(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Vaderlandsche letteroefeningen"

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteur srechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 



op het web via http: //books .google . com 



HKüQ 




AT 



Pi? 



LETTER-OEFENINGEN. 



N I S- U W E 

AL G E M E E N E 

V A D E R L A N D S C H E 

LETTEROEFENINGEN, 

WA ARI N D E 

BOEKEH E.1Ï SCHRIFTEN, 

VIE DAGELYKS IN ONS VADERLAND EN 
ELDERS UITKOMEN, OORDEELKUN- 
DIG TEVENS EN VRYMOEDIG 
VERHANDELD WORDEN. 

BENEVENS ] 

MENGEL W E k K, 

Ut Eraaije Letteren y Kmften tn tTeetenfchappen^ 
betrekkelyk. 



Tweede Deels, Eerfte Stuk. 
Met Plaaten. 



4 4. «f. ▲ ^ X 

Te -AMSTERDAM, 
Dy A. VAN DEK KROE, 

en 
By J. Y N T E M A. 
MDCCLXZXVII. 



;.: i 






, \ 



/ j^^ 



't ' r t 



L_ 



y 

"■* 

h'f.\^A LGEMEENE 
VADER LANDSCHE 

LETTER-OEFENINGEN, 

WAAa ïl9 DE 

BOEKEN EN SCHRIFTEN, 

DIB z/Agelyks in ons vadkrlano en 

BLDEKS UITKOMEN, OORDEBLKUN- 

DIC TEVENS EN VRYMOEDIG 

VERHANDELD WORDEN. 



Verhandtlingen , raakcndc den natuur lykcn en geopenbaar'- 
den Godsdienst^ uisgegeeyen door ieyler's Godgeleerd 
Genootfchap. Zesde Deel. Te Haarlem^ by J. Enfchc(ié 
en Zcionen , en T. van Walré 1786. Behahen de Voor^ 
reien , 368 bUtaz. in gr. quario. % 

Een vooroordeel, 't welk nog maer al te veel ftand houd^ 
dat en de Wysbegeerte en de Openbaring onteert, en 
tevens, in meer d^n één opzigt, van een nadeelig gevolg 
y; voor de beoefening der Waeiheid, tegen te gaen, 
was, naer uicwyzen van *t Programma, het hoofdbedoel- 
de van Teylers Godgeleerde Genootfchap^ met de opgave 
van 't volgende Voorfcel: 'Ie betoogen^ dat de \;aara 
Wysgcette^ uit haar en eisen aart^ op geenerleie wyze gCm 
fchikt is, om het gezag oer Openbaaringe te ondermynen^ 
en dat een doorgeoefend IFysgeer, in den fierkften zin^ 
een ^aar Christen zyn kan. Men gaf te gelyk te kennen » 
dat het den Leden van 't Genootfchw aengenaem zou 
wezen , wanneer men ^ in 't beantwoorden aen dit Voor- 
del, ook« op de ene of andere wy«e, het oog vestigde 
op de oorzaaken yM^aar uit dit haatlyk vooroordeel ontjlaa; 
zo ter *»aarfchoumnge voor de JVys^eren^ als ter kragti'» 
gcr overtuiginge der ongegrondheid van dat vooroordeel» 
Uit de over dit onderwerp ingekomen Verhandelin- 
gen , beeft men ^en viertal , boven anderen , waerdig ge- 
oordeeld openlyk ^f te geven. Ieder dezer Vethandelingcti 
is in hare foort zeer wel uitgevoerd; en daer derzelvér 

U.PfrSL«Z9«AlrG»I.KTT«N0.I. A . Qp- 



m VE*HAKDEI.tNGÈ]f 

Opftellers bet ftuk op gansch verfchillende wyzen be^ 
fchouvird hebben 9 20 dienc deee verzameling van vier' 
Verhandelingen ten kragtigde, om den nadenkenden Lci* 
z^r op bet overtuigendfte te cooiien , hoe dit vooroordeel , 
van onderfcheiden zydtn befcbouwd zynde , volftrekt va» 
alle gegrondheid verfteken is, en door alle ware hoogag- 
ters der Openbaringe» ten ernft^fte, behoort te wordeir 
tegengegaen. — Nadien ene genoegzame oötvouwing^ 
van 't beloop dezer Verhandelingen, welken met veel 
vruchts gelezen kunnen worden, te veel ruimte zou vor- 
deren, zien wy van ons eerst bedoelde deswegens afj e» 
zullen liever den Lezer een opmerklyk voordel uit de 
eerde Verhandeling mededeelen, dat on» ene werkzaem- 
heid van een waer Wysgeer ontvouwt, uit welke me» 
kan afnemen, hoe zodanig een, boven anderen, die min 
gewoon zyn gezet te denken , by uitilek gefcliikt is , om 
een welgegrond overtuigd Christen te worden. 

„ Een Wysgeer, (dus luid het voordel,) in welk een 
Trcezelyk lieht hy ook befchouwd moge worden, 't zy 
idoor den onkundigen of den bygetoovigen^ is niets an- 
ders dan een mensch, die zyne reden in een hooger trap^ 
befchaafd heeft, dan zyne land*entydgenooten de baars 

fedaan hebben. Zyn voorwerp is kennis*, en deeze tragt 
y te verkrygen langs dieir weg, welken de ondervinding, 
geleerd heeft , de bekwaamde te zyn , om 'er toe te ge- 
naken. Hierop legt ztg in een zekeren trap ieder bewoe- 
ncr/van^^een befchaafd gewest toe. Zelfs de lannbouwer 
en de handwerksman leeren redeneeren over dé voorwer^ 
pen, die toe hunne beziglieid bebooren, waarmede zy 
meest te doen hebbem Een mensch van deftiger opvoe- 
^ding breidt den kring zyner beQ>iegelrngen verder uit , én 
:gewent zyne gedagten aan de overweeging veeier waar* 
heden, die voor her gemeen niet bevattelyk zyn. Va» 
alle dcezen en dergelyken verfcfaik de Wysgeer in een 
zekeren trap, maar niet hi foort. Hy vorscht de natuur 
der dtn^gen dieper nu, is meer afgetrokken in zyne denk* 
beelden , netter in zyne ondericheidingen , naauwkeuriger 
in zyn onderzoek vÉi het voorgedelde, en naauwgezetter 
in zyne afleidingen en gevolgtrekkingen. 

„ Bovenal is bet eene van de weezentlyke eigenfchap- 
pen der Wysgeerte; dat zy een erndig en ftandvastig on« 
derzoek der waarheid te wege brengt. Zy laat niets als 
voorafgaande vastdellingen toe , dan 'c geen duidelyk blyk- 
iMar is} en houdt geene gevolgtiekkixigea voor wettig» 

da» 



VAN TEVUR^i OODOBtnU) OtNOOTSCHAP. ) 

Am die uit de Toorfte deden der bewysredtüen ten klasi^ 
fle afgeleid 2yn. Omt hierin wel te flaapen» zo gaat de 
Wysgeer niet dan met de uiterfte omzigtigbeid voort» ea 
onderwerpt, alle zyne redeneetingen aan bet ftrengfte on«« 
derzoek. Hoe aanneemelyk eene bewysreden zig ook ia 
den eerfkn opflag moge voordben, hy is niet voldaan niet 
die algemeene gunftige vertooning. Hy onderzoekt ten 
naauwkeurigften de daadn gebezigde uitdrukkingen » en is 
teo fcherpfte op zyne hoede tegen alle dubbelzinnigheden 
in dezeWen. Hy fldt de bewysreden zelve zig op ZQ 
verietleie wyzen voor, als zyne fcbranderheid hem inboe-^ 
seoic, dat ze befcbouwd kan worden « en* hy gaar dezel-p 
ve met de uiteiile oplettendheid na , onder allerleie foorten 
van gedaante, die ze met mooglykheid zou knnnen aan* 
neemen. Hy wikt en weefft dezelve, en in haar geheel » 
en in alle faaare deelen. Hy gaat haar onderfcheidenlyk 
na 9 van het beflmt tot de grondltellingen , en van de 
gronddcUingen tot het befluit. Wanneer hy overtuigd i« 
van de waarheid der voorafgaande vastdellingen , dant 
gaat hy langzaam van ftap tot ftap voort door de ver* 
ichUlende deelen der verdere nitwerkinge tot op het be^ 
fluit. Hy moet een klaar doorzi^ hebben van het eerfte 
voorftei, 'eer hy tot een volfend overgaat; en dan gaat 
hy, met alle oplettendheid, a&onderlyk na^ hoe ze on* 
derling verbonden zyn, en van elkander afhangen. Na 
dus gadisgeflagen te hebben , of ieder byzonder voordel 
gereedlyk en natuuriyk uit het voorgaande voortvloeit, iS 
hy beter dan alvoorens gefchikt, om te oordeelen over 
het algemeene befluit, dat uit het geheel af te leiden is. 
„ Hoe groot ook deeze omzigtigheid zig opdoe « en van 
boe veel kragts zy, ter omdekkinge der dwaalinge> ge* 
oordeeld moge worden, de waare Wysgeer is egter met 
dat alles nog niet voldaan. Hy dringt al verder voort ^ 
en gaat deeze vooronderflelde waarheden na in alle haare 
gevolgen. Hy weet, dat 'er, niettegenftaande alle zyne 
voorzorg, hier of daar, eenige dubbelzinnigheid in de 
uit&ukkifig, of eene kleine misvatting in de eerfte voor«- 
fldlingen, of verdere uitwerking , en gevolgtrekking, plaats 
loa kunnen hebben , die veelligt zyne oplettendheid out- 
finpt zou mogen zyn. Dit beweegt hem;, om deeze 
vooronderflelde waarheid te beproeven, doo^ dezelve te 
vei^lyken, met zodanige welgevestigde waarbeden, die 
'er het naauwfte verband mede hebben. Ontdekt hy hier 
eenigett tegenftand, of iets onbeftaanbaan, dan heiiiaait 

Aa by 



\ VERHANDELmOEÜ " 

hy zyncn arbeid, met eene verdubbelde xiaarftigheid en 
oplettendheid, tot dat hy, door eene gelukkiger flaagen^ 
de nafpooring, de verborgen dwaaling ontdekke. 

„ Eene hébbelykheid van onderzoek op deeze wyze iii*> 
gerigt, en op zodanige gronden (leunende, verfterkt de 
vermogens der ziele, en geeft haar eene vaardige door-* 
dringendheid, tot zulk eea trap, dat zy daar door in ftaat 
gtftcld worde , om , in de meeste omftandigheden , het 

feringfle oriderrcheid der zaake, met de meeste naauw* 
eurigfaeid, te befpeuren. Dan dit is het eènige voordeel 
niet , dat men uic eene hebbelykheid van wysgeerige on- 
derzoekingen verkry|;t« De vaardigheid in 't verdeelen 
eener bewysréden, ih onderfcheiden voorftellingen , ver*- 
mindert grootlyks het moeilyke van zynen.taak: en ge- 
merkt een Wysgeer een (lerker doordringenden geest bezit 
dan andere menfcben, zo vindt hy zïg nooit verlegen ^ 
uit hoofde van de grootere bekwaamheid, met welke hy 
zyn werk aanvaart. 

„ Hiernevens mag men wel voeden de omzigtigheid , 
die by uitftek duidelyk doordraait, m het gedrag van ee« 
i)cn waaren Wysgeer. De gevolgen van gevoelens , voor- 
al dezulken die van de geringde betekenis fchynentezyn» 
kunnen nooit met de vereischte zekerheid gekend worden ^ 
voor dat ze aan een behoorlyk onderzoek bloot gefield 
zyn geweest. Zeer veele dwaalingen en onheilen zyn *er 
in de waereld ontdaan^ uit de agteloosheid of roekeloos- 
heid van onoplettende of onwysgeerige Heden, Overtuigd 
zynde van hun mangel aan bekwaamheid, om een behoo- 
relyk onderzoek in 't werk te ilelien, en aan doordrin- 
gendheid van geest, om het ter uitvoeringe te brengen; 
zo zyn ze altoos afkeerig van zig in te wikkelen in eene 
onderneemin^, die met zo veel moeite en arbeid gepaard 
zou (Taan. De gevolgen van een gevoelen moeten hand- 
tastelyk zeer gewigtig zyn, eer zy konnen overhellen» 
om dezelven crnllig te onderzoeken. Zy vergenoegen zig 
daarom gemeenlyk met een gevoelen als by toeval aan te 
te neemen , tot groot nadeel der waarheid , en ter oneere 
van de menschlyke rede. Doch de waare Wysgeer heeft 
-zulk een tegenzin niet in deezen arbeid* Het onderzoe- 
ken is hem zo hebbelyk gewordeu , dat bet hem gemaklyk 
valle, en vermaakelyk zy. En 't is ook inderdaad met 
anders, dan eene aangenaame werking eener geoefende 
ziele. Uit dien hoofde onderzoekt de Wysgeer natuurlyk 
alles > wat hem voorkomt, met eeuc Voldoeuepde oplet- 

tend. 



VA» TSnSU'S OdMtLEBRl]! OENOOTSCHAP. J( 

(radheid 'en naauwkeorigbeid ; tcrwyl by ten eynftigfte 
waakt (egen alle sodanige verkeerdbeden, waartoe bv 
door e^^ overhaaste bepaaling, zo\x kunnen vtrvallen. * 
«, Ben ieder, die de waarheid der Godlyke Openbaa • 
rioge erkent, moet J^ier.t^rftond opmerken ^ dat Aczelva 
zeer veel voordeeU erlangt van sulk eene voorbereidende 
oefening. De waarjieid heeft nooit, iets te dugren vai^! 
}iet onderzoek; van «een leevendigeH jen dooirdringêndei^ 
gfccsf i die te werkzaam is om te berusten in de uiterlyke 
vertooning dei dingen) te omzigtig om zig op een óii- 
yoUiomen Qtiderzoek te verlaatcn; en te ilerk gcft^ld op 
cen« Juiste ondeifcbeiding , om zig te. laatea misleiden. 
door drogtedeuen , eu vernuftige kunstgreépen. Zodanige 
sielsvermogens zyn alleen vreezelyk voor allerlei foort vaa 
bedrog, dat nimmer.de (leyigheid en flcrkte 'der waarheid' 
verkiygen kan^ Deszelfs zwakke deelen loopen fteeds 
gevaar van ondekt te worden, door een aaauwkeurig on» 
denpeek; en bet niet zamenhangende der valschheid, mits- 
gaders de ongerymdheden , onaflcheidelyk van derzclvec 
natuure, kunnen,, hoe .vernuftig zy ook. omzwagteld zyn, 
bet niet ontgaan, dat zy, vroeger of laater, ten toon ge- 
ftejd worden, door de poogingen eener ziele, welke 
eene hebbeJykf oefening werkzaam en kragtig gemaakt 
h^eft/* 



JDc gc/jksms d^r wyic en dwaazc Maagden uit Matth* 
XXV. i — 1'3. ver/^laard en toegepast door- ^, Cürte» 
Miiw , . Leeraar in de Kerk en School te ' Amfteldam. Tg 

. Anifteldam^ by L Wcsfing Wz. , 1786. Bclhalven heü 
Voorwerk^ a?2. Mladz^ in gr. oüavo. . 

In een viertal Leerredenen ontvouwt de Hoogleeraer Cur^ 
^tciiius de opnjcrkclyke gelykenis der . wyze en dwaze 

Masgden, Ma{th, XXV, j^ ia, waer nevens hy ten 

Uetfte eiïc vyfJe Leerreden over het 13de vers voegt, ter 
verklaririge en aeqdrang der kostelyke lesfc van onzen 
S^ootilen Leermeester, om, uit aemnerking van de onze- 
keibcid des tyds , wanneer by komen zal, (leeds op onze 
hoede te zyn, op dat de Heere, als hy komt^ ons waken* 
de vinde. Zyn Hoogeerwaerde vorscht met veel naenw-' 
keurigheid, den letterlykcn zin,- en de geestlyke betekenis 
der byzonderheden, m de gelykenis voorgedragen, oor- 
deelkundig na j brengt het daeromtrent ontvouwde gc- 

A 3 moed- 



C 1^. cüHTEmüs - 

ftoedlyk ter bet^litinge over,- en béflüit de befclibuwinf 
van dlc alles, nttt een nadruklyk ppwekkehd voordel ter 
Christelyke waekzaemfaeid^ Tot eén lUiel éer nitvoeriiige 
diene 's Mans volgende aenmerking , ter billykiogè van 
het gedrag der wyze maegden , in 't afllaen van *t verkoelt 
der dwaze maegden, otn olie te mogen hebben uit hare 
Vaten, zeggende:, geenszins, op da$ Vr misfcHien voor om 
én voor u niet genoeg zj : 't welk, in den eerften opflag^' 
aeiileiding geeft tot ene tegedbedenking, welke de Hoog* 
lecraer aldus voorftelt en beantwoord. * 

„ Maar hoe? Is 't dan niet der wyz€n aard, en is *t 
Diet zelvs hunne verjriichting , altoos bereid te zyn, cnsi 
zoo veel in hun is , de zwakken op te beuren, en mede 
te deelen, 't gene tot onderlinge (Uchting dienen kan? 
Zegt niet het beste deel der Bruidketk van de kkine zas^ 
ter^ zoo zy een muur is^ vfy zullen een paleis van zilver 
op^haar bouwen ; en zoo zy een deur is , die ligt beWoögett 
wordt, wy zullen ze rondom bezetten met cedereplanken. 
Öoogl. VUL 9. Vordert ook niet de gemtenjchap der 
Heiligen^ dat alle en elk geloovige zich moeten fchuidig 
wee ten, zyne paven ten nutte en tot zaligheid der andere 
ledematen gewilliglyk en met vreugde aan te leggen?" En 
was *t niet te wenfirhen, dat alle belyders gelyk mogten 
{laan in dezelvde voonechten ? Of meent men > dat dé 
Schrivt te vergeevsch zest^ de geest , die in ons vfoont^ heeft 
die lust tot nydigheid? Jac. IV. 5. Nu dan, betaamde het 
de vfyz^ ^el alles in te houden voor de gene , die iets 
ftoodig badden , daar de groote Meester zelve bevolen 
heeft: gecvt den genen ^ die iets van u bidt ^ èn keert u 
niet af van den genen ^ die van u leenen ml. NÉitth. V. 42. 
Dit fchynt hard in het eerfkc opzien, tn niet overeen^ 
komftig met de liefde des naasten. Maar wat dieper be* 
fchouwd zynde , zal 't blyken, dat dit inderdaad een wys 
antwoord was. Want (i) voor eerst , als de Heiland eens 
ieide » leent zonder iets voeder te hopen. Lue. VL 35 , ver- 
ftaat hy dat nlleen van tydlyke goederen, waaruit de' gene , 
die overvloed hebben, de behoevten van hunnen even* 
mensch moeten zoeken te vervullen; maarhy bedoelt daar- 
mede geenszins eenig geestlyk goed, waarvan de overwy* 
zing of overdragt onmogelyk is (ü). Ten anderen dcedcn 
de dwaaze niet wel, dat zy by fchcpzelen zochten, \ 
welk een gave Gods is. 't Was God alleen , welke van 
den Geest ^^ die op Mofes was, zoo veel heeft konncn cf-^ 
zonderen , ' hoewel Mofes dan nog daar by geen gebrek 

lecdc» 



ÜVlR MAÏTH. XXV* 1-^13; 7 

laedt , osD Istaüs oudften J^/2 iast its volks te belpen dra-^ 
gtn. NuiD. XI. 16 , 17, Joannes de Dooper zeide desge- 
Jyks: ccn snensch kan gun ding nanr^mcn^ 500 V hem uU, 
den Hemel nia, g^cven zy.Jonn. III. 27. En dethalven^'t 
was ydel^ de gaven des Geestes (♦) te verzoeken vafi 
dezulken, die bet niet in hunne m^gt hadden dezelve te 
geeven. (3) Ja , fchoon men wel befcheiden en toegevend 
«yn paag, ten aanzien van «aaken, die de onze zyn» men 
mag echter nooit vrede houden ten koste van de ^aar* 
heid^ d§wyl men dus befchikking xoqde maaken over het 
gene ons niet toekomr. Ziet Spr. XXIII. aj, Zach. VIII. 

\6. 19- •;: J^^ derhalven de v^sze niet konden beflui- 

X&BL piQ iet3 af te langen van hunne geestlyke oHe^ Azf 
kwam niet uit eenen korzelen aayd, of uit gebrek van mer 
delyden, maar voornaamlyk uit misnoegen, over eene zoo 
yeri^gaande dwaasheid ^ waar dopr nien» met terzyda^ 
ftelh'ng van God en Christus, de eer der genade me<c 
aaa de Werktuigen fcheen te willen opdraagep. 

„ Daar by komt qog, dat elk moet houcun het geen hy 
heefi^ 4^p d(a niemand zyne kroone nceme ^ Openb. II. 05- 
III. II. En daarop ziet dit byvoegzel: op dat 'er ms/bJiien 
voor ons en voo)r u niet genpeg zy» .^ 

„ De geloovigen hebben genoeg tot het geestlyk beftaan» 
maar niet te veel. Zelvs die het meeste bezitten hebben 
mets over, maar zyn nog daaglyks verpligt, den Heere te 
todden om venneerdering van genade ; \vant eene aljer^oor- 
dfinggpdfte Hevde tot den waaren Bruidegom^ een allervuu- 
rigst verlangen naar zyne gemeeDfchap^ eene onbepaalde 
volvaardigjieid om alles daar voor veil te hebben , en eene 
onvermoeide naarftighcid is 'ernoodig, omjefus met den- 
zelfden yver tot den einde toe [te blyven opwachten. *t Was 
*er dus 200 verre van daan , dat zy iets van hunne geestlyke 
gaven zouden kunnen overfteeken, dat zelvs de allerheilig- 
fte genrieg te doen hebben , om hun eigen licht te bewaa- 
rren. Ja *t gcene hun is toegedeeld, hebben zy overnoodig 
voor zichzelven, en konden 'er in 't geheel niets van ont- 
beeren, zouden zy opwasfcn, gelyk de pligt is van alle, die 
zich Christenen noemen , in de genade eti kennis van onzen 
liccre en Zaligmaker Jcfu Christi. Petr. III. 18. zouden 
ly uilgaan en toeneemen als mesila/VèrenjMHAV.a^ zou^ 
oen zy voortgaan van kracht tot kraclu, om eens Gode wel. 

be. 

O De Olie naemlyk is hier, yolgens onzen Uitlegger, ent 
afbeelding van den Heiligen Geest en zvne gaven. 

A 4 • 



t P. GüRTÊNIÜSjOVER MATTH-XXVi 1—13; 

behaaglyk voor hem te verfchynen in het Hemeirche Ziofr, 
Ps. • LXXXIV. 8. ' 't Konde hun uit dien hoofde niet ten 
quaade geduid worden , dat zy daarvan geen afftand wilden 
doen t€n behoeve der dwaaze: want, hadden zy minder, 
t zoude voor hunzelven niet eens genoeg zyn geweest , 
om Jefus^ zoo als het behoorde, met. hun ganfche hart, 
en uit geheel hunne kracht ^xt omhelzen: of hadden zy al 
iets meer verkregen, ook daarvan mogt niets afgaan, de-^ 
wy) zy alles ♦ wat zy hebben, en nog ongelyk meer bo- 
ven dien , met al wat hun kon worden -toegedaan •, geheef 
verpligt waren , om het alleen aan den dienst van hunnen 
Heer op te offeren. Ja *t zoude een zotte lievde geweest 
zyn, noch met eenigen fchyn van billykheld te vorderen, 
zichzelven, indien zy al_ konden, te berooven,' en ligc 
door dat middel te weeg te brengen, Azt*tt feeni^er tyd 
voor niemand genoeg zy. Gelyk dan de wyzé maagden haar 
verftand daarin getoond hebben , dat zy de olie^ hadden 
fnedegenomen in haare vaten, ?oo was 't nu ook 'nog we- 
derom een verfche blyk van lïaare wysheid^ dat zy niet goed 
vonden aan anderen iets over te doen , waarmede toch de- 
zelve niet konden worden geholpen , en het geen zy zelvd 
volftrekt tot haar eigen gebruik van nooden hadden/' 



Leerredenen donr w. D. orommé , Predikant te ^bbekerk 
en Lambeftfchaeg'. Te Utrecht^ by A. van Padden- 
burg , 1786. Behahen het voorberigt. ai6 bladz. In 
gr. octavo. - ^** »« 

De Christe/ykc Standvastigheid in de Leer e des Geloofsboot 
affcheid van de Chris te lyke Synodus v^n Noordhqlfafid.^ 
voor gefield en aangedrongen , door w. D. grommé , ak 
boven. In gr. octavo 43 bladz. 

De hier eerstgenoemde verzameling van Leerredenen be- 
helst zes Predicatien, waervan de vier eerden uitge- 
fprooken zyn op de Dedendageji , in de jaren 1786, 1785, 
1784 en '1782, met betrekking tot de toenmalige oniftan- 
digheden. Ze hebben ten onderwerjp, (i) De Alliantie. 
Gen XXI. 31S 33- (a.) Het veiligst Vertrouwen, PJl 
XLVL a, 3 , (3.) De Godvruchtige Patriot. Pf. LX. 3, 
4, En (4.) De Vader, landlievende Bidder. Dan. IX. i5, 
17. Ieder dezer Biddags-Predicatieo is zeer wel gefchikt 
naer de tydsomftandigheden, en zyn Eerwaerde legt het 'er 
inzonderheid op toe, om de overwegingen van *s Lands 

toe* 



toc/bnd tot Godtdienftige uveideukiugen tc' wcntten." Met 
dii oogmerk tracht by zyne Toehoorders op te wekke^v, 
om niec Üecbcs ia *c middelyke te .berusten, maat dit 
ter harte necrocnde, teyens en vooraj.dejo geest, te Verhef- 
fen tot den. AlbeAierder, en de aeuciacht recht ernlUg te 
vestigen, óp de wegen die .Qocl inet Nederland iiiflaet, op 
•s Volks ftraffchuldigheid, eri dtózelfs' verplichting tot ienc 
hartgrondige verandering vaiv g^fijragj. ten eindezy^^ls wa^ 
xc Pauiotten, dé Vaderlandslietde_ dour den . Godsdieust 
'mogen heifigen. ~ — Op deze vier volgt eneXefïTeden,. 
welke ten onderwerpe heeft de. Crlstelyke Liefde',, of de 
opwekking van Paulus aen de Chrisfeqen Ye Ephti^e^^Xfli. 
V. 2«. Na euc beknopte opheldering van 's Aposcèjs y<jor- 
ftel, fchetst deEerwaérde Gr<?/we??< n« cHaractgr ya'd ërien 
ia de liefde wandelenden Christen;; '-én wyst 'on^ verckr 
aen enige voorhehoedzels, dib mèa omtrent de betrach- 
ting der liefde in agt heeft te nemen';' daerbene^cfnè\mal[(t 
by de lifiifde van Christus t*oos.wacrds in der^elvcr' ait? 
xDuntendheid; en toont ten laetfte, hoe zeer de liefde' yah 
Christus ons töt de liefde des Naesten verplichte * toili 
hoe verre, die ons. tot een regel vaö navolging" yèrftrekRè^ 
[- Hierbykomt voprts iiog ene BevestigingsX<eerr.edcn, 

waerin zyne Eervraerde^naeciienleiding van 2 Ti^^:^lL^j^^ 
den rechtgeaerten Euangeliediénder' aftekent,* of Jttet uiraurf. 
tcnd voorbeeld van )Pajulus,.ia,zya Éuangeliédiöj:)stj»:aê|i 
Leeraren voor/lelt, 't welk hy met gepii^ste', tójjprakffl, 
ten befluite, vergezeld doet gacn^ . ' , .;;..; 

Wyders heeft de Eerwaerd^' Crómmé nog cn<i\LeeVriÈ. 
den afzonderlyk afgegeven, door hem^ ten aflcheid y^ti 
*t laetstgehouden Noordhollandfche SynodHS te Ebkhuizén 
uitgefprokcn; waer in zyn Kerwaerde de vertnauing;^ ea 
heilwcnsch van Paulus aen die van The^falohica, > Vkdsjl 
IL 15 — 17, ontvouwt, en de daer in vervatte vvacrhsdeü 
, ontwikkelt; doende voorts zyne jLèerreden, naer de tyd*. 
.omftandigheden, met wel ingerichte dankzeggingen, ^egeó- 

wenfchenen heilbcden, afloopen. Men vind la alle 

deze Leerredehen beftendig ene ijeregclde manier van voor- 
AeUen, ene duidelyke ontvouwing van kundigheden, ti\ 
een emfligen aendrang 'ter Godsdienftige plichtsbetrachtiiv- 
ge; zo dat ze een eigénaertigen invloed kunnen hebben, 
ica Jiune- van Keik-en Burgerllaet, , 



A 5 De 



\ 



ir. wANALPnMWp 



'De Qrondón mijher Qctoöfsbelijdenis ^ opengelegd voornüj* 
ƒ/(? Kinderen. 'Door Mr. hieronijmüs vaw alp^n. 
Te 'Utrecht by de Wed. J. van Ter veen en Zoon, en 
G. vdn den Brlttk ,' Jan;^s. 178Ö. Behalven het Voor^ 
bcrigty%êfi blfidz. isi gr^ cÜayu 

In dit gefchrlft 'levert de' Heer en Ma van Alphen ene 
gerecelde doorloopende ontvouwing , van het Oodge- 
leerde Samenftel der Gereformeerde Kerke , welke hy têa 
dienfter zyner Kinderen vervaerdlgd, en voorts ten alge- 
menen, gebruiké openlyk. afgegeven heeft. Na ene voor- 
.^tfgtfe^Jde Inleiding, in welke hy iyne Kinderen tegen de 
onvefrchiÜighei4 en het ongeloof waerfchouwt, is dit 
Getdirift 'verdeeld in neeeh atdeelingen; onder welken hy 
« 'yöorriaemlle waerheden betrekt, die hy, nu eens by 
Vyssp 'y.iri gcracjenzame. gefprekken', en dan , by maniervafi 
Vef hi^ndellngen 'of brieven , voordraegt. , in zodanig ene 
jjlblicëfvólgende orde," dat het geheel eèn aencengefchakeld 
Verfla^ behclze van het Gereformeerde Samenftël. 

Öe.tcrP:e AfdeeUng gaet ovti den Perfoon van Jefus ^ 
'Wacr pmirent inzonderheid 3rie zaken in; overweging kö- 
WP. ./,0). pat Jefus 'er'watrlyk geweest 'is. (i) Dat hy 
'èen men^h geweest is, welke mmmerzyns gelyken ge- 
Üi(l;heeftl; (3) Dat hy in. nadruk de Zone Gods is. H«t 
1ieWe,*hier aengeduid,is het onderwerp der tweede Afdee- 
ljilff({,r behelzende ene tefchquwing van de Godhei(f van 
^^^ mitsgaders van. de vereniging der twee 

ifi^tuurfin,, Eji .tócr aïeri volgt, dan, in de derde Afdeeling, 
;enfe; overweging der Leere nopens den Heiligen Geest ^ 
vergezeld van eenige algemene aenmerkin^en over de Hef^ 
Jige Drieeenheid. Het onderwerp der vierde Afdcèlinge 
is dQ Qpenb^ring^ omtrent welke de voornaemfte byzondcr- 

Jiedep , die deswegen in act te nemen zyn , hier gade ge* 
agen worden. ' In de vyfde AfdeeUng word de oplettend- 
heid gevestigd op Jefus , als den waren Mesfias^ den Za^ 
lijgmaker^ na ene voorafgaende befchouwïng van het ze^ 
iaelyk bederf des Menschdoms , en de Leer der toerekeninge. 
Dit onderwerp word in de. zesde Afdeeling no^ nader 
overwogen , door ene verdere b^fchouwing van Jefus ah 
een volkomen Zaligmaker ^ by Welke gelegenheid nagc- 
gaen word, de iifaerdy van den Natuurleken Godsdienst; 
de verkiezing als een gevolg van Gods onafhanglykheid en 
ieyze van bejlaan^ beneveqs de Leer der Verzucninge en 

de 



de Zcicljke HcrfteUiagc. Zulks leifl onzen Autheur, ia 
it Eevende Afdeeling, ter vdorteUiAge van het Geloofd 
lis het middel ur yereehiginge met Christmi tn dit doet 
hem voorts het oog (laen oi> Jefut z\s den tsfceden Adam^ 
met de heilryke. gevolgen hier van, te weeten; de vtrze^ 
kering der Gelmigen van hunnen Genades fiaet^ hunne 
opfimdige en eettwige hee^ykheid^ in tegenoverftelling vau 
het alkrrampzaligjU h$ der Godloosen* Wyders handelt 
ky nog , in de volgsnde Afdeeling , van d^ openbaaren 
Godsdiemt^ daj^lfsfkgtighedtn^ Doof en A^ondmael^ 
en *t geen verder otmre9t hu Kerklyke befiier opmerking 
vorAert. filndelyk voegt hy, in de laetfte Afdeeling. 
hierby nog een vyftal van Brieven, beheleende algemene 
aatitaefthigen over At-GHrUtlyke ZedekuHde% de bcoef^ 
ning der Godgeleerdheid ^ tvi de voordeelen^ yan een Godu 
ehenjllg/eyen. i '• y' 

Oivereenkomft^ met het eerfte bedoelde van den .Heer 
Mr. van Alphen^ ten nutte' zirher Kinderen,, behetót dit 
Gefchrift ene zeer goede handleiding , waervaii Ouders en 
Opzieners der Jeugd, JnGodsdienftige Hmsgezinnen der 
Leere oxkztt Nedeilandibhe Kerice toegedaen , zich met 
vrucht zullen kunnen bediehen ,• tër nadere onderrichtinge 
hanaer k^^ekelingen, die'zich , na voorafgaende belydenis*» 
tot bet Heilige Avondmael willen begeven.' Kundige Caté- 
chizeermeesters, die enijg^ziDS ge>leoon a^n regelmatig m 
denken » zullen ook weldoen Jmet dit beloop .^..deze ma- 
nier va n onderwys na te gaen ; om daeruit te leeren , hoe 
de zodanigen, die voor ene foortgelyke ondernchting 
vatbaer zyn, beter, dan langs den gemeen betreden weg, 
tot eea verftandig begrip der Kerkleere gebragt kunnen 
V9oideo« 

Xiphelderingen der Heilige Schrift , getrokken uit de Uielt" 

me Oosterfclie Üitlegkundige Bibliotheek van j. D. MiCHi- 

BLIS , door y. van HAMELsn^fiLO. ƒ. Stuk. Te Lejden 

by W. H. Gryp, 178Ö. Behalven het Voorbericht \ fo 

iladz. in gr. oStayo. 

Met het te voorichyn komen der Nieuwe Oosterfche en 
üitlegkundige Bibliotheek van den HooglecraerAf/erA/i- 
cUs heeft de Ëerwaerde van Hamelsveld het raedzaem 
geoordeeld, by derzelver Nederduiifche vertaling, een 
anderen weg in te flaen, dan hy» by de oveizetting van 

des* 



jl^ . J. UAN HAM£L$VftLB|. OOST. iBHtt. : . 

-rfesaclfe wocgcre BibliotÖeA , . jeKóuden héefr. ZyA 
Jictw.^ memlyki vcriaclda' de^ely^ geheel; maer thans 
beeft by. hedootea, uit dts^Nteuwe BèblMheek^ aHeen 
aodanige Stukken», af ook wel enige :Biyj«>nricr beden, over 
te nemen, die voopdcn Nedefduitfcben Lezer van wezen^ 
lyk belang geoordeeld kunnen worden, of voörGodgeleer- 
jden.cn andere . Beminnarcn van Bybeloefeuing algepieen ge- 
wgUg »yn. intusfcheti is.zyn ©ogmérk;,. ten gevalle der 
Liefhebberen^ eebtej- nog telkens > in zyn Voorbericht', 
ene korte opgave yan alle de Aijik^cn, Ui de HoogduitfchA 
uitgave vervdt , , mede te deelen,. ..Acluervolgcas datj?lan 
16 dit ecrfte' Srsik uii^eyoerd;.cn men hcRft: reden. -om. ïc 
.verwachtea,.,dat 4it Pls^^ bet^jdat^.de voorige bandelwy.* 
jsce, de goedkeuiing der Nederduitfche Lezers zal WJegdma.- 
gen^ daer men*du6 in een* k,ort J)e(l|sk. bV een vejrgaderd 
vind, het geen in dat geleerd Tydrchrift bovenal merk- 
waerdig voorkomt; het w^lk- in:Vee}e byi^Onderbeden-zyne 
ngnlgbeid kan hebben. By het doorbladeren van dit Stuk.* 
je zal de htzpt, dcswegens voldoening vindeji-; doch het 
£eea best geichikt. zou zyn tot eene alg^meeoe.leerzamd 
pl^eve in dezen, is te ibreedvoerjg. o«n hier te pl^etzef^; 'te 
wet^n, ene verzameling van aentekeningen over /j^/ fj^ödcr 
yan \Paie$Unas^ di$ opmerking ^vpiid^r^n ,: eji welken , zo 
ais wy met'den.Hoogleeraei- hoopen » tot Itog meerder vol* 
komppheid gebragt zullen wor^^ . . _ , 



^Eerjle len vw dc'Pr9dikani&n')fflnMoor.dholland;imt 
betrekking tot het voorgdyalUne 9p de, tmc laat/te Synodtmx 
yan NoordhoUand^ m de, zaak van den Koosur tn aan* 
kleeve van dien. Te Hoorn ^ by E. Vermande, 1786. i« 
gr. oStayOj, 23 b/adz. 

De UiWyers van het Request der Huitenpredikanten der 
..£• Clasfis van Amllerdam , nopens den hier opgemeN 
.den Rooster, gaven diestyds in hun Voorbericht te kan- 
nen, óax.zY Wi\ Portefuille bezaten, 't welk ;amelyk voor. 
zien is van echte Stukjes en Ahecdptes tot deze zj\ek beho- 
rende; (*) en thans, met de afgifte van dit Eerfte lets^ 
.melden ze , dat de inhoud van hiiu Porte/uf//e nog attmoF^ 
'kelyk vermeerder^i is. By dezen deelen ze uit het zelve 

me* 

(•) Zie Nieuws Jlg. LtUeroef. I. Deel, bl. 509* 



E£R«TB fETS. Jg^ 

\Dsdtj in At eerde plaetze^ een zogenaemd Gedichtje, 
lynde een Inva/, na dat de GccomnütUerd^n der Jlk* 
tmarfctic Clasfis de Noordhollandfche Synode waren uip^ 
gegaan. Wyders een nader Request der Alkmaarfche 
Clasfis aan de Ed. Gr. Mog. Heer en Staaten yan HqU 
land en Westvriesland ^ met twee daerby behoorende By« 
lagen ; en eindelyk een ExtraÜ uU de Refolutien der opge* 
melde Huren Siaaten ^ by gelegenheid van het Rapport 
op de ingeleverac Dékantien. Het een en 't ander llaet, 
naer 't ons voorkomt, nader opgehelderd te worden, door 
een T^fcede JctSj dat men voorheeft vervolgens gemeen 
te maakcn. ■ Men ftelt zich in deze verzameling 

voor, ene huichelende hiërarchie te beftryden; •,enzyn",* 
is de tael der Uitgevers , „ en zyn onze kragteu hier tóe 
99 te kJein, onze vermogens te gering, ons geduld is groot, 

„ onze moed bedaard, maar tevens beftendig. Hoe 

9, min gaarne wy loflpreuken op ons zelven toepasfen^ 
^ naar waarheid mag men van ons in dit geval zeggen : 
9, Posfunt^ quia pos/e videntur.^ 



lnltidin% tot de Pathologye^ of Befchotming van het Men* 
fchelyk Ligchaam^ in den Zieken ftaat. Derde Deel. \ 
Door % MACQUET. Med.- Dodt. 'ie Utrecht j by de 
Wed. j. van Schoonhoven, 1786. in gr. Kvö. 53a bl. 

In dit Deel handelt de Schryver over de volgende On- 
derwerpen* „ Over de befchadigende vermogens; de 
,t fchadelyke kragten van den dampkring ; de ^ladeelen 
59 uit fpys en drank ; het ontydig gebruik der Geneesmid- 
5, delen; de venynige krachten; de afdwaalingen in de 
,, dierlyke beweegingen ;* fchadelykheden uit byzondere 
yj postuuren en beweegingen ; bovenmatige oefeningen der 
„ Ziele; fchadelyke kragt der ontroerde hartstogten ; over- 
„ maat in flaapen en waaken; ongeregelde ontlasting en 
,, inhouding ; over den fleen ; over de wormen ; zaaken, 
9, die, van buiten het Ligchaam aahge1)ragt,fcbaaden;3aa- 
^9 den der ziekte: verfcheidenheid der ziekelyke oorzaa* 
2, ken, en eindelyk over de helpende kragten der natuur/* 
De fjeer Macquet fcbynt de. gaave niet wel te bezitten om 
zyne denkbeelden duidelvk en in eené geregelde orde 
voor re draagen, gelyk de leezer aiet alleen uit de. bo- 
veoftaande rangfchtkking der onderwerpen, maar .ook byr 
zonder uit de behuideling derzelven» duidelyk kan opmaa- 

ken. 



14 J* MACQUST 5 VATHOtOGTB* 

ben. ■ ■■ Ook hebben wy by het doorbladeren ver- 
fcheided (leilingen ontmoet, die wy niet liefst voor onze 
rekening souden willen neetnen^ 

Wy willen zeer gaarne gelooven, dat het oogmerk des 
Schryvers geen ander is, dan zyne verkreegen kundig* 
heden 9 ten nutte van zyne Konstgenooten^medetedeelen; 
dan w^ vreezen, dat, daar zyne Inleiding reeds zo wyd« 
loopig is geworden, by niet veele Leezers zal vinden, en 
dus zyn oogmerk in deezen niet bereiken* 



Verhandelingen^ uUgegeeven door de Hollandfche Maau 
fchappye der WeeterifcJiappen te Haarlem , XXII Deel. 
Te Èaarlem by J. van Walré, 1786. Bchalyen he^ 
Fporwerky 479 b/adz. In. gr. ivo. 

Twee Prysverhandelingen maaken den aanvang der by 
eengezamelde Stukken in dit Deel: Ze ftrekken ter 
beantwoordinge van de vraag der Maatfchappye : „ Welke 
„ zyn de Gronden en Kenmerken van de Analogie? En 
„ hoe betaamt het eeuen Wysgeer zich daar van te be- 
„ dienen, by het onderzoek der Phyfifche en Moreeh 
„ Waarheden?** De Hoogleeraar F. de Castillon gaat dit 
voorftel onderfcheidenlyk na: hy ontvouwt, in de eerfte 
plaatze, de gronden en kentekenen der Analogie, met aan. 
wyzinge der gevolgen, die 'er uit af te leiden zyn. Ver- 
der toont hy aan, hoe men, in 't gebruiken der Analogie^ 
bovenal twee voorbehoedzels in agt behoort te neemen: 
(i]). Men moet de geljkenis niet vermengen met de An- 
logie. En (a) men moet uit hoofde van eene of meer 
eenzelvigheden, (die de gronden der Analogie zyn,) niet 
befluiten op eene zaak , die in 't geheel niet , of flegts 
ten deele, tot deeze eenzelvigheid behoort. Dit sade ge- 
flaageu r^e, kan men,gelyk hy hierop ten laatfte toont 
een 2eer voordeelig get»iiik van de Analogie maaken; 't 
welk hy inzonderheid onder de vier volgende hoofden be. 
trekt, (i) Door middel der Zintuigen, eerst zyn eigen oor- 
deel, en daarna dat der anderen, in de zaaken, die het 
verftand aangaan, te volmaaken. (2.) Eene byzondere 
waarheid algemeen te maaken. {3). De waarheid of valsch- 
heid van een Voorftel tastbaar te betoogen, het geeti 
men op geen andere wyze ftrenglyk zoude konnen bewy* 
sen. En (40 de oatdekkuig van nieuwe Waarheden. 
De Hoogleeraar ftaafc ieder deeser gebruiken » met het 

by- 



nKUfimtmmzai vüm de holLandsche ma&tschai^y. i^ 

1)j6reageti van Natuur -en Zedekundige Voorbeelden, diö 

on al bet voorgeflelde veel lichts byzetten. |n 

eene hieraan volgende Verhandeling ontvouwt de Hoog<» 
keraar jF* Pap de Fagaras dit ^elföe onderwerp omflag. 
tiger, doch even daardoor min duidelyk; intusfchen le« 
vert hy een aantal van bedenkingen deswegens, die by 
de voorgaanden opmerking verdienen. Na eene uitvoeri» 
ge verklaaring van *t £een men, zyns oordeels, omtrene 
de Analogie en derzelver gebruik heeft gade te (laan^ 
legt hy *t 'er op toey om aan te wyzen, welke Wetten 
men behoort waar te neemen, wanneer men de Analogie,, 
met alle haare waare vereischten , • wil toepatèfen op hec 
ontdekken en betoogen van Natuur- en Zedekundige Waar- 
heden; het welk hy, in een aantal van voorbeelden ^ 
eerst in 'r Natuurlyke en vervolgens in ^t Zedelyke, open- 
legt. Zie hier zyne opgnve van de vereiacbten 

der Analogte, dienende om waarheden te vinden, welke 
hy de zaamgeftelde noemt » in onderTcheiding van de een* 
voudige, die op eenvoudige en naauwkeurig behaalde 
Waameemingen gebouwd is. 

„Zy moet op vaste, wel bepaalde, en niet op twyfelaf* 
tige waameemingen- (leunen. En zy moet op zulke toe- 
gepast worden, die, zonder fprong der Natuur, of zelv^ 
van onze denkbeelden, dezelve kunnen toelaaten , wyl de 
Natuur van geen fprongen houd. Ook moeten derzelver 
paaien niA roekeloos buiten den kring der menfchelyks 
kundigheden gezet worden ; en , om een gelykenis te gis» 
fen, of te hulp geroepen te worden, moeten de waarhe- 
den ons onmiddelyk of middelyk tot dezelve fchynen te 
leiden, of 'er moeten zekere juiste middelen zyn, om de 
Analogie , die wy vermoeden , dat 'er tusfchen beiden 
koomt , te ftaaven , indien zulks gefchieden kan. Men moet » 
niet alleen de gelykheid, maar ook het verfchil der zash 
ken, in het oog houden, en de eiffepfchappen , hier toe 
betrckkelyk, nagaan; opdat vooral de' betrekkelyke eigen* 
fcViappen , die uit onze bepaalde wyze van kennen geboot 
reu worden, van de voldrekte kunnen onderfcheiden won 
den. Men moet aantoonen , waar de uitwerkingen ingewik^ 

keld zyn. En men moet vastftellen, dat de vcr- 

fchynzelen, die tegen de Analogie fchynen te ftryden, 
of met dezelve niet overeenkomen, hun beftaan verfchul- 
digd' zyn aan de zamenvermenging en werkingen der ver- 
fchillende oorzaaken , of die ongetwyffèld van dezelve niet 
afhangen. Men moet de Wet der verandermgen ontolek* 

ken 



l6 ▼eB.HANDRLlKOEN > 

ken en de dê uitwerkingen ,4ie «fhangen van zekere oor- 
zaaken, die aan verandering onderworpen zyn, en de 
verfchtidcnhedea der Verfchynzelen moeten tot dezelve 
gebragt worden of, indien dit niet gcfchieden kan , ten 
Hiinfteii die , ter welker opaigte men de overeenkomst 
der uitwerkingen waarneemt, en die moeten onderfchei- 
den worden van anderen, in welken men verfcbii waar- 
neemt. -— — De omftandigheden, die voornaamentlyk 
ter zaake doen, moeten van de andere zorgvuldig afge- 
fcheiden worden; en vooral moeten de werkingen der oor- 
zaaken, onafh^ngelyk, zo veel mogelyk is^ van de waar- 
neemingen voorgefteld, en dau met dezelve vcrgeleeken 

worden. -^ D^ ,omftandigheden , die niet tot de zaak 

doen, en 'er echter niet konnen van afgefcheiden worden, 
iDöet men bepaalen', en tevens vastftellen , in hoe verre 
de werkingen der oorzaaken, door zamenvoeging , veran- 
deren. En wanneer men verfcheiden uitwerkingen * tot 
vcrfcheiden oorzaaken brengt, moet men, zo dikwils als 
het mogelyk is, op derzelver hoeveelheid agt geeven.** 

Benevens deeze Prysverhandelingen deelt men ons hier 
ipcde een Onderzoek van den Eerwaarden L. Meyör^ 
nopens bet zedelyk lot der Kinderen na dit leeven. Zyo 
Eerwaarde heeft goedgevonden, dit ftnk, dat op zich 
zelve een duidelyk gunftig voorkomen heeft, doch door 
deeze en geeiie Godgeleerde Leernellingén als in duister- 
nisfcn omzwagteld is, zo uitvoerig behandeld, dat mea 
waarlyk vry wat gedulds noodig hebbe, om alles in be- 
hoor! yke opmerking te ueemen. Voorafgaat hy na, de 
vcifchillende gedagten der Christen • Godgeleerden deswc- 
gens, van de vroegfte dagen af tot op den tegenwoordi- 
gen tyd, vervolgens ontvouwt hy ons het gevoelen, dat 
hem het waerfchynlykst Voorkomt, me^ aanwyzing der 
gronden, op welken het, zyns oordeels, gevestigd fean 
worden: en ten laatfte, de gevoelens van anderen met be- 
fcheidenheid beoordeeld hebbende, lost hy de zwaarighe- 
hqden op , die tegen zyne denkwyze in doezen bygebragi 

zouden kunnen worden. Het gevoelen, waarvoor 

zyn Eerwaarde zich meest genegen verklaart, is dat van 
hun, die gunftige gedagten voeden, nopens het toeko- 
mend zalig lot der vroeggeftorven kinderen, die, in den 
tyd hunner onnoozelheid, voor het verkreegen gebruik der 
Rede, overleeden zyn; en dat wel, zonder onderfcheid 
uit hoedanige Ouderen, 't zy gelóovige of ongeloovige, zy 
voortgefprooten zyn, Pe Ëerwwrde M^ycr doet , in de behan- 

" dei 



VAN DB HOU.ANJDSCHB MAAYSCHAl>Pt« -17 

Mng vaa dit Onderwerp nog wel byzondct zien , dat dit 
gevoelen geeoszias aanloopt tegen, maar zeer wel overeen- 
komt,, met hQt. aangenomen Leer (lelzeL der Nèderlandrdia 
Kerke; dat tep trooste kan (Irckken voorzodange Oude"* 
len, welken, uiteen ougegronden waan daaroratrcat^ wel 
eeD3 oDgclukkig mistroostige gedagten sevoed mogen hebben. 
Wyders behelst dit Deel^buicen de MeteorologircheWaar. 
oeemiagen. op Zwaanenhurg, voor de jaaren 178a. 1783 
en i7845nogeenBerigt van den Heer D. dcGorur^Iz. we- 
gens bet Fogelgras , een nadeelig onkruid voor liet Graan ; 
ea verder de IJefchryving , en nevensgaande afbeelding, 
van een AEtv^/. en Buikbreukband door A* de Busfin ; die 
meldt» dat hy, reeds tweemaalen , den gelukkigen uitflag 
van dit door bem uitgedacht Werktuig ondervonden heeft , 
10 gevallen, daar de. anders hier toe. gpbruikelyke Werk* 
tuigen niet voldoende waren. 



J)e ahudc Staat en Ocfchiedenisfen dtr Verccnigde Neder lanm 
• den, door e. m. bngelbrrts. Tweede Deel. Te Amfter* 
dam^ by J. Allart, 1786. In gr. 8w. 415 bladz. 

Nadat de kundige ea opmerkzaame Bngelbrrts , in bet 
Eerde Deel van dit keurig uitgevoerde Werk, welks 
aart en inrichting wy voorheen reeds hebbeq opgegeven(*J 
ons den ouden Staar der Bataviereri, nopens hunne 
komst bier te lande, geRaite, kleeding, onderfcheiden rao« 
gen , \Arooningen , huiszelyke bezigheden der vrouwen, mica« 
gaders de bedryven en tydkorting der m^nen, ontvouwd 
heeft, gaat hy in dit Deel over om hen in hunnen Landw 
bouw en Veefokkery, Scheepvaart en .Koophandel ^af te 
fchetzen, waarna hy deeze onze gastvrye Voorouders aan 
hnnne tafel en dlscb; daar de boordevolle Derkemeijer rond 
gaat , bezoekt , voorts hen laat trouwen , en aantoont hoe de 
vrouwen zich omtrent haare mannen, de mannen omtrent 
hunne vrouwen, en dceze beiden zicli in. de Opvoeding 
van hunne kinderen ,^ j^edragen , waaruit wy leercn kun« 
nen^ hoe deeze onze Voorouders alles aünw^dden , om 
vim hunoa kinderen zowel als van zich zalven, kloeke» 
l^utpge , ':gezonde eri Ithboiie menfchen te vormen , en ze 
vooial dc^r het vdrduuren van alle de ongemakken des 
► - .; i^ ' .- oor- 

(*) ZleAlgim. Faderl Letteroef. Vfl. D. bl.- 26. ' *" 

.• IL D£EC." N. ALG. LeT^T. NÓl I. B * 



a «. M. ENCSI/BSIin 

oorlogs, tot dappere verdedigers van Vaderland tnr Vry* 
beid op te voeden» het welk zy als de voorimamfte beftem*» 
ming van den nenscb aanmerkten. Deeteli taak afgehan'* 
deld hebbende, gaat by over toe een ndder onderzoek 
van hunne Schryfkunst, Oichtkirnde; Muziek, -Sé gezangen 
der Barden, hunne Geneeskunde, Natuurkennis, Kunueti 
en Hand^verken , waarna hy eindelyk dit Deel beOuit m^ 
eene breedvoerige ontvouwing van himneni Rege^Hogs^ 
vorm en 20 hooggeroemde Krygsoefeningen. 

In de befchouwing van alle déeze onderwerpeh mbg 'ót 
Schryver zich met recht beroemen niets verzufma-^e heb^ 
ben, het geen kon gezegd worden van eeii beroemd oor< 
fprongklyk volk , het welk verdiende meer by ons bekend 
te worden , al hadden wy geen meer berrehking^ op het 
zelve dan andere volken ; zodat , uit dien hoofde, memand, 
die dit in aanmerking neemt, hem bei'chuldigeu k4u , vatl 
2ich te diep in de overweeging van zonimige zaakeii te heb- 
ben ingelaaten, het geen hy vooral gedaan heeft wanneef 
de onderwerpen nog naauwlyks aangeroerd waren, geiyk 

de Letterkunde, of in dii tydperk van het uiterst 

gewigt waren , gelyk de Regeeiingsvorm en Krygsoefenin- 
gen der Batavieren, waarachter natuurlyk eenige bedenkin* 
gen tusfehen vertrouwde vrienden over de Volksreegerinj 
en de Nationaale Wapening vaUen moesten. 

Schoon het zeer . moeijelyk vak uit de aahgenaame verr 
fcheidenheid van zaaken, die. hier voorkomen, eu. vaa 
welken de voomaamfte voor ons kort beftek te omllagtig 
Wien, eene keuze te doed, zullen wy echter, tot eea 
Standtje van 's Schryvers voordragt , byhrengen het geen 
hy omtrent de Gezansen der Barden meldt, te meer daar 
ëk aanleiding verfchatt om den leezer eenige fraai vertaal- 
de Stukken uit den Dichter ossian mede te deelen. 

,s Het fpyt my , Czegt Fredcrdk) dat Vader my "niet iet» 
tan de oude Gedichten of Gezangea der Barden, kan me- 
dedeelen , dan zon ik ten hoogOen voldaan zyn« . 

E. Men zou in dezelven niet alleen <)eu aart der Ge- 
dichten kunnen zien, maar veele gedenkv^aardige geheur- 
tenisiSsh ontdekken ^ fchoon naa^r den ftyl der Dichteren 
wat opgefierd, welke ons nu geheel onbekend lyn. Ta« 
crros zegt, onder anderen, in her flot van ZY.n tweede 
jaarboek van armihius^ het beroemde legerhoofid der Chc'^ 

raseen: „ Hy, die in de tydfchriften der Grieken, 

welke alleen het hunne bewonderen, geheel onbekend, en 
by de R»meinen weinig beroemd is 9 dewyl wy de oude 

din- 



DB ALOUDS 6TAAT DBR MEDf ULAtVBEH. \ïf 

ilfaigeii verheffen ^ étt -ons aan bot oalairgs gebeurde wei» 
iiig laaren gelegen leggen, by wordt oog bezongen by 
de Barbaarfihc volken*" Behalven armiüius, op wien de 
Duitfchers nog -nee recht in hunne gedichten boogen« 
2yn 'er zeer veelen', van wdken wy niets weeten, of 
alteen geringe 6f eenzydige berichten van de Romeinfch^ 
Gefchiedfchry vers ontniQ^ hebben. Ik herinner my by 
deeze uwe angstvallige Nieuwsgierigheid , dat cickro zich 
ergens beklaagt, dat de Gedichten der oude Latymn^ 
welke hnn ook tot jaarboeken verftrekten, waren verloo^ 
ten gegaan; daar by nog zo'veele eeuwen nader by leefde» 
hoe veel minder zon het te verwonderen zyn, zo 'er nietS 
tot oös gekomen was. ■ » ■ Evenwel «yn 'er in die af« 
jgelegen hoeken van Europa, die het minst voor de aan« 
vallen en overftrooniingen der vreemde volken bIootfton« 
den y nog eenige gedenkilukken opgefpoord. Men vindc 
dus oude Dichtftukken uit Decfiemarken ^ Noorwegen^ em 
fTshndjiw de Sdiiiftifn vaasAXO crammaticus, baatho« 
LiNUs, en anderen. Maar veel beter zullen u de Gezan« 

f en behaagen , welke voor rmm vyfentwiatig jaaren in hec 
loorder gedeelte van SehotUnd oxttAt\iln.tti voor 't eerst 
uit de VValUrche oï Icrfche taal tn \m£ng^ch vertaald 9 
en in 'c Jaar 1-60 tot eene proeve uitgegeeven zyn, dooc 

Mr. MACPHCRSÓN. 

Fr. Laat mytocb iets naders van dit gieval weetea 
«yn Vader ! » 

£i Zeer gaam'fik zal u het bericht pededeeleit , het 
geen deeze ontdekking te aapitierkelyker m^^kticn te gelyk 
neer geloofwaardigheid byzet. De;9ely^ Jg gerchied by 
^gelegenheid , dift mèn deeze HoogUmder^^ welke dus v^ 
onvermengd, Vottgens hnnne oude ^rtiÜcen^ in hunne 
gebergten ge1e'éf(9 , en zich o|> eene eigen .byzondere wyze 
gekfeèd hadden ,' zogt te belchaaven , en meer overeenkouH 
IKg met de hedendaagfche zeden te vorfoen. Men hoorde 
^enigen deezer volken forowyien een foort van verzen op* 
zeegen, welke allen ^ die hunne taal verOonden, in ver- 
Tukking bragten. Men ging hierop aan 't aafpooren , en 
vond eènige Stukken, welke de H^r. macphkrson 
in het Bngehch overzette » en met zo ve^le goedkeuring 
van zyne landgenooten ontvangen - wierden , dat eenige 
aanzienlyke en kun^dige mannen met maci^h^i^son eene 
reis ondematnen om nog meer ontdekkingen van dien aart 
te doen, het geen bun ook frelnkt is. Deeze Gezangen 
zyn meerendeels oorrprongklyk van ossian» teffens een 

B A< bc« 



^0 t« M. BNCEUIllTS 

beroemd Oorlogsheld en Dichter, een zoon van fingal» 
Van wien nog verfchcide Overleveringen tot op deezeu 
ilng bewaard worden onder é^ Hooglanders ^ die by uitftek 
.pp het voorouderlyke gefteld zyn. in het oorfprongkelyke 
treft men een eenvoudige maat aan , welke zeer aangenaam 
'txï zugt is. De rymuonken zyn niet altoos gebruiKt; de 
Xadefjce en lengte der regels verfchiUen , naarmate het best 
inet den zhi uitkotbr. Volgens den bekenden Hugo £lair\ 
Hoogleeraar in de Fraaije Letiereo. te Edinburg, zyu te- 
derheid en verhevetiheid twee hoofdeigenfchappea van de 
Cedichcen van ossian. Zy venoonen niets van bet lug- 
tise en vrolyk fchersrende;een plegtige en ernfti^e welvoegr 
lyKbeid breidt zich geheel over dezelve uit. Veelligt is ossian 
t!e ecnigé Dichter die nimmer tot hetligtvaardigeenberispe- 

lyke nederzonk. Hy treed altoos in de hooge je westen 

vm 'het grootfchc en pathctifchc^ Hy zet zyn toon in 
tien beginne, en behoudt hem tot aan het einde. Geene ver- 
fiering wordt 'er ingevlochten, die niet volkomen inftemi 
Uiqt de algèmcene Melodie. De voorvallen , welke hy be- 
zingt , zyn alle ernftig en gewigtig. De Tooneelen hehbeu 

irtoorgaans veel van het woeste en romaneske, W? 

treifèn in ctssiAN geene verbeeldingskracht aan , die met zich 
zelven fchêrst,- en lastige kleinigheden opfiert, om de 
verbeelding te vcrmaaken. Zyne Poezy verdient veel 
teeer, dan die vart een ander Schryver, de Poezy des har- 
ten genaamd te worden. Zyn hart is doordrongen va» 
edele gevoelens; van vérheven en tedere. hartstogten; een 

Tiart dat gloelif «n de Fantafie aanneemt, dat vol 

is, en overvloeit. Om alles in één woord met den fleer 

FRirH te zegeen. — — „Ik ken geen uitmuntender Dichter 

dan óssiAi». Men tost in zyne gedichten altyd deNatuur 

zelve; maar die oorfprongkelyke, die edele Natuur, die de 

'l^iel onwederftaanbaar aan zich kluistert, en door haare 

'woeste grootheid boven den kring van tyden en menfchen 

verheft. Waar ossian treurt, treurt overal alles met hem. 

%\'nar ossian Vaderlandfche grootheid bezingt» ziet overal 

eik waare Helden voor zyne oogen, en de geringde van 

zyne toonen wordt volmaakt door den eigen toon vap 

*elk gevoelig hflrt,dat hem leest, beantwoord. Hy heft aai^ 

'en geen metifchelyke zieU die niet met hem indemt'^ 

Zie daar wel het Kenmerk van egte Dichterlyke 

' geme. 

Fr. Twee getuigenisfen van zulke bevoegde Rechters 
doen myne nieuwsgierigheid boe langer boe meer ont- 
branden. £. Ik 



BE ALOUBE STAAT DER NSDBRLANDBN. f li 

£•& zouu eenVertftaling van een brok uit deeze Gezan- 
,ttn» door dezelfde vriendelyke hand van onzen treflyken 
Dichter medegedeeld, kunnen laaten zienj maaT ik moet 
11 van te vooren erinneren , dat ossian een Schof,oï ^gtlyk 
men toen zeide,een Caledonier^ en van hater tydenwas, 
namelyk van de derde of bet begin der vierde eeuw on- 
zer jaartelling. 

Ffl. Hy was echter zeker van een CdUfchen oorfprong, 
een Bard'i 

E« ]a dat was hy. Ik zal u dan niet langer ophouden. 

Hier is het Stukje. -^ . Om hetzelve wel te verftaan , 

noec gf weecen, Frederik! dat de verfcbyning van gees- 
ten, volgens de begrippen van dien tyd, een vreheven ge« 
deelte van de gedichten van ossian uitmaaken. In den 
flag van caros verkondigt prenmor aan oscar, den zoon 
van OSSIAN, met wien de Stam van fingal onderging, 
deszelfs vast aannaderepden dood. 

„ OsCAE begaf zich langzaam van den heuvel naar be- 
„ neden. De Schrikbeelden des nachts waarden voor zy« 
„ ne treden over den grond. Hy hoorde bet matte ge* 
„ mnrmel eener afgelegene beek. In honderdjaarige eiken 
„ bruischt flegts de wind. Treurig roodachtig verfchoolzich < 
„ de halve maan beneden achter den heuvel. Gebroken 
„ ftemmen treffen uit- de velden zyn oor. Daar trok de 
9, jongeling het Staal. 

„ Geesten der geenen , die my opkweekten , (zo klonk 
3, zyn uitroep^ dia de krygsbedryven van 't voorgeflacht 
>, voor de beheerfchers der aarde te rug riept, komt en 
», geeft my bericht van de daaden der tuekomenheid ; den 
„ mhoud |van uw vertrouwlyk gefprek, als gy het gedrag 
„ uwes zoons in het veld der Sterken, uit uwe holen, 
^ aanichouwt.*' 

„Fkenmoe hoorde de ftemme dcd dapperen zoons. Van 
„ zynen heuvel zweefde hy tot hem. Wolken droegen 
„ heoa opwaards in de gedaante van lucht. Zyn kleed was 
„ netrel van Lano^ den volkeren een bode des doods. 
„ De kling fcheen een verdwynendc ftreep van groene 
„ dampen. Zyn verdonkerd gelaat bleef onkenbaar. Zwee- 
5, vend naderde hy den Held , zuchtte driemaal , en drie- 
„ maal verhief zich het luid gebrul van den nachtwind 
,, jn den omtrek. Veel fprak hy tot oscAii, maar zyne 
99 gefprekken kwamen verward tot ons , onverftaanbaar en 
„ donker als de gebeurtenisfen van verfchoove jaaren, 
„ eer zich de fcliemering des gezangs verhief! Nu ver- 

B 3 ,, dween 



W . t» M. SITGELBlim 

,, dween hy langzaam als nevel, wanneer hem de tréSbn* 
,, de zonneftraal op de heuvelen verteert. 

„ Toen ontdekten wy aan roynen zoon den eerllen 
„ kommer, d Dochter van oscar: Hem was de mder- 
99 gang van zyn geflacht verkondigd, en diepe nadenken- 
9j heid misverwde telkens zyn aangezicht. Zo bewandelt 
5, een wolkje het gelaat der zon , echter fcbouwt zy wees 
„ van achter de donkerheid op Conüas groenende bergen." 

Fr. Dit is in de daad verheven ! 

£. In het tedere en aandoenlyke munten deete Gezand- 
gen niet minder uit. 

Fr. ó Moge ik daar ook een ftaaltje van hooren ! Heeft 
Vader niet nog iets aan de hand? ' 

£. Het zou dan de proeve eener VertaaUng moeten zyn 
van de Liederen van Selma^ die ook onder de Gedichten 
van ossiAN worden gevonden , maar als een beungezang 
van eenige Barden voorkomen, welke, volgens eene g^ 
wooute in het Noorden van Schotland en Ierland y op ee« 
nen plechtigen dag , daartoe van den Koning of hun Op« 
perhoofJ beftemd , jaarlyks hunne Gezangen ophieven , 
waar^ran de beste bewaard, en aan de geheugenis aanbevo^ 
len wierden; men magzeby'de wedftryden ver^elyken, die 
men ook in de Griekfihc en Latynfèhe Herderszangen aan* 
treft. De eerile, dien ossian invoert, is eene Dichteres» 
"waaruit wy kunnen opmaaken» dat de fchoone Sexe ool( 
onder de Barden gerekend wierd, wanneer de Natuur haar 
de vereischte hoedanigheden gefchonken had. 
^ „ In haare fchoonheid trad ^«1NONA vooraan met nader* 
5, geflage en traanende oogen , Heur hair vloog langzaam, 
„ op den adem des winds, welke by buijen van den faeu* 
3, vel afruischt. De zielen der Helden waren treurig, als 

,j zy haare zoetluidende ftemme verhief. Dikwil^ 

,1 hadden zy salgars graf gezien, de fombere woooing 
„ van de wit geboezemde colma. Colma alleen op den 

„ heuvel verlaaten , met al haar zangvermogen I — r 

„ Salgar beloofde tot haar te zullen komen ; maar de 
3, nacht overviel baar van rondsom. Hoort colma^s ftem » 
„ daar zy alleen op den heuvel gezeten is. 

colma; 

„ Het is nacht; ik ben alleen , verlaaten op den ftorm* 

„ heuvel , • in het gebergte hoort men den wind ; dè 

9» bergdroom ftort van de rotzen af. Geene hutte bergt 
,9 my voor den regen , verlaaten op den windrigen heuvel. . . 

^» ó Maan ! kom van achter uwe wolken te voorfchyn ; 

»» ver- 



I» ALOODS $TAAT'D8ft NBDBBLANDE^; ij 

^ verhef d , 6 Nacfatgeftente ] dat een eenige lichtllraal 
„ my leide tot de plaats waar myn Lieffte van de jacht 
9} alleen uitrust ! syn boog oogefpannen aan zyne zyde^ 
u ^yoe bonden hygende rondsom hem. Maar hier moer 
fj ik alleen zitten by den rots van den bekroosden Rroom* 

59 De droom en de wind bruisfchen luid, maar 

,9 de (tem mynes Geliefden boor ik niet! — Waarom toeft 
^ myn salgar; waarom houdt de Heer des heuvels zyn 
,9 woord niet? Hier is de rots ,hier is de boom» en hier 
„ bet tuisCcbend water! Gy beloofde my met den nacht 
„ hier te zyii. Aeb l waarheen is myn salgar gegaan f 
9, roet u zal ik vlieden van mynen vader; met u van my<- 
9, nen hoogmoedigen broeder* Lang hebben onze ftam* 
9, men in vyandfcbap geleefd ^ maar wy zyn géene vyan* 
9, den , ó SALGAR ! 

9, Houdt u een weinig in » 6 wind l zyt een weinig 
99 ftii » 6 gy ftroom ! myne ftemme worde rondsom ge- 

,♦ boord ; laat myn zwerver my hooren l 6 sal- 

„ GAR ! het is coLM \ , die roept. Hier is de boom 

„ en de rots ; salgar , myn lief , hier ben ik ! 

jy waarom vertoeft gy te komen? Zie de 

,, dille maan komt te voorfchyn ; de vloed glinftcrt in het 
,9 dal * ■ de hellende Iteenklompen van den heuvel 

„ zyn graauw ; hem zie ik niet op den kruin ; ■ 

„ zyne honden loopen niet voor hem uit; zy kondigen 

,9 zyne naderende komfte niet i — Hier moet ik al* 

9, leen zitten. . • . 

,9 Wie zyn zy, die daarnevens my uit op de heide llg« 
,, gen ? Is*^ bet niet myne Liefde en myn Broeder. • • • ^ 

„ fpreekt maar myne Vrienden 1 ■ Zy antwoorden 

^, coLMA niet; - - fpreekt maar, ik ben alleen! — - 

,9 — Myne ziel wordt gepynigd door vrees I Ach ! 

„ zy zyn doofl! hunne zwaarden zyn rood van 

^ den tweeftryd. — - Ach myn broeder, myn broe- 

5, der! waarom hebt gy mynen saloar gedood? waarom 
„.hebt gy, ó salgar i mynen broeder ncdcrgclegd ? Gy 
„ waart my beiden dierbaar ! wat zal ik zeggen tot uwen 
^ lof ? Gy waart fchoon op den heuvel Jn het midden 

„ van duizenden! Hy was verfchriklyk in den ftryd. — 

„ Spreekt nu, hoort myne ftemme; liooret my, gy Zoo- 

^ nen myner liefde ! Zy zwygen , zwygen voor 

„ eeuwig, ftil ! Koud , koud zyn hunne borften van (lof! 

„ Ach fpreekt van den rots des heuvels; * 

9, ttit den ftormenden afgrond; fpreekt, gy geesten 

B 4 n der 



d| É. M. ïtVOBLBBRTS 9 DE AtOODB STAATS 

„ der dooden ; Tpreekt vry , ik zal nfet rchrikken I waar 
„ heen zyn zy gegaan om te rusten? In welk een hol des 

3, heuvels zal ik de geesten der Verrcheidenen vinden? * 

9, Geen zagte (lem glydt op den adem des winds 1 geen 
,^ antwoord , half verlooren in den (lorm ! '* 

„ Ik zit in rayne finerte! in myne traanen verwacht ik 
„ den morgen ! Gy , vrienden der dooden , maakt het graf 
,, gereed ! maar fluit het niet voor dat oolma komt. 

,, Myn leven vliegt voort gclyk een droom : waar- 

,, om zou ik te rug blyven ? Hier wil ik rusten by my- 
y, ne. Vrienden» by den ftroom van den geluidmaakenden 

„ rots. Wanneer de nagt op den heuvel neder* 

,, daalt; wanneer de ruirchende winden zich verheffen ^ 
,, zal myne geest op hunnen adem zv^eeven en den dood 
„ myner Vrienden beklaagen. De Jaager zal my uit zyne 
,, butte verneemen , hy zal vreezen , maar myne ftemme 
9, zal hy beminnen : want myne fcemme zal aan myne 

„ Vrienden gevallen : aangenaam waren zy aan 

„ colma!" 

Fr. Dit doet my aan^Vader!— - — -te recht mogtdeHeer 
FBiTH zeggen : wanneer ossian treurt , treurt alles met 
hem ; maar ik ondervinde ook , dat myn ziel aan zyne Ge- 
dichten als gekluisterd wordt. 



Schets van een groot Tafereel^ of By dragen tot de Historie 
der Vereenigde Nederlandfche Provinciën ^ en byzondcr 
tot die van Willem den V^ Stadhouder^ Capitein- en 
Admiraal' Generaal van die Provinciën^ mitsgaders Ka» 
fitein en Admiraal - Generaal der Unie^ zedert het 
jaar 1776^ tot op deezen dag^ door den Schryver der 
XKX Artikelen ^ of nieuwe Bedenkingen over demtsluk^ 
king der Expeditie naar Brest. Eerjle en tweede Stuk. 
In Holland den 4 September 1786. Behalven de Voor^ 
affpraak^ 466 bladz. In gr. Svö» 

De Befchouwing vaq alle die rampen, welke ons Va- 
derland fcdcrt veèle jaaren gefolterd hebben , en 
vooral van derzelver fchrikbaarenden aanwas federt den 
Jaare 1776, hebben den Schryver van dit werk, (dat 
óorfpronglyk in de Franfche taal gcfclireven fchynt) aan- 
gefpoord om de waare oorzaaken van deeze rampen naar 
te vorfchen , en derzelver uitwerkfeJs in een groot Tafereel 
af te maaien , en der VVaereld mede te deelen. Dan daar, 
aan den eenen kant, dit een werk van langen adem was, 

welks 



•CHBTS TAN EEM jOROOT TAPEM^i ng 

wdks aanbelang en uitgebreidheid nog eenige jaaren ar- 
hóds vorderde, en het welk boven dien door den dood 
of andere toevallen , waaraan het menfchelyk leven onder- 
hevig is , zou kunnen worden afgebroken , en daar aan de 
andere zyde onze rampfpoeden door noodlottige t>nlusten 
van tyd tot tyd zodanig aangroeiden, dat de Schryver de 
noodzaakelykheid gevoelde , om zo wel de oorzaaken als 
de Bewerkers van zo veele rampen ten fpoedigften bekend 
te maaken, heeft hy het befluit genomen , om , zondereeni- 
ge venraaging , de Schas van zyh Tafereel ^ dat is de- 
verkorting van het voorfchreven werk, ten voorfchyn te 
brengen» waarvan de beide Stukken^ die thans het licht 
zien, byzondcrlyk een verflag behelzen van 't geen hy ons, 
federt den jaare 1776 tot op het einde van f781, is voor- 
gevallen, en wel vooreerst, met betrekking tot den Staat» 
waarin het bcftuur onzer Provinciën in 't byzonder, en dat 
van ons Gemeenebest in 't algemeen, geduurende dat tyd- 

vak, zich bevonden hebben; ten tweeden met 

betrekking van onze eerfte verichillen met Engeland ; i 

ten derden met betrekking tot de hinderpaalen , door de 
Engelschgezinde party aan de herftelling onzer Zeemacht 

gefield ; en laatftelyk , ten vierden, met betrekking tot 

het noodlottig beftuur dier Zeemacht, en tot de fchande- 
lyke bedryveloosheid onzer Schepen , geduurende het eer- 
fte jaar des oorlogs , dien wy tegen Engeland te voeren 
hadden. 

Schoon wy niet kunnen zegden in dit Werk, \ welk 
grootendeels uit de publieke gefchriften en nieuwspapie- 
ren van dien tyd is famengetrokken , veel nieuws ontdekt 
te hebben , heeft het zelve echter zyne verdienden , daar 
het een net aanecngefchakeld , en op een onderhoudende 
wyze voorgedraagen, verhaal behelst van zaaken, die 
niet dan Stukswyze verftrooid hier en daar in publieke 
gefchriften , van welken fommigen zelfs in weinige han* 
den zyn, gevonden worden. 

Voor het Werk zelve is een zeer breedvoerige Vooraf- 
Ipraak geplaatst aan zyne dooriuchtige Hoogheid den Heer 
Stadhouder Willem den V^ in welke voorreden de Schry- 
ver , na vooraf opgegecven te hebben, de uitwerkfelen, 
die onze Voorvaderen op het oog Badden, met de zich 
achtervolgende verheffingen van verfcheiden Vorften uit 
den Huize van Oranje tot die Eminente waardigheden, 
welke zy bekleed hebben, aantoont, dat deeze onze voor- . 
osdered uit het gebeurde m^t Prins MauritSy en het geeu 

B 5 \cr* 



l5 SCHETS VAK EEN GROOT TAfEEBBL* 

vervolgens onder IFilUm den II gefchtedde» ondcrvoiidea 
hebben 9 hoe gevaariyk bef was den Siadhouderen e^ al 
te uicgedrekr, of een niet genoegzaam bepaald ^ vermogen. 
te vergunnen, en dat decze ondervinding hen tevens had 
doen zien , ^ wat *er noodzaakelyk zqu moeten vèrricbt 
worden 9 indien men immer overging ter heriieiling eeuer 
waardigheid, die in verfcheide opzigten zo nuttig, maar 
tevens zo gevaarlyk, is, als zy met beflooten wordt bin- 
nen de paaien « welke de voorzichtigheid daaraan op d& 
allerftiptlte enplegtiglte wyze moest voorfchryven; — — 
dan dat verfcheidene nootlottige omflandigheden , gevoegd 
by de macht en Kunstgreepen der aanhangers van Willem 
den lil, de beide Provinciën van Holland en Zeeland ge- 
dwongen hebben, om deeze waardigheid, benevens die 
van Capitem Generaal, in den perfoon van dien Vorst té 
herftellen , op eene Commisiie , die even onbepaald was » 
als die zyne voorgangereu gehad hadden: — — voorts » 
dat fommige der misbruiken , onder bet Stadhouderfchap 
van Willem den III, in de onderfcheidene gedeelten van 
den Staat ingefloopen, na zynen dood, geduurende een 
tydvak van vyfenveertig jaaren , waarin men deeze waar- 
digheid, uit vreeze dat derzelver hcrftelUng de Vryheid 
der Natie ten eenigen dage den doodftcek zou geeven, on- 
vervuld liet, bleeven voort duuren; en dat zich bier by 
misbruiken van een verfchillenden aart, gelyk de Schryver 
breedvoerig opgeeft, gevoegd hebben, welke dedroevigfle 

Jevolgen na zich fleepten; dat etndelyk omftreeks 
en jaare 1740^ eeoige braave Regenten naar. een gepast 
hulpmiddel uitzagen om ons ellendig Vaderland uit den 
kagen Staat van vernedering en verval» waarin het ,door 
de handelwyze van eenige Regenten , welke dien naam on- 
waardig waren, gebragt was, weder op te beuren; welk 
hulpmiddel eigenlyk in de hervorming van datgeene, het 
welk zo wel de algemeene Conflirutie , als die der byzon- 
dere Provinciën en Steden gebrekiyks hadden, en in de 
uitroeijing der daarin gefiopene misbruiken beftaan moest , 
■ dan, dat, fchoon zulk eene noodwendige hervor- 
ming op zich zclven niet onmogelyk was, dezelve echter, 
by gebrek van een edelmoedige belangeloosheid eti edelen 
yver,toen geen plaats had, zo dat dezaaken hunnen ouden 

Sang bleeven gaan, en van erger tot erger liepen, tervvjl 
e Party,, die naar eene herftelling van het Stadhouder- 
fchap^ in de volle uitgedrektheid van het gezag, waarvan 
de Stadhouders voermaals bezitters geweest waren ^ haak- 
te. 



SGBBTs wir nm otooT VAfumu tf 

tt, middelerwy} aietus verzuimde ^ otn dat heiftel^by de 
eefst voorkopende gelegenheid > die ^ zich dan ook fchielyk 
opdeed^ te bekomen* 

Na dit alies breedvoeriger gedetailleerd te hebben, gaat 
hy over om \e doen zien , by welke aanleiding en op wat 
wyzt het StadhopAfffchap . weder is ingevoerd, welks 
herftelling (gelyk hy zich woordeJyk uitdrukt) minder de 
iiiiwerkiog was van noodzaakelykheid en voorzichtigheid, 
<ian het werk van eigenbaat en heerschzuclu , van list en 
verleiding , van verblindheid en geweld, en hy toont uit 
de omftan^igiieden van die tyden aap, dat de Nederlanders, 
evea gelyk zy te vooren, na hunne halzen onder het juk 
vau Willem deo III te hebben opgebeurd , van Charybdis 
op Scylla vervallen waren, zy thans door deeze omwente- 
Ung weder van Scylla op Charybdis vervielen , hierop 
icbetst fcy op.een vryen en fcherpen toon het character van 
Willem den IV, en zyne aanhangelingen , benevens deil 
loop der zaaken onder de regeering van deezen Vorst, die 
in den jaare 1757 overleed ^ „ zonder, gelyk de Schry ver 
snch uiwrukt , dat goed , of liever die wonderwerken ge» 
daan te heben , die de Bewerkers zyner verheffing hadden 
beloofd , en welke de blinde ligtgeloovigheid 'er van ver- 
wachtte.'* Daar BU,onroiddelyk na den dood van Willem 
den IV, de Princcs, zyne Geroaalin , in hoedanigheid van 
Gouvernante , in de oefening van alle die charges en waar- 
digheden getreden is, met welke baar Gemaal was bekleed 
geweest» en de Hertog, Lodewyk van Brunswyk, ten on- 
zen ongelukke, in den jaare 1750 in dienst der Republiek 
oetreden, het algemeen Opperbevel over de Troupes, ge- 
dourende de minderjaarigheid van den tegenwoordigea 
Stadhouder, bad , is het zeer natuurlyk, dat de Schryver, 
alvorens hy zyne Hoogheid deszelfs gehouden gedrag onder 
het oog brengt, vooraf het Karacter en de handel wyze der 
twee cvengemelde Perfonagies , kortelyk aflchetst , waarop 
hy zich* met betrekking tot den Jaatften, ie weeten, den 
Hertog van Brunswyk, zich in deeze nadruklyke woorden 
Bitlaat: „ Zie daar. Doorluchtige Vorst, hoe 'er wezens 
worden gevonden, welke, door de fchandelykheid hunner 
hedryven, den naam, die zy voeren, bez walken , terwyl 
andereii dienzelfden naam door den glans hunner deugden 
doen uitblinken. Het was in den jongst verloopen win- 
ter, dat een Prins, uit den huize van Brunswyk, door 
saenscbliefde bezield, zich onverfchrokken aan de golven 
eener onftulmige en overvlietende rivier bloot gaf, ter 

hufp 



it SCHETS VAN EÉN CftCWt' tAttUKCtV ■? 

hülp v^ zyne Natuurgenooten ; dan, helaas! by \yierd* 
door de watferen verzwolgen , alvorens den anderen oever 
bereikt te hebben ! Gantsch Europa beweende het noodlot 
van dien edelmoedigen Prins , ter naauwer nood den bloem 
zynes ouderdoms genaakende ; zyne nagedachtenis zal even 
lan<' geëerbiedigd worden, als 'er braave en aandoenelyke 

ZieTen het ondermaanfche bewoonen, En zyne gryze 

Oom in zich alle ondeugden van een verdraaiden geest 
CD verdorven hart vereenigende , maakte vierendertig jaarcn 
lang het ongeluk uit eener vrye Natie, <ian Welke hy ten 
halden een Voorwerp van verfoeijing wierdl.... De 
voorzienigheid haalde eenen jongen Vorst uit deeze wae- 
reld wiens deugden de menschheid vereerden , ter^vyl zy 
Do<^*de dagen rekt van eenen grysaard onwaardig een aan- 
weezen bezeten te hebben!.... Misfchien wil zy on» 
vertroosten door het Schouwfpel, dat hy vertoont, met 
zyne fchande van fchuilhoek tot fchuilhoek over te draa- 

Dan alles wat de Schryver tot hier en verder in deeze 
Vooraflpraak zyne Hoogheid voorftelt, zal zich mogclyk 
meer aanbeveelén door den vryen en nadruklyken toon, 
OP welken het wordt voorgedraagen, dan door de zaaken 
yelve. die, althans In onze dagen, reeds zo dikwerf, en 
by heThaaling, zyn voorgefteld; echter komt er een zeer 
-anroerkelyke Anecdote in voor wegens den berugten 
tosö/j, Schryver van het bekende Nieuwspapier, ge- 
naamd. Courier du Bas-Rhyn, die wy met kunnen na- 
laaten zo uit hoofde van derzelver nieuwheid , als om 
dat zv ons het verachtlyk karakter van deezen Sarcastie- 
len Schryver, en tevens de fonderlinge wyze, waarop d». 
Atuipauiotfche ra«y hem in haare belangens heeft ge- 
trokken, doet kennen, onzen leezers mede te deelen. 

Het Is bekend dat deeze Matizon, geduurende deeerfte 
acht miandcn van den Engelfchen oorlog, de zaaken. 
die 'er by ons omgingen, in hun waar oogpunt befchouw- 
de en 'er over oordeelde, zo als zulks behoorde; doch 
bet* is niet even bekend op welke wyze deez» man eens- 
klaps de onvertzaagfte verdediger van de Anapatnotfche 
par?y wierd, zonder dat het toen die cabaal een enkelde 
Stuiver kostte, üeeze zaak gebeurde echter, en zie hier 

^" "lfh1t'SfgiS'van"T]rar 1781. (zegt de Schryver) 
irebru kte deeze Schurk, die in zyn leven nooit eenigen 
fcteoom had over de middelen, die hem geld konden^vet- 



SCHBTS VAV fiUI; QÊfiOT Tj^ViaEftL. ^9 

fdaStn, de list, om aan den Secretaris van den Hertog 
TioBrunswyk eenen brief te fchcyven, in welken liy , mee 
vermomden Styl en hand ', voorgaf, een Boekverkooper te 
2yd, die van een Hjllandsch particulier, mits p^isfcerende 
eene Obligatie van 400 ducaaten, een zeer hevig manu- 
fcript tegen den Hertog en andere eerwaardige perfoonen 
magtig geworden was , en waaruit by gemeend had een groot 
voordeel te trekken; doch, na zes bladen te hebben afge- 
drukt, hadden de hevigheid van het werk « en de wroegm- 
gen van 2yn g^weeten , hem aangefpoord , de . ondemfte* 
ming te laateir vaaren; en om nu te verhoeden vandaar 
door gertiineerd te worden, verzogt hy detr Hertog, om 
hem aan het Postcomtoir te Nymegen te bezorgen de aoo 
ducaaten, die hy zich verplicht had te betaalen, en be- 
loevende vervolgens het (pretenfe ) gefchrift te zullen ver- 
branden**, enz. Zo als men alles kan zien in den brief 
zelfs, die de Schryver aan het einde van zyn tweede 
Stuk beeft doen drukken volgens een authentieke Copie , 
getrokken uit de Secretarie van. het Hof vUn Juftitie van 
Gelderland. 

», Daar mi znlke gaauwedtefskunstjes al te dikwlls ge- 
beuren, om 'er zich door te laaten bedotten, en dat 400 
ducaaten zo gemakkélyk niet worden weggegeeven^ liec 
myn Heer de Hertog door het voornoemde Hof een begin 
maaken met de nodige nafpooringen te doen , om den Anc* 
teur van dien brief uit te vinden , en het Jeéd niet laag of 
men vernam dat Sinjeur Mtinzon de man was." Dit kan 
men insgelj^ks zien uit de Authentieke Stukkeil der Pro^ 
ceduures,' ten déezen opzichte gehouden, die de Schry- 
ver ook aan het einde van dit deel heeft liaten drnkken; 

„ Een ander als éttzQ fchelm (zegt 'de Schryver ") zou 
zyne vermetelheid duur bekogr hebben, een énkel woord 
van den Hertog aan het Pruisfisch Ministerie gbfcbreven j 
of enkel aan den Magiftraat van Cfeef , zoif genoeg zyft fte^ 
weest om hem te verpletteren. • Maar, in plaats van hem te 
vervolgen, en de Strafte doen ondergaafn, diehy verdieri* 
de , was iiien in den H^ag over die ontdekldn^ zeer in 
zyn fchik , men gaf in Gelderland ordre om de Proceduu- 
n te ftaaken, en men was Uyde', om, ten pryzeT van eetf 
edelmoedig pardon , een pen meer te kuntien wimion ter 
ver^ecdiging dei^ Cat)aal." : j 1 



[Bei- 



^tmmAT^S RBI2E 



Reize naar de Ooit^Itidicn cti Cliina ^, in dó jaareri, 
177^^" — iZ^Jt , op last des Konings van Frankrykge^ 
daan^ doer den Heer son^erat, Commisfaris der Zecm 

. za(^eji ^ gttenjionecrd Natuurkimdigen yah denK,ómn§^ 
Corresponaent van zyner Majefteits Natuurkundig Ka^ 
bineP^en van de KonUiglykc Academie der Wéetenfchapm 

. pen te Parys , Lid van die te Lyons , enz. Vit hei 
Fransch vertaald^ door j...d^ PASXEOft. Tweede DeeL 
Te Leyden^ Ify A. en J. Honkoop, 1785.. In gr. oSa* 
vo , 283 i/adz. . . 

Toeji ,vvy> onlangs het.Eer(le"Deel van dit '.aangenaam eit 
nuttig Werkje aankondigden (♦} , hebben. wy onze 
Leezers niet alleen bekend gemaakt, met den |leiziger zeU 
ven; maar tevens een verflag gègeeven van ^den'a^inleg en 
algemeenen Inhoud van bet Werk , ipet bygêyoégde- belof • 
te.yan» by de Uitgave van het Tw§ede Deel, eenige by^ 
zonderheden uit het zelve te zullen inédedeelen; en bet 
is thans 5 dat wy^ na alvoorenseen ü^etzervan- dit Deel 
te hebben opgegeeven, hieraan voldoen zullen. , ^ 

Na het Karadler der ladiaaven in bet voorig gedeelte 
van dit Werk afgecnaald te hebben • gaat de Scbiyver ia 
het derde Boek^ .waarroede dit Deel een aanvang neemt ^ 
over, tot eené byzouderc befchryving van hunnen Gods- 
dienst, en wel vooreerst van deszelfs Leerdukfceu , welker 
overeenkomst met die van alle Volkeren van Aiia,.tpet4ie 
der Chaldeeêrs^, der Egyptenadren ,* der Pfaepiciers , der 
Grieken\en der Romeinen, een genoegzaam bewys opleven^ 
dat alle die Godsdienften^ ^n fcbyn verfchillendc., eeuea 
zelEden .ooifprong .gehad hebben» t)e befcboïiwiflg van de 
leerftukken der Indiaai^en feidt hem vervolgens tot derzel- 
ver Offerhanden en God^dienfljge oefeningen» .die 'beide 
zeer eenvoudig zyn, en van welken de eerfte in niet andeiis 
dan ryst» wierook, vrugten, zuivel, graanen jen bloemen^ 
en de lattSe in vasten, bidden, boetdoeningèn^ ^il voor:^ 
in duizendmaal 's daags, als het mogelyk is ^ den naam 
van den ^God, dien zy aanbidden, uit te fpreeken, be« 
ftaan* — r— Hierop gaat hy over tot de heilige Boeken 
der Indiaanen, en vervolgeus tot hunne Tempelen, ge* 
denkftukken die de oudheid, deii rylcdom, het geduld en 
ét bygeloovigheid van het volk bewyzen dat dezelve ge^ 

fticbt 
(*) Zie N. 4Lg* Vai. Uitmef. I. D« bL %sz^mmm%si^ 



Ricbt heeft. Voorts tot htrane Feesten , en wt\ vooreerst 
van het Feest van Tirounal^ of het Wa^enfecst^ zynde 
de inwyding van den' tempel; tlus het zelve geencn be- 
paaldeti dag beeft, maar rien dagen duurt, wanneer men 
ifl de berrómafte Tempels, -gèlyfc die van Chalembron^ 
Cheringam , ^agrénaf^tm. 'vab alle de gedfeéïtenvan Indiea 
tc^Ëtmen vloeit, vervolgens, de Feesten van' elke maand ea 
andete bytondcit Feesten, d!e hiet tot dejiarlyklbhe bc» 
höoren. Deezen taak a^hindeld hebbende ^ gaat de Schry» 
ver over <bt de-li>difche Monniklen, onder welken men 
nog heden, heerhoofiffge dweépcrs vindt, dié In de moeije» 
lykfte opofferingen en de gèftretigfte gócisdienst-ocfenlngen 
hna vermaak vinden, ^tt wélket eigeclyk KaraAer is, dat 
zy ècn groot deel hoogmoed bezitten,, vol. van eigenliefde 
«y!l,'cn- zich heiligen waanen. Hierop volgt de befchou- 
wing der aJgemeene pligteri, welke de Heilige Boeken al. 
fcn Indiaanen, zonder 'uHzondeWng' van Caste of Stistmme^ 
opleggen, waaruit blyfct dat de Zedenleer der Indiërs zuh 
ver is , en dat zy dezelfde deugden Hebben als wy ; ook 
vinden wy hier natuurfyk bygevoegd hunne denkbeelden 
van de zielsverhuizing, vati een Paradys, als de belooning 
van hen, die de nejgen iroumas vereeren, en eén Hel» 
als de ftraffe der boozen,-die zich niet bekommerd hebben 
de grootheid van God te bcfchouwen. ■■ Voorts fpreekt 
hy van den Ganges, die in Indien in heiligen eerbied ge» 
honden, en door de Heidetieii geloofd wordt uU de voe- 
ten 'van Brouma onmidlyk onifprongen te zyn ; waarop by 
ons een omftandige befchryving geeft van de ftelzels der 
Indiaanen* omtrent de fcheppii^g der waereld, defzelver 
dtmring en verfèhillende pücferdommén, en, nadat hy by 
deeze gelegenheid gefprokén,' 'beeft van de algemeene vei«» 
deeiing van den tyd met deszelfs betrekking tot alle we- 
zeos, vau den. Scheppet af tot den, mensch toe, gaat hy 
over tot de gewoone en - burgerlyke verdeellng van den 
tyd by de Indiaanen, te wèeten van eeuwen, faaren, 
maanden en dagen ea ' derzetyer vermeenden gelukkigen 
of ongelukkigen invloecf op hunne daaden en handelingen» 
waiirop hy eindeiyk dit gedeelte van zyn werk befluit tnet 
écGckofiartikelen der ^ramaamn^ die wy onzen Leezers 
zoOe/i mededeelen, omdat' men daaruit zien kan, dat de 
bygeloovige gebruiken van het ligtgeloovig en dweepzuch- 
tig voVn* verre vin de Wysbegeene der Bramaaneui wet 
tozedesunde zeer zuiver is, verwyderd zyn. 



CBl^OOFSAATiKeLEN DJftR MAMAANBN. 

5, Het Opperst Wezen, dat wy, chiren, en dat andere 
^, viCHENOcj noemen, is bet eenigst, dat wy voor den 
„ Almachtigen erkennen; het is het beginzel der vyf ele- 
^, meiuen, der werkingen en beweegingen, die de oorzaa- 
„ ken van het leven en den tyd zyn: met onze zielen 
,> vermengd,. ^eeft hat ons het aanwezen,, dus is de 
,, zelfftandigheid der ziel en haare kennis niet anders 
„ dan God zelf. Hy heeft alles gefchapen., behoudt 
,> alles door zyne goedertierenheid, en moet gan het eilide 
„ alles verdelgen, lly is de God der goden. God de aU 
9, machtige; hy alleen is de. hoogde Heer, dit verzekeren 
^, de Vcaams^ de Tagamons^ de Cfiaslrons en de Pou- 
„ ranoms^ Alle mindere godheden zyn niet meer dan 
„ fchepfelcn; Hy heeft verfcheidene reizen de gehéele 
„ waereld verdelgd, en dezelve op nieuw herfchapen; 
„ Hy is een onmeetlyk wezen ^ enhy verfpreidt zich, ge- 
„ lyk eeii licht, alomroe;'Hy is eeuwig, vjfn niemand 
», geboren. Hy is alles, en zal aliyd beftaan. fly al- 
5, leen kent zich zelvcn,en is alten anderen Qnbegrypelyk, 
„ De goden zelve bevatten zyne weze^heid niet, het is 
9, zyne hoogde zelfftandigheid, die de zon en de maan 
„ haar licht geeft. Die God aUeeu heeft het heelal door 
„ zyne voortbrengende macht gefchapen, behoudt alles 
„ door zyne onderhoudende macht, en verdelgt, alles 
„ door zyne vernietigende macht ,, zodaf hy het is,.wel- 
^^, ken men onder den naam der drie goden, die men Tri* 
„ mourti noemt, afbeeldt. Hy heeft de Goden, de men* 
„ fchen en dieren voortgebragt , alleen om zyn goedheid 
„ kenbaar te maaken. Dan fcbynt hy nog cevoelnoch 
„ cenige merkbaare hoedanigheid te. bezitten , dan weder ^ 
gelyk het vuur, dat in het hout en de fteenen, in 

3, het water en de lucht zit, bevindt zich Godin het 
^, binijenfte van alle dingen; zyne wysheid, zyne macht 
„ en zyne uit;tichten zyn een onmeetelyke en onbipgrens- 

4, de Zee griyk , welke niemand in ftaat is over te trek* 
,4 keil of te peilen; fchoon het hem niet eigen is een 
^, lighaam t^e hofeben noch van eenè groote uitgeftrett- 
'„ heid, Do^h.als het kleinfte ftofdeeltje, neemt hy.ech^ 
„ tct fonjMryleneen gedaante aan».,ten èjnde hun, welken 
,,. hy gefchapen heeft, en ^ie in d^ duisternis gedom- 
„ peid laï^ep » Hebt te doen genieteö'; en ondanks de' v^pr* 
„ fchillenoe menschlyke gédaafitens, welke hy aangeno. 

„ men 



VAAR DRn9OST*IK0ttir BK CHINA^ S3 

^ men' lieeft,' is hy vatbaar noch ^or VehnÉatr^ nóch 
„ voor pyö; hy is door zyne natuuP,vry van alle afwis- 
)9 felingen. Oaar zyn geen andere goden dan hy; nie* 
^ mand kan de beguichelitigen, welke hy over de waefeld 
,» verfpreidt) ontdeklcen of onderTcheiden, of ontWyfcen^- 
9, hy vervolt het heelal door zyne onmeetelykhéid , hy 
5, is bet beginzel van alles , zonder een begin gehad te 
9j hebben. 

„God, die oneindig kleiner is dan een (lofdeeltjé^ is öti« 
,, eindig grooter dan bet heelal: deeze onafbangklyke God, 
,^ d«eze vrye Godj deezè God, die alles is, beilóiïdt al* 
,9 toos alteen, zonder eigenrchap. zonder werking, zonder 
,9 hottianigheid^ zonder plaats of tyd onderworpen te zyn^ 
,, zodat hv onveranderfyk is. Dit eenig en eenvormig 
9, Wezen beeft geene wezenlyke verknochtheid niet de 
f9 üof, even als de fcraalen van de Maan, in het water 
95 terug gekaatst, met het water dat zich beroert, in be- 
9, Weegin^ fchynen, zonder dat 'er iets wezenlyks moe 
9, betrekking tot de Maan plaats heeft: Ziet daar het beeld 
99 van dat wezen '«et alles wat ftof en eigenfcbap, lydea 
>, of werken is; deeze vereeni^ing is ook gelyk aan de^ 
„ dioomen, die dingen doen zten en aanraaken die nie€ 
99 zyn. God openbaart zich in verfbheiden lichamen , gelyk 
99 in verfcheiden zielen , even als de Zon , di% alleen is , 
99 zyn beeld m verfcheiden- vaten met water vertoont; hec 
99 is op zyn bevel, dat de wind waait, dat de zon ver*r 
99 licht 9 dat het vuur verwarmt 9 dat de regen valt; in 't 
99 kort h3^ is de volmaaktheid, bet begin 9 het einde 9 en 
99 de glorie van die hem aanbidden. 

9, Wat de goden bebmgt, welke wy vermenigvuldigd 
99 bebben, en onder zo veele afbeeldingen aanbidden., 
5, men heeft hen dus afgebeeld alleen voor de onkundige 
99 en zwakke vérftandeu9 welker grove godsdienftigheid^ 
9, jets floffelyks.en tastbaar behoefde. Zy zouden de goed* 
99 heid en grootheid van 't Opperwezen niet hebben kon* 
99/iSo bevatten zonder alle de vertoonitfgen die hen op 
V God doen denken, als zy zyne eigenfchappen zien, van 
99 welken men 9 om zo te fpreeken , zo veele veifchi(len«' 
99 ie goden gemaakt heeft. Doch zy, daarentegen > die 
99 cÜen.God begtypen kunnen, hebben ^eene afgoden van* 
i9 doen, want -de beelden, tot welke wy onze aanbidding 
99 0^0 richten 9 zyn eigenlyk niet anders 'dnn gelykenisfen 
99 vaji zyji..wczen9 in izo verre dat hy verfcheiden reizen 
99 in de waereld gekomen is onder gedaanten 9 welke wy 

* Ih DEEL. N. ALO. L£TT. NO* U C ,9 Ver* 



o vere^iBfi Mi «if^tlüitfnir n»/ M/fttt gqcttykf virfittq»' 
9, Binffe)i»eii vto be( ffMd dut^y ons toegebmgt ii«U»e)u 
9» Wx g^looy^o poki dut de planten eo ^^er^n wfla^yk 
^ «ene a^iel bebbep als wy^ en aa^ did reden 4at alle Ifir 
^ vende dieren geëerbiedigd mpeten wiifisn; dit zy» die 
^ de;Eel^e opofferen « ^ene grooce aiifldaad begaen, 

,^ Wy ^^ereeren.d^ heiligh^<l ven verfdrillrade plaateeo 
,, en rivieren , omdat God ons beloofd heeft zyoe gunfteq 
9, oii; te 'ftorten ever de geene, djtf dezelve bewoonea 
^.zoudeo. 

^, De ooderfpheidingen vai^ onze geflachoen. «yn op bun^ 
^9 nen oorfprong gegrond: wy befchouweii ^t Bm^maancn 
^ als de voomaanule^ omdat zy. uit het aangesaebt vao 
p BR0UM4 gefpröoten ^n; de T/chaair^ff^ ale de tvvoede 
59 in reng, omdat zy uit zyne fchonderen zfH voortgiÉko* 
59 men; de fVafchicrs als de derde , omdat xy uit zy9 
^ buik afftammen; en de Suuiren hebben den Werdea 
i% rong» omdat zy uit zyne. voeten Jièikonrftig zyn, Mor 
99 gelyk zyn dee^e aflummtngeo niet anders dan zinnen 
^ beeldige figuuren van de waarheid, flnar.wygeboveo^dat 
^, zyzeer wezenlykplaeta hebben. Dit is onS' giioo^ Het is 
^ niet volmaakt» omdat wy niet weeten , hoe God beeér te 
^ kimnen bebaagen; maar de oveivioed eagioiothetd zynei 
,, goedertierenheid vervult het geen aan onzen ceidienst; 
yy^ ontbreekt ; wy wee^n Oegts dat wy God moeten vree» 
^y zen en dienen; hierin komen wy zUea overeen; on^ 
yy dunfes bet verfcbil on^er fecten ftemmetf wy allm in, 
^i ep belydea eeopaarigtyk, dtt zy, die bet goede doen, 
,9 volgens hunne goede werken beloond worden, imw 
^ dat zy, die kwsid doen , om hunne euveldaaden geftmft 
' ^ worden; Gods goedertierenhdd bindt zyne gerechtigheid 
„ niet» en zyne gerechtigheid fchaadt zyne goedertieeenü 
99 heid niet 9 maar het geheim van zyn beftier is ondnoF« 
9> grondelyk. Wie kan de diepte zyns gerichte afineeien? 
59 wy aanbidden zyne onbegryplykhéid/' -^t: • 

Het volgende gedeelte van dit Werk ^ waarmede dii«Oeet 
befloten wordt, behelst eeniffc weetenswaardige byzomfer- 
heden en aanmerkingen overdeCA//9«^;:3m9deftaatsomweme« 
fingen, federt eene eeuw in de Koiiingryken Bigté en A^m 
iroorgevallen, en eindelyk over den grond, de voortbreng-* 
zelen en bevolking van Madagaskar^ de middelen om in 
dat land handel te dry ven, de goede en kwaade gefteldbeid 
van de lucht 9 en de daar uit voorfprultende ziekten. 



JL H« CAlSPËf ÊBOMÈjSCMé itoCMt ÜB ]EUC0t 



hishefchtyvingen voor de Jougdf door J. .h. campe, Eef/iè 

Deet Uit het Hoogduitsch vertaald. Tej^fierdam^by^tWeéL 

. J. DóU, 1786. Behalven het Fh^rberigt f 272. bladz. in octavok 

Met dit deel begint de Heer Campe dé uitvoering yan een Plaïij 
^^^ het welk hy zfch voorgeReld heeft, en waarvan wy voor 
eenigen tyd gewag gemaakt hebben. (♦) Om naamlyk , ten 
nutte der leergraage leugd, „ eene verzameling van reisbefcfary- 
„ vingen te vcrvaaraigen, waarby niet meerder denkbeelden 
^ van aatdrykskunde, waereldkunde, gefchiedkunde en andetü 
^ wctenfchappen, onderfteld worden, dan men by jonge heden, 
^, die mjne voorige werken geleezen , en daarby het gewooti 
;, ondetwys dèr Schooien genooten hebben, ondcrflellen kan»'* 
Ter proeve hiervan verleent ons dit Stukje de eerfte reis tet 
cntdekkinge in het Noorden , door Jacob Heemskerk en ÏVillem 
Barendsz'i Waar nevcns gevoegd is , een berïgt der merkwaardige 
gevallen van vier Ru.^fifclic Matroozen op Spitsbergen ; en verder 
een verflag der eerfte relstogt langs Afrika , met het omzeilen van 
'de Kaap de goede hdop, naar Oostindie, volvoerd door Vasca de 
Cama. De Heer Qimp< . bep alt zig . in 't geeven van een aan* 
eengefchakeld reisverhaal , inzonderheid tot het geen der Jeugd 
een leerzaam vermaak kan geeven; doorvlegt zyn verflag met het 
ontvouwen van nutte kundigheden, en neemt uit het voorgevallen 
meermaals aanleiding, tot het mededeelen van leerzaame onder- 

tigtingen Tot een voorbeeld hiervan dienen zyne opmer- 

Idogen . by gelegenheid van het bekende geval . toeri men , by dd 
overwintering op Nova Zembla, een ffedeelte van de aoónè» 
Icbyf boven den gezigtefnder zag, veertien dagen vroeger, dan 
deadve zig in dat gewest, volgens de Sterrekundige rekening 
van den kundigen IVHlem Barendsz^f kon vertoonen; 't wel£ 
Barendsz. die waarneeming in t\vyfel deed trekken ; welker echt-* 
heid nogtans eerlang bevesdgd werd, toen, na verloop van drie 
dagen, by een helderen hemel, de geheele zon, ontegenfpreeto» 
lyk, voor hun gezïgt, boven den gezigteinder (lomd. 

,. Eareidsz. (zegt onze Schryver, dit verhaald hebbende,) 
fiondt verwonderd; hy rekende andermaal, en vond op nieutvs, 
dat de zon ongelyk had, met thans reeds te voorfchyn te komen, 
dewyl zy, naar den gewoonen loop der natuur, in dar gewest, 
waarin zy zich toen bevonden , eerst veertien dagen daarna voor 
de eerftemaal wedérdm 'moest zichtbaar worden. Hy overtuigde 
zyne reisgenooten ^n. de egtheid van zyne uitrekening , en net 
geheele gezelfchap ftönd, even als hy, verwonderd. Hunne 
opgen getuigden, dat de zon in de daad voor hen flond, en de 
fioiekundige rekening toonde hen de onmo^lykheid der zaak. 



(•) lic Atg. rêê,'ltttmrf. V. r>. M. 14$. 



Wicn zouden ay nu eelooven? Htm Tcribnd of hunne oogwr? 
• ♦, Bygcloüvige ijic^rchcn ZQudeov dk raadfelachtig vprfchynfel 
veel fpocdigér opgelost {icbbén. Dit u een IVondtff zouden zy 
jgeroepai hebben. , God heeft t om ons te bogunftfgen , den loop 
der natuur veranderd, en zyne ion geboden . om haaren gang te 
. ?/erhaasten, >op dat zy vroeger voor on? zichtbaar fconde worden» 
.'dan zulks iiTituurlykerwys moest gefchïeden. Hier ziet.gy nu, gy 
ongeloovi;^.!! , die alles, wat in onze dagen aan dea hemel en op 
de aarde gcfchiedt,. uit natuurlyke oorzaaken wilt verklaaren, 
dat God ook nog hedendaags ten 'beste der geloovigen wonderen 
verricht J en dat het godloos is. uit uwe wysbegeerte, fterrekuil- 
dc en uatuurkunde . te willen verklaarcn *t gQtn de hand van 
God zelve onmiddelyk heeft gedaan ! — 

.„ Stelt nu eens, dat gy, myne goede jonge Vrienden! zciven 
daarby waart tegenwoordig geweest; dat gy de zon met uwe el- 
gene' oogen gcZien, en de ^theid van de uitrekening van den 
cerlyken Barendsz. met uw eigen verlland erkend had ; wat zoudt 
gy *er wel van gezegd hebben? My dunkt, ik kan het in uwe 
oogen leezen, dat gy daarby in groote verlegenheid zoudt ge- 
raakt zyn. Ik zal u oprcchtelyk zeggen, wat ik daarby zou 
gedacht hebben. 

„ Ik weet niet, zou ik by my zelvén gezegd hebben, of 
„ rayn verfland of myne zinnen my misleiden : maar dit weet 
,, ik met zekerheid , dat ik geen grond heb om te gelooven , 
„ dat de groote en wyze Schepper de orde van zyne wacreld 
„ om myncnt wil zal Veranderen, Wat toch ben ik, arme worm, 
'j, of wat zyn honderd andere van myne medewormen op aarde, 
^, wanneer wy ons vergelyken met de onmeetelykheid van het 
^, Geheclal, en met de onnoemelyke menigte van andere Schep- 

„ felen in andere waercldlichaamen? wat zyn wy, dat 

^. wy ons zouden verbeelden, als of God, om een hand vol 
,, zodanige wormen, de beste orde van zyn groot Heelal ftoo- 
^ ren, en wonderen verrichten zoude,, welke niets bedoelen 
., 't welk groot en algemeen weldaadig hy maar welke alleen- 
„ lyk zouden gefchiedon, om ecnige weinige Schepfeken te be- 
^ j^unftigcn? Wanneer ik iets, 't welk ik niet weet te ver- 
„ klaaren, voor een wonder houden zal, zou ik eerst eene 
„ zeer groote en verhevene bedoeling, welke de Sche^jper daarby 
,, zou kunnen hebben , klaar moeten kunnen ontdekken. Maar 
,, dewyl dit nu het geval hier niet is, zal ik het onbegrypelyke 
,. vjn dit voorval liever als een gevolg van myne onkunde, dan 
», als eene bovennatuurlyke wtrkïng , befchouwen. 't Geen ik 
„ niet in ftaat ben te begrypen, kunnen" andere menCchen, die 
„ geleerder en fchranderer .zyn dan fk, my mogelyk uitleggen. 
„ DeeZen zal ik by gelegenheid hierover raadplcfegen ,enjtotd[en 
;, tyd toe, de geheele zaak onbcflist laaten." Het is ^vaarfchy: 
uciyk dat Barends%. ook zo dacht, want ik vind in zyn dagboek 
Biet» dat hy de zaak voor een wonder heeft gehouden. Hy {o* 

ken- 



itsiöiJsiCRErvmGgN'voo^ bs jeug^. 37 

Tiióde 'dMdve échter met aire zorgvuldigheid op, om eerlang, zo 
'teen hemel behaagde om hem weder naar HoUand te rug re 
{reugen ; bct-oordeel der S^errekundigcn daar over te hooren. 
fodft was ook zeer verÜandlg; want zonder deeze zyne omzigi 
tjgheid »u degehecle zsrak mogelyk wel onbekend, en dus oolc^ 
taada Mdörzoek gebleven zyn ;>en wanneer de eeil of de ander 
van xms eens zulk een geval mogt beieeven, zouden wy het 
s^^iiog; nM wcieten te^veridaareir. 

„ 'Maflfkan men het dab tfaans verklaaren?*' Ziekerlyk, I/eve' 
ieezerst'en, m gy wilt, kmitgy — het (ï)reekt van zelve, 
ior 't klein — bet zelfde ^ wonder in uwe kamer naarböotzen. 
„é -fc4iiel7kl** Niet zo driftig , kinderen! anders mogt uwe 
prdefheemii^ oRgelukkig altoqsen. Neemt dan^ eens een thee»-' 
fcc^je. of legt 'er >een 'kleiii' iluk gdds in. Gaat 'er vervolgens 
zo veffre af ilaan, dat gy zo xmitrent tot in bet midden van het 
théefcopje, maar niet tot op- den bodem van het zelye, vtraar^ei; 
ftiik:geld:Ügtt 2ièo kunt? Is *t nretzo, dat gy nu van hét geld 
Diets zkXm 'Maar geduld"!. Laat eeiy ander nu'^hét^ekópje vof 
water gieten, maar blyft gy op uwe plaats ftaan : en 6 won- 
der! eensklaps ziet gy tot op den bodem van het theekopje, en 
«iet lewais het geld, *t welk-gy te vooren niet ko6t zi^ H06 
«och mag dit toegaan?' " \ 
. I. Pi^.geenefi .pndcr.^u,, iiwelke reeds van. de natuuricuode 
iets gdeerd hebben, weoten hieiP van de reden; (*•) den overi- 
gen kan ik hier alleenlyk als by voorraad zeggen , dat dit won- 
derbiar verfcbyalyk oatAftac dl ^et breeken dcc lichtftraalen; 
waarvan zy in-'t vervolg, meer zuilen hooren» ^wanneer men 
|ien ook met de thans genoemde aangenaame.wcetenichap zal 
trachten bekend te maakem Zo dikwerf» naamelyk, als de licht< 
firaalcQ uit eene dunn^ flof Mn eene digtere overgaan* als, by 
vcNWbeeld , ulc de ludn in *t water, dan worden zy gebrooken # 
dat. is, zy^ neemen een andèn^n loop, of gaan ecnc anderen gang« 
Maar gefd^dt dit, dap v^rpiponen zjch de' vm hen verlichte 
VQorwerpen^ in eene andere plaats, dan die, waar zy indcdaad 
zyn. Hier, by yQ6rb!99i(l> ziet men het ftuk geldjn het midden 
van het theekopje, fchoon- het ^igenlyk op de» bodem van het 
zelve ligt. Nu behoeft: men Hechts te weetcn^ dilt de lucht» 
welke opap^aarde onmiddelyk omringt, veel dtgtdr is, daorde 
boQcer h^föelfuclK ; dan begrypt men ligtelyk, dat dezónneAma* 
len, wanneer zy uit de fyner bovenlucht in dedigter bcnedcnlucht 
yaft (Kuaea dampkrmg overgaan , insgelyks gebR!K>ken worden ,. ca 
dac wy by gevolg de.'5V>ni 4q wel by haaren op- als ondergang, 
altyd iets hooger aan ^ep hemd moeten zien, dan zy telkens 
in de daad (iaat- Zo dikwerf als wy das de zon des morgens , 



[(O Men zie de natuoikundige verklaariiig v^n d;t vcrfcljyn;Kel , in R* 

. ' • c j • 



Sma 



9ien opgaan, {$ ;q^ dit nog 2elvq niet,, maar fleohts* tor jm!|^I4i( 
hcc welk \vy in den dampbing tmi ;. evon g!d3Fk yvy.ih^m bet 
fiuk geld in 't water zien op èen plaats # alwaar littJn cj^daa4 
óok niet is. Het zelfde gefchiedt ook des avonda by dep ow^er^ 
gang der zon: Want dok dan is jsy: in de daad reediisi^^^rjdeii 
gezicbtcindcr weggezonken, wanneer wy haar beeUlr0og:klaaff 
en duidelyk aaa. den hemel ^bn ichitteren, 

„ Begrypt gy nu, van waar bet kwam, dat mm.vp.NQWiJkmf 
ih de ;gon ve>ertieh dagen tioeger wedee sag, dan^tOka tolg^ns 
de flerrekundige berekening vam Jarem/j» had iiiQ6twi:g«iwie^ 
den? De Aeratiadige mén baé recbt; :want by lekcsoc^ 49 
yifdrkelyke fiMndplaaty (jter Zon uit', itiaar de dogêh iMt synefin^/ 
defchepelingen. kadden ook recht» wint zy ^agm h&: ifg^M vai| 
de zon, het welk ^van de ^^Tezehlyhe zoin niet kan DOdorrcbeidM 
worden. En waar biyft nu^het wonderbaare in dit ^effehSHlseL? . 

„ Op dezelfde w^ze >«r dwyu p i de aubeden van de'.tef^iBGhe^ 
(iHen diêr feeën. en ^looken, xo dra! men . dezdien ntet Itet dog 
Tan eene opgeklaarde fedea befchouw%.'^ 



Crêudbeginzilen det' Zedekunde in - êcngenaanU FerHHélèii >Mi 
€• G. 8ALTZMANN. Uit het Hoogduttsch yertaaid: Tü^fdè 
Deel Th Amft^damt bj de Wed. J. DöU. 1786. In m»yOf 
543- bladz. 

r)e Verhaalen» in dit tweede Deel byeengebragt, zytf vun een 
*^ gelykfbortigen aart, als die van het ©eirfte'DeeU <''5 én *e 
Ixinnen dus, nevens de voorigen, tto nutte deiP Jeugd gebrtifkt 
worden. De Heer saltsmann poögc gemeenlyk, ^odrleétea^ 
loe Verfaaalen, het betragten der Deugd en het yerhiyden der 
Ondeugd in te boezemen, waarvan tslir veeten hét legende voor- 
bc^d van dankbaard Ouderliefde tot een fhal kafn vèHlrèkken« ' 
' „ De Heer van- R..., een Pk^i^acfh Officier had een tyd'tang 
te Ulm in Swaaben op werving gdegen.' Hy riioëst echiop we- 
derom naar zyn Regiment gaan. — Den avond voor zyn ver- 
trek diende zich eea jongeling^ diel *er wèl uit zag en een ftaai 
voorkomen hadc, by hem aan, en begeerde aangenomen te wor« 
den. Hy had volkomen de gedaante Van een welopgevoed jong- 
man ; maar alle zyne leden beefden , toen hy toor den Officier 
tradt. 

,, De Oflicter föhreef zulks toe aan eene jeugdige bcföRróoiM* 
held; en vroeg, waar hy voor bevreesd was? „ Détgy mf 
,,nïct aanneemt," was zyn antwoord,» en terwyl by dit zeide, 
jpolde hem eene traan- langs- de wangen. Neen, zekeriyk niet, 
eeide de Officier; gy zyt my veeleer by uitftek welkom: hoo 

iFUUt 

(•) c Jiig. FaierJ. Uturoef. ViI,.D. bl. 31^ 



C a SALTZMAHf GBUIMMIIISSLElir DBIt ZBDSKüNDE. ^ 

]Mft gy daarvoor vreezen t », t)m dat lièt fiandgelï^ *t welt ik 
^gGnoods^akt Jben it vraagoDr^ WAarrehjmljdE tehofigToörtA^ 
M mm sal.'* Hoe Meel^'sobt gy 4M1, yrt)e& df^ Officier. ^ Géene 
M laage hebzucht,*' antwoordde de JpOc^iig. ,, .nmr. e^ne 
„ drukkende behoefte noodzaakt my om honderd gnldens te 
t^viuged; «D ik b«n de ongplukkigSf iiwoieb ii^de^ei^d, 
„ indien gy woïgfrt .my ao veel te geeveo/' Honderd guMeWr 
aotwoerdde de Qfiqier^ zyn zekeiji]4: veeU maar ik bob bébm^ 
tff^in u; ik geloof dat gy u vao uwen pUgtDuit kwyteo, «nik 
^l u Jiiets aftr^kon^ Hier zy» honderd gtddens. Morgen v^« 
tiekk«n wy4 :£n.sp t)«caalde hy tem de botidérd guldens. 
. „ De JongeUog ims vmuki van.b](ydlchap. Hy verzocht èier 
ftp den Officferr dathy b^ wilde vefguniieo^ naar.fauté te gaan 
Ofn.8h«me08Bog,^keren heiligen pligt té vervufien, enbeloofite 
^niien^ den tyd jyap één uur .weerom ceisoaien. > Deeze veri 
trouwde op ^j^^criyk, gwcht , -^n liet Jiem gaan. Maar » dewyl 
1^ -gBlooEie ju issyn geheel gedrag Jc^a Jbtitttengewooi» engeheims 
ontdekt te hebben, fpoorde zyne nieuwsgierigheid hem aan, om 
iMm ¥aR verre te volgen*. En nu zag 1^ hem. fegebegt naar.de 
ftads . gevantgents \qq^s 4»}waar Jiy i^ de deurJ^Iopte en* binnen 
gelaaten wierd. 

. „ Dé OffiG;eir v^dubbelc^^zyne fcfareden , en hoorde, aan de deur 
vttn de gevangenis komende, den . jongdingnietiien c^ier ^reé^ 
ken. „ Hier,'^ boorde My hem zoggen, ^ «i bet geld, vt^aiom 
ff myn vader in. de «gfivgngeni&zUl Ik zal hetHby n. neSrlcj^en ; 
M en breng my nu fetiietyk |^ Jbcoi» óm hem:v«i zynó 
^ bocijens te beyiyden/' De cipier deed ij6t geenihy begeerde; 
De O^cier bieitf nog eeoen tyd lang fllan»xnhemtyd te^unn^n^ 
voor zjtmt Vader .^Q^ te yerfebynen; maar hy ' vofgde hem 
ipoedig. -^ Welk^ e^ gezicht I Ify ;^ dcb jongeling in de 
anoen van i^en Xftder« een^m eoiwaiirdigbajpysntd, die hem 
vast aanzyn hart drukt, en hem niestittanCT beijiroeitt aonder 
één MODcd te 4>r0efc^nr Dus Vi(riie))en cenige mïnutten , èer dat 
4e Offider van hen b^nerkt wicrd. 

y, Asogedaan-by ditfiafei^eU ging dees mder by ben^^en ^\d^ 
tagen den Ouden: wees g^U^r ik zalu )van zulk eenen braaven 
zoon nietberooven:' JUaat j^ .deeliieemta oi de verdiende van 
zyne 'haqdelwyze. 'Hy te viy};,en b^ gdd berouwt my niet^ 
waarvan by zulk een edelmo^jg.gebnnk gemaakt heeft. Vader 
en Zoon vieien ne6r. voot zym voetÉil 'Dfe;Zoon weigerde, in 
den beginne , de hem aangeboodene vryheld aan te neemen* Hy 
verzocht cfeti Offitcier. ham mede to ^neemen, en zdde dat zyn 
Vader hem nu niet meer noodig had, én dathyzu|k een gul- 
hartig Heer niet gaarne te leur (lelde ;Maar de edelmoedige 
Officier drong ?er op aan.,, dat hy zou blyven; leidde hen belden 
uit de gevangenis, en nam by zyn vertrek de blyde bewustheid 
mede, van tifee Agclukkigcp« dioibeideAhet zo weinig vér- 
dienden , gdukkig gemaakt te hebben. 

C 4 £Vni'. 



IT0KAGE17 



Eenige Bijdragm reor Otnie en MenfchengevoeU Eerfte Stukje. 
Te Utrecht f bif G. T. van Paddenbui?, ©n Zoon, 1786. In 
gr. octava 143 ^MZ' 

TJit bet doorbladeren van dit Stukje hebben wy affeenoraen# 
V dat men voornéemen« is, onder deezcn Tytel, een Werkje 
te vervaardigen 9 waarin men etiyke Gercbrijften by een zal ver- 
zamelen, die deeze en geene ondef werpen, op ecne geestryfce 
wyze, vernuftig behandelen. Het meerendeel, althans van 't 
geen ons in dit Stukje voorkomt, is van diéh aan; het levert^ 
naar 't ons toefchynt, en oorfpronglyke en vertaalde Stukjes, 
die iu Proza of in Rym en op Maat gefield zyn, en wdkeit 
een Mengeliverk in handen geeven , dat eene verfcheidenheid 
behelst, waarin Lieeeers van verfchillenden finaak, de een in 't 
een, en de ander \n 't ander, hun genoegen zullen vinden. — ^ 
Zie hier, tot eene proeve, de volgende bedenkingen over 4^ 
Vfiendfchap. 

• ,, Van de Vriendrchap zegt de een ,• dat ze overal is; en eeo 
ander dat ze nergends is ; en 't komt 'er maar op aan, wie 
van beiden 't ergst geloogen heeft. 

. ,» Als gij Pietisr Paalus boort prijzehj dan zult ge ondervinden, 
dat Paulus Pieter we£r prijzen zal » en dat heeten ze dan vrien- 
den, £n dikwiis is tusfchen hen verders niets te doen «als dat 
de een den anderen den rug krabbelt» om daft hij hem weer zou 
krabbelen ; en zo houden zeelkander bij beurten voor den gek« 
Want 't is hier, gelijk in veele andere gevallen: Een ieder is zijn 
eigen vriend, en niet die des anderen. Dit ben ik gewoon Flier* 
houts^ vriend fchappen- te noemen. Als ge eenen jongen Fliertak 
befchbuwt, zoo ziet hij. 'er goed geftamd, en grondvast, uitp 
maar fnijdt hem af, dan is hij inwendig hol, en 'er is zooeea 
drooge Zwartiagtige (lof In. 

„ He^ gaat hier zeker zeiden heel zuiver in *t Werk, en vaak 
loopt 'er wel iets menfchelijks meê onder; maar tog moet de 
eerfte wet der vriendschap zijn ; dat de een des anders vriend zij. 

„ En de tweede is, dat ge 't van harte zijt, en goed en kwaad 
met hem deelt, zoo als 't voorkomt De delioatesfe, als men 
dit of dat verdriet alleen dragen, on zijn vriend verfchoonen wiU 
is meest verkeerde tederheid,* want juist daarom is hij uiv vriend ♦ 
om dat hij mede In 'tfpel koomen, en 't uwe fchouders ligt nia« 
ken zou. 

„ Ten derden^ laat uw vriend u niet t^veemaal bidden. Maar, 
als 'er nood is, en hij hefpen kan, dan moet ge ook geen doek 
voor den mond houden; maar gaa heen, en vraag ftis uit de borst 
zijn hulp , even als of 't zoo wezen moest, en in 't geheel niet 
anders 2A]n kan. 

99 Heeiï uw vriend iets in zich, dat niet deugd, zoo moe.t ge 
. . »t hera 



Voor GENIS en IfBNSCHSNGEVOEL. 41 

t fem niet' verbeigén, en 't kwaad goed hectcn ; naar vdor den 
derden man moec ge. *t verbergen en omfchuldigenw 

y, Maak iemand niet fcbielyk. tot uwen vriend ; maar. is hy 't 
eens, zoo nx)et hij 't u, met al zijn feilen, tegen denderden 
man zijn. . ' . . .-^ 

,, Zoo -wat zinnelijkheid en partijdigheid voor eenen vri^d 
Ichfjnt méé tot de vriendrchap in dese waereld te behooreiif Want 
wilde ge alleen de waarlijk eer- enhemitmenswaardigeicsgefifcbap- 
pen in hem veree r en en beminnen, waarvoor %vaarc< ge dan <zi jn 
vriend ? Dat moet elk wild vreemd onpartijdig meQSch;:wel doesi» 
Neen» ge tnoèt uw vriend met al, wat aan hem;is, jn tmeü 
arm, en in uwe be/cberming nemen; het .j^onfiin /ai»; vfirftaat 
zich van zelfs; en dat, uit iets edels, - nï^ts" onedeis^worde» 
moet. .. .. .;k ' > .i .'T ; 

„ Daar is een tigbamelijke vriendfehap ;. volgendsdeacf worden 
ook twee Paarden, die een tydlang by een (iaan , vriendi^n, ea 
kunnen de een den ander niet misfen; Ook zijn 'er behalvfsade^ 
nog menfgerlij foorten en aanleidingen*. Maai elgemlijib. vfi»)d^ 
fchap kan luet zonder verééni/^inf foefiaaa; en, waar die U, daar 
vormt ze zich gaarne en van zelfs. Zoo zijn lieden., die tezamen 
fchtpbrcuk lijden , en die aan woeste dtaden geworpen weiden • 
vrienden. Namentlijk het zeltde gevoel van nood in allen, dezeifide 
hoopenwenseh naar hulp vereenigde Ze: eti dat. blijft dtkwila 
zoo hun ganfche leven door. *-^' £encrlij gevoel, eeoerlijwecisf^», 
eenerlij hoop vereotaigt, en hoe Snófger. dit gevoel, de2^.w«iQ$ch 
en deze hoop zijn, des te inniger en edeler is ook de vrieodfchap» 
die 'er uft voordlcomt. ■■* r. 

^, Maar, denkt gij, op die \Wjzemoefcten wel alle demei^hen 
op aarde de inn^fte vrienden zijnl Ja» waarlijk i^en het is n>ijn 
ichuld niet, dat ze 't niet zijn. 

,« Pêstfcfipu Daar zijn eenige vriendfchappen y die -jni ^pn, 
Hemel befloten zijn en op aarde voltrokkel) worden." 



Avondtjdkortingen van het Kósteel^ofZedelyke Verhaalm tenMeih 

Jle van de Jeugd. Door Mevrowwe db genlis.. Üit hn FranscH 

' 'vertaald, it Deelen. In 'j Gravenhage by J. van Cleefy ijfttf.* 

. Behalven de Voorreden Z^^hladzi In 'gr. Övo. -y •':•-. ' 

'f' ,. ^. 

Qnder deezcn tytel heeft Mevrouwê de Genlis een leerzaam 
• Bock voor de Jeugd uitgegeevcn , op de vocMronderftelde ge- 
fchiedenis, dat de Marquis de C/em'M^ na 't Léger trok., en/Jtt, 
by die gelegenheid, zyne Vrouw en Schoonmoeder, met zyn^ 
drie Kinderen, benevens verdere Hliisgenooten, Parys vcrlieccny 
om een meer afgezonderd Iceven te leiden op een Kasteel, ia 

C 5 ^» 



ij/x '■' . nrotNtisr- ./ •' 

ten a(^I«g|eii oord, daar eén.hniiifir.LandgQedffvn^'MS^: G«^ 
duurende de'wlnceFrcbejnfofli)eD,Tbefloiid.deiittt|m ophe^ 
Kasteel/ in.:*r verbaalen .vait vcxx'vatei aan de^* Jeugd, «Me dpr- 
seiver opma^k^sttmbeid kopdeti. tiekkeiii !t ^iJinelkmnlMding to( 
deezen tytel gegeeven beeft. De daarin medegedeelde V^rbaêr 
len tyn inzonderheid gefciukt ivoor fKiildétfen «Van^tienta tw^f 
jAfflren, van welken men onderfteiien tagv dacjrsy voor esn 
fcdteneerend onderwys vatbaar zyn*.. Mtutouwt deGtnlis lieeft 
4eezen trap ^ van '^atbaachetd .zeer vrel .waargeaof]ien,'!Qii de-^oof 
haar voovgédfilde verbaakp dienian .alleszins «i flmde.&den iet 
Jeugfd bèboorlyfc te vasraen,' eiuaan dsaselv^ ntiuifï kundigjie* 
den in te boezemeq. Dit era en ^ ander wosdt inog fgei^ig 
meüst iievórd«d, door «onderlinge {^iprokken^ ^waartoe de ifert 
haaien, of andere bykonïende onmandigbeden , veelvuldig < d9 
gelegeniheid ' verleerïen, m kimfvun hier op 'toaae^xf^ S^^te 
wyze 'een leerzaam gebruik ;gemaakt wordt:* welke icbikkin&eii 
uitvoering dit Géfdiiift' ten hoogfte nuttig doet zyn; eel& in 20 
verre, 'dat het, meetehdeela, ook in een verder eevorderden 
ledfiyd, van"..veelen roet ivertnaak en nut geleezen kunne wor« 
^l6n;!n-^^Het medodeelenvvao een verbaal uit het zehre ssou 
hier ie veel. plaats ^beflaan;';maav/nien vesdge»'»)! tene. proeve 
der Iciefwyze, .het'Oog vofi.iier la^eadegéOfttik^ w'aanoe «en 
voorafgpaand Neerhaal aanletdh^ gaf^ -^ Movreww ée :AlenMrê 
het )oüyk 'gedrag van peneuuitfteekeade Jëaoieoiel» Matkmm 
gehci^öYi^t^Cdoch aan welke 'deonBÉieedene Mevrouiiir' (een he* 
fiaati 'bad kunnen be2»»gea,) verhaald hebbende, ha|d tevensjg»^ 
zegd; dat haar, na verloop van eenigen:tyd,.,eeo/l4gatl'yan 
iftveehoridörd -en zestfe- Livres •is. jaais^ ten dedl viel; 'tvfelk 
^en haarer blocdverwaDCen,.door haare De«gd gisu9>ff«a# baaa 
nagelaaten had. Dit zag de moeder aan/ala edoe foort van 
hdooriihg der Deogd van' Marttamei én hier : uit oncftond baar 
volgend gefprek met ^faaare .Dogter Cfroissa en haareo . Ziooit 

Ce/ar. 

„ Keden^ Mama! (zei Caroline, op een verdrietigen toon,) 
twee honderd en zesrig Livres was dat de geheelc b cloonin g; 
voor Marianne? « Maar, Oiematfi Mevrouw de €I<nn!re,) 
bedenk eens, Caroline, dat twee honderd en z^tig Livres, voor 
iemand van den ^t van Marianne, en dan de lust tot wer- 
%a^ld\gn zy altoos 2G^ vverig l^ehield, haar in eene Stad als 
Charleville ryker. mMte, dan «ene Dame is, die, met een huis- 
gezin met Kinderen , aan *t Hof vyf en twintig duizend Livres 
^ jaars hikomen heeft. En in 't algemeen geeft rliet geen w«f 
geluk, wanneor. meij door. al te veel geld bovew onzen ftaat 
verheeven wordt. — ^ — En waarom niet? (vroeg CaBfar) 
Onderftel eens, A^t Morel, uw Lakei, morgen twee MiHioeiv 

uit dcLotery trok! Wel nu Maroal Morel zou dan zeer 

gelukkig zyn; hy beeft het be^te hart, en kon mét dit geld veel, 
|bed doen. •— J- Zo ik al ©eqj ondcrflel, dat' dit geval hem 



niPt gdiecl vo^anderde, ea h«m, in plfiats vairnedeng.,rWCfdaa<^ 
^ èrr góêda trotsch, w^ah\vys^en (Ji^aas paukte, zou hy ^dal| 
nog ftièt ZQer te beklaagen iyu! Morel, kari léeaen eq fchryveöj 



iecft de beste grohdbégmlelen^ en hy .isin ayneo flandgeaqhteii 




(laat kunnen ophouden? wat zou ^cch zyn^i^erljoud in eeiKi) 
xneer belchaafden kring». wat zyne houding en vooikoiuien kun* 
oen zyn? 'Hy zou wulen' trouwen /^n, dan ^ker geen Boer 
ïinnetjQ of , Burgerdogter kMW^n neèm^i'liy Jiou ' dan ^een^ 
voor het 0^ wel opgevoede Dame n^oeteo .ve^kje^n , die hem 
Tiiet zou trouwen, dan om ^n geld, dus niét wit 'achting: en 
zy sselvé zou hoogst veraclïtelyk moeten .iyn', ëh heip,du« 
iet loven bitter maaken; 20 dutgy ziet ,/ lühd^r en , dat Morele 
inet honderd duizend. L4*res 'Jpkomen> .20 ongelukkig al;s bêr 
IjjorteJyk ^u zyn. Daarentegen," zo gy cenfr onderflelde, dat 
4y üjt de toiery flegis twaalfduizend Guldens trok; dan zou 
Iiy een fchoon ilukje Land kunnen köopen^, een aardig Vrouw^ 
rje van zyn ftaat trouwen, die. wel zuinig en werkzaam was, 
en Jhehi daarby nqg yyf qf zesduizend Guldens^ jas^nbr^gt; be-» 
mind en ,geacht van zyne Vrouw j wet rüimjce e», gemak Ice- 
vende; geëerd by de Hoevenaars» zyne nabuuren^ om dat hy 
goed en iiefdaadig is, qn nïeer weet;, dan jdogrg?ans Mdea 
van zyn (iaat; zie daa^. Morel den gelu,kkigÖen Man van de 

waerèltfr — Dat is. waar; niaar wanneer Mor^ met'twe^ 

Millioenén echter in zyn vpqgen^ftaaï wilde blyyen, 20 .hy.da« 
niet in ecne Stad ging woonen,..maar ^ heL I^and bleef, en 
2ig roet eene kleine Hpeve,. ^n ee^e lieve ,'.tekw»ame,.hui6t 
houdende vrouw vergenoegde.; .en ao hy dan verder zynen 
giooten .fchat enkel aarinÜefd^daaden befieedde; dtn zou mea 
Eem niet be(|K)tten, en by zóu:geli^kig zyn! 1 — ^-*^ Aurelia 
een zeer Vaaf Man, maar in dit geval. psqiid gy hém tor ft^ 
Wysgeer, tot éeii Held, vji^rhi^fien; en ik .geloofd dat hy mdk 
liet een nóch het ander is. paarby, om 'uwe ^^rftelling mo^ 
gel^k tC; maaken, zoud gy ^k jnoeten gèlooven,. dat zyné 
Vrouw èveri zo heldhaftig, zou zm \ afs hy zelvf^. ei^ zyne 
Kinderen gebooren Wysgeeren. Zonder deeze onderflftlliM^ 
zou die goede Vrpuwwel eens zeer inisaoegd. zyn j, da« haac 
vaarde Man niet teii minfien. zestig duizend-XiVrés Jaarlykrcho 
femen oplag; de Kinderen zullen weldx;a yvaii het gevoelen 
hunner Moeder zyn;. ^n dan zou de arnie, Morel in .zyn buis 
niet dan klagten en verwyï;ingen hooren. i— - Nu wat zwaa- 

zigheid? Iaat hy ^an niet jrouvvehl ; 7 JEp zo hy dit ectei 

ter gaarne deed. Maar .^noomen, hy trioiqv^de niet; dan zou 
hy ook geene Kinderen hebben, en. van. welk een geno^ea 
berooft gy hem dan niet? — Ach , lieve Mama 9 geef hem ee« 
«e goede' Moeder 9 e|x ^m zal niets ontbreeken. -p^- Allerlief. 
" ' ' fto 



44 • ' * ' • DE 'GEIVUS 

fle jongeir!.... Maar, dir rtuook ^ 'eeni toegeftaan ; gy zfet, 
B: neem alles aan, wat gy begeert. ïk' R^i dan eens, dat hy 
hiet zulk eene braave, goede, tedere, verftandige Moeder ge- 
Izeegend was; dat hy zig met deeze geliefde Moeder op een 
klein Landgoed begaf; dat hy voor zyn gebruik niet nieer dan 
twaalf of vyftien honderd Livres hield, en dat hy bet overige 
aan de noodlydenden' gaf, dan' zfc ik nog duizenden van ver- 

örfetelykheédën voor hem re gemoet. -r Wélken zyn die 

dkn? " Morel heeft 'Igeen kennis van menfchen, noch van 

bcftier van zaaken ; loozé vleijende fthurken zullen zig meester 
Van zyn vertrouwen maaken, onder voorwendfel van hem tö 
ohderrigten-,- én zyn welmeenendc yver tot het waare doelein- 
de te beftieren. Morel; door hen misleid, bedroogeh, beftoo-' 
len eh arm gertiaakt^ zal, terwylhy het goede wflde verrig- 
ten, -niet anders dan listige fchurken, luijaanJs en booswigten 
vttrykt hebben: ^ ' ' ' Maar,' zo hy, iri plaats van aan die,- nu 
hiet dan aan braave. lieden zyn vertrouwen gaf i? — — Onge- 
lukkig maaken de* braaven het minder gedeelte der menfchen 
u^t en duS zytt'^ dié zèèr zeldzaam te vinden. Oordeelt nu 
«elfs eens, hoe^ veele onwaarfthynlyfcheeden en zelfiè ongerymdf.' 
hccden men niet zou' móeten' aanneémen, om té onderftcllenV 
dar het raogé!yk-Êou kunnen- zyn, dat Morel gelukkig was met 
honderd duizend Livres,' zo het 'lot hêra die morgen fchonk. 
£i^ — l Dat is Wö^r, ook voel Ik 'nu diudelyk,.dat hét niet 
genoeg is, 6m' goed te doen, dat men\ alleen goed is, maar 
öat men bok te gelyk wys en voorzigtfgj móet zyn." Ook bc-- 
grjyp ik »u Waar, het geen Mamèdaar zo even zeide ; dat het 
^ecn voori^ccbt is r om boven- zyn ftant verhceven te worden. 
Döt is, ivei 'té verfta^n, vöor menfchen van dien 'ftaat, als Mc^ 
1^1 en dedetigdza^ameMarianne; voof 'rttenfchèn eigenlyk, wier 
èpvoetiipg'^dol-' een meeij verheeVenen ftaat is ingerigt; want 
rtét fleugdcn, oeffcning en fctirtdighéedén,- als rafede de zo 
fWödaèakeTyke. Waereldu én meufcipch- kennis; is men in ftait'^ 
om m ^le^. ftanöén ract tjer^te Fè«ven en waariyfc gelukkle;^ te zyrfj. 
tei^'rtlnftett 'wtóft zrf'^ig dan. altöói als in zynen eigertói 'oor- 
ft>ronkel54cen''- kring :^ bevinden,- en öe aangenbomen' (iKit-'kau^ 
nó6\t böveflf den man zelft ryzen. ■ Hét is dzh \vel eéit 
•iterheerlyK voorrecht," wanneer men eene goede opvoeding, heeft 
Woge* geirfetén. ' ■ ' ' ' Voorzeeker !^ zy maakt ons 'tot all^s ^^- 
fchikt^* zy* gföfeft bife duizend huilptorddeleh.nr den tegenïpocdj' 
1^ bewaart ^oris '^r xJe bélachefyke trotschheid, welke zó dik-i. 
maais den 'geeSÜ van den toorfpoedïgeri dwaas vcrmeesteit, of 
zy lécrt voor 't minfte dezelve te verbergen ; zy herftelt den^af- • 
ft^nd der öttdterfcheldénc n^ngeri; zy verfchaft middelen, ohV ons, 
TC doen 'beminnen, en de bekwaamhoeden , om de menfchen ttt , 
R\mnen iüneemen, en^öoór eene vriendelyke toegevendheid voor 
te komen; zy -maakt 'óns de eenzaamheid aangenaam, en ftcit 
oris in flaat om- met liiister in de groote waercid te vcrfchynen; 

'm 



AVONDTTDKOitnN^N-VA!» H»r KASTEEL. Hg 

in effi nr^&tdfZf befeha«ft 4e r^deo >4zy voriBt het taart, en ^tr 
triktelt het verftand Oordeelt «u zelf eens* Kinderen» welk • 
«ene dankbaarheid een welopgev^d menscb verfchuldigd is aa^ 
alle dije.^geeaen» welken tot zyiie opvoeding medegewerkt heb^. 

benl • Ja» dat is zeeker* maar inzonderheid aan zynVa^ 

der en Moeder. OpgetwyffeW ;, en wanneer men , gel jié 

gff myne Kinderen» te regt voelt*, wat men h^ verfohuldigd 
is» dan zalmen ook insgel^ks de meeflers en toezienders» aan 
wieo zy een gedeelte van hunne magt hebben oveifegeeven » regt 
eerea en Hef hebben*'' 



Cessnes's IFerkifu Met Plaalen. Drie Deelen. TeJmfterdamf 
tij' J. AUart, 1786. In ooavot 8a6 hMz^ 

TJ[en beeft metdeeze uitgave de gecstryke Sdhijftcn van Oer* 
^^ /mr, netjes gedrukt» in een klein^ formaat , by een versta 
meld» dat voor veele Leezers zyn gemak en gevalligheid heeft, 
's Mans Sdiriften zyn» door de byaondere uitgaven van deeze en 
geene Stukken» die zynen naam by adle Heden vanfmaak alonv 
me beroemd gemaakt hebben» t* oviar bekend; om gezet (lil te 
(ban 9 op eene melding van derzelver trefiehden h)houd en hart- 
inneemende uitvoering» waaordcor het aangenaame em leerryke 
by uitfiek aan eikanderen verknocht fs. Uit dien hoofde zou het 
ook niet noodig zyn» 'er een byzonder ftaal uit mede te deelen ; 
dan daar we niet wel konden nalaacen van deeze aanpryzens** 
waardige uitgave ^wag te maakèn; kon 't ook naauwlyks 
fflssfen, of een of ander Sttikje moest ons» onder t doorbladeren 
deeser afgifte, uitlokken» om 't hier nog eene plaats te geeven, 
of 't ook van nuttigheid mogté zyn. Van dien aart was» ondef 
veele andere» zyne volgende Idylle» die ons dekuifêhe Dafnep' 
en deil toe inkeer gebragten wellustigen Niciasy zo natuurJyk> 
afmaait. Dus luidt dezelve. 

„ Dafiie was fchoon en arm » vroom opgevoed Tan eene moe« 
der« die haar vroeg ontviel.^ Zij was thans 'de dienstmaagd Van 
Mikon. Hij bouwde het landgped van. eenen rijken burger uit 
MItylene, en Dafne weidde zijne kudde. Zij ging eens» met 
ffille tranen» naar het graf van hare moeder» goot eene fchaal vol 
water «ït» en hing kranslen aan de takken der heesters, die zij' 
over het graf geplant hadde. Toen zat zrj bij het graf neder» en' 
zij weende» en fprak: 6 cUerbaar aandenken» aan uvi^e deu^d» 
#n aao uwe godvrees» mijne geliefde moeder! Gij» gij hebt mij., 
ne onnozelheid gered ! Zo\x ik ooit uwe vermaningen vergeten , 
óic p) mij met eenen ^vergenoegden lach» gegeven hebt, toen gij. 
aao nrijneo' boezem nederzonkt en ftierft? Zoudk.óoit vergeten, 
hoe deugdzaam. gij waan; dan» o dan mogea-.iie goede Goden 
mij vergeten »- dan moge ik in ellende derven^; en uwe heilige 
fchim metK mi jontvUeden. .Gij». geliefde» gij hebt.mi>ne on* 

fchuld 



fchüld^gereii All^* ech aUe^wnffeaan uwe ftflii<!o#^efMé|è 
want ik verlatene heb toch anders nSefnandi aan wieii'fk m^ 
een oprecht vertrouwen mijn hart kanopen leggen* Nicias> de 
heer vaii Mrkon» Ivibns kudde fk weide, kwam op zijn landgoec^ 
om de herfstvreugd bij te wonen.' Hij zag mij, behandelde m?j 
vriendelijk ♦ T"^» «^O^e kudde en m'ijne zorgeToor' dezelvev 
Zöidedat ik een goed meisje was, en gaf mfj gefchcnken. Go- 
den "^ ik eenvoudig meisje, wat weten wij toch hier op het 
land. Ik dagt, onze heer is zeer goed. De Goden mogen hem 
daar voor zegenen; ik zal tot hun voor hem bidden , dat is alle» 
wat ik kan. De rijken zijn gelukkig, zij zijn van de Goden be- 
mind , maar zij verdienen het ook , wanneer zij zoo goedig zijn 
;ils hij is. 2k)o dagt ik, en ikdeed^hct^, wanneer füj sffjne hand 
in de mijne floot, en ik bloosde ea durfde njet opziep, toen 
bij eencn gouden ring aan mijnen vinger flak. „ Zie, op dit 
„ fteentje, dit kind met vleugelen, dat zai u gehdcËfg itiaken." 
Zoo fprak hij» en hij ftreelde mij over de biotieode wangen. 
„ Is hij niet zoo* goedig jegens mij «als een Vader ! ó hoe kan ik 
^ zoo veel goedertierenheid» van eenen zoo rijken en mtgtigen 
„ heer, verdienen*'! Zoo dacht* ik onnozel kind, roaar ach! ik 
was bedtoften. > Hij vond mi) dezen morgen , in den boft toea 
vatte hij mij viicnddijk onder de kin. „ Breng mij," aeide hij, 
^ verfcbe bloenM», op^dat ik mii roet baren geur verkwikken 
;, mag, ginds in het myrtbenweesje." Met blijdfcbap enijiw 
zogt ik de fehoon(le,'en ik liep met vrolijken baast naar het 
weesje. „ Gij zijt licht als een Zdtf en fchooner dan de Godia 
„ der bloemen/* * Zoo fprak hij, en — Goden^ Goden! nog 
beef ik, door alle mijne beenderen « hij rukte mij op zijaen 
Cchoot, drukte mij aan zijtien boezenx, en allerlei verlokioende 
beloften* en alles %vat de liefde bekoorlijks hebben kan* vloeido 
uit zijne lippen. Ik weende* ik beefde* en achl ik zou aeker 
onder de verzoeking bezweken liebben ; en nu , ach f oi^ehikkig # 
niet meer een onfchuldig kind geweest zyn. Maar ik dacht, „in« 
9, dien uwe vrome moeder u ooit eentge onkuifche omhelzingen 
y, had zien dulden ï** Ik dacht het, ik fidderde te rug, en h'ep 
weg! Nu kom ik, geliefde! ik kom wccnen op uw graf. AcKldat 
ik, jong kind, u 200 vroeg veiiiezen moest! Ik ben een ziwakka 
plant , die den ftok verloor, waaraan ik mij ophield. Deze fchalö 
vol waters giet ik uit voor uwe eerwaardige fchim. Neem deze 
kranfen* neem deze tranen l Mogten, 6 mogten zij tot uwe 
beenderen doordringen. En hoor, hoor geliefde moeder! Adx 
aan uwe asicbe, die hier onder de betraande bloemtjes rust* aan 
uwe heilige fchIm herhaal ik deze gelofte: deugd en onfidrald» 
en de vrees der Goden, zullen h^ geluk mijnes levens wezem 
Laat mij maar! arm* vrolijk en wel te vrede wezen, en niets 
doen, dat gi; uneti* met eenen vriendelijken lach* zoudt hebben 
goedgekeurd; dan zal ik* gelijk gij eens waart* van Goden en 
menfchen bemind . worden» pm. dat ik do ntd awg» qprecht en 

dienst» 



jiMMr<% IminviSk tenr iadiënd en met vreugjetrannen 
OP 4i WMg^ flcwn , griiit gij^geftorven zyt. 
^,£0 m» 908 ^) henen. Vrolijke aandoeningen van deugd 
dMtaxkaden kaatr en «blonkeri yit barev betraande oogen. zij 
m rcboott ê^M^ ee5 lentedag ;; opivcfeeo een eagte^ regen Valt, 
cQfvmvet deeoB rchfint;.^it»lijkl<vv4idezlj tnt haar werk weder* 
teereni maas. Nicias kwaib faiar op. haren weg- te gemoeten 
^ Meisje," zoo fprak hij , en oranen rolden langs zijne 
wangen: »» Ilr heb u op het graf van uwe moeder beluisterd. 
^ Vree»' niet» 4euedtÓHun meisje! Dank; 'zij de Goden, dank 
„ uwe dengd, gï) nébt mij tegen hpt waijbedrijf behoed ^ dat ik 
„ uwe onnozelheid verleid zou hebben. Vergeef mij , kuisch 
^ mel^iev veigeef^ r en wees vaa mij; geene nieuwe misdaad; 
^ Ook mijne deugd zegenpraalt. Wees braaf* en deugdzaam , 
^ maar wees ook gelul^kig^ Gindfche boomrijke velden, en dó 
,, helft van de kudde, die gil gehoed hebt, zijn de uwen. D^tcen 
^ waardige echtgenoot, «deugdzaatn .ids pi , het gduk uwes le^ 
g, veo^zijl' Ween niet, deugdzaam meisje, neem het gefchenkt 
9. dat mijn opr^t hart u geeft t/op laat mij verder voor uw ge- 
^ luk ^Qigen; aodeis zal het nul mijn gciieele leven kwellen^ 
« dat ik uwe d^ugd beledigde* Vergeet» vei^et mijne misdaad; 
a, gij hebt mij > als eene goede Go^^, van het verderf gered.'^ 



Qntiao m.Memdmu €f de hrmUt dêr edele' en tuivcre Liefde^ tn 

\ remden Boékeruf daof johan jaCob dusch. ÜH het ffoogduitsch. 

7 Fmyk$. mut eene Faorreidih' wui M^. rhynvis feyth. Te Jm^ 

fitliêmy by Willem van Vliet, 1786. Behalyen het Feorwerk 

4Sihladz» In gr. 8v«. . « . 

De hetoemde /Pufth hcaft in dit fraai Stuk eehé nieuwe 
'proeve gegeeven van Z]rn& uitmuntende Scbryfw-yze-.dezsel- 
vc is zyner pen Volkomen waardig, — en de Vertaaling is zo 
fiiai» éê rmü 'er inaar Zf^imun uit het Hoogduitsch eene in t 
NederdüittK^ siet vecfdiynen: daarenboven bericht de Heer Mr. 
R. Fey^h hel «alKeineen van eene bjzonderheid , aangaande de 
Oworzoftins ^eezes boeks, die wy ons verichuldfgd achten aan 
tel publiek; opk door ons Maandwark mede te deelen. De Heer 
C. isfoeneveldf bekend door zyne Vertaaling van den Mesfias van 
KUpfloh fbsidi even voor zynen dood de Vertaaling van dit Werk' 
ondernomen, doch (lechts tien bladzyden van het zelve vertaald 
liebbende, rukte hem een onverwachte dood uit dit lecven ; eene 
vrouw en vier kleine kinderen agterlaatende, juist niet in de 
gunffigile omfiandieheden. De Boekverkooper van Vliet ^ dit 
acjFn de eige woorden van den Heer Fé^^th^ is inmiddels edel- 
„ moedig genoeg geweest, om dit werkje door eene zeer be- 
»5 kwaame hand verder te laten veitaalen, en zich omtrent de 
n weduwe Greeneveld te gedragen | even» en meer^ dan of haar 

„ Man 



4S J. ;• DUSCH » 0S£5f SS SN HERMIONE. 

„ Man het daadlyk geheel vei-taald had ; aich WJlyt vlefjende,- 
„ dat het niet misfen kon, of elk gevoelig hart zou, in een Land » 
,» zo bekend door desselfs Hefdaadigheid , zeker een enkel exem- 
„ plaar van een Werk koopen f *t welk, behalven zyne inwcndw 
9 f g^ waarde, met: zulk eeir, der menschhdd verheffend, doel- 
„ wit uitgegeven werd, en ik heb met wellust myne hand wil^ 
„ ]cn iecnen, om dit aan het Publiek bekend te maaken.'* 



OLINTES, Treur/pel. Deer?. J. kasteleyn. Ti Amft. byW.UoU 
trop, 1786. In ivct 94 bU 

r\limer9 Veldheer van Aladfti Koning van Jerufalem , hadt 
^^ het heilige zwaard van Mahomet in de handen der Christen 
nen, die Jerufalem onder Hertog Go4efroy belegerden, overgeleverd; 
zyne minnares Sofronia geeft haar aan als hadt zy dezen roof ge- 
pleegd , ter voorkoming van het plengen van al het Christenbloed 
in 6alemt 't geen jlladyn gezwooren hadt indien hem de daader 
van die misdaad niet bekend werdt* Clorinde , eed Perfifcke 
Prinfes, en grbote heldin, die jihdyn in de belegering byftaat, 
en verliefd is op Olhuis^ votidt OUntes in ketens, om dengemel-' 
dün roof, en zoekt hen* te verloste ; doch zyne liefde voor So^ 
fronia ontdekkende , verandert haare min in woede t^en Oiintesi 
welke egter door SofroniaU grootmoedigheid zodanig vernietigd 
wordt, dat zy ter redfter ftrekt van dit paar, en zich, uit horae^ 
loosheid va» haar min jegens OUntes ^ doorgrieft. Dit Treuripel 
doet, zo uit hoofde van deszelfs fchikking als Poözy,den Hter 
Kasteleyn eere aan. 

Mvte Dichtoefeningen. Door dirk kuipers. 2e Leydent by W»' 
H. Gryp, 1786. In gr. Zvo. 122 bL 

De Heer Kuipers geeft «in deeze DIchcftukken, ({^reekende be- 
wyzen van eene gefchiktheid tot dé beoeföning der Dicht- 
kunst. — ' Alle zyne verfen zyn van eenen zagten toon, en kun- 
nen tot eene aangenaame afwisfeling verftrekken van de daag- 
Ivks^. het licht ziende Oorlegszangen. Tot een klein proefje 
lireldLe; 

OP EEN DRINKPOCAAL. 

Waarop de Vriéndfchap gefneden was , 



De Vriendjchapy die by drinken leeft 9 

Is louter valsch of los 9 
Daar zy by *t Glas keur fchynfel geeft ^ 

Is ze «oIe als Glas zo bros. 



N l E U fT E 

A L G S M £ £ N E 

VADERLANDSCHE 

LETTER . OEFENINGEN. 



De Bijbel^ deor beknopte Uitbreidingen en ophelderende 
Aanmerkingen yerklaerd ^ door j.VA^ t^vïs %\a kenbbag. 
A. U M. Th. u Ph. Dr^ HoogL in de H. Godgel. en 
Kerkl. Ge/bh. aan het IlluUre Athenaum , en Predikant 
in de Gemeente te Amfterdam ; mitsgaders Lid vö« het 
Zeeuvsch Genootfchap der Weetenfchappen teVlisfingcn. 
Twael/de DeeL Te Amfterdam^ by J. Allart, i-^Só. 
Beiialyen het Foorwerk, 35^6 bladz. in gr, Svo* 

Met dit twaelfd« Deel loopt de ontvouwing der Dicht* 
kundige, Boeken van den Bybel ten einde; alsbehel- 
zende , na ene voorbereidende Verhandeling , ene doorloo- 
pende verklaring van Salonio's Spreuken ^ deszelfs Pre^ 
diker en Hooglied; waerin de hoogleeracr Klinkenberg 
zyntn Bybelarbeid met d& hem gewoone opmerkzaemheid 
voortzet, van welken de Rybeloefenaer des beftendig een 
Jeerzaem gebruik kan maken. Tot een nieuw voorbeeld 
hiervan ftrekken 's Mans niet ongegronde bedenkingen » 
'over zodanige ^ plaetzen , welken in het boek Prediker 
voorkomen, die men niet wel anders dan als aenftootelyk 
lan befchouwen; en welken men 9 gelyk zyn Hoogeer- 
'waerde zich uitdrukt, ,, met de beginfeien van zeden en 
^j Godsvrucht niet een over kan brengen, zonder den teksc 
„ geweld aen tedoen^\ Men beeft ze , naemlyk, zyns oordeels^ 
4e befchouwen , als ene voordragt van *s Vorften over- 
-denkingen , geduurende zynen zondenval ; toen hy , vaar 
tyd tot tyd al verder afwykende ^ zich in verkeerde over- 
leggingen toegaf, en onbetamelyke dingen ter band nam; 
*t welk al mede geftrekt heeft , om hem te leercn , hoe 
alles ydelheidzy. Wanneer men des /'r^/Z/^^rj voorftelii n 
gen van dien aert uit dat gezichtspunt befchouwt, laten 
xe zich gereder, dan op eenigen anderen ffrond , verklaren; 
en de Hooglceraer ftelt ons dezelven telkens in dat licht 
voor; waer over men, uit zync volgende opheldering van 

iVed. 11: 14 .ai, en^gerro^te kan oordeelen. 

Il;OftfiL.lf.ALO.L£TT.N0.s:t D (a) ia 



,0 j. VAN 1I«YS KtINKEKBERO 

(d) 1 2. Daar na wendde ick mij , om tefien wijsheijt , 
ooS onannigbeden ende dwaesheijt: verj. Kap. i: 
17 (*') Na dat ik, eenigen tjjd, zoo veel van de verina- 
ken dexes levens genooten had, als behoudens de wijs- 
lieid e» godsvrucht gelchieden kon, begon ik van het 
rechte fpoor der deuj^d laugzamerhand af te wijken. 
Hiertoe werd ik vervoerd door de verleiding der vreemde 
wiiven : ik liet wel voor als nog den Godsdienst niet ge- 
heel varen: löaer, ik nam tevens dwaze en gansch onbe- 
tameliike dingen bij de hand. Toen heb ik de ijdelheid 
der ondermaenlche dingen,. in nadruk, kunnen ontwaer 



wo.- 



i*^ Dit voorftel Kap. I: i7. welks opheldering wy, teil 
rechten verftande van des Hoogleeraers gevoelen in dezen, 
S oneigen geacht hebben, hier te plaatzen, luid in zync 
„ubréiding =üdus: ^^^^^ .^ ^^ ^^ ^^^^^ 

n;,^iiike reecerine, ik lag 'er mij met allcMnijnc vermogens 
^^12 oTwfshei ende wetenichap te weten; om in de 
tS„„T;<^ te ïemen; Mk heb ik naderhand, toen mijn hart 
S^r L^er liding d"r vreemde vrouwen verijdeld was,, de 
p?:^v''g^Svan onfinnigheden ende dwaasheijt: ik heb 
S^SL Sgansch onbetamelijke dingen bU de hand gehad: maer, 
Sh^n lewaer geworden , dat ook dit een quellmg des 
'ieestes is^ «nc 'jdele afmatting van de ziel, wqlke geen 

-'^Ifaefd^oSiee'SgSten fpreekt de Prediker van »t 
ftl Knn \^i — 11 ; en mackt vervolgens vers ia een 
''„^«n 't melden zyner ondervinding en denk\\7ze, ge- 
aenvai^^g van t melden zy ,^ ^elfc voortloopt tot Kap. 

dum^nde den tgd^jan ^^ «^„'„j^ft^p, behelzende ene aeiv 

èt'S^SiS'kS df?'r;dS i^^^ 

ï^rnt^'^neneJSy« en waeLmingen, toen hy uit zynen 

®^i(^n ontwaekiT 't welk van Kap. 7: »3. '«et invlech- 
amndenflMp ontwaekte. »- ^. g. ^ 

SreSfcSJ biïkbetl^n't tïïeeren, h^men wel zal fter.. 
<je freaiKer /iyii wv/^/^ od zvn ende behoort te merken. 

ven. en daertoe by tyds_op z^^^^ ^^^^^^ ^^^ ^^. ^_^^ 

Kap. II- 7 1" , ™.iir in later tyd, onzeker door wicn» 

een aanhangfel, het wclK m "^^^../'g'^ cevoeed !s. ' 

mogclyk door Koning Huktoi , by dit BoeK gevoega is. 



wdefn; en die gdclheM is wti allen tijde dezelvdet 
*^t h^ fj^'^'Vp^^? menfche, die den Koninghn«- 
iomen lal L*«^«J ^ of wat zal iemand die na mij komt 
ondervinden? juist het zeNde. De gefieldheid der eaken. 
geUjk ik reeds heb opgemerkt. Kap. i: 4-1,, verandert 
niet, 't gene dat airede gedaenis,. zal ook in het tér- 
volg gerchieden, en in de toekoinende tijden zullen de 
Jttervelingen geen meerder voordeel hebben van hunne 
Ingingen, dan tegenwoordig. 

