgk. 
Cymbidmm tessellatum, ScJmartz. * 
Met groote rijk met wit, bleek groen en purper geschakeerde bloemen. 
Zij zijn echter minder welriekend dan van de vorige soorten. 

M. virens {^net groene hladeoi). Java. BR. 1844.41. A. 

Het schitterend groen dezer plant, waaraan zij haren naam ontleent, 
vermeerdert hare fraaiheid. De bloemen zijn roomwit, 't welk in eene 
donker purpere vlek eindigt; het lipje is karmozijn gestippeld. Hare reuk 
is bijzonder sterk. 

De planten van dit geslacht moeten gekweekt worden op groote stuk- 
ken hout of in houten mandjes met tusschenruimten; de mandjes moeten 
diep zijn, zijnde de wortels grof en ligt tot' vertakking geneigd. Zij 
vereischen warmte, vooral bij hare ontwikkeling; wanneer zij ook langza- 
merhand ruimer moeten begoten worden. 

AGAWI§TA. Lindley. Boom-Orch. 
Yan AGANOS, begeerlijk. 

— pulchella [fraai). Demerarj. BM. BR 1840.32. A. 

Het bloemdek is fraai schitterend wit; het lipje geel, met purpere 
vlekken aan de basis. 

Dr. LINDLEY zegt dat men, om deze plant te kweeken, haar op een 
stuk hout moet plaatsen, 't welk men boven in de kast hangt, omdat men 
hare dikke vleezige wortels vrij moet laten hangen, die de vochtig- 
heid der kast zich ten nutte maken; ook is het noodzakelijk, wan- 
neer de plant in ontwikkeling is, de bladen en wortels overvloedig te 
spuiten. 

AGRAECUW. Thouars. Boom-Orch. 

Van ANGUREK, de Indische naam dezer plant. 

— eburneum [van ivoor). Eiland Bourbon. Thouars. Orch. afr. t. 65. 
BR. 1522. A. 

Syn. Limodor^tm eburneum. Willdenow. 
Acrohion eburneum. Sprengel. 
De bloemen zijn blinkend groen; het lipje is wit en gepolijst als ivoor, 
waarvan de soort haren naam ontleent; deze plant, sterk zijnde, bloeit 
overvloedig, en de bloemstengels, die bijna de lengte van eene N. Eibe- 
reiken, hebben een fraai voorkomen. 

Zij moet, in de kast, op eene warme plaats in goed gedraineerde potten 
gekweekt worden. 

— fUstichum [iweerijïg). Sierra Leona. BR. 1781. C 



183 

De bloemen zijn sneeuw-wit; het gele lipje, waarop een' daauwachtigen 
weerschijn ligt, maakt eene fraaije uitwerking. 

Zij wordt op eene warme plaats en op hout gekweekt. 
A. saperbum. Madagascar. Thouars. Orch. afr. t. 62, 63, 64. a. 

Sjn. virescens Lindlej. 

Acrobion su2)erbum Sprengel. 
Deze soort verschilt slechts weinig van de eburneian; het lipje is hoe- 
kiger; zij wordt op dezelfde wijze gekweekt. 

Wij laten hier de verschillende soorten van Angnecum, zonder beschrij- 
ving, volgen, daar deze planten in geenerlei opzigt tot opluistering 
eener kast kunnen bijdragen. 



A. michrantam. 

— odoratum of fragrans. 

— obtusnm. 

— pellncidam. 

— pertusum. 

— scriptum. 

— sabulatnm. 

— tcretifolium. 

— vesicatum. 



A. armeniacum. 
bilobnm. 

— caudatum. 

— falcatum. 

Syn. (Eceoclades falcata. 

— glandifolium. 

— guttatum [Sarcaftthus). 
laridum. 

— maculatum. 

Syn. (Eceoclades maculata. 

A1VGVL.OA. Ruiz et Pavon. Booin-Orch. 

Toegewijd aan Dom Erancisco de Angulo. 

— Clowesii [toegewijd aan J. Clowes). Colombia. BR. 1844.63. a. 

Met groote schoone bloemen van eene fraaije citroengele kleur, met 
een zuiver wit lipje. 

Wordt in eene pot gekweekt, bij matige warmte. 

— Riickerii [toegewijd aan RücJcer). Mexico. BR. 1846.41. A. 

Het bloemdek is groenachtig-geel, aan de binnenzijde overvloedig met 
donker karmozijne stippels gevlekt. De bloem heeft eenen geur als Lycaste 
aromatica. Men kweekt deze plant in potten. 

— superba Peru. Humboldt et Kunth. G. et S. 160. C. 

Syn Periqjiito Hispanorum. 
De bloemschacht is kort met weinig welriekende bloemen van eene 
rijke karmijn-schakering. Zij vereischt matige warmte, en wordt in eene 
pot gekweekt. 

— uniflora {met éêne bloem). Colombia BR. 1844.60. B. 

Met eene groote witte bloem, waarin eene ligt-gele tint ligt; zij heeft eenen 
zoeten, aangenamen reuk. Zij wordt in eene pot gekweekt, bij matige warmte. 



184 

JL^CECTOCHILUS. Blume. Aard-Orch. 

Yan AisroiKTOs, open, cheilos, lipje. 

— Lobbianus [toegewijd aan Lohh.). vau Houtte. 1849. t. 519. A, 

De kelkbladen groen, de bloembladen wit met eene rooskleurige tint; 
het lipje is wit, zeer verlengd en aan de basis met franje bezet. 

De bladen hebben veel overeenkonst met die van A. setaceus\ zij ver- 
schillen er van door eene breede kopergele vlek, die het midden gedeelte 
van het blad, in zijne geheele lengte doorloopt. 

Het zijn zeer fraaije planten. 

— Porteanus [toegeioijd aan Porte). Bahia. Hort. A. 

De bloemen zijn groenachtig, klein, met een wit lipje. De bijna ronde 
bladen zijn op eene eigenaardige wijze met bruin, geel en rood gemarmerd. 

— setaceus [met franje bezet). Ceylon. BR. 2010. A. 

De kelkbladen zijn groen met eene roode tint; de bloembladen en 
het lipje wit. De bladen, die buitengemeen sierlijk zijn, zijn donker groen, 
koperachtig fluweel waarover een sierlijk geteekend net van goud ligt. 
Het is eene bewonderenswaardige plant; op Ceylon geeft men haar den 
naam van Koningin der bosschen. 

Deze planten, welker bloemen weinig beteekenend zijn, verdienen vooral 
aanbeveling om de schoonheid harer bladen. Zij moeten in potten gekweekt 
worden, in een mengsel van turf-aarde en sphagnum; de pot moet van 
onderen warm, en de plant onder eene stolp gehouden worden; men moet 
ze niet te veel bevochtigen, en vooral moeten de bladen hierbij verme- 
den worden. Zij moeten nimmer aan sterk licht blootgesteld zijn. 

Zij komen voor op zeer schaduwrijke plaatsen in de wouden. 

AXüEliLIA. Lindley. Boom-Orch. 

Toegewijd aan den Heer Ansell. 

— africana [van Africa). Sierra Leona. BB. 1846.30. A. 

De bloemen vormen eenen pluim; de grond is bleek geel, met donker 
purpere vlekken; de bloerastengels hangen over. 
Het is eene zeer schoone plant; die op hout gekweekt moet worden. 

APORU9I. Blume. Boom-Orch. 

Van dit geslacht is, tot hiertoe, nog ^^ene, aanbevelenswaardige soort 
bekend; wij vergenoegen ons dus met alleen de namen op te geven. 

A. anceps. Manilla BM. 3008. 

Syn. Bendrohium anceps. 

— indiTlsum. Blume. 
ARPOPHYIiLilJM. La Llave. Boom-Orch. 



A. leonis. Lindley. 

— lobatum. Blume. 

— sinuatum. Lindley. 



185 

Wij keuren dit geslacht niet meer aanbeveling waardig dan het voor- 
gaande. Het bestaat uit deze soorten: 

A. giganteum. Mexico. 

— sqaamosnin. 

— spicatum. La Llave. 

ARUaVDOJTA. Blume. Aard-Orch. 
Van AEUNDO, riet. 

— bambusifolia {^net ba?nboes-bladen). BR. C 

Sjn. Cynibidmm hamhusifolium. 
Bïetia graminifoUa. 
De bloemen hebben eene zachte rooskleur; het lipje is rijk purper 
karmozijn; zij wordt in potten gekweekt, en vereischt, tijdens hare ont- 
wikkeling , veel water. 

— densa {digt). Singapora. BR. 1842.38. C. 

Het bloemdek is rooskleurig; het lipje bruin met gele strepen; de 
bloemen hebben eenen aangenamen geur. 

Zij wordt als de voorgaande gekweekt, en moet ten allen tijde voch- 
tig gehouden worden. 

— Sinense [van China). A. 

Dit geslacht wordt gekweekt als Bletia. 

ASPASIA. Lindley. Boom-Orch. 

Van ASPAZOMAi, elkander omhelzen. 

— epidendroïdes. Colombia. BM. 3962. C. 

De kelkbladen zijn geel , met bruin gespikkeld ; de bloembladen ligt pur- 
per-kleurig, een weinig met het groen der buitenzijde vermengd; het 
lipje, 't welk tot aan het midden wit is, eindigt in eene purpere schakering. 

Deze plant vereischt niet veel warmte, en mag bij schoon weder vrije 
lucht hebben. 

— lunata. Rio Janeiro. Lindley. BR. 1844.49. B. 

Syn. odorata. Portf. 

Het bloemdek is groenachtig geel met helder-gele stippen; de bloem- 
en kelkbladen zijn betralied en roetkleurig; het lipje is wit, met eene 
breede maanvormige vlek in het midden. 

Wordt in mandjes gekweekt. Matige warmte. 

— varlegata {bont). Panama. BM. 3679. C. 

De bloemen zijn groen-achtig met roetkleurige stippels; het lipje is 
~ wit met eene rooskleurige tint en eene donker purperkleurige vlek; 
zij is, vooral 's morgens, welriekend. 



186 

Deze plant wordt gekweekt in opgehangen mandjes of op hout, 't welk 
men goed van mos voorziet. 

Dit geslacht nadert aan Miltonia. 

BARHERIii.. Kuowles et Westcott. Boom- Ore k 
Toegewijd aan W. Barker. 

— elegans {sierlijTc). Mexico. BM. 4784. A. 

Het bloemdek is zacht lila-rooskleurig; het lipje horen vormig, met 
eenen witten grond en eene violet-purpere vlek aan de basis; van boven 
goudgeel gespikkeld. 

Deze plant is nog zeldzaam en moeijelijk om aan te kweeken. 

— liindleyi [toegewijd aan Lindley). Costa Rica. BR. 1842. 5. A. 

Het bloemdek heeft eene rijke, donkere purper-kleur; het lipje 
eveneens, maar is nog hooger gekleurd, uitgezonderd in het midden, 
waar het bijna wit blijft. De bloemen zijn van langen duur. Het is eene 
zeer schoone plant. 

— melancaiilon. Mexico. 

— §kinnerii {oiaar Skinner). BM. 4094. 

— spectabllls {bewonderenswaardig). A. 

Eene zeer schoone plant. Hare bloemen zijn schitterend lila; het lipje, 
dat aan de basis en in het midden wit is, is lila aan de punt, en aan 
de randen rijk met kleine bloedroode vlekken bedekt. 

De planten, die tot dit geslacht behooren, kunnen op hout, of ook 
in mandjes gekweekt worden, maar men voege er wat meer mos bij. Zij 
vereischen geenen zeer hoogen warmtegraad en moeten, wanneer het we- 
der daartoe geschikt is, vrije lucht ontvangen, waartoe men ze bij een 
geopend raam plaatst. 

BAT£9IA:KIA. Lindley. Boom-Orch. 
Toegewijd aan J. Bateman. 

— €olleyf [naar den Heer Colley). Demerary. BR. 1714. C. 

De bloemen zijn inwendig purper; met het groen der buitenzijde ver- 
mengd; het lipje is wit, met purpere en roode stippels. Wordt in pot- 
ten gekweekt. 

BIFREIVARIA. Lindley. Boom-Orch. 

Van BIS, dubbel, en frenum, toom. 

— atropurpurea [donher pirper). Rio Janeiro. BR. C. 

Syn. Maxillaria atropurpurea. BC. 1877. 
De bloemen zijn donker purperkleurig en hebbeu eenen aangenamen 
reuk. — De plant wordt in eene pot gekweekt. 



187 

B. auranfiaca [oranjeJcleurig). Demerary. BB. 1875. C. 

De bloemen zijn hoog oranje-geel met bruine spikkels. 

— aureo-fulva [bruin vergtild). Brazilië. BR. C. 

Syn. Maxillaria stenopetala. 
De bloemen zijn groot en hebben eene oranjekleur met bronzen weerschijn. 

— inodora [reukeloos], Brasilië. BR. CJ. 

Met groote groene bloemen ; het lipje schitterend violet. 

— HadTi'enil [naar den Heer Hadwen). Eio Janeiro. BM. 4629. A. 

Het bloemdek is groen, met roetkleurige stippels; het lipje fraai wit, 
met levendig rosé gevlekt. De bloem is zeer schoon. 

— racemosa [takkig). Brazilië. BR. 1566. D. 

Heeft kleine, groenachtig gele bloemen, met een karmozijn lipje. 

— Titellina {eigeel). Brazilië. BR. 1839.12. ». 

Syn. Maxillaria vilellina. 

Met kleine donker gele bloemen; het lipje heeft in het midden eene 
bruine vlek. 

Dit geslacht Avordt, even als de Maxillaria' s, waar het vroeger toe 
behoorde, in potten gekweekt. 

BIjETIA. Ruiz et Pavon. Aard-Orch. 

Toegewijd aan Dom Louis Biet. 

— acutipetala [met puntige bloembladen). Carolina. BM. 3217. C. 

De bloemen zijn bleek rooskleurig, het lipje purper rosé met geel aan 
de basis. 

— alata. 

— campanulata. Mexico. Llave. Nov. Veg. 2. 17. C. 

De bloemen zijn purper violet, aan de onderzijde wit en het lipje is 
wit met violet. 

— florida [bloeijend). Trinité. Brown. BR. 1401. CJ. 

Syn. Cymbidium fioridum. 
Gyas Jlorida. 
Bletia pallida. BC. 629. 
De bloemen zijn ligt vleeschkleurig , het lipje wit met gele strepen. 

— coccinea [helder rood). Mexico. Llave. Nov. Veg. 2.16. C. 

De bloemen zijn wollig, en van eene levendig roode kleur. 

— gracilis [tenger). Mexico. BC ei BR. 1581. D. 

Het bloemdek is bruinachtig geel, het lipje vleeschkleurig en aan de 
bovenzijde karmozijn-rood geaderd; het overige is groen. 

— gnineënsis [van Guinea). Sierra Leona. D. 



188 

De bloemen zijn purperkleiirig en klein. 

B. JHLavanensis [van Havana). D. 

De bloemen zijn abrikoos-kleurig. 

— hyaclnthlna [Hyacinth-vormig). China. BM. 1492. B. 

Syn. Limodorum striatum. 
Upidendrum striatum. 
Cymbidmm striatum. 

n hyacinthinum. 

Gyas humilis. 
De bloemen zijn fraai purperrood met lila weerschijn; het bleekroode 
lipje is donker karmozijn gespikkeld. 

Deze plant behoeft niet veel warmte en kan in eene gematigde kast 
gekweekt worden. 

— Parkinsonli [toegewijd aan Parkinson). Mexico. BM. B. 

Met kleine rooskleurige bloemen; het lipje rood en geel gestreept. 

— pallida [bleek). Havana. B. 

Deze plant is van geen aanbelang. 

— patuia [met openstaande bloemen). Sint Domingo. BM. 3518. C. 

Paarsche bloemen met een wit lipje. 

— Ühepherclii [naar Schepherd). Jamaica. BM. 3519. C 

De bloemen zijn donker purper; het lipje is van uit het midden met 
gele, ineengevlochten strepen bezet. 

— verecunda [stemmig). West-ïndië. B3I. 980. C 

Syn. Limodorum alttim BM. 

II verecundum Schwartz. 

// tuberosum Jacquin. 

// trifidum Jacquin. 

// purpureum. 

Cymbidium verecundum Schwartz. 

// altum BM. 

Gyas verecunda Salisbury. 
De kelkbladen zijn rooskleurig; de bloembladen purper, het lipje purper 
en geel gestreept. 

Wij halen hier het volgende van den Heer paxton aan: 
//Om in de kweeking der aard-Orchideën te slagen, moet men naauw- 
'/ keurig letten op den invloed van de vier hoofd- elementen der plan- 
'/ten, namelijk: lucht, licht, warmte en water. 

'/ LucU. — Welk weder het ook zijn moge, de aard-Orchideën moeten nooit 



189 

/'veel aan de buitenlucht blootgesteld zijn; en om, bij zonnig weder, 
"te groote warmte in de kast te voorkomen, moet men die alleen be- 
"schadu\^en. 

I' Licht. — Dit moet bij zonnig en warm weder door beschaduwing ge- 
//temperd worden; in den winter kan helder licht niet dan zeer voor- 
/'deelig voor de planten zijn. 

// Warmte. — Gedurende de ontwikkeling moet men de temperatuur op 25" 
/'tot 30" houden, en, zonder bezwaar, zelfs nog hooger; terwijl zij, gedu- 
" rende den rusttijd, niet lager dau 12o en niet hooger dan 16" tot 18" 
"zijn mag. 

// Water. — Door het misbruik van dit element veroorzaakt men meer 
/' schade aan de planten, dau door dat van de drie anderen te zamen. 
/'Wanneer de Orchideën in staat van ontwikkeling verkeeren, moeten zij 
//met orazigtigheid bevochtigd worden, en wanneer zij in rust zijn, be- 
" hoeven zij weinig of geen water. Het geheim om de planten wel te 
//doen ontwikkelen, bestaat in het behoud der oude wortels, die onmis- 
//baar sterven, indien men de plant te veel water geeft op eenen tijd 
//wanneer zij niet in werking is." 

Deze planten worden in potten gekweekt, in een mengsel van zandige 
hei-aarde, verteerde bladgrond en potscherven, met eene goede drainering. 

B0LBOPHTLL.UM. Thouars. Boom-Orch. 

Van BOLBOS, bol en PHYLLON, blad. 
Wij kunnen van dit geslacht geene soort aanbevelen, daar de bloemen onbe- 
duidend of microscopisch klein zijn. Wij volstaan daarom met eene opgave. 
B. apiferum. i b. coccineum. BR. 1964. 



— bicolor. 

— barbigerum. BR. 

— bracteolatum. Lindley. 

— calamaria. BM. 40S8. 

— Careyanum. BM. 4466. 

Syn. Anisopetalum Careyanum. 

— cnpreuni. BR. 

Deze planten worden op hout gekweekt. 
BRASSATOL.A. Brown. Boom-Orch. 

Toegewijd aan den kruidkundige Antonio Brassavola. 

— cucullata {vermomd). West-Indië. E. Brown. 216. C. 

Syn. Epidendru7)i cucullatum. BM. 
Cymhidium ciicvMatum Schwartz. 



cjlindricum. 
flaTidum. BR. 
leopardinum. BR. 
recurvuni. 

saltatorium. BR. 1970. 
setigerum. Lindley. 
sordidum. BR. 



190 

De bloemen zijn oker-geel, met een wit lipje; zij bevelen zich vooral 
aan door haren geur. 

B. Digbayana [naar den Heer Bigly). Honduras. BR. 1846.53. A. 

De bloem is zeer groot; het bloemdek bleek groen; het lipje, dat een 

groot gedeelte van het midden der bloem bedekt, is wit met eene groene 

tint in het midden en naar de basis en omgeven door lange witte franje; 

Deze bloem verspreidt eenen aangenamen geur. 

De knollen en bladen dezer soort gelijken op die van Cattleya. 

— glauca [zeegroen). Mexico BR. 1840.44. f). 

De bloemen zijn bleek groen met een groot wit lipje, haar geur is 
zeer aangenaam. 

Men moet zorgen de bloemstelen, wanneer die verschijnen, niet te be- 
vochtigen, daar het water dezelve gemakkelijk bederft. 

— nodosa [Jcnoopig). Bahia. BR. 1475. fj, 

Syn. E])idendrum nodosum Linn. 

Cymbidium nodos2im Schwartz. 
Met groote bloemen; de bloem- en kelkbladen zijn wit, naar de basis 
in geel overgaande, het lipje is sneeuwwit. Zij zijn, vooral 's avonds, zeer 
welriekend. 

~ venosa [geaderd). Honduras. BR. 1840.39. CJ. 

Met een groen bloemdek; het lipje is wit en sterk geaderd; de bloemen 
geven, in 't bijzonder 's avonds, eenen sterken geur. 

Dit geslacht bevat nog verscheidene minder aanbevelenswaardige soor- 
ten, waarvan hier de namen volgen: 

B. angustata. BR. 

~ cordata. BR. 1914. 

— cuspidata. BM. 3722. 

— elegans. 



B. Jüartiana. BR. 

- Perrinii. BR. 1561. 

- subulifolia. Lindley. 
tuberculata. BM. 2887. 



De planten, welke tot dit geslacht behooren, kunnen in opgehangen 
mandjes gekweekt worden, hoewel zij over 't algemeen beter op hout ge- 
lukken; zij hebben, wanneer men krachtige exemplaren heeft, welke ver- 
scheidene bloemstengels kunnen voortbrengen, een aangenaam aanzien. 

BRA§§IA. Brown. Boom-Orcli. 

Toegewijd aan den Heer Brass, botanisch reiziger. 

— brachiata [getakt). Guatemala. BR. 1847.29. C. 

Syn. Brassia Wrayae. 
Oncidium Wrayae. 



191 

De bloem- en kelkbladen zijn smal en zeer lang, groenachtig geel met 
eenige bruine vlekken; het lipje is breed en groen gespikkeld. 

B. caudafa [gestaart). TVest-Indië. BM. 3451. C. 

Syn. Epidendrum caudatiivi Linn. 
Malaxis caudata Willd. 
De bloemen zijn groen; de bloembladen zijn veel langer dan de kelk- 
bladen en bereiken eene lengte van 5 a 6 duimen, van welke bijzonder- 
heid de plant haren naam ontleent. 

— lianceana [iiaar Lance). Demerary. BR. 1754. C). 

De bloemen zijn groenachtig geel, bruin gevlekt en zeer welriekend; 
de plant vereischt veel warmte. 

— La-vrrenceana [naar Mev. Lawrence). Jamaica. BR. 1841.18. C. 

Het bloemdek is geel met eene groene tint aan de basis en met breede 
bruin-roode vlekken bezet; het lipje is geel, en gaat naar de basis Üaauw 
in wit over. De bloem is zeer welriekend. 

— macrosfachya [met lange punten). Jamaica. Sert. O. 6. C 

De bloemen zijn helder geel, ligtelijk met bruin gevlekt; het lipje heeft 
eene heldere chocoladekleur. 

— maculata [gevlekt). Jamaica. BM. 1691. C. 

Het bloemdek is groenachtig geel, met bruin-roode vlekken; het lipje 
is wit, met purpere spikkels. 

— odorata [toelrieJcend). Guinea. Lindley. C 

De bloemen zijn groenac.htig en ligtelijk bruin gevlekt; het lipje is wit, 
met groene punt; de bloem is zeer welriekend. 

De volgende soorten bevelen zich door hare bloemen niet aan: 
S. angasta. BR. \ b. Henchmannl. 



bidens. BR. 
cochleata. BR. 
guttata. BR. 



— Hendersonl. 

— Peruviana. 

— Terraco§a. 



De planten, welke tot dit geslacht behooren, kunnen in potten en 
beter nog in opgehangen mandjes gekweekt worden. De bloemstengels zijn 
vrij lang, en maken eene ondersteuning noodig. — Men moet zorgen de 
jonge loten, vóór de vorming der knollen, niet te bevochtigen. 

BROHHEADIA. Lindley Boom-Orch. 

Toegewijd aan den Heer Bromhead. 
— palustris [va7i moeras). Sumatra. BM. 4001. C. 

De bloemen zijn dof wit; het lipje is bleek geel en violet en aan het 
uiteinde purper. — De plant wordt in eene pot gekweekt. 



192 

BROVGUTOIKIA. Brown. Boom-Orck 

Toegewijd aan den kruidkundige Broughton. 

— aurea [verguld). Mexico BR. t;. 

De bloemen zijn blinkend oranjegeel. 

— sanguinea [bloedrood). Jamaica. BM. 3076. B. 

Syn. Satyrmm parasiiicum. Brown. 
Broiightonia coccinea. BC. 793. 
Dendrohium sangtmiemn. Schwartz. 
Epidendrum sanguineum. Schwartz. 
De bloemen zijn geheel van eeneu bloedrood-purpere kleur; het lipje, 
dat aan de basis geel is, is van purperroode aderen doorweven. Deze 
plant moet op hout gekweekt worden. 

BIJRL.IWGTOKIA. Lindley. Boom-Orch. 

Toegewijd aan de Gravin van Burlington. 

- fragraiis [welriekend). E,io Janeiro. BR. 1927. A. 

Syn. candïda. BR. 
De bloemen zijn groot en wit als sneeuw ; het lipje is wit met eene 
goudgele streep in het midden; de reuk is zeer aangenaam. De plant 
wordt op hout gekweekt. 

— maculata [gevlekt). BR. 1839.44. B. 

Eene fraaije plant met eenen regtopgaanden bloem stengel , welke vijf- 
tien tot twintig bloemen draagt, van eene zacht gele kleur en met roet- 
kleurige vlekken bezet. Zij wordt in potten gekweekt. 

Van deze plant komt eene verscheidenheid onder denzelfden naam 
voor, welker takken echter slank en overhangende zijn. 

— rlgida [stijf). Brazilië. Sert. O. 34. B. 

De bloemen ontwikkelen zich boven aan eenen regtopgaanden sten- 
gel, waar zij zich in den vorm van een bouquet voordoen; zij zijn 
w^elriekend, wit met purperroode aderen en het lipje is wit. — De plant 
wordt op hout gekweekt. 

— rubescens [rooskleurig). Peru. BR. . C. 

De bloemen zijn wit, met rooskleurige vlekken. 

— Tcnusta [schoon). Bahia. Sert. O. 2. C 

De bloemen gelijken in alles op die vhTï fragrans ^ maar zij zijn veel 
kleiner en reukeloos. 

Met uitzondering van maculata, moeten alle de soorten van dit ge- 
slacht in potten gekweekt worden. 



193 



DE DRUIVEN IN DE WESTLANDSGHE DORPEN IN 1835. 

In het voorleden jaar bezocht ik in het begin der maand October eenige 
Westlandsche dorpen, met het doel om na te gaan, hoe de staat der drui- 
ven-kultuur was en of men met eenig gevolg tegen de algemeen verspreide 
ziekte in dat gewas een of ander middel had aangewend. Ik vond daartoe 
bepaaldelijk aanleiding in enkele mededeelingen dienaangaande ter mijner 
kennis gekomen , en in het rapport van de Transche commissie voor de drui- 
venziekte, gerigt aan den Minister van landbouw, handel en publieke wer- 
ken in Frankrijk , opgenomen in den Moniteur Universel de VJEmpire Fran- 
cais 9 Avril. 1854. N". 99, in hetwelk vooral zwavel werd aanbevolen als 
voorbehoedmiddel. Ik heb van dit stuk toenmaals eene vertaling gegeven in 
de ISdnhovtjo-Flora van 1854 bl. 87. 

In hetzelfde tijdschrift bl. 261 deelde ik aangaande het gebruik van zwa- 
vel tegen druivenziekte enkele waarnemingen mede, zoowel naar aanleiding 
van hetgeen ik in dat jaar in Engeland had gezien, als van hetgeen door mij 
in de Westlandsche dorpen Wateringen^ Naaldwijk en Monster was op- 
gemerkt. 

Het een en ander kwam in de hoofdzaak hierop neder. De Fransche com- 
missie heeft bepaaldelijk onderzocht, welk het nut van zwavel zij ter voor- 
koming van de druivenziekte, in de gemeente Thomery. Zij had de ervaring- 
dat in die gemeente geenerlei kwaad in de wijngaarden te zien was, met 
enkele uitzonderingen, waar men niet had gezwaveld. Op eene uitgebreidheid 
van 120 hectaren, bijna uitsluitend beplant met zoogenaamde chasselas 
werd in 1853 geen ander middel dan bloem van zwavel gebruikt. Daar , 
waar men in 1851 niet dan zieke druiven had gezien, was geene ziekte in 
1853 meer zigtbaar , en deze zelfde gemeente zond in dat jaar een millioen 
kilogrammen chasselas ter markte van Parijs. De commissie, daar latende 
in hoeverre dit middel in 't groot zou zijn aan te bevelen, aarzelde geen- 
zins om hetzelve voor tuinen en kleine kuituren als dienstig te verklaren. 

In 1854 had men te onzent op vele plaatsen gezwaveld, doch dit middel 
niet algemeen aangewend. Waar men zulks had gedaan, was een goed pro- 
duct bekomen en naast eenen tuin waar men, na zoodanige behandeling, 
gezonde druiven had verkregen, zag men er wel eens eenen, waar geen en- 
kele goede druif aanwezig was, zeker omdat men geenerlei voorbehoed-, of 
geneesmiddel had aangewend. Men had hier en daar bloem van zwavel met 
water vermengd gebezigd en daarmede de planten bespoten; elders had men 
zwavel en kalk met water vermengd aangewend. De Fransche blaasbalgen , 
hoednnige ook bij je^ke te l'trecht zijn te bekomen, had men nergens ge- 
il. '3 



194 

bruikt. Yan het gebruik van hydrosulphate de chaux was men teruggekomen, 
omdat dit zout op de vrucht een beslag achterlaat, hetgeen een wansmaak 
geeft. Men bespoot vóór het uitloopen van de knoppen e]i herhaalde dit dik- 
werf in den loop van het jaar. 

Deze ondervindingen waren al dadelijk ter kennis gekomen van Z. Exc. 
den Commissaris des Konings in Zuid-Holland, en zulks had aanleiding ge- 
geven tot de bekende circulaire van dezen geachten Staatsman, in dato 8 
November 1854, A., n». 10344. (1*'^ Afd.), inhoudende de mededeeling 
van een voorbehoedmiddel tegen druivenziekte , gerigt aan burgemeesters en 
wethouders der gemeenten in de Provincie Zuid-Holland, en opgenomen in 
het Provinciaal blad van dat jaar no. 133. Deze circulaire hield in, dat het 
proefondervindelijk was gebleken, dat bloem van zwavel met kalk in water 
verdund, tegen de druivenziekte met goeden uitslag was gebezigd. Het voor- 
schrift zelf hield in de boomen vóór het uitloopen schoon te maken, ze van 
den loszittenden bast te ontdoen en dan te besmeren met een pap, gemaakt 
uit 3 ned. ponden fijn gestampte zwavel, 8 ned. ponden kalk, 12 ned. kan- 
nen regenwater, goed dooreengemengd en gedurende een uur gekookt, terwijl 
men als het nieuwe lot gevormd is, de takken, bladen en vrucht met een 
mengsel van bloem van zwavel en water bespuit. De onkosten van het voor- 
schreven middel werden gedurenden den voorafgeganen zomer gerekend op 
6-7 cents per strekkende el muur. 

De invloed ten goede van die circulaire is onmiskenbaar groot geweest. 
De uitkomst heeft dit bewezen. De burgemeesters der betrokken gemeenten 
hebben zich ter zake zeer veel moeite gegeven en tot de algemeene aanwen- 
ding van het aangeprezen middel zeer veel bijgedragen. Bij meer dan eene 
ontmoeting met druiventeelders werd door die lieden dankbaar erkend, wat 
het hoofd van hun plaatselijk bestuur tot de algemeene aanwending van het 
middel had bijgedragen en waardoor veler bestaan of welvaart gered was. 

Ik heb op den 7 October met den Assistent-Hortulanus h. witte en een 
mijner jeugdige vrienden, die de natuur met opmerkzaamheid gadeslaat, de 
Westlandsche dorpen. Monster, 's Gravesande, Naaldwijk, Hondsholredijk en 
Wateringen bezocht. Waar ik de druiven zag, was zonder uitzondering ge- 
zwaveld en ik zag in die dorpen geen enkelen slechten druif, d. i. die door 
de dusgenaamde druivenziekte was aangedaan. 

Het schijnt dat men in 't algemeen weinig den kalk heeft aangewend, 
maar zeer algemeen bloem van zwavel vermengd met water. De wijze waarop 
men gezwaveld heeft, de verhoudingen van zwavel en water, de toepassing 
van het middel en de daaruit noodzakelijk voortvloeijende onkosten leveren 
nog al verschil op. Bijna ieder druiventeelder ging hierbij op zijne wijze te 
werk. Doch bij allen was het resultaat hetzelfde. Ik zou hier kunnen mede- 



195 

deelen, wat ik in de onderscheidene tuinen heb vernomen, maar daar- 
door vervallen of in herhalingen, of in noodelooze uitweidingen. Slechts dit 
weinige. 

Bij K. H. te ... . had men in 1853 aan eenen muur, die ongeveer 30 
roeden lang was, geen enkelen gezonden druif gehad; ook was geenerlei mid- 
del tegen de ziekte aangewend. In 1854 had men eene enkele keer gezwa- 
veld , doch toen het kwaad reeds eenigermate in de plant was. De oogst was 
niet geheel mislukt. In 1855 heeft men meermalen gezwaveld, en dit wel 
op de volgende wijze. Men heeft gespoten met een mengsel van bloem van 
zwavel , even vóór dat de wijnstok in bloei kwam en vervolgens na den bloei. 
Men bezigde twee Nederlandsche oneen zwavel op een emmer water , die toe- 
reikende was voor eene lengte van 8 roeden. De bloem van zwavel was te- 
gen 40 cents betaald per nederl. pond. Men had in 't geheel nog geen twee 
ponden behoeven aan te wenden en dus door eene uitgave van nog geen 80 
cents den geheelen oogst gered, die zeer gunstig was; want de muur was 
vol prachtig schoone en tot volle rijpheid gekomen druiven, die aan de ei- 
genaren dit jaar, naar mijne gissing, menige honderd guldens zal kunnen 
opbrengen. 

j. H. te ... . had hetzelfde middel aangewend; hij had zijne druiven 
driemalen gespoten, te weten: eens vóór het uitbotten, eens na het uitloo- 
pen van knoppen en bladen en eens na het ontwikkelen van de bloem. Hij 
had uitmuntende vruchten bekomen. 

c. T. te ... . een hoog bejaard man, bij wien de druiven uitmuntend 
stonden, verhaalde, dat hij 't eerst in 1853 de ziekte ter zijner kweekerij 
had waargenomen. Men had toen berookingen aangeprezen, maar deze had- 
den geenerlei nut gehad. In 1854 werd hem geraden zijne wijnstokken te 
bespuiten met zwavel. Yan dusgenaamde nieuwigheden afkeerig, had hij zich 
daarvan onthouden, met dit ongelukkig gevolg, dat al zijne druiven waren 
bedorven. Zijn zoon j. ï. . . . , had den raad opgevolgd en met den meest 
wenschelijken uitslag. In 1855 heeft bovengenoemde c. t. de wijnstokken 
eveneens bespoten en dit wel vijfmalen; voor 't eerst namelijk, wanneer de 
druif zich begon te ontwikkelen en vervolgens alle acht dagen. Bij de laatste 
bespuitingen waren de planten vooral aan 't boven gedeelte van den muur 
bespoten, opdat het vocht van de bovenste ranken afdruipende den geheelen 
wijnstok zou bereiken. Deze kweeker had ^ pond bloem van zwavel op een 
emmer regenwater vermengd en goed omgeroerd; welke hoeveelheid toerei- 
kende was voor tien roeden muurslengte. De meeste muren nu zijn hoogstens 
van 7 voeten, zelden hooger. Een van dun koper vervaardigde spuit, die van 
voren met een aantal zeer kleine gaatjes doorboord is en voor den prijs van 
26 stuivers is te bekomen, had voor deze operatie gediend. 



196 

Yan zekeren druiventeelder, p. v. d. b werd mij verzekerd , dat hij 

al zijne wijnstokken, met uitzondering van eenen enkelen, had gezwaveld; 
dat deze laatste dan ook van boven tot onder door de ziekte was aangetast, 
met eene scherpe afscheiding ter plaatse waar hij had opgehouden te spui- 
ten, terwijl de overige naaste en andere stokken rijk beladen waren met 
vruchten. 

Op den 5 October des vorigen jaars had ik mij in den tuin van 

te bevonden, alwaar ik de heerlijkste druiven had aanschouwd, 

die men zich kan voorstellen. In het bedoelde dorp waren toen reeds de 
uitkomsten der kuituren allergunstigt. Slechts eenige weinige druiventeelders 
hadden er zich van onthouden, om het aangeprezen middel te bezigen. Zij 
hadden dan ook slechte uitkomsten. Een der naaste buren van den evenge- 
melde toonde mij in het vorige jaar zijnen muur met wijnstokken, waaraan 
niets dan rotte vruchttrossen en takken die zwart en rottend waren. Zelfs 
de stammen waren toen lijdende. De eigenaar on ving mij met buitengewone 
welwillendheid. Op mijne vrage, waarom hij niet hetzelfde voorbehoedmiddel 
had aangewend, gaf hij mij eenige ernstige bezwaren te kennen, welke 
ik met voorzigtigheid trachtte te bestrijden en uit den weg te ruimen. 
Ik zou niet willen beweren, daardoor zijne denkwijze te hebben veran- 
derd: — maar hoe dit ook zijn moge, — dit jaar heeft hij het middel aan- 
gewend, en waren zijne druiven aan diezelfde boomen schilderachtig schoon; 
ja, ik zou durven beweren, dat het niet mogelijk kan zijn schoonere drui- 
ven te produceren, dan die, welke daar te zien waren. De kweeker was nu 
met het voorbehoedmiddel zpó zeer ingenomen, dat hij zich voornam het 
aan te wenden, zelfs wanneer er geen druivenziekte meer zijn zoude; omdat, 
naar zijne bevinding, alle insekten die op de druiven gewoonlijk azen, als 
oorwurmen, wespen enz. daardoor worden geweerd. 

Het zal wel onnoodig zijn hier te vermelden, hoevele (of liever hoe wei- 
nige) en welke kweekerijen door mij zijn gezien. In een enkelen dag, vooral 
in het tegenwoordige jaargetijde, is niet veel af te doen. Maar al spoedig 
werd het duidelijk, dat het om 't even was, of men tien, of twintig, of 
meer tuinen ging bezoeken. De voorbehoedmiddelen waren dezelfde, even als 
de resultaten. Men kon dus met het bezoeken van weinige of niet vele 
kweekerijen volstaan. Men vernam overal hetzelfde :. // wij hebben gezwaveld 
en met goede uitkomsten." Meestal zag men de zwavel nog op de bladen en 
stelen, soms ook op de vruchten zitten; op deze laatste echter zeldzamer. 
Doorgaans toch waren deze alleen met het eigenaardige waas bedekt en mis- 
ten zij gelukkig het onaanzienlijke vreemde bekleedsel, waardoor het product 
in den handel anders zeker van zijne waarde zou verliezen. Ik heb niet kun- 
nen nagaan wat de reden van die gelukkige omstandigheid is. Ik gis echter 



197 

dat die kan gelegen zijn in het bespuiten van den bloei of hoogstens van 
den pas in zijne ontwikkeling verkeerenden druif, die , bij latere uitzetting , 
het vreemde stof heeft verloren, — anderdeels welligt in het bedekt zijn van 
van de nog jeugdige vruchttrossen door het blad, 't geen zeker de meeste 
hoeveelheid van de daarop gespoten vloeistof opvangt. 

Maar, hoe dit zijn moge, — zoo veel is zeker, dat men geslaagd is in 
het weren van eene ziekte, die voor eene der schoonste en vruchtbaarste stre- 
ken van dit gewest, ja, men kan zeggen van Nederland, een ramp was ge- 
worden, Aan wie zieke druiven heeft , hetzij in de open lucht , hetzij in kas- 
sen; roepe men toe: //zwavel uwe druiven en gij zult een volgend jaar geen 
ziekte daarin hebben." 

Uit het aangevoerde blijkt, onder anderen: 

1", dat de berigten aangaande den min gunstigen oogst der druiven in de 
Westlandsche dorpen in dit jaar, zoo als die voorkomen in sommige nieuwspa- 
pieren, niet juist geweest zijn en op onnaauwkeurige informatiën hebben berust , 

20. dat de circulaire van Z. E. den Staatsraad Commissaris des Konings 
in dit gewest volkomen haar doel heeft getrofien. 

Waarom nu dit nog in 't breede aangetoond, zou welligt iemand genegen 
zijn te vragen; 't is immers bekend dat zwavel een uitnemend voorbehoed- 
middel is tegen de druivenziekte? 

Dit moge bekend zijn, maar algemeen toegepast is dit voorbehoedmiddel 
(zelfs bij ons te lande) volstrekt niet. Daar is het verre van af, als men 
verneemt, dat hier en daar nog z'^hveX-herookingen worden aangewend, waar- 
door alles bederft en de menschen zelve, die deze nog aanwenden, dreigen 
te stikken; als men ziet dat kleine teelders of tuinlieden de onverschillig- 
heid, in dit opzigt, nog zoo ver drijven, dat zij verzuimen om aan te wen- 
den een middel dat een goeden oogst verzekert en slechts weinige centen 
kost. Maar bovenal rekenen wij het doelmatig om voor het publiek algemeen 
bekend te maken, wat men hier ondervonden heeft, omdat elders, inzonder- 
heid in sommige streken van Frankrijk, ten aanzien van dit voorbehoedmid- 
del nog verschil van gevoelen bestaat en in de verschillende deelen van dat 
land nog al ongelijke uitkomsten zijn verkregen. 

In 't algemeen geloof ik dat de methode van zwavelen in Nederland in 
zwang, nog al aanbeveling verdient boven het drooge zwavelen; omdat bij 
onze methode de zwavel meer op den plant blijft kleven, dan bij het drooge 
zwavelen met de blaasbalgen b. v. van gontiek, die om Parijs in gebruik 
zijn, en die dan vooral geacht wordt eenen gunstigen invloed uit te oefe- 
nen, wanneer de planten vooraf zijn bevochtigd. Aan den anderen kant vloeit 
uit onze methode eene meer ongelijke verdeeling van de zwavel over de plan- 



198 

ten voort. Dat echter dit niet schaden kan, hiervoor is het bewijs in onze 
resultaten voorhanden. Op de onkosten doet dit bij ons luttel af. Wij heb- 
ben bovendien slechts onze kuituren op het oog, die met de Pranschen wijn- 
gaarden eigenlijk niet zijn te vergelijken. 

"Wat doet nu eigenlijk de zwavel, waardoor zij de ziekte voorkomt? 

Wie dit kan ophelderen , zal der zaak uit een wetenschappelijk oogpunt eene 
dienst doen. Tot nog toe is het middel geheel en al empirisch; maar, het 
geneest ! 

Leiden, 16 OctoLer 1855. w. h. de vriesk. 



EENIGE WOORDEN OVER Dr. JOHN. LINDLEY'S NIEUWSTE 
WERK GETITELD: 

//THEORIE EN PRAKTIJK DER HORTICULTUUR", VERSCHENEN IN 1855. 

In het jaar 1842 maakte ik mijne landgenooten bekend met een geschrift 
van den grooten Engelschen kruidkundige en den meest populairen geleer- 
den in dat vak, Dr. john, lindley, Professor aan de University-college te 
Londen en Secretaris van de Horticultural Society aldaar. Dit werk hield 
eene uiteenzetting in van de beginselen der wetenschappelijke en praktische 
Horticultuur. Het werd, behalve in de Nederduitsche taal, ook overgebragt in 
het Pransch, in het Hoogduitsch, in het Russisch en bovendien is een na- 
druk verschenen in de Vereenigde Staten. Dit kan eenigermate ten bewijze 
strekken, hoe groot de goedkeuring en de toejuiching is geweest, welke aan 
dit geschrift is ten deel gevallen, hetwelk in 1840 voor het eerst is versche- 
nen en waarvan nu, na vijftien jaren, eene tweede uitgaaf is in het licht 
gekomen. Zij onderscheidt zich van de vorige, door uitbreiding van sommige 
hoofdstukken en meerdere toepassing op de praktijk. Daarentegen heeft de 
auteur een aantal daadzaken aangevoerd uit de praktijk, waardoor menig 
gedeelte van de theorie of de wetenschap worden toegelicht. 

Wil men weten, in hoe verre de auteur aan beide beginselen voldaan heeft, 
het moge uit den hieronder te vermelden inhoud blij.ken. 

Het werk is in twee afdeelingen verdeeld. De eerste handelt over de voor- 
name omstandigheden^ die met het planten-leveti zamenhangen en de belang- 
rijkste operatien in den tuinhouw toelichten. 

Het leven of de levenskrachten komen daarbij het eerst in aanmerking. 
Vervolgens de natuur van het zaad; de tijd gedurende welken dit zijn kiem- 
vermogen behoudt; zijne groeikracht; de voorwaarden van de kieming, 



199 

de invloed van temperatuur, licht, vochtigheid en chemische veranderingen, 
die daarbij plaats hebben. — .De groei van een wortel. Hij verlengt zich 
alleen aan de punt en neemt daar voornamelijk voedsel op; hij groeit in 
dikte volgens dezelfde wetten als de stam; zijn oorsprong; hij is een orgaMi 
ter voeding, zonder het vermogen of de eigenschap te hebben om zijn voed- 
sel bij wijze van voorkeur uit den grond op te nemen; de natuur van dit 
laatste; hij (de wortel) kan vergiftigd worden. Wortels zijn onophoudelijk in 
werking. Men heeft van dezelven verondersteld dat zij den grond, waarin zij 
groeijen, kunnen vergiftigen. De wortel heeft geen knoppen, maar kan die 
onder sommige omstandigheden te voorschijn brengen. 

De stengel wordt beschouwd wat aangaat zijnen oorsprong, het punt 
waarvan de groei uitgaat, de vorming van het hout, den bast, het merg, 
de mergstralen, de eigenschappen van het jonge en het oude hout, den bast en 
de schors, van den aard en de dienst der bladknoppen; de kiemen, de bollen, 
den saploop en de natuur van het sap. Bij de historie der bladen worden de 
natuur, zamenstelling , aders, opperhuid en huidporiën nagegaan; vervol- 
gens de invloed van het licht op de bladen, de opslurping, verwerking en 
ontleding van koolzuur; de ademhaling der bladen, de vorming van de afge- 
scheiden stoffen; het afvallen der bladen; de vorming van knoppen bij de 
bladen. 

De bloemen. Eene uiteenzetting van de namen harer deelen. De neiging 
van die deelen om in elkander overtegaan en in bladen te veranderen. Dub- 
bele bloemen. Overeenkomst van bloemen met bladen. Oorzaken van het ont- 
staan der bloemen. Over vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid. Nut van ver- 
schillende deelen der bloemen. Vruchtbaarmaking. Bastaarden. Kruisingen. 

Het rijpen der vruchten. Veranderingen welke de vrucht ondergaat. De 
vrucht ontleent haar voedsel van de stoften, die de bladen haar verschaffen. 
Physiologisch nut van de vrachten. Natuur van hare afscheidsels. De veran- 
deringen welke de vrucht ondergaat. Uitwerking van warmte, zonlicht en 
water. De zaden en de bronnen waaraan zij hun voedsel ontleenen. Oorzaken 
van hunnen langen levensduur, of van het verlies van hun kiemvermogen. 
Verschil in kracht of kiemvermogen der zaden. 

Over temperatuur. Over de uiterste grenzen van warmte en koude, Avelke 
de planten kunnen verdragen. Uitwerkselen van eene te hooge en eene te 
lage temperatuur. Dag en nacht. Zomer en winter. De temperatuur van den 
grond en van de lucht. 

Het tweede deel handelt over de grondbeginselen der plante^i-natuurleer^ 
aan loelhe de kunstbeioer kingen in de horticvMuur hare verklaring ontleenen. 

De hoofdstukken, welke hier ter behandeling komen, zijn de volgende. 

Warmte van den bodem. Vochtidieid van den o-rond. Bewatering. Voch- 



200 

tigheid van den dampkring en temperatuur. Ventilatie. Zaaijing. Zaad-inza- 
meling. Pakken van zaden en planten. Voortplanting met oogen en knoppen. 
Eveneens door bladen; door stekken; door oculeren en afzetten. Over het en- 
ten enz. Het potten. Het verplanten. Het in stand houden van rassen door 
zaden. De verbetering van rassen. Het rusten van planten. Over den bodem. 
Over bemesting. 

Dit moge den lezer eenigermate doen inzien, van welk eenen belangrijken 
inhoud dit uitmuntende boek zij. Hiervan nu zal men zich nog meer over- 
tuigen, wanneer men met de onderwerpen zelve kennis maakt. Het is in 
eene populairen, d. i. voor eiken beschaafden lezer bevattelijken toon ge- 
schreven en het heeft dit groote voordeel, dat uit de echte bron der weten- 
schap en der praktijk beide geput is: want de schrijver is niet alleen een 
der grootste kruidkundigen van onzen tijd, maar bovendien de praktische 
man bij uitnemendheid. AVie in het vak van horticultuur inlichting of raad 
verlangt, hij gaat dien inwinnen n". 21 Hegent-street te Londen, waar 
Dr. LiNDi.EY dagelijks , even als een arts of als een regtsgeleerde , is te 
consulteren. Hij is bovendien de ziel van eene der grootste inrigtingen voor 
Horticultuur in Europa, namelijk de HorticuUural Society te Londen, die 
aan hem hare opkomst en haren bloei heeft te danken. 

Dit boekdeel heeft een omvang van 600 bladzijden en is voorzien van 
een groot aantal houtgravuren , zoo als dit thans in zwang is. Het zou hoogst 
wenschelijk zijn, indien ook deze uitgaaf in onze taal kon worden overge- 
bragt. Men zou alsdan waarschijnlijk nog gewigtige bijvoegsels kunnen leve- 
ren omtrent sommige onderwerpen, ten aanzien van welke hier te lande en 
elders op het vaste land ondervinding is verkregen, die den Eugelschen 
schrijver onbekend is gebleven. Indien de Ko7iinklijke Nederlandsche Maat- 
schap2i'ij tot Aanmoedirjing van den Tidnbouw zich deze zaak wilde aan- 
trekken, dan zou ik den Uitgever van de //Tuinbouw-Elora" durven aanra- 
den om de zaak te ondernemen. 

W. H. DE VRIESE. 



201 



OVEU HET NUT VAN «BASTAARD-PLANTEN EN METIS' 



Dr. KLOTZSCH, 

Uittreksel uit eene Veriiandeling , voorgedragen bij de Koninklijke Akaderaie van Wetenschappen 
te Ecrlijn, den 30 October 1854.) 

I. GESCHIEDKUNDIGE MEDEDEELINGEIV AANGAANDE GEKRUISDE BEVRUCHTING. 

Camerarius, die leefde iu de tweede helft vau de 17de eeuw, had reeds 
eenige begrippen van het kruisen van planten; maar het was toch in de daad 
BRADLEY, die voor het eerst, en wel in 1739, daarvan op eene meer stel- 
lige wijze heeft gesproken. Hij verklaarde namelijk werkelijk dat men aan- 
vankelijk in Engeland slechts twee verscheidenheden van Auriculas kende 
de geele en de zwarte; dat deze planten, bij toeval naast elkander gekweekt 
zijnde, eene kruising in de bevruchting ondergingen, ten gevolge van het 
overbrengen van haar stuifmeel door wind. Hij vermeldt voorts, dat daarvan 
zaden kwamen, die de bron werden van al de verscheidenheden met ge- 
mengde kleuren, welke men van deze planten kent. Dezelfde geleerde deelt 
ook mede, dat de beroemde kweeker fairchild, van Hoxton, eene plant van 
Bianthus Cari/ophyllus bevruchtte met het stuifmeel van Diantlius iarhatus; 
dat hij alzoo van eerstgemelde zaden verkreeg, uit welke bastaard-anjers ont- 
stonden, die merkwaardig waren wegens hare gelijkenis op de twee planten, 
van welke zij afstamden. — 

In het jaar 1761 verscheen het kleine Averkje van koelreuter, in het- 
welk waren opgenomen zijne proeven over het kruisen van planten; welk ge- 
schrift later eene groote beroemdheid heeft verkregen. Er zijn op hetzelve 
in den tijd van twee jaren, twee vervolgen of supplementen verschenen; 
waaruit men mag afleiden, zoowel het groot belang, hetwelk daarin werd ge- 
steld door het publiek, als door den schrijver zelven, die daarin zooveel 
volharding heeft aan den dag gelegd. Hoewel nu koelreuter zelf geenerlei 
begrip had van de ontwikkeling van het stuifmeel, en hij niet dan hoogst 
onvolkomen en onnaauwkeurig den inhoud der stuifmeelkorrels kende , — zoo 
wist hij toch, dat die korrels doorgaans meer dan één enkel vlies bezitten, 
en hij rekende het aannemelijk te zijn dat haar bekleedsel met twee openin- 
gen voorzien was, door welke haar inhoud kon naar buiten treden. Koel- 
reuter had geen het minste begrip van de werking, welke de stof, die in 
het stuifmeel bevat is, uitoefent op den stamper, en toch had hij een volko- 



202 

men naauwkeurig begrip aangaande de tweederlei sexen in de planten en hare 
verhouding tot elkander. Hieruit is het te verklaren, dat hij, in zijn geschrift 
het eerst heeft gehandeld over een aantal middelen en wegen, van welke de 
natuur zich bedient, om de bevruchting gemakkelijk te maken en zeker te 
doen slagen. Koelreuter beklaagt zich reeds, dat vele kruidkundigen als 
basterd-planten [hybriden] aannemen eene menigte planten die dit niet zijn, 
waardoor zij aanleiding geven tot het maken van onnaauwkeurige gevolgtrek- 
kingen ten aanzien van andere planten. Door zijne proeven, bij welke hij zoo- 
veel zorg als standvastigheid aan den dag legde, slaagde hij, om, doorkrui- 
sing van het stuifmeel Nicotiana rustica te transformeren in Nicoiiana pa- 
nicalata, en omgekeerd de laatste in de eerste. 

Hij verdeelt de hybriden in drie categoriën. 

10. de volkomene of geheel onvruchtbare hybriden; 

2". de on volkomene hybriden, of die slechts in geringen graad onvrucht- 
baar zijn; 

30. de hybriden, die geheel en al vruchtbaar zijn. 

Hij verdeeldt vervolgens de hybriden, naar aanleiding van hare onvrucht- 
baarheid, in die, l». welke onvruchtbaar zijn, ten gevolge van de onvolko- 
menheid van het stuifmeel, en 2». in die, welke zulks zijn, ten gevolge van 
den onvolkomen toestand van den stamper. 

Dr. KLüTzscH neemt aan twee categoriën, namelijk: de volkomene hy- 
briden en de verscheidenheden van hybriden (d. i. de derde categorie van 
koelreuter). Hij neemt daarentegen niet aan de onvolkomen hybriden, voor 
zoo verre althans die zouden voortkomen van eene enkele kruising ; want men 
behoeft, om deze voort te brengen, eene reeks van kruisingen tusschen den 
vader en den bastaard. — Klotzsch verklaart het ook eene dwaling te zijn 
dat de steriliteit van sommige hybriden zou afhangen van den onvolkomen 
toestand van den stamper. 

Linnaeus, die, reeds sedert het jaar 1761, de hybriditeit in de planten 
aannam (hoewel hij eene menigte voorbeelden daarvan heeft aangehaald, 
welke later zijn gebleken geene bastaarden te zijn), — linnaeus, zeggen wij, 
beweerde, in eene verhandeling door hem gezonden aan de Akademie van 
wetenschappen in Rusland, dat hij eene hybride had voortgebragt door het 
bevruchten van Tracjopogon porrifoUus , met het stuifmeel van Tragopogon 
pratensis^ en hij nam in beginsel aan, dat in de hybriden het inwendige 
der plant of de fructificatie, gelijkt op de moeder, terwijl de uitwendige 
plant den vader voorstelt. (Duidelijk is dit niet.) 

De proeven door andere natuurkundigen, betrekkelijk de hybriditeit on- 
dernomen, hebben gedeeltelijk die van koelreuter bevestigd of uitgebreid 
Zoo had onder anderen sageret de kruisingen toegepast op de komkommer- 



203 

gewassen, en hoewel zonder bepaald wetenschappelijk doel, heeft hij echter 
in Prankrijk de aandacht gevestigd op het voortbrengen van planten door 
kruisingen. 

Zoodra de beroemde engelsche geleerde knight, President van de Maat- 
schappij van Tuinbouw te Londen, bekend was geworden met de proeven 
van KOELREUTER, herhaalde hij die, ten einde zich omtrent hare resultaten 
te vergewissen. Hij paste de uitkomsten, welke hij verkreeg, toe op het 
voortbrengen van nieuwe verscheidenheden van vruchtboomen , van welke hij 
er verkreeg die uiterst opmerkelijk waren. Hij kwam tot het resultaat dat de 
hybriden, door kruising van twee soorten verkregen, zich zelven nimmer 
kunnen bevruchten; — terwijl die, welke ontstaan door de kruising van twee 
verscheidenheden van eene en dezelfde soort, in haar vermogen van zich te 
bevruchten niet onderdoen voor hare beide ouders. Die stelling intusschen 
van den beroemden knight vond geen bijval, noch in Engeland, noch op 
het vaste land. 

WiLLiAM HERBERT, die iu het jaar 184*7 is gestorven, bemerkte, bij het 
kweeken van een groot getal soorten van Amaryllideën, dat hare zaden som- 
wijlen planten voortbragten, die, door hare karakters, geheel en al het mid- 
den hielden tusschen twee andere, welke hij beschouwde als twee verschil- 
lende soorten. Deze omstandigheid had zijne aandacht opgewekt; hij wist door 
kunst voort te brengen datgene , hetwelk de natuur van zelve en als bij toeval 
hem had aangeboden, en hij deed vervolgens een groot aantal proeven om- 
trent deze gekruisde foecundatiën. Maar, mogt hij er al in slagen om het getal 
sierplanten van deze familie te vermeerderen, hij heeft nimmer erkend de 
eigenlijke Avaarde van deze, door kruising ontstane voortbrengselen; evenmin 
als hunne Avetenschappelijke waarde, aangezien hij uitging van eene vooraf 
opgevatte meening en van een dwaalbegrip. Ten einde intusschen het begin- 
sel, hetwelk hij had op den voorgrond gesteld, te verdedigen, bestreed hij 
de gewigtige, grondige en degelijke waarnemingen van kxight; en hetgeen 
moeijeUjk is te gelooven, hij behaalde in dezen strijd de overwinning, om 
twee redenen: de eene, omdat hij knight overleefde en derhalve het laatste 
woord behield; de andere, omdat zrjne maatschappelijke stelling hem in de 
gelegenheid stelde om in Engeland krachtig op de publieke meening invloed 
uit te oefenen. Deze laatste reden scheen zelfs niet zonder invloed te blijven 
op KNIGHT, die, in tegenspraak met zich zelve, zijne vroegere stelling scheen 
op te geven , naar aanleiding van een' merkwaardiger! vorm , dien hij had 
verkregen van eenen perzik-, en een' amandelboom. 

In Duitschland hield men zich, na de ontdekking van koelreuter, 
praktisch niet meer met de kwestie der hybriditeit op, tot dat schelver in 
1812 dit beginsel had aangenomen: dat wel de dieren een verschil van sexe 



204 

kunnen opleveren, maar niet de planten. Het twistgeschrijf, hetwelk daarop is 
gevolgd , gaf der Akademie van wetenschappen te Berlijn aanleiding , om , in het 
jaar 1819, tot prijsvraag voor te stellen: //Is er eene bevruchting door krui- 
sing in het plantenrijk aan te nemen?" 

Toen er nu, op het bepaalde tijdstip, geen antwoord was ingekomen , werd 
de vraag op nieuws voor twee jaren uitgeschreven en de dubbele prijs voor- 
gesteld. De eenige, die zich tot beantwoording voordeed, was a. f. wieg- 
MANN, die slechts de helft van den voorgestelden prijs verkreeg, aangezien 
hij de vraag slechts gedeeltelijk had beantwoord. 

Sedert dit tijdstip zijn er over de kunstmatige bevruchting twee zeer ge- 
wigtige en uitvoerige verhandelingen in het licht gegeven door c. f. gaekt- 
NER. Het eerste van deze geschriften, in 1844 verschenen, heeft tot eenig 
doel om de naauwkeurige proeven van henschet. te wederleggen, die, even 
als zijn meester schei.ver, de sexualiteit der planten ontkende. Dit boek bevat 
slechts waarnemingen omtrent de natuurlijke en kunstmatige bevruchting door 
het stuifmeel, eigen aan de planten, welke de auteur had bestudeerd. Het 
tweede werk, in 1849 verschenen, bevat een groot aantal feiten omtrent hy- 
bridisatie. Aan dit werk wordt door klotzsch eene niet geringe waarde toe- 
gekend. 

Indien men nagaat welk een lang tijdvak verloopen is sedert koelkeuter 
zijne eerste proeven bekend maakte, dan moet men zeggen, dat er in dien 
tijd, namelijk van negentig jaren, weinig verrigt is. Klotzsch houdt als de 
voorname reden daarvan, het niet genoeg experimenteren door de kruidkundi- 
gen en de al te zeer eenzijdige rigtingen, welke deze zijn gevolgd. 

II. DE NORMALE TOESTAND VAN HET VROUWELIJK ORGANISME BIJ 
DE ZIGTBAAR-BLOEIJENDE PLANTEN. 

Men weet dat de regelmatig gevormde stamper bestaat uit het vruchtbe- 
ginsel en den stempel, die zich gewoonlijk bevindt aan het uiterste einde 
van den stijl. Deze stempel is op zijne oppervlakte meestal min of meer flu- 
weelachtig en in de verwelkte bloem bedekt met een kleverig vocht, zoodat 
de stuifmeelkorrels , die daarop vallen, er door worden vastgehouden. 

III. DE NORMALE TOESTAND VAN HET STUIFMEEL EN ZIJNE ONTWIKKELING 
BIJ DE ZIGTBAAR-BLOEIJENDE PLANTEN. 

De helmknop bevat het stuifmeel in zijne holten of hokken. In die hol- 
ten zijn de stuifmeel -korrels bij groepen van drie of vier ontwikkeld, zijnde 
ieder van dezelve bevat in eene soort van klein blaasje of celletje, aan het- 



205 

welk meu den naam van stuifmeelblaasje heeft gegeven; ieder zoodanig 
stuifmeelblaasje nu, is op zijne beurt voortgebragt in eene andere cel, die 
het allereerst gevormd was. Deze eerste cellen en stuifmeelblaasjes verdwijnen 
achtereenvolgens, vóór dat het stuifmeel zich ontwikkeld heeft, en bij haar 
verdwijnen laten zij de stuifmeel-korrels vrij of slechts in geringe mate ver- 
eenigd, in de holten van den helmknop achter. 

Met een klein aantal uitzonderincren is de inhoud van de stuifmeel-korrel 
{fovilla) zamengesteld uit slijm, uit eene stof, die zeer veel overeenkomt met 
hassoritie, verder olie en zetmeel, bevat in een klein blaasje of kleurloos 
celletje, hetgeen men noemt intine. Later is dit celletje bevat in een ander 
vlies of bekleedsel, hetwelk men noemt exine, aan het uiteinde waarvan zich 
de verdere lagen afzetten, die zeer verschillende bek leedsels, uitsteeksels enz. 
vormen. 

IV. RESULTATEN VAX DE KRUISING. 

In alle planten, door kruising ontstaan, zijn al de deelen van den stam- 
per altijd op eene normale wijze ontwikkeld; maar de meeldraden zijn on- 
volkomen gevormd; of het stuifmeel hetwelk zij bevatten, is niet ontwik- 
keld, gelijk dit het geval is met de stam-planten. 

Deze twee laatste bijzonderheden zijn niet toevaUig; zij staan in verband 
met eene vaste wet, volgens welke de hybriden, gevormd door het kruisen 
van ware soorten, altijd onvruchtbaar zijn, terwijl de onvolmaaktheid van 
haar stuifmeel haar verhindert de sexuële functiën te verrigten; terwijl daar- 
entegen het kruisen der variëteiten nimmer een zoodanig gevolg heeft. 

Men ziet hieruit van hoeveel gewigt het is, om wel te onderscheiden en 
juist te begrenzen de kruisingen die plaats hebben tusschen soorten en tus- 
schen verscheidenheden. 

Het kruisen van verschillende soorten of verschillende variëteiten heeft ten 
doel om planten te verkrijgen, die zoowel de karakters deelachtig zijn van 
den vader als van de moeder. AVanneer men tusschen twee soorten deze ope- 
ratie bewerkstelligt, dan geven de zaden, die daaruit voortvloeijen een ware 
basterd {nmlet végétal van de Franschen; Bastard^ ^littelspecies van de 
Duitschers; ^lule van de Engelschen). Wanneer daarentegen hetzelfde wordt 
in praktijk gebragt tusschen twee verscheidenheden, dan geven de zaden, 
welke men daarvan verkrijgt, een dusgenaamde Metis [Mischling ^ Mittel- 
schlag van de Duitschers; Crosshred van de Engelschen). 

De ware hybriden bieden als het ware eene zamensmelting aan van al de 
karakters en al de eigenschappen waardoor de ouders zijn onderscheiden; 
maar deze zamensmelting heeft niet altijd in dezelfde evenredigheid plaats 



206 

Want, vooreerst zal de plant A, gebezigd als moeder en bevrucht door het 
stuifmeel van de plant B, een basterd geven, die zeer zal verschillen van 
den basterd, welke de plant B, als moeder gebezigd en bevrucht door het 
stuifmeel van A geven zal. In de tweede plaats erkent men verschillen tus- 
schen hybriden, voortkomende van verschillende zaden van ééne en dezelfde 
vrucht; hoewel die verschillen niet van dezelfde waarde zijn en ten hoogste 
slechts vormen ter onderscheiding aan den beschrij venden kruidkundige aan- 
bieden. 

Bij de hybriden is de duur der bloemen veel grooter dan bij de twee ou- 
ders. Daar deze omstandigheid niet plaats heeft in de bloemen der metis^ en 
daar de stamper in de bastaarden altijd normaal is ontwikkeld, zelfs in de 
tepel tj es van den stempel, van welken niets in strijd schijnt te zijn met het 
verrigten der bevruchting, zoo kan men aannemen dat die verlengde duur 
der bloemen als oorzaak heeft eene strekking die onnuttig is voor de be- 
vruchting en die niet kan worden bewerkstelligd ten gevolge van den on- 
volkomen toestand van den bastaard. 

