(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Vaderlandsche letter-oefeningen"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scanncd by Googlc as part of a projcct 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and thc book to cntcr thc public domain. A public domain book is one that was never subjcct 

to copyright or whose legal copyright term has expircd. Whcthcr a book is in thc public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, cultuie and knowledge that's often difficult to discovcr. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this flle - a reminder of this book's long journcy from thc 

publishcr to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Googlc is proud to partncr with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to thc 
public and wc arc mcrcly thcir custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing tliis resource, we liave taken stcps to 
prcvcnt abusc by commcrcial partics, including placing lcchnical rcstrictions on automatcd qucrying. 
Wc also ask that you: 

+ Make non-commercial use ofthefiles Wc dcsigncd Googlc Book Scarch for usc by individuals, and wc rcqucst that you usc thcsc filcs for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomatcd qucrics of any sort to Googlc's systcm: If you arc conducting rcscarch on machinc 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of tcxt is hclpful, plcasc contact us. Wc cncouragc thc 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht Goo%\'S "watermark" you see on each flle is essential for informingpcoplcabout thisprojcct and hclping thcm find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatcvcr your usc, rcmember that you are lesponsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
bccausc wc bclicvc a book is in thc public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countrics. Whcthcr a book is still in copyright varies from country to country, and wc can'l offer guidance on whether any speciflc usc of 
any speciflc book is allowed. Please do not assume that a book's appearancc in Googlc Book Scarch mcans it can bc uscd in any manncr 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Googlc's mission is to organizc thc world's information and to makc it univcrsally acccssiblc and uscful. Googlc Book Scarch hclps rcadcrs 
discovcr thc world's books whilc hclping authors and publishcrs rcach ncw audicnccs. You can scarch through thc full icxi of ihis book on thc wcb 

at |http://books.qooqle.com/| 



» ' i ' 






■\ 



h « 



1/ < 



■\ . ' ■ 






■< «• 








- f " ^ ^K ■ m 



. >.' . 



r 



' V 



X- 



> 



'\ 



I 



VÁDERLANDSCHE 

LËTTER-OEFENINGEN, 

BEHELS&EKlít 

I 

OORDEELKUNDIGE BERIGTEN 

V A ir 

9B WB&kjBN DBA BEÍÍTB SCHRTVBREN^ 



NAUWKEURIGE GEDAGTEN 

O V E lí 

VEBSeHEIDÊNB OÍlbBll WEBÍfEN; 

n i"i ■ ■■iiiii. n. I . ■ »■ I I i^i I II. I,. .1 ■ ■■1^1.. i i. ! .■>■" m 

BENEVENS 

ÝRÝMOÉDIGE 

AANMERKJNGEN 

6 V £ R 

NÍDERDÍJI'rSCHE WERKEN BN SCHRIFTEN^ 

1 , . . -* . \ . 

dííé dagelýks ín ons Vaderland uítkomen. 

■■" _________; > >. ■ i 

■ ' ■ ■ ■ I . I I I ■ ■ I « . ■ I yli . i y I I I .11. III II » I 1 1 — ■ »1 ■ I ■ II ■ M.I ■ ■ « ^ 

MET PLAATEN. 
TWEEDÉ CÍEEL; 

vvvv 
vvv 



i 




By A. V Á M D 1 k K R O £. 

lalD CCLXI^ 



X 



3teg?-.>i.iT' — 'gg'-''-;i^;g>*'/Kt:- 



Koftboridig Verhaal van 't voorgevallene 
met de Jefuiten in Portugal , in de 

loatile jaarené 

getrokken uic het Hifiprífcb Berícbt , gevoegd vóor dê 
yerzameling van Pauffilyke Decreetenen Koninglyke Por^' 
tugeefcbe (Jrdonnántien , betreíFende het gedrag det 
Jefuicen in Par«iguai enz. Te Amjierdam hy D. andet 
de Unden en ?. Schouten. MDCCLXI. in OStato. Eer* 
fie deel $ 344 bladzyden , bebalve bet Hiílorifch Be-" 
richt , dat 170 bíadzyden bejlaat. Tweede Deel 453 
iladzyden% 

HEt Vooígevalterië níet de Jelïiiten , in de laatfte 
Jaareni ia^tKoningryk Portugal, heeft alom* 
me io véel getbgts gemaakt , dat het zelfs den minft 
nieuwsgierigften natuurlyker wyze moete opwekken ^ 
om min of meer na te gaan , wat 'er van deeze zaak 
2y , die zo grooten ïnvloedvheeft op , en 20 nadeelige 
gevoJgen met zích lleept voor éene Societeít, die in 
de twee laatfte eeuwen' zo berugt geworden is. Men 
heeft, ter voldoeninge deezer nieuwsgierigheid , eil 
om het voorgevallette' met pnbetwiftbaare 2ekerheid 
in 't volle daglicht te ftelfen,"de^nu en dan uitgeko- 
niene- ftukken , die ter ophélderínge en beveftiginge 
konnen ftrekken , op ordre van den Kbíiing van Por* 
tugal, in dePortugeefche táal by eenvergaderd; ver* 
volgens zyn deeze ftukken waar vaíi zommigeti al , 
zommigen niet , byzonder in de Franfche en Italiaan- ^ 
fche taal , overgezet waaren ; op nieuw overge2ien , 
en met elkanderen eerft in de Fraflfche, en nU, voU' 
gens de Franfche bverzetting, ook in dé Nedefduic* 
fche fpraak uitgegeevén. Dit weíkje behelft eene 
Verzameling van de Pauffelyke decteeten en Koninglyke Or- 
donnantien , betreffende het gedrag der JefuitBn in ParagU' 
aiy enz; de Middelen van weegc den Roomfchen Stoel in 't 
'merk gejisld om het zeke te vcrbetcten ; den Aanjlag vun derí 

JZ.JDii£LNO. 1. A ^ dít^ 



2 JESUITISCHE ONZ.tJST£M 

derden van Herffitnaand des Jaats 1758; de gevolgen van 
diefi Janfiagi de Bekendmaaking daar van aan den Paus 
gedaan ; de Straf der Misdaaderen enz. . Deeze Verza- 
meling is uitgevoerd , eenítetnmig met die , welkeop 
byzonder bevel van zyne Allergetrouwfte Majefteit 9 
omtrend het einde van't Jaar 1759^ teLiíTabon, ter 
Secretary'é van denStaat gedrukt is ; welk bevel van den 
derden van Herfftmaand, des Jaarsi^sp, hiernevens 
gaat. Uit dit bêvel blykt dat de Koning niet alleen 
het drukken , maar ook tevens het nauwkeurige be- 
waaren van een Exemplaar in de Kanfelery van elke 
Stady door de geheele uitgeftrektheid zyner Staaten, 
be voien heeft , met die bedreiging ^ dat zy » die deeze 
ftukken door eenige onagtzaamheid laaten fchenden of 
vefvalfcben, geftraft zullen worden, als verjimders 
van de gemeene rufi , begunfiigers van de rebeUen , en vyan* 
den van den Koninglyken Perfoon en van den Staat: om dus 
den Jefuiten de gelegenheid te beneemen van deeze 
ftukken iipmermeer te konnen verduifteren; gelyk 
men wil dat ze gedaan hebben , met de oude decree- 
ten van Paulus den Vden tegen hen uitgeíproken , die 
in de Kanfeleryë van Venetieniet meer tevindenzyn. 
Men heéft aan deeze Koninglyke V^rzamelinge nog 
eenige andere ftukken gehegt, w:elken tot dit onder-. 
werp betrekkelvk, en van eene ontegenzeggelyke ge- 
loof waardigheid zyn ; die de voorgaanden kragtig be« 
veftigen , en aan zommige byzondere omftandigheden 
meerder licht byzetten. De Franfche Vertaaler heeft 
zorg gedraagen van het oorípronglyke Portugeeíche, 
zo van de eerft* als der laatftgemelae ftukken , in be- 
waaring te leggen by den Heer Benjamin Pbaff^ No- 
taris te Amfterdmi, op dat een ieder, die 'er luft toe 
heeft, ter verzekeringe van de egtheid zyner vertaa- 
linge , dezelyen vrylyk konnen raadpleegen. 

Voor dit Werkje, het welk dus eene nauwkeurige 
en geloofwaardige onderriffting van 't voorgevallene 
geeft, vindt men een Hijtorifcb Voorbericht ^ dat zeer 
wel opgefteid i$, en ter geregelde handleidinge in 't 

lee- 



ÍNtOETtrCAt.. 3 

íeeten deezer egte ílukken dient; uit het welke wy 
bet vdlgende kDrtbondige verhaal den Leezer zuUed 
mededeelen; om hem dus een geleidelyk denkbeeld 
van 't vDorgevallene ónder 't oóg te brengeii. 

De Jefiiiten^ die zich» omtrend twee honderd Jaa- 
IreQ geleeden , in Uragmketï Paraguai^ ter heder gezee 
bebbeny íehynen zich al vroeg eene verregaandemagc 
m die laqdftreeken aangematigd te bebben , indietvoe^ 
ge dat de Béveihebbers des Konin^s van Spanje^ eá 
de BiíTchop yan Paraguai , reeds in de Jaaren i^^peil 
1652, by deezen Monatch kJaagden, over de ver- 
keerde haadelingen der Jefuken ; wel inzondetheid 
zedert de Is^tfte tnrífitig Jaaren. Ze Werden befchul*» 
digd vah de Indmahen voiílrekt te beheerfcheh als eed 
volk in (iagvtíthy ; van grooten koophandel te dïyr 
ven ; vao zich als onaf hangdyke Heer^n te gedraa<- 
gen; ja de Ii!idiaanen v2ínP(^aguaienUraguai gdwdptud 
te hebben ^ hun zeggende , da$ de Koning van Spanjegeeá 
magt úver hen had: waar by nog kwam het vervoleen 
der Zendelingen , die zich tegen hun gedrag doruen 
verzecteo* Deeze klagten werden van tyd tót tyd 
dooT etlyke Memotïen aangedrongen » zo by den Patts 
als by de Koningen van Portugal en Spanje: ditbragc 
te wege dat de Geeftlyke en Waeteldlyke magt den 
voorcgang daar van tragcte teítuiten, doch vergeefích : 
de Jefaiten , hoewel nu en dan yerdreeveii of bepaald 
in hunne voorregten , wiften zich eerlang te herftel- 
lefi ; de onderneemingen tegen hen te verydelen ; en 
hunne zaak op veelerleie Wyzen zo fchoonpii glimp te 
geeven , dat 'er veelen door miíleid wierden i tot dýiB 
men eindelyk in de laatfte Jaaren het gepleegde hí^ 
drog kragtdaadig heeft doen ophopden. 

BenediStus de XlVde ce wel onderregt y om tnineid 
te worden , kantte ^ieh tegen hun misbrúik vaH KoopJ 
handel aan 1 door zyne Bulle van 25 February íja^í 
en deed de keonis van den waaren toeílandderzaaken 
in Uraguai en Paraguai^ ter ooren van ^oan den Vden^ 
Koning van Portugal , komen , en dien Voríl opwek* 

Aa keu} 



4 JESUITISCHB OMLUSTEN 

ken , om de ongeregeldheden te verbetett».^ Hierop 
volgde de Bulle van dien Paus van 2oDecember 1741 , 
en 'c bevel van deezea Vorít om in de Indifche ge- 
weílen alle díe verkeerde handelíngen , waar aan de 
Jefuiten , als boven gemeld , zich ichuldig maakten 9 
een einde te doen neemen. De BiíTchop van Graot* 
Para , de hem toegezondene ordres in 't werk (lellen* 
de , ontmoette wei dra zo groocen opíland , dat het 
hem onmogelyk waare dezelven ter uitvoeringe te 
brengen. Inmiddels werd de Koning ^ den loden 
May 1742, door eene beroerte, aangetaíl; de Bis* 
fchop, hier van berigtontvangenhebbende, oordeel- 
de 't niet raadzaam den geefl: des Konings te ontrus* 
ten: en de droevigé gevolgen der ziektevanden Voríl: 
volduurende tot op deszelfs dood, den siílen Juljr 
1750, zo bedienden zich de Jefuiten van dientyd^om 
hunne zaak in Europa onder eene fchoone gedaante 
tevertoonen , en tevens hunne heerfchappy in Uragu* 
ai en Paraguai te beveftigen. 

De nieuwe.Koning van Portugal^ S^ofepb de Ifte , 
den throon beklommen hebbende , gaf zyne Gene- 
raals, in de grensplaatfen van Brafílíe bevel , om,vol- 
gens het verdrag over de grensfcheidingen van de be« 
zittingen der Hoven van Portugal en Spanje, ten ty- 
de van *t pverlyden van den Koning, zynen Heer Va- 
der, bekragtigd, de overeengekomene uitwiíFelingen 
tot ftand te brengen. De Spaanfcbe en Portugeefche 
Bevelhebbers , hoewél groote zwaarigheden daar in 
voorziende , deedën egter hunne troepen ten dien ein- 
de in 't Jaar 1752 optrekken; doch de Jefuiten wis- 
ten, onder/chyníchoone voorwendfelen, dë uitwis- 
feling uit te ftellen; wapenden intuiTchen delndiaa- 
nen , en beveftígden hen in hunnen opftand , die vol- 
komen uitbrak zédertFebruary 1753. Hieropvolg^' 
de een hevige oorlog tot den idden Novetnber 1754 »- 
wanneer de Portugeefche Generaalzichgedrongenzag 
een ftilftand van wapenen met de Indiaanen te ílui* 
cen^ tpt. dat men het befluit des Konings van Spanje 

. zou 



INP0RTV6AU 5 

zou vernomen hebben. De Hovén van Spanje en 
Portugal des aangaande onderrigt zynde, gingen met 
veel omzigtigheid te werk; doch de genomene maac^^ 
regelen, zederc bet Jaar 1753 toc 1757, nueens van 
zagter dan vangeílrengeraart^ waarenvrugtloos. Het 
geheele Land werd oproerig;des de Legers van Span- 
je en Portugal zich reeds vereenigden op den lóden 
/anuary 1756, om den oproerigen te kragtiger tegen» 
ftand te bieden ; te meer om dat^e Jefuiten ee^verdrag 
gemaakc hadden met de Indiaanen der Porcugeefche 
Staaten , Jmanados geheeten ; het welk in zich floot 
bunne voljlrekte onderdanigbeid aan de Jefuiten ^ met uit'- 
fluiting van zyne Allergetrounxfte Maje/leit. Het veree- 
nigde Leger behaalde in den beginne eenige voordee- 
len ; maar ontmoette dieper landwaards in zo gewel- 
digen tegenftand , dat men , met den aanvang van 
1758 , nog byna wanhoopte van te zulien flaagen , in 
de uitvoering van 't verdrag van ruiliug en verdee* 
ling. 

OndertuíTchen tragtten de Jefuiten aan de Hoven 
van Madrid en Liífabon hunne Societeit in Indië 
kragtig te onderflreunen : zy zogten de goede verfl:and- 
houding tuflchen die twee Hoven op alle wyzen te 
verbreeken ; en ftelden alle kunftenaryen in *t werk , 
inzonderheld* in Portugal , om oneenigheid onder de 
Scaatsdienaaren , een algemeen ongenoegen , en hier 
en daar opftand onder *t Volk te verwekken. De Ko- 
ning van Portugai door deeze hunne handelingen, 
midsgaders door nadere berigten uit Indië, metregc 
▼erbitterd zynde , zond twee der voornaamfte aan« 
ftookeren in baliingfchap, en deed den ipden Septem* 
ber 1757, de drie Jefiiitcn , Biechtvaders vanzynPerw 
foon, en de Koninglyke Famille, van 't Hof vertrek-» 
ken, mídsgaders aan de ganfche Broederfchap denin- 

Ípng in zyn Paleis ontzeggen : ook deed hy een ge«* 
chrift opftellen , waar in hy *t gedrag der Jefuiten 
openlyk aan den dag bragt, vergezeld van de noodige 
ïnftruftiëD , voor zynen AmbaSadeur aan 't Hof van 

A 3 RoK 



JESUITI8CI1S ONI.USTfill 

Rome } welk gefchrifc verzonden werá den loden Fe» 
.bruary 1758 • om aan den Pau$ en de Cardinaalen over-» 
gegeeven te worden j terwyl hy ook affchriften van de 
boveQgemelde Inílruéliën aan alle zyne Ge^anten aan 
vreemde Hoven afvaardigde. De jefuiten die dit ge«! 
fchrift voor leugenagtig uitkreeten , poQgden inmid* 
dels vergeefs Portugal met Spanje in verfchil te bren* 
gen : de Koningin van Spanje , Zuíler des Konings van 
Portugal kweekte de goede verílandhouding geíladig 
aan: doch zedert dat deeze, omtrend den tyd der 
overleveringe van 't bovengemeldegefchrift, in eene 
^ev^arlyke ziekte gevallen, en den 26(len Auguílus 
van dat Jaar overleeden was^ heeft Spanje byna niets 
meer voor de gemeene zaak gedaan , tot op d0 veran* 
4ering van *t Opperhoofd. 

Benediêtus de XlVde zond , op *t leezen van 't ba- 
vengemelde gefchrift, den eerften April 1758, een 
Jheimelyken brief aan den Qardinaa) d^ Saldanha^ tot 
liervorming der Jefuiten in deStaatendesKoningsvaq 
?of tugal ; de Cardinaal bragt de hem gegeevene or- 
dres ten fpoedigfte ter uitvoeringe in Portugal, en 
iflelde gevolmagtigden aan , die 't in zýne plaats in de 
Indien zouden waarneemen. In gevolge hier van za« 
gen ^ich de Jefuiten wel dra verfcheidene aangema* 
iigde , of toegeílaane misbruikte voorrégien ontzeid ; 
^et welk hen aanzette, om, door hunneMemorie van 
^en 3ifl:en July, den nieuwverkooren Paus , Ckmens 
den Xllíden, zynde Benedi&us de XlVde den ^den 
May overieeden, te beweegen, vom den Brief van 
J^enediStus^ den XI Vden te herroepen. Naa dat deeze. 
het verzoek der Broederfqhap had afgeflaagen ,en niets 
veranderd \n de .verordeningefl van den voprgaanden 
Pausi zo volgde kort d^ar opf in den n^t vanden 
derden September , de bekende eyieiyke aanflag te- 
gen den Perfoon d?s Konings van Portugal begaan. 

De Staatsd^enaaren van Portugal zogten heimlyk , 
drie maanden lang, de fchuldigen aan deezen bedoel- 
den Koningsmioord met zekerheid te ontdekken ; en 

hier 



ZKP0RTU6AL. 7 

faier op deed de Koning den pden December een bevel 
afkondigen, ter bntdekkinge der medepligcigen. in 
gevolge hier van werd 'er den í2den diermaandreeds 
een twintigral perroonen , byna allen van aanzien , in 
hegtenis genomen : men zond ook Wagten in de hui- 
zen der Jefuiten , verzekerde zlch vervolgens van hun • 
ne papieren, en den i8den werden 'er twee-en-dertig 
van hun in dfaagíloelen geligt; ook werden hunne 
Schoolen door het gantfche Koningryk geilooten , en 
men ontving dagelyks nieuwe bewyzen tegen die geeft- 
lyke Vaders. De Koning toonde zich in zo ver ver- 
zekerd te zvn van de handdaadigheid der Jefuiten in 
dit geval, dat hy aan alle de Kerkvoogden» en Over- 
ften der Geeftlyke Orden, den lóden December, be- 
vel geevende om het Te Deum te doen zingen van we- 
gens zyne gelukkige bewaaring, de Jefuiten alleea 
daar van uitzonderde. Op den I2den January 175$^ 
werd het Vonnis van veroordeeling der voornaamfte 
fchuldigen uitgefproken ; voorts openlyk gedrukt, eá 
alom in Europa verípreid : en kort daar op , den ipdeH 
dier maand, volgde het Koninglyke Bevel, om alle 
de goederen der Jefuiten in zyne Staaten in beflag te 
neemen, en die Geeftlyken met hunne Coadjuteurs in 
hunne Huizen op te fluiten, met eene wagt, diehen 
nimmer uit het gezigt moeft laaten gaan. Ookdeed 
hy een gefchrift opftellen , waar in de Godlooze en ofh 
Toerige dwaalingen der Jefuiten tenduidelykfteontvouwd 
worden ; overeenkomftig waar mede de Biffchoppea 
van Portugal zich ook bevlytigden , om hunne Ge- 
meentens tegen die dwaalleer te beveiligen. De 
Staats-Raad zette intuffchen de onderzoeking voort, 
en veele Jefuiten werden van tyd tot tyd in de Koning- 
iyke gevangenis gebragt. Dit alles bewoog de Orde 
der Jefuiten alomme, om hevig uit te vaaren tegen 
het gedrag van *t Hof van Portugal ; ên allerwego 
verfpreidde men gefchriften , ter begunftiginge der 
firoederíchap ; die veel al van^ dien aart zyn > dat ze 
zich zelven wederfpreeken , of elkander wederleggen ; 

Á 4 docti 



8 J£SUITI$C|I£ O^LUST^N 

doch 't geen boven al eene^ byzondere oplettendheij 
verdienc y is de volgende onderhandelingen ínec bec 
Hof van Rome, 

Het geflaagene Vonnis van den i2den January ber 
paalde alieen de ftraf der Waereldlyke perfoonen^ en 
de daar op gevolgde Regtspleeging , den i^den dier 
maahd , ging alleen over deezen : met opzigc tot de 

Íefuiten zelven werd 'er eerfteeneonderhandelingmec 
et Hof van Rome vereiícht. De Koning van Portu* 
gal gaf eenberigt van zyn gehouden gedrag ten aan- 
zien der Jefuiten : hier mede gong vergezeld een Re- 
queft van den Advocaat Generaal der lCróqne, behel- 
?:ende eene voorftelling van de noodzaaklykheid vai? 
'c ftrafFcn der misdaadige Goeftlyken , en een verzoek, 
dat 4e Paus, in navolging vaii Gregorius den XlIIden, 
den Geweetens. Raad der Koningen van Portugal , 
voor altoQs , wilde vergunnen de Magt om zodanige 
misdaadigers , als aller Kerkelyke Vooiregten onwaar- 
dig , aan het Waereldlyke Geregt te mogen overleve- 
ren. Hier nevens werd gevoegd eene ibftruólie vaq 
''t vooxgevallene , zedert de eerfte berigten in 'c jaar 
.1741 , tot op den 2often April 1759. Deeze Scáats- 
fchriften werden Clemens den XlIIden terhandgefteld 
in de maand Juny van dat Jaar. Zyne Heiligheid be^ 
noemde eene Vergadering van zes Cardinaalenendrie 
Godgeleerden , om deswegens raad te pJeegen : de 
AmbaíTadeurs van PortMgal en Spanje gaven hua 
ongenoegen daar over te kennen , als oordeelende dac 
bet Requeft, zonder zulk eene byzondere raadplee- 
.ging, terftond goedgunftig behoor^e beantwoord te 
wordeni terwyl de Jefuiten van Romeaan de andere 
f yde dreeven dat dit verzoek niet toegeftaan kon wor- 
den, zonder alle Godlyke en Menfchlyke Wetcen te 
verbreeken ; het welk zy in verfcheidene gefchriftea 
^an de Vergaderinge der Cardin^alen te kënnen ga- 
ven, De Vergadering gaf eindelyk haar befluit op, 
.deq ?2ften July; en de Paus vond vervolgens goed 
•den Apibaífadeur van Portugal te berigten , dac hy 

z\a 



INVORTV.GAL. 9 

zyn antwoord Diec aan hem zou óvergeeven, maar 

door een byzonderen Renboode den Koning ter hand 

(tellen } het welk den Ambafladeur, hier ovér geraakt ^ 

bewoog een Renboode zo fpoedig na 't Hof te zen- 

den j dat de Koning hier van onderrigt waare , voor 

't aankomen van 't Pauflyke antwoord, en een Brief 

van den Cardinaal Torregianu Wat de inhóud hier vao 

geweeíl zy ^ is tot nog niet volkomen zeker: men wil 

dat de Koning de Staatsfchrifcen van den Paus , van 

den eerfl:en Augufl;us , niec heefc willen openen , maar 

die na Rome te rug gezonden, met een eifch, datde- 

zelven eerfl: aan zynen Ambafladeur werden medege* 

deeld , en hem langs diei^ weg toek wamen, Wat 'er 

ook te denken zy van 't heimlyke gedrag des Room- 

fchen Hofs in deezen , 't is zeker ^ dat het zo een 

kwaaden indruk maakte , by de voornaamfl:e Hoven 

van Ëuropa^ dat het den Paus bewoog, den ipden 

September, een rondgaanden brief ce fchry ven , om 

^ch van eenige, verdenkingen te zuiveren ; doch waar 

in hy , volgens het algemeene oordeel , de Broeder- 

fchap te zeer ontzien heeft. 

Ondercuflchen benaarftigde zich de Koning ter be- 
vorderinge van het welweezen zyner Onderdaanen^ 
door met den Overflen der Dominicaanen fchikking te 
maaken op 't ftuk der zendinge onder de Indiaanen ; 
midsgaders door zyne poogingen aan te wenden om 
het beoefenen der befcbaafde letteren , als mede der 
Philofophie en Godgeleerdheid , op een beteren voec 
tebrengen. Op den derden September, den verjaar- 
dag van den heilloozen toeleg op zynen Perfoon , gaf 
fay een bevel , om alle de Jefuiten , uicgenomen de als 
fchuldig gekenden en gevangenen ^ te verbannen , 
van *c regt van inboorlingfchap te berooven ^ en uit al- 
le zyne Koningryken en Bezittingen te verdryven. 
Ook liet hy ten zelfden tyde een rondgaanden Brief 
aan alle de jAarcsbiflTchoppen en Biflybhoppen van zyn 
Koningryk, raakende dic zyn gedrag, afvaardigen; 
wdken brief de Cardinaal de Saldanba inzyn fchrifce- 



10 JBSUITI9CHE ONLUSTEN 

iyk bevel , van den ^den 0£lober , in voegde ; waar 
in hy de inwoonders van zyn Parochie verbood eenige 
gemeenfchap met de verbannene Jefuiten te houden. 
In dit Stuk vond men eene uitdrukkelykeverklaaring^ 
„ dát de Koning ín het Waereldlyke geenen Hooge- 
„ ren op aarde erkennen moet, en ook niet erkent". 
Dit Koninglyke bevel werd agcervolgd van een Be- 
íluic met opzigt tot de befchikking der Goederen en 
Huizen der Jefuiten , die onmiddelbaar tot den Gods- 
dieníl gefchikt waaren : als mede van een gebod , om 
alle de Koninglyke Bevelen , en andere egte.Stukken , 
tot de Zaak der Jefuiten betrekkelyk , zederd het Jaar 
174 1 uitgegeeven, by een te verzamelen ; waar uitdie 
Verzameling gefprooten is , van welke wy mec den 
aanvanggewag gemaakt hebben. 

Het Hof ftelde vervolgens het bevel van de uitban- 
ning der Jefuiten fpoedig ter uitvoeringe. Op den 
i^den September fcheepte men reeds 133 Jefuiten af 
na Civita l^eccbia , die aldaar gelukkig kwamen ; doch 
anderen , met het afloopen van den Herfït verzonden , 
troíFen nu en dan een rampfpoediger lot; dewyl hun, 
uit naam van alle de Vorden, langs de kuflen van 
wier Landen de Schepen , met Portugeefche Jefuiten 
belaaden , zeiíden , verboden werd voet aan Land te 
zetten , des ze genoodzaakt wierden binnen boord te 
biyven, op hunne langduurige en laftige reize, toc 
hunne aankomít te Civita Feccbia. Niemand duldehet 
vertoeven der Portugeefche Jefuiten in zynen Staat ; 
zelfs gaven deeze omílandigheden gelegenheid aan den 
Kaad van Venetie, om byzondere zorg te draagen» 
dat 'er geen Jefuiten in hun Gebied, ingevoerd mog^ 
ten worden , uit den Kerkelyken Staat om aldaar plaats 
te maaken voor de Portugeefche Jefaiten. Byna alle 
deeze uitgevoerde Jefuiten , omtrend 500 in getal , 
waaren Geeftlyken van de vierde gelofte: genoeg- 
zaam alle de anderen, die deeze laatfte verbintenis 
niet geílooten hadden , verlieten de Broederfchap ; om , 
vdlgens het aanbod des Konings , aan alle de zulken , 

op 






initoKrweku ii 

op brieven vao oncíkg van den Cardinaal Reforma- 

teur^ in 's Konines Staaten ^e verblyven. De Jefai* 

ten hebben dit afícaan van veelen van de orde wel 

ontkend , doch de waarheid deezer zaalce is niet min 

blykbaar , als de valfcheid hunner befchuldiginge, van 

den flegten voorraad en ellendigen toeftand der Jefui- 

ten , in hunne affcheeping , ter befchaaminge hunner 

verdichte leugenen, openlyk beweezen is. 

De Koning in tuflchen eene openbaare vreedebreuk 
met het Hof van Rome vermydende , zo bleef het 
ilotvonnis tegen de gevangene Jefuiten uitgeïteld : 
fchoon men een tweeden Brief van Gregmus den 
XlIIden ^ van den i5den Q£lober 1583 > ontdektCt 
waar in de nu verzogte magt^ vm akoosj aan de Aarts- 
biflchoppen en Biílchoppen deezer Koningryken was 
toegeítaan; zo wilde de Koning égter daar van nog 
geen gebruik maaken, maar den minzaamílen weg, 
ten opzigtvan't Roomfche Hof,houden,doordeaan-' 
.gevangene onderhandelingen voort te zetcen ; die ook 
met y ver ter wederzyde behartigd , doch zeer geheim 
voor 't gemeen gehandhaafd werden. Eindelyk ont- 
Aond 'er een gerugt dat de verzogce Volmagtdoorden 
Paus voor altoos verleend Was, met beding dat'erby 
de Geeftelyken, die deGeweetens-Raad uitmaaken, 
^ een bekwaam Billchop , tot den Regcbank niet behoo* 
rende, naar 's Konings verkiezing^ gevoegd zouwor- 
den. Men wil dat de AmbaíFadeur, den 28ften De- 
cember 1759, deswegens aan den Koning gefchree- 
ven heeft , doch de uitflag van 't voorílellen dier voor- 
waarden bleef onzeker; bheven van de maand Aprii 
1760» uit Liflabon, voóronderflelden egter, dat de 
Cardinaal de SaUanbaj en een Bediende van de Patri- 
archale Kerk van Liflíabon , aan dien Raad , in gevol- 
ge hier van , toegevoegd werden ; en dat die twee 
Kerkvoogden altoos tegenwoordig waaren by het on- 
derzoek van den geregishandel ; waar uit men be- 
floot dat het flotvonnis eerlang uicgefprooken zou 

worden. 

Tocn 



1 



112 JESUITIStHB ONEUStBN 

- Toen geheel Europa in deeze verwagting ílónd ^ 
vernam men, tegen alte vermoeden aan, de tot dus 
ver vermyde Vreedebreuk tuíTchen de Hoven van 
Rome en van Portugal: de Jefuíten hebben ons diets 
willen maaken dat deeze breuk ontílaan is, uit rede 
dat LiíTabon op het punt ftond om van Godsdienfl: te 
veranderen : doch de waare oorzaak ligt in beleedigin- 
gen het Hof van LiíTabon aangedaan. Men had reeds 
voorheen door herhaalde klagten te kennen gegee- 
ven , dat de Waereldlyke Staatsraad van 't Hof van 
Rome in verílandhouding ílond mec de vyanden van 
Portugal ; hier van werd men op nieuw ten kragtigíle 
verzekerd; en 't bleek onbetwiílbaar, welinzonder- 
heid, dat de Cardinaal Acciajuoli^ Pauslyke Nuntius 
aao 't Hof van Portugal, medewrogt met de Jefuiten. 
De Paus, op 't voorílel van den Koning^ zynen Nun^ 
tius niet op ontbiedende ; en deeze zich, bygelegen- 
heid van 't huwelyk der PrinceíTe van Braíilie met den 
Infant Don Pedro^ des Konings Broeder, op eene 
hoonende wyze gedraagen hebbende, zo beval hem 
de Koning , den I4.den Juny 1760 , uit LiíTabon en 
vervolgens uit alle zyne Staaten te vertrekken. De 
Koning zond ook eene Inílruftie aan ,zynen AmbaíTa- 
deur, om den Paus van 't voorgevallene kennis te 
geeven; doch deeze, fchoon hem eeríl gehoor waare 
toegezeid, kon ten geílelden dage het beloofde ge- 
hoor niet verkrygen ; ter oorzaake van de berigten , 
welken de Paus van den Nuntius Jcciajuoli ontvangen 
had. Dit had ten gevolge dat de Portugeeíche Staats- 
dienaar , den 2den July eene Memorie der klagten des 
Konings aan den Cardinaal Corjini^ (Befchermer van 
Portugal,) en alle vreemdevStaatsdienaaren toezond, 
met een nevensgaanden Brief ^ onder anderen te ken- 
nen geevende , dat hy laft had uit Rome te vertrek- 
ken , en alle Portugeefchen daar uit te doen vertrek* 
ken^ índien hy op de herhaalde kkgten tegen den 
Waereldlyken Staatsraad en den Nuntius jícciajuoli 
geen regt kon krygen: ook liethy, overeenkomftig 

' hier 



INPORTUGAL. I3 

bier mede aan deEerk vanSc«Antoniu8,(zynde eene 
Porctigeerche Kerk,) een Placcaac desyregens aanflaan. 
De Paus werd hier op , door eenige . Cardinaalen , 
bewoogen , de verdervelyke gevolgen eener Vreede* 
breuke voor te komen; hy benoemde terílond den 
Cai'dinaal Corfini, zynen StaaC5»Secretaris ten aanzien 
der zaaken van Portugal , gebood hem den laft der 
Ooderhandelingen op zich te neemen , en den Portu» 
geefchen Staatsdienaar te yerzekeren , dat hy geneigd 
was den Koning alle voldoening te geeven. Oe Por* 
tugeefche Scaatsdienaar nam de onderbandeling aan , 
vernietigde , den 4den Joly het voorige Placcaat en 
de Berigten , door *t aanílaan en afzenden van ande* 
ren naar vereifch der zaaken. Dus íchepte men we» 
der hoop op de onderhandelingen , doch eene Ver- 
gadering van zeven Cardinaalen en drie Prelaaten 
wift y op den volgenden dag , den Paus over te haa* 
len y ter herroepinge van 't voorgemelde : in ge volge 
hier van werden de onderhandeiingen den naaftko- 
menden dag afgebrooken , de Ambafladeur vertrok 
den volgenden , -den ^den July , uit Rome ; en de' 
Cardinaal Tomgiani deed, nog dien eigen avond, don 
Buicenlandfchen Scaacsdienaaren eene Memorie, cot. 
yerdeediging van 'c gedrag van 't Hof van Rome , 
cer hand ílerien. , 

Dus ver gaat het Hijlorifch berigt van onzen Schry* 
ver , (gedagcekend den vyf en cwintigílen van Oogfl:- 
maand 1760, ) mec opzigt tot de ílukken,.die in dee- 
ze Verzamelin£ begreepén zyn , welker n^ededeetíng 
aan 't gemeén nem , volgens zyn eigen ooTdael,.ver«. 
pligc , om het zehe het Feroolg Vên die Stukken , weJken^- 
men met ongeduld verwacht^ ook niet te mhouden. 



I I Ié I « *■ 



Burgerlýk Recbtsgeleerdy Notariaal en Koopmans Handboek » 
voor een klein gedeeite opgeftelt door Arent Lybreghts, 
in leven beroemt Notaris in 'jf Hage^ Fervolg^ns uitge-^ 

breid; 



14 KECHTSGEXEERD HANDBOElt. 

bfiid; en nu op meuw , onder btt opzicbt van een voot* 
. naam Rechtsgeleetden fmeer dan de belft vermeerderti 
merkelyk verbetert en verrykt met een menigte Citatiéfn 
en jíantekeningen van de beroemdjle Recbtsgeleerdené 
Derden Druk. Op nieuws vermeerdert met eenige By* 
voegzels en voorzien met een gemaklyk fVoord en zaaklyk 
Regifier. Te //mýerdamiby J^cohnsLovenngh 1761^ 
Bebalve de ^oorreden 274 bladzyden in groot oáavo. 

Dlt leerzaame gefchrift eertyds zaaklyk door den 
weigeoefenden Lybregbts beknopt in gefchrifc 
geíleld , en door mondling onderwys breeder onc*' 
vouwd » beef t den Lief hebberen der Regtskunde der-^ 
maate behaagd;dac men 't der moeite waardig geoor* 
deeJd heeft, met enige verfchikking en uitvoeriger 
behandeling , ín openbaaren druk te geeven. De eeríle 
uitgaave werd zo greetig oncvangen ^ dac men , dezet 
ve wel dra byna uiiverkogt zynde , befloote eene 
cweede uitgaave met merkelyke vermeerderingen en 
verbeceringen hec licht te doen zien: en hier op is 
eerlang deeze derde druk gevolgd , waar van in 'c 
Voorberichjt gezegd wordt : ^ wy waren eeríl vóor- 
9 nemens om daar enige vermeerderin^en by ce voe* 
^ gen , doch wy hebben daar van afgezien , om dezen 
19 Druk niet te veel te doen verfchiUen van den cwee« 
,p den Druk , waar mede zekerlyk ongenoegen zoudeii 
5^ hebben gegeeven aan die genen dewelke dien zo 
n g^etig hebben gekogc , des wy ons alleenig hebben 
^ vergenoegt , hier en daar ënige nodige opheiderin* 
9 ge 9 en by voegzels by te voegen , oie echcer vatf 
» dac gewigc niec zyn , dac de cweeden Druk daar 
„ door cen onbruiken zoude zym — — Dit mag mec 
regc den naam van ene eerlyke Advertentie draagen ; 
en loopc ons ce meer in 'c oog^ om dat het zo zeer 
gemeen is , by herhaalde uitgaaven , hoog op te gee- 
ven van de (leeds toeneemende vermeerderingen en 
verbeteringen , die zomtyds van geen weezenlyk be» 
lang zyn , of uiikomen op by vjoegíels , waar door hec 

WtTJl 



RECHTS6ELBERD HANBBOEK.' l5 

w^erk veel eer verergerd en in waarde verminderd i$.. 

Trouwens zulke laage, en thans veel al vrugclooze 

kunílenaaryen , mogen dienílig geagt worden » voor 

Schriften die door hun eigen lof niet konnen beílaan ;. 

maar goede wyriygelyk het oude Vaderlandfche fpreek- 

woord zegt ^ beboeft geen krans. Dit nuttige werkje' 

pryfl: zich zelven den Leezer aan,door zyne beknopt* 

heid , kláarheid en geregeldheid ; van waar het eene 

zeer dienfiige handldding in de Regcsgeleerdheid is , 

om een geleidelyk denkbeeld dier íladie te erlangen , 

en met nut geleezen kan.wbrden, niet alleen.van 

hun, die zich in de Fraélyk willen oefenen, maar ook 

van alle Leden van den Burgerítaat in't algemeen,ien 

inzonderbeid van hun , wien de Adminiftratie van goe« 

derea is aanbevolen ^ en die Koophandel dry ven ý na-^, 

dien hui^ in dit gefchrift het doorgaande beloop vaii 

den Regtshandel , en 't geen hun ten opzigte van 't 

Regt in agt (laat^ te neei^en , z^er dyidelyk voorge^. 

fteld wordt. 

Het ganfche werkje is verdeeld i|i. VI Hoofdftiik-^ 
ken , waar van het líle behelíl , het Oppergezag % en d^^ 
voomaamfte deekn van het Recbt en de Rechtsgeleerdheiá ; 
benevens het gantjfcbe. beloop van een Proces. Het Ilde, he^ 
gene tot de NotariaU Pra3ycq in 't algemeen behqort. Hec 
IXIde 9 bet gene tot de Notariale PraStycqin *t byzotider be^^ 
húort ; bebbende dií boofdzaaklyk zyn betrektíng , tot d§ 
naktenfcbappen , uitterfte mlle enz. Het IVde ziet op^ 
Executeuren , JÍdminiJlrateurfn ; Qurateuren , Voogden , en, 
op minder - en meerder - jarig^ Perfmen* Hun D^pofiti9n%, 
Echtverbinding enís. Het Vde gaat oyer dfn Ke^bdnihlr 
zo wel omtrent roerende als onroerende gaedereni fFifffikêi, 
Mjfurantie enz. En 't laatfte Hoqfdftuk behêlft Vfrjcbeir. 
de zaken , zo Byzondere als ^e Landgebruiken betreffen4^,i, 
en wel voQrnaamlyk die kotrekking hebben , op de /^- JSi/t 
pacht' Jiend' Cyns - en Dyhrechten ; als mede op de PMm 
en Dorpsgerechten. Ten flot is hier nog aan gehegt eea 
Ly/l der voornaamjle zaaken en gevallen , het kkm Z^g$l 
Jubje& i Qp hoe hoog , tfvan boe veelgêed de Zegeis moeteik. 

wezen. 



16 «ECHTSGBtSERD RAKDBOKt:. 

wzm. Wy zullen , om den Leezer eën nader denk-^ 
beeld te geeven van des Aufteurs fchryfwyze , en ma- 
iiier van verhandelen , het Vde Hoofdftuk in *t by- 
^cTnder wac breeder nagaan, om te toonen hoe onzer 
geagte Schryver den Kooplieden onderrigting geeft. - 

In dit Hoofdftuk is de eerfte Vraag, (zynde dit 
werkje bymanier van vraagen opgefteld, ) » Wat is 
^ een Koopman? " en 't antwoord luidt. 

» Een Zuil van den Staat en den Burgerftand , eti 
„ een der nutfte inwoonders van een Handeldry vend 
„ Ryk of Gemeenbefti Zyne vereifchtens zyn , dat 
^ 'er in zyn handel niet dan trouw en eerlykheid moet 
„ uitblinken. En door zyn onvermoeide vlyd , en 
„ wyduitgeftrekten Koophandel , kan hy de welvaard 
y doen bloeijen en een Land gelukkig maken. Invoe-*' 
„ gen men met geen de minfte kleinachting;maar in- 
y tegendeel met de grootfte lof en waardigheid daar 
9 van fpreken moet. £n geen Edelmati , hoe hoog 
„ van geboorte , verlieft door het beoefienen van deti 
^ Koopbahdel, zyn Ádel; Rechten eh Voorrechten , 
„ daar aan verknocht. F. Leeuwen IV. B. 17 D. n. t r. 
Óp eene dergelyke wyze wordt , naa eene korte ver- 
klaaring der Bóeken , díe tét eea Koopmzxis Cmptéit 
behooren , de Koophandel omfchreeven , als » de voor- 
„ naamfte fteunzei ,en Zenuw zo wel van ons Gemee- 
^ nebeft, als voor andere Landeh", raet byvoeging 
dat men ^alwaar dezelve geachten gehandhaafc 
„ wordt, niet aileen de Wfelvaart,maar ocJc alle Kon- 
„ ften en Wetenfchappen ziet bloeijen. /^. 'Leeuv)én 
^ ais bovén ". Verder aaíigemerkt zydde, dat het 
Credietj dé goede Trouw en de Eerlykheid de zíel vaft 
den Koophandel zyn , zo gaat de Auéteur over tot 
eene bepaaling van Koop en Verkoop , midsgaders der- 
zelver weezenlykfte eigenfchappen , de Toejiemming , 
Koopmanfcbap en Koop/ehat of Prys. , Vérvolgens doet 
hy zien in wat geval men tVaarborg moet ftellen ; wat 
eene Koopcedulle zy , waar toe dezeive , diene ; wat de 
KoopS'nakoming , waar in de Kooper en Ferkooper gehou- 

den 



ÍéClÍTSêXLBÊRI^ SfANblÓEk; JJ^ 

Átn zy ; wat in *c koopen voornaamlyk in agt genomen ^ 

Waar en wanneer het gekogte goed geleverd moetwor- 

den, en waar toe de verkoopér verpligt íy, indieii 

hy de levering uitjielle. Hier Op maakt hy gewag van 

den handel in onzekere zaaken ; het koopen in 't gro$ txk 

by den hoop^ als mede op de pr oef of bezien: en toohti. 

hoe de koop aan te merKen zy ; en wat den Koéptr te 

doen ftaa, in geval de Verkoop'er geeh regt tot de W- 

kooping h'eeft; in hoe ver het omzetten vangoederen bý 

ruïling eeh Koop- ContraSl genoemd kan worden^en hoé 

éen Koop tot een onzekeren prys ftand grypt. Óok doet 

hy zien wat 'er omtrend de onderpanden of handgelden 

in den Koophandel aan te merken zy,tot wiensy^r^M- 

den en háaten dat geen komt j het welk naa 't Uuiten 

van den Koop en Voor de Levering uiogt voor vallen } 

wat verbooden handel zy , eh iíi hoe ver cen Koop niet tet 

goeder trouwe gefchied zynde kan Jland bouden. Hiet 

áan hegt de Schryver het point vali EviSie^ wat diê 

tj , en leert hoe men de zaak heeft aan te merkeh ^ 

indien de verkogte zaak^ ten tyde van de Evi&ie^ be- 

Vonden wordt door den Kopcr verbeterd te zyn,mid$- 

gaders welke de beíle vrywaaring is , omtrend gekogté 

goederen. Verder taont hy waal^ ifa de Redbibitie \ú 

den Koóphandel beílaat, wanneer dezelve al of niee 

plaats hebbe in 't verkoopen van vajle goéderen , tú 

binnen welkeh tyd die in 't Werk gefteld moete Wor- 

den. VerVolgens doet hy zien , Ivat ohdeífêheid 'er 

zy, tuíTchen de verbreeking^ en de nulliteii of nietigbiid^ 

Vaneen verkoopingjwatuitwerkingde verbreekingV^ 

cen koop hebbe , eh ifi hoe ver 'er eene Koopsvérbreé* 

king met gemeene toejlemfning Ýan Kooper en Verkócí- 

per plaats kdhne hebben. Ván hier gaat hy over toí 

het regt van Reclame en Kaajiing^ welken aangaahdé 

wy zyne onderíigting , tot eep býapnder voorbeel4 

íyner fchfyfwyze, íullcn overrieemen. De vraag is^ 

„ Of *eí op vérkogte en geleverde góederen, geeá 

^ betaling gefchied zyhde , reclamc kan piaát$ bkbé 
^ bcfn? - . í ^ . 



iS. RECHTSG&^BEKQ PAND90BK. 

„ Hier omtrent fchynt onder de Rec}itsg?lejerden^ 
i^ groot verfchil te zyn. In *t algemeen word 'cr on- ' 
^ derfcheid gemaakt» of *er contant ofop tyd verkogc 
» is« Ook komt meh híer ip overe^n dat als 'er contant 
n verkogt is reclanfe kan gefchii^den , alzo fle Koop , 
9 fchoon gelevert zynde, gehouden word als niet in 
9, de$ Kopers eigendom te zyn overgegaan ; maar hier 
9 ín is men niet eens , of op goederen op tyd verkogt ^ 
99 en den Koper dus crediet gegeven zynde, komende 
9 binnen de betaaltyd, of korten tyd daar na le faiU 
9 Ueren of te breken ^ als dan recktne kan gefchieden. 
I» De Frefident Bynkershoek zegt (en S. v. Leeuwen 
9 íla^ft het ook m^t eeq nayen|gFe a§ipbaUngen). Hep 
m een algemeen geyoelen is^ namentlyk dat fchoon 'er Cre» 
9P diet voor d/s betaling gfg/^cn is ^ de Reclatne evenwel 
^ plaats heefi^ fndien de Kaper^ toen hy de koop aanging , 
» wtende daf hy niet injlaat was onf te betalen^ den Ver- 
9 h^er ybedrogen heeft. Maar hy fpreekt het tegen , 
^ fchopn '^r (gelyk hy zegt) gewysdens voor en tegeri 
„ zyn. Tot ft^v^ng van zyn gevoelen, brengt hy ook 
^ te berde,daf te Amílerdam by cqu Qwritur in 1663 , 
» is getuigc ^l^aar in Ufantie te zyn , dat een Verko- 
, per, die ^ íy J verkogt heef t , wegens de verkogté 
m goe4eren , fchoon die nog onder des ICppers goede- 
» rcq gevonden worden , vóor geen andere geprefe- 
^ r^Tt word , al fchoon de Koper kort na de verko- 
9 pi>ng infohent word. Doch het tegendiee] E)^}^kt uit 
^ 4^n aanmeríclyk geval en gewýsden , zo vaa Sche^* 
u P^fiP van Amfterdam^ al^ van het Hof, qn vari 
«, 4sk Hoogen Raad in 1725 bekjc^^tigt, wanneer de 
n ygrkopjng Q?«íanl o(nd,KQopmansJlyJf$ gefchied. III. 
^ P* í0. H. V. Leeuweii IV. B. 17. D. fl. 3. 

„ Wat word voor Contanf , Jf>{ ixa Koe^nKí^f Jlyl ver- 

• kogt gehouden ? 

^ Hier o ver is oo|c verJfcJ^il , en i$ loe^ ^dan eens 
to gen tasitk y^ quáíUe ^ciwepft » w:aíqpeq: 'ej: geên dag 

• VPQ blPtalii\g.is g^fzó^md, êveawel ^lcbynt hct een 
p vry algemeen gevoelen te zyn , dat 'er dafi ^eeii 



KECBTSGfi^f ER0 nii^DUOJiKs ' íp 

;, Crfdi0t is segpvea jcp dit R^ecj^t word h/^d^d^agfch 
„ gevolgc , (i) ep zulks word dan biiiisen pf op de 
9 zes weken geftelt, met korting van ^ pprcenfo^ zo 
,» als ook een groQC aantal Kooplieden in R(^terdam , 
„ den 20 July 1745. getuigd hebben. Te Jmjierdam is 
„ by een keur gefteld , een Verkoper voor Confant 
9 geld hebbende verkogc , binnen de z^ w^en de 
9 betaling moec eifchen , of ander$ van zy^ ^ecbc van 
^ Reclame verfteken te^ zyn « ep gehouden zai worden , 
„ als of hy op tyd bad verkogc. Te Leyden is het be« 
9 paaltbinnen veercien dagen^ Bynhrsbo^ ib. hlji'j 
9 en 72a F* Leeuwen ib. n. 4. 

^ Is *er no^ geen byzonder g^t;^/^ waar iq pp g^ogte 
^ goederen , m cas vzxífailliering ^ Reclame oaderwor-» 
9 pen , praferenti0 i$ ? 

9 Ja, als eep F^floor of fCoopmans-Bewindhebber , 
^ door laft van zy oen Me^fter , aocb op zyn eigen naam 
9 eenige gofderen , koopmanfchappen of a£lien ge- 
9 kogt en ontfangen heefc , en mec zyns Meefters 
9 penning^n betaalt hebbende, komc it failUeren of 
^ te breken , zo word dezelve Meefter i ook zonder 
„ van zyn voornoemden Faftoor overdragi; bekomen 
^ te hebben ^alseigenaar op zodanige Koopmanfchap- 
» pen , goederen en aélien , noch in den boedel van 
^ den FaSloor bevonden wordéhde , geprefereert voor 
9 alle fchuIdeiíTchers van denzelfden taëtQoryhetvrtWa 
« alzo by den Hoogen Raad in Hoiland geoordeelt is» 
jp In tegendeel zo heeft ook wederom een FaStoor voor 
39 zyn achterwezen recht van retentie ^ inhouding en 
» preferentie op de goederen van zyn Meefl:er. Di 
^ Groot III. B* I D. n. 53. in Notis. Holl Conf. V. D. C. 
9 ^46. 

H Door 

(i) „ Volgens het III, Art. van het VIII, Hoofdft. van deCos* 
,1 tume van Middelburgydac wegens achterblyvende betaalingde 
„ Koop níet te niet gedaan word , is een byzonder Recht van de 
3, MidacIbttrgQr8 . io4ien het goed voor Contant geid verkoft is, 
,9 of *t geen 't zeffáé is, indien men omtrent het uitílelkn Van de 
V betaUng niet is oY^xe^PgekomeQ, 



ao &ECHTSeElBBft9 KAMttSOlfi 

» Door wat geval word een Kóper,buiten het tttêi 
p geftelde , geen Eigenaar van het verkogte ? 

,9 Door een Recht van Naafting. 
• m Hoe veelerlei Naafting is *er ? 

« Twederlei , een Naaíting door beding , en eent 
]p Naafting door Wetduidíng. 

9 Waar in beftaat Naajling uit beding ? 
' ip Waar in men bedingt dac de Inkoper het gekogte 
), goed tot believen van den Verkoper, of ook irel 
^ binnen zekeren tyd voor den zelven prys aan den 
s^ Verkoper wederom zal moeten overdoen ; of dat iii 
» het verkopen , de Verkoper altyd wederom de naas* 
3^ te moet zyn. K Leewooen IV. B. 19. D* n. i. 

» Wat is Naajiing by fFetduiding ? 

„ Een Recht voJgens plaatfelyke gewoonten ^ dat een 
f, derde heeft op onroerend goed , onder de band ver- 
i^ kocht, voor den Koper^ om te treden in des Ko- 
9 pers piaacfe. £n heeft ook plaats wanneer eenige 
^ m fchuld aan een derde is verkocht,alzo de fchul- 
„ denaar , t'allen tyde , mits binnen 's jaars y na dat 
„ zuíks tot zyn kennis is gekomen , als hy gemaand 
ji, word, de fchuld kan naaften. De Groot III. B. i6. 
9 D. n. 2. en 11. en 12. 
' » Is de Naafting pryslyk ? 

„ Een der beroemfte Rechtsgeleerden zegt , zich 
niet te fchaamen om alle Naafting die hedendaags 
„ by ons in gebruik is, uit wat oorzaak dezelve mag 
,;; afftammen , voor de uiterfte onbillykheid uit te 
^ kryten , dewyl zy den Koper van zyn wel verkree- 
i^ gen Recht berooft , om een oorzaak die veel min- 
^ der van belangus , dan die van de koping, Ook is 
„ die ftrydende tegens de Vrybeid van Commerciey ea 
„ tegens de be/cbreve (a) Rechten. . Bynkershoek III. B. 
9. 13. H. bl. 689. 

» Zyn 

' (a) ») Schoon de Naaíling ook in het Rootnfcbe Recbt plaátá' 
„ beefí gehad, zo is die echter, zo als die hedendaags geoeffehC 
if in zwang gaat, niet by de Ouden bekent geweeft; £n wegens 

7» dit 



ÍIBCRTSGBLEERD HANBBOEK. SI 

;^ Zyn de Leengoedereti ook Naajiing onderwdrpêh ? 
,, In zekere gevallen gewis., en de naaíling firbyiic 
p ^elfs uic faet Leen - rechc haren oorrprong ce heb^ 
» ben gehaald y en die, meer veld winnende, zelfs 
9 overgeflagen is iran Leen- toc de Allodiale goede* 
9 ren ^ hoewel niec zo uicgeílrekt als coc Leën-goeda- 
I» ren. Bynkershoek IIL B. 13* H. bh 690. 

^ Is het recbt van Naajling voor een gemeen reeht te 
x^ houden ? 

« '£t zyn die zeggen van ja , en daar zyn 'er die 

9 zeggen vao neen y en deeze fchynen de waarheid 

9 naalt te konien ^ en dus dat de naaíling maar alleen 

J9 plaats heeft wanneer men kan bewyzen ^datze door 

„ een Wet , of door hec gebruik ingevoert is. j5y«* 

9 kershoek. ib. 691. 

j, Wie is gerechtigt tot de Naafting. 

^ In 't gemeen kan men zeg^en dat het de naafte 

9 bloedverwant is , met uitfluitmg van die geen die 

^ zó na niet in den bloede is. Edoch gaat deze regel 

^ in 'c algemeen niec door. In Zeeiand fcbynt hec 

^ áooT een keur dus gewettigt te zyn. In Holland 

\ word het veeleer begrepen, dat diegeen der bíoed- 

9 verwanten voorgaat , die zyn A6lie het eeríl heefc 

^ geinílítueert. ib. 693 • 

^ Hebben* Bailhmen eti Schouten ook recht van 
j» Naaftípg? 

^ Deze matigen hec zich op fommige plaatfen aan , 
a doch ten onrecht ; hoewel het XXXV. Art. van de 
9 Coftume van Rynland dit den Officier mede toe* 
^ kent , na de Bloedverwanten , binnen de zes wee* 
^ ken j na het jaar ^ 't geen de Maagfchap heeft. £ch« 
9 ter kent de politike Ordonnantie van HoIIand geen 
9 Heer, Bailjuw of Schout vaneene plaats het recht 
^ van Naafting coe. £n of fchoon dic oudtyds al een 

r „ Rechc 

,, dit ftuk wordl nader geíiandelt in het VI. Hoofdftuk ". In ge^ 
9)olge dier aantekeninge bebben wy bet verdere uit dat H9ofdfiuk e«fc 
fd ^ee^en alhier geplaatfi. 

B 3 



22 &ECHTSGELBE11D HAKDBOEK. 

^ Recht mogt zyn geweeíl , de Landen nu vfy zynde p 
9 houd dic Recbc , uic onderdanigheid geíproten » op. 
,9 De Groot III. B. i6. D. § 12. Bynkersboek ib. 694. 

fienevens het reedsgemelde geefc de Schry ver in dit 
Hoofdftuk zyne ophelderingen raakende de Compen^ 
Jatie of Fergelyking , de Infcbuld en de onderfchcidene 
FerbindteniJJen , waar uic dezelve ontflaat , het y«í rtf- 
tentioniSy deNovatie^ en derzelver uitwerkíng ^ delnji* 
fíuatie en ProteJlatieyB\s mede aangaatide de jíffignatien 
en fViJfels. Verder handelt hy over de JJJiirantie^ cn 
het reajjureeren , met aantooning wat het Regt in ver- 
fcheidene byzondere gevallen , zo ten aatizien der 
AJfuradeurs als der Geayidreerden bepaalt : dit hcm aan« 
leiding gegeeven hebbende om gewag te maaken van 
gemeene Aoarye en A'oary-Gros^ zo gaajc hy daar op 
o ver om tc ípreeken van 't vergoeden der fcbaade , door 
't eeneSchip aan een ander Schip,en deszelfs laading 
toegebragt. Vervolgens gáat hy na het geen tot Bode^ 
piery betrekkelyk is , . dat ten opzigte van Bylbrieven in 
aánmerking komt; en toont wat een Certepartyy faet 
Kápïaken en een Cognofcement-Brief zy ; wat eene Rede- 
ry , éti waar voor dezelve aanfpraaklyk zy. Van hi^ 
gatt fiy over tot het geen den Scbipper en Stuurman 
becrefc , en fluit dit Hoofdíluk met een kort berigc 
nrtkeiide de bedieningen van Aíakelaar; Cárgadoor en 
Convoylooper. ■ Uit dit beloop kan men gereedlyk 

afiKemen , dat dit gefchrift veele weetenswaardige 
^taaken behetft ; en ichoon reeds ervaareaen de oa- 
defrigting van onzen Auéleur niec beboeven , zullea 
20 e^^er dver 't algemeen dit werkje met gónoegen , 
en Ýeel ligt niet geheél vrugtloos , konnen doorblade- 
ren' , en de min ervaarenen io 't Regt en den Koop- 
ha^el zuilen^ door eene aandagDge leezing, merico- 
)yk ouc uic het zelve konnen trekken* 



Ce* 



■ 

Ceneesmiddel tegen de Dolk^honiS'beet ^ im } d a n j^ a &• 
soNS, M.D. F. R.S. 

WAnneer wy acht geeven op de natuur van dit 
gebrek , en de handelwyzen , welketi tot ge« 
nezing van het zelve voorgeíbeld worden ; geloove ik , 
zalhec blyken i dat fommigen zeer verkeerdelyk zyn 
iogerigt I en andefen geen byzonder vermogen heb« 
ben om de befmetting tegen te ílaan. .Want het Ver« 
gift, in het rpeekfel van den hond onthouden wor* 
dende, wordc door de wond aan het omloopend bloed 
;emeen gem'aakt; en verandert, deszelfs gezonde ge« 
teldheid in een ílaat ^ waar door het onbekwaam 
wordt ^ om het leven te onderfteunen als te voren ^ 
maar zo dra de befmetting begint te werk^n ^ het 
fchepzel in groote benaauwdheid brengt^ welke ia 
den dood eindigt. 

Om dat nu deze befmetting zeer fchielyk gefchiedt, 
moet ook het Middel , zo haaíl het mooglyk is , op 
de wond gelegd worden. Inwendigeímddelen zyn van 
een aJ te langzaame werking , en ondergaan te veel 
verandering , dan dat men hier van eenige goede uic« 
werking kan hopen. 

Wanneer menfchen gebeeten zyn ,. worden zy ge^ 
woonlyk naar Zee gezonden^ om gedompeld te wor« 
den; roaarde tyd, welke verlooptmet naar Zee te 
gaan , is te lang; het kwaad neemt alle eogenbiik 
voortgang tot bederving van de gqede hoedanighei^ 
van het bloed; en heeft dikwyla syne uitwerking ai 
gedaan , eer men aan bet water koomt ; en ik twyfel » 
inderdaad , of eenige middeien ^ wëlken nien gewoon 
is ce gebruiken yoor depe beet i vamex y^n gewehfch^ 
te uitwerking zyn, zy h^bbeq tie meníbheii op dea 
tuyl gehouden;en dewyl de gebceien perfopnen , fom^ 
tyds nog een tyd lang leeven , en de plaatfen van hun 
verblyf afgelegen zyn, fterven zy, zonder dat men 
^r kêmíifle van Krýgt } éh ítiëd hoórt 'ér liadéf harid^ 
«aar niet IfaéÊr ván. 

B4 Het 



14 eENEKsMimrEt TEonr-w 

Het Middel, welk ik voórílellê , is dít volgende^ 
Laat , zo dra iemant gebeeten is ^ een of tiree lepe^f 
Í€(íl vol gemeen zout nat gemaakt worden met water , 
ëvenwel niet al te nat; en een gedeelte hier vaa in de 
wond gewreeven worden , drie of viermaal op een 
^ag , agt of tien dagen lang, Leg dan een drukdoek 
met het zelfdemiddel *er boven op, en bezprg alle^ 
met een behpqrlyk verband. Als de wpnd heel klein 
i$ , moet ze vergroot worden , om dat 'er dan beeteí 
|en eeríten meer zout kan ingewreeven worden. 

Als men onderftellen mogt dat de veranderíng j^ 
Welke door zodanig cen beet op het bloed gemaakt 
wordt , een íbort van verrotting tot fcherpheid zy , 
Eou hét zout het eígenaartig middel fchynen te wezeii , 
óm de famenftelling en de hoedanigheid van het zel^ 
ve te bewaaren. Is bet zout niec het groóte bewaar- 
tniddel der Wereld tegen verrotting , waar toe dé 
deelen van dieren en planten natuurlyk heHen ? En *er 
is i^een krachtiger middel om vuile zweeren te genee- 
feen , dan zout plaatslyk op dezelven gelegd, zelf , of 
cle geeftvanhetzelvê, gdyk ik dikwils ge?ien heb- 

t^ (*)• 

Maar ten opzichte van den beet van eenen doHen 
homd , is het meer dan giffing enkel op het befchouwly ke 
gegrqnd. De inwooners van ConneSticut , Nieuw Engeland; 
^íreeteh dit, en doen het by elke ZQdanige gelegen- 
heid , met zulk een gevolg , dat zy 'er nadérhánd geen 
iorg voor hebben, en niêt hooren dat ieraand fterve, 
waar aan ditgedaín is. Zy geneezen zelfs hunne hpn- 
den en vee , als ze gebeeted zyn , op dezelfde wyzd; 
En zy geneezen hier niede niet alleéíi de beetea van 
dolle honden , maar ook van alle vergiftige dieren 
pnder hen ; hierom draagen zy zout by zich, als ze 
in de boflchen gaaii. 

Ook 

(*) Dat de Spkitus Salis vulle. zweeren zuiver maakt, óm gc- 
n<5ezen te kohnen worden,kun4ien wý ook door de ondervinding 
fc«yeftigen. ' • m 



/ 
/ 



ÏOttE-HONDS-BSEf. í^ 

Qok i$ di^ Gf0ji van Zout mec geett minder goedea 

Vitflag hier gebruikt , door een^n Hedmeeíler , my be- 

•kénd , die , eenige jaaren geleden , gebeeten was van 

^ene, doHe kat; en ooor het onmiddélyk opleggen tran 

Áe Spiritus SaHs met ^en weinig water verlengd ^ op 

de wónd , en die eenige dagen te v^rvolgen ; en ter 

zelfder tyd eenige druppen met een glas water in te 

Oeemen , tot dezen tyd toe wel gebleeven is (f ). 

Veele en verfcheiden middelen worden , van tyd 
tet tyd , tegen dit veïfchriklyk ongemak opgegeeven ^ 
welken men , als ze beproefd worden <| bevindt krach* 
cek)08 tegen het zelve te wezen ; eíi niet waardig om 
^er melding van te maaken. Maar het gene wy onze 
Leezers hier hebben voorgehouden , koomt ons niet 
verwerplyk voor. De uitwendige voorzorg, dewond 
of beet zelf aangaande, is gewislyk het voornaamfle; 
Kan men hier door de befmetting voorkoomqn , men 
heeft dan naderhand geen Tegengift , al ware 'e^ 
fchoon eenig bekend, gelyk *er índerdaad niet is, van 
nooden, om de gevolgen af te weeren. Het zout en 
de Geefi van IZout zyn beide in ílaat om de deelen van 
de wonde onbekwaam te maaken tot influrping van 
het vergiftig fpeekfel , de wónde , door de beet vaa 
het xiier , aankleévende ; eá deze ftóiFe wordt door d^ 
vermenging van het zout van wezen veranderd of af- 
gewreeven. Hier by pryfl: dit middel zich aan doot 
de gereedheid en nabyneid , wyl het overal gevonden 
wordt, als oolc door de gemaklykheid van het zelve 
te gebruiken. Men vindt wel by fommigen gelpro- 
ken van de wond met zout water te waflchen , docfi 
de voorgcfl:elde wýze van het zout in te wry ven , heef| 
Bog eenige meerdere kracht. 

í\) Gentleia. Magaz. 1760. Auguft. pag. 371. i 



B 5 • Bí- 



Befchryvihg der uitgeftrektheid van PaleOina ia 
Lengce en Breedte, 

Uit Ptokínm , Jofspbus , Eufebiuf , Hieronimus , -^«- 
tmini Itincrarium ^ het Ititterarium Hitrofolymitanum 
euZé 

door A. L. 

OM ëen geregeld denkbeeld van een Landfchap 
of Konmgryk te hebben , is 't niet genoeg dat 
te kennen , wegens de legplaats, grenzen, gebuuren^ 
bergen ^ rivieren , fteden ^ en wat van dien aart meer 
zou mogen zyn ; maar 't is ook dienílíg , dat men 'c 
kenne in de uitg^Jlrektheid , beide van Lengte en Breed^ 
te : zonder dit, zal men iigtlyk groote Landfchappen 
voor kleine, en kleine voor gjroote, in zyne gedagt^ 
doen doorgaan. Vericheme Aardryksbefchryvers 
hebben ook daarom , met den aanvang der befchry* 
vinge van eenig Landfchap of tConingryk, eene be« 
paaTing hier yan opgegeeven ; ten deele met aanwy- 
zing van de graaden der Breedte efi der Lengte , bin* 
hen welke het zelve gelegen is ; en voor 't overige , 
door eeiie opgave vaa 't getal der myten , die 't íq 
Lengte eh Breedte beilaat. Jtiet eerike is ten uiteríle 
dienítig , om éen Land cdf Koningry k te kennen , met 
betrekking tjot andere Landen , en de onder fcheide; 
zaifoenen des jaars in *t zelve^ ifiaar 't h niet zeer ge* 
reed, om de nette uítgeílrektheiíi ^daar.van te wee» 
ten: vermids de graaden der Ëreedte, die Zuidën en 
Noorden loopen , in *t algemeen geí{>roken, over de 
geheele Aarde wei na genoeg even lang zyn ; doch de 
graaden der Lengte , die men van 't Weíten na 't 
Ooílen telt , zeer veel vah elkanderen verlchiHen ; zo 
datze, onder de Êvënnagts-Linie, met de graaden 
der Breedte gelyk ftaande, op 60 graaden Breedte, 
de geheele helft korcer vallen , en ^p 90 graaden , 

gantfck 



rENGTB CN BREEDTE VAN PALESTINA. 2^ 

gafltfch te niet loopen (a). Van hier is de laatíle be'- 
paaling zeer dienítig by de eeríte; nademaal men daar 
door 9 zonder moeijejyke uitrekening t^ftond eene 
fchetze van 's Lands uitgeftrektheid , in Lengte en 
Bre^te voor zich heeft. 

De noic volpeezen Heer Reíand^ heeft in zyn uit- 
tnuntend wttkjPáïaf/liná Illufirata^ dit noodige ook in 
agtgenomen, en een geheel Hoofdduk (^), over de 
Ungte en Breedte van ganfch Palefiina^ geíchreeveh , 
met byvoeging van eene Kaart , waar in de tuíTchen- 
wydtens der ptaatíbn j in dat Land , met Roomfchie 
mylen , uit de Schriften van Jofephus ^ Eufibius , en 
anderen y door gecalen , zyn aangeweezen. In de 
Nederduitfche uitgave vair dat voortrêffelyke werk 
vindt men , in 't Pb&rberigt (c) , alleen een aanvang 
van deeze befchryving , zonder volkomene uitwer- 
king , of ook eenig gewag Ván de reeds gemelde 
Kaart : het zy dat het den He^e Retand , of zynen 
Vertaalder) niet goed gedágt heefc het werk daarme- 
de te bezwaaren , of ook dae zyne daar tuilcben ko- 
mende dood het beoogde heeft afgefneedem De Eer- 
waarde Heer Bachiene^ mQUs uitmuntend weïk over 
de Heilige Geographie , zo ver 't tot Bdg hêt licht zi^t > 
een doorgaanden lof verdient^ hei eerfieftuk dés twec- 
den Deels uitgegeeven , en de Schry v<êís der Faderkné- 
fcbe Letteroefeningen een berigt daaif van medegedeêlá 
hebbetade {d}, zo ben ik, (op gedaane vérzoék dQs*- 
wegens) bewoogen), om^ hetgeenik^ in navolging 
van den Heer Reland , wel eer vodr my zelven gtfc- 
daan had , uit den fchuilhoek té zoekiin } eti ^ úaa efeft 

(fl) Zie over deeze verfcbillende grootte van de graaden der lengte^ 
•p (mderfcbeidene breedte , midsgaders de berekenins; der lengte van 
»en Land volgens dezelven bét aangetekêii^ uíi Bufchings Nieuwe 
Geographie , in de Vai. Letter^ef. Iftc Decl bl. 748—751. 

(h) Lib. II. C. s. 

((;) Pag. ÏÓ6. 

(í) l&e Deél pag. 634—641., 



■■ 



í3 PE tRNOTE EN :iREEOT« 

weiníg befchaivefis « aan bovengemelde ^hryveren 
ter hsind te laacen l^etlen» om 'er gebruik van te mch 
gen maa^en ; of 'c ook anderen op nieuw gelegen- 
faeid mogce geeven ^ om dic onderwerp met aandagi: 
na te gaan, en in meerder.volmaaktbeid ce behando- 
len; en 't d«s mogte dienen toc vermeerdering van 
eene geregeldé kundigheid aan dic beroemde Land ; 
in verfcb^ide opzigcen hec toneel der Godlyke voa- 
deren ^ xneer dan andere deelen van de wereid. 

Om deeze volgende Verhandeling deswegens wel 
^en onderfcheidenlyk te verílaan > heeft men 't oog ge^P 
diiurig te veítigen op 't Kaattjey dac hier nevens gaat^ 
en ten grooten deele opgemaakt is^ volgens het voor- 
beeld van den Heere Rmnd ; waar omtrend het vol? 
gende berigc diént in. agt genomen te worden. r- 

JDe graaden der Breedt^ en der Lengíf^ (naar gewoonte 
op de kant gefte^ld , ) íyn niet volgens PU)lemeus^ ge- 
]yk men in dit geval ]igt verwagteu zou , om hler dien 
ouden Aardrykskundigen te volgen ; vermids Faleítr* 
na dan te breed geworden zou zyn , in vergelyking 
met alle de andere getuigeniiTen , (gelyk uit het ger 
^egde in deeze Verbandeling gereedlyk te zjen zal 
zyn ; ) inaar dezdye zyn , met opzigt op Jetufakm ^ 
gefchikt: naar de opgave van de Koninglyke Jkadernie 
der ffeefênfcbappen te Parys , in la CQnnoifJance des Temps , 
op 33 gr. Lengte {a) , en 31 gr. 50 ni. ïsoorder Breed- 
te : waar voor Ptolemeus heefc 66 gr> Lfengte (b) en 
31 gr. 4Q m< Breedte. ~— - De ftrekking der Zeekufi 
is gefteld vplgens die der hefte en qiEvoerigfte Zeer 
JkaarteQ ; 10 nocht^ns dat 'er op alle byzonderhedeo 
geene acht geflaagen is : vermids dit Kaartje niet ge- 
fchikc is , om 'er op te vaaren. ■ De mylen by 

" de 

(a) Dat iSy gcre\er\4 van Parys » «/* bet Obfervat$rium daar ííf 
plaatfe , alwaar de Franfcben bunnen eerjien Meridiaan Jlellen. 

(b) ÍVaar van de eerfte graad ^~ volgens de telling van Ftoíomeus , 
ging over de ínfuloB fortunatiB ^ ten Weflen van Africa in de jítlai^ti' 
Jcbe Zee^ zo men wf/, tbans de Canarifcbe Eilanden genaam4» ^V^U 

Geogr. L. 1. C. íi. L. IV. C 6. L. VIL C. 5. * 



Vuitni. 




MIDDELAI^ 



G R O O " 

k 

V E S T E R •! 




/Ta 



<le tt 




I 



3^ 



Vkií ikiurtitki t$ 

tle lÍBÍen aangeweezen , zyri altemaal Rootniche my- 
len , welker 74-^ de Jengte van een graad liitmaakenii 
Die met Roomfcbe telmerken getekend ftaan zyí) ailea 
uit Antoniní Augujli Itinerarium (a). De aanwyzíng mec 
onïj^ gemone telletters j zonderiets anders daarby» is 
ait het Itinerarium Hierofoïynntanum (b). Alle de overi^ 
gen hebben de naamen 'der Schry vers , waar mt zy 
zyii, mec verkortingen , by zich ; zo dat yof betekenc 
^fephuSf Euf Eufebius\ Hier. Hieronitnus, Strab. Strabo^ 
hus. Tabula Peutingeriana {c) y M. eene enkelde reis 

Maun* 



($) D$t is een Reishoek , waar in alleen dë tujfcben^ydtens der 
floiáfen gemeU vforden , hei voelk cp dsn naam van Antoninus Au« 

Sftus gaat, Zowtmige verfiaan door diezen Antoninus Augufius ^ 
arcus AntonÍDus , MÍar^^Antoninus Pius , of ook Marcus Aurelius 
AQtoDÍnus Caracalla. Docb ï is zeer ivaarfcbynlyk ^ dat geen dee* 
Zer Keizers opfieller van dit boek vsas,maar dat bet lange naa bunnea 
tydj mogelyk onder de regeering van Keizer Theodoíius de Jonge, 
meer ion AOQ jaaren naa Cbriftus geboorte ^ opgefteld, often minftc 
in'tnetgebragtis. Vide Weflelingii Praef. in Ed. Amftelod. I735, 
(b) Dk is een oud Reisboek na JerufaUm , bebelzendo voortiaa' 
mentlyk de tujfcbennvydtens der plaatjen , aangedaan op êene reis , van 
Baardeoux in VraDkryk, na Jeruralem, omtrent betjaar 333 naa 
Chrifius geboorte. Vide Edefieiingil DiíT. ia vetera lloui. Icioer* 
Ed. 1735. p. 537. 

(cy Van deeze Tabula Peutingerlana geeft de Heer Bufcbing m 
lyfftf Nieuwe Geograp.hie,ín<íf Inleiding tQt de A^rdryksbefchry* 
Ting f IV. bet volgende berígt ; bet welk de Uitgeevers deezer Letter^ 
oefeningen by deeze gelegenbeid der mededeelinge waardig geoor^ 
deeld bebben. ,, Uit de Oudheid , zegt die oplettende Aafdryks* 
„ kundigefTjn onsnog Kaarten overgebleven , áocíx Agathodcemom 
„ voor de Aardryksbefchryving van Ptolemeus getekend , en de 
,) beroemde peutingerfcbe Tafel , door Conrad Celtes gevonden » 
„ door den geleerden Augsburgfchen Patricius Conr, Peutinger 
„ (naar wien zy genaamt is) verkregen, door Beatus Rbenanus 
,» ain de Wereld bekend gemaakt > en door Marc, Velsnems uítge- 
„ geven en verkiaard. De laatíle van het peutlngerfch Gedachfi 
,« zondt het echte íluk , in ptaats van betalíng voor gekogte Boe* 
ken aan Pml Kuhze^ lioekhandelaar te Augsburg, die het aaa 
den Prins Eugenius van Savoye verkocht, na wíens overlyden 
he( jnet zyne Bibliotheek in de Bibliotheek des Keizers te We-> 
nen kwain. Frans Cbriftopb van Scbeyb heeft dezclve netter , 
als vooAeeo gefchíedt was , doen aftekenen, in 12 bídden in 
n koper biengcn, en in den jare z 753 in 't ilcbt gegeven , 't geen 

„ diia 



>» 

19 
>» 
» 
9» 



gO BE LENOTB £fl BKEEDTE 

MaundfeU ^^* ^^ gelyke Cbrn. de Bruin , en il. een# 
pf cweemaal Reland. Dit cer algemeener onderrigcia* 
ge voor af gezegd hebbende , zal ik cer v^rbandelinge 
van 'c onderwerp zelve overgaan» 

Zoo men op den oorfprong van '$ Lands naam , Pa- 
lejlina jZict^ moec men daar door alleen verícaan , eene 
kleene (Ireek Lands» aan 'c Ooíleinde van de>Midde- 
hndfche Zee, cegen hec Zuiden naaíl aan Egifae; wel 
eer bewoond door de Casluhïm^ (afkomelingen van 
Miuraimy^n zoon van C^^m , en kleinzqon van Noab\) 
^aar t;^n,gelyk Mofes Gen. X. 14. fchryfc,(/í Pbilifty' 
nen uitgekomen zyn ; en wier Vaders deel de Grieken , 
volgens Jofepbus , Palejlina genoemd bebben {a) : gelyk 
hy ook veryolgens deezen naam aan dic Land der Pbi* 
lifiynen , waar in vyf voornaame fteden waaren (*) , 
dikwils beefc coegeeigend (c) j noemende ook de in« 
woonders daar van Palejliner^^ en Gaza^ eenejladin'f 
gebied der Palejliners (d). In gevolge van cyd egcer is 
deeze naam wyder uicgebreid , zo dac ze niet alleen by 
de Joden » maar ook by de Heidenen en Chriftenen , 
midsgaders by de Mahomecanen gebruikc is, om het 
gantfche Land , van de Jooden bewoond> daar mede 
tebenoemen: endacniet alleen, met opzigt op dat 

grooce 

„ dus de nieuwíle en fraaiíle uitgave van dat oude íluk is. Deze 
,f Tafel is een* Reiskaart door Europa en Aíia, beginnende by 
,, de Zuilen van Hereules ^cn eindigende by den Oceaan. tot aan 
„ welke Alexander de Groot gekomen ís. Zy fcbynt in de vierde 
„ eeuw na Chriftus geboorte gemaakt te zyn ; doch het Wener 
y, Plandfchrift is het ecbt fluk níet, gelyk enigen menen , want 
„ de gedaante dér letteren , welke naar het Longobardfch of Mon- 
„ nlks fchrift gelyken, en die der Menfchenbeelden , overeen- 
y, komende met die men op oude venílerglazen , iegpenulngen 
,, en zegels vindt, maken clen jongeren ouderdom alzins waar- 
^ fchynryk- Dcnkelyk is zy dezelfde, welke door den Schryver 
„ der Annales Colmarienjes in 1265 gemaakt is. 

(a) Ant, L* I- C 6. g 2. 

Ib) Asdod , Gaza , Askelon » Gatb en Ekrm. i Sam. VI. 1 7, 

Cc) Vidc Reland. Fal. IIL p. 41. 

{d) Ara. Xi. V- & S. { I & a. Ibid. L. Vm. C. $. $ I. 



VAN f ÁlESTINA» «1 

{foote tieel , dat ten Weílen vande Jordaan lag , maar 

ook mec iníluiting van 'c mindere deel » dat aan de 

Ooilzy de van de J ordaan was , en 't Overjordaanfcbe 

Itand genoemd werd.-gelyk dit door den Ht&c Reland^ 

ait de Schriften van Toden , Heidenen , Chriílenen en 

Mahometanen ^ omícandig is aangetoond (a). ■ 

De oude Aardryksber^hry ver Ptolemeus de Jlexandriner ^ 

die geleefd beeft oqder de Keizers Trajanus , Hadria'- 

nus en Jntminus Pius , bepaalt Palejiina aan *t Noorden 

mec Syrie ^ aan 't Ooílen en 't Zuiden met het Jieenacb^ 

tig Jrabie , aan 't Weílen met Egipte^ of de Egiptifcbe 

Ze$ j vervangende. in zich , (volgens zyne gewoonte^ 

yan 'c Noorden aan beginnende , ) Galilea , Samaria , 

Judea^^ví 't Weílen en ook aan 't Ooílen van de Jor- 

daan , met tevens ídumea {b). 

Indien men nu dit Palefiina wil kennen, in uitge* 
llrektheid , door de graaden der Lengte en der Breed- 
te , waar mede het bepaald werd ^ de zoo even gemel- 
de PXfÁ^neus , (in of omtrent wiens tyd de graaden der 
L.engte en der Breedte , ter aanwyzinge van de leg« 
píaauên der Landeó en Steden , ailereern: in gebruik 
gtkomtn^ en door hem zeer veel verbecerd zyn (c),) 
geeft daar toe eene zeer bekwaame handleiding {d\ 
\)q Noorder Landfcbeiding van PalefUna^ naa de zyde 
van Syrie^ wyíl hy aan met eene Linie , diebegint op 
67 &• 30 ni. Leqgte, en op 32 gr. 30 m. Noorder 
breedte : zop nochtans , dat hy eene ítad van Galilea ^ 
by hem Sappbura (e)^ doch by Jofepbus^ Sepboris ge* 
oaamd , ítelt op 3» gr. 36 m. of liever 32^ gr. S5 ^ 
(/). Noorder breedie. Aan 't Zuiden^ nade zyde van 



{d) Pai IIL Lib. L C. 7. 

(h) Geogr. Ub. V. jC. 16. Tstb, IV. jífiiB. 

(f) /W. L. L C. 0. ^ feq. 

.y) Jbid. L. V. C. rs & 16. 

(e) FtoL Geogr, Ed. Munfteri Bafilec 1540. fed in Relandi Ex' 
eerp, ex PtêL C. 16. (p. 46Q) i«r^«ifii» A^huri^ & biiiotis efi 
/epphúris, 

(/) Ed. Munfieru 3». ^. S^LExc^rp. p. 460. ^JHi^ 



jEgfj)ff , bepaak hy faet'met eenel»inie, die Qickomit 
op 64 gr. 15 m. Lengte, cn 30 gr. 40 m. Nocfrctef 
Breedtc. De iiimjir padkn ^ na 't Oojien^ aan de zyde 
Tan 'tjleenachtig'^rabíe, zouden zyn op 68 gr. Len^* 
ttf en 3 1 gr. 20 m, breedte, (dezelvé Linie , die oofc 
Syrie aan die zyde bepaalde.) Zoú dat <PakJiina , * vol- 
gens zyne opgave, Jag, tuffchen de 32 gr. 55 m; en 
30 gr. 40 m. Noorder Breedte, ittfet teVens tuílcfaen 
de 64 gr. 15 m. en 68 gr. Lengte^ maakende dus bet 
terjcbílder Breedte 2 gr. 15 rti.^'dat is, 33!? Gebgraphi- 
fche of Duitfche mylen van 15 ineen graad, en V 
verjchil der Lengte 3 gr. 45 ra., dát is, op de Brecdte 
van 32 gr. ss m. ,ecn getal van 47i-zutkê mylen ;2vn- 
de dus het ooftelykfte deel van Pakfliha 474^ mylen 
ooftelyker dan het weftelykfte , en het noordelyfcfte 
deel maar 33Í mylen nóordelykef daH het zuidclykftcé 
Weshalve Pakflina , (wanneer we, 'naar de algemeene 
gewoonte , de grootfte uitgeftrekthcid van een Land 
deszelfs Lengte^ en de mindere deszelfs Breedte noe* 
men , ) volgens Ptokmeus , fchynt geleegen tc hebbeit 
in Lengte van 't Wefl:en na *t Ooften, en in Breedte 
van 't Noorden na'tZuidcnjdat vervolgens zeer klaar 
zal blyken recht andeís geweefttezyn; fchoon dit 
alles van Ptokmeus , die te Akícafidrie in Egipte woon- 
de , met zeer veel naukeurigheid werd aangetekend. 
De Oudvader Hieronimus , (die op *t einde" van de 
vierde, en in 't begin van de vyfde eeuw, naa de ge- 
boorte van Chriftus , inweezen was, veele jaaren tc 
Bethlebem iTíPakJlinaAoorhxzgt^ eil eefte Bejehryving 
van de Steden en Plaatzen der tfeHigê Schrifi (a) , uic het 
Griekfch van Eujebius , Biffchop van Cefarea in Pakfii'^ 
na^ in 'c Latyn vertaald, en merkelyk vermeerderd 
beeft,) bepaalt,in zynen Brief aan Dardanus^de Leng* 
te van Pakfitna van Dan tot aan Berjeba, dat is van 't 

Nbor- 

" (<í) I>e Ýitel van dit werk is, Onomáftiom tírhium ^ Locoruni 
Sacra fcripturcB, Door Halmck^ in zyn Geogrnpbifcb fVoordínho^k 
van 't Landi Kanain, m *i Kedeidaitfch nitgcgeeyen^ 



. VAIÍ ÍAtfittlMi. II 

Noordeii na ^t Zuideti)en by ílelc de BreBáSB vbor Vatl 

jl'opp^ > dat aan de Zee lag » over Bttbkbem • dai is van 

\ Weften na *c Ooílen , met deeze woorden (0). £7- 

tí^atf tf Dan tfyui Btrfabem ^ qua vix centum Jexaginta miU 

Uum in Umgum /paiio tenditur^ ne^ue enim DmU (ý Sah^ 

men potentiJJÍmos reges , exceptis bis quos poft vi&oriam iH 

amicitiam recepere ^ plus temnjje fcriptura tefiatur. Et boc 

£co 9 ut taceam quinque Palajiina civitates , Gazá » /Ifco^, 

kmm , Chetb , Akkaron & Jzotum Idumaos quoque in Me* 

ridiana plaga vix feptuaginta qmnque miUihus OS Hverojohf'^ 

ma fepara$os. Arabes IS Agarenos, quos nunc Saracenot 

vocant , fJi vicinia urbis Hierqfolynue» rudet dicere latitudi^ 

nem terrm repromiffionis y ne, Etbnicis occajionem bksjpbe* 

manA dedijfe videamur. Ab Joppe ufque ad vicukm nojírunt 

Betbleem quadraginta fex milliafunt: cuifuccedit vájlijjimá 

JoHtudo 9 pkna Barharorum^ Dat ik dus vercaal. «, Waa« 

» relyk van Dan toc Barfeba» welke in cuflchenwydte 

» nauwelyks eene lengce van bonderd en feilig myien 

n begiypt. Want noch Dayid noch Salomon, de mag^ 

» tigfte Koningen;, hebb<^n» buiten die geeúen^ die 

9 zy naa de overwínning in vriendfchap oncvangeil 

s^ hebbeú I meerder bezecen volgenshec gecuigenis dejf 

« Heílige Schrifc. £n dit 2eg ik, óp dac ik geen ge« 

i^ wag maake van de vyf Sceden van Paleftina, Gaza^ 

9 Askalon , Chech , Akicaron en Azocut». Als mede líail 

5» de Idumeen , na 'c Zuiden , pauwelyks vyf en feven- 

1, cig myten van Jerufaiem afgefcheiden. Van de Ara^ 

» biers en Agarenen, die men nu Saratfeden noeí6t| 

j» ia de nabuurichap van de ílad Jefufaleni. Ik fófaaam 

» my de breedce van 'c beloofde Land ce noemen , op 

» dat wy den Heidenen geen gelegenheid fchynen te 

n geeven toc laí^ering* Van Joppe toc aan ons dorpje 

,, Bethlehem zyn maar fes en veertig myien : waaraatl 

II volgt eene zeer wyd uicgeílrekce woeílyn vol vafl 

«, woeíte Barbaren. ■ t)e lïiylen van Hieronimus \ú 

deezen firief jcn doorgaans in zyne werken^gebruiMi 

{«) Hkrên. Optra.Ed. Erosmi Ao. 1516. T. UI* p. %9* 
IL P££L. MO. U C 



34 l>S L1N6TE EN BEEEDtl 

en die ik venrolgens in deese verhandeling in 't ocg 
zal houden ^ zyn Roomfcbe mylen. Dusdanig een myi 
begrypc duizend Geometrifcbe tfcbreeden ; en de fcbreei 
bevat vyf Roomfcbe voeten ; zo dat iin myl 5000 zolke 
Toeten was. De Heer Reland rekent acbtfiaiien voor 
iin myl ; en drie mylen op iin tatr gaans , met tevens vier 
en feventig en een balf derzelver mylen op iin graad 
der Breedte (a). 

De Heer Reland heeft, door eene optelling van den 
afíland der plaatzen ^ die tnílchen D^n en Berfeba in- 
komen , en zo als die by Jofepbus ^ Eufebius en in het 
Itinerarium Hierofolymitanum^ of het Reisboek na Jerufa^ 
li^n , gevonden worden ^ met veel naukeurigheid ge« 
toond , 'dat deeze opgevíng van Hieronimus proef kan 
houden ; voor al^ wanneer men in aanmerking neerot , 
dat hy waarfchynelyk het ronde voor 't onevene getai 
zal gefteld hebbein ; en dat zyne opgeving gaat langs 
de gemeene wegen, welker lengte alleen by eeheeJe 
mylen, zonder gedeeltens, aan ons zyn toegekomen. 
De optellíng van den Haer Reland is in deezer voe* 

Roomfcfae Mylen» 

Van Berfeba tot aan Jerufalem zyn ^ 

(uit Eufebius , ) • • • 42 

Van Jerufalem tot aan Betbel » (uit 
het Reisboek na Jerufalem » en uit 
Eufebiusy) • • • • xt 

Van daar tot aan Neapolis , (uit het 
zelveKeisboek^) • • 18^29 



83 Van 

U) Viáe Rehnd. Pal III. Ltb. IL C. L In *t Nederduitfch het 
FBorbericbt p. io2"--io5. 

(b) Pal. IIL p. 423. 

(Onem. in voce 'Af«», (Icge Affim vel potius Affi^ fecundum 
LXX. Joz, XV. 13.) HUtúfi. ARBOCH,de oudenaam van Hebron^ 
^??! (In onse Ncdcrduitfche Vertaaling j^rta) van ^erufalem ti* 
Ifmí bet Zuíden 22 mylen, & in voce M^frÊtfÊm», Hieron. iB&SABSft» 



•* 



' VAN^AlEBTtNA. 35 

83 

Vm dáar tot aah jífer j (uit het 
aelve,) ^ . . • 15 

Van daar tot aan Scythopolis , (uit 
het zelve), . . . ó 

Ván ScytbopúBs tot aan 't Mtir van 
Ttberias y • 90 fia£eú , dat is ^'» 
trent; . ' '' i . * . 11 

-Het iWifír zehre was 100 /ladien , df 1 
gelyk andere leezen i/^ofiaíien ^ 
dat is omtrent . . • 18 

De weg tuíFchen het Meir van 7ï* 
berias en dat van Sqmcbonites v^as 
i2oyZarf/>«, datis . . 15 

Het Meir zelvé was 6ofiadien^ dat 
is on^trent - * ^, , , . g 

De viei^laatflTe tuíTchfenwydfens zyn 

alle uit Jofephus. 

/ ' '■ '■ Roomfch^ 
Zyndetezamen •' • • . '.' 156 Mylen. 



• / 



Datna geooeg met Hteronimus ^ nauixielýks 160 mykn » 
cvereenkomt. Te meer, om dat de Heer ií^/a»á,bier 
geen gewag maakt ýande tníTchenwydte tuíTchen het 
Meir Satnocbonitês en Dan , aan 't begln van de Jor* 
daan ; dat waaffchyhlyk ook ^o^ eénige;^ylen was. 
Doch wanneer tíimnimus de Lengte van Falefiina^ 
van Dan tot Berfeba, dús zeeí wel opgeeft, zoo is daar 
mede de geheele Lengte yan Palefiina nog niet be- 
paald ; want het drekte zich ten miníle uit tot aan hec 
Land der Idumeen , van welkê hy , a)s boven aange- 
haald is ^ fchreef, dat ze naumlyks vyf en feventig mylen 
na *t Zutden van Jerufalem afgefcbeiden waaren. Dus 
vindt meh hier door npg drie en dertig mvlen meerder 
dan gereekend is : warit 'lierfiba wa$ van Jerufalem over 
iïtf&roii , volgens Eufebius en Hieronimus ^ 4,2 mylen na *c 
Zuiden , en dus de Idumeen nog 33 mylen verder,maa- 
kende, meJ; de 156 of 160 mylen, voor de geheele 
Lengte vgl Palefiina , van Dan tot aan het Land der 

C 2 Idu^ 



> 



3tf DS LltN6TB BN BBBBDTB 

Idumeen , eene uitgeftrektheid vtn 189 a 193 mylen. 

Dat dit de waare Lengte van Paleftina wz$ , hec 
Land der Idumeen , (die aan 'c zutdeinde van 't Meir ^s* 
phaUites ^ in de H. Schrif ten de Ztmt • zee genoeníd , 
woonden (a), ) daar van afgelaaten zynde; kan ook 
afgeleid worden» uit eenige uitgeftrektheden , by yo- 
fepbus aangeteekend , en waar van de meefte , uic den 
Heer Reland, boven reets gemeld zyn. Dêzelve zyn 
van 't Noorden beginnende : 

Rooin£:he. Myiea* 
Het Meir Samocbonites ^ (vaó wáar 

Dan ntet ver geleegen was , ) vol* 

gens Jofephus , lang óofiadien {h) , 

dat is» in RoomKhe mylen, na 

genoëg . • . .8 

De tuflchen wýdte van' dit Meir tot 

aan *t Meir van Itherias, í 20 Jla* 

dien (c) , dat is . • . . 15 

Het Meir van Ttherias zeive lang 

100 , of ^ volgens andere, 1^0 ftor r 

éfiVii (i) , maakende naby . • jg 
Van 't V lek Gennahris , (waarfchy- 

nelyk het zelve met Sinnabris {e) » 

aan *t einde van 't Meir van 7i- 

berias , ) was eene Landjireek ^ het 

Groote Feld genaamd ^ tot aan ^t 

Meir Afpbaltites , dat is , gely k de 

Heer/{^/^niomftandig heeftaan- 

gecoond , tot aan het Zuider einde 

van dat Meir (/) , lang 330 , of 



{a) Num. XXXíV. 3. JoJ. XV. 1 , 2. 

(h) De Bello. L. IV. C. i. J i. 

(e) Ibid. L. líí. e. xo. J 7. 

id) Ibid. & in Notís. 

Ce) Reland Pal. III. L. IL C. 9. p. 453. 

(/) Ihid. cn iQ 't Ncdcrdnitfchj Fmberichp. 



41 vol- 



108,109^ 



37 



Roomfche 
Mylen. 



▼ AN FAt£ÍTINA. 

volgens eene beter leezing , 1 200 
Jladien (a)\ zyndQ • .150 

Maakt te zamen eene uícgeítrekt* .. 
heid van , • • • 191 

Het JQÍÍle middelgetal » tuíTchen 
189 en 193 » zoo eveo'gevonden. 

Om in deeze Lengte nog zekerder te gaan , kan 
men ook , uit Antmni Augufii Itinerarium ^ of het Reis' 
boek nan Antoninus Augufiue^ de afítanden der Zee-fte- 
den van Pakfiina in de volgende orde opcellen jbegin» 
nende van Tyrus^ als de naaíte aan Pale/linay tot aan 
Rapbia » 4e eerfie fiad van Syrie ^ als men uit Egipte 
Imt (&)• 

Millt Vêfus^^wiztná 
fchrcdeB of Room- 
fche Mylem 

VzrïTjfuslolPtolemaís. XXXII. 
Van daar tot S^kamnium, XXI V. -" 



TrRO. 'l 1 


TTOLKMAIDAM. 


« 


STCAMINA. 




CAESARE4. 




BnAKO. 


»datls< 


Diospotr. 




jAMirrA. 




ASCALO^K. 




CASA. 




BAFaiA. 





Van daar totCefarea, 
Van daartotJS^arfix. 
Van daar tot Diofpolis. 
Van daartot yamnía. 
Van daar tot Askalon. 
VandaartotCaza. 
V^ Van daar tot /^^^tn. 



XX. 

XVIIl. 
XXII. • 

Xlï. 

XX. 
XVI. 

XXII. (0 



Maakt te zamen. . • . CLXXXVI. Room* 

lcbe Mylen , na genoeg het zelve met het geene te voo- 
ren gevonden is. 

Het werige iee%er Verhandelinge m *t volgende Stukje, 

(a) De Sello. L. IV. C. 8. J 2. Ed. Havercam, rtttán Tfêjuên» 
M» JUiM-iWf^dac is 2^pjladien. £t in Notis ;k;(Aiívy A«s«rtWf. in edi* 
tisaliisque^ dat is, pwaaif bonderd , in uttgegeevene en andere. On- 
der deeze is ook de myne Ed. Aurelice Jllobrogum Ao. 1611. fe- 
cundum Riiíini diílindlíonem L. V. C. 4- jn 't Griekfch , r«/i««^ 
%tXMyt iuuuráff , tvoaalf bonderdjladien : doch in de L^t jrnfche ver- 
.^aling, ducentorum c? triginta Jiadiorum ^ dat is» twee bonderd en 
itrtig fiadien. 

{d) Vide Reland. in voce t Ji p h i a. 

(c) Alle dee2!e Latynfche benaamlnsen , en de getalen van den 
tfíland der plaatfen zyn» volgens Ed. fFeJfelir^ii, p. 149— {51. 
Et lípuáReland. p. 4ifi. ex Ed« Florerainaf apad Junca^, Ao. 1519. 

C 3 Het 



tmÊtfmmmammimm^mmmmmm^^mm 



Het Dy-been kan^ dtíjar eenMÍ$erIyke oorzaak^ ontwrigt^ 

en wederom herjleld worden. 

VEelen onder de Ouden^ en zelfs nieuweSchry* 
vers ^ over de Heelkunde, van deze Eeuwe » 
hebben , onder de Ontwrigtingen der Ledemaacen » 
door uiterlyke oorzaken^ ook gebragc de Ojitleding 
van het Dyebeen uit het Heupbeen. Men heeft de 
tekenen , en de verfcheidén wyzen van herftellinfg , 
hier van , zo wel als van andere Ontwrígtingen aango» 
wezen {a).^ En, fchoon wiA al vroeg, en van tydtot 
tyd,eenige Schry vers zyn gevonden,die de bezwaarlyJc» 
heid of onmoogfykheid van dezeOntwrigtingbeweerd 
hebben (J?) , men bleeí het gemeene gevoelen aanbao^ 
gen ; tot dat, in het laatíl van de voorgaande £euwe, 
de ondervindingen van den Amílerdamfchen Heel- 
meeíler g. borst, en de bekendmakingen hier van, 
door den beroemden ruisch (^), veele Mannen in 
de konfl: andere gedagten , hier over , inboezemden. 
Gemelde Heelmeeíler hadt in agt Lykien van men<* 
fchen » die mank gegaan hadden , bevonden , dat niet 
het hoofd van het Dyebeen ontleed , maar het Dy- 
been , in den hals gebroken ^ en niet weclerom aan het 
hoofd vereenigd , en hier door het mank gaan veroor* 
zaakt ware,zonder éénen te ontmoeten,>vaar in eemg| 
'blyk van Ontwrigting voorkwam. Deze ondervindin- 
gen in aanmerking genomen zynde , heeft men begon^ 
jien, uit de ho^danigbeid van het Gewrigt, deszelfs 
diepe geleding,in-en uitwendige bandeh , dé bezwaar- 
lykheid » of wel onmooglykheid van zulk eene Ont- 
wrigting te dry ven (á). Men voegde *er by de hgté 
breekbaarheid van den Hals ^'an het Dyebeen ; om 
dat het , ondër zyn beenige koríl of plaat , teder en 
Jponsachtig van wezen is , een bykans dwerfe (Irek- 

kifljl 

(•) Men zie Petit, zlekte der Beend. L D. Hoofdll. XU. 
fb) Hall. H. Boerh. Pr»I. Acad. Tom. V. P. I. pa& «55« 
(c) Thef. Anat. VIll. ad fin. 



OMTWRIGTINC yAH: RXT OT-BEEK. 39 

king heeft inet het Dybeen; en ondentíllchenliet'ge* 

heel L.ichaam van boven ^ en de pilaar van bec Dy- 

been , van onderen moec dragen en fteunen. Ën dk 

heefc zo ver gegaan , dat fommigen de Oncwrigcing 

van hec Dybeen , door een nicerlyke oorzáak » niec 

aiUeen bezwaarlyk , maar genoegzaam onmoogiyk ge* 

Ileld hebben. Akhans men vindc *er , die open^k 

ftaande gebouden hebben » dat van honderd zoge» 

naamde Ontheupingen Tdoor een uicerlyke oorzas^) 

negen en negencig Breuken zyn, en men aan de hon^' 

derfte oog te cwyfeleirhebbe (a). Dus ligt valt men 

van heceene uicerfte in hec anden Het ontbreekc ech* 

cer niec aan zulken , die gematigder gedagten over dít 

ftok gevoed, en zelven, íchoon.voorftanders van de 

onmooglykheid « door voorbeelden van waare Onc^ 

wcigcingen van bec Dyebeen overtuigd^dezelvenook 

aan anderen medegedeeld h^bben. Men vindt in de 

Ruft-uuren van a. titsingh (&), in een Brief van 

den Heer ]• S. eertyds de Geneesknndeymét veel lof, 

te Amfterdam oefenende » hec volgende« 9 fiezig zynde 

9 opmynbeurc, met de Anatomie in het Gafthuist 

9 wordc 'er ingebragt een Vrouwsperfoon » fterk en 

^ robuft van Spieren , zonder uiterlyke woiiden ter 

9 nedergeflagen. Zy was van een hoogen fteilen trap 

ip afgeftoocen , en werdc op de trap beneden dood ge* 

9 vonden. Dit lichaam van wegen het Gerechc ge- 

9 viíiceerd wordende , bevondc men , op verícheiden 

„ plaacfen ^ Concufien en Echymoíis ^ in en op de 

^ tierfenen ; genoegzame oorzaken coc den dood. Wy 

9 zagen het regter been zo deform liggen , dat men 

9 ook dit examineerde; en vondt het zelve zuiver ont* 

9 Jeed 9 voorwaards naar beneden. Edoch , het gene 

9 hier wel te noteeren is , de ronde Band was middea 

, doorgebroken. Dit is nu het bewys , dat ik wil zeg« 

m gen, genoegzaam, maar niet voiftrekt onmooglyk » 

,» da« 

U) Titfingh. Heelk. pag. 794. 
W Pag. 397- 

C4 



40 OKTVRXGTINe 

,, dat deze Ontleding door uiterlyk geweld gebeure« 
9, Ik moet niet vergeeten te zeggen , dat ik in de buure 
)i heb nagevraagd , of dit Vrouwsperfoon voor been 
j, mank ging, maar my is verzekerd van Neen. 

JAN VAN WYK» in zyu ty d , Chirurgyn te Rotter- 
dam , geeft een geval op van eene Ontwrigting van 
het Dyebeen en van de herfteliing van het zeive (^) , 
maar fpreekt 'er zo luchtig van » en befchryft de her« 
ftelling zo gemaklyk , dat men reden hebbe te twyfe* 
len of dit een waare Ontwrigting geweefl: zy, 

De Heer platne&us heeft, in eene aantekening 
op zyne Heelkunde (b) » melding gemaakt van eenen 
lilan die gevallen hadt ; en van den Heelmeeíler on- 
derzogt wordende , bevopden wordt zyn Dyebeen 
ontwrigt te hebben. De herfteliing werdt gedaan , 
maar de Patient ílierf , kort hier op , aan een zwaare 
kwetzing aan het hoofd. Het lichaam werdc, naden 
dood , beíchouwd en ontieedt Men bevondc en er^ . 
kende gemaklyk , uit de gekneusde en ontíloken Spie^ 
reh f dat het hoofd van bet Dyebeen ; Inderdaad ^ 
voorwaards en naar beneden , tegen het Schaambeea 
aangedrongen was geweeíl, maar door den Chiruri* 
gyn herfteld. Doch het kon zeer iigt wederom uit d^ 
bolte van het Heupbeen uitgedrukt worden^dewyl de 
langronde Band gebroken , en de omvangende , ook ^ 
waar het been doorgedrongen was ^ gefcheurd ware. 

Het ^eval weik wy zuilen iaten voTgen , fchynt on$ 
toe befliíTend te wezen ; zo wel ten opzichce van d? 
jnoogiykheid der Ontwrig(ing door een uiterlyke oor* 
zaak , ais der herfl:eliing. Het wordt gevonden in de 
Froeven en Waarnemingen van een genootfchap van 
Geieerden in Edinburg (c) , en dunke ons waardig te 
^yn, dat men het onze Vaderiandfche Heelmeefters 

> mede- 

(d) Vyftíg Aanmerkingen der Heel en Oeneeskonft. pag. <S. 
[h) 'Ghirurgie , zweite theií , pag. 335. 
(0 £{F. and Obfervat. Fbyfica) and ^^íterary, Edinb. ^jsC 
Ypl. H. ()a^. 3x8. 



▼AM BS-r OT-BEBH. 4X 

nededeele. WiuiAif jonbs » een láng » fterk en ge- 
Kohd Vleeshouwer , zes en vyfiig jaaren oud , werdt 
^pden zeveBtienden van Mgufius , in het Ziekenhuis 
van fVorciJief gehragc. Hy was kreape] , en hadt zwaa* 
Te pym Het gene h^ » aangaande zich zel ve verhaal* 
de, was , dat hy , eenige uuren te vore j ongelokkiglyk 
rydeode op een onhandzaam paard ^ het zelve met 
faem aan *t hollen raakte ; en dat hy , geweld doende 
om hec te houflen » zo als het over een ileenen brug 
^Uoppeerde ^ het dier zich oprigtte op zyn aehteríle 
pooten , en onmidlyk achter overviel op zynen ryder. 
£)e Man was ontfteld door den val ; maar het paard 

3;>n>ng fchielyk weer op ^ en rende weg , fleepende 
en armen Jonis by zyn been , het welk in dé uegel- 
f eep was vail gebleven , achter aan. Het paard werdt 
fchielyk tegen gehouden , en de Man los gemaakt ; 
maar hy was niet in ftaat om zyne Dye te bewegen ^ 
welke hy gêloofde dat gebroken was, 

De Chirurgyn die *er tegenwoordig was. Want vier 
Getieesheeren en drie Heelmeefters, nemen by beur- 
ten'hun poft waar, de gefteldheid en gedaante van de 
' ontftekie en pynlyke deelen wel onderzogt hebbende , 
kwam by een van de Geneesheeren ^ en zeide hem, 
dat de Dye van den ellendigen Man ontni^rigt ware j 
dat het hoofd van het Dybeen g^heel buiten hetAcc* 
tabubm , en vry in de Lieich lag. De Doftor , in zynen 
jongen tyd , de Leilen hebbende gehoord van b o fi r* 
BAAVE (die, zekerlyk de Genees*en Heelkunde zo 
wel verftondt als oit iemant) en w^tende, dat de ge- 
Doemde Profeflbr van gevoelen was,dat het Dybeen, 
wegens de ongemeene fterkte der Banden , en de die- 
pe geleding,nimmer,door uiterlyk geweld ontwrigt, 
piaar wel na by het hoofd gebroken wordt ; en dit de 
reden was , waarom zulke ongevallen zeiden of noit 
herfteld wordenjde Geneesheer zeg ik , denk^de dat 
zyn Leermeefter gelyk hadt, beduidde den Chirurgyn 
dat hy jifh ergeps jn vergifte , en dat 'er geen voor* 
beeJd was , waarop men ftaat kon maken ^ van zulk 

C $ ecne 



4a OKTWVLilQT. inC 

eene Oncwrigcing als hy beíchreef ; vaarop de Giir 
rurgyn ancvtroordde^ Myn Heer, indiengy my niec 
wilc gelooven^ geloof dan nu uwe oogen en uwe via^ 
gers. 

De nieuwigheid van hec geval deedt alle de Genees- 
heeren en Cbirurgyns in bet Ziekenhuis koon^en^JVlea 
haalde een opgezec Geraamce voor den dag • en gaf 
naauwkeurig acbc op alle de omílandighedeq , om al- 
]en die 'er tegenwoordig waren, ce voldoen, dat hec 
been niet gebroken , maar wezenlyk en wel cer dc^ 
oncwrigt ware. Tegen daadlykheden gelden geene 
redenka velingen ; de teenen en de knie waren baiten* 
waards gedraaid , het oncdelde been was langer 4aa 
het gezonde , het gewrigt van de heup cen eenenmaar 
le onbeweeglyk , en de ronde knop van het been Jag 
in de Liefch , waar het kon gezien en becaíl worden. 

Men overwoog dan hoe deze Ontwrigcing te hep- 
ftellen ; en hier toe werden zy alle verzogt raad ce 
geven. Nienuint van de Do£i;oren en Chirurgyns hadc 
bet geval oit meer gezieii. Men zag eenige heden- 
daagfche Schry vers over de Heelkunde in : maar de 
een zo wel als anderen befchry ven de herftelling , en 
fpreeken van de uicrekking , op zulk een algemeene, 
fiaauwe en napraacende wyze^ dac men beuoott dac 
zy even weiníg ondervínding van het geval hadden 
gehad 9 als de Heeren die hier tegenwoordig waren, 
Ook was *er geen beter gevolg te wagcen van de TOa- 
nier van heríleiling van dicGewrigc volgeps GALmus^a)^ 
door den Patient met de hielen aan een ílerke balk , 
en het hoofd naar beneden te doen hangen. 

Na ryp overleg, kwam men overeen, dat zo de 

(«) In Libr. Htppoer. de Arti'c. Commcntar. Lib. 4. Aph. 42. 
De Ouden fchynen alleen kennííTe gehad ce hebben van Onthea- 
pingen in kinderen, of zivakke lichamen; ten ware men Paulus 
JEgineta wilde uitzonderen • wiens verrcbeiden wyzen van uitrek« 
king , in dit geval , 't zy wezenlyke of ingebeelde , fommigen der 
Hedendaagfchen hebben nagcfchreven, of wat vcraoderd. [Aat- 
tckcn. van den Schryvcr]. 






VAM H£T PT-B££N. 43 

gewoone uitrekking niet vddeedt^ men de vis percta- 

Jmis^ de kragt yan een lcbielyke ruk (welke men 

weec dat de kragc , door de verfnelde beweging , op 

eene verbaazende wyze vermeerderc) ce beproeven, 

Totbeiderlei oogmerk werdceene groote en íterke ta^ 

f e\ bezorgd » van behoorly ke lengce en hoogce , wel» 

kemec fchroeven in de vloer vaít gezet werdc,en mec 

dekens en k-uíTens, naar behoren, overdekc. Een 

fluk (terk liqnen werdc op de dekénsgelegd^ onder 

den rug y^n den Lyder , lai3g genoeg, om cuíTcheQ 

zyne^J^yen door, opwaards over zyne fchouders , en 

vandaar naar beneden gevoerd ce worden coc op de 

vloeri alwa^r beide enden wel va&gemaakc werden; 

met oogmerk pm de. noodzaakelyke uicrekking ce we* 

derfUan. Men nam cwee ferveccen van behoorlyJcc 

lengte en dikce ; waar van men hec eene , in het mid- 

den, met een vaíle doch gemaklyke knoop, leidde 

boven den enklaauw van den Patient,en de cwee ein- 

den in malkander gedraaid werden gegieven aan drie 

fterke manaen, om vaíl te houden. Uetander fer* 

vet verdr, op dezelfde manier » vaíl gemaakt boven 

de koiei en de twee einden aan drie anderen gege* 

vea; cerwyl de Chirurgyns gereed ílonden» de een 

met zyne hand op de knop van hec oncwrigce been ^ 

om hec in de hoke te (lieren, een aan de knie, en een 

derde aan de voet^ qm dezelven naar binnên te 

draaijen. 

Alies dus gereed zynde» werdtde uitrekking, op 
de gewone wyze begonnen , door de mann^n die de 
fervetten hielden. Maar fchoon dezen hun uiteríle 
krachc te werk (telden , het hoofd van het been wordt 
niet het alierminft bewogen ; en hunne werking dêedc 
niet.anders dan de pyn van den Lyder, op een on« 
draaglyke wyze , te vermeerderen- 

Ziende dat men mec de uitrekking niecs vorderde» 
Werdt een fchielyke hort » na dat de Pacienc wat beko* 
men was^ en wederom moed gefchept hadt^ op de 
Toigende wyze^ te werk gefteTd. De mannen met 

de 



44 ONTWRIGTIK6 VáNHET DT-BËEN. 

de fervetten werden gelaft hunne doeken tot een ze* 
ker punt te vieren , met hunne voeten wei vafl: te ftaaa , 
de armen uitgeílrekt, en het licbaam een weinig voor 
over gebogen te houden , en op een zeker teken , welk 
tnen goedvondt^ met een geweldige en fchielyke ruk 
te trekken , en met al hun magt achter uic te wy- 
ken. 

Alles in orde zynde, en de omítanders kennifle ge* 

feven hebbende van den aart, en de noodzaaklyk* 
eid, van de bewcrking welke mennu ílondt tedoen^ 
werdt het beílemde teken gegeven. De manmMi die 
de fervetten hieiden trokRen oogenblíkiyk met een ge« 
weldige en fchielyke vaerd ; de Chirurgyns verrigtten 
zeer wel , eik het gene zyn Doít was ; en men hoorde 
op het oogenbiik een laíd gekraak^ 't weik een vande 
Geneesheeren deedt roepen, de tafel is gebroken! 
Maar de Patient fchreeuwde in het zelfde punt des 
tyds , met een vreesiy ke (tem ^ het is 'er in , bet is 'er 
in, het is *er in. £n hec was inderdaad zo; wanc 
wy vonden terftond het been heríleid ^ tot zyne natuur^ 
lyke geftalte , lengte en beweegbaarheid. De Lyder 
werdt te bed geiegd , en verkreeg , door behoorlyke 
oppalling en goed voedzel , zyne vorige gezondheid 
weder , en kon na verloop van drie weeken , zeer wel 
gtan. £en van de Geheesheeren ontmoette hem na* 
oerhaQd , dikwilt , te voet , eenig vee dry vende , en 
vraagde hem telkens hoe hy bet hadt? Waar op by aU 
tyd antwoordde. Zeer wel > ik dank God en de Hee- 
ren. £n hy kan nu , by gelegenheid , twintig (engel- 
íche) mylen gaan op eenen dag , zonder vermoeidheid 
of pyn, fchoon het beiedi^de been omtrent een vier- 
de van eenen duim langer isgebleven dan het ander. 



/ 



JDe 



I 

De ▼erweipeae 
AMNIHILATIO ULTIMI TERMINti 

alg een gaalyk verzonne Konfigreep der 

Wiskonílenaren, 

íiopeos de 

Aritbmetica Infinitorum y • 

door A. M. 

ONder; alle Weetenfcbappen is ^r geene, die op 
zekerder gi:ond:beginfeIen íleunc, dan de Wis- 
kunde;efi naar mace,dat derzelvervoorwerpen meer* 
der of minder bepaaid zyn » en dezelve kfaarder eii 
duidelyker bevac konnen wcMrden , verkrygen haare 
befluiten of uitwerkingen ook meerder of minder nau- 
keurigbeid. Twee byzondere deelen daar van , als 
zyn^e dmelver voornaamíte grondzuilen, gedoogen, 
nopens hunne befluiten » niec de miníle tegenfpraak ; 
weikende hec eene mec gecallen en hec andere mec 
lynen, die egcer hunne waardy van de gecallen moe« 
teo bekomen. Zoo lang hec eeríle binnen zyne palen 
blyft , en zich boven hëc Umarifcb vertnogen niet uic- 
ftrekc 9 zyn deszelfi^ uitrekeningen onwederfpreeke*, 
lyk f maar dië ce boven gaande , vallen de beminnaars 
der Rekenkunde in zwarigheden , welke ze niec nau- 
keurig in getallen konnen uicdrukken. Dic deel der 
Wiskunde word nugemeenlykgenoemd áaiTHMËTicA» 
het welk een Griekich woord is , dac zoo veel zegc als 
^merandi arsp de konil: van cellen » of in *c algemeen 
de Rekenkon/l (*) ; beítaande derzelver uicwerkÍBgen 

in 

(*) 'Apil/Mf getal , van daar 'Afféj»ir«f telbaar , 'Apil/iHir(iu$ , iemani 
iie tfvaaren is in 't tillen ofrekeneny 'Aftêfkwrwn fcil. W;^ éi kên/t 
van ullen, de Rekenkanji: zynde zoo de Grleken meermaals ge- 
woon de konílen te benoémen met een Adjeétívum van 'tVrouw- 
lyke geílachc, verílaande daar onder bet woord ri^r« konfi. Vaa 
díen aart zyn ook de benaamíngen van Grammtttica » Aiujica » Lr* 
gief, cnz. Vide Bbs 4i SUiís, in voce r^. 



46 DE ANNimLATIO VLTIHI TEKMIKI 

in eene nacuúrlyke. en koní^ge veigaaring of aftrek* 
king : derhalven., al waar dezelve by andere geval* 
len konnen te pas gebragc worden ^ daar zou de Be* 
naming van Arithmitica roede roogen plaats vinden , 
dog anders naar myn oordeel niet. Maar verhevene 
Wiskonílenaars hebben niet te min aan een oneindig 
getalvan, in eêne meetkoníligeorde, afklimmende 
breu|f • getallen , deezen naam toegeeigent ; waar uic 
dan de zoogenaamde AjairaMETurA inpinito- 
RUii is voortgekomen ; welke mên eerder scientia 
ÍNFÍNiTÍ had mogen betyteleh ; wordende mec de- 
zelve niets anders bedoeld , dan de zom van zoodani* 
ge in 't oneindige toe af klimmende breuken tte vinden. 
vermits nu zulke oneindige Ryen geen Ëindpalen 
hebben, maar altyd' verder en verder voortgezet kon- 
nen worden , fchoon ze op 't laatfte zoo ongemeen 
klein en gering zich vertponén, dat ze bykans onuic- 
fpreekelyk worden , en vari geen belátig zyn ; (gëíyfc 
wanneer een alderkleiníle zandfeorreítje van éenover* 
groote Landberg weg íluifde, die Berg aah'tieszelfs 
groote geen noemenswaardige vermindefirig zou. on- 
dergaan ; ) zoo hebben de Geleerden daar uit gelegen- 
heid genomen , dit alderkleinfte en onuïtlpreekely kíle 
laatfte lid zóodaniger Ryen van af klimmende breu- 
ken ,voor niets te achten , eri het zelve gélyk aan een 
^M/fe te ftellen ; 't welk ze dan annihÍlatio ultimi 
T£RMiNi bygenoemd hebbén; om dat zoodanig een 
iTLTïMUs TERMiNUs nooit door iemand, hoe ge- 
leerd en fchrander hy ook zy , in eenen bepaalden tyd 
van Jaaren en Eeuwe» inderdaad tc vóorfchyn ge- 
bragt kan worden. Deeze vernietiging van dit alder- 
Íaatfte lid , hoewel met de zekerheid der Wiskunde 
ftrydig zynde, heeft hen eea konftgreep doeo verzin- 
nen , waar doorze op eene geaiakkelyke wyze hun 
oogmerk bereikt hebben , te wéeten : ze hebben dit laat* 
Jle lid tot bet eerfie gemaakt , by gevttg is het eerjie bet 
katjle ^eworden 9 en dus^ de afklimmingin eene her« 
fenfchiqufiige opkliouQÍiige veianderd) zyndede^m 

al 



V S X W O E f B V» 



47 



al zulker breuken gevonden^ náar aanleiding des Re« 
gels (*) , welke gebruikc ^ord , om de zom van , in 
Geometrica Frogrejjme , opklimmende Gecallen te vin- 
den. Dit van ben voor onfeilbaar gehouden zynde, 
zoo worden 'er van d'onderftaande Ryen oneindiger 
breuken ^ 



« T 4 "1" 



I + Í + áý -*• iT enz 




Dog wanneer opgegeven waren 

I + l + l + il enz.") dan zoudef i 4- í") fj. 
t + I +^ i^ + jt &c. [ derzelver J f + 1 1 I 2 

•1tí+ Jr 



0^5 



if 



Lf{ 



í + 4 + 4 + iiS en«- í Zom wee.-J tÍ + l f 
|+*+i^+«il &C' Jzen U + |J 

wa^irtegen pietste zeggen valt, als Mrordende dit in 
der ^aad alzoo bevonden , zynde de Proef da^ir van 
als Volgt: * 

H^ dt Zm der viep 

terfte kden is 
m ie Zm vanal 

de_ voerige 



2ÍS. 15?. 

TÍ. 



nn^ 



m- 






fíïr tih* 



de gebeele Zom 3» 
óf men had verkoozen 



2. i|» i|. als te vooren^ 



í + 5 + i? + úf^' IZomdaar j ^ + 



*i+ " 



tS + 



4+i 
if • 



" + 



4f ^*!];. í Tan 



f| fJ 

.IH3 



wordende <ierzelver Eehtheid door dé volgende 
Proef béveftigd. 

Dê 

(^) Si differifíbia termini primi íý ultimi pfogr^ffíonis gemetricê 
diviiatur per exponeníem unitête muiSêfêm, juotus tjíjumma mh 

ním iMspn ultimo. - ^ t. 



4$ m áïmmujto vvnu riÊMm 

Df Zm der vief 
eerftekdenis . ^. 3J?. a^. ajíf. 

en de Zotn van al 
deoveríge ■. tf. tSj. ïfs* ifÍB- 



fkémm^^^i^méiÊmmKhém 



de gtbeele Zom 5» 3'. 3* 2\. gelyi als bvoen^ 

In zoo verre is nu de verzonne konítgreep hen ge« 
IttkCy doch indien 'er opgegeven werdea , . 

•} ^ H + S •* K + íí/ -4- w &c. 

^- ^ 8 + S ^ tS + wS -f ^ cnz. 
•} -r If + líf -f ïS + níl 'Twí! &c. 

dan 20U de zelve zoo flegts weg niet gebruikc koaaeii 
^ordenj maar elk der opgegevene Ryen moeft men 
in tweedeelen fplitfen, te weeten; van úq po/kive^en 
negative leden , de Zom van elk in ^t byzonder vin* 
den; die dan van dkander afffetrokken zynde^.zou 
het overfbhot daar van het gejommeerde dier breiiken 
zyn ; 't welk door de verwiíTeling der tekenen van pia 
en minus van zelve blykbaar word : dierhalven 

I. Rye. II. kye. III. Rye. W^Ryé; 

isdeZomderp^yirit^^Ieden 8f. sh 4t?* 311* 
en die det negative 4|- ih <^* H* 

by gevolg^'J 3i- 3f- i^ 
het gefommeerde deezer vier laatíle Ryen van onein(Ë- 
ge breuken. 

Nu kan men met een opflag vaii *tt)og ligtelyk ge< 
waar worden » dac de Tellers in elke Rye deezer on^ 
eindige breuken teffens een en de zelfde zyn ; zoo dat 
die te vooren oppag. 47. aangehaalde konágreep , coc 
der zelver Smmiermge verzonnen , geheel en al in dui« 
gen valt, en niet voldoende bevonden word, wan« 
neer zulke Ryen van oneindige breuken opgegeven 
worden , welker Tellers verfcheiden zyn en in een ze- 
ker bepaaíde ordê tót in ínfihttum opklimmen , terfv^l 
de Noemers in eene willekeurige meetkonflige Redeii 

ge- 



V E R W Ó R f E «. ' ' 49 

geduurig, ook wel ten opzichte hunner getallen op-»^ 
kliniinen » maar de waardy deezer breuken daaidoor 
evenwel kleinder en kleinder word. Laac , by voor* 
beeU^ gegeven zyn 

I + I + 5 + TÍ + f{ + íl + TÍÍ + lí? +'fft! + iSa &c- 

dan is de Zom deezer oneindige breuken juift 5, zyn* 
de aldus omtrenc na ce gaan. Want de Zom der vier 
eerde is 

4t| I daar coe ge adáeert cwee volgende leden^ 
hec 5de en 6de lid. 

als* ^ •* 






km&t 4g hler coe wederom het ^de en 8(le iid. 



rt 



word 4411 nog hec pde en lode lid vergaart. 
1^1 




kDmt 4.IJI voor hec gefommeeráe van de cíen eerfté 
Jeden; op die wyze dan verder voorcvarende , zal meii 
hec gecal van 5 altyd meerder cn meerder naderen; 
maar doof zoodanig eene geduuf ige Vergaringe nooít 
volkomen bereiken; echcer zal in *c vdrvolg (*) op 
eene onbecwiílbaare wyze klaarblykelyk gecoond wor« 
den , dac der zelver Zom niec meerder nog minder als 
VTF kan en moec weezen^ 

Maar als nu coc Tetters de ordencelyke CuBii^'Ge^ 
fallen ( van 2 af ) en toc Noemers de mec 3 geofmri" 
c^ opklimmende gecallen genomen wierden^ danzoo 
men deeze onderftaande Kye van oneindige breukea 
verkrygen , ce weecen : 

í + S' + TÍf + Hí + íif + Vii + líil + ^íl? &c; 

wcí- 

-(♦) Zíe jmg. 54. NA' II. tttá tfe Twéedt.Átdédínf, 
*n.D££LMO.I. D 



50 



PS ANNIHK.ATIÓ VLTIMI TfiUiINI 



welker zom bevonden word juiíl ii' ce^zyn. Om 
dic nu eenigzins te toetzeo , zoo vergaare men deeze 
agteeríle leden tot elkander, aldus: 

81 



L5J 

8l 

9 
3 



I X 125 


125 


3 X 64 


192 


px 27 


243 


47 X 8 


216 




77<5 



6561 
5ta 

2187 

.343 

729 

21$ 

343 



81 



/ 



QVr 



I X 729 

3 X 512 

9 X 343 

27 X 216 



€561 J' 



729 

I53<5 
3087 

583» 

III84 






dies ii.^iH voor de zom dee- 
'zer eerfte agt leden. Dit vergeleeken mei de regte 
zom van iií, zoo bevindt men, dat dit laatftenog 
grooter is ^ als het eerfte ; en dat de zom deezer on* 
eindige breuken niet meerder nog minder kan zyn als 
ii|, zal naderhand (*) door eene onverwerpelyke 
Proef beveftigd worden. 

Om nu verder tot eene klaare overtuiging te ko- 
jpen, dat de annihilatio ultimi termini qualyk ver- 
jM^nnen is , en tot fommeeringe van zoodanige Ryen 
oneindiger breuken » welker Tellers ongelyk zyn , ea 
ÍQ een zeker telkonftige orde opklimmen, onvojdoen* 
de bevonden word , zoo zy deeze algemeeQe kundig- 
hd^y Qf jixioma^ vooraf tot een grond gefteld. 
. j^ Wanneer een gegeven Getal met een ander eeni- 
^ ge malen ge'multipliceerd^ en het daar uit voortko- 
„ mende ProduSt wederom gedeeki word , door het 
^ mulúpliceerend Getal , zoo dikwerf als de muhipUcatk 
n\$ gefchiedt, dan moet de laatfte Quóticm aan het 
I, eerftegegeven Getal gelyk zyn *'. 

Ver- 

O Zie 10 het volg^nck StuKje Ko. tiy^^d^weickAldpeHne. 



j 






Vermit$ deez6 tot #eii giOQ^ ^^ ' n^VoígeQde be- 
Werkingen , geftelde algemeeneJíqoáigh^d ^daornie» 
tnind kan tegengeJ[p]rpol|;eu wijfrdeii ;, zuu zal ik^de ún* 
feilbaarheid daat van mecT^tn^ni^erJ^ Vóbrbeelden 
aantoonen , en wel met zóodanigg Ryen jran^ncïndi* 
ge bfeuken, welker Tellers ^jlc^.^fti ea^ei^yef- 
fchil hebben ; of welke. dflg^yk z]{n y tn ÍQ, eeii^ ^* 
kel- of meerder-votïdig telkpnftig y«fehififdo«gaaii 
cn opklimmen: 'Dierhalven zy dë /' ' ■ ^ '\ . 

EEftSl'É AFDÊtfLÍÏÍO. 

Ult Rjen van onein^ge brêuhn met geiyke Telkfs. 