13- Doe begon ik wel van den weg der wisheid tu 
der deugd af te wijken; maer, ik was nog niet geheei 
aen de dwaesheid overgegeven, zeer duidelijk faghen be- 
merkte ick, dat de wijsbeijt 20 veel uijtnementheijt 
heeft boven de dwaesheijt, gelijck het licht uitne- 
meotheijt heeft boven de duijsternisfe. 

14. De oogen des wijfcn zijn in fijn hooft , hy ziet 
▼oor uit, hij bemerkt de gevaren welke hem dreigen 
en is omzichtig om dezelve te vermijden; maer de (bC 
gaet op zijnen weg zorgeloos en onbedacht voort, zonder 
het nakend gevaer op te aierken, hij wandelt als het ware 
in de duijsternisfe : deze opmerking had mij moeten bo« 
wegen; pa tot den weg der wijsheid en der deugde 
weiken ik zoo ongelukkig verlaten had^ weder te keereit^ 
maer ik raekte ongevoelig al verder verdwaefd. De waeiv 
neming dat wijzen en dwazen aen dezelvde lotgevallen ia 
dit leven onderworpen zijn , bracht mij tot zeer onbeta* 
tiielijke gedachten : doe bemórckte ick oock, dat cenerüi/ 
gtyal hen allen bejegent^ dat beide, wijzen en dwazen^ 
aen dezelvde ramplpoeden van dit leven, en ten laetftea 
aen den dood , ondervf orpen zijn. 

15. Dies feijde ick Iti mijn herte en bij mij zclvcn^ 
Gelijk 't den dwafèn bejegent, fal *t oock mij felve 
bejegenen: hoe zeer mijne wijsheid mij bij blijft, verg. 
VS. 9* en of fchoon ik mij aen de leibfen der wijsheid eo 
der deugd houde , kan ik gecne vc}()rrechten boven dea - 
dwaes verwachten: waerom hebbe ick dan doe meer 
jiae wijsbeijt geitaan ? wat voordeel zal ik dan van d« 
wijsheid hebben , en waeron» zal ik mij daerop langer toé» 
It^en en mijnen geest kwellen ? doe fprack ick m mijn 
faerte^ dat oock 't f^lve ijdelbeijt was, doe verviel ilt 

Da op 



Sft J. VAN NÜYS KLINKENBERG 

op die dwaze gedachten , dat zelvs de wtisheid en Crods^ 
'vrucht geen voordeel kan aenbrengen. Eenmael aen de 
dwaesheid een weinig bot gevierd hebbende, en inij ge- 
wend hebbende de uitkomst der dingen onder de zon, en 
geduurende dit leven , te befchouwen , verloor ik onge- 
voelig het volgend leven uit het oog; ik befloot zeer on- 
bedachtzaem , uit de rampfpoeden dezes levens, en het 
algcmeene lot der ftef velijkheid , aen welke beide wijzen 
en dwazen onderworpen zijn, dat de wijsheid en Gods- 
vrucht geene voordeden hebben, boven de dwaesheid 
en de ondeugd. Dit was de naeste (lap tot mijne verdere 
afwijking.^ 

i6. Want tnijne aendacht alleen, binnen deengegren- 
t^n van dit kortftondig leven, bepalende, dacöt ik bij 
mij zelven: daer en fal in eeuwigheijc niet meer ge- 
. dachtenisfe van tenen wijfen , dan van eenen dwaes zijn: 
het duurt niet lang na den dood van eenen wijzen , of 
'er. wordt even zo min met achting van hem gefproken 
als vau eenen dwaes : aengefien 'c gene dac nu is 5 en 
^elvs nu genoemd wordt , dat wort in de toekomende 
dagen altemael vergeten; ende hoe flerft de wijfe 
mecdefot? 

. 17. Daeromhatedeick. dit leven, ik kreeg 'er ver- 
driet en weerzien in , ik begon te morren tegen de wegen 
der Voorzienigheid, in plaets van mijnen vSchepper ge. 
lechtighcid toe te wijzen, want dit werck docht mij 
quaet , dat pnder de fbnne gefchiet : het beloop der 
"waereldfche zaken mishaegde mij; en ik oordeelde, dat 
de waenieming van dergelijke lotgevallen, beide van wij« 
2en en dwazen , niet met^ eene alles befliereude Voorzie- 
nigheid beftaenbaer ware; want» dit was mijn ongelukkig 
beQuit , het is al ijdelheijt , ende quellinge des geeste?, 
een wijze heeft even zoo weinig voordeel van zijne wijsheid» 
nis een dwaes van zijne dwaesheid, en eeh deugdzame 
heeft geen n^eerder nut van zijne nauwgezetheid , dan een 
godloze van zijne losbandigheid. Tot welke Godonreerde 
gedachten kan men komen, wanneer men eenmael aen de 
dwaesheid toegeeft, en 2;ich in de ftrikken dèr zonden 
laet verwarren! 

18. Tck hatede toen oock al mijn arbeijt, dienick 
bearbeijdt hadde onder de fonne > in plaets van eenig 
veimaek te tïebben, van de pa]|6izea , welke ik gebouwd, 

van 



OVBt DEN BIJBEL* 5} 

v)o de lusthoven, welke ik aengele^d, van de fcha^tjap, 
wdke ik verzameld had, kreeg ik 'er eenen afkeer van* 
Net berouwde mij , dat ik al dien arbeid gearbeid hadde , 
om dat ik 'er niet dan een kortftondig gebruik van héb* 
ben konde ; vermids ik alleen het oog gevestigd had ep 
dit aerdrche leveo, fcb^en het tnij een onyerdraeglyk ding, 
dat ik al dien arbeid, en welligt bmnen korten, fbude 
moeten achterlaten aen eenen menfcbe ^ die na mij 
wefen zal.^ 

19. Want wie weet, of hij wijs fal zijn, ofte 
dwaes? en hoe dwaes hij ook wezen moge, evenwel fal 
hij heerfchen over al mijnen arbeijt , dien ick bear- 
beijdt bebbe, ende dien ick wijslick beleijt hebbe 
onder de fonne: Dat is oock ijdelheijt. 

20. Daerom keerde ick mij omme , om mijn herte 
te doen wanhopen over ai dien arbeijt , dien ick bear- 
beijdc hebbe onder de (bnne. Het bleev nog niet bij 
den afkeer; maer ik dwaelde allengskens verder en ver- 
der af: ik verviel tot wanhopige gedachten , en begon mi} 
te verbeelden, dat 'er, in alle de goederen van dit leven, 
geen vermaek of genoegen in het geheel te vinden ware j 
ik werd geheel verdrietig, droevgeestig en v^anbc^ig, 

21. Want daer, is een menfche, of hoewel 'er een 
mensch zij, wiens arbeijt in wijsheijt» ende in we- 
tenfcbap , ende in gefchickelickheijt^ is : of fchoon een 
mensch *er zich, met alle mogelijke swijsheid en voor- 
zichtigheid, op toelegge, om zijnen voorfpoed op eene 
eerlijke wijze te bevorderen; nochtans faLhij de vruch- 
ten van al dien arbeid, binnen ko^en , verlaten moeten, en 
overgeven tot fijn deel, aen eenen naenfche, die daer 
ten niet gearbeijdt en beeft; Dit fs oock ijdelheijt, 
ende dit befchouwde ik als een groot quaet, h^t welk 
mi) wanhopig maekte, en deed befluiten om aUen mijnen 
arbeid te llaken**» 



D 3 Leer. 



leerredenen ever de gtmgtigfte gebeurtenisfen ^ uit ha 
leeven van jesus Christus , gewoonlijk genoemd Evan- 
geliën, door johannes tïssel ^ Leeraar der Lüiher/ch& 
Gemeente te Dordrecht. Eerjle Deel. Te Dordrecht 
bj F. Wanner, lylkS. Behalyen het l^oorwerk ^34% bladz. 
in gr. octavo. 

FW^tx oorzake der bekende gewoonte van het jaerlykfche 
X prediken dei; Euangelien^ in de Lutherfche Gemeen* 
te, is 't niet vreemd, dat vele Leden dezer Kerkgezinte» ^ 
by die gelegenheid , de ene of andere Leerreden , over 
het onderwerp, dat ftaet verhandeld te worden, of ver- 
handeld is» ter hunner ftichtinge lezen. Dit nu heeft 
den Eerwaerden: Tisfel opgewekt, een jaergang (zo als 
men *t noemt) zyner Leei^edenen over de Evangeliën 
door den druk gemeen te tnaken; vermits 'er tot nog» 

E ene zodanige v«.>Iledige verzameling , in onze tale , voor 
nden was ; althans gene , naer den tegenwoorijiget^ 
Tchryf- en fpreektrant ingericht. Jtdy heeft zich in dezelve 
voornaemlyk 'er op toegelegd, „ om zijne hoorders op 
^, den weg te leiden tot liet zo nodig verftaud der H. 
^, Schrift; om duidelijk te worden voor enen gemepgden 
,) hoop van menfchen; en belangrijke prakticale onder« 
^, weipen aan hunnen geest te vertegenwoordigen," ' ■ 
Op het doorbladeren dezer Leerredenen , vinden wy t'over 
r^den, om te betuigen, dat zya Eerwaerde, in 't een en 
\ ander opzicht, zo wel aen zyn bedoelde voldaen heeft, 
dat, niet alleen de Leden zyner Gemeente, maer ook 
die van andere Kerkgezinten , welken niet te fterk party 
trekken, zich met ene leerznme ftichting van zynen nut* 
tigen arbeid zullen kunnen bedienen. 

Het' thans afgegeven Deel behelst tien Leerredenen, 
waer van de eerlte gaet over de kortheid en de moeilijk* 
heid van *t menschlijk leven, naer luid van Pf. XC. 10: 
hoedanig ean foort van onderwerpen zyn Eerwnerde, in 
de plaets van de gefchiedenis der befnydinge van Jezus ^ 
cewo9nIyk op Nieuwjaersdag behandelt. De volgende 
Leerredenen fchikt zyn Eerwaerde, by ene beknopte op- 
heldering van den zaeklyken inhoud der Euangelietekften , 
ter overweginge van leerryke onderwerpen, die hem de 
tekst aen de bnnd ffeeft. Te weten : Gods wijsheid in de 
verfchijning -der Wijzen uit het Oosten. Matth. 11. i - ia. 
Jefm jeugd en de grondbegi^felen ener Christelyke Kin* 

der^ 



OVRR D9 BV4NGXLIBN. SS 

iwtugf. Luk. l\. 41 ^52. De Gezelligheid. Joh. If. 

1 — II. Jefus heerlijkheid in de scnezing van twee kran* 

ken. MaUh. VIII. i 13. Gods neerlijkheid op de '^ate* 

ren der Zee. Matih. VliL 03 — 27. Gods yoltnaaktheden 
bij de toelating van. het kwade. Matth. Xlll. 24 — 50. 

De Nijd. Matth. XX. i 16. Hoedanig de hindernisfen 

voor de kragt van het Godlijk Woord zijn uit den weg te 

ruimen? Lufc. VIII. 4 15, En eiiidelyk, Jloe men 

het lijden van den Verlo^fer tot zijne ftigtinge te befchou^ 

wen nebbe? Luk. XVIll. 31 — 43. Zie hier het 

beloop van 's Mans leerzame bedenkingen over dé Gezel- 
lighcid, ter welker befchouwinge by zich bepaelt, na ene 
kortbondige overweging van het roerkenswaerdige in de 
Kuawgcliegerchiedenis , Joh. If. i — ii». 

De verTcbyning van Jezus op de Bruiloft te Cana ia 
Galilea« en 's hteilands gedrag, aldaer» geeft den Lecraer 
aen leiding tot het tegengaeu der gedachten vaji dwaze 
geestdryvers , die ongcrymdlyk wanen , „ dat gezelfchap- 
„ pen by te Wonen , of aardfche .vreugden re fniaken , 
,^ een kenmerk zy van ongodsdienfiigheid of godloof* 
„ beid.'* Hiertegen t.)ont zyn Eerwaerde, het betame- 
lyke en het geoorloofde van den trek tot gezelligheid^ 
tot onderlinge verkering;^ uit overweging van 's menfchen 
natuur , — « — het belang of het voordeel der maeifchap- 

py» en ^c 't^D™ v^" ^^^ Godsdienst. Op 

het afhandelen hiervan wekt hy zyne Toehoorders op ter 
bchocdzacmhcid in dezen ^ en brengt hun ten dien einde 
de lesfen van de wysheid en, den Godsdienst, ten dezen 
opzichte, onder 't oog; welken hy onder drie hoofdles- 
feil byeen brengt, waer van wy de eerfte les geheel zul* 
len overnemen. 

„ I. Stelt u, by uwe verkering (leeds vaste en waar- 
dige oogmerken voor. ^ 't Is niet te zeggen , hoc ve- 
le oogmerken van den Ilervh'ng mislukken , of hoe veleii 
hunner bedrijven hun rampzalig worden; alleen daarom » 
om dat men ze onbezonnen begint, of 'er zig in 't geheel 
gene bepaalde oogmerken bij voorftelt. Wat goeds toch 
kunt gij in alle die gezelfcbappen verwagten, waar gij 
heen gaat, zonder eenig bepaald en waardig oogmerk? 
Bcflist het daarom eens vooral, wat gij met uwe verke* 
ring bedoeld. De famenkomften zyn beftemd, om door 
vriendfchap en deelneming u eene gepaste uitfpanning te 
gi ven in uwe bezigheden* En daar gij redelijke wezens 
zijt^ wat kan betamelijker zifn^ dan de bijeenkom nen 

D 4 biti* 



5ff > TISSEL 

binnen te flappen , met het oogmerk, om daar een waar- 
dig voedzel te vinden voor 't verftand, voor 't han en 
voor den trek tot verijjaak. Daar de reden, de Gods- 
dienst en het zelfbelaiig dit maakt tot de ware einden 
der verkering; hoe dwaas is 't dan niet, of kwade oog- 
merken, of in 't geheti gene bepaalde oogmerken bij uwe 
famenkomsten te bedoelen? Rampzalige gezelfchappen , 
daar men niets doet , dan zig onderh'ng den tijd te do« 
den; daar men, juist, om dat men 'er zonder doel, zon- 
der waardige oogmerken verfchijnt, geen wezenlijk ver- 
maak geniet » 'c hart ledig laat, of laat ik liever zeggen, 
gelijk ik behoor, het vernederd en bederfd. Smaakt daar- 
om de verkering, wanneer uwe kragten rust en ont- 

fpanning vorderen: Koomt daar met het edel doel , 

om u onderling op te fcherpeti , en door . menschkunde 

uwen geest te verrijken. Koomt daar, om, in 't 

midden van uw vermaak , uwe harten te openen tot het 
aankweken van alle de zagte aandoeningen van Gods- 
dienst en vriendfchap. — — - Geen trotschheid uoch 
eigenzinnigheid vernieiige immer 't vermaak van eenen 
broederlijken omgang. Kn fchat alle' die bijeenkomfteii 
voor verlooren , ja voor fchadelijk , daar men niets heeft 
zoeken toe te brengen , of ter verbetering van 't vcrftand , 
of ter veredeling van 't hart ; daar men geen wezenlijk 
vermaak, geen ware vriendfchap fmaakte, alleen om dat 
men 'er ligtzinnig inkwam, zonder dat men iets deugd- 
zaams, iets waardigs bedoelde/' 

2. Des Leeraers tweede, les betreft de keuze der Vrien- 
den, met welken mei\ gemeenzaem verkeert. Men behoort 
dezdven te fchatten-, niet naer hun uiterlyk vertoon, 
mJier naer hunne inwendige waerde, naer de deugdzaera- 
heid, naer het godvruchtige hunner gevoelens. Snoode 
fpotters met God of de ipenfchen zyn te fchuwen; zo 
ook openbare zondaren, en zelfs ligtzinnige harten. Een 
vertrouwlyke omgang, fene gemeenzame verkering met 
dezulken , is te vermyden. Ën roepen ons plicht en 'Gods- 
dienst zomtyds om roet hun te verkeren , men zy dan op 
zyne hoede tegen alle verleiding, en pooge zyn gedrag, 
door befcheidenheid, menschliefde en Godsvrucht, zo ia 
te richten, dat het gefchikt moge zyn, om Invloed te 
kunnen hebhen op hunne harten, 

3. Ilieraen hecht hy eindelyk ene derde les, behel» 
zende ene waerfchnwing tegen de meest gewoone zonden 
in de verkering , waeronder liy wel voomaemlyk de vol- 

gea* 



OVBR DS EVANGCLIkN. 



57 



ftïïêe betrekt. Den geest van Kefdeloosheid en 

achterklap; de verregaende eigenliefde en kinder- 

apige ftryd om rang en eer; het achfferdochtige» 

iet geveinsde , dat zo vele famenkomfleh gedwongen doet 
worden, eh 'er natourlyk al het genoegen uit verbant; 

mitsgaders eindelyk den geest van overc^aed en 

verTpilliDg, benevens dien van dertelheid en onkuisheid, 
die in zo velen der gewoone famenkomften ongelukkig fs 
ingeflopen. 

Laetftelyk befluit zyn Eerwaerde deze Leerrede met 
een korten aendrang zyner voorgedragen Lesfen,by wel- 
ker waememing, „ onze sezelfcbappen'% gelyk hy zich 
uitdrukt, „ veel, t^nbedenklijk veel, in 't genoeglijke en 
in 't nuttige zouden aanwinnen: dasür wij zekerlijk veel 
zouden winnen voor onze deugd , voor onze rust en voor 
ons vermaak , zo wij ernflig beflooten , om de lesfen van 
den Godsdienst, in 't ftuk'der verkering^, beftendig ter 
harte te nemen". 



j. ۥ LAVATER , Gebeden. Naar den zerden druk vertaald. 
Tc Leiden by VV. Gryp , 1786. Behahen, de Voorreden^ 
124 bladz. in octavo. 

Ene verzameling van Gebeden, welke roet gemoedlyke 
(lichting gebruikt kan worden van aHe de zbdanigen , 
die ene handleiding van Voorfchriften behoeven, of 'er 
een wezenlyk nut uit kunnen trekken. De Eerwaerde La^ 
vatcr heeft dezelven zodanig ingericht, dat ze dienen ter 
bevorderinge van 't beoefenend Christendom; en door 
Christenen van verfchillende Gezindheden , en onderfchei- 
den (land, gevoeglyk gebeden kunnen worden. In de 
Gebeden, voor ieder dag der weeke, heeft hy bovenal 
in agt genomen, dat ze telkens ene zedelyke overdenking 
tot hun byzonder onderwerp hebben ; waer van het vol- 
gende Gebed, op Zaturdag avond ^ zynde inzonderheid 
bctrekkelyk tot de kortheid yan het leven ^ ten voorbeelde 
kan ftrekkeu. Het luid aldus: 

,, Vader der Barmhartigheid ! Schepper aller Wezens ! 
Onderhouder en Verzorger aller fchepzclen! onvermoeid 
zyi Gy in goedertierenheid , onvermoeid in wel te doen ! 
• ! ecuwig en oneindig God , Vriend en Liefhebber der 
meiiTchen ! 

9^ Hoe behoore ik U te danken voor al het «oede dat 

ïiS Gy 



5f . h I^AVATftH 

Cymy, geduttrcnde deezc gamfche week, van het cerflt 
tot het laatfte oogeoblik , bewec^en hebi ! VVnar zal ik 
die gevoelens vap dankbaarheid ontkenen , die Uwe groc-^ 
té oaverdiende goedJieid waardig is ? Waar de woorden « 
iBct welke ik Uwen Lof naar behoorea zou kunnen 
vermelden. 

^, Ik kan niets anders zeggen, dan: Gy zyt myn Va- 
4Qr! Gy zyt de Liefdel MW ik ben oQwaardig en veel 
te gering ^ alle de barmhartigheid en trouwe , die Gy my 
bewyst ; }a ik beo niet waaidig ; dai ik U Vader noeme l 

„ Maar echter zal eu mag ik U als mynen Vader aan<H 
bidden! Ik mag en zal, door tbsus christus> Uw kind 
en een Erfgenaam van Uwe Hemelfcbe en eeuwige goc* 
deren wezen, die beter en voortreflyker zyn, dan alies, 
wat ooit op aarde fchoon gezien, gevoeld of gedacht 
mag worden ! 

„O! hoe veel goed hebt Gy my, inyn God, alle de 
dagen deezer week beweezen ! Gy hebt my onderhouden ; 
Gy hebt my gevoed; Gy hebt my klederen en woning 
fi:c'rchonken ; duizetfderhande onheilen, die my hadden 
kunnen treffen, en die ik door myne veelvuldige zonden 
verdiend had^ heeft 'Uwe trouwe Vaderiyke hand van my 
afgewend. Voor vcele Zonden en gevaarlyke verzoekin- 
gen hebt Gy my bewaard: Gy hebt my veel onderricht, 
verfterking en. treost uit Uw Woord laaten trekken. Gy 
hebt my veele goede gedachten en gevoelens ingcboezemdU 
^y hebt mynen arb^ en verrichtin((en gezegend, en my 
Uwe goedertierenheid op menigvuldige wyzen laaten on< 
dervinden. Dit alles behoorde my billyk tot de hartelyk^c 
dankbaarheid op te wekken, en my befchaamd te man- 
ken, indien ik my aan, de geringde opzectelyke ondank- 
baarheid fchuldig kende ! 

,, Doch nu behoorde my ook die vraag ter harte te 
gaan, hoe ik deeze week heb doorgebracht? of ik nu, op 
het einde derzelve, veel beter, vroomer, en wcrkzaamcr 
in het Christendom, zaliger in mynen God ben, dan ia 
derzelver begin ? Of ik der Christelyke volmaaktheid ook 
zo veel nader ben, als ik nu in dezelve nader i^ekomen 
.ben aan bet einde van myn leeven op aarde! Öf ik in 
deeze nu ten einde fpoedende week minder kwaads en 
meerder goeds gedaan heb, dan in de voorige? Of ik de 
gebreken, over welke ik op het einde d^r voorgaande 
week berouw gehad heb, of had behooren te hebben, in 
deeze week niet weder begaan heb? 

„ Hee. 



f BBBDfiVU 4|^ 

„ Heere, mjrn God, ik bid U om den geest des rech- 
ten ernst, dat die my decze week niet Iaat befluiien, zon^ 
det dat ik beter en U meer behaaglyk zy ! Mogten 'my 
toch alle zonden, die ik , gedutircnde deeze zeven dagen ^ 
begaan faeb, weder in de gedachten komen, eer ik flaa« 
pe; deeze zonden, en alle de weldaaden, die ik U, als 
Christen en als mensch, te danken heb; op dat ik, recht 
nedrig, befehaamd en verootmoedigd, my weder vaa 
Uwe barmhartigheid en genade verzekeren kon ! 

„ Geef ook, o barmhartig God, mynen Huis^enooten ^ 
en veelen anderen meQrchen , decze zelfde neigingen, ia 
het harte, op dat zy niet roekeloos in zondige zorgeloos* 
l)eid flaapen gaan, en bunae zonden en Uwe weldaadea 
vergeeten ! 

„ Ach! misrchien is dit de laatfte week, dat ik mya 
Avondgebed voor u uitftorte, o myn God, dien ik thans 
aog in het geloof aanbidde. 

„ Ach! dat deeze Gedachte, die zo ligt kan bewaar- 
heid worden, niets verrchrikkelyks voor my had! Ach! 
dat ik met vreugde aan het aanrchouwen van Uw Aange« 
ligtmogt denken! Dat christus myn leven, en het der- 
ven myn gewin was ! Dat ik eene geruste en gelaatene 
begeerte in my ondervond , om ontbonden te worden, en 
net li , myn Heiland , te zyn ! 

„Ach! Heere, Heere, dat toch éénmaal de zoodan 
deezer v^ereld in myn hart gedood wierden! Dat my toch 
het onztgtbaare en eeuwige van dag tot dag gewigiiger ea 
begeerlyker wierd ! De eene Week gaat na de andere voor- 
by , gelyk de eene dag na den anderen, maar ik, ik blyve; 
myne ziel blyft en vergaat niet! De tyd word (leeds kor* ' 
ter; de eeuwigheid (leeds nader en grooter voor myi Achl 
doe my toch alle ligtvaardigheid en alle zoiidenmin, met 
deeze week, afleggen, en morgen heiliger ontwaaken» 
dan ooit, op dat ik eindelyk eenmaal aiyne ikiligmaaking 
voleindigen moge. amen/' 



#%r. 



tSó VKItlI. VAN DEN HEIÖ. CATECH. 

Verhandeling van den Hcidelbergfchen Catechismus^ door 
HERMANNüS FifiRRÉ , ifi Iceveu Bedienaar van het H. 
Euangelium te Dreifchor^ en c. bkinkman, als nog 
Kerkleeraar te Dirksland^ Zondag XXXIX tot LIL 
IV Deel. n Utrecht, by G. v. d, BriiTk Jansz. en de 
fTed. S. de Waal en Zoou» 1786. In gr. octavo^ 
505 bladz* 

Met de afgifte van dit vierde Deel, word deeze Ver- 
handeling van den Heidelbergfchen Catechismus vol- 
tooid; welke, in derzel ver uitvoering, zeer wel voldaen heeft 
aen 't verlangen der genen, die, niettegenflaende vele andere 
gefchriftcn over denzelven, nog verlangden nacr een Ge» 
fchrift, „ 't geen zich wat nadfer by de uitdrukkingen - 
,, van den Catechismus hieldt, 't geen tevens de woor* 
„ den en de zaken wat oordeelkundiger behandelde; en 
j, 't geen leev^ndig en krachtig in het toepasfend deel 
,i mogt zyn." Tot dus ver zag dit 'Werk het licht, als 
de pennevrocht van twee Godgeleerden^ maer, overeen ^^ 
komftig met de belofte reeds by den- aen vang gedaen, 
geeft men nu, by de voltrekking, te kennen, wie dès- 

zclfs Opftellers zyn. De Leerredenen zelve , naem- 

lyk, zyn van den Eerwaerde Ferré^ by 4viens overlydcn 
*er velen op aen ftonden, dat dezelven door den druk 
' genteen gemaekt zouden wgrden. En ter dier gelegen- 
heid heeft zyn 'Vriend, de^ Eerwaerde Brinkman , zich 
laten overhalen , om die Leerredenen te befchaven en met 
^2yne aenmerkingcn te verryken. Ook heeft zyn Eerwaer- 
•de nu 'er ene Voorreden bygevoegd , die aen 't hoofd van 
't Werk gcplaetst kan worden; en de Uitgeevers hebben 
zorg gedragen, om volledige Tytels voor ieder der vier 
Deelen te laten drukken ; welken , benevens de Voorre- ' 
den , aen 't einde, van dit Deel geplaetét zyn ; waermede 
dit Werk. ryn volle beflag heeft. 

- • - • .. , ■ 

Brief van de E. Clasfis van Dokkum , aan de vyf Eerw. 
Clasfen deèzër Provincie ; ' raakende den Brief van - en 
het voorgevallene op de Christelykc Synodus van Vries* ' 
land, in den jaare 1785 te Harlingen gehouden. Met 
de noodige Bylaagen. Te Leeuy^ arden by J, v, d. Haar^ 
1786. In Folio, 28 bladz. 

In dezen Brief brengt de Eerw* Clasfis van Dokkum te 
berde 9 hare klagte tegen de handel wy ze en het gedrag 

van 



BRIBF VAN D£ B. 0tAdSIS VAN DOKKUM. ^f 

van opgemeldè Cliristelyke Synodus, ten opzichte van 
twee harcr Gedeputeerden lot dezelve, welker Commisfie 
DeD ald^r illegaal verklaerd heeft: waer tegen deze Clas* 
fis tracnt te doen 2iej),.,, dat de uhfpraak der Synodus, 
„ zoo wel als de wyze van Proctdccrcfi in deezen gehou* 
,, den, is ongegrond^ informeel en wederregtelyk.^ * 

Verder inaekt 'er de Clasfis, by die gelegenheid haer 
werk van, om aen te toonep, dat 'er^nog verrcbelden an« 
dere onregelmatigheden in deze Synode voorgevallen zyn , 
die aenloopen tegen de vastgeftelde Wetten ; welker afwy« 
king of overtreding, naer 't oordeel der Clasfis, hier te 
fterker berisping vordert, om dat de Clasfis van Dokkum^ 
in een Syiiodalen brief , het niet in agt nemen der Wettea 
ten laste gelegd word ; en men haer vermaent , „ niet at 
„ leen yverige Voorllanders, maar vooral ook yverige 
„ onderhouders en betrachters van de V\ et te zyn.'* 

Verhandeling over de Oogziekten. Door j. j. pleng K,Z)()^« 
tor in de Heelkunde , HoogL der Ontleed- Heel- en 
Verloskunde^ enz. Uit het Latyn yertaald, en met 
Aantekeningen vermeerderd, door m. pruys, M. D. 
Te Rotterdam, by ]. Pols en J- Krap, Az. 1787. Itf 
gr. ivo» Behalven net Voorwerk rj6 hh 

De Schriften van den Hoogleeraar plknch zyn by onze 
Land- en Kunstgenooten reeds zo bekend , dat wy het 
noodeloos oordeelen de verdienden en fchcyftrant van 
deezen voor de bevordering der Heelkunde, zo onver- 
moeiden , Schryvec nader bekend te maaken..' Ze- 
ker is bet, dat de Heer ^ Plenck niet behoort onder dat 
foort van Schryvers welke door nieuwe waarheden onze 
Kunst 'zal verryken: echter hebben tog zyne Schriften 
haare niutigheid^ en draagen Jtenmerken eener groote be« 
leezenheid. * 
De Verhandeling, die wy thans voor ons hebben, mag 

ook daarvan*ten voorbeelde (trekken. Alles wat 

een Bartisch, Saint Tves, Mauchart, Boerhaave^ Petit^ 
Daviel^ Sauvages, en andere beroemde Mannen, over de 
vcrfchillende Oogziekten en derzelver geneezing gezegd 
hebben^ vind de Leezer hier in het kort by een verzameld, 
en met aanmerkingen en ophelderingen verrjrkt. De Heer 
Pruis heeft ons de^ Nederduitfche Vertaaling bezorgd, 
en deielve met Aanokgrkingen venaoerdcrd en tevens ook 
•verbeterde 

Va. 



6t J. K10K 



Vaderlandsch fFoordenboek ^ door j. kok, Vy f tiende DeeK 
TAA. KRA, Mef Kaarten^ Plaaten tn fourtrmiten. Te 
Amfterdam^ ^J. Allart, 1786. In gr. ivo. ^29 blads. 

Dit Vyftiende Deel van het bekende Vaaeritndfchc 
Woordenboek, dat by aanhoudenheid den lof blyft 
Verdienen, dien wy meermaalen aan hetzelve hebben toe- 
gekend, bevat weder een aanmerkelyken voorraad van wee- 
tenswaardige zaaken, 't zy levensbefchryvitigen en geflacb- 
tafelen van beroemde Mannen, die tot ons Vaderland 
betrekking hebben, als een pilips den II, een prancois 
den I, de fagrls, de pabriussivN, de poreesten en 
anderen , 't zy zodanige merkv^aardige Aantekeningen , die 
de Oudheden of natuurlyke gefteldheid van ons Vaderland 
ophelderen, en toelichten. 

Daar wy met ons beftek moeten te raade gaan, zullen 
wy tot een ftaalcje nit deezen ruimen voorraadeen uittrelS 
fel geeveo van het geen de kundige en werkzaame Scbry- 
ver wegens de Stad Franeker heeft aangetekend. 

„ Fe^aneker , in het Latyn Franequerc /\% de derde der 
ftemtoende Steden van Friesland^ gelegen in 't kwartier 
iVeitergoo , aap de trekvaart , tuslchen Leeuwarden^ en 
Harlingen , drie groote uuren gaans van de eerfte en twee 
kleine van de laatstgenoemde Stad. Over den naamsoor* 
Tprong en bctekenisfe worden veelerlei gisfingen gevormd » 
welke geen grond van eenige zekerheid hebben, ea daar- 
om geene aanmerking verdienen. 

„ be Stad is niet groot , hebbende omtrent een half uur 
jS^ans in haar begrip, maar lochtig en zindelyk gebouwd. 
Zy heeft in haarcn omtrek wéinig of geene gelykheid met 
eene der zogenaamde regelmaatige Figuuren , maar vertoont 
veel meer 'een vermenging vto' een ^/rwrf met een v/VAo/i/. 
In den aanvang haarer Stichting, die aan den jaare 119^ 
Wordt toegefchrevcn , beftond zy eeniglyk in twee ryen 
Wzen , met een warergracht en een dubbele Ilraat in *t . 
taiidcien; oostwaards aanloopende op de hoofdkerk , rondodi 
welke mede fommige huizen waren gebouwd ; en was 
befloten binnen eene watergragt , die nog in wezen , 
en , zcdert de verdere uitzetting , ééne haarer binnengrach- 
ten geworden is. Zy is van een enkelen aardenwal onl. 
geeven, zonder van eenige Vetónswerken voorzien te zyn, 
uitgezonderd één Boherk aan den zuidoostelyken hoek 
der Stad; en eene hahc Maan of Ravelyn ^ 'c welk étit 



VADERLANOSCa WOORDENBOEK. Ó^ 

geplflnt is öéi die Nborderpoort Xé défck^n. 'Die wa/^ 
ryklyk met boonen beplant, verilrekttoceeoverffiaakelyte 
waodelplaats; des te meer, ilewyl inen daar allemegeti 
ten ruim gezicht heeft over de vnicbtbaiare Velden^ die 
de Stad omfingra , ^n op een menigte Torens der omlig, 
leade Dorpen; zo verre, d^ men zegt, den d^^/ rondom 
wandelende , by helder weer , meer dan 150 Torens on- 
deifcbeiden te kunnen tellen. 

„Franeker heeft drie Poorten: I de Oostór of Dykftêr 
foort^ door welke men uitgaat naar Leeuwaarden^ gelyk 
ook een eindweg» benoorden deeze Poort, de Grift dxm 
welke men naar gemelde üoofdftad vaart, uit de Stad 
voortkomt door eencn verwulfden Brug , onder de Stads wal , 
die de Ltcmaarder Pyp genoemd wondt. De tweede Is 
de IVeiter of Harlinger Poort y buiieu w;elke men ryd eh 
vaait , naar Harlingen. De derde wordt genaamd de^ 
Noorderpoort. Bebal ven. deeze is 'er een Waterpoort, de 
Doinjumcr Pyp genoemd j door welke men vaart naar t 
Dorp Doinjum. Vooraf beeft zy. drie byna recht door- 
gaande Straaten ter wederzyde der birfnengrachten , met 
welke de Stad doorfneden, en, in verfcheiden wyken, 
als kleme Eilanden afgedeéld is, die op de uitgangen vaïi 
alle de dwarsftraaten door bruggen aan elkander verknocht 
zyn. 

„Daarbyiszy tamelykvolkryk, vervattende 3671 inwoo. 
ncTS, ih den jaare »748. Deeze dry ven veel Koophandel 
in Koom ea in fFottc. Behahren dat ook, in de nabuurfchi^pi 
deezer Stad, verfchteiden Steen^ en Pannenbakkeryen gev 
vonden worden , inzonderheid van blaauwe verglaasde pan- 
nen , waaraan fommige der inwooneren een goede kostwm^ 
niog hebben. De Hoofdkerk • en thans de cenige , dife 
by it Nederhndfche 'Hervormde Gemeente gebruikt wordt; 
was in de Roomfche tyden toegewyd aan St. 'Maarten. 
Zy ftaat op een ruim met hoornen beplant Kerkhof» be^ 
«oorden de groote Markt, ty na in het middetifleel det 
Stad, en mag voor eeil der ftaayfte kerken vangeheel Fries* 
land doorgaan. De Dienst wordt , door twee Leeraartn^ 
jn dezelve wïuirgenomen. Ook is aldaar een Waalfc}^ 
Gemeente, die door éénen Predikant bediend wordt. Db 
Gemeente der Mennonieten word bediend door één Pre- 
dikant* 

„•Eertyds bevonden zich* binnen deeze Stad, meeran- 
Arc Geestelykc Gebouwen j daaronder ook een Klooster der 
^genaamde Kfukheeren. Doch dit Sloöstct b In^tjaat 
4^5 tot een Academie aangelegd. ^ Het 



«♦ J. KOK 

,^Het vooroaam werktuig, ter bevordering dee«cr goede 
zaak is geweest Graaf wjllem lodewykvam nassao oil- 
. ^LENBüRG, flie's tyds Stadhouder van Friesland, wordende 
dé aanleidif^g daartoe allereerst gegeeven door de Leeraaren 
der Kerken deczer Provincie , die in den jaare 1584 aan 
^s Lands Staaten , die's tyds binnen deeze Stad verga- 
>derd, zekere Remonftrantie overleverden; waarin zy on- 
der anderen verzochten , d*t ten diende der jeu^d , ten 
einde die met minder kosten, dan buiten 's lands, tot 
allerlei fraaije wetenfchappen, aan te voeren, ttu Seminaria 
'um (Kwetk/bhool) mogte worden opgericht, en eenige ge* 
Jeerde Profes/oren aangefteld. In welk verzoek 's Lands 
Staaten niet alleen terftond bewilligden, maar, in den 
volgende jaare 1585, met advys van Hooggemelden Stad- 
houder het beOuit namen, om een volkomen Academie 
of Univerfiteit daarvan te maaken ; aan welke , In 'c jaar 
1586 even die zelfde vryheden werden verleend, welken 
de Heeren S^taaten vari Holland^ aan hunne UniycrfitóU 
te Leiden, tien jaaren vroeger opgerecht, hadden toege- 
daan. De Geestélyke Goederen, inzonderheid van 't ge- 
melde Klooster, die, zed^rt de affchafBng van 't Paus- 
idam , in 's Lands Kist vervallen waren , werden terzelver 
tyd ter goedmaaking van de daartoe te befteedde Kosten 
aangelegd. En ten einde geen jongelingen van een fober 
befuan, van bet voordeel deezer Hooge Scl^ool te doen 
verfteken zyn, is *er ook, op 's Lands Kosten, eene 
ppene Tafel aangelegd van zestig Studenten, die daar 
fommigcn voor een zeer geringen prys, en andere de 
vrye kost hebben. Daar toe is een byzonder huis ge« 
ilicbt, 't welk aan de voorftraat (laat, en 's Lands Oec<> 
nomie of Beurfe genoemd wordt. Met dit voorrecht wor- 
ilen geene anderen begunftigd, dan die tot 't Leeraarambt 
worden aangevoerd , en wel eeniglyk , de inboorlingen eu 
Alumni^ of Voedfterlingen deezer Provincie, zyn, gelyk 
dezelve' ook ten dienfte deezer Provincie zich bepaaldelyk 
verbinden moeten. 

„ Deeze Academie (laat onder het opzigt van vier Heeren 
Curatoren; drie uit de Grietenyen en een uit de Steden 
aan welken ook een Secretaris is toegevoegd. Verfcheiden 
geleerde mannen hebben van tyd tot tyd het Hoogleeraar. 
ambt op deeze Hooge School roet roem bekleed , onder 
welken, door hunne uitgegeevene Schriften, inzonderheid 
vermaard geweest zyn j wilh« am&sius,joh. coccejds 

CHRIST. SCHOTANUS, CAMP» VITR^NGA» ADR. METIUS^ 

- GBOao^ 



VADERMNDSCH WOORDENBOEK. 6$ 

OKORG. PASOR 9 en meer «anderen. Het getal der heden* 

daagfcbe- Profesroren is tot XIV bepaald; vier in de H, 

Godgeleerdheid; twee in de Rechten; twee in de Genees- 

• kunde ; en zes in de Natuur- en Wiskunde, beneven de 

Taaien , Gefchiedkande enz. De Kerk van 'r ge weezen 

Kruisheeren Klooster, waarin de Prooioticn gefchieden, 

Aaat in 'c westelyk gedeelte der Stad; en van het Kioos- 

tergebouw zyn drie venrekken, tot /tuditoria fGehoor- 

piaaifen,) vervaardigd, in welke de Profesforen hunne 

openbaare lesreu geeveo , beneveji een vergaderplaats van 

den AcadeiDirchen Senaat, waarjn de afbeeldrels der in 

de ProfesÜe deezer Academie overleden Profesforen ban* 

gen. Ook is daar by een voorrreilyke. Bibliotheek en een 

Auatomiekamer. Daar achter ziet men den Hortus Medh 

cus^ en een Laboratorium voor. de Chymie. 

«, Noordwestwaards VAti de St. Maartens Kerk ontmoet 
men bet Raadl^uis, een oud gebouw, dat zich fierlyk 
voordoet^ pronkende met een hoogen fraaijen fpitfen. 
Toren. Ook is de Stad met een goed Burger- Weeshuis 
voorlfcien » ftaande in 't zuidoostelyk gedeelte , na by den 
Tolbrug.: Uit Huis , voornamelyk geflicht door gsr« agrn 
COLA, Prior der geweezen Abtdy Klaarkamp,\% van ge* 
noegzaame ruimte en vermogen^ om XL. Kinderen te ber* 
gen en te onderhouden. Ook is 'er een St^d^waag enz. 

„ Binnen Fraueker ziet men nog veelt Stinzcn of oude 
neenen huizen. De meesien ftaan langs de Hoogftraat 
eo op de Markt. Veelen derzel^er zyn gebouwd geduu- 
rencie de binnenlandfche beroerten ótiFetkoopers ^nSchic^ 
ringers ^ toen deezc Stad zonderling begon te bloeijen , 
voorna melyk door de Graven van Holland, uit het huis 
van Beijeren, die, zedert dat ay deeze Provincie onder 
bun bedwang hadden gebragt, dezelve met eenige voor- 
rechten begonden te begunlUgen; daaronder ook *t bals- 
recht, 't welk anderszins aan geen eene Stad deezes.Land- 
fchaps was toegedaan. Daardoor werden vjeele Edelen 
deezer Provincie gelokt, pm zich in Franefcer neer te zeN 
ten , die aldaar veel gezag oefenden ; wesbtlven die Stad 
si vroeg*" de zetel der Edelen plagt genoemd te worden. 
Deeze Edelen hebben die zelve Stinzen atingelegd^ wel- 
ken hunne naamdn ontfangen en tot heden behouden heb- 
ben, naar de gedachten zelve, door welken 2y gedicht » 
bezeten en bewoond geweest zyn. 

„ De eigenaars dee;5er huiden waren allen vanden Schiering^ 
[chcn AdcJ\ vermits Franeker, de eenige Stad van Fries- 

Ilu>££L.rc^. ALc. L£Tt. NO. 2. E land 



66 J* KOK 

land bewesten de Lauwers, die hunne party was toegcv 
daan 9 daat door de gemeene toevlucht werd der EdetKe^ 
den van dien aanhang, 'Ier deezer oorzaake heeft die 
Stad ook veel moeite uitgedaan van de Vctkoopers , tn» 
zonderheid van de Groningers 9 welke door die van Bols- 
werd, die mede ïn 't zogenoemde Groninger verbond 
(tonden , geholpen werden. Dit gefchiedde inzonderheid 
iii den Jaare 1495. 

Toen in *t jaar 1498 de Hertog albrbcht van saxbw 
door de Schieringen^ tegen de f^etkoopers^ te hulp ge* 
roepen was, werd hy, binnen deeze Stad, plechtiglyk 
ais Erfpoteftaat ingehuldigd; waar hy ook beftendiglyk 
zynen zetel hield : 'gelyk ook naderhand deszelfs zoons 
en opvolgers» de Henogen hrnosik en gborge van 
SAXBN, die alle hunne hofhouding hadden, op 't Sjaar» 
demahuis, in 't westeinde der Stad ftaande; met eene 
wyde gragt omringd. Daarom is dit buis> na dien tyd, 
het flot van Franeker genoemd geweest, doch weeens 
bouwvalligheid voor eenige jaaren geheel afgebrooken. 
Die getrouwe aankleeving der Franekers aan de Saxtfche 
Regèering reeds in den aanvang, én ook daarna in een 
tyd, toen het gantfche Land tegen dezelve opftondt, 
.heeft uitgewerkt, dat zy met veele voorrechten door die 
Hertogen zyn begunftigd geworden; als vrydom van alle 
accynzen , hoe ook genaamd ; als mede den vryen uit- 
voer hunner bieren , by vierde deelen van een ton , ten 
behoeve der landlieden, waardoor de aftrek hunner bie* 
ttw zeer mogte bevorderd worden. Zelfs had Hertog 
ALBRBCHT, IQ wieus tyd de Grieteny het Bih, 't eerst 
bedykt wierd, aan de Stad Franeker den eigendom van 
soo morgen lands» in deeze ftreek, naby 't dorp Jacobs 
parochie^ gefcbonken, en men meent, dat, byaldien zy 
daarom hadden willen aanhouden, hun 't geheele Bik 
zou gegeeven zyn. Hier by kwam een ander voonecht, 
behelzende^ dat geene omliggende Dorpen of Kloosters 
het recht van Waagt hadden, noch eenige koopmnjifchap- 
pen noch ambachten mogten oefenen , blyvende dezelve 
eeniglyk aan de Stad gehecht. De Giftbrief des Hertogs 
^van Saxen ^ hier toe behoorende, was van den 12 July 
van het jnar 1504 Daar by had en behield die Stad, 
even gelyk Leeuwaarden ^ het recht, om, onafhangelyk 
Van den Hertog en van deszelfs Gouverneur, haare eigen 
regèering te (lellen en te beëedigen. Daarby zegt men^ 
dat de omleggende Grierenyen Franckeradccl^ Barradeel^ 



VADMLAKDSCH WOORDENBOEK. 6f 

Baarikradeel^ Mcnaldumadetl en Hennaar itnadetl^ alle 
Aunne Kechtsdagen binnen deeze Stad hadden» gelyk de 
eerstgemelde nog heden blyft behouden, en^ dat deeze 
eerstgemelde vau. daar den naam van Frankeradeel beko- 
men hebbe ; des te meer , dewyl de Oldeman van Frane- 
ker iD der tyd, te gelyk derzelver Grietman was 5 d^ 
é&tz<t Grieteny, in zekeren opzichte, aan die Stad onder- 
h(»orig mo^t geacht worden. De vergaderingen der Leden 
deezer Gnetcny worden binnen deeze Stad gehoudea 
's Donderdags, wanneer ook aldaar de wedLelykfcbe 
Marktdag is. Dit een en ander, gevoegd by de voordee- 
len, welke de Hertoglyke Hofhouding aan deeze Sud 
loebragt, kon niet nalaaten dezelve^ binnen korten tyd 
zeer te doen aanwasfen en blorijen. 'En men meent dac 
ibmmige^n der hier voorgenoemde Adelyke Gefticbten» 
gedMurende de Sajcifche Regeering , binnen Franeker aaiN 
gelegd zyn. Maar even daardoor was zy tevens het 
voorwerp van afgunst voor andere Friefche Steden. Ia 
den jaare 1500 werd zy, om geene andere oorzaake, dan 
dac mxto% He^DRlK vam saxen birïtien hstare muuren 
zyne Hofhouding had , door andere Friezen , aan wien 
deszelfs (Irenge Regeering langs hoe heer mishaagde, be- 
legerd z doch deszelfs vader Hertog albrecht met zyne 
Saxen tot ontzet zeer fcbielyk opdaagende, werden de 
Friefen geilagen en *t beleg opgebrooken. Men verhaak » 
dat de Friefen, ten einde de vermeerdering der toevloeit 
jende Saxen en andere, vreemdelingen in hun land voor- 
tekomen, geduurende deeze belegering, eene foortgelyke 
list in 't werk (lelden « als eertyds de ^Gilcaditcn , ten 
einde de Ephrami f en, hunnt vyanden>te ontdekken, door 
de uicfpraake van het woord Schib9leth^ waarvan zie 
Rcchf. XII. 4, 6, dat zy namelyk die, welke als vreem« 
delinsen by hen verdacht waren, fommige Friefche woor^ 
den deeden uitfpreeken, en dat ze allen 1» die, in de uit- 
fpraake deczer woorden, de Friefche tongval niet konden 
volgen , zonder genade in 't water wierpen , en verdron« 
kau; welk verdrinken, in dien ouden tyd, de gemeene 
doodftraffe onder de fris/en was. 

Daar na beeft Franeker veel deel gehad in alle de. onlus- 
ten, die onderde Bourgondi/che en Spaanfchc Regeering» 
wegens den Godsdienst , in deeze Landen gereezen zyn ; 
waarin de Spaanfche Gouverneur «aspar aoblbs zeer be- 
moeid geweest is, welke geduurd hebben tot den jaare 
157S« als G£ORQ£ DS tALAiN , Graaf van Rennenberg, 

^ % eerst 



Ci }• ROS* VADIRtANBSCH WOORDENBOEK. 

yftcTst henoemde Gouverneur van Friesland , in naam der 
Staaten, aldaar, ge^k in de andere Friefche Steden, de 
Regecring deed veranderen, door de burgery , die op 
trommeUlag in de St, Maartenskerk gedaagd wierden, om 
'52 mannen te noemen, uit welke de Stadhouder het be. 
lioorlyk getal der Regenten .verkiezen zou. Door dit 
middel werden de Spaanschgezinden uitgezet, en geene 
andere, dan die de zy.de der Staaten waren toegedaan» 
hl derzelver plaats gefteld. 

De Stads Kegeeikig, en de wyze van derzelver be* 
flciling, is door een byzonder Reglement van Prins wil- 
LRM FREDBttUi van Naifau^ die *s tydè Stadhouder dee- 
2ür Provincie, en der Gedeputeerde Staaten, in den jaare 
1Ö57, vastgerteld. Ingevolge dit Reglement, werden alle 
jaaren d^n laailten December uit de XXX Vroedfchappen , 
<iie voor al hun leven deezen post bekleedden, twee 
Burgemeesters benoemd, in de plaats van twee afgaande , 
uni , beneven de vier anderen • drie jaaren te regeeren ; 
(laande die keure aan vyf £lecteurs> alle Leden dep 
Vroedfchap , door *i trekken van vyf zwarte uit de vier* 
entwintig zilvcre boonen , tot die verkiezing bevoegd. 
Dan hierin is daarna eenige verandering gemaakt, beftaan- 
de de Regeering nu uit^ vier Unrgeroeeders , van welken 
jaarlyks, uit een dubbeldtal van Vroedfchappen, door de 
'Electeurs gemankt, twee door den Prins ürfftadliouder 
worden aangcikld, aan welken een Secretaris is toege- 
vocgH. Uchalven de IV jjurgeraeesters, Wyven derhalve» 
nu XXVI Vroedfchappen. 



Echte Anccdotcn van Peur den Grooten^ uit den m-j^d 
vnn aanzienlyke Perfooncn , te Moscou en te Petersburg p 

' vcrhomen^ en der vergetelheid ontrukt ^ door f. van stah-^ 
ITP*. Eer/Ie Deel, Uit het Hoogdisitsch. Non collecta V\* 
bris, fed pene acceptn per aurcs. Te /-vijlerdafn by J, 
Yntema^ "787. if^ g^' octavo, 251 blrsd::;. 

Indien *er ooit een Vorst geleefd heeft, die met recht 
den naam van de;i Groqten verdiende, was het de 
roemryke ftichter des Rusfifchen Gcbieds, de onflerfelyke 
C^aar pstbr, een Vorst die een geheel woest volk irit 
het flof opgebeurd, en tot dien^flaat va-n befchaafdheid 
ftehra'it heeft, dat het thans jd^'^i^'^cerfte plants onder de 
t>efchaafde vcdken van^ Ëuropof^iifet- recht bekleeden m»pr« 

f :; ' ^ Uit 



J. VAN STAHLIH9 ÏCHTB 4liBCD0TEN. €9 

Uit dien hoofde was het te wenfchen, dat een man van 
veniuft en welfpreekenbeid zich verledigde cm het ka- 
facter van deezen Voorst naar waarde af te fchilderen, ea 
toe dit einde zou men geen beter bouwdoffe kunnen vin- 
den, dan de hier even aangekondigde Verzameling van 
Anecdoten, die ons een juist denkbeeld geeven van de 
verheven vermogens ^n edelen inborst van deezen waar- 
lyk grooten Vorst,' en tevens het .vermaak verfchaffetii 
van een aauti^enaam en nuttig onderhond, daar 2y ons dea 
beroemden Czaar zo wel in zyn huizelyk leven. als in zyii 
(Ua!she7.igheden, op eene geestige en dikwils naïve ma« 
nier atTcbetzen, en aan welker Kchtheld men niet twy* 
felen kan, daar zy uit den mond van geloofwaardige 
oog- en oorgetuigen , welke een dagelykfchen ,en gemeen^ 
zaamen omgang mf^^ den Czaar gehad hebbeu, 2yn opge« 
tekend; welker naamen onder deeze verzamelde Anec^ 
doren zorgvuldig 2yn aangetekend, en welker byzondere 
omftandigheden , men, volgens toezegging van den Uit-' 
geever, by de uitgaavc van een tweede Deeltje, dat dit 
eerde eerlang volgen zaU nader zal opgetekend vinden, 
met aadwyzing, wanneer en op welke wyze zy gemeen^ 
zaamen omgang met Czaar Peter gehad "^ hebben , .en by 
welke gelegenheid zy de opgegeeveu Anecdoten- byge* 
woond of gehoord hebben. 

Schoon het moeijelyk valle juit deeze fraaije VerzameKng 
eene keuze te doen , daar, men^ (legts het boek behoeft op 
te flaan om iets merkwaardigs aan te treffen, dat den lees* 
lust opwekt en zodanig aan den gang houdt, dat men 
het naauwlyks van zich verkrygen kan om dit Werkje 
uit de hand te leggen, zullen wy echter ons tot het eea 
of ander moetende bepaalêö, dé twee volgende Anecd'o. 
ten, als ftaalen opgeeven, van welken ons de eerde de 
verwortderlyke liefde van deu Czaar voor zyn Ryk eii 
Vaderlarid, en de tweede zyn zucht en fmaak voorgoede 
Schilderyen aau den dag legt. 

De vcrwênderlyke Liefde van den Czaar ^ voór zyn 
Ryk en Vaderland. 

„ T)at deeze groote Monarch zyn Ryk geheel hervormd» 
cii^ door het oprechten van een reguliere Armee en een 
machiige vloot, de bezorging van een beter opvoeding 
voordejeugJ, en het aanleggen-van veele, voor het land 
en dea i>uitenlandichen handel, voordeelige Fabrieken, 

E 3 Kun* 



yo )• VAN StARLItr 

Kunftcn en Weetcnrchappen , het zelve in een zichtbnarck 
bloei gebragt, zich by de nabuurige ryken geducht, en 
zyn vermogen door de gantfche waereld heeft doen gel- 
den, is een zaak die even zó bekend is als zyn verdriet 
en hartzeer , dat hy aan zynen Zoon Alexis Petrowitz be- 
leefde, die hem in alle zyne heilzaame oogmerken weoer- 
ilreefde , en wien hy derhaiven , als onbekwaam tot den 
troon , genoodzaakt was de opvolging openlyk te ontzeg- 

Sen. Hy floot dus, alleen uit liefde tot zyn Vaderland» 
eezen zynen eigen Zoon van den troon uit, om voor te 
komen, dat, door deszelfs beftiering, dit nieuwe^ mag- 
tige en pragtige Gebouw van den Staat zyn^s Ryks , niet 
op eenmaal weder inftorten , en deszelfs verlichte inwoo* 
oers in de voorige duisternis der onkunde vervallen mog- 
ten. iiene nog verbaazender proefe van zyne vuurige 
liefde voor het Vaderland, tot wiens beste deeze waare 
Vader des Vaderlands alles, ja zich zelfs, gewoon was op 
te offeren , blykt uit een in zyn Cabinet fiog berustende 
eigenhandigen brief aan den regeerenden Senaat te Peters* 
burg, in 't leger by de rivier Prut, den ..••• 171 1 geda- 
teerd , toen by zich met zyn armee , op een ongelukkige 

• wyze, door 100,1000 Turken ingeflooten, en van allen 
toevoer van proviant vond afgefneeden, In zulke gevaar- 
lyke en geheel wanhoopige oinfhndigheden , waar uit hy 

. 2ich op geenerlei wyze, dan, als *t ware, door tusfchen- 
komst van een byzonder wonderwerk, redden konde, was 
hy alleen om het Vaderland , bet minst om zich zelven , be- 
kommerd , niet tegenfl:aande hy . bet dreigende gevaar klaar 
▼oor oogen zag, bf, om by de Turken gevangen te raa- 
ken , of te fneuvelen. 

Zo rns de onverfchrokken Held het oogenblik van dit 
zo ouvermydelyk gevaar bemerkte , en zich zelfs met zyn 
gjinifche Armee verlooren achtte , zette hy zich zeer bo- 
daard in zyn tent neder , fchreef een brief, verzegelde den- 
zelven, liet een zyner getrouwde Officieren ontbieden, en 
vroeg hem, of hy kans zag door de Turkfehe Armee te 
komen , en een depêche naar Petersburg te brengen ? .De 
Officier, wien alle wegen en flulphoeken in deeze land- 
ftreeken bekend waren, verzekerde den Czaar, dat hy.dit 
werk volkomen op zich nam , en zyn Majefteit 'er zich 
voldrekt op verlaaten konde, dat hy behouden te Peters- 

• burg belanden zou. In het vertrouwen op zulk een verze- 
kering, gaf hem de Czaar een eigenhandigen brief ,' met 
hfit Opfchrifc aan den regeerendeu Senaat te Peterburg, 

kust- 



BCHTt AHBCDOTIN. 71 

kostte hem voor het voorhoofd» en seide hem verder 
Biets dan: God geleide u! 

^Oe Officier kwam, op den negenden dag zyner reize, 
gelukkig te Petersbui^ aan, en overhandigde den brief 
io den vollen Senaat. Dan hoe getroffen waren de ver* 
gaderde Senatoren, wanneer zy, met gefloocen deuren, 
den eigenUiUidigen brief van den Czaar lazen /en van den 
volgenden inhoud bevonden. „ Ik geef u hier nevens 
„ berigt, dat ik met myn gamfche Armee, buiten myn 
„ fchuld of toedoen , alleen door het bekomen van val- 
„ fche berigten, door een viermi^l fterkere magt der 
^ Tuiken zodanig ben ingeflooten , en van allen toevoer 
^ van levensmiddelen afgefneeden, dat ik, zonder ècn 
„ byzondere Godlyke hulp, niet dan onze volkomen ne* 
^, derlaage, of dat ik by de Tuiken gevangen geraa^e» 
„ voorzien kam Indien dit l^^tft^ geval mogt gebeuren» 
3, zo moet gy my niet voor den Czaar, uwen Heer, hou- 
„ den, en niets volbrengen van eenige bevelen, of 
„ fchoon ze ook eigenhandig getekend waren, die u van 
„ my mogten toegezonden worden , tot dat ik weder 
„ zelfs in perfoon by ii zal zyn. Dan zo ik mogt fneu*' 
„ velen , en n bet bericht van myn dood met zekerheid 
„ beve.<«tigd wordt , moet gy den waardigften onder u 
„ tot myn Opvolger verkiezen.** 

«, Het origineel van deezen Brief berust nog in het 
Cabinet van peter den Groot en , aan bet Keizerlyk Hof 
te Petersburg « onder veele andere eigenhandige fchriften 
van den Monarch , waar hem de opzichter van dit ' Kabi« 
net, de Prins Michadowitz Tcbtfcherbatofr, aan verfchei« 
4ene hooge Staatsperfonen heeft laaten zien. 

De Prins Michaela MichaelowUs Tchtfcher^ 
batoffn Kamerheer en IVapenmeester ^ by 
den regeerenden Senaat. 

Hj is een groot liefhebber van goede Schilderyen. 

n Toen de Czaar, in deti jaare \^\6 en 1717 , voor 
de tweede maal, was gaan reizen, vertoonde hy in 't 
openbaar zyne liefhebbery en goeden foaak voor Schilde* 
ryen. Te Amfterdam bezogt hy de beroemdfte Schilders, 
en zag hen, met een byzonder vergenoegen, dikwils 
uuren lang, aan het een of ander ftuk werken, fprak 
nethen over de voortbrengzels van hunne kunst, en 

E 4 . VOM. 



1% J. VAN StAriLlN' 

vormde zich welven eeirfyirén fmaak in de 1560013 der 
Schilderyen. In 't byzonder vond hy zeer veel beliaagen 
, in de (tukken van de Vlaamfche en Brabandrcbe fchoole, 
en deed een grooten voorraad van de (lukken der voor- 
naamde meesters uit deeze fchoole op* Rube^ns, van 

DYK, REMIVHANO, JAN 5TRBN , VAN OER WERF, LIN- 
. GELBACH, BEROHEM^, MIEhIS, woowbrman, breijgf.l, 
osTADE , JAN VAN HUYzüM, euz* hield, hjj voor zyne 
lievelingen ; doch voor alles gaf hy de HollandlcheScheeps. 
en Zeeftukken . den voorkeur. Inzonderheid had by veel 
achting voor de ftukken van adam silo , die eerst zelfs 
een Scheeps - Kapitein geweest, (*) en vervolgens zich. 

♦ . 2cer 

C*) >« Het volgende herfclit , ^wiïgens óeezen Mam Silo , is ons 
door een zyner bekendfte en nog leevende • Vrienden medo^ 
gedeeld. ' ' 

„ Adam zilo, of silo, is , gêlyk ik zeker weet, nooit eca 
9» Scheeps-Kapitein geweest; doch liy had reeds vroeg veel lief-. 
9, hebbery voor den Scheepsbouw, waar 'm hy vervolgens zulke 
99 vorderingen maakte, dat hem, ten tyde van Czaar peter, 
yf het Bouwmeesterfchap op *s Lands-Werf alhier is aangeboden, 
9, voor welk ambt hy echter , als een vryman willende bly ve» » 
9» bedankt heeft. Ifc heb heth dikmaals hooren verhaalen, dat 
n zyneerfteKoftwïnninghetGouddraadtrekkcn was, en dat hemt 
9» deeze iyeetenfchap , toen hy omtrent twintig jaaren oud. 
g, was, aanleiding gaf tot het uitvinden van het trekken, van 
5, looden of tinnen Pypen voor Disieleerflangen , Fonteinen enz. 
9, ja dat hy zelfs de Pypen voor de Waterwerken , op Marli 
9, en Fontainebleau , getrokken had , welke Pypen nog in ge- 
9, bruifc zyn. Ook heeft hy vervolgens de Snyroeden voor de 
9» Fluweelweevers uitgevonden, mét welk geheim hy, ruiift 
9,. 90 jaaren oud, geftorven is. De vader van den laatst over- 
99 leden Heer Toi heeft hem, in myne tegenwoordigheid, duï- 
9, zend guldens geboden, om dit geheim voor hem aan iemand 
9» te leeren, doch hy was toen reeds te oud om dit. werk 
9, weder te ondcrnecmen. In zyn vroege jeugd was hy een 
9, goed Muzikant, en matikte zyn ei^en Viool, die naderhand 
9, voor een Gremoonfche, op de verkooping van Jan Fisterfz, 
9» Zomer ^ verkogt i$. Door zyne zucht voor den Scheepsbouw,. 
9f geraakte hy aan 't Schcepstekenen , onder een der. oudfte 
91 Baazen op 's Lands werf, dien hy binnen kort niet alleen 
9, verre overtrof, maar* zelfs nieuwe en vaste gronden van 
t, deeze weetenfchap,. volgens de Maihefis, uitvoud, w'aardoor 
f, Jiy'de beste gedaanten voor 't Laaden, Zeilen en Manoeu- 

„ vree?- 



»» 



ECHTE ANFCOOTEN* 7y 

fccr gelukkig op het fchilderen van voortreffelyke Zee- en 
bchccrpsrtukken toegelegd, en boven alle andere Zee-» 

SchiK. 

„ vneren .aan de Schepen wïst te geeven; en aan te too^- 
„ nen, waar de Masten in de onderfcheiden foorten Van ScliUr 
pen geplaatst, en hoe dik en hoog dezelve naar evenredig, 
heid zyn moeten. Vervolgens kreeg hy kennis aan de 
,, voomaamüe Zecfchilders van zyn ;tyd, ging dagelyks met- 
'„ dezelven om, zag .de kunst van hen af, wisfelde zyn voor- 
,^ gaande kpstwinning van gouddraad- en tinnen -py pen trek-- 
„ ken . . fnyroeden maaken.enz. voor t Penceel, en wierd' èéii 
„ Schuder. In deezen flaat was hy, toen Czaar peter' ons' 
„ laod kwam bezoeken,, en kennis- niet hem maakte. '^ Hy* 
,» woonde in dïen tyd op de Baangragt, boven zekeren BoJe^* 
„ Gelisfen genaamd, tusfchen het Leidfche plein en de Lcid- 
„ fchegfagt, •fn 't midden. Hier heeft de Czaar hem dikwerP 
„ bczogt, en ik heb mecrmaalen in den zelfden ftoel ge;ieten,' 
„ in welken de Czaar gewoon was te zitten , M'anneer hy de 
^ kunst van Scheepsiekcnen van hem leerde ; gelyk naderhand 
„ Si ift ook nog vyf jonge Riisfén, voor zyn Majefldts* reke- 
„ Ding, heeft onderweezen, van welken hy voor ieder hon^^ 
„ derd Ducaaten kreeg. Ook heeft hy , voor den Czaar , veele. 
„ Scheepsftukken ïn olieverf gefchilderd, die zyn Majefleit io- 
„ gpootc achting hield, en ook uitmuntend jvaren Ju de Ge-« 
„ daante, Zeilagie enz. der Schepen; maar zyn wate/ en lucb- 
„ ten hebben de vercischte kleur en het natuurlyk beloop niet-, 
„De luchten zyn meest zwaarmoedig, de wolken dik, het 
„ blaauw vuil. 't Water niet natuurlyk volgens de wa^ré gol- 
„ ving en dun vlietende (Irooming, over derzelver rollöndfc 
„ groepen, die men zo. goed nfet verbeeld vindt als by L bak^ 
„ hu'n^ en W. van de Felde. Ook heeft hy fraai in het wasch 
„ naar 't leven geboetfeerd. » Onder anderen den on^ngs^ oyer- 
„ ieeden Heer yactbus van de IValie , die een zyner- g;crnccn- 
„ zaame vrienden was. Ecnige jaaren voor zyn dood , bcg if 
„ hy zich aan het Glas- en Spiegelflypcn , . eji maakte goede 
„ Verrekyters, en Spiegel -Telescoopen , volgend de Gregoi-iaan- 
„ fche en Ncwtoniaanfche ftclling. Eindclyk \^ dit.zonderlfng 
„ mcnsch ook Autheur op eigen 'naam gewee t, eu J^cqft rvyce 
„ Brieven uitgegeevcn . tegen zeker ontwerp van w\ÏGn * blizcir 
„ Admiraal Sdiryver , waar in men de gewigtigfte' trekken -vtur 
„ 's man; fatiriek vernuft aantreft. Hy is twccmaalen gepor- 
„traitecrd, eens door, C. Troost, als Schilder en eens d(K)r 
„ G. V. der Msfiy als Schilder en Scheepsbouwer, welke laat- 
„ fte io olieverw , naar hem in zyn ouderdom v^in 90 jaaren , 
„ voor myn rekening, gefchilderd ' is , die hem van myn veer 
,. den jaaren af gekend, en tot zyn dood mot hem heb omge- 

E 5 99 gaan. 



74 J' ^^^ STAHUN, ECHTE ANECDOTEÏC* 

SchiWcrs, het mast- en touwwerk uitvoerig en jtiit wist 
te treffen. Van hier vond p^tr» flfe Groaic ten deezcn 
opiichte xyire (lukken voor zeer leerzaam, en had het ^ 
voorpoTtaal van zyn Slaapvertrek , en het Zomerhof te Pe- 
tersburg, roetftukken van deezen meester behangen. Zelfs 
oo zyn lusthof te Peterhof » waar de Czaar in het paleis 
Tvner gemalinne , Monplaifir^ de eerfte Schiidergalery van 
louter iMederlandfche (tukken had aangelegd , zag men de 
Zee- en Scheepsthikken van sito de beste plaats beflaan. 
Te Amllerdam zat pbtér 06 Groote op de openbaare Ver- 
koopplaats van Schilderyen , onder de menigte liefhebbers 
en koopers^ naast den Schilder xsel, een Zwitzer, dio 
HistoriSn en Stillevens fchilderde , en een zeer ervaren ken- 
ner van Schilderyen, in 't Ijyzonder van de Nederlandfche , 
én derzelvcr Meesters , was. Daar kogt de Monarch zelfs 
een menigte Schilderyen van zyne geliefkoosde Schilders, 
met welke hy gedeeltelyk de zo even gemelde Schilderyen- 
ialerv te Peterhof aanleide , en die hy gedeeltelyk in zyne * 
Toorkamers Uet ophangen. Om deezen aanzienlyken voor- 
«ad van zelfs aangekogte Schilderyen m goeden Hand te 
houden en te vermeerderen , nam hy den zo even gemel- 
den Schilder xsel in zynen dienst, die den Czaar ook 
naar Petersburg volgde, en daar zelfs menig een fchooii 
ftak van zogenaamde Stillevens; b- v. een Doodshoofd 
«et een uitgebluschie en nog dampende lamp , ftil liggen- 
^ Muziek -inftrumenten, enz. vervaardigde;» en vervol- 
eens als Schilder van dè Academie der Weetenfchappen , 
fn hoogen ouderdom, in 't jaar 1743» ^^P- 

De Schilder xsbl. 

gaan. Voor ruim vier jaarcn, leefde zyn laatfts leerling in 
** den Scheepsbouw nog, wiens naam was Heter Swaanen^ntg, 
** een voornaam Scheepstinimerman, wooncnde achter de. Oos^ 
** tórkerk, op de Werf het Wapen van Amfterdam. ! 
^ De Heer wagen aar zegt in de Befchryving van j^mjler^ 
AaZ ênder de voornaam fle P-rfo^iaadien , „ dat Adam Silo m 

't war 1670 ter wereld gekomen, en in den ouderdom vaê 
!! meer dan tagtig jaar overleden is." 



^iT 



F. WALTHBR> VAK DR VRIENDLYKfi EILANDEK. 75 



^atuur^ en Aardrijkskundige Befchrijving der Vricndlijke 
Eilanden in de^ groot e Zuidzee. Volgens de ni^uwftp 

' ontdekkingen* Door pi*, l- walthicr. Vit het Hoog^ 
dtdtsch. Te Amjierdam bij M. de Bruyn 1787. BehaU 

\ ven het Foorberlgt 288 bladz. in gr. octayo. 

1D de groote Zuidzee ligt, op de Zuidlyke breedte van 
19 en al Gtaaden,op de Westlyke lengie van Ferro 
^«i 155 en 157 Graaden,een aantal van grootere en kleU 
Dere I^Uanden, die onze HoUandfche zee vaarenden , in de 
voorgaande eeuw, reeds min of meer ontdekt hebben: 
by welke gelegenheid Abel Jansz. ^ Tasman drfe van de 
voornaam Aen deeier Eilanden , in '1 jaar 1643, met de naa-^ 
mtn Amfterdam^i^^ Rotterdam en Middelburg benoemde;, 
•terwyi. het vriendlyke gedrag der be^oonderen hem aan 
deeze Eilanden in t algemeen den naam van de Vriend* 
Ijke Eilanden deed geeven. Zints'dien tyd maakte men 
egier geen verder opzetlyk werk van deeze ontdekking; : 

tOR 

\ (*) Ten aanzien van dit Eiland Amfterdam meldt men ons * 
eene bjrzonderheid» die wy niet wel kunnen nalaatcn hier te 

plaatzen. „ Het midden van dit eiland, (zegt de Schry- 

vcrO ligt nagenoeg op de zuiderbreedte van ai Gr. 11 Min. 
en 157 Cr. wesüijke lengte van het eiland Fcrro; en wijlde 
ihd jlmfierdamj waarnaar het eiland genoemd is, een weinig 
raeer dam 2a Gr. 11 Min. oostlijk van Ferro ligt, zo blijkt 
het, dat het eiland Amfterdam 179 Gr. 41 Min. westlijk yan 
de ftad van dien naam gelegen Is ; waaruit volgt , Ct welk tef- 
fens bijzonder merkwaardig is,) dat het eiland Amfterdam op 
den aardbol geno^zaam recht onder de ftad van dien naam 
ligt, en de bewooners van dat eiland de antipoder^ de tegen- 
voeters p van die van de meergemelde ftad zijn. Dus ligt het 
eiland Amfterdam op een zo grooten afftand- van de ftad van .- 
dien naam , als o^ den aardbodem mogelijk is ; naamlijk op 
den aflland van bijna, een halven cirkel, of 180 Gr., dat is» 
(een Graad op ao uuren gaans gerekend ,) van 3600 uuren, 
£n wl}l dus het verrchil in den tijd, tusïchen de beide ge- 
noemde plaatfen, nagenoeg twaalf uuren is, zoo volgt, dat, 
wanneer het te Amfterdaita middag is, het op het eiland van 
dien naam middernacht is; en wanneer het fn de eerstgenoem- 
de plaats zes uuren des ochtends -is , het op het gemelde eiland 
zes uur des avonds is, en zoo verder, altijd In volkomen te- 
«gendelling van elkander, ten aanzien van dag en nacht.'' 



7^ , F. WALTHBH 

tor dat de Franfchcn en Engelfcben , zedert eenigc jaa- 
ren 5 'er zig op toeleiden, om de vroegere ontdekkingen 
in de groote Zuidzee voort te zetten , en verder uit te 
breiden. In de berigten dcezer nuttige Reistogten nu, 
óutmoet men, buiten eene menigte van andere der Zee<> 
vaart- en Aardrykskunde dienftige opmerkingen, ook een' 
naauwkèurig verflag van *t merkwaardiglte , dat deezc 
Vriendlykc Eilanden betreft; waar van , de mededeeling 

Baaie gevalligheid en leerzaam nut heeft. — De Heet 

Wal^her^ïn \ nabuurige Duitschland , dit bezeffende» 
en tevens gadeflaande, dat veelen zyner Landgenooten 
hiervan verfleeken bleeven , doordien deeze berigten, in 
bóitenlandfche taaien opgefteld, in kostbaare reisbefchry 
vingen te zoeken, niet dan met veel moeite met elkander 
té' vergelyken waren, heeft zynen Landgenooten hierin 
wfel te gemoet willeii komen. Hy heeft zig diaartoe den 
é^teid getroost^ die 'er aan vast was^ oia uit alle de 
bronnen, die hem voor handen waren, dat geeue te ont- 
leenen , 't welk hem in ftaat kon ttellen , tot het vervaaf^' 
digen van eene beknopte natuur- en aardrykskundige be-' 
fchryving deezer Eilanden: welke men, hiermede, ook 
den Nederlanderen in onze Moederfpraak aanbiedt, Weet- 

fieHgen en oefengraagen vinden hier dëswegens in eei\ 
ort bedek by een verzameld, 't geen ifi veele fchrifien,. 
raakende dttzt Eilanden, vermeld wordt"; en de Heer 
WaUher heeft dit alles met zo veel gefchiktheid te za- 
men vcrknogt, 'er ook hi^r en daar ^ulke natuur- en 
ftaatkundige aanmerkingetr ingev^ogte^^ldat 4nen tVver 
rieden hebbe, om den arbeid van dien J|eer,-Qn de ver- 
tolking van dit zyn Gefch^ift ,- dankly.k te erkennen. Het 
selve behelst, in de: eerlte .plaatle, eene algemeene be* 
fchryving der Vrtendlyke Eilanden, zo ten aanzien, van 
derzelver'.gefteldhcid én voortbrengzelen , als ten op^igte 
van derzelver Inwooneren , met aantekening van ^t merk* 
•waardigfte, *t geen meil daaromtrent waargenomen heeft. 
En hieraan volgt voorts eene afzonderlyke befchryving 
van die Eilanden, van welke men eenigö byzondere be- 
rigten verkrecgen heeft, terwyl 'er om en 'aan dezelve 
n'^g eene gróote menigte gevonden wordt , van welke men 
tot nog geene gezette waarneemingen d^elagrig is gewor- 
den. Zie hier,' tot een ftaal der medegedeelde be*. 

fchry vingen, het berigt nopens de gefteldheid van het ei- 
land Kotter dam ^ door de inboorclingen- Anatmhia gehee- 

ten^i 



VAN- DB VRIENBLYn BILANDEN. ff 

tm, het welk boven veele anderen een fcboon voorko- 

mcn beeft. 
y^Dit eiland ligt op de zuider breedte van twintig, graa. 

deoy «eventien minuten, en de lengte van honderd en 
2e$ en vijftig graaden , drie en twintig minuten , ten wes- 
ten van het eiland Ferro: Het houdt niet volkomen vijf-: 
rien zeemijlen of uuren; gaans in zijn omtrek, maar is 
zeer volkrijk. Onder alk de menigvuldige omliggende 
eilanden (♦), welke over 't geheel flerk bewoond, en 
aan planten en gewasfen uitneemend vruchtbaar zijn , 
fchijnt dit het aanzienlykfte te weezen. Het beftaat uit 
eene koraalrotS, die met ecne bedding van zeer vette 
aarde, welke allerhande planten in menigte voortbrengt^ 
bedekt is. 

,, Wegens gebrek aan tijd konden de heeren forstbi. 
den heuvel, midden op het eiland liggende, niet behoor- 
lijk onderzoeken; anders zou het zekerlijk der moeite 
waardig geweest zijn , na te fpooren , of hij niet véelligjt 
van een anderen oorfprong zij, dan het overige des 
lands; en of hi], alhoewel thans met heesters en Uruikep 
begroeid, niet veelligt aan de werking van eenen vuur* 
fpuwenden berg, zijne geheele verrijzenis te danken heb» 
^be; terwijl de rest des eilands uit koraalrotfen beftaatOV 

5» 'Dat 

(*) Men telt, rondsom het eiland Rotterdam^ niet minder 
dan 39 eilandjes. , 

(t) Dit hebben deeze Vriendlyke Eilanden , en zo ook veele 
andere in de Zuidzee, met eikanderen gemeen, zo als de Heer 
WaithtT in zyne algemeene beichryving opmerkt. „ De g;rond 
is veelal eene va>te koraalrots, gevormd door wormen, die 
hunne koraalboomen , uit den bodem der zee , tot eene aanmer- 
kdijke hoogte opwerken, welke t^n laatfte eilanden worden': 
hüedanigcn men nergens overvloediger vindt , dan in den oceaan , 
onder de heetlj luchtftreek. ■ Zij bouwen , tot op een ge- 

ringpn afïland van de oppervlakte der zee , een rif als uit klei- 
ne roifen beflaande, en fchijnen hierm door een bloot inflinct ge- 
leid ie worden : want vermits de wind , in dit deel des oceaans; 
meerendeels uit eene en dezelfde flreek waait, zo is liet kreits- 
vormig maakfel hunner koraalrotfen het beste, om aan het ga- 
weid des w:nds een vasten muur tegen te (lellen : wijl het, oiji 
zoo te fprcekcn , een mcir van het overige der zee afzondertt 
alwaar geen hevige waterbewecging plaats heeft , en het koraal- 
dier dus eene ftillet woonplaats vindt.. De baaren fpoelen van 
tijd tot tijd allerhande mosfelen, zeegras, zand, koraalftukkca^ 

fom.' 



^1 Dat de bewoonérs vatt dit eiland , door middel ym 
ten grooten vijver » overvloed van verscb water hebben^ 
is een groot 'voordeel ^ en zij zijn in dit ftuk veel geluk- 
kiger dan de bewooners van 't eiland Amfurdam^ ofTon*, 
satabuj zo als zij zelven het noemen. Oeeze eilanders 
icbijoen het ook zelven te gevoelen, wat voor een fchat- 
baare zaak goed drinkwater zij; want zij bragten geheele, 
lalabasren vol daarvan, als goede handelingsartikels , aan 
het fcbip. 

„ De boomgaarden, in menigte hier aangelegd, maa» 
ken, dat het geheele eiland volkomen naar een grooten 
tuin geh'jkt. De plantaadjen zijn hier niet, gelyk op bet 
eiland Tongatabu of Aoift^rdam, aan alle zijden, maar. 
alleenlijk naar d^n kant van den openbaaren of heereuweg 
met fcbuhingen ingeflaoteu, en hebben bij gevolg bet uit« 
zigt ongelijk vrijer en ruimer. Oe binnenue ftreeken des 
eilands zijn» door verfcheide groene heuvels, met haagen 
omgeeven en ftriliken beplant , op eene aangenaame wijze 
verfraaid; doch buiten die beftaat de grond overal uit eene 
effen vlakte. Men treft hier wegen aan, die over grasrijke 
weilanden loopen, en ten dcele aan weerskanten met hooge 
boomen beplant , en i en deele met bloeiende , lommerrijke 
en welriekende gewasfen overwelfd zijn. — Boomgaarden ^ 
en heigronden wisfelen ter rechter- en ter linkerzijde op 
eene verruklijke wijze af. Men vindt hier de fchoonfte 
liitzigten, en de groot (Ie verfcheidenbêid van aangenaame 
en welriekende bloemen. 

„ Niet verre van den noordhoék des eilands , flechts wei- 
nige ITchreden van den oever der zee, li^t een groot zout 
meir, welk omtrent een Engelfche* mijl in de breedte, en 
drie mijlen in de lengte heeft, ook rondom met een bekoor- 
lijken oever bezoomd is. 't fSeen deezegroote waterkom 
nog fchilderagtiger maakt , zijn drie kleine eilandjes , met ' 
bosfchen begroeid^ in 't midden van ditmeir gelegen. Daar* 
enboven is het meir met wilde eendvogels genoegzaam be* 
dekt; en aan deszelfs bosch- en lommerrijke oevers houdt 
zich eene menigte papegaaien , waterhoenders en kleine vo« 

ge^ 
ibmtijds ligte zwarte veenaarde» gelijk ook de vuiligheid van 
visfchen en vogelen, en, de overblijflelen van verrotte plantge* 
'wasfen aan." Hierby zullen ook, volpens den Heer Walih-r^ 
op deeze Eilanden, meermaals nieuwe vcrlch^nzels en omkee-^ 
ringen veroorzaakt zyn, door brandende bergen,' waarvan de 
puimftecfn en kazalti hier en daar Voorkomende» ten getuigea 
Tedbekken. 



VAN DB VRISNÜLYKB KlLANpBK^» Jp 

telen op* Mtfn ziet 'er uicgeftrekte laanen van brqodvrucbt* 
boomen op voortreflijke groene weilanden. Planten , roet 
uitgebreide ranken , welke op veele piaatfen als het dichtfte 
lommer een groen gewelf over de voetpaden gemaakt had- 
den, droegen ten deele fchoone welriekende bloemen. Gints 
ea weer maakten bekoorlijke heuvels, en beurtling eene 
groep huizen of boomen , ook op veele piaatfen een klein 
jandraeir, te famen genomen, ongemeen prachtige en be- 
vallige uitzigten , die, door den uitwendigen welftand der 
uiwooneren, overal zigtbaar, nog meer verheeven en be- 
zield werden. Bij.de huizen liepen hoenders en zwijnen 
rond. Pompelmoezen waren *er zo menigvuldig , dat men 
ze genoegzaam niet inzamelde , niettegenftaande onder tU 
ken boom bijkans een aanmerkelijk getal , wegens groote 
rijpheid afgevallen , op den grond lag. De hutten waren 
doorgaans met yamswortelen als opgepropr. Kortom , wer» 
waard men het oog wendde , vond men fpooren van over- 
vloed , voor welk bekoorlijk pezigt , kommer en zorg moes- 
ten vlieden. Met dit getuigenis der heereu forst br ^ 
die zich hier flechta *een paar dagen ophielden ^ ftemmen 
de berichten van den beer bllis, en den naamloozea. 
Brit, wiens dagboek de heer OBORCB.FOfis'PBR heeft over- 
gezet, die, vencheiden weeken lang, op dit en de nabij, 
geleegen eilanden vertoefde, volkomen overeen. 

„ De heer elus zegt nog , dit eilaftd had geene goe- 
de haven , doch de grond was , uitgenomen aan hec 
flrand, daar hij zandig is, ongemeen vruchtbaar. Hij 
voegt 'er bij, dat het eiland maatig verheven , en met 
boomen van verfcheidèn foort rijklijk begroeid was; doch 
dat 't over 't algemeen maar weinig goed water had, 
weshalve dt inwooners al het water, dat zij tot het kon- 
ken van nooden hadden, ^uit het binnenfte des eilands 
haaien moesten. De waterplaats der Britten lag een klein. 
endweegs van het ftrand, en was niets anders dan een 
ftUftaande waterpoel , in welken de ipwooner^ zich baac^ 
den. Het was dik, moerasfig en vol Üiky en daarom 
niet fmaaklijk: dan zij befpeurden echter geene andere 
nadeelige gevolgen daarvan. 

„ Ras vergaten de Britten hier de gevaaren en moeii* 
lijkheden hunner zeevaart, en genooten de aangenaam hei- 
den deezer gelukkige eilanden onbefchroomd ; welker 
plantgewasfen de lucht op een taamlijk verre uitgeftrekt^ 

beid met den verkwikkenden geur vervulden. De 

flantatdjen verfchaften bim bet verruklijkst gezigt^ welk 

uit 



80 F. WAtT«KR VAN DE VMENDLYKE EILANDEN. 

uit bet heerlijkst mengfel van verrcheiden bloesrems mtt 
het frisfche groen der bladen, en de inneeménde afwisfe- 
Jing van kleine boschrijke heuvels met grasrijke beemden 
en vruchtbaare dalen, ontftond. In de geheele natuur kan 
men voor het oog ni^s aangenaamcrs , en voor de ziutui- 
gen niets vleienders en verkwikkender» , bedenken, ' 

Theorie der aangenaame Mndoeninffm van den Heer J. l. k. de 
POüiLLY. Naar den vyfden druk uit het Fransch vertaald ^ 
door E. BEKKBR, Wcd. woLFP. In V Gravenhage by J. van 
Geef, 1786. Behalvefi het doorwerk «3 hladz* in gr. 8vo. 

:Mademaal ons geluk, zo niet geheel, althans grootlyks afhangt 
^^ van onze genoeglyke aandoeningen, zo h het wel der 
moeite waardig , met alle oplettenheid te overweegen , wat wy 
van derzelver aart , werkingen en gevolgen kunnen opfpeuren » 
en te gelyk na te gèan , wat wy daaromtrent in agt hebben te 
neemen , ter bevorderinge van ons eigen geluk , en dat van on- 
zen Evenmensch. Zulks heeft den Heer de Pourlly hewoogen, 
cm dit onderwerp opzedyk te behandelen.; en zyne deswegens 
voorgedraógcn Theoile is tot hiertoe ten uiterfte nuttig;, daar 
5j}'n Ed. dit (luk, op ecne geregelde wyze, met een wel wikkend 
oordeel ♦ ten bondigfte duidelyk ontvouwt. Na een beknopt ver- 
flag van de zekerheid en het belang van de leer der aandoenin- 
gen, brengt hy ons ouder het oog, hoe onze werkzaamhodcn 
van lichaam en geest , als ze ons niet vermoeien , en dus ver-, 
•zwakken, gerchiktzyn om ons aangenaame indrukken te verlee- 
nen; als mede dat de bewecgingen van ons hart, wanneer haat 
iKJCh angst ons dryft , ons tot vermaak ftrekken. Hieraan hcgif 
hy ecne hefchouwing van de. aandoeningen der fchoonheid des 
Licbaams, des Vcrflands en der Ziele; mitsgaders van het aans"c- 
mame dat 'er ligt in zulke hoedanigheden, die ons van onze 
volkomenheid verzekeren; en wyders Haat hy gade dè modlfica- 
tien der hersfenen , die de aangenaamc aandoeningen voorafgaan 
of verzeilen. Dit d^jet hem vèjder overweegen den invloed en 
de betrekking, die de wetten der aandoeningen op onze aanwee- 
Szigheid hebben, en vervolgens onderzoeken; wat de reden zy^ 
dat, daar de Wetten der aandoeningen voor alle mcnfchen de- 
zelfde zyn, 'er zulk eeii groot onderfclieid van verkiezingen 
«n fmaaken gevonden wordt? Uit dit alles leidt hy af, boe krag- 
tig wy hier door overtuigd worden , dat de wetten der aandoc- 
, Hingen het werk zyn van een wys, magtig en wcidaadig Wee- 
zen. Dit vertoont zig nog duidelyker, in zyne volgende ovec- 
iïenkingen, daar hy ons de geneugten ontvouwt, welke aan de 
^>cafagting onzer pligten, jegens God, ons zei ven. 'en den Naas- 
ten , vcrknogt zynjtoonende tevens, by manier van zamcntrek- 

king 



f, DE POUILLY, OVEX M AANCEVAAUX AANDOENINGEN, tt 

kiogvan dit alles:, de grootheid van *t geluk, »t welk de Deugd 
vergezelt. Zulks geeft hem ten laatften aanleiding , om te doen 
den, in welken levensHand men allergelukkigst is , en hoe de 
Zedelykë Wysbegeerte den Mensch , door een duidelyk onder- 
wys, waarvoor ieder welgefchikt hart vatbaar is, ten wezenly- 

ken gelukftande opvoert. Eene aandachtige overdenking , 

\'an 'c geen de Heer de Pouiily in dit alles leert , is uit eigen aart 
gefchikt , om den Leezer aan te moedigen tot een naarftig ge- 
bruik yan alle zyne vermpgens, waarmede de Schepper hem zo 
weldaadig begiftigd heeft , om hem , zelfs hier in den tyd , een 
genoeglyk leeven te doen genieten, en bekwaam te maaken, 
voor een volkomen gelukkig leeven , in de eindelooze eeuwig- 
heid", des wj de oplettende leezing van 'dit ftukje een ieder 
aanpryzen. intnsfchen neeme men, als ter voorproeve, :iyne 
volgende oplosfing van een verfchynzel , in 't ftuk der aandoenin- 
gen, 't welk veclen in den eerden opflag natuurlyk vreemd moet 
voorkomen: dat, naamlyk, daar^de Wetten der Aandoeningen 
voor al/e menfchen dezelfde zyn, *er ^ter zulk een groot on- 
derfcheid van verkiezingen en imaaken gevonden wordt. 

„ Men komt, zegt de Heer de PouiUy^ hierdoor dikwils in 
verzoeking , om te denken , dat die Wetten voor de Laplan- 
ders en Africaanen niet dezelfde zyn kunnen; noch voor hen, 
die door een zceëngte of een keten van bergen s:efcheidcn wor- 
den. Wat zeg ik? voor Leden van het zelfde Huisgezin; voor 
Menfchen, met elkander gebooren en opgevoed, zyn de bron- 
nen van vermaak zo ondencheiden , dat juist dat geen , 't welk 
die verkiest, geen geringe (IrafTe voor den anderen zoude 
uitmaaken. 

„ Het groot ondcrfcheid der Organen is wel de voomaame 
oorzaak van dit vreemde verfchynzel. Daarom zfet ook een 
fyn, keurig ooggeftcl,veeUiever het paarsch dan het hoogroode ; 
en NEWTON bewees. dat deeze kleur gehecht is aan de flaauw^ 
fte lichtftraalen : maar het hoogroode behaagt veel meer aan 
een ftcrker, meer ge"ooten, vaster oogftelzel. 
• „ Geluiden, die een kiesch volk ruw voorkoomen, zyn zo 
niet voor minbelchaafde lieden. Petrarcha (preekt van iemand , 
voor wien 't gcfchrccuw der Kikvórfchen aangenaamer was , 
dan bet gezang der Nachtegaaien. De gehoorvezelen van dee« 
zen man zullen waarfchynelyk te vast in een gewerkt zyn ge- 
weest, om door zulke krytende geluiden vermoeid te kunnen 
wcvden. 

,. De Natuur heeft mogelyk nog meer onderfcheid gemaakt 
\n de vorming der harsfens, dan in de werktuigen der gewaar* 
wording. Welk een verfchil lusfchen de opvliegende vuurig- 
heid van een Indiaansch, ^n het yskoudc van een Samojecdsch 
hoofd! op zulke Menfchen kunnen dezelfde voorwerpen niet 
dezelfde indrukken voortbrengen. Hierom moet de Declama-- 

IL DBEL, N. ALG. LETT. NO. 2. F tie, 



|2 !• DE FOUILLir 

tie indien zy de bewooners van het Zuiden zal voldoen, voor 
hun vcfel meer vuurs hebben, dan voor ons, Noordfche vol- 
ken, vemiids zy evenredig zyn moet aan veel levendiger ge- 

waarwordinct* 

De engheid ^n uitgebreidheid der kundigheden brengen 
torhet erillige der fmaaken, insgelyks, zeer veel toe. 

„Sommigen zyn alleen getroffen door het aangenaame, 't 
welk wezenlyk in een voorwerp berust; anderen geeven zich 
over aan de indrukken , die het afweezig zyn van eenige fchoon- 
heden in hun veroorzaakt. . • . . 

,» De Egyptenaars zagen in hunne bouwkunde mets met zo 
veel verwondering als het groote. De Gotthen eischten ver- 
fcheidenheid. Groote Architecten hebben noch het groote noch 
het veelvuldige verwaarloosd , maar beiden wecten te verbin- 
den met elkander, en met een edele evenredigheid. 

„2^ is het ook in deToonkunde; hier vordert men ftoute ge- 
leerde compofitien, daar wil men alleen juiste navolgingen der 
Natuur. Groote Muziekkunftenaafs hebben ^an beide dceze 
eifchen voldaan. Zy weeten de weerbarftige Disfonanten toi; 
eene fchoone welluidendheid te dwingen. Hun groot oogmerk 
Is. echter, aandoeningen op to wekken; overtuigd, dat zy het 
volmaakte der kunst niet bereikt hebben, indien zy het hart 
niet overweldigen , terwyl zy de zinnen (Ireelen. 

Gelukkig het Volk, daar men Menfchen ziet optreeden ^ 
bekwaam om alle deeze pnderfcheiden fchoonheden te bevat- 
ten en In een waare proportie te verzamelen» Het is waarlyk 
of ^n karige hand, geduurende den loop van geheele ecuwen, 
flegts nu en dan eens eene genie fchenkt. Hunne werken , die 
de vruchten zyn van eenen kiclthen fmaak, geeven op hun 
beurt eenen goeden fmaak aan een geheel Volk. Aan die wer- 
ken worden alle andere beproefd. Dan gebeurt het, dat een 
werk *i welk ons weleer behaagd heeft, ophoudt öns in ver- 
wondering te brengen. Want het betere is de groote yyand 

van het Sxjde. - Geef laauw water aan twee menfchen, 

laat *de eene koud en de andere warm zyn ; dan zal dat zelfde • 
water koud zyn voor den eenen, en heet voor den anderen; 
en evenwel zyn .de wetten der gewaarwording voor beide de^ 
zelfde; maar de maat, die ay ftellen, is zo onderfchciden , dat 
de uitkomst dus en niet anders zyn moet. 

,, De fchoone Kunften waren in Europa in de dertiende 
eeuw, geheel vernietigd. Toen befloot de Floryntynfche Raad, 
oni, met veeie onkosten, voomaame Griekfche Schilders te. 
laaten overkomen. Toen ook waren hunne Werken Meester- 
aukken. Cimantoê werd hun Discipel, en verzamelde alle de 
eebrekkiee overblyfiwls, die 'er van de Werken van parrha- 
siüs en APPELLES te vinden waren. Welhaast oyern-of hy zyne 
Meesters; ja overfcbeen bun ten eenemaale- Wy zien ujt de 



OVER DB AANGENAAME AANDOENINGEN. 83 

Gefdffiftcn van dante, hoe men toen ter tyd waande, datiiy 
hetto[^unt der Schilderkunst, bereikt had. Maar giötto toonde 
wd rasch > boe veel verder men het in de kunst boven zynen 
Meester brengen konde; zyne Werken w^-dcn ook voor vol- 
makt gehouden. Michel anqelo en rafaêl hebben ctmantcë 
en GIÖTTO oneindig overtroffen. Hebben wy evenwel aan deeze 
twee Meesters deeze groote Schilders niet te danken ? 

„ Laaten wy de Oiineefche en Indiaanfche Schilders niet ver- 
achten: rooogelyk ftonden'wy nu nog verftontd voor tafereelen, 
niet zo goed als de hunne» indien een gelukkig faamenloop van 
zaaken niet te gelykiydig de Florentynfche Regenten hadde daar- 
gefteld, die in fiaat waren tot het vormen van zulk een grootsch. 
ontwerp; en Kunllenaars, bekwaam om voordeel te doen met 
de hulp , die men hun beloofde. 

„ Eene lompe vertooning, van de eene of andere in den By- 
bel verhaalde daad, bekoorde onze Voorouders, die toen niets 
beter kenden. Eïi fotn zeker flond het den Chineefen vry , hen » 
om hunnen, laagen fmaak, uit te lachen; en zy zouden op huu 
beurt verdiend hebben uitgejouwt te worden, door de verwon-* 
déraars van lopez de vega en smakespear. Maar, terwyl de 
Chinees, Spanjaart en de Ëngelschman zich verwondert over 
grootTcbe Tooneelgevoelens, wel verbonden bedryven, flerk uit- 
gedrukte driften, zo zullen zy, die met de Werken vian sopho- 
CLEs, coRN£iLLE cn RACiNE bekent zyn, naauwlyks ooit, dan 
met Weerzin, zulke gebtekkige Tooneelflukken zien, waarin 
de fchoonfte byzondere gedeeltens , door de grootfte onregeima« 
tigheid, bedorven zyn. 

,« Het hart is, zonder de verlichting des verflands, ook wel 
in flaat, om den fmaak te doen verfchilJen. De Nyd, die treu- 
rige Minnares der dooden, haat de levendigen, en vernedert de' 
Kunftenaars voor het oog van beiden. Of is men al de mede- 
fireever zyner Land- eu Tydgenooten niet ; dan vindt men bc- 
baagen in hun op het toppunt der volmaaktheid te plaatzen, ter- 
wyl men zich vleit eehige dier lauwrieren, die men uitdeelt, 
voor zich zelf te behouden. 

M De eerzucht beflist ook dikwils over het lot der Kun- 
fi(!Daars. De Romeinen achtten geene Kunden , dan die hen 
loerden hun Vaderland te overweldigen , of nabuurige Pro^ 
vinden te vermeesteren ; zy vonden iets beuzelagtigs , iets 
faags in de Standbeelden en Schilderyen , waar voor een Griek 
in verrukking weg viel! Zo groot is de magt der driften, die 
onze ziel vervullen ; zy verleelyken alles, wat niet met haar 
voorwerp inftemt. 

„ Het gebeurt ook wel , dat Godsdidnftige begf nzcis invloed 
hebben op den fmaak. Pe volmaaktüe Standbeelden zyn voor 
de Wiiarc Mufelmanneh niets dan afgryslyke Afgoden.** 



84 !• CAMPB 



Volledig Leerflelfel van Opvoeding, ontworpen door eenige be- 
roemde Geleerden in Duitschland 9 en uitgegeeven door J. H. 
campe', tweeden Deels eerfte Stuk Te Amjletdam" h'j de Erven 
P, Merjer en G. Wamars, en de Wed. J. Dóll, 1786. In 
octavo 288 bladZ' 

Leeshek voor Kiriderev. Met Plaaten. Eerjlen Deels tweede Stuk. 
'Je Amjlerdam, a^s boven. In octavo. 

T^an het oogmerk en de inrigting deezes Leerjlelfels ^ mitsga- 
ders van het daar by afgegeeven Leesboek y hebben wy al 
voor eenigen tyd gewag gemaakt (*); en de bovengenoemde 
Stukjes bevestigen, door de manier van uitvoering, het gunftige 
berigt, dat wy nopens dit ontwerp diestyds medegedeeld heb- 
ben. Het thans gemeen gemaakte Stukje van het Leerjielfel be- 
helst eene Verhandeling van den Heer Campe ^ over de eerjie vor» 
ming der zielen van jonge Kinderen , in het eerfte en tweede jaar 
der Kindsheid. — — — Na eene voorafgaande gepaste aanfpraak 
aan regtgeaarte Moeders , over het gewigt van dit onderwerp , 
den weg langs welken hy haar leiden wil , en de bezadigde op- 
lettendheid , welke hy , met betrekking tot zyne onderrichtingen , 
van haar afvordert , fchikt hy zyne eerfte afdceling ter ontvou- 
winge der algemeene grondbeginfelen van de opvoeding der Zfe- 
Ie. In deezè draagt hy eerst voor, eenige bcfpicgelingen we- 
gens de natuur van der jonge menfchen Ziel ; en^ vervolgens 
hegt hy hier aan eene overweeging van dat geene, waartoe de 
menschlyke Ziel hier op Aarde gcfchikt is ; en van de menigvul- 
dige hinderpaalen , welken haar daar by in den weg liggen. Met 
de ontvouwingo hier van een vasten grondflag 'gelegd liebbende, 
gaat hy in de tweede afdeeling over, tot de oplosfing van de 
voorige algemeene grondbeginfelen in byzondere lesfen ; welken 
hy tot drie hoofdfoorten brengt, i. Lesfen betrekkclyk tot de 
vorming van jonge Kinderzielen , door Hchaamlyke indrukjelen. 
2. Door zedelyke invloeden: en 3 die in agt te neenien z>'n • 
ter bevorderinge van haare eigene werkzaamheid , en door zoda- 
nige oefeningen van haare zinlyke werktuigen en van haare ont- 
luikende zielsvermoogens , welken aan het bedoelde oogmerk be- 

antwoorden. ^ Op hot ontvouwen deezer welberedeneerde 

Liesfcn. in welken de voomaamfle omftandigheden, die fn de 
twee eerfte jaaren der Kindsheid opmerking vorderen , gade ge- 
flaagen zyn , brengt de Heer Campe zyne Verhandeling met de 
volgende aanfpraak aan de Moeders , ten einde. 

„ En nu geloof ik aan het doel genaderd te zyn , *t welk ffc 
my had voorgefteld. üwe zaak is het nu, gy Moeders» om van 
eiken goeden raad, welken gy h;er geleezen hebt, met alle mo- 

C)Z:e boven, Berfie üeel^ b;adz. ut. 



LSERSTELSBL TAN OPVOBDIMG, 8^ 

gelyke zorgvuldigheid gebruik te maaken. Want aan u , en niet 
san uwe egtgenooteh, beeft de Voorzienigheid dit eerfte werk 
der opvoediiig byzonder en eigenlyk opgedraagen. Uwc mannen. 
nioeteD hierby^ Hechts uwe raadgeevers, uwe helpers zyn, en 
dan eetst in uwe plaats treede;n » wanneer het kind voor de twee* 
deopYoeding en voor het vaderlyk onderwys, is ryp geworden. 
Ik oordeel dus, dat ik dit opflel niet beter kan fluiten 9 dan ^an* 
oeer ik u met de woorden van denzelfden man , dien ik in dee. 
Zt Verhandeling zo dikwerf en zo gaarne voor my liet fpreeken , 
nog eenige gronden onder 't oog breng , welken deezen uwen 
gewigtigften en heiligllen pligt nog klaarblykclyker voor u maaken 

„ „ De eerfte opvoeding, zegt roüsseau, doet het meeste , 
en deeze eeHte opvoeding komt ontegeirzeggelyk de Moeders 
toe. Want behaLven , dat deeze meer dan de mannen in ftaac 
zyn om 'er op te letten, en 'er ook meer invloed op hebben, 
nukt haar het gevolg daar\'an ook dies te meer ; dewyl byna de 
nieesre weduwen zich aan tle willekeur van haare kinderen zfen 
oveiyelaaten , en dewyl dan deeze kinderen haar de uitwerking, 
van de wyze hoe zy opgevoed zyn , in bet goede en in het kwaa- 
de, seer flerk laaten ondervinden. 

„ „ Wil men ieder e^n tot zyne eerfte pligten doen weder- 
kceren » men moet met de Moeders eén begin maaken ; en men 
zal met verbaasdheid de verandering zien, welke men daardoor 
in de oienfchelyke maatfchappy zal voortbrengen. Alles welt 
Vaa tyd tot tyd op uit deeze eerfte bron das verderfs ; alle ze- 
delyke orde wordt daardoor het onderst boven gekeerd ; de na- 
tuurlyke inborst wordt in aller harten geftnoord ; de innerlyke 
gelteldheid van het huls verliest haare levendigheid ; het-ziclroe- 
xcnde tootjeel van een aangroeijend huisgezin kan de mannen 
niet meer bekooren , en aan vreemden geene achting meer inboe- 
zemen; men eert de Moeders minder, welker kinderen men 
niet ziet; de huisgezinnen hebben geen vast verblyf meer: de 
gewoonte bevestigt niet meer de banden van bloedverwantfchap ; 
daar zyn gecne Vaders, noch Moeders, noch Kinderen, noch 
Broeders en Zusters meer; allen kennen elkander na^wlyks, 
boe zouden ze dkanderen dan kunnen beminnen ? Wannneer het ^ 
buis (lechts eene treurige eenzaame plaats is, moet men zyn ver- 
maak buiten het zelve zoeken. 

„ „ Maar, wanneer de Moeders flechts willen goedvinden, 
om zelve haare kinderen wederom te zoogen. (indien geene 
zwakheid j haar de ijeoefenïng van den moederlyken pligt onmo- 
gelyk maaktO dezelven zelf op te pasfön, zich het me»st met 
nen bezig te houden, dan zullen de zeden van zei ven verbete- 
ren; de natuurlyke" gewaarwordingen van zelve in alle harten 
wederom ontwaaken; de ftaat wederom bevolkt worden. Dit 
eerfte fiuk, dit ftuk alleen zal alles wederom vercenfecn. De 

Fa be- 



86 J. CAMPE» LSERSTELSEL VAN OrVOEDmO'i 

bekoorclykhcid van het huifelykë leeven Is bet beste t^ngift 
tegen de flechte zeden. Het geraas van de kinderen, het 
welk men voor 4asdg houdt, wofdt aangenaaiti; dit maakt bet 
voor Vader en Moeder noodzaakelyker, om eikanderen te be- 
minnen, dit ftrengelt den huwelyksband (lerker in eeit. Is bet 

' huisgezin levendig en vlug, dan zyn de huifelyke zorgen de 
aangenaamfie bezigheid voor de vrouw, en de bevailigfie tyd- 

korting voor den man. Op die wyze zou , uit de verbe. 

tering van dit enkel misbruik, welhaast eene algemeene verbe- 
tering ontdaan, de natuur zou alle haare rechten wederom ont* 
vangen. Mm kuae dó Vrouwen fleehts eerst wederom Moedefs 
'worden y de Mannen zullen nveUuuist wederom Vaders en Ëgtge- 

^ nooten 25:vn." ^ 

„ En laat ons, eer wy dit zullen beleefd hebben, geen é- 
gcn»eene en klaarblykelyke uirvi'erkingen verwachten van het ver- 
beterde' Lcerftelfel der Opvoeding .'* . . 



Wat wyders het, volgens het Plan, hier nevens afgegeevcn 
Leeshoek yoor Kinderen betreft, het zelve behelst eene groote 
verfcheidenheid van gefchiedenlsfön , fabelen, opwekkende be- 
denkingen en leerzaame onderrigtingen , welker leezing den Kift. 
deren op eene gevallige wyze nuttig kan zyn , en hunne leer- 
Kugt verder opwakkeren. 



Plfgtige Redevoering op den honderd en vijfiigfien Verjaardag 
der Utrechtfche Academie 9 gedaan den 31 Mey 1786. Door 
SEBALD RAir. Te Utrecht by A. van Paddenburg 1786. In 
gr, octavo 40 bludz* 

Naauwkeurige Bejchryving en Verhaal der Plegtigheden enz. hy 
bovengemelde honderd* vyftigfte Verjaring. Door c. de vries. 
Doopsgezind Leeraar. Als hoven. Behalven de by gevoegde 
Naamlysten en Feestzangen , 96 bladz. in gr* octavo» 

► "Ry ^® Plegtige Redenvoering van den Hoogleeraar Rau, (van 
*^ welke wy onlangs gewag gemaakt hébben,) (*) in het Ne- 
derduitsch overgebragt, heeft men ook door den druk gemeen 
gemaakt een naauwkeurig verflag van al het plegtige, ftaatlyke 
en vrolyke, dat tot luister der beuchlyke honderd- vyftigfte Ver- 
jaaring der Utrechtfche Academie geftrekt heeft. De Eerwaarde 
de Vries heeft dit te beter met de vereischte juistheid kunnen 
uitvoeren ; nadien men hem , gelyk hy dankbaar erkent , de be- 
hulpzaame hand gcbooden heeft, in *t verleenen van de noodi^e 

be- 
(*; zie boven , Eerfte Dsel , U. 49». 



r 

HONDBBBrVTFTiesn: ,VElJ*AiING ,DM VTK. ACADttttKi f « 

tejpen, nopen? het geen 'er, buiten het openbaait. waar van 

by oor. en ooggetuigen was, binnenskamers, ia deVereadaT 

pfaaOKB der feestvierende Heeren , plaats gehad hebbe. en vm»' 

«evallen zy;Men vindt hier, uit dien hoofde, een aan^jrefSw" 

keld verhaal van al bet merkwaardige op dien pS^£' 

met eene nevoisgaaode verklaaring van het bedoelde zfnnebe^* 

tfge.en »tgeen verder nog eenige opheldering moet vordeten^ 

Voor aan dit Verhaal is gevoegd een beknopt veiflag van de on. 

ngting en vroegeren flaat, als roede .van den tegenwoordipm 

toeftand, dier Academie En op het einde vaii dit Gefchrift 

heeft men nog laaten volgen, eene lyst der Profesforen, mits- 
gaders wie hunner m den tyd Itectoren geweest s»yn, ^ve^ 
Bonaen int hetByroegad, op de voorgemelde Utynfché Red^ 
voenng van den Hoogleeraar Rau (f); waaAy noe komT^ 
AlphabetiTche Naamlyst der Heeren Studenten , (fie^ iTde^ 
Academie, by de viering van dit Feest, bevonden, KiSt^ 
a'ng der Faculteit waarin zy ftudeerden. Teft laatfte vindra w 
'er nóg gepatst een vyftal van Feestzangen, liit welks Z^ 
jry niet wel kunnen nalaaten over te neemen, rfte vier volgende 
Coi^lett|?n, die ons den aanvang en het ki ,ftwd houdeS^ 
Academie, op eene zeer gepaste wyze, uitdrukken. 

Tam Deugd het wanbegrip vetdreeven 

Uit Bato's tuin gexuivert zag^ ., . 
Kreeg 't Zaad der vysheid kragt M( fenm , 

Ontkemd, daar 't ztnder veedzit lag: ; 
*t On^fing, bevoeitigt, gneri tn ««Sm V 
Dt noette By hegea te Ue»m 

Fan *t vtedxaam stet der uretekfeh^ .< ~ 
*t Mitnmde fpeer van Kuntt en taaien 
Werd glad gevloerd in Ten^ettaaleni ■ 

De GODSDIENST sot Op dt eere-trap. . 

iitn xag de wrakke putnen flechten ) 

Der neergejlerte onwetenheid ; ^ '- • ' . - - 

En aan H gebeuw der Romfehe ijbchTbm . - _ 
£en mtetterlyke hand gehid^ > , , , '''■ 
^^ ■ ' ' '■ Ci^ 




Wö; «elyk mede, in het NedeMuitscb venwld, 'igter de Btf.cl.rvvhï 
h^iS"'^"""'™'*' «*«>«»« v«n de opregdn^ 'djJ^Aad^e,- ,p, op 

F4 " 



m HONDERT-VrPTIGStE VERJAARINÓ DÈil ÜTR. ACADEKl». 

Gbneeskunst vestte zich een zetel $ 
TcnJ^ytf van die 9 door waan vermetel 9 
Zich roemde de eer der Kunst te zyn. 
De WYSBEGEEHTE onitoi^ het duister 
Ontdeed zich van den Schoolfchen Kluister^ 
' Ge/meed voor het bekrompen brein. 

V Bataaf sch Gewest zag School en Tempel 
Der Wysheid en der Deugd gejlicht : 

Daar*t.wanbegripftmd op den drempel 
Der doedfche cel, beroofd van licht. 

By*t uchtend rood dier gulden dagen ; 

Die 't merk van V Hemels gunjlen draaien 9 
Rees Utrechts Hoge School om hoog ; 

En zii^s den loop van zo veel jaaren 

'Mlonkfjeboon door nevlen van gevaarcrt^ . 
. .'. .. Haar Zonlicht in Europa's oog. 

Dat nu de dankbre toonen vloeien t 

Daar *t oefenjchool in glorie - Hand f 
Zints HOWüERD-VTfFTiG JAAR bleef groeien, 
f Tot eieraad van het Vaderlandl 
Zóms 'dieden wel de ramporkhdnen 
Het ZenliéM der geleerdheid taaimif 
Enjlormdeft «p Met Stichts jltheen: 
Geen nood! -^^ de God der wysheid waakte 
En dreef f wanneer het onweer kraakte 9 
De donderwolken voor zig heen. 



Gejchenk voor de Jmgdl Vierde Deels Tweede Stulpen, te Amjler* 
damby J. Allart 178$* In octavo il^bladz. 

Naar de inrigtirfg van dit aangenaam leenryk Gefchrift voor de 
Jeugd, is dit Stakjo weder gcfchöct voor het Mengelwerk ^ 
en *t behelst ingevolge hiervan eene reeks van verhaalen , ftbels 
en dichtftukjes, die hunne gevalligheid voor de Jeugd hebben^ 
en meerendeels, of . regelrecht of van ter zyde, dienen, om 
de Jeugd vto het kviraade af te, fchrikkea en ten goede op te 
wekken. Tu>fchen deeze foort 'van gefchriften vindt men ook 
anderen geplaatst, die wat gezetter opmerking vorderen; als 
daar is eene voor de Kinderen verdaanbaare uitbreiding van het 

On* 



GJBSCHËNK VOOR DS JEUGD. . 8p, 

OnK Vader ; eeoe verklaaring van eenige Vaderlandfche Ipreefc. 
woorden; en eene opheldering van de Nederduitfche benaamia- 
gea van de Maanden van het jaar, met eene aanduiding, dat 
meo in Nederduitfche Schriften die benaamingen , in ftede van 
de zo gebruikclyke Latynfche naamen der Maanden, meer in 
2wang behoorde te brengen. Met het e^ne en 't andere is de 
arbeid der Eerwaarde Heeren Opilelleren van dit Werkje zeer 
gefehikt, om den lees- eir leerlust der Jeugd geftadig aan te 

kweeken , en op den duur op te wakkeren. Zie hier uit 

bet zelve een waarlchuwend verhaal , tegen de gevaarlyke 
Speelzugt, t welk veelen van ryper jaaren ook wel onder 't oog 
gebragt mag worden. 

„ 2dcer Offlc/er in Franfchen dienst, die, door 2ïjne ver- 
dienden, tot den rang van Kolonel opgeklommen was, zag, 
met fmerte , dat de Officiers van zijn Regiment zich aan (pel 
en ledigheid overgaven. Hij vroeg hen eens ten eeten, en 
vertelde hun deze historij. 

„ Ik was nog zeer jong,' toen mijne Ouders mij een plaats 
van Lieutenant koffen. De lust, dien ik getoond had voor de 
letteroefeningen , deed hen hopen , dat ik mij met denzelfden 
ijver, in het geene mij tot mijnen post noodig was, zou laten 
onderrechten, en dus mijn fortuin maken. Ik gedroeg mij ook, 
geduurende eenige maanden, zeer wel. Maar welhaast haalde 
het droevig voorbeeld van mijne medgezelien, en hunne verlei- 
ding mij over, om in hunne fpeelpartijen deel te nemen, en 
de drift tot (pelen werd mij zo geheel en al meester , dat alles , 
wat mij van het fpel te rogge hield, mij öhdraaglijk werd. 
Maauwlijks kon ik mij eenige uuren aan het (pel onttrekken om 
te flapen. In het midden van den diepden flaap , zag ik in den 
droom hoopen van goud en zilver; alle de kaarten lagen voor 
mijne oogen, en het geraas der dobbel Reenen vervulde onop- 
houdelijk mijne ooren. Het eten werd mijn draf en ik ver(tond 
met haast mijne (pijze, om zoo veel te eer weder aan de fpeel- 
tafel te weezen. Ook was het geluk mij zeer gundig, zoo 
dat ik groote fommen bij een vergaderde. 

„ Ik werd ongevoelig voor de aantrcklijkhéid van alle andere 
^oon^'erpen onvatbaar; onvatbaar voor de aandoening van 
vriendfchap. Ik was nerg.n<; wel te vrede, dan alleen in 't 
gezelfchap der genen, die voorhadden om mij re bcrooven. De 
gedachte aan mijne Ouders was mij onaangenaam , en zoo ik 

ooit nog eens aan God dacht helaas ! ik durf het naauw* 

lijks zeggen , — — het was alleen om hem te la'^tcren. 

., Deze waren de waardige bezigheden van mijn leven, drie 
jaren lang. ik kan *er thans niet meer aan denken, zonder 
mij, over zulk een fchandelijk gedrag, voor God en menfchen 
te vcrfoeijen. Maar hoe durf ik u vertellen eene buitenfpoo- 
ijgbeid 9 (fifi nog veel verfchriklijker is , en die nimmer is uit te 

wis- 



^* CfiSCflËNlC VOOA -DE JECGD» 

ti^isfchcn. zelfs nïet, na dat ik, zederc ao jaren lang, cefHjfc 
en onbefproken in de wereld geleefd hebbe. Oordeelt, mijne 
Heeren , wat belang ik 'er in moet ftellen , om u mijn voorbeeld 
van nut te doen wezen, uit de fmerte, die ik mijzelven, door 
deze vernederende belijdenis , veroorzaak. \ 

„ Ik werd eens afgezonden om rekruten te werven, meene 
(iad, op de grenzen. Ik had dit werk aan mijnen Sex^eant óver-- 
gelaten, om op mijn gemak mijne heerichende drift tot het fpel 
t^ kunnen voldoen. Twee dagen naderhand bragt hij mij 20 
ultgezogte kerels, om aan dezelve hun handgelt te betalen. On^ 
gelukkig had ik even te voren verloren, niet alleen alles wat 
ik bezat, maar zelfs het geld, dat mij mijne compagnie, tot de 
werving had toevertrouwd. Gij kunt denken, hoe groot mijne 
benaauwdheld wezen moest* Ik zond terftond een bode, tot 
^en van mijne medgezellen, die in het guamizoen gebleven was. 
Bc beleed hem mijne misdaad, en ik bad hem, dat hij mij 50 
louizen leenen wilde. 

„ Hoe" antwoordde hij mij, „ zou ik eene Ibmme gelds 

„ leenen aan een Ipeler? neen, mijn Heer! indien ik 

Il de keuze heb, wat ik verliezen wil, of mijn geld, of de 
„ de vriendfchap van een man, die zich zelven onteert, dan 
,j behoud ik mijn geld.»» 

„ Op het lezen van dien verfchriklijken brief, viel ik in eene 
flaauwte, eï\ ik kan mij nog herinneren alle de verfchriklijke 
denkbeelden, die mij allen als in één oogenblik kwamen be- 
ftormen: van den eenen kant de droefheid en de verontwaardig 
ging van mijn vader; de oneer die ik mijne familie aandeed; de 
fchande van aan het hoofd van mijn Regiment weggejaagd te 
worden : ■ en van de andere zijde, het fchitterend uitzicht 

op de posten van eer en aanzien , tot welke ik mij door een 
beter gedrag zou hebben kunnen verheffen. Ik kreeg eindelijk 
het gebruik mijner vermogens weder, maar alleen om te den- 
ken , hoe ik mii door een nieuw fchelmftuk zou bevrijden van de 
ichande, waann een vorig mij gedompeld had. Ifc was reeds 
gereed om dit afgrijslijk voornemen uit te voeren , toen ik den-- 
zcifden ofBcier aan mijn deur zag verfchijnen, wiens antwoord 
mij zo zeer bcnaauwd had. 

„ In de eerde bewegingen van mijne woede, viel ik op hem 
aan. om hem bet leven te benemen. Hij ont^vapende mij zon- 
der moeite , en omhelsde mij, ,♦ Ik heb u een weinig hard op 

uwen brief geantwoord,*' zeide hij, „ om u voor een oogen. 
, blik de verfchriklijke omftandigheden te laten gevoelen , waar- 
' in liwe dwaasheid u geworpen heeft. Ik zie dat gij daardoor 
*', getroffen zijt. Mijn geld, mijn bloed, alles wat ik bezitte, 
* is tot uwen dienst. Zie daar**, en hy wierp zijn beurs op ta- 
fel „ neem *cr uit wat gij van nooden hebt , voor uwe rekru. 

ten. De reit kunt gij gebruiken om teipclen, wanneer gij 
" 99 fpe- 



GEffSmVK VOOR DE JEUGD. ^t 

y, loeien wfSt.^ Hooit, nödt, zeide ik, hem tederlijk aan mijh 
ban dnikkende. -^ 

„ Ik heb getroirwreh'jk mijn woord gehouden. Ik onthield 
mif van dien dag af, van alle kostbare uitfpanningen , om het 
feld, dat mij mijn edelmoedige vriend geleend had , wederom 
uit teiparen. Ik befteedde alle ledige oogenbükken , tot nuttige 
oefening. Mijne naarftigheid, in het waarnemen van mijne 
plichten, trok d^ opmerking van mijne meerderen tot zich, en 
deze gelukkige verandering is de oorzaak, dat ik de eere heb* 
be, thans een OpperofScier te wezen." ' 



Sioat' en Regeeringskundige Boom t fchetzende de èlgmeene Staats 
en Regeeringsvorm der Fereenigde Nederlanden; met eene ne- 
yensgaande Verklaaring yan denzelven. Te Amfterdam^by J. Kok 
Pietersz. ijió* Ieder op één blad in plano. 

Om den minkundigen Landzaat, met weinig omflagt een gel 
regeld denkbeeld van de algemeene Staats- en Regeerings- 
vorm der Vereenigde Nederlanden in te boezemen, is men b&- 
dagt geweest, op de Afbeelding van een Boom, welke ,!in des* 
zelfs wonelen, itam en takken, ons de voomaamde deelen van 
die Regeeringsvorm , met aanwyzing van derzelver onderling ver- 
band, voor oogen ftelt. Deeze Afbeelding doet men vergezeld 
gaan van eene verklaaring, welke , by de opheldering der Plaat, 
een beknopt berigt geeft» van de werking ^n het bedoelde dci; 
aangenrcezene Leden van ons Staatslichaam , ter bevorderinge 
van deszelfs algemeene welzyn. — -^^ De vinding is niet on- 
aartig, en de uitvoering verdient goedkeuring ; te meer , daar 
dezelve weezenlyk kan (trekken , om veelen , op eene gereeda 
manier» een klaarder denkbeeld van onze Staat- en Regeerings- 
vorm te vcrleenèn, dan de Natie over 't geheel gewoonlyk.wel 
bezit. 



Fryheid Blyheid : Vaderlandsch Dichtftuk , door elizabeth bek^ 
KER , Wed. woLFF. In V Hage^ by J. van Cieef, .1786. 46 
bl. in gr. tvo. 

De Dichteres van dit Stuk wordt^ door haare Zanggodin, uit 
haare lustelooze droefgeestigheid, óver 't verlies des waardi- 
gen Vaderlandfchcn Dióhter , bellamy , opgewekt en aangefpoord , 
om deel te neemcn in de tegenwoordige omftandighcdcn des Va- 
derlands, (te weeien, in de maand September 1785.) 't geen 
ten gevolge beeft» dat zy een mannelyktn Vryheidszang aanheft, 

die 



^ B. WOLI^F, VRYHfitD BLYHEID* 

die haare bekene]^ DichtpeOf en baar Vatterlaildsdi hart^ eerüan* 
doet , daar zy zelfs omtrent de Zeeuwen betuigt : 

H^at aar feit gy^ trekt aan f ó eertyds dappre Zeeuwen. 

Vleit elk zich dan met hoofjche gunn? 
JVat laat ge u langer d$or de loosheid overhaalenf 

Hoort gy de ftem der vryheid niet^ 
Komt ook niet eene Zeeuw ter haar er huif gevloogenf 

Hoe dus van 's Vaders deugd ontaart?...^ 
O Holland! waar ik ook op uwen grond geboorenf 

Maar *k voel dat ik dat waardig ben : 
De roem myris Vaderlands gaat allen roem te boven — - 

Niets eedier dan de vrye mensch. 



Gedichtjes voor myn Dochtertje , door D. kuypers. Eerjie Proeve 
' Te Leyden by W. H. Gryp, 1786./» Svo. 16 bladz. * 

Wiet geheel van efgenaartigheid »ontbIoote Versjes ; maar die 

echter voor kinderen, in *t algemeen, wat te Iioog zyn. 

In het Stukje de fPandelingf heeft ons byzonder de naam van 
lieve Heertje , Iioe zeer door jabt lüyken gewettigd , geftoo- 
ten; immers, hoe zou het den Heer kuypers zelf Teffen, als 
men eens fprak van het Schcppertje van Hemel en van Aarde, 
en hoe weinig zou dit verfchillen met te fchryven : 

Dan zing ik lieve Heertje l 
Hoe groot zyn uwe Werken. 

Diminuttva zyn , zo wy nier geheel ,mis hebben, by alle 
groote voorwerpen in ernftige; zaaken , altoos te onpas ; en hoe 
zeer dan (fchoon zelfs in den mond van een kind ,^ omtrent 
het Grootfte Voorwerp. ^ «"lucut 



N I E Ü jr Ê 

Algemeene 
VADER LANDSCHE 

LE TTER-^OEFFENINGEN. 



Bijbel der Natuur ^ uU het Hoogduitsch overgezet ^ en met 
aanvullende Toegiften en Aanmerkingen voorzien , door 
L. MEIJER, Lid yan de Hollandfche Maatfchappy der 
Wectenfchappen te Haarlem^ en Predikant in Ty^yzel 
en Kooten. Derde Deels Eerfte Stuk. Te Amfterdam bij 
M. de Bruyn , 1786. In gr. oSavo^ 66^ bladz. 

Het Boek Levittcus^ ene reeks van Wetten behelzende, 
die in verfcheiden opzichten merkwaerdig zyn, geeft 
den Opftelleren van dit Gefchrift pvervloedige ftofFe aen 
de hand> die de leerzame opheldering der Natuiirkennisfe 
vorderen. Verfcheiden byzonderheden , betrekkelyk tot 
den Ofièrdienst, tot de Spyswetten der Israëliten, tot de 
optelling en benaming der reine en onreine dieren , kopen 
hier in overweging ; de wetten nopens de Kraerovrouwen , 
de Melaetfchen en verder op de reinheid van Israël flacn- 
de, worden vervolgens nagefpeurd. Voorts wordt ons 
opgehelderd het verbod, wegens den dienst der bokken 
of der duivelen , het bloed eeten , mitsgaders hét vermen- 
gen van verfchillend vee , zaad en kleedftoffen^ als ook de^ 
wet van onderlinge oefening der recht vaerdigheid. \\ yders 
veriLlaert men ons dé wet nopens de gebreken derPrieste- 
len , en wegens de verwerpelyke oflferdieren ; waer by 
verder overwoogen wordt bet offeren der Eerftelingen, 
bet Loofbuttenfeest en het ^abbathjaar. Ten laetllen vor« 
deren hier nog opmerking eenige Jopdfche Koopwetten en 
eenige Straffen der ongehoorzaamheid. Rybeloefenaers 
vinden in dit alles een ruimen voorraed voor hunnen 
Wectlust , waerdoor ze hunne kundigheden mogen ver« 
meerderen, of ter nadere overdenkinge aengejpoord kunnen 

worden. In *t bepalen onzer keuze , om ene by- 

zonderheid , uit de veelvuldige alhier behandelde ' onder- 
werpen over te nemen., is onze aendacht byzonder geval- 
len op de overeenbrenging der Wet, Lev.WU 16, 17. 
Mie vet zal dei hberen zijn : Qeen vet nochte geen 

IL DiJ&L. N. ALG. LETT. NO. 3. Q bloet 



94- ^* MEIJER 

bloot en fuh ghy eten : wet DeuL XXXH. 14; daer , tot 
een b'ewys van GoBs weldadigheid aen Israël geroemd 
word , dat hy hun boter va/t koeyen , en melck van kleyn 
vee^ met het yette der lammeren y en der rammen en der 
boeken gegeven heeft. 

„ De Jooden , zegt de Hoogleeraar Scheuchzer , hebben 
hier onurcnt veelerJei . bedenkingen voor den dag gebragt, 
onder welken die zich nog best laat hqoren , dat God bun 
alleenlijk zou verboden hebben het vet , welk in den 
onderbuik gevonden word en om de nieren is; dewijl dit 
tot de oiferandeu bepaald was. Maar zulk vet zou bun 
niet , om te gebruiken , verboden zijn , het geene onder 
en tusfchen net vleesch zit , en , zonder dat. men het 
vleesch in Hukken Ihijdt, niet zichtbaar is. Het is ook 
niet weinig vet , het geene op de huid zit ^ of onder en 
tusfchen de fpieren gevonden word , en met het vleesch 
zoo doorgroeid is , dat zelf de bekwaamfle Ontleedkundige 
moeite hebbe , oui het van het vleesch en de fpieren af 
te fcheiden. Het is overzulks ook kwaalijk te begrijpen, 
hoe de Jooden van al het vet , wen zij vleesch gebruik» 
ten y of in hunne fpijzen , zich zouden * hebben kunneu 
onthouden. Maar men heeft nog eenen i^aderen we^ , 
oöi deeze zwaarigheid te ontknoopen. Want God heeft 
duidelijk aangeweezen, welk een vet Hij tot zijne offeranden 
eischt : om dus voor te komen , dat men dit verbod niet 
als algemeen , en op allerlei vet betreklijk aanmerke. Wij 
vinden die nadere bepaaling Lev. IV. 8, 9: het is name- 
lijk : het yct , dat de ingewanden bedekt , ende al het 
yet , dat aan het ingewand is ; daartoe de twee nieren , 
ende het yet dat daaraan is , dat aan de weekdarmen 
is ^ ende het net over de lever met de nieren : dat zal 
hij Tde Priester) afnemen. V^eellicht zouden hier de 
Joodlche flachters ook eenig licht kunnen geven, hoedanig 
en welk het vet is , het geene bun , Haar hunne wet , 
. geoorloofd i« te gebruiken.'* 

Hier benevens tekent de Eerwaerde Donat aen , boe bet 
xncerendeel dei By beluitleggeren daar henen wil , dat men 
dit verbod niet algemeen of onbepaeld te verftaen h'ebbe: 
en de Heer Michaelis heeft, zyns oordeels, hier over het 
naeuwkeurigst .gehandeld , in zyn Mofaisch Regt IV D. 
. §; ao6., en in zyne Anmerkungen zur Deutfchen Uber* 
zetzung des A. T. III Theil^ /. 114: wiens verklaring hy 
aldus opgeeft, 

»» Door 



BIJBEt DER NATÜÜRE* 9< . 

„ Door het vet moet men niet verdaan het geene tus- 
fchen het vleesch hier en daar is doorgegroeid of het 
geene bij een welgevoederd dier op het vJeesch zich aan. 
zet; want deeze wet zoude bifna onmogelijk geweest zijn 
om te onderhouden. Maar alleenlijk die vette 'ftukiken ' 
die Mofös zdve, bij gelegenheid van zijne ofFerwetten, en 
zijne aanwijzing van het geene op den ahaar verbrand 
tnoest worden , als zoodanig heeft opgenoemd. Naameliik 
I.) ha vet^ v^aarin het ingewand befloten is ^ (het net of 
omemum.y a.) M het vet^ het mik aan het ingemnct 
zit, (Jict plukvet of mefenterium.y 3.) Het nier bed. 
4.) De vette Jlaan van zekere foort van fchaapcn , die 
doorgaans van 15 fot 50 pond weegt. Dit vet tóoest/ 
alleenlijk op den altaar komen. En dit ging zo verre 
dat de Israëliërs van rund- fchaap-'of geiten vet zelf 
wanneer deeze dieren niet ten offer gcbragt wierden zoo 
weinig als van het bloed gebruiken mogten : om* hier 
door zich te herinneren , dat dit vet tot den altaar behoorde 
en diende , om hunne zonden te verzoenen. 

„ Nergens, dus vaart de lir. Mich. voort, heeft Mofes 
gezegd, wat men met deeze (lukken vets doen moest 
indien men in zijn eigen buis vee flachtte , en dezelve 
dus niet als een offer op den altaar kon verbranden- 
het is daarom waarfchijnlijk , dat dit door een oud gel 
bruik bekend geweest zal zijn , en bijgevolg dat dit gebod " 
om deeze vetftukken niet tot fpijze te pebruiken , geenzins 
eene geheel nieuwe inftelling was. Alleenlijk in dat eene 
geval, wanneer een dier niet door het flachtmes ftierf 
en bijgevolg onrein was, gaf hij den Israëlieten uitdruk- 
Kjk vrijheid , om deszelfs vet , tot allerlei gebruiken , die 
Zij maar wilden , uitgezonderd tot fpijze , te bezigen. 
Lcv. VII. 24. Of dit nu ook ten aanziene der veite 
ftukken van zoodaanige runderen , fchaapen en bokken , 
die men *s binxiens huis flachtte , en niet op iitxi altaar 
bngt, vrij geftaan hebbe, kan ik niet zeggen. 

„ Vreemd kan het , zegt de Hr. Midi wijders lemnnd 
voorkomen , dat deeze vette ftukken , die in de fpijze 
wezenlijk 'van zoo veel gebruiks zijn , in *t bifzonder 
dat het nierenvet , het welk de mcesten onder ons voor 
eene lekkernii houden , en door Mofes zclven dus word 
aangezien , Deut. XXXlf. 14. voirtrekt liiet tot fpjze 
mogten gebruikt worden. Maar zou dit ni^t a in- 
leiding kunnen geeven, om te denken, dat dit verbid, 
nopens het vet, zich niec^ verder dan tot de geofterj 

G 2 wor- 



J 



^6 I** MEIJER 

wordende dieren hebbe iiitgeftrekt ? Want hier word 
niec van de brandofferen , maar van de vreugde- ofte 
zoogenaamde dankofferen gehandeld ; en van deezen wierd 
flechts bec vet op den altaar verbrand , een klein be- 
paald gedeelte was het verval voor den Priester ^ en al 
het overige wierd tot offermaaltijden gebruikt y en van 
den offeraar met deszelfs gasten genuttigd. In zulke 
gastmaalen beftond gedeeltelijk het feestvieren der Hebreen* 
Ook leezen wij Lev. VIL 25. -^/ wie ha vet van een yee 
ecten zal , 'van het welke men den Ueere een vuurofer 
zal geofferd hebben , die zal uitgeroeid worden uit zijn 
volk. Nu was 'er wel voorheen gezegd : Geen vet van os, 
of 'fihaap , of geit zult gij eeten , vs. aj. Dan wanneer 
'daarop vs. 24 volgt : Maar het vet van, een dood aas , 
ende het vet van het verfcheurde mag tot allerlei werk 
gebezigd worden ; dog gij zult dat volflrekt niet eeten. 
Zou men daar uit niet mogen befluiten , dat zij , buiten 
dat geval , het eeten mogten , en dat , volgens den 
inhoud van het asfte vers» alleen het vet der offerdieren 
verboden was? 

,; De Heer Michaelis meent» dat de Israëliërs in hunne 
keuken geen nierenvet tot kooken en bakken gebruiken 
mogten ; maar dat ze zoo veel te meer tot het gebruik 
van de olie , en overzuiks ook tot het aankweeken van 
olijfboomen , waren genoodzaakt geweest. £n dit gebruik 
der boomolie kan voornaamlijk in de woeftijne plaats gehad 
hebben. Hij is ook van mening , . dat de Israëliërs in 'de 
woeftijne volllrekt geen rund- fchaapen- of geitenvee 
durfden flachten, 't en ware het ten offer gebragt wierde : 
en dus zouden alle hunne maaltijden , op welkei. zij 
vleesch van deeze drie foorten van dieren gegeeten hadden ^ 
offermaaltijden geweest zijn. En hier van zou het oogmerk 
geweest zijn , om den heimelijken afgodsdienst te beletten , 
^n hun de gelegenheid af te fuijden , om runderen^ 
Ichaapen of geiten aan eenigen afgod te offeren. Hij 
poogt dit ook uit de leefwijze der zuidelijke natiën te 
bewijzen , bij welke het vleescheeten geen dagelijkfche 
gewoonte, gelijk onder ons, is: dies zouden de Israëliërs 
in de woellijne zeer zelden flechts vleesch gegeeten 
hebben ; naardemaal anders hunne kudden wel haast 
zouden zijn verteerd geworden. Hij meent overzuiks » 
dat die wet , toen ze in Paleftina woonden , ondragelijk 
geweest , en hierom vervolgens ook afgefchaft zou ge- 
iivorden zijn. 

',» Maar 



BlJBÏl, DER NATUUR* f>7 

,, BfattT het komt mij voor , dat zij wél meermaalen 
I ^eesch £ulkn gegeeten hebben, dan bij hunne orfermaal- 

djdea, dewijl ze wel eens zoo zeer met beete lust na 
vleesch bevangen waren, lic moet ook betuigen van alle 
deeze opgenoemde. bijzonderheden niets te vinden in de 
Schriftuur. En alles word hier , mijns oordeels , meer 
vedftaanbaar en duidelijk ^ wanneer men dit verbod alleenlijk 
bepaalt tot het vet der offerdieren. Dan behoeft men ook 
aiet verlegen te zijn met al het vet van zoo veel duizend 
dieren ^ die 'er in Ranaan overal tot een huislijk gebruik 
geflac^t wierden. Men leest ooit nergens , dat het tot 
des Heeren altaar gebragt wierd ^ zelf die vetftukken niet ; 
en zou dit ook wel , bij zoo grooten affland van veele 
hiwooneren des lands van de plaats des altaars , hebben 
kunnen gefchieden? Men kan ook niet zeggen, waar ze , 
of dat ze het elders zouden gelaten hebben. Het fchijnt 
mij dus en met de Godlijke beloften Deuf, XXXII. 14. ,en 
met Neh. VIII. 10. meest overeen te komen, wanneer men 
fielt, dat ze, onder zekere omftandigheden en bepaalingen» 
ook van het vet mogten nuttigen. "- 

„ Ook dit gevoelen is van de geleerde Schrijvers der Ai* 
gcmccne Hlfiorh omhelsd, die zich 111 D. bl. 309. in de 
AanmeAing daarover duidelijk uitlaaien. Bij dit alles , 
zeggen zij , ftaan, wij nog zetr in. twijifel , of het verbod % 
nopens het vet, zich wel verder dan tot de ófTerdieren ,. 

uitgeftrekt hebbe. Die een yólftrekt en altoasduureiid 

verbod aangaande het eeten van het vet bepleiten , bren- 
gen deeze reden voor hun gevoelen : dat God daardoor 
ce offeranden aanzienlijker zou hebben willen maaken , — * 
dat Hij zich daardoor als den Opperheer van alle dingen 

had willen openbaaren , dat Hij zijn volk , zeer 

graag na het vet eeteii, daardoor had willen noodzaaken, 

om hunne begeerte te beteugelen, en dat Hij ze 

daardoor van de Heidenen had willen onderfcheiden. r- 

Zommige g^evea ook natuurlijke uorzaaken aan, dat^ het 
vet ongezond en zwaar te verteeren i's ; dat echter bij een 
airbeidzaam leven, en voor gezonde lieden , gelijk de er- 
varenheid leeraairt , weinig tse beduiden heeft. De Heer 
Ikticliailis .heeft in zijn Mo/aïsch Recht\y 1. c. ook nog 
andere oorzaaken aangehaald. 

„ Op dergelijke gronden [vervolgt de Eerwaerde 
Afeijer 'm ene bierbij gevoegde aentekening,] "en wegens 
het verband van bet verbod nopens het eeten van het vet, 
met dat , waarin hun het bloedeeten ontzegd is ; en vooral 

G 3 om 



9S L. MSyER» BTJBBL DBR N4TUUR. 

om dat dit verbod vs. 17* als altoosduurend , zoo lang 
naamelijk huu burgerflaat in wezen was, voor hunne ge* 
{lachten ofte nakonieiingen , in alle hunne wooningen , 
nader befchreven word , vind ik in de Bijbclverklaaritig 

der /A?tfr^/? KLINKENBERG CU NAIiUIS , bl. 2?, 28. dit 

verbod nopens het vet eeten als algemeen voorgefteld. 
Even gelijk h om zoodanige reden , het reukwerk en de 
heilige zalfolie niet mogt nagemaakt, en tot algemeen ge* 
bniik genomen worden. En waarfchijnlijk zou het vet, 
dewijl hJt gezegd word rf^i ^<?67-tf// /^;j///i, verbrand zijn; 
gelijk men met de overblijflclen van de dankoiferen en bet 
paaichlam ook doen moest." 



Tcmpelgczicht vati den Propheet Zacharia , in cenigt 
Schrlftmaatige Verhandelingen opgehelderd^ door j. w» 
VAN SLYPE, Bedienaar des H. Euangeliums te Zvfollc. 
T'wcedc Deel. Te Utrecht , by A. van Paddenburg , 
1786. Behalven de Voorreden en den Inhoud 354 blaaz. 
in gr. oSlavo. 

Naer het inzien van den Ecrwaerden van Slype vertoont • 
ons het Tempelgezicht . voorgefteld Zacharia III, 
gelyk we , by 't gewag maten van' 't eerfte Deel dezes 
Werks, gemeld hebben, (*) *MeeIs Judas hooge fchaduw 
„ Priester , bezig in de ootmoedige verrichtinge van het 
„ tempelwerk der voorbeeldige verzoeninge , vs. ï— ?• 
„ En deels tekent het ons af Jofuaas doorluchtig tegen- 
„ beeld , den eeuwigen Hoogepriester , die eens zyne 
„ eigen ziel zou ftellen tot een fchuldofFer^ ter wegnemin- 
„ ge van alle de ongerechtigheden zyner üitverkooreiien , 
,, vs. 8 — 10." Op de afhandeling van het eerfte lid, in 
't voorige Deel, volgt nu, in het tegenwoordige, de ont- ' 
vouwing van het tweede ; waerin hy op het door hem 
gelegde Plan voortgaet, en zyne denkbeelden, wegens den 
inhoud van' dit laetfte voorftel , met ene geleidlyke voor- 
liragt der zake den Lezer oordeelkundig onder 't oog 
brengt. Zyn Eerwaerde befchouwt hier Jofua, ''als on- 
„ derwezen in den weg der verzoening; als heen gewezen 
„ naer den eeuigen grondflag zyner zaligheid ; en als 

„ on. 

C*) Zïc N. Alg. Vad. Letteroef. l. D. bl. 351. 



J. W. VAN SLYPE 9 OVIR ZACHARIA Ilt. 99 

1, onderwezen in de heilryke vruchten van 's Mesfias Borg. 
„ lyden." Hiertoe fchikt hy drie Verhandelingen. 

„ De cerfte vertoont het waardig voorwerp van Jofuaas 
yj geloofs - uitzicht en verwachtinge, vs. S. 

„ De tweede ontdekt d«n lydenden Imroanuel , waarop 
„ Jüfua, als op den eenigen grond zyner zaligheid, word 
35 gewezen, vs. 9. 

,, En de derde fpreidt de heerlyke vruchten van 's Mes* 
„ fias geestelyk Koningryk ten toon , waarop alle volken 
„ der aarde zouden genodigd worden , om in dit Godsryk 
„ aan ie zitten , en verzadigd te worden met het goede 
„ van Gods huis , onder het bly genot der vreugde van 
y, Uet geestelyk Loofhuftenfeest. vs. 10." . Ter na- 
dere ophelderinge en bevestiginge van dit laetftc , hecht 
de Eerwaerde van Slyfc hier aen nog ene vierde Ver- 
bandeiing. 

„ Dtzt tekent de ryksheerlykheid van den Mesfiaa, 
„ door de vervulling deezer beilryke Godfpraak , verhoogd 
59 ten top van luister en heerrchappy over de bewooners 
,, der waereld, na dat de volheid der heidenen , by den. 
„ afloop der Euangelie - ftrydeeuwen zal zyn ingegaan, 
,; en geheel Israël van ongerechtigheid zal verlost "zyn , 
„ met by voeging van de gronden van zekerheid, genoomen 
„ uit Pfalm 138. VS. 8. Gy zult niet laaun vaaren de 

j, wrken uwer handenJ*'* Ter dier gelegenheid ver- 

klaert hy den algemenen inhoud van dat Zangftuk , en wel 
byzonder denaert der voorftelliirge vs. 8 : met aenwyzing 
der gronden van de zekerheid der verwachtinge, dat God 
het werk der Euangelie predikinge ter gewenschter uit- 
komfte zal voortzetten. En dit doet hem , ter meerder • 
verfterkinge dier verwachtinge , het oog flaen op de reeds 
behaelde zegenpr^el der Euangelie- noodiginge in de afge- 
loopene eeuwen , met een vast vertrouwen op de verdere 

vervulling der Godlyke beloften in latere dagen. — • 

Dus ftrekt deze Verhandeling, om , naer 's Mans bedoelde, 
„ na eerie verklaring van het heilig geloofsvertrouwen der 
5, onder den wynftok en vygenboom zittende kerk , te 
„ toonen , in hoe verre reeds in de afgerolde eeuw- 
3, kringen de evangelienoodiging haar doel bereikt hebbe , 
„ ter bevestiging , dat God zyn werk gedenkt , hoe alle 
„ vyands magt niets vermogt heeft , en alle vuile beden- 
„ kingen van het vleeschlyk vernuft, zoekende de evan- 
„ gelienoodi^ing, tot zulke veruitziende eindens, vrucht- 
,, loos te ftellen , verydeld zyn , ter befchaaminge van 

. G4 „alle 



TOÓ J. W. VAN SL YFB 9 OVBA ZACHARIA IIL 

^, alle de vyanden der kerke; als mede hoe de kerk haar 
„ wyd en zyds uitbreid, verwachtende, op gronden van 
„ by bel -ontdekking en goddelyke beloften, dat, hoe 
„ zeer de kerk nog in diepe wegen van verdrukking 
„ komen moet , God haar uit alles wys en heilig redden 
9, zal ; moetende haare verdrukking ftrckken , om haarei^ 
„ Naasten op de noodiging tot onder den wynjiok en den 
99 vygenboom te doen ingaan, tot dat die hperlyke kerk- 
,, (laat zal aanbreeken » die alle de Feestvierers , ter vet- 
,, vulling van deze geloofs verwachting, zal doen betuigen ; 
„ Hy ]ieeft niet laaien varen het werk zyner handen% 
^ Neen 1 i)^ Heere is by ons HeerlykJ^ 

Laetdelyk befluit zyn Eerwaerde dit tweede Deel,! 
even als het eerfte, met een beftiecend onderricht uit de 
verhande^ldci waerheden afgeleid ; (trekkende om den Lezer 
te doen opmerken , hoe hy van dit alles het rechte gebruik 
hebbe te maken , ter bevestiginge van het geloof , ter 
verfterkinge der hoope , en ter bevorderinge van eei^ 
Godzaligen wandel , in ene geloovige gehoorzaembeid aea 
Jezus Christus. 



Aanleiding ter bevordering der Huisfelyke Gelukzaligheid ^^ 

door HENDRIK MATTHIAS AUGUSTUS CRAMER ^ Predt* 

kant te Quedlingburg. Uit het Iloogduitsch vertaald. 
Te Amfterdamj by G. W. van Egmond , 1786. Bc^ 
halven de Foor reden, 344 blddz. in' gr. oStavo. 

Het groote gewigt en *t uitgebreide belang der Huis- 
lyke Gelukzaligheid heeft den Eerwaerden Cramcr 
genoopt, zyne gedachten byzonder op dit onderwerp te 
vestigen; en zyne aenmerkingen deswegens, onder enige 
hoofden, in ene geregelde orde te brengen. Hy vangt 
zyne leerzame Icsfen nopens dit onderwerp aen , met ene 
algemene befpiegeling over het huislyke leven , en de 
ontvouwing van enige hinderpalen van de huislyke geluk- 
zaligheid. Daeiop laet hy volgen ene voordragt der we- 
derkerige plichten van Echtgenooten , van Ouders en 
Kinderen , van Heren en Vrouwen benevens derzelver* 
Dienstboden. Verder komen in overweging de huislyke 
eendracht of vrede ; de voortreflykheid der vroomheid 
in 't huislyke leven; de huislyke 'aendacht of Godsdienst; 
en de groote nadeelen» welke de verachting en onver-' 

fchil- 



H. CRAMKR, HüiSLYKB GSLU£2ALIGII£U>* lOI 

fchiUigheid jegens den Godsdienst in 't buislyke leven 
veroorzaken. Wyders handelt. zyn Eerwaerde nog over 
edyfce byzonderbeden » welker in agtneming grootlyks 
kan ftrel^en , ter bevorderinge der hutslyke gelukzsilig^ 
heid ; te weten : de Naeritigheid in den arbeid en 
Werkzaembeid ; de buislyke Geregeldheid ; de Verkwisting 
en Uitgaven; de Spaerzaemheid ; dcMatigbeid; mitsgaders 
de Vergenoegdheid en ïevredenbeid, — — De Eerwaerde 
Cramer beredeneert . deze* onderwerpen zeer onderfchei- 
denlyk en overtuigend, met inmenging van verfcheide 
cbaracters en Tpraekverbeeldingen , die de behandeling 
dezer ftukken meermaels verlevendigen : welke ook in 
verfcbeiden gevallen te treffender is, daer hy zyne onder* 
^rpen, niet.flecbcs i^urgerlyk, maer te gelyk Godsdien* 
(lig , en met een Christclyk oog befchonwt. Velen , die 
reeds ene gevestigde huishouding hebben ^ en maer ai te 
dikwerf over 't gemis van 't zo boog geroemde huisiyke 
geluk klagen , zullen bier veelligt opmerkingen in onhnoe* 
teq ^ die op hunne byzondere omftandigheden toepasfelyk 
zyn, en waervan ze een nuttig gebruik kunnen maken ,. zo 
ze waeriyk van harte gezind zyn , om dien weg in te 
flaen, welke tot hun geluk aenleidelyk is. bovenal zal de 
huwbare jeugd, door ene bedaerde overweging der alhier 
verleende lesfen , een goeden grondflag leggen , tot het 
welinrichten van een huisgezin, dat gefchikt is om waeriyk 
in de Huisiyke Gelukzaligheid te deelen. Het gemis van 
kiuidigfaeden en overdenkingen van dien aert,by'taengaen ' 
van *t Huwelyk , is ongetwyfeld gene geringe oorzaek 
van 't gemis van dat geluk, 't welk anders denHuwelyken 
Staet natuurlyk vergezellen moet ; en men heeft waeriyk 
reden, om, met onzen Schryver , over een vry algemeen 
gebrek in de Opvoeding ten dezen opzichte te klagen , 
waerover hy zich in* zyn Voorbericht in dezer voege 
uitlaet. 

„ Dat *er zeer veel minder huisfelyk . geluk onder dtf 
Cbiistenen plaats heeft , dan 'er naar de hoedanigheid en 

verlichting van de tegenwoordige tyden nog meer, 

dan 'er by de. waarneeming van de heiligde geboden des 
Christendoms' kon plaats hebben, daarvan ligt de oorzaak , 
gelyk het my toefchynt , wel mede daarin , dat men by de 
^ocdingj voornaamelyk in toeneemende jaaren, tot dus 
verre hoofdzaakelyk Hechts daarop heeft gezien , om den 
jcmgen mensch voor te bereiden tot zyne aanftaande 
openlyke betrekkingen tot de burgeriyke maatfchappy; 

O 5 maar 



102 B. CRAMER 9 HÜISL7RE XSStDKZALIGHËIO; 

maar dat men niet met even 20 veel ernst heeft zorg ge* 
draagen , om «yne opvoeding ook ter voorbereiding tot 
een gelukkig huisfelyk Je ven te maaken ; het welk even* 
wel, naar myn oordeel, even zo noodzaakelyk was. Hoe 
menigeen heeft reeds veele jaaren in den huiéfelyken ftaat 
geleefd,* zonder zyne betrekkingen en pligten verder te 
Sennen, dan zo verre zyne tegenwoordige omftandigheden, 
en gedeeJtelyk ook «er onaangenaame ondervindingen 
hem de oogcn hebben geopend? Duizenden mistasten 
hier dan in de keuze van de- middelen , om hunne wel* 
vaare te bevorderen, wandelen langen tyd , zelfs wel ge- 
duurende hun geheel leven , in de duisternis , en ondbr- 
vinden alle de lastigheden van het huisfelyk leven , zonder 

de geneugten van het zelve ooit te fraaaken. — ft 

Jaat Jict over aan het overleg van kundige Ouders , en 
Opvoeders , of het niet wel raadzaam zyn zou , om dó 
epvoeding van beide fekjfen meer opzettelyker en zorgvul- 
diger tot eene voorbereiding tot het toekomende huisfelyk 
leven te maaken, en hoe men de zaak eigeniyk zou moeten 
aanleggen/' 



Lykreden op het affterven van frederik den TI, Koning 
van Pruisfen enz* enz. overheden op Sans-Souci den 
17 Augustus 1786. Uitgefproken in aer Gereformeerden 
Kerk te Emmerik^ den a^ September 1786. Door johan«' 
i^ES STYL , Leeraar der. Doopsgezinden te Emmerik. 

. . Te Amflerdam , by P. C<?nradi , en te Harüngen , by 
V. van dér Plaats, 1786. In gr. octavo^ ^^bladz. 

By de ftaetlyke nagedachtenis aen den overleden Koning 
van Pruisfen, heeft de Eerwaerde Styl, (volgens den 
last van den Souverain den Leeraren in 't Pruinfche Ge* 
bied opgelegd,) ene Lykreden over dien Vorst uitgefpro- 
ken, welke ten bepaelden Tekst had Gods tael tpt David 
1 Chron. XVII, 8: ick hebbe u eenen name gemaeckt^ 
gelijck de name is der Grooten^ die op der aer de zijn. 
Zyn Eerwaerde merkt omtrent deze woorden, euderzelver 
toepasfing, niet ongefchikt het volgende aen. 

„ Geen drom van loftuitingen, geen ydele woordenzwier 
was te dier tyd in ftaat om iemand boven dien Godsheid 
te verheffen. Deeze . Goddelyke uitfpraak was het kragtigst 

bewys voor 's Konings uitmuntende grootheid. ludiea 

wy 



wy egtcr van de tyden der Israëliten tot op den tegen- 
woordigen of jongst voorleedenen tydkring afdaalen , zou- 
den wy dan met, zonder den roem van Koning David in 
«enige opzigten te krenken, deeze Godfpraak ter gedagte-' 
m van den on verwelk baaren roem onzes Overleedenen 
Konings kunnen uitgalmen ? Ja zouden wy, daar wy, in 
den leevenskring van Frederik den II, geenen grooteren 
Vorst of Koning gekend hebben , niet met dankbaarheid 
deeze uitfpraak des Almagtigen over Koning David , op 
onzen Overleedenen Monarch, mogen toepasfen?" 

De gegrondheid dier toepasfinge toont hy vêrvoteens , 
door een treffend Tafereel van dezen Vorst té malen in 
zyne onderfcheiden ftanden en betrekkingen : in alle wc'lken 
hy waerlyk Groot genoemd roogt worden ; gelyk onze 
Redenaer m dn zyn voordel beknoptlyk , met eene 
manlyke tael , zynen Tochoorderen nadrukkelyk herin- 
Dcrr ; welk voorftel hy, zeer gepast, in dezer voege be. 
fluit. 

„ Eindclyk : onze Monarch was , van den bloei zyner 
jeugd, tot den ftaat zyner grysheid , en het einde zyner 
regcennge zig.zejfin beleid, doorzigt en fchranderheid , * 
altoos gelyk , en hield met eerder op de Groote Frederik 
te zyn , dan toen zyne onfterflyke ziel van het ftoflvk h^- 
liaam fcheidde. Deszelfs Naam bleef egteri - ^ 

Als de Naam der Grooten die op aarde zyn." 

Vooits doet zyn Eerwaerde deze zyne Lykreden afloo- 
pen , met ene opwekkende vermaning,. die zeer fuisr ge- 
voed IS, naer de lyds omftandigheden , vermengende in 
dezelve ene welvofegende aenbeveHng van den tegenwoor- 
digeu Vorst , daer hy hem otofchf yft , al^ "den deugd- 
xaamen, den Godsdienffigen, den welmeenenden en braa- 
ven Frederik WUbelm: onder wiens. regeering , (yervoïst 
hy) wy geene ongegronde hoop hebben , eenèn langduuti. 
gen vrede en gelukkige tyden te zuilen beleeven , wyl de 
loflyke geaartheid van zynen -vreedzaamen en toensch- 
lievenden Vader , en 's Moeders Godvrugtige , opregte 
en weldaadige inborst, in deezen Vorst, fchynen door te 
uraaieii. 



JOHAN 



n34 'J* !"• rRAWK 



joHAN PETRR FRANK » M. D. , Gchcimraad w Ljfarts det 

. Bhfchopi van Spiers ^ Lid van de utcadcmi^der IVetcn* 

fchappm te Mcntz. Samen/lel ecncr Geneeskundige 

^iaaisregeling. Uit het Iloogduitsch vertaald^ en mei 

\ /fanmerkingcn vermeerderd ^ dóór H. A. Bake, Stads 

• M. D. te PFoerden. I Deels ^ i fiuk. Te Leiden , by 

>. de Dqps, 1786. Behalven het Voorwerk ^ 314 bladz. 

in gr. octavo. 

•W7at tnen ook tot hier toe over de Geneeskundige Statut^* 
iV regeling gefchreeven mag hebben, zo is het nogthaus 
aeker dat de geleerde frank het eerst dit onderwerp 
opzettelyk behandeld, en in eene fyftematifche orde heeft 
iroorgedraagen. De algeroeene graagte waarmede dit Werk 
io Duiischiand en «Iders is aangenoomen (doordien reeds 
een tweede druk daarvan is uitgekoomen) — de goedkeu* 
ring welke hetzelve by alle deskundigen heeft weggedraa- 
gen , ontheffen ons reeds van de moeite , yi eene nadere 
'aanpryzing uit te weiden; terneer nog, daar men, in de 
Geneeskundige Bibliotheek (eene onlangs in ons Land uit* 
gekooroen zeer oordeelkundig Tydfchrift) eene zeer zna« 
kelyke Reccnfie van dit cerfte Deel gegeven , en waaiff» 
men de verdienden des Schryvers op haaren waaren prys 
gefteld heeft. 

Wy vergenoegen ons , dierbalven , om onzen Leezer eejae 
fcortè fcbets van dit eerfte Deel , mede te deel'en. — . — ^ 
Naer eene zeer gepaste Inleiding, die alle kenmerken vari 
echte Geleerdheid draagt , befchouwt de oordeelkundige 
Schryver den veelvermogenden invloed di€ de drift ter 
Voortteeling op onze gezondheid heeft; het nadeel, het 
welk de Maatfchappy in het algemeen, en elk vantleszelfe 
leden in het byzonder, bet xy hy in den Geestlyken, ra 
den Wacreldlyken ftand , of in de betrekking eens Krygs- 
mans geplaatst is, door de onthouding van het werk der 
voortteeling lydt. Deeze gevolgen die zig zekerlyk over 
de gelieele famenleeving verfpreiden en welkers nadeel 
tot de volgende geflagten doordringt , worden door den 
Schryver met de natuurlykfte en treffendfte kleurea regt 

I meesterlyk afgefchetst. 

I Niet flechts de geheele verwaarloozing van deeze in- 

gefchaapen drift, maar ook deszelfs verkeerde beftuuring 
in deHuwclykeu tusfchen te jonge ^ te oude of ongezonde 

' per- 



CSREKSKUNOIOB STAATSREGELING. I05 

petfoonen, beeft voor den ilaat, in elk dier gefaawden, 
eene allemoodzaaklykfte uitwerking. Zal dierhalven de 
Voomeeling der Samenleeving ten meescen nutte ver(lrek« 
l^n : zuilen de daaruit voortvloeijende onheilen afgeweerd 
worden 9 het is de plicht der Overheden de gewichtige 
saak te behartigen , en door wyze wetten en vooTfchrifcen 
deeze zo natuurlyke en tot welzyu der maatfchappye lage* 
fcbaapen driften te bevorderen en te regelen : men weere 
al wat de vruchtbaarheid hinderlyk zyn kan in beide de 
Kunnen , en draage voorde Zwangere, fiaarende en Kraam- 
vrouwen » en voor derzelver dierbaare panden ^ eene Va. 
derlyke zorge. 

Zie daar de Inhoud van het eerde Deel , waarvan wy 
het eeille Stukje voor ons hebben. Om meer dan eene 
reden wenfchen wy, dat dit Werk, niet Oegts door Ge- 
neeskundigen 9 maar ook door Regenten en al wat eenigea 
Invloed op het Ikftier der Maatfchappye heeft ^ moge ge. 
leezen, eo de daarin medegedeelde Voorfchriften mogen 
behartigd worden. Pe geleerde Bake aan wiens yver voor 
de bevordering van waare kennisfe, wy deeze Vertaaling te 
danken hebben , en die zyne verdienden Eere aandoet , 
boopen wy , dat deezen op zich genoomeu Taak zal vol- 
voeten. 



Inleiding tot de Kennis der Natuurlyke Wysbegeerte , of 
Eenvoudige Onderrigting yan de Grondregels der ProefL 
mdenindeljke Natuurkunde^ in gemeenzame Gefprekken 
voorgedragen ; door j. esdré A. L. M. Pk Dr. en 
Lid van het Utrechtfche Provinciale Genoodfchap van 
Konftcn en fVetenfchappen. Vjfde Deel. Met nodige 
Afbeeldingen. Te Leiden^ by F. de Does Pz. 178Ó. In 
gr. octavo 397 bladz. 