Hoe meer de soorten van planten welke men gekruisd heeft, door hare 
karakters van elkander verschillen, in des te sterkere mate is het stuifmeel 
van den bastaard verkregen, in zijne ontwikkeling gestoord. Het is zelfs bij 
de bastaardplanten niet zeldzaam om, in de plaats van meeldraden bloembla- 
den te vinden, hetgeen aanleiding geeft om aan te nemen dat men, door dit 
middel, dubbele bloemen kan doen ontstaan. 

Het verschil in de stoornis der ontwikkeling van het stuifmeel komt in 
zoo velerlei graden voor, dat men niet altijd die onvolkomene ontwikkeling 
van hetzelve kan aanwijzen, tenzij dan, wanneer men het aandachtig vergelijkt 
met het stuifmeel van de ouders. Nu eens erkent men dat onvruchtbare stuif- 
meel aan zijnen droogen toestand, aan zijne hoornachtige gesteldheid, aan 
de kleine hoeveelheid welke de helmknopjes daarvan bevatten, dan weder heeft 
het schijnbaar den normalen vorm, maar is in (ie fovilla (het eigenlijk be- 
vruchtend stof) afwezig dat eigenaardige slijm, hetwelk overeenkomst heeft 
met de bassorine, en is de exine (dat is: het uitwendige bekleedsel) veel 
dunner. 

Hoewel de stamper van den bastaard normaal is ontwikkeld, kan die on- 
dertusschen niet worden bevrucht, tenzij door het stuifmeel der ouders of 
hunne verscheidenheden; en er kan nimmer eene sexuële vereeniging plaats 
hebben tusschen dien stamper en de soorten, welke overeenkomen met die, 
tusschen welke de kruising heeft plaats gehad. Een bastaard, ten tweede 
male bevrucht met het stuifmeel van een van zijne beide ouders, of met 
dat van de variëteiten van zijne ouders, brengt planten voort, waarvan de 
meeldraden altijd een weinig vruchtbaar stuifmeel bevatten, hetgeen dezelve 



207 

vatbaar maakt om te kunnen worden bevrucht. Indien men in zoodanig ge- 
val zich heeft bediend van het stuifmeel van den vader, dan verkrijgt men 
eenen gekruisden vorm, in welken een teruggang van den bastaard naar den 
vader zigtbaar is. Indien men meermalen de proef herhaalt met dezelfden 
bastaard-vorm en het stuifmeel van den vader, dan eindigt men met een 
normaal stuifmeel te verkrijgen, waarvan de gelijkenis met de vaderlijke type 
zoo sterk is , dat men de twee planten voor dezelfde zou kunnen houden. 

V. HET MJT VAN HYBRIDEN EN VAN METIS (bASTERDSLAG) 

1. Voor de kruidkunde. 

De kwestie van de bepaling van soort blijft altijd moeijelijk in de weten- 
schap. Zij moet berusten op onveranderlijke kenmerken. Bij al het verschil 
van meeningen daaromtrent, is niet gering te achten een gemakkelijk en 
zeker middel om vast te stellen wat men als soort moet aannemen, al dan 
niet. Om zich tegen de verwarring van eene hybride met eene soort te waar- 
borgen, is het genoeg om het stuifmeel in zijne ontwikkeling na te gaan 
met een goed microscoop. Om eene variëteit van eene soort te onderschei- 
den, is het voldoende om de kruising te bewerkstelligen. Indien men zich b. v. 
wil verzekeren, of eene plant inderdaad eene ware soort al dan niet daarstelt, 
dan is het voldoende de operatie van het kruisen in 't werk te stellen met 
de plant, met welke men met haar voor dezelfde houdt. Ontstaan er daardoor ware 
hybriden, dan zijn de ouders soorten; ontstaan er metis, dan zijn de ouders 
variëteiten of vormen van eene en dezelfde soort. 

Onder de wilde planten ontstaan de hybriden veel zeldzamer dan men ge- 
woonlijk aanneemt, omdat de stamper het stuifmeel van zijne eigene plant 
veel gemakkelijker opvangt dan van eene vreemde. 

De metis vallen niet in de rubriek der kruidkunde als wetenschap. 

2, Voor de hoschteelt. 

Volgens de waarnemingen van Dr. klotzsch zouden de hybriden van hoo- 
rnen veel sterker zijn dan de soorten zelve, In 1845 heeft klotzsch met el- 
kander gekruisd Pinus sylvestris en nigricans, Quercus Rohnr en peduncu- 
lata, Ahms glutinosa en incana, Ulmus campestris en effusa. In 't voorjaar 
van 1846 werden de daarvan verkregen zaden denzelfden dag gezaaid en op 
dezelfde plaats als die van de ouders. Op dit oogenblik, na een tijdsverloop 
van acht jaren, zijn de hybriden \ meer ontwikkeld dan de soorten zelve. 
De hybriden nu brengen geene zaden voort. De zaden zijn, volgens de schei- 



208 

kundigen, die organen, in welke de grootste hoeveelheid koolstof is opgeno- 
men. Die koolstof kan dus in hybriden dienen tot meerdere ontwikkeling van 
het individu. Zoo verklaart ki.otzsch het verschijnsel, dat deze sterker zijn 
dan de soorten zelve en hij ontleent daaraan zijne meening , wegens het groote 
nut van de hybriden in de houtteelt. 

30. Voor den landbouw en de horticultuur. 

Er is in de horticultuur geen krachtiger en zekerder middel dan in het 
kruisen van soorten en verscheidenheden , ten einde nieuwe vormen te beko- 
men. Aan het kruisen hebben wij reeds groote verpligting ten aanzien van 
de schoonheid en de voortreffelijkheid van vele van onze produkten, die, om 
zoo te zeggen, talloos zijn. Dit geldt vooral de blijvende planten. De koo- 
pers toch vragen niet of de planten goede zaden geven: zij willen slechts 
duurzame en schoone bloemen; en deze geven hun de hybriden. 

Yoor vruchtboomen rekent de Heer kt.otzsch de kruising zeer nuttig. 
Als b. v. van verscheidenheden van peerenboomen onderling, van appelboo- 
men, enz., niet van peeren- en appelboomen. Door die kruisingen kan men 
steeds betere vruchten bekomen. Geheel anders is het echter met de vruchten 
met kernen. De amandelboom en de perzik, de kersen en morellen, de abri- 
koos en de perzik, de abrikoos en de pruim kunnen hunne eigenschappen 
als 't ware ineensmelten en belooven alzoo in 't getal van onze vruchten eene 
belangrijke aanwinst. 

Gelijke resultaten kan men volgens Dr. ki.otzsch verwachten van die van 
onze koorngewassen , van welke wij in een en hetzelfde geslacht meer dan 
ééne soort kweeken, zooals de tarwe en de gerst. 

Onze soorten van boonen bieden reeds vele verscheidenheden aan; maar 
men zou ze nog meer kunnen vermenigvuldigen door kruisingen op eene ra- 
tioueele wijze. Onder de rapen en knollen is een gelijk resultaat te verwach- 
ten. Klotzsch heeft soorten van Solanum gekruisd, als b. v. Solanum 
utile met de aardappelplant. Een bastaard-aardappel aldus ontstaan, is door 
den Heer hage, te Erfurt, dit jaar in den handel gebragt. De kruising in 
nuttige planten kan welligt groote voordeden opleveren. 

(Wij geven in het bovenstaande wat de hoofdzaak uitmaakt van het ge- 
schrift des Heeren klotzsch 1). Wij treden hier niet in eene kritiek, waar- 
toe zijn geschrift zeker veel aanleiding zal geven. Maar zeker zijn wij er 



1) De titel is: Pflanzen-Bastarde und Mischlinge so wie deren Nutzanwendung ; von J. F. 
KLOTZSCH Berlin , 1854. De uitvoerige literatuur van het geheele onderwerp, zooals deze door 
den sclirijver worden voorgedragen , hebben wij hier achterwege gelaten. 



209 

van dat het werk van den Heer klotzsch op deze zaak de aandacht van 
kweekers en van physiologen meer zal vestigen, dan zij tot dus verre daarop 
gevestigd was, en wij vleijen ons dat dit vooral onder onze landgenooteu , die 
zoo veel op hebben met het voortbrengen van nieuwe Amarillis-voimen en 
andere soortgelijke gewassen, het geval zal zijn). 



NOG IETS OVER GUNNERA CHILENSIS Lam. 

(— scaèra R. l^ P. 8f Hort.) 

Hetgeen ik in een vorig nommer van dit tijdschrift heb gezegd aangaande 
de Gv/iinera Chilensis, vinde ik in een buitenlandsch geschrift, namelijk de 
Hlustration horticole van den Heer verschaffelt, geredigeerd door Prof. 
LEMAiRE [t. a. p. 2 vol. 10 Livr, 1855 p. 77) bevestigd. Aldaar komt voor 
een artikel, met het opschrift Rtisticité du, panké; sou hisioire., hetwelk al- 
dus luidt: 

AT Niettegenstaande de industriëele en pharmaceutische waarde, niettegen- 
staande het sierlijk en grootsch efiect, dat zij in onze tuinen maakt, is deze 
plant zeldzaam en onbekend gebleven, waartoe welligt de grootere ruimte, 
welke men haar in onze koude kassen geven moest, alwaar men haar des win- 
ters bewaarde, de aanleiding schijnt te hebben gegeven. 

//Eene omstandigheid, welke ons voorkomt allezins afdoende te: zijn, heeft 
onlangs bewezen dat die plant geschikt is voor den vollen grond, en onze 
winters in den open lucht kan doorstaan. De Heer a. dai.lière horticulteur 
te Ledeberg lez-Gand heeft daarvan een merkwaardig bewijs geleverd. Hij 
wnst niet waar hij blijven zou met een groot individu van dit gewas. Hij 
plantte het op het eind van 1854 in den vollen grond en de vrije lucht; 
alwaar hetzelve, zonder eeuige bedekking en zonder nadeel daarvan te on- 
dervinden, den laatst verloopen strengen winter van 1854-55 doorstond. 
De plant liep in het voorjaar met eene ongewone kracht uit. Evenwel moet 
men hierbij voegen, dat het gedeelte van de plant, hetwelk zich boven den 
grond bevond, is afgestorven, terwijl de zijdelingsche eenigzins dieper gele- 
gene uitloopers, op welke de strenge vorst geen nadeel had kunnen uitoefe- 
nen, zijn uitgeroeid en nog met kracht voortgroeijen. Hieruit zal men met 
grond kunnen afleiden , dat het om deze plant zonder schade den winter door 
te brengen, genoegzaam zal zijn om haar met eenig blad te dekken." 

De Heer i.emaike zegt, na het aangevoerde dat de groote tuinen en par- 

II. 1* 



21Ü 

ken in het vervolg een sieraad te meer zullen hebben: aangezien er niets 
schooners en niets meer krachtvol te aanschouwen is, dan deze krachtige 
plant, wanneer zij ongestoord hare groote bladen met enorme bladstelen kan 
ontplooi] en. 

De geschiedenis van dit gewas komt hierop neder: 

Na het jaar 1714 beschreef louis feuilt.ée de vader, na zijne terugkomst 
van eene wetenschappelijke reize in Zuid-Amerika , ondernomen van 1708 — 
1711, in zijne Hist. PI. meel. Chili et Per. Observ. IL 741 t. 30, onder 
den naam van panké, zijnde de inlandsche benaming van die plant, een ge- 
was, groeijende in vochtige streken van Chili en Peru, van hetwelk de in- 
boorlingen de stelen eten, 't zij raauw, het zij gekookt, nadat zij die heb- 
ben ontdaan van de ruwe opperhuid; of van welke zij eenen verfrissch enden 
drank maken; waarvan de wortels rijk zijn aan zamentrekkende of zooge- 
naamde looistoffen, in die mate zelfs, dat men die kan bezigen om zwart te 
verwen en dat de leerlooijers die laten koken met hun leder om er tegelij- 
kertijd de dikte en de buigzaamheid van te vermeerderen. 

In 1782 heeft molina, in zijne Storia naturale del CJdh (Saggio Sulla 
p. 99-170! Traduct. franc. 93-168!) zich op dezelfde wijze over die plant 
uitgelaten en om dezelfde redenen haar geprezen, de lamakck beschreef en 
beeldde haar af in 1780 in de Encyclopédie (III. 61. Illustr. t. 801. 
fig. 1.) onder den naam van Gunuera chilensis, welke noodzakelijk de pri- 
oriteit moet hebben. Negen jaren later, dus in 1798, hebben kuiz en pavon 
{Fl. Per. I. 29. t, 44. f. a.) haar op hunne beurt beschreven en afgebeeld, 
daarbij echter, zeer te onregte, den soortsnaam veranderende. Zij noemden 
haar Gunnera scahra., onder welken naam deze plant thans vrij algemeen in 
de tuinen bekend is. 

Uit hetgeen hierboven aangaande de kuituur en de behandeling van deze 
plant is aangevoerd, zullen, naar wij vertrouwen, onze lezers geredelijk het 
besluit trekken, dat zulks te eenemale overeenstemt, met hetgeen wij vroeger 
bebben medegedeeld als hier ondervonden ; met dit onderscheid alleen dat wij 
van de kuituur zonder bedekking bepaaldelijk eene slechte uitkomst hebben 
o-ehad. 



211 



OVER DEN DUUR VAN HET KIEMVERMOGEN DER ZADEN VAN 
EENIGE HARS-ACHTIGE ALTIJD-GROENE BOOMEN. 

MEDEGEDEELD DOOR H. WITTE. 

Onder dezen titel komen in de September-aflevering van de Revue Hor- 
ticole van dit jaar eenige mededeeKngen voor van den redacteur pepin, welke 
waarschijnlijk aan de lezers der Tuiubouw-Flora niet onwelkom zullen zijn, 
en die wij daarom hier laten volgen. 

//De eigenschap, welke sommige zaden bezitten, van hun kiemvermogen 
gedurende korteren en langeren tijd te bewaren, is nog niet goed bekend. 
De boomkweekers weten dat zaden van verschillende boomen, zoo als beuken 
eiken, notenboomen, kastanjeboomen enz., moeten gezaaid worden zoodra zij 
rijp zijn, aangezien zij in weinig tijds uitdroogen. Anderen zijn er, die twee, 
drie of vier maanden na de inzameling gezaaid, eerst het tweede, derde of 
vierde jaar ontkiemen; hetwelk het geval is met de meeste Rosaceën, zoo als: 
Mespilus, Cralaegï(,s, Coioneaster; en eindelijk die van de Hulst, de Phyl- 
lyreas, 3apïmes, CamelUas enz. 

//De toestand waarin zich de zaden bij de inzameling bevinden, de meer 
of minder gevorderde staat van de kiem kunnen hierin wijzigingen doen ont- 
staan; zoodat men deze wèl waarnemen en kennen moet, wil men zekerheid 
hebben betrefiende de latere ontkieming. 

//De ondervinding heeft geleerd dat de zaden langer goed blijven, wanneer 
men ze in hunne omhulsels bewaard, dan wanneer men ze daarvan ontdaan 
heeft. 

//Er zijn eenige boomsoorten, welker zaden niet altijd in het eerste jaar 
ontkiemen, ondanks de zorgen van gezaaid te zijn onmiddelijk na de inza- 
meling. Ik heb meermalen den Taxis-boom {Taxus haccata) op genoemde 
wijze gezaaid, welke in den regel voor een grooter deel in het tweede en 
derde, en somtijds in het vierde jaar opkwamen, dan in het eerste. Nog in 
de laatste jaren heb ik hiervan gezaaid, die gedurende vier jaren in den 
grond lagen, zonder dat ik eene enkele zag ontkiemen. 

// Men verkeerde tot heden in het denkbeeld , dat de zaden der dennen- 
boomen, wanneer zij uit de kegels genomen waren, hun kiemvermogen niet 
langer dan vier of vijf jaren behielden. Ik heb dienaangaande eenige proeven 
genomen, door zoodanige zaden van 'Piims sylvestris, Laricis enz.; die uit 
de kegels genomen en ongeveer een jaar in een zakje bewaard waren, te 
zaaijen. Zij ontkiemden werkelijk allen eerst in het vierde jaar, en eenigen 
zelfs in het vijfde; maar zeldzaam nog later. Ik kan echter twee voorbeelden 



212 

aanliaien van zaden, die, na sedert versclieidene jaren uit de kegels genomen 
te zijn, geregeld opkwamen en krachtige boomen voortbragten. Zaden van 
Fiuus Pinea, in 1838 ingezameld, zijn in 1854 en 1855 nog opgekomen. 
In 1835 liet de Heer dei.amaiie, toenmaals eigenaar van het landgoed 
d'Harcourt (Eure), gedurende den winter een aantal kegels van Pinus ma- 
rilima inzamelen, die in een oude toren van het kasteel geborgen werden. 
In 1843 en 1851 zaaide de tuinier ïurgis zaden uit deze kegels, waarvan 
een groot gedeelte, minstens twee derden, goed opkwamen. Ik stel mij voor 
om ook hiervan eenigen, na ze geteld te hebben, in het volgende jaar te 
zaaijen. 

// Ook heb ik vergelijkende proeven genomen met zaden uit kegels , die goed 
normaal ontwikkeld waren en die uit gebrekkige of voor hare rijpheid afge- 
plukte kegels. De eerste slaagden altijd het beste, terwijl ook de planten 
hieruit voortgekomen, krachtiger waren dan die der laatste. Ik heb, gelijk 
ik boven zeide, altijd opgemerkt dat de hoedanigheid der zaden afhangt van 
den toestand waarin de vrucht tijdens de inzameling verkeert. Ook komen 
hierbij in aanmerking de middelen waardoor men de kegels droogt, de wijzen 
waarop men ze van de zaden ontdoet en de bewaring van deze laatsten. In 
het algemeen kan men aannemen, dat de winter en de lente de gunstigste 
tijden zijn om de zaden dezer boomen in te zamelen; er zijn er echter eeni- 
gen, bij welke zulks in September of October moet plaats hebben. 

//Al de soorten met kleine zaden ontkiemen, wanneer zij versch gezaaid 
worden, na verloop van dertig tot vijftig dagen. Eenige Pinus-soorten kun- 
nen in de lente, bij gunstig weder, in vijftien of twintig dagen ontkiemen. 
Zijn de zaden ouder, dan zullen zij eerst na twee of drie maanden of wel 
tegen het einde van het jaar, of zelfs in het volgende jaar opkomen. Ik heb 
in de lente van 1853 eenige zaden van de zwarte Oostenrijksche den (Pin 
noir d'Autriche) en van Pinus Cefnbra, die uit den handel voortkwamen, 
gezaaid, die meerendeels eerst in de lente van 1854 opkwamen; de zaden 
van Pinus Cemlra ontkiemden nog in September van dat jaar, achttien maan- 
den nadat zij gezaaid waren. 

//De Pinus Sahiniana, uit Californië afkomstig, heeft zaden met harde, 
hoornachtige omhulsels even als die van Pinus Pinea en Cembra. Zij ont- 
kiemen ook eerst, na verscheidene maanden aan.de aarde te zijn toever- 
trouwd geweest. Van twee honderd zaden, die in de maand Junij 1854, 
door de administratie van het Museum aan de Landbouw-Societeit, voor haar 
landgoed d'Harcourt, gezonden, waren er op den 14 October van datzelfde 
jaar nog slechts twee ontkiemd. Het zou doelmatig geweest zijn om zorg- 
vuldig de harde huid te kneuzen of te breken, om aan de kiem te beter 
gelegenheid te geven om zich te ontwikkelen. Zaden, die op deze wijze in 



213 

de boomkweekeiij van het Museum door den Heer cahrière behandeld en 
op eene^ warme bedding gezaaid waren, zijn bijna allen korten tijd na de 
zaaijing opgekomen. 

Sedert 1851 heb ik eenige proeven genomen met oude zaden uit kegels 
van PiiiHS sijlvestris , Phms Piiiea en den Ceder van den Libanon , welke in 
1838 door den Heer broxgniarï als voorbeelden op zijne botanische lessen 
waren gebezigd. — De ontwikkeling willende bespoedigen, liet ik de zaden 
gedurende acht uren in water weeken, daarna zaaide ik ze in potten met 
hei-aarde gevuld en plaatste deze in eene kast, welker temperatuur steeds 
boven 10" (Centigr.) gehouden werd, waarvan ik de volgende uitkomsten 
verkreeg. Op ; den 28^'^"* October 1851 werden twintig zaden van Pinus 
Pinea gezaaid; den 12'*^'* November kwamen er drie op; den 15'^'^°, zes en 
den 15^*^", zes andere, bijgevolg 15. De vijf overigen zijn niet opgekomen, 
nadat zij tot in de maand Mei des volgenden jaars in den grond waren 
gebleven. 

//Op den zelfden dag der zaaijing van de bo vengenoemden werden ook tien 
zaden van Pimis sylvestris onder dezelfde omstandigheden gezaaid; twee 
hiervan verschenen den ll.*^^" November, en drie den l?*^®"; de vijf overigen 
zijn niet opgekomen. 

//Te gelijker tijd werden achttien zaden van den Ceder van den Libanon, 
na gedurende vijf uren in water gekweekt te zijn eveneens, gezaaid. Den 
ggsteu jVfovember kwamen er twee van tevoorschijn, en toen ik eene maand 
later de anderen nazag , vond ik ze allen bedorven. Ik had bij de zaaijing 
bemerkt dat zij droog en gerimpeld waren, waarin ik ze gedurende eenige 
uren in het water gelegd had om de huid zachter te maken. 

//Een jaar daarna, den 20^'^"* October 1852, zaaide ik twintig zaden van 
Piuus Pinea, uit dezelfde kegels van 1838. Den 3*^®° November ontkiemden 
er twee; den 8^'*" vier, en den IS*^^" zes. Li de maand Mei daaraanvolgende 
bevond ik de kernen, van die welke niet ontkiemd waren, bedorven. 

//Van tien zaden van Pinus sylvestris, ter zelfder tijde gezaaid, is er 
slechts een op den 10 November opgekomen. 

//Op den zelfden dag van de beide voorgaanden werden ook zestien zaden 
van de genoemden Ceder, op dezelfde wijze als in het vorige jaar behandeld, 
gezaaid; op den 22*'®" November kwam er één op, welke veertien dagen later 
weder stierf. Ik herhaalde deze proeven op nieuw in 1853, met zaden uit 
dezelfde kegels van 1838. Op den 25 October zaaide ik zestien zaden van 
Phms Pinea; drie hiervan kwamen den 19 November op en den 6 Decem- 
ber de acht overigen bleven geheel weg. 

Op den zelfden dag zaaide ik acht zaden van Pinus si/lvesiris en achttien 
van den Ceder des Libauous, van welke geene ontkiemden. 



214 

//lu 1854 zaaide ik nogmaals op den 11 April tien zaden van Pinus 
Pinea, altijd afkomstig uit de kegels van 1838; drie hiervan kwamen den 
13 Mei op; drie anderen den ]5; de overigen zijn niet opgekomen. Ditmaal 
had ik de zaden niet vooraf in water geweekt. 

//Er bleven mij nog, tusschen de schubben van het bovenste gedeelte der 
kegels van Pinus Plnea, tien zaden over, die ik op den 2 Maart dezes jaars 
zaaide; zeven hiervan zijn volmaakt goed ontkiemd. Het was deze laatste 
soort, waarop ik aanvankelijk het minste hoop had, in aanmerking genomen 
de groote hoeveelheid olieachtige stof, welke deze zaden bevatten. — Intus- 
schen slaagde hiervan twee derden van de eerste zaaisels, in 1851 en 1852 
en de helft van de in 1853 gezaaiden. De Heer keteleêr bewaarde sedert 
1846 kegels van Pimis patuia ^ Lemoniana en Abies nicjra ; hij zaaide hier- 
van de zaden in 1853, en zij kwamen allen even goed op als waren zij 
versch ingezameld. 

nKS. deze zaden waren in hunne tegels gebleven en op eene drooge plaats 
bewaard. Men nam altijd bij voorkeur de zaden van het onderste gedeelte der 
kegels; die der beide laatste soorten, welke uit het bovenste gedeelte daarvan 
afkomstig waren, zijn niet opgekomen, als zijnde minder goed dan de on- 
dersten. — Intusschen zijn er gevallen dat allen onverschillig, de onder- 
sten de bovenste even goed ontwikkeld zijn. In een kegel van Pinus Coul- 
éeri, in 1854 in het Museum ingezameld, waren het die zaden, welke aan 
het bovenste gedeelte zich bevonden , die het beste waren. 

//Mijne waarnemingen betreffende den duur van het kiemvermogen bij de 
zaden dezer boomen zijn nog niet talrijk; ik stel mij echter voor die voort 
te zetten. 

Tot zoover de Heer pepin. Wij houden het er voor, dat waarnemingen 
van dezen aard eene zeer nuttige strekking hebben; daar zij vaak verkeerde 
meeningen voor beter weten doen plaats maken en der kuituur van wezen- 
lijken dienst kunnen zijn. Wij behouden ons voor, om, hoewel wij ons daarbij 
niet denken te bepalen tot ééne plantenfamilie , ook, en meer in 't alge- 
meen, betrefiende deze zaak onze opmerkingen te bewaren. 

Leiden, 5 Octobcr 1853. 



215 



PLANTEN OF VERPOTTEN VAN CONIFEREN, 

DOOK DEX 

Hr. CA KRIEK E, 

CUKF DES PKPINIÈKES TE PAliIJS. 

In een over deze plantengroep onlangs uitgegeven werk heeft de Heer 
CAiiRiÈRE als het gunstigste tijdperk voor hare planting opgegeven het einde 
van den zomer of het begin van den herfst. Ten aanzien van het verpotten 
heeft hij onlangs aan de Revue Horücole (zie p. 329 — 330 Sept. 1855) het 
volgende berigt, dat tot steun kan dienen voor zijne bewering. 

Sedert 25-28 Julij liet hij 800 stuks Pimis excelsa^ die, ten gevolge 
van een sterken groei, wortels hadden geschoten in den grond in welken zij 
stonden, uitgraven. Veertien dagen daarna hadden die planten reeds weder 
nieuwe wortels gemaakt en na verloop van eene maand was de nieuwe grond, 
waarin men ze had gezet, zoo zeer met wortels voorzien, dat hij er geheel 
en al wit van was geworden. 

Deze omstandigheid geeft den Heer carhièke aanleiding om te onderstel- 
len, dat, wanneer men de Coniferen verplant of verpot tegen het einde 
van den zomer en voor dat de winter zijnen krachtigen invloed uitoefent, 
deze planten alsdan nieuwe wortels schieten en dat zij zich in eenen toe- 
stand bevinden, die dezelve in staat stelt om de ruwe en nadeelige weersge- 
steldheid te braveren. De maand September zou welligt voor de verplanting 
het meest geschikt zijn om de planten niet in 't gevaar te doen komen van 
op nieuw hare sappen te doen opstijgen en nieuwe loten te doen vormen ; 
hetwelk op dat tijdstip zeker hoogst nadeelig zou zijn bij te wachten koude. 



ST. PETERSBURG. — K E W. 

Z. M. ALEXANDER II heeft benoemd tot Directeur van den kruidtuin in 
de hoofdstad van dit magtige Rijk den Heer Dr. regel, vroeger eersten 
hortulanus van den tuin te Zurich en dit op zeer gunstige voorwaarden. Er 
is bovendien een tweede of onder-Directeur benoemd alleen voor de compta- 
biliteit. 

Het budget van die inrigting bedraagt 200,000 francs, aldus verdeeld: 
33,000 francs voor do verwarming:; 32,000 francs voor de arbeidcrs-loonen : 



216 

7300 voor aankoop van levende planten; 6800 francs voor de bibliotheek en 
eene bijna gelijke som voor het onderhoud van het botanisch museum. 

De Engelsche Eegering heeft aan den tuin van Kew mede belangrijke 
sommen toegekend, als 1300 £ voor den aanbouw van eene kas voor 't be- 
waren van planten uit de gematigde luchtstreken ; voorts 3000 £ voor den 
bouw van een botanisch museum. 

Het is een gelukkig verschijnsel dat, niettegenstaande dezen rampzaligen 
oorlog, de kunsten des vredes in de landen der oorlogvoerende Mogendheden 
ongestoord beoefend worden, ja zelfs eenen vroeger niet gekenden bloei ge- 
nieten. 



C A C T E E N. 

Wij hebben eene gedrukte lijst ontvangen van de verzameling Cacteae van 
den Heer j. i.. a. desehtine, te Leiden. Wij vinden daarin eene zeer be- 
langrijke collectie van planten, behoorende tot eenige weinige, maar voorname 
geslachten, bepaaldelijk Echinocactus en Mammïllaria. Met die van andere 
geslachten, vindt men zoowel soorten als verscheidenheden ten getale van 
omstreeks 450. De voornaamste welke hier voorkomen zijn: 

Pilocereus senilis Lem., Echinocactus acuatus L. et Ott., E. anfructuosus 
Mrt., E. concinnus Monv., E. crispatus DC, E. denuclatus Lk et Ott. (Gy- 
mocalicium denudatum Pfr.), E, ensifer., E. formosns H. Angl. (Melocactus 
Gilliesii), E. Eorbesii,, E. gibbosus DC. Gymnocallicium gibbosum Pfr., E. 
grandicomis Lem., E. Hookerii, E, horripulus Lem., E. Ligens Zucc, E. 
irroratus Hort., E. Monvillei Lem., E. Mjriostigma S, (Astrophyton myri- 
ostigma Lem.), E. ornatus DC. (E. holopterus) Miq. E. Mirbelii Lem.) 
E. Oursillianus, E. robustus ITB., E. Scopa Lk et Ott. E. Williamsii Lem., 
Echinopsis campylacantha Pfr., E. Lagermannii., E. pectinata Schdw. (Ce- 
reus pectinatus), E. Pendlandii, Mammillaria acanthoplegma Lehm (leucoce- 
pliala H. Par)., M. amabilis Ehrbg., M. amoena Hpfr., M. badia, M. bi- 
color cristata, M. Bocasiana, M. Bumanna Ehrbg., M. Dyckiana Zucc 
(M. gemnispina DC)., M. eboriiia Ehrbg., M. elegans DC, M. elephanti- 
dens Lem., M. Eellnerii Ehrbg., M. Üavo-virens cristata., M. Hageana Pfr. 
(M. diacantha nigra Haage (M. Perothele Hort)., M. Haynii Ehrb. M. Ha- 
seloffii Ehrbg., M. Humboldtii Ehrbg., M. isabellina Ehrbg., M. Kleinerii 
Ehrbg., M. Kramerii Muchlpf, M. Meisnerii Ehrbg (M. Meracantha Hort.), 
M. Neumanniana Lem., M. nobilis Hort., M. Obermullerii Ehrbg. M. 




PIPPIN LOINDON. 



OM.R Ver-Aae]! a.d nat del 




ROYAL D'ANGLETERRE. 




/ 



CODLING SPRING GROVE. 





rN 




Jleuren druk t. P WMTrap. 



KING OF THE PIPPINS 



217 

Ottonis Pfr., M. Parkinsouii Ehrbg., M. picturata Ehrbg., M. pretiosa Ehrbg. 
M. Salmiana Tennel., M. Schlechtendalii Ehrbg., M. senilis H. Angl., M. 
splendeus Ehrbg., M. stipitata Ehrbg., M. tecta Hort., M. viridis., M. Web- 
biana Lem., M. Zepniekii Ehrbg., M. nova Sp. e Tampico (M. affinis M. 
glauca Dietr. M)., Melocactus communis DC, M. Monvillianus Mq., M. py- 
ramidalis., Pelecyphora aselliformis Ehrbg. 

De geheele verzameling munt uit door schoonheid van exemplaren, door 
netheid en reinheid en eenen weligen groei. 



NIEUWE APPELEN, 



MBOBOBOBBLD DOOB 



K. J. AV. OITOLANUER. 



CoDLiNG SPRING GROVE n». 166 van de Catalogue of the f mits ^ third 
cdition. 

Het gewas van dezen appelboom is over het geheel slank, doch sterk; de 
opperhuid der jonge takken is licht-bruin, met een aantal ronde ^ ongelijk 
verspreide siippen\ de bladen zijn langwerpig, zeer sterk getand, somtijds 
diep ingesneden en licht groen; de bladsteel is middelmatig van lengte en 
dik. — De boom draagt goed; de vruchten zijn voor den keuken bijzonder 
geschikt, zij smelten spoedig en zijn niet te zuur. Op den Pam^Zij*-appel 
veredeld zijnde, wordt het een vrij goede tafel-appel. 

Volgens onze gedachte zal dit eene voordeelige aanwinst zijn voor den 
tuinbouw en den boomgaard, voornamelijk om zijnen ruimen dragt. — De 
vruclit duurt tot October. 

KiNG OF THE pippiNs. — HampsUre Yellow. n». 383 van denzelfden 
CataloG'us. 

Het gewas van dezen boom is zeer sterk; de takken zijn dik en zwaar, 
stompachtig aan de einden; de opperhuid is donker bruin met langicerpige 
stippen; de bladen zijn hartvormig, stomp getand en donker groen; de blad- 
steel is middelmatic^ van lengte en breed. — Deze boom is mede zeer draag- 
zaam. — Wordt hij op den JParad{js-2i^])ê. veredeld, dan geeft hij eenen 
zeer goeden tafel-appel; op wild geënt is hij voor den keuken geschikt; 
voor den fruithandel is hij zeer goed. 

PiPPiN' T.oxDox. — Five Crown-jnppin. — New Loudon. — Roijal So- 
merset n». -110 van genoemden Catalogus. 



218 

Het gewas is minder sterk clan dat van den laatstgenoemde, doch vormt 
ook een' goeden boom; de bladen zijn matig groot , hartvormig , stomp getand 
en donker groen; de bladsteel is middelmatig van lengte; de opperhuid der jonge 
takken is zeer donkerbruin-graauw met vele kleine grijze stippen. — Deze 
boom draagt zeer goed en spoedig. Op Paradijs geënt geeft hij een' matig 
goeden tafel-appel; doch op wild geënt is hij beter voor de keuken. 

Het is ongetwijfeld eene goede aanwinst voor den boomgaard. 

KoYALE d'angleterre. — Pearmaitt Herefordsliire. — Old Pearmain. 
no. 544 van genoemden Catalogus. 

Deze boom levert een zeer sterk gewas ; bij eenen stuggen groei vormt hij 
eenen sterken boom; de opperhuid der jonge takken is donker bruin met 
een aantal Tdeine stippen; de bladen zijn rondachtig, donker groen en stomp 
getand; de bladsteel is van middelmatige lengte en dik. 

Dit is eene zeer voortreffelijke soort, welke op Paradijs veredeld een' 
uitmuntenden tafel-appel oplevert. — Voor den fruithandel zal hij zeer voor- 
deelig zijn. 

Wij kunnen niet nalaten hier ten slotte bij te voegen, dat onze Oud-Hol- 
landsche soorten van Pippins, Reinetten en Pigeotis, althans naar onzen 
smaak, verre de Engelsche en Pransche appelen overtreffen. Dit is geene na- 
tionale trots , maar de waarheid ; — evenwel , de smaken zijn verschillend. — 
De Engelschen maken veel wijn of cider van de appelen en vinden daarom 
de saprijkste, zeer spoedig smeltende appelen meestal de beste. Bij ons te 
lande maakt men veel werk van tafelfruit, waarom men hier geurige appelen, 
die vast van vleesch zijn, de voorkeur geeft — men denke slechts aan de 
Gold pippin, enz. Enkele ingevoerden kunnen dus slechts wedijveren met onze 
oud-bekende soorten, waaronder vooral de Nonsucli Park behoort; verder de 
Calville jaune d'hiver, Kaiser tafel, Golden Harvey, Bedfordshire found- 
ling, Beauty of Kent, Newtown pippin, Pearmain (TJdver enz. 
Boskoop, 15 October 1855. 



PELARGONIUM ENDLICHERIANUM, 



MEDEGEDEELD DOOR II. WITTE, 



(Naar aaiilciiliiig van liet gene daaromtrent voorkomt in de Revue Ilorticole 
1855 p. 31G get. naudin). 

//Dit is, zegt de Heer lindley (Gardeners' Chronicle. 1S55, p. 480), 
eene keurige aanwinst en tevens een voorwerp van groote merkwaardigheid. 



219 

Het is een heestertje met saprijke takken en bladen die rondaclitig-niervor- 
mig, gekarteld, zijdeachtig en welriekend zijn en bloemen die eenen sclierm 
vormen, elk uit twee bloembladen zamengesteld , zooals die van Felargonium 
tetragonum waarop donker karmijukleurige strepen den bleekeren grond- 
kleur doorloopen. De voorwerpen hiervan, welke zich in den tuin van de 
Tuinboaw-Vereeniging te Londen bevinden en in vollen bloei staan, vertoo- 
nen op eiken scherm slechts vijf bloemen; exemplaren uit herbariën echter 
hebben er twintig en meer. De tuin van Chiswick bekwam deze interessante 
plant van den Heer fraxcis raucii, directeur van een' der tuinen van Z. 
M. den Keizer van Oostenrijk."'' 

Deze korte beschrijving zal voldoende zijn om de waarde van deze nieu- 
welinge als sier-plaut te doen kennen; maar wat haar in de oogen der 
kruidkundigen en vooral van geographisch -kruidkundigen eene bijzondere 
waarde bijzet, is, dat zij, wat betreft hare oorspronkelijke groeiplaats, eene vol- 
komene uitzondering maakt , op 't geen van het vaderland der Pelargoniurris be- 
kend is. Het is bijna niemand onbekend dat deze talrijke plantengroep (men 
kent er ongeveer 500 soorten van!) schier geheel tot de zuidelijke punt 
van het vaste land van Afrika bepaald is. De nasporingen der reizende kruid- 
kundigen hebben ongevoelig het gebied dezer planten uitgebreid; zoo heeft 
men er, hoewel in klein aantal, ontdekt in Abijssinië, op het eiland Sint 
Helena, in Nieuw Holland, op van Diemensland, op het eiland Tristan 
d'Acugna, en zelfs, wat reeds opmerkenswaardig is, op de Canarische eilan- 
den. De hier bedoelde soort maakt echter, in hare afkomst, de grootste uit- 
zondering van allen. Zij behoort namelijk te huis in Klein-Azië: het is de 
eenige tot hiertoe bekende soort van dit geslacht , die op het uitgestrekte 
vaste land van Azië voorkomt. Men is de ontdekking van deze plant ver- 
schuldigd aan den reiziger kotschy, die dezelve, in Julij 1853, heeft inge- 
zameld op de kalkachtige hellingen van den Bulgar Dagh. (Taurus), in den 
omtrek van een klein dorp, Gullek genaamd, 't welk welligt nog op geene 
kaart van Klein-Azië voorkomt. 

De hier genoemde afwijking in de botanische geographie, is op verre na 
niet de eenige bekende. Om een tweede voorbeeld, 't welk overigens zeer 
met dit overeenkomt , te noemen , herinneren wij aan de daadzaak dat men in 
Sicilië en in Algerië, aan de oevers der Middellandsche zee, twee geslach- 
ten aantreft, welkt na verwant zijn aan de Stapelia's, eene wezenlijk zuidelijke 
plantengroep en karakteristiek voor de Kaap de Goede Hoop. Men moet zich 
eigenlijk slechts weinig verwonderen over deze verspreiding der leden van 
een en dezelfde natuurlijke plantengroep, daar zij inderdaad meer algemeen is 
dan men gewoonlijk vermoed. AVat toch zijn , zonder te spreken van het voor- 
komen van een enkele Eriocaulou in Ierland, terwijl al de overige aan gene 



220 

zijde van den Atlantischen oceaan thuis behooren, onze europesclie heide- 
planten anders, dan een afgedwaald gedeelte van het groote geslacht Erica 
van Zuid-Africa? Hoevele andere, overigens vohnaakt natuurlijke geslachten 
zijn niet geographisch door uitgestrekte zeeën, dorre wildernissen of hooge 
bergketens gescheiden. De Rhodoclendro7i s ^ de Magnolia s, de eiken en een 
groot aantal andere geslachten, aan de beide vaste landen eigen, zijn hiervan 
even zoo vele voorbeelden. 

Voor het overige zijn de wezenlijke karakters, waarop het geslacht Gera- 
nium is gegrond, niet zoo scherp afgebakend, dat men niet een zeker getal 
planten zou aantreffen, die het midden houden tusschen dit geslacht en de 
andere, die de familie der Geraniaceae uitmaken, en wel bijzonder het ge- 
slacht ErocUum. — Deze karakters bestaan in eene onregelmatige bloemkroon 
en het bestaan van eene spoor, welke met de bloemsteel is vergroeid, of, meer 
bepaald gesproken, van eene honig-klier, die, aan de basis van het bovenste 
kelkblad, meer of minder diep in het weefsel van den bloemsteel gedrongen 
is. — Zoodanige klieren komen nu ook bij verscheidene soorten van het ge- 
slacht Erodium voor, en die welke bij het bovenste kelkblad voorkomt, is 
zeer dikwijls 't meest ontwikkeld van allen. — Is die nu slechts eeniger- 
mate met den bloemsteel vergroeid, dan heeft men het kenmerkend karakter 
van Pelargonium, en werkelijk treft men, bij dit laatste geslacht, soorten 
aan, waar die honig-holte te naauwernood zigtbaar is en die dus werkelijk 
den overgang tot het geslacht Erodium daarstellen. 

Sedert geruimen tijd kweekt men in den Plantentuin te Parijs eene Gera- 
niacea van Algerië, die de grens schijnt daar te stellen tusschen de twee 
geslachten, waarvan sprake is; het is de Erodium Geïfulimn^ eene wezen- 
lijke sierplant, waaraan niets anders ontbreekt om tot het geslacht Pelargo- 
nium te behooren, dan dat de bovenste klier met den bloemsteel vergroeid 
ware. De bloemkroon is minstens zoo groot als die van Pelargonium inqui- 
nans, zij is zigtbaar onregelmatig, fraai rooskleurig wit, met eene groote 
purpere vlek op elk der beide bovenste bloembladen, op het eerste gezigt 
zou men de bloemen voor die xaii een' Pelargonium houden en strikt ge- 
nomen zou men de plant ook tot dat geslacht brengen moeten, zoo slechts 
de honig-klier in de basis van het daaraan grenzende kelkblad, vergroeid 
ware. Te dezen opzigte ligt er slechts ééne schrede tusschen deze plant en 
de Pelargonium Coti/ledonis van het eiland St. Helena; want in deze laat- 
ste soort is zij slechts zeer weinig vergroeid en gevolgelijk is de voorge- 
wende spoor hier teruggebragt tot eene eenvoudige holte, aan de basis van 
een der kelkbladen. Uit dit oogpunt beschouwd komen beide planten, door 
de organisatie der bloem, elkander zeer nabij. 

Wij kunnen nog niet bepalen in hoeverre de P. Eudlicherianuvi ons kli- 



221 

maat verduren kan; wat de soort van Algerië betreft, deze wordt sedert 
verscheidene jaren, zonder bedekking in den Plantentuin te Parijs gekweekt, 
zonder daardoor zigtbaar te lijden. Dit is eene fraaije plant, die een aange- 
naam gezigt oplevert en om hare sierlijke bloemen verdient in de tuinen 
verspreid te worden. 



DE ZUIDKUST VAN DE KRIM EN HARE TUINEN. 



Prof. Dr. KOCH. 

De Klim heeft in den laatsten tijd onze opmerkzaamheid in zoo hooge 
mate tot zich getrokken, dat elke bijdrage, dienende om dit schiereiland be- 
ter te leeren kennen , voorzeker in staat zal zijn de belangstelling op te wek- 
ken. Het zij mij derhalve vergund, uit de herinneringen mijner reis datgene 
hier mede te deelen, wat in betrekking tot tuinbouw belangrijk is, voorna- 
melijk daar er, zooveel mij bekend is, ten minste in de Duitsche taal, be- 
halve het mijne, geen enkel werk voorhanden is, waarin dit onderwerp uit- 
sluitend wordt behandeld. Sedert eenigen tijd echter, nadat de Engelschen 
ook aan de Zuidkust eene landing beproefd hadden, heeft men door couran- 
ten en mondelinge berigten veel daaromtrent vernomen dat toch niet altijd 
geheel en al overeenkomstig de waarheid is. 

Van de zijde der Russen wordt de Krim meestal afgeschilderd als een 
landstreek, niet minder schoon als vruchtbaar en rijk aan afwisseling, die zich 
evenzeer door edel ooft, door wijnbouw als door schoone tuinen onderscheidt. 
Het is ook in der daad niet te ontkennen, dat men, wanneer men uit een der 
eentoonige gelijkvormige gouvernementen van het russische rijk, vooral van 
de zijde der zee, eenigzins boven Odessa komt, aangenaam verrast wordt 
door de heerlijke afwisseling van het tooneel, door de Zuidkust der Krim ten 
toon gespreid, en in een Paradijs verplaatst meent te zijn. Zoo groot is het 
verschil. 

Mij ging het echter niet zoo. Ik was gekomen over den Kaukasus, uit 
een reusachtig gebergte, van eene gemiddelde hoogte van 10,000 voet; 
doch waar men bergtoppen vindt welke dit getal nog met 700 voet over- 
trefl'en, en begaf mij van daar naar de Krim, waar ik mij ten minste in 
den beginne in mijne verwachtingen te leur gesteld bevond. Een jaar te vo- 
ren had ik het niet minder praclitige Pontische gebergte alsmede een ge- 



222 

cleelte van Klein-Azië en Hoog Armenië met deszelfs vier parallel loopende 
bergketenen onderzocht, en kon zelfs de romantische Zuidkust waarvan het 
hoogste punt slechts 4750 voet boven de oppervlakte der zee ligt, onmoge- 
lijk zóó grootsch vinden, als men ze mij in Rusland beschreven had. Daarbij 
kwam nog, dat ik mij tevens in betrekking der zoo beroemde vruchtbaar- 
heid bedrogen vond. Dit alles heeft mij toch niet verhinderd , ook het schoone 
en goede te waardeeren, dat de Krim, hoewel ook in geringe mate, bezit. 

Weldra werd het verblijf aldaar mij zeer aangenaam ; en ik gevoel mij ge- 
drongen openlijk te verklaren, dat, na eene lange afwezigheid uit mijn va- 
derland, de omgang met verscheidene der bewoners door mij hoog op prijs 
werd gesteld en dat ik de herinnering aan mijne vrienden in de Krim heb 
mede gebragt in mijn vaderland. 

Alvorens echter tot de beschrijving der kuituur over te gaan , zal het 
welligt goed zijn eerst iets over het schier-eiland zelf te zeggen. De Krim 
heeft eene grootte van 476 vierkante mijlen en vormt, met uitzondering van 
het zuiden, eene tamelijk gelijkmatige vlakte, welke, ten minste gedurende 
den zomer, gebrek aan water heeft, en alzoo gedurende vele maanden slechts 
eene treurige verdroogde steppe oplevert. Reeds vroegtijdig sterven de krui- 
den voor het grootste gedeelte af; slechts enkele planten blijven over, welke 
er tegen bestand zijn in dien tijd te vegeteren; zulke planten worden meestal 
over groote uitgestrektheden gevonden. 

Men ziet niet veel anders dan witte malroven- [Marruhium) soorten 
en St. Janskruid van de familie der ylrtemisia maritima en pontica. De 
groenachtige graauwe kleur dezer planten levert echter een niet vrolijk ge- 
zigt op. Van al de rivieren welke haren oorsprong aan het zuidelijk ge- 
bergte ontleenen, hebben de twee grootste, de Salgir en de Alma, ter 
naauwernood nog eenig water, terwijl men de bedding der overigen droog- 
voets doorloopen kan. 

Het zuidelijk gebergte loopt parallel met de kust en doet eenen der ver- 
hevene randen cener verbazend groote spleet ontstaan, waaruit de rots in 
het diepst der aarde gevormd, die vroeger in geringe mate te voorschijn 
kwam, thans aan den voet des bergs de eigenlijke zuidkust daarstelt, die 
gemiddeld naauwelijks een half uur lang is. De andere, zuidelijke rand van 
de spleet is, dewijl de as van de zich verheffende rots later eene meernoor- 
delijke rigting verkreeg, weder in de diepte der zee verzonken en wordt 
nu door de golven bedekt. 

Uit het zoo even gezegde verklaart zich de eigenaardige gesteldheid van 
de oppervlakte van het schiereiland. Aan de zuidzijde namelijk van het 
eiland verheft zich een zeer klipachtig en steil gebergte, dat gemiddeld 3000 
voeten hoog is, en hetgeen zich derhalve van uit de zee gezien, als een na- 



223 

genoeg perpendiculair aÜoopende rotswand voordoet. Het bestaat uit Jura- kalk, 
maar vordt van boven bedekt met tertiaire gesteenten van lateren oorsprong. 
Tusschen de eerste en de in de diepte der aarde ontstane gesteenten (dioriet of 
groensteen en eenig basalt) ontdekt men op de smalle streek nog tliouscliie- 
fer, welke hoofdzakelijk tot het aankweeken van den wijnstok worden ge- 
bezigd. 

Slechts op weinige plaatsen is de noordelijke spleetrand of het tegenwoor- 
dige kustgebergte gespleten geworden, zoodat er eenige dalen ontstonden, in 
welke rivieren en beeken hare beddingen hebben, en alwaar de bewoners zich 
hoofdzakelijk hebben neergezet om den akker en den tuinbouw te drijven. 
Deze spaarzame splijting en uitspreiding van de gebergten is ook de oor- 
zaak van het gebrek aan water, hetwelk in het algemeen op het schiereiland 
zeer gevoeld wordt. Slechts op weinige plaatsen bevinden zich bronnen. 

De noordelijke helling van het gebergte gaat, gelijk men zich wel kan 
voorstellen, slechts allengskens over in de vlakte, zoodat die zich slechts 
matig verheft. Slechts aan de westelijke zijde, alwaar het gebergte niet met 
de land-tong zaraenhangt, aan welks noordelijken rand Sebastopol is gele- 
gen, en waar thans zulke groote legers vereenigd zijn, vindt men bergen in 
den vorm van toppen maar van eene niet zeer beduidende hoogte. Tusschen 
twee zulke toppen heeft de zee zich, als het ware, landwaarts ingedrongen 
en vormt alzoo de haven van Balaklava, alwaar zich, sedert het in bezit ne- 
men van de Krim door de Russen, Grieksche kolonisten hebben neergezet. 
Niet verre van daar bevindt zich ook het vruchtbare en met eiken bos- 
schen begroeide dal van Baidar. 

Te gelijk met het in bezit nemen van het schier-eiland door de Russen, 
in den jare 1783 en tien jaren later opgevolgde vestiging van Odessa, be- 
hoorde het bij de Russische grooten tot den hon ton, om een stukje gronds 
te bezitten aan de zuidkust van het schiereiland, al ware dit ook nog zoo 
klein en onvruchtbaar. De rotsachtige bodem werd met ontzaggelijken ar- 
beid en groote kosten eenigzins vruchtbaar gemaakt. Er ontstonden allengs- 
kens eene menigte landhuizen, waarin de eigenaars des zomers eenigen tijd 
doorbragten, of welke zij somwijlen in het geheel niet zagen. Toen later 
Keizer at.exanüee i het besluit nam zijn leven in de Krim te gaan eindi- 
gen, werden daar prachtige paleizen gebouwd, die vele millioenen hebben ge- 
kost en gedeeltelijk nog niet gereed zijn. Yan jaar tot jaar nam in de Krim 
de waarde van den grond toe. De Tartaren, welke hier woonden en waar- 
schijnlijk gedeeltelijk overblijfsels zijn van de oude Gothen, verkochten in 't 
algemeen hunne landerijen tegen een hoogen prijs, en trokken met dit geld 
naar Klein Azië terug. Er is aldus welligt nog geen derde van de oorspron- 
kelijke bewoners overgebleven. Intusschen zijn de namen der dorpen ge- 



224 

bleven, want zij zijn op de kasteelen en landhuizen der Russische Grooten 
overgegaan. 

Men heeft evenwel bij het in kuituur brengen der romantisch schoone 
zuidkust van de Krim niet alleen te strijden met de gesteldheid van den 
bodem, — ook het klimaat zelf is zeer ongunstig. Niettegenstaande toch 
de nabijheid van de zee, zijn de winters voor dezen breedte-graad, in welke 
de zuidkust met Genua overeenkomt, streng te noemen; de zomers daaren- 
tegen zijn zeer, buitejigemeen heet. Hierbij komt dat regen er zeldzaam is 
en zelfs de daauw, welke op de westkust van Zuid-Amerika gedeeltelijk de 
plaats van den regen vervangt, hier de planten geene vochtigheid verschaf- 
fen kan, daar die ook tot de zeldzaamheden schijnt te behooren. Een ge- 
middelde toestand van het weder schijnt men niet te kunnen aannemen. In 
den verloopen herfst en winter zijn de verschijnselen van het weder zoo 
hoogst afwijkende geweest, dat b. v. de anders, omstreeks de dag- en nacht- 
evening zich voordoende stormen, deze maal eerst tegen het midden van de 
maand November verschenen. Naar eene gemiddelde berekening van tien ja- 
ren, waarmede echter de verloopen winter in strijd is, vangt deze meestal 
eerst aan in de maand Januarij en duren in den regel, zonder belangrijke 
koude aan te brengen, tot aan het begin van Maart. Hierbij verdwijnt de 
sneeuw zeer schielijk op de hoogten en treedt de lente zoo plotselijk te voor- 
schijn, dat alle ooftboomen op eens in den bloei staan. Er komen weder he- 
vige stormen tijdens de voorjaars dag-, en nacht-evening, die niet zelden in 

de hevigste orkanen ontaarden. 

(Wordt vervolgd). 



DE BENOEMING VAN EEN HORTULANUS VAN 'S RIJKS 
ACADEMIE-TÜIN TE LEIDEN. 

Heeren Curatoren der Leidsche Hoogeschool hebben in de plaats van wij- 
len den Hr. j. schuurmans stekhoven benoemd tot Hortulanus van den 
Academie-tuin alhier, onzen geachten Mede-arbeider den Hr. h. witte alhier, 
vroeger onderhortulanus te Rotterdam en zoon van den ijverigen en ver- 
dienstelijken Hortulanus aldaar. 



225 
DE KULTUUR DER ORCHIDEE N. 

(Vervolg van bladz. 192.) 

CAIiAlVTHE. Brown. Aard-Orch. 

van KAT.os, schoon en axthos, bloem. 

— bicolor [tweeJcleurig). Java. B. 

De bloemen zijn aan de binnenzijde schitterend geel en aan den bui- 
tenkant oranjekleurig rood. 

— discolor [verkletird). Java. B. 

Het bloemdek is violet-rood; het lipje wit met rosé-lila vlekken naar 
de basis; deze soort bloeit zeer mild. 

— flaTlcans [blond). Eiland Mauritius. C. 

De kelkbladen zijn wit en tweemaal zoo breed als de bloembladen , 
die bleek rooskleurig zijn; het lipje is blaauw, met eene donkere streep 
uit het midden. 

— musaca [Indische naani). Nepal. BR. 1844 37. B. 

De kelkbladen zijn aan de binnenzijde lila en aan de buitenzijde wit, 
de bloembladen lila; het lipje is hartvormig en purper-violet. De bloe- 
men zijn groot en zeer schoon. 

— Teratrlfolia [met hladeu als Veratrum). Java. BR. B, 

Syn. Flos triplicaUcs. Rumph. 
Orchis trijilicaia. Willimet. 
Liniodorum veratrifoluim. Wildd. 
Amhlyglottis fava. Blume. 
De bloemen zijn sneeuw-wit, het lipje is olijfgroen en bloedrood in 
het midden. 

Deze plant bemint eene matige luchtverversching. 

— Testlfa [hekleed). Birman. BR. 720. B. 

Met groote sneeuwwitte bloemen; het lipje is wit met eene oranje-gele 
streep, welke zich van de basis af, naar het midden verliest. 
CAMARIDIU.^. Lindley. Boom-Orch. 

— ochroleucam. Zie Cymhidium. 
CAMAROTI§. Lindley. Boom-Orch. 

Van KAMARA, gewelf (vorm van het lipje). 

— obtusa [stomp). Oost-Indië. Boom-Orch. D. 

De bloemen zijn bleek rooskleurig; het lipje geel. 

— purpnrea [jmrper\ Sylhet. B. 

Het bloemdek is schitterend lila-purper; het lipje donker purper. 
Men kweekt deze plant, die eene vochtige warmte bemint, op hout. 
II. 



226 

CATASETrJW. Richard. Boom-Orch. 

Yan KATA, van onder, en seta, varkenshaar. 

— atratum [donker gekleurd). Brazilië. BR. C. 

Het bloemdek is donker bruin ; de bloembladen zijn bruin gevlekt ; het 
bleekgroene lipje is aan liet einde met gele franje bezet. De plant bloeit mild. 
- callosum {eeltig). 

Het bloemdek is mat roodbruin; het lipje is groen met een geel gezwel 
\ in het beneden gedeelte en eene vlek van dezelfde kleur aan de basis. 

— cornutum {gehorend). Demeray. BR. C 

De bloemen zijn valsch groen met donker purpere vlekken; het lipje is 
ligt groen met donker groene spikkels, de bloemen zijn groot en talrijk. 

— integerrimum {gaafrandig). Guatemala. BM. 3823. C. 

Met groote bloemen van eenen sterken reuk; het bloemdek loopt in 
purper uit en is met spikkels van dezelfde kleur bedekt; het lipje is 
geel en aan de binnenzijde rijk gevlekt. Deze plant moet, tijdens de 
bloem-ontwikkeling , vochtig gehouden worden. 

— naso {met eene neus) Caracas. BB. C 

Het bloemdek is bijna wit met eene ligte tint van groenachtig geel 
en ruim met karmozijn-purper gevlekt. Het lipje verlengt zich in den 
vorm van een oljfants-snuit. 

— tridentatum {drietandig). Brazilië. BM. 2559. C. 

Sjn. C. macrocarpum. Richard. 

— Claveringii. BC. t. 1344. 

— florïbundmn. Hooker. 

De kelkbladen zijn geelachtig groen; de bloembladen groen en in 
meerdere of mindere mate met purper gevlekt, somtijds zelfs geheel van 
die kleur; het lipje is aan de punt ei-geel, en van binnen gevlekt. Deze 
plant verschilt veel naar mate zij sterk en gezond is. 

Wij zullen ons niet verder bezig houden met de beschrijving der soor- 
ten van dit geslacht, hetwelk zich meer door de bijzonderheid en afwij- 
king in den bloemvorm, dan wel door schoonheid en glans onder- 
scheidt. Hier volgen nog de namen van eenige soorten, die in de ver- 
zamelingen voorkomen , maar die wij niet kunnen aanbevelen. 



C. abrubtum. BM. 

— barbatum. BR. 

Sjn. C. prol}oscide%mi BR. 
spinosum BM. 
Myantkus harhatus. BR. 
— spinosus. BM. 

— Cartoni. BR. 



C. deltoïdeum. BR. 

Syn. Myanthis deltoïdeus BR. 

— discolor. BR. 

Syn. Myantlms discolor. BR. 

— BusJmani. BM. 

— roseo-albus. Hooker. 

— fimbriatum. 



C maculatum. 

— ochraceum. BR. 

— planiceps. BR. 

— porifcram. BR. 

— puriiin. B2I. 

— Russelianum. BM. 

— semi apertam. BR. 

— saccatuni. BR. 

— squaliduns . 

— tabulare. 

— Uailesil. 



227 

C faliginosum. BR. 

— globiferum. BM. 

— Herbertii. 

— Hookerii. Lindley. 

— Intermedium variegatum. 

— laminatum. BR. {BM. 

— lanciferam. BR. 
~- Lansbergii. De Yriese. 

— longifolium. BR. 

— lurldum. BR. 
Sjn. C. abruhtum. 

Anguloa lurida. 

De planten van dit geslacht moeten in goed gedraineerde potten ge- 
kweekt worden-, men treft ze gewoonlijk aan op plaatsen die aan de bran- 
dende zonnehitte zijn blootgesteld , waarom eene helder lichte standplaats voor 
haar noodzakelijk is. Gedurende haren rusttijd moeten zij droog gehouden 
worden, tot wanneer de jonge loten verschijnen, naar welker toenemende 
ontwikkeling men vervolgens ook de begietingen wijzigt; zijn de knollen 
eenmaal gevormd dan bevochtige men ze rijkelijk. Wanneer de bloemsteu- 
gels verschijnen, moet men wel op zijne hoede zijn die niet nat te maken, 
omdat zij zeer gemakkelijk bederven. 

Wij hebben de Caiasetnms en Cycnoches volmaakt goed in bloei ge- 
kregen, door ze, onmiddelijk na de verschijning der bloemstengels, uit de 
Orchideën-kast te nemen en ze op eene plank in eene warme kast te 
zetten, die dagelijks gelucht werd. Gedurende de bloem-ontwikkeling moet 
alleen de grond , waarin zij geplaatst zijn, vochtig gehouden worden. 

CATTL.EYA. Lindley. Boom-Orch. 

Toegewijd aan AVilliam Cattley. 

— Acklandiae {naar lady Ackland). Bahia. BR. 1840.48. A. 

Het bloemdek is groen, met roetkleurige spikkels; het lipje fluweel- 
achtig violet-purper. De reuk is sterk. 

Van deze soort is eene nog schoonere verscheidenheid; de vlekken zijn 
bij deze digter bijeen; terwijl de vleugels en de basis van het lipje eene 
levendige rooskleur hebben. Haar geur is uitmuntend. De bladen van deze 
verscheidenheid zijn ronder en vleeziger dan die van de voorgaande. 

— Arembergii [jiaar den Prins van Aremberg) Bahia. BR. A. 

Het bloemdek is rooskleurig lila; liet lipje helder rosé. Zij heeft eenen 
!ieerlijken reuk. 

De bloemen naderen, in stand en voim, die van C. Harrissoidi. 



228 

C bicolor [tweekleurig). Brazilië. Sert. O. t. 5. A.. 

Syn. maxima Lindl. 
Deze heeft eene zeer groote bloem, met een bleekgroen bloemdek, 't welk 
roetkleurig gevlekt is; het lipje is fraai purper. 

— bulbosa {bolvormig). Bahia. BR. 1847. 42. A. 

De bloemen zijn violet-rooskleurig; het lipje, dat vlak en spadevor- 
mig is, is donker karmijn gekleurd, welke kleur in de zijlobben van de 
randen af langzaam in karmozijn overgaat. 

Deze plant, welke zeer nabij komt aan de C. pumila, vereischt nim- 
mer, zelf niet in hare ontwikkelings-periode , veel water. 

— candida [wit). Brazilië. BM. A. 

Het bloemdek is zuiver wit, met eene ligte violet glans en eene gele 
streep op het lipje. 

Deze plant nadert mede aan C. Harrisso7iii. 

— citrina [citroen-hleurig). Oaxaca. BM. 3742. A. 

Met groote bloemen; het bloemdek is citroengeel; het lipje eveneens, 
maar in het midden geaderd; zij zijn zeer welriekend. 

— crispa [gehrtdd). Rio Janeiro. BB. A. 

De kelk en bloembladen zijn zuiver doorschijnend wit. De randen der 
laatsten zijn sterk gegolfd; het lipje, dat aan de buitenzijde wit is, is rijk 
purper-violet aan de binnenzijde met gekrulde randen. De geur is heerlijk. 

— — purpurea [purper). Rio Janeiro. Hort. A, 

Deze plant verschilt van de voorgaande alleen door de kleur van het 
• lipje, welke bij deze helder purper is. 

— elegans. Zie C. superha. 

— Forbesii [naar den Heer Forbes). Brazilië. B3I. 3265. A. 

Het bloemdek is groenachtig geel, het lipje wit, met karmijnkleurige 
strepen en spikkels. 

Hoewel' deze plant de minst fraaije is van dit geslacht, verdient zij 
echter wel gekweekt te worden, daar zij, sterk zijnde, veel bloemen draagt 
en een fraaij gezigt oplevert. 

— granulosa [korrelig). Guatemala. BR. 1842.1. A. 

Het bloemdek is bronsachtig groen met roetkleurige spikkels; het lipje, 
dat aan de basis oranje is, is aan het einde wit en rijk bezet met gele 
en karmozijne spikkels. — Deze plant behoeft slechts weinig warmte. 

Er zijn van deze soort meerdere verscheidenheden, die onderling alleen 
verschillen door de meer of min donkere spikkels van het bloemdek en 
de levendigheid der kleuren van het lipje. 

— gutfata [gespikkeld). Brazilië. BR. 1406. A, 



229 

Het bloemdek is groenachtig geel, met donker roode spikkels; het lipje 
is purper, met witte zijlobben. 

C guttata Russeliana. Orgelgebergte. BR. 18Ji9. t. 59. A. 

De bloemen van deze verscheidenheid zijn grooter, maar minder 
gespikkeld dan die van de voorgaande; het lipje is kort, stomp en 
donker rood-violet aan het einde. 

— Harrlssonlana [naar den Hr. Harrisson). Eio Janeiro. B3I. 1919. A. 

Het bloemdek is doorschijnend lila-rooskleurig; het lipje donkerder 
lila, met eene violet-purpere vlek op de basis. 

— — Intermedia {tusschenheidé). Brazilië. BM. 3711. A, 

Het bloemdek is zacht rooskleurig en het lipje nog bleeker gekleurd. 

palllda {bleek). Brazilië. BR. A. 

Het bloemdek is wit-violet; het lipje donker karmijn gestreept en 
gespikkeld, met eenen witten rand. 

— — ^a,Tie^B,t&{gestreept). Brazilië. BM. A. 

Het bloemdek is purper-lila gekleurd; het lipje is wit, geel in het 
midden, met roode slippen. 

— lablata [met een donkergekleurd lipje). Brazilië. BM. 3998. A. 

Het bloemdek is teder rooskleurig-lila met eenen bedaauwden weer- 
schijn; de bloembladen zijn aan de randen gegolfd; het lipje is rooskleurig 
aan de buitenzijde, aan de binnenzijde karmozijn en geel gestreept en aan 
het aan het einde purper gestreept en gespikkeld, overgaande in eene fluweel- 
achtig violet purpere vlek. De randen zijn wit en gekruld. De geur is heerlijk 

Deze plant, welke door Dr. Lindley de koningin der Orchideën ge- 
noemd werd, keuren wij dezen titel ten volle waardig. Zij is dikwerf af- 
gebeeld, maar de kunst is ongetwijfeld niet in staat om dat doorschijnende, 
dien rijkdom harer kleuren terug te geven, zoodat wij moeite hebben uit 
de afbeeldingen de plant te herkennen. Deze soort is zeldzaam, en nimmer 
in Brazilië, van waar zij oorspronkelijk is, terug gevonden. 

— — atropurpurea {donker purper), la Guayra. BM. A. 

Het bloemdek is bleeker van kleur en het lipje grootendeels donker 
purper. 

Deze verscheidenheid, die niet zoo fraai is als de voorgaande, nadert 
aan de C. Mossiae. 

— lieopoldl {7iaar Koning Leopold). Bahia. Lindley. A, 

Deze prachtige soort draagt trossen van zeven tot negen bloemen. Het 
bloemdek is gebronsd groen en sterk met donker purper gevlekt; het 
lipje is levendig fluweelachtig purper. De reuk is zeer aangenaam. 