L Vodr Tellei^s doórgaaní 4 genóttien ^ 'klimmeiKlé 
de Noemers gemetrké op met y, ab ; - • ' < • i ■ 



• . • 



I + I + á +\í + «á + nl SeC* 

r 

Bit vermenigvuld^4 ^^^. 






i3í + * + ^ + ,^ + s(í+*4&c.1 voortfiekoniea 

Oa$ f het ProÍuSé * - 
Door 7 gedeeld, dat is, it ^f í =í ^ 
Komt2 voor de; zom deezer oneiodige breukc& 

De zom der vier^oérfte leden is ;=: ig 
éh die van al de overige ;=i n 



Zbm 2 t^lÉ bóycií. • 

» ■ * 
.... , 

lí.Het getal íj Voór de téHeít geíteíd , :ííog -Af 
Koeiáers mec 4 meetkonílig opklimmende y heut 
men 



5& ^ »B ANWHILAnO VLTnCI TEftMZNX 

met I i^ í gemultípUcccrd » 



* » 



i 



+ ii +4 + ïá +ï5ij +»il &c. 



komt I voor hct PrtiduS. 
door I gedecld^ aynde :=xi^i __ 

is 3 de uitkomíl voor de begeerde zom, 
De zom der vier eeríle leden is aifi 

cn die dcr overlge jïÍ ^ 

2tom 3 als bovcn# 



IIL Tot Tellers 36 gcnomen , en 5 de meetkon- 
ílige Rcden.van Opklimming der Nocmers gcfteld 
zynde, verkrygtmen 

1 + l? + tn + i2l + TrS enz. 
met t 



^caen.van i^pKumuiiug 
verkrygt men , 

? T rj T ti? T ;af T TKf 

I .A 7 vermenigvuldigd , 

1 + n + w + iH + T«5*ï enz, 
►f H 4" tll «f íH •i' ir.1 en«- 

't bet voortgekomcn ProduSt. 
doort-i -rrBedccld, 



kotnt 9 voor de zom daar van. 
De zom der dric ecrfte leden is =s. 8»| 

en díe der overige :=: nf 

Zom 9 als vooren. 

IV. Laat.de Tellers 121 zyn en de Noemers met 
9 geometricé opklimmen , dan komt deeze Rye ten 
iporfchyn , te weeten : 



'í' 



-^ 



VBRWOKPEVr. 53 



"V+ ll+'SI + íHI&c. 

met; i ^i gemulcipliceerd» 



^ ^ 'i! .1. ïH ■!■ J^Sí i^r 
,• *•* taL »»i ^ Jíi4 /t#» 



• /■ 



'*f hetProduBt. 
door i gedeekl» zynde =3 i ^ í 

is 24f de verlaDgde zom. . 
De zom der drie eerfte leden i$ d^,^ 

en díe der overige jiH 

. . Zom 241 als boven. 

Uic het hier te vooren verhaadelde fpruit nu voort 
deeze byzendere 

R E G E L, 

« Het eerfte lid eener Rye van oneindige breuken , 
n welker Tellers alle gelyk zyn , moet gedeeld wor* 
g, den, dóor de Uniteit minder de meetkónítige Re- 
9 den , waat mede de Noemers opklimmen *\ 

Wanneer nu de Noemers meetkonílig voortgaan, 
niet 2» 3, 4, 5, 6» 7, 8 &c. dan ^yn de deelers 

enz. dat is; ^, |, «« ?, I, ;, i &c. bygevolg word 
het eerfte lid der Ryén van onetndige breuken, op 
fag. 47 te vooren geíteld» als^ ^ 



ar* 






?♦ í. f Igedeeld ; }. t ,^ ; i. a, 3I. 1 yoor der- 
I. í. $. f door 1 1. f ***?" 1 1. i|. 3. f lelver Zom 



D 3 ÏWEE. 



(54 P^ AHNIHlLinOJIJtTIKX TUKXNI 

T WEFDE APDEELINa 



f^M Ryen onem£ger IBreukén , vfélkêr'TeÏÏers 'eer^ enkeh 
voudig telkonJIUg ýeKfcbil bebberu * 

I. AIs men de natuurlyke Geullen aanne^^mt voo? 
Tellers, en de Noeme'rs m^êt ^geonetriei laat prógret 
ieeren^ dan verkrygt men de vplgende Rye ví^n Breu-> 
^^n^ alsi 

? + í + } +\{ + TÍ + 4 + nl + TTÍ 4c, 

^et I -r i gemulcíplíceerd , 

f + J + i,+ 4 + /f + á + fï5 + ïï5 &c, 

• 5 . I • ïg • ?í ^ •* ^ "i ! ^* ^^* 

' II ■■ I ■ I ■ II «1 1 ^i «1 ■■» 

2 + 5 + g + Ti + |í + 55 + raï + IÏ6 OíC. 

Deeze laatfte llye nu i zynde en die gedeeld doof 
^, c)an is 2 de zom deezer breuken. 

II. La&ender va^ z ^C^^ Tellers met 2 ppklimifieQ 
fXi de Noemers wed^rpmi ais vooren. 2, 4» 8» x6 en^ 
zýn , dati kómt jde oipderíl^and^ Rye vs^i. bteiit(^tii 
vqort, als; \ 

} + í + J 4- .1 + 55 + a &c, 
Biet i -r f vermeh tgvUIdigd , 



I • * 



tato-n 



o I..+. í t } + á. + "B + H' &C. 

dus 1 + J + }4,á + ^^á&c. 

Vermits líq de zqm! '< 

van I + 4 + d'Sic* is gelyk i 

?oo vergaart 'er toe li het eeríle lid, 

komt 9i gedeeld door ^^^ 
, verkrygt men tot Quotient 5 , zoo als pp pag, 48. by 
If adering omtrent is geyond[en. 

Wav 



^^^ 



VE&WOftPBX. 55 

Wagr ttit wederom een byzondeie Regel voorc* 
vloeic. 

n Menfubftrabeerfi de Tellers van zoodaníge onein«> 
n dige breuken flegis zoo dikwils van elkander^ toc 
» dat men eenerlei verfchil verkrygt.!' 

ZuUende dan in 'c vervolg op die wyze,zonder ver« 
menigvttldiging, voorcgaan, en de Noemers ítelkon- 
Itig bewerken , om de veelvuldige'onnodige Rcpctitie 
der gecallen van de Nóemers ce vermyden. 

III. Men lace de Tellers van 7 af mec 4 aritbmetici 
opklimmen ; en de Noemers in quadrupía proportibne 
voorcgaan , dan zal men de volgende Rye van breu- 
ken verkrygen , als : 

i + ÍV + ÍT + ÍT + Í7 *^- ^y°^« A = 4. 



A 



7. II. 15. 19. ^3* de tellers. 

. ■' ■' ' Eensafgetrokken, 



waarvan de Zom isrj 

Coe }| bct eerfte lid 

2A door i gedeeld^ 
lcomc 2j voor de Zom, 

IV. Als men de Teliers van 9 af mec 8 laac opklim- 
menen deNoemers mec 6 meetkonftig progredeeren ^ 
dan heefc men : 

B * B* T B' * b* * B' ^ " -f "• 

S' 17. 25. 33. 41. de teiiers. 

■ ■ ^ens afg^trokken. 

8. o* 0« p. 



daarvan is de Zom rt 

toevergaard il hec eerlle lid , 

i!é gedeeld» door {, 
komt 2a7 voor de ZoQi* 

D 4 V. 



56, PS ANMIHILiTIO UlrTIMI TBKMINI 

V. Zoo mén tot Noemers aanneemt de Geometrifcbe 
Progrejjlic mec 5 beginnende, en ook daarmede op* 
klimmende^ maar voor Tellers ítek eene Ar'ubmetijcbe 
ProgreJJie^ welkers verfchil is 9 en het begin 12» dan 
verkrygt men deeze Rye van oneindige bireuken , ce 
weeten : 

C +ë + é' + ^ + ë&c. hierisC=í. 



la. ai. 3Q. 39. 48. &c. 

-^ ^ — ■ ■ Ecns afgetrokken. 

9. P» 9' 9- 

hiervan is de Zom & 

daartoe 2; het eerfte lid» 

ais gedeelt door U 
komt 3! v^. de begeerde Zom. 

VI. Als de Tellers met 19 beginnen , en met een 
verfchil van 13 telkonftig opklimmen ; maar de eérde 
Noemer 3 is en de volgende met 9 progredeeren , dan 
komt de volgende Rye van oneindige breuken ten 
voorfchyn , te weeten ; 

Í3 + & + G' + ÍJ^ + & *^- ^'^''' ^ ^ 3- 



19* 32» 4J* 58. 71- &C' 

— EcnsafgetrokkeD» 



mm 



13. 13. 13. 13, 



zynde H de Zom daarvan. 
d^artoe 6| bec eeríle lid, 

6] door 2 gedeeld, komt 72 voor 
de Zom deczer oneindige breuken. 

Dit vtl in 't naafikomnde Stukjé agtervolgd voíoritn. 



Bt- 



••• 



Beienlangen Wier Gods goedbeid, en V Menfcben verpUgting 
tút Dankbaarbeid y uit bet Engelfcb van den Heer sa- 
MUBL BouRN overgezet. 

GElyk de oefening van dankbaarheid , in vergel- 
dinge van oncvangene weldaadcn aan elk regc- 
geaarc gemoed ten hoogáe natuurlyk en aangenaam is , 
20 Í8 de beioorlyk/le hoedanigheid ^ in welke wy het 
Opperwézen befchouwen konnen , die van fFeldoener. 
Voíftrekt Oppergezag mac geboorzaamheid vorde- 
ren^ het drakbeeld van Almagt dezelve aandringen , 
oneindige grootheid en waardigheid* van natuure ons 
net ontzag vervuUen , en onfeilbaare en allesbevac- 
tende wysheid verwondering en verbaasdheid voorc- 
brengen ; andere eigenfchappen mogen , eigenaartig^- 
lyk f eene Godsdienílige eerbiedenis opwekken : maar 
goeÁeid alleen trekt onze Liefde tot zig , en ontvangene 
gun{lbew/7^n zyn de eenige grondflag van dankbaar* 
heid. £n, gelyk de blyken van oneindige Magc eii 
Wysheid , in het weereldgeftel zig niec duidelyker 
yoor 'c verftand opdoen , of meer door den menfch 
emiervonden worden , dan de uicwerkingen der Godlyke 
goedheid; zo heefc een yder reden om , mec den Pfalm- 
digcer te zeggen, Loof den Heer myne Ziel^ en vergeet 
geenen van zyne wïdaaden. 

Laacen wy , ter aanpryzinge van Godsdienftigê 
dankbaarheid , en op dat wy die mogen aankweeken 
en oefenen , eerA de Godlyke goedheid befchouwen ý 
nevens de gunítbewyzen , daar uic vobrcvloeijende , 
welken wy , daadlyk ,'ondervonden hebben ; ten anderen 
de laagReid en haatlykheid der ondankbaarheid, en , 
indederdeplaats\de uicneemendheid en voordeelen dcf 
Godsdienftige dankbaarheid , overweegen. 

I. Men lecce dan eerji op de Godlyke goedheid , en 
op de gunftbewyzen aaar uic voorcvloeijende , welkë 
wy in ons leeven genoocen. — Wy hebben genoeg- 
zaamen grond om te gelooven dát de uicwerkfels vati 
dic volmaakce en onbepaalde goedheid , welke aan 

D 5 hec 






5S 2>S GODSJ>I£H8TIOB • 

het Opperwezen nrordt toegeíchreeven , overeenkom- 
ílig zyn met de volmaaktbeid van deeze eigeDfcfaap 
des Allerhoogílen ; dat is , dat zy oneindig zyn. Maar , 
gelyk wy (legcs een klêin ^edeelte (inderdaad niets ^ 
by vergelyking.gefprokenj' bemerken of begi^pen 
konnen van de werkingen eener (^eindíge Wytheid 
en M agt ; zo zyn wy alleenlyk bekwaam en gelicliikt 
tot bet genieten der zalige uicwerkfelen van Gods 

foedheid , in eene diergelyke onvolkómene en be- 
rompene maate. Geene foortvan leevende fcbepze- 
len inderdaad zyn gebeellyk beroofd van de goedtieid 
huns Maakers. Zy allen genieten 't gene voor huone 
natuure en (laat des leevens gevoeigly k ás , enzya in 
wezen gebragt met zeker goedertieren oognsey k. Veel 
fneer is t eeluk van bet menfcblyk gejlagt een voorwerp , 
waar op &od acht geefc, en welk hy bedoelt. £n wj 
hebben eenen overvloed van ondervindlyke bewyzen^om 
ons hier van te overtuigen. Want de uiiwerki&gen 
zyn evénredig aan de natuurlyke vermogen$,zedelyke 
hoedanigheden , en uicerlyke omftandigheden deis 
Menfchdoms : terwyl 'er,ten zelfden tyde, ontelbaare 
andere (laacen en weerelden zyn., in welken deGod** 
lyke goedheid oneindiglyk vermeerderd » of op onein* 
dig vefíchiUende wyzen vertoond wordt. Gelyk de 
Zon geduuriglýkVbhynt met dezeíf<je luiíter en betce « 
lchoon de volken aan de voordeelen daar van , ver- 
fcheidenlyk deelen , volgens de verfchilleode ftreeken 
der Aarde, veele voorwerpen deo invloed derzelve 
onderfcheppen ^ en de Aarde zelve , tuiTchen beide 
komende, de duiíjterheid der nagt veroorzaakt; to is 
de goedheid van het Opperwezen in zig zdve vol* 
maakt en onveranderlyk , fchoon derzelver uitwerk- 
fels, met eeneoneindige verfcheidenheid, eninver« 
fchillende maaten , over zyne veelerleië íchepzelen 
verfpreid zyn;.fchoon de gelukkíge invloed derzelve 
dikwils , door veele rampen en ooHeilen belet wordt ; 
en fchoon 's menfchen íler^ykheid eea eind /cbynt te 
maaken V4n ons genot derzelve*. 

Maar 



B 1 N R B JU Jl m A E l D. $9 

Mwff welke aangenaame beíchouwingen n^ ook 

liebbeii» welke wMarfchynlyke giflíiogen w:y maakea 

mogiea » nopeos de onbekencb.uif^werkiageD der God« 

]yke gojsdheid in gfidere ftaaten en veriievener weereh 

den ^de gonílryke uitwerkfels , die ,\«y opgemerkc ea 

pndes(Voiiden hebben , zyn de eeiúge ^ond en be« 

weegredeo on;er dankbaarheid. Hec is onze zaak 

089^ ^igtn (laai; in aanmerkinge te jtieemen , en acht 

te geeven op de voordeelen die wy genieten , en de 

z^ning^n welke int Goda guníte te onswaerts voorc* 

vloenefi. Niet te onswaarts mt uitjluiting van het 

menlcUlykgeflagtxondQn].ans, bëílaande uit wezens 

van deselfde nattiur ^ in deozelfden coeítand geivlaatfl:^ 

gehftíyk met ons.Goids fchepzels, en de voorwerpei| 

^yner zorge ên /goedbeid zo wei als :wy« Wanc die 

goqftbewyzen 9 weik^n wy , met anderen in *t geméen 

genietent met onze medefchepfelen , mede onderdaa^ 

jítn y en .medechriílenen., verfcfa^ffen de alkrbillykjle 

Tc^en tot íof.en dankbaarheid aan: mrssíen gemeenen Heer 

en Weldoenden Veelén zyn zo geíkdd dac zy zulke 

^j^egeoiogen waat in zj^ in *c.gemeen mec anderen , 

deeieHi mind: waardeeren.^ en.hunne gantfche aan-* 

dagt veíligea pp eenige byzmiere begaafdheden of 

Vi^eelen» welke.zy.meenen boven anderen ce be^ 

zitteq » of eenige buicengewoone gunftbewyzen , die. 

)Ly alteen oáitvangen tiebben. Niecs maakt hiunne op-^ 

merkíog gaande dan 't ggne ongeme^n en zonderling; 

is. $Iiec$; wekt hunne dankbastheid op, dan zodanig. 

iecs, welk zy.aífg «elven, n^ uiifimtínge van hunne 

med^f9Í)€$^en» konnon. toeeigenem. Leeven, 6e« 

zoo4hei4, Vo^fei^ Dekfel, Ruft, het Hchc en de 

irarmce 4er ^onne t l)ec ruime uiczigc over hec ge- 

fcbapene^ Vrienden en Maagen ^ zya, liuns agceiis , 

^r gerÍQge zegeningen ; eenigiyk om dac hec menfch* 

lyk Geílagt in 'c aJg^meen dezelven g^niec. Dic is de 

QÍtwerl|ÚQg.yaii vervfraandheid en eenzydigheid voor 

zigizelven 9 wtar.door de menfeheii ndgen om Gods 

IQeJndige gQedhoid xpx hea ;fA\xm te bepaalen , en 

die 



6o 1>E GODSOIEKSTI^H -l 

die alleenlyk zo ver te waardeeren áls a^y meeneii dat 
dezelve dus bepaald is. Veele Chriftenen hebben- 2e]fs 
de grocdregejs van hun Chriftelyk Gelodfv áoát-éeé^ 
ze eigenbaadge en bekrompene geeft geíleldheid , 4aa- 
ten befmetten en bederven* Zy syn er docff beWoo- 
gen om de zaligmaakende genade van God in Cl^riílus 
j ezns zig zelven alleen toe te eigenen , en hec Evaoge- 
Íie , voornaamlyk hoo£ te agten , om dat zy het aan« 
snerken aJs vervattende een ontwerp of iiiiddel cer 
zaligbeid , gefchikc voor hunne eigen' party ý met oit- 
íluitinge van de reíl des Menfchdoms. Maar wý nio- 
gen te regt áanmerken dat , géljrk atte meufchM^ ÚMikt 
gefproken , die Godlyke goedheid , Weike zy daacRjk 
genieten, mmaardigz^u^ 2iitt^ eigenbaatige índníetíeQ 
de cnwaardigjlen zyn van allen ; en dat zy , die bímnémede^ 
fcbepfiU zo gaarne van de goedgunftige en bafmhenige 
voorzorge huns gemeenen Scheppers zouden wilien 
uitfluiten j jneefl van ailen verdienen zehen daar VRn 
uít^eflooten te worden. 

In hec overweegen dan der gronden van onzen 
Godsdieníligen Lof en Dankbaarheid iegens God , 
moeten wy niet zo zeer ílil ftaan op zeÍcere byzonde- 
re en buitengemeene voorvallen , in welke de Godly- 
ke/Voorzienigheidons van anderen heéft gdchtenen 
te onderfcheiden (want het is de eigenfchap Váft laage 
en verwaande gmoederen zig zulkeondéncheidingen 
aan te maatigen) maar wy behooren Gods mildhêid 
aan te merken als de bron van algemeen goed , als de 
Fontein welke haaré fllroomen door de gantibhe be- 
woonbaare weereldveripreidt, de Aarde verryjcende, 
en derzelver tallooze Inwooners verkwikkende. £n , 
zo wy een' grooter' overvloed , *t zy van 't gene ons 
tydlyk of van 't gene ons geeftlyk geluk bevorderen 
kan , genieten dan anderen ; dit flrekke eeniglyk om 
onze dankbaarheid iq vermeerderen^ tn oncvonke tevens 
ohze goedgunílige wenfchen en gebeden dat alk men- 
ichen , in eene gelyke of grooter maate , alle die ze- 
geningen mogen deelagcig worden » welken Gods 

Voor- 



B A «r K B A A R B E l. D. úl 

VooTziMigheid aan m verléënd heefté ^ 

Waimeer wy op de gmeine voordeelen en genoe* 

geos deaiesr leevens , en op de beflendige en algemeene 

uitwierkfels der Godlyke goedheid leccen , zuJIen wy 

overvloedige ílof toc godsdioiílige dankbaarheid en 

prys pstdeKÍcen* Hec gahtfche geluk van 'c leeven » 

aUes wac eenige.waarde heefc, en eenig verniaak ver« 

ichaft, alles wat deii menfch aangenaam aandoec ^ 

grootích of beniialyk is voor het gezigt , of bekorely k 

voor degenegenheden ;alles wat het veríland onder- 

rigt> de vérbe^ing koeftert , of de geíleldheid vaa 

g^eft vexbetert ; alles wat ondeugd tegen gaat , en 

déogd '^evoírdert ; alles wat ziekte en ongemák ver« 

zagt, gezondbeid beveiligt, of.de vermogens kragc 

byzet ; attes wat tweedragt bylegt , de JVÍaatfchappy 

fmssa bindt , en het heil » welk uit de gezeliigheid ea 

onderlinge betrekkingen der menfchen tot elkanderea 

vóortfproit, beveftigt; —— alle dééze voordeelea 

zyn bysonttere uitwerkfels dier aller onzydigfte , onbe- 

paalde f ên gnveranderlyke goedheid van God , die 

^len goe(%UQ{Ug is^ ea wiens baamhertigbeden zyn over 

aJle zyne werken. Als wy , in 't heuglyke iicht des dags» 

het gefchapene wyd en breed , rondóm ons bcfchou» 

wen, geefezeifs het gelaat daar van átgoedheid zo wei 

als'-de magt en^dorAé^desScheppers ciet te kennen? 

Het is, zyne goe^eid welke Hemel en Aarde ons doet 

toekdlfen ; wdke fchynt en verwarmt in de Zon ^ ver-. 

frifchtin dekoelewiadieSy nederdruipt in den vrogt« 

baaiea.regei) , en opklimt in den overvloedigen oogiL 

Zf ne miUheid ge^ft , géduuriglyk , voedzel aan de 

bongerigen^kieMÍng aan de naakcen, gezondheid aaii 

de zidcen^ en ruA isian de vemiQeidcn. Hy vult dea 

oinloopenden > ílroQm des leevens aan , en ilort het 

gety van xfrw^gde m 't menfchlyk herc. Zyne wysheíd 

vormde de £Íemei}i;en der Weereld, plaatíte die in 

een befaoorlyk evenwigc^ , en. maakce dezelven be* 

ïwaamrtotde voortbrengipg, en onderhouding» van 

'i menfchen l^éven, Zjno Vooi^mnigheid oncwierp 

i ' hel 



6SÍ^ .D& aOSSDXBNSTXOB ' 

het plan van de inftelliiig der menichlyke Maatíchap- 
pye, Terbondt den éénen meních mec den andcren » 
en plantte in 's menfchen boezem de aangetiaaÊne aan* 
doenmgen der vríendfchap en btoedvervaiicíclutpé 
De aantreklykfte banden der natuure , d% tedfiríte ea 
Ít^kfte beweegingen van ouderlykie genegeoheid ^ syn 
uitwerkingen en af beeldfels zyner opperAe ea vader- 
]y ke goedheid. Ën, gdyk di$ kevift^ beaevens alles 
wat iets toebrengt tot de geneugté ea 't^elak tnn hec 
zel ve , Vrugten zyn van zyníe goedgonftigheid , zo js 
di onze hoop op een ander íeeven^ en bp gdiik in eene 
toekpmende weereld geheellyk geprond in zym ear* 
Jprongklyke Uefde en barmhertigbeid jegeDshecmeiifch- 
lyk geííagt. Dezelfde Magt, Wysheid en .Gciedheid^ 
wdK de Aardecn alle de Hemelen gelchapea heefc, 
en uitéénen bbede faet gantfch geílagcder meníchen 
gemaakc , om op den geheelen Aardbodem te voo- 
nen , heeft ook die fchikking vaftgefteU » welke de^ 
ChTÍfteiyke openbaaring aaa oús ontdekc , volgens 
welke alk menfchen uit den dood worden opgeweh doot 
de Magt van den Zaligmaker der weereU^ en aan alk 
goede menfchen een eindeloos lee ven ea geluk wordc 
toegedeeld. Indien onze kennis van hec Evangeiie 
tbtgeen ander gelukkig dndediende, dan^feer onzer 
veriofiinge van bec flaidfche bygelóof des. Pausdoms f 
of van de plompe Afgodery en de onreíai^ en harbaar- 
feho' plegtigheden desHeidendoma;.hoe.vederedeB 
zouden wy hebben om uit dien hoofde QnJs-ZDlveo ^ge* 
Itfk te wenfchen 5 en degonft der.Godlyke Vooiziráig* 
heid te erkenneti! Hoe veel meerj nu hstder tiaare 
fchaduwen des doods verdryft , en ons e^ vboruic- 
zfgc o^ent in eenen toekmendenjiaati Nu hat^ in plaacs 
van. d^ verbyfterende onzekerheid > of duiftere waih 
boop , die 's menfchen geeft ter aed^rdmkce» om 
verhef t tot zulke grooce en beugefyke ixruja^iagen vaa 
de úickomft der dingeo na d$n dood ^ en vaa eene beer^ 
Ijke Fetnieumng van den ftaacdes fileníclidoms: wa» 
neer Geregcigh^d ea Goeder^ierenhekl» op eene TOlt 

maak- 



niM*!^ wj^ tí>í«!díeid fc írf/hf!% kwsiad^ van deeze 
ireiiel^. wiaiRíigÍ^»; e» deqgd en geliUt. vpor altoos ge- 
veftigd ^uU^. word^q,! Weike y^ Fgcl^iag yan lof en 
c^nkbiarhj^d komp .d^n eeiiwi£lc^ír^9den Schenker 
vaa aUe leeveo- eo gelak toe, die by ^e Zórg, welke 
zyne go«dgunl]tijge Voor^ienigiveid voor onjsen min^ 
ierjam&n fim, 'v\- ^f^ we^reld heeft gedraagen , de 
oawaaodeerb^^f^ verzekering geyoegd heéfc van eene 
toekcMiiende W^<)i4> > ^^ de erfem di^s eeuwigen ke- 
vensl : ' 

II. Laatetiv wy.i na. tot dui verr? dí voordeelen , 
vo<MriQiBs.uic.de;godlykeg«edh.eid.Jí(ruitende, eo ge- 
fchikt'Om íMa»e;gQdaílienftige. diokbaaíheid op te wek- 
ke»^;VoofgeífeBW.ii^'heb.lj«o, y§ïyolg§ns acht geeven. 
op de. Uaghind eii-.h«atlykhei.d. di^ o^dankbaarheidi 
Beei» ood«i«d-wi0í4«i, iádierdaad.> zo algemeen ver- 
foeidi. dat 'w flieií.veele. bewy2«¥i noodig zyn om de- 
2eWe:.«il toott. t§ ftell«i:> yeel minder om'er de fnood- 
beidfjïan te doea zien, Het dp^kfefiglsd zelf daa^ van 
geeft. íMwnidideyxk , aanftooti.eftwyrZyn altoos.ge- 
belgd, alswy 'cr.de.uitwérkÍBggit.vm onderyindenp 
Zjiiiiftrydígimet die.geftfldhei^, 'f.^^n in,?eneA; 
guIhertigea;en;edeto0edigen, geeft. fer^gtigft werken -, 

«»«iilke.m«»rcí)íni«elfs,i d.iob^kwa»» zyn om de 
ofl!Íai)kbaaíh^id-inííig'.z«lYíWi98.t# geeven, verfoei: 
jen ze in andêren. Overal waar men . weldaaden be- 
wyll i verw^gt- p|e9 r netu|irlyk>.e>Bnige erkentenis .tot 
v«geldijag, .ea dp-.c mea, in. don ontvanger eeoige 
gí^WíSÍighéid VAQ.oii)$e vrieAdlykheid zal ontdekken. 
£0 |U«t$ blufflht- 4«9ig€eft yiap.edelmoedigheidzo zeer 
Wi, :en fl»it díl» jQQf» y«<.weW4ad|gii$i4 «o ?eer, als 
de'í«dankbaí«he*i yah JiH?t, die n\íB. y^rpligt heeft. 
Na; verfcbeiden^ilf» .giwiftb/ewy;seií ^ ia>«?nj?n ^m»»'^, 
meOitoop.vao .vfiei^Uykheid'» en. herhaajtd^po^iígeií 
oro.te beha»gfiii>e& te beyojprd^ejen., egter eerte ge^ 
voeWooaé p««eífchÁUigh«i4 , of onftatuurlyke yyandr 

lykheid» í8l.v«j^(H^,. «e. oiid«[viod^il, \f^kx bp? 

venal. 



6i,' I>B CO0S0I^llSTieir 

venai t he< fterfcfte en biDykfte geroel vao mlsnoe- 
gen , nadien hec de aiterfte onwaardigheid vaa den 
ontvanger, en zyne ongevoeh'gheid voor alle verplig- 
tlng, doet blyken. Hoe vinden Ouders zig zelven 
aangedaan , als alle hunne tedere zorg, en onver- 
moeide poogingen, voorden veldand hunner Kin- 
deren , met veragtinge of mishandelinge becaakl vor-^ 
den ? Hoe gevoelig is een Vriénd over de vyalld- 
]ykheid of ondankbaarheid vanétfnen^ voor wiens 
veiligbeid of voordeel hy zyne goederen» of zyn }ee« 
ven, gewaagd heeft? Deeze ondeugd komt htt naaíl 
by die van ongetergde kwaadaartigheid en wráed^ 
heid, enis, naaftdeezë^ 't allerfchaadlykft voor een 
i^denlyk wezen. Tot andere gebreken en ondeug- 
den vervaiien de menfchen, door de kragt der*ver* 
zoekinge , en de hevigheid hunner nacuurlyke driften 
of begeerlykheden. Maar waar zyn de verzoëkingen 
rot ondanícbaarheid ? De natuurlyke gevoetens, en 
de aandryvingen eener lofwaardige neiginge, noopen 
ons, kragciglyk, tot het tegendeel, en baaren eeoeQ 
trek om dankbaar te zyn. Hoe onnatuurlyk en ont- 
aard is dan zulk een gemoed^ waar in de geringfte 
vonk van dankbaarheid is uitgeblufcht ; die men door 
geene goedheid verpligt, en door geene vriendlyk* 
heid beweegen , door geene gunftbewyzen aan zig 
verbinden kan! 

't Is waar, men moet bekennen , dat Men/cben dik- 
wils gunften bewyzen uit beginfelen van ydele eer* 
zugt of eigen belang, en zonder eenigc wezenlyte 
goédwilligheid jegens hen, die dezelven ontvangen: 
en ih zulke gevallen worden de beweegredenen cot 
dankbaarheid,naar evenredigheid , verminderd. Men- 
feben konnen ook , onder yoorwendfel van dankbaar- 
heid te vorderen , zaaken verwagten , in vergeldin- 
ge , die onredenlyk en aan de wddaaden geenszins 
evenredíg zyn , of eifchen dat men hnn , c^ eene 
flaafíche wys , oí in iets ondctugendif^, te wille zy» 

Maar 



\ 



Mtar ten aansiea van ^ Godheidy die volmáakt is in 
goedheid » en dic een iegelyk mlilýk geeft ^ en niet vet* 
«yr, is 't onmogelyk dac iets diergelyks onze dank^ 
baarheid beiette of vermikdere* De weldaadeii » die 
God bewyft^ fpruiteo uit de allerEuivetíte , en beiang* 
loosfte goedgunftigheid ; en 't gene Hy tot vergelding 
▼ordert) is voor ons allergemaklykíl: en voordeeligíh 
JHem te dienea ia onze volmaaktíle vryheid , en Hem 
te aanbidden en te pry&en voor zyne goedheid , onze 
redenlykíle pligt. Wat kan gemaklyker wezen dati 
Hem ce daokeu^ en zyne gunftbewyzen ce ontvangen 
en ce genieten met erkentelyke hertea ? De fchuld 
van dankbaarheid is , inderdaad ^ eindeloos ; « n&g 
9 iêbuklig , nog te betaalen : maar een dankbaar ge« 
9 moed is niet fchuklig , terwyl het fchuldig is , en ia 
» te ^lyk verícbttldigd , en van fchuM ontflageo '*« 
De pbgt van dankbaarheid kan nimmerophouden,oiii 
dat de verpligtende goedheid nooit eindigt : doch dit 
is niet minder ons g^k dan onze pligt. Hoe kan mea 
dan, geduuriglyk, giften en zegeningen van Oods 
haod oncvangen y en nogthans geen gevoel hebbeti 
van de godlyke goedheid , noch de erktntenis , di6- 
men aán zynen hemelfchen Weldoener fchuldig is, 
ooic aan Hem bewyzen? Hoe konhen wy^ in *t 
núdden om den voorfpaed^ als de geheele natuur ons toe» 
lacht, als wy omringd zyn van aangenaame voorwer^ 
pen , en ons een famenk>op van geneugten toevloeit^ 
de FoBtein vergeeten , waar uit deeze ílroomen vatl 
leeven en geluk hunnen oorfprong hebben , en nalaa^- 
ten te gedenken aan dien God , welke ons alk Angen 
ryklyk verleent om te getíieten ? Waar van daan komc 
het dat men dan achteloofl: is , ten aanzien der God^ 
heid , en minfl: genegeú om aan haar te gedenken í^ 
Maar wanneer bet toneel veranderd is , iwanneer 'er ver^ 
legenheid en beoaauwdheid komt, wanneer men om-»: 
ringd wordc van gevaaren, enontroerd door vrees^ 
éian, en danaUeen^ begint men om Godsdieníl te den« 
ji.JDX£L.NO.i. £ ken^ 



! 



\ 



6á BB GODSDIElfSTIGB 

ken, kómt tot befef van die Magt, welke ons gb^ 
maakt heeft . fmeekt de befcherming van Gods voor« 
zienigheid af ^ en vliedt tot deszelfs goedheid , als zy- 
ne laatíle en eenige toevlugt. Zo veragt een baldaa- 
dige en veel gevierde Knaap de toegeeflykheid zyner 
Ouderefi, en rekent zis zelf niet verpligt door hunne 
goedheid. Maar wordt hy verfchrikt door gevaar , 
of gekweld ínet ziekte^ terílond roept hy hen tehulp» 
en vertrpuwt zig alleen aan hunne zorge, Hoe laag 
en iiegt is het, hoe onbetaamlyk voor onze redenly- 
ke natuúre, hoe onedelmoedig en ílrydig met den aart 
van eenen welgeílelden geeíF, geene dankbaarheid te 
betoonen voor de grootjle weldaaden ; te mnder gevoel 
te hebben van Gods goedheid, naar maate wy 'er 
meer van ondervinden; ondankbaarji te zyn voor die 
zegeningen , welke wy Stkmljl , en in den grootílen 
overvloed , genieten ; en , te gelyk , gereed^ te zyn 
om God te erkennen, als hy zyne guníten ons ont- 
boudt, en ons kaftydingen toezendt, gebeellyk op 
zyne goedheid vertrouwende ^ wanneer wy difegeheellyk 
verbeurd hebben ; Jtbcijlen te zyn , terwyl God zyne 
Begeningen op ons uicftort, en Godsdienjiig en vroom 
te worden, als Hy dezelven heeft weggenomen ! Hoe 
flaaffch, laag, en haatlyk is zulk eene gejleltenis ^ die 
^niglyk ^door vrees gedreeven moet worden^ en nooit 
áoor goedbeld te winnên is! 

, IIL Men lette nu, vervolgens, aan den andereit 
kant, op de.uitneemendheid en gelukkige gevolgea 
eener dankbaare geeílgeíteldheid, jegens het Opper* 
wezen. Gelyk ondankbaarheid de ondeugd is van on- 
edele gemoederen , en niet vallen kan dan in iaage 
en eigenbaatige geeílen , zo vloeit de dankbaafheid 
Van zel ve voorc uit een welgeíleld gemoed , en fchiec 
altyd wortelen en bloeit in een edelmoedig hert. Hoe 
meer goedheid iemand zelf bezít , hoe gevoeliger hy^ 
4oorgaans, zal zyn van goedheid in anderen, en hoe 
meer hy door derzelver invloed zal worden aange- 

daafl; 



DAMKBAARHEID. Cj 

daan ; hoe geftuiklyker en ílerker ook dankbaare ge- 
voelens in hem ontíleken zulJen worden , wanneer by 
bevindt zeJf daar van een voorwerp te zyn. Terwyl 
zy 9 in tegendeel , wier herten van edelmoedige grond- 
beginfelen en aandoeningen vreemd, en die zeheni 
van goedbeid beroofd zyn , wiUends blind daar voor 
zyn in anderen^ en dikwils poogen daar van kwalyk 
te ípreeken , en die te lafleren. Hiep yan daan , dat 
zy ongevoelig worden voor alle verpligcingen; en of 
geene dankbaarbeid bebben , of ti^gten bet befef yaa 
dezelve te verdooven, en 'er de banden van los te 
maaken , door de gunílbewyzen ^ die zy ontvangea 
hebben, eerder aan eenige andere beweegreden toe 
tefchryven, dan aan goedwilligbeid of edelmoedig^ 
heid. 

De uHwerkingen verícbillen zo zeer als de geeílge* 

Íteldbeden, waar uit ze voortk6men. Ondankbaar* 

heid gaat, gemeenlyk, verzeld met Nyd en Onver* 

genoegdheid: terwyl eene dankbaare geíleltenis, in 

tegendeel, allerbeíl: geíchikt is, zo om den menfch 

vrezenlyk genot te doen bebben van zyne eigerC byzondere 

voordeeien , als om bem in die van anderen te doen dee^ 

kn. £en ondankbaar menfcb denkt nooic dat God of 

meDÍchen iiefhebbend en weldaadig genoegy te bem« 

waarts , • geweeft zyn ; of dat by door eenige gunftbe- 

wyzen , hem gefabonken, onder verpligting is gebragt, 

zo lang hem eenigen onthouden worden. Hy is nergens 

dankbaar voor, om dat hy niet alles beeft. ín plaats 

vao *t gene hy zelf bezit te genieten , benydt hy de 

bezittingen van anderen* In plaats van zig gelukkig 

te agten dat de Hemel hem zo veel verleend heeft , 

is hy Dngelukkig^ om dat dezelve niet meer aan bem 

heeft geícbonken. Nooit kan zyn ondankbaai'e ea 

onvergenoegde geeft voldaan wezen , ten zy 't gant- 

fcbe Meníchdom zig voor hem wilde nederbuigen^ 

en hem dienen , en de Hemel zelf zyne ongemeecene 

fchatcen wilde uitputten y om bem alken te verryken 

E 2 . w 



68 DE GODSDIENSTIGfi 

en te zegenen , met uitfluitinge der geheele weereld 
buicen hem. Maar een menfch van eene dankbaare 
geeftgefteldheid is ligtelykt?aZál2an,en regt gelchikt om 
gelukkig te zyn. Hy febept vermaak in den goeden wif 
en dienft zyner medefchepfelen , zonder onrederilyke 
dingen van hun te verwagten. Hy geniet de gaaven 
der Godlyke Voorzienigheid, zonder misnoegenom 
't gene zy niet gegeven heeft. Hy is gelukkig in zyne 
eigën* voordeelen , zonder die vaiï anderen te beby- 
den. Hy heeft te fkeerfmaak in alle zegeningen , naar 
maate dezelven meer aan anderen gemeen zyn; en 
Heíchouwt Gods go^dheid met te grooter vermaak , hoe 
meer ze blykt doof de gantfche weereld verfpreid te 
wjezen , en zo uitgeftrekt als de fchepping zelve. In 
plaats van de Godlyke gunft en weldaadigheid voor 
zig zelven alleen te begeeren, is hy getroffen van ee- 
nedankbaare verwondering , dat een íchepíêl, we/fc 
20 iveinig te beduiden heeft als Ay, een voorwerp is der 
zorge en goedheid van een oneindig 'soezen; dat fey, 
midden in de ongémeetene grootheid en menigvul- 
digheid van Gods werken , en de ontelbaare verheve- 
ner en waardiger voorw^rpen van deszelfs toeverzigc, 
egter zulk een aanzienlyk deel geniet der Godlyke 
goedertierenheid ; en dat, daar de'behoeften en be- 
geerten van Millioenen fchepfelen, in verfcheidenlei 
ftáaten en weerelden , liit den voorraad der natuure 
vervuld moeten. worden , de elementen der weereld 
cn de geheele natuur rondom hem, ten zelfden tyde 
nogchans, zo gevormd zyn dat ze, op eene wonder- 
lyke wys ,ftrekken tot zyn eigen byzorider onderhoud en 
nut. Daarenboven , wanneer hy zig zelf befchouwd , als 
tot onfterflykheid gefchikt,en door*tevangelie verze- 
kerd wordt datGods goedheid tot het menfchlyk geílagt 
in *c algemeen , en tot hem in 't byzonder , niet zal éindi' 
gen met den doodj maar' onbegryplyik vermcerderdy en 
op oneindig verfcbillende wyzen genooten zal worden , in 
de onbekende geweften des onzigtbaaren en paalen- 
lool^en Geheelals ; dau wordt zyn herc veel meer uít- 

ge- 



DAKKBAARHEID* 69 

gebreid ^ en bezield met dé diepíle hoogagtÍRge voor 
de Godlyke goedheid , met de vuurtgfie dankhaarbêid 
voor 'c gene hy, tegenvvoordig, goeds geniet, en 
met de vrolykjle hoope op de toekomende gelukzalig* 
heid. Geene oyerdryvende wolken van tegenfpoed, 
geen donker vooruiczigt van naderende ziekce of 
dooc^, kan of zyne dankbaare herdenking van voori- 
ge gunftbewyzen, of zyne hoop op, eene eindelyke 
verloíBng en zaligheid , vernietigen. 

Om te befluicen; dankbaarheid is eene fcbuïd^ die 

iïk weldoener te eiíchen heefc , in evenredigheid van 

de voor-deelen, welken wy van hem ontvangen heb- 

ben, eii de goedguníligheid van 't oogmerk, waar 

mede h-y ons dezelven verleende. De gering/ie guníl 

verdient eene vergelding van dankbaarheid ; eii het 

bloote cogmerk om dieníl ce doen , afgezonderd van de 

daad^bchoon in dank te worden aangenomen. Waar , 

dierhalve , daadlyk voordeelen zyn toegevoegd , en 

wel van de aJlergewigcigfte en dierbaaríte nacuure ; 

waar gunften vermenigvuldigd en onophoudelyk ver- 

nieuwd zyn , allen fpruicende uic de zuiveríle goed- 

wilUgheid, en de wysíle zorge voor onzen welftand 

en ons geluk; daar wordt de verpligting tot dank- 

baarheid , naar evenredigheid , vermeerderd. De God- 

lyke weldaaden nu , dit is zeker, konnen uic ^«^ a»- 

J^ beginfei voorckomen, ádndat van volmaakte 

goedheid; en vervaccen, in gecal en waarde, alles, 

cn veel meer d^xn wy j met mog^Iykheidi van eenige 

andere Weldoeneren ontvangen.konnen. AUe de eer? 

waardigfte en bekoorlykfie Charakters onder de menfchen , 

gelyk die van Befchermer , Beftierder , Behouder , 

vriend , en vader , zyn in God , den opperften Oor- 

fprong alles goeds, vereenigd. Indien men dandank- 

baarheid verfchuldigd is aan eenen aardfchen weldoe- 

ner, of in vergeldinge van eenige gifcen, diemen- 

fchen konnen uitdeelen ; hoe veel meer aan Hemf 

wiens werktuigen zy zyn, die de geever is van alle 

dingen, de oorfprongklyke Auteur van alle heil, 'c 

E 3 zy 



70 DE GODSASKSTieE DÍNKBAARHEID. 

%y áootwelken perfoon of door weik middel ook toc ons 
oyergebragt. Niecs , díerlialve , kaa ons meer betaa- 
men, ofmeer totoos voordeel en geluk toebrengen , 
dan eene dankbaare genegenheid in ons aan te kwee- 
Jcen tot bet allerbeíle Wezen , ír vergeldinge van de 
ontelbaare en veelerhande blyken zyoer goedhetd te 
onswaarts , en als ons ge/cbikt maáketáe tot net OBtvan- 
gen van meer en voorireflyker uitwerkingen zyner 

furfte. Hier toe worden wy opgewekc, niet alleen 
CKir een befef van pHgt, maar ook door de banden 
dernatuure, de aanfpooringen van edelmoedigheid , 
bet vermaak welk een dankbaar gemoed verfêhaft, 
en de hoop op gelukzaligheid. 

Laaten wy ons dan dikwils herinneren, en dank> 
baarlyk roemen , de onafgebrokene reeks der talleloo- 
ze uiEwerkfcIcn van Gods goedheid, jegens ons in *t 
byzonder, eo bet menfchlyk geÚagc in *t aJgemeen. 
Laaten wy , geítadiglyk en blymoediglyk , onze fchac- 
ting van hulde , aanbidding en dankzegging , aan on- 
zen gemeenen Schepper en Weldoener In 'i openbaar 
betaalen. Laaten wy den Heer groot maakent en zynen 
naam te Jamen verboogen. Laaten wy Hem danken , en 
zynen heiligen naam pryzen. Laaten wy onzen Cod lof 
zingen , en Hem verhoegen in de gemeente des volks. Laa* 
ten roy voor den Hette zyne goedertierenbeid looven , en zy 
ne wonderwerken veor de kinderen der menjchen. En laat 
elk tot zig zeif zeggen , met ongeveinsde en vuurige 
dankbaarheid , LoofdenHeeTi myneziel, envergeet gee* 
nen van zyne vxldatáen. 



VRY. 



V R Y M O E D IG E 

A E N M ERKINGEN 

OVER D£ 

NEDERDUITSCHE 

WERKEN EN SCHRIFTEN, 

die onlangs uitgegeven 2yn. 



Het keven Gods in des Menjchen TJele^ en FerhanJeling van Jen 
aanvang envoortgang van ket geefieíjke leeven. Aíet een Voor^ 
rede van den Eervjaarden Heere Gilbert Burnct, Bijfchof van 
Sarum. Votgens de negende uitgaave uit bet Engelfch vertaald, 
TJf Botterdam^bj Jakob Burgvlict, MDCCLXL Behahe de 
Voorrede en den Inhoud i88 éf/adzfden in groot oSavo. 

ê 

DE booggeagte Burnet hecft deze twee Trafbaatjes , ieder van 
ene byzondere hand gífchreven » met ene lezcfiswaardige 
Voorredcn vereerd,* waar in hy op ene nadruklyke wyze voor oo- 
geo úeït, hoe zeer ecn Chritten verpligt zy, zyn gedrag te rígten 
nuar dc Wetten van 't Evangclie» dat by betuigt gelovig te. om- 
belzen : het welk syn Eerwaarde inzondcrheid kragtig aandringt, 
uit overweging , dat dit de enigíle bewysrcde is, die ons nog ont- 
brcekt, om de Waereld te overtuigen van de waarheid van onzen 
Godsdicníl ; en dat zodaníg een gcdrag het bcfte middel is , om 
den mond velcr Vrygceílcn te Qoppen. Ter bevurderinge hier 
van oordeeide onze Godvrugtige BiiTchop *t niet óndienílíg te 
zyn,dat deze Traélaatjes hct licht zageu; als ílrekkende dezelven 
gfootlyks tot aanfporing van , en tot behulp in een Gedsdieníli- 
gen wandel, als uit hunnen inhoud ten duidciykíle is af te nemen* 
De SchrjTver van 't eeríle ^Traétaatje verdeelt zyn eefchrift in 
drie Leden ; handejende eerd over de Noiuur en Eigerjcbappen van 
den Godsdienji , vervolgens ovcr dcszeifs Uitmuntendbeid en Voor» 
deelen^ en eindelyk over. de bulpmiddeltn tot een Godsdienjlig lee* 
ven. Met den aanvang van 't eeríle Lid maakt hy gewag van 
verfcheidene misvattingen wegens den Godsdieníl, toont vervol- 
gens waar in dezelve wezeniy& beílaa , en dat men dien met regt 
mag noemen bet leeven Gods^ oí bet Godlyke leeven in des menjcben 
Ziele, als zynde de Godsdieníl, een inwetidig vry , en uit zig zel- 
ven bewegend grondbeginjel , dat duurzaam en bejlendig ís^ betwelhf 
deor de kragt van Gods Heiligen Geejl in der menjcben zielengewrogt 
zynde, ben kragtig gencigd deet zyn tót bct goede, en vcrmaak doet 

E 4 Jcbep^ 



72 VKTMOEDlCe AEKXERKINeSN. 

fcheppen in *t ketragtm iaar van ^mzoier Gêdlyke wáure deei$gtigiê 
nDêrden, doorene ^elykaartigbeidaanzyne volmaaítbeden, Om dit denk* 
beetd ce kiaarder te ontvouwen, zo doet de Schryver zien hoe veel dit 
ieven Gods « of 't waarlyk Goésdienftig ieven , (gelyk hy zích , onzes ag- 
tens » klaarder uicgedruk t zou hebben , ) verfchilt van *t natuurlykeM' 
ven; wat onderfcheid 'erzy taíTchenden warenGodsdieDÍl, dieuit 
xulk een werkend grondbegfnfel ontftaat , en den zogenaamden 
Godsdien(l,die flegts van uitwendige oorzaken afhangc, en waa^ 
in de têmperamenten der menfchen den grootften invloed hebben, 
Hier op gaat hy over cm dit Godsdienllige leven nader Ce onti 
vouwen , als hebbende cot een grondílag het Geloof^ en zynde de 
voornaamíte takken daar van , Liefde m God, en m den Naafteny 
Zuiverbeid en Nederigbeid; welker natuur hy, in 't voorbeeld vaa 
onzen Zaiigmaker, cen duidelykíle openiegc In gevolge dezer 
boofdverdeelinge doet onze Schrvver, in *t cweede Lid, ten na- 
'druklykíle zí^n , hoe uitmuntend de betragtíng dezer deugden , di« 
'c wezenlyke vanden Godsdieníl uítmaken, zy; en welke vooi- 
deelen aan dcrzelver handhavinge verknogt bevonden worden. 
Hier aap hegt hy eiqdeiyk ,ín 't derde Ud,ene klare voprftelling 
^n kragtigen aandrang der hulpmiddelen,die ílrekken konneater 
bevorderinge van ecn Godsdienílig leven ; zo in 't afw^ren van 
verkeerdc overleggingen , als in 't vcrkrygen en beveftígen van 
ene gocde gemoedílalte » fn *t algemeen » en *t betragten der bo- 

vengemelde deugden in 'tbyzonder. In ditganfche gefchrifc 

ílraalt ene manlyke Godsvrugt door > die den Schryver den Gods* 
diend heeft doen voorflellen , op ene redelyke en ultlokkendc 
wyze , die in min en meer gevorderden dienílig kan Wezen ^ zo 
dat ieder Lezer daar uit wtísenlyke vrugten konne trekken. 
• De Schryver der hier aangevoegde Verhandelinge , over dcn 
aanvang en voortgang van bet geeftlyke Leven^ betoont niet minder 
dan de voorgaande den Godsdieníi regt ernftig ter barte te ne- 
men ; naa een kort berigt rakende de werkíng van Gods geeft , 
die men , gelyk hy fchryft, beter kan>gevoeIen dan daar van fpre- 
ken,geeft hy ene breedere omfchryving van den menfch in z)iien 
ftaat van onnozelheíd , in zynen gevallen en wedergeboorenftaat: 
en meldt hoe de beginfelen der Wedergeboorte gemeenlyk werfc- 
zaam zyn , en wat men in agt heeft te nemen , omtrend dé gevoe- 
lige angften , en vreugden , die in den aanvang of voortgang der 
Wedergeboorte plaats bebben. Onze Schryver drukt zich hier 
omtrend,als mede in 't vervolg,over de letding van GodsGeeft, 
uit , op zodanig ene wyze, als de befcheidenften van hun doen, 
díe deze foort van denkbeelden voeden , omtrend een by uitne- 
mend bevindelyken Godsdienft : aangezien nu deze denkbeelden 
niet bepaald zyn in Gods Woord , door rcdenering niet nagegaan 
^onnen worderi , op bevinding fteunen , en die bevínding zeer 
Verfchillend is , naar *t onderfcheidene hartstogtlyke geftel des 
menfchen , zo konnen wy ons over de denkbeeiden van onzen 
$chryver in d^en niet bepaldlyk uitlaten ,^ dan i^Uecn met te 

yeg- 



VRTMOEDIGE ASKMERXXM6SN. 73 

Tcggen; dát hy zich deswegens .zeer zedig en gematlgd uitdrukt. 
VooT 't overige behelít zyn Gefchrift doorgaande zeer nutce leeí- 
rcgelen, raadgevingen en behoedmiddelen , die by op eneduide. 
iykc manier ontvouwt» en ten emíligíle aandringt,* tonende in 
verfcheidene opzigten« dat hy een bekwaam Leidsm^n is op den 
wegder Deugd: van waar deze Verhandeling. mtt enige voop* 
zlgtigheid , omtrend het toegeven der verbeeldingskragte , waar 
tegen ook onze Scbryver den Lezer alleszins waarfchouwt, bof 
nevens hec voorgaande Gefchrift, met een algemeen nuc geleeen 
kan worden* Wy zuUen, tot ene byzondere proeve van den ílyl 
en manier van denken onzer Schryveren, enige hunner overwe^ 
gingen > rakende de werkzaambeden der natuurlyke neigingen , 
aan 'c tot dus ver gegevene berigc begten* 

De Schryver van *t eeríte Traébiatje aangemerkt hebbende, dat 

de menfchen door een natuurlyk beginfel langs zeer verfchiiiende 

wegen gevoerd worden» wil dat een ieder daar op nauwkeurig agt 

geve; op dat by zich niet godsdieníliger wane dan anderen, ter« 

wyl 'er ondertulFchen geen onderfcheid plaats heeft, dan 'tgeen 

uit bun natuurlyk geílel voortfpruít. S$mmigen, zegt hyy zyu 

levendigt vrolyk en hs van inbêrfl , *t nvelk bun gedrag buitenfpori^ 

en befpoílyk maakt terwyl anderen natuurlyk emftig , bedaard en ge^ 

ftreng zyn^en bungebeele gedrag bekleed is met zulk eene deftigbeid^ 

als hen grooten eerbied en agtinge verwerven daet, Sommigen zyn van 

2ulk een eigenzinnigen^ korzelen^ en gemelyken aartj dat zy nocb 

xelvon ergens in bebaagen fcbeppen konnen , nocb verdraagen dat een 

ander bet^doe, Alle menfcben , egter^ zyn met zulken ftuurfcben en 

ongelukkigen inborft niet geboren : want anderen bebben zekere zoet- 

beid en goedaartigbeid in bunne natuure ingeivorteld , voaar door zy 

betgrootfte vermaak vinden in de bekoorlykbeden der gezelligbeid; en 

de onderlinge gedienftigbeid nevens bet invoendig genoegen dervfiend" 

fcbap ; terujyl zy niets zo vuurig begeeren , dan een ieder aan zig tt 

verpligten^ Dit (laat gelyk met de natuurlyke gevolgen der op* 

voedinge, zo als hy verder fchryft* Sommigen bebben nimmer ga- 

leerd eenige andere regels te volgen , dan die van vermaak of vooT' 

deel : terwyl de in agtneeming der ftrikfte regelen van gevoeglykbeid 

en eere , wederom^ aan anderen zo diep is ingedrukt, dat zy naauw» 

lyks inflaat zyn om iets te verrigten, dat men bun gewend beeft als 

kag en onbetaamelyk aan te merken. Zodanig een natuuriyk onder- 

fcheid merkt hy vervolgens aan , heeft 'er ook plaats , naar gera- 

de der ílerkte of zwakheid, het gebruik of de verwaarlozing van 

't vernuft of oordeeU Wanneer de eigenliefde niet ondcr de magt 

van den Godsdieníl ílaat , noch door de rede beíluurd wordt » 

vervoerc ze den menfch vee! al ter ondeugd; maar zo ze de rede 

aangrypc , vernuft en oordeei in haar belang krygc , doet ze hem 

de deugd navolgen : hy leefc mattg om zyne gezondheid te bewa- 

ren , en*regtvaerdig; om zyn crediet ílaande te houden, ook kan 

hy laogs díen weg nog nader komen aan de tekenen van Gods* 

iUeníligheid* DU natuuriyk beginfel kan hem,zegt.QnzeAu6teur, 

E 5 aati' 



74 VRYMOEBIGE AENMERK INGEN. 

0an/pooren tot een vlytige orfening in de Godlyke 'ivaafbeden: 'vnmt 
waarom zeuden deeze niet zo vteí als andere befcbomnelyke weten' 
Jcbappen aangenaam en vermaaklyk vaezen konnen voor weetgierige 
en onderzoekende geeften'i Van hier kan Jiy , gelyk onze Aufteor 
verder meldc, een.yverig voorftander worden van de gevoelens 
«eoer gezindheid, en vermaak fcheppen iu 't horen en opíleiien 
van Godsdienílige redcnvoeiingen : ja by kan hier door geraken 
tot geen geringe hoogte van hertstogclyke Godsvrugt; de voor* 
llellingen der hemelfche geJukzaligheid konnen zyn gemoed ont- 
joereUy en zyne hertstogten gaande maken. fVanneer zulk een, 
gelyk onze Schryver zegt , komt te gekcven , dait Cbriftus deeze 
teerlyke dingen voor bem beeft verworven » kan by vfel zeker fmt 
van tederbeid en genegenbeid gevoeUn tegens zo groot een v^ldoener^ 
^ terwyl by al dien tyd ontblóía en onkundig blyft van de beilige ge* 
moedsgeftalte en geeft van den gezegenden Jefus. ■ Deze za- 

ken zyn, naar 'c oordeel van onzen Auéi;eur,.niet af te keuren» 
Biaar men moet 'er zich niet op verlaten , en *t Godsdienll noe- 
men » daar 'c alieen beílaat in de werkzaambedeD onzer natuerly- 
ke dciften. 

£n 't is te nodiger hter op agt te geven, om dac^.gelfk de 
Schryver van 't tweede TraéUatje aanmerkt, hier uit ligtlyk een 
zogenaamde Godsdieníligheid voortfpruit , die zich , naar mate 
Tan onzen aarc en inborÏÏ, bepaalt, aan *c handhaven vau zekere 
pligcen , terwyl we anderen , die van geen minder gewigt zyn , 
onagtzaam verwaarlozen. Dus zyn fommigm , zegc hy , zeer fiipt 
in 't waarneemen bunner vafieadagen en uuren van godsdienftige af- 
MondeHnge, en zyn egter ners^ kwaadaartig ^ en niet mededeeizaam 
tegens de beboeftigen. jínderen zyn zeer yverig in *t Vúorftaan van 
zekere gevoelens , docb niet zagtmoedig , nocb nederig van berten, 
jinderen zyn zeer zorgvuldig en naarftig omtrent uitw^ige verrig* 
tingen : maar verzuimen inwendige beiligbeid en zuiverbeid des bet' 
ten, Zy , die van eene oploopende geefigefteldbeid zyn , waanen dat 
xe zeer veel belang neemen in God en zyne Eere , wanneer bunne 
berten vervuld zyn met eene gepafte verontwaardiging tegen alle 2(W- 
de en goddeleosbeid ^ ten minjien tegen zulke zonden , als ftrydig zyn 
met bunnen inborft : en in zo verre is dit goed : maar indien die ver- 
antwaardiging niet algemeen 2y , mg in evenredigbeid gefcbikt naar 
de meerder of minder fnoodbeid der zonde, ofindien zy ben vervoert 
tot woedcy baat en wreedbeid tegen de daaders van zulke bedryven, 
%o is dit eene groote buitenfpoerigbeid , die veele kwaadt uitwerkjels 
kan voortbrengen. Anderen , gelyk hy verder mcldt , van een 
drbefgeeftig temperament ftellen veel ligt allen Godsdienft in 
naargeeftige verrigfíngen ; hunne ongelukkige gefteldheid voedt 
ileeds gcdagten van dien aart; zy vermydcn ftuerfchlyk de vcr- 
keering met menfchen»en zyn van daar nalatlg inde pligten, die 
^eswegens betragt behoorden te worden ; zy beleranieren hunnc 
cigene vordering , bederven de vreugde , die anderszins in hun 
^evonden zou worden, vervalien ligt tqc Hypochondrie, en ílaan 
. . , over 



VRTK0CPI6£ AENHEKKINGEN. 75 

6vér tot ergcrlyke uicwerkfeíen, die den Godsdienft baatlyk en 
befpotlyk in veeler oogen doen fchynen. Jeder Godvrugtige moeê 
zig derbaiee , gelyk onze Schryver zegt» hdven al^ zorgvuldig oe- 
fenen in de kennis van zyn eigen aart en geêftgefteldbeid, en zig nM 
de uiterjie eplettendbeid wagten voor alle zulke dingenj die al te zeer 
ftrekken tot involging van zyne natuurlyke geneigdbeden , dewyl 't 
gemákkelyk te begrypen is^ boe ligt hymisleidf en^ ongevoelig^ tet 
iets verkeerds gebrigt kan wordeny door eenig dwig^ welk voor die 
neigingen bebaaglyk is. 



Het Lewft Vém JuffreuiJúe Sidmy Bidulph uit haare eigenhanAp 
áumtekeningen epgemaakt. Uit het Engeljch vertaald. leAmftet^ 
iam^by S. J. Bsutlde^ io8 hladi^. in e&avo. 

Biflorie va» Juffrouii) Sidney'Bidulpb^ uit etgenhandige Gedenk' 
Jcbrtften by een verzameld. Vit het Engelfch vertaalt, ifie Deel. 
ifie ftukje. Te Amfierdam , A/ Kornelis v2n Tongêrlo. 
MDCCLXI. in eaavo ij6 bladzyden. 

T "Tlt de wederzydfche Berigten, voor deze onderfcheidené uit- 
^ gaven van 't zelfde Werkje gepIaatH; , blykc het , dat de 
twee bovengenoemde Heeren Boekhandelaars met elkandereh 
oneens zyn over 't regt van uitgeven , dat leder ílaande houdt te 
bezitteo , terwyl hy den anderen befchuldigt van onregtmatig- 
beid; doch dit is een verfchil dat ons niet betreft, en daar onze 
Lezers over 't algemeen geen belang in hebben : de grote vraag 
is by ons maar» ia het Ihikje lezenswaardig , en wclke uitgave 

beeft mcn voor de beíle te houdqn ? r Met opzlgt tot bet 

eeríle antwoorden wy , dat deze Híítorie of Levensbefchry ving 
met regt geteid mag worden onder die zedekundige liomans., 
welkemet vermaak en tot nut gelezen konnen worden : dezelve Is 
gefchreven in den fmaak van de Pamela , ClariJJa en Grandifon ; 
het beloop der gefchiedeniíre is natuurlyk , de charáders zyn gé- 
meenlyk zeer wel getroffen , en de zedeleer is zuiyer en welge* 
grond, het grote doelwit is den Lezer onder *t oog te brengen, 
hec voorbeeld ener deugdzame doch ongelukkige JuíFrouwe indit 
leven ; ten fpiegel , om daar ult te leeren regtmatig te oordeëlen 
over de wiiTelvalIigheden in dlileven; en onze gedagten nlet te 
bepalcn binnen dit tydbeílek , maar uit te ílrekken tot dien dag , 
wanneer áen deugdzamen en ondeugdzamen , (hoe ook hun lot 
op deze waereld geweeíl zy , ) vergoJden zal worden naar hunne 
werken. Deze fchryfwyze , die enigerniate afwykt van de gewo- 
ne fchikkíng in fchriften van dien aart,daar gemeenlyk de Deugd 
beloond en. de Ondeugd geílraft wordt in dit leven, verdeedií^t 
.de Uitgever kort en bondig , in zyne Inleiding voor dit werkje , 
waar in hy den Lezer een klaar deukbeeld geefc van zyn bedoel- 

de» 



76 TRTMOEDIGE ▲ENMBRRINGEIC»/ 

de, ter ophelderioge van dit zyn Gefcbrift. By de uítgave vaa 
een volgend ílukje zullen we veeilígt den Lezer nader verfíag 
van den inhoud geven, om hem de nuctígheid van dit werlije on- 
derfcheidenlyker te doen zicn. — Betreffende nu het tweede 
Lid van 't voorgeílelde, hier op moeten wy antwoorden, dat de 
uítgave by den Heer Tongnlo beter te agten zy« dan die by den 
Heer Baalde, Behalve datde letterdruk zindlyker, de taal nauw« 
keuriger zy« en de bovengemelde Inleiding, zo noodzaaklyk ten 
regten verllande van des Schryvers oogmerk, in dit ílukje ge- 
vonden worde, daar dezelve in dat van den Heer Baalde ont- 
breekt , zo ontmoeten ons in de vertaling by Baalde ongelykmeer 
en groter misílagen , dan ons in die by Tangerlê voorgekomen 
•zyn. Geen Vertaling zeker Is ao volmaakt . dat een ander daa^ 
.in gecn misflagen vindt» of ton minfte zynes oordeels agt te yln- 
deu ; doch hít r omtrend heeft doorgaans ene ledelyke verfchóo- 
ning plaats; maar de Vertaaler van dit ílukje , by J^aa/i^ uitgege- 
ven» begaat misílagen die niet wel te verfchonen zyn; als voorc- 
fpruitende uit ene zeer verre g^ande onoplettendheid , of onkun* 
*de, zo in de taal als in de zaak zelve. Wy hebben ons verpligt 
geoordeeld 'onze Lezers des aangaande te waarfchuwen: mien zie 
uit vele voorbeelden, díe wy te berde zouden kunnen brengen, 
de volgende , welken ifi dit gevai geno^gzaam zyn, 

„ Ik wou wel dat Heer George hem niet alleen gelaaten had , 
,, maar dat ze te zamen te Londen gekomen waren ", (p. lo.) 
Ís ene vertaling van *t Engelfch, (p. 25.) / wisb fir Georg& bai 
kept tbe account of bim to bimfelf^ till be returned to Londên again , 
dat is, volgens de andere vertaling, (p, 12.) „ Myn Hecr Geórg, 
„ kon het verhaal ook wel by zich gehouden hcbben , tot dat hy 
„ te Londen wedergekoomen was. 

„ Men wil dat gyu zult verbeeldcn. dat hy zoncderig is ", 
(p. II.) is voor 't Engelfch (p. 27.) Tou would imagine bim fi 
bumble; in deandere venaling, (p. 15.) ^, Gy zoudt hem zone< 
,f deríg aanzien. 

„ Myn Moeder heeft hem dikmaals gemeld dat zy hem ver- 
,, wagtte ", (p. 13.) is voor 't Engelfch, (p. 29) My mother 
bas mentioned bim feveral times; in de andere vertaling Tp. 17.) 
„ Myn Moeder heeft reeds vcrfcheidene maalen van hem ge- 
„ fprooken. 

„ Dat de Minnegodt aan jeder houding die hy maakt de vcn 
„ eifchte tegenítand geeft *\ (p. 14.) is ene overzetting van *t 
Éngelfcb, (p. 32.) and tbai everyfeature bas its attendant Cupid; in 
de andere vertaling, (p 19.) „ en dat ieder trek van zyn gelaat 
„ deszelfs gedienílige Cupido heeft. 

Dat ik (die íl?iat gemaakt had van onder een geftadige ver- 

warring te zullen moeten wezen)door zyne onbedvvongenheic, 

fchier geheel buiten houding geraakte geduurende het gantfche 

bezoek '* , (p. 21.) is voor 't Engelfch , (p. 42.) tbat I {ivbofup* 
fofed I muft bave funk *txfitb downrigbt confufion) veas bardly difcon- 



>* 
9» 






ï 



VRTMOEDIGE AENMERKING ETK 77 

etfted dufing tbe nvbole vifit; in de andere vertalíng, (p. 29.) „ dac 
„ ik(dicmy verbeelddefeenemaalbereuterdtezullen zyn) naauw- 
„ lyks eenigziTis oiithutzeld was , geduurende 't gantfche bezoek. 
In deze aangebaaide plaatfen , (efi der-gelyken zyti *er verfcheiden ,) 
toont de t*zamenhang in 't Nederduitfch genoegzaam, dat 'er een 
grove lïiísflag in de vertaling zyn moet; en nog uieer komt ons' 
dk voor ín enkele woorden of benamingen: agentleman, {een 
Jíefr),) is hier een Edelman ; fenjible {vêrjiandigy ) goedaartig^teer^ 
lartig; St. James *s fquare (5í. Jamesplein^ ) bet kwartier van St, 
James;fober people (zedige menjcben, ) burgers; a di/ingenuous girl 
(m geveinsde deem , ) een onge^einsd haft ; aukwardjigure (averecbts 
ígtiur) uiterlyke bouding , en meer dergelyken , wier melding ons 
in 't fchryVen , en den Lezer in *t lezen zou vervelen. 



I 



Vervolg Vátfi hef Berigt ffan Pjfieren ^ rakende ek za£Í van dem 
Heer van Haren. 

N ons voorgaande ftukje (j) een Berigt gegeven hebbende van 

(iePapieren, welken ons, met opzigt tot de bewuíle zaak vau 
^^xíEqqt van Haren , tot op het drukken van datBlad, ondcr 't 
ooggekomenzyn,zozullen onze Lezers ongetwyfeld verwagten, 
dat we dit op denzelfden voet zullen agtervolgen : om hier aan eni- 
germate te voldoen , zuHen wy , met eeix kort woord , nog melding 
mken van'tgeen ons vervolgens deswegens is voorgekomen ; als 
z^nde cne breeder ontvouwing dier papíeren onnodig , aangezicn 
te raeerendeelss niet lezenswaardige gefchriften zyn. 

Beba/ye den iiadruk van de zo zeer gezogte DeduBie van den 
fíeer van Haren, zag men eerlang, om den Lezer tot minder prys 
te geríeven, ecn Extra^ of Uittrekfel dier Dedud:ie in 'tlicht , mids- 
gaderSjOm het geval nog korter onder *t oog te brengen , een na* 
druk der Memorieele verklaaringe van des Deducents jongíle Dog- 
ter,uitbovengemeIde DeduUie getrokken , a!s welkede wezenlyke. 
inhoud der DcduQie in zich vervat, welke papieren den Lezer, 
dien'tniet geluUtc de brcedvoerige DeduStie te kopen , en tedoor* 
bladeren, genoegzame onderrigting aangaande dic geval van de 
z^de van den Heer van Haren konden geven : hier by kwam nog 
iií 't vervol^ van tyd een papier, getituleerd,í/e Vader ortteert door 
^neigen kindereh ^maar geëert vafi alle welmeenende Nederlanderen ^ 
J;et\velk niet andersbehelsdc, dan een baatlyk partydig uittrek- 
lel van enige byzondcrheden, in de DeduUie gemeld, om de con- 
tra.party van den Heer van Haren ten toon te ílellen. 

Inmiddels had reeds het Hijlorifcb Ferbaal hct Jicht gezien, en 
was ene Publicatie van *t Hof deswegens afgekondigd, en alomme 
verzonden, gelyk in ons vorige Berigt gemeld is;in g{evoIge waar 
Van ook vervolgens door den druk gem^en virerden gemaakt , Ex- 
traSen uit bet Regijler der Refolmien van de Hoog Mog. Heeren 
^faoten Generaal der Fereenigde Nederlanden\ van 22 Juny; behel- 
zende de reden ván verbod van bovengenoemde geíchrift, híer 
m beílaande, dat, boven veele acmjlootelyke exptejjien Ín iet belaop ' 

(t) Zie xfto deel bl. 955 — y^ft. vath 



7S VRYUOCDIGE ABNM&RKIN6£K# 

van bet geheele Stuk^ 0p bet einde gevondeA wierd een periode^ ten 
boogjlen injurieus en infolera voar de Fergadering van baar Hoog Mo» 
gendCj foo wl als voor den Heer Hertog van Brunrvuyk^ infimuleem 
rend^ booggemelde Heer Hertog , van de faak van den Heer Onno 
Zwier vao Haren niet beboorlyk onderfogtj nog met de vereifcbte am* 
fif^tigbeid bebandelt te bebben , bet geen vervolgens ook van applica- 
tie wierd gemaakt op baar Hoog Mogende^ die den Heer Hertog voor 
deszelfs iever en goede conduite in deefen gebouden ^ badden bedankt^ 
defelve allejints hudeerende en approbeerende. In beantwoording 
van *t Hilíorifcb Verbaal kvvamen. kort daar op twee gefcbriften 
te voorfcbyn ; de Regtvaardige Geeffel en Neirlands Antwoord : de 
Schryver van 't eeríle behandelt zyn onderwerp zeer raillant, en 
voert niets wezenlyks uít, dan dat hydeu Hiílorie-Scbryver voor 
een onbekwaam, árifdg en partydig menfch verklaart; terwyl hy 
zelf geen byzonder réde beleid en merkelyk drift in zyn papier 
doet doorílralen. De tweede fpreekt op een ernflígertrant; doch 
zyn geíchríft is , ten aanzien der zake zelve, van niet meer bete- 
kenis dan 't voorgaande, en de Schryver weydt breedvoerig uít 
over zaken die tot het onderwerp zelve niet doen : ftrekkendebci- 
de deze gefchriften meer, om den Hiílorie-Schryver in een be- 
fpotlyk licht te (lellen , of als iemand van een flegt charaéter af te 
malen, dan wel om de zaak zelve op te helderen. 

De uitgegevene DeduBie gaf ondertuíTchen gelegenheid aan *t 
drukken veler Schriften , buiten die, waar van in tvoorgaand» 
reeds gewag gemaakt is. De Heer Hend. van Beeftingh gaf ene 
Memorie over , aan de Ed. Groot Acbtbaare Hseren Éurgermeefieren 
der Stad Rotterdam , die ook door den druk gemeen gemaakt werd: 
deze ílrekte ter afwering van ene nadeelige interpretatie, diege- 
maakt mogt worden, van zeker gezegde in de DeduQie^ als had 
gemelde van Beeftingb een paar pragtige OreiIIetten vercerd,aan 
de Dogter van den Heer van der Duffen^ uit inzigt van, of met 
betrekking tot deszelfs voorfpraak by hare Koningl. Hoogh. Gl. 
Ged. , om zitting tc verkrygen in de Vroedfchap van Rotterdam. 
Op deze Memorie volgde een gefchrift; getituleerd, PFel gepaft 
Antwoord op de Memorie enz. , waar in dieSchryver metdezeM. 
morie railleert, en aanmerkt, dat de HeexvanHarenyln 't bedoel- 
degezegde, zodanig ene verkeerde verdenking geenszins aan- 
duidt. Men drukte omtrend dien tyd ook ene Redenerende Mis* 
fi^^ > gefcbreven van een voornaam Heer in 5. . . . aan een zynerFrieiP' 
den te Hotterdam; waar in die Heer te kennen geeft, dat hy, de 
Deduélie overwogen hebbende, hetíluk ter wederzyde aanmerkt 
als em dolle rafernye f waar omtrend men zich kan uitlaten door 
*t maken van giffingen ; doch dat.het zelve niet wel te ontvouwen 
is , zo lang men geen duidelyker berígt heeft van de beweeg oor- 
zaaken van dit alles,' dat de zaak zclve, hoe 't ook zy, waar- 
fchynlyk in regten niet uitgemaakt zal konnen worden , en niet 
din tot oneer der wederzydiTche partyen za! konnea ílrqkken. Hler 
by kwam een gefchrift, .dat volgens den titul bepaalder ter zake 
fcbeeo > behekende Oordeelkundige en Onzydige Gedagten over bet 

Gt* 



VRYM0E0I6S AENMERKXN6EN» 7P 

Gefcbríft door Jr. O. Z. van tíaren getekefid;w2LSiT in bedoeld wordt 

át fpreekwyzen, in dat gefchrift voorkomende, nader te verkla- 

ien,.en daar uit af te leideu, dat dit Gefchrift niet aan te iner- 

ken zy als een Chartebel , maar ten miníle zo veel doct , d'at de 

Hcer van Jíaren genoodzaakt fchyne den dwang, waar ván hy ge- 

wag maakt, te verifiëren, eer de Bcfchuldigíng bewezen behoeft 

te worden. Vervolgensgaf men ook nog in 't licht, EenigeFraa- 

fren, den Heerejr, O. Z. van Hiren voor^ejleld; getrokken uit zyn 

Edelbeidts DeduSlie : deze vragen, ten getale van acht en tvrintig, 

gaan over zodanige zaken, die in de gefchicdenis, volgens het 

heloop áer DeduQiet enígermate vreemd voorkomen ,* midsgaders 

over enige voorftellingen in de Dedutlie en handelingen van deo 

Heer van Haren , daar in vermeld , welken zich , buiten nadere 

onderrigting van den Heer van Haren of zync Familie, niet ge- 

reediyk laten verklaren : alle deeze vragen zyn wel niet even ge- 

wigiig; doch over 't algemeen genomen zyn ze redelyk bepaald 

tot het duiílere in dit onderwerp,enverdicnen fpeciilatie; zodat 

dit gefchrift genoegzaam 't aanmerklykfte zy onder die Schriftcn, 

welke bepaaldlyk betrekkelyk zyn tot de DeduSlie. 

Voor 't overige zyn ons etlyke papieren ter hand gekomen , die 
in *t gehéel nlets ter zake doen, en waar in veelal de onkuisheid, 
lallerzugt of partyfchap dermate de hoofdrol fpeelt; dat ze geheel 
te verfoeijen zyn. Van dren aart is het Antwoord van *t Publicq^ 
cn de ínvallenae Gedagten , op enige brieven , in ons voorgaande 
Berli^t aangeduid : als mede de Klagte van Cyrinas en de Ecbo of 
WmWank op. dezelve , midsgaders de MiJJive van Remarque , de 
Pero en Tullia^ met de nevensgaande Aanmerking^tn *t Onteerend 
Kinderverraad j met de Parodte op bet zelve : allc Schriftcn, die 
geen verdere aanmerking verdienen. 

Het verfpreiden van zulk eene reeks van papieren, van onder« 

fcheidene foort, deed inmiddeís andere Schryvers hunne pennen 

fcherpcn, om daar mede den fpot te dryven,of dit tcgcntegaan. 

Van bier zag men in druk een Mondjiopper^ oïiets voor allen;een 

gefchríft , dat niets behelsde dan ene algemene betuiging tot lof 

vanden Heer va» i/aren , ene opteUing van enigen dier uitgcko* 

mene fchriftcn, en verklaring dat die Heer ongetwyfeld geen agt 

zal ílaan op alíe zodanige papieren. Menbragt ook voor dendag 

cen Smeekfcbrift aan den Heer O. Z, van Haren , en derzelver Voor' 

en Tegenfcbryveren; behelzende ene ernftige vermaning tot Vree- 

deen Eendragt. Vervolgens vlogt men DíV/&í*ttn^ígff Lflttwr^rafif - 

fen voor de Voor- en Tegenfcbryvers : dit is een redelyk wel opge- 

iteld Dichtftuk, waar in het mecrendeel dier Schriften opgeenon- 

aartige wyze gehekeld wordt. Men vierde ook de Plecbtige mií- 

vaart van de meejle Gefcbriften , aangaande den Heer van Haren , 

met aan te merken dat ze van zo weinlg of geen betekenis zyn, 

dat men derzelver Schryveren, en zelfs ook den Schryver dezer 

Uitvaart , wel moge toevoegen : 

Taifez vous fi vous n'aimez mieux parlerl 
tt Zwygd liever zo ^ nlet aoder^ tezeggen hebtl'* 



\ 



SO TRTM0EDI6X AENHfi&KINGEKré 

Dít zyn, zo'veel ons bewuft ií,alle de byzondere Schriften» 
díe over dit onderwerp, tot op de daar aan volgende Pú&/»c^f> 
zyn ukgegevcn : wy hebben ons ío derzelver melding niet ftipc 
bepaald aaa de tydorde, in welke zy 't lichtgezienbebben,maar 
ons die fchikklng voorgefteld, welke ons de kortíle en gelelde- 
lykíle fcheen: en wy twyfelen nict, ofeen ieder,dicbeIoopdier 
Schriften nagaande, en uit het gebeurde aíleidencle warmenin't 
vervolg deswegens natuurlyk had te verwagten , zal gereedlyk het 
gedrag van 's.Lands Vaderen , ter ftuitinge hicr van gehouden, 
goedkeuren en pryzen. Ilet Hof van Holland, Zeelanden Vríe- 
fland naamlyk heeft ene Puhlicatie doen afkondigen enaffigeren, 
van dato 8 July 1761, waar in het voorfz. Hof verklaart, ma 
r^pe deliberatie goedgevonden te bebben , te Jlêtueeren , dat aan allen 
en een iegelyk worde geinterdiceert eenige naamloofe Gefcbriften , tou- 
cbeerende de morfz. zaak van Onno Zwier van Haren , Grietman van 
SteltingWerf ïVeJieinde ^ fyne Dogters , Scboon-Soons ^ enwiedaar 
inne verder worden genoemt of geraakt fouden moogen zyn , van nu 
voortaan door den druk uit te geeven^ te verhoopeny te dijffimineeren^ 
of op eenigerbande wy fepublicq te maaken enz. 

Deie Fublicatie had nog inaar weinig dagen het licbt gezfen , 
of men zag, ter goedkeuringe en lofpryzinge, een dichtíluk te 
voorfchyn komen, gedrukt in *s Hage by H. Bakbuyzen, dat tert 
tltul had ; Eerezuil voor bunne Edehnogenden , by gelegenbeid van 
hunne Edelmogendehs Loffelyke Publicaiie; midsgadeis eenander, 
ten opfchrift voerende, Gods Zegen, over Nederlandt ^ in de on- 
parttfdigheid éh bct doorzicbt van deszelfs booge Gerecbtshaven , on« 
dertekend Lagendaal en gedrukt te Rotterdam byA.Botbalí. Men 
hecft in deze twee gedichten het welmenende hart derDichteren 
te pryzen; doch de Poëzy vertoont zich hier zeer gemeen, en 
de inhoud doet genoegzaam niets ter zake, als geenszins beant- 
woordende aan *t bepaaldc oogmerk ín 't hoofd gemeld. Hier 
benevens heeft men door den druk gemeengemaakteengefchrift, 
getituleerd, Onzydig Remarques, of Ferlicbt-Spiegel ^ rakende di 
Berucbte Verfcbilzaak 9 tujfcben den Heer Jr, Onno Zwier van Ha- 
ren, en zyne Kinderen: ondertekend P,Lievens, gedrukt ín *í 
Ha^e^ by H, Bakbuizen, Doch deze verlichtfpiegel verduifterc 
in ftede van te verhelderen; alles wat de Schryver met een gro- 
ten omflag van woorden voorftelt, komt kortlyk hier opuit;het 
geval is ter wederzydc met zo veel duifterheden.bezet, datik'cr 
niet zekers van kan bepalen : cn de Schryver iaat zich hier ovcr 
zo verward uit. dat het bezwaarlyk zy zyne redeneringen na tc 
gaan. Ook is ons nog ter hand gekomen, de Blanke Deugd, ten 
to'on gejield enz. ondertekend G. H,^ by verfcheidene te beko- 
mcn : dít gefchríft is genoegzaara op nieuw een uittrekfel vande 
DeduQie, met enige weinige aenraerkingen , ter verdeediginge van 
VM Haren, die reeds meermaals herhaald zyn: het fchyntofmea 
dus, den cirkel rondgegaanhebbende, op nieuw denzelfden loop 
nrilde beginnen. 

E I N D S. 



W0immmtfmmmmmmmmÊtmmmmm0tÊmmmmmÊmmm 



Hit boog jídelyk , en jdiihyk Zeelani. Vertoont uit eenige 
engedrukSe Lyflen der Ridier/cbappe en Edelen van Zee^ 
land , met í^erklaaringen , en Aanteekeningen opgebel* 
dert^ en beveftigt en met de tVapenen der Edelen van 
Zeeland verrykt uitgegeeven door willemtëwater» 
Te Middelburg , by Pieter Gilliírén ,MDCCLXÍ. Be^ 
bahe de Opdragt , en ene breedvoerige Foorrede , van 
mtrend 140 bladzyden , die een aanmerkelyk gedeelte 
van '1 fPirk zelve uittnaaken , nog omtrend x8o bladzy-' 
áen , íif groeit oSofvo. 

Hler mede wordt den Lief hebberen der Vacler* 
landfche Hiílorie een Werk aangeboden , daC 
in verfcheidene opzigten zyne nuttigheid heeft , ter 
ophelderinge der Nederlandfche Oudheden in 't alge- 
meen, en van Zeelands Hiílorie en Scaatsbeíluur ia 
vroegere dagen in 't byzonder. Het behelíl eenige 
len voUe gcloofwaardige Lyílen of Regifters der Rid* 
derfchappe en Edelen van Zeeland, die in voorige 
etuwen het oudfte en hoogaa,nzienlykfte Lid der Staa* 
ten viD dat Geweft uitmaakten: en deeze Regifters 
zyn , met nevcnsgawde befchry vingen dier hoog A- 
delyice Geflachten , en bygeyoegde aantekeningen , 
tot verklaaring veeler byzondere merkwaardigheden p 
bet Staatsbeftuur en de Hiftorie betreffende, verrykc 
geworden, -*— Het is den Oudheid-kundigen bekend 9 
<lat 'er in Nederland, daar geen Wapenkoningen zyn, 
geen zekerder bewys voor de aloude Adelykheid dex 
Geflachten gegeeven kan wprden , dan 't geen mea 
trekt uit zodanige gebofwaardige Lyften der Ridder- 
fchappe en Edelen , als waar uit blykt dat zy oudtyds 
in die waardigheid ter Dagvaard in de Vergadering 
der Heeren Staaten beícbreeven zyn ; des alle zodar 
Jiigé Lyften met regt het nafpooren overwaardig ge- 
ígt vorden. De Heer te fVater is in zyne poogingen 
ten deezen aanzien , met opzigt tot den Zeeuwfchen 
AdeJ, in zo ver geflaagd, dat hy ons in deeze Ver- 
zameling vier Lyften mcdedeele , welken nog^nimmer 



8'2 HET ADELTX ZBELárND. 

h'et licht gezïen hebben, en waar ¥an iwee of drie 
naar 'c fchynt, zo veel hem bewufi: is, nok onder 't 
o'og van ccnigSchryver, die zyne papieren over dc 
zaaken van ^ehind waeteldkundig gemaakt heeft , 
geweeft zyn : zo dat* de Berainnaarí deezer Oefeninge 
r&den hebben , om de aangewendene moeite van dien 
Heer met dankbaarheid te erkennen, te meer daar 'er 
zb weinig Lyften van dien aarc te vinden zyh ; zynde 
rfezelven ve« al, door den Ourlog, binnelandfche on- 
luften en nevensgaande agtloosheid » verk>oren ge- 
raakc. 

' Het Regifter,dat ten grondflagé van ditWerk ver^ 

ftrekty en met de nevedsgaande aanmerkingen bet 

voornaamfte deel várt *t zeíve uicmaakt , is eene Lyfi 

ier Edelen van Zeekmi^ gekamen uit de Mdy van MtddeU 

turg , waar van dé Heer te ÍVattt in zyne VnúTTede^ en 

verdere aantekeningen , ons hoofdzaaklyk hec vo/^n- 

de berigc geeft. De Edele Heer Jacob van Grypskerkê 

fiéefc een gefchrift opgefteld , dat cen ticul heefc. 't 

Gtaeffcbap van Zceland, ofte korte reprefentatie van de Re- 

^eering vanZeeland onderhaere Graeven tot dtnjaere rs79 f 

béhehende zeer otnflandig den ftaet en recht van de Ridder- 

fchap en Edelen van Zeeland. Befcbreeven door den Edelen 

tléere Jacob van Grypskerke , Hecre van Grypskerke en Pop- 

pendamme &c. Van dic Werk,waafaa7ïdieEdeleHeer 

gearbeid heefc, waarfchyrtlyk Cuffchen de jaaren 1650 

ch 1670, heefc onze Auftear een* handfchrifc in copy 

bncvangen , uit banden van dert fFel Kdekn Hoog Acht' 

iaererí Heer Mr. tVillem van Citters^ Oudt'HaedtBurger' 

íneefler^ }n Bemndhebber der Oofi InMfche Maatfchappj 

te Middelburg. Van dit handfchrift geefc onze Schry- 

htx een volkomen verflag, in zyne Voorreden, en 

cíeelt daar uic mede het elfde Capittel, dat cen opfcbTÍfi 

íiteft : Fan de oude en Edele Gýlac^ten van Zeeland^ uit 

"voelke van den beginne tot den jaere 1596 gecúnftittêSert is 

'gewee/i het Lid ifan de Ridderfchap y en Edelen van Zee* 

land. Dic Capitcef, het Hoofdwerk deezer Verzame- 

linge van onzen Ae&eur ^ behdft eene Ly flr gekbmen 

^ - .uiE 



tiit de j^dy vaPt Middelburg , weBie ten tituV dmgt, 
BaenroP^'Éeeren ^ Baenn^tz-Genooíen Kidder/cbappen en 
Edelen van Zeeland^ volgens Hotitie daer van gehmden tat 
denjaere 1500 (*). De Heer van Grypskerke heefc dit 
Regiíler , zo hý gecuigt ygecepiëerdt uit bet Origineel^ dat 
berujt beeft onder de erfgenaemen van v)ylen Heer cuakles 
D £ B o I s o T , die bet,ín*t begin vande troubelen , uit dt 
/Ibdye van Middelburg bekomen hads (f ) , en andere Copiem 
m íHeer van Tienboven. Hy heetc, de orde vao dac 
Regifter volgende , op de benaaming van ieder Ge* 
ilachty min of meer breedvoerig aaQgetekend^ des- 
zelfs Genealogie, Goederen en Heerlykheden , mids* 
gaders het adelyke Wapen , dac het zelve kennelyk 
van andere Geilachten onderrcheidc ($) : waar aan de 
Heer te fFáter gemeenlyk gehegt beefc , eene korta 
befchryving van de Heerlykheid ^ het Kafteel of Huis ^ 
naar 't welke zodanig een Geílacht genaamd werd , of 
dat van 't zelve zynen naam mogt ontvangen hebben-; 
getrokken uít het tiende Capiuel van 't bovengemelde 
handfchrift^ dat ten titul heefc, í^an de bekende Ridder^ 

Hof^ 

(♦) Onze Auíleúr geeft by gelegcnheid van deezen tltul eeHtf' 
aaniekeDtng, waar in hy de benaamingen der Edelen alhier voor^ 
komende verlLlaart, inzondcrheíd uic de papieren van den Heef 
tan Grypskerke^ en giíl, dat de oorzaak.van waar deeze Lyft zó 
volkomen niet is , als dezelve had konneíi ^eezep , en nict verder 
áan tot het jaar 1 500 vervolgt, zy , de agtloosheid der Gecftlykén , 
inwelker Ábdy deeze foart van papicreu, volgeus de gewoonte 
van dien tyd, bewaard werd. 

(t) Hy was hetzelve. volgens de aantekecing van den Etecr 
te Water^ waarftrhynlyk magtig geworden ,' niet het inneemen vatt 
Middelburg, den ipdeii Febriiaxy I57ïi.. 

( J ) De Htet'Grypsk4rke zegt^ dat.by ^ moeite gcnomen heefr, 
van 't Wapen voor ieder Geflachtriiaawkenrig af te tekeneir; docli 
ÍD de Copy, door dcn Heer te fViiter gebruikt , waaren deeze af- 
tekeningen niei te vinden ; het weik hciíi beWoogen heeft om dit 
verlies uit andcre Wapenboeken te vergoeden, zo met opzigt tof 
deeze als tot de andere Lyílcn. Van hier vindt men aan 't eindo 
van dit Werk,deJ^^^fi5 der Ridderjcbappe en Edelen van Zeelandt^ 
op ordc van 't Alpbabet, zindlyk m *t kopcr gefneeden,op twecí 
pía&ten gedrukt ; welkcn ook by den Drukker dcezcs , mct de tcr* 
ciíchte ^eurea ftffieaet , u beicoaMn ufiK , 

F a 



84 RBT ADELTK ZEELANO. 

Hoffleeden in Zeeïani. Deeze Ly ft , fchoon de breed- 
voerigfte, door den Heer v^n Grjpskerke ge^ien, was 
egcer niec yolmaakt ; hec welk zyn Edeten bewoog de- 
zelve mec verfcheidene Edele Zeeuwfche Geflachcen , 
waar van hy verzekerde kundi^heid uit de Chartres , 
en hem coegezondene Lyíten uic firaband » verkreegen 
had , ce vermeerderen : ook vond hy goed , cen floc 
van dac Capiccel nog korclyk aan ce wyzen , de Ge- 
flachcen van nabuurige Provincien , uic welken hy ee- 
nige £delen in Zeeland Onder de Ridderfchap gevon- 
den had. De Heer te Water heefc dic Capiccel door- 
gaande met de noodige aancekeningen verrykc , zo 
Qit de overige Capiccelen van dic handfchrifc y als uit 
de Werken van andere Schryveren ovej dic onder. 
werp ; waar door hy hec gezcgde van den Heer van 
Grypskerke gemeenlyk opheldert of beveftigc. 

Voor dic Regifter gaac eene bree^dvoerige Voorre* 
den f waar in de Heer te Water^ naa 'c opgeevén van 
zyn berigCy raakende de echcbeid en geloofwaardig- 
heid deezer Middelburgfche Lyfte , en zyn verflag aan- 
gaande hec handfchrift van den Heer van Grypskerke 
en deszelfs oprecbtheid , ons verder mededeelt , hec 
geen hem van dien aart nog daar en boven is ter band 
gekomen , en in de volgende ftukken beftaat. 

Eene Lyfl der Edelen van T^eland ^ gekomen van Lettoen, 
Deeze Lyft is onze Schryver, zo hy meldt, verfchul- 
digd aan een handfchrifc , (hem door bovengenoem- 
den WelEd.Heer vanCittcrs gegeeven^ van den Heer 
^uifcb de Bruinf Schryver der Geneafogien van den 
Huize van Bor(Jele,en vaa andere Hoog-Adelyke Ge- 
flachten van Zeeland , die dezelve opgeeft in de genc' 
raele f^oorreeden van dat handfchrift ; in welke hy ge* 
tuigc dat deeze Lyft , ovcjr lange jaaren van Leuven 
gekomen, hem toegezonden is, door den nauwkeuri- 

Í^en Heer Thomas de ií^aír*,bekend doorzynen Neder- 
andfchen Herault; en dat hy dezelve correél bevon- 
den heeft ; welk getuigenis van geloofwaardigheid on- 
ze Aufteur bereftigi; uic derzelver vergefyking met de 

bcfte 



BBT ADELTK Zfi&LAjN^ 8^ 

befte Schryvers; terwyl hy deeze Lyft opgeefc^ tnec 
íbortgelyke aantekenÍD^n en verklaaringen , als de 
Heer van Grypskerke op die van Middelburg gefchreevbn 
heeft. Deeze Lyíl y de nauwkeurigíle en voiledigde 
welke tot hier toe is uitgekomen ; vermeerdert deHeer 
ái Water door byvoeging van eenige Geílachcen ^ die 
in de Middelburgfcbe Lyít geraeld zyn, en in deze niet 
genaamd worden ;midsgaders van die welkendeHeer 
varí Grjpskerke^ als boven gemeld is^ nog byzonder 
heefc áangetekend; waar op hy nog eénige GeOach- 
ten met de vereifchte onderrigtingen laat volgen , die 
min of meer tot zyne kennis gekomen zyn. 

Hier aan hegt onze Aufteur een Regifter der Edclen 
van Zeeland gekútnen van BruDel. Dit Regiíler, hem cer 
hand gefteW , door den IVel Edelen Heer Mr. Pieter 
Boddaerf^ Gebeimfcbryver van de 4dmiraHteit , behelft ee- 
neLyft van den Adel van Zeeland, met eene koree 
befchry ving der Geflacht - Wapenen. £n hier op laac 
hy eíndelyk volgen eene Lyfl der Edekn van Zeeland , 
uit het Wapenboek der Heeren van Madfteede , dopr den 
Wel £d. Heer Boddaert gecrokken uit een. handfchrifc 
getituleerd de Nobilitate, waar in de Schryver van duc 
handíchrifc getuigt dezelve gecopieerd , cn de Wa- 
pens geblafoneerd te hebben , uit bet Wapenboek ví^n 
den Heere Pbilibert de Tuyl de Serooskerke , Heere van Tien^ 
hmn^ Maelfieede &c. (Jit deeze twee Lyften , (zynde 
de laatfte op eene dergelyke wyze als de eerfte ge- 
fchikt, jf vermeerdert onze Auéleur zyne opgaave van 
den Zeeuwfchen Adel, met nog eenige Geflachcen , 
welker melding hy met behoorlyke verklaaringen ver- 
rykt, zo als ten opzigte der voorheen aangecekendeu 
gczegd is. 

Ijic kragte deezer Verzametinge nu telt onze Auc- 
teur 140 Adelyke Geflachten , of wel , met afcrek van 
eenige ^ldelen uit stndere geweften in Zeeland geko« 
men , rúim honderd inlandfche Adelyke ftammen , 
die eercyds het Lid der Ridderfchappe en Edelen van 
ZeeJand bebben uicgeinaakt. Dit getal fchynt w<;l zeer 

F 3 &^^^ 



$6 JIET^D^XVK ZEEX.1NB, 

groot voor eeue Provintie, zo klein vao omtrek als 
Zeeland ; doch men moet , zegt de Heer íe fVateryaa^' 
tnerken , dai voortyts elkjieene Huis , Sloty Kaft^el , Dorp , en 
kleinejladt zynen byzonderen Heer badt uit Edelen Geflach' 
te y in zoo verre dat zelfs van alle de Graefiyke of giieée 
Jleeden y niet meer dan twee zyn geweeji^ nxtelke noit $m 
4>yzondere Edelen hetbben geboort , te weeten Middelburg en 
Zterikzee. Dit geefc hem eindeiyk aanleiding coc het 
vermelden der ooizaaken , waar door hec getal der 
Edelen in ZeeJand zo zeer is afgenomen , dat 'er roíiíir 
weinigen deroude Edele ílamroen overgebleevenzyn, 
waar van nog de minllen zich in Zeeland bly ven op- 
houden: de oorzaaken hier van vindt hy in de geduu- 
rige Oorlogen,en inwejidige partyfchappen van vroe» 
ger eeuwen ; hec uiifterven veeler Geflachten , by'- 
zonder in de vyftieode en zeíliende eeuw; .de verari- 
ming veeler aanzienlyke Huizefi , door grondbraaken 
en overftroomingen,waar door hun Adel verduiílefd, 
en 't Geflacht onbekend geworden is. Boven al k^n) w 
by hem in aanmerking de Nederlandfche beroeiten , 
waar uic voortgefprooten is , dac , de meeíle Edelen 
den RoQmfchen Godsdienft aankleevende, een aan«» 
merkelyk getal van Jiun na Braband en Vlaanderen 
geweeken , en aldaar gebleeven is. Andere Edekn ^zegt 
iiy , blceven i»el in Zeeland , of keerden derwaerts mder , 
tnaer vonden den Jlaet des Lants , en der Regeeringe w 
verandert^ dat bet Lidt der Riddefjcbafpe en Edclenj V 
nx)elk , met en ienevens ^den £erfie Edelen , nietjhadt k9nn&i 
bejchreven ioorden zedert den jaere' 1572 ^ vicgens bme 
ajweezigheit , in de inlandtfche Oorlogen , m Zeelara byna 
fiiet meer bekení Jcheen. Zy ^eden vtele poogingen m htt 
zelve herjlelt te krygen , eer/i in denjaare rjpÓ., naderboví 
met verdubbelde , en aanhoudende middekn van den jmri 
1611 tot 1624 toe^ ên eindelyk in de jaaren 1651 en 1652; 
dog alle zonder den gemnjchten uitjlag te eríangen* ^i^ 
viroorzaakte dat de me^Jlen der nog overig zynde Zeeuwjch 
Edelen zig naa andere Lmtjchappen van bet Fereenigt AV- 

.derJant i^a^fin^ daar zy in bet Lidt/kr ÍUdd^rJcbappe en 

Ede- 



HJEX ADELYK ZEELAMD. t^ 

ZdeUn konden komen. Dus blee^n Vr maar eenige 'enhle 
Geflacbten of Takken der oude Edele Jlammen in Zee'ant y 
voor we/ken geen andere weg openjlont als zig in den Kryp- 
dienjt^ qf in de Regeering der Jlemniende Steeden van Áe- 
lant te begeeven; wordende bet Lidt der Ridderfch.^ppe en 
Edtkn van Zeelant^ zedcrt de gantfche bevreediginge des 
jaars 1576,, door den Eer/len Edelen alleen verbcelt (*). 

De Heér te Water befluit deeze zyne Voorreden , 
(die, als uit het gezegde is af te neemen , een gewig- 
tig by voegfel is op het gefchrift van den Heer Qryps^ 
ier^^,) raet die aanmepking, dat een werk van dK'P 
aart niet wel ín de eej fte reize tot volkoraenheid ge» 
bragt kan wordcn j en dat het hem derhalve aange- 

.naam 

.(*) Mct opzigt tot dit onderwerp merkt onze Audeur , inzyT\e 
aantekening op het gefchrift van den Heer van Grypskerke, bl. 4, 
aan , dat , (de iroUbelen in Zeeland ceril inwendig begonncn 
zynde.met het overgaan van Vliíïingen in April 1572, ) dc laat- 
fte Vergadering der Zeeuwfche JLdclen gehouden is raet de t'v^.^ 
andere Staaten inNovemb>er 157.1. Óók laat hy zich vervolgena, 
opbl.60— 62 breeder uit over de Remonílrantie der Edelcn va'a 
't jaar 1596, ter verkryging van de herílclling van *t Lid derRid- 
derfcliappe en Edelen in Zeeiand;als ook over.huiiiie herhaaldc ^ 
raadpíeegingen en follicitatien deswegens, zo in de jaaren 1607, 1 
1614,1616, i624,áls nog laater in de jaaren i^s-ieniós^. Daar 
ter plaatfe 'gefproken hebbende van eenige ^clen der Zeeuwfcb^e 
Edelen, weiken hy diestyds niet bczat,maar vervolgcns m»gtig 
gewprden is, zo heeft hy in zyn Naahericbty (agier deeze f oor- 
f«ií geplaatft,) uit de oorfpronglyke papleren, door de Edelen 
cigenhandig ondcrtekend 9 woordelyk opgegeeyen eene Me van 
't jaar 1614, van 1615 en van ï5i6, mitísgaders de Refolutie der 
Edelen des jaars 1652. Op dit laatíle íluk maakt hy gewag van ít 
Requeft der Edelen van 't jaar 1651 als gedrukt in *t jaar 1652 , in 
^uarto, met vceie Bylaagen , onder welken zyn, Remonflrantie 
icT Edelen desjaars 1596 ; Requejl der Zecuwfcbe Edelen des jaars 
I614 ; ^dvys van Advocaxen daar aiver ; Kort Bericbt z-an Prins 
. Maurits daar tegen , en Antwooft úer Eflelen op dat Contra Bericbv; 
)) aile ílukken, zcgt hy, der leezinge overwaardig, gelyk uok r« 
I) de Hiílorie van het Requeíl: des jaars 1652, die ik, uU hei eï- 
» gen hantfchrift van eenen derRequeíleerendcEdclen vandien 
9> tyt, by anderp gelegenheit in *t licht zz\ geeyen " : des vve 
oyer dit point in 't vcrvolg nog meerdcr verwí^ten , dat Yeeicn 
niet onaangenaam zal zyn. 

F4 



88 H£T ADELYk ZEELáND. 

naam zal nreezen , zo men deeze zyne Lyílen vermeer- 
dert mei andere Edele Zeeuwfche Geflachten , die niec 
tot zyne kennis gekomen zyn ;zynde hy zelf van oog- 
merk , geJyk hy in 't Naaberkbt , (agter deeze Vomeeae 
geplaatft,) te kennen geeft, om eene afzonderlyke 
Lyft van Zeeuwfche Edelen uit het Groop Cbarterboek ^ 
door den Heer F. van Mieris uitgegeeven j door den 
druk gemeen te maaken , benevens eenige andere ftuk- 
ken de Edelen van Zeeland betreiFende , dat zeker 
ter meerdere volmaakinge deezer Verzamelinge zal 
ftrekken ; 't geen mogelyk de Lief hebbers der Neder- 
landfche Oudheden zal aanípooren, om hem vetder 
de behulpzaame hand te bieden. 

Men kan uit dit beloop yan den inhoud deezes 
Werks genoegzaam afneemen , dat het zel ve , met op- 
2igt tot de Nederlandfche Oudheden verfcheidene 
aanmerkingswaardige zaaken moet behelzen ; om dit 
egter nog duidelyker onder 't oog te brengen, en den 
Xeezer tevens bet plaifier te doen , van hem nog iets 
zaaklyks uit dit Werk mede te deelen, zo zullen we 
hier aan hegten , het geen we op den naam der Edele 
Heeren van der Veere vinden aangemerkt ; welken, in 
de Middelburg/cbe Lyíl y voorkpmen , als de tweede 
Branche der Heeren van Borjffelen : zynde . 

» Heeren van der Veere (i) (metnaamen) Heer 

i^ Hen- 

(i) Deezc Branche , Bfirjfelen van der Veere^ is ook op de dríe 
andere Lyílen gemeld : op de Leuvenfcbe Lyít heeft de Heer te 
Water de volgende aanmerking jefchreeven. «, Zomtyts wordc 
deeze tak {^enoemd van Borjjele zondermeer, en veeltycs in 
de oude Gcdenkfchriften enkel van der Veere » dog nieeren- 
deels van Borffelen van der Feere. De Geflachclyft is by Smalh' 
gange (i). Deeze echte ílam is, in *c jaar 1528, uicgeílorven 
met jínna van Bcrjfele ^VrouHu van der Veereycn de heerlykheic 



99 

9* 

,, vander Veere gekomen aan haaren ZoonAdolf vanBourgordicn^ 



naar 't verhaal van Reigersberg q2). 



„ (i) Cbronyk van Zeeland^ hladtz. 390—394. 
„ (.2) CbronykvanZtelandyj. deel bL 391. 



HET ADBLtïC ZEELANB. 89 

„ Hendrik van BoríTelen , Heere van der Veere, 
„ Graeve vah Grandpré2 en Cbampagnc. 

„ Heer Wolpbard Van Borflelen, Zoone van der 
„ Veere , Graeve van Bochane. 

Deeze Branche van der Veere wordc in *t Regifter 
geílelt voor de tweede ,ende,inyns oordeels ,is ze het 
ook;'maar hoe^en nranneer die uit de oudde Branche 
der Heeren Van Boríljelen gelcomen zy , en kan ik met 
geen Brieven demonftreeren , en kate het derhalven 
aan de Genealogiften , dië, op dic fujet, niet allezints 
eens en zyn , maar wel daar in , dac de Heeren van 
der Veere uit de Heeren van BoríTelen gekomen zyn, 
'c welk Reigersberg doorgaans in zyn Chroníque ver^- 
haalt ; Jaa zoo verre dat men fchier kan zeggen , dac 
hy 9 niet voorgehad heeft, als de inondaciën , en de 
» Heeren van der Veer te befchry ven. Het Wapeu 
„ bewyft ook de af komfte van de Heeren van BoríTe- 
» len; zy voerden eerft deTable a la fafce d'argent , 
« (een tílvere balk op een zwart velt , ) en cot breuke trois 
n eftoiles de mefmes en Chef , (drie zilvere Jlerren in het 
„ b&vendeeL) (*) Dit hebbe gezien aen verfcheide Ze- 
„ gels^ eerft te Brugge in de Abdye van Eekhoute , 
o aen eanen Briefvan Dingsdags nae Paeflchen'sjaars 
» ^303 9 by de welken Wolphaert van Borflelen , Hee» 
9 re van Sandenburg , ('t welk was het huis der Hee- 
f, ren van der Veere, ) (i) éenige goederen aen de 

n Abdy? 

(*) Hier mede ftemt overeen de opgaave in 't Regijier ^an 
^rujjel^ en in de L'^fi uit het íVdpenboA der Heeren van Maelfieé* 
de, door den Heer ie }Fater in de Voorreede bygebragt. 

(i) „ Deezen tiaem zal dit Huís gedraegen hebben om dac het 
,1 ÍD zandig Lant was gebout, even gelyk » waerfchynlyk om die 
„ zelve reede» het oudfte Hof der Graeven van Hollant^geíegen 
,1 by 's Gravezande. ook Sandcnburg wierf genoemt , (zie S. van 
n Leimen Bat. ïllufir. bl. 1291) en iu 't ílicht van Utrecht ecn 
)9 beroemdc Bidder Hofïladt dien zelven naem draegt, en niet 
1) vaneen Geflacht Sande genaemt, gelyk de Schryver de la Con^ 
f) noijfance de la NobleJJe dVtrecÍ3$ p, 31 wii, Doch het ïeuwfche 
j, Sandenburg ílak in iuííler verre boven de genoemde huizen uir. 
ff De £dele Heer vtn Grypskerj^e geeft 'er ons dit bericht van 
n Cap. 10. bl. 309 en 3x0. 

F 5 „ Saa. 



PO HET ADELTK Z^ELAND... 

9 Abdye geefc. Nog acn eenea Bríef van Wolphaert 
„ van Borílêlcn , Heera van ter Veere, van Maendag 
^ des Vrouwendag Lkrhtmiflej *s jaers 1362, en ver- 
9 lcheide anderen. Verfcheide fepultui;en die den 
^ Graeve van Egmont voor de troubelcn heefc laeten 
^ uic teekenen (i), ftellen over al hec Wapen, en de 
„ quartier van der Veere, mec de drie fterren en chef, 
j, (in hec bovenftuk). Weinig voor den jaere 14C0, 
tf als wannecr de oudfte Branche der Heeren van 
'» BoríTelcn uitgeftorven is in manshoir,zo heeftlíeer 

f> Hen- 

y, Sandenburg ís geweeíl het groocde huis van Wakberen, ge* 
legen in Ssndyk ^áiff aen de íta^t vqn der Veere, ende de wo- 
ninge van de Heeren van der Veerc en Sandyii, dewelke jnen 
in de oudíle Erieven vermelt vint Heercn van Sandenburg, als 
meede in den Brief DingsHags nae Paeflchen *s jáeis 1303, by 
dewelke Wolpbaert^ fie^ns Hteren Walpbadïts Sútsie^ vayknJietTM 
van Sandenhurg , Riddere , verfcheide ^goederen geeft aen de 
Abdye van Ëekhoute tot Brugge , alwaer den Bricf origineel 
gezien hebbe,aen dewelke een groot Zegel hangt, in hetzelvc 
een Ridder te paerds, gelyk het hier afgetekent hebbe. 
' „ Boihorn fchryft op de Chroníqae van Reigersberg.datHeor 
,, Wolphaert van Borflêle , Ao. 1298 van de Populace binnen 
„ Delft vermoort, dit Sandenburg zoude gebout hebben; macr 
„ het is zeker veel ouder geweeft. ,Want in den Briëf van dcn 
„ jaere 1282, díe'Boxhorn aidaermeede, op der Veere , gedrukt 
,, heeft, vindt nien -dat deeze V^^ 2iyn «V^tder bec te ieen cnt- 
^, fangt met de vqlg^de woorden : £n daer toe 80 Gemeten Landts, 
9* ^^SÍ^^^ *" ^^ Polder van Sandyk , en daer toe die vejle , en die 
„ voomtnge^ die wy bebben in ^jímbacbt van Sandyk en die BoQnh 
9f.gaerdedic. 

„ Graeve Jan, den eerflen van dien naeroe, Graeve van Hol- 
^, land en Zeelandc, in den jaere 1296 uic Engeland komende , 
„ quam der Veere acn , en logeerde lang op het huis te Sandcn- 
„ burg, by Heer Woiphaert van der Veere. Op Sandenburg lo- 
„ geerde ook Keizer Carel Ao. 1540, by Heer Waximiliaen van 
„ Bourgondiên , den welken deeze Keizer, Ao. 1555. den eer- 
„ ílen Marquis van der Veere maekte. Dit verhaelt Reigersberg 
„ in zjme Chrqnique van Zeeland op de geallcgcerde jaerrn. San- 
j, denberg is in de troublen geruineert, en konit toé^ den Heere 
„ Princc van Orangie. 

(i) „ Een Copye van de Sepulturen ,betrekking hebbende tot 
„-de Familie van BoríTelen , beruft nog heeden onder ecnige 
j, Documenten die ik gezien hebbe. 



9» 

9» 

9» 
99 
99 
99 



mBT ADELYK ZEEtAN^* 91 

n Hendrik van Bonfleles , Ridder^ Heer vau der Vee- 
p re,(al5 toen bekomenhebbende bec recht van Primo 
Genitur^ tp^f; van de voile Wapenen) alieene ge- 
9 voert d^ fabJe a la fgfce d'argent , gelyk uit zyii 
9 Zegels, Sepajtuce, en van aiie zyne nazaeten kaa 
» giszi^n wprden. ík vinde bovepdien een verande- 
« r^ in het Cinvier van deezen Heer Hendrik , ende 
^ zyne Zoons , wiens Wapenc^ Cbifiet , 4^ Tfffiris É- 
^ ^fitn j/íum Vellms^ bj^(bnne^rt de fable ^ la fafce 
^ d'argent, & pour Ciniier le Chapeau írontal fomhie 
9 des plumes, (een zilvere balk op een zwart vclt, én 
, voor dekzel een fpitze boet rxioi pluim^n bedekt) , 
.» apparent oin dat ^y Gr^even geworden waere'n ; ai- 
, zoo anderzintfi het Cimier is la tête de taureau (cen 
jp Oflenkop). 

» Deeze Branche van de Heeren van der Ve^re 
» heeft gefloreert, voor zoo veel in de oude Brieven 
„ kan bevinden , van den jaere 1235 tot den jaere 
„ 14.87. In 't eerftgenoemde jaer vind men den Heere 
^ van der Veere op 't ïournoy te Haerlem i en is , 
9 buiten twyfel , Clítes genaemt g^weeíl; om dat ik Ui 
^ een brief, in de Chartres van Vlaendereí), van den 
» 13 Juny 1250, bévinde Heer Wolphaert Claes Soo- 
, ne, Jn den jaere 1487 is geílorven Heer Wolphaerc 
9 van Borflelen , Heere van der Vecre , en Graef v w 
t Bouchaine, laetendeeen Ërfdogter Jonkvrou Anna 
p van der Veere , getrouwt met Heer Philips van 
« Bourgondiên , Here van Beveren , en gefl:orven lAó. 
9 1518; zoo dat,naar bet zeggen van Reigersberg op 
9 gemeUe jaer, wel waer kan weezen , dát de Heeren 
p van der Veere drie honderd jaeren in Walcheren 
» in fleure geweefl: zyn. Deeze Hceren van der Vee« 
» re zyn , door de opkomfl:e van de ftadt van der Vee- 
p le, ^n JNegotie, zeer machtigjgeworden ; want ter 
.« Vecre, eertyts maer een^geiingDorp zynde, wier- 
99 den de Heeren ^aer van meer Heeren van Sanden- 
» burg, ofSandyk genaemr^als van der Veere. Op 't 
j» jaer ujó^ Zft^t ílei^er;íber^ , áatjnfieure was IVoU 

» fbaett 



/ 



92 HET ADELYK ZEELANO. 

^ phaerp van Bixrjfelen , Heere van de PoUers van Noor^ 
^ IVakberen , Sandyk (is nog heden tën dage een Dorp 
^ by der Veere) ende het dorpken van der Veere. 

^ AHe de Heeren vah der Veere fucceflivezynRid* 
« ders gemaekc geweeíl: fal derhalven alleene mel- 
^ den , Wolphaert van der Veere , Ridder door dc 
^ populacete Delft (i) Ao. 1298 vermoort, om zy- 
9 ne oprechte dienften , zoo ais voor deezen is aen^ 
^ geweezen (2). Heer Wolphaert van der Veere, 

• be* 



^, (i) De gemeene Chronykfchryvers leggen de fchult van de 
9» nioorc aan Heer Wolphaart begaan op de burgerf , en bet ge> 
,» meen, die daar van flechts de blinde uitvoerders waaren» a!s 
tt opgehicíl door verfcheide Hollantfche £delen , die aan Hecr 
9» WoIphaarC zyn gezag en aanzien benyden, en in cyn yal hun- 
99 ne eige grootheic zogten. Deeze Edelen worden met natmen 
9, genoemcin dcalingejoeningey gecroffen ten Taare 1309, door 
fy den BiJJcbop van Utrecbt^ den Graave van Holíant en den Burg» 
fy Graave van Zeelant^ als zegsluiden, CuíFchen de Kinderen vaa 
den vermoórden Heer Wolphaarc, en de opgemelce Edelen, 
die van voegen Heeren IVolpbaarts doet , geven en gelden fullen 
9, duifent pontjknarte toumoyfen; en voegen 'er by dat zy ter wac" 
„ reit ondervonden kebbenr daC die poerterengemeentenvanHoUatit^ 
y, fonder voerraat , en fonder weten waaren van Heer IVolpbaarts 
doet voerfeit f en , daczydaerom, de poorcêrs en ingezecenen 
quite vsije van *s Heeren Wolpbaarts doet. 2ie MaCthsi Ánal, 
„ Vec. ^vi Tom. a. pag. 746, 747 in 4I0. 

„ (2} Dic gecuigeniite van onzen kundigen Schryver luidt ge- 

y, heel anders , als *t verhaal der gemeene Chronykfchryvers» 

welke gevolglheefc Boxlom op Reigersberg 2 deelbL 102 — 104. 

daar hy Heer Wolphaarc affchilderc als een vervolger der Ede^ 

len» een verdrukker van derechcenen vrybeeden derStceden» 

eeo iEllius Sejanus, díe hêerfchzugtige geweltdryver ten tyde 

van den Keizer Tiberius : daar nogtans deeze Heer Wolphaart 

een der dapperfte, en verílandlgfte Ridderen van zynen tyt 

was , die de waare vrybeit van den Lande poogde te befcher* 

men. Om dac overtutgende ce zíen, moet mcn de waare gefteL- 

tenis des Landts ten dien tyde weeten. Graaf Floris de 5 , 

Graave van Hollanc en Zeelant, poogende de vryheic c'onder- 

>, drukken , en ziende dat de oudfte, machcigfte en rykfte E^e- 

„ len dac niec wilden dulden , zogc derzelver gezag te fnuiken y waax 

toe hy onder anderen deeze twee middelen gebruikce, dac hy sq 

boeren of burgers te gelyk V»radelde , en de Sceeden groote 

PrivilegigQ gaf , of ook wel voor gelt verkogt» om doorde- 



99 



>9 



99 

9« 

9> 
» 
9t 
»» 
>> 
»> 



. »9 
9% 






B£T ABELYK ZfiBtAKO* 93 

» heneffens de Graeve van HoUand, en Zeeland ver- 
, flaegen by Scavoren op den 24 September 's jaers 

„ zelven, alszyneifhangelingen, deoudeEdelente beteugelen» 
dat zy hem ín zyn opzet níet zouden konuen dwrarsboomen* 
De Ëdelen , te doorzigtíg om zvn voorneemen niet te merken , 
verbonden zig onderlíng, ter Defcherminge van hunne en '• 
„ Landts wezentlyke rechten en vryheic, eerll ín Zeclant cn na* 
„ derhant in Hollahc, van *t welk alles Boxbom op Reigersbergx 
„ deel bl* 93^-97 een geheel verJ^eerd denkbeeic heeft gehadc » 
„ en geeft. Naa de moorc aan Graaf Floris gepleegc» quam zyn 
„ Zoon Jari aan de Regeeringe , en Wofphaart van Borflclen by 
I, hem ín grooc aanzien, en in gezag. Deeze nu, benevens de 
„ andere oude en hooge Ëdelen toonden weinig achtínge voor 
t, de nleuwe Edelen, en de geko^te Privilegien der Steeden; roics 
„ zy die beiden aenmerkteii als luílrumenten tot Slavernye, iii* 
., díen de Graaf goec vondt om die totdateinde te wílien gebruw 
„ ken, en rekenden ze niet meer, als of die Voorrechcen niet 
•* gegeeven , en de nieuwe Edelen niec gefchaapen waaren. Dat 
„ wus genoeg om *t graauw in de Sceeden gaande te maaken ce- 
„ gen dcn eerften Mínííler Heer Wolphaart, als of hy de Privi- 
legiën verkrachte, waar toe zommigc Edelen hcc gemeen op^ 
ílookten, en das ce wegeu bragcen, dac men hem vermoordc» 
'c Geen ik hier korcciyk beb' ter neder geíleld is omdandig be- 
t, too^t door den Ed, Hter van Grypskerke iri zyn Graaffcbap van 
„ Zeelaní Cap. $ ^^* 143 en Vólgende; daar hy de wanre oorzaa- 
„ ken van den vyfden Oorlog tuíTchen den Graave van VIaande« 
„ ren en den Graave van tíoUanc eu Zeelant oncvouwt, cn de 
» verdienílen van Heer Wotphaart van BoríTelen cen klaarftea 
„ vertoonc. £n wederbm Cap, ê. bL 161—170 daar hy de mid- 
)i (ielen , gebruikc door Graaf Floris , om tot een onbepaalder 
V macht, in HoIIand. en Zeéland , te komen , naar waarhelc 
II oponlegt, en de Ëdelen van die beide Landcfchappen verde. 
II dígt, inzonderheic Heer Wolphaarc van BoríTelen, die, mct 
n Hcer Jan van ReneíTe en Heer Huge van Cruiningen, in Zee- 
II lanc hoofden waaren van heC boncgenoocfchap , ter beteugeiio* 
» ge van de beerfchzugt van Graave Floris den 5. Zyn verhaal 
II is te omítandig om hier in tc klampen ; ook zal zig mogeiyk an- 
n derc gelegentheid opdoen , om hier over nader te handelen." 
■ Een íeder, die luíl heefc Cot het leezen van 's Lands Ge- 

fchiedeníflen, weet, hoe zeer dit denkbeeld, het geen de,Heer 
*« ^ater hier uit de Schriften van dcn Heer Grypskerke fchýnt itl 
te boezemen, aanloope tegcn de doorgaande berigcen , die cot 
Boghet licht gezien hebben, raakende hec gedrag van Heer Wól* 
pbaertvan der f^eere, zo onder Graaf ^orú , als Wel inzonderheíd 
oader des2ei£i Zoon ea Opvolgei Gráaf J^j dac bcm dc woede 



1» 

»9 



Jf4 V2T IDKLTX ZzttAHVL 

9 1346, Qitwyzende hetFaiABoek van Hollaird ett 
„ Ztchnd met de Letter C Fol. 82. Hepr Hendrik 
j^ van Borflelen , Heer van dcr Veere , Ridder van 
^ hec Gulde Vlies gecreëert binnen Gent Ao. ^445, 
^ en Heer Wolphaert van der Veere zyn Zoon Aou 
»1478 binnen Bru»ge: beide le vinden by Cbiflet de 
m TeJJhris Equitum Aurei FeïleTÍs. 

9 De Aliiantien , dewelke ik in de Chartres gevon* 
4 den hebbe, zyn sËeer veelc, te weeten, in Zeeland^ 
^ met Voirne, Reimerswaele, Cruirfitfge^ Arnemui- 
^ dé , van den Abeele , Heemvliet , en Burflelen van 
i, Brigdamme: buiten met Stryên , Egmont, Bot van 
^ der Eem, Maldegem, Lynden» Gyílellis, van der 
^ Dilíl , Vianen , Halewyn , Bruges , Schotlandt, 
^ Bourbon, Bourgondiën, Montfoort, Breederoode, 
„ Polhain &c. 

„ De goederen zyn , door de Zeevaert en Negotie, 
„ in overvloedt in dceze liranche der Heéren van der 
^ Veere gekomên , waar door zy zoo Hooge AUian- 
^ tiën gedaen hebben, als vermeldt is; en hebben» 
^ door hct eene, en het andere, verre in luifter , eft 
^ hoogheit geëxcedeert de andere Branches van dic 
^ Geflacht , die daer door als verduiftert zyn geworden. 
9 Zy hebben in 'c laeflie gehadt, in Zeeland, deStee- 
„ den Vlifljngen, van der Veerê, Domburg, Weíl 
^ Capelle,'Bronwershavén, en líienigte van Dorpen ; 
^ buiten in Vrankryk het Graeffchap van Grandprez; 
9 in Schotland van Bouchaine. 

Drie 

Tan 't Gemêen deed ondervinden (♦). Dit moet nafuurlyk de 
Bicuwsgierígheid ten Kiagtigíte opwekken , en de liefhehbers vaii 
fsLands Oudheden doen wenfchen, dat.de Heer te IVater ons iii 
'< korc het omílandige veihaal van dert Hefef Crypskerke des wc- 
gcns mededecle; om ons hier om£rtfnd eeiie bfetere onderrigting 
te vcrleenen ^ of ten miníle gelegenhéid te gteven , om tc on- 
(lerzoeken , of we ook gehouden zyn onze derikbeelden omtrend 
^ie omftandigbeden ván týden en zaakeq iri zo veríeveranderen, 
dat we den Heer JValpbaaft van der Feere vry kórinen fiueeken 
yan ecne ai te verre gaandc Heerfchzugf . teri nadeele van *i 
Íkands Vryheíd, en de Voorregten der Stedeh. 
. . (♦) :^ie de Faderi: Htfl. UI. m ïX R ^XXVÍ^XX^h 



-^ 1 *" ^ '•■■*--•" ^ y 



Drie bickpreéven , bimxiens eeff Btoef van ecn I^etms 
NeierdUitfche SprMkkoufl. Dm firoirii. slsevier* 
Te Haarlem.by J. Bofch MDCCLXI. Ingroot o&m9 
140 bladzyden. 

DE Heer £teft;/Vr , wiehs zugc voor, en bekwaaifa- 
heid in de Dichtkunde genoegzaam bekend i$, 
fchynt zicli eenigermaate te verledigen tot het b'e- 
fchaaven zyner Schriften., om dezi^lven xan tyd tot 
tyd het licht te doen zién ; en met de uitgoave van dic 
ftukje eene proevete wiUen n^emen j van 't geen de 
Waereldoordeelc over *c beloop van zyn Werkje , 
raakende de Nederduitfehe DiuBtkonfi , waar van hy in 
deez^ een g^deelte dopr den druk genieen maakt ; 
dat bepaaldlyk over de Spraakkoný gaat. Voíor déeze 
Proef, die ÍBZonderheid een berrgc van ons eifcht , 
vinden wy drie Dichtftukken , waar vart men in 't al- 
gemeen wel kan zeggfen , dat ze een goed getuigenis 
draagen van des Dichters verraogeil; boven al van 
zyne keurigheid in de taal^ en de leevendigheid zyner 
verbeeidinrgskragtfe ; die hem doen erkenden Voor 1e- 
mand» die rtatuuriyk bekwaátn i«, om Dicíbckiindige 
leflen cegeevén, en zelfs toec zyrl. vcfbrbëeld vocíït te 
gaan. 

«et e^ríle Dichtíluk vóert' tén opfchrift, de waare 
Dichtkonjl^ het tweede God verbeerlykt in zyne fVerk'en of 
Reis door 't Heelal^ en 't derde Eerknm voor de Matig^ 
hríd. fíet laatíle heefc een manlyken ftyl ; hec cweede 
is op een gemeenzaamen trant gefchreeven , en valc 
van daar nu endar wác laag , voor een ondef werp dát 
20 verheveh is ; en 't eerfte is een vers van fpeeh'ng,, 
waar inde Dichtes niet onaartig f(;htldert: wy.wjlea 
ter proeve, als meeft betrekkelyk toc ons bedoelde, 
zyne aftttaaiing vari de Dichtkunft , uic hec laacfte,den 
Leezer onder 't oog brengen.' — De Dichter, cene 
befchryving gegeeven hebbende van een nagegeeigc ^. 
waar ift hy éindelyk een wollt zaff nederdaterí; íie , 
zich van een fcheidendei haarën gTáds daor^egáhíbhe 

V kameir 



ptf XORH» £IZBV2B11 

kamer verfpreidde, zegt^ dat hy toen eenen Godin in 
vollen Iniíter zag venchynen^ welke hy vervolgens 
ajdus afmaak. 

Het hhnde en goíveni bair . dat ik mt lojfe vaart*^ 
Gelyk eengmÁ&n zee langs haten bals zag zwieren^ 
Droeg eene gkriekroon van bemeljcbe tawwrieren , 
Door de Eeuwigbeid^yoor 't vooên van nydtntydhevoaari. 
Heur lieffélykekúken ^ 
yértoonden §enen gloed , 
JViuw voor bet Koningklyk /cbarlaken ^ 
Als overwonnen zwicbten moet. 
Haar oogen vol bekorelyke lonken , 
Waer voor bet fiergejharnt met al zynpronkcieraên, 

yerbleekte , en fcbuil moeft gaen , 
Zagik in 't voorboofd als twee middagzonnen (*) pronken. 
Ik 'kon een Majefteit , 
Een pratte drftigbeid 9 
Met zedigbeid befpreid , 
Uit baer aenminnig wezen^ 
Als uit eeri fpiegeV lezen. 
Haer* boezem , waer een bron van witte melk uitjprwt y 
Had 27 gebeel ontbloot. 
' Het Hemelfcbhtaeuwe kleed^ dat bare leden dekte , 
Was fjkelyk bezaeid metftarren^ voor wiergloed 
Degtoed van puikrobyn enjafpis zwicbten moet. (t) 

Een zyden Jluijer ftrekte 
Een riemj waer in myn oog^ zoo klaer als tp den dagf 
Des grooten vonoels naem met goudt geweven zag, 
Drie kinders , uit wier lacbend wezen ^ 
Niet duifter was te lezen 

't Een^ 

(♦) Wc zyn cenigzins vcrwonderd van' te zicn, dat dcHeer 
Élzevier nog in 'toude gevoelen der Dichteren fs, dat men dc 
cogenAh zonnen heeft aan te roerken;en dus een ílclfel aankleefc, 
dat Pvoee zennen heek; het weik, onzes oordeels, niet natuur- 
lyk is. 