Met dit Deel maakt de Heer Esdré een aanvang van het 
ontvouwen van de Leer der Vloeiftoffen ^ en bepaalt 
zig in het zelve, na, in eene voorafgaande Inleiding, een 
verflag van den algemenen inhoud en de hoofdonderwerpen 
dier Lecre gegeeven te hebben , tot het nagaan van dat 
gedeelte, het welk men de Waterweegkunde noemt; "welke 
5, ons de Vloeiftoffen in derzelver weep'ng of persfine: leert 
„ kennen ; dat is , in zo verre eene Vloeiftof eerie doflyke 
„ zelfllaudigheid is , welke zwaarte heeft , en uit dien 

9, hoofde 



'ld6 J. ^SDRÊ 

„ hoofde cene persfende» kracht uitoeffend, het zy ondeN 
99 liog op elkander , het zy op Mchameii waar op zy 
„ ftaat, leund of wederhouden word.'* In de bchande- 
h'ng van dit onderwerp ftelt hy zig de volgende orde 
voor, 

„ In de eer/tc plaats zullen wy onderzoeken , wat men 
te verdaan hebbe, door een Vloeibaar lichaam , of eene 
Vloeifioffe; waarin het onderfcheid van dit foort van li- 
chaam, met de eigeulyk genoemde vaste lichamen^ gelegen 
is ; dat is , wat eigenlyk de hoedanigheid van Vloei- of 

Vüctbaarheid (^Fluidiias) zy. Na een juist denkbeeld 

van een Vloeiftof , zo veel my doenlyk is , gegeven te hebben , 
zal ik dan overgaan , 

In de tmede plaats , om een Vloeibaar lichaam in deszelfs 
werkzamen ftaat ter overweeging te neemen; dat is, voor 
zo verre het zelve eerie zwaarte hebbende, daar door een 

Eersfend Vermogen, of eene Persling veroorzaakt. Deze 
ersfing zal ik u leeren kennen , niet alleen zo als de* 
zelve onderling door de deeltjes van een zelvde , maar 
ook van ongelykfoortige Vloeiftoffen , uitgeoeffend word. 
Voorts dan 

- 3. De Persfing onderzoeken » \yelke een Vloeiftof doet 
tegens lichamen, die dezelve wederhouden of influiten : ik 
meen de Persfing op de Bodem en tegens de Wanden der 
Vaten , Kommen of Gooten. 

4. Het persfend Vermogen van eene Vloeiftof op li- 
chamen , Avelke daar in gedompeld worden. Het on- 
deföoek hier van zal ons dan gelegenheid verfchafFcn, 
om 

5. Eindelyk een zeer gemakkelyke wyze te ontdek- 
ken , om , volgens VVacerweegkonftige Regelen , de 
foort onderfcheidende zwaarte der lichamen te konnen 
bepalen;— 

De Heer Esdré behandelt deeze ftukken ten uiterfte 
naauwkeurig, met ceue diiidelyke ontvouwing van de by- 
zondere gevallen, die daaromtrent in aanmerking komen, 
welke hy door nevensgaande proefneemingcn en onderrig- 
tingen bevestigt en opheldert ; toonende te gelyk hoe de 
alhier verklaarde kundigheden, in veelerleie opzichten, 
ook in het dagclykfche gebruik te ftade komen. Een of 
ander voorbeeld van die natuur zouden wy hier gaarne 
overneemen , dan het fchikt zig niet wel, aangezien wy» 
ten rechten vcrfian'.ie , daartoe ecnige byzondere Figuuren- 

zouden behoeven. Om egtcr , naar gewoonte , nog i^^;*^ 

uit 



^ROBPONDBRVINDBLYKE NATUURRONDB* 20^ 

uit dit ftuk mede te deelen , zullen wy den Leezer onder 
't oog brengen , het hoofdzaaklyke van 'c geen ons hier 

Semeld wordt , wegens de oorzaak van de VUctbaarheid 
er Vloeiftoffen, en wel ter wederiegginge van 't gevoelen, 
dat die VUctbaarheid flegts eene toevallige hoedanigheid der 
Vloeiftoffen zoude zyn. 

De Leermeester naamlyk, dit onderwerp behandelende, 
onderrigt zynen Leerling , wegens het vermogen der in- 
dringende Vuurdeeltjes , om de Lichaamen uit t^e zetten , 
of in uitgebreidheid te doen toeneemen ; en Haat wel by. 
zonder gade, dat zelfs anders vaste Lichaamen, doormid- 
del van Vuur, vlietbaar gemaakt kunnen worden ; terwyl 
Vloeiftoffen min vlietbaar worden, naar maate dat derzel- 
ver Vuurdeelen van langiaamerhand verminderen , in zo 
verre, dat ze eindelyk alle haare Vlietbaarheid verliezen; 
gaande zelfs het Water over tot Ys, tot een vasten Klomp, 
na dat het tot een genoegzaamen trap van koude verkoeld 
is geworden. Na deeze algemeene opmerking Vervolgt hec 
gelprek aldus. 

„ Meester* Al het bygebragte betrekkelyk de Vloei-' 
lloffen in overweeging neemende , willen fommige Wys- 
geeren daar uit de oorzaak van de Vlietbaarheid afgeleid* 
hebben , (lellende dezelve in de natuurlyke hoeveelheid 
Vuurdeelen , die alle Vloeiftoffen (zo lang zy in den ftaat 
van Vlietbaarheid zyn) in zich behelzen , maar dezelve 
verliezende , ook van ftaat veranderen ; van Vloeibaar Vast 
worden. 

Lkbri^ing. Dit gevoelen fchynt my toe op gronden te 

fieunen. 

M, Ja toch 1 Zo de inhoud der Vuurdeeltjes al 

niet de eenigfte ; is zy ten minfte een der voornaamfte 
reden der Vlietbaarheid , en zulks om . het reeds bygebrag* 

te. Maar hoe zeer ik genegen ben dit gevoelen voor 

gegrond te erkennen , kan ik aan den anderen kant aan 
fommige Natuurkundigen niet toegeven , in het ftellen , 
dat de Vlietbaarheid aan Water , Oly , en meer andere 
Vloeiftoffen, niet dan eene toevallige hoedanigheid zoude 
zyn ; of liever gezegd , dat men de Vastheid voor den Na- 
tunrlyken of eigen ftaat dier ftoffelyke Zelfftandigheden te 

houden hebbe. Ingevolge dit gevoelen moet het Ts 

de ocrfpronglyke en natuurlyke ftaat zyn. van dat geen 't 
welk wy IVatcr noemen , en zo voort met andere. 

L. Wel 



löS J. £sdr£ 

L. Wel dan befluit ik hieruit, dat geen Vloeiftof zich 
in haaren nataurlyken of oorfpronglyken (laat aan ons 
vertoont. 

M, Juist zo. ■ ' En zulks kan ik geenszins toe- 
ftemmen-: in tegendeel ben ik van gedachten , dat 

de Floeibaarheid de ooriprondyke en natuurlyke ftaat is 
van Water, Oty, Syroop , Kwik enz., en dat die wan, 
Vastheid of Ts veeleer als eene toevallige hoedanigheid 

dier Zelfllandigheden te houden is. De reden 

welke roy hier toe noopt is de volgende. — Alle 

Lichamen in dien (laat , waarin zy zich aan ons ver- 
toonen, hebben eene zekere natuurlyke hoeveelheid Vuur- 
deelen, welke, tot derzelver oorfpronglyke famenftelling , 
even zo onaffcheidelyk behooren, als andere natuurlyke of 

ftoflyke deelen. Dus heeft ook een Klomp Water , 

Oly, Kwik, en andere Vloeiftof, ieder naar hunnen aart, 
eene natuurlyke hoeveelheid Vuurdeelen ; welke , zo lang 
ze in den Klomp huisvesten , dezelve een vloeibaar li- 
chaam doen zyn. Doch zo dra deze Vuurdeelen op 

de eene of andere wyze den Klomp ontnomen worden y 
zal laatstgenoemde niet meer eene Vloeibaare Zelfftandig- 
heid zyn , en gevolglyk zich niet meer in deszelfs vorigen 

ftaat vertoonen ; de Vloeiftof word dan een vast 

Lichaam, word Ys. — — By aldien men zulks ontkent, 
komt my voor met even zo veel recht , als dan ook , 
te konnen ftellen , dat de vastheid der Metaalen , van 
Wasch , Glasklompen enz. , eene toevallige , maar geen- 
zins de oorfpronglyke , of natuurlyke eigen ftaat dier Li- 
chamen is ; nademaal het alleen aan gebrek van genoeg- 
zame ingedrongen Vuurdeelen toe te fchryven is, dat die 
lichamen zich als vaste Klompen Vertoonen , daar ze an- 
derzins « tot een behoorlyken trap verhit zynde , alle in 
eenen Vloeibaren ftaat zich bevinden. — Ik zeg dit 
met even zo veel recht te konnen ftellen , als andere 
Wysgeeren beweeren willen, dat de Vloeibaarheid niet na- 
tuurlyk eigen is, aan Water, Oly, Kwik enz. maar liever 
de ftaat van Ys of Vastheid. 

Zo vreemd nu als het luid, te ftéHen, dat de Metaalen 

en andere fmeltbare Lichamen geen vaste Klompen zouden 

zyn , even zo ongcrymt komt my derhalven voor , te 

willen beweeren , dat de Vloeibaarheid niet natuurlyk 

eigen zoude zyn aan Water en andere Vloeibare ftof- 

fen* -^ 

De 



FROEFÖNDBRVINDBtTKE NATUUR KUltDE^ 10^ 

Üe (laat van vastheid , in welken men de Vloeiftöffen 
by eene felle koude bevind , is aan dezelve niet natuur- 
lyk eigen ; — - — zo dra ze in Ys veranderen , zyn ze 
andere Lichamen dan zy te vooren waren; en zulks niet 
alleeii uit hoofde* v^n gebrek van een genoegzaame hoe« 
veelheid van Vuur, maar ook (gelyk wy zulks naderhand 
. zullen zien) worden zeer waarfchynlyk by de. bevriezing 
een aantal Vriesdeeltjes tusfchen de^ deelen van de Vloei* 
fiof ingedrongen, noodzaakende dus den Klomp eene ze« 
kere vastheid aan te neemen. 

Uit al het dus verre bygebragte , meen ik dan te kon- 
ncn ftellen , dat de Vtietbaarheid een natuurlyke , en 
oorfpronglyke hoedanigheid is van alle die Lichamen» 

welke zich als Vlocibaarc vertoonen.* Voorts ^ 

dat de qprzaak van de Vlietbaarheid hunner deeltjes toe 
te fchryven is « ten deele aan de inwendige bevatte Vuur» 
iLtt\i]t^ , wel^r hoeveelheid , voor dit of dat vloeibaac 
Lichaam, ik niet zal onderneemen te bepaalen. 

L. Jk heb uwe reden met genoegen aangehoord ; de« 
zelve koinen my waarfchynlyker voor , dan het gemelde 

fevoelen Ibmmiger Wysgeeren. Als men de veelheid der 
Achaoien in de Natuur naarfpeurt , hoe duidelyk blykt 
bet niet , dat ze door den Wyzen Schepper in verfchik 
lende (laaten gefleld zyn; als in den (laat van VasthcÜ^ 

vzïi Fheihaarheid ^ enz. Die verfchijlende gedeld- 

heden, onder welke men de Lichamen aantreft, inagmea 
gewis houden voor. den natuurlyken (land, in welken het 
den Schepper behaagt , die ftoifen ten nutte van bet 
Schepzel op den Aardbodem daar te (lellen. In- 
dien het Ys de' oorfpronglyke ("door den Schepper veror* 
dineerde) (land van Water, Oly, enz. was, hoe zoa 
zulks (Irooken met bet behoud van het Schepzel ? — ^«« 

Waar zouden d^ Planten hun Vocht, waar de 

Dieren hun Drank konnen vinden ; of hoe zoudeti 

de Visfchen konnen leven ? Deze' overdenking 

noopt my verder uwe gedachten aan te neemen,; zy fchy- 
sen tny toe meer met den aart der zaaken in te (lem« - 
men. 

Maar eer ge voortgaat, zy my gegunt te vraagen, aan . 
.welke oorzaak gy de Vlietbaarheid nog zoude tóefchry- * 
ven : want, zo ik meen wel verdaan te hebben, merkte 
gy de inwendige Vuurdeelen flegts Un dtck aan , als 
Mne der oorzaaken. 

fl. I2JC£L« N. ALQ. LXTT. NO. 3* H M. Tê 



119 J. ESDRi) P&OirorfDBRVimBCyKB NATUCRRüNDEc 

M. T« recht hebt gy zulks opgemerkt. De Vliet- 

baarheid aan één enkelde ooraaak toe re fchryven , fehynt 
myniei genoegzaaiïi te zyn : integendeel wH ik, een- 
ftcmtnig ma den vemaarden Wysgecr müsschenbroek, 
zulks aan veelerlei beweegredenen toecigenen : by voorU 
Mw itronéhctd m gladheid der deelcn ; aan . detzelvcr 
fynheid en Ugthetd ^ en mogelyk nog aan veel meer an- 
dere oorzaaken ; welker owderzoek ik van te weinig 
aaobeiang acht , om my verder daar mede in te wikke- 
len." 



TaferetU der Algcnitmc Gefchiedcnisfen van de Vercenig- 
de Nederlanden , gevolgd, naar *t Framch van den 
Heer a m, cêuisier. Tiende Deel. Te Utrecht^ by 
B. Wild. In gr. oetava^ 638 bladz. 

Met dit tiende Deel ontvangen wy bet flot deezerNaa- 
volginge van het Franfche Werk , *t geen uit even 
»o veele Deelen beftaat. Het behelst twee Boeken , het 
zes en zeven en dertigfte. Het eerstgemelde behelst al9 

Hoofdzaaken , V Viervouéig Verbond tusfchen Frank- 

ry*, Engeland , de Vereenigde Nederlanden en Oosten • 

*y*> ^^ë^*^ Spanje. De Actie > handel en Oprigting 

der OosUndffche Maatfchapjpye. Buiten gewoonc 

Vtrgadering en Voortgang van het Stadhouder fchap. 

De Verbintenis tegen het Verbond tusfchen Oostenryk en 
Spanje. ^ — 1- De Bycenkomst te Soisfons en derzelver 

gevolgen. V JVeener^ Verdrag. Voorzorgen ten 

vesie van den Koopliandel. Zaaken , de inwendi-^ 

ge gefieltenis der Vereenigde Geveest en by zonder betreffen • 
de, in dit Tydperk. - — r- V Gedrag der Staat en , by 
dt Verkiezing van AüorsTüs dek 1I[ tot Koning; van 

Poolen. De Oorlog tusfchen Spanje en Groot- 

Brittanje. - — Oostindifche Onlusten. Het Tweede 

.Boek ftek ons voor oogen, den Oorloge wegens de Op^ 
volging ran Keizer carel d6n VI. - — De Verhefing van 

w. c. H. FRjso tot Erfftadhouder , &c. De iaat* 

fie Veldtocht en Akenfche Vredehand^ling. Ver* 

anderingen , door de Verheffing van willem den IV tö 

^^g^ g^bragt. ' Algemeene Aanmerkingen^ over ha Staats* 

vreezen , den Kêophandel ^ de Zeevaart , de Kuvflen^ 
Wcetes^chappen en Zcdett, Vioar het Staatsbejluur , dé 

LatHt. 



IVEDBRLANDSCHE GESCBIRDSNISfiEïr MAAR CBRISIER. IX t 

Land* en Zcemagt ^ de- Staat der Geldmiddelen > der 
Handwerken , Koophandel en Zeevaart , als roede die der 
Kunften en JVeetenfchappen en der Kerke ^ ontvouwd wordt ^ 
met de Characterfchetzen van verfcheide Dichters^ Taalbe* 
fchaavert , JVysgeeren ^ enz. 

Tot een (laaly uit de veelvuldige ^ hier, óp een vryen 
tfinc ^ befchreeven Staatsbyzonderheden , verkiezen wy 'c 
een en ander over te neetnen uit de Afdeeling , die ten 
Opfchrifc voert ^ Veranderingen do9r de Verheffing van 
W£LLBM DEN IV te wcgc gebragt. „ Wanneer" , zegt de 
Schryver, " het Staacsbeftuur der Veréénigde Gewesten^ 
onvoorngtig,deel nam in den Oorlog « door dtn Aken/chen 
Vrede geëindigd, was het niet genoeg bedagt op de ge» 
volgen , welken zulks onverroydelyk moest hebben op 
het inwendig Stelzel des Oemeenebests. D^tzt verande* 
ring was niet natuurlyk , en men moest tot het voort* 
brengen dier Staatsomwentelingen de zeldzaam fle raderen* 
doen werken. ,,Het gebeurde, in dejaaren MDCCXLVIf 
9, en MDCCXLVIli ,^ is tot no^ toe voor den welmee* 
„ nendften en opregtften Gerchiedrcbryver een volkomen 
,, raadsel, en bet is geenzins mogelyk om de weezenlv** 
„ ke drjfvecr der omwentelinge van ons Gemeenebest in 
,, die tyden aan het algemeen te ontdekken. . Dit blyit 
„ bewaard voor de Naakomelingrchap. De raderen van 
„ het werktuig , 't welk men ten dien tyde in 'c werk 
,, beeft weeten te Hellen , zyn reeds laoj^e verbrooken ^ 
,, en men zal nog lange gisfen na deszelts volkomen za- 
,, mcnftelling (♦>'• Wy zullen , derhalven , niet veel 
meer kunnen doen dan de berigten opgeeven van den toe- 
dragt der zaaken^ nogth&ns, van tyd tot tyd 'er in vleg- 
tende zodanige ophelderingeti , welke meer verlichte dageft 
verfchaffen* 

Veelvuldig en boogklinkend waren de * befchuldigingea 
door de driftfgfte Stadhondersgezinden aan de Arijlocram^ 
ten van de Regeering, voor het Jaar MDCCXLVIH ,teii 
laste gelegde Wy bullen 2e verkort opgeeven , met be- 
tiügiag dat 'ér in veek cpkigten maar te veel waarheide 
in eedden wordt ; Tchoon de algemeenheid der befchuW 
digmRen zelve genoegzaam i^ om elk te doen opmerken^ 
dirPartydigheid den mond opent, en, *t geen zeker 
tot maar al te veelen behoorde > aan allen ten laste legt. 

O Ornrl^ yM tuHfe U. D. N. j, bl» 2S. 

H R 



SIl KEDER(^AND5CHB CESCHIBDfiNZSSBIf « 

,, De Gemeente , geheel ontbloot van allen invloed of 
59 hunne Kcprefcntantcn , hing , zeide men , enkel af van 
9» de willekeur van een klein getal haarer Medeburgeren» 
9, die hunne regten , of liever derzelver overfchot , onder 
>, elkander verdeelende , de kunst bezaten om haare klag- 
fj ten te leur te (lellen , of de magt om die te fmooren ; 
,t de CoUegien der Finantien gaven geene rekenfchap aan 
,, hunne begunftigers ; de gemeene inkomften ftrektea 
5» enkel tot onderhouding van de pragt eeniger Familien, 
^, en de Staat was ontbloot van middelen in de aller- * 

5» dringendde noodzaaklykheid. Door dien de 

9, Hoofden der Regeering niemand dan hunne Bloedver« 
,, wanten in dezelve toelieten , waren alle de Ampten 
9, van Vertrouwen, van Aanzien en van Voordeel, tot 

. „ eenige weinige Geflachten bepaald. De Legers 

„ en Vlooten (jonden onder het bevel vaa Kinderen , 

•„ die , verzekerd van ftrafloQsheid , uit hoofde van 't 
,. gezag hunner Naastbc (taanden , van hunne weezenlyke 
9, plichten een kinderfpel maakten. De Tuighuizen wer- 
99 den verwaarloosd, de Vestingen waren, ontbloot van 
9, «Bezetting , en vervielen tot pumhooptn» de Landcroe« 

* ,9 pen zwak en zonder Krygstugt ; het grootst getal van 
„ mindere Bedieningen , uit welken men zo veele voor- 
„ deelen voor de Republiek zou hebbeu kunnen trekken^ 
9, door die te begeeven aan Heden , die hun leeven ger 
,j waagd , en hunne jeugd gefleeten hadden in den Land- 
9, of Zeedienst, en dfoor een beroep aanzienlyk te maa* 
9, ken, dat van dag tot dag onaangenaamer, en, egter , 
„ noodzaaklyker wordt , werd opeedraagen aan lieden » 
9, die geene pndere verdienften hadden 9 dan dat zy een 
9, tyd lang deq laagften Huisdienst by eenen Magidraat 
9» hadden waargenomen , of in het bevorderen van on- 
9« geoorlofde vermaaken waren behulpzaam geweest; ja» 
9, die zelfs , ten behoeve van eenen Regent , hunne eer 
9, hadden opgeofierd , om die van de eene of andere 
9, jonge Dogter te redden. Met één woord , men kon op 
9, geene verbetering boopen : dewyl het de zaak der pu« 
99 blike Amptenaaren was, de ingefloopene misbruiken te 
99 hondhaaveu (♦>•' 

(*). Wij hebben decze fchets , zeker een allerzwartfte fchil- 
dlery, overgenomen uit de Grondwettige Herjielling van Neder" 
Un4s Staatiweezm l D. bl li9^ il/ bergept jSicb op den 



KAAt CERISIER. tl^ 

Wat liier van ook zyn moge, dit gaat vast, dat het 
Jrifiocratisch Befluur , het welk met den dood vau wil- 
L£M DEN III m het Jaar MDCCII eenen aanvang hadt ge« 
nomen , en fteeds voortgeduurd tot aan het Jaar 
MDCCXLVII, voor den vrygebooren Burger niet min 
ondraagbaar geworden was , dan de Graaflyke en Stad* 
houderlyke Regeeringen voorheen geweest waren. Het 
Volk , door geene Rurgerwetten behoorlyk beftuurd zyu- 
de 9 was die Regeeringe moede geworden , het haakte na 
verandering ; ^^ AanzienlykRen zagen met een (lilzwy* 
gend en heiroclyk genoegen aan, dat de toenmaalige-^r/- 
jiocratijchc Familie Regeering te onder wierd gebragt. 
Men dagt , dat uit de algemeene gisting dier tyden eene 

Sewenschte omwenteling zou opdaagen ; doch men be- 
roog zich deerlyk. De Burgerfchaar was te diep in 
flaap gewiegd , en de Ariflocratie haSt zich te zeer op 
haaren gevloektcn throon verheeven , dan dat uit het 
een en ander de verheffing des Prinfen van Oranje niet 
moest gebooren worden. De Heerschzugt hadt een zq 
weeligen grond aangetroffen in hun, die niets meer wa- 
ren ëaii Vertegenwoordigers van het Volk , dat het zeer 
bereidvaardig de hand leende , om het Stadhouderfchap y 
met meer Voorregten dan ooit omgccven , weder in ta 
voeren , en die Ariflocraten aan den Stoel van een zo«^ 
genaamd Eminent Hoofd vast te kluisteren , terwyl veelen. 
der aanzienlykfte Staatsieden, by deszelfs vastftelling, aaa 
zich en hunne geflachteil de aanmerkelykfte en duurzaamlle 
voordeden beloofden. 

De Ariflocraten van dep flegtften Stempel , die zich 
jrimmer met een welmeenend inzigt » of uit waare Vader- 
landliefde, de ?aak des Vaderlands aantrokken ; maar al*- 
leen uit eigenbaat en zelf belang d^tz^ zyde-koozen ea 
hielden, zo lang dezelve eer en voordeel fchonk, wend*» 
den het over eenen anderen boeg; denkende by die ver— 
wisfeling altoos eene gunftige gelegenheid te zullen vin- 
den y om zich in het bewind der algemeene zaa^ 
ken te dringen » en alle de voordeeleu der Regee- 

rm- 

Couriervan Europa I D. bl. ipi. Het gedrag der Siadhou^ 
der T ' gezinden verdeedigdf en Verhandeling over den aiouden en 
tegenvoordigen Staat enz Ferdecdiging der Stadhouderlyke R^ 
£ttring II Verv^ op de InU 

H3 



in WEDEULANDfCHB OBSCHIRDENISSEfT 

linec, aan zich en hunne Geflacbten, wer te hien- 

**" Eik Burger", (luidde de twl van een der God. 
fDraaken van de misnoegde Party) "moet zich verzekerd 
„houden, dat het algemeen belang nooit ter harte ^- 
!! nomen is door de Regeering. Regenten, fchuldig aan 
het toegeeven van zuJk eene verkeerdheid, waren geen 
«Vaders, geen Befchermers der Burgeren, Zy badden 
!. hun regt op de plaats , welke «y bekleedden , ver- 
t. looren : het Volk tradt weder in zyne Rcgten en 
;, de Stadhouder moest hun Overheden geeven meer 

!. het Volks vertrouwen waardig. Zodegeenen, 

!! die op 't kusfen zyn gefteld , door hunne rtegte be- 

* heering, hun regt en geaag verhezen , keert het zelve 
. weder tot de Maatfchappy , en het Volk heeft regt 

'. om zich de Opperheerfchappy aan te maatigen . en Je 
!! Wetgcevende Magt te gebruiken, of wel eene nieuwe 
!! Reeeeringwyze op te rechten , en het Hoog Gezag, 
!! walr van het als dan meester is, in andere handen te 
!. Rellen, zoals het dat goedvmdt. Het eenigst doelwit 
:. van eene Maatfchappye, niets anders zynde , dan de 
! welvaart van ieder Lid in 't byzonder , kan geen 
!! Lid van het Volk afzien van het Regt , om over 
« zyne Regeerders agt <t geeven , om zich tegen hun 
Il aan te kanten, dezelve af, en^anderen in de nUatt 

* te zetten, wanneer, men befpeurt, dat de Maat- 
!. fchappy onder hunne Regecrlng te gronde gaat. Dit 
!I Reet, uk een pligt, van den Schepper aller dingen 
!! op ons gdcgd, voortvloeiende, is daardoor teven» 
!! eeti pligt, daar wy niet van kunnen afzien , zonder 

I tegen den wil des Allerhoogften te zondigen. Het 
V is dan klaar, waar en waaragtig, dat, wanneer eemg 
Volk zynen Burgerftaat ziet vervallen , verzwakken 
ta van buiten, en blootgefteld aan de uiterfte gevaaren, 
;. alle kentekenen van eene ongelukkige bezorging, waar 
'* op elk een min of meer geknakt , eindelyk eene 
„ geheel* ondergang moet volgen; dat, zeg ik, als dan. 
'♦ dat Volk het Regt heeft , om tegen zyne Overheden 
' op te ftaan,en, als oorfpronglyke en regtmaatige Heer^ 
U fchers , voor zich «elven aodaanige fchikkingan te 
" „ maai> 

C*) Zie de Courier van Eurtpa ID. bh.aa^. Il D. W. 9. 
Wtv. 75. 



♦♦ 



„ anken , als het zal vinden te behoofcn. Dit zo zyn- 
„ de, in het algemeen voor alle foorten van Rcgeerin- ' 
„ gen, is dit des te meer verpligteode in Burgerflaaten , 
„ daar de Inwoonders van 't Land, zo grooten als klci- 
„ oen , zo ryken als armen , zo Regeerders als Onder- 
„ daanen , gelyklyk , aan die algemeene Wet nog doo? 
^» eltnen üed zich verbonden hebben, gelyk dit hier te 
„ Lande plaats heeft : want wy z weeren geene On- 
„ bepaalde gchoorzaambeid , maar wel het Land honui 
„ en getrouw te zullen Wyven , de Wetten , Privilegiën 
„ enz. te handhaavcn , alle welke uitdrukkingen als zo 
,, vcele kennerken zyn van de toevoorzigt onzer Voorva* 
^ deren ^ om de Gcondwet van het Zamenleewen tot do 
^9 Grondwet van hun Gemeenebest te houden (f)* 

„ Schoon WILLEM DE IV, zegt onze Gefchiedrchryvcc 
in eene andere Afdeeling , ten Opfchrift voerende. M- 
gemecnc Aanmerkingen over het Staats^cezen , enz. , ia 
de weinige jaaren zyns onrustigen Stadhouderfchaps « 

*zon>» 

(t) Het Qtifaft der Stadhouders Gezinden verdeedigff. De 
OpfteUcfS van de Grondwettige H.r Helling van Neerlands Staats^ 
veezen 9 deeze woorden met betrekking tot het Volksregt aan- 
gehaald Iiebbende , voegen 'er met veel gronds by, „ Zo 
m fpreekt: deeze Schryver op het gezag nïet alleen van buiten- 
„ landfche en hedendaagfche Regtgeleerden ; maar ook volgens 
^ de Leer van onze eigen Staats -Rechts Geleerden , op wel- 
f, ker getuigenis hy zich plegtig beroept, Deeze woorden van 
ff den Advokaêt e. lusic zullen genoegzaam zyn om de 
„ Leerftelling van zekeren reinier vryaart te wederleggen r 
» die zyne eerloosheid zo hoog doet ftygen, dat hy met zo* 
ft veel veragting voor de Natie, als,kwnade trouw voor de 
ff Waarheid , de idéé van een Oorfpronglyk Contract , vaa 
f, eene Volks -vertegenwoordiging, eene idéé , zo waar, zo 
lit edel, zo bekwaam om het goed vertrouwen en de eendragt 
»f tusfchen hun dieregeeren, en hun die geregeerd worden, 
M te bewaaren, durft aanranden. Maar wat kan men verwag- 
ff ten van Schryvers , die van Grordb^inzelen veranderen p 
V naar dat de omfiandighedcn zulks vereifchcn , aan welken 
»« het onverfchillig is, of zy voor- of tegcnfpreeken > en die 
ff het Volk en zyne Geheiligde Regten op eene laage en laffe 
•f ^yzi^ vleijen, of onbefchaamd aanvallen, naar maate 't ziéive 
ff genegen of ongenegen fchynt te zyn, om hunne byzon* 
ff dcrc oogmerken te belpen ondcrAeuneit Bladz^239 ^ 

H4 



llê NE0BRLANDSCHE GESCHIEDENISSEN 

;Eomty(ls het oor leende aan voorflagen en de hand in het. 
uitvoeren vz^ ontwerpen , die met het Stelzel der Ge- 
meenebesilsregeering weinig (Irookten , fchynt zuIIls , voor 
geen gering gedeelte aan den vreemden iiivJoed , en de 
Kunftenaaryen vaa Staatzugtige Onderbewindslieden , die 
even als de klimop , zich niet kunnen opheffen , zonder 
zich om een hooggeftamden boom te flingereu , te moeten 
worden toegefchreeven, — — Ten tyde zyner Verhef- 
jBnge , bevondt zich , (gelyk wy boven gezien hebben ,> in 
\ Gemeenebest eene menigte van aanzienlyke Burgers , 

die de haatlykfte Familie Arijlocratie vloekten. In 

de Landgewesren was een groot getal Edelen , die meer 
uitftaken door de hoogheid van hun Afkomst, dan door 
den glans hunner «Middelen ; zy haakten na eene Regee- 
ringsvorm , waar in een met Magt bekleedde Stadhouder 
hun, uit dien luisterloozen Stand, kon opbeuren, in eer 
en aanzien verheffen , en met een gouden regen over- 

ftortep, Het Volk, in *t algemeen, konde de Re- 

geeringsperroonen niet dan uit hunne gezagsbetooningen , 
geenzins altoos met de verei^chte omzigtigheid te werk 
gefield , fchreef de rampen des Oorlogs, waar in men 
zich onvoorzigtig hadt laaten inwikkelen , op hunne re- 
kening aan, en geloofde, dat een Prins ^ uit den Huize 
van Oranje^ den ouden roem en voorfpoed aan den Lan- 
de zou wedergeeven. Alle deeze oorzaaken wrogten zeer 
mede tot de Staatsomwenteling; en willem de IV hadc 
naauwlyks iets meer te doen , dan zich over te gee» 
ven aan den (Iroom , die hem voerde te^ plaatze , waar 
de Zetel der Eere en des Gezags hem wagtte. Het Ge» 
neenebest zag toen een verfchynzel, nooit > zints de eer- 
fte Grondvesting, boven de zelfs gezigteinder opgaan; 
de Stadhouder Capitein- Admiraal Generaalfchappen en 
de V oorzitterfchappen der aanzienlykfte Maatfchappyen op 
één Hootd verecnigd. Indien deeze omwenteling de ver- 
deeldheden , welke de onderfchéide Stadbouderfcbappen 
natuurlyk moesten veroorzaaken , aan den eenen kant deeden 
verdwynen, zy deedt, aan den anderen kant, eeneregtmaa* 
tige vreeze gebooren worden, dat ze, aan éénen verleend, 
in Dwinglandy zou kunnen veraarten.*' 

Eene vrees maar al te wel gegrond, en waaronitrént 
men de taal wel mag naadenken van den Raadpenfionaris 
«UNOELANDT, die, in den Jaarc MDCCXVII fchreef, 
„ Eén Prins , die reeds Stadhouder Is van twee Provin- 
9) cien, geeft voorwaar eene groote zwaarigheid , om dat 

» het 



NAAR CERISiBR. fi;^ 

^ liet ,' in voorige tydcn , veel gecontribueerd heeft tot 
,, belioud van de Vryheid» of van het Regt van deStaa» 
,, ten. en van de Privilegiën van het Land, dat alle Pro«^ 
,, vinden niet onder één en denzeifden Stadhouder wa« 
„ jen ; maar dat de Voorftanders van de Vrylieid eenig. 
,, zins zouden contra balanceeren het gezag" van den eenen 
,, Stadhouder door dat van den anderen.'* 

Naa de afgifte van dit Deel, wordt ons ter hand gefteld 
een Algefnecn Register : tot groot gemak der Bezitteren 
van dit W erk , *t geen voldoet aan het PJan , *t welk de 
Naavolger in de Voorreden des eerften Deels heeft opge* 
geeven* Wy hebben, by eene voorgaande gelegenheid , op« 
gemerkt , dat de Naavolger in de laatfte Deelen zeer verre 
van den Franfchen Schryver afwykt , . dit is ook zyn 
geval in het tegenwoordige : dan wie het laatfte Deel 
des franfchen Werks , en bovenal het Slot , geleezen 
heeft , zal zich over die afwyking niet bevreemden^ 
Tammer dat 'er zo veele en zo groote Drukfeilen iu dit 
Werk zyn ingefloopen. 



Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden , Veer* 
tiende Deels tsfeede ftuk^ bevattende het veryolg der 
Bcfchrjvinge ^an Friesland. Te Amfterdam , Leyden , 
Dort en Harlingen^ by P. Schouten, J, de Groot &c* 
1786. In gr^ octavo , 74 1 bladz. 



N' 



ra dat de Schryvers ons by den aanvang van dit deel 
eene beknopte befchryving van Ameland en Schier- 
monnikoog gegeeven hebben , gaan zy over ter befchou- 
wiog van het tweede , en te gelyk het Westelykfte , ge« 
deelte. van de Provintie Friesland, dat, in tegenfteUing 
met het Oostwaards gelegene Oostergo , Westetgo 'ge- 
naamd wordt. De aart der Landeryen van deeze ftreefc 
wdks ligging en grenzing aan de nabuurige Zuiderzee 
en de Waoden nader omfchreven wordt , is niet zo 
' verfcheideo als in Oostergo, naardien men in geheel 
Westergo geen heidvelden 6n weinig Veenen vindt, ja 
zelfs geen zandgronden op de oppervlakte des Aard« 
ryks , alleen uitgezonderd den heuvel , 't roode Klif ; 
over 't algemeen beftaat het uit vruchtbaar Kleiland , 't 
welk zelfs in de laagfte oorden, door inpoldering', tot 
roordeelig weidland kan worden gemaakt* De eerde der 

H 5 ne* 



IlS TEOSNWOOItmés $TAAT 

Begen GritMiy^n» uit welke WesteFgo beftaac^ is Ménal. * 
dumadul; de Janderyen deezer Grieteny beftaaa meeren* 
deel& uit aeer vruchtbaare Kleigronden» die tot de Graan- 

. CB Aardappelteelt zeer gefchikt zyn, vooral, die hugs 
dtu ouden Zeedyk liggen, va& Marfum af tot aan Wier, 
tn in den omtrek van Bergum, Ëngelum, Menaldnm^eq 
Dronryp, terwyl de laager landen, ook meerendeel? zeer 
goed en gefchikt zyn tot beste Weid- en Hooilaoden. 
Deeze Grieteny lieen twaalf IJkDrpen en een Klooster; ala 
vooreerst Menaldum^ by verkorting Meaaam^ een Dorp, 
dat ondoen groot van omtrek is, en met zyne landeryen. 
^ uit zeer fchoone Bouw- en WeidlandenbeAaan^en geheel 
tot aan bet Kerkhof van Beetgum, en voorts tusfcfaen 
'Berlikum, Schingen, Drouryp en Marsfum loopt. a. A?r. 
Uknm^ doorgaans Belkum of Celkom, een fcboon Dorp, 
welks buurt de grootfte is der geheele Grieteny en twee* 
en veertig ftemmen bevat. 3. H^ier^ een klein Dorp, zo 
van buurt als landeryen, behoorende daaronder maar tien 

• ftcmmende plaatzen. 4. Bcetgum , weleer Badegum ge- 
naamd, zo SCHOTANUS Wil, omdat de Zee tot aan het 
Kerkhof fpoelde, en men zich iu 't zeewater rondom ba- 
den kon. 5. Englum , ten zuidoosten van Beetgum gele- 
gen , en ook niet verre van den ouden Zeedyk , waarop 
de rydweg van dit Dorpje uitkomt, is klein en heeft maar 
twaalf ftemdraagende plaatzen, die, evien als Beetgum, 
uit zeer vruchtbaare landeryen bellaan , en meest tot 
Bouwakkers, Aardappelteelt, en Weidhinden dienen* 6. 

' Marsfum^ een maatig groof en vermaakelyk Dorp, even 
als Beetgum , aan den meergemelden ouden Zeedyk , en 
dus wel ter reed gelegen. 7. Deinum^ een aangenaam 
Dorp aan de Leen waarder trek vaart, tweehonderd roeden 
ten westen van Ritzumazyl gelegen , dat met een fchoone 
groote Kerk en Kloktooren van een byzonder maakfel, 
en rondsom voorzien is met buizen, die byna geheel be* 
iloten liggen in een Dyk, het St. Jans pad geheeten ; 
synde deeze Dyk weleer dus aangelegd om te dienen, 
tot de procesfie ter eerc van St. Jaii , den Patroon van 
dit Dorp. 8. Eoxum, een Dorp van een matigen omtrek 
•n zes- en twintig (temmende plaatfen, heeft by de kerk 
een ftompen kloktooren en een tamelyfce buurt. 9. bUb» 
fitmy liggende, ongeveer, driehonderd konings roeden tea 
westen van den ouden Zeedyk of Borndyk, en, onge* 
veer, ook zo veel zotdwaards van de Leeuwaarder trek* 
vaart 9 is niet gropt, doch vermakelyk wegens het geboom- 
te. 



VAN fRItaLAND» II9 

te* ia DrMTjp^ een Tchooii, groot en vermakelyk Dorp, 
Beer wel gelegen ter vaart en ter reed, beide van en naar 
Louwaarden en Franeker. n. Schingen ^ zo men meent» 
van Dronryp afgefcheurd , wegens 't oude en eertyds he. 
vige gefcbil over *t voorgaan ten offer, en dus Schiugen» 
by verkortinge , geheeten voor Scheidingen. 12. slappe* 
urp^ \ kleinfte Dorp der Grieteny, als hebbende maar 
aeven ftemmen; door dit Dorp loopt een rydweg, dien 
nen kan gebruiken van en naar Peins of Beriikum, ter^ 
wyl *er ook een Schipvaart is, die in de Schingervaart 
uitkomt* By deeze voornoemde Dorpen , die bier omftan« 
dig befchreven worden, komt eindelyk bet Klooster Aan« 
jam of Anigbem, van welks ftichtinge reeds in het eerde 
Deel gefpreken is. Men tdt in déeze Grieteny, die, den 
Hoogwelgeb. Heer j. g. w. yu d. Baron thoe Scbwart. 
zenberg en Hobenlandsberg , en tot Secretaris Mr. j. mb- 
Bics beeft , tien Hervormde Kerkgemeenten , twee Doops- 
gezinde Gemeenten, en eene van Roomsch Katholyken. 

De tweede Grieteny van Westergo, tot welkers be» 
fchryving de Schryvers vervolgens overgaan , is Frantke^ 
tadul^ aldus genaamd naar de Stad Franeker , die mid<* 
den in 4ezelve ligt. De landeryen zyn hier, over 't gei* 
heel, goed, doch merkelyk onderfcheid^n. De Dorpen 
deezcr Grieteny» die elf in getal zyn, hebben door veele 
wegen en vaarten goede gemeenfchap met eikanderen , en 
ock.een beboorlykiT waterloozing. Het eerfte is Tjwn of 
fxtf JU, eertyds Tzumma genoemd. Dit Dorp is zeer uitge^» 
ftrekt, en bevat wel zes- en vyfïig (lemdraagende plaat* 
fen,en daaronder veele ftaaten en verfcheiden lütbuunen» 
als Barram, Faldum, Tritzura, Laakwerd , enz. 2. Dong^* 
jum^ Doenjum of Doedingahenr, gelyk het weleer gefpeld 
werd, ligt omtrent vyfhonderd koningsroeden tenlNoordeti 
naar Franeker, en bevat in zynen omtrek vyftien ftem* 
mende plaatfea; doch de buurt by de keik is zeer gering* 
S» Achhim^ een Dorp van groote uitgeftrektheia , dat 
wel acht- en dertig (temmende ptaatfën teh, gedeeUelylc 
vafpidd en gedeeltelyk als verftrooide buurtjes, by by- 
xondere naamen bekend, als Gelterp, SopTum, Ludum^ 
enz. 4. Midlum, weleer ook A^idlama genoemd^ is een 
Dorp van geen kleinen omtrek , hoewel zeer gering van 
buurt , bevattende twintig (lemdraagende plaatfen. 5. Hcr^ 
bajum , aan denzelfden rydweg gelegen, niet verre ym 
Franeker» een klein Dorp, dat alteen vyfrien (lemdraagende 
plaatfen bevat* 6* Schaïfum^tYtB als Dong>am en iferba* 

jum. 



flO TEGBKWOORDICE STAAT 

jum, aan de gerechtigheid van Franeker grenzende, op 
welke Stad dit Dorp een fraai uitzicht heeft. 7. Hitzum^ 
een klein Uorp , hebbende twaalf (lemmen , tusfchen Ach- 
luin en Herbajum gelegen, 8. ,Boury of Euur, by ouda 
Suurftra, het kteinfte Dorp der Grieteny, dat alleen negeo 
ftemdraagende plaatfen bevat. 9. Kicd^ dus genoemd naar 
^t water , dat ten Noorden des Dorps naar Berlikum 
loopt, welks buurt niet groot is, doch verre die van 
Dongjum en Bour ovenreft. 10. Pcim , bjr ouds Peinfera^ 
gae^ dat ten Zuiden van Ried gelegen is, en zeventien 
ftemdraagende plaatfen bevatten ten 11. Sweins^ by ouds 
Sweinferagae , dat verder Zuidwaards , niet' verre van den 
trekweg naar Leeuwaarden gelegen is, waaraan dit Dorp 
grenst met eene brug over de vaart, KingmatUle genaamd , 
en eene daartoe behoorende buurt, by welke ook de Cin- 
gel eindigt van de aanzienlyke State Kingma , weleer Kin^ 
jum , die , volgens winsemius , galg en rad voerde. Oit 
deel, het welk thans tot zynen Grietman den Hr. én Mr*, 
j. c. BERCSMA, en tot Secretaris den Hr. en Mr. j. de- 
KETH, heeft, bevat zeven Hervormde Gemeenten, doch 
Doopsgezinde of Roomsch Katholieke Gei^eenten wordea 
in deeze Grieteny niet gevonden. 

Nadat de Schryvers deezen taak hebben afgehandeld^ 
ftaan zy over tot een breedvoerige en naauwkeurige Be* 
fchryving van Frantkcr , de derde in rang onder de (fetn* 
mende fteden vgn Friesland, in Westergo gelegen, drie 
en een tweede uur gaans van Leeuwaarden, en anderhalf 
uur van Harlingen, by welke hefchryving men zich by- 
2onder heeft toegelegd, ter ontwikkeling van alles, wat 
Frieslands Hooge Schoole eenigzins betreft , na welker 
befchouwing wy geleid worden tot VVestergo's derde 
Grieteny , Barradccl genaamd , zynde een lange ftreek 
lands, ongeveer Noordoost en Zuidoost loopende ter lengte 
van ruim vierduizend en vyfhonderd koningsroeden, doch 
alleen ter breedte van eenduizend en tweehonderd gelyke 
' roeden. In 't oostelyke deel liggen van deeze Grieteny 
1. het Dorp Minntruga^ weleer Minderskerk genoemd » 
dat het grootfte deezer Grieteny is. a. Firdgum^ eea 
zeer klein Dorp, 't wejk echter tien (ftemmen heeft. 3. 
Tjummarum^ézt scht- en dertig ftemmen bevat, en ia 
grootte naast aan Minnertsga komt. 4. OosUrbierum^ eea 
Dorp van matigen omtrek, dat even ten Oosten van den 
Slagtedyk gelegen Js, en vyf- en twintig ftemdraagende 
plaatfen bevat. 5. Sixbicrumy een aanzlenlyk en vermo- 

gend 



rm FRIBSLANDb 121 

gend Dorp, dat zes- en denig flemmen telt, en behalvm 
de groote welbebouwde. en beftraace binnenbuurc nog twee 
uitbuurten bevat. 6. Pietersbierum^ of liever Petersbicfum 
co eertyds Barra, dat zeven- en twintig Hemmende plaat- 
fèo heeft , klein van kerkbuurt is ^ en zich westwaards 
iiitftrekt tot' aan Roptazyl. 7. Wjnaam^ of Wynaldum, 
een maatig groot Dorp, bezuiden de Ried gelegen, en 
daar door van de Bierumen afgefcheiden. 8. Almcnum^ 
Zuid- en Noordwaards langs den Zeedyk gelegen, en in 
zyne hnderyen de Stad Harlingen influitènde ; en eindelyk 
9* Het Klooster Lidlum^ dat als een negende dorp der 
Grieteny medeflemt en negen (temmen heeft. Dit Kloos- 
ter was eenyds zeer aanzienlyk, en had een byzondere 
vaart naar Zee, die by Koehool uitkwam; doch in laater 
tyd werd de haven verftopt , en 'er fcheurdèn op die 
plaats, door 't geweld des zeewaters, binnen den Dyk> 
twee diepe Poelen of Wielen, die nog in wezen zyn. -— 
Weleer waren onder Barradeel nog twee Dorpen, die reeds 
voor eenige eeuwen, door 't geweld der Noordzee, ver»- 
nield zyn, met naame Westerbierum en Dykshome. Dee- 
26 Grieteny , van welke thans Jonker j. b. van echten 
Grietman , en de Heer rein smit Secretaris is , bevat ia 
zynen omtrek zeven Hervormde Gemeenten ; doch Doops* 
|{ezinde en Roomsch Katholieke Gemeenten zyn 'er geene 
m deeze Grieteny. 

Ten befluiie van dit Deel, geeven ons de Schryvers een 
breedvoerige affcbetzuigvan de Stad Harlingeti , die in 
nog de zesde der Friefche Steden is , en op den Noord. 
I westkant der Provincie aan de Zuiderzee , anderhalf uur 
gaans ten Westen van Franeker, ligt, en welker liggmg, 
aefchiedenisfen , openbaare gebouwen , regeeringsvorm , enz. 
Bier zeer * breed ontwikkeld en omfcbreviSn worden : doch 
waaromtrent wy ons, wegens de bepaaldheid van ons be- 
fiek, niet kunnen inlaaten. 



Jh^ 



xaa w. scHo&Ba 



4mttkeningen van Mr. willem SQHORfiR tyver Oe Inleid 
ding tof de Hollandfchc Reciüsgeleerdheief van hüoo oe 
QViKjQT^door den Aantetkenaar aanmcrkeljkvermurieri 
en uit hep Latyn Vertaald^ door Mr. j. f. austen , 
practifecrend Advocaat te Middelburg. In Zeeland^ 
Tweede Stuk. Te Middelburg , by P. GilUslcn ea Zoon , 
1786. In guarto, 184 bladz. 



01 



|nder alle de Werken, dié o?er de Holladdfche Rechts** 
'geleerdheid gerchreeven zyn, is Vr geene, dst met 
20 veel naauwkeurigheid 9^ en als wy ons eo nogen ult« 
drukken, Geometriiche juistheid, behandeld is, als de 
Inleiding van onzen onfterfelyken Vaderlander, den groo* 
ten Huig de Groot ^ wiens letterkundige verdienden in 
deeze onze ligtzinnige eeuw, by gebrek van genoegeaa- 
ne kundigheid, niet naar waarde gerchat worden» fchoon 
echter die zyn Werk, na verloop van meer dan een 
eeuw , nog heden tot een richtfnoer van onze rechtbatiken 
ilrekt. Dan daar het zelve op eene min of meer Syste- 
matieke wyze is ingericht, kan men met geen redelyk- 
beid verwachten dat alle iuridicque qnestien hier ontwik- 
keld en uitgepluist te vincfen. Deezen taak heeft de Heer 
scHoaBR, een man van veel beleezenheid , op zich geno- 
men , en zyne Adverfaria of Compilatien , die hy , naar 
liet ons toefchynt, van tyd tot tyd uit rechtsgeleerde 
Schryvers getrokken heeft, hier en daar, by wyze van 
aantekeningen in de Latynfche taal onder den texc vati 
het Nederauhfche Werk van de Groot geplaatst: een wy- • 
se die zeer zonderling is, daar juist deeze aanteKetiingen, 
Crootendeels alleen van dienst waren voor zodanige prac- 
tizyns, die de Latynfche Schryvers, by gebrek van taal- 
kennis, niet kunnen raadpleegen> by voorbeeld Sollici* 
teurs en anderen, terwyl men van de meeste Advocatteti 
onderftellen moet» dat zy met de beste Rechtsgeleerde 
Schryvers, uit welker Latynfche Schriften de Heer Scho* 
rer zyne aantekefningen grootendeels gecompileerd heeft , 
gemeenzaam genoeg bekend zyn , en dus , tot deeze bron- 
nen zelfs toegang hebbende , uit 's mans Compilatien hun- 
ne Kundigheden niet behoeven te putten; men fchynt 
dit ook gevoeld te hebben, en, om dit gebrek te ver- 
goeden, en deeze aanteekeningen , voor onkundige Praéti* 
zyns , gebruikbaar te maaken , heeft de Heer austen de* 
idve in^ het NederduitsCh vertaald', fchoon deeze Uitga' 



aANTSKBmUQSN. tg| 

^ tbffis mcdet éen nieuw gebrek heeft , nftnèlyk dat sy 
Booten tcNtder text behelst , en dus met dit ongeinak vet* 
'SeseM gast, dat men telkens by deceive bet werk vaa 
ae Groef 'm de hand moet neemen. 

Van de menigvuldige Aantekeningen « die ons bier 
voorkomen, cullen wy, om den leezereen denkbeeld ?aai 
*5mans behandeling te geeven, die geene kiezen welkt 
de Heer Schorer over het Bergloon der op ftrand gewor» 
pen goederen heeft opgegeevcn. „ In vroegere tyden« 
^cgt hy» verlooren de Eigenaars niet alleen het georanl 
coed, maar zelf de Schipbreukelingen hunne vryfaeid« 
van welke roofzucht, en onrecht vaardigbeid zich oud* 
tyds bedienden de Koningen van Denemarken, de Herto* 
gen van Holflein , de Graaven van Oldenburg en £mb- 
denden de Friefche Eilanders, welke geheel en alleen van 
de Viscbvangst en Zeevondcn leefden ; zodat het derfaaU 
ven geen wonder is» dat Iteizer preoerik db II, i^da 
voor het midden der twaalfde eeuw, verfcheidene Stedem 
en perfoonen van het onnatuurlyk Strandrecht vry veiw 
kiaard heeft, meerman Gefchiedenü van Graaf yriixMm^ 
IL B. U» J2f9. Over dit (luk heeft onze Sohryver reedt 
ter loops gehandeld in het II. B. II. Deel %. $6. Mee 
het boogtte recht derhalven zegt barbeirac in zyn Dism 
coBts fur ks beneficci des loix pag. II , gedrukt te Amflel- 
dam, en , in zyne aanteekeningen op den laatften druk 
van het werk van pupendoap de Ofte. Hom. et Ciy. bl^ 
478 > dat de ftranda»eesters ombanubartiger zyn dad zêt 
es winden; zelfs fchaamen zich de Bedienaars des Gdd^ 
<felyken Woords op fommige plaatfen niet, om aanbo,u« 
dende gebeden tot Göd op te zenden, dat hy denGroódf 
heer door deeze ongelukken wil verryken. En deeze- 
verfbeijelyke daad tracht thomasius verichconlyk te maat 
^^to als by-BARBEiUAC fiir pupend. Droit de ia Nom 
9urs a Gens word aangeteekend , Z/V. IV. Ch. XIII. S 

5* n. ft. Waarby gevoegd kunnen worden de «Iioot ^ 
^urt Bern ac Pacis ^L. II c. Vil. S i m g Seiden. Mofê 
^üntfim^ L. L cap. XXV. aan het eindew Voltaub £^ 
JQfü Jkr PHisPotre gemrak^ Tom. I pag. i8. Doch dt 
Geestelv^en hebbeti te recht de zulken met den baa 
bedreigd, die zich met deeze vanongelukte goederen bt« 
voordcelden. Cap. ïlf. X de rapt. 

„Dit ibhandelyk gebruik (leunde op deezen grond, d^C 
dt goedeta) der fchipbreukeihigen , alE iyade ter beho«>- 
éentt vaft (Schip tn kvea buiitn bMid «twcnvta^ g*- 

ret- 



tt4 * W* SCHORBH 

teekend wierden door den Eigenaar te zyn verlaaten^ z^ 
dat dezelve, als niemand in eigendom toebeboorende , 
door elk ander mogcen worden aangedagen; doch dit ia 
zeer verkeerd, ten ware men konde bewyz^n, dat, vol- 
gens het recht der Natuur, de goederen niet langer ie- 
mands eigen syn , dan dezelven by hem' in de daad be- 
zeten worden : het welk de Prefident eynkershobk echter 
met nadruk wil ftaaven de dominio mar is ^ Cap. L Dan 
dit zyn gevoelen is reeds ', ten jaare 1704, door titius 
wederleg? , Acadcm. Disput, de dominio rerum in rebus 
occupatis ukra posfesfionem duranle. Dod hier by bar* 
BEiaAC Aanteekeningen op püprnoorp Droit de la Natu* 
re & de Gefis^ L. IV. Ch. VI. § i. n. 1. 

,, Hier uit volgt derhalven , dat ieder een , die zich met 
geftrande goederen verrykt, naar befchreven rechten die- 
very begaat, barbeirac y«r pufenoorp droit de la Natu- 
re & des Gens^ Liv. IV. Ch. VI- § 12 n. ia. VI^Nlus 
ad Inftituta de R. D. II 47 n. 2. Voeg hier by den 
Raadsheer heemsberk Batavifche ircad. bl. 295, alwaar 
hy, dit (luk behandelende, zegt, dat earel de V» cxx 
deszelfs zoon philip deezen Strandroof door hunne Be^ 
yelfchriften beteugeld hebben. Op deezen grond heeft 
mede de Hoege Raad^ ten jaare 1599, de Bewooixers van 
het Eiland Ter Schelling die eenige op flrand geworpe, 
ne Graanen naar huis gevoerd hadden , verwezen , om , 
Volgens bezwooren opgave van den .Reeder, de waarde 
derzelven te betaalen. Neostao. Decif. Suprem. Curies 
XLIV, het welk insgelyks alzoo te zutphbm den 7. Jan. 
175^» is vcrftaan. Schomaker Confultatien en Adv. V, 
DeèUConr. 2 XI. n. 21 en 22. 

„Dit echter is niet onredelyk , dat de op flrand gewor- 
pene goedereu door de Graafelykheid worden > aangefla- 
gen, wanneer de Eigenaar by naauwkeurige navorfchinge 
niet te vinden is, brunnbman, ad Leg. 8. n. 2 ff. de 
teg. Rhod. (L. XIV. T. II) en Gravinne maria heeft 
den Hden Maart I477 te Gent, aan de Hollanders en 
Zeeuwen, by het zogenaamd groot Privilegie, vergund, 
liet geborgen goed te rug te mogen eifchen , mits daar- 
voor aan de Burgers een redelyk loon betaalende. Groot 
TIacaat. II Deel bl. 1213. Faderl. Historie IV Deel XIV 
Boek bl. 169, waartoe naderband by bevelfchrift aan phi- 
XIP den II een jaar en zes weken is bepaald^ geduurende 
•welken tyd de Eigenaars op de geredde goederen tegen 
betaalïnge der geviüjene kosten» recht hebben > wfiaus ad 



tfiJlUta. de R. Dl %. 47* n. !//!r. VANzraR Codex Bata^ 
vus op het woord Zeevang of luimden. § 7. bl. 1234 ea 
in het brecdc boel over loenu-s Cap. XCIV, waarby 
gevoegd kunnen worden de Ob/eryatien oyer h. dk oroot, 
1. Deel. Obf. XXIX, bL «4, en /Ve^f. a. kluit, /«• 
tr/dingsrcden y LtyAn ^ 1779. Bylage IX. bl. loi^. Diï 
vondt reeds van ouds in Zeeland plaats. Keure van Zce^ 
landy Kap. IV. Art. XIII. 'en is nog onlangs den 14 Ju* 
nyi 1751 » by de Sfaaten deezer Provincie nader bekracb* 
tig) geworden, waarby is bepaald, dat de EigenaaiB zich 
binnen dien tyd moeten aangeeven , op (Iraffe of p^cne» 
dat, by ontftentenis van dien, de goederen aan den Graaf , 
of deszelfs Gemachtigden , zullen vervallen , by welk Pla^ 
coat hunne Edelmogenden Art. XIV. en XX Vi , uitdruk* 
kelyk gelasten , dat de Officieren en anderen , die eenig 
opzicht over de zeedriften en geftrande goederen hebben , 
luec zullen vermogen^ eenig gedeelte derzelven voor zich 
te behouden, inge vatte de Eigenaars hunne goederen met ' 
goed bewys opeisfchen , onder welk voorgeeven het ooi? 
toode mogen zyn. In Saxen komen twee derden aan de 
Magiftraat, het overige derde den geenen toe, die het* 
zelve heeft gered of gevonden, wanneer, i^amelyk, nt 
voorgaande bekend maakinge zich niemand binnen den be« 
paal(ten tyd aangeeft en zyn eigendom bewysr. Carpzo* 
VJüS, Jurisprud.for. p. III. Confii$. XXXI. Def. XVIlI. 

^, Het Bergloon wordt in de volgende §. ;• door onzen 
Schryver bepaald, waartoe caornewbgkn aldaar in zyne 
' Aanteekeningen eenige Placaaien bybrengt. Ten deezea 
opzichte wordt in het laatfte Placaat der Staaten van Zee* 
land Art« XK, onderfcheid gemaakt, of de verongelukte 
(Qoederen j^ed zyn binnen of wel buiten de tonnen. In 
het eerfte geval genieten de Scheepsgezellen, die het goed 
teborgen hebben ^ de helft, in het laatfte een derde vaa 
de waarde, behoudens echter de Staaren of derzelver Ge* 
comiiitteerde R8aden,het rechtsom hieromtrent ^ na ver* 
fchddenbeid, te werk te gaan. 

^,Ii)8gelyks hebben de Staaten van Friesland , om het roo* 
ven der zeedriften te beteugelen, den i& Maart, 1721^ 
bepaald , dat iedereen • die iets van zulke goederen vindt^ 
verplicht is binnen vierentwintig uuren tvds daarvan aan 
den Rechter, onder wiens grondgebied die goederen ge* 
vonden zyn, (befaalven van het wrakhout, het geene de 
Officiers toekomt) kennisfe te geeven, die dan ook moet 
zorgen , dat die goederen , by 20 verre dezelven !■ be* 

lLDE£L.K.ALO.LeTT,£iO*3. I de^ 



tad *«r*. «CH9RB&X 

d€rf€lyk«' waaren beftaant in berchryvinge cenameaZ-^n 
binnen acht of veertien dagep ^ ten minde Tcnade van dea 
Eigenaar , openlyk verkogt worden ; terwyl de andere 
goederen, een jaar lang, een voordeele van den Eigenaar 
in bewaaringe moeten blyyen, om, zich binnen dien tyd 
daarop te* kunnen bekend maaken; wanneer by dezelven, 
kan te rug bekomen, mits daarvoor becaalende aan de 
Grietslieden, ter vergoedinge der gemaakte kosten, tien 
tén honderd, en na afbek van dien aan de bergers voor 
hunne zorg eu moeite een derde van de waarde* Statu» 
icn van Friesland^ IV. Boek, Tit. VUL Art. \L 

„ Ëen foortgelyk Placaat hebben de Staaten van Gelder- 
land, den 12 Apïi], 1726 , uitgegeeven. Schrassbbt, 
C9d. Otlro Zufph» van B^rglu en Visioen^ en wat hier- 
omtrent by andere Rechters zy, kan men vinden by loc* 
CBNiüs, de jure maritimo^ Lib. I. Cap. Vil. $• lo.** 

— ——^- ; 

Faderlandseh Kal^inet van Koopiandel, Zeevaart^ Landbouw f Fth 

brijkên $nt. behelzende eene Ferzameling van f^er handelingen ^ 

de uitbreiding en verbetering der gemelde y^derlandfcbe IVell 

4 yaartbrtmnm ten doel hebbende. S$fjle en Tweede Stul\ Üit^ 

. gf/i^^ven door g. brender i brandis. Leermeester ïn de IHs'' 

. m Sterrekundii ^xamimuor van alle Stads Maat en enGewigten 

êh IVijnroeijer te Amjicrdam % Lid van verjckeiden MaatfchapJ 

pijen. Met Plaateru Te Amjteldamf by A. Fokke Simon^z, 

1786. Behalven het Voorwerk y 375 blad%. In gr, octavo. 

Tiy het .openen van dit Kabinet h men voornecmens» uic bet 
*^zelvc af te le^^ren eene reeks van VisThandelmgen betrekke* 
lyfc tot de bovengemelde onderwerpen, die teii deele komen 
tïit de handen der Leden van de loflyke Maatrchappj^ Ft:ix 'Me* 
fit's^ Uit het Departement van Koophandel enz.; en ten deele 
ook door andere des kundigen hier toe aangeboden i^yp. _, 

ïh een LanJ als het onze, dat uit de handhaaving doczer Tak- 
ken' *ali : Welvaard , zynen. bloei verwagt, kunnen w^ uitge- 
voerde Stukken van dien aart by uitftcfc nuttig weezou.; en d^ 
ütocven, welke ons by de eerfte en tweede opening van dit 
iCabinet in handen gégecven worden, verJccnenons ccn vry goe- 
den grond,, om 'er by voo'rtgang merklyk nuts van te verwanen', 
r Niöt oneigen vangt men ,dit,Gerchrirt aan mcc eene Verhan- 
de}ing ovar^ den invloed der Natuur op den Koophandel de 
Zeevaart, Lapd- en Akkerbouw, Fabrijken, Trafyken enz.: en 
d.ir veclea onzer- Vadcrlandfche Fabrijken in een twynenden 
ftaat zyn, fJaat een dnder Sdiryvcr zeer gepnst het oog op de- 
,%clvc, rtiüt oogmerlp om de oorzaaken van dit verval na te gaan; 

«n 



#. IRENDBlt !l BftAlfi>I$ VADEKLANOSCH KABINET. tSf 

fn eeoige hulpmiddelen ler herflellfnge aan te wyien. Hjer b| 

komt eene .Verhandeling over de voortkweelcing van Tarw ea 

Rogge, waarin *t voornaaaxtef dat tot de zaaijfng, inoogftlng 

en koophandel van. Tarw en Rogge in aanmerking komt ; en 

ook wel byzonder overwoogen: wordt, op hoe veelerleie wyzcn 

dit Graan veelvuldig, zo door Onkruid en Ongedierte als an- 

der§zins, op bet Veld, op de Zolders en in Schepen, aan het 

ècderf bloot gefteld zy, Wyder^ wordt dit eerfte Stuk befloo- 

TCD met eene Verhandeling over de Vaderlandfcli^ Muntej^ 

welke ons verfcheide oudheidkundige aanmerkingen, en oveR' 

weegingen die het hedendaagfche betreffen . nopens dit ondcrt* 

werp, aanbiedt: waarby gevoegd is eene Geldrekening, welke. 

inzonderheid aan jonge Comtoirbedienden, te fladei^an komen» 

door hun eene beknopte rekenwyze omtrent verfchillende fpecir. 

«11 onder 't oog te brengen , die ze zig met weinig moei(e ^i^ 

gpn kunnen maaken. Het tweede Stuk heeft aan het 

5oofd eene Verhandeling over den Mercurius der Ouden , ia 
welke derzelver Opfleller nagaat, ho^ deeze., (th^^is in het My-, 
theiêfiifrfH meest hekend, als de 0$4 der Koopliedm^^ van eci^ 
Egyptilchen zinnebeeldigsn ooriprong zy ; hoe de Grieken' ea 
Romeinen, en, in navolging der laatften, ook onze Voorvaders*, 
locn ze dei ATgodcn eerden, hem bcfchouwd. hebban: by wellef 
gel^nheid hierin verfcbeiden oudheidkundige ophelderingen no-, 
pens dit oqdervv^rp voorkomen^ 5ene volgende .Vcrhapdüing^ 
heeft ten onderwerp de Pragt, waardoor onze Schryvor ver- 
fiiat, ,. al iiet fchooae ovendlige, het welk loea derbêhoef*. 
„ ligbeden des levens, boven de middenmaat, toevoegt." Hier- 
omnent nu gaat hy na, iii hoé verre die vooreen 'Koophandel^ 
dryveod htnd voordeelig , en in hoe^ verre dezelve nadeeüg zy» 
Eóie voortgaande befchouwing doet hem wyders de bronnen 
der Pragt en het bpderf der zeden in ons Vaderland aantrcèer, 
in de ontaarting der oude Hollandfche inborst, in de opvoe- 
dhig, w^siruit flllede deugden en ondeugden éener ISTath tm^ 
fpnngen :dan hy hegt 'ér, ?ef opbeuringe, aaa, eeiie voorft-agti van 
het tegenwoordig blyde vooruitzlgt, dat ons, fti de hrrftdimgr 
cozer oude opregte zeden , reed^ bëghit toe te lachen^ bet^fwelk: 
wy wenichén . <&t verder van eane -hfeJlzaame • ujtw«»king -zyhf 
zal. De Schiyver der voorgemelde Vérhaodeling over de Tarw. 
en Rogge » geeft ons Uer wyders eeoefoovtgelyke^ ontvotnirhdg: 
van 't .geen ^t* Spelt, de ^ieHefft foörtcn Van Gant eet het^ 
Mout betreft. Hierby komt eene vergel]^'iig van dea Koop:- 
hmdei co de Babrljken der Ëngeireien niet die ilee Jfed«riaa< 
deren, waaruit Uykt dat de eerscgenoemdBniveetjvoofuit feeb^^ 
ben boven de laatstgen9elden,en <tetrhet den NoMiapadcien iie^ 
zwaariyk valt, hirnnen Koopbaodel en FabHjidee m. 0^d«pl|^ 
een i>loei te brengen. . Die «elfUe hand geeft on» Nv^^^atsinof 
len vcrflag van dop Slaaveohuyielv inet ncvehsgsind^^A^fP^-'*^-' 

I 2 ' " ** kin- 



m <L mSjtft k ÈlLANDt^ VAbERtANDSCfl It^Hmfl 

kingen over het deemiswaardige lot, waaraan die on^lukktgeif 
maar al .te veel bloötgefteld zyn. Laatstlyk levert dit t\veede 

. Stuk nog ccnc regelmaatige béfchryving van de Tabaksteelt om- 
trent Amerongen Ter dier gelegenheid tekent de Schryver in 
»t flot nog aan f dat, by de laatfle inzameling der Tabaksplanten, 
iets dergelyks plaat? heeft, ah 'er, onder onze Landlieden, by 
liet t'huisbrengen van *t ïaatfte Graan of Hooi, gebruiklyk is. 
- „ Wanneer het boste goed, zegt hij, geplukt wordt, dan 
-Jaat men een der beste en grooifte Planten ftaan, tot dat de 
„ inzameling over is. Daarna verzoekt men de jonge Lieden 
9t uit de Buurt, om deze Plant mede te helpen afplukken, het 

^ welk met veel vrolijkheid gefchiedt. Deze Tabakplant , die, 
^ in dit geval, altoos de Rijstenhrij-plaru genoemd wwdt, 
„ verfiert men daarna, met waafjers van verguld papier, ge. 
,, verwdc feierfchaalea , klatergoud enz. en plaatst een hoepel 
,, ia dezelve, zo dat zij zich- gelijk een kroon vertooi c, en 
„ een fcboon gezigt, voor d^n PJanter, en zijne medehclpers, 
„ oplevert. Zij blijft ook, om die reden, in bet gewoon ver- 
t, trek hangen., tot eene andere Plant, het volgende Jaar, haa- 
,, rt plaat* vervangt. Na xie verfiering maakt de Planter zich 
^ met de genoodigden vrolijk,- en onthaalt hen, niet alleen op 
♦, RTJstenbritv maar pok op een Ham , een Salaadjen , goed Va- 
-, derlandsch fticr enz: doch tegenwoordig fmaakt hen de VVyn 
;, ook reeds^fccter, welke 'er dus ook al op Tafel *omt.** 



IfHsytrlMdeHngtn , üitgegen^en ijor hn Tael^ en Dichtiievend 
. Ceno9tfehap9 ten fpreuke veerenie: Kunst wordt door Arbeid 
i^erkreegen. Tw^tede Deel Te Leyden , voor liet Qetmtjckap* 
\^%6.in gr. oSavOt buiten het Voerherichtf 226 hladt, 

#^af de Heer Mr. ïihtnvis rïYTH, In zyoe Veriiandding over 
V 1^ Heldendicht, in het Etrjle Deel, van de Prysvecjiande- 
Jlneen van dit Genootfchap » over Theoretifche Stoffen , eenè 
vxoeve van bekwaamheid, in de behandelihg van ^yn onderwerp, 
y iet minder geeft de Heer brender k branüis, in zo vede 
oDZigtcn en zo veelc ukken van Studie , de achting zyner 
iSindgcnooten zeer waardig, in deezen bundel, blyk van zync 
geoeftndheid in het vak van de Theorie der fchoone JCuoften. 
f^LURoiCKT is het voorwerp CTier befchouwing. Naa eene 
fchoone Inleiding» behandelt hy de Stoflb in het afgenneen: en 
wrdeelt het likroicht in verTdieidene foorten, dan gaat hy fn 
«yae Verhandeling voort .met de Ode byzonder te befchouwen; 
«n geeft eeoige bedenkingen aan de hand, over de Dichtcrlyke 
^«rrüUdog. De Hymnen , de HeUenöden , de Dithyramben , de 
Klëëgtang , de Wysg^igê Ode » do Cariftfit» de feretu^ • -de 



^nTbVBKQAIVDSLlNOEN VaN ££N TAAL* tU DIGHTL. Cfili^. I^f 

Coisdienftigheid^ het Ztdelyk Lied, het Faderiandsch Li:d, bec 
üff'n»^ LsVi, bet Grzeifckaps Lied^ de Roman/e en de herders^ 
tAnff f worden door betn- zeer naauwkeiirig nagegaan , alle in 

jfaonderlykc Hoofdftukken, ^ en eindelyk iiuii by zym. 

Verhandeling roet eene overweegfng van de f^erstmat, 

Wy kunnen nfet nalaaren, uit 2yne Verhandeling t een gedeelte 
•ver te neemen » waar by byaonder over de Hymnen ipreckt. 
V.ia derzelver aan ce hebben aaneeweezen , toont by aan» dat 
de Christeljrke Godsdienst zo gcfchikt is, als eenigc» tot Hymnen 
of Lofzangen aan het Opperweezen, eo gaar op dcezcn tranf 
voort. 

„ *Er vloeit uit dee^e redeneering eene gewiglige vraag , raa- 
kende de Hervormde Kerk in Nederland • j}amcl> k ; Waarooi 
men ook in die Kerk geene Gezangen heeft , ivelke Hymnen 
van bet Nieuwe Testament kunnen genoemd worden f Dq 
Plalmen van david zyn aandoenlyk, uitmuntend en wellui» 
dendf maar ik vraage met klopstock ; „ zou david» wanneer 
„^hy een Christen of Dichter van bet Nieuwe Testament geweest 
99 'ware, zo gefchrcevcn hcbbenï" 

„ Men kan hierop niet » dan ontkennender wvze» antwoord- 
den, en het blykt ook genoegzaam, daar onze Kers- , Paasch«> 
en Pinxterfeesten geheel geen verbind van ftoffe met de Jood- 
fche Feesten hebben , waarom men eenige verfen , in de Pfalmen 
van DAVID voorkomende , toepasfeJyk moet maaken ; en daar 
<ieze dikmaals Prophetiën behelzen^ worden zy welcens te ver* 
beven voor den eenvoudigen Zanger. Men behoeft alleen de 
aanwyzing van menige Pfilmen, die, by byzondere gelegenhe- 
den , kunnen gezonden worden , na te iJaan , en de daann aan* 
geweezen Pfalmen te onderzoeken , om overtuigd te worden » 
At DAVID, ais Christen, by zommige van deeze gelegenbeden ^ 
zekerlyk anders zou gezongen hebben. 

M Het ii eene bewezen waarheid, dat het vee! zwaarigheid* 
in zich heeft , wanneer men iets nieuws poogt in te voeten by 
de Godsdienstplegtighcden ; het beste en edelaartigfte oogmq-k 
wordt wdeens uit een verkeerd geziQhtspunt befchouwd en ge* 
dwarsboomd. Wy .hebben, in plaats van een^ bedroefde oude* 
^als men die van DATuébt moest noemen, eene fraalje nieuwe 
Plalmberyming zien invoeren ; maar ook nog daar by vry wat 
oocevredenbeid onder de burgeren van Ibmmige plaatzen ent*, 
dekt. Niet zonder recht, baart dit voorbeeld van tegenftreeving^ 
van zulk een voornaam en nbodzaaklyk werk , toe eer van dm 
'Godsdienst f en met toeftemming Man 's Lands Staaten ondemo^ 
mea, vry wat fchrik , om iets verder ter verbetering van het^ 
Godsdienfiig gezang te ondemeemen.'' 
. Agter de Verhandeling van den Heer buevder ii sxandis^ 
volgt eene van den Heer Dtuc srkblws, wien de Zilveren Eer- 
piys is coq;eweezen« Hoeveel goeda die y^lmni/^üDg ook be^ 



«30 rtYSVEkftANOEIfNGÊM VaU EEM TAètr- EN DÏCHfL. ffmt 

Vatten moge, het algemeen zal de beoördeéling d^ Leydfche 
Kunstrechters ongeftwyfeld wettigen , in den Heer brandis den 
Gouden Eerprys toe te wyzen. 

■ Wy hoopen, dat het Gcnootfchap haare verwaóhting beanb- 
woord zien Ziil , in de behandeling Van de Theorifche Stofferf , 
«>p dien voet, als de Heeren brandis en e&kelens, in deczco 
bundel , tot eer van ons Vaderland , gedaan hebben. ^ 



Ve Vrugt van Ledige Uuten , door At sofiK. Te Leydeii hs P» 
Pluygers,i786. In gr. o3av9. Buüen het FoBrmrky %^ bladz. 

1r\e Heer a. soek, vari elders, door kleine en losfe Stukjes, 
-L' als Dichter bekend , geeft in dit Bundeltje blyken van 
2yn Dichtvcrmogen. t-et eene Dichtfluk is fraaijer dan het 
jindcre, doch de gantfbhe Verzameling verdient, met rechc, ded 
ïiaani van goed. Het Vers , getyteld , Eenzaam Gedachten^ vin- 
den wy by uitftcekenheld verheven. Oordeelt uit dit' weinige? 

TFat kruipt daer uU de aerde2,.. verjlerkt u myne oogenl 

Gevoelt o myn zinnen l aepfchouwt deezen vrorm l 
Z' ben ik uit de aerde , myn moeder » gerezen , 

En zo keer ik weder tot wemelend ftof » 
H^at bén ik dan meerder in^t oog van myn Schepper-: 

reel min dan die worm is in *t oog van den mensch ! 
Den mensch l o dit ben ik -<— een mensch door Gods handen 

Zo heerlyk gefcïmpen — geworden uit niet — - 
JBegaeft met een wezen f zoo eeuwig ais de Englefi ««^^ 

j4envangelyk eeuwig «-— • zoo eindloos als God* 

' Weik eene heerlyke opklimming van gedachten ? 



Mynt Offeranden t aan Apollo en Hjmen- EerJU • Stukje* 2> 
• 'Dor'drecht, by A. Blusfé en Zoon, T786. In gr. ZvoJ 118 W* 

,*, fJadat, vangt de Heer b. fremery, die zich aanhet einde 
/f van het Voorbericht , als de Schryver van dit Werkje ken* 
,» nen doer,dat Voorbericht aan, nadat fomeo my den weg,d!> 
„tot de fraeif!e der Kunden leidt, ontfloten, en my ter zangw 
,vhane'in*getrooftd heeft, waeg ik andermael,op het gladde veld 
„ der Weteofchappen te verfchynen, en Apollo, den Vader def 
,# DichtldinftQ, iicvens Hymen, den Voorlichter van minnende 
9; gellQven,' offers myner poëzy te rooken.** Door deeze open. 
i)ke •efilrèriêe», ^wd«rw«rpt de Diditet-aync offbrs aai^ <3o vfy-, 
•;'./ t * nioo* 



moedige beoordeeling van bet algemeen, eridoff ook aan de on- 
ze. De naauwkeurige oplecienheid , zo in de taalkunde als m 
het kunstmaatige van de Poëzy , verdienen onze hoogfte goed- 
keuring, en de navolging^ van veelen onzer aankomende Vernuf. 
ten; maar... en het deöft ons den Heer FftÉMÈRY,*.een zo ar- 
beidzaam én Kunstkundig Beminnaar dtr Póêzy, uit lleïae tot 
de Kunst , eene ofaaangenaame waarheTd , omes ftchtens , te 
moeten zeggen. Men kan, door eene beangfte waarüeèming van 
kunstregelen , door. eene^ gedwongene en geaocbte kunstkeurig- 
beid, in betreklyk fchoone, zoetvloeijende eu fraaiklinkende Ver- 
fen ,de Poëzy haa^ vermogen . van het hart té treffen ; beneemen. 
By een Minnedicht, moet, in een daartoe gefchikte Juim, ons 
hart eene ftroelefide g,^waarwording gevoelen, zal het Minne- 
dicht den n^am van fraai draagen: als iematod in eene goede 
luim , met een maatig vcrfland en een gevoehg hart by het zel- 
ve zo koel bJyft , als by het lèezen van een Verhandeling over 
de Delfnoffcn. dan bezwykt het Minnedicht op den toets 
En van dit gebrek kunnen wy den Dichter frêmerv geheel 
©iet vry verklaaren. Wy zirilen ons denkbeeld hier over, door 
een voorbeeld, zoeken te ontwikkelen. In de Ferdinnnii en Om- 
fiüfitia, van den Heer Mr. feytha hebben wy over *t 'algemeen 
geen behoag^n gefchèpt , hce vee! wezenlyk fchoons wy op vee^ 
Ie plaatzenin dat zelfde Boek gevonden hebben: eene der plaat- 
zen die ons zo geweldig (bhokie, dat het ons deerde, dat het 
i^erauft van den .Heer pbyth op zulke ysiykhedeo werkje, was 
die, waar een minnaar een minnaares, in een bosch, T)y een 
yslyk onweder opzocht, haar door den blikzem getroffen vondt , 
en door een volgenden blikzemflag op haar .lyk ffierf • deeze 
plaats nu , hoe overgedreeven flerfc ook, trof, zo als dezelve 
daar ftondt, het eerftc oogcnblfk ons hart roet een hevigen 
fchok, en de Heer feyth deedt dus, in het afgetrokkene ; »t 
geen hy doen moest , als Kunflenaar . die zulk eene Stoffe bear- 
beidt, en, om een proef te neeroen, herieeze elk, die over de 
gegrondheid of ongegrondheid onzer oordeelvelling m deezen 
vonnisfen wil, dat gedeéüte van dien Roman (*) , cfn vergelyke 
het zelve met de volgende vier coupletten, d\e wy uit het ftuk 
dat thans voor ons ligt, ovemeeroen; het zelve heet de Orkaen\ 
Veiddichtf en de vier eerfte coupletten gceven de zuivere hefl 
de tusfchen. Mylon en Nife, te kennen, en dan.vplgen deez©;, 

fFreedf rampzalig f yslyk ntodht.... i 

't Morgenuur ftondt aan, te lichten , ^ * 

Dat de 9ntjlcken huwlyks fakkel j 
Foor die Lieve ^wee zeu braniefu 

• ■ -tti 

I 4 



13% . MTlfS OFFBRAlTDBIty 

De av»nd^ voor dien blyden uchiend^ 
Zag hen acialoos veldwaars treden i 
Mü ineengekléefde handen 
Doolden zy al mymrend hene. 

Snel yeelt ffife een keude trillingX 
Tranen berften hoer uit de eegen. 
Eenkhps geeft haer ziel zich over 
Aen verborgen angst en yreedmn. 
Mylen / Sprak het Meisje , Mykn t 
Ochl wat is my bangX... ikfidderl..^ 
'k Zucht \... wy zyn zo wel veréénigd... 
Zoude 'ik van u fcheiden moetent.. » • 

Boven kun bejlorven boefden 
Schoolden dikke wolken famen 9 
Wolken , die den Jierm en *t Jiefftot 
In haer* zwarten buik befloten. . . 
*t Is gedaen!... 't wordt ylings dcr^erl... 
Alles kraekt door *t woên der winden t 
^ U Schütert in de lucht van blikfen^ ! 
Allerwegen ratten donders. 

NifOf bleek van fchrik^ zygt rillend , 

SpraeklooSf neir in Myhns armen.... 

Brandend fdnet een blaeuwe blikfem 

Lynregt op hun kruinen neder \ 
. Sutine inééngefmolten zielen , 

Vliegen uit verzengde boezems l 

£11 die naeuwe famenklemming 
^ Is hun Jongst gevoel van lief del 

Welk een verichfl heeft »er tusfchen dat van den Heer feyth 
en van den Heer frbmert plaats. -— — > By bet eerfte gevoelt 
men eene triUing;, als of men die ongelukkige gebeurtenis voor 

2ich ziet, maar by het laatfte blyft ons hart ongetroflfen, ^- 

en beide de onderwerpen ftaan genoegzaam gelyk, in aakligheid* 
Om dan eenvoudig ons denkbeeld op te geeven: Het hapert dea 
HQ^ fremert geenzins aan kundigheden, het werktuiglyke van 
fto Dichtkunst becref^de» maar aan die keurige uitdri^klpg 

vai^ 



AAN MLLa Cir HTMBfr. »33 

Van de Irftast» gefiAQct voor liet menfbhélylc gevoel , ^t geen he« 
mdscfabreedte veifcbilt van het hedendaagsch » en by ons zo dik* 
werf verworpen, SmtimenteêU, Wy geiooven ^ dat de Heer 
nEMEXYy misfcfaien 9 dat Waarlyk aangenaam gevoel meer op. 
^ipekken zou , indien Z. £d. minder acht gaf of de bekleedze- 
Icn» dan op het waare wesen» der Dichtkunst. 



F9êf heelden van IVpheii en Deugde uH de GefchieienUftn^ nie$ 
vermeuininj^en veer Kmderen.^ Deer jACGte PREDERIIC peddbrsbv^ 
Pwe^emX ie MMtrdeburfr. te Amfierdam by M. de Bruyn 178& 
Sehmlven de Feerreden aip bladz. in ectave. 

Uit voorige Schriften hebben wy dert Eerwaarden Feiderfen. 
reeds Jeeren kennen, als een emftig Schryver» die .*t *er 
op toei^» om der Jeugd goede leefregels in te prenten* door 
lear deaselven in zodanig eene manier voor te dragen» dat ze, 
«laar derzelver vatbaarheid Ingerigtf gefchiktzyn, om den ver- 
eisten invloed te hebben. Vap dien zelfden aart is ook dit 
Gefchrift, waarin hy der Jeugd uitmuntende voorbeelden van 
een verftandig gedng en deugdssaamen wandel voor oogen 
fielt, met nevensgaande lesfen en aanmoedigingen, om zich 
•van haaren plicht te kwyrcn. 2k) geeft by, by voorbeeld, eeni- 
ge (halen van broederliefde, waar van wy, om de kortheid in 
^t te neemen, *er flegts één bullen bybrengen, 

99 Procvlcjut verwierf zich , door zijne broederliefde, eenen < 
öt^rflijken naaiii. Want, zijn vader geftorven zijnde, deelde 
hj de erfenis met zijne broeders MurenA en Scipio in geh' jke 
deden. Deeze belde waren zo ongelukkig, dat zij hun gamschf 
irennogéD in den burgerkrijg verloren. Om nu zijnen broederen r 
so ved mogelijk, hunne armoede en nood te verlieten, zo deel« " 
dèby, andetmaal, zijn gamsch vermogen met hun." ■* 

Aan dit en eenige andere voorbedden van Broederliefife hegt 
by voorts de volgende vermaaning. , 

„ Uit deeze voorbeelden van braave en liefderijke broeders 
w9 ik u, mijne kinderen, eenige leslèn afleiden, die zeer no. 
€Be zijn weten. Onthoodt ze daarom toch, en neemt ze altijd 
^raar in de verkeering met uwe broederen en zusteien, dan 
Jndlen God en uwe Ouders een groot welgevallen in u hebbent 

^ Hdit uwe broeders en auster^ van gantfcher harte lieft 
Dankt God daarvoor dat Hij u dezelve gcfchonken heeft , en 
bidt hem , dat gij ze behouden moogt. Zij zljn voor u zeker 
een groote vi^diad,gij hebt aan hun in uw gantfche leven,— 
^ A'j ook, naar Gods wil, braave zusters en broeders zijn, 
«— trouwe en ihndva^ige vrienden. Zij maaken u den tijd, 
«Ier jeugd aangenaam, leeven met u, zijn met^u vrolijk, heU 

pen 



^}4 J' FEDDERSENi.VpOlllÜEï^DEN.ViJÏ.W^HErD EN DEUGD. 

jjen LU bij uwe: kleine bezïjbeden^ .en . iïiji> • jjw^ daagigjcfche 
Ipeelraakkers. 

. „ Gij, Bxx)eder.>'eii Zusters t leeft met eikanderen Tn cen^ge. 
^indheid en vertrouvvlijkheid. Zijl geern bij elkander in ge- 
^Ifchap Erkent het geern voor andere meafchen, . dat gij dl 
kanderen hartelijk lief heh' ; laat dit bijzonder in het vriend©- 
lijk gedrag van den benen jegens dqn anderen blijken. 
. ^ iVeeit jegens elkander dienstvaardig; . Jeeftp ^ ^iirand^röa 
geerne ten gevalle.. Helpt elkandcren, wanneer de een valt, 
of iets verloren heef>; dar gij het met hem weder ap£Q^;.Qf 
«Is hij met zijn fpeelwerk niet te regr kan komen, geeft *^m 
geern antwoord en raad* wanneer, hij u om iets vraagt, iiat 
gij beter verfiaat. Gelooft mij, mijoQ. Iq'nder.s «Is gij u zeiven 
niet reeds vroeg gewent, om eensgezind en vriendelijk met 
clkanderea om te gaan,- eikanderen ten gevalle te Jeyén, eo 
behulpzaam te 2ijn; dan zult gij zulks in ouder jaaren^^A 
niet doen. Daarvan daan komt het, helaas! dat zo vele groot 
geworden broeders en zusters met elkander in onhiin en vij^^ 
andfchap leyen,^ Zij leven Jn hunne kindsheid biet elfcanderen, 
en dec4en hooit Iets ten gevalle van, eikanderen; maar plaagden 
^n farden elkandcren .wel; verbrafcea. bedorven 'qn vernielden 
^edcTi wat anderen tot hun vermaak vereerd ge.kregcjn, of 
voor zich zelven gemaakt hadden. ' , ^ 

^, Doch merkt, hier bij tevens deezje les op. Tn %wad6 zakcri 
moet geen '■'roeder of zusier den anderen hehe?u Bij voorbeeld : ecn 
kind had kwaad gedaan , en wilde het door Jeugens voor ?ijne 
ouders en meesters verbergenden bad zijne bropderi of zusters.' 
om met hem te liegen, dan mógen z!j dit niet doen; — 'of 
het 'wilde ecn ander kind flaan, en bad hen». om h(^m bij te 
fiaan, op dat hij .het te eerder meester mpgt worden, dan mo? 
gen zij dit niet doen'; — pf. het wilde erigons Qverklimmen , of 
iets t)reken, vrugten en andare zaken. nomen, en het bad hen, 
om hem daarin te helpen; dan mogen èij dit hitt doen • Zij ma- 
Jcenzidi» als zy het doen, deelgei;)ooten aan 'qên$ anders zpnaen.;^ 



\ ,, Het gebeurt dikwilf in de wereld, dat oën broeder i>f zuL 
ter arni ^n oi^elukkig word , ter^irijl het den anderen, wel ^aat» 
lieert thans reeds, dat het regt en prijslijk is,, wanneer d^ ril, 
ke en gelukkige dcnac^en en oüigelukkigen biJ(laat»'ao *aU 
iProcuiejus deedl'^ ^ . ' . •• 



.:i 



•^ iCa'r 






JY ftaaije inhoud vun deeao Deelen vefpHgt odJ5 , daar van 
*^'met denzeifden tof tè ge^vaagen; altf ^ah 'dö vóorfeeiii 
ea toe zeor wy hfer en daaf , ons verheugd hebben , óyèf 
(te betere fthikklngen; die omtrent aeer v^le zaaken^üier tf 
fcïiflde, by^ die *ait Duftschlaod vergcflofeken , 'plaats vfnden* 
hebben wy by.nogi.iiieerdere ons bedtoofd, dat 'ér eehe zo vtra^i^ 
achdge gdykvormigheid ffeöics badt in te^e verkeprdhedeti,'die 
wy V ab by erfiaiisri vam onbefohaaMer vooroüdiérs hébben' óver. 
genomen. Decze vcsrketrdhaden daar laaténde , zullende wy'^ 
uit bet vierde Deeltje^ iets omtrent dé Módé mededeelen. Karelsi' 
ier/( is dan in-^zèrfchap"van etfte iaftziónlyke Dame, dieheni 
ongemeen veel Jonger' tbofchynt, dan zy m de daad- was ^^ u{f 
hoofde van het bhnkvtzolt en hïer uit fpnm het volgende 'gè- 
fprek voorts , met haaveiPtnunT de Hoofdiobouc der Stad; - • ( 
,.H.Wy hebben hier in Kokhis^ (de toenipaalige .verbjyfplgats 
vm Kariishér'0 f} dk mbdfè ^' dit-\¥y ntets zo' Wqrt,^ gelyt tJe 
Beve Natuur het on^ geeft. De Paaf»den *:ippên \vy'öe flfeai^terf 
af; de Nachtegaalorf flititert- wy op , in^ kc)u\ven ; de' ISQbmci) 
fcodjen wy tot fcogeFtf en piramiden, éi? dewyl nu devrouw^ iij. 
dezicbtbaare waereld,, zonder. twyfel h^ fdioontlg. 'is , heeft* dé 
«Kxie ook: altó haare föhranderbad^ hefteed , om liaare \iohsx 
geheel aan de Vrouw te "bófteeden.^ 'Althans aah-myne Vnjim! 
ÜDeft de modo oen meester ftufc gedaan , erf is'^o? geïukkier ^^ 



wees' van de Natuur ten eenenmaai te vèfSfiH^én.'* <5dj 
Sdielpen, welke lang in de. aarde leggen, allengs vergaan en 
veranderen in de fteenachnge ftoffe, welke het naast by dezelve 
ligt. is myne Vrouw, zo. als zy uit de handen der Natuur kwam, 
allengs verdweenen , en door de mode herfcliapen. 
„ Hoe moet Ik dit b^rypen ? (vraagt Karelsber^O 
„ (Het antwoord is.) ^i^ gy dit itoct begrypen ' dat zal ik u 
terftond zeggen. De Natuur maaKe myne Vrouw vier voet 
hoog , en de mode voegde *er nog , door de hulp van het hair- 
kapfel en de hooge hielen, éénen voet by. De Natuur liet haar 
hair groeijen, de Mode nam dh: door het kappen weg, en gaf 
haar valsdi hair. De Natuur fchonk haar recht fraai kastanje- 
bruin hair, de Mode verfde het zelve wit De Natuur gif haar 
hec vermogen, om de kleur van haar gelaat te veranderen, en 
ik denk nog met veel vermaak aan den wellust, welken ik te 
vooren ondervond , wanneer ik het bev Uigfte blos zich over 
haare wangen zag verfpreWen, zo dikwerf ik haar ftreelde; de 
Mode hccfc haar van dit vermogen beroofd : men mog9 haar 

fchim- 



t 

fStf Cff. SALTZMANt KhMh VAft KAttUÉtUÓé 

fchimpen» oF vleljen, of dubbelzinnighedeo voorpraaten» zy zaf 
haye klegr niec veranderen. De Natuur gaf mynt Vrouw zog 
in de boHten de Mode heeft ze opgedroogd. De Natuar 
vormde myne Vrouw rank als een Pynboom , de Mode heeft 
' haar de gedaante van een S g^;eevéB. De Natuur gaf haar 
lieupcn . welke volkomen geëvenredigd waren aan het gcflel des 
lichaams, de Mode beeft 'er po 'hes aan gemaakt, en baar zulk 
eene gedaante gegeeveo, dat men haar eerder voor alles, dan 
voor eene menschlyke gedaante, houden zou. (Op deeze wyze 

et die Heer voort, tot dat Karelsber/^ vraagt:) Hebt gy ook 
ideren ? De Naniur (is het antwoord) heeft my enigen 
gegeeven, maar de Mode heeft ze my weder, ontnomen. 
„ KareUbere. Hoc was dit mogelyk ? '' 

„ H. De Natuur had myne Vrouw een h'chaam gegeeven , bet 
welk zeer gefchikt was tot kinderbaaien ; maar de Mode heeft 
bet zodanig zaraen geregen , dat 'er geen kind plaats meer in 
had : wanneer dan de kinderen ter waereld kwamen , waren 
2y zwak, de moedor had geen voedzel in de borilen, en toen 
ik voor een derzeiven eene Min had , wierd het door dezelve 
met de venusziekte befmet. Nu zyn ze allen dood. 

. Ach dat, de Mode alleen zodanig in Duitschland den bovau 
toon boven de Natuur had. 

De Gefchfedenis van Karclther^ zelven kruipt voort ; Karelt- 
her krygtf in dit DqqX , van 'zjm moeder locftemming tot her 
,buwelyk met Henrène. 

De Ver^ling mogt hier en daar wef wat beter zyn ; zy 
draagt de merktekeqs. van eene te woordehke naauwkeurig. 
held in het pverbrengen. Het Nederduitsch Taalëigen is o» 
veele plaatzen verwaarloosd* 



NI B ü W E 
• A L GE M E È N E 

VAD ER LAND SC HE 

LETTER^OE^ENINGEN. 

% 

Oude Voorjpcllingen aengaandt den Mcsfias^ en'deszehen 
Openbaaringe y opgehelderd en toegepast^ op den Heer e . 
jESi s en zyn Êuangelium , in eenige Leerredenen , door 
joANNES* STINSTRA, r Uitend Leeraar der Doopsgezind 
' den te Harlingen. Derde en laatjle Deel, Te Harlin* 
• gen by V. van der Plaats, 1786, Behalven de Voorreden^ 
enige Byvoegzels en Bladwyzers over V geheele IV^rk^ 
465 ilaaz. In gr. 8y<?. 

Hier mede voltrekt de Ëerwaerde Stinftra zynen onder- 
nomen arbeid, ler ophelderinge der oude Voorfpel- 
liogen, die 9 zynes oordeels, recfatllreeks en in den letter- 
lyken zin op den Meslias doelen* By de voorheen onu 
vouwde komen nu, in dit derde en laetde Deel, nbg iii 
overweging: Hoz. I. lo — ia. Micha V. 0.. Joel IL 28 
— 3a. yer. XXllI. 5, 6. XXXI. 3» — 34. XXX. 21, 
22. Ezech. XXXIV. 23 — 25. XL VIL i -12, J)an. JI. 
4i, 43. VIL 13, 14. IX, 24 — 27. Hagg, II» 7 -* lo. 
Zach. IlL 8 ^ .0. IX. 9, 10. Mal. HL i ^ 4^ inet 
welker verklaring ook tevens aen zommige andere*, daet 
mede inllemmendé , Godfpraken enig licht bygezet word. 
lo de manier van uitvoering boud zyn Ëerwaerde zich op 
den zelfden voet, waermede hy dit Werk aengevangen 
beeft 9 en waervan wy, met de afgifte des eerden Deels , 
een genoegzaem verflag gegeven hebben. (*) Uit dien 
hoQfde blyft *s Mans arbeid beltendig de overweging waer-i 
dïg van alle dezulken, die zich op de nadere onderzoe- 
king van het Propheti$ch Woord toeleggen: en ze zullen, 
oader 't.nagaen zyner bedenkingen, 'er te meerder toe g;e- 
noopt worden , daer ze 6dk in dit Deel meermaels zulien 
ontdekken, dat zyn Ëerwaerde, gelyk we vo^heen reeds 
•pgeraerkt hebben, met een vrymoedigen tred zyn eigen 
weg* naer 't geleide van een welwikkend oordeel, volgt; 

het 

(♦) Z-e Alg. Fad. Lettercef. IL D. bl. 89. 
IL 0Ut. N. ALG. LfiTT* tiO.4. iL 



138 J. 8TINSTR4 

het welk hem dan ook wel eens den gewoonen of betree- 

den weg * geheel doet verlaten. Tot een byionder 

llael hiervan verdrekke zyne verklaring van den ftcen , ma 
zeven oogen , gelegd voor het aengezicht van Jozua , naer 
de voorfieiJing der Godfprake Zach. III. 9. De opletten- 
de Stinflra^ gene voldoening voor zichzelven vindende, 
in de verklaring der uitleggeren, die hy beeft kunnen na* 
zien, draegt daerop.zyn eigen gevoelen, zonder omwe- 
gen, aldus voor. 

„Alle die in de Joodfche Oudheden, die in den Bijbel 
zelf eenigzins bedreeven zijn, weeten, dat in het Heilige 
der heiligen van Mofes Tabernakel^ en naderhand in Sa- 
lomons Tempel (a ) , eene kist of laade is geplaatst ge. 
^'C:st, die de arke des Verbonds .doorgaans genoemd 
wordt, gemaakt van het kostelijkfte hout, en met goud 
dik overtrokken , waarop leen dekzel lag van gelijken maak- 
zei, den naam van het verzoendekzel draagende, over- 
fchaduwd van gouden Cherubs of Engelen ; en dat deeze 
als bet heiligst en hoogwaardigst (luk vau het geheel huis 
des Hecren wierd aangemerkt, als de zetel van Gods 
zigtbaare tegenwoordigheid en heerlijkheid zelve. Ëeu ie- 
gelijk, welke in dié zelve Oudheden eenigzins bedreeven 
IS, weet ook, dat deeze arke des Verbonds met haar toe* 
ftel, gelijk ook de zigtbaare blijk van Gods majefteit, op 
en over dezelve, ontbroken heeft in het Heilige der Hei- 
ligen van den tweeden Tempel, welke ten tijde van Za- 
charias door Zerubbabel gebouwd wierd. Maar dat in 
derzelver plaatze een Heen gelegd is, -welke boven den 
grond uitrfak (*). Kn op deezen fteen , denke. ik zonder 
twijffel, dat hier gezien wordt. Deeze was immers een 
fteen, die in den eigenlijken zin gezegd kon worden voor 
het aangezigt van Jofiia den Hoogenpriester bijzonderlijk 
gelegd te zijn; nndemaal hij en zijne opvolgers jaarlijks 
op den grooien verzoendag, tegen over clen zelven (laan- 

de, 

(a) Exod. XXV. 10 enz. 1 Kon. VIII. 6. 

CO Zie het boek Jnfna in de Mishna C. V. § 2. In de uit- 
gave van Surenh. P. IL p. 233 Reland. Anriq. Hebr. P. r, C. 
9. J. 28. Bmrtorf. Lex. Chald. Rabb. Thalm. p. 2541. 

Indien mijne gedagte gegrond 2;ij » kan men uit deeze plaatze 
des Propheeten dan befluiten » dat Zerubbabel dien (leen in het 
Heiligdom niet eigenwilligf maar op bevel des Heeren zelven # 
gel^d heeft. 



OUOi; V00aSPELLI|9GSN. ^139 

^6 y gdijk eertijds voor de arke des verbond^» het bloed 
des offerboks fprengen, en het wierook zwaaijen moesten. 
Deeze (leed was dan in den tweeden tempel een voornaaoi 
ftuk (O^ en tóen mag het ten uitérften owwaarfchHndijk 
i^en, dat bij de bouwing van dien tempel in de Schrif- 
ten van dien tijd^ welke over die ftigtinge handelen, van 
denzelven geheel geen gewag gemaakt zou zijn- Hel: 
koomt .mij derhalven inderdaad vreemd voor, dat geen 
der Uitleggeren hier om deezen fteeu gedagt heeft, inzon- 
derheid van zulken , die gewoon zijn zo veel werks te 
maaken van alle de bijzonderheden van den Joodfchen 

Tempel. Ondertusfchen , hoe aanmerkelijk een (lufc 

ceeze (leen ook zijn mogt in deezen, dezelve kon lang in ^ 
heerlijkheid en pragt niet haaien bij de Arke des V^erbonds 
in den Ouden Tempel. VVaarfchijnlijk was het dan, dat 
de Israëlieten over dit onderfcüeid ook bedroefd w:'ren, 
gcUJk bij Haggai over de vermindering der heerlijkheid 
van deezen tempel in het algemeen. £n gelijk die Pro- 
pheet dezelve vertroostede met de toezegginge vnn nog 
grooter heerlijkheid, door de verfcbijninge van Cliristus 
in deezen tweeden Tempel: Zo was het. ook zeer gepast, 
dat ZacbariaSy of de Heere zelve, aan Jofua en. zijne 
Vrienden» dat groot en allerwenfchelijkst heil voorftelde»» 
CD wel zo zinnebeeldig, dat deszelfs oorfprong als aan 
deezen (leen vel-knogc was. Hiertoe brenge ik die betui* 
^ng, dat op dien eencn flecn zeven oogen zijn zouden^ 
en dat de Heere zelve zijn graveer/el zou * gravuren^ 
Over die zeven oogcn hebben ook de uitleggers allerleüe 
opvattingen verzonnen. Dog voor zo verre het Hebreeuw- 
fcbe woord zo wel fonteinen , fpringbronnen , als oogen be^ 
tekent; en het geen Aoóï graveerftl graveeren is overge- 
zet, eigenlijk zegt openingen openen ^^ en dit bijzonderlijk 
ook gebruikt wordt van het opwellen en voortvlieten des 
waters uit een bron (f) : zo zoude ik dit gezeg liever dus 
vertaaien. In dien eenen fteen zullen zeven 'Stellen zijn^ 
en ik zelve zal zijnen ftroom openingt gecven\ zegt de 

Heer 

CO ^elk een boog denkbeeld de Jooden daarvan maakten l 
kan ipen zien bij Is. de Bartenora, Maimonide.s en Sheringtiam 
over de aangehaalde plaatze van het Joma, 

(f) [De bier en elders voorkomende taelkundige aentekeningen 
4i^beil wij, om plaets te befparen, agterwège gelaten, oordee- 
lende cevsns dat des kundigen dezelven in het Werk wei zou« 
dea oafpoonpi.] 

K 2 • 



Ï4^ J. STINSTRA 



Heer der heirfchaarenQd). Vreerad kan niemand 'het 
vinden, dat éen fomeln verbeeld wordt uit eenen (leen 
te ontfpringen, die weet, boe Mofes in de woestijne de 
.-Sfeenroize gellagen heeft (é?)., dac daaruit water voort- 
kwam genoeg voor h^t gantfche volk. Het is waar, bier 
ilelt ons het zinnebeeld een gelegden fteen voor, niet ee- 
ne rotze , die in het aardrijk zelt als gegroeid was. Dog 
dit geeft dies te treffender de wonderdadige werking van 
den Heere der heirfchaaren te kennen. Gelijk zeven w^/- 
Jen den avervloed afbeelden der genade en zegeningen, 
welke uic dit heiligdom zouden voortvloeijen. Wanneer 
men hier mede nu vergelijkt de fchilderii van Ezechiël, 
in het XLVIl tv.- hoofJftuk zijner voorfpellingen , van een 
vlietend water, het welk uit het heiligdom voortkwam, en 
^l verder loopende tot hoe langer hoe wijder en dieper 
ftroom aangroeide ; zal men bijna niet kunnen twijffelen 
' ot hier ter plaatze is het oogmerk der Godfpraakc óok ge. 
weest, dat uit dit heiligdom, fchoon zo veel minder luis- 
terrijk , de bedeeling van de geestlijke , de heiü-ijklle ze- 
geningen van- de Euangelifche genade haaren eerften oor.' 
iprong zouden neemen : Dat ze derbalven dit heiligdom 
fchoon de Arke des Verbonds ontbeerendc , hierom niet 
minder te 'waardeeren hadden. Dit wordt bij ons dies te 
aanneemelijker, als wij agï geeven op eene diergelijke zin. 
iiebeeldige voorfpellinge van dezelve geestlijke heiigoederen 
^an het begin van het XJII'^ hooflftuk deezen zelvcn 
boeks f/). Ten dien dage zaP er eene f otitein geopend zïm 
voor het huis van David, en voor -de imvooners van Jeru^ 
falem ; tegen de zonde , en tegen alle onreinheid. En gelijk 
dair , zo volgt dan ook hier in onzen text , op de meldinge van 
4e fonteinen uit den fteen ontfpringende en geopend^ zeer 
• gepastlijk, en ik zal de ongcregtighcid deezes lands in eenen 
^ag mgneemen; In eenen dag, dat is, in eenen eenigen. 
doorluchiigen , uitfteekenden , weergaeloozen dag, of tijd, den 
tijd van 'sHeeren dood , opftandingie , hemelvaart en zendin- 
ge van den H. Geest; dooriugtige gebeurtenisfen /die on- 
iniddelijk op elkander gevolgd zijn, en door middel van 
Welke Gods genade verzekerd, en dus de ongêregtigbcid 



niet 



' CO Deeze gedagte vinde ik. niet tegenftaande het voorgemèl. 
de, dat ook de Heer Camp. Vitrïnga de Oude, voor mij ee- 
had heeft. Zie zijne Obf. Sacr. L. i. C. 15 p. 193 enz. 

(O Exod. XVII. (O Vergelijk ook Zach. XIV. %: - 



OUDB VOORSPBIXmCEN.. 14! 

met alleen van dat land » maar van de geheele aarde , vati 
alle labden, en volkeren , die 2;ig bekeeïen,^en deéze ge-* 
joade «anneemen , is weggenomen* . 

m' f ^<>g ^^ ^^^ v^° deezen Steen des heiligdoms niet af. 
icbeiden , zonder korcink , nog te letten op twee andere 
piaatzen des volgenden IV^ew hoofdftuks, waarin insgelijks 
van ttn ftecn gelproken wordt* en welke van andere uit- - 
leggers ook met onzen text worden vergeleeken; otn te 
bevroeden , of daar ook niet gezien worde op deezen zel- 
ven Steen , welken ik tot ,ophelderinge van 'onzen texc 

fiebbe aangebragr. ^ In ^het 7^*^ vers, roept de En- .^ 

gel, die aan Zacbarias verfchi/nt » ten aanhooren van dee-' 
z^n uit; PTU zijt gij ^ ogfo9t6 ff erg? voor het aangezlgt 
van Zeruhbabel zult gij i»orden töt een vlak yeld\ Welk 
zinnebeeld te. kennen geeft, dat de booglle magt zijner 
wederftrec veren zou vernederd worden, dat zif hem tiief 
zouden kunnen verhinderen van den opbouw des tempels 
IC voltooïjen (^). Want hij zal den hoojdfleen voortbreng 
gcn\ het welk men :^ou kunnen neemen voor het gebouw 
ten top toe , tot den hoognen (leen des gevels op t^ 
trekken. Dog met geen mindqr legt kan men door hoofde 
fiecn^ den voornaamften, den voortreffelijkften fteen, détx 
boogden, in waardij en aanzien vertlaan. En dan zou die 
een. zijn met' deezen, welke in het heilige der heiligen^ 
in de plaatze van de arke des verbonds , gelegd moest . 
worden. Het b ook 'wel te denken, dat dezelve van Ze- 
rubbabel zelven » na de vólbouwinge des Tempels , met 
veel plegtigheid dérwaards heen gebragt is; en, gelijk ^ct 
volgt, met toér'oepingen ^ met eene openbaare blijdfchafp 
en gejuich fft) "van genade^ genade^ zij denzelven\ z\\ 
aan deezen fteeö eigen , en koottie volgens de verbeeldin- 
ge , welkq wij in ' ónzen text opgehelderd hebben , met 
herhaalde opwellingen , met' golvende* ftroomen , door het 
herhaald genade fraaijlijk verbeeld , üit denzelven voort- 
vlocijed ; en dus ontyange meri^ uit deszelfs volheid genada 

yo:»r genade (i). Tot^ deezen zelven (leen , kan 

des Propheeten betuigingen in het lo'c vers deszelven 
Jipofdftuks ook bekwaamlijk behooren, wanneer wij maar 
de Overzetting verbeteren , en de fchikkïngen der woorden 
in dezelve te regt brengen. Onze Nedferduitrche overzet- 
ting heeft daar niet de minfte blijk van een Jleen: Maar 

het 

• (^) ZiélEzra VI. ia. C^) Ezra III. 11. enz. (O Joan I. zo. 

K3 



142 J. STIN^TBLA, oude VOORSPBtLiNGKIf» 

het geca daar vo.orkooint Van een tinnen gemgt^'htt welk 
men ziende li de hand ^ van Zerubbahd zig verbHjcktr 
zoude; daar* ftaac in den' grondtcxt een fieen van tin, zo 
als men du 'woord gemeenlijk opneeriat: Dog het geen 
men veel gevoeglijkcr uit de Oosterfche fpraaEe kan ver* 
taaien ddor afgi^zonderd ^ of het Welk in de plaatze van 
een ander (tuk gefield !s. Deezie betekenisfeü pasfen ten 
vollen bij den (leen van het heilige der heiligen , als ajn- 
de dit een volftrekt afgezonderd vertrek, alleen openftaan» 
de voor den iaariijkfchcn toegang van den lioogenprlester, 
eu zullende cfié (leen zelve in de plaatze van de arke des 
verbonds gefteld worden. Welke laatfle zin bij mij nog. 
voor den waarfchijnlijkften wordt gehouden. Bronnen^ <tf 
waterweUcn. , ftelle ik in dé volgende betuiginge van dat 
vers ook voor oogen , gelijk in onzen text. En hét woord 
doortrekken^ dat van dezelve gebruikt wordt, is te zagt; 
fiet moest ten minden doorloopen geweest zijn ; en , volgens 
4e oorfpronglijke eigenrchap des woords , fchijnt het geno- 
men te worclen van ftroomen, die door hunnen fnellen 
loop tegen de oevers üaan en kletfen. Na welke bijzonde- 
re aanmerkingen ik het geheele vers dan in dcezen voege 
irertaale en uitbreide, y^ Want y^ie vcragt den dag der 
\y kleinigheden ? wie is 'er die geringe gedagten heeft van 
„ den tegenwoordigen tijd, waarin onze tempel met min- 
' „ der luister praalt dan eertijds ? wie zijn ze die denzel- 
„ ven weinig rekenen of zig dasfrover bedroeven? Dog zij 
,, zullen, zig verblijden , als zij zien den 'plaats vervullen" 
99 den Steen in de hand van Zerubbabef, wanneer dee- 
99 ze denzelven zal voortbrengen onl ta het Heiligdom te 
* „ plaatzen. Die zeven zijn de fonteinen des Heeren\ zij 
,9 zullen zig verblijden, voor zo verre zi| aan mijne God- 
,9 fpraak gelooven 9 dat in dien eenen (teen zeven bron- 
99 wellen door de befchikkinge des Heeren ontfpringen 
„ zullen > en de wateren des heils voortbrengen; die de 
99 gantfche aarde als ftroomen doorfnellen zullen.'** 

De üerwaerde Stinftra heeft , wyders , voor dit derde 
Deel, eene Voorreden geplaetst, waer in hy de zeker- 
heid der Godlyke Voorweerenfchap , ook in toekomende 
gebeurelyke dingen , behoudens 's Menfchen Vryheid, 
tracht aen te toonen; en. tevens eenige ophelderingen aen 
de hand geeft ^ wegens Gods mededeeling van kundighe* 
'den nopens he; toekomende aen de Propheeten, en den 
trap der wezenlyke kennisfe , welke zy; daer door van dat 
tdeKomendc verkregen. 



C. BROBDBLET9 XBSR OER ELLENDE, ENZ. I45 



De I.eere der Ellende , Verlosfinge en Dankbaarheid in *t 
Paradys geopenbaard^ en door de Aards • Vadcrtn ge^ 
loofd\ ontvou^d^ door wyleu Jufir. cornelia broedr- 
LET. Te Utrecht by A. van Paddenburg, 1786. Behal* 
ven het Voorwerk , 486 bladz. in, gr. 8vo. 



Hl 



[et oogmerk van wylen Juffrouw Broedelet ^ in dit Ge- 
fchrift, was, iia te fpooren, hoe de kundigheden , 
welken ons het Euangelie ontvouwt, nopens de zaligma- 
king des Zondaers door een Middelaer, reeds in het Pa- 
radys voorgedragen , vervolgens door alle tyden heen , zo 
voot als na de Zondvloed en vervolgens onder de Wetti-' 
fche bededing, levendig gehouden, en door de Geloovi- 
gen erkend zyn geworden: *t welk in dit (luk gebragt. 
word tot op den dood van Vader Jacob. Zy heeft dit on- • 
derwerp met veel oplettendheid, naer hare denk wyze, be- 
handeld, en ene gemoedlyke (lichting getracht te wcge te 
brengen; 't welk haer arbeid welgevallig zal maken in de 
oogen van velen, die zich met hare denkwyze kunnen 

verenigen. Dan *èr zullen ook veelen gevonden 

worden, die oordeelen dat zy het (hik wat fterk getrok- 
ken heeft. Men vind Christenen, die te' laag denken van 
de Godsdienffige kundigheden zelfs der voornaemften , on- 
der de bedeeling des Ouden Verbonds; maer men vind 'et 
ook aen de andere zyde , die de Schriften v^n dien tyd 
lezen, met kundigheden, welke zy uit de;£uangeljleet 
ontleend hébben, en dezelven' dan naer die kundiji^' 
den verklaren; waer.door zy ligtlyk gevaar loopeii vau 
den Aertsvaderen kundigheden toe te fchryven, die by- 
kans de kundigheden der Christenen onder /t Euangelie 
evenaren; 't welk dan ook wel eens aenleiding; geeft , tot 
ene vergezogte verklaring van deze en gene öo<Kpraken. 
En hiervan is Juffrouw Broedelety (hoe ichtenswaerdig zy 
ook anders geweest zy,) naer ons inzien niet vry' te 
' fpteken. Men oordeele deswegens uit hare opmerking op 
ècn gedeelte der Godfpraek van vader Jacob 'Gen. XLIX, 
31^: hij v^ascht zijn kleet in den mjn^ et^de zijnen 
mantel in vrijn» druijven- bloedt'. 

• „ Door dit kleed, (zegt zy,) moet men verdaan de 
neoscbelyke natuur van den Mesfias, welke h(r ak een 
Weed zou aandoen , met zyne Goddelyke Natuur vereeni^ 
gen, en in welke de volheid der Godheid lichaamelyk 

K 4 zou 



144 ۥ BROEDELET 

ZOU woonen. Kol 2 : 9. Dit kleed zytier menfchetyke Na- 
tuur was bevlekt; niet door eigen fcbold^ waot hy was 
heilig , onnozel , onbefmec , Heb« 7. Manr door de toege-» 
rekende fchulden zyner uitverkoorenen ; want dien, die 
geene zonden gekend heeft , beePc hy (namelyk God) zonden 
voor ons gemaakt. 2 Kor. 5: ai. Uiervan zoude hy zyne 
inenfchelyke natuur zuiveren en afwasfchen door den 
wyn, daar door verftaapde zyn bloedig . lyden , getyk de 
% wyn ten teken van zyn bloed in 't H. Avondmaal wordt 
vodrgedeld. Door dit bloed, dat hem door zyn ziels -en 
licbaamslyden zou uitgeperst worden, zou hy de toege-. 
rekende fchulden , die op hem lagen ^ afwasfchen en weg« 
neemen , en zo heiligde hy zicbzèlven ; maar dit zou ook* 
ten nutte zyn van zyne uitverkorenen, op dat die gehei- 
ligd mogten zyn in waarheid. Joann. 17. Daarom wordt . 
'er ook by gedaan^ en zynen mantel in wyn*druiven-bloed« 
Door deezcn mantel , in onderfcheiding van zyn kleed » . 
word te kennen gegeeven de uitverkoorene gelovigen, de- 
welke met den Heere Christus worden vereenigd, en al 
het geene hy gedaan en geleden heeft, ook hun wordt 
toegerekend, hebbend^ alzo gemeepfchap met hem^ gelyk 
een mantel gemeenfchap heeft met den genen, dien de- 
zelve omhangen is : nogthaiis onderfclieiden van hét kleed 
zyner mehschheid, die hem 't naast eigen was, en tot 
eenen Perfoon vereenigd ; maar echter als een ruimer bo-. 
venkleed ,' dat tot zyn geestelyk lichaam behoorde , en de- 
welke hem zyn tot heerlykheid en fieraad. Zie Jer. 11» 
én J9S. 62. 3« En gelyk een man in zynen mantel zich 
roert, Wandelt, werkt en lydt, alzo zou Christus zyne 
gemeente aandoen; dat hy in haar tegenwoordige krach- 
tig werkzaam zou zyn, en zo is hy in hun*, en zy zyn 
mét hem. 'Gelyk de Hogepriester, het voorbeeld van 
Christu^ in zyne kleederen, en met dea Mantel des E* 
phods OTihangen , het heilig Priesterwerk deed * en zyn 
dienstwerk verrigtte, welk werk dan ook al hec volk werd 
toegerekend^ En gelyk de Hogepriester met deeze kleede^ 
ren bekleed zynde, en met den Mantel des Ephods om- 
hangen, niet alleen gezalfd werd met de H. zatfolie, de 
gaaven des ' Geestes , maar ook befprengd met het bloed 
des zondoffers, ..om hem en zyne kleederen ie heiligen^ 
waarin hy en zyne kleederen ^1s afgewasfchen en heilig 
werden aangemerkt ; zo zou ook Christus niet alleen door 
7yn ])loedig lydeji zich zelven heiJigen van de fchulden ^ 
die op hem lagen, maar oqk ^yuen Monteti de gemeinte 

Cod«j 



LERR DER BtLBNÜE^ ,V£RL. 'Kg DANKB. I45 

Gods; met ixrelke by vereenlgd het Priesterwcrk zon 

verricbten, en dus dit kleed met hem geheiligd worden: 

waarom by zelf in zyn Hogepriesterlyk gebed aeicle , Joh; 

17: 15^: Ik heilige my zelven yoor hun^ op dat ook zy 

geheiligd' mogen zyn in waarheid. En dit wordt te ken^ 

nen gegeeven, als Jakob zegt, dat hy jzynen Mantel 

wascht in wyn- druiven -bloed. Zynde zyn lichnams, eif 

voornaamlyk zyn Ziels lyden, 't 'geen. met den dood ein<* 

digde ; en gelyk het bloed der offerdieren uitzypelde uit 

het offerbeest, zo ftortte hy zyh bloed uit, en het vlood 

uit ayne zyde , na dat hy den Geest gegeeven had , wan« 

neer zyne zyde met een fpeer doorQeketi werd'; en zó 

wordt hier» daar te voren van wyn gefproken was, 'nu 

gezegd wijn druiven -bloed, oin te kennen te geeven. 1.) 

Dat de toefpeling is op rooden wyn , ter aanduiding van 

zyn bloed, a.) Ook om uit te drukken de perfing van 

^cji Heere Jezus in zyn lyden en bloed vergieting, gclyk 

de wyn^it de bezien geperst wort; welk hy te geoioe- 

te ziende zeide: Hoe word ik geperst, tot dat her vol* 

bragt zy , Luk. 12: 50. Waardoor de kracht zyner heilver- 

dienften, en de gaaven des Gee'stes, die by edelen wyn 

vergcleeken worden Jef. 55: !♦ voortkomen." fien 

ieder, die wat bezadigd denkt, kan niet w^l twyffelfen, 
of hy vind bier veel, daer' Vader Jacob 'Vermoedelyk 
simmer aen gedacht zal hebben. 



hcerreden over i Kon. VDL 119 * %o^ ter gedachtenis dtr 
Inwijing van de Kerk te Schildwolda^ dooor Ajtius 
Ar)RiANi, Predikant aldaar^ uitgefproken den\i$ yan 
Wiitmaandy 1786.. Te Groningen bij] L. Hbifinjfh» 
1787. Ift gr. ivo. 38 bladz. \ ,. 

Het aen denken ^aen de (lichting van hét Kerkgebouw 
t^ Schild wolda, voor honderd javen^ en deaae^fs ia 
ibndfaouding tot :op. den. tegenwoordigen dag, heeft ^eg 
Berwaerden Adriani genoopt , zyn^ .f;^dachten dae|^.9f 
verder te vestigen, en de oplettendheid zyner Toeboor- 
óet$ daer by inzohderheid te bepalen. Ter dier gelegen- 
heid ontvouwt hy der Gemeente beknoptlyk de Inwying 
van 's Heven Tempel te Jerufalem, met ene nevensgaende 
verklaring van den hoofdzaeklyken inhoud v;in 's Vorften 
gebed in die omftandigheden , volgens i Kom VIII. 29 , 
30 Naer het beloop van dit voorgeftelde fohikt hy ver* 
^ . K5 vol- 



14 (^ ^A. ADRIAffl LBERREDBir. 

volgens het toepaslyke gedeelte zyner Leerreden. „ Deed 
„ Salomo, zegt by, voor eerst ^ eene redevoering, waarin 
99 hij van Israêls lotgevallen in 't gemeen , en van de tem* 
,9 pelbouwing in 't byzonder , handelt , dit geeft om aan- 
j» leiding , in navolging van hem , om over de lotgevallen 
;, der kerke in ons vaderland, én op deze plaatze, iets te 
9% zeggen. Ten P»eden , looft , dankt en ofiert hij den 
,t Here, en volgt het volk hem hierin na; wij zullen u 
5, tot zekere pligten , bij deze gelegenheid , en vervolgens , 
,, te betrachten , tot dankbaarheid , moeten opwekken. 
^ Ten derden , bidt hij om een zegen , wij zullen , een 
^» bepaald gebruik van onzen text makende, al zegenende 
„ en biddendQ befluiten.'' Zyn Ëerwaerde, dezen leiddraed 
Volgende, fchikt zyne Redevoering, in *t een *t ander op*- 

iichtjzeer gepast naer de tydsomftandlgheden. — Nacr 

zyne opgave bebben de volgende Leeraers , zedert de her- 
Vorming, het Euangelie te Schildwolda bediend. 
i6ri. heeft Theodorus Folkeri ^ hier eerst het zuivere 

Euangelie beginnen te 
prediken , en wicrd op» 
gevolgd 
16^7 • door Bverhardus Jacobi^ en deze 
x66i. door Copius Meijer , die, de oude Kerk vervallen 

zynde, het nieuwe Gcfticht 
ingewyd heeft op den ia*«n 
OAober i686: wien verder 
. opgevolgd zyn 
' l6i^. Franciscus Gomarus. 

1705. Jdolphus Molanus. 

* 1719. Eppo Hendrik Hnckers, (♦) 
c 1755, He^triannus Diephuis, 

1768 • Her o Geres Her es. 

1783. jlrius Adriani. 

• C*) Deze overleed ih het jaer 174*1 doch het liep, dooreen 
ëfl2ali|en twist oVér de beroepinge, aan , tot het jaar I75S> dtt 
fUizft Oemeente herderloos bleef. 



Aan* 



G. BOmiET AAN P. VAN HBMBRT. 247 

->'• ■ ' i ' 

jtanmcrkingcn van o. bonnet , op ha tweede Stuk des 
üriefs van den ÏVel Ed. Zeer öel. Heer p. van hr- 
ji£RT, *oyer de Rede^ en haar gezag in den Godsdienst. 

, Brief swy ze aan zyti Wel Ed. medegedeeld. Te Utrecht^ 
by A. van Paddenburg, 1786. In gr. oSavo^ 114 bladz. 

Na ene optelling der byzonderbedeoj io *c genoemde Ge* 
l'cbrlft van den Heer van Hemtrt behandeld, maekt de 
Uoogieeraer Bonna i;ne fchifting van deselven, als behoo* 
irende deels wel tot het boofdverfchil » maer zynde ooi; 
deels daertoe niet betrekkelyk^ en onder deze zodaaigen^ 
die eerst naderhand te overwegen zyn, als mede zulken 
die wel achterwege hadden kunnen ^ en ook zommigen dift 
liec badden behooren te blyven. — ^ — De Hoogleeraer be* 
paeit zich in dezen zynen Brief voornaemlyk tot de eerst* 
bedoelden; echter laet hy zich, na ^t afhandelen van 't 
geen tot het boofdverfchil behoort, ook nog kortlyk uit 
over enige der andere byzonderheden, welken hy^ zynes 
oordeels , niet wel geheel met (Hlzwygen voorby kon gaen, 
^^—^ — Het zy men de ene of andere party in dit gefchU 
trekke , men zal , op het doorbladeren van dezen Brief , 
gereedlyk moeten erkennen , dat de Hoogleeraer zich beter 
by zyn Stuk bepale » .en gewoonlyk met meerder opmerk- 
zame nauwkeurigheid uitdnikke ^ dan de Heer van Hemert; 
dien hy ook daer toe tragt te brengen : *t welk gewislyk 
de enige weg is, om dit verfchilftuk m^t vrugt te behan- 
delen» Ter bereikinge hiervan do^t zyn Hoog Eerwaerde^ 
met het afloopen van dit Gefchrift, na enige bedenkingen 
over de ^ zyns agtens , vereischte fchryfwyze ^ den volgen* 
den voorflag; welken wy niet ondienftig oordeelen hierge« 
beel over te neemen. . / 

,^ In hoope dat UWEd. dlit] [bov^iaengeduide] . lp ''t 
vervolg zal onder *t oog honden, wil ik,, tt|i gevalle, on- 
set Lezeren, den ftaat des gefchils, dat wy allereerste (léb^ 
ben af te handelen, onderfchcidenlyk^opKeeven* ' 

,,llwe ftelling is dttze : de anderwerf Afyie rede ^p^ min' 
/cheijk verfia^d^ is niet bedorven. ^ Voor deee^ ftellipg^ebt 
Ge, naar myne gemaakte aanmerkingen, geen eea deugde- 
Jyk bewys, X zy uit de ondervinding, \%y uit de H* 
Schrift, bygobragt. 

^,De cegenftelline,die Gy ht^TT/At^i^ide ondeniferpefyh 
rede , het menfihelyk verfland^ is bkdorvcn. Om die te wf- 
derleggen, brengt Ge, eerst, vérfcheidene bezwaaren tegen 

^e 



I4& G. BONNET 

dezelve in; en tragt , v^volgens , aan te toonen , dat de 
bewyzen voor dezeive, uit de oudervinding, uit de dwa- 
lingen van het menscHdom, uit den invloed, dien de zonde 
heeft om bet verftand te bederven , (doch welk jaaitte be» 
wys ik nie: gebruik,) en ui^.de H. Schrift ontleend, van 
geen de minlie kragt zyn om die tegenftelling te wettigM. 
,„ Wat nu deeze tegenftelling btü^ii\het menfclielyk ver* 
ftand is bedotten ^ die heb ik, overeenkomftig de leer van 
onze Kerk, nader bepaald, en aangetoond, boe wy die 
yfiitt en al verftaan. Nict^ ais of de mensch, in den te* 

fcnwoordigen (laat, volftrekt onbekwaam was, om waar-* 
eden en pligten it kennen i waarheden als zekep, pligten 
als betaamlyk, op goede gronden te beoordeekn. i . ■ 
Maar, in zo vet hy» hoe kundig ook in de lecre der Za- 
ligheid , echter niet in ftaat is , de geopenbaarde waarhe- 
den , welke betrekking hebben op zyne eeuwige belangen , 
regt te kennen, roet dat gevolg, dat hy, als' een redelyk 
fchepzel , niet kan nalaaten , overeenkomftig dezelve , ter 
bevordering van zyn waar geluk werkzaam te zyn. 

„Ingevolge deeze noodige bepaaling, heb ik aangetoond, 
dat de bezv/aaren^ van UWÉd. , tegen de leer onzer 
Kerke , aangaande het zedelyk bederf des menfchelykeit 

verftdnds, ingebragt, van geen gewigt zyn: en dat 

de bey^yzen voor ons gevoelen, uit de ondervinding, «it 
de dwaalingen van het menschdom^ en uit de Godlyke 
openbaaring, ontleend, doch van U afgekeurd, 4erzelver 
•kragt behouden. 

„Het geen derhalvcn UW Ed. nu te doen ftaat, is, aan 
te toonen , „ dat 'er deugdelyke bewyzèn voor nw gevoè- 

, Icn zyn; dat de bezwaaren, tegens ons gevoelen 

„ in^tbragt, ongeacht myne gemaakte aanmerkingen, haare 

„>kracht behouden: eindelyk, dat, het geen wy 

„ yoQr ons gevoelen, (uit de ondervinding, uit de dwaa- 

- , dingen van het nienschdbm, en uit de H. Schrift, ) aan* 
, voeren, niet bewyst het geen beweezen ipoet worden; 

\ Derhalvcn , ^at de ónderwerpclyke rede, met ouzi4^ht 
* M des mehfcHèh mi^r' gelukt en de regte kennis dcrgt^ 

- openbaarde i»aarheden ^ welke daarop eene jiaauwebe^ 
,, trekking hebben^ niet kan gezegd worden, zedelyk bcr 
„ d0rve^^ teï zyn." 

• >vGèlyk ik -hier Op uw antwoord verwagt , zo. moet ft 

UW Ed, vooraf berigten , dat ik voorneemens ben , in myn 

'wedèiritïtVvb^td alletn" te onderzoeken, of uit bet geen door 

•UW Edf , oVer dit onderwerp, nader wordt medegedeeld. 



AAK P. VAN BEMERT. 14^ 

^ettiglsk dit bcfluitkati worden opgeroaikt: de onderwerp 
'peljke rede is^ met opzichf tot 's menfchen ifaar geluk * en 
de regte kennis der geopenbaarde waarheden , welke daarop 
eene naatiwe betrekking hebben^ niet bedorven. Alle an* 
'dere byzónderheden , die tot de hoofdzaak niet behooren^ 
zal ik , of niet in aantaerking neemen , bf , wanneer ik het 
ooodig acbte, afzonderlyk met U behandelen." 

Het laetfte gcdeehe van dezen voorflag ziet opeen voor- 
heen gemeld vereischte; om, naemlyk^ „ al zulke bezwaa- 
„ ren, dte niet tot de hoofdzaak doen, afzonderlyk te bc- 
^, handelen." De Hoogleeraer zag gaerne, dat het wezen- 
lyke van het gefchil altoos op zichzelve behandeld wierd; 
en dat dan byzónderheden van geringer belang , (doch hoe 
'minder iB getale hoe liever,) by manier van aenh^uigzels» 
daer achter aen gevpegd mogten worden. 



Chemifche Oefeningen. Door p. j. kasteleijn, /ipothe^ 
ker en Chimist te mjlerdam. Lid van het Provinciaal 
Utrechts Oenootfchap van Kunften en Wetenfchappen. 
Tweede Deel. Te Amfterdam^ by A. J. van ToU, 17 85. 
in gr. Svö. . ^ 



n 



|c Inhoud van dit Tweede Deel^ beftaande uit vyf Stuk- 

*jes^ is niet minder belangryk voor de Beminnaars der 

Scheikunde in *t algemeen , als voor de Apothekers , Fa* 
.brikanten en Trafikanten in 't byzonder, dan die van h©t 
EerfteDeel. — Was 'er ooit een middel om Scheikundige 
JCennis algemeen te maaken , en den lust tot de beoefening 
deezer zo algemeen nuttige Weetenfchap onder onze Land* 
cenooten aan te wakkeren; het is zekerlyk dat> 't welk 
de Heer kasteleijn daartoe heeft verkoozen ; en indien 
wy uit de graagte, waarmede dit Werk algemeen is aan- 

fenoomen , mogen befluiten , dan is het zeker , dat onze 
nndige Schryver 'reeds voor een groot gedeelte zyn oog- 
mctk bereikt heeft. Dé menigvuldigheid der onder- 
werpen, in dit Deel voorkomende, verbied ons daarvan 
aan onzen Leezcr een uittrekzel mede te deelen , terwyl 
<ene Woote optelling daarva^i eenigfmts verveelende zoude 
xyn, te meer, daar wy geen oogenblik kunnen iwvfelen, 
'of zy, die eenig belang in de bevordering der Schei- en 
'Natuurkunde (lellen, zullen leeds genoegzaam"^ met het 
Werk zelven bekend zyn. - — — De verdienftqn des 
Schryverszyn daarefn)Oven. zo algeoi^en bekend; dat het 

jBood- 



^SO G. BOtéf&r AAK P. VAR JEÖSMERT. 

soodloo» zoude zyn» iets ter aappryzing , van deezen zy« 
aes geleerden en ui de uitvoering zo moeijelyken, arbeid*. 
by te voegen. 

Wy hoepen, dat de Heer kastelstjn, in zync edel* 
moedige bedoelingen > ten algemeenen nutte zal volharden» 
Q zynei) geleerden arbeid vervolgen* ^ 



uucai^c Dcuocungen > icn aigemeenen 
en zynei) geleerden arbeid vervolgen* 

Pofitiones Phyfica, quas, annuo labore, in fcholig p^ivati^ 
e<plicat, experimentis illuftrat, et auditorujn fuorum 
mcditationi proponit j, h. van swinüün ; antehac ifi 
Academia Franequerana Pbil. Log, et Metaph.; nunc 
vero in UI. Amft. Athen. Phil. PhyC Math. et Aftron. 
Prof. Variarum 'Academiarum Socius. Tomi lecundi 
pars prior. Harder. Gelr. apud J. yan Kasteel^ 1780. 
Absque praecedd. ft54. pp. in odlavo. maj. f. 

Van bet beloop deezes Werks , en de wyze der uitvoerin* 
ge, die den Hoogleeraar yan Swinden ter eere ftrekr, 
hebben we onlangs in 't breede gewaagd (♦); en, over- 
eenkomftig met de toen voorgemelde orde, is dit eerfte 
gedeelte van het tweede Stuk gefchikt, ter bebandelinge 
van de Hjdrofiatica of Waur»eegkunde. De Hoogleeraar 
bishandelt deezen tak der Natuurkunde in de wyduitg&- 
Ifarektfte betekenis des woords Hydrofiatica ^ welke mea 
gewoonlyk^ tVatcnfccgkunde noemt , doch die zich uitftrekt 
over Vloeir of VJietlloffcn van allerleien aartj het zy ze 
als Water onder de niet Veerkragiigen , of als Lugt onder 
de Veerkragtigen, gereld worden. 

Zulks doet hem , na eene voorafgaande befóhouwing der 
Vlpciftoffen in *t algemeen, en derzelver onderfcheiding ia 
Niet- of Al Vcerkragtiee , in de eerfte plaatze handelen 
over het evenwigt en de perfing der Vloelftoffen , die gee- 
ne Veerkragt bezitten. Hieromtrent komt in aanmerking 
de perfing der Vloeidofien in 't algemeen, en derzelv^ 
werking naar alle kanten , wanneer ze ergens in beflooten 
zyn ; mitsgaders het evenwigt der Vloeiitoffen op zigzel- 
ven befchouwd; en wyders de werking dier persfinge 09 
vaste lichaamen, welken in de Vloeiftoffen geheel ii^ 
gedompeld zyn, of min of meer op derzelver opper* 
vlakte dryven; en eindelyk de perfing van ongelykflagtige 

\aoeJ. 

O Zie trwwüt Jlg. Vai. Letteroef. L D. bl. 3^4, 



7# H. VAN SWINDBir, P08ITI0NBS PHTSICi6« I5t* 

Vled(h>ffen» of zulken die van eeoe verTchillende zwaar^ 

te »yn, onderling op elkander. By de overweeging 

der perfinge of min of meer ingedompelde üchaamen, 
voegt de Hoodeeraar eene ontvouwing van 't nafpooren 
der verlcbilienae digtheid of foortlyke zwaarte van onder* 
fcbeiden Vloeiftoffen en Vaste Lichaamen, door middd 

van Vogtmeeters en de Waterweegkun(li|b Balans. 

Hiennede afgehandeld hebbende het geen tot de Niet« 
Veerkragtige Vloeiftoffen behoort , gaat hy in de tweede 

{laats over, ter befchouwinge van het evenwigt en de ptu 
ng der Veerkragtige Vloeillofien; waaromtrent hy zig 
tot de werking der uugt in dit geval bepaalt, nadien tog 
aUe Veerkragtige Vloeillofien, met de Lugt, hier aan det 
zelfde algemeene wetten onderworpen zyn. In de behan- 
deling van dit onderwerp vestigt hy eerst het oog op «de 
werking der veerkragtige Vloeiftoffen, die van derzelver 
zwaarte of gewigt afhangen; by welke gelegenheid by een 
^erflag geeft van de verlchillende foorten van Barometers. 
Vervolgens ontvouwt by ons de werking der veerkragtige 
vloeiftoffen, die van derzelver veerkragt afhangen: 't welk 
Iiem tevens een berigt doet verleenen van die werktuigen^ 
in welken de veerkragt der Lugt, of ook wel de perfm^ 
der Lugt, byzonder haar vermogen uitoefenen: ais daar 
zyn de Lugtpompen, de Windroers, Vogtmeeters die als 
Barometers werken , Ventilators of Lugtzuiveraars en Wa^ 
terduikelaars- Klokken. Wyders handelt, de Hoogleeraac 
over de werking der Hette op veerkragtige vlodltoffen, 
mitsgaders den boogen trap, tot welken de Lugt verdund 
'of verdikt kan worden ; verklaarende te gelyk verfcheiden 
verfchynzelen hier uit onftaande, byzonder in zodanige 
bewerkingen en werktuigen, waar in men zig van ftoom 
of damp bedient, onder welken de zogenaamde ftoom* of 
Vtturmacbine, tot het oppompen van water gebruikelyk, 
bovenal in aanmerking komt. Hier aan hegt hy voorts 
eeoe overweeging van een klomp van veerkragtige vloei* 
Aoffe, als mede van de digtheid en hoogte der beddingen, 
wav uit dezelve is samengefteld; en zyne befptegeliog 
deswegens brengt by vervolgens over tot de daadlyke mee» 
ting van de hoogten der fiergen op den Aardbodem , door 
niddel van den Barometer; en zo ook tot het nafpooren , 
van de digtheid der lugt, en de hoogte van den Damp*' 
ïriog* Ten laatfte handelt de Hoogleeraar nog van *t 
4ryven van lichaamen in eene veerkragtige vloeiftoffe, of 
Jiet opUimmea en nedeidaalen ^or Lugtbolkn in de Lugt^ 

waai* 



^;2 }• H. VAN SWISDBN, FOSITIOITKS PHYSfCJi; 

waaromtrent hy de voomaaoifte byzonderfaeden beknopt^ 
lyk nagaat. Voorts syn 'er aan 't einde van dit Stuk 
nog geplaatst eeni^e Tafels, wegens de vergclyking der 
Barometers op verichiUende Schaaltekeningen , en de mee- 
ting der hoogten door middel van dezelven. De 

beoefenaars der Natuurkunde zullen, op het nagaan der 
naauwkeurige uil^oering van dit alles, op nieuw reden 
vinden, om den arbeid van den Hoogleeraar ^an Swindm 
öanklyk te eftennen , en van harte na de verdere voltooi]* 
ing van dit Werk te verlangen. 

De öcest der fFètten^ door den Heere dr montesqüifu. 
Uit hes Frü/isch vertaald ^ door Mr. dirk hola van 
ifOOTEN, Raad in de Vrciedfchap en Oud- Schepen der 
Stad Schoonhoven ^ Lid van het Provinciaal Utrechts 
Genootfchap van Kunften en Wetenfchappen. Met fFys» 

. gcerige en Staatkundige Aanmerkingen ^ zo van tenen 
Onbekenden als van den Vertaaler. Vierden Deels eer^ 
fie en ivfeede Stuk. Te Amfterdam^ by. W. Holtrop, 
1786. In gr. %vo.^ 536 bladz. 

In dit vierde Deel gaat de oordeelkundige MONTESQtrisci 
over ter befchouwing van het zoberoemde Leenrecht^ 
waaraan hy de twee laatHe boeken van dit zyn onlterfelyk 
Werk hefteed heeft. £n gelyk men overal de ontwyfel* 
baarde bewyzen van 's Mans diepe geleerdheid en fchran* 
der oordeel gevonden heeft, is ook de manier, op welke^ 
deeze twee boeken gefchreeven zyn, boven allen lof, en 
zal aan de lief hebbers van Oudheden niet alleen eene nieu- 
we verwondering verwekken , maar dezelve tevens verbaasd 
Idöen (laan over hét nieuwe licht, 't welk zy hier op eene 
zo gemaklyke wyze, o^r deeze in zich zelve duistere 
^tof , verfpreid zullen vinden. 

„Het Leenrecht is, gelyk de kundige Vertaa3er wel aan- 
merist, geenzius zynen oorfprong aan de Romeineo ver- 
fcbuldigd , hoe zeer de beroemde Hollandrche Schryver 
over het Leenrecht , Mr. Pr. Bortj dit heeft trachten te 
bewyzen. Met alle reden leidt de geleerde Schryver het- 
zelve uit de Oudheden van Germanie af. Dit recht beeft 
zeer langen tyd enkel op gewoonte berust, zonder in be- 

• fchrevene wetten vervat te zyn. — Evenwel , men 

maakte in die tyden, in zwaarwigtige gevallen, veeltyds 
^ gebruik van de Advyzea van Kecntsgeleerd^n 5 onder den 

* naam 



rXB HONTBSQuftü, DE blEST DER WETTfif^. Ij^^ 

naim van Respon fa prudentum^ R^esponfa Sapientum. Ten 
tyde ?an Keizer Frederik dp eerften begonnen twee zeer 
beroemde MUaanfche Rechtsgeleerden, met naame Ober^ 
Hts de Orto diHortOy m.Gerardus Capagisïus ^ byge* 
naamd Niger (de z^artéy over het Leenrecht te föhry. 
ven, en dit faad^ten gevoljge, djst, onder de reiéérlng vait 
dien zelfden Keizer, uit de inttellingen van de Keizers» 
uit de evengettoemde Schriften van Obertus de Orto ett 
Gerardus Capagistus , en uit de byeenverfamélde Advy w 
«en van Regtsgeleerden , een foon van' famenftel '^n het 
Leenrecht in de waereld kwam, in het welk doQr den 
Profesfor in de rechten Hugo^ oï Hugo7inu$^ eenien van 
de allerberocmdfte Rechtsgeleerden vaft zjnfen tyd te Bo^ 
honie openbaar onderwys gegeeveu wierd. 

„Ten tyde vznVitu^r Fredericus den A/céden wierdtdit 
famenftei van Leenrechten in twee boeken verdeeld, en 
onder den tytel van de tiende Collatie in hét corpus Ju* 
rit by de Novellen van Justinianïis ^ welke uit negen col^ 
kuien beftaan , gevoegd. Hierin badiende by zich voor* 
oamelyk van den raad en hulp van eenen anderen, mee 
siinder beroemden rechtsgeleerden , Hugolinus , byge- 
ïiaamd d^ Presbyteris. Zie Mascovius dè jure Fem. 
cap. I- 

• „De Groottjaeoias Cujacius^ een man van onvergdy- 
Icelyke vérdienften, heeft by deeze twee boeken eene me- 
ni^e (lukken bya^voegd, en-eindelyk dezelve op nieuw' 
in vyf boeken verdeeld , en met zyce allerheerlykfte aanmer^ 
kingen verrykt. Dezelve zyn te vinden in de fchoone 
uitgaave ^n alle de werken van deezen grooten man» 
welke dóór de zorg en yver van Liborius Ranius^ eenen 
NapolitaanfcheH Rechtsgeleerden , in het jaar 1758, te'JNa- 

E te in elf Deelen in folio is in de waereld gekomen ^ im 
t st. Deei pag, Ï178 tot aan het Einde. 

yt Deezc boeken over het Leenrecht , bekend onder deit 
naam vsiQ Confuetudinei Feudorum, (onder welken naam 
zy thans in het Corpus juris zyn te vinden) behel- 
xen dtts het oude Longobardifche leenrecht , of jus feuda^ 
Ic LongQbardicum ^ en dit recht word nog in'Diiirschland 
algemeen gebruikt voor een jus fubfidiarum ^ of voor een 
recht, waartoe men, wanneer de Landwetten over de 
Leeoen zwygen, zynen toevlucht qeemt. 

9, Wy hebben eene ontelbaare menigte van Schryvers over 
het Leenrecht by alle volkeren, waar het zelve bekend 
is 9 welke alle op te noemen een oneindig werk zou zyn. 

JL DftKt* M« ALC. UBTT. JSO* 4. L Meft 



Men kan dezelve meest allen vin<lea by Sfruyiuf in zyi| 
iibliotheca juris. Onder de ' voornaamften is buiten twy- 
jTel het aangehaalde wetk 'van Cüjacim. Opk heeft de 
beroemde Profesfor Johanncs Voet in zynen Cmmntarius 
ad Panaeaas agter het jS^^' boek torn. a. pag. 609 eenc 

ÏMtmuntende digestiodcfcudis medegedeeld. Om een 
ort klaar en groq.dig denkbeeld van het gebeele Leenrecht 
te he.bheii , kan m^n zich bedienen van het werkje vai| 
^ohannès JacobuÉ Mascovius de jurc^ feudorum mperio Bjh 
mano^Gcrmanico^ in 8V(?, •tweljc in ,het jaar, 1763 voor, de 
^erde maa] te Leipzich gedmkt ïs^ waarby men tevens 
behoort te leezen principia jurii publici imperii komam* 
Gcrmünici^ in Sv^, van dcnzelfden Schryver, 't welk ii^ 
&et jaar 1769 VQor de vyfde maal te Leipztch gedrukt 
fe. En wat otis\ VadwTlandsch Leenrecht aangaat, hier- 
over kan men, behalven iu de werken van Petrus Gudc» 
tinui^ Frcdcricus Sandc^tXi Corneüus Ncqftadius, op eene 
s^ler^ojidigfte wyze onderricht bekomen in het doorwroch- 
te wérk van Mn Pr. Bort^ het Hollandfche Leenrecht;^^* 
In het tweede Stuk van dit vierde Deel, waarmede dee» 
2e nieuwe Nederlandfche uitgave van Montesgüieu befloo* 
ten wotldt, vinden wy, by wjfze van Aanhangscjel , voor 
étrstleèn Ferdeediging van den Geest der Boetten ^waar^ 
by ook eenige ophelderingen gevoegde zyn^yooxts a) ÖpheU 
der in gen van den Geest der Wetten. %) Webntenendê, 
dankbetuiging aan een menschlievend man: (een ftuk, *t 
welk aan den Heer de Voltaire wordt to^g^chreven) 4) 
l^yfimachus. 5) Lofreden 'op den] Heer Pré^fident de 
MONTEsquiEU , door den Heer d'albmbbrt. 6) Lofre* 
den op denzehen\ door den Heer de maupsrtuis, 7) 
Korte fchets van den Geest der Wetten door den Heerc 
©• ALBMBEKT, m eindelyk H) 'Aanfpradk v^tn d^n Heer 
Prafident de montesqüibu aan de FrarifiM jic^^demie^ 
toen hv tot, lid van dezelve aangenomen wierdé. Alle wel- 
ke ftukkea eene aandachtige l^ezjng overwAardig 190. 



iSs^ 



j. t. MAKtirmr , HistoRiB mr wabreld. tss 

Historie der Waercld^ door j. p* martinet , Meester der 
' vfje Konfien^ Dodor in de Wpbegeerte^ Lid van dó 
Hollandfche en Zeeuwfche Maatfchappjen der Wtten^ 
fchappyen te Haarlem enVlisfihgen^ en Predikant te 
Zutphen. Met Plaaeen. Zevende Deel. Te Amjier* 
damy bj J. AllarC, 1786. In gn 8yo. 516 bladz^ 

Nadat de vernuftige en werkzaame martinet» in het 
voorige Deel (*) , den draad der Oefchiedenis , by de 
Historie van Frankryk» bad afgebroken, vat hy denzelven 
thans weder oip mee de berchouwing der overige Kyken 
vau Europa 9 en wei vooreerst van Groot- Britcannie, waar- 
omtrent hy ons doet zien» dat hetzelve langen tyd vry 
woest, oorlogzugtig en ontembaar was ; dat het veele 
icbokken ondergaan heeft door Staats* en Godsdienstsver- 
anderingen ; dat het door de onde Bygeloovigheden en buU 
teoi^oorigheden zeer veel geleden heeft, eer het tot den 
tegenwoordigen trap van verlichting en rust kwam; dat 
het, groot en machtig zynde, geene geringe rol gefpeeld 
heeft op Europaas tooneel , en daar nop; geen klein aan*^ 
zien blyft behouden. In de Gefchiedenis van dit Land » 
heeft hy tevens al het merkwaardige ingevlochten , het 

Cvan Ierland kan gezégd worden , doch , volgens zyn 
9 flegts^ met een enkel woord. De Histoi;ie van Schot- 
land is veel gewigtiger, en uit dien hooftle heeft de Schry- 
ver zich in deszelfs lotgevallen en gefchiedenisfen breeder ' 
mtgelaaten ; waarop hy eenige byzonderheden 'van Groot- 
Brittannie laat volgen , om een geregelder denkbeeld van 
deszelfö hedendaagfchen ftaat te kunnen maaken , by welke 
gelegenheid hy ons een geestige Schetze mededeelt van 
het Karakter der Engelfchen , die wy niet kunnen nalaa- 
ten, als een ftaal van *s Mans denk- en fchryfwyze, hie^ 
in te vlechten. „ De Engelfchen,** zegt hy, ,, zyn van 
eene gioote, welgevormde en fterke lichhaamsgefteldheid , 
tot het zwaare overhellende , waartoe lucht en levenswyze 
veel medewerken. In 't algemeen is alles in dit Ryk veel 
zwzzftt dan by de Overzeefcbe Nabuuren. Men kan dat 
opaterken in hunne . Paarden , Osfen , Koeijen en Schaapen. 
Baar men düs zo wel gefchikt yis als genegen blyft tot 
geweldige Ikhhaamsoefeoingen , zaf men ook uitdien hoof- 



de' 



* O ^ie.W jil^ Lm. U D. bl. 49S. 



156 V V* MARTINET 

de daar meer» dan elders, hevig ryden, geweldig Jaagetf, 
foelie wedloopen en verwoed vecbten, ontinoet£iL Dfir« 
wyl elk zich veel op de Vryheid laat voorftaan, en de 
Scbryvers eiken dag de Natie op weinig kostende nieuws- 
papieren» van allerlei inhoud, outbaalen, oordeelt men het 

fe^ond verdand daar g^oieener te weezen dan by andete 
^olken. Deeze vryheid is de bron van die mannelylj^e 
redevoeringen, die foms in. bet Parlement gehoord wordeu, 
hoewel 'er, ook 'dik wils, veel oobercbaamlieids , onbetaa- 
melyke beledigingen, laffe en kwalykgeplaatfte kwinkflagea 
in voorkomen , teu minden meer bewysredenen dan trek- 
ken van welfpreekendheid. Dan, aan deeze vryheid moet 
men ook toekennen de fcbaamtelooze behandelingen , die 
de Koning en zyn Gezin ioofis moeten uitdaan , zelfs van 
geringen. Dan, behandelen de Engelfchen hunnen Koning 
zo laag en fchandelyk, geen wonder, dat zy de Vreem* 
delingen gelyke ruuwheid aandoen, en de verouderde Natio- 
naale ongeregeldheden behouden. Rangen in acht te nee* 
men is toch hier weinig bekend. De Aanzienlyken ver» 
laagen zich foms ongemeen, en dit maakt hen bemind. 
Maar de geringe (lelt zich ook vaak volkomen gelyk met 
de Grooten, en deezen moeten zulks verdraagen. Dan, 
deeze vryheid verwekt daarentegen een edele liefde voor 
't Vaderland, een kloeken yver voor 't algemeen belang. 
Jammer is het, dat deez^ drift veel gepaard gaat met eene 
trotfche verachting van andere Volken, die zy met den 
nek aanzien» vooral de Franfchen, hunne oude natuurlyke 
vyanden. En het is niet vreemd, dat menfcheu, die oor* 
deelen, al te mogen zeggen, het geen zy denken, en te 
doen, 't welk zy willen, veelal eigenzinnig, buitenge- 
woon, zonderling en fpoorloos zyn, zo in hunne woorden 
als in bunne daaden. Deeze verfmaading van andere Na- 
tiën meenen , fommigen , moeten toegefchreven worden aan 
eene misleiding, waartoe 't gemeene volk ongevoelig ge^ 
bragt wordt door zyne dagelykfche Scbry vertjes , Vlie oq- 
ophoudelyk andere Landen en Natiën. befchimpen* Dit is 
de beste verdeediging , die 'er van gegeeven kan worden # 
hoewel ze niet ichynt te voldoen. De Drukpers is *et 
vry, en dus wordt 'er al gezegd « wat men maar wiU 
Niemand wordt 'er ontzien ; dan , hierdoor acht men ook 
bet bekladden te minder ,. 't geen 'er zeer in zwang gaat* 

n De Weelde is in alle rangen van Lieden zeer ge» 

meen , waarvan bunne ongemeéne rykdommen , by de ^ee« 
vaart en den Handel gewonnen , de oorzaak zyn. Veeleo 

»cb* 



HISTOlta DBR WABULD. XSf 

tditen geen geld, eu de fchatten wordea de bronnen Tan 
verwaandheid, verkwisting en bedorven zeden. Anderen 
weeren beter gebruik van hunne fomaen te maaken* en 
js iemand waarlyk ongelukkig buiten zyne fcbuld, magti- 
ge onderfteuningen ontbreeken niet. Edelmoedigheid en 
weldaadigheid (deezen lof verdienen de Engelfchen) zyn 
foms byna zonder voorbeeld. Moet "Ér een nuttige In- 
richting gemaakt, een Gasthuis gefticbt, een ongelukkig 
Koopman aeholpen , een eerlyk doch behoeftig Huisgezin 
onderftcund, de fchuld van eenen armen Kunftenaar be- 
taald, of eene Weduwe en Weezen bygellaan worden, 
aanftonds zyn de handen open , en de rykfle giften wor^ 
den tot die einden gcgeeven. Een Vreemdeling wint.iiiet 

Seroaklyk eene venrouwlyke vriendfchap. De beste weg 
aanoe is, dat hy de taal des lands fpreekej dan, ver- 
krygt by eens de gunst, by kan 'er te beter ftaat op maa- 
ien. Een Uitlander, die zich in het Ryk nederzet, is 
echter, van alle ambten uitgefloten, volgens de wet, ten 
tyde van George den I gemaakt, toen het Ryk vanDuit^ 
fchers overftroomde , die deezen nieuwen Koning gevolgde 
waren. 't Geroeene Volk is ruuw, troisch, onge- 
duldig, veeltyds onbefchoft en onverdraaglyk ; maar de 
Grooten, wel opgevoed zynde, zyn edelmoedig, weidaa- 
dig, openharclg, deftig, dapper, vol waardigheid. AUèn, 
vau welken rang, zyn geweldig in hunne driften, en hun- 
ne gramfchap bykans woedend. Gelukkig, indien dit lang 
ftand hield by de aanvallen in den kryg; maar men heeft 
dikwils gezien, dat de Schotten hen daarin overtroffen, 
en minder van zwigten wisten. Men wraakt in de Natie 
de woestheid, die zich vertoont in hunne liefde voor bloe- 
dige vermaaken, gelyk in de haanengevechten, in die vat\ 
allerlei dieren met eikanderen: ook in het vloeken en zwee- 

ren , waaraan zy zeer verllaatd zyn. . Een diepden- 

kend vernuft kan men veelen niet ontzeggen, dan het is 
by hen gemeen, tot zwaargeestigbeid , gelyk ik zeide, 
over te hellen. Anders worden allerleie vermaaken onge- 
meen van hen bemind. Ondanks hnnnen haat tegen de 
Franfchen, beminnen en volgen zy echter allervaardigst 
de kle^ding, *t optooifel en de waaren deezer Natie. Zul- 
ke tegenltiydigheden ontmoet men hier meer. Eén 
paar bandfcboenen , vroeger gemaakt voor, en gedraagen 
door, eene Hertogin , dan voor de Koningin , deedt de 
laatfte weldra befluiten, den Gemaal der eerde te verne- 
deren, bem als Veldheer te yerftooten» en vrede met den 

X- 3 vy- 



t5t I- V* MARTBUT ' 

vyand te maaken ten nadeele haarer bondgenooten* Dt 
Vrouwen zyn niet levendig , maar hellen meer tot de ze- 
digheid of blooheid. Onder haar 9 ea bYzonder onder de 
Landmeisjes, die alleraanvalligst opgetooid » Zondags» te 
paard naar de keA ryden , vindt men veele fcboonbeden* 
' Veelen der Aanzienlyken , zo getrouwden als ongehuw- 
den » beminnen dl geleerdheid en leezen dagelyks zeer veel. 
In weinige landen treft men meer kundige Vrouwen aan* 
Mevrouw Montague gaf aan de Wescelyke Waereld kennis 
van de inenting der Kinderziekte te Conftantinopolen , tot 
eeuwige fchande van een half millioen reizende Heertsn. 
*-«- Oi^der veele Ieren en zogenoemde Bergfchotten» houdt 
nog de onbefchaafdhcid ftand; doch de andere Schotten 
zyn beleefd, krygshaftig en moedig." 

Na vervolgens over de Engclfche Taal, Wetten, Ge- 
zindheden, Geleerden, Kunftenaars, enz* kortelyk gefproo» 
ken te hebben , gaat hy over tot de Historie van Dene- 
marken, welks Oorfprong, vroege en laate Koningen, Be* 
ftier en Magt des Ryks, KarAter des Volks, Taal, Gods- 
dienst, Wetenfchappen, Handel, Handwerken, Landbouw, 
enz. op een beknopte en aangenaame wyze voorgedeld 
worden. Hierop met een enkel woord van Ysland gewag 
gemaakt hebbende, wendt hy zich naar een anderen Oord, 
en doet ons een Ryk befchouwen, dat in de laatfte tyden 
groote Koniheen heeft voortgebragt,' zelfs een eerwaardig 
Karakter bezit, en uitmuntende Geleerden kan optellen; 
wy meënen de .Zweeden ; na de Gefchiedenis van ditVolk 
te hebben voorgedragen , laat hy hierop volgen het nog 
overfchietende Rusfifche Ryk ; en hiermede de Noordfche 
landen afgehandeld hebbende , wendt hy zich naar de on- 
aangeroerde Middellanden van Europa, en wel vooreerst 
ter befchouwing van de Gefchiedenis en toeftand van Poo« 
len; vervolgens overgaande tot de Historie van Pruisfen; 
en by deeze gelegenheid zich in de nabuurfchap van 
Duitschland bevindende , was het eigenaartiff , hetzelve 
thans te befchouwen. Om echter van Duitschlands His- 
torie een geregeld denkbeeld te geeven , houdt hy de vol- 
gende orde : Namelyk , dat hy eerst den ouden Staat ded 
Ryks fchetst, daarna deszelfs tegenwoordige verdeeling in 
Kreitzen; vervolgens de Landen, die het Oostenrykfcbe 
Huis thans bezit, nevens eenige aangrenzende Landfcbap^ 

Ïen , nu ftaande onder het gebied der Turken ; (van wel- 
en de Schryver, in de Historie van Afia, niet kon fpree- 
ken , omdat ze lot Europa niet, behooren) en eindelyk hee 

Ka« 



msTMA DU wakxsuu }^ 

l^arakcer van Duitschlinds tegenwoordige fowoonérefi' Afte- 
kent. En deese ziA afgehandeld hebbende, befluk by 
eiodelyk dit deel met de Historie van Zwitferlapd. -^. — ^ 
Alle dtezt (lukken syn in die ïosCt manier en bevailigeft 
%l verbandeidj weOte den Heer MAaxiM&T to byzonder 
eigen ryn. 

♦ 

(^efchUdenis van Kartl den Grmen^ vooraf ge gaan doah 
ccnigc aanmerkingen over den eerften Stam der Franfché 
Koningen^ en gevolgd door ecnige j^anmcr kingen over 
den tweeden Stam^ door den Heerc gaillard, Lid yun 
de Franfché Academie^ en van de Academie der Ot^ 
Jchrifien en Fraaje Letteren. Uit het Frunsch vertaalde 
Derde en Vierde Deel. In *s Hage bj J. van Cleef, 
1786. In gr. ivo. 331 en 163 tladz. 