230 

C. liOddigesii [naar den Hr. Loddiges). Brazilië CB. "61. A. 

Syn. Epidendrum LoddigesU. CB. 337.. 
Het bloemdek is teeder lila, het lipje eveneens maar wat bleeker en 
ligtelijk met purper gestreept. 

— ntarginata {gehoord). Rio Janeiro. Pax. V. 10. A. 

Deze schoone verscheidenheid van de C. PinelUi heeft een rooskleurig 
bloemdek met purperen weerschijn; het Huweelachtig violet-purper lipje is 
met wit geboord. Zij is zeer welriekend. 

— Mossi8e {naar den Hr. Moss). la Guayra. BM. A. 

Het bloemdek is rooskleurig-lila; de bloem- en kelkbladen zijn breeder 
dan van C. labïata\ het lipje is sierlijk met purper en geel gestreept en 
gespikkeld. 

— — candida {loit). Lindley. A. 

Syn. C lahlata candida. van Koutte. V. 7. t. 661. 
Het kloemdek is dof wit; het lipje is aan de buitenzijde wit, met 
geel geboord, aan de binnenzijde met purper gestreept en gespikkeld; 
de bloembladen zijn golfrandig en het lipje is geplooid. 

— — plcta {beschilderd). Caracas. Pax. 1850. t. 24. A. 

Syn. C. labiata incta. van Houtte. 
Plet bloemdek is levendig rooskleurig violet, de bloembladen zijn. 
breed en ligt gevouwen; het lipje heeft dezelfde kleur met helder geel 
aan de boven- en donker purper aan de binnenzijden en oranje strepen 
naar de basis gerigt, de randen zijn gegolfd en uitgesneden. 

— — snperba {prachtig). Caracas. Portf. 1848. t. 1. A. 

Met een teder rooskleuiig-lila bloemdek; de bloembladen zijn breed 
en golfrandig; het lipje is aan de binnenzijde witachtig rosé, rijk 
gestreept en gestippeld met violet, purper en geel; de randen zijn 
sterk gegolfd en purper gekleurd; de bloemen zijn zeer groot. 

Het is deze soort die het meest de C. labiata nabij komt, met 
welke zij vaak verwisseld wordt. 

— pinelii [naar den Hr. Pinelj^io Janeiro. BB. 1844.45. A. 

Het bloemdek is rooskleurig-lila; het lipje van dezelfde kleur meteene 
fraaije violet-purpere vlek. 

Deze soort is klein, even als de C. marginata, met welke zij veel over- 
eenkomst heeft; wanneer de bloemen ontloken zijn, bedekken zij schier 
de plant en maken die bijna onzigtbaar. 

— pumila {dwerg achtig). Brazilië BM. 3556. A. 

Het bloemdek is donker rosé met purperen weerschijn; het lipje karmo- 
zijnrood met gekrulde boorden, waarop steeds eene witte tint ligt. 



231 

Deze soort 'is lang met de voorgaande verwisseld geworden. Zij is zeer 
zeldzaam en bloeit niet gemakkelijk. 

— Skinnerli {^naar den Heer Shinner). Guatemala. Bat. 13. A, 

Het bloemdek is viojet-rooskleurig; het lipje karmozijn. De bloembla- 
den zijn breed en aan de boorden gekruld. 

— super ba [prachtig). Eng. Guyana. Sert. O. 22. A. 

Syn. C. Schomhurgkii. Loddiges. 

Met een donkerrood bloemdek, het lipje is donker purper, in de rig- 
ting der zijlobben ver^leekende en geel op de schijf. 

De Cattleya elegans van het eiland St. Catharina (Brazilië) en eene 
andere verscheidenheid van Bahia hebben veel overeenkomst met C. su- 
perha , en kunnen Hgtelijk met elkander verwisseld worden. 

— tigrina [getijgerd). Bahia. Richard. Portf. 1848. A, 

Deze soort komt nabij de C'. Leopoldi. Het bloemdek is bleek olijven- 
groen met purper bespikkeld; het lipje helder purper. De bloemen zijn 
niet zoo talrijk en zoo welriekend als die van C. Leopoldi. 

— Walkeriana [naar den Heer Walker). Brazilië. BR. A. 

Deze soort gelijkt zeer op C. sjiperba, waarvan zij slechts eene ver- 
scheidenheid is. 

Wij gelooven dit geslacht als het schoonste en rijkste uit de familie 
der Orchideën te kunnen beschouwen. De prachtige bloemen, hare schit- 
terende kleuren en welriekende geuren zullen hetzelve steeds aanbevelen. 
De planten kunnen hare bloemen geruimen tijd in hare volle pracht en 
frischheid behouden, mits men de voorzorg neemt ze in eene koelere 
kast te zetten, en de bloemen voor waterdroppels beschermt, die ze ge- 
makkelijk aantasten. 

Het meerendeel der soorten en verscheidenheden, welke wij beschre- 
ven, worden op hout gekweekt, met uitzondering van crispa, crispa 
purpurea, giittata., lahiata, Mossiae en Leopoldi, welke wij met voor- 
deel in potten hebben gekweekt, met eene goede drainering. De wortels 
van Cattleya willen nimmer veel vocht; in haren ontwikkelingstijd be- 
vochtige men dus de knollen en de bladen, zooveel mogelijk met ver- 
mijding der wortels, die echter nooit volkomen droog moeten zijn. — 
Gedurende den rusttijd houde men de planten bijna droog, en zoodra 
haar groei aanvangt, plaatse men ze meer in de warmte. De besproei- 
jingen regelen zich naar de vorming der nieuwe knollen. 
€H¥§I§. Lindley. Boom-Orck. 
Van CHYSis, gemengd. 

— aarea [goudkleurig). Venezuela. BM. 3617. B. 



232 

Met een goudgeel bloemdek; het lipje, eveiizoo gekleurd, doch kar- 
mozijn geaderd. 

C!. maculata [gevleht). Columbia. Lindley. A.. 

De kelk- en bloembladen hebben eenen goudgelen grond met eene 
breede rood-oranje vlek; het witte lipje is met donker violet gestreept. 

— bractescens [met groote schutbladen). Oaxaca. BR. 1841, 23. \, 

Heeft groote witte bloemen; het lipje is geel en heeft vooruitsprin- 
gende kanten, van geel in rood-oranje overgaande. De bloemen zijn zeer 
welriekend. 

— laeTls [glad). Guatemala. Lindley. B. 

Deze heeft een bleekgeel bloemdek met zachtharige aderen op het lipje. 
Deze planten worden gekweekt in potten in turfachtige heiaarde en 
sphagnum met eene goede drainering. 

In Engeland kweekt men ze met zeer goed gevolg op hout. 

— CIRRHAEA. Lindley. Boom-Orch. 

Van ciRRHUS, klawier. 

— atropurpnrea [donker purper). Rio Janeiro. C. 

Het bloemdek is donker purper, het lipje glinsterend en levendiger 
purper. 

— Loddigesil [naar Loddiges). Brazilië. BR. 1538. C. 

Het bloemdek is geelachtig groen; de kelkbladen hebben donkerroode 
spikkels; het lipje is puntig en verlengd, groen met roode tint. 

— picta (beschilderd). Rio Janeiro. C. 

Het bloemdek is helder geel met roetkleurige spikkels ; het lipje 
groenachtig en donkerrood gespikkeld. 

Deze planten, welker bloemen op gevleugelde insecten gelijken, bloei- 
jen overvloedig en verdienen om hare eigenaardigheid wel gekweekt te 
worden, overigens hebben zij geen fraai voorkomen. 

Wij hebben het niet noodig geacht de volgende soorten te beschrijven , 



d. fnsco-lutea. Lindley. 

BM. 3726. 

— bractescens. Lindley. 

— immaculafa 

— laevis. 

— obtusata. BR. 

— pallida. 



€/. Russellana» 

— rnbro purpnrea. 

— saccata. 

Syn. fusco lutea. 

— trlstls. 

— vlrldl purpnrea. BC. 

— Warreana. BC. 



De Cirrhaeas worden gekweekt als het geslacht Acropera. 
CIRRHOPËTAIiUM. Lindley. Boom-Orch. 

Van ciRRHUs, een klawier en peïalon, een bloemblad. 



233 

C. auratum {verguld). Singapora. BR. 1843.61. C 

De bloemen, welke iu den vorm van eenen waaijer geplaatst zijn, -zijn 

donker geel gestreept en karmozijn gespikkeld; het bovenste kelkblad en 

de bloembladen zijn met goudkleurige haren als franje bezet; de zijde- 

lingsche kelkbladen, die deze haren missen, hebben eene ligte purper-tint. 

— chlnense {van China). Manilla. BR. C. 

Het bovenste kelkblad en de bloembladen zijn purper, de zijdelingsche 
kelkbladen groenachtig geel. Een der lobben gelijkt op eene kin en eene 
tong, die onophoudelijk in beweging zijn, hetwelk deze plant interessant 
maakt. Hare bloemen zijn de grootste van dit geslacht. 

— Medusae [van Medusa). Singapora. BR. 1842.12 C 

De plaatsing der bloem- en kelkbladen, die in lange draden eindigen, 
geeft aan de bloei wij ze het aanzien van een hoofd met verwarde haren 
De bloemen zijn violet gevlekt. 

— Thouarsil [naar den Hr. Thouars). Manilla. BM. 4237. C. 

Syn. Bolbophyllum longijlorum. Thouars. 
Cymbidium umhellatum. Sprengel. 
Epidendrum umhellatum. Torster. 
Zygopetalum umhellatum. Reinwardt. 
De kelkbladen zijn verlengd, de bloembladen geel, fraai rood gevlekt 
en aan de randen met haren bezet. 

Deze planten hebben geen bijzonder fraai uiterlijk. Wij laten hier nog 
eenige soorten volgen, die wij juist niet kunnen aanbevelen. 



C caespitosum* BR. 

— candelabre. 

— cornutum. 

— Camlngll. 

— fliubrlasum. BR. 



C Ulacrael. 

— natans. 

— plctaratnni. 

— vaglnatum . 

— Wallichli. 



De planten, die tot dit geslacht behooren, moeten gekweekt worden op 
hout, 'twelk men van mos voorziet. Zij moeten, vooral in haren ont- 
wikkelingstijd, warm gehouden worden. 

CliEISOSTOnA. Blume. Boom-Orch. 

Dit geslacht bevat niets, wat voor eene lief hebbers- verzameling aanbe- 
velenswaardig is. 

COELIA. liindley. Boom-Orch. 
Van KoiLOs, hol. 

— asperata {ruw). Borneo. Lindley. BM. A. 

Syn. Lowii. Bax. 1849. 227. 



234 

l)e bloemen komen in groot aantal voor aan bloemstelen die eene lengte 
van 30 N. duimen bereiken. Het bloemdek is stroogeel; het lipje 
donker bruin gestreept, terwijl de randen eene schitterende oranjekleur 
hebben. 

C. macrostachya {met groote aren). Mexico BR. 144'2.36. B. 

Kleine bloemen, met kelkbladen die aan de buitenzijde levendig roos- 
kleurig zijn; de bloembladen wit. De bloemen vormen lange aren, die een 
zeer fraaij effect maken. 

CO£L.O€}Y:NË. Lindley. Boom-Orch. 

Van KoiLOs, hol en gyne vrouw. 

— barbata [gehaard). Bengalen. B. 

Met een wit bloemdek, het lipje, 't welk mede wit is, is levendig geel 
gestreept, met eene ligte violet-tint aan de basis, 

— crlstata [gehiifd). Nepaul. BR. 1841.57. A. 

Groote bloemen, die geheel wit zijn, met uitzondering van het lipje, 
dat naar het centrum gevouwen en met bijzonder fraai gele franje bezet 
is. Men kweekt haar op hout. 

— Cumingii {7iaar den Hr. Cnmmg). Singapore. BR. 1840.29. B. 

Deze heeft eene fraaije witte bloem, met een fraai geel lipje, waarop 
drie witte overlangsche verhevenheden, die aan het einde eene donker 
oranje punt hebben. 

— elata {groot). Sylhet. BR. ] 839. m. 151. B. 

De bloemen zijn wit en hebben op de aanhechtingsplaats van het lipje 
eene gele tint. 

— flmbriata [met franje). China. BR. 868. C. 

De bloemen zijn groenachtig geel; het lipje vleeschkleurig met twee 
kleine oranjegele kuifjes. 

— fuliginosa (roet). Oost-Indië. BM. 4440. C. 

De bloemen zijn roomwit, doorschijnend en blinkend; het lipje is rijk 
met donker bruin gestreept en gespikkeld en zeer fraai aan de randen 
met franje bezet. 

— Gardnerlana {naar Br. Gardner). Oost-Indië, G. et S. 41. B. 

Met witte bloemen, waarop eene zachte gele' tint ligt. 

— interrnpta. Oost-Indië. B. 

De bloemen zijn geheel wit. 

— maculata {gevlekt). Oost-Indië BR. B. 

De bloemen zijn witachtig en het lipje is zeer sierlijk met verschillende 
kleuren gespikkeld en gevlekt. 



'' :\ T 

C. LiOwU {?iaar den Er. Loio). Oost-Indië. Fax. 1849. 227. B. 

Zie C. asperata. 

— ochracea (okergeel). Singapore. BR. 1846.69. B. 

Het bloemdek is levendig geel; het lipje Avitachtig met twee helder 
purpere strepen. 

— speciosa [fraai). Java. BR. 1847.23. B. 

Met een geelachtig ^vit bloemdek; het lipje helder grijs aan de buiten- 
en geel aan de binnenzijde. 

— Wallichl {7iaar den Kr. Wallïch). Bengalen. BR. 1840.24. B. 

Met purpere bloemen; de eersten zijn levendiger genuanceerd. 
De volgende soorten achten wij minder aanbevelenswaardig. 

C. flaccida. BR. 1841.31. 

— lon^caulis. 

— media. 

— nitida. Lindley. 

— odoratlssima. Lindley. 

— oTalls. BR. 



C plantaglnea. '^L\t fuliginosa. 

— praecox. Lindley. 

— prollfera. Lindley. 

— punctulata. BR. 

— rlglda. 

— nndniata. 

Deze planten worden in goed gedraineerde potten of opgehangen 
mandjes gekweekt, in turfachtige aarde met sphagnum en potscherven 
vermengd. Gedurende haren rusttijd behoeven zij geene warmte; in den 
tijd harer ontwikkeling daarentegen, is eene zeer warme en vochtige tem- 
peratuur haar bijzonder gunstig. Het is een geslacht dat wel verdient in 
aanmerking te komen. 

COJLAX. Lindley. Boom-Orch. 
Van KOLAX, woekerend. 
Zie Maxillaria. 

COMPARETTIA. Poeppig et Endlicher. Boom-Orch. 
Toegewijd aan Prof. Comparetti. 

— coccinea {scharlaJcenrood). Rio Janeiro. BR. B. 

De bladen van deze kleine, tedere plant hebbeu eenen rooden weer- 
schijn; de bloemen, die in trossen naar beneden hangen, zijn scharlaken- 
rood en van een fraai aanzien. 

— falcata [als een zeissen gebogen). Mexico. P. et E, 1.44. t. 73. B. 

De bloemen zijn purper rooskleurig; het lipje is ligtelijk geaderd met 
dezelfde kleur, doch donkerder. Zij hangen tamelijk verwijderd aan den- 
zelfden tak en maken eene fraaije uitwerking. 

— rosea [rooskleurig). Mexico. 1845.10. B. 

Deze soort gelijkt veel op de voorgaande. De bloemen zijn kleiner. 



236 

Het bloeindek is rooskleurig, het bovenste gedeelte echter wit met kar- 
mijn geboord; het lipje is donkerder rosé. 

Dit geslacht moet gekweekt worden op kurk met een weinig sphag- 
num. De knoUetjes der beide laatste soorten zijn zeer klein; bij de C. 
coccinea o tot 4 N. duimen. — Deze planten moeten met zeer veel be- 
hoedzaamheid besproeid en gedurende haren rusttijd bijna droog ge- 
houden worden. 

CORYAIVTHEÜ. Hooker. Boom-Orck 

Van KORE, een meisje, en anthos, bloem. 

— exlmla [aanzienlijk). Bahia. Portf. 1847. B. 

De bloem- en kelkbladen zijn groenachtig geel, sterk purperachtig 
roetkleurig gestippeld; het lipje is omgerigt en vormt eene kom die uit- 
Avendig purper en inwendig geel is met levendig purper gevlekt. 

— Albertinae. Venezuela. VH. t. 8, 9 en 10. B. 

Met groote bloemen; het bloemdek is geel, purper gestippeld, de kom 
[het lipje) is aan de buitenzijde helder purper en aan de binnenzijde 
groenachtig geel, regelmatig purper gespikkeld. 

— macrantha [groote bloem). Caracas. BR. 1841. B. 

De bloemen zijn in grootte gelijk aan die van C. Albertinae. Het 
bloemdek is geel, met roetkleurige spikkels; het lipje okergeel; het in- 
wendige der kom is met bleek karmozijn gestreept en gespikkeld. 

— maculata [gevlekt). Demerary. BM. 3102. B. 

Het bloemdek is groenachtig geel, roetkleurig gespikkeld; de kom van 
het lipje aan de binnenzijde met purpere spikkels. 

— Parkeril [naar den Heer Parker). Demerary. BM. 3747. B. 

Deze verscheidenheid verschilt alleen van de vorige soort door de kleur 
der vlekken van den kom, die roetkleurig purper zijn. 

— Fleldingii [fiaar den Heer Fielding). Lindley. B. 

De grondkleur dezer bloem is bruinachtig geel, eenigermate kaneel- 
kleurig gespikkeld. 

Deze soort, welker bloemen grooter zijn dan die van C. macrantha., 
verschilt van de andere soorten van dit geslacht, door de Üuweelachtige 
franje die den helm, welke het zuiltje bedekt, omgeeft. 

— speclosa [fraai). Demerary. Bat. 36. B. 

Syn. Gongora speciosa. Hooker. 
Met schitterend gele bloemen en een éénkleurig lipje. 
De bloemen van dit geslacht zijn zeker wel de eigenaardigste uit de 
familie der Orchideën. Behalve hare zonderlinge vorm, bevinden zich aan 



237 

de basis van het zuiltje twee klieren, die onophoudelijk een honigachtig 
vocht afscheiden, hetwelk in eene vliezige kom nedervalt, welke door 
het uiterste einde van het lipje gevormd wordt en die altijd tot op een 
derde harer hoogte gevuld is. AYanneer deze afscheiding ophoudt, begint 
de bloem te verwelken. 

Hoewel deze planten oorspronkelijk op boomen gevonden worden , zijn 
wij er gelukkiger in geslaagd met ze in opgehangen mandjes te kwee- 
ken, dan door ze op hout te plaatsen. 

Zij moeten niet anders vochtig gehouden worden, dan wanneer zij in 
volle ontwikkeling zijn. 

CYC^'OCHES. Lindley. Boom-Orch. 

A^an KUKxos, zwaan en aüxen, hals. 

— chlorochllum [met groen li'pje\ La Guyara. 8ert. O. 16. jl. 

Met groote, groenachtig gele bloemen; het lipje is bleekgeel, met eene 
sterke vlek van smaragdgroen aan de basis van het zuiltje. 

— Egertonianum [naar den Keer Egerton). BJI. B. 

De bloemen zijn aan de binnenzijde purper; aan de buitenzijde groen, 
eenigzints naar 't purper strevende en donker violet gespikkeld. 

— Cnmingii [naar den Heer Cuming). Singapore. BR. B. 

De bloemen zijn wit met eene fraai gele vlek op liet lipje. 

— LiOddigesli {naar den Heer Loddiges). Suriname. BR. 1742. B. 

Het bloemdek is bruinachtig groen, donker roetkleurig gespikkeld; het 
lipje is wit met roode vlekken. De bloemen zijn zeer welriekend. 

— — leucochilum [met wit lipje). Guiana. BM. 3853. B. 

Het bloemdek is groenachtig geel met roetkleurige spikkels ; het lipje 
wit met groen-gele stippen. Het zijn groote welriekende bloemen. 

— luaculatam [gevlekt). BR. C 

Dit is eene kleine soort met lange bloemtakken, waaraan vele bleek 
bruine, donker gespikkelde bloemen voorkomen. 

— ventrieosuni [buikig). Guatemala. Bat. 5. B. 

De bloemen zijn bleek geel met witten weerschijn; het lipje is geel 
met wit geboord. Be bloem heeft eenen aangenameu reuk. 

Dit geslacht, hetwelk even als Catasetum behandeld wordt, vereischt, 
vooral in de volle ontwikkeling, ruime bevochtiging en veel warmte. 
Men moet, bij 't begieten, de bloemstengels vermijden, die ligtelijk be- 
derven. Wij hebben altijd de gewoonte om, zoodra de bloemstengels hare 
knoppen vertoonen, de planten uit de Orchideën-kast in eene andere 
over te brengen waar de dampkring minder vochtig is. 



238 

CYMBIUIVM. Schwartz. Boom- en Aard-Orch. 
Van KUMBOs, verblijf. 

— aloïfoUum [mei hladen als Aloë). Oost-Indië. Aard-Orcli. Q. ei S,. 165. B. 

Syn. A'érides Borasii. Smith. 

Epldendmm aloïfoUum. Linn. 
De kelk- en bloembladen zijn bleek purper, met eene zwarte overlang- 
sche streep, van het centrum uitgaande; de rijk beladen bloemstengel 
hangt over. 

— blcolor [Iweekleurig). Ceilon. Boom-Orch. BR. C. 

De bloemen zijn als die van de voorgaande, maar roetkleurig gestreept 
en gespikkeld. Zij verschillen ook nog door eene zak, die onder aan het 
lipje gevonden wordt. 

— Devonianum {tiaar den JTerioff van J)evo9/s/iire). Boom-Orch. BM. b. 

Het bloemdek is roomwit en purper gestreept; het lipje is purper met 
fraai karmozijn. 

Deze plant slaagt zeer goed in eene mand met verrot hout en bladgrond. 

— ensifolium [mei zwaardvormige bladen). Chinn. Aavd-Orch. BM. 17 ol. B. 

Het bloemdek is geelachtig groen met roetkleurige aders; het lipje 
purper gespikkeld. 

— strlafum [gesireepi). China. Aard-Orch. B3f. B. 

Met witte bloem- en groenachtig witte kelkbladen; het lipje is karmo- 
zijn gespikkeld en gestreept. — Be bloemen zijn welriekend. 
Deze soort behoort in de gematigde kast. 

— pubescens [zachiharig). Boom-Orch. Singapore. BR. 1841.38. B. 

Deze soort nadert aan de C. bicolor; de bloemen zijn kleiner, fraai 
purper en met schitterend geel geboord en gespikkeld. 

— trlste. [Vaal). Aard-Orch. Japan. BM. B. 

De bloemen zijn geel, naar het purper zwemende, het lipje is breed 
en van eene sierlijk donker-purpere kleur. 

Dit geslacht telt een groot aantal soorten en verscheidenheden. De 
Heer Lindley beschrijft er een veertigtal ; wij gaven van die , welke wij het 
schoonste achten, eene beschrijving, en geven alleen nog maar de vol- 
gende op, die van eene zeer middelmatige fraaiheid zijn. 
C. chloranfhum. C. giganteum. Seri. O. 4. 



— dependens. 

Syn. Cirrhaea dependens. 
Flnlaysoniana. 

— Glbsonll. 



iridifolium. BR. 1839. 
lancifollum. E F. 71. 
■nadidum. BM. 1840. 
■narginatum . 



239 



C. ochroleucum. 

— pendulum. 

— sinense. Liiidlev. 



C i'irescens. 
— iJplilfolinin. 



De aardsoorten moeten gekweekt worden even als Bleila. — Die 
welke op boomen groeijen, zal men beter doen in opgehangen vazen of 
mandjes te plaatsen; de nederhangende bloemtakken zullen dan een fraaijer 
aanzien hebben en beter ontwikkelen, dan wanneer de planten in potten staan. 

CYPRIPEDIUM. Linnaeus. Aard-Orch. 

Van KUPEis, Venus en podion, schoen. 

— barbatum (gebaard). Java. BR. en VH. 18-17. B. 

De kelkbladen zijn groenachtig wit, van onderen purper violet, het 
bovenste kelkblad wit met eene purpere streep, het lipje, dat de vorm 
van eenen schoen heeft, is aan de buiten- en binnenzijde purper violet, 
nabij de basis van het zuiltje verwijd en met zwarte wenksbraauwen bezet. 

— humile {nederig). Noord-Amerika. BM. 192. B. 

Het bloemdek is bleek en dof-bruin; het lipje wijd, fraai purper met 
nog donkerder purpere aders, het is aan de opening ligt gedrukt, 

— caudatum {gestaart). Lima. VH. 1850. A. 

Deze vreemdsoortige plant heeft groenachtig gele kelkbladen; de bloem- 
bladen, die aan de onderzijde geel en aan de bovenzijde purper lila zijn, 
eindigen in nederhangende linten, tot 40 Ned. duimen beneden het lipje 
of schoentje, 't welk bleek-geel, eenigzints naar 't purper strevende en 
aan de opening behaard is. De verlenging der bloembladen is in vier of 
vijf dagen volgroeid. 

— guttatum {gevlekt). Europa en Noord-Amerika. VH. 1850. B. 

Deze fraaije plant wordt gevonden in N. Amerika, in de omstreken 
van Moskou en, naar men zegt, in Siberië; de bloemen zijn niet zoo 
groot als die van de vorige soorten, maar van eene violet-karmijn kleur 
met wit gevlekt; het bovengedeelte van het lipje is met wit geboord. 

— Insigne {aanzienlijk). Sylhet. BC. 1326. C. 

Het bloemdek is bleekgroen, het bovenste kelkblad is groot, breed, 
wit gevlekt en donkerbruin gespikkeld; het lipje is donker geel. 

— Irapeanum {van Irapeó). Mexico. VH. 18i7. A. 

Dit is eene zeer schoone soort. De bloem- en kelkbladen zijn onge- 
veer van gelijke grootte, schitterend geel en met eenige haren bezet, het 
lipje, dat dezelfde kleur heeft, vertoont eenige scharlakenroode spikkels; 
ter plaatse waar het geopend is. 

— jravanicum {van Java). Java. VH. 1851. C 



240 

De bloemen zijn groen, de uiterste einden der bloembladen min of 
meer rooskleurig met purpere stippen, het lipje is groen, aan de basis 
purper gestippeld. 

V. liOwll {naar den Hr Low). Borneo. VU. 1851. C. 

De kelkbladen zijn bleekgeel, groenachtig aan het uiteinde en violet 
aan de basis, de bloembladen zijn tot 7 a 8 N. duimen verlengd, aan 
de bovenzijde bleek geel en regelmatig violet gevlekt, terwijl de onder- 
zijde geheel violet wordt; het lipje is donkerder purper violet, blinkend 
en heeft eenen groenachtig gelen rand, het bloemdek is behaard. Het is 
eene zeer fraaije bloem. 

— purpuratum {purper). Java. BE. 1991. B. 

Deze verscheidenheid komt zeer nabij C. venustum. 

— spectablle {aanzienlijk). Canada. BJR. 1666. B. 

Het bloemdek is wit , naar het rooskleurige strevende; het ronde lipje heeft 
den vorm van eene beurs en is fraai levendig rooskleurig. 

— Tenustum {schoon). Sylhet. BM. 2129. B. 

Het bloemdek is geelachtig groen met purperen w-eêrschijn en roet- 
kleurige vlekken; de buitenzijde van het lipje is bruin, een weinig naar 
het groenachtige strevende en donker roetkleurig geaderd. 

Deze planten zijn merkwaardig door den vorm van het lipje , hetwelk 
dit geslacht bijzonder onderscheidt en naar het bedekte gedeelte van eenen 
zoogenaamden sabot of houten klomp gelijkt. Men telt er ongeveer der- 
tig soorten of verscheidenheden van , van welke wij de meest aanbevelings- 
waardige beschreven. 

De volgende zijn minder verspreid en ook minder in de verzamelingen 
gezocht : 
C. calceolus. Schwartz. 

— candldum. Willd. 
cordigerum. Wallich. 

— Japonicum. Thunberg. 

— machrantum . Schwartz. 



C. monteanum. Douglas. 

— parTlflorum. BM. 

— pa§serlnuin. Richardson. 

— pubescens. BM. 

— ventrIco§uin. Schwartz. 



De C. calceolus., puhesceus en spectablle kunnen in onze tuinen in 
den vrijen grond, in zandige aarde en op eene beschaduwde plaats , tieren. 
De anderen, met uitzondering van C. Javanicum, irapeanum., candatum 
en harbatum., die in de warme kast behooren, kunnen in eene gematigde 
kast gekweekt worden. 

Zij groeijen goed in gedraineerde potten in fijn gebroken hei-aarde 
met potscherven vermengd. 



211 

i;irRT«CHII.r5I. Kunth. Boom-Orch. 

Yaii KURTOs, convex, bolrond en cheii.os, lipje. 

— bictoniense. Zie Odontoglossum. 

— leucochilum [mei tcU lipje). Guatemala. FH. 1819. B. 

Met een groenachtig geel, donker gevlekt bloeradek en wit lipje. 
Deze plant komt zeer nabij Oncidmm leucochilutn, met welke zij lig- 
telijk verwisseld kan worden. 

— niaculatam {gevlekt). Mexico. BB. 1839.48. B. 

Met groote bloemen en een groenachtig geel bloemdek met purpere spik- 
kels; het lipje is wit met eenige donkerroode vlekken. 

— — cornutum [gehorend). Mexico. BR. B. 

Het bloemdek is groenachtig geel, donker purper gespikkeld; het lipje 
zwavelo-eel met eenen rooden rand aan iedere zijde aan de basis. 

— — Russellianum [naar Lord Bussel). Guatemala. ÉM. 38S0. A. 

Dit is de fraaiste verscheidenlieid van de C. maadatum. De bloemen 
zijn rijk met purper gevlekt. 

— stellatum [stervormig). Eio Jaueiro. Sert. O. 48. C. 

Met een roomwit bloemdek; het lipje van dezelfde kleur, maar ligte- 
lijk met levendig purper bezet. 

Hiervan is eene verscheidenheid van Bahia, waarvan het bloemdek 
witter is, en die eenen uitmuntenden reuk iieeft. Zij kunnen ligtelijk ver- 
ward worden. 

De Cyrt. flavescens is ook stervonuig en verschilt alleen van stella- 
Ui.m door hare bleekgele kleur. Deze drie laatsten zijn door Dr. Lindlej 
tot het geslacht Miltonia gebragt. Wij hebben ze hier opgenomen, om 
de rangschikking te houden, die algemeen in de catalogi gevolgd wordt. 

De Cyrtochïlunïs kunnen in potten gekweekt worden met heiaarde, 
mos en potscherven , met eene goede drainering. 

CYRTOPODIUM. Brown. Boom-Orch. 

Yan KURTOs, convex, bolrond en pors, voet. 

— Andersonii [naar den Heer Anderson). St. Vincent. ^J/. 1800. B. 

Svn. Ci/mhidium Andersonii. 
De bloemstengen verheffen zich tot 1,25 X. El, zijn vertakt en met 
gele welriekende bloemen bedekt, die van langen duur zijn; het bloem- 
dek is groenachtig geel en het lipje goudgeel. De schijf van het lipje 
is tusschen de zijlobben verhard. 

— cupream ( koper achtig). Brazilië. B. 

De bloemen zijn kopergeel met gele roodgestreepte schutbladen. 
IL '^ 



242 

C punctatum {gestippeld). Rio Janeiro. BM. 3507, B, 

Syn. Epidendrum punctatum. 

De kelkblaclen zijn donker groenachtig geel, fijn met rood en purper 

gespikkeld, de bloembladen geel, het lipje met levendig purper geboord. 

De schutbladen zijn groot en even zoo gekleurd en gespikkeld als de 

kelkbladen. 

Deze soort is dezelfde als C. speciosum. 

— Willmoreï [naar den Heer Willmore). Venezuela. B, 

De stengels dragen, even als die van C. Andersonii, talrijke, bijna 
twee duim breede bloemen; het bloemdek is geelachtig groen met roet- 
kleurige vlekken; het lipje is geel met rood geboord. 

— IVoodfordii [naar den Heer Woodford). Trinité. Richard. B. 

Met gele bloemen en een purperkleurig lipje. Deze soort bloeit moei- 
jelijk en moet op eene beschaduwde plaats gehouden worden. 

De Cyrtopodimris moeten in ruime potten gekweekt worden, in eene 
vermenging van verbrokkelde heiaarde , met sphagnum , houtskolen en 
potscherven, bij eene goede drainering. 

Het volgende is een uittreksel uit de Gardeneis Chronicle (Decem- 
ber 1847): 

//De Heer appleby, een Engelsch kweeker, slaagt er in om verschei- 
dene soorten van Cyrtopodium te doen bloeijen. 

// Zoodra hij de loten der nieuwe knollen bemerkt, neemt hij de plan- 
ten uit de potten en ontdoet ze van al de oude aarde en de bedorven 
wortels; hij zet ze daarna in groote, goed gedraineerde potten met ge- 
wone tuinaarde, heiaarde, in stukken ter grootte van een duiven-ei ge- 
broken, en half verteerde bladaarde, in gelijke hoeveelheid, gevuld; waar- 
bij nog gevoegd is een achtste gedeelte tot kleine stukjes gestooten been- 
deren. Dit alles wèl dooreen gemengd zijnde, plant hij zi^ne Cyrtopodiuni s 
zooveel mogelijk gelijk met den rand der pot , en eindigt zijne bewerking 
met eene goede begieting. Hij plaatst ze vervolgeus in het warmste ge- 
deelte der kast. Aanvankelijk bevochtigt hij nu de planten matig en ver- 
meerdert langzamerhand de hoeveelheid water, tot de bladen geheel ont- 
wikkeld zijn. Nu geeft hij ze éénmaal per week een weinig gier, ten 
einde de vorming van krachtige knollen te bevorderen. 

//Zoodra de knollen geheel gevormd zijn, vermindert hij langzamer- 
hand zijne begietingen en laat de planten gedurende haren rusttijd geheel 
droog. Zij behoeven dan eene warmte van + 12 graden." 

DË^^OROBIVin. Schwartz. Boom-Orch. 

Van DENDRON, boom en bios, leven. 



243 

D. adancam [gekromd). Oost-Indië. BR. C 

Met witte doorschijnende bloemen; het zuiltje is purperrood gestreept. 

- aggregafnm [vereenigd). Oost-Indië. B3I. 1695. B. 

De bloemen zijn oranjegeel, het lipje is breed en van dezelfde kleur. 

— albo-sangalneum [loit en purper). Oost-Indië. Paxton. 1852. B. 

Deze heeft groote, bleek gele bloemen, met eene fraaije purpere vlek 
op het lipje, aan de basis van het zuiltje. 

— amoenum [aangenaam). Nepaul. Wallich. B. 

Syn. D. aphyllum. Roxburgh. 
De bloemen zijn wit, met eene breede oranjekleurige vlek op het mid- 
den van het lipje. Zij hebben eenen sterken violierengeur. 

— calceolarla [schoenvorm). Oost-Indië. G. et S. 83. C. 

De bloemen zijn rosé en gaan naar het zuiltje in het gele over; het 
lipje is geel en heeft twee breede levendig roode vlekken. 

— Cambrldgeanum {7taar den Hertog van Catnhridge). BR. 4430. B. 

De bloemen zijn geel; het lipje schitterend purper. Deze soort nadert 
de D. fimhriaium. 

— candldum {loit). Oost-Indië. BR. B. 

De bloemen zijn zuiver wit en verspreiden eenen heerlijken geur. 
Deze komt bij D. nolile. 

— coerulescens {blaaim). Oost-Indië. Sert. O. t. 18. B. 

Het bloemdek is geel, naar het rosé strevende; de uiteinden der bla- 
den van hetzelve zijn fraai violet; het lipje, dat tiuweelachtig en bijna 
rond is, heeft eene breede donker violet -purpere vlek op eenen donker 
gelen grond, met lila omboord. 

Men kan haar verwisselen met D. tioMle. 

— chrysantum {go7(d kleurig). Nepaul. BR. 1299. B. 

Het bloemdek is geel vleeschkleurig ; het lipje van dezelfde kleur met 
twee roetkleurig purpere vlekken, de boord is fraai met franje bezet. 

— cretaceum [krijtJcleurig). Khasia. BR. 1847.62. C 

De bloemen zijn wit als krijt; het lipje is in het midden bleekgeel 
met purpere aders. 

— crumenatnm [betirsvormig). Ceylon. BR. 1839.22. B. 

Syn. Angraecum. crumenatnm. Rumphius. 
De bloemen zijn wit en aan de punten rooskleurig. Het lipje bij den 
schijf geel. — Zij zijn zeer welriekend. 

— cucullatam. Zie Piërardii. 



244 

n. Dalliousianiim [naar Lady DaUiousie). Oost-Indië. BR. 1846.10. B. 
Met teeder gele bloemen, de boorden naar het rood zwemende en met 
roode aders; het lipje purper gestreept met twee sierlijk donker violet 
purpere vlekken en wenksbraauwen van dezelfde kleur. 

— densiflorum [met digte bloemen). Oost-Indië. BM. 3418. B. 

Met gele bloemen aan sterke trossen. 

— Devoniantim [naar den Hertog van BevonsJdre). BM. 4429. A. 

Met groote bloemen, die eenen witten grond hebben; de kelkbladen 
zijn aan den punt violet rooskleurig; de bloembladen zijn breeder dan de 
kelkbladen, en hebben eene levendig violet-kleurige vlek aan het einde; 
het lipje is wit, met twee helder gele vlekken aan de basis en eene hel- 
dere violetkleurige vlek ann het einde; bovendien is hetzelve sierlijk met 
franje bezet. 

— fimbriata [met franje). Nepaul. Hooker. E F. 74: B. 

De bloemen zijn donker goudgeel en het lipje onregelmatig met franje 
bezet. 

— Farmerii [naar den Heer Farmer). Oost-Indie. Bax. B. 

De kelkbladen zijn wit, een weinig met rosé vermengd; de bloembla- 
den mat wnt; het lipje geel, met den rand der onderzijde groenachtig wit. 

— formosum [schoon). Oost-Indië. BR. 1839.64. A, 

Met eene groote zuiver witte bloem; het lipje is door eenen oranje- 
achtig rooden band verdeeld ; de bloemen hebben eenen aangenamen geur 
en zijn van langen duur. 

— Gibsonil [naar den Heer Gihson). Khasia. Pax. vol. V. B. 

Het bloemdek is oranjekleurig; het lipje schitterend geel, met twee 
donker purpere vlekken aan de bovenzijde. 

— hetcrocarpiim [met verschillende vruchten). Ceilon. BR. 1844.62. B. 

Het bloemdek is bleek geel; het lipje goudgeel met oranjerood ge- 
streept. Zeer welriekend. 

Deze soort nadert aan B. atireiim. 

— Hingianum. Oost-Indië. BR. 1845.61. C. 

Met kleine bloemen; het bloemdek is bleek purper; het lipje sierlijk 
bloedrood gevlekt. 

— macraiithum [^niet groote bloemen). Manilla. BM. A. 

Met zeer groote bloemen; het bloemdek is violet-lila, ligtelijk purper 
geaderd; het lipje heeft dezelfde kleur; het bovenste gedeelte is horenvor- 
mig met eene donker purpere vlek aan de binnenzijde. Het is eene sier- 
lijke plant. 



245 

O. macropliyllom [met groote hladen). Philippijnsche Eilanden. S.ert. O. 

t. 35. en BR. 1844.62. A. 

Met g-roote bloemen: bet bloemdek is violet met purperen tint en ver- 
hevene aders; het lipje is onregelmatig met rood en purper bedekt. 

Het is eene zeer fraaije plant, die met de vorige, van welke zij Avei- 
nig verschilt, verwisseld wordt. 

— moniliforme {rozenhrans-vornng). Japan. BR. 1344. C. 

Syn. Epicletidrnm moniliforme. Linn. 
Limodorum moniliforme. Linn. 
De bloemen zijn rooskleurig en wit. 

— moscliatum {naar mnshis riekend). Peru. BM. 3837. A. 

Syn. Epidendrutn moschatum. Hamilton. 
De bloemen zijn fraai oranjegeel en ligtelijk met roomwit gestreept; 
het lipje is schelpvormig, aan de buitenzijde van dezelfde kleur, van 
binnen geel met vijf fluweelachtige, rijk donker karmozijne strepen. 

— nobile {edel). China. Lindley. Sert. O. t. 3. B. 

De bloem- en kelkbladen zijn rosé-wit, aan de basis groenachtig, aan 
het einde purper; het bijna ronde lipje is eenigzins behaard, donker 
geel met eene breede donker purpere vlek, de rand is aan de binnenzijde 

rood lila. 

— Paxtonii {naar den Heer Raxtoii). Khasia. BR. ] 839. B. 

De bloemen zijn goudgeel; het lipje heeft eene donker roetkleurige 
vlek aan de basis en is aan den boord met franje bezet. 

— Piërardll {naar den Heer Pi'érard). Oost-Indië. BM. 2584. B. 

Syn. D. cucullatum. 
Met teeder rooskleurige bloemen; het lipje is zeer fraai geel. 

— latifollnm {hreedbladig). Oost-Indië. BR. B. 

De bloemen zijn gelijk aan die van de voorgaande soort, alleen zijn 
zij tweemaal grooter. 

— pulchelliim {fraai). Sylhet. BC. t. 1935. B. 

De kelkbladen zijn wit, met groenachtig geel gespikkeld; de bloem- 
bladen met rooskleurige vlekjes; het lipje is sierlijk met franje bezet en 
heeft eene oranjeroode vlek in het midden. 

— — purpur enm {purper). Sylhet. B. 

Wij kennen geen ander onderscheid tusschen deze verscheidenheid 
en de voorgaande, dan in de kleur van de vlek, die hier purper is. 

— Ruckerl {naar den Heer Rucker). Manilla. BR. 1843.60. B. 

Het bloemdek is fraai nankin-geel, bijna wit aan de buitenzijde; het 
lipje is donker oranje met wit geboord. 



D. sangulnolenfum {lloedrood). Oost-Indië. BR. „ 

De bloemen zijn bleek geel, de punten der bloemdekbladen en het 
lipje zijn rijk donker violet met eene scharlakenroode vlek in het midd 

Wij zullen ons bij de beschrijving dezer soorten bepalen; er zijn 
vele andere, maar zij zijn minder aanbevelenswaardig dan de bovenga 
noemden of moeijelijker te kweeken en in bloei te krijgen. 
Zie hier de namen van eenigen dezer soorten: 

D. herbaceum. BR. 



en. 

nog 

e- 



O. aciculare. BR. 

— album. Zie Camaridium 

— aemulum. BR. 

» 

— alpestre. 

— amplum. Lindley. 

— aqueum. BR. 

— bicameratum. 

— brevlfolium. 

— calamiforme. BR. 

— calcaratuni. BR. 

— canaliculatam. 

— clavatum. 

— compressuin. BR. 

— cupreum. BR. 

— cucumerinum. BR. 

— denudans. 

— discolor. BR. 

— elongatum. BR. 



•lenkinsli. BR. 
linguaeforme. UB. 
longicornii. BR. 
macrosfachlum. BR. 
myosurus. Schwartz. 
plicatlle. 
revolutura. BR. 
secundum. BR. 
speciosum. BR. 
stiiposum. BR. 
taurinum. BR. 
teres. BR. 
tortile. 

triadenium. BR. 
transparens. BR. 
undulatum. BR. 
vaginatum. Lindley. 



Oreifishii. 

Dit geslacht, hetwelk geheel in de Oost-Indiën te huis behoort, is 
een der schoonste uit de familie der Orchideën en levert de meeste sier- 
planten voor onze kasten op; het is dus de zorgen, die aan deszelfs 
kuituur verbonden zijn, wel waardig. 

De planten met lange knollen zullen met voordeel gekweekt worden 
in goed gedraineerde potten met hei-aarde, sphagnum, houtskolen en pot- 
scherven; zij moeten ruim geplant worden. 

De soorten welker knollen en stengels overhangende zijn, zullen beter 
in opgehangen mandjes voortkomen. 

De andere soorten, welker knollen korter zijn, moet men op hout 
plaatsen, hetwelk men, gedurende haren ontwikkelingstijd, van mos voor- 
ziet, terwijl men het gedurende hare rust bijna bloot laat. 

De rijke en overvloedige bloei hangt bij de Dendrobiums geheel af 
van de inachtneming van het tijdstip, waarop men de planten in 



247 

rust moet laten. De bloemen komen meest altijd vóór of te gelijk met de 
nieuwe knollen te voorschijn, wanneer men ze warm en vochtig houden 
moet; na het afvallen der bloemen groeijen de knollen door, en men 
gaat voort ze te bevochtigen, tot deze laatsten hare volle ontwikkeling 
hebben bereikt; daarna doet men dit gedurende eene maand in mindere 
mate, na welken tijd men de planten in het koudste gedeelte der kast 
brengt, waar ze nu bijna droog moeten gehouden worden; nu wacht men 
met haren wasdom te bevorderen tot de nieuwe knollen zich vertoonen en 
de knoppen bijna gevormd zijn. Eene temperatuur van -j- 12 tot l-i° is gedu- 
rende haren rusttijd en + 28 tot 32° gedurende hare ontwikkeling voldoende. 

Worden de Dendrohiwni s onophoudelijk in staat van ontwikkeling ge- 
houden, dan_ zullen zij een aantal nieuwe maar tengere loten, doch wei- 
nig of geene bloemen voortbrengen. 

De volgende geslachten leveren geene soort, die wij kunnen aanbeve- 
len, waarom wij ze alleenlijk aanhalen: 

1IEIVDROCHILIJ9I. Blume. Boom-Orch. 

— fillforme. 

— aurantlacum. Blume. 

DICHAEA. Lindley. Boom-Orch. 

~ dabia. j D. graminioïdes. BR. 

— glanca. BR. — ochracea. BR. 

DI§CRIPTA. Lindley. Boom-Orch. 



O, glamacenm. BR. 
latifolium. BR. 



D. discolor. BM. 

— iridifolla. Bateman. 



— crassifolia. BR. 

— bicolor. Bateman. 

OIEIKIA. Lindlev. Boom-Orch. 

— cordata. 

UINEMA. Lindley. Boom-Orch. 

— paleaceam. Lindley. ^ 

— polybulbon. Lindley. BM. 4067. 

Dit geslacht biedt niets belangrijks aan. 

OIPODIUm. Brown. Aard-Orch. 

— punctatum. BR. 

DISA. Lindley. Aard-Orch. 

— grandlflora {7net groote hloemen). De Kaap. Sert. O. 49. A. 

Deze heeft groote bloemen met een levendig donker scharlakenrood 
bloemdek ; het lipje is donker rosé, aan de binnenzijde zwart gespikkeld 
en met stroogeel geboord. 



248 

Het is eene> zeer fraaije en tevens zeer zeldzame plant, die in groei- 
en bloeiwijze overeenkomt met Sobralia. 

Men kweekt haar in eene pot met vezelige stukken turf, vermengd 
met wit zand. Zij moet in eene gematigde kast worden gehouden en het ge- 
heele jaar door bevochtigd worden; met dien verstande, dat men zulks 
matig doet wanneer de thermometer 4- 2 tot -f- 7" teekent en over- 
vloedig op de andere tijden van het jaar. 

£P1UE]V1IRUI». Linnaeus. Boom-Orck 

Van EPi boven en dendron, boom. 

— Aëriforme {gevormd als Aërides). Rio Janeiro. BR. c. 

Het bloemdek is donkergroen met bruinen tint, het lipje wit met 
vleeschkleurig rosé. De bloemen vormen eene pluim. 

— alatum [gevleugeld). Guatimala. BR. 1847. C. 

Het bloemdek is groenachtig geel, het lipje purper gestreept, met een 
aanhangsel aan beide zijden van het zuiltje. 

— aloïfolium. Zie Cymlidium. 

— asperum [scherp). Mexico. BR. C. 

Het bloemdek is bruinachtig geel, het lipje vuil geel met roode aders. 

— aurantiacum [oranjekleurig). Guatimala. Bat. 12. B. 

De bloemen zijn oranjekleurig; het lipje is ligtelijk karmozijn gestreept. 
Hiervan is eene verscheidenheid met donkerder bloemen. 

— bicornutum {met twee horens). Trinité. BM. 3332. b. 

De bloemen zijn wit, groot en zeer welriekend. 

— blforatum [dubbel uitgeboord). C. 

Het bloemdek is groenachtig en het lipje wit. De bloemen vormen eene 
pluim en zijn welriekend. 

— Boothianum [naar den Hr. Booth). Cuba. BR. 1838. C. 

De bloemen zijn geel, met dwarsche roetachtig rood gekleurde banden. 

— calochilum [met een fraai lipje). Guatimala. BM. C. 

Het bloemdek is min of meer groenachtig geel met purperen weerschijn 
aan het einde der bloembladen; het lipje is karmozijn geaderd en geel 
geboord. 

— caudatum. Zie Brassia. 

■ — ciliare [gewenkbraauwd). Guatimala. BR. 784. C. 

Met een geelachtig groen bloemdek, het lipje is wit en in lange franje 
uitgesneden, waaraan de plant haren naam ontleent. 

~— clnnabarinum. Bahia. BR. 1842.25. B. 

Het bloemdek helder rood, het lipje oranjegeel en gewenkbraauwd. De 



249 

bloemen vormen eene pluim en maken een sierlijk effect. Deze soort ver- 
schilt van de E. Scliomhurghii alleen door de kleurschakeringen die niet 
zoo karmozijnkleurig zijn als in deze laatste verscheidenheid. 

£. cochleatum [schelpvormig). Guatimala BM. 572. C. 

De bloem- en kelkbladen zijn lang, smal en geelachtig groen; het lipje 
is rondachtig schelpvormig en geel en purper op den groenachtig witten 
grond gestreept. 

— — majus igrooier) Mexico. C. 

Deze verschilt van de voorgaande alleen door den meerderen omvang 
der knollen en bloemen. 

— corlaceum [taai). Demerarj. BM. 3595. C 

De stengel dezer plant draagt zeven of acht bloemen van 3 dm. breedte, 
die wit en donkerrood gespikkeld zijn. 

— cnspidatum. Dit is eene flaauwe verscheidenheid van E. ciliare. 

— dichromiim. Bahia. BR. 1843. B. 

Met groote bloemen; het bloemdek is helder bruin en het lipje geel 
gestreept en gespikkeld. De bloemen zijn zeer welriekend. 

— fragrans (sterk riekend). Jamaica. B3I. 1669. C. 

De bloemen zijn groen en het lipje is rood gestreept. De plant beveelt 
zich alleen door haren geur aan. 

— glumaceum {met kafhlaadjes). Brazilië. BR. 1840.6. C. 

Met witte bloemen, de kelkbladen zijn geel gespikkeld en violet ge- 
streept. 

— Hanburii [van Hanhirg). Mexico. BR. B. 

Het bloemdek is roetkleurig, het lipje rooskleurig met karmozijne 
aders. Het zijn groote bloemen met eenen sterken vanielj e-geur. 

— lonosmum [violet). Brazilië. BR. 1838. m. 87. C. 

De bloemen zijn dof rood en het lipje is lila gestreept; zij hebben 
eenen sterken violieren-geur. 

— lacertlnuni [hagedis-vormig). Guatimala. BR. C. 

Het bloemdek is schitterend groen; het purperkleurige lipje heeft den 
vorm van eene hagedis. 

— lancifoliuni {mei lancetvormige bladen). Mexico. BR. 1842.50. C. 

De bloemen gelijken op die van E. cochleatum., maar zijn gvooter; 
het lipje is bleekgeel en de bloemen zijn min of meer geurig. 

— macrochilum {met een groot lipje). Guatimala. BM. 3534. B. 

Eene groote bloem met een groenachtig bruin bloemdek; het lipje is 
zuiver wit met eene purpere vlek aan de basis. 



250 

E. — i'oseiim. Guatimala. VH. 1848. A. 

Eene schoone bloem, met een donker violet bloemdek; het lipje is 
breed en fraai rooskleurig. 

— onciflloïdes [methloevienals Oncidium).M.ididie:ü.-Kmen\idt.BR.\Ql^. B. 

De bloemen zijn zeer welriekend; het bloemdek is donker geel en 
roetkleurig; het lipje donker geel. Zij heeft eenige gelijkenis met Onci- 
dium hiridum. 

— papillosum [met loratteii). Oaxaca. BM. C. 

De bloemen zijn groot en groenachtig geel; het lipje is wit met drie 
donkere violetstrepen. 

— phoeniceiim. (jmrjjer). Cuba. BR. 1841. B. 

Het bloemdek is rijk purper violetkleurig ; het lipje breed, bleek rosé 
en door eene karmijn-roode streep verdeeld. Zij nadert aan E. macro- 
cliiliim roseum. 

— i-adiatiim {stralende). Mexico. BB. 1844.45. C 

De bloemen, die even zoo gevormd zijn als die van E. cochleatum, 
zijn bleek groen; het lipje is gestreept met donker purpere stralen. De 
bloem geeft eenen sterken kaneelgeur. 

— ranifernm [Jcikvorsch-vormig). Mexico. BR. C 

Het bloemdek is groenachtig geel, roetkleurig gespikkeld; het lipje 
heeft aan de basis een gezwel in den vorm van eene kikvorsch. 

Deze plant vereischt niet veel warmte, maar moet nooit geheel droog 
gehouden worden. 

— rhizophornm [worteldragend). Guatimala. BR. 1840. B. 

Deze soort gelijkt op E. cmnabarinum. 

— roseum [roosJcletirig). Bahia. Portf. t. 2. B. 

Traaije rooskleurige bloemen; het lipje heeft eene breede, rijk purpere 
vlek en is wit aan de randen. 

— ücliomburgkii [naar den Heer Schomhurgh). Guyana. BR. 1838. B. 

De bloemen naderen aan die van E. cinnabarium, waarvan deze soort 
zich onderscheidt, door een aantal roetkleurige vlekken, waarmede de 
stengels bedekt zijn. De bloemen zijn scharlakenkleurig , met een gewenk- 
braauwd en donker oranje gekleurd lipje. 

— selligernni [zadelvormig). Mexico. C. 

Deze plant heeft geene andere aanbeveling dan door den geur, die 
overeenkomt met die der tuberoos. 

— Skinneri [naar den Heer Skinner). Guatimala. BM. 3951. C. 

De bloemen, die fraai violetkleurig zijn, blijven lang open. 



251 



Men houdt deze plant voor moeijelijk in de kuituur. 

K. Stanifordianunt {iiaar den Heer Stamford). Guatimala, Bat. 14. C. 
Deze plant moet evenzoo behandeld worden als de Caitleijas: alleen 
wil zij meer vochtigheid. 

— tessellatuni {als een schaaJchord). Guatimala. BM. 3638. C. 

Het bloemdek is groenachtig geel aan de buitenzijde; aan de binnen- 
zijde bruin met regelmatige donkerder strepen, die ruiten vormen als 
van een schaakbord; het lipje is over de geheele lengte met een aantal 
purpere strepen bezet. 

— verrucosni» (ïvrattig). Mexico. BC. B. 

De bloemen zijn fraai karmozijn violet, hebben 8 N. duimen middel- 
lijn, en zijn zeer welriekend. De bloemsteel is bedekt met witte wratten. 
Deze plant heeft overeenkomst met E. phoeniceum en HanburlL 

— Titellinum [eigeel). Mexico. BR. B. 

Deze plant heeft fraaije oranjekleurige bloemen, met een schitterend 
geel lipje. — Zij groeit oorspronkelijk op eene hoogte van 3,000 N. ellen 
boven de oppervlakte der zee, en vereischt geene groote warmte. 

Het geslacht Epidendrum is zeer rijk aan soorten, die, wat betreft de 
schoonheid harer bloemen, minder aanbevelenswaardig zijn. Wij hebben die, 
welke in de kasten verdienen opgenomen te worden, beschreven, en aar- 
zelen niet de anderen ter zijde te stellen. 

Wij laten hier de namen van eenige van deze volgen: 



E. aemulum. BR. 

~ altissiniuni. 

— anceps. BC. 

— angusfifolium. Schwartz. 

— arbusculuni. BR. 

— armeniacum. BR. 

— aromaticum. Bat. 

— articulatuni. 

— auritum. BR. 

— bifidum. BR. 

— bractescens. BR. 

— Candollei. B3L 

— cepeforme. B3I. 

— clavafum. BR. 

— conopseum. BM. 

— crassifollum. 

Sjn. ellipiicum. 



E. cucullatum. BR. 

— densifloruiu. 

— dicliotoinum. Lindley. 

— dictum. BR. 

— elongatum. BM. 

— falcatum. BR. 

— ferrugineuni. 

— floribunduni. B3I. 

— fucatuni. Lindl. 

— gracile. BR. 

— Grahami. B3I. 

— glntinosum. BR. 

— Harrissoniae. BM. 

— imbricatum . Lindley. 

— inversum. B3I. 

— lansellatuni. BR. 

— latilabrum. BR. 



252 



£. lentigenosnm. 

— longicolle. BR. 

— inacrostacliyuin. Lindley. 

— nocturnum. BR. 

— nutans. BR. 

— ocraceum. BR. 

— odoratisslmum. BR. 

— pachyantum. BR. 

— pallidlflorum . 



Ë. polyanthum. BR. 

— punctatum. Linn. 

— stenophyllum. 

— tigrinum. 

— trlpunctatnm. Lindley. BR. 

— umbellatum. BR. 

— variegatum. BM, 

— Tirgatum. 

— viTiparum. 



— picfum. BR. 

De JEpidendrums hebben deels cylindriscbe en verlengde, deels korte, 
gezwollen knollen. De eersten moeten in gedraineerde potten, op dezelfde 
wijze als de Catileyas, gekweekt worden; de anderen kan men op hout 
of in mandjes zetten. Zij vereischen allen eenen rusttijd, en de wortels 
behoeven niet veel water. 
£RIA. Lindley. Bootn-Orch. 

Wij kennen geene soort uit dit geslacht, welke wij zouden kunnen 
aanbevelen. Wij laten daarom slechts eenige namen daarvan volgen: 



e:, multlflora. BR. 

— paniculata. BR. 

— pubescens. 

— stellata. BR. 

— vesttta. BR. 



E. bractescens. BR. 

— blpunctata. BR. 

— cochleata. BR. 

— convallarioïdes. BR. 

— densiflora. BR. 

— ferruginea. BR. 
E1JL.OPHIA. Brown. Aard-Orch. 

Dit geslacht bevat ook geene aanbevelenswaardige soort. 
FER^AWlfËZIA. Ruiz et Pavon. Boom-Orck 

De bloemen, welke de soorten van dit geslacht opleveren, komen uit 
de oksels der bladen voort, zijn klein en niet fraai. 
f,}ALi£AI¥JfKA. Lindley. Aard-Orck 

van GALEA, helm en aner helmknop. 

— Bauerl {naar den Hr. Bauer). Guinea. BR. 1840.49. **• 

Het bloemdek is groenachtig bruin en het lipje donker purper. 

- — Blanchettl [naar den Hr. Blanchet). Bahia. Hort. *• 

Het bloemdek is groenachtig bruin; het lipje, rosé aan de buiten- en 

wit aan de binnenzijde, is met eene breede violet purpere vlek geboord. 

— crïstata [gehuifd). Gay enne. BR. *• 

De bloemen gelijken op die der volgende soort, maar zijn kleiner en 
bleeker. 



253 

Cr. DeToniana {?iaar den Hertog van jDevonshire). Rio Negro. A. 

Deze soort is eene boom-Orchidea. 
Het bloemdek is oranjeachtig bruin; het lipje is groot en zeer eigen- 
aardig, op eenen lila, wit en geelen grond, met donker purper gespikkeld 
en gestreept. 

De aard-soorten van dit geslacht moeten even als Bletia behandeld 
worden; de knollen moeten gedurende den rusttijd niet nat gemaakt worden. 

GAL.GOTTIA. Lindley. Boom-Orch. 

Toegewijd aan den Heer Galeotti. 

— Beaiimonti {^naar den Hr. Beaumont). Bahia. Lindley. C. 

Het bloemdek is groen met bruine strepen, het lipje als een horen op- 
gerigt, wit, naar het rooskleurige overgaande met rosé strepen en aan den 
rand geweukbraauwd. 

Dit geslacht wordt zeer goed op hout of in opgehangen mandjes ge- 
kweekt. 
CiOüVGORA. Ruiz et Pavon. Boom-Orch. 

Toegewijd aan Dom Antonio Gongora, Onderkoning van Nieuw 
Grenada. 

— atropiirpurea [donker purper). Demerary. B3I. C 

Met donker purpere bloemen. 

Hiervan zijn eenige verscheidenheden als: major, maxima, die alleen 
verschillen door den omvang der bloemen. 

— buffonia [ah een padde-huid). BR. 1841.^. • C. 

De bloemen zijn gekleurd als wijnmoer, en hebben roetkleurige vlekken, 
de boorden der bloembladen zijn mat geelachtig wit. 

— fulTa [rosachtig). Demerary. BR. 1839.1. C;. 

De bloemen zijn fraai geel gevlekt. 

— — vitellina [eigeel). Mexico. BR. C 

De bloemen zijn schitterend geel, en min of meer gevlekt. 

— leucochila [met wit lipje). Guatimala. VU. 1. C 

Gelijkt op G. luffonia\ alleen is het lipje van deze soort geheel wit. 
- — maculata [gevlekt). Demerary. BR. 1646. C. 

De kelkbladen zijn bruin met purpere spikkels, de bloembladen bleek 
purper met donker purpere stippen; het lipje is groen gevlekt. 

tricolor [driekleurig). Peru. BR. 1847.69. C 

De bloemen zijn helder geel; de bloembladen bruin rood gestreept; de 
kelkbladen met dezelfde kleur gespikkeld en het lipje is wit. 

Er zijn nog meerdere verscheidenheden van G. maculata, waarbij het 
verschil gelegen is in de kleur der vlekken. 



254 

G. nigrlta (zwari). Demerary. BM. f^^ 

De bloemen zijn zeer donker bruin. 

— truncata [afgehiot). Mexico. BR. C 

Het bloemdek is room-wit, het lipje geel en wit. 

De bijzondere afwijking van den vorm der bloemen maken dit geslacht 
waardig opgenomen te worden in de verzamelingen. Zij worden gemakkelijk 
in opgehangen mandjes gekweekt. De lange bloemstelen, die van ver- 
scheidene zijden afhangen, maken eene goede uitwerking. Men zal wel 
doen aan deze planten haren behoorlijken rusttijd te vergunnen en ze ge- 
durende hare ontwikkeling warm en vochtig te houden. 

OOODYëRA. Brown. Aarcl-Orck 

Toegewijd aan den kruidkundige J. Goodyer. 
Dit geslacht levert niets op, wat kan worden aanbevolen, 
GOTEIilA. Lindley. Aard-OrcJi. 

Toegewijd aan den Heer J. R, Go won. 

— fasciata [verbonden). Mexico. BR. 1845.67. B. 

De bloemen zijn helder geel, de bloem- en kelkbladen zijn met sierlijke 
afgebroken karmozijn roode banden geteekend. 

— Crardnerl [van Gardner). Brazilië. BM. C. 

Met bleek geele bloemen. Zij bloeit gemakkelijk. 

— llliacea [op eene lelie gelijkende). Mexico. BR. C 

De bloemen zijn zwavelgeel met purperrood gestreept. 

Deze plant, door den Heer Hernander beschreven, had, naar men zegt, 
den naam ontvangen van IztactcpcizacuxocJutl icolmcyo. Hiertegen bestaat 
slechts een bezwaar, namelijk om iemand te vinden, die dezen naam 
kan uitspreken i). 

— superba [Jceurig). Mexico. BR. B. 

Met oranje kleurige, bloedrood gevlekte bloemen, die eenen aangenamen 
geur hebben. 

De planten van dit geslacht verliezen jaarlijks hare bladen en stengels; 
men zal weldoen, wanneer de bladen geel worden, de knollen op te nemen, 
en ze gedurende drie maanden in droog zand te bewaren; daarna plaatst 
men ze in fijne zandige aarde, vermengd met verteerden bladgrond en 
potscherven, bij eene goede drainering. De begietiugen worden naar de 
ontwikkeling gewijzigd. 



') Wij meenden, Lij de vertaling, dit niet te mogen weglaten. Wij geven liet alleen op gczasf 
des schrijvers. de vkktai.kk. 



255 

GRAMMATOPHTL-LlTin. Blume. Boom-OrcJi. 
Yan GRAiiMA, letter en fullox, blad. 

— mnltiflorum (««e^z;<?eZi/oe»2e»).Phillippijnsche-Eilanden. S^. 1835.65. A. 

Het bloemdek is bruin, met groen gerand; het lipje geel met bruine 
spikkels en strepen. 

— tlgrlnnm [getijgerd). Oost-In die. Blume. BR. A. 

Het bloemdek is bleekgroen, sierlijk roetkleurig gevlekt; het geele lipje 
is met vermiljoen getijgerd. De bloemen zijn van langen duur. 

— speclosnm [fraai). Oost-Indië. Blume. G. et. S. A. 

Syn. Angraecum scripium Eumphius. 
Cyynbidium scriptum Schwartz. 
Epidendrutti scriptuni Linn. 
Gabertia scripta Gaudichaud. 
De bloemen zijn groenachtig geel met bruine vlekken. 
Dit geslacht wordt in goed gedraineerde potten of opgehangen mandjes 
gekweekt, maar zonder sphagnum. Het vereischt eene wanne plaats. 

GROBTA. Lindlej. Boom-Orch. 

Toegewijd aan Lord Grey de Groby. 

— Aniherstiie {naar lady Amherst). Brazilië. BR. 1740. C. 

De bloemen zijn groenachtig geel met roetkleurige spikkels; de ver- 
dienste dezer plant bestaat in de doorschijnendheid en het aantal harer 
bloemen. 

— galeata [Jielmvormig). Brazilië. BR. C. 

De bloemen gelijken op die van de voorgaande, donkergroen met purper 
gespikkeld. 

Men kweekt ze in goed gedraineerde potten, met inachtneming van den 
noodigen rusttijd. 

HABEITARIA. Willdenow. Aard-Orch. 

Wij kennen geene aanbevelenswaardige soort in dit geslacht. Hier vol- 
gen dus slechts eenige namen: 

H. gigantea. BM. H. marginata. BF. 

— Goodyeroïdes. B^I. — membranacea. 

— macroceras. Schwartz. — procera. B^I. 
HAEMERIA. Zie Goodyera. 

HARTIVEGIA. Lindley, Boom-Orch. 
Hiervan zijn twee verscheidenheden: 

— purpurea. BR. 



256 

H. augustifolia. BR. 

Wij kunnen ze niet aanbevelen. 

HOUIiliETIA. Brongniart. Boom-Orck 

Toegewijd aan den Hr. Houllet, de zoon. 