(t> Zwicbten moetj zo leezen we ook i^repels hooger,2WfV^- 
ten moet* Wc tisyfelcn nlet , of de Heer Elzevier zal ín zyue 
Dichtkundige LeíTen leeren , zulk kort h^rhaalen van dczelfde 
^reckwyzen en rymklankcn te vermyden ; doch 

In 'i luftflaan geeftfomyds een*Jnaar wel and're toeneng 
Jls iar$, en baní begeert. 



V > 



D 'X C H T ^ R O B V B N. 97 

'^ BeMêfiiigfcb&on^ waer mei natuur is oi?erjproeid 
£n ryhlyk vercierd^ door *t wonderbaer vermogen 

Des milden bemels , vlogen 
Om deze fcboone j die vanfcboonbeid overvloeit^ 
En elk in bare min doet branden. 
Het eene wicbtje droeg een fluit , 
Het tvoeede , een her vol aengenaem geluid ^ 
En 't derde een veldbazuin in zyne teére banden^ 
Wiens voeérgalm op de duinenftuit. 
jíl voat myn ot^en dus befcbouvoden 
Deed my deés puikgodin 
' Voor de Eedle dicht£onst bouden^ 
Wel voaerdig dat elk een baer minn\, 

De Heer Elzevierj door deeze beminnelykheid dcr 
Dichtkuníle getroíFen , heefc al voor verfcheideno 
jaaren een werkje gefchreeven onder den ticel , Jan* 
leiding tot de Nederduitfcbe Dicbtkunjl , en deelc in dit 
ílukje den Kuníllievenden een korc berigc daar van 
mede , om ce zien , of hy oncdekken kónde welketi 
cpgang deszelfs uicgaave zou hebben ce verwagcen. 
Wy bebben *c der móeice waardig geoordeeld hem 
hier io de behulpzaame hand ce biedeo , ce meer om 
dac ve cot no^ geen uitgewerkt ftuk van dien aarc iti 
onze Taal beziccen ; en zyn daar door bewoogen om 
zyn bedoelde den Leezer wac nader voor ce ílellen. 

Onze Schry ver verdeelc zyn Werkje in negen boe^ 
ken 9 naar *t gecal der Zanggodinnen , benoemende 
ieder boek mec den naam van ééne dier Zuíleren. Het 
eeríte Boek oncvouwc , hoedanig een Dichter behoo- 
re te zyn , welke kunílen en weecenfchappen hy be« 
hoore ce kennën , en geefc verder eenige algemeene 
Leflen , waar op jonge Dichcers agc hebben ce geeven , 
om bekwaam ce worden. Hec cweede geefc een be« 
rigc van den ondergang en herftelling onzer caále , 
coont de nucheid en noodzaaklykheid der caalkunde , 
en béhelfl: etlyke fpraakkundige aanmerkingen. Het 
derde (brekt om den jongerén Dichceren eenige by* 
zonderë LeflTén iii te boezemen , die doorgaande in de 
Dichtkunde in agt te Qeemen zyn.- - [In dic Boek zon 

11« PBEi^ Mo. 2. G men ^ 



4 
* I 



\ 



99 XORrN* BL£E^VI:£& 

men » onzes agtens, zecr eigen pktatfen eene onder» 
rlgting over den Maatkbnk , en by die gelegeiUjeid 
den jongen Dichter onderwyzen , in de Foetmaat ^hct 
Rym^ de Snyding , Ferpoozing en Ru/l: dit zyn zaaken 
díe tot een Werkje van dien aart ongetwyfeld behoo- 
ren ; en we konnen uit den inhoud der Hoofdíhikken , 
door den Heer Elzevier opgegeeven, niet ontdekken, 
dat hy zich deswegens byzonder uitiaat : ook zouden 
veel ligt eenige aanmerkingen over den ftyl in 't ^ge- 
meen nier geyoeglyk plaats konnen hebben , zo men 
die niet liever in t tweede Boek aan de aanmerkingen 
over de Spraakkunjl wilde hegten. Onze Schryvcr 
máakt in't vervolg wel gewag van een Hoofdftukover 
denjlylvan *t Treurfpel ytví , van 't Heldendicht fpreeken- 
de, van een Hoofdíluk over de verhevenheid van den 
Jiyl; maar *t zou niet oneigen zyn, in de beginfelen 
der onderrigtinge , in 't algemeen te toonen, wat 'er 
vereifcht wordt, om een goeden ftyl te fchryven , en 
dien tefchikken naar den aartder onderwerpen.^ Het 
vierde Boek handelt over de gemeene diclitftukjes , 
en toont wat 'er vereifcht wordt in Geejllyke geëcbten , 
Minnedichten ^ Bruiloftsdichten enz. , wa^r by nog komc 
eene befchouwing van zommige Poëtifcbe aarcíghe- 
den , waar die voegen en niet vo^en. Het vyfde gaat 
.over de Herders- Fijfers- en Veldzangen , het Bly- en 
Klugtfpelj de Boertige verzen en 't Schimpdicht. [Moge- 
]yk brengt de Heer Elzevier hier onder ook het didi- 
ten van Fabelen; zo niet, hy overweege, indien hy 
dit leeft , of zulks niet gevoeglyk zou konnen gefchie- 
den.] Het zesde moedigt den jongen Dichter aan , 
cm zvn werk te maaken van het Kfhilderagtige , en 
doet hem zien hoe hy natuurlyk dichten moet, Hier 
/ aan is gehegt eene uitweiding over de Oudheid , Be- 

gin en Voortgang der Dichtkunft by de 6rieken,La- 
tynen , Italiaanen en Nederlanders , midsgaders een 
^berigt van verfcheidene Kunftgenootfchappen in Ne- 
derland. Het zevende ontvouwt het aanmerkenswaar- 
.(ligfte raakende de Tomcifoëtíyfgélyk hec acbtfte doet 

teit 



. • # 



• f 'l » 3> I •> 1 . »' 1 V * ./1 

icnTTKOErEN; ^ 

teh áániuen van het tíeídeniichi : wáaf Óp bnze Scbry« 
Ver in 't negende BOek zyn Werkje beuuic ibét eene 
Verhandeling tcít Íjof dér DictitkunJU. [We zyn niet 
Irreemd Vah të dënken , dat de iíiciireiding i !h 'c íesdé 
Boek boVeh gemeld ; wel zo eigeúaaftig ih dit laatfté 
boek oirergebragt zou wof deh } doch miflchieh wof dt 
dan hét zesde Boek wat klein in evenredigheid met 
de andef en ; dan dit zou de Heef Elziviér ligclýk kóni 
iien verhelpen , niet hét laatAe Hpofdftuk vad 'c acht« 
ite Boek, ov^r iú gélykenijjeú ^ in 'c zesde të pláacfen^ 
en daaf nevens ce voegen eehe doófgaandé óndefrig^ 
tingraakende het gebrUik dci Rëdénrýkkunjiige figuutiri i 
dat in de Poëzy wel eene byzOndere aanmerking Ýern» 
dient.] ., ' ; 

Men kan uit dit béloop gehoégzaám áfheémeh i é$i 
een Wef kje van dien aart ^ behóorlýk (litgevoerd i vá 
verfcheidene opzigteh aangenstani , eh voof de tíithu 
kunítvan een weezenlyk nackánzyh. Om hu ded 
Leeier in ÍÍaat te ílellén i oih eenigef máate té kohnéd 
bordeelen pver de ulcvoef ing , zo heeft de Hëef EU, 
zevierBSLTk 't korce berigt van dic zýn Wefkje gehegt^ 
2yne Froëf van ien nieum Nederduítfcbt Spraakkmit 
tynde een gedeelce vatí 'c cweede Boek. -«-r Hen 
oogmerk vah den Sehry ver is niec eene gehéeie Spmak-í 
kuníl cë fchry ven ; des aangaande wyft hy den Li^e^ 
ztrtot Manen^ Nyloë^ Séwtl ^n mdereú ; máaf álléén 
6m , onder zekere hoofden , een geleidel^k dehkbeeld 
der caalkunde ce geeven , en zyne aáhmerkingen medé 
te deelen over zommige bý^onderheden die i styneiá 
bordeel^ s voor al eene nadere ppléccendheid ver^e* 
iien. Van hier beginc hy mec de Naamvallen , en ípréeki 
vervokens van de Gejlacht en l^oomaénmoordtn ,* vafhl 
de Zelfflandigê , Bývúeglyké Nêeni' en de Deehviooráéíi ^ 
van de fVerkmorden , en derzelver Sebeeffctíing ; rzai 
de Bywoorden , f^egi»oordert , Tujfcbenmrpingen i Fá&rzié^ 
fekh^ m beíluit mec eenige byzonderó Janmêrkïtt^éii 
ovef zommige woordén ^ fpréekwfzett ^ enáe fpillifíg, uiL 
gedeelte van zýn W^rk^ hjet \iirelk 0veF de S^aahíéjt 



lOO XOftlf. EL2BVIER 

gaat , Í8 , gelyk hy zelf doorgaande erkent , voor 'c 
meerendeei ontleend uit des Heeten jfíuydecopers Proeve 
van Taalen Dicbíkunde ^en de Scbrifcen van het Konít- 
genootfchap Natura & Jrte; en de Schryver toont ge* 
meenlyk in zyne aanmerkingen , zo eigene als overge- 
nomene, dat hy zich zeer bevlytigd heeft in 't leezen 
onzer Nederduitfche Schry vereh , en met oordeel ge- 
hruik weet te maaken van 't geen hy geleezen heeft ; 
het velk ons niet ongegrond , zo wy agten , doet ver- 
IDoeden , dat het voorgeítelde Werkje grootlyks zal 
beítaan , uit aantekeningen van 't merkwaardigfte dat 
cíen Heer Elzevier in zyne leezing voorgekomen , en 
door hem.onder eenige hoofden^ in 'tkorte berigt 
nmetd , gebragt is : het welk voor veelen van dienít 
tán zyn ; als wordende langs dien weg alles by een 
verzameld 9 het geen veele Schryvers hier en daarover 
deeze onderwerpen gemeld hebben. — — Tot een by- 
zonder voorbeeld van nutte aanmerking diene de voJ* 
geode over de NaamvalUn , ontleend uit een gefchrift 
van 't Kunílgenootfcbap Natura & árte^ (dat in de 
^nden van flegts weinigen gevonden wordt ; ) deeze 
^amnerking geeft een klaarder denkbeeld van 't ge- 
broik der Naamvallen in onze taal, dan men gemeen- 
kk by de Spraakkunítfchryvers ontmoet. De Heer 
Mízevier (telc dit in deezer voege voor. 
í » . Voor eeríl zullen wy van de Naemvallen fpreken, 
tí die zes in 't getal zyn , en in 't Latyn deze namen 
é hebbep: Nminativus^ Genitivus^ Dativus^ JÍccufati' 
^ Vtts. Vqcativus yJblativus. 

*i « De Heer Monen heeft in zyne Spraekkunde die 
^ . voorden ílechts naer de letter overgezet , zonder 
^. een, genoeg^ame verklaringe daer by te geven , en 
t^ dtts geen kleine deur van verwarring voor de leer- 
^ gierige jeugd' opengezet , gelyk wy verder zullen 
« .aantoonen ; want , in de bovengemelde orde^ noemt 
^hy ze aldus: Nóemer^ Tekr of Baerer^ Gever^ Jen- 
^ kk^er f Roeper^ fiemer. 

\ m r^u.zallea.wy. de eigenfchappen van die. zes 
c o Naem- 



'^mm 



DICHTFKOirEM» 20« 

9 Naetnvallen elk in 'c byzdnder gaen ondefóoeken^ 
t, enverklaren. 

ry De eeríl€ Naemval , by Mmen » de Nomer , en bgr 
9 OD8 de fVerker f is eigenlyk de werkendc perfom of 
„ zj^it, en daerom worden die woorden,díé door eeA* 
y, fVerker geregeerc worden , en buícen zulke ferfmen 
n of zaken niec ce pas komen , of gebruikc kunnen 
39 worden, ioerkwoorden genoemc, als beminnén , Jlaen^^ 
» Jiooten enz. maer om by onzen JVerker ce blyvea.: 
9 wanneer ik (by voorbeeíd) fchryf : PiV;^ r bemint^flaa 
» Jloot enz. zoo vraeg : wie bemint , yio^i ,y2(?(7; ? en hec 
9 ancwoord zal zyn Pieter: zoo dac blykc, dac Pietcr 
, de werkende perjoon , en derhalven in den eerítcn 
j, Naemval moec geílelc worden. £n om hec noch 
y, klaerder ce doen begrypen , zoo zeg ik : de Man bc-^ 
9 mint , enz. daer uic blykc mede dac de Man de wet^ 
9 kefide ferfom is, door hec Gejlacbtwoord De ^nlzoo dac 
9 woord pe alcydc de eeríle of vyfde Naemval is , ce 
y, weten de Roeper van Monen^ by ons de Toeboorder.^ 
^ dac is j de aengefproken perfoon of zaek ^ máer dewyl 
f, de Man hier geen Toeboorder is , maer werkende ; zoo 
» blykc ce meer dac de Man hier in den eerften Naem:- 
, t;^//(? ílaec , welke eerjle Naemml nooic Den (dac by 
9 veele kwade Schryvers echcer ce vindea is) kaa 
» dulden. 

„ Nu volgc de Teler ; hec Konílgenootfchap Natutm 
» & Arte , uic wiens Schrifcen ik dic Hoofdftuk opt- 
9 maek , noemc dezen Naemval den Eigenaar^ dac is, 
, een perfoon of zaek die^een'wezentlyken eigendom 
9 heefc aen pexfonen of zaken die by hem geftelc wor- 
9 den , dus zegc men de lofdes mans , oïvan den man^ 
9 is groot^ dehfder vrouw^ of van de vrouw^ is groot^ 
» de lof des konjigenootfcbqps of van bet konfigenootjcbap f 
9 is groot. Hier blykc nu klaer dac man , vrouw en konji* 
p> gmotfcbap hierin den tweeden Naemvair ítaen , of 
9 de Eigenaers zyn van den lof. Zynde hec Geflach(- 
» woord Des in hec mannelyke en pnzydige en Der in 
9 bec vroúwelyke geflacbt^ alcydc vaíte tekens van 

G 3 « dea 



■^Sl 



IftlB^ ICpZHi wt%vkytt% 



fli den Eigenaer pf tmeeden Natmval } dpch denryl lie{ 
^ woord f^an zoo wel den ze^den als deti tweeden 
*^ Naemval regeert , moet men ^el nsfeuwkeurig acht 
» iíaen hpe het zelve voprkomt, 't we)k men gemak- 
» kêlyk kan Íeeren onderfcheiden* iBy yooirbeéld ; ik 
^ lées dc hfvan d§n man is grooti wil men nu weten of 
f, dc man hier in den tweeden , dan of hy ip den ^e^deq 
9 Naamvall' íla , zop vrage men zich s^elye (lephts , of 
i^ die man Eigfnaer van den Ipf zy , of eeni^en eigen- 
^ dom aeo denzëlven bebbe ? yoprzeker ja ; geruft 
p moogt ge dan ter neder zetten df lofvan dfn Man 
^ enz. ; want in den zesden Naemvall' zou bet Mannt 
'^ mpeten zyn (?). Doch om noch yaíler hier in te 
^ gaep zpo is *er noch een ónfeilbaer teken , om deó 
^ tweeden van den zesden Naemvall' te leeren pndei* 
^ kenneq , te weeten: wanneer men in het manneiyk 
m geflacht , ropr de woorden van den , van dien , diens of 
i^ ^x, en in het vrouwelyke voor van de f oi vam die^ 
'^ der of dier , zonder krenkinge van den zin » kan zet: 
' ten ^ dan is het een vaíl teken dat het woord van íq 

den tweedeh Naemvali' ítaet^ dewyl die buigíng ÍQ 
^ den zesden Naemvair geeh plaets ícan hebben* 

„ De derde Naem val , by Monen den Gev4r > maer 
^ met meer redén by ons den Ontyanger genoemd ^ is 
^ die perfopn of zaek die iets ontvangt , of wien iets 
^ toegebragt wordt. By voorbeeld : ^an geeft den 
b manne Jhgen , (want de fiagen ílaen in den yi^rden 
i^ Naamval? in net meervoudige getal.) Zpo volgc 
9 dat de man de Ontvanger'U 9 of oe derde NaemvaT, 
^ die zoo wel als de zesde in e uit^aet (^). Té meer , 
^ als men 'er een woord by voegt , en fchryft : Jan 
M g^rf^ aen den mannéflagiín iwzni daer aen niet by kan 
^ komen , kan geen Ontfanger » of dnderi Nofmval ge* 
"•'■"■' 9 von- 

(1 y vj.ic is cen regel va|i 't Kupftgenootfchap Natura (^ Jrte^ 
dlen át littx Élzevier vervolgená íla'aft, met dc fchiyfvêyze'dri' 
•Ouden : 'át bepaaldheid van ons bellek laa( ons niet toe ons hleK 
^vcr nit tc laatcn; 



» 



DieBTVROBVbK. lO J 

9 vonden worden, ooch eenige plaets grypen. Indien 
e men na volgens Monen te werk ging', en vraegdo 
B wie is de G^er ? (dat is de derd$ Naemval) zou men 
, immers moeten zeggen ^an; maer dat is mis^ Jan 
9 is de derde niet ; maer de ecrjie Naemvaly te weten 
9 de 'merker of uoerkende perfoon , zoo dat men hier uit 
, kan zien hoe'weinig nut voor een* joogen Leerling* 
9 uit Mtmens Spraékkunji\ in dit geval , te halen Is» * 

9 Hier na volgt de vierde Naemval » dat is de be^ 
5 werktv)ordende perfoon of zaek , of £yif r , ( Monen 
, noemt hem den Aenkïager) dat is de man die geila« 
9 gen of geftooten wordt. By voorbeeld: Janjlaet den 
9 mank , fcbopt denjongen y boort den toon enz. zoo blykt 
9 dat de man^ de jongen en de toon^ de bemrktwrdende 
9 perfoanen ofzaken > dat is de Lyders; flaet^ fchopt en 
9 éoorí de werkwoorden zyn , en 3^an de Werker is : 
9 doch wanneer men íchryft : de man wordt geflagen^ de 
„ jongen mrdt gefcbopt^ de toonvford$ geboort, moet de- 
9 tmin, de jongen^ en de toen in den eerílen Naemvall* 
« ftaen , om twee redenen , ten eerfte : om dat geen 
„ vieríb Naempal in een' volkomen zinn' kan gevoodeo 
» worden^ zonder een* e^rjlen Naemval, vaor ofacbter 
9 zich te hebben, gelyk in Jar^ flaet ^ fioot enz. te zien 
» is , die hier oiet te vinden is. Ten tweede : om dat 
9 geen perfoon of zaek door een Lyd^nd vterk'Oioord iq 
« den vierden Naemval wordt geílelt, maer wel dooy 
» een bedryvend werkwoord. 

o De vyfdeNaemval is by Monen dé Roeter^ maet 
, by ons de Geroepen , of aengefproken perfoen oýzaek , of ^ 
, om hem met ^én woord te noemen ; de i^^^or^r { 
9 om dat hem, wanneer hy ons voorkomt, deze bena«^ 
, ming eigen is , gelýk uit dit voorbeeldt te zien is ; 
» Ik hovde dien man roepen $ mannen broeders ! enz. Vráegc 
n men ou Monpi wie hier in den Roeper^ ftaet? ^die 
• altydt met den eerften Naemvair overeenkomt , en 
« zo wel als dje altyd De en nooit Den voor hem ly* 
9 den kan.) 2kK> moet hy , wil hy votgens zyn eigea 

t roord^n antwQordeo> zeggen; dt manm Smders ^^ 

G 4 n dm 



\ 



104 KOKN. BL'ZCVIER - 

« die in tegendeel de Toeboorders zjn. Wanc Ik (die 
^ de Werker ben) boor roepen; (te wetén deu man die 
9 in den vierden naemvair ílaec) maer vraegc men 
» wie hier de aengelproken , of , om in hec meervoa- 
n díge &^ ^^ Ipreken ^ wie de aengefproken ter/onen « 
» ofToeboorders zyn ? zoo valc het ancwoord lichc ; de 
9 Afimfi^n Broeders zyn de rofi&a^rdprj^diedan ook,ge- 
I» lyk hec zyn moec^mec den fFerker* ofeQXÍíen Nam^^ 
^ vair overeenkomen. 

9 De zesde en laetíle Naemval is de Benomen of ^^- 
9, roofde perfoon of zaek , zndexs de Derver. (Bj Monen 
^ wordt hy , doch verkeerd , den Nemer genoemt.) 
9 Dut zegc men : 3^an neemt van den Manne^ alioat by 
n krygen hin. Vraegt men nu een' Leerling' weder « 
9 wie i& de Nemer'i die moet antwoordep Jan^ dac 
» mi8 is ; want die is de wrkende perfoon ofzaek , en kan 
» by gevolg geen zesde Naemval zyn. Maer yraegc 
9 men wie is de Derver , of Benomen perfoon ? zoo luidc 
9 bec ancwoord de Man , die daerom in den zesden 
9 Naemvair ílaec , en Manne moec zy n. Laec ons nu 
eens zien » hoe men den zesden Naemval in andere 
^ opzichten ook waer ce nemen hebbe. Deze Naem- 
9 val kan ons ook dus voorkomen ^ by voorbeeld ; 
i^ ^an werdt gebaet van den Man. Dan moec hec woord 
9, Man weder Manne zyn. Niec zo zeer dac de Man 
9 van iecs berpoft wordt , of als een benomen perfoon 
9 moet aengemerkt worden , als wel om dac het woord 
9 Van hier bykomt » (dat , als gezegt is , zoo wel een' 
^ zesden als een* tweeden Naemval regeerc.) Dat 
^ hier^ zonfier krenkinge des zins, niet in Drxkaa 
f, veranderd worden ; want hoe miíTelyk zou het lui- 
» den , als men zeide : 3^an wordt gebaet des Mans ? 
daerom moet Man in den zesden Naemvall' ílaen ea 
Manne zyn. Men kan Man hier ook in den vierden 
Naemyal ílellen , mics het woord Fan , in Door ver- 
anderende , niet om dat de Aían hier een Lyder zoa- 
de zyn ^ maer om dat het woord Deor eeo vierdeii 
Naemval regeerc* 

• Dui 



n 



n 



I 



B I C H T P R S :V B K. lOf 

;,,Dus Bieitten wy den LeerUngen eea denkbeeld 
,, van de eigenfcbappen der zesNaemvanen gegevea 
^ te faebben j en nu zullen wy de Namen der liaem* 
j^ vaUen in order zetten, zop als ze, om begrepen xe 
^y worden y moeten genaemd zyn : 

« 

^ WERKER , of wrkende perfaon of zaeK 

^ £IG£NA£R* 
„ ONTVANGER. 

9^ i.Ti>£R ^ of Bewerktmrdende perfoon of zaek. 

^, ,TO£HOORD£R , of jííengefproken perfoon of zaek. 

), D£RV£R , of de perfoon ofzaek wkn ietsbenomen wor^^ 



am 



Matth^i van G£itns , Groningani , de eo quod vitam 
conjlituit in corpore animalifdi/quijitio ph^ologica» 

Noituurkundige verhandeling , cver het gene bet Leeven uií- 
maakt in jeen dierlyk lichaam , déor matth. van G£UNS* 
Te Grmingen^ by Henr. Ci'ebas, en te ^^fterdam^ bj 
Pieter Meyér. In groot quarto 45 bladz. 1758. 

TErwyl wy onze Vaderlanderen dagten een 
bericht mede te deelen , van eene Verhande- 
ling over den lichaamlyken dood en de oorzaaken vanjlerven , 
welke onlangs door den Heer van gruns te Leyden 
is oitgegeven , by zyne beyorderíng tot het Dodo« 
raat ; fcheen het ons gevoeglyk voor af melding te 
m^aken van 'het tegens woordig werkje » dat verknogc 
is met het nu uitgekoomene ^ en in natuurlyke orde 
van íloffe en tyd het zelve voorgaat. 

Deeze Verhaad^ling ever bet licbaamlyk Leeven is , 
ge]yk de/ritel en de Voorrede aanduiden, een Aka* 
demifch werkje, door 4en Auéleur onder voorzittinge 
van dén Heer van dorv^ren, ProfeíFor te Gronin- 
en , in *t openbaar aldaar verdedigd. Het gewigt der 
offe, en de menigvuldigheid vaa fphriften en ge« 
vo^lens^. welke zedert verfcheidene jaaren daar over 

G s 2:yn 



f: 



V 



t06 «ITTH. VAN GÊITM^ 

yyn uttgekoomen , gevoegd by de vlyt en beleezen- 
heid welke in deeze verhandeting doorftraaien , en de 
lof , welken de*^ Profeflbr aan den Au&eor en zyne 
Letceroeffeningen geefc , in een Bríef die voor bec 
werkje gaat , hebben het zelve met agtinge doen ont* 
fangen en geieezen worden. Onzen Leezeren zal het| 
om dezelfde redenen , niet onaangenaam zyn , dat wy 
hun eene íchets geeven , waaruic zy over nec werkje 
eenigadns zullen kunnen oordeelen. 

Voor af maakt de Hn van c e v n s eenige aanmer^ 
kingen , o ver hec onderfcheid der drie Ry ken der Na- 
tnure , om te koomen op dat der Dieren , als hec meeft 
íamengeftelde , en waar in het meefl: voor een' Na^ 
tuurkundigen te onderzoeken valc ; cerwyl hier Ce let- 
ten is 9 niec alleen op die ftoffelyke eigenfchappen en 
hoedanigheeden , welke de deelen van een Dier* , voor 
zoo verre ze uic vaíte en vloeibaare ftoffe beílaan , 
jnec alles wac lichaamlyk isgemeen hebben ;en verder 
op de famenftelling en hec werkcuiglyk maakfel det 
deelen : maar wel byzonderlyk ^ hoe dic beide famen* 
loopc , door de juifte by eenfcbikking , van zoo veele, 
in hoedanigheeden en werktuiglykheid ^oo zeer ver« 
fchillende , deelen , dac hier één geheel lichaam uit 
voorckoome , 'c welk , door de overeenftemming zyner 
werkingen, een gefchikc en duurzaam werktuig zy, 
om gewaarwordingen ce oncfangen en coc deZiel ovef 
te brengen , en ook deszelfs wil door gepafte bewee« 
^gen uic ce voeren. 

In deeze vereifchce gefteldheid en viférkzaamheid 
dan , zegc de Schry ver , welke het lichaam tot de ge* 
noemde verrigcingen in ftaac ftelc, beftaac bet Uchaanti 
lyk Leevin. £n hy ftelc zig voor , ce ooderzoeken naar 
de nacuurlyke reden deezer werkzaambeid , voor zoo 
verre ze allen deelen des líchaams gemeen is , ^ondei 
te treeden in de eigene werkingén van ieder deel^ die 
weer van byzondere hoedanigheeden en famenftelling 
afhangeUi en aan de gewoone dierlyke Natuurkunde 

(*)BK>e^ 



MATUURKVKBI6BTBRHAMDEX.IM0. f«7 

(P) vmetm pvergelawen worden. . Ten dien eindo 
tnaakc hy sig de volgende verdeeling, Om ten eerílen 
naa te gaan , in mtki imi9rfcbeidene mrkingen van deekn 
de naajie $n zigtéaare reden vm bet leeven des licbaams be^ 
fiaa ; en tot mlke algemme eenpmtígbeid die mrkingen 
iunnen gebragt vjorden. Ten 2den ; ce onderzoeken , 
pf de oarzaak dier algemeene eenvawUge mrkfaambeid aan 
de Bewegvezebn van ieder deel op bMt zehen eigen zyn , 
fn op weUíe wyze. Ten gden ; w^lken Onderjland de dee* 
(en in baarewrkzaambeidontfangen van de gébeek licbaam^ 
ïyke Huisboadinge. Ten ^den ; Vkxt men v^n de oorzaak en 
redenen def eigene werkzaambeid der deekn , en de vfyze , 
ismrop b^t Zenuwgeflel dezehe onderjieune^ bepaaUn kan. 
Eindelyk > ten jden ; om uit bet verbandelde een naaukeuri* 
ger denkbeeld van bet Leeven des gebeelen licbaams famen 
teflellen, en op verjcbeidene zwaarigbeeden f» verfcbilkndê 
gevoelens te antmorden. 

De algemeen atngenomene , en wHgtbaare ^ naafte 
ooru^aken van hec leeven des lichaams» in zyn gehed 
genomen, zyn yoqrnaamelyk de zoogenoemde /f^mr 
Vfertif^en {\) ,. de klopping van het Hart en Slagade- 
^en / en de aaar van af hangende Omloop des bloeds ; 
dewyl hier aan de voeding en in ftand nouding van 
)edef deeltje naaíl verknogt is : fchoon in der daad de 
tegenswQordigheid deezer werkiogen eer een vaíl t> 
ken van leeven is, dan dat derzelver afweezenheid 
een zeker bewys des doods zoudezyn ;dewyl de waar^ 
neemingen leeren'^ dat het leeven zigals 't waare, ge» 
heel íchuil kan houden , en alleen, zoo 't fchynt , in de 
^nmerkbaare werkzaamheid der kleiníte deeltjes be- 
ruílen « laatende zig dan door gepafte middelen weer 
tot de gewoone zigtbaare werkingen opwekken , ge- 
lyk in de verdronkenen , gefmoorden ^ en bezweeke* 
nen bekend is. Verder zyn tot het geheele leeveQ 
Qoqdzaakly k , dog mindpr onmiddelyk dan de genoem-' 

de 

l^) Pbyjiologta unimaUs. (|) AjBHfmes títaltu 



XOS HATTR. TAN eSITNÍ 

de Leerens-werkingen en ondergefchikc aan deselve; 
de Natuurlyke werkingen (*) , beítaande in de bewe^ing 
en werking der Maag, Darmen, enas. Dc Dierlyki 
wrtíngen ( t) , van Gewaarworden en vry willig Bewee- 

S^n y fchynen eifenly k niec zoo zeer coc in ftandhou- 
ing van hec lidiaanilyk leeven of huisfaouding ver* 
eifcht te worden , als wel tot onderícheiding tuflchea 
het Dierlyk eo faec Groeijend leeven ; dog , daar hec 
hier op aankoomc^ zy gefchieden ook door Beweeging 
en Samentrekking der deden , gelyk alchans in de 
werking der Spieren ten uicerften klaar is , en zeer 
waarfchynlyk ook in de tedere Zenuwen, door welke 
de gewaarwording geíchiedc , enz* 

Atie deelen derhalve , weike leevens beweegingen 
verrigten , doen dit door beurtlingfche Samentrekking 
of verkorting , en weer loslaating of Verlenging, haa» 
rer Zelfftandigheid. Dog ook alle deelen beílaan ein- 
delyk , volgens des Heeren hallbrs naaukeuriger 
proefneemingen , uit Vezelen en oneindig kleine Ve- 
zeklraadjes (^) , welke meeíl al van dezelve natuur 
ichjnen te zyn , dog op verfchillende wyzen zamen- 
geíchikt , op een gepakt , en door elkander gewee« 
yen, Viiezen, Vaten , van verfcheide ordens , ea 
het aigemeene celagtig Weeffel (^) , 't welk aile dee- 
Jen door 't geheele iichaam verzeit , uitmaaken , en de 
voomaame zeifílandigheid van aiie vaíle Deelen zyn. 
In de zoogenaamde Spier vezeíen i$ een meergeregeide 
zameníchikking en eenpaarige (Irekking , waar door 
ze tot fterker en regeknaatiger beweegingen gefchikc 
íchy nen , en ook meed al , daar zoo áets vereiíctic 
wordt , rykeiyk voor handen zyn. Zoo dat de Veae- 
leit de aigemeene en eenige gereedfchappen vaa be* 
weeging íchynen te zyn , in alle de deelen des gebee- 
len lichaams ; en derhalve , de natuur en oorzaak der 
zamentrekkende beweeging van de Vezelen verklaarc 

Í*) jíSiímes naturaïes. (\) jíSiúnes animaks. 

í ) Fibra 6f fibrilla. . í\) Teia cflMêfa. 



KATUUaKITNbtGB VERH AN» ELIN6. ffOf 

tpit , is dat gene , 't welk eigenlyk bet lceven ia *l 
gebeele lichaam uitmaakt , verklaard. Om dii duide* 
lyker te maaken geeft de Scbryver een fcbets, hoe oit 
deeze enkele zamentrekkende beweeging alle de ver- 
rigtíngen der verfchillende deelen des ieevenden ti» 
chaams te verklaaren zyn. Namelyk in een Vat zya 
cle voomaame beweegvezelen ringswyze naaíl elkaii» 
der geplaatft , en door het celagtig weeffel íameDgeii 
bonden , wanneer zy derbalve zig eenvoudiglyk &« 
mentrekken 9 wordt de ring kleiner, het vat naauwer^ 
enhet vogt daar in voortgeíluwt. Wanneermen iácÊ 
m byvoegd een bepaalde loop deezer vaten y grooc^ 
en kleinbeid , figuur , hoeken , draaijingen ^ fameo» 
binding enz. zal men naar maate dit verfcbiltyde ver- 
íchiUende verlcbynrelen van loop , vemnderíng , a& 
fcheidio^, en uitwerping der vogten in v^rfcbillende 
deelen, mgewanden, klieren enz. welke ín maaksel 
byzonder zyn eenigzins kunnen begrypem Dit zeive 
laat zig toepaíTen. op de pnderlcbeidene werkingen vaa 
het hart, maag , darmen , kleine en groote Spiereo, 
we}Jce op verfchillende wyze lamengelteld zyn utt be- 
weegvezelen , welker eenvoudige werkiiig niec anden 
is dan verkorting eo weer verlenging hunner zelfllaQ-» 
digheid. Kortelyk, allededen» welke ieevensbewee- 
gingen maaken , zyn vsm deeze beweegvezelen voor« 
zien ; de werking der eerfte be wéegvezelen is in alle 
deelen gelyk ; dat egter de deelen in haar geheel 200 
verfchillende verrigtingen hebben, koomt enkel vaa 
haar verfchillend m^akfel en werktuiglykbeid , ea 
nogelyk van bykoomende byzondere hoedanighedett 
der vafte en vloeibaare deelen , welk alles eijgenlyk 
^tdeeerfte oorzaak der leevensbeweeging niet by* 
hrengty maar dezelve flegts op veríchillende wyzeii 
fchikt cn wyzigt, 

11. 
Nu vait te onderzoeken , van welke Natuur de Íjh 
nentrekkende Beweeging der Vezelen is , dat is , of 
^zelve 9 uit eene eigenc Kragt deezer deeltjes "vooiti- 

kome. 



tlO ItAtTB. VAN GBttKÍ 

kome^dah of ze die flegtsals Gereedfchappen hétiben ^^ 
die doot ëén algemeene Oomak of Drytveer , bQÍced 
haar , bewogen worden. De Scbry ver merkc aan dac 
dic laatít gevoelen van de voornaamíte Mannen vah 
laareren tyd meeíl al gedreeven is; Meeít beefc men 
de Zenuwen , welke uit de Herfenen bunne kragc on^ 
leenen , voor de algemeene oorzaakeo der leevensbe» 
weegingen der Vezelen gehouden , en dit op verfchil- 
lende en geeítige wyzen verklaard, gelyk by Wiuis^ 

BOERHáAVË, K£IL, BERNOULLI, enz. Ce ZÍen ÍS; 

Anderen hebben hec Hart , anderen de vobrcplantin* 
gen van 'c harde Herfenvlies door 'c geheele lichaam , 
anderen de Eleflrieke kragc , anderen de Ziel zelve , 
voor de algemeene Beweegoorzaak genomeH , om van 
de ongerymder gevoelens der Ouderen niec ce gewa» 

Sen. Den Auéteur koomc hec waarfchynlykít voor i 
at de beweegvezelen , noch bloote Gereedichappen § 
zonder eigen Kragt zyn , noch dat hunne kragt zoo vaa 
het geheele Geílel en Huishouding dei lichaams onaf* 
hanglyk zy, dat men ieder vezei als een volárekt be« 
weegtuig op zig zelven (*) zou kunnen aanziebý dog 
dit moet door proefneemingen met de byzondere dee- 
leo nader opgenuiakt en bepaald worden. Hier toe 
worden dan de Deelen des lichaams ^ welke beiireeg- 
vezelen hebben , en door hunne werking toc de dier- 
ly ke Huishouding by brengen , afzonderly k naagegaan } 
hec hart , de maag , dármen ^ biaas en kleinere be- 
waarplaatfen , lyfmoeder ; verders d^ groote en kleÍBé 
flagaders en vaten , en ook het celagtig weeffel meé 
de deelen die daar uit famengeíleld zyn y eindelyk hee 
zenuwgeítel , en de grootere fpieren. De proef - efl 
waarneemingen meeít uit de nieuwere Schry vers by^ 
gebragt , vergeleeken , en door eige proeven beveítiga^ 
leeren dat elk deel , het een meer en meet zigtbaar* 
]yk dan het ander, byzonderlyk aangeprikkeld zynde, 
in zyn eigen bewe^ing » onaf hanglyk vaa die der 

Mre' 



. NATUVRKVNDXOE VKRHáNDELING. «Iir 

(Mrerígê deêlen » verfnelt » yersuderc ^ en, in ruíl gi> 
raakt zynde , weer opgeHirekt wordt , ea eenigen tyd 
mec beweegen aanhoudt , zelfs dikwyl wanneer het 
overigë lichaam reeds al zyn leeven kwyt is, en ook 
wanneer zulk een deel geheel van het leevend lichaam 
aígezonderd en uitgefneeden wordt ; jaa zelfs , behoa* 
den de van elkinder gefneedene ftukken en vezeleii 
van een deel , b. v. van het hart , nog lange sdzond^^ 
lyk dit vermogen» Zoo dat hier uit blykt y dat de be* 
weegvezelen geene enkele lydelyke Gereedfcbappen 
zyn , maar dac zv eenige eigen Beweegkragt of &« 
mgvmdigbeld {*) hebben , onaf hangelyk van elkan^ 
der, en niec eeniglyk veroorzaakt door den invloed 
van eenig algemeen werkend ílelfel of Dryf veer der 
dierlyke huishoudinge» 

Bebalven 'c geen dus in deeze afdeeling uitvoerig 
genoegbyeengebragt is omdic befluit te maaken,tragc 
men nog byzonderiyk ook de eigene famentrekkende 
beweeging der Slagaderen te ítaaven en door bewy« 
zen aantedringen , en te antwoord^n op de redenen 
waar mede de Heer h a t l b r deeze, fteliing tegen^ 
ípreekt; verder , wil men de eigene beweegkragt niec 
alieen bepaald hebben , tot zigtbaare en juiíl gevormde 
Spiervezelen en deelen uit dezel ve beílaande , maar^ ook 
io zekeremaate uicgeílrekc toc bynaar aliedeeleo, welke 
uic eene vefelagiige en minder regelmaatig fchynen* 
de zelfíUndigheid famengeweeven zyn , geiyk ook 
tot hec algcmeene Celagcig Weeffel zelf , en veele 
deelen welker voornaame zelfílandigheid hier uit be- 
(t^ac ; tot de gróote en kleine Vaten , Uitwerpbuizen , 
Huid, Klieren, Ingewanden enz, fchoon toegeílaam 
wordt , dat deeze beweegingen , in íterkte en regel* 
inaatigheid , niet vergeleken kunnen worden by die 
der eigenlyke fpiervezelen. Kortom , voor 200 verre 
de deelen des lichaams gevoed ^ herlíeJd worden , en 
^oeijen ^ en dit eeoe beweeging en werkzaamheid 

ver* 



vereifcht, in zoo verte i$ het ook waarfchynlyk dat 
de bardere deelen gelyk Peezen , Vliezea, Kraakbee^ 
nen en de Bëenen zëlve niet geheel verfteeken zyn 
Tan een fóortgeiyk inwendig beweegvermogeá. En 
fchoon de Heer haller geene de minfte famen- 
trekking iade geheele zelfftandígheid der Zenuwen , 
door zyne proefneemingen , heeft kunnen ontdekken , 
d^nkt egcer onze Schry ver , uit de bdfcbouwing vaa 
derzelver onei^idig fchielyke werking in Gewaarwor- 
ding , fieweegiiDg , Vcrbeekling , en Gemoedsdriften , 
inet den Heere gaubius te moogen befluiten.tot » een 
^ inwendige beweegkragt van het zenuwgeftel , waar 
^ door alS' met eene foort van fpierkragt , deszelfs 
'^ vezelen , ^ beginíelen en buizen , gefpannen , opge^ 
^ zet ^ en weer verflappen kunnen • 

D& afdeeling wordt befloocen met aanduiding der 
ongerymde gevolgen , waar aan de voorftanders ván 
de yolftrekte werkeioosheid der beweegvezelen , en de 
algemeene inwerking van het Herfen en Zenuwgeftel , 
genoodzaakt zyn xoe te geeven ; in vergelyking van 
hen , die meer eenvoudiglyk eene werkeJyke Beweeg- 
vaardigheid in de Vezelen zelven ftellen ; voorts ee- 
njge aanmerkingen , o ver de wyze waar op de be weeg- 
vaardigbeid in de vezelen tot beweeging opgewekc 
wordt » en welke aanporringen hier toe de bekwaam- 
ften zyn ; waarom zagt^ lichaamen dikwyls veel fter- 
ker de beweegvaardigbeid opwekken ^ dan lcherpe , 
zuure, engeweldigaandoende, enz. 

III. 
. Schoon nu de leevende deelen in haar zelve zulke 
eene eigene Beweegvaardigbeid hebben ^ hebben zy 
egter ook den Onderftand der licbaamelyke Huishou- 
ding in baar gebeel nodig ; want hoewel b. v. het bart 
op zig zelf een kragt van beweegen heeft , ea lange 
beboudt, naa dat het leevend uit het lichaani gefnee- 
dén is , zoo veriieft het-egter zyn kragt en fterft veel 
ichielyker , dan het zoude hebben gedaan , waare bet 
in het lichaam , en dus aan de dierlyke Huishoudiog 

ver- 



llATÚtrRXtrNDICB VESHAiNOSLING. %l§ 

terbóndén , jgelaaten geweéíL De Schryver onder- 
zoekt dan in deeze afdeeling , vooreeríl , wat nuttig- 
heid de Omloop des fiioeds , als de eeríle en meeíl 
openbaare leevens-werking der Jichaamlyke huishou* 
diDg, geeve tot in íland houding en aankweeking van 
de beweegvaardigheid der vezelen ^ en op wat wyze 
deszelfs Opbouding de leévenskragt dezer deelen doe 
vervallen ; dan ^ hoe de natuurlyke warmce het haare 
hier toe bybrenge , en de nutiigheid des bloed - om- 
loops, met de daar van af hangende Voeding en On« 
derhouding der Zelfilandigfaeid onderíleune^ en ver- 
meerdere. Verder koomt hy tot de Zenuwen , aaa 
welke de meeílen , gelyk aangemerkt is, eeniglyk heC 
beweegingsvermogen der deelen ^ als aan een algemeea 
werkeode oorzaak , hebben toegefchreeven ; naa hier 
over genoegzaame waarneemingen omcrent de gevol* 
gen van het bindeui affnyden en prikkelen, van naa 
verfcheidene deelen toeloopende zenuwen ^ te hebbea 
bygebragt, befluit hy ^ dat derzelver invloed van zui« 
ken aan is , dat dezelve niet lange gemift kan wor- 
den, zoflder verflaauwing ^ verzwakking of ontroering 
der beweegvaardigheid zelve; dewyl de proeven lee- 
ren dat ze » en het vermogen van aandoening voor 
prikkeling, dat is de Beweegvaardigheid zelve, ver» 
meerdert; eïi toebrengt, dat deeze kragt eenpaariger 
en'gélykniaaciger door de gebeeleZelfftandigheid vaa 
een beweegvezel opgewekt en tot werking ^bragc 
worde; en inde vrywillige Spierbeweeging deeze ia^ 
vloed zelf de beweegvaardigheid tot werken opwekc , 
en ia gemoedsaandoeningen ookdeonvrywillige,maa- 
kende ook daar door allerlei. wanorders. Zoo dat , ter«> 
wyl de toevloed van Bloed en de warmce noodzaaklyk 
zyn, als onderhoudende de íloffelyke zelfílandigheid 
der deelen in goeden ítaat, wordt door de Zenuwea 
itieer onmiddelyk derzelver Kragt en Beweegvaardig- 
heid onderítéunt , aangezet en beílierd. Hierom zyn 
die Beweegdeelen voornáamelyk van Zenuwen voqr* 
zicn en genieten dtrMlver inwerking ^ welk« mec ze- 
ix.DfiKLMO.2. tí kere 



fl4 NATTH. VAN GEVNS 

kere eenpaarige beílendigheid en merkelyke kragt 
moeten werken, gelyk het Hart, de Spieren, enz. 
In tegendeel , andere minder famengeílelde en werk- 
tuiglyke, hebben in haare'Haauwere werking bynaar 
genoeg aan de eigene Beweegkragt der vezden , hoe- 
danige zyn in *t gemeen het Celagtig Vliesen de Dee- 
]en daar uit voornaamlyk beílaande, hec klier en in- 
gewande vleefch (*) , enz. welker eigen beweegver- 
mogen men te vooren ^ieeft tragten aan te tooneu. 
Daarom gelden die tegenwerpingen niet, welkege- 
maakt worden tegens deezeh invloed der Zenuwen, 
óffa dat veele deelen evenwel leeven , groeijen , cin 
derhalve inwendige beweeging hebben , fchoon men 
daar in geene zenuwen ontdekken konne ; .noch ook, 
óm dac veele planten zuJk een foort van eigene be« 
weegvaardigheid fchynen te hebben , zonder dat ze 
2enuwen of herfenen hebben. £n de waarneemingen 
van Wanfchepfelen ; welke zonder herrenen of hoofd 
geleefd hebben , bewyzen niets meer , dan dat , of het 
gebrek van herfenen door het ruggemerg kan vergoed 
worden , of dát deeze fchepfels een groeijend leeven 
(t) hebben kunnen leiden , zonder een Dierlyk ; waar 
by koomt , dat ze meefl: alie kort naa de geboorte ge- 
ftorven zyn, 

IV. 
De eigene Beweegvaardigheid der vezelen derhal- 
ve , onderíteund en geholpen , daar het nodig is , door 
de inwerking van het Zenuwgeílel, maakc eigenlyk 
de Leevenskragt der deelen uic , welke wanneer ze 
tegenswoordig is , is *er leeven , wanneer ze geheel 
weg is^fchoon alles dan wel gefteld en zonder demin- 
fte verandering fchyne te zyn , is het leeven onher- 
Toeplyk weg. Nu koomt het 'er op aan , om deeze 
Beweegvaardigheid in haar Natuur en Oorzaaken te 
verklaaren , gelyk ook de inwerking der Zenuwen. De 
Heer van g £ u n s ^ naa zig verfchoond te hebben , 

we* 

(♦) Parencbyma* <f) VUavegiUbUis^ 



NATUURKUMBIGS VERHANtELIMG. IIJ 

íiiregens de ftoQtheíd deezer onderneeming, en de on- 
derlleilÍQgen ^ die hy in zoo een donkere íloffe zal 
iDoeten maaken , befteedt hier toe deeze vierde Afdee- 
ling. I7it de beílendigheid en langduurigheid , waar 
mede de beweegvaardige vezelen hunne kragt , elk 
afzonderlyk van den ander, kunnen oefenen , fchynt 
hec den Schry ver toe , dat de oorzaak dier beweeg- 
vaardigheid in de beítendige en fameníleilende ítoffe 
der vezelen zelve te zoeken is , en niet oorfpronglyk 
in een fubtiele werkzaame VloeiíloíFe, welke deeze 
famenílellende ftoíFe zoude doordringen , bewerken , 
en als 't waare bezielen , zo als de Heer s £ n a c en 
LiEUTAUD beweeren, gelyk ook de Hr. fc cat , die 
met deeze verklaaring , welke eigenlyk een verbete- 
ring of uitwerking is der oodere ftelling , over de lee- 
venmaakende invloed van de Dierlyke Geeften , den 
prys by de iierlynfche Akademie behaald heeft. Onze 
Schryver dan denkt 'erdus over. Een beweegvaardige 
Vezel is uic kleinere vezeltjes op zulk eene bepaalde 
werkiuiglyke wyze famengefteld, dat*er als'twaare 
eene gedmrí ge pooging zy in de deeltjes, welke naar 
de langwerpige gedaante des yezels by een gefchikc 
zyn, om tot elkander te koomen , of , zoo men wil, 
etkander aan te trekken , en dus de lengte des vezels 
te verkorteny d. i. , den veze) fofnen te trekken ; dog deeze 
pooging , op haar zelf • koomt niet tot fVerfáng ^ om 
dat'er teíFens eenige Xi^tíxxiúyketegenjlandbíeáing in het 
werktuiglyk maakUïl des vezels fchyht te zyn , *t welk 
overwonnen moet worden door een bykoomende prik* 
kling^ die den veze) inwendig cenigfins fchudde of 
beweegé , en dus de natuuriyke pooging , dat is de 
Bemgvaardigheid , tot werking brenge , dat is tot 
fdmentrekking des vezeis;zulk eene prikke]ing is't geen 
cen b^weegkragt opwekkendf^ermgen\*) genoerad wordt» 
Wanneer nu de uitwerking deezer Kragcopwekking 
ophoud , keert de vezel weder uit de ftaat van wer- 

king^ 

(*) Irritamentum, 

H 3 



Ïí6 MATtH. VAN GE1TK6 

king, tot die, van cnkele pooging^ d< i. van beweeg* 
vaardigheid zonder dadelyke íamentrekkende bewee- 
ging y waar toe weer een'nieuwe prikkeling vereiícht 
wordL Zoodanig is de uicgedagte onderftelling des 
Sch^yvers, waarin onze Leezer ziet^ dat veel donkers 
overblyft , en nog meer aan ontbreekt om beweezea 
te kunnen heeten ; de Schry ver eifcht ook maar al« 
Jeen ^ dat men ze met andere onderílellingen verge* 
]yke, en uit de waaríchynlykheid , die hem dunkt dat 
ze boven deezen hebbe , beoordeele , terwyl hy meent, 
^at uit zyne onderílelling de verfchynrelen zig beít en 
redelykíl laaten verklaaren ^ waaromtrent wy alleen 
kortelyk zullen melden , hoe hy de Inwerking der Ze- 
Duwen , met zyne verklaarde Beweegvaardigbeid , 
•overeen brengt. Hy neemt, met »o£RHaave ea 
H ^ L L £ R , voor waarfchy nlyk aan , dat de zenuviren 
haar werking verrigten door een allerfubtieM: en be- 
weeglykfl: Vogt, *t welk zy voeren, en tot welks af- 
fcheiding de heríenen gefchikt zyn ; terwyl nu de be- 
weegvezels zenuwtakjes hebben, zoo krygt elke vezel 
hier door van dit fyne beweeglyke vogt ; zyne zelf* 
ftandjgheid wordt, om dat de affcheidlng in de her- 
ienen geduurig haar gang gaat,daar mede als 't waare 
doordrongën , 't zy dat het in holletjes uicgeftort wor- 
de, of in fyn verfpreide takjes des zenuws beflootea 
blyve; althans de beweegvezel, die uit zig zelf een 
pooging tot famentrekking heeft,krygt hier doornog 
meer beweegbaarheid , zy wordt ligter van een prik- 
kelend vermogen aangedaan , en dit zeer beweeglyke 
vogt verfpreidt beter en eenpaariger de gernaakte 
prikkeling door de geheele zelfílandigheid desvezels, 
waar door een eenpaariger en getnakkelyker famen- 
trekkende werking volgt. Hier uit blykt dan , waar- 
om de inwerking derZenuwen zelfs in de Onvry wiHig 
werkende Deelen nodig zy ; mogelyk gefcbied 'er 
zelfs, door de geduurige toevoer van het vogt, eene 
ligte prikkeling , van waar de trillende of liUende be- 

wee» 



veeging (*) in de ruftende ípieren ^ inrelke d^ poOgln^ 
tot ^mentrekking grooter maakt , en welke 4 ,wanr- 
neer ze genoegzaam fterk is, álleen voor 'een' alleií- 
kragtï^ft tieweegvaardigheid opft^ekketid ^ermógefi 
dient; gelyk in de vrywillige fpierbeweeging, in de 
wanordelyke ontroering en aanzetting deronvrywillig 
werkende deelen, in gemoedsaandoeninge'n en hevige 
driften , ' enz. De §chry ver paft verder dit beweeg- 
vaardigheid aanzettend vermogend der zenuwen , ver- 
eenigd met de beweegbaarheíd der vezelen,toe op de 
verfchynfelén der Medelydigheid (f) , en befluic hier 
mede deeze afdeeling. 

V. 
In deeze laatfte afdeelinge wordt , kortcflyk, een 
fchets gegeeven , van het Leeven des Lichaams en 
der byzondere deelen, nit 't geen vooraf wydloopi- 
ger beredekaveld is, en hier uit wordt beflooten: dat 
men het geheel leevend Lichaam te begrypen hebbe 
als een Werkcnig, of alseen gefchikte en regelmaa- 
tige Byeenvoeging en Vereeniging van verfcheidenfe 
Werktuigen , welke , volgens hunne Samenftelling, 
tot het algemeen oogmerk van Leeven , Beweegen , 
en Gewaarvvorden , moeten famenwerken. leder 
deezer werktuigen heeft zyne beweegvaardige Vezor 
len, waar door het als *t waare gereed is om zyn ei- 
genwerking te doen, datis, het zyne tot het alge- 
meene Huishoudelyke leeven toe tebrengen , zoo draa 
het raaar door een bykoomende prikkeli'ng daar toé 
opgewekt wordt. Nu ftrekken vooreerft de in de 
maag gebragte , en , met de natuurlyke vogten door- 
niengd zynde , verder in de darmen overgaande', 
VoedfelftofFen de beweegvaardige vezelen deezer 
deelen tot een aanporrend Vcrmogen , waar door zy 
op het Voedzel zelf haar werking doen ; dus de uit 
het voedfel bereide Chyl , verder tot Bloed be;werkt 
zynde, en naarhetHart gebragt, valt daar in, zet 

het 

(*) PalpitatiOt ofcillatio. (\) 9VfUT0êu» confenfus, . 

H 3 



Sl8 KATTH. VAN GEUN8 

hét uit , porc het aan , en wekt daar door deszelfs Be- 
weegvaardigheid op tot famentrekking» defamentrek- 
kine van 't harc dryft het bloed weer uit in de flagaders , 
welke op haar beurtdaardoorcottoetrekkingaangezec 
worden ; dit wordt geduurig herhaald. Dus loopt hec 
bloed voort, keert door de Aders weer tot het hart» 
en zoo gaat de dierlyke Huishouding , door werken 
en wederwerken zyn' gang. Daargei^hieden Affchei- 
dlngen, Uicwerpingen , Voedfng, Opflorpingenz. 
en daar door wordt teffens geduuriglyk de goede en 
gezonde geíleldheid der beweegvezelen en deelen on- 
derhouden. Doch fchoon dus het lichaam zig zelf 
als 't waare aan den gang houdt en zyne fchade en af- 
Ílyting herílelt, kan het egter zyn eigen leevenniec 
altyd doen duuren , om dac de deelen allengs flycen en 
ílyf worden , en de vogten ontaarcen. Dog al ware 
dic niec, zoo zyn egter deszelfs werkingen níec aís 
dic van een Eeuwigduurend Beweegcuig (*) te begry- 
pen , waarin volmaakc gelyk grooce Werking en 
Wederwerking de beweeging zoude aan de ganghou- 
den ; wanc de aanprikkeling of opwekking der be- 
. weegvaardigheid is gcen uitwerkende Oorzaak der Sa- 
mencrekking van hec geprikkelde deel, hec is flegts 
eene gelegenbeid geevende j de uicwerkende oprzaak is 
de eigene kragc, die ieder beiveegvezel des Lichaams 
heefc^ en deeze hangc niec weder af van de lichaam* 
lyke Huishouding als een volkoomen uicwerkzcl des« 
zelfs, maar is in de oorfpronglyke fameníleiling en 
nacuur van ieder vezei gegrond , gelyk ce vooren aan- 
gemerkc is. Dus is 'er geen vdmaakce kring van 
Oorzaaken en Uitwerkingen in de dieriyke Huishou- 
dinge, maar ieder Deel is, als 'c waare,de eerftebe- 
weeger van zig zelve, fchoon men daar in, dat ze 
mec elkander famenflemmen coc een algemeen eindei 
een kring kan flellen ; ook koomen zelfs de gelegen- 
heid geevende oorzaaken ^ welke de heweegvaardig- 

heid 

(♦) Perpetuum tnobUe, 



NATUURKUNDIGE VERHANDEIIMG» II9 

heid opwekken , van buicen aan door het voedzel ^ ge- 
lyk gezien is. Deeze aanmerking doet de Schry ver 
Idienen, om te antwoorden op de redenen, waarme- 
de de Heer de sauvages, gelyk ook porterfield, 
wil bewyzen, datLichaamlyke enWerktuiglykeOor- 
zaaken niet voldaan kunnen , om de Dierlyke Huis- 
houding in beweeging en werking te houden , wyl zy 
onderílellen dat 'er dan een volmaakte kring van oor- 
zaaken en uitwerkzelen vereifcht wierde, welke te- 
gens de natuur ílrydt, en het hierom nodig is, totde 
geduurige inwerking der Ziele toevlucht te neemen, 
welke die krachten aanvulle, dewelke, in eenkring 
van werking en wederwerking,zoo zeer te kortfchie- 
ten. Maar is het dan, vraagt verder de Schryver, 
ongerymd , aan een bloot Lichaam , gelyk een bé- 
weegvezel is , een kragt of pooging van werken top 
te fchry ven ? £n kan dit geen plaats hebben , zond^r 
dat men hier een gevoelig en oníloflyk werkzaam be- 
ginzel, of wel de Ziel zelve , byroepe? Gelyk op 
nieuw veele Hedendaagfchen dryven, en voornaa- 
melyk de Heer Robert Whytt (*), vreezende , dat 
men anders wel de Ziel geheel uit het Lichaam mogc 
verbannen , en het vermogen van denken ook aan de 
Stoffe toefchry ven. Als of 'er geen onderfcheid wa- 
re, tuflchen beweeging met oogmerk en bewujlheid ^ en 
tuffchen beweeging , enkel uit ingeplantte kragt voort- 
koomende. 't Is waar, datzommigen door oneigen- 
lyke uitdrukkingen aanleiding tot die verdenking heb- 
ben kunnen geeven , dewelke tot de Beweegvaardig- 
heid twee verraogens, een van gewaarwording en een 
van bmeeging^ vereifcht hebbení in welke dubbel- 
zinnigheid , van *t woordgewaarwording,GiissoNius, 
in de voorige eeúw, al vry verre gegaan is. En wel- 
ke uitdrukking daarom beft is in deezen zin te vermy- 
den, dewyl 'er eigenlyk wanneer een beweegvaardig 
deel tot werkíng aangewikkeld wordt, niets is , 't welk 

met 
(*) Inzyne twee werkjes Qn vUal m$tions 9 en pbyfiological eJTays. 

H4 



120 MATTH. VAN GEWNS NATCTOK. VERHANDEtïNG. 

met waare gewaarwording en bewuftheid gelyk ftaat. 
gelyk de Schryver uitvoeriger uit zyn gezegde traet 
aan te toonen. Doch de Heer whytt beweert dac 
'er geenige waare Kragt of Werkzaamheid ineenLic- 
haam kan plaats hebben , wyl alie Stoffe lydelyk en 
werkeloos is, hoe werktuiglyk ze ook fameneeíleld 
moge zyn. De Heer van geuns brengt hier teffen in 
de bekende kragten der Lichaamen, welke in deNa- 
tuurkunde verhandeld worden, als Veerkragt^Zwaar- 
te, Aantrekking, dekragtdes Zeilfteens, der Elec 
tnciteit, enz. WeXer zaakelyke en weezenlyke wer- 
king zekerlyk niet zal worden toegefchreeren aan zoo 
yeele onftoffelyke weezens, die de Lichaamen , wel- 
ke deeze kragten hebben , zouden bezielen en éen 
werken. De vraag is verder niet, of de ftoffe alle 
deeze kragten niet yerfchuldigd is aan de geduurige 
onderhoudende werking van den Opperften Oorzaïk 
yan alles wat beftaat; dit fpreekt van zelf. Doe de 
beweegvaardigheid ftaat dan hier in met alle andere 
kragten der Lichaamen gelyk, en het koomtniette 
pas, daar toe weer een ondergefcbikt ixerkendBtgix^kL 
gelykdeZ.el, m te roepen. Want deSchryvermeení 
genoegzaam aan te kurinen toonen , dat 'er in de op. 
wekkmg der beweegvaardigheid niets is, \ welk te- 
•gen de Natuur- of Beweegwetten der Lighaamen ftry 
dig is; want het Uitwerkzel is hier niet grooter dan 
de Oorzaak, t welkmen tegenwerpc, deWyl, gdyk 
gezeid is, de pnkkeling flegts een gelege«heidge%ende 
oorzaak der famenirekking is,- en dus begrypt menook 
íf.n ÏT !í ''^e^g^aardigheid niet wel , wanneer 
men denkt, dat dezelve,- hmg ze van enkele Lichaam- 
Jyke kragt af fterkér zou moeten opgewekt worden, 
naar maate het pnkkelend vermogen fcherper en ee- 
weldiger is. In t voorbygjjan worden nog de onee- 
rymdheeden aangeweezen , waar in zy onmiddelyk 
vervalien, die dus de juifte verkláaring meenen L 

«rrí" .-^ '''^^''}' ^" ^^ ^^"'"S *í" inwerking en 
overftortmg van kragt uit de Ziel in de deelen des 
Lichaams, rX. 



'- — - - ■ •, - - ■_ I 



I 

Verklaarlng der Korte Síellingen van Herman Boerhaave^. 
door Gferárd Baron van Swieten ; uit bet Latyn vefr 
taald. Tuoeede De(l. ^erfte Stukje. Te Leiden , íy 
^. en H. Ferbeck. lyói. 

IN- een voorgaand Stukje van onze Letteroefeniifp 
gen (•), eenig algemeen berigt van dit uitmun- 
lend , en by alle Geleërden zeer geacht Werk gegecí- 
ven , en ' er eene Proeve van de behandeling v^n den 
Schryver bygevoegd hebbende, uit het Zesde Stukjg 
van -iiet Eerjie Deel, zo zullen wy thans op dezelve 
wyze handelen , omtrend het Eerjle Stukje van het 
Tweede Deel volgens de verdéeling van deze Nedef^ 
duitíche uitgaave, -in welke het eqfíle Deel degrooD- 
fte heíft uitmaakt van heteerfte ván de drie, welkea 
door denHeer van swieten, in 't Latyn zyn uitge^ 
geeven , en waar op nog een vierd^ verwagt wordc 
Dit Stukje vervat nog al Gebreken, welken tofde 
Heelkíinde behooren, Eerft wordt gehandeíd van dc 
Kneuzing ; hier op van de Beenbreuken , en eindelyk 
van de Ontmigting. In *t algemeen kunnen wy pnzc 
Lezers verzekeren , dat de Auteur in den voortgang 
van het Werk nel'gens verflaauwt , gelyk in een groot 
Werk als dit, ligtelyk gebeurt; maar ovpral geiýfcc 
Daauwkeurigheid , en klaarheid gevonden wordt; j« 
men ziet , dat de Schry ver liever eene zá^k , te voréa 
reeds aangemerkt, herhaalt, dan , door gezogté kort*» 
heid, eeníge duifterheid verfpreid te laaten over eene 
andere, tot opheldering van welke de voorgaandc 
kan dienen, 

Wy zullen tot een Proefftukje van hetWerk onze 
Lezers cens voorhouden , weík eén denkbeeld de 
Heeren boeuhaave en van swieten van Kneuzing 
geeven. „ Indien een hard ftomp Lichaam door be- 
n weging , tegenftand , byten of drukken , veele 
,9 Vaatjes tevens gebroken heeft, wordt dë kwetzing 

n Kneu^ 

(*) Vaderhndjchí Létumf. líle D. pag. 215, enz. ^ 

^ N H 5 



t 



Í21» V A N S W I £ T e .H 



'f^ Kneuzing genoemd*'. Dus luidt de Spreok van 
BOERHAAVR. Zie hier de Verklaaring van van Swie- 
nN. 9 Kneuziog is eene fcheiding vaa het famen« 
9 hangende, gemaakt in eenigerlei deel van het lic- 
^ haam, door een hard Werktuig, wiens oppervlak- 
^ te niec uitloopt tot een punt , maar tot eenigerlei 
^ ftompe gedaante. Wanc dus wordt ze onderíchei- 
^ deii van eene wond , die eene fcheiding is van het 
9 famenhangende , gemaakt met een fcherp wondeod 
9 Wérktuig. Weshalve Kneuzing, alles gelykílaao* 
^ de , altyd grooter plaats beflaac dan een wond ; om 
^ dat het wondend (líever beledigend) Werktuig mec 
9 grooter oppervlakte tegen het Lichaam gebragt 
^ wordt. Nu ziet men ligtelyk , dat de uitwerkiog 
^ dezelfde zal zyn , 't zy het ítomp lichaam bewoogen 
9 aaníloot tegen een deel van ons Lichaamj 't zy 
9 een deel van ons Lichaam bewogen een harden » 
^ ílompen , ílilílaanden tegenítand ontmoec , 't zy hec 
9 ílomp Lichaam door zyne zwaarte een deel van ons 
^ lichaam gedrukt heeft , of zeker deel van ons li- 
9 chaam door byten vermorzeld is". Op de voor* 
gaande Spreuk van boekhaave volgt deze : , Waar 
9 van het denkbeeld is eene verzameling van klei- 
9 ne wondjes » met vermorzeling van vaíle deelen en 
;» vaatjes". Hieroptekent wederom de Heer van 
9WIETEN aan : ^ Men kan in eene gekneusde plaatfê 
C9 zo veel kleine wondjes begrypen , als 'er gekweiíte 
p deelen in den geheelen omtrek der Kneuzing zyn; 
9 weshalven eene verzameling van zeer klejne wond* 
tf jes, die digt by elkander liggen, een denkbeeld 
9 van Kneuzing geeft. Dus indien^ by voorbeeld, 
^ eene Slagader met een^ fcheermes werdt afgefne- 
t, den , zou het eene wond' zyn : indien zy door on- 
^ telbaare, zeer digt by elkander liggende fneedjes 
1» gefcheiden werdt , zou het byna eene Kneuzing 
J9 van zulk eene Slagader yerbeelden» Maar vaíte, 
^ barde en tegehíland biedende deelen worden van 
^ een kneuzende oorzaak in ítukken gebroken , en 

• tot 



OVER D£ «PRBVXfiN VAN BOERHAáVfi. I23 

y toc zeer kleine brokjes vermorzeld. By voorb^eld^ 
9 indien hec Armbeen van eenigerleie oorzaak in 
g tvee ílukken gebroken wordc , noemt men hec 
,9 een Breuk ; maar indien hec coc zeer kleine íluk- 
jes verbryzeld wordc, heec men hec Kneuzing (a)". 
Over de Beenbreuken in 'c algemeen wordc vry uic- 
voerig gehandeld* Zie hier een ítaaltje van de Voor. 
zegging in Beenbreuken ^ en wel uit , of naar de Ge» 
fklSteid van den íyder. , Alle ziekcen " , zegc de Heer 
TAN swifiTEN , 9 .waar in de vectigheid van hec li- 
chaam weggenomen of bedurven wordt, maken, 
dac gebroken beenderen of niec , of zeer moeiiyk 
weer aangroeijen. Hierom worden Beenbreuken 
in Venus-ziekce , ílechce Scheurbuik , Engelfche 
ziekce , Teering enz. naauwlyks genezen , gelyk 
gebleken is door voorbeelden. — Maar daar- 
enboven fchuilc 'er miílbhien , in fommige men- 
fchen , zekere Geileldheid , waar door gebroken 
f^ Beenen niec zeer gemaklyk geheeld worden ; fchoon 
n men verder geen merklyice kwaadfappigheid of an- 
9 dergebrek gewaar wordc» De zeer beroemde Ruisca 
9 verzekerc , ^dac hy zulke gevallen gezien heefc^ 
9 fchoon alles , naar de regels der kuníl , tcr genezing 

V was. 

(a) De Chirurgyns tellen dit onder de Beenbreuken en niet on- 
der Kncuzing ; maar noemen het Fermorzeling of Ferbryzeling. 
Ook Í8 Kneuzing niet eigenlyk eene Verzameling van kleine wond" 
jes met vermorzeling van vajle deelen en vaatjes. Want de Kneu- 
aúog kan alleen eenige deeien te fterk tegen malkandei* gedrukt, 
cn den famenhang derzeiven ílapper gemaakt hebben, zonder dat 
'er eigenlyke verbreeking is gefcniedt. Men vindt wel by rommi- 
ge Kneuzing blaauwe vlekken, ten teken dat 'er vaten verbroken 
zyn, en bloed in het Vetvlies is uitgeílort; terwyl de Opperhuld 
eu Huid zyn geheel gebieven; ten ware men wilde (lellen dat dit 
btoed, door het geweld der drukking, door de wanden der va« 
ten in het Vetvlies uitgeftort zy , Kranneer men nog minderreden 
vind om zo veel wondjes te ílellen : en men ziet Kneuzingen , by 
welken geen blaauwe vlekken komen, en bygevolg, geene vet» 
morzeling van va/ie deelen en vaatjes is; ten miníle, 'qrzyn dan 
geene tekeniBn, waar uit zulks blykt. 



9 

9 
9 
9 
9 
9 
9 
9 



/ 



124 ▼ A N S W I B T B N 

'^ was atngfiwend. Eh hy verhaalt, in zyneWaat'* 
i^ neemingen der Ontleed- en Heelkunde, dat hy in 
» hec lyk van een gezond man , met den ílrop ter 
g^. dood gebragt, gevonden heefc , dac twee van de 
^ vooríle beentjes dér Voorhand , voor drie jaaren 
^ gebroken , nog niet geheeld waren. Ik heb eene 
^ vrouwgezien, in welke het Schouderbeen gebro* 
i^ ken , en naderhand naar de kunfl: heríleld (of ge- 
j^ zet) was, maar nimraer heelde, fchoon zy in dea 
j, bloei van haare jaaren was : waar door de arm na- 
i^ derhand, haar geheel leven lang, op de plaats der 
^ Breuk, buigzaam bleef; en nogtans gevoelde zy 
I» daar van niet veel ongemaks (^). Hildanus heeft 
y aangemerkt^ dat de he'eling van gebroken Beenen 
^ zeer bezwaarlyk' gefchiedt in zwangere vrouwén; 
^ cn hy verhaaJt een geval,alwaar het Schenkdbeen, 
y in een zwangere vrouw , in het midden gebroken 
9 was (zy nu was reeds over de zevende maand vaa 
9 haare zwangerheid) en nogtans waren deílukken, 
^ na verloop van drie-entwintig weeken na de Been- 
i^ breuk , nog niet famengegroeid ; eindelyk werdt de 
^ genezing voltooid in de dertigfte week. Maar in 
^ deze vrouw was de Beenbreuk vergezeld met een 
j^ groote wond , en fommige ílukken van het Been 
^ werden afgefcheiden ; waarom men, miflchien^zou 
^ konnen denken , dac de mdeilykheid en lángzaam- 

» hei(J 

(hi) In 't Gaílhuís te Arafterdam heb ik eene Vrouwgezien díc 
baar been gebroken hadt; 't welk behoorlyk gezet en verbonden 
zynde, ook lang over den gewoonen tyd los bleef, zonder dac 
men bier van eenige oorzaak kon opmaken. Eindelyk werdt haar, 
door den Heelmeeíler van hetVerbandhuis , gevraagd, of zyook 
gewoon was geweell fterken Drank te gebruiken , 't welk zy pa 
voorafgaande geveinsde ontkenning, op beiofte, dat men haare 
gewoonte , indien het zo ware , zou involgen , beleedt. Hier o? 
werdt haar daaglyks zekere maate fterkcn Drank ,.welken zy zich, 
zo lang zy in het Verhandhuis gelegen hadt , niet hadt konnen 
befchaaren, toegeíeikt;^en her leedt nietlang, of de Bccn-weer 
gioeide, en het Been werdt vaíl. , - - . 



9 heid der geneizkrg ddar uk wa» vQorcgekomen. Mra;^ 
I, elders heefc hy een merkwáardig verhaal , 'c weHi; 
^ de moeilykheid der genezing , van lieenbreuken in 
» z wangere vrouwen ^ beveítigc. Zekere aanzienlyke 
9 vrouw/vec en bloedryk, wiliende op een paardÍ 
^ klimmen , brak haar flinke Schenke) , cuiTchen de 
9 knie en den enkkuw. Mildaiíús herllelde de Been« 
9 breuk op dien zeÚden dag zeer gelukkiglyk ; a| 
9 niecs werdc verzuimd, 'c welk den goeden uidlag 
9 der genezing zou konnen bevorderen ; en wyl 'er 
„ geene pyn ^ of eenig ander ilechc coeval by kwam, 
9 hoopcë hy de genezing in den tyd van cwee maaa<« 
9 den cë konnen verrigcen. Déze vrouw zoogde eea 
, kind ; en wyl de eelc ^ op den veercigílen dag, 
9 nog ílymig en week faevonden'werdc^ beval hy heC 
, te fpeenen ; en korc hier na bleek , dac zý zwanger 
n was , en zeven maanden na de verkregen Beenbreafc 
9 baarde <y gelukkiglyk een gezond en fris zoontje» 
9 Wac'er ook dezen gehdelen cyd der zwangerheid 
jf beproefd werdt, de gebroken beenen konden niec 
t, geheeld worden , fchoon hildanus , aangezec door 
9 de knorrigheid van deze vrouw , die hem de lang- 
„ zaamheid der genezing gedurig verweec^ aile vlyc 
9 en naarítigheid hadc aangewend. Maar na de baa« 
f, ríng is de eeic, in den cyd van veercig dagen,ílerk 
„ ge\7orden ^ en hec gebruik van hec gebroken lid is 
f, volkoiiienlyk herfteld. Hier uic heeft hy bellocen^ 
,, dat de natuur mec de werking en volmaking der 
9 vrugc bezig, de groeijing der eelc , als faeiC ware^ 
, verwaarloosde. Men vindc diergelyke waarnemia* 
„ gen, die dic beveíligen, in de Mijcellanea curhfai 
9 alwáar evenwel ook eën verhaal te vihden is, waar 
» uit blykc , dac de Kniefchyf van hec ílinke been ^ 
n welk in éene vrouw, reeds vyf maanden zwanger, 
» gebroken werdc , in den cyd van zes weeken gene^ 
,, zen is ; zo dát zy , fchoon ttíet etnige moeice , door 
I» baar huis heefc korinen gaan. Scboon men derhaU 

\ven. 



t26 2>S LEKGTE £N BREBDTE 

'^ ven , milTchien , niec in hec algemeen (chynt te 
^ mogen befluicen » dac Beenbreuken , in zwangere 
^ yrouven, voor de baaring, nooicgeheeld worden; 
i fchync men evenwel, in diergelyke gevallen, de 
i, craagheid en moeilykheid der genezing , mecrecht» 
9 ce mogen voorzeggen ; op dac de fchuld der ver- 
9 traagdegenezing, naderhand , niec op den Heel- 
^ of Geneesmeefter gefchoven worde (r) *\ 



» ■«■ 



yeroolg der Befcbryvinge der uitgejhrektbeid van Palefii' 

na in Lcngte en Breedte. 

í 

ÏN 'c voorgaande deel deezer Verhandelinge nage- 
fpoord hebbende » hoe ver zich Palejlina in Lengte 
uicftrekte {a) , zoo íbac ons , cer volcoijinge derzel- 
ver, op eene dergelyke wyze nog na ce gaan^ hoe 
veele Roomfche mylen dic Land in de Breeiie be- 
floeg. — Hier omcrend fchreef Hieronimus , als 
voorheen aangehaald is (J?) ; Fan Joppe tot aan ons 
dorpje Betbiebem zyn maar Jes en veertig mylen. Deeze 
cuflchenwydte , gelyk de Heer Reland zeer wel heeft 
aangecoond , was niec regc toe regt aan ^ maar , vol- 
gens de gewoone opgeving van dien tyd , iangs den 
gemeenen weg ; zynde toen , gelyk ook lang daar 
naa , van ^^opfe over Rama^ (oudtyds over Diospoh) 
over 'c gebergte , na Jerujaïem , en zo voorts na Btíh 
Ifibem , mec de volgende tuflchenwydtens. 

Van 

t 

'. (c) Men vindt nog een voorbeeld van een Breuk van beidede 
Been'pypen van den Elleboog, in een Vrouw, welke dric maan» 
flen zwanger was, waar in de eelt niet hard werdt, dan na dat 
ty van haare Vrugt verloft was. Den negenden dag na ile Vei» 
rofling gevoelde zy merklyke verandering in den arm,en eerééne 
maand verlopen was , waren de Been-íluRken wederom fameD.^e' 
groeid en vaíl geworden. Pbilofopb. Transa^» N. 494. pag. 39S« 
(a) Zie boven, hl. 2C. (b) Zie boven, bi. 33. 



VÁN PAtESTIKá. ttf 

Roomfche Mylen. 

Van Joppe tot aan Rama^ of, gelyk men oud* 
tyos reisde, toc aan DiospQlis, dacgenoeg- 
zaam even ver van Joppe was, als Rama, dz0 

Van Diospolis tot aan Jerufalem . . 32 

Van Jenljalem cot aan BeÍblebem, • • 6 

(0 

Is te zamen ... . 46 Roomfcbe 

mylen; even het zelve getal dzt Hieronimus hceft. 

Maar dit was de geheele Breedte van Palejiina nietr 
Berommus voegt/er in de aangehaalde plaacs nog by ; 
eene zeer wyd uitgejlrekte woejlyn vol van * woejle Barbih- 
ren. Dit was buiten twyfel de geheele uitgeítrektheid 
van Betbkhem tot aan de Doode Zee , of ook toc aan de 
Jordaan^ daar ze zich in de Doode Zee ontlaíl; in de 
H. Schrift de woeflyne van Judea , of ook , naar de 
plaatzen daar in geleegen, de woejlyne Zipb, Maon^ 
Tbekoa en van Engedi genoemd {d) , en die zelfs tus- 
fcben Jerufalem en Jericho infchoot; zo á^ialles^ vam 
Jericho af tot aan Jjerufalem toe , woeji en Jieenacbtig 
^as {e). ■■ Om deeze Breedte te kennen , moec 
men vmBethlebemjdu ten Zuiden van Jerufalemhg{f)t 
na Jerufalem te rug gaan ; en van daar den gewoonen 
weg na de Jordaan , en na de Doode Zee vervojgen , in 
deeze orde. 

Roomfche Myien* 

Vao Jerufalem tot aan Jericbo zyn , volgens 
Jojepbus^ 150 Stadien(g) , dac is ruim . 18 

Van Jericbo cot aan á^Jordaan^ volgens d'en- 
zelven , 6q Stadien {b)y dac is na genoeg S 

Zynde das van Jerufalem cdt aan de Jordaan • 26 
Deeze gevoegd by de tuífchenwydte van 
Joppe toc aan Jerufalem, hier voor ge- 
vonden, « . • 40 

Komt voor de tuflchenwydte wzajoppe tot 
nzn dc Jordaan . . . 45Roomfche 

Mylen. 

Zynde 

CO Reland. Pal. IIL p.. 424. (d) ibid, p. .375. 

(0 Jof. de Bello. L. IV. C. 8. J. 3 

(/) Hieron. Onom. ïn voce BETHLEHEM. 

^) Nfpb' dc Bello. h. lY. C. 8. J. 3. ih) ibid. 






ttt B£ LENGTB XN BREBDTË ^ 

Zy nde dit de Breedte van Paleftina , ten Weften vafl 
de Jordaan , tuíTchen de Groote Zee en de Jordam , over 
JerufaUm genomen. 

Byna dezelve Breedce vindt men opk uit de Oade 

Reisboeken , zoo de afílanden der plaatzen Van de 

fSroote Zee , over Jerufalem , tot aan de Jordaan , of 

J^ooie Zee^ (dat na genoeg het zëlve is,) daar gemeld, 

tot eene fomma werden gebragt. Want 

' in 't Itinerarium Jntonini Jugufti (a) wordt de weg 

van Elia, dat is Jerufalem^ na Ashalony eene Zee- 

ítad ^ een weinig Zuidelyker dan Joppe geleegen » 

aldus aangeweezen. 

' MiUt P«ijf»i,duizend 

fchreden of*Room* 
fchc Aíylcju 

« 

AELiA. "1 fvTínEliatoíEleutberopolis, XX. 

kLEUTHERÓPOLI. > dat ÍS < 

aSCALONA. J \jV2in dSLZT tot JskalêTL XKIV0 

en in *t Itinerarium Hierofelymitanum (b) wordt de 
reis van Jerujalem na de Doode Zee dus bepaaíd. 

ITEM AB HIEHUSALEM IN HIBRICHO MIL. XVIII. 

insgelyks van Jerufalem na Jeriebo , niylon. 

ITEM AB HIERICHO ADMAREMORTUUMMILLIAIÍOVEM. IX. 

insgelyks van Jericbo tot aan de Doode Zee^ ne- ' 
' gen myien. . • . • . 



• Maakende te zamen LXXI. Room* 

fche mylen, voor de tulTchenwydte , tuíïchen.Jskahnf 
aan de Groote Zee, en de Doóde Zee^ waarfchyniyk niet 
wyd van de Jordaan. — Dus vindt men hier alleen 
vyf myJen meerder dan zo eyen , tuíFchen Joppe en de 
Jordaany die ten deelen ípruiten, uit den meerderen 
afftand , welke 'er was , tuflbhen de Doode Zee en Je- 
ricbo , dan tuíFchen Jericbo en de Jordaan; doch voor- 
namentlyk uit de verbreeding van PaleJÍina , naa 'c 
^iíuiden, tuíTchen Joppe en jískalon : want de Breedte 
yan Paleflina nam na 't Zuideli allenskens toe. 
Van hier was de fireedte van Palefiina , ten Weilen 

dc 
(•) Ei. ïVeffeU ?• aoa. {>; tjufi. p. s^,i91* 



i 

AeS^úrdaanf op haar grootft^ op de Zuider grensfchei^ 
ding : Plinius , Strabo , Diodarus Slculus ^ en Eufebius 
gevên ons gélegenheid om dezelve te kennen. Flinius 
heefc aangeteeiceíid > dat 'er tujjchen Elana , eene ftad 
aan de Roode ^ee^ en Gaza , niet ver van de Midde* 
landfche Zee geleegen^ een affiand vsas van 150 mýkn 
{a). Strabo ftelc dezelve op i26ofiadienj dat is 157 
mylen (í). Volgens Diodorus Sicúlus wai 't Meir ^f" 
pbaltitis van Petra , eene ftad in Arabie » 300 Jladien 
dat is'37 mylen (c): en Eufebius ftelt 'EÍath^ (cíezelve 
zlsElana^) 10 mylen van Petra^ naa het OojUn (i^ 
Zoo men nu (deeze 10 en 37 mylen ^ te zamén , trelcc » 
van de 150 a 157 uit Plinius en Ara^ogemeld: daa 
liomt , voor de tuflchenwydte , tuflchen Gaza en *e 
Zuider einde van *t Meir Ajpbabites , 103 a i id mylen : 
zynde dít dé grootfte Breedte ván Pakjiina , tcn Wes* 
ten van de Jordaan en Doodt Zee^ fchuins toe geree- 
kend. 

Maar gelyk de Bfeedte Van Paleftinaj na *t Zuiden ; 
aWenskens toenam , zoo verminderde 2e ook geftadig ^ 
jha *t Noorden. Men vindt , in *t Itinerarium Hierofolj* 
mitanum \e) , den weg van Cefarea^ (dat volgens Pí#- 
Ummy op deNoorder grensfcheiding van Palefiin^, 
aan de GrooteZee lag , en voorde eerfiifiadvanjudeagé* 
reekend werd , als men uit Syrie kwam , ) na SciopoUs ^ 
ook Scythopolis genoemd , en niet verre van de Jordaén 
geleegen ^ dus aangeteekend. 

(a) Hift. Ndtuf. L. V. C 1. . 

{b)'Geoer. Ed. Almelov. L. XVL p. iioi. 

(0 BihU Hifi. Ed. mj)el. T. IL L. XIX, C. 98. t>. 3*3- . 

(({) Onom. in voce klath. 

(r) Ed. fVeJfeL p. 58S 1 S8(5* 



ll.MEt.N0.aé 1 Mfk 



130 PE LBMGTE £M BREEDTE 



fchiéden of Kqqjíl* 
fche Mylen^ 



:CI?ITAS CiESAREAFA-'\ 
LBSTXNA X0 28T.JU- 
OEA. 



ClVir A8 SCAXTANOPOLI. 
ClflTAf STKAVSUL 

eiviTAs scioroLi. J 



fVandeftadCí/i- 
reain Paleftinat 
dat is Juiea,toc 
aan de ftad Ma- 
xianêpolis. XVH^ 

dalii^ VandaartotSitra'» 
I delaïondtjásjif' 

nil^ X. 

I Van daar tot&iV 
íjpoffj. XII. 



Zynde te zatnen • • XXXIX. 

Roomfche mylen , voor den weg van Ctfarea tot aafl 
Schpolis ^oók Scbyihapotis^en vanouds Bethfan genoemá 
(a). Zoo men nu hier by doet de halve Breedtc van 
het Groote f^eld , vermits Schytbopolis aan 't Groote Feld 
geleegen was (b) , dat aan ieder zyde van de Jordaan 
omtrend 6ojïadieny dat isruim 7 mylen, breedwasi 
(c) dan krygt men voor de Breedte van Pakjlina , van 
Lefarea tot aan de Joriaan , 46 a 47 Roomfche mylen» 
In GaïiUa was deeze Breedte nog minder : want van 
Ptokmais^ eertyds Jcco, nu St. Jan de Akre genoemd, 
eene íktd aan de Groote Zee^ over Sepphoris , tot aan de 
ítad Tiberias , aan 't Galikefche Meir geleegen , vindc 
men niet meer dan 33 Roomfche mylen. 

Roomfche myleii. 
Van Ptokmais tot aan Sepphoris. . 15 
Van Sepphoris tot aan Tiberias. . i8 
Komt voor de tuíTchenwydte van Ptok- — 
'mais tot aan Tiberias . . 3.3 Room- 

fche mylen, Allerminft eindelyk was deeze Breedte 
geheel op 't Noorden : want tuíTchen Tyrus aan de 
Croote Zee , en Kades niet ver van Paneas , daar de J&f' 
daan zich allereeríl openlyk vertoonde , en van waar 

DfXA 

Ca) Jofepb. Amt. L. XII. C. 8. f 5* (V) Ibii. 
> {c) Id.deBeUoL. IV. C. S.f 2. 



r - ■> 



VÁK 7ALESTXNÁ. X3I 

bán tnáár 4 mykn , op dén tbeg ná Tynis ^ geïeegen wai s ) 
ílelt Hiermimus ílefíM ló mylen (u). 

Das de uitgeílrektbeid ván Palejlindf in Len|;te en 
Breedte ten Weílen yin de 'Joraam , op veríeheid^ 
vryzen i en 6p onderrchéidene plaaitfen beíchouiiird 
hebbende , is 'er no^ het Óverjordaanfchi Landf dat te^n 
Ooílen van deéze Ri vier geleegen was ; en in den ge- 
nieenen zin 9 als vootheen gemeíd (b) , mede tot Pj- 
kftina f en wel als een gedeélté ván Judea behoor- 
de (c). 

Betre;ffende de Lengte vin dit Land aan de Oojlzyde 
van de Jwdaon , door Irraë'I bezeten , en . volgens Gods 
bevol » door Moíes > aan átjlaiinmé Rubén ^ Gad en de 
halvéjlámme van Manajffe ^egeven , die wordt in de H. 
Scbrift bepaald , van de beeke Amon iot den berg Hermon 
ioe (d). De beeke Jrnon » die, volgens JofefhuSy haaren 
óorfprong uit bet gebergté nam y en , naa de gantfcbe woeflyn 
doorkruijl te bebben^in V Meir Afphakites uitUép (^), wás 
aan het Zuiden. De berg nermon daarentegeu' be- 
íloeg het Noorden ; omtrent tet zelver hoogte ai$ 
DaHj aan de andere zyde van de Jordaariy^ in welken 
ópzigte geZegd wordt ^ dat de Heere Mofes ^ees dM 
gantfcbe Land Gilead tot Dan ioe (f). Vermids nu da 
jíírnon zich zeer waarfchynelyk jn 't Noorderde ge- 
deelte van 'tMeir Jfphaltites uitílorte , zoo volgt datt 
Qit, dat het Ovtrjordaahfcbê Land^ ten naaíleby ; de 
Lengte van dit Meír korter was, dan Palejiina aan *t 
tVeflen van dt Jordaan , volgens de i^eeds o{)gegevene 

^ {a) Onom. in vóce osdbs. Zle dit alles over GaUUa breed- 
yoerieer. meteen nevensgaand^Kaartie, in myne, ^nmerkingen 
iver a$ Breedte van talejlina túffcben de Middelandfebe en Galilee^ 
fibe Zee , in de Godgeleerde ., Hifionfc^e int^ Firmaaklykbeden 
XlIIde ílukje, of IVde Deel W. i24«-isi. 
(Jf) Zie boven bl. 31. 

(c) PtoL Geogr. L. V. C. 16. 

(d) Deta. IIL 8.. IV. 48. fof. XJl. U 

(é) Ar». L. IV. C. 8. j I & JL . 

(/) DeuA. XXXIV. I. . 

1% 



•íit DE lENCTE EM BREBDTE 

bepaalíog. Deeze Lengte nu was 191 mylen (a) ; en 
die van 'c Meir //fpbaltites^ volgens Jofepbus^ 580 7?a- 

^dm {tí) 9 dat is 72 mylen; deeze van 'c bovenítaande 
afgetrokken zynde, blýfc 119, dat is na genoeg 120 
Roomfche mylen voor de Lengte van V Overjordaanfck 
Land* 

' Wat nu aangaat deszelfs Breedte; Jofephus bepaaic 

' het , na 't Zuiden , onder den naam van Per§a (c) , van 
Pbiladelpbia tot aan de Jordaan (d). In hec zelve «iraa- 
ren, onder meei'andere, de íteden Hesbon en Jaíztr; 

'en dat wel, van de Jordaan m Philadelpbia ^ met de 
volgende tuiTcbenwydtenSy welke alle by Eufebius ce 

'vinden zyn. 

Roomfche Mylen, 

Hesbon was van de Jordaan (e). 20 

Jai'zer van Hesbon {f)i • . 15 

^ Philadelpbia van Jaëzer (g). • 8 a i o 

y ' Maakende te zamen. • • 43^4-5 Rooin- 
' fche mylen , voor de geheele Breeite van 'f Overjordaan- 
'fche Land , indien men mag vooronderftellen ^ dat dee- 
ze fteden , op eene regte linie van elkandere lagen , en 
'niec zeer veel na/t Zuiden of 't Noorden afweeken: 
'want anders moet men de Breedce eenigzins minder 
' ftellen. 
\ ' Zoo 

fê) Zte bovcn W. 37. 

(h) DeBelloL. IV.C. 8.^4- 

(c) Dic woord werd by de Gríeken gebruikc, om een Land 
,over een Zee of Rivler mede ce benoemen « gelyk Reland^ uíc 
' Pêlyhius en Straho 9 bceft aangecoond. Pa/* ///. p. 297. £n in 'c 
' Nederduitfch op *t woord p £ k x a. 
• (</) Z>» B«//« L III. C. 3. $ 3. 
^ f 6) £»/. Onon». in voce sssiffoir. 

(/) /Wá. In voce }a$er. 

(g) P>i^' ^^ /rnftti^ ^iÁMhxfútt wfH AiTfiÍK, dac ís', 0p ^^m 
iftfnZm myljieen van Fbiladeiphia ná 't Weften. Et in voce A^«p. 
Hierw. AZ B R 9 íive ]zztx*{ís* Urm rv/i^iiív» f iA«Aa^/ím if Afr/Mtf) 
dat is, op dcn agtften mylfteen vaa Pbiladelphia na 't f^eften. 



* A 



^^^^fmm 



tAN rALESTlNJU 133 

Roomfclie Mylen.. 
Zoo men nu de gevondene Breedie 

van '$ Overjúrdaanfche Land^ zynde 43 345 
Voegt by de Breedte vati 't Land aan 

't fVeften van de Jerdaan geleegen , 

zynde van Joppe over Jerufalem tot 

aan de Jordaanp . ... 66 
Of van AskaUm tot áan de Doode Zee. 71 

Dan vindc xnen ^ voor de geheele 
Breedte van Palejiina , het Overjor- 

daanfcbe Land daar onder begreepen 

zynde , . • • 109 a 1 1 6 Room» 

fche mylen ; waar van men , waaTfchynelyk , het 
niíníle moet neemen , wegens de afwyking der plaac- 
zen , langs welke dic genomen is van eene regce linie ; 
of anders een middelgetal tuflchen deeze» 

Uit dic alles blykt^ dat de Lengte en Breedte van Pa^ 
kfiina gantfch ongelyk was. De grootíle Lengte von» 
den we , van Dan toc aan hec einde van 'c Meir jíf 
pbaltites ^ maar weinig meer dan 19« mylen : en dc 
miníle in \ Overjordaanfche Land was ten naaíten bý 
120 mylen. De Breedte was op haar grootfl: van Jska* 
hn toc aan Pbiladelphta ^(zo men 'c allermeeíle neemc,) 
iiómylen: en op haar kleenfl; aan 'c Noorden , vaa 
Tyrus coc aan Kades , 20 myle;i ; laatende het Overjor^ 
daanfcbe 9 aan den berg Hermon 9 omtrenc den Libanon ^ 
door gebrek van bewyzen , onbepaald, 

Hec is zeker onmogelyk dé bepaling van Ptolemeus^ 
ÍQ den aanvange deezer Verhandelinge gemeld (a) ; 
hier mede volkomcn te vergelyken , maar *t zal egter 
ligtelyk veel nader te brengen zyn , dan 'c by den eer* 
ften opflag fcheen. Om dic te doen moet men , niet 
Sappbura voor de Noordelykfle plaats in Galilea nee- 
men, maar ten minften tgt aan Paneas by Dan {b) 

op. 

a) Zie boven bL 31,32. * 

fí) Dan was van Faneas, volgens Euf$iius, ^mylei!, na dt 
kant van Tyrus. Onm% in voce d ait. ' 

I3 



J34 Ï?]B f.?|íaT^ »» SREBPXB 

opklimme^. Deeze ílad nu ílelt hy , op 33 gra^den 
Noorder Breedte (a) ; hier van getrokken 30 gr. 40 
m. zyne Zuider grensfcheiding ; zo blyít voor V ver- 
fcbil der Breedte , 2 gr. so m. , dat is in Roomfche my* 
Jen van 74^ op één graad, na geiioeg^ i;^4 tnylen. 
Men moet ^ voor !t o verige • niet neeihen zy ne uiter- 
Ite grensfcheiding ten Weílen , in 't Land der Idu- 
meen ; maar , gelyk ook hier voor gedaan ís , over 
Askalm , by hem geíteld op 65 graaden Lengte : dee* 
ze getirokken van zyne uiteríle Lengte aan 't Ooíleo, 
68 graaden , of liever van de Lengte der ílad Gazorusj 
(waaríchynelyk dezelve met JaHer y ook j^az^ en 
jízer genoemd , bo ven gemeld , ) by hem gefteld , op 
67 gr. 30 m. , dan blyft voor 'í verfcbil der Lengte 2 gr. 
30 m. ; die , door de verkleeniiíg van de graaden der 
Lengte , tot mylen gemaakt , op de Breedte van Js" 
}^iony (31 gr. 40 m.) omtrent 158 Roomfche myien 
iullen ver vangeo. Zoo d^t ook , volgens Ptolemeus , 
(wanneer vire, naar de algemeene gewoonte de groot» 
fte úitgeftrektheid van een Land deszelfs Lengtt^ en 
de mindere j5rc^^^ noemen , ) Palejlina in de Lengte 
Van *t Noorden na 't Zuiden , en in de Breedte van 't 
Weften na 't Ooften geleegen was. 

Dus was de uitgeftrektheid van Pakjlina^ (omdit 
l)y manier van aanhangfel nog ten befluite hier aan te 
hegten , ) met die der Fereenigde Nederlanden , eeniger- 
itnaate gelyk. Beiden leggen ze , in de Lengte van 'c 
Í^f oorden na 't Zuiden , en in de Brêedte van 't Wes- 
ten na 't Ooften. De grootfte Lengte van Palejlm 
was , van Dan tot aaii t Zuider einde van 't Meir 
jífpbajtites 9 weinig nieer dan 190 Roomfche myleni 
dat is 51 Hoilandfche mylen, van 29 in één graad, 
gemeenlyk ^ doch niet naiiwkeurig , ieder op een uur 
gaans gerekend : en die der Nederlanden wordt » „ van 
^ de uiterfte grenzen van Staats Limburg , of van 't 
» Land van Overmaaze af tot aan die van Groningen toe, 

XI op 

(•) Giogr. L. V, C.IS, 



r 



VAN PALISTIMA. 135 

b op 58 uuren gaans gereekend (a) , of liever , van 'c 
piceríle van ^r^^irx Braband^ tot het uiteríle van Gra- 
i^erkmd ^op 50 uuren gaans. De grootíte Breedt^ van 
íakfiina was, van Askahn tot aan Philadclpbia toe iitf 
ILoomíche mylen : dat is rulm 31 bovengenoemde 
HoUandfche mylen : en die der Nederlanden begroot, 
men » « op omtrend 45 uuren gaans » gereekend vaá 
9 de uiteríte greozen van Zeeland tot aan die van 0« 
« v^j^/ (6). £n gelyk de breedte van Palefiina , na 
't Zttiden meerder , en na'cNoorden allensicens min- 
der werd, zo is 't ook met de Fereenigde Nederlanden 
gefteld; die aan 't Noorden , van Texel tot aan Gro* 
vingcrs ooílergrenzen , noggeen dertig uuren gaans be- 
ilaan. — Wil men tot meerder nauwkeurigheid Po* 
kjlina en de Nederlanden met elkanderen vergelyken op 
ae manier der Landmeetkundigen » zo kan men duide* 
lykheidshalve op de volgende wyze handelen. ■■ 

Men trekke , op de Kaart der X Vll Provincien vaa 
Ftjfir , een regte ly n van Damme in Flaanderen tot aan 
het Weíteinde van FUeUsnd ; van daar tot Embden , vaa 
daar tot Gronowe in Munfierland\ van daar tot Scben* 
lenfibans ivzxí daar tot IVeert^ in 't Graaffchap Hoom ; 
van daar tot Steenbergen in Braband; van daar tot jlni* 
wrpen , en van daar weder tot Damme. Het ^edeelte 
der Nederlanden » dat buiten deeze linien fprmgt , als 
een gedeelte der Eilanden , en de uiteríten van Fries* 
lani , Groningen , Zutphen enz. » zal ongeveer gelyk 
(doch eer meer dan rain) zyn , aan de andere Landen » 
die binnen dezel ve komen , als een gedeelte van Oofl* 
vrieskind ^ van 't Bentbemfcbe ^ Mmfierfibe , Cleefjcbe 

enz» 

(a) Hedendaagfebe HiJÍQrie XldeD. I(\e íhikje p. 6- 
(l) Jbid. Doch andere ílellen de Lengte der Fereenigde Nedef 
hmden op fo» en de fireedte op 45 uuren gaans. Zie C Specbts 
Kaan van de Fereenigde Nederlanden. Of ook 50 Lang en 35 
fireed. Zie Metbodepour apprendre faeikmenê la Geograpbiet fair 
Menfr. Rokbe. T. L p. a32. 






136 DE ANNIHILATIO tJLTIKI TtRMINI 

etiz. Deezefiguur^ door dvtrarslinien, totdriehoeke 

f^emaakt» en uitgerekepd^ zal 1297. yíerkante Hol 
andíche mylen geeven. IMen doe dit zelve op he 
Kaartje van Palejlina , by dceze Verhandel jng gevoegd 
men trekke een linie van Tyrus tot aan het Meir Phia 
la i van daar tot Philadelpbia i van daar tot den monc 
^er beeke ^rnoni van daar tot Gaia^ eQ van dsiar we 
4er tpt Tyrus. De figuur door deeze linien gemaak 
zal ongeveer de gedaante van Palejiina uitmaa^ken 
hoewel de grenzen aan het Ooften wat duifter zyn , 
en indien men met dee^&e figuur hand^It , als met d^ 
t>ovengemeIde , zal men 90s vierkante HQlIandfche 
^nylen berelcenen » op die vooronderftelling dat 74^ |i 
!p.oomrche my len de Lengte van een graad uitmaaken ; 
als uit bet nevensftaande plaatje, ín diervoege opge 
ipaal^t en berekend» ii af te ne^men. 



VervQlg v?n de v^rworpen* 

' 4NNmiLAT10 ULTXMl TERMINI. '< 



DERDE AFDEELING. 

ymi Ryen otuindiger breúken , melkír TeUers een- 
dubbeU teUmJlig (^erfckil bebben. 

L De ordentelyk van 4 af op malkander volgendé 
Quadraat'- Getallen tot Tellers genomen, en toc Noe-* 
mers de met j gemetricé voortgaande Getallea , dan 
yerlgry^c men, als volgc; 






;í 



D.' 



JPlméU- VIII, 



a.a zJiamjné' in/ 'y/aa/ulertnf . 

O' t>%n'&ji'erz>€n/ . 

c.c.e.c. Uceeniercren' in^ IBfTeSan^ <. 

d. 'Weer^ útb Cra^ci^^ ^^£or-n/ . 

c.e.c.c KjcienAênec^ans . 

/'. Grcncot^ tn *ymtnsáerlanú . 




*-ié 



, 4 
t 



♦ 



V E IC W O R P E N» ^ t3/ 

«j . j ■ » « 

■ •- — . j « ♦ " 

D + D^ + D» * I> * D* ^ D^ D^ 

4* p. I*. aj. 3t5. 49. 64. &c. 

« £eos afgetr, 

-TweemftftU 



y. 7. 9. II. 13. 15. 

■ I ■ I I I I I r 

S. 3. 2. 2. 2 

flBHBWBW ^"BWÍí^VBto ÍB^^IWVP HpMMMMM Í^B^^H|p| 

Zom I 
+ i 

7 door \ gedeeld i , daart 
»0 ^j, koml;.?j, 4oof ) gedceld , is 31 de Zom, 

U. Lzzt deEnneagmaal 'Gttúlcn^ (datis, negen* 
boekige) van 3 af deTellers zyn^en de Nocmers mec 
5 m^etkonftig opklimmen » dan heefc men 



>o4i j_ ' aéi 






94. 46. • 7J. III. I54^ 204. afii. &c. 

i^ i I . j 1. • ■ £ens afgetiVi 

22. 99. 3«. 43^ So. J7. > 



^ ■ '» 



7. 



Zom isSy daarcoe H, komt Ig^ ge- 
deelt doorf, is de Quotient iii, ge-^Meerd daartoe *fí. 
mcn kecfc jg , nog gcdeeld door ^ , men verkrygt 7.S voor 
ide begeerde Zpmt 

IIL Als men toc Telien aanneemt i x 3 ; 3 x 5, 

5 X 7, 7 » 9» 9 » I». 1« 3^ 13» 13 ,^ 'A.®°^„®'* 
de Noemers in eene vlervoudige meetkonftige Pro- 

^rej^ ftelc , dan verkrygc men de volgende Rye vaa 

oaóodige breuken, teweeten; 



15 Hi 



f38 Bs AmnBHATio vltikx tuihinx 

3. 15. 3J- <53. 99. 143- W- ^ ^ 

12. 20. 28. 36. 44. J2* 

Tweemaal. 



o* o<k Of o* o« 

Zom 7 
^amoe 3 9 aU'íi ge'Oddeerd^ 

3j ge4eeld door 1 1 komt voor de 
gii»{fei9^4| » daartoe nqg 3 vergaard^ men verkrygt 7I; 
Idit wederom gedeeld door | , is de i|itkp|iift |o^ , 49 
^QS 9 die men verlangt te weeten^ 

VIERDE AFDEEïLlNGt 

Vdn Kytn oneindiger hreukén , mlker Teïkrs €€n iríf* 
VQuMg telkonjlig Ferjcbil bebbfn. 

L Wanneer men de Cubicq-Gtízïitn aanneeiQt voof 
Tellers , en de Noemers met 3 meetkonftig laat op« 
Jelimmen, dan komt de onderíbande Rye YaQ onein* 
4ige breuken te voorfchyn 9 als : 

JL »•• 2Z. 4. .11 4. iL' J. irt 4. '♦í J. li» Arn 



^ 27. 64. laj. 216. 343. JI9. 



iWM.aBM«B «■«■«« •■* 



19. 37- 6U 91. 127. 169. 

!■'■■••■•* M^^BW .HMM» «MMte •HaMAMS MMMWMWVM 

18. 24. 30. 36, 42. 



Eens afgetr. 



mMMW 



6* 6. 6^ tf. 



- TweemaaU 
^ Driemaal, 



Zpm si 



l^» gedeeld door'}» komt lit 
daartoe 'f, of 2I9 men heeftaá, gcdeeld door ï, deí?W' 



tiênt h 4np daar toe J of 2) vcrgaard, het komende j^^ 
nog eêns gedeeld door^» de uitkorofl: ii| is dan deZooi 
deczer oneindige breuken. 

II. Laat de Tellers zyn dp CQlumnaar- Getallen abe^ 
fo bstprf fpptenario longiores en de Noemers die iii 
eene meetkonftige Orde met 5 opklimmen, danheeft 
men deeze FolgisQd^ ^J^ vs^ii oneindige breqkisn. 
als: 

• éI. ** kl. Íl ak Ï21 li» '£2. «Li ♦*• O. i£* ^ 9»e Anv 

C^ ^* Q^ C*- C^ ^* O^ 0- 

8* 3^« $X)r I7<$« SOa 458, 686. 960. 

~' ' ■ ■* *■ ... ' — ' — -7— — - Een$ afgett. 

38. 54* 8(^. 124. 163. 218. 1^74. 

TweemaaL 



26. 32. 38. 44* JO- 56. 

DriemaaU 



<í. 0. C, <í. 6. 



Zom nl > daartoe vergaard tli « komt 
li, gedeeld dqqT f, is de uitkoroftíl, d^artoe geaadeerd^ 
roen beeft iS ; dit wederóm gêdeeld door f , komt toc 
Quotient u^ \ al^ *er nu npg het allereerfte lid i\ to« 
vergaard word , en het komende 3}; nog gedeeld door f ^ 
dan komt uit deeze laatfte Deeling voort 4n| voor de be^ 
gecrde Zom. 

m. Laat de Tellers z;yn Pyrgqidales Numeri ex Z)«- 
decagonalibus en de Noemers eene Geometrifche Progret" 
fie met 7 opklimmende, dan verkrygt men de onder^. 
ítaande Hy e van oneindige breuken , te weeten : 



ë 



V 



14^' DE ANMMltATlO VLTlHt TERMINl 

^r XI* )«> <lf itfi z99e itys 



:íy. 112. 302. 635. iiji. ispa 2892. 

' — .— Eens afgetrokkcDt 

87- Ipo- 333- 5i<5t 739. 1002, 

Twecm^aL 



103. 143. 183. 223. «63, 

' ■ ' ^ ^ DriemaaK 



40, 40. 4C. 40, 



'f 



Zom ï5i2, daartoe vergaard g}, kómt 
eIíJ, gedeeld ^oor|, de uitkpmílis|í?,nog ijí ge-otóeerá, 
het daar uit voortkomeode 2IU wederom doorf gedeeldi 
isde Quotient 2^1, hec eeríle lid 3^ daarcoe gedaao, eo 
het gejummeerde ó^fj nog eens gedceld door í, daa is JÁ 
de Zom deezer breuken. 

■ 

VYFDE AFDEELING. 

Fan Ryen oneindiger breuken , welker Tellers een vier- 
voudig telkonjlig Ferfcbil bebben. 

L Wamneet men de ProivSf»?, (voortkomende uit 
Vermenigvuldiging van TrigonaaU mec Quadraat • Ge- 
tallen , van de Wortel 2 at ,) coc Tellers aanneemc, 
en de Noemers in eene viervoudige Geometrifcbe Pro- 
greffie laac opklimmen , dan heefc men d^ volgende 
Rye van oneindige breuken , ce weeten : 

«* »♦ Ifto 37V 7f6 IÏ71 1J04 

12. J4. 166. 37 j. 7JÓ. 1372. 2304. 

■" ' ■ — • ■■ ' ■ — ^^" ' Eens afgetr^ 

.42. 106. ay, 381. 61(5. 932. 

" ■ ' ' ■ ■ ■ Tweemaal, 

(54. 109. 166. 23J. 316. 

" ' ■> Driemaal. 

4J. J7* ^9. 81. 

' " ViermaaU 

12, 12. 12. 

Zom ^ , daartoe sfl, bet daar 

uit 



VÍ^RWOBÍEK* ^4,^ 



Víit voonkomende ^, gedeeld door i, is de ultkomft t^ 
daar toe vergaard |$ of i, komc 14I; dic gedeeld door 1» 
is de Quotient 141, verder gt-addeeri s|, komc 441, ge- 
deeld door i^ is de uitkomft jt^ , daarcoe het eerfte lid 
^of 3 vergaard^ komc 81^» gedeeld door |, is iig <ie 
verlaogde Zom ceczer breuken* 

II. A\s men de ProduSen^ (óntíltaaú i}íc MuïtipÏÏpatíê 
van de gefummeerdi TrigtmaaU en j^airj/ir-GetaiIeny 
mec de gefummeerde PentagonaaU^ Hexagonaal''Gctú* 
len, van de Worcel 2 af ,) cot Tellers aanneemt, eii 
de];^lver Noemers mec 6 geometricé laat opklimmetiy 
dah verkrygtmen de ^nderftaande Rye van oneÍQdl* 
gebreuken, als: 

77 4of iieo gto* 6&6f 1X497 aca*» 

B + gT + "gr+ "g;+ -g;+ "^ + •^ enz. 

77- 405« 1300- 3200. 6C(5p. 12397. anoo. 

Eens argetTr 

328. 89J. i9oa 3469- 57«8. 8803. 

TweemaaL 



J67. looj. IJ69. a2j9* 307J* _ 

» f ^ t " ■ DriQiTiaaL 

438. 564. 699. 816. 

ViermaaL 



120. 126. 126« 

■iSBHMa «MWHMÍÍ9 «MWMMtf 



Zom isi> daarcoe ^l, men heefe 
|§, gedeeld door |, de uitkomft it iU^ ^aartoe vergaar4 
lílof 2f, komC3nlï, gedeeld door {, is de í^aotfmsriS, 
daarcoe gt-addeerd '\l of 9í, men verkrygt il||fe> gedceld 
door I, komc voor de uickomft 15^% ^ het eerfte lid 1 of 
laiDOg vergaard, hec komepde 28ïSt; dít voor 't laacfte 
nog gedeeld zynde door }/ men verkrygc voor de uit- 
komft 33iíH» zynde de Zom deezer breuken» 

III. Wanneer men de PrpduSten , (oncftaan uít de 
Vermenigvuldiging van de gefummeerde Trigonaal^ Te^ 
tragwiaaU en PentagwiaaUQttúXtu^ met dc gefumrneer" 
deHcxagonaaU HeptagonaaU en 0^j^«naa^GecalIen,van 

4e 



.^42 DE Át^NIttltAtXd tiirÍHt TÊAkÍKÍ 

cde Wortel 2 af ,) ftelt voer Tellers in eene Itýe hú 
«bneindige breuken i Welker Noemers níet 7 meec- 
'konílig voortgaan , dan kotnt het onderftaafide te 
ioorfthyn, teií^eeten: 

Í, X 2j Á Z^ ví 

, ^$2+1458+489^+12375+26244-^49392+85*46^2. 

CIR^gctr» ' ' ' I I ■ ■ I I • 

Í2d6. 3438. 7479* 138*9. i3fi4S. 55S5Í. 

T^cemaál. ' ."' ■■ — — 

2232. 4041. 6390. 9279. Ï2708. 

Driemaal. • — — — - 

1809. -2349. 2»89. 54»9. 
Viermaál. ■ ■ 

)4e. jf40. 54^» 



t > 



Í4Ó C7' 
gedeeld doór ? j - • 

I 90.(7* 
ige-ttddéerd 1809 (-• 

isspCt* 

/ 6330'*» 
Ul! ♦ 2 - . 448? C- - daartoévérgsfafd.i 

r ■ ■ ^ : 

JQ07 C7**«' 
doof ? / 

/ 1699 C7'*4 
21!i * 4. • - 4824 (- - geaddeerth 

6523 cr *♦ 
door $ / ' ' ■ . » , 

/ 6523 r? * 24 j 

V' * 24 . . 6048 C • • daartoe veígáará. 

I2J7I C7 * 24 

door $ y -u- ' ■ 

/ 12571 C144 of 874} voor bet ge/ummittit 
^eezer oneindige brettken/ 



ZESDE 




ZESI^E AFDEELINÍÍ. 
Pkn Rífin onêiniiger inuktny mlker Telkrs tíh vjf* 

vmidi^ telkmjlig Ferfcbil bebben. , 
L De ProduSen , (voortkomeflde uit Vermeni _ 
diging det Qiiadraat - Getallen ^ met de Qibicq - (rétal* 
len, van de Wortel 2 af,) verkoóren tot Tellers vaií 
eene Rye oneindiger breuken , welker Noemers mec 
5 geotnetricé opklimmen , dan verkrygt men de vof^ 
gende breukeUi als: 

L ^ t^ t^ ^ t. Z. 

ja+243+ 1024+312$+ 7776+ 16807+ 32768 enz. 

p * ' Eens afgettt 

2it. 781. iioí. 4651. 9031. 159^1. 
i ^ . Tweemaal. 

$7©. 1320. 2550. 4380. 6930. ^ 

< "• ' DriemaaL 

750. 1I30. 1830. 25SO- 
" ' ■ ■ ViermaaL 

480. óoó. 720. 

H . r i-.: Vyfmaa»/ ' 



i2d tao. 

120 Cí* 

f edecld door f i ■ ^ ■ 
ge'Oddeer d 480 (** 

door ? / . 

^ * 2 - * ijoo C- * d aartoe vergaaf d^ 

5t I7JJ CJ**a 

door ? / » '» 

/i7JJ(S^*8 

~ * * • • 4 J<^ C gt'Oddeeri. 

r 63IjCJ''8 

door ? i 

^<53ij (j^'^ja 
— ♦ 32 - * 67jtt c* ■ * vergaard. 

J* 13Ó67 0**3* 

^ /i30tf7 (5*188 ^ • V 

^ * ia8 • 4opg C' - , • e e'fldawfi. 

f y 

' i7i<^ (513 voor het g^imMr^i^ deezer (»- 
emdigebrenkeo, tcweecen: 33IU* «. 



S44 1» ANMiintATia viTim Ttpam 

II. Laat wederoQi átProdxêáen^ (zynde voortgeko^^ 
men uit Muhipliceeringe yan ,Qmiraat -Getzllenr^tiet 
zeshpekige Numeri Pyramidales, van de Wortel 2 áf,) 
tot Tellers aangenomen zyn , en derzelver Noemers 
'eene met 9 opklimmende Geometrifche Progrejjie nree- 
zen ^ dan zal zig de Rye van oneindige breoken aldas 
Vertoonen: 

^^ ^ ^ ^ ^ ^ í 

a8+J9B+8cx>faá75+5796+i2348+238D8+ 42525 cn2, 

• Eensafgeti. 



170. 602. 157J. 3421* 6552« I1460. 18717. 

' ■ — Twéefeaa!. 

432- 973« i84<5. 3i3i- 49<^8. 72$7- 

' ' . ■ , — Dricmaal. 

541. 873. X285. ^777:^^2349. 
*■ — ■ - ■ ■ Viermáal. 



{edecld door 2 y ■ ■ 

/ 10 (9' 

ge»adeerd 333 ( 



332* 412. 492. ' ' 572. 

" ■ ^: — L-L-L-JL^ Vyfmaal, 

80. 80.' . 8o. 
80 CS/ 



342 (9* 

door l / — — 

/ 171 C9**4 
JÍL * 4 • 21^4 C- • - daartoe vcrgaard, 

'/2335(P'*3a ,, ^ , 
.íil. ♦ 3« • 13824 C* • " gc-additra* "• 

9' 



/ 



16150 (9**32 



« í 



• i * 



16159 ro'*aj6 
1^,856 - 43520 (■ - - í :" . 

59679 (9'*2J<S-' 

' / 59679 C9* X48 
'1*2048 - 57^ i'' ♦■ • - .: 

^ 117023 (o*ao48 ; ; 

'/ 117023 (1Í384 of 7i^ Yoor hctNÍ'^WíWf* 
4eezet oneindise Drejikea. Zl* 



ZEVENDE AFDEELING. 
yitn Ryen oneindiger breukeny welker Tellers een zesvmdig 

telkpnftig Verjcbil bebhen. 
I. Zoo tnen de rrodu&en ; (diicíláan liit Verinenigvuldiging van 
"^f hoekige Columnaar'GetzÚen , itiet zevenboekige Pyramidaal'Ge^ 
tallen,van éc Wortel 2 af; aanneenit voor Tellers,en dérzelver Noe- 
mers laat zyneiene met 8 opklimmende Geometr (/cibtf Progreffie ^dm 
komt de bnderílaande Rye van breuken ten voorfchyhy als: 
t i' 8» 8* 8' 8' 8' 

8o+936+5280+2Oi25+59$76+i5<592o+83á6i6ctt«p 
Eetasafgetr. 



«ÍMI 



856. 43U-. I484S. 3PÍ5I- 90944.184696. 

TwëemaaL ■' ■ . ■ ■ , . , ■ 

3488. I050I. 25006. 51093. 93752. 
Í^xiemaal, -i—..— . 



7013. 14505- 16087. 4^59. 
Yiermaal. ■ ■ . ■ , ' 

7492. 11582. 16572. 

Vyfmaai. ■ 1 ' '" - . . . ■ 

4090. 4993. 

2esmaal. ■ w 

900 (8' 900* 

gedeeld door } j 

/900 (8'* 7 
t:!? 4, 7 - - 28630 (- - • ^ daartoc vétgaari 

29530 (8** 7 , 

door l i ' *• 

/29530(^*49 . , 
— ♦ 49 - - 367108 (- - - gt'addeerd. 

396638 (8**49 

door} I : r— . 

/396638 f8**S43 
£1L i 343 - -2405459 (- - - 

8* -T— 

2802097 (8** 343 

door 1 / : — : 

/2802097 (8**2401 
t^ » 2401 - • 8374688' (- - - 
j» * 



11176785 (8**2401 

door i i ' . ' ' ■ 

/11176785 (8**16807 
^ ^ 16807 - - 14386792 (- - - ' 

e 



255*3577 ÍS'* 16807 

doorl ; '- • 

/25563577 (8 * 1x7649 



7649 



^ ♦ XI 7649 - • 941x 920 (* j- ' 

34975497 (8*xx 
iooi l i ' 

/34975497 (8^3543 of 4ar4/8. 



|4(J , DE ANNIHILATJO PLTIMI TfiRMINI VERWORPEN. 

IL Wznneer de ProduSten ^ (vooFCgekomen uit ilfwt 
tiplkeeringe van tienhoekige Pyrg«áïa/-Getallen,met 
^e ordentely ke Cu&fq - Getallen , beide van deWor- 
tel 2 af,) aangenomen worden als Tellers, en men 
voor de Noemers ftelt eene met lo opklimmende Gía. 
metTÍfcbe ProgrcJJie , dan zal men deeze onderftaande 
Ryé van oneindige breuken verkrygen, te weeten: 

lO lO* JO' lO* 10' lO* lO^ 

V^ \^ V-^ >^ ^^ v-^ V-^ 

i(58.f24.844'i574^+<^437S'^^o'Q9tf^"5g34i8+ri93984enz. 
' 2316. 13260. 48631. 136721. 322322. 670566. 



10944 . 3537»- 88090. 185601. 348244. 
^4427- 5^719- 975II- igig43. 
28292. 44792- 65132. 



4*<»»- 



I65CO. 20340. 



3840. 



3840 (lo^ 
^edeeld door ^ *-: . ■ 

A í'^o (10** 3 

♦ 3 • - ^^9500 (• • - daartoe vergaarA 



lisoo 



''5<^78o^(ioM^3 
doorïl i 



_ . III H ii 

10 



50780 (10^*27 
^ ♦ 27 . - 763884 ^t-addeerd. 
10' '■ J/ 

8Í4664 (10^*27 

dooril / - ". " ."-" . ; 

/ 8i4(5<J4 (io*»343 
IÍÍ13- * 343 - - 593576i*(^ - - 
lo* — " •m': .1 ■ ■■ '. 



675^4A5 (io**343 

doorïl * , ■ ' ' 

/ 6750425 (io'*2i87 
rííl ♦ 218.7 • - 23Í934528 (^ - - 



10' 



30684953 (10**2187 






30Í584953 (io'*i9683 

211 ♦ 196.33 - - 45585828 - - 

10* 



76270781 (íO*i77i47 
VI ♦ 1 77147 •- 29760696 (- • - 

^ 1106031477 (io*Í77i47 

toeii verkrygt io(ío3i477 fiS94323 of 66^J| voor het jf^- 
/whmeerde deezer Rye van oneindige breukén. 
' ^tó zal in *t V9lgeniejiukje met de acbtfie of iaatjle Afdeeling J^ ' 

Jloiten mrden. Dt 



I 



IÉ«*tf^MM«MMM«HM 



Di Núodzaaklykbeid en nutbeid van Gezel/cbap voor 

Lieden van Letteroefening. 



H 



£c zeggen van den onvergelykelyken Heratiui^ 



Scriptortm eborus omnis amat nemus^ íífugit urbes^ 

*Der Dicbt'ren rey verkiejl op *t eenzaam^ land te Ueven ^ 
En mlbet groot* gevooel der fteden graag begeeven. 

Hpr. Ep. Lib. II. Ep. 2. 

í^elt ons eene op de ondervinding gegronde waarheid 
voor; dat naamlyk de ílille eenzaamheid den Letter- 
ininnaaren , altoos behaagelyk is : en in de daad , die 
moeder der overdetakinge moec ten hoogíle noodig 
geagt worden , voor allen die zich op 't verkrygea 
van weetenfchappen uitleggen: want daar het onze 
zintuigen zyn, door welke wy de denkbeelden eerft 
ontvangen , en geen twee denkbeelden immer op het 
zelfde oogenblik voor onzen geeíl kunnen weezenj 
zo volgt onwederlegbaar, dat iemand, die zyne aan^ 
dagt op een zeker voorwerp wil veftígen ; door gee* 
ne andere van buiten aankomende voorwerpen moet 
afgetrokken worden. Wie hfeeft niet ondervonden ^ 
dat zyne ernftigfte overdenkingen door gezang,gefpeel^ 
geroep , of e«ijg ander gerugt , verftoord werden ? 
cn even zo is 't g^legen met dingen die den reuk, dett 
fmaak , *t gevoel en 't gezigt aandoen ; een heldet 
licht is zelfs in ftaat om zommigen van het onderwerp 
waar op zy dagten af te trekken ; men verhaalt des« 
wegens , zo ik -my niet bedriege , van den grootei» 
íimton , dat hy , bepaakl willende denken , zicb iïí 
eene donkere Kamer opfloot. •— Dan hoe nut ea 
noodig deéze áfgezonderde eenzaamheid is voor den 
beminnaar van fraije letteren , ze kan egter , gelyk by« 
kans allc diogen , ooor misbruik fchadelyk cn aadee* 



^4S I>& KOODZAAltL. EN NUTHEID VAN CEZEtSCHAlP 

lig worden ; de gulde maatigheid is men verpligt ook 
hier in 't oog te boudeti. Verandering behaagt , en 
Verwifleling is 's menfchén leeven, ; 't gezelíchap , 
het tegeíigeitelde van de eenzaamheid , moct op zyne 
/ beuft gezogt en gehouden worden. Alcooá alleen te 
zyn is in 't algemeen ftrydig met der menfchen ge- 
zelligen aart y en maakt hun onbekwaam ^ om aan de 
verpligtingen , die zy der t'zamenleevinge fchuldig 
Z}^, te beantwoorden. 

Maar , om byzonder te fpreeken van de verkeerde 
gevolgen , welke de geftadige eenzaamheid naá zich 
fleept, voor iemand die de letteren bemint , zo mer* 
ken wy in de eerfte plaatfe aan j dat ze eene eigenziii- 
Digheid moet te wege brengen ^ deeze toch volgt *er » 
eigenaartig uit. Het is zeker^ dat ieder menfch, door 
de Opvoeding, eenige beginzels ontvangt, die hem 
genoegzaam altoos by bly ven ; en deeze hebben by- 
zonder huonen invloed op de eerfte jaaren der Letter- 
pefeningen. De Ouders , en Meefters , naar der Ou- 
deren fmaak verkooren » geeven , buiten de monde- 
]yke LeíTen , den kinderen , díe zy der geleerdheid 
wyden, de Schriftea van mannen, volgens hun oor^ 
ded de befte, in handen, met bygevoegden raade om 
ze naarftig te gebruiken. Deezen volgt de Leerzaame 
Jongeling op, en maakt zich de denkbeelden, in die 
Schriften voorgefteld , za eigen , dat ze alle in 't einde 
by hem voor ontegenzeggelyke waarheden doovgaan. 
■ < Men zal mogelyk zeggen, door *t leeren dicr 
Schryveren vindt hy zeker dat 'er ook andere boeken 
in de Wereld zyn , en gevolglyk zal hy y bezielt hem 
anderzins eene Leeszugt , zich deeze ook eigen maa« 
jken , om 'er zyn voordeel mede te doen en nut uit te 
uekken. Maar 't is bekend , dat de Schryvers door- 
gaans de gewoonte hebben , om anderen die met hun 
overeenftemmen by te brengen ^ en die van hun ver- 
ícbillen, met haatlyke naamen te benoemen en 't ge- 
vaar van 'x leezen dier Schrif ten , zo groot hua aioge- 



VOOR LXEDEN VAN XSTTBROBFENINC. X49 

}yk ii , af te beelden. Als hy , in 'c eerfte geval , de 
aancehaalde Schryvers gebruikt, behoudt hy dezelfde 
denkbeelden ; en wac de andere becrefc die zal hj 
waarfchynlyk zyqer aandagc onwaardig keuren: wanc 
bebalven dac ze hem niec gegeeven of aangeraaden , 
ja door geagce Schryvers zelfs afgeraaden zyn, komc 
nog hec klemmende gezag van zynen Meeíler, die» 
zo ny 'er oic van fpreeke of 'c ook dienítig waare die 
boeken ce leezen , mec eenen gezagvoerenden cqqh 
zulks af keurt. Denkc iemand , dac wy dus de zaak van 
den ílegcílen kanc befchouwep ; 'c zy zo ; doch , dan 
durven we nog vry uic zeggén , dac ze zich ook mees* 
ten cyd in eene zo flegte gedaante vertoont. Maar 
onderílelc eens dac een Jongeling 'c geluk geniete om 
goede Schry vers in handen te krygen , *t is egter ze- 
ler dat niemand de waarheid in pagt heeft, en ílyve 
eigenzinnigheid , fchooq ze de waarheid voor hebbe , 
is altoos walchlyk : en hoe na hec vooroordeel aan dic 
gebrek greníl,zal niec noodig zyn aan te toonen. Wy 
mogen dan wel befluiten , dat eene geíladige eenzaam* 
heid in de Letteroefeningen^ de weg is om iehiand 
ilyf en eigenzinnig in zyne weeteníchap, en verhard 
in de dwaalingen ce maáken. 