De Kundige Schryver van dit Werk deelt ons , by dca 
aanvang van het Derde Deel zyner GelTchiedenis , wel- 
ker aart en beloop wy by eene voorige gelegenheid bree- 
der gefchetst hebben , een bericht mede zo van de herllel* 
iing van het Wester - Keizenyk , als van de zaaken van 
het Oostcrrche of Griekfche Keizerryk , en andere Europa 
betreffende zaaken» op het einde der regeering van Karet; 
den Groocen; waarop hy de Geflchiedenis Iaat volgen vad 
de Kerk, de Wetgeeving, de Letterkunde^ Zeeden en 

Sewoonten onder de regeering van deezen Vorst» wiena 
ood eindelyk omftandig berchreevén wordt. En hier me- 
de zyn taak afgehandeld hebbende , heeft hy , by wyzè 
ynn Aanhangzel,eemgeVraagftukken betreffende Karel den 
Grooten voorgefteld, als voor eerst: // het waar^ dat dit 
Vorst , zulk een litf hebber van de Wetenfchappen , die afe- 
zelvtn met zo veel luister berchermde^ en mét zo veet 
fmaak beoefende^ zelfs niet fchrjven kon f omtrent welk 
vtaagftttk onze Schryver verklaart van het gevoelen te zyn 
van den Abt Le Bettf^ dat namelyk Karel de Groote dé 
geoiaklykheid niet had om los en vaardig te fchryven, 
dat hy zich daar vruchteloos moeite toe gaf, maar er 
niet in konde flaagen , het geen hem met den natuurlvken 
^in der woorden van eoinard het best fchynt te rfroo^ 
ken, en in deszelfs uitdrukkingen niets vhiden kan, het 
reen hem zou verplichten , om •er die fterke gcvolgtrek* 
king uit af te leiden , dat Karet de Groote in 't aeheel niet 
^h^vea kon eené |evolgtrekkifig op terfcheidtne ande* 

L 4 re 



re piMtfen door eoinaro zelren tegengdproken; inzoth» 
derheid vindt hy 'er niets in 't geen hem z'oucte wettig 
, gen» om het eenfteoimig getuigenis der Gefchiedenis qm* 
trent de ongemeene kundigheden van Karel den Groeten 
SQ twyfel te trekken. Het tweede vraagftuk is : Moet men 
Karel den Groaten aanmerken als den Stichter van de 
UntyerfiteU te Farys ? waaromtrent hy ons de gedachten 
van den Heer du boulay, die dit vraagftnk mee een ver« 
baazendenoitiOa^ van geleerdheid behandeld beeft »gefchied> 
en oordeelkundig voordraagt, uit welke voordragt van 
zaaken het allergemakkelykst is, die geenen, die de In« 
fielling der Univerfiteit. m de twaalfde eeuwe plaatzeh, 
overeen te brengen met dezulken , die beweerea dat Katel 
de Groote de Stichter der Univerfiteit geweest is. „ De 
vereeniginff, zegt hy» der verfchillende meesters tot één 
lichbaam had ongetwyfeld niet eerder plaats dan in de 
twaalfde eeuv^; maar de openbaare lesgeevingen deezec 
meesters zyn,- sedert den tyd van Karel den Grooten, 
onafgebrokea voortgezet; bét is dus deeze Vorst, aan 
wien wy de onfchatbaare weldaad van let openlyk onder- 
wys te danken hebben; hem alleen komt ten minden de 
roem toe van hetzelve herfteld en op een vasten duurzaa- 
men voet gevestigd te hebben. Laat ons hierby nog in 
aanmerking neemen, dat de regeeringloosheid en verwar* 
ring,by het eindigen van den tweeden Stam, veel grooter 
geweest zynde dan by het eindigen van den eerden , het 
geen gering uitwerkzel van den invloed eenes groeten 
inans geweest Is, dat de Letteroefeningen , die by het ein- 
digen van den eerden Stam geheel te niet raakten , zich 
in dand hebben kunnen houden , te midden in den woes- 
ten baijerd. van den tweeden Stam." Het derde vraagduk 
is: Moet Karel de Groote ^houden morden voor den In^ 
'fieller "^an de Pairs en het Pairfchap? De Schryver geeft 
ons een omdandig bericht van de zes , tydperkén van he; 
Pairfchap in Frankryk, en uit deezen voordracht van des-^ 
' zelfs gefchiedenis blykt het ten duidelykden , dat Karel 
de Groote geheel geen aandeel gehad heeft noch in des- 
zelfs inddling noch in de verfcheidene omwentelingen 
welke hetzelve ondergaan heeft; en dat men hem alleen 
daarom de eere deezer inrichting gegeeveti heeft, omdat 
men altoos gewichtige zaaken gaarne aan een doorluchti- 
gen naam en een luisterryk tydperk toefchryft. Het laat- 
fte vraagduk is: Of Karel de Groote de inrichting der 
ïfationaalc Vergaderingen 'veranderd hebbe ? en na een 

<)0C* 



CBSCH. VAN XARBI DEtf mogTBNt x€l 

oofdeèlkiiiidi§ onderzoek blykt het dat Karel de Qroot» 
aan de form deezer Vergaderingen byna geene veranderin<» 
gen, en deze) ven mpgelyk alleen menigvuldiger en talry« 
Ier gemaakt heeft. 

^ In het vierde Deel , caat de Scbryver over ter bercbou* 
wiug der. verdichte Geicbiedenis van Karél den Groeten» 
en haare betrekkingen tot de waare Gefchiedenis ; trou- 
wens , men zou , gelyk hy wel aanmerkt , Karel den 
Grooten niet ten vollen doen kennen , wanneer men zich 
alleen bepaalde tot het geen xie Opftellers der Kronyken 
en verdere Scbry veren , . welke men als Gercbiedkundige 
kan aanmerken, van hem zeggen. De Verdichtrelen zyu 
een allerwezenlykst gedeelte der Gefchiedenis van deezen 
Monarch , en men mag vfyelyk zeggen , dat zy in zo ver- 
re (Irikt qiet de waarheid overeenltemmen , als zy met 
fterke kleuren fchilderen, de meerderheid van deezen Vorst 
boven alle anderen, den overmeesterenden indruk, die zy* 
ne glorie op de verbeelding maakte , en de gee^Htdryvende 
vervoering , welke by , zo aan RomanTchryvers en 
Dichters als aan Helden en Staatsmannen wist in te 

boezemen. — Na eepige voorafgaande aanmerkingen 

over de oude Romans , wegens de dooiende Ridderfcbep^ 
gaat de Scbryver, de verdichte Gefchiedenis van Karel den 
Urooten regelmaat ig na , -zonder zich te verbinden aan 
<le betreklyke Oudheid der Schryvers en Werken, die ons 
de voomaamfte trekken daarvan opleveren . en flegts op 
den kant worden aangehaald. Inzonderheid le^ hy zich 
toe, om de weinige waarheid op tefpooren en uit te fchif* 
ten, welke in deezen modderpoel van verdichtfelen be» 
graaven ligt, de eerde ftofie daartoe verfchaft heeft, of 
ten minften het voorwendzel der Schryvers geweest is« 
Het is toch altoos belangryk , en mogelyk ook tevens 
nuttig, na te gaan, hoe de verdichtfelen gefmeed worden» 
uit eene eerlle grondftofie van waarheid. ■ De ver* 

dichte Gefchiedenis van Karel den Grooten begint reedt 
vroeger dan zyne geboorte, en men ziet uit dit Werk» 
met vermaak, hoe de levendige verbeeklingskragt der Ror 
man- Schryvers niet minder werkzaam geweest is, in de 
xamenfteUing der wonderbaarlyke gevallen van zyne Moe» 
der j dan in die van hem zelven ; en gelyk zy , met ver* 
grooting , gewas maaken van de fchoonheid , geftalte » 
dapperheid , heldendaaden , met 6én woord , van alte de 
voordeelen , die Karel de Groote bezat; zq kon het ook 
niet wel anders zyn, of men moet een dergelyke ver« 
froQting aantreffen in hunne verhaalen» wegens zyne ge* 

L 5 »«• 



i»csenhe<l«n en minnaryöii , waarvan ons de Schrwcr aan: 
mcrkelykc voorbeelden opgeeft, en hierop een verhaal laat 
volgen , van- aUe de tegentpocden , welke de Roman* 
Schryvers en Dichters Karel den Groeten doen overkoir 
• 0)en, nevens eenige by^ndcrheden , wegens zynen on. 
waardigen Zoon Charlot , den vermnarden Ridder Ogiet 
det) Deen , den Verraader Ganelon , den Toveraar Mau- 
|is, den flag van Roncevaur, en iiet uiteinde van Roe- 
Uftd, en eindelyk deezen tiak aHoet, met de befchon- 
wing der verdichte Gefchiedenis vm Karel den Grooten, 
net betrekking tot^dc saaken van Aquitaniën ; waarop 
hy dit algemeen b^fluit laat volgen, dat, ,,ofrchoon de 
Spaanfche en Itaiiaanrche Dichters en Roman - Schry vers 
niet zeer gunftig ayn, omtrent Karel den Orooten; of- 
fcboon «y liem een groot aantal onrccbtvaardicheden en 
pïweldeöaryën , te laste leg«;en; offchoon zy een'^byzondef 
vermaak fcheppcn , en hem geduurig in verdrietlyke en 
2omtyds zelfè in belachlyke, omftandigheden te plaatzen; 
men echter duidelyk ziet , dat de alöm beroemde naam 
iran Karel den Groeten hen , als het ware tegen dank in 
bedwang houdt , dat de kracht der waarheid hen weg- 
fleept, en dat hunne pen weigerachtig is, om hunnen 
kwaaden wil in te volgen; zo dat zy gedwongen worden, 
.öm hem als waarlyk groot af te fchilderèn , zelfs dan, wan- 
l^eer zy hem in een vernederend daglicht trachten te plaat*^ 
zen. Zo zy al den luister zyner roemryke bedryven poo- 
gen te bczwalken, zo doet echter de luister zyner kroon, 
hofhouding en volksvergadcringen, hunne oogen fcheme- 
len; «o zy in hunne vercieringen , naar welgevallen over 
den Ridderlyken roeto befchikkende, aan Karel den Groo- 
ten flegts een zeer middelmaatig gedeelte van dien toe. 
kennen; zo ty al van dien Vorst, op verre na, geenzins 
den meest geduchten, en den meest gelukkigen der Rid- 
dera maaken , zien zy zich eqbter genoodzaakt, om hem 
Üs den meest vermogenden , den meest geSerbiediffden 
•ndcr alle Vorften der aarde voor te draagen; by is altoos, 
zelfs in hunne Schriften de Koningen der Koninsen en 
étFader van he$ Heelal^ het is altoos aan zyn Hof/ het 
is altoos onder zync oogen, dat de Ridders en Helden 
Krygsroem poogen te behaalen; het zyin daadelyke Veld. 
flagen, het zy in Kampgevechten, het zy in Stcekfpee- 
kn, (Krygshaftige Spedoefeningen , die ten tyde van dee- 
zen Vorst , nog geen plaats hadden , maar diè reeds ift 
zwang waren, ten tyde der Roman •Schryvers, het gttn 

voof 



CUCH. VAN KAJIKL DBN OROOTBIT» . itf J 

voer deexe Ueden titoos voldoende was, om te onder* 
ftellen, cfat zulke gebruiken , van ouds, beftendig hadden 
plaats gehad O het is aan het Hof van Karel den Groo^ 
ten, dat men de algemeene verzamelplaats vindt van die 
euviBBS» die roelands, die asymooos, die rogieeis, 
die OGIERS 9 die de eeuwiee eer der Ridderfchap uitmaa» 
ken} het is ook aan zyn Hof, het is in zyne Legervek 
den , of aan het hooul der benden , die hem bettrydea 
moesten , dat men geduurig ontmoet die manoricarts, 
die A0SK>ftfOHT8, die oradassbs, die perragussen, die 
SACRiPANTs, fiere mededingers der Christen Ridders, ea 
die ten hannen opzichte zyn , 't geen de hcctors , de 
SARPBDONS, dé M£MNONS> waren ten opzichte der Griek* 
fcbe Helden, van het beleg van Troije : ook vindt men 
in de bradamantes en de BSARFiseè, de pbntmbsileas , 
en de camillas der Oudheid. Karel de. Groote is altoos 
bet middelpunt van alles; het is altoos voor of tegei» 
hem, dat alle deeze Helden en Heldinnen ftryden; hee 
is by, het zyn zyne roemryke daaden, het is de groote 
rol, die. by in Europa gefp^eld heeft; het is de inftelling 
der Ridderfchap, die by heeft ingevoerd, die aanleiding 
gaven tot het opftellen dier Romans zelven^ ^ 

y,De niet minder aanzienlyke rol, dien aaron rachid, 
Z3fn Vriend,. en in fiuk van roem zyn Mededinger, in 
Ma gehad beeft, is van een ^iyke uitwerking geweest. 
Die Caliph is j in de Arabifche en Periiaanfche Romans , 
gelyk Karel de Groote in onze oude Romans, de hóofd- 
peifonaigie, en zyn leven wordt daar te boek gefield met 
verdichte trekken, die dan eens de opgecierde, dan eens 
de verminkte , waarheid ten grondflage hebben. In *t alge^ 
meen doen deeze Vertellingen aaron rachid voorkomen» 
ak eeo hoogmoedig en geweldig Vorst, maar werkzaam y 
waakzaam, altoos bezig ffehouden door de. zorg voor de 
welvaart zyner Staaten; des nachts, wanneer zyne On* 
derdaaneii gerustelyk (liepen, voor hunne belangen waa* 
kende, en in eigen perfoon, heimlyk en vermomd, de 
ronde door zyne Hoofdftad doende, om op te fpooren^ of 
'er niet eenige verborgene ongeregeldheden gepleegd wier» 
den 9 die verdienden geftraft te worden f alles zelfs met 
eigene oogen wUlende zien, aan allen recht doende, de 
dwaalingen , waarin hy zou kunnen gevallen zyn , en het 
kwaad, dat hy uit overbaasting zou kunnen gedaan heb* 
ben, door zyne billykheid edelmoedig en rykelyk vergoe<< 
d^nde; voor bet overige medelydend omtrent ongelukkig 

gen. 



1^4 OAILLARD , GfiSCII. VAIV K^REL DEK OEOOTIN. 

gent wclda^dig en in iHes f root en Vorftelylr. Het I* 
ten naasten by met die zelfde trekken , dat hy in de Ge^ 
fchiedenis, zo ten goeden als ten kwaaden, wordt afge« 
fchilderd. 

„Wat zyn vermogen betreft, de Artbifclic en Pcrfiaanfchc 
vertellingen ftellen hem voor als den Opperbeer van een 
aantal Koningen , die alleen by zyne vergunning regeer 
ren 9 die hy door een enkelen wenk in het niet ftorc, die 
hy door een enkele rtgel fchrifts noodzaakt, om van den 
troon af te klimmen en den fcepter over te geeven aan die 
opvolgers, welke hy verkooren heeft. 

„ Maar AARoN ftACHio heeft altoos zynen Vifier oiafar 
BARCEMiDB, die in zynen roem geen gering aandeel heeft, 
die hem dikwils voor grove misfla^en bewaart, en die 
hem uitmuntende le&fen en onderrichtingen geeft ; doch het 
zou zeer bezwaarlyk zyn den ftaatsdienaar van Karel 
den Grooten te noemen ; het was deeze Vorst van wiea 
men inzonderheid zeggen kon« 

Et fuif feulffans MinUtret aPexemple des DieuXf 
Regies teus f ar fop-mene et voi tout par fes jeuxm 

(datis:) 

En die» geheel alleen, den last torscht van 't gebied; 

Geen hulp van dienaars heeft van noden ; 

Maar, op het voorbeeld van de Goden» 
Zelfs alles regelt, 't al door eigene oogen ziet. 



Catechismus der Wecttnfchafpen ^ fchoone Kunften ^» 
Fr aatje Letteren^ uit ycrfchciden beroemde Schryveren^ 
en inzonderheid volgens de Schets van den beroemden 
BARON VAN BiKLFELD, fomcngefteld. Met Plaaten. 
Vierde ftuh Te Amper dm by A. Fokke, Simonsz* 
1786. In gr. ivoé 

Ingevolge het eelegde Plan , behelst dit Vierde Deel we- 
der eene handieiduig ter ^nderrigtinge, nopens het sk 
gemeene beloop veeier Vl^eetenfchappen» Kunften en de 
beoefening der Fraaije Letteren* De onderwyzende en 
troostende Godgeleerdheid bekleeden hier de eerfte plaats; 
vervolgens wordt de weetenfchap des Kerkbeftiers en net 



CATBCHTSMU8 DER WËSTBNSCHAPPBN. 1^5 

Keikl^ Regt , ontvouwt ; hierop gaat men over ter narpoo« 
linge van bet Koop* Wisfél- en Zeeregt , mitsgaders van 
het Erygsrtcht; wyders verleent men ons een doorloopend 
verflag van de leer der Geneesmiddelen ^ of der Matiria 
Mcdica^ 'en tevens van de Kruidkunde, welker bebande« 
]iDg opgehelderd wordt door eene nevensgaande Plaat ^ 
behelzende eene afbeelding van de deelen der Planten , 
die tot de Vrugtmaaking behooren, en te gelyk eene aan. 
wyzing van den rang en de benaaming der Planten , voU 
gens hunne Helmftylen. Hierby komt voorts in' overwee* . 
ging het Regt der Natuur en dat der Volken; benevens 
de Bouwkunde, welke laatfte insgelyks vergezeld gaat van 
eene Plaat, mee de daar hy gevoegde onderigtiug wegens 

I de voomaamfte vyf Bouworden. Laatstiyk vestigt men 
de oplettendheid nog op de Kunst van Opzeggen of het 

1 Delamecrcny en de Danskunst. Ieder deezer takken van 
oefening worden , op eene deigelyke wyze als in de voo* 
nge« (lukken gehanaeld is 9 beknoptlyk leerzaam Voorse-. 
dnagen; en veelal geeft ons de C^fteller een kort verflag 

i van de opkomst en voortgang deezer oefeningen : waarvan 
zyn volgend berigt , betreffende de Kruidkunde , in deezen 
ten voorhielde kan ftrekkeiu 
,, De voed- en geneeskragt der kruiden, dus wordt Er^ 

I neaus fpreekende ingevoerd 9 wierdt den menfchen , die in 
den aanvang des waerelds hun leeven meest al op het veld 
doorbragten, al vroeg bekend, en fpoorde hen tevens tot 
het onaerzoek der planten en bloemen (^Phytaraohgid) » 
boven dat van alle andere dingen, voornaamelyk aan; en 
de Kruidkunde kwam welhaast in zo groot eene achtinfft 
dat men den uit^nderen van zommigc krniden Godddyke 
eer bewees: gelyk dan Bacchus den Wyngaard, Mercutiut 
het kruid mc^/f en het "xinurgroen^ na hem Mercurialis 
genoemd, gezegd worden uitgevonden te hebben: voorts 
was de God Apollo onder de Heidenen mede beroemd , 
om dat hy een groot aantal kruiden uitgevonden heeft. 
^ De kruiden j welke by de Giieken voor algemeen génee- 
zende, Panacea van m» alles tü muUw^mt gewezen^ ge« 
houden wierden, heeft men, na het gevoelen deezer fcbran« 

I • dere Nade, aan Esculapius en Hercules te danken. De 
Njtnpluea of Zeeplulmen^ by dodonaus Plompen ge- 
noemd, zyn haaren naam aan eene Nymplie of Watei^o- 
dinne verfchnldigd. Chiron het Menschpaard, en Achilles 
zyn voedfterling,> hebben mede veele planten uitgevonden, 
sla ouder und^rea bet PaaoGnm Ghirmump en bet Duk 

a;end« 



f66 CAtBcaisMüfl^ 

xendblafd (^AchiUec)^ mti weHc kruid Thelephus^m de tast 
van Homerus j geneezen is, welke Thclefhus het Muuipe. 
per {^rheUphiufh) gevonden heeft. De wyste Vorst onder 
de Hebreen, Salomo, beeft reeds zyne in de kruiden ver« 
kreegene kennis, van den Cederboom tot aan den Hj^oopt 
te boek gefteld» gelyk blykt uit i Kon. IV. 33; m^2x dit 
werk, dat zeekerlyk een geheel zamenftel van ffatuurlykc 
Historie geweest zal: zyn, is niet tot ons gekomen; alboe^ 
wel zommisen op goede gronden meeneu, dat het geen Sa* 
hmo van de Kruidkunde te boek gefield heeft, enkel in 
Lofzangen beftaan hebbe. De geleerde des Landcs drukt 
aig , in het eerfte deel van zyne Histoire Critique de la BU* 
hfophie^ hierover, in deezervoege uit. „ 'Ër is nog een^ 
^ byzonderheid die ik niet behoore over te flaan 9 en deeze 
9, is, dat de oudfte Werken in de Kruidkunde niet dan ge- 
,^ wyde Lofzangen geweest zyn , waarjn men de kragtea 
91 en geneezende eigenfchappen der Kruiden verhaalde. 
„ Deeze lofzangen wierden op eene plegtige wyze, zo 
3^ wel aan den dtsch als by de offeranden , 'gezongen, vol* 
^i geus het getuigenis van plutarchus dn SytMof. Lik 
,^ VUL Zy waren bovenal zeer gemeen onder de Perfiaanen 
,, en onder de Ch^ldeen , waarover men leezen kan hybi^ 
„ de Relig. Perfartim\ en men kan met veel waarfchvo- 
3, lykheid onderftellen , dat de wyze Salomo ook op att* 
3, ze wyze alle de* boomen en planten bezongen nebbe. 
3, De Jooden, alhoewel een afgezonderd volk zynde, na- 
,3 men zeer gemakkelyk de geestneiging en de gebruiken 
3^ van hunne habuuren aan. De natuur zelve geleidt de 
3, menfchen toe de navolging, en tragt,. door een zo kort 
3-, en beflisfend middel, het eene volk tot het andere te 

3> doen naderen.'* 

„ Verfcheidene vootnaame mannen van de oudheid zyn 
voorts nog beroemd , door zig byzonder op de Kruidkon» 
de te hebben toegelegd; als zyn Gentiüs^ Koning van 
IJlyrièn, de vinder van de Gentiaanbloem ; LyfimachuSy 
Koning van Macedonien ^ die van de Lyftmachus of We- 
derik;- Artemjïa de Huisvrouw van Maufolus^ Koning 
van Cariiftf die van de Artemijia of Byvoet; Attalus Ko- 
ning van Pergamus\ Juba^ Koning vm Mauritanien tnz* • 
Maar boven allen is onder de Kruidkundige Vorften be- 
piemd Mishridaicsj Koning van PotHus^ did de kragt van 
het kruid fcordium of waterlook gevonden heeft , en door 
%yn geneeskundig mengzel na hem Mithridaticum of M-. 
tiiridaai, gehe^teu^.dooT da^eheele .waei!^ld: VM Olids be^ 
^*. .. tend 



kend is geweest. Pe beioemdfte Geoeeskiuidigen der ondv 
pdif sk waren HiPpocratfis, Galcnus^ Aviccnna^ Awr^ 
rots eiu«* die de kruiden na bet AlphaJiech hunner naaf 
tnea bercbreeven^ waren mede alle kruidkundigen en be» 
nidden aelve de Medicynen^ . die zy hunne lydeiB vood> 
fcbreeven; wyl V ten dien tyde nog geene byzondece 
l^ruidmengers bekend waren. AristauUs beeft voor zynea 
l,eeriing JUxandcr ook twee boeken van de kruidea 
9aani|eReld9 die mede niet meer voor handen zyn: vaa 
^n Leerling Thet^hrasfus ^ die elke plant ftukswys ea 
verdeeld befchreef ^ syn nog tien boek^ van de planten 
voor banden, ett voegt men daar nog by de vyf boeken 
van DiQScoriaa^ welke in de eerfte Eeuw ni|a Christi ^ 
boorte bet licht ^agen, en 'het geen Plinius de oude» ia 
syne Natunrlyke Historie, van de kruiden gewaagt, daa 
beeft men reeds alles gezegd , wat men van de gefchie* 
éfiük. der Kruidkunde by de Ouden ^ tot op de vyftiend<i 
Seuw, zeggen kan; want tot op deezen tyd duurde de 
i^gt in deeze weetenfchap , behalven dat eenige Arabie» 
ren, als waren A'ficcnna^ Avcrrocs^ Paracelfus^ enz» go» 
\yk wy re^ds e^zegd hebhen , de. {Crjijdkunde , om dat zy 
die in hunne Geneeskunst niet ontbeeren konden» beoet 
feadeob 

t€ifuf* f9 In laatere tyden is zeekerlyk de Eruidkundd 
atgemeea ep fterker beoelf nd« 

£rncsfw* 91 De eerfte Scbryver, welke in dit vak, naa 
4& hecfteliing der geleerdheid, aanmerking verdient , waa 
Fefrus Scbofcr , die zynen Duitfchen Gezondheids Tuin 
(Üartus SaniffiüO in 1485» met de afbeeldingen van 435 
planten verciex:d, in het licht gaf» welke figuuren hy, op 
^oe Reizen naar Palestina^ door eenen Schilder, die mee 
beo reisde» hadt doen afmaaien. In het jaar 1530 gaf 
O$t0 Urtm^dSf te Straatsburg, zyn Kruidboek (^Htrba^ 
fim) y medAmet plaaten,. in het licbt, en daar door wierdc 
qe lust tpt! de Kruidkunde algemeen opgewekt. Men< lag 
Kti^dboyen aan, en las over deose WeecenjRihap de OtH 
4en, a^ verre die gekomen \yaren; men verzamelde KjrniJ4 
hqdbfiüif, egter zonder orde of rangTchikking waar te- neer 
men^ tot; dat. A^tdr^Bm Céefalpinus de planten» na hnnn< 
i;ri|g;;miiaklng (J^ruÜuatia) vwdeeide. Casp^ Bauhéntts gaf 
eene ivi^Q^ly^ van hunne benaamingen in bet Ikht; Augé 
Qfiifpitu i^ViVpw bouwde zype verdeeling. op de regdmaa* 
tt^éi^ eo 'het. getal der bloembladen.; en J^fepb>Biii9nM 
r0&tf-/^</'^r^.geqnd^^|[n,Q;el4«]k oe.de <^6sUe4^:bioeaiei^ lo; 

den 



161 - eATSCBISMOS 

den Jaare 1618 gaf de Nederlandrche Geneesheer en beroemd!» 
Kruidkundige Rembrand Dodocns {Kembcrtus Dodonam) 
zyn Kruidboek in het licht , in het' zel^e de rangfchikking 
van Dioscorides volgende , en de kruiden , planten en Moe- 
men, na hunne gelykheid in gedaante en kragten>erdee« 
lende. Dee2e rangfchikking bieldt zo 'lang (land, tot dat 
in 17379 ^de beroemde Carolus Linnaus zyn ftelzel van 
mannelyke en vrouwelyke Planten gemeen maakte, en daar 
na de rangfchikking in de Kruidkunde bepaalde. Zedert 
dien tyd zyn de Kruidkundige Qoeken zodanig in getal 
aangewasfen , dat men 'er thans reeds over de driedm'zend 
telt , zo die over de Gefchiedenis der Planten (Hiuoria 
flantarum) in 't gemeen , als over de Kruiden van elk 
byzonder Land , of enkele planten , en over nieuw ont« 
dekte Gewasfen, geTchreeven zyn. 
- Lconatd. „ Zyn 'er nog wel Kruidkundigen , die met 
de nieuwe Rangfchikking van Linn4tus niet te vrede zyn? 

Erntstut. „ 'Er zyn nog weinigen , die de verdeeling 
Tan Paracclfiis volgen, maar zy is zo byzonder, dat men 
dezelve zonder eenig bygeloof niet omhelzen kan. 

KarcL „ Op welk eenc wyze verdeelde Paracelfm da 
Kruiden dan? Vader! 

Ernestus* „ Paracelfm , Porto ^ Crollius , en anderen, 
meenden eene foort van zamenftemming ^n overeenkomst 
der teekening en beelding der Planten , met die van de 
leden van 's menfchelyken licfiaams , te ontdekken ; maar 
deeze övereenkomden en gelykenisTen zyn al tq wild en 
al te onzeeker; zy berusten veelal minder in de natuur, 
dan in het hoofd van den waameemer, die de Vifionaris- 
fen nabootst, die, by het ondergaan der zonne. veldlh» 

f en , moorenhoofden , tulbanden en duizend mergelyke 
erzenfchimmen , in de lucht meenen te zien. Op dit 
eerfte fchyngezigt hebben zy vervolgens een tweede ge- 
bouwd, en hebben zig ingebeeld^ dat, gelyk men de ziel 
en het innerlyke van den mensch, door zyne taal, ge* 
baarden , wezenstrekken , en evenredigheden in deszelfs 
leden kan kennen, men ook alzo de verborgene kragten 
der planten en hunne uitwerkzelen op het menfchelyk 
lighaam , door de overeenkomst van hunne tekening en 
uiterlyke gedaante, konde doorgronden. Zy fteundenop 
deeze Plantgedaaniekunde {PhytophyfiogfwnHa^ en noem- 
de dezelve de PlanUekening (Signatura Planta^um\) zy 
fchiftien daarnaa hunne Planten in zulke, wdke de teeke- 
fling vau eenige deelen des menfchelyken liciuuups fcfaee- 

nea 



X>BR WIBmvtCRAPttlV. if^ 

IM te diaagta ; in andere , die naar eenige lighaamelyke 
ffitfeken zweemden ; en weder hi andere ^ welke cen# 
fokooie gelykenia naar de beleedigende ftoffe in de kiekte 
feadden, ent. enz. 

KorneSt. *, En 2yn ^tt waarlyk nog Geleerden, die dit 
gedroomcte fteliel van Paracelfus volgen ? 

Erncnus» it d Ja. ^Er zyn hög genoeg annbangers van 
dit belachelyke ftelzel. Zy noemen de bekwaaine lieden , 
die cene redenlyker leerwyzé uitgevonden hebben of op- 
volgen 9 enkel Naamrchryvers {Nomenclatores^^ die dé 
Planten niet dan alleen by naamen kennen* Maar deez^ 
antwoorden hen «00 dat men de weetenfchappen niet ver» 
warren u^o^ , en dat de kennis van de fangten der Plan- 
ten tot de ArtzenjiuniU (^Mauria Mcdica^ behoort, (t.) 
Di^t bet geheele fteliel der Planttek^ning op onvastea 
grond gevestigd is ; dat de tekenen , die zy in de Man** 
ten aanwyzen , nooit aan de kragten , die zy 'ér van be* 
4ooven, voldoen; en dat de oude gefchiHen, over de zui* 
terende, aantrekkende en yerfterkendé Kruiden, de allep- 
dwaasfte herzenfchimnien zyn/* 



ftfy^lf^ 0p U. K. CHOMBL, jilgmttent HuUhaudelyk^ Natuur" 
Zeèfkvniig- tn Konst-lVoardenboeh* D$$r J. A. de chalmot. 
Twe§de Deil^ Eerfte Stuk; zjnde he$ Negende DeH yan het 
Woordenboek. ^ Verryh mei Kunstphoten. Te Compitif by }. A. 
de Chalmot» en te Amfieriam by J»^ Yntema» 17S6. In groH 
fiÊttrtOf 380 blüdz* 

In het doorbladeren van dit Stuk vmden wy dezelfde opmerk- 
zaamheid te agt genomen» die wy in de voorige Stukken 
gade geOaagen hebben , *t welk ons toont » dat men niet ve^^ 
Siauwt » maar yveng volhardt in dit Vèrvötg ten hoogfie nuttig 
\e maaken. De beleezen Chalmet brengt hier, uit eene menig- 
te van geleerde en vernuftige Schriften , eene reeks van opi* 
CMtkingen over een groot aantal van onderwerpen by een, die 
inen op gercbikte Artykelen gereedlyk kan nagaan. Z^ verleent 
hy Ons, by voorbeeld, op het Artykël Compas of Comptunaal^ 
de, de volgende onderrigting van den bedroeven Natuurkundig' 
%en P. yan ' Musfchenbroek f tvegens de , naar *8 Mans etgett 
ondervinding, beSte manier van bet bereiden der Cempasnaaldenm 
„ Men kan, Oeerc hy ons,) de Comtasnaalden flryken , of 
üp de Poolen vaii eenen blooten Zefllreen, of op de voeten 
irkn eeileft geWapenden Steen. Veele Compasmaakers gebruU 
ken den Pool van een blooten Steen # wanneer die met zynn 

ii. PBSL. N. AL6. LSTT. MO. 4. M POO- 



jyd VERVOLG ^ 

Poolen cenig2int8 puntagtig aanloopt. Men legt den Sfcen niet 
zyn eenen Pool om hoog, en plaatst 'er bet ecne cyode van de 
NaMe op» op een plaats omtrent midden in tusTchen hef 
dopje en »de punt ; men trekt de Naaide^ nu op den Pool 
liggende , langzaam voort naar het punt toe , die well ftérk 
tegen den Steen aandrukkende, zo dat men voele, dat zy 'er 
als aankleeft; wanneer men aan het uitérfle punt gekomen is, 
blyft men ze zes of ggt dujmen van den S een af als' voort- 
trekken; daarna haar weder opligten,dé, brengt men ze op de 
voorige plaats op den Pool van den Steen, en men ftrykt ze 
daar weder over gelyk de eerfte maal: di't doet men tot 20 
of 30 reizen toe. Daarna keert men de Naaide om , en men 
ftrykt haare onderde zydc op denzelWen Pool , even eens als 
men de bovenfle zyde gedaan heeft : dan keert men den ZdU 
üecn om, op dat de andere Pool boven ligge , waarop men 

S^laatst het ander end der Naaide ^ mede in het midden tus* 
chen liet dopje en *t uiterfte punt # en trekt de Naaide naar 
het punt toe over den Pool , doende even veel ftreeken , en 
even eens over deezen Pool, als over den eerflen gefchied is. 
.Op dccze manier kan men op een kragtigen ftcen aan de 
Compasnaaldsn , hoe lang zy ook zyn mogtcn , een braave 
kragt medcdeelen , welke kragt voor Z^ecompasje>i groot ge- 
noeg i&. 

„ Doch op een ge wapenden Steen ftrykende, zal men aan de 
'Nmlde flerker kragt kunnen mededeelen : men kan de Naalden 
ftryken of op de. voeten, of tegen de -voeten aüan van buiten. 
Op de voeten kan men het doen op driederlei- manier , of in 
tJezelve regte lyn in welke de twee voeten liggen, of in een 
lyn loodrecht liggende op .die, welke.door det\»ec voeten heen 
gaat ; of in twee lynen binnenwaards met- malkanderen eca V 
of fcherpcn hoek ultmaakcnde ; het is evenveel welke manier 
nien verkiest , Ichooq voor lange Naaldtn de laatfledo besxc 
bevonden is, door den braaven Meester jacob lommers. Men 
-moet altyd zorg draagen, dat de Nial^e maar eenen voet vaa 
den Zeiifteen te gdyk raake , en dus maar de kragt. van één 
-Pool kryge op éj^nen tyd: de Naaide moet over den voet der 
^apeninge even eens geftreeken worden, als ik gezegd heb. 
•dat op den blooten Steen gefcbiedt : niet anders moet zy ook 
geftreeken worden buiten tetrcns. den voet. aan , en men zal 
dus de wapening minder bederven , en niet minder kragren in 
de Naaide brengen. -De fchrandcre Konftenaar, jacob dykcraaf,- 
heeft my nog een andere manier medegedeeld , waarop men 
dan de NaaAe de groorfle krij^- geofr, die tot nog god^i-m is. 
*Hy plios de l\:aaide op een vlakke pink, wirr in een klein 
i^dlle je is , om h^t dopje der NaaUr, in te leggen; dan neemt 
-hy iwee fterke en mild gew: porde Zeilfteenen , pliarzende 
xiba eenen aiet zyn Nogrdervoet op de iVaarte by bei; dopje. 



OP CHOMfit^S WOORDENBQKK. jyi 

txi den anderen met zyn Zuidervoet aan de sndere 2yde van 

*et dopje : en wryft deeze twee Steenen te gelyk van malkande- 

ren af over de Naaide , tot dat 2y te gelyk over de twee uiterfie 

punten heen zyn ; hy zet 'er deeze Steenen wederom eveneens 

op als te vooren , en herhaalt de ftreeken : danma keert hy do 

Naaide om , en wryft die wederom ' met dezelfde Poolen der 

• belde Steenen , als te vooren : waardoor dé Naaide aan beide 

haare enden te gelyk kragt ontvangt, en op alle de deelen van 

haar geheel Lighaam, en dus zo beweegelyfc wordt als moge^ 

^\jk (chynt te zyn." 

Om hier by nog een ftaal van een anderen aart te voegen » 
waaruit blykt» dat de opmerkzaame Chalmot ook een gepast ge- 
bruik weet te raaaken van vernuftige Schriften j zi'Q hier het 
^en hy ons onder *t ATtykel Concert voordraagt, 
• • „ Men verftaat (zegt hy) door 't woord Concert eeae verza- 
i»eling van Inftrumenten , welke gezamentlyk . en ten zelvden 
I tyde eenig Muzykftuk fpeelen; of wel een Zangftük , 't welk 

<3oor verfcheidene ftemmen wordt uitgevoerd. Ook wordt het 
woord Cmcert gebezigd, om de Vergadering zelve Xe betekenen^ 
dnar men gewoon is Muzyk te houden \ mede nog voor het 
Muzykftuk dat *er wordt gefpeeld. Men gebruikt genoegz am • 
het woord Concert niet, dan om een Gezeüchap van ten miiv 
fien vier of vyf Muzikanten te betekenen, die ftukken uit- 
.wercn, welke verfcheidene Pcirtyen bevatten. 
I „ Iemand die groore Concerten . dat wil zeggen , daar een aanr 

! tal toehoorders zieh bevinden,- bygewóond heeft , z.l het fohil- 

dery niet onnatuurlyk vinden ^ 't welk wy, uit dw geestigea 
Denker overgenomen , hier eene plaats geeven^ Het Concejf 
<zegt liy) was briUant geweest, tieeren en DaoijBs vm hep 
eerfie fatfoen , hadden 't zelve met hunne tegenwoordigheid 
ve.eerd- Als^een Liefhebber van de Muzyk had ik my re^le. 
lyk , naar genoegen geaiverteerd ; doch. veel grooter zou mya 
genoegen geweest zyn , iiKiicn myne ftigting ♦ vergeef my dat 
woord , niet merkelyk gcftoord ware door viy vee! voorwer- 
pen vafi onaandagtlgheid. Heeren en Dames zonder zielen, of 
ten minden zonder zielen, gefchikt om vatbaar te wezen voor *t 
I verrukkend en hêmelsch verrnaaik , *t welk die edele Kuast .den 

I Liefhebberen fchenkt , maakten geen klein arntal van bet 6e- 

I aelfchap uit. Wat hadden 'er d?e fchepzels te doen ? 

Lokte hun de Muzyk ? Nee». Dan frame s zouden zy 'er na 
geluisterd hebben. Niers minder, deeden vcelen- De oude Heer 
£**♦ viel in een zagten flaap, na een uurtje luisterens; dit zou 
voor weigeveste en diepe aandagt hebben kunnen dooigaan; 
maar de gnorrende fnoi kende toon, dien hy, tot vfrrveelcns, 
floeg , wees uit , di.t het fiaapen hem ernst ware. Dan eoji 
oud Heer was het eehigzins te vergeeven, dat hy een uiltje 
ving, fcboon het beter in 'c hoekje van den h^ard in zyn liul^ 

M 2 zou. 



17^ viitvoi;©' > 

zou eevoegd , en hy daardoor tot gten voorwerp van fpottcrny 
ffeftrdcc hebbea » van jonge Hecren en Dames , die , hem bc* 
lagctiende ove* zyne onvoeglyke houding in een Gezelfchap van 
deezen aart, zig egter, op eene andere wyze , niet min ft ydig 
niet de natuu: vai^ dusdaanig eene Byeenkomst, aanfleldc». 

„ De jonge en bevallige D*** vervoegde zich lerftond by de 
beminnelyke P**»> en ik ben verzekerd, dat zy den geheplQO . 
avond geen vieendeel uurs geluiste.d hebben, na de heeriykfte 
flukken« welke zy immers konden hooren : hun gefnapwason» 
ophoudelyk tot verveèling van allen , die zich omtrent hen bë» 
vonden. Een regtfchaapen Liefliebber, ongelukkig by dit rain-* 
melend paar gezeeren , floeg de donkerde blikken van ongenoe- 
gen en verontwaardiging op , en vondt zich genoodzaakt eene 
andere plaars te neemen , die op ve^e na zo go^d nier watt 
behalveo dat by'er zich ootflaigen zag. van de lastige beuzelpraat. 

„ Men mogt, door van plaats te verwfsfelen» deeze Muzykf- 
-verhinderende Gelieven, (want ik merkce naderhand dat zy 
zulks waren,) ontwyken» da^r zweefde' een andere kw^geest, 
voor wjen niemand veilig was. De galante jonge Heer van * ♦ ♦ 
liep van de eene tot de andere jonge Dame, om elk iet8 galants 
te zeggen , tot ftoorenis van alle , die 'er omtrent 2uiten. Ter- 
wyl een aitgeleezen ftuk van een der bes.e Italiaanjche Mees- 
ters aller aandagt trok, en D*** met P*** hun gefnap deed 
llaaken, Mras de zwervende aandagt veriloorder bezig mot 
eene jonge Dame, niet ver van iny gezeeten, te ondc houden 
over de Oiarmante keurigheid van haaren opfchik , en boezemde» 
over elk deel haarer kleeding, eene Jofl'p: aak uit; zy fcheen tot 
luisteren na bet (luk genegen , maar hy wist door eene vleijen- 
de verheffing en vergoding haarer fiekoorlykheden» haar geheel 
in te neemen en af te trekken. 

„ De Heer M** met zyne Huisvrouwe dienden om het ge- 
tal der Perfonaadjen te vermeerderen : doch , zo veel ik kon 
Sien , hadden zy aan de Mnzyk niets ter wereld ; zy ;oondea 
geen juindagt ; op *t verrukkend fpeelen bleeven zy even be- 
daard, en de Heer zdg dikwils op zyn Horoiogie» ten blyke 
dat de tyd hem lang viel. 

„ Tot myne groote verwondering vond ik *er mede den Heer 
K *'*'*, dien ik m&r maaien met gansch geen lof van de Mu* 
zyk had hooren fpreeken. By eene tusfehenpoozing nam Ik de 
gelegenheid waar, om hem myne verwondering te betuigen» 

en te vraagen of hy een Bekeereling tot de kunst ware ? 

Hy antwoordde neen ; maa^ dat de welvoegeiykheid eischte 
Sich dus te gelaaten: want een fatzoenlyk Heer woont C«»- 
certen by, en ze helpen hem eefien en anderen avond door den 
winter. 

„ Eene opregte belydenis, in de daad, en ik kon niet nalaa^ 
tin te. denken , als ik den geheeleii kring over zagji dat niet 

wei- 



' 07 CBOMECS WOOIDENBOEK. . . 17]^ 

iretnigén zich in zyn geval bevonden : m^'ar welk eene dwaas* 
beid welftaan - en fatibenshsilven zich te kwellen ! Dat iemand 
geen fmaak 9 geen hekoorelykheid In de Muzyk vindt » is hem 
niet ten kwaade te duiden, hy is daarin grootendeels lydelyk» 
het hangt van zyne geReltenfs af ^ maar dat hy, in weerwil van 
. xodantg cene geftcltenis» zich vervoegd op plaatzen, dfe alleen 
door Liefhebbers behooien betreden te worden 9 kan zo ligt 
guene verfehooning verwerven. De onaandoenlyk- en onaand g« 
tigbefd der zodam'gen is zeer hinderlyk aan alle Liefhebbers 9 
en zy worden haatlyk, wanneer zy » gelyk de ftraks bygebrag. 
te voorbeelden toonen » door een geduurig gefiiap, geloop, ge* 
lach enz. de doorflaandde blykcn geeyen, dat ze zich op eene 
verkeerde plaats bevinden. Om hun zelvs wil, om den wil van 
anderen , behoorden zy verftandiger te handelen , en , vermaak 
bedoelende , te gaan , Waar 't zelve naar hunne vatbaarheid en 
liiiaak gefchikt is."* 

Laat ona by dit geestige , ten befluite , ook nog iets deftigs 
voegen, waaromtrent het Artykel Deftigheid ona verfcheidea 
aanmerkingen verleent, dfe wy egter , om niet te uitvoerig te 
worden, niet allen kunnen ovemeemen : wy bepaalen ons dea, 
cot de volgende aanmerking over derzelver noodzaaklykheid. 

,t Oe OeffioheiÜ imorum grénntéi') is dat emflig wezen , *t 
welk een Menscb die gewoon is voor zidizelven eerbied té 
hebben , en niet de uiterlyke waardigheid van zyn perzooo , 
maar van zyn zedelyk beftaan op behoorlyken prys weet te 
jcfaatten , over deszeWs daaden , gefprekken en houdingen ver- 
f^idr. Zy is de i^rondflag van alle goede zeden , en onaf« 
fcbeidelyk aan de deugd verknogt. Op het bloedig Slagveld ia 
zy d^ uitwerking van beproefde zugt na waaren Roem ; in de , 
Fteitzaal van eene oprechtheid die boven alle omkooping is; 
eii in den Tempel het gevolg van zuivere God vrucht; zy is op 
bet bevallig gelaat der fchoone Sexe het kenmerk van eerbaar^ 
liefd en reine onfcbuld; en drukt, op hec vooorhoofd van den 
Staatsdienaar het zege! dier onveranderlyke trouw > waarmede 
by ütcds voor *t algeroeene welzyo waakt. — — De Deftig-' 
keid cener Natie is het veiligst bolwerk voorde publyke Deugd i 
hierom begint de ondeugd, om by een Volk veld te winnen» 
(Scoiecniyk mee <ie eerfle belachel\k te maaken, en haar dat enw 
iHg voorkomen te ontneemen, 't welk eerbied inboezemd, tea 
einde de laatfte met minder moeite over hoop te werpen. Alles 
wat de ongebondenheid eener Sexe uitdenken kan , om de kuis* 
bekhder andere te verleiden , word ook dikwila door een heersdi» 
dugtrg Vorst te baat genomen, ten. einde de vroome eerlykheid 
zyner Onderdaanen te bederven^ Bereikt hy in zo verre zya 
oogmerk, dac by van de behandeling der zaaken, doch inzoo* 
derheid we êt zeden, dat emilige wegneemen kan • 't welk * 
dsarvan hec wi23Btykte fiiriad it» daa va4iM» idle Deii|dee» 

M s vaa 



1^4 VERVOLG, OP CHOMEL^S WÖORDBNIOEIC. 

van dat rampzalig oogenblik af aan, het veilig fchild, dat haar 
tot hier toe voor de aanvallen der boosheid befcbermdc. "^ De 
VaderlandsCh- en Vrylieidsliefde word als een gevolg daar- 
van meer en meer uitgeblust; de dwingelandy neemt de 
overhand, en de Vorst heerscht met een onbepaald geweld. De 
gedwongen Deftigheid f die men vervolgens aanneemt, gelykt 
als dan een Masker , 't welk den Mensch , die uit zichzelven 
reeds mismaakt genoeg geworden is , volkomen belachelyk 

maakt. Een Koning, die de publyke Traöaten op eenen 

icherczenden toon behandelt, zondigt even zeer tegen de Def- 
ticheld, als een Geestlyke, die opeen boertigen trant over den 
Godsdienst redbkivelt, en al wie de Deftigheid met woorden 
of daadcn beleedigt, kwetst daardoor de goede zeden, enfpot 
niet minder met zich zelvcH, dan met de Maarfchnppy. ■ 

Wanneer een Volk, hoe gering of onnozel ook zynde , 'm waar- 
' held é/^/V/^t is, zal het daarom nooit belachelyk fchynen , dan al- 
leen In de oogcn van een beuzelachtig Volk, welk laatfle daar- 
tegen nimmer deugdzaam zyh 'kan.'* 



yournaal van de Reize naar Groenland y gedaan door Comman- 
deur MAARTEN MOOY, met het Sckip Frankendsial. Gedrukt 
voor rekening van den Commandeur f en te bekomen te Am^er-- 
dam9'by D. Weege, 1787. In quarto tx bladz. 

T*en. Dagregister eener Groenlandfche reize, merkwaardig door 
•^ een dreigend gevaar, en de gelukkige ontkoming van het 
zelve. Commandeur Afooy geeft een naauwkeurig verflag van 
zyne uitreis, komst in het los-ys, vervolgens aan de Velden, 
ea 'voorts van zyn wedervaaren in de bezetting, welker aan- 
vang hy tekent, zedert 10 Juny 1786, en uit welke hy niet 
ontkwam voor den 2 November. Geduürende dien tydjvao 
ruim vyf maanden bevond hy zig dagelyks, grootendeels zonder 
gegrond uitzigt op redding, min of meer in gevaar van zyn 
Schip te verliezen, en verder ann eene reeks van onheilen bloot 
geQeld te zyn. In een foortgelyk lot met hem bevonden zig 
nog vier andere Schepen ; iwee Engelfchen , benevens een Zeeuw- 
Iche Snauw en een Deenfche Pink;^ waarvan de twee Engel- 
fchen voor de perfing van 't Ys hebbeh moeten bezwyken; doch 
welke twee laat^genoemden,' met het Schip van Commandeur 
Moo-j, gelukkig los geraakt, in Zeè gekomen, en voorts behou- 
den gearriveerd zyn. Toen Commandeur Moo'^ het Ysgevaar 
ontkomen was, be\'ond hy zig op nieuw aan een ander gevaar 
blootgeileld , doordien %yn Schip bovenmaate lek was , het welk 
hem, onder ftormagiig weer, van 28 November tot 30 Decem- 
ber, wanneer hy, eiadelyk, behouden te. Bei^eB in Noorwe-. 
I . , ; ge» 



MAARTEN MOOT» KEIZE* NAAR ÖROENLAND. > i^g 

gèn binnen kwam» voor zinken d^d dugten» Hier herftelde 
hy bet Schip zo goed als de omftandigh'eden gebengden; ver- 
trok uit Bergen, den 25 January 1787; had het geluk van, 
door aanhoudend pompen, bet Schip met ééne Pomp meeren- 
deeis lens te houden; en het zelve op d^n 28 February voor 

AmUcrdam te brengen. Onder bet verbaal van dit alles ^ 

kan hy niet nalaaten, by herhaaling, met dankbaaren harte te 
melden , de goedgunftige voorzoi^e van den Heer Directeur der 
Reederye, den Ed. Heer Jan Gildemeester Jansz.* als die het 
Schip zo wel en ryklyk gevictualieerd had', dat het Scheeps- 
volk; geduurende al dien tyd, ten deezen opzigte, geen gebrek 
^geleeden had, en zy zelfs in flaatugeweest waren, om hutinen 
behoeftige IcHgezeUen het noodige in eene goede 'maate mede 
te deeien : het welk den Heer Direöeur grootlyks tot lof ver- 
ftrckt, en anderen aanmoedigt, om tog niet te fpaarzaam- te 
zyn» in 't victualieeren der Schepen. Ook gewaagt hy, met 
den boogflen lof, de heufche vriendlykheid van den Wel. Ed. 
Heer fan Hendrik Tasmer^ Hollandfchen Cónful en Agent te 
Bergen; als die hem, .üaande zyn verblyf aldaar, met raad en 
daad, ten minzaamfle behandeld en alleszins geholpen beeft. 

Spectntofiaatf Schouhurs:* Vyfr'ende Deel. Te Amjlerdam^ hy 
d* Erven P. Meijer en G. Warnars, 1787. In octavo 262 
lladz. 

T\\i Deel behelst weder een drietal van wel uitgevoerde leer- 
^ zaame Tooneclfiukkcn. Het eerfle getyteld, Desomes en 
Kkmentine^ brengt ons onder *t oc^, hoe een door en door eer- 
lyk Man , by een zamcnloop van omftandigheden , onder de 
hoogfte verdenking van een flinksch gedrag kan geraaken, en 
egter volmaakt onfchuldig zyn; terw^l 't ons tevens doet zien, 
hoe omzigtig men behoort te zyn, in 't bcoordeelcn van be- 
fchuldigende verdenkingen tegen iemand , van wiens eerlykheid 
wy anders op goede gronden verzekerd zyn. Te gelyk behelst 
dit Stuk eene fterk waarfchuwende les tegen de heillooze fpeel- 
zugt, die den jongen Heer yalviiitf (om eene fchuld van eer te 
betaalen,) een diefftal doet begaan, welke voonsden Intendant 
Des9rmes te last gelegd wordt; doch waarvan hy vervolgens ge- 
zuiverd wordt door de vernederende bekentenis, die de jonge 
Heer van zynen fchandélyken diefftal doet. — — Op dit Stuk 
volgt Karei en LouizCf of >de dubhelde EcJftverb'ntems ^ welke 
tiont hoe onvoorzigtig het zy, eene Echtverbintenis aan te gaan 
wanneer men zich al vroeger, als een Man van Eer, aan eene 
andere verbonden heeft, die men, zonder vasten grond te heb- 
ben, waant al Bmge ov^leeden te zyn. Dit is 't geval van Jftf- 
rri, die te laat ontdekt, dat zyne dierbeminde Louize nog leeft ^ 

M 4 ni. 



rf6 - IPICTATORUALfi SCHQUWBUIC* , 

m dat by aan Htrwim verbonden is: 't welk, in de earAe vow 

wanïng gevaarlyke gevolgen hedt, die egter nog ten beste van 
Katei en Louite afloopen, door 'c flegte gedrag» en de daaro{^ 
gevolgde ontvlugting van Hermina. — ^ Het derde of laat- 
fle Tooneelfpel» de verbeterde Zoont boezemt den Ouderen op- 
Itttecdheid in» q> de regeh'ng van 't gedrag hunner Kindereo* 
Be jonge Heer Charles 4e Beaufond is eet) verwaande Knaap, 
die zyne minieren "met eene trotfche baldaadigbeid behaoddc, 
en op ivien zyn braave Gouverneur de AU flacourtf in afwee* 
ztgbeid^dcs Vaders, te minder invloed beeft, omdat Mevrouw 
dw Beaufond hem, door eene overdreevene Moederlyke liefde, 
net te veel tederheid en, verfchoonfng behandelt. Zy ziet in 
hem eene edelaartige fierheid, die veel goeds belooft, hy is lee- 
^zendfg'^f en begaat daardoor wel eens jeugdige losheden ; maar 
hy heeft geest, een goed hart enz. Vergeefoch tragt de Gou« 
vemeur haar te doen zien , dat de Moederlyke liefde haar ver* 
blindt; ydel wendt hy alle poogingen aan, om haar dit door 
daadlyke bjwyzen onder 't oog te brengen; eene laffe ^litvlugt, 
oen glimlach, eene tedere betuiging van de fierkfte genegen- 
heid voor baar, door den Jongeling voortgebragt, beeft onge. 
]}k meer invloeds dan de manlvke taal van den Gouverneur, 
dfe ook door den losbandigen Knaap in den wind geflaagen 
wordt De Heer de Beautmdf t*huis gekomen zyndo. ontdekt 
dit verkeerd gedrag van zyn Zoon, en bezeft, met oen Gou- 
verneur, dat de Moederlyke tederhartigbeid hier grootlyks (chuld 
aan heeft: dit doet hen tezamen raadpleegen over 't beste 
middel, ter .verbeteringe van dien Jongeling; Eene toevallige 
gebeurtenis begunftigt hun oogmerk. Mart et je de Minne komt 
• Oiet'haaren Zoon Kioas^ den zoogbroeder van den jongen Heer; 
2y word door Myn Heer en Mevrouw vriendetyk ontvangen; 
maar de jonge Heer behandelt zynen Zoogbroeder zeer fmaad. 
lyk, en geeft hem zi^lï^ een flag aan den kop, om dat deeze 
hem Ufher noemde. Dit toeval opent èenigermaate de oogeo 
van Mevrouw, en maakt haar gefchikter dan te vooren, om agt 
tt geeven op de gelprekken van baaren Man, over dit onder- 
werp. Hy fielt baar voor Marretje over te haaien, om voor te 
wenden, dat zy hen bedroogen heeft; en Chérles te overreedeo, 
dat hy het kind van zyne Zoogmoeder, en Klaas hun waar9 
.2^n, is; dat hy ingevolge van dien van^Oand verwisfelen, es 
tot de Boeren -huishouding van Marretje moet overgaan. Op 
*s Moeders tocfiemming wordt dit werkOellig gemaakt^ en 'I 
gevolg hier van is, dat de jonge Heer, gelyk de Vader gehoopt 
^ , tot inkeer komt, en ten plq;tiglle bdooft zig naar de re- 
gels der menschliefde en deugd te zullen gedraagen ; des de 
daaidlyke uitvoering van ftand verwisseling, daar de Heer de Bc 
üufond anders, vopr eenig^a tyd» op aangedrangea zou hebbent 
gféo ftand grype^ * 



91-VRItin> PBft V&OUWElfé ^77 



De Friend dér Vrouyven* Naar het^Pransch. In *s Grdvenhêgef 
by W Klis, 1786. In oÖavo^ 225 bladz. 

^co einde de Vrouwen haare weezenlyke waardy te leercn 
^ opmerken , en haar lailgs dien weg te qoopen om zich over- 
eenkomftig daar mede te gedraagen . heeft deeze Vr'ejid der 
'Vrouwen een gefchrifk opgefteld , waar in hy haar onder het oog 
hmigc f wat haarer waardig of onwaardig»* zy, en hoe ze haare 
voomrefiëlykheid op het luiteirykfte een toon kunnen ftellen. 
'Hiertoe fchetst hy eerst den ftaat der Vrouwen in de Maatfchap. 
py, en handelt voorts, over de Letteroefeningen» die den Vroq- 
wen betaimen, over derzelver bezigheden , vermaaken, weelde, 
opfehikt cbarafier en humeur; verder deelt hyden Vrouwen leer* 
zaante Leskn mede over de Liefde en Galanterie , mitsgaders 
het Hüwelyk en de Opvoe^ling der Kinderen , waaraan hy ten 
laatile nog hegt een T fereel van de Deugden der Vrouwcii, 
her welk haar met treffende voorbeelden onda^ 't oog brengt , 
boe uitOeekend bekwaam en lofwaardig zy zig kunnen maaken, 
wanneer zy 't 'er in ernst op toeleggen. ■ ■■■ Men mag dit 
Gefchrift m«t regt een nuttig /Handboek voor de > rouwlyke Kuri* 
ne noemen , als waardoor zy allezins opgdeid worden , om zig 
voor laagheden te hoeden, en haare weczenl)'ke voortreffelykheid 
itovloed te doen hebben , op de Maatfchappy in 't algemeen , en 
't Manlyke Geflacht in 't byzonder; 't welk de Schryver bedoelt 
in aHe deeze zyne onderrigtende raadgeevingen , welker voo^. 
muunften inhoad hv ten flot dus zamentrekt* ^ 

«, Ik heb , zegt by , genoeg gedaan , zoo ik aan onze fcHoonen 
bebbe kunnen toonen, dat haar rol zich niet bepaalen liet om 
wat heen en yf/eér te wandelen, groote verkwistingen te doen. 
teoe bevallige houding ie verkrygen , en om ten loon haarer 
finarten flechts eenige geestelooze complicnenien te ontvangen* 
'Zoo wd. als wy met een verftand en een hart begaafd, moerea 
zy ^ zicfa op toeleggen, om het een te verlichten, en het ander 
te beffieren. 

9, Het veiftand heeft > om zich te volmaaken , flechts eene 
maatlge en aangenaame letteroefening ixxxlig, die zelfs in den 
rang der ve maakén gefteld kan worden* 

„ De Vi^uwen worden gebooren met eene gcestvaardigheid , 
die haar gedrag onverantwoordlyk maakt, wanneer zy weigeren, 
om deeze nieuwe bekoorlykheid te voegen by die , welke zy 
reeds bezitten. 

„ Ten opzigte van het hart, hoewel dat het verftand niet aU 
toos raadpleegt » én zalft dikwils de wet aan het zelve voor. 
fefaryft , is het echter eene gelukkige gefleldheid om zyn han 
te verbeteren , zyn verftand te vooren met nuttige aanmerkin- 
{91 gevoed te hebben. Weet een Vrouw nu daarby te voegen 

een 



I7S »B VitlSND D£R VkOOWZK, 

een zeker foort van hebbelyke werkzaamheid, die haare verbeef, 
dingskpagt* belet te wyd uit te (lappen, dan onttrekt zy zich aan 
'het gedrulsch der hartstochten , die fchier altoos de weekheid 
en bedryfloosheid koomen ftooren. 

„ èJaar is alles te winnen by een geregelde bezigheid, die 
de vermaaken meor levendigheid en. onfchuld byze^. De vef- 
maaken bieden zicj^ by mecniigte aan die per (bonen aan, die 
zich in (laat (lellen om ze te fmaaken, en het is waarlyk de 
dwaasheid niet , die ze ons doet genieten. Al die weelde , 
waarop de Vrouwen zoo afgodisch gefield zyn , is (lechts een 
bedrieglyke fchyn van geluk: valfche vernuften kunnen zich 
vergenoegen met gelukkig te fcbynen; waarJyk gezonde verftan- 
den zoeken het te zyn. 

„ Men is het wel dra, en zonder zoo veel opmaatige kos- 
ten, wanheer men op de buitenfpoorigheden der gewoonte, der 
mode, niet gezet is. Een Vrouw van een goed verfcand,die 
zich Hechts door het geen waarlyk verdienftelyk is^ zoekt ^ 
doen bemerken, is onaf hankelyk van al die heuzelingen, die 
•aan laager geesten een even belagchelyke vreugd of droefheid 
veroör?aaken : niet bloot gefteld aan de luimen \:an goed en 
kwaad humeur, die. de vriendfchap vcrbysteren, behoudt zy 
cene zachte en doorgaande vrolykheid, die haare bevallighcdea 
meer verhoogt, dan de uitgezochtfte optooifels. 

„ Het is ,waar, dat 'er geen maatregels zyn, die de liefde 
den ingang tot een hart weigeren kunnen; maar 'er 15 een 
kiefchfe liefde, veel gefchikter om de ziel te volmaakcn,* dan 
om die te bederven : deeze liefde is een foort van proeftyd , 
die tot het huwelyfc aanleiaing eeefc. Wyl het huwelyk het 
lot van geheel ons leeven beflis/en moet, kan de. Sexe haare 
aandagt niet genoeg vestigen ,. om onder de Mans . die hup 
hof by haar maaken, den braaven Man, die het geluk van eene 
Vrouw kan uicmaaken, te onderfcheiden van den zot, die haar 
Hechts verlaagen kan^ 

„ Eens onder dit bcminnelyk juk gebragt, moqt eene/Vrouw 
al haare middelen om te behaagén te werk (leüen aan een Ms^i, 
die in haar een liefde, zoo. teder als de zyne is, njoet ontdek- 
ken, zy moet met hem een waakend oog houden op een kropst, 
wiens opvoeding gevoelige vermaaken aan. een wclgcflelde zid 
oplevert, en (lechts voor eene coquette of beuzelaehtige Vrouw 
eene fmart is. Eene Vrouw leeft, dan in vrede met zichzel- 
ve, en wordt bemind van al wat rondom haar is: zy heeft 
niets van de vergiftigde pylen des lasters te duchten; een 
goede naam is de fchaduw der deugd, en volgt op dezelve 
bedendig. 

„ Zie daar de trappen, die tot het geluk Jeiden. Het lee- 
ven is geen klugt(pel, noch een geduurige opvolging van ydc- 
le vertooningen; het moet gemengd zyn uit bezrghcdcn en ver- 
maaken, gefchikt naar de verfchlUende leevensjaaren. Door h^t 

; goed 



DE IfRtÉND'DERVROirWKW. 



179 



goed gebruik, dat men van het zelve maakt, verkrygt men 
tieessc gelukkige g^flteldhefd van ziei', die men het geink noemt> 
en die fpmmige Vrouwen vruchteloos zoeken in blinkende eqfui- 
pages,.glansryke -edelgefteentens, en te midden van alle die on- 
Iküimige of misdaadige vermaaken, die flechts gefchikt zyn, om 
iiet zelve van ons te* yerwyderen. Dat alles vervuk de plaats 
van hét geluk niet meer, dan al de bedricgeryen van het' 
tdlot de Ibhoonheid vergoeden, daar dezelve natuurlyk ont- 
4>reekt. . 

„ Daar is eene beminnelyke wysbegeèrte, ontdaan van de 
rimpels der geftrcngheid, en die pligt en vermaak met elkander 
weet te vereenïgen: deeze voegt beter aan de SeXe, dan de 
hoogmoedige verwaandheid oniser fterke geesten. Door haar on- 
derricht, wil men de zaaken neemen, zoo als zy zyn, nfetzoo 
^Is de gril]igfaeid die ons doet verbeelden. Men verwyderc 
deexe geheime woelingen, die onze zintuigen opmerkbaare 
Schokken toebrengen, en .zoo. veel te gevaariyker voor de Vrou^ 
wen z>Ti, naar maate zy tederder zintuigen bezitten. Deezè 
gemaatigdheid des harten is naauw verbonden met het waar ge-. 
luk en maakt de kern der wysheid uit. Daartoe de Vrouwen 
■weder te brengen, is een zeker middel om de Mans derwaarts 
tte leiden ; want 'er is tusfchen de belde Sexen eene zoo we- 
derkeerige gemeenzaamheid, dat, bet zy welke van beide Sex- 
en 2ich of aan de rede cif aan de dwaasheid toewydt, dé an- 
dere binnen weinig tyds den zelfden gang gaat. Het zou voor 
de fchoone Sexe wel heerlyk zyn. on^, daar zy van 'alle tydeö 
in het bezit is van onze verkeering te verievencfigen en te ver- 
liraaien, daarenboven nog het genoegen te hebben „om die te 
bervom^n. Men ipoore dezelve daartoe ten üerkfle aan, en 
wy zouden het geene vernedering rekenen, aan de Vrouwen 
.onze wedcrkeering tot de deugd fchuldig te zyn.*' * 



De Heeren van JValdhdm. Vit het Hoogduiuck vertaald, Eerjle 
Deel. Te Rotterdam i &y D. Vis, 1786. 28Ó bladz. in 
gr. %vo. 

T)e Heer IValther Fr. van Waldheim is volkomen een kind der 
Natuur, die een zeer groot contrast maakt by zyne Ade- 
lyke Familie, en by al de Perfoonen van Hoogen Rang di'e 
bem omringen: in dit Deel komt hy voor als een Dverfte van 
een Regiment , die , door ftreeken van eene baatzuchtige familie 
van den dienst afkeerig gemaakt wordt. Het charafter van den 
Heer van IValdheim^QW alle de in dit deel voorkomende, zyn zo 
volkomen menfchencharaöers , dat dit Voortbrengzel van den 
Duitfchen Grond aanpryzing by onze Landgonooten verdient. 

Di 



«r 



iSo j. c eoTnaas>$ woed. .»KAAxjmBtm. 



Di Hü€f^ui$fihi Spraêkmester 9m Pff. j. c OomcHio» M 
to fMerduiuek verrijkt iHr B. esijd£LAAB ; en vêordt wl 
zeer vcele bijvoigzels vermeerderd dear A. a. taji MDtaiBK» 
Leeroêr der Doopsgezinden te ' Dordrecht^ Tweede Druk. Tt 
Amfterdamt hij W. Holtrop, 1786. BeMvm kee Fee^werk^ 
597 bladz* in 8vo» 

X7zn het nut deezer onderrigtinge in de HoogduitTcbe fpnai, 
^^ naar de leiding van den Hoögjeeraar Cenjchedy door den 
Heer Zeydelêar in 't Nederduitach oveiigebtagt, hebben wy, ^ 
^e uitgave van die Gefchrift, in 't jaar 177a, leeds Bieldiag 

femaakt.(*) En*t geen we diestyds teraanpryzioge van deezeft 
praakmeester gezegd hebbent beeft nog veel meer pluts, bf 
deeze vernieuwde afgifte t zo als dezelve thans het licht zietr 
onder hec opzigt van den Eerwaarden Moerbeek, Men vond 
bet naamlyk, daar de voorige uitgave geheel vertierd was* ge*- 
.raaden deezsn Spraakmeester op nieuw te voor/cbyn te doen 
komen; en opgemerkt zynde dat zyne ondarwyzing in vericfaei^ 
den byzonderheden nog al meckelyk verbeterd kon worden, heelt 
men den Eerwaarden Meerbeek ^ zo van wegens zyne Geboof 
te, als uit hoofde zyncr oefenzugt voor de -oogduicrche Taait 
by uitftek zeer gefcnikt voor eene taak van die natuur,, over- 
gehaald om dien arbeid op zig te neemen. Deeze Taalkundi* 
.ge heeft 'er veel overtolligs uit ter zyde gefield » en *et iiite- 
fendeel verfcheiden nieuwe opmerkingen ingevoegd» die den 
Leerling der Hoogduidcbe Spraake dienftig zyn : ook heeft hy 
de geheele fchikking in eene voor den Leerling geleidelykcr 
orde gebragt, en hem een beter en gemaklyker weg aangewen 
sen tot het regte vcrftaan en gebruik van, de werkwoorden ü 
derzelver onderfchetden tydvoegingen ; waiarby hier en datf« 
door 't geheele beloop deezer Onderwyzinge, vcrTcheiden ophel' 
derende aanmerkingen komen, die zyn Eerwaarde, t^r meerde- 
re onderrigtinge, by een verzameld, en ter vereischter.plaatfs 
te pas(€t gebragc heeft, uit zyne aantekeningen, iëdert veelejaa- 
'ren herwaards, op de Hoogduitfcbe uitfpraaken leerwyze, voor 

zyn eigen gebruik, te boek gefield. Uit hoofde vaU dit 

.ailea, is deeze Spraakmeester, in' vec^erleie opzigten^ nog mer^ 
kelyk verbeerd, en kan dus den geenen, die zig op *t wel 
verfiaan der HoogduitfcJie taaie toeliggen, zeer nuttig zyii*^ 

C^ Zie Heéend. Fêé. LsiUfOef. 1 D. b!. 47* 



a l E ü B^ M 

ALGEMEEN E 

VAD ERLANDSCHE 

LE TTER . OEFEN INGÊK 



OnJerwys in de Leef ft ukken der Godgeleerdheid^ in ♦/ 
Lalyn befihreeven^cn met veehuldige Aanmerkingen ver^ 
rjkt ^ in Vx^ Deelen , door wjlen den Hoog Eerp^ den 
Üoog Gel. Heere j. f. i\:Di}B,vs^ ih &yn Hoog Eer», 
leven l^eraar en gewoon HoogL in de Godgel, op d0 
" Hoogc ichoole te Jena; thans ^ onder opzigt en mei ee^ 
ne voorafgaande Voorreden van den H'el. Eerw. zeer 
Gel. Heere j. m. boon, Leeraar der Gemeente, tpegc-, 
daan de onveranderde Augsburgfche Geloofsbelydenis/c 
te Rotterdam. In *t Nederduitich vertaald^ door u K ' 
H. HiLov.HRAtiD ^ Lid derzelve Gemeente. Eerfle Dect. 
Te Rotterdam^ by C. van der Dries, I786, Behahen 
hi^s Voorwerk ^ 139 b/adz. in gr. Svo^ 

Uit de Voorreden vin den Eefwaefdcn Boon ziet men 
duidelyk, dat de nieuwe denk wy 2e veler Lutherfche 
Leeraren zyn. Ecrwaerden zeer teg^n de borst ia, cd (fat 
jalks hem byzdnder aengezet heeft om de Vertaling Via 
dit Werk te begundigeo; ten eiiide de vroegere denkwy* 
zen- veler Leeraren dezer Gezindheid, vooral onderde 
Ledeo der Gemeente, te verlevendigen. Wy laten het 
verTchil over die onderfcheiden denkwyze aen zyne ptaets » 
aU oordeelende het onze zaek niet ons daerin in te wik* 
Kelen: maer *t komt ons voor, dat zyn Eerw. een wer 
iuflaet, welke juist niet gefchikt is, om dit zyn oogmerk 
te bereiken. De geweezen Hoogleeraer Baddeus ftaet wel 
bekend als een. groot Godgeleerde onder de Lutherrchen 
in zyneu tyd , ^n elk , die zyne doorwrogte Schriften 
doorbladerd heeft, noemt zynen naem met eerbied; maar', 
dit zyn Werk is te omflagtig voor verre de meeste Le-' 
deo der Kerke; en ook naer 0ns inzien beter gefchikt 
voor het oriderwysop de Hooge Schooien, dan ten alge-,' 
Dienen gebruike ; waerby tiog Itomt de verfcbitlende ma« . 
nier van voordragt in die dagen , en in den tegenwoordig 
gen tyd, welke,, gelyk bekend is, geen geringen 'invloed 

.«p den Lezer heeft. Het werk beöaet uit vyf Dee- 

.V» P.VL* N* ALO* I.1TT. MO. 5* N kn > 



iH ' J- F. BUDDftUtf 

len, en het thans afgegeeven behelst het eerde Hoofdduk 
van het eerfte Deel , handelende over den Godsdienst en 
de Godgeleerdheid. Z^ Hoog Ëerwaerde gaet'in bet 
zelve na , de voornaemfte byzonderbeden ^ welke daerom- 
trent in opmerking komen , en wel naer die ooderrchei- 

«^dingen, welken in de Schooien gebruikelyk zyn. Tot 
ren voorbeeld hiervan (brekke zyne ontvouwing van het 
roorwerp , het andem^rp en het oogmerk der 6odgeleeid- 

.heid, waeromtrent hy het volgende aen deiiand geeft. 

,, Het voorwerp der Öodgeleerheid h en de flofezeU 
ye^ en de hoedanigheid'. 

9, De Godgeleerdheid handelt over Godclelyke Zalen, 
%o als ze ons uit de Openbaring of de Heilige Schrift 
bekend zyn. En deeze Goddelyke Zaken , of *t geen ons 
'yan Gods Wezejn en iiigenfchappen^ en van zyne God- 
delyke Werken en Wille bekend is, noemt men f^ewoon- 
lyk het Stofelyk Voorwerp van de Godgeleerdheid, gelyk 
als het Zakelyk Voorwerp in tegendeel in de Godddyke 
Openbaring zeh/e geleden is. 

5, He$ onderwerp der Godgeleerdheid is de mensch 
als Zondaar. 

„ De Kennis van de Goddelyke Zaken . word hier* be- 
fcfaouwd, zo als zy den zondigen Mensch ter Zaligheid 
noodzakelyk is. En dus komt leffens de pVc^wegiug van 
den Mensch zelveti in aanmerking, die in de Order 'dej 
Heils > en voor de bekeering befchouwd , ontbloot 'van 
Genade Krachten, en ten eenen maale dood, niets tot 
zyne Zaligheid kan toebrengen, ËpK II, i. Col. II. n* 
lïogthans door Gods Genade en Goedertierenheid, ^ ƒ ^ 
Hechts de aangebodene Middelen recht gebruikt, en den 
Heiligen Geest niet wederftreeft, tot het Geloof en een 
Öeestelyk Leven kan worden opgewekt. Maar dan is net 
den Mensch , door de Krachten det Genade bekwaam ge- 
maakt» en door die Genade van den Almachtigen yr^ 
geholpen , niet geweigerd , iets tot bewarinjge en venncer- 
derinie van zyn Geloof toe te brengenl iCer. X^^ '^ 
Tii* il» 14» ft l^cu L 3« 5 enx. 



„^ 



GOOGBLEBRD ONPB&WYS» |8| 

9, £C^ oogmerk dor Godgeleerdheid. 

„ Het laatfte, en wel het Zakelyk doelwit van dt 
Gddgeleerdfaeid ,' ^c welk den zondigen Mensch , begeerig , 
^yneii rampzaligen (laat te ontworrtelen , is voorgelleld » 
is het hooglle geluk, of de Zaligheid « in- de bezittinge 
en genietinge van God, als het hoogfte Goed» beftaan- 
de, welke in dit Leven wel. begonnen , maar in het toe* 
komende tot Volmaaktheid gebragt word.'i Joh 111. 2« 
3. * Het is dan hier uit klaar , dat het Hoojdoogmerk 
der Godgeleerdheid God zelf, ♦* gelyk het middel daar 
toe het Geloof in Christus is, waardoor wy de Waare 
en Eeuwige Zaligheid verkrygen, Joh. XII- 16. XX. 31^ 
•♦* Doch dit is van het uitwendig Oogmerk te ver- 
ilaan, naardien het inwendig daarin bedaat, dat hy, die 
zicb op de Godgeleerdheid toelegt, bekwaam gemaakt 
wonde 9. om zyne Zaligheid en die van anderen te bevor* 
deren, 2 Tim. UI. 17. ♦ " 

Zyn Hoogeerwaerde verklaert ieder deezer Voorfteilen 
Dtder met verfcheiden daerby gevoegde aenmerkingen; dan 
derzelver gefaeete opgave zou hier te veel pjaets vorderen^ 
waerpm wy« die van de twee vorigen, agterwege laten- 
de, alleenlyk zullen opgeven, 't geen hy, naer de orde 
der gepiaettte aenwyzings tekenen > ter verdere verklarin- 
^ van *t laetfte Voordel heeft bygebragt, dat in *t vo(« 
geode bedaet. 

„ ♦ Dat dit het laatfte Oogmerk van de Godgeleerdheid 
zy, leert ons Johannes iri de aangehaalde Plaats voortreffelyk. 
Want hy fpreekt van. eene Gelukzaligheid, welke wy na die 
Leven zullen deelachtig worden : ha is nog niet ver/cheenen wat 
jTf zyn zullen. De Gelukzaligheid zelve nu ftelt hy daarin » 
dat wy God zullen gelyk zyn. En daar nu God zeker de Ai- 
lergelukzaligfte is, zo moet hy ook de Hoogde Gelukzaligheid 
zyn voor hen, die Hem gelyk zyn. Beflaat dan alle Gelukza- 
ligheid in de bezitting van een zeker Goed , zo beOuit men 
te recht dat de Gelukzaligheid ider Menfchen in de Genietin- 
ge en Bezittinge van God , als het hoogfte Goed , ook gel^ 
Sn zy. Ën daar dit niet anders, dan uit het zien of aan« 
louwen van God kan voortvloeien, voegt hy 'er by: PVy 2«.'- 
kn Hem zien 9 gelyk Hy iu Maar *t geen hierop volgt: een »>- 
gdyk die zulke Hoope tot Hem heeft die reinige zich zWv^r, ziet 
op 'het Middel , 't welk is het Geloof, nademaal de harten der 
Menfchen door 't Geloof gereinigd worden, j^ct. XV. 9. Zie 
^ JoK XV. 2. 

♦* Want God alleen is het Hoogfte Goed van alle Men- 

^ X fcben, 



1^4 ' J. fé BÜDOBÜS 

fchcm in M'icn^ genfctlnge ook de hoogde Oblukzahgheid be- 
ft aat. En dit begrypt ook eeiiigzins de reden zélve; maar veel 
klaarder leert het ons de Heilige Schrift 

*** Want 'er Is geen andere Weg töt Zaligheid , dan door 
Christus, dien ons God tot een Genaaenfioei beef^ voorgefteld, 
Rorr. III. IS' Zie ook AS. IV n. Daar ondertusfchen de 
bceelfening van een Heilig Leven niet van het geloof gefchei* 
den kan worden, i Joh. IV. 7 Gal. V. 6. 2 Tim. 11. 19, zo 
is het klaarbljkelyk, dat dit insgelyks tot bet Middil, ter ver- 
kryging der Zaligheid, moet gerekend worden Men moet 
no^thans het onderfchcid tusfchen tot het middel te behooren^ 
en het Midael te syn , ^ voornamentlyk , een zodanig, dat als 
een Oorzaak voorkomt, hier voorzichtig in aanmerking neemen. 
Want fchoon de Heiligheid d s Levens tot het Middel behoort» 
niemand u)gthans, ten zy hy de Heilige Schrift uitdrukkelyk 
wil tcgcnlpreeken , zal beweren, dat zy het Middel, of in ee- 
nïgcn opziclite de Oorzaak, van de Zaliglieid zy. Daar nu de 
Beoeffening van een Heilig Le^en de herftelling van het God- 
delyk Evenbeeld met zich voert , fpreeken zy ons geenzins te- 
gen, die de herftelling van het Goddclyk Evenbeeld als het 
naaste doelwit der Godgeleerdheid aanmerken; ten minften zy 
kunnen Itgiclyk te vrede worden gefteld ; want zy fpreeken 
van zodanige menfchen, die door liet Waar Geloof met God 
reeds \'erzoend zyn. 

* UtMfendrjr wordt namentlyk dat doelwit genoemd, 't 
jreen niet in de magt van den Werker ftaat. Zodanig is het 
Geloof en de Zaligheid van andere mcnfchen. Want dit oog- 
merk kan niet altoos bereikt worden , ter oorzaake van de ver- 
icbeideiie hinderpaaJen , die zy zich zclven van tyd tot tvd 
in ilcn weg legioen, "^^'ant 'er zyn, helaas! zeer veelen, die 
den Heiligen Gcpst wcdcrftreevcn : ASt. Vil. 51 en den raad 
Gods van hunne 'Zaligheid tot hun verderf verachtenV Lt^c VIL 
30. Maar ^mvenii^ nocmd men dat doelwit, 't welk altoos» 
indien cic middelen flechts naar behoorcn en ernftelyk gebruikt 
\\ orden,. kan worden verk reegen, fchoon *t insgelyks door 's 
meiifchen fchuld dikwerf n'et verl^reegcn word. Dit doelwit 
bcftaat daarin, dat de mensch GoUs volkomen worde, tot alle 
cned mrk getchlkt volgens 2 Tim. 111. 17 Het is noodzakelyk 
'dat zy, die zich op Goddel yke zaken toeleggen, en eerlang 
het Lccraaran:pt in de Kerk begeercn waar te nemen, zich 
beide dccze doeleinden zodanig voorftellen , dat zy, ter berei- 
king van dczclveuj alle krachten hunner zielen en van hun 
verlhr^d inCpanncn. M. ar wie zich in het verhandelen der 
Godgeleerdheid een ander oogmerk hebben vastgefteld, maken 
zWh niet Ikcl.ts aan ccne grove misdaad fchuicjig, dewyl zy 
met een on^jodsdtenftfg gemoed Goddclyke zaken behandelen , 

n:aar 



GODGËLXfeBD ONDERWYS. 18; 

maar zy wykcn ook terftond, zelf in 't begin, van »t rechte 
ftoor. Op die wyze zyn voomamëntlyk zy zeer (lecht b^ra^ 
oen, die, of uit eerzucht, of om.tydelyke voordeelen te ve:. 
werven, tot deeze heilige dingen toetreeden. Want dit dit 
firafwaardifi; zy, befpeurt men daaruit, vermits de eerzucht 
nier het Waar Geloof niet beftaan kan, naar de Taal van den 
Verlosfer: hoe kunt gy gelooverit gy* die eere mn elktLnderen 
neemt \ en de Eere f die van Gêd al'een ix, zoekt g f niet? 
Joh. V. 44. Boven dat kan het dreven na eere en tydelyke 
voordeelen geenzins beftaaa mee de verloochening van zichzeU 
ven, daar nog^hans de Verlosfer zelf heeft gewild, dat dit het 
kenmerk zy van zyne Jongeren, Matth. XVI. 24. Luc. XIV. 
26 Van daar betuigt Paulus, dat by, door de zelfverIooche« 
Ding * her Euangelie zy deelachtig geworden , allen hierdoor 
een voorbeeld ter navolginge nalaatende. i Cor. IK. 23 Ën 
eindelyk kao ons de Heilsörder dit alles leeren, die daarin 
beAaat» dat wy langs den weg van Kruis ter Zaligheid zouden 
ftreeven: Want, wy moeteti door ve^le droeffenisfen in het Ryk 
Gods ineaan^ 'AB, XIV. 22 Hierom vordert xle Heiland van 
zyne Jonge;en, dat zy zyn Kruis op zich nemen, Matth- XVI 
24 en Lttc XIV. 27 Paulus bevestigd dit door bet Voorbeeld 
van den Verlosfer zelven, PhiL II' 5 enz zie ook Rom VUL 
17. Ja deeze Apostel toont ons het waare kenmerk oer vaU 
fcbc Aposelen, dat zy het Kruis van Christus vlieden. Phik 
UL 19 Dat de Godgeleerdheid niet uit eerzucht of om tyde- 
lyk voordeel moet betracht worden, leren wy ook daaruit, 
dat zy dooi^aans de Godgeleerdheid der reizenden genaamd 
word: daarintegendeel de Godgeleerdheid van menfchen, die 
reeds in hun Vaderland zyn aangeland, of der Heerlykheid, 
tot bet toekomend leven behoort. Maar wie weet niet, dat 
Reizigers met veele ongemakken moeten worftelen , en darzy 
op niets anders zich hebben toe te leggen , dan boe zy hun 
^k)elwtt bereiken mogen ; zie PAf7. III 16. Vanhoeved belang 
bet zy, om zich het doel en oogmerk recht te hebben voor- 
gefield , befpeurt m?n geno^zaam uit 's Verlosfers woorden, 
Mauh. VI Z2, 23 '' 



N 3 7)^ 



l86 THOMAS 8COTT 



De kracht der JFaarheid^ zeer aanmerkelijk gebleeken in 
de overtuiging en bekeering van den Eervfaardigen Heer 
THOMAS scoTT , Predikant te Wesion IJnderwood en 
Ravenltone , in Engeland , aan men eenigen der be- 
langfijkjie Brieven van newton, in zyne Cardiphonia 
gericht zijn gtvfeest. Uit het Engelsch vertaald door 
M. VAN WBKKHOVRN, tn ultgcgeeven met eene Voorre» 
' de, door c. BftE^f. Te jfm/lerdam^ bij M« de Bruyn, 
1786. Bchalven de Foorrede^ 173 bladst. in gr. o&avo^ 



I 



n dit Gerchrifc geefc At Eerwaerde Scxittj eerst» een 
verflag van zyoe deukwyze ea gemoedsgefteldheid » voor 
^11 by het begin zyner veranderinge ; en vervolgens geeft 
hy een verhael van zyne verandering ^ met melding der 
wyze op welke, en de middelen waerdoor; dezelve ein- 
delyk werd uitgewerkt. Volgens dit beridit , was cyn 
gedrag voorhenen verre van C^dsdienftig, en zyne God* 
geleerde denkwyze grootlyks gegrond pp Arminiaenrcbe 
beginzels ; roaer in 't vervolg van tyd is hy overgehaeld 
tot een gezet Godvruchtig gedrag» by de omhelzing der 
Calvinistische gronden » to als ze gewoonlyk ouder de 
zogenaetnde Methodisten begrepen worden. Tot deze 
verandering is hy trap$wy2K gekomen, onder 't gebrui- 
ken der middelen van onderzoek , en 't opzenden van 
erndige fmeekbeden tot den God der Wysheid,die hem, 
(zo als hy vast vertrouwt,) door zynen Heiligen Geest 

langs dezen weg geleid heeft. Men vind in bet 

ganiche beloop een Schryver, wiens welmenendheid meA 
niet wel in twyfel kan irekken, en die in zyne daedlyke 
verbetering van wandel agtenswaerdig is. Dan wat aeu* 
gaet zyne gunftige gedachten over ene byzondere leiding 
van den Heiligen Geest, in het bepalen zyner Godgeieec- 
de denkwyze, de gegrondheid hiervan is niet wel te be^ 
merken : zyne trapswyze voortgaande verandering van 
denken, in dit opzicht, zo als hy .dezelve verhaelt, laet 
zich zeer wel natuurlyk verklaren , en noodzaakt ons niet 
om op. iets bovennatuurlyks te denken: ook heeft men, 
naer 't ons voorkomt , zyne fpreekwyzen desaengaende 
niet in den fterkden^zin te nemen, daer hy verre is> van 
zich ene onfeilbaerhcid aen te matigen. 

By dit verhael voegt zyn Eerwaerde wyders nog enige 
tenmerkingen , tot het zelve betrekkelyk, die deels ter 
ophelderinge , deels ter billykloge vsa bet zelve verftrek- 

kent 



UB KRACHT l»R WA4lRimiD. l9^ 

feên. Hy breogt den' Lezer onder het oog»(i.) hoe hy^ 
op dien tyid, toen deze verandering begon , menschlyfcer 
wyze, zo ongefchikt was, als iemand ter Waereld, on» 
dat Leerftelzel te omhelzen, (a.) Dat deze verandering 
in zyne gevoelens zeer lan^zaem en trapswyze gefchied* 
de« (3O Dat hy» gelyk hy m zyne godsdienstbegrippen» 
vry willig, en uit overtuiging zy nes gemoeds , verander* 
ëe , hy. zulks ook deed, zonder enig onderwys van ie- 
mand der genen, wier gevoelens hy thans omhelst. Vér* 
der wil by (4.) dat wy zullen opmerken , welken invloed 
bet lezen en overdenken der heilige Schrift , als mede 
(5.) hèt Gebed Jn deze verandering, gehad heeft. Hier 
benevens legt by 't *er (5.) op toe , om aen te toonen , 
dat 'er in zyn verhael niets voorkomt, 't welk met re« 
den als Erahujlmmus, of Dwepery, veroordeeld kanwor* 
den. £n laetstlyk (7.) klaegt by over bet nadeel dat de 
aenfaang der Methodisten ondergaet, door velen» die den- 
zelven befchuldigen en veroordeelen , zonder ooit behoor 
Klyk onderzocht te hebben, of recht te weten, welken 
eigenlyk hunne gevoelens zyn : 't welk -hem dezulken 
doet noppen , om die. gevoelens , eer ze dezelven wra«^ 
ken , onpartydig te onderzoeken : vermanende wyders al- 
len, „om de Waariidd van het Evangelij, fai ooos hei« 
„ lig Woord vervat, onder emftige gebeden, na te fpooi 
„ ren , mee dien ijveren die belang^eemmg, ais zij zoe4 
„ ken zouden naar eenen verb(»rgen fchat«" 



ht^picgclendc Christen , door f. E. schmitz , Predikant té 
Finkum en Hijum. Te Utrecht , bj A. van Paddenburg, 
1786. In octayo ^ i'i btadz* 

Niet het ten toon fpreiden van geleerdheid , maar ftich- 
telyk te zvn , is het oogmerk van den Eerwaerden 
Schmitz^ zo als hy zFch in zyne Voorreden uitdrukt; en 
aen dit oogmerk beantwoord deze zyne befpiegelende 
Christen, die verfcfaeiden 'onderwerpen, ter opwekkinge 
van Cfaristelyke gemoederen, ftichtelyk voordraegt. Zief 
hier , ter proeve, zyne befpiegeling van het Fertrouwen 
Of God in Christus. 

,; Een Christen kan op God door den gelove in Jezus 

vertrouwen, gevende alles aan Hemover, want God \9 

zyn Vader, die het wel met hem zal maken, al gaan de 

gevaaren nog zoo hoog* God unmers is getrouw en 

' N 4 waar* 



XfiS F. E. SGHMITJB» A&SPIBGBLSItDE QHAISTeif. 

wta''achtig, Hy weet van geene verandering , by Hem^ 
xelfs geen fchaduw van omkeering. Hoe veilig kan dan ' 
een Christen zyne Jiope en verwagring, zyn hartgrondig 
verrrouwen op Heoi (tellen ! Dit immers weet hy , dst 
hy God heeft, en aU in zyne gunde flaat, hierom komt 
hem alles over van eenen liefderykeu Vader ^ wiens wysf 

beid en goedertierenheid onbeperkt is. -" Hy wett 

dat dit leven als een tranendal is , en de Hemel zyn Va* 
derland : dit toch weet by door Goddelyke openbaring» 
^it is de belofte van dat getrouw Opperwezen. ■ 

Hierom kaJi by zonder gevaar op dezen God vertroi»» 

wen. — 

,,Maar kan hy veilig op God in Christus vertrouwen» 
niet mfnder is dit ook zyn pligt. God immers wil ge* 
kent , gedient en geëerbiedigt worden in zyne wysheid , 
in zyne macht en oneindige goedertierenheid ; en hoe ge* 
fchied dit beter* van eenen Christen , dan door een ver* 
trouwen op God in Christus ? Want is hy dan in tegen* 
heden , zoo eerbiedigt hy de wyze befchikking van z]r- 
nen heroelfchen Vader, door eene Christelyke en nederi- 
ge onderwerping aan zynen wiHe. Hierdoor ver* 

beerlykt hy oolf zynen God in zyne onbegrensde Al* 
macht 9 waardoor Hy hulpe kan fchenken , boven ja te* 
gen den dood. Hierom zwygt hy Gode , ja verheugt 
sich in bezoekingen , befchouwende dezelve als Vaderly- 

ke kastydingeri» — : Wel verre dan van met God 

xynen maaker» ja Vader, te twisten, verheugt hy zich 
In de rampen , zeggende , uwe wille gefchiede , ö Vader, 
tn niet de myne, alzoo is toch het welbehagen voor UI 
' Door dit vertrouwen op God eerbiedigt hy Hem 

. In zyne Goedertierenheid ; op deze houd hy (leeds met 
nedrigheid en een vast gelove zyn oog , en dat met lyd* 
^aamheid, geduld» een kinf^eriyke vrees, in ecne regte 
liefde Gods, en een betragting van waare ongeveinsde 
Godzaliirheid ; dit alles leert hy meer en meer uit dat 

waarachtig venrouwen op God in Christus. Zie 

dan Christen, hoe waarlyk gy kunt en moet vertrouwea.. 
op uwen GodP 



G«<ft* 



•OPSDIBMSTIC ^ONDEltWY»» |S> 



Codsdicttfiig Ondergfjs voor jonge Kinderen. Tweede Druk. 
Te /imnerdam , bj J. Yntcma , 1786. In octavo ^ 
77 bladz. 

10 dit Godsdienftig Otiderwys is de vatbaerheid der Kir« 
deren uitftekend wel in agt genomen ^ en tevens naeuw- 
keurig gade geflagen j boedanige kundigheden men d.r. 
Jeugd bovenal hebbe in te Tcherpen, op ene 20 geleide*- 
lyke eir Uare manier ^ dat bet niet wel kunne feilen van 
invloed op het hart te hebben. Üit dien hoof^^le is dit 
Stukje met regt te tellen » onder die Toort van beste Schrif« 
ten ,' vau welken men sich met veel vruchts kan bedienen , 
om den Kinderen ene b)in wezenlyk nutte GoJsdienstleer 
in te boeaemen. En hiertoe kan het in ene te wydere 
• uitgefirektheid nuttig zyn* vermids deszelfs OpdcUer zich. 
benaerftigd heeft , om de verfchillende denkwyzen van 
ondericbeiden Cbristengezindheden te vermyden, en zyn 
Ooderwys, het w^lk groo^yks het betrachtende bedoelt^ 
20 in te richten, dat het allen te ftade kunne kolYien» 
Het beftaet uit vyf Afdeelingen. De eerde gaet wel in- 
zonderheid over -de plichten ^ die de Kinderen aen hunne 
Ouderen veifchuldigd zyn.' De tweede is gefchikt om 
hta op te leiden tot de kennis van .God, :en de betrach-, 
ting der plichten, jegens dien algemenen Vader de» 
Menscbdomai welken daercli^ voortvloeien^ De derde Af- 
deeling ontvouwt de plichten jegens den Naesten « die de 
Menfchen, als Leden van een en 't zelfde groote Huisf 
fezin, jegeps elkander ter batte bebbe.n te nemen» De 
vierde is wel byzonder ingericht tot het voordragen der. 
pbcbten 9 welken ieder Meoscbomtreot zichzel ven heeft 
gade te flaen, ten einde zyn eigen geluk 9. en dat van 't 

Ebeele Huisgezin, te bevorderen. En in de vyfde 0^ 
stfte AfdeeUng word den Kinderen onder 't oog gebragc 
vat zy boven al hubne gemoederend onuitwi$cbbaer be« 
booren in te prenteq^om de dus ver ontvouwde plichiê» 
beftendig te behartigen; mitsgaders hoe ze, hier jn nalar 
lig geweest zynde, door een waer berouw gedreven, zich 
hebben te benaerRigen, om hun gedrag vervolgens beter 
I in te richten ; waerop de Onderwyzer hen verder brengt 
tot ene algemene kennis der Euangelieleer; welker voor* 
dragt hy, (dat hier te gelyk tot ene proeve zyner manie- 
n van voordellen kan dienen,) indezervoege laet afloo- 
fcn. 
- Ni „V. 



i^ GODSDIENSTIG ONDERWYS! 

„ V. Ziet gy dan nu dat de goede God dit alles ge- 
daan , en zynen Zoon heeft gezonden om de meufcheR 
tot het goeéle te vèrnKianen ? ^ 

„ A. Dat zie ik, en dit is waarlyk eenc groote 

Soèdheid van God, voor welke wy hem behooren te 
anken. ^ , . . 

V. Heeft dan God niet nan de menichen gedaan 
gelyk een Vader doet aan zyne Kinderea die hy Itef 

, A. Ja; de goede God heeft als een liefhebbend 
Vader öns vermaand ; daarom motten wy Wem ook ab 
onzen Hemelfchen Vader liefhebben en gehoorzamen. 

V, Maar moeten wy ook niet daarop bedsgc zyo, 
dat wy ons beteren, als wy kwaad gedaan hebben? 

„ A. Dat moeten wy zdkerlyk, andew zouden wy 
aan de vermaaning van onze Hecfie Jezus Christus aict 

gehoorzaam zyn. ,. ' . . , ju 

V. Kunnen wy dit ook wet nog te beter doen , de- 

wyl wy nii zeker weeien, dat de goede God ons mzi 

zonden wil vergeeveh? *.' , , ,. ., 

,, A. Dat is waar, dewyl de Heere Jezus ons dit uit 
Gods naam verklaard heeft. . ^ 

„ V. Maar zyt gy niet begeeng, nog meer te Icercn 
van \ geen de Heere Jezus tot de menfcben gelpfoken 

heeft? .^ , . j j:n- 

, A. 6 Ja, want ik weet nog weinig van deeze din- 
gen, en geloof toch dat ik nodig heb die te weeren. 
^ , ' V. Zal het dan ni«t goed zyn , dat gy vlytig leest 
in de H. Schriften, op dat wy irr *t vervolg daarover 

^7, A. bat wil ik doen, en ik wens'ch niets meer, 
dan om nog nader van deeze dingen önderrigt te wor- 
den.*' (♦) 

„ (♦) Elk Leeraar ► of Huisvader, kan, tot dat oogmerk >' 
van ^anig een Leerboek p of Onderwys, gebruik maakeOr 
als hy verkiest '* 



JCfi' 



Aanmcriingen op een Stukje^ ten titel draagendc ^ Predt*^ 
hstit ifvcr de bewyzen voor de Leer der Heilige Drie* 
éénheid^ door a1 stcrr , Leeraar in de Luthe^che Ge- 
meente te Afnfterdam f*), gemaakt door j. m. BOONi 
Leeraar in de Lutherfche Gemeente te Rotterdam. Te 
Rotterdam^ hj C. van der Dries ^ 1787. In gr. oSaya 
58 bladz. 

Regtsgeding tegen 'den Godgeleerden w. whiston, over 
Eerroaving en Ontkenning der Heilige Drieéénheid voon 
den Opperpriester de Reden. Uit het Engebeh vertaald. 
Tt Ravefiein^ by ]. de Mook^ 178Ö. In gr. éd^va 
80 bladz. 

T>wee Gercbriften over de Leer der Drieéénbeid , welke 
!n h eerfte voorgeftaen, en in 't laetfte teg^ngefprokea 
word ; des de beoefenaers van dit Godgeleerde verfchil- 
fiuk, die nog by zich zelven in twyfci ftaeiï, hoe daer 
Over te denken , in deze twee Gercbriften het voor en te- 
on hebben, en wel ter wederzyde op een fterken trant. 
Dc'Eerwaerde Boon heeft het tegen de zodanigen, die 
beweren, dat men de bewezen voor dit Leerduk niet 
hebbe te zoeken, in de Schriften des Ouden Testaments, 
en tragt te toonen , dat ie daerin ten overvloede te ,vin* 
den zyn. De Opfteller van het Regtsgeding legt het 'er 
iDzonderheid op roe , om veler Godgeleerden verklaringen 
van dit Leerftuk in een belachlyk licht te ftellen. Uit de 
Nareden der Uitgevers moeten wy verwachten, dat 'er 
omtrent dit laetfte Stukje nog enige nadere bedenkingen 
het licht zullen zien , dewyl ze deswegens het volgende 
te kennen geven. 
„ Toen wy het MSS. , waarnaar dit Werkje is gedrukt 
i geworden , met den vereischten aandacht geleezen hadden, 
I en te rade geworden waren het ter perfe te leggen , meen* 
' den wy het zelve met eenige wederlegs:ende aanteekenin«' 
gen onder de bladzyden te begeleiden; dan voorziende dat 
onze aanmerkingen onder ^ de hand welligt van gedaante 
zouden kunnen veranderen, is het ons meer voe^/zaam 
toegefcheenen daarvan op eene andere wyze gebruik te 

aaaken, 

„ Hoe zeer mat den ons onbekenden Heer Brieflchryver 

en 
* .(♦) Zie N. Aïg. Val Ltttmef. h D. bL 538. 



k9» A. STERK 9 LSB& BRR. MUUOB DRISUnHBIB. 

et) de Voorrede r^s Vertaalers, (aen 't Tioofd van £t 
Stukje geplaetst,) iü het algemeen ioftemmeode, dat do 
fcbrifcen des Nieuwen Verbonds geene onredelyke en on« 
aanneemelyke Waarheden bevatten , zal het echter in 't 
.vervolg blvken , dat wy zulks niet overal gedaan hebben* 
,, De Ceezer leeze intusfchen onbevooroordeeld over 
de bedoelingen en' de harten der Uitgee veren , tot dat hem 
daarvan nader zal gebleeken weezen. ' 

Verhandeling over de Ziekte en Ontaarding der Waterviu 
ten en Klieren^ gewoonljk Struma , of Scrophvh, genoemJ. 

y Naar het Engehch ^ van der^Heere thomas white , Heeh 
tneester te London. Door e. j. ihomassbn i thu£S« 
siNK, A. L. Af. Philof. en Med. DoHor in ^sHage^ Ex^ 

' traord» ^sLands Med. Do&or^ Medelid van verfcheidt 
Geleerde Genootfchappen. Te Lejden^ bj A. en J. 

• Honkoop 5 1787. Buiten het Foorwerk, 113 bU- In gr. 8vö. 



A' 



Hes, wat de besteSchryvcrs over den Aart, de Oorzaa- 
^ ken en de Geneeswyze van deeze Ziekte des Klier- 
geftels hebben te boek gefteld, heeft de HeerwiiiTS hier 
fn eeu kort beftek byeen verzameld, en met eigen Waar- 

iicemingen verrykt. Daarenboven is de wyze, op 

welke de Schryver zyn onderwerp behandelt zo bevatte- 
lyk, en de zaaken, daar in voorkomende, zo duide- 
lyk voorgefteld , dat zy door min geoefenden zeer gemak- 
kelyk kunnen nagegaan worden. De lieer thubssimk, 
heeft dus verdienstlyk gehandeld in de Vertaaling van dit 
nuttig Werkje op zig te neemen ; te meer daar hy het 
met eene Voorreden verrykt heeft die aan het onderwerp 
zelve veel licht geeft, en waarin zyn Wel Ed. jde oorzaa- 
ien en den loop deezer Ziekte met betrekking tot ons 
Land , duidelyk aangetoond , en met Waameemlngen geftaafd 

heeft. Het is onbetwistbaar zeker , dat deeze 

Ziekte in Engeland zeer algemeen bekendis, en met regt 
als een Lands Ziekte moet aangemerkt worden ; maar het 
ïs ook niet minder zeker, dat deeze zelfde Ziekte in on$ 
I.and minder zeldzaam is, dan men gewoonlj^k denkt, en 
thierom zal zig ook niemand behoeven te verwonderen^ 
wanneer men lllegts de oorZaaken deezer Ziekte een wei- 
nig naagaat, en daarby de Natuurlyke Historie van on« 
; Land , en de gewoone Lreevenswyze van deszelfs Inwoon- 
deren, in Qverweeging qeemt -^ — en mi^t die van En* 

ge. 



E. T« THOM* k THÜ|8il|X9 0VBRDB SCRO|HULA. 193 

(daiid vergelykt. Doch hiet omtrent wyzen wy 

onzen Leezer tot de Vooneden van den Heer Vcrtaa^ 



VaderUmdfchc Historie^ v^ryatundc dé GefchUdenisfcn 
der Vcreenigde Nederlanden , zints den aanvang der 
Noord' Americaanfche Onkssten^ en daar uiï gevolgden 
Oor hg tusfchen Engeland en deezen Staat ^ tot den te^ 
genwoofdigen tjd. Uit de Geloofwaardigfie Sckryvert 
^n egte Gedenk/lukken zamengefield. Met Plaaten. Ten 
Vervolgt van viKoit^tiHK*^ Faderland/bhe^ Historie. Eer^^ 
fic Deel. Te j^mft. bj ƒ. Allart. Behalven de Voorrc^ 
dc^ enz. 342 bladz. In gr. ivo. 

*r TTeeft niet weinig in, zich uit te geeveu voor den Op- 
XHvoJger en Voonzettep des -Werkis van een beroemd 

Man van een Man als wagbnaar, die, door zyne 

Vaderlandfche Historie^ wat de nyd ook zomtyds moge 
efchrollen, eenen On<lefftyken Naam verworven beeft. Een 
<mgenoemde Schryver, den aanvang van wiens Arbeid wy 
hier voor ons hebben, durft zniks beftaan. „ My onder*^ 
,s nam**, gelyk hy zich uitdrukt „ den grooten wagk- 

^ haar te Volgen — van verre te volgen , wel wee- 

^, tende dat hy zynen zo eenvoudigen klaaren en geheel 
^ kunstioozen (lyl, (zo niet de kunst hier de kunst be* 
^ dekte,) in geenen deele bezat. Gemaakt tog zou her 
99 weezen, en de gedrongenheid allerwegen doordraaien, 
,9 indien iemand het ondemame, en het hem eenigzins 
„ gelukte, dien «Schryftrant op de hielen te volgen, en 

„ zyn eigen te' haten vaaren. . Mannen , op wier 

^ oordeel de Schryvet verklaart of te durven, eeu gedeelte 
„des Werks gezien hebbende, keurden het, zo hyeenig* 
\^ zins ten oogmerke had wagenaars voetftappen te 
9, drukken , op verfcheide plaatzen te vuurig , en fchoon 
9, hy bekennen moest zyn vuur menigmaalen gemaatigt 
^ en veele plaatzen der loopende penne in 't eerde op-^ 
,, dellen ontloopen, doorgefchrapt te hebben, was 'er 
,9 ruim genoeg ingebleevèn om den altoos gemaatij^den en 
yy bedaarden w/\obi«aar eenigermaate op zyde te blyven.'' 
De Schryver verdeedigt zich' des wegen <» door eene op- 
gave van hetTydperk, welk zyne Vaderiandfche Historie 
aanvanglyk zal befchryven; zyne Laad-Tyd-en Lotgenoo* 
ten, aan welk^ by eene VoorafTpraak inrigt, te gemoe- 

te 



194 % tVAfitaLAinDMD:. 

te voereode. ,, Kon koietbeid out dttl-hljHh 0{r hètBet 
^ fchOQwen. en. nagaan vi^n de JLc^gevalkn , welke wy' 
„ hebben moeten beleeven ? Hoe zeer wy ons de wet vaii. i 
,» Onzydigheid , ais eene eerde pligt vooncbreevenyjEouhet | 
ji eene ganCscIi wraakbaarè koele OnverIchiiIigheid',vanOn« i 
9, zydigheid zo hömelsbreed oederfeheiden , gév^eest faiet:^\ ' 
^ ben, de Locg^valieH hartsiochteloös te boek te ftelleu» 
^^Jmmers, ik Icbryf dit . niet om . de oude wonden » .by 
39 voorraad, open te krabbetp, daar ze » onder bet leezen, 
^ zeker meemraalen zullen bloeden ; doch roer bet. aan 
99 om myne Schryfwyze te billyken* . Wiona ziel , niet e> 
>9 geheel van VadetlandlieÊle ledig ^koaoalaaten met ver* 
9, ontwaardiging en grievend^ fmert vervuld, te worden 9 
9, als hy, naa dat onze Zeevaardro.g^Wjeldig geplaagd 9 
99 naa dat onze Vlag en bet' grondgebied van den Staat 9 
99r in vollen Vrede 9 meènnUlea gofcKoaden w^ten, önf 
99 Vaderland 9 door eenen onoegtvaardigen en bondbreuki» 
99 oen Oorlog oyervallen «ag^ toen de verdeediging vM 
99 Bet aai^évo^ Vaderland «zo flaaliw en flegt behartigft 
9, werd, dat 4e. vermetele en titoticha vyand onverhin-t* 
^ derd en. ongewroken^ voortging ^ om 9 heerfctappy voe^ 
> 9^ rende op den vryea en breeden Oceaan 9 ons denwlvea 
99 te bepaauwd t^ maaken, en de. verregaaofdfte nnsboodei^ 
99 lingen aandeedt 9 zonder dat wy ons (e weer fielden» 
99 om dien boon ii te weeren , de Cchoonfte gelegenfae- 
99 den daar toe verzuimden 9 en 9 onze Schepen, in d^ 
^ Zeegaateu bedryfloos liggende 9 de balddaadige Vyand 
^9 mef onze Koopvaardyvaarders 9 en Volkplantingen^ 
99 naar welgevallen, omfprong? Terwyl 'er in den Lande 
9, gevonden werden, laag genoeg van ziel 9 om bet 
99 baatlykst onrecht, ons aangedaan 9 te vergoelyken» ea 
99 de handen te kusfen, die de kfajisters onzer Vryheid 
99 boven onze hoofden deeden rammelen, en medewrc^eo 
^ om ze ons om de hals te klinken, zo dat wy fay den: 
99 Uuitenlander eenByfpreuktf des Verwyts> en eene Aan- 

99 fluiting der Volken wierden. ^ Kon, van den an^ 

99 deren kant, onze Schryfwyze onaangevuurd blyven^ 
99 als wyy.te midden van den haatlyken drom ontaarten 
9, en ondankbaaren , rechtfchapen Vaderlanders zagen te 
9^ voorfchyn treeden, die, by veele gelegenheden, aich 
^ over het flegt Beftuur van zaaken beklaagden, en de 
99 verwaarloosde» óf lafhartig en ten onrecht weggefchon* . 
99 kene voorregten durfden herroepen , en op een Gronde 
9» wettige Herftelling aandringen 2 Als. wy de agtbaare 



^ Vcft^ui' zich mëtr . en meer boorden vetheflMi tagen 
), Mlkeen Qoverantwoordelyk verderf van bet rchoonfte 
^, Geffieenehdst ? — -^--- eeite agtbaare Volkftem , die al 
1^ de Wereld deed( blykeo , dat men de Onheilen van 
3, veelerlei aart, tèn oddefgang vai^ den Lande gefcbikt, 
9, niet ami een verongelykt*^ en vertrapt Volk, nntar aan 
^ eenen - vttderflyken 9 oni' niet seggen een verraadly«i 
^, ken t€ieleg vair kwalyk gèztiiden door d!t flegtfie inzig-* 
99 ten gcicti^veft, te w^ten badé" 

5, Heeft de Heer vtaoenaar ," vervolgt de Schryver, 
;, zyti oitfobffb^r Weft dè J^aderlandfche Historie op 
„ •t laatst, féfyt geinrgd ' word , met grooten wanlust 
,, V0ar7gc3^^ daat zyüe pen de\ beteugeling voelde^ dit 
j, noód$autk/yk moest volgen' uU' de Omwenteling^ vfelhe hf 
^j béjihre^^ wy hebbeb nvet Iiis( gearbeid, in het ver-* 
9*9 tmuiven van dagefi te beleèven , door tacitu.^^, tyden 
„ ifon seldAaam^ geluk geheeun^ waar in het vry ftaat 
j, te 09oettri^iifatmin mi ^en te: zeggen stat men gevoelt i 
if Mistla^^^ deeae . Vryhèid zómmigen , worden eeni* 
,9 gtir daar ddQr afgerchrrkt van dn Werk te leezeii, 
,, veroopdeelèii* anderm 't zelve te, deezer oorzaake, 
„het fmert ons.' <- — j — - Dan^ wy. hebben hun niet 
^j-fanmen, niet mogen, ten wille weezen, daar wy, roet 
„ LUCIANUS , liever zodanige Leezers mishaagden door 
„ de WakrJüid' te verkoelen^ dan hunne 'gaed&uring ver^ 
n irterven door Leugens t& koeien ^ en de voomaamfte web 
^ eens: Gefehiedrchryyeni , volgens etc ka o, in agt namen» 
„ van niets te dut^en»^ zegÊtn dat vahch is\ wy zullen; 
,; niisfcMen , by anderen, dre geheel' vuur zyn, en gewoon 
99 bykaab géenè andere dan daar door ingegeeven 8chrif« 
,9 ten te ieezen, -te koel voorkomen. Wy kennen de uit« 
>9 werkzelen van Partyfcbappen ,in de tyden door ons be^ 
9, htndetd, zo zeef als inuner woelende; wy:.weeien hotf 
99 ëeeze voorinf{Eenon>enheid bw^en^ (om niet te Tpredceil 
„ vtii laage hunr^ïigen, en ^les nedérflantfende firoodr 
*,, fchryvers,) welke dikwyl» PezToohen.en Daaden in zulk 
9, een valscb'en ongetrouw' licht plaatzen ,^tf^ Liefhebberjt 
y, van heufche Onpartydigheid ^ die het om de waarheid 
9, te doen isy gelyi de Schryver van de CharaAerkundê 
„ der Vaderlandfcbe Gefchiedenisre zich uitdrukt, het nief 
„ verdraagen hunnen^ en alle reden hebben^ om de Be^ 
99 rigten van wederjsyden te wantrouwen ^ en geen derzeU 
9, ven aan ie neekien dan naa ze in de fchaale der wik- 
U l^nde^ Oordeeilmnde. opfew9o§en te hebbem Men dg^- 

M» de^ 



t^ VADBRLAIffDSCHS 

y, de bet ons niet euvel, dat wy dee2e^ lesre (leeds in» 
,9 (tachtig waren. SchamperhedeQ ce zeggen , en op een te 
^y (lapeJeii is een kleine, en, onzes inziens, eene vectgtly^ 
,, ke kunöC, billyke verontwaardiging, by gepaste gdc 
,^ genheden te laaten blyken , regtmaacig. 

Schoon de Aanl'praak, waar uit wy dit gedeelte aflchree- 
ven, genoeg on^dek^ weike Vaderlandsgezinde gevoelens 
de zich bedekt houdende Scbryver koestert^ geeft by in 
't Slot nog te kennen, dat by de Suatkundige Belydenis 
van den Eerwaardigen e. m. engklbbrts onderfchryft; 
en bier op nederkoniende : Men weete met weinig woorden 
dat de ^chryver {deezer Vaderlandfche Historie) su> min 
een al te ff rooien invloed van het Stadhouderlyk bewind i 
y^aardoor het gevaarlyk word voor de Vryheid en Onaf* 
hm gclyklieid van het Gemeenebest^ als een Ariftocrattfche 
ei^eiiHoeddunkelyke Regeering van eenige Familien, waar 
by de Kegten der Burgeren .niet winnen , kan goedkeu* 
ren; waar niets meer verlangt dan -dat het Schip van 
Staats tusfchen deeze beide uiterften^ naa het uitgaan 
van zo veelt fiormen^ eindelyk in eene fiille en veili^i 
Hayeti gebragt worde , eer het , by eene voortduurende ver* 
deeldheid tusfchen de Scheepsbcvelhebbers . en - Stuurlieden^ 
geheel verzeild raakc^ en een prooy van ForstlykeVry^' 
ters wcrdel 

Stelde deeze Aanfpraak des Scbryvers ons in ftaat , ofli 
dus verre bero te doen kennen, en aan te>wyxen hochyde 
voetftappen van wagbnaar , naar zyne opgave , betrecdctt 
heeft. Uezeive geeft ons ook aan de hand eenige byzon-. 
derheden, wegens zyne fcbryfwyze, welke wy mcermaa* 
len by den aanvang eens uitgebreiden WerkS) hoed^^^S 
het tegenwoordige zich laat aanzien, opgaven. Hier 
komt , in de eerfte plaats , de opgave der bronnen waaruit 
hy geput heeft, en derzdver aanhaaling. Onder, anderen 
betuigt by „ het bevreemde den Leezer niet , aan den 
„ voet veeier bladzyden i de 'Nieuwe Nederland/che JaoT' 
„ boeken gemeld te vinden: want, daar wy,naa ook vee- 
„ Ie andere Schriften geraadpleegd te hebben, doorgaans 
,9 de bedoelde gevallen, 'bier te I^ande, daar des^^yK* 
'99 opgetekend , aantroffen , oordeelden wy het beter , 20 
„ anderen niets byzonders opleverden, bet by die Aan* 
5, baaling te laaten berusten , dan een aantal Hy een te 
„ voegen, die geen gewigt aan de 2aak konden byzet- 
„ ten: te meer oordeelden wy dit de beste handel wyze» 
9 f lom dat de Jaarboeken: een^ Wede uiimaakeOf *t V^ 



99 



99 



'HISTORIE^ 197 

^^ eene algemeene hoogtgriog^ om niet te zegpen gezag 
^» vertf^rven beeft, cd het zelve, als zodanig, in de 
jj meeste tegenwoordige Schriften , onzen Staat betreffen- 
^ de, wordt atngebaald, en. de Souverain Vr foms zich 
„ op beroept. : Oeeze jaarboeken zyn bok de Ver- 
59 zamelplaats van Staatsftukken en Oorfpronglyke Befchei. 
^ den, welke- wy by lasge na altoos niet geheel konden, 
„ of, overeenkomflig met den aart onzes Werks, mog- 
„ ten uitfchryven. Wy moesten 'er zo veel uit ontlee- 
«« nen als ter opheldering der gevallen diende ; en heb» 
ben ze meermaalen, wanneer wy ze van dien fteropèl 
vonden , dat een groot gedeelte , of eenige afzonderly- 
ke brokken, woordlyk verdienden gemeld te worden, 
afgefehreeven , en dan onzer penne wel eens geen zui« 
5, ^iet Nederduitsch laacen . ontrollen» 't Kwam naamlyk, 
,> by zommige gelegenheden aan op 't woord, dat, in V 
„ Onduitsch jiitgedrukt, niet. altoos door een Duitich 
„ wooid , juist van diezelfde betekenis en kragt kon ver- 
„ vangen worden; die do<K onHchryven te verhelpen ,dagt 
„ ons noodióos/, en het veelgewaagde fmeeden van nieu- 
„ we woorden oordeekiea wy gemaakt. De op zuiver 
„ Ncderduitich gcjddde Leezei^ boude ons èXt ten goede , 
„ wy hoepen, dat Jty. anders, over geene verwaarloozing 
9, van Taal zal te klaagesi hebben: en ook die kleine 
„ wanftaltea gunftig over 't hoofd zien , jii zodaanige 
„ gedeekeas van ons Werk, waar in wy Aanfpraaken en 
„ Vertoogen van. waardige Vaderlanders , en anderen , 
„meest met hunne , eigene woorden, nederftellen. Aan- 
„ fpraaken en Vertoogen ,dikwyls «meer de taal van 't Hart 
.,, dan die der. kunst, en. waar in wy ons fchaars, dan 
„ ter opkortinge, eenige verandering veroorloofden ,. dee« 
„»ze in onaen eigen ftylentaal te brengen, zou htt eigen* 

„ aartige wat zeg ik ? het waare weg- 

„ gehomeö hebben. Gebrek > aan oorfpronglyke Befchei- 
„ den ftelde Ottde Gefchiedfcbryvers vaak in de onmoge« 
„ lykheid om. de Peribonen, door hun fpreekende ingè- 
„ voeid, de eigen woorden in den mond te leggen ; zy 
„ moesten Aanfpraaken vormen, en, zo veel mogelyk, 
„ met de CharaAers en omftandigheden overeen brengen* 

„ -% Wy hebben de (lukken in handen , en ze maa- 

», ken, ter fneede bygebVagc, gtizes inziens, de treffend- 
99 fte gedeekens der gefcluedenisfe uit: wy voelen daar* 
9» by het mceate , en het verhaal blyft voor kwyning be- 
99 waard. Dat ;deeze aanmerking j is bet anders noodig. 

Il DftEL« N. ALG. LBTT. NO. 5. O ,y die« 



ipS VADER LANDSCHE 

„ dicnc om ons tegen het verwyt van Onkaodlgen, die 
„ niet gaarne veelé aangeftiptc plaatsen in cene Gerchie- 
„ denis ontmoeten , te 'dek<(en. 

„ De ontdekkende tyd heeft, over vccle Voorvallen, 

•„ duister in de Jaaren toen «e gebeurden, een licht ver- 

„ fpreid, van 't welk wy ons, by het te boek ftellen in 

^, die dagen, niet mogten bedienen; dewyl eeuige in- 

,9 zigten en bedoelingen vervolgens eerst ontwikkeld, toen 

,> grootendeels, of geheel, onbekend waren; en andere» 

„ misfchien, eerst naderhand gevottnd, of verder dan ia 

,„ den beginne voortgezet zyn. Hadt men vccle deczer, 

„ kundig vernist, en derzelver waarc gedaante, by tyds 

„ gekend, andere en fterkere maatregelen dan nu, waren 

'„ gewis, tot verydeling, genomen. De herinneritv; 

5, hier van zal op ontelbaare plaatzen onzer yaderland^ 
• ^^fchc Historie noödig weezen; ten einde men geen voor- 
„ baarig ongunllig oordeel llryke , over de vcrrigtingen 
„ van veele verdienllelyke Staatsmannen. 

„ In den loop onzes Werks oordeelden wy met geen 
",, llilzwygen te mogen voorby gaan de veelvuldige Stich* 
„ tingen, Maaifchappyen en Genootibbappen van naam, 
„ die,llaande dit tydperk, opkwamen, ingerigt om nutte 
„ Kunften , Fraafje Wetenlchappen, en wat meer den 
^, Var^erlaifde heilzaam is, ot tot Cieraid eener befchaaf- 
„ de Maatfchappy ftrckt , te bevorderen en aan te kwee- 

„ ken. De HIadzyden, met die narigten vervuld, 

«,, enilen onzen Tyd, by de Nakomelingfchap , ontheffen 
,, van de blaam » onzen Landzaat, te meermaalen docr 
„ den patydigen Buitenlander aan^eïwrceven , en door 
3, den op alles wat Buitenlandsch is, of 'er narfmaakt, 
„ averechts geftelden inbooreiing, te dikwyis volmoodig 
•„ toegejuicht, dat de Nederlander nctth Kunstmin voed, 
„ noch V\ eeienfchappen kweeki.** • 

•,, Znmtyds, wy bekennen het gaarne, zal de Leezer 

„ Kleinigheden vermeld vinden: wy hébben ze vermyd, 

„ waar wy meenden ze te kunnen en te moeten voorby 

„ gaan: maar niet gefchroomd dezelve» op dien voorgang 

'„ der beste Gefchiedfchryveren, té boeken, als wy ze 

„ dienftig vonden, om den toedragt eener gebeurtenisfe 

„ van aanbelang, waar op zy invloed hadden, te befchry* 

„ ven , of als zy ons 's Volks Gezindheid leerden ken- 

„ nen. Gedachtig aan de taal van den grooten hooft, 

„ op het 1 ydsbeftek door ons ondernomen te befchry- 

,, ven, z^ti loepasfelyk. Naardien men hier ie Lande 



HISTORIK* 199 

j^ fk magtigftc veranderingen^ by aanflicHtins ^ of im* 
,, mers by dapper toedoen <, des Gemeenen Mans^ heeft 
^, zien invoeren, en ook hedendaagsch niet 'de minfte 
^, kunst der Steedfche Regeer inge , in het handelen en ge» 
j, rusthouden der Menigte bejiaat^ zo kan het geenzins 
,, onkerlyk fchynen ^ den opgans, loop en afloop van der-- 
99 gelyke beroerten^ (tn teffcm de middelen ^ misflagen, en 
„ verzuimenisfcn waar door zy gefluit of geftiid^ gewak^ 
„ kerd of onverhinderd gebleeven zyn^ befcheidelyk voor 
,, oogen te ftellen. 

jy \LtMc nauwgezette Tydorde door sommige GePcbied* 
3, boekers, op het voetfpoor van thocydiobSi gevolgde 
,, hebben wy gemeend niet te moeten aankleeven; m&ar 
,, liever, op de <vyze van den Vader der Gerchiedboe« 
„ keren np.R0OoTus,zaaken van een en dezelfde natuur « 
„ als de Tydperken niet te wyd' van elkander liepen, by 
,, ééngevoegd, en v;in het anders broklige,- 20 veel mo* 
99 geJyk^ een geheel gemaakt. Schoon wy , zomtyds , daar 
,, de Gebeurtenisien niet binnen één jaar, onze in 't oog 
^ gehoudene Hoofdafdeeling , afliepen, den nedergelegden 
9, draad , in een ander weder hebben moeten opvatten ; 
,, dan wy hebben het altoos gedaan op de minst hortende 
„ wyze.** 

Zo veel ontdekt ons de Schryver van zichzelven , en van 
zyn Arbeid* Ter.wyl hy, in etw Inleiding ^ zich over 
bet fchry ven der Gefchiedenisfe zyna eigen i yds verant^ 
woord* Dit eerlle Deel , 't welk met een verflag van dd 
^oord^ Amerikaanfche Onlusten ^ dat gedenkwaardig Tyd* 
perk in^ de Gefchiedenisfe, eenen aanvang neemt, loopt 
van den jaare 1775 tot 1778. Jweq van voorbereiding 
tot gewigtiger gebcurtenisfen , wanneer de zaaken allengs* 
kens belangryker worden, en die eene uitvoerige befchry* 

ving zuilen vorderen. Wy kunnen, zo veel van 

het Oogmerk en den Aanleg gezegd hebbende, ons, voor 
tegenwoordig niet inlaaten tot het geeven van eene Proe* 
.ve; de volgende Deelen zullen ons gewis daar toe gele* 
genheid aanbieden. — ^ — Over *t algemeen moeten wy 
zeggen 9 dat 'de Schryver aan zyn opgegeevett plan vol* 
doende beantwoord; en, fchoon gemelde waosnaar de 
beste aaueengefchakelde Gefchiedenis van dit Tydvak aan- 
vanglyk oplevert: zo dat by de verzogte aanmoediging 
zyner Land- en Tydgenooten verdient, en boven al zal 
waardig weezen ^ wanneer by, tot de aapgelegene jaaren 

Q a gei 



iöd VADElttANDSCHB HISTORIE. 

gevorderd, getrouw blyft aan de wetten, die hy zich 
zeiven fchyiit- voorgcfchreeven te hebben. 

Eene op den Tyiel zelve in *t oogloopende zwaarigheid 
tegen de benaaming van Feryolg op wacbnaars Vader- 
landfche Historie vinden wy weggenomen door een RerigC 
van den Uitgeever, die den Leezer, omtrent het ontv:d* 
lende Tydvak van den jaare 1751 tot 1775 verwittigt ♦ 
dat by y om die wyde gaapiflg niet te laaten , en het Werk 
net den Tytel volkomen te doen overeenfïemmeh , zich 
by den Schryver vervoegd heeft, met aanzoek om dezelve 
té Vullen, en hem niet vreemd vondt van den voorflagt 
om , ontfer het bewerken der Gefchiedenisre van het thans 
loopend Tydperk, ook htit tusfchenvallend Tydvak te 
bearbeiden en dus een Geheel te maaken; 't welk zeet 
gevoegelyk gefchieden kan , door de Deelen te laaten ver- 
volgen tot het tegenwoordig Tydperk^ \ welk eene 
gansch andere gedaante der dingen oplevert. 
' Wy zien het een en ander, roet verlangen, te gemoe- 
te ; want , hoewel men, wat de Groote Gebeurtenisieti be- 
treft, in een Tydkring door ons beleefd, niet veel nieuws 
kan yerwagten, daar de vaardige Drukpers dezelve ter* 
fiond onder *t ooge brengt, is bet niet ongevallig, en heeft 
het zyne zeer weezenlyke nuttigheid, die Gevallen eenig- 
eins in een voegelyk verband te befchouwen, met der- 
telver Oorza^ken en ültwerkzelen , voor «o verre <lie op 
te fpenrcn zyn, dooreenen Gelyktydigen Schryver. Twee 
P^rtraiten, een van dên ' onvergclykelyken washiiwton, 
en een van den Volksvriend joh. • derk van per capel- 
rBN , vercicren , behalven de Tytelplaat en een liiet onbeval- 
lig zeegezigtje, verbeeldende het neemen der Engelfche 
Paketboot, het tegenwoordig DeeU 

Engeland y door j. w, van archenho];tz , uit het Hoog- 
auiisch vertaald door y c, pelletier, Eerfte Deel. 
Te Amfterdam^ by J. Sluitffian van der Meer, 1786. 
In gr. ivo. a77 blaak. 

De vernuftige 'Schryver van dit in Duitschland zo ge- 
Schte Werk levert ons hier het geheel zyner Aan- 
merkingen , die hy op zyne reizen gemaakt heeft-, en van 
welke hy te voorch reeds eenige Fragèeutcn in zyn Jour- 
naal van Literatuur en Volkenkeniris had bekend gemaakt. 
V^ heeft zelfs ) in drie ondencheidene tydperken^zes jaa- 

rea 



ENGSLAND , DOOR J. W; VAH ARCBBNHOLTZ. flot 

ten in Engeland doorgebragt , en wel het grootlle Deel 
van 1769 tot 1779, zo dat zyne opmerkingen geenzias 
door eenige reisbefchryving beftuurd zyn , en hy de waar- 
neemingen Van anderen ten geleide van zyn oordeel niet 
iiodig gehad heeft, daar de zyne grootendeels het gevolg 
waren van zelfs befchouwde zaaken; om 'welke reden hy 
van hallen en Engeland , doch byzonder van Engeland , 
zo veele voorbeelden aanvoert , om zyne leezers in (laat 
te Rellen de gegrondheid zyner, op ervarenis gebouwde, 
verbaalen, zelfs te toetzen. Opmerkzaam omtrent alles, 
wat voor een reiziger maar eenigzins van belang kan 
zyn, en tot dit oogmerk niet onbereid, was de mensch 
in zyne menigvuldige betrekkingen en gezichtpunten het 
hoofdonderwerp zyner betrachtingen. Hy was beftendig 
werkzaam om' het karakteristieke uit te vinden, en, m ge« 
voige van deeze , niet ten eenemaal mislukte onderneemii^ 
ge, vcrlchynen hier zo veele nieuwe en zonderlinge zaa^ 
ken , die menigvuldige aanmerkingen moesten doen geboo* 
ren worden* 

Itw voorbeelde hiervan ftrekkc het vdgende dat dt 
Schryver wegens de Vryheid der Drukpers, en daaruit 
voortrpruitende verlichihcid der Engelfchen heeft aange- 
tekend. 

„ Men befpeurt in Engeland by den gemeenen man meer 
kundigheden en oordeel, dan ergens in eenig ander land. 
De oorzaak daarvan is geene andere dan de vrye wyze , 
waarmede alles, \^at voorvalt, mondeling of fchriftelyk 
beoordeeld wordt. Men (laat dikwils verwonderd het ge* 
riogfte volk van de wetten, het eigendomsrecht,. van voor- 
rechten enz. zeer vernuftig te hooren redeoeeren. Een 
andere goede uitwerking der Drukpers zyn de Nieuwsts^- 
*ngen; deeze Tydingen, die in i78o,Wleen in Londen, 
's wcekclyks drieenzestig ftuks gedrukt wiefden, behel- 
zen zo wel zotierny en onzin als voortreflyke zaaken , 
4iie;hoogst waardig zyn geleezen en onthouden te worden. 
Doorgaans zyn het redeneeringen van ftaatsmannen , over 
ODftandighe<ien , die de gantfche Natie interesPeeren , 
waarvan zich het oesterwyf ook niet uitgefloten denkt te 
zyn; waarom meti ook zo dikwils dit foort van merirchen 
aantreft, die Tydingen leezen, en over de openlyke om- 
flandigbeden hunne bedenkingen maaken. Het belangry. 
ke deezer bladen wordt door een. tallooze menigte , mees^ 
tendeels luimige aankondigingen, vermeerderd^ die in alle 
mogelyke geftalten verrcbyncn, en dikwils van de zon- 

Q 3 det- 



tOft BNGBLANO 

derlingftc gevolgen «yn. Ik heb, (by voorbeeld) eene 
vrouw gekend» welke baar man, die sy bedrogen bad» 
ontlopen was; zonder deeze tydingen waa deeze berouw^ 
hebbende en in venwyfeling leevende vrouw verlooren^ 
en de Tchande ha^er man zeker en duurzaam geweest^ 
op deeze wyze echter wierd alles zeer fpoedig en (lil in 
orde gebragt. De man gaf voor, dat zyn vrouw buiten» * 
lands was gereisd ; middelerwyl liet hy in de Tydingen een 
brief, aan haar gefchreeven, drukken, zonder zyn naam 
of woonplaats te noemen; intusfchen wist hy zich toch 
ftan zyn vrouw zeer kenneiyk te maaken, die hy volko- 
men vergevinge van al het gebeurde beloofde. Zy las 
deeze tyding,en antwoordde door dit zelve middel, maak- 
te bedingen, en in drie dagen was zy zonder eenige op- 
fpraak by hem. Voor zulke brieven, en voor alles in het 
gemeen, dat niet het publiek, maar byzondere zaaken, 
ten voorwerp heeft, wordt naar gelang der grootte van 
de bekendmaaking betaald; waarby men, in de drukkery, 
hoe genaamd, naar geen naam, woonplaats, noch naar 
andere dingen , vraagt. Zulke invoegingen echter, wier on- 
derwerp de openlyke aangelegenheden of het algemeen 
raakende voorvallen betreffen, worden zonder betaalinge 
ingelast, en gemeenlyk van de ftraat, dooreene opening, 
in de binnensbi^is geptaatile bricvenkas gedooken, zo dat 
de opfteller des briefs geheet onbekend blyft; wil hy 
^tch nochtans aan den drukker aangeeven, zo Itaat deeze 
onder verplichting van eede om zyuen naam geheim te 
houden; eene omftandigheid , die met de uiter(te naauw* 
gezetheid in acht genomen wordt, vermids niet alleen de 
jswaare ftraffe des meineeds, maar ook het verlies . bun* 
ner voordeelige Kost winning', en veelligt ook de ver- 
woesting hunner huizen door het gepeupel, de gevolgen 
daarvan zouden kunnen zyn. De drukkers moeten intus- 
fchen voor alles verantwoorden, dat maar op een foort 
van paskwil kan worden uitgelegd. In dit geval moet 
de beledigde het op een pleitgcding laaten aankomen. 
Betreft de zaak den Koning of het ParJement , dan is de 
Advocaat Generaal klaager; is het gezegde nogtans niet 
laag noch lastcrlyk, maar enkel op eene vrye wyze uit- 
gedrukt en eenigerroaate gegrond, zo kan de aangeklaa^^r 
de ook verzekerd zyn van den grootden Rechtsgeleerden 
des Ryks te zullen verdeedigd worden. 
- ,^ WooDFAL , drukker van dt Public /Idverii/èr, de beste 
Tydiög in Londen^ bad Ao. 1770 voor het gerecht, over 

deu 



DOOR )• W; VAN A{IGHENH0LT2« 203 

den brief van den beroemden jotrius^die, met eene groo- 
te vrymoedigbeid , waarheden eu eene wegrukkende wel- 
fpreekendheid paarde , een harde kafnp. Gantsch Engeland 
nam deel in deeze zaakeen de beroemdfte K edenaars ver* 
fchee en hier voor *c gerecht. Het kwam hier niet alleen 
aan op de verdeediging eens menfchen, maar op de voor- 
rechten van ieder Engelschman, om zyne gedachten vry- 
moedig, over de publieke aangelegenheden , mondeling en 
fchriftelyk te zeggen. Woodfal wicrd vrygefprokeu , en 
het pleit geëindigd , zonder dat de welfpreekende Schryver 
bekend wierd, wiens naam tot op deezen tegenwoordig 
gen tyd een oordoordringelyk geheim gebleven is. De 
drukker alleen weet die » want deeze brief was niet van 
dien aartj om heimelyk in de bnevenkas gedoken te 
worden. Veele Kunstrechters houden hem voor het fier- 
lykfle voortbrengzel in het Engelsch Profa. Benige daar 
in voorkomende byzondere redeneerwyzen en wendingen 
hebben het vermoeden veroorzaakt, dat niemand dan de 
beroemde burre deeze vermomde juNins zy. 

,, Dikwils echter is ook de kaak of een gevangenisftrafTe 
het lot dezer, drukkers , waarvan zy zich nogthans» door 
aangeevinge des Schryvers, redden kunnen. Van dit mid- 
del bedienen zy zich toch nimmer, ten zy dan dat de 
Schryver hier in bewilligt. De Predikant home te Bent* 
jord^ ^by Richmond^ was zo grootmoedig dat, in 1778, 
te doen. Deeze zonderlinge man, dik als mensch, patriot 
en redenaar vereerenswaardig is^ en als een van de ftich-* 
ters der beroemde maatfchappy ter in ftandbouding der 
Engelfche rechten, de dankbaarheid zyner medeburgei-s 
verdient, had, In eene Tyding, den Americaanfchen oor- 
log als een moordbedryf afgefchilderd , en de Hofparty, 
die dezelve begundigde, als moordenaars behandeld. De 
drukker wierd gedagvaard , en daar hy , op uitdrukketyk 
bevel van den Predikant, hem als Schryver aangaf, vry- 
gefproken : home daarentegen in een eeiijaarige gevangenist 
verweezen. Had hem zyne ftand niet verfchoond^ niets 
zün'heiTj van de kaak . hébben kunnen hevryden; eene 
ftraffe, die, van wegens.de flegte handeling van het ge- 
meen gepeupel, dikwils fchriklyk is, maar ook fomwyien' 
geheel zonder fchande , ]a zelfs zeer .tot eere , verftrekt. 
Zo zag ik een drukker aan de kaak (laan , wien het taU 
looze volk, in plaatfe van hem te mishandelen , een beften- 
dig yivat toefuichte; hem wierden ververfchingen toege- 
bragt, eu in den mond gevoerd, vermits by zyne bandetr 

O 4 niet 



j^4 XNOELAH0 

niet gebruiken konde;de kaak was tnet bloemen beftrooid, 
en van 'vooroaame lieden omringd, die zich met hem 
onderhielden, in 't kort, dezelve verftrekte hem tot eeu 
triumfwagen, en hoe onbekwaam de plaats ook fcfaynea 
mogte, kon hy tog dit uur onder de aangenaamfte zyns 
levens teljen. 

„In 't jaar 1779 wierden 'er y^m At Public Jdvertifer yiu 
den winter , dagelyks 12000 ftuks gedrukt, in den zomer 
echter maar 8000. Van den Daillj Advcrtifer daarentegen, 
die niets dan Advcrtisfcmenten inhoudt, dagelyks\a«,ooo. 
Dit handwerk is ongemeen voordeclig, en onderhoudt in 
Londen alleen eene groote menigre menfchen ; zelfs zoda- 
nig dat veele lieden hier hun broo^ by verdienen , in een 
eigenlyk gezegden lediggang.. Deeze worden Paragraaf- 
Tchryvers genoemd, wyl zy kleine nieuwigheden van el- 
ken dag, Anecdoten, enz. in KofBehuizen en uit plaizier- 
partyen inzamelen , en in Paragraafen ter nederftellen ; 
naardat deeze nu lang of kort, gewichtig of echt zyn* 
worden zy betaald. De Parlementsredevöeringen worden 
door vaardige Schryvers opgèteekend, een foort van 
menfchen, welke men in dit land vindt. Wanneer vj 
in hunne kunst ervaren zyn, ontgaat hen geen woord 
des Redenaars, hoe fchielyk hy ook immer fpreeken mag; 
dit fchryven gefchied door teekens, die niet alleen wOi>r* 
den maar ook geheele phrafen behelzen. 

„ De drift dey Engelfchen , om daaglyks vccle deezer 
Tydingen te leezen en daarover te fpreeken , is mogelyk 
meer dan iets anders de oorzaak van hunne ernstnafti* 
ge gemoedsneiging en hunner on^ezelligheid. 'i Is vaak 
moeielyk een Engelschman tot Ipreeken te brengen : alle 
vraagen beantwoordt hy mee ja en met neen, komt ecb» 
ter de ftaatkunde op \ tapyt , dan opent hy zyn mond , 
en wordt fpraakzaam , vermids deeze doffe m zyn karak- 
ter geweeven is. Het gaat de vreemdelingen by een lang 
verblyf in Engeland even zo. Dezelfde oorzaak heeft de- 
zelfde uitwerking. Ik heb mepfchen gekend, die, by 
hunne aankomst in Engeland, alle Staatkundige onder* 
werpen verveelde, en die nogtans in eenigen tyd Entbu- 
fiasttfche politieken wierden. Niets is ligter op te losfen. 
Als een inwooner eeiiés vryen ftaats, en als een denkend 
■wezen, neemt men, in de openlyke zaaken van aangelegen- 
beid, deel; dikwils is men perfoonlyk, middelyk of on- 
middelyk, daarby geinterresfeerd ; men leert de karakters 
der in (ta^tszaaken betrokken perfoonen kennen; men 

maakf 



DOOa J. W. tA^r ARCRËNHOLTZ. $0$ 

woiêit peifoBeeie kennis met hen; aHe' geseircbappen 
weergalmen van ftaatkunde; meu ziet en boort onophou^ 
delyk vao openlyke byeenkomlteti , plechtige ommegangen 
met verzoektchriften , oploop van volk , en van zon(4erbaa- 
ie maatregelen ter bereiking van een zeker doeleinde; 
men zegt zyne meening over allé deeze voorvallen ab 
men zulks wil , in dagelykrche blaadjes week- en maand- 
fchriften« wa^irby men zeker is van dtiizendeu geleezen 
^tc worden; dit alles verhoogt het belanc' op eene on- 
^iooflyke wyze ^ en maakt het leezen van Nieuwstydingen 
in £ngeïand tot eene waare hartstocht. 
' ,,Daar het nefgens din hier de geivoonte 'is met de 

fantfche nfatie, door openlyke bladen, te fpreeken, to 
unnen andere volken de voonreSykheid van dit mid« 
del naar de uitwerkittgen beoordeelen. Ik heb 'erboven, 
('zegt de Schryver) door het verhaal , ten opzichte der Emi- 
granten , een uitfteekend voorbeeld van gegeeven , daar 
alle afkondigingen van denKanzel,en door trommePagy 
niet het honderdfte deel der werking zouden gehad heb* 
ben , die hier een eenige Rrief deed , welken een ieder 
las. tiierdoor werd deeze grootc Stad op eenmaal 
naauwkeurig van het voorval onderricht, .men behoefde 
geen bloot gerucht ' te gelooven , dat vervatecht was , en 
dat een verftandig man weinig acht. Hoe dikmaals heeft 
men door dit middel het Patriottismas des volks aange* 
vunrd en wyze maatregelen van allerleien aart bevorderd? 
Daar ondertusfchen van eene ^oede zaak het misbruik 
vaak onaffcheidelyk is , zo is dit hierby ook ongeloöflyk : 
. zonder hier een* uitzinnigen Gorden by te brengen , die in 
1780 door deeze tydingen het gepeupel ter zyner byftand 
te Tarnen 9 en Londen in hét grootfte gevaar, hragt, zo 
zyn *er boeven , die , door valfche Advertisfementen , 
het gemeen op duizenderlei wyze bedriegen, en dikwils, 
trotsch alle waarfchouwingen , ligtgeloovigen vinden. 
Dan eens kondigen zy aan , dat zy kapitanlen uit te zetten 
hebben, dan weder dat zy die op goede hypotheequen 
zelfs wenscbten te belcenen. Hierdoor komen zy met 
lieden te famen , die geld in vor>rraad hebben , of zulks 
nodiff hebben, en niet zelden gelukken hunne ftreeken om 
menfchen te bedriegen. Anderen zetten zeer aandoenely- 
ke verhaalen in de Tydingen , van den ongelukkigen toe- 
ftand eener weduwe^ met vet Ie kinderen, of de ellende 
eenes van honger ftervenden gryzaart , wier naamen, zoals 
2y zeggen, van wegen hunner bloedverwanten^ niet ge- 

O $ noemd. 



Bo6 BrVGRLAM» 

noerad kunnen worden^ maar wel de plaats aangeduid ^ 
waar de almoesfen heen te zenden z^n. Oaaglyks leest 
men Ad^erwfcnienun ^ waar groote lommen aangebodea 
worden aan zulke perHoonen • die invloed genoeg by voor* 
uaame hebben, om voordeelige posten te verfcbafren, 
waarby bet diepfte niizwygen wordt beloofd. Menig 
Schryver beoordeelt zyn werk zelfs in openlyke blaadjes; 
en vellen, onder verfienie naamen, hun oordeel daarover, 
dat zy den volgenden dag onder him eigen naam aan tas* 
ten t door' deeze Spiegelgevechten verkrygen zy aauzieo , 
worden bekend, en bereiken dikwils hun doel. 

,, Opeubaare Nimfen neemen het masker der deugd aan , 
en wenfcben, in de Tydingeft, mannen van een goed ka« 
rakter re huwen; zy kondigen gemeenlyk aan, dat zy 
jong, welgemaakt en van een aanzienlyk vermogen zyn» 
en daarom by de mannen maar een klein Kapitaal» of 
een goede bediening, verlangen. Lieden van buiten de 
Provincie en andere onervaren Perfoonen vallen dikwils 
in dee;fen ilrik. Zy vinden een bevallig meisje met de 
zachte mine der onlchuld, dat haare vervolgingen vaa 
bloedverwanten en voogden zeer aandoenlyk weet te 
fchilderen, waarby de gemaklykheid, om haar vermogen 
in bezit te neemen, niet yergeeten wordt. Dit werkt, 
de man flaat toe, en ziet zich echter, maar te fpade, 
bedrogen. Ook^mansperfoonen bieden, in zulk een incog- 
nito- handeling , hunne hand ann, maar met dit onder- 
fcheid, dat zy geen vermogen opgeeven, noch hunne 
welgemaaktheid roemen , maar des te meer hun verlland » 
hunne infchikkelyke gemoedsaart, hunne oplettendheid; 
in *t kort hunnen goeden wille, om de aanllaande echt* 
genoote gelukkig te maaken. Doch dit werkt echter 
zelden zo goed als het eerlle. Vecltyds fchertzen vroly- 
ke lieden roet aankondigingen. Zy begeeren, onder yer- 
fcheiden adresfeu, mannen en vrouwen; brengen de zich 
aanmeldende perfoonen te faamen» en fpeelén ook zelfs 
de rullen van Huwelykzoekers > waaruit dan de kluchtig- 
lle gevallen ontfhan. 

„ Niemand echter weet zich de tydingen beter ten nut- 
te re maaken , dan de Adliefpcelers , die daarin , volgens 
jiunne oogmerken t niet alleen oorlog, vreede en verbon* 
den fmeeden^ mary daarenboven voorvallen verfinnen, 
en die met alle o'mdandigheden , en een fchyn van waar* 
beid, voordraagen. Hierdoor gaan verbaazeude geldfom* 
men gewonnen en verlooren» 

„De 



DOOR J. W. TAlf AAOR£lfH0LT8« Èfff 

^ De Regeering heeft zich deezen tak van beftaan ten 
nntte weeien te maaken, en trekt 'er jaarlyks 100,009 
pond fierlings van. De ftempel van ieder Tyding kost een 
halve Engelfche penning^ en op elk Aivertisfemenf zyn 
twee fi^hellingen belasting gefteld.'' 



Reize naar de Oost -Indien en China ^ in de Jaarefi 

1774 1781, op last des Konings yan Frankryk^ gedaan 

door den Heer sonnrrat, Cofnmisfarh der Zeezaaken ^ 
gepenfioneerd Natuurkundigen van den Koning , Korres^ 
pondent van zyner Majejleits Natuurkundig Kabinet , en 
san de Koningljke Acaaemie der H^eetenfcnappen te Pa* 
rys , Lid yan die te Lyons , enz. Uit het Fransch yer* > 
taalddoer y d. pasteur. Derde Deel. Te Leyden, bj 
As' en J. Honkoop, 1786. In gr. 8vö. 252 bladz. 

Dit derde en laatfte Deeltje (♦) van sonnbrat's Reizen , 
*t welk in 't byzonder aanmerkelyk is» wegens de be- 
Ichryving der nieuw ontdekte voorwerpen , zo wel in het 
Kyk der Viervoetige Dieren en Vogelen^als^in dat der Plan- 
ten, geeft ons tevens» in eeinge aanmerkingen, een be- 
knopt denkbeeld van Isle de France , Bourbon , de Kaap 
de Goede Hoop, Ccylon, Malacca, de Maldivifche, Phi- 
fippynfche en Molukrchp Eilanden. 

lot een ilaaltje, zullen wy hier mededeelen , het geenhy 
ons van Isle de France opeeeft. „ In voorige tydeo , (zegt 
hy ,) wierd het door de Hollanders bewoond , zy wilden 
'er zelfs eeiie Volkplanting (lichten ; doch , naardien de 
voordeelen de' onkosten niet konden goedmaaken , warf n 

2 verplicht, dat Eiland re verlaaten. De Heer de la Bour^ 
nnais^ Gouverneur van de Maatfchappy op het Kiland 
Bourbon , meende een land in bezit te moeten neemen ^ 
dat door zyne nabyheid dienftig voor zyn Gouvernement 
\oxi zyn. Gevolglyk zond hy inwooners om het te bevol- 
ken, en men maakte 'er in 't vervolg bet Hoofdcomptoir 
yan ; maar hoe veel moeite men zich ook gegeeven heb- 
be, de grond, altyd onvruchtbaar, levert het beftaan van 
den Planter niet op ; zyn voedfel moet hem jaarlyks van. 
de vreemde Natiën toegevoerd worden: de haven, alwaar 
men eene ftapelplaats voor Indie maaken kan , is het 
cenigst voordeel , dat men van deez^ bezitting trekken 

kanj 

C*) Zie van de voorige Deelen N. Ag. L$tt. I. D. bl. 253 
en II. D, bl. 30. 



i^eS -^ aoimsRAT*j/iustzB 

kan ; men ziet *er echter geeire bedelaars, on dat iseti 
ikchts daar tweederléi..ftanden kent, dien van Meest&rs» 
en dien van Slaaf. DeszeHs bewooners beginnen zich op 
den Landbouw toe te leggen. Men vindt 'er aanm^e* 
lyke Ko&'y- en Suiker Ph^tagiëii ; men teelt 'er ook In- 
digo, welke de Araericaanfche te boven gaat; maar de 
Plaht, in dat Eiland» al te droog (taande, zal derzelver 
teeling wel dra Verwaarloos^ worden » om dat zy de ver« 
tischte kosten met opbrengt ; men heeft niet nagelaaten , 
vericHillende zoorten van die Plant van Madagaskdr, van 
de Kust van Coromandel. van Agra^ van Bengale, van 
China, van America, op Isle de France te brengen , om 
die daar te naturalifeereo ; maar de uuflag beeft daaraan 
niét beantwoord, het fchynt, ddt iy allen ontaart zyn, 
en dat de Amerikaaofclie foort de beste niet was, ver- 
mids d^eze in alle de proeven , welke men met d^zebe 
genomen heeft, niet meef,dan de helfc, heeft opgeleverd 
van het. geen uien daarvan in de nieuwe wasretd trekt. 
' „ De Heer de Cosftgni , een der yveriglle Planters in dat 
Land, heeft zeer . gewigtige ontdekkingep., omtrent dat 
onderwerp, gedaan, welke in zyoe Verhandeling bver de 
Jndigoteelt vervat zyn; een Werk, dat de Regeering te 
IsU de France heeft doen drukken. 

„De Speceryen geeven een gegronder hoop;deHeereA 
de Tremignon en de Coaivi bragten dezelve aldaar in 
de Jaaren 17Ö9 en 1771. Deeze twee tochten wierden 
gedaan door den Heer Poivrc , Intendant van Is/e de Fran^ 
ce ep Bourbon , die deeze twee Volkplantingen zoekende 
te verryken , niets verzuimde , om baar deezen nieuweir 
Tak van Koophandel te bezorgen. / 

„ Men heen tot heden toë gewild , dat de Speceryen , op 
IsU de France gegroeid , hunne eigenfchappen gedeeltelyk 
verliezen zouden , maar zy , die dit VQorgegeeven hebben , 
zyn bekend voor lieden , die den roem des Heeren Poi^ 
vrc^ welke hy, geduurende zyn beftier, behaald heeft , 
wangunftig zyn. Deeze Intendant, heeft in de Volkplan- 
ting , vyanden gehad , en heeft 'er nog, om dat hy, die 
nuuig is, den nyd altyd ten doel ftaat, en het llaj^tofFer 
der ondankbaarheid is- De Speceryen komen op Isie dó 
France zeer wel voort; de Kruidnagelen Boomen, van 
zaad geteeld , ftaan heden met Nagelen bezet , die , voor 
die,. welke ons de Hollanders verkoopen, niet behoevea 
te wyken , en de Franfchen zullen hen in 't kort jiiet al- 
leen kunnen misfen, maar zelfs van die Speceryen aan an. 

de. 



NAA^ DS ODST-WmBIflB'^ CHINA. aop 

dffse Natiën kaönen vcrkoopen. Oe Miiskiarfn-Booinén 
cyii zo wel niet geflaa^, om djat die onder de Rooraen 
mi tweêëriei Sexe behooKa^ kn inet> deese huune boe- 
dooighekl niet kende; zo dat 'er flegts weinige Wyfjes- 
fcoonien onder bet getal ,deri grenen , die men aangebragc 
beeft , gevonden zyn :, het welk oorzaak gewee&£ is , dac 
ty zich zo» cas niet bebhien kunnen .vermenigvuldigen als 
4t Nagelen 'BQDn)ea:>^Dee£e gelukkige., poogingen zyn 
wel waardig, daCiZy 0lle.de oplettendbeid der Coloniscen 
bezig* houden ; maar : betris ce vreezen, dat de Ëuropeaa»- 
nen ,. die haar dat-&ilaütl...overfteeken,. ben van her een 
ovcwerp op hetaoder ithijlen doen^ vdlen, door hun buur 
ne Systemaiieke gsil^n.ni^^e te deèlen\ en dat ey de 
Koffy zullen haieo v^tacsn , om Katoen te pbmten , welke 
jcy verwiJg^ns wederom zullen uitroeijen, om. Suikerriet^ 
Korenmais of Maaidk te teelen. Ëen der grootfte biadev* 
f»alen voor de vorderingeo :van den Landbouw i& ook 
dit 9 dat geen Euiopeofanv daar intiir. toe, overglaat» met 
inzicht^, om 'er een doorgaand Jdttblyt te houden ; Acft 
gaat daar voèp drie of vier iaareof ,\ ^eduurende welken 
tyd jnen zich tracht te verryken,- door het vi^eiiirg. geld , 
dat men. mede gebrlgt heeft,, op. de Scfoq^en* te vrStgêk 
die, op Madagaskar óf Mozambique» Slaaven gaan kooi* 
ftn^ een handel, die.gpwoonlyk veel voordeel aanbrengt.» 
gelyk meest de zolken^ die de Natuur ohtt^eren. . ' 

„De Inwooner beOeedt zyne overwinst nooit tot verbe» 
tering der Landen; de Sbaven werken üxpr^ wat kan m&k 
vsn een ellendigen veiwagten, die .men door geweld van 
fweepflagen dwingt ^ de idcevest , van Jtet geen by gtkoet 
beeft « on te brengen ? ik heb menseblievende en mede- 
lydende Meesters gekend,, die hen niet mishandelden, en 
hunne flavemy vetzachtten, maar zy Z3rn zeer weinig 
in getaC De overigen oefenen >eene Wreedc en ommei^sch- 
te tsramiy. De Slaaf, na dat hy den gebeelen dag gd- 
«veikt heeft, is genoodzaakt, zyne kost in Ae bosfchen te 
gaan zoeken , .en leeft alleen: van ongezonde wortelem Zy 
llerven van ellende en mishandelingen , zonder het allei^ 
gëringOe gevoel van medelydeii op te wekken ; ook laaten 
zy geene gelegenheid voorby gaan ^ om hunne ketenen te 
irerbreeken, en in de bosfchen eene onafbanglyke armoede 
te gaan zoeken. 

„Alle poogingen Jer nyverheid vermoogên niets op den 
onvruchtbaaren grond van Isic de Ftanct ; bet zal zyrie 
kewooners altyd ne( on^kbaarheid beloonen, zy zullen 

zich 



ftIO SOimSRAT'S RBXZt 

zidi daar hoek de aangenaamheden vait het leven kunnen 
verfcbaffen;^anc9 zonder de verwoestingen ^ welke de 
Orkaan^n aanrechten, te rekenen, hebben zy ook te wor* 
ftelen tegen een legioen Kotten en fchaadedoende vogelen p 
de Sys en de Dikbek of' Kersrevtnk van Java, welke men 
eerst had overgebragt als zeidzaame Vogeltjes , en zorgvul- 
dig in kooitjes hield , xyn daar thans zo zeer vermenigvui* 
digd» dat zy byna alle oogden verflinden. Om hen van 
de bezaaide Landen tekeeren, is men verplicht, verrchei* 
den Zwarten op fchildwacht te zetten » die geftadig Tcbieeu* 
wen, en iu de banden khippen.De Ratten zynin zulk^eeoe 
groote menigte , dat zy dikwils , in eenen enkelen nacht , 
een veld met Mais kunnen opëecen ; zy eeten ook vruch* 
ten , en bederven de jonge Boomen , door de wonelen af 
te knaagen. Dit was /zegt men, de oorsaak, om welke 
de Hollanders dat ILiland verbaten hebben. 

,, Ueece ichadelyke Dieren hebben de aandacht der Re^ 
jgeering bezig gehouden;. elk der Inwooneren is verplicht, 
«een zeker getal derzelven te dooden,- volgens het gecal 
der Zwarten, die hy. bezit, en moet de koppen der voge» 
Jen, en de Üaarten der roeten, die hy gedood heeft, aan 
ket* Comptotr der Policie zenden. Maar alle deeze voor* 
'SDorgen kunnen niet helpen. Het is onmogelyk, dat men 
zich van dezelve ontdaan kunne, ten^zy 'er groote roof* 
vogelen en benden foldaateu , ter gehyker tyd,hen te keer 
gaan ; het was op deeze wyze , aat men voorheen de 
Springhaanen venlelgde , welker getal zo ontzaggelyk groot 
"was, dat, als eetie wolk, uit zulke Infeden be(hande, 
op een veld mfet Ryst» Mais of Koren nederviel, *er geen 
overblyfzel van deeze gewasfèn meer gevonden weidt. 
£en vogel , Mardn genoemd , een foort van Merel ^ uit 
Indie overgebragt , maakte zich die Infeéten tot aas ^ en 
^e Regeering verdelgde bet overrchot; maar de tnensch, 
die niet dan het tegenwoordig kwaad befpeurt, wierd dra 
moede zynen weldoener voor zyiie oogen te zieii, ea 
ondanks alle verbod, doodt men dagelyks veelen dier vo» 
gelen. 

„ i/fo de Franct was altoos noodlottig, en zal zulks 
«Itoos zyn voor de bezittingen der Franfchen in Indte. 
Men meent dat dat eiland het middenpunt van bunnen 
koophandel is , en dat de troupes , welke men daar ondez^ 
houdt, in tyd van oorlog eene fpoedige hulp aan onze 
Komtoijren kunnen toebtengen; maar men weet dat mea 
vier maanden nodig heeft om tydingen en bevelen naar 



NAAR DB OOST-INDIBN SN CHINA. ftll 

liU dt 'Francc te brengen: welke naornigheid men ook 
aanwende toe het geen *er te doen is^ aWoorens men de 
troupen kan Infcbeepen , verloopen 'er echter nog acht 
anderen; ook is het altyd een jaar daarna geweest^ dat 
alk de naar üidie gezonden esquaders ter plaatfe hanner 
beftemming gekomen ^yn. De Engeirchen daar en tegen 
hebben hunne tydmgen in zeventig dagen (♦); meesters van 
Indie zynde^ hebben zy daar een aanmerkelyke krygs» 
siacht, en verjaagen de Franfchen geheel > alvorens men 
• op hl^ de Franec. de tyding van den oorlog heeft. Om 
ons in dat ryk land (laande te houden, hebbeen wy nood- 
wendig een haven op de kust van Malabaar nodig» .van 
waar onze Esquaders (en allen tyde die der vyailden in 
het oog kunnen houden; men weel dnt men bet verlies 
van JPondichery tweemalen aan het vertrek der esquaders 
verichuldigd geweest is, die de kust van Coromandd 
verlieten om weder naar hlc de Fr ante te (levenen. 

„ Schoon hlc de France maar één ftip op den aardbol 
beUaat , is dat eiland echter het aanmerkelykst gedenkQuk 
van de omwentelingen, welke de aarde ondergaan heeft. 
Attes, waaruit het beftaat, is met yzer vermengd; alles 
is door het vuur gegaan ; men vind *er zelf» den mond 
van een uitgebluscbte vuurkolk ^ en verfcheiden diepe ol^ 
deraardfche' booleo^. 

.,».De luchtftreek is daar zacht, gematigd, zeer gelyk:, 
men vindt 'er geen fenynig kruipend gedierte ; men kent 
'er geen ander vergiftig dier daiv den fcorpioen en. den 
.doizepdbeen. . 

,vDit eiland was eertyds zeer ge^nd; maar zedert men 
den grond omgeroerd heeft, is men daar de Koorts on- 
derworpen. Dehaltfen dat, houdt het rivierwater (gelyk 
•de Heer decasstlNi, .in zyn Traite de Findigoterie zeer 
we). aangemerkt beeft) veel flym in zich door de ontbin- 
ding van de gewasfen, die in hetzelve nedervallea,'hfic 
: geen verftoppragen 9 hloedvioeijfngen en buikloopen ver- 
'oorzaakt, die moeyelyk te geneezen zyn. 

„ lüe de France is de meeste zyner groeijende voort- 
. breogzelen aan yvecige reizigers verfchuldigd , die dezelve 
vit Indie, Ohina, van de Kaap de Goede Hoop,, en 
iMt Europa gebcagt hebben* De Osfen, gelyk ook het 
meeste gevogelte y komen van Mtdagascar, en de Paar- 
den 

(*) (Zie j. CAPPER's Onderrlgtingen wegens het Reizen, enz. 
In de in/Wrfin^, bl.:XViir.> 



^1^ apwat at'a rbize 

den vtn het eiland Bourbon en van de Kaap. De k\M 
is zeer viscbryk; zy levert een menigte fchelpvisren , fteei^ 
planten, Maarcf^ras ^tn z^elfa kooraal op; de groenten 
zyn daar goed, het verkeusvlee^ch voórircflyk, de dop* 
«rwten en artichokken zyn zo goed als die. in Frankryk; 
nen begint 'er thans . Aardappelen te teelen, welke men 
van de Kaap heeft aangebragr ; de patates zyn 'ér zeer 
gemeen; op fommige plaatfen flaagen de kudden wd en 
•bieugen veel winbt aan; maar alzoo men geene andenn 
<lan zieke of by ongeluk geftorven beesten in het ilagt^ 
buis. brengt, eecen de bewooners der haven niet dan 
üegt, vleesch. 

,) Het voefdfel der zwarten is mats, ipaniok, patetes, 
cambars^ en worulen van Songe; de gemeenfle vnichtcb 
2yn de verfchUle^de foocten van Bananes, de Ananas, 
tde Goijavo, Jambos!' (.^^M/^ra^^^) en Mangen. Men vindt 
'er ook Perflkken eo Appelen, maar behalven dat zy niet 
ketbeen zyn 5 kannen zy op verre na niet by die van Eu* 
jopa haaien; Cbmmige ftreeken brengen ook vrugcen en 
Aardbeziön voort. 
, ,, Men begint 'er nog eenige andere goede vruchten tt 

Ï lukken, dank zy de zorgvuldigheid van eenige yverige 
,andbewooners, vmraL den Heer c f. ré,. Opzichter van 
's Konings tuin, die, door het geheel eilaod^zaad van 
JJitrchi, van Longaoe , van Wampi, van Avocat,. van 
£vi of Cytbereavrucht , van de Kima of den brood- 
boom; van Cacao, van Kruidnagelen en Mnscaaten» 
van Ravenfara, van Sandelhout en anderen, heeft verfpmd. 
•De' Heer de cossigni, die den fraaiflen tuin van de volk- 
planting bezit, beeft zich ook beyverd om de zeldzaa- 
TOe en dierbaare planten, welken hy mét gtoote kos- 
ten van Europa^ van de Kaap, van Batavia, van Chü 
^na en uit Inaic heeft ontboden , te vermentgvuidigen^ en 
:den .inwooners mede te deelen. 