— Brockleheurstiana {naar den Heer Brockle/ietirsi).^vazï[\'ó. BM. 4072. b. 

Het bloemdek is bruin en rijk gevlekt; het lipje geel met purper ge- 
spikkeld. 

— stapeliaeflora. 

Deze levert met de vorige geen verschil op. 

— vlttata [gestreept). Brazilië. BR. B. 

Deze planten maken eene fraaije uitwerking; zij worden in goed ge- 
draineerde potten gekweekt en vereischen eene voortdurende bevochtiging 
wanneer zij in volle ontwikkeling zijn. In haren rusttijd moet men ze 
op eene koude plaats der kast, bijna droog bewaren. 
HUWTLiEYA. Bateman. Boom-Orch. 

Toegewijd aan den Heer Huntley. 

— cochleata [schelpvormig). Trinité. BR. A.. 

Syn. Zygopetalum cocJdeare. BR. t. 1857. 
Het bloemdek is wit, het lipje blaauw met roode aders. 

— meleagris [met allerlei Jcleuren 'beschilderd). Brazilië. BR. 1839.14. a. 

Het bloemdek is koperachtig bruin gestreept; het lijfje wit met purper- 
roode strepen. 

— radlans. Zie Warrea Wailesiana. 

— vlolacea {violet). Brazilië. Sert. O. t. 26. B. 

Het bloemdek is violetkleurig; het lipje lila, rosé, met violet gestreept 
en met bleek grijs gerand. 

De planten hebben geene knollen, en zijn moeijelijk in te voeren; zij 
moeten in goed gedraineerde potten gekweekt worden. Het is niet noodig 
haar gedurende den rusttijd droog te laten; men moet ze intusschen niet 
meer bevochtigen dan noodig is, om de uitdrooging van den grond te 
voorkomen. De bloemen zijn groot; het bloemdek heeft den vorm van 
eene platte schelp en de geur vermeerdert nog hare waarde. 
IO]VOP§lS. Humboldt et Kunz. Boom-Orch. 
Yan ION, violier en opsis, aanzien. 

De soorten van dit geslacht hebben kleine bloemen en kunnen, te 
meer met het oog op de moeijelijkheid van hare kuituur, niet aanbevolen 
worden. Wij noemen de volgende: 



I. panlculata. 
— tenera. BR. 



I. teres. BR. 

— utrlcularloïdes. E F. 

(Wordt vervolgd.) 



•237 
DE KIiNA-BOOM OVERGEBRAGT UIT AMERIKA NAAR JAVA. 

(Vervolg van bladz. 160.) 

Onderscheidene allezins bevoegde en bekwame Yaderlandsche geleerden, 
wier zucht tot de bevordering van de belangen der wetenschappen, van het 
heil der menschheid en den roem van Xederland, uit eene lange loopbaan 
die daaraan geheel gewijd was, gebleken en boven allen lof verheven is, 
hebben sedert meer dan vijf-en-twintig jaren, zoo hier als in Indië, bij het 
Gouvernement op de overbrengst van den Kina-boom uit Zaid-Amerika naar 
Java aangedrongen. Het is eene billijke hulde, die men aan hunne verdien- 
sten te dezen aanzien behoort te brengen, indien hier de namen worden ge- 
noemd van diegenen, die, in dien zin, der Hooge Regering voorstellen of 
adviezen aangeboden hebbeu. Zij zijn Dr. c. l. Bi.uiLE, Hoogleeraar, Direc- 
teur van "s Rijks Herbarium (1S29, 1830, 1850), Dr. p. w. korthals, 
toenmaals lid der Natuurkundige commissie van Xederlandsch Oost-Indië 
(1830), wijlen de Hoogleeraar c. g. c. eeinwardt (1830), Dr. g. j. mul- 
der, Hoogleeraar aan 's Rijks Hoogeschool te Utrecht (1838), de Staatsraad 
Dr. G. VROLiK , Hoogleeraar in de Kruidkunde en Verloskunde aan het xAthe- 
naeum Illustre te Amsterdam (1839;, Dr. f. a. w. miquel, Hoogleeraar in 
de Kruidkunde en in de Geneeskunde aan dezelfde Inrigting aldaar (1846), 
de heer Dr. rROiiBERG, Agricultuur-chimist in Nederlandsch Indië (1841). 

Het zal wel overbodig zijn te verzekeren, dat de opvolgende Ministers 
van Koloniën aan die voorstellen hunnen aandacht hebben geschonken, en 
dat allen, die ambtshalve daartoe waren geroepen en ter zake licht konden 
geven of van raad en hulp vermogten te dienen, steeds hunne belangstelling 
hebben doen blijken en hunne gezindheid tevens om te pogen dit schoone 
doel te doen bereiken. 

Eenigen van deze geleerden hielden het voor waarschijnlijk , dat , na eenige 
jaren als de Kina-bosschen in Amerika zouden zijn uitgeput, op Java die 
kuituur zou kunnen geslaagd zijn en daardoor schatten aan het moederland 
zouden worden verschaft. Anderen oordeelden, dat noch moeite, noch kosten 
behoorden te worden gespaard om eenen boom uit Peru naar Java over te 
brengen , die daar even welig als in Amerika zou groeijen. 

Men hield niet op om de wenschelijkheid van die overbrengst te blijven 
betoogen. Maar de Hooo'e Reccerinor zas: teacen de onkosten en de vermeende 
onuitvoerbaarheid op. De wensch tot het verkrijgen van zaden dezer hoo- 
rnen , door tusschenkomst van de Nederlaudsche Consuls in de verschillende 
Staten van Amerika, werd teleurgesteld, vooral sedert dat men van de moeije- 

II. . '' 



258 

lijkheden om die op hunne stations te Valparaiso, te Liina, te Bogota, te 
Caracas, uit de verafgelegen bosschen en gebergten in de binnenlanden van 
Peru, Bolivië en Nieuw Grenada te bekomen, was onderrigt geworden. Er 
waren zaden en planten door dezen en genen beloofd , maar die beloften ver- 
mogten niet te worden verwezenlijkt , hoewel zij telkens op nieuw werden 
herhaald. 

Het was op het laatst van 1850 dat de Minister van Koloniën de erva- 
ring bekwam, dat de Fransche Regering de kuituur der Kina zou gaan be- 
proeven in Algerië. 

Uit de informatien, al dadelijk op 't vernemen van dat berigt door Zijne 
Excellentie ingewonnen, bleek het dat Eransche Agenten in Zuid- Amerika 
werkelijk pogingen hadden aangewend , die ten minste in zoo verre waren ge- 
slaagd, dat zij althans eeuig zaad van den Kina-boom hadden kunnen be- 
komen. 

In het jaar 1851 werd ons Gouvernement van de omstandigheid onder- 
derrigt dat de Fransche Regering naar Algeiië Kina-zaden van Bolivië had 
doen overbrengen, door tusschenkomst van den Eranschen Consul te Bogota 
ontvangen en dat de kuituur aldaar was aangevangen, door middel dier 
zaden. 

Zulks gaf aanleiding tot het vragen van nadere inlichtingen bij het Eran- 
sche Gouvernement. Men gaf tevens de verzekering dat de Nederlandsche 
Regering niet zoo zeer op het oog had om een nieuw product in de Over- 
zeesche Bezittingen voor de Europeesche markten aan te kweeken, als wel; 
om, bij de bekende uitputting der Kina-bosschen in Zuid-Amerika, die kui- 
tuur op Java te beproeven, tot heil der menschheid. 

De Nederlandsche Regering had zich hierbij op het juiste standpunt ge- 
steld. Het was toch geene zaak uitsluitend voor Nederland; — neen, het 
was in het belang van het geheele menschdum. Maar het zou toch Neder- 
land tot eere zijn, indien 's Konings Regering mogt slagen om voor de 
menschheid in die schoone Oost-Indische Bezittingen over te brengen en te 
bewaren , wat elders met vernieling wordt bedreigd. 

In dien zin had de Eransche Regeling de zaak dan ook opgevat; want 
zij verklaarde zich genegen, om van het zaad, hetwelk door hare Agenten 
in Zuid-Amerika zou worden verstrekt, een gedeelte ten behoeve van het 
Nederlandsche Gouvernement af te staan. 

Men had in Amerika de zaden ten behoeve van Erankrijk (zoo werd la- 
ter uit Erankrijk berigt) met zorg ingepakt en verzonden, en zij waren bij 
de aankomst in Algerië dadelijk gezaaid in bakjes met glas overdekt, onder 
de vereischte temperatuur; zij waren uitgeplant in overeenkomstige situatiën 
als welke de natuur der plant vereischte. 



259 

Het bleek later (in December 1851) dat aan de belofte, aan ons Gouver- 
nement gedaan, geen gevolg kon worden gegeven, daar de zaden over Mar- 
seille en niet over Parijs naar Algiers waren verzonden; tevens vernam men, 
dat van de jonge planten een groot deel was gestorven, terwijl later de over- 
geblevene aanplantingen in Algerië door een sirocco waren verwoest. Deze 
noodlottige omstandigheid moest de hoop van Frankrijk, om in die gewes- 
ten de nieuwe kuituur te beproeven, dan ook ten eenemale te leur stellen. 
Zij leverde eene reden te meer voor het Nederlandsclie Gouvernement, om, 
indien er althans aan deze zaak een ernstig gevolg zou worden gegeven, 
tot doortastende maatregelen over te gaan. 

Noch de beloften, noch de werkelijk gedane pogingen door de Consulaire 
Agenten in Zuid-Amerika , noch de toezeggingen van partikuliereu lieten zelfs 
de flaauwste hope op het bekomen van de verlangde zaden; en inderdaad 
moet men overtuigd zijn, dat die beambten daaraan, ook bij den besten wil, 
niet kouden voldoen, dewijl uit alles blijkt, dat de Commissie hun opge- 
dragen, zouder belangrijke opofieringen en inspanningen, moeijelijk was ten 
uitvoer te brengen. 

Men had nu genoegzame overtuiging bekomen, dat Nederland alleen door 
regtstreeksche pogingen bij magte zou kunnen zijn, om in die aangelegene 
zaak werkelijk iets tot stand te brengen. 

De Minister van Koloniën, op eigene overtuiging en op de inlichtingen 
van deskundigen afgaande, achtte de uitvoering dezer zaak zoo wenschelijk, 
dat, indien men zich op goeden grond mogt vleijen met eene kans op wel- 
slagen, de geldelijke opfferingen, die voor de Kina-overbrengst uit Zuid- 
Amerika naar Java zouden worden vereischt, als nuttig aangewend zouden 
kunnen worden geacht. 

Men was tot de overtuiging gekomen, dat het eenige middel, om of za- 
den of planten van de Kina uit Zuid-Amerika te bekomen, alleen bestond 
in het uitzenden van eenen daartoe bekwamen persoon. 

Zoodanig eenen te vinden was niet gemakkelijk. Men moest in denzelven 
velerlei kennis, maar vooral van het botanische vak en bovendien Kina-ken- 
nis vereischen. Eene groote standvastigheid en onversaagdheid in gevaren en 
moeijelijkheden op groote reizen in vreemde werelddeelen , maar bovenal eene 
goede gezondheid moesten hierbij allereerst in aanmerking komen bij hem, 
aan wien eene zoo gewigtige lastgeving zou worden opgedragen. 

Intusschen waren de ondervinding en de ontdekkingen in Zuid-Amerika, 
door den Heer weddell verkregen, voor de Nederlandsche Geleerden niet 
verloren gegaan. De roem, die daarvan uitging, maar bovenal zijne voor- 
treffelijke geschriften, even als de basten en de gedroogde planten, door 
hem in Peru ingezameld, werden hier niet alleen bekend en gewaardeerd, 



260 

maar kwamen mildelijk in het bezit van Nederlanders en van onze inrigtin- 
gen voor wetenschap. In het Museum te Parijs werden ze aan deskundigen 
en belangstellenden met eene loffelijke vrijgevigheid ter beschouwing of tot 
onderzoek afgestaan, en van die welwillendheid mogt ook de schrijver dezer 
mededeeling in ruime mate, bij een verblijf in Frankrijks hoofdstad gebruik 
maken. 

Ik moet bijna verschooning vragen voor eene mededeeling hier ter plaatse, 
die niet op eene officiële wijze kan worden gestaafd. Zij betreft namelijk de 
bijzonderheid, dat eenige van de meest beroemde Pransche geleerden, waar- 
onder ook de Hoogleeraren, die als Commissarissen Avaren benoemd geweest 
van wege de Académie des Sciences, ter beoordeeling van het werk van 
WEDDELL (de jussieu, EICHAE.D, gaudiciiaud) mij dcstijds gezamenlijk en 
als hun eenparig gevoelen hebben te kennen gegeven, dat inzonderheid het 
Nederlandsche Gouvernement in staat zou zijn eeuen grooten maatregel met 
goeden uitslag ten uitvoer te brengen, door de overbrengst van de Kina 
naar Java, alwaar zoo velerlei geschikte locale gesteldheden voor de Kina- 
kultuur moeten geacht worden voorhanden te zijn. 

In de maand Junij 1852 deed de Minister van Koloniën aan den Koning 
het voorstel om een geschikt persoon naar Zuid-Amerika te zenden tot in- 
zameling van planten en zaden en die van daar regtstreeks naar Java over 
te brengen. 

Bij Hoogstdeszelfs Besluit van 30 Junij 1852, L q., werd de gemelde Mi- 
nister gemagtigd om de inzameling va)i de Kina-zaden en planten in Zuid- 
Amerika en de overbrengst naar Java op te dragen aan den Heer justus 
KARL HAssKARi,, ccrvol Ontslagen Botanicus van "'s Lands Plantentuin te 
Buitenzorg, met overlating aan Zijne Excellentie van alles wat tot den goe- 
den uitslag van die zending zou worden vereischt. 

De keuze van dien bekwamen man kon allezius gelukkig worden geacht. 
Gedurende een veeljarig verblijf op het eiland had de Heer hasskart. zich 
kunnen gewennen aan den invloed van een tropisch klimaat. Hij had eene 
goede gezondheid en was van een middelbaren leeftijd. Hij had jaren achter- 
een blijken gegeven van eenen grooten lust voor wetenschappen en van veel- 
omvattende kennis van de Plora van Java. Zijne talrijke daarover bekend 
gemaakte geschriften droegen de blijken van groote naauwgezetheid , volhar- 
ding en vlijt. Zijne reizen en nasporingen in Indië hadden hem eene onge- 
meene mate van ondervinding tot het doen van reizen , vooral in het over- 
winnen van de moeijelijkhedeu die zoo vaak uit den aard van het terrein in 
een tropisch klimaat voort vloeij en, gegeven. 

A^an zijne vastberadenheid en beleid had men reden te verwachten, dat hij 
voor deze missie bijzonder geschikt zou zijn: geen wonder derhalve, dat de 



26] 

Heer Minister op zijn persoon deszelfs aandacht vestigde en hem tot deze 
o-ewio-tio-e missie aan den Konins^ voordroesr. 

Die verwachting werd niet te leur gesteld; de uitkomst heeft geleerd dat 
men haar wèl had gevestigd ; w'ant het doel van de zending van den Heer , 
HAssKAEL naar Zuid-Amerika is bereikt. 

Een ontworpen reisplan werd gedeeltelijk vastgesteld, doch voor een groot 
deel aan zijn eigen beleid en oordeel overgelaten; alleen werd hem opgedra- 
gen , om zich niet slechts te bepalen tot de inzameling van de Calisaya Kina- 
plant, maar zoo mogelijk ook andere Kina-soorten in te zamelen, welke hem 
zouden voorkomen en Avelke op verschillende hoogten boven de oppervlakte 
der zee zouden worden gevonden. 

Het reisplan , voor zoo ver dit vastgesteld werd , hield in , dat hij van 
Southarapton naar Chagres en verder over Panama naar Guaj'quil en Loxa 
zou reizen, van waar hij de togten naar het binnenland zou ondernemen. 

Ten einde geen tijd nutteloos te verliezen werd de voorkeur gegeven aan 
het reizen met stoomschepen naar Panama, boven den meer langdurigen weg 
om Kaap Hoorn, hetgeen een oponthoud van ten minste drie maanden zou 
hebben veroorzaakt, alvorens de reiziger de plaatsen kon bereiken van waar 
hij zijne togten naar de binnenlanden van Zuid-Amerika zou kunnen aan- 
vangen. 

Den 4 December 1852 verliet de Heer hasskarl 's Gravenhage om zich 
naar Southampton te begeven van waar hij den 17 December per stoomboot 
La Plata vertrok en den 1 Januarij 1853 te St. Thomas, den 12 dier maand 
te Aspinwall bij Chagres en den 14 te Panama aankwam, juist drie dagen te 
laat om zijne reize voort te zetten met de stoomboot, die de havens van de 
Westkust van Zuid-Amerika aandoet. 

Daardoor eenigzins opgehouden zette hij de reize den 25 daaraanvolgende 
voort naar Payta, om van daar naar Guayaquil te stevenen. Op het verne- 
men echter dat hij van daar zijne togien uithoofde van het regensaizoen niet 
met vrucht zou doen, werd het reisplan veranderd en begaf hij zich naar 
Lima. 

In het begin van Mei bevond hij zich achtereenvolgens op de eerste en op 
de tweede iets minder hooge Cordillières, en daarna in het lagere gedeelte 
van Peru. Het was daar dat hij voor het eerst, sedert Panama, weder eenen 
weelderigen plantengroei zag, maar die toch op verre na niet met dien van 
laatstgenoemd land was te vergelijken. 

Aan welke moeijelijkheden nu zulke reizen onderhevig zijn , dit is in 't 
algemeen uit de berigten van natuuronderzoekers bekend geworden maar het 
kan den lezer niet onbelangrijk wezen te vernemen , wat de Heer hasskart. 
te dien opzigte heeft ondervonden. 



2fi2 

De wegen over het gebergte in Peru zijn slecht, veehil niet breeder dan 
de ruimte voor één man te paard en aan de eene zijde zijn vaak diepe 
en gevaarlijke afgronden. Om tegenkomende reizigers te passereu is niet mo- 
gelijk. Als men de kam van de tweede Cordilliéres voorbij is , vindt men 
meer trappen dan wegen. Hier moet men te voet gaan en zijne bagage door 
Indianen, indien men ze hier of daar mogt kunnen vinden, laten dragen. 
Te voet den togt voortzettende over Vitoc naar Monohamba en Uchuharaba, 
had hij 't genot voor het eerst Kina-boomen in hunnen natuurlijken toestand 
te zien, hoewel dit niet de Calisaya-Kina was, die vooral in Zuidelijk Peru 
en Bolivië is te vinden. Van Monohamba teruggetrokken over de tweede 
Cordilliéres, begaf hij zich naar de hoofdplaats van de provincie Zanja. 

Bij Uchuhamba zag de Heer hasskarl eene groote hoeveelheid echte Ca- 
lisaya-Kiua-boomen , doch kon hij van slechts eenige weinige de zaden en 
planten verzamelen. Van die goede soort verzamelde hij eene groote hoeveel- 
heid zaden, benevens een vijftigtal planten, welke, na met veel moeite te 
zijn ingepakt, als eerste bezending op den 28 Julij 1853 naar Lima, met 
bestemming naar Nederland, afgezonden werden. Deze bezending hield in za- 
den van de Calisaya, verder vier zakjes met zaden van Cinchona ovata en 
een kleine hoeveelheid van Cinchona pubescens. In eenen brief aan den Heer 
Minister van Koloniën , onder dagteekening van 1 2 Augustus , zond de Heer 
HASSKARL later nog een blaasje met zaden van Cinchona amygdalifolia. Na 
eene reize van anderhalve maand kwamen al deze voorwerpen gelukkig en in 
goeden staat te Lima aan. Zij werden aldaar door een bevriend en met de 
kuituur bekend persoon , die tot deze medewerking vooraf was uitgenoodigd , 
verzorgd, in Wardsche kisten geplant en met de zaden per stoomboot naar 
Panama gezonden. De kisten bleven daar, door een misverstand van den ex- 
pediteur staan; zij ondervonden al den invloed eener tropische hitte, en toen 
zij, almede ten gevolge van hetzelfde noodlottige misverstand, in December 
1853 te Lima terug kwamen, waren de planten allen gestorven. Hierbij had 
men ook nog het verlies van den grond, in welke de planten in die kisten 
stonden, te betreuren; deze toch had, indien hij hier te lande of in Indiö 
scheikundig ware onderzocht geworden , voor de kuituur licht kunnen doen 
opgaan. De zaden ariiveerden intusschen wel in Europa en werden aan de 
zorgen van de Directeuren der Akademische Kruidtuinen en dien van den 
Hortus Botanicus te Amsterdam toevertrouwd, om daarmede overeenkomstig 
de inzigten des Ministers van Koloniën te handelen. Wij komen op die za- 
den later terug. 

Van Uchuhamba begaf zich de reiziger meer zuidelijk, in streken , waar de 
tegen het Gouvernement opgestane en zich vrij verklaard hebbende bevolkin- 
gefa, niet zelden zijn leven bedreigden, vermits zij in hem een spion van. 



263 

het Peruaansche Gouvernement meenden te zien. Yaak van zijne wegwijzers 
en dit niet zelden des nachts, geheel en al plotselijk verlaten, moest hij 
soms dagen lang, zonder een raenschelijk wezen te zien en menigmaal van 
het noodigste voedsel verstoken, ronddolen, alvorens het goede spoor terug 
te vinden. 

De raeening van ten deze niet wel onderrigte personen , dat men thans nog 
de Kina-boomen in bosschen als 't ware gezellig groeijende, bijeen zou vin- 
den , wordt ook nu weder op nieuws door de bevindingen des Heereu hass- 
KAKL weersproken. De naam Kina-bosschen wordt alzoo zeer ongepast. Zij 
zijn vaak verstrooid en zelfs in de Kina-streken somwijlen niet dan ui- 
terst moeijelijk vinden. Zou de tegenstrijdigheid, die in deze opgaven door 
vroegere schrijvers met de tegenwoordige bestaat, ook zijn te verklaren 
uit de vernieling der bosschen, die in de laatste halve eeuw heeft plaats 
gehad ? 

In de provincie Carabaya aangekomen koesterde hij de hoop om aldaar de 
Kina-boomen nog vol vrucht en zaad te vinden, en zulks op grond van hem 
gegeven berigten. Deze hoop werd te leur gesteld, daar de zaden reeds wa- 
ren verstrooid. 

In het laatst van September 1853 kwam de Heer hasskarl te Cuzco, 
de oude Inka stad. Van daar te Sandia, de hoofdplaats van het district van 
dien naam aangekomen zijnde, w^aar alleen (volgens dezen reiziger) tegen- 
woordig de Kina voor zoo verre Peru betreft, wordt ingezameld, stelde hij 
zich onmiddellijk in betrekking met eenige oude en geoefende bast-verzame- 
laars (cascarilleros practicos) om door aanwijzingen van dezelven, berigten 
te bekomen van en onderzoek te doen naar de plaatsen alwaar de Kina-boo- 
men groeijen. Hij werd daardoor in staat gesteld eene menigte en verschil- 
lende Kina-soorten te zien; maar hij moest tevens tot zijn leedwezen ontwa- 
ren, dat hij te laat was gekomen om zaden te verzamelen, hebbende alle de 
nog aan de boomen zittende vruchten hare zaden reeds laten uitvallen. Het 
zij niet ongepast om te dezer plaatse te herhalen dat het Kina-zaad van de 
uiterste fijn- en ligtheid en rondom met een uiterst dunvliezig uitbreidsel 
voorzien is; dat het alzoo ligtelijk verwaait en te loor gaat, maar ook dat 
hieruit de ontzaggelijke uitbreiding der Ciuchonen in Zuid-Amerika met 
eenige waarschijnlijkheid is af te leiden. 

Er waren op dat tijdstip evenmin jonge planten van die boomsoorten te 
verkrijgen. In Carabaya toch waren de boomen uitnemend schaarsch, zeer 
verstrooid en dus zeldzaam, terwijl de Kinabast-zoekers bijna alle oude, 
dat is, de alleen zaad-dragende boomen hebben uitgeroeid. Het is daarom 
vaak noodig over de groote rivier, dus over de grensscheiding van het land 
der wilde Indianen te gaan, om althans eenigzins met de hoop op goeden 



264 

uitslag, deze booraen te gaan zoeken, en jonge planten, die uit de zaden zijn 
opgekomen, hier en daar in de bosschen verstrooid te vinden. 

Op deze wijze in zijne verwachtingen te leur gesteld zijnde, dat de reize 
in het laatst van 18o-3 zou kunnen ten einde loopen, besloot hij naar Lima 
terug te keeren en aldaar den droogen tijd door te brengen tot de maand 
April. Hij verwisselde echter die plaats, waar intusschen de gele koorts in 
sterken graad was uitgebroken, met Chili, waar een koeler klimaat hem 
zijne verloren krachten en geschokte gezondheid scheen te zullen terug 
geven. 

Berigten uit 's Gravenhage van het Ministerie van Koloniën , wegens de 
tegen Januarij te verwachten aankomst aan de Westkust van Zuid-Amerika 
van Zijner Majesteits Corvet, de Sumatra^ onder koramando van den Kapi- 
tein-Luitenant wippF '), noopten hem voorloopig zich te Arequipa te vestigen, 
alwaar hij de tijding was wachtende, dat van Lima naar Islay zouden zijn 
afgezonden een twintigtal Wardsche kisten, welke hij te Lima had gekocht. 
Dit berigt werkelijk aangekomen zijnde, besloot hij zich intusschen weder 
tot op een afstand van 150 Spaansche mijlen (leguas) naar het binnenland, 
tot het doen van verdere nasporingen , te begeven. Hij liet te Arequipa eenen 
brief achter om aan den Kommandant, bij deszelfs arrivement, te worden 
bezorgd, wien hij daarbij van zijne voorgenomen reize naar de binnenlanden 
kennis gaf. 

Met al wat tot die reize noodig was toegerust zijnde, werd die onderno- 
men in oostelijke rigting naar de grenzen van Bolivië. 

Eene reeks van moeijelijkheden heeft zich echter hier voorgedaan, die het 
bekomen van Calisaya-planten bijna hadden onmogelijk gemaakt. 

Peru en Bolivië waren tegen elkander in staat van oorlog. In het vorig 
jaar waren de grenzen van laatstgenoemd land geheel en al gesloten voor de 
Peruanen. De Heer hasskarl verkeerde echter in de meening, dat het ver- 
bod om de grens te passeeren was opgeheven, met die uitzondering, dat er 
zich slechts eene kleine post bevond aan de zoogenaamde desaguaders (uit- 
watering), die zich aan den znidhoek van het meer van Titicaca bevindt. 
Tot die gunstige verandering zou hebben aanleiding gegeven het terugtrek- 
ken van de Peruaansche legers op bevel van Echenique , ten einde Arequipa , 
waar de opstandelingen zich hadden geschaard onder de vanen van Castilla, 
ten onder te bren"-en. 



^) Hierin is later eene verandering gekunien, zijnde in de plaats van het corvet Sumaira, het 
fregat P7ins Frederik der Nederlmiden naar de Westkust van Amerika gezonden. 



265 

Bolivië was vooral het land naar hetwelk hij zijne blikken rigtte, omdat, 
naar hetgene men hem, te regt of te onregte had berigt, aldaar de Kina- 
boomen niet zoo zeer verspreid, maar op sommige plaatsen, die men ?na7ic /tas 
noemt, in groote hoeveelheid voorkomen, terwijl de boomen daar in het al- 
gemeen, veel hooger opgroeijen. Kon het den reiziger dus gelukken in de 
dieper gelegen districten van Bolivië door te dringen, dan was de kans om 
planten en zaden te bekomen , niet onvoordeelig , vooral daar de Calisaya in 
Bolivië de Kina-bast bij uitnemendheid is, welke aldaar wordt ingezameld. 

De grenzen van Bolivië werden spoedig bereikt, ilen bevond zich weldra 
nabij La Paz , niet ver van het Boliviaansche sneeuw-gebergte te Sutchis , 
een Boliviaansch grensdorp, waar men echter vernam dat de oorlogsmaatre- 
gel, die het passeren der grens verbood, nog niet was opgeheven, gelijk 
men dit den Heer hasskakt. verkeerdelijk had berigt. 

Men moest dus besluiten zich weder op het Peniaansche gebied terug te 
trekken, en hieraan werd dan ook gereedelijk gevolg gegeven, met het plan 
om zich langs de Boliviaansche grenzen naar het in oostelijke rigting gele- 
gen Sandia te begeven. Met welke moeite en bezwaren echter die togt ver- 
gezeld ging, kan men zich naauwelijks voorstellen, zonder zijne eigene me- 
dedeelingen in haar geheel voor te dragen, docli waarvan wij ons te dezer 
plaatse, om wijdloopigheid te vermijden, moeten onthouden. 

Aan de grensplaatsen van Peru vindt men veeltijds verstrooide Bolivianen, 
dat meestal cascarilleros zijn. Voor dezen was dan ook de grens niet afge- 
sloten, zoo als dit voor Peruanen het geval was. Zij drijven daar hunnen 
handel, hebben hunne woningen en hunne familiën in Bolivië. Zij voeren 
allerlei voorwerpen of produkten in en uit , en waren niet alleen genegen om 
den Heer hasskari, te dienen; maar betoonden hem inderdaad alle wen- 
schelijke hulp, zoodanig, dat hem al spoedig door dezen levende planten, 
door genen zaden uit Bolivië, gelijk van zelve spreekt tegen eene billijke 
vergoeding, werden toegezegd. In afwachting nu hiervan begaf hij zich van 
de eene grensplaats naar de andere, bereikte eindelijk het reeds bovenge- 
noemde Sandia, alwaar hij besloot zijn hoofdkwartier te vestigen, en waar 
men de te leveren voorwerpen zou aanbrengen, opdat hij die na hunne aan- 
komst zou verpakken, waartoe alles te dier plaatse in tijds moest worden 
aangebragt. Hij verbond daaraan tevens het voornemen om zelf de dieper 
landwaarts in gelegene streken te gaan bezoeken, om zooveel als mogelijk 
was naar de Calisaya-kina uit te zien. 

Intusschen werd de overeenkomst met Bolivianen, om planten en vruch- 
ten of zaden van Kina-boomen, waartoe men aan die lieden leeftogt, geest- 
rijke dranken enz. had gegeven om hunne muildieren te beladen en tot ruil 
te doen dienen, grootendeels verwezenlijkt en mogt hij inderdaad hierdoor 



266 

slagen. Een der Bolivianen was namelijk, terwijl de Heer hasskarl zich 
van Sandia oostwaarts had begeven, met een zeer aanzienlijk getal levende 
planten aldaar aangekomen. Dit berigt ontvangen hebbende spoedde hij zich 
naar Sandia terug om alles in veiligheid te brengen, opdat de planten niet 
door lucht en hitte zouden lijden. Te dier plaatse aangekomen vond hij 
werkelijk omtrent 400 Calisaya-planten , echter niet allen van de sterkte zoo 
als men was overeengekomen. De aanvoerder had eene zeer inoeijelijke reize 
moeten maken om met dien kostbaren last te Sandia te arriveren. 

Wij treden hier niet in de vermelding van de onbeschrijfelijke moeijelijk- 
heden en gevaren, welke de Heer hasskari. met die kostbare lading had te 
doorworstelen, alvorens hij eenen weg van 150 leguas (Spaansche mijlen) 
had afgelegd, om die voorwerpen in behouden staat tot nabij de plaatse der 
inscheping te brengen. Er werden bij herhaling de noodige middelen be- 
raamd en in het werk gesteld om den wensch te zien verwezenlijken wegens 
het bekomen van toegezegde zaden, die hij echter niet heeft mogen erlan- 
gen. De persoon, die de bezorging had op zich genomen en hem bij zijne 
aankomst te Sandia zou volgen naar Arequipa en Islay , waartoe een voldoend 
reisgeld was verstrekt, is niet gekomen. Het belang dat men in het behoud 
der levende planten moest stellen, maakte het tevens raadzaam niet te ver- 
toeven. 

Bij het verpakken van die planten was op onderscheidene omstandigheden 
te letten; vooreerst moesten de planten vochtig genoeg blijven, om, zonder 
uit te droogen, de kust te kunnen bereiken, niettegenstaande de sterk uit- 
droogende winden en de bijna loodregt neervallende zonnestralen. Vooral te- 
gen deze laatste was het, dat zij moesten beschermd worden om de groote 
warmte gedurende den dag te weren; terwijl daarentegen des nachts en des 
avonds de koude, welke op die hoogten vrij sterk is, gebiedend vorderde 
om die kostbare voorwerpen , tegen het tegenovergestelde uiterste te bescher- 
men. Juist in de maanden Junij tot Augustus is op die hooge plateaux het 
water (en dit vooral des nachts) tot ijs bevrozen. Indien het doel des on- 
vermoeiden reizigers tevens geweest ware de planten in aarde geplant over 
te brengen, zoo zou het gewigt, en het daardoor noodwendig vermeerderde 
getal lastdieren groote hindernissen hebben opgeleverd. De planten zelve, 
maar bovenal hare wortels , zouden door het onophoudelijk schokken der die- 
ren stellig zijn beschadigd. 

Het was ook nog uit andere oogpunten nuttig, om de planten derwijze te 
verzorgen, dat zij niet zouden hebbeu te lijden. In aanmerking genomen 



267 

toch, dat groote planten moeijelijk tegen de meer gemelde uitwendige scha- 
delijke invloeden waren te beveiligen, moest men de stammetjes zeer kort 
insnoeijen en ze met de wortels in vochtig mos pakken. Teder paksel werd 
gewikkeld in de schil van Pisaugstammen, daarin vastgebonden en met 
zaklinnen tot kleine pakjes of haaltjes gemaakt, die wel iets op wolbalen ge- 
leken, gelijk waarin goederen worden vervoerd op dusgenaamde slamas uit 
de binnenlanden naar de kusten. De tot dit verpakken benoodigde Pisang- 
stammen, moesten op de schouders van Indianen uit de laag liggende lan- 
den worden opgehaald; het mos, dat evenmin te Sandia groeide, moest uit 
de bergstreken worden verkregen; al hetwelk, bij de groote onhandigheid en 
luiheid der Indianen, veel moeite, tijd en geld kostte. 

Maar de grootste moeite veroorzaakte het verkrijgen van het noodige touw- 
werk. Er werden vier personen gezonden naar de lagere en boschrijke stre- 
ken om den bast van eenen boom, door de inlanders panoho genoemd, te 
verzamelen en te bewerken om voor bindwerk te kunnen dienen. Sterkere 
touwen moesten dienen tot het vastbinden der pakken op de lastdieren. Deze 
werden van Cruzero ontboden en hierin vond de Heer hasskarl welwillende 
medewerking. 

Het zamenbrengen van de noodige muildieren voor het transport, was in 
deze eenzame en afgelegen plaats geene geringe zaak. Het waren zwakke 
dieren, die niet het halve gewigt konden dragen, hetwelk de muildieren van 
Arequipa vermogten te torschen. 

Na het overwinnen van een legio van zwarigheden van allerlei aard ; te vele 
en te verschillende, om alle hier te kunnen worden opgesomd, werd einde- 
lijk op den 8 Juuij de expeditie van Sandia af in beweging gesteld. 

Intusschen scheen het als of er aan de bezwaren geen einde zou komen. 
De dieren werden zooveel als mogelijk was gedreven, het was toch in het 
belang der planten noodig, de reize zoo veel mogelijk te bekorten. Van des 
morgens vroeg tot 's avonds laat reisde men bijna onverpoosd voort , om het 
hooge land met zijne sterke afwisselingen van temperatuur over dag en bij 
nacht, achter den rug te hebben en van den grooten weg af te komen; op- 
dat de cavalcade aan de troepen-massa's, die alle transporten als contrabande 
des vijands in beslag- namen, geen opzien zou baren en de planten, die, uit 
dien hoofde, door menig gevaar werden bedreigd, weldra in veiligheid mog- 
ten zijn. 

Intusschen vernam men, te Azangora gekomen' zijnde, dat er hoegenaamd 
geen lastdieren waren te verkrijgen , daar deze allen door de opstandelingen 
tot de partij van Castilla behoorende, waren gerequireerd , om de van Boli- 



268 

via geariiveerde geweren enz. naar Cuzco te brengen ; terwijl de andere drij- 
vers de wijk hadden genomen naar het gebergte, ten einde niet te worden 
gedwongen eene gelijke dienst te doen voor het corps van den Generaal ro- 
MA>i, die van Pnno naar Cuzco onder weg was. 

Het blijkt, dat de spanning der twee republieken tegen elkander en de 
onrustige toestand van de oorlogvoerende partijen in Peru zelve, de expe- 
ditie van den onvermoeiden en onverschrokken reiziger in groote moeijelijk- 
heden gebragt en bijna de gewenschte uitkomst heeft doen missen. 

Wij volgen hem ook hier niet in de optelling van al die tegenspoeden en 
nemen slechts over, dat hij, afgerekend vijf dagen oponthoud, door het ont- 
moeten van krijgsvolk enz. met versnelde marschen in ééne week de reis 
van Sandia naar Arequipa heeft volbragt. 

Te Arequipa vond de Heer hasskarl een schrijven van den Kapitein 
ter zee, den Heer van braam houckgeest, Kommandant vbu Zijner Ma- 
jesteits fregat Prins Frederik der Nederlanden, welk fregat slechts weinige 
dagen vroeger ter kust was aangekomen. De Kommandant schreef daarin, 
dat hij tot zijne overbrengst en die der Kina-planten van daar naar Oost- 
Indië was gearriveerd en dat zijne orders luidden, om, zoo hij den Heer 
hasskarl te Islay niet aantrof, dadelijk naar Callao te vertrekken en hem 
aldaar te wachten. Indien het fregat acht dagen later te Islay ware aange- 
komen, dan hadden de planten dadelijk kannen worden ingescheept. Het nog 
niet aangekomen zijn van de uit Lima over Iquique verzonden planten-kis- 
ten gaf hem aanleiding om den Kommandant te verzoeken, om hem te Islay 
te komen afhalen, ten einde van daar naar Iquique te stevenen om de kis- 
ten in ontvang te nemen , als wanneer hij tot de reize naar Java gereed zou 
zijn. Hij rekende den 26 Julij te Islay te zullen zijn en hoopte Zijner Ma- 
jesteits fregat denzelfden dag daar te zullen vinden; hij ging daarbij uit van 
de onderstelling, die later bleek eene dwaling te zijn (ontleend aan Fritz- 
Roy's Beschrijving van de Zeevaart op de Westhust van Zuid-Ameriha) , 
dat er namelijk aldaar in Julij en Augustus noordelijke winden zouden 
heerschen. 

Alvorens Arequipa te verlaten, werden aldaar door den Heer hasskari, 
bij een bevriend persoon de noodige orders gelaten, om, ingeval de ver- 
wachte Calisaya-zaden zouden aankomen, deze dadelijk naar Islay te zenden, 
of, ingeval de Heer hasskarl reeds mogt zijn vertrokken, die zaden in 
kleine kistjes gepakt, over Panama naar Amsterdam te expediëren. 

Nieuwe zwarighedefi , als scheen het dat er nog niet genoeg waren ge- 



269 

weest om den moedigen reiziger als 't ware bij het eind der missie te beproe- 
ven. Islay was door de partij van echenique , tijdens de twisten in dit door 
buro-eroorlog verscheurde land, hernomen. Er werd van daar een aanval tot 
verovering op Arequipa voorbereid. Maar hiertoe ontbraken haar de midde- 
len van transport. De Heer hasskaul had veel lastdieren noodig om zijne 
pakkaadjen over te brengen. Om die te verkrijgen bestond geenerlei uitzigt. 
Men vreesde, gelijk later bleek, niet te onregte, dat de dieren zouden wor- 
den in beslag genomen. De winst die de expeditie opleverde was niet even- 
redig aan het verlies, hetwelk de drijvers vreesden dat hun deel zou worden. 
De partij van castilla, die de overhand in Arequipa had, stond bovendien 
de afreize naar Islay niet toe en het eene gevaar kwam bij het andere. Ein- 
delijk, toen men des noods schadevergoeding voor het mogelijk verlies der 
dieren verzekerde en toen personen van invloed te Arequipa zich voor den 
Heer hasskakt, in de bres stelden, werd hem de verlangde aftogt toe- 
gestaan. Op de reize naar Islay viel wel niets belangrijks voor, daar 
echter werden de dieren dadelijk tot militaire transporten geprest. Te 
Islay waren de Wardsche kisten gearriveerd, maar het fregat scheen 
eerst na 14 dagen te zullen komen. Dit gaf hem aanleiding om met een 
aldaar liggend vaartuig, dat met ballast naar Callao zon vertrekken, al- 
waar de Prins Erederik der Nederlanden gestationneerd was, de reize der- 
waarts aan te nemen. Drie dagen later was men reeds ter reede van de 
laatstgenoemde plaats aangekomen. Op dien overtogt ontpakte de Heer hass- 
KARL zijne Kina-planten , hetgeen zonder stoornis kon geschiedeu. Hij <mogt 
zich daarbij allezins over haren gunstigen toestand verheugen, daar zij, 
na gedurende meer dan vier weken van lucht en licht te zijn afgesloten 
geweest, bij het doorsnijden der stammen, bijna zonder uitzondering eene 
frissche kleur vertoonden. Hij plantte ze nu dadelijk in de doelmatig inge- 
rigte kisten. 

Men arriveerde den 7 Augustus, des avonds zeer laat te Callao. De Heer 
HAssKARL gaf den 8 in den vroegen morgen, dadelijk van zijne aankomst 
kennis aan den Kommandant van het op die reede liggende fregat. Den vol- 
genden dag werden de planten-kisten met de verdere zaken van den Heer 
HASSKARL aau boord van Zijner Majesteits Eregat overgebragt, en gedeelte- 
lijk op het achterdek, gedeeltelijk in en nevens de barkas geplaatst. Eerst 
den 21 Augustus was het fregat tot de afreize gereed, gedurende welken 
tijd hij zich te Lima ophield. 

Van Callao nam de Kommandant zijne directie over de Sandwichs-eilanden , 
na een oponthoud van 10 dagen, na welke de reize werd voortgezet over de 



270 

Mariannes- of Ladronen-eilandeii naar de Chinesche zee, van waar men ste- 
vende naar Java. 

Zoodra men de koelere luchtstreek van de westkust van Zuid-Amerika 
liad verlaten , begon de warmte van dag tot dag grooter te worden , zoodat , 
voor 't grootste gedeelte van den dag, de thermometer van fahrenheit in 
de schaduw tusschen 80 en 86*^ teekende. Den Heer hasskarl gaf dit te 
regt bezorgdheid over zijne planten, die, naar zijne waarnemingen, in hare 
natuurlijke standplaatsen, gewoonlijk eene temperatuur niet boven de 60'^ 
Tahr., maar meestal beneden de 50° Fahr. en enkele malen nabij het vries- 
punt hebben. De bedoelde voorwerpen hadden in deze hitte veel te lijden, 
't geen vooral daarom schadelijk moest zijn, vermits zij al ten naastenbij 
(met inbegrip van het vervoer in Bolivië zelve) eene landreize van zes we- 
ken gemaakt hadden. Beschaduwen met tenten enz. kon wel de heete zonne- 
stralen afweren, maar de hitte was zoo sterk, dat de glazen der kisten bijna 
dagelijks inwendig waren beslagen, de kisten werden geopend, ten einde den 
schimmel, die zich ontwikkelde weg te nemen en men vond het gepast, om 
dit dagelijks te herhalen. De warme luchtstreek werkte blijkbaar nadeelig op 
de planten. De schimmel hernieuwde zich gedurig en moest dus telkens wor- 
den weggenomen. In het begin van de rei ze en later na de afreize van de 
Sandwichs-eilanden , werden alle kisten nog eens nagezien of zij water noo- 
dig hadden, en werden die welke daar behoefte aan hadden, daarvan (echter 
zeer spaarzaam) voorzien, zoodat in 't geheel, in beide keeren, nog geen 5 
putsen zoet water werden aangewend. 

Slechts de sterkere planten begonnen voor een groot gedeelte uit te bot- 
ten; de anderen toonden daarvan wel niets; maar de stammen bleven duide- 
lijk nog leven. Eenige daarvan begonnen gedurende de reize ook nog uit den 
wortel uit te schieten, terwijl van de zwakkere planten het gedeelte, hetwelk 
zich boven den grond bevond, scheen te zullen afsterven, doch het was blijk- 
baar te verwachten dat deze later zouden uitschieten. Het werd evenwel niet 
raadzaam geacht om die voorwerpen, door een ontijdig onderzoek of losma- 
ken van de aarde om de wortels in gevaar te brengen. 

Zijne Excellentie de Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië berigtte , 
onder dagteekening van 22 December 1854, aan Zijne Excellentie den Heer 
Minister van Koloniën, dat de Heer hasskarl den 13 dier maand te Ba- 
tavia was aangekomen, een-en-kvintig Jcisten met kina- planten aanbrengende. 

Uit dit verslag van den Landvoogd blijkt tevens, dat het langer opont- 
houd van het fregat te Callao was veroorzaakt door de moeijelijkheid om Ie- 



271 

vensmidclelen eu brandstoffen te bekomen; al verder, dat deze bodem opeenen 
afstand van 140 mijlen van de Philippijnsche eilanden, door een zwaren or- 
kaan was beloopen en veel scliade had bekomen. Het fregat kwam den 3 
December te Macassar aan. Daar nu in dit jaargetijde eene langdurige 
reize naar Batavia tegen het belang der planten was te achten, was de Heer 
HAssKAEi. met zijne verzameling overgegaan op Zijner Majesteits te Macas- 
sar gestationeerd stoomschip Gedeli, waarmede hij, gelijk hier boven gemeld 
is, den 13 December te Batavia arriveerde. 

W. H. DE TRIESE. 



DE ZUIDKUST VAN DE KRIM EN HARE TUINEN. 

BALAKLAVA. — ALUPKA, HET KASTEEL VAX VORST WORONZOW, DEX VORIGEN 
GOUVERNEUR VAN MEUW-RUSLAND EN KAUKASIE. 



Prof. Ü1-. KOCH. 
(Vervolg van bladz 224.) 

Het schoonste groen ontspringt vroeg in liet voorjaar uit den op verre 
na nog niet met vochtigheid verzadigden bodem on ontwikkelt zich meer 
en meer bij eiken dag op de hellingen der gebergten. In de maand Mei 
komt de temperatuur tot eenen hoogen graad, die dikwerf bij den aanvang 
van den zomer tot 26° — 27° R. stijgt. In Julij en Augustus gaat de groene 
kleur van het gewas verloren en eene treurige, vaalgele kleur treedt daarvoor 
in de plaats; het loof verliest zijnen schoonen glans en gaat in eene matte 
kleur over. Het regent in dezen tijd slechts zeer weinig, en eene gelijkma- 
tige droogheid houdt vaak eenige weken achtereen aan. Des nachts is er 
meestal windstilte en dan verliest de schiefer of kalksteen weder de warmte, 
welke deze over dag tot zich had getrokken, zoodat de temperatuur alsdan 
dikwijls nog hooger stijgt dan gedurende den dag. Met den aanvang van 
September valt er weder meer regen, en er heerscht een aangenaam zacht 
klimaat, zoodat de maanden October, November en zelfs een gedeelte van 
December op het schiereiland doorgaan voor den schoousten tijd van het 
jaar. Gras- en kruidsoorten spruiten uit den grond, gelijk zulks bij ons in 



272 

de lente plaats heeft, eu het is ook in dien tijd dat de evergreens het meeste 
groeijen. 

Er bestaan echter eene menigte van uitzonderingen op dit algemeene schema. 
De vier eerste maanden des jaars vooral zijn zeer veranderlijk, niet alleen in 
betrekking tot elkander maar ook tot de verschillende jaren. In 1843 had 
men tot 17 Maart eene zeer zachte weersgesteldheid, zelfs in het midden van 
Januarij was er nog 15° warmte, doch op den 18 Maart viel er eensklaps 
eene koude in, die op den 21 reeds 10° R. bereikte, en tot den 29 aan- 
hield. In April daarop volgende werd het weder zoo spoedig warm, dat er 
na verloop van veertien dagen weder eene warmte van 16° op volgde. In 
het jaar 1844 had men op den 11 April slechts 1° warmte, op den 13 
reeds 3° koude; tegen paaschen 1840 bereikte de thermometer 8° koude. De 
laatste winter is reeds in November begonnen, hetgeen iets zeer buitenge- 
woons is, en volgeus de berigteu door de couranten medegedeeld, heeft de- 
zelve met geringe afwisseling en dikwijls met hevige koude, tot het einde 
van Tebruarij voortgeduurd , en heeft slechts langzamerhand voor zacht weder 
plaats gemaakt. 

Niettegenstaande deze voor den wasdom der planten nadeelige onregelmatighe- 
den, heeft de vegetatie der zuidkust van dit schiereiland eenen buitengewoo- 
nen rijkdom, die zich voornamelijk bij de houtsoorten openbaart; deze plan- 
ten bloeijen reeds in het begin van het voorjaar. Dit is waar, niet slechts ten 
opzigte van de aldaar inlandsche soorten , - ook de ingevoerde sierplanten ont- 
wikkelen zich spoedig en groeijen tot eene zekere hoogte, die zij echter later 
niet meer overtreflen, met eene bijzondere snelheid. Dit geldt vooral de cy- 
pressen, de evergreens, die gebruikt worden als heggen, de Phillyreën, den 
altijd groenen kruisdoorn [Rhamnus Alaternus) de evergreens en den kurkeik 
{Quercus Ilex en suber) zoowel vele andere bloei- en loofstruiken , als ^S^aar- 
iium junceum^ Bupleurum fruticosum en eene menigte indische en chine- 
sche maandrozeu, welke bijkans het geheele jaar doorbloeijen. Vrucht-oogen 
bereiken reeds in het eerste jaar eene manshoogte en verkrijgen in het tweede 
meermalen eene schoone kroon. Pitvruchten kiemen in het eerste jaar en zijn 
in het tweede reeds tot veredeling vatbaar. Mirtenstekken bereiken in het 
vierde jaar eene hoogte van 10 voet en de sterkte van een mansduim. Even 
zoo gaat het met oraujeboomen, die dan geokuleerd, zijnde, uit het oog nog 
eenen drie voet hoogen tak trekken. Eene 4 jaar oude cypres had bijna 12 
voet hoogte. Zomer-lakooijen overwinteren er. Maar voor alles heeft echter de 
wijnstok op de plutonische zuidkust eenen grond gevonden, waarop dezelve 
schijnt te gelukken. Gelijk reeds hierboven gezegd is , heeft men al den grond 
die slechts eenigermate, al was het dan ook met groote onkosten, en die 
voor het aanleggen van parken kon gemist worden, gebezigd tot bevordering 



273 

der wijnkultuur. Vruchtenkultuur vindt men hier minder, maar vooral in 
de noordelijke dalen van het gebergte, voornamelijk van de Salgir, de Alma 
en de Belbek. Wat de druivenkultuur betreft, alle wijnbergen der zuidkust 
hebben ze opgeleverd, en zulks in velerlei soorten. Op die wijze is de drui- 
venkultuur tot eene hoogte geklommen, die den kweekers zeer tot eere ver- 
strekt. De plaatsruimte die er voor besteed wordt is echter zoo onbedui- 
dend, dat deze kuituur voor Rusland nimmer van eenig belang kan wor- 
den. Daarbij komt nog, dat, uithoofde van de voortdurende zware onkosten 
met welke de druiventeelt aldaar gepaard gaat, de prijs van den wijn in de 
Krim gekweekt, altijd veel hooger zal moeten zijn dan die van even goede 
soorten uit Prankrijk of Duitschland naar Odessa overgevoerd. 

Het is eene zonderlinge gewoonte, den wijn altijd te blijven noemen naar 
de soort van druiven, waaruit hij bereid wordt. In Theodosia , het oude Kaffa 
der Genuezen, waar ik het eerst naar Krimschen wijn vroeg, werd mij 
oogenblikkelijk eene reeks van soorten opgenoemd, als: Forster^ Büdeshei- 
mer^ Champagne, Bourgondiër Malaga , Cyprische enz. met het verzoekeene 
keus te doen. Toen ik daarop zeide, dat ik geen buitenlandschen maar Krim- 
schen wijn verlangde te drinken, antwoordde men mij glimlagchend , dat 
men aan dit gezegde reeds kon bespeuren dat ik een vreemdeling was, daar 
men aan al den daar bereiden wijn den naam liet behouden van den druif 
waarvan hij afkomstig was. Zoo dronk ik van de bovengemelde soorten naar 
den rij af, doch ik moet bekennen, dat de cjperwijn van de Krim naauwe- 
lijks in smaak van den Rüdesheimer of witte Bourgondie wijn te onderschei- 
den is. Zulk eenen invloed heeft het klimaat op de gesteldheid van den wijn. 
De aankweeking van groenten is, op de zuidkust, zoowel als op het ove- 
rige gedeelte van het schiereiland zeer gering. De onvruchtbare steenachtige 
grond schijnt het welgelukken der koolsoorten vooral, zeer ongunstig te zijn. 
Het is slechts door diep te graven dat men een gunstigen uitslag ver- 
krijgt, hoewel zulks anders voor den smaak der groenten niet wenschelijk is 
Erwten en boonen gelukken op enkelö- vochtige plaatsen en de salade brengt 
slechts vroeg in het voorjaar kroppen voort. De knollen hebben er eene ge- 
heel eigenaardige ontwikkeling; daar zij in den steenachtigen grond slechts 
moeijelijk naar beneden kunnen groeijen, ontwikkelen zij zich grootendeels 
in de open lucht. Spinazie komt er in het geheel niet op. 

Wat de inlandsche houtsoorten aangaat, op het geheele schiereiland ma- 
ken dezelve nergens een bosch uit; de zomer-eiken zelfs in het Baidar-dal 
en in de nabijheid van Aluschta bereiken slechts bij uitzondering eene hoogte 
van 50 voet. Het voornaamste hout is kleiner en vormt er breedere boomen. 
Op de Zuidkust vindt men eenen anderen eik met horizontale takken, met 
de bladeren zachtharig aan de benedenvlakte en met lange, smalle en wijd- 

II. »8 



274 

uitloopende eikels. Gewoonlijk wordt dezelve Querciis puhescem genoemd; 
deze soort is echter zeer verschillend van die welke wit.ldenow onder de- 
zen naam bekend gemaakt heeft ; daar de groei en de eikels van beiden niets 
met elkander gemeen hebben. Het is om deze reden dat ik voorstel aan deze 
soort den naam van Querciis taurica te geven. 

Daarna komen de gemeene en oostersche witte beuken, de mastboomen, 
Acer campestre, de kornoelje [Cornus mascula), de hazelstruik, witte en 
zwarte doorn, ligusters, de breedbladige papenmuts {Evomjmus latifoUa) vele 
wilgen en boven alles de geneverstruik met roode bessen {Jimipertis rufes- 
cens). Deze laatstgenoemde houtsoort onderscheidt zich werkelijk , gelijk i,ink 
het eerst bewezen heeft, van Juniperus oxycedriis , door zijne kleine en an- 
ders gekleurde bessen, maar komt, even als deze, slechts gezellig voor en 
wordt, 't geen zeer merkwaardig is, ook bewoond door dezelfde soort van 
parasiet {Viscum of Arceubothkim Oxycedri). 

Er zijn buitendien nog meerdere soorten van hout als inlandsch in de 
Krim te beschouwen, als: de stompbladerige eschdoorn, de gewone esch, de 
olm, de beuk, de peerenboon, de wilde appel, de hazelnoot, de grootblade- 
rige linde, de walnoot, de plataan (zijnde echter de beide laatste ingevoerd), 
de Arbutus Andrachne , de Krimsche pistache [Fistacia mutica) en de Krim- 
sche pijnboom (Pinns tatirica). Het is opmerkelijk dat de Krim drie soorten 
van pijnboomen bezit die nergens voorkomen, althans niet in het wilde. Pi- 
nus taurica wordt meestal gehouden voor eene en dezelfde soort met Pinus 
maritima, is echter specifiek verschillende. Zij groeit slechts op de hoogten, 
op rotsen en nooit aan de oevers gelijk dit plaats heeft met de soort welke 
met haar wordt verwisseld. Zij staat immer meer alleen of op zich zelve en 
komt in zulk een klein aantal exemplaren voor, dat men haar gemakkelijk 
zou kunnen uitroeijen. Juniperus rufescens neemt tusschen de Alupka en 
Klein-Oreande eene tamelijk groote vlakte in en strekt zich uit tot aan het 
voorgebergte Aithadar, waar een vuurtoren staat. Echter komt deze soort ook 
op haar zelve voor en heeft dan niet zelden eenen beduidenden omvang. Ik 
zag een exemplaar op eene ongunstige en rotsige standplaats, hetwelk eene 
hoogte had van 25 voeten en met eene dikte van den stam van 3 voet dia- 
meter. "Wanneer men zich herinnert dat de J"«%^j5era*-soorten ongemeen lang- 
zaam groeijen, dan mag men uit de opgegeven, dimensiën veilig besluiten, 
dat deze boom eenen zeer hoogen ouderdom moet hebben. 

Nog meer op zich zelve dan de Pinus taiirica , groeit de Pisiacia mutica 
en Arbtitus Andrachne. De laatste bekomt geene belangrijke hoogte, vormt 
eigenlijk meer eenen struik en heeft eenen okerkleurigen bast, die zich in 
bladen of plaatjes los laat; welke eene zeer contrasterende kleur hebbeu met 
de immer groene bladeren. Het grootste exemplaar hetwelk ik zag, stond aan 



275 

eenen rotswand. Een wortel was naar beneden gegroeid ter lengte van twin- 
tig voeten om daar in eene met aarde gevulde spleet voedsel te gaan zoe- 
ken. Een voet boven den grond had deze stam drie voeten in middellijn, 
maar hij bereikte slechts eene hoogte van vierentwintig voeten. Aan eenen 
anderen rotswand zag ik twee klim-op planten, welke met haar loof geheel 
en al den rots overdekten. De eerste bezat eenen stam van 14 voet in dia- 
meter, terwijl de andere en veel kleinere daarom vooral merkwaardig voor- 
kwam , omdat de stam eigenlijk van zijnen wortel was afgebroken en de plant , 
niettegenstaande den krachtvollen groei, met den wortel volstrekt niet meer 
in verbinding was. 

Niet ver van Balaklava in westelijke rigting, zoover men de zuidkust kan 
vervolgen en niet in de noodzakelijkheid komt om den steilen rotswand te 
beklimmen, ligt Alupka, eene bezitting van den Prins woronzoff, den vo- 
rigen Gouverneur van Nieuw-Eusland en Kaukasie, in eene der meest ro- 
mantische streken van de zuidkust. De oude vader Vulkaan heeft hier ter 
plaatse lange vóór 's menschen geheugenis zijne werkplaatsen opgeslagen, en 
slingerde van uit dezelve groote steenblokken over de oppervlakte der aarde. 
Daar liggen zij nog, sedert vele duizende van jaren, in ongeloofelij ke groote 
massa's over en door elkander gesmeten, en het mogt den knagenden tand 
des tijds slechts allengskens gelukken, dezelve aan hunne oppervlakte in 
aarde te veranderen, om eerst korstmossen en mossen en daarna aan hoogere 
gewassen eene groeiplaats te verschaffen, waar zij konden wortel schieten. In 
de tusschenruimten van de naast elkander liggende steenrotsen verzamelde 
zich de vochtigheid van den dampkring en aldus vormden zich bronnen , 
wier water op andere plaatsen met een zacht gemurmel weder te voorschijn 
kwam en aan de kruiden en boomgewassen eenen vochtigen grond verschafte. 
Men verhaalde mij dat de Prins zelf met eenen Duitschen tuinier den eer- 
sten aanleg alhier gemaakt heeft. 

De eerste pogingen des Vorsten bestonden in het eenigzins temperen van 
het wilde en romantisch-groteske karakter van het landschap. Dit doel be- 
reikte hij door het aanbrengen van gronden en allerhande houtsoorten die 
een zeer verschillend loof bezitten. Daar, waar de rotsblokken in te groote 
massa op elkander lagen , werden ze weggeruimd. Men gebruikte de steen- 
blokken tevens tot het aanleggen van grotten en dit leidde tot een ander 
doel, namelijk om daardoor aan de oppervlakte van den onevenen bodem 
eenen meer aangenamen aanblik te geven. Op eenige plaatsen wist men alzoo 
bronnen te maken en tevens op andere wederom watervallen. Zoo ^vist men 
op eene betrekkelijk kleine uitgestrektheid zoo veel mogelijk afwisselingen te 
doen ontstaan. Er werd zelfs te veel schoons voortgebragt , zoodanig, dat het 
oog nergens rustte en aan het gemoed van den wandelaar op schier elk plekje 



276 

sterke indrukken werden gegeven. Het frissche groen van dezen geheelen 
aanleg vormt, bij den onvruclitbaren en graauwen bodem van den omtrek, 
evenwel een te sterk contrast, en men heeft den op den achtergrond zich 
tot duizend voeten verheiïenden rotswand te weinig of liever in 't geheel 
niet benuttigd om op het geheel eenen merkbaren invloed uit te oefenen. 
Daarentegen doet de verscheidenheid van het loof, die veel grooter is, dan 
wij die gewoonlijk bij ons te lande zien, veel goed en is in harmonie met 
het in velerlei rigting bewogen terrein. In stede van den daartoe bij ons ge- 
bruikelijken meidoorn of den virginischen ceder heeft men hier Phjllireën, 
den altijd groenen Rhamnus Alatermts en den laurier, tot heggen. Prachtige 
cjpressen geven hier en daar een melancholischen aanblik. Men toonde mij 
hier den oudsten cjpres , welken vorst potemkin , de veroveraar van de Krim , 
met eigene hand zou hebben geplant, en van welken cypres al de overige 
cjpressen van deze schoone landstreek zouden afstammen. Op andere plaat- 
sen vond men vijgen-boomen en den papier-moerbezie-boom (Broussonetia pa- 
pyrifera) met hunne groote bladen en zich wijd uit een spreidende takken, 
en werden door den Biospyiis Lotus ^ den Krimschen en den terpentijn- 
pistache-boom overschaduwd. Elders vormden de spitsbladige esch {Fraximis 
oxyphylla)^ de Celtis occidentalis en Celtis Tournefortii^ ginds de Cerm *ï^ 
liquastrum of Judas-boom, met het zilverblad, Elacagnus hortensis, eene bij- 
zondere schoone groep van boomeu. Men zag de Californische ceders [Taxo- 
dium disiicJmm), de Thujas in prachtige exemplaren, terwijl de walnoot, de 
tulpenboom en de oostersche plataan majestueus hunne kruinen ontwikkelden. 
De prachtige treur-esschen en treur-wilgen lieten hunne takken als 't ware 
bundelsgewijs naar beneden hangen en raakten met derzelver toppen de opper- 
vlakte des waters aan, rondom 't welk zij geplant waren. Men merkte tus- 
schen de steenrots hier en daar schoone witte en zwarte moerbezie-boomen , 
of ook wel de fijn vederbladige oostersche Acacia {Acacia julibrissiu). Groote 
terrassen vond men er niet; doch; waren zij aanwezig, alsdan vond men ze 
beplant met rozen, hortensias, oleanders, rosmarijn, of omzoomd met den 
laurustinus, Bupleurum fruticosum, de japansche kwee {Pyrus japonica), de 
Indische Lagerstroemia , enz. Eindelijk gaven onderscheidene soorten van Mag- 
nolias en trompetboomen {Catalpa syringaefolia) met hunne groote bladen 
de schoonste afwisseling aan deze plantsoenen. 

Het prachtige lustslot staat tot het groote geheel, reeds door zijnen bedui- 
denden omvang, in eene goede verhouding en is een gebouw hetwelk eeni- 
germate doet denken aan de Spaansche Alhambra. De steen waaruit het ge- 
bouwd is, namelijk dioriet, maakt wegens zijne kleur, dat het zelfs op een 
geringen afstand niet sterk uitkomt. Niet ver van hetzelve verwijderd staat 
eene kerk, die den vorm heeft van eene moskee. 



277 

De tweede lustplaats van eeiiig belang heeft den naam Oreandra en is het 
eigendom der Keizerin. Ik vond eene goede opname bij den Heer rögnt:b, 
den hovenier van H. M., waardoor ik de gelegenheid had deze schoone be- 
zitting en hare omgenng te leeren kennen. Het eigenlijke gebergte, de rots- 
wanden zijn hier niet alleen veel meer op den achtergrond, maar zijn ook 
van veel meer belang. Aan de hellingen van dit gebergte stonden de Finus 
taurica, die aan het doode gesteente eenig leven gaf. Het geheele landschap 
heeft een veel minder woest aanzien. In stede van de over elkander gewor- 
pen steenblokken en tallooze vermorselde steenstukken, zijn hier vier afge- 
stompte rots-pjramiden , welke 30-40 voeten in diameter hebben en zich van 
100-150 voeten verheffende, twee aan twee naast en achter elkander staan. 
De beide voorste beklimt men langs steile paden, of met trappen. Op den 
eeneu staat de boven beschreven jeneverstmik en eene prachtige Krimsche 
Pistacie , terwijl op de andere Dorische zuilen zijn opgerigt. De beide hooger 
geplaatste rots-pyramiden zijn breeder dan de vorige. In Oreanda is het ge- 
heele terrein grootendeels met digt houtgewas begroeid, doch ontbreken ook 
hier weder terrassen en weidevelden. Het Keizerlijk slot is zeer groot en 
staat digter aan de zee dan dat van Alupka. Tan het slot voert een weg 
naar den oever, alwaar groote rotsblokken zijn opgehoopt en waardoor het 
onmogelijk is om het water zelf te zien. Maar des te duidelijker ontwaart 
men de onophoudelijk tegen de rotsen bruisende en door dezelve terugge- 
slagen golven. 

Naar de oostelijke zijde bevindt zich eene wildbaan, alwaar men gansche 
kudden van groot en klein wild aanbrengt. Men heeft daarin onderscheidene 
dijken, omzoomd door heerlijk schoone treurwilgen en esschen. Eenige van 
deze laatsten gaven ook daarom eenen schoonen aanblik, omdat zich de 
schoonste wijngaardranken om dezelve hadden gekronkeld, welker heerlijke 
druiven-trossen van uit de toppen van het geboomte naar beneden afhingen. 

Xaar den kant van het oosten verliest zich meer en meer het eigenaar- 
dige woeste en wilde van de zuidkust en biedt de gesteldheid des bodems 
hier en daar grootere vlakten aan. Keeds in de kampen voor het wild inge- 
rigt ziet men noch gebrokkelden steen, noch uitstekende rotswanden meer. 
Dit heeft in nog meerdere mate plaats in de daaraan grenzende lustplaats 
Livadia, zijnde eene bezitting van den Graaf potoski, den Kussischen ge- 
zant aan het hof van Xapels. 