Daarenboven geen meníbh , hoe zeer hy zich op dc 
ftudie, coelegge, kan bynazoin de wereld leeven^ 
dat hy noic by de eene of de andere gelegenheid , 
verplijgc zy in hec openbaar ce verfchynen , en *c ge» 
zelfcháp van anderen by ce woonen ; een geleerde is 
Diet verbannen van de menfchlyke c'zametiléeving : 
maar wac zal 'c gevolg weezen « wanneer hy zich aan 
de eenzaamheia gewoon gemaakc heefc? Moet hy in 
de Wereld koroende, op dac ik my dus uicdrukke» 
niet ftaan als een nieuweling , verwonderd op ieder 
gering voorval , verbaasd op elke ontmoetins ^ zich 
als een lompen weecniec vertoonen in de dageiykfchd 
verkeering , en ten voorwerpe van fpoc en ichimp 
(Irekkent De Dichter Horatius geefc ons een íeeveaf 

K 3 dig 



ISO BX «eODZAlKI. BN » VTBEID TAN GBZEIsCHAF 

dig af beeldzel van zodanig een menfch , in dien 
zelfden Brieve uic welken wy dic Vercoog begon* 
nen, fchryvende 

Jngeniutn » Jibi quod vacuas defumjit Atbenas 
Etfiudiis annos feptem dedit ^ infenuitque 

Libris Êf curisftatud tacitumus exit 
Fkrumquey ff rifu populum quatit : n t 

Een Weetgraag menfcb , die omgeruft enftil ahoos 
Te Leeveny *tftille Atbeen tot zyne woonplaats koos^ 
En veele jaarjen badgeblokt in 't onderzoeken, 
' Van weetenfcbap , veroud in 't leezen veeler boeken • 
^omt eind'lykftomy en als eenftandbeeldy voor dendag 
£n voekt door dat vertoon, zo zeUzaam, 's í^olks gelacb, 

Van hier de gewoone fcheldnaamen Scboolvos , geleer' 
^ Pedant , Letterkauwer en dergcly ken. Zeer gegrond 
is deswege de aanmerking van den Schryver derVlL 
Redenvoeringe in bet Ilde Deel van den Guardiaan , welke 
'c ons luíl hier in te voegen. « Indien , dus luydt ze , 
j^ de geleerden zích ook wilden leggen op de kennis 
^ der Wereld , wat overwinning zouden zy door de 
^ vereeniging der welleevenheyd met hunne weecen* 
^ fchap niet behaalen over de Saletjonkers» hoe zbu- 
^ den zy die ydele en luydrugcige ínappers , die hec 
hoogíte woord in de qffemblées voeren , niet llinge- 
iB ren ; hoe v.eragtelyk zouden zy die pronkers niec 
i^ maaken , wier weezenlykíle verdienílen beílaan io 
19 een koíUyk en zwierig kleed, een blonde pruyk, 
^ een paar handfchoenen met goude fianje en een 
^ gouden fnuyfdoos. Deeze zouden weynig heul 
^ vinden by hunne koude fnaakeryen y hunne laffe 
19 liopjes , en in hunne luydrugcige manieren , in- 
19 dien een geleerd en welleevend man van zyne dub- 
^ belde verdienílen bewuíl ^ich met een onbedwon- 

^ gen ^Wier in de gezelfchappen vertoonde i en mec 

' dat 



VOOR IIBBSN VAM LBTT£H0£F£MIN6« 151 

9 dat vertrouwen » 't w^k ^n ^ezond verftand en 
9.de ervaarenheyd geeft. Alle die nu in de gezeU 
9 fchappen voorzitten zouden haaít de vlag voor hem 
„ íbyken , en hy zou de luíl der gezelfchappen wor« 
den, noít iëmand aantaílen , eu ook noic naalaa*^ 
9 teo ^ zich zel ven op eene befchaafde en verílandi- 
9 ge wyze te verdeedigen als by wierde aangetaíl. 
*-— - Die Geleerden , weike de eenzaamheid zo zeer 
gezogt hebhen , zicten in de byeenkomílen fpraak* 
loos» of geefteenig voorval hun gelegenheid om ce 
fpreeken van zaaken, die pnder hunne liefhebbery 
vallen, zy vieren zich den vryen loom., en doen ge- 
heele vernandelingen , tot overlaíl van de zodanigen ^ 
die 'er geene kenniiTe van hebben,.en maaken zich 
by de kundigen befpoctelyk : kan men iecs laíliger of 
befpotlyker bedenken , dan dac iemand over de kragt 
van een Griekfch , of Lacynfch woord, en deonder- 
fcheideoe betekeniíFen , waar in het by verfchillendé 
Schryvers voorkomt, een half uur, zo niet langer^ 
't woord voere ^ op eene plaats , daar 'c groocíle ge* 
deelte 'er niets van verftaat? of, dan dac een ander 
rooeiiyk^ voorílellen van dq Wiskunde gaat oploiTen) 
waooeer ^er van die zaak maar even gerept wordc t 
io *c gezelfchap van menfchen , die zich nimmer mel 
die afgecrokkene befchouwingen bezig houden? Zo 
haodelc egcer de Taalgeleerde en de Wiskunílenaar , 
die weinig de wereld kenc: en op gelyken voet gaan: 
aoderen, die zich op andere zaaken uitleggen , ea 
de gezelfchappen verohagtzaámen ^ te werke. 

Wyders is het buiten tegenfpraake eigen aan de 
meofchlyke Natuur dat ze door de verandering ver- 
friít en in ítaat gehouden wordt ; dit is waar ten op«. 
zigte van het lichaam en den geeíl : 't lichaam lan* 
geotyd in dezelfde geílaltenifle gehouden, verílyfc,: 
eo wordc onbekwaam om de werkzaamheden > to& 
welkê hec gefchikt is , te verrigten : geíladig en mec 
de ingeípanneníte aandagt bezig te zyn is bynaa'dn** 

Ë 4 mo- 



y 



Sje BE NOODZAAKL. EN KOTHeiD VAN GEZELSCHAï 

fflogelyk , en ce veel den geeft af te macten , teq 
hoogíten nadeelig. Gelyk een fnaar op een ípeekuig 
te ftyf gefpannen breekc ; de pees vaú ëenen booge 
eduurig gerekc ftaande verflapc, zo wordc de Ziel 
es menfchen door ruftloozen arbeid onbekwaam en 
Inftloos. ■' Waar by nog komc dac hec Ilchaam , 
die nauwe verwanc der Ziele , de beweeging , zo 
volftrekc noodzaaklyk om -c zelve in kragc en ge- 
zondheid ce houden ^ in dac geval , moec miíFen , \ 
welk cer oorzaake ftrekc van veele kwaalen eh ziek- 
iens die de geleerden zich niec zelden óp den halze 
hebben gehaald : wanneer ze ce laac hunne dwaazé 
leevenswyze beklaagden. Deeze dof beid van geeft, 
deeze ongefteldheid van lichaam wordc dóor eené 
gefchikte en geregelde yerdeeling vah zynen tyd in 
uuren toc de ftudien en tpc uitfpanning voorgekomeQ. 
£n wac uitfpanning , (benevens die welke hec lichaam 
bewéeging verlchaflFen , ) is *er meer overeenkomen- 
de mec 's menfchen natuurlyke neiging dan -c gezel- 
fchap van anderen? £n wac kan men putter beden- 
ken voor lieden van oefening dán de pmmegang mec 
banne fóorcgelyken , of cen minften mec de zodani- 

Sen, die hunnen geeft kunnen verfriflen. De fchran. 
ere Schryver van den Patriot of Duitfcbe Zedemeefiet 
ftelc dus, ohder eenige zeer nutteregels die hy den 
Leerlingen van' edele weetenfchappen voorfchryft , 
inec hec groocfte regc ook deézen voor. ^ Doec uw 
i^ beft om een vroom verftandig en naárftig vriend te 
^ vinden , die u in den voortgáng van de ftudien ten 
i minften gelyk , of ^en weynig voorby , is , fpreekt 
j^ mec hem gaarn van nucte zaaken , en gy zult zo 
^ veel vóordeels als genoegen daar van hebtíen ". 

En zeker , 'zodanig eene verkeefing , welke niec 
aan één perfoon bepaald behoeft ce worden , fchoon 
feen ce grooc getal fchadely k zy , brengc de heerly kfté 
Ikuccigheden ce wege. Hier door wordc eene gere* 
eelde eorzugc , flie a»nraaditer coc grooce en loflyke 



VOOR IIEDEN VAN LETTEROEFENINC. 153 

jSaaclen aangekweekt , en de yver ipet fpooren ge- 
boopt; leen edelaartige Ziel zal door den Ibf haat ge- 
geeven aangewakkerd , en door de kennis def misuá» 
gen, vriendelyk bnder *t oog gebragt , tot derzelver 
yerbetering aangezet wprden/ — Het onderling 
vertrouwen , 't geen men in elkanderen ílelt, zal uit- 
werken , dat men vrye gedagten, die men anders ííi 
den boezem zou dienen te fmopren , uit oorzaake van 
de dwaasheid der menigte, die de nieuwigheid ver- 
dagt houdt, en allés wat niet volgens de voorouder- 
lyke gropdílellingen bepaald is , met nydige oogen 
aanziet , durÍFt voorílellen , en ter toetze aan de me- 
deílreeveren op het pad der waarheid geeven, *■ — ^ 
Deeze yrymoedigheid welke d^geiyks toeneemti 
doch nimmer in onbefchaafdheid moet veraarten , zaí 
eene leevendigheid van g^efl: doen gebopren wor- 
den ^ welke het onderhoud in de t'zatnenkomíie recht 
fmaaklyk maakt , en ten vrugt gevolge heeft ^ dac 
men met andere menfchen , die zo zeer niet op de 
weetenfchappen gefteld zyn , verkeerende , niet als 
geleerde beuzelaars en geeftlooze letterblokken zal 
ivorden as^ngezien. 

De verífcheidenheid yan geyoelens over een en het 
zelfde onderwerp , welke njet zeldzaam gevondeii 
wordt, onder menfchen, die niet Qaaffch beruften ia 
't geen door anderen geleerd en vaftgefteld is , maar 
zelve den redelyken weg van onpartydig onderzoek 
inílaan I mpet noodwendig te wege brengen , dat ze 
onderling redentwiften , \ welk , zpnder bitterheid of 
valfchen yver gefchiedende , den geeft kragt en door- 
dringenheid byzet , de waarheid ontdekt ; en eea 
heilzaam tegengift is tegen de koppige eigenzinnig** 
heid , van welke wy in den beginne fpraaken* 

De Verkeering zal ons behoeden voor de zotte en 
fchadelyke gewoonte , om alles 't welk wy terfton^ 
niet wel begrypen voor wartaal en verkeerd, uit te 
kryten ; want verfcheide oordeelen fchiete^ verfchei- 



154 I>E NOODZIAKL. EN NtrTBEIl) VAN GSZF.LSCHA», CHZ. 

de llraalen ; en dat van anderen zal oqs diknrerf lee- 
reft , dat zaaken , welke ons in den eerften opílage 
verward , duiíler en ongegrond voorkwamen, juiu, 
ilaar en op de vaílfte gronden van zekerheid ge- 
bouwd zyn : en dus zal ae haatlyke verwaandheid, 
door eene welaangelegde verkeering , plaats ruimen 
yoorde beminnclyke infchikkelykheid. 

Men begrypt uit dit alles zeer gereed , dát wy van 
de t'zamenkomften der Lettcrminnaaren, geenepíeg- 
lige en flaatlyke vergadering willea maaken , maar 
eene gemeenzaame verkeering bedoelen ; waar in 
men gezoute boert en klemmende ernfl by den ande- 
len tragt te voegen ; om dus , door 't nut met ver- 
maak te paaren , het rechte wit te befchieten ; op 
dat men uit een gezelfchap , niet afgefloofd , maar 
verfrift en vervrolykt , niet flegts vermaakc maar 
ook verlicht en verbeierd , weder t'huis keere ea den 
gdlaakten arbeid met nieuwen luft hervatte. 



VRV- 



VRYMOEDIGE: 

AENMERKINGEN 

- . * 

OVER D£ 

NEDERDUITSCHE 

WERKEN EN SCHRIFTEN, 

die onlangs 'uitgegeven 2yn, 



Omfiandig Verhaal van de "Papige der Flaneet Venus 9f de Zjem^ 
voergevallen den 6 Junj ijéi. in oSavo 24 tíadzjden^ 

Dlt gefchrift heeft cen zeer breedvocrigen Tytel, die *t gc- 
meen natuuriyk zeer veei moec doen verwagten ; docb *t 1$ 
niet anders dan ene ílorclige vertaling van 't berigt en dc bereke- 
mng van den Hecr de la Lande^ geplaatfl in de Comoijfance des 
temps'pmrrannée 1761; waar by men gevoegd heeft de tydsbe^ 
paling van den Heer Klinkenberg -, opgegeven in 't laatít uitgeko* 
mens íluk der VerbaHdelingen van de ÊQllandfcbe Maatjibappye der 
Weetenfcbappen ; inidsgaders 4e in de Couranc medegeaeelde waar* 
nemíng van den Heer Mar^ens, 



Beriif aangaande de TVaarneemfn^n gedaan door J, de Munck, 
op de langverv)acbte verfchjning van Venus met de Zon . den 6 
Jwty 1761. T^ Middelhurg hj Louis Tailleierc Dl« m j^arfo 
XI íladzjfden. 

DE oplettende Heer de Munck geeft in dit ftukje den Lief heb- 
beren derSterrekundigeWaarnemingen te kenncn,dathem, 
door menigviildige metingen op Venus gedaan, in de jaren I745t 
1750, I753> 175^5 ên 1761, gebleken is dat de Aftronomifche 
Tafelen van den Heer Halléy, 17 49 te Londen gedrukt, de nauw- 
keurigfte zyn , en zo na aan de waarheid, in de conjunébien van 
Venus met de Zon , dat ze byna onverbeterlyk gehouden mogen 
worden: doch dat hy de breedte van Venus altyd minder gevon- 
den hecft. De Tafels van den Heer Caffini, zegt hy ,- zyn nier 
verwerpelyk, ze komen nader by dan anderen; doch hy vond Qjf 
dc conjunáien een verfchit nu van 25, dan van 19 en zomtyd$ 
van t2 minuten in tyd;maar de breedte vond hy altyd ieis,doch 
2cer wcinig, meerder. Ook heeft hy, gelyk hy verder berigt, in 



K56 VRVmoBDIGE áENMBRKl!ÍG£K. 

je bovengemelde inetingen, voop 'c jaar 176^, de íc^vnb^re dfa* 
jneter van Venus by niiddeling niet groter gevonden clan 62 a 63 
fcconden boogs. Vermids nu de Heer Halley dezelve ílelt op 72, 
en de Heeren Obfervateuren te Parys die brengen op 75 fccon- 
/den , zo hecft zulks hem bewoogen nog enige metingen te doen 
|n de maand Mey en ' t begin van Juny tpt den 2 díer maand 1 761 ; 
en toen vond hy de diameter ván Venus • by middeling van vyt 
ODderrcheidene waarnemingen^groot 61; feconden;en£itdecon« 
junAip , (volgens rekening pp den Meridíaan van MidMlmrg 'm 
Zceland, )moeílkomenop den 6 Juny, 's morgens ten 5 uuren 41 
min., met een zuider breedte van 9 íi)in. 13 fec. Vervolgens op 
den 6 Juny den overgang van Venus waargenomen hebbende , 
geíyk hy meldt, van 6 uuren 18 min., (zynde de Lugt tot dien 
cyd toe digt bewolkt,) tot aan het eínde toe,en byzonder ophet 
einde, met zeer gunííig weer, vervaardigde hy ene zeer nette 
^iguur, volgens de nauwkeurige gedane waarnemingen ; en be" 
vond, zo met afpaíllng als rekeníng, dat de naafte t'zameníland 
der ccnters van Venus en de Zon geweéft is 9 min. 5 fec. deZons 
fcalve middellyn geftel4 zync)? 15 ip^P- 5P i^ec. Van híer de voi- 
gende opgave. 

U. M. S. 

T^n 2. 27. s6 ^^ de naafte t*zamen(land van Venus met 

de Zon, 9 min. s Tec. 
5« 48. 14 was de Conjunétié met ene Zuiderbreedte 

van 9 min. 15 fec 
8. 33. 21 raakte Venus weílerrand den weílerrand der 

Zon. 
8. 42. 28 was 't Middelpunt van Venus in dien rand 

der Zon. 
8« 51. 26 verliet de Ooílerrand van Venus den wefteF* 
rand der Zon. 
Dtts komt x8. 5 voor den overtogt van Venus over den rand 

'der Zon. 

En de fchynbare diameter van Venus werd bevondcn op 59} 
leconden » waar van de Heer de Munck de berekening hier nevens 
doct gaan : met ene aanmerking dat die metingen van den Dia- 
Bieter boven gemeld, die dezelve 2^3 feconden grpoter ílellen, 
zeker zo nauwkeurig niet kondei? zyn, als deze. 

Voor 't overige heeft hy nog aangetekend, dat by, door deze 
metingen, de uurwiníl van Venus op de Zon gevonden heeft, 
groot te zyn» dan eens 3 m. 37 fec. ook 4 m. 2 fec. en dan 
«reer 3 m. $9 £ ook wel eens 4 m. 3 f. , en dus by bemiddeling 
4|min. 



m- 






Pitiezagte Verbandelingen uit de nien^wjle Werken van de SacieÍeÍA 
ién der IVetenJcbafpen in Europa en van andere Geleerde MaiU 
nen. Te jímfterdam^ by F. Houttuyn. MDCCLXI. in sroei^ 
ú&avo zj6 hladzyden. 

Dlt ftukje , zjnidc hct Cweede ván fct zésde deel áttet Verza* 
melinge,behelft de volgende lezenswaardigeVcrhandelingenTé 

Onderzoek , tf verfchiUende Planteir een líerfcbillend ef bet ze^dc 
Joort van voedzei uit den grond baalen ; uit bet JVerk van den Heet 
liu Hamel du Mon^eau. Het beíluit van dit onderzoek is, „ dat 
„ Pianten van verfchillende foorten , zig tcn naaften by met ge- 
„ lyke zelfftandigheid , mec dezelfde foort van vrugcbaare fnppedi 
„ ep Deeltjes vocdenrdat 'ergeen Plant is of zy onttrekt anderc 
„ Planten, die onder haar bereik ftaan , eepig Voedzel : en áú, 
„ een grond , die eens goed is voor eenig foort van Planten , 
„ aicoos in ftaat zai wezen , om aan dezelve Voedzei te verfehaf* 
„ fen , mlts men dezelve bchoorlyk bouwe ". Waar uit men af« 
ieulc dat het niet nodig zy „ de foorten van Planten alle jaarea 
„ ce veranderen , ter oorzaake ván het verfchillend Voedzei , het 
„ welk men onderftelt , dat de grond haar verleene : ja dat he( 
„ moogelyk zy, om zig alle jaaren een goeden Oogft Tarw uít 
„ het zeltde Land te verfchaíFen , met de nieuwe wyze van Jjand- 
„ bouwen aan te neemen. 

Berigt van eenige Proefneemingen over den Loop der Rivieren » 
en de middekn tot voorkoming der Overftroomingen door den Heet 
Genneté. Deze Proefnemingen ftrekken grootlyk^ om le doen 
zien dat de jby zommigen bedoelde Aftapping geen voordeel^ 
maar veel eer aanleiding tot overftromingen kan geven : cn dat 
de voorname zaak is „ het Bed dér Rivieren ce verbeteren , hec 
„ wacer door vereeniging kragt by te zetten, en het zelveoa* 
„ belemmerd te doen uitvloeijen ; waar coe hy de zynes oordeel» 
„ nodige hul^middelen aanwyft. 

Vervolg der Elektrikaále Profefneemingeír, van den Heer WiN 
fon, omtrent den Tourraalin of Afcbjieen, Deze hethaalde Proé- 
ven dienen cot beveftiging van 't denkbeeld, dat „ de/Elektncke 
i, Vloeiftof , <van zommigen Mtber genaamd) door den geheelea 
„ Aardkloot zo wel als in de Lugt , die denzelvcn omringty 
„ verfpreid ís ". 

Ferfcbeide Berigten aangaande een Vuurbal , die zicb in Engekni 
vertoond beefty en Aanmerkingen van Dr. Pringle daar omtrent, Dr, 
'Pringle is in zyne Aanmerkirtgen , uit kragt der omftandighcd^a 
van dit Verfchynfel , van oordeel , dat het zelve niet beantwooïdt 
aan. dc algemene fteíling, welke zulke zo genaamde Vuurige Ver- 
heveiingen doet beftaan in zwavclagtigc dampen , die uit het 
Aardryk voorckomen ; en hy is niet vreemd van ^e denkcn „ dat 
I, het líghaamen zyu van een edeler oorfprong, miífchien om 
n eenig Middelpunt omdraaiiende , door deu wyzen Scheppec 
»> gefchii^t toc nucte oogmerken, iiet zy om onzen Dampkrinj 

' „ hêi5 



TKi VRTMOEDIGE AENMERKINCBff» 

„ heflzaame ftoffen te vcrfchaffen, of 'er zodaníge deelen van af 
^, tezonderen, die overtollig, of fchadelyk voor ons beginnen 
,y te worden« 

De uHwrkingen van een zwaare Donderbuy in Engelund,op den 
Jó Jaly des Jaars 1759. 

Mtuwe manier oni door Kênji Magneeten te maaken , die van zttr 
groote kragt zyn. 

Fertoog over *t rypmaaken der Vygen in de Levant , door den Heer 
Godeheu de Riviíle, Kommandeur der Maltbeefcbe Orde^ op*tEi- 
land Malcha. De Heer Godebeu de Riville geeit bier in een berigt 
van het rypmaaken der tamme Vygen, door middel van in een 
tammen Vygcnboom , wilde Vygen op te hangen , waar uit Vlie' 
f en voorkomen , die door hun l^eeken ene gidin^ in de tamme 
Vygen te wegen brengt, welke hunne volkomene rypwording 
bevordert, Uit zyn^ waarnemíngen dcswegens.beíhiit by, du 
die tamme Vygeboomen, waaromtrent men dic middei aanwendt, 
zmider dic behulp ook rype Vygen konnen voortbrengen.,, doch 
4, dat bet van groot nut ís , om een Vygtboom te onderfteunen, 
ft die als uitgemergtld is doof het groot .^etal Vygen , welken hy 
p, in een zelfde Jaar voortbrengt» of om dat hy geen vermogen 
«, heeft, om de menígte Vrugten, waar mede hy beladen is, te 
„ vocden. 

De Rekening der Kanfen toegepaft. op de Inenting der Kinderf 

Sokjes, door den Heer (^'Alembert. De Autheur tragC te toonen, 
at alle dé tot dus ver gemaakte rekeningen ten voordeelë vande 
Inenting niet voldoende zyn ; egter is hy 'er voor om die praktyk 
te bevorderen ; en maant de Geneesheren aan, om nauwkeurige 
Tafelen van hunne ondervinding op te maken , ep tc beprocven 
of ze *t niet zo ver konnen brengen , „ dat ze zich verzekerd 
»y houden van geen Patient door de Inenting te doen fterven, waQ- 
,, neer zy met voorzigtigheid beftuurd wordt. 

Berigt omtrent de V^erfchyning van Venus in de Zon, door áen 
Meer N. Struyck. De Heer Struyck hccft hipr mede de goedheid 
van de berigten deswegens» door hem uit Vrankryk ontvangen, 
aan 't gemeen mede te deelen. „ De Abt de la CaiUe heeft, zegt 
hy, de volgende waarneemingen gedaan, omtrent den íland 
van Venus op de Zon. 






»» 

n 

99 



Waare tyd van Parys. Lengte van Venus. Zuid, Breedte, 

Tek. Gr. Min. Sek. Gr. Min. Sek. 
7Uur. 49Min. 24Sek. • 2 • 15 • 32 - 51 0-10-44! 
7 . . 54 . - H . - 2 • 15 - 32 • 47r Q '^ 10 - 49s 
7--58--2r - - 2-15-32- 441 o - 10 - 53 
8, . - 12 - - 4é - - 2 - 15 . 32 - 15 o - 10 - 59j 



Verder zyn hem de volgende wáárnemíngen van de in-en uit- 
wendige raking , door de Hcrcn^/KaraW», de la Caille en de li 
Lande gedaan , toegekomen« 

„ Waaxfi 



VRYMOEDIGE AENMERKINOENJ 



m 



j, Waare tyd te Parys 
^y Inw. Raaking» Uitw.Raak» 

„ Uur. Min.Sek. Utir, Min. Sek. 

„ M. 8 - 28 - 42 8 - 4í5 - 54 
„ C. 8-28-38 8 . 4^ - 50 
„ L. 8 • 28 - 26 8-46-54 



Waare tyd te Amílerdam 

ioM.36Sek.OoíleI. dan PaarysL' 

Inw, Raaking. Uitw. Raak* 

Uur. Min. Sek. Uur. Min. Seka 

8-39-18 8-57 -30 

8-39-14 8-57-45- 

8-39-2 (l- 57 • ao 



Ook heeft de Heer de la Caille hem berígt, dat hy, „ doof 
5, middel van een Mikrometer, de Middellyn van Venus vondt 
f > 58 of 59 fekonden '* ; dat na genoeg overeenftemt mét de hier 
nevensgaande rekening van den Heer Struyck^ die de Diametec 
van Venus brengt op ruim 59 feconden (♦;. Ook komt, zegt dle 
Heer, hct bovengemelde taamelyk overeen mct enze waarneemin' 
gen , want , fcboon wy de in - of uitwendige Raaking , van wegen bet 
beíetzel. der Wolken , niet bebben kunnen zien , zo bleek bet ons rug^ 
tbans, dat Venus^ eenweinig voor negen uuren^ reedsvandeZm 
afware; daardie Planeety volgens de Rekening van zommigenyZig^ 
bier te Lande y nog verfcbeide MinuvZen over negén uuren op de &u 
bad moeten vertoonen. 

Voor 't overige zyn hicr bygevoegd Waarneemingen omtrent de 
Lugtsgefleldbeid en ÍAekten te Amfteldam in de Maanden April , Mey 
cn Juny des jaars i7<5r; waar in ook gevonden wordt een berigc 
der uitwerkingen van enlge aanmerkelyke Donderbuijen. 

(♦) Dezc waarncmingen komen zeer wel ovcrcen mct de bovea^ 
gemclden van den Hcer de Munck , als liggendc Middclbnrg 4 M* 
44 íêc. in tyd Ooftclyker dan Pary«, offM. fz fec- wcftelykce 
dan Amfteldám : zynde dus Inw. Raking Uitw. Raking 

Uur. Min. Sec. Uur. Min, Scc^ 
tc Parys - - 8 - a8 - 37 8-4^ 4.2« 
tc Amfteldam ^ - 39 • 13 8 - 57 if. 



mm^ 



De beerlykhetd en kragtvan V Euangelie vanjefus Cbriftus yVoar^ 
gefteld en áangedrongen uit Taulus ^woorden , Rom. 1. 16. Dogf^ 
Johannes Fridericus Boode. . Ter gelegenheid zyner Infrede aU^ 
Bedienaat des H. Euangfiliums aan Cabo de Goede Hoop«. 
Den i December 1758. Te Amfterdam^ by Dirk Schuurii^V 
YlCu in quarto 24 bladzyden. 

Eene Leerredea vaa den gemenen trant, waar van nlets hp 
zonders te zeggen yalt. 



' iyifei 



• *i 



Lyhejey ter geJaebtemjfe vam den Wel EerwaarSgen yGédvrueh' 
iigen en xaer Geleerden Heer'johsoïtïcs vlD Deventer; laatfi 

" Bedienaar van bet Enangefy te Wcesp, tíoor deszelfs Amftge- 
noot H. W. Aalftius van den Appel, uitgefprooken Íén V. 
^Afril MDCCLXL Waar achter gevoegd is eene Kerkrëde ^deor 
den Overkdeneny na berftelling van eene doodlyke krankte^ ef- 
mefeld docb vxgens een onvervjacbt ioeval^ en daar op gevoli" 
den fcíiefyken Dood , niet uitgeffroken. Te Amfterdam , ï) 
Frederik de KruyfiF, MDCCLXI, hehalveeene kortéOpéraff 
56 tíadzjden in q^udrto. 

D'eze Lykrede van Ds. van den Jppel vefdient, vólgens dege- 
woone manier van prediken in de Nederlandfche Kerk, dcá 
jsaam vau eene wel doorwrogte Leerreden ; als zyhde oordeelkun- 
dig in een goed rede- veíband , eh befchéiafden llyl: opgefteld. 
*Ook ftrekt de bygevdegde Kerkreden vari zynen overleden Ampt- 
genoot, hoewel inzitakke lichaams omftandígheden opgemaakt, 
ter getuigeniííe zýner bekwaaíhheid ín dezen. Deze twee Leer« 
leden , gaande de eerfte over Phil. I. 23 , en de tweede over 
f hil, L 25 , 26 , behelzen eene doorgaande ophelderftíg der woof- 
den en zaken voorgefteld Phil. 1. 23—26 , met tevens nutée ftig- 
telýke leeringen uít derzelveroverweegingvoo'rtvloeijende, oveí. 
centomftig niet de óiriftandigheden des tyds, wáár in ze gefchre- 
veo zyn. 



tiorte VerbandeUng dóor voorbeelden gefterkt ^ nopens de nieuvíe 
vjyze om de Catarada, met de daar doór veroorzaakté fi^ 
heid te genezen^ doúr middel vaH het Kriftalfyne Vocbt uit bá 
Oogte nemen. Door Gerard tjeín Maaff, Meefterinds 
Heelkonft te Rotterdam, Operateur van den Steen te Delft, 
- cn Lid van de HoUandfche Maatfchappy der Weetenfchap- 
. pefi. Te Rotterdamy hf Reinier Árrenberg , 1761. in oQom 
gyoot 52 Hadzjfden» 

DE Heer ten HáAíf tocJnt, in dit Gtífchrift, dát íiý dcze 
Operatie verfcheiden maalen , met een gelúkki^ gevtílg ge- 
'daan heeft; gelyk de Heer bailJeuw, teEnkhuizen dezelve 
ook aan zyn eige Vrouw , met een gelyk goeden uitílag te werk 
gefteld heeft (♦) . Dus zyn onze Vaderlanders niet genoodzaakt 
saar zwervende Oculiften te wagten , om zich door dezeiven 
hunne beurs , zo wel als de Cataraft te laaten ligten. Voor 't 
overige vinden wy in dit Werkje niets aangaánde de Operatie, 't 
welk niet alreede, «n uitvoeriger gefchreeven is. In de Figuur i 

koffit 



.»• 



<♦) ZÍQ onzc Letteroefen. Ifte Dccl No. VII. pag. foj'* 



yRYKOEDiPB ABMM£RKIKQ£N. Xtf^ 

kpmt ons vreemd voor, dat de haak of zo genoemde Oogfpiegel» 
relke, volgens den Schiyver, gebruikc wordt om het bovenjlo 
Ooglid op te heffeií.niet onder het gemielde Ooglid,maar boven 
op het zelvp , en tegen de Wenkbraauw venoond worde. 



ttigtefyke Jlnmtattem. Behelzinde een Vefzémelm^ *uan Kloek^. 
nitgeffrokene Wnheit^van veeie Geieerden en Vermaafden Man" 
nem der Waereíd^ tet opmkkmge van een verftandig en redefyi 
Leven. Voor alU Jborten van menfchen tn bet bgt gegeven^ 
Te Amftetdám^ h/jzn Hartig 1761. Bebahe ene korte Voori 
reden 277 kladzyden in o&avp. 



H 



ler mede wor^t'den Lezer ene foort van navolgíngder GuU 
dene jinnotatien van Fraticifcus Heerman aangeboden , zyndé 
ene verzamelin^, gelyk on^ de tJitgever in dq Voojredcn bcrigt,. 
van „ Korbondige Zin - en Leerzaame Spreuken , TreíFelyke; 
„ Antwoorden, ^eedeleflen, en veele Gedenkwaardige Gcfchie- 
„ deniíTen ", onder 't lezen veler Boeken aangetekend, en nu 
by een gebragt; waar omtrend in agtgenomen is, dat *cr niets,* 
„ nog in 't geheel ijog gedeeltelyk, uit de bovengemelde Anno- 
„ tatien van Heerman^ is gehaait , om dat boek niets van zyo; 

„ luifter te beneirien ". Dcze foort van fchriften kan we- 

zenlyk van dieníl zyn, om aanlciding te geven totdeukcn, eii 
inzondcrheid nut(íg voor hi^n , die ziqh níet kqnnen yerledigen 
toc he( nagaan van ujtgewrogte VerhandeUngen , maar nog gaar-: 
ne iet$ gocds als te^ toops willen doorbladercn : zodanige men- 
fcben zullen in dezen Bundel doorgaans íets konnen vinden , dat 
bunne aandagt min of meer zal veíugen , waar van ze dus doende. 
enig nut zuUen trekken , en dat hen t'enigen tyde zou konnea 
aanzetten om Schriftën van gegronder oefening met vermaak ti 
lezen. Men kan in dergelyke verzsimeling^n niet wel^eifcben,dat 
alles even keurig zy; de fmaken hier omtrend zyn te zeer ver- 
fchiHend , al was het oordeel van den Verzamelaar ten uiterftêop-»' 
lettend ; men kan egter met opzigt tot dezen Bundel , onzes oor- 
deels , over *t algemeen zeggen , dat de Artikels , weiken tot 8oa. 
gebragt zyn , doorgaans redel^rk wei uitgekozen , en van een goc*r 
dcn leerzamcM aart zyn. 



Examen nfan '/ Ontvjerf v^tn Tolerantie ^ verzonnen dm NJ 
Holtius en anderen ; ef Samenffraak , vjaar m gebandelt mord, 
over de^iMemtrie yan Holtios aan de StaaSan van HoUandem 
Wepfriejland door bem overg^kvert ^ ter xjner vefdediging'to^^ 
gende klagten vandeWet-EdeleHeerenCnratoren van*sLands 
Vniverfiteit te Leiden , en Bnrgermeefiers derzelvef St^d^ ^(S 
bladzyden in poot QSavo^ 

_^PSSL.Zf0.2. L JH\ 



1 



l6» 



VRYMOEDIGB AENMEKICINtrEÍf. 



Dlc gefchrift (farekt grootlyks om enê zaik , jdie genoegziitm tóí 
ílilte gebragt wzi^ als .weder te doen hêríeven : hec grote 
oogmerk is de bewuíle Memorie van HoUius nsi te gaan, eate 
' wederleggen ; het welk eer met bicterheid dan méc befcheíden* 
beld gefcbiedc; van.waer dit ondcrhouil» over etie geootgzïem 
«fgedane zaak^ níet der moeite waardíg is, om ons daer mede 
breeder op te houdeii. 



Úét Ibmlmifibe Sacbtfgasltjg. Tamdeili»» 7i Amfitfim^ tf 
David Wcge, 1761. 

EEq Bordeclftukje van "t ílechcíle foort » endat nog toe« 
genaamd roet de benamínge ener plaatfe , door zom« 
mige menfchen byzonder ter handhavinge van den Godsdieníl, 
Daar hunnd denkbeelden, gefchikt. Dít is ten uíceríte haaclyk ; 
men fchryft niet alleen ongodsdlenflíg , maar íleekt, ook \ximi 
den draak met de Godsdíenitige fchikking van itpderien , en (lelt 
dus ene zekere Gezinte in een befpotcelyk lichc. Pat'erSchry- 
vers gevonden worden , die zulke prullen fchrýven , terwyl ze 
bunnen naam verborgen houden» ís.ons níet ^reemd;.maardat 
*cr een Boekverkoper gevonden kan wotden , die voor de Wae* 
teld bekend wil (laan, van zulke onkuifchbden onder zodanigeeií 
Tytel te drukken en te verfpreiden , is zetír te verwonderenrmea 
moet byna denken , dat zodanig een alie fchaamte vaar^^el gezegd 
héefc , en zich niet kreunc aan 't geen braave lieden van bem 
aoeten oordeelen. 



MêJenvHring voor de VnmJelk^in. BêHdívi d$ hrSe Ofdféif «* 
Vomeden^ i^ tlsdz/den m groe$ jnétrfú. 

EEó gëeftig fchimpfchrfft op de te verregatnde zugt der Ne- 
derlanderen voor de Vreemdelingen:, en hunne tra^gh^id ín 
zich te benaaríUg^n om zelve werkzaamte zyn, ín 't beoefeoeo 
▼an kunílen en wi^ceofch^ppen; gepaard met ene befpottende lof' 
tuicing van enige lacere mislukce uícvindiftgea van Vrieeindeliii- 
g^n, waar mede velen in Nederland jte .zeeir waren injcnoinen. 
Het ftuk is over 't algemeen redelyk wel uitgevoerdi en de Rede; 
fiaar fpót veel ál ïïiet Wáafcig m^"dit'^1krel'íaiénde ^bmï «i 
Kederlanderen; doch hy gint in zomhifge/opn^ten <^'>^^° 
^tterny te bovenv Waar toe meo in aêodaDig foort tan'icÍMtnei 
gemeenlyk veivalc— t ..; - 



w <. 



• V • 



flf 



-r 



Yffin Virvoli vam bet Berigt vam Pafieren^ têkende 4e zêtk 
'íom dmHier 0# Zm vnn tíftren. 

HBt ^etal d?r Papiercn , betrekkelyk tot dit neteMge ýerfchll ; 
in phze voorigeberigten fíemeld*, is nog vef raeei'derd met 
de volgeode géfbhríften. fiy H. Bakbuiten itt 's Gra^enbëge i$ 
uitgegeeven .D^ Fierfcbaar van be$ Oemeên i Lierzemg. Tee eeh 
duidelyk betoóg^ boe *úoetnig ep bare Vonniffen aan is te^gaén, en 
datalleéh den Recbier^ welke van God ingejieid is^ i^t f^onHis toO' 
Im; ondertekénd LagendaaL Dít ís een redelyk goed Vers; 
waar iir de Díchter regtmaatfg zleer emftlg de iigtvaardige vqn^ 
úilTeQ van 't gemeen berispt; en wel inzonderhé^d ondel 't oog 
brcDgt, dat het ;^elfbelang, de Hgtgeloovigheid.de vyandítbap; 
de vleijery en dwang zich veel ai ten dutdelykíle híer in vertoo- 
nen. Men heeft pok in druk laaten uitgaan , Ahtwoord ép dê 
JXVIII Vraagen ^ (tn ons voorige Rerigt gémeld J doti^ Gerardu$ 
Vrinoetf Utrecbtenaar. Te Amfterdam hy J. Van Cíaireíleín : doch 
ilíAftíimérd behelíl genoegzaam niet anders dan bewyzen vaa 
onkunde en jpartyzugt. Híer bv is nog gekomen , Galverdrfoenia 
furgdtie voor deh Scbryver van de Rcgtvaa9di'ge Geéffelf Otkierté- 
kend P. tievens , gédrukt in V OriroShh'age by H, ^^akhuizen. Dê 
Schryver van ^it ftukjé ontlaft zich, *t zy door pene Furgatie of 
Vomltief, zekeriyk van een óvervioéd vángal, dien hy uitftoit 
op deu Schryv/ér van dcn Regtvaardigeh Oêëffeíí doch H geineeii 
heefi 'ër'geen belang hj, Meerder aánmerkmg yerëjíitol een ge* 
fchrift; gedrukt te Amfterdam bf K. 'van' Tongérho, gefeTtttleeïdv 
hUdeneetée Zwrigbeden ^ voorkomende ih "Mige déelen^dlfr Dedu^ 
tie enz. oáH deh ííeer van Harén voorgeírkêígeh déolr R. Wiilkmfónw 
Kunnenie ieffens' dienen ttít een Voarlo^er^an'de vérv^aff Htfordendk 
Contw.Deduftie der Tegenparty. Dít ftíWér ís lee^íehswaardig 
voorallede geenen, die de DeduSié gêleeïén hebbeh>' als be^ 
helzende êewc ^oplettende en onparty<jtge pverwfeegfng van def- 
zelve, in eene duidtlyke voorftelling van weezenlyke ^waariglie- 
den , die daar in voorkomen , en véel al níet wel op-tc loflëft 
zyn, dan door de geenen, die daadlyk in deeze ^gefêHledenis dé 
hand gAád ' hcbbên. De Scbxy ver bëtuigt , naa eerie vobra^ 
gaande kanfpr^ak^ dat het te wenfctien waa^e,, dat men deezé 
ganfchegeícbíedëíiiís,^ aan wat iyde tíe fchuld ook zy, voorzig- 
tfe gcfmoqrd hadj dat hy zkh , (voor' zo ver de zaak tot rtog bt* 
kcnd i8 ,) zeér verwondert over bet gehoudene gedrag van dén 
Becr Cpll. van detDuffentn den Heer vanjtogendorp , in de zaak: 
te omdekken aan zyne Doorl. Hoogheid, dcn Hcere Hertog van 
Brtnswyk: doch dat, indieri hier voor voldoende redefa waarení , 
die zuíks nclódzaaklyk maakten , cn wel van de zydt va'n deíi 
Heer oan Haren ontftaande; dat dan de fchuid der openbaaringc 
by dién Heer zelven tc yinden zy. Hy merkt ook verder aan; 
dat meú, op gronden vah waarfchynlykheid voortgaamde, ligter 
kan bcgrypen, dat een Vader tot zodanig eene misdaad kan vef* 
Tallen , dai:; ^at Kinderen zulk eene valfche befchuldigiiig tegei^ 

' ' h 2 hun^ 

? Zic bovcft/ W/77Í-.80,' . .. - • 



/ 



VEYKOEDrCE AEKWEEKINGEN, — 

franncn Vader-komian ondemeenieo : d»ch*íHt»daar laatende, 
Ztixácr daar oic iets ten oadeele van -den Hcer vem Haren. te wiU 
Jei^.bieduUeQy^o gaat hy pver tot de eigenhandlge bpkentcnis vaa 
Aeo Heer , welke dezelve poogt te verydelen door te zeggen» 
Ác ïc.hem met gewpld is ^fgeíwongen, en datzyne Kinderea 
««n godJoo« coinplot tegen hem gefineed hebbeni Onzc Auflêut 
de vootaaamlie omílandigheden, die in 't bewyzen van ecui (^om: 
plot In aanmerking kpmcn, nagaande, en *t gezegde in ;dq Dc- 
difcíUe deswegens overweege^de , doet, zynesoordeels^ zien., 
éúi de praíifumtíc ten yoordeele v^ de befchuldigdé perfoopeD^ 
fn tcgei^ den Hecx va^ flaren isV Dit leidt hem weJ byzonder 
tot het ovQrweegen van ^t getulzenis van dcs Deducenps ^ongíle 
Dog£er,.t€r zyner v€rontíchuldiginge,en ténií^ewyze van tCom- 
|)lpt; en by vindt daar in gcenszins d^t gcwigt, het welk deHecr 
iran Haren 'cr iii ílclt ; boven al komt hem de voorgeweÍKÍe on': 
moozeihcid van dít kind zeer verdagt voor, uit r^de van de aa- 
^erc bewyzen haarer kundigheid ; ook betuigt hv , dat geien 
jp^nfch, dte oit íets tc doen gehad heeft ^iet den Advocaat^rot^ 
^r^r,. geloof zal gcevca aan 't geen de Heer v^n Haren met op- 
2igc tot dien H^er , raakende.ecn briefje yan deeze jpnge jufTri , 
.¥cthaalt- Het Complot djis , zyne^ agtcns ^ niet bewcezen zyn- 
4^^ komt dc dwang nadci: in aanmerking: d^eze is ook, volgens 
•'tgecn hem voorkomt,, yit het verhaal van dien Hccr niet bou* 
, (dig op tc maaken ; . alie oipílandighcden overwoogen zynde, zo 
itíndt hy.maar.te veel aanleiding.om té d^nken. dat hiér geea 
j^wang van dien aart plaats gehad heeftý cn by yindt zich niet iq 
iiaiat om 't gedrag van den Heisr vai^ Haren in deeze, dc voor- 
ffiapdc en volgenvie omílandighedcn , en jn dit geva) zelve, mct 
cUiapdcrcn overeen te brengen : ook twyfelt hy niet of'de Ad- 
.^jpc^at de Roo'jy die eene geveftigde reputatie heeft , z^I dit ge- 
.ichrife níet getekend hebben als getuigen , zoncíqf van de zaak 
^olkoraep onderrigt le zyn, dat het dênkbeeld vaa dwang geheei 
iggenfprcckt. Onze Schryver hegt bier ^an ^e^c korte aanmer- 
Jtíng ovci de vriendfchap tuíTchen dqn Heer van Har eu.enden 
Gen. Maj. Tiddingi y m^ns charafler in de DeduSie als zeer^flegt 
afgemaald wordt i en hy brengt den Heer van Haren onder't 
.oc^, dat dit, hetzy de' befphuldiging ten laíïe.vandcn Hcer TiV; 
^f«ig"|kwaar of valfch zy, hemgeen eeraandoct.. Jiindelýk ves- 
tígt hy zyne gedagten op !t laatíte deel van de DeduUje , waar iq 
.4e Deducent de mqraale onmogelykheid van het feit poogt te be- 
wyaen i hy crkent dat de Heer van Haren jjy allen berocmd is 
,Tai) wegen zyn voorig gefchikt en kiiifch leeven; dit maakt.zegt 
hy, wel eene ílcrke praffumtie ten go.ede,cn zyne pnfchuldwaar* 
fcbyf)Iyk,doch niet demonílraciéf ; zyndeh?tfeít,g?lyk hy dpetzien, 
piet onmogelyk»niet tegenílaande alle de redefl, welken de Ê(eer van 
He^en ten dien einde a^ndringt. Dc Scbry ver betujgt ten flot verre te 
?yn yan den líeer van Haren te wiilen befchuJdigcn , of over *( 
-g^yarbepaalcnd te willen vcmniflen ; laaíende zúllts ovér vooí 
ien Regter, cn 't cígeue gewccten v^i^ dcn Hccr vmffarcn* 



í 



Be Qíddelyke zending van Mofes , door W. Wárburton. 
Tweede déeh Te Jmjierdam ^ by F; Houttuin. mdcclxi. 
in groot Oílavoi 464 bladzyden; / 

IN de befchouwing vari 't eerfte eíi ^t bégih van 'c 
tweede Deel van dit Werk nagegaan hcbbende , (*) 
hoe de Eerwaarde fVarburton 2yn eerfte Voorftel , dat 
het inprenten der Leere van éen toekoménden Staat van Be^ 
boningen en Straffen noodzaaklyk is toiír het mlzyn det 
Burgerljke Maatjchappýe bewyft ; iBidsgaders hoe hy 
2yn tweede voorftel , dat het ganfcbe Menjchdm 9 fii« 
zonderbeid de verjiandigjle en gékerdjle Folken 'derOudheid; 
evereingekomen zyn in het geloven en leeren, dat deezeLeer 
van zulk eene noodzaaklykheid is voor de Burgerlyke Maat^ 
jcbappy^ betoogt uit bet gedrag der JVetgeeveren en In* 
ftelkren wn Burgerljke Staatkundé ; zo is ons , met op« 
zigt tot dit tweede Deel , nog ovei'gebleevcn , den 
LeeZet te doen 2ien, hoe odze Schryver dc w^rbcid 
van di» Voorftêl nog nader tragt te beveftígen , «ít 
áe gevoelens van alle de Leeraaren en Onderwyzeren der 
Wyiheid in de Schoolen der Oude Wysbegeerte. 

De Eerwaarde Warburton vergenoegt zich aanváng« 
lyk met het bybrengen van eenige plaatfen ^ uit ii- 
meus den Lokrïer^ Polybius^ Strabo en Plinius denouden, 
die, eenftemmig met alle de oude Phiíofoophen , lee- 
ren , dat dit gcVoeleh noodzaaklykis voor *t welwce- 
zen der Burgerlyke Maatfchappye. Deeze getuige- 
niíl^n aangedrongen hebbende, gaat hy oveí, om iti 
't breede te toonen , dat de ,oude Leermeeflcrs der 
Wysbegeerte de waarheid der Leere vaa zulk ecn toe- 
komenden Staat niet geloofden , en dus die Leer al- 
leen voorftelden , om dat ze zo volk6me6 úvertuigd 
waaren van derzelver noodzaaklykheid voot dcMaac- 
fchappy (f ). — Dit gevoelen ganfch nieuw en ge- 

noeg-»; 

(♦) Zic 't ifte deel bladz. á45— 5SS« 

(t) Veelen onzer Leezeren zullen mogelyk iii verwondering 
ienken; „ volgens den Titul van 't Werk verwagtcn wc ecn be- 

n. psel.no. 3* M 



166 BE G01>LirKB ^SEKDINO 

noegukm een wonderfpreuk zynde , zo vindc onze 
Schry ver zich verpligc , dic ftuk in 't breede te be- 
handelen y en gaat daar in op de volgende wyze te 
werk. 

* Zyne Stelling nader bepaalende* zegc by , dac de 
Philofoophenniecgeloofden^^» toekomende Jiaat vanBe' 
koningen en Straffen^ eigenlyk zagememd; waar ingeluk 
en elende op deugd en ondeugd door eene Jíellige en vrye 
/(bikkingvan wil worden toegedeeldj en niet zyn de noed' 
zaaklyke gevolgen der dingen. Toc beveftiging van deeze 
Stelling geefc hy eeru eenige algemeene reden, die 
Hortlyk hier op uitkom^n : i Het was hun zetregel dac 

ieder 

„ TX'ys voor de Godlykheid der zendinge van Mofeí, en onder- 
,; tuíFehen gaat het Werk tot dus ver over een geheel ander on- 
yf derwcrp; hier komt weder een breede buitenuap, die nietster 
yi( zaake fchynt te doen". 't Is ín een zeker opzigt waarheid; de 
Heer H^arburton weidt brederuit dan volílrekt uoodig is , en maakt 
zj?n Werk daar door eenigzins verdrietig; dat alleen vergoed 
wordt door zyne geleerde oudheídkundige aanmerkingen, (die 
hf. by deeze gelegenheíd mededeelt,) by hen die daar ip fmaak 
hebben, en dus dit Schrift meer leezen met opzigt tot hetoud- 
hQÍdkundige, als wel met betrekking tot de daar uitafgeleide re« 
deneeringen, en 't bepaalde doelwit van den Schryver; dat veel- 
Itgt ook de befte weg is, om het meefte nut daar uit te trekken: 
v,ermids het zelve, gelyk we in ons voorige berigt aanduidden, 
loeer te agten zy, van wegen geleerdheid dan ten aanzien van 
bondigheid. Voor 't overige heeft men.in aanmerking te neemen, 
Jat deeze twee eerfte Deelen alleen voorbereidfelen behelzen, 
waar in de Schry ver de ftelling van de noodzaaklykbeid dier Leefevoor 
'f Hvelzyn der Burgerlyke Maatfcbappye van alle zyden tragt te be- 
fchouwen , om dezeJve ten kragtigfte tc verfterken ; tcn einde 
h'y aan zyne volgende redeneeríng, ten bewyze der Godlyke zerh 
dinge van Mofes. uit bet overjlaan dier Leere^ te meerder nadruk 
mogte geeven. Dus beantwoordt dan ook de laatftgemelde ait« 
x|reiding, fchoon eenigermáate buitcn dc zaak, aan des Aotheurs 
beoogde ; voor zo ver het denkbeeld , dat de Philofoophen , fchooa 
ze de waarheid dier Leere van den toekomenden ftaat niet ge* 
rdofden, dezelve egter dcn Volke tragtten in re boezemen , ftrckt 
ojn te doen zien , hoe zeer ze ovcrtuigd waarcn van de nood- 
zaaklykheid dier Leere voor de Maatfchappy; het welk de Ecr* 
waerde Warhurton te fterker aandringt , om daar door eene tegeo- 
Werping d^r Deïftcn voor te komen, gelykby in 't ilot te kennco^ 

sïeft. : 



V A N M 8 K 9. l&J 

ieder tich mo^íl fchikken naar den Nationaalen Goda* 
dí^níl , welks einde niet zo zeer wuarheid als welnufi» 
cigheid was ; en oordeelende dat waarheid eh ïiuttig- 
heid niet t'zacnen gepaard gingen , zo hieiden ze 't 
voor geoórloofd en dienftig temifleiden^ watandert 
te zeggen , dan zy geloofden waar te zyn , ten alge- 
meenen welweezen. 2 In gevolg hier van is 't ook^ 
dat zy met 'er daad andere dingen zeiden dan zy dag« 
ten; van hier hunne uiP- en inwindige of openbaare ea 
Wb&rgene Leer, de eeríle gefchikt naar de denkbeet- •^ 
dendes Volks, de laatfte naar 't geen zy waarhëid 
oordeelden. j Van deeze tweeërleie Leer fchynen ze 
ook gebruik gemaakt te hebben , met opzigt tot deti 
toekomenden Scaatrditftraalt doorin de Schriftender 
Phik)foophen , die hun werk maakten van 't beoefe- 
nen der Wetten ; en hier uit ontftaan die ftrydighe* 
den, welken in hunne Staat' en Natumkundige Sckrif* 
tcn zo menigwerf voorkomen. 4 Overeenkomftig hier 
mede fchynt ook de Oudheid ditgevoelen vandePhi'k 
lofoophen'ten aanzien VaU dit ftuk gehad te hebben: 
men begreep dat de Philofoophen dit leerden-, niet om 
dat het waar , maar om dat het nuttig was ; en dutf 
dac de Philofoophen in der daad deeze Léer niet ge-' 
Joofden. 5 Dit denkbeeld wordt beveftigd uit de re- 
deneering van Catocn Cicero; die Ccefar^ de onfterve- 
lykheid der ziele loochenende, tegenfpreekende,zÍGli 
niec bedienen van Fhilofoophifche reden , maar zich 
behelpen met de overlevering der Voorouderen. 

Aan deeze algemeene reden hegtonze Schryvereen 
nader onderzoek van de gevoelensdercfnderfcheidene 
Philofoophifche Gezinten , wegens het andere Leeven. 
Deeze Gezincen cot drie brengende, de Eleatifchefde 
Itali/che en de Júnifche , zo merkt hj aan , dat de£foa- 
tijche uit Ongodiften beftond, en dat de Jonifcbe totop 
Smaites toe zich met de Natuurkunde bezig hieldívaa 
waar deezen in dít geval niet in aanmerking komen. 
» De Italifche\ zegt hy , wa« afkomftig van Pytbago^ 
» ras ) en zwoer in zyne woorden : en Socratcs was de 

M 2 eerfte 



l6S DE GODLTKE ZENDXNG 

^ eerfte die de Philofophie geheel op de Zedekundc 
» veftigde, en de eeriige onderalle de oude Grieklche 
^ Philofoophen , die weezenlyk deeze Leer van een* 
» toekomenden Staat geloofde: hy ftigtte het Socmi^ 
f, fcbe School^ welks onderdeelen waaren , de Platonir 
n fihe of oude Jcademie i de Peripatetifche t de Stoïfchet 
^ de tniddelfle en de nieuwe /lcademie ". De twee laatft- 
genoemden waaren , gelyk onze Aufleur uitvoerig 
toont, Twyfelaars, zo dat ook deezen tot dic onder- 
werp niet betrekkelyk zyn , en derhalven alleen ter 
pver weeginge overblyven, de Pjthagoreers ^ de PktO' 
niflen , de Peripatetifchen en de Stoïken : welker gevoe- 
lens hy vervolgens onderfcheiden nagaat. 

Van Pythagoras , die hier eerft in ovêrweegingkomt, 
fpreekt onze Aufteur , als van eenen Wetgeeveren Phi- 
lofooph, die een groot Voorftander der tweederleie 
Leere en Verborgenheden was , en wiens Leer ia 
Griekenland ën Icalie zeer hoog geagt werd. Ook 
inerkt hy aan dat de Leer der Zielverbuizinge , in de 
gemeene geíprekken , voor de byzondere leer van Py- 
thagoras doorging ; doch hier oratrend heeft men , zy- 
aes oordeels , agt te geeven op eene aanmerkelyke 
onderfcheiding , die gemeenlyk verwaarloosd wordt» 
De Leer der Zielverhuizinge, voor zo ver ze eene ze* 
delyke bedeeUng der Voorzienigbeid betekent , was de 
Volksleer, by *t menfchdom algemeen aangenómen: 
deeze ftelde Pythagoras ook voor in zyne uitwendige 
Leer, als zynde nut, fchoon niet waar: doch 4^ by- 
zondere Leer van PythagoraSj die hy waarlyk geloof- 
de, en in 't geheim inboezemde, beftond hier in, 
„ dat de op elkander volgende overgangen der Ziele 
jp van 't eene Lichaam in/t ander, ;iatuurly k en nood- 
„ zaaklyk waaren , afgefcheiden van alle zedelyke 
„ aanmerking " : zo dat Pythagoras geen belooningea 
en ftraft en , eigontlyk zo genoemd , naa dit leevcn er- 
kende. - ^ ln de ontyouwing hier van mengt de 

Heer Warburton eene uitweiding over den oorfprong 
der Fabelen, in 't algemeen^en die der G^edaantever- 

. ande- 



VAN MOSES. X(5p 

9 

«nderiDgen in 't byzonder; ftrekkende voornaamlyk 
tot opheldering der Gedaanteveranderingen door Ovidius 
befchreeven. De meefte fabelen zyn by hem verbas- 
tering^n derongewyde, en eenige der gewyde His- 
torie y en de gedaanteverandering is eene gezelle vaa 
de Zielverhuizing , beirekkelyk tot de Leer der Voor- 
zienigheid; ze is grooclyks, zy'nsagcens, haarenoor-* 
fprong verfchuJdigd aan droefgeeftige inbeeldingen 
en dubbelzinnige uitdrukkingen , die de Dichters 
door hunne vindingen opgecierd hebben. 

Naaft Fythagoras veftigt onze Schryver het oog op 
flato. Deeze befchryft hy als een Philofooph en Wet- 
geever, die de tegenftrydige leerwyze van Pythagoras 
en Socrates op eene^edrogtelyke manier t*zamen wiU 
de paaren , en van daar boven maate duifter is. Hy 
maakte boven al een zeer groot gebruik van de twee- 
derleie Leer, en alles wat hy gefchreeven heeft, we* 
gens een* toekomenden ftaat van Belooningen en Straf- 
fen, behoorttot zyne uitwendige Leer, die hy niet 
geloofde, maar als nut den Volke inprentte: zynde 
voorzicb zelven, en in zyne inwendige Leer, voor 
*t byzondere gevoelen van Pythagoras , raakende de 
Zieherhuizing , doch met decze by voeginge. „ Datdie 
„ veranderingen en overgangendienden totzuiveritig 
» der onzuivere zielen j welken, ter oorzaake haarer 
M befmettingen , die ze zig zelven hadden toegebragt, 
9y onbekwaam waaren , om weder op te klimmen toc 
ry die plaats van waar zy gekomen waaren, en onfi 
» weder te vereenigen met dat weezen , waar van zy 
» ecn afgezonderd gedeelte waaren ; en by gevolg dat 
yy zuivere onbefmette zielen van deeze verhuizing be- 
n vryd waaren ". Plato ge\oo{dt du$,volgenshetgeen 
de Heer fVarburton uit alles opmaakt, wel de eeuwig- 
heid det ziele ; zyn denkbeeld íloot ook wc) eenige 
zedelyke fchikking in ; doch hy geloofde geen toeko- 
menden Staat gegrond op den Wil en de voorzienig* 
heid de^ Goden: (dit was zyne uitwendige Leejr;) 

M 3 maar 



IJ9 ^ DS P0D(TK£ ZEMDINQ 

xnaar de onílervelykheid der Ziele beflond , yolgenc 
zyne inwandige Leer, in eene wedervereeniging niec 
de algemeene Natuur : van waar hy , redepeerende 
over de eeuwigheid der ziele , geen zedelyke , maar 
ïiatuurlyke en bovennatuurlyke bewysreden gebruik- 
íe; wat het zedelyke denkbeeld betrof , dit bragt hy 
tot de overlevering en den Godsdienft des Volks. 

Onze Schryver vervolgens overgaande tot Ariftote- 
leSj het hoofd der Peripatetifchen , toont dat deeze, 
de zelfde beginfels als Plato hebbende , met minder 
^gterhoudendheid de verborgene Leer ontvouwde; 
een toekomenden (laat van Belooningen en Straffbn 
openlyk ontkende; en geloofde dat de Ziel verloorea 
ging ten aanzien van haar onderfcheiden weezen* 

Wat eindelyk Zeno en deszelfs aanhang, deStiXfebf 
gezinte, becreft,des aangaande fchryft de HteTjVar- 
burton^ dat Zeno eerfl: als Wetgeever de Volksleer in- 
boezemde , doch dezelve als Philofooph niet geloof* 
de : houdende hy en zyneSchopI ílaandej dat 'er wel 
cen algemeene , maargeen byzondere Voorzienigheid 
1$ , en dat de Zíel met het Lichaam íterft. Ook 
xnerkt onze Aufteur verder aan, dat deeze Gezinte 
de oefening der Wetien eerlang geheel ter zyde ftel- 
de, en vervolgens een toekomenden Staat van Beloo- 
ningen en StraíFen onikende. Het geen hun metop- 
7.igt tot het toekomende byzonder eigen, en naar'c 
fchynt op de Zielsverhuizing van Pytbagoras gebouwd 
was , de Stoïfche vernieuwing genoemd komt hier op 
uit. n Dat alie de dingen en wezens , die in de elkan- 
I, der opvolgende tydperken en omwentelingen ko- 
^ men, by beurten tot in 't oneindige, aan elkander 
^ volkomen gelyk zuilen zyn; " zo dat, niet dezelfde 
Socrates, maar iemand, juiíl aan Socrates gelyk, indie 
Eelfde omftandigheden zal gebooren worden en lee- 
ven : iets dat geen overeenkomíl heef t met het denk- 
beeld vai) den toekomenden ílaat van fielooningen es 
StvijQfent 

De 



VANM08ES. J7I 

De Eerwaarde Warburton hegt hier aan nog een on- 
derzoek na 't waare gevoelen van Cicero ; doet zien 
dat zuiks zeer moeilyk na ce ípooren zy ; en leert ons 
dat men het zelve beíl uit zyne gcmecnzaame brieven 
kan oppaaaken ; waar uic hy afleidt dat Cicero^ even 
als Plutarcbus , het ftellen van een toekomenden StaaC 
van Belooningen en Strafien onder de Bygeloovighe- 
den des Volks rekende, en in der daad geloofde, dat 
'er geen gewaarwording naa dcn dood overbleef. 

By gelegenheid eener tegenwerpinge , welke wil 
dat de Philofoophen , fchoon ze het begrip des Volkls 
vaneen' taekomenden Staat verwierpen , egter het geí- 
loof wegens alle toekomende belooning en ílraf niec 
verwierpei9 ; gelyk ze zo het befliaan van eenGod 
waarlyk geJoofden, fchoon ze geen geloof floegen. 
aan.de Goden des Volks ; toont de Heér Warburtcn 
dat de^ze twee gevallen niet gelyk zyn. De Philo- 
fophen, zegthy, verklaarden zich voor het beftaaa 
van een God , terwyl ze de Goden des Volks ver- 
wierpen ; maar de denkbeelden des Volks van een' 
toekomenden Staat befpottende, fl:ellen ze noit een 
denkbeeld van dien aart in derzelver plaats. Daar eH 
boven, noit veftigen ze het geloof in eene Godheid 
alleen op de vertellingen des Volks, waar op ze dié 
denkbeelden van den toekomenden Staat alleen doea 
fteúnen ; des ze deezen uitjouwende ook dezaak zelve 
befchimpen. En eindelyic de Philofoophen haddea 
geen Hoofdleerftuk , dat met het geloof eener God»- 
heid pnbeftaanbaar is; maar ze fteiden wel een zeker 
kginfely dat onbeftaanbaar is met een' toekomendent 
Staat van Belooningen en StraíFen. Dit laatfte maakt 
hiereen zo gewigtig onderfcheid, dat onze Aufteut^ 
het der moeite waardig oordeele.daer op ftaan te bly* 
ven, om ingevolge hier van te doen zien ,. dat dePhií- 
lofoophen , behoúdens hunne gronden , geen toekof 
menden. Staat van Belooningen en Straffen kondén 
ftellen. 

Osn dit den Leezei onder 't oog te bieDgeHt merke 

M 4 hy 



172 



D£ GODLTKE ZENOtMa 



hy voor af aan , dat de oude Philofoophen zeer yef« 
zóc waaren op hunne bovennatuurkundigebeginfeíen, 
indiervoege dat ze dezelve bleeven aafihangen, hoe 
ongetymde gevolgen daar uit ook mogten voorcvloeí- 
jen : en van hier konden ze, zegt hy, die Leer van 
een' toekomenden Staat niet aanheeinen ; vermids ze 
twee bovennatuurkundige grondbeginfelen , wegens 
(Ud en de Ziel , ftelden , die alle denkbeeld van een* 
toekomenden Staat van Belooning en Straf uitflooten. 
Het eeríle grondbeginfel was , dat God niet tomig 
fuin w$rdén , nocb iemand kwaad toebrengen : dit werd by 
allen erkend, en men ítemde gereedlyk toe aanhet 
daar uit getrokkene gevolg, dat men van de Gedenniets 
te weezen beeft ; 'twelk eene volkomene ontkenning 
Van een* toekomenden Staat van Belooningen eq Straf- 
fen na zich fleepte. In 't ontvouwen yan dit denk- 
beeld geeft de Heer Warburton ons tevens een berígt 
der wederlegginge dier Philofoophen door den Kerk- 
vader LaStantius ^ die Gode menfchlyke hartstogten, 
midsgaders eehe menfchlyke ^edaante tcefchreef. 
Vervolgens toont by , dat deeze Philofoophen de 
StraíFeh ontkennende ook de Belooningen wegnamen; 
en doeteindelyk zien, hoe ze egter de Vobrzienig- 
heid (laande hielden , die met dit grpndbegÍQÍêl niec 
min onbeílaanbaar fchynt. De Ptripatijcben en de 
Stoïken erkenden eene algemeene maar geen byzonde* 
le Voorzienigheid ; de eerften , *s menichen vryheid 
fiaande houdende, flrekten de Voorzienigheid niec 
uit over de menfchlyke daaden ; de laatít^n , den 
menfch van zyne vryheid beroovende, bragten aljes 
gëlyklyk onder 't Noódlot; en vo^ddendus eendenic- 
beeid van Voorzienigheid , die een toekomenden ftaaC 
van Belooúingen en Straffen genoegzaam om vec 
ftiet, ten mirifte mét het loochéneh vaq denzelvea 
zeer wel beftaanbaar was. De Pytbagoreers en Plato* 
tiifien ftelden dac de Schepper van 't Heel Al de be« 
fiuuring der verfchillende geweften der Aarde had 
pvergegeereQaánde Demons^ aan mÍQdefe Goden^ 

die, 



'VAN MOSES. 173 

die, gelyk de menfchen, aan driften onderTvrorpea 
waaren: en de Ziel, van 't Líchaam ontllagen zyn- 
de, was, volgeqs hunne gedagten, niet meer onder 
het opzigt der Demons : en dus was de Leer der by* 
zondere Voorzienigheid met die der Demons of On- 
dergoden verknocht, doch had geen betrekkin^ tot 
een toekomenden Staat. Voor 't overige merkt de 
Heer JVarburlon aan , dat de genegenhcid ^ welke zom- 
mige Wysgeeren aan de Godheid overlíeten, geea 
drift , maar alleen eene eenvouwige goedwilligheid was, 
die niet uit den H^l maar qit de Natuur van *t Opper- 
Weezen voortkwam, en dus van alle ZedeJykheid oni" 
bloot was} dat de cigenlyke Leer van een toekomen- 
den Staat van Belooningen en StrafFen om verwerpt. 
LaSantius^ zegthy, ditziende, verviel in een andef 
uiteríle , en fchreef Gode menfcblyke bartstogten toe ; 
daar hy onderfcheid had behooren te maaken tuíTchen 
fnenfcblyke bartstogteny en de Godlyke eigenfchappen 
\?iTí Goeiheid en Regtvaerdigbeid , die 't regte midden 
zyn tuflchen menfcbïyke hartstogten^ en eene blindevoor" ' 
treffelykheid van natuur. 

Benevens dit verkeerde begrip van God^ haddende 
Fhiiofoophen , gelyk de Heer fVarburton ^iv o\gi ^ook, 
een verkeerd begrip van de Ziel , dat onbeílaanbaar 
was met een' toekomenden Staat van BelQoningen eix 
Straffen. Men vond 'er die de Ziel alleen vooreene 
Hoedanigbeid hielden , doch deezen komen hier za 
zeer niet in aanmerking;» want die ftelden eene ver- 
nieting op den dood: maar wat hun betreft^ die de 
Ziel befchreeven als eene Zelfjlandigbeid ^ deezen,hoe 
verfchillend ze ook in zommige opzigten deswegens* 
dagten , waaren eenftemmig van gevoeíen ; dat de 
Ziel een gedeelte van God was , V welk van bem was afge^ 
fcbeurd^ en tot hem weder ontbonden fmet hem vereenigd] 
zm "aoorden, Ze erkenden maar eéne zelfftandigheid, 
wa^r.van gevolglyk de Ziel een gedeelte was; of tw:ce 
zelfílandigheden God en de Stóf^ die t'zamengevoegd . 
fén Geieel-Al^xïivaaakitiïy zynde GoddtZieltn dc Stof 

M 5 het 



174 »C 6O0LTK£ ZENDING 

liet íicbaam } in gevolge waar van ook het menfche- 
lyke lichaamj als tengedeelte van de Stof^ en de ZUl 
aïis een gedeelte van GW aan te merken waare. Over- 
eenkomfliig hier mede (lelden zy ook , dat de Ziel eeur 
^g ws y zo wl ten aanzien der voorleedene als der voU 
gende eeuwigbeid ; dat ze , in haar byzonder beftaan , in 
der tyd was afgefcbeurd van Gods zelfjtandigbeidf en in 't 
nervolg van tyd daar weder mede vereenigd zou worden: in* 
diervoege dat, gelyk het Lichaam ontbonden werd 
tot zyne naverwanie Scof , zq ook de Ziel ontbpndeo 
iEoa worden tot haaren naverwanten geeí):» Deeze ver* 
ceniging ílelden de meeíten te gebeuren op den cyd 
4es doods; doch de Pythagoreers niet dan naa verfchei- 
dene omzwervingen , en de Platonijien terílond naa 
den dood , of laacer , naar geraade der zuiverheid of 
|>eihietcelykheid der zielen , overeenkomílig met de 
jeedsgemelde denkbeelden der Zieherbuizinge», -— 
Dxt denkbeeld , dat de Ziel een gedeelte der Uodheid was^ 
futot dezelve weder ontbonden werd^ was aangenomenby 
dat beroemde viercal van Philofoophiíche Gezinceni 
de Pythagorëers , de Platonijlenj de Peripatetifcben ende 
^tíken^ volgens het geene de Heer IVarbmton van ie- 
der afzonderlyk vermeldt ; en dit^ zegt hy» heefc 
fi^d gehouden , tot op den tyd der predikinge van 't 
Enangelie ; wanneer de nieuwerwecfche Platomjien 
Imn gevoelen begonden ce verzagce;), en onder ande? 
len ook te leeren , dat de ziel geen deel van God , 
naarzyn werkílukis: en coen, zegt hy, begonden 
Ze ook eeríl waarlyk een coekomenden Staat van Be- 
looDÍDgen en Scraffen te gejooven ; dat , gelyk hy 
doet zien , by hen geen plaacs kon hebben , zo lang 
2e het eerftgemfelde gevoelen bleeven omhelzen* ' 
f4et opzigc cot dic denkbeeld van één fFeezen « en de 
ifimigheid der Ziele als een gedeelte van dat fVeezen merkt 
onze ochryver in deeze zyne ontvouwing nogaan,hoe 
irerkeerdlyk veelen de gezegdens dier Philofoophen , 
raakende de mfiervelykbád der ziels^ overbrengeii toc 
betdenkbeeld yaj^eea" toekomendea St^at van Be- 

lOQ- 



V A N M O 8 C S. 179 

looningen én Scnffen ; hoe men zich in de eerfte 
Cbríften*Kerk daar tegen heefc gekanc, beweerende 
dat de 2iel van natuurejUmelyk was, 'c geen zommigea 
zo ver deed gaan, dat ze ook haare fiofiykbeid ftaande 
faielden , of onbedagtlyk Ipreekwyzen gebruikcen i dit 
dat gevoelen Í4^ynen te begunftigen : en dat, toende 
Dieuwerwetfche Platonifien de Leer van het ééne JVee^ 
%en begonden af te leggen, de Ketters, als de GnúJH^ 
ken^ Manicbeers en FrifiiÓiaanen dezelve omhelsden» 
i— Verder laat onze Auótem zich breedvoerig uk 
om te toonen , dat dit zo zeer ongeryrode denkbeeld 
niet van Egyptifchen maar Griekíchen oorfprong is ; 
als zynde door Ferecýdes Syrus en Tbales uitgevondenr; 
het welk hem ook aanieiding gaeft om te ípreeken 
vande vcardichte werken van Trismegifius ^ op welker 
gezagmen deeze ftelliog^ gelykhy zegt, denËgyp^ 
tenaaren verkeerdiyk te laft geleid heeft : doch d^ 
Heer Vertaaler geeft hier in zyne aantekeningen te 
kennen, dat dit denkbeeid van onzen Schryver ver 
van bondig is, volgens zyne gedagten ; de Ëgypte^ 
naars hebben, zynes oordeels, op dezelfde wyze» als 
de Grieken , over God en 't Geheelal gevedeneerd, en 
de Leer van het iéne fVeezen wordt hun , zegt hy ^ op 
beter gezag en te regt toegefchreeven. •— ^ De Eer* 
waarde Warburton maakt uit dit alles ten befluite op, 
dat de Philofoophen door hxxnne búvennatuurlyke begin-" 
íelen wederhouden werden van een' toekomendeoí 
Scaat te gelooven; en dat van hier Socrates^ die boven^» 
natuurlyke beginfelen daar laatende, en zicb bepaalen* 
de toc de beoefening der Zeáekunde , de eenigfte on« 
der hen was^die waarlykeen'toekomenden Staat van 
Beiooningen en Straffen geloofde. Van hier was de 
Griekfche Philofoophi^, gelyk hy verder aanmerkt zeer 
gevaariyk onder de Chriftenen ; ze gaf inzonderbeic} 
aanleidÍBgs om, in gevolge dier bovennatuurkundige 
be^iegelingen, deOpftanding der Dooden te ontken^* 
nen , en alies des aangaande zinnebeeldig te verkiaa* 
ren; de £i)angelie • leer wefd hier door aí vroeg, eit 

in 



1^6 DE 60DLYKE ZENDING 

in laateren tyd nog meer , dermaate misvormd , dat 
het niec te verwonderen zy, dat de Apollelen de ge- 
loovigen met zo veel yver tegen de Philofophie van 
dien cyd waarfchouwen. Doch de zeldzaame gevoe- 
fens dier Xetteren zyn y naar *c oordeel van den Heer 
Vertaaler, niet zo zeer af ce leiden uic de Griekfcbtj 
als wel uit z^kere 0^^r/2ri&^ Phiiofophie , dieeenmeng- 
fcl was van de Griekfchcy Egyptifchc^ CbaUeeuwfcbe tn 
Ferfifcbêi zynde de O^fUrfcbe^ en wel inzonderheid de 
JEgyp;{/ïri&^ Philofophie , door de Grieifche verbaílerd, 
2^erc de overwinningen van Jlexanier de Gro&t. 

Deeze uicweiding , over -c ongeloof der PbilofoO' 
phen, dienc, naar 'c oogmerk des Schryvers^ grooc- 
lyks coc Yoorkoming eener cegenwerpinge der Deís» 
tenv, dieopdes Aucheursbedoelde bewys, uiPbetJUl* 
Zímjgen van Mofes^ veelligc zouden zeggen ; Mofes 
plaíncce de Leer van een coekomenden Scaac niec 
voorCy om dac hy zepiec geloofde. Dan dic, zegcde 
Heer fVarbman doec nu niets ter zaake ; de Philofoo* 
phen geloofden die Leer geenszins ;egter boezemden 
ïy die den Volke in , als voJkomen overtuigd van 
derzelver noodzaaklykheid voor de Bui^erlyke Maac* 
ichappy. Doch dit voorkomen , geefc aanleiding toc 
' eene anderetegenwerping:zommjgenzullen miiFchien 
denken^dat dit gevoelen tot kleinagcing van de Euan- 
gelie-leer ftrekc ; vermids de Leer van een' toeko» 
nenden Staat niet redeiyk fchynt, indien de fchran- 
derften der O^dheid dezelve niec geloofd hebben. 
Dit beweegt den Eerwaarden JVarburton deeze zwaa- 
righeid uit den weg te neemen, met aan ce merken, 
dac dic geenszins doorgaac ; en dac hec gezag dier 
Phitofoophen , die mc verkeerde ,grondbeginfelen re- 
deneerden , gelyk gecoond is , hier niecs betekenc. 
Ook neemt hy deeze gclegenheid waar, om te doen 
zien , dat men ter wedcrzyde menigmaal een veíkeerd 
gebyuik maakt vaii de Heidenfche Schrifcen , metop- 
zigc tot de kragt of zwakheid der. Menfchlyke R^Í^^^ 

Dczejv? n , volgeas zyne gedagten , *W genoeg om 

06 



V A H M p S S & 177 

de waarheid te bévatten^ als ze aan haar wordt voorgi^ 
dragen'j maar ze is in 'c algenieeQ niet Jlerk genoeg , 
om de Mraarheid te ontdekken. 

De.Heer fVarburtcn hegt eindelyk hier aan eene uit- 
voerige wederkgging van het denkbeeJd, ('tgeen't 
voorgezegde, van 't nut der Leere van een* toeko- 
menden Staat , zommigen gereedlyk voor den geeíl 
brengt ,) dat de Godsdienjl een huter uitvindjclder Staaikundi 
is; en houdt in die wederlegging ílaande, dat de m* 
emdigc nuttigbeid van den Godsdien/l voor de Maatfcbappy 
een ontwyfelbaar be^ys is voor deszelfs waarbeid: ook w^ 
hy dat de Leezer deeze twee Deelen , van dit Werk, 
fchoon ílegts eene Inleiding tot de waarheid van dea 
MofaïTchen Godsdieníl , zal aanzien als een geheet 
en by zonder. Werk tot ílaaving van deeze laatíle Stel- 
lÍDg: die hy op de- reeds bewee^ene nuttigheid be« 
veíligt, door een tweeledig bewys; toonende naam* 
lyk , dat de tVaarbeid algenieen Nut aanbrengt , en dat 
algefneen Nut een aanwyzend kenteken van íVaarbeid is. 
Dit voorgeftelt hebbende , gaat hy over tot het we- 
derleggen van de gemelde Ongodiftifche Scelling, 
micsgaders van 't gevolg, 't geen men daar uit wit 
afieiden » dat de Godsdienjt een berjjenfchim is. 

X)nze Schryver verledigt zich in de eerfte piaats tot 
het becoogen der onwettigheid vandit gevolg, al werd 
deStelling toegeftaan; door te doen zíen^ dat alles, 
wat ter wettiginge van dit gevolg zou moeten ftrek- 
ken , kragtloos is : nademaal Staatkundige Uitvindingca 
Waarheid t' zamen konnen gaanj doordien NuS ea 
Waarbeid elkander niet beftryden , maar het algemec- 
ntNut de lVaarbeidht\t\!ágt^ en 't Bygeloof^ of eea 
bedorven Godsdienft, hoe fchadelyk, egterminna- 
deelig is voor 't algémeene welzyn dan de Ongo^fteryt 
en vermids het Ongeloof der IVetgeeveren de Falfcheii 
nog niet zou bewyzen , en 't in tegendeel baarblyke- 
lyk is , dat de oude Wctgeevers het beftaari van God 

v^aarlyk geloofd bebben.'r Hier op wederlegt zya' 

£erwaarde de Stelling zelve» zo door liet onderzoe- 

kea 



t7Í DB ÓOBZ.YKB ZVN]>tïlG 

JEen der omftandighedcn ^ waar uit men dezelve wil 
adeiden , als door hec bybrengen van gebeurde zaaken 
ten bewyze van hec cegendeel. Hy coont ten dien 
€Íode 9 dac men uic den yver der Wecgeeveren voor 
den Godsdienft niec kan opmaaken, dac ze denzelven 
mtgevonden^ maar veel eer dac ze den reiá$ erkenden 
Godsdieníl cen hoogíle nurr/^ geoordecld hebbem Ook 
verklaart (ly hec gevoelen , dac de eerjle ^fgodery be- 
ftand in den dienji van gejlorvene menfchen voor ten eenen* 
maale valíbh: en dic geefc hem aanleiding coc eene 
breede uicweiding over den OQrfprong en voorcgang 
der Heidenfche Afgoderye : waar in hy zeer veel 
^erks maakc om ce doen zien , dac de Afgodery eerft 
beílond in den dienfi der Hemelfche Licbaamen , vervol- 
gens in dien van gejiorvene menfchen , en eindelyk in ie 
Manbiddittg der Dieren : midsgaders dat men de onge* 
rymdheid dier Áfgoderyen , zederc de befcbaaving 
der Weetenfchappen , door alle tyden gebeel onge- 
grond , heefc zoeken ce bedekken ^ door eene zinne* 
beeldige Godgeleerdheid en verbloemde uicleggingen, 
»Uit dic alles befluic de Heer fVarburton^ dac, 
den dieníl der Hemelfche Lichaamen reeds plaats 
hebbende voor de Burgerlyke Maatfchappy, en den 
dieníl van geftorvenemenfcheneerflrftand gegreepen 
hebb6nde naa *c opregcen der Burgerlyke Maatfchap- 
pye, hec zeker is, dat de Godsdiénft in gebruikwas, 
eer de Burgerlyke Overheid ftand greep; en dac das 
de Godsdienft geen uicvindfel der Scaackunde is. Dit 
beveftigc hy cen flot nog nader uit de geichiedenis- 
fen, die ten duidelykfte bewyzen , dat alle Wetgee- 
vers alcoos by de Volken , die ze wilden beíchaaven, 
een zekeren Godsdienft oncdekcen ; niec zeldzaam ge- 
brnik maakcen van de Godsdienftige denkbeeiden der 
Volkeren , cer bévorderinge van hun oogmerk; en 
dat ze gemeenlyk de vooroordeelen des Volks hier 
omcrend zeer fterk vonden , indiervoege dat ze ge- 
noodzaakt waaren , (hoe genegen ze ook mogcen zyn 
om den Godsdienít te kervorm^ ,) zich ce ichikken 

sa 



V A N n o s t $4 t79 

na die veroiKlerde vooroordeelen , en, onder 't iníbdt« 
len vau nationaale plegtigheden , gunllige gelegenhe* 
den met 'er tyd af te wagten , om den aart van dea 
Godsdieníl ongevoelig de nacuur der Scaatkundigege- 
{lelceniíTe te doen volgen, dat ook gemeenlyk eerlang 
plaats had: welk alles toontdac de Scaatkundigen dea 
Godsdieníl vonden^ en niet maakten. 

De Eerwaarde Warburton oordeelt dus ver de twee 
eerfte Voorílellen van zyn Werk ten overvloede be- 
wttz^n te hebben; en zal in de twee volgende Dee- 
len, waar vanwede vertaaling, naar de belofcedes 
Overzetters, te gemoet zien, zyn derde Voorftelopc- 
vouwen en betoogen ; waar in de Joodíche Oudheid 
mec geen mindef geleerdheid , dan de Heideniche ia 
deezen, verklaard, en dus de weg gebaand zal wor^ 
den tot het opmaaken van 't befluic, dat Mofes vam 
God gezonden is ; het welk nien hoopt dat in *t korc hec 
licht mag zien , op dat we in ftaat gefteld mogen 
worden, om het gewigt van dit bewys na te konneift 
gaan. 



Vemlg van de Hijlorie der jlrabieren , onder de regeering 
der Khalifen , volgens de Hedendaagfche Hijlorie Udc 
Deel ijlc Stuk. Tt Utrecht , by Hermanus BcíTeling* 
MDCCLX. In quarto 473 bladzyden. 

NAa het moorddaadiíje ombrengen van den Kha- 
lif Othmdn , (in 't flot van ons voorgaande Be- 
ngt geraeld (*), ) waaren de Arabiers , gelyk onze 
Schryvers met den aanvang van dit tweede Deel dee- 
zer Hiftoríe aantékenen, in hunnc gevoelens omtrend 
een opvolger verdeeld. De menigte egter was der- 
maate voor ^i, ^een Neef van Mohammed ^ en meC 
deszelfs Dogter Fatema gehuwd , ) dat zyne tegenftan- 
dérs , en zelfs die geeneq die hunne byzoíidere inzig- 

ten 

(♦) Zic IJie Dcel W. 7«. 



igd BE HISTGRIE DËR áRABIEREff. 

ren met Othmdns dood bedoeldefi , in de verkiezm^ 
van JH bewilligden. jíli, wel bewuft van veeler vef- 
keerden toeleg, nam niet dan naa ftetke weigering^ 
op 't geweldige aanftaan, den laft der regeeringe op 
zich ; eft werd openlyk tot Khaïífy of KeizGr dér Geloo- 
vigen (t) ingehuldigd , in de laatfte maand van 't ^jíle 
]aar der Heira , dat van Chrijius 656. Jli ondervond 
wel dra te jaramerlyk het geen hy voorzien had izyne 
tegenftanders , die geveinsdlyk bewilligd hadden in 
zyne verkiezing , ontruftten eerft heimelyk , vervol- 
gens meer openbaar zyne regeering ; en bragten, wel 
inzonderheid onder *t fchynfchoone vdorwendfel van 
den dood van Otbmdn , waar aan men Jli ook valfch- 
lyk fchuldig noemde , eerlang een algemeenen opíland 
en binnelandlchen kryg te wege. -^ — Deezen met 
den Veldflag van Kboraiba « in de vyfde maand van *t 
yolgende Jaar , ten einde gebragt zynde ^ zag AU zich 
in zyn gebied over ylrabiey Irdk; Egypte^ PerJieoíK(h 
rafán geveftigd : doch in Syrie was 'er nog eene niag- 
tige party tegen hem , onder Medmyab , den regee- 
renden Landvoogd van Syrie, en een kragtig mede- 
dinger na 't Khaltffcbap^ die alle de Syrifche Krygs- 
benden tot zynen dienft had. AU tragtte eerftdoor 
zagte middelen de wederfpannige Syriers te overtui- 
gen ; maar ziende dat zulks vergqeffch was trok hy» 
met het afloopen van 't ^ófte jaar der Hejra^ meteen 
magtig leger op , tegen de krygsmagt van Modwijab* 
Naaherhaalde gevegten, inaen aanvang van'tvol- 

Íjende jaar, die veel al ten voordeele van Jli uitvie- 
en , en weJker laatfte voor Moawiyab verderfelyk ge- 
weeft zou zyn, indien hy de benden van JU nietdoor 
eene geeftcfryvende krygslift had doen afdeinzea, 
kwam men over een , (hoewel AU niet dan gedwon* 
gen zulks toeftemde,) omde twift tuflchen henbeiden 
over te.geeven aan de uitfpraak van twee perfoonen, 

volgens den waaren zin van den Kordn. — Pe af* 

fpraak 

(t) Zle de rede deeser benaatninge, ilnd, bl. 73$. 



X>£ HISTORIE D£R ARABIEREK. igt 

fpraalc diër ícheidsmannen ,. naa verloop vap omtrend 
acht maanden , was , hen beiden af ce zetten , om 
vcrvolgens het Volk een Khalif naar hun genoegen - 
te doen verkiezen : doch den tyd der uitfpraake daar 
zynde , en den eerften hen beiden openlyk afgezet 
hebbênde , verklaarde de tweede voor al het Volk , 
dat hy jítt áfzette , en *t Khaltffcbap opdroeg aan MoA^ 
wiyab^ Dit maakte het middel ter befliifinge vrugtloos» 
verbitterde de partyen nog meer dan voorheen ; en 
ieder hunner zogt zyn regt tot die waardigheid te 
handhaaven ; doch de aanhang van Jli begon zederc 
dien tyd, zynde het 37fte jaar van de Hejrat groot- 
lyks te verminderen; waar toe de opftand der Kbdre" 
jieten zeer veel toebragt , dien hy egter in 't volgende 
jaar gelakkig dempte. Modwiyab ging intuíTchen ÍQ' 
Syrie als Kbalíf te werk , overmeefterde Egypte , en 
deed geduurige invallen in de landen van Jj7í, waar 
door zyn magt geftadig aannam. In 't ^ofte jaar der 
Hejra ontftond er eindely k eene t'zamenzweering vaQ 
drie perfoonen , zo tegen Modwiyab , en deszelfs 
Landvoogd van Egypte jímru, als tegen AIi: éénder 
t'zaamengezwoorenen trof Modtoiyab in de nieren ^ 
doch niet doodlyk; de ander, in den perfoonmifleid^ 
íloeg Kbarijab^ in de plaats vznAmru^ dat hydood 
ter nederviel ; en de derde bragt Ali een flag toe,die 
binnen weinig dagen doodlyk bevonden werd. ■ 

Ali veraaderlyk geflaagen zynde te Kúfa op den i^den ^ 
ftierfaldaar den ipden^^often of 2iftendernegende 
maand van 't ^ofte jaar der Hejraj dat yan Chrijhs 
66i, in den ouderdom van j6, 57, 58» 59 of, dat 
waarlchynlykft is , 63jaaren, hebbende omtrend vier 
jaaren en negen of tien maanden geregeerd. Deeze 
Vorft, van wiens chara£ter , famille en aanhang itt 
dit Stuk een breedvoerig berigt gegeeven wordt,wa8 
een zeer kloekmoedig , gematigd en verftandig meních^ 
én behobrde onder de Mohammedaanen ecn beter loc 
ontmoet te hebben. 

XI.DfiftLNO.3. N Op 



ifl^^ 91^ HI8T0HIE HEft AaAÉlEKEH^ 

i C^ den daoni yan jíU werd deszelfs Zoo^i lU/aêf 
zpn^er betwiftingytothet Kba^f/cbap gevoM^d iáoch 
Mmaiyab weigecde zjn ge^g t^ erkenaeo : dit deed 
dsn oorlog, (Ue ^enkermaate gedooicl wasj dooireea 
féort van verdn^ tufkrhen Ali en Meámy^ f weder 
lýtb^srften / maar ^afan, geen Krygsheld i ea in den 
ttorften aanval ong^lukkig zynde , belloo^ jfk \ kort 
h#t Kbaíiffcbap aw Modmjab^ óp zekere yborvraár« 
4^9 , af te ftaan^ Do twee partyen cflkander b^ 091- 
trfod gav^den bsbbeqde, zo deedt Hafan^ n^eene 
»&geering van pinítr^d ws maanden , afftaind , en 
MoámySí zyse openbaare iotreede in Kufa op dea 
A6ften 4er derde of yyíde maand van 't ^ifte jaar der 
lÍBJra. TT- Hejan lei» nog acht jaaren naa dien (yd, 
een onbeampt leeven » en overleed te Medina , door 
qe bfrw^rking van Modmyab , aan vergif , in 'r 49Íte 
j^ar van de Hejra , dat van Cbrijius 669 , oud zynde 
cpitrend 47 ja^aren. Hy komt voor als edelmpedig en 
xpilddaadig; doch van seen genoegzaamé dapperheid 
om in aipchQÍge tydsomftandigheden te regeeren. 
Mfi^iyab net gebied aanvaard hebbende, onder- 

SD|id merkelyken tegenftand , zo van de Kbarejieten 5 
j ys^n ^iyád den Landvoogd van Perjie ; dot^h de 
Cjierften vel dra t'ondergebragt , en den laatflen^ einde- 
]ýk in zyn belang overgehaaid hebbende, zag hy zich 
ia 't^^ftejaar der Hejra op denMufulmanfcfaenthrooa 

teveítigd. Zyne Regeering was doorgaande ontroft 
poF ^innenlandfche oneenigheden , 't welk de ge- 
ilf^ngheid zyner Landvoogden veel al te kragtig deed 
^peemen; de eene bragt dikwils de ander te wege} 
dfíjfí benevens werd hy qu en dan ingewikkdd in bui- 
t^nl^ndfche krygen , w^ar toe hy ook zomtyds aao- 
l^dii^ gaf : hy voerde zo den binnen • als buiteniand- 
4:her) Qorlog met ongelyken uitílag ; doch over 't al- 
g;$tA^n verfterkte hy zyn gezag over zyn Volk, ea 
liircádde hy zyne heerfchappy oit. In 't 4<6fte jaar der 
Hejra drong by door tot op het grqf|^g4bíí4 Wi Cíotf^^ 



M ÉISTOaÍE &ËR ARÁÍIEáfiir. iSj 

iiégé y e» vérder ook omleroam hý iti *c 48(l;e , of lié^ 
írer , in 'c s^íle ^ár Confiantín(^akH Ee belegereíi ; iBaaií 
te vergeeíTch ; A^hoott hy zitms meer dán eens heí'- 
haalde, en iaareii agtéf eeninec zýne Vlóocen in dé 
MiddeÁsffkáícbe ea Egilêhe Ztt krdiffe : inmiddels gin- 
gf^ dt zaaken in Sýrié bem det'ma^e tégen , d£(c bf 
eid!» eindelyk in/t 59fté jaar d^r Bejrd genood^aatkt 
ireftíde een verd^g met Kehcler CimJlaniyH aán te gaatn : 
doeh dAdertuficheiúf waaren zyne wa^en aan de aiti^ 
iete ^ét vóétf§6éëig gé^rseíi ; zynde een krýgshoMi 
der Bf ufulfnanlbh^ nyagcen^ in 'c 56(lë jaar ^ aan m 
«ndere zyde van den Oxuf^ tot áte Samakand^ en ver- 
Volgem cee aan Tarmd of ïífrwW gevwderd ; hebbeit- 
<te dfe gaíníchê Landftreek zonder merfcelyk verlies 
van velk vetoverd. — — Een der grootfte oogmer* 
ktn van* Moáwiyab mfi^' het Kha^febapi dac coc nog 
verkiesbaar geweefl: was • erfelyk ce maaken ^ en cen 
dien einde het valk te verpliehtexi ^ om zynen Zooa 
lCtzid tot zyden Opvolger te verklaaren 1 bier in ílon- 
den* heifr veekn der Hodfdea ce» kragcigíle tege& S 
égrer bragt hy 'c , door bedreigihgen, belotten en om* 
Aocyingen , m 'c s6ïit jaaf der Hejra zo ver , dac de 
Syriersydie van IrM en c gros van den Jrabifehen land* 
aairc^ den £ed vaa getróa\^heid aan Tet^d deeden* 
*—• Mpátitíiyabíiietfte Dama/vuí yin de zevende maand 
Van *C (Softe )aaí der Hejray dac ván Chtijlus 680 , int 
den jdnderdem van 70 , ^3., 75, 78, 80 of «jjaaren, 
&ebbeflde neg66t]en jaaren , drie maanden en výf da* 
en geregeerd , naa Húfans afíland. Ky was eeii 
eetfchzlugtig menfch , die alles opofférde aan 2yne 
eerztt^ ; tmiten deeze inzigten was hy van een goedeli 
hibom , edetmoedig, g^duidig en milddaadig ;^ hy be-^ 
aat ceit vlng begfip, wasr Hoekmóedig, en doof ca 
door geoefend in all&de kónft'en van.regeering. 

TÊmi volgdé zynen Vsder op in de regeering, eil 
weiKÍ tM: iíiSfai|(f ingehaldigd mec de nieuwe maan- vatt 
de maatíd^ Rajiby in 'c óófte jiaar van de Hejta\ dati 
overeenkomt mëe d'eú ^den April' Ýan ^c jaar onzes 

N a Hee« 



154- SS liISTORJE 0£K ARABI|^R|^1|^ 

Heeren 680 (*)• ÍSoinmigen' der bovcngemekle Hop& 
den» en inzonderhejd Hofein , de Zoon van^ Ati^ be- 
^wiílcen hem die waardigheid wel ; doch huo aaohang 
'Hiras te kiein ; ape bezweekea voor de pvermagc van den 
•JHbaltfi en Tezid zag zioh op des throon eevefti^di , naa 
lien ílag van Ktrbela ^ in 't begín van *t 0ifte jaar , m wel- 
^en de geringe krygsmagt van Hofrin verílaagen werd , 
:jqq hy zelf fneuvelde. In dat zelfile Uar nciaakten zich 
M Mufulmannen ook meefters van t Koningryk van 
£borawafm aan den Oxus, als mede vao BúU^ia pver 
^ie Rivier , en breidden dus hiinne heerfirhappv aan 
die zyde uit. •«— • De nederlaag van Hofoin intuíTcheQ 
zette veelen aan tot wraaknceming over denzelven ; 
ook begon Abí Jllab Ebn Zobeir^ het hooft der onder« 
clrukte partye, in ernft te denken, om na het Kba^^ 
'Jobúp te ftaan ^ en bragt het ^ naa veele beroertens in 
• -• \ 

(*) De maand Rajeh is de zevenJe maaud van't Arabifchc jaar, 
í^evolglyk nam dit óofte jaar van de Hejra zynen aanvang in de 
múand OEtober van *t jaar onzes Heeren €79. Van hier leezen we 
hl. 120 en 127 in dít werk, dac Moáwiyab geftofvea t5^,omtreot 
het begin van de maand Rajeb, in *t 6qfle Jaar van de Hcjra, of 
van Chriflus 679; en bl. 129, dat Tezid^dic tot Kbatif mtgeToe» 
pcn werd op denzelfden dag dat zyn Fader Jiierf f'mgehiúdi^SwQTá 
met de nieuwe maan van de maand Rajeb fn ket zeftigjie íaar van 
ie Hejra y 'c voelk overeenkomt met den zevenden dag van April, in 
Jj^etjaar van onzen Heere 680, In 't eerfte geval wordt bet jaarvan 
de Hejra vergeleeken met het jaar van Cbriftus^ waar in 't zyn 
aanvang nam , in 't laatfte geval wordt de tyd fiader bepaald. Wy 
hebben ons in deeze Berigten « wannecr 'cr bepaaldlyk eene 
maand of ander tydsverloop genoemd wordc , altoos aan diea 
regel gehouden, om 'tjaar van de Hejratt vergelyken met het 
jaar van Cbriftus waar in die maand valt; en, by eene algemeene 
fienoeming van 't jaar, het zelve te vergelyken met het jaar van 
Cbriftus , waar in 't zyn aanvang neemt. Dit vercrouwen we 
maakt het tydkuudíge deezer gefchiedenifteklaarder, en 't was 
noodig zulks aan te tekenen, ora dat, (nademaal onze Schryvers 
zich hier in niet altoos op dezelfde wyze gedraagen , ) onze jaar- 
tekeoing zomtyds één jaar van de hunne verfcbilt» bedoelende 
zy den aanvang of 't aíloopen , en wy den bepaaiden tyd van 't 
]aar; dat« als uit het bovenftaamie voorbeeld blykt, zodanig eea 
verfcliil van rekening moet t8 wegen brengen« 



'SJS aUTélljEDfift AKABIERER. iZS 

**€ tfaíle jaár , zo ver , dat by , in *t 63fte jaar der ílejra^ 
ddor die van Medina en Mekka openlyk voor Khal^ 
uitgeroepen werd. — - Geduurende de hier op vot 
gende ontaften ovérleed Tezii te Ha*i»waTin in *t begin 
der derde raaand van 't 6^&,t jaar der Hejra, dat van 
Chrijius 683 , in den oaderdom van 39 jaaren , na eenc 
xegeering van drie jaarén en zes of acht maanden. Hy 
was zeer ovérgëgeeven aan fpeelen en drink^n , en 
:boven al gehaac van wegens zyne gierigheid en oa^ 
godsdienftigheid. 

Mod'myah de Ilde , door zynen Vader. Tï?zW tot Op- 
volger benoemd , werd op deszelfs dood lot Khalíf 
nitgeroepen: hy nam, naa eenig overleg, deêze waa'h- 
digheid aan , doch omcrend zes weeken , naa zyne 
innuldiging , deed hy openlyk afftand van dezelve ; 
verklaarende voor de Grooten van zyn Hof , dat hy 
zich te zwak bevond, oni hec gewigt van die bedie^ 
ning te draagen ; en dat hy de verkiezing van eéá 
nieuwen Khalif overliet aan hun eigen oordeel. Hy 
leefde voorts afgeícheiden , bragt zynen lyd door ih 
godvragtige oefeningen , en gaf den geeft te Damascus 
veertig dagen of drie maanden naa zynenf afftand, en 
dus in 't ó^fte jaar der Hejra^ dat van Qhrïfius 6&4-.Í 
hebbende nauwlyks den ouderdom van 2r jaaren ber* 
reikt. Hy was van eene zeer zwakke gefteltenis ea 
godsdienftige neiging. 

pp den afftand van Modwiyab den Ilden werd Mer^ 
V)dn tot Khalíf yerkoozen , doch Jbd' allah was by -t 
xneerendeel der Mufulraanfche Provincien , naa den 
dood van Yezid , tot het Khalífjchap gevorderd ^ * en 
hield zich in die waardigheid dermaate ftaande , naa 
dat hy te Mekka ingehuldigd was , dat Merwdn genoeg- 
zaam niets dan een gedeelte van Syrie beftuurde. Naa 
een algemeenen flag te Marj Raht , raet het afloopen 
van 't fi^fte jaar, was de regeering indiervoege ver- 
deeld, dat, \n\ begin <ran ójfte jaar der Hejra^ Mer^ 
lodn 'in 't bezit van 't Khalíffcbap van Syrie waare , ge*- 
lyk Jbd' allahlu dac Van ffejdzy Taman, Egypte en Irák. 

N 3 — Onder 



$i6 .91 BUTaiIff 9^1 A|l49f»lllSc|r. 

^*—^ Ondcr deeze i-^^eriog w^s *t LaQd aloomui ii 
onniQ:. Merwdn veroverd^ wel dra £p|i^^ » ^n die 
^an Kbora/án verkopzen hufinen Beve)aebi>er tot hun- 
|ien befchermer^ zo )ang de Mufulmannep verdeeld 
waaren ; de Bevelbebber^ der andere bysondere Pror 
vincien bedoelden veelalhunnie byzondere inzigten, 
of vielen nu deei^e dan geene party tpe; terwyl het 
Volk oók heen en weder geílingerd werd^ en veelen 
)iunner een opíland tegen beide de Kbalifs verwekten. 
Peeze opdand egter werd gedenipt voor den dood 
•yan Merwan , weïke o verleed op den dcrden dag der 
fiegende maand van 't iSjílejaar der Hejra^ dat van 
Cbrijlus 685. Hy had 298 dagen , of wei eif maatv- 
iden , geregeerd*, oud zynde 63 » of wel 71 jaaren, 
tefl tyde van zynen dood. Deeze Merwdn was de ge- 
heimfchry ver geweeft van dcn Kbalíf Otbman , en de 
voornaamíle oorzaak der vermoprdinge van zynen 
Meefler. * 

/Ibí almdkc^ voIgQnj de aanftelling van zynen Va. 
der Merwán » terftond na^ deszelf^ dood tpt Kbalífin-^ 
gebuldigd zynde , oncvong een zeer ontruft Ryk, 
Waar in de bovengenoemde verdeeidheden nog ftan^ 
hieldep , en de gemelde opftand weder begon te her- 
Jeeven. Dit deed den binnenlandfchei) oorlog vokiuu- 
f en , en gaf den Kba^f zo veel moeice , dat hy zich 
in 't 7ofte jaar van de Hejra genoodzaakt vonde, eën 
fchadeiyk verdrag met den Griekfchen Keizer aan te 
gaan , om deszelf$ inval in Syrie áf te wenden. jjbd^ 
almdkc was incuiTchen in 't voortzetten van d^n bin- 
nen)andfchen oorlog zo gelukkig, dat hy van tyd tot 
<yd meerder overhand kreeg over zyne cegenftree- 
v&r%^^ indiervoege dat hy , in 't ^ifte jaar, zondcr 
cegenfpreeken wetcen gave niet alleen aan Syrie en 
Egyp^e^ maar ook aan Irdk. Zyne overwinningen ge- 
iládig voortzetcende , had hy in 't ^afte jaar geea 
vyand meer om tegen te ftryden , dan Jbé^ aUêk^^ 
viens aanhang eix magt in de laatfte jaaren zeer veel 
vas afgenomen^: vaa waar hy hem ookn^t bet jnneQ- 

mea 



9S ÉIÍTÓÍÍE Í^K ktilíikiit. \Í^ 

mên ván Mêkka^ óp úéh 1 8dën dág dër Vjfdé líiaafii 

van *t 73Íte jadí der lííPjya , dat Van Cbriflíus C^t , Voiiii 

derbragCy eil 2ich den eenigênmeéílervan faet MúítiK 

manfche Keizêrryk maakte. ^-^-i- Mí ailab ífaeuvëHfe 

op den laatfligéHDemde dag in éeil wanhoopigen miT- 

val, zynde orátíénd f2 jaarenoud^ hebbendeovë^ 

de Arabieren geregeeft! negeh ja^ren en twee eh twih^ 

tig dageh. Hy ti^as eeh man van buitengemeeiie dáp^ 

perhieid , eh i:eér goc)sdiehfl:ig,doch vervan cdehhófeV 

dig en ïiiet fl:aátkundig. ^ — /Jbf ahndkc^ duS Vái 

zynen hobfdvyand ontílaagen zynde , tragtte vervdlfc' 

gens deh opftand hiér en daar in de .buiten - proVini- 

cien verwekí te dempeH , en inmiddels zyrié heé^i 

fchappy ilit fce breiden : ihzoriderheid voerde hy ±é- 

derc het jaar 76 een herhaalendeh otírlog met,endééd 

geduurige invallen in de landen vanden Turk tê& 

ooflien , en den Griekfchen Keizer teii wefl:en. Mé^ 

nigwerf ondervond hy het iviíFelvaHige oorloogsidtl 

doch mét dien uitílag, dát hy íich , voor 't éindevkft 

zyn leeven , magtiger záge dan efen íyrier vooríááí 

ten : als hebbende by den binrienlandfcbéíi kryg géi 

ílild, een ^anmerkeiyk gedeelte van Ihdie Verbvénh 

en zyne zegepraaJende behden tot itt Spanje géiéiai 

Hy uierf te Damascus in de tiende maand van *t 86fté 

jaar der Hejra^ dat vánCbriflus 705, in dfeh ouderddfA 

van 57, 60 of 62 jaarfen, naa ruim 2í jáaren op deA 

Mufulmanfchen tHíoon geietétí té hebbeft. jíhd' áltni* 

lec was een dapper, geléefd en wýs VoríÍ, doch uit 

neemend gierig. 

AlíVáHd voigáe terftond ih zyns Vaderí plaats, al$ 
de oudfte Zoon. Deesie kbalíf lei 2ich zeet toe op héc 
pragtige vercieren dér plaatféri van Godsdienft-oefef 
ning 9 eh 't geeH nieerder áann^erkirig in deezen vef-- 
dient, hy beyeftigde, door zyne krygsmágt, devooí 
rige bezittingêh V^n het Ryk, en verfaeerderde dé* 
zeivefi. liiêt dên aativáhg zytíer régeeíingé deedéri 
zyne troepeh' fiiet aneeý 'éeïí gelokki^en ihvál in dë 
Griêkfqfté' Keiïeílýke taifldëní hw^zy díotígeí tfólfr 

N 4 aaa 



I8S BB HISTORIE DBR AftABISlEK. 

aan de andere zyde door toc oyer den Osus^ biagten 
Jietganfcbe Land van MawoíSJnbar t'onderymaakten 
Kbowarazm cynsbaar , en overmeeíterden het geweft 
yan Makran ^ Sijijlán en een aanmerkelyk gedeelce 
van Indie. Dit alles geíchiedde in de drie of vier 
eeríle iaaren zyner heenchaj>pye; in 't poíbs jaar dec 
Htjra bemagtigde hy Tyanein Cafpadacie ;zynehendcn 
llroopten het volgende jaar in de Griekfche Keizerly^ 
Jce landen, en in 't p^íte jaar drongen ze door toc 
in het hart van GBcie. In 't psfte deeden ze eene 
landing in Spanjé^ en maakten zich een groot gedeel- 
te daar van onderworpen » ook vermeeíterden ze een 
aanzienlyk deel ysiá^PantustnArmenie;dc overwinning 
van Sfanje werd in 't volgende jaar nog verder voon- 
gezet ; hier by kwam nog het inneemen van Jntiocbiej 
ea 't plunderen van geheel Pijidie. In *t psíle jaar ver* 
kréegen ze eene volkomene overwinning over de 
Cottben in Spanje^ naaden doodlyken flag van JJJido' 
'na\ den vyfden Juh van *t jaar onzes Heeren 714; 
'ze overmeeíterden bet geheele Koningryk, uitgeno- 
men de provincien door de jíjluriers en ae Cantabrtert 
bewoond. In dat zelfde jaar plunderden zy de geheele 
'provincie van Galatie^en de iT/ftii^zettezyneoorlogs- 
toebereidfelen , om den Gríekfchen Keizer ter zee en 
te land aan te vallen , en zich meeíter te maaken van 
Conjlantinopkn dermaate voort ; dat de Kcizer genood- 
^aakt wierd 9 zich in een kragtigen ftaat van tegen* 
weer te ílellen. — — Oeuitvoeringvan ditonderwerp 
werd voor dien tyd verhinderd door deq dood ; die 
Al fFaltd overviel te Dam^scus in de zesde maand van 
•t pófte jaar der /íif/r^ , dat van Cbrijlus 71 j, in den 
buderdom van 43 of 4S jaaren , na^ eene regeering 
van negen jaaren en acht maanden, Hy \va$ van qa- 
tuure wreed » gewelddaadig en zeer oplqopend yan 
aart, volgens de Mufulmanfche Hidoriefchry vers , 
dategter de SyrifQhe tegeqípreeken. Hy bragt, vol- 
gens de Ooíterfche Schryyer3 , Spaiye^ Sardinky Ma* 
jorca^ Mimrcc^ , e^p gedeeltG van het Narbonerijijch 

Cal- 



•V 



DB HltTaRtB OBR itR4B!8R&V. Hfy 

GaUiej de wyduitgeítrekte provincie van Mawará'lb^ 
nar^ het Koníngryk yfzxí Kasbgar ^ en Turkejlán teoor 
der; maakende tevens dat gedeeke van delndiej 'c 
welk aan deeze zyde van den Ganges is , aan zicb 
cynsbaar ; zo dat zyn gebied zich uitgeílrekt zoude 
hebben vah de Jtlantifcbc , of^ bepaalder: genaamd» 
de Spaanfcbe Zee^ tot aan de Rivier Ganges. 

Solirnán^ deweedeZopn van Jbd" Almdlec^ werd, 
op hetoverlýderi van zynen Broeder, tot Kbalíf ïn* 
gehuldigd. De Mufatmanfche wapenen waaren mec 
deri aanvang zynerregeeringe nog voorfpoedig ; doch 
in 'tpyíle jaar van deHejra verloorende Arabiersmer- 
kelyken grónd ín Spanje , en in 't ppíle jaar trof huQ 
aldaar eene groote ílagting. IntuíTchen had Solim4n 
de bovengemelde onderneeming tegen Conjiantinopfh 
kn in 't werk geíleld , niet het afzenden van eene 
ontzaglyke Land- en Zeemagt; die geduurende eene 
krygstogt van ruim twee jaaren , genoegzaam ver* 
fmolt y naa dat ze Confiantinopolen wel tot de uiteríle 
benauwdheid gebragt , maar niet overmeeílerd had. 
~— Solimdnmd^ het le'even ^f te Marj Dabck.j op 
den 2iilen der tweede m,aand van *t ppíbe jaar der 
Hejraf dat van Cbrifius 717, in den ouderdom van 39 
of 45 jaaren , hebbende twee jaaren en acbt maandea 
min vyf dagen geregeerd. Hy was een zagtzinnig en 
goedertieren Vorít, en moedigde den koophandel 
aan. 

Omar Ebn Abí alaziz , een Neef van Solimdn , ea 
door hera tot zynen opvolger benoemd , (op voor- 
waardedat zyn Broeder Ti?2;f(/,dederdeZoon van Jlfd^ 
úïmdlecy naa hem verkoozen ^ou worden,) werd tot 
Khálíf uitgeroepen , zo drs^ zyn voorzaat geílorvea 
was. Onder zyne r^geering vindt men geen merk- 
waardige verrigtíngen , met opzigttotde Mufulman- 
fche heerfchappy a^ngetekena : net byzonderíle ÍS;» 
dat hy den plegtigen vloek , tegen den naam van J^ 
en deszélfs geflacnt , ze^lert de lcomíl van Moámyab 
aw het gebied tot op den dood van Solimán^ in allë 

O 5 áe 



r 



19^ ^fe HtfttdAxfc Mft Aá>BiBRfeir; 

ide M mkeeii uitgeípTókéii , verníetigde ; en \ rolk 
ínboes^emde ^ áac tnen geen éénen Mufuhnan den 
tninften haat ntogt toedraagen. Dit baardë hetti eeni^ 
[e tnoeilykheden ,• en wanneer men uit eeti íynet ge- 
jrekken afleidde, of hy ook het Khai^fcbap \tí eeli 
ánder geflacht wilde overbrebgen , beflooteh zotnmi- 

fen hem te vergeeven ; en een flaaf hier toe omge- 
ogt zyiide ^ 20 ftierf hy op den sjfteh det íevelide 
maand van 't loifte jaar der Hejra\ dat van Chriílus 
720, naa eene regeering van twee jaaren, vyf maan- 
iden en veertien dagen , jn den ouderdom van 33 , 37 , 
39 of 40 jaaren. Hy wa$ regtvaardig ] godsdienllig 
en devoot, nederig en fpaarzaam. 

TCezid Ebn AM almáhc Werd, volgensde aahftelling 
iran zynen Broeder Solim^n^ op den dood van Omafi 
tot Kkalíf uitgeroepen. Geduvrende zyne regeering 
cntitonden eenige binnenlandíche onluUen^ ookhad- 
dfett de Turken zich in zdmmige pfovincien weder 
toéken te vefl:lgen ; doch dit alles werd Weder tot 
inft gebragt: in iSpiSffjVgiíigen de zaaken na eens voor 
danrugwdatds. Tezid gaf dcn geeft in PakftÍTUf, of té 
iiarrún in Mejbpdtamie , *op den asfte det aphtíte maand 
van *t I05de jaar der Hejray d^t Van Chtiftus 724 ^ ili 
den ouderdom yan 29 , 31 , 33 , 37 of 40 jaaren^ naá 
dat hy een weinig meer dan vier jaaren geregêerd 
had. Hy was een flaaf van zynedriften, énvetkwlft. 
te veel gelds aan zyne wyven , by wy ven en witfpan- 
ttingën. 

Hésbám volgde iyilen Éroedpf Tezid op , ondef 
Voorwaarde, dat deszelfs Zooh naá íyiien dood, tot 
JTAiï/^ verkoozen zód worden. De Mufulmafcífche beflf 
dén deeden in de eeHlé jaáren zyner regeeriílge ver- 
fcheidene inva!fcn in dé íánden váii den Gríékfcheli 
Kéizer, en maakten zeer veei buits: te verdreeveíi 
ét Turken wedeí uit- Jlrmenie , en drongen door tot 
den engen doottc^í^ , oudtyds de^ Caspifcbe poúrMi ge* 
tOííttíd. De Arabieren iir Spanje merígdeá zieh vef- 
t<)lgen» itt deii ttrift túiTchen Ortd^tudoen CartíMtíf- 

tet} 



Ul f dlK gaf iierh^Ide aauIeidÍDgi^n . to€ ifly^lÍB^ 49 
Frankryk , díe hun egter gem€^ix<yk nadë^ig ji^ltvljSf 
len, geduurenfledejaarep 110—117 der Jícjra. Het 
pluoderen der.Griekfche hifden , en 't tegeníiaan ^d^ 
Turkfchc magc, mid^g^der^ he( íliliien van een opj- 
(land io Ir4k > en ^t dempen van een cgjMroer in ^rkajf 
maakt het voornaamíle der Arahifche gerchiedenij(í^ 
pnder fleezen Vórít uit^ pnder wiens regeering> dc 
zaaken in Spanje^ door v^eJ^ OQeênjgheden , eer a^ 
dan toenamen. Men vindtgeen.giewag van e^n n;^jr* 
kelyke uitbreiding der Murulnimnicfae heisrrchappyi^ 
pnder zyn beíluur , dao alléen uiet het iniieemen'Vai) 
Serir M Tlehcb # epne prQvincíe tulïchen dQ Euxyr^cbf 
Gti Cafpifcbe ZeCp - ' \ /í?jA^w;overleeáte/ií(/íj/»,op 
den zesden dag van de-vierde má§nd van . \ izsíífi 
jaar der Hejrq^ dat van tbrifius 74^, naa eené regei^- 
ring van negentien j^aren , zeven maanden en elf dq- 
gen, in dcn ouderdQm van 53 ,. SS 9^S^ Í*^^» :^f 
regeerde zonder eerden Staatsdiena^i: ^ wa3 roofzugtíg 
van aart, ryker en gierjger d^n iffiíiand ^nerVoor- 
zaaten. • • 

jíl fFdlík de iide werd^ vc^n3 de aanílelliog vao 
zyneo Vader Tezid^ óp .den dopd van Ijeshdm , tot 
Khalíf uitgeroepen. De regeeriqg van deezeh Vorílg^ 
die boven alico brooddronken ei^ ohdeagend wasjb&* 
helft gëen byzonderheden van gewi^t. Hy werd , naa^ 
eene regeering van één jaar en dr^e maaiKlen, yao 't 
J^balífffbap afgezet; zynde , vermpyrd tegen het einde 
der zesde^niaand vao 't j[2óíl^ jgar der HejrUf datvaa 
Chríilus 744, in den ouderdonii van oi^ntreijtd 4$ jaaren^ 

Tezid^ de zopn van jíl fFalid den lílen , volgde zy- 
nen Neef op inde regeering^ Hy had eeoige onlufteo 
teT zaake yan 't vermoorden dps Kbalífs^ die hyegter 
tpt bedaaren bragt : doch hy regeerde ílegts vyf of 
:(esmaapdeo^ ílerveodete i)ii;»aim den iSden dev 
laatílen naaand ín 't i^ólle jaar vao de Hejra^ in de|i 
ouder^ofn yao 40 pf 4<$ jaaren. Hy was hoogmoedig 



Í9Í m nntétÍE OÉK AKABIBREirr 

cn ro&asfpgág van aart, doch een eerlyk, rëgtváar- 
dig en gOMa^rtxg Vorft. 

Ibrabbn werd pp den dood van zynen Broeder , vol- 
eens de vaftgeílelde opvolging, tot Kbalíf verklaarc. 
Memin dc bevdhebber van Mefdpotamh , Jrmenie en 
^Aderhiján^ deed de hatftgemelde onloílen herleeven, 
en bragt het in weinig ty ds zo ver , dat hy Ibrabim af- 
.2ette, en/2elf den Mululmanfchen throon beklom. 
Jbrabim was dom en onjfioorzigtig , regeerde omtrend 
zeventig dagen ^ en leefde tot het i^^íle jaarder 
Hejra 5 dat van Cbriftus 749. 

' Merwdri Ebn Mobammed^ó^ regeering aanvaardheb- 
bende, had verfcheidene tegenftreeyers , uit onder- 
ícheidene Huizen , díe na het KbaUffibap ílonden : dic 
VHdedde een aanhoudenden binnenlandfchen kryg , en 
de Grieken, gebruik maakende van die verdeeldhe- 
^en , ontrúíten ook zyne beerfcbappy ; daar benevens 
heerichen 'er oneenigheden in Spanje: des niet tegen- 
ftaande behield hy den zecel 1 en hêrftélde genoegzaam 
alles in redelykeorde, tot dat Abu^l Abbas ^ 'uit het 
Huis van Al Abbds, zynen eifch van 't Kbattffchap^ 
met zo voorfpoedíge wapenen aandrong ^ dat hy des- 
zelfs ^rygsmagt verfloege , en Merwán zelven dood- 
de , te Búfir Kúridas , den ^^llen der zesde maand 
van 't 1 3 ^fte jaar der Hejra , dat van Cbriftus 750. Mer- 
t»fl» heerfchte weinig meer dan vyfjaaren, en wasop 
zynen dood 56, 59 of 69 jaaren oud : hy was groot- 
moedig, dapper, voorzigtigen in alle de kanftenaa- 
lyen der regeeringe door en door geoefend. 
• AbulAbbáSy dus den throon beklommen hebben- 
de, vond in zyne regeering nog merkelyken tegen- 
íland , doch zegenpraalde véel al over zyne partyen: 
hy was niet zo gelukkíg tegen de krygsmagt van den 
Griekfchen Keizer, die 't grootfté gedeelte van Armt' 
rAe m bezit nam. Wat Spanje betreft , dat bleéf ón- 
cier hem in ruft, onder Íuzef ^ den bevelhebber van 
Mcrwdn reeds aángefteJd. Abu*l Abbds lei dit leeven af 

tc 



.D£.HISTO!&I£ BER ARABISREH* I93 

te jínbar of te ^/ Hasbmiyab^ den X2dén of isdeii 
der ]aatfte maand van 'c J36fl:e jaar der /^(rfr^, d^t; 
van ChriílQs 754 ^ in den ouderdom van 32^ of juifl 
33 of i|:2<jaaren > naa eene; regeeringVan omtrent viec 
jaaren en negen maandeíi. Hy was beícheiden en 
milddaadig , en zeer afkeerig vaa bloedftorting , boe* 
wel hy zich daar toe , tegen zyne neiging geaood- 
zaakc zage, om den throon te behouden^ 

Abu Jaafar , door zynen firoeder Abtil Jbbás toC 
Khaïíf benoemd , volgde hem op. Hy had een krag* 
tigen tegenílreever aan zynen Oom Abd^ allah Ebn AR^ 
wiens op de been gebragte leger hyegter eerlangver- 
lloeg; ook dempte hy herhaakle opílanden ondeír zy« 
ne regeering; herílelde zich eenígermaate in Armenk^ 
en beveíligde de Mufuimanfche heerfcfaappy in Mefh 
potamíe,^ alsmedein Cilicie en Cappadocie. — Ofider 
zyne regeering, en wel in 't igpfte jaar van dtHejra^ 
l<wam Abá' alrabmán f een afílammeling van den Kha- 
iif Merwdn in Spanje, én werd door de Arabieren al* 
daar voor wettigen Kbattf van het Weften erkend ; 
by behaaJde verfcheidene voordeeJen op TufefyhsLnd' 
haafde, naadeszelfs nederlaag in 't i42Ílejaar,zyne 
onaf hangelykheid , en weigerde aan den Ooflerfcben 
A^Aa/jf eenige fchatting te betaalen : hy wordt gezegd 
ruim twee en dertig jaaren geregeerd , en zyne kroont 
aan zynen Zoon Hesbám nagelaaten te hebben. ■ " , 
Mu Jaafar is de ftigter van Bagbdád , vokoid in 'c 
Hpíle jaar der Hejra ; hy gaf deaelve deo naam vaa 
Medinai al Salamy de Stad van Vtedei of met zinfpee« 
ling op Jerufahm , of om^ dac ten dien tyde aUe de be- 
roeringen in zyn Ryk geftiJd, en byna aiie Volkenia 
Afia aán hem onderworpen of cynsbaar geworden waa- 
ren. Deeze Stad was van dien tyd af , (gelyk voor- 
heen Medina , Damascus , Jnbdr en Hasbemiyab > ) de 
zetel der Kbalífs \ tot op het 65ófte jaar der ífcyf<i« 
—— • Jlbu Jaafar overleed , op eene bede vaardsreis na^ 
Mekka^ den zesden der twaalfde maand ¥a& 'tisgfte 

jaar 



|p4 ^fi CriSTORÍB DtA ÁRABÍE&tt. 

jaar der Bkjra^ dat van CM/Zui775,in den oodcrdoifi 
van ($3 of 68 jaaren , na eene tegeering van twee eti 
twiotig jaare»» ;Hy was een Vorít vao groote Vooi^ 
ítigtigheid , oprechtlieid y befcheidenheid en i&inzaa- 
men ovigang^ wk was hy grootaoedigr dapper ea 
ottoeeaiend wel geoeffeod ia alfede kunltenaaryen der 
TegeerÍQge ; doeh beoe vens dit allet zeer gierig cn by 
zommige gelegeoheden gruwzaam en wreed. 

;^í Mobdi belclom , volgens de aanilelliiig van ^Ben 
Vader , op deszelfs dood dea throon. Huiien de hin- 
nenlandfche onluden ^ die hy nKerendeels gdukkig 
ftilde 9 vindt men , met opzigc tot de Slu&imaDfehe 
fíeerfchi^py , ooder zyoe regeeriag gsm byzonder- 
heden van gewigt , dan alleen dat zyne troepen her* 
haakk inv^len deeden in de Griekfche JEeizerlyke 
Landen , die veel al ten nadeele der Arabieren oitvie- 
len; dcch in 't itf^íle jaar van de Hejra verwoeften ze 
fericheidene Provincien te vunr en te zwaaíd , en ver- 
^reidden de fcbrik hunoer wapenen zel& im Ccnftanti- 
nopolinj zo dat de Keizerin Irene beíloote den vreede 
van den Kbal^ te koopen » door hem eene jaarlykfcbe 
fchatting toe te íbaan. ■ jíl Mohdi gaf den geei! 
te AruByátn twee en twintigften der eerfte maaod van 
^t lópfte jaar der Hefra^ dat van Cbrijlu% 785 , naa dat 
hy tien jaaren y ééne maand en vyitien dag» gere- 
geerd bad; zynde op zynen dood naby drie en veertig 
jáaren oud. Hy was milddaadig en zeifs verkwifl;end ; 
een grootmoedig en dapper Vorft, zeer bemind by 
zyne Onderdaanw , uit iioofde van zyne onpartydige 
bediening der geregtígheid , en zynen af keer van 
itienfchen bloed te plengen. 

- Dit gedeeke van de Hiílorie def Arabiereo behelít 
eene zeer groote omwenteling huoner regeefinge, als 
zynde het Kbaïtffchap , in dit lydbeílek , uit líec Huis 
van All o vergegaan tot dat van Ommiyab , eq van daaí 
tot dat van AlAbbás , het welb eeae oorzaak van al- 
loosdaur^e onwnighedeo^, zeif» tot op-dADtfi^geD* 

woor* 



fiE ttlST«l((B XHÊR AHitíJËREN^ I05f 

mroordigen ty4, otiáer de Muftdmanmn (*) geweeíl Í9/ 
gelyk de Schryverg v^n dit Werk zeer Qnderfcttóden 
doeB zi^n ; het welk hm ook aanlekling goeft ^ om de 
veríchiJleade gezinien onder de Mufidmannen n^dei tc^ 
(Hitvouwen, dat ons hwne verdeeklheid » endeizel* 
ver grofidflagen duidelyk voor oogen íleln : ze doea 
ook cev^na zreq wat invloed de oaluden der Arabie-- 
ren op de asa^kea der Chriftenen in die Landílfeekea 
hadden; van waar ook verfcheidene byzonderheden 
mec betrekking tqt de Chriften •< Kerk in 'c Ooften in 
diit ftii^ voorkotnen» Voor 't overige is hun gefchie\l« 
kuiidi£e^ verlMSi^ doormengd met verfcheidene leezens- 
waardige siifuinierkingen' • e« berigten van byzonder- 
h^deQf die dit ftuk ^ dafi afideF& zeer eenzelvig zoa 
2(yn , ais beli^lzende geftadige biiuienlandfche onluílen 
Qn buitenlandíche kryg^n» veitleevendigen ^ en daar 
door den Leezer gevalliger maaken^ 

(^) De benaamíng vaji Mt^ulwmn is eene Godsdi^níU|;e benaa* 
mlng in *t Ooílen, en duidc, ter onderrcheldínge van Jooden ea 
Chriftenen, tegenwoordig aan, de geloovige omhelzers dtr Lee- 
re van den gewaanden Propheet Mobamnked. De bepaalde bete- 
kenís is een gelawjige^ als amaminende van Aslimn by heefi^ zicl^ 
wergegeven , is geboorza^m > geloovig geworden. Illam zegt zx> veel 
als geloofy van daar wordt de dieníl van den éénen waarcn God 
iWamf/mux genaamd , in te;genoverílelUng van hti Sabatfmus ^ de 
dien(t der Hemelfcbe lichaamen , en van hier Musliman of MuJúU 
wan een geloovigei die den éénen waaren God dieni. 



MATTn^i VAK GElTNs , Mcd. Doft. De Morte corpona & 
C^jifis mïiepM Di/Jertatio patbologka. 

Íy4'k^n^e Ferbandeling van den lichaatnlyken Dood^en d» 
OorsKiaken, van tejierven. Door matth..van geuns ^ 
Med. Doft. Te Lsiden , by Dirk Haak en Abr. Hon- 
kpj(^. In graot qmrto 71 bladz. 1761. 



w 



Y hebbQp in een voorgaand íhiHje vaqt' oaze 
hsilfíKQS^cm^ eea. uiti^ig berigt g^e% 

vcn 



igtf VAN 6E0NS OVBR 

vtn vao de Verbandelíng van den Heer van givss, 

aangaande bet Dcbaamlyk Lpoen ; en twyfelen niet of 

onze Leezers zullen door de íchetfe welke zy hier van 

gezíen ^ eo de goede redeneeríng wetke 'er in gehoQ- 

den is ^ verlangende wezen , om een zaaklyk verflag 

te zien aangaaode de Verhandeling van den zelfden 

Schryver » raakende den IJcbaamlyken Dood , en de 

oorzaaken van ílerven. De eerfl:genielde is door den 

Aa3:eQr opgeíleld uit eigen beweeging , nog aan de 

Hooge School te Groningen zynde , de laatlte by ge- 

legenheid van zyne bevordering tot het Do£loraat te 

Leiden. Keure van ítoffe hebbende , kon 'er , inder* 

daad, geen bekwaamer^ en beeter voegende op de 

Toorgaande , gevonden worden dan de Lichaamlyke 

Dood en de Oorzaaken van te JUrven. Eene ftoffe welke 

zeldzaam voorbedagtelyk behandeld , en volgeos de 

hedendaagfche befchouwing van de natnur des men- 

fchelyken lichaams, bearbeid of uitgewerkt is: waar* 

om dezelve de nieuwsgierigheid van veelen zal opwek- 

ken. En niemanty gclooven wy, zal zich ligtelyk de 

moeite beklaagen , de Verhandeling doorgekezen 

ce bebben ; om dat , fchoon de natuur en het beítek 

van zulk een Akademifch werkje, vergeleeken met 

de uitgebreidheid der ftoffe , niet toelieten het ftuk toc 

de uiteríle klaarheid te brengen , gelyk de Schryver 

erkent, 'er een groot getal zaaken in voorkoomen, 

welken , behalven op zich zelven leezenswaardig te 

zyn , zeer veel licht Ipreiden over de verfcheidene 

corzaaken en verfcheiden wyzen van fterven ; door 

een ongemeene beleezenheid veraaderd , en een juift 

oordeel in orde gefchikt en bereaeneerd. Wy zullen 

cen korte fchets van het Werk tragren te geeven , om 

de Leezers te doen zien , wat zy ^ van het geheel te 

doorbladeren , verwagten kunnen. 