Wat het hout aangaat, het ebbenhnut is zeer gen^eo; 
men vindt 'er zelfs •^erfcheiden foorten van, gelyk het 
^wart, het wit en het gemarmerd. De Heer linnaus» 
de Zoon , heeft onlangs het geflachc van deezen boom bé- 
"paald, dat men nog niet wist, hy rangfcbikt denZehren 
onder de l^iospiros. Toen wy nóg op China handel dree- 
ven i WIS het ebbenhont. een artikel van uitvoer; onder de 
«ndere foorten van hout is 'er geene, die tot bouwen 
dienen kan. De houten van hU de Franco zyn in het 
algemeen te zwaar, en krimpen omophoudelyk, Datvja 



MAAR qO&X^INCaN KV «CHINA. «13 

T!^kmsk^'f het eenigst ^at oieQ des na0d6 g^brui)ren kan» 
geeft e^pie barst, van welke men asjch in (ie Geneeskunst 
bedient, en die onder den naaoi van Takaniaqué bekend 
18. Het bont van den Kaoeelboom wordt gemeealyk 
voor fcbrynwerk gebruikt , het is fraai geaderd , maar bet 
neemt verfcheiden maanden, nadat bet verwerkt is>eene 
ftinkende reak aan; het natte hout. Appelboomenhout 
ea Takamakahout dienen gewoonlyk voor timmerwerk. 
De Heer aché heeft onlangs een zeer fraai hout ontdekt, 
dat men vooreene foort van Roozenhoüt heeft aangezien, 
maar dat het niet is. 

„ Islc de Franco is zeer Wildryk ; men vihdt 'er pintadea 
of paerelhoenderen in overvloed» gemeene ^n gepaerelde 
jpatryzen , tortelduiven , corbigo^ , twee foorcen van haazea', 
die naar de Ëurofdfche gelyken; de eerfte foort, die klein 
I5, beeft jso veel van het konyn als van iien hsas,.zy 
graaft niet in de aarde, baar tyf is lang, faaara ooren zya 
lort, en haar vleesch wit. De andcra foort is grooter, 
maar echter nog kleiner dan dki van Ekiropa; haare ooren 
zyn korter, haar hair is glad. en kort, zy is daarenboven 
zeer wel te onderfcheiden door eene zwarte driehoekige 
vlak, welke zy achter aan den kop heeft. De herten bc»- 
ginnen minder gemeen te worden; om de geheele uitroei- 
]ing derzelveu voor te komen, is de Regeering genoodzaakt 
geweest eene Ordonnantie uit tp vaardigen, waarby ieder, 
die overtuigd wordt een hert gedood te hebben, in boete 
geflagen wordt." 



&n hanè vol Aanteekeningen op den tweeden Èrief van Jen Heer 
p. y* HitMERT over de Rede en haaf Gezag in den- Gods-' 
dienst. Je Utrecht by A. van Paddöaburg , i78<5. ïii gf. 
octavo 9 98 bhdz» 

De huii vol Aanteekeningen te rug gekaatst * of de Spottef ten 
toon gejtild. Te Rotterdam by A. Vis, 1786. Behalvm de 
Voorreden 266 bladz* In gr* octavo. 

'T*wee Gefchn'ften, waer ïn Parryen/er op uit iïyn, om elkan- 
der in een belpotlyk licht te ftellen , waer uit de Lezer nfet 
"^«el nuts kan tpekken. De Sehryver der Anntefkeningen legt 
het *er gemeenlyk op toe, om haetlyke of belacWyfce 'gêvQjgen 
tót deze en gene Hellingen vjn den Heer van Hemert af te lei- 
den , en de Heer van Hemert , zyn Party briefswyze beant- 
woordende, nir.ekt 'er zyn werk van, om het voorgedragene al 

11. l^%tL. N. ALG. LEI T. U^S* P ^V^^^ 



2i4^ 4ANtBBUfnifoiKr» 

(fxKtetkte goed te krareo, en hoog heladilyk te maken. ■■ 
Wy Mlten 'er den Lezer een klein proefje van geven« ■ 
De twintigflé aentekening luid aldu& 

^ M. itfó. En ^Jckém dé laatfle (de voorwerpelyke rede) 
hjfekêuwé W9rdi , ^uittn öpzichi op het werkzaam verftand iéf 
menjchen^^ yfOÊfd—r u etv^fwtd wordt; en men f door aftrekking 
ytn denkbeelden f om denjchakel kan denken » zonder zich wetens 
voor te fieüen% iie Mtrent denulven verkeeren: kan men echter 9 
eifenlyk geffroken^ aan de voorwerplyke rede denkende ^ het mensch- 
lyl ferfiand niet geheel uitjluiten t dewyl het zelve mede tot het geen 

waarlyk beftaa$ behoort; fioftot befchouwing verfchaft aan 

denkende wezens i- , niet kmt gemiit worden in denfchakel yen 

*t Heelal; niet nalaat ^aUoos van de zogenaamde eerde waar- 
beden gebruik te maken i en — — wanneer het werkzaam is 9 nooi' 
'zaékiyk eene beftendige en onmiddelyke bewustheid zyner werking 
heeft (*> Deze diqpzinnige redenering, in verband befchouwd 
met het vorim eo volgende, lèoet eigenlyk dienen tot bewj^t 
dat de ooderfcMidtag tusTchen de voor* en ooderwerpelyke reden 
van dat belang niet is , als mee meeat» M dat de onder werpelyke 
rede» ons verftand, de dgtollte ptoeflieen der waarheid is« 
Verg, bl. 164. 

,, rfetm niet kwaalyk Myn Beer, dat Ik al wederom van uwe 
eigen woorden gebruik make, alleen oièt verandering van onder- 
werp« Men kan, eigenlyk gef preken, aan de voorwerpelyke reden 
ienimde , het verjland van een menSch in het dolhuis niet geheA 
altfluiten f dewyl het zelve mede tot het gene waanyk beflaat be^ 
hoorti ftof tot befchouwing verfchaft aan denkende wezens ; niti 
kan gemist worden , blykens de ondervinding, in den fchakel van . 
ïsH heelal ; en , wanneer het werkzaam is , noodzakelyk eene he- 
ftendige en onmiddelyke bewustheid zyner werking heeft. Dus is 
dan het verfiand van een mensch in het dolhuis de proeffteen der 
waarheid! Wat zegt gy nur 

Dezen trek, dien de Aamekenaer ongetwyfhld vemufVig ge- 
oordeeld zal hebben, beslntwoord de Heer van Hemert ^ al boer- 
tende. op deze wyze. 

„ Overgaande tot de befchouwinge der rede^ draagt gy uwe 
aanmerkingen over dit (luk indiervoege voor, d it ik opregtdyk 
niet wete , of ik my van w^e derzelver bondigheid dan gees- 
tigheid meer moete verwondeten. 

„ Ik had, in mynen tweeden brief aan den HeerB., gefchre- 
ven, dut onze rede eigenlyk ons roenschlyk veriland zelfs Isp 
te gelyk metr de flof, welke bet zelve bewerkt, en dat, door 
deze twee dingen van elkander af te.nrdcken, de onder(che»« 
dbig Ta» ondarwerplyke en voorwerplyke rede geboren is; hoewel 

men 

(•) ttas vene de eisen wocvden via den Heer van Hmcrt eer aanae* 
hadder btediydc. 



£19 DIE TE %V0 GEKAATST* ^ ^1$, 

HM» ^cb noch het werk^saam verfimd zonder de voorwerplyke 
rede* liodi de voonverplyke rede» zonder het m^nscUyk ver* 
fiand. eigenlyk gefproken» k n voordellen. 

„ Hierover redeneert U. W. E , volgas de redcneerhisde vaa 
den* boogverlichten CramtCf op dase wyze: kan mm aon de 
v êê f wt rp lyke rede niet defUten^ zonder zich teveni ke$ winscUyk 
yerftand veor te ftelien; dem kan mm 9ok Mn dez^¥e nüt denkm « 
zender zich het ver/iand van em mensch in het dÊJMt wor te 
jMkm : de reden hiervan gevoelt yder eed : wie kan , by voor- 
beeld, aan een hu's denken, zonder zich tevens de puiuhoopen 
van een verwoest géboQw voor te fiellen^! ! ! De reden, waarom 
U. W. Ë. juist van eenen doizinni^en fpreekt, kan ik roet ze- 
kerheid niet zeggen; mooglyk dat gy de verWyfpfaatfen dier 
oogelukkigen, uit me schlievendheid , dikwils bezogt hebt; of 
dat uw lyfarts, dfe, volgenc het z^gen van onzen vriend Óti^ 
'Jeliusf een liefhebber der A^tro^^ie is, uwe horescêêp gerrok- 
iren, en u onvoorzigtiglyk voorpeld beefV, dat gy eindeiyk, 
door te veel vermoeijinge van uwen wysgeerlgei gees , inge- 
volge van het befluit des wacb erti, C<ie Hemel geve, dit zulks, 
zo bet gebeuren moet, ipade zy!) in, een dolhuis zult moeteqi 
bewaard worden. 

„ Dan w.t hier vm m<^e zyn, UWE. redeneert, naar die 
zelfde methode 9 dus voort; moet de rede ^ ms menschlyk verjland ^ 
de 'zakm toetfen , dan moet ook het verftand van een mmsch in 
hit dolhuis de zaken beproeven. Hierop vraagt gy my , wat ik 
nu zegge 7 Wilt gy het weten, Myn Heer? ik zeg d;p, dat, 
wanneer men u niet Ipoedig ten Hoó^lèeraMr in de Wysgeerte 
aanftelt, buitenlanders u wel rcs tot Ztch lokken, en met uwe 
utmuntende fcherpzinnigheid hun voordeel doen zullen: dit 
voorzie ik duidelyk, fcboon myn Han bidt, dat het verhoed 
worde! ik zeg wyders, ïiet ge^ eens tq;en een groot man van 
uw (borr gezegd werd ; 6 monfieur , fous etez né pour etre phi^ 
lofophe! ik zeg wyders, .... maar zngt! ik zoude wel alles zee- 
gen. Wat ik denk; ■ en hfer toe heb ik te veel van u ge- 
leerd! — -*— Het is kkar, Myn Heer, het verftand van em 
mensch in het gekkmhuis moet de waarheid beproeven , C^f » om met 
u te fpreken, de proefftom der waarheid zyn.) Waarom^ Om dat 
de fffde, othet mmscklyk v^Handfde zaken beproeven mtiet. Door 
eene byi moet het hout gekloofd worden ; derhalve ook door ee- 
ne bvl . weQce aan ftukken gebroken of bedorven is ! ! 

„Yder een ziet van zelf* dat deze ongerymde gevolgen natuup- 
lyker wyze uit de ftelling voordvlodjen ; en dfe dit niet ziet is 
bUnd: weshalve UWE. ten rechte beOuit, dat 'er wel deeglyk 
onderfcheid is tusfc^^en de voor^ en onderwerplyke rede, en d«t 
niet het mensehlyk verftand f maar de voorwerplyke rede, de proef- 
fteen der waarheid wesen kan. 

n Ot kan niet deiten , dat eenig rreiffifig » die flegts ééo greintjcn 

P % wys- 



2X6 AANTEEKENINGBN» BIf DtJ^ TB KUGL CEICAATST. 

wysgeerrc bezit, aanmerkingen op deze uwe redeneerfng maakeo 
zal. Een halfblanks filofoof tnogt u toegraauwen; Myn Heeft 
^ryf Uwe oogen eens uitf fntdt uwe kaars eens f en lees mei den 
hrii öp ien neus^ wat uw^ vriend, welken gy mderrigtm wilt » aan^ 
gaande het gezonde verjland^ aan den Heer B. gefchreven hebbei*) l 
Maar, vaderlief, by aldien u fets diergelyks "wedervaren niogt, 
vermoei u dan toch niet, bid ik u; maar doe het my metdea 
eerften weten! ik beloof u, dat ik dan den onbefchaamden wys- 
ncus Zal naryden, en niet rusten, voor dat hy zyne woorden 
in zyn hals zal gehaald, en aan uwe geregtigheid, op de volko* 
mcnite wyze, betaald hebben^" 

Een enfeele trek van die n tuur gevalt zomtyds in een Twist- 
fchrift , maer een Twistfchrift voor 't meerencfecl in dien finaek 
opgcfceld , heeft iets vervelends; en *t is te hoopen dat de Heer 
van Hemen , fchoon hy hier zyne party ver meester zy, *er zich 
xiet "Wcder toe zal laten vervoeren. Het tvnstgeding over de 
iLede is te ^rnftig voor eene boenende behandeling : en 't was te 
•wenfchen , gelyk we roeds by den aenvang betuigden (f) , dat 
de behandeling van dit onderwerp zich tusfchen de Heren Jw- 

inet en van Hemert bepaeide. 

ft 

' <♦) Tweede brief, bt. 184. Vervolf. 

Ct) Zit jlig. Vod. Leturoef. VII. D. bl. 8. 



Esther in vier Sèéken^ door P. moens en A. van overstrate». 
Te Haarlem, by A, Loosjes Pz., 1786. In gr. 8yo. Bekahen 
tiet Foorwerkp 102 bladz> 

ESTHER, met groote reden, by het Joodendom tot op deezeti 
dag in blaakende hoogachting, afs de naakomelinglchap van 
Abraham uit het dreigendst gevaar gered hebbende, verdient, 
zo uit hoofde van de betrekking waarin wy als. Christenen tot 
oud Israël liaan, als om haare uitfteckende Vol'kstrouw, onze 
byzondere aandacht. De JufT. moens en overstraten fchynen 
ook van dat gevoelen geweest te zyn, ja hebben haar zelfs ee- 
ne fiaaije Dichtproeve waardig geoordeeld. Overvloedige 
fchoonhcdcn van dit Historisch gedicht veroorloven ons dezelve 
dien naam te gecvcn. Op veele plaatzen,'t is waar,blykt het 
Dièhtftuk een voortbrengzel te zyn van jeugdige Geniën, door 
eenige oneffenheden, die, fchoon wezenlyk van weinig aanbe- 
lang , egter genoegzaam zyii , om den fchitterenden luister te • 
•vcrdooven, altlians . eenigzins te verminderen. Deeze Verten 
zyUf ondertusfchen , onzes achtens, veel hooger te waardee- 
ren, dan die, w^elke, fchoon volkomen aan de kunstregelen 
beantwoorc^nde, het duidelykst gebrek van wezendlyke Uenie 

Ter- 



P. MOBNS £N A. VAN OVERSTRATIN, ÜSTHER. 21 ƒ 

vertooBen. Tot eene kleine proeve diene de befthryvlug vaa 
ESTHEJt, daar zy voor den Koning geleid worde 

Ifanneer de Lentezon de lieve roezenblaén 
Qniyouwt , bepaereld met een fchiu*rend morgendropje f 

Dan laekt haar zfigte kleur den llyden daagraad aan % 
't Verliefde kêeltft Jpeelt in *t geuren aêmend knopje. 

Zo pronkt Adasfa thans met jeugdig hheijend föhoon: 
Geen weelde of weidfche pracht fchenkt haar geleende zwieren; 

Natuur Jpreid al haar ^lans en heerlykheid ten toon f 
Laar Minzaamheid en Deugd haar ep 't bevalligst eieren. 

De roos Ar Welvaart bloost op '^ lelieblank gelaat. 
De maagd'lyke Onfchidd lacltt in helder flonk^endé oogen. 

Haare eed'le ziel f zo vry van list en eigenbaat f 
Maalt in elk trekje ^t Jehoon vun 't zuivre deugdsvtrmoogen. 

Haar golvend hair is met ètn bloemfestoen' getooit^ 
Haar zedig fchoon kan zelfs de fiugfle Jtarten' roeren. 

Haar losfe kleeding y om den poeslen hals geplooid f 
Is 9 naar *s Lands wys^ bepronkt met goud en paerelfnoeren* 



Krygsliederen van Mr, j. ^. klein en Vrouwe A. kleyn, geb. 
ocKERSE, No. 3. Te Utrecht 9 by G. T. van Paddenburg en 
2iOon» 1786. In 8vo. 16 bladz* 

Wiet minder fraai, dan de voorlge Ns. \s dit tegenwoordig 
^ TO)r on« liggende. Onder fiet keurig Siloueth van den zo 
vToegtydig geftorven Zeeuwfcben Dichter Jkllamy vindt nica 
deesse uitfteekende Dichtregels. 

En gy'f myn Zeeuwfehe zanger 1 

Zyt gy zo ras geveld? ■ ^ ' ' 

Hy was , Bataaf fche Helden I 

Uw Bard en zelfs een Held. 

Js dan geen geest ^ hoe fchittrendf 
' Voor uwe wraak' behoed f 
Daar ge Eeuwenlang t der waereld 
Tot last f Polypen voedt. 



P 3 é Dood! 



ftll J. p. K£iBTN , JOlYGSUEOBtENé 

I Dêod l -^ %jn heft wês éietf 
Men rtrMryk Unn vMard! 

Bimmder ware uw tegen^ 
Had$ ^ hem ioêi g^f^émri. 

Sreed was zynfmfche boezem f 
Zyn jeugdige asm was zwaar! 

-JBy was gefpiêrd teu JIrydfr 
Oêfchaapm veer gevaar. 

Der Barden LievUng was hy: 
Een Zmneftraalt zyn lied; 

Wen sy • dêw LenteweUtent 
Beur glans ep aarde JMet i 

Jal vrisndlykf als de LenêSp 
En glanzend t was zyn geestï 

Hy wasp voor NeêrUmd, aUesl 
Ons alles, aehl geweesti j 

it Zingt Nakomelingen! 

Hem 9 groufsher Treurgezat^i 
Men weewt om zulk een zanger $ 

Jn Neêrland^ Eeuwen lang. 



Ter Gedachtenis/e van bellamt.^ Te Aatfierdam, by A. Mens 
Jansz» 1786. In gr. %vo. 57 bladz. 

TTenige Gedidïü 
*-' algemeen •iiM 
kunst» fpreekeo. 



TT enige Gedichten ter gedachtenis van Bellamyf die» over het 
^ algemeen • meer de taal der Vriendfchap, dan die der Dicht- 



Lykdichten^ ter Ged^tenisfe van den ' Vttmuntenden Nederland^ 
fchen Dichter 9 den Heere DB boscu. Overleeden te Amfleldam 
den 27 llm van ÏFynmaand des jaats 1786. Te jÉmfierdam^ by 
P. J. Uylenbroek, 1787- 4' bladz. In 4(0. 

Een fraaije verzameling van Gezangen» der Gedachtenis van 
eeoen zo kundigen en braaven Man zeer waardig. 



Ztf- 



€; G* lALtSMAN 9 KAK2L VAN KMltUlna. flTf 

Karel van KareUberg, êf Téfreel vtm ée MenscfUyke Blende. Door 
C G. SALTZliAN. ÜU hei Hê9g4uiesch ^ertêald. Derde DeeL 
Te Jmfieréum. hy de Wed. J. Doll, 1786. Jn Sv9. 384 bMz. 

To dit Peel flaat de Gelcliiedeitis.van den Held van deezen Ro^ 
''miD genoegzaam ffilr en egter hebben wy dit Deel weder^ 
om met ved genoegen doorleeaoen ; ntt de VeHcheide oreflen- 
de .Tafiereden Idesen wy het volgende ter proeve ; zynde een 
gedeelce van een Zamenipcaak , tusrchen Braaf en eenen Heer-- 
krandf <me • door zyne Studiën , oogelchikt voor de zamenleeving 
geworden is. Braaf vraagt hem , bf hem aan tafel zittende , boe 
hy de Wyn vondL 

„ Heerbrand. De Wm ? wel. die is zeer>goed. 
. Braaf. Wat deidtt gy dan dat het voor wyn isl^ 

H. ik — — - wat het naar myn gedachten voor wyn is? Wei 
vr^ is *t niet Madera? 

B. Gy flaat den bal verre mis» myn Heeri Het is niets dan 
oprechte Medok wyn. De Madera wyn is immers niet^ rood. . 

H. Is hy niet rood de Madera wyn? Dat heb ik niet geweetcn. 

JL Gy zult die toch wel gedronken hebben ? 

H. Heb ik bem gedronken of heb ik hem niet gedronken? Ik 
weet bet zelft nief • 

B. Ik zou toch weeten, dunkt my» wat ik dronk. Ik geloof 
waarlyk , myn Heer Heerbrand \ gy weet ook niet wat wy tbana 
^oor een gebraad hebben gegeeten. 

H. Ja, dat behoeft gy my toch niet te vnagen. Was 't niet een 
Lamsgd^ad? 

B. Myn Heer! myn Heer! waar h^ gy qwe gedachten? Het 
waren immers patr^zen? 

CHy wreef %yn veerhoefd • drenk weder een glas wyn • Jhldi 
Mtch in postuur 9 regebelde, fneot de neu» » en nubegen hy r> 

n Ja lieve Vrienden! gy moet geduld met my hebben, ik ben 
een leer arm ongelukkig man. Ik (chyn wel in de waereld te 
zyn, ben 'er egter in de daad niet in» maar altyd afwoezig. Stti 
u een mensch voor» die de oogen altyd op den Grooten Beer» 
de Kasflopea» en de hairen van Bereuice vestigt» en alle de vl. 
ooltjes» welke voor zyne voeten bloei jen» zonder dezelve te 
bemerken; vertrapt; dan hebt gy een waar denkbeeld van my. 
Ik eet en drink; maar ^roef niets; doorwandel de fraalüe ho- 
ven» en zie niets; ben in het gezclfchap» of het concert, in 
den Ichouwbui^» en hoor niets, ö God' ik en. myn leeven 
ook aio moê, ik heb 'er zulk verdriet in, dat ik geenen dag 
roet grooter verlangen verwac t» dan den dag van mynen.dood, 
'Want» Wat baat my 2X het ^oede en fraaiie inde waereld» wan. 

1 neer 



neer ifc *er geen gevoel van heb ? Ik gaa de waereld door , ge- 
l)rfc een blinde eea kabinet met fchilderyon. ' 

Wat verder gaat de zelfde man op deeze WfZt » over de op. 
voeding der Geleerden,; dus voQtt. 

„H. De geheelê opvoeding, welke wy genieten, fchynt 

Oaarop toe te leg^ , om ons aan de aAreeïBigheid der gedidl- 
ten te gewennen. Wanoeer ik nog jong zelde (dit zal Mge- 
twyfeld een drukfout zyn^en zynde moeten wezen) lette op «t 
geen my gebeurde» wierd ik gefla^en; ct wanneer ik, inte. 
gendeeK myne zintuigen verdoofde, en my 'm den geAt naar 
Iialie, Griekenland of Palesdna verplaatfle, wierd ik gepreezen» 
en alle myne medeleerlingen tot een voorbeeld -vooraefttid. 
Noodzaaklyk moest daardoor by my de begeerte omftoken wor- 
den, om tegen myne nafuur tè wörftelen, en het ao verre te 
brengen, dat ik in de waereld zyn kon, zonder te letten^ op 
•igeen in dezelve omgaat. 

B. Op die wyze zyt gy Immers tot de geleerdheid opgeleid, 
gelyk een vink tot het zIngein ^ 

H. Hoe brengt men die tot het zingen. 
^ B. Men maakt ze blind , opdat zy hunne jgehedle oplettenbeid 
moeten vestigen op het zingen* 

: H. Deeze gclykenls i» zeer gepasf. Ën ftcl u nu voor, hoe 
zulk een blinde Vink zyn moet, wanneer hy in het bosch by 
'anderen konit! dan kunt gy ligtelyk begrypen, hoe ellendig ik 
ki de jnen6ch]'>^e Maatfchappy zyn moet, dewyl niet alleen 
myne oogen, maar bykans alle myne zintuigen, ongevoelig ge- 
maakt ayn.'^ 

Op dcezen trant gaat de kundige Schryver voort, en 't is ik 
aen eerften opflag onbegrypelyk , hoe een Taferee! van Menfcho- 
lyke Ellende zo uitlokkend kan gefclireeven worden. Alleen 
komt ons de Nonnenhistoriet, bl. 318. en vervolgens, wat te 
Romanesk voor, en zou de Schryver langs geen andren weg 
eyo oogmerk hebben kunnen b^^iken ? 



♦ ^ 
^ 



ALGEMEENS 

V ADERLANDSCHE 

LETTER^OEFENINGEK 



De Bjbel^ door bcknope Uitbreidingen en ophelderende Aen*^ 
merkingen verklaerd^ door j. van nüys kllnKrnbrkc;,' 
A. L, M. TheoL en PhiL Dr. Roogleeraer in de H. 
Godset, en Kerkl. Gefch. aen het UI. jith. , en Predikant 
in de Gemeente te Amjlerdam: mitsgaders Lid van hei 

• Zeeuwsch Genoot/cliap der Wetenjchappcn te Vlisfingen. 
DerUende Deel. Te Amjlerdam by J. Allart ij 86. 

^, Behahen het Voorwerk 632 bladz.in gr. oSavo. 

Na het behanJekn der Gefchied- en Dichtkundifite Boe- 
ken van den Bybel ,' komen de Prophetifche Schrifteii 
in overweging , onder welken de Godfpraken van Jefaias 
de cerlle plaets bekleeden; tot welker opheldering de' Hoog* 
üeeraer zich in dit Deel bepaelt. Onze geachte Bybeli^it- 
legger is , in de verklaring van 'dit gewigiig Boek , dèör* 
gaens zeer oplettend óp ene oordeelkundige fchifting en 
verdeeling der Prophetifche Leerredenen , welker fnhoud 
hy leerzaem uitbreid en opheldert , met een befcheideti 
voordragt van zyn gevoelen over de voorfpellincen vért den 
Propheet , zo nopens de lotgevallen van \ Joodfche Volk , 
als rakende den Mesfias en de Euanselie-Kei-k. Zyn Hoog* 
eerwaerde behandelt dit Stuk , in 't een en *t ander op- 
zicht, zo beknopt en te gelyk volledig ïn zyne Toort, dat 
Bybcloefcnaers 'er zich met vrucht van zullen kunnen be- 
dienen. Men oordeele hiervan enigermate uit het gene hy 
ter opheldewnge van Jef. u. 2-5 bybrengt; waer ovet hy 
het volgende eerst vooraf laet gaen. 

„ De tijd , wanneer deze belovte zou vervuld worden 
heet het taetst der dagen, vs. a. 

1. Het laetit der dagen betekent , in den ftijl der Joden i 
aentiid van den mrssias, of van het Nieuwe Testamept* 

Zy verdeelen de ganfche geduurzaemheid der waereld 

in drie tijdperken, voor de Wet, onder de Wet, en in dê 

dagen van den messfas. De tijden van den messias 

heten, niet alleen in het Propheiisch woord, het laetst der 
dagen , verg. onder anderen, Jer. 48: 4f. macr prtrös 

IL DBBL. M. ALG. t£TT. NO. 6. Q fpreekt 



te ft J. Vak NUYS RLIN&ElliERG 

fpreekc ook van de laetfte dagen , Hand. a: 17* en PAUtus 
van het einde der eeuwen, 1 Cor. 9: si. — r— Trouwens» 
mee het; hoogfte recbt*, wordt dt tijd vnn het. Ëuangelie 
hei laetst der dagen genaerad: om dat dezelve, met het 
eindigen d^er oude huUhoudipge , eer\en ^envapg nemea 
aoude;* en om dat de bedeeling van bet Ëu^ngelie de laet- 
lic is; zo dat 'er, na dezelve, geene verandering meer in 
ót huishtjuding van Gods Kerk zal voorvallen. 

„ AUeenlyk komt bet nog in bedenking , of deze belov- 
te haer uitzicht hebbe, op de eerfle dagen van het Euao- 
gelie; dan A^eï op den heerlyken ftaet der Kerke, welken 

wy nog in den avond der waereld te gemolet zien. 

Onzc?s erachtens , moet het op de eerde wijs begrepen wor- 
den : niet alleen om dat de vervulling van alle de byzon- 
derheden, in den (lerkften nadruk, in het begin der Ëuan* 
gelifche bedeeling kan worden aengewezen; maerook voor- 
namelyk, om dat toen ter tijd des hebren woord en wet» 
wit Jeru&lem, tot d(? Heidenen is . uitg^gaen. vs. 3. • — ■ — 
Wy.ondcrfcheiden in deze belovte twee hoofdzaken. LDe 
verheffing van den Tempelberg, boven 'alle andere bergen 
van den wijden aerdbodem, vs. 51 . IL De merkwaerdige 
gevolgen , welke deze gebeurtenis hebbep zoude , op ca 
ouder de Heidénen, vs. a'»-5. 

1. BNDB HET SAL Cï^SCüIEDEN IN HET LARTSTB DER 

DACtN, in hQt begin der Euangelifchc bedeeling, dat Si- 
on, ^(^) DE BtRGH DES HUYSES pES HREUEW, Op WelkCQ 

de prachtige Tempel gebouwd is, door eene wonderdoen- 
de kracht saLi geplaeist , en onbeweeglyk vastgestelt 

ZIJN OP DEN TOf DER hoogfle BERGEN , ENDE DAT HY 
SAL VERHEVEN WOUDEN BOVEN DE HEUVELEN, ZOO dat dC 

Tempelberg, boven alle heuvelen, en toppunten der meest 
verhevene bergen van den wijdep aerdbodem ver weg zal 
uitftekenj ende tot denselven sullen alle heydenen 
toevloeijen: even als kleine rivieren, welken, elkander 
ontmoetende, in eenen algemeenen kuil ie zaroen vloeien. 
„ Het wijst zich van zelfs, dat het een en ander in ee- 
nen geestelyken zin moet worden opgevati Sioo^ 

dê berg van '; hreren huis , is een' zeer bekend Einne- 
prent van de Kerl; des Nieuwen Testaments , Pf. d4: 3. 

lef. 56; 7. — • Bergen én heuvelen zijn zinbeelden van 

'Koningrijken en Staten , vtjrg. Jer. 51: 25. lu het byzon- 

dcr 

ia) Micha 4: !• 



* tIML. VAN DBN BTBEI/. ^%j 

éér zalkn ons de bergen en heuvelen de tempelen der H«- 
denJcbe afgoden venoonen ; in tegenftellbg van den berg 
▼an 's HEBR£N huifi ^ de plaets van den waren Godsdienst. 
Jiter komt nog by^ dat de Heidenen zich verbeelden^ dat 
de toppen der bergen eene byzondere gemeenfcbap hadden 
met hunne gewaende Godheden ; en dat de afgoden zelve 
daerom bergen en heuvelen fdiijnen genaemd te worden , 
Jer. 3! 23» . 

49 De Godfpraek derbalven, iM zal gefehiedcn enz. geevt 

drie.iiooflzaken te kennen. {i\) Dat de Suangeiie- 

kerk meer aenaien hebben zoude , dan de grootfle Kooiug- 
rijken der acrdc* — ^ (a.) Dat alle Kouingrijken trx heer- 
fchappyea der waereld zich, van tijd tqt tijd, aen die m^ 
angeliekerk onderwerpen zouden. — ^ (3.) Dat de le^ 
van bet Ëuangelie den verfoeilyken afgodscuenst, onder de 
Heidenen, zoude uitroeien. * . 

M De volgende uitfpraek, en tot d<nzctyen zullen alU Hei- 

dcnen toevloeien^ fluit de volgende zaken in zich. (jk*^ 

Dat de Heidenfche volken zich van tijd tot tijd bekeeren, 

co by de ware Kerk voegen zouden. (a.) Dat zy, 

even al3 waterftroomen , i» zttt groote menigte komen 

zouden. (3.) Dat zy zich, even als een ftark^gcdro* 

ven waterftroom', met drivt^ yver en volvaerdigbeid , by 
de gemeanfcfaap der ware Kerk voegen zouden. 

9, Ëindeiyk heeft men nog op te merken, dat hter.in de 
Prophetifche vertooning iets bovennatuutrlyks yoorkqtne. Dö 
berg van *s hcbrbn huis zou^- bovea den. top der boogftci 
bergen, verheven worden ^ en evenwel zou de ftroom dei? 
Heidenen derwaerds henen vloeien. Dit is een wopderaai* 

dig verfcbijnfel» Het geevt In den Prophctitcti^n zin 

te kennen: dat de Heidenen^ door de almachtige gens^dd 
van den Heiligen Geest , deroiate ssouden be wrocht wer^ 
den , dat zy , in weerwil van hunne natuurlyke neigioj^en.^ 
den dienst der afgoden verlaten f en zich tot den If yendigeok 
God bekeeren zouden. . ^ 

3. BMOft vALB.voLCRBN, eeue %^«t groote menigte vaifl 
Heidenen ^ svllen , tot den berg van *s hbbrkn liuisy 
HBNBA OABN , zlch voegou by de gemetnfcfaap der ware 
Kerk , rnob tot elkander sbgobn ^ komt labt ons op- 
GABN TOT MN geestelykeu bbrqh dbs hbbkbn , tox* 
DBN HUYSB DBS ooDTs JACOBS, OP DAT HY, die alleen dft 
ware God is, ons lbbrb van sijnb wbgbi^ én geboden, 
welke wy, ter on^er eeuwige behoudenisfe , bewandelen eil 
betrachten moeten ^ ekdb dat wy wandjuubn xn sijas 



^j. j. VAN NÜXS «WNEEïfBtRil 

PADfeii tóor höt biymöcdig gehoorziiHien v» zijie gebb» 

den • WANT f*) "VT ZtON SAL üE WHT ÜYTOABN , EMOS 

nFs'wEERfcw wooRT üYT jitRüSALEM , Het fcuangefie ztl 
eersr te Icrufalem en onder de JcKÜen, gepredikt worden, 
•en vah daer vervolgens, tot de Heidenen woiden overge- 

**T EN0B HY SAL WCHTEM ONDER DE HEVDENEN, EN- 
tlE B STRAFFEN VELE VOLCREREN : EN0E SY Stjr^LPM 
HARE C SWEEADEM SLABN TOT üF'AÖEN , ENDE HA^^ 
SPIESSEN TOT SIC^ELEN; [het e^ne'] VOLCK EN SAL TE- 
OEN 1*'/ at7der'\ VOLCK GEEN SWEERT OPHEFFEN» HOCW 
SY EN SULLEN GEEN OORL JOE MEER lAEREN. 

Wie ts hier de perlooii , van wdken de Propheet «egt 
w' zal YtèhteH. enz. Buiten allen twijflFel de heer , ét 
^ Xiod ran ^acoB^ van welken vs. 3 gefproken i»; byzonder 
de MESSIAS, zoo als hy, tot ecnen Richter op den ver. 
fcoogden Tempelberg, tot Koning over de Euangeliekerk , 
eou verhoogd ^ort^tt, vergelijk Pf. a: 6. , . " J 

De Heidenen efti vofttf« zijn zekerlyk die zelvde hci- 
^enfche vofttn, welke «ch van tüdtot tijd, van de af^ 

ffoden , én dett lévei^digen <3«d» bdteeren zouden. 

Maar wat «egt hti richten én hefiraffenV Sommigen netnen 
liet; in cene« kVvftdeii dn, voor de daed van ccnen ver- 
aramden Richter; en rteen«n,. dat de Geest derGodftferaek 
fièt bö» hèbbe-, óp die fcfchtbafe en. voorbeeldifi:e ftrafgc: 
i'tehtéh wdke de vertioogde messias, aen de vyanden van 
zijn Ko'ningifijk, «oude ait>>efFenen. Oon , vermids bet, 
fcniéserachtttis, uit het verban* met vs. 2 , 3 tiUerWijk- 
ttiérst is, dat Wer Aiet van vyanden der Kerke, maer vaft 
bekeerde Heidertèn, gdi>rökcn worde, voegen wy ons lie- 
*eT bv deziilkcn , die 'de uiwlrokkmgen m eenen goeden 
zin liemen — ^— Het Wk>oTd rfcfeish «1 hier, gelijk 
róèrmaléü*, in 1^«t lilRetïieen tegeeren betekenen, verg.Pf. 
(m ^ Hkt a^niièr woord b^firaffen zegt , m die buiging,' 
in welke het hier voorkomt, iemand door kracht van re? 
déireiï overtuigen, Oe Gödfjiraek zal derhalven te kennen 
«even dat de VertiCK)gde mbssias over de bekeerde Hei- 
Sènen Tteeifchen zoude, «i, van tijd tot tijd, al meer vot 
kbrf ftiët docyr géWöld van wapenen, maer door zedelyke 
Aiddeten, krachtig gemaekt 'door aijnen Geest, onder zij- 
Ae heerfchappy brengen zoude. 

»' < ' < 

■q) Pf.' i'ior 2.- (O Jo«I 3* ^O' ' 



De YÓtgendt woorden , en zy zullen hunne zwoerden 
fiaen tat /paden enz, teekenen eenen rijd van rust en vre- 
de « in welken de Krijg5wapenen , toe werktuigen van den 
akkerbouw» heifraeed worden. Wy Jeeren 'er uit: (ij 
Dat 'er een geestelyke v^ede > onder de bekeerde Heidenen» 
heerfchen zoude , voor zoo verre zy , in onderlinge lievde^ 
vrede en eensgezindheid , zouden verbonden zijn ; verg. 

Pf. 7a: 7. (2) Dat de bekeerde Heidenen i .uit on- 

derfcheidene Koningrijken , die , in eenen ouderlingen na- 
tionalen haet , geboren en opgevoed waren , nu elkander 

als broederen berchouweu en behandelen zouden. (3) 

Dat de bekeerde Heidenen zich, met de geloovige Joden, 

lievUjk zoudeD vereenigen. (4) Dat de leer van het 

Etiangelic des vredes den woesten aert der Heidenen be^ 
fchaven zoude, en in zoo ver de eiKlerlinge oorlogen ea 
bloedftoningen verminderen. 

,, 5. Dan zullen de bekeerde Heidenen zelvs de Joden 
gemoedelyk opwekken ^ om den uesa in waerheid te die- 
nen . KOMT GY Huvs en nageflacht jacobs , zullen de ge^ 
Joovige Heidenen zeggen » BNOfi labt ons te zamen blj» 
moedig wandelbn in den lichts des heereNj naê 
het voorfchrift van het verlichtend Ëuangelie.'' 



Marcus en lucas in het gemeen y en voor sio verre jksvs 
Opjlanding betreft ^ in het by zonder ^ verdedigd \ en ver- 
klaring van Matt. XXIV. 27, 28. Èoor djrr coftNELis 
van voorst. Predikant te Hien en Dodewaard. Te Ley* 
den by A. en J. Honkoop, 1786. Bchalyen het Voor^ 
werk 2 £2 bladz» in gr. oüavo. 

By de wederlegging der Fragmenten^ door 'den Hoojj- 
Iceraer Michaèlis , in zyne Verklaaring der gefchiede^ 
nis van de begraayenisfe en opfiandinge van Christus , (♦) 
heeft die Hooiileeraer zich , naer 't. oordeel van den Eer- 
waetvkn van Voorst^ (die 't anders een keurig Werk Ichat,) 
bediend van Hellingen, die- niet wel gegrond zyn, en in 
dit geval een nadeelig gevolg hebben. ,, Zyne flellingen^ 
„ zegt hy -» hebben hem te gelyk aanleiding gegeeven , om 
„ ene en andere van den Fragmentfchryver taeen Jezus 
,, Opftanding gemaakte zwarigheid niet zo krachtig te we- 



(♦) Zie 4\g^ Vüi. Uttefef. VL p. W. 3,«. 

Q 3 



„ dei- 



%t6 B. C. VAtf VOORST 

,, dcrieggen , als wel anderen. De Ridder doch meent| 
„ gelyk uit zyne Inleiding to$ de Schrifien des Nieuwen 
„ TeUnments al bekend is, dat wy voor de ingeving en 
„ godlykheid van Marcus en Lucas ge^ie zekere gronden 
9, hebben , altans niet zo £eker als van de Schriften der 
„ Apostelen : hierby verwerpt hy ook de twaalf laaide ver- 
3, Teil van Marcus Euangelium, als welke van dien Ëuan- 
„ geilst niet zouden voortgekomen zyn. Deeze zyne ftel« 
,, lingen dan , gelyk ik reeds begon te zeggen , hebben ver- 
„ oorzaakt , dat hy de bedenkingen van den Fragment* 
f9 fchryvef tegen Marcus en Lucas , vooral tegen de twaalf 
„ laatfte verzen van Marcus, niet zo zeer gewogen , noch- 
„ zo bondig wederlegd heeft , als wei die , welke tegen 
„ MaithflBUS en vooral tegen Johannes zyn gemaakt/' Zulks 
heeft den Eerwaerdem yi?« Foors$ genoopt, dit onderwerp 
opzetlyk onder handen te nem^n, en zyne nafpooringen, 
niet de uitgave van ,dit Gefchrift , openlyk gemeen te ma- 
ken. In de eerfte plaetze toont hy aen op welke gronden 
men, niet alleen waerfchynlyk , niaer ook öellig, beweren 
kan , dat Marcus en Lucas onder ene Oodlyke ingeving, 
«ok in *t Gefchiedkundige , gefchreven hebben. Verder 
flaeft hy de echtheid der opgemelde twaelf lactfte verzen, 
jnet beantwoording der bedenkingen daer tegen te berde 
gebragt. En hierop verledigt hy zich tot het nagaen der 
zwarigheden tegen, het verhael van Marcus en Lucas, no- 
pens de begravenis en opftanding van Jezus, aangevoerd, 
poi , ter wederlegginge van dezelvcn , te doen zien , dat zy 
in hunne verhalen niet gedwaeld hebben, en, zo met el- 
kandereu, als met de andere Euangelisten, in alles volko- 
men overeenftenimen. Zyn Eerwaerde behandelt dit 

Stuk zeer onderfcheidenlyk , met ene welwikkende oordeel- 
kunde, die hem in ftaet (lelt, om verfcheideu byzondephe- 
den , in 't beoogde Ëuaugelieverhael , in een duidelyker 
]icht te plaetzen , dan wel door den Hoogieeraer Michailis 
l^efchied was. 

De Eerwaerde van FoarH heeft > by de ontvouwing van 
dit onderwerp , nog gevoegd , zyne bedenkingen over dea 
zin van ^s Heillands voordel^ Maith. XXiV, 37, aS. H^t 
komt hem voor, dat de Uitleggers, in de verklaring dier 
woerden, tot nog niet wél geflaegd zyn; dit heeft hem 
-ene nieuwe pooging doen aanwenden , in zyne verklaring 
desv^^gens , die der overdcnkinge wel waerdig is , ter proe- 
ve doen voorftellen. Hy neenit de voornaeinfte uitleggia- 
^HXi van dit voorft^l In opmerking, beoordeel^ dezelven met 



MARCU8 SN LUCAS VB&DSOICD. fLay 

beTcbeidendlieid , en toont beknep^ om welke reden de*, 
celveo hem niet voldoen ; waerop hy dan verder zync uit. 
legging indezervoege voordraegt. 

„ Er is, (zegt by ten aenzien.van bet a/^c vers,) niets 
itttuurlyker en gewoner in den bliicfera, dan htt Jchielyke 
en kortflondige ^ zo dat de blikfcm (halen in het kortfton^ 
digst ogenblik fchynen en ophouden. Wanneer dan eenf 
gelykenis van den blikfem ontleend wordt, kan er geene 
zo natuurlyk zyn, dan, wanneer er gezien wordt op het 
fchielyk voorbygaan en ophouden der bUkfemflraakn. Hier* 
op nu wordt luist in ons vers gezinfpeeld , gelyk zelfs de 
iwoorden van het Oosten naar het TVeiten bevestigen, wel* 
ke geheel ovenollig zyn , wanneer wy hier aan het onver^ 
wacht fchynen van den blikfem denken; maar van grooten 
nadruk, wanneer wy het fchiefyke van den blikfem ondet 
bet oog houden, zo dat de gelykenis dus luidt: gefyk de 
biik/em^ wanneer zy zelfs van het OêSten naar het Westen 
looft ^ naaren loop in een oogenblik voleindt^ alzo is ook de 
verjchyning van den Zoon des menfchen^ De Heiland leert 
dan met deze gelykenis ; dat zyne verfchyning als Mesfias 
z^er kortftondig is en wezen moet. Wat is waarachtiger! 
wat drukt ons den waren aart van Jefus verfchyning als 
Mesfias op aarde ook natuurlyker uit! In alles toch bleek 
dit zyn oogmerk te zyn, om maar zeer kort op aarde te 
verkeeren; alles maakte dit noodzakelyk, vooral na zyne 
OpOanding, wanneer juist zyne heerlyke verfchyning zou 
gefchieden : zulks was noodzakelyk om te tonen , dat zyn 
Roningryk niet van deze wereld was, gelyk ook om alle 
onheilen te vermyden , welke uit zyn lang verblyf op aarde 
zouden hebben kunnen fpruiten , en waar tegen de Hei- 
land zo zorgvuldig waakte, vooral door byoa nooit zich 
als Mesfias voor te dfagen. Ik behoeve dit niet breeder 
aan te tonen, dewyl het algemeen is aangenomen, dat de 
Heiland niet lang op aarde, vooral na zyne Opflanding, 
iDoest vertoeven. 

• „ Dierhalven ftrookt niets beter met de gelykenis én de 
waarheid, dan deze verklaringe; lerwyl zy ook volmaakt 
ftrookt, zo met het gehele, als onraiddelyke, verband. Zy 
firookt met het gehele verband, en flrekt ter beantwoor* 
ding van de vraag van Jefus Leerlingen na zyne komst , 
door hen te leeren, dat zy geene andere verfchyning van 
hem, voor den jongden dag verwachten moesten, dan ene 
koriQondige ^n ogeobliklyk vporbygaande. Kon er nu wei 
iets noodzakelyker ter onderrichting van Jefus Leerlingen , 

Q4 «a 



sa& t>« e. TA» vooiST 

«n tot antwoord op hunne Vraag syo i ^n. '0 Hetkmds ge* 
hele Rcdenvoering, d«n zulk, een voorftel? Daarenbove;n ^ 
hoe volkomen fteoit hèt overeen inec het oomiddelyk voor* 
afgaande? Hoe krachtig is de drangreden om in die val- 
Tche Mesflasren niet te geloven? terwyl die alle een laog* 
durig ryk zouden voorwenden op te richten, 't Is dus 9 
tis of de Heiland zeide 9 gelooft toch niet in die verfchV'* 
ningen der Mesfiasfen , 't is alles bedrog en vaUchheidi 
want de verfehyning van den Zoon des meiifchen is maar 
als voor een ogenblik ; 't is onbeftaanbaar met het ware 
Mesiiasfchap , dat de Mesfias lang op aarde zoude vertoe- 
ven, en hier of daar in de Woeftyne of elders den grond* 
flag van zyn Ryk zoude leggen." 

Wat verder het ^8 ^e vers betreft ; zyn, Ferwaerde merkt 
vooraf aen , dat men » in 't verklaren van fpreekwoordlyke 
gezegden , niet zo zeer heeft fiil te (laen op ene verkla.* 
ring der woorden op zïgzelven, als wel de fpreekwyzen in 
haat geheel te befc houwen ; en dat het 'er dus hier niet 
op aankomt , om te weten wat eeu daod acs , (♦) en wat 
Arenden \\\ dezen al zouden kunnen betekenen» maar wel- 
ke de zin der fprcekwyze zy, ^»ucr een dood acs is^ dacr 
vergaderen de / renden. En hierop vervolgt hy aldus. 

,9 De fpreekwys v^oronderftelt, dat de Arenden op een 
dood aas aanvallen, en het zelve verflindeo: ja! zy zegt 
meer, namelyk, dat de Arenden by een dood aas verga^ 
deren: dit kan men best begrypen^ wanneer wy denken ^ 
hoe het met de Kraaijen by een dood aas tomaat ; in wei* 
nig tyds komen zy van alle kanten toevliegen , in ene ver* 
bazende menigte, waarover men zich verwonderen moet: 
4]8t vergaderen der Arenden by een dood aas i;^ juist dat 
geen 'c welk ons de bedoeling dier fpreekwys moet leeren; 
dit zegt dan de fpreekwys, overal^ waar iets vreemd^ ^ iets 
nieuws , iets zeldzaams ^ iets voordeeligs is , is een groote toe* 
yloed: ene waarheid, welke door de ondervinding beves* 
tigd wordt; hoe ras is 'er niet een hoop volks byeeo, 
wanneer 'er iets » zomtyds zelfs van geen belang > voor* 
valt ? en verfchynt 'er een vreemd en groot Perfonaadje ^ 

hoe 

99 (*) Of fchoon het in de verklaring gene de minfle verander 
ring zoude geven . of wy «•*«*-« in de plaats van <!»•««« lazen ^ 
zo Ieren ons evenwel alle Oordeelkundige (CritiTche) gronden . 
dat ii7mM de echte lezing is , welk woord dan ook e^enlyk 
een dood aas uitdrukt/' 



HAltCCSrftN f^VQM YMOXIDIGD. ^ 

tioe vcrbtiend tscfo to^loap? ssq ik Aene , km 9U de 
fpreekwys gene andere betekenis hebbe» ; dan 'deze » tn 
dus zyn aik de andare uitleggingen , welke mi^ti daarvan 
gemaakr lueft^ onb^ftaanbaar. 

^ Vraagt aien nu wat. de Heiland met die fpreekwys 
beeft wilteu aanduiden; 't is allernatiiuriykst ! <^t, name- 
lyk, dai de Mésfiat^ wanneer Aj bekend merd^ een groten 
tackap zoude krygcn , dat men den Mesfias van alle kan^ 
ten zoude komen opzoeken. Wat was nu waarachtiger 
dan dit gezegde ? moest Jefus zich niet gedurig van het 
volk wegmaken? wierd de toeloop niet van dag tot dag 
groter, wanneer by ergens zich openbaarde V klaagde bjf 
niet dit de Zoon des menfchen niets hadde , waar ny het 
hoofd gerust en eenzaam konde nederleggen? Dit uu ge- 
fchiedde , daar by zich niet openlyk voor den Mesfias uit- 
gaf ; wat zou 'er dan niet wel gebeurd wezen , wanneer 
by zich als MesGas had geopenbaard ! Kon men van Jo» 
den ook wel anders verwachten , daar alle hunne denk- 
beelden op hunnen Mesiias gevestigd waren ? 

.„ Hoe natuurlyk ftfookt deze gewisfe en eenvoudige vér« 
khring nu ook niet met het verband ? alles heeft nu bete- 
kenis en famenbang » v«/ of het woordje y^ant ^ zo wel als 
de fpreekwys ; dewyl in het verband de zin hier op ne« 
derkomt ^ wach UL. voor de valfche Mcsfiasfen , y^ant de 
lomst van den Zoon des menfchen^ van den waren Mesfi- 
as^ moet, en zaJ^ om de gewichtig/Ie redenen ^ alleen kort^ 
fiondig zyn; want vertoefde hy lange op aarde ^ men zou 
van alle kanten , tegen het Godlyk oogtnerk aan^ tot hem 
fimenvloeUn , gelyk Arenden by het deod aas vergaderend^ 

Isrdels Val en Op/landing , aangeweezen in eenige Leer* 
redenen over Hofeas 111. Met eene Verhandeling over 
'j Heilands aanbieding in het Euangelie j door c- vaw 
BEN BROEK , Predikant in V Princenhage. Te Utrecht 
by h. van Paddenburg, 1786. Behalven de Voorrede 
376 bladz, in gr. oStayo. 

rje Eerwaerde van den Broek heeft het beloop en den 
^^ inhoud dezer Leerredenen, in zyne Vooraflpraek , zo 
bondig en tevens zo volledig afgefchetst , dat wy geoor* 
deeld hebben , den Lezer 'er geen beter verllag van te 
kunnen geven , dan dóór iiem. dat bericht zelve mede te 
deelen. 

Q 5 ,» On- 



é^O C. VAXf HEN )IROEK 

' 9, Onder het zinnebeeld van eene overTpeelderes en hstt 
wèdcrvaaren, (zegl hy,) wordt ons, in dit dcrJê Hoofd* 
ftuk uit Ho/eas G&d/praaken , leevendig afgemaaid , Het 
zedelyk beitaan en de lotgevallen vau Israêls nakoomelin* 
gen, hunne zegeningen en rampen, zoo in Kerk ajs Uur« 
gerftaat , ' van Mofes tyden af , toen zy van God , in de 
Woesiyn , in een huwelyksverbond opgenoomen , en on» 
dtt eene Godsregeering (Theocratie) gebragt wierden , tot 
'de laatfte dagen des Nieuwen Testaments toe , wanneer 
die ongelukkige zwervelingen , die ^nu al zoo veele eeu* 
wen lang rechtvaardiglyk de ftrafFen haarer grouwzaame 
zonden gedraagen hebben , door Mofes doorlugtig Tegen- 
beeki, Se heerlyke spruit uit Davids Gedacht , zich we- 
derom zullen laaten vergaderen, en overbrengen tot de 
gemeenfchap van hunnen getrouwen Verbonds<ïod , dien 
zy zoo trouweloozclyk verlaaten hebben. — — — ' Over die 
Godfpfaak heb ik negen Leerredenen uitgefprooken. 

„ lu de eerde Leerrede heb ik het zinnebeeld opgebel* 

derd. 's HEERErf^é^v^;/ aan den Profeet omtrent 

eene zekere vrouwe, en de uitvoering. • De zwaa- 

righedcn , die daar tegen gemaakt worden , opgelost» (♦) — 
En de daarin voorkoomende Hoofdtrekken , om Isratls 
Volk af te maaien , aangeweezen. Welke Hoofdtrekken de 
HooPd /.naken uitmaaken , die in- de volgende Leerredenen 
behandeld worden. 

„ In de tweede Leerrede wys ik aan, dat, gelyk de 
vrouw in het zinnebeeld in een Huwelyks*verbond (lond 
jmet eenen man ; die toonde haar vriend te zyn , JtéMf 
beminnende^ zoo 'ook de h^br Israëls nakoomelingen aan 
den voet van den berg Sinai in een zeker Huwelyksver- 
bond aan zich verbonden had , en hen ook 'uit kragt vau 
die Verbondsbetrekking beminde , gceveqde daar van in 
hunnen Kerk- en Burgerftaat doorflaande blyken, alhoewel 
wraake doende over hunne misdaaden. 

„ Maar , gelyk die vrouw op eene fnoode en eerlooze 
wyze de genegenheid van, haaren man beantwoordde , bt* 
dryvende overfpel^ zoo deed ook Israël , ziende om naar 
andere Goden , en beminnende de flesfchen der druiven ^ 

be- 

(*) Zjm Eerwaerde laet het onbeflist , of men het hier voorge- 
ftelde geval hebbc op te vatten als ene wezenlyk^ gebeurtenis , 
of als een Profetisch gezicht ; doch het Uetile is hqm aeonc^- 

melyfcst. 



enti liosEüs IIL 231 

Tïêgaaiide géestelyk overfpel , en leidenSe een overdaadig 
en ongeregeld Iceven naar de wyzé der Afgodilche Hei- 
denen. Daar komt de inhoud van de derde Leerrede op 
Heer. >, 

„ Het troiiwloos befhan van die overfpeeMeres bragt 
haar in cenen nunpfpoedigen toeftand ; zy werd diemtbaar^ 
(wy maaken dit op uit haare vryk&oping:) wegens het af- 
hoereeren van den hebre zouden ook de Israëliien van 
Vrybcid en Staatsregeering beroofd worden : welke regee- 
ringloosbeid ook naar de letter eene (laaffche dienstbaar- 
heid, imniers ten aanzien van zeer veelen, tot een gevolg 
rou hebben. Die bedreiging, mfct de vervulling vergelee- 
ken , maakt de ftof der -vierde Leerrede uit j over Israèk 
zitten zonder Koning en zonder Vorst. 

,, De overfpeelderes werd, na dat zy de wrange vrug- 
ten van baar ontucht geproefd bad , aangezegd , eenen 
langen tyd buiten huwelyks vereenigmg te zullen moeten 
leeven, zy zou geenen manne gemrden. Israëls nakoorne- 
lingen zonden ook v^eele dagen, dat is eeuwen, leeveit 
buiten Huwefyksvereeniging met den hebre , en zitten 
zonder Offer en zonder Ephodé De voorfpellhig en ver- 
vafling van deezen treurigen toeftand wordt in de vyfde 
Leerrede behandeld. 

„ En gelyk die trouwlooze vrouw ook bevel kreeg niet 
meer te hoereeren; zoo zou ook Israël , naar 's HEBRKfr 
bevel , en door zyne wederhoudende genade , eeuwen lang 
te rog gehouden worden van afgodery en beeldendienst , 
en dat hemeltergend ho^reeren ftaaken , zullende blyvcn 
zitten , zonder opgericht beeld ende Teraphim^ Hoe ook 
dit door de uitkomst reeds zeer lang bewaarheid is gewor- 
den, wordt In de zesde Leerrede aangeweezeh. 

„ Doch de overfpeelderes zou niet altyd in dien jam.- 
merlyken toeftand blyvén. Neen , de toedragt van zaaken 
zou eenen anderen keer neemen. Zy zou wederom tot 
een wettig huwelyk geraaken , en wel met haaren Verlos* 
fer, van wien zy zich roet grond veel goeds belooven 
iDogt* Hy, die haar beminde, zou, (zoo lang de proef* 
tyd duurde,) o/> haar blyvcn mochten , en haar dan tot 
zyne gemeenfchap toelaaten. Zoo eene heugelyke omwen- 
ding van zaaken ftaan ook de Israëliten eens te ondervin* 
den. Zy zullen wederom door een géestelyk Huwelyks- 
Vcrbond aan den hberb hunnen God verbonden worden, 
in het laatfte der dagen, gelyk in ,het flot van deezeGod- 
fpraak beloofd wordt* ■ » liet uitzien naar aoo eene 

ziel* 



9Q9r C. VAN BW BR^n: 

sieUroostelyke Rchtvierbiiiteni$ ^ en de tyd wantiieer men 
dit in hun, door de werking van den Heiligen Geest,. Ke^ 
li^uren zal , heb ik onderzc>gc in : de .«gevende Leerrede» 
ter verklaaring deezer woorden ; Daarna zullen zich de 
kinderen Israéls bekceren t&t dt^n Hkkkiê kufme» ^od ^ <«. 
dé David hunnen Koning^ in het laatftc der dageni 

„ En dac de hk£k op hun geloovig uitzien naar zyne 
getqeenfchap, (vvaartpe zy door 's Gee^it^s bewerking op- 
gewekt zullen worden,) zich ook lumn^r oncfermes)» hun 
langiiuurig en hartnekkig af bo^reeren v^rgeeven , en hen 
wederooi brengen zal onder den band des Verbonds ; en 
welk een gemoedsbeftaan over die verbeurde genade buo 
d;in z^l eigen worden, wys ik aan in de agtde Leerrede, 
over deeze woorden: En -zy zullen yr^ezende komsn ia 
den HBEEE, ^n M zyne goedheid. 

„ Daarop volgi d^ negende pf laatde Leerrede , waar* 
boven nog eens dezelfde tekstwoorden van de twee voor* 
gaandea geplaatst worden , het geheele vyfde vers ^ waar^ 
ll»ede d^eze Godfpraak beflooten wordt. Jn di^ laatfte 
Leerrede wordt onder^ogt , of 'er nog meer voorzeggingen 
van Israëls Bekeering, welke wy in den geloove te getnoec 
^ien , in de Heilige Schrift voorhanden zyn. Na daarover 
iet in het algemeen gezegd te hebben , wys ik aan , da^ 
VQOral de 'Apostel Paulus daar duidelyk op do^lt Rooi. XL 
tn 2 Kor. in. 16. Na de daargenoen>de Schriftuurplaat* 
zen een weinig te hebben opgehelderd , heb ik nog eeqige 
Aanmerkingen over die gewensohte (hiatsverwis&ling lagteq 
volgen.** 

Ieder dezer byzonderheden verklaert de Eerwaerde yan^ 
d^n Bro^k ^ael- en oordeelkundig in ene geregelde orde , 
met ene wel ingerichte ontvouwing van des hbbren weg 
met zyn Oude Volk » zins de dagen van Mofê^ , tot op 
den tegenwoordisen tyd; met aanwyzing van de gegrond^ 
beid der verwachtinge op Israëls geloovige en boetvaar^ijg^ 
omhelzing der Euangelieleere in 't laetfte der dagen ; . jui&i 
niet van allen , hoofd voor hoofd ^ maer in ^ulk ene i^yd' 
uitgeftrektheid , dat het met regt ene Volksbekecring go- 
naemd moge worden. Hy geeft van dit onderwerp een 
algemeen verflag; maer wederhoud zich befcheidenlyk van 
vermeten te antwoorden op ene menigte van vragen , die 
deswegens gedaen kunnen worden. 

Voorts behelst ieder Leerreden ene (lichtelyke toepas* 
fmg, om het overwoogene ter betrachtinge aen te dringen, 
waeria vjXi £erwaerde mc^ermaels gebruik mekc van denk-r 

beel* 



•▼BI. H09BM IIL 



H»3 



Ijtetden ; die hOtinen grond bcbbefa , in de Leer yafa V'Abtf. 
ibwi/i algem^e acnbieding- in het Euangelic^.tn dittieefc 
lieffi, daer soliiniigeQ zich nog a«n die Leer ergeren ^ g^ 
noopt, om by dejse Leerredejiea-eue Verhandelin'graver dit 
Smk ce voegen. — r-^ Hy fteh zich daerin vo^r^ te o«« 
dersoefcen, ^fdeJklUng^ dat Jcfm Chriutnde Zai^ati- 
k$r zich aan allen ^ die onder het\£d>UHtgclitledf^cn\^wll^ 
meenend ter '}w f mor ecuyrige beh^itdenis aanbiedt ^^ul ifniH 
'fchriftmaatig^ zy ^ cn^ met M. Formulieren van etnt^^fkt 
onzer Heryormde Kerke firoaksP -Bn , na enige voöfafij^ïi- 
de aenmerkitigeti ^ maekt hy cyoe VctrtiandetJng des wegens 
Tterlcdig. Voor eerst gerft by ryn gevoe/eii op , \ weïk 
hj, Eoktaer hein liiogeJyk is, onci<riltfcelt,'en liit een zet. 
Vecvolgens toont hy dat die l^eer der a^mene wetaenén^ 
de aenbieding^ fchriftoiaüg is , en nier afwykt vad de For- 
notieren omser Kerke. Hierop verledigc hy t\ch tot het 
aeuhooren en beantwoorden der tegenbedenkingen. Eti 
cmdeiyk toont by, ten vierde, tm^ welk een nuttig ge- 
brmk van dat geweten, en van atte de gevolgen, xv'e We 
daarïn waerlyk opgewonden liggen, en naiuorlyk , onge- 
dwongen , daer uh voortvloeien, in bet prediken en aen- 
booten van ^ Eiwngeiideer kan, ©ag en moet, gemaekt 

worden. *- Zy, die over dk Leerbegrip, en de ver- 

IchiHende denkwyze daeromtient Bog in twyfcl hangen , 
zttllen wel doch i»et deze Verhandeling , die in hare fooft 
urd uitgevoerd is, zo veel ze kunnen, onpartydig te ovèN 
wegen.' . : - 



Verhandeling cf^reene nieuwe wyze ^ om de hardnekkigfte 
Ziekten , (Ke haare l^fptaaPf 4n den Onderbuik hebberr^ 
voornamenfPfk de Hypoffhondrie ^ zeker en in den grond 
te geneezen. Ge/chiki voor Geneesheeren en Lyders ; door 
J. KaMPF, Forstlyken Htsfen-Hanatt/bben Opperhofraad 
en Ljfarts. Uit het Hoogduitseh vertaald^ door w. t. 
BE KÖNiNO, M. D. Te Utrecht iy G. van den Brink 
Jz. 1787. Behahen he$ Foofwerk^ 419 bladz. in gr. Svo. 

Op het voctfpoor van Hippecrates , en andere groote 
Mannen in de Geneeskunst, befchonwd de Heet 
tllMFE de Onderbuik als de voornffamfte zhplaats dé 

meeste Ziekten , en vooral der Zenuwen Ziekten. 

De ziekel^e ooriaaken , in den Onderbuik geleeden , zytt 
«lenigvttldigt ea onder decze verdient by onzen Scfaryver, 

de 



.t)4 > ^*MW 

de vérftc^ping* vii^ de Ingewanden , óf liever der bloed' 
«dfiren , eetie byzondere aandacht. Hy geeft daarvan 
■ ecne naauwkeurige bepaaliog, onderiBoekt derzelver onder- 
:fcheiden foorten) en geeft de voarnaamile oorzaaken op, 
.welke lot bet ontdaan van 'yder deezer foorten aanleiding 
.gceven : door welke tekenen zig dezelve icenneiyk maa- 
.lücn: welke gevolgen daaruit kunnen voortkomen , als 
^OM^ile welke Ziekten bepaaldelyk daarnit gebooren wor- 
v^ideuj^eii eioddyk, lioe in de meeste .gevaUen de Hypo^ 
.cbojiurie eo andere Zenuwen Ziekten daarnit voortko- 
men » of verergerd worden. — - Hierop >bouwt de Schry* 
ver vervolgens zyne Geaeeswyze. Verdunnende ^ bevc^- 
.tigeude, weekmaakende , en ontbindende middelen zyn 
met de waare natuur deezer óorzaaken het meest H^vereen- 
komllig : welke middelen in 't algemeeti met den naaai 
vati ViscèraaUniddelen betiteld worden; deeze middelen 
kunnen of door den mond, of door klyfteeren, toegediend 
worden ; — r- de taatlle wyze is in hardnekkige verllopptng 
te verkiezen , waarvan de redenen ontvouwd, en door öe 
ondervinding bekrachtigd worden. 

Dit gebruik der VisceraaUklyfteeren , in zodanige gevallen, 
getuigt de Schryver aan zynen Vader veifdiuldigd te xyn, 
doch by zelf >beeft daaromtrent verfcbeiden verbete- 
ringen gemaakt. Hierop gaat de Schryver over tot de 
b^cbryving der beste uitwerkzels, de toeëereiding en bec 
.gebruik der VisceraaUklyfteeren , ~ en geeft daaromtrent 
verfcheiden nuttige voorfcbriften. Schoon de Schry- 
ver aan de Klylleeren den voorkeur geeft , zo komen ook 
daarby her inwendig gebruik der ' Visceraar- middèleff in 
aanmerking, en kunnen beide- Geneeawyzen met elkander 
gepaard gaan.— ^ Het getal der laacfte Ibort is vry groot, 
en men moet da^arvan , .naa bevind*, van o.mftandighed^n , 
eene verftandige keuze doen , en men moet daarby vQoral 
zodanige leefregelen voorfchryven , welke met den byaon* 
deren aart en omftandigheden der verfchillende Ziekeen 
uit de onderfcheiden foprten van vei'd.oppjngen voottko! 
mende, het meest overeenk^mftig zyn. 

Alle deeze aangeftipte onderwerpen worden in deeze 
Verhandeling met zeer veel mauwkeurigheid en praétisch 
oordeel behandeld, en tot roeerder ovenuil;ing en bevesri- 
.ging van het voorgeftelde, heeft de kundige Schryver 'er eene 
Verzameling van Waarneemingen bygevoegd , die gedeel- 
telyk door zyn Vader, gedeeltelyk door hem zelven, zyn 
opgetekend; en waaruit blykt, welke verfchillende foof^ 

tca 



un VftB Ziektchfr ^ uit onderfchèiden foohén ' van verRop* 
pii^A (iofariids^) voankomende , door de opgegeeveir 
wyze,zyo geaieezèa geworden. ^ 

FirhandóUngen y uUgegcèven dóor het Zeeitmch yG^ieoU 
Jfchap dtr Wcettnfchappen te-I^Usfingm. Twaalfde Duli 

■ Eer fit Stuk. Te Middtlburs i^r P. Gillisfen 1786.: Bc* 
hahcn het f^oorwtrk 315' bïadz^ in gr. ^avo^ 

npwee Pr^verhandelingen hebben hier den voorrjuig. Ze 
A ftrekken ter beantwoording der Vraage: ,, Uewyl de 
,, Tchadelykheid der begravenisfen , binnen de Steden, en 
,^ Kerken, teo vollen beweesen^^.ety.vry^ algemeen erkend 
9, is: welke zynde verfdiillende redenen , dat die Jiadeer 
>9 iigc gewomtte in deeze Repnblylc biyfc ftand grypen; 
y, en welke zyn de beste middelen , om dezelve te doeti 
,, ophouden j?" De Oplleller der eerfte is Mn jo«; 010^ 
VAN i«e£UW£N9 en die der tweede Dr. corn. TBanji; 
By dezelven komt nog een Aanhangzel van aantekeningeo 
over dit cmdecwerp , ^elkea* de Eerwaarde a. 's gr ave* 
«ANDB , -uie de .niet bekroonde antwooiden by een vensa* 
mdd en in orde gefcbikü beeft*. In deeze Stukken wordt 
de fcbadelykbeid dier gewoomcv welke .veelen nog niet 
genoeg fchyneo op t& merken ^ op* niéuw aangedrongea» 
en .tevens verfcheiden redeoieo. aar de .band i^i^^vea* 
welke veelen , ten ónregte ^ wederhouden om 'er van a/ 
(e zien ; 'er worden wydets -etlyke maatcegels vooigefiaa* 
gen, die men werkftellig zou kunnen maaken , om deeze 
nadeelige gewoonte trapswyze te doen afneemen , en al* 
iengskens bet begraaven op opehe Kerkhoven , buiten de 
Steden, algemeen ftand te tkien jtrypen. ' ^ ■■ - Men beeft 
hier met een ftwrk vooroordeel, door de gewoonte, -ge ves* 
tigd, te'ftrydeuf; maar ty^ die In ftaat zyn ; om deeze 
•en andere foortgelyke Schriften \ onpartydig , te bvei^w^ 
gen , kunnen niet wel nalaaten van dit fchaadlyk gebruik: 
af te keuren*; en wanneer de zodanigèn , tot een eenigzins 
aanzienlyk getal aangegroeid zynde , to onder Regenten 
als Ingezetenen , de handen , ter verbeteringe biervan , in 
een wilden liaan , zou men op goeden grond mogen ver* 
'wagten , dat men 'er in weinige iaaren groote vorderingen 
in zou maaken , en eerlang wel cfe geheele afTchafBng dier 
nadeelige gewoonte te wege brengen, (*) Op 

("*) De Heer van ls^vwzn beeft r tiAyk, oo^ in 't Voorwerk 

b#^ 



-'Óp de behawkiing vari dk ondefwnp voigt'cfc'belbhiy** 
ving'^n een: nieuw Lqnarium^ of Statrebrndigen MaaiK 
wyzer , uitgedagt , en aan dit Genootfchap' eer beoQrdeiê- 
linge toegezonden , door den Eerwaarden h. schortino- 
HUJS. In den Tmaak van meer andere Starrekündige Wy- 
zers ., ter 'aaoduidinge vait de bewee|;tng ckr .bemeUcha 
Scbaao^n , beeft syn Eerwaarde een Luttttiün of Mum- 
wyzer uitgedagt» beftaaiide uit ^n va^t papieren blad op 
hout geplakt, en ses foode beweegbiMfe fdiyven of Uaad- 
jes van (lyf papier , in het middelpunt op elkander va^ 
géTchroefdt waar by. twee wy^ertjes^ het een om de Zoa,' 
en het ander om de Maan, te verbeekkau I>oor middd 
van dit Werktuig^, op de behoQfdyke wy» gerekend, 
kan men » met bshu4p dier beweegbaare fcbyiEdn en wyzer« 
t\e6j gereediyk alles nagaan, wat tot den ioop en de be* 
weeging der Maane bettekkiog heeft, en dienen kan, om 
de voornaamfte verfchynzelen daaruit voonvtoeiendc te 
verklaaren : het weUc, zo ten algetneetien gebruike , als 
by^onder in 't ooderwyzen der Jeagd,' zyoe nmtigbeid kan 
hebben. 

Wyders ontmoeten we. ^hier eenige aaninericingeo van 
^lea Hoogleeraar c. p. Tnt7iiBeao , over de Kaneel op 
tp Ceylon , vertaald en mee eenige aant^kemngen vermeer- 
derd » door Dr. ii. uoyr^vYN , waairin ons de verfcbiU 
lande foorten van Kaneel nader ontvouwd , en de mania 
van bebaodeling , met vericheiden byzonderbeden daartoe 
behoorende, opengelegd wordt. 

. Êittdelyfc levert ons dit Detl nog eene Verhandeling vaa 

dea 

èterigt wordt, by de Les het Voorbeeld- gevoegd , hebbende 
twee zyner Kinderen laaten begraaven , op het Kerkhof te jive- 
liatherij aan de zyde van den» daar langs loopenden, Utrecbr 
(ehetï Zandweg: op eenen ftpen, in den KerbnuiH- van buiten^ • 
boven het Graf, dat behooriyk afgeperkt is^ leest jtnen dit Op- 
fchrifc: ... 

Hier rust myn Ou4fte en Jongfie Kind. 

Ji ! Lezer , fla dit voorbeeld gade. 

' Zytf levend f een waar Menfcbenvrind,' 

En doe ook f na uw dood f geen fchade. 

Ook is men aan zyn Wel-Geb. voornaamlyk verfchuldigd het 
i>lan, ter oprigtïng van eene Begraafplaats, buiten de Stad ThieL 
Eep Plan , in welks uitvoering men reeds verre gevorderd is . 
en het welk, door den loflyken Magiftraat dier Stad, ais mede 
^OcMf Hun Êd. Mog^ wordt begunftjgd* 



tAN HET ZEBUWfiCa OBNOOTSCHAF. E3f 

Atn Eerwaarden h. van dbn HBs^BL^over Gods Goedheid « 
in de bcpaaling omtrent den dood der meeste Diereo« Het 
lot d^r meeste Dieren naamlyk is , dat zy door anderen 
gewelddaadig verllonden worden ^ bet Dierenryk vernielt 
elkander » en beftaat door eeue onderlinge flagting } dié 
hun finertlyk valt, en waar tegen zy met alle kragt dry* 
deo. Het bezef bier van geeft aanleiding tot de vraag t 
Hoe het met Gods goedheid belUaubaar zy, dit alles zo 
» te bepaalen , te doen werken en te beftieren , dat deeze^ 
oarchuldige flagtoffers het leeven zó ellendig eindigen ? 
Ter beantwoordinge hiervan geeft hy twee bedenkingen 
aan de hand, die hy, ieder op zigzelve, met duidelylcé 

bewyzen ftaaft. Voor eerst: men ziet, in die be- 

paaliog ^ blyken van Gods goedheid voor het- algemeenê 
welzyn: en ten tweedeiAit goedheid valt zelfs dcezen Die^ 
ren te beurt, doov. deezen hunnen dood. sZyn Eerwaarde 
ÜtM het een en 't ailder in zulk een iuist daglicht , dat 
by alle bedenkelykheid daaromtrent ten kragtigfte tegengaat* 
Ons bedek laat niet toe het ganfche verband zyner rede» 
neeringe voor te draagen; maar zie hier het geen hy oos 
' leert gadeÜaan, wegens bet denkbeeld, dat die dood bun 
ÜBienlyk valt , naar uitwyzen hunner worftelingen tegen 

den dood. „ Hier moet men, zegt hy, vooraHes 

„ opmerken , dat , volgens de byna algemeenê bepaaling 
,, van liunnen dood , deeze hun altoos zeer onverwagf té 
„ beurt valt ; eene verordening , waardoot b&n ook era 
„ byzonder blyk. van *s Heeren goedheid gefchonken wordt* 

„ Op het oogenblik, dat duizende gerust vliegen « 

„ kruipen , zwemmen , worden ze in het midden hiinnéC ' 
„ genoegens verdelgd. — JHet is waar , zommigen 
„ fcbynen eenigen tyd met den dood te worftelen : h$ 
9, voorbeeld, een worm, een mug, een vlieg, een viscbf 
„ zoo zelfs , dat wy dikwerf hunne worftelingen in dood» 
,5 gevaar kunnen zien ; en ons mededoogen vóór hun voe-* 
yy len ontvonken. Doch in zulke gevallen is het een ver« 
„ keerd vooroordeel te waanen , dat zy dan van hun doodd 
9, gevaar zouden bewust zyn t en daarom met al hun kragc. 
,9 tegen hunne vyanden worftelen. Neen , zoo ver ftrekkea 
5, hunne begrippen zich nooit uit : zulk een denkbeeld 
„ vordert veele andere en verfcheidene beduiten, welke in 
59 bun niet. vallen kunnen.^ De gantfcbe zaak is deeze: zy 
9, miden zich belemmerd in hunne vryheid en genoegens^ 
„ en alle pogingen, welken zy in het werk ftelien, die^ 
„ nen alleen, om deeze weder te bekoomen^ en zo^ wor-* 

IL DEEL. JBI* ALO. tXÏt^ IVO. d. . R „ dtfit 



ft38 VERHAKDELTNGBN VAN HET ZBSuWSCH CBNOOTSCHAF^ 

„ den zy , onder dit poogen , om hunne vryheid , verilon* 

„ den. Is nu de dood voor een ftervenden onaan* 

,, getiaam , akelig , om het begrip der verandering , ooi ót 
„ verlaating van veele genoegens , om gevreesde fmert, enz. : 
^j dit alles kan hun nooit treffen, dewyl zy volftrekt on* 

,» verwagt fterven.'* De Autheur befluit wy* 

ders deeze zyne Verhandeling met eene aanmerking tegen 
het martelen, en wreedaariig ombrengen der Dieren, waarin 
sommige ontaarte menfchen vermaak ichyuen te fcheppen, 
en erinnert ons , „ hoe wy ten (lerkfte verpligt zyn , om 
5, zulke fnoode martelaryen , op alle mogelyke wyzen, tegen 
9, te gaan; als mede, dat wy , in de onvermydelyke vfooéL 
„ zaaklykheid zynde , om zommige dieren te dooden , dan 
„ de algemeene natuurwet, ons in het ryk der dieren zoo 
„ duideiyk voorgefchreven , behooren te volgen : dat is, 
,, dat wy dit , volgens Gods oogmerk , jangs den konden 
„ weg uitvoeren." 



Btfchouwin^ der Wonderen Gods in Je minst geachtfte Scliep. 
zelen. Of Nederlandfche Infecten befchreeven en afge^ 
beeld. ^oorj. CH. sepp. Tweede Deel , drie Plaïuen 
in quarto. Te Amjlerdam by J. C. Sepp, 1787. 

Ten blykf van zynen aanhoudenden arbeid, en oogmeik 
om de vervaardiging van dit tweede Deel voort te zet- 
ten , levert ons de Heer Sepp op nieuw drie Plaaten , met 
eene naauwkeurige befchryving der Rupfen en Vlinders , op 
dezelven zeer juist naar ^t leeven afgemaaid en gecoleurd. 
De twee eérfte brengen ons onder het oog twee Nacht- 
tünders van *t tweede Gezin der eerfte Bende: te weeren, 
(ï.) den Geelftrecp^VHnder^ dus genaamd naar een geelen 
ftreep , door welkert hy zig reeds als Rups onderfcheidt, 
ew die in den ftaat van Vlinder, naby den rand der Vier-i 
ken een fynen bogiigen loop heeft. Dezelve heeft eenige 
overeenkomst met de Brasfica (of Koéluil) van IJnmeus, 
doch 't is niet wel te bepaalen , of hy dezelfde zy. Hier- 
by komt (a.) de Tyger-Flinder of Geele Tyger , welken 
naam hy ontleent van de zwarte vlakken , waarmede de 
geele grondkleur der Vlerken vercierd is. Bv Linna'us 
beet hy Phalena Bombyx Lubricipeda ^ (Sjiibber^oet of 
Loipoot.') De Rups van deezen Vlinder behoort onder die 
foorten , welken niet keurig óp haare fpvzen zyn , en zig 
net bykans alle gewasfen^ dié haar voorkom en j geneeren. 
... - Ver* 



Vetdet vcrieent ons de derde afgeleverde Plaat een Nacht- 
Vlinder van *i tweede Gezin der tweede Bende. De Rups 
der Vlinders van dit v^ezin is eene tienpootige Spanrups, 
welke foort dit gemeen betft , dat zy , als zy rusten ot 
ffil zitten , zonder eenige bogt recht uit (taan , met de 
voorpooten digt aan 't lyf liggende , gelyk een dorre Tak 
of Steel ; hebbende ook veelal dezelfde koleur als die 
Takken der Boomen of Gewasfen , op welken men dezel- 
ven vindt, waardoor het dikmaals aebeurt, dat men eene 
dergelykc Rups, In den ecrften opflag, voor een dor takje 
of fteeltje aan- , en , om zo te fpreeken , over 't hoofd 
ziet. Van daar heeten zodanige Rupfen, by vcele Lief- 
hebbers, ook 'maar alleen Takken, met by voeging van deil 
naam van bet Gewas , waarop dezelven aazen ; zodanig 
zyn, by voorbeeld, de y/ier-Tak^ IpeSak en meer ande- 
ren. In navolginge hiervan noemt üe Heer Sepp deezeu 
Vlinder, die by Linnaus niet beken ! is, den Bes/c-'fak- 
Vlinder j om dat men c^t Infed op de Besfeboomen vindt4 
met welker bladeren de Rups zig^ zo veel hem bekend 
18 9 alleen geneert. 

Befchryving van dó Krim. l^crtaald dvof h* prirsèman. 
Te Amjltldam by P. den Hengst, 1786. Bchahcn het' 
Voorwerk 11a bladz. in gr. o&ayo. 

Het voorgevallene in de laatfte jaaren , tusfchen Haare 
Rusüfche Majefteit en de Osmanfche Porte , wegenjl 
het Krimfche , mitsgaders de tegenwoordige omfhndlglie- 
den , en de invloed van dit alles op den Koophandel al- 
daar, maaken dat dit Gewest in onze dagen hier te Lan<* 
de meer opmerking vordert dan wel voorheen. Uit dieil 
hoofde kan het veelen niet anders dan aangenaam zyn^ 
dat de Heer Frieremau zig verledigd heeft , tot het ver- 
taaien deezer Bcfchryvinge van de Krim^ van welker echt* 
heid de Ridder van Kinsbergen ^ deezer Landftreeke kun- 
dig, hem genoegzaame verzekering gegeeven heeft. (*) 

Dit 

(♦) Dit wordt daarbenevens bevestigd uit de ovcreenkonjsÉ 
deezer bcfchryvinge , met het geen ons van het Krimfche ge- 
meld wórdt f" in de Reize van n. E. kleemann i naar en dnar 
dit Gewest, uirgegeèved te Haarlem oy C H boJm 17741 
waarvan wy een ber'gt gegeeven hebben in de Hedend. yuuvrU 
JlAMrüif. 111 D. bl. 612. 

R ft 



i^40 BESCHIlYVlMO 

Die Stukje vangt aan met een beknopt berigt nopens de 
nitgeftrektheid van 't gebied des Krimrchen Khans , of van 
den beheerrcher van 't Schiereiland de Krim , en eenige 

. daaromtrent liggende Landdreeken , zo in Europa als ia 
Afia , volgens het Vredetractaat van 't jaar 17 4. Voorts 
verleent het ons eene algemeene befchry ving van dat Schier* 
eiland; en een berigt van deszelfs voomaamfte lotgevallen 
en (laatsverwisfelingen , zints de vroegfte tyden » tot op 
de fchikkingen in 't {aar 1775 gemaakt. By de melding 
hiervan geeft ons de Schryver een verflag van de onder* 
fchciden bewooners van dit Gewest , mitsgaders van dei^ 
zelver zeden en 'handel; als ook van de aanftelling en 't 
bewiqd van den Khan , en 't geen verder omtrent dit alles . 
in algemeene aanmerking komt* Hierop laat hy dan verder 

- volgen eene byzondere befcbryving van de Krim , zo als 
dezelve gewoonlyk verdeeld wordt (\) in het bergagtigc 
of zuidlyke, (ji) het vlakke of noordlyke gedeelte, en (3) 
bet Schiereiland van Kierchc^ dat zich. oostwaard uitflrekt. 
Van de voornaamlte plaatzen in ieder fi[edeeite geeft by 
een afzondcrlyk berigt , met melding van 't merkwaardigfïe 
daaromtrent , bovenal van 't geen de zeden der inwoon- 
deren én deff koophandel betreft. En op eene foortgelykc 
wyze befchryfc hy voorts de overige bezittingen van den 
Krirafchen Khan in Europa en Afia; te jveeien, in .Euro» 
pa, het oosterlyk Nogai^ tusfchen de Berda en Dnieper; 

• het Jcdifafie^ anders het westerlyk Nogai gehceten, tus^ 
fchen de Bog en Dniefter: benevens het grootfte gedeelte 
van BesfarabUn , of Boudgjak , tusfchen de Dniefter en 
den Donau begrcepen : en wyders nog in Afia , de Kou^ 
banc^ of dé landen aan den zuidlykep ep noordlyken oe- 
ver der rivrere van Konban gelegen. Men vindt hier dus 
eene naauwkeuriger bsfchryving v?n dit Gewest, dan men 
tot nog in onze taal bezat , 't welk zyne doorgaande nut- 
tigheid heeft , en wel inzonderheid voor den Koophandel 
en Zeevaart, waar het bedoelde van den Heer Friefeman 
van dienst kan zyn. Ter meerdere bevorderinge daarvan 
is hy , naar luid zyner Voorrede , bedagt op eene ver- 
ïiieuwde uitgave «der Kaarte van de Krim^ in vier bladen^ 
ontworpen door den Ridder van Kinsbcrgcn , die hem ook 
in ftaat gefield heeft , om de diepten op de Zwarte en 
AzoflTcbe Zeekusten , door zyn Hoog Ed. Geftr. zelven 

waargenomen , op deeze Kaart te brengen, (f) 

Zie 

Cf) Deeze Kanrt ziet nu reeds bet ïicht ♦ en is te bekomen 
te Amfterdam , by van Ktul&t^ en itn Hcngsu 



VAK DB RAI^. S^I 

'Zie hier 9 uk deeze befchryviBg, eenigen dér vooi^uaamfte 
byxcmderheden, nakende het Schiereiland de Krlm. 

Deszelfs omtrek wordt berekend op byna 270 vierkante 
mylen;* by eene optelling in 't jaar 1740, ))evond men 'er 
9 Steden en 1399 Dorpen of Vlekken ; en 'c getal der In- 
woonderen word thans begroot op 400,000. - — Het is 
door de Natuur zeer gezegend, en mee groote en vrucht- 
baare vlakten en metrfraaie bergen voorzien. De hitte is 
des Zomert fierk ) maar echter altyd verdraaglyk, en door 
de Noorde* en Zeewinden gemaatigd. De Winter is niet 
bttitenmaate zwaar , en eene tlrenge koude duurt zelden 
langer dan drie dagen. De Noordewind woedt, ecluer^ niet 
• geweld in het noT>rdlyk gedeelte, alwaar dezelve de lucht 
zuivert en het lichaamsgeftel zeer vcrllprkt. Warme' Voor- 
jaars en Herfllen hebben gewoonlyk zwaare ziekten ten 
gevolge, doch zy zyn .zelden doodlyk, behalven de pest,. 
die de Turken d[erwaard overbrengen. Echter is de me- 
laatsheid in deeze ftreeken zeer gemeen , en daarom dé 
'Zitktt van de Krim genaamd , voor 't overige is dezelve in 
.Rusland zeer. bekend. Het luchtsgeftel is byna overal zeer 

nnd , en de inwooners bereiken den allerhoogflen ou« 
om, zonder aan deszelfs ongemakken onderworpen te 
zyn. 

Het noordlykfte en tevens het aanmerkelykfte gedeelte 
van dit Schienpland betlaat in eene uitgedrekte , en een 
weinig boven oe oppervlakte der zee verhevene , vl^te. Het 
land ' 18 ten eenemaal plat , en van hout ontbloot ,. maar 
allervrugtbaarst , fchoon hier en daar fteenig en van ecnige 
zandfireeke& voorzien. De Meireü , fchoon niet veel in 
getale , zyn meestal zout ; doch men vindt overal diepe 
putten met zoet water , tot gebruik* van geheele Dorpen 
toereikende genoeg. Het zuidlyke gedeelte is daar- 
entegen zeer bergagtig, vol hout, rivieren en nVeiren. De 
Bergen ftrekken zig, in een halfrond vmjngkürman tot 
jr^0, drie, vier en vyf myleq landwaard i'n, uit. Dezel- 
ven zyc hoog en fteil, zeer boschryk, en door aangenaame 
valleien van een gefcheiden. Meer dan 50 rivieren , zo 

nte als kleine, vloeien uit deeze bergen voort, waarvaii 
irateren ^eer zoet, en ten uiterde vischryk, zyn. . 

De oevers zyn overal bewoond, en de dorpen raaken el« 
kander volkomen aan: aan alle kanten ziet men, gelyk bok 
op de bergen, huizen, boom- wyngaarden en bouwlanden. 
ut bosfchen leveren eene nvenigte van timmerhout. De 
cypres^ appeU pruun- peer- kers« kwee* en nooteboonien 

R 3 groeti 



CToclen hier 'in overvloed ; ^n , alhoewel men voor de 
vrugtboomen weinig zorge draagt, is de vrugt by unnco 
mendheid goed. De bloeroen , die meest de velden eieren, 
zvn de lely en de tulp. In de bosfqhen vind men veel 
fiizanten, patryzen , fnippenen eene^ menigte andere vo- 
eels- de wilde zwynen, hanen, rheebokken, wiWefchaa- 
Ln' haazen, konynen, bunzems, bergrotten, hermynen 
en fabeldieren, zyn 'er zeer menigvuldig doch de beercn 
en wolven zyn meest uitgeroeid. De.bcrgrti, tuslcheu 
mi-Krimtx\ Kaffa gelegen, zyn vol grmdf zilver en an- 
dere metaaleii , doch munten voorna^mlyk in yzermynen 
uit. De Wyn heeft met dien van Hongarye veel overeen- 
komst • de beste groeit rondsom Saudah^ en word in me-^ 
niste naar ükraine en Turkye uitgevoerd. Het land is aan 
den voet der bergen , en overal op het SchiereHand van 
Kierchc, zo vrugtbaar, dat het «elve gcwoonlyk 30 voor 

één oplevert. De Zwarte en Azoflche Zeeën ayn 

zeer vischryk, voornaamlyk op de kusten van de Krim, 
alwaar men, van de maand c ftober tot April, de cefcbikt' 
fte tvden voor de visfchery , eene menigte karpers-, fm^eken, 
zalm'en, kreeften of homroers, baarzen, zeelten, bitten, 
barneelen en veele andere visfchen, vindt; zelfs l>eeft. men 
•er eene foort van (leuren, of, gelyk andere willen , klei- 
ne' walvisfchen gevonden, ter zwaarte van 8 i 900 pond, 
en die drie- of vierhonderd pond tew>7r^i|itgekverd heb- 
ben. De meeste visch wordt ingezouteti , en maakt , be- 
nevena de kavtaart , eert grooten tak van toophandel in 

deeze ftreeken uit. . ^^ . , . ; 1. ,. , 

De bewooners van de Krm leggen aich op het bebou- 
wen van allerhande koorn toe, docb TOornaarolyk op de 
tarwe • «arst, gierst; inzonderheid de groffc gierst , zo wd 
de roode als de geele, insgelyks een weinig rogge, lenzen 
en haver, De tuinen zyn meestal met uitfteekende vnigt^ 
boomen beplant,- en onder andere fraaie planeen is de wa« 
termeloen daar zeer gezien. Het hoorn en' wollig vee is 
bv hen zeer meniffvulJiö: , en de zakfchaapen brengt de 
Krirn alleenlyk voort. Men vindt 'er ook Kameelen , Dro- 
maJarisfen en zeer veel Paaiden, die, fchoon niet fraai,- 
^gter fterk en vaardig zyn. ^ 

■ De vooniaamfle koophandel wordt te Kafa en te Goti* 
kvA gedreeven, en beftaat voornaamlyk in fl.aven, gezou* 
ten visch^, kaviaart, zout, koorn, gai:st, gierst, boteren 
wyn Ook worJt van daar zeer veel wol , zwarte ei| 



V4N DS KRIM. ^j 

vèTlcn, osrenvlcesch , talK, fteenolie, (Oleum Petrét^^ ho- 
nig , wasch en andere dingen, uitgevoerd. Die alles ge* 

fchiedt meest by ruiling. Op de melding der twee 

voornaam fte koopfteden, (laat ons nog met een kort vAord 
van dezelven gewag te maaken. 

Kkffé of Kaffa ^ in het Grieksch Kaphas^ is de grootlle 
en aanzienlykde Stad van de Krim. Zy wordt zt\fs Ky^ 
rjm-S^ambouli of bet Krimfche Conftantinopolen , ook wei 
Jartm- S^amboul ^ klein Conftantinopolen , (j) genoemd. 
Deeze Had is fmal en lang op een heuvel , uit zand en 
fchulpen beftaande , in 't zuidlyke gedeelte , aan den Zee- 
kant gelegen , en bevat ongeveer 4000 huizen. Zy heeft 
cene fraaie haven , voor honderden van Koopvaarders groot 

Senoeg; oak munt zy, als zynde de woonplaats der ryk- 
te Koopluiden» in den Slaavenhandel ^ boven alle andere 
Krimfche Steden uit. 

GqcsIcvc of Ghiuslevc , by de Rusfen onder den naam 
van Koslow bekend , is mede eene der aanmerkelykfte fte- 
den van de Krim^ in 't noordlyke gedeelte; wordende ia 
dezelve 2500 fteenen huizen geteld. Op de noordlyke kust 
van cene golf gelegen, is zy met cene baai en kleine ha- 
ven voorzien, doch deeze is te ondiep, om door andere 
dan zeer kleine fchuiten bevaaren te worden; doch dit 
niet tegenftaande Wordt hier een zeer fterke koophandel 
gedreeven. De oostlyke Nogaiers , die, zich hier van al 
het noodige voorzieö , voeren de voortbrengzels hunner 
Landen, beftaande in de bovengemelde koopwaaren, vdor- 
naamlyk derwaard heen ; van- waar ze vervolgens naat 
Conftantinopolen overgevoerd worden. De Turten bren- 
gen herwaard veel ryst, koffy, drooge vygen, rofyncn, 
dadels , lakens en zyde doffen ; en verruilen dezelven 
voorflaaven^koorn, doch voornaamlyk voorgarst en zout. 
Niet verre vojk GoeslevCy ten zuiden, zyn twee Zoutmei* 
ren van twee mylen in den omtrek , die in de Zomermaand- 
den eene zeer groote menigte zout opleveren. 

(+) Te. Turken naamlyk iio«men Conftantinopolen Stamb'ouL 



R 4 «V- 



S44 HISTMISCn VBRflAAt 



UlstQriich Verhaal^ vfegem het gebeurde inet de Suien 
H^ternen Elburg^ in den Jaare 1786, of Gedenkboek 
voor de Provintie Gelderland^ waarin de heillooze gevold 
gen van het fch^^delyk en onwettig Kegeeringsregkmcnt ^ 
van V Jaar lysQjfnei de fnerkwaardig^e byzonderheden ^ 
onlangs in dfe, Provintie voorgevallen , als mede de aanleid 

, dende oorzaaken tot den vjandelyken aanval tegen de gcm^ 
poemde Steden^ ^n de omftandigheden bj het Inneemen 
en Plunderen derzelven , naar waarheid verhaald wor^* 

. d^n , door o. w***. Alles gcjlaafd met de origineele 
Refolutièn , Advyfen , Prgtesten , Mcmorièn , Misfiven , 
Publicaties , en andere Staats/lukken daartoe betrekkelyk^ 
Te Catnpen , by f. A- de Chalmot en de Ehen Valke^ 
nier, 1786 en 1787. Drie Stukken ^ in gr* ivo. 

De noodlottige Gebeurtenis van den vyandelyken aaa* 
val , door een gedeelte van de Krygsmacht deezer 
Republiek 9 tegen de vreedzaame Bewooners der ongeluk» 
kige Steden Hatiem en Elburg, ter uitvoer gebragt , was 
zeker]yk van dat aanbelang , dat een omftandig Verhaal van 
deeze gebeurtenis 9 met de aanleidende oora^aaken tot de* 
zelve» en de gevolgen welke daari|it zyn voortgekomen, 
voor fille Vaderlanders hie^ onverrchillig zyn kan. 

Uit dien hoofde , zouden wy reeds voor langen tyd van 
}iet eerfte Stukje van dit weluitgewerkte Gerchiedverhaal , 
pnzen Leezeren een verflag ^ egeeven hebben , ware het 
niet, dat wy vooraf de volgende Stukjes hadden willen 
afvvacbten , om het geheel te kunnen overzfen , en een on» 
afgebroken bericht van hetzelve opgeeven. 

Ue kundige Schryver, welke alles aangewend heeft, om 
'dit zyn Verhaal zo nuttig en volleedig te doen zyn , als 
mogelyk is, en daartoe een groot aantal byzonderheden ^ 
mitsgaders alle Staats(li|kken , Refolutièn, Advyfen, Pro- 
festen , Memorfën , enz. en al wat wyders tot dit gtyA 
flegis de minfte , betrekking heeft , zorgvuldig beeft by« 
^éngezameld , met oogmerk , om ze , in 't beloop van di( 
Verhaal , ieder op zyne plaats te laaten^invioeijen , heeff 
dit zyn Werkje in Hoofddukken verdeeld , ten einde , be« 
kwas^me gelegenheid te hebben , om zomwyien van het 
eigenlyk onderwerp af te (lappen , en ^sekere zaak^n medQ 
9an te roeren , die wel niet önmiddelbatr bet droevig bt 
der Steden Hattem en Elburg betreffen , maar echter toe 
^pl^eldenng v^ de tegenwqor^jge gedeldheid v^^n Gelder« 

Jaqdf 



WEOSMS HATTBH XN BLiURG. ^4$ 

land , meer of min, noodzaakelyk zyn ; zo dat dit Verhaal 
niet ilegts een volkomen Tafereel van het gebeurde in de 
Steden HatteiQ en Elborg , maar ook van de geheele te* 
genivoordige gefteldheid van Gelderland, kan opleveren. 

Na eene kone Inleiding, waarin de Schryver den hag. 
gelyken toeftand der Republiek , op eene treffende wyze , 
aficbetst^ gaat hy in het eerde Hoofdftuk over , om ons 
te doen zien, dat de Hertogen , Graaven en Heeren^ over 
deeze Gewesten, geene eigendunkelyke Heertcbers, maar 
door eenen plecbtigen eed verbonden waren, om de Inge. 
setenen in bunne Privilegiën en Rechten te handhaaven , 
zo dat de Ingezetenen aan den Souverein , niet langer 
trouwe en gehoorzaamheid fchuldig waren , dan , zo lang 
deeze zynen plicht beqracfatte, en de Vryheden, Privile- 
^ên, Coscuymen en oude Herkomensder ingezetenen, 
in eere hield , waarom ook de Gefchiedenisfen van ons 
Vaderland zo veele bewyzen opleveren ^ dat het, onder de 
vroegere Graaven en Heeren over deeze Gewesten , zel- 
den een Alleenheerfcber heeft mogen gebeuren , dat hy de 
Voorrechten onaer Vaderen , langen tyd , ongeftrafï heeft 
kunnen fchenden. Dan, daar de Stadhouders, integén» 
deel , die , na de grondlegging der linie , als eerfte Staats* 
dienaars vin de Republiek, zo in het Staats- als Krygs«> 
weezen, aan het algemeen bewind, inzonderheid aan de 
uitvoerende macht, zo aanmerkelyk aandeel hadden, ech- 
ter dikwila , tér voldoening hunner onbegrensde heersch- 
zocht , het Vaderland jammereif berokkend hebben , die 
nooit in een Oppervorst geduld wierden , heeh dit den 
Schryver aangefpoord, om dit merkwaardig onderfcbeid na 
te vorTcben, en, hy die gelegenheid , den oorfprong van hec 
Stadhouderfchap, en waartoe hetzelve is ingericht, aan te 
toonen, benevens de gefchiedenis der Stadhouders kono- 
lyk te doorloopen , om hieruit te doen zien , hoe , van 
tyden berwaards , het in deeze Republiek geen zeer on* 
gewoon verfchynfel geweest is, om Steden, zelfs geheele 
Provincidn, met kracht van Wapenen , aan het eigendun« 
kelyk goedvinden van den Stadhouder, inzonderheid met 
tipzicht tot de Magiftraatsverkiezipgen , te onderwerpen; 
waarop de Schryver in het tweede Hoofddeel overgaat, 
om dit toe te pasfen op het onlangs gebeurde , met opzicht 
tot de Overheden en verdere Bewooneren der Steden Hat* 
tem en Eltorg. Dan , om een toereikend denkbeeld te 
gjeeven , van al *t onrechtvaardige , *t welk in de laatst- 
genbemde gebeurtenis ligt opgeQoten, was het noo4ig 

R 5 voor- 



^^6 BI9T0RISCB VMtLUkêJL 

vooraf eenig onderzoek te doen , natr de corlprongkelyke 
Rechten van Gelderiaads Ingezetenen , ten einde daaruit 
blyken moge, op hoedanige wyze haar dezelve van tyd 
tot tyd y met list of openbaar geweld « zyn OBtnomen , ea 

• hoe noodzakelyk het voor dezelven is, ten nünOen voor 
het behoud der nog overgeblevenen, xo veel mogelykzy^ 
té waaken. Hierom beeft hy, van de vroegere £n tegen- 
woordige gedeidheid dier Provincie i^ iuzonderheid van ds 
Stedelyke voorrechten , met opzicht tot de Magiftraacsver* 
kiezingen, en hoe dezelve « van tyd tot tyd, gefcbonden 
zyn , zo veel opengilegd , als juist dienen kan , om ees 
tameiyk goed begrip , dien aangaande , op te vatten. Is 
't byzonder is hy zeer breedvoerig, over de invoering vaa 
het drukkend Reglement van 1750, waardoor alles van dei 
Stadhouder afhangkelyk gemaakt is , en welks Tchadelyke 
gevolgen door den Schryver worden aangetoond ; waarna 
hy ons een Verhaal geeft , hoe Gelderlaad , door het voor- 
beeld van andere Provinciën, opgewekt, en door deMan- 
nentaal van echte Vryheidszoonen aangewakkerd, bet be- 
fluit nam , om na de oorzaaken hunner rampen te onder* 
eoeken , hunne gefchonden Rechten te herftellen, en bet 
voofichreven Reglement te redresfeeren en ce verbeteren; 

^dan dat, niettegenftaande de Mannelyke Voordellen ea 
Protesten van den braaven van oer gapellbn en ande- 
ren , ilie verdrukkingen geftadig toenamen , zo dat mea 
zelfs tegen de Tekenaaren van het Nationaale Request, 
dat hier in zyn geheel^ benevens het gebeurde, dieswe^ 
gens wordt opgegeeven , zekere Inquifitie aanving , het 
geen echter van dat gevolg was , dat het Volk vm Gét' 
derland, wel verre van zich te laaten afTcbrikken, toe he& 
ftel zyner vervreemde Voorrechten , voortaan foortgelyke 
Verzoekfcbriften in te brengen , echter nogmaals zyne 
Hem verhief, en^ by een tweede Request, op aieuw be» 
geerde, dat die ondraaglyke kluisters, welke «en geduu* 
ng poogde te verzwaaren, verbrooken mogteo worden^ 
Dan dit Adres wedervoer nog erger lot dan het eerfte, 
en wierd, door de meerderheid der StaaKusleden « met vev- 
finaading agter de bank geworpen , die toen , zonder op 
de Advyzen van veele hunner Medeleeden de minfte acht 
te (laan , befloten , ingevolge het gemelde Advys van den 
Hove Provinciaal, de Volkftem, ware het mogelyk, voor 
altyd te onderdrukken, en, door geheel Gelderland, de zo 
berugte Publicatie in dato 11 Mai 1786, (die hier dooir 
den Schryver in zyn geheel, benevens xle protesten en 

Aan- 



Atntedcemngen Van «eer veete Sttdtskden, in 't byzon- 
der van den kundigen capëllsn tot oe marsch> wor^ 
den opgegeeven ,) te haten afkondigen. Het derde Hoofd* 
deel| waar mede het tweede Siuk zytren aanvang neemt» 
begint de Scbryver met eenige AaiKDerkiiigen op de 
voorfz. Publicatie , waar tegen zich eenige Regenten van 
Hattem en Ëlburg verzet hebbeu , deeic ons verder de 
vruChtekioze poogingen mede van eenige Gelderfche Re. 
genten, om ^let weizyn des Vaderlands te bevorderen, en 
doet on& voons zien , bet algemeen wantrouwen , dat by 
de Natie, tegen de uitv(»erende ipacht, was ontdaan, en 
de oorzaaken waar uit hetzelve zynen oorfprottg nam. Na 
on3 dit, en.meer andere Stukken, tot de hoofdzaak betrek- 
kelyk , te hebben medegedeeld , gaat hy over tot cene korte 
Beicbryving van Ëlburg, deszelfs Reeeerings- Collegiëa 
en MagiHraats-beftelling , die weleer door de Gilden en 
Burgery verkooren , doch door de Stadhouders van die 
wenig ree ht beroofd wierden , voorts het Collegie van 
Gemeentslieden , de verkiezing van welk« LediU tot he- 
den toe aan Gilden en Borgery - verWcven is; by welke 
.gelegenheid ons de Schryver de gefichillen mededeelt , wel- 
ke ontdaan zyn uit hoofde der weigering van de Magi- 
ftraat , om een wettig verkooren Gemeentsman in den 
eed te neemen; voorts de nuttigheid der Collegi£n van 
Gemeentslieden , de oorzaak van 't misbruik , 't weHc 
deaelve fomtyds van haar gezag gemaakt hebben , en het 
diep verval , waarin dit Collegie zedert meer dan dertig 
Jaaren geraakt , en buiten (laat gefteld was , om aan zyne 
bezwooren pKchten, in allen deele, te voldoen, waarvan 
de voomaamfte oorzaak alleen daar aan was toe te fcbcy- 
ven , dat het zelve geene afzonderlyke Vergaderingen 
hield , en derhalven over zulke aangelegenheden niet be- 
^hoorlyk raadpleegen kon., die, volgens 't Stedelyk Reqht, 
aan dit Collegie in 't byiitender zyn toevertrouwd. Het 
vierde Hoofdftuk vangt de Schryver aan , met eene be- 
fchouwing der Gelderfche Landdagen , hoe dezelve gehou- 
den worden , en op welke eene wyze de uitfchryving 
daartoe gefchied. 'De drie Hoofdfteden, naroelyk, hebben 
het recht , om eene Kwartiersdag te verfchry ven , en fiet 
Hof is verpficht, om alle de Poinften, waar over geraad* 
pleegd zal worden 4 over te zenden. Dan, ten deezeti 
opzichte, hebben veele misbruiken plaats gehad, 't welk 
■weder aanleiding tot veele andere verderfelyke misbruiken 
ffgeeven bc^ft , waw van d« Schryver ons de bcklair, 

gena- 



t48 HISTomSCB VBRHAAL WEGENS HATTEM EH ELBaRG.* 

genswaardige gevolgen heeft aangetoond » en tevens doen 
zien, boe de gezwooren Gemeente te.Ëlburg, zich tegen 
een der grootfte misbruiken op de Landdagen heeft be« 
ginnen te verzetten, en tevens te eisrchen om het vrye 
Stemrecht 9 ter Staatsvergadering,te doen gelden , benevens 
alles wat dieswegens is vobi^vallen ; en hoe het voorts 
gelegen zy , met opzicht tot de gewaande misdaad , om 
weKe de Bulderen en Ingezetenen van EIburg, op last 
hunner Principaale Vertesenwoordigers , zo niet als open* 
lyke vyanden , ten minften als weerfpannige en oproerige 
Surgers> door Militair geweld moesten te onder gebragt 
worden; waWp hy in het vyfde Hóofdftuk overgaat, om 
met alle mogelyke onzydigheid te onderzoeken , welke 
zaaken en omftandigheden tot gelyke onderoeeming , tegen 
de Vryheidlievende Bewooneren van bet verdrukte Hae- 
tem , de waarfchynlyke aanleiding gegeeven hebben; zo 
dat in dit en het laatfte zesde Hóofdftuk, al^s in een b^ 
hoorlyk verband is byééngebragt , wat binnen Elburg en 
Hattem, met opzicht tot de wezenlykfte bezwaaren der 
Ingezetenen, en inzonderheid, het weigeren van eenen 
door zyne Hoogheid , den Heere Stadhouder, tot Regent 
aangeftelden Garde du Corps ^ is voorgevallen. 

Vaderlandsch Woordenboek; door jacobus rok. Zestiende 
DeeL Fra-Fy j .met Kaarten , Plaaten en Pourtraiten. 
Te Amfieldam , by J. Allart , i7S6. In gr. Svo. 698 
bladz. 

XVTy hebben reeds meermaalen van dit Werk, als een 
W nuttig Handboek voor ben, die eenige kennis van 
onze Vaderlandrche Gefcbiedenisfen en Oudheden erlan« 
gen , en daartoe de bronnen zelven willen narpooren , met 
lof gewag gemaakt , en selyk wy telkens het een of an- 
der, by wyze van Uittrefclel , tot een Ihaitje, uit dit Werk 
onzen Leezeren mededeelen, 'zullen wy thans, het zelfde 
voetfpoor inflaande , hier laaten volgen , het ffeen de werk- 
zaame Schryver , nopens de geSartheid van Friesiauds Be- 
wooneren, heeft aangetekend. 

„ De hedendaagfche Friefen verfchillen grootelyks van 
de Ouden, wier Geaartheid, Zeden en Gewoonten ge- 
noegzaam overeenkomftig waren met die der Batavieren; 
waarom wy dit met ftilzwy^en voorby gaan. De oorzaa» 
ken van deeze verfcbeidenhéid en zigtbaare verandering, 

zyn 



)• KOK» VADBUARDSCH WOQKDKNBOBK. S49 

Bjn buiten twyfel veele. De Romeinen , hier te lande 
veikeerende, leiden 'er zeker den eerften groiulflag toe;, 
hebbende de Frieten van bun niet alleen geleerd bet Lee« 
fien en Scbryven, maar ook vry wat van bunne 2^en; 
vooral , toen bet voor hun een ftuk van belanff geworden 
was , de vriendfchap met de Romeinen aan te kweeken en 
te onderbonden. Zy, die eenige Jaaren achter elkander» 
buiten 's lands» in vreemden Krygsdienst badden omge- 
zworven , gelyk oudtyds vair veele der aanzienlykfte Jon- 
gelingen onder de Frieren plagt te gefchiedeu» kwamen 
aelden of nooit in hun Vaderland te rug , xonder iets uit« 
heemsch , in Taal , Zeden en Gewoonten • mede te bren- 
gen, 't welk, fchoon met geen opzettelyk voomeemen, 
ongevoelig op bunne Kinderen over ging, en daar door 
een ongemerkte verandering te weeg bragt. Het geen dus 
door de Romeinen bier te Lande begonnen was , werd 
kort daarna door de Franken voongezet, en wel inzon* 
derbeid, na dat deezen het zo verre gebragt badden , dat 
het Christendom door de Friefen , met verlaating van bun- 
nen Vaderlandfchen Godsdienst, vry algemeen was aan- 
genomen. Want daar dit, bebalven de overkomfte van 
veele buitenlandfche Geestelyken ; aan den eenen kant • 
Biet weinig toebragt , om den wederzydfchen baat en a^ 
keef merkelyk te verzachten, welke , hoe onredelyk ook, 
uit verfebeideoheid van Godsdienftige begrippen en plech- 
tigheden doorgaans gebooren wordt ^ gaf bet, aan den an- 
deren kant, insgelyks gelegenheid tot dien semeenzaamen 
omgang en verkeering» welke tusfchen verlchillende VoK 
ken nooit geoe&nd wordt, zonder dat bet eene Volk van 
he| andere deeze of geene gebruiken overnam. De Wee* 
tenfchappen , die , met recht , voor het bekwaamfte mid- 
del, ter befcbaaving der Zeden en Gewoonten worden ge- 
houden , (laken ook , hngzamerband , in deeze Gewesten 
bet hoofd op, en werkten grootelyks mede, om de reeds 
begonnen veranderingen ten fterkllen voort te zetten. Dan » 
zo 'er iets is^ dat daaraan de laatfte hand geleed heeft, 
is bet , waarfchynlyk \ de vermeerdering van Frieslands 
Rykdom , welke , roet het vo<»rtzetten van den eertyds 
verwaarloosden Landbouw , Koophandel en Scheepvaart ^ 
lot een aanzienlyke hoogte geklommen is, en eene zeer 
groote verandering heeft te wege gebragt , zo , om dat 
veele Vreemdelingen daar door zyn aangelokt, om zich, 
roet verlaatinge van hun Vadertand , ter verkryging van 
een ruimer beftaan , herwaards te begeeven > en ztch met 

den 



t5^ J. KO^ 

den ouden Lanckiart te vermengen » als ook , om dtt Yee» 

k ryke Landskinderen 9 even > als of het nu een ichand« 
ware , geboren Friefen te zyn » daar hunne Voorvaderen 
Èo groot een eer in ilelden^, zich meer en meer van hun* 
ne Landgenooten onderiicheiden , door xich Uuicenlanders ^ 
en wel liefst Franlchen , tot voorbeelden van navolging t« 
verkiezen. 

,, Dan , hoe zeer de lantere V riefen van de vroegere ver* 
fchillen, 't is echter waar, dat zy, mimk-r iian wel ande* 
ren, tot buitenlpoorigheden vervallen zyn. Mi>lchien is 'er 
fiog wat overgebleeven van de oude ^czeiheia op eigen 
Taal en ZeJen , weike oudtyds zo verre ijin;? , dat zy met 
andere Volken weinig verkeerden , en zelhs vVetten maak» 
ten i om geen BuUen/andcrs, onder hun te laaten woonen ^ 
£o als men breedvoeriger zien kan by OABb^MA , iu zyne 
Voorreden voor o. Japirs, Fricfchc Kymelary. L^an , in 
plaats van dit een deugd te noemen , is het eerder als eea 
woeste onbefchaafdheid aari te merken^ welke, door eeix 
betere , en met de foenfchelyke Natuur meer overeenkom 
mende, gezelligheid, is weggenomen. 

,, Maar , hoe groot die veranderingen ook zyn , de Friefchc 
Natie is nier geheeli^nal van geftahe of inborst veranderd. 
De Frieren zyn 5 over 't algemeen genomen , nog ryzig en 
ilerk van ligchaam , waartoe het gebruik van voedzoame 
fpyzen, gepaard met een gezonde arbeidzaamheid, waai^ 
fchynlyk niet weinig toebrengt. Ook zyn zj van een aan* 
zienlyk en bevallig wezen , waar in een onbefchroorode 
achtbaarheid en deftigheid doorftraalt , welke zy , vooral 
in het fpreeken , door ecne rondborftige vryrooedighei<i , we- 
ten aan den dag te leggen, terwyl hun de roem van ogen* 
hartigheid , goedaartigheid en getrouw te zyn , niet kan ge» 
weigerd worden, fchoon zy niet vry te pleiren zyn van 
llyt hoofdigheid, die het zeer bezwaarlyk maakt, om hen 
Van hunne eerstgenomen belluiten af te breui^en. Ten 
aapzien van de befcherming der Vryheid is hun ( ir. in vee- 
Ic gevallen, van merkelyk nut geweest: en utnlclulvk wa- 
re bet , dat de Friefen, ter berkry^ing van hunne tiefV hon- 
den Rechten, in deese dagen, die aangebooren thfnovf- 
digheid niet lieten v:(aren. Wenfchelyk ware 't, djt hunne 
Overweldigers dit gedeelte van hun karakter thans in aan- 
merking wilden neemen. 

„ De Vrouwen in Friesland zyn, over 't algemeen , weiges 
naakt van lyf en leden ; blank en fchoon van aangezicht ; 
doorgaans voorzien van helder tintelende oogcn, en blanke 

of 



▼ADERLARDSCH WOORDBMBOKK. égt 

of bruine hairen; wordende hier weinfg Bruinetten gevon*- 
ileQ. Ten platten lande, daar de levenswyze minder to 
dorven is dan in de bteden, vindt men inzonderheid veele^ 
die, in rchoonheid en bevalligheid, met die van de Steden 
gelyk ftaande» haar in zilverwitte tanden, bloozende kleur 
en frisfchegeftalte, niet weinig te boven gaan, hoewel ae 
doorgaans minder van die verfynde befchaafdheid bezitten » 
welke in dé (leden , en voomamelyk by den rykdom ^ 
heersclU) en niet zelden te verre gedreven wordt. 

,9 De pragt , zo in gebouwen als andere dingen , is aldaar 
mifider dan in andere Oorden. Van de oude Stinzen of 
Steenhuizen , zyn in Friesland weinige meer overig. Egtèr 
ontbreekt het 'er niet aan fraaije Landhuizen^ metvrnchr*, 
baare tuinen, hoven en vyvers, gefcbikt tot aangenaame' 
Zooerverblyven. De Boerenwooningen en Schuuren , het 
zy dezelven in eigendom of in huur bewoond worden, 
zyn aldaar zeer aanzienlyk, en overtreffen veelal die der 
andere Provinciën in Oosiergoo en Westergoo; daar men 
de beste landeryen vindt, heeft men ook de kostbaarfte 
en fraaifte buizen. 

„ Dan nergens is de verandering grooter dan in de klee- 
ding der Friefen. De aanzienlykfte , zo Mans als Vrou* 
weo, hebben zich leeds, van overlang, naar Duitrche en 
Fnnfche manieren beginnen te fchikken , en vinden daarin 
veel navolgers onder den Burgerftaat , die hier toe te lig^ 
tet overgaan, om dat dit een gereed middel fchynt om 
zich van 't gemeen te onderfcheiden , en tot een rang van 
meerder aanzien op te klimmen. Zonder ons dan met de 
aanzienlykften, die men, aan de kleeding, voor geen Frie* 
ftn kennen kan , bezig te houden , zullen wy ons enkel 
tot den middelftand bepaalen , en wel meest tot die van 
het platte land , omdat de kleeding der (ledelingen , vooral 
der Vrouwen, zo verfchillende is» dat de kenners daar 
alleen by weeten te onderrcheiden , of zy uit de hoofde 
(ted , dan uit andere fteden zyn , en bepaaldelyk uit wel- 
ke. Van allen , zo landluiden als (ledelingen , moet men 
erkennen, dat Hunne kleeding verre is van weidseh te 
zyn, als ook, dat *er iets van dat landeigene in door- 
llraalt, waardoor dezelve , en inzonderheid die der Vrou- 
wen, al zyn zy geen Hindeloopers of Moïqucrummers ^ 
zich gemakkelyk van alle overige laaten onderfcheiden* 
Ook (haalt 'er iets bevalligs door, dat niet weinig*ter ver- 
meerdering der vrouwelyke fchoonheid dient. De zoaió» 
Soende Duitfch^ nutzen mee breede kanten, de gouden 

oor- 



a5% J. KOK 

oorysers» eo andere verfierfelen van goud en xilvet, eer» 
tyds 20 weinig, doch du zeer veel, geëchc, en niet zelden 
boven vermogen gebruikt , (lellen dezelve in het aange- 
naamfte iicht. Ën hier aan heeft men toe te fchryven , dat 
eeii wel uitgedoste Frierche Vrouw , of jonge Dochter ^ 
nooit op een vreemde plaats kan verfchynen , sonder een 
bewonderende aandacht» van groot en klein ^ tot zich te 
trekken. Wat verder het onderfcheid der kleeding betreft en 

J^enoegzaam bekend is, beoordeele een ieder naar zynen 
maak en zinnelykheid. 

,, In fpyze en drank, als ook in de verdere levenswyze» 
verneemt men wel de oude ruuwheid niet meer; doch 
echter beerscht *er een eenvoudigheid , die elders niet te 
vinden is , en secne omflagttge toebereidinff vereischt. 
Dan, nadat de Visfchery, de Landbouw, de Veefokkery, 
de Koophandel en Scheepsvaan een zichtbaare vermeerde- 
ring van 's Lands rykdom veroorzaakt hebben , beeft ook 
de levenswyze een gantsch andere gedaante aangenomen. 
De drank betreffende , in plaats van zwaare bieren , waar- 
in een dronkenmaakende kracht ftak, en die, thans in 
geen dagelyks gebruik meer zyn, is de.koffi, nevens de 
thee, overmatig ingedrongen. By de fatzoenelyke luidea 
is het thans eene fchande , zich in 't openbaar dronken te 
vertoonen ; bierdoor zyn de tegjenwoordige Friefen veel 
handelbaarer dan hunne Voorouders. Getrouw het eens 
gegeeven woord te houden ; Vaderland en Vryheid te be* 
minnen, en, als de nood aan den man komt, die kloek- 
moedig yoor te (laan , om zich geen nypend juk en banden 
van flaverny op den hals te laaten dringen ^ een arbeidt 
xaam en zuinig leven te leiden; den Koophandel en voor* 
al de Scheepvaart, zonder aanmerking op de ge vaaren,, 
met dit beroep onafTcheidbaar verknocht, ,te dryven, zyn 
dingen , die de Friefen tot lof verftrekken en hun hoofd- 
karakter uitmaaken. 

„ 't Is algemeen bekend , dat deeze Natie voor geene an- 
dere in 't beoefenen der fraaije weten fcbappen behoeft on* 
der te doen; een menigte van ervarene Friefen, in alle 
vakken van geleerdheid uitmuntende , (bekken daar van ten 
bewyze. Mannen , behoorende tot den kanzel , tabbaart 
of degen; Vrouwen, doorleerd in alle takken van geleerd- 
heid , zyn reeds vroeg en als nog in Friesland bekend ge- 
weest. Ter voltooijing van den aart en karakterfchets der 
Friefen, zullen wy 'er dit volgende nog byvoegen. 

„Even gelyk de voomaamfte deugden en gebreken ondet 

het 



VADBBULNOSCH WOOaBlNBOia^ gr- 

lict aenfchtlyk geflacht, zya dezelve ook. onder hm ver- 




»..►• u -i 8}«n?n«d, dapperen heldenmoed en blóode laf- 
hartigheid, fchitterend vernuft en drieste domheid .oveïïï 
naast elkander geplaatst vindt, dus zyn dee« deugd°n « 
ondeü|den ook onder hun bekend. Dan uit bet ge/n reeS 
gezegd IS, «al men kunnen opmaaken . dat de fS 

Eenwns gefcbapen zyn, om zich in weelde en wellust t! 




te verfpillen; maar om de kracht van een welgefpSd S 
ftei, dwr ftoote en vaardige licb»amsoefeningen,te ïenlSl 
Ï'S: En «ker, onaangezien de ftyve houSing, dk hun 
in den eertten opOag. meer of min, eigen fchynt, wetïS 
zy bet wel te toonen als het te pasfe^omt/Everkiïï 
Ag^m het beftier van, paarden als van fciftpen, omr"?! 
iBoeid op de jacht, m het kaatfen. in het kolven en 
vooral m fchaaisryden . waarin hun niemand overtreft- 
kortom m alles, wat tot een vluggen en fterten kaerd 
tereischt wordt.zonder weer of win3 re ontzfSirtewJzS 
zy genoegaam, dat de dappere Romeinen niet vruneloS 
hunne leermeesters «weest zyn. De Friefen. die dS £3 
recht den naam van deftoute Friefen verdienen, zyn onse. 
voehg voor venery; en zo men de Grooten uitiondert. 
die overal wülen gevleid worden, kan men met «ind 
a^n, dat zy door geen vleijery te winnen zyn. ïvïï 
mm kan trotscbheid onder lun geduld worden; hna 
grootfte vermaak beftaat in de vemöering van eei'booïï 
moedig menscfa. Koutten, die aan een fynen fmÏÏt WÏI 
den toegekend, gaan by hun niet zeer in zwang. Dm 
m nuttige molenweiken.fluizen en andere werktuiifen zvn 
«y groöte meesters. De landman fchynt onder WeS 
wysgeer te zyn: het droogmaaken van Meeren, het bedv. 
»en ; het vellen van bosfcben , om den grond tot wei-rf 
zaailanden bekwaam te maaken, fchynr bun .van natnur 
eigen te zyn. Andereq, doch in minder getal, auntm 
u veifcbeidene andere zaaken uit. * * "«"«« 



lI.OBBL.if.u.e.UTT.lfo.6. $ Twet' 



054 tWEÉDtf nrt. 



Tweede iets voor de Predikant 2n van NoordhoUan i ; met betrek^' 
king tot het voorgevallene op de twee iaajie "ynodens van 
Noofdholland 9 in^ de zaak vön d-n R'str en den aankleevè 
van dien. Te Hoorns by L'. VeriHandb, 1786. ' Ih gr. oEtava 
56 bladz. 

\70ISCns belofte 'in 't e^rpe iets gedaen C*) vindt' men in dit 
tweede ene nadere opheldering van het voorfircValIcnc raken- 
de den Rooster, en den acnklcve van; dien. Hier'tc^ brengt 
men in -dezen, uit liet porte/suilt"^ naef een vfy écht affchrifr, 
voor den dag , de eerfte propofitie • w de Clasf» van Alkmaef 
^e.iaen » wegcn'5 liet arresteren van eek\ vasten Rooster in het 
begeven der Synodale offvcien -en commisficn, mitsgaders 'de 
Mislive door de B. Clasfis van Alkmaar, verionden atfn dd 
vyf overige Clasfen der NocrclhollaiKlfobe Synode, met betrek^ 
king tot het voorgevallene op de Synodale Ver^dering te Ene» 
huizen; met eenige bylagen« welken ten regten vcrfrandê van 

ctlyke byzonderheden dienen. -> De Uitgevers dezer Stuk* 

ken, oordeelende i» cfat het meer dan tyd wordt ^ dat der 

,9 Gcestelykcn hoogmoed bekend, en derzelver heersch4 

„ zugt ook tevens paal en perk gefield worde," heb, 

ben 't raedzaem geoordeeld, ,♦ hier i^iele der.Wa.reld onder 
„ 't oog te brengen , wat gccsrelyke Hoogmoed en Heerscb- 
„ zugt, zelfs in deze dageu van Vryheid, durft pnderneemen en 
99 uit voelden: ' ■ ' ' proviflortcel C'^oe^enzy 'er byj) bepaalen 
ff wy ons nog tot den Rcoster en aonkleev van </»>n; dan even- 
9> wel zullen wy waarfchynlyk alte de fchfecuwende informa* 
^, liteiten deezer Enchuizer Synode uit orlginéele 'Stukken wel* 
'9» dril u mededeelen." 

C^) Zie boven bl. ift. . . 



Onzydige en beproefde J^edè^ten^ over de Leer aangaande Geesten 

en Geeitenzienders van jusTUS christian hennpgs, Ho/raad 

' en Hoogleeraar te Jena. Uit het Hoogdutsch overgezet ^ ohdei 

' de Zir^preuk: Altisfimo annuente viribus meis. Eerfte Stuk* 

Te Jmfterdam^ by A. Fokke Simonsz. 1786* Behaiven da 

Voorreden » ^92 bladz. In oiiafo. 

TJct onder veelen nog heerfchende bygeloof in Spookhistoriën » 
^ en wegens het zien van, of verkeeren met, Geesten, ten 
kragtigfte tegen te gaan , is 'de taak , welke de Hoogleeniar 
ïlennings in dit Gefchrift op zig genomen heeft; om alle byge. 
loovigc denkbeelden nopens foortgelyke verfcbynzeleu , zo nfet 

ge. 



J. HEfiHTNCtf OVSR GUSTJN.EV GEÜSTENZIENDERS* ngS 

ftlml uit te rooien» (dat bezwaarlyk geluktoi jsouO althans 
groodylcs te verminJeren. Ten dien einde /,/chikt hy zig eerst 
tot het nsiCpooTen van de bronnen, waaruit 'de bedrieglyke ge« 
waarwordingen f die de oorzaak der /pookverfchynzeTen zyn, 
Óntflaao ; en vervolgens verledigt hy zig tot het onderzoeken 
der bewysredenen voor de mogelykheid en weezenlykheid van 
zulke verlcbynzelen. ^ . ■ Her eerst opgenoemde Lid wordt , 
in dit eerfte thans afgegeeven Stuk, voorgcdraagen. 

\Na eene bekorte omvouwiogd^r verfcbillende Ibortén van 
bedri^eiyke gewaarwordingen, brengt, de Hooglecraar derzel* 
¥er hooi'dbronoen tot een drietid , waar onder de l^trUdi nfrs^ 
kfogrt de voora^mfte plaats bekleedt. Hieromtrent komt bo. 
ifonal in overweegUig (laarc werkii2g by inwendige veranderin- « 
gsa^j^et Sele.; «o voc^lcti ook \^y inwendige aandoeningen in 
b^t jUcb^am , e» door aanleiding der beweeginge van het Ze* 
BUiy/ap, ronder meidewerkitig van eenig buiten den mensch be- 
' gaande voorwerp. Daar benevens ei cht hier opmerking, de 
iovloéd der .verbeeldingskragt by uitcrlyke gewaarwordingen , 
of zodanige t welken door een voorwerp, van den xnensch on« 
ëenchéideuj verwekt worden. £n bleromtrent (laat wel in agt 
feoeemeiw diat de verbeelding, by vereenigdc dingen, inzonder- 
beid ge^j^tydige, van bet «enq tot het andere befluit: waaruit 
dan volgt , dat de gedagte over een omierwerp ook eene gcdagte 
f^ver de.iiv ^. uUwendige eig^fcbappen en gebeurtenisien der 
zaake verwék'(,^n omgekeerd* Eyen zo verwekt bet denkbeeld 
^es^t^M^^ het d^pkbeqld van het. betekende, het denken aan 
fcn^ plaats dp-^gedagte.aan dè zaak, welke jn die pl<iats gevon. 
den wordt, ei>.de gedagte van de uicwerking het denkbeeld van 
^ oorzaak , on?ir^f wejk eea en ander ook het onigckeerde 
plaats heett Qp deeze gjrondregds worden , gelyk de Hoogleeraar 
doet zien , dp gs^olgep <l^r nacuurlyke Toverkunst begrype'Iyk; 
«o by merkt teveqs nog aan r hoe een gedeele van rgterceavol- 
geode geJagten de overige, voorden agterwaards, vernieuwt. — • 
Eene tweede voornaame bron der be<S'iegeIyke gewaarwordingen 
vindt de Hoogleeraar in de misflagen der gewaarwordingsleden ; 
pnureot welke in dit gqval het gevoel , het gezfgt en het gehoor., 
byzonder 'm opmerking komen; het welk hem leder deezer dn« 
«fzonderlyk doet nagaan. ■ . Hier by voegt hy, ten laatAe, 

als eene derde bron, het bedri^gelykc^ d^ gewaarwordingen, dat 
baiM'eQ girondflag beeft, in. eene lusfehen bciide komende zaak, 
•weike zig tusfchen het gewaarwordingslid en de gewaar gewor- 
deni.^^aak bevindt. Zo kan *t, by voorbeeld, gebeuren, dat ie- 
Biaad, tegen ons overzittende, by t branden der kaarre, *er zeer 
blc^k uitziet , terwyl hy nogtans de leevcndigOe koleur bezit. 
• pe Hoogleera-^r ontvouwt de hier opgetelde byzonderheden 
juet eene oordeelkundige naauwkeurigheid ; en doet het byge. 
br^gte veeial dienen ter opbeideringe van deeze en geene vérhaa- 

S 2 * Ion 



len van dien aart , oF van asodanige gebeurterifsfefl t die men !igt« 
lyk lot fpookvcrfdiynzels brengt. Tot een ftaal zyner maniere 
van voordragtydiene het volgende over den regel, aat^de gedagtê 
yan de uitwerking het denkbeeld van de eorxaak verwekt » bet welk 
wy te eerder verkoozen hebben, om dat het tegelyk; een ge- 
val opgeeft, hetwelk den Hoogleeraar zdven , hoe ongeloovig 
aan Tpookerycn, in den eerften opflag eenigermaate over hoop 
wierp. 

„ Men 7al, (zegt hy,) my ongetwyfUd todtaan, dat deiteï* 
ling: de uitwerking verwekt het denken aan de oorzaak» asiillr , 
een regel fs, welke de grootfie mngt en onbepaalde beerfdiappy 
op de verbeelding oefent, en onder de overige regels met den 
' prys van voorrang ptykt. Vereenigt men met dezen r^et de on* 
{ecwistbaare waarheid, dat een gewrogt van meerder oorzaake» 
kan oririUan, en de Vervelingen heel dikwils, in bepaalde en by« 
zondefe gevallen, juist die oorzaak uit meerdere kiezen » waar 
aan *t Gewrogt nogtans zyn Bellaan niet heeft te danken; dan 
wordt diteenryke Myn van vindingen» waaruit zo- menige val-* 
fche verfchyningen zyn voortgekomen , en welke m veel ople« 
vert, dat ze, wegens baaren onuitputbaaren rykdom, zelft voor 
alle toekomende tyden , de menfchen met verbindingen venrykeit 
zal. Breideld men daarom de, naar dezen regel, zig werkzaam 
bewyzende verbeeldingskragt niet » dan is ze gelyk een wild eo 
oAtembaar paard. Een Rommelen »■ ■ inzonderheid 's nachts, 
wanneer men ftilte gegroon is, ' een kloppen aan de deur, 
ten minfte een geluid daar aan gelyk, h eene uitwerking, wdke 
tog haare oormk moet hebben. Men onderzoekt dezelve, meo 
* opent de deur, waaraan men *t kloppen meend gehoord te heb- 
ben, en ziet! het werkende, de oorzaak van het kloppen , eo 
bet iiutdelyk begrip daar van blyft voor ons verborgen. Niets fldt 
nTg voor onze z'nnen^ liet welke onze navorichen(te iiieuwssïei 
righeid verzadigen konde. Zoude dan niet , denkt de zwakke 
fterveling « een onzigtbaare Gem dit gevolg hebben gewrogt I 
T4iets zekerer, dan dit;, want zonder alle oorzaak kan een ge- 
wrogt tot daadelykheld njet komen. Ziet daar eene nieuwe bron 
"van fpookverfchyningen ! A — Maar hoe, wanneer, eene in eeoe 
fcheur van de muur, in een hollen balk , oT boven de deur zit- 
tende, en zig verlchuilende muis een geluid hadt verwekt, eene 
' volkomene overeenkqmst met het kloppen aan de deur hebben^ 
de f wanneer het kraaken der deur, gepaard gaande met den 
togt van een openftaand, of wel zulk een glas, waarby de lugt 
door verrcheide reeten komen kan , zulk een geluid had konoen 
veroorzaaken ? Voor verfcheide Jaaren heb ik zelf een voor- 
beeld beleefd, *t welk my bykans van myn ftel gd>ragt, en 
myn ongeloof in fpooken in een vast geloof hadt veranderd , bj 
aldlen ik niet, by een nader onderzoek, de waare rede hadt oor- 
éekt. Ik woonde op eene kamer, waar toe men deor een oaaii- 



I* 



OVBt «lESTBN Ift €SISTIN2IENDIRSr S57 

^er pag moest komen, welke met een glas eindrgde, het velk 
ni butnn open floeg. Wanneer ik nu eens, op een avond roet 
een vriend Iprak » zo kwam het my voor» als of iemand aan de 
deurkkipte; maar om dat het geluid my al te zagt voor kwam» 
en ik myn gefprek niet wilde afbredten, 2b dagt ik by my zeU 
ven» indien *er iemand is, dan zal hy nog wel eens en harder 
^kkippcn. 2^ als ik dagt, gebeurde het o(3^: daar wierd weder 
gddopt, en ik zeide tot den vriend , die by my was, dat het my 
toefcbeen, als of 'er iemand reeds vooraf geklopt hadde: hy zei- : 
de mede van ja, waarom ik riep: kom binnen 1 Doch daar kwam 
jnemand* alhoewel ik het woord, kom binnen , herhaalde. Ver^ 
nuts ik nu geen lust of trek by my befpeurde, om op te ftaan, 
zozeide ik tot myn vriend: wil hyniet binnen komen , dan mag 
ky buiten blyven, en wy vervolgden ons aieiprek. Wel dra wierdc 
dit w<:er afgebroken , door een herhaald noppen aan de deur» 
liet welk zeer duidelyk was, en waardoor zelfs de fcheut van 
bet Dot, — welke, dat men wel moet merken , fpeelens had, 
ea wapperde door eene beweeging een geluid gaf. Hierop fiond 
jk op, maakte de deur open; maar ziet! daar was niemand te 
siÊn noch te hooren. Voort zeide ik tot myn vriend M. &.«• 
welke thans nog, als Leeraar l^y het Gymnafium te Gotha leeft» 
't is zeker een Student, die my eene pots wilde fp^len. Na dat 
ik daarom de deur wéér toegedaan had, zeide ik tot den gemel* 
den M. B .. komt houd gy de kaars, wy willen wagten tot dat 
*er weer geklopt wordt» als dan zal ik de deur fchielyk open 
doen» en dan weeie ik^ dat de geen , die geklopt heefl, betrapt 
moet wotdeüf om dat de gang zo naauw is, dat de deur bykans 
de gandche breedte des gangs beOaat. Zo dra ik nu de deur 
geopend zal hebben, licht dan met de kaars na buiten, ten ein« 
2e wy» voort» den geheelen gang over, en hem :^*en kunnen» 
wdke mv voor den gek wil houden. Wy hielden ons beiden heel 
fiil» en iootóexï wel dra hierop een geluid, het welk ons beiden 
.^volkonaen zo voorkwam, a!s of een VrouwsperToon met zydea 
Jdeederen tegen den muur ftreek. Ik zeide, hoewel heel zagt, 
tot myn vriend; ei *t is zelfs een vrouwsperfoon ; en deze vriend 
gaf, door het knikken met zyn hoofd , zyne toeftemming te ken- 
jMn. Niet lang daarna klopte dit ook aan de deur, en de fcheut 
^ao het flot wapperde insgelyks. De gewai^rwording van dit 
kloppen, en myn geweldig openflaan der deur. Volgde oogenblik- 
lyL Wy lichteden aanftonds met de kaars; maar, Ichoon wy 
écn geheelen langen gang konden overzien , daar was egter nie- 
mand te merken. Wy, doorzogten , in eene bevreesde vcrwag- 
ting, de open gaten, of zigdaar, mogelyk, de onzigtbanre vei* 
bo^en hieldt ; maar ai onze moeite was vrugteloos. Nu Zagcp 
wy malkander beteuterd aan, gingen weer in de Kamer; de 
^rees, welke ons beiden beving, badt een volftrekt (tilzwygtn 
t xm gevolge, tot dat we elkander eindelyk te kennen gaven, dat 

S 3 • hier 



agi] }. HSNNtlifif V Otmt OUtfftÜT Elf ÖBBlfËlfZ^DËRS. 

Wer iets agter ftaüc. De vnott teniitenlérde , Wy validen de thètd' 

rcheilen , en om zulks te doen was flegts floodig , na het glas 

te gaan ,, en daar aan een yzerdraad te trekken ; tk vertsogt 

rayn vriend, dat hy eens fchelteii mogt ; maar dfe gaf ten ant«' 

woord » dat zal fk wel laaten, dit kunt gy- immers üelf doen. 

Doch de moed biertoe was by my te zwak. Na eenig over-, 

leg begon, cindelyk, de rede weer by -my te herleeven.- Ifc wa-» 

pende my met dapperheid , en nam eengrooEen Ook m de hand» 

met oogmerk , om , met myn vriend verzeW, den gang nog- 

maaii te doorzoeken. Wy gingen de Kamer uit , met' eene 

kaars , flooten de Kamerdeur toe , en wilden op den ^ng 

letten, indien *^r het in zyde gekleed Vroiiwsperfbon weer zou 

vcrlciiynen Onze Moed wierd wel dra ryklyk betoond. Want» 

zonder een lang wagten, kwam een ftcrke wind doot het open 

ftaande glas in den gang, welke door den geheelen langen gang 

waa'dc , en een zelfde geluid veroorzaakte , als dat geen is, 

wanneer een vrouwsperfoon met een zyden kleed langs eèa 

muur ftrykr. De deur, welke eenigzins klapperde, wierdt door 

d.zen wariwind, ecnige maaien, kort na malkander, gefcïkoktv 

waardoor een geluid , het kloppen van iemand aan eene deur 

volkomen evenaarendc, ontftondt, en ook de waggelende (chcut 

van 't flor het voor'maalig geluid deedt hoeren. Welk eene ons 

aangenaamc uitkomst ! welke eene moedighekl lieten wy ml 

malkander blykcn ! Niemand wilde bek<?nncn, dit hy bevreemd 

geweest was , en ik nam het bewys voor mynen leeuwenmoed 

lilt het door my gaiomen befluït , om den gang nogmaals te 

doorzoeken. Welke nu was de grondOag van alfe werkingen, 

die alle onze Itragcen der verbeeldinge , ter vei'wekkinge vaft 

:vrees , opontboden ? -- — 't Bedrog van iets , het welk geene 

oorzaak was . aan te merken als eene oorzaak Cf^ihcia non cav- 

fa ut caufri) Wy fchreeven naamlyk de gevolgen , die onzfc 

ajinoen aandeeden, aan een onzïgtbaar, werkend, leevcnd Wó. 

zen toe, daar ze no.rtans, eeniglyk aan den wind hunnen ©(»•- 

fprong hadden te danken. Hoc veele en menigvuldige verhaa^ 

kn van fpookcn rusten op dit of een dergelyk beginfcl ? C*J 

C*) Dinrtoc bcnge ik het voorbeelJ, door joh. üam. stkyk, in düftrU 

de ime fpectorum^txig, 18.. uit t^n Mfct, aangeïwiUd, „ nBSCNUS» üeiif- 
vorilel. Krandenb. Hofprediker, heeft zelf vdhaald, toen hy .voor de ecf- 
ftetnaa! zou preeken en by nacht de preek beau.leerde, d c de 'Juivd — ^ 

WJiinom niei liever een togi ? de kn rs hid uirgcblaa^vn, zo ihi hy 

liet bl» zen koiide l>oür n, zonder dtc hy ircs zag. l-n, tot-n hy <J€ kwu% 
weer aaoft.k urn ayne be/jgbcden u aj^iervoi^^en. 20 htcft de Dutv«t,-^ 
waarom niet muizen enz.? " ■ begonnen op bet Tpincc, 't welk In 4e 

kamer (tcx'dt, to fpcclen, zo d«c ky zyu ftudcercn (lüsken, e» ^ m 
I>ed bttgeeveii moest»*' ~ 



r^ 



♦. 



^ ■ * '■ ■ ' ■■ I - .. 1 ■ 



■^' I . 



Faderlandfche Bfyfpelefi.. Uitgegeven' onder de Spreuk; RIdendo ' 
•tlicere verum- qufs vetat?. Te Delft, hy G. Verbeek, 1787 

'Bcbaivèn het foorberigt, 28j> bladz. in 8vo. . ' ^* 

lyfen ck)et deeze Blyfpèlen, Onder den bynaam van Vaderlani^ 
. fche , hervoort komen , om dat de hoofdonderwerpeo van • 
dezelven buitenfpoorJge charaSers zyn, welke zfg, in de te-' 
ttöwoordïge omftai digheden van ons Vaderland, byzonder op-^ 
c^en. Het eerfte Stukje, getyteJd de raderlander, maak ons 
een Schoenroaaker , die zyn wfniel Ia?it verloopen, en zig in' 
fchulden fteekt, door zyn zogenaam.d Patriotismas-, terwyl hy 
zig, op het welzyn van 't ^Vaderland, vol mxpt. Gelukkie 
komt hy nog tot inkeer, en ziet, dat hy, met zyne Medgezet' 
len, een verachtlyk, en verderflyk, gedrag geleid heeft; <èt ct 
niet als rechtfchapen Vaderlanders, ninar als Zotskappen, Lig% 
misfen, Dronkaarrs en >'chobbe akken geleefd hebben; en dat 
2y,düs voortgaande, de fchande en 't verderf in den mond 

Ipopeo. -: »» Ik heb, (^zegt hy,- myne dooling gezien, be- 

„ leeden, en 'er beroyw van! Ik zal myn leeven verbeteren. 
^ rayn werk weder opvatten, en my als een Vaderlander ge^ 
, draagej), die, zorgende voor het algemeene welzyn, zyn ef- 
^ jen belarg niet verwaarloost;* -^ Het tweede Spel, de 
Partyzugt geheeten, fchetst ons twee doldrïftige onkundige 
inenfchen, die, gansch onbezonnen, van de eene zyde als Pa- 
triot, en van de andere zyde als Prinsgezind, y veren. Een b&- 
^digd Heer brengt hen, by eene in dat opzigt gunftig inval- 
teide omftandtgheid , eenïgzins tot bedaaren , met hun onder *k 
oog te brengen, hoe zy zig in de bPesfc ftellen* voor perfooaen 
en zaaken, die zy niet genoeg kennen, niet genoeg onderzogt 
hebben, om 'ér naar waarheid over te knnoen oord«eien. jSa 
üp de viaag» of ze dan, daar ze evenwel Burgers zyn. die 
belang *y het algemeepe welzyn hebben, de shaken 03iar mwr 
ten laaten rollen, zo als ze willen^ geeft hy hun de volgende 
les. „ Wy moeten In •t geheel niet onvenehillig zyn, è¥ «laa 

9f toeftand van ons Vaderland! ^ Integendeel, wy moetca 

„ alle onze vermoogens infpannen , om het beste deszelve». 

„ zo veel wy kunnen, te bevorderen, doch piet 

„ verft^nd en bedaardheid 1 Wy moeten eerst ondcfzoe- 

i, ken* grondie onderzoeken , eer wy oordeclen '* Jd het 

derde en laatfte Blyfpel, dat ten opfchrift heeft, de Verii^Tte 
Meisjes af de Co^iranten, is de hóbfdj^erlbnaadje iemand, die 
zig door de Couranttydïngën laat flingeren, en op wfen," aft 
v^n een zwaarmoedig geftel zynde, de nadeelige berfchten, dto 
's Lands ondergang als voorfpellen, den fterkften invloed -heb- 
ben. — — De Autheur heeft in ieder Stukje een Mingeval 
i^gevlogten, %n dit geeft » met opzigt tot het iaatflt,aiiii^ffi« 

S 4 iq\ 



tot liet bovengemelde dubbelde oprcbrift. Scfia eo Litme Nir* 
ten, en Leonora Dogter vtD Zwaarhoofd, vleien zig alle dm 
met de wederliefde van Ligthart. Sona houdt 2»g gedekt» 
iriaar de twee anderen zyn verklaarde Medevrysters. Liune, 
bewust» dat Zwaarhoofd zyne Dogter niet ten buwe!]4c zal gee> 
ven , so lang *s Lands omftandlghedeA hacblyk (laan , maar het huw<» 




zomtyds, 

moedigen luim te houden. Leonora ontdekt eerlang deese Itit; 
weet middel te vinden, om ook deel te hebben in den ouden 
Man de Couranten voor te leezen» en bedient zig op eene 
foortgelyke wyze van gunftige tydingen, om 's Vaders gemoed 
qp te ruimen. In 't midden van dien Gourantenftryd openbaart 
Ligthart Zig voor Sofia; de Medevrysters zien haare onderoee^ 
miiig fpydg verydeld, en Zwaarhoofd is moeilyk over het aan 
hem gepleegde bedrog, zo door zyne Dogter als Nigt. Daa 
2yne uiensimaagd tragt hem neder te zetten , door hem te be- 
tuigen, dat zy niet anders gedaan hebben, dan 't geen de Cou- 
rantiers dagdyks doen , en 't welk hy hen egter nooit Irwaa- 
lyk genomen had ; liegeade de een wat minder en de andeie 

wat meer. ^ Men bezeft terftond, dat deeze Historie wat 

te fterk overdreeven is; en dit hebben alle deeze drie Stukjes 
gemeen; ze vallen geheel byster in 't buitenrpoorige, en xp 
van daar in 't algemeen meer grappig dan geestig* 



De VryhHd. Tooneilfpelt i^9r G. paapb. Te Rmerdam^ hy de 
Leeuw en Krap. In gr. Zvo. iio kLadz. 

pen zinnefpel op de Staatkundige omftandigheden van ons 
!^ Vaderland in dch aanvang des jaars 1786, waarin zich eene 
rustige Dichttrant met echte Patriotrche gevoelens paart. 

Tjrteus Kry^sgeranften. V Oorfpronghk Grieksch gevolgd. Te 
jémfterdam hy P. J. Uylenbroek 1787, in gr. ive, buiten hee 
Voorwerk, ia bkdt^ 

Tyrteus, die, in den tweeden Siesjenifche oorlog, door de 
Atheneinfers aan de Lacedemoniers f als veldheer, gezonden 
was, wist de moedelooze Spartaanen door het opzagen van 
.eenfge zyner Krygsgezangen in nieuwen Heldenyver te ontftee- 
ken. De Gezangen van dien heldhafligen Dichter, die bykans 
aeven Eeuwen voor Cb. geboorte bloeide, door zo ved tydsver- 
loop geipaard, ontvangen onze Landgenooten thans uit de hand 

van 



inn eeneo aeer 1)ekwaaiiieo Vertaaler. *Er is soved ooriprong- 
iyk fchooo en kragttgs ia, dat wy veele van onze hedendaag- 
iefae Tyrteusfenf die beter den Snaphaan dan de Dtchtpen wee« 
ten te gebruiken • van Wte raaden by dien ouden Heer nog 
fea lesje te haaien. Dit weinige zy een proef. 

Dtn Mii mm de ytnn Jpeer m onu handen dHUm^ 
En Msvêrs veldpluimaadje <ms wappren op 't hèlmet ; 
• En Uere in U heetst desftrjis zynflaagen niet tefpUlent 
Noch , waar U iMut pylen fnortt te wankien in zyn tred!9 
Och pasf men seet hj ^^^ den vyand aan te tasten^ 
En man ip man geftert te faablen met den kling ^ 
Dat vmaard op xwaatd yerfchaar* der weirnydfehe oorlogs gasten 9 
En helm op heMum UinkOt en voet den voet verdring. 
_•_ _. . ^_^____^i^^__ 

liederiandfche Diche-en-Tooneelkundige Werken f van, het GenaoOm 
fehapt onder de fpreuk: door natuur en kunst. Tweedo 
Stuk. Te jimfierdam, by V/. Holurop, 1786. In ivo ^ 89 
biadz. 

r\e Onpartjdige Toeneelminnaar gaat in dit Stukje voort met 
^de oogegronoheid van Diderot's Aanmerkingen , ten nadeeie 
VU) bet Treurfpelt oordeelkundig ter toecze te tmngen. —. — - 
Hierop volgt eene Verhandeling over bet Aanw^tend Proza in 
ToeneellhJtken; deeze heeft eene byzondere Nuttigheid voor 
bun, die zich op het maaken van Spelen toeleggen ; en bevat zeer 
{egrónde Aanmerkingen* De Befchouwing van de Tkirta van 
éen Heer Mr. a. fbtth draagt alle kenmerken van eene be* 

foheidene OordeeUninde, en vrymoedige Kunstliefde. De 

Brief van Sieko Sjardama enz. ia gped. De Herderskout tusfihen 
LfOa en CaHdon zou, ware hy minder langwylig, fchooner 
zyn. ——Doch het Vers, Gods Wysheid in zynefTerken^ gaat 
€p denzdfden fchoonen en grootfchen trant voort, als waarin 
ée twee eerSe Zangen ge(chreeven zyn. 



'1 Vkgüeezene Verhaalen , ter verbetering van het VerHand en hee 
I Hen. Naaf het Wransch van den Heere n* iOtNüUD. Mei 

aieww gHmtntéerde Kunstplaaten. Tweede Deel. Te Amfter^ 
dam by% de jongb 17*6. In oSavot at 9 bladz. 

liet twftalftal van Verhaalen, in dit 'Deel byeengebragt , beant^ 
^^ woordt zeer wel ain 't beoogde volgens den tytel, daar ze 
4BIen ingerigt zyn, 9m r^maaiige kundigheden van de Deugd 

ki 



10^ d'arkaüo 

ip -te boMceoien,. en miei -op 2odaoig eeaoe wyze« dat die kia* 

digheden invloed op h^t hare hebben ^^ waar toe ze ook bier eq- 
daar met aanmerkingien vergezeld ^yti. , Tot een voorbeeld bi'cr 
van flrekke hec volgende verhaal. vaa Jakolfi jzedrag, met de^ 
ïaarby gevoegcte opmerkingen wegens het mejlelyden» 

„ Zeker man, Jakob geheten, had een vèrachtelyk beroep, 
indien *er eerjig beroep is , 't welk on$ kaq verneaeren. Hij 
had eene. vrouw en vier kinderen ; zijn werk verlchafte hem 
ter naau^ernood deft vercischien onderfland voor dit ongeluk- ^ 
kig hujs^zin* Hij fmaakte het waar geluk, en zijn hart opèi** 



de ^h vóor de «ulverfte Wijdfchap , wantteCr MJ zijne hoisge- 
gooten vergenoegd' zag» en als ^ij met hem zoogen. Hl) he- 
fieedde dag en na^t aaa sijnen envruditbaaren arbeid. Mei» 
zouda haast zeegen., dat he; fortüm eqn k'waade geest is, wil- 
^e 'bchaagen (chepf, in .de harten der eerlijke lieden met Öe 

gcvoelii^fte fmerren 'lë, doórgrieveh. ♦ • ' 

. ^ Jakob, niet tegeuüaande al zija 2org^ al zijn nachibrakcOf 
niet tegengaande zijne kloekmoedigheid om zijn droevig lot te 
béftrijden , zag zich ovérr(>h>pe!d door ^c vreèjsüijkftc 'rampTfioo^ 
den Zijne Vrouv\^ en-Triridèrs geraakten efnddfjk in de allerui.. 
letale nooddruft j . zij : «achtten-. Zij ^*roegen om brood, ja- 
kob weent met hun, zijn gantfche hart deelt in hunne zlelgHe- 
vende gefteldheid, in zoo verre zelf, dat hij, in, zekeren zin, 
Vèfiar , dat hij zelf hont^èr had, wanneer- MJ 'zïch door de 
Hachten ,en den Tcltrikbarenden ftaat Van" z?jn^ hufsgeÈfn gdiroP 
ifen vond. Hij- ftiti^kt z^jiie' bu^ren 'om hïjftend in den floodf 
t is vruchteloos te zeggen, dat het pb% derWWën b^m aelf lo 
-werathtelijk keurden, om hem a^n^ te feiön. Wat is ëen ongc* 
Ti^^ge aitibach i^man op deezé airde'?'Hi}vrt|ég'met weetiende 
lïOgen om een aalipoes; ijien hoorde iieni riiét-y-ïtóeh'-zSig 'ztjdef 
tAanfen;-of zoo iéiiland, toeVallig, eene flMövvê pmroerJng van 
ihehschlijkheid <>ntwakr wferd, hem te tptnéké -flohd, 'éti hulp 
teflecfidc, was het i8é)veec*ie «oo geringe miderftetlinteg , dat 
afjHc vrouw en kihdcreé • daar dctor ftuij étnde fleclits weinige 
èögënWikkcA verfchooveir. '^' " '' ' f . ^* - 

i .;, Oeise pngekrtckige , -tot wafiftböjj gedrevfen', Hep dofénde» 
door de ftraaten : hij ontmoet eew zijnei «naJöiefs^vaW' Het'.*èlia* 
de beroep, en ten naasten bij even zoo behoeftig als hij. Deze 
iflCtgózêl word getroffen door deTmert, in dewelke^hff Jaköb 
zie^, en vraagt bcm. naar de /eden. % Ben verloren, antwoord, 
de; irme man , ,mijn vrouw "en 'kindefs 'hebben zints gistereit* 
middag niet gcgeeten. en..;, ik weet niet waar ik heen gaa.... 
Helaas r zij zullen derven'. Mijn vriend, zegt de ander, aange- 
daan door dit veYha^l ', *neem aali , ^fe/diar fd- een bubbeltje, 
dat is aj. wat jk,.heb,.^ 900 gij ..wat geld, vvilt winnen. ^jt 
^n je fcen rtiddel aan 'de. hand Zeeven..... och.! all^s , alles # 
. Valt heul Jakob ih'^% reden , met eert zoort van .drift, alles ♦ 
- • • -•*••**'-• bc- 



Mhahm^ geen tcgeo mjDe Eer en Godsdieost Afyd. Wel nu. 
jee^ xfJD mekle^, gaat op die plaats, bij zulk een mensch; ht] 
laort te aderlatten; en zoo je 't wilt wagen om je te doen 
laaten, zal hij je eenlg gdd geeven. 
„ Jakob loopt ter vlucht naar de aangewezene perlbonen ; hij 

' Iaat bem op de eene ar .j» en betaalt be<n. Hfj word onderricin. 
dat men het zelfde ook doet bij eenen anderen leerling iri eene 
«ildefe ftraart'; hij loopt 'ér naar toe^'èii doet zich opden ande- 
MB arm laaten. Dfeae mn zoo achdngwaai*dig en tpveos zoo te 
Mdagen, vervoerd (kxxr b^^dfchap » koopt.brood, loopt haa .tclijk 
ireder na^ hitis» eo is ijverig be^ig.^ om. bet zelve rohd re dee^ 
M ondet vrouw en kinderen» hij worde flaainv^ zijn kleur 
veranfdtert, hi} zei zich neder, het.bioed ontlj^tngc i^ijiic arpien* 
Man, vtder, zq^en zfj, wac feheelt u, gij zi)t geiaatenl * — ^ 
Itijn waarde vrouw l mijn lieve kinders .' isgi hij , duzelven te* 
derlijk omMzende» en een zee vau traenen Hortende, het 
was, het iTas... om u brood te geeven.r.-^ Jakob verhaak ht n 
afles wat hij gedaan had; .en deze .zes- eerlijke pngel>jkkig:en 
ffaielten weg in traanen^ elkunder bèurtlibgs kuJchende. d 
Men/cben! welk een Tooncell... 

„ IVfogt deze aandoenlijke trek de menschlijkheid, in het diepde 
der h»rten, meestal werkloos, op nieuw doen berleeven ! Konde 
dezelve eene roepende ftenime zijn, en het verhard gehoor d»er 

* ontmte vermogenden treden, dier gegoede lieden, welke zich 
ye:iatsuni(xnen verfchoone deze uitdrukkin,:^) met de ovcrtollig- 
fte en overvloedigfle gerfchten ; laatende hunne nafirurgenóóten • 
mtr^if^enf gehcele* huisgezinnen, van honger Jlerven C). Oeze 
aflbhuwlijke waarheid word niet genoegd voorgefteld. Ik heb 
het geluk gehad .de waereld wel te doorzien, verfchillende 
fland^, grootèn en kleinen, vafn de hoogften tot de laagften; 
ik heb alles nagezién. 'alles doorkroopen; zoude men kunnen 
«elooTeDp dat* het mij nimmer gebeurd, is te hooren zeegent 

„ïnw 

,» C) f^^ homger Jlerven &c. Men kwi dKc , di«i wefbMpruricte ÖRtasr- 
tn, «reiken, wedeiipannig , de werking der metilchelykbeid uiider 'e uur- 
tpc der vo«wkx>ae welaemtnierühetd verberjge», ni'ec gunoeg hcrbaalen^ 
■iec fenoef toe roepen* *F,t zyo op Aarde, yx ielf binnen P 7^. wezens 
bnVluküig genoeg v .n zich bloot gcfteld te zien aan de gewcldigftc rrKxf- 
'taakh-khed, om onder hunnen nooddruft te bezwyken. 2eker Bi^fcho^ 
O» dên eemen tyd der kerk) vemaa dat 'e6 in de (lad,de zetel vm T^n 
Bisdoa^eea an oenscfa van honger geftorvenwÉs; dese WatrdigeGeestivkc, 
van een Godsdiensi zo yjol iandoeniykheid en müddtd g.iciil « wa« de V. i^ 
trooster der bedroefden V en de Vader der bvhocfiigen. Hy kllim (t^ A^ 
PrecSkftoel, verhaalt het geval, weg fmcltendc in irianen, en hield niet 
op, gednurende zyn gantïche Leerreden., zich zelfden dood de/cs onge* . 
lukkigtn te verwyten: onophoudelyk riep hy uit: Quem non pavisti^ êceU^ 
&stil > En het was gcenzintt de iedele alcMe, noch di- zweüend- ' 

hcid zyner redeneeiitraiit , welke hem de^e khicbcca zoo tedcrlyk ten boe« 
aea uitruktci^*' 



! 



^64 D^AJUNAUD» UttGEtC&nKË VBKHÜALEK* 

,, Indiep ik zoo veel eeid hadde , ik zou *er zoo ved vu fcs- 
,, (teeden , tot onderfteuning van ongelukkigen.'* ««-*^ Ik heb 
zeer veelen van die aanzienlijken gezien » op wdkeo men het 
Vers van popf zou kunnen toepasfèlijk maken. 

ünfinish*d things^ &ne knows not wluu to eM. 

Velen zag ik ^cb zdf, door *t houden van Mfnnaresfea» 
arm maken , veele icbaamtelooze r^en zioh verachrïyk ma^ 
ken , door eene beledigende pradit ; verfcheidene fchcaiKiere 
geesten , bedachtzaam om het zeer klein trekje hunm 
zeer kortflondige roem uit te rekken, nog meer zag ik bcoür 
om hunnen gelukfiaat te vestigen of dezelve uit te breiden. Ik 
bfyf hoopen , voor mijn ilcrfuur nog wddoende harten Ct) te 
leeren kennen «harten al^ dat van Jakob: dit ia ongetwijfeld de 
laatfte der vertooningen , vtrelker genoeglijk gezicht mij nog 
overig blijft te genieten: ik twijfel aeer, hoe treffende dead- 
ve ook zijn» of zij mij meer melijdend makra » dan wel ver* 
bazen zullen. 

' „ et) U^eUtoénéU harten &c. Ontegenre|lyk worden *cr eenigen cevon- 
dcii: waar de^elven zyti zoo fcfaaars, zoo weinig , dac de uittondenDgyia \ 
de daady by 't algemeen geenc erkentenis kan verwerven/* ] 



De Heeren van IValdheim. Uit het Hoogduitsek vertaald. Eerfie 
Deel » tweede Stuk. Te Rotterdam ^ by D. Vis, 17S6. In 
gr. 8yo. 28a hladz. 

T\e Heer Waldheim komt , naa dat by den dieiftt v^Iaaten 
^-^ heeft , op zyft Landgoed te rug , waar hy een' aanvang 
maakt met de herftelling van het verloop daar plaats bobbende. 
Zie daar alles wat den Held der Gefchiedéiis , in dit tweede 
Stuk vordat , en nochtans moet dit gefchh'ft de hoogAe goed- 
keuring van eiken Romanleezer, die niet bedorven is door eenen 
-Wertheriaanfchen fmaak, wegdraagen. De Edelmoedi^eid van 
eenen IVMheim, in hoe ruw een beklecdfel, doet traanen flor- 
ten, die de Ziel veredelen; de braave fVïldmann éischt elks 
hoogachting » en zyne verliefdheid is eene waarlyk menschlyke 

verliefdheid, maar wy vreezen of de eerwaardige Blamis-^ 

4en^ benevens hunne Engdinnetjes, wel veel fmaak in de hua 
20Wtl gelykende Pourtraiten zullen vinden. 



N l E ü Jf E 
? A/LGEMEENE 

VAD ERL AND SCHE 

LETTER . OEFENINGEN. 