Maar buitendien heeft dit landschap een liefelijker voorkomen, want de 
Graaf, die alle zomers het heerlijke Xapels verlaat, om hier in stille afzon- 
dering eenige maanden door te brengen, werkt en handelt hier met eigene 
hand. Men erkent overal de artistische hand des eigenaars. Geen steenen muur 
sluit, zoo als bij Oreanda, deze schoone bezitting af: maar de straatweg zelf 



278 

voert digt langs liet in Italiaanschen stijl gebouwde slot en levert den voor- 
bijgangers het gezigt van de prachtigste partijen op. Traaije terrassen, bos- 
cliaadjes van allerhande bloeijende struiken, rozenpartijen enz. wisselen el- 
kander in schoonheid af. Livadia levert meer het karakter van een park 
op dan Oreanda en Alupka; want prachtige boomen en schaduwrijke lanen 
spelen er eene hoofdrol. Van den Krimschen eik, dien men op dit schier- 
eiland in overvloed ziet, vindt men hier enkele exemplaren, doch dezelve 
wordt door ander geboomte rijkelijk afgewisseld. De treurwilg trof mij om 
zijne bijzondere schoonheid en zijne sierlijk overhangende takken waren zoo 
digt in één gegroeid, dat zij voor boschaadjes konden doorgaan. 

Het kasteel ligt op een terras, dat door kunst bijzonder opgehoogd is, 
en wordt omgeven door eene vrije ruimte, beplant met roode klaver in plaats 
van met ons raaijgras. Verder ziet men groepen van Kalifornische ceders , 
levensboomen , magnoliën, oleanders enz., die afwisselen met roozen- en 
fuchsia-struiken, die bijna jaar in jaar uit in vollen bloei staan. Hier en daar 
wordt de grond ook bedekt met bloeijende Rosa bracteata. Hoewel het kas- 
teel, wat zijne grootte en sierlijkheid betreft, niet met dat van Alupka en 
Oreanda te vergelijken is, moet het echter wegens zijne gunstige ligging en 
schoone omgeving eenen veel aangenamer indruk maken. Daar komt bij, dat 
dit kasteel een uitzigt heeft, dat inderdaad grootsch, men kan wel zeggen, 
tooverachtig is. Naar het zuiden ontwaart het oog achter de heerlijke kron- 
kelingen van het park, de zee, die zich aan den verren horizon verliest; 
terwijl aan de tegenovergestelde zijde een 1500 tot 1800 voet hooge rots- 
muur reeds tot op een' afstand van 15 tot 20 minuten alle uitzigt verspert, 
maar door de ontzettende steenmassa, onveranderd sedert duizenden van ja- 
ren, eenen onbeschrijfelijken indruk op het menschelijk gemoed te weeg 
brengt. In de rigting van het westen overziet men geheel Oreanda met zijne 
vier partijen rotsen tot aan het voorgebergte van den heiligen Theodorus 
(Aithidor), achter Apulka, Wanneer men zich wendt naar het oosten, dan 
heeft men nieuwe uitzigten van eene zeldzame schoonheid. In de bergspleten 
vindt men hier beeken, die van hier als riviertjes zich begeven naar de zee, 
waar zich kleine delta's vormen, op welke het stadje Jalta ligt, dat uit slechts 
ééne rei van huizen bestaat. 

Er blijft mij eindelijk nog over om van den bij de vrienden van ooft- 
boomen bekenden keizerlijken tuin van Nikata te gewagen. Er bevindt zich 
in het zuidelijk gedeelte des lands een tartaarsch dorp, naar hetwelk die 
tuin is genoemd. De Staatsraad von steven, die zich niet minder verdien- 
stelijk heeft gemaakt ten aanzien van de kruidkunde als wetenschap, dan 
ten aanzien van de kuituur van fijne vmchten, maakte opmerkzaam op de 
noodzakelijkheid van de inrigting eener boomkweekerij , vooral voor de zui- 



279 

delijke provinciën van Rusland, en hem werd, nu ongeveer 40 jaren gele- 
den, de taak opgedragen eene zoodanige kweekerij te gaan inrigten. Men 
benoemde nu tot directeur eenen ofl&cier uit Lijfiaud, die zich in den Fran- 
schen oorlog een naam had verworven. De Heer van hartivisz bevond 
zich weldra in zijne nieuwe betrekking, die hij eene lange reeks van jaren 
met eere bekleed heeft. Ieder die weet, met welke zwarigheden zulke instel- 
lingen vooral in Rusland te strijden hebben, zal nu zeker den grijzen di- 
recteur de achting niet ontzeggen, die hij in hooge mate verdient, al kan 
dit etablissement ook niet wedijveren met de besten van die soort in Duitsch- 
land. Yoeg daarbij nog, dat de inkomsten van den tuin (behalve de bezol- 
diging van 6000 daalders den directeur toegekend), geenszins gelijk staan 
met die van andere dergelijke inrigtingen in Rusland. Wanneer men bedeiüct 
dat de oekonomische vereeniging in Tiflis voor hetzelfde doel nagenoeg het 
dubbel der inkomsten bezit, hoewel de werkzaamheden door dezelve verrigt 
niet gelijk staan met de voordeelen welke iNTikita aan Zuid-Rusland oplevert , 
dan valt de vergelijking slechts ten voordeele der laatste uit. 

De tuin van Nikita voorziet niet alleen de zuidelijke provinciën , maar 
bijna geheel Europeesch Rusland van veredelde vrucht- en druifsoorten, en 
buitendien worden nog eene menigte van woudboomen en bloemhout naar 
alle streken van dit uitgestrekt gebied verzonden. Daar de prijs zoo buiten- 
gewoon laag is, kunnen zelfs onvermogenden met aanwending van eenige 
moeite zich kweekerijen verschaffen. Den bewoner der Krim kost namelijk 
het duizendtal stekken of wijngaardranken ongeveer 1|- daalder, terwijl men 
buiten het schiereiland het dubbel moet betalen. Wanneer men slechts in 
aanmerking neemt, dat jaarlijks 1500 daalders met den verkoop daarvan ge- 
wonnen worden, dan kan men nagaan, welk eene menigte jaarlijks verzonden 
worden. Eéne zaak blijft mij hierbij onbegrijpelijk, dat, niettegenstaande dit 
alles, de vrucht-, wijn- en boomkweeking , in Rusland nog steeds tot de 
zeldzaamheden behoort, en geene enkele provincie, zelfs geene landstreek 
van eenig aanzien, zich noch op eene belangrijke vruchtenkultuur, noch op 
de geringste, door kunst aangeplante boschaadjes beroemen kan. 

üit hoofde van de groote afstanden en de moeijelijkheid van vervoer, 
worden veredelde stammen minder verkocht. Het aantal der aldaar srekul- 
tiveerde soorten is wel niet aanzienlijk, maar naar mijne meening altijd nog 
te groot. Evenzoo is het gesteld met de wijnkultuur, waarvan men insgelijks 
het minder goede afzondert. Met een bijzonder oogmerk bevordert de Heer 
VAN HARTIVISZ ook de invoering en het acclimateren van vreemd en vooral 
bloemhout. Ik was inderdaad verwonderd over hetgeen ik hier zag. Zoo 
overwinteren er in de open lucht verscheidene Oostindische en Chinesche 
zoren, die wij kennen bij den naam van semperfiorens ^ Noisette , Bourbon, 



280 

Grevillea, Bauksia, Thea en Bengalensis. Cohaea, roode en blaauwe pas- 
siebloemen, Tecoma Australis^ de Japansche en Chinesche Clematis enz., 
slingeren zich langs struiken, heesters enz. met zulk eene weelde, als waren 
zij in haar oorspronkelijk vaderland. Geheele uitgestrektheden zijn met olij- 
ven beplant, hoewel men op het behoud derzelven nimmer vast kan reke- 
nen, daar zij het klimaat der Krim in April met vorst gepaard slechts met 
moeite verdragen. Kurk-eiken trof ik hier ook in tamelijke hoeveelheid aan. 
Voor de ontwikkeling der kurkzelfstandigheid schijnt de Krim mede niet 
wenschelijk, want, hoewel deze boomen anders niet schijnen te lijden, was 
de kurk slechts weinig ontwikkeld. Ik zag zelfs exemplaren, waarin de kurk- 
zelfstandigheid in het geheel niet ontwikkeld was en waar het dus onmo- 
gelijk was ze van den gewonen altijd groenen eik {Quercus Ilex) te onder- 
scheiden. Naar mijne meening kan Quercus Suber slechts eene verscheiden- 
heid van Q. Ilex zijn. De abrikozen en amandelhagen waren bijzonder 
schoon, daar zij zulk eene rijke opbrengst geven, dat men veel van hare 
kuituur mag verwachten. Niettegenstaande dit, vond men ze echter niet in 
die mate verbreid, als men dit zou verwachten. Onder de, uit hoofde van 
hunne druiven gecultiveerde wijnstokken, bevinden zich ook Amerikaansche 
verscheidenheden, namelijk de Isabella- druif en die van Catawba, die men 
in Duitschland als sier-, en slingerplanten bezigt. Zij droegen echter hierbij 
zeer rijkelijk schoone bessen , die eenen ongewoon sterken aromatischen smaak 
hadden en daardoor herinneren aan onze muskadel-druiven. Ik heb ze meer- 
dere weken achtereen alle dagen gegeten, en zou het wenschelijk achten, 
dat men daaraan bij ons wat meer opmerkzaamheid wijdde. 



AMHERSTIA NOBILIS. Wall. 

Ieder die het prachtwerk van den verdienstelijken kruidkundige Dr. wal- 
LiCH, Plantae asiaticae rariores ^ of de niet minder schoone platen uit de 
Flor e des Serres et des Jardins de FEurope kent, moet getroffen zijn ge- 
weest door de pracht der bloemen van deze plant, welke het eerst door Dr. 
WALLicH ontdekt en in de kasten van den Hertog van Devonshire en in 
die van Kew werd ingevoerd, van waar deze plant later in meerdere verza- 
melingen is verspreid. 

Het was in het jaar 1849 dat zij voor de eerste maal hare prachtige 
bloemen ontwikkelde bij Mrs. lawrence in Ealincj Park, nabij Londen. 



281 

Sedert dien tijd was meu er nergeus iu geslaagd deze plaiit, wier naam 
reeds van hare liooge waarde getuigt, tot bloei te brengen. 

In dit jaar is dit echter weder in Engeland, en dus voor de tweede maal 
sedert haren invoer in Europa gelukt en wel in de kasten van Londonderry 
te Wynyard. — Dit voorwerp bevindt zich daar eerst sedert 1852, wanneer 
hetzelve niet hooger was dan 0,25 a 0,30 N. El. Sedert dien tijd heeft de 
plant zich derwijze ontwikkeld, dat zij thans eenen boom vormt van meer 
dan 3 Ned. ellen hoogte, die vijf prachtige bloemtrossen heeft voortgebragt 
ieder met achttien bloemen, welker ongeloofelij ke schoonheid men zich alleen 
kan denken, als men de beide bovengenoemde afbeeldingen kent. 

Het is nu ongeveer anderhalve maand geleden dat deze plant, door de 
vriendelijke bemoeijing van den Heer j. e. teijsmann, Hortulanus van 's Lands 
Plantentuiu te Buitenzorg, aan den Leidschen Akademie-tuin werd toege- 
zonden. 

De plant had op de reis niet geleden; althans niet van beteekenis; het 
stammetje was niet fraai gevormd, en had een blad met gezonde voorbladen 
behouden. — Onmiddellijk na de ontvangst geplant, vertoonde zij aanvan- 
kelijk geene de minste verandering ; tot ik , weinige dagen geleden , tot mijne 
niet geringe blijdschap een zeker teeken van ontwikkeling ontwaarde: name- 
lijk het te voorschijn komen van het beginsel van een nieuw lot in den ok- 
sel van het nu nog frisch groene blad, 't welk ons hoop geeft op 't behoud 
der plant niet alleen, maar ook op eenen op handen zijnde groei , welken wij 
hopen, dat, moge die ook in den aanstaanden winter nog niet krachtig zijn, 
in den volgenden zomer welligt hare sierlijke bladen zal doen ontwikkelen. 

Leiden, 25 October 1855. h. witte. 



DE INVOERING VAN VIER NIEUWE SOORTEN VAN ZOETE 
BATATE (BATATAS EDULIS) UIT JAP.AN. 



MEDEGEDEELD DOOR 



Jkr. PH. FR. VOX SIEBOLD. 



Met de zoete Bataten is meu reeds in het midden van de 16 eeuw be- 
kend geworden. Dezelve zijn oude kultuurplanten en behooren in de landen 
binnen de keerkringen te huis. Allengs hebben zij de noordelijke grenzen 
van dezelve overschreden en zijn naar de gematigdste landstreken verhuisd; 
en zoo vinden wij dezelve thans in CaroUua, -Jajjau en China aangebouwd , 



282 

en in de beide laatstgenoemde landen de plaats van onze aardappelen vervan- 
gende. Zij komen dus wezenlijk voort onder de jaars-isothermen van 12° R. 
(59° P.), en het noordelijke Spanje, het zuidelijke Fratikrvfh, Italië, Grie- 
Jceidand, Rumelië en de verder oostelijk ouder de parallel van Constant'mo- 
pel en Tijlls gelegen landen zouden haar een tweede vaderland zijn. In Por- 
tugal en Spanje worden de Bataten sedert langen tijd aangebouwd, en op 
de kust van Malaga daarmede een aanzienlijke handel gedreven. Sedert eeu- 
wen onder verschillende luchtstreken, in landen meer of min boven de op- 
pervlakte der zee verheven, en in verscheidene gronden geteeld, zijn ook de 
Bataten meer of min veredeld geworden en daarvan verscheidenheden gewon- 
nen, die ook voor warmere en koudere luchtstreken geschikt zijn; en er 
heeft zich van lieverlede bij de Bataten eene gelijk verschil in gedaante en 
kleur van bladen , bloemen en knollen ontwikkeld , als die wij bij de over de 
geheele aarde verspreide aardappelen waarnemen. Ook hebben de verschillende 
luchtstreken en de geaardheid van den bodem haren invloed op de hoeda- 
nigheid van het vleesch en van den smaak der knollen uitgeoefend. 

Tot nu toe kennen wij slechts de in Portugal en Spanje te huis behoo- 
rende en van Isle de France en Guadeloupe ingevoerde, in het zuidelijke 
gedeelte van Frankrijk hier en daar aangekweekte soorten van Bataten. 
Eenige kweekers te Rouen en te Parijs hebben daarvan vrij groote en sma- 
kelijke knollen geteeld. En wanneer ook de kuituur der Bataten in koudere 
laudstreken eene grootere zorge vereischt als de aardappelteelt , zoo is het 
toch der moeite waard, dezelve bij ons in de tuinen aan te kweeken; ter- 
wijl in warmere luchtstreken daaruit in den open grond nog meer voordeel kan 
getrokken worden, dan van de aardappelen. Want de loten en bladen, die, 
zonder den wasdom der knollen te benadeelen, eenige malen kunnen afgesne- 
den worden, zijn een voortreffelijk voeder voor rundvee, varkens en paarden, 
die dezelve graag eeten en daarvan vet worden. Op St. Domingo zijn de 
Bataten het voornaamste voedsel voor de huisdieren; terwijl op Japan, waar 
het bouwland voor den aanbouw van granen en groentens in evenredigheid 
der bevolking zeer beperkt is, de weelderig groeijende bladrijke loten der 
Bataten een onmisbaar voeder voor de paarden en het rundvee opleveren. 
De jonge blaren kan men ook tot groente bezigen. De knollen eet men even 
zoo als aardappels in water gekookt, in het vuur geroost en met boter of 
olie gebraden en nog onrijp met suiker ingemaakt. De pater manuel blanco 
haalt in zijne Flora de Filipinas aan, dat de landlieden van de Bataten, 
die zij Comote noemen, een soort van chokolade-soep bereiden en dat de- 
zelve in het vuur gebraden zeer lekker zijn. De heer paementier, lid van 
het Instituut, te Parijs, zegt: les hatates, en un mot, peuveut se préter a 
toutes les formes que Ie luxe de nos tahles a imaginées. De schrijver dezes 



283 

heeft, gedurende zijn zevenjarig verblijf op Jajian^ dagelijks Bataten gegeten. 
In water afgekookt geven zij eenen smakelijken schotel bij de welsmakende vis- 
schen van de Japansche zee, en aan het vuur geroost zijn zij niet minder kostelijk 
dan de Italiaansche kastanjes. De Japansche soorten zijn veel meliger dan 
de overige, en hebben met de beste soorten van aardappelen gemeen, dat 
de schil bij het kooken berst. Over het algemeen zijn de Bataten op Japan 
verre boven de Yams [Dioscorea Batatas en B. Jajjonïca) te stellen, die 
bij het kooken spekkig en pappig worden en eenen Üaauwen smaak, zoo 
ongeveer als die van onze Scorzoneren en Topinambours hebben. 

Eindelijk — na herhaalde proefnemingen, is het aan den schrijver dezes 
gelukt, in de maand Juuij j. 1. de voornaamste soorten van Bataten levende 
uit Japan naar Nederland over te brengen en in de kweekerij , die tot de 
invoering en aaukweeking van Japansche gewassen onder de firma ton sie- 
BOLD & Comp. te Leydeu opgerigt is, met een zoo goed gevolg aan te 
kweeken, dat deze belangrijke nieuwe gewassen reeds in dezen herfst aan 
kweekers en liefhebbere kunnen uitgedeeld worden. 

De voornaamste soorten van Bataten op Japan zijn: 1". de Satsuma-imo , 
d. i. die uit het landschap Satsuma; 2". de Aka-imo, d. i. de roode (rood- 
schillige): S», Slro-imo, d. i. de witte (witschillige) en 4^». de Hanahoke-imo ^ 
d. i. de kweebloemkleurige (Cydonia Japonica in onze tuinen). Thans be- 
zitten wij alle deze vier soorten. 

De invoering van de Japansche Bataten in landen, die onder de jaars- 
isothermen van Japan liggen en eene gemiddelde zomerwarmte hebben (van 
20° E. (77° r.), mag voor deze van gelijk belang zijn als de invoering van 
de aardappelen uit Peru in Europa geweest is. Yoor die landen zal de kui- 
tuur van de Bataten zelfs nog meer voordeel opleveren dan de aardappel- 
teelt, omdat die, zoo als wij bij ondervinding weten, in warme luchtstreken 
minder voordeelig uitvalt. Maar ook in gewesten onder lagere jaars-isother- 
men (van ongeveer 8^ R. (50" F.) , kan de Batatenteelt in moestuinen met 
voordeel gedreven worden. Op gelijke wijze als men andere groentens in 
broeibakken uitzaait en vervolgens in open grond verplant, ten einde deze 
vroegtijdiger te hebben, kan men ook de Bataten in de broeibakken ver- 
vroegen. Op het einde van de vorige eeuw heeft men reeds in de Jardhi 
des plantes te Parijs, en onlangs in de omstreken van New-Tork proeven 
met de Bataten-kultuur in moezerijen genomen, die van den besten uitslag 
geweest zijn. Als de meest doelmatige wijze hebben wij beproefd bevonden 
het vroegtijdig van de in broeibakken geplante knollen stekken te winnen, 
die zich zeer ligt uit de jonge schoten der knollen laten verkrijgen, en die 
in broeibakken of dadelijk in open grond te verplanten. In vollen grond 
dient men haar voor de zon en de koude te schutten. Van eenen knol kan 



284 

men meer dan honderd stekken maken, daar het blad der jonge loten door 
inplanting in den grond wortel schiet. De knollen in de broeibakken te drij- 
ven en alsdan in open grond te verplanten is ondoelmatig bevonden, insge- 
lijks het in stukken snijden der knollen, omdat de stukjes ligt verrotten, 
dewijl de Bataten veel suikerstof bevatten, die de gisting en het bederf be- 
vordert. De Bataten gedijen het best in eenen ligten, meer zandigen dan klei- 
achtigen grond en dienen goed bemest te worden. In Japan wordt het bouw- 
land voor Bataten met verrotte visch, eene soort van sardijnen gemest en 
vervolgens de jonge planten met eene vloeibare uit planten en dierlijken 
meststof zamengesteld , begoten 

Met deze toelichtingen bevelen wij onze japansche Bataten aan kweekers 
en liefhebbers van moesbouw als een nieuw nuttig gewas aan , en wanneer wij 
dezelve tot de aankweeking van dezelve aanmoedigen, zoo doen wij zulks 
met de overtuiging, dat zij uit de Bataten-teelt even groote voordeden zul- 
len kunnen trekken als zij uit den aanbouw van bloemkool, aspergien, arti- 
sjokken enz. bekomen, en dat onze japaansche Bataten, wanneer die ook bij 
ons geen surrogaat van de aardappelen zullen worden, toch eene voedzame 
en wel smakende spijze als die Jams {Dioscorea Batatas) zullen opleveren, 
die als een surrogaat van aardappels in Frankrijk en elders worden aange- 
prezen en waarvan men thans een zoo grooten ophef maakt. 

INÏEEKENING. 

Op jonge planten van de vier soorten van Japansche Bataten Batatas edu- 
lis) ingevoerd in de maand Junij 1855 in de kweekerij van von siebold 
EN coMP. te Leiden. 

Eene plant van ieder soort 10 francs. 
Drie planten // // // 15 francs. 
Zes // // // // 25 francs. 

De aflevering heeft plaats van den 10 November af aan volgens de orde 
van Inteekening. 

Pranco brieven te zenden: aan von siebold en comp. te Leiden. 



285 



T A M A R I X T E T U A N D R A 

Is een heester oorspronkelijk van de Krim. Hij zou een sieraad van onze 
tuinen kunnen worden. De bloemen van de Tamarix-soorten zijn bekend. De 
T. tetrandra heeft iutusschen zeldzaam gebloeid. Dit schijnt te zijn toe te 
schrijven aan de minder doelmatige wijze van behandelen. Men snoeit den 
Taviarix meestal in het voorjaar. Men snijdt de takken af, die zich in het 
vorige jaar hebbeu ontwikkeld, dat is, de zoodanige die bij voorkeur bloe- 
men zouden hebben ontwikkeld. Op dezelfde wijze handelende zou men het 
bloeijen van syringen en jasmijnen verhinderen. Men moet den Tamarix dus 
alleen snoeijen dan, wanneer de planten hebben uitgebloeid. Nog beter is het 
in liet in 't geheel niet te snoeijen. De Tamarix kweekt zeer gemakkelijk 
voort. Met zet slechts stukjes van 0,25-0,20 in den grond, die weldra wor- 
tel schieten. Dit moet in het najaar plaats hebben, wanneer de bladen zijn 
afgevallen, en wel in de maanden Februarij of Maart, vóór dat zij begin- 
nen uit te loopen. (carrière, in Revue hort. Nov. 1855.) 



OVER HET PARA-GRAS, PANICUM JUMENTORUM. iiumbdt & kunth. 

EENE AMERIKAANSCHE GRASSOORT ALS VOEDER BESCHOUWD, IN 
BETREKKING TOT DE KOLOMëlV EN TOT NEDERLAND. 

In de Annales de la Sociéié d'' AgricuUure et cTéconomie rurale de la 
Ilarlinique IT. 4 Livr. Janv. 1S41. p. 146 leest men ongeveer het vol- 
gende, over het voordeel 't welk deze grassoort oplevert, zijnde medege- 
deeld door den Heer andré guigxod. 

/' Men maakt thans op Martinique veel werk van de opvoeding van vee 
//of veefokkerij. Hierin zal men evenwel nimmer slagen, zoo lang als men 
// het vee weidt op de natuurlijke savannes. Tot hiertoe nu had men geen 
//gras waarvan de kuituur voor de omstandigheden, waarin men verkeert, 
//voldoet, dat is, hetwelk geen of weinig wieden vereischt, geen mest be- 
// hoeft en schielijk groeit, en dit zelfs gedurende de lange droogten, die 
//telken jare sommige gedeelten van het eiland tot eene plaag zijn. 

// Het gras van Guinea put den grond uit , is nimmer fraai op kleiachtige 
//gronden, vereischt veel mest en wieden en groeit in 't geheel niet in den 
// droogen tijd , ten zij op zandige gronden nabij de zee en in sommige ligte 
//on vochtige gronden, die nabij stroomende waters zijn. 



286 

//Hei Para-gras heeft, naar ons oordeel, de gelegenheid verschaft om dien 
//staat van zaken te veranderen. In de laatste maanden van 1840 heb ik 
// op een zeer kleiachtig stuk gronds eene aanplanting van dit gras gemaakt. 
//Na de tweede snede is dit gras door de droogte, die hier twee maanden 
//duurt, aangetast, en heeft slechts nu en dan een ligten regen ondervonden ; 
//het is mij gebleken, dat het na dien droogen tijd, 2i-3 voet is gegroeid; 
//gedeeltelijk was het door de sterke winden neergeslagen. Men had het dus 
//in den droogen tijd kunnen maaijen. Vermoedelijk zal men dit zes malen 
//'sjaars kunnen doen. 

//^Heeft men nu, na eenmaal wieden, de zekerheid , dat het gras wortel heeft 
n geslagen , dan kan men er ook op rekenen, dat het alle de overige onkrui- 
//den verstikt. 

Volgens eene uitvoerige hierbij gevoegde berekening zou een vierkant stuk 
gronds van tien duizend passen (een pas is ongeveer een meter) elk van 31 
voet, kunnen opleveren 41 vrachten eiken dag, en genoeg voedsel voor 
20 dieren, runderen, muildieren, paarden enz. 

//Hierdoor zouden de kolonisten in drooge localiteiten hun vee niet zien 
// verach teren en gedeeltelijk dit verliezen in den droogen tijd. Beter gevoed 
// vee zou meer bestand zijn voor de dienst , en men zou er minder van noo- 
// dis: hebben. Men zou dit vee later beter kunnen vet weiden. Als men het 
// vee buiten in de parken hield , zou men meer mest bekomen , vooral indien 
// de stallen geen genoegzaam strooisel opleverden. 

//Men dient de volgende methode in acht te nemen voor het aanplanten 
van dit gras. 

10. den grond afzetten, gelijk maken, de kanalen waardoor het water kan 
wegloopen, wegnemen, indien men drooge gronden voor heeft. 

2". Eenige duimen diep spitten, de stengen afsnijden tot op 5-6 duimen. 

30. Verticale gaten van 5-6 duimen diep maken. 

40. Met een stok van die lengte de stengels in die gaten steken; terwijl 
men maar weinige strepen van de plant boven den grond laat. Men 
sluit de gaten door ze met de beide vingers toe te knijpen. De gaten 
moeten zoo digt als mogelijk bij elkander zijn. Die methode is om- 
slagtig, maar afdoende. 

50. Drooge localiteiten, waarvan het zand van onder het water houdt in 
den droogen tijd zouden een uitmuntend Para-gras opleveren. 

Voor kleine landbouwers zou dit gras een uitmuntend resultaat geven." 

De Generaal-Majoor Baron k. f. van kaders, Oud-Gouverneur der Kolonie 
Suriname , had de beleefdheid mij op dit artikel opmerkzaam te maken en te- 
vens eenige zaden van het Para-gras toe te zenden. Gedurende het bestuur 




PHLOX 



-> 



287 

der Kolonie door Z. Exc. zijn ons, door tusschenkomst van ZHWG. eeuige 
malen kisten met Para-gras gezonden, die echter allen in verdorden toestand 
zijn aangekomen. Deze bezendingen waren gedaan met het doel om te be- 
proeven, in hoeverre dit gras hier zon tieren. Wij durfden er ons wel niet 
mede vleijen , maar de proef was ligt te nemen. De Heer van radeks berigt 
mij dat de halm in Suriname wordt in stukken gesneden en dat deze, ge- 
poot wordende, als stekken kunnen worden geplant. 

(Wordt vervolgd.) 



PHLOX ADMIUAAL T E N G B E U G E N. 

Deze schoone verscheidenheid is verkregen uit zaad door l. e. den Heer 
Vice Admiraal texgbergen te Doesborgh. Z. E. zond die schoone bloem 
aan onzen verdienstelijken mede-arbeider, den Schout bij Nacht q. m. r. ver 
HüEi.i,, die de goedheid heeft gehad de teekening te vervaardigen welke wij 
thans door een even uitstekend talent op steen gebragt en gekleurd in het 
licht geven. 

De Heer tengbergen schrijft mij dienaangaande het volgende onder dag- 
teekening van 1 October 1854. 

// Hoewel ik in de maand April jl. eerst had gezaaid , en het zaad van 
deze soort gewoonlijk lang in den grond blijft, bloeide eene enkele plant 
reeds in het begin van September. Zij is geheel anders dan de soort van 
welke het zaad afkomstig is , en welke ik heb onder den naam van PJilox 
Thotnsoniana die donker gekleurde bloemen heeft." 

Zij munt inderdaad door schoonheid uit. De Heer tengbergen had de 
goedheid eene zijner planten aan onzen Akademie-tuin te zenden. Onder 
dankbetuiging voor deze belangrijke bijdrage, meenen wij niet beter te kun- 
nen doen, dan haar onder den naam van den verdienstelijken kweeker zei ven 
bekend te maken. 

W. H. DE VRIESE. 



288 



LEVENDE EN GROEIJENDE BRUGGEN. 

De Ficus elastica L., de boom van welke de kaoutschouk of elastieke 
gom afkomstig is, bij de Engelschen bekend onder den naam India-rubber , 
is eene dier merkwaardige vijgboomen , welke de Flora van Britsch Indië bij 
uitnemendheid kenmerken, even als die van den Nederlandsch-Oost-Indischen 
Archipel. Alle vijgboomen nu hebben, onder vele eigenschappen, welke hun 
gemeen is, ook deze, dat zij uit alle deelen van den stam en van de tak- 
ken wortels schieten, welke tot den grond afdalen en somwijlen eene enorme 
dikte bereiken. Wij zien daarvan een merkwaardig voorbeeld in de afbeelding 
van eene streek uit het gebergte, waar Dr. jos. dalton hooker zulke be- 
langrijke ontdekkfngen gedaan heeft, en door wiens onderzoekingen de gren- 
zen der kruidkunde en den horticultuur zoo aanmerkelijk zijn verzuimd. 

De rotsige oevers van eenen bergstroom zijn hier gescheiden door de met 
snelheid over en tusschen de zware rotsblokken zich voortbewegende water- 
massa. Aan elke der beide oevers bevindt zich eene groote Ficus elastica. 
Ieder van dezelve geeft eene groote hoeveelheid zware wortels af, die on- 
derling verbonden zijn tot eene passage over den stroom, en die, terwijl zij 
op allerlei wijze zijn aaneengehecht en in een gestrengeld, voortgaan om zich 
uittebreiden in alle rigtingen en die aldus werkelijk vormen eenen leven- 
den en groeijënden brug. (Zie Dr. j. d. hooker, Hymalayan Journal^ I. 
p. 268. 1854). 



IL EX LATIFOLIA. F OL. V AR lEG ATIS. 

De bonte breedbladige Japansche hulst is voor kort alhier aangebragt. De 
plant kan eene aanwinst worden voor de horticultuur. Hoezeer zij gezond 
staat , kan men haar nog niet weelderig noemen. Wij hebben haar in de laat- 
ste maanden in de open lucht gehad en wij vleijen ons dat zij een vol- 
gend saisoen een der belangrijkste bontbladige gewassen onzer tuinen zal 
uitmaken. 



289 
DE KULTUUR DEll ORCHIDEËN. 

(Vervolg Tan bladz. 256.) 

ISOCHLLV§. Brown. Boom-Orch. 

Von isos, gelijk en cheilos, lipje. 
Dit geslacht is zoo weinig beteekenend, dat wij het noodeloos achten 
de soorten op te noemen. 
Li^LIA. Lindley. Boom-Orch. 

Vermoedelijk van ljelia, eene der Yestalen. 

— acuminata {toegespitst). Gnatimala. BR. 1S4J:.24. B. 

Het bloemdek is wit en ligt rooskleurig; het lipje heeft in het midden 
eene schoone bruin-purpere vlek. 

— albida [icii:. Mexico. BB. 1839.54. C. 

De bloemen zijn eenigzins geelachtig wit met eene bruin-purpere vlek 
in het midden van het lipje. 

— aneeps {tweezijdig). Mexico. BR. 1751. A. 

Het bloemdek is fraai rooskleurig lila; het lipje is sierlijk purper, aan 
de buitenzijde fluweelachtig en aan de binnenzijde karmozijn gespikkeld 
en geel geaderd. 

— — Barkerlana {naar den Hr. Barier). Mexico. BR. 1947. B. 

Deze verscheidenheid verschilt weinisr van de voorcraande. De bloem- 
bladen zijn smaller en het lipje is korter en smaller, wat haar aanzien 
minder fraai maakt. 

— antamnalis {van herfst). Guatimala. BR. 1S39.27. A. 

Syn. Bletia aututnnaliê La Llave. 
Het bloemdek is teeder rood met donkerder weerschijn; het lipje, bijna 
wit, loopt in rooskleurig Hla uit. De stengel draagt vijftien tot twintig 
bloemen. Het is eene sierlijke plant. 

— cinnabarlna [cermiljoenkleurig). Eio Janeiro. Sert. O. t. 28. B. 

De bloem- en kelkbladen zijn lang, smal en vermiljoenrood; het lipje 
is oranjegeel en rood gestreept. Hiexvan zijn de volgende verscheidenheden : 

— anrantiaca {oranjekleurig), 

— flava 'geel), 

— cauleseens, welke Sijn. met de voorgaande is. 

Zij verschillen van L. cinnabarina alleen door de kleur van het bloemdek. 

— farfaracea {met zemelen hedeH). Oaxaca. BR. 1839.26. C 

Deze soort nadert aan L. antumnalis, maar de bloemen zijn kleiner 
en minder schitterend. 
II. »» 



290 

Ij. grandis {groot). Baliia. Lindley. jl^. 

Het bloemdek is nankin-geel; het lipje wit met karmozijn gestreept. 
De bloemen zijn zeer groot en maken een heerlijk efi'ect. 

— majalis [meihloem). Oaxaca. Bat. t. 26. \, 

Syn. Cattleya Grahami Lindl. 

De bloemen zijn 15 tot 16 N. duimen in middellijn en zeer sierlijk 
gevlekt en gestreept. 

Deze plant ^Yordt gehouden voor moeijeliik in de kuituur. 

De Heer wai,ker geeft zijne behandeling hiervan in de G ar denier' s 
Chronicle op. Hij hield ze in eene gematigde, goed geluchtte kast, tot zoo- 
lang dat de nieuwe knol gevormd was; daarna werd zij op hout gezet 
en in het koudste gedeelte van de Orchideënkast geplaatst, namelijk nabij 
eene deur, welke in de gematigde kast uitkwam en de helft van den dag 
openstond. Dat gedeelte der kast is altijd droog en er is eene voortdu- 
rende luchtstrooming. Wanneer nu de knol hare geheele grootte bereikt 
had, werd de plant naar hare vorige plaats in de gematigde kast terug 
gebragt. In Januarij kwam eene nieuwe knol te voorschijn; de plant kreeg 
nu hare plaats in de Orchideënkast terug en weldra verscheen eene bloem- 
stengel uit het midden der nieuwe knol ; de bloemen verkregen eene grootte 
van ongeveer vijf en een halve duim. 

— peduncularis [met gesteelde bloemen). Guatimala. BR. 1845.69. C. 

De bloemen zijn teeder rood met eene donker purpere vlek in het 
midden van het lipje. 

— Perrinii [va7i den Hr. Perrm). Brazilië. BR. 1842.62. A. 

Het bloemdek is fraai lila-rooskleurig; het lipje bleek purper, wit en 
geel met eenen breeden karmozijnkleurigen boord aan het einde. De bloemen 
zijn zeer groot en bijzonder fraai. 

— purpiirascens {purperachtig). Bolanos. BR. B. 

De bloemen zijn bleek violet-purper; zij gelijken eenigermate naar die 
van L. cimiaharina. 

— rubescens {blozend). BR. B. 

Het bloemdek is wit, aan de uiteinden groenachtig; het lipje is wit, 
geel in het midden, met eene breede, donker purpere vlek aan de basis. 

— superlbiens {prachtig). Guatimala. BM. 4090. A, 

De bloemen zijn prachtig; het bloemdek is violet rood met donkerder 
strepen; het lipje is fraai karmozijn met geel en donker karmozijn gestreept. 

Deze plant, die de fraaiste van dit geslacht is, draagt achttien tot twin- 
tig bloemen. 



291 

li. liolacea [violet). Guatimala. B. 

Wij zien geen in het oog loopend verschil tusschen deze soort en de 
L. ruhescens., met welke zij ligtelijk kan verwisseld worden. 

Dit geslacht, hetwelk zeer na aan Cattleya grenst, vereischt geheel 
dezelfde kultnur. De soorten cinnaharina, aurantiaca , jiava^ peduncularis 
en superliens zullen beter in goed gedraineerde potten voortkomen. De 
anderen plaatse men op hout. 

LiEPTOTES. Lindley. Boom-Orck 
Yan i,EPTOs. fyn. 

— Mcolor {tweekleurig). Brazilië. BM. 3334. C!. 

Het bloemdek is zuiver wit; het lipje heeft dezelfde kleur maar is violet 
purper in het midden. 

— — glaucescens {zeegroen). Brazilië. B3I. C5. 

Deze verschilt alleen van de voorgaande door de bladen die hier zee- 
groen zijn. 

— concolor {van ééne hleur). C 

Het bloemdek is wit, het lipje van dezelfde kleur, eenigzins purper aan 
de basis. 

— serrulata {met kleine zaagtand j es). Brazilië. Sert. O. 44. B, 

Tusschen de soort en bicolor is weinig verschil; de vlek is duidelijker 
en breeder; vooral is zij te onderscheiden aan de knollen, die korter en 
dikker zijn. 

Dit geslacht wordt op hout met sphagnum gekweekt; zij moeten ge- 
durende den rusttijd weinig bevochtigd worden. 

IiIPARl§. Richard. 

Van iJPAEOs, vettig. 
Dit geslacht wordt verdeeld in Bootn- en Aard-OrcMdeën. Het biedt 
voor de liefhebbersverzamelingeu niets belangrijks aan. Hier volgen de 
meest bekende soorten. 



BOOM-ORCHIDEeN. 



li. anceps. 

— caespitosa. 

— elata. BR. 



Lj. longipes. Lindley. 
~ pendula. 



AARD-ORCHIDECN. 



hl, bituberculata. EF. . li. llaTescens. 

— elegans. — follosa. 



292 



Ij. purpurascens. 
— Walkerli. 



It. Crulneënsis. 

— lililfolia. 

— IVepalensis. 

LiII§SOCHIL1J§. Brown. Aarcl-Orch. 

Van TJssos, zacht en cheilos, lipje. 

— inachranthus [met groots 'bloemen). Kaap de Goede Hoop. A. 

Men zegt algemeen dat deze plant zeer fraai is. Wij hebben er 
geene beschrijving van kunnen vinden. 

— rosens {rooskleurig). Sierra Leona. IBM. A. 

De bloembladen zijn zeer schitterend rooskleurig; de kelkbladen flu- 
weelachtig bruin; het lipje geelachtig. Het is eene sierlijke plant. 

— speciosus {fraai). Kaap de Goede Hoop. BR. 573. A. 

— streptopetalus {met omgedraaide hloemhladen). Brazilië. BR. 1002. B. 

De kelkbladen zijn groen en purper gevlekt; de bloembladen en het 
lipje eigeel. 

Het geslacht LissocJiilus wordt gekweekt even als Bletia. 

liYCASTJE. Lindley. Boom-Orch. 

Van LïCASTE (Mythologie). 

— aromatica [welriekend). Mexico. BR. 1871. C 

Het bloemdek is groenachtig geel en het lipje goudgeel. De bloem is 
zeer welriekend. 

— Barringtonise [vati Barrington). Jamaica. EF. C 

Syn. Hpidendrnm Barringtonics. Smith. 
Colax Barringtonia. Lindley. 
Dendrohium Barringtonia. Hooker. 
Dendrohium ciliatum. Swartz. 
Maxillaria Barringtonics. BC. 
Maxillaria ciliata. Lindley. 
De bloemen zijn geel met bruin vermengd. Deze .soort vereischt veel 
warmte. 

— cruenta {bloedrood). Guatimala. BR. 1842.12. B. 

Het bloemdek is groen, het lipje geel met eene bloedroode vlek aan 
de basis. 

Hiervan is eene verscheidenheid major, waarvan de bloemen veel groo- 
ter zijn. 

— Ueppeï [naar den Heer Beppe). Xalappa. ^C. 1612. B. 

De kelkbladen zijn groen met purpere spikkels; de bloembladen wit 
gespikkeld en aan de binnenzijde karmozijn gestreept; het lipje is schit- 
terend oranje met karmozijn gespikkeld en gestreept. 



293 

Ij, Harrissonise l^naar den Heer Harrisson). Brazilië. BR. 897. B. 

Syu. Colax Harrissonia. Jjindley. 

Bendroh'mm Harrissonia. Hooker. 
Het bloemdek is roomwit en het lipje purper. De bloemen zijn zeer 
welriekend. 

— — alba {loit). Brazilië. Loddiges. B. 

Deze verschilt van de vorige alleen hierin, dat het bloemdek zui- 
verder wit en aan de einden eenigzins violet is. 

— macrophylla [met groote hladoi). Colombia. BR. 1840.191. c. 

Het bloemdek is groen, eenigzins roetkleurig, met spikkels van deze 
laatste kleur; het lipje is witachtig, met geel en violet bespikkeld. 

Deze soort heeft eenen onaaugenamen reuk en is altijd in de aarde en 
nooit op boomen groeijende gevonden. 

— plana {vlak). Colombia. BR. B. 

Deze soort gelijkt veel op de voorgaande. Hare bloemen intusschen zijn 
fraaijer en rijker gekleurd. Zij heeft behoefte aan warmte en men moet de 
knollen vrij laten, daar zij in den grond gemakkelijk zouden verrotten. 

— §kinneri {naar den Heer Skinner). Guatimala. Pax. vol. 11. a. 

Dit is de fraaiste soort van het geslacht en zij verdient in alle keur- 
verzamelingen te worden opgenomen. Het bloemdek is zuiver wit; de 
kelkbladen zijn ligt rooskleurig aan den top; de bloembladen hebben 
eenen donkerder tint en het lipje is met vlekken en spikkels van schit- 
terend karmijn bedekt. De bloemen zijn groot en van eenen heerlijken geur. 

Er zijn meerdere verscheidenheden van L. Skinneri, waarvan twee zijn 
afgebeeld in de Flore des serres et des jardins de VEiirope; de schoonste 
en zeldzaamste is die, welke in Paxton's Magazijn, vol. 11 voorkomt. De 
schakeringen en de spikkels van karmijn zijn levendiger en donkerder. Deze 
planten moeten gedurende haren rusttijd bijna droog worden gehouden. 

— tetragona {met vier kanten). Brazilië. BM. 3146. C. 

De bloemen zijn geelachtig groen en purper en hebben eenen geur 
als violieren. 

— tyrlanthina. Brazilië. B. 

Het bloemdek heeft eene heldere kleur vaii wijnmoer; het lipje is 
goudgeel, met levendig purper gestreept en gespikkeld. — Groote wel- 
riekende bloemen. 

De planten, die tot dit geslacht behooren, moeten in potten gekweekt 
worden en in haren rusttijd zij men behoedzaam met warmte en voch- 
tigheid. 



294 

JHAÜDEVALIA. Ruiz et Pavou. Boom-Orch. 

Toegewijd aan den kruidkundige j. masdevai.i,. 
Dit geslacht biedt slechts kleine bloemen aan, die meer om hare bij- 
zonderheid dan om hare kleuren de aandacht verdienen; wij kunnen ze 
niet aanbevelen en noemen alleen de volgende soorten op: 



M. Infracta. Lindley. 
— maculata. 



ME. cuprea. BR. 

— fenestrata. BM. 

— floribanda. BM. 

Wij hebben ze altijd in potten gekweekt. 
JVIAJCIIiLARIA. Ruiz et Pavon. Boom-Orcli. 
Yan MAXILLAKIA, kinnebak. 

— Brockleheurstiana [naar den Heer Brochlelieurst). Brazilië. BR. B. 

De bloemen zijn citroenkleurig met bruine spikkels; zij zijn groot en 
van eenen aangenamen geur. 

— leptosepala {met kleine Jcelkhladen). Nieuw Grenada. b. 

De bloemen zijn groot, het bloemdek is helder geel en het lipje bijna 
wit. Zeer welriekend. 

— picta [beschilderd). Brazilië. BM. 3154. C. 

De bloemen zijn geel, met purper beschilderd. De geur is zeer aan- 
genaam. 

major B. 

Deze gelijkt op de voorgaande, maar, behalve dat de bloemen 
grooter zijn, zijn de purpere vlekken met kleine afgebroken strepen 
van dezelfde kleur gemengd, wat eene fraaije uitwerking maakt. Zij 
ruiken naar amandels en jasmijn. 

— rufescens {rosachiicj). Brazilië. BR. C. 

Syn. M. fucata. 
Het bloemdek is van eene rosachtige, een weinig bruine kleur, het 
lipje is geel, met karmozijn vermengd; de bloemen zijn klein en alleen- 
staande en bevelen zich alleen aan door eenen sterken vanieljegeur. 

— tenuifolia [met dunne hladeii). Vera Crux. BR. 1839.8. C. 

De bloemen zijn fraai purper, met geel gevlekt en doorsneden. De sier- 
lijk groene bladen doen de bloemen bevallig uitkomen. 

— vennsta {bevallig). Mexico. 

Men houdt deze plant voor zeer schoon. Wij hebben er echter geene 
beschrijving van. 

Dit geslacht, bijzonder rijk aan soorten en verscheidenheden, is echter 
van zijne schoonste sieraden beroofd, sedert Dr. Lindley de geslachten 



295 

Bifrenaria^ Lycaste, Paphinia, Warrea, Colax, Promenaea en Scuti- 
caria heeft bepaald; de vier eersten bevatten wat het geslacht Maxillaria 
het meest merkwaardig opleverde; het aantal soorten, waaruit het thans 
nog is zamengesteld en waarvan wij hier eenige namen laten volgen, 
kan niet bijzonder worden aanbevolen. 



91. meleagris. 

— ochroleuca. 

— Parkeri. 

— pamila. 

— parpurascens. 

— puncfata. 

— sqnalens. 

— triangiilaris. 

— rariabilis. 



in. aromatica. 

— consanguinea. 

— chlorantha. 

— crocea. 

— cucuUata. 

— flavescens. 

— floribunda. 

— Lyonii. 

— madlda. 

De Maxillaria s worden gekweekt op dezelfde wijze als Lycaste. 

MEGACLIIVIUIVI. Lindl. Boom-Orch. 

A^an JiEGAs, ruim en klixe, bed. 
Dit geslacht is veeleer vreemd dan fraai te noemen; vooral is het 
eigenaardig om het lipje, hetwelk de eigenschap heeft van zich met eene 
groote levendigheid te bewegen. 

— bafo [padde). Sierra Leona. BR. C. 

De bloemen gelijken op een aantal padden, die op een groen bed 
liggen. 

— falcatom [zeissen-vormig). Sierra Leona. BB. 989. C. 

De bloemen zijn geel en rood. 

— oxypteram [met scherpe vleugels). Sierra Leona. C. 

Met groene bloemen. 

De 21. maximv.m heeft geen beweegbaar lipje en is van geene waarde. 
Deze planten kweekt men in opgehangen mandjes, even als Stanhopea 
en Acropera. 

IvnULTOlKIA. Lindlej. Boom-Orch. 

Toegewijd aan den graaf Fitz William. 

— candida [wit). Brazilië. Sert. O. t. 24. A. 

Het bloemdek is geel, met een aantal roetkleurige vlekken en spikkels; 
het lipje is wit en in het midden violet. 

— — flavescens [geelachtig). Brazilië. BR. 1845. t. 8. A. 

Deze verschilt alleen van de voorgaande daarin, dat de grond van het 
lipje eenigzins geelachtig is. 



296 

M. — grandlflora {^Jiet groote hloemen). Brazilië. BR. j^. 

De bloemen van deze verscheidenheid zijn tweemaal grooter dan die 
van de vorige; het bloem dek heeft eene fraai bruine kleur, de bloera dek- 
bladen zijn aan de uiteinden geel gespikkeld; het lipje is schitterend wit. 

— Cloiresfi {naar den Hr. Clotoes). Brazilië. Seri. O. t. 34. a.. 

Syn. Brassia Clowesii. 

Odontoglossum Clowesii. 
Het bloemdek heeft eenen gelen grond, welke roetkleurig gevlekt is; 
het lipje is aan den top wit en fraai violet aan de basis. 

— cuneata [wigvor7nig). Rio Janeiro. BR. 1845.8. A. 

Met groote bloemen, de kelkbladen zijn bruin-rood met gele punten, 
de bloembladen bruin-rood met goudgeel afgezet en met helder gele punten; 
het lipje is zuiver wit en zeer groot. 

— Karivinsckiana [naar den Hr. Karwitischi). Mexico. VH. 7. A. 

De grond van het bloemdek is schitterend geel, met bruine strepen en 
vlekken; het lipje is aan den top wit, violet aan de basis en roodachtig 
in het midden. 

— Ltoddigesii [naar den Hr. Loddiges). Rio Janeiro. Hort. A. 

Groote bloemen met een levendig rooskleurig bloemdek; het lipje is kar- 
mijn. Het is eene zeer sierlijke plant. 

— miorelliana [naar den Hr. Morel). Bahia. Portf. t. 2. A. 

Syn. '3/. ptirimrea violacea. 
Het bloemdek is donker violet; de bloembladen zijn aan het einde 
teruggebogen; het lipje is rooskleurig met scharlakenroode nerven en 
strepen. Het zijn de grootste bloemen van dit geslacht en zij hebben 
eenen aangenamen geur. 

— odorata. Zie Aspasia Innata. 

— Pinelii {naar den Hr. Pinel). Rio Janeiro. Richard. B. 

Het bloemdek is geel; het lipje wit en karmijn. De bloemen zijn zeer 
welriekend. 

— Busseliana {toegewijd aan den Hertog van Bedford). Rio Janeiro. 

BR. 1830. B. 

Het bloemdek is bruin purper, geelachtig groen gerand en gestreept; 
het lipje is lila en aan het uiteinde wit. 

— spectabilis {bewonderenswaardig). Brazilië. BR. 1992. B. 

Het bloemdek is groenachtig wit, het lipje zeer" breed, purper-violet 
aan de basis en naar den boord lichter gekleurd. 

Er zijn eenige verscheidenheden van M. spectabilis, die alleen door de ver- 



297 

deeling der kleuren verschillen, zoo als M. spectabilis hicolor^ waarvan 
het lipje bijna rosé is, enz. 

M. stellata. Zie Cyrtochilnm stellaium. 

De Milionias worden over 't algemeen het beste in potten gekweekt. 
M. Cloioesii slaagt echter ook goed in opgehangen mandjes; gedurende 
haren rusttijd moeten deze planten in het koudste gedeelte van de kast 
verblijven en met zeer veel overleg bevochtigd worden. 

MOR^OOES. Lindlej. Boom-Orc/i. 

Tan MORMO, een mismaakt voorwerp. 

— aromaticum {welriekend). Guatimala. BH. 1836.56. C. 

De bloemen zijn vuil groeuachtig wit, met chocolade-kleur gespikkeld 
en zeer welriekend. 

— lineatum. {gestreept). Guatimala. BH. 1S42. t. 43. C. 

Het bloemdek is geel, vermiljoen gestreept: het lipje is wit, met violet- 
kleurige strepen. 

De bloem is zeer welriekend; de plant vereischt eene matige warmte. 

— luxatum (verstuiM). Mexico. Bli. jn. 

Deze plant is de sterkste van dit geslacht, heeft een zeer fraai voor- 
komen, en brengt bleek citroengele bloemen van ongeveer 8 N. duimen 
voort; het lipje heeft in het midden eene donker bruine vlek. Zij zijn zeer 
welriekend. 

— pardina nnieolor (pantAer). Mexico. BM. 3879. C. 

De bloemen zijn fraai geel, donkerrood gevlekt en gespikkeld. 
Het geslacht Mormodes wordt gekweekt als Catasetvjn. 
MYAJVTHLTS. Lindlej. Boom-Orch. 
Yan MuiA, vlieg. 

— cernans {gebogen). Brazilië. BR. t. 1724. C. 

De bloemen zijn geelachtig groen, met een aantal donker purpere 
spikkels. 

Deze plant wordt gekweekt als Catasetum. 
WEOTTIA. Linnaeus. Aard-Orch. C 

— orchioïdes. Brazilië. Schwartz. 

Met rooskleurige bloemen. 

De planten die tot dit geslacht behooren, verdienen, zoo men deze al 
uitzondert, niet gekweekt te worden. 
Wij laten eenige namen volgen: 
:^\ aphyUa. BM. , Hf. calcarata. BM. 

— blcolor. BR. ~ elata. Schwartz. 



298 



]V. grandlflora. BM. 



ST. pudica. Sweet. 
— tortilis. Swartz. 



— picta. BM. 

— plantaginea. E F. 

De Neottids worden gekweekt als Bletia. 
WOTlfl^IA. Lindley. Boom-O rek 

Van NOTos, de rug en tolos, bult. 
Dit geslacht, niets aanbevelenswaardigs bezittende, laten wij slechts de 
namen van eenige soorten volgen. 



S. Barkerl. BR. 

— incurva. BR. 

— micrantha. BR 



N. punctata. BR. 

Syn. Rlenrothallis punciaia. BR. 
Gomeza tannifolia. BC. 
— tennis. BR. 

Zij worden gekweekt als Burlingionia. 

OCTOMERIA. Brown. Boom-O rch. 

Van ocTO, acht en meros, deel. 
Wij kennen van dit geslacht niets, 't welk van genoegzame beteeke- 
nis is voor eenen liefhebber, om ze aan te kweeken. 

OJUO]VTOGLO§SlT9r. Humboldt et Kunth. Boom-Orch. 
Van oDOus, tand en glossa, tong. 

— Bicfonense [Bicton). Guatimala. BR. 1846.66. B. 

Sjn. CyrtocJdlum Bictonense. 
Het bloemdek is groen, donker purper gespikkeld; het zuiltje is bleek- 
geel en het lipje violet rooskleurig. 

— citrosmum [met citroengeur). Mexico. BR. 1842.3. A. 

Met groote bloemen; het bloemdek is wit en aan den top ligt roos- 
kleurig; het lipje violet, met twee goudgele vleugels nabij het zuiltje. 
De bloemen hebben eenen citroengeur. 

— cordatum {hartvormig). Mexico. BR. B. 

De grond van het bloemdek is geelachtig groen met bruine vlekken; 
het lipje is wit en purper met bruin gespikkeld. 

— Egertonianum [naar deti Heer Egerton). Oaxaca. 

Wij bezitten van deze soort geene beschrijving. 

— £hi*enbergii [naar den Heer Ehrenberg). Mexico. Pax. 496.247. B. 

De kelkbladen zijn wit, met bruinrood doorschoten; de bloembladen 
wit; het lipje, hetwelk toegespitst en min of meer gegolfd is, is, met 
de vleugels van het zuiltje, goudgeel. De bloemen zijn alleenstaande. 

— grande {groot). Guatimala. VH. 1845. A. 

De grond der kelkbladen is bleekgeel, onregelmatig donkerbruin ge- 



299 

streept; de bovenste helft der bloembladen is bruinrood en goudgeel ge- 
rand , welke laatste ook de kleur van liet overige gedeelte tot aan de basis 
is; het lipje is bleek geel , aan den top en op de boorden bruin gevlekt. 
Het is ongetwijfeld de fraaiste soort van dit geslacht; hare bloemen, 
die 15 tot 16 N. duimen middellijn hebben, en den sierlijken glans der 
bloembladen doen haar eene eerste plaats in de familie der Orchideën 
bekleeden. 

O. Insleyi {naar den Heer Insley). Oaxaca. 
Zie Oficidium Insleyanv.m. 

— lacTC {zacht). Guatimala. BR. 1 84-5. 30. B. 

Het bloemdek is geel, met kaneelkleurige spikkels; het lipje wit, over- 
dwars violetkleurig gestreept. De bloemen zijn welriekend. 

— naerium {gespikkeld). Nieuw Grenada. VH. 1850. B. 

De grond der bloemen is zuiver wit met rooskleurige spikkels; zij zijn 
groot , met smalle verdeelingen en maken een sierlijk efiect. 

— pulchellam {bevallig). Mexico. BR. IS-ii.öS. B. 

De bloemen zijn geheel wit, met uitzondering van het bovenste ge- 
deelte van het lipje, 't welk karmozijn gekleurd is. 

— Rossi {va7i den Keer Rossi). Mexico. BR. 1839.48. B. 

De kelkbladen zijn groenachtig geel, bruin gespikkeld; de bloembladen 
wit, met purpere vlekken aan de basis; het lipje is geheel wit. 

Deze soort kan beschouwd worden als eene verscheidenheid van O. 
Ehrenbergii , alleen zijn de bloemen niet alleenstaande. 

Dit geslacht , dat allezins verdient gekweekt te worden , vereischt geene 
groote warmte. De planten groeijen zeer goed in potten of op hout; mits 
zij niet te vochtig gehouden worden, vooral tijdens het te voorschijn ko- 
men van de bloemsteugels. Men houde ze in een koud gedeelte der kast, 
wanneer zij in rust verkeeren. 
fECEOCLADES. Lindlej. Boom-Orc/i. 

Yan dit geslacht, welks bloemen onbeduidend zijn, kan niets worden 
aanbevolen. De (E macxdata heeft, wel is waar, niet onaardig gemar- 
merde bladen, maar wij houden het er voor dat die der Cyijrii)ediv.ms 
daar wel tegen opwegen kunnen. 
OX€lOir.lI. Schwartz. Boom-Orch. 

Yan OGKos, knol en eidos, vorm, aanzien '). 

— altlssfmuni {zeer hoog). Panama. BM. 2990. C 

Svn. Epidendrurn altissimum. Jacquiu. 



') Wij herinneren, zoo voor deze als vele andere namen, wat de etvmologie aangaat , aan "t geen 
wij dienaangaande in onze voorrede gezegd hebben. D£ vertaler. 



300 

Het bloeradek is geel, bruin gerand en gespikkeld; het lipje geel. De 
bloemstengels die 10 voet lang worden, vertakken zich dikwijls. 
O. ampliatum [met een hreed lipje). Mexico. BR. 1699. C. 

Het bloemdek is geel en ligtelijk roetkleurig gevlekt; het lipje schit- 
terend geel. 

majus {verscheidenheid met groote bloemen). Guatiraala. b. 

Het bloemdek is gelijk aan dat van de voorgaande; het lipje zeer 
breed en bleek geel. De bloemen zijn grooter dan van O. am.pliahim. 

— Barkeri {naar den Heer Barker). Mexico. BR. 1651. B, 

Het bloemdek is sierlijk bruin ; het lipje helder geel en 4 N. duimen breed. 

— Baueri {naar den Heer Bauer). Mexico. BB. 1651. C. 

Het bloemdek is geel, roetkleurig gestreept en gerand, het lipje is 
geel. Zij levert weinig verschil op met O. altissimum. 

— bicallosum {met twee vereeltheden). Guatimala. BR. 1843.12. if. 

De bloemen zijn schitterend geel, en min of meer welriekend; de kelk- 
en bloembladen zijn kaneelbruin geboord. 

— barbatum {gehaard). Bahia. BR. 1813.74. B. 

Met eene fraaije, zeer scliitterende bloem; het bloemdek is goudgeel met 
purper gespikkeld; het lipje is kort en helder geel met behaarde vleugels; 
het zuiltje is geel, purper gestreept. De plant wordt op hout gekweekt. 

— bicolor {tweehleurig). BR. B. 

Het bloemdek is geel, karmijn gespikkeld; het lipje zeer groot, fraai 
donker geel aan den top en bijna wit naar de basis. De plant wordt op 
hout gekweekt. 

— bicornutum {met twee horens). Zie O. puhes. 

— bifolium [tweebladig). Monte Video. BM. 1491. B. 

Het bloemdek is verdeeld in kleine bruine blaadjes; het lipje is groot 
en zeer fraai geel. Deze soort nadert aan O. hicolor. 

— candldum {wit). Guatimala. BR. ' C. 

Het bloemdek is ivoorwit met twee paarsche vlekken aan de basis der 
inwendige bladen ; het lipje is schitterend geel. 

— Carthagenense {van Carihagena). BM. 1491. C. 

Syn. Epidendrum undulatum. BM. 

Mpidendriim Carthagenense. Jacquin. 
Het bloemdek is olijf kleurig en bruin gespikkeld; het lipje geel en 
aan de basis donkerrood gerand. 

— CaTendishfannm {naar den Hertog van Devonshire). Mexico. Bat. t. 3. B. 

De bloemen zijn groot, groenachtig geel, met purper gevlekt; het 
lipje levendig geel. 

Het is eene fraaije soort, doch minder dan de O. lanceanum. 



301 

O. Cebollefi [naar den Heer Cebollet). Demerary. BM. 1994. C. 

Sjn. Epidendrum Cebolleta. Jacquin. 
// juncifolium. Linn. 

Cynïbidium juncifolium. TVilld. 
Oncidium juncifolium. Lindley. 
De bloemeu zijn geel; de bladen van het bloemdek eenigermate roet- 
kleurig aan de basis. Zij wordt op hout gekweekt. 

— concolor [éénkleurig). BM. C. 

Met gele bloemen en een groot lipje. 

Deze soort is van de anderen onderscheiden, doordien de bloemen 
slechts ééne kleur hebben. 

— cOiatum [met franje). Brazilië. BR. 1660. C. 

De bloemen van deze soort variëren: nu zijn zij geel, dan weder 
treft men ze aan die rood gespikkeld en ook die oranjeachtig bruin zijn; 
de vleugels van het lipje zijn met franje bezet; het lipje is veel grooter 
dan van O. barbatum; maar deze laatste bloeit milder, tenvijl men zeld- 
zaam bij O. ciliatum meer dan zeven of acht bloemen aan denzelfden 
stengel ziet. 

Deze soort wordt op hout gekweekt. 

— crispum [gekruld). Brazilië. BM. 1920. B. 

Het bloemdek is koperachtig oranje; het lipje geel met eenige bleek 
roetkleurige vlekken. Het zijn groote bloemen. 

Van deze soort zijn meerdere verscheidenheden, die alleen door de 
min of meer donkere kleuren van het bloemdek verschillen. 

— cucullatum {7net eene monnikskap). Columbia. VH. 1853. A. 

Syn. Leochllus sanguinolens. BR. 
Het bloemdek is groen, met breede roetkleurige banden gestreept; het 
lipje zeer breed, rooskleurig lila, met donker scharlakenrood gestippeld. 
Het zuiltje is met eene donker scharlakenroode kap gedekt. 

— deltoïdeam [driehoekig). Peru. BR. 2006. C 

Het bloemdek is levendig geel; het lipje driehoekig, geel en sierlijk 
rood gevlekt. 

— dlvaricatam (verstrooid). Brazilië. BR. C 

De bloemen zijn groenachtig , rood gevlekt ; de bloemstengel bereikt 4 tot 5 
voeten lengte en is vertakt. De bloemen op zich zelf zijn van weinig be- 
teekenis , 't welk echter door haar aantal vergoed wordt. Zij zijn welriekend. 

— dlgitatum [vingervormig). Guatimala. VH. 1852. C 

De bloemen zijn groen en wit , zooals die van O. leucocJulum. Deze plant 
onderscheidt zich van den tijpe-vorm, door het lipje der bloem dat min- 



302 

der gelobt is en hare negen vingervormige verlengingen, die even lang zijn. 

O. flexuosuin (buigzaam). Brazilië. BM. 2203. f;. 

De schitterend gele bloemen staan op eene lange en zeer buigzame steel. 

— Forbesii [naar den Hr. Forbes). Orgelgebergte. BM. b. 

Met groote, blinkende, chocolade-Meurigc bloemen, die met levendig rood 
gerand zijn. — Deze plant komt nabij O. crisjmm. 

— Forkeli {van den Hr. Forhel). Mexico. BM. 3705. a. 

Deze soort, toegewijd aan den bloemist van den koning van België, 
is eene der 'jchoonste van dit geslacht; de kelkbladen zijn groenachtig 
geel, karmijn gespikkeld en de bloembladen violet. 

— Craleottianum [naar den Hr. Galeotti). Zie Odontocjlossum citrosmum. 

— Hari'issonii [naar den Hr. Harrisson). Brazilië BB. 1569. JB. 

Het bloemdek is geel, roetkleurig gespikkeld; het lipje levendig geel. 

— Huntianum [naar den Hr. HnnC). Zie O. sanguineum. 

— incurvum [omgebogen). Mexico. Bat. t. 29. C. 

De bloemen zijn bleek lila met witte spikkels. Deze gelijkt eenigzins 
op O. Ornithorynchum. 

— Insleyanum [iiiaar den Hr. Insley). Oaxaca. VH. 1845. A. 

Het bloemdek is groenachtig geel, met breede, dwarsche, bruinachtig 
roode banden gestreept en gevlekt; het lipje is levendig geel, aan de boor- 
den rijk scharlakenrood gestippeld. Het is eene groote bloem die de 
Odontoglossum grande nadert. 

— intermedium. Cuba. Zie O. sanguineum. 

— iridifolium iinet bladen als Iris). Mexico. BR. C 

De bloemen zijn geel en met rood gestreept. 

Deze plant vereischt eene drooge, zonnige standplaats. 

— Lanceanum [naar Mevr. Lancè). Guyana. BR. 1837. A. 

Het bloemdek is geel, onregelmatig met karmozijn gevlekt. De binnenste 
helft van het lipje is fraai violet. De geur is zeer aangenaam. 

Deze plant kweekt men met goed gevolg in een houten, opgehangen 
mandje. 

— liemonianum [naar den Hr. Ch. Lemon). Havana. BR. C 

De bloemen zijn geel, in de lengte met rood gespikkeld het lipje is 
schitterend geel, met roode spikkels. 

— leueocliiliim [^net een wit lipje). Mexico. Bat. t. 4. C 

Het bloemdek is geelachtig groen, bruin gespikkeld en gevlekt; het 
lipje is wit, eenigzins naar het rosé zwemende. 



303 

Deze plant heeft veel van Odontoglossum candkhirn, •waarmede men 
haar ligtelijk zoude kunnen verwisselen. Zij ^Til gedurende haren rusttijd 
kouder gehouden worden. 
longifollam {met lange hladeti). Mexico. BR. C. 

Het bloemdek is geel, met bruine vlekken; het lipje is geheel geel, 
met eene kleine uitzondering aan de basis. Deze Onciditim gelijkt -wel 
een -weinig op Ceboleiti, maar is krachtiger. Men kweekt deze plant op hout. 
lunatiim [maativormig). Demerary. BR. 1929. C. 

De bloemen zijn zwa velgeel, met sierlijke, bruine vlekken; het lipje is 
aan de basis afgerond, wit, met bleek bruine vlekken. 
laridam [loodkleurig). Jamaica. BR. 727. C. 