De Verhandeling is verdeeld in vier deelen. In het 
eerfte wordt gefproken van den Dood^ deszelfs oorzaaken 
in *t algemeen^en eene verdeeling van den Dood^ ftrekkén- 
de tot eene ínleiding. De dríe pverige verdeelingen 

ver- 






DBN £lCfiAAMLÝK£N í)OOD. Ij>7 

vemtten éigenlyk den inhoad der Verhandeling. In 
het t weede , van de werktuiglyke wyze van ýerven. De 
derde Verdeeling heeit tot opíchrift , de Dwd uit ge* 
hreken van bet mengfel derjloffê. £n de vierde, de wyzi 
vanjlerven door oorzaaken bp de kracbten werkende. 

Gelyk het opíchrifc der Vefhandeling ípreekt vah 
den licbaamlyken Dood i bepaalt zich ook de Schty ver 
hier aan , in tegenoverílelling van den Dood ^ welke 
beítaat in eene fcheiding van Ziel én Lichastm. Het 
licbaam wdrdt gezegd dood te zyh , wanneer in het zel« 
ve geeiíe beweeging of werking íneer gefchiedt, wel^ 
ken nódig zyn tot bewaaring en inílandhóuding def 
huishoudinge y om tot hec werktuiglykej en het einde 
waar tde hec gemaakt is , behoorlyk te dienen ; efl 
te gelyk verioofen heeft het vefmo^en , van uit zyne 
ruíle, dóor eeúig aandoenend roiddel^ wederom op- 
gewekt te kíinnen wofden. Dit laatíle wordt 'er byge^ 
voegd , om den Dood Van PJaauwte en andere tdeval- 
len, waariíi een lichaam dood fchynttezyn, doch 
ihderdaad niet is , te onderfcheiden. Gelýk nu de na- 
tuur van dcn lichaamlyken Dood beftaat in ëene ftit- 
íland der beweeging van de werktuigen des levens , 
enonbekwáamheidy ottk door eeúige áanprikkelende 
oorzaak wederom in beweeging gebragt te wofden ; Í9 
ocrk het gene dit beweegVaardig Ýermogen (•) heeft 
verniêtigd , de naajlé , dat is , waare en natuurly k6 
oorzasdc Ván den Doód ; en deeze i^ alcyd deáelfde , 
gelyk de Dood altyd dezielfde en aan zich zelye gelyk 
is. Maaf y deeze oorzaak heeft veel voorafgaande oor- 
zaaken , wélken het lichaam tot eenen ítaat brengen , 
dat het , doof de gemelde úaaíte oorzaak , van het lé- 
ven tot den Dood overga. Nademaal hët lichaam uit 
Zeer veele deelen is ramengêíleld , en naar de Wetten 
van beweeging gefchikt, en elk het zyne, ten nutte 
van het leven en de huishouding toebfengc, zyn 'er 
ook verfchiUende ^yzen van íterven i nav maate ee- 

(*} Irntakílís^.ficíikas. ' ' ." 

kx.])ul..Ho^3« Ó! 



»9? y^W CEtTNS OVEÏt 

pige deelen ophoud.en te werken,welken minof meer 
jtot onderhoud van het leven noodzaaklyk zyn , eii 
door welker ftilftand anderen niet kunnen voort gaan 
?ich te beweegen of te werken. De werking van de 
Maag en Darmen, b. v. vernietigd zynde ,zullen hier 
floor ook de noodzaaklykíle beweegingen tot het le- 
yen vernietigd worden ; en zo met yeel andere deelen 
insgelyks. Hiej uit blykt,dat de oorzaaken desDood* 
terecht verdeeld worden in eennaaíle en algemeene, 
en In byzonderen. En van deeze laatften hangt af de 
groote verfcheidenheid der wyze van fterven , als in 't 
yervolg blyken zal ; waarom de Schryver zulk eene 
yerdeeling van de oorzaaken desDoodsheeftgemaakc^ 
íils WY , in 't begin hebben aangemerkt : met deeze 
waaríchouwing echter,dat men dezelven niet zo heb- 
be op te vatten , als of het gene onder de eerfte ver- 
deeling gebragt is , alles van de tweede en derde uit- 
fluit: want diKwils loopen veele oorzaaken te fameny 
pf volgen op elkander. Het is genoeg dat de geftelde 
porzaakejn tot zekere verdeeling meer daa toc éene 
Van de anderen behooren. 

De JVerktuiglyke wyze van ýerven. 

De Heer van geuns geeft aan deeze yerdeeling 
jden voorrang , om dat. de oorzaaken van een werk- 
tuiglykqn Dood, doorgaans, blykbaarder zyn danan- 
'deren ; als beftaande in afflyting , verftyving en ver- 
harding der deelen , waar door onbekwaaipheid tot 
beweeging en werking, en gevolglyk, de Dood. Híer 
van moet , echter , niet uitgeflooten worden eep ge« 
brek in het mengfel der vogten , *t welk hierop nood- 
;eaaklyk volgt. Want door de verharding en fkmen- 
.groeijin^ der vafte deeleri , wordt het getal der vaten 
xninder ; de ^ffcheiding en uitloozing gefchiedt niejc 
jso gemaklyk,en'er koomt eene Qn.taarding in de vog- 
ten^ welken méer dan behóorlyk in *t lichaam gehou- 
Vleh worden. De Hcer r u i s c h heefjp het verdwynen 



V** 



DÊN LICHAAMXYXEN DOOD. 1^9 

tao de KUeren van het Darmfcheil (*) en eeo^eMelk* 
vaten, in oude lichaamen , als eene der oorzaakeo van 
den Dood door ouderdom aangemerkc. Wanc « door 
het afzyn van deezen kan de Chyl niet genoegzaangt 
verdund, of zo bereid worden, als cot bevaaring vaa 
het leven nodig is. Waar by nog koomc eene traag« 
heid van beveeging in de daelen , welker beweeging 
tot hec leven vereifcht wordc,QÍec alleen uic derzelver 
verharding, door hec famengroeijen der vaatjes, maar 
ook uíc de verdikking der vogten ^ welken , hierom f 
bezwaarlyker te beweegen zyn ; en hunne overtoUige 
aardagtige deeltjes ligter losen Í0 devafte deden ach«: 
terlaaten , en dus dikwils plaatslyke verhardingen en 
beenwording veroorzaaken , zelís in niec uitgeieefde 
onderwerpen ; welk byzonder gehrek idch door .des 
Heeren hallëks waarneemingfin laat ophelderen* 
Waar uit men ziet, hoe het een mec het ander famen^ 
loopt/en de éene oorzaak de andere verzelt of voorti» 
brengt , terwyl met dic alles ook de beweegvaardig*» 
beid der deelen , en dus de natuurlyke levenskrachcea 
afneemen. 

Behalven het gemelde kan ook al te groote Vetbeíd 
een werktuiglyke oorzaak van den Dood worden , door 
de vryheid van de werking der deden te beletten , en 
de kracht derzelven te fmooren. Ook worden de dee» 
len hier door zo verzwakt , dat zy hunne fpanning 
verliezen,en als verteerd of in vet veranderd worden. 
Doch hier by koomt al wederom in aanmerking, dat 
het vet ook van zyn góëdehoedaDÍgheíd kanafwyken ^ 
en fcherp zynde, onder de vogcen vermengd, pf op 
zekere plaatfe tot ílilíland genoodzaakt worden ; en 
dan zal het niet alleen als een werktuigIyke,maarook 
als eené oorzaak van een kwaad mengfel der vogten » 
deo Dood aanbrengen. Het zelfde moet ook gezegd 
worden van de VoS)Joedigheid (f), welke 2elden op 
zich zel ve y zonder van andere mede werkende oorzaa« 

V keií 

(♦) Mefsníerium. (t) Pletbiíra. 

o % 



SCO VXV 6EVNS 0V£& 

ken verzeld ge weefl: te zyn , of voortgebragt te bel^ 
ben j bet licbaam doet ílerven ; en nog meer van een 
algemeene W ^iterzugt , water tuffcben vel en vleefcb (*) 
genoemd , by welke doorgaans een merklyk gebrek in 
cenig Ingewand , en bederf in de vogten verzeld gaat. 
Doch een Luchtgezwel (f ) fcbynt door een geweldige 
opblaazing van het Vetvlies , aUe de beweegingen en 
werkingen des levens , zonder tuflbhenkomue van iet 
anders , te kunaen fmooren. 

Maar 'er zyn andere werktuiglyke gebreken en oor« 
zaaken ^ welken plaatslyk zyn , en doodlyk worden , 
om dat ze de huishouding des levens berooven van iet 
't welk niet gemiít kan worden. En deezen zyn of io<' 
wendig uit zaadlyke beginfelen voortkoomende ^ of 
van buiten aaogebragt. Tot de laatílgenoemden be- 
hooren geweldige kwetzingen ; tot de eerftgemeldeit 
de Hert - prop (§) , Gezwellen, Verhardingen , Slag* 
aderfpatcen eoz. waar door de noodzaaklyke omJoop 
van het bloed geíluit wordt. Voorts , al wat de Adem* 
haling kan ílremmen , 't zy van buiten aangekoomen i 
of een beginfel in het lichaam zelf hebbende. Men 
moet máar hier by aanmerken ^ dat de Ademhaliflg 
belet wordende^de vrye uicgang van het bloed uit hec 
Hert f en vai> de Heríenen naar het Hert y te geiyk 
geweerd worde j en alles famenloopt om dcn dood aaa 
te brengen: 

Scerke aandoeniogen van het Zenuwgeíbel en Scoip' 
trekkingen veroorzaaken , door werking op de Herfe- 
nen , den Dood. Men moet hier by voegen , dat van 
gelyke uitwerking zy, al wat de Herlenen of de oor- 
íprongen der Zenuwen kan drukken , 20 dat de yrye 
werking derzelven geíluit worde* A\ wat de Maag en 
Barmbuis buicen ílaat flrelt om fpyzen te ontfangen of 
te verteeren , wordt doodlyk ; zo echter , dat door- 
gaans verlcheiden toevallen verwekt worden , eer ee- 

• nig 



# *« i « 



C^7 Hydrops itm r«^M» en ^« 0'«ff(«. 
(t) Empbyjema. (J) Folypus cordis. 



•> . 



PEN LICHAAMLTICEH DOOD. tOI 

nig ^ebrek van deeze deelen , fchoon op zieh zelven 
doodlyk zynde^ den dood inbrenge. Men weec door 
oudervindinge , boedanigen in vloed de beledigde Maag 
en Daraien , door aandoening van medelyden , hebben 
op de geheele huíshotiding des lichaams ; behaive dat 
bloedítortiagen uit vacen van deeze deelen , gekwetíl 
of doorgeknaagd zynde,doodlykkonnenworden. Be« 
kdigingen van andere deelen ; welken tot de hnishoa- 
ding des lichaams minder noodzaaklyk zyn , gelyk 
Uitleedingen en Been * breuken ^ moeten aangemerkc 
worden niet enkel werktuiglyk, niaar door hec ver- 
wekken van toevaHen , welken toc de voigende ver* 
deeling behooren , doodlyk te wordea. 

De Dood uH gebreken van bet Mengfel der Stoffe. 

Het gene vande werktuiglykeoorzaaken des Doods 
gezegd is ; wordt ook tot deezen van het Mengfel der 
ItofFe overgebragt : naamlyk dat deeze gebreken , 
fchoon ze doodlyk zouden zyn , van andere gebreken 
~ verzeld worden , of dezelven veroorzaaken , waar door 
de Dood haaftiger en zekerder volgr. En , gelyk zich 
de werkcaiglyke oorzaaken by deezen y voegen zich 
deezen ook wyders by zulken welken op de krachten 
werken (waar van hier ha) , en het liehaam doen íler- 
ven. Hier wordc eerft genoemd de nacuurlyke over- 
helling van hec lichaam coc verrocting; welke, inzon- 
derbeid wanneer 'er eenige verzwakking door ouder« 
dom , of eenige|zieklyke gefteldheid bykoomt ^ al vry 
fterk kan zyn , en , alc 't ware , een algemeene gereecí- 
heid tot bederving voorcbrengen ; weTke coc den Dood 
koomt, zo draj door het minfte geweld, de flaauwe 
kvenskracht wordt onderdrukc. In fterkere lichaamen 
kupnen eenigé deeIen,door uicerlyk geweld van kneu* 
zing , branding ^ enz, coc een dergelyke verrotcing 
overgaan ; welken in deelen , coc hec leven noodzaak- 
Jyk 5 vallende, uit eigen aart, den Dood aanbrengen ; 
of 9 in 9pdere en min voornaame deelen ontftaan zyn- 

O 3 de. 



de, door befmettiiig en voortgang van het verrottê, 
het lichaam onbekwaam maaken om te konnen blyveij 
Íeevén, Dat de koude verílerving en verrotting in de 
deélen veroorzaakt, is door ondervinding bekend, 
grooter,naar niaate de koude of beyriezing íterker is; 
en voornaamlyk, wanneer zodanige bevroozene dee- 
len, te fchielyk, door het vuur wederom yerwarmd 
worden ; of de koude , na een merklyk voorgaande 
warrate, op het deel valle. Gelyk alle Ontlleekingia 
Koudvuur kan overgaan , konnen ook alle Ziektcn 
/ raet Ontfteeking zodanigen uitgang hebben ; welke 

doodlyker is, naar maate de íloíFe der ziekte kwaad* 
aartig en befmetlyk is. Inwendige gebreken in eenig 
Ingewand, Zweeren, Kankers en andere broeineften 
van kwaade ftoffe, Virelken te meer kwa^d doen, als 
'er een fcheurbuikige of andere kwaade gefteldheid 
ifi 'tlichaam plaats heeft,moeten hier toe ook gebragt 
worden. Ook maaken yeele foortenvan Vergií Koud* 
vuur , voornaamlyk in de Maag en het Gedarmte. 
Sommigen van de laatftgenoemde oorzaaken, dooden, 
nogcans , niet zo zeer door het aanbrengen van bederf 
met verfterving, als wel door de ontftelteniíren, wel- 
ken hier door, in hetgeheele lichaam, verwekt woi;- 
den. Waar uit al wederom gezien wordt , hoe ligt ver- 
fcheidene oorzaaken by elkander koomen. De ver- 
branding maakt ook zekerlyk eene verfterving , en 
moet, derhaive, op de lyft van de genoemde oorzaa- 
ken toegelaaten worden : maar de werking van de 
blikfem. wordt gebordéeld tot dit foort niec dan teq 
deele te behooren ; óm dai, fchoon zy wel verbranding 
ínaake , zy zulks doet met meer geweld en een byzoa- 
dere kracbtt 

Kan'erzulk eene brandbaarheid in ons lichaam ont* 
ilaan , dat ze , hier in nog beflooten zynde^ vlam vat- 
te ? vraagx de Schry ver. Het; antwoord is , diat ver* 
ícheiden gevallen , welken meú niet wel kan looche- 
nen, zulks te kennen geeven» Hoe dit geicbiede, 
wordc in 't niidde geiaaten ; doch tqoc zekor gefteld y 



DEN tlCHAÁMLYKBN DOOQ. fO^ 

dat waar zulk eene verbranding gefchiedc, dezelte^ 
indien anders eenige^ een oorzaak des Doods worde» 
door het Mengfel der ílofFe te bederven. 

Dé "VDyze vanjkrven door fVerking op de krachten. 

Hier wordc de beweegvaardigheid der vezejen aan- 
gemerkt als bet voornaam beginfel des levens ; welke 
in hec lichaam vólherdende ^ blyft hec zelve leeven , 
hoedanige andere gebreken van het maakíel en meng* 
fel, in hec zeive, mogen plaacs gevac hebben:maar dit 
ophoudende , alfchoon geen ander gebrek in het li« 
chaara konne bemerkt worden, fterft het. Welke eá 
hoedanige oorzaaken, en op welk een wyze dezelveá 
bierop werken , moet uic ondervindingen opgemaakt 
worden. In'calgemeen wordt bevonden, datde be* 
weegvaardigheid of aandoenlykheid in het eene lichaam 
veel groocer is dan in het ander ; en gelyke oorzaa- 
ken , hierom , van zoer ongelyke uitwerkingen konneii 
zyn ; op een ligt aandoenlyk van groot, op een amier 
van gering of geen gevaar. Hier van hangt, groot* 
deelis , of de uitwerking van heftige ziekcen , heete 
koortzen enz. en voornaaralyk', van gemoedsdriften 
welken fterk zyn , als toorn en blydfchap, bêide, dik- 
wils, doodlyk bevonden. Hier van wordén eenige 
voorbeelden , uit geachce Schry vertf áangehaald» £il 
deezen worden dan^vari de meefte kracht, wanneeif 
de gefteldheid des lichaams hier coe medewerkc. Ster- 
ke infpanning van gedagcen , op eehige enkele denk* 
beelden of zaaken , kontien ook van dergelyke uiiwer* 
kingen worden gevolgd. Van zo veel vermogen* it de 
werking van hec ^enuwgeftel, als *c ware, ontnidlyki 
op het leven. 

Vervolgens gaat nu de Schi'yver over toc voórbed- 
den , waar in de deelen meer door ftofFelyke oorííl*- 
ken oncruft of getergd worden. En hier toe woi^t ,• 
voor eerft , gebragt de koude van een Koprcze , bé-^ 
ftaande in ee^ krampagtige famentr^kking van byna 

O 4 bet 



•204. FAN PEITNS; OyBH 

het 'geheele fameoílel der vaten des lichaams ; waai 
pp (sen algem^ne bleekheíd , b^eving, ílyfte, onge- 
Toeligheid ^en zqde Qatupr niet inítaat i$ dezekraipp- 
agtigheid te overmeefteren , de Dood volgt. Hie^ 
toe kpnnen opk plaatflyke ppbpopingen , uit een by« 
zondere kranipagtigheid , voornaamlyk , omtrenc hec 
tiert, gebragt worden. Dan volgen aandoeningen 
en beledigingen , welken van uiterlyke oorzaaken af- 
hangepde , als't ware^ plaatflyk en byzonder zyn ýgelyk 
íterke aandpeningep en tergingen van zenuwen , van 
het merg der groote en kleine Herfenen en het Rug- 
merg» of eienige voornaame zenuwen over het gehee- 
le lichaam , waarop allerhande foort van Stuip- en 
Eramptrekkingen en de Dopd ýolgen ; gelyk ook de 
iioodlyke toevallen, welken de tergeude kwetzingen 
der Blaaze konnei^ overkoomen , ep byzonderlyk der 
Lyfmoeder in zwangere en baarende vrouwen. Welk 
alles beweezen wordt met verfcheiden voorbeelden, 
in welken men, na den dood, behalven zodanig een 
prikkelende oorzaak op eenige zenpwagtigis deelen, 
Aet geheele lichaam welgeíleld bevondt. 

By deeze oorzaaken worden ook gevqegd de aan- 
doeningen op het Zenuwgeílel , welken , pp een meet 
bedekte ivyze , gemaakt worden , dopr Vergiften , 
en dingen welken eep vergiftigende kracht hebben, 
^amp^p , beímetlyke pitwaafletningen , de ele£lrici- 
teit en de blikfem t welken «o dikwils doqdlyk be- 
vondep vorden. En wel eerfl: s^odanige Vergiften , 
welken uit Myp * íloffen yoortgebragc worden ; wel- 
keo X bebalve datze de deelen verknaagen , flierke aan- 
ijloeningen op het Zenu^^sefleil piaakep , en oorzaalc 
zyn van alles wat hieruit xan vportkoomen. £n door 
dit laatflgenoeinde fchynen de Vergifcen uit Gewas- 
fen^ welkeo ipinder vermpgenv^p dporknaagingheb- 
ben , meerendeels te werken : ivaarpm ook in deezen 
^en Braakmiddel , tydig genomen ^ doorgaahs, de uit* 
Verking Qreipt. Dit \irord( bew^ezen met voorbeel* 

«len 



BEK LICHiAMLYKEM Dt>OD. fiO^ 

dea van de Scbeerling^ (*) , de Monnikskap (f) enz». 
Dat het Heulfllp ($) in te groote maate gegeeven 
doodlyk worde, is bekend ; fchoon de wyze hoe dic 
gelchiedt, niet geroaklyk zy te verklaaren. Zeekeri^ 
hec» dat dit JMiddel , in de Maag genomen, de na- 
tuurlyke werking vennindert en verdbofc ; waar in 
ook , vervolgens , deel hebben zodanige Ingewandan , 
welken , daor medejydendheid met de Maage > kon* 
nen aangedaan worden. Het neemt dan de beweeg- 
vaardigbeid weg van de deelen , in welker werking ea 
beweeging het leven beílaat , en op welker ílilftand 
de Doodyolgt, 

Toc de Vergiften, welken recbtftreeks onder h^t 
bloed gebragt worden , behooren.de befmettende ftof- 
fen uit het byten van vergiftige dieren , en onder 
deezen voornaamlyk van adders en llangen. Hier 
op volgen 0ok veele toevallen in de levensdeejen , al$ 
Verzwakking ^ Slaap - zugt , vérminderde eh tuftchen-* 
poQzende Slag (Pols) ( j), fienaauwdheid, Stuipën^ Qal-. 
braaking , Ruifching der ooren, koud Zweet en Plaauw^ 
te, eer de Dood koomt. Het bewys wordt gegeeveu 
met de Froeven van een Ratelllang op honden en an« 
dere dieren. Doch de uitwerking van het Ameri** 
kaanfch Vergif , waar mede de Indiaanen de fpitfea 
van hunne pylen beftryken, 't welk degeringftewoa*. 
den, hier mede gegeeven, doodlyk maakt^ fchynt 
alles te overtreffen. 

Vervolgens fpreekt de Heer van geuns van de uit- 
waaíFemiqgen en dampen , welken ^ door de Adetnr 
haling aangetrokken wordende^ doodlyk zyn. Zoda*. 
nige dampen uit Mynen koomende , hebben een 
ver)cnaagend vermogen^ waar mede zy op de Longe 
werken, op gelyke wyze, als te yore, van ingenor 
mene My n - vergiften , in de Maag , gezegd is. Hier 
toe worden ook gebragt de uitwaa0emingen vai} 
K^lk, of eerft bepleifterde muureq. Ookzyndedam- 

pen 

(?) Cicma a Cuatica. (f) Napellus. (J) Qpium. ' (|) P.ulfuf. 

s 



l>en vaii lichaamen , welkea if rap en ^ezen * loosheK} 
jreroorzaaken , fchaadlyk; 'c wdk ▼oornaamlyk op 
hec Heulfóp moec £epaft worden. De damp vaa 
gloeijende koolen fdájut ook ilaap en den Dood te 
veroorzaaken; waax mede echter nog eenige andere 
coevallen verzeld gaan , als ho<tfdpyn y verffloeidheid , 
verdaiftering de3 gezichts, fcbielyk verval van krach^ 
ten enz. De damp uic dranken , terwylze in gifting 
fiaan dóor ván hblmont Gas fflvefire genoemd , doec 
iemant, die dezelve inademc^ oogenbliklyk neerval» 
)en en fteryen. 

Van een andere natuur , maar niet minder verderf- 
lyk zyn ftinkende en rottige uitwaaíTemingen. Hier 
^oor wordt de lucht , welke wy inademen , onbek waam 

Íemaakt toc onderhoud van het leven. Behalve dit 
'efmetten zodanige uitwaaflemingen de lichaamen , 
ien maaken dac ziekten uic bederf ontíUan , welken 
ïwaaduartig en doodlyk ^ ja de Peft gelyk zyn. let 
derffelyk^ wordc ondervonden in putten of holen mec 
ftílftaande wateren , welfren in langen tyd niec geo» 
l^nd zyn^ Zwa/veNen Myn-ftofielyke dampdn^ uic 
^mmige groeven , zyn ook kwaadaartig en doodlyk. 
Hier Mrorden verfcheiddn Proeven, inzdnderbeid door 
jden beroemden nollet^ ín hetbékende Honds-groCy 
^Napels^ genomen, bygebragt ; de uicwerkingen 
vzn welken allen moeilyker te verklaaren zyn daa 
van ftinkende en rottige uitwaaflemingen. Eindelyk 
fpreekt de Schryver van de Blikfem en de Eleélrici- 
teic , weiken veel gemeenfchap onderling fchynen te 
hebben , en waar van de uitwerkfelen , op de mei)- 
fchelyke Iicha»nen ^ zeer groot zyn. De EhfMfiPeit , 
iv^elke tot geneezing vail fommige kwaaien ftrekc ^ it 
doodiyk, alsze met te groote kracht werkc , gelyk 
dbor het voorbeeld van den HeerRicHMÁN, Profeflbr 
te Petersburg beweezen wordc. 

Zie hier nu de óoi^aaken van dën JUcbamlyken Dood^ 
konftig tot een Samenftel gebragt^ zo veelde ver< 
fcheidenheid en Qndereehioo^g van dezfe ocír^aken 

cpe» 



9EN LIOH^áMttKBN pOOQ. ííbf 

toelaat. Wy hebben 'er weinige Van des Auteurs bo- 
P'edeneerde uitbreidingen , of aangevoerde bewyzeii 
én voorbeelden koniaen byvoegen; om dac wyanderf 
de geheele Verhandetíng haddeft moeten overfchry- 
yen. Hee befluit, waar in de Heer van geuns eeqi 
korce herhaling van hec verhandelde , benêvens de 
redenen van de Hoofd- en Onderverdeeliogen heeft 
gemaakC) geefc nog eenig nieuw Íichc aan hecgeheell 



Ferhandeling over de Kattiur en Aart van de Klier' Ktiocjl-^ 
en Kanker - Gezuoellep , tevens aantoonende de voíjlrekt^ 
ontnooglykheid om deeze laatjlen door in - of uitwendigei 
Middelen , dat is , door den weg van Ferdvoyning qf 
Verzweering te konnen geneezen. iFaar in te gelyk dei 
Verbandeling van den Heer a. stork ^ íloomskeizer- 
llyken Lyf-Arts , over de Cicuta, of DoIIe Kervel^ 
pordeelkundig onderzogt en ter toetze gebragt wordt , do(m 
JACOB vAN DER HAAR , Hcel enHand-ArCs van de 
Stad en het Hospitaalífcr Hoofdftad's Hertogenbofch. 
Te Amíleldam by Jac. van Heun 1761. 84 bladz» íif 
. groot OSlavo. 

V 

WY hebben al vroeg onze twyfelingen , aan- 
gaande de geneezing van Knoeft en Kreeft 
gezwellen, door middcl van de Cicuta^ van deri Heeý 
A. s^óRK , in eene Verhandeling , mec opzec hier over 
gefchreeven , voorgedraagen , met befcheidenheid , 
voorgefteld en aangeweezen. (*) De Proeven welkeii* 
wy zelven hier omtrent genomen hebben , en onsr 
Van anderen gemeenr gemaakt zyn, hebben ons ia 
deeze twyfeling gefterkr; en ce meer doen gelooven, 
dac de ÍJeer stouk geen behoorlyk onderfcheid ge- 
maakc heefc in zyne opgegeevene waarneemingen , 
welke gebreken of Gezwellen Scrofuteuze , en welkení 

in- 

(♦) Zie de Lctteroefening. Ifte D. pag. 338 r 339. 



^ KNOEi^T- BN KANKERG1ZW1LI.BN 



iaderdaat Enoeít-pf Kankeragtig waren. Deeerftge<^ 
Qoemden zyn geneeflyk zonder de Gcuta^ de laatfteii 
wederftaan ^lle^ , 4e Cima niet uitgezonderd } gelyk 
de voorbeelden yan tyd te tyd en van alle kanten be* 
yeítigeQ. D/eeze bevinding maakte dat de groote 
drijft van Proeyen met de Gma , tegen de Kanker , 
te neemeyi , al wederom begon te verflaanwen , en dic 
Íiliddel zou te mets in 't vergeet geraakt zyn, gely^ 
omcrent de Bella Donna gebeurt is , al hadc 'er zichnie* 
inant openlyk tegengekant. De Heer van der haar 
heeft echter goedgevonden eene wederlegging te 
fchry ven van het gene de Heer stork , van de kracht 
en werking dcr Cicuta hadc opgegeeven : want dit is 
bec eigenlyk oogmerk van den Heer yán i>er haar, 
om g^lyk hy met eens anders woorden , in de Op- 
dragc, zegt, bet Gemeenebejl dienjl tedoen^met I^enwy- 
vr te maaken , en bunne ligtj^eloovigbeid te doen afieggen. 
' Met hec gene aangaande de natuur yan de Klier- 
Knoeft- en Kankergezwelleq gezegt wordt , zullep wy 
óns niet ophouden. De Nacuur van dejeze GezwelleQ 
is cot nog coe niet zo verklaard , dac ^er niet vry wac 
Toor en tegen gezegd kan worden. Alleen wo^dc ce 
recht aangemerkc , 'c welk hier ce pas koomc, dat io 
cen Knqeíjt en Kankergezv/el , zulk eene ontaarcing en 
verharding van hec geheele wezeq van het Klieragtig 
lichaam , waar ip zulk een gezwel oncftaan is , ge- 
jtchiedt , dat men iich niet ]^an verbeelden hoe zuli; 
een lichaam zou konnen ímelcen pn verdwynen« of 
cot vorigen ftaat herbra^c worden. Die Knoeftge- 
zwellen, van of uiceen licb^amgenqmen^ onderzogc 
én betaft heefc , kan h^t byna niet anders dan on- 
mooglyk voQrkoomen , dat zulk eeii lichaam door eenig 
inicjdel zou konnen opgeloft , of tot een goedaartige 
verzweering gebragt worden. Dje vrugtelooze Proe- 
ven van veelen , met.de Cicutat in lyare Kankerge- 
zwellen genomen, hier by koomende , doen hetvoor- 
geeven van den Heer stork door de vingers vallen , 
en de opgey^tte hope van fommigen , in vQrige wao- 

hope 



MIEt t£ CENEEZáTl O00£C D£ CICÚTA* ÍÓj^ 

hopeopzulk een geneesmiddel , wederom overgaaow 
De Heer st6rk fteJt groote kracht in de Cicuta ,eii 
raadt hierom dezelve, met omzigcigheid te gebruikeo': 
de Heer ván der haák ftelt 'er byna geene kracht in , 
noeh ten goede^ nochten kwaade^ en meentdatom- 
zigtigbeid, in dit geval, uit bygeloovigheid ontftaat» 
Zelfs heeft hy in het Sap van de wortel niet iet der* 
gelyks gewaar geworden, als Dr. st5rk zegt onder* 
vonden te hebben (a). Dus gaat het ligt, als nïen ie* 
mant tegeúfpreekt , dat mennleent zo Wyd van^ Beni 
te moêteB wyken als bet mooglyk is , om geenen 
fchyn te geeven, dat men met zyn Partye ergens iií 
Dverleenftemt ; eii valt dós van hét eene uiterfte in het 
ander. 

Onze Schryver o^ícrloopt degevaHen doprden Heeif 
STORK opgegeeven , * en wedéríegt dezelven» Het Ifté 
Geval is , volgens den Heer stork , een groot Knoeft- 
agtig Oorkliérgezwél , aan een jonge Dogter, 't wfelfc 
drie jaaren geduurd hadt. Na het vrugteloos gebruiic 
van andere irit^en inwendige Middeïeny hadt metf 
haar df ie weekén gegeeveri de Spiritiif Ftésmenti met 
Sublimaatj doch ook te vergeefs. Men liethaar, agií 
dagen , allê dagen twee greinen EttraStum Cicuta ge- 
braiken ; en na deeze ï6 greitíen was dit Gezwel kleí- 
ner, weeker en beweeglyker; en na maar weinige da-' 
gen 4 greinen *s daags gebruikt te hebben , de helft 
verminderd , en binnen zeven wecken geheel genee- 
zen. „ Hetfchvntzeker, wonderlyk ", zegt deHeer 
Van der haar hier.op „, dat een driejaarig knoeftag-' 
9 lig Gezwel , als de Schry ver dit belieft te noemen , 
^ binnen agt dagen, en ná ig greinen Extr. Cicutm 
n (die een gezond menfch geruft^ op eenen dag^agt- 
y, maal gebruiken mag) zó veranderd is. Ik maake ' 
n daarom zeer veel bedenking, ofikdiiniet veel^eer 

„ aan 

• \ * 

(a) Men heefc reeds Extra^ uit Het fap van de d&.wortel'de». 
Cima bereícf, tegen de Kanker gebruikt, zonder fcbade^ doch. 
pok vrucbcdoos; 



^ïp tlÍOZÍT- £N ÍCAN'KERGEZlRriltLjStf 

^ stiin h^t kort voorgasmde gebruik vm de SiMtimÍi 

^ of aan de guníligewerking def Natuure, of aandie 
^ beiden moet toeíchryven". 

Verfcheiden yolgende Gevallen worden , van on» 
zeá Schryver, op gelyke wyze tegengegaan: metaaa 
temerken^ naaqilyk, dat (;{e Gezweilen voor Knoeíl* 
gezwellen opgegeëven , geen waare Knoe(l:- ; maar 
fcrofuleuze Gezwellen geweeíl ayn^ v^^lk^n of door 
gemeene Middelen , ofdoor begusíliging vav de Na^ 
tuur dikwyls g^neezen wo^den ý welke Knoeílagcige 
Gezwejlen,, door denH^ár storic ^eno^pnd zyn , eé de 
redding van welken aan de Cicut^k (pege^gend woixiu 

Het zesde, agtíte'en elfde Geval, van den Heer 
STORK voorgeíleld, worden voor waare, ja ontwyfel^ 
baare Kankeragtige ^ebrekj^n geb<iiu4en: maar geeii 
van deeze drie is door de Úcuta geneei^en. De Heer 
STORK zegt, dat hy^ onder hec ^ebruik van .de Cict4a 
merklyke verbeetering zag, maar dat onvoorzigtig- 
heid van den eenen , en bykpoip^iv^ toevallen vafi 
de anderen deeze Lyders deeden ílerven , eer de ge« 
neezing, volbragt ware. Onze Schryv^ antwoordt 
hier op , dat het niet zeldzaani is 3 in Kankeragtige 
gebreken , voor een tyd, eenige niierklyké verbeete* 
ring te zien, welken aan onkuodige.hope van genee- 
zing geeft ; gelyk de ervarenis alle kundigen geleerd 
heeft; maar dat dit zelden van duuris. £n wat de 
yoorgewende doodiyke toevallen aangaat, welken de 

S^eezing verydeld hebben ; dat zulke coevailen .zo- 
anige Lyders ligt overvallen ; en hen in het graf 
helpen. 

V^rvolgens telt de Schryver eenige Gevallen op, 
V'aar in hy de Cicutaj welke volgens vooigeeven van 
den Heer stókk nut moefl: dpen , t^ vergeefs gei>raikt 
heeft. AIs, in een open Kanker ^a^n den Neus, een 
Knoeftgezwel ën Kankerzweer in de Lip , een verhar- 
ae Amandel in de Keel , twee iponswyze uitwaílên in 
de Keel, weiken den Slokdarm vernaauwden, menig- 
vnldige Oorklier- Gezwellen^waar in zelf& alle 24^0*, 

ren 



ttÍEÏ PTE d£H$£ZEN BiOlÍ DB ClCÚTÁ. Hi 

ten vvf DrjicIuiDen gegeeven werden van het ExtraSf 
van ae Cicuta{ en alle Knoeít*en Kankergezwelien^^ 
waar in by of de Hoogleeraar bon hec heefc laaten ge- 
bjuiken , zelfs in veel grootex maate dan de Heer 
STÓRK hee£t voorgefchreeven. ]&n dic wordc geílerkc 
mec getuigeniflen ván gelyke natuur, van den gewee- 
zen Hoogleeraar camfer , in AmOierdam ; den Heer 
8CHWENKE, in deQ Haag, en anderen. 

Indien de Heer van der haar met wat meer beza- 
digdheid j en minder , drifc en verachtínge voor de 
Heeren stouk^i de haan en van swi£T£n hadt ge- 
fchree ven , en vooral, zonder zyne redenen toc be- 
fchimping van gemelde He^ren te draaijen , ik geloo- 
ve hv zou mec dic Werkjo meerder achcing verwor« 
ven hebben. " 



Merkwaardig Geval van een Opflopping van de Pis. 

DE Lyderes was eén' vrouw van 23 jaaren, en m 
'c Hospit^al van Su George , onder hec opziche 
vanjDr. JDAws.oNt T>QU4 Jpril 1756, hadt zy eeneop- 
ftopping van Water , en gevoejde geen aandrang om 
iet te loozen. In de zelfdé maand gebeurdc dic nog 
tweemaal, eens vyf dagen, en eens negen dagenach- 
tereen. De Katbeter in de Blaaz' gebragc zynde,werdt; 
naauwlyks eenig Wacer in dezelve gevonden. En van 
den 26 April j \oQsá& zy geen Water, engevoelde 
ook geen draog hier toe> in eenige maanden; ge- 
duurende welken tyd zy een warm en koud bad ge- 
bruikte, ^<íergelg.at;en en gepurgeerd werdc; en haar 
Kliftéren ippí Terpentyn en een fterk aftrekfel vao 
Pawrja brava , zonder gevolg, toegediend werden» 
De Lyderes kon, al dezen tyd , eens daags eten, 
maar zy gebraikte weinig vogt; zy was in ftaat om 
te gaan en uit te rýden; maar íliep weínig, fchoon 
zy niec fterk zweecce , en haar huid geen reuk vaa 
Pis hadc. Zy hadc^díkwil9 een bezwaarde Ademha» 



\ 

■^ 



ÍIÍ 'lf£RkwAAKÍ>lG 6£VAt VÁK 

lihg , met een droogen hoeft ; en zugtíge Zvrellihg íú 
de beenen , den buÍK , de heopen en bet aangezicht : 
maar in de derde maand vati de opítopiiting werdeíi 
dezen bedwongen door vail zelfs koomende braakin* 
gen , en eenige buikopenende Middelen. rDe brakin- 

Sen kwamen fómtyds alle dagen , fomtyds alleen op 
en derden dag ; en fchoon ze, doorgaans, kort na 
den eten voorvielen, kwamen 'er echter niets andert 
dan een pisgelykend vogt uit. Haare beeneR cn lic- 
haam zWollen , naderhand, op een ongemeene t^yze, 
en zy hadt een voiílrekte opíloppirtg van Water een 
geheel jaar en drie maanden. Op den r. en tWeedeií 
Van Augufius 1757 gevoelde zy een ongemeene ílee- 
kende pyn, met groote hitte, laágs haaren rug^e en 
lendenen , en omtrent den buik en liefch. Op deá 
tweeden dag loo$de zy drie uncen dik^ llymerig Wa« 
ter, en den volgenden dag , Water als' natuurlyke 
Fis; en dit bleef duuren , met alfe dagen een weinig 
te loozen , tot op den zevenden dag^, wanneer zy by* 
na een pint onttaílte. De opftopping is bief op , ecííí- 
ter , wedef óm gevolgd , tien of vee?tien dageh lang, 
en eens twee riiaanden , geduureAde Welkeíi tyd zy 
niet bi'aakte , maar haar lichaam zeer opíwol. In Ju- 
h 1759« waterde zy gewoonlyk niet meer dan een 
half pintin 24 uuren, en fomtyds nog naauwlyks zo 
veel in twee da^en. Haare flaap was op dien tyd 
weinig en onruílig, zy hadt weinig eetlufl:^ haare bee- 
nen zwollen , en het overige lichaam teerde uit (*). 
Dit geval zal veelen als zeer byzonder voorkooinen , 
gelyk het ook inderdaad is. Hec is evenwel niet zon- 
der voorbeeld. In de Aanmerkingen van c. ïRxoEk 
wordt gewag gemaakt van een vrouwíperfoon , welke 
door een langduurige derdendaagfche Eoorts eh ver- 
iweering in de zyde , ten uiterfte verzwakt , eindelyk 
een opftopping van Water kreeg, welke toen de Aan- 

mcr- 

(♦) Philof. Tranfaa. Vol. LI. Part i. Art. XXV. Gentlcnfc 
jMagaz. Augúd. i^6o. pag. ^64, 



tSMS OPSTOPPINQ VAN DB :tU. 913^ 

jBerking eélchieven werdt ; tot in hec derde jaar ^t» 
duard hadt ; zonder eenige zwelling of ontíteeking 
van de Lendenen of Biúk, en zonder eenigen drang 
om te wateren. Zy zweette veel ; en dit merkt de 
Heer triosn aan» als eene te gemoetkooming vaa / 

de afícheiding van het Pis-vogt. Zy werdt evenwel / 
wat fterker, hadc alle maanden deStonden^ verteerde 
wel het gene zy nuttigde : alleen wanneer baar de 
Koorts overviel , braakte zy wel eens de fpyze weder* 
om uit. £n zo leefde ze zonder van het niet wateren 
eenig iperkiyk ongemak te lyden (i j. 

(i) Trioeny Obfcrytt. pag. 26. 



Een ongeneeslyke opjlopping van Afgang » iúêit u bo£UP , 
Luitenant Chirurgyn. Tt Qmtras (*)• 

DE Heer Bourfeau^ koninglyk Notaris en Procu« 
reur van den Hoofdman te Coutras , een Man 
van zes en zeítig jaaren » kreeg in de maand Decembêr 
1757 , nu en dan Koiyk-pynen , verzeld van Winden. 
Hy verdroeg dezelven^ zonder eenig geneesmiddel te 
gebruiken y tot het begin van de Volgebde maand Mey» 
wanneer zyne Maag opzwol, en de Buik zich uitzet- 
te , en hy volftrekt geen Afgang kon loozen» Hy ht^ 
proefde verfcbeiden Middelen , maar te vergeefs ; hy 
braákte al wat hy innam » wederom uit ; hier oy kwám 
de Hik , en de Braaking werdt geíladig zonder eenige 
tuíTchenpoozing. Mengaf hemKwilailver, tot vyf 
Uncen , doch vruchteloos. Hy (tierf op den zevenden 
of agtften dag van dit toeval ; laatende zyne Genees* 
heeren in de ^edagien , dat de oorzaak van zyne 
kwaale een Krinkeldarm (f ) ware# Men opende het 
lichaattí , én vondt de Darm-buis ópgevuld met vlóei* 
baare en bedurve ftofien , tot aan hec beginfel van deni 
Endeldai^m , Waar het beletfet plaats had , welk mea 

zogt^ 

(♦) Jouni. deMedccine. Fevr. 17^0. (f) VQlvuhífé 
n.I>XEL.M0«3. P 



214 ONGEKEESL. ePSTOmilQ YAH IFeAKG. 

zogt Hier was hec vleefchig oitwas y hec welk de holte 
van den Darm geheel floot , ter leogte van 12 of 15 
lynen ; het was van een vaft en famengepakt wezen , 
doch harder in 't midde , dan in den omcrek , en zo 
vaft aan de wanden van het sedarmce, dat het niy 
dan één líchaam met het zelve ^heen te maaken. 

De Heer le boe0p fchryft de voortkomft van dit 
vleefchig oitwas toe aan bet zittend leven , welk de 
Heer Birurfeau gehouden hadt. Zyne beezigheden van 
Notaris en Frocureur noodzaakten hem byna geftadig 
tezicten ;en wanneer hy eenigen geringen cyd vrybeid 
hadc^ gebraikte hydezeom te fpeelen. Het beginvan 
denRegten Darm eene ligce kromming , in dezen ftaod j 
moetende ondergaan , heef c dic aanleiding konnen gee- 
ven tot het gemelde uitwas , , volgens het oordeel van 
den Heer lb bÓ£Up. 



Vcrvolg van ^t verworpene 

JÍNNIHILATIO ULTIMI TERMINl 

ACHTSTE AFDEELING. 

Vm dc bevejligde Zekerbeid der van te vmen bygc- 
bragte Ryen oneindiger breuken. 

ALIe deeze Ryen van oneindige breuken zuilen nu 
op tweederhande wyze onderzogc en gecoetit 
worden, als: 

!• Met verwiflelde cekenen vap plus en tninus. 

t. Der pojitive eh negative leden^ hunne zom nog 
dk in 't byzonder. 



'b 



DE AKNIRILATIO ULTIMI TERMINI V£RW6ll?£ir. 215 

In de eerjle AfdeeUng komt ian voor 

mec I + I vennenigvuldigd. 

! >f I + á ►f ,? + lá 4 ,4 &c. 

+ I 4 t? + lí -f li? + ,4 enz. 

dus j hec ProduS. ^ 

door ligedeeld» dac is I 4* } :::: If 



komc I voor de Zom deezer breukeo» mec verwiÍTelde 

tekenco. 

Poiicive Uden. Negacive Uden. 

f + á + lá &c. í + é + ^4 &c. 

mec I <r ? vermeoigv^ mec i "f | 

I en I de ProduSlen 

gedeeld door l door | 



ge-addeerd en gefuUtraheerd , men verkrygc 

2 voor de Zom als op en i voor hec Verfchil^ 

pag. 51. gelyk bier boven. 

mec I + I gemulcipliceerd. 
Í8 1 hec ProduSt^ mec J = 1} gedceld. 



komc i^ voor hec gifummeerde deezer breuken , mec ver^ 
wííTelde Tekenen. 

Poíicive Uden. Negative Udtn. 

I + á + w4 cnz. t! + ril + 9^1 en?- 

mcc I ^r ïi - - I "í* ïí gemaltiplieeerd^ 

ProáuEl \ xl hec Pr «ifia. 

ter weérzyden gedeeld door i 4 li of door 

men verkrygc 
i\ voor de Zom der en \ voor de Zom 

pofitivi. der negative. 



n 



>4 



%ï6 m jjmiBiLáTio ULniD teuiiiii 

te zamen vefsaardy en ook van elkander a^getrokkeO; 
'ineo beeft 

3 voor de Zom ab op en it voor bet Verfcbíl, 
pag. 52. ak op pag. aij» 

met I 4- I vermenigvaldigd, 

komt voor het ProduBt t, gedeeld door ?» dejl^ 
tient is6, betgi^mmerriedeezerbreiiken. 
/ Pofltive ledeftj Neg^tive ledert. 

1 + tS + irff &c íí + S.1 + m.1 cnz. 

ter weérzyden met i »f ^ vermenigvuldigd. 

dan zyn f en i? de IVoAiSea. 

ter weérzyden gedeeld door i i^ i| of door 

/ mcma^ 

72 voor de Zom der en il voor de Zom 

pofitive. der negatíve, 

ge-addeerd en gefubftraheerd , meo zaf verkrygeQ 
9 voor de Zom» gelyk en 6 voor bet Verfchily 
op pag. 52. zbo als hier boveo* 

mpt I + i gemaltipliceerd » 

■■V «■■■«■«■■■■» ■MHiiHBMBM«WBaHHBM*«aMMB.M.«HBMM 

net ProJf^ is '^U door J gedeeld » de jl^ttoti^^ 
17; 5 zal het ge/ummeerde deezer breaken zyn. 

Pofítive íeden. Negative kden. 

'*? + iTj + wi occ. *|{ + ji^ + ïgili eni. 

ter weérzyden met I •4- 7I vermenigvaldigd» 

dan zyn '*| en ^ de ProduBten. 

Igedeeld door i *r 1; of door . 

Ti / 

/ men zal verkrygen 

acj^; voor de 2i0m der en 3|f voor die der 

pofiiive. n^ative. 

ge-addeerd en gefttbftraheerd , men verkrygc 

24I voor de Zom f als en 177 voor het Ver* 

op pag. 53. fchil 9 als bier boven. 

fí 



yEKWORPBirj^^ 



^ir 



Ih de tweede Jfieejing beeft tnen 

I. r^f J+l^rïí + TÍ^^+nl ►f rríenz. 



l-fi+i'f I -ri -ri -f I ^ I 



Eens afg^tn 



TweemaaL 



komt I hec ProduSt ^gedeeld door límaal li 

MiMHil^ WBMH» ^■■■■■na» awM» WMiMBa»«BaMHHB«BH^Ba w^MMBwaaaMV 

js de uitkomft l voor hec ge/ummeerde deezer breukeDf 

Negative /edfii. 

ï + Ï6 + sf + i?í enz» 



' Pofitive feííe». 
ï + ï + ïí + 



nj otC» 



I. 2. 2. 



2. 2. 



2. 



•i 



f gedeeld door 

I / 

/ TÍge*addeerd s 



2. o. o. o 
i gedeeld door 



/7 



voor die der negattve. 



/ ',* vooT d9 Zpn» 

deipojitive 
ge-ftddeerd en afgetrokken » men zal vinden 
2 voor de Zom, gelyk en | voor kec Verfchil» 
op pag- 54« als hier boven^ 



**• ï •# 5 "r ï T n "r ïí ^:* 54 t m *^ ïlt cnz« 

««■MI«i"Mi MMMMHT MMMMiM a*HHMM MMMMM» «aiMiiM 

3'f2 + 2*f2+2*f2+ 2 *r 2 



Eens afgetr. 



I gedeeld dpor lí 



*• 



komts 
daarcoe i zynde I •f | 



door li 



II 



/is i de tt|tkomft voor becjge/immeer i^; dee* 
zerbreuken. 






P3 



Po. 



AlS 



BS ANmHILilTlO UtTIMI TSRMINI 



Poíitíve leden» 
1 + J + ïí + tS enz. 

' Eena 

• 3- 4- 4^ 4 

} gedeeld 
doori y — 

* T 



Negative {^(í^n. 

i i ii Eeas 

J. 4* 4- 4 



door 



TÍ gedeeld 



^ T 



•I 



doot l 



2Í 



/ 2| voor de Zom 
der^oyï^ífie 
tot malkander vergaard» 
komt 5 voor de Zom» 
als op pag. 54. 

7 II if t» . «>' «? f« tr 



door| /— 

/ 25 voor die der nc' 

gative 

en van malkander afge- 

trokken,is de Reíl^',zoo 

als te voofen op p. 217. 



>«MW 



7v4+4*f4 + 4-r4 + 4^4 



Eeosafgetr, 



«.H 



door^ 



4(A' 



zynde At:H 



S-riíisí=ïí*j. 120 C--- 



door í 



124 (A»*5 



/ 31 (aj of ir? voor bct gefummerde 
deezcr breuken. 

Poíitive leden^ 



A + A» ^A^ + A^enz. 



Negative leden. 
A 



íí 



A' ■*■ A* + Á* + A'snz. 



8. 8. 



8 



J + sj het PfQdudt. 



Ëens 
Tweem. 



Ëens 



II. 8. 8. 



\\ V m het ProduSi. 



11« 



X7Í 






/ 



beiden gedeeld door || maal Ih zynde 
men zal verkrygen 






«m vodr de Zom der en Sl voor.die der 

poJiHve negative 

ftot elkander ge addeerd , cn afgetrokken, is de 

komt i2| voor de Zom, Reft M voor het Ver- 

als op pag. ';;• fchil, zoo als hier boveo. 

IV. B '^ B ■*■ B' ~ B^ * B' "=■ tí* ■*■ B' " B' enz. 

«^ Eens afgetr. 

9'r8+8-f84-8-r8+8-r8 



I tfaHaMMi 



í + TÍ het Proizííif , of Ys gedeeld door i *i 

- dat is door || y — — — — 

/ komt i~ voor hct gefummeerdeýdXk 
deeze breuken. 

Pofitive íeden. ^ Negative leden. 

6 + b' "*■ ,B* * B'cnz, B' * B* + B' * B*enz. 

g. i6. I6. i(í.. 17* 16. i6. i6. 



ki 



-— . ofm 0fïlU\ 

ter weerzyden gedeeíd door || maal }| , dat is door |S-;| » . 
juen zal verkrygen 

ixISí voor de Zom der en tH? voor die der 

pefitive^ . . Tiegative. 

tot elkander vergaard, van elkander afgetrók» 

komt 2i4 xoor de Zom, ' ken » is i^ voor het Vor- 

' als op pag. J j. ícbii , gclyk hicr boveiK 



V. -j -^ C^ + e" *■=* C* ■*■ C' ^^ C ^Cenï. 



wmmwxmt 



lÉHMi 



JOleAf 



12 -r 9 + p ^ P &C, 

" ' ■] ■ Tweemaal afgetr^ 



— .-«^ of U gtfdeeld door 'ntaal ', dat is 



/ i ■■■ 

is li de ultkomft vobr het gefummeerie doe* 

2cr brcuken^ ^ • 

• R 

P 4 Po- 



Sio OE êMa^fLkxio íHTna teinini 

Pófitive tabfi» N^acive kden. 

c + o * o *57^ 5 + o'^'ê"'" e^^^' 



U, tSf 18. 18* 2f. 18. 18. 18. 

— — II I WÊa^mmmimm ^.mhmmí 



of-^ — of iU 



door'ï? y— — 



cer weérzyden gedeeld dpor st maal |f ^ ofte door Kti 
de Quotienten zulleo zyn 

2;1 voor de Zom der en |; voor die de^ 

pbfitive n^ative 

totelkanderlge-addeerd» van elkander afgecrok- 

Jíomt 34 voor de Zom, ken , is i| de Refti 

zQp al$ op pag,5<^ gelyk hier voreo. 

i? -r 13 + 13 ^ 13+ 13 ^ 13 + ^3 ^ 13 

of 6^ gedeeld door ^ maal ^^ of 

5i5Í de Quotient en het gefummeerde deezer 
l)reakeo. 

Pofititre fcáeiï. Negative teiwi» 

'd + D» * D» D"®'"^ D» ■** "ïr "*" D" ■** D"'"^ 

19. 2(5» 26. 26. 32, 26. 25. 26. 

aan beide zyden door !l maal ii gedeeld ^ dat is door 
ÍÍHf mra ial tot gííoííenriwi verkrygéa 

Cfífe voor de Zom der en tj^ voor die der 

fofitive hegative. 

tot elkander vergnard , van elkánder afgetrok- 

, kpmt 7SvoordeZom, ken, is Srë bec Verfcbil» 

ak op p^g. 5<5. als hier boven, 

b 



VERWORFEK. 

Jn ic^ derde- Jfdeeling kemn vm 



t2t 



♦/ 



^ D'^jy "*■ D^'^D* * D'"^ D^'*' D'^ D*^"^* 

-.£eos afg. 



4^5 + 7^9 + II ►f 13+ ij >r 17 



4^i + a^fa+a'ra+2^a 

*■ ' in ■ ■__ - 

Tí gedeeld door f 



TweemaaK 



komc fi 
daarcoe is 



i< 



\h 



ItI gedeeld door } '*' } of 



breuken. 

Poíicive Uden. 



koint |1 voor hec gefummerdi deezer 

Neg^cive kden. . ^ 

l£ 

D*'D* 'D* "^D'^D' 



A x6 16 64 100 

r+D^+D^+p^+'pr&c. rr+nr+Tv+Ti.+ï^-*c» 



4. 12. 20. 28. 3& 

8. 



4 



Q* O* O* 



g. 16. 34. 32. 40. 

9f 7f 



9* o* o« 



4 X ♦ 
ï T n 



$•^"51+ 



1 
5ï5 



of?S 



91? 



of 1;? 

door de Qáhuf van |, dac is (|| gedeeld» ' 

men zal vopr de uickomíten verkrygen ^ 

s^ voor de Zom der en V^ voor die der 

jx^tive negative ' 

ce zamen gc addeerd» van elkander afgecroi* 

komc 3f voor de Zom , ken , is Jl hec Verfcbilf 

als op pag. 137» gelyk hier boven. - 



i • 



pj 



ILr 



^z 



BE AHNIHILATIO ULTIMI TERMINI 



Tí 



xti 






5 



ao4 



2«! 

c 



C" 



24 :r 32 + aí>- -r 35 + 43.'r JO + 57 -r 04 



Ml «^ 



24+ a+ 7-f 7+ r-r 7+ 7-^7 



•«»• 



■«x^H» 



II 



} door t gedejeld^ Is de Quotient 






daartoe Kí , als ^í + j) of ï? 

komtijl gedeeld doo^bet Vierkanc vao f 
of door 5? y 

^ is.3,4jhetg(/ttOTfwe?rrfe deezer brcuken, 

Negative íeJeo. 

4« zi(. ^ . Mf 



Pofitive leden. 

7f If* Ȓt 



"c *c 



r + 



;;&c. 



«4 + JI + 70 + 107 



»1 + 27 + 28 + 28 



4^ + 65 + 93 + 121 
46 + 19 + 38 + 28 



door If 



at 



r ^75 



door 1? 



Ïf6íf 



daartoe ^'" 



761 



daartoe 1?;| 



7 

49fO 



37^9 C750 7021 (37JO 

beiden gedeeld door het Vierkant van lU dat is 
/ — ■ door iTs 1 

/ komt Tí^íi voor / 



door ^ 

komt jf i^ti voor 
de Zom der pofitív^ 
.MKamenyergaard, komt 
7lí voor de Zom ^ 200 als 
' op pag. 137. 



komt 2^1 voor dic 
der negative. 
van elkaoder afgetrokken» 
is 3,4v het Verfthil , gelyk 
hier boven. 



TÏT i ^ 'J + JÍL . iL . ^ . 

iJl. . , • + ^ Aa "^ Ai "** A4 • 



5>9 



T4Í iQg ^ HS 



3 ^ 12 + 20 ^ 28 + 3 6 -r 44 + 5^ ^ <^Q 
3 -r 9 + 8 «^ 8 +8 -r 8 + 8 -r 8 



♦• fc- 



ifdooi 



VERW-ORPEN. Sai 

rS door $ gededd » . 



komt f 



daartoe | als 3 «r aj 

komt lilgedeeld door het Vícrkant vanf, 

«ynde?! / 

/ is ,§1 de Quotitnt en tefFens faet gei 

futnfneirde deezer breukea, 



X 



Pofitive leden. Negative leden^ . 

A« * A* * ^®°^- A ■*"• A» * A« * A^ 



3. 3«- ^4- $K5. ij. 48- 8ó. iia. 

3, 29. 32. 32* IJ- 33* 3«- 3«' 

«i áB of { a t3!i of ,í 

/ rf) 32 / íJ 

4rl - - toe 4^1 I ipj 4ÍÍ . - toe 4S 



'!5 



4ÏI5 • • m 

tet weêrzyden gedeeld door het Víerkanc van }{ , 

ofdoorlfl / - \ — — — 

/ komt sWfi voor en 4|f Jf vobr dle der 
de Zom der pófitive negative leden. 

tezamen ge-addeerd, is van elkander afgetrok- 

ic^^ de Zom > zoo als op ken en t^I bet V^fchil, 

pag, 138# gelyk hier boven. 

•i 

In de vierde Jfdeeling zyn gepïaatjl 

^' D^D* ' D» "^D* Ds "^D^ •D^'^D' ^°^ ' ^ 

8 «r 19 + 37 "^ <^' +91 rr}27+l69,^2t7 
8^U'fi8^a4^-30'r3g + 42'v48 
8-r3+ 7-r 6 +>. é ^ 6+ 6 ^ ú 

8 + J + 4 + I ^ ,. 

dier- 



tM 



»£ AKNIHXLATIO ULTIMI ÏÏKMlNl 



dierbalvën f + f doen t*zan)ep 3J 
en sl + n • - - - H 



naal 'i, of door ^f 



3ir dit gedeeld door '$ 

/ isinldej^líenitenteffens 
het ffjiimnuerde deezer breukeíi met verwiflelde tekeneo. 

Negative Uden. 
"5 + S'f + m + 3Í8eDz. 



Politive ledin, 
l+»+§Íf + s«|enz. 




48. S6. 144. 



f, .40. 48. 4S. 



27* J>8. 218. 386. 
27. 71» I20. id& 
27. 44. 40. 48. 



I 



/ 



48 (243 



I 



40 (• 
72 ( - 

/ii8(;í# 
27 



/ 



48 ((5j6l 



6 (7^9 

^ 349 r- - 

44*9 • 39(J C' • 
27 ♦81 - 2187 C- - 



^^ 



3186 (Jía 
IJ93 (25<5 

of 6sfi vpór de Zom der 
poJUive 
te zamen vergaard , komt 
1 1} voor de Zom ^ als op 
pag. 139. 

sff 



7a» 



/ 



afiáa (720 



■• 



2638 (JI2 



I319 (256 

of 55IS voor die der 

vao elkanderafgetrokkeoi 
ís in{ het Verfcbil n als 
hier boven. 






2Í?- 



68tf 



C« C^ 'C 



8 ^28+ 54 '^86 ^124*^168+218 -T274+33g "7404 
S-r 20 + 26 -^32+ 38^ 44 + 50 «^56+62 «^68 
S'rni-b 6 -rfi + 6 &c. 



■t* 



+ 5 



▼ E&WO&9EK. 



3Sjf 



+ 6 (125 

J /+ 1 Caj 

-riaC. 

+ 40 C - 

+ 29 (2j gedeeld door Cubur van f , om dit 

daar driemaal de tellers zya gp- 
ofdoorgf y fubftraheerd geworden» 

/ is ifS de Quotiera en teíFens hec ge/ummenii 
deezer breuken mec verwiiTelde cekeoen. 



Poficive leden. 

C O C« C' C^ ^°** 



Negacive {^(íeft. 

S5 176 46Í 960 1709 

c^*c**c^ c» c" 



1« 



t. 


so. 


3oa 


686. 1206. 


8. 


82. 


210. 


386. 610. 


8. 


74. 


128. 


176« 224* 



36. 176. 468. g6o. J7oa 

36. 140. 292. 492. 74a 
36. 104. 152. 200. 249. 



8. 66. 54. 48. 48« 36. 68. 48. 48. 48* 



» 



48C78I«J 
J4(3I2J if y— 

iffjoC - - / 2C312J 

J0(30( - - 67O4C - - 



H 



48 (iS^iS 



«7ot( 



6706(2125 



** / 2C62jr 

68C-- 

900 c— 



970 (62J 

cer weérzyden gedeeld door de Cubus van ^» dat isdoor- 
tIIUj men zal voor de uickomíten verkrygen 

23^2 voor de Zom der en igfl voor die der 

pofitive negative, 

ce zamen ge-addeerd , van elkander a^etrokkea 

komt 4r!i voor de en iff voor hec Verfcliilp 

Zom , ais op pag, 139» gclyk hier boven. 



IIL 



ftstS 



I>£ ANNIHIUTIO VLTIMI TEHKINÍ 



192 CA' 
M / 

188*5 - 940 ( . . 

112*80 . 89*> ( - - 

12*1280 - 15300 ( • * 

»S3H (A* *S 



41 



/ 



192 (A^* 



64 (A^*J 

Wl *5 - PJJ 

196*80 - 15680 

159*1280- 203520 

54*20480-1105920 



1326139 (A«*y 
Cer weérzyden gedeeld door ifi maal 'ff ^ men verkrygc 
tot uickomften 

6l7ïlí| voor de JZom der 
pofitive 
te zamen ge-addeerd, komc 
iig voor de Zom^ als op 
pag. 141. 



€D 5i*í7TÍí voor die der 

negative. 
van eíkanderge/tíí/Íra- 
beerd^ en i jH? voor het 
Verfchil , gelyk híer 
voren. 
B B» B» B* B« B^ W B» 

11. 77 >r ^5+1300 "rS^too+ÓóGg ^ 1 2397+2 1 200 ^34020&c^ 



77 "r328-f 895 -f 1900+3469 ^5728+ 8803 -r 12820. 



77 '^251 + 567 ^1005+1569 -7 2259 + 3075^ 4017. 



77^«74 + 3i6-f 438+564^690+ 816 -f 942. 



77*^ 97+ 142 -r 122+ 126 -r 126 + 126 4 líHS, 



+ 126 (B* 

/ + 18 (B* 
+ 14»*« . 852 ( - 

+ 77*ai<í - KWs» ( - 



►r 122 (B^ 



+ 17502 (R* ^ 3614 CB« 



of door íísl 



i»»í 



/ 



13888 (B* gedeelddoorg*í 
komc 13888 (2401 



■ta 



of 5ïg voor het gefummeerds 
deezer breuken mec verwiflelde tekenen. 

po- 



V E U W R t E ». 



C 



ti9 



B B» 



Poíitlve /fitfn. 
B' B^ B» 



BJ- 



Negatiye leden. 
B* B* B« B» 

7. 1223. 53<59. 14531- 30725- 405» ^795. 9197. 21623. 4io89» 



fT^ 1146. 4146. 9162. 16194. - 405. í*39o. 6402. 12426. 20466. 
7. 1069. 3000, 5016. 7032. 405. 1985. 4012, 6024. 8040!" 



7. 992. 1931. 2016. 2016. 405. iS8a 2027. 2012. 2016. 






2016 (B^ 



288 (B'* 5 

1931 X 5 - ^55 ( - - 
9^2 X iSo - 178560 C - . 

77x6480 - 498960 ( - - 



n 



?^TL 1225 



/ 



^87463 (B^*5 
216 

1296 ■ 

6 1 4124778 

/ 216 687463 
1374926 

148492008 

door^verk./— — — — 

' 75031Í5 
komt ^^^^^ of I9^í?íí? voor 

dc Zom dcr pojitive. 
tc zamen vergaard , koxnt 33]4ií 
voor de Zom, als op pag. 141 . 



2016 CB" 

/ 288\b^*5 
aoi2 X 5 • 10060 ( • *' 
2027 X 180 - 364860 ( - • 
1580 X 6480 • 10238400 ( - . 
405x233280 - 94478400 ( - • 



iMi X flfí y 105092008 (B'*5 
105092008 

7503125 

^oor 7 verkleind , men 

verkrygt'-'SW? of 

14Ï57S7? vpor rdie* der 
negative» - 

van elkander af^getroikeny 
is Sn) ^et Verfchil, gelyk 
hier boven. 



L X ^ ^ Z ^ ^ t^ 

III.252 -71458+4896 -712375+26244 ^49392+85248 +I3778i^c- 

— - ■■- ■! ■ I I ' ^ 



254 + 1206+3438+ 7479+13869-^23148 + 35856+ 52533.* 



25^2+954+2232^4041+ 6390+ 9279+12708+ iS<Í77^ 
252+ 702+1278+ 1809+ 2349-T' 2889+ 3429+ '39#9. 



252+ 450+ 576+ 53Í + 540 + S40 + 540+ 540- 

Ib DEEL. KO. 3* Q +54« 



n^ 



m Aimraiuiio vltimi Tman 



+ 540 (r 

írr : 

+ 57« X 14 - «064 < - - 
+ 152 Z686 • 172872 ( - - 



•f53i*3 
^450*98 



+ 181071 (7**2 
*r 45162 ( - - 



-f io6i (7**t 
•f 44100 ( • • 

*T 45162 iT*t 



of 






/ 



135909 írx2 
135909 (8192 



breakea* 



gifiimimeirfê 



AIs mcfi op de ▼ooigaande wyze de Zom dei fofitínt en dei 
negaioe leden zoekt, zoo vindc men 



vtfof de eerfte 

14745« Í*i474jí 

te zamen Tergaard, komt 
8741 voor de Zom » ; e- 
lyk op pag. 142. 



en ooof dlr íooi/fe 



f*lBt7t 



flllX 



14745« 3^lV45« 

▼an elkander afgetrokken, if 
16*111 hct Verfcbil, zoo ali 
hier boven. 



In de zesde Afdeeling zyn geplaatjl 
^ ^ C ^ £^ J^ r 

f. 32 -r 243+ 1024 43 125 +7776 -716807+32768 &c. 



32 -f 211+ 781 'f2ioi +4651^7 9031+15961. 
32^179+ 570-71320+2550-7 4380+ 6930, 

32»f 147+ 391 "T 750+ 1230 -f 1830+ 2550. 

32 + 115 + 244 -f 359 + 480 ^ 600 + 720. 

32 + 83 + 129 + IIS + 121 -f 120 + I20, 



£ens afgetr. 
TweemaaL 
Dríemaal; 
ViermaiL 
VyfmiaL 



mm' 



J-«f 



V£EWOftP£N. 



+ 121 (5' * 
+ i«9 * 25 + 3225 ( . 
+ 3« *625 +20000 ( . 



?3í 

4 120 (5* 



+ 23346 (S' 
+ 10970 ( - 



/ ^ ao (5» 

^115*5 - ^ 575 (S* 
•^- 83*125 - + 10375 ( . 



ofdoorHIf 



+ i237<5 fS' gcdceld door Jíf^iJ 



+ ÏQ97Ó ($• 



/ 



verkleind door B 



komt 12375 (777(5 



/-; 



547 ^972 



of liy, voor het gefummeerde dcezcr 
breuken. 

Verder verkrygt men naar díe te voorea dikwils aangehaalde 

wyze 

voor de Zom dcr pojttive Icden éb voor díe der negative ledcn 

3971593 #► 2*01 M 
2+t«3a '«^ 2^8831 



^i6t6Z4 r> >384«I 



£4SSi2 «2^8832 

te zamen ge«addeerd, komt en, van elkander afgetrokken, 

33'íïT voor de Zóm , als op ihí voor het Verfchil,gelyk 

pag. 143. hier hoven. 



9* 9' 9* 9' 9' 



v./ 



9' 9" 



11.28 4198+800-72375+5796 -712348+23808 -742525 cnz. 

Eens afgetr. 



28"7i70+6o2'7i57S+342i'v 6552+11460-718717. 



28+142+432+ 973+Í846 + 



28+114+290+ 54Ï+ 873 + 



Tweema»!. 



3131+4908+ 7257- 



Driemaal. 



1285+1777 + 2349. 



Viermaal. 

28+ 86+17^+ 251+ 332 + 412+ 492 + 572. 

7- Vyfmaal, 



28+ 58+ 90 + 75 + 81 + «o + 80 + 80. 

« 



^»» 



Q» 



+ 81 



i3* M ANNIHILATIO ÚLTlMI TÉÏMINr 

+ 8i (9' ^8o(s^ 

po ♦ 8i - + 7290 ( . 22 -.u — u. 

ii*6s6i • + 183708 ( - f ^ 1{Í 

• ^ 75 * 9 - •r 675 (• 

+ 191Ó79 (9* «^ 28*729 - ^ 42282 (• 

+ 4*965 ( - ^- 

»r 429ÍÍS I9' 



+ 148114 (9' gedecld door 'y^^S' 

of deor 'r!!! #- — 

^ / komti48ii4 (looooo 



2 I— — -f- 

74^57 (5oooóvooríiet gtf/ttmmwrif deczcr 

breuken. 

Naar de zoo dikwerf te vooren aangetoonde wyze veikrygt 



mea 



voor de Zom der pojitive leden en voor die der negative ledeo 

1024.00000 ^102400000 101400000 10140000«» 

te zamen verga&rd , komt van elkander afgetrokken, 1& 
'7^ voor de Zom, als i;^ het Verfchil, gclyk 

op pag. 144. hier boveH^ 

In di zevende JfdeeUng ontmoet men 



8 8* 8' 8* 8^ 8*^ 8^ 



L80 



|o 



«o -7776+3488 ^10501+25006 + 51093+ 9375»- \ 



mmm^ 



936+5280 +20125+59976 +150920+335616 enz. 

Ecnsafgetri 



856+4344^14845+39851 + 90944+184696. 

' — — Twecmaal. 



80+696+2712+ 7013+14505+ 26087+ 42659- 

Vieimaal* 



80+616+2016+ 4301+ 749*+ I1582+ 16572. 

Vyfmaal. 



80+536+1400+ 2285+ 3191 + 4090+ 4990- 

ZesmMl.' 



«0+456+ 844 ^ 885 + 906 + 899 + 900. 



I 

! 
\ 



i. . * ' 9M 



900 (8' 



»3S 



Í 



I 



100 (S' 

PQ6 ♦ 8 - 7248 ( • 

S64 * 512 - 442368 ( - 

lo ♦ 32768 - 2621440 ( - 



^ 899 (8« 
^ 885 * <54 - *r 56640 ( - 
>r 456*4096 - ^ 1867776 ( - 



^ Í925315 «* 



+ 3071156 (8* 
^ 1925315 ( ' 



/i 



1 145841 («' «cdecld door Jí ♦Ji ♦ ?| 



of door lllíl' 

8* 'komtii458i (531441 
door 3 yerkleind # 



381947 (177Ï47 voor htx, gefummêefde átt* 

zer breuken. ^ 



Nu zíil men verder vinden 
f oor de Zom dcr pofitive 
leden 

i45t88X7iS2l 

of 

^^ 45«37»92f7t 
^ 145 8t 8 17X821 

te zamen ge-addeerd , komt 
4«8ÍiiS voor de Zom , ^ls 



«n voor dc Zom der negativú 
leden 

2940tfa72#M-Tt 



20 



145888171821 

pf 

2a8(53tS7f9f 






i-fSt8tl7ïtil 

van elkander afgetrokken> 
is2á?Jfc'hetVerfchil, gt- 
lyk te vopren. 



10 10* 



JO' 



lO^ 



10* 



10' 



lO^ 



11. 168 ^2484+15744 ^46375+201096 +523418+1 193984 &c. 

^eHS ^ '■ - | ii n --^ — 



Twcc 



16842316+13260+48631+136721 4322322+ 670566. 



■<^i"^« 



i**»< 



D • ^^^ +2 148+^0944 +3537J+ 88090 +185601+ 348244- 
168+ 1980+ 8 796+24427+ 52719+ 97511+ 162643. 

Vyf 



168+1812+ 6816+15631+ 28292 + 



Zes * 



168+1644+ 5004+ 8815+ 12661+ 16500+ 20340. 



168+I47<J+ 3360+ 3511 + 3846 + 3839 + 3840. 



44792 + 65132. 



rtMi 



wl 



Qs 



+ 3849 



\ 



> ' 



^34- 1>E ANNIHILATIÓ ULTIMI TERMIKX VERWORPEN. 

+ 3840 (lov »r3839 x 11 T4W*9{io*xn 
ií I— — — — 4-3811 X 1100 •r4i92ioo( • • 
/+384o(ioíxir'fi47(Jxnoooo-Ti6236cooo( - - 
SS4(y X rio + 423060 (. - 



316ÓX 11000+36960000 (- - ^ 166594329 (i«* XII 

Ut X I i*oooo+i848ooeoo (- - 



«t- 222186900(10^ XIZ 
-ri 66594329 ( - - 



55592571 (10* xn gcdccld door hct Vierkant vai 
55592571(19487171 



•OOr 1530555 I ■■*- ï65o Or 



. Voorts zal mcn verkrygen na de voorgaandc wyze 

yoor dc Zom der pojitive leden en voor die der negative ledes 

10774430 19 liSooo 9»i 1 1 0504.5 y 3 5<7 

3106gg4493023S |loég «44930133 

of of 

llioiipT 50007« 25^7^3117^^344 ' 

•'^3lO68g4^930Z33 ' 3 3IOÍSS44930233 

Cezamcn vcrgaard, komt van elkander afgetrokken, 

C6^l\ voor de Zom , als is aj^| hct Verfchil, g^ 

op pag. I46* lyk hier boven* 

. Uit al hec tot hier toe bygebragte zal men kiaar* 
blykelyk gewaar worden de onomílootelykheid my- 
ner bewerkioffen; en des te meer^ nadien deUitre- 
kenitigen , in ae ^chtíle Afdeeling voorgeíleld , geheel 
en al verfchillen met die geene , welke iíi de zeven 
eeríle Afdeelingen zyn uitgewerkt. Men hoopt dat 
verítandige Wiskonílenaars hier uit veel nut zallea 
konnen trekken , en zy dit mogelýk , met 'er ty d , bj dc 
Integraal^Kegél te pas brengen. 



Zk 



■Í III li— — — — — — 1 



De natuurlyke gevolgen van goei en kwaad gezelfcbap. 

EEn eenzaam leeven , afgefcheiden van alle ver- 
keering mec andere menfchen , is ongetwyfeld 
onzernatuure niet eigen, en beantwoordt geenszins 
aan 'c oogmerk van den Schepper, die den menféh 
zeer wyflyk zo ílerk eene neiging ter gezelUgheid 
heeft ingeboezemdy dat dezelve niet t*onregte eenge* 
zeWgfcbepfel genaamd moge worden ; daar hy ons m* 
diervoege voortgebragt heeft, dat wy elkanders hulp 
ÍQ veele gevailen behoeven , en elkanderen behulp* 
zaam konnen zyn cer bevorderinge van ons welwee- 
zen; waar uit de onderlinge gezelfchappen tot nuten 
vermaak des menfchlyken leevens voortfpruicen* 
Dan, nademaal deeze gezelfchappen zeer verfchilien;* 
de gevolgen hebben , naar maate dat ze ingerigt wor« 
den, zo dagt het ons niet oneigen, in gevoige der 
Verhandelinge in 't voorgaande Stukje, over de no^ 
zaaklykbeid en nutbeid van gezelfcbap voor lieden van letter^ 
oefeningy dic onderwerp der gezeliigheid wat breedqr 
uit te breiden ; en , met opzigt tot de menfchiyke 
t'zamenleeving in 't aigemeen , onderfcheiden te dQep 
zien I hoe ons die gezelligheid ílaat te beíluuren toc 
oDs waare welzyn , dat. buiten tegenfpraak het ver- 
ílandige en heilzaame doelwic van alle redelyke ge- 
zeifchappen behoort te weezen ; hec welk ons boven 
al in de eerfte plaatfe agc moec doen flaan opdenaart 
der^ezelíchappen waar in wy verkeeren, en oponzp 
hoede doen zyn tegen de fchadelyke gevolgen van 
kwaad gezelfchap, om in tegendeel , door 'taankwee- 
ken van goed gezelfchap ^ de voordeelige gevolgen , 
die daar aan verknogt zyn , te mogen erlangen. — 
Om dit te klaarder onder 't oog te brengen^ zullefi 
wy ons voor tegenwoordig bepaalen tot den.natuurr 
lyken invloed , die goed en kwaad gezelfchap op ons 
menfchen hebben; zo door 't gefprek , als door hec 
vootbeeld van hun , met welken wy gemeenzaam omr 
gaan. 

Q4 Eë-^ 



-^6 HIT COED EK KWAAD GBZmcHAP. 

Eene vriendlyke vcrkeeríng met menfchen van 
Veríland en Deugd , (om van het goede eeríl te ge- 
waagen,) is uit eigen aart gefcbikt^ om ook ons Ver- 
ftandig en Deugdzaam te maaken. — Het geroeen- 
zaame onderhoud vanhun, die zich, door naardige 
oefening bekwaam geworden zynde , met^^rníl bevly. 
tigen in 't onderzoeken en handhaven der Waarheid , 
en 't befchaaven hunner weetenfchappen ; en In op« 
rechtheid den Godsdienn: manlyk en redelyk ter harte 
neemen , (Irekt alleszins om ons op eene verftandige 
rnanier te onderrigten in de ketínis veeler nutte zaa- 
ken en waarheden , en een gereeder weg ter vorde* 
ringe in weetenfchap te baanen , dan wy door eene 
eenzaame oefening bewandeld zouden hebben : om ons 
terftond te verfterken tegen alle twyfelingen, diean- 
ders in onzen boezem zouden blyven huisveften: om 
ons ten klaarfte te leeren het onderfcheid tuíTchen 
waar en vals, zekerheid en waarfchvnlykheid, opdat 
wy ons niet h'gt laaten verleiden, ot on voorzigtig iets 
snet te veel y ver voorftaan. Zy wekken ons geíbidig 
op tot alle mogelyke behoedzaamheid in onzen gan- 
fchen handel » en tot eene oprechte benaarftiging om 
regt te weeten en te doen het geen waarlyk goed en 
nuftig is. Zyn we in *t eene oíandere geval afgewee- 
ken van 't fpoor der Waarheid en Deugd, hunne 
verftandige Godsvrugt is, zonder uitftel, op *t roin.. 
lykfte werkzaam, om ons weder op den rechten weg 
te brengen ; met alle befcheidenheid te toonen , wei- 
ke de oorzaalc onzer afdwaalinge zy ; en hoe wy ons 
in 't vervolg daar voor te wagten hebben. Bevinden 
<wy ons in omftandigheden , die onze ziel met droef- 
heid vervullen, zyn we als twyfelmoedig , ten einde 
raads,hebben we onderrigtingnoodig; zy zyn terftond 
berpýdvaardig om alletrooft, raad en onderrigting te 
geeven , om ons , zo veel in hun is , ten nutte te zyn. 
£>us worden we , door eene gemeenzaame verkeering 
met zodanigemenfchen,van cyd toc tyd door nutte léíïen 
geleerd, en genieten roeni^vuldige gelegenhedeo^om 
*-^ ; y in 



HET GOED EN KWAAD GtttUCHkf. 'a^f 

ín zwaarmgtige en twyfelagdge gevallen een vríemí- 
]yk onderwys te erlangen ; dienende alie» tevens om 
ons de Deugd met yver te doen betragten, in zwak« 
heid te verílerken , in vrees te doen hoopen , en Da^ 
bedreevene misflagen weder te herftellen. — — Hier 
by komt nog hun voorbeeldlyke wandel , die a) ^c 
voorgaande eene uitneemende kragt byzet, door om 
ten fterkfte ter navolginge aan te fpooren; vermkh 
de Deugd zich in hun voorbeeld als lecvend voor otft 
vertoont^ met alle haare beminnelyke hoedanighe* 
den. Wy zien in hun het aangenaame van deftille ge« 
ruftheid en'c verftandige vermaak eens Godvrugtigen: 
hun gedrag toont ons de mogelykheid, ja de gemak» 
lykheid en genoegiykheid van een oprechten wan- 
dei, in 't najaagen der deugdsbetragtinge. Dit doe^ 
ons, onder de; nevensgaande leeringen, op een ge-^ 
meenzaamen ommegang met hun , al geftadig ietV 
afleggen van onze verkeerde neigingen , driftige 
harcstogten en dwaaze vermaaken ; allengskens ver^ 
krygen wy , door navolging , eene gewoonte vaQ 
geregelder leevenswyze te leiden ; terwyl we hun ge- 
drag befchouwen , en ons over hen verwonderen ^ 
met eene aandoening van hoogagiing, worden wy 
hun ais ongevoelig eenigermaate gelyk. Door het 
geftadige aanhouden van zodanig een gezelfchap ge^ 
wennen wy ons , zonder moeite, aan eene wel ge^ 
fchikte manier van leeven , die ons de Deugd bemin- 
nelyk maakt, en haar verftandig ter harte doetnee^ 
men. 

Zo is het goede het natuurlyke gevolg van goed ge« 
zelfchap; ganfch anders is 't gelegen met kwaad ge« 
zelfchap, dat uit eigen aart niets dan kwaad voorc« 
brengt. Eene gemeenzáame verkeering, (we zuUenr 
niet zeggen met menfchen van genoegzaam geen oe« 
fening, en overgegeevene Godloozen ; dezulkenver- 
dienen onze aanmerking in deezen niet ; maar) met 
menfchen , die , hoewel me( min of meer fchranderV 

Q 5 heid 



L 



S3S VET OOBD EN KWAAO GEZ£UCHAF« 

.beid bedeeld , vervreemd zy o van die waare wysheid , 
die den menrch allen kwaaden weg doet haaten , die 
gemeeniyk hec beoogen van iichaamlyke welluílen of 
waereldíche vermaaken ílellen , boven hec ernílige 
beharcigen der Godsvrugc; eene gemecnzaame ver* 
keering mec zodanige menfchen , die, fchoon voor'c 
Mgder Waereld vry van faamroovénde roisdaaden, 
^ter ver van deugdzaam zyn, zeggen we, is ten ui- 
teríle gevaarly k , en heefc nacuurlyk , zo door gefprek 
als door voorbeeld, een zielverdervelyken invloed. 
' Hun uidokkende onderhoud loopt gemeenlyk 
over *t najaagen hunner geliefkoosde voor werpen , de 
• welluílen des lichaams of de vermaaken der Waereld; 
waardoorzyonzen geeíl geítadig vervullen ten miníle 
met ydele, zo niec volílrekt zondige denkbeelden;en 
langsdien weg onze ziel dermaate verwilderen» (zo 
wy hun eenig gehoor verleenen , *c geen veel al ligc- 
Jyk gefchiedc,) dac wy van ernftiger gedagcen afge* 
trokken , coc niecwaardige , ja vericeerde o verleggin- 
gen des harcen vervoerd worden. Hec groote uirein- 
de van hun gefprek is doorgaens ons aan ce zeccen tot 
eene zondige zogenaamde Vryheid,beftaande ineene 
ledelooze op volging onzer drif cen ; dac by hen , fchoon 
'then íliftven hunner harcscogten maake, den naam 
van Vryheid draagc. £n gelyk die Ongebondenheid 
in ichyn by hen Vryheid heec ^ zo weeten ze eener 
inenigcevan Ondeugdeïi den fchynderDeugdjofwel 
die van Geoorlofdheid ce geeven : ligcvaardigheid is 
byhen leevendigheid ; onkuifche dubbelzinnígheden 
zyn geeftige flagen ; ydele woorden , zoccenklapgáan 
onder den naam van blygeeftigheid en korcswyl; 
trocfchheid in manieren en gelaac is defiigheid ; ho- 
vaardy in hec houden van een overbodigen pragcigen 
ftaat is welvoegelykheid, ja Dronkenfchap en Over- 
fpel, zo 'c niec ce verre gaa^ is in de caal derzulken 
Vrolykheid en Galancery : zo is 'c met deeze , zo is 
't met veele andere zondige bedry ven onder zodanige 
, . men- 



'jtet GOED £N KWAAD GEZELSCITA?. 239 

inenfchen: de egtebenaaminge der zaaken zynby hen 
verlooren, en daar door worden ook onze denkbeel- 
den verbafterd ; terwyl onze hartstogten door hunne 
manier van voorílellingen gaande gemaakt , en wy als 
ongemerktmedegevoerdworden, tothet bedryvendier 
lchoonvernifte euveldaaden. Onder deëze medewer- 
king onzer driften boezemen zy ons fteeds in een af- 
keer tegen de zuivere Deugd , of verduifteren ten 
minfte de denkbeelden van Godsvrugt, die ons nog 
eenigermaate mogcen bezieleu', zo dat ze irapswyze 
hanne kragt verliezen. Komen ons nog zomtyds ge- 
dagten van dien aart voor den geeft , zy wenden alie 
poogingen áan , om hun tegenftand te bieden ; doen 
ons dezelven aanzien als bygeloovige denkbeelden , 
eene angftige nauwgezetheid en fymelaary : eene ver« 
keerdé eerzugt of valfche fchaamte wederhoudt ons 
niet zelden, om hun de verkeerdheid van deezen han- 
del te ontdekken ; wy worden van tyd tot tyd , door 
eene lafhartige toegeevendheid , gewoon met hun me- 
deteloopen; zy ftellen ons allenskens gerufter; en 
Wy betragten eindelyk ondeugden , daar we voorheeh 
ganlch afkeerig van waaren^ zonder eenig naden* 
ken. —— Ditheeft te meerpIaats,om dathunvoor- 
beeld , even als hun gefprek , grootlyks ten kwaade 
dient. Hun voorbeeld trekt ons , door hun onder- 
houd verleid , ter navólginge; hier door is 't, dtí 
zy ons ten kragtigfte verlokken ^ en onze gemoeds- 
driften dermaate in beweeging brengen , dat de 
denkbeelden derDeugd verzwakken; wel dragenoeg- 
zaam kragtloos worden ; en wy in de zonde vallen* 
Gevallen zynde worden we onder allede nevensgaan- 
de omftandigheden van zodanig een gezelfchap , docft 
het gezigt hanner ftille geruftheid in *c bedryven der 
ongeregtigheid , aangezet om het geweeten toe te 
fchroeijen, om deknaagingen van een beíchuldigend 
oordeel te boven te komen , en voor al niet minder te 
ïyn dan onze voorganger». 

Dit 



ft^O BET GOCD IM K^AA^ GIZBÍfCEíf» 

Dic zyn ^ zo aan de eene als aan de andere zyde» 
de nacuurlyke gevolgen van goed en kwaad gezel* 
fchap ; waar van we buiten de dageJykfcbe ondervin^ 
dlngy ons oncegenzeggelyk konnen verzekeren^ wao» 
neer we flegts in 't algemeen in aanmerking neemen, 
hoe de voorbeelden van bun ^ voor welken wy eenige 
agting of genegenheid hebben , zo groot eene kragc 
op oos gemoed hebben • dat zy die der redeneeringe 
gemeenlyk ver te boven gaa» overeenkomíUg methec 
bekende ípreekwoord : Leeringen wekkcnj maarvoQf'^ 
teelden trekken. £n de rede hier van is inderdaad niec 
ver te zoeken. Een ieder, die eenige ofdettendheid 
gebroikt, wordt gereedlyk gewaar, dat onze rede* 
neeriog eenigen tyd en eene afgetrokkeoe >irerkzaam- 
heid onzer ziele vereifcht ; zo dat wy ^ om door re« 
deneering tot een zeker bedryf bewoogen te worden , 
ons met oogmerk daar toe moeten verledigen, de 
zaak aandagcig befchouwen en in haare gevolgen na- 
gaan , eer wy cot eene overcuiging komen, die mag,- 
tjg is om op Qnzen wil te werken. Doch zo is 't niec 
piet de voorbeelden ; die komen ons vap zelven voor 
de oogen , en toonen als in één oogenblik het gehee- 
je bedryf ; die werken op de uiterlyke zintuigen vaa 
ons menfchen , gezellige fchepfels ;en daar door wor* 
den wy, overeenkomílig met onze natuur, het krag- 
tigíle aangedaan : gelyk zq een ieder weec , hpe zeer 
vermogende roerfels onzer daaden de uicerlyke zincui* 
gen zyn , voor al in gevallen die beancwoorden aao 
on^e neigingen ; gelyk hier is hec gezellige navolgen 
der geener voor welken wy eenige agcing en gcne- 

genheid hebben, - Hier benevens mogen we,mec 

^opzigc CQC kwaade gezelfchappen ip 'c byzoqder nog 
•wel in aanroerking neemen: 

Voor eerft, dat men meer gevaar loopt van verleid 
te worden door zodanige niec deugdzaame menfchen, 
gelyk w^ boven aangeduid hebben , dan wel door 
overgegeevene Godlbozen, I^e Zonde heeft d}t aJty^ 

tot 



\ 



IÍ£T COED £N KWAAD GEZELSCHAI^. 24 1 

tot haat nadeel dac 2e j onbedekt uitgevoerd , en tot 
hetuiterftegebíagtzynde, haaren invloed verlieftop 
het algetneene menfchdom : de Ondeugd moec eenig* 
zin$ gematigd bly ven en bewimpeld worden met een 
fchyn van Deugd en Vryheid, om den menfch, die 
nog niet geheel afgeweeken is , verder te verlokken. 
Wy haaten gemeenlyk de Zonde als kwaad op zich 
zelve befóhouwd ; maar we flaan zeer ligt over om 
dezelve als goed te liefkoozen , wanneer ze liiet eeni- 
ge bedekfelen voorkomt. Van hier is 'c dac die on- 
deúgdzaamen hec vermogen hebben om ons ter na- 
volginge te trekken y en dat die Godloozen zuiks zo 
gereedlyk niet konnen doen : de laatften zyn genoeg« 
zaam in den haat van 't algemeene menfchdom^maar 
de eerften worden veel al onder een fchoonen fchyn 
geagt eú bemind; dat noodwendig min of meerplaats 
moet hebben in iemand die ons regt zal overhaalea 
ter navolginge, 

Hier by komt ten tweede nog in aanmerking , dac 
kwaade gezelfchappen van meer invloed zyn dan de 
goede; in zo verre wy gemeenlyk ligter bewoogen 
worden ter navolginge van de kwaade, dan van^de 
goede. Men wordt naamlyk de uitwerkfels van een 
goed gezelfchap niec regc gewaar dan door redene^ 
ring; nadien cer bereiking van de gevolgen derdeugd^ 
eene ernftige werkzaamheid onzer ziele vereifchc 
wordt : daar we in tegendeel de vrugten van een kwaad 
gezelfchap terftond genieten , door onze dierlyke 
hartstogten; die, eenmaal in beweeginggebragtzyn* 
de, ons kragtdaadig voortfleepen; terwyl ze pnzere- 
deneering eerft voorkomen , en vervolgens tegen- 
gaan , zo wy niet met de uicej:fte oplettendheid daar 
tegen waaken. In 'c eerfte geval wordc dan onze 
naarftige werkzaamheid vereifchc, maar in 'c laacfte 
zynWe grootlyks lydelyk by mangel vau warakzaam- 
heid; waar uit onvermydelyk moet voortvloeijen , zo 
yr^ niet ten uiterfte waakzaam zyn , het geen menig- 
^ vul- 



1^.2 H£T GOSD £N KWAAD GEZELSCHAP. 

vuldig inaalen plaats heefc , dac de invloed van \ Iaat« 
fte veel grooter moet zyn , dan die van het eerfte. 

Zullen wy derhalven de gezelligheid onzer natuu- 
re, in beantwoordinge aan 't oogmerk van onzen 
Schepper, ten algemeenen nutte en tot onseígen wel* 
weezen regelen , 't is boven al hoognoodig eene ge- 
meenzaame verkeering met ondeugdzaamen te ver- 
myden , en een goed gebruik te maaken van 't gezel- 
fchap derzulken , die ons door hun Verftand en Deugd 
waarlyk heilzaam kunnen zyn : altoos gedagtig aan 't 
zeggen van Plaio; kwaade menfchen wryven aboos den 
gcenen met men zy verkeeren iets kwaads aan maar de goe- 
den iets goids ; en de les van Seneca ; een boos medgezú 
wryft den roefi zyner ondeugden zelfs eenen oprecbten m 
eenvoudigen aan ; verkeer dan met zodanigen die u beterkon- 
nenmaaken: ter aanípooringe van 't welke ookdienc 
de uitdrukkelykc taal van Ifraëls wyften Vorft ; die 
met de wyzen omgaat zal wys horden ; maar die der zotten 
medgezelis zalverhroken worden. (*). 

Dit onderwerp zal vervqïgd en afgehandeld worden , mel 
het aan de band gecven van eenige regelen y. welker waat' 
neeming noodig is om een goed gezelfcbap regt nuttig ts 
doen zyn. 

(*) Plato in Socr. jépoíegia p. 15. Seneca Ep, VII. Salomnit 
SpreukenU, XIII. 20. 



• « 



vRy« 



■ VR YM OED I G E 

AENMERKINGEN 

OVBR D£ 

4 

NEDERDUITSCHE 

WËRKEN EN SCHRIFTEN, 

die onlangs uitgegeven 2yn. 



Dkhtlievend VeUgezang , dúor een Kimflgenoodfihaf ^ onder de tim^ 
ffreuk Ars diligcntia florec, te Leiden^ by Piecer Delfos en 
ZooQ, 1761. hf groot oSéfva 16 bUdzjden. 

Dlt Dichtílukje behelfl: ene niet onaangename befchryvíng vaq 
een Landgezicht op een Zomerfchen Morgenllond; de vín« 
ding is dooreen genomen zeer wel: de taal is redelyk zuiver,en 
de poézy vloeibaar; indiervoege dat wy grond hebben om te ver- 
wagten , dat dit Genootfchap , de kunít door naaríligheid aaa^ 
kwekende, door den tyd goede vorderíng zal maken. Wy zullea 
den Lezer een ftaaltje van dezen Veldzang onder 't oogbren^en» 
en enige weinige aanmerkíngen daar nevens doen gaan , die ^t 
Kunílgenootrchap , zo we vertrouwen , niec ten kwade zal dul« 
den ; als gefchreven , niet uit bedilzugt , maar met een oogmerk« 
om deszelfs Leden tot te meerder keurigheid aan te fporen, in*' 
dien deze onze papieren in hunne handen mogten komen; mids* 
gaders ter waarfchouwingc voor jonge Dichceren, die dicons ge- 

fchrift doorbladeren. De Dichter laac zich mec opzigC tbt 

de Weide aiduáÉibooren : 

Slae Juichtoon band aan hand! het lachtnd Veld ter eeren (i), 

Ver^ 

(0 ter eeren. Wy konnen niet denken dat eeren hier hct werk- 
woord is , als zynde dit geen Mederduicfche fpreekwyze ; en e^ 
ter kan 'c ook bet naamwoord eer niet zyn , vermids dat geea 
meervoud heeft. Onze Dichter doet op de eerfte bladzyde^ei^ 
rynien op aanloklykbeden f dus zou hy ook hier op keeren hebbea 
doen ílaan ter eere : doch dic was genade op paden , waar van PeU 
in zyne Dicbtkunjl zegc, dic zou by de voornaamáe Dlchters 

een* misjïag zyn , 
Zulks is nu 't oordeel van ie meefte ; en*tis ook 't myn. 

Ter 



244 VRYMOEDIOE A)£NM£IlKXNGE]f» 

J^errukí op é'edle kleur van *t levend groen gewas^ * 

Doormengd met fcboon gebloemt* gelyk een Hoftieras. 
Ei zie ! boe *t morgenvocbt gevormd in paerle dropjes 
Doortintlend dekt^ en kufcbt de naeuw - ontlooke knopjes^ 
En 'tjeugdig klavergras^ dacr 'tT>londe Vee zig boud (2), 
Den luft des Landmans en zyn zorge aenbetroudm 
Die vaek, voanneer by ziet de vrucbtbre (3) Uijers zwellen, 
Opioerfcben trant en toon, een deuntje doet verzellen (4) 

Mtí 

Ter voorkomlnge nu hier van tc fchryven ter eeren voor ter 
eere'is den enen mísílag in de plaats van den anderen Hellen, en 
aangaan tegen dien regel, welken Fondel/m zyne jíanleidinge ter 
Hederduitfcbe Dicbtkunfi^ ons geeft: Men mag om bet rym en de 
maet de tael niet vervulfcben. 

(2) zig bouden, Men zegc niet in *t Néderduitfch zicb bouden^ 
jnaer zich onsboudeá , wanneer men van iemand fprcekt die zyn 
vcrblyf ergcns heeft. 

(3) vrucbtbre Uijers. Dit is waarfchynlyk ene fchryffeíl, voor 
vrucbtbaere Uijers, doch zo kan in den voorgaanden regel zorge 
aanbetrouwd niet verfchoond wordcn. Hier is de fmelting der E 
Diet in agt genomen ,• daar 't ondertuflchen een vaíle regcl in on- 
ze Nederduitfche Dichtkuníl is, dat de £, in 'tjlotvaneen woord 
ene lettergreep makende, volgens de natuur onzer Jpraake , fmelt, s» 
de volgeride lettergreep met ene klinkletter begint. Het was hier ge- 
reedlyk te verandcren , door te fchry ven , zyn zorge toevertnuwd» 
Mogelyk Was de regeI,(om en niec te hebbenop dezeifdegrtícp,) 
beter in 'c geheel dus veranderd 

De lujl'des Landmans, z^yner zorge toevertroudj, 

Te meer om dat de fpreekwyze Den lufl toevertroud nfet eigen is* 
We vinden dit ovcrflaan der fmeltinge ook bl. 6, in den rêgel 

Prael by 't Eenvoudige op *t Vcld van ons pêpier» 

'£ Eenvoudige op ; hicr fmclt de £ : doch dit is veelligt ene fchryf' 
fcil.áls bovcn; hebbende dcDichter willen fchryven 

Prael by *t Eenvoudige op bet Veld van ons papier, 
* (4) verzellen. Dit woord klinkt hier wat vrcemd ; daar is nicts 
In dezen volzin , waar op dit verzellen flaat : want we konocn 
nict dcnkcn , dat de Dichter wil zeggen , dat hy 'í deuntje doet ver- 
zellen met zyn keel; die fpreekwj'ze wil ongetwyfeíd zeggen, dat 
by een deuntje, met zyn keel, met ene heldre keel zingende, doet 
verzellen, vergezeld doct gaan; doch waar mede? dit blykt niet: 
de Dichter bedoclt mogelyk mec den arbcid ; dat de Landman , de 
Uijers plukkendc, tevens een deuntje zingt^ doch dic denkbeeld 
wordt bier niet uitgedrukt. 



VRYMbEfitCE AEKttËRKlNÓSir. 245' 

Met zyrti heldre keel m lof der buitenvreugd, 
Hetjirelend Landvermc^k dat hem de ziel vetbeugd ($) : 
Zie ginds een dicbten drom van witgewelde Schaepen 
Celeid van 'í bupp*lend krooji desfriffen Vddmans knaepen, 
Daer d'Ecbo van *t geblaet , in deze Jlreek geboord i 
Veldminners aendagt in den ucbtendftond {6) bekoord. 



Itijlorie van Frcderik den Derdenj fy^^^ÁiW dcn' Grooten , 
KomiÊg VM PrmffeM, Te AmfteUém^ by Dirk onder de Lin"- 
den, 176 [• Zesd9 Deel^ EerfteStuk^ 41S HaJzjdem in h^ 
tavo. 

EEn lang^ylig dagverhaal^ in dcn ílyl der Nieuwspapieren, 
van de Erygs - operacien in Duitfchlaijd ell de aangrenzende 
Ryken, gedurende het jaar 17^9. 

Kort Verhaal van de Oudheid^ omziwrven en oorhgsdaaden van 
de heroemde Itidders van Maltba. Mtsgadért éen Bejcbryving 
Van Maltha , zo desxelfs Gelegentbeit , Grootte en henondero 
Sterkte^ door Jacobus Bofch. 7h Leeuwaatden bj Gerrlt 
Trc(llng> i7^i. in o9at)0 40 UadzydéUé 

En oppervlakkig berigt van de gefóhiedenis derRidderienvan 
MaUba , dat voór 't Geme^n , 't welk geeil gereede gelesen- 

beid 



E 



(s) dat bem de ziel verbeugd, De2e fpreékWyze is onzer tafe 
niet eígen ; wy fchreven liever dat zyne ziel verbeugd. Behalve 
dat de fpreckwyze beter ís, zo rolt het vers, onzes oordeels , ge- 
maklyker , uít rede dat *er dan ene fnyding is na den vierden 
voet, dat gemeenlyk aangenaam is, en de vloeibaarheid bevor- 
dert, gelj^k Huidecoper in zyne Proeve van Taal en Dicbtkunde ,hh 
141, 147 en 617 doec zíen. 

(6) ucbtendftond. De Dichcer fpreekt doorgaans in dít Ver$ 
van den Morgenftond , in *t begin uitdrukkelyk , en in *t ganfche 
béloop van *t dichtflukje ontmoeten ons geen denkbeelden , die 
ons aanleiding geven om op den middag , of een later tyd van 
den dag te denken : des het ons zeer vreen^d voorkwame , den 
Dichter zynen zang te horen eindigen met het ondergáau der 
Zonne; wy hadden dit Stukje gelezen met denkbeelden van den 
Morgenílond, en ten einde naderende lazen wy, 
Ei\ galm bet Veld ter eer een blyde zegetooni 

Maer zacbtl • • • ó Zanggodin 1 Jiei onze zangdrift paeien : 

De Weftkim blooft door 't licbt van Pbabus guUeftraelen enz. 

Dlt kwam ons zeer onverwagt voor , en die verraíling is , on« 
zes agtens , hier niet fraai; het díchtílukje breekt dus te (luiu af* 
met een denkbeeld dtt 'er niet eigen aan is. 

xu DSJEL. no. 3* R 



%^á VRYMOEDXCB ABMMfiRKINGEN. 

hetd heeft tot het lez#D van breedvoefjger Schrffcen , entgzíns 
van dienft kan zvn. Men vindt, buiten de wydlopige Hi/hrie itr 
Ridders van St» /an, ef der Maltbefcbe Riddersy ín een welgefe- 
geld kort beílek , bet wezenlyke hunner gerchiedentfTe , en 'c geen 
hunne orde betreft , in de Naukeurige Befsbryvingi der Jí^rikaan- 
fcbe Eilanden^ door O. Dapper, bh 105 — iió. Hiex- benevens ksn 
met nut over dit onderwerp gelezen worden het geen de Heer 
Du Mont in zyne Reyzenf. wegens Maltba^ Rbode^.en deze Rid- 
derorde heeft aangetekend; bl. 185 — 204, en 2^1 — '305. Men 
vergelyke, zo *t ietnand géluft , ook daar mede de Reizen v(m 
den /írer deThevcnot, bl. &— 14>, ip-^ — 201. • . 



Hifiorifeh Verbaal van het Kroonen der Konhtgen en KoTnnginnen 
'van Engeland , nevens alle de ceremonien en flegtigpeJen daar 
mtrend gebruikehk. Uit het Engelfch vertaatty door J, v. G. 
met Printverbeeídingen vercierd^ in yuatto 131 bladzjdtií. 



\ ^- 



DltStukje, bqh^lzende «en eenvoudig.en duidelyk berigtvaQ 
de plegtigheden ^et Kroninge van Koning Jacobus á&n iwee' 
den, en die van zyne Koiiinglyke Gemalin , meerenJeeI& gevolgd 
inde volgende Krónlngen , als die van Koning IVilliam en Ko- 
ningin Maria, van Koningin jínna^ en zyne gewezene Majefteit 
Ceorge den eerílen;- voorheen uitgegeeven by gelegenheid dcr 
Kroninge van Koning Geofjg*ff den tweedeq, en Koningin Car^li- 
na^ wordt in dceze tyds-omílandigheden niet oneígen den Lezer 
op nieuw aangeboden ; als konnende ílrekken ter ophelderínge 
cn verklartnge der plegtigheden by zodasig ene gelegenheid ge- 
bruikelyk. 



Briefvan den Hooggeleerden Heere^ den Heere Mr. Picter Bur- 
lïian, Hoogleeraar der Hiflorieny Welfpreekentheid ^ Dichtkunde 
^c, te Amfterdam^ aan deszelfi Broeder^ de» Hoog-eer'waar'' 
den.Heere Franc. Burxnan, Hoogleeraar i» de H. Gjodgekert» 
heid ^c. te Utrecht^ over de Boekenen tíandfcbriften vanver- 
/cheide Geleerde Mannen^ uit de Boekery van voylen den Wel 
Ed, Gifirengen Heere ^ den Heere en Mt. Kaspar Burman, 
ter quaader trouwe ^Mvreemt door Chriftoffel Saxe ý vnl eer 
domeflhjuen 9nder*wjze!r en ofziener vam zyn Eds, Knfdskinde» 
ren'^ thans Hoogleeraar ^ en ontangs Re£tof Magnificus der Aeo' 
demie te Utrecht: Uét het Latyn in '/ Nederduitfch vertaald^ 
en niet eenige origineele Stukken en Aanteekeningen vermeefderd^ 
Ao. ciDiDCCLXi. in groot juarto 54. bladzyden. 

TT'Olgens dit verhaal heeft de genoemde Heer Saxe zich fchul* 
^ dig gemaakt aan een zeer verregaande Saútiytwf; outvfeem- 

..deade 



\ 



VRTMOEDIGE ABNMERKlHaEN. ^0 

lendé fer kwade^ trouwe ene ganfctie mefilgte^an Boekeo. en 
Handfchriften van verfcbéidene Geleerde^Manoen uit áeSo^kevy 
van den Wd £d. Geíln Hee^ en MuKafpar Burman^úen diefílal 
enigermate ontdekt, iiem onder 't oog gebsag^» en door hem tea 
deele erkend zynde, heefc hy zynen beganen roof zoeken te ver- 
kleinen , door 'c agterhouden van velen dier Bpeken en Papieren ; 
en by die gelegenheíd zyne misdaad van diefftal verzwaard door 
die van nieinedigheid;al? » vojgens dic berigt, gebleken is, uit het 
geíladig meerder aíleveren van geroofde Schriften, naa herhaaide 
eden dat liy niets meerder ond(;r zich behieid ,- benevens dit heeft 
Ji)r,gelyk-de Heer Burman te kennen\geeft, hem in perfoon dur» 
ven lafteren als een valfchen befchuldiger in dit geval; en dus 
mísdaad op oiisdaad gehoopt. De Hcer. Burman heefjt dezenBrief 
Eeer fcherp gefchreven, doch , naar den iuhoud van dit verhaal, 
niet fcherper dan de Heer Saxe verdient. 



•**• 



Emge en wel de vo&rnaamfie Gedrogten , de iDoarMge Genees en 
Heelkunde in haare rechtfchape Leeden , onder fchyn van nvaár" 
heidy imíluifierende ^ het hedfieglyke momaangexigt onttaegen ef 
eenige en 'wel de voornaamfie oorsnaaie» , de wakkere Genees-em 
liéelkonflOejJimmren\^haarentegtvaardigen Roem ontroovende^ 
en denzelven vereerende aan anderen^ deezen feenemaal onvíoar" 
digyOntdekt^jaangetpondj en valfih verklaard. Door alexan» 
BËR B AJLTHAZAÁR , Chirutgjn tot Leiden. Te Ldden \ hy Ka« 
lel Ddfos ij6u IngrooS. oó^avomH he$ Foorwerk 39 bladsí^,. 

T Jít deezen Titel zal eik een liiet tm eerfte begrypen , watin 't 
^ <irerk vervat wordt. Het behelft klagcenen vertellingen, dat 
een Geoees of Heelmeeíler op het einde van eeúe ziektc gehaald 
wordende , mec den lof der geneezinge gaat ítryken , terwyi een 
voorgaande » die vroeger gehaald h cn zyn bed gedaan heeft, om 
een goeden grond ter geneezing te leggen , roet ondank zyn af- 
fcfaeid wor^lt gegeeven ; en Kwakzalxrers dtkwyls kundíge en er» 
varene, mannen voqrgetrokken worden. Klagten cn vertellingéA 
?o oud mií&hien ais de wereld,'en weikennaien onieindige maalea 
boort ingeitieene gefprekkenY inzonderheid waar eenige Chirur- 
gyns enD.Q&oren by maikander^yn; en derbalve niet nodig om 
gefchieeven> en nog mtnder om geleezen te worden. Ook fchynt 
de ScUry ver dit Wcrkje maar gefiêhreeven te hebben , om zyn luft 
eens te^ voldoen, volgens zyn eige betútging in dé voorafjpraak 
oan den Let^r^{vfzntált Geichrift is ook nog mec eenre Opdragt 
tn Voorcede voorzien). „ Des eenen luft ", zegt hy, ,» ftrékt 
«, hier toe» en áei inderen; weer daar toe. My behaagde voor 
»0 bet tegenwoorcUge deeze: myne ^jifgehandelde ftof '\ 



& 2 Aan* 



S48 V&TMOEDIGE A£NM£»KiN«EN. 

AáHÊidtmitg v0%€mig€Jir Mertvuuiráligfie VomvsUen cf bet E' 
dek Oeft'lm&es Cmmpaffues Scinf Kioonenburg. Bj wem ge- 
htagf^ doar G. E. !> Amfteráam^ bj H. Rynders 1761. In 

. jwégrío z^hlsdzfdem, 

JlLEq cenyoudíg dagyerhaal vaq ene tegenfpoedige Rels. 



De al te greete Vryheid der Drakpers j^geregteljk tegjen g^effrQken em 
iepaalt^ lO kladxjdem m quarto» 

EEn naedruk vai) 't Vertoog van den Húllandjcben Spe&ater. 
No. 220. De uitfchryver heeft 'er hier en daar nog ene enkele 
fpreekwys in veranderd , of 'er bygevoegd; doch alles wat van 
zyne band is, verminkt den ílyl of verduiítert den zin. Díc is van 
de ergíle foort van Letierdievery ; eens auders.werk ín (li]te over 
te nemeni en 't onder zyne hand^n t^ l^ederven. 



'jfgtervolgeud Berigt der Vapieren , raakende de zaak vam deto Hoer 
' O. Z. van Haren. 

DE Ëxtfaordinaire Letter^Couram van L. P. Van Ganzenoort» 
in *s Gravenbagê by *Job. llíierry , behefzende eene Náamlyá 
deezer Papieren , uitgegeev^n tot den yden September , met by- 
voeging van de pryzen, waar voor 't meerendeel verkogt is, ge- 
paani met eenige korte aanmerkingen , (gefchreeven in een ílyl , 
dte men den grappigen (lyl zou willen noemen , doch waar aaa 
iiet regce zout veel al ontbreekt, ) brengc het getal deezer Papíe* 
ren tot 52 nommers t en deszelfs Schryver belooft by gelegenheid 
een Appendix. Had de Heer Ganzenowt liog eenige weinige da« 
•gen gewagt met het uitgeeven van zynen Catalogus yZOM hy *er nog 
by hebben konnen voegen, jíanmerkingen op d^n Fóorhoper det 
ContradeduQie ; opgefteld door een Vrye Vries ; to Leeuwaarden , by 
A» Ferwerda : een ftukje dat niets doet.tot het weezen der ^ake, 
en grootlyks ingerigt is , om den Schryver van den Fborhoper op 
eene bitze wyze als partydig af te maalen. Hier mede , (dat níet 
te voorzien was , maar zeer wel beantwoord zou hebbeD aan *C 
AvertiiTement van deezen Catalogus in de Nieuwspapieren , ) zou 
deeze Naamlyft behelsd hebben, de Schriften uitgegeeven voor 
dac de Contradedu&ien het licht zagen ; en de Schryverhad miíichien 
gelegenheid gekreegen , om zyn Áppendix te beginnen met de 
ContradeduStien ^ en de Papieren naa dien tyd in 't Iicht gebragt» 
waar mede 2ich als een nieuw tydperk deezer Schriften opent. 

Hier in komt ons in de eeríle plaatfe voor , Verdediging van 
J^gsrig van Tiddinga , Generaal Majoor ten dienfte deezer Landers , 



VRTHOEBIGE AENMEllRlMGfiTf. i^^ 

(gedrukt in *s Gravenbage ^hy Nicohas van Daaien;^ in welke die 
Heer 2ic|i vcrder refereert aan de te gclyk uitgegecvcne VerdedU 
ging van de fíeeren Johan Alexander van Sandick; en Mx. Wíí- 
helm van Hogendorp, (gedrukc in V Gravenbage by Fieter van 
Cleef en Pieter Gojfe Junior; ) beiden ingerigt tcgcn dc verre- 
gaande befchuldigingen vervat in de Dedu&ie van Jr.OnnoZwier 
van Harcn , Grietman van Stellingwerf Wefleinde, 

De rerdediging van den Heer van Tiddinga is,/ naa eene korte 
vooraffpraak, twecledig; en behelft vooreerft, eene Wederleg' 
ging «an de prcetenje alleguatien rakende des Verdedigers perfoon in 
bet gemeen: cn ten tweede van zodanigc alleguatieh^ die tot bet 
geval in quaftie betrekkelyk zyn. Nademaal onder deeze laatílen 
bovcn al in 't opg loopt bet leenen van des Verdeedtgers kamer^ ter 
ênderjleuninge van de godloojte oogmerken , zo biyft de Hecr Ver* 
deediger hier op breedyoerig ftaan; hy bctuigt zynkamer alicea 
geleend te hebben met dat inzigt, dat men dcn Hcer van Haren 
aldaar het veiligfl:, zpqder dezaak te doen éciattceren, over de 
befchuldiging aangaande zyo crimen kon onderhouden : dat den 
Heer van Haren geen het .miníle geweld of molelliedáar ter plaat« 
fe ís aangedaan : cn dat het ganfche berigt van dien Heer dcs* 
wegens in zyne DeduStie, gelyk in veele andcre hyzonderhcden , 
geheel bezydco de waarhcid is. Ook tragt hy den Leezer onder 
't oog te brengcn , dat het geen de Heer mn Haren dicn aangaan- 
de fchryft tcgen alle waarfchynlykheid aanlooptrhet welk hy nog 
byzonderder poogt te doen zicn , door *t voorílcllen ran twce 
jcflexien; dc ccrftc ontleend van zyn gedrag in *t gantfche be- 
loop deezer gebeurteniíre, dat alleszins dc blyken zyner aanhou- 
dende genegenheid , en vriendfchap jegens den Heêr van Haren 
uitlevert; de tweede afgenoraen uit het gedrag van den Hr, en 
Mevrouw van Haren , omtrend zynen perfoon , naa het voorge^ 
vallene op die kamer ; dat te vriendlyk en té vertrouwend gewecft 
is, on> plaats te konnen hebbcn naa een laíhartig bedoeld ver<» 
yaad. Op eene foortgclyke wyze, naar de natuur der zaakc, gaat 
hy ook alle andere befcbuldigíngen , raakende zynen perfoon eti 
gedrag, in de DedvBie gemeld, te keer; en verfterkc zyn gczeg* 
de met het bybrengen van vereífchte getuigeniíTen iá dc nevens* 
gaande Bylaagen. 

De Verdediging der H^ercn van Sandick en van Hogendorp Is , 
naacene vporafgaande Inleidipg drieledig. — ^ Het eerfte Lid 
vervat een eeuvoudig en waaracbtig verbaal van bet geval indes* 
zelfs weezénlyke Qmjiandigbeden. £en verhaai dat, fchoon in de 
^icwendige hoofdzaaken eenftemmig met dat van den Heer van 
Haren, egter ín vcrre dp mcefte omftandighedcn , die ecne by- 
zonderer ovérweeging vcrdienen 9 en eigenlyk het weczcn dcr zaa<v 
ken betteíFen , lynrecht ftrydig is. Dit verhaai ftrekt grootlyks 
om den L^ezer te onderrigten , dat de befchuLdiging ten iafte van 
den Heer van. Haren op de ee;nvondigfte wyze hun ter ooren is 
(ekonieii:,4^c m^Q ^l^s b^cft tragteu ^au^te. wcnden, om het 

' R3 écl« 



%SO ▼RTNOEBICE AEKKEKKINGEN. 

ccUc daar tsió te pFSTeníeeren : dac de Heer vên Hantn een en 
anderwerf fcbuldbekentenis gedaan heeft » voor het tekenen der 
b^wulle A6le;dac mcn de behoorelyke roiddels ín 't werk gefteld 
lieeft > om die Afte van den tieer van Haren y benevens de ver- 
kltaringen der twee Dogteren , Bbtjb en Caroltita 'geheím te 
k^uden : en dat de Famille , teríiond naa 't vertrek van den Heer 
van Haren uit *x Hage^ met Mevrewm van Hartn in eene goede 

verílandhouding, geleefd heeft. In *t tweede Lid worden 

verhandeld en getoetíl die zaaken en omftandigbeden , welke bet 
geval in queftie zelfs uitmaaken , of daar mede zeer nauw verknogt 
zyn, Dit Lid wordt verdeeid in de navolgende negen pointen. 
Het eerfte ílrekt , om te toonen dat geen Complot in dit géval plaacs 
gefaad heefc. Hettweede, om ce doen zien, dat, (gefupponeerd 
ssynde dac de Heer van Haren niet onfchuldig was aan *c hem ten 
laft geleide crimen) zyne twee Dogters , Betje en Carolina^ aan 
wíen zulks gebeurd zou zyn , niet alleen niec mísdaan hebben, 
met zulks aan de Famille bekend te maaken , maar zich zelfs ín 
de noodzaakiykheid gevonden hebben , om zulks te rooeten doen. 
Het derde, om Ce demonítreeren , dat, (in fuppoíitie dat de Heer 
van Sandick en z^me Huisvrouw weitige reden hadden , om den 
Heer vanHaren níet onfchuldig te houden aan't bewude crimen,) 
derzelver conduites in *t ontbieden van de Bruid ten hunnen hui- 
sce, en het by zich houden van dezelve en van JuíFrouw Betje, 
als mede in 'c ontdekken deezer zaake aan den Oeneraal Tiddin- 
ga^ en den Dykgraaf van der DuJJen in alle deelen zyn irrepro' 
chabel. Hec vierde, omtebewyzen, dac*er, (in dezclfde fupo 
poíitle,) door de Verdeedigers niec gepecceerd is, mee bet ont« 
bieden yan den Heer van Haren op de kamer van den Geneml 
Tiddinga , mec het gefpiek aldaar mec hem gehouden , noch ooli 
áoox hec raadpleegen mec de verdere perfoonen , aaix welken de 
aaak, geduurende de Combudie, geopenbaard 1%. Het vyfde, 
om te betoogen dac de Verdeedigers, ook voor bet paíTeeren der 
bewufle Aéle, wetcige reden gehad hebben om te gelooven, dat 
de Heer van Haren niet onfchuldig was aan 't hem ten laíí ge- 
leide crlmen. Hec zesde, om te doen zíen, dat de Verdeed^ers 
nieC aUeen bevoegd , maar zelfs genoodzaakc ^yn geweeft díc 
Aéte van den Heer van Haren ^ mídsgaders de verklaaringen van 
de twée Dogters te vergen ; dat zulks met een goed oogmerk ge- 
fchied, en ook van een gewenfcht eíFeft geweeíl is, tof dat de 
Heer van Haren heeíc konnen goedvindén díe Afte te contrave- 
Dieeren. Het zevende, omtetoonen, dat de Wyze, waaropde 
gemeide Afte verkreegen iB,niet óngeodrlbfd ís. Het achc(le,om 
te bewvzen , dat al hec tot dus ver verrigte, door het dasur op 
gevolgde gedrag van den Heer van Haren en de zynen , gewettigd 
en.goed gekeurd is. Het negende ^eíndeiyk , om ce betoogen , dac 
ide Heer van Haren alleen de oopzaak is van alle de brouillëries 
lEin rampen , die in zyne Familie a^pn ofttílaan ,- en nog geen einde 
|efioniei\ hfcbben, — - ín 't výfde en «evende point, welke 

íwec 



VftTUOEDIGE ACNMERKIN6EN. 2SÍ 

twée inzondcrheid overwegirig verdtenen , bciuigen dc Verdcc. 
digers dat de jongíle Dogcer Maria EUzabetby dooi:gaans Betj^Qe^ 
naamd , oud vyftten jaaren , het tentamen onbewiinpeld te kennen, 
heeft gegeeven , den iide Februar)r 1760. by gelegenheid eener 
ondervraagínge deswegens , veroorzaakt door ^enige bedenkelsr* 
ke woorden, baar den voorgaanden avond ontvallen. Dat deeze- 
vcrklanríng van Betje ^- dien zelfden dag » bevelligd is door de 
toenmaallge Bruid, JuíFrouw Carolinay op eene ondervraaging by 
die gelegenheid aan haar gedaan. Dat Mevrimv van Haren^ áen 
iSden dito; aan haare Zuller Mevrwmvan der Duffen ^011 aan dc^ 
Verdeedigers kennts gegeeven heeft, dathaar A^an tot bekente-, 
nis was gekomen^ en de waarheid van *t geen zyne Dogters ten 
zynen lallen ootdekt hadden, beléeden had; dat zy dit ook ceti 
zelfden dage aan den Generaal 7V(i^m^0.gerepeteerd had. Dat áe, 
Advocaat de Rey^ die, door den Héer van Haren^ als zynPradi- 
fyn werd geempioyecrd,noit heeft geiníleerd op de onfchuld van. 
den Heer van Hareni maar, in 't inidden laatende wat daar vaa 
zoumogen zyn,. abfoiutelyk begrecpen heeft, dat 'er een middel 
moeíl worden uftgevond^n , om éclac voor xe komen» Dat ook . 
de Heer van Haren zelve den i6den dito aan den Collonel van 
der Duffen volmondig beleden heeft, d.it hy tot djie fcliandelyk-, 
lieden van welken zyne Dogters hem betígt hadden , waaríyic , 
was vervallen; alleen tot zyne verfchoonlng bybrengende, dat 
hec geen tentamen van bloedfchande , /maar alleen eene Crimi» 
neele badinerie genoemd ieon worden. £n wat bepaaldlyk aang^at 
de wyze van *t verkrygen der Afte, hier/omtrend betuigen dc 
Verdeedigers,dat'geen onbetaamelyke midd^len in*t werk geíleid 
zyn, dat men den Heer van Haren door gecn bedreigingen , ge- , 
weld , vrecs noch eenige dwangmiddelen lot het tekenen der ge- , 
melde Aóte heeft gelbrceerd: en ze tragten te doeq zien, dat de 
redcn wélken de Heer van Haren in zyne Deduftie bybrengt aU . 
beweegreden zyner ondertekeninge ongegrond en ongerymdzyfl;. 
en dat Jë vvaare reden alleen kau zyn , de overtuíging van zyií . 
fchuld , cn de bekommering dat de zaak ontdekt en rugtbaar zou 
worden. Ze getuigen hier benevens , dat de Advocaat de Roy ^^ 
díe met den Ck)IIoneI van der Duffen als getuigen over die Aáe' . 
geílaan heeft, verklaard iieeft, dac hy Advocaat, indien gemelde 
Colionei daar omtrend oneerlyk had gehandeld , ook een fcbelui * 
zyn moeíl, of zich dan aan dezelve oncerlykhcid had medepligtig. 
gemaakt. Ook betuigen ze, dat de Heer en Mevrouw van Haren , 
den Collonel van der Duffen de plegtigíle dankbetuiging voor . 
zyne goede oificien hebben gedaan; en dat Mevrouw van Haren 
gemelden Collonel, naa 't vertrek van haaren Man , met alle.; 

vriendlykheid ontvaiigcn en behandeid heeft. ■ Het derde,; 

Lid der Deduftie beheiíl eene beamwoording en afwending van 
zodanige tegemserpingen , vraagen eti remarques , als anderzins , 
vJtlke tot compleete refiaatie van de DeduBie niet ongetQucbeerd kofh . 
itn worden gehfateni mH byvoeging van eenigc^ z» gmraale aU 



\ 



ÍS^ V&TMOEDtGE AISKMERKIINGCK. 

fpeciale feflexien ^ ter'deezer materie dienende. Hiër in tragten de 
Verdeedigers het gedrag der Heeren van Hogendorp^ in de (ehuc- 
tíng der geboden op te hefFen , en 't huwelyk te voUrekken , (nast 
't ondertekenen der bewuíle Adle door den Heer van Haren , ) te 
biliyken ^midsgaders te toonen, dat het niet onbetaanielyk , maar 
veel eer ten uiteríle raadzaam was , dat de cwee TuíFrouwen , 
Betje en Carolina aan 't bufs van den Heer van Sanaick haar ver« 
blyf bleeven houden ; en dat de Brui d vervolgens niet uit het hui» 
van Mevrouw van Haren , maar uit dat van den Heer van Sandick 
tén trou w ging. Vervolgcns is hun doel wit reden te gee ven , waar- 
om ze niet gefchroomd hebben , op inílantelyk verzoek , Juffrouw 
Betje aan Mevrouw van Haren te reílitueeren ; als mede te doen 
zien , dat het gedrag van den Heer van Sandick en deszelfs Huis* 
vrouw,met en naa 't vertrek van Mevrouw van Haren na haaren 
Man, in alle deelen irreprochabel is. Híer by komt iiog ecne 
verdeediging van den inhoud van twee Brieven, door den Hecr 
vanHaren^ als onbetaamelyke haatlykheden behelzende, in zyne 
DeduQie ten hunnen iaíle bygebragt : benevens ecne wederÍeggÍDg 
eener befchuldiginge , in die DeduQie voorgefteld , als hadde de 
Heer vanSandick den Heer van Haren gecalumnieerd , ten opzígce 
van wanvoidoehing van *t hem toegezeide huweiyksgosd ; en ver* 
der eene vryfpraak der befchuldiginge van ongodsdienfligheid,ín 
de Dedu&ie ten laíle van den jongen Heer van Hogendorp aaoge« 
drongen, Eindelyk ílellen zrch de Verdeedigers voor den Leezer 
tc doen opmerken , hoe onvoldoende de DeduBie van den Heer 
van Haren is, zo door 't bybrengen van veeie zaaken , die tot den 
llaat des verfchils liiet doen , en 't verz\vyíjen of genoegzaam 
overloopen van zaaken, die boven al in aanmerking komen; als 
door *t bybrengen van getuigen en getuigeniíTen , waar op gcen 
ílaat te maaken is , of die niets byzonders, dat ter zaake dienc, 
beveíligen : en laaftlyk dat de Dedu&ie zeer groote ílrydigheden 
In 't gedrag van den Heer van Haren behelft. Hier op is *t dat 
deeze Verdeediging,(met de noodige Byiangen bekragtigd,)met 
een kort befluit geeindigd wordt, waar ín de Verdeedígers cen 
flot betuigen bet eenige but van dit gefcbrift te zyn^ de WaereU te 
doen erkennenj dat zy geen Complot tegens hunnen Vader en Schoot^ 
vader gefmeed bebbent om bem van zyne Ampten te ontzetten^ erty 
henevens zyne talryke Familie^terulneerenfnBg bem op eenige andcrc 
wyze misbandeld bebben : ais zynde dit gefchrift , gelyk in *t dooc* 
gaande beloop meermaals te kennen wordt|iegeeven,nieczozecr 
ingerigt ora te bewyzen dat de Heer van Haren fchuldíg is, als 
wél, dat de Verdeedigers onfchuidig zyn , wettíge reden gehad 
hebben om den Heer van Haren niet onfchuldig ce houden, en 
ingevolge hier van op zodanig eene wyze te handeien, als in dee« 

zen oncvouwd wordt. En ten deezen aanzien moet inen,on' 

zes agtens , erkennen , (wat *er ook van. de zaak in queftie , te 
oordeelen zy , ) dat bcide deezef Verdeedigingen , ter beantwoor* 
dinge dcr Dedu&ie^ met oorde^l gefchreeven, en met eene rede- 
ll^e bezadigheid en menagement ten aan^ien van een Vriend , 
Vader cn Schoonvader, dooi wkn men zich ten uiterfte geie- 
deerd agt, opgefteld z]^. 