J. D. MICHABLI8, fiteuwe Overzetting des O. T. , met ^an^ 
merkingen ., voor Ongeleerden ^ in het Neder duitsch over^ 
gebragt^ door den Heer w. e. de perponchbr, VlI^e 
Deel. Te Utrecht by de Wed. J. van Schoonhoven 1786 
Beha/ven de doorreden ^ ao8 bladz, in gr. oQayo. 

ir\k Deel vervat de Opheldering van 't boek genaetnd 
•■-' J<^, waerin ons een verflag gegeven word van de 
overmeestermg van het beloofde Land, en deszelfs ver* 
deeJlng onder 4e ftammen vun Israël* In de ontvouwing 
vao zodanig een Gefchrift , daer de ligging veler plaetzea 
en de (trekking der Gewesten, van welken gefproken word, 
een der hoofdonderwerpen is , köroc de Aardrykskunde by 
«itftek te ftade. Uit dien hoofde bad de Hoogleeraer 
Michaétis wel gewenscht , dit gedeeJte met' ene hem vol^ 
doende Land-Kaert het- licht te doen zien ; dan gene der 
tot nog uitgegeven Kaerten van *t Joodfche Land aen zyn 
oogmerk beantwoordende, en geen behoorlyke gelegenheid 
vindende 9 om in zyn bedoelde te flagen„zo is zulks ag- 
terwcge gebleven. Dit; heeft den Heer de Perponcher^ by 
de Nederduirfcbe overbrenging , genoopt , dit gebrek , ten 
minfte zo veel hem mogelyk was , te vergoeden ; door 
gebruik te maken van de 'derde Land-Kaert , van 'r land 
KinaSn en Gilead , door den aerdrykskundigen Bachicne 
vervaerdigd ; deze ten gronddage leggende , "^heeft hy de- 
zelve wat verder noordwaerds uitgebreid , en daerbenèvens 
'er bier en daer enige fchikkingcn in gemaekt , die ter op. 
helderinge- van zommige verklaringen dezes Boeks kunnen 
flrekken. Zyn Ed. heeft hiermede een wezenlyken dienst 
gedaen , daer ene Kaert van die natuur in de beoefening 
van dit Gefchrift geftadig vereischt word : en even zo 
beeft hv voorts , in *t overbrengen van 't Werk van 
MichaèliSy en 't mededeelen zyner aentekeningen, de lief- 
hebbers der Bybeloefenlnge, met de afpifte van dit. Deel; 
op nieuw aan zich verplicht. *— =— Het voorgevallene op 

U. DEEL. N. ALC LETT, NO. 7. T dtO 



^55 J* D. MICHABLIS 

den verlcBgden dag, Jof. X. ia -15 aengetekcnd, trekt de 
algemene nieuwsgierigheid , in ene opheldering van dit 
Bock, zo fterk, dat wy niet wel konnen afzyn, van ons, 
in 't mededeelen ener byzonderheid uit deze Verklaring, 
hier toe te bepalen : dan wy zullen , om nie't te breed uit 
te weiden , genoodzaekt zyn flecbts het hoofdzaeklyke te 
melden. 

Volgens de Overzetting van den Heer MichaéUs Md het 
voordel aldus. 9, Toen Tprak Jofua Jehova aan , ten d*« 
99 ge als Jehova de Amorieten , voor de Israëlieten , deed 
„ vlugten , en zeide , voor de oogen van gansch Israël; 
^, Zon^ftaa ftil^ te Giheon^ en gy Maan^ in het dal Aja- 
yy Ion ! en de zon bleej en de maan fiondt ftil^ tot dat 2ig 
,^ 't volk aan deszelfs yyanden gewrooken had; (dit vindt 
„ men, in 't boek der gezangen,) zoo fiondt de Zon^ aan 



1 



,, V midden des hcnuls^ fiil^ en neigde zig niet ^ ten on- 
9%' dergang » ^eduurende ecnen geheelen dag. Geen dag 
,, enz." Üe Heer Michaëlis maekt dus de woorden, dit 
yind men in 't boek der gezangen , ook betreklyk tot het 
voorgaende; maer de Heer de Perponcher merkt rechtoa- 
tig aen , dat alles beter fchynt te vloeien , wanneer men 
de aenhaling uit bet boek der Gezangen , met het laetfle 
deel van VS. 13 begint; en 'c geen voorgaet, als een ftet* 
lig zeggen van den. Heiligen Schryver, aenziet, het welk 
hy vervolgens , uit een oud en ten zyuen tyde als egt 
bekend en geëerbiedigd dichtftuki bevestigt. Hy leest des 
dit voorgeftelde in dezen zin. ,, Toen Tprak Jofua Jehova 
,, aan, ten dage als Jehova de Amorieten, voor de Israë- 
^, lieten vlugten deed , en zeide , voor de qogen van 
,, gansch Israël; Zonftaaftil, te Gibevn, en gy Maan in 
,, 7 dal /tjalon! Ook bleeven Zon en Maan ftil ftaofi. m 
„ dat zig ^t volk aan deszelfs vyanden gewrooken had. 
„ Want dus immers ftaat 'er, in het boek der Gezangen; 
„ De Zon bleef ^ te midden in den hemel ^ flaan^ en neig- 

,, de zig niet ten ondergang enz." Voorts deelt ons de 

Heer de Perponcher mede de verklaring van Michaëlis ^ die 
dit geheel als een dichtkundig voordel opvat , het welk 
niet anders aenduid, dan dat de Israëlieten hunne vyan- 
den, den ganfchen nacht door, zo vervolgd hebben, als 
of bet nog dag geweest ware, terwyl geduurige wcerlich- 
ten hun den weg wezen ; waertoe hy grond meent te vin« 
den, Hab. III. ii. Zyn £d. heeft de opgave van dit ge- 
voelen hier en daer doorvlogtea met korte aeumerkiogen , 

die 



OVEBZBTTING 1»9 OUDEN TESTAMENT^; ±67 

die zyne bedenkelykheid deswegens behelzen; en daerop 
laet hy zicbzelven over dit onderwerp aldus uir. 

,, Wy moeten eerst zien , waar en wanneer Jofua be* 
va), of liever badt, dat Zon en Maan zouden itil liaan 9 
en hoedanig de plaatfing dier Hemellichten , op dat oogcn- 
btik , moet zyn geweest. Wat het eerde betreft , men 
ziet in *t verbaal , dat het omtrent middag was , en dat 
de Zon , ten aanzien van Jofua , boven Gibeon flondr. 
Het ia dus klaar, dat Jofaa zig, opdat tydftip, ten noor- 
den dier ftad bevond t , wyl hy anders de zon , op den 
middag 9 en dus wanneer zy in 't zuiden ftaat, niet boven 
Gibeon zien kon. Ik ftel my de zaak derbalven dus voor. 
In den morgenliond , en misichien niet zeer vroeg, ta&tte 
Jofua de KanaSnititen aan ^ in hunne legerplaatfen, ten 
2uiden en zuidoosten van Gibeon, vervolgde ze in hunne 
vlugt , naar Bethoron , en bevondt zig dus , tegen den 
middag, ten noorden van Gibeon. De maan , indien de- 
zelve zig toen, in of kort na *t laatfte kwartier, bevondt, 
!ing voor de zon onder , en bevondt zig dus ten westen 
erzelve. Was zy derhalven zigtbaar , dan moest Tofua 
baar, ten westen van Gibeon, zien, en dus ten ziiidwes- 
xtn van hem, boven 't dal Ajalon. Of was zy niet zigt- 
baar^ dan kon hy tog, uit de eenvoudige waarneeuiingen 
van baaren gewoonen op- en ondergang , weeten , dat zy 
zig) op dat oogenblik, omtrent in die (treek des Hemels 
bevinden moest ; en hy voegde deeze beide lichten , in 
zyn gebed , of bevel , famen , zo wegens zyne ondervin- 
dêiyke kennis, dat zy, ten aanzien van dag en nagt, de- 
zelfde beweeging volgen; als doordien men reeds van ouds 
gewoon was, wanneer men van deeze Hemellichten fprak, 
dezelve faam te voegen. In deezen toeftand van znaken 
na, ziende dat de Kana^nieten zig , voor als .nog, langs 
hoe meer van hunne fteden verwyderden , en den omweg 
merkende, dien zy zouden moeten neemen, om dez^lven 
te bereiken, oordeelde hy teregt, dat de vervolging lang 
zon kannen duuren • en hy zig dns genoodzaakt zien, 
dezelve 'te (laaken, aoor 't invallen van den nagt , alvo- 
rens hy hunne geheele nederlaag kon volbragt hebben; 
waarom by dan badt, dat de dag mogt verlengd worden. 
■ ■ " ■*■ Ten laatdcn zullen wy nog opmerken, dat het 
onweer, 'r welk de KanaSnieten overviel, eerst op de 
wesilyke af Helling van Bethorons gebergte , en dus in den 
nademiddag ^ r^ver hen uitbrak. Wil nuen. derbalven , tot 
andere, verklaario^n ,. dan *t weezenlyk fiilftaan der zon, 

T 2 (of 



a68 j. d. michaeus 

(of eigenlyk der aarde , ) zyne toevlugt neetneti , en zlg 
dus ïn de noodzaaklykheid brengen , om te onderftellen» . 
dat het gezigt en de beweeging der waare en ten onder- 
gang neigende zon , Yoor de Israëlieten en Canaanieten, 
verborgen bleef; dan kan men, in de wolken van dit on* 
weer , de oorzaak vinden , waar door zulks te weeg ge- 
bragc wordt. ,Wyl , by eene betrokken lugt, de bewee- 
ging en 't ondergaan der -zon niet zullen kunnen gemerkt 
worden , indien 'er zig middelerwyl eene andere oorzaak 
op doe, die het licht van den dag, by dezelfde kracht» 
behoude , en die zig vervolgens , na 't ondergaan der zon, 
en 'c aftrekken der onweerswolken , in de gedaante der 
zon, vertoone, op> dezelfde plaats, daar de waare zon, 
by 'c betrekkeu de^ lugt, gefcaan hadt." 

Zulk eene oorzaak nu , zegt de Heer de Perponeher^ 
knn men zoeken , of in ene breking en buiging der licht- 
ftralen iq den dampkrmg , of in enè weerkaetfing der licht- 
fcralen , door middel der onweerswolken , of in enig bui- 
tengewoon luchtvcrfchynzel, by manier van vuurbollenen 
dergelyken. Ieder dezer drie oorzaken ontvouwt. zyn Ëd. 
breeder, en heldert de werking der twee eerstgeqoemdeo» 
cloor ene nevensgaende Plaet op; merkende tevens aeo, 
dat de verklaring van dit wonderwerk op die wyze geens- 
zins aen die zwarigheden onderhevig is, welken de Heer 
Michaêlis tegen het werklyk ftilftaen der aerde bybrengt: 
daer hy onder anderen aenvoert, dat zulk een wonder ons 
geheel Planetengeftel in wanorde gebragt zou hebben. — 
i)an dit zelfs, gelyk de Heer de terptmcher ^etdsr toont, 
zou niet volgen, al ware het dat men het wonderwerk op 
die vooronderfteliing verklaerde. 

,, Wil men, (ze^ hy daerom , na de opheldering der 
voorgomclde oorzaken ,) wil men hier alles , in den eigen- 
lykcn zin opneemen, dan moet men daarby indagtig zyn, 
dnt , om de zon en maan werklyk , ia haare fchynbaare 
Itandplaatfen , boven Gibeon en 't dal Ajalon , te doen 
Inlftaan , 'er geene verwarring , in ons geheel plaaeeten- 
gertel, nodig was; wyl zelfs de jaariykfche beweeging der 
anrdc , rondom de zon , daartoe niet behoefde te worden 
geftoord ^ maar alleen haare daaglykfche beweeging , om 
haaren eigen as , voor eenige uuren , opgehouden , of zo- 
danig vertraagd, dat zy nu, in 12 uuren b. v. ^niet meer 
wegs, dan anders in 12 minuuten afleide. Wel is waar, 
éan moet 'er een wonderwerk aan aarde, zee, lugt, wol- 
ken 3 menfcben, planten >~ dieren , en alles , wat 'er op 

den 



' ' OVERZETTING DBS OUDEN TESTAMl^TS. 269 

den gaofchen aardbol is,*gefchied zyn, om de cevolgen 
van den hieruit omftaanden fchok voor te komen? Doch 
we kan de njagt daartpe, aan den Opperheer der natuur, 
weigeren? ja zyn t met eigenlyk onze geringheid en zwak' 
heid alleen, die ons dit wonderwerk zoo onbcgrypjyk «root 
doen voorkomen. Verhef u flegts een oogenbïik, boven 
deezen laagen kring; laat, voor een oogenblik, uwe ver- 
beeldmgskragt , boven de ontelbaare heiren der vaste fter- 
ren, zweeven; zie van daar ons geheel Zonnenftelfel ziff, 
als een klein gefternte, in de ruimte van 't Heelal, byua 
verliezen; ftelu dan voor, dat, op eenen der kleinfte bol- 
len van dn gefternte , de daaglykfche beweeging om den 
as, die ay nu met meer merken kunt, voor eeni^e nurciT, 

gelluitoT vertraagd worde; dus, ja als oneindig 

gennger nog , aanfchouwt de Almagtige dit , voor ons , 
200 verbaazend verfchynzel , van zynen troon. En wat 
kost het hem , om 't zelve te weeg te brensen ? Een 
wenk." ^ 

Ter bevestiginge van *t voorheen gezegde , dat hier werk- 
lyk ene aenhaling uit een ander boek plaets hebbe , diene 
wydcrs nog des Hoogleeraers aentckening op het 15 vers 
Wy lezen aldaer: En Jo/ua en gansch IsraèL met hcm\ 
keerden naer net leger ^ by Gilgal ^ te rug. 

„ Ook dit vaars, zegt de Heer Michaelis^ behelst woor- 
den , niet van den gefchiedrchryver , maar van *t aarge- 
haald gedicht. Waar dat Jofua de Israëheten niet terftond, 
«aar eerst na alles wat vs. 16*42 verhaald wordt , in 'c 
leger, by Gilgal, te rug bragt, blykt uit vs. 43, waar hy 
eerst na veele andere, by wyze van dagregistcr, vermelde 
zcgepraalen en veroveringen derwaards keert* Wil men 
dcrhalven de woorden van dit vaars , als gezegden van den 
gefcbiedfchryver, aanzien, dan wordt zyn geheele verhaal 
ten uiterften verward. Want de Isrgëlieien kecren dan vs. 
15. naar Gilgal te rug, en tog vindt men ze vs. 16-27. 
nog, m t zelfde gewest, daar de ilag voorviel. Ja van 
VS. 33.42. vmdt men een geregeld dagverhaal der veld- 
tO|ten , door hem , in de naburige gewesten , nog verder 
zwdwaards , ondernoomcn , waarna hy eerst vs. 4*^ , te 
Gilgal, te rug komt, na dat Vr vs. 42. duidelyk was cc 
zcgd, dat hy al dit te vooren verhaalde , in éénen veld- 
togt, verrigt had. Ook woeg deeze zwaarigheid, by vee. 
len, zoo Iterk, dat zy dit 15 vaars als oncgt aanza^^en 
en mtfchrappen wilden. Maar brengt men dat vs. tot de 
woorden van 't aangehaalde gedicht, en ziet men 't zelve 

T 3 . aan. 



ft70 J« D. MICHAELIS, OVERZETTING DBS OUDEN TBSTAMEMTS. 

aan , als bet flot van dit gezang ^ niet zoo zeer op den 
geheelen togt > als wel in 't^ byzonder op dea veldQag^ 
gjaiaakt, dan lege alles zig, van zelve, uiu" 



Het Plan door den Stichter van het Christendom ten beste 
der ^iicnjchen ontworpen ^ als een bewys voor de JVaarheid 
vanden Chris te ly ken Godsdienst ^ door f. van reinhart, 
H'jogleeraar in de Godgeleerdheid op de Univerfiteit te 
Wittcnberg. Uit het Hoogduitich vertaald. Te /mfler^ 
dam by d'Krv^en ?• Meijer en G. Warnars, i787, In 
gr. oAavOy 184 bladz. 

T\it Gefchrift is drieledig. In de eerfte afdeeling levert 
^^ ons de Hoogleeraer ene korte fchets van het Plan, 
*t welk Jezus ten beste van alle menfchen gemaekt heeft; 
waeromtrent twee hoofdzaken bovenal in opmerking ko- 
men, de uitgebreidheid en de gefleldheid. „ Jezus naem^ 
,, iyk bevatte in zyn ontwerp alle Volken des Aerdbo* 
9,^ dems , die toenmaels leefden , en in het toekomende 

,,* zouvien leven: en hy befloot dezelven, door raid- 

„ dei van ene zedelyke verbetering , tot het grootfte ge- 
y, luk op te leiden , waervoor de menschlyke natuur vat* 
„ baer is." Ter bevorderinge hiervan , „ zocht hy het 
„ menschiyk gedacht door de gewigtigde waerhcden te 
„ verlichten; het tot de beste gevoelens en tot de zuiver* 
,, ile deugd te vormen; en het» inzonderheid, door de 
,, innigde vereniging van allen tot ene greote maetfcbap* 
„ py van elkander liefhebbende broederen , tot de hoogfte 
y, volmaektheid op te leiden, welke de menschlyke natuur 
„ in ftaet is te bereiken." 

Op de duidelyke ontvouwing van dit tiitgebreidfte en 
tevens weldadig(le Plan, is de tweede afdeeling gefchikt, 
ter aenwyzinge, dat geen Weldoener van het menschdom 
in de aeloudlieid, voor Jezus , een weldadig ontwerp ge« 
mackt heeft» 't welk alle 'menfchen in zich bevatte. Om 
dit te toonen, doorloopt de Hoogleeraer, na enige voor- 
flfgaende aenmerkingen over de ganfche Oudheid , de be* 
richten die ons de Gefchiedkunde aen de hand geeft, we« 
gens zodanige perfoonen, die inkomen als Weldoeners van 
*t menschdom ; welken te zoeken zyn , onder Stichters van 

Staten en Wetgevers Verdcedigers van hun Vaderland, 

en nfeldadige Helden wyze Koningen en Staetsmannen 

-~- IVy^S^rcn en Lecraers van het menschiyk ge/lacht. — ■ 

Voorts 



F. VAN REfi^HART HET PLAN VAJf JEZUS CHRISTUS. a^I 

Voorts vestigt onze Schryver ook het oog op de Dichter- 
lykc naercld ^ en doet kortlyk zien, dat, gelyk de Ge- 
ichiedenis ons gene perfoonen leert kennen , die zich zo* 
danig een plan voorgefteld hébben , zo ook de Dichters 
der oude waereld zelven niet in llaet geweest zyn , om 
zulk een Held te vormen , en zich tot die grootheid te 
verheffen., welke in het ontwerp van Jefus doorftraelt. — 
£n zulks leid hem tot 'deze opmerkelyke gevolgtrekking. 
„ Derhahen , het geen de Stichter van den Christelykeii 
„ Godsdienst ondernam , het plan , 't welk hy ontwierp , 
^ is nietr» en zonder voorbeeld ; de weg , dien hy gaan 
„ wilde , is nog door geenen menschlyken voetdap afge* 
j, tekend; een ontwerp van zulk eene uitgejlrektlieid ^ en 
„ van zo. eene byzondere Weldadigheid^ is, voor hem, ia 
„ geeiie menschlyke ziel opgekomen." 

Nu vale wyders de vraeg: wat kan men uit dit wonder « 
baer vcrfchynzel befluiten i Wat volgt daeruit voor de 
waerdigheid en het gezac; van den man, die wyxer, ede- 
Ier, verhevener, weldadiger gedacht heeft, dan de groot- 
fte Mannen voor hem ? ^ ï^tzt vraeg beantwoord de Hoog- 
le^raer in de derde afdeeling , in weJke hy ons op ene 
overtuigende wyze onder 't oog brengt , hoe uit het alles 
omvattende weldadige plan, 't welk Jezus , ten beste der 
waereld , ontwierp , volgt , dat hy een buitengewoon 
mensch, en een Leeraer moet zyn, die van God gezon- 
den was. Om dit zyn beflüit op een vasten grond te ves* 
tigen, legt hy 't 'er vooraf op toe, om ie toonen, „ dat 
„ dit groote ontwerp van Jezus geenszins een herren* 
,1 Tchimmige inval-was, die nimmer tot de beftaeolykheid 
„ kun komen." By die gelegenheid gaet hy wel byizon- 
der, onder 't beantwoorden eniger tegenbedenkingen , na, 
hoe ene algemene Godsdienst , . die algemeen aengeoomen 
zal kunnen worden, behoort gefteld te zyn; en, doet . 
voorts zien , dat dit in den Christelyken Godsdienst vol- 
komen plaets heeft. - — Dit afgehandeld zyude, bepaelc 
hy zich vor volgens om te onderzoeken, „ welke hoeda* 
>» nighedcn der ziele een plan van die natuur vooronder* 
„ Ihit, en of wy geregtigd zyn, uit dezelve te befluiten, 
„ dat Jezus de grootfie mensch seweest is^ die oit op aer- 
„ de gedacht en gewerkt heeft.' Hier toe behoort , zyns 
agtens, d.) een doordringend verftand en ene veel bevat- 
tende wyslieid; (2,) ene uitnemende fterkte ^ o^ vastheid en 
ftandvastigheid van ziel; en ( ;.) ene uit ge/l rekt e goedml* 
ligheid, of alles otnvattende goedheid van harte Het eeiji 

T 4 en 



a7ft F* VAN REINHART 

en 't ander ftraelde , gelyk de Hoogleeraer van ieder afzon- 
derlyk* loont, in Jezus op de luisterrykfte wyze door; *t 
welk hy, alles te zamen trekkende, en zyn befluit opma- 
kende , dus voordraegt. 

„ Hier is alles zonder voorbeeld. Een wysheiJ, die al- 
les bevat en doordringt , wat voor het menscblyk verdand 

het gewigtiglle en zwaarfte is tm ftandvastigheid en 

fterkte van geest ^ hoedanig eene*nooit ccnig held beweezen 

heeft en nog daarenboven cene zachtmoedigheid en 

li/dcy die zich over alles uitbreiden, alles gelukkig niaa- 
ken wil. Waar heeft men deze hoedanigheden, waarvan 
elk in 't byzonder eene ziel den rang van eenen grooten 
geest verwerft, o\t verecnigd^ waar heeft men ze tot dien 
lioogen trap vereenigd gezien , in welken zy hier voorko- 
men ? Waar zyn zy uit ecne menfchelyke ziel met die he- 
mel fche harmonie voor handen geweest, met welke zy het 
groote plan ontworpen hebben , 't welk de Infteller van den 
Christeiykèn Godsdienst zich heeft voorgefteld". Zyn Wys- 
beid is niet werkeloos en dood, geen ydel vernuft, 't welk 
zich in fpitsvindige bcfpiegelingen verliest; maar zy wordt 
door zynen yver en goedwilligheid ten algemeenen beste 
vruchtbaar en werkzaam. De vuurigheid van zynen geest, 
deszeirs heldhaftige kragt , brengt, zo groot zy ook is, 
niets wilds te voorfchyn, en (licht geen oproer en oorlo- 
gen j maar wordt, van de wysheid en liefde geleid, de ze* 
gen der waereld. Zyn liefde eindelyk is geen vrouwclyke 
weekhartigheid en zwakheid; misfchien een gevolg van een 
teder zenuwgeflel, en van een gelukkig temperament; zy 
is veel meer met het verlichtfte vcrftand, en met den man- 
nelykften moed verbonden. Wil iemand de verhevenftó 
menfchelyke grootheid fcheifen , dit zyn , gelyk elk erken- 
nen zal, de beste trekken daar toe. Naar het plan , het 
welk jesus ten beste der waereld ontwierp, waren deeze 
cigenfchappen alle rn zyne ziel aanweezig, Hy was der- 
halven ongetwyffeld de groot fie mensch , die ooit op den 
aardbodem gedacht en gewerkt heeft." 

By ^t2.t wel uitgewerkte bedenkingen voegt de Hoogleer- 
aer nog ene overweging van de omftandigheden ^ in welken 
Jezus geleefd heeft; waerdoor hy tot het beflnit gebrast 
word , dat Jezus een Leeraer tjïoet zyn , die van God gezoh* 
den Hw. In de voordragt hiervan leid hy ons • om op te 
merken , hoe deze opgemelde verheven hoedanigheden zich 
fn Je^us op ene voor ons geheel onbegryplyke wyze, en 
Doar gantsch andere wetten ontwikkeld hebben, dan een 

groo- 



HET PLAN VAN JBZÜS CHRISTUS. ^73 

groote geest xich anders gewoonlyk ontwikkelt ; dat men 
niet bczeffen kan , hoe de Stichter van den Christelykea 
Godsdienst zich in de omftandigheden, waerin hy leefde 
tot die grootheid heeft kunnen verheffen , door welke hv 
alles, wat groot is onder de menfchen, overtreft; nade- 
maal deze omftandigheden zeer gtfchikt waren /om de 
groote vaibaerhe Jen van zynen geest, al$ *t ware in het 
uitfpruttcn zelf, te verftikken ; en dat eindelyk dit won- 
derbare verfchynzel op gene redelyke wyze verklaerd kaa 
worden , indien men niet ten geheel byzonderen invloed der 
Godheid daerby aennemen wil: en dit zo zynde, dan ee- 
voelt men zich gedrongen , om te erkennen, „ dat men 
„ den Infteller van het Christendom hebbe aen te merken 

,, als een buitengewoon Godlyk Leeraer^* 2vn 

Hoogeerwaerde ftelt deze overweging, gelyk ook de voo- 
nge bedenkmgen, mtftekend wel in hare kracht voor- en 
„ bewyzen ze niet onwederfpreeklyk , (volgens zyne'op. 
„ roerkmg ,) dat de Godsdienst , door Jezus verkondiffL 
„ noodzaeUyk, een Godlyken oorfprong hebben moet 
„ ze zyn althans zeer gefchikt om de zodanigen, die del 
„ zen Godsdienst en zynen Stichter niet genegen zvn 
„ over te halen tot die billykheid aeil Jezus welke zv 
„ aen andere groote mannen der aeloudheid nipt weiire. 
„ ren ; mitsgaders om te wege te brengen , dar men de 
„ ovenge krachtiger bewyzen voor het Christendom met 
„ meer onpartydigheld aenhoore en onderzoeke.-En voorts 
„ zullen reeds overtuigde Christens , dit alles nagaende 
,i met blydfchap zien , hoe oneindig verre Jezus , door 
„ zyne weldadige bedoelingen , boven de grootfte geesten 
„ uitüeekt, en, reeds in dit opzicht, meer eerbied en 
„ liefde verdient, dan zy alJen," 

■ '■ ■ - 
Bjdragen tot bevordering yan Waarlicid en Godvrucht. 
Eerfte Stuk. Te Amfterdam bj M. de Bruin , 1786 
Behalven het Voorbericht 174 biadz. in gr. o&avo. 

Nacr luid van \ Voorbericht, hebben enige, reeds min 
of meer bejaerde Leeraers onzer Nederlandfche Ker- 
ke, te famen het befluit genomen, om ene foort van Tvd- 
fchrift onder dezen Tytel te vervaerdigen , zonder zich 
echter aen enige tydsbepaling te verbinden; zullende men, 
zo i voorkomt , een minder of meerder aental van Stufe 

jes jaerlyks afgeven. „ Ons eerfte algemeen oog- 

T 5 „merk 



l 



»74 BYDRAGEK 

,^ tnerk (zeggen ze) is , die werk te maken tot eene ver* 
^ zamelplaats , tot een magazijn van goede en nuttige 
„ kleine gefchriften , die tot bevordering van kennis en 
,9 godvruchtigheid (Irekken kunnen ; en fchoon wij over 
y, het geheel de onderrechting en flichting van allerlei 
9, foonen vian godsdienftige menfchen bedoelen , zullen 
,9 wij evenwel altijd in het bijzonder het belang van lui* 
„ den van ons » beroep , vooral van jonge predikanten , 
„ onder het oog houden , die hier , zoo wij naar onze 
,, wenfchen dagen , van tijd tot tijd ftukken zullen aan^» 
„ treilen, die de leerftellingen van onzen Godsdienst op* 
„ helderen , of bevestigen , of die tot verklaring van ee* 
9, nig deel van Gods woord dienen; of die over het een 
9, of ander deel van de herderlijke plichten van eenea 

,, leeraar licht verfpreiden*" By de verdere ont* 

vouwing van dit oogmerk geven ze tevens te kennen ^ van 
boedanige buitenlandfche Gefchriften ^ en op welk ene wy« 
ze , zy in dezen gebruik zullen maken ; en zich voorts 
bedienen van oorfpronglyke Verhandelingen , door henzél- 
ven opgcfteld, of hun door hunne Vrienden medegedeeld. 
yj Ook (lellen wij '(vervolgen ze ten dien opzichte) deze 
,, verzameling open , voor alle onze medebroeders , die 
,, ons voor dezelve iets gelieven toe te zenden, dat van 
,, zoodanigen inhoud is , dat wij het aan de opmerking 
„ van het publiek kunnen aanbevelen , 't zy het dan ver- 
,9 handelingen , losfe gedachten , fragmenten , of hoe men 
9, het anders ook gelieve te noemen, zijn mogen.'* Hun 
voorname verzoek deswegens is, dat men zich, gelyk zy 
zelven iu hunne gefchriften zulks in agt hoopen te nemen» 
onthoude van alle haetlykheid ; en dat de geest van chris* 
telyke zachtmoedigheid in zulke opdellen alomme heerfcbe; 
waervan ze de betacmiykheid en noodzaeklykheid verder 

in 't breede en ten ernlligUe aendringen. Indien 

men dit beftendig in 't oo^ boude, is 't te wachten, dat; 
deze verzameling hare nuttigheid zal kunnen hebben , zo 
voor de Leden in 't algemeen, als wel byzonder voor de 
Leeraers onzer^ Nederlandfche Kerke; waeromtrent de be- 
werking vau dit eerde Stukje een vry goed vooruitzicht 

verleent. Wy hebben *t niet ondiendig geoordeeld, 

een weinig breeder verflag van 't oogmerk dezer verzame. 
linge tQ geven; dan hierdoor zou dit Artykel te wyd uit- 
loopen , indien wy ons verder inlieten in 't ontvouwen 
van deze of gene der uitvoerig behandelde onderwerpen. 
Genoeg zy het, voor tegenwoordig, nog kortlyk te melt 

den. 



TBR Wi&ARBEm £9 OODVRWHT. 



^75 



den j hocdanige onderwerpen iu dit Stukje overwoogen 
wordeQ. 

Het behelst. Gedachten over de Proeven' van nieuwe 
Overzettingen j inzonderheid van het Nieuwe Testament. 
Bedenkingen over de Wedergeboorte en Aanneming tot Kin- 
deren. Gedachten over het Evangelisch prediken. Een 
onderzoek omtrent het denkbeeld der menschlijke Gelukza^ 
ligheid^ als niet zeer gefchikt ter beoordeeling van de Leer'- 
fiellingen des Christendoms. Ei;ne verhandeling over de 
eenvoudigheid in de Leerreden. En eene korte beantwoor- 
ding der volgende Vragen. Is de mensch^ uit hoof* 

de zijner geboorte^ even geneigd tot het goede als tot het 

h»ade ? Kan^ door onloochenbaare ondervindingen^ 

eerst de mogelijkheid^ en daarna de werklijkheid bewezen 
Vforden , dat zedelijke onvobnaaktheden van Ouders op Kin- 
deren oyerervtn? JVelke is de eerfte grona aller 

yriend/chaplijke verbintenisfen van denkende wezens^ zonder 
welken ware vriendfchap noch ontftaan , noch voortduren 

' kan ? Welke is de beste ert aangenaam/Ie denkwijze 

van een mensch^ dien men vele misjlagen vergeeft^ en vele 

en groote weldaden bewijst? tVelke zijn de oogmer^ 

ken van een wijs èn goed Regent bij zijne ftraffen ? -. 

Kan een ftraf^ die van eenen fchuldigen op eenen onfchuL 

digen is overgedragen , eenen fchuldigen verbeteren ? - 

Kan God van een fchepfel^ de Almachtige van een onmacht 

iigen mensch beleedigd worden? Kan eene verbor^ 

genheid invloed op onzen wil^ en op de vorming van ons 

gemoed hebben ? Het antwoord op de naestlaetfte 

vraeg zullen wy, om deszelfs beknoptheid, hier nog over- 
nemen. De Schryver het diendig oordeelende , de beant- 
woording van enige andere vragen vooraf te laten gaen , 
richt zyn antwoord aldus in. 

„ Kan de Alwetende en Alwijze de dingen andefs be- 
fchouwen, dan zij zijn? Kan hij de duisternis als licht, 
zwart als wit, het fchandelijke als edel, ondeugd als ééugd 
zich voordellen ? Ik hope , dat een ieder met mij zal in« 
ftemmen, dat dit onmogelijk zij. Ik vrage verder, heeft 
hij een gelijk behagen aan het ordenlijke en onordenlijke , 
aan het regelmatige en onregelmatige, aan het fchoone en 
^flchuwlijke? De verbazende ordening der ftarren , zoo 
dat geene de andere hindert , de op het nauwkegriglle 
afgemetene beweging der groote wereldlichamen , de fchik- 
king en pracht der gewasfen , de leden der menfchen en 
dieren, en derzelver aan hunne oogmerken beandwoorden- 

de 



%76 BTDRAOEfil TER WAARBSIO EN €OD^UCHT. 

de evenredigheid toonen^ dat God de orde en eene gere- 
gelde gefteldheid der dingen bemint. Een hoogst volmaakt 
wezen beeft een aangenaam welgevallen aan eene geregel* 
de en Ichoone wereld. Zou God eindelijk wel onverfchil- 
lig daarbij zijn ^ of zijne redelijke fchepfels gelukkig dan 
ongelukkig zijn? Zaligheden genieten of onder ellenden 
zuchten? Wie kan zich zoo eenen ongevoeligen , ja zelfs 
harden God bedenken? Maar nu leert de ondervinding, 
dat het in de magt der redelijke en vrije wezens ftaat» 
dwaas of wijs, deugdzaam of ondeugend, weldoeners» 
of ballasten en geesfels der wereld te zijn. Het (laat atn 
iiuti, om de wereld fchooner en aangenamer, en bijgevolg 
Gode zelven aangenamer te maken , of derzelver orde te 
Horen» de wereld te ontfieren, zelfs affchuwelijke fchand* 
vlekken van dezelve te worden , . ontelbare ellende in de- 
zelve te brengen , en fommige van derzelver deelen tot 
zoo vele hellen te maken* Indien het nu waar is , dat 
den wijzen God eene geregelde welingerichte , fcboone en 
gelukkige wereld aangenamer is, dan zulk eene, in welke* 
vele dwaasheden, ongeregeldheden, noodeloozc verwoes- 
tingen', kwellingen, folteringen, zuchten en weeklagen ] 
plaats hebben ; dan is het ook mogelijk , dat de mensch 
God beledige. Hij kan gezindheden voeden , en daden 
vcrrigten , die de Alwijze als affchuwelijk , fchandelijk , 
laag befchouwt, en Hem daarom onaangenaam zi|n. Hij 
kan de wereld ontfieren , een gedeelte van den aardbodem 
verwoesten , een duivel zich betoonen , en de vreugde 
der wereld in fmerte , en het ^eluk derzelve in ongeluk 
verkeeren ; welk alles den Alwiizen niet zoo aangenaam 
kan wezen , dan het tegengeftelde : en , wanneer het ge* 
beurt , dan wijkt de mensch af vim de billijke plichten, 
'die hij zijnen Schepper fchuldig is, en handelt tegen alle 
dankbaarheid. Iedereen noemt zulk een gedrag eene be- 
lediging. Het is derhalven mogelijk , dat een mensch, 
zoo onmagtig hij ook zij , God beledise. Hij kan iets 
doen» dat tegen deszelfs wil en welgevallen aanloopt" 



yf/. 



ALLE DB WKHKSN VAN PLAVIÜS JOSEPHUS* 277 

- -- " -"■— — — ■ — 

jllU de Werken van flavius josepHus , me^ aanmerking 
gen uUgegeeven^ door j. p. martinbt, A. L. M. Ph. 
Dr. Lta van de Hollandfche en ZeetH'fche Madtjchap^ 
f jen te Haarlem en Vlisfingen , en Vrcdikant ie Zuu 
j>hen. Vyfde Deel. Met nieuw Plaaten. Te Amjlerdam 
by Allart en Hokrop ^ 1786. In gr. o&avo 388 bladz. 

Hier mede brengt Jofephus de Gefchiedenis van zyn 
Volk • tot aan het twaalfde jaar der regeeringe van 
Keizer Nero» of den aanvang van den opftaod der Jooden 
tegen de Romeinen , die een verwoestenden Oorlog ten 

feval^e bad; welken hy in een ander gedeelte zyner Wer- 
en uitvoerig befchryft. De Eerwaarde Martinet beeft de 
vier laatfte Boeken , in dit. Deel vervat, even als de voo- 
ligen 9 hier en daar , met eenige aanmerkingen vergezeld 
doen gaan , die wel inzonderheid ook betrekkelyk zyn op 
de Euangelifche verb&alen ; watirvan ons het berigt des 
Joodfcben Gefchiedfchry vers , nopens den dood van Ko- 
ning jfgrippa . vergeleken met dat Van Lucas Hand. XIL 
19—23, een ftaal oplevert. 

,, Koning agrippa hield, zegt Jofephus ^ in het derde 
jaar zyner 'regeeringe over *t geheele Joodfche Land , in 
de Stad Cejfarea^ voortyds Stratons tooreri genoemd , de 
plegtigc fpelen., ter ecre des Keizers ingeUeld. Op dit 
Peest bevonden zich alle de Grooten , en al de Adel des 
Lands. . Óp den tweeden dag der Schouwfpelen kwam 
AGRIPFA, 's morgens, by tyds, in de ichouwplaats , met 
een kleed, 't geen geheel en al van zilver , en zo kon(lig • 
gewerkt was » dat , als. 'er de Zon met haare ftraalen op 
fcbeen, het zulk eenen fchitterenden glans gaf« dat men 
't niet kon aanzien, zonder van vrees en fchrik bevangen 
te worden. Eenige fnoodc vleiers begonnen toen te roe- 
pen : „ Dat zy hunnen Koning , töt nog toe , maar als 
,, eenen Mensch hadden aangemerkt ; doch dat zy nu 
„ zagen , dat zy hem als eenen God moesten ceren , en 
„ hem bidden , dat hy hon wilde gunftig zyn ; dewyl *t 
,, fcbeen, dat hy niet van eene fterflyke hoedanigheid wa*; 
5, gelyk andere Menfchen." Deeze godlooze taal wèrdt 
van Agrippa niet berispt , nocli die ze voerden (gelyk 't 
behoorde) (Irengelyk geftraft. Maar ftraks daarna zyne 
oogen opQaande , zfig hy boven zyn hoord eenen Uil op 
«ene ^efpannen koord zitien ; en bemerkte terflond weU 
dat die Vogel de vo(^))ode wftfi van zyn onheil , gelyk hy 

eer- 



4^^8 ALLE DE WERKEN 

éértyds die van zyn geluk was geweest. (♦) Hy gaf der* 

bal" 

r») Meer dan één Schryver heeft poogingen aangewend, om. 
het berigt van Lucas [Hahd. XII. 19-2 3 O aangaande dit geval 
met dat van josephus overeen te brengen. Men merkt aan, dat 
de eerfte, in weinige woorden, zeer veel en verftandig heeft ge- 
fchreeven; en dat die beide Schryvers niet alleen in de hoofdzaak, 
maar ook in hun oordeel, dat agrippa's fmertclyke kwaal eene 
jiraf van sod geweest zy, zamenftemmen. Anderen hebben ge- 
oordeeld tegenftrydige dingen daarin aan te treffen ; doch ten on- 
jegt.— — Lucas en josephus komen daarin overeen, dat het. 
geval te C^farea gebeurd zy: zy verhaalen dezelfde ülegtigbeid, 
nicttegenftrydig, maar op eene verfchlllende wyze. Lucas zegt, 
dat , AGRiPPA op de Tyriers en Sidoniers verftoord geworden zyn- 
de, zy, dié van de voortbrengfelen uit deszelfs. Landen leeven 
moesten, tragtten 's Vorsten genegenheid wederom te winnen. 
Zy kwamen des in menigte te Cefarsa , en baden om vrede. 
Lucas heeft geen woord van een Gezantfchap i zegt michaelïi) 
zo als men doorgaans voorwendt, fchoon zyne uitdrukking dat 
wet volftrekt uitfluit; uiaar.raeu k^n ten minften uit hem zien, 
dat eene ganfche menigte Tyriers en Sidoniers naar Cefarea is ge- 
komen. Zy kreegen eenen Hoveling , blastus geheeten , op 
hunne zyde, die zo veel uitwerkte, dat de Konfng hun, op ee- 
nen bepaalden dag, gehoor wilde vcrieenen, en, op het Theater, 
waarop men fprak in fteden, die zulk een hadden, eene rcden- 
voering tot hen houden , het geen toen in trein was , en gaarne 
volbragt werdt. Josephus zegt, dat 'er, by agrippa's komst, 
een Feest ter eere van den Keizer i^oor hknden was, en dat by, 
om daaraan meer luister te geeven, fchouwfpelen heöft laatea 
vertoonen, waaroj) veele voomaame perfoonen ter bywooninge 
gekomen waren., en dat op den tweeden dag deezer fchouwfpe- 
fen het bewuste ongeval gebeurd zy. Dit ftrydt niet met Lucas 
verhaal. De Tyriers en Sidoniers konden wel gekomen zyn om 
de fchouwfpelen by te woonen ; maar daarenboven nog een by- 
zonder oogmerk gehad hebl^n. Lucas zegt veel in weinige woor- 
den, op eene wyze, waarin men geen zweem vindt van iets ver- 
zonnen te hebben. Josephus heeft zich gewis bediend van het 
Berigt van een Joodfchen Schryver , waaruit hy het gcwigtigfle 
overnam; maar ïieeze wist niet van 't.ftaatkundige in dat geval, 
en roert aUccn de fchouwfpelen aan, die hy.mogelyk afkeurde, 
en ten deele hieldt voor de misdaad, om welke agrippa van god 
ireftraft werdt: maar tucAS, toen leevende, en twee jaaren daar 
na te Cefarea komende, hadt daarvan naauwkeuriger berfgren. 
Op den doodlyken dag verfcheen dan de Koning, volgens lucas, 
ineen koningtyk kleed, d'.t is, in ftaatzlekleedercn , 't geen alte 
jn zich bevat, en zo goed gezegd is als josephus breedvoerige 

om- 



VAR FLAVIUS JOSEPHUS. ^79 

halven eene zwaare suchc, en gevoelde op dat oogenblik 

zyn 

omfchryvingf waarvan by zich meermaajen In zulke gevallen bc^ 
dfent. Een kUed geheel en al van zilver 9 dat is» van zilver ge. 
weeven (Drap d^argent) kon niet wel zulk eene aandoening 
verwekken » als by hem vermeld wordt. En den Koning zo 
vroeg , by 't opgaan der Zon , op de Spreekplaats te zien ver- 
fi:faynen , en eene redenvoering te doen , luidt mede vreemd. 
Pe Taal, die josephüs ons opgeeft, van het toejuichende Volk: 
dat z'j hunnen Kmin^ tot n»g tóe maar als eenen Mensch enz. 
18 te lang : een toejuichend Volk houdt Zich niet op met lang^ 
re<Jenvoeringen. Lucas geeft het veel korter en natuurlyker op : 
€en ftemme Gods, en niet eens menfchtn! Dus veranderde jose- 
phüs deeze korte toejuiching , om zich fi^rlyk en fraai uit re 
drukkcT , en , al zegt hy dr:ar in geene onwaarheid , hy houdt 

zich niet ih'pt by 't gebeurde. Hy en lucas ftemmen 

daarin overeen , dat de vleiery den Koning behaagde. Josephus, 
zegt MicHAELis, drukc dat uit in fraai Grieksch\ lucas zegt in 
half Hehreeuwsch ; dAt hy Gode de eer niet gaf , en voortgaande 
met Hebreeuwfche fprcekwyzen, laar hy volgen de krankheid, 
ifon ftanden aan Jloeg hem ten Engel des Heer en , dat \s , god 
aelf ftrafte hem , waarin josephüs oveneenftemt. Maar lucas 
b^yaalt de foort der kwaal, die de ander alleen noemt felle py- 
nen^ die de ingewanden aantastten: want hy, als Geneesheer, 
heeft ongetwyfeld die ziak naauwkeurJger nagevorscht, en daar- 
om dus gelbhifeevcn, dat hy van de wormen gegeeten werdt. — > 
Met het overige behoeven wy ons niet op te houden, alzo lu- 
cas het zelve , als niet behoorende tot zyn verhaal , onaange- 
roerd g^aaten heeft. Alleen moet de Uil van josephüs oog in 
aanmerking komen. Zou hy dien Vogel voor den Engel des 
Heeren aa^^gezien hebben? Agrippa, volgens 't berigt dés His- 
toriefchryvers , kreeg hem niet in 't oog , cf bemerkte ter/hnd 
Wil 9 dat die Fogel de voorboode van zyn onheil was , gelyk hy 
tertyds van zyn geluk was geweest. Dk ziet op een geval door 
JOSEPHÜS alvoorens verhaald; naamelyk, dat een dergelykc vo- 
gd zich digt by agrippa op eenen boom vertoonde, toen hy 
op TiBBRius bevel met ketenen was gekluisterd , en een Duitse f^ 
fterrewichelaar hem daaruit veel heils voorfpelde, maar te gelyk 
*ef by voegde , wanneer hy denzelven weer zou zien , binnen 
vyf dagen te zullen ftcrven. Nu , Stegt josephüs , zag agritpa 
dien wederom , en gaf derhalven eene 'zwaare zugt. Maar \s de 
ferïchyning van déezcn Vogel eene hlstorffche waarheïd? Gan 
de Uilen in vroegen morgen zitten in de verblindende ftraalen 
der Zion? Bleef deeze vogel bedaard zitten aanhooren, al het 
handgeklap des toejuidienden Volks , zonder weg te vliegen ? 
Of hééft God den aart van denzelven in dat punt des cyds ver. 

an- 



aSo ALLB DE WERKEN VAN PLAVIUS jdSEPHUS* 

zyn ingewand door felle pynen aangetast. Daarop zich 
tot zyne Vrienden keerende , zeide hy : „ Ziet hier den 
„ geenen , dien gy voor onfterflyk uitfchreeuwt , op *t 
3, punt van te derven , en deeze onvermydélyke nood zal 
„ Ü tot eene fpoedig^overtuiging uwer leiigentaale die- 
,9 nen. Maar men moet zich naar goos \\nl fchikken. 
„ Ook heb ik zo niet geleefd ^ om berouw van mynen 
„ (laat te hebben , en behoefde niemands gelukzaligheid 
„ te benyden." Deeze woorden gezegd hebbende , voel- 
de hy dat zyn pyu toenam. Daarop droeg men hem naar 
zyn paleis , en 't gerucht verfpreidde zich , dat hy op 

fterven lag. Ook hielden zyne vinnige pynen niet 

op> maar rgkten hem op den vyfden dag uit dit leeven» 
in 't vlereuvyftigfte jaar zyns ouderdoms. 

anderd , om agrippa een voorbeduidfel van *t naakend onheil te 
gceven? Dan waartoe zou dat wonderwerk, of die voor/J5el- 
lii g gediend hebben? t)us denkende, wordt gods IJer weinig 
gehandhaafd. Laat ons niet langer hierby toeven , maar alleen 
aanmerken , dat josephus , weetende bet bygeloof van Grieken 
en Romeinen , en hoe zy van de voorfpellende Uilen dachten, 
zyn verhaar opzettelyk naar bunnen fmaak plooide, en eenen 
' met verfcheenen Uil daarin vlogt; ten zy men dcnke, dat die 
Vogel vermeld wordt door den Joodfchen Schryver, \vaaruit jo^ 
SEPHus dit berigt heeft overgenomen ; maar dan zyn zy beiden 
even bygelooVig, of josephus, zo hy anders dacht, is een flaafsch 
lïitfchryver." 

Aanmerkelyk Gevolg van tent Spina Ferao/a , of zogenaam* 
de Been^Eefer van het Os Femoris^ "ffaargenoomcn en ge* 
neezen door j. n. sbbdÓrpp , Chirurgyn der Stad Weesp. 
TeAmflerdam by j. c. sepi> , 1786. In gr. 8vö. 13 blaaz. 

Deeze Waarneeming verdient de aandacht der Heel- 
kundigen. Zonder de minde opfchik verhaalt ons de 
Schry ver den oorfprong van het gebrek , de toevallen , die hy 
daar 'by waargenoomen heeft 9 als mede de gunftige poogilt- 
gen der natuur, ter bevordering eener gelukkige geneezing. 
Uit deeze Waameeming zien wy wederom, hoe niet zel- 
den de geringde oorzaaken de hevigfte toevallen kunnen tea 
gevolge hebben ; maar wy leeren daaruit tevetis ook , hoe « 
vooral in Ziekten van het Beengellel, de natuur beftendig 
werkzaam is, om de verlooren deelen wederom te herRel* 
len, wanneer flegts de Heelmeester behoedzaam genoeg isj 
haar in deeze heilzaame poogingen niet te beletten* 



MARSILLI, BESCHRWING DER ZEeN. 28I 



Natuurkundige btfchryving der ZeBn ^ door lodfwyk fer* 
DiNAND Graave van marsilli, Lid van de Kotiinglyke 
Academie der fVeetenfchappen te Parys. Met Plaaten^ 
In *s Gravenkagc by de Compagnie 1786. Beha/yen het 
Vooryferk^ 216 bladz. in gr. Folio. 

Genoegzaam gelykiyiHg met de Franfche uti|?ave van dit 
Werk, in *c jaar 1725, is 'er ook eene Nederdwitfche 
Vertaaling van het zelve ter drukperfe gebragt ; doch een 
fameuloop van omftandiglieden heeft de openbaare afgifte 
deezer Vertolkinge tot heden vertraagd. Nu zj^n 'er y 
geduurende dat tydsvcrloop , veele nieuwe ontdekkingen 
in de Natuuriyke Historie , ook roet opzigt tot de voort* 
brengzelen der Zeen, gedaan : en uit dien hoofde kan 'c 
niet wel anders zyn, of eenige opmerkingen van den Graaf 
van Marfilli (in 't afloopen der voorige en *t begin der 
tegenwoordige £euwe gemaakt,) moeten op laatcre ont- 
dekkingen vervallen. Dan desniettegentlaande behoudt die 
Werk zyne weezenlyke waarde , vcrmids de waarneemin- 
gen van den kundigen en opmerkzaamen Graaf over 'c 
algemeen wel gegrond zyn , en veele byzpnderheden in 

een iuist licht ftellen. 's Mans hier mede byge- 

bhgte nafpooringen zyn gefchikt onder vier Hoofddeelen, 
waar van het- eerfte gaat over den Boezem of het IJedde 
der Zee , het welk hy befchouvvt , zo niet opzigt tot de 
ondericheiden oppervlakten, welken het gehad heeft by 
de eerfte formeering van den Schepper, als met opzigt 
tot de byvoegzels en verminderingen van de oude en 
nieuwe ftofFe; flaande tevens gade, volgens Welke orde de 
lloffen , die deeze deelen zamenllellen , onder elkander 
vermengd , en van welk een onderfcheiden aart dezelven 
zyn; midsgaders de gefteldheid van de lugt , op onder- 
fcheiden diepten , in ver|?elyking van die , welke wy op 
aarde ontwaar worden. Het tweede Hoofddeel levert ons 
zyne herhaalde proefneemingen met het Zeewater, inzon* 
derheid betrefiènde deszelfs koleur en fmaak , oók in ver- 
gelyking met Put-, Fontein- en Rivierwater; by welke 
gelegenheid hy verfcheiden proeven aan de hand geeft, 
wegens 'het zout , en de bituminenze ftoffen , welken aan 
bet zeewater een zouten en bitteren fmaak byzetten ; als 
mede over den aangroei van den tarter aan verfcheiden 
lichaamcn in 't Zeewater ♦ doch minder dan in zoete en 
mineraaie wateren op de: Aarde. In het derde Hoofddeel 

.iLD££L.N«ALG«L£TT.M0«7. V luu- 



tl8ft MAftSILLI , 

handelt de Graaf over de beweegingen des Waters ^ zo diie 
ontdaan uic geregelde ftroomen, mitsgaders uit eb eo vloed,, 
als die door verauderlyke winden van minder of meerder 
fterkte veroorzaakt worden. En eindelyk behelst bet vier- 
de Hoofddeel des Autheurs, waarneemingen omtrent de 
Plancgewasfen , die de Zee oplevert , welken by tot drie 
hoofdclasfen brengt, als zynde weeke, houtagtige of (leen* 
agtige PlantgewasfeiT. Van ieder deezer Ciasfen beft^ryft 
hy eenige foorten» met eene ontvouwing van de voornaam • 
ile byzenderheden > welken, wegens derzelver gedaante, 
m»akzel, zelfftandigheid , aart en de wyze, op welke zy 
groeien, in aanmerking komen: bovenal laat by zig, met 
opzigt toe de laatfte Clasfe , in *t breede uit over het Co- 
raal en de Madreporen. Wyders is hier aan nog gehegt 
eene Verhandeling over de Bloemen, Vrugten en Zaaden, 
die, volgens zyne waarneemingen, in eenige Zeeplanten 
gevonden worden; waarvan hy, uit ieder der drie opee- 

melde Ciasfen, eenige voorheelden bybrengc. • ~ Ter 

ophelderinge en nadere aanwyzinge van het voorgeftelde 
dient eene Kaart van de Golf van Lion; als mede eene by- 
zondece van de Kust in dezelve , tusfchen Caap Canaille' ea 
Gaap Croifette ; benevens e^ige profils of gezigtsftaoden 
van den bodem der Zee , in de Golf van Lion ; zynde alle* 
inzonderheid betrekkelyk tot die plaatzen , alwaar de Graaf 
van MarfilH zyne waarncemingen te werk gefield heeft. 
Hier bV komen nog etlyke Tafels, behelzende herlraalde 
waanieeniingen , wegens de lugtsgefleldheid op verfcbillen- 
de plaatzen en diepten der Zee: wegens de onderfchetden 
zwaarte, coleuren enz. van 't Zeewater , als mede van de 
Put-, Fontein, en Rivierwateren, omtrent den oever der 
Zee gefchept ; en een Tafel van agrervolgende waarheemin- 
gcn, betreffende de Eb en Vloed in de Haven van Casfis, 
in Provence; als mede eene afl>eelding van des Autbeurs 
toeflel , gebruikt tot het filtreeren van Zeewater , door 
tuinaarde en zand. Dit maakt te zamen een twaalftal van 
Plaaten ; en voorts gaat des Autbeurs befchryving van de 
Zeegewasfen nog vergezeld van veertig Plaaten, die ons 
de afbeelding der verfcheiden foorten van &egewasfen » 
door hem ontvouwd , onder 't oog brengen. 

's Msns kundigheid , in 't ganfche beloop van dit Werk 
doordraaiende, heeft den fchranderen Boerhave reeds ge- 
noopt , om de Franfche uitgave te bevorderen , en , in eene 
aanpryzende Voorreden , den Graave van MarfUli den wel- 
verdienden lof, van wegens deezen synen arbeid, te laateit 

toc- 



toekomen s ook btyvei> de naarilige beoefenaars der Na* 
tourijke Historie , zetfs , niettegeaftaande de laatere ont« 
dekkingen, dic Werk nog bedendig boog agten. — ^ Om 
'er, tot een voorbeeld der uiivoeringe , eene byzonderheid 
uit over te neemen ^ welke geene aanwyzing van Piaaten 
vordert , zullen wy ons bepaalen tot 's Graavea opmer* 
king, over den aangroei van den tarter aan verfclieiden 
fichaamen in 't Zeewater; waar over by ons, Aa van het 
zout en de bitumineuze ftoffen gehandeld te hebben , het 
voigende nrededeelt. 

„ Men kan, zegt hy, uit het voorverhandelde , beflui* 
ten, dat het Zeewater van natuure een lomer en lym heetr, 
die 't zelve bequaecn maeken , on> veranderingen in den 
boezem te ffiueken , en of fchoon ik in de Zee een groot 
getal van fleenagtige gewasfen , die uit\verkzels van zont 
en bitumen zyn, ontdekt bèbbe, ben ik egxer altoos van 
gedaitteu geweest , <lat die vergadering van nieuwe ftoffe 
zeer langzaem gefchied, en dat zelfs (te tyd daarvan een 

Sedeelre veiilind ; want anders zoude de verklelnini; van 
en Boezem , zedert zo veete duizent jaeren » ongetwyfeld 
overftroomingen , of nieuwe openingen in 't vaste Land 

veroorzaekt hebben. En een onderzoek deswegens 

by my gedaen, kan tot een proeve (trekken van myn ge« 
zegde , dut die ophoopingen van tarcer en fteenen , niet 
dan allengskens, en zeer langzaem in 't Zeewater aenge* 
groeit zyn. Ik zal dat vergelyken by de aflegging van de 
taner en fteenen , die ik in de Rivierwateren ontdekt heb* 
be. De eerfte proefiieeroing is gefchied in Nedcr-Croatien, 
tn in 'c Rad van Karelftad, in Boheemen. 

,, Ik nam een touw van deftig vadem , zynde hng ge- 
noeg om de diepte, op die plaets der Zee, door my ver- 
koorcn , te bereiken , en knoopte aan 't zelve , op ieder 
vadem lengte ♦ eenige koorden , aan welkers einden ik 
itukken linnön , laken , leer , beenen , hoornen van ver- 
fcheidc dieren, veelerhande droog en groen hout, met en 
zonder fchors, daer aen dorre bladen, en groene takken 
met hunne bladen, vast maekte;*de takken waeren van 
Myrrbe, Rosmarin- en Laurierboomen. Aen 't einde van 
't doorpende touw hong een zwaere fteen, om 't zelve 
op de verkoren diepte van dertig vadem te doen zinken , 
en alle die aen de koorden hangende ftoffen in hun be* 
feoorlyke ftant re doen blyven , waerin die geftelt wierden. 
Het touw was boven water aen een rots gebonden , dog 
na vyf weeken tyds geraektc bet zelve door de ongeftui» 

^ Va mig« 



a84 marsclli , 

migheid der baeren los, en zonk na de grond , (tuitende 
iius de Tchikking van de verrchiliende dieptens, die ik ten 
opzigte van die onderfcheide in 't water hangende Lighae- 
men poogde waerteneeroen. F gier befloot ik het touw 
dus op den grond der Zee , gedurende den tyd van drie 
inaenden, welke termyn ik daer toe bepaeld had, telaeteo 
leggen, om te zien, hoe groote quamiteir tarter zig aen 
de gemelde ftoffen konde hegten; als ook op welke die hec 
meeste zoude begten. 

5, Na verloop van dien tyd liet ik het touw met yzere 
hacken opvisfchen , en die in 't vaertuig opgehaelt en aen 
den oever gebragt zynde , bezigtigde ik het zelve , en 
vond alleenlyk op de Myrteblaeden een dunne fchors van 
tartcr> van een vleeschcoleur , roet wit doormengd, ook 
Z9g ik in 'de kerven van de fchors van eeni^e andere (luk- 
ken houts kleine bolletjes ^ van een ascha{;tige lymige (lof, 
en bedekt met een wit taei vlids. Op alle de andere (lof- 
fen wierd geen de minfte zakking befpeurt. 

„ Ik onderzogt de zeer dunne fchors van tarter , die 
zig op de Myneblaeden in drie maenden tyds hadde ne- 
dergezet, en reekenende na de eevenredigheid , hoe groot 
deszeifs vermeerdering na een geheel jaer zoude konnen 
zyn, bevond ik, dat de dikte, die van een gemeen blad 
papiers moest evenacren, welke met vyfduizend vermeer- 
derd , dat het getal der jaeren van 's Weerelds ouderdom 
is , knnde die tarter maer een voet dikte in den Zeeboe- 
zem toeneemen > en zig verheffen , nadien die tarterftofte 
in 't Zeewater van Provence, en andere pïaetfen, waer 
70 vee Ie fteenagtige planten groeien , na myn reekening , 
iii vyf j'eren tyds, naeuwelyks de dikte van een duim kan 
i',eneemen. 

• „ *t Gemelde vertoog doet klaerlyk zien , dat de zoete 
en minerale wateren , welke langs het oppervlak der aer- 
de needervlieten , fchoon zeer ligt van gewigt zynde, eg- 
ter veel meer tarterdeelen , dan 't Zeewater, in zig bevat- 
ten, nadien de minerale wateren van Karelftad, in Bohe- 
men ^ binnen weinig dagen , de blaeden en vrugten met 
een korst, zo dik als de helft van de rugge van een mes, 
overtrekken , en dat die in drie of vier jaeren tyds de 
houten gooten geheel (loppen , waerdoor dezelve in de 
Ontfangers, ten gebruike van de kranken, loopen. 

„ Ik hebbe ook 't zelfde befpeurt te Refchiec^en in/t 
fchoon en heilzaem water van de Rivier Unna , in Croa- ^ 
tien , wordende de fiammen van boomen en droge wortels, 

daer- 



BBSCHRYVING DER ZEëlk 235 

^Jaerio gedompelt zynde, aenftonds met een tarterkorst 
overtogen, die, by vervolg van tyd, op een onbedenke* 
lyke wyze toeneemt , zulks de grond van die droom , waer 
in 't verfcheide watervallen gemaekt heeft, van dag tot 
dag zig verheft. 

„ Byaldien de Natuur in eén gelyke graed de Zeewater 
ren met die tarterftoffe vervult hadde , zoude deszelfs boe- 
sem 9 aen ongemeene veranderingen ondenvorpen, .gedui« 
rende den loop van zo ve^le Eeuwen, waerfchynlyk ver- 
fchrikkel^ke overftroomingen veroorzaekt hebben , 't geen 
men te ligter zal kunnen gelooven , 'als men let op ^dien 
hoop van allerhande vaste lighaemen , die ik, van 't za* 
roenilel van den Zeeboczem bandelende ^ afzonderlyk ge- 
meld hebbe , welke ongetwyfelt tot die wanorde .2;^udè 
meedehelpen- 

„ De tarter, die ik op verfcheide lighaemen in Zee hei 
fpeurt hebbe, hadde nooit meer dikte dan van zes duimen^ 
onder dezelve worden veele aerdagtige ftukken gevonden, 
eii dtzelve een ftoiFe, die huö niet eigen is, oniörccken- 
dc , heeft de gemelde tarrer maer de dikte van twee iinien. 

,, üe Zee bekleed gnerne de drooge lleeiiftruiken , die 
als dan hunne fchorsfe afwerpen , met de tarter, waervan 
wy hier melding doen , 't geen dezelve , by de Oiiderr^ 
de naera heeft doen erlangen, van plantgewaslcii met Heen; 
of onrype Corael, bekleed, hebbende die tarcerfchorsfcn ^ 
welke ten deele of in 't geheel die gewasfen, aen dezelve 
niet eigen zynde, bedekten, by hun onbekend geweest. . 

„ Men kan uit dit betoog befluken , dat *er in .'t Zee« 
water, fchoon dus zoutryk en zwaer van bitumen , als 
ook voedende een zo groot getal fteenagtige plantgewas* 
fen , na de evenredigheid .veel minder tarcerdeelen gevon- 
den worden , als vvy in de zoete wateren des Aerdryks 
ontdekken. 

,, 't Is te bewyzen , dat de gemelde tarter uit het zout, 
dat men in 't water tot een zeekerc graed befpeurt, voort- 
komt, nadien in de plncifcri, alwaer 't wgter door de men-» 
ging der Rivieren minder zout is , zo veel zakking nieC 

fevonden word, *t geen klaeriyk blykt aen de moud vaa 
ort Miou, alwaer die fraeje linie -van tarter eindifït, wel- 
ke zo aenzienlyk is om deszelfs grootte , znmenftel , ca 
verfcheidenheid van verwe'; en zig langs de geheele Klist 
van Provciice, met het Zeewater, waoneer't Uil wéér is, 
gelyk zynde, uitdrekt; dan fchynt dezelve aan die Haven 
komende» en de onderaerdf'* Rivier naderende , welke door 

V 3 des- 



886 MARSILLI, W66H|IWI«0 DER ZEëW. 

deszelfs uitloop de zoutjgheid des waters veel veroiiodeit, 
geheel afgebrookeii te weezen in de geheele tusfcheowyd- 
te^ alwaer de Zee vaa haer zout berooft wor4." 

- — ' ■ — ■ ' _ 

DcJM, door Anonymus Bt^lga; pares narcimur, pares mo- 
rimun Tc bekomen te Alkmaar by Maag, Amjl. by ds^ 
mestc Boekyerkoopers enz. 17816. in gr. 8vö. 167 bïadz. 



aar men thans bezig h % de oorzaaken der rampen ^ 

waaronder ons Gemeeaebest gebukt gn^t^ op te fpoo* 

ren , en de middelen onzer herftelling te wikken ea t9 

Ï reegen; is 't zekerlyk meer dan ty4y dat ()p Burger vol- 
omea verlicht werde , dac men hem op bet rechte fpoor 
brenge, dat men hem zyne eigene waardigheid, gevoeg4 
by het gezag zyner wettige , bem zelven vertegenwoordi- 
gende. Overheid, doet kenaeo en onderrchejden , en te<p 
vens onder het oog brengt , wat deel van zyne waardig* 
beid hy , tot zyne eigene veiligheid , ongedwongen heeft 
afgedaan , en wat deel hem overUlyft , opdat hy zich gee» 
ne te grootc verbeelding van zyne macht , noch te gerin- 
ge van zyne waarde, vorme. Ter bereiking van dit oog- 
merk , heeft de vernuftige Schryver van dit Werkje zyno 
medeburgers voorgelegd den aanvang, voortgang en tegen- 
woordigen ftaat der rechten , en 't aanzien van een ge- 
deelte hunner medeburgeren , boven ben verre verbeven, 
én over den aart deezer inftelling eenigie aanmerkingen ge< 
waakt , die mogelyk de waardy der nieuwigheid hebben 
zullen, en die ten minften, uit hoofde van *t gewicht der 
i:aak , en den nadruk der voorftellingen , eenige aandacht 
verdienen. 

Na vooraf het begin en voortgang df r roaatfchappy, en 
de daaruit voortfpruitende oiigelykheid der ftaaten by 't 
mcnfchelyk geflacht te hebben aangetoond , vangt de Schry- 
ver zyne Verhandeling aan met een onderzoek naar den 
oorfprong van den Adel , en doet ons zien , dat meu even 
belagcbelyk den oorfprong des Adels als dien van de Wa« 
penen, of Gefl^ichtmerkeo , van al te oude tyden ophaalt , 
en dat het zeer waarfcbynlyk is , dat de AdeJ uit geene 
verdieuden , uit geene vrygeboorte , uit geene Concesfie 

dea Burgerftands, ja in den beginne uit geene gunst 

van Vorden , is voortgevloeid ; maar dat de Adel zicti 
$e|ven Adelyk gemaakt , dat is te zeggen , een meerder 
lanslw in een erflyk fecht verwisfcU , zich zelven als; 

edd 



DE ADEL, 1>böK ANOKYAIUS ,BELGA. ftgj 

edel bcfcliouwt , en dk him geroelen dén èllendigen weer- 
loozen Burger in de Leenheerlyke tyden opgedrongen heeft. 

De Leenheerlyke tyden dan , tyden , die wy ver- 

foeijen, 't fcbandelykfte tydvak van 't menscbdom, - — . 
ais de grondlegging des Adels vastftellende, gaat onze 
Scbryver verder na , het begin van derzelver uiifluitende 
Rechten tot de Rqgeering , waaromtrent hy drie dingen 
Ml overweeging neemt ; als het deel , dat Adel of Ridders 

in de Regeering hadden in de vroegfte tyden » bet 

recht dal zy 'er in bleeven behouden in laatere ^ en — - 
nit *t onderfcheid van tyden en Kegeeringen, de gegrond- 
heid van haare tegenwoordige pretenfien , welker weder* 
kg:ging konelyk hierop uitkomt. „ '£r zyn geen Ridders 

,y in^cr, dus is 'er geen Ridderfchap» De Adel, 

„ wettig genomen , is geene ftand van Regeering aiecr^ 
jj wyl onze Regeering by Reprsfentatip is , waarin nie- 

9, mand voor zyn perfoon alleen Souverein is. ' £n 

^ 'er by den Adel , van wegens het platte Land , geen 

„ Concesfie van haare ftem en rechten, geene Com* 

,, misfie noch folemneele door 't volk , of wat nog 

„ meer is , door 't platte Land , bekrachtiging; van hun 

„ recht tot de Regeering, van hunne ReprcBlentatie 

„ plaats gehad heeft." Ën de gevolgtrekking van decze 

korie opgaaf wordt dan natuurlyker wyze deeze: 

„ de Edelen bejdtten hier te Lande iets , dat hun nim* 
„ mer gegeeven is, — - iets, waarvan de langduuriae bc- 
„ zitting nimmer door den wil , door de ftem van 't volk 
„ bekrachtigd is. — En zulk eene bezitting noemt 
„ men eene üfurpatie." 

In een volgende Afdeeling beweert de Scbryver, dat de 
Adel ftrydig is met de Conftitutie van ons Gemeenebest ; 
dat dezelve Rechten ingenomen heeft , die haar nimmer 
gegeeven zyn; dat dezelve aanloopt tegen de egaliteit^ 
eene der grondwetten van eene vrye maatfchappy , dat 
dezelve aanftotelyk is in een Land als het onze , en dat 
zy door haar voorBeeld en invloed meestal voet tot pracht^ 
overdaad en bederf in de zeden gegeven beeft , waarop 
hy verder nog eenige redenen laat volgen , om het nutte- 
looze en fcbadelyke van die inftelling by ons aan den dag 
te lejtecn. 

„ Maar,, zegt hy , wat baat 't ons, dat wy het kwaad \ 
zien , de uitwerkfels gevoelen , zo ons moed en krachten 
ontbreeken cm het zelve uit te roeijen. Beter ware Iret dan^ 
over zyn eigen lot en omftandigheden altyd blind geweest 

V 4 te 



ft88 DB ADEL 

te zyn ; ten minden waren twee dingen daar by te win* 
nen geweekt, de onbewustheid v;m onze ellende, en de 
Ichande, van dezelve kennende, ze niet te verbeteren. — 
Dan vvy bemerken dezelve; 't inconftituiioneele , 't fchaa* 
delyke ; *i onnodige van Adel en Ridderfchappcn wordt 
ons aaniicwezen; .wy zoeken, .wy reikhalzen naar de Vry 
heid, en 'er word ons voorgelegd, dat, zo lang 'er Adel 
in ons Land is , dat Land nimmer vry is , noch genoemd 
kan worden, is *c nu onze plicht , van ze te handhaven, 

of van ze te verwerpen.*"' ' Om deeze vraag te 

beantwoorden, moet men, zegt de Scbryver, voorzichtig 

/ te werk gaan ; de zwaarwichiigheid van de (lof eischt 
zulks ; 't geldt niets minder dan de aanweezendbeid van 
't eerAe Staaislid van drie , en 't aanzienlykfte van vier 
Provinciën. 

En om hierin naar orde te werk te gaan , moet men, 
hoofd voor hoofd , de mogelykheid , de billykheid en de 
nuttigheid van eene dergeiyke onderneeming wikken ea 

, weegen. Kan men den Adel uit ons Land verban- 
nen ? Mag men zulks doen ? -^ Zoude zulks 

den I-ande nutti.:; zyn? ïsyn drie gewigtige vraagen» 

tot welker beantwoording de Schryver vervolgeus over- 
gaat , en na deezen taak afgehandeld en aangetoond te 
hebben , in hoe verre eene Natie gerechtigd is , (derzelver 
Regeerin« met haar eigen heil niet meer overeenkomende,) 
de Conftituiie te zuiveren, te verbeteren, ja te verande- 
ren , gaat hy de redenen na , die Ridders en Edelen zou- 
den kunnen bybrengcn , om de uitvoering van de vernieti- 
ging hunner Order te keer te gaan ; te weeten, do oudheid 
van die Order, en 't gewigt van hunne dienden; en ook 
betrekkelyk deeze (lukken , de nulliteit van de pretenfien 
van den Adel beweerd hebbende , komt de gevolgtrekking» 
die de Schryver uit dit alles afleidt, hierop neder, „ dat 
„ Adel en Ridderfchap , inconftiturioned , fchadelyk ea 
„ fchandelyk zynde in ons vrye Gemeenebest , kunnen , 
„ mogen, en moeten vernietigd worden.*' 

Schoon deeze Helling zekerlyk zeer fterk en violent is', 
verdienen echter d»is Schryvers aanmerkingen over dit fluk 
onre aandacht en overweeging , te meer , daar hy voor 
een alweetend God verklaart, geen één Riddermaaiig Edel- 
iDün, uit hoofde van zynhuishoudelyk bellaan, particu- 
liere fiimenleeving of omgang , te haaten , en 'er zelfs geen 
rede toe te hebben ; doch dat hy , als een vrygeboreit 
Burger I bet zkh eQu pligc rekenc» de redQUQUt waarooi 

hy 



DOOR ANONYMUS BBtGA. ^g^ 

. hy hunhe gantfchc Order voor 't Vaderland aU drukkende 
acht , Nederland ter beoordeeltug voor ie leggen. 

.Dan het is van niet weinig gewigt, te kunnen weeten, 
of het geene , dat men op nieuws aannccmen «mide , te 
verkiezen is-, boven dat geene, dat men verwerpeji wilde. 
Uit dien hoofde neemt de Schryver in eene volgende Af* 
deeling in overwecging , boe men , na de extindlie def 
Ridderlchappen , eene Repraefentatie voor den Landbe* 
wooner zoude fchetfen kunnen , i^eer overeenkomende met 
de grondbeginzelen vap eenen welingerigten vryen Boimec^ 
ftaat ; en van zulk eene opterichtene Reprjefèntative Re^ 
geering voor het platte Land , heeft hy een nieuwe fchetft 
opgegeeven ; het aan anderen overlaatende , om dit zya 
plan niet allcea te. verbeteren , maar zelfs tot volmaaking 
te brengen. 

Ten befluite van dit Werkje, is hier • bygevoegd een 
Brief, over den hoogmoed en de pretenfien der zogenaam-» 
de Patrice-geflachten , wien nuen , volgens den Schryver, 
nog een minderen graad van waardy moet toefchry ven dan 
den Adel , om dat zy geene rechten , geene gewaande 
zelfs , kunnen bybrengen , om dezelve ccnigermaate te pal- 
lieeren. Ën om dit te bewyzen, toont hy aan, dat *er in 
onze Provinciën gqene Patriciërs, dus- ook geene Patrice» 
gcilachten te vinden zyn. Ziet hier zyne betoogen. 

„ Wat waren Patriciërs? In Rome, zegt hy, waren zy 
die geenen , die overgebleven waren uit de oudtte gcilach- 
ten der Stad, welke romulus, by derzel ver (lichting, vaa 
anderen, minder in aanzien , afgezonderd had, om daar-^ 
uit door ieder Tribus drie Raadsheeren. te doen kiezen, en 
welk getal van Patrice-geflachten eerst door tüllüs hos-^ 
TiLiüs , met de aanzienlykften uic de overwonnen Alba- 
niers, vermeerderd is, tot dat tarqojnius de Oude het 
getal der Raadsheeren, en dus der Patrice-geflachten, op 
driehonderd gebragt heeft, die in vervolg van tyden, door 
uitfterven van Familien als anderszins verminderd , by 
verfchiUende gelegenheden nog grooter in getal vermeer* 
derd geworden zyn , waarvan de allerondfte Majêrum gen^ 

tium^ de voïgendt Minorum gentiumj genaamd wierden* 

„ Het aanzien en de rechten der Patrice-geflachten in 
Rome waren groot , zelfs zo verre , dat zy , die door 
TARQDiNius den Ouden , en daarna door junius bkütus 
tttt het volk tot Raadsheeren gekozen wierden, eerst een 
foort van veradeltng ondergaan moesten. Ën hoewel men 
daarna dadelyk Raadsheeren uit het volk. koos ja dat 

V 5 zelfs 



^ .BB AVEV 

t^ AWlut de cftNSoft dt Kmdeira derVrygeoiaakren iii« 
gang tot de Raadzaal gaf, jbleef ecbtei 't aanzien der waa'* 
xc ^oude Patrice-|;ieaacht«n merkefyk uitblinken boven dgt 
der nieuwi aang^omene; zo vene eelfs» dat de Orde der 
Patriciërs een gantfche afzondering van de rest van het 
Romeinrcbe volk in zich behelsde» b^welk door voor* 
lechten van uitertyken praal zich bevestigde, en nog neer 
daardoor , 'dat een iedier uit de Burgerlyice geflacbten zich 
eeu Patroon uit de Patriciërs tot synen befchenner kiezen 
moest , .waardoor zommige Pattic^geflachteo zo boog to 
aanzien eeftegen zyn , dat men de Siciliërs onder de be- 
firtaenning van die van 't gedacht iran marczllus , de 
BixoBaooes, onder die van fabius^ de Koningryken van 
(^yprns en Cappado^ciëfi , onder cato y.en de £ooonieii* 
fers , onder antoniüs , gezien heeft 

,^ Voegt by deeze aanzithlykheid^» die Tan Rome en Ro* 
nes Regeering; voegt bierby, dat Rmne raeestereslè des 
bekenden Aardbodems was; en erkent dat een aflcomeling 
van de oudde geflachren dier Stad , die de waereld zelve 
wetten ftelde, een afkomeling, die blinkende eenyteU en 
de beeltenisfen zyoer voorouderen , ais een recht boven 
anderen , mogt omdraagen , die tot den ingang der Raad* 
zaale op bun voetfpoor gerechtigd viras, een man van der* 
gelyk aanzien fchynt geweest te zyn» dat men 'er zich 
naauwlyks de iiitfteekendbeid' van kan voorfiellen. 
. ;,, 'Er waren Patriciërs, 'er lyn 'er nog, 'er zyn zelfs 
Patriciërs , die , met minder aanzien dan die by de oude 
Romeinen , meerdere rechten fchynen te bezitten. De 
Edelen in Venetien , die kidaar de Aridocratie uitmaaken , 
zyn Patriciërs ; zy zyn gerechtigd tot de Regeering van 
hun Vaderland ; dus ziet men de Adelyke geflacluen van 
Bern met recht voor Patrices aan ; dus heeft men Patrices 
in veele Duitfche Steden ,* dus telt men aanzienlyke ge« 
flachten in Braband en Vlaanderen > die , uit hoofde van 
bunne geboorte, tot de Regeering gerechtigd heeten; dus 
kan man de Ridderichappen in ons i^nd onder de Patri* 
eiêrs met recht optellen. 

^ Nu vraag ik dan eens aan hem , die zyne vyf zinnen 
tot zyne dispofide heeft, welke sdyhenis 'er zy tusfchen 
de opgenoemde Romeinfche, tusfchen de opgenoemde he- 
dendaagfdie Patriciërs , en die van onze Stads Regeerin* 
gen? Wat het aan7ien betreft, men vergetyke deze)i« 
met die der Rcmieinfche ; wat hunne rechten aangaat, men 
fieUe ze over tegen die (ter aanweezende Patricc geOacfaten 

ia 



DOOR Affomruos ntoK. tgt 

in vreemde Landen; men gaa nt« wat die wartn, «n iiog 
heden syn ; men iie welke rechten de onsa bezitten , ea 
meu sal ras moeten bekennen , dat 'er geene Patrices by 
ons (en Gode ly dank) te vinden zyn» 

Verhandelingen , uUgegee^n do9r tkyler's iwcede G^ 
naotfchap. VjSdc Stuk. Tc HaatrUm *y J. Ënfchedé 
en Zoenen , en J. van Walré Junior , 1787. In gr^ 
quarso 215 i/ads^ . 

Men «laakt hier mede door den drnk gemen ccna Ver» 
handeling, over den Nationaalen Smaak van de HoK 
landfcbe School , in de Teken- en. ScbiUerkuost , mge^ 
field door roblamo van byndbn, Kunatichilder te Tmi 
aad wien de gouden Eerprys is toegeweeaeni , op deeze 
2yne beantwoording der Vraage van Teyler's tweede Gei 
DootTcbap; welke aldus luidt. ,^ In hoe verre de Natio^ 
^, naaU Smaak van de Hollandji^ School het doelwit def 
,, Schilder en Tekenkundc htx&kt ^ en aan derzelver veiu 
19 eischte beantwoorde ? Ais mede hoe verre dezelve 
•,9 Smaak « door het beftudeeren van het Mtique^ en van 
I» de werken der Kunftenaars van andere Schooien ^ zottw«i 

^, de kunnen verbeterd worden." > Ter beaiitwoor* 

dinge hiervan fchikt de KunstGchilder zyne Verhandeling 
in de volgende «M'de. ,, Ik zal (zegt by,) eerst het waa^ 
19 re weezen der kiuist en van den fmaak verklaaren. -*^^ 
^9 Dan zal ik alle de bekende Europifche Schilderrchoo* 
39 len, en de daarin meest beroemde nieesters op een be« 
„ knopt «tafreel voordellen. ~ Hierna zal volgen, een 
9, onpartydige vergdyking van de beroemdfle werken der 
yy bekendfte meesters van de HoUandibhe tegen die def 
,, andere Schooien, en de daaruit volgende bepaaüng vaii 
9, den waaren fmaak en trap der volkomenheid van de 
99 HoUaudfche School in de Schilder- en Tekenkunst ;#eii 
99 eindelyk in hoe verre de Nationaale Smaak van dit 
,9 School , door het beftudeeren van het Antieke , e» ét 
,9 werken der kundenaara van andere Schooien, zoude4uil^ 
^ nen verbeterd worden, met de daartoe, myns oordeels^ 
9» gepaste middelen." ■ De kundige van Eyndem 

behandelt ieder deezer afdeelingen met ved oplettendheid | 
en geeft wel byzonder een naauwkenrig verflag vati ^t gem 
aan ieder der beroemdfte Meesteren in de onderfcheiden 
JScboolen by uitftek eigen is } het weHc hem tot een jgirnid- 

llag 



tg% . VKRHANDELINOSN . 

ftag verftrekt , om die van de Hollandrche School by die 
der. andere Schooien te vergelyken, waarop 4iy dan voorts 
^yne aanmerkingen vestigt over 't geen ter verdere vol- 
maaktheid vereischc worde, en de middelen, welken ten 
dien einde met vrugt werkftellig gemaakt zouden kunnen 
worden. De liefhebbers deezer fchoone kunfte zullen t'o- 
v/:r reden vinden j om 's Mans arbeidzaamiyid in dit ftuk 
dankbaar te erkennen, en zyn onpartytlig oordeel over de 
Hollaodfche School is 2eer wel gefchikt , om een algemeen 
genoegen te geeven. Zie hier hoe hy zig dewegens uit- 
laate* 

. ,, Daar het utt de igefcüetfter kunstkarakters , en de wer- 
ken der meesteren^ uit>»de onderrcbdde* Schooien, en de 
nadere vergelykingéii >. gebleeken is ^ dat de Italiaanrcbe 
School, in de meeste^. en de Franfchc School in eenige, 
deelen der ktjnst , de jHollandrche School overtreft ; zo 
blykt de oagégrondheid der verheffing, op eenen al te par- 
tydigen yver voor de eere onzer Schoole gegrond , door 
den H^er rhynvisch r&mi ,an zyne Verhandeling tr^er 
U Heldendicht^ in eene aantekening onder bladz, 5* over- 
genotnen , „ «ils of de haliaanlche kunftenaacs niet' konden 
^y'jdm modellen der. ondheid affchetftn ,' niet dan met ee- 
^, ne flaafTche opmerkzaiamheid de, overblyfaels van het 
,i oude Rome nabootzen. — « — de Franfcben nier dan 
9, valicbe ideaalen , de gedaante voor het 'lichaam af heel- 
al den; terwyl de Nederlanders de natuur volkomen wis- 
„ ten te fchilderen , en die. alleen waare Schilders hebben 
^ voprtgebwgt ; en de Franfcben en EngcMchen zig niet 
9, fchaamen onze Schilders en Tekenaars na te volgen.** 
Mpar aan de andete zyde , daar 't ook gebleeken is , 
dat onze School verfcheide kiinften;iars heeft voortgebragt, 
welke zig toegelegd hebben, om het ongemeene, het gioo- 
te en fchoone , ook door.historifche en verhevene onder- 
Wierpen, voor te Itellen; zo vervalt de bitfe en partydige 
aafmerking , die de anders kundige keynolds , in eeue 
Redeovoering over (kn grpoten ftyl^ te Londen Xw 177 y^ 
fehottden, op. de Holianciiche School gemaakt heeft; waar- 
in hy hoofdzaaklyk zegt, „dat de Neérlandfche Schil* 
^, ders , in hunne Ibort > 'voortreSyk zyn ^ maar dat zy zig 
9, belaglyk maakén , wanneer zy eene algemeene gefchie- 
9, denis op hunne eigen bepaalde grondftellingen boawen 
^, willen , en groote voordeliingen uit de laa^heid van hnn 
„ 'karakter afleiden.", 't Is , naar myne gedagten , klaar 
geblfiieken » dat de Nedexlandfche School over 't algemeen 

de 



VAR TEYLER's* TW£BDB OEKOOTSCHAP. apj 

de Engelfche verre overtreft, en dat de Engelfche School 
alleen , om eenige voornaame kunrtenaars, in aanmerking 
komt, en thans nog als in Eaare geboorte is. 

„ Uit de rangfchikking, waartoe ik de Schilders van de 
Vaderlandrche School gebragt hebbe, is ook duidelyk te 
zien, dat de Franfche kunsirichter , de Abt du bos, en 
anderen, door partydigheid yoor hunne Natie, of door ge- 
brek aan kundigbeicf van den toeftand der kunst in ons land, 
de HoUandfche "School te onregt befchuldigen, als of wy 
gecne andere kunftenaaren bezaten , dan die , welken zig 
coeleiden , om de veragtelykfte en laagfte bezigheden van 
't gemeende foort der menlchen voor te ftelleu, en kunftig 
na te fcbilderen. 

^ „ Nu zal 't niet moeilyk zyn , om op de^ gelegde gronden 
vast tt ftelJen , en duidelyk te bepaalen den waaren Natio- 
naaien Smaak van de Hüllündfche School , in de Schilden 
en Tekenkunst^ die, ten aanzien van de keuze der onder- 
werpen, in welken na te volgen zy zig geocffend heeft, 
blykt te zyn de voorftelling van allerleie voorwerpen uit de 
natuur, en in alle deelen der kunst, zo verre die onder 'r 
bereik der navolging vallen kunnen; en, ten aanzien van 
de wyze , op welke zy de fchoone en verhevene natuur 
hebben zoeken voor te (lellen, blykt, dat zy daar toe eene 
nauwkeurige tekening en uitdrnkkiog, zo verre dezelve uit 
de fchooufte natuur , zonder het denkbeeldig fchoon der 
Antiquen^ kan verkreegen worden, met een allernatuiir- 
lykst koloriet, licht en bruin, gepaard aan de kunftigfte 
uitvoering , en de volkomenheid van het werktuiglyke der 
kunst , bezit : en , ten aanzien van den trap der volkomen- 
heid, welken zy in beide die opzichten bereikt heeft, is 
gebleeken, dat de fmaak der Italiaanfche Schoole den on- 
zen in de meeste deelen, en de Franfche, in zommige dee- 
len, overtreft; doch dat de onze boven den Duitfcben, 
den Zwitzerfchen en den Engelfchen füiaak, in de voor- 
naamfte vereischtens der kunst, verheven is, als men (leges 
eenige nog leevende meesters uitzondere, waarover ik my 
niet breeder heb kunnen uitlaaten, om dat ik, volgens myn' 
plan , tegen dezelven geene nog loevende meestere van de 
Hollandfche School heb kunnen vergelyken.'* 

Wyders heeft de Heer van Eynden , in de. manier van 
Belagen ^ aan Jeeze zyne. Verhatideling no^ gebegt eene 
ontvouwing van 't geen men in de Schilderkunst het Cos- 
tuum noemt, met aanmerkingen over deszelfs in agt nee* 
den en verwaarloozen. Verder eeue verkUaring van eeni- 
ge' 



ft94VBI^HAlfDRLmGÉ1!r VAN TEYLBIt'S TWÈËDË CÏ^TOOTSCBAP. 

ge anders min bekende woorden in de Schflderkunde. En 
eindelyk een berigt van , met nevensgaande aamnerkingen 
over. bet beroemde Alcaarftuk v^n RAPHAëL, in de Kerk 
van Sf. Bitter in Montorio ^ verbeeldende de gedaantever- 
andering des Zaligmaakers , en eenige daaromtrent vooi^ 
gevallen omllandighéden » zo als die door de Euangelisten 
befchreeven worden : welk (luk de opmetkzaamheid allef 
Liefhebbers tot zig trekt. 



He Hctdendaagfchc Stoicjn ^ door den Heer w. b« ds pbr» 
PONCHER.. ie Utrecht by de Wed. J. van Schoonhoven^ 
1786. Behahen het Voorvferk ^ 297 l>ladz. in gn ^avo^ 

E ene opmerking op het voortreffelyke in de gefpfekken 
, van EPicTETüS 9 heeft den Heer de Perponcher aan* 
leiding gegeeven tot het opftellen van dit Gerchrift. „ Oe 
„ meeste voorfchriften van deezen Wijsgeer , zegt hy , 
99 fcheenen mij toe, zoo verheven te zijn, zoo wel, met 
y^ de beste leer, die des Ëuangeliums, te flbrooken, dat 
9, het jammer ware , xlezelve niet te zuiveren , van dti, 
„ geen , 't welk 'er mee ftrijdig is ; en dus de uitnee- 
^ mendfte Wijsgeerte der Oudheid , met de beétere en 
^ volmaaktere leer des Christendoms , als in één licbaaot 
^ te vereenigen.'* Met dat oogmerk heeft hy de voor- 
Rellingen van EpiSetui ten ondcrwerpe zyner overweegin'- 
ge genomen; zig, nu min, dan meer, bepaald aan dezel* 
ven gehouden, die uitgebreid, befcbaafti, min of meer, 
daar t noodig was, tegengegaan, en vereenigd met, of 
overgebragt, tot de Euangelieleer. In dien ibaak behan- 
delt hy , by manier van Zamenfpraaken ^ eene reeks van 
zedelyke onderwerpen , of zulken > die een onmiddelyken 
invloed , op het vormen van een braaf ziedelyk charafl'er, 
hebben. En deeze ontvouwt hy , op een welberedencfcr- 
den trant , in vertrouwelyke en leerende géfprekken , in- 
dlervoegCy, dat de uitvoering zig door de verfcheidcnhcid 
veraangeiiaame, en zeer wel gefchikt zy, om des Leezers 
aandaet gaande te houden. Tot eene proeve van 's Man» 
fchryiwyze , tn deezen , diene de volgende ^ameofpraak 
van PHiLOMETRON en thbophilds, over denjver\ tothe$ 
maaien van vorderingen^ yereischt. 

„ PH. De kinderen deezer ^aareld^ ze^t de mond der 
Wtmieid j zijn voorztgtiget dan dt kinderen dei Ifchfr^ 

in 



W. >• DB PËRBONCem XIBDmi>AA08CIIE STOICYN. d^5 

j« haar» gsfiaehtc. (a) En in de daad, indien wij, die 
bet licht zoeken , on& op den grootën taak , die ons is 
voorgeftdd 9 möt denzelfden ijarer , toeleiden 9 waar mee 
de Üeden der waareld hnn doel bejas^en , dan eerst zou- 
den wij groote vorderingen maaken kunnen* Ik ken een 
aan , z^gt bpictbtus (^) , reeds verder in jaacen gevor* 
deed» dan ik, en die ttasns Opziener der feevensmiddeien^ 
te Rome , is. Eertijds gebannen > doch Tedert te rug ga- 
loepen , trok hij door deeze plaats , en gaf mij een be- 
aueL Welk een verflag d^edc hij mij , bij deeze geleegei»* 
Jieid 9 van zi^'n voorig leeven ! en boe plegtig beloofde ^ij^ 
dal Jhij» eens te Rome te rug gekeerd, voor *t toekomen- 
de» op niets meer denken ,zou, dan hoe, 'c overfcbot zij*- 
ner dagen » in rust en vreede, door te brengen! Want, 
zeide bij, hoe weinigen fchietcn mij 'er nog over! Zeer 
wel, gaï ik hem ten antwoord, maar dit voomeemen zult 
gij niet vol6rengen. Want na^uwlijks zult gij de lugt der 
ftad van verre rieken , of dit alles zal terfkond vergeeren 
zijn» En kjunt gij eens weer toegang, ten hove. verkrijg 
gen, juichende en de Goden dankende , zult gij 'er btn* 
neo tieedenv" ,, ëpictztus!" voerde bif mij te gemoef> 
^ zo gij mi j ooit een voet, ten hove, zetten ziet, denk 
„ dan van mij wat gij wilt.'* — — Maar wat was *fc ge* 
volg ? Eer hij nog de ftad binnen trad , werdt hem een 
briefje van casar. ter hand gefteld ; terilond vervteogen 
alle zijne beümten ^ in rook , en federt heeft bij niet op* 
gehouden , zigzehren de eeiie beflomuiering , na de ande^ 
re y op dea haia , te haaien. Zo diep zit <fo begeerte naar 
bevordering, in hun hart , geprent. Zo* gereed zijn zij, 
daaraan alles op te offeren , daartoe alle poogingen , alle 

zorg , alle moeite , allen arbeid aan te wenden. • 

Maar » mijne vrienden 1 zouden wij nu wel het zelfde 
doen ? Zou wel ééne uitnodiging , ééne vermaaning van 

onzen leermeestec ,. ja van veel hcff^v , dan onzen 

leermeester » dan casnk , dan alle de Vorften der waa«- 
xeki, ons, in gelijken ijver,, doen ontbranden; ons dus al 
bet overige doen vergeeren, alle onze rust, aile onzever^ 
naaaken , alle onze overige bedoelingen doen ter zijde ftef* 
ten? 
„ Th. Neen zeeker, de kinderen deezer etnw zijn , gew 

lijft 

Ca) Luk. 16: 8. (V) The Works «ƒ BPiCTETüS tfênslatei hy 
HJZABBTH CARTBZ» VoL I. Ch. X. p; 4<$. 



t96 W. E. jm PEllPONCHBR 

lijk voorzigtiger, dus ook veel ijveriger en (tandvastigeT) 
in hun opzet, dan wij, in *c onze. 

„ Ph. Ën egter welk een onderrdieid , tusfchen den 
kring, waar in zij weritzaam zijn, en den grenen, waar 
in wij werken willen ! Want denk niet , dat fchoon wi] 
ons hier, oet de enkele berchouwing der wijsgeene , bee<* 
zig houden, en dezelve aanprijzen, wij daarom onze leer* 
liugen , van een werkzaam leeven , willen aftrekken. Zijn < 
jiiet in teegendeel alle onze bedoelingen, alle onze beoef- 
feningen daar heeuen ingerigt ,. om hen en ons zelven te 
leeren , hoe wij , in eiken kring des leevens , in eiken post, 
in elke omftandigheid, moeten werkzaam zijn? Kies der* 
halven wat gij wilt : een meer afgezonderd en befchouw' 
lijk^ of een meer gezellig en werkzaam leeven; plaats u, 
in den vreedzaamen kring der burgerlijke beroepen , of in 
den hoogeren , doch rustverdervenden kring van Staats* 
of Krijgsbeflier; bepaal u , binnen den niilen omtrek van 
uw huisgezin , of waag u , op de ruime en zoo dikwijls 
(lormagtige, zee der groote maatfchappij; overal zal de 
waare wijsgeerte, de wijsgeerte, die wij zoeken, u voor- 
fchrijven , hoe gij , in elk van deezen , naar de voorfchrif- 
ten van plicht, eer, deugd, natuur en Godsdienst, zult 
werkzaam zijn; hoe gij, overeenkomilig dezelven, den u 
opgelegden taak volbrengen , en u daartoe alleen bepaalen- 
de , al \ overige laaten vaaren zult. Wat mij betreft , 
vervolgt EPicTETus, wanneer ik des morgens opdaa, be« 
moei ik mij terllond met het in order brengen der dingen, 
die ik mijnen leeriingen heb voorste houden, en wanneer 
dit gedaan is » en ik vervolgens ook dit werk daadlijk heb 
verricht', dan bekommer ik mij in geenen deele , met de 
wijze hoe anderen hunne lesfen inrigten , hunnen taak vol- 
brengen. Is dit mijne zaak? Mijne zaak is nu, na vol- 
bragt werk , mijne rust te genieten. 

„ Wij « en de waareldling moeten dus wel even gelijk 
werkzaam ziin , even gelijk alle onze poogingen , ter be* 
reiking van ^t ons voorgeftelde doelwit , infpannen ; maar 
verliezen wij, mijne vrienden, daarbij nooit uit het oog, 
hoe verfchillende ons doelwit, van 't hunne, zij; en wat 
'er uit dit verfchil , ten aanzien der verplichting en aan te 
wenden ijver , voordvloeie. Den ganfchen dag zijn de 
waareldlingen beezig met te verzinnen , te bereekenen en 
té beraadflaagen , hoe zij tot magt , aanzien en invloed 
zullen opklimmen , . hoe zij deeze of geene bevordering 
zullen bejaagen , hoe de begeeving van dit of dat amp^ 

ver* 



HEDSMOAAGSCHB STOICYN. flp? 

wrkrijgen , hoe zig de gunst van deezen of geenen aan* 
Eienlijken verzeekeren , hoe deeze of geene fomoie g^ds 
winnen ; of wel hoe zij best hunne, feesimaaltijden zullen 
inrigten^ hoe zij hunne vermaaklijlcheeden zullen vernfee« 
ajigvuldigen » verwisfelen en vernieuwen , hoe zij hunne 
grootheid en pragt zullen aan den dag leggen , en den 
bewonderenden omdander in de fcheemerende oogen doen 
llraalèn* Wij daiircnteegen bejaagcn geenen ijdelen fchijn 
of praalerij , maar hoe wij ons in de daad , en ook wan* 
neer niemands oog op ons gevestigd is , grootmoedig , 
deugdzaam , wijs , getrouw en gqdvrugtig zullen gedraa- 

gen; hoe vnj leeren zullen, van welk eenen aart het ge- 
:el en bedier deezer waareld zij;#welke plaats wij in de 
aaneenfcbakeling van '^ Heelal bekleeden ; boe wij ons 9 
in die plaats , moeten gedraagen ; wat wij zijn , waartoe 
wij zijl) geroepen ^ waartoe beflemd , en waarin dus ons 
weeze/ilijk geluk en ongeluk geleegen zij; hoe wij ons zeU 
ven zullen volmaaken ; hoe onzen eventnensch ^ hoe 'c 
menschdom nuttig zijn; hoe de gunst van den Opperheer 
der geheele waareld winnen ; hoe ons weezenlijk en be* 
ftendig geluk , in deeze leerlingfchap , in 't waare leeven , 
't welk ons, in hooger kringen, wagt, verzeekeren. Ver- 
gelijk nu deeze beiderlei bedoelingen , vergelijk de beweeg* 
redenen , welken zij ons aan de hand geven , de vrugten » 
welken wij *er van te wagten hebben , en zeg mij , wie 
van beiden , de waareldling of wij , meest , tot het in- 
fpannen van alle zijne poogingen en krae:ten , verbonden 
Zij ; voor wien van beiden het fchandlijkst zijn zou , in 
ijver , te verflaauwen , en den voorgeleiden taak te ver* 
waarloozen ? Ja wat men , van ons , denken moet , in- 
dien wij ons , in den onzen , met minder ijver en voor*» 
aagtigbeid, dan zij zig^ in den hunnen, iLwijten?'* 



Jfeékrlandfche Reizen , ter beyorderinge van den Koophandel f na 
de meest afgelegene gewesten des Aardkloots ; doormetigd wet 
vreemde Lotgevallen f en menigvuldige Gevaaren^ die de Nedet" 
iandfche Reizigers hebhen doorgeHann. Met Plaaten, Elfde 
Deel. Te Amfierdam 5y P. G>nradi , en té Harlingen by V. 
van der Plaacs» 178ÓW In gr* oSavo 143 bladz. 

T^it Deel bevat vyf aanmerkelyke Reistogten ; te weeten , die 
*^ van N. de Graaft langs den Ganges, van *t jaar i6ó8 tot 
167»; de gevaririyke togt en fchipbreuk van H. haivci, met de 
gevolgen ^an dien, ^eduurende oe jaaren 1653 -1669; het G»- 

U, DEEL, N. ALG. LETT. NO. 7* X ZanU 



tg% NEDBRlANDSCKB RetZEN* * 

Eantfchap van P. tfe Goyer et\ J» Keyzer. na China i ïn de ja»- . 

ren 1655-1657; öar van B, ^«re, j. van Ouwfen en C. Nnhie, 

aan den Onderkoning van Eckyen ^ in de jaaren '1662-1644; 
en dat van F. vnn Hntm , Raad en Thefaurler van Indie , na 
China 9 in de jaaren 1664.^» 1665* . (n dee^ Reisirerhsalen , 
bchalvcn dat de drie laacflen ons een verilag geeven< van de 
herhaalde ^oogïngcn der ^Maaifchappy ,, om een' vryen Koopban- 

. del in China te vestigen, dat ons tevens verfcheiden byzonder* 
heden, daar toe betrckkelyk, voordraagt ♦ vindt men, meer dan 
wel in anderen , etlyke ben geen van b'nnenlandfcbe togten , dic 
ons de inwendige gelleldheid digr Gewesten eenigermaaie lee- 

rcn kennen. De togc vaii N, de Graaf, langs den Gan- 

ges • dien wy bcknoptlyk zullen volgen , Rrekke hier van ten 
vo<:)rbeeIde. 

Tc Raiavia last ontvangen hebbende , tot het doen van een 
togt na Bingale i' Z'2\U\c hy, aan den mond van den ^:aiig:s ge- 
komen zyn-^c , d:e rivier op , en kwam voor het HoIIandfche 
Kantoor Otgy voor anker* Het omliggende land aldaar is zeer 
aangenaam , en behooit onder de vriigtbaarftc flrceken van A? e. 
. Üp'l^st dcp;.Direktcii!S vertrok hy van daar na het Kan- 
toor Casfombofar ,/ en vond decze vaart Jangs den Ganfies aeer 
vermaaklyk, als leverende het gezigt van cenc reeks van bloei- 

èndo dorpen. Alhier werd hy belast de rivier nog boo- 

ger op te. vaaren tot aan Paina ■ - * In de eerfte dagen v n 
zync v arr zag hy nicis dan geringe dorpen; beter pnthaal had- 
den zyne oogcn , by zyne aankonis: in de Stad MaxudA'^t . die 
tamelyk groot en volkryk is,, bloeiende daar den koophandel der 
ingezetenen , dic vooral een uirgcbreidcn handel dryven in zy- 
éen en " andere ftoffen. Voorts zag hy verfcheiden vlekken e»: 
dorpen aan de beide oevers van den Gangen, eer hy te /?rt^i- 
M^ha kwam ; eene flad , niet minder merkwaardig , om haare 
iirtgebrcidheid , en van wegens de menigte der waarcn, die al- 
daar te koop geveild worden. De Hollanders hebben hier cgti 
Kantoor aangdeldt 't geen <*gier niet veel betekent. De Gt^»/^ 
zyne reis vervorderende, kw m eerlnng aan den uithotk van 
B'veirav(^i's dus genaamd, om dat aldaar de eerde uitfleekendc 
hoek des bergs is, wiens voet tot in dan Gan^es uirfpringr. 
Deezc hoek is geheel bedekt met geboomte, omler't welk een 
klein dorp, met eene Karavenzera, of herberg, voor den rei- 
zenden man, lljrt. Boven Binf^ntiirex voer hy vooiby vcrfchci- 
dtai dorpen; omier dezelyeo deed men hem opmerken G'nif*par^ 
faas , vermaard om de menigte Smeederyeo en Timmerwerw«i : 
'hier worden verfcheiden foorten van Vaartuigen gebouwd» Ver- 
vol 'cns vond by aan den iweecien uithoek , f^anthf genaamd , 
een klem dorp, aan 't welke eenige tuinen paalden. Patri^ati ^ 
de derde uitAeeketide hoek des bergs , beftaat uit eene ftetïe 
rots , van den top des bergs tot in de rivier daaleiide. Ast» 

den 



dtn y{erden« of Uatften -uirboekt Jmi^irn^iensi^móf v^rioonden 
zich eenige wooningen en tuinen. Doch he- me.kwairdigfte 
van dien uuhoek Is cene groote rou» vierhonderd fchnèicn van 
den oever gelegen, in de gedaante van eene halve niaui » be. 
neden zeshonderd , en boven tweeduizend fchrccdcn over *c 
k:ruis: aan den rivierkant is dezelve Acil en volArukc ont02gang- 
lyk ; doch aan den landkant effen. Onze Reiziger verkoos den 
weg van hier na Gcr^att te voet af te leggen « als zynde dit 
eene aangenaame wandeling. Gorgau is een tamel}'k groot 
dorp. By hel zelve ligt over den Gar.ges een flcenen bryg , die 
V gehouden wordt voor het werk van den waereldbefaaniden.Tfl-» 
mninnn\ dezelve is niet minder dan driehonderd fchre^den lang, 
rust op acht boogen, en wordt aan wecrzyden door e^n acht: 
kan igen toren verdeedigd. Na zyne bark te rug gekeerd , cii 
nog verfcheiden dorpen voorby gevaaren zynde , kwam hy aan 
de fraaie aanzienlyke Stid Monghoi. Zy heeft de gedaante -va» 
een boog t welks fnaar de Oangts is ; en bedaat van hec eene 
einde des boogs tot aan het andere een omtrek van t^aölfdüi- 
zend vyfhonderd fchrcedpn. De Graaf tckcndv» dit aan , nis inc« 
de hat geul der poorten en kleine to'-ens , nevens lien affland 
tüsfchcn dezclven, en andere merkwaardigheden. Dan dit, hoe 
omz'gtig ook gedaan , werd door de Wagt ontdekt ♦ en zulks 
baalde hem een doodsgevaar op den habs, het welk Iiy, naa 'c 
doorftaan veeier jnoeilykhedcn , egter nog gcKkkiff omkwam. 
Weder op vrye voeten , en in V bezit van ^ync Bdrk;,hcrfteid 
zynde, zettede hy zyne reis voort na Pa^na. Gcduurende dee« 
ze (chcepvaart zag hy, langs de pev^fs van den Ganj^r^s , ccne 
menigte groote en kleine dorpen. Ten.laatfte trad hy. a<m Ind 
by bet dorp iFarpha , en vervoegde, van daar zynen weg , langs 
den oever, na het paleis van ^tstakan, Nabab van Péanr. £in« 
dclyk kwam hy in de voorftad van Paina « van waur hy eed 
bekoorlyk gezigt 0|;i de Stad zelve had. ^ Een Bmjaan geleidde 
hem na bet Kantoor der Hdlandfchc Maatfchappy; en de Raad 
van Patnê behandelde hem zeer heuschlyk. 

Deeze Had, zo bcroeind van .wegens baaren koopli^;)de], ligt 
aan den <Aui/;u; de reden deezer liggingc, gelyk. dfe van Z'jcr 
veel and<4rc plaatzen, is, om dat de Indiaanen, a.-^n du w;itcFen 
dier riviere eene buitungeme^ne heiligheid en kragt .toefchry» 
vendc, dua te bekwaamer gelegenheid h(;bbcn, om '«r x'g da- 
geiyka in te Wasfc^en en te baaden. PêXua wordt gedf.Ja door 
een groot en öerk Kasteel , omringd van Bolwerken , met to* 
rens beplant. Men ziet *er pragtige Moskeeën, Pagoden, tui- 
oen en fraaie burgérhuizen. Om tegen de zwaare oiwAiroomin- 
gen van den Ganges buiten zyne oevers beliosd te zyn, is de 
ft:d op eene hoogte gebouwd. . Van den oever klimt men met 
twintig, dertig, en op zommige pl^atzcui veerig i^%*dên na de 

X 2 Stad; 



300 NEDEJiLANDSCfïË RCI2ËV. 

Stad ; a^n de Landzyde heeft zy eene men«gte Rcdouten en 
Torens, die, e^tcr, meer tot Heraad dan ter befcherminge die- 
nen. Midden door de geheele ftad loopt eene brcede ftraat, die 
bykans geene andere bewooncrs heeft , dan allerlei ambagtslie- 
den en kunftcnaars, die hier h«nne werkplaatzcn en tevens hun- 
jie winkels hebben. Deczc breede ftraat wordt, in de Ie gte, 
doorfneeden van zeer veele kleinere ftraaten , zommigen van 
welken in het veld , en anderen op den Ganges yitloopen. fn 
bet boogfte gedeelte der (lad ontmoet men een ruim plein , 'r 
welk tot eene Markt dient; wyders een zeer (choon Paleis, in 
»t welk de Nabab zyn verblyf houdt , en eene groote Keitera » 
of Beurs , in welke de Kooplieden , van verfchillendc Natiën » 
te zamen vergaderen, om *er hunne goederen te koop te veilen. 

Onze Reiziger ontving, geduurende zyn verblyf te Patfutf 
een brief van den Diredeur Sanderuy , die hem met ongeduld 
verwagt.e te Soe.fPtif of Chiopera. het uiterfte Kantoor welk de 
Maatfchippy aan 'den Ganges bezit. Dit bewoog hem , ftraks 
zync reize verder voort ie zetten. De rivier hooger opvaaren- 
de, vond hy het land allerwegen volkryk, tot aan de plaats, 
alwaar de vermaarde Moskee Monrra fta :t, van welke men 
hem zo vecJe wonderen had vcrlaald. Op zig zelve is Mortcra 
een gering dorp, omtrent eene halve myl van den Ganges ge- 
legen, 't welk flegts van eenige arme werklieden wordt be- 
woond. Weleer wa? het land hieromflreeks eene woesiyn. 
Maar, zo als de overlevering luidt, en hier te lande gerrouw* 
lyk geloofd wordt, een vermaard F kir, of Indiaanfche Heilig, 
Jha-Xfoncra genaamd, vernomen hebbende de natuurJyke vrugi- 
baarhcid vto dat gewest, ^t welk geene andere bewooners, dan 
tygers, wolven en wilde honden had, vervloekte dat gedierte, 
verdreef het door de kragt zyner geboden, ert bouwde 'er eene 
kleine Kapel , in welke hy veele wonderen verrigtte. Dewyl 
het gerugt zyner heiligheid veele lieden derwaarts lokte, en 
hem eene menigte aalmoesfen aanbragt , vond zyn bediende, 
naa 's Mans afly vigheid , in zyne Kapel , zeer veele en aanmer» 
kclyke rykdommen; en deed , voor dezelven , ter zyner ge* 
dagtenisfe , eene pr. gtige Moskee bouwen , die vervolgens voor 
eene menigte Fakirs tot eene woonplaats diende. Niet ver van 
dezelve ftaat nog eene Moskee, doch kleiner dan de voorgaan* 
de. Men ziet aldaar een flecnen Elefant , houc'ende in zyn 
fnuit een Adelaar: ^e kragt van dit dier tegen blikfcm, donder 
en (lorm winden , wordt hier zeer hoog geroemd. En rondom 
deez© pi :ats krielt het gcftalig van Fakirs , ö\c den Pelgrims 
himne vcrdichtz:!is zoeken op re dringen, en door zogenaamde 
gotivrugtIf>:e bedriegeryen veel gelds af knevelen. 

Efndelyk kwam .'<• lirnaf te Saéfira , en vond den Directeur 
Sandnuf in een kwynenv*ei> (laat i doch bet gelukte hem zvne 



r- KEDBU.ANOSCHE RBIZSN. : 3QX 

gtnee^ng te bewerken. (*) Het Kantoor van Sofpra is alleeri- 
lyk aangelegd tot den inkoop van Opium en^Salpeter , welken 
men in deezen . oord in groote menigte vin^t. Het gebouw'» 
deor de Hollanders hier geliigt , ligt aan den Ganges » is een 
langwerpig vierkant 9 hebbende op eiken hoek een toren : het 
kan aangemerkt worden als befiaande uit dne onderfcheidéti 
gebouwen. Naast het eerfte ligt een fraaie tuin; het middelde 
eebouw bevat bet pakhuis en gemaklyke wooningen voor de 
Beftuurders; het derde is het werkhuis, in 't welk de Salpeter 
bereid en gezuiverd wordt. — — Onze Reiziger. ging vervol^ 
gens, deezen togt voltrokken hebbende , te Tcheep na Perfie; 
doch dceze reis had» door eenige belemmeringen » geen voort- 
gang; hy verbleef nog eenigen tyd in de Indien, en nam ee^-^ 
lang de terugreize na 't Vaderland aan. 

(*) Deeze flcepcnde ziekte v?ii den D^reé^r Sanderüs .Hd aanleiding 
gegeeven,-coc bet bevel dat éle Graaf te Cêêfambafar ontving, om liooger 
op ie v:isrcn ; mi^n hoopce dac de dikmaals foeprucfile kundigheid van dê 
Gracf^'dlQ een ervaarcn Wondheeler was, "hem van incer nuts zoude zyn, 
ótin de voorige vrugtloos anngewende geneeswyzen. En tevers weid hy 
ter dier gelegenheid verzog:, zyne bekwaamheid in het tekenen, op dicA 
uit (lap, m *c werk te flcüeu, eii grondtekt;jiii)$;<.n te vervaardigen van (le- 
den , paleizen . kasteelen en andere merkwaardigheden , welke liem zouden 
bej^'geneu; dat hem ie Mvnghor zo veel unhci;s op Ucu bals haalde. 



Hn Scïtouwtoimeel voêr J9nge Lieden « dcor Mevrauw de C£nlts« 
Uit hn Fransch vertaald , door E. bekker , Wod. D , wolff» 
J^ee DeeUn. In *s Oravenïtage öy J. van:Cleef, 178A Be-- 

halven het Voorbericht 934 hlüz. in gr. e&avó. 

■ • -|. • 

]l(f€vrouw de Genlis biedt hier mede der Jeugd aan» eene veè. 

^ * zameling van leerzaame Schouwtooneelcn , wdken by uiN 

fxsk gefcbikt zyn , om deselve te hoeden t^^en buitenfpoorig* 

beden 9 eq tot een verfcandig deugdzaam- gedrag op te leiden^ 

van Waar dit Werk , nevens de andere Opvoedingsfchriften dier 

kundige Dame, den jongen lieden met vrugt in handen gegee- 

ven kan worden.* In het Blyipel , geiyteld de Gevaaren der 

Waereid , wordt de Jeugd gewaarfchuwd tegen eene verkwis» 

tende leevenswyze, waartoe ze ligtlyk verlokt kan. worden, 

door gehoor te geeven , aan verleidende përfbonen. De twee 

volgende Tooneelllukkeo y de.P^erftandige Man en iet Port/r m 

of de Edelmoedige Minnaars t fchetfen het verfchillend cbaraAer 

vao onkuifche Min 9 en zuivere Liefde , terwyl ze ons tevens 

het loflyke van een verftandig en edelmoedig gedrag ontvouwen, 

/to bedorven Kind tooot het gcvaarJyke der Vleiery, vooral 

wanneer de Ouders gehoor geeven aan vleiende Opzigtqrs der 

Kinderen. De Marchand^ de Modts is eene Icerzaame pndcr^ 

X 3 - wys- 



:fOa BE CSNLTS» SCHOUWTOONtEL. 

wyster, die den Kinderen ;^Ileszins goede leefregels mbbeaemt» 
en eene derz3lvcn bovenal de duidelykfte en bondigfr^ lesfisn 
.g^( , ter negelini^ van haar gedrag rn een dicnstbaarcn ftatt. 
De Reiziger brengt ons onder het oog het befpotlyk charader 
<van zulke jonge Leden» die buitenland »cb reizen» zonder hun 
verfttndlyk vermogen aan te kwcekcn , en die hun hart zo wéi 
.al$ inm verftaod door verwaandheid bederven. Oe Edelmoedige 
yyand'Tinen ftrekken ooi het hart tegen de wraakzugt te wspe- 
ji^, Z2\{i dan» wanneer men grond fcbynt te hebben» om » 
aan te kweeken. De go*ie Meeder boezemt den Kinderen hoog- 
agting en gehoorzaamt^d m voor Ouderen, die niet anders dan 
bet wclzyn hunner Kindeeeii bedoelen^» en *er alles voor veil 
.^ben. De valjlke Vf lenden zyn ter wearTchouwinge aan jon- 
ge Lieden , om op hunne hoede te zyn » tegen de aodanigcn* 
die *t, onder den fchyn van Vriendfchap , op hun verderf toe- 
legeeii. De LinnenvnnkeUerfter verleent zeer goede opvoédings-' 
lesien , en geeft een uitmuntend voorbeeld van een recht deugd- 
zaam meisje. Een Bfyfpel , de Flefjes genaamd , heeft ten doel- 
wit , der Jeugd in te prenten , dit zy de hoedanigheden van 
een goed hart en gezond verfland boven de fchoonhcld hebhtn 
te kiezen ; waartoe hier de keuze lusfcheh twee zogenoemde 
Toverficsjcs in aanmerking komt. Laatsüyk behelst decze Vc- 
zameting nog een fllyfpel , de Duif gehecrcn , ter oorzaake dat 
ceneDuif, door .^me//jp gelief koosd , een voorwerp der jaloers- 
heid van haare Zuster Roftne is; 't welk ons ten Hot tot deeze 
leering leidt: „ Oat kieschlieid, die tot wantrouwen overgaat, 
#t haar pynigt» die haar voed, en de grgotfte belediging is voor 
^, haar, die *er het voorwerp van \s: en dat .men, hier aan ge- 
„ dagtig, nooit bdioort te vergee'cn, dat *«r geen viricndrchap 

„ kan zyn zonder achting en vertrouwen." Mevrouw 

de Genlis bfeft in ieder deezer Schouwtoone^leo de natuur aser 
wd in agt genomen» en terwy! ze het jeer;^RQie bovenal in 't 
aog houdt • heeft, ze bet hoofdonderwerp Qgier or^edwongea 
vereenigt met tusfchenhomendeTooneeien, éie aan deeze ."^tuk- 
ken in vede ge\^Ueh cene gepaste Ic^veodigheid byzetten» - 



Bhemtjens, Te Jmjlerdam by P. J. Uylcnbit)ek, 1785. Tn gr. 
oBavQ 134 bladz» ' 

T\q uïtfteekende DFchtvermoeen» v.-m den Heer RiHerdyk , 
*^ hoogstvraarfchynlyk de maalcer van de verzameling der Dfchti 
ftukkön, onder den^naam van Bhemtjtn's^ hier boven aangekotr- 
digd, zyn by alle onbevooroordeclden in die hoogachting, wel*^ 
ke zy altoos verdienen zullen. Wy wiflcn deeze Dichtftukken 
hïct befchouwen uit het oogpunt, of zy in de zcdclyke wacreïd 
goed of kwaad kunnen doen; dit daar laatende, i» decz^ buif 
• ♦ del 



del voorbeeldig fchoon, wat het Dichtkundige betreft. En, met 
uitzondering van eenige weinige Stukjes » kan deeze bundel , 
zonder ergernis , zelfs door naauwgezeiten , geleezen worden. 
Tot een ftaalrje diene^het volgende, dat, zo öni de^lfs zoet- 
vloeijendheid als aartigheid, elks aandacht verdient. 

j^s een kleen aanvallig wicht , 

JUet een lachjm op *t gezicht , 
jlan en op myn knieën fpeelend , 

't Lieve mondje tot tny flrekt , . 

En myn mond met kusjens dekt^ 
''k Vind die lieve kusjens Jlreelend* 

Als een lang gemiste vrind 
Mj na 'r afzyn weder vindt ^ 
, En my aan %yn boezem drukkend 

Met een weik'mistkus onmoett. 
Die de plaats neemt van een groet » 
'k AV« dien blydcn kus verrukkend» 

Als i^ van myn vader wykt 

Hn hy my, zyn hart' tsn Uyk\ . 

Fan een ftrtcf misnoegen veilig t 

t Me^ etn' kus in de armfin knelt ^ 

Van een'- wjzBn ies verzeU; 

*k IJou dien achtbren kus voor hdlfg. 

(U^ft myn zustew^ die ik hem • 

Opgefiotcn lippen klem,^ 
My myn* kus in kusjens wedet^ 

Ottar de gulheid van hct*r* aart 

Zich hlymoedig tri verklaart { 
^k AJu die eerbre kusjens teder. 

'r Kinderkwjen Igua my koel; 

yriendfchapskusfcn heeft gevoel i- 
*s Vaders kus is eerbicdwskkmd ; 

't fusterkusjen toont zich koel ^ 

Maar het heeft een zacht gevoel » 
Naar ontzag en vriew^fchüp trekkend. 

Di 



304 BLOCMTJENS* 

T>f €trft€ kus heeft ütifchuld in ; 
De andere houdt vriendenmin ^ 

Gene^ vaderlyken zegen» 
Deze tederheid van *t bloed: 
Maar het zieldoordringend zeet 

Is in eenen kus gelegen. 

Lieve Odilde kent gy dat? 

Weet gy ivat de kus bevat f 
Die fnet recht een kus mag heetenl 

Lieve fchoone l dat gy '< wist I 

Dan f waar woorden toe verkwist i 
Reik me uw* mond , gy zult ha weeten. 



Cejchenk voor de Jeugd. Vyfde Deels» eer He Stukje. Te jh{fter* 
dam by J. Allart, 1786. In oQavo 104 bladz. 

De Eerwaarde Heeren Maninet en van den Berg hébben dit 
Stukje byzonder gerchikt , tot bet mededeelen eener korre 
onderrichting in den Natuiirlyken Godsdienst. Zy ftellen zig 
daarin voor» eerst, uit de natuur te bewyzen, dat 'er een God 
is; dan, aan te toonen, welke volmaaktheden van God ons de 
natuur leert kennen; vervolgens, te ontvouwen, welke pligten 
ay ons menfehen voorfchryft, mitsgaders op.,welk eene wyzezy 
ons dezelve leert betragten; en eindelyk^ na te gaan, welk ge- 
bruik wy van deeze kennis , in onzen tegenwoordigen flaat» 
maaken kunnen. De overweeging van *t laatfte behelst eene be- 
fchouwing der gebreken van den Natuurlyken Godsdienst , en 
dezelve doet den Onderwyzer eigenaartig de aindagt vestigen op 
de Openbaaring, als het middel, om dit gebreklyke te veigoedeo. 
Ter dier gelegenheid behelst dit Stukje voorts nog, in de manier 
van een byvoegzel, een verflag van de Openbaaring, vervat in 
de Schriften des Üuden en Nieuwen Testaments, met aanwyzing 
van derzelver voortreffelykheid en Godlykheid. De geagte Op- 
ftellers deezer onderrigtinge hebben de vatbaarheid der Jeugd zeer 
y^e\ in agt genomen, en tevens dit onderwerp, met ter zyde- 
flelling van het al te ingewikkelde voor de Jeugd, in zyne foort 
volledig behandeld. 

^ ^ ^ 



N t E U ÏT E 

ALGEMEEN E 

VADERLAND SC HE 

LETTËK.OEFENINGEK 



Zes Leerredenen over den Oor hg; door wylen den Wel 
Eerwaarden Heere j. cüiot , in kyen Bedienaar des 
Heiligen Euangeliums in de JFalfche Gemeente tot Rot^ 
ter dam. Uit het Fransch vertaald. Te Amfterdam , by 
J. van Gulik, 1786. Behahm de Voorreden ^ Q,%^bladz. 
in gr. o&avo. 

In dit zestal Leerredenen vestigt de Eerwaerde Guiot een 
Godsdienftlg oog op den Oorlog» en ontvouwt de voor- 
oaemfte onderwerpen , daer toe betreklyk , uit dat gezichts* 
punt; ten einde zyne Toehoorders op te leiden , tot een 
indnikbaer bezef van Gods albeftierende hand ook in den 
Oorlog , en een levendig gevoel van hunne verplichting, 
om hun gedrag » naer die kundigheden , en vereisch der 
omftandigheden , te regelen. Tot een tekst voor dezelvea 
heeft zyn Eerwaerde uitgekoozen de bekende woorden vaq 
Salomo, Spr. XXI. 31. Het Patrd wordt bereid tegen den 
dag des ftrjds; moer de Overwinning is des hbbrbn ; en 
hy behandelt zyne bedoelde hoofdonderwerpen in vyf ach- 
tervolgende Leerredenen, fchikkende voorts zyne zesde 
of laecfte Leerreden, ter aenwyzinge van de nuttigheden, 
die men uit de voorigen trekken kan. De Eerwaerde 
Guita behandelr dit Stuk indiervoege, dat hy een in zyne 
ibort volledig zamenfteizel ener Godsdiendige overweginge 
van den Oorlog aen de hand geve , en ons op ene oor- 
deelkundige wyze onder 't oog brenge, hoe wy de voor* 
naemfte waerheden , daertoe behoorende , hebbe te be« 
fchonwen, en hoedanig een gebruik wy daervan behooren 
te maken. Zyne laetde Leerreden draegt ons de ontvouw- 
de waerheden zo beknoptlyk voor , dat wy derzelver op- 
gave daeruit zullen mededeelen ; en te gelyk « by d^e ene 
of andere waerheid , ene proeve geven van de wyze , op 
welke by die waerheden ter nadere betracbtinge doet (Irelc* 
ken. 
♦, Db bbrstk Waarhei4 (zegt hy) die.wy vastgeftelJ 

* IL OBEZ;. N. AtG. LfiTT. MO. 8. Y heb** 



3o(J J. CUIÓT 

hebben, en die ultdrukkelyk in onzen Text werd te ken- 
nen gegeeven , is , dat de Ovcr»inningc is des Heeren. Dat 
is te zeggen , dat Ood de Zege geeft aan den eenoi , en 
dat hy de nederlaag veroorzaakt van den anderen ; dat hy 
alle de gebeurtenisfen van eenen Oorlog beftierd ; dat hy 
alle derzelver werkingen fchikt en bepaald; rat hy invloed 
beeft op alle de Daadcn van de te^engeftelde partyen; en 
dat 2y, zonder zyne toelaating, ot zynen wil» niets kun- 
ren volbrengen. Deeze waarheid hebben wy in *t breede 
nit de Reden , de Heilige fSclirifi » en door yoorbuUkn 
beweezcn. 

„ Wy hebben in onze twbkde lebrred&n vastgefteld, 
dat de Oorlog , boewei in fchyn aanlopende , tegens de 
Wet van God , tegens de gevoelens yan Met^hetykheid ^ 
en tegens den aart van het Koningryke van Jezus Chris* 
tusy egter geoorloofd was onder het Euangdie^ gelyk als 
die het geweest was, onder de oude Wet. De voorbeel* 
den en de SchriftuurpUützen uit het Oude en uit het 
Nieuwe Testament , die wy by die gelegenheid aangehaald 
hebben» gevoegt by de Drangredenen , die de Reden zelfs 
ons op dat onderwerp aan de hand geeft, (lellen dk waar« 
heid buiten twyffeling. 

„ Wy hebben , als eene derde Waarheid ^ duidelyk 
^eweezen > dat alhoewel God de oorzaak was der Over« 
winningen en der Voordeden , die wy op onze vyanden 
behaalen, hoewel de Overwinning is des Heeren ^ by egrer 
wil « dat de menfcben ten dien einde van hunne zyde dó 
noodige Toebereidzelen en Wapenrustingen doen; dat ry 
gebruik maaken van alle de vereischte middekn by die 
gelegenheden , even of xy haare uitkomst alleen verwagten 
moesten van hunzelven , en van hunne poogingen , eo dac 

God hen zynen byftand niet toegezegd had.*' Zie 

hier het gebruik , dat hy van deze derde Waerhaid ge« 
maekt wil hebben. 

„ Dat zo zyntle (vervolgt hy) is het duidelyk , dat ia- 
een Staat , die zij? in eenige 'Oorlog ingewikkeld viiid^ 
ieder der geenen, die dezelve uitmaakt, meer of min be- 
lang hebbende in de bewnaring en in de verdediging rau 
dien Staat, ook met al zyn vermogen het lync moet toe- 
brengen tot de middelen , die men in 't werk moet ftei- 

len, om een gelukkige uitkomst te verkrygen. Doch 

de pligten , waaraan de verfcheiden Leden van een Lichaam 

Sehouden zyn, in zodanige gevallen , zyn voor allen met 
ezelven , en verfchiUen naar den rang en de& ftaat der 
Ingezetenen. stMen 



OVER DW OORLOG. 307 

. 9, Men kan in alle Staaren » die zig in Ooriog bevin* 

1 den , drie foortcn van menrchcn onderfcheiden , waarvan 

f elk byzondere pligten voor het algemeen welzyn te ver- 

» vullen beeft. Zy, die geplaatst zyn in de Regeer ing; zy^ 

die gebruikt worden in<le Legers ^^ en zy, die noch Staats^ 
noch Krygsberoep oeffenen* 

„ Wat de eerften betreft , dewyl dat van haare goede 
of (legte Be{lierin{[ voornamenlyk afhangt , de gelukkige 
of rampfpoedige nitflagen , die de Wapenen van het Volk, 
dat zy regeeren , kunnen hebben , zyn zy het ook , die de 
kragidadigfte middelen kunnen, en moeten in 't werk ftel« 

Jen , om die Wapenen te doen voorfpoedig zyn. — 

Wy zullen daaromtrent in geene breede onderhandeling 
treeden , eensdeels , dewyl het aan de Overheid zelve is , 
om te weeten» welk gedrag zy moet houden in tyden van 
Oorlog , om het welzyn en het voordcel der Volken uit 
te werken , die haar onderworpen zyn ; hpt is om dat 
men haar vooronderfteld. meer onderrigt dan anderen, dat 
TSkcn haar het Beftier der Regeering heeft toevertrouwt: 
Un anderen , om dat de voornaamlte Middelen , die tot 
het geluk en den roem van een Volk kunnen medewerken» 
genoeg bekend zyn, aan alle de geenen, die van hun ge<» 
2ond oordeel en van hunne kennis gebruik maaken. Nie- 
nand is onbewust , by voorbeeld , dat , in een welbeftierd 
Gemeenebest, de Ampten en de Bedieningen gegeven moe- 
ten werden aan hun , die het bekwaamde zyii die te be« 
kleeden; dat de verdienden aangemoedigd en beloond moe- 
ten werden ; dat het geheim der zaaken onverbreekelyk 
moet bewaard bly ven ; dat de geldmiddelen wyslyk en ge- 
trouwlyk moeten gebruikt werden; dateene naauwe Eens- 
gezindheid altoos moet heerfchen onder de Hoofden die 
regeeren; dat de byzondere belangens altyd aan het alge- 
meen belang moeten opgeofferd werden ; en verder zoda- 
nige , andere duidelyke en bekende grondregels , waarvan 
de beoeffenins onvermydelyk nodig is , om een Volk ge- 
lukkig te maakeo, en in (laat te ftellen, om zyne vyandea 
I te wederftaan. 

: „ Wat aangaat de pligten van hun , die in de Legers 

gebruikt eerden ^ men weer insgelyks, dat de fterkte vnn 

I een Krygsmagt niet zo zeer beftaat in het getal der Trou- 

I pen , waar van dezelve is zamengefteld , als wel in de (!ip- 

y te onderfchikking die daarin heerscht ; in de geflrengheid 

der tugt , die men 'er in doet nakomen 1 in de voorzigtig. 

beidj^ de dapperheid en de bekwaamheid der Veldoverften; 

Y ft in 



^ot j. OVtOT 

}n de kloekmoedigheid , de btinde gehoorzaamheid en ile 
óiuierdaanigheid der Soldaaten, en der mindere BeveHitb- 

bers. Het is hier de plaats niet , om langer cff 

breedvoeriger daarop aan te dringen ,(♦). Het zal beier 
te pas komen te onderzoeken , welke de pNgten zyn van 
de byzonderc Ingezetenen^ die geen beroep, noch in bet 
Staats noch in het Krygsvreeeen , «raar te neemen hebben- 
de , egter kunden toebrengen tot de voorfpoed van den 
Staat , waarvan zy een gedeelte uitmaaken , en tot het ge- 
luk van haare Wapenen. ^ 
- „ Daar zyn 'ér tv^ee voornaame , die zy zorgvuldig moe* 
ten nakomen , zo zy geen hinder willen toebrengen aan 
het geluk , hot wdke zy zelven wenfehen te fjenieten. 

„ Het eerfte is, dat zy gehouden zyn onderdaariigtnge* 
hoorzaam ie weezen ,'"aan de Regenten , of aan de Mo. 
gentheid , van wien zy afhankelyk zyn ;. zig ftil te ge- 
draagen na haare oogmerken; zig gewillig te voegen na" 
haare Inzichten , zonder zig in te laaien met haar gedrag 
te berispen , en haare ondemeemingen te veroordeelen. 

. — Üie onvergenoegtheid , die murmureeringen , die 

oproerige en halfterrige gefprekken , die men te dikwils 
laat ontvallen tegen de Regeering , waaraan men onder* 
worpen is , betoonen zoo veel vermetelheid als verwaand' 
heid by hun , die 'er zig aan fchuldig maaken. Het is 
vermetelheid , te willen oordeelen over het gedrag , dat 
men houden moet in deeze of die omftandigheid , wan- 
neer men 'er den grond niet van kent , wanneer men niet 
weet alle de omftandigheden , dib daar by behooren , noch 
alle de dryfveeren van *t Staats- Ca))inet ; waarvan zy al- 
leen , die het Roer der zaaken in handen Hebben , kunnen 
bnderrigt weezen. Maar wanneer men , zelfs zo wel als 
zy , den (laat der zaaken , en de geneigtheid der eemoe- 
;deren zoude weeien , zoude het altoos verwaandheid zyn, 
'te willen oordeelen over het geen dienftig is te verrayden, 
of om beter te doen, dan zy, die de ondervinding, die 
'zy van de zaaken hebben , moet afgerigt hebben , van de 
wyze waarop men zig moet bepaalen , naar maate dat de 
omftandigheden het vereisfchen. 

„ Niets 

. (*) Zyn Eerwaerde fprak deze Leerredenen uit fn*t jaar 1745. 
Byaldlen hy dezelven in de tegenwoordige dagen had voorgt-fteld, 
70U hier natuurlyk de BurarArwapemn^r, ook in aenmerking hebben 
moeten komen: en even zo zouden hem dezelven, in meer by- 
zonderheden , wel eens aenleiding tot ene andere manier vaii 
voorftellen gegeven hebben. 



OVER DEM OQRLOa. JOf 

• ,,tïiets zonde voor «en Staat fchadelyker kannen zyn, 
<lan de innerlyke verdeekheden die dezelve vernielen» 
vooral wanneer zy zig ter zelver tyd door vyanden van 
buiten ziet aangevallen ; dat is , het geen den ondergang 
van het vermaardftc en magtigfte Gemeenebest heeft ver- 
oorzaakt. Niets daarentegen brengt meer toe tot de vas^ 
tii^eidy het geluk en de voorfpoed van dien zei ven Sraat, 
dan de overeenkomst der Leden met hunne Opperboof* 
den^ de gelykheid van inzigten en oogmerken, de over« 
eenftemming» die 'er heerscht, tusfchen zy die regeeren, 
en zy die geregeerd worden ; overeendemming die beftaat 
in de genegenheid en den yver, met welke de Onderdaa* 
ficQ zig voegen naar de inzigten yan hunne Overheid* 
Het voorbeeld dat wy 'er van zien in een nabuurig Ko- 
ningryk, bewyst beter deeze waarheid, dan alle de rede- 
neeringen, die men zoude kunnen^ bybrengen. 

„ Uit die gehoorzaamheid en die algemeene onderwerping, 
die wy komen te eisfchcn -van de ünderdaanen voor hun- 
»e Oircrheid, fpruit, Ufi tweeden^ voort een byzondere 
/>//^/, waarvan de beoeffening ^iet minder noodzaaklyk 
is, om eenen gelukkigen uitflag in eenen Oorlog te ver- 
krygen ; beftaande daarin , dat zy geduldig en zonder te- 
gempreeken draagcn moeten de Lasten , die men hen 
oplegt, om te voldoen aan de buitengewoone kosten, die 
men genoodzaakt is in die omllandigheden te inaaken. 
Het Geld, gelyk uien weet, is de Zenuw des Oorlo'^s. 
Zo dra dat middel ontbreekt , zyn alle anderen of onuit- 
voerlyk of zonder vf ugt. ■ Dus te weigeren , om , 

4iaar maate van ons vermogen, op te brengen, tot onder- 
houding van hen , die hun Leven bloot fteljen , en die 
hun bloed opofferen ter bewaaringe van onze Voorrechten 
en vai onze Bezittingen, zoude eene fchreeuwende on- 
gerechtigheid zyn, en tegelyk eene groote dwaasheid; 
dewyl dat zulks fier eenige middel is, om verdedigers 
aan te treffen, die ons bewaaren voor de beleedigingen 
van onze vyanden ; en dat , door een gedeelte van *t geen- 
naen bezit te willen befpaaren , men zig klaarblykelyk bloot 

ftelt aan 't gevaar om alles te verliezen.** . Hier 

mede gaet zyn Eervvaerde over tot de vierde en vyfde 
geleerde Waerheid, welke hy indezervoege voordraegt. 
. „ Als eene virrob IVaarheid^ uit onzen Tcxt afge- 
leid, hebben wy gezegt en bewezen: De Heere vergunt 
de Zege en de Overwlnnins niet. dan aan hun die de ge^ 
r^chtiglieid aan hunne zyde hebben; te weeten: aan die 

Y 3 gee. 



3IO J* GUIOT» aVER DEN OOELOG. 

geenen, die den Oorlog uit rechiyaardigc en wettige Be- 
^scgrcdenen ondernoomen hebben; die denzelveu voeren 
door rechtvaardige en geoorloofde Middelen; en die zeL 
ven rechtvaardig en heilig zyn iu hun gedrag over 't ge- 
heel, en in hunnen wandel. 

,,Ëindelyk, M. T« wy hebben in onze vypdr lbkrrb* 
DEN gezien, dat, wanneer God de Zege atn een Volk 
wil fchenken, of in *t algemeen eenig ander zyner beflui* 
ten uitvoeren , hy niet onmiddelyk door zig zelven werks , 
en door de enkele kragt van zynen wil , zo als by zou- 
de kunnen doen, als hy wilde; maar dat by altoos, of 
meest altoos, gebruik maakt van Uitvoerders , Werktuigen » 
Middelen; é^xï eens meer ingewikkelde, en dan eens meer 
'eenvoudige, die hem, in minder of meerder tyd, tot het 
oogmerk, dat hy zis voorgefteld heeft, brengen, naar dat 
hy zulks goedvind.'^ 



Leerredenen over vcrfchilhnde onderv^erpen ^ door amgv^ 
TOS STERK, Leeraar in de Gemeente^ toegedaan de On^ 
ver ander ie Augsburgfche Geloofsbelydenisfi . te yfmfier^ 
dam. Tvfee Deelcn. Te Amfierdam^ by de Wed. E. 
Smit en A. Mens Jansz. en in 's Hage^ by C. Plaat* 
1787. In gr. oSiavo. 
t 

Toetfe der Aanmerkingen van j. m. boon , Leeraar in de 
Gemeente , toegedaan de Otrveranderde Augsburgfche Ge* 
loofsbelydenis ^ te Rotterdam^ op zekere Predicatie^ ever 
de bev^yzen voor de Leer der H. Drieeenheid. Door 
A. STERK, Leeraar in de Lutherfche Gemeente te Am* 
ftcrdam. Te Amfterdam^ en in V Hage^ als boven. In 
gr. o&avo. 148 bladz. 

De Eerwaerde Sterk behandelt in ieder Leerreden , in 
deze opgemelde twee Deelcn vervat, een gewigcig 
onderwerp, het zy van de Leerftellige of van de Beoe* 
fenende Godgeleerdheid; welke onderwerjHen hy door ene 
duidelyke manier van voordragt ten klaerfte ontvouwt , en 
in een manlyken (lyl ten ernstigfte ter betrachtinge aen. 
dringt. Een volgend Deel zal ptis wel gelegenheid ge- 
ven , om 'er ene nadere proeve van te verlenen, waar 
mede wy ons thans niet wel kunnen ophouden ; dewyl 's 
Mans byzondcre omftandigheden ons tegenwoordig als 
ouopen, om wat bcpaelder llaen te blyven^ op zyne Leer* 



A. êT£RR, LURRSDBNBN, BNZ. 31 :r 

reden wcr het Lcerftuk der Heilige Drieëenlmd^ in het 
tweede Deel afgegeven. Men weet, naemlyk, uit het 
vooigevtUene io de Luthetfcbe Gemeente alhier, (waar« 
van we ocric reeds eenige melding gemaekt hebben (*),) 
dat zyn Eerwaerde by zommi^en verdacht gehouden is» 
van in dit Leerftuk niet rechtzinnig te zyn, naer den in- 
houd der Augaburgfche Oeloofsbelydenisfe» Deze verden* 
Icing kwam ons reeds vreemd voor ; en , na 't inzien der 
Leerreden over dit onderwerp, openlyk uitgefproken , heb« 
ben wy ons ten hoogde moeten verwonderen « of over de 
onkunde, of over de kwaedaertigheid der zodanigen , wel- 
ken ene befchuldiging van dien aerc op de baen gebragt , 
of verder voortgezet hebben. , — — Zyn Ferwaerde , 
nacmiyk , brengt den inlK)ud van het eerfte Artykel der 
Augsburgfcbe Geloofsbelydemsfe tot de drie volgende 
Hoofdfleliingen. Derzelver Opftellers betuigen voor eerst 
te gelooven, „ dat 'er maar één éénig Godlyk Weezea 
^, is, het welk genoemd wordt, en ook waarlyk is. God: 
„ ten tweeden^ dat in dit éénige Godlyke Weezen drie 
„ ondcrfcheidene perfoonen zyn; Vader, Zoon en Heili* 
^, ge Geest: en eindelyk, ten derden ^ zeggen zy, dat zy 
^, alle deeze drie perfoonen als deelgenootea van een en 
„ het zelfde Godlyke Weezen aanzien , en aan ieder der4 
„ zelver ^t Eetrwigheid^ Ondeelbaarheid^ volmaakte AU 
5, macht 9 IVytheid en Goedheid toefchryvcn." ■■ ■ ■ Om* 
trent ieder dezer Stellingen legt de Eerwaerde Sterk het 
"er verder op toe , om deze leer der Augsburgfcbe Ge* 
loofsbelydereii te ftaven, en te doen ssien, dat zy, in dit 
eerfte Artykel van hanne Geloofsbelydenis niets beleden 
hebben , het geen niet met de tale der Heilige Schriftuor 
op de volmaektRe wyze overeenkomt. Het overige dezer 
Leerreden is gefcbikt ter beantwoordinge der tegenwerk 
pinge, dat dii Leerduk tegenftrydigheden influit, of, zo 
dit al niet» dat geen fterveling bet be^rypenkan; en drek t 
eindelyk, om te tooncn, dat die leer niet flechts eene 
enkele befpiegeÜnif voor het verfland ; ifiaer dat de kennis 

-dier leerc enen Christen noodzaeklyk is. Na het 

openlyk bitfpreken en gemeeti maken vaa zodanig ene 
Leerreden^ is 't niet wel te begrypen, hoe men den Een- 
waerdeè Sterk ^ wiens eerlyk charaAer hekend is, nog 
van onrechtzinnighetd in Hit Leerftuk knnne verdenken; 
te meer. daer by in zyne Voorreden der Lasterzucht hare 

eni« 

(*) Zie N. Alg. FaderL Letteroeff. Ifte. D. hl 537— 54a 

Y 4 



^2 A. StfiR& 

enige ukvlacht benomen heeft, met uitdrukkelyk te ver«^ 
klaren, „ dat deeze Leerredenen vaft woord tot woord, 
,, zonder eenige de minde verandering, zoo gedrukt zyn, 
,, als hv dezelven hier voor zyne Gemeente gehouden 
„ heefr.** 

Zyn Eerwaerde is intusr^hen door mcnigcrleie foon van 
naerolooze^of onder verdichte namen uitgegeven , Schriften 
aengevallen; doch hy heeft, wel beraden, niet kunnen 
goedvinden, om den hem zo kostelyken tyd aen derzelver 
beantwoording op te offeren , tot dat hem in handen kwam 
een Gefchrift, het welk onder den naem van den Ecr- 
waerden j. m, aoon, waer van wy onlangs enige melding 
gemaekt hebben C^), het licht zag. Nademad nu die 
Gefchrift met den Ëerwaerdigen naem van een openbaer 
Leeraer, in de Lutherfche Gemeente te Rotterdam , pronk- 
te, zo heeft de Eerwaerde Sterk zich enigermate gedron« 
gen gevonden » om daerop bepaelder agt te geven , en bet 
zelve nader ter toetfe te brengen. Het is wel zo, dat de 
uitvoerins: hem reden geeft, om te twyfelen , of de Eer- 
waerde Boon het wel opgefteld hebbe , en of hy niet Hechts 
toelate, dat de Schryver dier Aenmerktngen zynen naem 
voere. Dan, wat hier van zy, de tytel van dit Gefchrift, 
net dien naem, geeft aen het zdve het voorkomen van 
den arbeid diens Mans; en dk noopt zyn Eerwaerde de 
pen 'er tegen op re vatten : hoewel het meerendeels in- 
dicrvoege opgefleld zy, dat hy bykans t'over rede gehad 
zoude hebben, om 'er ztdi niet mede te bemoeien^ roaer 
de wederlegging veeleer aen éénen zyner Catechizanten 
over te laten. Dat oók indedaad de inhoud dier aenmer* 
kingen van zodanig ene natuur zy, is ten duidelykfte Wyk- 
baer uit het geheele beloop dezer toetfe, en de weder- 
legging der daer in voorkomende byzouderheden ; des de 
Eerwaerde^ iS/tf/* met regt mogte fchryven, „ dat hy den 
„tyd beklaagt, dien hy beftcedt, om zich tegen ee« 
„ man te verdeedigen , dien hy zyne 'andere verdienden 
,, niet wil betwisten, maar die, in *t ftuk van Uitlegt 
,, kunde, te verre ten achteren is, om met hem, op ee- 
„ nen gelykfin voet, te kunneo redetwisten." Nadiea 
deze fchryfwyze, met welke zyn Eerwaerde zyne Pany 
'hier doorgaens behandelt , middelerwyl ren hoogfte ooge- 
^vallig klinkt voor den Schryver der Aemnerktngen , zo 
befluit zyn Eerwaerde zyne toetfe met deze betuiging. 

C*j Zie boven, bU 19 r. 



LBEABED&NBNi fiMZ. 343. 

^^ Byddien Do. boon, te Rotterdam , de Schryver der/ 
,^ Aanmerkingtn tegen myne Ltcrrcdc niet mocht zyn , 
,, als dan moet» het geen ik van de diepe onkunde, ver* 
yy regaande onbefchaaaidbeid, en onchriütelyke verketter- 
3, zucht, enz. enz. van deezen Schryver. gezegd, en uit 
,, die Aanmerkingtn getoond bebbe , op zyne Wel fierw. 
„ niet toegepast worden !*• 

Voor 't overige vinden wy 'r oiet ondiendig, den Le«. 
zer hier nog mede te deelen, de nadere verklaring van 
den Eerwaerden Sterk , nopens zyn verder gedrag omtrent 
zyne Tegenrchryvers. ,, Ik verklaaj^e, zegt hy, by dee« 
„ ze gelegenheid, dat ik,' indien ie Schryver der Jan-^ 
,, meriingen lust mocht hebben , om verder tegen my te 
„ fchryven, of iemand anders, met of zonder naam» oïïk 
„ het voor hem op te vatten» zoo. weinig voomeemens 
„ ben, om 'er verder op te antwoorden , dat ik vastlylc 
9, befloocen hebbe, niets meer van dien aart te leezen^ 
„.zoo lang my niet ^oor iemand myner Vrienden, die in 
„ Raat is, om daarover te oordeelen, verzekerd wordt, 
„ dat *er het een of ander gefchreeven is , waarin meet 
„ blyken van kundigheid en waarheidsliefde gevonden 
„ worden, dan in de Rotterdamfche Aanmerkingen ^ ea 
„ eene menigte van naarolooze gefchriften , die voor i eri 
„ naa dezelve zyn uitgekomen* Ik heb my eeus verle. 
„ digd» om eenen tegenfchryver , die my op eene ^00* 
„ oende wyze, hoewel met zwakke wapenen, op het lyf 
„ viel , te keer te gaan ; maar voortaan zal ik de wéinige 
„ oogenblikken , die myne Amptsverrichtingen my over. 
„ laatea, nuttiger befteeden.*' 



yerhandeling oyór de Natuur van onzen Middelaar je- 
züs CHRISTUS, ter proeve voorgemeld door sytsb hoek- 
stra WYTSBSZ. in, leven Leeraar in de, Vereenigde 
Doopsgezinde Gemeente te fFestzaandam» 'IVaarby ge^ 
voegd is eene . Lykreden oyer dennelven .gehouden ^ (^or 
zynen Ambtgenoot HEttORiic van gelobr» Te Amflerm 
dam by L. van Hulst 1786. In gr. 9po^ 98 bladz. 

Het onderwerp, in deze Proicve op nieuw behandeld, 
wori, gelyk bekend is, door de Godgeleerden zeer 
verfchillend begrepen, en de Ëerwaerde Hoekflra heeft 
ten dien opzichte de zyde gekoozen,' welke hem der 
waerheid het nacste fcheen ; en die hy 't wel der moeite 

Y 5 waer. 



^14 €. HOEKSTRA 

wMrdig geacht heeft, dat ze den Lezer wat nader óiw 
der 't oog gebragt wierd» Hy oncvoii>^« in de eerde 
plaets, zyne denkbeelden. over de Natuur van onsen Mid* 
delaer Jezus Christus^ in derjtelver goheelen zamenhang; 
en brengt dezelven voorts tot eenige hoofdftellin^en , die 
voornaemiyk het wezen van dit zyn gevoelen uitmakep, 
welken hy, ieder op zich zelve, tracht te betoogen. Ver* 
der benaerfligt hy zkh om ^e doen zien, hoe dit gevoe* 
len (trekken kan, om verfebeiden Leerftckken van den 
Christen - Godsdienst , in een zeer redelyk daglicht te 
doen verrcbynen; waerby hy tevens nog eenige addett 
nuttigheden, zyns óerdeels, roet dit gevoelen verknogt^ 
iroordraegt. ' Wyders voegt zyn Eerwaarde hier by een 
onderzoek , in hoe verre het gevoelen over de H- Drie- 
eenheid, ingevolge van deze zyne ftelltngen, door hem 
hier ter proeve voorgedragen, van het SnbtUiBnïimus ver- 
fthille. Ën ten laetfte verleent hy ons nog een korten 
inhoud van het geheele Leerftclfel , rakende de Natuur 
van den Middelaer Jezus Christus , meestal , alleen met 
de woorden der H. Schrift voorgedragen. 

Naer de denkwyze van den Eerwaerden Hoekftra , beeft 
Jezus Christus, voor zyne geboorte als mensch, in de 
onbegonnen eeuwigheid, een gerchapen beftaen gehad f 
en op dat weezen heeft de Godheid zulk eene naeuwe 
betrekking aengenomen , dat 'er uit die vereeniging één 
enkel Perfoon ontftond, die men alleen denkbeeldig in 
twee wezens kan onderfcheiden. Deze betrekking kan 
iTtet beter afgebeeld worden , dan onder het denkbeeld van 
Vader en Zoon\ en dezelve is zo naeuw, dat Ood, mee 
geene van zyne fchepzelen , ooit of ooit in zulk eene bc* 
trekking zal komen. Het Opperwezen dan zich, zo 
-naeuw, met deze gefchapene Natuur verenigd hebbende^ 
werd dus Vader; en de gefchapene Natuur, verenigd zyii- 
de met de Godheid > werd Zoon. Het geheel Godlyk we- 
zen, alle Godlyke eigenfclhappen > dus ook de Godlyke 
kracht, werden het ware eigendom van die ontleende Na- 
tuur. Het wezen, de eigenfchappen, de krachc van den 
Vader, werd dua waerlyk het wezen , de eigenfchappen , 
de kracht van den 2oon : juist daerom , om dat alle vol- 
heid der Godheid In hem hchnemtyk woonde. — Nu 

Is , niet dat gefcbapen wezen , op zichzelven befchouwc! ^ 
maer dat geen, *t welk uit ene ongefchapene en gefchapene 
zelfllandigheid is t*zamengefteld , de Perfoon van onzen 
Middelaer Jezus Christus; die dus-, uit kracht der onder- 

lia* 



OVBR Pg MTOUK MS UIODEtAAtS. 915 

Hnge betrekkingen waerlyk twee Natnu^n beeft; zynde, 
ten aenzieu van de ene , de eeuwige en waerachtige God 
zelve, en» ten tentien van de andere, geen bloot mensch» 
nier het meest uitaiantende van , en boven » alle gercba« 
pen wezens. Ën deze gefchapene Natuur van Jezus Chrta» 
tus 9 zo als ze vereenigd was en bleef met de inwoonende 
Godheid, alktn is, in de volheid des tyds » met een 
menscblyk lichaem omkleed geworden; welke omkieeding 
de grondflag was van zyne diepe vernedering en gelykbeid 
met de menfchen. 

Zyn Eerwaerde heeft, in ovennigden gemoede, met dezQ 
syne denkwyze zo veel opgehad, dat hy , daerby, hy 
zyn leven, ene hierover opgefteide Verhandeling by her- 
haling getoetst en bekhaefd had, op zyn Sterft^edde h^ 
Seerd bebbe, dat dezelve terdrukperfe gebragt zoude wor« 
en« 't Is ons, na ene aendachcige lezing, niet v«or* 

gekomen, dat deze Verhandeling fuist een byz&nder licht 
verfprcid, over de duisterheden , die, onder de verfchlllen 
der Godgeleerden nopens dit Stuk , over dit onderweq) 
zweven; en dat vooral, (het geen in dezen ene hoofdby* 
zonderheid is O ^^^ Schryvers denkbeeld van die he$rek<. 
iing der Godheid^ met de gevolgen daervan , wel inzon* 
derfaeid, niet minder ingewikkeld en duister is, dan ver* 
fcbeiden andere Godgeleerde verklaringen van de generatie 

des Zoons door den Vader. ^ Dftn met dit alles, 

fichoon wy dus 's Man^ Leerdelzei over dit onderwerp niet 
kunnen aenpryzen, mogen wy echter den overleden Leer* 
ter, wegens deze Verhandeling, den welverdienden lot 
niet weigeren , dat hy zyne Verhandeling in ene geregelde 
orde opgeftdd, b(rrx:bdden uitgevoerd, en zich met oor« 
deel bevlytigd beeft, om zyn gevoelen in het hem moge« 
lyk gunftigfte licht te plaetzen. 

Met het gemeen maken dezer Verhandelinge heeft de 
Eerwaerde van Gelder te gelyk openlyk afgegeven, zyne 
Lykreden over dezen zynen Amptgenöot, uitgefproken 
den do Augustus 17861 na dat dezelve den 4den^r maend^ 
in den ouderdom van 39 jaren en 5 dagen, overleden 
was. De Eerwaerde van Gelder flelt zich in deze Leer- 
reden voor, „ eerste te bewyzen, dat Jefus, de Opper. 
„ beftierder zynet Kerke, in 't gemeen goed en wys ge- 
9, handeld heeft , daarin . dat Hy menfchen , en wel zwak* 
„ ke en fterfelyke menfchen, gefteld heeft, tot Leeraars 
„ des Euangeliuras: en dan re bctoogen, dat deeze 
y, fchikking, in 't byzonder, geen Nadeel doet, aan de 

$» groo' 



8l6 S. HOEKSTRA f OVBR DE NATUUR DBS «niOOELAAUS* 

„ groote zaak des Christendoms." Na ene leerzame etf 
voldoende uitvoering van beide deze Stukken ^ Tchikt hy 
het verdere beloop zyner Leerreden naer de byzondere 
tydsomftandigheden. Op een beknopt berigt van den 
veelal zukkelenden levensloop zyns overleeden Amptge* 
noois, drukt hy zich, nopens deszelfs CharaAer^ met 

korte doch nadruklyke woorden, aldus uit* „ Zyn 

„ Charaöter is veelen onder on-, en my, in 't byzonder . 

,, wel bekend. -: Ik zal my . niet uitlaaten in Loi^ 

„ fpraak; weinig, maar veel betekenend, kan ik, naar 
^, waarheid, van hem zeggen: Hy was een Godsdienftig 
^ Christen, een verftanoig Mensch, een liefhebber van 
,) Letteroeffeningen , kundig boven zyne jaaren, en on- 
3, vermoeid in 't onderzoeken; zync zwakke lighaams- 
), omftandigheden waren zelfs niet in ftaat zyne zucht 
5, tot verftandelyke werkzaamheden, uit te dooven. Men 
5, beeft van Hem een en andere Verhandelingen in geleer« 
„ de Tydfchriften ; men zou meer van hem hebben mo* 
„.gen verwagten, was hy niet, terwyl zich zyne verftan- 
„ dclyke vermogen ? ontwikkelden, ons, en der Gemeen- 
„ te, ontvallen; eerlang zal men zien, wat onderzoeklust 
9, en • yver voor den Godsdienst by Hem konden uitwer* 
,, ken.'* (♦) Aen dit verflag hecht de Eerwaenie van 
Gelder y overeenkomftig met het voorige hoofdbeloop zyner 
Leerreden, ene ftichtelyke bedenking, ter^ billykinge van 
Gods weg in dezen, daer de Gemeente haren Leeraer 
vcrlooren heeft in 't beste van zyn leeftyd, terwyl men 
alle reden had, om te verwachten, dat zyn leven, indien 
het langer had mogen duüren, nog van merkelyker nut 
had kunnen zyn: welke bedenking hy voorts, gepaerd 
mei anderen ) tot de tydsomftandigheden betreklyk, met 
ene emftige flotvermaning , ten gemoedlyken gebruike doet 
dienen. 

(*) Dit laetfte gearde doelt op de hier voorgemelde /Vr* 
iandelingt tot welker uitgave todn reed$ beflooten was. 



;;:; 



p. VAN HEMBRTy 0¥E8 DS RtDB IN HAAR GEZAG. 3t7 ' 

He Rede en haar gezag in den Godsdienst brief s^^y ze voor- 
gefield ^ door paülüs van hemert, aan den Hoog^ 
eerw. HooggeL Heer gisbertüs bonnet. Dr. en froK 
in de H. Godgeleerdheid en Akudemiprediker te Utrecht. 
Derde Brief. Te Rotterdam^ by de Leeuw en Krap, 
1787. In gr. o&avo 134 bladz. 

Het antwoord van den Heer van Hemert^ op des Hoog« 
leeraers tweeden Brief, ftrekt wel inzonderheid , om 
de drie volcende byzonderheden na te gaen. (i.) Of zyn 
Hooggeleerde de hoofdzaek van bet verfchil wel onder het 
oog gehouden hebbe ? (2.) Of Z. H. G. , ten aenzien 
van het bederf der onderwerplyke rede , niet ene leer aen 
de heerfchende kerk toegekeud hebbe , welke eigenlyk de 
hare niet is? (3) Of Z. H. G. in de bepahoge van het 
bederf der rede zich zelven niet hebbe te^engefproken?— * 
Jedet dezer Stukken afzonderlyk behandeld , en daerdoor 
bet beweerde in zynen voorigeu Brief nader geftaefd heb- 
bende , leid hy daeruit af, dat de Hoogleeraer heoi on* 
regtmatig befchuldii^d , en ene onbillyke taek opgelegd 
heeft , terwyl hy hem tevens voordek , wat hy van Z. 
ü G. verwagt. 

„Uit hec geen ik , (zegt hy,) tot dus ver behandeld 
heb, blykt zonneklaar, dat de taak (♦), welke U. H. G. ver* 
kozen heeft, my op te leggen niet billyk is, als gegrond 
zynde op eene onderftelling, welker valschheid ik, nu al- 
thands , meen baarblyklyk aan den dag gelegd te hebben y 
te weten, dat ik het voornaam verfchil^ met opzet ^ ontwe* 
ken en over andere zaken gehandeld heb^ welke eerst nader^ 
hand behoren afgedaan te worden; als mede, dat ik de leer 
der Gereformeerde kerk ^ zoo als dezelve, in de DordrechU 
fche vergadering , is vastgefteld , in een verkeerd licht heb 
yoorgefleld. Zyn beide deze zeer gewaagde belchuldigin- 
gen volftrektlyk vmlsch , en eeniglyk door ü. H. G. uit- 
gedacht , met oogmerk , om myne hoofdbedoeling te loor 
te fteUen , de aandacht der lezeren daar van behendiglyk 
af te trekken , en de zwakfte zyde laat ik liever zeg- 
gen , de wankelende gronden , van het gebouw der heer- 
jchende kerke te beveiligen \ dan kunt Gy van my niet 



vcr- 



(♦) Tmtie brieft bl. iir. [Zie ook in. onze Lettcroefeninr 
gfn boven, bU 147, 148.J 



2xn >• VAH BSMtaT 

versen\ Myn Heer, dat ik dwaas genoeg wezen zal, om 
zUnrU Iflind te worden^ en , in plaatfe van over ha gezag 
der rede in den Godsdienst te fpreken, terftond die zaken 
te gaan behandelen , welke Gy my voorfchryft, en over 
weiken , hoe veel 'er ook over gefchreven zy , nog veel 
meer kan getwist worden , zonder een vergelyk te treflFen, 
vooral dan , wanneer men de beginfeUn oyerfpringt , en 
over het gezag der rtde^ den grondflag van alles, liefst 
naderhand wil handelen. 

,, U. H. G. gelooft mfet my^ dat de mensch, van na* 
ture , in ftaat is ♦ om waarheden , als zoodanig , te kennen 
en te beoordeelen ; op deezen grond kunnen wy derhaU 
ven voonredeneeren , en over het gezag yan de rede in 
den Godsdienst Ipreken. Dit had ik biJlyk mogen verwacb* 
ten , dat U H. G. reeds in haaren tweeden brief zoude 
gedaan hebben; te meer, daar Gy, op het einde van 
uwen eerden (t) * "ly gefchreven hadt , dat Gy u hadt 
voor ge fieldt ook (mr het gezag der rede in den Godsdienst^ 
uwe aanmerkingen mede te deekn^ ja, daar Gy reeds hier 
mede eenen aanvang gemaakt hadt. Dan dit heeft U. H. G. 
niet gedaan , maar alleenlyk te kennen gegeven (S), da^ 
Gy een aantal aanmerkingen hebt klaar liggen , en zeeu 
BEGBBRio ZYT , om dat gedeelte mynes briejs^ welke ge^ 
noegzaam een derde deel uitmaakt^ van fluk tot fiuk na te 
gaan 9 en, meestal^ myne eigen woorden y met uwe tusfclien^ 
gevoegde aanmerkingon , den lezer onder het oog te brengen: 
terwyl ,ü. H. G. wyders verzekert , iiat het Ü ten byzon^ 
der genoegen zyn zal^ uwe medekristenen ^ die op de kre 
der verzoening en de verbor genheden des geloofs hoogen pry$ 
fielten , te doen zien , hoe ydel de pogingen zyn , welke 
aangewend worden , ter ondermyning van die gronden , 
waarop zy de hoop hunner \zaligheid gevestigd hebben. 

, Wel aan, Myn Heer, voldoe dan aan uwe begeerte , 
en' deel roy uwe aanmerkingen mede , over het gezag der 
rede , welke wy beiden in Ilaat keuren , om de waarheden, 
welken men kennen moet, te beoordeelen! Waarom tocb 
20U ons vcrfchil over het zedelyke vermogen des menfche* 
lyken verftands eerst moeten worden afgedaan? Wat ge- 
ineenfchap heeft dit met het gezag der rede ? U ilt Gy 
wyders de ydelheid der pogingen aanwyzen , welken de gnm^ 
den uwer geloofsgenoten ondermynen , en bedoelt Gy daar 

my 

(t) BL 223, 224. (S) BI. 88, 89. van den twoeden Brief. 