Men moet deze soort en O. Cartliagenense bij elkander vergelijken om 
een klein verschil te vinden in de grondkleur. 

— gattaf nm {gespikkeld). West-Indië. BR. C. 

Syn. Epidendruni guttatum Linn. 

Cymbiduim guUatum Willdenow. 
Oncidi2i7/i Boydii. 
De bloemen zijn overvloedig met roode spikkels bezet; de kleur varieert 
en wordt naar de basis van het lipje donkerder.' 

— Henchmani {van Henchman). Eio del Monte. FC. f;. 
De grondkleuren der bloem zijn geel en lila, bevallig met bruin ge- 
spikkeld. De bloemen zijn bijna zoo groot als die van O. sanguineum. 
microchilain {rtiet een klein lipje). Guatimala. BR. 184-3.23. C. 

De kelkbladen zijn groenachtig rood; de bloembladen donker rosé en 
geel; het lipje wit en geel. 

Deze soort gaat voor moeijelijk in de kuituur door. 

maxilllgerani {met een kinnebak). Brazilië. Ch. Lemaire, c. 

Deze soort gelijkt op O. Harrissonianum. Het lipje is levendiger geel; 
het bovenste gedeelte van het zuiltje is teruggebogen en vormt, met den 
top van het lipje, eene soort van kinnebak. 

monoceras {éénhoornig). Brazilië. BM. 3890. C. 

De kelkbladen zijn groenachtig; de bloembladen geel met bruin ge- 
vlekt; het lipje is donker geel, bij de basis naar het roode strevende en 
draagt op zijnen top een horen. 

nebnlosam {beneveld). Guatimala. BR. B. 

Het bloemdek en het lipje zijn bleekgeel, min of meer roetkleurig ge- 
vlekt. Het zijn groote bloemen. 
ornithorynchiini {gesnavelde vogels). Guatimala BR. 1840.10. C. 

De bloemen zijn fraai lila en hebben eenen aangenamen geur. 



304 

Deze soort wordt op hout gekweekt, en vereischt, tijdens hare ont- 
wikkeling, gedurige bevochtigingen. 

popilio (oj) eene kapel gelijkende). Trinité. BR. 940. A. 

De bovenste kelkbladen zijn zeer lang, bruinrood en min of meer groen 
gevlekt; de bloembladen en het lipje, dat zeer breed is, zijn met franje 
bezet en fraai bruingeel, met eene breede bleekgele vlek op het midden 
van het lipje. ledere lange en slanke stengel draagt slechts ééne enkele 
bloem, die op eene kapel gelijkt. De bloemen volgen elkander om de drie 
weken op, maar wij achten het raadzaam, den bloemstengel, na de derde 
bloem, af te snijden, om de plant niet uit te putten. Deze soort kan op 
hout gekweekt worden. 

Hiervan zijn eenige verscheidenheden, die echter weinig verschil ople- 
veren. 

phymatochllum {inet een lipje dat een uitwas heeft). Rio Janeiro.- 
Ch. Lemaire. A. 

De bloem- en kelkbladen zijn lang, smal, helder geel, met roetkleurige 
spikkels; het lipje is breed aan de basis en vernaauwt zich naar den top, 
waar het gezwollen is; 't welk aanleiding tot den naam gaf. De bloemen 
zijn groot en zeer talrijk. 
Pinelianuni {naar de7i Hr. Pinel). Rio Janeiro. Eichard. C3. 

De bloemen zijn vrij groot en vertoonen zich met zeven of acht ge- 
lijk. Zij volgen elkander op en vormen eindelijk eenen langen onvertakten 
stengel. Het bloemdek is geel met breede bruinroode vlekken; het lipje 
is fraai geel. 

pubes {donzig). Brazilië. BR. 1007. C 

De bloemen zijn oranjeachtig geel, met roetkleurige spikkels; het bloem- 
dek is half geopend en doet zich niet voor zooals bij de andere soorten 
van dit geslacht. 

— flaTCscens [geelachtig). Brazilië. Hort. C 

Dit is eene verscheidenheid van de voorgaande, zij is donkergeel met 
koperkleurige vlekken; de stengel die 50 N. duimen hoog wordt, is 
vertakt en met een aantal sierlijke bloemen bedekt. 

pulchellum {bevallig). Demerary. BM. 2773.. C. 

De bloemen zijn wit met eene oranje vlek onder aan het lipje^ en een 
weinig rosé om het zuiltje. Zij vormen eene vrij wel met bloemen bezette 
pluim. 
pulTlnatuiu {met een kussen). Brazilië. BR. 1839.12. C 

De bloemen zijn geel met bruin gespikkeld; het lipje heeft aan den top 
een gezwel, dat met geelachtig dons bedekt is; 't welk daaraan het aan- 



305 

zien van een kussen geeft. De bloemstengels, ongeveer 3 N. ellen lang, 
zijn vertakt en met bloemen beladen. 

O. raniosum {vertakt). Brazilië. BM. C. 

De bloemen zijn groenachtig geel, met een aantal bruine spikkels; het 
lipje heeft eenen eigenaardigen vorm. 

— raniferum iJcikvorscJien-dragend). Brazilië. BR. 1838.48. C. 

De bloemen zijn geel; het bovenste gedeelte van het lipje vormt een 
rood-roetkleurig gezwel, waarin men gelijkenis heeft gevonden op eene 
kik vors ch. 

— reflexum [teruggelogeti). Mexico. BR. C 

Met gele bloemen; deze verschilt weinig van O. altissimum. 

— retusum [pmgeslageii). Brazilië. BR. 1920. C. 

De bloemen zijn geel, de kelk- en bloembladen breed, met bruin afge- 
zet; het lipje is éénkleurig. 

— Rigbyanum [naar den Kr. Rigly). Pax. MB. B. 

De bloemen staan pluimvormig; de kelk- en bloembladen zijn schitte- 
rend citroengeel, met donker bruine vlekken op het midden; het lipje is 
levendig geel, bruin gevlekt en aan de boorden een weinig gekruld. 

— roseuni {rooskleurig). Honduras. Lindley. B. 

De bloemen zijn zuiver wit, met levendig rosé gestippeld; de stengel 
vertakt zich, wordt niet hooger dan 50 N. duimen en is met sierlijke 
bloemen bedekt. 

Deze soort is dikwerf verwisseld met O. CartJiagenense en sanguineum^ 
van welke zij door de kleur wezenlijk verschilt; deze soort is vrij zeldzaam. 

— sangiiineum {bloedrood). La Guyara. Sert. O. t. 27. C 

De bloemen zijn bleek geel, bloedrood gespikkeld; de bloemstengels zijn 
4 tot 5 voeten hoog. 

De O. Henchmanni., intermedium, luridum, sanguineum zijn voor sy- 
nonymen van O. CartJiagenense gehouden; daar zij niet volkomen aan 
elkander gelijk zijn, kan men ze voor verscheidenheden, evenwel niet voor 
soorten houden. 

— sphacelatum {verbrand). Mexico. BR. 1842.30. C. 

De bloemen zijn geel en bruin. Deze nadert zeer aan O. altissimum 
en reflexum. De bloemstengels zijn 5 tot 6 voeten lang, 

— Snttoni {naar Kapt. Sutton). Guatimala. BR. 1842.8. C. 

De in- en uitwendige deelen van het bloemdek zijn donker bruin, met 
gele punten; het gele lipje heeft eene donker bruine vlek in het midden. 

— tricolor {driekletirig). Jamaica. BM. B. 
II. ïo 



306 

Het bloemdek is geelachtig groen, rood gestreept en gespikkeld; het 
lipje is wit met roode strepen. 

Het is eene fraaije soort, welker bloemen pluimvormig staan aan het 
einde van den stengel, die een voet hoog is. 

O. trlquetrum {w.et driehoekige bladen). Jamaica. BM. 3393. o. 

Syu. Cymbidium iriquetrum Willdenow. 
Epidendrum triqueirum Schwartz. 
De bloemen zijn groenachtig wit, met purperroode strepen. — De 
plant wordt op hout gekweekt. 

— trulliferum {tmweeldragend). Brazilië. BB. 1839.57. C. 

Het bloemdek is geel, met bruin-roode spikkels; het lipje geel en heeft 
in het midden den vorm van een truweel. 

— unicorne {éénhoornig). Zie O. monoceras. 

— uniflorum {éénhloemig). Rio Janeiro. BR. 1843.43. C. 

De bloemen zijn zeer welriekend, levendig geel, met vuil bruin gespik- 
keld; het lipje is schitterend geel. De stengel draagt, in tegenstelling met 
den naam dezer plant, twee of drie bloemen, die een weinig boven de 
bladen uitkomen. Daar elke knol hare bloemstengel draagt, maakt dit, 
wanneer de plant sterk is, een fraai geheel. 

— Wentworthianum {naar den Hr. Wentworth). Guatimala. Bat. t. 39. C. 

De bloemen zijn geel met eenen karmozijn-tint. 

— Wrayae {van den Hr. Wray). Mexico. BR. C 

Het bloemdek is schitterend geel met bruine spikkels; het lipje donker 
geel; de bloemen zijn vrij groot. 

Wij zullen ons bij deze soorten en verscheidenheden bepalen, ofschoon 
dit geslacht, hetwelk kan doorgaan voor het rijkste aan kweekingwaardige 
planten, er nog een veel grooter aantal bevat. Wij hebben gemeend bij 
onze beschrijving die te moeten opnemen, welke het fraaiste en het meest 
eene plaats in de verzamelingen waardig zijn. 

De grootbladige soorten kunnen gekweekt worden in potten of in houten, 
opgehangen mandjes. De kleinbladige , met uitzondering van O. uniflorum., 
die bij ons beter in eene pot geslaagd is, kan men op hout plaatsen. Zij 
hebben behoefte aan haren rusttijd, en, vooral tijdens de volle ont- 
wikkeling, aan onophoudelijke besproeijingen. Na den bloei, en wanneer de 
plant tot hare volle ontwikkeling gekomen is, vermindert men de begie- 
tingen langzamerhand, tot men ze ten laatste bijna geheel achterlaat. 

De soorten met lange bloemstelen moet men ondersteunen wanneer zij 
zich gaan vertakken, opdat het gewigt der bloemen den stengel niet kan 
doen breken. Men kan dit bewerkstelligen met gegalvaniseerd ijzerdraad, 



307 

waarmede men aan den bloemstengel die rigting kan geven, welke men het 
meest gewenscht acht. 
ORXITUIDIV9I. Salisbury. Boom-Orch. 

Van ORNis, vogel en eidos, gelijkvormig. 

— album {wit). Trinite'. BM. 3306. C. 

De bloemen zijn alleenstaande, wit en doorschijnend; de bovenste stam per 
heeft den vorm van eenen snavel. 

— coccineum [levendig rood). Martinique. BM. 1437. C. 

Deze heeft denzelfden vorm als de voorgaande , de bloemen zijn helder rood. 
Dit geslacht is meer eigenaardig dan sierlijk; het wordt zeer goed op 

hout of in sterk gedraineerde potten gekweekt, daar de wortels, door 

het vocht, ligtelijk tot rotting overgaan. 

ORIVITHOCKPUALiVi. Hooker. Boom-Orch. 
Dit geslacht bevat niets aanbevelenswaardigs. 

PAP1U]%TA. Lindley. Boom-Orch. 

Yan PAPHos, aan Venus gewijd. 

— cristata {gehuifd). Trinite. BE. 1843. ^ A. 

De kelkbladen zijn bloedrood-purper met zuiver wit gestreept en ge- 
spikkeld; de bloembladen bloedrood-purper, wit gerand; het bloemdek is 
aan de buitenzijde wit met schemerend purper; het lipje heeft een witte, 
purper gestreepte strook en trekt zich zamen in de vorm van eenen drie- 
hoekigen schijf, die met witte haren geboord is. Het zuiltje is fraai goud- 
geel. De bloemen zijn groot en maken een schoon effect. 

Deze plant wordt gekweekt in potten of opgehangen mandjes, op de- 
zelfde wijze als Gongora. 

PAJKTOXIA. Lindley. Aard-Orch. 

Toegewijd aan den Hr. J. Paxton. 

— rosea {rooshleurig). Manilla. BR. 1838.60. C. 

De bloemen zijn fraai lila-rooskleurig. 

Deze plant vereischt dezelfde behandeling als Bletia. 

PëRISTERIA. Hooker. Boom-Orch. 
Van PEKisTERA, eene duif. 

— Barkeri. Zie Acineia. 

— elata {hoog). Panama. BM. 3116. B. 

De bloemen van deze soort komen voor op lange stengels, zijn wit 
als was, met eene lila vlek aan de basis van het lipje en hebben eenen 
eigendommelijken reuk. 

Het inwendige van de bloem doet denken aan eene duif, die de vleu- 



308 

gels uitspreidt; om welke eigenaardigheid de bewoners van Panama haar 
den naam van Heiligen- Geest-bloem gegeven hebben. 

Deze soort wordt gekweekt op hout, dat goed van mos voorzien is. 

P. cerina {van was). Demerary. BR. 1853. O, 

De bloemen zijn dof geel en hebben eenen sterken geur van jenever- 
bessen. 

— guttata [gesjnkkeld). Rio Janeiro. BR. £«. 

De bloemen hebben op eenen doften en bleeken grond een groot aantal 
roetkleurige spikkels. 

— Humboldtil. Zie Acineia. 

— pendula [hangend). Demerary. BM. 3470. H. 

Syn. P. maculata. 
De bloemen zijn groenachtig wit aan de buiten- en ligt blaauw, met 
purpere spikkels aan de binnenzijde; het lipje is dof wit, purper gevlekt; 
zij hebben eenen niet zeer sterken reuk, 

— stapelioïdes. Guinea. MB. Lindley. CJ. 

De bloemen zijn bleek geelachtig bruin; niet onaardig versierd met 
fraaije donker bruine vlekken. Deze soort is zeer welriekend. 

Dit geslacht wordt in goed gedraineerde potten gekweekt; de planten 
moeten nimmer sterk begoten worden, dan alleen wanneer zij in volle 
ontwikkeling zijn. 

PHA«I1J§. Loureiro. Aard-Orch. 
Van PHAios, schitterend. 

— albus {wit). Nepaul. BR. 1838.34. B. 

De bloemen zijn groot en zuiver wit; het lipje is purper gestippeld. 

Deze plant, die van eene moeijelijke kuituur is, wordt zeldzaam in de 
verzamelingen aangetroffen ; gedurende den rusttijd moet zij niet warm 
en genoegzaam droog gehouden worden; men geve de wortels slechts 
zooveel water, als noodig is om ze in 't leven te houden. Wanneer zij 
begint te groeijen, moet men de plant in de vochtige warmte terug 
brengen en de wortels een weinig meer bevochtigen tot de nieuwe ver- 
schijnen; dan begiet men ze milder; de bladen en knollen echter moeten 
niet besproeid worden, voor zij zooverre ontwikkeld zijn, dat het water 
ze niet meer schaden kan. 

— bicolor {üoeeJdeurig). Ceylon. Seri. O. t. 23. B. 

Het bloemdek is donker chocolade-kleurig; het lipje horenvormig, bleek- 
geel, min of meer rooskleurig. 



309 

P. grandifollas {mei groote Maden). China. Loureiro. B. 

S\Ti. Limod&nim Tankervillii. Schwartz. 
// IncarvUHa. Persoon. 

Bletia TanherviUii. £M. 
FacTiyne spectabïlis. Salisbury. 
Het bloemdek is wit aan de buiten- en nankin-geel aan de binnen- 
zijde; het lipje is horenvormig, wit en levendig purper. Het zijn groote 
bloemen. 

— infermedius {tiisschenheidé). China. B. 

Het bloemdek is wit aan de buiten- en geelachtig rosé aan de bin- 
nenzijde; het witte, horenvormige lipje heeft aan de basis eene scharla- 
kenroode vlek. 

— maculatus [gevlekt). Bombay, BM. 3960. B. 

Syn. Bletia flava. Wallich. 

/' Woodfordii. BM. 
Met gele bloemen; het lipje is aan de punt der lobben purper gerand 
en gevlekt. 

De plant verkreeg haren naam om de witte vlekken waarmede de bla- 
den bedekt zijn. 

— Walliehil {va7i WallkJi\ Bombay. BE. 1839.58. A. 

Het bloemdek is wit aan de buiten- en oranjekleurig aan de binnen- 
zijde; het lipje is wit en eenigermate geel en rood gekleurd. 
Dit geslacht wordt gekweekt even als Bletia. De potten, waarin men 
ze plaatst, moeten diep zijn; men zet ze ten naasten bij tot aan den 
rand in eene bedding van matige warmte, wanneer de nieuwe wortels be- 
ginnen te voorschijn te komen, om de ontwikkeling daarvan te bevorde- 
ren en moet ze dan ook mildelijk begieten. Wanneer de bloemen verwelkt zijn , 
en de planten meer in rust treden, moet men ze op eene beluwde plaats 
zetten en den grond in de potten bijna droog houden, tot de ontwikke- 
ling weder aanvangt, wanneer het ook tijd is om ze te vei"potten. 
PH-UL.EXOPSIS. Blume. Boom-Orch. 

Van PHAT.AiXA, nachtvlinder en opsis, gelijk. 

— amaMlis [beminnelijJc). Manilla. BR. 1838.34<. VH. 1845. A. 

Syn. Angracuiii album majus. Eumphius. 
Epidendrnm amuhile. Linn. 
Het bloemdek is zuiver wit; de kelkbladen zijn smaller dan de bloem- 
bladen; het lipje is aan het uiterste einde wit, terwijl de zijlobben hier- 
van, die sterk ontwikkeld zijn, rijk geel en levendig rood zijn gestreept» 
met scharlakenrood van het zuiltje naar het midden. Het is eene zeer 
schoone plant. 



310 

P. grandiflora {met groote hloemen). Manilla. BR. A. 

Het bloemdek is wit; de kelkbladen zijn min of meer groenachtig; het 
lipje is wit en bij de basis van het zuiltje purper en geel gestreept. 

Deze soort verschilt slechts weinig van de voorgaande; de strepen van 
het lipje zijn niet zoo sierlijk en de bloem is niet zoo zuiver wit; de 
bladen van A. amahilis zijn aan de onderzijde rooskleurig. 

Dit geslacht, hetwelk in alle keurverzamelingen eene plaats verdient, 
waar het niet het minst tot sieraad zal strekken , wordt op hout gekweekt, 
dat men op 30 Ned. duimen afstands van het glas ophangt. Ten einde 
de wortels vochtig te houden, voorziet men ze van een weinig mos 
't welk men van de plant verwijderd houdt. De bloemen verschijnen met 
vijf tot zeven gelijk aan den top van eenen dunnen en buigzamen 
stengel, en vernieuwen zich door de verlenging hiervan. Wij zijn van 
meening dat men dit bloeijen na verloop van twee maanden moet 
tegengaan, om de plant niet te zeer uit te putten. Eene hooge 
temperatuur is haar welgevallig; ook moet men ze gedurende den winter 
niet veel bevochtigen. 

De aankweeking of vermenigvuldiging van dit geslacht is zeer moeije- 
lijk, daar dit slechts zeldzaam door scheuring kan worden bewerkstel- 
ligd. — Te Kew heeft men het volgende middel te baat genomen: men 
legde namelijk de bloemstengels tegen het stuk hout, 't welk de plant 
droeg en voorzag iedere knoop van dezen stengel van een weinig mos; 
daar men den top van den stengel afgesneden had, zwollen de knoopen 
op en gaven aan nieuwe planten het aanzijn. — Langs dezen weg is men 
er aldaar in geslaagd om een groot stuk hout met P. amahilis te be- 
dekken, eene soort die zeldzaam geworden is en welke men zich niet 
dan met moeite verschaffen kan. 

Dezelfde wijze van aankweeking kan ook aangewend worden voor On- 
ciditim papilio, die echter te algemeen is geworden dan dat het noodig 
zou zijn dit middel te baat te nemen. 

PHOIilliOTA. Lindley. Boo7ii-Orc/i. 

Van PHoi.is, schub en ous, oor. 

— articulata {geleed). Oost-Indië. BH. 1839.57. C. 

De bloemen zijn wit, het lipje eveneens en de uiterste basis geel. 

— conchoïdea ischelp-vormig). Manilla. BR. C 

De bloemen gelijken op de volgende soort maar zijn grooter. 

— imbrlcata [dakpan-vormig). Nepaul. BR. 1777. C. 

Syn. pallida. BR. 
De bloemen van deze soort zijn bruin en wit. 



811 

P. undolata [gegolfd). Oost-Indië. BR. 1213. C. 

De bloemen zijn bruin; het lipje is bleek rood. 

Dit geslacht wordt op hout gekweekt en vereischt, tijdens de ontwik- 
keling, ruime begietingen. 

PHYSOSIPHOX. Lindlej. Boom-Orch. 

Dit geslacht bevat niets aanbevelenswaardigs. 

PHYSFRlfS. Richard. Aard-Orch. 

— argentens {verzilverd). Java. C 

De bloemen, welke wit zijn met eene kleine bruine vlek op ieder 
blad, zijn niet schitterend; de plant kan alleen in aanmerking komen om 
de bladen, die groen zijn, met zilverachtige nerven, hetwelk denken doet 
aan het geslacht Anmctochïlus. 

— pictus {geschilderd). Java. BR. 1844.61. C. 

Deze soort verschilt van de voorgaande alleen door eene breede zil- 
verachtige vlek, welke op den middennerf der bladen voorkomt. 

Dit geslacht wordt gekweekt in potten in verbrokkelde heiaarde, met 
potscherven en een weinig houtskool vermengd ; men moet de potten in de 
warme kast, op eene bedding onder eene klok houden en weinig bevoch- 
tigen, waarbij men vooral de bladen vermijden moet. 

PLiErROTHALLIS. Brown. Boom-Orch. 

Van PLEUROX, zijde en thallö, bloeijen. 
Dit geslacht, hetwelk rijk is in soorten en verscheidenheden, biedt, 
uit een botanisch oogpunt beschouwd, een groot aantal merkwaardige 
planten aan ; de bloemen zijn meerendeels klein , hebben glans noch geur 
en kunnen om geene enkele rede, den liefhebbers worden aanbevolen. 

POL.Y§TACHIA. Hooker. Buom-Orch. 

Wij kunnen van dit geslacht niets aanbevelen. 

POXTHIETA. Brown. Aard-Orch. 

Toegewijd aan den Heer de Ponthieu. 
Dit geslacht is meer eigenaardig dan fraai; de eenige soort, welke wij 
den liefhebbers kunnen aanbevelen, is: 

— maculata [gevlekt). Nieuw Grenada. Portf. 2. C. 

De bloemen zijn wit, onregelmatig van grijs doortrokken, met purpere 
stippels; het lipje is levendig geel. 

Deze plant wordt in eene pot gekweekt in stukken zandige heiaarde 
met potscherven, bij goede drainering. Tijdens hare rust moet men ze 
minder water geven. 



312 

PRE§COTTIA en PROMEWJSA. 

Dit zijn twee geslachten, die beide geene aanbevelenswaardige soorten 
bevatten, 

REIVAWTHERA. Loureiro. Boom-Ore k. 

Van EEN, nier en anthera, helmknop. 

— arachnZtis {spiiineweh-achtig). Japan. Lindley. CJ. 

Syn. Upidendrum fios aeris. Linn. 

Litnodorum fios aeris. Schwartz. 

Aerides arachniüs. Schwartz. 

Arac/mitis mosckifera. Blume. 
De bloemen zijn bruin en purper. 
Deze soort groeit sterk uit. 

— coccinea [scliarlahenrood). Manilla. BR. 1131. A, 

De kelkbladen zijn bleek scharlakenrood , onregelmatig donkerder ge- 
spikkeld; de bloembladen zijn levendig scharlaken, met gele banden ge- 
streept; het lipje is geel, met scharlaken gevlekt. 

— matutlna {van den morgen). Manilla. BR. 1843.41. c. 

De bloemen zijn klein, scharlakenrood met geel doortrokken. 

Deze soort staat op verre na niet gelijk met de voorgaande. Zij be- 
houdt hare bloemen zeer lang. 

Dit geslacht wordt op hout gekweekt, waarbij lange blokken onmis- 
baar zijn. 

Yan de drie hier boven beschreven soorten is ontegenzeggelijk de R. 
coccinea de schoonste, maar ook zij bloeit het moeijelijkst. Wij hebben 
voor tien jaren in het Museum te Parijs een zeer fraai exemplaar gezien, 
hetwelk verscheidene ellen lang en met fraaije bloemen bedekt was, maar 
wij gelooven niet dat zij sedert dat tijdstip gebloeid heeft. In de kasten 
te Kew heeft men planten van 1 tot 3 Ned. ellen, die jaarlijks bloeijen. 
Dit hangt waarschijnlijk af van de bijzondere kuituur aan welke men 
deze planten onderwerpt. 

Wij laten hier hoofdzakelijk de algemeen aangenomen kweekwijze vol- 
gen van hen, die in deze kuituur het best geslaagd zijn. 

Zij geven aan deze plant veel licht en houden den wortelstok en de 
bladen bijna droog en de wortels vochtig. 

Wanneer men de plant plaatst in eene pot met heiaarde en sphagnum 
gevuld, moet men de wortels uitspreiden en met mos en potscherven 
omgeven voor drainering. De pot moet zoodanig geplaatst zijn, dat de 
plant langs het glas groeit, waar zij 's morgens en 's avonds de zonne- 
stralen opvangt. De wortels, hetzij bijwortels of vertakkingen die niet 



313 

meer iu de pot kunnen nederdalen, moeten van fijn gehakt sphagnum 
voorzien worden, op zoodanige wijze, dat men ze voortdurend kan voch- 
tig houden. Men houde in het oog dat deze behandeling alleen geldende 
is voor het schoone jaargetijde, en dat men de wortels gedurende den 
winter slechts spaarzaam mag bevochtigen. 

De R. coccinea zal beter tieren in eene warme- dan in eene Orchideën- 
kast, waar de warmte te sterk en het licht niet levendig genoeg is. 

RODRIQUEZIA. Ruiz et Pavon. Boom-Orch. 

Toegewijd aan den kruidkundige Rodriguez. 

— planifolia {viet vereenigde bladen). Brazilië. BM. C. 

De bloemen zijn geel, eenigermate groenachtig, en hangen in sier- 
lijke trossen neder. Het is eene zeer welriekende soort. 

— secunda {7iaar ééne zijde). Trinité. BR. 930, B. 

Syn. R. lanceolata. BC. 

Pleurolhallis coccinea. Hooker. 
De bloemen zijn fraai scharlakenrood , en geplaatst op eenen ligten sten- 
gel van 10 tot 12 duim lang; zij maken eene fraaije uitwerking. 

De R. carnea is eene veel bleekere en veel mindere soort als de coccinea. 
De volgende soorten bevelen wij niet aan. 



R. Barkeril. BM. 

— crlspa. BR. 

— lanceolata. Ruiz et Pavon 



R. laxiflora. BR. 

— niaculata. BM. 

— reeurva. 

Syn. Gotnesa reeurva. BC. 
De planten , die tot dit geslacht behooren , worden in goed gedrai- 
neerde potten gekweekt. De secunda moet op hout, goed met mos bedekt, 
geplaatst worden. Zij behoeven eene vochtige warmte. 

SACCOLtABILJÜ. Blume. Boom-Orch. 

Van sAccus, zak en labium, lipje. 

— Bluniei {naar den Heer Blume). Java. BR. A. 

De kelk- en bloembladen hebben eene fraaije violetstreep onder den 
top; het lipje heeft eene donkere tint van dezelfde kleur, uitgezonderd 
de punt, welke wit is. 

Het is eene fraaije soort, welke zeer nabij komt aan S. giittakim; de 
bloemstengels zijn korter en digter. 

— calceolare {sclioeisel-vormig). Oost-Indië. BR. 1830.139. B. 

Syn. Aerides calceolare. Smith. 
Het bloemdek is geel, met ronde purpere vlekken; het lipje wit met 
gele en karmozijn roode vlekken aan de basis. 



314 

dentlculatnm [getand). Sylliet. BM. j^^ 

Het bloemdek is groenachtig geel, overvloedig roetkleurig gevlekt; 
het lipje is groot met een' gelen zak, die van eenen witten rand om- 
geven is. 

gutfatum [gespikkeld). Oost-Indië. BR. 1443. x, 

Sjn. Aerides retusum. Swartz. 

// guttatum. Roxburgh. 
Epidendrum retusum. Linn. 
Limodorum retusum. Swartz. 
Sarcaoithus guttatus. Lindley, 
Het bloemdek is wit, met paars-rood gespikkeld; het lipje karmo- 
zijn-rose. 

Dit is de schoonste soort van dit geslacht; zij brengt talrijke bloem- 
takken voort, die een sierlijk effect maken. 

mlcranthum {met kleine hloemeii). Sylhet. Lindley. c. 

Het bloemdek is violet en het lipje donker rooskleurig; de bloemen 
zijn klein maar fraai. 

minlatum [meniekleurig). Java. BR. 1847.58. A. 

De bloemen komen op vertakte stengels voor en hebben eene zuivere 
roodachtige oranje kleur. De Javaansche dames maken er fraaije kap- 
sels van. 

papillosum [tepelvormig). Malabar. BR. 1552. B. 

Syn. Aerides undtolaitim. Smith. 

Cymhidium prmnorstim. Swartz. 
Epidendrum pramorsum. Roxburgh. 
Vanda congesta. BR. 
Het bloemdek is roomwit, van den top af met purpere strepen, die 
naar het midden uiteen loopen; het lipje is klein en wit. De bloemen 
hebben eenen aangenamen geur en zijn okselstandig. 

prsemorsum [afgebeten). Oost-Indië. Blume. A. 

Syn. Aerides pramorsum. Willdenow. 
De bloemen zijn wit en fraai met teeder ïooskleurig lila gespikkeld. 
Deze fraaije plant heeft wel eenige overeenkomst met S. guttatum. 

rubriim [rood). Nepaul. Lindley. A. 

Syn. S. ampullaceum. Lindley. 

Dit is eene zeer fraaije soort met helder rooskleurige bloemen. 

Wij gelooven echter dat het eene, weinig verschil opleverende, ver- 
scheidenheid is van S. miniatum. 



S. rosenm. 

— IViffhtianam . 



315 

Dr. Lindlej beschrijft, in zijne Genera and Species^ negen en twintig 
soorten van Saccolahium ^ die allen niet in gelijke mate aanbeveling ver- 
dienen, er zijn echter verscheidene die verdienen gekweekt te worden, 
waarbij de volgende, die alleen in de herbariën voorkomen. 
S. curTifoliuiu. 

— giganteum. 

— ingens. 

De planten van dit geslacht worden op hout gekweekt; beter echter zal men 
handelen door ze in mandjes in eene vermenging van sphagnum, heiaarde 
en potscherven, in gelijke hoeveelheden, te plaatsen. Zij moeten, wanneer 
zij in groei zijn, goed begoten worden en vereischen dan eene hooge 
temperatuur. Komen ze echter tot rust, dan moeten ze kouder geplaatst 
en zeer weinig bevochtigd worden. 

SARCAKTHUS. Lindley. Boom-Orch. 

Yan SARX, vleesch en anthos, bloem. 

— paniculatas [pluimvormig). China. BB. 220. C 

Syn. Aerides paniculatum. BR. 220. 
Vanda patiicv.lata. BR. 506. 
De bloemen zijn geel met twee bloedroode strepen over het midden 
der bloem- en kelkbladen; het lipje is geel. 

— rostratus {met eeneti hele). China. BM. 981. CJ. 

Syn. Va7ida recv.rva Hooker. 
Het bloemdek is oranje en bloedrood gerand; het lipje is violet en het 
bekje heeft den vorm van een snavel. 

— teretifolius {^et ronde hladen). China. £'J/. 3571. C 

Syn. Vanda tereiïfolia. Lindley. 
Het bloemdek is geelachtig groen, met drie bloedroode strepen op de 
blaadjes, het lipje wit, violet gerand. 

Deze planten kan men kweeken in potten, in houten mandjes of wel 
op hout; zij vereischen warmte en veel water. — Zijn zij in rust dan 
geve men ze minder warmte en weinig water. 
SARCOCHIL.r§. Brown. Boom-Orch. 

Tan SAKX, vleesch en chilos, lipje. 

— unguiculatus (nageltje). Manilla, BR. C. 

De bloemen zijn ligt stroogeel, de zijlobben van het lipje wit, kar- 
mozijn gestreept. De binnenste lob is karmozijn gespikkeld. 

Deze wordt gekweekt als BurUngtonia. 
§ArROGL.OS§lT]fl. Lindley. Aard-Orch. 
ÜCAPHIGLOTTIS. Poeppig. Boom-Orch. 



316 

Deze beide geslachten bevatten niets aanbevelenswaardigs. 

SÜHOMBURGHIA. Lindley. Boom-Orck 

Toegewijd aan den natuurkundige Schomburgk. 

— crispa [met gekrulde bloemen). Demerary. Sert. O. t. 10. b. 

De bloemen zijn geelachtig bruin; het lipje is wit, lila gestreept en 
zwavelgeel geboord. 

— niarglnata [gehoord). Suriname. Hort. B. 

De bloemen zijn donker oranje en geel gerand, het lipje is teeder lila- 
kleurig. 

— tibicinis {tronqM). Honduras. Bat. t. 30. A. 

Het bloemdek is lila van buiten en chocolade-kleurig van binnen; het 
lipje is wit aan de buitenzijde en aan de binnenzijde lila geboord; de 
zijlobben zijn geelachtig aan de kanten en donker lila gestreept, de mid- 
delste lob heeft eene gele vlek, min of meer lila gestreept. 

Het is eene fraaije plant, welke men in haar vaderland ossenhoren 
noemt, omdat de kinderen zich van de knollen op de wijze van een'jagt- 
hoorn bedienen. 

— uiidulata [gegolfd). La Guijara. BE. 1845.53. A. 

Het bloemdek is fraai purper; de randen der bloemdekbladen zijn ge- 
golfd; het lipje is klein en violet-purper. 

Deze soort nadert aan S. crispa, doch verschilt er van door de grootte 
der bloemen en de donkere kleur. 

Deze planten kan men wel op hout kweeken, doch men zorge de wor- 
tels van mos te voorzien. Tijdens de ontwikkeling voegt haar eene warme 
en vochtige temperatuur, terwijl ze kouder moeten gehouden worden als 
ze in rust zijn. 

§CrTICARIA. Lindley. Boom-Orck 

— §tellii [van den Er. Steil). Demerary BB. 1986. C. 

De bloemen verschijnen onder aan den stengel en zijn roomwit, bruin- 
rood gestippeld. Deze plant moet op hout gekweekt worden; de ronde en 
zeer lange bladen hangen van nature naar beneden. Hare ontwikkeling 
vereischt eene vochtige warmte en ruime begietingen. 

ÜOBRALIA. Ruiz et Pavon. Aard-Orch. 

Toegewijd aan den kruidkundige Sobral. 

— decora [fraai). Guatimala. Bat. t. 26. B. 

De bloemen van deze soort zijn klein, maar volgen elkander gedurende 
geruimen tijd op. 

— dichotoma [tweevorhig). Nieuw Grenada. Ruiz et Pavon. A. 



317 

De bloemen zijn zuiver wit en komen voor aan tweevovkige trossen 

uit de oksels der bladen; zij zijn groot en dik van weefsel. — Hare 

schoonheid is oorzaak dat de Peruanen haar Bloem van het paradijs 

noemen. 

S. liliastrum [op eeue lelie gelijkende). Bahia. Seri. O. t. 29. A. 

Het bloemdek is wit en het lipje levendig rood. — Hiervan is eene 
verscheidenheid, waarvan het lipje fraai goudgeel en het bloemdek levendig 
rooskleurig is. Beiden zijn zeer fraai en waardig dat zij gekweekt worden ; 
ze zijn afgebeeld in het Serium Orchidaceum. 

— macrantha {mei cjroote bloem). Guatimala. Bat. t. 37. A. 

Het bloemdek is paars rooskleurig; het lipje zeer groot, van dezelfde 
kleur en heeft eene gele vlek met witten rand aan den top. De zeer groote 
bloemen komen voor op lange, dunne, met bladen bezette stengels; zij 
maken een bewonderenswaardig efiect, maar zijn ongelukkig van korten 
duur. 

— sessilis [zittend). Guyana. BR. 1841.17. C 

Het bloemdek is rooskleurig; het lipje eveneens maar donkerder. Men 
heeft van de bloemen slechts kort genot, daar zij niet langer dan vier of 
vijf uren duren. 

Deze planten moeten gekweekt worden in wijde, diepe potten en vor- 
deren veel drainering; de grond moet zamengesteld zijn uit stukjes zan- 
dige heiaarde, sphagnnm en potsclierven. Tijdens de rust bevochtige men 
ze weinig, maar in den tijd harer ontwikkeling moet men ze goed begieten. 
SOPHRO^ITIÜ. Lindley. Boom-Orch. 
Van .soRHRONA, zedig. 

— cernna [hangend). Rio Janeiro. BR. 1129. C. 

De bloemen zijn karmijn-rood; het lipje eveneens, maar geel aan den 
top. De bloemen zijn klein. 

— g^randiflora [met groote bloem). Rio Janeiro. Sert. O. t. 5. A. 

Het bloemdek is schitterend rood; het lipje eveneens en de zijlobben 
hebben eene gele tint. Het is eene fraaije bloem. 

— violacea [violet). Rio Janeiro. BR. 1840.18. C 

De bloemen zijn violet met lila strepen. Deze wordt in potten gekweekt. 

De twee eerste soorten moeten op hout, 't welk van mos voorzien is, 
geplaatst worden. Gedurende haren rusttijd moet men ze spaarzaam be- 
vochtigen. Deze planten zijn kiesch en moeten vooral zeer rein gehouden 
worden. 
ÜPËCHLnviA. Lindley. Boom-Orch. 

Dit geslacht bevat niets aanbevelenswaardigs. 



318 

flTAlVHOPEA. Hooker. Boom-Orch. 

Toegewijd aan den Graaf de Stanhope. 

■^ — aarea [goudkleurig). Guatimala. BR. B. 

De kelkbladen zijn helder oranje, met helder purper gespikkeld; de 

bloembladen hebbeu denzelfden grond maar donkerder, met donkerder 

purpere spikkels: het lipje is hoog oranje met eeue purpere vlek op iedere 

zijde. De bloemen zijn groot, talrijk en zeer welriekend. 

— Barkeril {va7i den Heer Barker). BR. B. 

Dit is eene verscheidenheid van Si. JFardii, zonder de oogeu ; het lipje 
is zuiver wit. De bloem is zeer welriekend. 

— Bucephalas. Quito. BR 1845.24. B. 

Sjn. Ejndendrum grandifiorum. Humb. et Bompl. 
Anguloa grandifiora. 
De bloemen zijn bleek geel met twee zwarte oogen aan de basis van 
ieder bloemblad en eenige roode punten, ook op de kelkbladen; het lipje 
is donker geel. De geur der bloemen is heerlijk. 

— Cavendishii {van den Hertog van JDevonshire). Peru. BR. B. 

De bloemen hebben eenen witten grond met purpere spikkels. 

— Devonien§is [van den Hertog van Bevonshire). Mexico. Seri. 0. 1. 1. b. 

Sjn. St. maculosa. 

Maxillaria lincea. 
Anguloa Hernanderii. Kunth. 
De bloemen zijn geel, met donker karmozijn-bruine vlekken; het lipje 
is wit, met donker purpere vlekken naar het midden van het bovenste 
gedeelte. De bloemen gelijken op die van St. tigrina. 

— ecornuta [zonder horens). Midden-Amer. VH. 2. B, 

De kelk- en bloembladen zijn wit, met eenige roodachtige vlekken 
aan den top; de bloembladen zijn veel kleiner dan de kelkbladen; het 
lipje heeft geen horens, die het geslacht kenmerken; het is vliezig, 
oranjegeel, 't w^elk naar den top in zuiver wit overgaat. 

Het is eene fraaije soort, waarvan men den invoer aan den beroemden 
bloemist van Houtte te danken heeft. 

— eburnea {van ivoor). Brazilië. BR. 1529. B. 

Syn. grandifora. Lindlej. 
Het bloemdek is ivoorwit, het lipje wisselt in kleur af. De reuk is 
zeer sterk. 

— graTeolens {sterk riekend). Peru. VH. 1846. B. 

Het bloemdek is teeder stroogeel; het lipje is aan den top en in het 



319 

midden fraai eigeel en ivoor- wit aan de basis, met eenige purpere 
stippen. 

Deze bloemen verspreiden in de kast eenen geur, welke zoo sterk is, 
dat men slechts kort in de nabijheid der plant verwijlen kan. 

S. guttulata {gespikkeld). Peru. BR. JB. 

Het bloemdek is bleek nankingeel en, even als het lipje, met kleine 

karmozijnroode en bruine oogjes bedekt. Deze soort komt nabij Si. oculata. 

— Inslgnis [groot). Brazilië. BR. 1837. B. 

De kelkbladen zijn vleezig, bleek geel en purperrood gemerkt; de 
bloembladen gegolfd, bleek geel, met roetkleurige vlekken; het lipje is 
w'it, bloedrood gevlekt. 

Van deze soort zijn eenige verscheidenheden , die allen verdienen ge- 
kweekt te worden , als : 



§. insignis pnnctata. 

— — speciosa. 

— ~ superba. 



ü. Inslgnls atro-rubens. 

— — Iiiodora. 

— — leucochlla. 

— — major. 

— maculosa [gevlekt). Mexico. FC. B. 

Deze is eene slechts weinig verschillende verscheidenheid van 8. tigrina ; 
de bloemen zijn kleiner en de vlekken verschillen een weinig. 

— Ijindleyana [naar Dr. Lindley). Brazilië. BR. B. 

De bloemen hebben eenen witten, min of meer rooskleurigen grond, 
met een aantal kleine karmozijn- en roetkleurige stippen en ringen ; zij 
verspreiden eenen zeer aangenamen geur. 

— Jtlartiana [naar den Heer Martius). Mexico. Bat. t. 15. A. 

De kelkbladen zijn stroogeel, waarop hier en daar eene vereeniging 
van kleine wijnroode stippels; de bloembladen zijn doorschijnend wit met 
breede donker karmozijn-roode vlekken; het lipje is ivoor-wit, met uit- 
zondering van eene ligte ontkleuring aan de basis; de horens zijn zeer 
sterk ontwikkeld in den vorm van olifants-trompen , de uiteinden zijn 
kraakbeenig, hetwelk men bij geene andere soort van dit geslacht aantreft. 

bicolor [iiveekleurig). Oaxaca. BR. 1843. t, 44. A. 

De bloemen zijn fraai zuiver wit, maar spaarzaam karmozijn gespik- 
keld; zij zijn groot en zeer welriekend. 

— oculata [met oogeii). Mexico. BR. 1800. B. 

Sjn. Ceratochilus oculatus. BC. 
De bloemen zijn geel en ruim met kleine purpere ringen bezet; het 
lipje heeft, aan iedere zijde van zijne verdikking, eene sterke vlek, die 
eenige gelijkenis op een oog heeft. De bloemen verspreiden eenen sterken geur. 



320 

S. — Barkerlana [naar den Hr. BarJcer). Mexico. BM. b. 

Deze gelijkt op S. i7isignis, met het lipje van S. octilata. 

— quaflricorniis [met vier horens). Midden- Amerika. BR. 1838.5. B, 

De kelkbladen zijn geel, met roode spikkels; het lipje is aan de basis 
karmijn rooskleurig, 't welk in groenachtig wit overgaat en aan den top 
in geel eindigt. 

— Ruckeri [naar den Hr. Riicker). Mexico. BR. B. 

Deze gelijkt op Sé. Wardii, alleen is zij bleeker van kleur. 

— saccata [met eene zak). Guatimala. Bat. t. 15. B. 

Het bloemdek is bleek groenachtig geel; het lipje is wit aan het einde ? 
in het midden hol in den vorm van eene ronde, levendig oranje-gele zak. 
De reuk is nog sterker als van 8t. graveolens. 

Tiolacea [violet). Bahia. Hort. B. 

Dit is eene zeer schoone verscheidenheid van de voorgaande. De zak 
van het lipje, in stede van geel te zijn, zoo als bij gene, is hier fraai 
donker violet. — De geur is zeer aangenaam. 

— tigrina [getijgerd). Mexico. BR. 1839.1. A. 

De kelkbladen zijn breed en hebben eenen nankin-gelen grond; de bloem- 
bladen zijn smal, met dezelfde grondkleur; beiden zijn met groote, on- 
regelmatige oranje-roode vlekken bedekt; het lipje is goudgeel aan den 
top, met groote roode vlekken, aan de punt bleek geel en, even als het 
zuiltje en de horens, met donker gele en purpere punten bezet. De bloe- 
men zijn zeer groot en hebben eenen aangenamen reuk '). 

superba [zeer fraai). Mexico. VH. Dec. 1851. A. 

Deze Stanhopea., welke eene zeer fraaije verscheidenheid van de voor- 
gaande is, heeft eene minder levendige tint, de grond is minder geel en 
de vlekken zijn veel grooter en violet rood. Deze geeft de grootste bloe- 
men van het geheele geslacht; de geur is aangenaam ; zij zijn echter slechts 
kort van duur. 

— virginalis. Bahia. Hort. A. 

Het zijn groote, zuiver witte bloemen, met eenen geur als oranjebloesem; 
het is eene zeer fraaije soort, die lang in bloei blijft. 



') Van deze prachtige soort bloeiden in het laatst der maand Julij , in 's Rijks Akademietuin 
te Leiden, verscheidene planten. Eene daarvan bragt eene bloem voort, die 18 N. duimen in 
middellijn had. Uie bloem is allerprachtigst en overtreft alle verbeelding ; jammer dat haar schoon 
VOO vlugtig is en zij na slechts weinige dagen verwelkt, — Deze grootte der bloemen is niet zeld- 
zaam , maar hangt ongetwijfeld veel af van het getal , 't welk de plant voortbrengt ; de hier be- 
doelde plant had slechts ééne bloem, terwijl bij al de andei'cn, die meer bloemen hadden, deze 
ook minder groot waren. de vertaler. 



321 

S. IVardli {va^i den Hr. TFard). La Guyara. Sert. O. t. 20. B. 

Het bloemdek is dof geel, met eenige bruine spikkels; het lipje is 
hoog bloedrood en van eenen schitterenden oranje-gelen kring omgeven. 

Alle soorten van dit geslacht verdienen in de verzamelingen der lief- 
hebbers te worden opgenomen; zij zijn allen welriekend, zelfs is de geur 
van sommigen te sterk en te doordringend om ze in een vertrek te kun- 
nen houden. 

De bloemstengels verschijnen of aan de zijden, of onder aan de knollen, 
waarom de planten in mandjes moeten worden opgehangen, waarvan de 
tusschenruimten wijd genoeg zijn, om aan de knoppen en schutbladen ge- 
legenheid te geven zich vrijelijk naar buiten te kunnen ontwikkelen; de 
mandjes moeten gedraineerd worden met potscherven en stukken houts- 
kool, maar genoegzaam van elkander verwijderd om ruimte voor de bloem- 
stengels te laten. Men bedekt deze drainering met stukken heiaarde en 
sphagnum. 

AVij kunnen niet aanraden om de Stanhopeds in potten te kweeken, 
want, niettegenstaande men de zorgen neemt van de stukken heiaarde 7 
of 8 duimen boven de rand der pot te doen uitkomen, zal men al die 
bloemen verliezen, die uit het midden der plant voortkomen en die geenen 
uitweg naar de zijden zoeken kunnen. Bovendien is deze handelwijze on- 
bevallig en aan meerdere ongemakken onderhevig. 

Het is een van die geslachten, waarbij men 't meest bij de begieting 
op zijne hoede moet zijn om de jonge loten te vermijden. De bladen ver- 
toonen zich 't eerst in den vorm van een' horen, binnen in welken het 
water blijft staan, 't welk de verrotting van het jonge blad ten gevolge 
heeft. Tijdens de rust moet men ze weinig bevochtigen, en men moet de 
planten alle drie of vier jaren van mandjes verwisselen, daar zij veel 
wortels vormen, waardoor de geheele mand eindelijk opgevuld wordt met 
eene vaste wortelmassa, door welke ten laatste de bloemen geenen uitweg 
meer kunnen vinden. 
STELIS. Schwartz. Boom-Orcli. 

Dit geslacht bevat niets aanbevelenswaardigs. 
STEXIA. Lindley. Boom-Orck 

Ook dit levert voor den liefhebber niets fraais op. 

Hetzelfde geldt van de volo-ende s^eslachten: 

O DO 

STEIN^OCORl-AE. Lindley. Boom-Orch. 
STEXORYXCHrS. Lindlev. Aard-Orch. 
TETRAPELTIS. Wallich. Boom-Orch. 
TRIA§. Lindley. Boom-Orch. 
TRICUCEXTRUin. Poeppig. Boom-Orch. 

IL ï> 



322 

TRICOPlLiIA. Lindley. Boom-Orch. 

Van THRix, haar en pilion, muts. 

- — candlda [wit). Mexico. B. 

De bloemen zijn geheel wit; het lipje heeft den vorm van eenen ver- 
lengden horen. De reuk is aangenaam. 

— coccinea [scharlahenrood). Nieuw Grenada. BR. B. 

De bloemen zijn scharlakenrood en bleekgeel gerand. 

— snavls {liefelijk). Midden-Amerika. BM. 4554. A.. 

Groote bloemen met een zeer bleek nankin-geel bloemdek; het lipje, 
aan de basis sterk ontwikkeld, is rijk helder lila gespikkeld met eene 
gele dwarsche vlek bij het midden. Het zijn zeer fraaije en welriekende 
bloemen. 

— fortilis [verdraaid). Mexico. BM. 3739. B. 

Het bloemdek is bruin-geel; het lipje wit; de bloembladen zijn als een 
kurketrekker gedraaid. 

Hiervan zijn nog twee verscheidenheden , die verdienen te worden op- 
genomen, namelijk punctata en rnhra. 

De Tricopilia\s worden, met eene goede drainering, in potten gekweekt. 

TRIGOlNIDIVra. Lindley. Boom-Orch. 

Wij kennen in dit geslacht niets 't welk wij kunnen aanbevelen. 

VASfDA. Brown. Boom-Orch. 

Naam dezer plant in Hindostan. 

— Batcmannl [van Bateman). Philipp. Eil. BR. 1846.59. A. 

De bloemen zijn niet alleen merkwaardig om hare grootte, maar ook 
hare schoonheid maakt ze aanbevelenswaard; van voren gezien vertoonen 
zij de rijkste goudkleur van karmozijnroode vlekken doorzaaid; de ach- 
terzijde is levendig purper, 't welk, naar de boorden, ongevoelig in fraai 
violet met parelmoer overgaat. 

— coerulea [blaauw). Oost-Indië. Faxt. 1851.36. A. 

Groote bloemen van eene teedere, eenigzins leiachtig blaauwe kleur; 
het lipje is kort en zeer hoog blaauw. 

— congesta [opgehoopt). Ceylon, BR. 1839.94. , B. 

Syn. Saccolahium papillosu7ïi BR. 

Cymbidium prmnorsum Schwartz. 
Epidendrum pramorsum Eoxburgh. 
A'èrides undnlatum Smith. 
Zie de beschrijving van Saccolahium papillosiim. 

— cristata [gehdfd). Nepaul. Sert. O. A. 



323 

Het bloemdek is wit, met eene groene tint; het lipje zeer groot, geel- 
achtig wit, met levendig purpere banden. 
V. fnrra {duister). Oost-Indië. BR. 1S44..42. €. 

Sjn. Angracum furvum Rumphius. 
Cymbiflium furvum ^Yilld. 
Epidendrum furvum Linn. 
Prof. Blume beschrijft deze plant aldus : De bloemen zijn koperkleurig met 
een rooskleurig lipje; bij Vanda furco viridis, die van deze niet schijnt 
te verschillen, zijn deze bloemen beschreven, als zijnde dof bruin, met 
groenachtig geel geboord, terwijl het lipje geheel van deze laatste kleur is. 

— glgantea {reusachtig). Oost-Indië. Lindley, A. 

Svn. Lindleyana. Griffith. 
Groote, hoog gele bloemen, met kaneelbmine pluimsels. 

— Griffithii {van Griffith). Oost-Indië. Griffith. B. 

De bloemen zijn aan de binnenzijde geelachtig bruin, eenigzins als een 
dambord gevlekt; het lipje is lila, naar de basis met donker gele vlekken 
bezet. De bloemen zijn klein en vormen een tuil. 

— helrola {icijnkleur). Java. Blume. A. 

Groote wijn-roode bloemen, met bleek purper genuanceerd; de zijlobben 
zijn levendig purper. 

— Insfgnis {opmerkenswaardig). Timor. Rumphius. A. 

Met zeer fraaije, koperachtig bruine bloemen; het lipje is levendig rood 
en aan de basis wit. Dit is eene der schoonste soorten van dit geslacht. 

— lamellata. Phillipp. Eil. BR. 183S.125. D. 

De bloemen zijn bleek geel, met rood gestreept en niet fraai. 

— llmbata 

Deze kan niet worden aanbevolen. 

— Lowli {naar den Hr. Loio). Borneo. liindley. B. 

De bloemen zijn citroengeel, met rijke kaneelkleurige banden en vlekken 

— multiflora. 

— parviflora. 

Deze beide soorten zijn niet aanbevelenswaardig. 

— Roxburghll {van den Hr. Roxburgh). Oost-Indië. BR. 506. A. 

Sjn. /'*. tessellata. 

Cymiidiu7n tessellatum. 

Yan deze soort zijn twee verscheidenheden: de eene, afgebeeld in Bot. 

Reg. t. 506, heeft een bloemdek met eenen bruinen tint en gele vlekjes en een 

ligt blaauw lipje; de andere, waarvan in het Bot. Mag. t. 2245 de afbeelding 

voorkomt, heeft een bruin bloemdek met kopergele spikkels en een purper 



324 

lipje; zoowel de eene als de andere hebben groote, zeer fraaije bloemen. 

T. suavls {liefelijk). Oost-Indië. Lindley. A. 

Het bloemdek is wit aan de buiten- en karmijn-rose gestippeld aan 

de binnenzijde, het lipje is donker lila. De bloemen verspreiden eenen 
aangenamen geur. 

— teres {rond). Sylhet. BR. 1809. A. 

Met zeer groote bloemen; de kelkbladen zijn wit; de bloembladen bloed- 
rood, met wit geboord; het lipje bloedrood met sterk geteekende aders, 
het onderste gedeelte tot nabij den top is geel, karmozijn gevlekt. Het 
is eene prachtige soort, maar die niet gemakkelijk tot bloeijeii te krijgen 
is, tenzij men ze eenen langen rusttijd vergunt. 

— tricolor [driekleurig). Manilla. BR. 1847. A. 

Het bloemdek, aan de buitenzijde wit, is aan de binnenzijde fraai helder 
geel, rijk met purper gestippeld; het lipje is fraai donker violet. Het zijn 
groote, sierlijke bloemen. 

Bijna al de soorten van dit geslacht onderscheiden zich door hare 
schoonheid en haren geur. Zij moeten gekweekt worden in wijde en diepe 
houten mandjes, met sphagnum, heiaarde en potscherven. Zij hebben, 
wanneer zij in haren groei zijn, wat gewoonlijk van Mei tot September 
het geval is, behoefte aan warmte en vochtigheid; daarna houde men ze 
kouder en bijna droog, tot in het begin van Maart; wanneer zij op eene 
vochtig warme plaats moeten gebragt worden, om ze gelegenheid tot 
bloeijen te geven. 

¥A]VIL<LiA. Plumier. Klimmend. 

Van het spaansche woord vainilla, kleine peul. 

De Vanilla aromatica en jilanifülia zijn de eenige soorten, welke bij 
de kvveekers voorkomen. Het is niet om het genot van de bloemen te hebben, 
dat men ze kweekt, want deze zijn onbeduidend; maar men doet het met 
het doel om haar, langs eenen kunstmatigen weg, vruchten te doen voort- 
brengen. Deze bewerking is gemakkelijk en zal slechts zeldzaam mislukken. 

Om deze planten goed te kweeken, plaatse men ze in eene pot met 
verbrokkelde heiaarde, op eene goede drainering. Naar mate de planten 
groeijen, moeten zij met ijzerdraden, op 25 a 30 N. duimen afstands 
van den muur geplaatst, worden opgehouden, en, wanneer zij tot op 50 
N. duimen aan- het glas genaderd zijn, laat men ze loopen over tot dat 
einde gespannen ijzerdraad. Zij zullen zich eindelijk vertakken en hare 
verscheidene voeten lange wortels naar beneden doen hangen. Zij hebben, 
vooral tijdens haren groei, behoefte aan eene vochtige warmte. 

WARKEA. Lindley. Boom-Orch. 



325 

W. candida (wit). Bahia. Lindley. j^^ 

Het bloemdek is zuiver wit, het lipje wit met eene rijke purpere vlek, 
van violet-blaauw omgeven en aan de basis purper gestreept. Het is 
eene zeer fraaije bloem. 

— cyanea [hemelsblaauw). Colombia. BB. 184'5.28. B, 

Het bloemdek is wit en het lipje met het sierlijkste blaauw gekleurd, 
hetwelk men zicht in het plantenrijk denkeu kan. 

— tricolor (driekleurig). Brazilië. DM. 4235. B. 

Het bloemdek is zuiver wit, het lipje purper gevlekt en de basis van 
het zuiltje is geel. Deze plant heeft een fraai voorkomen. 

— Wallesiana {naar den Hr. Wailes). B;io Janeiro. Lindley. B. 

Deze gelijkt veel op W. candida:, de vlek op het lipje is violet en 
de bloemen zijn zeer welriekend. 

Deze planten moeten worden gekweekt op dezelfde wijze als Maxillaria 
en Lycaste. 

ZY«OPETA.LlJM. Hooker. Boom-Orch. 

Yan zuGüs, juk en petai.ox, bloemblad. 

— cochleare. Zie Hnnileya cochleata. 

— crlnitum {met haren bezet). Brazilië. BC. 1687. A. 

Het bloemdek is groenachtig geel, met roetkleurige spikkels, het lipje 
wit, met overlangsche fluweelachtig purpere strepen en vlekken. Het is 
eene verscheidenheid van Z. Mackayi, maar met grootere bloemen. 

— coerulescens {blaamc). Brazilië. A. 

Dit is eene verscheidenheid van de voorgaande, het lipje is overlangs 
violet, naar het blaauw strevende, gestreept. De bloemen zijn groot en 
zeer welriekend. 

— Intermedium {tu&schenbeideii). Brazilië. BB. 1844. B. 

Syn. Z. velutinmn Loddiges BC. 1116. 
Dit is eene verscheidenheid van Z. Mackayi^ waarvan zij verschilt door 
het lipje, 't welk zachtharig is als katoen. Het is eene der schoonsten 
van het geslacht. 

— 9Iackayl [van den Hr. Mac-Kay). Brazilië BM. 2748. A. 

Het bloemdek is geelachtig groen, bruinrood gevlekt en gespikkeld; 
het lipje is wit, purper gevlekt, de stengels dragen zes tot acht schoone, 
zeer welriekende bloemen. 

Hiervan zijn eenige verscheidenheden; als: 

album [met een icit lipje). 

— — roseum {met een rooskleurig lipje). 



326 

Z. — strlatum {met een gestreept lipje). 

Welke alle verdienen gekweekt te worden. 

— maxillare [als een Jcinnehak). Brazilië. BC. 1776. A. 

Het bloemdek is schitterend groen, met chocolade-bruin gestreept, het 
lipje is fraai donker blaauw. De bloemen duren lang. 

— rostratum (gesnaveld). Guyana. BM. 2819. A, 

Het bloemdek is groenachtig bruin, het lipje wit, met rooskleurige 
aders. Ofschoon de bloemen niet zoo groot zijn als die van de voorgaande 
soorten, is deze plant daarom niet minder aanbevelenswaardig. 

— stenochilum {?net een smal lipje). Brazilië. BIL 2819. jb. 

Dit is eene kleinere verscheidenheid van Z. Machayi., op welke zij 
veel gelijkt. 

— afrlcanum. BM. 

— marayanum. BM. 

Deze beide soorten zijn te veel beneden de voorgaande om ze te kun- 
nen aanbevelen. 

De planten, welke tot dit geslacht behooren, moeten gekweekt worden 
in goed gedraineerde potten, in stukken turfachtige heiaarde, met sphag- 
num en potscherven vermengd. Zij moeten, tot zoolang dat de knollen 
goed gevormd zijn, in eene vochtige warmte worden gehouden; na de 
volledige ontwikkeling houde men ze ongeveer twee maanden in rust. Men 
moet ze echter, al zijn ze ook koeler geplaatst, niet te droog houden. 




)f: TAMIfrii-HIVIKH l'.N Hh l..\Ai,>ll. (,li'l..\S VAX l'LM.S-SOOHTKX l.\ UUSTKMJK NKP.U. 




T£G£TATI£ V-A>" riSUS LOSGIFOtlA IX DE VALLEI TAS BTTSGEST. 

EEMGE CONIFEREN \AN HET HIMALAYA-GEBERGTE EN HET 
GEBIED Y.\N NEPAUL. 



Tot deze behoort ia de eerste plaats Pinus longifolia roxb. Deze soort, 
welke met den inlandschen naam Tschelu^ Tshir^ Tshil, Kil, Khausa wordt 



328 

bestempeld, bewoont Nepaul en Kashemir, op eene hoogte van 5000-8000 
voeten boven de oppervlakte der zee. Zij komt zeer veel voor in de Conife- 
ren-bosschen van Emodi en bereikt eene hoogte van 50-80 voeten; zij wordt 
meer algemeen gekweekt in het noorden van Indië. Zij onderscheidt zich ge- 
makkelijk, door dat er een drietal blaadjes altijd in eene schede zijn veree- 
nigd, die meer dan een voet lengte hebben, die zeer dun en fijn zijn en 
die vervolgeus neerhangen. Men vindt eene goede afbeelding van die plant 
in LAMBERT, ovcr de Coniferen Ed. 2. I. 43. t. 26. 27. Royle Himalayan 
32. t. 85. f. 2., en eene schets van den groei in het bovenstaande vignet, 
hetwelk ontleend is aan j. d. hookers, Himalayan Journals, p. 148 vol. I. 

Deze soort komt in de Europesche kuituren voor, maar wordt des winters 
in de oranjerie gebragt. 

Pinus excelsa walt,, gelijkt veel op Pinus Strohus en werd aanvankelijk door 
een der ontdekkers, namelijk door hamilton, in zijn Account of Nepal 
p. 63 voor dezelfde gehouden. Deze soort bewoont het zuidelijk en westelijk 
Himalay a-gebergte, in Bhotau (C. W. Webb), Nepaul (den berg Shiwapuri, 
ten noorden van de stad Khatmandu, wall.), tusschen 70-92° ooster breedte 
en 27-32° noord, lengte, op eene hoogte van 7000-10600 voeten boven de 
zee, vormt gedeeltelijk bosscheu en komt vermengd voor met de P. longi- 
folia en P. morinda. 

Het is een hooge boom, die den vorm heeft van eene pjramide, die, 
volgens DON, 90-120 voeten hoog wordt, maar volgens andere waarnemers 
in het oostelijk Himalaya-gebergte , ter naauwernood hooger wordt dan vijf- 
tig voeten. Er is inderdaad eenige overeenkomst met de zoogenaamde Lord- 
Wheymouths-Den van de Engelschen, die ook op het vaste land overal vrij 
algemeen wordt gekweekt. 

Sedert eenige jaren kweek ik deze plant in den vollen grond en open lucht. 
Het is een stevig exemplaar, hetwelk ongeveer 16-18 voeten hoog zal zijn. 
Bij of na zware vorst verliest deze boom zijne bladen, vooral in de maand 
Maart of April. Later, in Junij of vroeger, maakt hij weder nieuwe en heeft 
dan tot dat de strenge koude terugkeert, een welig aanzien. In den laatsten 
kouden winter evenwel is de top bevrozen. Hierdoor heeft de boom zijn aanzien 
verloren, maar maakt daar ter plaatse zijdelingsche uitloopers. Uit het aange- 
voerde is op te maken, dat deze soort tegen eene niet al te strenge vorstin 
ons klimaat wel degelijk bestand is. Den laatsten strengen en langdurigen winter 
toch, die op vele winters eene uitzondering maakt, mogten wij hem behouden. 
Wij zetten deze behandeling der Indische Coniferen voort in een volgend deel. 



329 



/«EEN MIDDEL TOT LEENIGLNG VAN HONGEIISNOOD." 

Voorleden jaar leerde men nader kennen een gewas, 't welk reeds eenige 
jaren vroeger in den Parijschen plantentuin door den Heer decaisne gekweekt, 
en aldaar uit China was ingevoerd. Hij noemde deze plant Bioscorea Bata- 
tas. In de Reine horücole heeft deze geleerde daarvan zeer uitvoerige en , naar 
zijne wijze, zeer naauwkeurige mededeelingen gedaan. Hij werd daarin tege- 
moet gekomen door den beroemden siuoloog, den Heer stanislas juliex, 
die aan Chiuesche oirkouden menige bijzonderheid tot opheldering van de 
geschiedenis van dit belangrijk gewas had ontleend, waarvan de Heer de- 
CAisNE tot toelichting van zijne geschiedenis gebruik maakte. Hij schatte 
den meligen knol van die plant zóó hoog, dat hij verklaarde de vaste over- 
tuiging te hebben, dat de igname haiate (zoo noemde hij haar) eenmaal zou 
Kordeyi, loat in der tijd de aardappel geworden is, de brofi icaar door veler 
forUiinen zullen aangroeijen. 

Ik heb van de berigten des Heeren dec^isne toenmaals verslag gegeven 
in de " Tuinbouw-Flora" I. 226. 

De mededeelingen der beide genoemde Eransche geleerden gaven aan- 
leiding tot nasporiugen door onzen geleerden landgenoot Prof. hoffmanx. 
Hij lichtte hetzelfde onderwerp toe volgens de hem beschikbare Japansche 
en Chinesche bronnen en gaf het bewijs, niet alleen dat eene soortgelijke 
plant op Japan in gebruik is (gelijk wij door haren invoer in Nederland 
door Jonkheer vox siebold reeds wisten), maar ook dat zij als voedsel van 
gelijke nuttigheid is als de Chinesche. (t. a. p. 289) en als zoodanig in de 
Japansche uitgaaf van 1799 vol. 14 bl. 32 van het //Kruidboek ter leeni- 
ging van den hongersnood., wordt aanbevolen. Van dezen knol verklaarde 
de Heer decaisne , dat hij niet aarzelde om hem boven dex aardappel 
TE STELLEX, terwijl hij vroeger had gezegd daarin het middel te zien, 

ÏOÏ l.EENIGIXG VAX DE ELI.EXDE DER LAGERE VOLKSKLASSE. (MeU zic 

t. a. p. 304). 