I I l^— p— Mii— 11 



Lí.Aloude Loop van den Beneden-iRhyn ^ ; n/a^ 
deszelfs verjpreiding j omtrend bet tegëh- . 

ivoordige Scheilkeníchansi . 

■ * • ' • ^ -. » . . I. 

Folgens de denkbeelden van den Heer Jan Beht ^ tndé e^* 
jtezyner zts Redevoeringen , over de aldervroegjÉce 
Vaderlandze Oudheden. Te Hoorn by WiUem B^ee^ 
baart^ 1761. in quarto^ bihalve de OpdraglánJL 33SÍ 
bladzyden. t 

DltStukje, dat de aandagt van dë Liefhebberen 
der VaderlandrcheOudhedt;n natuurlyk toc zich 
trekt^ behein: zes Redenvoeringeq , in welken de 
Schryver zich uiilaat over den aiouden loop des £^- 
neden-Rbynsi de engbepaaldheid van 't Eila^ der waá^ 
re Batavieren ; bet charaéler van Claudius Civilis ; het 
pnderfcheid van \Batavta door Plinius gemeld. van dgt 
door Cafar aangeweezen } cn 't eerfte Stáatbejliir van. 
Holhnd , Kennëfnerhnd en Wejl^f^riesland: belluitende 
dit zyn gefdhrift eindelyk met het afweerén en be* 
antwoorden eenigér tegenwerpingen.' *. — - Verroids 
de Heer Bent in deezen gemeeolyk afwykt van den 
genroonen weg, en zich doorgaande voorft^lt^. die 
Jldervrocgjle Oudbeden te ontzwagtekn en te zmveren van 
ie Fooroordeelen en Misgijjingen der Hchryveren van.de laO' 
tere eeu^áen^ zo heeft het pns.niet ondienllig gedagt, 
de denkbeelden van onzen Schryver wat onderfchei.- 
denlyker.fia te gaan^. om het beloop zyner ilellinge.» 
in derz^lveí t'zamenhaingj' den Leezer te duidelyker 
onder 't opg te brengen.; en ^ door 't byvoegen van 
eenige korte aanmerkingen , de aandagt bej^aalder te 
veftigen op eénige byzondere omftandigheden van 
dit gefchrift; en Wel voor tegenwoordig n>et opzigt 
tot zyne eerfte Redenvoering^ die oittrend 90 blad- 
iyden beílaat, 

In deeze Redenvoering , welke ftrekt ternafpoo- 
íinge vá'n den aloudén loop dés Benederi^Rhyns ^ begint 
ónze Aúéletfr, naa eene voorafgaande Inleiding, met 

lti>iifit.N6l4, S ' hec 



» . 



ïj'4 l'' AtOtfDE írOÓf 

ict berigt van J. Cafar^ dïe, (omtrend het jaar já 
▼0« QfHfius^ meldt, dat de Rhyn , den Oceaan na- 
derende^ zicn in verfcheidene gedeelten verfpreidt, 
' 1H$U i$ ^roote eilanden maakt , en met veele uitgangen in 
ém OcMMH t>loeit : dat de Maas een gedeeke dés Kbyns^ 
úefVaalgtmzxciá^ ontvangt, en, met het fPaalwih 
tef^ omttend 80000 fcbreeden geloopen hebbende, 
ÍD den Rbjn oyergaat: van waar ook de zelfde Cajaf 

Sewag maakt van de t'zamervoïoeding der Maaze en des 
!A)f»x(*). ^— Hier uitJeidt de Heer Bent^S^ dat 
de Hhyn^ naa de afleiding der fp^aale^ zonder dé ieng- 
ce van dien uk te rekenen , niet minder dan Soooo 
ichreeden heeft geloopen , voor dat hy de Maas ont- 
ving; dat de Maas geen aitgang in Zee had , maar 
door den Rhyn in^ de Germanifche Zee uitgeílort 
tirerd ; dat , den Rbyn , langs veele en groote Eilan* 
den^ welker inwoonders geugt iverden^ (gelyk Cafar 
fpreekt, en dus by hem niet regt bekend waaren )by 
vis en vogeleifen te leeven^ met veele uicgangen in den 
Oceaan vIoeijende,die£fAaind(?ff nog verder dan 80000 
fchreeden van de verzaming der Maaze en fFaalf aan 
úf in Zee gelegen hebben : welk denkbeeld , zynes 
agiens, verfterkt wordt, door 't bezef, datdeiíAyn 
^niec gezegd kan worden binnenslands veele en groou 
Eilanden gevormd ce hebben. ■ Dit berigt, naar 

<Jes Schryvers redeneering, overgebragt zynde op den 
tegenwoordigen ítaat, doet ons zien ,. dac onze zee* 
•ftrand zo kragtig is afgenomen, dat die loop van dea 
'Rbyn , en de gedaance des Lands , volgens- Céefar^ 
voor onze oogen verduifttrd zy; a!s zyride van daar 
de Maas de fVaal onrvangt, tot aan haaren overgang 
ín den Rhyn. nu haaren uirgang in Zee, niet roeer 
•dan 46000 fchreeden, of 11-5^ myl ; zo dat 'er 34000 
fchreeden , of &^ myj , weggenomen zyn (f ), — 

Dec- 

. (*) Cafar de Bello GaH. L. IV. C. 89, 9i. (mihi C. ra, 15.) 
: (}) D^eze redeneering van onzen Schryvcr, zo van *t afncí- 
men der ítrandeni als van 'c uitloopen áciMíiaze ia dco ÍÚ^n» 

19 



♦ AN DEN3ENEDEN*RHrt«. ^255* 


I 

^Deete wyder uitgeílrektheid van den Khyn in die dz* 

.gen, ílaaft onze Aufleur, met het gezegde van Stra- 

bo^ die, meer dan aeftig jaareh laacer, nog fchreef, 

dat Kent de oofterlyke uit/ieekende hoek van Brittaniê aon 

de monden des Rhyns gezienkon mrden(^)i daarmeti 

heden tuíTchen onze oevers en Ke§t meer dan 20 

Duitíchemylen vindt (f). Hier opbepaak onze Schry- 

•vcr den loop des lihyns , volgens Cafar^ \x\ de ná- 

-buurfchap der Maaze na 't Weílen ; en wel indier- 

rvoege, dat de hedeadaagfche Lek^ Merwe en nieni^ 

Maas den Rhyn^ het Maáswater medevoerende, uit- 

xnaaken: zynde de Maas, by Cafár^ eenonverdeelde^ 

Stroom , die, mei het ontvangene ffaalwater^ geheel 

in den Rhyn overgaat. 

Aan dic berigc van Cafar hegt onze Auéleur veí- 
voigens dat van Tacitus^ die omtrend het jaar 70 naa 
ChrifÍHS Voorzorger vait 't Belgifche Galiie was, éft 
^egt, dat de Rhyn^ met een doorgaanden kil vlieteA- 

de^ 

i.s gegrond op eene plaats uit Cajary dle verfchiilende lee^ing en 
ondcrrcheidene veiklaaring ondti;hevig is ; op eene plaacs waw 
iii Cajar fpreekt van landen dic hcm niet regt bckend waareu; 
en fchoon 'c allen, die CcBjars fclíriften óoit doárbladerden, be- 
kend zyy dat C<p/flr ín 't befchryvtn deezer landítrecke, by man- 
gel van behoorlyke kundightíid , meer dnn eens misflagen bëgaah 
heeft , Heemt onzc Auál«.'ur dit bi-rigt van Cajar als ten uiterfte 
rtauwkeurig aan, en grondt hier op eene Helling, die een door- 
gaanden invloed op zyn gefchrift heeft. De Hfer Bent tragtwel 
'm zyne ?esde Redenv, p. 307— 31 í-, de leezing dat de Maas Ifí 
Rhenum tranfit, m den Rbýn overgaat te wettigen boven die, dat 
de Maas in Oceanum tranílt, in den Occaan overgaat ; doch op 
eene manier die ons tot nog niet voldoende voorkomt : vermios 
hy zich daar in voornaamlyk groiídt op den zin , dien hy aatí 
twee andere uitdrukkingen van Cájar en Tacitus geeft ; zo dat hy 
't eene betwifte door 't andere betwifte tragce te bewyzen. 
' (*) Sírabo Geogr. L. IV. 

(f) Men hceft Strabo irt zyne Geogt' L. L p. no ( Ed. Amff. 
^707) íi. IV. p. 294 en 304, deswëgens ^aar m te gaan, om ge^- 
vi^ri te wordcn, dat Straboin deezen zo nauwkeurig niet is, dat 
men zich hier volkomen op hem konne vcrlaaten: te meer, daaí 
hy ook op ajídcrë plaatfón doet zlen, dat hy niet nauwkeurig óu. 
derrigt was van obz» Landen. ' ^ 

S á 



»$6 B£ ALOUDB LOOt 

de , of maatlyke eilanden omvloeijende , :mb aan' Ú 
begin van dm Batmifcben akker aan twee Jlroomen deeU j 
Zjfnen naam en beftigbeid van hop bebúudt , daat by Germa- 
me voorbyjireeft , (yalknde , gely k hy zich op eene ande<' 
re plaats uitdrukc , met bellende bedde op Gallié) tot dat by 
Zieb tnet den beetan vermengt ; dat hy , naden Gallifcben 
oever breeder en zagter been vheijende , van de bywóonders 
de fFaal gebeeten wordt; weí dta deezen naam mede veranr 
dert in denjlroom de Maas , en zieb door derzeher gemW&' 
gen mond in den Ocettan uitjhrt (*). — Dus is , zegt de 
Heer Bent^ die Rivier, welke nu benoorden Scbenken* 
fcbans omloopt fby Tacitus jde Tí3zmheho\xdendeKbyn; 
de fFaal verlieíl zich eerlang: in de Maas ; de Rbyn 
ílreeft Germanie voorby ; de fVaal^ zo wel als de Rbyn^ 
glydt af na den Fran/cben zeeJkant; en de Rbyn ver- 
xnengt zich met den Oceaan 9 maar de IVaal gaat bin^ 
nenjlands over in de Maas. — Hier benevens fchryft 
Tacitus, dat de Rbyn^ van de Alpen komende, ziebia 
zynen loop met eene kleine kromte na het fVeJlen keert , en in 
den Oceaan mengt (f) , waar uit onze Schry ver afleidt , 
dat de BenedenRhyn flegts eene geringe veranderiiig 
van gedaante in zyneq loop, onderworpen is ; endac 
die Rivier de waare Rbyn is , die, rtiet in het Wefl;- 
Noord-Wefteai , maar in 't PFeJlen uitgaande linet den 
Oceaan vermengd wordt. Ook wil hy hier opgemerkt 
hebben , dat de Maas by Tacitus, gelyk by Ccofar^ eí 
alteLatynfche Schryvers, een onverdeelde ílroomís. 
> Om nu Tacitus en Cafar te meer eenftemmig te 

inaaken , zo tekent onze Aufteur verder aan , disít Ta» 
eitus geen gewag maakt van die veele en groote Eilan* 
den , om dat dezelven waarfchynlyk ten zynen tyde 
reeds door den Oceaan waaren ^eggenomen: en dÍQ 
denkbeeld tragt hy te ftaaven dooreene andereplaats, 
in welke Tacitus gewag maakt van eene ruimte als van 
een Zee , daar de Rhyn den Jiroom der Maaze den Oceaan 

(♦) Jacit. Ann. L. II. C. 6. Htfi. L. V. C. 19. 
(f) De MQríb. C. I. 






Va!M D&N BBN£BEK«RHTfl. 257 

aangiet (*)• Deeze uitdrukking toont^zynes oordeels, 
dac 'er aan den uitgang des Rbyns eene groote ruimte 
was, die niet bekneepen werd door veele en groote 
£ilanden ; midsgaders dat de Maasdoot den Rhyn ont- 
vangen en in Zee gebragt werd , zo dat die geweldige 
mond der Maaze , boven gemeld , die ruimte zy , waar 
door de Rbyn de ontvangene Maas in Zee uítftortidat 
overeenkomt met het zeggen van Cafar (i). 

Op de befchryving van TaciSus voigt ten derdef die 
van Pomponius Mela;wQ\ke in de eeríleeeuw derChris* 
tenheid bloeide. Deeze zegt ons dat de Rhyn van de 
jíipen afftortende, met onveranderden en onverdeel- 
den kii neerwaards ílroomende , ni^^ vervan de Zee ver* 
deelt wúrdt : de linkerhand^ zegt hy , beboudt denkilen naam 
van Kbyn tot daar by uitvheit: ter rechterhand is by eerji 
eng , en zieb zelven getyk ; daar naa , de êevers vseerzyds 
geweldig inkrimpende ^ nu niet meer eenvloed^maareen groot 
Meir. Als by d§ velden bedekt beeft wordt hy 'r Ftíe ge^ 
maamdsen een Eilandvan denzelfden naamomvat bebbende^ 
valt by wederom nauwer^ en een vloed gemtden m Zef (t)* 

^— . Het 

(♦) Hifi. L. V. C. 23. 

(i; Dít over een brengen van Tacitus íhet zich selven en mee 
Cafar komt ons zeer gedrongen voor. Die in aanmerking neemc» 
dac Tacitus fchreef, niet in 't jaar 70; maar naa den dood van 
Nerva in 't afloopen der eeríle, of wel met den aanvang der tweede 
eeuwe,gel7k de Heer Bens te kennengeefc, bl. S7»cnclusnaa dac 
de Rb'^n door de tegenwoordíge Lek uitliep, kan uitde omfttn- 
díghcden des Lands en den loop der Rivieren geooegzaam t& 
Jeiden , dat TacitviS kon fchr^ven , dat ie Maas put een geweldígen 
mond in Zee uitfiortte, en dat de Rbyn, de tegcnwoor^ge Lek.den 
ftrown der Maaze den Oceaan aango&t Spreekt nu Gf/tr van den loop 
dcs kb'jns op eene andere wyze zulks is nietvreemd, aangezienhv 
volgeQs'cvoorgezegde,omtrend 150 jaasen voior Tádms fcbreef •* 
men heeft zich derhalve niet zeer te bekommeren om Gf/or ea 
Tacitus hier in eenllemmíg te maaken ; ce minder <daar 'C berlgc 
van Cajar ongedwo^ngen verklaard kan wordenvtndenoaden loap 
des Rbfns^ even beooften hec tegenwoordige Wyk te Duurftedip 
na Katwyk in Zee ; van deszeifs t'zamenvioeding, mcc dc Maae 
door den Waaltak^ en mec dezelve in Zeei in dic g^vtl konden 
Toêims es Oejar iq alles niec op dezelfde wyze fcfaryveih 
(f > ^te I ^ jï^tt Of^jf L. U. C. 3* (leea U UL C l^X 



€S9 PB AI^OjffDE 1.00? 

■ ■' Het perk van de verdeeling des Rbyns islútf^^ 
zegc onzeSchryver, omtrend hec tegenwoordige 3i* 
fcloortide riviei; loopt van daar ter linkerzyde, behou- 
diende den kil en naam van Rhyn ^tot dat ze uiivloeit; 
'Zo dac Aícla door de linkerzyde niec de IVaal^ maa^ 
den naambehoudenden i2i&3i» vcrílaa, deuzelfden mci; 
dien van C(tfar en Tacitus^i)* Mela maakc,zo min als 
TacituSy gewag van merkelyke verandcringen in deo 
loop deezer linkerzyde; het welk onzen Auéteur doet 
i>efluiten , dac deeze zyde geen veranderingen van be* 
lang in haaren loop onderhevig geweeíl zal zyn (2). 
Doch zo was 'c niec mec de rechterzvde; daar was dé 
Rbyn eerll eng en zicb zelven gelyk^ cer lengte naamlyk 
van de Drufyner Graft ftrekkende zich van Tffekort ten 
i^íoorden coc in den Tffel^ waar door de Rhyn in de te» 
genwoordige Zuiderzee vlooc ; daar krpmpen de oever^ 
fer wederzyde geweldig in,en de Rbyn werd eengroQP 
Meirf chans de Zuiderzeei van daar liep by over de veU 

(i) DemftdrulcMíig van Mela is zo algemeen, dat ze níet lie- 
paateOd aanduide, of hy den Katwykfcben-Rhyn van Cajar^ of den 
Lek'Rbyn van Tacttus bedoele : z6 Mela geCchréeven hecft voor 
''t jaar 72 hai Cbrijlus^ gelyk waarfchynlyk ÍS) doet men veiligíl 
bem van den Katwykfcben Rbyn te vcTllaan; vermíds nÍ€Ls tcr 
-Waercld ons aanleiding geeft om voor dien tyd op den Lek Rbp 
te denken. 

. (a) Dit is cen befluit uit het ftilzwygen dcr Au6fceuren dat nlct 
veeí krast heefi. De Schryver-grondt dit op de nauwkeurigbeid 
^zi). Tacitus en Mela; doch onze Aufteur onderfttlt doorgaandc 
jdc uiterfte nauwkeurigheid hi zyne Schryvers, zelfs ii> zo ver, 
•dat hy, hitr even te vooren het zegt;en van Tacitus^ dat de Rbp 
ca *iU'£ften keert, onderfchcidt van cen loop na *t ^fjft • Noord- 
Wcfim^ als had Tucitus op eene ftreek van 't Compas gefcbiee- 
vcn. Dic de fcbrifien dei OuJen gewoon is te ieezen , vveet zeer 
wcl , dat men uit zulk eene in hun vooronderílelde volftrekte 
tiauwkéurigheid nict kan redeneeren. Ook konMfl/a,genoeg2aam 
oplettciid zynde , 2cer wel inditrvoege fchryven , at ondergÍDg 
4Íc Rbyn ter iinkerhand in zynen loop eenige verandcriog, Qfn dat 
de Rbyn tcr linkerhand geen vtianderipgenhad , die zo befchry- 
irca&waardig waaren ais rer rechterhand : het weik Meh op *t 
iaatfte doet ftaan blyvQn y zonder 't eerfte byzondeidcr 'm M* 
mcrkinfttí nodueiu - . . . ...... ...'.: .^.. .. 



kn bedekten veele vlakten en droogten , diie-oye^- 

ílroomd hebbende kreeg hy den naam van 't i^/f^ j hier 
omvacte hy een Eiland y nu het Fitf^of J^fV/anigenaamd^ 
dac omílroomd hiebbende ^tráïí^ mdernMmr ^ ver- 
kreeg de gedaante éener riviere, en viél in deezen 
vorm, als een vloed^ de rechterarm des Rbyns^ in Ze^ 
Deeze uitvoerige befchryving dier rechterzyde beant* 
woord' , zegt onze Aufleur , zeer wel aan de in eeï;i 
gedrongene van Tacitus^ wanneer hy fpreekt van te 
vaaren door de nieuwgedolvene Graft van Drufus , en vah 
daar , door eenige Meiren , aaú de hoordzee , tot dp rivier dfi 
Eemue komen{*)i als mede wanneer hy zegt, dat d^ 
meerder en minder Vriezen tot aan den Oceaan gezomd zyn 
door den Rhyn , en bevloetd worden door ongetneene Meireu 
{i)ydie de Roomfche vlouten bevaaren hebben (f). t- Hep 
laaclte gedeelte der befchryvinge van Mela^ de ge- 
daante van een vloed ^ naa 't omhelzen van yiielani^ 
tbans niet meer voor t^anden zynde^ zo ílrekt zulk$ 

dea 

(*) Tadt. Ann. L, II. C. 8. * 

(i) ^y meten , zegt de Heer Bm , (zíende op deeze plaatzcft 
Mic TacUwy ) geene redenen^ waarom de Fertaalders Lzcu^ in béf 
mtervoudige overbrengen , en niet in bet eenvuldige. Die rede egCtf 
is zeer klaar : het ínzien der voorbeelden van de vierde DeciTnát» 
tie in de Latynf^be Rudímenca, en *c leezen van deh eerAen teift 
by T^itus , Lacus inde pervebitur , zou hem dic bebben konncn 
Iceren ; en zo hy dan nog gecwyfeld had» zou hom bet leezen fan 
den twceden ttxt ambiunt immeníos Lacus ontwyfelbaar getOQn^ 
i^ebben , dat hier gefproken wordc van Meiren in 'c meervoudige. 
Het ÍDzien van Cellarii Geogr. Ant. T. L p. 262 , zou bem ool^ 
voot de gedagten hebben konnen brengeii , dat 'er waarfchynlyk 
etlyke kleiner of grooter Meiren geweetl zullen zyn , daar tegen- 
woordig de Zuider-zee is; en dat Mela alleen gewag maakt van 't 
groocíle, onder den naam van een groet Meir. Zo begaan.de 
oplettendften misílagen , die zeer wel te verfchoonen zyn ; waaroiA 
we ook dezen níet in aanmerklng genomen zouden hebbën, was 
't niec dat de Heer Bent^ bi. 321 , bovenmaate den draak (lak mec 
CluveriuSy als had dezelve misgetaíl in 'c wooid Fabalis tot het 
Vrouwlyke Geílacht te breogcn. DeHeer Bent is door^aande wat 
fcherp op andere;en van d^ i^ eeami^fl^g ^ deeze iuhemnie^. 
vel ovcr 't hoofd te zien. 
(t) jD^ Morib. C. 34* 

§ 4 ' 



|<!a P ^ ALOUDE LOOF 

4en Heer Bent tot verdere beveftiging zyner ftelling^ 
vah 't afneemén der ítranden ( i ) ; ên doet hem giflen, 
dat eene kleine hëlft van den Noorder-hoórn des Myní 
iiooT den Oceaan is afgewrongen , omtrend ter zelfder 
lengte als wt van den Rbyn len Weílen volgens Cajar 
lïiiflen ,'te weetcn 8ï myl. Het kónit herii voor dat 'er 
deswegens geen tw'yfel ovér kan bly ven , daar de nog 
overgebleevene droogten voor dietweeuitgan'genhieí 
dan genoegzaam beantwoordên : fl:rékkende zich het 
tnidd&n van den Breebanks buicenkant 6 mylen zee- 
ivaards van het punt van Goeree ; en de tioordboek van 
de Breeveertien 7^ myl van Flicland: waár rriede ook de 
afíland der uiteríle boorden der banken en droogcen 
Van de Vlaamfche en Zeeuwfche kuíteri na genoeg 
eenfl:emmig is (2). 

By de reedsgemelden voegt de Heer Bent nog ten 
yierde het berigt van Pliniids ^die mën wil dat in *t jaar 

Ï9 naa Cbrijíus by den Fefuvius het leeven verlóor. 
>eeze gewaagt van Helium en Flevum , als de monden 
áoor welken de Kbyn zicb uitjlm ; zicb ten Naorden in Ifo'- 
ren, en ten fVeJíen in den vloed de Maas verjpreidende ^ 
bóudt eýn iniddelmaati^e kil, zegt hy , middeH tuj/chen def- 
teen zýnen naam (*). De Rb'jn verfpreidt zich dan , vol- 
flsÍTiÍ fUrúús ten'Noorden ín Meiren^ paapily^ door de 
f ■' • DtU' 

(1) Dc Heer l^^nt vooronderftelt In deeze zyne redeneeríngdat 
bet 'tegenwóordfgc Fliéland het oudé Flevo is ; hy grondt deeze 
vooronderftellíng allëcn op de gelykklankighcid van naam ; ecn 
manler va'n bewyzén , die ver van bondig is : daar Yód oudtyd^ 
'ëen Eiland Flevo, binncn onze Zeeboorden gelegcn hebben, cn 't 
tcgehwoordige níV/anrfkon daar van iiog dc naambewaarder zyn. 
ÍDp 2ulk eeiie vooronderftelling , al^ onzp Auíbeur híer maakt , 
ónze oude ílrand derrnaace uit J;e bréidén, is het vóoroordeel 
jiiei bondig tegen gaan. 

(2) Hier worden wedcrom twce zaaken vooronderftelt, die be- 
-wys yereifchen: éerft cénp ^élykmaatigé afneeming onzcr flran- 
4en l^ngs de geheele kuft ; cn ten twceden , dat de eenige óorzaaï; 
OBzer cKOOgten en bankën is het afvcilen onzer ftranden , of '^ 
óvcrfpoeleh ónzer zeekuften rtwce voorondcrftcIIingen,4ic^eenSf 
zins beantwoorden aan de dagelykfcbe ondervindL(ig. 

(♦) Flin. Hijl. L. IV. C. ij. V . - ; 



rAN DBN BENBDEN-R^YN. 26l 

prufyner Grafi; en ten Weften in de Maaí^ te weeteq 
dopr de JVaal: tuíTchen deeze twee béhoudt een mid' 
delmaatige kilzyncn haam i deeze is/ zegt bnze Schry- 
ver, de naáníbehoudehdê Rbyn van Ccejar en Tacitus^ 
Doch de laatftgeinelde befchjryf!: die Rivier, als behoú^ 
dende zynen beftígen kapi hoé QQemt hem dan FÍinius 
hier tQiï middelmaatigen hl7 — Onze Aufteur geeft 
ten antwóorde ý dat zulks gefchiedt , ip vergelyking 
piet dê breeder í;Faal ten Weften , (die brpeder en zag' 
tcrheen vloeide ,'\ó\gens' Tacitus ^) en de wyder Meireri 
ten Noorden , in betrekking tot welken de naambe- 
houdende Rbyn , (fchóon aqder'szins van heftigen loop , ) 
m middelmaatig^ kil gtn?LdHïidikon worden (i). — Ú^ 
geheele Rbjn eindelyk,zich térí Noorden en ten Wes- 
ten verfpreidendë ,. tuiíchen beidén eeii middelnqaati- 
gen kil houdejpdë , had , volgehs Flinius , t wée Monaen , 
ílelium en Flevumim^tx uitgangen , j:egt deHeer Bent^ 
had de Rbyn niét (2) , ook had hy 'ér geen méer noq- 
(iig,ja daar koríden maar twee zeëpoorten plaats heb- 
t)^D: want de Rhyn had niet ríieer dan twee doorgaaq- 

d^ 

(i) E|e pplofling deeze^ fchynílrydighetd van Plinius en Taci' 
tus is, háar óns Inzíen, zeet ge^ogc: zo ónderfcheidene uitdruk- 
kÍDgen doen veel eer denken dac ieder een byzonderen loop op *t 
oog heefc: ook geefc Plinius híer geen de miníle aanleidingooi 
te denken , dac hy door de tniddelmaatige kil een (Iroom verílaaC 
die eenigermaace gemeenfchap mec ds M^as heefc, geiyk Tacitus 
van zynen beftigloopenden Rbyn aanduidc,* maar veel eer hec ke- 
gendeel , dewyl hy dien kil , als geheel onderfcheiden vaa dë 
monden Helium en Flevum^ als tuíTcheh beiden ilrooriiefide , bc- 
fchryfc. Uic dit alles i$ 'c, ohzes agcens , waarfchynlyker , dát 
Plinius door den middelmaatigen kil weríi^zt den KatwykfcbM 
Rbyn^ die tuíTchen Helium en Flevum vloeide. 

(2) De Heer Bent zou voorzigciger en nauwkeuriger gefchree. 
ven hebben; Plínius noemt geen meer uicgangen met naame; 
Tacitus eri Mela' maaken van geen meer uicgangeri gewag : maar 
PtolemcBusy fchryvende omtrcnd het midden der cwecde ceuwe 
fprcekt, in zyne Geogr. L. II. C. 9. uicdrukkelyk Van een oojier^ 
vjtftýr en middelmond aes Rbyns 9 zy nde dc middelmond by hem dc 
ficlóop vaú den Katwykfcben Rbyn. 

Ss 



lC% BK AtOVDE XrOOF 

^ • . - » *. - . . . ^ 

de {troomeo (i); de een ten Noorden, door At.Bruf 
fyncT Grafi na Jnevo vloeíjendet en de ander de midJeh 
maatige kil , die de Maas ^ met het Waahx>aXer , voor 
zynen uitgang ontving, en den Oceaan aangoat: en dit 
was , zegc onze Aufleur, reeds bekend ten dage vaa 
Keizer Augufius , van waar we by Plrgilius leezen , van 
icn Khyn met beide zjne boornen ^ (2). — De Heer BevS 
tekenc vervolgens uic Plinius nog aan , dat de aflland 
van Helium en Flevum was^ byna looooo fcbreeden ; na 
genoeg de nog tegenwoordige afíland vaú de Noord* 
poflzyde van nieland tot den Zuidweftkant van hec 
ÍËiland der Batavicren. Dat nu de laatílgenoemde Zee- 
poort was omcrénd het t^enwoordige f^eland is on« 
betwiflbaar ; dat Hellivúif en Helkvoetfiuis de naambe* 
waarílers zyn van de eerí^cmelde is waarrchynlyk by 
pnzen Audeur : doch hy wil dat men hier wd agt 
geeve op bet afheemen der ftianden meermaals aange* 
duid ; het welk veroorzaakt , dat n^en onmogelyk eene 
juide aftekening hier van kan geeven. 

Uit dit alles befchryft de Heer Bent den loop deí 
Beneden-Rbyns in deezer voege. De Rbyn had drie tak- 
Iten ; een ^ die zich langs Meiren door den mond Fle^ 
vum ontiaitte; een, die onder den naam van IFaal 
pverging in de it^otfx, en eindelyk de naambeboudenii 
^byn^ die^ de M^as en 't fVaah»ater^ VPOf zynea uit* 

gang, 

(i) T)an moet de middelmaatige lil van Plinius niet uitgeftrooad 
Ixebbeii , dat níet waarfchynlyk ís. D^ volgende verklaarÍDg vaa 
ODzen Schryver hecft geen grond by Plinius; deszelfs uitdruJikÍDg 
is veel gereeder uít hec aangéhaalde vap Ptol^m^us \c verklaaieQ* 
Z^ih voorts beneden bL *70, ^ju (3). 

♦ jEneid. L. Vlll. 

(2) De benaaming van Rhenus bicorni^ by VifgHius wordtzeer 
verfchiik'nd uítgeleid , en onze Auéleur , om aan zyne uitleggÍQg 
cenigen fchyn te geeven, vindt zich genoodzaakt bier Cer plaatfe 
cene uitvlugt te verzinnen;en te íleilen,dat Tucca en P^artusiítt 
iiaa den dood van Virgilius , eeríl gefchreeyen hebben ; dat eeniBÍ 
loutere giíEng is, ter begunn^íginge van zyn gevoelen: iets da^ 
voor al vermyd behoort te wordeOi ais mea voo.rooideeleu b^e& 
legen. te gaan. 



ff»l^ Mtvftngen l&bbende » zich door den mond H^^ 
lium 'm den Ooeaait uicftome: zo dac hy niec meer daa 
cvee dof^gaande (Iroomen/en zo veel uicioopejEi had, 
De fFaat vloeide breeder en zagcer^ ftreefde na deij 
Galliícben oever , ^n verloor fpoedig zynen naam , 
yallende binncnslands in de Maasj die een onverdeei- 
den ílroom bleef coc h^ren overgapg in den libyn^ 
De Noorder Rbynboorn was aan veeljB vormverwilTelin- 
gen onderfaevig , eer hy zich mec den Oceaan ver? 
inengde ; maar úq fFêfterboorn had geen aanmerkelyko 
verandering van gedaance,beíluurdezynen looplangs 
Duiifchland, viel mec heliende bedde in of op Gallie^ 
oncving voor zynen uicgang de Maas , en liep dus i^ 
Zee. Zo dat deeze l^atlle, do naambeboudende Rbyn di^ 
Rivier zy, welke chans onder de naamen van Rhyn ^ 
Lek , Merv)e en Maas , Cuflchen den Jiriel en Maasïands* 
Jlms. hngs deHondeplaat in Zee loopc (i) — — Dic is » 
zegt onze Aufieur^ de waaracbtige Rhyn^ waar in d^ 
eigenlyke i^^^x» 80000 fchreeden naa'concvangen der 
fFaaky binnen onze nu verdronkene Landen, oudcyds 
is overgegaao , loopende de Maas waarfchynlyk voor- 
by het tegenwoordige Dordrccbs^ fnydende, cuíFchea 
^eyerland en Butten^ de Landen van Voom en Stryen 
van elkandesen 9 zonder xoen nog de Merm en nieum 
Mm té hebben voortgebragt* £n fchoon we , zegC 
hy, al mogcen miífen in deeze bepaaling des loops t 
men zal egcer moecen erkennen , dac de zogenaamde 
Menj3e geenszins de oude Maas kan zyn ; en 't is nieC 
bewysbaar, dat dézelve zich benoorden hec Land van 
Tffelmonde heefc gewenceld ;egter heefc zich eeneriviei 
langs die boorden zeewaards gefpoed ; welke, de oud$ 
Maas niec konnende zyn , geweeft moec zyn de wefter^ 
arm des Rhyns^ die de Maas voor *c einde moeft ont- 
vangen en in Zee voeren (2). Dit 

(i) Hoe ver deeze bcfchryving , onzesagtens, doorgaa, i« uit 
het reeds gezegde genoegzaam af te nccmen. 
' (2) Zó de Heer Bera hier fpreekt met opzigt tot dcn tyd van 
y^Cafar^ geiyk we hcm natuurlyk mocten verllaan, fpreekt hy 
van onb^wysbaare agakenj volgen^zync eigene grdndcn» 



fi64 0« ALOVDI La«i^ 

Dic denkbeeld van den Heér Antf zeer vet afwy. 

kende van her genoegzaam algemeene gevoelen , zo 
beweegc hem zulks om dtt gevoelen nader cer toetfe 
te brehgtn. Men begrypt naamlyk doorgaande , dac 
ét naambéhoadende Rbyn (i) i$ het water» dat eveo 
beooden fi^yk te Duurjlede door eene grafc loopt op 
Utrecbt^ van daar na fFoerden^en vervolgens doorlíi* 
den toc naby Katwykf vordende in zynen loopdoor 
verfcheidene waceren vermeerderd ; dac het zel ve wa? 
ter door den duinzoom plagc te dringen , ven by het 
fíuis ter Britten in Zee ce ftorcen. £n dic gevoelen 
fchync terílond cen voordeele ce hebben , dac aan dic 
water door eenige eeuwen, coc op den cegenwoor- 
digen cyd , de naam van Rbyn is coegeëigend : doch 
men kan, zegc opze Auéleur, mec den naam weinig 
vorderen, zo de zaak daar mede niec overeenílemt; 
inen moet dan zieh of de naam hier de zaak te halp 
J^an komen. 

Hier toe komt voor eerít in aanmerklng^ dttoe^ 
renvan Caligula, door hem, volgens Suetmus^ opdfít 
pever des Oceaans gefleld^ om daar uit wuren te Jleeken^ 
rnn daar naar de vaart der fcbepen by nagt te beflieren^ij. 
3Deezen tooren, zegt de Heer Bení^ doec men dea 
grondOag zyn van 'c ffuis te Britten ; men plaatft den« 
zelven op ons (Irand , aan een uitloop dés Rbyns by 
KatwyL Doch de woorden van SueUmius ilttiten, ;;« 
nes agcens , niec ín ^zt die tooren geílaan heeft aaa 
^en uicloop eener riviere ; vermíds de vuurbaakeos 
óok op andere plaatfen geíteld worden : veel mioder 
9an dien van den Rbyn\ nademaal 'c nog niet eensbe* 
W^ezen )s , dat Qali^ula dic op onTie Strand gedaan 

heefc: 

(i) ODze Schryver verflaat hier door de naambeboudende Rbyn 
t>y rACftuj niet alleen, uiaar ook by Plinius en anderen; doch 
oit bet reedsgezegde ís 't blykbaar » dat, volgens ons , de naaai^, 
behoudende Rbyn van Tacitus niet, ^iaar die w^ f^^if^Uf en a^^ 
^ertn hicr al in aanmerking komt, 

(i) %ff». in Caligul. C.á6* 



ieefc : de plaats waar , zegt de Heer Bent , is ooze^ 
ker ; doch ointrend Matwyk i$ tegen alle waarfchyn* 
lykheid , uit rede dat dit geval gefchied is , 20 jaaren 
voor het bevQlken van^ dit Land/ en dus eer zodanig 
cen Vuurtooren hier te ftade kon komen (r), ■ 
Wat aangaat het Huis Pe Btitten 4 door den Keizer Se* 
verus en ^oninus Ce/ar geftigt ,. waar op men tca 
tweedeti agc heeft te flaan , de Heer Bent vindt in 'c 
berígt van Scriverius deswegéns niets, dat aanleiding 
geett , om op een uitgang dós Rbyta aidaar te den- 
ken. Vo]gens de waarneeming van 't )aar 1520 Ué* 
pen Jeszilfs fundamenten ten zuiden onder de duinen, en 
de muren gingen op twee plaatfen zeer diep duhmaards in^ 
in manier van een canaal^ en ofdaar water tujjcben beiden 
Íeen gekopen bad: en de grond van V Huis was gelegen 
300 roeden van den Katwykfcben Kerktooren (2). — Hec 
cmiaal^ hier gemeld, is, volgens onzen AuAevr,' ito 
wel aan te zien voor een geheimen weg van dit Huis^ 
als voor eene waterleiding: het liep^ volgens de te« 
kening, Zoiden en Noorden ; was dus geen uitloop 
van den Rhyn , ten Weften i en al had het na 't Wes* 
teneeloopen, zou zulks geen plaats gehad hebben; 
de fundamenten en muuren van 't Huis zouden y vol- 

{;ens die befchryving, den doortogt verftopt hebben. 
Ddien men , zegt de Heer Bera verder, ftelt dat dic 
gebouw geftigt is op de oude grondplaaten van Gz^- 
gttl^ toaren^ aan de zee, zo moet men ook, daar *t ia 
'c jaar 1520 driebonderd roeden van den Katwykfchen Kerk^ 
tooren kg^ ftellen dat het ftrand diestyds niet meer dan 
eene kleine vierde uur gaan^ was afgenomen , zederc 
liet jaar 40 naa Cbrifius , dat geenszins , zegt hy , be- 

anc- 

• 

(i) De Landen , die beneden Isgen, tuíTchen Helium en F7ff- 
«ttm, waaren, volgens onzen Schryver, onbevolkt, tot op het 
jaar 60 naa Cbriflus; van dic denkbeeld maakt hy meermaais'gé« 
bruik; in 'c nagaan eener volgende Redenvoerinee zullen we ee« 
legenheid hebben , om ce zien , hoe bondíg hy dfeeze íteliiiig be« 
wyze. 

(2) Scriverius Oui Batesviê. bU x^. 



^66 »fi ALOVD.E tOflf^ 

ántwoordt aan de reeds gemelile afneemitig det ftraij- 
den, noch ook aan de laatere óndervindmg dúiwe" 
gens; die, zynes agtens, het geíegde, raakendede 
maat doof Cafar aan de Maas gegeeven , voHcomeo 
beveftigc: het \^elk hem voor vaft doet ílelien, dat 
<lit Huis zich . ten tyde der ftigtinge , eenige uuren 
gaans binnensiands heeft verheven ; zynde , i^olgens 
veelen, als cen wapenhuis gebraikt (i). — Betref- 
f ende eindelyk de overftuiving , waar door ihen wi\ 
dat deeze Katwyk/che Rhyn met eên vertaaríyk onweêr 
verftopt zou weezen ; het komt hem ganfch niec waar- 
fchynlyk voor, dat één eetíige ftorm zulks zou heb^ 
Jben konnen uitwerken; ja dit dehkbeeld is hem, de 
omftandigheden des Lands eh der Rivieren inr aali- 
merking genomen zynde, gánfch beJaChélyk (2). , 

Naa 't afweeren deezer denkbeefrfert ftek de fíeer 
Bent in *t algemeen voor, dac de Katfmykfcbe Rliynxívti 
beantwoordt aan de berigcen van Calar en TacitvLS^ 
die den naam behoudenden Rhyn befchryven als een 
fterken vloed, die, voorhaare uicftorting in2See,de 
Maas oncvangc : dat dezelve nog mindfeif de Noorder' 
boorn kan zyn : en dat derbai^e , (geéh alider deel des 

Rbyns^ 

(i) Men kan de onderfcheidene gííCngen oTer den díenO vaa 

dít Huis , en zo ook ovcr de plaats van den tooren zeer wel daar 
laaten; deeze zaaken komen mcer in als bykomcnde, dan wel als 
weczenljrke bewyzen: datliet Strand hier omtrend metkclyKiU 
genoroen zy, dacook hec zelvs op andere plaatíen» by l^zon- 
4ere gelegenheden , zeer íterk gedeeten zy , ís buiten kyf; maar 
dat men ons ganfchc Strand langs eenc doorgaande geíyke afneer 
ming moet vooronderftelíen , werwaards de redeneering vaa on- 
' zen Schryver ons zou wilíen leidcn, is, volgens dê ondetvhi- 
<Hng, nict waarfchynlyk; en de Heer Bent drukt zich desaangaaa- 
de gemeenlyk wat ílerk uit. 

(2) Dit bewys iste fterk getrokken. *t IS- zekei: áeh S'chryver 
nict onbekend , dat men gemeenlyk de vcrzwakklfig vaa den Kat» 
'ujykfcben Rbyn, en de verílopping van deszelfs mond , Diet toe- 
fchryft aan één eenigen ílorm, maar''a«n veele roet elkanderca 
gepaard gaande oorzaaken De denkbedden van attdefen gtbrek* 
lyk, en daar door beTpotlyk, voor te ílellcn, i$ niet regtmaatj^» 
en den onbedagten aand in ji^ oogefl werp^H* . . , - 



ÍrAN DÉN ÍEÍrEÍ)EN*ááÝÍÍr. Í6f 

/Jí5ý«iP , dan 'dié kénmefkén draagende , in Zéé gé- 
Joopen zynde,) de Katwyk/che Rhyn nooic zodanig 

éen doortogt geha:d heefc(i). Hier op tragc 

onze Aufteur byzonderder in *c breede ce bewyzen^ 
dat dit water nooitxie ílerke di^ift en naambehouden- 
de Rhyn heeft konheh zyn. -— — De gedaante, zegt 
hy, fpreekc dic cegéh t de Wydié van dic telgje komc 
in geen vefgelyking bydie van den Rhyn:fpreektmen 
van inkrimpiriff, naa dë afleiding in de Lek^ en 'c 
verzanden by Katwyk , hy betoigt vergeeffch te zoe- 
ken na de blyken der inkrimpinge aan zodanige ri- 
vieren eigen (2): enmaakceeiie tegenftelling tuíTchen 
het affly ten det oevers van de Lek , en den Katvíyk^ 
fcben Rhyn ; daar 'er zederc de fchepping der Waereld 
tot op hec graaven der Drufyner Graft , genoegzaam 
4100 jaaren, omtrend de helfc meer water door dee-* 
zen Rhyn had moecen gaan , dan 'er zedert hec ver- 
nielen van *c Dykwerk van Drufus^ omtrend 1700 jaa^ 
fen lang, naar dic denkbeeld , geloopen zouhebben: 
en deeze tegenfl:ening toont, naar zyne gedagten, de 
íHÍsgilTing openlyk aan (3). — . Híer komc nog by 
hec vermogen des Rhyns. Men wH, zegt^e Heer 
Bent , dat de fl:erke drifc des Rhyns zich over de 4000 
jaaren alJeen by Katwyk ontlaft heeft; deeze.drifi is, 

vol- 

(i) Hoc ver deezé redenecríng , onzes agtens, doorgaa is uit 
feet reeds gezegde af te neemen. 

(2) Eens t'oegeílaan'zynde dat ze den Heer Bent ganfchlyk niet 
te toonen waarerf, zo zou dit nog geen bewys voor hem ver- 
ftrekken : een'e fwief , die verdroogd en verzand is , laat naa een 
verloop vm etlyke honderd jaaren nict altoos zodanige volílrekt 
ODtegeniífggelykc biyken over; voor al niet a!s de daar aan gc» 
legene lanJeryen tot byzonderc gcbruiken gefchikt zyn. 

(3) Dit is een argument dat luid fchreeuwt, doch weinig be- 
tekent; waar toch zou de Heer 5^ geleezen hebben, dat de 
Hbynv^n de fchcpping der Waereid af toc in onze Landenge- 
ílroomd heeft? en buiten dit, cen redelyk .tydbeftek genomen 
zynde, komt het nog níet te pas: de verwyding der rivieredoor 
áen aandrang des vlo^ds, heefc weder moecen afheemen met hec 
terIgop«n Ya& den vteed« ^ 



n 



ft6S X>.£ ÍLOVDS LOOV 

Tolgelis het denkbeeld van veelen, niet in ftaatgei 
weeft, omzich een dportogt tebaanen, daar m de 
l^k is; maar zulks gelchiedde op het vernielen van 
*t Dykwerk vanDrufus; dat, zynes oordeels, vervai^ 
waarfchynlyk isj vcrmids dat vernielen het Land ten 
Weften maar in den zelfden ftand bragt , daar *t meer 
dan 40 eeuwen voor dat Dykwerk in geweeíl was; 
en de Rhyn ^ toen ook reeds ten Noorden uicloopen^ 
áe , door de Drufyner Graftf op de helft verzwakí 
was (!)• Daar en boven , deeze yemieling . zegt hy, 
gefchiedde op het 27fte (2) jaar van Chriflus^ toen 
*cr, volgens Tacitus^ zo ongemeen eene droogte was^M 
de fchcpen op den Rhyn naauwlyks vlot konden gaan (3) ; 
het welk hem dit denkbeeld befpottelyk doet vporko- 
inen. — Verder merkt de Heer Bent aan, dac dee- 
ze Rhyn by TVyk te Duurfiede ^met alleen niet meer mec 
éen wyden kilvheit{4)y ma«r ook ecne zesir aanmerkelyke 
kromte maakt , alzo de boek aídadr^ tu(Jchen V b(roen[le cn 
benedenfte gedeehe der riviere begreepen. omtrend 115 á 
1 20 graaden grooU is (5). De Katwykfcbe Rbyn is der- 
halve, zegt hy;' de waare Rhyn niet; want deeze 
T<ras, zegc hy, aan geen merkelyke verandering van 

\ (i) Wat de rívier voorheen in ílaatwas tc doen, en watvoor- 
bcreidfclen ze gemaakt hecft, toen ze de Landen waarfchynlyk 
onverhínderd zomtyds overílroomde , ís niet te bepaaien; maai 
dat het dooríleeken van een dyk/die de Rivier bedwQOg, geie- 
genheid kon geeven tot uitwerkingcn, xUe yeelligt nooit plaall 
eehad zouden hebben, indren de Rivier akyd onbedwon^^en ge« 
Joopen had, is niet vrecmd tc denken. , 

(2) Dit is ongetwyfeld eene drukfeil; lees 72Íle, gelyk oi>ze 
Aufleur vervolgens fchryfL Doch hoe hy 't gccn fafiííus ver- 
ïaalt Hift. L. IV. C. 26, en L. V. C. 19., tot het xelfdc jaar 
brengt, is ons niet wcl na te gaan. Onzc Schryvér gecft ook 
vervolgens te kennen , dat Cfi;iiw zyne Vyanden benarde, door 
*t verníclen van *tDykwerk, en 't daar uit volgende overílroo» 
jnen der Landen ; dat in zulk eene ongemccne droogte níet zeei 
plaats kon hebben. 

(3) Tacit Hift. L. IV. C. 26. 

Í4) Cluver. Batav. Oudb. Hoofdfl:. é. 
(5; L'Epie Ondirzoek. 2 Hoofdft. 7 lAd., 



TAN DBN «BNBDBN»RBYN. jt6^ 

...... . .• ^. ^ 

gtfdaante dnderhevig : boyen áI grondt hy zich hie^ 
op de nauwkeurigheid vao Mela^ ái^r naar zyne.ge* 
dagten , deeze verandering wel aangecëkend zqu heb* 
hen (i).. Ook isi hy van oordeel dac Mela omtrend 
deezéntyd:, het ^afte jaar naa Ci&rí/2«x,.ge]eefdheefcj:j 
e.n hy.twyfelc niec.of A/e/a, zo hy. fchreef yoojc dieni 
tyd, zou.zeíf, of zyne uitfchryver$ n^azynen dood^ 
<Jie geboqrte.van de Lek geineld hebben» zq ze, ia 
dien tyd waár Ýoorgevallen : en indien Meía fchreet 
oaa dien tyd , Zbu hy zeér sigtloos hebbep moecent 
weezen, in te zwygen.van de Leky,en te fpreeken 
mdeh Kat'voykfcben Rhyn: en.eindelýk^ zo Melaon'- 
der de linkerzyde alleen de Lek begrypt, dan heeftj»^ 
zegt hy , de Katwyk/cbe Rbyn niet in Zee geloopen (2). 
r— Hier aan hegc onze Aufteur het gezag van Taci* 
^j^Sy ^vi Qok géen gewag maak^ yan eenigp verande« 
ringten^ynen tyde» dan alleen terplaaifé, daar hý. 
zegt, dat CivHHf door *t yernieleQ van 'c I)ykwirk van 
Drufus , . den Rbyn , flreevehde met helknde bedde op GaU, 
lie y door bet verjmyten van *t geen bem fcbqrjle heeft^ uit* 
gejlort ; en dat, den firpom alzo als afgeleidzynde,^ d^, 
dunne kil^ tujjcben *t eiland en de G^rmaanen^ fcbyn varí 
aaneenboudend^ Idnd gemaákt bad (3). Doch dit heeft, 
by den Heer ^m geen betrekking tocde,I.^i^. . Die. 
titílorting , zegt hy, is gefchied, bovqn of benjedení 
den Kativykfcheri Rbyn : in 't eerfte ge val kon ze d^ 
JLek niet veroorzaaken , vermids de kragc vah *t. wa* 
terreedsi veá)rokeh was: ih 't laátfte geval , omcrend 

fFyk 

(i) Zie ónze aánmerking deswegens, hl. 25S. (Í) 
(2) Oac deeze redeneering Qiec yolkoipen bpndig' zý is nleC 
noodig te toonen. Mela fchreef en ftierf waarfchynlýk reeds voot 
dien tyd;.(sn buiten dic, Meh was plecaIto.os even nauwkeurig. 
Hec gezegde van den hieet.Benty r^zkenáe de uitfcbiryveÝsvanMe* 
h ín 't byzonder» komt ons zéer vreeiQd voor;, daáír dief^ Hee^ 
zelf, bl. 308» ops leerty dat de qitfehryvers, dië m^n voor bef 
nícvinden der Drukkuníle gebruik]tey véel al ^mttnc veíQfifttil 
waarcn , dic 'er grof me.de te wcrk gingen, 
. (3) Taeit. Hift. L. V. C 19. 

ÏL DZÍJU 7Á0. 4* % 



276 B^E AtotrbR i o o t 

JVyk te Duafiede gefchiedende , kon de Katmykfcii 
Rbyn niet zonder vater weezen , en deszelfs kil zich 
tls aanbmiend land met Germanie vercoonen ; de Tan bo« 
venkomende vloed moeíl: zich eer aan hem , dan aan 
de doorbraak mededeelen (i). — — Hier by komt 
nog dat Tacitus gewag maakc van eene begojle brug te 
fVyk te Duurjlede » langs vjelke de Germaanen zicb pynden 
in te brecken: dic doec onzen Au&eur ooderzoekeoi 
waar deeze bnig ^eílaan heef c , en de Legers gelegea 
hebben ; en hy beflait uit alle de omftandigheden ^), 
dac de brug gelecen heefc over dcn waaren libyn, na 
de Lek; en dac de bovengemelde uicílorcing geicbied 
is aan de Noord-weíl-zyde van den Rbyn^ daar CiviUs 
zich onchield. ■ ■■ Eindelyk beroepc zich onze 
Schryver op Plinius , die flegcs van rwee uicgangen 
des Rbyns fpreekc , Helium en Flevum : den Jaacften niiy 
zegc de Heer Bent « erkent men omtrend F'licland ge« 
weeft te zyn ; en deeze was , volgens Plinius * looooo 
fchreeden van den eeríten ; gevolglyk kan Helium de 
uic^ng by Katvsyk niet geweeíl zyn , als zynde die 
wemig meer dan 80000 íchreeden van 'c yRe. Ver- 
Ítaac men hier door Helium den uitgang omtrend Helk* 
toetj dan vindt men beter de gezegde lengce; docfi 
dan moet men, zynes oordeels, zeggen, dat PHnius 
niet geweeten heeft van den uitgang by KatvDyk^ oí 
vcrgeeten heeft dien te mekien (3): van waar hy be- 

flmt, 

(i) Die eeníge kundígheid hebben van den loop der nVíeren » 
cn de werking vm dcn vloed by gelegenheid eener doorbraak ; 
voor al in eene Qn](landíg|ieíd als deeze, daar 'c water gcnocg« 
z^aam eenrecht uitgaande dóorgang verleend werd, zullen deczc 
redencering van onzen SchryvEr niet gereedlyk aanneemen. 

(2) Befluícen van dien aart zyn niet zeldzaam gefchikt naar gc* 
raade der ftellinge die de Auáeur verkieíl; van waar andereit 
cvcB g^r.eed cen geheel andcr befluit als onze Schryver uit de 
omftan^igbeden afleidcn 

(3) Zie ons gezcgde bl, 261* en lói^ Voor 't overige mag 
inen hicf wel aanmerken , dít gecn van beidc die gevolgen uitbetf 
gezeede van Plinius áfgdeid kan worden. Plinius befcbryft daar 

ter pTaatfe de ganfche lengtc vaa 't Ëitand dci fotavicreo^en dus 

miikt 



j 






*■■» 




ITAN DBN BEKEDBN-RHTK. ^71 

íluit, dat de Kátwýkfcbe Rbyn noic eén doortogt in zee 
gehad heeft» en dat het bëít zy díen mond gehed te 
vergeefien. ■ Uit dit alles leidt de Heer Bent af , 

dat doLekin wéezen was voot't graaven^van de Graft^ 
cn *t vernieJen van 't Dykwerk van Drufus ; dat de Lík , 
en niet de Kátwykfcbe Rbyn , de naambehoudénde Rbyn 
der Ouden is ; en dat de Katwykfcbe Rbýn in de dageii 
van Ciefar y Tacitus , Pfínius en Mela niet in weezen 
was. , . 

Azn dit álles hegt de lieer Bent nog zynê giflingeay 
(willende hy zyn volgende gezegde niet hooger opge^ 
nomen hebben , ) raakende den oorfprong van deit 
Katwykfcbeh Rhyh^ én de plaatsder Grafte van Córbúbi 
die we nog kortiyk zúUen melden. 

Met opzigt toc het eeríle tragt hy , iiaa 't 
gen der red?neeringe yan den Heef tEpié , die in zyá 
Onderzoek (*) het Dykwetk vdn Drufus ftelt geweeft co 
zyn, dwars voor de tegenwoordige Lek^ by W^ té 
Duurjledej den LeeZer onder *t oog te brengen,dat hý 
met meer waarfchynlykheid dat Dykwerk trekt van deá 
jimersfoorder Ber§ tot fFyk te Duumede: en daar op nieb 
ongegrond gift , dat de Katwykjcbe Rbyn^ tot ontksf 

^ tiílg 

ínaakt hy itizonderheid géwag vzií de tííteíllé inbnden dés khynsf 
binnen welken hy dit Eiland bepaalt , tc weetcn Ifélium tcn.Wcs^ 

tan en Flevum ten Noorden. Tot dus ver fprakcn wc; ovet 

decze plaats van Pltnius , volgens dê vertaaling van onzen AuW 

teur^ maar laat ons Plinius zelvcn eindeíyk hooren: dic zegt^^ 

(gelyk onze Au^eur hcm óok aanhaalt J m^^l* inter bcec ore méit^ 

cumnominifuýcujlidiensalveum; dit ycrtaalt onze Aufteuí, mid-^ 

den tujjcben.welke (naamlyk fielíum en Flevuin) een middelmtLotigé 

kil zynen naam bebúud, Waaróm die woorden niet in deezervoege 

vcTtzzlá^beboudende tújfcben detzen (naamlyk Hcliura en Flevum)^ 

in zynen middelmond een middelmaatige Ttil voor zynen naam, Mogc^ 

lyk hecft de Hcef Bevt^ misziende, ora geleczcn in íledc van ore^ 

díc is de beíle rede díe we coi nog konnen giífen : doch niet hcc 

iniszíen van onzen Schrývcr, maar dc text van Plinius moet on^ 

ieídeu,en dan moctcn we zcggen,dat Plinius aan den Rbyn túé'' 

éígent drie doorgaando Jlrwmen en drie mónden ; ílellendc tuílbhcii 

Heliwn en Flevum ccn middelmonif gclyk ook Ptolemaus gedaanl 

beeft. 

(*) i Hoofdfi. 7f» %L%d. 

T « 



173 DE AM>tm£ LOOA VAM OBN BEMEDBH-RHÝN. 

ti0g van de overípoelde landen » naa 'c vernielên vwi 
dat Dykmrkj door de kuníl, en niec door de nacaar, 
naa den tyd der bovengemelde oude Scbry veren , is 
voortgebragc f n opgemaakc. 
. Tcn aanzie» der Graftexkin Coriuhi hier omtrend^ 
zegt de Heer Bent ^zyn degedagcen zeerverfchillend, 
en men zoa , zonder vrees van weclyke cegenfpraak , 
éio Grafc mec onze afgenomene ]a,ndsboorden konnen 
verdrenken : doch hy meenc eenigen grond te hebben^ 
om anders ce giilên; Tacitus verbaalc ons , dat eorhú 
tujfchen Maas en Rbyn eene Graft getrMten beeft , drie eií 
Pmntig mylen , (ce weecen Roomfche van looo fchree- 
4en f ) lang , m iaar ám de onzekerbeid des Oceaans U 
tektten (*) : en dic is , zegt de Heer Bent , gefchied op 
^jaar^oof 51 naa Cbriftus; wanneer deeze landeiii 
lígígende beneden ^ tuffchen de twee Rhynmonden » 
Heltum en Flevum, nog onbewoond, en waarfchynlyk 
dodr geen Romein becreeden waaren. Het komt hep 
yoor, dat hyy^uit de legertogt van Cerbuh^ de eenheid 
des Rbyns en der Maaze , de nutbaarbeid des werks , 
de natuurlyke breedte en hoedanigheid des lands, tft 
voot al de beooging van. den Krygs voogd mag beúai- 
ten^ dac men de Graft van Corbulo nergens mec neer 
yoordeel kan vooronderít'ellen geweetc ce zyn , díxt 
tuílchen hec tegenwoordige Rbynberk uic den Rbvnjtn 
Venloln át Maas j omcrend cerplaatfe, daarin tjaar 
1626 de Maria grift, of Fqffa Eugeniana^ door *c bevel 
der Spaanfche Krygshoofden is geopend. Eihdeeze 
Graft ítrekce , zyiies oordeels, grooclyks, ámdeonze- 
ierbeiddes Oceaans te beletten^ 01 te vermyden; om alle 
Qorlogsbehoefcen y coc beceugeling der Chaufen , en an* 
dere Duitfche Volken , langs een korcer en veiliger 
wegy dan cer Zee, op hec oorlogswacercooneel den 
Rbyn ce brengen , en aan ce voereUi. 

(n Tacit. Annal L. XI. C. atí. 



Calí" 



i^ftitÊmÊmmmmfmÊmmmmmm^ 



California een Half of Scbiereiland ^ volgens 
^e ontdekkin^en van Fader Kino, 

Medegedeeld in de Natuurïyke en Burgerlyke Hi/iorie van 
CalifornisL Uit het oorfprongkelyk Hpaans van Miguel 
VcnegsLSyJefuit r^Mexico ^te Madrid in 'tjaar 1758 
uitgekomen , in ^tEngels , en nu in *t Nederduits vertaald^ 
door J. J. D. in twee Boekdeelen. Eerjle DeeL Te Haar» 
lem by Johannes Enfchede 1761. Behalve d§ FgorrCf^^ 
den en Inbpud 4.^6 bladzyden in ^root oStayo. 

HEc is aan allen , die eenig vermaak fcheppen ia 
'tnagaan van Aardrykslcundige befcbouwingen^ 
6 verbekend , hoe verfchillende gedagten men gevoed 
heefi: over de jrgging van California ^in de jaaren 1534?» 
1537 ^^^^ de Spanjaarden ontdekc; en wel byzonder 
hoe de tegenílrydíge berigten onzekerheid gebaard 
hebben , of dit Landfchap een Ëiland zy , dan of hec 
zelve , als met deszelfs noordlykíle einde aan het vaíle 
Land verknogt zynde , een Scbiereiland genaamd moete 
worden. Het berigt vah Vader Kino jin 't bovenífaianf. 
de Werk medegedeeld , op eigene bevinding gegrond^ 
ons veirzekerende dat hy van nieuw Mexico over Land 
in California gekomen is , beveíligt hét laatfte ^evoe- 
len dermaate, dat het der oplettendheid waardig zy.; 
waarom wy geoordeeld hebben onzen Leezeren geeQ 
ondienfl; te zullen doen, met hun het zelve onder het 
oog te brengen ; naa een kort berigt van dit Werk 
zel ve 'y en van CaUfomia in 't algemeen gegeeven te 
hebben. 

Het eeríle deel van dit Wexk , thans onder onze 
handen , behelíl eeríl eene befchryving van Califomia^ 
en een berigt van deszelfs inwoondevs ; vervolgen^; 
eene ontvouwing der ontdekkingen dier Landítreeke^ 
en een verhaal van de vrugtlooze poogingen derSpaQ- 
jaarden om dat Land te veroveren, tot het jaar iCpSi 
en eindelyk een verílag van de verovering van Califoi^^ 
nia doQi d^p Jeíuiten , en hunne verrigtingen ^ldaar, 

T 8 ledqt 



•74 CALIFMNIA SEN S,C|II£|l£ItA|lQ« 

zedcrt het jaar 1697 tot den tegeowoordigen tyd. ~ 
De fcbryfwyze is door een genomen wat langdraa; 
dig p en van daar niet zeer aangenaaro ; het grooté 
doelwit fcbynt ce zyn het gedrag der Vadéren in die 
Zending te yerdeedigen by 't Spaanfche Hof , om 'c 
iselve , waar 't mogelyk 9 te beweegen , die Zending 
kragtiger te begunftigen ; dan tot nog gefchied is ; 
van waar het meerendeel van 't derde Lid jgrootlyks 

Saat over zaaken , in welker kundigheid onze Neder- 
uitfche Leezers veel al geen belang ílellen. Men 
vindt egter doorgaande in dit Gcfchrift leezenswaar- 
dige aanmerkingen , met opzigt tot deeze Landílreek, 
die men elders vergeefích zoii zoeken ; eh de manier 
Van Toorílellen fchynt ons genoegzaiame blyken van 
kundigheid en oprechtheid in 't Aardrykskundige uit 
te leveren ; des dit Werk zyne weezenlyke nuttigheid 
Íiebbe , om ons eenigermaate een geregeld denkbeeld 
3ran dat geweíl te geeven ; waar van het volgende y 
raakênde Califmiia in 't algemeen , en dé ontdekkin- 
gen van Vaiíer Kino in 't byzonder , eenigzins ter 
jproeve kan verftrekken. 

r 9, California is , zegt onze Au£leur 9 een Half-Eiiand, 
y, gelegen inhetnóordelyke gedeelte van Jmericaám 
^ de apanjaarden in den ílillen Oceaan , of Zuidzee 
*^ ontdekt ; of wel een breede Uitboek , beginnende 
tf van de noordelyke kuílen v^n /ímerica ^ eu ílrekkeD- 
,p de ten Zuyd Ooílen , aan beide zyden befpoeld doo^ 
^ de Zuydzee, boven den Keerkring, zo dat dezuy- 
y delyke Uythoek van 'tzelve in de verzengdeLucht- 
» ftreek gelegen is , en vlak tegen over de Provincie 
^ van Guadalaxara , van welke het af hángkelýk is. Op 
dezenUythoek is de vermaarde Caap van San Lucas^ 
^ als mede die van la Porjia , tuíTchen welke de Baay 
9 van St. Barnabas geformeerd wordt. De weftkuíl 
9^ van^ California loopt noordelyk , wordt , gelyk hiei 
^ vooren gemeid is, door den ftiUen Oceaan befpoeld, 
» en ftrekt zig 22 Graden uyt na Cabo Blance de San 
<S9 Sebajliarh Dt ooft of binnen-kuít van California is na 



i 



CAIIPORMIÁ EEN S^HIERBILlN». »J5 

p een naauwkeuríg onderzoek bevonden lo Gradea 
n ver te Ilrekken , toc dat zy tegen de groote rivier 
9 Cohrade íluyt. Tuflchen deeze twee Kuílen legt hec 
9 Half-£iland of de Lands-Uy thoek ^ genaamd Cdi/í- 
p fornia » en de arm der Zee tuíTchen de Ooítkuíl van 
i^ 'tHalf-Eiland en 't vafte Land wordt át Golf of 
p Baay van California genaamd , welke op zommige 
, plaatfen 60 , 50 en 40 mylen breed is , tuflchen Cabo 
p San fjuca^ en Jiio Colorado , die zyne wateren in de- 
p zen Golf lofcht,alwaar beiden de f[uílen in een loo- 
^ pen ^\ ■ Men heeft tot nog , gelyk onze Schry- 

ver pns berigt , geen volkomen? keurige afmeeting 
van dit geweft ; egter komt men daar in genoegzaam 
pyereen , dat Cabo San Lucas op 22 Gr. 32 M. » de Rí- 
vier polorado op 32 Gr. 30 M. en Ca^o Blanco op 43 Gn 
30 M., alle Noorder Breedte gelegen zyn : doch in de 
bepaaling der Lengte is zo groot een verfchil » dat 
mén naiawlyks weete wat geyoelen men den yoorrang 
zal geevcQ ; onze Schryver, ílelt, in zyne nevensgaan^ 
de Kaart^ als hét waarfchynlykíle» Cabo Sah fMcas op 
otntreod 266 Gr. en Rio Coïqrado op omtrend 260 Gr* 
l^ngte, wanneer men de gemeene Middacslinie van 
'c Ëiland Ferro afreketít: zo dat hy zich naaíc verklaarl; 
voor 'tgevoelen van á^Anvilk^áiQ Cabo San Lufos llelt 
tuíTchen de 94 en ^s Gr. en de Rivier Colorado op 100 
Graden we/lerlengte ^ van den gewoonen Meridiaan 
van Ferro. — De \Veftkufl; van Califomia is tot nog 
ï^kt regt bekend ; in 't tweede deel van dit Werk zuK 
len egter de zekeríte berigten deswegens medegedeel4 
^orden ; onze Schry ver zicb in deezen bepaalende toC 
het befchry ven van den inham' , en de daat aan paalen<^ 
de kuílen , zegt ons , dat de inham een atm is v^ de 
ílille Zúidzee , afgebakend door Cabo San Jjdcas en 
Cabo de Corientes ; Uggende Cabo de Corientef^ volgeni 
pon George Juan op 268 Gr. 10 M, Lengte, en 20 Gf, 
20 M. JNoorder Breedte : van waar deeze inham loopc 
tot aan den mond van Rio de Colorado , die in deezeii 
^eebo^zei^ va)c tpet een mond van byna eene Myl 

T> iryd, 



^2^ CALIÍO&NZA £ËN SCHIBREIttAK^. 

wyd. Deeze Rivier loopt , van de 34 Gr. tot dat ze 

^ich in deezen boezêm ontlaíl , fechtílreeks van 't 

rfoordëti na*iíZuiden; omtrend 35 Gr. bntvaiigt zy 

de fivier Gila^ en ftroomt' Noordooffi en Zuidweft tot 

hoe vér háafe oeyerbanken bewoohd zyn: en'de loop 

der Gik , is v«in daar zý in de Cokrado valt , Ooft en 

Weft, ftrooftíendé omtrend 100* mýleri Van de uiterftc 

zendingeh ván Donora eh Pimeria^ en dus ovej de (5od 

iínylen benoórden Mexicó. Verder befcHryft onze Auci 

teur de wederzydfche kuft langs den inham vf y nauw- 

keurig, en geeft vervolgens een berigt van 't Land- 

fchap California zelf ; dat zich ván Cabo San Lucas, tot 

zo ver hët na bpveh bezeteh is ^ omtrend 300 myleií 

úitftrekt ; zynde by Cabó San Lucas maaf ip^ doch op 

ándere plaatfen , vah de Zeé tot dén Gólf, ao, 30 en 

4omyléh breed, iiaar maate dat de kuftëndraaijen. 

|n zulk een uitgeftrekt gëweft is de gematigdheid det 

Lugt en dé hoedanigheid van den bodem zeer ver- 

fcheidên: doch over *t algemeen is *er de Lugt by uit- 

ílejc dróog en héét , en 't Aardryk dor, oneffen |Wild, 

jilom niet Bergeri , Rotfen en Zaindén , en van weinig 

water voorzien , en gevolglyk onbêkwaam tbt fiouw- 

land, Weiland en Beplanting: egter vindt men hier 

én dáar verfcheidene ftreeken , welke men mét voor- 

dëél tpt Bouwland kan bezigen, en daar de Boómen 

én piJmtgéwaflen uit Nieuw Spanje overgebragt aange- 

kweekt konnen wdrderi. Wat áangaat de Produélen 

van dit geweft , het blykt, ult het t^efhaal van onzen 

AuÊleuf , dat hier 'eene genoegzaame vefícheidenheid 

ýan gedierte gevpnden wordt; dat'er ook verfcheide- 

he Planteri en Krniden midsgaders Boomen groeijen , 

doch weinig eh die bekwaam iyn tbt Timraerhout , 

dán alleén ih *^t opperfte gedeelte, bp 34 a 35 Graa- 

den , daar de grond'ook doorgaande vrugtbaarder is : 

ýnén vindt hiet zó ití dé Zuidzee afs ift deri Golf van 

Californiá een ongeloovelyke overvloed en Vêrfchei- 

áeriheid van Viffeti : ook heeft men redén oiú te ver- 

inoeden , dác het dit geweft «an geen Mineráale^ ont- 

' • ' * • ^ brcekt,- 



|)reekc; doch zekerder is 't dat hier eeneryke paarK 
ViíTery plaáts Heeft , langs de geheele Éuft , en wel 
yoórnaamlyk by de náaíigelegehe Eilanden ; welke 
hier met weínig gevaar verrigí wordt, dewyl hec wa« 
ter in deri Zeeboezem niet zeer diep is. - — De In« 
woonders ván dit Land worderí , volgens onzen Auc- 
teur, voornaamlyk in drie Natien , liaar de drie ver^ 
Ifchillénde taalén welken zy Ipreeken , onderfcheiden ; 
hunne gedaante, geaartheid, bevactihgen en gewopn* 
ten zyn genoegzaam gelyk aan die vanandere Indiaa- 
hen in dic Waereldde^l ; tnet ^eríige verfcheidenheid 
in zomniige býzondere opzigten ; als uit het bërigt van 
onzen Schryyer is af te neemen : wáar uit oqk blykt i 
dat de Califprniaanen niet te befchiildigerí zyn van Af- 
godery; doch teyeps dac hun denkbeeld van God ei% 
2ynen dieníl zeer ongeregeld is ; en dat het meéren- 
deel zich qp eene bygeloóvige wyze onderwerpc aaa 
^t gezag van hunne Prieílers of Tóvenaars. 

Onder zodanig een Volk, dat voor 't meerendee! 
onderworpen was aan *t gezag hunner Priefterén , dat 
in 't algemeen zeer onbevatbaar was, en daar en btf^ 
ven weldra een verbitterd gemoed had tegen deSpan- 
jaarden , uit rede der mishandelingen aan hun gepleegd , 
in de eerfte ontdekkingen en poogingen ler verove- 
ringe van dit geweft, (waar van onze Aufteur cea 
breedvperig verhaal geëfc ih de tweede afdeeling,) 
vonden 'de Jefuítén merkelýken tcgeríftánd in 't ver*- 
lcoRdigen hunner Leere: zo dat ze geene vorderingea 
van belang maakten , dan na yerloop van etlykc jaa- 
ren , volgens het berigt van onzen Schry ver in dé 
derde afdeeling die, gelyk reeds gezegd is , gaat ovec 
de yefrigtingen de't Jefuiten aldaar , zedert het ja^í: 
1697 » tocop den tegenwoordigen tyd; waar onaer, 
met opzigc tot hec Aardrykskundige,boven al in aan- 
merking komc dc ontdeicking van Vader Kino , ter 
verzckeringe , dac California , cen Noorden aan 'c vafte 
Lapd verknogt , een Scbiereiland h i waar van onzQ 
Auéleur hec volgendc mededeelt. 

T ^ ^ Vadcf 



^y$ cALiroRNiA £icN scdierezlamd; 

» Vader Euzebius Franehcus Kím (•) vertrok den 24 
j^ Septefnber 1700 uyt zyne Zending Lox DohreSj en ná 
j, de Vlekken rfe foj Remedios cn 5/?» 5imo« en Juks 
^ bezogt te hebben , quam hy te San Jmbrojio del Bu- 
^ fanio , te Tucubalia eií te Santa Eulalia aan ^ wanneer 
^ hy alvooren's eenigen tyd onder 300 Indianen geflcc- 
^ ten had , die aan hem gezonden waren , ter aanbie- 
^ ding» om in de zending van San JÍmbrofio ingelyfttc 
^ mogenworden. NogóMylen verder wierdhy by^p 
^ andere Indiaanen ontmoet , en niet ver van daar quam 
» hy in hec Vlek della Mercede; nog 20 mylen te rug 
j, leggende , bereikte hy het, Vlek van San Geronymo 
'9 en vier Rancberias yvyf mylen van daar quam hy aaa 
i, eene Waterplas; twaalf mylen verder 'ontmoetede 
j^ hy eene andere, en na nog tien mylen voortgereisd 
» te hebben , bevond hy zig aan d^ rivier GJla^ weíke 
^ uit het Land der Jfacbes voortvIoeit,Oofl: en We$r 
^ telyk tot pvcr de 44 (f ) Graden Breedte heenen 
IP fl:roomc , en , na het water der Jzul ontvangen te 
^ hebben , zig in de vermaarde rivier Colorado ontlaíL 
^ De Vader volgde den loop dier riviêr ter lengte 
'^ van vyftig mylen , verzeld door eene mengeling van 
jy PimaSj Opas en Cocomqricopas ; en na verfcheidene 
Í Rancherias (§) der laatíïgemelde Natieh doorgetrok- 
^ ken te hebben, bereiktê hy die der Tumas^ welke 
^ aan de uyteríle Oeverbanken der Gi/a woonen, al 
P eer dezelve iii de Colorada valt ; ook bezogt hy de 

„ be. 

(♦) Aan deezen Vader Kino, en Vacjer Salva Terra waaren in 't 
jaar 1697 volmagten overhandigd, waar by hun toegeftaanwrd, 
zig na California te mogen begeevcn : ingevolge hier yan veitiok 
Vader 'Salva Terra te water na California, eu kwam in dat jaar 
pog in dat geweíl: ; maar Vader Kino bleef , tot beter bevordcring 
van hun doelwit , voor eeríl nog in Sonora , (cene Provincie ten 

£>often van den Golf van Califêmia;) van waar hy vervolgens te 
and op California hoopte te komen. 

' ítJ Dit zal eene drukfeil weezen, lees 34, volgens de Eaart. 
(J; Rancberias zyn de buitenftreeken of Volkplantingen der 
Dnderfcheidene Natien . díe in de Landílreek van apder^ Natiea 
|evonden woydcn. 



^ bewoonders der weftelyke zyde van de voorfz Ri- 
^ vier. Hier beklom hy eenen berg, die lamelyk varï 
j» hoofte w^Sy doch aan hem geen gezichc na de Zeé 
^ verichafce; ook kon hy door zyn Telefcoop niecs 
w dan Land ontdekken. 

„ In 't yeryorderen zyner reis bereikte hy het ge^ 
j, deelce van het geweft , alwaar de Gila in de Cokradf^ 
9 vloeit, waarpm ftreeks hy onderricht wierd , dat de 
'^ vier Nacien , genaamd áe Quinquimes j de Bagiopas , 
„ de H&bonomaSj en de Cutguanes hunne woonplaaifeqí 
'^ hadden. Op het verzoek der Tumas trok hy verder 
„ tot aan de zamenvloeijing der beide voorfz. Rivie* 
^ ren; ftak de Gila over, diealdaar tamelyk wyd eijf 
j, in drie takken verdeeld is. Tien of twaalf mylcq 
„ hooger quam hy in eene vruchtbaare ftreek Lands , 
•» gelegen op de 35 Graden , in eenen hoek , welke^ 
^ de zamenvloeijing dier beide Rivieren uicmaakte , 
9 waai! aan hy den naam van San Dionyfio toeleide. 
'f, Alhier quamen hem vyftien honderd perfopnen in 
f^ eene troep bezoeken , welke , by hem ondervraagd 
„ zynde , eenpaarig verklaarden i dat daarpm ftreeké 
'^ geené Zee te vinden was,en dat veele van hen^aan 
fy de weftzyde van de Colorado woonende , te meermaal 
p, die Rivier overgezwommen waren. Zy verzogten 
9 hem , dat Land insgelyks te willen komen bezoeken ; 
^ doch hy vond niet raadzaam daar aan te voldoen ^ 
p, vermits zyn Voorraad van Provifien dagelyks krompy 
^ en de Pimas zeer vermoeid , ziek en misnoegd wa* 
9 ren. Dus keerde hy , na hen van zyne liefde en ach^ 
^ ting verzekert^en eênige geringe gefchenken onder 
^ hen uytgedeeld te hebben, wederom nade plaats , 
„ alwaar hy het eerftemaal die ganfche ftreek overziei< 
^ en opgenomen had, Hier bekloni hy den allerhoog- 
^ ften Berg van den ganfchen Richgel, van wiens top 
^ hy door zyn Telefcoop de gebergtens van Californiq 
9 ganfch duidelyk beiTchouwde y en ontdekte , dat , ni 
,de zamenvlpeijing dier beide riyieren te San Diony^ 
^ fto^ de Cohradi nog lo mylen zuidweftejyk, en vef* 

» det 



^ CALIFO&MIA ££M SCRIKK2ILA1I9Í. 

p der 20 myieB weftelyk ftroomde , tot dat zy úg it 
^ den zeebpe^m yan CaUfornia ondaftede. Hy ver- 
^ volgde zyne reis na Calmca langs eenen nieuwen 
9 ^eg ,en bereikce in het uycgaan der maand Odtobcf^^ 
^ na eenen cochc van omtrenc 400 mylen afgelegd ce 
„ hêbben , zyne zending van Los Dolorcs (^). 

„ Vader Kino was nu overcuigd en cen vollen ver? 
^ zekerd , dac Califomia mec hec vaíle Land van Jmc' 
9, rica zamen hing » en i^lleenlyk door de grooce rivier 
9 van Colorado daar yan afgefneden was ; hy gaf ver- 
« volgens van deeze oncdekking kennis , en de Com- 
9 mandant van Sonora bedankce hem uyc naam vandea 
9 Koping voor zyne deswegens genomene moeice,ge- 
3P lyk Qok by de Overílen zyner Orde gedaan wierd. 

^ Vader juan Maria Saha Terra , die in deze maaod 
9 úyt California gekomen was , om uy c de zendingen en 
19 guarnifoenen van Sonora eenigen onderíland ce ver- 
9, zoeken , was over dac verhaal cen uycerílen verr 
n heugd, eq wenlchce aan Vader Kino wegens zyne 
9 oncdekking , eerít by Brieyen , en naderhand by 
9 Monde , veel geluks. Doch nademaal dezelve al? 
9 leenlyk op ëenen verren afíland gedaan was, zq 
9 wierd Vader Kino door hemaangemaanc en aange- 
9 moedigc, om eenen cweeden cochc derwaards te 
p doen ; als oordeelende dac hec welzyn en behoudzy* 
19 ner zending van CaUfornia daar yan t'eenemaal afr 
^ hangende was. Hy verzogc hem van Sorma na de 
9 rivier Colorado ce willen vercrekken , en den loop 
9 van dezelve volgende , langs de kuíl van CaSfmia 

zyne 

(^) Los Dokres ligt, volgens de Eaarty diep landwaaxdsln» 
en wat laager dan Caborca ; hec welk , naar *t verhaal van onzeii 
Schryver, de laacíle zending van Sonora is, liggende 2 mylen van 
den Golf van Ci/i/«m(a lándwaards in , op omcrendi 31 graaden., 
en.po of 100 mylen van de Rlvier Hiaqui^ áifi z^ich op omtren^ 
;ipgraaden in den Goíf uitílórt; , en de zuider grénspaal van So' 
nora is. Caborca legt ook omtrehd^ioo mylen van de Rivier Gf/a» 
die tot over de 34 gra^den ílroomt» en eindelyk op 35 graadente 
&fi Diênyfiê ifí út Qíloradê valt« « 



CALIFORKIA BBN 9CHI CREILAMD^ ZBÍ 

^ zyne reis tot aaQ het guarnifoen van Loretto (*) té 
^ vervorderen. Vader Kino was daar toe terftond wiU 
ý vaardig ; en alhoewel de reis nog eenige dagen irit- 
^ gefteld wierd ^ om dat de wecteboze Jpacbes het 
9 vlek Cucurpe overrompelt badden, en in het daar 
^ naaftgelegen Land doorgedrongen waren, zo bega* 
9 ven de Vaders zich echter den eerften Maart 170^ 
^ op reis, en wel langs verfcheydene wegen/ om*tef: 
^ fens hunne Leerlingen te bezoeken j hebbende al* 
^ voorens met den andeten afgefprooken zig te la Con* 
^ cepcion de Caborea wederom te zullen ontmoeten. 

^ Vader Saha Tefraííoeg den weg over Sán Ignació 
9 in 3 pm de rivier van Caborca te bereiken , langs we^* 
„ ker loop hy door Tibutama , Axij San Diigo de Uqui* 
^ toa en San Diego de Pitquin volgde, tot dat hy ter 
^ afgefprQoken Zameiplaats a^nquam. Vader Kino 
i^ nam eenen pmweg over Cocofpern , San Simon en San 
^ Juiasi €ot dat hy te San Ambrofio de Bufiano mede de 
^ rivier van Caborca ber^ikte, langs welker oeverban- 
« ken hy^ door Sarriiy Tibutama ^ afider^ vlekken en 
^ dorpen voorttrekkende , eindelyk te Caborcá belan- 
^ dede. Hier van daan toogen beide de Vaders , door 
^ 10 Soldaten verzeld , Noordwaards na San Eduardo 
^ de Baifjia en San Lais de Bacapa^ alwaar zy den Va< 
9 der Marcos de Niza , Provinciaal der Franciscaanen 
9 ontmoeteden , gelyk ook dezelve Pater daar van ge- 
^ waagt in zyne befchryving der zeven ftcdea van 
^ Cibok. Na.nog twaalf mylen van daar afgelegt te 
^ hebben, bereikten zy San Marceh ^ zynde de eenig- 
9 ÍÍe plek langsde ganfchekuft en aangrenzende Lan- 
^ den om eene zending te kunnen nedefzetten, door 
9 dien de grond tot Bouw-en Weilaiid zeer bequaam is , 
^ en ook daarom ftreeks uy tftekend goed water tot al- 
^ lerhande geryf gevonden wordtv Deze plaats vol« 

» gens 

(♦) Loretto ligt, voígeiis onzen Auftëur, op Califomia^ op 26 
graaden Noorder Breedte, in 't Land vah Idiom Concbo , waar la 
4.9 eexfte sending vaa Califmiia zich ter nisder gezet ])ieefti 



382 CALlTOtiniA ÉEK SCHIEáEXLÁNtf. 



9 



gefis def aanmerkíDgen vao Vader Kino legt 50 my^ 
]en bezuyden Caborca , en 50 benodrden de rivier 
Gila j en ín een gely ken afítand van San Xaverio deí 
Bao } ílrekkende Noordweftelyk van den mond der 
Colorado. 

9 Te San Marcéío ontfingen de Vaders een zeer 
aangenaam ancwoord op de aan de Quicimas gedaa* 
ne Bezendingen , en zommige dierí^acie quamen 
hen achc mylen van daar aan eene Springader be* 
zoeken ; door welke ty onderrecht wierden , dac 'er 
twee wegen waren , iangs welke men na den mond 
der Coloraáo kon komien ; loopende de eene over de 
Vlakcens , Gebergcens en langs éenen grooten om^ 
weg ter linkerband van 't gëbergté Santa Clara hee- 
neh ; en de andere , als de kortfte^ langs dekufly' 
wanneer hec Voorfz. gebergce aan de rechcerhand 
bleef leggen , over 2eer zwaar zand coc aan de rivier 
coe. De Indianen , ^ev^oon met pakken en leefcochc 
ce reizen , zyn miílchien voor hec ongemak in hec 
pafleeren dier zahden niet bevreeíl. De Vaders ver- 
kooren echter den Weg langs de kuft, otá dezelve 
teifens op ce neemen en af ce fchecfen. Wánneer 
zy 30 mylen in bec zoeken na de Zee ce rug gelegt 
hadden^ quamen zy in een kleine Rancheria; liecen 
van daar af hec groot gebergcé van Santa Clara i 
wiens af hellingen cen eenemaat ihet puymíEeen be* 
dekt zyn , noordelyk leggen , en quamen den igi 
Maart in de Zandwoeílyne. Den 20 beklom de Ca« 
picein Juan Mattbeo Manga met Vader Kino eeoen 
hoogen berg van wiens kruyn zy niet alleen deZee >- 
maar ook de ganfche daar tegen over gelegene kuá 
en het gebergce van Califomia oncdekten ; Ýindende 
de breedce van 30 graden ce zyn. Dën iitten be- 
reikcen zy hec ílrand ; doch vermics zy geen wacer 
noch proviand hadden ^ konden zy onmogelyk het 
zand dporkomen , en keerden dej^halve na San Mat^ 
celo te rug , van waar zy wederom vercrokken , doch 
eenen hogeren weg iníloegen. Ter breedte van 32 








CÁtlFOftNIA EEN SCHlEREÍ LAND. 2$^ 

graden en^s minuten beklommen zy eenen nietzeet 
Koogen berg ; doch omtrend een uur voor zonnenL 
ondergang hadden zy een volmaakt gezigt van den 
righel der bergen van California^ en wel byzonder 
» van de heuvelen van Mefcal en JÍzuL Hier zacen zy 
9 dan klaarblykelyk , buyten eenigerhande twyíeling,^ 
» dac CaUforma met Alta Pimeria (*) zamenhing , en 
9 dat de inham van CalifGrnia aan den mond der rivier 
fi Colorado quam te eindigen , gelyk Vader Kino zulks 
in zyn geíchreven verhaal beveftigt , en om het te 
» bewyzen , de by den Capítehi ^^uan Maltheo Manga i 
i^ in de Franfe taal uitgegevene berichten aanbaalt ". 

Onze Au£leur betuiet die berigten van den Capiteís 
iiiet magtig te hebben Konnen worden ; doch hy hegt 
hier aan een Brief van Vader Saha Terra , gefchreeven 
aan den Pater Generaal Tburfo Gonzales , gedateerd te 
Loretto den 29 Aug. 1701 , welke ter beveftiginge hier 
van dient, als waar in die Vader getuigt ; ^ aan de 
» overzyde van de kuft reizende ^ op den hoógen top^ 
n van een berg áe Hout en Bofchryke bergen van Gs/f- 
« fornia mec die van Nieuw Spanje in elkanderen te 
« hebben zien loopen ; en hoop te hebben , dat Vader 
n tiino in perfoon na die geweften zou gaan. 

n Ze vonden, zegt onze Schryver vervolgens, hec 
9 meerder gedeelte der Indianen , welke zy het jaar te 
9 vooren te San Dionyfio ontmoet hadden, boven de 
» zamenvloeijing der Rivieren by den anderen , en 
» vernamen van hen , dat men van daar tot aan hec 
» zand nog by de 30 mylen te reizen had* De leef- 
tocht begon reeds fterk te krimpen , weshalve Va- 
» der Kinú , niet zonder groot ongemak en gevaar te 
« ondergaan « na San Marcelo keerde , om aldaar eene 
» Kerk te bouwen, en dea toeftel tot het aanleggen 
eener nieuwe zending te maken. Vader Salva Terra 

» ver- 

(*) Pimeria Alta paalt, volgens onzen Schryver,aaB de Pr<v 
vincie van Sonoraytn is eene Proviiacie , die nog ovcr de hondcrd 
nylea noord«lyker dan die van fpnor • ligt. 



f^Sl^ CAltlFORNIA BEN SCHIEREILANm 

^ rertrbk na Caborca^ Los Dohres ^ en na de ove%tf 
^ zendingen van Sonora^ om aldaar eenige. liefdegif- 
^ ten te verzamelen , welke hy na de rivier Hiaqui áted 
^ overbrengen , en vaíí dáar ih het uytgaan van de 
g maand Jpril verder na Loretto vera^enden. 
, Verder verhaalt onze Audteur^ dát Vader Kino in 
Áe maand Novembër 1701 nogmaals na de Gila trók , de- 
zelve, by de toevloeíjing in.de Cokrado dporuraaáde i 
de Gí/a' vervolgens andermaal paíTeerde^en den ftroom 
^er Cúlorado volgde ^ langs de Rancherias der Tumas en 
Qmnquimaí ttn, afíland van; 20 mylen; alwaar de Cobh 
fcub wel 200 Tards breed is. D^ eze met éene Balza , 
van ftukkeií van fioomen gemaakt,overgevaaren zyn- 
dc , vond hý aafn derzelver weítelyke oever eene me- 
nigte vah Indiaanen ván yerfcheid^ne ítanimen: hy 
deed cene reis van 3 mylen.te voet door ,het Land^ en 
vond het zelve vlak en effen , ,met boíTchen hier ea 
daar tuírchen beiden gemengeld., ep den bodem zeer 
bckwaam tot Wei-en fiotíwland* í}et was hier zeer 
volkryk; en de inwoonders . boden hem eene groote 
Uienigte van fchulpen aan^ die alleen áan d& overzyd- 
fche kuft van California gevonden worden ; en wan- 
neer hy hen na den afftand der Zuidzee van daar vraag- 
de , werd hy onderregt , dat dezelve in eene reis van 
10 dagen kon bereikt worden. Vader Kino Was zeei; 
begeerig o.m het ganfche Land tot aan . Monte-Rey of 
€abo Mendocino door te reizen , doch by mangel vaa 
vaartuig , om zyne beeften over de rivier te zetcen , 
ïonder welke hy die reis niet kon vervorderen , moeíl 
hy hier van afzien , en keerde derhalve weder n?i huis , 
|iaa dat hy gefchreeven had aan Vader Saha Terra te 
Loretto ; aoch zyne brieven , aan de Qutnquimás be« 
trouwd , zyn noit te recht gekomen. 

In February 1702 hervatte Vader Kino^ naar 'tberigjt 
van opzen Schryver, anderwerf de reis,in gezelfchap 
van Vader Martin Gonzales. Deií aSften kwamen ze tc 
San Diokyjhj en in Maart bevohden ze zich in de jftan" 
íberia van Quinquimás ; zy réisden benedên en langs de 

Co* 



CALÍFORNIÁ BEN SCHIEREXLAMÍ). 285 

Siolórado^ tot dát ze derzelver mond en de zeekuít be* 
reikten. Hier ontmoeten ze veele Indiaanen van de 
weílelyke oeverbanken der riviere , die ben verzogteti 
over te komen : ze onderzogten by deezen den aarc 
der Natien, de Gebergten en Rivieren der overzyde^ 
én wérden áiidermáal verzekerd , dát ze van daar bin- 
ncn de tien dagen tot aan het árand ván de Zuidzee 
konden komen. Dén tiendeH dieímaandaan denmond 
dër Riviere gekomen zýnde máaktén ze toeílel om 
o ver të vaaren ; doch wegëns de beflommering der 
béeílên , debreedce der riviere , de fnelheid des ílrooms , 
ën wet voornaamlyk wegens de ziekte van Vader Gort- 
zales 9 moeílen ze dien arbeid ílaaken , en weder te 
rug keeren. 

Eindelyk is Vader Kino, geíyk onze Aufléur ten 
laatden aantekent, eeril: in 't jaár 1706 na de Rivieií 
Colorado gekeerd ^ en hceft aldaar zyne intrede gedaan 
inet de voornaamlte Oíficieren van Smora^ welke op 
bevel ván den Góuverneur derwáards gezonden wer- 
den om het Lafid te bezigtigen , zýnde hun Manuel d$ 
Ojuêlá, een Minderbroeder toegevoegd. Alles in ge- 
lyken ftaat a!s by dé voorige intréde víndende, zyn 
ze weder na huis gekeerd; en Vader Kino, insgelyks 
na zyne zénding vertrokken iydde , verwiflelde in '% 
jaar 17ÍÓ het tydelyke mét het eeuwige. 



LEoroLDi aúenbrÚgger MedicInseDofloris inCsefareó 
Regio Nofocomio Nationum Hifpanico Medici or- 
dinarii. Inventum novum ex percujjione Thoracis bumani , 
ut Jigno ^abfirufos interni PeStoris morbos detegendi. Viní» 
debonae, ïj^p/x Joannis Thomaê Tratcner. i'jóu 

Niéuwe vitiding óm door het fldah óp de borfiván eerimenfcV^ 
als een teeken , inwendigé verholen tiêkten van de borfi te 
ontdekken^ door íeopold au£NBrugg£K Med. Do6ifé 
en Geheeshéeí vaneen Keizerlyk Koningíyk He9* 

' »i.DJEi£L«N0»4« y pjh* 



t$6 H^T SLAAN OP DE BORST TOT OKTDEKKIMCI 

. picaal. Te JVenertj by }• Th. Traitner 1761. ingrtiot 
o&aw 95 bladzyden. 

D£ Heer auenbrugger vermeerdert het gedeel* 
te der Geoeeskunde , welk van de kentekenen 
der ziekten handelt; met een nieuv teken, door hem 
zelve uitgevonden. Het beftaat in het ilaan op de 
boríl van een menfch , en uit de weerklank van zulk 
^n flag een oordeel op te maaken van de inwendige 
fiefteldhieid van dezehoíte desmenfchelyken ]ichaams. 
Pe Schry ver wil niet van hem gedagt hebben , dat hy 
dit teeken in de ziekten van dit gedeelte des hchaams 
{et volmaaktheid gebragt bebbe , maar denkt dat 'er, 
in 't gevolg , nog wel iet zal konnen bygevoegd wor- 
deQ. In eene waarfchouwing aan alle Geneesfaeeren 
gegtdeHeer AUENBRUGG&R. » Ik verzekere^door 
I» eigê ondervinding , dat het teeken , waar van lúer 
^ g^andeld werdt, van het allergrootlle gewigt zy , 
9 niet alleen in het kennen , maar ook in het genee- 
^ zen van ziekten : en byge volg , de eeríle p]aatfe ver- 
9 diene , na het onderzoek van de klopping der Slag- 
j» ader» en de ademhaling. Want in hoedanige ziekte 
^ snen een tegennatuurlyk geluid van de boríl hoort, 
9 het verzekert ons altyd van eenig merklyk gevaan 
Als de borO: geflagen wordt^ dus begint de Schry* 
ver zyne Verhandeling, geeft hy geluid. Hetgeluid, 
"weik de borfl: geeft , is gelyk' aan dat van een trommel 
met een fl:uk wollen (lofie overdekt. Dit gehudwordt 
Vernomen door degeheele borft, op de volgénde wy- 
'ze. I. De regter zyde van de borft geflagen worden- 
tíe , geeft geluid in het voorfte gedeelte , beginnende 
Van het Sleucelbeen , tot aan de zesde waare ribbe;op 
zydé y van onder de fchouder , tot aan de zevende 
waare fibbe ; van achteren , van de Schouderbladen , 
rtoc aan de tweede en derde onwaare ribbe. 2. AIs de 
/linker zyde van d^ borft geflagen wordt ,jgeeft zy ge- 
iuid, voor yanih^t Slea(ett)eeo ^ t^t WA d^ vkrde rib- 



VÍN INWJEVDIGE ZIEltTEN IN 0E2E HOI^TS» j^Bj 

fee. Maar de plaats waar het Hert gelegen i$ , geeft^ 
dofFer geluíd. In het zydlyk en achteríle gedeeUe vaa 
de ílinker boríl^ v^rneemt men dezelfde geluiden, al< 
in de regten 3. Het geheele Borílbeen , geflagen woiw 
dende, geeft zulk een helder geluid als de zyden vaa 
de bord : uitgezonderd , waar eep gedeelte van het 
Herc onder het zelve ligt. 4 Én het zelfdegeluid 
wordt vernomen langs den Ruggraat , zo verre deze 
de boríl helpt uitmaaken/ 

Op dit algemeene wordt echter de voI|;ende bepaa- 
ling gemaakt. In magere menfchen is dit gduid hel« 
derer y in vetten doffer , en fomtyds als gefmoord» 
Ondertuifchen is het voorfte gedeelte van de borfl; , 
van het Sleutelbeen tot de vierde waare ribbe ^ hec 
bekwaamfl; om geluid te geeven, wanneer de Mam- 
men en een dikke borflfpier iiier aan geen beletlêl 
maaken ; gelyk op zyde een dikke vetxok liet geluid 
ook kan verdooven. 

Hoe betjlaan op de Borfi mott gefcbieden. 

De wyze van de borfl te flaan » <tf liever^ eenigc 
klopping tegen dezelven x» loaakeQ , gefchiedt, de 
vingers aan malkander gebragt en uitgeftrekt gehou* 
den , met de toppen der vingers , langzaam en zagte^ 
lyk. fiy vette menfcben moet wat harder gefl^en 
worden dan by maageren. De borft moet met het 
hembd y of de hand met cen handfcboen , ma^r niec 
van glad leer gedekt zyn ; anders hoort men wel eenig 
gedruis, maar niet zulk een helder geluid* Als mea 
iemant op de borfl wil flaan y moet men hem eerfl; ia 
een natuurlyke ademhaling laaten ;hier na hem bevee? 
len de ingeademde lucht in te houden. De verande* 
ring van het geluid hier door veroorzaakt, is van groot 
rnu, zegt de Schryver, om oordcel te vellen. Als men 
bet voorfte van de borft wil flaan« moet nien den Ly- 
der belaflen het hoofd recbt optehouden , en deiobau* 
ders naar achteren ie wendeii. Dus wordt dë hot&i 
naar yorgn oitge^aet^ jit Jbiuiiii ipiecea en libhep .ge«» 

V a ípaa. 



ttÍ VET SCAAÏI OP DE BOR^T TOT OllTDËlCSZK<^ 

fpaniien , én een helderer geluid vernomen. De zydeé 
zullende geflagen worden , moet men beveelen , de 
afmen boven het hoofd uic te ítreklcen ; en wanneer 
inen den rug hier toe verkiefl: , moet hec lichaam voor- 
over gebogen gehoiiden wordfen , beide om gelyke re- 
denen> alsr voretí; £lk die gezotid is kan hier van in 
zích zelve of in anderen de proeíneemen, om *er iri 

Seoefend te worden. Dus veel van het gene onder dit 
aan moet in acht genomen^ worden* 

f^an bet tegennatuurlyk geluid van de horjly en des-' 

zelfs beteekeniffen. 

Wanneer uit de voorgemelde geluidgeevende plaat* 
ien ,. geen duidlyk geluid , en van beide zyden gelyk , 
gehoort wordt beteekent dit , dat 'er eeiv gebrek ih de 
borft fchuilt. Hier door zegc de Schry ver, kunnen 
veele kwaalen in de borfl ontdekt worden , waar van 
geen andere teekenen zyn. Indien het geluid in zekef 
gedeelte van de borfl: , welk geluid geeft , met gelyke 
kracht geflagen wordende , hooger is , zal het gebrek 
ayh onder de plaatfe waar deze meerdere hoogte Ýan 
faet gelaid is. Op een andere plaatfe het geluid laage^ 
zynde, zissil het kwaad onder de doíFe plaatfe fchuilen. 
De borfl op een plaatfe, welke anderzins geluid geefc, 
nu geheel zonder geluid zynde ,dat is, een geluid gee- 
vende als van een ftuk vleefch , waar op geflagea 
wordt, zal *er een gebrek op zulk een plaatfe verho- 
]en zyn. Als iemant eerft opzyn^ borft, en naderhand 
op'de Dye flaat , krygt hy een net denkbeeld van het 
cndesícheid van deze twee geluidenf. Als de borft op 
een geluidgeevende plaatfe geflagen ^een eeluid geeft 
als van een ftuk vleefch; moet men belaften diepin 
te ademen , en den adem binnen te houden : en indien 
.'er danevenwel maar een geluid gemaakt wordt, als 
van een flag op vleefch , zal het gebrek diep in de 
holte van de borft doorgaan. £n zo dit voor en achter 
op gelyke wyze gefchiedt ^ heeft het gebrek de gehee* 
le holce van de borft be^ec Deze yeranderingen , zegi 

^ . de 



TAN nrWENDlGB ZIBRTEN XN DBZB BOLTB. 28^ 

deHeer AUBNBRUGGER^ hangen af van deoorzáak^ 

.welke de gewoone maate van luchc in de hohe van 

de borft kan verminderen of wegneemen. Hy verge* 

lykc de uitwerking hier van i toc verklaaring, by een 

var, 't ttrelk ledig zynde, op alle plaatfen klinkc, maar 

gevuld wordende zo veel van zyn klank verheÓ:, als 

de luchc in hec zelve verminderd is. Om toc byzonder- 

heden te koomen , wordcaangemerkt, dat een tegen- 

natuurlyk geluid opgemerkt wordt, in heftige en ook 

in fleepende ziekten ; maar beílendig volgt op groote 

uitloozing van vogt,uitde vaten van dezehoke. Êen 

tegennatuurlyk geluid in heftige ziekten wordt verno- 

xnen of geduurende het beloop^ of op het einde vaix 

het beloop derzelven. £en tegennatuurlyk geluid ge- 

duurende bet beloop van heftige ziekten , koomc zeer 

dikwils in zaekten van de boríc met ontíleeking. De 

Schry ver zegt , zeer dikwils , om dat het ook gebeurt 

in ziekten met uitflag , eer dezelve is uitgebroken. De 

tegennatuurlyke geluiden welkenop het einde van een 

heftige ziekte koomen » gebeuren dan , wanneer 'er geen 

genoegzaame ontlaíling van de^zieke ílofie gefchiedt. 

Ken tegennatuurlyk geluid in en onder het beloopvaii 

ziekten met Ontíleekíng,wordt doorgaans waargeno* 

xnen op den vierden dag van.de ziekte, zelden vroe^ 

ger , maar wel laater , en zulks in de beledigde zyde ; 

en dit vcnneerdert van den dag waar \n het voor- 

hoomty naar de natuur van de ziekte, zo wel als der^ 

zelver grootheid en aanhoudendheid : maar vermin* 

dert naar gelang van de hoedanigbeid ^ duurzaamheid 

cn menigte der uitwerpfelen. De toeneeming van het 

tegennatpurlyk geluid hangt af , zegt de Heer a u e n* 

ji RUG6EK , van de íloíFe der ziekte^ welke allerigs 

in de beledigde zyde néergezet wordt y en fomtyds zo 

veel is, dat zy twee derdedeelen van de eene4ioIte 

van de borfl vervulle. Het eindigt of in den dood ^ op 

den dag der raaming , van ^yne voort komíl afgerekend , 

of wordt door ontlaítingen gered , of gaat in andere 

^ekcen oyer* Hier wordc , gelyk op meer plaaclen ^ 



290 HET dlLtJnSt 0? 9E BO&ST TOT OSTSEUnCO ' 

de Leezer venóndeir Toaát de Conanentariea van dch 
Heer van svtibtem. Tett opzicbce van sdekieii in 
de borft mec Ontfteektng geefc de Schr^^ver nog díe 
volgende regelen. i. Naar maate hec geluid op cea 
plaatfe van de borít meer gefmoord is , en naar bet ge* 
luid van een ílag op een íluk vleefcb gelykt , is de 
ziekte zwaarden 2. Hoe meer plaats zulk een dof ge« 
luid beílaat, boe de ziekte gevaarlyker is. 3. Als de 
ílinker zyde aangedaan is, is bet gevaar grooter, dan 
de regter. 4. Het boveníte en vooríle gedeeke van de 
borfl; (van Íiet Sleutelbeen tot aan de vierde rib) zon« 
der geluid zynde, is minder gevaarlyk , dan het on- 
derfte. 5. Het geluid in bet acbterlle gedeelte van de 
borft opboudende « is gevaarlyker dan in bet boveníle 
cn vooríle. 6. Een gebeele zyde van de borll zonicfcer 
geluid zynde is doorgaans doodlyk, 7. Als bet Boríl* 
been geen geluid geeft, voi^t ook de dood. 8« £n hec 
tf kvaad als de plaats van bet Hert , in een groocen 
omtrek , geen ander geluid geeft dan of men op een 
ftuk vléefcb íloeg. De Schry ver waarfcbouwt ecbter, 
dat hy de voorzeggingen van 6 en 7 wel eens onwasf 
bevonden heeft , dan naamlyk, wanneer de natuurbet 
vergaarde naar den omtrek van de bprft , of andere 
mÍD voorriaame deelen van bet licbaam afgeligd beeft, 
door Ëttergezwellen ce maake». 

Hier oia fpreekt de Schry ver van fleepe&de ziek- 
ten , waar in een tegennatuurlyk gelofd van de boríl 
voortkoomc Dic báíigc af van een verborgen geweid 
Wetk de ingewandeir van de borft aandoec , eR lang« 
zamerband toeneemende , eiftdelyk deaelyefi onver* 
mydiyk bederfc ; of wordt dan waargenofflen^^winneer 
eenige zicbtbaare uitwerkingen » de Ingewandenf lang- 
zaam doea bedurven worden. Tot hec eefílgeaoemde 
worden gebragc een áangeerfde gefteldheid toc ziek- 
ten van de boríl ; en zulken welken vaii genNledÍKtrif- 
ten oQtftaan ; ook ziekcen van konftensuirs of hand- 
werksliedtrn , die een zwakke Long bebbes. Van hoe 
veel vermogei» aodaiuge oorzatken z;n ^ ifagtdeHeef 

AUZN- 



Vk^ IMWENDIGX ZIEKTEN IN DEZE 90LTE. s2p9 

jiiTEKBRUGGEHí te bewyzën uit het gene de Baron v aJt 
swi£T£N > in zyn^ Commentariën , hier van gezegá 
heefc. Aaagaande het tweede^ wordt gezegd , dat 
zulks voortkdomt uic een gebrek in de vogcen. lang^ 
zamerhand oncflaan zynde; en dic woidt wederom.alfi 
begryplyk uit de Werken van gemelden Auceur ves'» 
klaard. 

Vervolgens wordt gehandeld van. het tegennacuur^ 
lyk geluid der boríl, 't welk op een groote uicílorr 
tiog van vogten , in vacen van deze holce vervangen^ 
beícendiglyk volgt ; hoedanige vogten zyn Chyl , Bioed 
en Watejr. Als eenige van deze vbgcen, buiten ds 
vacen in merklyke maace, in de bóríl hangc , zal.heo 
geluid verdoofd worden coc de hoogce^welke hecbuL* 
cengevaacte vogt beílaac. Hier na wordc gefprakenr 
van zulke aandoeningen van de, inwendige borft, wel?* 
ken ctaor het flaan nrec onrdëkt wordeli ; als een* ge*-' 
weldige hoeíl , welke zou doen denken dát de Long 
beledigd ware, terwyl ze haare zicplaacfe heefc in de 
ingewanden van den buik , en de Lohg alleen door 
een medelydend gevoel der zenuwen aangedaan wordt ; 
'c welk ook: waar is cen opzichce van AamBoríligheid. 
Hec onderícheid van deze en eigenlyke borílkwaaJen 
wordc dan 'oncdeJíC uic de afwezendheid van het Ce* 
ken des geluids, en een veelvuldige en wacerige Pjs. 
Ook wordt hec gemeide ceken niec befpeurd^ ak 'er 
niaar een klein gebrek, 'tzy Vereeldheid, eenKnoelt- 
gezwel of kleine Ëccerzak , of eenige andere verhar- 
ding in de Long ícbuilt. Eindelyk voegc de Schrý- 
ver hier Dog by , wat hy onder de tegen woordigheid 
van het bêwulle teken , by het openen van geílurve- 
nen gevonden heefc; naamlyk,een Knoeftgézwel van 
deLong; een fmelcing va» de Long in een Ecterzafir 
niec kwaade dunne ftoflFe, een geíloten en opene Ec* 
terholte in het Borftvlies, de Long, het fiorft-Middea- 
fchot en het Hertzakje, een Etterborft, Borftwater 
in ééne of b^ide zyden , Wacerzugi van bet Hortzak» 

V ^ je,' 



ag^ D E H A B », 

I 

je, uitgeloopén Bioed in de holce van de boríl of het 
tíertzakje , en een 'Slagaderfpat van het Hert. 
. Van deze laatílgemelde kwaalen geeft nu de Schry « 
ver nog eenigé verklaaringen en kentekenen , behal- 
ven bet ílaan op de borft, welken leezenswaardig, 
doch niet, ten minfte, niet alle, nieuw zyn : waarom 
wy ons hier mede niet ziillen ophouden. Wy bebben 
den Leezer wel een uitvoerig zaaklyk berigt willen 
geeven, van het gene de Schryver een nieuu^e Vinding 
noemt. Wy wen&hen de Geneeskundigen geluk met 
de vermeerdering van de lyft der kentekenen van de 
ziekten der boiíl, en zullen met geduld wagten, wat 
gebruik de gemelde Heeren *er van zullen maaken, 
en hoe verre zy 'er zich aan den Heer aU£NBRugg£|l 
Toor verpligt zullen rekenen» 



ANTONii DE HAEN^Confiliari Aulici, ac Medicinas 

* prafticae in Alma Univei'litate Vindobonenfi, Pro- 
feflbris primarii, Ratio Medendi, in Norocomio 
JPraólico, qiiodin gratiahi, ik emolumentum Me- 
dicinae Studioforum condidit mariá theresia, 
Auguíliflima Romanorum, Imperatrix, Hungarisi, 
Bohemiae &c. Regina. ; ' 

Geneeswyze van a. d e h a e n , Hofraai en eerfie HoQg- 

* leeraar in de PraStyk der Geneeskundé , op de HoogeScboe- 
k te íVeenen \ geboudén in bet Gajibuis^ 'r melk door de 
Keizerin Koningin j ten dienjle van Studenten in ie Ge» 
neeskunde , is opgerigt. le fFiênen ijst í« £waí 8. 

* 157 blatíz. 

m 

DE geleerde Heer de haen geeft in dit werkje, 
en eenige fl:ukjes', welken hy hierop heeft Ja- 
ten'volgen, verflag, hoe hy zyne Studenten in het 
Gafl:huis, onder de behandeliog van de zieken vbor'* 
gaat; entekent, voprnaamlykj aaq zodanige byzon- ' 
' '-. ■ j / . ' . - der- 



áerheden , welken of nieuw , of van anderé Pra^«^ 
^yns vooíby gezien , of uit voóroordeel of hiisvérílánd 
tegengefproken worden. Hy vérdeelt zyn^werk ii4 
Hoofdílukken, om by elkë byzóndere záak zyneby- 
zondere gedagten , opmerkingen of ondervindingea 
të melden. ' In dít eerfté Deél handelt hy váh de Le- 
venswyzé der ziekén ; van dé Ceneesmiddclen iiï hef^ 
dge ziekten ; yari de'Lugt, het liggen, zitten en an-i 
dere dingen, welken omtrent de zieken géregeld moe- 
ten wórden ; van de Schëidagén eh veélerlêie Schéí- 
dingen; van dé Pis; van het mehíchelyk -bloed ;>ari 
i^enige zaaken de Ontleedkunde aánxaahde; ván dé 
Eleftrifche kracht ; van eehige zákéi yan vérfcheid«- 
nerleie natuur. 

In de drSe eerfte Hoofdftukken maakt de Heer de 
HAEN voornaamlyk werk, om eenige misbruiken der 
l)uitfchers door reden^ én ondervinding te wederleg^ 
gen. I. In hef geeveh van Vleefchnat in allerhánde ,- 
voornaamlyk heftige Ziekten , waar tegen hy gerfte- 
Water ën haýer-gruwel aanpryft. 2. In net voorfchry-' 
ven van middelen, Braakmiddeien in vedethande ook 
heftige Ziekten ; Buikzuiverende , eh ihzonderhéid 
aardagtige, uit keftelyke fteenen bereiddë, of zuur- 
temperende middelen , welken men , in Duitfchiand, 
in groojte tnenigté aán allerhande Zieken geeft te ver« 
iwelgen. Wáar tegeh de Schryver ' Afkookfels van 
zagte , weekmakende en zuuragtige kruiden overftelt^ 
ook zulken welken , mét byvoegihg van zuu|[ë din- 
gen , een ligt zuure fmaak to^evoegd wordt.'' 3. In' 
de Zieken doof te veel dek te broieijen , en de verirek-' 
ken dóbr te veel vuur, of alies geíloten te houden, 
te warm te maken , wáar dóor de Lyders BlutspuW 
ten , Gierftpuiften en anderé uitflag krygen. Hiér 
tegen 4egt de Schryver , dat hy de Zieken verfche 
lugt veííchaft, of door henin hét bed fomtyds op té 
rigten, 'of op een ftoel te doeh zitten ak het de kfach»; 
tên toelaten, of eenige opening in het vertrek tema* 
ken; en hy beróept zich in islle deze gevaUenop.de 

V 5 oh* 



ondervinding , die klaar hadt doen zien, dat zyn« 
Zieken , du9 bebandeld , gelukklger toc herítelling 
kwafneni en minder toevallen onderworpen waren ^ 
daa mec allen gnderen omilag en gewaande voor'- 
^rge. 

Van 'de Scbeidagen en Scheidingen (f) handelen- 
de, beroemt zich de Schryver, dezelven íq de Zie- 
]ten, welken hy voor zich hadt, volgens de Leere 
van HippocRATjis , zyne Studenten getoond te heb^ 
ben. Van de menfchelyke wateren en derzelver voor* 
tekenen ^egt hy weinig: vooihebbende dit íluk by een 
andere gelegenheid nader te onderzoeken. Alleen is 
opmerklyki dat de Heer dl haen proeven heeft wil- 
}en nemea,of het gene de HeerPKiNGLËgeíteldheeft^ 
aasg^nde de eigenfchap der Loogzoucen (j), om 
dingen , waar mede ze gemengd worden , tegen d^ 
verrotting te bewaren , door de ondervinding beves^ 
tigd zou worden. Hy nam^ ten dien einde, verfchei* 
den deelen Pis*^ van een ^elfden meníche , en op den 
Selfden tyd geloosd ; &í vermengde eenige gedeelten 
van dezelve met loogzoute, anderen met zuure din- 
gen. De zuurë dingen waren Geeíl van Vitriool, 
Geeíl yan Salpeter, en Geeíl van Keukenzout, alle 
ílerk. De loogzouce waren , Geefl: yán Hartshoorn , 
Sal vqkiat, Zout van Aifl:, gefmolten Zout van Wyn* 
íleen. De.proeven' werden genomen met de Pis van 
gezonden en zieken. Alle werdenze op dezelfde plaat- 
^ weggezet. Na alle onderzoek bleek ten klaaríle, 
dat de Pis met zuure dingen vermengd , langer voor 
verrotting bewaard was geworden^dan waar byloog- 
zoute lichamen warea gevoegd; die alleen, waai by 
Geefl: van Hartsboorn wa» gegoten, uitgezondercU 
Enmen bevondt, dat de Pis^ metloogzoute dingen 
vermengd , veel fchielyker tot rotting overíloeg f daa 
waar by nietmetal was gievoegd. Hier uit kan, by* 
gevolgi niet befloten worden, dat de loogzoaten 

(t> VeCritkis diei^s (ý Crijilms. (J^} Jkidiní^ 



^eer tegeíi de verroccing bewaren ^ dán zïiure dingeir^ 
het tegendeel kan uk het gezegde mei: mei^rechc be- 
weerd worderi. ' 

In het zesdc Hoofdftufc geeft dé Schry ver een be- 
Hgt van een grooc geial Experimenten , welken hy 
genomen heef c met menfctiélyk bloed , om de nacuur 
van het zelve^ weike tot oog toe niet genoeg bekend 
is, en mi0chien nimmer genoeg bekend ^al worden , 
te onderzoeken. Hy ving bloed uit een ader, 't weïlc 
geenzins ontíleeken was, iú viersuívere kommecjes. 
Zes uureii na de uiiloping leidde hý de eilandjes (*) ^ 
uic de gezonde wei genomen , in nieuwe aafde ver- 
glaasde kommecjes. Dit geíchiedde in de Lente ^^ 
welke tamelyk koud was, ítaande de Th^rmometev 
van Fabrénheit op 40 tót 46 graden. Gp twee vm de-? 
zen goot hy om ,de 1 2 uuren lo Qncen kóud fontein- 
water, en op de andere twee, ter zelfder tyd, everr' 
veel water , zo warm gcmaakt als de warilite is van 
een gezond menfche. Het eerfte van die eilandjes , 
waar op het warme watér was gegocen , weric ín zes 
ongelyke deelen verdeeld; de aíidferen bleven geheel. 
Dic werdc 12 dagen na malkanderen 'herbaald. 

Het waíer, om dé 12 uuren afgegoten, was nief 
het minfte gekleurd; op hct vuur uicgedampt zynde,, 
inzonderheid dat Van de laatfte dagen , liec eenige ge* 
ringe korft ria, welke met zuure dingen eenige opbrui^ 
zing maakce, en eenige pisagcige fmaak hadt. 

iVa den cwaalfdén dag, is h^ec wacer in de komme'^ 
tjes, waar in hec koud gegocen was, eenige dagen 
niec vcrnieuwd. Een gedeelce van dit water onder-* 
zogt wordénde, gaf eenige blykbaar^ere tekenen van' 
Loogzout (f 7. 

De Ëilandjes zyn langzamerhand zo verdweenen»' 
dat van die, waakr op koud watergegocen was, níecs 
overig ware dan een geringjc korft, bruin vari kleur, 

ruw' 

« 

**■ • 

(*) De Geneeskundigea noemen het geronnen bloed , welk ia 
áewei4xyfc> doorgaans, ha eilandji. {\) jHcatk 



f 9^ P C H A E N» 

Íaw q^ het aaozien , broos op het aanrakeQ , den ge? 
eelen omtrek van het kommetje bedekkende , en cc- 
Jcenen van loogzout , als boven , geevende. Maar 
t^et Eilandje » welk v?nn water hadt gehad y en in 
verfcheidtp klompjes verdeeld was » werdt aUengs 
vitter en d.Qorzichtiger ; tot dat het eindeiyk , na ver? 
loop van 2odag^| ze^ kleiney byna doorlchynende 
llukjes ovcrliet. 

Maar het Eilandje , welk in bet warme water ge* 
heel gebleven was , was veel p^eer verfninderd , zo 
dat *cr ei^delyk maar een witagtig (lukje van over 
\1rare9 doorzichtig, en hier en dafiir met epnige wei* 
nige ropde bolletjes doprmengd. 
.' Het oogmerk van deze proeveB > 2:egt de Heer oe 
]}aën, Wf^j t^ onderzQeken^ wat van het bloedzou 
qverblyyei) ; en te zien of men 'er iet in beipeurde 
van de Korfl; der OntíÍeeking (*), of het zogeDaam-* 
de vlies (f) van ruisch. Maar daar was van het ge* 
lieele ^ilandje niets overgebleven , dan een bruine 
Icoríl aan den omtrek van het kpmmetje, wa^r in koud 
wáter was gegotei) ; of jet witagtigs en doorziphtigs, 
waar by warm water was gevoegd. Deze brokje^ 
van tyd tot tyd verminderende , nam de Schry ver de* 
zelven, na verloop van een maand, uit het water, en 
bezogt» of hy ze « gelyk de koríl der Óntfteeking, 
ijrelke qok in kpud of warm, s^uiyer, of met falp^ter 
gemengd lyater ímelt , en het gemaakte vlie^ vaq 
i^Uiscii in brandewy n kpn bewaaren j maar te vergeefs, 
want de ílukjes verd\(reenen bÍQnen weinige dagen, 
en líeten alleen eenige troebelheid na in de brande* 
ifiryn. 

Dit overblyffel was, derhalve, niet zp b^íletidig 
als het gemaakte vlie^ van RUiscq , of de kpríl der 
pntíteeking in braqdewyn. Qpk ble^ k hier uit duid* 
lýk , dat de £ilandjes van geronpen bloed , 't well; 
Qok waar is van de korít der Óntíteeking , eerder 

fm^-» 

^^^yCruJlapbhgiJUoa. (t) Pfeudomemhrana^ 



G £ tf B E $ W Ý ï E. Ípf 

fmelten ën verdwynen , wanniser *er koud , dan wan^ 
neer 'er warm wacer op gegocen wer dc. 

ProfeíTor RUiscH maakcezyn zogenaamde Ýliesdoor 
hec bloed zelf , nog warm zynde ,' mec een cakje ce 
roeren , nimmer nit de wci van het bloed/ Wy heb- 
ben geleerd , zégt de Heer de bakn , dfit viies en 
fchielyker ,, en dikker te maken dan Huiscu heefrkon- 
nen doen. Ten dien einde giet hy het afgetapce 
bloed, nog warm zynde, in een íies, en la^t die, wei 
toegeáopt zynde, lchudden, en dus krygt hy eendik- 
kervlies, dan door het roeren met een olyfcakje. 0( 
hy vangt hetbloed^ terwyl het uit de ader fpringt, 
in een fles, en laat hem wel toegeílopt zynde fchud* 
den, en hy krygt een' dik vlies, in viermaal minder 
tyd. 

Maar men moet aanmerken , zegt de Schryver , dae 
hec gene dit draadig vlies maakt , alleen in een be- 
paalde maate in het bloed zy ; of , dat 'er maar een 
zekere maate van uit het bloed kaií getrokken iVor- 
den. Want hoe zeer men aanhoude met roeren of 
fchudden , het vlies wordt niet grooter , maar het 
wordc eer in draaden verdeeld , en minder. 

Hec roode bloed van hec gemaakte vlies overge- 
bíeven, laat bezwaarlyk eenige weiagtige vogt vatt 
zich fcheiden, blyft vloeibaar, en maakc in^6 uurea 
geen Ëilandje. 

Is dan het bloed, vraagc de Heer dz ha£n, de 
flafikh kracht (*), welke het heeft, als het uit de 
ader geíprongen, in ruíl gelaten wordt^ door hec 
fchudden, om 'er een vlies uit te krygen , benomen? 
Het fchynt neen , antwoordt hy ; want deszelfs wei , 
welke, na dat het vlies weggenomen is, zich einde- 
lyk in kleine maate affcheidt, voorzichtig afgegoten 
zynde ,'^ en in een lepel boven het vuur gehouden , 
wordt even fchielyk ftyf^ en ook even hard, als wei 
van bloedy 'c wdk nkt gefchud 'i^ Of wordt het zo- 

(*) Vomkracm . s 



«98 £ £ H Á E 1»; 



genaamde vfies van ruisch gemaakc van het ^ené 
men in het bloed flaJUek noemt ? Het antwoord is we- 
derom, het blyjtt niet: om dat de wei van het bloed, 
jang geíchud zynde , zo dat het vlies niet meer toe* 
aemeý op het vuor ílremt, geJyk wei van hloed^het 
welk aiet geroerd is. Miílchien is het geoe in groo- 
ce maate van het bloed uitwaaílemty terwyl het vanfi 
is, dat» het welk het viies formeert? Ook niet. 
Want I. Als men bloed, zo dra het uit de ader gelo- 

{)en is , naauwkeurig toedekt , en daar na eeo veÍDÍg 
aat runnen , zal men *er nooit een vlies vau bygen. 
2. Ais men het vlies bereidt door het roeren meteen 
talge , waaíLmt 'er geftadig een daauw uic het opeo 
vat, tot dat het bloed koud geworden zy , en DOg* 
tans krygt men een goed vlies. 3, Ik heb bloed,zegt 
de Heer de h aen , uit den arm van een gezood 
menfch fpringéndet in een fies gevangen, denzetven 
terftoiid wel gefloten , en van 31 Maart toc den 3 van 
Aprii bewaard , om de verandering van kleurenopte 
roerken ; toen heb ik een gedeelce mec een ukje ge- 
xoerd , en een gedeelce mec de fles gefchud , om 'ef 
een Ruifchiaans vlies uic ce maken ; maar te vergeefs. 
De (loíFe van hec gemaakce viies is derhaive geheet 
iec anders dan de ílremmeDde wei, en de oitwaalFe' 
mende damp van het bloe^. ^ . 

Heefc ook de Korft der Oncftceking iec gemecn 
mec die verviiegende.darap? Hec fchync neen, aní* 
woordc de Schryver. Wanc hec zy men hct bloed 
dekke, dat *er niets wegwaafleme ^ het zy loea bet 
niet dekke,. de korft wordt evenwei gemaakt. 

Te voren is reeds gezegd , dat uic hec nietvormen 
van een Ëilandje, door hec gefchudde bloed, om er 
een vlies uic ce krygen , niec t>ewezen kan worden, 
dac *er de plajiieke krachc uic weggenomen is; wyl de 
.wei van hec zelve« als van aiDder bloed, ftremde: iiie' 
^ordc mi nog.cen.anderebejvy^edejhyge\(oegd. Ge^ 
4;qnd bloed, alleen uic gewoonce afgelat^n, weÍDÍg^ 

mmuucen neergezet , om het vaa warntfe iet te do^ 

ver- 



treráaauw^en , werdc faet middeiifte gedeelt^ tn^t een 
takje geroerd , en het ahder in een fles gerctiud : en 
die nreinigë ruft was oorzaak, dat nog van het- een, 
nog van het ander ^ eenig vlies voortgehragt wierdr« 
Niet tegenítáande dit, heeft het op gelyke wyze, als 
het gefchudde bloed , waar uit een groot vlies yer- 
kregen was,geen Eilandjes gemaakt, is vloeibaar ge- 
bleven,'en heeft eenige wei , in geringe maate, ia 
den omtrek en op de oppervlakte van zich gegeeven* 
Deze wei ílremde ook op het vuur als de voor- 
gaande. 

Het is , derhalve, het gemaakte Ruiíchraanfche 
vlies niet^ 't well^ het bloed van zyn íamenrunnende 
kracht berooft; die kracht wordt niet weggenomen 
door het vlies, maar door de roering of fchudding 
van het bloed. 

De Heer d £ h a £ n vraagt , of een al te ílerke be- 
weging , in een levend lichaam , het bloed 20 zoa 
konnen verand^ren , dat de boUetjes naauwlyks meer 
konnen famenhangen , en dus afwykingen uítderzel- 
ver eigenaartige plaatfen(f), vlekken en andere ge- 
breken veroorzaken ? Ik heb de wei , zegt hy , van 
het bloed , welk van iemant , die een bloedfpuwing 
hadt, afgelaten, en tot een Eilandje geronnen was^ 
lang met een olyftikje geroerd , verwagtende een 
vlies te zullen krygen , maar te vergeefs : want het 
gene aan bet takje bleeí hangen, was zeer gering, en ^ 
fcheen , 's anderendaags , maar eenige flym te we- 
Een. De knegts hebben wei van ander bloed , na dat 
een goed £ilanc^e gemaakt was , meer dan drie uuren^ 
in een íles , geíchud , maar 'er niets vliesagtigs uic 
konnen voortbrengen. 

Het blykt derhalve, zegt de Sch^yver , dat het ge* 
ne het vties kan maken , zodanig in de zelfftandig- 
heid van het bloed, a!s bet toteen Ëilandjedremt, 
ingewikkeld en vereenigd wordt,^ dat het 'er, nader- 

hao^f 

i\) Errêfj^ locu 



JOO WHfïtt, EXÍERljfEStEN * 

hand , op geenerleie wyze , wederom uitgetrokTcelí 
jtan worden. 

Wy zulleri onze Lezers, by een anderp gelegen- 
heiá , over de Proeven met bloed van den Heer d e 
fÍAEN, en andere merkwaardige zaken, welken in 
zyne werkjes voorkoomen , verder onderiioudeo. 



• ■ * ' 

Befebryving van eenige Experimenten , tnet Opium ge^ 

daan , op lcvende en Jlervende dteren , door k o b £ ii f 

w n Y T T , M. D. Lid van de Koninglyke Maatfcbappye 

ier PTeetenfcbappen te Londen, en ProfeJJbr in de Ge* 

neeskunde te Edinburg. 

, . •. ..I •.. 

ZOnder ons of onze Leezérs met hfii verfcbiJ tus:« 
fchen den Heer whytt en haller, waar toe de- 
ze Experimenten betreklyk zyn , op te houden , heb- 
ben wy deze Proeven , om derzelver byzonderheid , 
ónzeLandsgenooten Wel willen mededeelen ; niet twy- 
felende of dezelven zuilen met aangenaamheid gezieo 
worden , en gelegenheid kunnen geeven , om aadere 
dergelyke, met meerdere on verfchilligheid ,: in *t werk 
te uellen. De Gevolgen van Opiutn , \xt diéren na té 
gaan, is van ongemeene aaogelegenheidj' oiii dat hee 
zelve een van de aanmerklykfte Drogen is op deLyít 
der Geneesmiddelen , en waar van de werking tot nog 
toe liiet dan op een duiílere wyze bëgrepen wordt; 

f*) De óude GeneeSkundigen waren van gevoeiea 
dat bet Opium de levensvlam , in def dieren , uitb/u/ch« 
te, om dat het ongémeen koud vah aart ware; en, 
in later tyd, zyn 'er niet weinigen geweeft, die dc 
uitwerkingen daar van, van een geheel ftrydige ei- 
genfchap hebben afgeleid , en zich verbeeld ; dat 
Opium her bloed verdunde, ^deHerfenen, of het 
))eginfel der zenuwen toedrukte. Deze valfche begrip^ 

' (*) Effays ani Oifervations Fbyfical and Literary. VoL H, 
Aru XX. 



ti É t d p ru íí: 36Í 

}>(^n , van de nataur en werking van dit middd , zyn» 
evenwel, wederlegd door verfcíieiden hedendaagfche 
Schryvers, welker Werken veel licht over dit onder- 
werp verfpreid hebben. 