OVER DE «SfNt l&N UMK HfZLO. %l^ 

MfM po^gen mede ( want dit beeft U. H. G. iroöttlgtig, 
den lezer te raden gelaten) ^ wel aan , voldoe aan dez<^. 
uwe begeerte 9 en toon duidelyk aan, dat de gezonde re- 
de het ftelfel uwea genootfchaps , met alle des^elfs vcr^, 
b&rgcnhcdcn en ingewikkelde leerftukken , begun(Ugt , ea 
het myne , welk ^^ekerlyk veel eenvouwdiger en kleenec 
van omflag is » tegenrpreekt ! Ik verzeker U , dat U. H. G« 
in my iemand zal vinden, die voor eene rcdólyke^ over f uu. 
ging vatbaar is« 

,, Voor bet overige kan ik ü. H. G., op myne beurt, 
verzekeren , dat ik over het andere gedeelte uwes briefs 
vtrfcheiden aanmerkingen gemaakt heb» welke waarfcbyn* 
lyk niet zeer naar den fmaak van U. H. G. wezen zullen. 
Dan, naardien wy , immers volgends uw oordeel , over de* 
2e zaken nadtriiand zullen moeten handelen , en U. H. G* 
op myne aanmerkingen » indien ik dezelven nu reeds ter 
neder ftclde, mooglyk geen acht zoude willen Haan, vol» 
gens bet geen U, H. G. my heeft te verdaan gegeven (|), 
xal ik die moeite voor het tegenwoordige liever fpaaren, 
en tot eene nadere gelegenheid uitftellen , wanneer het by 
de ftnkken mede zal kunnen blyken, wat 'er van die be* 
fchuldigingen zy, welken Gy, Myn Heer, het zy regt- 
flreeksch, het zy van ter syde, tegen my hebt ingebragt/* 



C4) Bladz. XII9 na» 



D 



Vófhandelingen van het Provinciaal Utrechtsch Genoot- 
fchap yau Kunjlen en Wetenfchappen. VUrde Deels ^ 
eerfie Stuk. Te utrecht , by de Wed. J. de Waal en 
Zoon* X7%6. Behalven ha Voorwerk^ %%% bladz. in 
gr. ohavQ. 

e Prysvraag van 't Genootfchap, welker beantwoording 
in deezen medegedeeld wordt, betreft de Scheikunde, 
en is van den volgenden inhoud. „Welke zijn de eigen* 
,. lijke Oorzaken, waarom de Scheikunde bij onzeNabuUf 
ren, en vooral bij de Ututfchers, in meer aanzien, en 
algemeener oefenmg is, dan in ons Vaderland? Welke 
,5 ia de beste wijze, om, ten minften, in de vooniaamfte 
,, Steden van onze Unie , de Scheikunde in haare gronde 
9. b^felen te doen onderwijzen f Welke zijn de be- 
^ kwaamile middelen , om die noodzakelijke en voor den 
,9 meiisch heilzame kunst bij de Artzcn^^Mcngkundigen 

„ia 



99 
3^ 



3lO ^ VERRANDELINGBlt 

,, in algemeener oefening te brengen? En, dndeUjk» 
„ hoe zoude men de deugdaaamheid der Ghemircbe be* 
jy reidingen, inzonderheid die van buiten ingevoerd wor« 
,^ den 9 best kunnen onderzoeken , ten einde de vervaK 
„ fching voor te komen?'* Van de twee hierop ingeko» 
men Antwoorden is het eene , opgefteld door den Heer 
B» lieboely met den gouden Eerprys bekroond ; en be( 
andere, vervaardigd door de Heeren P. Schonk en P. J. 
Kasukyn^ met eene zilveren Medaille, als een Acces^^ 
vereerd geworden. Men heeft, in beide deeze Verhande- 
lingen, fehoon oordeelende dat ze niet in alles aan *t be« 
doelde van het Voordel voldeedcn , zo veel' aanpryzens* 
waardigs gevonden , dat men niet wel konde nalaaten, 
derzelver verdienden openlyk te erkennen, 't Is te wen- 
fchen , dat de gemeenmaaking deezer Antwoorden moge 
medewerken , ter bevorderinge van het herttel der heilzaa* 
me Scheikunde, die in ons Vaderland dermaate vervallen 
IS , en welker onbezonnen behandeling zo deerlyke gevoU 
gen met zig ileepen kan , dat de Heeren Schonk en Kas^ 
telcyn , niet ten - onregte , de agtingswaardige Leden der 
Collegia Mcdica indeezervoege aanfpreeken. 

,, Gij, die u,als hoofden van het Kunstgenootfchap der 
Artzenijmengkundigen, in uwe posten geplaatst ziet! uw 

plicht is het vooral want het leeven en de gezond- 

heid uwer medemenfchen , uwer medevaderlanders is a, 

in zo verre, aanvertrouwd» te zorgen, dat 'er niet 

€sn bekwaame mannen tot den post van Apotheker ge« 
rechtigd worden, 'c Is uw plicht » de Regeeringen in uwe 
Steden , den ongeoorlofden toeftand der Pharmacie onder 
het oog te brengen, bij aldien gij, uit eigen authoritcU^ 
niet vermoogt « de zo noodige veranderingen in het wezen 
der proefneemingen in te voeren. — — 't Is uw plicht, 
zo gij door onze gedachten u overreed ziet van bet hoogst- 
noodige eener hervorming, (en des twijfelen wij niet, 
want wij hebben niet dan waarheden gemeld, en niets 
overdreeven ,) de noodige middelen daartoe , hoe eer zo 

beter, in werking te brengen. Maar 't is ook uw 

plicht , in de reeds zijnde , en nog te koomene Apothe* 
kers , den moed niet uit te dooven , maar , zo veel gij 
kunt , de zaaden van Eer en Belang in hun te verleeven* 
digen. - 't Is uw plicht, te'waaken tegens de meer 

en meer teeneemende gebreken , en openbaaré kwakzalve* 

rijen. Uw plicht is het, in dit opziet, het leeven 

en de gezondheid der ""Ingezetenen te beveiligen , tegens 

de 



VAN Hllï' PROVINCIAAL UTRBCHTSCH CENOIfV^KiCS. gfit 

de woedende eiy verfbeiNjhe baatmgt der onbevoeplrknoei* 
jers , en dus te gelijk het wettig recht der Apothekeren 
kracbtdaadig te befchcrmeti. Een voorbeeld, uit veelent 
her is /Imfierdatn ^ het magtig , het volkrijk Afnftcrdam, 
waar men in Chijmistwinkals , Orogfötwinkels , Kruiden* 
winkels, en wie weet waar niet al | meer, daaglijksch ee* 
nige honderde Ordonnantren door DoAoren voorgefthree* 
ven , ongeftrafc durft en ziet geree.i maaken^ *t is Am* 
fterdam voocaJ , waar men* allerhande verdervelijke zoge'» 
naamde geneesmi^elen , door volkoomen onkundigen» ia 
de openbaare niauwsoiaaren , jaar in jaar uit, openbaafrte 
koop veilt, 't Is Atnjicrdam^ waar zij, die zig Cbijmis* 
ten noemen , (Lieden ♦ die aan gcene Proefiteemingen , 
aan geene vifitalien hunner praparathn , aan geene de 
minfte lastdraaging onderworpen zijn,) de voornaamde 
binnen- en buitenlandrche afleveringen van de door hun 
bereide (of door bun van buiten ingevoerde) Chymicalia 
in • hebben. *c Is Amfterdam , waar een aantal van 150 
jtpothckcrs zich vermoeijen, uit oorzaak van alle de inge* 
lloopen en (lerk heerfchende ondermijningen , met den 
DMor uit te hangen, ten einde op eene zekei^ kwakzaU 
verachcige wijze hun beftaan te vinden , 't wek zij bui* 
ten dat,*" van wegen al het vermelde, niet kunnen hebben; 
en 'dus doende den tijd doorworftelen , welken zij tot be* 
oefening hunner eigene kunst verplicht waren* te béfleé- 

den Zie daar, den rampzaügen. toeftand der ^ior^ 

macic , in de magtigfte , de volkrijkftc Stad onzer Unie. 

. 't Is derhalven uw plicht , mijne Heeren ! die de 

hoofden vertoont van de onderfcheidene ligcha^men der 
Apothekers , dat gij de aangetoogene en ook andere .ge* 
breken uitroeit , dat gij de Apothekeren helpt heiftellen 
en bcfcherfDcn in hunne fechten : dat gij ook hen doet 
blijven binnen hunne .paaien , en hen belet die ^ te over- 
fchrijden; op dat ieder üoftor , Arts; ieder Apotheker, 
Arteenijaiengkundige zij en .blijde; en zoodèende geen 
ongewijde hand , ten koste van hun Eer en .Belang , en 
ten perijkel van de gezondheid en het leeveu der men- 
fchen , de Zeis hi hunnen akker flaa." 

Op deeze Prysverhandelingen volgen m»? twee Berigren; 
waar van -het eerfte .behelst eene wiskundige befchry ving 
van eene nUus^e OphïiaHryg.^' door den Heer H. de Har* 
tog , weifee , bevryd van de gebreken en ongevallen der 
gewoone Ophaalbruggen , met weinig moeite en vaardig 
aan- 't voreistdii^e' gcbniik beantwoordt. In het tweede Utv 

IL D%tU N. ALG. LETT. KO. 8. Z rigt 



Jia VXAH. VAM UMTVWWmCUkAL UTRBOHTteOOeirOOTaCBÉP. 

rigt verleetit otis de Heer F. Brctshr een verOag van de 
manier « d«)or hem uitgeda((t en werkfteUig gematte » mn 
Ammoniak-zout met yzerdctkn H bezwangeren , en in allen 
^eele gelijk te maaken , aan de yzerachtige bloemen van 
het Ainmoniak'^zeia : wegens welke gelukte proefneeaing 
hy ons bec volgende meldt. 

. y^ ik nan te dien einde eene once Tzer-FjUel en agt 
oneen Atnmoniak zout ^ b^vc^igde bet onder eene gedua- 
Dge wrijving met twee oneen warm water ia een aarden 
vat,iiet dit mengzel daarin agt dagen ftaan^en ontdekte^ 
na verloof van dien tijd , dat 'er eene vereenigtog tusrchen 
bet Yzer en Ammoniak^zout plaats greep. Ik mengde 'er 
toen nog tviraalf oneen waters bij , en liet het in een gl»* 
sen Kolf, in het Zandbad^ eenigen tijd kooken. Hetvogt 
vervolgens doorgezijgd , en genoegzaam uitgedampt zijnde, 
wierd oif> eene koude plaats ter Crystal-fchieting weg ge- 
ttu Bij de eerite Crystal-fchieting verkreeg ik twee Oneen 
en vijf Scrupels i en 9 na de herhaalde uitdamping » nog 
drie Oneen en vier Scrupels fchooa roodgeel gekleuid 
Zout, 9 in alles gelijk in beftanddeelen aan de met moeite 
te beieiden Yzerbloemen van Ammoniak-zout, gelijk daar 
mede genomen proeven voldoende bewezen hebben; ja 
zelfs heb ik meerder Crocus Martis uit dit gecrystalli* 
seerde doen prsecipiteren, dan uit bet ^fublimeerde Am* 
moniak-zout , of fcboon beide in eene gelijke evenredig* 
kdd van Yzer en Amttoniakaout bereid." 

Benige bjsmierheden ^ betref ende de. MagiJiraatsbefteUing 
der Stad Haarlem ; als mede aangaande den invloed^ 
welke de Burgery daarop^ en op de behandeling der pu* 
blicqne zaaken pleeg te hebben , afgeleid uit de Privilc^ 
gièn der gemelde Stad^ €n andere egte Stukken ; door 

. den Secretaris cftASWiNCK&L. Te Haarlem^ by\l^ Eo^ 
ichedé en Zoenen 5 ^^ Ak Loosjes Ps.^ i78i5* In gr. %va. 
ia3 bladz» 

Daar liet buiten alle teganfpraak zeker is , dat uit de 
irechte kennis van de oude Regeerinosvqrm onze oor- 
fprongkelyke Confiitutie moet wordeq afgeleid , kan uie« 
mand, die eenigen fmaak h^eft in de beoefening der ge- 
fchiedenis van ons Vaderland ^ tegenl^reeken , dat liet on* 
derzoek » naar de oude Reg^eringsvorm in de Steden ^ 
een poan& is van zeer veel aangelegenheid» te meer^ daat 

het 



GRASWirr CKBL , BTZONDBRHBDEN. 3^) 

bet ^ffcbil , 't welk hterooitrent ia de onderrcheiden Ste« 
den plaats beeft , aanioerkelyk h ^ en 'er over veele 2cer 
gewichtige zaaken« daartoe betrekkelyk, onderrcheidenlyk 

fedacbt wordt. Uit dien hoofide beeft de Heer Graiwinc^^ 
tl 2icb in dit Werkje voorgefteld, om syne medeburgers 
bunne oorfprongkeIyk« Privilegiën te doen kennen, en ge* 
legenbeid te geeven, om, op eeme belioorlyke wyze, naar 
een grondwettig herftel uit te aieo, en daartoe, overeen* 
kettffig fliet onze Conftitutie, wtrkzaam te ayn. 

Tot deezen arbeid was de I;|eer Graswinckel in 't by« 
zonder recbt geTcbikt, daar by, uit hoofde van zyne by 
zondere betrekkingen tot de Stad Haarlem, gelegenheid 
had, om, uit min bekende oorfprongkelyke Stukken, taec 
een en ander, tot ftaavlng van der ourgeren oude en oor* 
fprongkelyke Rechten , aan den dag te leggen , het geen 
van ^ts te meer nunigbeid is , om dat ia de grandvpttig^ 
herjtelling van Ndrlands Staatswcztn ^ aangaande de Stad 
Haarlem, niet veel byzonders voorkomt, en ook, in die 
Stad , geene oveiblytzeli meer plaats hebben , gelyk in 
ibmmige andere Steden , waaruit men zoude kunnen be- 
flniten , dat de Burgery aldaar immer eenigen invloed op 
de Regeetingsvorm gehad bebbe, en dit veel ligt zou kun* 
oen vermoeden . als of Haarlem , ten deezen opzichte ^ 
minder recht had dan andere Steden. 

Na dat de Schryver vooraf in 't algemeen heeft aange« 
toond , dat oudtyds de Burgaryen en de Steden een zeke* 
ren, efi wel een zeer aanmerkelyken, invloed, op de R^ 
geering badden , treedt hy ter behandeling van de hoofd-» 
nak zelve, welke hy zich heeft voorgefteld, en wel, om 
neer byzonder aan te toonen, wat van ouds, en vervoN 
gens , met opzicht tot den invloed der Burgery qp de 
Retreerin^, in de Stad Haarlem, hebbe plaats gehad. 

Ten dien einde heeft hy vooraf eenige aanmerkingen 
▼oorgedragen , betrekkelyk tot de oude Regeeringsvorm 
der Stad ; waaróp hy vervolgens nagaat , wanneer waar* 
fchyniyk een vast CoUegie , of Vergadering van Raaden^ 
thans onder den naam van Vroedfchap , of de Raad en 
Vroedfehap, bekend , is oi>gerechtf;als mede , welke ver* 
anderingen daaromtrent, van tyd tot tyd, hebben plaats 

Sebad, en eiudelyk, of, en hoedanigen invloed, ook, na 
e (^richting vanj 't gezegde Coltegie , de Burgery behou- 
den heeft, om dan vervolgens daaruit eenige gevolgen af 
te Idden, ten blyke, dat de Stedelyke Regeeringsvorm , 

Z a t^ 



324 ORASWWCKEL 

%o als dézdve thans plaats .vindt j^ niet is Over eeu.ce bren- 
gen met de oorlprongkelyke Privflegicn* 
. En het geen de Schryvcr dcswegens met zo veel oor- 
deel, als gelklücdkunde , beefc bygebragt, is overtuigend, 
om ie doeii zien , dat oudtyds de Vroedfchap cu Rykdom 
niet .16 ^cweist een permanent Jicbaara van Regeering, 
maar dat meu daardoor ver(|aan moet de kundigile en 
gegoeiiik Ingezetenen , welke , ia zaaken van gewigt, ten 
RaailhuutJ opgeroepen , ett by de delib^raiiën van de Re-. 
geeriiig wierden toegelaaten , en dat , toen 'er zulk een 
vast lichaam vqn Regeering , of permanent Collegie van 
Raaden uit de Siad., daadelyk plaats bad , (welks eerde 
invü^'iug men in het Handvest van Hertog AALBa£CHT 
VAN i>ïLYttREN, van den 4 Maart 1402, ichynt te moeten 
zoeken,) door de Vroedfchap en -Rykdom, waarvan men 
ook in dien tyd nog gemeld vindt, diezelfde kundïgfte en 
gegcrcdfte Ingezetenen begreepen worden , zo dat niet al- 
leen de Burgerlyke invloed op de Regeering niet heeft 
opgelioudeo , met de invoering van een permanent lichaam 
van Raaden, maar zelfs, gtlyk de Schryver duidelyk aan- 
toont , na de opriclning van dit lichaam , de aanzienlyk* 
ttc, kundigfte en gegoedfle Ingezetenen door deezeo Raad, 
ip zzakan van gewicht , niet flechts gekend en geraad- 
pleegd wierden , zo dat men niet , dan met hunne con* 
Gttrrcnticen goeddunken , in zodanige ge vallen, concludeerde. 

• Hoe lang nu dceze aloude gewoonte, om de voornaam- 
fie . Burgers , >n . zaaken van merkelyk gewigt te raadplee- 
gen, heeft, bly ven ftand houden, kan de Schryver met 
geen volkomen zekerheid bepaalen, fchoon hy genoeg ge- 
zegd. hc»ft ,, om te bewyzen , dat, welke veranderingen 
'er,' van. tyd tot tyd, in de Magillraat^belUHing der Stad 
ook moge hebben plaatsgehad, het byeenroepen der voor- 
naamUc' Burgers , om , met en benevens den Raad , of 
Vroedfchap , over zaaken van gewicht te raadpleegen en 
te beiluiten heeft, blyven (land Jiouden tot diep in de 
zestiende Eeuw. 

• Ten beduite beeft de Schryver de voorfz. veranderin-» 
gen, welke, fcdert den jaare 158 1, in de Magidraatsbe- 
IteUing gemaakt zyn, en door hega kortelyk zyn opgeuee» 
ven, in overweeglng genomen,, en uit h^t geen by dies* 
wegens beredeneerd beeft voorgefteld , d^eze gevolgen af- 
geleid , namelyk : 

yoor eerst : dat de van zeer vroeg af binneii Haarlem 
idaats gehad, en tot in de zestiende Eeuw gecontinueerd 

bebo 



• '• • BYZONDERHEDRN. $25 

hebbende Burgerlvlcc invloed , tiimmer op ecnè wettige 
wyze is afgelchaft, ten dien efFefte, dat dezeli^e op eerte 
bchoorlyke, en met de Conftiuüie overeenkomenclè , wy- 
ze, niet weder ^oude kunnen worden geïntroduceerd. 

In de tyfeede plaats ; dat het recht tot de eleftie, óf 
aanftelling van Burgemecsteren en Schepenen, als nog, 
ingevolge vati het Üftroy, door hun Ed. Qr. Mog-^ op 
den 2ajuny 1651, aan de Stad verleend, toelcomt aan de 
Vroedfchap, en dus dat die Elecliün, tot hiertoe, unwel- 
tiglyk door den Stadhouder zyn gedaan geworden.. En ' 

'Ven derden f dat de vermeerdering van *t ^éial der L*- 
den van de Vroedfchap , 't wdk by OiflToy 'van H. E. ' 
'Gr, Mog., van 1718, gegrond op 't Privilegie van Vroü*v 
'MARIA véN BOüRCONfè , vau den jaare 1476,' is' bepaaM 
'op 24, geenzins gcfchied zy op eene wettige wyze. 

Schoon her eigenlyfc niet tot het oogmerk van dcf^ 
Schr/vcf behoort, in ectl opzettelyk onclerzaek te ireedeil, 
of, en in hoe verre dceze Btirgcrlyke invloed thans wed^r 
zoude kunnen en behoorcn te worden i*igevoerd , en h'y 
zicb uit dien hoofde dics^egeus. niet. opzettelyk iieeft in* 
i^claaien , heeft ,hy zich echter verplicht gevomien , zyue 
Leezeren onder het oog te brengen ; dat , hoe zeer men 
ook de nooilzakeiykheld van zekeren invloed van de Bur- 
gery op de Regeering moge Kaande houJen , daar by al- 
toos in aanmerking dient genomen te worden , de v(ynn- 
dering, door het afzwecren van den Graaf,* in de Rej:Ce» 
ring te we;»e ^ebragt , en dus , dat , gelyk de lkire:cry 
oU'Uyds geen nivlqed had op dat gedeelte vari 't bewind ^ 
*c wcJk oen Graaf toekwam , en door hem V)ok uitpene- 
fcnd wi^rd, de Burgerlyke invloed thans liiet kan worden 
gecxtendccrd tot die zaaken , - welken door de siflFchaffinj; 
der Graafelyke Regeering, in den boezem van H* K. Gu 
Mog. zyn 'wedergekeerd. „ Een ietier , zegt hy,dte cc- 
„ nige kennis heeft van onze Conftittitie, en de fchandQ- 
„ lykheid eener totaale Democratie bezeft , zal* de ge* 
„ grondheirt hier van , zo ik vertroowe , gereedlyk to^'- 
„ Itaan. Het komt my, uit dien hoofde, o*)k voor, (fat 
„ eene Burgerlyke invloed dan alleen nuttija: kan zyii , 
„ wanneer' dezelve eenigiyk gefchikt en ingericlit ts, om 
„ te zorgen ,- riat , zo met opzicht tot de aandellihg der 
j. Regenten , als de handhaavin^ der olgemeene bclangcns, 
„ gehandeld werde , overeerikomjlig de Friv^kgicn , nis 
j, uitmaakcnde den grondllag der Burgerlyke Vryheid, ge- 

Z 3 - M h^ 



$26 ORASWINCUIrj BYSONOBRHBDEN. 

,, ]yk dezelve zich oorfprongklyk ook daartot , voornat* 
^y melyk, zo niet alleen, rchynt uicgeftrekc te hebban. 

„ Wil men vervolgens weeten, welke zaaken, door de 
39 afTchaflIng der Qra^felyke Regeering, aan Hun Ed. Gr. 
yy Mog. gekomen zyn , men lecze de Verhandeling van 
3, den Heer RaadpenCtonaris van SlingcIanJ^ over de oude 
„ Regeenng van Holland onder de Oraaven » en de ver« 
9, andering daarin voorgevallen federt de troubelen , voor- 
„ komende in bet eerlle deel zyuer Staatkundige Gefdiri^ 
9, ten. Daar zal men, onder anderen, bewezen zien, dat 
,, de Graaven Je wcigecycndó magt hadden , bet geheclc 
,, Mciff yan de Juftitie , en het recht van Oorlog 4n Vre^ 
^, de , dgch welk recht , niet onbepaald fcbynt geweest te 
zyn ; alle welke zaaken , thans in den boezem van Hun 
Edel Groot Mogende gekomen , van zulk eenen aart 
zyn y dat, wil men seene DenK)cratie invoeren, geheel 
aan die hooge Vergadering ^ of wel de Regeeringen der 
Steden, dte dezelve uitmaaken, moeten worden over* 
gelaaten.'* 



»9 



f9 



m^lMm 



ttxize naar de Kaat de Goede Hoop^ de Landen van de 
Zuidpool j en ronaom de vaóreld; doch voomamelyk in de 
Landen der Hottentoiten^n Kaf er en ^^ in den jaar c 1772 
toi 1776, gedatui door ANOKttAS sparman, Doctor en 
Profesfor in de Geneeskunde te Stokholm enz. enz. ; ma 
eene Voorreden en Aanteekeningen % van den Heer ckor- 
GE PotisTEa^ thans HoogUer^ar in de Nattcurkunde U 
Wilha. In '$ Nedcrduitsch vertaald. Ma Phaten. Te 
Leyden^ by S. en J. Luchtnuina, en te Amfterdatfty bj 
M. de Bruyn, 1787. II Deelen^ in gr. \^vo. 

T^e.Heer sparman^ die «eeds door eenige kleine Scbrif* 
^^ ten , welke niet alleen v^n zyne bekvvaaoiheid en 
kennis , maar ook van «ynèn werkzaamen y ver , toe uit- 
breiding der wetenfchappen , getuigen kunnen , genoeg 
bekend was , heeft zich in *t byzonder verdiend ttoiaakt 
door dit tegenwoonlig Werk, dat boven veele andere zo» 
genaamde befchryvingen der Kaapfcbe Volkplanting den 
voorkeur wegdraagt , uit hoofde dat de meeate Reisbe* 
fchry vingen aldaar flegts, geduurende een korten tyd van 
verkwikking, en genoegzaam als in *t voorbygaan» vlie* 
gende blikken op de naaste voorwerpen konden vestigen ^ 
jnaar de afgelegenere ten eeuemaai onaangeroerd moesten 

last- 



fciltea; daar m tegendeal de Sttf Sparmaa^ idt.boDrdf 
van dcazdfa laogduurig verblyf aan de Kagp , en zynen 
vryen toegang in de beate en aaozienlykfte huizen, (in 
welken men over sekere vaoroordeelen , de eigenlyke Staatsi> 
en Rege^riogs-f^lleltenia der Volkplaioting , en het geheele 
Sytbcma der Oo6;4ttdifche Maati^bappy betreffende , ier 
gena Vreemdelingen en Reizigers te fpraeken, geen gebeim 
meer maakte) aan zyne berichien en waameemingeo meec 
echtheid en gelootwaardigiieid beeft bygc;zet» dan men aaQ 
de opfteUen van andere Reisberqhryvers kan toekennen. 
Daarenboven bad zyne Reiagenoot, de Heer Immelman^ 
met wien by ongelyk veel verder, dan alle zyne voorgui»- 
gers, in bet binnenfte des landa is doorgcdroi9g^n , en de 
alleruiterQe Kaapfcbe Volkplantingen ten Noordoosten bar 
iBOGht beeft» op eene voorgaande dergelyke binnenlandfciie 
•reize reeds veele. ondervüidiBg^ eo eeiie grondige kennif 
van deezen merkwaardigen nitboek van Africa verkreegen» 
■ By zodanige omftandigbeden is het geen wonder» 

wanneer het tegenwoordig Werk van onzen Schryver dat 
van alle zyne voorgangers ten eenemaal verdonkert» en 
zo lang het bruikbaarfte , het volledigfte en teiTens geloof* 
waardigfte is en blyft, tot dat een welgegoed Man » itelyk 
de Heer Baüh^vk een enthafiaamus voor de weetendbhap* 
pen, of ^en verlicht Siaatsdient^ar» gelyk de bevorderaai: 
van bet Deenfche Reisgenootfchap naar Arabia» een gcr 
leerde reize in bet groote derwaarda doet of laat doen* 

Landbouw^ en Hniabouku^d^ , Meqschkunde en Natoufr 
lyke Historie, zyn, in een naau weren zin, des Schryvers 
vooroaamfte ob^Berken geweest. At wat by, omtrent bet 
eerde, heeft ter oedergefteld, is meeaul ontleend uit de« 
ofligang en de gefprekhen met kundige en geoefende Land- 
bouwera, terwyl de men^^uld^e waatni»emifigea^ weik# 
baare oomiddelyke betrekkingen op die foort v4o het men* 
fchengeflacht, welke daar inbeeni»s<;h is, hebben, 90 ei? 
genaartig, zo byzonder karakteriatiek zyn« dat zy llex:hta 
aan die leeze?B kunnen misbaagei?, welK« geen boek voor 
^ewtgtig houden, wanneer. bet niet , ten minden,, eenifi^ 
iseldzaa^e Qm9)9f»uigeD.en .O0gfibv>flyke fprookjes bebetec» 
Ën wat de Natuurlyke Historie betreft, de Kenners t» 
J^iefbebhers derzelve zuUeii bkr; oiuelbaare fcorten van 
Dieren en.PIanien, waarvan de Afrlcaanfcbe Wildernislèn 
krielen» en de weinigften rot biertoe ontdekt zyn, met 
kenbaare onderfcheidende trekken befchreeven vinden » 
firboQU hy zipb geenszins 9 na&r h^t voorbeeld van, andere 

Z 4 leer- 



jaS ■' 'A/sparman's- •* 

leer* en Hevelfiigen van liNn^üs, irtet dofte k«nsttnaatfgë 
befcliryvingtii opgehauden^ maar alleen «ullce • algemccnc 
lircikclen- 'der-Natuuriyke Historie uitgèkoieii heeft , iu 
wëlken^de menigte belang ftelt,tiieVn de weetenfcbappeii 
verryken, en dfr opmerkzaamheid van het. ateemeen op 
cene aangenaame • wyze bezig honden-," tervvyi zyne Na- 
tuurkundige opmerkingen ook nóg 'daardoor eene nieuwe 
èf\ beflisfende Waardv verkrygen, dat zy* menige fngeflo- 
pene, en ze^fs óp het getuigenis van beroerarde Mannen 
rustende, vóoroördeelen uit den wegrüimfeir^ én op die 
wyze de groote rtuishouding der Natulir, geïyk ool^ de 
Inftinaén, de Kunstdrififen èA VaardlJMtódeiV^ddr .Didwa 

Vojfóedigèf aan den dag leggcri. ^ De b'ygevoegde'Af- 

beélUWgen- van Veelè Dieren , die tot hief tó«, of nog ia 
•t gè^héel* lilët', of teh minden zeer gebrekkig ayn uitge- 
teelccnd, verftrekken ók Werk rfct alleen tot' fieraad, maaf 
vfrrmèèrdeife!! daaretlbovcn nog het voordeel, derevenge* 
mfirlde 'verbeteringen, en zetten eert' byzonderen hiister en 
d«id^yk'hcid fckii de Bèrcihryvingen by, t^f\\^\ de Land- 
kaart', die de HttT Spaf^mafk van de Kaap de Ooede Hoop 
-en de Gewesten door-'hefti berefed , naar^zyne eigene 
waanieémïrigén , en tiaar oorfpronglyké handteek^ningcn p 
xHe- hem aan dè fCaapI dóór zyne 'Vrienden eyn meJege* 
"déöMV óttïvvförpeo heeft, van 's Mans kunde- en eigen on- 
dcTv^fniiing' merkelyke tekenéh draagt < en een fits te aan- 
ziwflykjjr- bydra^e Por de Aardryksfciinde uitlevert , hoe 
ïtrtnde'r rïitteken>ngen*-Wy' vaiV' Üeezeft-Ui^oelt' van Africa 
SrfddeiK -' .. • «' ''-'^'i '•»' -1 •'..'' • ' . 

^ IZié'daar Iionfd»3lkèfyk -bét; lóffeli*-ffèui1genls, dat de 
èe^roêrtrte«.jR?ryf^r Van dfen Schryver eW de*ïzelfs Werk'met 
20 ' véd' recht en' rióa^'^Jwclafdé jtfeeeèvéii heeft.- Her is ^ 
lWt»*fche«V fa'^ïradr, dür de VieetSpa^mafi dit 'Vlferk, even 
ilTSiftyne vt^orige, voor^goédé Holtandfche düëaaten fchynt 
geróhtöcvèri'-të hebbtiti, »ft?t peen ' dfc^*wf een nadtfelige 
«rtVi^«rktftg'óp dfe beWandélW^^lietft^' en dat de Nedcrduii- 
rch« ÜimaMê^iv^. e(yh cWerkV'dAt tóöh indbdöad van ge» 
wigt tiv belang' is,' ZO' wêPirtët. oplicht van-^de vertaaiing^ 
a^-'«ite\t het uitierlykti *«ft<^;den dr(ïk betleft, 30 flordig is 

' f>cH6ón Alt- Werk' tf^et^^l ^tdot nltri^ekzefen vatbaar h^ 
V!.**!*' de i5mce.ste"V<'»<itiAÏ«Vp«'fï fö'omOdgug ayfi, en ons Vie-^ 
fte* t«.'1((>^M^»epaa?(i' iis, 'ztVïicn w^ echter tot een ftaalrje 
JuK^f'mededeelen,. '^ p:e€ó' dd- Schi^yver heeft aangettkend 
¥f?te«l'Hj^a T^rw>if^'w^ fie<ïr gedö^ifU wyjmd, die 



Kiriï». •. 33P 



onun Reiziger i- wn Jiet begin «yner teizt tot a» Jiet 
«iDde« wegens zyne Irek-osfen zeer ontrust heeft. 

„Dees, zegn.lty,-i8 bet voorheen osbekende Dier. 

welk PBMNANï'kortelyk befchryft, en wfaarvan hy tcifenl 
eene AfbeeWing, geeft. Hy iioetut hiet daar de tttlckte 
Ifjaena, en .houdt bet vow «ene foort , van .ij*yiaus 

Grafdter; cants hyaena.^ oodcrfdwWeii; ^ Hv eaft 

'tlleeolyk des nachts en. in de d«i«wnia..op r«)f,uit. en 
«K> dra dezehttKten aardbodem bedekii,. pleegt byen troep». 
wyze en;enkctal.ftroi)peBd* roW te zwerven.: Dit Dua- 
beeft eene byzondere e^tnfchapV «eec nadceiig va©r*efr 
•aeWci hierin beffaaaide, dat het^or eenen onajingenmoHai 
to<»l ^akyd achzelven • verreadr. ' Zyne ftem laat «ich^ 
*eriyk op het papier met- wel ttttdnricken; doch om echter 
asyn geluid, eenigarmate te hetefeaBe»^ ïois heteen aauo 
of menigmaal fxxt.ma»), veik bet mtt een. toon van wan! 
Iioopr en wel .teiltei» , na een lösfthentyd-.van eeninè 
jninmiten.TTBpt-eetT- huilende wyze. ujtttoot., eh waardoor 
<Je ^'at^lUI'•dlt Dier, bet viaaewhHgfte wan allen in Africa 
noodzaakt, ayoen- eigen verrader. es ayn, gelylk de vergifr 
tigfte Slang m. America» door het klapperen of latden 
van haaren. ftaart, .zich voor. haire .dbodjyke beet zélve 
waarfchouwt. — —' DeezefTygewélf .wordt nu wel door 
zyw gehoU;gedwangBiiv«y» €i<8ea. verklikker. te zyn.doch 
daartegen bean r Jby. de byzondete • behertdtgbdd / om de 
fted van ainhfre. dieren na «e bootzen , *fto»door het he» 
fomwylen gelukKen, zou', .Kalvewn^ Veuiens, Lammeren" 
en dergelyfceo- te bedntgen , en. tot :zicb <e lokken. Het 
bovengemelde berhaaide geluid, of gefchwenw is waarfchva* 
lyk een.even m nttuarlyk gevolg des« hongeft^afe w 
geeawen by. dan ,Menjch, waaneer, hy moede. is, of waS 
neer de mond y of geiyk mengemeeolyk pleegt te zeeaen. 
4e tan4en ons wöteeen by 't geacht «n.JefckrteifpyïenT 
|eiien nauurlyfcèq. grorid^mpet.bet -ten minften heK 
2elfo.de.Jio«e..tOQa wn/dji gebuid. geaft aiy gelegehheid. 
om een ledige maag . te vertndt r(tell«nv Dat djt huiÜ 
«ndmusfchen. van de natour van :dit Dier öna/fchcidbaar 
I», beüoit Ik daoruit^k wyl een-jwigeTygerwolf, dku ," 
•an de Kaap-|tzica:heb, en welke iD.2yne» «dêrften ou- 
■derdom door een Chinees aldaar, tam was aemtakt • «i 
toen aan eenen .keten lag,, .des daags weJ, g^yk men mv 
verhaalde, Ihl was, «aar d«i nachts, WrfS.vnlyfcopS 
by honger gevoelde, zyn geluid zeer dikwyk-Wren Het. 

iJy €wuj;e Ittudfaaewn of bowenwooBingeit,, té^ar-yefii 

2 j . I vc« 



330 A. SPARIUNS 

vee is 9 zvfttft dit Roofdkr bytams tfie mrditeil fond. tn 
hrénfct, door zyne zelfsverradery / de bonden van tyd tot 
tyd in bcv?eeging. — — - De Landlieden hebben ny ver- 
zekerd, dat zyne list zo verre gaat, dat het, niet zonder 
gelukkig gevolg, in fchyn nu eens zicb verweere, dan 
weder vlifede, en daardoor de geheele Tcbaar honden vee- 
leide, om eenige fnapbaanrchooten verre van de woning oe 
volgen , opdat de overige tygerwolven daardoor gelegenheid 
-en tyd bekomen, om uit hunne hinderlaag los te hreeken^ 
en voor zich , zo wel als den vlugtenden , ongehinctefd 
i>iut te maaken. Naar dat de Tygerwolf , niettegenftanH 
<le zyne grootte èn fterkte, alleen in den uiterfen nood 
het waagd, zich met de Honden in den Oryd te bege^ 
ven, is wel een overmigeod bewys Z3mer fcbiohcid- *-**«-^ 
Even ZO min verftout hy zich Osfen> Koetjen, Paarden , 
of andere grootere dieren aan te casten , wanneer deezen 
flegts de minde Tchikking tot tegenweer smaken. Daar 
tegen is de Hyaena listig genoeg, om met groot gehuil, 
ihèi en onvermoeds, uit haare fchailplaats voon te fprin» 
gen, waardoor ieder dier zo zeer verfctarikt wordt, dat 
tiet begint te loopen, wsaiop zy het met zekerheid ver- 
volgt, tot .dat zy de kans gunftig ziet, 'om hetzelve, al 
ware het ook een Trekos, met een-eenige heet de boik 
op te ryten, of anders eene gevaarlyke wonde toe t« bfen- 
gen « en op zodaanige wyze in den cerften aanval zynen 

roof te bemachtigen. Om daeze redrin is de land» 

man genoodzaakt, zyn vee etken avond uit de weide te 
haaien, eer het donker worcit^ alleenlyk grootere Kudden 
Tlreko^en uitgenomen , welken men dag en nacht , zonder 
hoeder, hun voedfel laat zoeken op dcv weiden, omdat 
ny de bttdftreek kundig «n de list der Uyaena gewoon 
zyn, ook meer dan andere dieren zich tegen eenen vvasd 

5 emeenfcha^lyk verdedigen. Reizende' Ikden inc^ended, 
ie zich niet lang kunnen ophouden*, lyden door het wei> 
den des nachts fomtyds groot verlies , byzoader wanneer 
de osfen nog jong zyn, en Kgt fdniw worden. 

^ Dewyl ik op myne reize niet meer dan een fpan Os» 
fen had , die daarenboven n<^ ligt fchow werden ea aan 
^r loopen geraakten , zo waagde ik het zeer zelden , hea 
ftes nachts te haten graazen. Want myn voomaame oog-* 
merk, om Kruiden te verzamelen, liea my niet attyd toe» 
om, gelyk de Roeren, des nachts te reizen, eu over dag 
myne Osfen op de weide te laaten gaan. Dewyl ik du^ 
maar des morgens en des avonds Icou reizen , za was de 

inid' 



RftICJI. 



S3^ 



ibiddagtyd tot het gntscn iriec genoegnan, ook wc^cm 
de fterke bitte niet bekwaam daartoe. Daarenboven bad 
ik menigmaal het verdriet, dat de Voerman van myn Os^ 
ièQ»an, die bet vee op de weide had betaooren te hoeden^ 
by dat werk in flaap viel. Hierdoor verlooren wy telkeng 
üiet alleen verfcfaddtil uuren ^ maar wy waren ook fomr 
tyds gebeele dagen becorgd, hoe wy onze Osfen zouden 
wedervinden, en moesten niet zeiden te paard en te voet 
bergen en dalen doorkruisfeo om ze weder op te zoe»» 
ken. » ' ■ ' ■ Gedonrende myn verblyf by het btd weid 
«yn rypoard, benevens anderen, die daar by waren» eene 
des nachts voor eenen Avondwolf zo verfchrikt, dzt zy 
de bosithen, atn welken zy vast gebonden waren, met 
de woneis uit den grond fcheurden , en de vlucht namen>, 
maar eerst den volgenden avond, hoewel onbelcfaadigd:» 
weder gevonden wierden. Vaelligt hadden zy zich door 
loopen gered , of waren eindelyk moedig genoeg geweest» 
om aan het fteiie afhangen van een berg, die e^ naanv 

dal infloot , halte te maakea. Het kan ook zyn , 

dat de Hyaena^ gelyk* onze gemeene wolfen, flegts in 
het open veld ftout is, want van deeze laatften zegt 
men, dat zy uit vreeze voor liinderkage. en van beloerd 
te zuilen worden, den geenen, die zyn toevfaigt tot een 
woud aeant, niet vervolgen. Het gevaar, van myn paart 
te verliezen , bewoog my intusfchen om tegen eenen jbd 
verdrietelyken en waakfaamen vyand alie mog^yke voor« 
richtigheid te giebruikea. Ik was ook zo gehikkig dat.ik 
op myn geheele «eizc door zyne groote arglistigheid en 
vraatzucht niets verloor. ■ ' ■<■ De Hoctentotten zehren 
badden my beleden dat fonraiigcn onder ben bet zicb 
nog erinneren konden, boe dit dier zo diiist was ge- 
weest, om ftil in hunne hutten te fluipen, en zelfs hunne 
iLinderen weg te fleepen. Doch tegenwoordig gebeurt 
cttlks niet meer. Het ichietgeweer fchynt thans dseze 
en andere gevaarlyke roofdieren gelecid te bebben» om 
voor de menichen te vreezen. 

,5 De volgende gerchiedenis van ^nen Tygerwdf , die 
men *my uit eene befchryving van de Kaap de goede Hoop 
vertelde, vah my hier by in: zy is ten minOen zeer 
kortswylig; indien zy ook al zo gantsch geloofwaardig 
niet mogt zyn. ^ " ■ ■ By gekgehheid eeuer vroolyke 
maaltyd, niet verre van de Kaap, bad men een Trontr 
petter^die^te veel drank gedronken hebbende, ftompdroop 
ken was geworden » des nachts buiten de deur gelegd^ 

op- 



33» A«.SEMlBUiN*S 

opdtt hy vedetten en vaiT syn roes^bekoinen zou; Doch 
bet duurde mctilaog, of 'er k<Vam een Tygerwolf, die 
den goeden rmh op den rug v^erp , gelyk een dood )yk 
ais een goede prys voortüeepte, en naar den kant des 
fTafélbergs fpoedde. Middelerwyl kwam de Speelman door 
den drank bedwelmd « weder by , en had nog bewustheid 
genoeg , om het groot gevaar , waarin hy zich bevond ^ 
te bemerken » en op zyue trompet , welke hy aan zync 
«yde gebonden had, alarm te blaazen. Oit joeg het roof» 
dier* zodanigen fchrik.aan^ dat bet.zynea roof vediet* 
jien ander, din een tromi^tter, zou ouder df eze omftan- 
dtghedcn zekerlyk een. buit, der. Hyaena geworden ayn. 

^, Ondertttsfcbeó is bet onloochenbaar eo eea ieder 
jwel bekend, dat deeze wolven zich bykaos in eiken dort* 
Jcerèn nacht by de vleescbhal in de Scad aan de Kaap de 
Goede Hocrp vertoooen, om de beenen^ vellea, en andere 
4ifvaUen , in> menigte aldaar weggeworpen , op te neeten 
of af te haaleo^ » ■■ Voor deezcn dienst betoonen de 
finwooneis ♦ «icli door -<le onbepaalde Vryheid, welke zy 
'huü tot .zodanige- nacfatbezoeken/.{^ven, dankbaar: de 
honden^ zegt men, hebben zich aan hun gezelfchsp ge^ 
iwend , en legiten iiun insgdyks geen hindernis in <^n wegw 
'Ën wyl deeze roofdieren op. zodaoige :.wyze by de Stad 
:gevoedten in .rust gelaaten worden, zo hoort meo ook 
•daarentegen zelden dat zy-eenig .fchaade:doeq. . 
-•i^s In de verbiaazfende gulzigheid deeaer dieren zelve 
:heeft intusfchen de Godlyke voorztenigfaeid een doorflaaa^ 

.bewys haarer. wyzc. fchikkinge-jijetoondw De velden 

rnmdom* de Kaap zouden zekerlyk riret.geiaamten ^Q,been« 

deren tot wialging* en afkeer toe. ais bezaaid zyn, iwyi zo 

Vfiele en ulryke troepen gsootere en:kleinene wilde dierea 

aldaar huniVoedfcl zoeken enTvtn tyd ttottyd fterv^^ 

byaldicn.niet de Tygerw«lf dcpoficiobcdiende dec N:ï» 

'tuur was, die haare fchouwplaats danrxan reinigt; wanp 

Oe) Leeuwen ; TygBr$ en aodereu vseéten g^eoe beende^ 

ren, en'raaken niet gaarn aas aan. -~— Daartegen. dic^ 

nen zy de Natuur op andere wyzen^zyitouden de overige 

•dieren waakfaam eh dragen om Tan andere oogmisrljen^ 

"Welke de vt>or?Jenighaii dooc- hen: bereikt, niet ie fpree- 

ken ,. benevens den mensch. veel daartoe by , <m de veri 

•nïeerdcring van het dieretïryk ia hehoorly|c evenwiclit <Dec 

de vermeerdering van het planteuryk te behouden, opdat 

•bet eerfte zich niet verder- uitbreide dan dk in (laat is 

iierea te voeden , eodat het de nodige vnortplaniiiig dt^of 

' » ' ' zaïi^ 



ItET2B. 



S33 



Eaalen.tilet liindere, en .bygcvolg niet door eene gant- 
fchelyke vertcering van hetzelve zich zeJvcii door tnaimcl 

en. honger uitroeije. -^ Hierom vindt men, niettegen^ 

fhande de grpote menigte van wilde dieren, zeer zelden 
beenderen van hun; maar van Hyenen, gelyk ook van 
ïygèrs. Leeuwen, SjakaJs, wilde Katten en wilde hon^ 
den nooit. Om de vloeren, welker reiniging de God dei 
Natuur hun tot een bezigheid heeft opgelegd , door huti 
eigen averfchot niet zelven te verontreinigen; gaan dtüzé 
ïygerwolven, wanneer zy zich kraak of gebrekkig voe* 
len, niet uit hunne, holen, maar verwachten daar onder 
Stuiptrekkingen en honger dtu dood, om aan de laatfte 

wet der Natuur ook te gehoorzaanpen. Hierby 

moet ik nog aanmerken, dat de Tygerwolf, hoe onge- 
luoflyk veel by vreeten kan, zo ook in ftaat is, om 
gant^ch buitengewoon lang te hongeren , voegt men zyne 
tameiyk groote bloheid, om levendige dieren aan te tak- 
ten , bierby, zo ziet men, dat zyne vraatgierigheid 
voomimelyk maar daartoe dient, om dat geen, 't welk 
ia het dieren ryk , wegens ouderdom of krankheid, of 
verminking ^ onbruikbaar is, benevens het ultvaagfel , aas 
en beenderen, gttWk ook veeJlicht bet overtollige deszelfs 
te veiteeren , maar de, bronneu , waaruit Iw nieuwen 
aanwas krygt, juist geene beduidende verwoesting. van hec- 
zeive te vreezen hebben. 



Toomclpoezy van nioolAas simon van wintkw en lü- 

CKETIA WILHBLMIIVA van ftlKRKfiN. T^VCCds. Dcd, Tc 

Atnflerdam^ by -P. J. Uylenbroek, /« 4/0. 458 bladz. 

De Kunstkundige Heer van Winter en zyne niet minder 
beroemde Huisvrouw , . Mej. van Merken , bieden de 
Natie, in dit deel Hunner Tdoneel Poëty^ de vruchten 
van hun edel Diclitvermogen aan. VVy zullen dezelve at 
zonderlyk befchouwen, daar zy zeker meer dan een op» 
pervlakkig iözien verdienen. 

De klimmende jaareo van den Heer van JFinter fchynen 
«yn Ed. t« verzekeren, dat de Menzikof zyn lantfte dich- 
terlyke arbeid is, dien hy zyne Deugd- en Dichilievende 
Landgenooren aanbiedt. Menzikofs lotgevallen zyn in de 
Gefchiedenis van Rusland zeer bekend. ' Een man , die uit 
de laagte van een geringe geboorte tot het toppunt van 
eare opfteeg, eu van daar, in eene diepte van verneder 
• ' ring^ 



134 N. S. VAN WINTER SN U W. TAN U&tKEN 

mg , ak baHMg nedemmiicick. D& TreurTpel ftek 
voor 9 in zyne baUiogrcbap ^ in het akelig Siberië, naa het 
afRerven zyoef vrouw en dochter, niet zynen zoon en an- 
dere dochter, Iwan en Eudoxc genoemd. Gustaaf Biron , 
«mder den naam van Confiantjn^ vergezeld door eenea 
Bazilitts , zyn vertrouwde , (bekken hem tot gezelfdiap , 
terwyl Conftamjn verUefd is op Emdoxe. Akxis ^ een 
geweezen Luitenant onder Afenzihf^ maar zins lange uit* 
ta^, komt de plaats van Mtnzikofs ballingrdiap door» 
leizen, en flaat hem de redding van zynen zooo Ivan 
Toor. Biron , hun geheel onbekend , die lang reeds werk* 
zaam was geweest, om Menzikoffs zaaken te herRelten^ 
houdt zo ved mogelyk de voortzetting van Iwans vlucht 
tegpu , terwyl Iwans edele tnboföt van zelfs neigt om zy« 
oen vader en zuster niet te verlaaren : hierop raaken Iwan 
'en Conftantjfti uit hoofde van Birons geheimhouding om« 
trent zynen naam, in twist, welke zo hoog loopt, dat 
de zwaarden uit de fcheden raaken. jlUxis fcheidt faun^ 
en maatigt de woede van Infan. Dy de verzoening van 
twan en Canftantjn^ ontdekt de laatfte zyn* waaren mam; 
en Bazilius bericht gebragt hebbende van de aankomst 
eeniger vreemdelingen, paat Biron zulks onderzoeken, en 
keert te rug met it tyding, dat Dólgorukki^ die den val 
van Menziküf aan het Hof van Petersburg veroorzaakt 
hadt, met zyn gezin, als balling, die zelfde nlaats nadere- 
de, en het nog heuchelyker bericht, dat Menzikof htX'^ 

fteld wierdt in zyne eer. ' Deeze tvding doet den 

ouden Menzihaff zodanig aan , dat by fterit : zyne kinde* 
ren zegenende^ en zelfs aan zyn* vyand Dolgorukki ^ 
wanbedryf vergeevende. *t CharaAer van Menzibif^ in 
dit Treurfpel,i8 wat zagt aangelegd: 't Is waar, de Dicht- 
kunst ftaat het verderen vry, maar een Menzikof, in de 
gefchiedbladeren, zo uitfteekend in fnoodheid ais groot* 
heid, zt» geheel Christelyk, zo geheel bevryd van zyn 
voorige ztehgebitken te venoonen, is de waarfcbynlykheid 
wat veel gevertó: wy ftaan toe, wy zien den vemedeiw 
den, den ongelukkigen , den ouden, den ftervenden Mefu 
zikof^ maar met dat alles moet hy de groote man en 
Menzikof blyven. Mogelyk vormen wy ons ook een wat 
te groot denkbeeld van Menzikof, en dat het dus al zett 
moetlyk zou vallen aan die wydgaapende verwachting te 
voldoen. Ondertusfchen bevalt ons het CharaAer van 
lyfsn- uitfteekend. Geheel jeuedig, geheel Rusfisch. £u^ 
doxê i» een. beminlyk gioot Cbaxafter, gelyk ook dat van 

Gtt$^ 



XMNBEL<^POBST«. 335 

Gustsaf Biron^ beide viy fcerk ukkomende. Dat van ^« 
üxit is dankbaar^ en de Dkhcer beeft- het/eive in een 
tievalUg licht gepiatut: tenryl dat vaa Nntalia niets » en 
dat van Baztliis weinige bedaidt. In bet vierde Bedryf, 
Viefde Tooneel» liebben wy, net den grootften fmaak en 
deeloeenuDg^de opryi&ende gramfeiiap van Iwan waargeno- 
mes; dit l^neei verdient op zkb zelve de bewonderende 
goctteuring van allen, die gevoel hebben voor het cha- 
laAeriaeerend fchoon der Toonec^Ipoëzy. 

Imuzc ^Arlac^ een Treorfpel van Mej. van Merken. 
folgt op den idenxikif\ een Stak, overvloedig in ftaai» 
heden, en vol aandoenlyke trekken, dat, ten tooneele 
gevoerd, door ayoe levendigheid buitengewoon bebaagea 
sal. LmMC d^Arlac is eene vercierde Perfoonaadje, die 
zeker veel belang verwekt door de kundige wyze, waar* 
op sy ten tooneele verfchynt; doch , juist door dat belang 
loopt Dominicui de Gourges^ die voortreffelyke beid, 
nioder fteik in bet oog , dau xyne uitAeekende moed ver« 
dieode, fchoon wy wel bezeflRm, dat de daad van de 
GatÊTges op zich zdve «traarfchyolyk geen «enoegzaame (I0& 
h voor een TreurTpel zou opleveren^ De Gaurges is in* 
tusfchen een fraaije rol, en de Franfche aarc is keurig in 
zyn Charaéler bewaard. Louïze dArlac is zeer bevallig 
gelchecst. Oiocara is, onzes oordeels, bet fraaist van aUt 
gefcbHderd, en in iiem bet cbaraAer van een Indiaans, en 
vaoeen eddnioedigcn ^ doch hoopeloozen , minnaar voc^beel* 
dia: waargenomen* Satouria en Olinde zyn beide fraai 
bnandeld, doch Adusta voor cenen zo woesten Indiaan, 
op fomai^ phaczen, zagt genoeg, fchoon bet Charafter 
by de ontwikkeling meerder ilevigheid krygt, -^ Eene 
aanmerking is otis onder de Leeziog ingevallen: naamdyk^ 
in bet acbcfte Toooed van bet tweede Bedryf» bk 1344 
vraagt OHmU aan Lomzcm 

^ Mêat woêrom hiU ge u toch na dU gefeest begeeveiu ?** 

Wy bekennen , de Leezer of Aenfchouwer moet onder* 
recht worden^ waarom Louize na CharUstown vertrokken 
was; doch is deeze vraag, in den mond vau Olinde^ by 
4vie Louize^ reeds een geruimen tyd, gehuisvest badt, 
geheel natuurlyk? 

Sebilh van An)ou is het tweede TreurTpel van Méj. 
"tan Merken in deezen bundel. Die ongelukkige ^oningin 
^raa Jerufaletn vertoont zich in dit (luk io een zeer be« 

min* 



/ 



. jj6 N. s. V. WINTER. KN L. w; v^aiburen, toon. pökzy# 

ininnelyk daglicht, als een Vorstia, die voor haarc onge^» 
lukklge Ondordaaiien eetie mbedcrlyke 2org 'draagt » eo als 
céne getrouwe Kchigenoot voor haaren gevangen Geoiaat 
utle poogin^en ter zyner redding aanwendt. Het Cba^ 
rafter vzn'SeMU is meesterlyk gefchilderd. Zy is overal 
Vórsiln , en tevens eeue icderhariige Gemaalin. 't CharaAef 
van Gut van Lufignan en baar Ëchtenoot is behoorlyk 
volgehouden. MóUzcndt en Elhc zyn raamelyk bclang- 
ryk. Het edelaartige in het Charaéter van Humfm ftraalt 
op alle plaarzen door. HcracHus is een Gryzaard vol ge- 
gronde bekooitnering, docb die, onzes acbtens, in het 
eerst een weinig te veel hei voorkomen heeft van agter* 
dochtii; te zyn, terwyl zyn vermoeden omtrent Raimand 
waarlyk gegrond is. Kaimond is met de verdiende haate- 
lyke kleuren afgemaaid. Saladyn heeft zeer vecle bemin* 
celyke trekken; alleen is hy fomtyds niet wat gemeen- 
zaam' voor ttxï Sultan met zyne hovelingen? BI- 336— 338 

vertoont hy zich in zyne volle grootheid. Van de overi. 
ge Gharafters valt niet zeer veel te zeggen, 't Beloop van 
het geheele ttuk is fraai , en treffend , terwyl 'er eene def- 
tige naatigheid in heerscht , die het zelve met recht onder 
de Vorstlyke Treurfpelen rangfdükt. 

Het vierde en laatlle Stuk in dit Deel draagt den naam 
van Gclotiidó^ en is mede van Mej. van Merken* De 
Liefde van een Moeder voor haar Kind is met de fterkfte 
en fraaifte kleuren in dit ftuk gefchilderd: baar CharaAer 
heeft iets eorwaardiga, en haar droefheid is zo edel, dac 
ey de bewonderende goedkeuring van de beminnaars der 
Tooneelpoëzy moet wegdraagen. Van Eurimedon ziet 
men niets dan grootheid, terwyl Leotichides^ Philocks en 
de Raden van Athene , een friaije verfcheidenbeid vao Gha- 
rafters opleveren. Myronides is by uitftek keurig behan- 
deld: Hezioné en Iphidantas voldoen ons tamelyk ,. doch 
zyn natuurlyk minstbelangryk. Het geheele Treurfpel 
fmaakt ons uitmuntend, en wy fchroomen niet het zelve 
als een Meester.iuk aan te pryzen, dat de Dichteres eo 
deeze Natie eer aandoet. 



D^ 



MtDBAutoxMi HKËmmMi tcnOomvtG, |§f 

m : J 

I>è NidtrUméfche Dichtkundige Schüuwburp. Mn Plaaten. Bet^ 
. fit Deek Te Amfifrddm^ ^^Slwe en Langeveld» 1780. In 
tvêé 316 hiêdsk 

D 



Üicbtkiindtge Scfiouwburg Wordt gijpend met drie 
Tooneeinukken» waarvati hét eerfte den goede Vertanling ü 
van het Blyfpel / OuJltleJahS ohfïacle^ van Deitouches. Dë iWeè 
laatllen zyn heide oorf{)rong]yke Stukken. Het eene draagt dén 
UBAtü van SefhtUm MtmehtwH, iVerthetf een fehtirtientee! min- 
naar» is hevig vefUefd op Eu^enia^ de Dochrer van Stbaldun 
ee 1 matt , wiens hoofd vol is van allcfhande dweepzicke begrip» 
j)enf diehy uic den mysterieufen Reew gehaald heeft. De feil* 
ttmertteele denkbeelden van fVerther ftrocken maar geheel niet 
niet de ideën van Sebaldus* Se'jaldus fluit zyn Dochter op in ^n 
tuinhuis» Waar I4^efihef, in een mand door dén fdioorften neer- 
gelaaren» haar komt bezoeken: doch zy worden overvallen doof. 
Vader S^baidus . die , by het mkomen van het vertrek t In den 
inaod neêrtüimelt, die oogenbliklyk wordt opgetrokken , en di:S 
vaan Sebaldust Wiens hoofd lang met denkbeelden van vergees*^ 
telyktng enz. vervuld Was geweest , ten Hemel. Dit behaagt 
hem geheel niet, en» onder voorwaarde van hét Huwlyk» tus^ 
ichen 'V^thet en Eu^enia , te zullen toeftaan , wordt hy neder- 
gelaaten» 't Beloop van het Stukje is niet onaartig: fcboon 'er 
nog al vry wat aanmerkingen van gewigt op te maaken zym 
Immers zou men met riecht verwachten f dat een Zotskap , als 
Wen fier ^ in een nog béfpottelyker licht zou voorgefteld fcyn; en 
is het w^ nuttig, iemand, zoylhoofdig als hy, met vollen glans 
te laaten zegepraalen. Het cbaraAer van Seoaldus is 2eer fraai ^ 
doch VrOaW Sntvs is eene vreemde Moeder, en 't geen zy bF, 
a5X en 353 verhaalt, komt ons onnatuurlyk voor in den mond 
Vtti een Moeder, en Is in lang na niet dectm genoeg, gelyk ook 
veele praatjes van iJzette. De rol van Lodewyk is, op zommige 

Esatzen, een weinigje geoutreerd. Met dat alles raaden wy den 
Icbter, in dat vak te blyven werken , daar hy zeer geichikt 
Ichynt te we^en tot het Blyfpeh 
Het Naaftukje» de Verwarring t is zeer korti en betekent niet 



.]IiDfKX.«N«ALG'.L£Tr.iia8« Aa De 



S3S' - BE OSy^AAPEND» UITTOGT. 



De' jrewaapende üittogt. Tomeeifpel^ in drie Sedryyen. Door h 
vAN^PANOE&s. Te jimfierdam^ by A. Van der Kfoe en A. 
Capel. Behalven het Foorberichtt 94 bladz^ in oBwo. 

ir en Tooneclfpel, ingerigt naar de tegenwoordige tydaomfiatlL 
^^ digheden » die ook aanleiding g^eeven hebben om bet zelve 
te vervaardigen. De Hccren yryhart en Eelhmrt zyn braave» 
weldenkende» bedaarde Patriotten» wier Kincleren ook in dien 
linaak opgekweekt zyn, en welke denkwyze der Vrouwe van 
Vrshart insgelyks eigen is. De Heer Dwineton 9 beoevensdes- 
ZJlfs Zoon , ^ntonie , en Juffrouw Fel » Zuster van Fryhan , 
zyn eigenbaatige menfchen , die zig de zaak des Vaderlands niet 
aantrekken , en alleen een vuil eigenbelang beoogen. By deeze 
Pcrlbnagien komen in dit TooneeUluk /log Catryn. de Dienst - 
maaj^d va'i Fryhan, benevens haar Minnaar Hendrik ^ die mede 
Patriottisch denken. — — Karel , de Zoon van Fe hart , ca 
jlnianie , de Zoon van Dwin^ton^ (laan beiden als Minnaars na 
't bart van Elizs , de Dogter van yryhart; haar hart, fchoon nog 
niet bepaald, helt cgter over tot Karel; hoewel Juffrouw F^/ haar, 
ten vourdeele van Antunie^ zoekt in te neemen. Eene bykomen- 
de omftandigheid brengt bier eene volftrekte beOisfing te wege: 
Karel is mede onder de Manfchap, die gewapend zal uittrekken, 
ter handhaavinge der Vryheïd; en by die gelegenheid verklaart 
zig Elize uitdruklyk voor hem. — - Deeze gewapende uit- 
logt is het hoofdonderwerp van dit Tooneelfpel , het welk de 
Heer van Panders in het tweede Bedryf begint te doen werken. 
De Dienstmaagd Cairm openbaart, met aandoening, aan Juffrouw 
Vryhart. dat haar Minnaar (laat uit te trekken; in eén daaruit 
voortvloeiend gelprek, geeft de Heer Fryhart te kennen, dat hy 
zodanig een uirtogt goedkeurt, al ware 't ook, dat zyn 2iOoo 
Wiilefn daarin betrokken mogte zyn. Onder dit gefprek komt 
Kaïel en meldt, hoe hy, benevens zyn Boezemvriend /Ti/irtii, 
jnids der Onderen toedemmlng, hun woord daartoe gegeevea 
hadden ;. verhaal cude te gelyk , hoe zyn Vader Eeihart zulks 
jïjocdgekeurd had. Het ontvangen berigt doet de Ouders, e^ 
bovenal Eihe . zeer flerk aan ; welke aandoening met de komst 
van fVi Ufn zei ven nog merklyk toeneemt. Deeze verkrygt infr. 
gclyks, na dat hy, op 's Vaders voorftel, getoond heefl, dat 
geen onbezonnenheid , maar bczef van verpligting , hem hiertoe 
gebragt heeft, der Ouderen toeftemming; waarop in de verdere 
Tooneelei van dit, en het derde Bedryf, de daartoe betnekke- 
lyke onderhandelingen, met eenige tusfchenkomende voorvallen, 
en 't laatfte affcheid, ontvouwd worden. In één derzelven ver- 
klaart zig Elize aan haare Moeder voor Katd; en in een ander 
geeft zy haar woord aan Karel zelven. Zommigen dier Too- 
neelen brengen ons wyders onder bet oog , hoe Dwington al- 



DB GEWAAPÈNife VXrlbGV^ ' 3^ 

leenlyfe'aarigèflaan hébbe, op het Huwelyt van zytusn Zoon mee: 
Elizüt om dat hy wist, dar haar van ter zyde ecnc groore Er-: 
fenis ten deel :^u valleri^, waarvan hy onderrfgt w^ door fuf- 
ft-ouw Fel , welker haatlyk en verraderlyk gedrag ten duldeJyfc.. 
Re ten toon gefterd wordt. ■ ■ In alle deeze opzigten, zo 
in het hoofdonderwerp , als in de tusfchenkómende gefchiede- 
nïfifen , die het Spel verlevencFfgen , beeft de Heer van Panüets'. 
de natuur vry wel in agt genomen ; en bdvenal heeft hy de 
aandoeningen der belanghebbende Perfooncn , zo in de ontdek- 
king, als in de verdere onderhandelingen^ en byzonder:by het . 
laame affchdd , eigenaartig deen werken. -^ — Wy* zeggen, 
nog eens : een Stukje voor den legenwoördigcn tyd ! ^^ 



Delia en MekUe. Too^eelfpel; door wiilem liWfME. Te Am-' 
Jlerdamf by P. J. Uylenbroek, 1787. In 8vo. éi hladz. 

"F en oorfprongelyk Tooneelfluk dient met recht meer de by- 
zondere aandachtj dan een aantal voortbrengzels uit vreem- 
de Lanvien : vooral , daar het gevloeid is uit dezelfde Pen , als 
"het Werkje , jgetyteld ^ Dankbaare , 20 gunftig by de Natie. 
(jnt,vangcn, Hqt beloop van het Stuk voldoet ons over het al-^ 
gemeen wel , doch djc neemt' niet weg; dat wy céni|:c 
aanmerkingen hebben, welke on^'van genoegfeaamen grond t&- 
fchynen, om .?e aan het algemeen mede te doelen. Wy vin- 
den het vreemd i dat Mevrouw\^^/m&ttr, bl. ^2 ^--Melaidê ai-. 
leen in* den tuin Iaat gaan-, daar het meisje ,...naa ^eenen zo 
flechieoinachti.en ip zo groote , zwaarmoedigheid , wel degel) fc 
het gezelfchap van MevrQUw Éelmoiir noodig hadt:- 'nïaar 'Vr 
moest een ge(pfck,.tusfch€n haar en Jamsj voorvallen. Steekt 
het niet wat fterk door-, dat Mevrouw, fiff/wcttr, daarom alfééi?'; 
blyft: en wat zullen wy zeggen van de reden, die ^7wn2>j*voop 
zyn vertoeven geeft, l^l.-Sö- Het tweede Bedryf voldoet ons 
in bet geheel het minffe , en fchynt ons eenigzins gemaakt ló 
aq^n , om het Stuk de grootte van vyf Bedryven te doen heb* 
ben : althans wy gelooven , dar de Heer Imme de ftof van 't 
tweede Bedryf, zeer gemakkelyk in ó(^n aanvang vim het der- 
de zou hebben kunnen verwerken. 1$ ook het 'vertrek van 
Sanjon^ bl. 58 , nauiurlyk; ïs de reden van genoegzaame kragt) 
daar Jamei de 'man is , die hem mogclyk bLTicht zou kunnen 
geeven van zync Ddia. Onze Natie zal over 't geheel w-^l te 
vreden'zyn, dat Delia zo gelukkig herflclr, en'uitgehuwlykt 
wordt aan haaien verleider Bevfon, Dit geeft een aangenaam 
einde , maar dwaalt de Natie hier niet ? of liever , doen onze 
Tooneeldichters , zo zy wezendlyk nut met het Toeneef bedoe- 
Jen , 'er 'wél aan , dat zy 'zo infchikkeJyk zyn , voor de in' dit 
Stuk 20 'goedaartige geKcItenis van onzen Landaart ? Althans , 

A a 2 zou 



pg> Wt HOftt pauk W AOKLAb^ 

9f}u ecna ftervende ^elh ♦ nn het dnde vtn dit Stuk « ^ 

indruk hebben kunnen verooqiaaken op het hart van de A; q. 
ichouweri, dat mislchien d^ gevaarlykbeid der verleidine in do. 
ziel va$tprencce. 't Is wtarf men ^u dan de verheugde San^' 
ftn en '^Jeiüide geipist beiiben ; men hadt i^Ifs hec "Huwelyl; 
van fames mec AMalée, niet gQVo^lyk kunnen verneemeo : 
inaai^'de fcbade was ao onibqet^^r groot niet, Wy hoopten» bv 
<ie lecJïing , op ei^i dode t dat treffender zou geweest zyn ^ 
fchoon ons de tytel viq Tooneellbel wel zodanig eenen uif 
flag vreezen dee^t. Van B^njons CharaQert ^n dw van D /«, 

Vieeten wy weinig, AUfi^o beider bekeering is viy 

plot^Iing, vooral die van B^nfon* Edward'i Charaöer houdt zien 
heerlyk Aaande » het gantfche Stiik door. J.émes is een Min- 
paar, Mevrouw Belmour ecne Prcdikan s Wedqwe, waarin bet 
Cbaraétermaatige fraai bewaar^ is » vooral in de fyne trekken^ 
Van Mevrouw Scuan is niets als goed te zeggen. Sanjon ig- 
redelyk gefch^tst. Adelaide is eèn lief Meisje , maar baar Cha* 
rader was» onzfs acht^» iiog beter vol ?e houd^ geweest* 



W^eirfchifal van het Woare en Schynvemodk ^ dnor - Jmgvrouwê 
i, C l^u^ae^. Te Anjicrdam^ by J. AUart, 178$; MehalY^^ 
ket y!o9rwerk, 84 bladz* in gr. oSavo^ 

■ '■ ■ » '■ Uw ftuk mag pi^t verborgen hlyvcn. 

peen koornmaat dekk* dfe kaars « ^-— * zy fty; ten kandelaar, 
was , ipet reelat , de ei$ch van d?n Wel E;d. Geftr. Heer ^^ 
van Royin , ' de Dich^erefi van dit ^Tiikje t^r <V^ly^c uitgaa* 
ye aanlpqorendé : want een l^Iein getal KxefDplaaren van liet 
fèWe was er ceed^ gedrukt» alleen geföhikt voor de bvzondere 
Vrienden en Kun^i^enoQten van de Dicbteresfe. Zoetvloei/end^ 
liatuttrlyke en vrouwelyk^ ^gfheid kei)tej(cnen byzonder dee* 
ise edele Leuetproev^ 

Lu€inde . een meisje van de grootp waereld» haar vermaal; 
ipoeken^c in d^ gewoone leevenswyze van dat flag van lieden , 
als in. bet Toilet» 10 de Kleeding» in hei Spel , dë Opera, 
Pansparty^n ^z,» en, zo ^ "raeen^, ook meer of min vinden* 
de, raakt m gefprek met LLtze , die wel e^nc vriendin van bet 
verqaak is, n^aar het zelve in het aank wecken haarp redelyka 
fn zgdelyke verniog^ns» en in het heocfeqpn van dep God^ 
dienst^ vindt; en deeze haait, in eenige 2iameprpraaken, de eer* 
(Ie qvertuig^nd over tot haare party, Befcbeidcne zagtanrtigbeid 
en oprecl^te ongedwongene Godsdienjligi.eid , zyn de grondttek- 
ken van het Chara" er van Eiiz'i Tot eene proeve diene eeni 
gedeelte cier befchryvlng van het BuiteniQeven» voor een Go4« 



4* e. 



Sm fua *— — * remaak van 't lieftyk Biatehkevin 

. jtoH uw bedaarden geest ook V zoet, genoegen geerent 
Ce ontwaakt niet uit den droom, wen akh éen Veidgeilga 
Jm u verbeelding fihmti *tfchynt u veeker gerigt 
Om vmer^JmMk,al oneer te tuivrent te veifynen: 
JSee moet al*s waerelds pracht kierby als rook verdwyneni 
Maar. doet de mêrge^ftond u dit in Wjoa^heid nieni 
Jfoogt ge op oen ftille Hoeve uw' Schepper hulde bitn^ 

' Wanneer gy, frUck ontwaakt, voor nieuwe gunstbewyzenp • 
Sn vaak beproefde trouw 9 de Algoédheid bly fkop^t pryzen; 
Dan wordt uw kar% ontvlamd door al waf [f^.omringt: 
Daar zelfs het vooglen helr zyns Maakérs grofheid ^zingt } 

_ Daar berg en dal en bosch zyn' roem Hem doen' verkry gen ^ . , 

*> Slaat aliis kier accoofdi en gy zaudt gy daar^zwygent ^ 

Cyl die zo mild bedeeld en ryk gezegend zytl 
Hen: zing een vrolyk Hedt uw fiem zy God gewyd* 
Denk niet, die zoete pligt tot 'luiheid ons doe neigen i 
Gy vindt hier bezigheên^ aan onze fexe ook eigen: 
Terwyi ge^ bly verruitte Gods groote dain befchouwtp 
Een-Bloemperk, uwer zorg en opzicht aanbetrouwd. 
Door uwe hand gekweekt » zal niet min weelig groeien. 
U Schynt^zelfsf wy zyn \trpligt ons hiermee te bemoeien , 
Daar roezen en jasmyns » jonquïlle en violet. 
Ons dan weer hulde doen door ^tjierelykst beuquet^ 
Hier paart zich *t nut êok aan de onfchuldigfte vermaaken» 
f lukt gy. het fierlyk Ooft. 't ui elk te beter Jmaaken, 

' Daar uwe zagte hand den frisjchen daauw niet Jchendt* 
fiopit meogt gy ledig zyn, waar ge uwe treden wendt»- 
^n regelt ge uw bedryf, door juisu tydvetdeêiif»g , 
Dan vliedt gy *t lastigst pak 9 de naare Jteifsverveelingi 
Behartig hier uw werk, 't/poeit dies te beter voort 9 
Daar u geen drjjfk gewoel it^ uwe viyt verfioort : 
De KamperfoAie mag uw* iustprieel bedekken» 
Tlfrwyl haar balfemgeur uw' aandacta op^ kan wekken $ 
Wannéér een nuttig hoek fi in haar.iaof veruit: 
Lach ny hier mh din nyd^ daêr u geen wroeging kwelt. 
Ken Y naargehootst fieraad dut lang «ir* Xhncn ftreelen^ 
flier heerscht de goede fmadk in heerlyker Toeneelenf 
f^h} gy , naar tydverdryft hier is dit dag te kort. 
Wnxmn ftn ^age zrif ven uem vmier wem» 

Aa 9 ir#j. 



20t: A.ux*8ueBiir, «wjtt»tkAAti/' 



Jfijsgeerige bedeiikin^eifi dver den 'Gódidiènsi 9 de Fnjdenierij en 
OpMieripg^^Uet JTerfiündt. Jkneyens -eene- Jettdemifche Reden* 
voerthg. *,Doon ^^MM VAN ECKHAilTsnAUSBN. Uit^ het Hoog'- 
duitsch. 'Te ^mfleldam, ^by. Jf Kok Pz», .J?^* gthalvem de 
Voorrede f 146 bladz* in gr, oQavo. 

"llTaenwysheCd^ëHOttgodsdïenftigbeid tegen te gacn, algemene 
^^ MoTttcfaliefisle en Godsdienftigheid in te boesiemen , is Jiet 
gewigtigé oogmerk dezer. .bedenkingeD» Deticer. van EekhaHs* 
/jati/Vn bezeft , dat ^e opheldering, vaw.iat .Verftand , waegip 
trotfthe Vrydenkers jn^.onze dagien zich zo .fterk beroemen., ter- 
■wyl ze de ^fens•chl^efde verzwakken , en den Godsdienst kracbt- 
loos'fnaken , ^i^éT Verre is van ene ware opheldering des Vtr- 
ftands te zyn. Ztfiks noept* Ircnr, óm te t(*3nen , waerin de we- 
zéhlykc opbeldeting- des- VerfhadR' heftae , en waerR)e de^elVè 
ilrekke; als mede > hoe de*PiiiIo<aphie.ieo.QDdsdicQst hand aen 
hand beho^ren je gacn.;, (}aer de PhUqfophie .zonder Godsdi^st 
in VrygecsWy , en de Godsdienst ^ondef Phjlofophie veelal ia 
Bygcloof ontaert'; *U^elk eoji en ander nie^ dan verdervelyke ge- 
volgen met zich kaft' flepcri. Dit lefd hem verder tot ene nade- 
re overwejging Vatj den aert der Vrydcnkery eii van derr Gods- 
dienst , mitsgaders ..van xierzelver veHcfaUlende uitvirerkzele».;. dat 
hem ook wel byzonder bet oog doet, ^stjgen op de yoordeeï^n, 
en den riatüurlyken. ió vloed van-.den.Geopenbaerden Godsdienst, 
dien de VTygeest Hechts liiet nfetswacrdigc aenvallen beftryd.— 
Zyn Ed. dit alles grondig ontvouvind en emfli'g aengedröngen 
hebbende, richt voorts zyne.acnfj^mek, zoaen den verleldenclen 
Vrydeoker , aU aen de nog niet sverlekSe .|eugd r om ben te recht 
te brengen of te behouden -. e0 deplj hun voorts de volgende 
regels mede, a)s behelzende de getchiktfle middeljS , ois.tot 
Deugd te geraken, en dezelve te vcrmeerdcrejp. 

„ I. Bemoei] u èenfe duidelijke ,. grondige cilTolfcomoDe ken- 
nis van uwe pligtetr te erlangen. ... 

„ 2. Zet de moeite; 'om uwe f»Kgten te* erkennen, zorgvul- 
dig voort ^ en bewasir'sde verkregene kenm van de dwaalingen. 

,« 3- Wend.de keqQis.uweCiPligteQ.JtHmtoiidig op uw h^t en 
leven aan; bereid u. zelycn wijslijk voor elkeq dag, en beproef 
u aan het einde ' van' dehz^ivcn- zorgvuldig. 

„ 4. Zoek 'altoos -teen tevendfg en waardfg denkbeeld van de 
volmaaktheden '.Goda in^tAvo* afiele te «nóverpeir, het zelve voor 
u (leeds. tegen woQsdi^ i^^suwei^edaglen uei bewaren, en hecniec 
zonder eerbied* tci 0Yep^vc^cn,;.v,crb5nd.^oük.du ipiddel d^gc- 
lijks mei éen gebcdr ,. . \ ' , \ 

„ 5. Bcmbeij u'Vrqe^.* vanuwé'ecrfte jaarcn af aan, de wae- 
reld , de metifchen ,*= en Ttzef ven te lóefen' kennen. 

„ 6. Vcrhiatti)r<dn'im}Hiikken'depyj)|fi«n>.<dei}iJnd\i^rk«nider 



inbeddingkr^; roatjg:«we neiglngca, .wanneer zij aan e», voor 
- zlg geöorloft zijn ; houd de ongeoofibfde te rug ,' en beteugel 
de onregtmatigevoorftdiingen „ die de j^andoeuingen het leven 
'geeven, door verfland. 

^ 7. Om u in de overtuiging van dé vbortreflïjkheid der deugd 
.te verfterken, pn- uw vermogen^ tot deugd' té vermeerderen, a 
den zekeren weg der inneriijke, ondervinding , en der voortg^ 
zette beoefening uwer pligten. 

„ 8. Zoek den omgang met goede én 'opregte menfcheuj 
vlied het gezelichap der ondeugenden en lasterlijken. 

„ 9. Leer wijsheid uit het onderrecht der verflandigèn ,' e;i 
uit het lezen van nuttige boeken voor het verfland en het hart,** 
By deze Wijjj^eerige bedenkingen is' nog gevoegd ene j4cacie^ 
mifche Redenvéring'^ welke de Heer van Eckhartsbaupn voorge- 
lezen heeft, In ene openbare Vergadering te Munchén, op het 
Stichtingsfeest der Academie, den 5den April 1785. Dezelve 
heeft ten onderwerper de Letterkundige Onveriraegz^emheid de- 
,zer Eeuve. Zyn Ed. heeft het inzonderheid geladen op de <fot- 
iche waenwyshcid veler Scliry veren, en hunno' dacr uit volgen- 
"de fmaediykc behandeling' van waerlyk verdienstJyke Geleerden. 
Uit het beloop dezer Redenvoeringe moet men enfg^ins opma- 
ken, dat zulks in Dultschland* zeer fterk in zwang gaet, en^dit 
zo zynde, heeft hy wigtige reden, om daer tegen fen fterkfte 
te yVercn : vermids zodanige Critici niets anders dan vei bitten- 
ring te wege brengen, tegen het ware oogmerk, dat een rechtl 
fchapen Criticus zich behoort voor te (lellen ; wnerover by'Zich 
regtmatig aldus ultlaet. 

,. Een Kritikus moet befcheidenheid hebbea , .en eene edele 
vrijheid. Zagtmoedigheid moet in zijne woorden heerfchen, en 
^vriendelijkheid in zijne uiterlijke gedragingen hem aanbeweelen. 
De ernst mag zïg flegts in zo verre in zfjne gefchriften uiten, 
als het de opregtheid en liefde tot de welvaart éoi evennaasten 
veieischt. Het is een hoofdoogmerk , dat- men bij jrtle'onder- 
rtgtingen van zijnen evenmensch'in acht te neemen heeft; dat 
men volftrekt alle beledigende berispingen, tea nadeel^ -van ïsijv 
ne Eere, zo vee! te meer verhoede, als zélfs de enkele bemer- 
king der gebrekkelljke zijde aan-zig, voor hem /reeds verrieden 
rend is. Wanneer lompheid en oplopendheid de taal des beris^ 
pers IS, zo verliest de berispte het geheele eol»K ^gezigtspuAt op 
eenmaal ; hij zfet als dan niet meer óp. zijaè -gebreken ,• wette 
hij begaan beeft, maar op de tegenwoordige belediging en.iEoar. 
king van z jne eer. Hij ziet aan den Kritikus niets meer, dan 
2ijn vijand , en die onbefchoftheid , met welke hij hem behan- 
delt ; en zijne verbeelding van de.fthande, die men hem bij 
andere maakt, laat hem verder in 't geheel niet aan zijn begaan 
gebrek meer denken , maar (pofort zijn hart aan tot tegenweer 
ai wntak^ierlghetd. Ieder woord » dat men verder tegen hem 

voort- 



Voonbrengt , Is louter belediging. Hij voelt nu nitt^ meef, 
Want hij verwagt van 2ijn vijand ntets goeds , maar een lourer 
oogmerk om hem te benadeden. Integendeel . wanneer de KrU 
tikus de tedere gevoelens, die hi) voor Je eere zfjns eveotjaas* 
ten heeft, op alle mogelijke wijze belpa rt, wanneer zagtmo^. 
digheid de woorden verzelt, die den misllag berispen ; wanneer 
geene trotfche verherfmg over zijn perfoon , geenc begeerte tot 
ber'spen en vlekken aan hem te vinden ; geene wraakzugr hem 
te krenken en te willen beledigen ; of elders and.rs eene one* 
dele drift onze pen bcib'ert : wanneer waare opregte liefde tot 
jz\}n welvaa t de drijfveer v n onze te regtwijzing is , als dan 
kunnen wj zeker zijn , dat geen mensch z'jn eigen ptluk zo 
2ecr haat , dat hij zijn hart voor onze te regtw'jxing niet ope- 
nen zoude. Pe ru^fte mensch zal aangedaan zijn , wanneer hij 
2iet , dat ik hem n'et haat , dat ik uit liefde tot hem fpreek^ 
en dat zijn welzijn de beweegoorzaak mijner berisping h. 

,t Doch tot zulke Kritiken behooren goedwillende menfchen, 
geene huurlingen van boekverkopen , welke dit of dat werk 
liegts ui: nijd of uit geWinzugt verkoj>en , |vijl een ander me 
deburger het zelve gaarne leest. Hier toe behooren mannent 
die< tegen de hoogmoed en hart>togten gekampt hebben : geene 
pedanten » die in *t duister zig tot geleerde Courantfcfarijven . 
verheffen t en onbefchaamde menftïhen in dienst hebben , dte 
noot hen koffQbulspraarJes fmeeden , zonder boeken te leezen ** 

Op den tytel ftast, uu h€t ÜQogduitsch* *t Mogt 'er w4 
wat meer uit geweest zgtu 



iMftoêim Fabtkn m Ferulfels. Ti Leydm^ ty W. H. Grypi« 
I7S7* a » 3» 4 m 5^ Stukje. In ivê. 

T^e Heer Henmmus Theodorus Terkamp , in leeven Ordinair 
■ IQerk ter Secrettrye van Hunne Hoogëddheden te AVf«v a^ 
is grootendeels de maaker der Fabelen en Vertelfels, in deeze 
9ler Stukjes en in het eerfte , waarvan wy vocM-heen melding 
OMskten f te vinden. • Veele Stukjes zyn *er in van den Heer 
W. H. Gryp t en eentge zyner Kunstvrienden* De vyf Stukjes 
maaken geene on^srtige Verzamelii^ van Fabelen en v ertelfels 
uit. en zyo» over liet gebed genomen» op een^ bevaUigen tnitt 
V|mg|Ddraageft» 

« * >jt 



i 



-A L G E M E. e N E: . - . 

V A D E RL AND SC HE ; 

LETTER . OEFENINGEN. 



C^hcdcn cri Overdenkingen^ ter hpisfefyJui G^dsdieff^foefy. 
ning voor overdekkende en welgezinde Christentn^^Doi^ 
G. J» ;£oLLikoF?.R , 'Predikant der JEuaagpfi^ch Ji^R'^ 
'vormde Gemeentr. Je Leipzig. In het NeiderduU^c^ over^ 
gezet, tfièrdc Stuk. Te Amfterdam bj de fLryefi ,P^^Jt:y(«: 
en G. Waruars,«i786, Ingr.o&ayo^ ^^i biadstf,, .f 

*5 V/fans (lichtende Tchryfwyze id deze Godsdienffig^ 
lYX voorfl^lli^g^ , il? agt . gejjo.raen , . uit ;cle. voojjge 
Deekn reeds btïkend!, ^aekc dit zyn Gerclirifc tot eeti 
nuttig HuUboeK^ daer 'c, in bykans -alle foorten vaji^QiQ- 
ftandigheden , leerzame opwekkende bedenkinge^i aêit;dê, 
band geefx. Zie bier^ uit vele, %pderi9D^. zyne voordellliig 
wegens het niet valbragtc goede . 'iw>rnepmen ^ en de ycr* 
hienwi/ig yart het zelyt^ dat P^fiw/al te, c^kw/eiif ni^ €ei> 
noeg in agt 'genomen word, en den Ja di^ (luk osbedagi»* 
zamen niet. te er^ft\g ingefcherpt Jcan worden^ Zyzie.op- 
yrekiung .deswegens Juid aldus: r 

"5, Q Gp4, ko^.inoet ik my over myne zwakheid^ myne 
onbefteqdigheid » ;nivi2e . wankelcDOGedi|^eid ' voor u. fchaa^ 
menivoorb, jn wi^ns, tegenwoordigheid ik dit voorne^^ 
men -ppvactèdeyciiéja ik tot getuige van m^yié; pprepbiji^lil 
aanriep! Ja, gy zyt de ojnbedrieglyke getufge..Yan,;^et,g^ea 
ik u beloofd en echter niet volbngt neb y de gecuif^, daü 
ik meerde^ gped^^eet dan varxjch^^}, d;it 'ik yietuit. oo«r 
weetendheid ^waai en (Irnikql ,? d9t i^x\. gedrag eii jAynó 
overtjiüging ipet élfcandeijen ftryadenf ^at ^ niet. zo wyk 
en deugdzjia!ip jb^Q » 'sils, ik v^yiit, kmir^^ en bebooren.te^ 
weezen, ^.y^^,^ -^y, . ., . ^:_v: - y^ ..- . " •/• - 
' „ Hoe .xw;^st ,niK ^'^^ oat «e^ ^. ^t welk 4k.^jutjL 

heb, • ' " ^"' 

«Ikcn 




moet ,liet .n^f- nMff ^m n^yne ^eigan m 



fchUp'.was'Ijét/eene^gpring misichien ééij 

woord, ééne' gebaarde van eenen myner broederen*rn>ï«- 
IL drzLm n. alo. L£TT. MO. 9« B b fcbien 



g|6 O. j. roLLiKóriK 

fchien een nietsbedmdeod toeval , misfchien een verleide- 
lyke lonk of voorbygaande kwinküag, misfchien valfche 
Ichaamte ■ en laage .Tnenfcheftvrees , , mkfchlea losheid en 
traagheid, dié myn voórheêinen veryde^dt en iny tot een 
verraadcr. van royzelven gemaakt heeft 1 Welk een gebrek 
ain vastigheid i welk^*^ene onmaniielyka,.kindfrljkaawak* 
liefdveronderfteld dit nietl Hoe weinig kan ik my op my 
zelven en myne deugd veilMC«n4 ; W«t sotiée^ wel eens 
dan doen of nalaaten , wanneer ik oi» der waarheid of 
braafheid wil vervolgd, wanneer ik geroepen wierd, oni 
het kntis van mynen Heer op my te neeinèti, en hem 
fiings den weg' des onverdienden iydens na te volgen l 
- „Hoe tegenflrydig is myn gedrag! Was het voomee- 
fR<3n,'d^t ik opvattede , waarelyk goed, wa^rpm heb ik 
bet dan niet uitgevoerd? Was he^ kwaad of onverfchillrg, 
waarom heb ik het dan opgevat, en inyzelven met onnut- 
te ïastën belaaden ? • '• 

„ Hoé kan ik by zulk een gedrag in de Wyshëid en ia 
de deugd eenigé vordering maaken f hoé het daarin rot 
«ekere iterkte en vsardigheid brengen; hoe'de^volojaakt* 
heid , tot Welkè ik -als Ghri^tén en mensch geroepen ben ^ 
êftder'eft^ Indiefi ik' heden vöofwaards èn morgen weder te 
f lig éat ,* heden veYHes , -wat- ik '^'stèren gewonnen hebj 
öiy Itédetf do6r ditri vyand ofverwinnen laat, öp welken 
ik gisteren 'zege Wetde? 

^,-H6fe Utftt iV' al!8 dart dfe trodst Vfttt éeii goiéd , onge* 
Vwetst geweeren, de zaligHcSd' vaneenen far d^ deugd get 
vfestïèd«i* Cln-fetett'; feenietert , Wi dien ik ftetfèW zo , en 
tïibrgèn anders, gezind ben; indfen-fkniet ftcedy dezelfde 
begiftfeK Volg, ^ö néar' heft' zelfde dód ftteef; indien *ef 
éeeh 'otde' In -myh hart,"^en overeienflémmin^ tusfcfaen alle 
fc 'èeö^n' Van tiiyfi feédfag';heerfchferi? 

<H^d Ik mynt opiperkznamhéid rifeer, in myn venoo^ 
eetY;^'Heé^''ik trty raind«t:vin uherlyke dingen, tan toeval-^ 
Bgé oAftandigbedfefi", -Wn- &K geen, *t'*^èlk ik zie en 
hoor,'regeerett j'gedttéhte ik mècr aatt dè 'keringen vatf 
dén Godsdierist thVéi ChWsftendom ; ^ *iai W-ét waardy 



der zedelyke vryh^d en de waardigheid van eenen menscft^' 
die ziGhïfel^ii eii de IvSêréirbèfcebrèfcBt ,- 'Wètèr' te war- 
deéren V'verlodr ik m^fclVeh V tcytie ^vetföMttiihg , en löy- 
lie beq-ekkfhg mtndet tiit Het=oog ; k^öB ik -ttèefmaaleti' 
in' mvzèlven ,' zelfs Iti* het cewofel dér Ijezicfhéiden en der 
terkeêring; hoé Vèér'*ilDèweegelykër zoudcb niet^tnyne 



goe^ 



CfeBED£rC SN OVERDSfnclNOBN. 34^ 

fcoede voQrneeniens , hoc veel zekerer zou -dé triffóering 
daarvan weezen! ' . ' * 

„ O moge my dit befchaamende gevoel van mytre zwak- 
beid en myne vernedering tot eene waaifchuwing fli'ekken» 
en my vook' het 'töekeoiende bchocdzaamer , voorzigri^èr,^ 
(landvastiger maaken! Neen ^ het moet kny niet neêrflag^ 
tig doen wpKïein , eri my den moed niet licnéeméni Ben 
ik gevallen : ik. moet geenszins b/yven Jiegcn , geenszins 
myne kjaChteq door onnutte klachten verfpijfen-, ma^j de- 
zelve vergatjerên , en met hieüwê zorgvuldigheid en ge- 
trouwheio, igebPUikeu. Hoe meerder ik verzoiiilfd ën ver-' 
loeren heb , des te yveriger moet ik mj bevlyiigeh, om 
het verzuimde i zo veel raogelyk, 'te vergoeden ,' eri het 
verloorene wederom te verki'ygen^ By u , Almautige en 
Algoede, zoek ik daartoe kr^cbt en hyftand, .e;< die zuK 
gy my zpkérlyk niet weigeren , indien ik ze van gantfcher 
liarten zoek, * 

„ Ja, ik vernieuw hier mede het opgevatte, maar niet 
vplbragfev vöorneemen. ■ Ik zal my alle 'dé dtón^re- 

denen , qie' my daar toe bewoojgen hebben ; en ny)g be« 
weegen', óp nieuws voorhouden, en zulks onder 'hei be«i» 

aef -^A» -Bw^-tegeiuvoordigheid doen* * . _ 

^, Ik zal het zp moeilyk voor.my maakeq, als il: maar 
kan, oni.oök tégen myn vopmeemen te Handelen. 'È^hee 
te algemeen en onbepaald geweest^ ik zal het naaüvlfkeu- 
riget bepaalei} /'in opzigt tot tyden, tot plaatfeti ,* tot 
perfoonen, tot bezigheden, tot gezelfchappeb.- Was Ree 
te eenzaam , te afgezonderd in myne ziel, dan dat ik my' 
bet zelve gemakkelyk erioneren kon; ik ^al bet ztlvèinec 
zeer veel andere gedachten en gewaarwordingen , met din- 
gen, die tot het dagelykfcbe ïevèn behooren, verbinden, 
op dat het van my niet yergeeten moge worden. Ik zal 
my ook uitcrlyke zinnelyke gedenktekenen oprechten ; zal 
zodanige pe/fponeii, waarmede ik het gemeenzaamst ben^ 
.of die het meest 'op my vermogeh , bidden , dat zy my 
hetzelve 'te binnen brengeii; ik zal hetzelve eiken morg^a 
vernieuwen , en my zèlven clkèji avoTid , wegfens de vciw 
vulling of het verzuimen daarvan , rekenfchap afvorderer. 
„ Ik. moet. my de uitvoering van «yn goea Voorneemt n- 
piet te ligt voorReUen ^ pp ttar Ik my niet veilig woanê ,• 
noch tfaag. worde. Hmderiiïsfferi; en zwaarighedcii zal ik- 
fteeds ójfjtmodMn,, aan verzpekingèq. tot. het tegendeel zat 
het zekerWk niet ontbree,ken; daarjraii heb ik zélf dfe difoe- 
Vigtte ónaetvindlng. Daarop^ moet ik defhalveH* vo^af- 

B b 2 Haat 



34$ G. J. ZOLLIKOPER» CBBI(pBN BIV OVipRljIENKINGKN; 

Ihat onakeii, daartoe^. nu reeds, my voorbereide^. Dan 
zal het my zo veel te minder bevreemckn , zo veel te 
tuinder .inc»edeloos maaken, indien ik myne krachten mis- 
fchicn infpanncn , indien ik my zelfs eenig geweld aan« 
dóen, en de zege door eenen moêUyken, aanhoudendeo^ 
ftryd verweryeq moet. 

«, Ik. moet ook niet eeniglyk op de zaaken, die ik van 
voprneemen ben te doen of na te laaten', maar tevens op 
alles acht geeven, wat met dezelve in verbindtenis ftaat; 
op ^les wat dezelve Iigter of zwaarer voor my maaken ^ 
wat. my daartoe aanmoedigen , of daarvan aflchrikken kon. 
I^Iiets, moet my onverfchiilig , niets moet in myne oogen 
weinig betekenend zyn , wat tot de deugd en de ondeugd» 
y^at tot'de innerlyke, 'geestlyke volmaaktheid eenige be- 
trékfeing heeft. 

. ,^ tlartelyk wensch ik, 6 God, deeze voorlchfiften der 
Ctiriscelykè wysbeid te volgen , en dus aan myn goed 
voorneemen getrouw te blyven. Begiuidig gy mynen wensch 
door uwe wyze , goedeniefene Voorzienigheid , en werk 
door uwen Geest het volbrengen van het goèdè in my , 
gelyk gy het ,wilkn daarvan in my gewerkt hebt ! Amen.** 

... /* J' • > , 

Bund(l van Jlichtclykó Leerredenen^ dóór j. Nl^wroNt 
Predikaat u Londen* Vertaald en uitgc^eevcn door vu 
yfMf . wejiK0oy&N. Met tene Voorrede van den fFel £erw. 
zeer Qel. IJeer :j. c. ap^&liijs. Predikant te Zuidbroek 

• tn^Munte^dqrn^ Te.Amfterdam^ by M. déBri^yn, i-jZi. 
ücJiaiven ihet Voorwerk ^ 449 bladz. 

Een. aêntal van een-eo-twintig Leerredenen behelst deze 
Bi^ndel ., welks dertien eerde Leerredenen gaen over 
's Hêillauds merlcwaerdig voorftel , aengetekeqd Matth. XI. 
05-30» In; de pverwegiqg van 't zelve, vestigt de Eer- 

waerde Newton, dt gedachten i op „ de geringe vrucht 

3^ der Eyaggelijbedieningj de bedektheid der verbor- 

,, genheden van het Evapgelij voor veelen ; de hoe- 

,j daanighedQi) van de zudanigen ; — den aart der geest* 
^ Hjke Openbaaring , eja ,wie ze zijn , dfe met dezelve 
„ begunrtigd worden ; -7— de vrijmagt der Godlijke Ge- 

„ nade; den perfo'on van Christus: het gezag 

5B van Christus: Gods heerlijkheid en genade geo- 

^ penbaard in lefus Christus ; de gemoecUgèfteldtaeid 

„ van vermoeide en belaste Zondaaren} -—« het koomeii 

*» toe 



J. NEWTON, LBBRREOBNEN. 549 

,, tot Christus; de tegenwoordige en toelcomende 

j, rust der Geloovigen in Christus; — het Juk van 

^, Christus; het ligte en aangenaame van den dienst 

„ van Christus voor zijn Volk." Hierby komen nog acht 
Leerredenen , welken over de volgende onderwerpen gaen;- 
,, De Geloovigen gewaarfchouwd tegen het geeven van 
^, ergernis , Rom. XIV. lö. De uitgebreidheid en aan- 
„ drang van het derde Gebod, ExoJ. XX. 7. Het leven 
„ eenes Christens vergeleeken bij eenc Loopbaan, ï Kan 
^,^')X. 24. Geen toegang toe God » dan langs den weg 
„ Van het Evangelij, door Jefus Christus, Micha VI. M. 
„ Een leevcndig en een dood Geloof, j^ac, IL aó^ De 
,^ zondfcnfchuld wechgenoomen , en de gemoedsrust her* 
^, ftcld, P/. LI. 17. De verzekerdheid des Geloófs»^ i Joh. 
,^ V. 19." Laaisilyk is hier nog 'bygevoegd ene Leerre» 
den , uitgefproken binnen Londen , op een algemenen Vast* 
en* Bededag, den 21 van Sprokkelmaand 1781, naer aen« 
leiding van Jer. V. ap. 

De Ecrwaerde Ne^'ion heeft deze Leerredenen , naer 
ityne , uit ^yne voorige Schriften, bekende denkwyzc, 
met ene gemoedlyke (lichtinge uitgevoerd; en *er ftraelt» 
hoe men ook voorts over zyn befpiegelenden denktiant 
moge oordeelen , in dezelven door het opIM van een 
Leeraer , die erndig yvert voor een werkdadig Christen- 
dom ; en zyne Toehoorders ten fterkfte tracht te weder* 
houden van het ftiisbruiken van de Leer der Genade. Die 
houd zyn Eerwaerde beftendig in *t oo^; en hiertoe is 
ook byzonder ingericht zyne Leerreden over Rom. XIV. 
16; dat dan uyf goed niet gelasterd viforde; welke hy • na 
andere bedenkingen over dit onderwerp, in deeervoege 
ten einde brengt. 

„ Met één woord; wij worden vermaand ons zelven te 
beproeven ; en anderen hebben vrijheid , om ons te be« 
proeven aan onze vruchten. De lieden deezer weereld 
z\]\\ geene bevoegde rechters over geestltjke gewaarwor- 
dingen en ondervindingen; maar zij weetèn doorgaans vrij 
rechtm^atig te oordeelen over uwe gezindheid en bedrij. 
ven. Sommigen zullen u befpieden uit vijandfchap; en 
anderen zullen u waarneemcn uit weetlust. Wanneer zif 
hooren dat gij godsdienftig zijt geworden , zullen zil acht 
op u geeven , om te zien, of gij daar door beter gewor- 
den zijt. Zij zullen op u letten, niét aUeen in dé Kerk, 
maar ook in den wiukel en in uw huis. En bemerken 
2ij, dat gij altijd dezelfde zijt, altijd .«ven bedaard^, ^acht- 

Bb 3 zin« 



5S<^ J. KBWTOIf 

tmigé ootmoedig i naarftig ; wie weet of dit tiiet <een 
aaiddel.in Gpds fiand zal zijq, om hen te overtuigen, ed 
ht^ gu^iftiger te doen denken van de middelen , die zulle 
«ene krachtdaadige uitwerking op u gehad hebben? Maar 
zoo gij, in tegendeel, onbedachtzaam, llunrsch of zorge- 
l^^j. ^aj't, •— — indien gij of der weeréld gelijkvoriflig 
wordt, of uwe erkende pligten in de weereld verzuimt, 
dan zult gij oorzaak geeven , dat uw Goed gerasterd wor: 
ck ,• gij znit uzelven moeilijkheden op den hals laaden , 
en u onbekwaam, maaken om voor anderen nuttig te »jn. 
Bidt der hal ven dm wijsheid en genade , op dat gifW 
licht alzoo mof^gt laaten fchijnen voor de menfchèn , dat 
2i|,' pwe 'gpede werken ziende, uwen Vader, die in de 
bcmekn is , verheerlijken: . . . ^n. 

„Dit is het groote doel en eigenaartige üitwer^lèl , Fan 
bet Evangcli], wanneer het rèchc vcrllaan wórdt^ Want^ 
gelijk^rwijs het alleen de Genade Gods is , die de Zalig- 
heid aanbrengt ; zoo is het eigen aan die Genade , dat zij 
niet alleenlijk het verftaiid verlicht , maar ook het hart 
reinigt, .den. wandel regelt, door de liefde werkt, en'd^ 
Veereld overwint» Zij ondcnvijst om , en dringt ons zeer 
krachtig — •■ — - iets waartoe de beste Stelfels van Zede- 

kuilde ftn Wijsgeeren altijd verre te kort fchooten • — 

om de gedloosheid en de ^cerddfihe begeerlijkheden te yer* 
zaaken (f> En door de beweegredenen , die zij verfchaft, 
en de krachten , die zij mededeelt , ftelt zij den waaren 
Christen in ftaat » om, zijn karakter in alle betrekkingen 
te verfieren , en; den ganfchen krin^ zijner pligten , zoo 
«Is die hun opzicht helibeh tot hemzelveh , zijnen even- 
mensch ,, en tót God , met wi^n hij te doen heeft , te 
vervullen. Zij leert hem 'm'aatig , 'rechtvaardig en god-, 
vruchtig leeyen : alles te vermijden , wat tegen de reinheid 
van het Ev'angelij zoude aanloopen; maatighcid te oeffenen 
in bet gebruiken, zelfs van geoorlofde dingen; en aan an- 
deren te doen , het geene wij wilden dat zij ons zouden 

doen. Zij leert den. rijken., nederig en weldaadig, 

den armen dankbaar en vergenoegd , te zijn. Zij leert den 
meerderen , zachtmoedig , en den minderen , ge- 
trouw te weezen. Mannen en. Vrouwen, Ouders en Kin* 
deren, Hecren en Dienaars, Overheden en Burgers, wor. 
den alle door deeze Genade ondcrweezen., eh aangefpoord, 
tot eenen wandel , waardig hunner hooge roeping , ch 

(♦; TiJtu« It.ii.*i5« 



ovefctfikewiftff 'ét gemeetie betrettlcifiji; , ih welke zij tot 
Hem ftaan , die hen beeft lief gehad , ^ hen van hunne 
2Dnden gewasfcheji heeft in zijn Bloed. Want de Zede- 
kunde ?an het Evangelij he^ eene veel edeler drijfveer, 
en nicgeftrekter bedoeling , dan de baoden der roenifchlijke 
Maatfchappij. De ingetoogeobeid èn recbiyaardi^eid van 
een Christen worden niet gefteld , Jfi de plaats van leeven- 
dige Godvrucbt, miar ze zim vrucbten, die uit* dezelve 
voortfpruicen. De Genade Gods leert hem , godvruchtig 
te leeven , in God zich te verlustigen , Hem te gehoor* 
zaamen, alles te doeo om de$ Hepfen wiU al^ op&r zijnr 
Oog-, en zich fteeds te laaten beftuuren door eeq gevi»el 
van Gods onuitfpreekelijke Liefde in zijnen Zoon geopen- 
baard verwachtende de zalige hoppe die b^jn. voor* 

gefteld is 9 de heerlijke verfcbijiüng.van den grooten God 
en onzen Zallgmaaker Jefus Christus , die zicbz^v^n voor 
ons gegeeven heeft, op dat Hij, dopr zijn Bloed en door 
2ijiien Geest , ons verlosfen zoude v^n alle ongerechtig- 
heid, en Hemzelven een eigen Volk zoude reiuigen,* ijve* 
rig in gocde-wfirken. —^ — BenaarRigt u dan., om blij* 
ken te geeven , dat gij niet flegts naar Jefus Na^m; get 
noerod wordt , maar ook aan zijne, voeten .hebt .gezietfis 
en gedronken hebt van zijnen Geest. En indiet^, nietjte;- 
genflaande dit alles, onredelijke en boo^e menfchen kwaa^ 
van u l'preeken ën uw Goed lasteren , kwelt u daar niet 
X)ver^ maar. hebt jQfidelljden met de zoodaanigen, en bidt 
voor hun. Wanneer uw Heiland zal^wederkoomen , om 
u^e zaak te .rechtvaardigen , ch uwen fmaad uit tè '^\^ 
ficben , dan zullen alle nevelen wecbgevaagd. worden ," en 
^ rechtvaardigen xullen blinken , gelijk ac Zen , in het 
'Xomngrijk hennes Faders (fV 



B b 4 £e^ 



}5a h ^« METSBAB, BEDESTONDEN* 

Bedejionckn^ gehouden te Batavia^ door jl c. 'metzlar^ 
'Lid van de Holland/che en Zeeuwfche Maatfchappyen ^ 
t$ttn de Utrechtfcke en Bafayiafche Genooffirhappen van 
Kunften en Wctenfckappen ; weleer Predikant te Ratavia^ 
nu te Beufichem , in net Graaffchap Buuren: Met jian^ 
tekeningen en Byla^en.- Te Utrtcht^ by A. van Padden- 
burg, 1787. Behaheff het Voorwerk ^ 158 bladz^ in gr. 
o&avo*' 

Een- zestal van Bcdeflonden , naer aenleiding der Schtif- 
tuurlyke voorftellingen, Job IX. 15; EzralX, 4*^7^; 
Jef. XXIL IE, 13; Klaagl. III. 22; 1 Sam. VII. ia. en 
Klaïgl. III. 26. De Jierwacrde Metzlar heeft deze Bede- 
ftondenzeer wel ingericht naer de tydsomdandigheden, ia 
de jaren 1781 en 178a; en ieder onderwerp, op ene be- 
knopte wyze voorgedragen , ten ernffigfle op *t gemoed 
zyner Toehöorderen aengedrongen ; van waer ze , in ve- 
leriete opzichten , ook nog heden in onzen tej^enwoordigen 
toeftand ^ onder ons met ene leerzame (lichting gelezeir 
kimnen worden. De dacr nevensgaende Aentekeningen ea 
Bylagen -dienen- ter ophetderinge van enige voorvallen in 
die dagw » waer op zyn Eerwaefdc het 'oog heeft, of ook 
welzulkeu^ die hem byzouder betreffbn. 

Leerredenen ef^ Bedejlonden , door j. a. S. hoerstra , 
Leeraar der hervormde Doopsgi^zinde Christenen te Uu 

, recht y medebejluurenden correspondeerend Lid der Edam* 

fche Maatfchappy van Kujift^n en IViettnfohapp^n , onier 

de zinfpreuk: tot nut van 't algemeen. Te Utrecht^ by 

G. van der Veer en Zoon , ij^i^^Sèhahen' Het Voor^ 

bericht y 215 bladz. in gr. ivo. 

De Eerwaerde Hoekftra , fpoedig van ftanHplaets vtnxt* 
derJ zynde , maekt in dezen bonde) aenvanglyk ge* 
. meen twee AfTcheid»- en dne Intree-Reden. Na een ver- 
bWf van omtrent anderhalf jaer te Edam , nam hy zyn 
affcheid , van de Doopsgezinde Gemeente aldaer , den ap 
January 1786; gebruikende tot een Text Hand. XX. 32: 
en den 27 Augustus , deszcifdcn jaers , predikte hy , naer 
aenlaiding van i Tb. II. 19 en ao, zyn affcheid van de 
Doopsgezinde Gemeente te Westzaan op *c Noord ^ alwaer 

by 



J. HOEKSTRA 9 LKBRkBDBNEN EN BEBESTONBEN. 35^ 

Iky Tuicii een faalf jaer den dienst ais Leêraer bad waèrge- 
Jiomen.. Hifrop yolcde den 3 September , in dat eigende 
jaer , ^ne intrede in de Doopsgezinde Gemeente ie Ut- 
rechty alwaer hy zyh dieristweric aenvaerdde, met de be- 
tuiging van den Apostel, i Th. II. 4. fiy deze 

Leerredenen , flaende op zyne byzondere betrekking tot 
ieder Gemeente ; heeft by gevoegd vyf Leerredenen, door 
hem te' Utrecht gedaen i over Heb. XI. 1—5; waerin hy 
handelt over den aen van 't Geloof; bet Geloof der Oii- 
aen , met deszeïfs zegenfyk gevolg ; de tocberciding óet 
WaéreU, zo als zulks verftaen word dooï bet Gelöon bet- 
Geloof • benevens de voortreflyke offerande vaa Habel; ea 
èindelyk over bet Geloof en de zegenpralcnde Hemelvaerd 

van Eiiioch. ^ Wyders verleent deze bondel nog vier 

Bedeftqnden , door zyn Eerwaerdén te Utrecht uitgefpro- 
ken : behelzende ene befchouwing van bet voordeel ener 
oprechte gehoorzaemheid , volgens Exod. XXlil. 2a ; de 
2egcnvólle gevolgen der Deugd , en de beillooze uitwerk- 
zelen der Ondeugd, naer luid van Jez. L 19 en 20; den 
waren aert en de natuur van ene nationale gerechtigheid 
ién derzelver zegcnryke gevolgen , aengeduid Spr. XIV. 
34'»; en zo ook 34 , in bet tegenovergefteFde , het fcha- 

xJelyke en verdervelyke ener nationale ongerechtigheid. 

Zyn Eerwaerde behandelt de hier opgemelde (hikken, ie- 
der in zyne Ibort, op ene regelmatige wyze; des derzel- 
ver voordragt , over 't algemeen , met genoegen gehoord 
lieeft kunnen worJen ; en men , nu dezelven door den 
druk gemeen gemackt zyn , 'er een algemeen nuttig ge- 
bruik van kunne maken. 9nder andere byzondérheden 
die onze ' aendacht tot zich gêti'okken hebben , is zyne 
befchryving van een RscirTVABRDio regent van dien 
'aert , dat wy 't wel der moeite waerdig geagt hebben 
'dezelve hier over te nemen. ' 

„ Êen RÉCMtVAERDio regent , wiens boezem gloeit 
van liefde en lust voor de beoevening van Gerechtigheid, 
lent de betrekking in welke hij is, en boud zich geduu- 
rig onledig met het nafpeuren van zijne plichten , door 
dat bij bevreesd is , dat de onkutide hem of in bet een 
of in bet ander zoude doen dwaalen. Deze hoofd- 
regel is diep 'in zijn ziel ingefchreeven , dat, daar bet 
Volk niet h om den Regent , maar de Regent om dat 'er 
Volk is, *t geen ter bewaaring der goede orde beftuurd 
moet worden i en , ter vporkooming van veele onheilen 
zich vtrbtBden nan zekere wetten , wdke met de waare 

Bb j ge. 



Mflcldheid des Lands en Volks ovcrce» draf en , tij, «cl», 
zelv'en 'en zijne Medercgenten dan moét belchou wen als 
VeiteaenwooTdigers des Volks, welker plicht het is, elke 
ïu- en Opgezetene des Vaderlands , zoo wel de Ichaamle 
Géméenie hieronder gereekent , als de. vermoogende en, 

aanaenelijke, te berchovven als Medebroeders: dezQ 

tegel moec ingedrukt en levendig z>jn in óA harten vaa 
alle Reeeaten , indien ze den naam van Rephtvaerdig zul- 
len veraieneh, maar in. 't biizonder. iu. de gemoederen vao 
dezulken, wslke. deze. aanzienlijke w eewichpge bctiek- 

kiMéa "bekleèden ïn eèn Vrij Gemeeuebest, ah \^ 

voorbeeld Nederland is, Zulk een. Regent, die 3 

dezen regel de Gerechtigheid zoekt ^e, beoevenen, bevlij- 
tiA zich fterk, do» in. 't gemeen de gefchiedenis der Voh 
keii eri in 't bijeonder,.^ijnes Vaderlands, naauwkeung re 
kennen ten einde door. dit middel niet alleen de Rechten 
en Voorrechten van hpm en zijne Medeburgeren te.leeren, 
maar ook, om daar door, als m^t een opflTag van het oog, 
te kunnen zien, wanpeer daarop itjbreuk, gemaakt word. 

, Hij bénaarftigt zich met zijne Medebroederen, om 

het onrecht en de ingékroopene misbruiken te doen wij- 
ken op dat derzelver plaatzen door Gerechtightid vervan- 

cen 'worden. ^ Zijn voorname doel en pogingen zijn; 

Sm alle zulke regelen en plannen werkftellig te maaken. 
die sepast zijn , en dienen kunnen , om bet Vaderland 

flclukkw te maakcn: en daarom zorgt hij er naauw- 

leurie voor , dat dat alles 'er gevonden «n in blpM ge- 
houden word, wat tot' een wèlingerichteo ftaat behoon, 
. Onder anderen is het de hoofdzaak bij zulk een 

Rechtvaerdig Regent > om de Godzaligheid en Deugd; 
door een voorbeeldigen en gelpovigen levenswandel, m 
ziin eigen charafter te vertQonen, en om tevens te bewer- 
ken dat dat alles aangewend word , door welke de God- 
vrucbt algemeen bloeirijk en beminlijk gemaakt^ wo«. — - 
Hierom verbind hij zich heilig , om eene Nauonaale G«r 
rechtigheid aan te kweelcen , en fchildm het beminlüke 

daarvan voor de oogen van zijne Medeburgeren Hij 

haat het onrecht, en zijne oogen kunnen geene onder- 
drukking zien. zonder gevMlige. zielsaandoeningen. — -— 
Het bezef van Gods Overalheid is fteeds bij hem levendig. 

. Hij vveet dat hij van zijne verrichtingen eens re» 

keufchap zal moeten gceven, en dat een onderdrukt volk 
in den jongHen aller dagen regens hemzoode .gumgen. 
indien hij zich aan zulk een fchenms mogt fehuldig g- 



L£B&R^QE|9EN EN BEDESTONDEN, '. ^g^ 

ta22jft tebben. Hij ifi ficcn aahzicnder des Perz<K)ns*( 

en om dat hn met ziJnè McdeBröedéren een geheérVolk* 
vertegenwoordigt, daarom hoort hij zo wel, met gewilliff-' 
heid, na het gekerm, geroep en kladgen van arine wedu- 
wen en weezen , als. na de voordellen van rijken en aan*' 
zienlijken, — — Hij is een befchériöef eYi opbouwer van 
nuttige Kuniten en.Wetenfchappen, eri betoont te waakea 
▼oor den Christejijkèn Godsdienst . door het ongeloof te 
keer te gaan, en deszelfs verderflifken invloed, zoo veel 
mogelijk .met Wijshefd en Voorzfchtigheid te verbreeken,' 
. u—-:. Hjj dingt na een algemeene Eer en Achting, maar 
zoekt die te erlangen door Godsvrees en echte menfchen* 
Ml^TTT Hij zondert zich af i^an all^ vleiers, en 
welke bij hem bekend worden als fchijnvriencïen " men- 
fchcnhaaters en verdervers des Vaderlands. - — 1 Hij 
beeft een affchuw van gierigheid, wellust, hoogmoed en 
geweld , en fmaakt een innig genoegen , wanneer hij eele- 

genheid vind om wel te doen. • Met één woord 

hij is een recht tederlievend Vader des Vaderlnnds en 
vind in het heil en de waare welvaard zijner Medebur^e- 
ren zijn eigen heil en geluk; ja, geniet nooit zoeter rust 
en vrede , dan wanneer hij zien ttag , dat het hen wel 
gaat." 



Hedefidaagfcbe Oefenende Hóelktméc. Door d. van ces- 
«CHSii, HeclmccsPcrjc Amfierdamt^ $n. Lid van yerfchei"^ 
den Gpnoodfchappen. \l\de Deels ^ ^. 3. 4<^ Stukje. Tc 
Af^erdam^, by de Wed. J. DoU^ i?t6k^n gr. 4/0. 

"r\ii derde Cteel^ 4eA«r met zo veel recht gepreezene. 
-■^ Heelkunde 9 is voorzeeker aan den minervaaren Hed» 

kundigen ten uiterften gewichtig. Wy hebten reeds 

in ons voorgaande , van het eerite Stuk deezes Deels (♦), 
welk de Konstbewerkingen in het algeme^sn ten onderwerp 
beeft I eene (corte fcbets aan onze Leezerea medegedeelde 

In de volgende drie Stukken , die wy thans voor ons 

bebbeq , verhandelt de Geleerde en Oordeelkundige van 
Ges/cher ie byzond^re Kons^tbewcrkingen ^ in de volgen- 
de orde. .Voor eerst, de Konstbeweriingen aan de byzon» 
dere deelen vari het Hoofd ^ Welkers getal alvry aanmer- 
• • ' • ' ke*r 

(♦} Zie jilg. Vad.lnu Vide D. bl. 401, 



^ D. VA!Ï êEÏsÓtiER , ÖElftóËNÖl* HEEtkÜNDB. 

kelyk, en niet het minde, «ondcf hoodzaaklykliBid, ver- 
groot is; ten tweeden, de Konstbew^r^^gca aan den Hak; 
ten derden, dit van den Tronk; leri' yiercfen , de Konstbc^ 
y^erkingcn van de bgvcnjlè Lidemaatch ; "ten vyfden , de 
Konstbe^crkingen van ae benedenflc Lcdemaaten. By de 
énkelde béfchouwiug van zo vecle gebreken, welke door de 
Hand êenes bekwammen Heelmeesters, of verzagt, of geheel 
kunnen weggeiioomen worden, vermeerdert zig, met recht, 
onze achting voor deéze edele Konst, welke thans, door de 
vcreenigde poogingen van zo veele beroemde mannen , 
2ulk eenen aanraerkêlyken trap van volkoomenheid bereikt 
heeh. — — De verdienftelyke Schryver heeft alle in dit 
Boekdeel voorkóoóiende onderwerpen , met de mogclykfte 
kortheid en duidelykheid, behandeld, en daar het voorna- 
mentlyk, by de behandeling van zodanigp. uitwendige ge- 
breken , op aankomt , dat men eene nauwkeurige kennis 
hebbe van de waare natuur en oorfprong derzelven , zo 
heeft onze Schryver zig de moeite gegeeven , om 'er eene 
volledige .Ziektekundige Verk'Iaaring , van ieder byzondcr 
gebrek , b^ te voegen , ten cfnde hy zynen Leezer in (liat 
Helle , om over den tyd en noodzaakelykbeid der Konsibe- 
werkinge te oordéelen. En men ziet hieriii voornament- 
lyk de nuttigheid van zodanig een Werk , voor jonge 
Heelmeesters, die. daarin de mogelykfie onderrichting kun- 
nen vinden , en ook te gelyk kennis krygen van de ver- 
fchillende wyiren ,^ waarop deeze Konstbe werkingen door 

de beroemdfte Heelmeesters gedaan zyn. De byge« 

voegde Afbeeldingen der Werktuigen, en de Verkiaaringen 
van derzelver gebroik , verdienen mede onze aanptyzmgp 

. Gelyk ook het Algemeen Register op dit Werk, 

vervaardigd door den fleer j, daams^ Heebheeaer te 
Haarlem^ hoogstöutlig is* ' 



Srieven over de voorriaamfte onderwerpen der Natuurkunde 
en Wysbegeerie. Door den Jioogleeraar l. buc-er , Lid 

■ van de Keizerlyke en Koninglyke Academiën te Beters^ 
burg ^ Berljn en Parys &c. &c. Felgem de laatfic 

■ Hoogduitfche en Franfchê uitgave vertaald. Tweede en 
Derde Deel. Te Leyden, by P. Pluy^ers, 1786. in gr. %yo. 

Naar den aart 'der inrigtin^e van dit Werk, waarin de 
Hoogleeraar Euler , gelyk we by de afgifte van *t 
cerfte Deel gemeld hebben (•) , zig aan geene Systemari- 

fch^ 
{*, Zie Aig. Vadnl Letteroef. VIL D. bl. 248. 



L. KUUR , BRIEVEN* f/f 

fbhe orde verbindt, ontmoet men in deeze twee volgende 
Deelen, waarmede dit Werk beflobtén wordt ', /éene ver-* 
fcheidenheld van ^onderwerpen , welke ,zyq Ed. , op ttae 
dcrgelyke wyzéals Üe Voorigen , in een gevalligeö rfjint, 

leerziaam behandelt. . '- * 

Het eerfte Ded Kep ten einde •' met eene beTchouwing 
van 'de werking der geesten 'op de lichaamfen; ^n dH.leidr 
den Wysgeer: byden aïinvang"van het tweede Deel; telf' 
öavorfchinge ydn'^de natnur der geesten , en het.verbanch 
tüsfchen de ziel en het Jichaarav*t* welk hem -voórtis in-' 
vvlkkclt in eené yerklaaring van de vermogens der ^tcle,' 
en verdere Wysgecrige'beden{cingeff , die tot dit onderwerp' 
behooren. Op'Tiet afhiindelen h|er'van, keert 'hy w^dcr 
ter bepaaidere.befehouwinge van de üchaam^en, en inzon- 
derheid van dbrzélver uitgebfeidbeid'én^déelbaarbéid';' hét 
welk. hem xig.^voorts doet uitlaaten byêr de leer der. Mt>«' 
naden, welKef* büitctifpoörighedétt hy trtigt aan te tóónep.^ . 
Vervolgens hervat hy ' zyne ' voorige bèfchouwfne van iié* 
Gezigtkunde, wel byzonder'ten iajrfkièn'Vafn dé loIeüVeh^*, 
en *t zigtbaar worden van donkefre JicHaamen : 'zyne-daat 
iü gevlogte aanmerkfa^erf, di)'de'^yercenkoinst dêir kóTeu- 
reo in toonen.^ 'dóen hem daar benevens de ajfndagi ves»- 
tigfert op het wörtdétbaarlykè van *s* Meofchcn Üem/ Eti 
bieraan hegt Hy 'vèrvpjgens eeiiêgfezetté be'liandeling viii 
de 'EleftA'citeiry met eene opheldiöririj;* dét vóornaatefte 
byzpiiderbederi ,' * die daaromtrent in '^ahmeiitng komen ; 
waafrmede; her tiireede Deel jlflocmc. ' / By den' aan^i 
vang van het derde óf laatftë Ücel.^ handjeh onze Natimri 
kundige over dè breedte 'en leftgteP^>p onzen Aardkloot ilt 
*t algemeen; en wèï byzonder^oyei?*het bepaalèn der ïcrrg- 
te, roitsgsidersr de verrcbiilende handel wyzeu; wararv^ meit 
zig daar omtrent bediéhti Zulks geeft' hem aanleiding tót 
ccire ontvouwing vait, het geen het totimjö en de-Com- 
pasnailde betreft; hek welK hem Vefvdlberfs'doèt' ïH^ftaaH 
op 'de uitwerkzelen vaii deH Zéill^cféflF \Eii bicrn*vens 
voegt hy ten laatfte eerie Veitlaarihg yftft'pè piopt;rici of 
Doorzigtkunde , met eéne offhcldering i^an 'de yoornaamfte 
byzon^rhederi , wéfltea deswegeni" opmerking vorde^rti.' 
-^ — ^ Om • uit detóe 'byzonderhedèn , 'tot - een ' fbkf tjer 
uitvoering'e, iets óVer te neemen , ; WaSrfote wy geèné^FI^ 
guüren béhoevch, wilkVn bier anders' vèefeFverfcischt'wbiri 
den, zullen wy ons bepaalen tot ddk**H(yogleeraars''^veis 
Uaaring) wegens het blaauw van den Hemel; waaromtrent 

, , .. .',. .:.....-.::•• ... r.: .-..•:: -.I .:,,.. -h^ 



WjJ ' L* EÜLEU 

liy iig.» na de vQorig^ ;y^klaajring van een gezigtsbedrog^ 
aldus uitlaat. 

„.Uwe Hoogheid; (f)' h'eeft nu begreepen de oorzaak 
Van het bedrog, waardoor de Maan, zoo wel als deZon, 
on» 3an den Gezichteinder veel grooter voorkomen , dan 
wanweer zy een aanmeri^èlyke hoogte gereezen zyn, daai: 
iu bef^a^nde, dat wy als dan ,de ligbaamei} ve?:der van (^ns 
af oQMcekn te ^ynf; èehe. gispng, 4ie ji^arop gejgrond xs, 
dat 'Kiin licht als dan eene aantaerielyke verflaai^wing on* 
dergw ö.o,or dè l^pg^ Wg » w^lkV. hef, moet doen door. 
den .dampkring in het laage gewest., d^c het meest belaa- 
dèn is met dampen 'éji liitwaafemingen, die dè doorfchy* 
nentheid verminderen. . Zodanig is, de .l?êrhaalitt| van de. 
aanmérkingen, die;'.i}c'de ee^e gehad heb ü. H. pópens 
dit oiiderwerp voor. te fte;llen.. /. | 

,;* Deze'hoedanigljiei^ van de lucht , welke haare door- 
fichyneutheid vermindert, mag id deq'eerftèn opflag van 
h^t bog als eeagèLbrek béfchouwd worden j mas^zoo men 
'ér dè.gie volgen van g^deflaat, bevinden wyt Sat^ wel ver- 
te v^g een gebrek te zyn, wy integendeel daarin de wys- 
Iieid w oneindige gpedliöid vfin den .Schpppe)r, moeten crs 
kénneii. Het is aao^ deze onzuiverheid der lucht, dat wy 
• 5ai. wonderbaariyk.ih yprxijkkcndé(cliQÜmp^^^ d^É ons 
het blaauw van den Hemel voordoet, te danken hebben: 
waiit 3e donkere. d^elp?,. die de Jichtö?a.alfen,tegphpulien; 
ïvprden 'er door verlicht^ ei> zenden. ops/^vervolgens hua 
êigeh, ilra^len xe Rug ,^;op hun oppervlak:, v^órtgebragt.^ 
door eene geweldige Tchudding , , gelyk in alle donkere 
Ughaamen gebeurt-, H^tlgetal der dViliiiige^, die zy kry* 
gen- nu is het dat. ons dat fcostlyk blauw, jertoont. De- 
Se byzonderheid^ verdient wel ^ dat. 'ik die duidlyk verkbate. 

' . I. In de ecrftjB pLfiats merké.ik: aan , dat deze deel- 
tjes wterojate l^ldfi, zy9> en onjieririig «eer ver van eeh; 
behalven datxy zeer. los. ^ eij bypa £^heelen al doorfchy* 
i^n4ê zyri. pic(rv^n komt he^, dat^ eïk deeltje afeonder- 
luk.vollïreki: .JMeit;.bevatbaar ifi, m,d^t wy 'er niet vm 
aangedaan kunnen .zyn, dan. wan^iecfr /er ' een zeer grppt 
getal tè gelyk 'b>are'ftraalien,..ea.6yiR^^ ^n en de* 

^|ve .rigting, jmuie, onze oogen .afzendt j iie vereepiging 
öpTv^^^cf^ van/verjTcbeiden deeltjes. , is , derhalven npdig 
pp^,e^ne «uLadpening te verwekken*. '^,,^ . , 

VK.' •"".• r.» Il . ' ' . .' ■ ■<■.-'.■ ^^ - 

V ft) Men herinnere zig, dat deeze Brieven aan êcne Duitfcfae 
Prinoesfe gefchreeven zyn. 



„n* Hieruit volgt daft Wait, dtt die déeltjèèj weMcè 
éïgte by ons «yii, onze zincoigcn- ontfnapj^n, Terihitè 
'men die rtföet aatoerken, als püïitfeD', welke dóór' dè 
masft der • lucht fieeh vcrfpreid ^ym '-Maar die dedtjes, 
Wlke zeer "véire Van het oog af zynf : VereenJgéft hunne 
-ftraaleii in ^tföogbyna volgen* èen 'zclvde leiding , wéHêfe 
'daardoor flcrk ^ertoeg worden ooi ötis gezicht aan té döèA 
Vooral wannéér 'inefr dcfat geeft, -dat- dergelyke dcchjès; 
die verder af '*yni ett ook andere die meter nibyJ^' 
saameri loopéü-om-deege iHtwerfcing vÓQit tè brengen. ' 
„ HL De blaauwe koleur, die \Krjr in den Hemel iietf; 
wanneer die ,heWer/is, is^dari niet anüérs dan het gevolg 
vm alle deze. deehjes in^ den dampkring verfprdd:, ^ 
voórhairmèwlyk' 'van- dfe , ivelke zéeir ver vai ons af zyi(i 
men kan daö wel zeggen, dat zy van nature blaaw zynl 
mrtr ^n èèn^ "by 'üfcneeaienheia helder Wauw , dat gob 

. "ttocgzaam niet'dortker en zigthaar is, dan wanneer ''efr 
ëeli zeer gtoöt aaótia!' van die deehjes zyn, en dal zy.plinl- 
ne ftf aaien vèlgens'^een zelvde-leidijiff .r^re^mgen.''" ^" "^'^ 
* „ IV. De kunst brengt eèn dïet^el^é jiitv^érkin^ vooM 
Wanneer men; onder het Tmèh^n' van eene fcleinij Jroev^ecï 
*è.id indigo; irt eente groote hoeveelheid wateir,' dit wïtélr 
Aroppelsgew^s laat vallen, zal iïien 'ér niet de minfté'-kör 
ftur vali verf m zien; en wanneer men het in eert' ttéiü 
kopje ^et, 'zal tóen; 'fcr flèchtsi eë^ie «flaauwé blaéutvigtigp 
ifoiétïr in zien* toa«r wanneer tnetï'ér een groot glas toe- 
.ae- vulf ,. -én At -Van verre ' BércHbutvi! , ziet men -'er 'ccfi 
ittet dioriker bïa&uW» i*.- • Tküémé ptóèf kan men .doeti 
met andere- Hotóilren; aldus ïs het dat'Boü'rgo^nè WyV 
lil teet tlemc hóe veelheid genoómeh-vinhauwelyts roöda: 
tig fchyqt, en in een gtoptó'gevüW fles dè ^oode koléi 
iJêcr donker zal- V0orlcón(ïen,^ .' :'- • 'ƒ _ 

v*'*^- Hèi^atei'ln een gtoöt eAÖlfei^ Bekken fchvqt 

. idtoos 'een zekere -teteuir'' te^heWjIenr^TChooh eèn * klelrte 
hoeveelheid geheel klaar en zuiye^r is.:.deze,ko^eurJs'gé^ 
SMttitjt meer of ttlin nit aéh-gróehêy hér gééiie cjoct zég- 
^cn^ dat de kïeiW deelt|es ♦Sn «tt >viter'htt 'ook z'yh; 
teair van een tihertbaate 'on|ftohde-*Koteür,;-zoö' dat tteti 
*èf écin gïbote:Ti(oéVé8!bfeid vart möct' hebbed, ^é^r mén ^er 
«etB van gewaar '•Woiui,ott;'darijé*ra^)èti''v^\vérfch^^^ 
de - deeltjes zf g' M ' «M zaïtteif * Wréettigen :• óm deze' Üïti 
Ütrfcmg veön t^ WPèi>g(?n. ' ^^ '■ - • 
'^ ;; VL Daaf het= ntt door deze wairii^tthig Waiirfthyn- 
fyk voé^koihtj dlit^4è^Ueiae''d6eHjèa'^'het ws^r^ 
"'"' * ^ ' ag* 



,3S6 i^« SULSll 

jagtig zyn> zou men kunnen beweerep» dat dezelrde re- 
den, waarotn de zee, of bet water van een nieir,,of eea 
vyver, ons groen voorkomt, ook die is, waardoor de 
hetnel ons blaauw toefchynt: want het is waarfchynly- 
ier , 'dat alle. de de^ltjes^ der lucht een ligt afdrukfel vaa 
het blaauw hebben, maar tevens zoo flaauw^ dat oien bec 
iniet gewaar* wordt, dan wanniser men, een ;Eeer groots 
masfa, even als de gantfche uitgeilrektheid van dea 
'dampkring, by een^ ziet, dan dat meq die koleur zoude 
toefchryven aan de/daropen, die in de .lucht omzweeven^ 
en daar niet toe behooren. . . . 

„VU Inderdaad hoe zm verer de li^cht is, en hoe 
meer ontdaan van uicwaferaingen , hoe glansryker het 
ilaiiw vgn den hèmej is, het geeöe genoegzaam bewyst, 
dat men 'er de reden van moet ^zoeken in d'O/eigea deelt- 
jes van 'de lucht. Dé vreemde' ftofiep, die zig daarmede 
jvermengen, zoo als de uitwafemingen, worden integen- 
deel 'zeer nadeelig aan dit. fchóone blaauw, en beneemea 
''et flechts den luister van. Wanneer deze dampen de 
liicht ai te v^el belaadeuj zo veroorzaaken zy hier bene- 
den de nevel of misten,' en beroov.en ons geheel en «1 
van 't fciiouwtoneel der blaauwe koleur i ?oo .die dampen 
ineer verheeven zyn, ?oo als gemeehelyk gebeurt, dan 
komen 'er wolken uit voorts flie dikvvi)s den heinel ge* 
heel en 'al bedekken , en ons een gansch andere koleur^ 
dan dat bUauw Van de zuivere lucht voordoen. Dit is 
dan eetie nieuwe h6^4anip;licid van de .lucht, bebalvea 
die van de fynheid^ vloeibaarheid en veerachtigheid of 
elasticiteit, welke ik.de eere gehad fieb ü.. H. te ont- 
vouwen; dat is te, zeggen, dat de kleine deeltjes yan de 
lucht van natuurc bUanwagtig zyn*;V . . 

Op eene foortgelyke wyze heeft ,|^ de Heer £i^/^r.dit 
ftuk , by eene voorige gelegenheid ,* ,m, 't «nérljte Deel Ver- 
klaerd, 't welk hier... ter nadere ophelderinge kan (trek- 
ken. ' : ' > 

„ Dit luchtverfchynrel, Czegt hy aldaar,) loude geen 
plaats kunnen hebben, indiet^ de luipht. eeii volmaakt 
doorTchynende middelftoffe was, gelyk^etber^ ^dan zouden 
wy van om fioog .geen andere (Iraal^n krygen, dan die 
van de tierren ; maar de helderheid v^n den dag is 200 

f root , dat het kleine Ikht der llenren yoor ons oozic^t. 
aar 'wordt. Gelyk 'U. Ff, niet zien, zou de vlam if^ 
een kaars by dag^.;wannfier zy] daar ; r^pjlplyk ver van' at 
Was» daar die zelvd^'^vbMa des nacfaU zeer belder zoué% 

fchj- 



fiRIIVEtI» ' 35l 

ftfcytien o^ nog veel grooter afflènden. Het' geen dui- 
delyk bewast dat men de oorzaak van het blauw van 
den hemel moet zoeken ixi Het gebrek van de doorkhy- 
iiendheid van de lucht. De lucht is vervuld mét eene 
menigte van deeltjes, die «iet-^hed en al doorfchynend 
zyn,.maar die, daor de draaien der zon verlichte .daar- 
door een beweeging van drilling verkrygen, het geen 
nieuwe ftraalen voortbrengt^ die aan déze deeltjes eigen 
zyn: of wel, die deeltjes zyn donker, en, verliclit wor- 
dende, worden zy zelfs zichtbaar. Pe koleur nu van 
deze deeltjes is blauw: en zie daar de uitlegging van 
dat vprfchynzel. JHet is dat de lucht een aantal van ktfei- 
ne blauwe deeltjes bevat, of men kaó zeggen, dat 4ft 
kleinfte deeJtjes blau<!iragtlg zyn, maar van een uiteiTnaai 
ten dun blauw, dat niet zichtbaar was dan in een ver- 
baazende masfa lacht. Dus verneemeh wy niets vfth öit 
blauw in eèn kamer, maar, wanneer alle de blauwawige 
ftraalen van den gantfchen dampkring te' gelyk ih onze 
óogen doordringen , hoe dan ook de koleur van een icge^ 
lyk moge zyn, zoo kan hun geheel,- te zaaraen gënbmen 
een zeer donkere koleur voortbrengen. Dit wordt beves-' 
tigd door een ander verTcbynfel, dat U; H. niet onbekend^ 
zal zyn. Befchouwende een bosch van naby, zoo zal het 
wel groen voorkomen , maar wanneer mcti zich daaivan 
▼erwydert , -zo zal het' altoos meer uit den blèuwe tóe- 
fchynen. De* bösfchen van de gebei^ens van den' Hartz 
die men te Maagdenburg ziet^ fcbywen tamelyk' blauw te 
2yn, fchoon dezelve, van Halberftad'^beföhoüwd , CTOea 
zyn : de groote uitgebreidheid van de 4ucht , tusfëheft 
Maagdenburg en deze gebergtens / teyni-daar de oorzaSK' 
van. Hoe dun of fyo de blanwagrige deelejes van de- 
lucht ook rzyn ,. daar is 'er altoos een zeer groor aantal' 
van in deze tusfchenruimte , welker ftraien gezam^nlyk 
in odze oogen komen, en bygevölg aldaar een Yedelylc^ 
donker blauw vertoonen/ Wy neemen een 'diergclyk liicht-/ 
verfcbynfcl waar, in eenmevel, alwaar dö Jucht ovérlaaden 
wordt met een aantal donkere deeltjes^ dt« uit den 4>lat!we 
zyn. Niet befchouwende dan een kkfeeh 'afftan^ , v,^m 
men byna geen nevel gewsar; maar waittieér «e afftajKf 
gróót is, wordt de blauwagtige«fcoleu»'»er (lerfc, en zelf^ 
op het pnnt, dat men daar niettvmedr door hecnittih jflén • 
Met waters-van. de zce-fchynt ons^op-eefi tOtkt^ diepte' 
groen toe% maar het is tamelyk heWer , wanneer men W 
een glas aiedc ^aanvult. De oówaak daarvan is; «Mtliaapi 

- II. DEEL. N. ALG. LETT. NO. 9. C C Jy|( 



Ijk dczeUrck: dit water is Uekaden iB«t eca aaptal a?oe» 
^vgQ deeltjes , waarfan ^q kleiu aantal geen zicbtbaare 
uuweckiug voortbrejigc » maar in eeo groote uii;gebreidheid9 
wanneer nien in de diepte zietj brengen zoo veete groen* 
^B^i£^/^^^^^^» z^afflcofiévoegd» een donkere koleur vooru*^ 

IJistorifcht Verhandeling over de Natuur , JJUneemenfiieid 
en Pwhn^ der Waardigheid van Stadhouder in de Ver^ 
eenig^e Provinciën: gefckreven door viylen den Historie^ 
fchryver }h^ WAGBi^Ai^a. Te Jmfterdam^ by dEryen. 
Ph Meiji?i; en G. Warnars, 1787. ïn gr. ivo. 160 hladz^ 

V\w ^e Stadhouderlyke bediening , van fomniige oor^* 
■f^; ipronglyke .yereiscUten afgewetken, Tedert eenigen ty4 
fi^tt onderwerp , gevyorden is der gefprekjkeD ^ beide van 
on:^& kundige en min kundige Landgenooteo , terwyl zeer 
weixugên ürftaaczyn, van reciit te oordeelen over dii» 
llnguliere Ambt, dacht de Heer hdisinga bakkeh, aan. 
's Lands Regeerderen^ ea aan onze Landslieden^ geenea 
ondienst te zullen doen,, door de uitgave eener Hiuorifche 
Uerliaiiddif^ ^ (pef jde natuur^ uUneemendlieid ep paaien 
der waardigheid van Stadhouder ia de Vereéoigde Pro vin* 
ciën; eene.VerhandfUng f die de Heer wag^naar heefi, 
opgeïteKi in de^ [laa(fte Jaarei» des leveins , ea de^ Regeerin* 
ge , , van ^^e^ Vrouwe. Qouver^ntte , Moeder vaneden tegen* 
VOQjdjg^ , I^rfftadlHNi^er h daMKOf in dien tyd bewoogen, 
2)M^9 019 Tomaiiger.. hoog vlïegendei begrippen, over d^ 
Natuur van dac.A^t^ te keftrydw, en, ware het moge- 
lyj^s. te ver^etieieuM Het UyJrc^ onder anderen., zegt de 
Üitfreevjcr^ dat hy iii> de jaaiea 1756 en 1757 met dit ge«i^ 
^i9"iift ondfffwe^p onledig gesweesDjis; een tyd., »o wel ia 
onze Hjscorii» bekendt» als dooribeft deel. d'aic.zyna be-^ 
^Ijaafdf {^jQ daarin getK^iaeiL beefi;* Engeland , toen met 
j^rankryk in.openbaaren oorlojaf zynde., en van den Staat 
bet fe^oiüfs^ volgens.de. TraAaoeen, eifthende, werdt h^ 
v^Akexiep vaii,,da« feao^ifs door de Goiiviemante , en font- 
mige- Ledi^n der Regceringe 4 ilerk g«dceveii ,. terwyl bet« 
^elve door andefea, qr' met naaiae door AmüBerdam, be^ 
V^ereade de onyeq[)ljohlhéid vw hetzelve , even fterk te*. 
gengeho^en. werd^> £te: vftfchilteo hkr over in de Repu* 
bliek bragten e«oe mttAfjit^ rigide SiadboudergOBiiiden ia 
beweegtng^ welken, sd&.gewoonlyk gebeurt, in de Ymm 
der haijtatoobtoi, die teaniigheid hooger opvy&idefi.9 daa 

de 



J* WAGENAAR, OVWt WET MAPHOÜDER SCHAP. J(jj 

4t nambr van dat Atöbt gèhengote. „ Ik Ueb, ze^tonxe 
i, kundige co gemaatigde Htetoriefthryver , altoos ^«ulked 
,, voor anvoérzUhsJge en va//che Vriend&n van de Stad- 
^, houd«fs gehouden , dte by toonde of by gercTirifie bei' 
3, weerden, dat men hem Souverain Van den Lande maai 
^, ken moeirt ; en « tiilken daarentegen voor hunne vtor^ 
^, zickUgt en vMre VrUnden^ dfê hen in hun hoog gezag, 
3, «o alé het door de Wetten en Privilegiën vastirerteid en 
i, bepaald is , voórftofiden en vooffpraaken. Hét vólK 
i, fchtfkc hier, federt het afz weeren vaA den featften Vorsr^ 
,^ vöor de etühooftlige Regeering , ert vat een afkeer oi< 
,y van he©, dien bet denkt, dat naar ruik eene Regeering 
^, ftaat — gelyk me^ in het jéftf 1675 oiidefvondt -- — 
;, «y alleen zyn dan foor wyze en waarc Vrienden des 
i, Stadhouders te rekdA^i, die hem iri zyn wettig yérkre 
,^ gteu geiMg voofftaan en handhaaven; en, fchoön «y, 
„ naar de gróndng$ls eft ards ^er Regeering hém gaarne 
^, ^^oö/ 2lcn y' egter nooit wenrchefn dat hy ü groot wor* 
^^ de/* £>t» dacht on^ V«dèrtendfche Hisronefchryver, 
til op'. dien gtdnd, heeft hy 20 wel de uitmemendheid als 
de poéüen van hef Stadhouderfchap in deeze Verhandeling' 
gepoogd te vestigen j eene* Verhaodeiing , die overal dte 
blykeo draagt van '» Scbryvcrs gemaatigdheid, fchrande^. 
heid, en grondige kcnnia in 's Lands Cofnftitutie en Ge* 
fthJedeni3len , doch dié «ogetyk in onzen tyd aan fomm}- 
gen wat d te veel op een Arfstocratifchcn leest , gelyk 
0ieo bet iw)eait , 2al gcfehoeid fchynen , Waartóe de$ 
Scbryversr byzondere becrckkingen roogfelyk wel itt^ zullen 
toegebragt hebben, fchoon z^ne ftellingen genoegzaam al- 
ryd op Hlstorifchebewysgronden gevestigd «yn, en overal 
de eerlyke 'eri cordaate man doorflraali. Trouwens ♦ wan* 
Bcör men 'flegts' het onderfcheid' van tyden en onrftandig. 
beden j waarin wa<9enaar leefde, met de onzen raadpleegr^ 
xal men nieiifaunfi^n nalaatenr, het karakter en dé kundige 
beden vaa onzen 'Vaderiandfcben Historiefchryyef ook ki 
éit Werk litrtde te doen. 

' Zonder ons i» éenig detail vw deze Verhandeling , die 
in zyn geheel verdient geiee^cn- te worden , io te laaten, zul- 
fen wy önarew Leezeren een beknopte fchèts van het Weffc- 
2Clve mcdedcelen.^ : 

By den' aanvang doet de Schryver een oftdèr^oek naar 
den odrfj^tcftig der Stadbouderlykc waardigheid ,• en by die> 
gelegenheid aanjcetocmd hebbende, dat de SYadtibtfder eer- 
qrds door den .Voc&t , ennn aUeen door de £taat0o aap- 



Ce a 



ge. 



gefield wordt , gaat fay over ter Yerklaaring tan de voor* 
naamfte onderfcbeideu naamen , 2d wel van die , welke de 
Stadhouderen van Holland plagten te voeren, en die hua 
in openbaare Brieven , Placcaaten en andere Documenten 
gegeeven worden , als van eenige andere , met welke de 
patuur hunner Charge, foaatyds ook in ftukken van Staat,, 
uitgedrukt of omichreeven is. Dan , daar de Vorften uit 
^en Huize van Orauje en Nasfau, die, ièdert de opkomst 
^er Republiek , als Stadhouders zyn aangemerkt , of die 
waardigheid met de daad hebben bekleed, niet allen evea 
yeel gezags gehad hebben , heeft de Scbry ver het met on* 
dienftig geacht, kortelyk aan te toonen, waarin bet gezag, 
welk deeze Vorften wettiglyk verkregen hebben , onder- 
fcheiden geweest is; waarop hy, lot een meer byzondere 
verhandeling van de onderfcheiden 4eelen des Stadhouder- 
lykcn bewinds overgaande, de pligten aantoont, tot wel* 
ker nakoming de Stadhouder, volgena zyne Commisfie, 
gehouden is;, als vooreerst, deHoosheidj Gerechtigheid^ 
Privilegiën en Welvaar en van den Lande ^ Leden ^ Steden 
en Ingezetenen van dien^ voortefiaan^ te vorderen en te 
bewaêtren; ten tweeden, het gebruik^ of de oefening der 
Vfaare Chrijtclyke Religie , so die tegenwoordig by publie* 
ke autoriteit: hier te Lande seexercéeri vorat , voor te 
Haan , en die Relijrie van allen overlast en foulen , of 
^rdrukking , dcsordre , oneenigheid^ a/breuk en fkhade U 
bejchennen : voorts - aan elk recht en juftitie te doen ad* 
minifireeren ; in Holland tnet advis van Prefident en Raa* 
den van den, Hove. Waar by de Schryver te recht aan- 
toont, dat de Staaten den Stadhouder wel tot hoofd van 
het booge Hof van Juftitie hebben aangefteld, doch, des 
onaangezien , met de wetgeevende macht ook het hoogite 
gezag over de Juftitie aan zich behouden hebben. Tot 
dit hoogfte gezag over de Juftitie behoort ook het recht 
om gratie , rem-sfie , pardon en abolitie van misdaad te 
verlecneo ; de oefening van welk recht de Staaten van 
Holland, echter, onder zekere bepaalingen» aan den Stad- 
houder hebben opgedragen, en dat wel onder deeze drie 
volgenden: i) Hy moet , eer hy *er tich van bedient, 
het advis. van 't Hof inneemen. 2) De Brieven moeten 
naar hehooren worden geinterineerd of wettig verklaard. 
3) y^an gequalificeerde dood/lagen en enorme delicten j ëe. 
committeerd of begaan met geleider lage en opzetten wiUe^ 
mag geen remisfie of pardon verkend voorden. Uit welke 
bepaalingea klaarlyk te befpeuren is» dat de oefening van 

het 



OVBR HST STADHOüIffllSCHAP. 3(^5 

tiêt Têcht van pardon wel aan den Stadhouder opgedragen 
is , doch dat het hoog gezag daar over , als i;yode eien 
vootoaam gedeelte van de Souvereiniteit , blyft by^ 's Lands 
Staaten, op welker naam, by raade van den Stadhouder» 
ook de brieven van gratie » pardon , remisfie en abolitie 
gefteld worden•^ 

Onder de aaaken van Politie 9 over welken de Stadhou- 
der van Holland bewind heeft , niunt by^onderlyk uit de 
fnachf over de Magiftraats beftelUng in de Steden ; eene 
macht , die de Stadhouders reeds ten tyde der Graaven 
gehad hebben , en die hen veel invloed geeft op de Re^ 
geering der Steden en des gantfchen Lands.; waarom de 
Schryver het. nodig geacht heeft, de natour deezer magt» 
en de wyae , waarop zy behoort geoefend te worden , roet 
de vereischte naauwk^urigheid te onderzoeken ; uit welk 
onderzoek klaarlyk blykt , dat de Stadhouder nergens ver^ 
mag Burgemeesters , Schepens of Vroedfchappen aan re 
ftellen , dan uit eene voorafgaande Nominatie , ten ware 
hy daartoe byzonderlyk geauthofifeerd worde door 's Lands 
Staaten, gelyk nu en dan, en onder anderen in den jaare 
1672 en 1748, gebeurd is; wanneer men geraaden vondt, 
ook met bewilliging van de belanghebbende Steden , de 
Privilegiën voor eene enkele reis te doen zwygen, en, e?/?- 
veitninderd dezelven , buiten tyds verandering tp maaken* 
in de Regeering. 

Na vervolgens gefprooken te hebben over de macht,' 
vrelke de Stadhouder heeft » om de geicbillen te beflisfen , 
die in de Provinciën Gelderland , Utrecht , Friesland , 
Overysfel, en Stad en Lande» ontdaan, over zaaken, die 
niet by meerderheid van Hemmen kunnen worden afgedaan, 
en tevens aangetoond hebbende » dat hy in Holland en 
Zeeland dit recht tegenwoordig niet bezit ; gaat de. Heer 
WAGENAAil Óver tot de befchouwing van de waardigheid 
yzrt Kapitein Generaal, die doorgaans door den Stadhou- 
der van Holland in twèederlei opzicht bekleed ^ordt , 
namelyk , als Kapitein Generaal over de Krygsmacht te 
£rande ^ van elke Provincie , in welke hoedanigheid hy 
Commisfie heeft van de Staaten der byzondere Provinciën^ 
en bevel voert over *t Krygsvolk dat in ieder Provincie 
legt,. of door ieder Provincie betaald wordt; en als Kapi- 
tein Generaal over de vercenigde Krygsmacht te Lande , 
*van alle de Provinciën , 't ay te Velde , of in de Guarn^- 
«zoenen; in welke laatstgemelde hoedanigheid by Commia- 
iie heeft van de Staaten Generaal, en bevel voert over 'i 

C c 3 KrygS' 



1^^ J. WkOBtMAZ -> 

Krygivolk', étt zich bulten de dammende ProvincÜd .*«if 
bet Landfchap Drenthe , ie Velde ^ of ia de Guamuue^eii 
onthoudt ; van wtlke beide hoedanigheden do Sdwyver^ 
«fzonderiyk en uitvoeng gehandeld hebbende, vervolgen^ 
«overgaat ter befchouwing ?aQ de waardigheid vai> Admi^ 
raal met welke de Stadhouder in de byzondeit Provjncië^ 
bekleed is , en hem het eelfde hoofde gezag over de 99Cht 
te Water dier Provinciën geeft, welke hy aldaar, jls Ka? 
pitetn Generaal, over de macht te Lande, heeft; en da 
waardigheid van Admiraal Generaal , welke hem door da 
Staateh Generaal is opgedragen , en hem betzelKlt gezt| 
geeft over de magt te Water van alle de Provinciën, 
welke hy , als Kapitein Generaal der (Jnie , in eeoe en 
dezelfde Commisfie, over 's Land» geraccne Krygsmacht 
te Lande verkregen heeft; --^-^ en deezen taak «fgehan^ 
deld hebbende , fpreckt hy verder over de zitting van den 

Stadhouder in den Raad van Staatcn , van bet eer* 

fte Edelfchap van Zeeland, en hetPrefuientfchap der Ede* 

kn van Gelderland , Holland en Utrecht, ^ van het 

Opper- Hout vesterfchap , ---^—^ zynen rang van Reéloc 
Magnificentisfimus der Academiën van Gelderland , Fries*» 

land , en Stad en Lande , 1 en eindelyk het Opper* 

DireAeurichap der Oost- en Westindifche Compagniën. 
Dit afgehandeld hebbende , berekent hy de inkomften van 
het Stadhouderrchap der zeven Provinciën , des Landfchaps 
Drenthe , en van het distri(^ der Geqeraliteit , die men 
(daar onder begrepen de 25000 guldens, die de StadhoiH 
der trekt als het eerde Lid des Raads van Staaren , en 
het -aandeel in de uitdeelingen der Oostindifche Compag'» 
nie,) begroot op. 300000 guldens jaars' te beloope»; ter* 
wyl hy als Kapitein Generaal der Unie laaooo guldens 
h jaars geniet, behatven nog 04000 ^Iden^ van Friesland^ 
en 12000 guldens van Stad en Lande , als Kapitein Gene» 

raal van deeze twee PiX)vinciën. Eindelyk fpreekt 

hy van het Ërfnadhouderfchap , in de i&Iannelyke en Vrou* 
Welyke Linie , hoe het met deeze Erfverkiaanng is toege- 
gaan, hoe het tegenwoordig met deeae opvolging gelegea 
zy , en wat men voorts met wzicht omtrent de tuteele, 
of Voogdyfchap , geduurende de minderjaarigbeid , . heeft 
vastgefleld. Waarop hy deeze Verhandeling bcfluit , . met 
eene" berchouwing> van de drie tydperken der Stadhoudeiw 
looze Regeering, te weeten, eerst na den dood van wil« 
tBM OEN I, die flegts een tnsfchentyd van zestien maan* 
den geweest is; vervolgens nu den dood van wJtL£ai DRit 



OVER HftT STAOItOUDKRSCHAP* 3*^^ 

II, töt Mft dc verkrezihg van vWll^m den Ifl, tot zynen 
opvolger, dat is, van den 6 Nov. 1650, tot den 4 July 
des ja«rs 167a , en cindelyk , na den dood vtrii willbm 
i>Kti lil, die geftorven is deft ip Maürt 1702, töx den 3 
May des jaars 1747. 

-" — ■ — 

Rjk gifloffurd verhaal , vün dc eigenlyke gcjte?dheid der 
hcdendaagfchc Toonkunst ; of karel bürnf.y'^ , Doctor 
in de Mufitkkundty Dagkock van zyne^ onlangs gedaans, 
iSuficaalc Reizen door Frankryk^ Italië en Duitsclï/ind ^ 
als tot een, verlustigend laat ft e gefchenk aan Nederlands 
Vf'aare Mufickvrienaen ; vertaald en opgeluisterd door jjs^^ 

' COB WILLEM LUSTIG, Organist te Groningen, met een 
Nootenplaat. Voor den Vertaaler. Te Groningen^ l>y ]. 
Oomkensj 1786. //; gr. èvo. 4-2 óladz^ 

Het is zekerlyk kondcrlibg , dat , onder de menigte vaii 
Reizigers, die het vermaaklyk Italië zyn doorgereisd, 
en hunne Aanmerkingen over dit Land in 't licht geg^even 
hebben , tot nog toe niemand zyne gedachten had laatert 
gaan , over den oorfprong , aanwas en tegenvvoordigön 
ftaat der_ Muziek , in een gedeelte des Aardryks , alwaar 
dezelve zo uitmuntend beoefend wordt; en dat, daar men 
alle aldaar vborhanden zynde Schilderyen , StandbeeMcdi 
en Gebouwen naauwkeurig alTchetst, en alle ziiïryke By- 
fcbriiften te boek Helt , men byna niets hoort melden van 
deftige KerkfVukken > Operas en Mnziekfthoolen ; eene 
omftandigheid, die des te meer te verwonderen is, daar 
Italië zich thans, in 't ftuk van frAaije Kunften en Lette- 
ren, boven andere Landen geen voorrecht kan nanmaatigen, 
tcrwyl intusfchen de Muziek in deeze Landftreek , tot op 

den huidigen dag , in vollen bloei is, Uit dien 

hoofde verdient de arbeid van den Heere bürnrv onzen 
laf, dfliir hy in dit Werk ons een oofrpronglyke algcmca^ 
nó Muzicaale Gefchiedenis heeft medegedeeld , .welke de 
yrucht is van zyne Reizen naar Italicn , die hy onderno- 
men had, oro^.gelyk hy zich uitdrukt, met eigen oogen 
te zien^ en met eigen ooren te hooren, én, zo veel doen- 
Ivk , niets te hoóren en te zien, dan alleen Muziek, 
Trouwens, de Heer burney fchynt niets verznfnul te 
hebben , wat eenigzins dienen kon tot opbouw van dit 
werk , terwyl zyne y ver tevens met fmaak , oordeel en 
Onzydigheid, gepaarii gaat. Niet alleen de Lief hebbers der 

C c 4 Mu- 



^61 k* BUlUffEY'5 

Muziek , maar ook die der fraaije Letteren , zullen hief 
overvloedige ItoiTe vinden, om hunne leerzucht te voldoen* 
Ten bewyze hiervan ftrekke het geen de Schry ver , no- 
pens den beroemden Italiaanfchen Dichter , den Abt Afc- 
tauafio^ heeft aangetekend. 