De Chinesche Dioscarea werd door den Heer decaisxe beschouwd als 
eene nieuwe soort en hij noemde haar B. Baiatas Igname Batate). Zij is 
in 185-i en 1855 in den handel gekomen; zij werd echter met eenen anderen 
naam, te weten, dien van Bioscorea Ja/;ö;22ca Thitxb. bestempeld. Dit was het 
geval in Engeland, België en Duitschland. De schrijver dezes heeft behoord 
onder het getal van hen, die deze plant mede tot die soort gebragt hebben. 
Die naamsverandering gaf al spoedig aanleiding tot eene reclame van wege 
den Heer decaisne (welke wij in gemeld tijdschrift mede in haar geheel 



330 

hebben overgenomen), omdat er, naar zijn inzien, bij die naamsverandering 
ook vrees kon ontstaan voor vervi^isseling van soorten; iets, hetwelk in kui- 
tuur- planten van gewigt is, omdat daarmede in verband staat de rigtige be- 
oordeeling van het produkt. 

In de kuituur van de firma von siebold en comp, nabij deze stad , be- 
vonden zich almede sedert een drietal jaren gelijksoortige Dioscorea's, van 
welke de knollen in dit jaar door Jhr. von sieboi.d, die dezelve uit Japan 
invoerde, zijn geëxponeerd op de planten-tentoonstellingen te Amsterdam en 
te "'s Gravenhage en M'el onder den naam van Dioscorea oppositifoUa Thunb. 
Ziedaar eene derde benaming en eene nieuwe vrees voor verwisseling van 
planten en dus van produkten; — maar die echter in geen opzigt gebleken 
is gegrond te zijn. 

Ik heb uit Frankrijk van vilmorin de knolletjes bekomen, die van 
moederplanten van den Parijschen plantentuin afkomstig waren en ont- 
ving ze onder den naam van D. Batatas dcn.; voorts bekwam ik soort- 
gelijke uit Engeland, Duitschland en bij ons te lande van de Haarlem- 
sche bloemisten krelage en zoon, en ontving ze ouder de benaming 
van Dioscorea japonlca thunb. De Heer von siebold schonk er mij van 
Japan, door hem voor B. oppositifoUa thunb. verklaard. Ik heb ze al- 
len in de maand April bij elkander geplant in den Akademie-tuin alhier 
en geen genoegzaam onderscheid gezien tusschen de daaruit in den loop 
van den zomer ontwikkelde planten, om daarop een verschil van soort te 
baseren. 

In de maand September jl. bezocht de Heer decaisne onzen Akademie- 
tuin en was met mij van gevoelen, dat alle deze Dioscorea's tot eene en de- 
zelfde soort behooren. 

Nu laat ik geheel in 't midden de kwestie, wie in die benaming gelijk 
zal hebben en ik zal gaarne zien dat men die uitmake; — maar dit 
staat vast: wij hebben den goeden knol van dat gewas, hetwelk Prof. de- 
caisne met den naam van Igname hatate benoemd heeft. 

Ik heb die planten gekweekt van de bolletjes, die zich in de oksels der 
bladen vormen, als de ranken over den grond liggen; - — voorts, vanstukjes 
die men verkrijgt door den knol in stukken te snijden, waaraan zich een of 
meer oogjes bevinden en van voorwerpen van eenige meerdere lengte, welke 
laatste mij door Jhr. von siebold waren geschonken. Wij wisten reeds door 
de mededeelingen van den Heer decaisne , dat van eerstgenoemde geen eet- 
bare knollen in het eerste jaar worden verkregen. Deze zijn dan ook zeer 
klein en dun. De andere gaven mij de uitkomsten als de hieronder vermelde, 
waarbij het amylum-gehalte is bepaald door den Heer levoie. Doctorandus 
in de wis- en natuurkunde alhier. 



331 

N^J. 1. van de kweekerij vau vox siebold ex comp. eu afkomstig van 

Japan, zijnde twee knoUeu aan een stok. 
2. 3. van den Heer vilmoeix te Parijs. 



Lengte. 


Dikte. 


Gewi'gt 


hoev. zetmeel. 


No. 1. 0,42. 


0,035 


0,115 


320 


0,24 


0,027. 


0,027. 


// 


No. 2. 0,36. 


0,027 


0,071. 


28^ 


No. 3. 0,44. 


0,03 


0,123. 


310 



Alles gedroogd bij lOOo C. 

Van deze knollen was, als voedingsmiddel, aanvankelijk de verwachting, 
ook bij ons, niet groot, evenmin als vroeger van de picotiane, de ulluco, 
de arracacha, de Apios tuberosa: allen bruikbaar in de baar eigene land- en 
luchtstreek, maar in Europa aan de verwachting niet beantwoordende. 

Mij was echter de door den Heer decaisxe gegeven verzekering een waar- 
borg voor de deugdzaamheid en bruikbaarheid van het door hem zoo onbe- 
perkt aanbevolen produkt. Mijne verwachting is niet te leur gesteld. Ik heb 
met mijne familie de Iguame batate gegeten en ze bevonden te zijn een 
welsmakend voedsel , hetwelk gekookt als de aardappel , wel niet de vastheid 
en den smaak van dezen, maar niet te min een goeden, ja meer aangena- 
men, meligen smaak heeft. Ik heb ze aan onderscheidene personen van den 
midden-burgerstand en aan eenige anderen uit de arbeidende klasse te eten 
gegeven, die allen hunne goedkeuring hebben gegeven aan de batate, — ja, 
er waren er zelfs, die verklaarden, dat zij er gaarne hunnen maaltijd mede 
zouden willen doen. Ik houde mij ten stelligste overtuigd, dat, hetgeen men 
van de Igname batate heeft beweerd als voedingsmiddel, volstrekt niet is 
overdreven en dat, bijaldien er uithoofde eener landbouwkundige of andere 
oecomische oorzaak, geene redenen zijn die aan de kuituur in den weg staan, 
nu werkelijk een bruikhaar surrogaat voor den steeds ziehen aardappel ge- 
vonden is. Ik beu er echter verre van af om te willen beweren: dat deze 
Chinesche batate hoven den aardappel zou zijn te verkiezen. Het is uitge- 
maakt dat de Igname batate ons klimaat verdraagt niet alleen , maar in onze 
gronden welig tiert. De overige deugden van dit produkt, waardoor het bo- 
ven den aardappel uitmunt, zijn vroeger elders door mij opgesomd. Uit een 
diaetetisch oogpunt zullen er waarschijnlijk wel geene groote bezwaren tegen 
dit voortbrengsel zijn; waarschijnlijk niet zoo veel, of althans niet meer dan 
er door physiologen en zelfs door moralisten al tegen het gebruik van den 
aardappel zijn ingebragt. 

W. H. DE VRIESE. 



332 



BEHANDELING DER WARME KAST-PLANTEN GEDURENDE 
DEN WINTER. 

Alle planten zijn natuurlijk in zekere mate onderworpen aan de verande- 
ringen van winter, lente en zomer en allen zijn zij meer of minder gevoelig 
voor die groote klimatische wisselingen. Uien ten gevolge moet de kweeker, 
bij de behandeling der aan zijne zorgen toevertrouwde planten, zooveel mo- 
gelijk gelijken tred houden met dien, welke de natuur, ten opzigte van de 
aan hare wetten onderworpene planten gaat. 

Wanneer men, gedurende den winter, wanneer de zon ons zoo spaarzaam 
met hare weldoende stralen beschijnt, de tropische planten aan eenen hoogen 
warmtegraad blootstelt, wekt men ter kwader ure de levenskrachten op, wan- 
neer zij veeleer sluimeren moesten , en waar men zich bij voortduring aan de- 
zen stelregel houdt, zullen de planten verzwakken, rekken en naakte takken 
voortbrengen; dit toch is het eenige gevolg 't welk kan voortkomen uit een 
langdurig verblijf in eene atmospheer, welke, door eeue sterke en voortdu- 
rende verhooging, den groei al te zeer opwekt. De temperatuur moet, gedu- 
rende de donkere winterdagen, het midden houden tusschen 15° tot 18° cent. 
op zijn hoogst; al de zorgen van den kweeker moeten zich dan hierbij be- 
palen, dat hij zijne planten tegen de koude beschermt; bij het naderen der 
lente kan hij veilig de warmte in de kast langzamerhand doen toenemen, 
ten einde de naderende ontwikkeling te geraoet te komen. 

De begietingen moeten niet geheel en al ophouden, zoo als sommige per- 
sonen de gewoonte hebben te doen; maar de hoeveelheid water, welke men 
aan de planten geeft, moet veel geringer zijn dan gedurende den tijd harer 
volle ontwikkeling; sommige planten echter, zoo als de varens, vereischen 
gedurende den winter geene luime , maar dikwijls herhaalde begietingen ; andere , 
b, V. de bolachtige gewassen, kunnen verscheidene weken zonder water blijven ; 
ook merke men op dat de bladen van deze plant-soorten in den herfst of 
eenig ander jaargetijde verdorren en bij den grond afsterven; welk periodiek 
verschijnsel genoegzaam aanduidt, dat men de begietingen langzamerhand moet 
verminderen en eindelijk gedurende eenigen tijd geheel daarmede moet op- 
houden, tot zoolang de planten, door hare eigene natuur gedreven, door 
eenig ontwikkelingsteeken het blijk geven, dat de tijd van haren vernieuwden 
groei en daaraan gepaard gaande zorgen weder daar is. Voorzigtig zou het 
zijn al de planten, die tot deze categorie behooren, bij elkander te plaat- 
sen, ten einde dwalingen te voorkomen. De grootste moeijelijkheid voor den 
kweeker van warmekastplanten is de juiste behoefte te kennen van eene me- 
nigte soorten, die zonder hare bladen te verliezen, echter slechts eene spaar- 



833 

zame becnetins: vorderen. Deze kennis kan dan ook niet anders dan een ge- 
volg zijn van langdurige ondervinding; en alleen diegenen, die geruimen 
tijd het vak hebben beoefend, begrijpen de wezentlijke beteekenis of liever toe- 
passing van het woord kleine hoeveelheid in den zin der begietingen; want 
inderdaad deze kleine hoeveelheid, nuttig en noodzakelijk voor de eene, kan 
even noodlottig zijn voor de andere plant. Wilde men eenen algemeenen re- 
gel aannemen, hoewel het wat gewaagd zou zijn er in dit geval eenen vast 
te stellen, dan zou het beter zijn de begietingen te matigen, dan er te mild 
mede te zijn. Men begrijpt ligtelijk dat de toediening van water gewijzigd 
moet zijn naar den meer of minder sterken graad van groeikracht der plan- 
ten, en dat men bij uitnemendheid hiertoe eenen zonnigen dag moet kiezen; 
daar men, bij gemis van het zonnelicht, noodzakelijk de warmte in de kast 
gedurende eenige uren, door het gieten zal verminderen. Het veroorzaken 
van waterdarap in de kasten waar geen runbeddingen gebezigd worden, is 
welligt het beste middel om zouder gevaar de planten te bevochtigen, in al- 
len gevalle is de uitwerking hiervan allernuttigst ; hij verzacht in zeker op- 
zigt de bladen, voorkomt de verwelking er van en behoedt ze tegen de be- 
leedigingen der insekten, voornamelijk der roode spin, die op eene ontzet- 
tende wijze in drooge warmekasten vermenigvuldigt. Het gunstigste tijdstip 
om dezen damp in de kasten toe te laten, is tegen den namiddag, wan- 
neer de buizen der waterverwarmingen het warmst zijn; deze bewerking 
bepaalt zich hierbij, dat men deze buizen met water besproeit; wanneer 
echter de dampkring in de buitenlucht zeer koud is, is het beter zulks 
's morgens te doen, en alleen na verloop van eenige dagen weder te herha- 
len. Wij raden den kweekers aan het water zachtkens op de buizen te sproei- 
jen, 't zij met eenen gieter of wel met eene spuit; hierdoor toch verkrijgt 
men meer damp , dan wanneer men zonder overleg eenige emmers water daar- 
over uitstort, waardoor men slechts een oogenblik de buizen bevochtigen en 
veel meer de grond in de kast nat maken zal, terwijl, wanneer men de bui- 
zen bij tusschenpoozen daarmede besproeit, men een wolk van damp zal ver- 
krijgen, dik genoeg om het beoogde doel te bereiken. 

Wij kunnen gedurenden den wint^^r geen gebruik van vaste of vloeibare 
mest-stoffen aanbevelen; die alleen zouden kunnen dienen om de planten on- 
tijdig op te wekken en hare gezondheid te benadeelen. 

Daar de warmekast-planten gedurende den winter meest allen in eenen 
staat van rust verkeeren , wordt het nutteloos ze te luchten , integendeel moet 
men zooveel mogelijk het indringen van koude lucht trachten te voorkomen, 
daar er altijd genoeg versche lucht door de talrijke kleine openingen binnen 
de kast komt. 

Het veroorzaken van waterdamp in de warme kasten, waar men de planten 



334 

in run plaatst, moet met groote matigheid geschieden en alleen dan plaats 
hebben als de lucht in de kast te droog wordt; wanneer de damp zich ver- 
digt, zou hij de runbedding te zeer kunnen bevochtigen en haar verkoelen, 
zoodat, door eene te langdurige vochtigheid daarvan, de wortels zouden ver- 
rotten. De uitdamping van de run zelve is meest altijd voldoende om de 
lucht in de kast toereikend vochtig te houden voor het welzijn der planten. 

{Journal cV Horticulture pratique de la 
Belgique. 1855 p. 250—253). 



BRIEVEN OVER EEN VERBLIJF TE BUITENZORG; DOOR JAMES 
MONTLEY ESQ., AAN SIR WILLIAM HOOKER. 

Batavia, 9 October 1854. 

.... Dit is mijn tweede bezoek aan Java. Wij zijn hier goed gelogeerd 
ten huize van Dr. burger, die voor eenige jaren was geattacheerd aan de 
natuurkundige commissie en met von siebold langen tijd op Japan geweest 
is. Ik heb de gelegenheid waargenomen om een gedeelte van het gebergte 
te gaan bezoeken. Ik bragt eenige dagen door in gezelschap van den twee- 
den curator den Heer binnendijk, die een goed botanist is en die er zich 
op heeft toegelegd om mij alles aan te wijzen. Ik had gelegenheid om eenige 
Raffleslaceae in wijngeest te zien en onderscheidene belangrijke planten, 
vooral palmen, na te gaan; van deze laatste heeft men hier eene groote hoe- 
veelheid. Hoewel ik er zestig ken van die welke op Labuan groeijen, zoo 
herkende ik er hier slechts een dozijn. Vl^ie zou kunnen zeggen hoeveel palm- 
soorten er wel groeijen in dit merkwaardige land. Na den tuin te hebben 
bezigtigd, maakte ik een uitstapje naar het gebergte. Ongeveer op eene hoogte 
van 4000' boven de oppervlakte der zee vertoefde ik eene week. Ik denk 
dat, waart gij bij mij geweest, gij even als ik, in eene soort van bedwelming 
zoudt zijn geweest over de schoone cryptogamische gewassen, die hier aan 
alle boomen, takken, en zelfs op bladen voorkomen, die als beladen waren 
met mossen, varens enz. om van de orchideën niet te gewagen. De meest 
produktieve plaats evenwel bevond ik te zijn de oude koffij-plantaadjes, al- 
waar struikachtige geboomten, door het gewigt van de parasiet-planten naar 
den grond waren overgebogen ; hier zag men een groot aantal halve parasiet- 
planten, als Ficus en Fagraea in de hoogte klimmen, immer dikker en ste- 
viger dan hare dragers ; daar ginds merkte men schijnbaar een gloeijend rood 



335 

vuur op van Aeschynanthus ^ hetwelk, als 't ware, benedenwaarts stroomde 
van de hooge kussenvormige hoopen van Asjjleninm of Acrostichtnn : — scheeps- 
ladincren van Vanda speciosa Q\i odoratissima, Saccolahia^ Dendrohia, Ephip- 
pia , .ieder van welke al de prijzen van de tentoonstellingen van C/iiswick 
zou hebben gewonnen en al de kweekers eeue flaauwte zouden hebben doen 
krijgen ; terwijl in elke vochte holte zich bevonden boschjes van DicJcsoniae , 
Ahophilae, Maraitiae , van welke er waren die 40-50 voeten hoog opste- 
gen, met eene verwonderingswaardige sierlijkheid en schoonheid prijkende. 
De Aronskelkige planten waren hier in grooten getale en sterk ontwikkeld, 
even als de parasitische Rhododendrums, Thibaudiën en andere planten. De 
familie der ilelastomaceën was hier in talrijke vormen, vooral in Medinella 
vertegenwoordigd. Maar het meest van allen trokken mij de mosplauten aan, 
welke ik kon medenemen, terwijl het mij geheel onmogelijk was de andere, 
grootere planten te droogen. Sommige soorten van afhangende Hepaticae en 
NecJcera-iooxi^n waren wel een voet lang, terwijl zij gezamenlijk afhangende 
een bijzonder schoon eflect maken, vooral wanneer zij vermengd zijn met 
eene soort van üsnea , namelijk Usnea fiorida. Ik meen het grootste aantal 
van die mosplanten, en wel ten getale van 200 soorten, te hebben bij eenge- 
bragt. 

De inboorlingen zijn hier llinke en stevige menschen, die een goed na- 
tuurlijk verstand hebben. Ik had er dagelijks een drietal in mijne nabijheid. 
Zij droegen manden, om daarin het verzamelde bijeen te brengen. Ik betaalde 
ze een ropy daags, of ongeveer zestien pence, waar ze wel mede tevreden 
waren. Zij vonden dikwerf hetgeen ik zocht of wenschte te bekomen, en ik 
ben aan hun scherpziend oog menig voorwerp verschuldigd, hetwelk mij 
ontgaan was, zoodanig dat ik zou gemeend hebben mij onder botanisten te 
bevinden, terwijl ik inderdaad door zoogenaamde wilden omgeven Avas. Iedere 
plant heeft haren naam bij de inboorlingen, en deze namen hebben de schrij- 
vers van den catalogus van den tuin van Buitenzorg opgenomen en, naar ik 
meen, teregt. Ik zag vele planten op mijne excursie, die ik nimmer zou ge- 
zien hebben, vooral onder de groep der Ericeae: maar doordien ik de 
inlandsche benamingen noemde, was ik in staat ze te zien, daar die den 
inboorlingen bekend zijn. Dit is inderdaad merkwaardig bij een volk dat 
geen geschreven taal heeft; want zij spreken noch Javaansch, noch Ma- 
leisch , maar een eigen Sundaasch dialect. Tan dit punt begaf ik mij , na 
aldaar lang genoeg te hebben vertoefd, naar Tjipanas, alwaar een reguliere 
Europesche tuin is, van waar men de groenten bekomt voor de tafel van den 
Gouverneur-Generaal. Het was inderdaad aangenaam hier beetwortel en salade 
te zien, die uitmuntend groeiden. Daar is ook een vijver omgeven met treur- 
wilgen; maar zij zagen er ellendig uit. Zoo was dit ook het geval met de 



386 

Europesche vruchtboomen , hoewel zij goed schenen te groeijen. De pruimen 
schenen het meest tot den echten smaak te naderen. De appels hadden de 
meest volkomen kleur; doch de perzikken zeide men mij dat smakeloos zijn, 
hoewel zij er naar het uiterlijk goed uitzagen; dit alles schijnt daarvan het 
gevolg te zijn , dat de boomen geen rust hebben om goed hout te vormen , 
dat de vrucht kan dragen. Op deze plaats, die gelegen is in het midden van 
het plateau van de Preanger-Regentschappen , ongeveer 4000 voeten boven 
de oppervlakte der zee, is inderdaad een Italiaansch klimaat en het is hier 
's nachts koud genoeg om een deken aangenaam te vinden. De naam //Tjipan- 
nas" of //heete rivier*" komt af van eene warme bron nabij het huis van deu 
Gouverneur (Resident?), waar een goed bad is, 't geen zeer aangenaam is 
en verfrisschend , nadat men een geheelen dag lang heeft geloopen. 

Ér is hier een kleine botanische tuin, waar heel wat Japansche planten 
in groeijen, maar de twee meest merkwaardige voorwerpen, welke ik hier zag, 
waren twee prachtige exemplaren van Araucaria van het eiland Norfolk, die 
welligt 60 voeten hoog waren, wel is waar nog jonge boomen , maar in eenen 
gezonden en krachtvollen toestand , die voor 't vervolg veel belooft. 

Van hier maakte ik mijnen laatsten uitstap naar den top van de Pange- 
rango, omstreeks 10,500 voeten hoog. Het is mij onmogelijk om u op te 
tellen alle de merkwaardige planten, welke ik aldaar gezien heb; maar Gij, 
die nimmer eene zoodanige gewaarwording gehad hebt, kunt u niet voorstel- 
len lioc zonderling het mij was om mij op eens te bevinden tusschen vormen 
als Viola, Ranonkels, Iniyatïens , Priw.ula, Hijpericuin, Siversia, Conval- 
laria, Vacciniutn, Rkododendron, Gnaylialium, Polygonum, Dlgitalis (.''), 
Lonicera, Plantago, Arle?msia, Lobelia, Üxalis, Quercus, Taxus en ten 
minste een dozijn ^?;^M,y-soorten , zijnde alle zeer schoone planten. Primula 
im-perialis groeit alleen nabij den top; het is eene zeer schoone soort met 
bladen als die van P. vulgaris, met eene afgebroken kransvormende aar, 
somM'ijlen drie voeten hoog en met goudgele bloemen '). Hi/pericum java- 
nicum is almede eene schoone plant, met de h eestera chti ge houding van H. 
hircimwi, maar met grootere bloemen, dan die van H. calicinum. — Gna- 
phalium javanicum is een boomachtige heester, ongeveer zes voeten hoog en 
inderdaad eene sierplant. Midden tusschen deze planten en te midden van de 
mossen, die ter lengte van een voet of 5-6 in groote massa naar beneden 
afhangen, bevinden zich twee zeer schoone parasitische Orchideën, eene i?ei'^- 
(Irohium, met licht paarse bloemen, namelijk D. imrimreum en eene kleine 
andere met grootere bloemen als die van een Cgmbidium; en toch zouden 



') Canlcrienia c?irysantha de vriese. 



zulke planten, die dikwerf zijn blootgesteld aan eene temperatuur van 36^-38* 
Fahr., als wij die bij ons in eene Orchideën-kas hadden op eene temperatuur 
van 85° Fahr., dikwijls sterven, niettegenstaande alle aangewende zorgen. Dik- 
werf was ik zeer verwonderd over de verspreiding van de planten van de 
groep der Orchideën. Dikwijls ben ik verwonderd geweest, dat ik op La- 
buan niet meer soorten vond van deze groep, evenmin als in andere darapige 
en heete plaatsen gelijk aan het niveau van de zee, waar (naar ik meen! 
zeker de meeste Engelsche botanisten ze zouden zoeken; terwijl op eene 
hoogte van omstreeks iOOO boven de zee met eene nachtelijke temperatuur 
van 45-50 elke boom schier daarmede als overladen is. Waarschijnlijk is 
het, dat wij dezelve in onze kassen en bij de gewoonte die wij hebben om 
ze te veel te koesteren, veel te ver gaan. Het zou wel der moeite waard 
zijn, dat onze kweekers er eens de proef vau namen op eene grootere schaal . 
om de Orchideën in koudere huizen te bewaren en te kweekeu. 

Ik vertoefde slechts eenen nacht op den top van dezen berg. Het was 
buitengemeen koud. Ik had verzuimd eenen thermometer mede te nemen , maar 
in eenen schotel, die een paar voeten boven den grond verheven stond, was 
het water bevrozen. Daar zijn liier aardbeziën in massa. Zij zijn hier wel door 
de natuur zelve voortgebragt , maai wat de vruchten betreft, deze zijn even 
goed als bij ons. Ik zag ze intusschf^n geeue uitloopers maken. Zij groeijen 
met beschubde stengen, als zooden even als Bryas octopeiala. Toen wij 
's avonds den berg opstegen, zagen wij niets, want alles was gewikkeld in 
eene zeer dikke mist, maar in den morgen werd ik voor mijne moeite rijke- 
lijk beloond. De top vau dezen berg, kennelijk een uitgedoofde vulkaan, heeft 
den vonu vau eene soort van amphitheater en is ongeveer 500 ellen in mid- 
delliju, zijnde aan de eene zijde doorbroken door eene smalle en diepe ravijn , 
Dit gedeelte schijnt te zijn open gemaakt en is vooral begroeid met aardbe- 
ziën. De appelboomen en andere Europesche planten vau boomachtige natuur 
zijn al te zeer begroeid met mossen, vooral met bladachtige Lichenen, dat 
zij ter naauwemood kunuen gedijen. De boschaadjen van Ericeën strekken 
zich uit tot aan den kolk van de buitenzijde van evengenoemd amphitheater. 
Bij het opgaan van de zon klom ik op tot den top van deu berg en had ik, 
gedurende een half uur, een onafgebroken schoon uitzigt. Ik zag de zee zoo- 
wel ten noorden als ten zuiden van het eiland Java, en in de rigting naar 
het zuid-oosten, de eene bergketen na de andere, terwijl zich ten laatste dit 
vergezigt eindigde met den rookeuden top van den Tankuhauprahn , die se- 
dert eenige jaren is in werking geweest. Er hong een zware mist over Bu- 
lana , zoodat ik dit niet kon onderkennen ; maar iets digter bij mij , zag ik , 
aan beide zijden, over eene mijlen ver bebouwde streek. De wijze om rijst te 
kultiveren of de zoogenaamde Sawa-velden geeft aan de landstreek het anu- 

II. ■-■- 



338 

zien van halve meeren en rivieren. In de rigting van het noordwesten, onge- 
veer binnen eenen afstand van dertig mijlen, rees de steile piek van den Salak 
in de hoogte, die nu rustig begroeid en een van de beste bergen voor 
de botanisten in dit land is, maar die voor zeventig jaren vreeselijke rampen 
te weeg bragt en aan heel wat kostbare levens een einde maakte. Ten zuiden 
onder mijne voeten gaapte de wijde krater van den Gedek, zijnde een andere 
piek van het gebergte waarop ik mij bevond ; een ligte rook rees op uit 
zijnen onmetelijkeu afgrond, als om aan te toonen, dat, hoewel de werking 
van het vuur als 't ware sluimerde, zij toch niet was uitgedoofd. Het is on- 
mogelijk dat gij u kunt voorstellen iets meer verhevens dan die woeste lava- 
banken van witten kalksteen, in welke de regen diepe voren in de ravijnen 
heeft gemaakt; die kransen van blaauwen rook, die opkrullen bij het licht 
der zon tegen den rand van den afgrond , bedekt met primitieve bosschen , of 
tallooze doode takken van boomen , die als 't ware stille getuigen zijn van den 
verschillenden toestand, onder welken zich de nataur hier voordoet. Yoegt men 
hierbij de massa nog heete nevels , die langs de zijden van den berg voort- 
rollen en die nu eens hangen blijven aan den hoek van den krater en dan 
weder met snelheid naar de vlakte afdalen, — verder het vreemde aschkleu- 
rig aanzien der naaste bosschen, wier boomen bedekt zijn met bleeke korst- 
mossen en de heldere blaauwe tropische oiibenevelde lucht bij de opgaande 
zon, — dan zult gij u welligt eenig denkbeeld kunnen vormen van een 
tooneel, dat ik noch beschrijven, noch vergeten kan. Tk voelde mij bijna ge- 
drongen om het uit te schreeuwen van vreugde en ik dacht niet aan de 
koude, vóór dat ik beproefde eene schets te maken , want mijne handen waren 
zóó verkleumd, dat ik geen potlood kon vasthouden. Het gelukte mij echter 
een omtrek van het water te maken. Het afdalen was nog moeijelijker dan 
het opklimmen. Mijne knieën kwamen er slecht af. Toen ik den Heer bin- 
nendijk ter halver wege tegen kwam, gevoelde ik mij zeer gelukkig met 
hem te kunnen terugkeeren. In den namiddag van dien dag maakten wij 
eene kleine wandeling om een boschje met Rhoclodendron javanicum in bloei 
te zien. Ik meen, dat die plant nu in Europa is; en wanneer die zoo goed 
groeit als hier, dan is liet zeker eene van de schoonste planten in de tuinen; 
hare schoone vuurroode bloemen komen op groote bundels ten getale van 
twintig of meerderen bij elkander voor, terwijl de kleur meer verblindende is 
dan van eenige bloem, welke ik tot hiertoe gezien heb. Ik zag almede twee 
andere soorten van Ehododendra, namelijk R. ruhrijlorum van eene heerlijk 
schoone scharlaken kleur en R. album ^ in vollen bloei, beide zeer rijk bloei- 
jende en zeer schoone planten. 

Wij bleven dien avond in een klein huisje op het gebergte en bestegen 
den volgenden dag eenen anderen piek, met het doel om eenige watervallen 



389 

te o^an bezi^ti^en. Er waren er alJaar drie, welke uederstorten van de 
hoogte over eene rots van 150 voeten hoog. Er viel slechts weinig water, 
maar in reo-entijd moet dit zeer aanzienlijk wezen, als men ten minste den 
val van het water moet beoordeelen naar de steenmassa en houtbrokken 
die aan den voet zijn opeengehoopt. De rotsen zijn bedekt met Bartramia 
fontaua, een witte Sphagnum, eene hoog roode plant uit de afdeeling 
der Hepaticae, en met groote zooden van Gvjinera en eene donker 
groene plant uit de Urticaceae. Bosschen van Acacia vidcanica en eene 
soort van Saccharum verhieven zich op die vochtige steenen , die met mos- 
sen en Hejjdtkae bedekt waren. Bij het afdalen vond ik eene merkwaardige 
plant, te weten Campanumoea Javanica, een klimmer met groen geaderde 
bloemen; het is eene zeer schoone plant. Ik had, lager komende, het genoe- 
gen om tegenwoordig te zijn bij hel maken van de eerste aanplantingen van 
Cinchona op het eiland Java, bestaande uit eenige honderden planten; welke 
binxexdije; ter halve hoogte van den berg was komen planten. Zij waren 
behoorende tot de Cinchona Calisaya, de meest kostbare van alle soorten van 
dit geslacht. J- ^- 



^v. 



JAP.\NSCHE LELIËN, LELIËN IN HET ALGEMEEN, HARE 
GESCHIEDENIS EN KULTUÜR. 

(Vervolg van bladz. 78). 

De leliën waren in hooge achting bij de Ouden. De witte lelie, Lilium 
candidum i.., was bij de Ouden het zinnebeeld van hooge eer, vooral in ver- 
eeniging met de rozen, üc dichters noemden de witte lelie den zoon van de 
zon, den koning der bloemen, gelijk de roos de koningin der bloemen is 
De koningen van Frankrijk voerden de lelie in hun schild. Lodewijk Yll 
koos die als zinnebeeld in zijn wapen, toen hij in 1147 zijnen kruistogt on- 
dernam naar het heilige land. Er zijn er evenwel die beweren dat het geen 
lelie was, maar onze gele Iris, waartoe de vorm van de kroon, de kleur en 
andere omstandigheden deden besluiten. Waren de witte leliën al bekend op 
dien tijd in Frankrijk, zij moeten er toch zeldzaam geweest zijn, hetgeen 
in bijzonderheden is aangetoond door chart.es morren, in zijne Histoire 
littéraire des Tidipes^ eet. 1842. 

In de 'KXV" eeuw beschreef fuchs drie soorten van leliën, clusiüs heeft 
er in 1557 tien beschreven. De verdere geschriften der kruidkundigen raad- 



340 

plegende , vindt men er een zeer verschillend getal door hen opgegeven. 

De reizen van thunberg en von siebold hebben er vele van Japan doen 
Icennen, terwijl biebeesïein en fischer er ontdekten in Siberië en wai,- 
LiCH in Oost-Indië. De Heer spae heeft er 44 vermeld in zijne Mémoire 
sur les espèces du genre Lis, uitgegeven door de Académie Royale de Bel- 
gique in 1847. Later heeft dezelfde over sommige soorten nog nadere mede- 
deelingen gedaan. 

Indien wij nu hetgeen aangaande de Japansche leliën tot hiertoe is be- 
kend geworden in het kort te zamen trekken, en daarbij voegen de beschrij- 
vingen van eenige nieuwe soorten, dan komt dit hierop neder. 

In de Flora Jayonica heeft de Heer von siebold omtrent de hieronder 
te vermelden leliën afbeeldingen of beschrijvingen gegeven. 

LILIUM SPECIOSUM THUNB. 

Deze lelie is met meerdere verscheidenheden aangevoerd uit Japan door 
Jhr. voN SIEBOLD. {Fl. Jap. p. 33. pi. 12, 13). Hare verscheidenheid met 
witte bloemen en aangenamen geur zijn te rekenen onder de schoonste 
van het geslacht. De bladen zijn met duidelijke bladstelen voorzien en 
de bloemen zijn geheel zuiver wit. De verscheidenheid met roode bloemen is 
zeker de prachtigste van alle bekende leliën. 

LILIUM CORDIFOLIUM THUNB. 

Deze onderscheidt zich in 't bijzonder door den zonderlingen bladvorra, 
die eenigzins nabij komt aan L. giga?iteum van wallich. Deze bladen doen 
denken aan die van sommige Caladium-sooïten. De plant komt in geheel 
Japan voor op 4-600 voeten boven de oppervlakte der zee. (1. c. p. 35. t. 
13, 11, 14), Zij is tot hiertoe, naar wij weten, niet ingevoerd. 

Eene derde soort in de Flora Jap. beschreven en afgeb. (p. 86. tab. 41) 
is Lilium callosum sieb. 

Er zijn door Jhr. von siebold in de laatste jaren eenige leliën ingevoerd 
uit Japan. Van deze hebben wij er bereids in ons vorig deel eene afgebeeld 
en beschreven. Een tweetal hebben wij reeds in dezen jaargang afgebeeld en 
geven daarvan nu de korte beschrijvingen. 

Wij verwachten van Jhr. von siebold eene nieuwe bearbeiding van dit 
ofeslacht. 




Q.M.RJer Huell. adviv. del.WSi. 



LILIUIVl CORIDION Sieè. & de Vnese. 




LILIUM PARTH ENEION Sieb &de Vnese. 



Chrom- Lemercier Paris Muller hth. 



34.1 
ROODE 3IEISJES-LELIE. 

LILIÜJI PARTHEiN'EION SIEB. & DE VRIESE. 

(lILIACEAE. LELIE-üEWASSEN. VI. HEXANDRIA. 1. MU.NOGTMA. 
ZESHELMIGEX. EE.NSTIJLIGEX.) 



Chab. gex. — Perigonium coiollinuin , de- 
ciduum, hexaphyllum ; foliolis vLx cohaerentibus 
ad basiu, infundibiiliforme-campanulatum, ex- 
paus um vel involutum ad apicem, interne ad 
basin sulco nectarifero instructum. Staniina sex 
magis minusve cohaerentia cuui basi foliolis pe- 
rigonii. Ovariiim triloculare, oviüis numerosis, 
biserialibus , horizontalibus anatropis^ styluster- 

Char, SP. — Foliis lineaiibus, 3-nerviis; 
ttoribus solitariis i)erigonio hexapetalo, petalis 
tribas exterioribus minoribus , lanceolatis , medio 
viridibus, externe aurantiacis, in superticie au- 
rantis maculatis; tribus interioribus vero ma- 
joribus, rubris , uervo medio in dorso viridi 



uiinalis , clavatus , rectus vel curvus. Stigma 
trilobum. Capsula trigona cum tribus sulcis , tri- 
loculaiis, loculicide-trivalvis. Semina biserialia, 
horizontalia , plano-compressa , testa flavida , sub- 
spongiosa, membrauaceo-inarginata, rhaphe de- 
currente. Embryo in axi albuminis carnosi , rec- 
tus vel semi-circularis , cum extremitate radicu- 
lari prope umbilicum. Endl. Sen. pi. I. 141. 

pevcursiis, in supeilicie hie ilüc obscure rubro 
colore maculatis ; omnibus vero apice callosis ; 
stamina sunt perigonio dimidio breviora ; anthe- 
rae magnae versatiles. Stylus brevissimus. Stig- 
ma parum incrassatum. — Japonice: Akasime- 
jun, d. i. roode meisjes 'lelie. 



Deze lelie is i-\\ voet hoog, de bladen zijn ongeveer Ü,Ü5ü , 0,008 breed. 
Üe buitenste bloembladen zijn 6,025 lang, 0,005 breed; de binnenste 0,03 
lang en 0,01 breed. Het is eene schoone, maar kleine lelie, aan welke, vol- 
gens de mededeelingen van den Heer vox siebold, de Japanners den naam 
geven van roode meisjes-lelie. 



GELE MEISJES-LELIE. LILIUM CORIDIO.N SIEB. & DE VRIESE. 



Char. sP. — Fere pedalis,; foliis sparsis, li- 
nearibus , trinerviis , acutis , caule angulato, gla- 
broj flore terminali solitario; perianthii citrini 
laciniis subregularibus , externis minoribus, pla- 
nis, apice revolutis; tribus interioribus latiori- 
bns subcucullatis, e basi latiori ovatis, tandem 
acutis et in apicem subfnscum terminatis, om- 



'libus nervosis, multinervisque. Staminibus te- 
nuibus , perigonii vix tertiam longitudinem 
habentibus,; antheris fuscis; ovario viridi lougi- 
tudine staminum ; stylo crasso , clavato ; stigmate 
triquetro; maculis in païte interiore et media 
superficiei perigonialium ovatis, parvis , fuscis. — 
Japonice Ki-fime-Juri. 



De binnenste bloembladen zijn 0,04< lang en 0,01 breed zameugevouwen. 
De buitenste zijn smaller. De bladen zijn 0,07 lang en 0,01 breed. 



U2 

De kuituur van beide de soorten ziin als die van andere leliën van den 
kouden grond. 

Wij voegen hierbij de koite vermelding van eenige soorten van leliën, 
die vooral voor de kuituur aanbeveling verdienen. 

LILIITM VENUSTUM KUKTII. 

Deze lelie is vrij algemeen bekend onder den naam van Lilinm Tungber- 
gianum. Men wil dat zij daarvan verschillen zou. Mijns inziens is er ten 
hoogste regt om ze voor verscheidenheid te houden. Beide onderscheiden 
zich door eene schoone oranje-kleur van de bloemen; beide zijn van Japan 
en ingevoerd van daar door Jhr. von siebold. In 1833 bloeiden zij voor 
het eerst in den botanischen tuin te Gend, gelijk wij leeren uit de verhan- 
deling van den Heer spaé over dit plantengeslacht [Memoire sur les Lis p. 
'!3). De L. Tungbergiammi is afgebeeld bij van moutte , Fl. des Serres VIT. 
1151. 33. 

LILIUM GIGANTEH-M WALL. 

Werd ontdekt in 1820 door Dr. wallich in de schaduwrijke bosschen 
van Sheophore. Zij werd teruggevonden door Baron hügel op den Peer Pun- 
jtil, eene der passages van de vallei Cashmeer, door Dr. hookek, thomsOxV 
en MADDEN. Het was deze laatste, die de zaden er van invoerde voor 5-6 
jaren in het etablissement van de Heeren cunningham te Edinbuvg, waar 
deze plant tot groot genoegen van de liefhebbers in den loop van Julij 1852 
prachtig heeft gebloeid. Deze plant groeit allcrprachtigst in de vochtige en 
digte bosschen van het Himalaya -gebergte, vooral in provinciën Kamaon, 
Ourwhal en Busehur. Zij groeit in eene zwarte, vette en vruchtbare aarde, 
op 7500-9000' boven de oppervlakte der zee, waar de sneeuw niet smelt 
van November tot April. De stengels zijn 6-9 voeten lang, van binnen zijn 
zij hol en zij dienen tot muzijk-instrumenten. De vrucht wordt rijp in No- 
vember en December. Zij is verwant aan Lïlium cordlfolium ïhunb. afge- 
beeld in de Flora Jajwnica van Jhr. von siebold, en welke in Japan te 
huis behoort. Deze plant heeft behalve in Schotland, ook in Engeland en 
België gebloeid. 

De Heer affoüetit jz. heeft deze plant in de open lucht gehad gedu- 
rende den winter van 1854-55. Hij bedekte den bol, toen de- koude inviel 
met een ligt dek van bladen, in April dezes jaars was de stengel reeds tot 
0,15 opgeschoten. 



343 



LILIUM SUPERBUM L. 



Deze schoone lelie is eigen aau de Vereenigde Staten. Zij is van Pensyl- 
vanië ingevoerd in Engeland door peter collinson, omstreeks 1738. Zij is 
later teruggevonden in Carolina door catesby en michaux. Volgens gaw- 
LER verschilt zij van L. Martagon^ door den bol, die wit is als ivoor en 
niet geel rood, door de smallere bladen, die lijn-laucetvormig zijn en van 
een zeer teder weefsel, in plaats van dik en min of meer hard te zijn, met 
zeer sterk uitkomende nerven. In L. superbum vormen de bloemen eenen 
pyramidaalvormigen tros , die minder los en minder verlengd is dan in Lilimit 
Mariagon. De volwassen plant en volkomen ontwikkelde bloemtros verdient 
allezins den naam van Lilium superbum. In de tuinen bloeit deze lelie in 
Julij en Augustus en de zaden worden in de open lucht rijp in het najaar. 

Men heeft aangeraden ze te planten in perken van Rhododendrums. In 
Julij zal men ieder jaar deze leliën prachtig zien uitsteken boven de Rho- 
dodendrums, wier boschaadjes zij zullen versieren, nadat deze hare bloemen 
reeds zullen hebben doen verwelken. De plant is afgebeeld bij redoute, 
Lil. t. 103. 

LILIÜM ShMCUM LliNDL. 

Eene schoone bolplant van de oranjerie, met scharlaken-roode bloemen. Zij 
is uit haar vaderland China het eerst ingevoerd in Engeland en heeft in de 
tuinen der maatschappij van Horticultuur te Chiswick in 182i gebloeid. Zij 
is later weder op nieuw ingevoerd door fortune. Het is een laag gewas , 
hetwelk ter naauwernood dertig centimeters bereikt. De bloemen zijn niet 
langer dan vier centimeters. De stengel heeft korte en zachte haren. De bla- 
den zijn bijna geheel en al onbehaard, staande verspreid aan den sten- 
gel, met uitzondering van de bovenste, welke onder de drie bloemen zijn 
geplaatst in een krans. De stelen dezer bloemen dragen doorgaans een zeer 
smal schutblaadje op 't midden van hunne lengte. De bloemkroon heeft van 
boven geene tepeltjes, maar de nectar-afzonderende voren zijn met korte ha- 
ren aan hare randen omgeven. De bladen zijn breeder dan bij Lilium pumi- 
lum., ter^vijl ook de stengel met meer haren bedekt is. Het verschil met Li- 
lium concolor bestaat daarin , dat dezelve kleinere bloemen zonder tepeltjes heeft 
en honig afscheidende voren, aan wier randen geene haren zijn. {Lindl. m 
Paxt. Flow. Gard.) 



3U 



LILIUM THOMSONIANUM LINDL. 



Deze plant heeft men vroeger gebragt tot de Fritillaria's , waartoe zij ech- 
ter niet is te brengen. Van de Fritillaria's heeft zij noch den vorm der bloem , 
noch de groeven , die honig afscheiden. Het is eene lelie , die zeer verwant is 
aan de Lilium album, wat aangaat de structuur van de bloemen, zoodat er 
zelfs geene aanleiding is in deze om eene bijzondere sectie te vormen. 

De Himalaya, Xoordelijk China en Japan zijn de landen, die de schoon- 
ste vormen van leliën aanbieden. Deze soort is van het Himalaya-gebergte. 
Zij werd voor meer dan dertig jaren ontdekt door waijjch in de gebergten 
van Gossain-Than en Kamaon. Zij is later teruggevonden door Dr. royi.e, 
te Mussoree. Zij bloeide voor het eerst in Europa, in de gematigde kassen 
van de Heeren t.oddiges in April 1844, en in 1853 in den tuin van Kew. 
Men had die plant verkregen van zaden, welke men had bekomen van Al- 
mora (8,000' boven de zee), door de Heeren thomson en seïkachey aldaar 
ingezameld. De plant wisselt af wat aangaat de kleuren van hare bloemen, 
die, of rozenrood of paars zijn. Men kweekt ze in den kouden bak, of in 
potten in de oranjerie in den winter. Men vindt haar afgebeeld in het Boi. 
Rey. Jan. 1845. 1. en Bot. mag. 4725. 

LILILM TESTACEUM LIiVDL. 

Deze lelie schijnt oorspronkelijk te zijn uit Japan. Dezelve wordt twee 
Nederlandsche ellen lang. De bladen zitten aan den stengel digt bij een. De 
kleur der bloemen is nankin met vleeschkleurige strepen; zij hangen naar 
beneden af. De drie buitenste slippen der bloemkroon hebben aan hunne top- 
pen eene groene vlek, die met zeer lijne haren bezet is. De helmknoppen 
zijn langwerpig en hebben een helder geel oranjekleurig stuifmeel. Deze lelie 
verdraagt volkomen onze winters, op eene diepte van oO-40 duimen geplant 
zijnde, ontwikkelt dezelve reeds in April eenen stevigen stengel, wiens bladen en 
bloemen eene weelderige ontwikkeling hebben, veel meer dan de planten, die 
in potten worden gekweekt. Men zie haar beschreven en afgebeeld bij LiniU. 
hot. reg. 1842 misc. Paxion.9 Mag. of bot. n". 118. 1843. Flore des Ser- 
res 1848. 

LILIUM WALLICHlAlNÜ.M ROE.M. & SCH. 

In het algemeen vormen de leliën met lijnvormige of lancetvonnig-ellipti- 
schc bladen, met witte en neêrhande bloemen, met indeelingen van het bloem- 




O 
CC 



345 

dek welke aan de basis zijn vereeuigd, eeiie Asiatische groep, die zich in 
de rigtiiig der parallellen uitstrekt van Syrië en Persië tot aan Japan, inde 
volgorde van de bergen van Noordelijk Indië en China. De hier bedoelde 
lelie is ontdekt door Dr. wat.lich op den Sheopore, een der bergen van 
Nepal, die het rijkste is aan zeldzame en kostbare planten. Deze soort is in 
Engeland ingevoerd door den majoor madden. De bloemen hebben veel over- 
eenkomst met die van Lilium eximium , maar zij zijn grooter en hebben eenen 
aangenamen geur. Deze soort heeft geen bol, maar een horizontaal rhizoma, 
hetgeen, als het ware, een overgang maakt van de bolgewassen tot het groot 
aantal der monocotyledonische vormen, als de biezen, halve biezen , enz. Eene 
afbeelding zie men in hook. Bot. mag. t. 4361. De kuituur vordert eeuige 
voorzigtigheid en bedekking. Het is niet uitgemaakt dat men haar in de 
open lucht kan kweeken gedurende den winter. 



FUCHSIA R O B U S T A. 

Deze verscheidenheid is door den Heer tengbergen uit zaad verkregen. 
Zij verdraagt even goed de zon als den regen. Zij is zeer mild in het voort- 
brengen van bloemen, doch maakt niet veel hout. De steel van de bloeui is 
stijf en meer uitgestrekt dan in de teekening is voorgesteld. Aldus luidt het 
berigt, hetwelk de Heer tengbergen de beleefdheid had mij onlangs wegens 
deze plant te geven. Zij is als Fuchsia robiista reeds door ZEd. hier en daar 
verspreid geworden. 

Wij herinneren bij deze gelegenheid onze lezers - aan het belangrijke ge- 
schrift over het geslacht Fuchsia van den Ridder porcher te Orleans , waar- 
van in de meeste periodieke geschriften reeds is gewaagd geworden, onder 
anderen in de Flore des Serres van den Heer t,. van houtte. 



EEN MIDDEL OM HARDE ZADEN TOT KIEMING TE BRENGEN. 

Het is eene bekende zaak dat men deze vijlt , ten einde er het water te 
doen indringen. Deze methode vereischt nog al handigheid; gemakkelijk is 
zij almede niet, want men moet zorgen juist daar te vijlen, waar het wor- 
teltje is gelegen. Veel gemakkelijker is het de zaden gedurende eenige mi- 
nuten te leggen in kokend water. Gewoonlijk opent zich het zaadbekleedsel 



346 

dadelijk. Acacia-zaden kiemen op deze wijze na weinige dagen. Het spreekt 
echter van zelf, dat men hierbij met omzigtigheid moet te werk gaan, ver- 
mits vele zaden op die wijze verrotten, welke de Averking van het heete wa- 
ter niet kunnen verdragen. [Fl. des Serres 1855). 



DE CHINESCHE IGNAME (dioscorea bataias), HAAR WEL SLAGEN EN 
HARE TEGENSPOEDEN IN ENGELAND EN FRANKRIJK. 



Dr. N A U D I N. 

Ue Chinesche Igname, sedert vijf jaren in Europa ingevoerd, is op dit 
oogeublik een voorwerp van proefnemingen op talrijke plaatsen in Engeland 
en Frankrijk. In het noorden zoowel als in het zuiden heeft de landbouw- 
kundige klasse op haar de oogen gevestigd, als scheen zij met eene zekere 
angst het resultaat der proeven af te wachten. Zal zij een surrogaat zijn 
voor den aardappel, of zal men moeten aannemen, dat de hoop welke men 
had opgevat bij de eerst verkregene resultaten, als in rook is vervlogen? Dit 
is hetgeen men zich bij onze naburen afvraagt. In de onzekerheid, in welke 
men zich te dezen aanzien bevindt, kan het niet onbelangrijk wezen om een 
verslag te geven van do tot dus verre genomen proeven en van hetgeen aan- 
gaande deze zaak door proefnemers wordt aangenomen; daaruit kunnen nut- 
tige w'enken voortvloeijen , welke de verstandige prakticus zich zal weten ten 
nutte te maken. 

Voor wij echter verder gaan, is het noodig te herinneren, dat eene plant, 
al is zij ook met nog zulke goede eigenschappen door de natuur begaafd, 
nimmer geschikt is voor alle gronden, noch ook voor alle klimaten; op het 
eene punt zal zij voorspoedig ontwikkelen onder bepaalde klimatische verhou- 
dingen, terwijl zij ellendig zal groeijen, of geheel en al allen groei zal wei- 
geren in andere gronden en onder andere luchtstreken. De Chinesche Igname 
zal in dit opzigt geen verschil maken met andere planten; voor haar, even- 
zeer als voor alle kultuurplanten in het algemeen, is de vraag deze, om te 
kennen welke plaatsen en welke klimaten haar het best voegen; vervolgens 
moet men haar kvveeken op eene wijze, die het beste overeenstemt met hare 
geheele gesteldheid en hare wijze van groeijen. Vergt men nu van haar niet 
meer dan 't geen zij kan geven, dan zal zij niet teleurstellen. 

De Engelschen hebben welligt om haar te cultiveren meer ijver aan den 



;347 

dag gelegd, dan wij om de kultuiir van de Chinesche Igname te beproeven. 
Hunne resultaten hebben tot hiertoe niet geheel en al aan hunne verwach- 
tingen voldaan. Hetzij ten gevolge van het klimaat, hetzij uithoofde van 
de gebrekkige wijze van ze te vermenigvuldigen, zijn de planten bij velen 
zwak gebleven en hebben zij een onbeduidend produkt geleverd. Men had 
bijna reden om geene andere uitkomst te verwachten, indien men in aanmer- 
king neemt dat het grootste gedeelte van die proeven waren genomen met 
bolletjes, die zich ontwikkelen in de oksels der bladen van deze planten, en 
die in grootte ter naauwernood eene erwt ovèrtrefl'en. Wat zou er worden 
van eene planting van aardappelen uit zulke kleine knoUetjes? Men zou op 
die wijze zwakke planten bekomen, waarvan de opbrengst voor niets anders 
dan tot pooters zou kunnen dienen, terwijl men eerst in het tweede of derde 
jaar knollen van een genoegzamen omvang zou kunnen bekomen om te kun- 
nen dienen voor de consumtie. Zoo is het ook met de Chinesche Igname 
gesteld , en men kan wel zeggen , ook ten aanzien van alle planten met bol- 
len en knollen. De hoeveelheid van het produkt is altijd in verhouding tot 
hetgeen men poot. 

Wij zullen hier onder laten volgen de resultaten genomen in den Parij - 
schen plantentuin in 1855, wat betreft de plant die ons thans bezig houdt. 
Maar vooraf zal het goed zijn om die, welke tegelijker tijd bij onze naburen 
genomen zijn, te vermelden. Wij ontleenen die resultaten aan de //Gardeners 
Chronicle," waarin de kweekers en liefhebbers in Engeland zelden nalaten 
mede te deelen, wat hun belangrijk voorkomt. De Engelschen verstaan wei- 
ligt beter dan eenige andere natie, welk nut er in is gelegen, om de belan- 
gen van industrie, land-, en tuinbouw in 't openbaar te behandelen. 

Een der correspondenten van dat tijdschrift [vfi. van 1 Sept.) die den 
pseudonym yam heeft aangenomen , is liet ongelukkigste geweest in alle zijne 
pogingen , en hij maakt dan ook geen bezwaar om ten aanzien van de Chi- 
nesche plant enistige klagten aan te heffen. 

//Ik vrees," zegt hij, '/dat onze igname eene der grootste teleurstellingen 
zal zijn, welke wij in langen tijd hebben gehad. Ik had in de afgeloopen 
maand Eebruarij eenige knollen gekocht, die ik in potten had geplant en 
welke ik in eenen broeibak heb gesteld. Zij hadden lang tijd noodig om uit 
te loopen, hetgeen mij deed gelooven , dat zij veel warmte vereischten ; 
tegen het midden van Junij hadden zij knolletjes gevormd van de grootte 
eener muscaatnoot. Op den 16'^«" Junij plantte ik ze uit op een bed, hetgeen 
op het zuiden lag, waarvan de grond zeer ligt, krachtig en tot twee voeten 
(O^jöO) bewerkt was. Ik heb ze niet gedekt, in de overtuiging dat zij hard 
genoeg zouden zijn om de koude nachten te kunnen verdragen. Maar onge- 
lukkig was ik daarin te leur gesteld: op den 30 Junij waren de knolletjes 



348 

in stede van grooter, daareutegen veel kleiner geworden; hierbij kwamen in 
Julij sterke stortregens, die ze den genadeslag gaven en eindigden met mij 
alle hoop te ontnemen. Thans, einde van Augustus, blijven mij twee planten 
over, van de zes welke ik bij 't begin mijner proefneming had, terwijl hare 
stengen niet langer zijn dan twee duim (0™,15). Zonder twijfel zal deze plant 
beter slagen in het midden van Frankrijk en in Spanje, onder eene goede 
kuituur; maar bij onze koude luchtstreek, onze zomers zonder warmte, geloof 
ik dat zij weldra een voorwerp zal zijn en blijven van curiositeit en alleen 
goed om liefhebbers te amuseren, die zich niet ontzien om veel geld en 
moeite te besteden voor een ellendig resultaat ; kortom het schijnt mij toe dat 
bij ons (in Engeland) de Chinesche ignarae nooit een voorwerp van alge- 
meene kuituur zal worden. 

Een ander kweeker, met name m. craüb, tuinier van den graaf de ducie, 
te Tortworth, is niet gelukkiger geweest. Even als de zoo even genoemde 
had hij zijne knolletjes in de warme kas geplant in het begin van het sai- 
soen, terwijl hij ze tegen het midden van Junij had gebragt in eenen wel 
beschermden en droog gelegden grond op bedden van 0'",15 hoogte; terwijl 
hij bovendien zorg droeg om gedurende drie weken zijne planten te bedek- 
ken met Iclokken, om ze te bewaren tegen koude winden en den slechten 
invloed der nacliten. De planten werden, trotsch alle deze voorzorgen, niet 
groot; hare toppen werden droog en de nieuwe uitloopers die zich aan de 
basis van de plant vormden, droogden eveneens uit. Zijn besluit is, dat de 
Igname ongeschikt is voor het vochtige en koude klimaat van Groot-Brit- 
tanje. Hij voegt er bij, dat de andere kweekers onder zijne kennissen geen 
beter geluk hebben gehad dan hij mogt ondervinden. 

Had men nu geene andere feiten te vermelden dan die, welke hierboven 
worden aangehaald, dan zou men zich zeker hebben te beklagen over zulk 
eene noodlottige uitkomst. Maar wij zullen uit de antwoorden, welke andere 
kweekers aan deze pessimisten geven, zien, dat de igname, zelfs in Enge- 
land, onder dat koude en vochtige klimaat zonder zonneschijn, eene geluk- 
kige toekomst schijnt te voorspellen. Zie hier namelijk wat een derde cor- 
respondent van dat blad, die zich achter den pseudonym Quercus versteekt 
er van zegt: "Tk weet niet of onze vriend yam ongelijk of regt heeft in 
zijnen uitval tegen de igname, maar wat ik weetj dat is, dat deze nieuwe 
knol, indien hij den aardappel niet geheel uit het zaal zal ligten, 't geen ik 
niet voorzie, toch een zeer nuttig surrogaat van dien aardappel zal worden. 
Die arme yam heeft, naar 't schijnt, maar een mager resultaat bekomen van 
zijne batate-kultuur; wat mij aangaat, ik ben er beter bij gevaren. Ik had 
van Parijs, in 't laatste voorjaar (1854) een klein, zeer klein knolletje van 
de hier bedoelde plant bekomen. Tk zette dit al dadelijk in eenen pot, en 



849 

om het een weinig te drijven, op een wannen bak; daarna stelde ik het in 
den vollen grond en ik wijdde er zelfs , om de volle waarheid te zeggen . 
geene bijzondere zorg aan. In den loop van den zomer, werd de plant over- 
dekt met het gewas van komkommers, en ik verloor haar geheel en al uit 
het oog; ik nam haar eindelijk uit den grond op toen ik mij dit gewas we- 
der begon te herinneren en ik vond dat er een knolletje ter dikte van een 
vinger was voortgekomen, hetwelk in een pot werd gezet en onder glas tegen 
den kouden daarop volgenden winter bedekt. In de nu afgeloopen lente stelde 
ik den pot op een bak, opdat de plant zou kunnen uitgroeijen ; ik zette ze 
vervolgrens in den vollen srrond en ik hechtte haren stengel vast aan eenen stok, 
die eenige voeten lengte had. Ik sloeg er verder geen acht op en zij ont- 
wikkelde zich met eene zeer groote kracht. De stengel en de takken waren 
weldra langer dan de stok en vielen in alle rigtingen door elkander naar be- 
neden. Hoe het met den knol zal zijn, dit weet ik nog niet: in ieder geval 
is de groei thans f 15 September) zeer weelderig: de eenige zorg, die ik er 
voor heb genomen, is geweest om de plant eenig water te geven bij de 
sterkste droogte. Het is mogelijk dat zij niet in alle gronden zal slagen ; 
maar dit is althans zeker dat de mijne niet van de beste is. 

Zie hier eindelijk het relaas van een derden proefnemer m. fargühar, een 
Schot, die de Chinesche Igname in Aberdeenshire heeft gecultiveerd, onder 
57^ graad breedte, een land waarvan het klimaat voorzeker niet beter zal 
zijn te achten. Hij zegt het volgende omtrent zijne resultaten: Ik deel in 
allen deele de meening en de hoop van Quercns, betrekkelijk de Chinesche 
plant. Ik had er, in 't begin van het jaar, vier knoUetjes ter grootte eener 
erwt van gekocht, welke ik geslaagd ben om te doen uitloopen en die ik 
in goeden staat heb bewaard tot heden (20 September). Ik had ze ontvangen 
in de maand Januarij en ik plantte ze in potten in de warme kas , en in de 
maand Mei, terwijl het weder wat zachter was geworden, stelde ik er drie 
in den vollen grond. De stengels hadden eene lengte van eenige duimen; zij 
bleven groeijen, maar eene nachtvorst vernietigde dezelve boven den grond 
op den 20 Junij, hetgeen eene groote vertraging in den verderen groei van 
deze planten te weeg bragt. De Werde werd geplant in eenen grooten pot , die 
onder het glas bleef; zij nam schielijk in wasdom toe , en de wortel welken ik 
in deze laatste dagen heb opgenomen en die zich een weinig in den pot had 
gedraaid wegens gebrek aan de noodige ruimte om in de lengte uit te groei- 
jen, woog 5| oneen. De stengen waren ongeveer zes voeten (1'",80) lang; 
zij bragten omstreeks zestig bolletjes voort, gelijk aan die, welke ik mij had 
verschaft om mijne proef te beginnen. Van die stengels nam ik een honderd- 
tal stekken af en ik gaf het overige aan Vene koe, die het met graagte at. 
Wanneer ik mij de kleine knolletjes (als eene erwt), van welke ik mijne plan- 



350 

ten bekomen heb, herinner, dan kan ik niet nalaten om veel van de Chine- 
sche ignamo te verwachten. Want, Avat zou men bekomen van aardappelen, 
tot welker aanplanting men zulke kleine pooters nam ? 

De Heer georges poveï, hovenier van Lord waterpark, te Doveridge- 
Hall in Derhyshire op 53"^ breedte, zond aan Dr. t.indley, als bewijs van 
zijne gelukkig geslaagde pogingen met de kuituur der Igname, eenen knol 
van 0™,3o lengte op O'^fil omvang, en deelde hem tevens de volgende op- 
merkingen mede. /'Nadat ik in de Gardeners Chrouicle de beweringen van 
onderscheidene personen heb gelezen, die trachten over de Chinesche Igname 
een ongunstig licht te verspreiden en die daardoor trachten de kweekers te 
ontmoedigen, heb ik het noodig geoordeeld de nadeelige indrukken, welke 
daarvan het gevolg kunnen zijn, te bestrijden, door onder de oogen uwer 
lezers te brengen de uitkomsten welke ik heb verkregen. Op den 3 Maart 
j. 1. ontving ik een knolletje van de grootte van eene kleine erwt ; ik plantte 
dit in eenen pot, dien ik op eenen bak zette, welken ik slechts des nachts 
met glas bedekte. Deze bleef daarin tot den 13 Mei, het tijdperk waarop de 
uitloopers uit den grond begonnen voor den dag te komen. Toen zij ongeveer 
een duim lang waren geworden (0"',025) namelijk in de eerste dagen van 
Junij, nam ik de plant op, om die in den vollen grond te zetten, op eene 
plaats tegen het noorden en in eenen grond met bladaarde gemengd. Een 
kleine klok geplaatst op steeneu, die de lucht vrijelijk liet binnentreden , was 
de eenige beschutting die men er gedurende drie weken aan gaf, na welken 
tijd ik de plant aan haar overliet. De vorst van 16 October heeft de bladen 
doen zwart worden; ook heb ik mij gehaast om de wortel van mijne plant 
te onderzoeken, ten einde te weten, in hoe verre mijne proefneming was ge- 
lukt; maar, tot mijne groote verwondering; vond ik dien veel meer ontwik- 
keld, dan ik mij had durven voorstellen, doch ik had tevens het ongeluk 
om den wortel te breken bij het opnemen. De ranken werden gegeven aan 
een stier, die ze met graagte at. Deze omstandigheid bewijst, naar mijn in- 
zien, dat de plant, in aanmerking genomen de weinige zorg die daaraan be- 
steed is, werkelijk krachtig is gegroeid; ik twijfel ook niet of ik zal het 
volgend jaar de gelegenheid hebben om mijnen meester een schotel ignamen 
in plaats van aardappelen te verschaffen." 

Een andere kweeker m. w. deans, wiens residentie is te Jedburgh, schrijft 
in dato den 17 October aan Dr. lindley. 

//Ik beu beter geslaagd dan sommige van uwe correspondenten met de 
kuituur van de Chinesche Igname. Ik had mij in het voorleden voorjaar der- 
tig kleine knoUetjes van de grootte van eene erwt aangeschaft, van welke er 
vier in potten werden geplant in het begin van Maart, die echter niet op 
een warmen bak w-erden gezet. Toen de daarvan opgekomen planten eenige 



3S1 

duimen hoog waren, hetgeen plaats liad in de eerste weken van de maand 
Mei, verplantte ik die voorwerpen in den vollen grond en bedekte of be- 
schutte dezelve niet: ook waren zij twee dagen later tot aan den grond toe 
bevrozen. Zij liepen evenwel weldra weder uit en ik liet ze toen volkomen 
aan zich zei ven over. De sterke vorsten, welke wij in deze laatste dagen heb- 
ben gehad (namelijk in de eerste helft van de maand October) hebben mij 
doen besluiten om de planten op te nemen; ik vond dat ze allen penvor- 
mige knolletjes hadden, namelijk van een duim (0,026) dikte en waarvan de 
lengte afwisselde van 5-11 (0,12 tot 0,6). Ik ben van meening, dat, indien 
ik eenen aardappel ter grootte van mijne twee bataten, dat is, van 't gewigt 
eener erwt geplant hadde, ik daarvan geen grooter gewigt zou hebben beko- 
men. Ik wanhoop er niet aan om deze nieuwe voedingsplant een weiug in 
het groot te behandelen, hoewel ik niet geloof dat zij in eene koude lucht- 
streek zal slagen. Jedburgh, 't geen niet aan de zeekust gelegen is, en aan de 
grenzen van Schotland paalt, kan intusscheu niet als een warme luchtstreek 
beschouwd worden. 

Eindelijk heeft in hetzelfde blad en wel van 27 October, een liefhebber 
die den naam van Novice aanneemt, aan Dr. lindi.ey geschreven: /'Myn 
tuinman heeft van zijne ignamen grootere knollen bekomen dan een van al 
de kweekers, die zich in den laatsten tijd over dat onderwerp in dit blad 
hebben uitgelaten; maar wij weten geen van allen hoe wij het zullen aanleg- 
gen om dezelve gedurende den winter te bewaren. Moet men ze opnemen of 
in den grond laten en met glas bedekken?" 

Deze verschillende verklaringen laten geen den minsten twijfel over aan- 
gaande de mogelijkheid om de igname van China met vrucht in Engeland 
aan te kweeken, ja zelfs in Schotland en dit niettegenstaande de late voor- 
en najaarsvorst in den herfst. Men vergete bovendien niet dat bijna alle proe- 
ven zijn genomen met die kleine bolletjes, welke zich in de oksels der bla- 
den ontwikkelen en dit wel onder een zoo weinig gunstig klimaat voor eene 
zuidelijke plant, als Groot-Brittanje is. Daar behoeft die plant beschutting; 
in ons klimaat, ten minste op de breedte van Parijs, behoeft zij dien vol- 
strekt niet en als men alles wel in aanmerking neemt, dan is hare kuituur 
niet moeijelijk; integendeel is zij zeer gemakkelijk. AVanneer men namelijk 
de knollen eenmaal heeft in den grond gelegd ; dan vereischen zij geene zorg 
hoegenaamd meer; men behoeft er zich niet meer mede bezig te houden, 
ten zij op den tijd van de inzameling. Dan evenwel komt het moeijelijke 
werk van het opdelven, omdat men den grond tot op eene diepte van 0™,50 
of zelfs 0'",60 moet losmaken, ten einde die lange wortelknollen die regt 
naar beneden gaan en zeer gemakkelijk afbreken, op te delven. In Frankrijk, 
vooral zuidelijk van Parijs, in Touraine en vooral in de zandrijke gronden 



.352 

van het Bordelesche, daar ontwikkelt zich de igname met al de weelderig- 
heid van eene wilde plant. Men kan zeggen, dat, bij ons (in Frankrijk), de 
igname zich ontwikkelt met kracht in den vollen grond. Blijven slechts na 
te gaan de localiteiten, die voor deze knltunr bijzonder moeten geschikt zijn , 
even als de methoden die het doelmatigste zullen wezen om het prodnkt te 
vermeerderen en daarbij de onkosten van bewerken, vooral opdelven, te ver- 
minderen. 