De voiigehde Proeven zyn gedaan y met oogmerk » 
om de wyze , waar op dit wonderbaar middel zyne 
uitwerkingen voortbrengt , verder te verklaren; en,. 
voornaamiyk, deszelfs ongemeenen invloed, op dë 
werking van het Hert, te tonen. 

I. £ene fmelting vzvíOpmm^ in water, in demaag 
endarmen, van een kikvorfch, gefpoten hebbende , 
bemerkte ik, dai! hy 'in weinig meer dah een half uur» 
alle vennogen van beweging, zo wel, als gevoel, 
fcheen verloren te hebben ; want 'er gefchiedde gee- 
ne^íamentrekking, in de Spieren, van zyne beenen 
of romp ý als dezelven geprikt werden. Ik opendé 
djeborít, een uur nade infpuiting, enbevondt, dac 
hec bert, ih plaacs van tuíTcheh de 60 en 70 , alleea 
17 ílagen deedc in een minuut. Het Oor van het 
hert, *t welk zeer uitgezet was door bloed, trok al* 
tyd zich eerO: famen, en h^r na de holligheid. 
. 2. Een kikvorfch bJeef rynp beenen bewegen enr 
lopen , omtrenc een uur lang , na dat ik hem Zvyn^ 
herc had uitgefneden , en was 't wee en een lialf uuren i 
hierna, ncg.niec geheeldood. 

Vyf minucen , nádat het hert gefneden was^ttít 
een andeíen kikvprfch, fpoot ik:eene fmelïing^van 
Opium, in zynemaag en darmen., In minder dan eëix 
half unr fchéen hy geheel dood te zyn ; geene prik« 
king , of : vaneenf yting vjm zyne Spieiren , ' maakce . 
eenige famencrekkíng in dezelven , of eenige bewe- 
ging in de leden , waar toe zy behoorden. Het hoofd 
*er afgefneden , en een ílilec in hec rugmerg geftekeii 
zynde , kwam 'er een geringe famentrekking in de 
voorfte pbóceni. 

j. Agcien minúuten, na vier' uúrén, ïh deri aélner-' 
midc(ag , fpooc ik een fterker drabbige fmelcirig van 
Opium in wacer , dari het gene ik , in de voor^aofle 

21. DCfiL. MO. 4« X Btr 



3Dt WHYTT, EXFERÏMlNtEN 

Experiiliéiítën gebraikt had (*), in de tnáagen dtí^ 
mtn van een kikvorfch ; en wyl hy een grooc deei vut 
hct vogt, door het aarsgat, weder uic^erp, fpoot 
ik 'er nog wat meer voor in plaats. Twintig minuu* 
teh na vyf niireny opendeik deze kikvorích, en zag 
bet heft> met deszeifs oor,. zeer uitgezet door bloedi 
:;u;er langzaamílaande, ntet meer dan zeven maalen 
in een minuut* Als het bert aangeraakt werdt met 
een lchaar, werdt zyne beweging watfnclder, voor 
tweeofdríe flageo; waar na dezelven wëderom zo 
traag w'e^'den als te voren. 

4« Het hoofd afgefneden hebbende van een kik* 
vúrfch. vernieldë ik aanílonds zyn rugmerg^ dooir 
eeD (lilet in zyn rugpaat naar beneden te fb&sken; 't 
welk íllerke íluiptreKkingetl veroorzaakte , van alle- 
de Spiereá , voornaamlyk , van de onderíle ledema-* 
ten. .Tien minuuten hier na, opende ik de borfl:,' 
en vondt iiet hert^^ ílageh doen in een minuut. Zes* 
tien minuuten na de affnyding van het hoofd , flóeg 
h^t 40 maalen in eeii minuut. Na een half uor zes- 
endertig maaled , en na 50 miniNiten alieen dertig 
maalen in een minatit^ en de ílagen waren nu klein 
en .2wak geworden. 

^NB. Wanneer ik de borfl: van een anderén kik- 
vorfch opende, onmidlyk na dat hem het hoofd afge- 
fnëdeny cn .het rugtnérg VefnieM was» zag- ik het 
hert 60 flagen doen in een minant; 't welk vier of 
vyf flagen ihinder ís , dan ik , doorgaans , opgemerkc 
heb i^ de herten van kikvorfehen, in den zelfden tyd, 
als men de boríl hkdtopeng«niaiakt|. zosider dac het 
heofd ware afgefn^deo. ... 

J:. Negen minuutenÓTer elf uuren, vbordenmid- 
' — í / dag, 

(♦; Naamlyk, Een hal f Unce Opíttm, gefmolc^n íiri^ttJncen 
wzter ; wz^, y^n ook gebruik geraaakt is in alle de volgende £x« 
pe;imen"ten. De wkrmte van hct Vpgt is naby de zelfde geweeít 
in' ^lí^ át Procven ,• naanii, OiiÍtreAt Óo g'raden' op' dt "í hcf momc- 



<í É t O P I t M. 303 

dag , tetí anderen kikvórfch hét hoofd afgefited^ií 
hebbende , vernielde ik aanftonds het rugmerg, door 
een gloeijend yzerdr^d, *tVelk verfchriklyke ftaipi* 
trekkingen verwekte in alle S|)ieren^ ab ifí 't voor- 
gaande Eiperiment. Ik opende dê bdrít van deíen 
kikvorfch , vyf-endertig minuutén na dat hém het 
hoofd Was afgefneden , en zág het hert 30 flagen doeii 
in een minaut. De 'tdetrekking Ván het tíor ging» 
regeímatig, de toetrekking van het hert voor. Het 
oor en het hert waren niet to uitgiêí:et van bló^d , aW 
in áe kíkvorfcheft , weíken mfen eeh fthëlting vatf (7* 
pmjí in de Ajaag en darro^n ha'dt gegoréii (f)* Té 
een udr (naaml. een uur en éenenvýftig minuúten n» 
liet affny(ten van het hoofd) áecát heÉ hért , ^an dé- 
zen kikvorfeh, 4o flagefi in een 'minúM. Te hálf dríé 
uuren , waïineer^ het vertrek wat waf mtei- wks gcfwór- 
den, door het íchynen ván de zon , floëg het 25 ttíáVL^ 
len ití eéft tninuuí j efi in de ftraalen Van de zon g^' 
plaatft, 31 maalen , 'in* deíï zelfdëfi tyd; ïíier'^na 
bragt ik dêrt kikvoVfch by een véírfter , naaf hét oosí 
ten , waár hy adn éen ko'ei wittdje blobt^eifterd wa*j 
en de be^éging van het hert werdt ftaagêí', *zo '<íát 
hêt, in *t kort, maár 25 flagett deedt ín éêil rtinuutl 
Ikbragt hem, op «ieuw, wedér in de zdnnfefchyiíi 
waaf door de beweging, fchííílyk, weáefóm-fiíeílêl 
wefdc, 20 dat hét 30 flageft dcedt in éen niiAiíbt. ' 
Výf.entwintig minuúten óVer vyf uurefi , 'iti defl 
avond , (dat is , zeg uúfen eá ^SÍliefr mintrtiretf líá 3*1 
het hoofd afgeíheden en het rugiïierg veïnftftó wásA 
/rolc Éich het oot van het herÉ ^ín éeten kíRybtfëh j 
"'twelk nog geftadig ópgevuld was'ínetbloed,' té fá^ 
íiien, twaalf maálen in een minuut; fnaar het hert zeif 
lag zonder be*éging , was gezwólíen eri ieeí roodf 
événwél j met een fpeld gepriRé wordende,* deedt 
het twee of drié flagén, en \*ras dan wederttm'ftil> tt^ 

. (t) Zie boven No 3. en EJJay tm $bf Fital and oiber inv^lmU 
mot. pag. 371 eii' 372. ' . . " ^ • - .- 

X2 



JO^ WflTTT, BXPERIMENTEK 

dat hêt , doór eên nieaTi^en prik , wederof& ontrait 
wierdt. Dertig minuuten na vyf uuren , fcheen het 
berc geheel dood, maar het. o^r hieldt. nog deszelfs 
l>eweghig; ja te half negen uuren, omcrent drie uu- 
m na dat het hen hadt opgehouden van beweging, 
íloeg betoor, 't weik nog zo zeer met bloed opge* 
vuld was, aU toen ik dezen kikvorfcli eeríl bpende, 
4 1 .of 12 maalen in een minuut } maar de flagen wa- 
jr€i|}, ten opzichte van den tyd, niet meer zo regel- 
ïmtígi ^ls zy te voren hadden geweeíi. 

U het niet waarlchynlyk , dat hei oor van hfet hert 
ýali dezen kikvorfch langer geOagen hebbe» dan ge- 
3irppn{ýk, om dat het, tot het laatíte toe, mét bloed 
^evuld bleeve : daar de ooren van de herten , van an* 
<lere kikvorfchen, welken geopend worden, nadat 
.'er . het hoofd afgefneden is , na eenigen tyd , het 
bloed, weJk zy bevatten, uitperfen, en zichalseen 
kleine heldere blaas, met lucht gevuld, vertonen. 

6. Ik ontblopt^e de Spieren van den buik en de 
borft van een kikvorfch , door de huid *er af te lchei- 
den^ .en dompekle^ twintig minuuten voor negen uu- 
ren, 's morgens^, het geheele licbaam van den lcik- 
yorfch in een iroeijel^ finelting van Opittwi in water, 
in een klejne.kom , weífce ik toedekte, om te belet- 
ten dat 'er de kikvorfch uithep. Vyfendertig mi* 
nuuten na de indompeUng, hám ik hem uit hee vogt, 
en opënde de borft en het herczakje. Het oor van 
het hert, welk zeer met bloed opgevuld was, ík>eg 
15' maalen in ^n minuut; maar het hert zelf , alleen^ 
6 maaien. Veercig minuuten over negen uuren (dat 
is, vyf entwintig minunten, na dat de kikvorfch uir' 
de gefmolten Opium was genomen) ícheen het hert 
wederom levendigergeworden te zyn ; want het maak* 
le agt ííagen in eenminuutrde toetrekkingen van het 
Qor werden zwakker, en waren naauwlyks meerdef 
,daQ van het hert, maar gingen geftadig dezelven ee- 
nigen tyd voor. Zes minuuten voor tien uuren floeg 
hethert, alleén, zes maalen ih éën minuut. Víer* 

en- 



M E T O P I U M. 305^ 

Cíntmntíg minuucen na tien uuren \ deedt het , al<^ 
leen , vyf llagen , in vyf-enzeftig fecunden t dc éer- 
fte, derde en vyfdé flag gefchiedden na een tuïlchen- 
tyd van vyftien íêcunoen, en de tweede en vierde^' 
na een ílilftand van tien fecunden. Zeventien mi» 
nuuten voor twaalf uuren , e^n tvree uuren en agten-* 
twintig minuuten ,na dat de kikvorfch uit de fmelcing^ 
van Opium was genomen , bewpog het hert zich^ a)f 
leen, dríemaal m vyf-enzeVentig fecunden, en- trok' 
zich zeer langzaamlyk toe, Vdor twee uuren , na! 
dcn middag, was het hert geheel dood; maar hoe 
íang, kan ik niet zeggen, om dat ik van een kwar*» 
tier voor twaalf , tot by twec uuren^ geen tyd hady 
om 'er op te letten. ^ ^ 

7. Hec hoofd van een kíkvorfch afgefncden, en* 
hec rugm.erg ,- (door een heec ýzerdráad , vernield heb- 
bende , maá kte ík d,e Spieren van de buik en borft* 
blooc, als in het voorgaande Experimentí en dofli- 
peláe, toén , hét geheele lichaam van den kikvorfch 
in een troébele fmelcing van Opiumj te half tien uu- 
ren voof íden midtíag. Zes endercig minuuten na de 
indompeling , nam ik het uit de fmelcing, en opendé' 
de boríl enliet henzakje. Het hert en het oor floe- 
gcn, elk, twincig maalen in'eeq minuut; en de-fla- 
gen van het óor gefchiedden , regélmacig, voor die^ 
van hec hen. - Hec hert vertoonde zich niet meer ge-: 
twoUtn of rooder, dán iii den natuurlyken* ítaac, en 
hetoor wasook, op ver na, niet zo opgevuld meV 
^'oed, ajs ïn het éde Ëxperiment. Twaalf minuu- 
en over tién úurerí , dat is , zes minuuten , na dat de 
íilcvorfch uit de geímoíie Opium was genomen, deedc 
'yn herc 27'flagen irí een miríuut. Te elf uuren, iS* 
'agen in den zdfden tyd; en zeílien, een kwarcier 
'oor twaalf uuren. Te twlee uuren, na den middag, 
i^as het oor, al zyn bloed uitgedreven hebbejide, •aU- 
íen gevuld met lucht , en bléef zich nog bewegen j 
laar hec hen lag ftil. Tién miiiuucen over vieren ; 
ac is , vyf uíuren eii vierénveertig minuaten , na dat 

^ X 3 'de. 



\ 



306 WHYTT^ ^¥P^RIJICMTSN 

de kikvc|r(ï;h qit h^. vogt wa$ genomen , floeg hec 
oor van |i^t hert 9 maalen in vierenzedig fecupdeQ. 
• 8* l^ oQtblootte de Spierën van de buik eh bórd 
van e^n aoderen kik vorf^h , en dompelde hem vecr* 
tieo roinuucen over agt uuren 9 áls voren , in een drab- 
bige fmeking van Opium. Veertien minauten over 
negen , nam ik hem uit het vogt ^ en maakte d^ boríl: 
en het hertzakje open; waar na het hert begon te 
ilaan^ negen m^alen in een minqut: maar het oor, 
welk zeer opgezet was met bloed , maakte geene be- 
weging, dan alleen zo ver hec eenige fchudding on- 
derging, door den ílag van het herc. Ook waren de 
Spieren van de*beenen, of dyen, toc geene famen- 
trekking te brengen , door hec fnyden of verfciíeuren 
van derzelvcr vezelen. Te half cien uuren floeg bct 
hert alleen zeven maalen in een minuut ; en hec oor , 
>}relk mi geheel iedig van bloed was , en , in plaais 
v^n dit, mec lucht gevuld» floeg zo wel als het hert. 
Pertien minuucen voor tienen, dat is, drie- endertig 
xninuuten, Ba dat de kikvorfch uit het Opium'Yfzitï 
was genomen , vertoonde het oor , met merklyke tus- 
fchenpgzing^n , een zeer flaauwen flag, maar het herc 
Ug zonder eenige beweging. 
. 9. Den zelfden dag , het hoofd afgefneden , en het 
rugmerg vernield hebbende van een andejfen kikvorfch, 
maakte jk debuik- en borftfpieren blooc, en dompel- 
de hem, agcien minuuten over cienen, in Opium-w^' 
tér, als.voren. Agtien rainuucen na elf uuren, nam 
ik 'er hem uit, en opende zyn boríl en hertzakje, 
waar na het herc zigh begon te bewegen , doende agc 
llagen in een minuuc Vyf-encwincig minuucen over 
^lven, floeg het hert 15 maalen in een minuut; ea 
te twaalf uuren, tuíFchen 13 en 14, in cleq zelfden 
tyd. Te cwee uuren , dat is , twe^ upen en twee- 
enveercig minuucen, na dac de kikvorfch uic het vogt 
was genomen , bleef het oor, w^Ik nu met lucht gc- 
vuld wa« y ílaauwlyk flaan , pmtrent elf maalen in eeii 
roiouut, lïea miimuten vooryiería. ÍAden acht^i- 

mid- 



M B T O r< I U M. .307 

mídciag , bleef het oor zich oog ai béviregenV nikar 
flaauwer d^n hec oor van No. ^. 

10. Ik maakte dengeheeien buik open van een kik«- 
vorfch^ grooter dan eenigen van de voorgaanden, 
en wierp hem twintig minjuuten over tienea, voor 
den middag, in een ^sdting van Opium^ alsvoren» 
Dertig minuuten na de indompding, nam ik hem uic 
het vogt , eo opende zyn boríl en het hertzakje. Het 
hert was zeer rood en gezwollen , en het oor zeer 
uitgezet door bloed : doch beide ^nder eenige bewe» 
ging: maar na twee minuucen begon het herc kmg- 
zaamceflaan^ doende, naauwlyks, negen flagen in 
eeií mlnuut ; maar het zeer uitgerekt oor maakce geea 
de miníle beweging. Gedurende iederê famencrek^ 
king, was hec hert merklyk bieeker, .en werdt, by 
de ontíluicing , veel rooder ; welk verfchyníêl ik ^ 
insgelyks , ge^ien heb in de herten van alfó kikvor^- 
fchen van de voorgaande Proeven ^ maar aanmerkiy* 
ker in de kikvorfchen , welken aan de werking van 
Opiutn blooLgeHeld waren. Ook bemerkte ik , in al 
deze Ëxperimencen , dat het hert, gedurende deszelfs 
famencrekking, zeer {ichibaar korcer^ en wederom 
langer wierdc by deszelfs oncfluiting. ]Vf aar om weer 
te kéeren ; zes minuuten na cwaalf uuren , dac is , een 
uur en negen minuucen , na dat de kikvor^ch uit hec 
vogt was genomen, deedt het hert niet meer dan zes 
(lagen in een minuut; en e|f minuuten over twaalve, 
ziende dac hec zonder beweging ware, prikte ik hec 
met een Ipeld , en acjemde oyer b^t zelve, om de fla- 
ning te vernieuwen, doch vruchceloos. De verdere 
Proeven zullen in een ander Scukje van onze I^cter* 
oefeningen volgen. 



i^ 



f^an den ovcrgang der Chyl in de Ongepaarde Meri door 
den Heer mbrtrup» dhirurgyn in Parys^en Demonjlra^ 
teuf van de Ontleedkunde fn *s Konings tuin (*)• 

Alle 

(♦) Memoires de Matbematique (^ de Pbyjique prefentés a r4c(kdA^. 
%nie Roy. des Sc. Journ, des Sw.il6i Juin, pag. 28. 

• X4 



'f 



308 l>tH OVE&GAMGIIE& CHTL IN D£ ONGEPAARDE ADEKt 

t 

ê 

ALle ChvU van de voedzels afgefcheiden zyndet 
ging, volgens.cfe Ondeedkundigen,in de BoríU 
buis (t), om in de ílinker,Onder-lleucelbeen-ader ge- 
bra^t, en onder hec bloed vermengd te wrorden. De 
voeding en onderhouding van onze kractiten hing af 
van de volkomenheid en welgefteldheid van deze Buis. 
Deze nogtans kon, op veelerleie wyzen beledigd, en 
buiien ílaac geíleld worden , om haare werking ce ver- 
rigcen , en dan moeíl het gedaan zyn met ons leven» 
Men heefc deze ongeruílheden zoeken weg te neemen 
(Joor onderílellingen en giiHngen ce maaken , dat *er 
byzondere , maar ionbekende wegen waren , door weU 
ken de Chyl in h^ bloed overging, wanneer de Boríl- 
buis gedocen ware. Maar hec gene men zich alleen 
verbeeld hadt, om dac men het noodzaaklyk oordeel- 
de, is nu getoond inderdaadzo tezyn. De HeeriiËR- 
TRUD heefcdoen zien,dat niet alleChyl^welkedeDai* 
xnen aan de Melkvaten overgeeven , in de ilinker On- 
derí]eutelbeen*ader overgaat , maar een gedeeice vaa 
dezelve gebrágt wordt naar de úngepaarde Ader (4). 
De Schry ver heeft in gedroogde fiereidingen getoond 
veeletakken van de Borílbuis^ welken gemeeníchap 
hebben met de ongepaarde Ader. Hy heeft ze zelfs 
opgefpooten doen zien. Men verwagt een Werk vaa 
den Heer MERTRuo, vaar in zulks buiten alle twyfel 
zal geíteld worden (§). 

(f ) DuQus Tboracicus. (\.) Verui jízygps, 

(^) Meq vindt cene bcfchryviogenafbecldirigvane^ne inmOD- 
ding van een afzetfel van de Chylbuis in een tákje van de onge- 
paarde Ader, door den Heer vblsb, in zyne Diiïertatio de Mu* 
$uo Jnteftinorum ingrejju. Uall. Difputtí, anatm. JeleQ, Vol. VLL 
pag. 149. £n eene waarneennng van kulmus, waar ín de Cbyl* 
buis gezien werdt zich in dc ongepaarde Ader in te planten niet 
alleen , maar ook in de beide Onderfleutelbeen-aderen , cn in de 
bovenfte cn onderfle Hollé adef. H.'Boerh. TraleEt. Jcademl 
Vol. I. pag. 483. in notis hall£RT. Doch deze gevallen worden 
als zéldzaame, en legen den gewoonen loop der Nature opgegee- 
ven : maar dé Heer mertiud fchynt te willen zeggen , dat het 
tltyd ^cfchiede. Men zal uit bet beloofde Wcrk moeten zien^ 
of het voldoende getoond worde. 



Het wl inrigten en bandbaaven van goede gezelfchappefít 

Uít onze voorgaande befchiouwing, raakende de 
natuurlyke gevolgep yan goed en kwaad gezeK 
fchap(*), is 't zeer gereedlyk af te leiden, dat wy, 
gezellige fchepfelen, die elkanders hulp JDehoeven^ 
en elkanderen behulpzaam konnen zyn, niet alleéi> 
hebben agt te geeveri otn kwaade gezelfchappen t^ 
Vermyden , op dat wy dpor navolging niet ten ver»- 
derve loopen ; en in tegendeel , ^o we gezelfchapp^n 
willen bywoonen, zodanige te zoejcen, die ons ondér* 
ling waarlyk wyzef ^n beter konhen maaken; maar 
d^t'er, om zo te fpreeken^ eené zf:delyke verplig- 
ting op ons ligt, om.ecn nuttig ge()ruik te maaken 
van die gezelligheid onzer natpure, en de^eilzaame 
gevolgen eener gemeenzaame verkeeringe met men- 
lchen van Verftan'd en Deugd : indiervoege dat wy , 
over 't algemeen gefproken , ( buitengewoone om- 
ftandigheden^ die een eenzaam leeven eifchen uitger 
iQooten zynde,) gehoiiden zyn goede gezelíchappen 
te handhaaven. Behalve dat het vcrinyden vah alle 
gezelfchappen veeï al den menfch zeer ílyf, eigen-i 
zinnig en laílig maakt voor hun , die zomtyds met hem 
te doen hebben ; zo beantwoordt eene ganfch eenzaa-j 
me leevenswyze geenszins aan, maar is veel eer ílry- 
iiig met, het oogmerk der fcheppinge en 's menfcheu 
hatuure^ ^ls in 't voorgaande reeds aangemerkt is^ 
waarby npg komt, dat hy zich zelven berooft van 
ák voordeelen , welken wy getoond hebben eigenaar* 
tig uit goede gezelfchappen voort te vloeien. Waanc 
iemand zo ver gevorderd te zyn , dat 'er voor heni 
geen voordeel te vinden is in 't gezelfchap van ande- 
ren; deeze zyne uitmuntendheid pntílaat hem niec 
van die verpligtingj even daarora inoet hy met an- 
deren verkeeren , om hun voordeelig te zyn, en d\x$ 
door eene gemeenzaame verkeering mede te werkeii 
ter bevorderinge van 't algemeene welweezen. Veel- 
ligt zou die omgang hem geneezen van zynen ydelen 

waan, 

(♦) Zieboven, bl. 235 — 242. 

X.5 



3IO HET W£L IN&IGTËN £N fiANI>flAAVEN 

liraan, dat anderen hem niec . bevorderlyk konnen 
zyn ; en zo *t ai weezenlyk indiervoege wazvc , daa 
Zou by juid zodanig een zyn , die de grootíte be* 
kwaamheden zou beziccen , om een goed gezelfchap 
in daad en waarheid nuuig ce maaken; dac hem ten 
kragtigíle moeíl noopen, om zyne bekwaamheden 
ook cen deezen opzigte, cot heil der Maatfchappye, 
in 't werk le ílellcn. — Maair is dus de onderiinge 
verkeering over *t algemeen aan te zien als een pligt 
der menfchlyke t*zamenleevinge , zyn wy gehouden 
het nucte uiteinde daar van te bevorderen ; zo is 'c 
vel der moeite waardig na ce gaan , wac men in agt 
hebbe te neemen , om een gezelfchap becer te doen 
zyn dan de eenzaamheid ; hoe men een gezelfchap 
hebbe in te rigten , om het zelve heilzaam te doen 
zyn; hoe wy *er gebruik van hebben te maaken, om 
de gewenfchte voordeelen daar van je erlangen. De 
volgende regels ftrekken deswegens tcír proeve; cn 
we twyfFelen niet, of derzelver inagtneeming, zoq 
veelen onzer hedendaagfche gezelfchappen van eene 
uitgebreider nuttigheid ipaaken. 

Eene menfchlievende goedaartigheid is zeker in de 
cerfte plaats een noodzaaklyk vereifchce in de leden 
yan een ^oed gezelfchap. Zy , die gemeenzaam met 
clkanderen willen verkeeren , om zich onderling nui- 
tig te zyn , moecen zich vooral ontdoen van eigen- 
(Einnigheid, trotfchheid, gramftoorigheid en kwaad- 
Ipreekendheid. Verkeerde hebbelykheden van dien 
aart zyn ten uicerfte fchadelyk in gezelíchapj nadien 
ze de onderlinge ruft verrtooren , en in gevolge daar 
van hec bedoelde nut ce keer gaan. Zo wy onzen 
medgezellen niecop eene redelyke wyze iecs konnen 
infchikken, hen mec verfchopning aanzien, met be- 
fcheidenheid behandelen, endoor minzaamheid aan 
ons verbinden , zyn we niec regc bekwaam om leden 
van eenig gezclfchap ce zyn , of eenig gezelfchap te 
vinden, dat ons waarlyk heilzaam is. Het verfchil, 
dat *er alCQOs gevondea wQrdc tuíTcheq de geftellen 

der 



WA^ COEDE GEZELSCHAP6EN* ^fl 

Á&£ menrchen , zo uic hunnen eigen aart , als uit de 
gevolgen hunner opvoedinge en leevenswyze , eifehc 
zulk eene beminnclyke gemoedsgeftalte in hun, die 
gemëenzaam met elkanderen zullen verkeeren, Di« 
hiertoe niet genegen is, maaralies naar zyne capri' 
c€, volgens zyn temperament, wil beftuuren , moec 
alleen leeven, of laage zielen zoeken, die zich on- 
der zyne dwingelandy willen buigen, en yan weJken 
hy niet anders te wagten heefc, dan dac hy , cot zyn 
eigen nadeel , verfterkt zal worden in zyne haatlyke 
gemoedsgeftalte^. die hem door den tyd ondraagelyk 
zal maaken in de t'zamepleeving. 

Wel byzonder ís hier hoog noodig eene befcheide? 
ne tpegeevendheid in 'c ftuk van verfchillende gevoeV 
lens, ZQ in 'c BurgerJyke als in 't Godsdienftige, zo 
lang de becragcing der Deugd^ en ingevolge daar van 
hec welweezen dí.r Maacfchappye , ongefchonden be- 
waard blyve. In gezelfchap behpprc men zich voorai 
ce wagcen van eene biccere oneenigheid in 't hevigc 
twiften over onderwerpei» van geen aanbelang, die, 
behoudens eer en deugd , op vorfchillende manieren 
begreepen konnen worden : dat verwekt niet anders 
dan haat en nyd cen nadeele van 't gezelfchap. Kon* 
nen wy elkander, op eene redelyke wyze niet^ over- 
tuigen; ons gevoelen niec in dac licht ftellen, ofdat 
van een anderen indiervoege befchouwen , zo dap wy 
't cen volle eens zyn,* 'c is beft voor dien cyd die zaak 
in ftille geruftheid daar te laacen, behoudende pen ie* 
der mec vriendlykheid zyne vryheid in zyn gevoelen , 
zonder dat dit eenigen onluft baare. H^t \f vólftrekt 
onmogelyk , dat menfchen , welker vermogens bepaald 
zyn, en daarom eene zaak qiet akyd van alle kancea 
konnen befchouwen , dat die alcoos in alles eenftem- 
mig zQuden weezen ; de vooroordeelen onzer jeugd 
zyn dikwerf van ce veel kragc , om ze zo cerftond uic 
te roeien ; daar hcerfchc zomcyds in onzen Vriend ee- 
nige valfche eerzugc, die hem weerhoudt van de zaak 
gewpnnen te geeven } die 0|>enjylc t^n toon te í|ellen 



JI» PET Wnt INRIGTEN CN HANDHAÁVE^í 

is niet befcheiden ; ook kan ze hem mec meer welvo^ 
jgelykheid en irtdr'uk , in een byzonder geífprek , in *i 
vervolg van tyd, onder *c oog gebragt worden. In- 
dien wy ih deeze zwakheden elkander niec redelyk 
kónnéti draagen , moecen we geen gezelfchap aan- 
gaan; vermids wy dan nieí jn ftaac zyn, om hec 'nut 
van cen goed geze'íchap in ftillen vreede ce fmaaken, 
Het gefprek; dát als de ziei van 'c gezelfchap is, 
inoec doorgaande ftrekkeh om ons te dóen vorderen 
in kennis en'deugd : áls zynde het doelwit van een 
goed gezelfbhap elkanderen nuttig ce weezen , waar 
aan zodanig een gefprek ten volle beantwoórdc Een 
goed gezelfchap fpilc den koftelyken tyd niet geheel 
met beuzefagtig fnappen , híet jok, bqert en fpel; 
jíodanig moedwillig tydverlies is een redelyk fchepfel 
tot gewigtiger en ernftiger bezigheden beKwaam oii- 
waardig, en maakt eeh gezelfchap onnuc, — Men 
lcan wel niec ohckënnen^ dac hec zomcyds (nademaal 
de boog niet' alcoos geípannen kan ftaan , ) geoorlofd 
zy zich te verlëdigen coc zuf!ce onverfchilligézaaken; 
ihids dac men zich in fedelykheid bépaale ; dbch 'c 
hy onzes agcens, niëc min zeker^' dac hec teti uiter* 
íle laag' iá, gemeenlyk zulk foorc van vermaaken cen 
doelwic van éeii gezelíchap ce ftellen; mec geeri ^n^ 
der oogmerk byeen ce kómen , dan óm den tyd zo 
nutloos ce verkwiften : dic ftrydc baarblykelyk mec 
hec einde van een goed gezelfchap, *c welk is elkan- 
deren huccig ce weezen. Een gezelfchap mágnu of 
dan eens enkel verftrekken ce'r uicfpahninger, dác is 
redelyk; ihaar deszelfsdoorgaande utceindemoet weé* 
zen nuccigheid, en eene onaffcheidelyke eigeníchap 
daar ván, zal *f goed zyn', is de onzondigheid ; z5 
dat meh geoorloïde zaakeh, doe op een geoorlofdc 
wyze , en niec buicenfpoórig dac haar zondig máakt ; 
zo dat een gezelfchap ter uitfpanhinge ook dáádlyk 
zy ter uitípanninge, en niet ter bezigheid of ten dag- 
werk van redelyke weezens , dat onverantwoprdlyk 
is i' dc.boog móec alzo mia fteeds ongefpannea als 

ali 



' VAN GOE0E GSmsCHAmK. 3Í| 

iihyd geípannen blyven. Hoe veragcelyk moet uíc 
jkragc van deezen regel ons voorkomen , een gezei- 
fchap, waar in ílilte,zwaarraoedigherd, verdrietlyk'- 
heid en dergeiyken de overband krygen , zo dra beu« 
^eltaal, jok, boert en ípel een einde hebben, om nu 
't oog niet le veíligen op geheel onwaardigen » die 
zich zonder agterklap, onkuifcbejd, ^^onkenfchap er^ 
ZoortgeJyke wanbcdryven niet konnen vermaaken ? 
Hoe laag een denkbeeld had men zich te vormen van 
de meníchlyke natuur , indien men 'c van de zulken 
moeft afleiden ? Het íchynt of uitípanning én ,ver- 
iínaak het tegenovergeftelde is van Verftand en Deugd ; 
dat zekerlyk zo vaiich is , als te ftellen ^ dat een re^ 
delyk weezen geen uitfpanning tot vermaak kan. vin* 
den in een redelyk tydverdryf y dat onzondig is^, eri 
nog akyd eenig nut ten doelwit hêefc. Men maakc 
door zodanig eene handelwyze het gezeJfchap , ári- 
derszins zo voordeelig, dikwerf niet alieen nutloos., 
inaarzelfs íchadelyk : en derhalve.zou hy . die zich 
niet anders kan gedraagen in een « gezelfchap , veeí 
beter doeji,indienhy vooreenigen tyd<l€ gezeJfchapt 
pen watiíiinder bywoonde,^ en zich in.eenzaamheid 
leerde oefenen ; om bfekwaam te worden , om ín een 
goed gezelftjhap met- nut voor zich zelven , en voor 
ánderen te konnen verkeeren. 

De,eze aanmerking geeft ons aanleiding toí den vol- 
genden regeJ hier in agt te neemen ; dat naamlyk eea 
ieder, die g^zelfchap zoekt^ om nuc daar uic te trek- 
Jcen , of door het zelve te wégen te brengen , zicfi 
nioet benaarftigen, zo veel zyne omríandigheden toe- 
laaten , om te verkeeren met zodanigen die in Ver- 
líand en Deugd boven hem uitmunten ; of ten min- 
íle met zulfcen die .luft hebben , en bekwaara jsyn om 
in Verftand en Deugd toe te neemen. De groote 
oorzaak dier nutlooze en menigmaal fcbadelyke ge- 
zelfchappen , is veeJ al gebrek van ftóíFe tot een re- 
delyk onderhoud : dit brengc veelen , die anders niec 
kiiraadmeenend zyn, tot zuk een ydel tydverkwiften-; 

éh 



^í^ HET WÉt ÍNRIGTtN EN fíA»DHA4VEïí 

ên áeeze oortaak Krótdt , doot *t waarneetnén nú 
dien regel 4 weggenoiíien. 1$ *t dat wy dien ÍD 't 
werk (lellen ^ 't zal on$ nimmer aan nutte ftof ont- 
bréeken , om een gezelfchap leevendig te houden, 
om iets ^oeds te hooren of te zeggen : onze kundig- 
heden elkanderen^ geftadig mededeelende , ooderrig- 
ting ontvangeride of geeveride, en dus onsredelyke 
vermogen arbéidjtaam hóudende , konnen we ons op 
éene vérftandige wyze Vermaaken , doóí elkander tc 
óefenen en op tefcher^en,tenoBclerlinge nutce,in beant- 
tlroording aan'tgrooie uiteinde van een goed gezelfchap, 

Om dit heilzaame einde êts té zekerder te berei- 
ken , heeft mén hier en boven zorg te draagen , dat 
het getal 'dér Léden van een gfezeiíchap niet over- 
^root zy. In zeér gVoote gezelfchappen vindc mett 
gemeenlyk weinig nuts en veele verwarring. Hoe 
Itoeërder getal van menfchen, hoe meerder moeiteoni 
de vêrlchillende geftellen te doen overéenftemmfn , 
ió veel een goed en nuttig gezelfchap vereifcht De 
menigte belet oní bm op eene onderfcheidene wjit 
óVer een Zeker onderwerp te fpTreékén , en dat met 
elkandereri te ónderzoeken ; of *t moet zyfl , dac eeni« 
gen zich raeefter maakenvan 't gezelfchap, die de 
ovéfigeíi , als tegen wil en dank doen zwygen, en, 
om zo te fpreeken , noodzaáken hun gehoor te lêenen 
aan een geíprek over zaaken y die hun in geenen dee- 
le aangaan, daar ze geen kennis vari hebben, cndie 
geenszins onder hunne lief hebbéry vallen. í^odanig 
een onderhoud ,• dat zeer wel plaats kan hebben voor 
êen korten tyd , waár in men ook ligt toegeevend kan 
z'yn , i^ordt ten uiterfte Jáftig , wanneer zulks van 
fiíi'erkelyken duor is; en ftrýdt regelfechtmet hetoog' 
riierk van een goed gezelfchap , daar, nietiemands 
byzonder,maar het aigemeenenuttige vermaakdere- 
^el van ons dpen en laatén behoort te zyn^ als het 
Óogriierk waarom' riien onderling by êeri gekomen is. 

Édoch fchoon het bywoonen der gezelfcháppen op 
dergélyk cené Wyzê vto-reer gcoútc nuttigheid zyí 



VAN éOErlE GEZELSCflAPP'EN. ^lf 

to heeft egter ook hier ,gelyk doorgaans in onze han- 
delingen, de maatigheid plaats : hoev\reI 'c gezelfchap 
hatuuriyk heilzaam zy , men xnoet oogcans voorzigiig*^ 
heid gebruiken, om zich daar toe niet te veel te ver* 
ledigen , op dat het ons niet nadeelig worde. Jndien 
men zich onophoudelyk in gezelfchappen begeeft ^ 
wordt men een ilaaf derzelvei* ; onze natuur gewent 
wel dra dermaate tot die lecvenswyze , dat wei nauw- 
lyks eenigen cyd met vergcnoeging in eene ílille eea- 
Zaamheid konnen doorbrengen.; welke eenzaamheid 
cgter zcer dikwils van het uiterfte nut is ter vorde- 
riDg ÍQ kennis dn deugd. Te veel gezelfchap hou« 
den , waar door de tyd , die we van onze bezigbe- 
den over hebben , toc eenzaame oeferiing , te veel 
geftolen wordc , put opk gemeenlyk d^n geeft te zeer 
uit; by mangél van genoegzaam Jedigen tyd tcr oe- 
féninga vindc men ten laatfteri geferie ftoíFe van eeni 
weezenlyk gewigt; waarom het beter is eenigen cyd 
afweezig te zyn , op dac men niet onnuc byeenkome. 
Hoe menigwerf ziet mcn ook niet dat veelen , dooí 
te zeer gezet te tyn op gezelfchappen , hunne tydlyke 
zaaken verwaarloozen , de vcrrigting hunner bezig- 
heden om des gezelfchaps wil uitftcllen , en ongevoe» 
lig in zodanig ecne*V6riloíBng de9 aangaande Vervai* 
len, dat het hun door den tyd :ten nadeeleverftrek-. 
ke. Hoe nac het bywdonen van gezelfchappen* daa 
ook zy ; hecit mcn derbalve altoos zorg te dra&gen ^ 
om door eene. al te kragiige gezeJlighéid niet afge«- 
trokken te w'orden van 't naarftigc hahdhaaven van, 
onzen huislyken pligt. £n deeze aanmerking houdc 
ftahd , niet alleen met becrekking toc Waereldfche 
gezelfchappen , (gclj^k zommigen fprcekcn , ) maar' 
ook met opzigc toc de Godsdienftige gezelfchappen , 
tiie ook ohiriaaiig bygewoond konnen worden , en dus 
ten weezei]]yken nadeele konnen gedyen. Men vindc 
naamlyk mcnfchen, diemet hunné byzondete Gods- 
dienftige byeerikomften zo veel op hebbén , dac ze ' 
sich i^heel en al<iaar aan otergeetren ; indiervoege 

dat 



N 



^6 HET W£L INR. £N HANOH. VANéOEDS GEZ^LSCHÁFPEK* 

dar ze hunne tydlyke zaaken niec ernílig ler barce 
rreemen , ja Huis en Huisgezin afs laaten dryven.' 
Zodanig eeo gedrag is zeker onverancwoordelyk ; het 
bywoonen vao waarlýk Godsdienílige gezelfchappen 
is eene zeer goede en nntte <aak : maar 'c waarnee- 
itien vao zynen huisiyken pligt is volílrekt noodig , 
in de gc'woone omftandigheden des leevens , waar in 
de Godlyke Voorzienigheid ons meníchen gefteld 
beeft ; het laacíle moet hier dan voorgaan , en door 
het eerfte niet verhinderd worden ; gelyk zo de waa- 
re Godsdienft noic nadeelig is aan 'c vereiíchte huis- 

beftuur. Men heefc derhalve, wil men 'c by- 

woonen van gezelfchappen , zo in *c eene als in 'r 
a:ndefe ge val , waarlyk nuttig doen zyn ,- ook hier in 
eene voorzigtige matigheid te gebruiken , gedagtig 
áan de les van Salmim^ Spr. XXV. i6 en 17; bebtgy 
' ^f^^ig gevonden , eet dat u genoeg is ; op dat gy vúffcbien 
niet zat wordet ^ en'dien uitfpmmet: fpaart u^enveetxkin^t 
bui^ums naa/len , op dat by fáet zat van u wordtf en u baate. 
. Ëindelyk heefc men nog in aanmerking te neemen, 
dat wy , om het weezenlyke voordeel van 't by woo» 
nen der gezelfcbappen te tr^kken ; dikwerf bec goe- 
de en nucte , dat qns* in 't gezelfchap is voorgeko- 
men ,, in eenzaamheid hebben te overdenken , om 
het zelve den regten indrak op ons^te doen verkry- 
gen , of beftendig ce doen houden. Door dir te ver* 
waarloozen gaat niet zelden het nut der gezelíchap- 
pen verlooren : men hoorc deeze en geene zaaken , 
men fpreekt 'er van ; het onderhoud en de omftan* 
digtaeden van 't gezelfchap geeven ons aanleiding rot 
etlyke overweegingen; doch by gebrek van overden- 
king hegten ze niet in ons gemoed , en dus is álles 
vrugtloos. Want het is de overdenking inzonderheid 
die ons regt verftandig kan maaken ; daar 't hooren 
en fpreeken ons dikwils maar oppervlakkige denk- 
beelden geeft , die ons door overdenkingen inleiden 
tot eene bondige kennis der zaaken; waar door.wy 
'c weezenlyke nut konnen erlangen , dat natuurtyker 
wyze ttit een goed gezelfchap moet voortvloeijetu 

V R Y^ 



* í 




V R Y M OEbttíÉ 

ENMERKINGËN 

NÉDERDUITSCHE 

WÊRKEN Éií SCHRIFTENi 

die ónlangs mtgegéven iyn. 



P^kagf dfdi Bam Jer Kenmffe J$s goeds en des fuaads eettejtbd^ 
' deiyke kracht gebad bebte^ em rfdeeze Waereld de befie zfl 
kls mede af Moíës oeis gefiurvem en begraavên %y gewrden t, 
heanpwoaritó doar Godfried Bucbner Magifter. Vit bes HoQg^ 
duitfib verSaald door Joh, WiU. van Haar. In V Gravenbagi 
bj Pieter Gerard van Balen. MDCCLXI, bebahe de Ppor^ 
teden eni. 429 blkdzjden in úSavo» 



D 



e Heer Bucbner beantwoordt dez^ Vragén> in dit Stukje» óp 
ene ontkennende manier, die hy mec vele teden tragi ^e (ta* 
ven; terwyl hy ziCb tevens bevlytigt om de denkbeelden vatl 
liun, díe dezelven beveíligender wyze beantwóorden, ín *t bree- 
de tegen te gaan, — — Op de eerfte vraag geeft hy ten antwoord; 
dat die boom geën fchaadelyke krAcht gehad hebbe; naardien. 
de fchaadelykheid der vruehten en gewaíTen, als eeii gevolge 
van den val, aánloopt tegen de heilige oogmerken van God» 
die Hy by de Scheppirtge gehad heeft , en God 00& afles goed 
en niets fchaadelyks voortgebragt heefc : en dat de vrugC Van 
deezen Boom veel mfinder den dood gewrocht hebbe, naar* 
dieíí de Boom geene fchaadelyke kracht geha(j heefc, en óok 
de tydlyke dood in de Godlyke bedreiginge niet mede begrce- 
pen is geweeft , maar eené willekéurige Godíyké ftraíFe is , dié 

geeíi menfch ontgaan kan (♦)". De tweedé vraag wordf 

' doot 

(*) In de Gódlyke bedreiging, Geri. II. 17, ten dagé als gy daar 
vah eet zúlt gy den doodjlerven^ Is, vplgens onzen Schryvcr,nlet 
de tydlyke, máar de geeíllyke en eéuwige dood gemeend; docK 
alle menfchen zyn door enewíllekeuríge ftraf van Godonderwor- 
pen aan den tvdlyken dood , die tevens ftrekt toc een middel 6hí 
cle eeuwige gelukzáligheid der geliovigcn te bevorderen, Dií gfe* 
voelen hád onze Scbryvej: voorgeftaan in zyne Fcriandtíing éw ' 

iu tmL zro. 4, T M 



9Í 

» 

t 
9f 

99 

■ 

99 
99 



3lS VRTnOEDiaE AEK1C£K:KT:96£K. 

^eerhem m dezervoege beantwoorcL ,» Godheeft de beftew%e« 
jy reld (*) gefchapen » en volgens het oo'merk van God' zou hy 
„ blyven in dien toeftand, waar in fy tot wezendlykheid geko- 
,f men was ; fy kon ook daar in blyven ; doch fy is , door de zon- 
,9 de, ongemeen bedurven geworden : cn nademaal de waereld 
9, zonder zonde aan Gods wille en oogmerken meerder gepaílzou 
9» zyn geweeíl dan de waeretd met de zonde; en de waereld, die 
M van zulk een koílbaar geneesmiddel » [als de zendlng van Gods 
y, Zoon,} had konnen onihefc biyven, beter zou zyn geweeíl, 
„ dap de kranke , díe heelmiddelen noodig heefc ; zo is *t niec 
,, mogelyk dat de door de zonde bedurvene waereld , gantfcblyk 
,9 aanioopende tegen den wiile en de oogmerken van God, de 
,, bcfte waereld,*of beter dan alle m'ogelyke waererden, zoukon- 

„ nen zyn". Op de derde vraag eindelyk luidt zyn ant- 

Ýroorá: ,, Afo/>j is wcl gedurven , doch nooit begraaven , maar, 
,,.geiyk ÍUnocb en Elias^ veranderd zynde, in den hemel^opge* 
,-, liomen eeworden". Uit de vergclyking van Deut» XXXÍV. ^, 
ó. met Jud, >X en Ma^h XVII. 3 , maakt onze Aufteur dit ver- 
hKïá 'van- *t berigt van Múfes dood en begravenis. 

„ Alzoo klom Mofes^ de knecht des Heeren, op dfen bergiKr* 
yy fro, op de hoogte van Pisgaj en na.dat hy het Land, welk 
^ ifraêlin bezit neemen zou, met fyne oogen, gezienbad,zoo 
,, ilierf hy, gelyk de Heer bereids voorhenen aan bem had bc- 
,» kend gemaakt. Toen nu de Heer hem van den berg na bene- 
^j den in het dal wilde doen brengen, om hem aldaar in den lan- 
„ de van Moah^ tegerióver Êttb-peor, tc doen begraaven; 20 

'de_ tnveefhaal gejíurvénen\ (die ook uít het Hoogduitfch vertaalcí, 

' cn in 'c Nederduitfch gedrukt is in 'j Gravenbage by Job. Tbierri 

175P>) en enigc bedenkelykheden zyner Vrieriden deswegens doen 

hem in dit ítukjé daarover breeder ultwciden : dóch men kanniet 

zeggen, dat Iiydeze zyne ftellinghier door duidelyker ontvouwd, 

of kragtigcr gefraafd heeft. Deze gemelde Verhándcling behCiTc 

de zelfde grondíla^en en manier van redeiikavelen , als dit Sviï' 

je ; oók beroept de Schry ver zicb menigwerf hier in op deze/vé; 

' zo dat het leezen van dezc voor af niet ohdicnílig zy , om'díi t'e 

* gereeder te verftaan. 

(♦) Onze Schryver geeft met den aanvang deze bepáling van''t 

. begrip van dc beílé waereld.. „ De JVaereld is h'et gántfc'hévei- 

band van alle gefchapene dingen , zoo als dezelven bereids voor* 

ledcn, nog tegenwóordig en aanílaandc zyn: zo dat daar on- 

der begreepen worde de toeftand voor den val , na den val , en 

de toekomende in het aanílaande levetí, neíFens alle toevaliig- 

heden , her goede en het quaade En de bejle IVaereld kan gee- 

ne andere zyn » dan die volkomen beantwoordt aan den wílle, 

„ en aan de doeleindens van den groocen, wyzcn cn goedertie- 

' n renen Scheppcr. . 



»» 
»» 



VRYMOEQIGE ▲EMMERKIN6B.K» 319 






l4^ zich'de Duivel by deeze^bandelinge mede vinden^ om.te* 
gen deeze cerbewyzingc verfcheidenc beletfelen in den weg te 
leggen. Door vermetelheid genoopc, begon by met den Ar« 
changcl eenen twift , cn maal;te , onder het uítbraaken vafí 

„ grouwelykc' lafteringen , aanfpráak op het dpode lighaam. 

,, Schoon nu Míchítël , volgens fyne áangefcha'upene wysheid; 
hem ín 'c naauw bragt en befchaamd maakte, zoo oordeeíde 
nogtans God, om aíle liftige en vervloekte oogmerkenvan dea 
Voríl der. duifternifle censklaps te verydelen, met zyne vol- 
maakte wysheid gtpaíl te zyn , de tot de begraaveniíTe gemaak- 
te fchikkíngen» ais dingen buiten Hem,te .verandcren (*).: des' 
wegen overklcedde (f) hy Mofssáooï eene verandcringe, en 

9, nam 



99 
»9 



. (*) Onze Schryver verk!aart,,ter begunlligingevan dít zyn ge- 
voelen, de woordeu D^tíí. XXXIV. 6. i/y begroeftem, oí liet 
bem begraven , door Hy wilde bem laaten begraaven, 

(t) Dít denkbeeld van 'c everkleeden heettonze Schryver brce- 
der ontvouwd in zyne reeds aangehaalde Verbandeling vuer ds 
t^veemaal gefturvenen, Volgens zyne daar in voorgeftelde denk* 
bccfden, „ '\s de dood niet anders, dan eeneindeof ecne beroO" 
ving der overeenílemroende werkendc kracht, wclke tuíTchcn 
het Uchaam en de ziel plaats heeft; hier aan zyn alle menfchen, 
sonder uUzonJering, na den val onderworpen; en'c gcwoone, 
,, gevolg van den dbod is , met opzigt tot h^t'licbaam , dat h^^ 
„ zelve aan 't verderf bloot geíleld is , en met bctrekking tot de 
„ 2i>/, datdezelve, zonder iange tulTchenpoozínge , van hetge- 
fturven lichaam plaatfclyk afgezonderd , en overgezet wordaan 
dcn oord, daar zy eeuwig bJyft. Doch dit gewoone gevolg" 
hébben cenige menfcben niet ondergaan : zommlgen, als E- 
nocb , Mojes en Elias , zyn wel gcílorven , dpch dit gcyolg 
hceft in hun geen plaats gehad: ze zyn niet ontkÍeed\ma2i over'» 
„ kleed geworden : het verband van ziel en lichaam is in hua 
,♦ wel yerbroken , maar 't lichaam is der verdervinge niet onder- 
„ worpen , en de ziel. is iilet plaacfelyk afgezonderd geweeft ,• en 
„ zyzyn, voor de eeu.wigheid bcKwaam gcímaakt zynde, metiy'f 
„ en zicl in dc ecuwigheid overgeg^an : hoedanig een loc ook 
„ het deel zal zyn van hun , dic, tcn jongften dage leevendc^ 
„ veranderd zuHep worden. Andercn , gelyk hicr van etlyke 
„ voorbeelden in de Bybelbjaden gevonden worden, zyngeftor- 
,, ven, doch óok wcder íot dit leeven opgewekt : in deezen ís 
het yerband van ziel en lichaam wel vcrbroken , Ja ook in 
zommígen het lichaam def verdervinge or.derworj)en gewecft; , 
doch.de ziel der ?odanigen is gebleeven by haar doode líg- 
haam, en dczejve is ïn de opwekking weder daar mede vcree- 
nigd gcworden; op dat deeze menfchen, voór cenen tyd,on- 
der de.ftervelingen zouden leeven, dan weder ílervcn, en éc* 
g€WO'one gevolgen des doods ondergaan". 



n 



99 

« 

» 



» 
9» 
9 9 
>9 
»» 
»9 
»9 



$2Ó ' VKYllOEDÏGE AEKMSRklMGËir. 

,» nam bem leeendig op fn den Hemel » gelyk Hermh en lliaL 
Íj £n dít i« de reden, dat nlemand fyn Graf, of de w^rze fyner 
ty begraaveniíTc, heeft konnen ontdekken tot den huidigen dag. 
„ Langen tyd daar na is hy met fyn érgen licbaam , waar mede 
„ hy opgevaarcn is , by de vcrheerlyking van Chriftus ver- 
„ fcheenen". 

Men vindt doorgaande in dit aRes, dat de Heer Bucbner ene 
lcvendíge verbeelding heeft, cn zeer ílout durft gííTen'; men kan 
oók niet ontkenncn , dat hy aan zyne dcnkbeelden veeltyds eeii 
iLundigcn draai weet te geven, dic zomtydsin den cerftcn opílag 
dczelvcn mct enc mindere of meerdérc waarfchjrnlykhcid doet 
voorkomen: doch cne aandagtige bcfchouwing toont, onzes ag- 
tens, wel dra, vry duídclyk, dat'er vecl almeer fpitsvindígheíd 
tzn vcrnuft , dan bonc^ighcid van oordecl in zyne redckavelíDgen 
gcvonden wordt. £n dit is ook hct denkbeeld van den £erw« 
ýúb. Mart> Hoffmann^ meí opzigt tot des Scbryvers bcantwoor» 
ding van dc derde vraag; als blykt uic deszelfs Brief aan denHeer 
Verêaalder over dit onderwerp gefchreeven; 'py gelegenheid dat 
dezelvc hem de Vcrtaiing hier van , als in 't Hoogduitfch een by- 
zonder Stukje zynde, allecn had toegezonden. Deze Brief, ále 
de verkeerdc redeneerwyzc van den Heer Bucbner^ en de onge- 
grondheid zyncr (leliinge in dezen , dat Mofes niet begraivcn fx, 
2eer duidelyk ontvouwt , heeft de Heer Vertaalder met| het uit- 
geven van dit Stulcje, op toeílemming van zyn EerwaardeB,ook 
aan 't gemeen medegedeeld. 



pe befie Hidsvrouw , nrolg^ns Spr. XXXL ló — 3 1. Té Mid- 
delburg, hy Louis TaiUcfert Davidsi. i^ái. ikgroot o3av0 
XI bladzjfden. 

De Opfleller van dit Dichtftukje , die zich tekent J. V. I. ,gceft, 
in zyn kort Voorberigt , te kennen , dat hy den nadruk der 
Oofterfche Poëzye , 20 na hem mogelyk wás , heeft zoeken uit tt 
drukken ; en hy wenfcht, dat Mannen, in de Oofterfche talca 
crvaren , zich bevlytigen om andere gewyde Dichtftukken, cn 
inzonderheid de Voorzeggingen in diervoege op te helderení 
doch , gelyk hy ten ílot zegt , sy , die Pfalmen en andere Godáelfit 
Liederen ber^men , fcbryven meejl voor 't ongetettefde Gemeeriy tií 
fcbyn^n derbalven zoo veel omjlags niet noodig te bebben, Wat onzc 
Dichter hler mede byzonder bedoele , is ons niet wel te bepalcn, 
xpaar 't is zeker., dat in vele berymingen der gewyde Dichtíluk- 
keh geen agt gegeven wordt op de kragt der Ooílerfche Poëzye; 
men neemt veel al ene zekerevertalíng aan, die te woordlyk is, 
om den nadruk mede te deeleu, en maaiit daar op een vers, dat 
gecnszins zweemt, n^ar de denkbeelden der Oouerlíngen. 
fieereffende dít Dicbtíliri^je zelvcr het komt ons over 't alge* 

• ~ mccB 



^RTX0£DIOE AEMMBKKIKGEN. 321 

« 

fnefiti zo wel voor, dat de Dicbter aanmoedlgiiig verdiene» om 
2ich door oefening nog verder te volmaken. Ter proeve hier 
van verftrekke het volgende. Dus vangt hy aan : 

Wien lacbte *t aardfcft geluk zoo toe , 
Dat by een bupze Frouw mogt treffen^ 
Úp welkér aandeel by zig vrylyk mog verbeffen , 
En dapper Jloffen , bly te moê » 
Da6 bem een pronkjtmeely 
Zêo glimmig en zoo eêl^ 
Als *t blixemgit der bejie flonkerjleenen > 
Gods voorzorg beeft geíieven te verleenenl 

Zyn bart maaktjlaat op baar Ifeleid: 
Daar zal bem zeker niets ofitglippen ! 
Bebalven *t lief gedruk van bare frijfe lippen ^ 
Omfangt by altoos zoet bejfbeid. • 
' Zo lang zy adem baak , 
En *t goedig zieltje Jlraalt 
Door oogjesy die fteeds ware vriendfcbap zweren^ 
Kan zy de lujl van barenfcboot níet deren. 



fifiefJes Kminis vanTrutflihen aan ik^ravinne vanCamat. Uii 
ket Franfch pertoJfit. Te Middelburg by Louia JaiUefcrt Das 
vidsi.. 1761. i» groot oáíavo 16 bladzjden. 

DezeVertoIker doetden oorfpronglyken Schryver geen eer aan. 
Het -Franrche Dichtílukje is manlyk en cicrlyk; de Neder- 
duitfche vertaling in tegendeel laf en lomp, door ene langdradi- 
gc uitbreiding, en de menigvuldigheid van ílopwoorden en ge- 
izogté rymílagen. JVlen ka^ uít de yergelyking der voigende re* 
gelen bier van oordeelen. Het Franfche vers begint aldus : 

Ne penfez point, fefpeBable Camas^ 
[tt'tf votre efprityfi brillant 9 fi folidé ^ 

'ofe jamais comparer les appas 
De nos oifons á la cervelle vuide; 
Fraicbe jeunejfe (^ des traits de beautés 
Leur tiennent lieu di toutes qualitéSi ' < 

Ce font des fléurs dont la couleur briilante 
uí de durie a peine une faifon ; 
Un fouffle cbaud dans le brúlant lion 
Fane, a jamais ^ léur beauté ravijfante» 
^'ont elles plus leur couleur éclatante? 
Pour les cueillir ou pour les arrofer, . . 

^ucun pajfant ne daigne fe baiffet» 

Y3 VÍJ» 



3» 



VRYMOBDICB'ABNMERKINGEK, 



m 



VEfprit^ le Goút £f le Bm-fens préfere 
A ia beauté Vefprit qui nouí éclaire; 
On trouve -en vous ces tréfors riunis; 
Votre foifont de cent talens douée^ 
E3 douce, bumaine (ý toujours enjouée» 
Óui, votre efprit efi de tous les paySf 
De tous iês tems (^ de toutes les beures. 
Vous méritez d*avoir des vrais amis^ . 
Et par de lá des fortunes meilleures. 

4 

Dat is , volgens deze vertolking. 



Nimmer zal !>, wyn' Gravihne^ 
Daar ik deugd en wy sbei/i minne , 
Nimmer zal ik , denk bet vry^ , 
*t Hoog vernuft en Zfnefiralen^ 
Die u overal doen pralen^ 
Smaden^ of gelyken by 
Laffen opjcbik , geile grappen , 
Daar zig Jiiffers f zonder brein^ 
Zonder geejiige eigenfcbappen^ 
Meê bekoren , en den trein 
Lokken van verwyfde Jonkers , 
Vieze en balf dntmande pronkers , 
Trouvje'ns friffe jéugd én *tfcboon 
Van ivat mt^'cbe aanvalligíeden 
Staan te lomp , te kaal ten toon^ 
Zondcr zielsboedanigbeden» 

Mloemptjesy welker levensgïoed 
Náauw de Lente door kan glimmen^ 
Als de Zon den Leeuw beklimmen, 
Scbraie wind en regenvloed 
Aan durft brengen en de glanffen 
Smeult en dooft van FUra's trans- 

fen ; 
JVaar blyft dan *t verrukkendfray^ 
Waar *t gedommel uwerkkuren^ 



Waar 't gewierook uwer geurent 
Zalmen^ met een lugten Z'uoa^i ^ ^ 
tJweftruikjes meer befproeixen? 
Zal Zig iemand nog vermoejjen , 
Úm de fleeltjes y vol van vreugd, 
Af te plukken met geneugt^ 

Deugd en geeft enfmacSí en redm 
Trekken altoosjcbranderbeid, 
Vlug vermoeden en beleid 
Boven de aangenaamfte leien, 
Welke Jcbatten zyn *er niet 
In wvo bpezem opgefloten; 
Duizend gaven ^ ryk gefcbotm, 
Telt ge op woeker , in 'í verfcbiet. 
Uw gemoed is minzaamf gotiigt 
Tuk op kortswyl,vlug,zagtmoeiig; 
Overalf betga, boe *t wilt ^ 
Zyt gy werkzaam met uw oordeel 
Op regtvaardig zoet en voordeely 
Zonder wrevelig bediL 
Zoo , zoo moet gyvriendfcbapHBÍn' 

nen., ■ .< 

Die welmeenend y trouw enteért 
Uwe welvaart , ruft en eer 
Steeds bevordert , buiten *tmnnen. 



V t 



Verhandeling cver de MelkworMng , tn deszelfs toevall^, Doof 
Cornclius Pereboom ^ M. D. en Stads DoSor tt Heom. Te 
Hoorn fy T. Tjallingius. 1761. in groot oBmo 60 hladz. 

» . . . . ■ . 

Dit Werkje, *t welk zonder eenige Voorredc verfcbynt,isveT- 
deeld in drie Hoofddceien. Inhet eeríle wordt gehandeld 
Van de maaking van bet Zog; in het twcede, Hoe bet Zog te ver- 
mccrdereny tc vermindenn oftc vcfdryvcn; in het derde .Wordt ge* 

. ; fpro- 



• / 



VRTMOSDIGE irSKMEIlXlNeKll» %%$ 

i^roken van de Foorkming en Geniezmg der' Toevallen , wellen ^e$ 
jíog meejl veroorzaakt. De Verhandcling, kleinz^mde» kan vaa 
creo iegelyk inet gemak geleezea worden ,* waaxom wy faec niet 
liodig achten 'er hier meer van te zeggen. In 't aigemeen zal 
•^r, waarCchynlyk, over geoordeeld wordea, dat de ItoíFe wel 
wac meer hadt tnogen bewerki: worden, oin di£ Gefcbriít vannut 
te doen zyn , of met aangenaamheid gel^ezen^ te doen worden. Hec 
yerwekt eenige opmerking , dat dit Werkje wordt uitgegeven, 
wanneer de Hollandfche Maatfchappye , voor de tweede maal^ 
op dezelíde íloíFe, eenen prys geíteld heefc* 



Hiflaria FaSi , of Verhaal van de Bmdelingen der Wel EertVs 
Heeren fredikanten der Uederduitfche Hervomtde Gemeenie bin^ 
nen Utrecht i betreffinde den Ouderling (jysbcrtus van Royen. 
Door denzefven in */ iicht ge^even. Te y trecht hy J. C. tcn 
Boícb. 1761. hehdlve deVoorreden 21 j bladz.in groot offavo^ 

Uit deze Hiftoria FaEti , .^epaard mec de Memorie van den OU' 
derling Gysbertm van Royen, (waar van wc voor enigcn ty4 
gcwag maakteh , in verwagtinge dat we ook van de andcre zyde 
eníg Ijcht in deze zaak zouden onivangen , dat tot nog niet ge- 
fchied «(♦),) kan meh vry duídelyk afleidcn, dat de Hcer van 
Royen , terwyl hy betuigt alle vcreirchtc hoogagting te hebbcn voor 
brave Predíkanten , egtcr van oordeel i8,dat zc feilbar^ mcnfchen 
zyn, op wier uitfpraak men zich dérhalvQ niet biindlings kan 
verlatcn; dat ze, gelyk andere*menrchen,hunnc zwakhedcn hcb« 
ben, waar door ze zomt'yds tot handtaílelyke wanbedryvcn ver- 
vallen ; zo dat hunne dádcn niet fuperílitieus alcyd «goed te keu- 
ren zyn; en wel irizónderheid, datdc Heeren Predikanten in ene 
Kerkenraads Vérgadcring mct de Oúdcrlingcn in gelyken graad 
ílaan ; zo dát dc eerftgemcldcn ^een meerdcrheid , tcn dezen op- 
zigte, boven de laatílgenoemden hebben; en een Ouderling ge« 
volglyk niet verpjigt zy, ailes toc te ftemmen, 't gecn dc Jfie^- 
ren Fredikanten bêpalen| maar bevoegd, ja vcrpiigt zy, zyn cl* 
gen oordeel té gebrúikcn , cn ingcvolgc daar van dc voorílcllin- 
gen dier Ëerwaarde Hceren toc tc íleramen, of af te kcuren. Zyn 
gedrag, op dpze manier van denken ingerigt, heefc zommigeri 
heerfchzugtigfc Prcdikanten , zo fiy betuigt wel te weten , meer» 
maals ongenoegen gegeven , ziende dezel ven zyne handelwyze aan 
voor ene veragting van hiin chárafter; terwyl hy betuigt noit hui^ 
charaéter verfmaad , maar ílegts hunne verkeerde handclíngeri, 
en hun misbruik van hun chara6)jer gewraakt te hebben. Dit on- 
ilertuiTchcn is, (gelyk hy dpor ene breede ontvouwing van het 

' gc-. 
^^♦) :5ie I. D. bl. 6sfi. 

Y 4 



394 TtTHOBDIQB AENICBVLKIHQB^ 

£pt(&erde talTchen hetn , én de Wel Eerw. Heeren Predikaotpa 
r Nederduitfche Hcrvormde Gemeente binnen Ustecbt,' le^ 
den 4den February 1760 voorgevallen , tragt te bewyzen), dé 
grondflag geweeíl van verregaande onluften, die zommigen diei 
Heeren Predikanteny uit perfoncle pique begonnen en voortge- 
zet hebben , met oogmerk om hem door veragting te proílitue- 
xen, en zich daar door yoor altpos van hem te ontdoen. Men 
samhiertoCy volgens ditverbaal, aanteiding, uit het in'tlichc 
geven van een Traáaatje, getituleerd , Bedehkingen êter de Be' 
leften van ailerley Heil , den Bekommerden gedaan in de Fóerberei' 
dings Predicatien enz Men hieid den Heer van Royen voor den 
AtHeur , en verklaarde zich bezwaard te vinden pver de verre- 
gaande Injurien den Leeraren van Gods Kerk in *t gemeen ,cn dus 
pok huh, in dat werkje aangedaan: en eifchte van de Ouderlin- 
gen • hoofd voor hoofd , te verklaren , of zy immers iets onrechc- 
zinnígs gcvonden hadden in de Proefpredicatietí , en Predícatieii 
op het Avondmaal van hunne Prédikanten, De Heer van keýen 
gaf, omredeDy op dat voorílel terilond geen antwoord, maar 
verklaárde in 't vervolg, (zondér te kennen te geven, of byal of 
niet de Aufteur van dat gefchrlft was, welkers zaaklyke inhoud 
hy wel wllde verdeedigen , en waar in hy dle verregaande iujurien 
áiet vond,) dac hy, niet tegenjlaande zy in bimne manier en voyze 
van denken^ met eíkander, en met particuliere Leden der Cemeime^ 
in een of ander ftuk moeten t^erfcbillen , bun Wel Eerwaardens ahyd 
gebouden beeft, en nocb boud voor rerbt:i^innig. Dit antwoord, hoe 
ToIIedíg ooky indien de vraag geen ander oogmerk had, dan 'C 
erlangen van een getuigenis van regczinnigheid, (dac zeer onbe- 
voegd gevraagd werd , ) voldeed nogtans deh Heeren Fredikan- 
ten niec : en 'c gevolg dáar van was , na^r den inhóiid van dit 
verhaal, dat ze overgingen tot ene Inquiíitoriale hapdelwyze, 
daar geen Leeraars in ons vrye Nederlend regt toe bebben. De 
Heer van Royen heeft zich , volgens dlt berígt , om de ruíl wa^r 
't mogelyk te bevorderen , onder goede belóften dat daar mede 
de zaak ten eínde gebragt zou worden, op verzoek cn aanraden 
veeler Vrienden, laten inwikkelen in verdere onderhandelingmet 
die Eerwaarde Héren over de diífentierende poinften : doch heeft 
telkens moeten ojidervinden , dat alle zyne toegevenheid íl^tbe- 
intwoordt , en géenszins ter bevord'eringe van Vrede , gelyk hy 
met regt oordeelde te mogen verwagten , gebruikt wêrd. Eerlang 
werd hem op den 18 Nov. /760 medegedeeld ene Refolutie van 
den Eerw. Kerkenraad, waar iii dezelve bctuigt, dên Heer van 
Royen tot het gebruik van *t H. Avondmaal ongefcbikt te oordee- 
len , en gevolglyk ernílig te recommandeeren , zich daar van te 
pntbouden , tot dat by den blaam den Kerkelyken aangedAan zal beb' 
ben berroepen , en blyken van vemedering zal bebben getqond, De 
onwettigheid en daar uit volgende kragtloosheid dezer Cenfurc 
beeft de Heer van Royen hec gemeen onder 't oog zoeken tebren' 
gen, met de uitgave zyner Memorie en verdere Stukkenhiertoc 

bc- 



i 

jbetfekkelyk ; en áe Eerwaarde Heren predikanten hebben nietr . 
goedgevonden dezelve behoorlyk te wederleggen , maar zyn hier 
op voortgegaan , om 't werk zyn vollen befiag te doeh htbljen'. 
Ingevolge hier van werd den fleer van' Royen op den 3 July 176I , 
de volgende brief ter hand geíleld. ' 

Myn Heer G. van Royen^ 

De Kerkenraad van Utrecbt, op be^en na de middafr vergaderd, 
heeft beJIo0tenj Uw Ed, wegens mondelyke en fcbrifteíyke veragting 
van de ernjlige recommandatie van den Kerkenraad , tefiellen ondet 
cenfuur , welke recommandatie gefcbied is den 1 7 November 1 760 
door de E. Wyk, Fredikant, geajjíjleert met deszelfs Ouderling. ' 

Peezen 3 July Uit naam en laft des Kei[kenraad$ . 

' il6u 

J. H, BJCHIMNE, 

Synedri b. t. Scriba. 

Dit heeft den Heer vanReyen bewopgen , (ot voHe opheklering 
dcr zake en zyne volkoraene zuivering, ene Hijloria Fa&i uit te 
gevcn, en daar in het voorgevallene in *c breede voór den dagj 
te brengen. Dit íluk behelft van daarvele haatlyke gebeurtenis* 
fen , die men ovcr 't algemeen van Eerwaarde Heren Predikantea 
riiet zou verwagten: en die velen ligtlyk zóuden denken dac meh 
híct beboorde te verbreiden. Doch de Heer van Royen toont , daí 
hy zulks niet doet , dan in de hoogíle noodzaaklykheid ; dat dé 
Ëerwaarde Heren Predikanten niet min dan anderé mcnfchen zicl^ 
fchuldig maken aan verrcgaandc verkeerde handelingen ; dat mea' 
iiiet verplígt is, om de Ordc de hand boven *t hoofd tehouden, 
door 't verzwygen der wanbedryven van zommigen der Orde ; en 
dat het openleggen daar van niet ftrekt tot verfmaading der Or- 
de, maar tot beftraffing van hun» die onder de Orde zích open- 
lyk vcrkeerdlyk gedragen , dat niet ^Is ongeoorlofd veroordeeid 
Kan worden. 

By mangel van nodig lícht van de andere zyde, hebben we 
geen gcnoegzamen grond van zekerhcid,om dit berigt in alle de 
byzondcrheden voor onparrydig opte nemen; doch de oprecht- 
heid van den Heer ï;fln Royen, op waarfcbynlyke gronden, over 
't algemeen vooronderftellcnde , zo geeft ons deze Hijloria Fa&i 
ecn ultftekend ftaal van de verregáande heerfchziigt zommige^f 
Geeftiyken; en ftrefct anderen ter leeringe, om niet te antwoor- 
den op derzulker onbevoegde. vragen, veel miqder zich met hux 
In tc wikkelen in zaken, daarze gecn regt toe htbben;maarvee^ 
eer huq op ene befcheidene wyze tegen te ftaan ^ en te doen zien 

Y 5 . 4at 



326 VHyMOBpIOE lENMERKIKCfill* 

4^t men geen agt geeft op de wUlekeurige handellngen pvtn zodf • 
nige menfchen, in een Land, daar de Geeíllykheld liec regt Riec 
(ieefr, om de Leden dei Kerke onder hun aangematigd gezag te 
^oen buigen. \yat *er ook zy van deze en gene byzonderheden, 
't iso^^er't algemeen zeker, dat het een teder zecr weemdmoet 
yoorkomen, dat de Heer van Royen gecenfureerd zy geworden; 
cn dac meu ondertuíTchen noch in de Refoiutie van 17 Novem- 
ber 1760, noch in den lírief van'3 July i7(Jr, criige befchuldi- 
ging vindt ten lafle van 's iVlans zedelyk c)iara6ber, of onregts^jn* 
lïigheld (de twee gronden van cenfuer, volgens het gewone ge- 
bruik der Kerke,) maar dat alles uitkomt op het denkbeeld van 
belediging en yeragting. Dit nagaande vindt men maar al te veet 
teden om tedénken, dat de Heer van Royen metregt mogtfchry- 
ven : „ Had ik maar konnen zeggen , ik bad niet bebooren te doen 
,^ en te zeggen, wat ik gedaan en gezegd bebj ik vraag excuus: il^ 
;, zoude niet gecenfureert zyn geworden", en daar op'afdus ver* 
yolgen : „ Men zegge niet dat dic een doorflaand bewys uicle* 
,^ vert van de.barmhertigheid en goedertierenheid dier Heeren 
^, pmtrend my. Ncen, maar dit levert een overtuigcnt bewys 
j, uit' van 'welk cén gewigt dat hun Wel Eerweerdens myne mis- 
^, daden gehouden hebben. Want levert het een bewys uit van 
j9 hunne goedertierenheid , zoo levert het teffens uit cen bewys 
^, van hunne roekcloosheid, en verfmading van de ernílige be- 
i, veelen van 4en Koning dcr Kerke. Want i$ myne misdaat zq 
f, groot gewecíl, dat díe na den wil van God, mec zyne roede, 
^, mct de uitfluitíng ui( he( Koningryk yan Chrill^s moeíl ge« 
^, ftrafc worden ? welk ecne verfmadiTig en fcl^rikkelyke zomic 
,, leid daar dan niet in , . daC een menfch zal zeggen :. indien gy my 
Hegts eert voot bet volk^ en u voor íi^y nederbuigd , zoo zal ik u 
dijpenfeeren van dejlrêffe , die den God van bemel en van êard 
gezegt en ge9pild beeft , dat over u zoude geoefferá worden! zoo 
„ goedkoQp verkrygt men in de Roomfchp Ifetk zelfs geen Af' 
y, laa$ï pi is mynemisdaat zoo gering, dat die op bet boyenge« 
,y meide zeggen konde vergcvqn worden, welk een fchrikiyken 
,f onverantwoordelyk mísbruik van de wapcnen van Chriílus Ko« 
^i* niogryl^ leid 'er dan niet in , dat men dic neemc tot wraaimid* 
\f delen over éene beílreedene eerílheid en heerfchzugt. 



Berfgt raahmái tb é^geikane zaak van Do. Holtius.. 

ONs gezcgde over de onlangs uitgckomcne Sametifpraák over dt 
Memorie van Holtius (^) heefc iemand onzer Lcezeren aan- 
lciding gegeeven , om ons hec volgende Bericbt Coe ce ^enden , 

(^) Zic bovcn bl. léa* 



9f 



VRÝMOEDIGE AENMERklMGBM» ^^J 

ífiet vriemlelyk verzock , om 't zelve aan 't Gemeen mede te dee, 
ten; ten eiíide hen ic ondtírrigten ,dat, eu hoe decze zaak geheel 
afgedaan is. . .j 



Bfirfaim de Schryvefs der Vsáerlandfcbe LettefiKfeiun$en. 

Myne iTêerenl 

T Iwe aanmerkipgen op 't Gefchrift, getitulíïerd , Samenfpraa^ 
y^ over áé Memorie vanlloltius, gelezeu hebbendc, heeft mý 
niet recht voldaan. Gyl. noemt het cene afgedaane zaak. Dit í$ 
Wel , maar hoe en op welk eene wyzc is dic afgedaan ? hier vai| 
is nien in*t algemeen onkundig, eu zulks is oorzaak, dat'erover 
deze afgedaane zaak door veeien zecr verkeerd gedagt en gefpro- 
keii word. jk hebbe ©y daarora verpligt geagt, ten cinde ellc 
paar waarheid daar over zoude fcunnen oordcelen , Ul. ditvol* 
gcnde naauwkeurig Bericht te zenden, met verzoek om hetzelve 
in uw eerll ^itkomcnd Stukje tc plaatfen; in welke verwagtintt 
Jilyve &c. • . 

' „ FREDRIK JANSZ. 

^mjterdam denio OSok.iT6ï. 

Extraól uyt de Refolutien van dc Heeren 
Staaten van Holland en Weftvricsland , ixt 
Haar Edele Groot Mogende Vergadering gq- 

tonien op * 

'» • ■ 

Dingsdag den 4 Augufii \^6l. 

De Raadpenfíonaris hecft ter Vergaderíngg.erapporteert deCon* 
íideracien en het Advis van de Heercu Ridderfchap en verdefe 
Haar Edele Gr. Mog. Gecommltteerdcntot het groot Befogne,j- 
Irebbende in gevolge, en ter voldoening van Haar Ed. Gr. Mog. 
K^foIutieCommiObriaal van den líle Augudus des Jaars 1760 ('*'), 
ge-examineert cen JVliíIlve van Curateuren van 's Lands Univerfí* 
teit te Leiden , en Burgermeefteren der felve ílad , gefchreven al- 
hier in den Ha.^e den 31 July daar bevoorens , houdende eenkort 
herhaal van de klagten, by welgemeke Curateuren en Burgerr 
meeíteren in den Jaare 1753. gedaan over zeekeren tócn ter tyd 
uytgekomen zeer geanimeerde Gefchriften tcgens een Advis van 
de Theoiogifche Faculteit van Haar Ed. Gr. lyiog. Univeríitcit , 
ovcr een gefchíl in de Kerk van Zwol ontflaan , en voorts een 

Ïiadcr zecr nadrukkelyk beklag , zoo over zeeker ai zedert eenígé 
aaren van tyd tot tyd by onderfchcide boekdeeien gcfchreeven , 
• en zonder de gerequircerde Keikelyke Approbatie met den druk- 

. gtí-: 

(♦) Zie Nederl. Jaarb. voor de Maand Aug. 1760. pag. 623 



gemecD geqiaakt naamloos Theologifch Tra£taac, geintituleeiï; 
£xamen van bet Ontwerp van Tolerantiet om de Lteri, in de Dwf- 
recbtfcbe Synodé vaji gejtelt , met de veroordeelde Leer der Remm^ 
ftranten te vereenigen; W^zr in niet alleen dat Chímeríque Ontwerp 
yan Tolefantie, het geen nooít dan in de herOenen van gen^eide 
Schryvers zoude hebben ge-exíleert, word onderzogt en gerefu- 
teert , maar ook op een haattrlyke én onchriílelyke wyze , fchoon 
bedektelyk,aan veele Hoogleeraars en anderen fentimenten wor- 
den aangevreeven , die in tfun nooít zouden zyn opgekomen , 
maar in tegendeei met horreur verfoeyt worden , als wel ín het 
jbyzonder over de verregaande Iicentie,waar mede het den £me- 
TÍtusPredíkant Hoitius heeft kunnen geluílen, in de VoorreedcQ 
van het tíende ítúkje van het voorfz. Ontwerp van Tolerantie,de 
lidemorie van wyien de FrofeíTor yan den Honert, tot bezwal- 
Iting van de eer en luiller van de Úniveríiteit op een feaOble en 
te gelykzeer kwaadáarcige wyze, aan te taden en te laíleren met 
een bygevoegd verzoek , dat Haar Kd. Gr. Mog. daar jeegens zoo- 
idanige Orders zouden gelieven te ílellen , als de zelve tot voor- 
kooming'van het drukkcn en uytgeeven van Theologifbhe Trac- 
paten zonder Kerkelyke Approbatle, en ter beteugeling van dc 
indicente en ongepermiteerde laílertaal van den meérgemelden£- 
ineritus • Predikant Holtius, het zy door hem in 't geheel of tea 
deele van zyn Beneíicien te priveeren , of wei anderzints , noodig 
^n oirbaar zullen oordeelen. 

AIs mede nog , in gevolge en ter voldoeninge van Haar Ed. Gr. 
ïiilog. Refoiutie CominiíToriaal van den 3oO£tob. i76o(*), eenMc- 
ínorie van den gemelden Ëmeritus Predíkant Holtius , behelzende 
ie reedenen , die hy in gevoige de gratieufq Permillie, door Haar 
^d. Gr. Mogende by derfelver Refolutie van den i6 Septemb. daar 
^evoorens aan hem verleent, tot zyne pretenfe Juftificatie op cfe 
iroorfz. Pointen van beklagheeft geoordeelt te kunnen en temoe- 
ten allegeeren : 

Waar.op geddibereert, en in agting genoinen zynde dat deE- 
meritus Predikant Holtius de eerfte Aanvoerder én Autheur van 
de ontftane gefchill^n en* oneenigheden is geweeft , als hy by een 
gedrukte brief, in den Jaare 175-2, te Leyden uitge^eeven , op bet 
bovehgemelde Advis van de Theologifche Faculteit op ecn zeer 
onbefchcyde wyze is aangevallen, en opentlyk verklaart heeft: 
3, dafby aan dat Advis was ge-ergert, en dat by zig beklaagde zoo 
99 ^^^ÍS^^^^fi ^^ bebben dat by de gejiadiging der zuivere bervotmde 
„ Leere door dat zoo boog aanzienlyk en vermaard Collegie overíeef- 
„ dCj en die Jberoemde enwaardigfle Mannen, die voorbeen als Fy* 
fi laaren ftonden voor de onveranderlyke waarbetd zagwyken voor den 
it ^eranderlyken Tyd: Dat de Emeritus Predikánt Holtiiis en dc 
zynen die attaque met geen minder heevigheyd ais onbcfcheyden- 

heyd, 

(^) Zie gemelde Jaarb. voor de Maand 06l:ob. 1 760. p. 908-^9344 



:^RYMOËDIG£ AENMERKÍN6EKÍ ^^t^ 

teyd , zoo teti aanzien van de Leeden van de Theoíogifcííe Fa- 
Culteit in *t generaal , als van den ProfeíTor van den Honert in 't 
byzonder hebben voor gezet, en zig door hun onbezonnen drífe 
cn iever zclfs zoo verre hcbben laaten vervoeren , dat zy de Me- 
ttiorie van den gemeiden ProfeíTor van den Honert (welk nooit 
met eenige grond van onziliverheíd in de Lecre is vcrdagt gehou- 
dcn, maar in tcegendeel zíg door zyne Godvrugt en geleerdheyd 
zeer veel roem en agting by de geheele Waereld heeftverworvcn) 
jiiet hcbbeft gefpaart, maar met indecente en oqgepei'mitteerde 
laílertaal géfchondcn; en dat dit alles gefchied by boek deelen , 
welke tcgens de uytgedrukte Órders van den Staat zonder voor- 
gaande Kerkelyke Approbatie, van tyd tot tyd in *t ilcbt wordeil 
gegeeven: Is goedgevonden etí verftaan , den Raadpeníionaris te 
verfoeken , om de gemelden Emeritus Predíkant Holtius vbor zig 
tc ontbieden , eri den felven voor te houden , dat Haar Ed. Gr. 
Mog. confidereerende , dat zoortgelyke twiíten tot groote onlus* 
ten , twecQ)a]c en A:heuring in de Kerk aanleíding kunnen geven 
devoorfz. behandeling met veel indignatie hebbcn gczien; dat dc* 
felve gcenzints is tc compaíTecren mct de Principes van Lievdc, 
Vreede, Ëendragt en Zagtmoedigheid, die in Gods Woord met 
zoo veel nadruk worden aanbevoíen , en vooral by de Leeraart 
dienden te worden in 't oog gehouden en naagekomen , cn dat 
in hct byzonder een man, aan welken Haar Ed. Gr. Mog., om 
2yne kliramende jaaren , en de daar aan verknogte infirmiteiten^ 
bp zyn verzoek, eeii honorabele en profitabele ruft hebben vcr- 
leent, de meerder ruimtc van tyd, dien hy door de voorfz. gra- 
tieufe Conceflïe van Híiar Ed. Gr. Mog. heeft verkreegen , tot 
het voeden en voortzctten van twiílen én onecnigheden niet be* 
hoorde tc misbruiken; dat de Excufen hier jegens, dbordenge- 
melden Emeritus Predikant Holtius, in zyne bovengemelde Me- 
morie bygebragt, mcer voor fyn-uitgedagte Subterfugicn, als 
voor rc-eele ontfchuldigingen zyn te houden ; want dat hec voor- 
geeven van blootelyk gerecrimineert te hebben hicr níet te pas 
komt, daar in FaUo conrteert,, dat de gcmelde Emeritus - Predi- 
kant Holtius zelfs de AggreíTeur is geweeíl , en in zyn voornce- 
men ^ na den dood van den gemelden ProfeíFor van den Honerú 
heeft blyven volharden; dat nict veel meer reflexie verdiend de 
ontkentenis van Autheur of Schryver te zyn van de voorreedenV 
welke voor het bovengemelde tiende Stukje is geplaatft , om dat 
de gemelde Emeritus Predikant Holtius , in zyn fchry ven aan den 
Drukker Byl , erkent de Afzender vah de gemelde voorreedca 
gewceft te zyn ; en dus, zoo al niet als Aucheur, ten minftca 
flls Diítributeur en Spargeur van defelvc te confidereeren was; 
cn, datcindelyk het voorgeven, als of 't vraagen van een ker- 
kclyke Approbatie op gefchriften , aan welke verfcheide handen 
werken , in ongcbruik zoude zyn geraakt, en dc daar bygevoeg- 
áe re&ëxie, dat in alien gevaileby het Placaat van den 21 No* 

vemb. 



S.^9 VKYMOCDIGE AENMERKI NG EKi. 

vemb. 1715 ge^n booger (IraíFe zoude zyi> geíleldc,.. dan d^td/ 
Uoeken, van de Religie haudelende, en níec van zoodaníge&pi 
probacíe van Profeíroren of ClaíIIs voorzien zynde, zullen gehoa. 
den worden als niec voorcgekomen uic den fchooc van de Gerc 
formeerde Kerke in deeze Provincie , aan Haar Ed. Gr. Mog« 
van een,zeer ver uyczigc zyn voorgekoraen , dac hec niet zyn de 
ílrenge ílrafFen , die de Schryvers van Theoíogifche Wcrkcn ia 
order beboorden ce houden , mtar hec refpedl en de gehoorzaam- 
heydc,die dezeive aan hunneweccige HoogeÓvengheydzyover* 
fchuldlgc, en dac geen voorbeelden van overcreedinge vao óc 
Wet een ander regc kunnen geeven , om daar uyc eea verbree* 
l^ing.van de Wet ce infereeren, en zíg van de Obfervantie vai^ 
4e Órderi ,daar in vervat eígenwiliig ce oncílaan, vooral nietin 
een geval als dic Cegenswoordige , daar men zond^r eenig bewys 
de geheelc Theoiogifche Faculceic van onzuíverheid in de Leere 
tragc ce infímuleeren , of cen minllen als Pacroonen en Fauteurs 
yan de zoodanigen , die daai mede zyn befmet , te doen voor- 
komen. 

Dac of wel.alle de voorfz. CÍoníideracien, by deii anderen gc* 
nomen , genoegzaame ftofFe zouden kunnen ui,tleeversn , om op 
zulke miJidelen bedagc ce zyn , als by h^t ílot van de bovengemel- 
de Miflivc van Curaceuren en Burgermeefteren zyn voorgeflagcn. 
Haar Ed. Gr. Mog. egter reflefteercnde op den ^roocen iever^ 
waar mede diergelyke Twiften doorgaans binc inde w,prden bc- 
handelc, en ook in hec voorhanden zynde, gevjLl behandelczyn, 
cn uyc dien hoofde meer geinciintert zynde, oin hec gepaírc*erde 
meer aan een al Ce ver gaande drifc, als wet aan ander^ kwaader 
oogmerken coe te fchryveq , geprefereerc hebben , van áÍQ voor*. 
geflage middelen, voor als nog, geen gcbruyk te maaken, inaar 
den gemelden Emericus Predikanc door monde van den Raadpen^ 
íionaris Ce doen aanzeggen, dac hy, zonáer fpeciale permi£ie en 
expres confera van Haar Ed. Gr. Mog. zig zal hebben te onthou- 
den, van eenige Werken , of gefchriften over Theologifch? Stof- 
fen, uyc ce geven, of te doen uytgeveu, direételyk. of indirefte-. 
lyk, op pcBne, van by faute van dien , de hoogfte indignatíe van 
Haar Ed. Gr. Mog. ce zullen incurreeren. 

En is laaftelyk nog goedgevondcn en verftaan: dat, orovoor 
tekomen, dac eeníge Werken of gefchríften, handelende ovet- 
Theologifchc Stoffen , worden gedrukc of uycgegecven , zondet 
dac de naam van den Authcur daar voor geftelt zy, en, indien 
de Autheur is, of pfofeflíe doet vaa de waare Gercformeerde'Re- 
ligie, zonder daar op alvoorens de Kérkelyke Approbacie ver-. 
kreegen tc hebben , by renovatie en ampiiatie van het Placaat 
van den 21 Novemb. 1715 zal worden gearrefteerc, zoo alsgear- 
xeíteerc word by deezen, bec Placaac hicr agcer geinfercerc: 

.1 ' ■ ■ , . » , 
. Hier aan volgt 2^«( Placaac^ bet welk wy niet noodig geagt beh* 

ben 



"^ *■ 



tRYMOBDiaS AENMERKINOEN^ ^i 

Un bkr hy te voegeny áls zynde in alle ofv&e nieu^spapieren gemeldi, 
<s dus ovcrbekend» jíUeenJiaat nog aan te tek^nen^ dat tenJlQt bier 
hygevoegd wordt 

£n zal Extradl: deezes word^n gegceven aan de PÍeeren Cura- 
tcuren over Haar ]Lá, Gr. Mog. Univerfiteit , en lJurgermeefte«í 
ren der Stadc Leyden, tot derzelver narigt ;: al.s mede aan dea 
Kaadpeníionaus, om door dezelve aan den Emcritus Predikanc 
Holtlus tet hand te worden.gaíleldt. 

Dit álles naar de gefcbreevene C$py van 

k J A N SZ. 



^áíanboudenJ Eetigt van Pn^eten , raakende de zaak vOn deé 

Heér O. Z. rán Harcn. 

Behalven de Zakelyke Verbandeling derContra-DeduSien, uitge- 
geven in V Hage by P. v. Os^ H Scbeurleur en anderen, wel- 
ke ílrekt ora den Leezer in *t kort een geleitlelyk denkbceld van 
den inhoud ácr Contra- DeduSlien te geeven, en dus van eene we- 
zenlyke n\irtigheid cen deezen opzigte is , heeft men ook voor *t 
licht gebraígt, een Brief van Jnn Mherts aan Sieur R. fVtllemsz. 
over zyne Znvarigbeden ^ (in *t voorgaande reeds eemeld,) ge* 
drukt te Leeuwaarden by j4. Ferwerda ; een .gefchrift , dat meer 
raíllerie dan eene bondige en bcfcheidene redenjering behtlfl:. 
By deezen is nog gekomen Hard tegen Hard , of Ouders tegen bun^ 
ne Kinderen^ en Kinderen tegen bunne Ouders opgejiaan enz. ' Dfe» 
nende om Partbyen baajldyk 'te verzoenen , en tot Reden en Vreede te 
írengen, door Gtrrit Lucaszoon; te Amfleldam by J. van Clare- 
ítein. De Schryvervan dit Stukje houdt zich voornaamlyk bee- 
zig met , ter bcguníligingc van den Heer van Haren^ eenige za- 
ken uit deszelfs Deduftie aan te haalen, en hegt daar aan eenige 
redeneeringen ter aanmaaningc van Vreede , die zo algemeen zyn, 
dat dit gefchrift niet zeer beantwoorde aan 't voor^cwende oog- 
wic. Vobrts ili ans in handen gekomen , Onpartydig onderzeek 
over de thaiU rpuleerende verfcbillen , gedrukt te Lceuwaarden by 
A. Ferwerda ; waar ín de ongenoemde Schryver inzonderhei^l het 
oog veftigt op de Bekentenïjje van Juffrouw Manane Eiíiabetb 
tan Haren^ als niet wel inj^crigt , cn 't zagtmotdií^e gcdrag'vaa 
Mevrouw van Haren, waar omtrend hy aanmerKingen heeft , die 
niet gehëel te verwerpen zyn; doch iii welkcn de partydigheid 
iroor den Heer van Haren te veel Joorftraalt. Dit heefc nog 
fteei plaats ia een volgend geícbrift , geiituleerd » Mnmerkingen 



ý^ VRITMOBDIGË A£NIIBRltINGEN. 

0p de Folúimineufe Refutatie van de Heeren van Sandick en Hogeti' 
áorp enz. door Alexanáer Janszoon , te Amjlerdam by Gerrit Bom. 
De' Schryver deezer Aanmerkingen heeft zyn gefêhrifc grootiyks 
vervuld met eene korte fchets van de Reftitatie , dezeíve zeer 
pártydig befchouwd en behandeld; van waar een groot deel zy- 
ner Aanmerkingen min of meer gedrongen zyn ; egter zyn 'et 
eenlgen onder,die by oplettenden waarlyk in 't oog moeteo loo. 
pcn. Op deeze Schriften zyn gevolgd , Onpartydige eri OordeeU 
kundige Aarmerkingen zoo wel over de Deduáie én Perdedigitigtn, 
dls over alle de Gejcbriften ter gelegenbeid van dit geval ; waar in 
de Schryver bedoeit een denkbeeíd ván den Inhoud dier Schrif- 
ten te geeven; hybrctrgt derzelver getai tot 66; meldt doorgaans 
itíet een kort woord derzelver inhoiid. en zyn oordeei deswe- 
gens. Deeze Lyíl is over 't algemeen redelyk wel opgefteU, en 
Hezelve kan , gelyk de Schryver zegt, verílrekken tot een RegiS' 
ter voor hun, die eene cómpleete coileélíe deezer Schríften hebf- 
ëen; en voor hun , die dczelve ntet hebben , kan ae van dieníl 
zyn, oití hun een denkbeeld dier Schriften te doen verkrygen* 

E I N ï> E. 



B E R I G H t 

van F. DE Kruyff cn A. van der Kros. 

VOor eenigen tyd bericht gcgeven hebbende , dat 
wy eigenaars geworden waren van de toen nog 
óverig zynde Exemplaaren der Nederi.. Critxcus, z 
deelen gr. 8. en het getal reeds tot op 30 Exempl 
vermindert zynde , bieden wy dezelve den LiefAeó- 
beren nog dit lopende Jaar aan voor de geíinge pryí 
van/ 2: 10: - met verzekering dat, zo 'er na die 
tyd nog eenigemogten overblyven, dexelve a\s dan 
niet minder dan tot / 6: 9: • zullen te bekomenzyn. 
'Een Bericht van den inhotKf der Vertoogen is ffratU 
alomme te bekomen. 



I 

Het Eilaqd dcr Batavieren, íy Caefar, <» eíar Aj^ Pli. 
m\xs gemeld f hoe^te cnderfcheiden^ naar^t gevoelen vah 
den tíeer Jan Benc, in zyne tweede en vierde Rtden'^ 
voering {*) , over de aldervroegjie Vaderlandze Oud- 
heden. ' 

VTA de óhtvouwihg vari deh áloudeh lóóp (íei 
l^ Rhyhs , waar van we ih ons voorgaande Berigt 
(f) verflag gedáah hebben , gaác dé Heer Bent^ iii 
zyne cweede Reden voerihg , over cer naípeuringe vafli 
\ Oude Batavia van Cajar^ áli mede vervolgeris^ ih zy* 
ne vierde Redenvoering,. cóc de befchoiiwihg vah 't 
Nieuwe Batavia van Plinius; welkë c^eé, als byzonde- 
ire Eilanden., dpor verfchilleride Voll^en bewóorid, zy- 
nesoordeels, nauwkeurig ce onderícheideh zyn; in-» 
diervoege dat men , coc becer pnderfcheiding , hec 
eerfte behoorde ce nóemen het Eiland der Bátatieréh^ 
cn *c laatfte hec Éiland der Kattéh. Wy zullen ^ Pp dé 
zelfde manier , als in *c voPfige Berigc, het gévoelen 
van on^en áchryver den Leezeí voordfáageh ý eii 'i 
hier en daar mec eenige aanmerkingen vergezeld doeii 
gaan,* cerwyl we den weecgierigen Leezer, (om alle 
breede uicweidingen voor ce komen , waar coe deëze 
Redenvoeringen , jn een volílrekc nauwkeurig onder- 
zoek, ohs nieerriiááls zouden hoodzaaken,) raaden, 
om over dic onderwerp na ce gaán , hec geen de Hee- 
fen Cellarius^vanLoonen anderen deswegens gefchr^e- 
veh hebben(4)} hec geen hem genoegzaam in ílaat 

2kí 

(*) De defde K.edenvoerírig , íuíTcheh deezcli íriktíiiíende , gaat 
over deri Parfoon van Úaudius Gvilis^ welke wy, by nader gele- 
genheid , te gclyk met de vyfde over hec éerjie Staatsbeftier van 
Holland^ Kennemerland en Jveftvriefland zullen befchouwen, en 
daar mcde onze overwecging van dit Werk beílúiten : terwyl we 
op 't byzóndcrc van de zesde Redenvoering , gaande over eenlgé 
zwaarigbedeneri opwerpzeleny in ons Berigt teiketíá 'op 2yiie plaati 
agt geeven, zó vér 't noodig ís« 
(t) Zie boven , bl. 253. ^ ^ x ^ 

(í ) Men zití O. v. Loons Aioude Holl. Hijt. fi. I , IL cri IIL 
Chr. Cellarii Geogr. Ant. L. 11« C. III. Inprlmis p. 25^-^266. 343I 



934 *2T EILAVD OER BikTAVlERBN. 

ta\ (tellen , otn de bondighe!d of kragtloo^heid der be^ 
wyzen van den Heer Bent te konnen ontdekken. 

Wat het eerfte, het Eihná der Batavieren , by €afar 
êemeld » betreft , deswegens vindt men , als in *c voor- 
bygaan , in zyne Schrif ten , dit berigt : De Maas vheit 
V09rt uit 'den berg Vogefus , *t welk is in de landpaalen van 
Langres (Cbampagne) , en zeeker gedefhe des Rbyns mth 
vangende^ 't V)elk fFaaÍe genoemt vierdy voltrekt zy het 
ËiUnd átt Batavieren , ái niet langer dan tagtigduizeni 
fcbreeden van daar^ gaat zy in den Khyn over^). Hier 
liit leidt de Heer Bent af , dat de Maas dit Êiland niet 
begint of vormt, maar (efficit) volirekt, en eindigt 
ter plaatfe, daar zy de B^aaí ontvangt, tuiTchen het 
tegenwoordige Loevejlein en JVoudrichem ; zo dat dit 
Eilatid ten Weílen niet tot de zee getrokken konne 
Worden, en ^t geen Rbyn- maar een Maas - eiland zy : 
zynde dus het land tuífcnen de (Iroomen MaastnfFaat 
'elegen , met en nevens de Bommelerwaard^ het dland 
ler eigenlyke Batavieren, by Cafar gemeld (f). — 

't Ii 

i-358. Vddetí. Hijl. B. I. L, Offerhaus over Nederlands eerfit Bf 
^tkers. iTi de Verb, der HbU. Maatfcb. VL D. i.St. bl. i8(S«-a34. 

i*)DeBeUú GnlL L. IV. C. 10. 

(f) Wy hebben reeds aangemerktd), dat anderen by Ge/ór Iee« 
htHt gaat inde^ Oceaan over , voor, gelyk onze Au6beur heefc, 

f' aat in dtn Rbyn over. 'Daar en boven zo vertaalt onze Audeor 
ier ifficit door VBÍtrékty en dríngt in zyne redeneering die bete^ 
fcenifi zeer ílerk asui : doch 't ís den taalkundigen bekend^dat ^ 

Ïitin zoftaníg eene t'zamenílelling, als *c hier voorkomtygemeea- 
yk niet anders betekent, dan veroorzaakt, brengt te voege. Dic 
in aanmerking neemende , zlet men , onzes agtens, dat C^er oiet 
ianders zegt, dan dat de Maas^ /net het ontvangene Waolwater 
zeewaards loopende, het Eiland der TJatavieren maakt; alswor- 
d^nde hier door die Landftreek, TVelke aán den linkeroever des 
JlÍynSy (te weeten des Katwykfcben Rbyns) lag, aan de eenezyde 
door den RJsyn, en aan de andere zyde door de FVaal endcmaas 
bvergaande» en dus door de Maas, tot aan Zee omvangen: zO 
ïat het Marfyk een éiUmd Waare, gtlykCafar en Tacitus hetzdve 
iiitdrukkelyk noemen. Het náni ^us , overeenkomíïíg met dt 
befchryviBg van Tacitus en C^r, zjhm aanvang by de verdee- 
Bng 

y) ZieT)oven5 bl. 2SS. 



ftZt tthklXÚ ttËM, MátlV2£1lBH« 93| 

^t U Waar, zegt owze JuSm ^ 't is eigenlyk geéíieú 
land I egcer draagc hec by Ca/ar en ook by Taciita 
dien naam ; doch de laatde noeim hec ook een ak* 
kefy en ípreekc , ín *c Voorbygaan , van dit land op dee» 
ze wyze. I)e Ryn , een eenige kil beboudende , of eenige 
khine eilanijei omvangende^ werá verdeeb aan 't begin vM 
den Batavifcben akker^ ah in tme riviêren; bet deely ^t 
welk Duitsland voorby Jhoomt , beboiii zynen, naam en fellf 
drift f tot daar bet zieb met ien Oceaan vereenigt ; tot den 
Vranzen oever breeder en zacbter voortvioeijénde j wordby^ 
ioor dk bemondersy met eenen veranderden paam , fFím 
genoemt : kort daar na verlieJÍ by ook deezen naam in de rh^ 
t)iere de Maas , door mlkers uoyden nmd by , in dien zeU 
vefí Oceaan , uitloopt {*). Volgens deeze woorden heefc 
men , . 2egc de Heer jSei}# , teíteUen dac bec begin en 
Oofteinde van den Batavifeben akker^ (waar van defar 
ons hecWeftpunt heefc afgecekend , ) is ter piaatíb, 
daar de Rbyn verdeeld wordc: en verder komc hier in 
aanmerking niet hec eerfte, maar het laatíle gedeeite 
van den Rbyn^ dac fFaal genoemd, en door de Maas 
ontvahgen wordende , hec eihind der Satavieren vol<^ 
trekt: zo dac dic eiland of deeze akker te 2oeken %y^ 
niet aan den rechc^ oever det Rbyns^ maar op dM 
linkerboord der fFaalej van haare afzondering van 
déniiilyf cochaare vernietiging in deMaaSé Menmag 
derhalve^ vervolgt onze Aofleor , beílaiten dat df geí» 
daante van Cajars eiland der Batavieren was^een bsai^ 
gend eiland (peninfula), tuílchen de Maas en fVaal go^ 
legen > zonder dac eenig land ten Zuiden de eer^, 
en €ra J^oorden de tweede Rivier daar toe betrojckbs 
mftg worden. Derhalve is de langte van dit £i)and 

van 

ling des Rifntf tuúïrbeii het CrgeDwoordif^e Griitbuizen en Geef., 
en ftrekte dch van daar uit tot aan den Oce^n, t!^r lengce van 
80000 (cbreeden, of omtrent 27 uuren. gaaos: zynde deszelfa 
^ro^Mifte breedte^ van dm jnoad der Mmi^ xn ÍVaale vot aao 
den Ehymmd^ 22000 fchreeden, of ruim tvwx uorcn caaaa. 
O Jnn. L. IL C 6, 



830 ' fiEt EILAtai fi£K BATATXEEElt ' 

van de plaats, daar :úcb de Rbyn verdeeh, tuílchen heS 
tegenwoordige Grietbuizcn en Cleef^ toc aan deq mr* 
^ang derfFiaalin de Maas^ tuircben het tegenwoordige 
Loevejlein en Gorincbem , ter langte van elf Duicfche 
nylen , hebbende op veele plaatfen nauwlyks één ia 
de breedte : in welk eiland het Oppidum Bëtapormj 
of het íleedje Batenburg^ of zo anderen willen Nimme' 
gen , nog heden den Volksnaam der Bewoonderen be- 
waart (• J. — — Onze Schry ver merkt verder aan dat 
dit Eiland , fqhoon dus geen gemeeníchap behbende 
snet de Zee, egter eene bekwaame verzaamplaats voor 
de vloot was , gelyk 'er Tacitus van fpreekt (f), als 
zyndendoorjden t'zamenloop der rivieren zeer ge&hikt, 
om van daar na alle kanten heen te ítevenen. -^-^ 
Agt iemand dit Eiland te klein , om zo veel ílrydb're 
manfchap uit te leveren , als men vindt dat de liata- 
vieren onder de Romeinen gedaan hebben , zo wil de 
Heer Bentj dat men eens nagaa, hoe niet de talryk- 
heid , maar de verwonderingswaardige , ja roekeloo- 
ze dapperheid der Batavieren aanmerking verdiene; 
en hy houdt zich verzekerd , dat men zelden meer dan 
800 en nooit meer dan 1600 gewapende Batavieren te 
gelyk in 't histórieveld zal konnen brengen, 

De Heer Bent , aangetekend hebbende , dat dit £i- 
jand door Cafar alzo befchreeven werd omitend hec 
jaar ss voor Cbrijlus^ en dat Tacttus ons ter aangehaal- 
<ler plaatfe wyíl op het tweede jaar van Keizer Ttbe- 
fius^ of 16 jaaren naa Cbrijïusi gaat daar op overom 
te onderzoeken , oí dit Ëiland diestyds tot Germmic 
of tot GalUe behoorde. Doch k dit netelige gefchil , 

dat 

(^) Dic Oppidum Batavorumt waarfchynl]^ Satenburg » lag níec 
op het Eiland der Baiavieren; want Civilis deeze Stad niet duT' 
^ende verdeedígerii ftak dezetve iil den iiraod , en wek ep ^t Ei- 
land , gelyk Tacitus zegt , Am. ,L. V. C. XIX. : zo dat díe land» 
ilreek tuíTcheliMMr enWaal niet waare bet Eiland^ maar een-ge- 
deeltedervaftekuft, welke de Batavieren diestyds leeds buitei 
bet Eilínd bezacen/ 

(t) JnnaU L. II, C. (?. .^ ..... ^ . 



- .\ 



HET mífkUD BBft BAUVIËRBK. '%Sf 

dat moeílyk te bepaalen fchynt , heéf t onze Aofiteair 
geen weezenlyke nieuve bewyzen^ ; alie de plaatfen 
'door hem bygebragt ílrekken 9 naar on^ inzien , mee« 
rendeeïs eer om ïe toonen dat de Batavieren Germaa* 
nen genaamd werden , (waarlchynlyk van wegen hun* 
ne afkpmíl,) als wel om bepaald te bewyzen, datbet 
land hunner'inwoeninge onder Germnie behoorde. — ^ 
Op die bewyzen egter gaat de Heer Bent voort ^ en bet 
íluit tíit de benaaming van J^aderland d^r Batavieren^ 
by Tacitus(^)9 dat het een Land hunner Vaderen is| 
en zegt, dat men, fpreekende van deszelfs bevolking 
omtrend honderd en vyftig jaaren voor Chríjius^ of 
eerder , van *t eerfte bewoonen door de Cimbren , of 't 
jaater be\(ilken dooF d^ Batavieren^ als afkomelingen 
der Kattén , lauwe en beuzelagcige gevoelens voor* 
íleh;, diemenf by nader onderzoek ín róok ziet ver^ 
dwynën.- Hetr is by hem als eene zekere zaak/dac 
dit £ikiríd''taa l>átieugelyke tyden ^oor de Batayie^ 
ren is bêwóond geweeít, en.dat alles wat men zegc 
van de komft ddt Batavieren uit het Jand, nu be? 
kérïd otidêt den naam van HeJJenland^ betrekkelyk is 
tot een geheel ander>Volk, ea tot een laater tyd 
behoort ; dóeh híër van in 't veFvolg nader (f). 

Na dit onderzoek, raakende de bevolkíng, q^reeki; 
pdze Aué^eur vai^ den tyd , wanneer de Batavieren 
een verbónd met de Romeinen aange^aan hebben } 
dat ganích onzeker is : ^egteir kan men , gelyk hy toont^ 
redeíyk gegrond vaMéHen , dat sy^ omtrend hec jaar 
54 voor Ghfiflus , r eeds in de vríendfchap der Romeí^ 
nen waaren ingedrongen (|) ; en 't is volkomell be« 
wy^baar^ zegt hy, 4at ze, ten.tyde yan Eeizer^tf- 



I ' 



(♦) Hiji, h. y/c. 24, • 

(t) De ontkenncndc rédéneeringen, gCyWgtrekkíngen uit het 
ílilzwygen van Ccéfár^ en de giílingén van 'onzen Aufteur in dft 
^uiftere verfchíl, gelyk gemeenlyk de oprfprong derVolkereu 
is, doen hler níecs ter'zaake : het komt hieranzonderheid aan bp 
't verhaal van TacituSf waar Van in *t vervoig. k ' '^ 

Q) Tac. Hift. L. IV. C. 12. In vfta j/ericí 0. 30» 

?3 



3S8 BBT VLUm 9B» H(tKmU3L 

gaj/Shtf, in de vneddfchftp di^ RK^adnen oútvngeu 
tjtí (*) ; en men heeft niec te twyfden , of ze wu- 
ren op *t jaar js ^^ Cbrijlus bondgeaooten en vrien- 

den der Romeinen (f). • Hier aan hegt de Heer 

Bint eene korte befcbry ving van den heldenmoed der 
Batavieren í en bresgt in overweeging , of ze zich 
ook, buiten dtt buQ Eiland, weílwaards naaf den zee- 
kaHt uitgebreid hebbenj dat hem niet aanneemelyk 
yoorkomt ; zynde allei , wat men v%n 't bewoonen 
der Btítme door.de Batávieren zegt, by hem niet an* 
der$ dan ípinroksipreukjes : dit land of eiland » zegt 
hy , behoorde noch tot de be^zitcing der BMavUren, 
noch tot die der^l^if ^ maar werd wadrfchynlyicvoor 
een goed gedeelte door d^ Belgen bewoond « die zich 
tot den beneden-i^iftyii uitílrekten , volgens Vafar (|) , 
die de Belgén nimmer opu^t jde Bataviei en vermeogt (^}« 
. Dé Heer Bem veíligt eindelyjlí zyne aandagt opeene 
plaats Qit Tacitusj die zyn tot dus ver ontvouwde ge- 
voelen niet gunílig fchynt. Taci$usu3sm\yk zegt (§§): 
De Batavieren j eengedeelte der Cattcn, zê langb zyzicb 
0angm zyde ies Ryns bielden^ verdreef)en zynde dwr inr 
beernfcben 'oproerf bebben *t uiterjle van den GalUJcben kant^ 
dat leedicb was van batmbiiden^ en teffensbet eilands, kg* 
gendetujjcben de wattenp ingenomeni 't welk vm vooren 
VM de Zee-Oceaan » van acbteren en ter zyde ^n de Strom 
des Ryns mjfoeld wordt. Ende zonder door de Romjcbp 
tnagbt en btmtgemodtjcbap geweldiger gejletfn te zyn^ &e- 
nenzy denRyke állfien mannen en wafienen aan^ langge- 
mffent in de Germanijsbe oárlogeni bebbende fbans b^nne 
r . . gíoory 

(♦) Tac. Ann. L. IL C. 26, (í) Tac. Ann. L, n. C 6* 

(I) Be BellQ GalL L. L C. r. 

l§) Ouze Aufteur zou wel zo goed hebben konnen fchryven, 
ik de Belgen n9oh van de Batavieren oriderfijbeidt : want de naam 
vz.T\Belgen is by C^far eene Volksbenaaming; aanduidende de in< 
woonders van t Belgijche Gaïlie \ die tuílbhen de Seine en des 
Myn woonen , eelyk Cajof ben (er boven aiiagebaaldef plaatft 
tutdrukkelýk beichryft. . 

(55) m^ if^ IV. c. i^. 



ttnr UUHD BHk >AniflIRB»c 



m 



glmf dm Brimnig vernw^dm , ^ ni» V iemmits^ 0^0990 f 
$en vott A ffgmêiHáíi , ik\ 1»^m <k wwde itf/yiU9s.h 
by de eedelfifn hunner kndtshiien ieregeerp vfcrSmé Z^ 
badden aok fhmjútgeleeze ruherj » mlker vmneem/ie ^c^ 
feningb vm zswnmtn^ en^ met vajíéoiêden van m^pemn 
en paardem 6y gtbeek troepen^ ien Ryn dm te i^eekm!^ 
Onze Schry ver tragt op zyne voorhef Q ge)eide ^rpn^ 
defl konlyk tá doen zien, á»t Át gevolgen, d^e meA 
gemeefilyk .&iei aic wi) aflejden^ XHec Konnen ' joor^T 
gaan; en toúat vervolgens breedër, dác TaHtus ym 
een andereilánil gewaagt, dan 't geien C^^r be^Qeíc^ 
Tatítus vermengc hier, naar zyne gedagcen, de £á- 
tavieren mec de Katten ; fpreekc ejgenlyk van hec Rhyn^ 
eihndf by,P/í«mxgemeld, en niec van *c Maas'eihnd^ 
daar C^far van gewaagc , doch íaaj: op de befdiry* 
ving daar van eenige zaaken voIgeD, die ook betrek* 
Mng hebbëá ï6% de oude bewooúdelrs van 't Maas^ 
filand. ./.;.. 

Pit ijeDkbaekl van onj^en y\u£);eur zal zich klaárder 
V'oor on$ verteooeny als wy zyne vierde Redenvoew 
ring nagaan , waar Jn hy 't Éilánd dtt Batavieren vaa 
JPliniuSy als onderfeheiden ván dat van C^far , voof 
de oogen brengt. -r-.-- De Heer Bent oncvouwt meé 



fden aanvang dier Redenvoemge^ in ^c breede^ den 
bekenden cweefpaU en kry^ ciiífchen dé Kátten^ of 
Vftly cuflchen éénige iujpíí-^» ^n á^' Hermonduuren^ weý 
gens de rivier SaUty vooJrgeyfi|len onder de regeeri^g 
van Npro^ omtrend héc jaar 60 mCbriJhis, en wel cen 
nadeele deriífaíí^w, volgehs h^c verhaál V2ihTacitus{*% 
Onze' Auóleur giÁ , zonder 4it Tácifus , cer pjaacfe 
daar hy van de^n tweéfpalt ge va^ maakc, 'er vee-^ 
zenlyke aanleiding toe geefc , dat d^e Katten hun V^i 
derland daar op verlaaten , cn «ích «Wer? ^ met bei 
williginge der Romeinen» cer neder génagen hebben ; 
en hegt vcrvojgens dat verhaal aaa hét bovenaang^ 
haalde b^rigt, dat Tafitus van de Bata^ieren^ een ge^ 



"> 



C*} 4m, L.m*C, f ?. 



7,i 



S4fi KtT VaJMB Btr BATAVItKm 

úéeUé der Xatlén^ gjéeít^^tíi waar hec een en 'c andé» 
tút de zelfde gelchiedenis becrekkelyk i waar toe hy 
dan ook brengc hec geen Tacitus nog elders zegt : Dt 
Ba$aweren • • • bemoneU'met veel van den oevet^ maar 
een eiland des Ryff/heoms^ zyn eertyds een volk der Katten 
geweejl , enom inlandtfcbe^ muitery overtreeden te £er zecn 
te , daar zy een gedeehe des Roomfcben rys te worden baár 
den (*) (t). — — Dít Vaftgefteld zynde , dac dit ge^, 
deelte , dit volk der Katten , behoorc tot die eenig^ Kas^ 
ten^ welken na den ftryd met de Bermonduuren gevlogt 
syn^ zo is -c baarblykelyk , dat deezen niet zyn de 

bc% 

(♦^ De Morib. Qerv^ C. 29. 

\v ^"26 Schryver verdeedigt het t'zamenvoegen deezer be- 
tigten, inzonderheid, door de overweegíng , dat Torlíftf anders 
zyne Leezers mísleid » of ten míníle zeer gebrekklg gcfchreeyea 
zqu hebben, indíeo hy, ín zyne Jaarboeken, vtn een andeiVotk 
fprak , dan waar van hy in zyne Hiftoriên gewag gemaakt had^ 
Doch dat deeze manier van redeneeren , die de uit^ríte naaVkeo- 
Vigheid voorónderftelt» níetdoorgaat, moet oilke' Schryver zeif 
4n ditgeval erkennen: om úsitTêcituSt yolgens zyne gedagten la 
't Uer^t., Biji, L. IV. C. 12, oude en nieuw^ zaaken ondereen 
inengc, de ^ewoonc^ers van 't MoaS' en Rbyn'eilqnd niet wei on* 
derfcheldt , en den naam v^n Batafoieren té wyd íbitílrd&t. Daar 
•en boven valt deeze befchujdiging van mísleiding, of onnauw- 
kevrigheid bier in geepszina ten laíle van Taeitus^ als mendeeze 
t>^rigten wel onderí^heidt. TacUus maakt, naar *t gevoeien van 
bnzen Schrj'ver zelven, ín zyn berigtj H\fi, L. IV. C. 12, ge- 
wag van de Ba(avifcbe hulpbenden ín EngUnd , omtrend het jaar 
54 voor Cbri/lus; hier van fpreekt TacitusWs iets, dat (mx)daar 
fta, Dg 't vQorga^nde» 'tgeen hygezegd had, gefphíe^was: ia 
dit verband, zou meozeggen, is 'er geen twyf'^I ojpn te denkeD, 
dat de Batavieren^ eengedeelte der luittenf herwaards .geiomea 
zyn; reeds eenigen tyd voor Cafar; én derhalvé had 7k|Kxmet 
te dugten , dat men hem verkeerdlyk zou verfiaan , als If in \aa.« 
ter tyd, j^nh. L. XIU. C. 57, fchreef, da( de Kaken, Cdau de 
Batavieren voor i^êer dan honderd jaar ultgegá^n waaren , ) onder 
de regeering van Nero een hevigen kryg met de lïemmiiiuren 
▼oerden. Oeeze twee plaatfen , dus met elkánderen vergelyken- 
ëe , en agt geevende op de onderfcheidene tydperken , Is 't l>Iyk- 
baar , (|at de Batavieren, een gedeelte der Katteng áie ons QQh&t 
WQpnde Land bevolkt hebben, volge^s Tacitus^ wei te onder- 
fcheiden zyn van de in HeJJen gebleevene Katten, die in ls^|^er 
ty4 met de Hermondímren geítreeden bebben. • 



«ST ËIIAMB tm ÍÁTAVÍBRElf. 34I 

bevdlkttB van<'t Eibná der Batmiereny \ welk ten ty^ 
de van Caifmr reeds! bewoond was: en daai^ de Katten^ 
•zegc onze Aoélëur, aic eenerïei vdft béílonden , gelyk 
Tacttus fpreekc , is *t duidelyk dat 'er geen Batavieren 
o&der dat Volk waaren , zo lang zy zicb aan gins zyit 
des Rbyns bielden; en den iiJ^» oVergecrokken synde^ 
jconden ze geen Batavieren worden ; zy werden geeri 
iQwoonders van het Eiland dor Batavieren ; zy werden 
ook niec door de Batavieren oyerwonnen , en dus ge* 
noodzaakt bunnen nsiam.aan ce neemen-; neen: zy zéc^ 
ten zichneder in een onbewoond land,. en bleeven 
dos Katten , gely k ze aao gins zyde des Rbyns waren (*), 
Hoe noemt hen dan^ Tacitus nu Batavieren ? Hy be* 
gaat, zegt de Heer Bent^ hier een openbaaren mié* 
llag ; doch men mag gííTen , dat hy zeif dic Voik déë? 
zen naam gegeeven heeft^ om dac zy zich onder hëc 
geleide van úen Batavier^ CiviSs ^ vervolgens cegen 
het Roomfche Ryk hebben durveh ópwéxpen* 

Deezen knoop dos oncward^ of Uëver doorgeíheet 
den zynde^zogaat onze Au£leur over » om aan te too- 
nen werwaards deeze Katten (van 'Êseitus verkeerdlyk 
Batavier^en genaamd,) na hunnen nederiaag geweekea 
syn. Zv hebben, volgens Tacitus^ zkh nedergezet in 
V uíterjíe van den GalHJcben kant^ dát is,zegt onze Auc« 
teur , den zeekant , en tefiens op een eiland dac van vooren 
de zee oceaan , van acbteren en ter zyde van de Jiroom des 
Ryns omjfoeld V)erd: hec welk ons bepaalc coc de N^qrd- 

ooílt 

(*) *t Is waaf , Tacitus noemt AtKauen (de Morth. Cerm. C, 
38) una gens qf éin volk{ aanduidende dat die benaaming niec 
aan veele Volkereii eigen was, gelyk die der Sueveri ; dat juifl 
níet iniluitydat 'er ganfch geene onderverdeelÍDgx>nder áéKatten 
plaats had» maar ajleen dat het zo eene algen)éene Yolksbenaa- 
inlng niet was , als die der Sueven. Om dit zeggen alzo te ver« 
ftaany geeft Tacitus ons genoegzaame aanleiding, als hy in de 
áangebaaide plaatfen uitdrukkelyk zegt, dat áQBatavieren eertyds , 
(populus) een volk (pars)> een gedeelte der Katten voaarerit zo lang 
zy 'aqn gins zyde des Rbyns woonden ; het welk zy pphielden te 
zyn, zo dra ze v«r()reeven, en herwaards gekomeii zynde, eei) 
^igen Volksílaat uitmaakten. 

2 5 



142 HBT £iuN» VEM nkiMtmah 

poftlyke grenspaalen der Galten» ii9\ t» tj^;iinm 
Tacituf , door de Drufidmr Gn^t^ (irkr mood %m zee 
i^ím» of 'c J^/r> genaamd werd.*) als synde een arai'dtt 
'Rbjns , vaa de GermaaDen afgeícheiden werden ; gc- 
lyk zo de Grt^o^tf Vriezm eeo Ovmbynfck l^olk eo (^ 
msamn genaamd verden ; als bewopnende denNoordr- 
«eílhoek van Germanie; welks gren^en ten W^ften» 

Selyk die van Gaiiie ten Oodten biiinenslaDds dus oa^ 
erfcheiden worden a^tekendr Nuis 't klaar, segc 
pnze Auflear, dat Germaiíe sách bioDaisIands ten 
Weften yerder uitílrekce , dan aan den Oceaaa tea 
Noordweílen , doch jniíl hoe ver ,:ia itet geen zeker>- 
heid af te meeten : op zyne groQden egter doet >by 
de Franfche landen beginnen omtrend Ryswyk, even 
buiten het tegenwoordige Gratfrchap Buren, of aiip 
ders op *c eindfe van de ^a^»daardiá;elve in deMaas 
overgaat (*). Verder merki: de Heer Bem aan , dat 
dé Belgen^ volgens C^for', ten'Noorden door den 
fibyn bepaald werden , gelyk zy aan d^n anderen 
kanc door de Seine afge(l90(en wt>rdcD vaii de'C«lr(/ci^ 
Gallen. H)er uic leidt by vervolgens af , dat aan het 
beneden{t& deel des Rbym Franfche volken, Be^en 
genaamd, gewoond hebben , endaciian land, Gallia 
Belgica^ het land ván G^mnie aan dien kant van den 
pi^fiaa heeft afgezonderd i midsgaders dat tiiiTchea 

den 

(♦) Onzc Aufteur fchikt in deezen zyne Geographifcbe verdee? 
Itng redelyk wel op zyne grotiden ; doch dic Is eer eene vooroa- 
derfteiling diend doen , dan dc zaak bondi^ bewyzen. Her vafc 
i^ek^r niéc gemakkelyk de grenzen van Gennonie en Gallie mecde 
liiterfte nauwkeurigheid te bepaalen ; doch over 'c algemeen Xzsk 
men, onzes agtens, zeggen» datG^r enrantttfdQ6rga&n« áta 
Rbyn aanmerken, als den gren$fcheider ; en van daar 'c geenaaa 
deeze zyde van den Rbyn lag , onder den naam van Gallie b^ 
jrekken, fcboon een geqeeltc daar van nog totGrniMniVbehooi^ 
de. En we zyn nict vréemd van te denken» dat het gedeeltevaa 
ons Land benoorden den Ktttwykfcben Rbyn, (een onbevolkc en 
moeraifig Land» datoudtyds nauwiyks aanmerking verdicnde«) 
door de Romeinen ondex Gtílijí betrokken is , na dat 4e Dr^fk' 
net Graft den Rbyn ccn nieuveen uitgang verleende. 



^T .lOAip BPR SATATimir, 543 

den naajnbehoudeQdm Rbyn^ en den Npovderhponii 
dier ríviere aan dezee Franfche l^ndeo* ge]egen heb* 
ben, die by Ca/a^ ender de benaainidg van Noorder 
Jlreeken voorkomen » waar tegen de Belgen aan bet be^ 
nedenýe deel des Rbyus zicb fireiíenm -— ~ Uii: ditallei^, 
zegc on^ Aufiieur , is 'c daidelyk v dat de Katfen zich 
nedergezec hebben^ tuíTchen den naambehoudendea 
Rhyn en den Noorderhoprn dier ríviere, of het ce- 
genwoordige FIU. Dic Ëiland coch beancwoordc vol* 
komen aan de bercbryving van Tacitus ; wanc het 
wordc van yooren dopr den Q^aan, ais zynde eene 
^eekuíl 9 en van agcerei^ e9 Ti^n i^er^zyde door dea 
Rbyn omfpoeld. Pic was t;en cyde vaa Ca/ar onbe^ 
votkc, sds uit deszelfs ílilzwygenj -(cedrwyi hy gewag 
piaakc van de opgezetenen derf^^^nfl^p in de verfpr ei-^ 
diDgen ies Mym^f) ^ ^r^e t^v^n} ja Tacitus^ die 
m^ermaals :B^^ Oftaakc van de: gxMtf^yfie/en^ mid»- 
g^ers v^n wCbMpm^ al9 buniie nabunren, ziet men 
nimmer reppen van 'de Mof/xten oí tffejhrie/en ^ coc op 
den tyd ;van /^i>W//tti en /^({/í^^ ongevee^ lo^of 
j^ l^fíSit na.df^c de Kattin dicXand iogenomeQ hebr 
bra (*)•. Hec is ook, vervolgc de Ueer Bent^ aiet; 

'C*) Volgens het denkbeeld, dat wy van 't Eílaiid, by OBjar 
gemeld, gemaakt hebben , is 't niet noodig dit van Tacifwxwy- 
dcr uit te breidén , dan dat van Ov/iir , nadcmaal 't daar aan vot* 
komen bea&t^oorilt: q^^x komt h«t ons niec vreemd 'soot te 
denk^n, dat Tacitus^ ín laater tyd fchryvende, toen dit Noor- 
derdeel reeds bevolkt was, degeheeie landílreek bedoelt. Ons' 
beílek laat nlet toe pns in te laaten in het duiftere gefchil overden 
bepaalden tyd der bevolkinge van dit Noorderdeei; veel min onx 
te toonen , dat men met Qieer waarfchynlykheid de Klaine or 
tFefitFriezen doet afftammen van de GrooU Frie^enf dzn van de 
Kaueni alleen willen wy hier opgemerkt hebben, datde bewy* 
zen van den Heer i?^, wegens de laate bevoiklng van ditNoor- 
derdeel', op onze gronden , niet betrekiselyk zyn toc de landen 
^uíTcheQ den Rbyn^ (te weetén den Katwyk/cben Rbyn) en de te* 
genwoordige Lek, ais behoorende die Landítreek, voLgens ons. 
cpt het Eiían4 der Betavieren van Cafax: zo dat zyne áztt ult af' 
geleíde redeneeríngen « waar van we in ons vporgaande Berígt bl» 
26$ ípraken, by ons niet ter zaake doe^i,. 