„ Vóór dat ik de eer had , zegt hy , om by Signfn' 
Metastafto te worden ingeleid , onifing ik uit eene gantsch 
betrouvvenswaardige hand het volgend naricht, van deezeu 
heerlyken Dichter , wiens gefchritren, misfchien, meer heb- 
ben medegewerkt tot de befcbaving van de Zangmnziek , 
en dus tot die van de Muziek in 't algemeen , dan de 
vereende krachten van alle groote Componisten in Europa 
faamgcnomen. Ecne onderllelling , die ik vervolgens, wan- 
neer ik flegts van hem , . als een Muzicaalen Dichter ^ i 
fjpreek,,zal trachten op te helderen, 

„ De Abt , Fictro Mctastafio wierd , nog zeer jong 
zyndc, door Grayina ^ een aanzienlyk Burger te Rome, 
verzoont (ji. i. tot zoon aangenomen), Eene ongemeene 
vatbaarheid voor de Poëzy in hem bemerkende, droeg hy 
zorg voor zyne opvoeding , en , onder zyn opzicht , io 
alle..deelen van de fraaije Wetenrchappen onderwezen zyn- 
dc , zond hv hem naar Calabrie , in het Koninjgryk Na- 
pels, ter oeftning in het Grieksch, aldaar nog gerprool'M 
wordende als eene levendige taal. Vyf jaaren bereikt heb- 
bende , konde hy reeds , zonder overleg , in Vaarzea v 
fpreeken, cnGravina zette hem dikwils op een tafel, om 
te ipreeken voor Extemporalist. Maar deeze oefening wierd 
zo nadeelig bevonden voor zyne gezondheid, dat een er- 
vaaren Arts dien koestervader verzekerde , dat het Kind 
om een lugtje moest , indien dezelve niet nableef. Hy 
was in zulke oogenblikken zo driftig aangeblazen, dat de 
borst en het, hoofd hem opzwollen, terwyl handen en 
voeten kond wierden. Crayina , dit bemerkende , en ^ 
naar hét gevoelen der Geneesheeren hiteterende, vond $z:e* 
raaden , hem nooit weder te laaten Extemporalifeeren. Me^ 
tastafia fpreekt thans van dit bedryf, als van iets, 't welk 
tegen de Spraakkunst en de ge^jonde reden even fterfc in- 
loopt. Immer$ , wie zich gewent , op dqeze fiielle otanier 
alle gedachten in Rym te dwingen, die moet noodwendig 
geweld doen aan alles wat fmaak heet, en weet niet wat 
men keur noemt , tot ejndelyk zyn ge^st en v^rftand aU 
jengs aan achteloos^- en ongerymdheden ovcrgegeeven , niet 
alleen alle lust tot nndenkeu, maar teffens aj t bezef van 
't geene , wat ^SjOrgvuldig en VQ&X overleg toegefteU is ^ 

ver* 



DAGBOEK nnBA MWICAALE REIS» ^(^ 

vetfiezeo. Gravina liet Mctastafio^ aleer hy nog I4jaaren 
oud was , den gantfchen Homerus in Italiaanfche Vaarfea 
overzetten ; misf^hien heeft déeze bezigheid by hem uit- 
gerooid de hoogachting voor oude OpfteUers , anderszhis 
aan werklyk groote mannen doorgaans eigen. Grayina 
vergoodde de Ouden, en Metastafig fcbatte dezelve te ge- 
ring. Hy heeft byzonderlyk over het Rym zekere fevo- 
rieigcvoclens, die hy zich nooic laat ontpraaten. De He- 
breeuwfche Pfalmen zyn, naar zyne gedachten, in Rymen 
opgefteld» en derzelver wederkeerende klank van het vaars 
is veel ouder dan men gemeenlyk gelooft; Milton's verloo^ 
ren Paradys kan , zyns achtens , geen volmaakt gedicht 
heetcn , dewyl het in rymelooze Vaarfcn gefchreeven is : 
en nogthans vercoonen zich alle zyne Dramatirche werken 
alle recitatieven, in afgemeeten onrym; hoewel hy door- 
gaans den overgang tot de Ariën voorbereidt , door de 
Rymen van de beide laatfte voorafgaande Ichriftregels. 
Zyn geheele leven is even zagt hecnenvloeijend als zyn 
fchryfllyi , en zyn huiszelyke orde gaat ftiptelyk roet uu- 
ren en klokflag , *t welk by hem een ftaale wet blyft. 
Men kan hem niet ligt te woorde komen. Hy is even 
weinig nieuwsgierig naar onbekende perfoonen dan na 
nieuwe gewoonten. Slegts roet drie of vier boezemvrien- 
den houdt hy geroeenzaame verkeering , en deeze komen 
zonder Complimenten, 's avonds van 8 tot lo uuren ^ by 
hem. Als het niet te moeten is , zet by geen pen aan * 
doch als de Keizerlyke Hofdichter daartoe gelast, begeeft 
hy zich tot het fchryven , maar nooit langer dan twee 
uuren achtereen , en op eene wyze , als of hy een vreemd 
gedicht copieerde. Hy wacht naar geene inblaazing, roept 
geene Zanggodinnen aan ; willen ze hem begunftigcn , zo 
moeten ze komen op den lyd, door hem vastgefteld. De 
Schryvers van de Encyclopedie verzogten hem een* , om 
in hun Woordenboek het Artikel Opera te bearbeiden ; 
maar hy wees het beleefdelyk van de hand , ondcrftellen- 
de , dat zyn gevoelen daar over onmoogelyk konde behaa- 
jgen aan de Franfche Natie. Tas/o is onder alle de Dich« 
tcrs zyn favoriet ; Fingal houdt hy vooral te beeldanryk 
en te duister ; maar de Poëetifche werken van den Graaf 
Medini , een Boheemer , acht hy voortreflyk boven alle 
anderen ,• kezende in de gemelde Vergaderingen oude eo 
jaieuwe Dichters. Behalven deeze avondgezelfchappen 
pecmt hy, op ieder voormiddag, een foort van Staatsvifite 
;ian , daar veele perfoonen , van hoogen rang en uitnce- 
« C c 5 xncn* 



iDMcte refdi«nfttn, worden toegelaaten. Zo liing iben heöf 
iWletjcs «aahoort , fpreekt hy gantsch vryraoefllig en be* 
vallig voort ; doch by de mintte tegenrprtfak «wygt h» 
ftil , ab «> nd« te beleefd en te gemaklyk tot' het zintwii 
ten : liever, wil. hy leeven in de rust en mee hét gemak 
van ^n ongerekende^ <lan met de boflegtende manier eens 
mans vaii groot gewicht machtfprcuken ültdeeleo. Zelfs 
ia Jiet ('childeren van hartstochten, fpreekt by'in zynt 
fcbriften meer met bedaarde redenen , dan met hevigheid « 
deeze effene ^ gdykzweeveodc betamelyl^eid en ftiptheid * 
die men in alle zyne Werken bcfpeurt, ftellen den gtotid* 
Oag van. zyn karakter. In xyh fchryfwyee is hy even 
iejden driftig en bulderende dan in «yn gedrag; men kan 
hem noemen den Dichter uit de goode eêuwe , in deweN 
ka, volgens de berichten, veeleer eenvoudigheid en^ zedig* 
heid^ dan vacrige onrustige gemoedsbeweginaen , heersch- 
ten. De ftroomen eener Vaderlandrcbe toegenegenheid 
Kefde en vriendfchap , met buitcngemoene aanminnigheid 
uit zyne hppen vloeijende , zyn zedige zagtaanige gevoe- 
lens , clie uit zyn hart opborrelert , en de kleuren zyner 
ziek aan zich draagen. Mogelyk heeft hy noch het vuur 
van CormiU^ , noch de geestigheid ea menigvuldigheid 
van FoUaire. Maar daartegen bezit hy den woorderirchat 
en al 't naauwkeiu-ige van Racisie^ ]a teffens veel meer 
't welk hem in eigendom behoort. Zyne geestigheid * 
waardoor hy geringe omftandigheden weet te verheffen* 
bcllaac niet ia letterköerende punten , of zondcrbaare in- 
Vallen; zy is ook niet vinnig of knorrig; maar zy bcftaat 
ih gewoone, natuurlyke gedachten, uirermaten fyn gcp0. 
lyst , en met diamanten omringd. De lieflykheid van zy- 
ne Taal- en Dichtkunst zet iets aahminnigs by aan alles 
wat hy opftelt; de eigènaartige pooging zynes geestes 
dpek op deugd, zedigheid en welvoeglykheid. En rchooti 
hyt in ieder Vaars op zyn Nice^ blyken laat dat hy no« 
iH«t geheeld is van minnedrift voor eene llgtvaardige zo 
ietüigt hy evenwel klaar, dat hv zulks zyn moet/* -^ 
. Wat nu de Vertaaling van den Heer lustig belangt ^ 
fchynt het ons toe, dat deeze. Heer meer voor de Muziek 
dan voor de beoefening der Letteren gefchikt is daar 
deeze Vertaaling, zo wel te» opzichte van ftyl. als' taal , 
allerelendigst is uitgevoerd , fchoon hy het Werk hier en 
. daar met eenige Aantekeningen heeft toegelicht, van welke 
liy zelve getuigt^ dat zy, gelyk hy hoopt, A^ finaake^ 
lyke gerechten^ door onzen Muzicköcminnaar[bvti^tL\^ op^ 



DAGBOEK EE»Mlt MOTICAALE REIS. "372 

g t fth fü ^ 9 ab iygeyoegde toekruiden , (^Atfiettet volantes) 
gullen helden yerjaus/in'^ aithan&^ ^ tem ctn weinig/^ 
ifi hebben gefeitfcld ^ hei zuur temperen en den eetlust 
g0ande houden^ .;..?, 

'wy kunnen hfet nalaabn , de welmeenende Opdracht 
en Nareden van den Vertaaler^ wegens derzelver fingulier* 
^fid, fMizeQ Leezcr^si^.hier ter nitfpioinifiK wAt te deeleii; 
,, Aan d^ Ed. Mog. Huren Burg^musüren en Haad 
4er Stitd Groningen , nfgne hooggeèiedende innigst gevente 
f eerde Superieuren , hoogst welker vereeuwigde Voorssauten^ 
tmlierflyhor gedachienhf^ , my tsanfielden , cp zulk een^ 
etdehnoedisewyzc^ die in myn Vaderftud Himiburg wicrd 
1^/efiouwa als wonderdoétdigi vervolgens. mjne hergierigheiê 
een reis naar Lijnden toefionden; met het burgerfchap be^ 
^ giftigden; en door s^eer gunfiig te ontvangen de eerfteUngen 
. myns Muzicaalen Kweekhofs^ de inleiding tot de Muziek^ 
Jastub^ in het j<tar if^j, allezins aanmoedigden^ tot het 
daarfiellen van andere , by het gemeen met goedkeuring 
i^erwaardigde ^ gefchfifïen; wordt dit laatfie blyk van nog 
onvermoeide dènlL en fchryflust , met verfèhuldi^de danJL 
zegging voor ont^lbaare weldaaden^ federt het jaar ipaS 
genietende in dit bekoor lyk gewest^ en met die waarc^ vie^ 
rige, onuitbluschlyke hoogachting voor Overheden^ in de 
harsen van rechtgeaarde Duitfchers diep gegriffeld , dus 
allereerhitdigst opgedragen door hunner Edele Mégenden 
0nderdaanigen Dienaar^ den o^ifl^^ September^ by de gc^ 
pMfedigde Intree van ha ii^^ levensjaar. ^"^ 
^ £n tot afi'cheid laat hy zich dus uir: 

,, Thans , na verloof vanJset 80^^ levensjaar^ blymoedig 
egftretdende van het muzicaal Tooneel^ in V yertrotiwenr^ 
ds aangewezen rol te hebben mogen fpeelen , niet zonder 
alle jilchtiag; ernjlig voorneestsens zynde^ geduurende den 
rest der dagen ^ onbe/hmmerd de eeuwigheid in te denken^ 
zeg nogmaals den voornoemden Edelusogenden Hoogen Boh 
/cMermheeren rejpatuesfftflyk ddnk , en den Leezeren Isa 
laatfie adieuj* 



Va. 



«» J. KÖK 



Vtsderlandseh Wooréknhoth^ door jacobus rok. Ze^eiv 
' /^/irf^ Dóèl. (OA-ORY.) d/if/ Kaarten , Plaat en en 

fourtraUen. Te Amfiefdofn , i'j J. AUarc , 1787. In 

gr. »vö. 381 blads. 



H 



et zeventiende Deel van (dit nuttig Werk , watrvtit 
. wy reed«< meertoaalen net lof gewaagd hebben , ie- 
^rc ons weder een ryken voorraad op van verftheidene 
Vaderlandfche ftoffen ^ onder welken de Artikelen Jafk 
van Galen ^ Gelderland , Generallteits Landen^ Gecammii^ 
teerde Raaden , Gereformeerden , de yoornaamfte plaats 
beflaan» Dan, daar deeze ' Artikelen te bmOagtig zyn voor 
ons kort en 'bepaald bedek , en wy echter , by de ain* 
kondiging van ieder Deel , een uittrekfel van hetzelve 
gewoon zyn mede te deelen , zullen wy thans hier laaten 
volgen 9 bet geen de Schryver 9 wegens de Stad G^it , 
heeft aangeteekend. 

„ Gent ^ of Gend^ de HooWftadvan het GraafTcbap 
Vlaanderen , legt aan de Schelde , ter plaatfe daar die Ri- 
vier de Lye ontvangt. De Stad wordt, beha! ven van dee- 
ze twee Rivieren , van de Riviertjes de Lieve en de Mocre 
doorfneeden. Ook loopen 'er verfcbeiden Graften door^ 
'die de Stad in zesentwintig kleine Eilandjes verdeelen« 
Zy legt in 't midden van vier voomaame Steden. AnPwcr^ 
pen legt Noordoostelyk , Mechelen Oostelyk , Brusfel Zuid* 
westelyk , en Middelburg^ in Zeeland^ Noord westelyfc» 
van Gend af; elk op eenen aflbind van omtrent df uuren , 
uitgenomen dat Mechelen een weinig verder, legt. Men 
yn\ , dat Gend drie Duitfcbe Mylen in den omtrek groot 
xy ; zo dat deeze Stad voor een der grootfte Steden vaa 
£uropa moet gehouden worden» Zy is met groote Buiten* 
yierkeu, breede Graften, en goede Vesten verderkt. Som- 
migen oordeelen , dat Gend te groot van omtrek zy , om 
voor een (lerke PJaats te kunnen gehouden worden.* Ón- 
dertusfcben wil men , dat Koning willem , yan Engeland» 
plagt te zeggen , dat het veel beter voor de Bondgenootea 
was, Gend^ in tyden van oorlog, te bewaaren , iiZXiBrusfeh 
„ Wanneer deeze Stad gedigt zy, ia met geen zekerheid 
aan te wyzen. Het omliggende Land werd, oudtyds, door 
de Gorduinen bewoond , daar Ca/ar van gewaagt , en die 
hy Bóndgenooten der Nerviërs noemt. Sommigen hebben 
jiem voor den eerden grondlegger van Gend willen doen 
doorgaan. Anderen willen » dat de Stad van de Wandaa^ 
•i \ len 



VADBRL^nSSCH WOORDENBOEK. ^73 

bf^ langekgxl, of teu minden ^rbeterd. zy. Dtezen zoQ^ 
den 'er den naam vtr Wanda^ of W^nda^ aan gegeeven 
hebben , die zedert in Gcnd Veranderd i». Men. fchynt 
nog eenig overblyfzel van dit oude volk te vinden , in 
den naam van Wandelaars Kasteel ^ die aan bet overoud 
Slot, binnen Gend^ gegeeven wordt. Ia de. zevende 
£enw werd de Stad in 't Laijyn Qanda , en het omleg» 
gende Land Pagus Gander\fis, gebeecen. Naderband ver. 
andenie de naam Ganda in Gandayum ^ die van :de der* 
tiende én twaalfde Eeuwen af in gebruik geweest ï&. . ,1 

«, Gtnd is dik wils uitgelegd, en^ qP bet einde van de 
zestiende Eeuw 5 toen de Stad nog meer van haaren ou^ 
den luister dan tegenwoordig behouden bad , werden 'er 
vyfeudenig duizend huizen in geteld, Meyer verhaalt^ 
in zyne 'Plaamfilu Jaarboeket} , dat .men binnen Gend 
tacbtig duizend Burgers ^ van vyftieh tot .zestig jaaiea^ 
oud 9 geteld beeft. . ; 

,, De inw:ooners van Gfind handelen veel in Wollen.etr 
Zyden Stoffen. Ook worden 'er ve^le Lywaaten gent^akcy 
èn gróote handel in Graancn gedreven... V^n Gefidnnt 
Brugge is, in den jaa;e 1613, en vervolgens, op bevel 
van de Staaten van Vlaanderen , jeene .fcnoone Vaart: geii^ 
graven: waardoor deeze twee S^^den gemeenfchap meti 
malkanderen hebben. Oqk loopt 'er eene Vaart van GemP 
naar Sas va^ Gendf die in 't Jaar 1.554 begonnen « en in- 
't jaar 1561 voltrokken. werd. . : : ..i 

,, De Stad is op verre na zo aan^^ienlyk niet , ; als zy 
voor twee of drie Eeuwen geweest ia, ..De helft van den 
grond , binnen, de muuren , is onbebouwd , en beftaat uir 
Weiden en Tuinen. Evenwel pronkt Gemd met verfchel* 
den ruime Markten, en eenige deftige Gebouwen. De 
zogenaamde Vryda^smarkt overtreft de. anderen niet alleea» 
in srootte, jna^ isdaarepboyen met een koperen Stand- 
beeld van KAREL DBN V veffierd , die , in deeze Stad, 
febooren. zyade . op *t midden v^n ,4e Mjtfkt , in zyA 
leizerlyk jee waad , afgebeeld is. 

. „ Het Stadhuis van Ge^d is ^en Gebouw met tweft 
Voorgevels. De oudfte werd in 't jw. 1481 begonnen^ 
men begon aan den nieuwften in 't jaar . 1600 te arbeiden^ 
en hy werd twintig jaaren daarna eerst voltrokken. . . , 

„ Digt by het Sudhuis ftaat de Tokji .van Belfort ^ 
daar men lapgs meer dan driehonderd trappen opklio^t^ 
0eeze Tpren, is van een goed yurwerk vforzien , jen van 
^ne geweldig groote Klok % die elf duizend ponden, ^w^^ 



37* -' : V'. j.Köfc ^.- 

is» enR^hnd'gQVMasA wdtê^ KMdsom den ntitd ték 
die Klok leest men dk Versjes 

Rolant, Rolantt «/x ick kïefpe danU h hfê^it^ !, . 
Als ick luije^'dan u 't eorloge in Fla^ndtfUmt* ' * 

^ ^ ifct Priiifenhóf is ee» zeer oudr ©ebouvr. LoDBirtK 
ir^iN MiiLB kogt bet in *t jaatf 1368 , 'eri ♦eelcri v^n zynë 
öpvolgwfs ^ hebben 'et Kün Hof gehouden^ Keizer raü Ht;» 
Dg V is op den 24 Pebmary , des Jaifér ijoo , io aft 
Huis ter waerdd gekooiDen. 

„ Het Kasteel van Keizer karbl is regelmatig gebouwd. 
Ke VöfSt kiddé *et it\h den eérften (teen aan, in *t har 
1540. Id 't jaar 1573 werdt het deor de Nederhnde« 
Q0 verre gchadW, en elf jaaren daarna^ op bevel van den 
Hertog' van Parma , Gouverneur Genetaal der ^Fèderlarn 
den, wederom oi)gefegt. «» r 

„ De Gentenaars houden st. amand én st. BaAf, üf 
»vo , voor^boftrie'befchettBer^, ' De eerfte v«ras BisfcboB 
V» Tingeren ^ en Öe andere feen ryk Edfelinati. Men wilj 
dat zy beide, in -de ^vendefieuw, het Evaögellc aatf 
de Gemetiaars kwamen prediken. AMAWiy ftlgtte veriawli 
den Kerken en «teoBtidlis ^ ^t dé goederen van arynen ty' 
ben medgerel. Deeze ftierf te Gwrf énrtrent het jaar (J30* 
Ste voomaamfte Itérk^ der ^ad is h^ro- toegewjd. In derf 
jaare 1559 wetó zy.jtfoor Pafiis^PAüLus *ï>Ef iV tof écne. 
Bisfchoppelyke Kerk verheven» '■ Gori?elios jansknkjs 
ivierd tot ecrfte Bisfehop bcfioertd; Het Bisdom vaii Gcnd 
flaat onder het Alart»Bisctonl vtvtMdchelen^tn gebied, Jii 
'6 Geestelyfce , over zeveiï Defcenfchappen , Eycrgem^ 
Waas y^ Bukt y Déndérmonde ^ Oudenaarden^ Deinze en 
ThicUy^ en honderd d^ieëntagtig Keffpefe. De Stad wordt 
döór eënen Aartspriester bèdiendï' 
-' yy De Hoofdkerk van st. ba>>, die in 'ï midden iet 
tkvai ftaat, is groo*, fchoon et ^e^r osd.' Men vindt dat 
iy^in 't jaar' 941 , dóór TRANsMi^ktü» ; Böfchop van 
Doornik y is ingewxd. Men ziét-^er eene fraaije Grot, of 
èflderaardTche Kerfr. htxx 't OósteBWe Hw de Kerk ftaat 
ten wit marÉierèn* HeeJd , roet . één . hóttfd en drre iMngé* 
zuchten, dfc elk eerren byzondetefr we^ heen zien.- • Men 
fchrikt te zeggen, *vat 'er door tè kermenf gegeeven wordt; 
• „ Behafven dè Hoofdkerk , heeft men te Gcnd zes 
K^rfpelkerken, en een eroot gewrl van-Mamrcn- en VroUf 
wenklooaten. Dfe SK fieten Abtdy ," en de Abtdy' vaA 
TSandch , biflüen , en die- Tan Drongen-^. even bvken de 

Stad, 



VADIUAimSCBL WOORDENBOEK. ^-^g 

£ttd| ffifO zftcr veromrd* De ee^fte is eoie vaa de* ryt> 
Ve Abc^^ea van Nederland» De Abt heeft waerekUyfc 
KecbtsgebSied oyer een g^oot gedeelte der Stad. De Kerk 
deezer Abtdy is ^ragtig herbouwd, in *t jaar i7i3. 
^ 9, M^n beeft biiaaen Ge^d, meer dan duehoaderd Urug^ 
gen geteld ^ op eeoen van dezelven ^ de Hoofdbrug ^ 
liaamd ;. daar men' geWoop is iHal^echc te doen i liaan 
twee metaalen Standbeelden , vercooncnde eenen Zoonr» 
flie» zyneo Vader h/et hoofd willeqde ^fflaan, daatin b9r 
kt werif doordien bet zwaard , terwyl by zynen axoi ofh 
hief , aan tweeêri brak. *t Gcwaf zqu , in 't jaar 137J, 



kebeurd zyn ; doch het wordt van verfcbeidfen ^biy ver^ 
met zulke verrcbiUende. ooiftanidigHedcn. verhaald ^ diK'd^ 
door de geloofwaardigbcid der v^telling m^rkeiyk v«r<t 
2wakt wordt. Ondertusfchen Is dit voorval ook. in e^^i 
Scbildery, op bet Stadhuis, afgebeeld. . , 
; ,9 In den Regeeringsvorip wn Gtnd U dikwils vera^Jcn 
xmg voorgevallqik Oyntrent dei^ ja^re 1200, werdd^ 
Stad door dertien ,. en. (om tyds. niet meer dan agt Raad&t 
teercn , of Sci^pengn ^ tiellierd. Zo dra 'er één. fltietf^ 
wierd 'er door da, overigen «»n, anget^ijn, zyn pja,at? g^ 
iooren^ Qraaf Fsa^^^ANü beva\ ^ 10 ^hy^ia \%\^ ^^^la^^ 
ae dertien Raad^neeixa^ voortaan alle. jaaqen v.ecand^r4 
iooeateq worden^ .r.,2^$ti^q ]as/-en , daarna ft^ldo \^^ ««q 
llaad aan van i;c;^nenderti(| ]j)ierï;>oneQ. Grivia ma{^6A<» 

ËST 9' en GVY 3) -baai: 2oon.» ..f(;h^tcn paderband iUef^ 
ad weder aty, ejB fidden dertig Opziendérg van beti 
Cemeeqebest^iQ, 'deszel^ plaats , nev/en^ devien Schept 
tien, dérfien Kaadiheereu^ en vier I^êsningiseester^., Id^o 
negenendertig; manfcbap verzettede zkb. jceg^n, dee^o njeif? 
wigbeid, ^n bm^èp;Zich 6p hei Hof. ^ao-Pary^ ^ 't wellb 
^vaT» dat het Bcgenendertig tnaoTcbap, ftand. grypiil] ,. e^ 
detvOiieuwe 'Eegeéiiog afgefchaft zou. worden. Fiups ,p« 
'icHOON^Bi „ Koning, van Frankryk , Jn \ laar ,^30^ ,',¥Oinr 
Opperbeer. v^u; Vlaanderen erkend geworoen zynde, 0>aaJk4 
te wederom ve^ndenng ia de RegeepnAi Hy baval^^ 44« 
de Burgers ^ alle jagren ^ 's dai^gs va9r Maria*a Hepelvaur % 
byera .lömen lüoesieo., wannear de Gr'a,aC.». f|f ^yne Gt* 
volmaclptigdea. Mier perC^onen i^t bun ^vetiaiezen, ^oudom»' 
Zy moesten ;«? v^n,,bunne zyd^ook vier bevoouifaf.i. <u 
dy^eze agtr moeste^ zesenwintig .Ag^aar^ .c^ t^wiuipiii 
Mapnei} verkiezof « die; uan. dén.iGra'af,^. of 7y»^rQ9Rl>)^ 
machtigden ^ in. dertien Schepeajen ^. en^ even; ^.,ye^ 
Raadeo> ve£dedia.zi)ü4ea..w<^ip4w,.. Q^^^AC net j'asif:ji«B 

werd 



i1« J. ItOK * 

werd bet gantfche libhaam der Ingeasctcnen in drie Leded 
verdeeld: Bui:gers, Ambagtslieden , en Wevers; en meü I 

ftelde vast, dac de zeseptwindg Raadshéeren alleenlyk uit 
deeze drie Leden verkooren zouden worden. * Drie jaarcii 
laater werden de Dekens van de drie gemelde Leden der 
Inwóoncren , tot alffemeene hoofden hunner Gl^ebroeders 
aafigefteld. De Deken der Burgers was de eerde Raads- 
heer der Stad , en had bet gebied over alle de Burgers , 
ijie geen handwerk oefenden, en van hunne inkomften 
iteefden. De Deken der Ambachtslieden , die d^n naam 
van A artsdeken droeg, had t weeën vyftig andere Dekens,* 
van verfcheidene handwerken, onder zich. De Deken 
Bër >yéevers had het bevel over zevenentwintig Genood- 
fchappen , die ieder hunne byzondere Vaandels hadden, 
Gróüt was het gezag van deeze Hoofddekens. Zo dra 
'er eeniee beroerte in 'de Stad ontftond, trokken zy, om 
die te ftillen , aan het hoofd van de Gilden der werklie- 
den^ op het luiden van de groote Klok Roeland, naar de 
Markt, in zo groot een getal , dat de Vaandels van sr. 

iORis van Vlaanderen en van Gend , onder den* eerden 
laadsheer , en dé twéeriëzestig Gildevaandels onder dea 
Aartsdeken, fomtyds een getal van dertig duizend mannen 
uitmaakten. Filips ns goedig fctrafte Attzt macht van 
Dekens af, die, echter; naderhand wederom 'werd inge- 
voerd, doch eindelyk door Keizer karel de V voor al- 
tyd vernietigd. Tegenwoordig hebben de Dekens der Gil- 
den niet meer dan de fchaduw van hun voorgaand gezag 
behouden. Geen Ambachtsgild mag , zonder toeftemming 
van Schepenen, dié jaarlyks, ten getale van tweeëntwin- 
tig , vetkooren worden , byeen kómen. De Verkiezers 
der Schepenen zyn drie Edellieden van het Land, die 
door den Grave voor hun leven aangefteld worden ^ cul 
een vierde, die jaariyks of bevestigd, of veranderd wórdt. 
Deeze vierde heeft het meeste aanzien en den voorrang 
boven de drie anderen. Hei Rechtsgebied van' Oend en 
het Frye ftrekt zich niet 'alleen over de Binnen- en Bui- 
tenfingels der Stad , maar ook tot aan S^ Margareeten- 
grafi uit. Binnen dat gebied heeft de Overheid van Gend 
dat zelfde recht, als binnen de Vesteiï dér^Stad, hetwellc 
iy door haaren Amman laat handhaaven , die verfcheidèti 
Bedienden onder zich heeft. Allen , die zich binnen dit 
gebied nederzetten , zyn , eveij als de Burgers ; vry van 
alle Landlasten , gemeenlyk Poinriugen en Zittingen ge* 
hccten. Zy betaalen' alleenlyk Stad$ Excyns en Tol. 



VADERLANDSCH .WMRDE19B0BK. 377 

,9 De Laodftreek van Gend-htliootie' 9ucUyds niet tot 
Vlaanderen^ Ten tyde van karbl dbn grootan en lo 
j>EWYiL Dtn vaiK>M£N , hing G^/7(/ van Braband af. Dit 
blykt uit de Brieven van deeze twee Kfuren , in welken 
van Gcftd , in het Brachbantf Land , Gunda in pago 
Bragiando^ of Bachbantenji ^ geyvaagd wordt. Gendwcrd 
door KARBL; OEN KAALfiN aan zynen Schoonzoon, bou* 
DBWYN, eerft^. Grave van Vlaanderen, gefchonken. De 
Genteimars werden federt op de wyze van eenen vryen 
Staat beftierd>.^n gehoorzaaoidenden Giaaf yan VJaande* 
ren niet,* daji wanneer zy 't goedvonden. In *i jaar 1539 
ftonden ;zy tegen kabel di^n V op. Zy gaven voor, 
dat men ben te zeer met fchajtthigea bezwaarde , en vec- 
zogten FBANpois dbn I» Koning van Prankryk , om by^ 
ftand. Dees wees hen af. . De Kjeizer kwam uit Spanje , 
. door Fraokryk, naar GenJ^ en oefefKie ftrenge ftraf over 
de weder^annige Genteoaara* Hy deed zesentwintig van 
de voomaamfte Burgers (k>or Beuls banden ombrengen, 
zond een veel grooter getal in bailingfchap , verklaarde ^ 
alle hunne goederen verbeurd , en beroofde hen van hun- 
ne wapenen en voorrechten. De Stad werd in eene boete 
van twaalf honderd duizend Kroo^en heilagen , en de Le- 
den, der Regeering veroordeeld., om de openbaare omme«- 
f»gen , meeden ilrop om 'den hals > te verzeilen. De 
iizer liet toen, am zich in h^t toêkonjende van de Stad 
ie verzekeren, bet Kasteel oprechten,' daar wyvan te 
voeren van gefprooken hebben. Ondertusfchen bragt zy« 
jie llrengbeid niet weinig toe , tot het verval van dm 
Handel , binnen deeze voornaaroe Stad, lu ^t jaar 1576 
werd te Gend het vermaarde verdrag , tusfchen alle de 
Nederiandfche Provinciën y yitgenomen Luxemburg en IVa^ 
ffi^/i, geflooten,. dat gemeenlyk ^t-Paci^aiic van Gend^ 
of Ccndjche Vrede ^ genoemd wordt. Het beftond in vyf- 
cotwint^f Artikelen, en bebelsda voornamelyk , dat de 
vreemde troepen uit het Land zouden gezonden worden; 
dat de Provinciën Holland en Zeeland met de overigen 
vereenigd^zouden blyven , en dat de Roomsch Katholyke 
Godsdienst, en de oude voorrechten des Lands, gehand- 
haafd zouden worden. Dit verdrag werd door de voor- 
naamfte Geesielyken , Edelen ^n Afgevaardigden der Ste* 
den , onderteekend. , De Koning van Spanje ^ . filips de 
11, zelf bevestigde het. Kort daarna deed de Hertog 
VAN AARSciloT, als Gouvemcur vaa Vlaanderen , te Gend 
zyne inti^de. Drie dae:ep laater liep de gantfche Burgery^ 

iU DBBL. N* ALG» L£TT. NO. 9* D d doOC 



S7J ' ' ' y^^^ 

-door deHecren imbise, ryhoovb, en anderen , 'opgeruid, 
fchielyk te hoop » roepende , ckit men hun de voorrediten 
^ou wcJer geeven , die Keizer kabbl hun benomen had. 
Dit werd geweigerd , en hierop verzekerden zy zich van 
den Hertog , van de Bisfchoppcn van Brugge en Iperen^ 
cii van eenige andere Hceren , die zy een geruioien tyd 
ie\)^ngen hielden. Vervolgens deedcn zy den eed vaa 
getrouwheid aan den Prinfe van orawjb , onderfcbreven 
de vereeniging van utrecht^ en ftelden imbisb tot Voor- 
fchepen aan. In 't jaar 1584 onderwierpen zy zich wc 
derotn aan den Koning van Spanje; imbisb werd afgezet, 
en dfen a Augustus van het jaar 1585 w 't openbaar ont- 
hoofd. LoDEWYK DB XIV, Koning van Frankryk, maak- 
te zich in het jaar 1678 . na eene belegering van tien da- 
ven meester van de Stad GenJ; doch hy ftond haar by 
de Nvneckhe Vrede , in 't zelfde jaar, wederom aan Spanje 
tf Na den flag by RamilUes, in 't jaar 1706^ werd zy 
van de Bondgenooten des Keizers ingenomen , en op dca 
-«:den Tuly » van het jaar 1708, by vcrrasfching , door de 
Vranfchen , die 'er echter maar weinige maanden meester 
'van bleeven. Marlborouroh en euctnius kwamen 'er, 
OP het einde van het zelfde jaar, voor , en de Stad gh* , 
Ijv verdrag, aan hun over, op den gollen December. De 
Graaf de la motte , die 'er van Prankryk's wegeo fcet 
bevd gehad had, trok, nevens do bezetting, die 14000 
man fterk was , op den «den January, des jaars 1709» 

ter Stad uit. • ^ j, • 

Een groot deel der onderhoongheden van Gend legt m 
die'Landftreek, welke men, voor deezen meer dao tegen- 
woordig, in 't byzonder^ het Keizerlyk Flaandereti plagt 
te noemen. Decze Landftreek werd door otto dew 
GROOTEN , omtrent het midden van de tiende Eeuw , aan 
het Duitfche Keizerryk onderworpen, en ftrekte zich toea 
uit tot aan de Poorten der Stad Gend. Zy werd aan 
Keizer otto afgeftaan, ten tyde van lodewyk van ov»«- 
ZEt\ Koning van Frankryk , die een verbond met den 
Keizer maakte. Men vindt, dat beide deeze Vorftcn, m 
•t laar 948 , op de Kerkvergadering van IngeÜtdm , hy 
Mentz , geweest zyn. Otto >, de grenzen des Keizei», 
te<yen deti Grave van Vlaanderen , willende beveiligen ♦ 
de'ed , in den jaare 949 , cene fterkte opwerpen , om do 
Gentenaars in bedwang te houden. Zy werd het nieuwe 
Kasteel genoemd , en de Stad is *er , veele jaaren acwer 
een, «egr VW jekwW geweest. De Keizcrj feWen er 



VADBRLAND6CH WOORDENBOEK. 379 

Bevelhebbers in , die den naam van -Graven voerden , e« 
•er, tot in het jaar 1000 toe, meesters van bleeven. Bou* 
i>EWY^ MET DEN BAARD, Graaf van Vlaanderen, maakte 
xich toen meester van Gend^tn van dit Kasteel. Hy ver^ 
dreef de Keizerfcben » en (lelde; eeneo Kastelein of Burg- 
graaf te G^/?^ aan , die'LAMBERT getiaamd was, en wiens 
nakomelingen Erfgenaamen en eigenaars van dit Burggraaf- 
fcbap geweest zyn. Keizer iiendrik deed Vlaanderen éitn 
oorlog aan, ter verdcediging van de grenzen des Keizer- 
ryks , eu nam bet Kasteel wederom in. Ëenigen 'tyd dapr^ 
na kwam het andermaal onder de gehoorzaamheid van Vlaati-) 
deren en van Uen Kastelein; Völkaart, Zoon van lam- 
bert, bekwam eindelyk déïi eigendom van dit iiurggfaaf* 
fchap. Hy liet eenen Zoon na , lambbrt geheeten , die 
verfcbeiden Kinderen had* Venmau, Burggraaf van Gci?d^, 
was de Vader van aarnout f Grave van öuines, Bouoe* 
WYN, oudfte Zoon van aa^nout, volgde Jiem op in 't 
GraaflTchap van Guipes. Sioer , een van aarwoot's.Zoo* 
nen , werd Burggraaf van .G^ü»^. De mannelyke, nakoroelin>* 
gen .van deezen sioer zyn in *t bezit van dit Bui^graafrchap 
gebleeven, tot op hugo, dte eene Dochter, maria gehee- 
ten, tot zyne Ërfgenaame. had» welke, in het jaar 11^80 , 
met GBRARD , Heere van S9fmgh$en\ trouwde. Uit dit 
Hawelyk is ikjoo van *Jb/^/^///<?«^ge<prooten , die geene 
Kinderen kreeg, en zyne Zustér, maria vzn'Satsnghien'^ 
tot Erfgenaame bad. Deeze trouwde met hüg.0., Heere 
van Athoing en Eipinoi ^ wicn zy eene Dochter baarde , 
iSAöfcLLA geheeten, die aan jan, tóurggra^f vanit/<f/z^«' ea 
Kamerling van Fraiikryk trouwde , wieii zy het Burggraafl 
fchap van Öend mede ten Huwelyk bragt. Dus kwapi 'dit 
BurggraafTchap in het Huis van Mclun d*Espimi.. i 

„De Kasfelry vkn Gcnd heeft nc« tegenwoordig Merfchei- 
den onderhoorighedcn en Heerenrechten. Zy is onderfdnoif 
den van de Kasfelrye van den ouden Burgt van G^fu/^.daar 
j^sentwintig. Dorpen ,e die over de Scheide en de Vaarten 
gelegen zyn, oncfer behooren. Somerghen is het groocfl^ 
van deeze Dorpen. De gantfché Landftreck heeft :den Kei- 
zcren toebehoord , van de tyden van otto ojrn CROOTÈir 
«f; maar na den dood van dirk , Grave van Huhp^ die in 
»t jaar 1,174 voorviel, maakte pïlips vawmr eczas. Graaf 
van Vlaanderen , zich meester van den ouden Burgt V2ii\Qend, 
en vereenigde die Landftreek met het.Rechtsgebi^d, der Stad. 
Deeze Graaf en zyne opvolgers hielden t een en 't 'ander ze- 
dert ter leen , van de Koninj^uyan^Fjanlfiyk, t^f pp de ty- 
den van KARïL DEN V.** ITd a ^ ^ '1^ vqi^ 



3^0 J. H. CAMPB 



Vpïlè'dig Lcerftelfel van Opvoeding ^ ontworpen door eenifte beroem* 

de Geleerden in Duiuphtand ^ en uitgegeeven door j. h. campb* 

" TM^eeden Deels 9 Uveede Stuk. Te y^mjterdam » by de Erven P. 

Meijer èn G. Warnató, en do Wed. J. Doll, 1785. In oSa-- 

vot sdlo'bladz» ' 

Uees}foek voor Kinderen^ ruft Piaqtfn. Tw.eeden Deekf eerfte Shék. 
TV jlmHerdam a^r boven». Jn o&avOf 160 blaèt. 

Qp d^ Verhandeüngvan |dcn Hc^r Campe\ m 't voorïge' Stuk- 
je,. Qve^, de eerfte vorming der zielen vap jpnge lS[.inderen, 
in' heif eerfle eii tv^eede jaür der j^indscbheida Yolgt', in het te- 
genwoordige ♦' écnc Verhandeling^^van den Heer. ^///awinp , over 
het gedrag by dé 'eerrte ohtaardingen der Kipdcren , welken zy 
omtrent tot In het ctepde}aar' kunnen hebben. Onder deezen 
betrekt hy de Styfhoofdighcfd,' hét Ween». n en Schreeuwen, dé 
Boosaardighfefd, de GeVeinsdheïd , de oribetaomelyké* Uitdrukkin- 
gen ^ het» Snoepen , de He^KL)cht,*<te' Nieuwsgierigheid, de Vrees, 
de Viesliéid, Afkeer en Mordgheid, het geb;ek aan Schaamte, 
de vyandigQ'Harcstogten,. doPfaalzugt en de Agteloösheid. De 
Heer ^j//!7ti|Bf gaat dqn éart eo uitwerkingen döBzer opgenoem- 
de ontaju;dingen af»)i]derlyk.na»'en dezelve verftandig ontvouwd 
hebbende, toont hy vpr^er op» eene oordeelkandige wyze aan, 
^vat men te cjaon, en yooral te vermyden hebbjB, om ^e voof 
te komep., 9^ QP d^ eerfte- ontdekking ten kxagtigfte legeo t$ 
gaan.\ Envyyc^crs geefj Ijy'den Duders en Op voeders, -om hun 
net Werk gemakJyker te maaken , de volgende lesfcn , welke; 
béoèfönfng veel nadcqt 'be|ettQn ^al, a^n de hand,; welker gron- 
den in dciVVcrhanöeli g zel^e te viqden zyn, ' 

• ,,'Efc édrfle Les: „'Sla Zo weinig hand aan de opvoediogal^ 
iriógëï J'Ip -l^.*^' . De.natüqr, 'de dingen, zj'ii de be>te opvoeders, 
• ?ygevölg'^ • 

• >.. W ip'-Ptyf het Kind-nfers aan , rtoch zyrie ipyzen , noch 
fsjm kleodereh , noch zyri fpèelgóed. 
I. .b,»^i.) 'Werachdgeefl mensch ?n zyrte tègenwoordfgherd. 
!. .v'é) Bctocn by hem noch afkeer , noch vrees voor een« 
jöak» ^<? <>ok genaamd. . '. ^-^ • 

% nA) termeerder. :ïyne fiilart niet door uwen fchrik, door 
^W.bAJ^^iigi w^'ii dqqr jMW/c.wigS^vaJljgo omzichtjglieJd. 

., Pv ki*iV.»^t vVfïeten , . wejke verkeei»0e denkbeelden» 
«iC.wc^kc^ rc|iadelyk^;iïidjruklvcn-gy bet Kind do^ <»w toedoen 
kuPvtnb!<z'jmcn^hi}^rpm .doe iz;o >vcinig als mc^elyk is. 

\^X)^^mê4c Lc^: „UVs In. uvv gedrag ,jèg^ns bet Kind Z9 
•ft?n votrJ/g'i al5 f^y kyrir.'* 
'^ 'ii 1) Vo^d;el erf. klfcding moeren geheel èenvp.dïg zvo. 

•^ ^ji i) Laat gi^ni?, lymmSsf^n 'in uyr gelaat, ^cQnq /oogen 



OVER Dis OFVOEDÏNÖ. ^Jt 

tn uwe woorden of in Uw gedrag blykeh. Laat alles waare* 
eenvoudige natuur zyn. 

,; De derde Les : „ Laat het Kind aan ziclizelven 'over , zó 
veel als jjoenijk is^\ 

„ 1} Help het zelve niet, dan wanneer uw hulp noodzaa* 
kelyk is^ en deeze \s voor hem noodzaakelyk allëenlyk', M^an-: 
neer zyn oogmerk eene behoefte Betreft ; en zyne krachten niet 
toereiken. — Dus 

„ Verrpei; geen hand , wanneer het Kind flechts eehen 
inval wil ter uitvoer brengen. , 

M, Weigèi* uWe hulp , wanneer het Kihd dezelve flechtd 
b'egeert uit traagheid of onbeionnehheid , daar het zich' zelven 
toch konde.heIpen« j. . 

„ a; Verbied zo weinig als gy kürit, het best ii iri *t ge- 
heel niets. , . ' 

.„ Gewaagde (lukken , welke iiï de daad gevaarlyk zyn* 
moet gy niet verbieden, maar onmogdyk maaken. Proeven^ 
welke hQZ Kind fmarten kunnen veroorzaaken , zonder hetzelve* 
te befchadigen, moet gy niet verbieden,' zy zyn ecne heiizaamo 
les. 

„ 3) Beveel zo 't mogelyk is : niets. Maar hebi^ 

jy iets bevoolen of verbooden , das moot uw wil gefchiedcn (*)/ 

/, Da 

•» CO Z(kerlyk ioude voor.de perfoónlykc,voliiia|ikdieic( en lief gelul; 
viii «cc KÜMi^ onder aUe uiogelyke maiüean d«;r iwvocding, die gcene on* 
tegen zigj.eTyk de beste 2yn , wiar by alles, zodaïk» was iirfftricln ; éax. hec 
Knd zicb ie ven il alten aflianpkelyk te zyn van'^de natuUr ^er iüngen», 
nia:ir niec Vnn dcu' MfU i^an andere tüenfcSiêiu > M.:ac dewyl xodsnig «epe op« 
Voeding ^ itf onee* crgcnwocndige menfchtlyke mjaatfehappy;, ecnsu^els aiei 
mogehk is, ahJerdecls puk niet raadzaam %>n 2üu , om dat de' c6^. komen- 
de bmgcr , die ceil.Hg in zo vecle opzichten van den Wii vafl ittrtcreit 
Bioct ariiari^rcn , niet te vrocg gewend kan wórden lan dee^e la»<f^ af* 
hangktlykheid, is de fehoorzhamk^ :6cnc deugd gewordea ^ wt^ri^^ wy oo* 
u kinderen vroégrydig. moeten oefenen; Maar iiidiea deeze ()ei«ning werk«« 
Z4ani.zyii tn}^ nioec.ii^n9 vulgcns den raad vao onzen Schry.cri van de 

Spbodeii en vcrboiien zo weinig gcbrufk maaken , als inogelyk js , thaar 
UT) ook Over de volbrenging van dczel^fen ni.cc ecife ouverzetcefyké llreng** 
Beid waaken. Ooor beide deeze middelett kan men 't, gelyk ik i4t de on^ 
dtrvinding weet, gemakkdykizo verte hrcn^eifv dar h^c den kindbrtu? evea 
io onmngelyk Dcbynt , om onse weteen te overtreeden y s(is icij), t^,4i)ei4^ 
bet welk beu natuurkundig onfnogeijk is. ZXQ hicc mync ondcfvindijigen 

ten dcezen opzichte. Myn vo.»rfg ÏCvtfeeUfchÖÖl Wis roiidonr ingef^KH 

fen door een d'ep watk», *c welk aÜMnlyk. door, eene haag, w«lke daareiH 
bi)wii oog verfclieidt ne openingen had* afgcflootcn was* Ons niocsc on-^ 
d«r de weinige wetten van myn huis dceze agod2aakelyk de cerUe zyn, 
hiemand taag door ave optning 'vati 4e haag^ om bft water te nader ai\ en ge-« 
dttuiende her geheel [)ciUan v/iQ dit Uweckfcjiool he^^bcn wy. zclf^i niet e^n 
tnliel vooi beeld beleefd ^ dat decze wtrt ovcrcreeden is, Tcboon wy dtt kin-* 
dkfofi' dikwerf enkei» ofby hoa^ep>.in-deu tuin lieien rond loopcri, e» ze 
tÜMDlyg I jobder im sy !c zien koi^di^n ^. va^p bovea luc tiet buij dooi' da 

. - vort.' 

t>d3 



gga J. H. CAMPEf OVER DE OPVOBOtNa* 

' 9, De vierde Les: h Myd met alle zor{vuIdigheid elke aan. 
prikkeling, eiken onnutten dwang;;** dan zult gy de faartstogten 
Biet gaande maaken. 

,; I) Geen geterg; geen t^enfpraak , noch in boert noch 
in ernst , indien het welzyn en de veiligheid van het Kind de- 
zelve niet noodzaakelyk maaken. 

,, 2) Noodzaak het Kind nooit tot het geen hetzelve mis- 
haagt of onaangenaam is. 

,, 3) Plaag het Kind niet met uw kusfchen, en omhelzin- 
gen « en fpeelen en vraagen , als het 'er geen lust in beeft. 

„ 4) Kinderen kittelen is een onverflandig » verderfielyk » 
flrafwaardig fpel. 

ft De vyfde Les : »> Wees nooit met uw onderwys te fchie- 
lyk of te voorbaarig.'* 

. „I) Praat niet te 'vroeg , en niet te veel met het Kind, 
zet het niet aan tot klappen ; gy zoudt *er een klappenden ek- 
Itcr van maaken. 

^ 2) Bedien u met de kinderen nooit van een fpeelend ver- 
nuft; dit bederft flechts hun verftand, en mankt ze neuswys. 

„ De zesde Les : „ Laat hen by volwasfen. menfchen niets 
beteekenende dingen zyn." 

,, i) Het' zou zeer goed zyn , dat de kinderen nooit op 
tiezoeken gingen. Maar men wil dit evenwel — — ten minften 

y, 2^ Laat dan nooit toe, dat bejaarden zich met' ben» even 
als met huns gelyken, bemoeien. 

w 3) Ondervraag hen niet in de tegenwoordigheid van vrccro^ 
den , iaat hen nooit hunne kunften doen. 

,,4) Waartoe dient het, dat de kinderen komplimenten 
maaken , de hand kusfohen. Dit is eene les der loogea. Voor de 
wcldaaden, welke men den kinderen bewyst, moogen de Ouders 
danken. De kinderen moeten 'er zich allecniyk over verbiyden. 
9, Wie hen flechts wel doet, om dank by hen te behaa- 
Icn — ^ die behoude liever zyne weldaaden voor zich.*' 

Het Leesboek vo§r Kinderen 9 naar gewoonte, by dit Stukje af- 
gegeeven, verleent eene reeks van leerryke en aangenaame bc^ 
denkingen, onder verfcbillende omkleedzels, by manier van ge- 
fchiedenisfen, gefprekken enz. vooiigedraagen; waarmede Kinoe- 
ren van meerder Jaaren, en verdere opmerkzaamheid ,. met vrugt 
l^ezig gehouden kunnen worden. 

^bnfters in 't oog hielden. Eens ontmoette nync Huisvit>uw den jongUcs 
van onze voedfterKncen , een regt virangen kna:.p van xeven jaarea, ia ecA 
van de gangen , wcllce openingen hadden , dk naar het water leidden « en 
zy vroeg hem : freerik ! gy zyt hntiers niet éoêr ie haag gegaan f iFleli 
antwoordde bet knaapje, vol vnn verwondering, dat kunnen wy immers nkt 

iocn. fTaarom niet^ — - Dewyi k'ader het hetft yerhooden^ Let weli 

liy zeide niet, wy durjen niet, maar wy kunnen niet; even a's of de over* 
treeding vin myne wet eene n^tuurkundigt oamo^ykiieid vu gitwetsu*^ 

CAMPW» 



J. ^^VAtCLAHTf WEftKTOÏGKUNDlGB tósCMÓUWINÖ. 38 J 

^' ■ ■ i ■ .II - ^ > 

tl^ef^ui^kundige Jiefchfniwing 9an de uitwerking d^r IVmd en 
Zee of èen Schip ^ deszeifs Zeilen en Roer f en daar uit afgeleid, 
hoedanig men met een Schip moet omgaan* IVaarby gevoegd zyn 

' yerfcheidene zaken y die dagelyks voorkomen; ten dienfte van jon^ 

f e Zee^Officieren. Door J. o. vaillant, Capitein ter Zee^ ten 
ienfte der Fereenlgde Nederlanden. Mtt Kopere Plaaten. Ge* 
drukt te AmfierdoMf by H. Arends, 17Z6. Behalven het Foor^ 
'-werk en Rtgistetf 261 biddz. in gr. oQavo. 

V[a eene vooraffeaande Inleiding ^ die eene ontvouwing behelsc 
•*'^ van de algemeene kundigheden , nopeos de Lichaamen en 
dèrzelver Beweeging , byzonder toegepast op de werking van 
Stroom eo Vaart op een Schip, is de hoofdinboud van dit Ge- 
fchrift drieledig. Het eerfte Deel vervat het Theoretifche , en 
Arekt ter verklaaringe der werkinge van Wind en Zee, mitsg,}* 
4crs van Zeilen en Roer op het Schip , naar de verfchillende 
omflandigbeden, in welken men zig bevindt; waarmede verge- 
zeld gaat eene korte Tchets: van de beginzelen der Werkruig- 
kimJe , ter ophelderinge van de öorzttsk der uitwerkinge van 
Kragten. In het tweede Deel wordt het cmtvouwde Theoréti-* 
icbe op de Praöyk overgebragt, en de Autheur toont, hoe raen, 
in verfcheidcn dagelyks voorkomend^e gevallen , met een Schip 
moet omgaan: by draagt de gevallen en de verelschte werkin- 
gen voor, met de redeiigeeving, waarom men op zodanig eene 
wyze moet werken , waameveas hy dan gemeenlyfc nog eenige 
daartoe behoorende aanmerkingen voegt. En het derde Deel 
eindelyk behelst eenige nadere onderrJgtingen voor Zee-Officie- 
mi, die zig op den Zeedienst toelagen. Hierin handelt de 
Autheur ov<^ de wyze , om zig met een Vyandlyk Schip in 't 
Gevegt te begeeven; over het bergen en byzetten van Zeilen; 
ever de ftuwagie der Schepen ; en over het koperen der Sche- 
pen ; daar by komen aanmerkingen , over het formeeren van 
ueden tot den Dienst, als mede over de Zec-Tactlck; en wy- 
ëers bedenkingen over het Gefchut voor de Oorlogfchepen , mits- 
gaders over »t geen *er in »t werk gefteW kan worden, als men 
het Roer verlooren heeft; Verder geeft hy ook nog eene Lyst 
vai de voomaamfte Boeken ♦ w«arln een Zee-Officier de Wee- 
tenfchappen, tot zyn beroep benrefcfcelyk, en 't geen hem verder 
te ftade kan komen , verhandeld kan vinden. En laatslyk hecht 
hy bieraan ten beOuite nog eene beknopte ontvouwing, van de 
vereüschten en kundigheden voor een Commandant en Chef; om 
Jonge Zeè-Officieren onderst oog te brengen, hoe veel applica- 
tte 'er gevorderd wordt, om zïch daar toe bekwaam te maaken; 
en hun te binnen te brengen , dat zy 't nimmer voor hunne 
Lam^nooten verantwoorden kunnen , hunnen lyd in ledigheid 
m wrfpUlenï en dat zy verpUgt zyn, aOe hunne vermogens in 

Dd 4 'T 



384 J- o. VAIUANT, VfiRCTUIGKVNDIGE ISSCMOUWtNG^ 

Vwerk te (lellen iom die kundigheden te verltrygen , dfe de 
Natip van hem moet yerwigten, wanneer zy iemand uit faua 
ten eenigen dage he: Commando over haare Zeemagt zal toe- 
vertrouwen. i;é Heer i'aillant geeft zelf te kennen , dat 

hy dit Gelchrift niet opgefleld heeft, ten dieüfte van kundige 
Zee-Officieren, maar inzonderheid ten nutte van ecrstb^innenden, 
van jonge Lieden, die' lust hebben, om zig tot den Zeediertsi 
bekwaam té maaken ; en voor de zodanigen is bet eene ^er 
gefchfkte handleiding, waarvan ze zig met vrugt ;nillen hinoen 
bedienen. 



Grond g en volledig keginer ^ over de %es. eerfie Deelen van de 
. Post van den Neder-Rhyn, Te Utrecht f by G» T. van Padden^ 
burg en Zoon, 1786. In gr. oQavof 31a bladz. 

Veldzaam zeker was 'er # 20 ooit, eenig Staatkundig Tydfchrift 
^^ van zulk eene uitgebreide nuttigheid als de Post van den 

. f^cder.Rhyn } daar het veele Leden van ons Gemeenebest ae 
oogen geopend heeft voor 's Lands w^ezenlyke belangen , eo 
hen dezelven opmerkzaam heeft ieeren gadeflaan ; daar het vee- 
len in Nederland geregelder denkbeelden van onze ConfUtude 
Sccft doen erlangen, dan zy. voorheen beslaten; en daar het één 
der gelcliiktde middelen is , om deeze en geene bedenkingeo f 
zo ten nutie van 't Vaderland, als tot welzyn van de eene of 
andere byzondere Plaats in het zelve, met, vrugt openlyk voor 
te draagcn , en aan aller overweeging aan te bieden. — - 't Is 
uit dieo hoofde niet vreemd, dat een.zoCT groet aantal Leezers 
het debiet van dit Gefchrlfr fteeds kragtfg vermeerderd , en de 
Uitgeevcrs aangemoedigd heeft , om daar mede voo:t te x'aa-- 

ien. ^ '£r zyn thans van dit Tydfchrift, buiten i^ Sruk» 

Bylagen, 10 volle Deelen in handen, waar v^n de acht eerAiQit 

• reeds met eene beknopte opgave van den inhoud der Nomroers^ 
en gepaste Vignettytels voorzien zyn. Terwyl men intusfchen, 
met de afgifte hiervan , beftendig op denzelfden voet voortgaat^ 
en aanhoudend tragt den Lande nuttig te zyn « is men te rade 
geworden , op de z&t eerfte Deelen een algemeen R^isfer te 
vcrva^u-digen en gemeen te maaken, met oogmerk, om, by bet 
uitkomen van het twaalftle Deel , een (bortgelyk Register op die 
zes volgende Deelen het lioht te doen zien. — ^ Het thans 
afgegeeven Register is zeer uitvoerig en naaüwketirig , zo dac 
men al het merkwaardige, hier en daar behandeld, gereedlyk# 
onder welgefchiktc Tytels, kunne nafpeurcn: hierby komt nog 
eene Lyst der Brieven, zo als ze agtervolgende in ieder Deel 
gevonden worden; mitsgaders eene voordoopende dagtekening g 
ter aanvvyzinge van den juisten tyd,.op welken. ieder Nommcf 
uitgegceveu is » welk een ,ea ander den Leezer mede te ihd» 
kan komen. Z#« 



JEEDELYKE yERHAALEN.' Jjj. 



Zedelyke FerhaüUn * getrokken ifit 4e Werken van de Heer en d'Aï- 
Jiaud, Merger^ fn anderen der beste hedendadgfche Schr'yvèfu 
' Mei nieuw geinventeerde Kunstplaaten verfterd. Tiende DecL 
. TV Jmfieldfkra by A,. Mens Jz^ .17^$.. In oQc^vo 3,65 l^ladz. ' \ 

X^an de drie leerzame verhaalen, Jq dit Stqlcje byeengebragt, 
is d«, gelchledenis. van Dami»wii;i«.,dQ e^rftc, welke ons on. 
4» 'i oog brengt, aan de eeqe zyde, de onvoorzigrige ftappcp.- 
en de d^uit volgende onheilen, v,an 'taang^n vap een Hu we- 
lyk tegeu 's Vaders goedvinden; en aan de andere zyde het pn- 
yeibiddelyk gedrag van een ai te ftrengea Vader , die «gtêr êin^ 

4elyk lot inkeer komt, r- . Het , tweede verhaal is d«t vaii' 

Mondor en Charidetne. Cbarideme vindt zig blootgefteld aan^ae 
roishanddingen van eebe Stiefmoeder» die óver 't yaderlvk harj; 
hec?rscbt ; 't welk hem eindelyk doet bènuiten zyn aiTcheid van 
»t Ouderlyk huia.te neemen ,met oogmerk om in den Kiygsdienst 
;^n geluk te beproeven. . Hy ontmoet Mondor . éen bejaard Offi- 
aer» die, vafi épn dienst .ontüaagen» met zyne Nigt Eiize 'm e^ne 
ftUIe. eenzaamheid leefde, Deeze Mondor, alleszins een Man van 
^n uitfteekend fchoon cjiaraöer, vat zulk een fterke genegenhpid 
voor Charideme op, dat hy hem ten Vriend neeme, en by zlg 
boude. By aüe voorkómende gelegenhedep boezemt hy hem de 
lesfen van Deygd ip 't algemeen,' t>yzonder die der Menschlie-r 
vendheid, met de tong, en met zyn voorbeeld in; en Chandeme 
beantwoordt zo wel aan de goede gedagteii var^ Afo^^i^or , dat doe- 
9e beiden ten naauwfte aaii een verbonden wordep. 'Er heerscht 
ook we] dra eene kuifche wede;zydfclie Jiéfde tusichen Charidtm^ 
en ij/ia^/ welke. iWiO«(i«f niet tegehrtreeft, maar eqr begunstigt, 
piet dat gevolg, dat ae eerlang in den echt verbonden wordeoj 
-^-^r De derdq,of laatfte gefchiedenis is die van Ermance, >vclke^ 
haare Vader ten gevalle, de liefde ,vopr lormeniL in haarén boe- 
zem tragt te fmooren, en een Hu'wëlyk aangaat met Üaramant ; 
een monsch vaneen opvliegend en onltuimig charaöer; en daaiw 
enboven in den hoogften trap mïnnydig. trmanre, hoe onfchul- 
c^'g, hoö opmerkzaam op iJaar gedrag, om-alle kwaad vermoeden 
yoor te komen of af te wenden , kan egter d^ woedende gevol- 
gen dier haatlyfce geestgefteldheid vaai Dar man; met ontgaan. 13e'c- 
ze doorfteekt, in eéne vérvoering van drift, óp een gansch onge. 
grond ve: moeden, in ^n gpval van c^e zuiv^ro onfohuid, zelft 
zynen Vriend Bünfordt die binnen weinig dagen aan de. heni 
toegebragte wonde overljeed. [Darumant' wordt geregclyk- gevat 
zyn voflnis flagit eerhpg uitgcfprookcn te worden, en hy op 't 
fchavot een fchandelyken dood te pndérgaani iu' die oraftai dig* 
^eden laa^ Ermance zig, door haarcn Schoonvader, ovcrhaalen 
pm.haar pigen, eer voor 't oog der mcnl^l^cn te bezwalken, mcj 
p^ zelve opcnlyt egtbreukfg te bcJyden; tcri einde daardoor Da, 



386 Zf:D%im vnuAALSir.. 

fommu nog tiè behoeden, en de fobcode, sso van de Familie, «|9 1 

van bet kind, *t welk zy by Danmatit had , af te weer^. Z>0«. ^ 

fdfnairt had niet, dan door zynen Vader gedrongen, deèzen fhp j 

van Ermdnce bewilligd; en ^t leed ook ni^t lane, ofhy maakte, | 

op zyn fterf bedde, zyn eigen vergryp en de onfchuld van Erman- 
ce openbaar, met eene ger^lykc verklaaring, die door de w6t-« 
ten bekragtigd werd : en.naauwlyks had hy deeze fyon van open* 
baare ^kenténis ondertekend « of hy gaf den geest , en de guiv>' 
fiigde befchikkingen voor haar hechtte het laatte zegel aan de bc* 
kentenis van haaren man. Zins dien tyd leeftie Ermanct zeer af^ 
eezonderd , en was naauwlyks voor iemand , dan voor haare 
vriendin Eugenia en haaren Vader Salencey^ te (preeken. De 
opvoeding van haaren Zoon was haar eenlge vermaak; doch dit 
was van geen langen duur; een onvoors^ene dood treft dar kind' 
11) haare armen. Intuschen had Lormenii^ (die nooit aan haare 
onfchuld getwyfeld had , en haar even vuuHg als voorheen be- 
minde,) de gelegenheid gevonden, om by haar te komen, en 
haar te (preeken: doch zy gaf hem ten nadruklykfte te kennen, 
dat zy te over reden had , om te melden , dat hy alle hoop op 
haar perfoon vaarwel moest zeggen. l*c vergeeisph poogden- 5"»- 
lenctry en Ermance haar tot andere gedaan te brengen; en.zy 
befloot , om zlg van allen naderen aanzoek te ontdaan ,• in (Hlte 
haare toevlugt tot een Klooster te necnien. - Hasir verWyf fn 't 
Klooster blerf een geheim , tot dat zy den g^ewyden fluier onher- 
rocpelyk aangenomen had'; wanneer zy zulks aan haare "VKendin 
bekend maakte, ^^alencey cnEugèniaf benevens Lormenih bc- 
geeven zig na *t Klooster; dan 't !s te laat; zy heeft haare ofi- 
verbreekelyke gclofcen gedaan. Met de Rcrkffe aandoeningen ter 
wederzyde getroffen , liep deeze byeenkomst ten einde ; en L^r- 
menity ontroostelyk over zyn verlies , overleefde dezelve maar 
weinig tyds. Zy beweende hem , en volgde hem (poedïg in *t 
graf; haar Vader en haare Vriendin bleeveni to lang zy toef- 
den, haare gedagtenis lieven en betreuren. 



NedirUndfche Dicht^ en Tê»neelkut:diffe Werken^ van hep Genoü^ 
fchapt ondifde Spreuk: Door Natuur en Kunst. Derde Stuki 
Te Amflerdamt by W. Holtrop, 1787. in gr. fyo. 9$ W. 

TJet eerfte , dat ons fn deezen bundel ontmoet , is een TVef-i 
ze van C. Groenevelds Nederduhf'che Vertaalin^ van den Mes-- 
fies van Khpftock. De toetfteen komt ons voor van vry goede 
deugd te zyn , en het gebrekkige van de gemelde VertaaJing 
wotdt *er ten duidelykften door aangeweezen. Menip:maal wordt 
den Recenfenten toegeduwd , dat het laaken gemaklyker valt , 
dan het verbeteren; doch dit verwyt heeft geen vat op den 



jSéhry^er van deezenT tdetB ; want 'er volgt eéhe 'seèr goede 
'Vertaaling van ide eerfie 156 verTen der'ftfosfiadeven het blykt 
^oideiyk ^7 dat de Heer Kiopftock » by den Nederlander, «meer 
est in zoii leggen, indien zyn Kunstwerk door die handen 
vertaadd was / dan 'door die van wylen den He^ C Gnens^ 

vM. ^ hl den Brief over G^sners Dood van Abel , en den 

|ofeph van BixmM v is zeer veel gezonde oordeelkunde. *— ^ 
Ook is dt Firhêndéling 4fver de Altimfprdaker^ niet mindep de 
Bandacht van de beminnaars des Tooneds waardig. -^-^ P«i. 
kmon i^eene Fahcdding) Herderszang^ ts niet 'boven het mid«. 
ddniaatige. — -* De, Fèrhandelinfir^ ovew het Navolgen ^ behelst 
4e nuttigde Ies(èn voor jonge Dichters, en is derzelver leeaing 
en herleifeing overwaardig. — — - De Beoordêeling van de jffen- 
riitte^ of Twee Brieven 9 Treur/pel 9 beOisx niets, en maakt alleea 
den Scbiyver belacbelyk. Wy hebben de Hentiene nog niet ge- 
leezen, maar indten dezelve zo flecht is, als wy uit de beoop. 
dedfng opmaaken , dan ia het Stuk beneden de? gramfchap vaa 
de Scbryvers der Dicht-' tn Toaneelk. Werken. - ' ■ Voor de 
dne Anecdotesrin dit Stukje t mag wel een plaats bef^roken^ wer^ 
ó&n in de Almanaehen voor .1788. Hoe komen de bladzydea 
aö^ en at54 in dit. Werkje? ^ ■ ■■■ Maar het vervolg van het 
Dichcftuk, Gods Wysheid; vergoedt dezelve rykelyk, door ove». 
vloedige fchooi^denw « 



De Amjleldamfche Burgervader cornelis Wetersz. hooft, tn 
eene Redenvoering gefchetn , door c. brender h brandis. Té 
Amfterdimf hy ]i Sluytman van. der Meer , 1787. In groot 
%vo. S6 bl. . 

T\e yverige Heer BromdiSf die men van verfcheide kanten in 
^^ een zeer gunftig licht moet befchouwen , ten zy men 
's Mans verdienften onrecht wil doen, komt in dit Stukje als 
een Redenaar voor. De Burgervader C. P. Hooft is het on- 
derwerp zyner Redenvoering. Z. Ed. ftelt hem voor als een 
yveraar tegen den opdragt van het praaflyk gezag aan Willem 
den Berjlen; als een tegefidreever van de valfche Aanflagen van 
éenen Leicester ; als verdeediger van een gevangen en veracht 
Burger; als berisper van heerschzuchtfge Geestlyken en inbaa- 
lige Regenten ; en als de Voorfpraak der Stadsregeering voor 
eenen Maurits. Indien de Heer Brandis dit Stuk den naam 
van eene Historifche Befchryving of iets diergclyks gegeeven 
hadt , gelooven wy , dat hetzelve beter aan zynen naam vol- 
doen zou. Onzes achtens , is de ilyl over het algemeen niet 
boog , niet kragtig genoeg voor eene Redenvoering. Juist niet, 
dat de ftyl kruipend is, of zenuwloos door overmaat van cIc- 
raaden : ver van daar^ de ftyl komt naast aan die der Gefchie. 

de- 



^tt . «• BUMTOIL \ BKANDIS^'UDfilOrQBRim. ' 

4flni$. Hadt de Heer Brmiis zich geheel niet besig gdioude^ 
lAet de afkomst van Bargervader Hooft. dezelve als geno^zaam 
be en(\ onderüellende, en-hem met weinig woorden terfiond ter i 

.Amderdamfcbe Redbtbank ingevoerd'; wy hadden Hooft niet als j 

jkind , Diec ais jangeling » gezien. Des Redenaars pligt is » zyn voor- j 

■werp aUeeri vap de groot'e zyde te doen kennen* Wat beeft ook 
de Redenaar te ftdlcn met den byzonderen.dag van een nuuind^ 
iiaai: zelfs het noemen van een jaartal zyn redenvoering cenigzins 
Jbet voorkomen van eei)e Ge&htedenis geeft; Zou het mfoder 
klemmend w by voorbeeld^ geweest zyn, indien de Heer Brvnéis^ 
Cbladz 14,} gezegd hadt; Jn een tydftip^ 'km- deeienéag^ door 
den trfjland van twee Eeuwen^ gefchd den i waarin NedirUmd^ hjr 
Jtam liet willekeufig g^zag ontworjleid: ^ gmeed^Jion^^ om^ op 
micuw 9 hetiQraoflfk Bewind, te omhelzen ^ werdt onze Burger* 
^end tot Raad in de Amlierdan^che yrotdjchaf verkoozen: en 
wat laager , IVillem dp Eerjle Jlond op bet ipum om Graaf van 
jüolhnd te worjien* .liet. danhodvad welke waardigheid zyne 
goedkeuring'» reeds een geruimen iyd te vooren^ bekragtigd hadt; 
éêfi yfy tegenwoordig in zyn gefciirift leezen : ,, in den Jaare 
M. 1584» werd onze Bgrgervriend , tot Raad, in de Amfteldam- 
«, fche Vroedfehap* verkoibzen : een tydftip, dat omtrent twee 
4, iiteuweD,(Cnz."eii verder: „Willem deËeriie.Hondt op het punt * 
9, om Graaf van Holland te worden. Hy had de aanbieding daar* 
„ van den I4den van Oogstmaand , des Ja ars 1582, met zyn 
„ goedkeuring bekragtigd." *t Is Iers antlerj-dc dag van een f^r 
te noemen, waaraan.de Toehoorders van een Redenaar oogcnblik- 
kölyk een denkbeeld hegten : als by voorbeeld: Hadt de geluk:- 
Xige'sdè dag van Oogstmaand, den Landzaaten den moed, die 
aan *i wyken was', niet op nieuw ingeboezemd', of iets dierge- 
lyks. Als het Stukje herdrukt mogt worden , zou , naar ons ge- 
voelen, de /^r/si/T?/^^ . v^n. bladz* 48, w^l kunnen agterblyvciv 
woordfpelingen hebben zeldzaam eenig waar vernuft, en komen. 
althans niet te pas in pene. ciéftige Redei^vöijriDg. - . ' 



* >JC 3{5 



- ^: 



N l E U B^ E 

A L G E M E E N E 

VADERLANDSCHE 

LETTER.^ OEFENINGEN. 



ByM der NtUuur , ontworpen doof de beroeindc Geleerden 
u j. scHEüCHZBR cn M. s. G. DONAT » Vermeerderd door 
Dr* T. A. BüscHiNC, //; '/ Nederdtiitsch overgezet^ mei 
aanvullertdeToegiften en Adnmerkingen voorzien^ door l. 



MEi]ER, Lid van de Hollandfche Maatfchappy der If^eC' 
tenfchappen te Haarlem^ en Predikant in Twyzel en Koo^ 
ten. Derde Deels ^ tmede Stuk. Te Am/Ier dam y by M» 
de Bruyii, 1787. In gr. oüayo^ 763 bladz. 

Dit Stuk behelst ene reeks .van ophelderingen veler by- 
zonderheden, In de twee laetlte Uoeken van Mozes» 
Numeri en Deuceronooiium geheeten ^ verhaeld , welken 
min of meer hara duistere zyde hebben , en waeromtrent 
de verfchillende gedachten der Uilleggeren gewoonlyk oor- 
deelkundig voorgedragen worden. Zie hier, tot een ftael 
uit velen , het hoofdz^ekFyke van 't geen men ons aen de 
band geeft, wegens dó niet verouderde kleederen der Israc* 
tieten^ volgens Deot. VUL 4, XXIX. 5, en Neb. IX. 4U 
Men kan de verfchillende meningen der Uitleggeren i 
over dit onderwerp , gevoeglyk tot drie klasfen brengen» 
De eerjle doet de verklaring zeer by vergrooting uitvallep» 
cn voegt , by het geen 'er de Heilige Schry vers van zeg- 

f en, nog zeer vele wonderbaer|yke omftandighedcn. Dus 
ebben de meeste Jooden hier gehandeld , gelyk ook 2om« 
mige Christen-Uitleggers, en het gezag van Justinus Mar^ 
tjr heeft zelf Parker ook In dat gevoelen doen ovcrgaen. 

In de tweede klasfe vindt men de meeste oude en 

nieuwere Kunstrechters. Deezc houden zich eenvouwlg 
aen het verhael van Mofes , zonder de zaek zo verre te 
dryyen als de Jooden doen.- By deze mening beroept men 
zig voornaemlyk daerop, dat de onderhouding der kleede- 
ren van de Israëlieten , met de toezending van het Man- 
na , die onlochenbaer wondcrbaerlyk geweest is , vergcle. 
ken, en by Mofes van het ene, op dezelfde wys, als van 
het andere , gefproken wordt. Velen , zo vroegere' als la- 

' ÏL DESL. N. ALG. LXTT. NO. 10. £ e . te» 



390 iTBn, MR «ATUÜR» 

tere Uitleners (hen in dit gevoelen , en men z\t desive» 
gens inzonderheid dcilingii , Ob/cry. Sacr. T. IF. Obf. 
XVII. De miraculofa vtstium bratliutrum confcr^atUme in 
deferiiSm - ■ ■ In de derde klasfe ei4Kie1yk behooreo de 
verklaringen der genen , die hier geheel geen wonder vin- 
den , of iets dat buitengewoon was* Dus begrepen het 
van der Hardt ^ Noodt ^ Clericus en anderen. 

Mofis^ zeggen ze, zou ongetwyfeld daervan wel in de 
Toorgnende Reisberchryving gemeld hebben: nademael die 
dan één der grootfte wonderwerken geweest zou zyn^ bet 
welk niet flecbts aen énen enkelen mensch» eo in éne en^ 
iele zaek , • maer aen allen , en dus aen zo veel 

honderd duizenden niet voor éne enkele flecbts , of 

op énige herhaelde keeren, — — ^ maer geheele veenig 

jaren lang, iederen dag ■ iederen uur - — en 

iDinute moest gedaen zyn. Hoe zou dan van znik 

een grootst wonderwerk nu eerst, na verloop van veertig 
jaren, en dat zo kort, als in bet voorbygaen flechts, gd- 
meld zyn geworden? 

Wyders zegden zy^ dat 'er buiten ene hoogde en drin- 
gende noodzaeklykbeid geen wonderen gedaen worden ; 
maer dat men hier in dit geval die noodzaeklykbeid in ge« 
nerlei omdandigheden ontdekken kan. Want het is bekend^ 
dat de Israëliërs allerlei, en wel veel^ voorraed uitEgipte 
hebben medegebragt, het zy van goederen, die zy reeds 

bezaten, bet zy ze die van de Egiptenaren leenden. 

Daerenboven bezaten en weidden zy in de woeftyne groo^ 
te kudden van allerlei vee , welks wol , hairen en vellen 
hun tot kleederen konden dienen , wanneer ze van beé 
Vee, hét zy tot offeranden, het zy tot fpyze, llacbteden» 
Ook ontbrak het hun niet ^en verftandige handwerkslie* 
den^ kundenaran, bekwame vrouwsperfoonen , die fpinnen» 
\yévea , kleeddoffen bereide^ , en de huiden ook daenoe 
bekwaem jnaken konden v om *er kleederen van te krygen; 
'nademael immers dergelyke dingen , doch met veel meer 
kunst en vernuft bewerkt en gereed gemaekt , tot den op- 
bouw van den tabernakel geleverd waren. Saurin rekent 
onder dien voorraed mede den buit, dien zy, by de over* 
winning over de Amalekieten , gekregen hebben. 

Eindelyk moet hier ook in aenmerking komen de han» 
del , dien de Israëliërs met de Ismaëllers en Amalekietea 
gedreven hebben ; want zy konden onmogelyk , vooral 
wanneer ze zich lang /op ééne plaets ophielden, by de xxn^ 
buurige en omliggende volken onbekend blyven» 



BTBBL UR NATUÜA* jgi 

M^iksp tik venro^ns ook Nehemia^ zeggen ze voorts^ 
baddea , met huone melding van deze gebeurtenis , be. 
dpeld , om Gods geiuidige 2orji voor zyn volk en deszelfs 
onderhoud te vertoonen y oademael ze aen den enen kant 
door \itt manoa uit den hemel en het water uit de (leei^* 
lots, voor honger en dorst beiden bewaerd waren; en aen 
den anderen kant ook geen gebrek aen kleederen gehad 
badden , en daerdoor niet in de onaengename noodzaeb 
lykheid geweest waren» vaa naekt , min eerbaer of ver* 

tchtelyk om te loopen -^ dat bun ook in dit opzicht 

niets ontbfoken had. En dat ze in deze^ anders zo fchrsH 
Ie , woeftyn,, even zo min aen kleederen gebrek gehad 
hadden 9 of zicii met oude , afgeileeten en verfcheurde 
%kedereo aouden hebben moeten behelpen , als wanneer 
£e in votfcryke Heden , daer allea in overvloed te krygea 
was , geleefd en. verkeerd hadden. 

Nopens deae laetfte mening getuigt de Heer LiUenthal^ 
dat ze ene ganach ongedwongen verklaring behelst , es 
flechts daerom kwalyk vernoemd was, dewyl ze van 2uk 
ke Uitleggerèo opgegeven of omhelsd was, diennders wei« 
nig eerbied voor de H?iKge Schriften openbaerden : gelyk 
b. V. yam dór Hardt ^ CUricus en dergelyken: of, om dat 
2e zelf van openbare vyanden der Godlyke Openbaringe ^ 
van enen l^eyr&ius^ Tolani ^ Morgan , en huns gelyken; 
bepleit wierd, die anders geen zsvarigbeid' vinden , om de 
liybèlicbe Historie met allerlei •ongerymdheden te overlas 
den , derzelver wonderen te onuenuwen, of in een belaiew 
cbelyk Isctit te verplaetfen , en juist daerdoor hetgeen m 
anders nog voortbrengen , zelf wanseer het op gronden en 
goede reden flérnnt , ook bedenkelyk en achterdogtig msk 

ken. Hy verkiest dus deze .meniAg ook voor ach, 

en vind in deze gebeurtenis wel ene buitengewoone, maer 
juist geen Bovennaiuurlyke Voorzienigheid van God. Hy 
^twoord ook op de zwarigheden en tegenwerpingen , dïo 
*er tegen in gebragt worden. Zie zyn IX D. $. 110—113: 
on zo ook het geen Deiling^ ter hnvenaengehaeider.pla^t- 
3e , aen d^ andere zyde heeft bygebragt , om de tweede 
^PSfunelde \19ening te vc^deedig^ » en die daer tegen, inge» 
bragte zwarigheHijn op i? lo&fen. 

Op dezelfde wyze heeft de Heer Baumgarten ^ in zyne 
Siode Aapfwsfhiftg cp^dc Alg. His$. Il D, bh 453^; ^f f 
ook over gedagc ^ en er ziob aldus cnrer uitgeteteiL.:* AU 
hoewel de JtmUeiiei mening \xf ét Kerkvaderen ; et^ kq. wel. 
nieuwere als oude y ^, wel Proteftautfche* als Roomfche' 

E e a Uit- 



^9% BTBBL DER NATÜUS^ 

Uitleggers sEodanig de toeftemming gekregen hebbe, dat 
ze van de meesten aengenoinen en verdeedigd is ; zo heb* ^ 
ben echter verfcheiden aenzienlyke Godgeleerden zeer wel 

geoordeeld, i aen den eenen kant, dat de wonder* 

werken der Heilige Schriftuur ongelyk nadrukiyker kunnen 
gered en verdeedigd worden , wanneer men alle onnoodige 
èn ongegronde vermenigvuldiging van dezelve , en voor- 
naemlyk die , by de Joodlche Meesters begunftigde, op* 
ftapeling van dikwyls ongerymde wonderwerken, zorgvul- 
dig vermyd. ■ ■ £n aen den anderen kant, dat op 

deze plaets geen genoegzame grond voor dit voorgewende 
wonder te vinden zy. 

„ Om nu van deeze verfchillende^ meningen (zegt de 
Heer Scheuchzer ,) mijn oordeel te zeggen , moet ik be- 
tuigen , dat de laat (Ie mij niet onaanneemlijk voorkomt; 
naardemaal de eer der Godlijke Voorzienigheid daarbij niets 
verliest , en de Schriftunrplaatfen op eene voldoende wijze 
verklaard worden. Ik kat ondertusfchen aan elk zijne vrij* 
heid , ook om bij den letterlijken zin te blijven. Men kas 
hierover mzien het geeue Joh. Mark en jlnt. Bynaus^ 
over de fchoenerj der Hebreen , gefchreven hebben. De 
laatstgenoemde neemt hier ook geen wonderwerk aan , maar 
verklaart deeze geheele gebeurtenis th eene bijzondere Voor« 
zienigheid van God, omtrent zijn volk. Hij poogt deeze 
plaats op te helderen uit JeC XL VUL 2 1. alwaar gezegd 
word , dat' de Israëliërs in de v^oeftijn geen dorst geleden 
hadden; hetgeen achter niet anders kan te kennen geven, 
daa-dat ze -geen gebrek aan water, om daarmede bunnen 
dorst te lesfchen , gehad hebben. Want het blijkt uit de 
befchrijving van hunne reizen , dat ze te Masfa eo Meri» 
ba wel vrij wat dorst zullen gehad hebben.** 



Ontledende VerUaaring over Üomeinen VIIL en 2 Perr. L 
• van den IVel Eer»aardigen\ teer Geleerden Heer r, 
scHDTTB, in leven Predikant te Amfierdam. uitgegeven 
door \.. HAMERSTER, Predikant aldaar. Te AnMerdam^ 
by J. Wesfing Wz. en P. den Hengst, 1787. Èehafyen 
de l^oorrede, 225 bladz. in gr. oSavo. 



Ene doorloopende Verklaring der opgemelde Hoofdftuk- 
ken, die de Eerwaerde Schtate^ naer zyne denkwy« 
ze, oordeelkundig uitgevoerd heeft. De ioboiia van Roou 
VIIL word aldus door hem opgegeven. 

sy De 



R. SCHUTTE 9 0?EA ftOM. VIEL EN a PET. I, 393 

,, De Apostet 10 de laatftc helft van *t V^e en in *t ge- 
heele Vl^e en VIL^* Hoofdftuk in 't breede beweezen hel> 
bende» dat wij tans onder het N. T. vrij gemaalt zijn 
van de zonde die door Adam , en van de wet die door 
Mofes» ingekomen is, toont in dit Vlilfte Hoofdftuk, ,, dat 
,9 daaruit de vrijmaaking vloeide van alle verdoemenis en 
„ wezenlijke onheilen , die het levcu der ziele , ten op- 
n «ichte van de heiligheid of blijdfchap , kimden ftrem- 
„ men ; en de fchenking van alles , wat hen in tijd of 
39 eeuwigheid gelukkig maaken kon , in de geroeenfchap 
n met God in Christus , door de werking van zijnea 
,9 Geest.*' Hij betoogt deeze^Vrijmaaking van alle ver- 
doemenisfe « en zaligheid ^n Gods volk in de gemeen- 
fchap van God, uitvoerig; uit de rechtvaardiging en vre- 
de met God zelve, en de vruchten der recbtvaardigin^^e 
die hij kortlijk had opgegeeven, H. V. i-^n. En wel 
iuist in dezelfde orde die hij daar gehouden heeft. Hij 
ftelt voor , dof *er nu geen verdoemenis meer was voor hun 
die in Christus Jefus^ niet naar den vleefche^ maar naar 

den Geest y wande/den. H. Vlil. i. . En die ftelling 

bewijst hij. Uit de recht vaardiginge zelve of vrij- 

maaking van de zonde en de wet ; zijnde door een ge» 
richtelijk vonnis de wet der zonde en des doods afge- 
fchaft, en de wet van geest, leven en vrede herftefd. vs. 

a— 13. » Uit de toeleidinge tot den troon door 

Christus Geest, zoo dat zij in de g;enade vastftonden, ea 
roemden in de hope der heerlijkheid Gods. vs. 14— 1 7. 

Uit den roem ook in hunne verdrukkingen en 

zwakheden ; waarin de hope niet bezweek , en de Geest 

bun te huipe kwam. vs. 18 — 47. Uit de Liefde 

zoo van den Vader als van den Zoon , tot de Gelovigen, 
waardoor ze, onafTcheidelijk aan God verknocht, ook ia 
God konden roemen , door Jefus Christus hunnen Heer. 
VS. a8 — 39." 

Nopens den inhoud van a Pet. I. ; hieromtrent merkt 
zyn Èerwaerde (na enige voorbereidende aennierkingen 
over den Brief in 't algemeen,) op , dat we in dit Hoofd- 
ftuk (na de melding van wien en aen welken deze Brief 
gefchreven word , met een nevensgaenden zegenvvensch 
aen de laetften , vs. 1 en 2 ,) vinden ene aenPpooring rot, 
en voortgang in ware deugd , en verkryging der eeuwige 
zaligheid , door eene rechte en geloovige erkentenis van 
.Christus heerlykheid en deugd. 

„ De vermaaning wordt voorgefteld vs. 3 — ii. en ge- 
li e 3 bit 



jp^ R. SCHUTTE 

billiP^t VS. ia -ai. I" het voorftel zieti we den 

grond, welke alrcê gelegd was, vs. 3, 4. als ook den 
voortgang in deugd , om tot de heerlijkheid te geraaken, 

^s TL Ti -- En deze vcnnaaning wordt gebillijkt , 

uit hoofde* van des Apostels verpligting , om die voor re 
houden, VS. 12-15; en^van de zekerheid, welke 21J 'er 
van hadden, vs. 16 -ai.** 1. u • ^ j- 

Tot een byzonder ftael van *« Mans opheldcnngen die- 
ne in dezen zyne aenmerking over den heiligen berg^ van 
welken Petrus fpreekt vs. 18 , als op welken Jerus ver- 
heerlykt is , waar van Petrus benevens Jacobus co Joannes 
ooggetuigen geweest waren. 

Dit is, zegt de Eerwaerde .y^A/yr^c, voorgevaUcn, 
volgens het gefchiedverhaal van Lukas , kort voor dat * 
da%n zijner opneminge. vervuld merden ^ dat is: voor dat 
he? iaar begon te loopen , waarin jesus ten hemel is op- 
ecnocnen. Hoofdft. IX. 51- 't Was, naar mijn rekcnmg, 
uit vergelijking van Mattheus en Markus aantekcnmgen, 
een klem jaar voor 's Heilands lijden, gelijk dit dooriucb* 
ti' <'ezicht ter voorbereidinge voor dat lijden diende. 

"^ ''De Plaats, waar dit voorgevallen is, noemt Petrus 
den heiligen Berg. De Landbefchrijvers zijn *t niet eens, 
waar men dien zoeken moet. Volgens cene oude overle- 
verine is het de berg Thabor , in den ftam Zebulon in 
GaÜlea. Doch de Heeren Ligtfoot (♦) en Reland Cf) 
denken om den berg Panius of Cefarea Filippi , die Her- 
xnon heet in de Heilige Schrift, ên een gedeeke wis van 
den Libanon. En inderdaad , zoo men de algemeene over- 
levering vertaaten moet, is 'er niets gevoeglïjker, niets 
dat beter met de berchrijving van dezen beig, met bet 
verblijf van Christus in die landftreek , en van de reize in 

*t vervolg door Galilea , overeenkomt. De Betg 

wordt ons als een hooge berg befchreven ; dit is een cha- 
racter dat bijzonder op den Hermon past, en wel in den 
volflen nadruk op dien heuvel , welke boven Paneas of 
Cerarca Filippi hing , en de berg Panius genoemd wordt. 
Uieronymus (§) fchrijft, dat men de fneeuw daarvan , des 
yoraers, tot verkoeling en lekkernij naar Tirus br»gt. Ia 
de Chaldeeuwfche uitbreiding van Num. XXXIV. 8. en 
Deut. IV. 48. worde hij de Sneeuvherg van Cefarea ge- 
uoemd. En Jofefus (4-) tekent aan , dat de berg Panius 

een 

(*> Hor Hehr. ad Mare. IX. a. (t^ Pal. L. L C LI..p. 336, 
($5 On^T). ^d Voc, HEaMQN, Q) De Bello L, I» C. |5, 



©TER HOM. Vin. Sir S FET. 1. 



i9S 



ien kruin van V gebergte is^ U% Ikwupm Up.i tot eene onein- 
dige hoogte ftcigcrendc. Ziet- men op bet verblijf van 
^ Christus in 't voorgaande. Hij ww té Ceftrea Filippi , 
JMatth. XVI. 13. Mare. VIII. a?. Men leest van geene 
feize, waardoor Hij van daar wecbgetrokken is; maar at«. 
leen dat Hij na zes dagen' Petrus en Jakobus en Joames 
met zich nam, en of eenen hoogen berg alleen bragt. l3it 
fchijnt nataurlijkerwijze niet anders te kennen te geeven , 
dan dat Hij , na een verblijf van zts dagen in de aeelen 
van Cefarea Filippi, zijne drie leerlingen op eenen hoogen 
berg hebbe meegenomen 9 welken berg men bijgevolg om- 
trent Cefarea Filippi moet zoeken. Ook fchijnt op 

dien berg best te pasfen, dat hij ze op dien hoogen berg 
bezijden alleen bragt x^r' UUt f^m, \ welk zekerlijk op 
de discipelen en niet- op den berg ziet. Maar op Thabor 
woonde , zoo veel ik weet , niemand , en dus waren ze 
daar alleen , zoo baast ze dien berg opgeklommen waren. 
Doch op den berg Panius of Hermon , was , volgens Eu* 
febsus en Hieronjmus (♦) een uitmuntende Afgodstempel, 
die zeer van de Heidenen geëerbiedigd wierd. Hoe ei- 
genaanig is bet dan, dat de Cuangelist, bezig zijnde met 
te fchrijven van 's Heilands verblijf omtrent Cefarea Filip- 
pi, fchrijft 9 dat de Heiland zijne leerlingen daar op den 
berg met zich nam , en wel alleen op een eenzaame plaats, 
daar ze door 't gewoel omtrent dien Afgodstempel niet 

geftoord wierden. Doet bier ten laaiften bij, dat 

dit met de reis , in 't vervolg gemeld , best overeenftemt. 
Men leest Mark. IX. 30. En yam daar wechgaande ^ reis^^ 
den zij door Galileen , en Hij wilde niet dat het iemand 
wiste. En vs. 33 voegt 'er de Euan^elist bij, dat hij te 
Kapernaum kwam. Deeze reis door Galilea, laat zich veel 
beter verklaaren , bij aldien men jBsus (lelt van Cefarea 
Filippi te komen , dat aan ^t uiterfte end van Gafilea naar 
het noorden lag , omtrent tien uuren gaans van Kaperna» 
urn , dan wanneer men Hem begrijpt van Thabor te ko* 
mens welke berg, heel naar *t zuiden, flechcs drie uuren 

{aans van Kapernaum j^elegen was. Deze redenen 
omen mij zoo gewigtig voor , dat ze bet tegen 't gezag 

der overlevering fcbijnen over te haaien. • En mis* 

fchien dat de Voorzienigheid , dien berg op de grenzen 
van Syrië liggende , «n daartoe nu ten grootften deele be- 
hoorende, heeft verkooren toe deze doorlucbiige verbeer« 

C*) In Onom. 

Ee4 



596 R. SCïTDTTE, OVER ROM. VIII. EN ft PET. I. 

üikinge van Gods 2^on , om hier een fchets te geeven 
van *t luisterrijk gebied , dat Hij na zijn lijden ontvangen 
zoude over Jooden en Heidenen. , ,, , 

„ Deze berg krijgt bier den titel van den Heiligen Berg. 
Mogelijk is het zo vreemd niet , te (lellen » dat de berg 
• Panius of Hertnon van ouds de Heilige Berg geheetea 
wierd, van wege den vermaarden tempel daarop gefticht, 
en den Afgodsdienst , welke •er op gepleegd wierd. Al- 
thans bij Paneas of Cefarea Filippi lag een plaats, die^ 
Kedei , dat is , de Heilige Plaats , genaamd wierd (*> 
En de ftad Paneas zelf krijgt op de penningen den titel 
van M *«' 'A«-«A.«, dat is, de heilige en onfchendbaare ^ 

felijk de doorluchtige Ezechiel Spanlieim (f) aanmerkt. 
Iet is bekend, dat oudtijds, van wege een Tempel, de 
omliggende grond , en fomtijds een groote ftreek lands. 
Heilig genoemd wierd , gelijk diezelfde doorgeleerde Span^ 
heim heeft bewezen , die daaruit het ftaande in de heilige 
plaats^ Matth. JCXIV. 15» tracht op te helderen (§). On- 
deriusfchcn , fchoon die Berg van ouds den naam van den 
Heiligen Berg fchijnt gehad te hebben, en onder dien be* 
kenden naam van Petrus aangeweezen te zijn , wil ik even- 
wel niet ontkennen, dat Petrus zal gedacht hebben , onder 
't fchrijven van dezen titel, met hoe veel grooter recht die 
tans aan dezen berg, met de verfchijning van de Godheid 
vereerd en aan Gods Zoon gewijd, moest gerekend worden 
toe te komen, 't Kan ook wel zijn dat Petrus^ wanneer 
hij in zijnen blinden drift zei : laat om drie tabernakelen 
maaken, voor tl eenen, voor Mofes eenen^ en voor Elias 
eenen (+), deze gebouwen heeft willen (lichten ter eere 
van den waaren God , en dien berg aan God wijen , in te- 

Sïuftelling van den Afgodstempèl , die 'op deszelfs kruin 
ond. Althans wat hiervan ook zij , deze bere kon nu 
waarlijk de Heilige Berg heeien. De Heilige Godlijke Ma- 
iefteit verfcheen hier. 'Er was een heilig gezelfchap bijeea 
vergaderd. 'Ër viel een heilig gefprek voor tusfchen Chris- 
tus , Mofes en Elias , over zijn heilig lijden en uitgang uit 
JeruOilem , en de waare heiligheid van Gods volk daar uit 
te wachten.'* 

r*^ EusEB. en hieron. in Onom. Voc. cades. VergeK JeH 
XIl/:ia XIX. 37. en XXf. 32. ^ t De praifl. & ufu Num.DisC 
IX, T. I. p. 66s. j; Ibid. p. 666-66g. (+} Matth. XVII. 4, 
Mark. IX. 5* 

1. . > L^^r^ 



J. A. SMIT, OVia MALIACm II. lOé 5p)f- 

J^eerredcn cyer Malcachi II. lo. Vé»/ï j. a« smit , jPr^^^i 
ite«/ te Gouda. Te Gouda ^ by W, Verblaaiiw, 1787. 
Bchahcn het Foorbcrtcht^ 39 lladz. in gr. oSayo. 

Ter gelegenheid van den laetstgevierden Biddag, beefc 
de Eerwaarde SmU deze Leerreden uitgefproken, waec 
in by, na ene beknopte oordeelkundige verklaring der text- 
woorden Mal. IL 10 9 den inhoud der mtfchryvinffe vaa 
den Biddag eigenaertig nauwkeurig beeft gade gella^en; 
bepalende de aendacjht zyner toehoorderen , naar aenleiding 
van den texc, tot de vier volgende waerbeden. 

,, 1. Zal de afkomst uit een braaf geflachte , de erfop- 
,, volging in deszelfe voorrechten , voor de nakomelingen, 
,9 tot roem en een beaendJK voordeel zijn , dan moeten 
,, die in dankbaarheid aan Godt, en eene eendragtige be- 
9, hartiging van hunne algemeene belangen, het deugde»» 



„ fpoor van hunne vroome Vaderen volden* 
„ 2. 't Is onverefFen' • • 

van leden van dezeli 
looi ie behandelen. 
„ 3* £en volk , 2 
handelt, de man 
Vaderen verbond. 



„ 2. 't Is onverefFenbaar met de betrekkinge en 't belang 
„ van leden van dezelfde Maatfchappij, malkander en trouw s 

»9 



„ 3« £en volk , zo naauw verbonden , dat trouwloos 
,, handelt, de man met zijnen broeder, ontheiligt zijner 

9f 4« Oprechte fchuldbelijdenis en wederkeering tot hun- 
9, nen pligt, is de eenige weg, om hunnen ondergang te 
9, mijden. 

Deze waarheden worden hier met de vereischte klaer« 
beid ontvouwd , byzonder met opzicht tor de tegenwoof- 
dige omftandigheden van ons Vaderland, en ten emftigfte 

ter betrachtinge aengedrongen. In de Voorreden, 

voor deze Leerreden geplaetst, zuivert hy zich en zynea 
aenhang ten krachtigfle van die haetiyke en ongegronde 
befcbuldiging , den Patriotten te laste gelegd , dat zy de 
ondermyning van den in Nederland heerfchenden Gods* 
dienst zouden beoogen , en vyanden zyn van het Stadhon* 

derfchap en van het Doorluchtig Dranje-Hnis. Wy« 

ders ontmoeten we in de Leerreden zelve nog ene korte 
fcbets van 't beloop der Predikatie , door zynen Amptge- 
noot Couperus , in de avondbeurt van dien dag der ue« 
meente voorgedragen ; welke wy niet ongepast oordeelea 
hiernevens te plaetzen. ' 

Na eene beknopte opheldering van Pf. CXLIV. 12-15, 
betrekkelijk tot Uraül, üelde zijn WeLEerw* de volgende 

£ e 5 Hoofd. 



Hoofdzaken in 't duidelJjkfte daglicht: „ gelijk het Jood» 
-; fche volk ^ zo «ouden wij lot eenen hoogcn lop van 
^ voorfpoed rijgen :'* 

3, I. Als de ligchaamelijke en zedelijke opvoeding van 
„ de Jeugd , afhangelijk van Gods zegen , zo ingericht 
^, wterd, dat beide de Geflachten^ tot fteunzef^n fieraad 

„ van 't Gezin , en van de Maatfchappij , opgroeiden 

. ,^ a. Als de arbeidzaame ijver aangewakkerd, fpaarraa* 
^ ne vlijt en eerlijUieid den Koophandel en Fabricquen 
^ deeden Uoeijen i , , 

• ,,3. Als het met den Landbouw en Veeboederi] voor- 
„ fpoedig ging 

,^ 4. Als elk* voor alle geweld en onderdrukkingen be- 
„ vrijd , bij zijne bezittingen en reebten bewaard , de 
,, vruchten van zijnen arbeid in vreede kon genteten - 

„ 5. Als de waare dienst van God de regte bron eo 
^ 't Goddelijk £uangelie het lichtfnoer van dit alles 
„ was." — 



J^cfcheidene aanfpraak aan hen^ welke het Leerbegrtf dor 
Euangtlisch Lutherfche Kerke trasten te verbeteren; dwr" 

Ï. K. DiETKLMAiR , Dr. en Hoogt, in de H. Godgeleerd- 
eid en Predikant te Altorf. Uit het Hoogduitsch ver* 
taald. Te Amftcrdam^ hy A. Borchers, 1787. SehaU 
ven de Foêrrcde , 42 bladz. in gr. o&ayo. 

In dit Stukje 9 het welk de Hoogleeraer Dietelmair al voor 
ctlyke jaren in Dnitschland heeft uitgegeven, verzet hy 
sich tegen de toenmalige peogingen van zommigen in 
Duitscliland, om het Leerbegrip der Euangelisch Luther- 
fciie Kerke te verbeteren ; wacromtrent hy hen onder 't 
oog ttagt te brengen, dat ze een onnoodigeu arbeid op 
xich nemen , en niet kunnen wagten van 'er gelukkig in 
te zullen flagen. De Hoogleeraef fchryft als een yverig 
voorftander zyner Leere, en hy doet het, het geen men 
ia 2ulk een geval maer al te zeldzaem aentreft » met ene 
oordeelkundige befcheidenheid , die hem tot eer ftrekt. 

Men merke hier wel op , dat het in dezen niet 

«enkomt , op de verbetering der leerwyze , maer op de 
verbetering van het Leerfteizel zelve ; welk laetfte , naer 
*t oordeel van zyn Hoogeerwaerden , geen plaets kan heb- 
ben, of althans niet te wagien is. „ Gy weet, (zegt hy 
i^ daeromO SF weet, Myne Heerenf dat ik niet van M^ 

h ca 



J. A. BIETELMAlA) SB8CHEIMNB AANSPRAAK* $9^ 

,, en een iegelykc verbetering onzer Leerboeken fpreeke ^ 
9^ maar van xulk eene ; door welkt men ons Ltèrbegrif 
,, van dwaalendc ftellingen meenc te zuiveren. In andere 
9, ftukken kunnen verbeteringen plaats vinden, die wy wel 
,» zelf maaken , of van Mannen van doorzigt met opreg- 
^ ten dank aantieemen. Van daar komt het, dat zo Vee* 
99 Ie nieuwe Leerboeken gefchreeveu gewohien zyn , en 
99 nog gefcbreeven worden , wyl altoos iemand gelooft^ 
^ eene betere en gemakkelyker^ inrichting van den voor* 
5, dragc te maaken , zonder dat hy in de Leeringen zei* 
y, ven ook iets het miafte beseert te veranderen. De een 
9, ontwerpt een ander plan » dan de andere ; hy maakt e«« 
^9 ne andere ómfcbry ving van verfcheidene verklaaringen, 
5, beoordeelt de bewyzen of ran^chikt ze anders dan een 
9, aad^. Ok kan zeer wel gefchieden, en fomwylen over« 
y, toUig , fomwylen goed , (en ik zal nog zeggen :) mis- 
9j fcbien ook fomwylen noodig zyn* Doch hiervan word 
^ thans niet gefprooken. Wy fpreeken van Leerftellingen 
„ zalven , die men veranderen wilde , en hiertoe willen 

5, wy het niet komen laaien/' Indien dit onder- 

icheid ook hier te Lande in agt genomen ware , byzonder 
in de tegenwoordige onlusten der Ëuangelisch Lutherfche 
Gemeente te Anifterdam , zouden ze ongetwyMd of riet 
ontftaen , of ten minde zo hoog niet geklommen zyn , daer 
ét verfchillen, zo veel wy althans tot nog zien, meerde 
teerwjze dan wel het Lttrfielligc zelve betreffen : des de- 
se aenfpraek van den Hoogleeraer Dieulmair tot dit on- 
derwerp niet te betrekken zy ; wierop ze » gelyk we be* 
merkt hebben « van zommigen^ by mangel van ene behoor- 
lyke onderfchddingy ook wel overgebragt word. 



féjkreden op Frcderik den tweeden^ in , keven Koning ^an 
Pruis/en enz. enz. enz. gedaan door j. m. schwaoer 9 
Predikant te Joelknbeck. Uit het Hoogduitsch vertaald 
door }, H. KNABB , Luthersch Proponent. In 's Graa- 
venhaage^bj J. A. Bouvink , 1787. /» gr. Svo. 34 biadz^ 

Deze Lykreden verleent ons een zeer wel uitgevoerd Ta- 
fereel van de voortreflyke hoedanigheden van Fredarik 
den t'^feeden , die zich , geduurende zyn leven , als Ryks- 
beftierder over zyn Volk, als Veldheer en als Geleerde, 
ilomiR^ beroemd gemaekt beeft* 



Gehedebo^k van Keizer joseph. Vertaald uU het Hoog* 
duitsch. Te Amfieldam ^ by J. B» Ëlwe , '1787. In o&a* 
voy 42 bladz. 

Onder dezen eytel geeft meo gene afTchriften van dadely- 
ke gebeden xles Keizers, maer men drukt , by manier 
van gebeden tot God , uit de opheffingen des harten , die 
men, wanneer men des Keizers daden nagaet, befl^iten 
mag by hem plaets te hebben : 't welk vry éigeuaertig uic- 

Sevoerd is» Zie hier zyne gedachten by bet afTchaffen der 
Aonnikken. 

,9 Ik doe nu eenen (lap, die roy eene menigte van vyan* 
den op den hals haaien, en die zelfs van veelen, anders 
goede Onderdaanen, niet onberispt blyven zal. Maar ik 
vertrouw op U , eeuwig alwys Wezen I ■■ Gy «iet 

myn hart, en weet, dai ik alleenlyk het welzyn der menscb* 
beid, alleenlyk den voorfpoed myner landen, tot oogmerk 
heb. 

„ JeHis , wien gy in de wereld zorid , leerde daadlyk 
broederliefde, en llelde de mepschlyke gelukzaligheid tot 

bet oogmerk daarVan. Myne Monniken zyn ten 

eenenmaale van deeze leere afgeweeken; zy ieeven in ie« 
digheid, en beminnen alleenlyk zigzelven. Zy misleideii 
mya volk *— trekken het af van de aanbidding uwer Al* 
magt, voeren het ten overgeloove, en prediken broeder* 

haat. Hun getal is voor den Staat een drukkende 

last geworden; zy verteeren deszelfs beste merg, zyn rcba« 
delyk aan de bevolking, en verdooven, door hun voor^ 
beeld, de naarftigheid. Zy .vergaderen fchatten, die zy 
den algemeenen omloop onttrekken , verhinderen iedere wy- 
ze van verlichting, en zyn nutlooze leden voor den Staat. 

„ Derhdven geloof ik, de magt, welke my, naar uw 
eeuwig wys Plan, in handen gegeeven is, niet te misbruik 
ken , wanneer ik deeze monnikenorden , de eene na de an- 
dere, afTchaf. Maar, op dat ik bet goede niet vtn 

}ialve verrichte, zal ik zorg draagen, dat zy, zo veel mo« 
gelyk , zuiverder grondbeginselen aanneemen , en waardige 
navolgers van onzen Godlyken Leeraar worden. 

,, Sterk my derhalveu, eeuwig, almagtig Wezen! regen 
alle tegenftreevingen en bedreigingen van het Pauslyk hof; 
tegen alle afkeurende voordellingen van partydige Ministers 
en Raaden; tegen de rcbynfchoone drangredenen van fom* 
mige Bisfchoppen, en tegen het morren van myn Volk, op 

dat 



nxi man joupn. 401 

aat Tk dit werk , ondernomen tot welzyn vtn royne Lan-. 
deo, en van de zuivere cliii3tlyke leere, gelukkig en ftand- 
vastig voleinde. Amen." 

Men voege hiernevens zyne gedachten vóór de invoering 
'der Tolerantie. 

„ Eeuwig , onbegrypelyk Wezen ! gy zyt geheel ver- 
draagzaatnhdd en liefde* Uwe zonne gaat zo wel op over 
^den Christen als over den Godlochcnaar; uw regen maakt 
zo wel de velden der dwaalenden als die der rechtgeloo- 
vigen vruchtbaar » en het zaad van iedere deugd ligt zo 

jwcl in iKt hart der Heidenen als der Ketters. • Gy 

leert my derhalven » eeuwig Wezen 1 verdraagzaamheid en 
liefde : Gy leert my , dat verfcheidenhËfid van gevoelens 
U niet te rug houdt , een weldoend yader van alle rneob» 
fchen te weezen. ■ En ik , uw fchepzel , zoude min- 

der verdraagzaam zyn ! zou niet- toeRagn , dat ieder van 
inyne onderdaanen U op zyne wyze aanbade ! ik zou vev- 
volgen hen, die anders dachten dan ik ^ en de dwaalea* 
den door het zwaard bekeeren ! 

,, Neen , almachtig Wezen! wiens Kefde alles in «g 
bevat, zulks zy verre van royl ik Wil u gelyk zyn,*. zo 
vene een fchepzel zulks kan weezen^ Ik wil verdraagzaam 

zyn als Gy. Van nu aan zy alle geweetensdwang 

in myne Staaren afgefcbaft. Waar is een Godsdienst, die 
niet leert de deugd te beminnen, en voor de ondefugd een 
afkeer te hebbeJ9.? ieder Godsdienst zy dan van my toe^ 
£eftaan; ieder aanbidde U, ecuwig Wezen! op die wyze, 
welke hem het besce dunkt« ,. 

,» Verdient men om de dwaalingen in het verfbmd W^l 
uit de maatfchappy verbannen te worden; en is (Irengheid 
wel het middel om gemoederen te winnen , en dwaalenden 
te recht te brengen? — -^ Dat dan voortaan alle ét 
fcbandelyke ketenen der onverdraagzaamheid verbroken zyn^ 
en dat daarentegen de zoete band der tirerdraagzaambeid en 
broederliefde myne onderdaanen voor altoos vereenigCé « 

„ Ik weet dat ik veele zwaarigbedea ^al moeten te bo^ 
▼en komen, en dat ^e meesten daar van zullen koneh vao 
bun. die zig uwe Priesters noemen, -. Keer derhal- 
ven uwe magt niet van my.af; onderfteun my met uw? 
liefde , eeuwig onnafpeurlyk Wezen! o^ dat ik alle de^e 
bindemisfen gelukkiglvk moge overwinnen, en dat de wet 
mxi onzen Godlyken Leeraar» welke, geene andere is, dan 
verdraagzaamheid en liefde ^ door my vervuld worde^ 
Ao«uT. . . ^^; 



4|M • ^WUtAnSLlNdflUf ' 

yerhandetingen uUgegeeyen door het Zêêuwsch Genoo$fi>hap 
der Wttenfchappen te VUsfmgcn. Dtrtiendt Deel. 2^ 
Middelburgs by P. Giillsfen, 1786. Behalven het Toov 
werk^ 558 blaas, in gr. o&ayo. 

E ene bekroonde Verhandeling van den Heer c. EimnL 
(Irekkende ter^ beantwoordinge der Vraage;' ,, Welke 
^, is bet best gefchtkte en OMnst kostbaar ontwerp , toe 
,,. bet (lichten van een bekwaam Gebonw , onder den naam 
39 van Hospitaal of Mauhuis, voor onvermogende en o^^ 
„ de Zeelieden ?•• bekleedt hier de eerfte plaatfe : beheV- 
aende een volledig plan van zulk een Gebouw, met een« 
onderfcheidenlyke berekening der vereischte onkosten , ea 
•anmerkingen over het vinden en draaglyk roaaken van de* 
selven, — ^^ — ^ Hieraan volgt eene insgelyks begiftigde 
Verhandeling van den Heer j. fr. mullkr , waar in by 
cenePrysvraag, d^D WisTelcoers betreffende, beamwoordty 
met de vier volgende hoofdaaaken naauwkeuria gade te 
flaaiu 9, (lO Het onderrcheid der Wisfelfchade ^^an ieder 
^9 der ses Vdreeniade Provinciën, met rehtie tot die van 
,, Holland. (2:) De fundatnenteele oorzaaken, waarom 
jy dfi Wisfelfchade in Zeeland grooter , dan in de vyf an- 
^ dere Provinciën, zou zyn, indien de zilveren Ducaat 
,, niet hooger in prys gangbaar ware , dan in de overige 
„ Provinciën. (O Do redenen, welke Zeeland zou kun* 
„ nen gebad hebb^ , om meer dan de vyf andere Pro^ 
,, vincien voor gebrek aan Standpennfngen bedugt te zym 
^y En eindelyk (4.) het middel , waardoor dit defeA op 
„ de beste wyze voorpekoomen zou kuünen worden." — - 
Verder verleent ona dit Deel eene Verhandeling van wy* 
len den Eerwaarden Heer ^. Zuidhoek van Laren ^ waat 
in hy zig bevlytigd heeft te Onderzoeken , welke Perfoo- 
nan^ Openb, L ao, bedoeld zyn, onderde benaaniing vaa 
de Engelen der zeven Gemeenten? Naar tiitwyEen van ^e 
Mans onderzeek, zou men bier te denkeri hebben, ,, op 
„ zekeve , en by de Cremeente en by johawmes, welbe- 
,, kende Perfoonent - ■ ■ het zy Ol>ziet)erfl of geachtte 

j, leden ) die te boek flonden en verkooren waren 

•,, — — tot Gezanten, om van haaren wege,— ^ 

„ of by andere Gemeenten te veitichten , het geen t^ 
^9 aankweeking van onderHnge liefde en vrede könde (Ireb^ 
^^'ken; ^'•«--^.oCem den gebannen Apoatel te bezoeken; 
^9 ^ en die uu töt de hunnen weer waren te rag ga^ 
* • ^ „ koo^ 



▼AH pET «BKOWfClI OBMOOTSCBAr. ^^ 

^ kooffltn.- Zyn Eerwtftrd* heeft dit denkbeeld tot eea 
▼ry boogen trap van waarfcbynlykheid gebraat, «o dat het 
miat opmerking vordere. — ^^ Naast dit Stak komt 
ceo Onderzoek van den Eerwaarden Heer a. 's cra»! 
^ANDE, over de oplosfing der fchynftrydigheid tuafchS 
de Euangehfcbe Verbaalen van Afo«A. IX. i-atf. vererf: 

?1* ^T%?' *;**'*" ^'' ^' '7-39- Zyn BerwaaS 
'behandelt dit ondeiweip met een welwikkend oordeel e. 
fiaaft xyne IwdenkiDgen^deawegens met alle befcheideZ 
beid, bovenal, in tegeofteUing v«.'t gevoelen van wvS 
den Eerwaarden Heer r. schutte. Men heeft, votosS 
«yn inzien» het waare beloop van saaken indiervoe^te 
befchouwen, „ dat men in tijdorde * 

./♦/ Vz-f*^^'*/?'"* ^^ geneezing oï reiniging vaa dea 
Mel0at/cl^n.Masc, i: 40.45. Ljuc jMa-xó;. tn moadS 
ook Matth. 8: 1-4. . * «•"gaiF 

„ a. Dan de geneezing van den ger^akton'cn de daaa 

op gevolgde ^ roeping van den Tollenaar. Matth. o: ibJo! 

Mare. a: 1-14. en Luc. 5: 17- ag. . y * 9* 

„ (Voort* eeae r«*/ van andere tus/chem infchieundè 

gebeunenttfea. welker nafpeudng w«tdient tot i2S 

tegenwoordig oogmerk: voorkooownde Mare» i». i* 

'Zlyï'^^^'^'^ «: I— :8j aj, die Mattheus'tS 
defte Jf. t: 5-oa, eo voorts H. ro-i» vertadS 
heeft, ten lilaaren bewijw, dat Mattbeu Bbt S! 

bSft'getlte*'*"^"'^-' de bepaald. tddoriS 

», $. Da^ia de u>gt oveir tet GalïUejchc Meir '. „«-2 

het W <4fr C5r^^«*«(t?,% de gcneeziBf der èeaienei? 

nevens de terugkoiprost by Capemaum, Matth. SiVr™-^ 

I». Mare 4; as — 5: ai. Lnc 8: ««-40. • ■ ■ * .^ 

t^T^ *^- *■ '"■■"• !^^5-* 

^♦» §• 2n eindelijk de ioorw» «n bet ytrtoek van iëii 
Oy.r^« Taïrusi met aJks, wat tot dat ftuk, afe^, tk 
de tusfclien inrchietende^^««»-«^ der BfoedvloStaS 

i^l.\^t!^' **•"'• ^ ^'^•^- **-«* ^ "^ 

j. Vaa zelve vfiry^» ii», ()g«ljk"zKB Eerwaafde 'v*r* 
ift/A*/./. En men merkt ligteiyk„4at>^ <<* ^^^2 



4Ö» 



VE&RANDRtlNOfiN 



gebeurd \ doch betrekking töt elkander hebbende , als ia 
zenen adem aan een gefchakeld, verhaalen. Doch dac zif 
alleen daarin van elkander verfchillen , dat Marcus en Li»> 
cfó, ten tijde daar het verhaal begon ^ alles, ook hetgeen 
fot iaaUf" tijd behoort y (als in een foort van voorverhaaf^ 
ah hoofde van betrekkingen^ onmiddelijk daar bij voegen.* 
Terwijl Mattheus waeht -met het eerde te verbaafen , tot 
dat hij, ter rechter tijdj het laatfte boekt; en bij die ge- 
legenheid het eerfte^ fchoon vroeger gebeurd, als de aan» 
üiding verlchaffende tot het laatfte ^ «u maar £BR5T te 
fcockttelt-" 

. Ter deezer gelegenheid gaat zyn Eerwaarde ook byzoti» 
derlyk na, het geen dfe roeping van den Tollenaar betreft; 
volgens Mattheus is de Tollenaar Maftheus zelve, maar 
Manusen Luioas ïióienoen hem Levi den Zoon van Al^ 
pheus. Zyn Eerwaarde vereenigt zig met bun, die MaU 
iheus voor eeneh anderen Perfoon houden, dan Levi; en 
deezen laatden 'voor denzelfden met Lebbeus^ C^en ApOs* 
tel , van Jezus ook Thaddeus genaamd , als mede Judas ^ 
Jacobi Broeder^ ) èn dus een Zoon van Alfheus. Dao» 
desniettegcriftaande beweert hy, dat men hier op geen twee 
onderfchetden ' gevailen hebbe te denken. „ Zoo het mij 
toefcbijnt:, zegt hy, iijn *er niet zÉff ^- maar twek per- 
foofltn, ter zs/fder 'tijd gtfoeptn; waarvan de een genaamd 
was ll^tbeas ; eo óé ander Levi , een Zoon vaii Aipheus. 
Bn d^'t JeHis naderhand ,'-toen hi] weder kwam uit het Land 
der Gergefeenen, ter maaltijd onthaald zij, in het Huis, 
piePvzn MATTHeüs , (fchodn de -onzen het zoo begreep 
pen* dewijl zij liet woord [mattheus] hebben ingevuld,) 
vutar van lbvï , welke die groote maaltijd voor Jcfiis in 
zijn eigen huis had aangerecht," -^— — Hét gewag maa» 
tol van ji^heus geeft hem tevens aanleiding , om , by 
manier van eene toegift , nog kprtlyk te toonen , dat 'er 
geene voldoenende reden syn » -om deezen Alfheus voor 
denzelfden perfoon met Kleopas , Luc. XXIV. 13, eti Joh. 
XIX. 25. te bouddd ; maair \ vee! eer te denken zy , dat 
Alpheus en Kleopas wéezenlyk onderfcheiden perfoonen 

In eene hieraan voH^nde Verhandeling , deelt ons de 
Eerwaarde Heer H. Koyaards mede, zyne Bedenkingen 
over een algemeen Ofimdbeginzel ^ waaruit alle de Voor. 
fchriften van het Natüurlyk Recht kunnen worden afge- 
lAéé Hietomtreat komt* by hem , voor eerst , in overwee» 
lODg^ i» of men 9 de aMk van iwrcn befchouwd zynde. 



VAN HET ZEBUWSCH OEWOOTSCHA*. 405 

» vcryatto kan , dat 'er «ulk een algemeen beginzet u 
^.vtnden zj/ En getoond hebbende, dat hiefin- niets 
ilrydigs, en t derbalven mogelyk zy, zo verledigt hv 
»g, ten tweede, om ua te gaan, „ wat de ondervinding 
„ hier van achteren geleerd hebbe, of waarop men Art 
„ mg wel meest gevestigd liebbe, om zulit een grondbe- 
,, ginzel uit te vinden? Zya Eerwaarde brengt bier op 
d« voornaamfte aangevoerde grondbeginzeU in cene «ere- 
gelde orde te berde, en leert ons dat de meesten he<lea- 
daags letten op den Mensch, befcbouwd in de geheek 
natuur, en zyne betrekkingen in dezelve; 't welk dan 
egter op veiTchillende wyzen verklaard wordt. 

,, Maar de meesten, vervolgt hy, willen hier op de 
tnrtchttng der mtuur^ en de oogmerken der Godheid in 
dezelve zien; en daar het zeker is, dat God door die 
inrichting zynen wil heeft bekend gemaakt, en wil dat 
wy volgends denzelven handelen, zoo wordt de orde van 
het heelal, en het leven volgends dezelve, dat is over», 
eenkoomftig de oogmerken der dingen, als het ware bedn: 

£el van onze daden gehouden. . Volgens deeeo 

laatflen grond, die de veUigfte is, heeft men te letten oo 
de geheele natuur^ op de orde van V heelal ^ alle de bfr- 
trekkingen gade te Haan, in welke men gelleld is en 
overeenkoomlUg dezelve te leven. ' 

,, Daarin ontdekt zich waarheid} bet moet immers Gods 
wtt zyn , dat de Mensch handele naar de inrichtingen 
Gods , en bevoorderlyk zy aan deszelfs oogmerken ; —-». 
het voordel leert ons aanOonds, in elk geval, de plieten 
kennen; daar *er geen deugd of ondeugd is, welke haire 
overeenkoomst met, of ftrydigheid tegen de Goddelvke 
oogmerken, niet vertoont; het leert ons de pligten ken- 
nen, in dke betrekkinge, waarin wy (laan; en zelfs in 
die orde, volgends welke wy in die betrekking zyn, tot 
God , ons zelven en anderen. Het heeft zyne klaarheid 
daar men alleen die orde behoeft te kennen, ötotrent 
welke wy verkeeren, en die openbaar Uykbaar is, want 
het verborgene kan nimmer een richtfnoer onzer daden 
zyn; het is een eerst algemeen beginsel, *er zyn wel bv- 
zondere, waaruit het wordt afgeleid, maar 'er is 'er «en 
dat even algemeen en echter eerder is,'* * 

Aan de ontvouwing hiervan , hegt de Eerwaarde Rov. 
aards verder eene wederlegging der bedenklnge, dat de 
^erfcheidenheid van gevotUns, in 't bepaalen van zulk een 
beginzd, deszelfs zekerheid eenigzins benadeelt. Vervol* 
IL DEEL. N. al6.lbtt.no 10. ff gem 



4o6 VtBRANMLmOSN 

gehs doet fay zien , boe het bovengemelde begitisd , oifit 
llegts den TFjsgecr , maar ook den gemccnen Maté imttig 
kan zyn, en een lieilzaamen invloed op den wandel kan 
hebben , indien hy maar eenigzins opgeleid 2y om te den* 
ken. En laatstlyk toont hy^ hoe dit beginsel m een vol- 
komen verband ftaa, tot da^, het welk ons de leer der 
Openbaaring oplevert; om, naamlyk^ alles te doea tot 
<}ods Eer, en ten rigtfnoer onzer pligten te honden, de 
liefde tot God boven llles » en tot den Naasten als tot ons 
zelven. 

. By deeze Verhandeling komt die van Dr. jf.yanSoüngen 
over den invloed der Zintuigen op de Wysgeerte, in 
welke hy ons doet zien, van hoe veel invloeds dezelven, 
door alle tyden, op de Wysgeerte geweest zyn; welke 
nadeeiim gevolgen derzelver onberedeneerde gebruik ge* 
baard nebbe; van hoe veel nuts eene verftandige inagt- 
neeming van dezelven geweest zy; en hoe fchadelyk eeoe 
nitwecking derzelver verwaarloozing te wege gebragt heb- 
be. Dit leidt hem tot de vraag: „ welk een weg betaamt 
„ het, ten deezen opzigte, hem in te flaan, die, der 
',, wysheid begeerig, de waarheid tracht te kennen, en 
„ den bekoorlykcn certytel van Wysgeer verdient ?•* — — 
£n 't antwoord is: „ den invloedf der Zintuigen te mis- 
„ trouwen , en zich nochthans van dezelve ten nutte te 
„ bedienen , na ze eerst aan het gezond verftand beproefd 
„ te hebben , is onwecrfpreeklyk de veiligfte weg." EKi 
heeft , gelyk hy vervolgens toont , plaats in heide de hoofd- 
onderdeden der Wysgeerte, te weeren, de Natuurkunde 
en Zedekunde; met aanwyzing hoe men dien weg, zo in 
*t eene als in 't andere, met een gewénschten mmzg kun» 
ne bewandelen. 

Hiernevens is geplanrst eene Latynfche Verhandeling van 
den Hoogleeraar G. de Wind^ over de Zeeuwfcbc Lugt» 
met eene daarbygevoegde Nederduitfche vertaaling van 
den Heer L. C. 'Freytag. De veelvuldige klagten over de, 
voor -de gezondheid, nadeelige lugtsgefteltenis van Zee- 
land, hebben den Middelburgfchen Hoogleeraar de fPind 
de pen doen opvatten, om dezelven tegen te gaan. Zynt 
befchouwing van alles wat invloed kan hebben op den 
Zeeuwfchen Dampkring , in vergelyking van 't geen daar- 
omtrent ten opzigte van Holhtnd in aanmerking kan ko« 
men; mitsgaders, van de daaruit voonfpruitende ongefteld- 
heden; verleent hem eén genoegzaamen grond, om te be* 
weeren^ dat men de Zeeuwfcbe Lugtsgef^ldheid jieens- 

zins 



VAN WêTIËMVWSCH OINOOTSCRAP. 497 

«ins al« bovenmaate naadeelig hebbe te befcliryvcn; exi 
dat veoral de Holldnders, die in een bykans gelykroorti- 
Ren Dampkring leeven, geen reden hebben, om de Zeeuw- 
fche Lugt 20 vinnig door te ftryken; te minder, daar zy 
den grond hunner klagten, veelal, in geheel iets anders 
dan in de Zeeuwfche Lugt hebben te zoeken; waarover 
hy zich aldus uitlaat. 

„ Deeze, 200 dikwils van veeleji opgehaalde, Kwaad- 
aartigheid der Zeeuwfche Lucht heeft, zoo ik denk, uit 
niets meerder haaren oorfprong ontleend , dan uit onze 
Galkoorts, die, boewei ze niet zeer gevaarlyk is, als zy 
naar behooren behandelt wordt, nochthans, met zwaarc 
benaauwtheden verzeld gaande, de gemoederen der Vreem- 
delingen, die daaraan Ziek leggen, groote vrees en een 
kwaad denkbeeld inboezemt. Deeze, in hun Vaderland 
te rug kooröende, vervullen de Lucht met gefchreeuw en 
klactèn , verwenfchen Zeeland , en zyn gewoon de gezond- 
heid hunner Lucht, met veele loftuitingen, te verheffen; 
maar ik wilde hen wel eens vraagen , of zy 'er niet zelve 
oorzaak van zyn? Of zy maaiig en ingetoogen geleefd 
hebben, toen zy zich in Zeeland hebben opgehouden^ 
voornamelyk in de Herfst, als 'er Koortfen zich beginnen 
te vertoonen ? Want wie zal ontkennen , dat de Herfst, 
wegens de veranderende Luchtgefteldheid , in Holland en 
andere Landen , zo wel als in onze Provincie , de meeste 
Ziektens veroorzaakt? Ik heb 'er zeer veele gekend, die, 
naauwiyks in Zeeland aangekoomen, van hunne Bloedver- 
wanten en Vrienden , op pragtige Gastmaalen wierden ont- 
fangen, door laat in den nagt te gastereeren, en door 
verandering van leevenswyze, terftond door de Koorts 
wierden aangetast , die (lerker toenam , naar maate zy 
hunne maag meer met fpyze gevuld, en zich aan de kou- 
de van den nagt bloot gefield hadden ; hiervan daan koomc 
eene flechte verteering der fpyzen, hieruit fpruit eene be- 
lette doorwaareming, en hieruit eene Lighaams vadfigheid 
' en Koorts. Hierby kan men nog eene andere reden voe« 

f en, dat zy, door eene lange reis vermoeid, en hunne 
.igfaaamen door de onftuimige Zee afgemat zynde, de 
zaaden der Ziekte , . die dan eerst doorbreekt , met zich 
brengen. Dus moet men onze Lucht niet befchuldigen , 
maar de onmaatigheid van hun, die, zich aan het over- 
tollig eeten en drinken overgegeeven hebbende, voor hun- 
ne dwaasheid worden gellraft, en als de eigene bewerkers 
van hnü oDgeluk verdienen aangemerkt te worden.'' 

Ff.ft Wy. 



4o8 VKR9AND. VAN HE^T ZUUWSCH GBNOOXaCHAP. 

Wyders ontmoet men hier eene wadroeemiog van Dr# 
J. van Breda ^ wegens eene verftopie Oyebreuk, by cene 
zwangere, in het laatde tydperk van baare dragt, wan- 
neer 'er zich reeds eenige baaringsween vertooadem Hy 
beeft deeze zyi.e waarneeEoing briefswyze medegedeeld aan 
Dr, M* S. du Pui; en deeze ervaren Vroedkundige^heefc 
de goedheid gehad van dien lifieF te beantwoorden, op 
zodanig eene wyze» dat hy zich verledige, om dit onder* 
werp wat breeder te behandelen ; en ten diende der Heel- 
kunde, welke daaromtrent nog nader licht behoeft, aan 
te wyzcn, wat men^ zynes oordeels, in het algemeen te 
denken hebbe 

„ !• Van de bewerking eener geklemde Breuk by eene 
Zwangere Vrouw, op het aannaderen der fiaaringsweeii 
(in/laf uc pariu), of, gelyk het in dit geval was, de Baa* 
ringsween reeds daar zynde; en 

,, a. Hoe men zich, in het doen, of van de hand wy- 
zen dier bewerkinge te gedraagen hebbe , in geval de 
Baarende verlost was, en de toevallen, kort na de verlos- 
iing, de bewerking, als bet eenig middel voor zulk eene 
Lyderesfe, aankoni'igden en overlieten/* 

Eindelyk geeft Dr. J. IL Gallandat hier nog eene bc- 
fchryving van de Pompe a Sein of Zogpomp , door den 
Heer Bianchi uitf^edagt , en door de Paryiche Hoogleeraars 
goedgekeurd, ikt gebruik en de veelcrleie nuttigheid 
deczer Zogponr.pe ontvouwd hebbende, voegt hy daanie* 
veiis eene afbeelding van dezelve, met de vereiscbte ver- 
kiaaring, ten einde de dcsbegeerigen in ftaat te Hellen « 
om du werktuig ^e laaten vervaardigen: zich verzekerd 
houdende^ dat deszclfs gebruik, indien het in ons Vaader* 
land liekend worde, ook onder ons, zo wel als in Frauk- 
rvk- de goedkeuring van verftandigen zal wegdraagen, en 
tot het algemeen welzya verftrekkeu. 



Akademifche Redenvoeringen over de Studie M de Schil* 
derkumt^ ter vorming van jonge Kunjlenaaren ^ en Ur 
juisie beoordeeling van de beste vlerken der Kunst , door 
josuA RRYNOLi:> , Prafidcnt der Koningljke /icademió 
der Schilderkunst , te Londen. Naar de laatfle origineelc 
uitgave vertaald. Ie Amfterdam^ by]. van denBurgh en 
Zoon, 1787. In gr. o&avo^ 200 bladz. 

Tn een zeveatal van Redenvoeringen ontvouwt de Heer 

-■• Keynold het voornaamfte , dat tot het theorctifvbe der 

ScbU. 



J. REYNOLD, OVER Dft SCHILDERKUNST. 409 

Sditlderkunst behoort, met aanwyzing hoe de daarin ge. 
legde gronden ,i ten meesten nutte , in praktyk te bren?en 
zyn. De eerfte Redenvoering gaat, by manier Van inlei- 
ding , over het nut eener welingerigte Academie , en over 
de rechte ftudie der Schilderkunst in 't gemeen. £n in de 
volgende handelt de Praefident over de Theorie der Kunst, 
€n over de onderfcheiden ieerwyze in de Öndie d€r- Schil* 
derkunst; de te ftipte navolging der Natuur; den groo* 
ten Styl; den onderfcheiden Scyl in de Schilderkunst; 
de navolging der Schilders , en den Tmaak in de Schil- 
derkunst. Zyn Ëd. draagt hier zyne welberaade overden- 
kingen nopens deeze onderwerpen op eene leerzaame wyze 
oordeelkundig vpor ; en baant den Kunstkerlingen een 
-weg, op welken zy, zo ze den rechten lust en de ver- 
eischte geTchiktheid hebben., met hoop op een goeden 
uitUag kuniien voortgaan. Tevens zyn zyne opmerkingen 
meerendeels van dien dart ^ dat ze niet alleen denzulken» 
maar in 't algemeen den Kon&tminnnaren , in 't wel be« 
oordeelén van 't fraaie der Schilderllukken , te ftade kun- 
nen komen. ^— Het geen hy , bovenal, in deeze Re* 

denvoeringen bedoelde, drukt hy aldus uit. 

„ Mijn oogmerk met de Redenvoeringen , die ik bij 
deeze Akademie gehouden heb , was , om zekere alge- 
meene ideen vast te ftellen , welke mij tot de vorming 
van een gezonden fmaak wezenlijk toefcheerien , ■ 

onorttbeerlijke grondregels, wanneer men de leerlingen in 
zekerheid wil ftellen, tegen de dwaalingen, waatioe het 
traage temperament, dat in dien tijd des levens de mees- 
te heerfchappy voert , zo ligt verleidt , en het welk de 
hoope van zo veele geflachten van vcele beloovende jon- 
ge mannen, in alle de deelen van Europa verijdeld hêefr. 
-^ Verder wenschte ik de vooroordeelen te beteuge- 
len , en zo mogelyk ze geheel onder te brengen, *we1k« 
de overhand krijgen , wanneer het mechanifche der fchil- 
derkunst zijne volkomenheid bereikt heeft: en die, wan- 
neer ze eens heerfchen, de hoogere en gewigtiger deelen 
deezer geleerde en vrije kunst voorzeker geheet en al 
vernietigen." Een byzondcr voorbeeld hiervan le- 
vert ons zyne opmerking wegens de Genie , tegen de 
«odanigen , die dezelve niet recht befchouwen , èn haar 
te hoog verheffer. 

Men vindt 'er naamlyk , die , over de Schilderkunst 
fchryvende, dezelve voopfteilen als een foort van infpira- 
ttc , of «en gefchenk , 't welk aan ceaigc byzondcre be- 

l^fS guu- 



4ZO J..EBYHOL» 

gunftigdcn by huiine geboorte wordt medegedeeld* Dit 
üoec hea ^ de eea wat fterker dan de ander, veelal de 
aanraadingen, van anders denkende, tot het navolgen vaa 
meesters in de Schilderkunde , wraaken. Zelfs de «ulkea 
onder hen , die eenigzins billyker en redelyker willen fchy- 
iien, ftaan alleenlyk toe, dat de ftudie met het navolgeti 
aanvangen moet: maar dat wy ons niet langer aan de 
gedagteu onzer voorgangers moeten houden, dac tot wy 
Hl (laat ?;yu* om .voor ons zelven te denken. Zy bou« 
den de navolging voor den reeds meer gevorderden leerling 

zo fchadelyk als zy den beginnenden nuttig was. 

Hier tegen nu kant de Heer Reynold zig indezervoege : 

„ Wat mij betreft , ik moet bekennen , dat ik met al- 
leen genegen beii , om de onbepaalde noodzaaklijkheid der 
navolging in de eerfte jaaren der kunst te beweeren ; maar 
ik ben zelfs van gedagten , dat het beftudeeren van ande- 
re meesters, het geen ik hier navolging noem , door ons 
ganfche leven zich moet uitftrekken , zonder ergens de 
kwaade gevolgen te vreezen , die men haar te last legt ^ 
dat naamelijk de geest verzwakt, of wij verhinderd wor- 
den, om onzen werken het originele te geeven, dat on- 
betwistbaar elk werk altijd hebben moet. Ik ben hitegen- 
deel verzekerd , dat blootli]k door dp navolging verfchei- 
denheid, ja zelfs originaliteit » m de vinding voongebragt 

wordt. * , ^ . . « 

„ Ik zal nog verder gaan : Zelfs de Geme , ten miniten 
het geen doorgaands zo genaamd wordt, is het gewrogt 
der navolging. Doch daar dit het algemeen gevoelen fchijnt 
te weêrfpreeken , moet ik mijn Helling eerst verkJaareu, 
eer ik haar bewijs. 

„ Men gelooft van de Genie, dat zij het vermogen is, 
om voortreflijke dingen voort te brengen, welke buiten 
het bereik van de regelen der kunst liegen: eene kracht ^ 
die geen onderricht leeren en geen vlijt geeven kan. — r- 
Dit gevoelen van de onii^pgelijkheid om die fchoonhedcn 
te bereiken , welke op een werk het zegel der Genie druk«> 
l^en , veronderdelt , dat ze iets bepaalder zij , dan ze 
waarlijk is, en dat wij bet over dat gene, wat wij als het 
Charakteristike der Genie aanmerken , altijd en zonder uit« 
zondering eens moeten zijn. . Maar het Is eene uu- 

gemaakte waarheid , dat de graad van voortreffelijkheid^ 
die genie aankondigt , op verfcheiden tijden en onderfchei- 
den plaatzen ^ ook verfcheiden ts. Dat dit zo zij 9 bewij- 

2ea 



OVER BS SCHXLBBRKUNST. ^{^ 

Mn de ondeifcheiden gevpekns der meafchen, dfe bieria 
zo dikwijls verfchild hebben* 

^, Toen de kunften.nog in haare kindsheid waren, wierd 
het enkel vermogen . om de gelijkheid van een voorwerp 
te. tekenen , als een naarer grootfte vermogens befchouwcU 
Het gemeene Volk , onweetende in de grondregelen der 
kunst, (preekt nog tot op den huldigen dag, op dezelfde 
wijze. Doch toen men bevond, dac elk, alleen door de 
waameeming van wekere voorfchriften konde geleerd wor- 
den , dit en nog een groot deel meer te doen , verander- 
de men in de toepasfing van den naam Genie , en gaf 
hem alleen aan die, welken het eigenlijk karakter van het 
voorwerp dat zij afbeelden , 'er bijvoegden : kortom zulfcö 
eigenfcbappen , of voortreflijkhcden , welker vocwtbreuging 
toenmaals door geen bekende of bekend gemaakte regelen 
konden geleerd worden. Wij zijn echter zeer overtuigd, 
dat de fchoonheid der vorm, de uitdrukking der harts- 
tochten, de kunst van famenftelling , zelfs het verii^ogea 
om^ onzen y^erken eene algemeene houding van , grpp|]i^id 
te geeven ,. tegenwoordig zeer ond^r • het bereik dir rege- 
len ftaan. Tot hienoe echter wierden dceze v<?orrechcen 
enkel als werkingen der genie aangemerkt, en met recht, 
zo dra men de genie niet voor een iufpifatie, maar voor 
de wefkin^ eener juiste waarneeiping en ondervinding, 
neemt. liij , die het eerst eenige deezer waairRj^j^^jrog^fi 
maakte, en ze zo uit elkander ^ette^ dat zé nii een on- 
veranderlijk principium voor hem zei ven, naar 'jd welke 
bij werkte, vormde, bad deeze verdien^:- doch jOietpand 
ging waaurfcbijnlijk op eens zeer ver, en in .'Xr^em^en zal 
de eerde, die den wenk gaf, ten nrinfte la'b^t eerfte, 
niet geweeten bebben, hoe hij hem zeker en regelnnatie 
volgen moest, {lij zelve bewerkte hen\ nog meer\ ea 
kwam nog verder, tot dat het geheim ontdekt was» en d^ 

fiitoefening zo algemeen wierd , als eerjej verfijnde uitoe- 
cning gemaakt kan worden. Hoe menigerleie .gnwdregel?'^' 
*er nog meerr^e bepaaleo zijn, kunnen wij niet zeggen: 
doch daar de kritik waarfchijnlijk met de kunst, die haar 
onderworpen is , hand aan hand gaat , 20 durven wii wei 
(lellen , dat , gelijk de kunst voortgaat >« zo ook l^aare 
krachten meer en meer door regelen zullen lond^fteund 
worden. 

„ Doch welke fchreden de kritik .ook tot haar voprt- 
gang mo^e doen , 150 vreezen wil toch geenzin^, dat dp 
vinding daardoor ooit zal vernietigd of onderdrukt wor- 

Ff4 - den. 



4ia J. IIEYNOLD 

den, of dat de wericzaatne daadigheid des verftands z!c!| 
geheel en al binnen de paaien van een gerchreven wet zal 
laaten kerkeren. De Genie zal aliyd nog ruimte genoeg 
, hebben, om te fpeelemeijen , en zich buiten de enge gren- 
zen van een Mechanisch handwerk te houden. ■ Het 

geen 'wij Genie noemen , begint niet daar , waar de rege- 
len, in 't afgetrokkene, ophouden ; maar waar de beken- 
de , algemeeue en afgefletcn regelen niet langer eentge 
plaats vinden. Het is volftrekt noodig , dat zelfs werken 
van genie, zo zeer als alle andere werken, gelyk zij haa- 
re reden, hébben , zoo ook haare regelen moeten hebben. 
Het kan niet bij\ toeval komen , dat voortreflqkheden met 
gezetheid of eenige zekerheid voortgebragt worden; want 
dit is de natuur van het toevallige iiiet : maar de^ regelen , 
welke 'door maönen van buitengemeenc talenten, of zo- 
genaamde lietlen van Genie worden bepaald, zijn of zul- 
ke , die zij door eigen bijzondere waameeming ontdekken , 
of van zulk een fijn weefzél, dal; ze niet zo ligt uit te 
voeren, of door woorden uit te drukken ai]n ; vooral daar 
de Kunftenaaren niet altijd zeer gefchikt zijn, om in dee- 
xe füort hunne denkbeeldeh mede te deelen. 

„ Hoe wéinig wezenlijk ^oor het overige deeze regels 
inogen fchijnen , tn hoe moeilijk dezelve fchriftelijk mogen 
mede te deelen zijn, zo worden «e toch in de ziele des 
kunftenaars zo zeer gezien en gevoeld, en hij handelt 
volgends dezelve , met zo veel zekerheid, als of ze, ora 
'to te fpreeken, het papier ingelijfd waren. Het is waar, 
dèeze Verfijnde grondregels kunnen niet altijd zo vatbaar 
gemaakt worden^, als de grovere regels der kunst: maar 
daaruit vk^lgt niets verder, dan, dat de ziel in zulk een 
^ng gebragt kan worden , dat ze door een foort vati 
jcientififchen zin het eigenlijke ontdekke, dat dóór woor* 
den , ' inzonderheid woorden van zulke ongeoefende fchtij* 
vers als wij zijn , zeer bezwaarlijk aan dé hand gegecven 
kan worden.' 

• „ De vinding is een der groote kenmerken van Genie : 
maar, wanneer wij met de ondervinding raadpleegen , zul* 
•ien wil bevinden, dat wij door de kennfe, die wij aan 
de vinaingen van anderen maaken, zelve leeren vinden ; 
gelijk Wij ook , door het leezen van de gedagten van an- 
deren , zelve leeren denken. Iemand , die zijn fmaak in 
zo verre gevormd heeft, dat hij in (laat is, om de fchnon- 
heden van groote meesters te fmaaken en tè gevoelen, 
be^ft het reeds in zijn ftudie zeer verre gebragt: wanc 

CU- 



1 



OVB& DE SCHiLDBItKONST. 413 

enkel, uit de bewustheid van deezen fmaak van bet juis- 
te , zwelt de «el van een inwendige grootheid , en wordt 
daardoor zo getroffen , als of zij zelve voortgebragt had 
het geen zij bewondert. Onze hanen , die dikwijls op. 
deeze wijze worden getroffen, door de aanraaking van die 
gcencn , die wij wcnTchen te gelijken , zullen gewis iets 
van hunne denkwijze vatten, en wif zullen in onzen ei- 
gen boezem ten piinften eenige ftraalen van hnn vuur en 
flans opvangen. Deeze neiging, die in kinderqn zo ilerk 
IS, om, ook zondet toeleg, den dlgemeenen toon en aart 
van hun, met welke zij het meeste omgaan , aan te. nee-- 
men, heeft bij ons plaats, alleen met dit onderfcheid , 
dat een jong gemoed veel buigzaamer en meer tot navol- 
ging genegen is; maar bij rijper jaaren meer verhard 
wordt , en meer verwarmd en vermurwd moet worden , 
eer bet diepe indrukken aanneemt. 

„ Uit deeze aanmerkingen,! die men bij meerder naden-- 
kcn nog verder kan uitvoeren , blijkt , hoe ren niterfte^ 
gewigtig het zij, dslt onze gemoederen zich der beichou- 
wing van het vöortreflijke gewennen : maar ons niet laa^^ 
ten vergenoegen , met zulks enkel in onze jeugd te doen ; 
maar dat wij , in een onafgebroken omgang met alle waa- 
rc voorbeelden van grootheid , tot het laatlle oogenbllk 
onzes levens' voortvaaren. Hunne vindingen zijn niet al- 
leen het voedfel onzer kindsheid , maar het wezenlijke^ 
dat de volkomen rijpheid onzer mannelijke kracht onder- 
houdt/' 



De verfcheiden tijdperken deimcnfchelijken Levens y gefcheut 
in een zestal Redenvêeringen , voorgeleezen in de Maat^ 
fchappij der Verdienllen , onder de Zinfpreuk : Feüx nie- 
ritis, vergaderende binnen Am/lerdam. Door t. fokkr* 
8IM0NSZ. , Medelid derzelver Maatfchappije , HoofdUd 
van het Amjlerdamsch Dichte en Letteroefenend Gefiöot- 
fchapj Lid van het Dichtgenootfchap Oefening kweekt 
Kunst, enz. ,7> AmjUrdam ^ bij A. Fdkke Simonsz. ; 
I78(y* Behahèn het voorwerk ^ y.zbladz. in gr^oSlavQ,x 

In een zestal van Redenvocringén befchöuwt hier de Rc-^ 
denaar Fokke den Mensch, in zyne Geboorte^ Kindsheid; 
Jongelingfchap ^ Manlijken Ouderdom^ Grijsheid tx\ Dood. 
Op ieder deezef Onderwerpen vestigt hy onze aandagt , en 
doet 'er in ons gadeüaan , de wyze en goedertieren Vegeu 

Ffj des 



4U 



A« r»nm 



des grooten Albefliérdeca^ die den M^iucb fi^swyze: tot, 
eene boogere volmaaktlieid wil opli&idpi,, ter welker. vot» 
tooijing naa dit leeven hy hem gefchikt. heefe. Oa«e Re- 
denaar doet ons tevens opmerken, hoé de Opvoeding ia de 
Kindsheid , het gedrag in de Jougeliugfchap » het leevens- 
beftier in den Manlyken Oudejdooi , waar van men de ge- 
volgen in de Grysheid veelal ondervindt , die egter ook nog 
haare eigenaartige werkzaacohedeïi ten vopr- en nadeele kaa 
oefenen , den weg baanen om ons tot die volmaaktheid te 
brengen, of om ons daar van te verwyderen, e^r dat de* 
Dood ons aan den eindpaal des mensohlyken levens op dee« 
ze >Waef eld voert. In de voordragt van dit aBes fchetst hy 
bet beloop van 's menfchen lieven , in die verfchillende 
tydperken, met gepaste uekken ; deelt onder dezelven zy« 
ne wysgeerige en zedekiindige bedenkingen mede; en. ver- 
levendigt zyne redeneeringen hier en daar met gefchikte 
Dichtkundige ci^raaden* DtQzt manier van behandeling 
maakt zyne Redevoeringen gevalüg voor den Leezer ; eo 
I^eezers van verfchillenden ftand en .ouderdom kunnen 'er 
een leerzaam gebruik van inaaken. — ^— Zie hie^, tot 
eene proeve, eene les wegens de Grysjieid, die ook de. 

Jeugd mag leezen, en .weUcer ovendenkiiig allen te fiade 
:an komen, eer de dagen der Gryshei4^ n^ren. —. — - 
Ónze Autheur, opgemerkt hebbende, Doe de jeugd de grond. 
jQag is» waarop de zuil des ouder domii, Haat, leidt ons, 
ingevolge hier van, ter'bé|cbouwinge vaq.den invloed det 
eerde op den laatAèn» 

,, Wij behooren hier, zegt hy, tot de kindsheid van den 
grijzaard te rug te treeden , en acht te geeven op de opvoe- 
ding, welke hij genooten heeft; is dczeke verzmmd, ver- 
keerd aangelegd, of geheel verwaarloosd^ de gnlzaart zat 
'er de naweenen van gevoelen ; is dezelve zprgvuldig en op 
de beste wijze beftierd , de grijraart zal 'ér nog op het ein- 
de zijnes levens dankbaarlijk de heilzaame vrugien van pluk^ 
ken: laaten wij deeze twee gevallen eens elk afzonderlijk 
overzien, tegen elkander vergelijken^ en daar uit een Ijle- 
fluit opmaaken, ' . 

„ Het kind, de jongeling., welk? fa^h nijümer zucht toe 
weetenfchap heeft ingeboezemd , ninirter V^^ijsgcerig den airt 
en de gefteltenis aller dingen heeft lec^en, kenn^ , loopt 
het grootfte gevaar van in de jeugd op het grooté pad der 
weelde te vervallen. Fenus tn Bachus vieren daar een huw- 
Bjksfeest, waaruit verzwakking, gicht en voeteuvel geboo*. 
ren worden. De jeugd gaat op dit vrolijk feest ter gast, 

maar 



TIJDPBRKRN D£8 BIBHSCHtLIJKBN LSV1M8. ^f a 

«Mtt fle grusheid wordt door bet oaaangen^am^ besoebbim^^ 
ner kiodereo lastiggevallen; zij vieien mede een jaaun^rlijk » 
feest. in haar gemoed, verzwakking pa^rt aaQ misnoegen en 
bjuirt ongeizelligheid . gicht paart aan ongeduld en haarc- 
norsbeid , het pijqlijk voeteiuyel paart aan. wanhoop , ea 
baart fchrik voor den dood: en zoo de natuurlijke fterkte- 
ii^ Ughaams alle deze gebreken 'afweert, de gevólgeq der 
oqbandige levenswijze prenten zig in de ziel, en de noft' 
weelderige grij^aart 14 de §>ot cu het voorwerp van verach- 
ting der jonge lieden; want het geen, waaraan de natuur, 
ia de jeugd gewend is, wordt nimmer geheel uitgewiacht»* 
fj Het Hollandsch fpre^kwoord , jong, g^mon , oud ec^ 
dgan^ is zo waarachtig, dat men het zig altijd tot een ie-, 
gel behoorde voor te ftellf^n , zo wel in «je opvoeding, van 
aodereu, als in de beftieiing van zigzelven in de jeug(h dat 
men voor alles zorgdfi, pp niets daq opfiets rgemenawaard,^ 
en. der verhevene menfchelijke ziele, voegende , zijnen lusc 
en genegenheid te vesiig^p ; want zijn wij eenmaal in der 
jeqgd aan de verleidende. weelde geheel overgegeeven wii 
0uJle.n in den ouderdom nog naar^ezel^vq haaken., en wat 
tog isr 'er belagcbelijker, wat zeg ik,, wat is 'er afkeerigen 
daip eea dartele fcbaamtelooze grijzaart? Daarom zegt lu^ 
HANOBR in zijne blijrpelen : • : 

Een grijze^ minfmr ir 't ramptalignMer' dingen. 
Of zo men het letterlijk wilde vertaalen: 

In 4è gfijsheid te beminnen is de grcotjie en laatfiejlêg des kwaaderi 
fortuins. "y^ 

Ovioius voegt de wapenen en de Hefde biJéén , als hij zegtr 
De grijze itijgsman is verfmaadlijk ^ en de Min^ 
Wanneer hij de ouden treft , heeft boenen in den zin. 



„ En al IS het dat de jeugd nimmer, geneigdheid tot de 
veelde gehad heeft , indien zij ook nimmer opgeleid is , 
om , in de beoefening der weetenfchappen , het zoet genoe- 
tep, *t geen in dezelve zo rijkelijk verborgen ligt, elk na 
zijne.g^legenheid, te genieten; wanneer zij nimmer geleerd 
heeft door yerdienficn gelukkig te worden , welk een laèti- 
ge Quderdoin moec.riiet op zo eene.onondérweezene jeugd 
volgen! Een onbebouwde akker draagt idUtelen en door? 
i)en, en een onbebouwd: gemoed brengt in de ' grijsheid de 
wrangfte vrugten van zeUverveeling en moeijelijken omcanir. 
voort. : De ^ewoone vermaaken de» levens met meer lun^ 
nende gebruiken, faegt zig de «fetjaan ten vamaak/ dat> 
, haar 



.^^ r i I I ^ . 1 I j ' ' I ' 

'Tasl-Dkht-en Lenerkundig Magazyn. Döêr o. iitBNDEit'i -< 
jRANDis. Tw»ede Deel Te Amjierdamf by C. Groeuewoud^ 
17S6. In gf^ «Savd S<^4 bladx* 

^T^aar de inrigting van dit Magazyn behelst dit Deel wede. 
A^ rom. buiten eeoe verfcheidenheid van grootere en Jdeimeie 
Gedichten, bencv/eus eilyke Stukjea van Verauft en Smaak, 
'die hunne gevalligheid en leerzaamheid hebben, eene Oordoei- 
kundige Verhandelingen van On blair» over de Gedichten van 
Osjianf den Zoop van Fmgal; mitsgaders eene ontvouwiqg 
van het verband tusrchen de Regtsgeleerdheid en den Koop- 
handel, opgelleld, door Mr. c. w. dekker. Hier by.komt 
verder nog eene. verzameling van taalkundige bedenkingen. S. 
H. wz. brengt ons onder *t oog eenige voorbeelden der onder- 
fcheidene fpellmg van byna gelykluidende woorden , als Graaft 
hraayerif Graft Graaverif te Graaven^ ten Grave gaan^ en meer 
dergelyken. E, s; d. g. maakt bet hier vry waarfchynlyk dat het 
hedendaagfche woord treil zamengetrokken is uit het verouder- 
de trekelf en ftaaft voorts nader zyn voorheen opgegeeven ge^ 
dagten, wegens het woord Ambt f als doac zamentrekking ge- 
iprooten uit bet oude woord jimbachtf by kiliaan vertaald 
Q//!dttiit, ffittfiux» nunus p«Mfc»m.* welke zamentrekking, gdyk 
de Autbeur ten fk>t aantdcent, ook te hefpeuren is^ in de be^ 
naaming van een gedeelte der Groninger Ommelanden, thans 
bet Oldamht geheeten, waarvoor men oudtyds fchreef ^fi^a«. 
becht en Oldambocht, Van die zelfde hand heeft men hier wy- 
ders twee Brieven aan den Heer j. u in antwoord op twee 
'nevensgaande Brieven, door dien Heer aan hem gefchreeven. 
Peeze Briefwisreline vervat taalkundige nafpooringcn, \n weike 
twee goede Vrienden eikanderen de behulpzaame band bie- 
den, ter grondiger kennisfe onzer Nederduitiche taaie; by wel- 
ke gelegenheid ons in deeze Brieven verfcheiden ophelderin- 
gen, wegens de* afleiding, betekenis en kragt veoler woorden 
in onze taaie, medegedeeld worden. Tot een fiaal hier van 
Verflbrekkc het volgende, over de betekenis van het voorzetzel 
kr» waaromtrent de eerstgenoemde zig, in zyn antwoord aan 
3. L. aldus uitlaat. 

„ In het velband van uwe Taalkundige aanmerkingen over de 
voorzetlels er en her 9 zoekt gij te bewijzen, dat het voorzetfcl 
t«f een dubbele betekenis heeft, naamh*jk die van omvfederomp 
en difi van ons gebruiUijk vef\ doch deeze onderfcheiding , in de 

beduidenisfe van dat woordje, kan ik geenszins goed heeten 

Beibhouw het zelve eens met mij op de keper, en gij zult. denk 
ik, overtuigd worden van uwe misvattinge. — In alle weit- 
woorden, die dit voorzetfel lm hebben, geenen uitgezonderd, 

beeft 



' *TAAfe^ DTCIffW EN LETTBRKtmnfG MAOAZW» .4)^ 

tieefthet zelve de betekenis van 'wederdm^ rurfus, denu9 , eo 
nergens de kracht van eene zoo genoemde prapofith intenfim. 
— ^ Gy telt eenigen op, waarin her van den zelfden nadruk 
is als v«r» gelijk heriinigen het zelfde met verienigent her^ 
nieuwen het ze)fd&jnet vernieuwen ^ enz. 'c Is waar en ik (lem 
het ook geem toe, Jier en ver zijn hier voorzetlèls van dezelf- 
de beduidenisiè» maar beiden komen ze hier voor in eenen her- 
vattenden zin, beiden betekeneri ze hier rurfus^ denuoy iterum^ 
ytrietiigen is immers wedereenigen, reeonciUare* vernieuwen is 
weder nieuw maakent renevare; en zoo is ver in alle anderen» 

die Gy opnoemt, het zelfde met weder. Het vooruietfel 

vet wordt veeltijds gevoegd voor werkwoorden als een intenfi* 
yum» ook dikwils als een privativunif (jaASx vervoeren ^ verleiden f 
vervliegen 9 verbriinden enz.) en ook nu en dan eens als een 
iterativum; en in den laatstgenoemden zin komt het voor, in de 
door u bijgebragte werkwoorden, als vereenigen $ vermaakenp 
vervatten 9 verwijderen. Over de kracht van dit voorzetlèl ver, 
kunt Gy naaleezen ten katb jianl. II D. bl. 53. wachtsr, 

Ghsf. Germ. en fortman Taalk. aannu bh 12 ai. Ou. 

Jii^ gebruikte men meer woorden van dien aart, die thans 
geheel niet meer in zwang gaan, als bij voorb. verkennen, re^ 
eognoscere, Cherketineny, Br ah. Chronyckef bl. 5 a. En JBrahom 
verwenderde fete, toe die vrouwe wejen mochte,, en ghinc wten 
Jcepe op *t.Jiot9 ende doen hi daer boven kwam, verkenden fi 
elc den anderen % want fi te Jemen waren opgewasfen, maar fi 
was veel ouder dan Brabon; — — verfcheppen, transformare ; Be- 
itarde totten Heilighen graue van breidenbach; waertjeecke dat 
Lucifer het f elven mochte verscheppen in al fulcke flgure offte 
ghedaante^ in wekke die menfche and^s niet bekenne moclaef dan 
dal hij Xpus wair. — ^ D6 Heer van Sc. alde«onde noemt 
in zijnen Bijenkorf ^ bl. 59 de Roomfche transformatie 9 de ver* 
SCHEPPING van brood in vleesch. Hooft Ned. Hisr. bl. Ó8. als 
taen verschisp Tsich defmook in vlqmi — — « verhaalen, repete* 
re 9 herhaalen, — — Chronycke van Brabandt\ bl. 37 b. Dies 
htm RoelanP feer fchemde 9, ende verhaelde J?;n erachtenf in Gs» 
de vertrouwende aanveerde finen viant bider kinnen, die met lan- 
gen haire beJiangen was; ursinus, Schatboek bl. 71* a. Hoewsl 
wrij defe questie hierna in den j^rtijckel van de IVet wederomme 
VERHAALEN zulleu: zIc ook bl. 17 b. j. CARiON Chronijke bl. 
19 , die beloefte is Abraham fomichmael verhaelt — ^ onze 
Bijbel vertaaling Job IX. j8. Hij en laat my niet toe mijnen 
éidem te verhaalbn. Dit oude verhaalen is, in oorfprong, het 
zelfde met ons nog gebruiklijk verhaalen, rutrrare, \ welk de 
l^tijnen anders uitdrukken door referre^ waar in wij het zelf* 
de denkbeeld vinden, zie voss. Ktymlog. in vote\ en *t welk 
de Hoogduitfchets noemen Maèinn thun^ zie kramern, iV. D. 

HM. 



41G TAAL- DICHT- SN USTTBRCUNDIO MAOAZYIT. 

Holl. JFortmhueh.* — yervofmMf rrformare, vindt meD b^ 
BR£D£RO. Lucclle, vijfde uick. 

Offchoên de maen vervormt hoer wokken en hoer ringen 
De Meijsjes zijn niet min ook vol veranderinghen. 

Vew» 

„ • Dit verhaaUn, narrsre^ komt dus ook in de knchc vt» zijnen zm 

en aanduiding volmaakcbjk overeen met bet oude yertnkkeny ook narrare^ 

, ètj KiUAN en •MBijBR WooTdenTcb. aangetekend; van «elk woord , dac 

cbaiis gebecl onverilaanbau zou weezen, men hier cenige vourbeeideo 

kan zien. — ^ Sp. ÜUu van maerlai^d i. bl« 72. 

Daer was een hedde met goude gehitri 

Met puerffte^ en met hisfen (Lijnwaad) gtieet , 

Z)Mf wnt min^ aize men vkrtrkct, 

Vf ne fat 9 dat wps de ruste (de rustplaats) 

Van A^fenechy als U hoer luste, 

IX bL 4^* 



W^n êntfieket des menfchen zm^ 
Ende waerre iet heijmeücheden in 
Met fchamelheden ouer deet^ 
Die wijn doet, dat men 't vertrect. 

VAN VKLTHEM , Sp. IllSt, bl« 50. 

ITternA feldij in */ gemene 
Horen al vrrtreckbn mi , 
■Hoe *t wederwan die deghen vri* 

Chrott, van Brab, hl. 5 ^7. £« >? vertrack hem alU Itaer ge/ektedentsfe , 
kêe dat f e met haren man wt Gfiechen kwam^ ende hoe datje ondtrwegen 
gelach van eenen fone^ die heet OSauiaan ; — van kin Je getiggen is blf 
KiLiAN , pradolore partus decumbere , welke betekenis hier zeer wél 
ftrookt. 
De yier vterfle van j. b* houwaert » bl. d. 

' Nochtans fal lek met Codts hulpe vertrecken. 
Du yifioent fn in Rherorijcke jlellen. 

BREOBRO Lucelle, $ uiik. 2 hede» 

lek laet mij duncken^ dat ick mondl'tng haer vbrtrack 
Een deeltje van mijn leet en overgroote fmarlen^ 
Dat haer het ander deel fouw dapper gaen tir harten. 

Dezelfde in ^ijn Moertje 4 uitk, Z bed. 

En fal ick niemant dan^ mijn vreuchden eens entdecken f 
Och ! of hier ijemant waer, die ick mocht v&RTRftCK.EM* 

En nog eens in het Moortje 5 Deel 5 bid. 

Doet wijslijck als een man, ick ga na binnen^ Jiet\ 
VERTEEG KT de goedc man, hoe U allet is ge f wet* 

Die meer voorbeelden begeert, zie huyb. Proeve II. bl. 3x1, datr de 
Heer lelyvelt in menigte op aantekent. Kluit in zUnen Lijst van zelQt 
IManw. bl. %^% op vertrek) en van uassblt op dit wfocd bij iTil&an,** 



TAAL- DICHT. tir IfiTTUtKimPIG MAGAZYK. 47|^ 

KtHnrnm voor herkimenv t&t xkhielvm kmeiit bij denzelf* 

den BRBDBROf LueelUf inhóut van *t fpeh Ift 'i vijfde en 

Inti éteh^ Lucelk en jiscagnes f, vermoert voor d^, vbrkombn, 
haken alle hwp « in eoede gezmtkeijt — * verkaattwen , remande^ 
re lees -ik in een oud H. H. S. (dat zonder Jaargetal Is» doch 
alle blijken van oudheid draagt) zijnde eene Corte oefeninghe 
om u comen tot die Lief te Gods — ist 4Atfaeke.dat wij defe 
voornoemde punO en wel, willen aanmerkket en als feijne en Juuvre 
dierkens wel virkauwen.* i— Zie daar eenige voorbeel- 
den van oode werkwoorden» waarin ver de betekenis van wcr 
der om heeft, en die wij thands met het voorzetf, ^^r bezigen» 
en dus een klaar bewija» dat ver in die woorden» Welke gi] 
aanvoert, het zelfde met her Cwederomt rurfus,^ is; t 

daar dan ver hier volfirekt aan her bcantwoor<n en gelijk i$» ci) 
her hier eene prapofitio iterativa is, moet het u klaar blijken!, 
dat kerf 'm alle door u opgetelde werkwoorden , en ii) dr an- 
deren, die wij van dat ilag in onze taal hebben» altijd de bo^ 
tekcnis van wederom f iterutn> heeft» en nooit als een ifitdnfiyué 
voorkomt» of anders gebruikt wordt.'' 

M * B^j dit yerkaauwsn^^ dat ook gefchrecven wordt erktrauwcn ^ merkt d% 
lieer K. TUINMAN iii zijne Fakkel der ,N. T. aan» dai de ouricn meiden 
ederkaauwcn^ eii wij hitrvan door zitmentrekkinge ons nkatfuvpen hebVien» 
de Heer \'A*N kassblt, in tijnc flsiitckeiiinge op dit woofd,.blj kilun, 
M vnn dezelfde mectiing , en l>cve«tlgt dit zelfs met een voortieddr im ec^i 
oud D» s* Doch deeze geduchte komt mij* zeer vreeoKl yoor-f^en ik k:fi 
niet begrijpen wat eder en e^erkaav^cn bier zou zeggen willen* , De Ilc^r 
VAN HAüSELT beroept zich op eru-ken, het zelfde met cderikhji, rcmatide' 
re, w^ke bcfde woorden bij kilian te vinden zijn; doch bee bcwijji, uit 
dit woOrd gehaald, doet, ntljns oordeels, hier niet 4if :' A^/krir is ni49c 
samengevoegd uit eder en ikkrn% raoar uit ^etU en rikksni in heti^lr^i^» 
wcHAN kaauweni en dit ede betekent bij ons en onze Taaivcra^anicn we^ 
óeroai^ iterumx het M. G. is in, bet A. S. ed eniiet Ataio. itu-; edè^ 
rtkkcn is dus nog eens kaauvfca , h'erkattuxven* — I)och het woord eder Is 
bij de Ouden onbekend ; anders toch had de groote tén- kat^, in zJJifé 
Aank rot de kemüa der Ned. Spr. H. IX bt 58. *er «sfltoliikons' vimr» 
xetzd Aer, nanr welks nfkonst. hij te veiigeefs zoekt, vsn , afgeleid'; ede^ 
iaauwen- kan deihajyen in onze taal niet weezen, wüu.vucl.^dfikMaw^^H i 
dan dit kan nooit erkaauwtn door verkortinge uitleveren, y' wljt'd^ / van 
zdvc niet uit de lutht k?n regen eii. ■ En war de plafats," dié é% 

Ifcer VAN HASSKLT Uit dc oudheid bijbrengt ,' betreft, Wer kaft 'de af» 
frhrïjver zich zeer wet vergist hebben, Awx ederkaauweu vo ïc\A\\iftti ia 
ikde v^ edekaauwen of wederkgfiitv»M*^ 



II. DEBL. N. ALG. LETT. NO. 10. C g SiaaU^ 



422- 



ITZONDBtHBDEN 



Staats ^'m Karokurkundige Byzonderheden ^ betre