De resultaten in 1855 verkregen in den Pavijschen plantentuin komen 
hierop neder. Zij betreffen stukjes van knollen, welken men in 1854 had in 
den grond gelaten tot het einde van de afgeloopen maand October. De knol- 
letjes van het eerste jaar hadden den winter in den vollen grond kunnen 
verdragen en waren door eene koude van 10-12 graden, zooals wij die in 
de maand Januarij hebben ondervonden, en die voor zulk een groot aantal 
planten zoo noodlottig geweest is, kunnen doorstaan. Het doel van deze 
proeven was bedaaldelijk om te constateren tot welken graad deze knolletjes 
de geschiktheid hebben om eenen lagen warmtegraad te verdragen gedurende 
den winter. Hetgeen wij hieronder mededeelen, zal het bewijs leveren, dat 
de igname in dit opzigt niets te wenschen laat. 

Zes planten van de igname, die in deze categorie vallen, waren op den 
2 November opgenomen en Avogen , onmiddellijk daarna als volgt : 

N". 1 O^SéO. 

» 2 O ,260. 

'/ 3 O ,260. 

/' 4 l ,640 

/' 5 I ,535. 

// 6 1 ,500. 

Dit geeft gemiddeld voor elke plant P.089., of op weinig na om een rond 
getal te nemen 1*^.09. De knollen waren nu eens eenvoudig, dan weder in 
tweeën gedeeld, hetgeen het gevolg kan zijn van het stooten op steenen in 
den grond. Gemiddeld hadden de knollen de lengte van eene halve el. Zij 
waren in den regel veel grooter, dan die welke in den loop van 1854 waren 
gevormd, en die geheel en al waren uitgemergeld om voor den groei van dit 
jaar te kunnen dienen. 

Ook deze keer is het weder gebleken , dat de igname zeer digt moet wor- 
den geplant, namelijk op 0",15-0'",18, welke afstand tusschen de verschil- 
lende planten voldoende is, vooral wanneer men let op den verlengden vorm 
van het rhizoma en de kortheid der worteltjes of wortelharen , welke de knol 
in hare geheele lengte afgeeft. Het komt er veel minder op aan om die 



353 

groote knollen te bekomen tot een wigt van een of twee kilogrammen, dan 
Avel om er zooveel als mogelijk is te doen groöijen op een terrein van eene 
zekere oppervlakte. Het zou voor de gewone consumtie voldoende wezen, dat 
deze knollen de grootte hadden van eenen gewonen gelen peenwortel en er 
zon geen noodzaak wezen om tusschen de verschillende knollen van igname 
meer ruimte te laten, dan tusschen de planten van de gewone peen. Indien 
men er deze voorzorg bij in acht nam, dat men plantte op bedden van 
0™,S0-0'",35 hoog, dan is het zeer waarschijnlijk dat men eene groote op- 
brengst zou hebben, in evenredigheid van het terrein, hetwelk voor die kui- 
tuur werd bestemd, en waarbij dan ook het rooijen minder bezwaar zou heb- 
ben dan dat van de aardappelen. 

Het zou evenwel eene zeer wenschelijke zaak zijn om eene variëteit te be- 
komen die minder regt naar beneden in den grond dringt. De terugkeer van 
den Heer monïigxi naar China zal gelegenheid geven om daaromtrent ter 
plaatse nieuwe onderzoekingen te laten doen. Wij zullen hem dienaangaande 
goede instructiën geven, opdat hij ons de vrouwelijke plant kunnen bezor- 
gen. Kon men er in slagen om ignaraen te bekomen met kortere wortels, 
dan was de toekomst van dit gewas in onzen landbouw verzekerd, en vóór 
dat er eene halve eeuw voorbij was zou deze batate, in half Europa even 
populair en van even groot nut zijn geworden, als de aardappel dit tegen- 
woordisr is. 



Caialogue général des Pépinières Royales de Vihorde. Prix-conraul 
pour Vautomne 1855 et Ie printemps 1856. 

Deze catalogus, de eerste van dien oorsprong, dien wij te zien kregen, 
kan in zeker opzigt worden vergeleken met dien van de Horticultural society 
te Londen. Het is, als "t ware, een legger voor pomologie en de kuituur 
van vruchtboomen , waarbij men kan opteekenen wat men zelf kent of on- 
dervindt, terwijl men voor 't overige alleen van meer zuidelijke streken, 
b. V. die van Bordeaux, met de kuituur bekend is. Wij willen hierover, naar 
aanleiding van den catalogus zelven, in eenige bijzonderheden treden. ^^ ij 
lezen aldaar: 

Vruchihoornen. Xiemand heeft vroeger een beredeneerden catalogus van de 
vruchtboomen in het licht gegeven. Wel is waar hebben in Engeland en 
Frankrijk eenige maatschappijen boomkweekerij-tabellen uitgegeven, in welke 
men de grootte en het tijdstip van rijp worden der vruchten heeft opge- 

II. ^3 



354 

teekend, ecliter in den vorm van eene drooge en van alle wetenschappelijke 
details ontbloote optelling. « 

//Terwijl wij nu het resultaat van onze, gedurende een en dertig jaren 
gedane nasporingen in het licht geven (aldus schrijft ongeveer de opstel- 
ler van den catalogus), hebben wij de hoop om eenig licht aan te brengen 
in den bijna onuitwarbaren chaos, in welke de onkunde en de geest van spe- 
culatie de pomologie hebben gebragt, door de verwarring van namen, de on- 
regel mati o-h ei d in de kultunr en het geven van namen aan reeds bekende 
vruchten, om daardoor de winzucht in de hand te werken. 

Sedert dat bekende pomologen en bijna alle journalen voor horticultuur 
in België en buiten dit land, aan onze eerste pogingen hunne goedkeuring 
wel hebben willen geven, zijn er van allerwege navolgers gekomen. Zij heb- 
ben vaak door andere benamingen aan de vruchten te geven, onze pogingen 
misbruikt en aldus dwalingen in de pomologie ingevoerd, waardoor <]e lief- 
hebbers dikwerf bedrogen zijn. Het is daarbij eene zeldzaamheid dat de na- 
men van vruchten niet op de eene of andere wijze worden veranderd, wan- 
neer de vruchten naar een ander land overgebragt worden. Hierdoor wordt 
niet zelden de identiteit der vruchten zeer moeijelijk te bepalen. 

Wij hebben tot w'egneming van zoodanige dwalingen, bij het kader van 
dezen catalogus de vormen en bijzonderheden van die verschillende variëtei- 
ten opgenomen. Zijn er intusschen nog fouten of vergissingen ingeslopen , die 
ons ontgaan zijn , dan zullen wij de rectificatien daarvan in dank opnemen , 
zoo men ons die wil doen toekomen. AVanneer wij niet geheel zeker zijn om- 
trent de vruchten, welke wij van elders hebben bekomen, dan zeggen wij 
steeds: Fruits quon dit étre enz. 

Onder de vruchtboomen komen het eerst de Abrikozen {Armeniaca) in 14 
verscheidenheden, met korte beschrijvingen van boom en vrucht, en voorts 
opgave van prijzen. Hier achter volgt de korte, onderstaande instructie. 

De abrikoos bemint eenen warmen, ligten, zandigen en diepen grond. Plant 
men dezen boom in eenen kouden of kleiachtigen bodem , dan geeft hij slechts 
vruchten van eene middelmatige hoedanigheid. Men kweekt den abrikoos en 
/i.aui-ve?il, d. i. vrij staande, of en espalier. De eerste geeft minder groote 
vruchten , maar zij smaken beter en zij zijn ook beter gekleurd. De tweede 
geeft, wat de productie aangaat, meer zekerheid. Intusschen is de abrikoos 
en haut-vent alleen aan te bevelen daar, waar men eene warme en beluwde 
standplaats kan hebben; in parken en grootere tuinen valt hij meestal tegen , 
omdat daar geene gelegenheid bestaat om de bloemen tegen de voorjaarsvor- 
sten te beschutten. 

Kersen {Cerasus) Bigarreau of vleeschkers met 12, gewone kersen met 26 
verscheidenheden. Morellen met 5 variëteiten. 



355 

Bij een kersenboom is het noodig te letten op de keuze der gronden. De 
aluinhoudende en kleiachtige gronden zijn voor den kersenboom schadelijk. 
Hij sterft daarin zeer spoedig. De zandige gronden passen hem niet meer, 
hoewel hij daarin zeer goede vruchten geeft. De kersenboom behoeft om krach- 
tig te worden en goed te dragen, eene vruchtbare, ligte en krachtige aarde, 
die niet te veel uitdroogt en niet te veel water houdt. 

De tamme Kastanje, Castanea vesca, met vier verscheidenheden vordert 
een vruchtbaren, ligten grond, die granitisch of zandachtig is, hij wil niet 
voort op een vochtigen grond. Hij behoeft veel lucht; hij draagt niet indien 
de takken niet ruim aan de lucht zijn blootgesteld. 

De Kwee, Cydoiiia, met drie variëteiten. Zij willen nog al velerlei gron- 
den, indien die maar niet te vochtig, niet te zwaar, niet te kleiachtig is. 
De Chinesche kwee moet beschaduwd en aan de espalier gekweekt worden; 
hij is zeer gevoelig voor onze winters. 

Kornoelje, Cornv.s mascida, met twee sviX\éXt\\.t'a.,^% comestlhle d gros fruit 
rouge en fruit hlanc. Alle gronden en standplaatsen zijn voor deze boomen 
passende. 

Vijgen. Ficus. De vijgenboom behoort te huis in zuidelijke streken van 
Europa. Hij vordert eenige voorzorgen tegen den winter, hij verdraagt alle 
gronden, hoewel hij in "t algemeen een lossen, zandigen en warmen grond 
vordert. Tegen een muur en op het zuiden slaagt hij volkomen goed. 

AarcTbezien. Fragaria. Hiervan worden 60 verscheidenheden opgesomd. On- 
der deze zijn: Goliath, Lorio, Loidse Jlarie, Reine des Belges de meest 
merkwaardige, vooral wegens hare grootte. 

Het gebrek aan kennis, hoe men de aardbeziën moet behandelen, maakt 
dat de schoonste variëteiten niet aan het doel beantwoorden en de verwach- 
ting van den planter teleurstellen. De aardbeziën behoeven eenen lossen, 
warmen, ligten grond, die een weinig zandig is en rijk aan wel verteerde 
mest. Er zijn talrijke en ruime begietingen in den zomer noodig en een of 
twee sterk voedende begietingen in het voorjaar. Men plant dezelve op twee 
voeten afstands van elkander in alle rigtingen genomen en men legt stroo 
op den grond gedurende den zomer om het uitdroogen van de aarde te ver- 
hinderen en tevens om voor te komen dat de sterke afloop van het water bij 
stortregens de vruchten niet verontreinige. Alleen onder die voorwaarden kan 
men vruchten van eenen grooten omvang en goede hoedanigheid bekomen. 
De aardbeziën putten den grond spoedig uit, daarom moet men ze alle drie, 
of vier jaren verplanten. Maar, in stede van die verplanting te doen met 
oude planten, moet men daarentegen de jonge uitlnopers verkiezen. Het is 
beter dit te doen in het najaar dan in de lente, maar, in dit geval, draagt 
men zorg om er eenige in potten te bewaren, ten einde deze kunnen in de 



356 

de plaats komen van de zoodanige, welke de winter heeft doen verloren gaan. 
Eerst in het tweede jaar der planting verkrijgt men groote en schoone 
vruchten. 

Framboos^ Ruhus idaeus. Hiervan worden 12 verscheidenheden opgeteld. 
Men plant de fraraboozen in eenen ligten, nieuwen en beschaduwden grond; 
zij beminnen eene stelling op het oosten en het zuiden , als wanneer de vrucht 
meer smaak en geur heeft, dan wanneer zij op het noorden zijn geplant. De 
blootstelling aan het zuiden is slechts aan te bevelen voor de zoogenaamde 
remontanten. Even als de bessen en de aardbeziën putten deze planten zeer 
spoedig den grond uit en men moet ze alle 6-7 jaren verplanten en over- 
vloedig bemesten. 

Aalbessen, Ribes, met 12 variëteiten. 

Kruisbeziën, Groseilier épine%tx ou a maguereau. Gedurende eenige jaren 
zijn de verscheidenheden van dit geslacht derwijze vermeerderd, dat het bijna 
onmogelijk is ze met namen aan te duiden. Men kan er wel 500 verschei- 
denheden van aannemen, maar waaronder er vele slechte zijn. De kuituur 
heeft plaats in een zandigen, lossen en vruchtbaren, vochtigen bodem. 

Moerbeziën , Moms , met drie verscheidenheden. De moerbezie-boom houdt 
zich op bijna alle gronden , indien zij slechts vruchtbaar en bewegelijk zijn. 
De zwarte moerbezie verkiest altijd eenen lossen en eenigzins steenachtigen 
ffrond en heeft behoefte om tesren de noordenwinden te worden beschermd ; 
men moet bij liet planten er vooral op letten om de wortelharen niet te 
doen uitdroogen, alsdan toch herhaalt hij zich zeer moeijelijk. 

De Mispel, Mespilus; deze past op bijna alle gronden, indien die maar 
niet te vochtig zijn. Hij slaagt beter in eenen lossen grond, die goede be- 
standdeelen bevat en bij eene goede expositie. 

Hazelnoot, Corylus, met zes variëteiten. Hij bemint allerlei terreinen, 
maar vooral eenen lossen en een weinig vochtigen grond. Alsdan worden de 
vruchten grooter en beter. Hij behoeft geene andere voorzorg, dan die van 
aldus te zijn geplaatst, dat de lucht er van alle zijden toe kan naderen. Men 
moet den hazelnoot vooral niet in perken zetten, waar het geboomte, dat 
hem omringt, hem doorgaans doet stikken. 

Nootenboovi, Jaglans. Ook hiertoe behoort een zestal verscheidenheden. Hij 
is niet moeijelijk, wat aangaat de keuze van den. grond. Zijn groei is snel- 
ler in een goeden, dan in eenen droogen en steenachtigen grond; zijn hout 
heeft in dezen laatsten eene betere hoedanigheid. Hij behoeft de open en 
ruime lucht en moet op groote afstanden van elkander worden geplant. 

De perzik, Persica. Bijaldien men aanwijzingen verlangt betreffende de 
kuituur van dezen boom, verwijst de schrijver van dezen catalogus, de Hr. 
DE BAVAY te Vilvorde, naar zijn Traite de la taille des arbres fruitiers. 



.357 

Als een algemeenen regel evenwel geeft hij het voorschrift om den perzik- 
boom niet te verplanten, vóór dat zijne bladen door de eerste vorst zijn aan- 
gedaan geworden. Er worden hier niet minder dan 53 verscheidenheden op- 
geteld en beschreven. Bij het verplanten zorge men de plant eene goede 
aarde te geven, de worteltjes te bewaren, deze gelijkmatig in den grond te 
plaatsen naar alle zijden. In magere, dorre of kleiachtige gronden zijn de 
perzikken doorgaans smakeloos, en bij gebrek aan kracht vallen zij, vóór dat 
zij rijp worden af. 

Hierna volgen de peeren en appelen , wier aantal van verscheidenheden eenige 
honderden bedraagt; daarna de pruimen en de druiven. Eindelijk volgen de 
woudboomeu of houtgewassen. Het aantal soorten en verscheidenheden kan 
al ligt ettelijke duizende bedragen. Desgelijks de groene boomen. Hierna ko- 
men Azalea's, Rhododendrons, roozen, sierplanten voor den vollen grond, 
Euchsias, Chrysanthemums, specialiteiten enz. 

Deze catalogus is vervat in 90 bladzijden in groot octavo en compres ge- 
drukt. Alle aanvragen te doen aan den eigenaar den Heer a. m. l. de bavay 
te Vilvorde. 

DE VRIESE. 



Prijs-Courani voor het jaar 1855 van j. c. rüdbard. Bloemist te 
Leiden (bij het Station van den Spoorweg). 

Dit is een catalogus van eene schoone en welgekweekte plantverzameling 
van een der uitmuntendste Nederlandsche kweekers. Hij is aldus verdeeld: 
warme kastplanten, koude kastplanten, Azalea indica en Camelia, in welke 
beide eene keur van uitstekende verscheidenheden , heesterachtige Calceolarias , 
Cinerarias, Ericas, Euchsias, pracht-geraniums, Odier-geraniums; Eancj -gera- 
niums, scharlaken-geraniums, geraniums van de Kaap de Goede Hoop, Pe- 
tunias, Verbenas. Onder de bolgewassen kennen wij in die verzameling als 
alleruitmuntendst de Amaryllissen ; verder komen hyacinthen, tulpen enz., 
Eritillarias , Gladiolus, Lilium , Aroideën, Chrysanthemums, Doorbloeijende 
Anjelieren, Engelsche Gr as -Anjelier en, Driekleurige violen, Dalias, Stokro- 
zen, Phloxen, overblijvende tuinplanten, rozen (voor welke de Hr. rodbard 
meermalen de prijzen behaalde op tentoonstellingen) , llhododeudrons , sier- 
boomen en heesters van den vollen grond, waaronder ook en vooral de aza- 
leas en rhododendrons voor den vollen grond. 

Wij raden eiken beminnaar van merkwaardige en schoon gekweekte plan- 
ten aan om deze verzameling te gaan bezoeken en geven de verzekering dat 



358 

men zich niet zal teleurgesteld zien. Het is geen voorliefde voor eenen stad- 
genoot, die ons dit doet ter neer stellen; maar achting voor ware kennis en 
ervaring gedurende eene lange reeks van jaren verkregen en op eene uitmun- 
tende wijze toegepast. 

DE VRIESE. 



OVER DE BEGONI A'S. 



J. r. KLOTZSCH. 

Onder den naam Begonia werd door pi.umier een planten-geslacht toege- 
wijd aan den Franschen intendant michel begon, hetwelk door tourne- 
roRT het eerst is beschreven geworden. De beschrijvingen van dien geleerde 
en van onderscheidene kruidkundigen, die hem zijn gevolgd, waren echter 
ontoereikende om een helder licht over dit uiterst moeijelijk plantengeslacht 
te verbreiden. De eerste, die daartoe aanleiding gaf, was dry ander, die in 
1789 eenige mededeelingen gaf aan de Linnaeaansche sociëteit te Londen. 
Hij gaf beschrijvingen van 21 soorten. Hieronder waren er 11 die te huis 
behoorden in Zuid- Amerika (6 uit West-Indië, 2 uit Guiana, 1 uit Brazi- 
lië), 7 uit de Oost-Indië en 3 van de Oost-Afrikaansche eilanden. Hij had 
de gelegenheid om 3 AVest-Indische soorten levende te beschouwen. De in- 
voer van deze soorten in den tuin van Kew, namelijk van Begonia nitida in 
1777, B. humilis in 1788 en B. acuminata in 1720, gaven hem de gele- 
genheid om de geslachts-kenmerken eenigzins nader te leeren kennen, dan 
dit aan zijne voorgangers had mogen gelukken. 

Sedert dien tijd is het getal der soorten van Begonia, door den aanvoer 
uit Oost-Indië, Zuid- Amerika en Kaap de Goede Hoop, aanzienlijk vermeer- 
derd, namelijk tot 210 soorten aangegroeid, zonder dat de kruidkundigen er 
tot hiertoe in zijn geslaagd om de geslachtskenmerken van genera en stibge- 
nera der Begoniaceën vast te stellen en op goede karakters te baseren. Hierop 
maken slechts eene uitzondering drie voorgestelde geslachten, 2\?, Eupetalum 
Lindl. [Begonia jpetalodes), Meziera Gaud., Biploclinium Eob. Wight, 't 
zeer goede geslachten zijn , hoewel zij als zoodanig tot hiertoe door de kruid- 
kruidkundigen niet zijn erkend geworden. 

De rijke materialen van het Koninklijke Museum te Berlijn, waarin men 



359 

aantreft de verzamelingen van ruiz uit Peru, alexander vox hümbot.dt 
uit Zuid-Ameiika , van Moritz uit Venezuela, van warscewieckz uit Ni- 
caragua, van COSTA rica uit Nieuw-Grenada en van selt.o uit Brazilië; 
hetwelk de stapelplaats kau genoemd worden van de Begoniaceën, en de le- 
vende planten in den tuin van Berlijn, gaven de gelegenheid om een zeer 
groot aantal soorten te onderzoekeu. Het was geen gemakkelijke zaak om 
die teedere bloemdeelen in de herbariën te onderzoeken en eene andere zwa- 
righeid, wat de levende planten aangaat, was gelegen in variëteiten, welke 
door kruising in de warme kassen ontstaan. Hiertoe hebben ook aanleiding 
gegeven de pogingen van kweekers, ten einde nieuwe vormen voort te bren- 
gen. De vorming van hybriden gaat bij de Begonias uiterst gemakkelijk voort. 
Eene omstandigheid die dit zeer begunstigt, is daarin gelegen, dat de man- 
nelijke bloemen doorgaans zijn afgebloeid, vóór dat de vrouwelijke tot ont- 
wikkeling geraken. Hier is het dus niet eens noodig , gelijk bij andere plan- 
ten, welke men wil doen kruisen, om de antheren die in gewone gevallen en 
bij tweeslachtige bloemen de bevmchting te weeg brengen, te verwijderen. 
De Begonias, welke door kruising ontstaan, zijn veel sterkeren krachtiger dan 
hare stamouders. Zij bloeijen doorgaans rijkelijker en zij zijn voorzien met 
vrouwelijke bloemen, die langer blijven. Daarentegen vallen de mannelijke 
bloemen dezer bastaard-ontwikkelingen veel spoediger af, zonder zich volko- 
men te ontwikkelen; het getal der bloembladen is in dezelve niet standvas- 
tig hetzelfde; de meeldraden zijn onvolkomen gevormd en zij hebben eene 
neiging om zich in bloembladen te vervormen, en vooral het stuifmeel heeft 
eene andere ontwikkeling als de legitieme formatie. Deze afwijkingen zijn 
des te sterker en meer in het oog loopende, naar gelang de soorten verder 
van elkander afstaan , of liever, in haren vorm , groei , enz. meer van elkander 
afwijken. Dergelijke bastaarden ontstaan in den natuurlijken d. i. wilden toe- 
stand minder, welligt in 't geheel niet. 

De Heer klotzsch heeft , afgaande op een aantal kenmerken , waardoor de 
geslachten in deze familie kunnen worden onderscheiden, er 41 voorgesteld. 
Hij heeft deze beschreven met de daartoe behoorende soorten in een pas ver- 
schenen geschrift, hetwelk tot titel heeft: Begoniaceen-Gattungen, und Arten, 
[Abh. d. Kon. Akademie der Wissensch. Berliu, 1854). 

AYij treden niet in eene uitzetting van die geslachten , hetgeen ons te zeer op 
het gebied der kruidkunde zou doen verwijlen , — veel minder in eene beoordee- 
ling van de rigtigheid derzelve , waartoe wij zouden moeten treden in een scherp 
onderzoek, 't geen anderen reeds geleid heeft tot andere beschouwingen. 
Doch ook hiertoe ontbreken de materialen. Er is zeker door dit geschrift 
veel gewonnen aan de behoorlijke beschrijving en karakteristiek der soorten. 

Er is ook, ja men kan zeggen vooral in de hortikultuur eene mode. Niet 



360 

lang geleden kweekte men deze planten algemeen in talrijke soorten. Het is 
welligt de gemakkelijke kuituur die ze minder doet op prijs stellen en bij 
velen het gebrek aan handen om ze te behandelen en aan plaats om ze te 
bewaren. 

Wij bevelen intusschen aan hen, die zich speciaal met die kuituur afge- 
ven het boek van den Heer klotzsch , 't welk met goede afbeeldingen voor- 
zien is, aan. Die het raadpleegt, zal zich niet teleurgesteld vinden. 



DE NIEUWSTE NOMENCLATUUR DER NEÜERLANDSCH OOST-INDI- 
SCHE PALMEN VAN DE TUINEN, NAAR AANLEIDING VAN DE 
LAATSTE ONDERZOEKINGEN VAN PROF. F A. W. MIQUEL; 



MEDEGEDEELD DOOR 



W. H. DE VRIESE. 



Wij hebben in eene onzer vorige afleveringen een verslag gegeven van de 
Flora van Nederlandsch Indië door Prof. MiQirEL, voor zoo verre dit werk 
toen was verschenen. Daarvan zijn nu reeds drie afleveringen in het licht 
gekomen, namelijk twee, welke handelen over de Papilionaceae , en eene 
welke handelt over de Palmae en Pandaneae. Ons bestek laat niet toe om 
telkens al die gewassen naar aanleiding van dat belangrijke geschrift te re- 
censeren; maar wij moeten daarin eene uitzondering maken, met die, welke 
meer direct met ons doel in betrekking staan. 

Er komen nu in deze afdeeling, welke over de palmen handelt, een groot 
aantal voor, die, of om hun nut gewigtig zijn, of hier verdienen bekend te 
worden gemaakt, omdat zij voor een niet gering aantal in de tuinen voor- 
komen. 

Het behoeft wel geen betoog, dat de palmen behooren onder de schoonste 
en prachtigste voorbrengselen van het plantenrijk. Dit is door de geschriften 
van VON HUMBOLDT, VON MARTius, BLUME, JUNGHUHN, zoi.iJNGER CU an- 
deren genoegzaam gebleken. 

Het is hier ons doel niet om daarover nu uit te wijden, veel minder om 
over het nut der palmen, waartoe wij dus eene andere gelegenheid voorbe- 
houden. Wij wenschen integendeel nu een overzigt van het geschrift van 
onzen geleerden landgenoot te geven, vooral in betrekking tot de nomencla- 
tuur der palmen in de plantverzamelingen. Wie eenigzins met deze familie 
van planten bekend is, zal, geloof ik, dit ons doel wel billijken. 



361 

De reden is deze, dat de nomenclatuur in de botanische geschriften even 
zeer als in de tuinen tamelijk ongelijk, om niet te zeggen, verward is. De 
heer miquel heeft die zaak ontward en wij zeggen hem daarvoor dank. Er 
is menige naam van vroegere auteurs vervallen, en tot andere bekende ge- 
slachten als synonym terug gebragt. Het maken van nieuwe namen , waar dit 
niet noodig is, wordt groot nadeel voor de wetenschap en het schrikt velen 
van hare beoefening af. Die overdreven zucht om mihi of nobis achter eenen 
plantennaam te stellen, wordt niet zelden eene geleerde pralerij, waarbij de 
zaak niet wint, doch waarbij wel eens de regtmatige verdiensten van andere 
geleerden worden in de schaduw gesteld of, om het nog duidelijker uit te 
drukken, achter de bank geschoven. Er is een ander nadeel in zulk eene 
overdrijving van dat nohis of dat mild', het maakt namelijk de wetenschap 
bespottelijk in de oogen van leeken. Ik herinner mij dat iemand, die in een 
werk over de Flora, ik weet niet meer van Avelk land, had gelezen dat 
de auteur bij herhaling de uitdrukking bezigde: //mijn laurier," //mijn E,ho- 
dodendrum" enz., mij vroeg of die schrijver zulke uitgestrekte bosschen en 
eigendommen in die verre landen bezat, en of dat alle ziyne planten waren. 

Bij de opsomming der palmen-namen is het noodig, dat wij de indeeling 
leeren kennen, welke de hoogleeraar miquel in zijn geschrift over de pal- 
men heeft gevolgd, w^aarnaar wij, ouder de leiding van zijn boek zelf, de 
palmen der tuinen zullen opsommen. "Wij herinneren hier tevens dat de Heer 
WENDLAND, dirccteur der tuinen van Z. M. den koning van Hanover eene 
lijst van de palmen welke in kuituur zijn heeft uitgegeven, welke wij hierbij 
tevens zullen benuttigen, zooverre wij op die nomenclatuur met zekerheid 
kunnen afgaan. 

ovERZiGT DER GESLACHTEN. [Zie Ier aongeh. pi.) 

* Ougedoornde palmen, (met zeer weinig uitzonderingen). 

I. Één vrucJitbeginsel, veelal in hokken verdeeld. Vruchten zonder schubben. 

Trib. I— III. 

A. Bladen vindeelig. 

1. Vruchtbeginsel eenhokkig. 

a. Kiemwit effen: II. Kentia. 

b. // meestal oneften: IV. Pti/chospenna. 

2. Vruchtbeginsel dnehokkig. 

a. Vrucht eenzadig. Kiemwit oneflen, zelden effen: T. Areca. 

b. Vrucht eenzadig. Kiemwit efïen, van binnen hol: III. Orauia. 

c. Vrucht eenzadig. Kiemwit cfi'en, zaad in eene schaal met drie 
gaten: XX. Cocos. 



362 

d. Vrucht met 2-3 driehoekige zaden, kiemwit efi'en: VI. Arenga. 
3. Vruchtbeginsel twee- zelden drieliokkig. Sappige vrucht met 2-3, 
of met een zaad. Kiemwit efi'en: V. WallicJiia. 

B. Bladen dubbel vindeelig of dubbel gevind: slippen onregelmatig uitge- 
vreten: VIL Caryoia. 

C. Bloemen op met schubben regelmatig bekleedde bloemkolven. Loof vin- 
deelig. 

1. Bloemen eenhuizig op verschillende kolven of polygamisch, de vrou- 
Avelijke aan het onderste gedeelte der takjes bij de mannelijke bloe- 
men: VIII. Bentinckia. 

2. Bloemen polygamisch-eenhuizig op denzelfden onverdeelden kolf, in 
groef jes met 2 lipsgewijze geplaatste schubben omgeven: IX. Iguanura. 

3. Bloemen polygamisch-eenhuizig op denzelfden onverdeelden kolf, on- 
der schubvormige schutblaadjes in groefjes geplaatst: X. Calypirocalyx. 

"^"^ Bladsteelen somtijds met doornen. 

D. Bladen waaijervorinig; bloemen dikwerf tweehuizig. — Vrucht vleezig 
of sappig, met 3, zelden niet 1 — 2, nog zeldzamer met 4 pitten. 

1. Meeldraden 6: XI. Borassus. — XII. PhoUdocarpus. 

2. // 24 — 36: XIII. Lodoicea. 

TL Bloemen ?neestal tweeslag tig. Brie vruchtbeginselen., veelal vrij, zeld- 
zaafn met elka^ider vereenigd., zeer zelde7i eenhokkig. Vrucht besachtig, 
veelal uit 3 of 2 vergroeide zamengesteld. Loof waaijervormig, zelden 
vindeelig. 
a. Waaijervormige bladen. 

a. Slippen aan den top ingesneden. — Kolf zeer groot, uit den top 
des stams: XIV. Corypha. — Uit de okselen der bladen: XVI. 
Livistona. 
ft. Slippen aan den top afgeknot: XV. Licwala. 

y. Bloemen polygamisch, — twee tot vier bloemkolfscheden, waarvan 
de binnenste volledig: XVII. Chamerops, onvolledige bloemkolf- 
scheeden: XVIII. Rhapis. 
h. Vindeelige bladen: XIX. Bhoetdx. 
*** Gedoomde palmen. 

IlI. Vruchten met regelmatig geordejide schubben. Stammen bij velen lang 
en dun. Trïb. IV. 
I. Stammen dun en veelal zeer lang. 

a. Kolf lang-gesteeld, met een dikke houwvormige scheede: XX. 

Car atolobus. 
h. Kolf korter gesteeld, met eenige onvolledige scheeden: XXII. 
Kortkalsia. 



363 

c. Kolf digt getakt, met eene volledige of onvolledige afvallende 
scheede: XXVI. Daemonorops. 

d. Kolf getakt, met blijvende, onvolledige scheeden: XX^^LI. Calamus. 

2. Stammen dik. 

a. Kolf eindelingsch, bloemen enkel, op de toppen der takjes: 

XXIU. Eugeissona. 
h. Lange kolven met 2 rijen scliubjes: XXIV. Plectocomia. 
c. Kolf zeer getakt; bloemen in rolronde aren: XXVIII. Metroxyloti. 

3. Zeer korte, bijkans geene stammen: XXV. Zalacca. 

4. Afwijkend geslacht: XXIX. Nipa. 



Tribus I. ARECIXilE mart. Palm. 157. 
(Areka-Palmen). 
I. ARECA Lixx. (Miquel p. 7). 

§ Arecae genuinae Mart. l. c. p. 311. 
ARECA CATECHU linn. spec. pi. p. 1189. In geheel Indië. 

Afgeb. bij Roxb. pi. Corom. I. p. 54. t. 75. 
// Hayn. Aryn. Gew. VII. t. 35. 
// Mart. Gen. et Sp. palm. p. 169, 311. t. 102. 
t. 104. (excl. var. Calapparia). 
Beschreven bij Rumph, als Pinanga sive Areca, in zijn 
Herb. Amb. I. 26. 
// // Valentyn, Beschr. Amb. III. p. 185, als 

» // Pinangboom of Areekboom. 

Komt voor in de meeste botanische tuinen, waar Pal- 
men worden gekultiveerd. Ik voeg hierbij , wat mij daar- 
van of door eigene aanschouwing, of door wendi.and's 
geschrift, of door vriendelijke mededeeling van an- 
dere tot de tuinen in betrekking staande geleerden 
of kweekers is bekend geworden. Het doet mij leed 
dat ik van sommige tuinen, "waar voorzeker mede eene 
belangrijke verzameling dezer gewassen voorkomt, geene 
speciale mededeeling kan doen, om dat ik die of nim- 
mer zag, of in vele jaren niet bezocht. 
(Horti IVeerlandici, Paris, Kew, Lodd.) 
ARECA ALBA rumph. Herb. Amb. t. 4. Excl. lig. c? Oost- Java. 

Afgeb. bij Blume, Rumph. II. p. 68. 1. 102 B et tab.,108.fig. 12. 
(// //) Hetgeen wendland 1. c. p. 1. als A. alba voordraagt, moet 
eenen andere plant zijn. 



364 

ARECA PUMILA mart. /. c p. 177. excl. syn. BI. quocl ad A. triandram 
ft, spectat et p. 312 et tab. 152. Java. 

Synonymon. Pinanga Nenga BI. Rumph. IL p. 78. 
tab. 107. 

(Horti Neerlandici). 

II. KENTIA BL. (Miquel 15). 
Dit geslacht is in de tuinen nog niet vertegenwoordigd. 

III. ORANIA ZTPP. (Miquel p. 16). 
OEANIA REGALIS zipp. BI. Rumph. l. c. p. 116. tab. 119 et 122 (on- 
der den naam van Arausiaca excelsa) Nieuw Guinea. 
(Horti Neerlandici) 

IV. PTYCHOSPERMA i.abill. (Miquel p. 17). 
PTYCHOSPERMA LATISECTA miq. Flor. Ind. Batavae 1. c. Suraatra. 

Pinanga latisecta BI. Rumph. II. p. 79. 
t. 108. fig. 1. Seaforthia latisecta Mart. 
Palm. 312. 
(Horti Neerlandici). 
PTYCHOSPERMA SYLVESTRIS miq. Flor. Ind. Bat. 1. c. 22. Java. 

Afgeb. bij Blume 1. c. t. 87, 110. fig. 2. 
Syn. Seaforthia Sylvestris Mart. 1. c.p. 185. 
// Pinanga '/ BI. 1. c. 

// // // // Miq. pi. Jungh. 

(Horti Neerlandici). 
PTYCHOSPERMA COSTATA miq. West-Java. 

Afgeb. bij Blume 1. c. p. 80. t. 109 als Pi- 
nanga costata BI. 
(Horti Neerlandici). 

V. WALLICHIA ROXB. (Miquel 32). 
WALLICHIA CARYOTOIDES koxb. pi. Cor. III. p. 91. Chittasong. Assam. 

Afgeb. Roxb. t. a. pi. t. 295. 

Syuon. Wrightia caryotoides ejusd. El. Ind. 
III. p. 621. Harina caryotoides Ham. 

Deze soort behoort eigenlijk op het vaste 
land van Indië te huis, maar is in de 
laatste jaren ook naar Oost-Indië, bepaal- 
delijk naar Java verzonden. 

(// // Herrenhus. Berol. Bruxell.) 

VI. ARENGA labill. (Miquel. 34). 



365 

ARENGA SACCHARIFERA t,ab. Mem. Tlnst. IV. p, 09. Indische Aich. 

Afgeb. Mart. palm. p. 191. t. 108, 161. fig. 
4. tab. 7. IV. tig. 11. 

Synon. Arbor Gomonto s. Saguerifera Valent, 
Ind. lit. XVII. p. 438.SagueerofGor- 
nuto-Boom Val. amb. p. 181. 
// BorassusGomutusLour. Coch.II. p. 759. 
// Gomutus sacchaiifer Spreng. II. p. 622. 
// Saguerus Rumphii Roxb. fl. ind. III. 626. 
// // saccharifer Wurmb. Verli. Bat. 

Gen. I. p. 350. BI. 1. 1. 128. t. 123—124. 
(// " Herrenh. Berol. Leodiens. Bruxell. Gand. 
Paris. Kew. Edirab.) 
ARENGA OBTUSIFOLIA mart. 1. c. Java. 

Afgeb. Mart. 1. e. p. 191. tab. 147, 148 et 161. 
IV. BI. 1. c. II. 131. t. 26etl25subnomine 
Saguerus Langkab. 
{'/ // sub nomine postremo loeo indicato). 

Vn. CARYOTA i.iN.v. (Miquel 36). 
CARYOTA MAXIMA bl. 1. c. p. 146. tab. 136 C. Java. 

('/ /' Herrenh. Berol. Bruxell. Gand). 
CARYOTA PROPINQUA bl. 1. c. p. 138. t. 155, 162. Java. 

(. .) 
CARYOTA FURPURACEA bl. 1. c. II. p. 141. Java. 

Deze soort is, naar mijn weten, niet afgebeeld. 

{" ") 
CARYOTA URENS linn. Sp. Sunda- Archipel? Ceylon, Malabar, Bengalen. 
Afgeb. Mart. 1. c. p. 193. 107, 108, 162. tab. V. fig. 

11 et tab. V. fig. 1—3. 
(Horti Neerlandici, Herrenh. Berol. Paris. Edinb. Kew, eet.) 
CARYOTA CUMINGII lodd. Cat. Mart. 1. c. p. 115, 715. Philippijnsche 

eilanden. 

('/ // AVelligt ook van Java ingevoerd. Zou deze 

soort genoeg verschillen van C. urens? d. v.) 

CARYOTA SOBOLIPERA WAT.T,. Malakka en naburige eilanden. Ook Java? 

Afgeb. Mart. 1. c. p. 194. tab. 107. fig. 2. 
// Jacq. frag. p. 20. tab. 12. fig. 1. 

{" ") 

VIII. BENTINCKIA berky. (Miquel 42, 43). 



3C6 

IX. IGUANURA BL. 

X. CALIPTEOCALYX bl. 
Deze geslachten hebben, tot nog toe, naar mijn weten althans, in de tui- 
nen geene vertegenwoordigers. Cal3^ptrocalyx is wel meermalen overgezonden, 
maar hier altijd dood aangekomen. 

Trib\is IT. BORASSINAE maut. palm. 

XI. BORASSUS LiNN. (Miquel 45). 
BORASSUS FLABELLIPORMIS linn. Mus. Cliff. p. 13. Celebes, Ceram, 

Borneo, Timor 
Afgeb. Roxb. pi. Corom. I. p. 50. tab. 77,72. 
// Mart. l.c.p. 219,108, 121,162. 
Blum. 1. c. III. p. 88. (zonder af b.) 
// Rumph herb. Amb. I. p. 45. tab. 10. Sub no- 
// mine: Lontarus doraestica, de Lontar-palm. 
(// // Paris, Herrenhus, eet.). 

XII. PHOLIDOCARPUS bi. (Miq. 47). 

XIII. LADOICEA T.ABITJ.. (Miq. 48). 

LATANIA COMM. (Miq. 48). 

Het geslacht XII behoort niet tot die planten waarvan soorten voorkomen 
in de tuinen; XIII is niet van Nederlandsch Oost-Indië; XIV evenmin. 
Lacloicea Sechellarum, Coco de mer volgens sonnerat {Voy. a la Nouvelle 
Guinee, I. tab. 3-7) is echter in den tuin van Kew, alwaar ik van die merk- 
waardige plant in 1850 de kieming heb gezien. Deze palm, die 30-50 , som- 
wijlen 110 voeten hoog wordt, groeit alleen op de kleine groep der Sechel- 
len-, of Mahé-eilanden, welke gelegen zijn ten Oosten van Afrika. De vruch- 
ten drijven rond in den oceaan, en men treft ze aan tot op de Maldavische 
eilanden; hierdoor komt het, dat zij tot in geheel Indië eene zekere ver- 
maardheid hebben verkregen. De schrijver haalt hier eenige afbeeldingen van 
deze soort aan, welke wij hier overnemen, omdat menigeen onzer lezers waar- 
schijnlijk in de gelegenheid zal zijn om eene of andere dier afbeeldingen te 
vergelijken. Zij zijn: 

Nouvelles Annales d'hist. nat. IX. 140. t. 13. 

Hook. Bot. Mag. t. 2734—2738. 

riore des Serres. V. tab. 523—526. 

Mart. 1. c. p. 233. tab. 109, 122. & X. 

Van XIV is in de tuinen LATANIA COMMERSONII ijnn. Mart. 1. c. 
p. 224. t. 148. fig. 4. t. 154. t. 161. fig, 2. Het is Zaia?iiarubra ww-Jacfi. 



367 

Voorts Latania (Livistona) Chïnensis Mart., tlie almede niet zeker tot ons 
O. I. behoort. 

XIV. CORYPHA i.TNN. (Miquel 49). 

CÜRYPHA L'MBRACULTFERA i.ixx. Hort. Cliff. p. iS2. Suntla-eilandeu. 

Afgeb. Mart. 1. c. p. 232. t. 108, 127. lig. .2. 

" Bheede Hort.. Malab. ITI. p. 1 . tab. 1 — 11 . 
Afgeb. Eumph. herb. arab. I. 53. t. 11. 
Svnon. Corypha Gebanga BI. IL p. ."39. t. 97, 98, 105. 

/' Sylvestris BI. II. p. 59. 
(" /' Herrenh. Paris. Kew, eet.). 

XV. LICUALA EüMPH. (Miquel 51). 
LTCUALA SPINOSA wur.MB. Yevh. Bat. Gen. II. -169. Java. 

Afgeb. BI. 1. c. p. 89. tab. 82, 88. 
(" //? Herrenh. alii?). Ik durf echter niet zeker te zeg- 
gen, of de plant als Licuala spinosa in de tuinen 
voorkomende, behoort tot deze soort dan wel tot 
LTCUAI.A EUMPHII bi.. 1. e. IL p. \\. t. 89. iig. 2. Celebes, Borneo, 
Madura, Java. 
Afgeb. ook bij Ruraph. t. a. pi. II. p. 44. tab. 9. 

(" -?) 
LICUALA ELEGANS bl. Rumphia II. p. 42. t. 90. Sumatra. 

(" ") 

LICUALA PUMILA reixw. Java. 

Afgeb. Bl. t. a. pi. IL p. 43. t. 91. 
(Hort. Lodd. teste Wendl.) 
LICUALA XAX'A bl. 1. c. IL p. 46. t 93. Sumatra. 
(Hort. Amst. teste eodem). 

XYI. LIYISTOXIA R. browx. (Miquel. 57). 
LIVISTONA ROTÜXDIFOLIA mart. Java, Celebes, Ceram, Malakka. 

Afgeb. Mart. 1. c. p. 211. t. 102. (sub Corvpha) et tab. 135. 
fig. 5. tab. 7. XL fig. III. 
Bl. 1. c. p. 49. t. 95 et 96. (als Saribus). 
// Rumph. 1. c. L p. 42. t. 8. ( " /' ) 
Synou. Corypha rotundifolia Lam. 

/' Saribus rotundifolius Bl. Rumph. 1. e. p. 49. t. 95 et 96. 
LIVISTOXA SUBG LOBOS A mart. Java. 

Synon. Sari bus subglobosus Hassk. 
LIVISTOXA OLIVAEPORMIS' mart. 1. c. Java. 

Svnon. Saribus olivaeformis Hassk, 



368 

(De drie laatstgenoemde soorten zijn het eerst in de Nederlandsclie en uit 
dezelven in andere botanische tuinen overgebragt). 

XVII. CHAMAERÜPS linn. (Miquel 60). 
CHAMAEROPS EXCELSA thunb. China. Nepal. Sumatra? 

Afgeb. Mart. 1. c. p. 251. tab. 125. %. 2—3 
" Wall. pi. As. rar. III. p. 5. t. 211 on- 
der den naam Chamaerops Martiana. 
(De Nederl. tuinen en uit dezen in anderen overgebragt). 

XVIII. RHAPIS LixN. fil. (Miquel 61). 
RHAPIS JAVANICA bl. 1. c. II. p. 56. Java. 

Niet afgebeeld. 
(. .) 

XIX. PHÜENIX LINN. (Miquel 62) 
PHOENIX SYLVESTRIS roxb. fl. ind. III. p. 787. Geheel Oost-Indië. 

Afgeb. Mart. 1. e. tab. 236. * 
// Rheede Hort. Malab. III. t. 22—25. 

{" ") 
PHOENIX PALUDOSA roxb. 1. c. p. 789. Vaste land van Indie Java?? 

Afgeb. Mart. tab. 136. 

PHOENIX DACTYLIEERA linn. Naar Java overgeplant, volgens Hasskarl. 

{" ") 
PHOENIX EARINIFERA roxb. Corom. I. p. 56. tab. 74 Niet zeldzaam 

in Indië. Uit Japan ingevoerd , volgens Zollinger). 
Tribus IV. COCOINEAE makt. 

XX. COCOS LINN. (Miquel 63) 
COCOS NUCIPERA linn. Java en de Sunda-eilanden. 

Afgeb. Mart. 1. e. p. 123. tab. 62, 63 et tab. 88. lig. 3. 
// Rheede, Hort. Malab. I. p. T. tab. 1—4. 
// Rumph. Herb. Amb. I. 1. tab. 1 — 4. 
Deze palra-soort komt bijna in alle tuinen voor, doch ontwikkelt zich 
slechts tot eenen bepaalden groei, sterft dan af. Men schijnt in de kuituur 
van deze palmsoort nog maar weinig geslaagd te zijn. 

Tribus V. LEPIDOCAROINEAE mart. 

XXI. CERATOLOBUS bl. (Miquel 73). 
CERATOLOBUS GLAUCESCENS bl. Java. 

Afgeb. Bl. II. p. 165. t. ] 29 et tab. 137. fig. a. 
ff Mart. 1. c. p. 196. t. 115. 



369 

XXII. KORTHALSIA bt. (Miquel 74). 

XXIII. EUGEISSONIA griff. (77). 
Deze beide geslachten komen, tot nog toe, in de tuinen niet voor. 

XXIV. PLECTOCOMIA bl. (78). 
PLECTOCOMIA ELONGATA bl. 1. c. III. p. 68. t. 58 et 163. Java. 

Afgeb. Mart. 1. c. p. 199. tab. 114, 116 f. 1. 
(. .) 

XXV. ZALACCA rumph. 
ZALACCA AYALLICHIANA m.^rt. 1. c. p. 201. tab. 118, 110, 136. Su- 

matra, Malakka. 
Afgeb. Wall. pi. As. rar. III. 14 t. 222—224. 
(Sub nomine Z. Rumpliia.) 
// Blum. Eumph. II. p. 161. 
(// //) Herrenh. Kew, enz.). 

ZALACCA EÜULIS reinw. Syll. II. p. 3. Java, Molukken. 

Afgeb. Mart. 1. c. p. 202. tab. 123, 159. lig. 2, als 

Zalacca Blumeana. 
(// " Berol. Paris, enz.) 

XXVI. DAEMONOROPS bt,. (Miquel 80). 
DAEMONOROPS MELANOCHAETES bl. 1. e. IH. p. 3. tab. 134, 137. Java. 

Afgeb. Mart. 1. c. p. 198. 1. 117, 125. 

DAEMONOROPS DRACO mart. Sumatra, Borneo. 

Afgeb. Mart. 1. c. p. 211, 329. t. 119. fig. IX. 
// Blum. 1. c. III. p. 8. t. 131. 
// Hayn. Arzn. Gero. X. tab. 3. 
Synon. Calamus Draco Willd. 
(Hort. Neerl.) 
DAEMONOROPS OBLONGUS mart. 1. c. p. 205. t. 106. fig. IV. p. 328. Java. 

Afgeb. Blum. 1. c. III. p. 23. t. 140. fig. 7—13. 
Synon. Calamus oblongus Reinw.? 

(" -) 

DAEMONOROPS CRINITUS bt,. 1. c. III. p. 27. 1. 136. Mart. 1. c. p. 329. Bom. 

(" ") 
DAEMONONOROPS NIGER bl. Amboina. 

Afgeb. Rumph. Heib. Amb. V. 101. tab. 52. 
Synon. Calamus Niger Willd. 
(. .) 

II. ^' 



370 

XX VUL CALAMUS linn. (Miquel 103). 
CALAMUS ORNATUS bt,. 1. c. III. p. 58. t. 148. Malakka, Java. 

(. .) 
CALAMUS CILIARIS bi. 1. c. III. p. 34. t. 147 et^' E. Java, Suraatra, Bom. 

(. .) 

CALAMUS ROTANG linn. Bengalen, Cejlon enz. Ingevoerd op Java? 

Afgeb. Mart. 1. c. p. 384. t. 116. fig. VIII. tab.Z.XXTL 
fig. 22. 
(„ .) 
CALAMUS HETEROIDEUS bt,. 1. c. TIL p. 46. t. 163 B. 

{" ") 
CALAMUS VIMINALIS reinw. Celebes. 

CALAMUS JAVENSIS bl. 1. c. III. p. 62. t. 137. Java. 

Afgeb. Mart. 1. c. p. 207. tab. 113, 128. 

{" ") 
CALAMUS BORNEËNSIS miq. Anal. bot. Ind. I. p. 46. 

(Wel ligt te Leiden) 
CALAMUS AÜPERSUS rl. 1. c. tab. 142. exci. fig. D. et anal. tab. 143. Java. 

(Horti Neerlandici). 
CALAMUS EQUESTRIS wiij.d. Molukken. 

Afgeb. Rumph. herb. Amb. V. 110. t. 56. 

CALAMUS CAESIUS bl. Borneo. 

(Leiden). 
CALAMUS RHOMBOIDEUS bl. Java, Sumatra, Borneo. 

Afgeb. Bl. 1. c. III. p. 60. tab. 154. 

(Horti Neerlandici). 
CALAMUS ASPERRIMUS bl. IIL p. 36. t. 1465. Java. 

CALAMUS MANICATUS teysm. & binnend. Java. 

[" ") 
CALAMUS RUDENTUM lour. Java. 

{" ") 
XXVIII. METROXYLON eottb. (Miquel 139). 
METROXYLON RUMPHII makt. Oost-Indië. 

Afgeb. Mart. 1. c. p. 214, S13. tab. 102, 159. 

// Rumph. 1. c. L p. 75. t. 17, 18. 
Synou. Sagus Rumphii Wildd. 
(,/ ,/?) 



371 

NIPACEAE. 

XXIX. NIPA RUMPH. (Miquel p. 150). 
NIPA ERUCTICANS wurmb. Java, Sumatia, Borneo enz. 

Afgeb. Mart. palm. p. 805. tab. 108, 171, 172. 
// BI. 1. c. m. p. 76. t. 105, 164, 165. 
'/ De Nipa-boom van Houttuin en Rnmpli. 

Het kan niet missen of wij zullen in de bovenstaande optelling wel eenc 
of andere palmsoort hebben over het hoofd gezien, of onvermeld hebben ge- 
laten eenige soorten, die voorkomen in de tuinen. Ook is het niet zeker dat 
alle de door ons in deze lijst opgenomen soorten thans nog in de ver- 
zamelingen aanwezig zijn; maar, dat de meesten daarvan voorkomen, hieraan 
meenen wij niet te behoeven te twijfelen. 

Wat de naamsveranderingen aangaat, die hier zijn voorgesteld, meenen 
wij te mogen aannemen, dat de Hoogleeraar miquel afgegaan is op goede 
door hem in 't werk gestelde vergelijkingen. Wij hebben gemeend door de 
bovenstaande lijst eene dienst te doen aan onze kweekers, die nu weten wat 
zij eigenlijk voor hebben; latende voor 't overige aan ieder over om in het 
geschrift van den Heer miquel de beschrijvingen te vergelijken. 



PROGRAMMA DER VEERTIENDE TENTOONSTELLING, VAN DE 
KONINKLIJKE NEDEHLANDSCHE MAATSCHAPPIJ TOT AAN- 
MOEDIGING VAN DEN TUINBOUW, ONDER BESCHERMING 
VAN Z. M. DEN KONING. 

Voorstanders der Horticultuur, die de belangen der Maatschappij bijzonder willende be- 
vordereu, genegeu mogten zijn door het scheuken van Medailles, hiertoe mede te wer- 
ken , wordeu beleefdelijk uitgenoodigd , zulks aan den Secretaris te willen berigten. — 
De Gouden Medaille wordt berekend tegen f 90 , de tweede Gouden tegen f 50 en de 
Zilveren tegen f 10. 

De namen dezer Begunstigers zullen in het Proces-Verbaal worden bekend gemaakt. 

4-7 April 1856. 

Art. 1. De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Aanmoediging van 
den Tuinbouw, zal hare veertiende Tentoonstelling (volgens Besluit der Al- 
gemeene Vergadering te 's Gravenhage dato 6 April 11.) te Rotterdam hou- 
den , in het Gebouw der Sociëteit Harmonie , van 4 tot en met 7 April 
1856. 



372 

Art. 2. Allen die tot de Maatschappij in betrekking staan, of daartoe 
krachtens dit Programma geregtigd zijn, worden uitgenoodigd tot de bedoe- 
ling dezer Tentoonstelling, zoo veel mogelijk, bij te dragen (art. 27 c en 31 
der wetten). 

Art. 3. Aan het Bestuurs-Lid der Maatschappij den Heer c. t.. van der 
sTRxiAT-, MZ., te Rotterdam, moet schriftelijk en portvrij, vóór of uiter- 
lijk op Vrijdag 28 Maart, eene naauwkeurige lijst worden toegezonden, 
inhoudende de namen der in te zenden voorwerpen, benevens de verklaring 
tot welk onderwerp van mededinging dezelve bestemd zijn. De inzenders 
worden verzocht die lijsten duidelijk te schrijven, aangezien bij de opname in 
den Catalogus de benaming voor rekening van den inzender wordt gelaten. 

Art. 4. Voorwerpen, waarvan de opgave, naamlijst of verklaring ontvangen 
is na 28 Maart des avonds ten 11 ure, zullen als bijdragen ter verfraaijiug 
beschouwd worden. 

Art. 5. Alle voorwerpen moeten vrachtvrij worden ingezonden op llings- 
dag 1 April, uiterlijli des avonds ten lO ure. 

Art. 6. Het Bestuur zal het toczigt en de verzorging der ingezonden voor- 
werpen doen houden door deskundigen. 

Art. 7. Tot mededinging naar de uitgeloofde prijzen worden geene voor- 
werpen toegelaten, welke reeds vroeger naar hetzelfde ondenoerp mededongen 
en alstoen door de Maatschappij bekroond zijn. Ook zal het Bestuur die ver- 
zamelingen of voorwerpen aan de mededinging onttrekken, waarbij de opgave 
van het onderwerp van mededinging onnaauwkeurig en alzoo aan twijfel onder- 
hevig is en waarbij het gevraagde aantal niet geleverd is. — Het zal der 
Commissie van Beoordeeling vrijstaan verzamelingen, waarbij het gevraagde 
aantal overschreden is , tot dat aantal terug te brengen. 

Art. 8. De beoordeeling en toewijzing der prijzen zal geschieden door eene 
daartoe benoemde Commissie, op Woensdag 2 April des morgens ten 
11 ure. 

Art. 9. De Commissie zal de uitgeloofde Medailles en Premiën ook dan 
kunnen toewijzen , wanneer er geene mededinging is ; indien namelijk de grond 
daartoe aan de ingezonden voorwerpen kan worden ontleend. Inzenders , welke 
voor iedere bekrooning verlangen buiten aanmerking te blijven, worden ver- 
zocht daarvan bij de inzending dei* naamlijst, vermeld in Art. 3, te doen 
blijken. 

Art. 10. Aan inzenders van bekroonde gewassen zal, des verkiezende, in 
plaats der gouden Medaille eene som van 90 gulden, — der tweede gouden 
eene som van 50 gulden, — en der zilveren eene som van 10 gulden wor- 
den uitgereikt, mits zij zich dienaangaande uiterlijk 8 dagen na de bekroo- 
ning verklaren. 



373 

Art. 11. Een inzender van bekroonde voorwerpen, die door zijnen tnininan 
ot knecht zijn verzorgd en gekweekt , kan een getuigschrift voor dezen bij 
het Bestuur aanvragen. 

Art. 15. Aan het locaal der Tentoonstelling zal eene Naamlijst der Plan- 
ten met het Proces -Verbaal van de Beoordeeling, tegen betaling van 25 centen, 
te bekomen zijn. 

Art. 16. De teruggave der voorwerpen heeft plaats op Dingsdag 8 April. 
Wat op 9 April des middags ten 12 ure niet afgehaald is, blijft voor reke- 
ning des eigenaars, wordende in ieder i?eval de localeu des avonds ten 6 ure 
ontruimd en gesloten. 

Art. 17. Wie verlangen mogt, dat het door hem ingezondene, ingepakt 
en teruggezonden worde, zal daarvan kennis hebben te geven bij de opgave 
van inzending, vermeld in Art. 3, en den weg moeten bepalen, langs wel- 
ken hij die terugzending begeert. 

Art. 18. 

OPENGESTELDE JIEDEDINGIXG EN DAAROP UITGELOOFDE PRIJZEN 
VOOR LEDEN EN NIEÏ-LEDEN. 

I. Voor de fraaiste verzameling van 20 bloeijende Azalea indica. 

a. Eene Zilveren Medaille en f 15. 

b. Eene Zilveren Medaille. 

II. Voor 15 Palmen, uitmuntende door verscheidenheid en grootte 
van exemplaren. 

a. Eene Gooiden Medaille. 

b. Eene Zilveren Medaille en ƒ 15. 

III. Voor de fraaiste verzameling van 20 verschillende bloeijende 
Planten. 

a. Eene Tweede Goude7i Medaille. 

b, Eene Zilveren Medaille en y 15. 

IV. Voor de fraaiste verzameling van 20 bloeijende Camellia's. 

a. Eene Tweede Gouden Medaille. 

b. Eene Zilveren Medaille en ƒ 15. 

V. Voor de fraaiste verzameling van 15 bloeijende Rhododendron 
arboreum en hare verscheidenheden. 

a. Eene Tweede Gouden Medaille. 
b. Eene Zilveren Medaille en ƒ 15. 

VI. Voor de fraaiste verzameling van 20 verschillende bloeijende 



374 

Koude en Warraekast Gewassen, met uitzonderins: van de a'e- 
slachten Camellia, Rhododendron en Azalea. 

a. Eene Tweede Gouden Medaille. 

b. Eene Zilveren Medaille en ƒ 15. 
Vil. Voor de fraaiste bloeijende Plant. 

Eene Zilveren Medaille. 
VUL Voor de fraaiste verzameling van 10 bloeijende Azalea in- 

dica, uitmuntende door grootte, goede kweeking en bloemrijk - 

lieid. 

a. Eene Tweede Gouden Medaille. 

1>. Eene Zilveren Medaille en f 15. 
IX. Voor de fraaiste verzameling van 5 bloeijende Orchideën. 

Eene Zilveren Medaille en f 10. 
X. Voor de fraaiste verzameling van 10 Epacrissen, uitmuntende 

door goede kweeking en bloemrijkheid. 

Eene Zilveren Medaille. 
XL Voor de fraaiste verzameling van 5 bloeijende Amaryllissen. 

a. Eene Zilveren Medaille en ,/* 15. 

b. Eene Zilveren Medaille. 

XIl. Voor de fraaiste verzameling van 25 bloeijende Stamrozen. 

a. Eene Tweede Gouden Medaille. 

b. Eene Zilveren Medaille en ƒ 15. 

XIII. Voor de grootste en tevens fraaist bloeijende Camellia, Rhodo- 
dendron arboreum en Azalea indica. 

Eene Zilveren Medaille. 

XIV. Voor de fraaiste verzameling van 5 meest verschillend bloeijende 
Atragena's. 

Eene Zilveren Medaille 
XV. Voor de fraaiste verzameling van 10 nienwst bloeijende Camel- 
lia's, door schoon gevormde bloemen uitmuntende. 

a. Eene Zilveren Medaille en ƒ" 15. 

b. Eene Zilveren Medaille. 

XVL Voor de 10 fraaist bloeijende Acacia's. 

Eene Zilveren Medaille. 
XVIL Voor de fraaiste verzameling van 12 doorbloeijende Anjers. 

Eene Zilveren Medaille. 
XVIIL Voor de fraaiste verzameling van 20 niet-bloeijende Kaapsche 

of Nieuw-Hollaudsche planten, door verscheidenheid een grootte 

van exemplaren uitmuntende. 

a. Eene Tweede Gouden Medaille. 



375 

b. Eene Zilveren Medaille en f Vó. 
XIX. Voor de 3 fraaist bloeijende Kastplanteii, welke door groote, 
goede kweeking en bloemrijkheid uitmunten, met uitzondering 
van de geslachten Camellia, Rhododendron en Azalea. 
Eene Zilveren Medaille 
XX. Voor de lo fraaist bloeijende Calccolaria''s. 
Eene Zilveren Medaille. 
XXI. Voor de 20 fraaist bloeijende Struikrozeii. 

Eene Zilveren Medaille en / 10. 
XXIT. Voor de zeldzaamste Plant in bloei, met uitzondering van Or- 
chideën. 

Eene Zilveren Medaille. 
XXIIT. Voor de 10 fraaist bloeijende Begonia's in soorten. 

Eene Zilveren Medaille. 
XXIV. Voor de 15 fraaiste, meest verschillende Correa's. 

Eene Zilveren Medaille. 
XXV. Voor de 10 grootste Cjcadeën. 

Eene Zilveren Medaille. 
XXVI. Voor de i fraaist bloeijende Priinula sinonsis, bestaande uit de 
volgende soorten, als: rubra plena, al ba plena, fimbriata rubra 
en fimbriata alba. 
Eene Zilveren Medaille. 
XXVII. Voor de fraaiste verzameling van 10 bloeijende Heliotropen en 
10 bloeijende Reseida's beide op stam. 
Eene Zilveren Medaille. 
XXVIII. Voor de grootste bloeijende Deutzia gracilis. 
Eene Zilveren Medaille. 

NB. De bcoordeellaars zullen vooral te letten hebben , dat er niet meer dan 
ééne plant in de pot of tobbe geplaatst zij. 

XXIX. Voor de 15 fraaist bloeijende Cineraria's 

Eene Zilveren Medaille gegeven door den Heer Dr. a. g. van 

STIPKIAAN LUISCÏUS. 

XXX, Voor de fraaiste verzameling van 15 bloeijende Heesters van den 
kouden grond, in verscheidenheden. 
Eene Zilveren Medaille. 
XXXT. Voor de 12 fraaist bloeijende Azaleas van den kouden grond in 
verscheidenheden. 
Eene Zilveren Medaille. 
XXXII. Voor de 12 fraaist bloeijende Rhododendron van den kouden 
grond, in verscheidenheden, met uitzondering van den Pon- 
ticum. 



376 

Eene Zilveren Medaille. 

XXXITT. Voor de grootste bloeijende Wisteria sinensis, 
Eene Zilveren Medaille. 

XXXTV. Voor de 10 best gekweekte, altijd groene Heesters van den kou- 
den grond. 
Eene Zilveren Medaille. 

NB. Deze moeteu in potten üf tobben geplaatst zijn. 

XXXV. Voor de fraaiste verzameling van 25 bloeijende dubbele en 25 
enkele Hyacinthen. 

a. Eene Tioeede Gouden Medaille. 

b. Eene Zilveren Medaille en _/ lü. 

XXXVI. Voor de fraaiste verzameling van 25 bloeijende Tulpen. 
Eene Zilveren Medaille. 
XXXVII. Voor de uitgebreidste verzameling vervroegde Vruchten. 
Eene Zilveren Medaille. 
XXXVIII. Voor de keurigste verzameling vervroegde Groenten. 

NB. De inzenders zijn vcrpligt dezelve op behoorlijke schalen of mandjes te leveren 
en minstens eenmaal hij bekrooning tijdens de Tentoonstelling te vervcrschen. 

Eene Zilveren Medaille. 
XXXIX. Voor de G fraaiste, naar de natuur vervaardigde afbeeldingen 
van Bloemen, Boomen of vruchten, m olie- of waterverw. 
Eene Zilveren Medaille. 
XL. Voor de 3 fraaiste balbouquetten. 

Eene Zilveren Medaille. 
XLI. Voor, de fraaiste en grootste verzameling van Bloementafels , 
Bloeraenhangers enz. enz. 
Eene Zilveren Medaille. 

Art. 19. De Hortulani van Lands- en Stadskruidtuinen zullen, naar aan- 
leiding van Art. 36 der wet, kunnen mededingen naar vraag XVI en XXV. 

Art. 20. Voor verzamelingen of voorwerpen, waarvoor in dit programma 
geene prijzen uitgeloofd zijn, zullen door de Commissie van Beoordeeling 
aan het Bestuur premiën kunnen worden aangevraagd, geëvenredigd aan de 
verdiensten der tot bekrooning voorgedragene voorwerpen. 

Aldus vastgesteld door het Bestuur der Maatschappij op 6 April 1855. 

Namens hetzelve, 

Jhr. Mr. w. m. de brauw. President. 
Mr. J. w. VAN i,ANSBETiGE, SecTetaris. 



) 



K 



New York Botanical Garden Ubrar 



3 5185 00280 1585 



J 



.^^iHfN^Hf' 












;/ - ^^ 






--*^ 



^7' /.' V?/ 






'i'/^/^ >' /.> "'r. / ' ■ ,> 



^?. ,/ 


















Vlïi' ;^. 









t^v\; 















^-'^y. '/.-f Vf.^J ■ ■ ■ rC^""<^^ 



(-/U f/,^'f ^'^^'r,^ ' 



li-- '^'' 






.\ï '^X