344 HET ElLAKB DER BATÁVÍEREN. 

ce verwottderen , dac dtc LaQd 20 lang oBbevoIlcc-gef 

bleeven is; want het was meerendeéls ^ behalve de 
dorre duinketen , niet anders dan poelen en rnoeras- 
fen 9 en lag mec de zeevioeden gêmeen : van waas 
men ce denken heefc dacde Kmtn^ volgens hec zeg- 
ffen van Tacitusy {-t idterfie van den Gallijeben kanp,) 
mzonderheid 4en duinkant bewoond y en zich niec 
zeer landwaards naar 'c Ooílen , Zuid- en Noord- 
Opílen uitgeftrekt hebben. Dic dunkt hem geefc Ta^ 
citus ook ce ken&en , áis hy zegc : De Batavierén , (ver« 
Íla Katten » ) beix)$anen'niit veel van den oever (in de lang- 
ce des naambehoudenden Rhyns) , tnaar eeú eilandt des 
Rynjirwnns : dac is , zegc hy , zy ílrekten zich van dé 
zée dfen Rbyn opwaárds niet ver uic, en beíkx^en 
dan den gebeelen Franfchen kanc ten Ooíten , niec 
coc daar de RAyn op -c einde van Germanie in de Ga!:» 
liícbe landen viel , maar bewoonden een eiland dea 
RbynSj dac van agterën eii cer zyde door die riviec, 
jBfi van vooren door den oceaan befpoeldWordc (•). 

Dit is , volgens onzen Audleur , net Eihnd der Ba* 
tmieren , dat BHnius befchryft , wanneerhy zegc : In den 
Ryn zehen, bynaar hmierd duizeni Jsbreeden in de^ kngtê^ 
l^t bet vmtreffelyk eiland der Batavieren^ Kaninefaaten 
ftt andereff, alfder Friefen^ Cbaufen^ Frifiabmen^ Stu^^% 
enMarfaaten, demlhe zicb mbrcidcn tuszen ÉeUum of 
Flevum^ zo memt men de monden^ daerwelke^ den Ryn 
mh uitfiort enz» (f) — — Dit Ëii^nd werd dan^ zegc 

ODÍê 

. , . ., • • 

(♦) Onze Schryver zou zeker níet ílcrk blyyen ftaan op deuitr 
dnikktng, *t uiHrJlevan den Gallifcben kant\ 'sls zynde eeoealge- 
meene benaáming der landflreeke : en wat aangaac de woordëQy 
non multum ex fip<i^ niet veel van den oeveft ínen heefc Tocilttf 
maar in den t'zamenhang ce leezen, om te zien» dac hý door de 
Tipa of oever van den Rbyn veríïaat het land langs den DuttfdieQ 
Rbyn ; en dus door deeze woorden aanduidt , dac de BataviereQ 
niec veel van 'c vaíle land, tuífchen Maas en íVaal bezaten, maar 
inzonderheid op htt Eiland woonden , waar door hy hier terplaa^ 
fe, alshec tegenovergeílëlde van díc vafle land, bepaaldlyk yc(* 
ilaat hec Eiland, dac de Maas met den Rbyn maakt.' ' 

(t) Hiji. L. IV. C. 15. * 



y 



te£T EXLA19D BER BAT&VIBft£H« %^Í 

enze Schryver, van agteren en ter zjrden doot den 
Rhyn^ en van vooren door den Oceaán befpoeld» en 
niaakce de uiceríle paalen der Frapfcbe zeekuít uic, 
aJs getegën cuíTchen de twee monden des Kh'jn$. Da( 
ook dic £iland tot Gallie behoorde , yervolgt hy , wordt 
beveíligd uic hec opfchrift boven dic Hoofdíluk van 
Plinius^ Dc Eilanden in de Gallifche Zee y midsgaders.uic 
eene andere plaacs van PBnius , alwaar h v deeze Ba* 
tmeren en Frijiaboners openlyk zegt onder GaUie ce 
woonen (*) ; welk gezegde ook door Ptohmaus (f) 
wordconderïteund; dat daar en boven ontegenzegge<* 
lyk beveíUgd wordt uit vericheídene plaatfen vaQ ^* 
rísusr in zyn berigt van 't voorgevallene ondei Gvilii 
en Brinio (}). ■■ Dus getpond hebfafende dat Pfí- 
nius en Tacitus in zo ver overeenílenmien » doet hy 
vervoi^ens breedvoerig zien, dat deeze twee Schry- 
vers niet mec elkander ftryden ; wanneer Tacitus 
fpreekt van de uiterjle paalen der Franjcbe zeekujl en tef^ 
fens eén eiland , door de Katten ingenomen ^ en Pfi» 
nius die geweílen in 't geheel een Eiland noemt , áan«» 
gezien beide die fpreekwyzen van deeze Landílreek 
gebruikt konnen worden. ■ Na diir alles komen 

nog twee kenmerken van dit Eiland in overweeging* 
Voor.eerít, het lag^ volgtns Tacííus y tuszen de "a^t^ 
ten , of liever tuszen doorwaadbaare ondieptens ; deeze 
zyn, naar 't oordeel van onzen Schryver, veelligc, 
voor hec eiland geweeít in onze chans verdronkené 
oeverboorden , en '^c is gemaklyk te bewyzen, dac ze 
plaacs hadden in en aan den Noorderhoorn des Rhyns, 
die, volgens Mela, de velden bedekt bebbende, het Vlie 
genaamd werd (§). Ten cweede , hei lag^ volgens P/ï- 
niusj tuszen Hdium en Flevumj bynaar bonderd duizend 
fcbreeden in de lengte : zo dac hec land, wiens zee-oe* 
ver^ zegc de Heer Bent^ tuiTchen Hellevoet en ''c A7/> 
byna looooo fchreeden in de langce beflaac, is hec 

JEí- 

(*) Hifl. L. IV. C. 17. (])Geogr. L.n. C. 9. 
. (1) H0, L. IV. (í) de Situ OrWj. L. II. C. ^ 



2^á H&t BiLAMD ntíi táíAnsxcetu 

Stíand áer BêUniern van FSnmt ; en ám het tegeir«* 
weordige HoOanij Kmmamriéuutmtí Waterlani eo íVtfi* 
nrieskmd , onckr ifdk batQot * 2krtf/ dan begreepeii 
wordt , welke lanacKbeek byna looooo fdireeden in 
de langte beflaat(*)* 

De Heer Bent , dus. ver het bepaalde onderverp 
iFan deeze zyne Redearoerifig a^ehandeld hebben* 
de , hegt hitf aan eene giffing, die 't genoeg zal nn 
kortlyk te mddem De Katten alieeti^ en geen aawr 
Volk, op^yne grondeo^ ditEiland ingenomen héb& 
bende» zo valt de vraag, ixse ípieekc dao Tatím^ 
met verwerping van lumnen Vdksoaam, íteeds van 
Béaawerenj KaimefaaíeH en yriezeni Onze Aufteor 
geefc ten antwoord , dat TaeiiMs de in voondeis van 
dit Eiland » hoewel van"t zeifde Volk afkoinftig, zo 
onderíciieiden benoemtynaax de aanieiders in deo be- 
Wujften 0{rftand tegen de Roraeiaai: noemende de 
Hollaniers^ naar hctanea Hoofidman , dsn fiaxavierC»* 
vilisj Bataweren ; de Keuaemm naar den Kaninefaat 
Brhúa , KamnefaaXen ^f ) ; ra de Nooodelyker inwoon* 
ders, die de ongeregeldften waaien , en ooder weiken 
geen algemeen Overfte bekend was, naar iuiane over 
den Rhjn wooaende 'nageÍMiaien , de Vriezen» met 
den naam van Vriezen , en wel Kkine of Mmdere 
Vriezen. 

Vervolgens gaat onse Schryver, na een kort be» 
rigt van de daaden der Katten^ nog na, of zy, mec 
hunne eerfle inwooníng deezer landen ^ ook met an» 
dere volkeren zyn veraiengd en vesmeecderd» Hy is 



(*) En dus is het Eilánd der Batavieren v&n Plinius zo ultge- 
ftrekt, dat het ook hct Eiland der Batavieren van Cafar, volgens 
ons denkbeeld , in rkh •vcrvatte. 

(f ) De Kamnef^en v'mdx joaze Audiear onder de holpbpsdea 
der Romeineú, reedt onder de regeertag vu TiUrius^ als Cer- 
naanent waar uit hy aí)eidt dat men deeze Germaanfcbe Kafme- 
faaten heeft te oodexfcheiden van de Gallifche Kaninefaaien^ of 
liever Katten^ die door Taiítu: Kaninefaaíen oaar Brinio genoemd 
worden. Dit -ftrekt ter begoúftigtnge zyner voorondemeiiífl(e » 
mecx dan ten bewyase* 



mr ÉIUMD BIK lATÁldEMN. ^ $4./ 

Diet vteemd iran te 4í^ked , uic de ofnftandígheden 
der gerchiedeniíre, dat eenige Groote Vriezenen Cbau^ 
fen zich met de E^atttn vermengd zuUen hebben ; en 
wordt daar in veríterkt door de bovenaangehaalde 
plaacs van P/mrií/, dië, tan dit Eiland fpreekende^ 
ondqp de inwoondérs telt, niet HlXttn^t BatMiertn^ 
Kaninefaaten en Fri/iabímen^ maar ook de yriezen , Stu* 
riSn^ (of, volgcnseede andere leesinff, TvfiërSy) en 
Marfsuuen ; waar Jby men , naar *c ooraeel van onzen 
Sehryver^ nog beeft te yoegen de Mattiacsn als een 
geflacht der Kmeru 

Ëindelyk maakt onze Au£lenr gewag van de oud- 
heid der benaaminge van Holland ^ Kennemerland en 
fVefivriesland j doch heeft daar omtriúd nifet byzoo- 
ders. Over die van Holland durft fay zyne giffingen 
niet voortbrengen , om dat ze hem zelven niec \úU 
doen : die van Kinnem vindt hy reeds in den giftbríef 
van Karel den Kúalen , welken hy voor echt houdt ; en 
't derde deel , zegt hy f heeft nog het kenmerk van 
zyne jeugd behouden, alleen met die verandering^ 
dat de bewoonders oijúty ds Kkifte Friezen^tn nafFeft» 
Vriezen genaamd worden. 

Met opzigt tot deeze en andere Vriezen ílaat onc 

ten ílot nog aan tetefcenen, dat de HttTBent^ op'c 

einde zyner zesde Reden voeringe , aanmerkt, dat'er 

van ouds , 20 als nog heden , drie byzondere foorten 

van f^ies^ geweeíl zyn. Voorecrft, átCbmfen^ nu 

Oofi Vriezen > welken het land tuflchen de fVezer en 

de Eems coc de Zee beíloegen. Ten tweedc:, de Gro(h 

U Vrigzen^ welken woonden van de Eems tot aan den 

Noorderhoom des Rbyns, o[htt Vlie: deezeti behoor* 

den , igelýk de voorgaanden , tot Germanie. £n einde* 

lyk de KJ&n^ Vriezen^ nú JVejiVriezen ^ die zich van 

Áen Zuidweílerboord des Rbyrts tot de Kennem^s uit- 

ilrekAen: deezen waarea Kattm van ooríprong, der*' 

halve ifi dat opzigt Germaaneny maar 'c Land hitnner 

teátdnge iadamrde toc Gailk. 

^ De 



348 Í>B HK£B iBT SOCLETi 

Dé proef-ondeirvindelyké Natuurkiinde 4 

volgens hevhéloop der 

Natumbmdigi L^en , dêor Proefneimngen bevejligdf tot 
opbeldering van allerký d^elyks voorkomende zofkenf 
door den Heer Abt NoUec, Lid van de Koninklyke Aka- 
dtaoie der Wêetenfcbappen van Parys^ en van de Konink* 

' M^ Soeietiit van Londen. Utt bet Franfcb vertaald* 
Derde deelf eerfte ftukje. Te Amfierdam , by K. van 
Tongerlo , MDCCLXi bebahoe den korten Inboud enZé 
336 bladzyden in oStavo. 

DE Heer Abt Nollet, in *t laatft voorgaande Deel 
de eigeníchappen en wetcen der Beweeginge 
ontvouwd hebbende, gaat met dit derde Deel over 
om te fpreeken vande Beweegkunde, omte doeaxiea 
en te verklaaren , hoe men* zich y door middel van 
werktuigen , van die Beweeging met meer gemak of 

voordeel bedienen kah. . Hy merkt ten deezen 

opzigte , in eene duidelyk onderrigtende, Inleiding ^ 
voor af aan, dat de beoefening dee2:er weeteníchap 
eene genoegzaame kennis van ^e Natuur- en Wiskun- 
de vereifcht ; midsgaders dat de Beweegkunde den hoog* 
ílen lof Verdient, van wegens haare wyd-uitgeílrekte 
nuttigheid voor de Maatfchappy ; en dat hy , de werk- 
tuigen doorgaans in twee foorten , eenvoudige en t*za- 
mengejUlde f yerdeeld wordende, zicb in deeze Les^ 
de negende van dit Werk ,) zal bepaalen tot de eer* 
en, die hy tot drie foorcen brengt; á& Hefbem^h^t 
'Hettende Vlak en de Touwen^ Om deswegens in 't vef • 
Tolg te duidelyker te fpreeken , zo geeft by nog in 
deeze Inleiding eene* onderfcheidene verklaaring van 
de vier zaaken , die voprnaamlyk in een werktuig aan 
te merken zyn; de Beweegkragt^ de ff^ederjiandj. hec 
Steunpunt o( Middelpunt van Beweeging, en de Snelbeidf 
waar mede men de Beweegkragt en den jyederjlandúá 
beweegen doet» Voor 'c overige wil hy , dac men ge- 

dag*» 



s 



NATVURKUNDI6£ LCSSEK. %^g 

dagtig zy , dat hy in zyne redeneeringen over de Be« 
weegkunde vooronderitelc^ dac de zwaarte gehuisvefl: 
zyinéén enkel punc , hec welk hy 'c zwaartepunt notrati 
dac dezwaartfh'agtopcene mindere of meerdere hoog* 
te onveranderlyk de zelfde zy ; en dac derzelver bop* 
fireeken^ als cwec gewigcen op eenigen afíland van el- 
kander haDgen , even wydig zyn : en eindelyk <lac hy 
in aJle deezen geen ágc geefc op de wryving, noch op 
den wederftand der MíddelftoíTen. Schgon dic alles 
niec naar waarheid en naar de juiíle nauwkeurigheid 
zy , oordeelc de Héer Nollet hec egcer noodig op zo« 
danig eene wyze ce fpreeken ; om , door op deeze zaa- 
ken , als niec zo zeer coc zyn onderwerp behoorende» 
geen agc ce geeven , zyne lelTen eenvoudiger en ver» 
ílaanbaarder ce maakeh. 

Ingevolge van hec bovenílajtn^de heefc deeze Les 
drie afdeelingen , handelende de eeríte over den Hef^ 
boutn. Deeze is, op zyq Wiskonftenaars aangemerkc» 
niec anders dan eene rechce lyn , zonder z waarce , 
waar op men de afítanden en de plaatfen aanwyíl:^ 
daar de Beweegkragt , de Wederdand en hec Scean« 
punc ftaan. Zo die lyn, in de daadlyke oefening^ 
zwaarce heefc of krom isj berekenc men de zwaarce» 
als een gedeelce,'c zy van de BeweegkragC of van deu 
Wederftand , en de icromte brengc men coc eene rech* 
te lyn , die coonc hoe ver ééne dier kragcen van 't 
Sceunpunt af is. Men celc doorgaans drie foorcen 
van Hefboomen , naar de verfchillende ftanden waar 
in men de Beweegkragc^den Wederftand en hecSceun^ 
punc plaacfen kan : de eerft;e foorc heefc hec Sceunpunt 
tuíTchen de Beweegkragc en den Wederftand; de 
tweede foort heefc den Wederftand cuíTchen hecSceun- 
punt en de Beweegkragc ; en de derde foorc heefc de 
Beweegkragc tuílchen het Steunpbnt en den Weder- 
ftand. Men fteekt een yzeren Koevoetj met het plat- 
te einde, dat men den Klauw noemt, even onder eén 
Steen, drukt vervolgens het andere einde na béne- 
deOt en ligt dus den Steen een weinig^op, oní 'er eeft 

12. DS£ii. No. 5« Aa rcíl» 



ISO DE HEER ABT NOLLET, 

fol » tonw of iets dergelyks ondet te konnen bren*^ 
;en : of men íteekt den Klauw wat dieper onder deit 
iteen , ligt het andere einde op , drukt het zdre om 
hoog, en verfchuift dus den Steen: in 'e eeríte geval 
i$ de Koei)Oct een Hefbom van de eeríte , en in 't laat« 
fte van de tvireede íbort. Ëene gemeene Haardtang^ 
wiens Steun^punt is ter plaatfe daar ze met een nagel 
aaneengekoppeld is } aan welke de Hand ter Beweeg« 
l^ragt verftrekt, en die een vuurkooltje aan 't eiade 
tot Wederíland heeft » is een Hefboom van de derde 
foort. leder deezer foorten heeft wel verfchillende 

Seílalten, naar geraade van de betrekkingen en af- 
and, waar in de Beweegkragt, het Steunpunt en de 
Wederíland van elkander ílaan ; doch dic veranderc 
de foort niet: een fFíp of Ophaalbrug^ of het Steiin- 
ptt&t wat meer Voor of agterwaards ftaa , is en blyft 
aitoos een Hefboom van de eerfte foort , die het Steun* 
punt heeft tuíFchen de Beweegkragt en den Weder- 
^nd. Van hier moet men, om zich nauwkeurig uit 
(e drukken , een zekeren Hef boom beícliry vende , 
aeggen : „ 't is een Hefboom van die of die foort, en 
j, dc afftanden der Beweegkragten en Wederftanden 
9 van het Steunpunt ftaan tot elkander in deeze of 
'^ die evenredigheid , als van 2 , by voorbeeld , tot 3, 
„ tot 4 of 5; "• £n ' deeze afftanden dier kragten van 
het Steunpunt bepaalen den weg, dien ieder van de* 
selven heeft af te leggen , en bygevolg ook de Snei- 
heid waar mee ze bewoogen wordt. — Hter uitleide 
cnze Auéleur deeze drie gevolgen af. i. Dat eeo ge* 
wigt, werkende door middel van een HeibooBi, die 
Waterpás gefteld is, zo veel te grooter kragt heeft, 
naar maate dat het verder van 't Steunpunt af is« 2. 
Pat twee gelyke gewigten , op zodanigen Hef boom 
tegen elkander ovérgelleld, geen evenwigt konnen 
maaken , dan alleen , wanneer ze beiden even ver van 
't Steunpunt af ftaan, en volgens eene rechtdraads 
ftrydige Loopftreek werken. Ên ten ^de, dat twee 
engélyke gewigten van wederzyds de zelfde kragt oe^ 



NATUUKKUN0IGE LEíSEN. 351 

fenen, en dusin evenwigt blyvén, als hunne afítan- 
den van hec Steunpunc coc elkander ílaan, in de om* 
gekeerde rede van hunne zwaartc. 

De Heer Nollet deeze gevolgen , met proefneemin- 

gen , en aancooning van 't gebiuik van den Hefboom^ 

in zeer veele onlílandigheden , beveíligd hebbende ; 

gaac daar op over om ce fpreeken van de werkingdier 

kragcen op eene fchuinfche wyze : wanneer y naamlyk, 

de beweegílreeken « niet, gelyk in 'c bovenílaande, 

éen rechcen hoek maaken met den Hefboom, maar 

fchuins op denzelven ílaan, en daar mede». in zyne 

langce genomen ^ een fcherpen of ílompen hoek maa» 

ken. Dic kan cweezins 'piaats hebben : de Beweeg* 

kragc en de Wederftand konnen , evenwydig loopen« 

de^ even fchuins op den Hefbx)om ftaan , of , niec 

evenwydig loopende, kan de een een grooter of klei- 

ner hoek mec den Hef boom maaken dan de andere : 

cn hier omtrend heefc men op ce merken , i. Dac een 

vermogen , welks beweegílreek loodrechc ftaac op den 

arm van een Hef boom , aan wiens uiceinde hec werkc , 

de grootfte kragc doec. 2. Dat cwee kragcen , wier 

ftreekíynen, van loodrechc^ even fchuins worden, de 

zelfde evenredigheid van kragc cot elkander behouden. 

£n cen ^de, dac, indien deeze beweegftreeken in 

íchuinsheid verfcliillen , die ftreek, welké hec fchuinft 

loopc, alle andere dingen gelyk gefteld zynde , de 

wakfte is, en de roinfte kragc doec. Ter berekenin- 

genu van dic verlies van kragc, naar de verfchillende 

trappen van fchuinsbeid dier ftreeklynen , dient de vol- 

gende algemeene regel. De verfcheidene kragten^ die 

eene Beweegkragt y volgens verfcbillende Streeklynen , op de 

Meinden van de armen van een Hefboom werkende , doen 

kan^ fiaan tot elkander^ als de Hoekmaaten van de Hoe^ 

ken , welketi die Streeklynen met den Hefboom maaken. 

Deeze fchuinfchq werkingen vah de Beweegkragt 
en Wederftand door proefneemingen beveftigd, ea 
door 'c gebruik 9 inzonderheid van Zwengels , EUebQo* 
gen en i^rikken opgehelderd.hebbende^ ipreekt onze 

Aa 2 * Auéleur 



15« 



DE VSER ABT NOLLETy 



Au6leur vervolgens nog bepaaldlyk van 't Steunpant, 

aangemerkt als eene derde kragt, die met de tvee 

bovengemelden evenwigt maakt., of metéén van bei- 

den t'zamenfpant, om de werking van de andere op 

te houden en tegen te ítaan. In Hefboonaen van de 

eerílefoort^ by voorbeeld, draagt dit Steunpunt al- 

leen het vermogen van beide die kragten ; en in die 

van de tweede en derde foort draagt het flegts een 

gedeeke van eene van beide kragten ; en de kragt , 

die uit den afltand van het Steunpunt vooFtfpriiit^ 

neemt toe naar maate van dien afíland ; nu ts 't 7«eker 

van aanbelang te weeten , hoe veel het Steunpunt te 

draagen heeft, op dat men 't niet overlaade^ of te 

zwak maake ; op dat deszelfs kragt evenredjg zy aan 

den laft. Van hier yaltwe) inzonderheid de vraag: 

welk eene zwaarte zal het Steunpunt te draagen heb- 

ben? voor eeríl, als 'er evenwigt is, om dat de in- 

houden aan weerskanten van den Hefboom gelyk zyn 

aan elkandéren , zynde het Sieunpunt derhaJven jniít 

in 't midden ; en ten tweeden , als 'er evenwigr is , om 

dat de inhouden, elkanderen ongelyk, op ongelyke 

afïtanden van het Sreunpunt ftaan ? Deezevraagen 

beantwoordc de Heer Nolkt aldus. In 't eeríte geval 

is het Steunpunt belaaden met de ganfche fom van 

beide de kragten tevens , zo de ítreeklynen der Be« 

weegkragt en des Wederítands evenwydig zyn aan el* 

kanderen ; maar zo dezelven , niet evenwydig zynde, 

fchuins op elkander ítaan , draagt het Sceunpunt ílegcs 

een gedeelce van derzelver t'zamen vereenigde kr^^r, 

en wel zo veel roinder, naar maate dat die Screekly« 

nen fchuinfer op den Hefboom komen. In *ttweede 

geval gaat die zwaarte, welke het Steunpunt te diaa*- 

gen heefc, nooit de fom dier twee kragten, diéweer- 

zyds tegen* elkander overiVaan ^ te boven. Deeze be-^ 

antwoording ítaaft de Heer Nolkt door proefnaemin- 

fen, en doet daar op zien van hoe veel nut deose 
undigheden in 't gebruik zyn ; vermids we daar door 
Aiec alleen he^ bezwyken van.een Steunpunt^ dat eeo 

zwaa* 



NATUUbKVNBlGE LESSEK. 35^3 

zwaaren laft moet draagen , weeten voor te k'otnen, 
maar ons óok beweegkragten ten nutte konnen maá- 
ketiy die onvoldoende of te zwák zouden zyn, indien 
we *ër bns niet,inet al het voordeel, dat 'êr op valleh 
kin, van wiften te bedienen. — — Ténnadereop- 
helderinge van ál het gezegde over den Hefboom , voegt 
onze Sqhry ver hier áan 'eerie nauwkeuri^e verkharing 
der'werkingen van eenige werktuigen , m welker t'za- 
menílel detíefboomen te paskomen ;bepaalende zich 
daar in tot zodanigé werktuigen, die, Xminít t*za- 
merigefteld zyndé,zeer weinig van cjen enkelden Hef^ 
boom verícfiillen;als daar is,de gémeent PFeegfchaal^ 
de l7»/?^r of íogenaariide Rqmeinfcbe Weegfchaal^ de 
Katroly het Rad\ de fFindas cn de Spii: welker be- 
fchouwing verfcheidene nucte werktuigkundige aan- 
merkingén líidevert/ 

Deh Hefhéom dús afgehandeld hebbende^befchouwt 
de Heer Nollet^ 'in de tweéde afdeeUng deezér LeíTe, 
het Hellende t^laL Híer omtrend ftelc hy, als eene in 
de zesde Les bewees^ene waarheíd , vaft , dat een li* 
chaam , '(t .welk. lasg^ een hellend Vlak na beneden 
Tolcof glydt, roet eeri gedeelte van zyrie zwaarte op 
dat Vlak ftëunt, en daar door opgehouden wordt, en 
weJ zo veel meer, náar maate dat het Vlak grooter 
helling heeft, dat is ílauwef of fchuinfcher aíloopt : 
iraar uit volgt» i. Dac eene geringe Beweegkragc eene 
andere, die merkelyk zwaarder en fterker is , op een 
HeJleijd VJak opvveegt en tegenhoudt; eft ten tw;/ee- 
den , dat céne gerlnge Beweegkra^t , teg^n eene fter- 
ker gebxuikt , noit met meer voordeeí op dezelve 
werkt, dati wanneër haare ftreeklyri evenwydig lóopt 
met het Hellénde Vlak , langs welke die ícleiiie Be- 
weegkragt háare wérking doet. Onze AuíleUr. dié 
iwee z|iaken door pro^neeming beveftigende, leidc 
uit dit ' uitwerkfel , het wederftaan van eene groótéf 
door éetie klëirider bêweégkrágt , dit algemeene voor? 
Oífil txfy dat bet gewigt va^ 't lichaftm Jlaat tat de.kragt die 
bet opboudt , áls de boogte van U helUndt vkk Jlaat tot dis* 

Aa 3 zelfi 






-354 ^^ HE'£& ABT MOLtBTy . 

zelfs langte (*). Oolc doet hy zien , daí, dewyl deBe- 
weegkragc dii voordeel op den Wederftand nietheeft, 
dan uic hoofde van haare loodrechce en bygevolg al- 
lergur^ftigfte ftreeklyn , ze *er méc zo veel kragi niet 
nieer opkan werken,zo dra ze niet langer evenwydig 
werkc mec hec hellende vlak (f). Vervólgens toont 
hy aan, dac hec gebruik dic alleszins beveftigt, en we 
tevens daar Mit leeren , dat een. lichaam ^ welks iniddel- 
punt van zwjíiarte ^een fteunfel hcefc,en inzynelood- 
íyn niet opgéhouden wordc,akyd vallen móet,fchoon 
heC lichaam anderszins ergens op riiftce; en dat,inte- 
gendeel , geen lichaam'oic vallen zal, zo ]ang deszelfs 
zwaarcepunc erge&s o*p ruft en onderfteund. wordt. Ten 
befluite deezer afdeelinge hegt hy hier , gelykerwyze 
als aan de voorgaande^ nog aan, eené onderfcheidene 
verklaaring van de werkirig eeniger werfctuigen , die 
van denzeifden aáfc iýn, als het ^f//ffiuJip/^,alsdaar 
is, de Wigge en de Scbroef, met zodanigen diéover- 
eenkomftig daar medé wërken , waar ván de nattig* 
faeid een ieder terftond in 't oog loopt.. 

Naaft den Hefbom en 't Hellenáe ^VIuk , komt in de 
Bemegkuwte^ in aanmerking het gebriiik der Tm^^ 
wáár onder men Qok dat der Kecenen of Kettingen 
vervat; van waar de Heer Nollet^ in de derde afdee- 
ling dcezer Lefle, ook daar toe overgaat* Mcn ge- 
bruikt dezelven doórgaans tot drie jeinden ; om de 

', ' ftréek- 

(♦) Drt voorílel zegt de kundíge Vcrtqalder van ditWert'" 
zyne aantekéning hicr ter'jrfaatfe,heeft inêii te 6epaalcn,volgens 
't oogmfiik. v^n den. Heer ^olletj tbt dc cvenredlgheid, diedc 
kragten tot eii^ander hebbeiy. Maar ïowien de.jsyerkingdierkwg' 
ten tot <;venwigt wll bïcngen, zegt mcn, dat .ze,^ ih gevdl "^^ 
'e'ven''iVÍgt , tot elkander Jiaafi inde omgekeerde reden vanoaarep^' 
leden', Bí W:: w. b? ' 

(I) IVÍet opzigt tot de maat cn cvenredígbeid der niet wet "ei 
Vlak evenwydige ftreeklynen , zegt de Heer VertaaWcr :zi?^ 
in *t algemeen tot elkander in deze^de evenredigbeid als de £««• 
maaten van de Hoekeny wlke die jíreékl'jnen maaken, metdel'j^' 
«ft bet Zwaartepunt van 't Ligbaam Lêodregt op bet VIA getro^ 



V 



MATUVRKUNDIGE lESSEK. 1355 

ftreeklyn der fieweeginge te veranderën ; om e^ B6- 

weegkragt oí Wederíland van íland te doen verande- 

xen ; of om joíTe lichaamen t'z^men te binden , vaíl te 

knoopen , en by een te houden. - ■ ■ In 't gebriiik 

heeft men. voor al agt te gceven op de zwaane , de 

kromme bogt , ? n de ílyf heid der touwen , die wee»^ 

jsenlyke wederílanden . zyn , en eene.grooter kragt en' 

werking in de Beweegkragt vereifchen. Een ïouw , 

dat eene merkelyke langte en dikte heeft , voegt zyr 

ne zWaarte í>y*die van 't lichaam^daar men op werkc» 

en verzwaart daar door zo veel deszelfs gewigt: de 

)iier uit ontílaande wederíland neemt toe , naar maate 

der hoeveelheid van ítoíFe die de Touwen bevatten ^ 

en hun veríchii van zwaarte , (het tou\v rolrond dan* 

gemerkt , de langte en ílof gelyk gefteki zynde , ) 

wordt berekend uit de vicrkanten bunner middellynen (*)« 

Een Touw door zyne langte en zwaarte, zich min of 

n^eer krommende of doorbuigende , maakt eene bogt^ 

die de Beweegkragt volgens eene nadeeliger ftreeklyn 

doet werken ,.en gevolgFyk verzwakt : ook kan de 

langte yan *t Touw alleen eenige verandering brengen 

in die ftreeklyn ; als naamlyk hecÁTouw, de kragt wat 

hpoger ftaande , een hoek maakt met den grónd ; wel^- 

ke hóek grooter wordt,naar'ináate dathet Touw kor- 

lcr is. Hierom mpet men , de weiking langs een kéU 

jend Vlak in agt neemende^in zodanige gevallen'niet 

letien op de natuurlyke ftreeklyn der beweegkragt, 

en de Lyn volgens welke zy naar gewopnte uit zich 

zel ve trekt ; maar wel op die , volgpos weíke het To^Wi 

daar ze baare kragt mede doet, aanwyft, dat ze trek«* 

ken zal. De ftyiheid, óf meeren hiinderbuigbaarhei^ 

der 

(♦) Zyn de Touwep, zegt de Heer Vertaalder , hier ter plaatfe, 
even dik maar niec even lang , zo heeft men ílegts het verj'cbil der 
iangte te rekenen: liiaar zo ze in dïkte en in langte beiden ver- 
fchillen , moet men , om derzelver zwaarte te berekenen , bet 'vUr" 
kant van ieders middellyn vermenigvuldigen .mit ieders Íangjté : en 
hunne zwaarte (laat dan tot elkander in de fzan^eng^lde fede mjk 
4e vierkanten bijnner middellynen en íangte. 



ÍS^ DE REËR ABT NOLLBTy 

der Toawen komt eindelyk boven a] in oVerweeging ; 
^ hier omtrend zyn de drie navolgende 2aaken door 
ondervinding blykbaan i. Dac de Wederíland , docr 
de ílyfheid der Touwen veroorzaakt, toeneemt in 
dezelfde evenredigheid ^ als de Gewigien of Kragten 
toeneemen ^ dieze gefpannen boud«. 2. Dat die zelf- 
de Wederíland , aUe andere omftandigheden gelyk ge» 
íleld zynde , ook daar en boven toeneemt, naar even* 
i;edigheid van de middellynen der Touwen , en groo- 
ter of kleiner is, naar dezelven dikker of dunner zyn. 
£n ten ^den y dat de Tou wen zich bezwaarly ker bai- 
gen laaten , naar maate dat de Rollen of Katrollchy- 
ven , waarom men ze draaijen laat , kleiner zyn ; fchoon 
wei deeze laaííte Wederuand juiít niec toeneemt in 
dezelfde evenredigheid , als de Middellynea van die 
Rollen of Katrolfchyven afneemen en kleiner wor- 
den (♦). 

Onze 

(*) Volgens dc aantekening yan den Heer Vertaalder , heeft dc 
Heer Desaguliers de twee eerllgenielde eígenfchappen van de ftyf- 
heid der touwen, door proefneemingen , cen volle bekrachtígd; 
en mec opzigc toc de derae voorílelling getoond, dac de Weder* 
iland , door de ílyf beíd der Touwen yeroorzaakc , juift coeneemc» 
naar maate dac de middellynen der rollen kleiner zyn » en afneemc 
iiaar maate dac ze grooter zyn, Zie Desaguliers Natuurkunde 1 D« 
bl. 252 ,en de Lyít by den Heer Muffcbenbrúek ^ in zyne BegnUets 
der Natuurkunde i D. bl. 184. — - De aanhaaling van dit Werk 
van den geagten Mujfcbenbr$ek , (wlens dood bet Leidfche Hooge 
School en alle Beminnaars der Natuurkunde betreuren, ) gedt 
ons aanleiding om den Leezer te melden , dat ons, by gelegen- 
heíd der u'icgaave van P. v, Mujfebenbroek (^mpetuUum Pbjfic^ 
ExperimentaliSf cmijcfiptum in Ufus Acadmicos^ Lugduni Satúeo^ 
rum apud S. en J. Lucbtmans 1762 , zvnde een nuttig Kert Begrif 
^an ecn grooter Werk, gaande tot dus ver over *c eerfte Boek, 
van eoeder hand berigt is»dac die Hoogleeraar hec ganfche Werk 
afgCKihrceven heefc,* en dac hec zelve, gelyk 'C vooi^ande, cwee 
deelen in quarto uícmaaken zal , waar van omu-end cwee derde 
afgedrukc is. AIs mede, dac de Hecr TTofciïói Mnjfcberibroek , 
voor zyn overlyden , den Heer Profeffor Lulofs vcrzogc heefc, het 
laatíle oog over zyn Werk te houden : wesnalve men met rede 
moge verwagten , dat hec zelve , fchoon naa des Hoogleeraars 
overlydcn, in 'c licht gebragc» met de vercifchte nauwkeurighcid 
uicgevoerd zal wordcn. Men kan uic hcc Compendium cot dus ver 

af- 



MATUVRRtrHdlGE LESSENi; . 357 

Onze Au£teur deeze voorftellingen door proeven 
beveíligd hebbende ^ leidc daar uit af ^ van hoe grooc 
eene aangelegenhëid bec zy 9 in 'c gebruik wel agc té 
geeven op de ítyfheid der touwen , en de grootbeid 
der Schy ven ; wac nadeel de ílyf heid der couwen in de 
takels, inzonderheid mec ongelyke fchyven veroor- 
zaakc; en dac men voor al , in werkcuigen die gefcbikc 
zyn om 'er grooce kragt mede ce doen , in 'c oog heefe 
te houden» .en dat ze zeer ílerk, en egter niec zwaar« 
dermoecen zyn dan 't werJc vereifcht: hec wélk hem 
aanleiding geefc toc hec voorítelleneenigeraanmerkin- 
gen ) over de kuníl van Touwflaan , de (lerkte^ het in 
een draaijen en breeken der touwen ; als mede raaken- 
*de denoodzaaklykheid van alle de touwen met gelyke 
kragt te hiaten trekken, als men verfcheidene touwen 
revens tot eenig zwaar werk gebruikt. 

Eindelyk komc mec opzigr tot de Touwen nog in- 
aanmefking hunne veranderinsen door Vogtigheid en 
Droogce ; waar van de volgende de voornaamíle zyn , 
die in 'c gebruik van belang gerekend konnen worden, 
Zezwellen en worden dikker^als'er hec wacer in door- 
dringc ) en neemen in cegendeel een wéinig in dikce 
af ^ naar maate dac ze drooger worden ; waar door ze 
in 'c eerfte geval opkrimpen , iecs van hunne langte 
verliezen , en zich een weinig los draaijen. Deeze uic* 
werkíelen hebben attóos beftendig plaats , liiec cegen-. 
ftaande 'er al vry zwaare gewigten aan hangen ; gelyk 
onze Aufleur doQr proefneeming coonc ; en daar uic » 
by die gelegenheid verklaarc hec opkrimpen van Lin- 
nen en WoUen ftoiFen, Lakens, Kóuflen, en Hand* 
fchoenen ; als mede hec rekken en krimpen der Snaa- 
ren , en 'c zamenílellen der zogenaamde Vogcmeecers 
en Weerhuisjes. 

Men kan uic dic berigc van den inhoud van dic ítuk« 

afQeemen,datdit Werk volgens den zelfden leidraad als't )>OTen« 
aangehaalde gefchikt zal zyn, doch dat hec zelve edyke nutteaan* 
merkingen en proeven meerder zal behelzen. - 

Aa s 



S5S 



DE HE£R A9T K.OLLST) 



jó gefíoegzaam afneemen , dat het zelve niet min nqt- 
tig eD leezenswaardig is dan een der voorga^nde dee- 
|en van dit Werk;als behclzende zeer nutte en klaare 
aanmerkingen pver d^ Beweegkunde^die ons de wer: 
king der werktuigeo duidelyk onivouwen , eo vandaai 
doen zien , waar op men in derzelver t*zamenítellÍDg 
en gebruik heeft agt te geeven. De ^undige Vertaal? 
jder yan dit Werk heeft, bqiten andere aanmerkingea, 
desj^eifs nut nog vermeerderd , door , ten dieníl dei 
iningeoefenden , de berekenif^g der kragten van de 
énkeide Werktuigen doorgaans in de aantekeningen 
inet een voorbeeld op te helderen : en heeft ook met 
datzelfde oogmerk een Byvoegfei hier aangehegt, dac 
eenige voorbeelden behelíl van de manier, .op welke 
men de kragten der t'zamengeítelde Werktuigen bere« 
kent» Hier in ílelt hy ten algemeenen regel , da^ men 
ie kragt van ieder enkeld IVerktuig , ^ip veel ^er in V zamen- 
gefUlde zyn^ qfzonderlyk berekeney en dezehen dan met eh 
kander vermenigmldige: waar naa men de uitkomít ver- 
der vermenigvuldigt, met de waardy (fjlerkte van de k^. 
\jieegkragt , ^ aan bet eerjle enkelde wrktuig isferkt» Iq 
gevolge daar van doet hy ook zien, dat de oude en 
l^ewoone regel yan Evenwigt hier in ook plaats heeft, 
dat naamlyk , de Bemegkragt Jlaat tot den PVederJUnd^ 
als de i»eg offnelbeid van den Wederflúind y fat ,den wegof 
fnelbeidder Beweegkragt, B. W :: w. b. Op deeze ma* 
Hier berekent hy , ten voorbeelde , de kragt van eene 
Spil met een Takel , en die van een Bak , op den boeg 
van een zwaare Schuit , t*zamengeíleld uit een IHn' 
daSf Takel cn Spil: en heldert very.olgpns dee^en regel 
van berekening nog nader op , zo dat men dieii ge* 
reedlyk tot alTe t*zamengefl:elde werktiiigen koQQe 
overbrengen. 

Hier nevens gaat nog een tweede By voegfel , over 
het Zwaartepunt in de Licbaamen : waar in de Héer Ver- 
taalder het zelve kortlyk ontvouwt , en op die gron- 
den verfcheidene dagelyks voorkomende verfchyn* 
fels oploít Hy merkt deswegens aan ^i hec Zwaarte- 



pínp j (zynde dat punt in een licbaam , rondsom hec 
welke alle deelen van het zelve een evenwigt maaken , 
waar in men zich derhalve de ganfche zwaa^rte van heË 
lichaam als veireenigd verbeeiden kan ^ ) ákoos , voN 
gens de loodlyn, zo laag daalt áls het kan ; en dat hec 
zelve, het laagër daalen belet wdrdende , ^c zy meh 't 
ergen^ aan hangë, of van onderen onderfteune, het 
ganfche lichaahi houdt^ en wel in dien (tand , waar iú 
men 't geplaatfl: heeft^ zp dat het iichaam niet álleen 
niet konne vallen » maar ^elfs ook niet van íland ver« 
anderen, zo lang het zwaartepunt in zyne loodlyn on- 
deríleund worde : als mede , dat hét Zwaartepmt , iit 
beweeging gebragt zynde , gelyk alle andere Sswaaré 
lichaamen, dellreekíyn der Beweeginge volgt, 'tzy 
de deelen rondsom het zelve in ruft zyn of niet; zdi 
dateen opgeworpen balzyn kromme lyn volge, fchoorí 
hy middelerwyle óin zyne As draaije ; en een bTokje 
loodrecht nedervalle , fchoon 't al wentelende vallé, 
Op deeze aanmerkingen doet hy éenige bepaalingeií 
volgen van de plaats van 't zwaarcepunt in lynen eú 
figuuren, in regdmaatige vafte lichaamen ; en toont 
hoe men het gemeene zwaartepúnt van twee aaneen- 
gekoppelde , áls ook van drie en meer lichaamen heeft 
te zoeken en te berekenen ; midsgaders dat men het 
Zwaartepunt kan vêrplaatzen , door de lichaamen iers 
toe te voegen , of 'er iets ván af te neemen ; het welíf 
hem aanleiding geeft, om te fpreeken van het zoekeií 
van 't Zwaartepunt in onregelmaatige lichaamen , en 
éindclylt merkt hy aan , dat , gelyk het Zwaartepunt 
véeltyds het middelpunt niet is van de grooite van 'c 
lichaam, 20 ook de deelen, die rondsom dat Zwaarte* 
punt tegen over elkander in evenwigt ftaan , afzón* 
derlyk en op zich zelven genomen niet even :íwaar 
zyn. Uit deéze beginfelen verklaart hy eindelyk zom* 
ínige dagelyks voofkomende verfchýnfelen ; geeft re» 
den van het los en vaft ftaan der lichaamen , zo van 
i'echt als fohuins - ftaande lichaamen , op een vhkken 
groiSd ; als itiéde van eenige verfchynfelen in lichaa* 

jnen. 



-'i- 



S60 DE H£E& ABT MOLLETy 

men op hellende vlakten geplaatíl ; midsgaders van 
eenige onderfcheidene beweegiogen. der lichaamen , 
en de uitwerkrelen van de byzondere plaatfing van 'c 
Zwaartepunt. Hier op merkt by aan dat het Zwaarte- 
punt Van een Menfch is , in 't zogenaamde Bekken ^ 
midden tuflchen de heupen ; dat deszelfs íteunvlak is » 
tuiTcben de lynen getrokken op de groote teenen , en 
de bielen der beide voeten ; en dat een^Menfch íhac, 
zo lang de Loodlyn vs^n 't Zwaartepunt binnen den om- 
uek van dit vlak valt, maar dat hy valt,za dradeeze 
daar buiten valt. Hier uit verk}aafc hy de onderfchei* 
de beweegingen en geílaiten in 't gaan , ítaan , lodpen , 
hinken , vallen , buigen , zitcen opítaan enz. als mede 
in 't koorddanfen , balanceeren y fchaatsryden en 'c 
draagen van zwaare laíten. V erder tekent hy nog aan , 
dat, het fteunvlak in de Viervoetige Dieren merkelyk 
grooter zynde dan in de menfchexi, deeze ook om die 
reden vaíter ftaan : en wy íl den Leezer na DesaguUert 
Natuurkunde i D. bl. 83 > om den voorcgang en bêwee* 

S'ng van 't Zvmartepunt in een fiappend paard omftan- 
ger na te zien ; waar uit men , benevens uit het ge- 
zegde van onzen Schryver in- dit by voe^fel , alle an- 
dere lichaamsbewtegingen der viervoetige dieten ge- 
maklyk zal konnen begrypen ; waarom hy daar op niec 
byzonder ítaan blyft : alleen voegt hy 'er ten (lot een 
aanmerkelyk verfchynfel van zommige dieren by , bec 
welk wy ten befluite van dit berigc nog zuílen mede- 
deelen. 

« De Katten en eenige weinige andere Dieren , 
i^ wanneer ze,op welke wys 't ook zy ^met den £op, 
I, Scaart y Rug, of zydlings uit een hoogte vallen , 
„ wencelen zig onder 't vallen om, en komen door- 
9 gaans op bun Pooten neder. Dewyl ze in de Lugt 
9 geen vaít punt ontmoeten , daar zé min of meer op 
19 zouden konnen íteunen, om eenige beweeging te 
9 maaken met hun Lighaam , kunnen ze zig zelven 
^ zekerlyk niet omdraaijen. De verplaacfing van 't 
^ zwaartepunt is'er de porzaak van. Als men hen,by 

* voor^ 



n 



n 



KATl7irRKUNDIGE LËS8BN. / 3(^1 

voorbeeld , met de pooten om hoog vailen laat , 
doet de vrees , zo dra zy zig los voelen ^ den rug 
krommen , en Kop en Pooten naar de plaats , daar 
ze uic vallen , uitíteeken , als om 'er zig weer aan 
vaft te grypen. Het zwaartepunt van 't Dier ver- 
anderc door die geítalte ván plaats , en ryfl: door 
het om hoog drukken der Ingewanden, eii het op- 
fteeken van Kop en Pooten , uit het midden van 'c 
lighaam merkelyk hooger. Het bevindc zig nu der- 
halven in den zelfdenftaat, alseen houten kloot^ 
op *t water dryvende, aan wiens bovenfte gedeelte 
men een plaatje Lood vaft maakt, om het Zwaarte- 
punt boven het Middelpunt te brengen. Hét gaat 
'er derhalven ook eveneens meé, en in beiden daalt 
het Zwaartepunt zoo laag als het komen kan. De 
Klooc draait om in 't water, tot dat het Lood ge- 
heel onder aan raakt ; en de Kat doet in de Lugt 
een halve keer, terwyl zyn Zwaartepunt zoo laag, 
als mogelyk, daalt. Dus komt hy bygevolg neêr 
op zyn Pooten, en een verwarde en- blinde aandoe- 
ning van fchrik, die hem zoo heilzaam een raad 
ingeeft , als de doorfleependfte Beweegkonftenaar 
immer doen kon, behoudt hem /t Leeven. 



yerhandeling over de wyze van deNageboorte afte balen, 
aïs de Frouwen verlojl zyn , en de verjcheiden omzicbtig^ 
beden , welken hier in , naar de verjchillende omjiandig* 
heden , moeten betragt worden ; door den Heer levhet , 
Chirurgyr^ , Vroedmeejler en voornaam Lid van de Korung^ 
lyke Mademie der Heelkonjl , te Parys» 

Getrokken uít de Memoires de rjcademie Reyale de Cbirufigie» 

Tom. IIL pag. 2i(5. 

BE achting , welke de Heer l e v r £ r , door zyne 
ervarenheid in de Verloskunde , by de geleer- 
verworven heeft, «al deze Verhandeling , met 

•" aan- 



3^2 LEVRETy YAK HET 

aangeDaamheid , doeo ontfangen wordeo. Wygelo-t 
ven 9 dac ze onze Vaderlandlche Lezers van nac zál 
konnen zýn; waarom wy hun dezelve^ door middel 
van onze Letteroefeningen » wel hebben willen gemeen 
makeo. De Heer levret eene Inleiding^ voor deze 
Verhandeling, latende vooraf gaan, zallen Wy hem 
Ziáve 9 en alleen lacen fpreeken. 

De voorbeelden , welken ons de Fraflyk heeft op« 
geleverd^vandeaffcheiding en uicdryving van deNa- 
geboorce» door de werking der Nacuure» na dac de 
vrouwen verloít waren ^ conen , dac zy zelve hier coe 
machcig zy, en, den meeílen cyd, geen behuip van 
de konft , coc hec af halen der Nageboorce , nodig 
bebbe. Maar de ondervinding, welke de Prakcizyns^ 
van alle tyden , heefc doen zien , dac , onder alle die* 
ren , geen is , welken de Nageboorce , zo bezwaar- 
lyk» en mec meer onilaíling van bk>ed, afga ^ dan 
eeneVrouw, hadc hen behoren ce overcuigen, van 
de onvermydlyke noodzaaklykheid , om de moeder- 
koek af ce halen , korc na de geboorce van hec kind. 
£n de menigvuldige coevallen , welken , door een (Iry- 
dige wyze van doen, veroorzaakt worden, hadden 
hen moecen leeren , dac 'er ongemakken konnen onc- 
ftaan^ door deze bewerking aan de Nacuur, alleen, 
over ce lacen ; ja zelfs van een al ce lang uitftel , om 
haar, in zulke gevallen^ ce hulp Ce koomen. Maar, 
jB *er ook niec eenig gevaar, in at ce fchielyk coc deze 
áfhaling over ce gaan? en dic onderfteld zynde, hoe- 
danige gevallen eifchen fpoed ? en welken zyn ber, 
waar men cyd moet geven? Welk is hec oogenblik, 
dac men moec waarnemen, om de Moederkoek, ter 
rechter cyd , af ce halen ? Welken verícheiden belec- 
' fels zyn *er,die deze af haling hinderlyk zyn ? en door 
hóedanige middelen kan men dezelven ce boven koo- 
men ? Deze zyn de verfcheiden ftukken , waar vaa 
ik voorhebbe ce ípreken , in deze Verhandeiing, wet- 
ke in drie deelen zal onderfcheiden. 

In het eerfte zal ik eene bepaling maken van den 

tydi 



APHALEN DER NAGEBOORTE. 363 

tyd 9 veike , door de Nacuur zelfe , fchynt aangewe* 
zen te worden ^ om de afhaliog vao de Placenta te 
doen; ik zal aanwyziog doen van de toevallige om- 
ílandigheden , welken deze bewerking fchynen te moe<- 
ten begunítigea, en van zulken^ welken moeilykhe- 
den hier tegen maken ; ik zal de tekenen verklaren » 
welken dienen , om deze beletfeien te doen kennen ; 
ik zal *er de maniere , om dezelven , zonder gevaar , 
uit den weg te ruimen , by voegen ; en eindelyk zal 
ik ípreken van de uithaling van de vliezen van de 
Moederkoek. 

Hec tweede zal ik doen dienen , om de voornaam- 
íle omzichtigheden aan te wyzen , welken men moet in 
acht nemen , tot af haling van de Nageboorte i als de 
navelílreng gebroken , en van de Moederkoek ge- 
fcheiden , of niet in ílaat is toc de afhaling ce kunnen 
dienen. / 

Het is nodig a^'te merken , dat onder alles » wa^ 
in de twee eerne deelen van deze Verhandeling voor- 
koomt , de* Vróuwen onderíleld worden , in de laatíle 
maanden van haare zwangerheid te zyn; maar dat ii 
het derde, alleen, gefproken zal worden van deMoe* 
derkoek van-ontydig geboren vruchten, en de befte 
middelen , om de uitdry ving daar van te bevorderen , 
of de afhaling te doen. Ik gelove , dat ik 'er moet 
by voegen , dat ik , om langwyligheid te vermyden , 
alleen een kort verflag zal geven vah alle de ondervia* 
dÍDgen , welken my tot deze Verhandeling aanleiding 
hebben gegeven. 

• EERSTE DEEL. 

Is *c.r een juijíe tyd^ v^aar in de afhaling van de Moeder» 
koek moet gedaan viorden ? En welke is deze ? 

Om<le oploíïíng van dit Voorílel, met eeníge or* 
de te geven, gelove ik te moeten beginnea, door te 
verklaren van het gene men » by een natuurlyke uic- 

dry- 



s 



3i54 LEVKBT, VAN H£T 

dryvÍDg vande Moedérkoek , onderviodt; dic oorded 
ik noodzaaklyk» om duidlyk te doen begrypen, hoe 
inen altyd met kennilTe van de oorzaak moet werkeo. 

Laacen wy derhalve eens met opmerking nagaan , 
wat gewoonlyk aan de Baármoeder van eene vrouw , 
die in de kraam bevalt^ gebeore; en om alle dubbel- 
zinnigheid te weeren, laacen wy onderítellen , datzy 
op haar ty d zy , wel vaare , zo wel als haar ki^d , en 
'er niecs buicengemeens zy voorgevallen , io den ar- 
beid of in de verlofling. 

Wanneer men , korc na de geboorte van het kind , 
een hand legge op den buik van de verloíle vrouw , 
en cer zelfder cyd een vinger van de andere hand bren- 

S;e in de Schede, zal men aan de eene kant bevin« 
en , dac hec lichaam van de Baarmoeder , 't welk 
een klootwyze gedaance beefc , gelegen is tuíTcheQ 
den navel en het fchaambeen (a) , en van de andere 
kant bemerken , dac de mqnd van tlit werktuig , wel- 
ke toc nog coe op de hoogce van het Schaambeen 
plaacs heefc , gerimpeld en byna geheel geíïoten is {b). 

Op 

(a) Somtyds een weinig naar de rechter of flínker zyde, naar 
de ligging van de vrouw meer of min recht op den rug, terwyi 
men dit onderzoek doe; of naar de beílendige ílrekking, weike 
de Baarmoeder gebouden beefc, in den buik van de vrouw, ge- 
durende den laatílen tyd van baare zwangerheid ; of elndelyk naar 
de plaats, waar zich de Placenta heeft vadgemaakt; want deze 
kan, door haare zwaarte, de Baarmoeder meer of min naar de 
rechter of fltiiker zydc doen overheilen, indíen zy zich, byge- 
val , op een van de zydelyke deelen van dit ingewand heeft fm* 
gehegt. 

(b) Deze mond is niet de ÍVnoel van de Baarmocder^ maar die 
in den hals van dit ingewand met zyne holte eindigt. Dit i% zo 
waaracbtig , dat hoe wetnig men 'er op lette , men vindt deo bals 
rfer Baarmoeder, ín de fchede van een vrouw, die verloílwordt» 
zo wanílalttg, dat men zeggen zou, het o\^ergebIeven deel van 
een afgefneden díkken darm te zyn , en aan den grond van welke 
men, een duim of twee in de lengte, gewaar wordt een foort 
van wurging , welke de mond Is , waar van wy fpreken. £n hec 
is van belang dit aan te merken, niet alleen, om een rechtma' 
tig begrip te hebben van het gedeelte van de Baarmoedery welfc 



AFHALEM 1>£& MáGfiBOORTC. 365 

Op dezefl tyd gevoek de vrouw niet meervdiefchiely- 
ke pynen, weiken zy ce voren hadc; niet alleen, oni 
dat deze pynen , welken oncílonden uit den ^rbeict 
van de verloífingy nacuurlyker*wyze, moeten ophou» 
den , als het kind geboren is ; maar deze ophouding 
heefc ook coc oorzaak de grooce ruimce , welke in de 
Baarmoeder fchielyk gemaakc wordc^ en welke hec 
lichaam van dic werktuig, vooreenige oogenblikken , 
in een ílaat van werkeloosheid doec vallen, Waar uit 
volgc, dac de Moederkoek zich , voor eenigen tyd, 
opgeflocen bevindc^ in de holce van dic ingewand, 
hec zy, dac hy zich voor als nog geheel niec losge- 
maakc hebbe van de wanden van de tiaarmoeder, hec 
welk zeldzaam is^ of dac hy zich, voor een gedeelte, 
heefc begonnen los ce maken, gelyk gemeenlyk ge-r 
beurc, of 'er reeds geheel en al van afgefcheiden is. 

'De Moederkoek blyfc, derhalve,in de Baarmoedeir 
beflocen , coc dac de wanden van den geheelen om- 
trek van dic werktuig , genoeg toc hun algemeea 
middelpunc genaderd zyn , om voorcgaande met zich 
faam te trekken , de Moederkoek , welke cuíTcheh de^^ 
zelven gelegen is, van alle kancen. ce. drukken. £a 
dan beginnen zich de pynen wederom te verheffen, 
en den mond ce perfen , om zich wederom te openen , 
om de Moederkoek uit ce dry ven , welke zy inderdaad 
uicdryven , zo men , zonder de Baarmoeder eenige 
hulpe ce doen, haar alleen mec de bewerking laat 
voorcgaan. 

Uit het gene ik, dus korclyk, gezegd hcbbe y zal 

mené 

» 

geriropeld is ; maar om níet voor een vrcemd lícháam, in dea 
grond van de fchede hangende , aan te zien , deze foort van vlee-» 
fchigeyzachte en ringwyze m«m&f an« , waar van wy fptekeo; wanc 
het is de hals van de Baarmoeder zelf , welke zulk eene wange* 
daante heeft aangenomen, maar welke, van dag tot di^,het ver« 
mogen weerom krygende van zich in te trekken; in alle haare 
deelen, eindelyk wederom zyne natnurlyke gedaante aanneetnc^ 
en te gelyk de aanraking van den bovenmond, waar v»n te ▼Ofea 
gefproken is» ondoenlyk maaku 

II. iïvjbX. m. 5« B b 



^ LEVRfiT» VAM BET 



men ^ gelóve ik , gemaklyk konnen afleideo ^ dat dit een 
gunftige tyd is, welke men moec waarnemeo , om áe 
Batttur te hulp te kooroen; anders zou men haar ligt- 
lyk konnen ftooren , en* bygevolg hínderlyk zyn. Maar 
welke is nu deze gunftige tyd ? Zy is dikwiis maar vaQ 
zeer korten duur^en niet langer aan een Jialf kwartier 
iittrs, voor fomraige vrouwen ; voor anderen een wei- 
jiig bngcr enbynavan een kwartieruurs;hyrektzich, 
eindely k , by Ibmmigen , uit tot een half uur ^ en oog 
wel iet meer. Maar de during van dezen tydt moet , 
zeer naauwkeurig , geregeld worden naar de veríchei- 
dene omftandigheden , weiken 'er de bepalende oorza- 
ken van zyn ; ik zal my nader verklaaren. 

- Hoe fterker en gezonder kraamvrouw , hoe minder 
water in de Baarmoeder ; hoe vroeger zy heeft begin- 
nen te vloeijen , voor de geboorte van het kind , hoe 
xninder tyd de Baarmoeder nodig heeft , om in dea 
ftaat te koomen van te arbeiden tot losmaking van de 
Moederkoek, indien dezelve niet reeds los is, of uit 
te dryven, als hy geícheiden is, en bygevolg, de af- 
haling veiíig en gemaklyk te maken. 

' Maar zo de vrouw, in tegendeel, van een zwakke 
en tedere gefteldheid is , 'er veel water is in de i3aar- 
moeder , en het wacer en hec kind te gelyk zyn uitge- 
koomen, gelyk zeer dikwils gebeurt, zal het lichaam 
derBaarmoeder,gewislyk meer tyd nodig hebben,oin 
tnt dien ftaat van werkeloosheid , waar in zy , op het 
oogenblik der verloffinge , ge vallen was,te bekoomeo. 
Bygevolg, als men deze vrouw, de Placenta wildeaf- 
halen , even fpoedig als de vooreaande , zou men ge- 
vaar lopen , of , den bodem van de Baarmoeder om te 
Íceeren » en dezelven naar buiten te doen uitkoomen , 
hem door zynen hals en mond uictjekkende , al hadt 
de Moederkoek niet zeer veel moeite om los te wot'- 
4en 9 ja al fcheiddeze zich z'eer gemaklyk van de wac- 
den der Baarmoeder; en de vrouw, in korten tyd, 
door bloedftorting te doen fterven. Want, zo zy in 
flaauwte valt, voor dac ;ich het werktuig cot famen- 

trek- 



AFHAL.EM D£R NAG£BOOKTE. 367 

trekking lierfteld hebbe;, zal zy.fchielyk overvalleil 
worden van íluiptrekkíngen , in dtt geval doodJýk, ter 
oorzake van het verlies van krachten, en verfpilling 
van het gene de vaten gefpannen moet houden. 

Met maar eenige weinige opmerking te iiemea op 

de twee llrydige gevallen , welken ik heb voorgeíleld^ 

en welken ook verfchillende uitvrerkingen moeteii 

voortbrengen;en zich te herinneren het gene ik voor 

af gezegd hebbe j aangaandede werking van de uit* 

dryvrng der Flacenta , door de natuur alleen ý zal bet nu 

niet n>eer moeiiyk zya , het oogenblik te bepalen ^ 

welfc men moet waarnemen , gm kraamvrQuwen de 

Nageboorce af te halen , naar dc verrchilleqde omítan- 

digheden, welken de verloífing verzeld hebben. In 

waarheid , zo de vrouw gezond en fterk is , en weinig 

water in de Baarmoeder , of onderíteld zyqde, dat 'er 

veel is, en weg gelopen lang voor dat het kind uit4e 

geboorte is gekoomen , kan men zulk eene vrouw aan- 

fionds redden , zonder haar aan eenig gevaar bloot te 

ílellen , ten miníle , wegens de verhaafting. van deze 

bewerking. Maar zo is het niet in de fti;ydige omllan* 

digheden^ gelyk ik, boven, reeds te kennen gegevea 

hebbe. , 

Maar behal ve de tekenen , uit de reden , welken ik 

voorgefteld hebbe , geeft ons het gevo^l een byzon* * 

der aan de band,'t welk my dunkt onwederfpreekbaar 

te zyn. Want zo de buik van de kraamvrouw, over- 

al zagt en ílapis, zonder dattneo, van binne, naar 

het onderfte gedeelte, een harde en bepaalde verhe- 

venheid gewaar worde.(a), is het volkome zeker,dat 

het lichaam van de Baarmoeder in een ftaat van werk- 

looshjeid is, en men , op dezen tyd , aan 't werk gaan* 

de, om de Moederkoek af te halen , de vrouw bloot 

zou ftellen aan de toevallen , welken wy , boven gé- 

meld hebben. 

Maar wanneer men op de plaatfe van den onder^ 

li)uik^ 

(4) Zie de Aantekeuiog (a) pag. 364. 

Bb 2 ^ 



3(58 LEVRET, VAN HET 

buik , e6n ey wyze zweHing . gewaar worde , tnet het 
vdornaamflre gedeelce naar boven (a) , heeft men gera 
ongemak te vrezen door het afhalen: want men heefc 
een onwederfpreekbaar bewys, dat de Baarmoederin 
werking zy. 

Ik denk niet , dat men my zal wiUen tegenwerpen , 
dat de Baarmoeder niet nalaten zal zich te fluiten , als 
men de Nageboorte niet aanítonds af hale , zo ras hec 
kind ter waerdd is gekoomen^ en men, derhalve, in 
't gevolg , veel moeite zal hebben' om dezelve oic te 
brengen ; want men hadc, uit onze verklaring van de 
werking , waar van ^ch de Natuur bedient , pm de 
uitdryving te bevorderen , konnen leeren^ dac hette- 
gendeiel duidlyk getoond is (b). 

Ik befluit, derhalve, met de befte Praktizyns vao 
onzen tyd, dat men zich niette zeer haaften moet , 
om de Nageboorte af te halen > en , in tegendeel , de 
fiaarmoeder zoveel tydmoetIacen,alszynodigheefC| 
'om in een voldoende faamtrekking te koomen, om 
^een gevaar té lopen met betrekking tot de werkeloos- 
heid van dic Ingewand. Maar men moet ook , aan de 
andere zyde , op zyn hoede zyn , van niet te iang te 
vertragen , want daar zyn omllandigheden , waar in 
^lle uicílel gevaarlyk zou 2yn. By voorbeeld , in alle 
gevalten , wanneer de verlolling voorgegaan of verzeld 
U van eene bloedílorting , door hec los gaan van de 

. ia) Ibid. 

(b) Inderdaad, gelyk het met de waterblaaze ís , 20 isookbet 
lichaam van de Baarmoeder, de tegenwerker van haar moi^, cn 
deze van gene, naar de omílandigheden , welken 'er de ootzakcE 
van worden; invoegen, wanneer het lichaam van de Baarmoedei 
zonder werking is, haare Sluitfpier toegecrokken wordt; en zo 
haaft dit Ingewand zich wederora faamtrekke, haare Sfttitfpici 
genoodzaakt wordt voor haar te wyken; waar uit, tegenhetge- 
meen gevoelen, volgt, dat hoe mlnder tyá na de geboorte vai 
heckind» hoe.meer tegendand van den mond der Baannoeder, 
voor de uitgang van de Placenta ; en hoe meer tyd na de aitkoo- 
ming van bet kínd , hoe minder tegeníland in den mond der Baai' 
jQlQeder voor de uitbaling. deic Nagebooite, 



AFKAIEN B£R KAG£B001^TE» 3^9 

Piacenta» Voorwaar , in éen of andere van de^ om« 
ílandigheden , moec mtn ionder in twyfel te ítaan,de 
af haling bewerken. Wánt , bebalve dác de.los gewor- 
den Moederkoek , in zulk een geval , een vreemd li- 
chaamís geworden/t weik de Baarmoeder belet,zich 
behoorlyk faam te trekken , om de monden der vafea 
te iluiten ; ftelt het zich ook tegen deuitloping van h^j: 
bloed , én geeft gelegenheid tot Áe voorckomíl van 
groote klonters , weiken naderhand niet dan mec moei» 
te j pyn , flaauwte enz. ontlan: worden. 

£en bloedAarcing vordert, derhalve, dat men de 
Nageboorte van eetie kraamvrouw af hale met zo veel 
ipoed', als het afzyn yan dit toeval , na dat het kind 
geboren is, eiícht dac men tyd geve , om het QÓgen- 
blik af tq wagten , waar in de Bairmoeder, door haare 
faamtrekking , de losmaking van de Nageboorte ber 
nverkt , om haar als dan , door bet uithalen vaa de 
P/^cm^^ te hulp te koomen. 

^ Maár indien men , als de Phcenta zlch vaílge^ec 

heeft aan éen van de wanden van de Baarmoeder, in 

pJaats van aan haaren bodem» de eeríle uitdryvende 

tvee van de Nageboorte waarname ; zou het kpnnea 

gebeuren, dat de Baarmoeder , welke zich , in dit gp« 

vai^ níet andersdan ongelyk kan iaamtrekken, de 

Placenta^ in zeker gedeelte van haare hoUigheid op« 

hieldt, als of dezelve in een byzonder vak beilot^sín wa« 

re; 't welk de uithaling van de Nageboorte zeer be-. • 

zwaarlyk zou maken. Daar is, derhalve, een tyd van 

de natuur gefchikt ^ om ons te bepalen wanneer deze 

bewerking te doen. En dit is het gene ik my,in 'tbe* 

gin , heb voorgeíbeld ce tonea , en tevens de tekeneii 

^aa te. wyzen , wlken s\xi^ Tseggen dat dit gwílig 00- 

genblik gekoomen zy, zonder te wagten , dac deeeríle 

uitdryvende wee bego^nen zy. 

Maar hier doet zich ) nacuurlyk , eene zaak op , wel* 
ke verklaard moet worden , naamlyk , wat men te doen 
hebbe, wanneet de Nagebóorte i op dézelfde tyd>uic« 
koome als he( kind^ nog in zyne vliezen befloceh| of 

Bb 3 ' 'flj^ 




S70 lEVUT y VAH HBT AmLBH BE» NáQUOORTE. 

op het oogenbUk ab dezen breeken: want volgeosoft- 
ze grondftelling , zal de irfoeder in eenig gevaai ko* 
men van bloedftortingy welken niet nalaten zal te ont- 
ftaan , ter oorzake van de fchiel yke werkeloosheid dei 
Baarmoeder. 

Het gcne men , op zoHc een tyd , te doen hebbe^is, 
ach aanílonds te verzekeren , of de Baarmoeder zich 
íaamtrekke,of niet: waar toe roen ligtlyk zal koomeo» 
door het weezenlyk kenteken , welk wy hier toe aan 
de hand ge^even hebben;zo dat»als men , weinig tyd 
oa de verloífing, de zwelling, waar van wy gefproken 
hebben , gewaar wordt ^ men niet te vrezen hebbe voor 
de Lyderes , ten miníle , met opzicht op de bloedítor* 
ting ; in plaats dat ais dit teken , zich , boe weinig ook , 
vertraagt te vertonen , het bloed , welk onophoadlyk 
gulpende uitloopt , alles moet doen vrezen. 

Zich dan verzekerd hebbende van den een of ande« 
ren (laat , moet men ílille zyn in den eorften ; maar in 
den tweeden niet vertoeven , de hand in de Schede te 
voeren , en den mond van de Baarmoeder met een of 
twee vingeren te tergen , dezelven naar binnen drai- 
jende , als ware het om hem te verwy den , om het 
Hcfaaam van dit werktuig tot den ftaat van faamtrek- 
king te doen overgaan , en dus de gevaarlyke bioed* 
ftorting te doen ophouden. 

Het overige van deze Verhandeling zullen wy in 
- een ander ftukje van onae Letteroeffeningen lateo 
Tolgen. 



Befehryving van eenige Esperimenten met Opium gedaan > 
op levende enJlervcndeDkren;dim ïí^bzkt whytt, 
M. D. enz. 

Eerjie Verwïg {*). 

iu \ gtentwintig minnuten over zevea uuren, in 
jf3L ^'^^ avond, maakte ik den geheelen boik eo 

boríl 

. (*) Zie het voorgaiinde p. 309» 



borft open van een kikvorfi:h,en dompelde híen», aaa^i 
ítonds , in een fnieUing van Opium aU boven. ^ Agcen- 
dercig minuucen over zeven , prikce ik zyne beeneq 
met de punc van een pennemes , maar bierop voJgdo 
zeer weinig beweging. Twee minnuten hier na keer» 
de ik hem op zyn rug, en zag hec herc zich bewegent 
Diet meer dan tuflchen tien en elfmaalen in een mi* 
auttt. Den kikvorfch, wederom, op zyn buik gdc^ 
hebbeode, om te meer aangedaan te kunnen wordea 
van de wetking van het Opiumi keerde ik hem, agt^ 
cnveertig minuuten over zeven^ dac is, twÍDCigmi- 
nuucen na de eeríle indompeliog, wederopzyn rug; 
en ziende^ dat het hert zonder beweging ware, open- 
de ik het hertzakje , doch dit wejrkce oiets uic* Ik 
fneedt het herc uit het lichaam, en leide het op een 
bord , wanneer het nog twee of drie ílagen deedt » 
zonder naderhand eenige beweging te maken , fchoon 
bet verfcheiden reizen ^ met een fpeld , geprikt wierd< 
Ook koa men geene beweging in eenige aiidere Spie^ 
ren , van dezen kikvorfch , verwekken • door dezel» 
ven te íleeken* 

12, Ik fneedt het hoofd af van een kikvorfch , en 
verntelde het rugptierg , door een heec yz^rdraad ^ 
maakte, hierop, zyn boríj; en buik Qpen» en domp^ldo 
hem in eene fmelcing van Opium , negeatííeft minuutea 
over elven. Agt minuuten voor twaalf wren ^ dat is , 
drie»en*dertig minuuten na de indompel^ing»zagikhet 
hert flaauwlyk ílaan:maar twee mkiuuten voor twaal- 
ve, wanneer ik hem uit het vogt nam,badt het geene 
beweging. Hier na m^akte ik hei hertzakje open» en 
prikte het hert t wee of driemaal , met de punc vav een 
mesje , waar op telkena eeo^e weinige flagen volg- 
den. ik leide toen den kikvorfch , nog vy f minuuten » 
in het gefmolcen Opiimf c^n vondc, ï^ bec uítQemen, 
het hert volmaakt dood. 

13. Na het hoofd van een kikvwích aff^ed^n ^ 
en fiet ru^^merg vernidd ce hebben , maakte ik zya 
geheelen buik open, eo wierp hom ia een fmeteÍBg; 

Bb 4 vaa 



37^ WHYTT, EXPBRIMENTEN 

I 

van Opium , drieentwiíitig minuuten voor één uur. Na 
dac hy zeílien minuuten gelegen hadt , fneed ik de 
boríl en het hertzakje open ; en ziende , dat het hert , 
vry regelmacig , en zeer ílerk floeg , 2 1 maalen in een 
minuut , wierp ik hem wederom in het water met 0- 
fiumt *t welk nu het heic onmidlyk kon raken. Vyf 
minuuten hier na , nam ik 'er hem 5 wederom uit ; en 
het hert zonder beweging vindende , (lak ik het mec 
de punc van een mes , waar op het begoh te flaan , tot 
veertien maalen in een minuut , en de bewegingen 
bleven zeer flaplyk, en niet zonder eenige áf breking, 
BOg omtrent een kwartier uurs, duren. 

14. Ik fneed het hert uit een kikvoríchy en wierp 
het in fonteinwater, tien minuuten over tién uoren. 
Onmidlyk na de indompeling deedhet, omcrent, 28 
ilagen in een minuut. Ágtien minuuten over tienen , 
ínaakce het 6 flagen in dertig fecunden. Twintig mi- 
nuuten na tienen, nam ik het uit het water, en leide 
het op een tafel , en zag bet , zo dikwils als het zagt- 
]ykaangeraakt werdt;één fl:erke famentrekking doen, 
en niet meer : hoewel het , in viér of vyf minuaten, 
van zelfs, begon te flaan,en agt-en twintig minuuten 
na €ien uuren, 19 flagen deed in een minuut. Vyf-en- 
dertig minuuten over cienen, floeg het twaalf maaJen 
}n een minuut, ^ 

15. Drie-en*twintigmihuuten over twaalve, fneed 
ik het hert uit een anderen kikvorfch , en fmeet hec 
in fonteinwater. Na dac het twaalf minuuten gelegen 
had, nam ik het 'er uir^ en het deed meer dan so ila- 
gen in eeli minuut. Als ik het , nog vyf minuuten , ia 
't water gelegd had , hieklt de beweging op , eh uitge- 
nomen zynde, floeg het niet,tenzy het geprikt wierd, 
tn maakte dan niet meer dan ëénen flag. 

i(J. Agt minquten na elf uuren, fneed ik hec hert 
uit eén derde kikvorfch , en wierp bet in f onteinwater. 
Elf mÍRUucen na de indompeling, floeg het g maal in 
een minuuc^ en vier minuucen later ^elf maalen in der- 
tíg fecuadea; maar de beWeging was bepaald aan^ 
" -í" :• ' oin- 



KITOPIUM. 373 

ciAtrenc , een derde gedeeke van het hert ^ naby des- 
zetfs puDt. Twintig minuuten na de indompeling , 
bleef het zich, op dezelfde wyze, bewegen ; maar nog 
twee minuuten hier na, geene beweging in het zelve 
merkende, nam ik het uit het water, en leide het op 
een tafe) , waar het in rufk bleef ^ ten zy het aangev 
raakt4vierdr. Kort hierop begon hét zich, evenwel y 
te bewegen ; en vyfentwimig minuuten , na de indom* 
peling , decd hec 9 (lagen in drie en zeílig fecunden. 
Vier minuuten larer,floeg het maar driemaal in vyftig 
fecunden , en hield toen geheel op 5 behalven dat hec 
met de pnnt van een mes geprikt wordende , één 
ílaauwe ílag maakte. Zeven-en-veertig minuuten over 
elven was het gebeel dood. 

17. Ik fneed het hert uit een vierden kikvorfch , en 
dompelde het,dercig minuutcn over tien uuren,in eeii 
troebele fmelting van Opium in water , van gelyke 
warmte als het fonteinwater 5 in de drieiaatfte Proe* 
ven (*). Na dat dit hert 'er , tien minuuten , in gele- 
gen had , nam ik het uit het vogt , en leide het op een 
tafel ; maar het maakte geen de miníle beweging. 
Met de punt van een mes geprikt wordende, hernam 
het wel fchielyk zyne gedaante^ maar het werd niet 
toc een natuurlyke famentrekking opgewekt , gelyk 
het hert van No. 14. Ik bleef dic herc, meer dan een 
half uur^ van tyd tot tyd, bezien, maar het maakte, 
iiimmer , de geringíle beweging. 

ig. Ik fneed hct hert uit een vyfden kikvorfch, en 
ímeet het in een fmelting van Opium , in water , vyf 
iDÍnuuten voor agt uuren. Zeven minuuten , na de 
indompeling , nam ik het 'er uit , en leide het op een 
bord , waar op hetin rufl; bleef. Met een fpeid geprikc 
wordende , maakte het geen volkome flag, als No. 
14. maar fcheen een gering gevoel te tonen , door een 
zeer flaauw foorc van beweging in fommigen van des- 
selfs vezelen. 19. Der«» 

{^ NaamL Naby zeftig graden op de Termopieter v^n r ahreN'; 

- ' Bb 5 



374 WHTTTy BXFERIXEMTEN 

ip. Dertien minuiKen voor twaalve , fneed ik bec 
heit uic een zesde kikvorfcb , en dompelde het in gt- 
fmolte Ofium, Zes minuuccn na de indompeling, had 
hec geene beweging ; roaar aU het geprikt wierd , 
maakte het éénen ílag^ Na nog vyf minuuten , in hec 
vogt > geleeen te hebben , was het ganfch dood. 

20. Ik íneed het hert uit eeo zevenden kikvorích» 
en wierp hec , zeven*en*deriig minuuten over negen 
uuren, in een fmelting van Opitun als boven. Twee- 
en-veertig minuuten over negen , wanneer ik het aic 
het TOgt nam, was het zonder beweging: maar mec 
de punc van een mes of ílilet, aangeraakc wordende, 
maakce hec ééne famencrekking ^ doch mec inindef 
kracht en veel traager dan bet herc van No, 14, Ze- 
ven*en-veertig minuuten over negen, begon het tan 
aelfste ílaan. Twee minuucen hier na,íloeg hetóisaal 
tfi een minuuc , maar veel íiaauwer dan No^i^. Zes 
minttucen vo(Mi cien uuren , lloeg het » alleen , vier maa* 
len in een minuuc : hier na begon hec fneller te ílaaa ; 
doch de bewegingen keerden , fchielyk , weder toc haar 
vmge craagheid. Te cien uuren , na dac hec , omcreoc 
tep minuuc^zonder beweging was geweeít, begon hec 
wederom van zelfs ce úaan, toc 17 maalen in een mi- 
BuuCy eu bleef nog agc of cien minuucen , hier na,zidi 
2eer flaauwlyk , en ten opzichce van den cyd , zeer 
onregehnacig bewegen. 

21. Mr. ROBERT RAMSAT Scudenc in deMedicynen» 
op deze plaacfe cwee fcrupels Opium gefmolten heb* 
bende in een Unce wacer » en een dracfame LMdamm 
Uqmium^ ( of Tinfluur van Opitmi) fpoot dic, bloed- 
waim 9 in den rechcen darm van een zeer kleinen 
hond y omcrend zes maanden oud. In minder dan een 
minuuty na de infpuicing, kon de hond, op zyn ach« 
terfte beenen niec ílaan; en in drie of vier minuocen» 
had hy hec gebruik van dezel ven zo ver verlcuren , dac 
hy dezel ven , al wierden ze ílerk geíleken , niec be^ 
woog, en 'er zelf, in *c minft , geen pyn van fcheen 
te gevoQlen. Hy kon evenwel nog^ mec zyn voorfte 

poo- 



M E T e P I 17 N. 575 

• 

pooten f wat om kr^belen ; en wnnneer dezen , of 
zyne ooren , geprikt werden , huilde hy (terk ^ en 
fcheen merklyke pyn te gevoelen. Tien minuucen na 
de infpuiting 9 lag hy als geheel gevoeleloos; doch, 
als 'er eenig geraas gemaakt werdt , door tegen den^ 
grond te flaan , opende hy zyne oogen , een weinig » 
en huilde, maar viet « aanilonds, weder in een diepen 
flaap» Weinige minuucen hier na, begon hy íluip-* 
trekkingen ce krygen, waar op de Hr. hams a y een 
ílerke pekel van zee-zout in zyne darmen fpoot, 't 
welk hem fl:erken afgang verwekte , en het uitvallen 
van den aars veroorzaakce. Kort hier op ohcwaakce 
hy QÍt zynen flaap, en kreeg^ allengs, het gebruik 
van zyn achterflie beenen weerom; zo dat hy, bin-» 
nen een uur^ het vertrek wederom kon rond lopeUy 
icbooD hy dikwils neerviel, om dat zyne beenen ón- 
der hem bogen. 'Na drie of vier uuren fcheea hy, 
in alle opzichten, wel; doch hoewel het Experiment 
's middags genomen ware^ kon hy niets eten voor laat 
in dpn avond. Toen hy in zyn grootfle bedwelming 
lag , kon hy zyn voorfte beenen gebruiken , en kerin- 
de als zyne ooren geprikt werden. 

22. De zelfde jonge Heér deedt, op myn verzo^k^ 
de volgende Proeve. Den 9 April 1755, maakte hy 
eene opening tot in de holce van den buik , van den 
hond , waar op de voorgaande Proeve was gedaan i 
en ípoot, door de wond, een drachme Opiim^ïn der- 
dehalveUncen wacer gefmolcen; doch, voor datby 
de wond kon dicht maken , liep omtrent een Unce van 
het voct weg. De hond verloor het vermogen van 
zyn achterfte beenen, byna oogenbiiklyk. Tweemi- 
nuuten na de infpuicing, kreég hy fluiptrekkingen;.en 
als hy zich , na verloop van nog twee minuuten , op 
zyn vooríle poocen ■ opgeregt hadt, viel hy neer, en 
was zonder gevoel. Op dezen tyd maakte de Hr. 
Ramsay dc borít bloot^ door de bekleedfels af te 
ft:heíden> ^t welk den hond geen pyn fcheen tedoen^ 

tn 



37< WHYTTi £XT£RIIfBNT£N 

eti hy kon de bewegiog van hec hert door het borft- 
vlier duidélýk voelen. Hec iloeg 76 maal in een mi- 
núut, maár van tyd toc cyd lang^mer (*)• Terftond 
na de tellmg der flagen , doorfneedt by de ribben , 
áan elke zyde van hét borftbeen , 'c welk hy achcer* 
over leidê, op de gewoone wyze. Hec herc , welk 
dus in 'c gezichc kwam , vertoonde zich zeer gezvol- 
lén , en bleef omtrenc vyFmiouucen in beweging;ge- 
durende welken cyd hec alleen tuflchen de 60 en 65 
zwakke flagen deedt, want het waren geen volkomeo 
famentrekkingen. Terwyl het hert zich dus bewoog, 
bragt men 'er eenig warm fpeekfel aan, hier na koud 
watér, en laatíllyk olie van Vitriool; 'twelk waai 
hét raakte, de deelen deedc rimpelen , op gelyke wy- 
ze als een heet yzer zou gedaan hebben ; maar geen 
Van allen maakte de flágen van het hert raíTer, weJ- 
ken Van tyd tot fyd trager werdeh/tot dat zy geheet 
•phielden; 

De vezelen van eepige tuflchenribbige Spieren , aaa 
de régter zyde van het borílbeen, bleven nog in een 
zwakke trillende beweging ^ omtrenteen half uur ná 
de infpuiting in den buik; maar de tuflchenribbige 
Spieren, welken aan de ribben yaíl waren, aan de 
zyden van de boríl , zag men niec bewegen. Ook 
Aiaákce hec Middenrif geene beweging, wanneer de$« 
zelfs vezelen geftoken of gefneden wierden. 

In den buik was niecs byzonders ce zien ;alleen hadc 
hec gedarmce , íchoon de buik geopend ware^ tien 
minuuten nadê infpuicing, geene beweging ; daar de 
Hn Ramsat in een anderen jongen hond, waar aan 
geen Opium gebruikc was , de wurmswyze bewegiág 
éen half uur hs^dc zien duren ^ na dac* de borfl; geo- 
pend was. 

De 

■ {*) Het hert van den hond, inden natuurlyken ílaat, envoor 
dat de infpuUing van dp gefioDioUe Opfum^e^aan.wis, ^o^g 150 
ipaijUen in een minuut. ' 



- M E T O P I U M. .377 

" De hoiid hadt weinig of geen bloed verloren, by 
het maken van de wonde, ook was *er geen van zy- 
ne darmen door gekwetft. 

23. Ëen kleine hond, in wiens maag de beroemde 
Dn Mead, op vier verícheiden tyden^ eene fmeltjng 
van een half lopd Opiúm in water hadt ingedwongen^, 
leefdcmeer dan een uur en drie kwartiers, na het g^ 
ven van het eerfte gedeelte (*)• 

24. Het zal geene buitentred zyn , hier by te yoe* 
gen een Experiment^ 't welk Dr. Alston befchryft, 
in zyn geleerde Verhamieling over het Opium (f). Hy 
déedt in de Pye-ader vaa een ouden hond , twee-en- 
veertig ponden zwaar, op drie verfchiilende tydea» 
inlbuiten een half Unce Opium , in vier Uncen water 
geimolten , doorgezegen y en ilo warm giemaakt als het 
bioed van het dier. De eerfte reize werdeQ omytrenc 
vyfcien drachmen, zeer langzaam, ingebragt. Dic 
was van geen byzohdere uitwerking. Omtrent een uur 
daar na, werden nog agt drachmen langzaam inge- 
fpoten ^ waar op de hond aanftonds fterke ftuiptrek- 
kingen kreeg : de aderflag was ras eo klein , en na 
eenigen tyd kwam hem fchuim op den mond. Maar 
alzo zig geene tekenen van een haaftígen dood ver« 
toonden , werden de laatfte negen drachmen fchielyk 
ingevoerd; waar op de aderflag vol en traag werdt^ 
en de hond in een minuut; of zo omtrent, ftierf. 

Dus verre de Experimenten van den Heer Whytt 
met het Opium* Wy zullen , in hct toekoomende , de 
'geVolgen en leeringen , welken de fchrandere Hoog- 
leeraar uit deze Ëxperimenten trekt en aíleidt , onze 
Lezers insgelyks mededeelen. 

(♦) Tfeatifi m Poifons, Eflay IV. 

(t) Edinburg.Mcd. EJays, Vol. V. P. I. Art. XII. 



On$' 



OrtíleedtanXge Aanmtrldngen aangaande be$ maakfelenfa^ 
, mm/lelling van de MiU. Door den Heer o& la sone ^ 
' Ud van de Konínglyke Maatfchappye der Weetenfcbap- 
penteParySf enz. 
• ■ " 

HCt Wezenlyke van deze Aanmerkingen van den 
Hcer D£ LA sÓNE » rakende het verfcfadliende 
gevoelen*der Ontleedkundigen , aangaande hec maak* 
ík van de Milc, beílaat in het volgende. Wanneer 
men de Milc-flagader vervoJgt tot aan derzelver .laat* 
ite verdeelingen , tot men geheelenal het fpoor ver- 
liefl:: fchynen dezelven te ontaanden in een verRrbil- 
lende zelfftandigheid , mraar v^n het beftaan byna zo 
teder is als dat van de Herfenen. De Ouden , door 
den fdhyn bedrogen , hebben dit genoemd Parenchy^ 
ma^ of een uitftorting van iappen^ om dat zy gúwÁ* 
den dat het inderdaad was btoed , \ welk buiten ge* 
raakt, en in eeh Q)onsagtig vleefch was verand^, 
Zonder eenige werktuiglyke fchikking* Maar. dit 
denkbeeld is van alJe hedendaagíchen , als wetnig 
naauwkeurig^ verworpeti. Men moec echter malpi- 
GHius hier van uitzonderen , die , bedrogen door de 
uicwerking van kookend water op deze zelfílatKÍig- 
heid y hier in het gevoelen der Ouden gevolgd heeft. 
Het is , ondertuífchen , niet moeilyk zich van hec te« 
gendeel te overtuigen ; want als men , do<M: het in* 
^uiten van laauw water,al het bioed uit deMilt heeft 
weggenomen , en men dezelve dan in water laat koo- 
ken y zal men nog al geduurig de zeifde deelen ^ naar 
geftremd bloed gelykende, gewaar worden, welken 
'er evenwel zeer verfchinende van moeftenzyn, om 
dat alhet bloed reeds weggenomen was. Men be- 
fpeurt dan nog een foort van papagtige wolligheid, 
en fomtyds eenige roodagtige kiootjes; weshalve het 
niet is een verdikt bloed^ maar een waar werktuiglyk 
deel. 
Maar is dit werkcuig klieragtig? Heeft het ^ onaf- 

hang* 



P£ LÁ SÓNB j VAÍi D£ MILT. . 379 

hai%>yk van de Vaten , een papagtige en biáasjesag* 
tige zelfftandigheid , gefchikc tot eenige affcheidin- 
ge ? Of ;^yn deze papagtige deelen niets anders dan 
eene byeenvoeging van de uíteríle takjes der vaten , 
en beftaat het werktuig enkelyk uit vacen ? 

Hec eeríte gevoelen heeft malpighius voorgeílaan, 
die , niet tegenílaande het voorgewende Parencbytna^ 
papagtige greintjes heeft waargenomen , aan de ai- 
teríte takjes der flagaderen haogende 5 gelyk de Be« 
ziën der Razynen aan haare fteeltjes. 

Het tweede is dat van ruisch ; die beweert, datvhet 
gene men voor klieren opgeefc , niets anders is , dan 
een hoop flagaderlyke takjes; en bygevolg dit werk* 
tuig geheetenai vaatagtig is. 

De Heer D£ la sóne, ftukken van de Milc onder* 

zoekende na een lan|;e weeking ia wafer ^ gelyk mal- 

riGHiuSi heeft de kheragtige beziën aityd gevonden« 

Maar wa^ zal tnen dan zeggen van ruisch , die Mil'- 

ten , opgelpoten zynde , vertoonde , waar in men niecs 

anders ontdekte , dan een verwonderlyk weeffel van 

vaten? Kan hec gezicht in zo'n geval bedriegen? Kan 

tnen de trouwe van eenen oncleedkundigen , als 

RUiscH^in cwyfel trekken. Neen zeker. RuiscHCoon* 

de niecs dan hec gene hy zag, en hy kon de blaasag- 

dge zelfílandigheid niec zien, om dac hy dezelve ver- 

nielde. Behalve dac de middelyn der vacen , door zy« 

ne inípuicingen vergrooc , de papagcige zelÍLiandig* 

heid verdrukce en verdonkerde, en de infpuiting be* 

Jeccedaar toe door ce dringen, heefc d^zeivedikmaals 

al vemield moecen weze'n ^ door de herhaalde uicfpde- 

Jingen , welken hy gewoon was ce doen , eer hy op- 

fpooc. Ook zeide de vermaarde.BO£RHAAV£, dac een 

opgeípooce Milc op geenerleie wyze geleek naar eea 

welkeniec opgefpocen was(i). 

Daar 

(r) Deze redenen, tegen den Heer ruisch ingebragt, zyn nlet 
nieuw: zy zyn meermaalen gemaakt; en ruisch heefc*er ookvan 
zyne zyde' op geaotwoord» Vid, Epijl, 4. et Jnatm. ad H. Boer- 



Jgo DE LA aÓNÉ^ VAN A£ HILT< 



is nog iet, 't welk de Ontleedkundigén ter^ 
deeld houdt, naatnlyk de Celletjes van de Milt, wel- 
ken van fommigen gelleld en van anderen ontkend 
worden. De Oaden, die de Milt alleen beícbouiv^- 
den als een fponsagtig werktuig, kenden geen andere 
ceHetjes dan de tuflcbenruimten tuflchen de vaten, 
welken- zy onderítelden ingenomen te zyn door hun 
gewaande Parmcbyma. Malpighius heeft 'er een 
klaarder en ondericheidener denkbeeld van gegeeven. 
Volgens zyn gevoelen maaken de uiceríle takjes van 
^c iugaderen een net ^ waar van de fchakels veree- 
nigd.zyndoor viiezen^ en celletjes maaken, weikea 
met malkander gemeenfchap hebben y en de papagtí- 
ge klootjes omvangen : een gedeelie van de kleioe 
cakjes def flagaderen fchynt te gs^a fiaar deze kJoot- 
jes 9 waarichyniyk om in dezelven' af te leggen een 
vloeiítoffe^ van het bloed verfchillende » en deande» 
ren ílorteQ hun bloed in de celletjes , welken gemeen- 
fchap hebben met de uiteinden der aderen ^ waar van 
zy de eigenlyke boezems zyn» De Heer winslow 
£rkent ook een katoenagtig weeffel , 't welk een ge- 
4ieelte van de tuílchenruimte der vatën vervult , het 
•bloed indrinkt en naar de celletjes voert , waar het 
eindigt. 
RuiscH if van een geheel (trydig gevoelen ; hy ziet 

Ul 

* 

KAAVE, pag. 50, 64, etc. Andcren, hem volgende, zeggen: 
-Wanneer de flagaderlyke en aderlyke vaten van de Milt wel op- 
gevuld zyn , fchynt de zelfílandigheid van de Milt niets anders ce 
zyh y den vaten door een celagcige zelfilandigheid onder matlaiv 
der verknogt. Hec Maakfel van de Milc, zegt de Heer hallu, 
is veel.eenvoudiger,dan men in*tgemeengeloofr. Ineen meDfch, 
en ook in een kalf beftaathy alleen uit aderen cn flagadéreir; wel- 
ken ongemeen takagtig , en in ongemeen kleine en zeer zigte af- 
zetfels. welken niet gemaklyk opgefpoten kunnen wprden» ver- 
deeld zyn , maar welker overgang in de aderen gemaklyk is. De- 
zen met hunne gelykloopende takken, naar penfeeltjes eenigzíns 
gelykende,zyn van verfcheiden Schry vers yoor klieren aapgezlen. 
En in een welgedaane opvulling door konít, loopt nooit de lloffe 
in cenige tuflchenruimten. Frim. Lin. Fhjf. J, 664, 



D£ LA sêNE^ VAN Dï 'HILT. gSl 

in de ^MiIc niecs dan vaten , en erkent t^th weinig 
celletjes, als klierbeursjes. De Heer D£ la sóMe ge- 
loofc^ dac de celletjes in'de Milt zyn, om de volgea* 
de redenen. 

Het binneníle vaii een Milc , welke opgeblázen 
wasý en eenigzins begint te droogen, onderzoekende, 
ziec men de cellecjes en blaasjesf met één woord, dic 
ingewand fchynt, volgens den Heer D£ La sóne, vaa 
een klieragcig maakfel ce zyn , gelyk malpighius hec 
heefc befchteven. 

Op welk eene plaacfe van een welgeíielde Milt meij 
eene opening maake , fchoon maar ondiep in zyne 
zelfftandigheid doorgaande , en mec een pypje in deze 
opening blaaze, zalmen alcyd de geheele Milt ziea 
epzwellen. '£r is dan in bet lichaam yan de Milt eea 
cclagcig weeffei , waar ván de cêllecjes met malkan- 
der gemeeníchap hebben (2). Daar is meer, deze cel- 
lccjes hebben óok genieenfchap mec de aderen van de 
Milc; want onder het doen van de evehgemelde proé* 
ve heefc de Heer d£ la s6n£ alcyd gezien , dat dt 
luchc zieh een uicgang maakce door de ftam van de 
milc-ader ; en door deze ílam inblaazende, zonder ge- 
weld, zwol alcyd hec geheele li^haam van de Milt; 
in plaacs dat, wanneer men door de ílagaderlyke cak 
inblaaftý de Milt niet dan met moeice opzikrelt, en 
zeer onvolkomen; een ontwyfelbaar bewys, dat de 
luchc, aan het einde van de ílagaderen gekomen zyn- 
de i aldaar zulke naaúwë openingen ontmoec » dat ze 

'er 

(í) In de Aíilt van een menfóh, zcgt een eecr geacht Óntleedí* 
kundige, worden kieíne celletjes gevonden, by ae uiceinden dejc 
kleinc vaten , welken fchynen gemaakc tê worden Van de cclagtí- 
ge zelfaandigheid van het Net , en het eigeri Vlies van de Mil& 
Deze omvangt de vaten, en fchync.met dezelven in de zelfílaa* 
dighcíd vaií de Milc in ce gaan. Dcze celletjes^ hebben meC 
malkander gemeenfchap, door dé geheele zelfïlandigherd van d« 
Milt. Wanc zo men een opehing niaske in het gemeene Vlié^ 
yan de Milt, en dóor dic wondj^; met behulp van een pyfl 
iucBt inblaaze , wordt 4e geheeie Ml\t, opgeblaíazen. ^ 



%Zt J>£ X.A ^ÓNSi. VAN DE MILTt 

'er niet dao beswaarly^ 4oorga; 'c wetk genoeg over- 
ceo kQOmtniet papagcige wcrktuigen , en met hei ge« 
ftel doar JiALHG^ii}« J^efchTeven* Het is zeifs waar* 
fchýnlyk ,dat in een levend dier de lucht door de ade* 
len doordringe in het Uchaam van de Milc. Maar over 
de omloop van het bloed en het nuc van de Milt, 
nog^Mreinig bekend, belooft de Heer de la sónë íq 
een andere yerhandeling te zullen fpreeken(*). 

(•) Memóir, de VAcaá. Rvj. des Sc. jínn. 1754. youm. dcs 
Sav. 1761. Jvril^ pa§. 297. 



•vw* 



pe Krygskunde , bet Vaderlani nuttig , en de Ingezetenen 
' gemMeljk gemaakt» Door Mr. Jan Schomaker Jooftz, 
' Kapitein by de trouppes van den Staat der Vereenigie 
' ' Nederhnden. Te Utrecht ^ by G. van Paddenburg; 
MDCCLXI. Bebahe de Opdragt , enz. 300 bladz. 

DE. Heo* Scbomakerj van oordeel zynde, dat de 
Krygskunde over 't algemeen in ons Vaderland 
te veel verwaarloosd wordc , heefc zich eenige jaaren 
herwaardswbevlycigd, om na ce gaan , hoe dit gebrek 
Xe herílelien zy ; en ^c is hem , naa herbaalde over vee- 
ging t voorgekomen , dac hec cen uiceríle díenílig zya 
zou 9 eeií Krjgskundig Kmekfcbool op ce ^ten ; om jon- 
go Liedea^totden Dieoíl: genegen , op eene geicbikte 
inanier te onderwyzen , en bekwaam te maaken^ om, 
op een^ welgegronde Theorie , en ervaarenheid in 't 
manauvreeren , de Krygskunde , indien ^c de nood 
mogte vereifchen , (dac God nog veele jaaren verhoe* 
de i) ín Praftyk ce konnen brengen. In gevolge hier 
tran' heíft J^y zich voorgeíleld zyne gedagten deswe* 
gens, toc een geregeld ontwerp gebragt zynde, aan 's 
Lands ScaÉcen cer onderzodcinge voor ce draageo;eo, 
fep hoop cener gunftige goedkenringe van *s liinds 
ya.deren, o^k dic zyn ontwerp , ter algemeener kun* 
i^igbeid £n aanÍpbonDge , openlyk io 't ii^ht ite gee« 
ven , onder den i^ov^^nitaaiKleA Titd » welke nader 



QNTWBR? Vm EEN QQKfS V|LY WIUIG«Mii . 3Í3 

vérklaard wordc » door , Otitmrp »; w/iar m , om/ifr d!f 
geedkeuring en het gezag van de. Hooge Overigheid , een 
Porps Vry willigers kan v)oxden^ opgeregt , en geoeffent ii^ 
al, het geen de befeherming van 't Vaderland komt te votf 
deren. 

: Onze Auéleur vangt dic Tra£taat , waiar in hy zya 
Onr^^rp oncvouwt en verdeedigc^ g^n» oietten^ uicr 
voerige befchouwing van 'c gedrag ve^Ier Nacien tea 
deezen opzigce;om ce (oonen dat^m^n de voecílappea 
van een zoqrcgdyk Onm^^i'p als 'c zyne , genoegz^^am 
door alle tyden by alle befchaafde Vplken oncmoet ^ 
ten minílein zo ver, dat men zich.benaaríligde om 
de Jeugd de gronden der Krygskuíide in te boezenáen ^ 
en 't niet alleen op de Praélyk te laacen aankomect i 
maar de Praflyk ce doen fteunen qp de Theorie » ea 
hen daar door bekwaam te maaken , om naar vereiích 
der omílandigheden op eene geregelde wyze ten nuc? 
te van 't Vaaerland den Kryg ce konneií voeren. — ^ 
Dit Ontwerp zag, zynes oordeels^ eerH: het daglicht ia 
Egyptê 9 en greep ook iland onder de Ifráëliten : 4c 
Perfiaanen maakcen 'er veel wefks van, en Cyrus is ten 
groocen deele zyncn roem aan 't zelve vérfchuldjgd 2 
de Grieken oefenden zich boven. al ip de befpiegelend* 
Krygskunde-, en de Spartaanen herftelden hunnen Vier* 
valien Scaat , met het herítellen faunner oude WetceOf 
cn dus van de Krygsfchoolen ; de Schriftpn van Tbu^ 
eydides ^ Xenophm en Pêlybius verleenen eene tnenigttf 
van voorbeeíden der Helden, die wonderen ged^aa 
hebben,.door hUnne ervaarenheid in de Krygskundes 
de Macedoniets hebben bunnen roem dank te weetca 
aan dic Ootwerp ;. Pbilippus en ^/?:i;^2i2^^r erkenden het 
nuc der Krygsfchoolen , en kweekcen daar door een 
groot aancal van Helden: en^ omvan and^re Staatea 
der Aloudheid niet ce fpreeken, de Romei^i^n&eldtTí- 
dic Oncwerp onder dé raiddelen, die ze bekv\raamft 
oordeelden, tot het volcooijen der Krygskunde.,..$8 
ondervonden deszelfs heilzaaoie uicwicrkfelen doo^aljc 
lydenitot dachun Gemeen.^beft , 4<> w/c.invo.^ren yaii 

C c a and&' 



S84 ONTWERP VAN EEN CORPS VKlWtLUOaSé 

• 

andere grondregelen ten agteren geraakc, en eiáde^ 
lyk ten gronde gegaan js. Van dien tyd af , merkt de 
Heer Scbmaker verder aan , verviel de Krygskunde » 
w men had , gedourende eenige eeuwen , de gelukkige 
gevolgen eener onderueeminge meerendeels toe te 
(cbry?en aan 'c geval of aan overmagt van manfchap: 
egter vond men nu en dan iemand , die 'er zicboptoe- 
ley ;meR begon ook allengskens den Oork^ met meer 
geíbhiktheid te voeren ; bier úit ontftond een Theo- 
ije 9 docfa te atm om de Pra£Í:yk te onderíleanem 
Men nam nogtans , dus ver gekomen zynde wel dra 
myn Ontwerp, zegt onze Schryver, te hutp; in de 
elfde eeuw of wat vroeger begon men de Jeugd reeds 
op het zevende jaar tot den Kryg te bereiden , en oa 
vereiíchte proeven van bekwaamheid werden ze op 
hun een en twintigfte jaar onder de Ridders toegelaa- 
ten : doch deeze infteíling moeíl ongelukkig heulen 
met het waangeloof en Uefdeswelluft^tot dat HenJrik 
de Ilde in een Tournoifpel doodlyk gekwefl: werd ,ea 
Cervantes zynen Dm Quichot in 't licht gaf , waar door 
de doolende Rtdderjchap eene groote af breuk leed. In- 
middels had men , het Buskruid uitgevonden zynde » 
reeds in de i^de eeuw , de Jongelingen na hec wic iee- 
ren íchiecen : maar boven al begon men in de i6de 
eeuw de krygstalenten ÁttGriehen enRvmeinen van on- 
der de puinhoopen der Aloudheid op te del ven ; waar 
van ons Vaderland de ëeríle heilzaame uicwerkfelen 
genoot , toen Graaf fViBem deeze gedagte kunft der 
Ouden herílelde^ en Prins Mauritz^ dezelve, op zya 
voorbeekl, in grooter volmaaktheid oefenende, zyn 
Leger toc een oefeníchool maakte y daar de uicheem- 
fche Adel de Krygskunde kwamleerem — Defmaak 
voor de Krygskunde der Oudep zederc de overband 
neemende , zag men wel dra Schrifcen deswegens ce 
voorfchyn komen , en inzonderheid in 'c jaar 1616. 
eene Verhandeling over den Krygsílaac der Romei« 
Ben , waar in de Heer JVálbaufen coonde , dac de Krygs^ 
bmde reedsvoor eenige sduizend jaaren in openbaare &cboúlen 



imwgm VÁN EfiN CORf S VUYWIXXIGBRS. 385 

^emeezen werd. Men had ook onder ''HendMk den 
i Vden een Krygsfchool in Vrankrvk opgeregt geT^ien » 
had niet de fnoode Rmaillac ^met hec vërmoordeh van 
dien Vorft , ook dit Ontwerp aan ftukken gefneeden. 
De Cardinaal Mazarín , en de Staatsdienaar Lóuvois 
hervatteden dit Ontw^p, doch 't kwam niet ter uit- 
voeringe; eindelyk nogtans zag men, omtrend het 
jaar 1682 , onder Lodeí»ykáeTi XlVden MilicaireSchoo» 
len opgeregt; welker inftelUng, fdioon niet lang be« 
ílendig, egter ais lofwaardig goedgekeurd werd,door 
den Koning van Poolen , den Keurvorjl van Brandenburg , 
en onzen Stadbpuder , Prins fFillem den Illden , ten 
bewyze dat het verval dier SchooJen in Vrankryk niet 
aaa derzdver innerlyke oowaarde , maar aan andere 
omftandigheden van tydén, perfoonen en zaak^n is 
toe te fchry ven« Onder de regeering van Lodewyk den 
KVden floeg men in 't jaar 1724 op nieuw de hailden 
9aa 't werk , en 't Ontwerp werd , naa yerloop van 
eenigen tyd en daar op volgende befchaavingen , ter 
befnoeijthge van k ovcrtpllige , zonder moeíte door- ® 
gedreeven. Wel dra bloeide.dit Milicaire School en 
vertóonde de vragten van zynen eerílen wásdom in 
yrankryk: ook heeft ÍRíien de nuctigheid daar van n^ 
' Jcend , en ziph teráankweekinge der Krygskunde langs 
dien weg bevlytigd , te Weenen , Berlyn , Koppenbagen ^ 
'Petersburg^ Twin^ bý vericheidene Vorften in Duitfch* 
iand^ en onlangs in de Republyk van í^enHie , ja zelfs 
by de Turken , (ehoon op zy n Tnrks. ' 

De Heer Scbomater bctmgt geen gelegenheid te 
hebben pmván ándereoorden deswegens tefpreeken^ 
xnaar dit weet ik^ zegt hy ^dat 'er het nabuunge Grootr 
JSrittanie en ons dierbaare yaderlandvzn verftoken zyn { 
dit geeft hem aanleiding , om 9 in navolging van een 
£ngelfch Schryver» zyne klagten daai: over uit te boe- 
zemen, en den Leezer onder ^t oog te brengen, hoe 
jammerlyk , de Militaire Opvoeding verwas^rloosd, 
wordt, en 't beroep van een Krygsman tot eene alge* 
meen^ v^ragting veryaDen ia, m dit ons Va^erland t 

Cc 3 waaif 



waantóe, zjnés ooírdeels, de ýolg^ende oorza«k^ 
^ragtíg medewerken. De Geídgierigbeid ^ de iagelykjche 
mfyoing Xktn ze veele FreemdeHngeú m anze Natie , de 
Xiweperj , de Sexe ^ -en eisdelyk de MHitairen ^ehen , 
tlie , ( uitgezonderd eenige weinige lofwaardigen , ) 
veel al^onkundig zyn van 'tgeen hun beroep Vereifcht*, 
en naa eenige jaaren dienens , met verhoogden rang 
bekleed zynde, huDne overige dagen dowbrengeo ia 
eene Tuft, daar noch zy/zelven , noch de t'zamenlee- 
ving belang by hebben. 

, Dit gebrek is , voigens onzen Au£leur zo algemeen , 
en de veragcibg voór de tegenovergeilefde waarher 
fien zo ver gekomen, dat 'er geenirnder fanipmiddel 
ter faerftellinge overbly ve , dan zyn Ontwrp : íocb 
weetends , dat hy hiet in het^ vooroordeei op eene 
ontzaglyke wyze tegen zich heeft,zb tragt hy te doen 
ztetíf dat eepe bezadigde beíchouwing der zaakc een 
ieder yan de ge^rondheid en nutheid van zyn Ontwerp 
moet overtuigen : nademaal men niet kan ontkennen, 
dat ieder kunít gegrond is op eene aaneenJchakBUng x>an 
verjcbeiáene vomjcbriften , die baar eigen , en doar de mkr' 
tínding bevejligd zyn; en die derhalve van alle kanten 
met de^uiterjie nauvjieurigbeid bejcbouwd úieeten worden ; 
waar uit volgt, dat de bejcbouwende kenrás eener Kunfie , 
/sn dus ook die der Krygskunde, tm boogjie noodzaaklyk 
is. Ook kan niemand, zynes agtens^het oog veílïgen- 
de op de nutheid deezer Kunfle, en agt geevende op 
de heilryke gevolgen van ditQff^'U^pdoor alle tyden, 
door zo veele Vorílen beguníligd , £táaDde houden 
dat ditmiddel ter verkryginge dier befchouwende ken- 
niíTeontbeerd kan worden. — — Men vindt,zegthy, 
jpgter menfchen, die een willekeurig denkbeeld van 
dit zyn Ontwtrp maaken , het zelve van daar verkeerd- 
iyk voorílellen , en lïaande houden , dat ze , zooder 
«ene laftige manier van íludeeren , (gelyk ze fpree- 
Scen^) zich bekwaam genoëg konnen maaken^ door 
faunne verkeering in de groote Waereld , faet. leezen 
van fiaijf /Werk^ over de Erygsl^qndej het ipeelen 



^TWUP VAM EEM COKPS V&'miUeBU. ftS? 

/ 

op 't SchMkboïíd óf BiUatd, bet jaagen m'^ Wild^ 
t^ ft^(\»(Meéteíí yrzn dea. Schoiiwbiirg, bet leeaeflt 
vah Woordenboeken , Maandlykfche Scbríften ^ ^ 
dergelykeo/* £>it gevoegd by 'c gebmiken vaniDoiza» 
ge middclen > die becrekkelyk zyii cot de'lkbaamt^ 
oefenítigen van een Krygsman 'jisin fafunne oog^ilitci 
voldoebdd» dat ze daar oprden-fpotdryven.met dit 
pntwerp. - De Heer &iboiit<i^*beantwoordt:dn::denk^ 
bedd» <k>or eenealgemeeneaamnerkin'g^ dsftr^^ini) 
ip eene.Kúnílregc ervaaren' te wcffden , meer moeiee 
en ingefpannenheid van geeít vereifcht wordr , dkn in 
zodanig eene leevenswyze plaacsfaeefc; dathét van 'c 
uiceríle nuc is de Jeugd,coc den Krygsdienlt'g'e^kc^^ 
van jongs af onder eene ítrenge- cugt en vólmakto 
onderwerpiog ce bouden ; en dac de hebbelyk&eid der 
Krygskunde door de Jeligd niec te verkrygen i&, w&n*> 
neer ze i^aú «ich zel ve overgegeeven blyfc. 

Hier op gaítt.onze- Schry ver over^ ter ontleeding 
van zyn Ontwerp, het welk hy breedvoerig ont«? 
voawt , en , overeenkomíllg met het; Berigt aan dic 
1 ra£laat gehegt/hoofdzaakTyk hi£r in beilaat.- Onder 
het goedvinden der Hooge Overigheid zal 'er inof by 
fVageningen eene bekwaame plaacs tot eene Milicair 
Kweekfchool gefchikc worden ; hcc zelve zal uic vier 
onderfcheidene ClaiFen beftaan ; en ieder , die begeert 
deel ce hebben aan de Milicaire opvoeding aldaár ^ zal 
den ouderdom van veertien jaaren of meerder bereikt 
hebben. Hy zal zich verbinden even als waare hy iu 
's Lands Krygsdieníl aangenomen , om zich den tyd 
van vier jaaren aan de reglementen van dat Ksveek- 
fchool te onderwerpen ; en op vaílgeílelde tyden een^ 
zekere fomme te becaalen , die in 'c Berigc nader ver«- 
meld wordc; omtrend welk laatíle egter de Zoonen 
der Heeren Predikanten v^n de refpcaive Proteftant* 
fcheKerken deeza: Landen, 6n dieder Heeren4í)$^ 
cieren in dienft van den Staat eene byzondere beVooi'; 
regting zullen hebbep. Buícen de laatftgenoemdefl zu|- 
ïen 'er *s Jaarlyks í.n ieder CJaíFc pie(i meejc 4w yyftig 

Cc 4 • eA 



•fc. 



|SS ÁMÍ W ÊM9 víM am cous YATvttuccii 

tf niet miodcr dan vf^co^nrÍDCig io dit Kweekfirfaool 
toegdaafeo woideo ; zodac het gehede g^ der In- 
tekeoaaren , TOQr de ¥ier Oaílên , niec mioder dan 
looeooietaieerdaosoozy. De Hcer Sebgmaker yikh 
de eerfte dire&ie hicr vao leferveerende, (terwyl hy 
zicbyingeval Yanbezwaar^ondenrcfptiaandejQdica- 
tore vao zyoeo competcnteD Regter, ) veibindt zich 
om deo Heereo aile vereilchte onderhond , gemak , 
geooegen , en gelegenheid ter oitlpanninge tot ver- 
raaak te geeveo. In ditKweeklchool zal menbekvaa* 
me Qoderwyzers en Leermeefters vinden , om, in 
den tyd van vier jaaien , vier ondericheidene QaíTcD , 
ieder Clafle één jaar freqQenteerende , een grondig od- 
derwys te ontvangen , in alles wat betrckkiog beeft 
tot de Krygskoode , en daar door bekwaam te wor- 
den» om het Vaderlaad met nut te konnen dieneB. 
Het onderwys zai gaan over de volgende Konften eu 
Weetenícbappeny en wel in deeze orde. 

f I in de Redenkuode oíL/Qgka. 



Ecrfte aaflis. << 3 * Aardrykskandc. 

4 In de Híílorien. 
,5 In de Franfiphe taal. 



} 2 In de eeríle begiDfelen van de Wiskunde. 

l; 

Íi In de Krygskunde (*). 



% In de oefencnde Wisknnde. 
!Cwee()cCl2(in^*^ 3 In de Kryssbouwkunde. 

4 In de Natuurkunde. 
,5 In de algêmecne Werktuigkunde. 



Do- 



(♦) Hier door bedoelt onze Auílcur bepaaldlyk het onderwys, 
„ hoe. cen Leget geformeerd , gcóefend , ónderhoudcn , geleid , 
geplaatíl cn íh ilagprdc g^lleld wordc; om met voordcei eea 
vyan^iyk Lcser tc wederítaany dcszclfs voortgangen te íluiten, 
zyn eigen te handhaaven, en alles tc verrigten wat tot zekcr- 
hcid van 't Land en afbreuk der Vyanden vcrcifcht wordt": 
bp 't woordiyke ondcrwys bíer inzal ook de datdeiyke betoogíYiS 
yolgen, in fcn byzon^cr daar toe gcfchikt ycld, pf Qa$íf^^' 
•tíur, wáar toc, volgeris het bedoclde van dc^ tlecr SchtMktf, 
het noodige cerrain niet ial ontbrcekcn, datook in vcrfcheide? 
^nd^rc ócfeningen vah diciiQ zal zyn. 






- J 



[ 



QttTKTEllV VAN BEN CORPS VRYWIlLIGEllS. 389 

f I In de Gefchut-of jírtillerie-kunde. 
Derde ClaíIIs. ^ 2 In de 0/en Dýfen/iye í'artificatiekunde, « 

I 3 In de Proef ondervindelyke Natuurkunde. 
t_4 In de byzondere Werktuigkuude. 

I In het Naeuurlyke Regjt » (yfsoiï by de Zede^ 
kunde.) 
1 2 In het Regt der Volkeren. 

Vierde Clalfis. i 3 van Oorlog en Vreede. 

4 In het algemeene en byzondere Staats Rcgt. 
, j S lí^ bet KrygsRegt, (waar by het Crimincelcn 

L Regt.; 

Voorts 2al 'er onderwys gegeeven worden , in den 
werkelyken Krygsdienft , de £xercitien en Evolutieii 
te voet, de Sch^rmkunft,het Danfen en Volcigeeren, 
de Muficq , het Tekenen en Zweramen ; waar by i^ 
3e twee laatfte jaaren nog zal komen , het onderwys 
in de Manege, de Exercicien en Evolutien te paard , 
en den werkelyken Cavallery.diënft. » ' ■ Hec getal 
der Intekenaaren , (voor 't eerfte jaar 25 a 50) voltal- 
lig zynde , zal de Heer Schotmker , met voorkennis 
hunner Ouderen of Voogden , (voor 20 veel zulks mo- 
gelyk is,) het noodigeSmeckíchrifc onder allernaam- 
melding ontwerpen, en vervolgens de opreChting en 
inlyving van dit Corps onder de Tronpen vaa den Staat'^ 
op eene behoorlyke wyze , van de Hooge Overigheii 
verzoeken. 

' Dnze A ufteur dit tyn Ontiverp in 't breede ontvouwd , 
de manier van onderwyzen verklaard , de nutheid der 
gemelde weetenfchappen en oefeningen voor dén 
jKtygsdienft aangedrongen, midsgaders getoond heb* 
bende wat ter handhaavinge der goede orde in zyti 
Kweekfchool aangewend j:al worden , verledigt zich ' 
^indelyk ter oyerweeginge en beantwoordinge vai^ 
zommige zwaarigheden en tegenwerpingen , met op- 
zigt tot ditzyn Ontwerp iv/^ar in hy door een genomen 
redelyk we! llaagt, met aan tetoonen dat ze niets ter 
zaake doen, of geen weezenlyke zwaarigheid baaren, 
of eindelyk te. veel , en by gevolg niets , bewyzen. 
^en befluite trekt hy vervolgeiís zýn Oniwcrp kortiyfe 

Cc 5 by 



390 ONTWERP VAN EEN CORPS va*7WILLIGBR«» 

by een ,en beveelt hec-ter onderKoékinge aan allewaa* 
re Pacríotten , met een aandrang van deszelfs nood* 
zaaklykheid ter hándhaayinge van 't welweezen des 

Vaderlands. Onze Auéleur hegt ten laatfte aan 

dit Traélaat éen Berigt , bchelzende de voorwaarden 
der infchryvinge , zo van 't geen waar toe hy , als waar 
toe de Heeren Intekenaaren zich verbinden; En hier 
xnede doet hy'vergezeld gaan , een Berigt , (uit het 
Franfch vertaald ,) vo&r zulke^ dte onder de ligte Paarden 
van de gewone Lyfwagt des Konings van f^rankryk zullen 
fserden aangenomen; waar omtrend hy in de i^oorreden 
betuigt, wel te mogen lyden, dat zyn Ontwerp daar 
mede vergeleken worde. 

Voor zo ver dit Ontwerp ten uiteinde heeft het aan- 
kweeken der Weetenfchappch, eene gegrdnde Tbeo* 
rie zeker haare nuctigheid heeft in den Krygsdieaft, 
cn dit Ontwerp , behoorlyk in 't werk gefteld zynde , 
ongetwyfeld dient , om aan onze Erygsmagt bekwaa- 
sne Mannen te leveren, kan men, onzes agtens , den 
y ver van den Heer Scbomaker den behoorlyken lof niet 
weigeren. Maar of zodaníg een byzopder Eweek- 
ichool ten dien einde noodig zy , en beantwoorde aan 
de conftitutie van onze Republicq; en in hoe ver het 
beoogde doelwit in deezen al of niet bereikt kan wor* 
den , door het onderwys op 's Lands Hooge Schoolen , 
de onderrigting van bekwaame Oftderen , het by woo* 
nen van geregelde Campemencen , en wat van dien 
5wrt meer zy , willen wy liefft aan 't oordeel van er- 
vaarene Krygs- en fchrandere Scaatskundigen over* 
laaten. 



•%r. 



HET WAifeE CHARACTER EN HET DEVOIK VAN EEN CQEB 

soLDAAT, gefchetft door L. W. F. van Oebfcíel" 
witz. Adjudant van het Regiment Oranje 

Vriesland Cavallery. 

in zyn 

^ilit^ir Handboek voor 4t Cayallery* In V Gravenbage by 

Pietet 



HCT CBíIlIACT£& KK BEVOJE 'V'JLN ^BK.S0U)AAT« ^pl 

Pietór: van Os. MDCCLXI. kebake de Opdragt en 
yoorredlmj too blai^yden in groot Oétaoo. £n in zya 
Hedendaagfche, Krygshandel van deínfotttery. In 'j Gra- 
venbage by Pieiet GGTwrá y^nB^len.MDCCLXL lij 
groot Ottava i3i> bladzydeií. 

DEze twee Stukjes behelzen eene geiegeld^ Ver-r 
^ handeling over de Krygílroepen j ontvpuwenr 
de derzeíver oorfprong , t'zam^nftelling,. wapenrus,- 
ting , exercitien , evolutien en man<Bavres te paa^rdl 
en te voet, met alles \(cat betrekkelyk is tot derzeiver 
eigenlyke verrigtiiigen , en ganfchen dieníl te Vel- 
de> gelyk hedendaagfch by deWelgeregeldíle Legpr^ 
waargenomen wordt. — Onze Scfaryver heeft icr 
der Stukje drieledig gemaakt; het eerlte Lid vervac 
cene befchryving van 'c geen,^ ten aanzien der Ge^ 
fchiktheid en Regeling der Krygílrpepen Án 'c alge^ 
inecn in aanmerking komt ; het tweede geeft een be«r 
Tigc van de Ëxercitie , en 't derde^ verklaart de ho<^dT 
zaaken yan 't geen den Dicnft te Velde betreft : eri 
dit alles wordt doorgaande opgehelderd mei^nutteaan* 
merkÍQgen , uit de oude en hedendaagfche Hiftorie , 
die deze Verhandelingen levehdiger en van eene uit- 
gebr^eider nuttigheid doen zy^ : des dpze Stqkjes me(^ 
vrugt, en genoegen geleezen konnen worden. Zi^ 
hier hoe onze Schryver , in *t eerfte Stukje , het 
XlXde fïoofddeel van 't derde Lid , het waare KaraSler 
.yan een goed Soldaat (*) befchryfc. 

„ Ten hoogften zoude men zig bedroogen vinden, 

^ als men alleen maar zulke peribonen met het Ka* 

' • « raóler 

(♦) Onze Schryvcr gebruikt hier de benaaming van Soldaat in 
fle algemecne betekenis van een Kryg:fnan^ wordendc „ onder 
dien naam begreepen , al 't gene , wat Miiitaír genoemd káa 
worden , cn met roem de wapenen voor den Souvcrain , eci 
het Vaderland voert" : gelykhy zo die benaaming vcrklaartin 
*t laatftgcnoemde Stukje, het laatíle Hoofddeel, alwaar hy enige 
Korce aanmerkittgen geefip pver 4en nqam en bet devoir van dv^ 
SBl4aat. . . 






. i 



39^ HET CfláKACTEK £N BEFOIR 

^ rader van eeo goed Soldaat beteekenen wilde ^ die 
p,* enkei welgemasLkc en roboít van poftuor is ^ die eea 
» laogen Deegen op de zyde, zíg (Jniformiggekleed, 
9 de nairen na de mode gefrííeerd , en een wel ge- 
9 dreíTeerden gepluimden Hoed op hec rechter Oog 
» zitcen heefc, regc op en mec graviceic gaac, nie- 
„ mand aanziec, veel vloekc, en diegeenen flaatdie 
39 zig niec weeren konnen. Aile deeze uicerlýke be- 
^ gacellen konnen by iemand ce vinden zyn , in wel* 
^ ken anders niec een eenigfte waare deagd aan te 
,, creffen i$. Maar *c Spreekwoord zégc, daccocden 
ip Dans , meer als een paar Scboenen behooren. Zelfs 
ip de Dapperheid alleen wil toc de naam van een goed 
„ Soldaac nog niec veei zeggen, wahcmen moetge- 
9 perfuadeerc zyn dac de meefte Soldaacen voór braaf 
„ willen gehottden zyn, jamoec niet hec Gebe^kJldit 
9 Kara£ter aan de Duitfche Natie coeftaan ? Maaiof 
^ de hohderdfte part ván deeze brave Liedén , met 
9 een buitengewóonen Militairifcheh Geeft bezeeten 
9 zyn , dac is l>eecer en lichcer cé weníchen , als vqof 
„ vaft ce zeggén. 

„ Toc de Deugden , door weilce zig een Perfbon ia 
9 den Militairen Staac diftinguééren moec; behooren, 
^ dac men by allen doen de Vreeze Gods voor oogea 
^ houd, lietde voor zynen Vorft , enEerbied voorde 
^ WetCQU cootic. Dé Eer voor 'c vermaak , ja zelfs 
^ voor 'c ieeven prefereerd , de gezondheid eti ^aar- 
^ zaamheid eftimeerd 9 enziggewendmetweinigver* 
^ genoegt ce zyn^ en liefde totdedeugden heefc^atan 
f, zyne vrinden aanhangc, en getrouw iS aan dege- 
^ heele Wereld , in de Voorípoed gemodereerd , in 
py *c Ongeluk ftandv^ftig, en een affchuw hebben vpor 
^ alle Vleiery, en eindelyk zoo veel als hem moogCf 
I, lyk is, op alletotzyn Mctier behoorende Weecen- 
^ fchappen zig te appliceeren. 

^ Bovendac een goed Soldaat, voornamenclyk die 
p iets te Conim^ndeeren heeft^ by 'c E^erceerën van 
p zyne Frofeifie zig door niets moec troubleeren laa* 

.. ten ; 



VIN ££N SdLDA*AT<r $0^ 

^ ten ; ook by het gtootíle gevaar fcort en prortpt vail 
n Refolutie zyn , en zig nooit verleegen laaten vin- 
t, deii, maar door deprefentie vangeeft, allenzwaa- 
„ righeeden konnen te boven komen, 

9 Ëindelyk , is by 't Kara£ler van een goed Soldaas 
« nog aan te merken, dat het niet de Rykdommen 
„ zyn, door welke een Militair tot 't verkrygen van 
^ dat Charaéler, én de Yver van denDienO aange- 
y fpoordt wordt (*)• Neen 't is maar enkel door de 
9 verwagting van gtootheid en £deldom (f), door 
„ deezen niterlyken fchyn word de Soldaat tot de Am- 
„ bitie gebragt, en 4oor deeze meeninge Boezemd 
„ hem zyn vleijende Éigenliefde de Courage in, en 
« doet hem zyn Profeflie aanzien als de Importancde 
„ en Honorabelíle, zo als dezelve ook waaragtig is^ 
^ en by alle Volkeren geweeft is, en totallenTyden 
f, ook bly ven zal". 

Hier over laat zich de Heer van Oebfchelmtz in 't 
láatfte Hoofded van 't tweede genoemde Scukje nog 
breeder uit , waar in hy ook het devoir van een goed Sol^^ 
daat kortlyk befchryft ; welke befchry ving wy hier nog 
aan zullen hegcen j ats eigenaartig by 't voorgaande 
voegende.— * Naa vooraf aangemerkt te hebben, dat 
het zeeroDgerymd isydoorden nstam van Soldaat^ (die 
veel al bepaaldlyk een ybetknegt ainduidty)den gemee* 
nen Voetganger dpor disrefpeSt van het overige , dat 

«r cot 



(♦) „ TacHus hï ayne Aphórismis N. 37. zegt van de Romein- 
fohe Arméey wannéer men de Jlegte Belooningey omvjelkemen 
Lyfen Leeven wagenmoet in betracbtinge trekken zoude^ zoozuU 
len voeinige zig in den Soldaten ftand begeven , dewyl diergelyke 
trouwe dienften zelden naar bebooren , maar dikwils zeerftegt , en 
^el zelfs tot de onrecbte Tyd beloond worden. Dog gefchied het 
nieeíl om de £er. en deeze volgc onmiddelyk op de Verdien- 
ftcn zpnder verzag. 

>» (t) Oeorgius Bafta zegí, dat de Soidaten hebben rerlooren , 
het Hooppennings Anker, tot den Poíl van Bevorderinge , 
zeedert díe T^d, daarmen begonnenheeft, meteenen favo- 
xal^Ien Hofwiad (e zeilen, doch dic vind niet overal plaat& 



»» 
»» 



»♦ 



^«■laaM 



^9i < ^£T CHARACTEIl £N OEVOIit 

tot den Militairen íland behoort , te wiUen afzonderei^ 
vervolgc hy aldus. 

9 En waarom ook zoude de gemeene Man , die zig 
„ zoo wel tot een OíFer voor het welvaaren zyner 
^ Medeburgeren overtevert ^ niet zoo wel als zyn Be- 
^ velhebbers ^door deezen Naam van Soldaat gehono- 
reerd zyn , voornaamlyk als hy door het obferveeren 
^ en uitvoeren van zynen fUgt eeii braaf, dapperien 
j^ goed Soldaat genoemd mag worden ? welk men ordi- 
« nair onderílelt daar in te beftaan , dat hy zig toe- 
^ legt alle zyne Officíers te kennen, en aan dezelve 
9 hetbun toebehoorenderefpe6l telaacen toekoomen^ 
^ zig te appliceeren op *t wel behandelen der Wape- 
9 nen, alcy d dezelve zinddyken pr^/Tf^ tehouden^eit 
^ van 's gelyken jOpk alle zyne overige Monteerings- 
^ ílukken , als mede zig -zelfs ten tiiterílen reynlyk 
^ houden , zyne Dienílen wel doen ^ en in agtnee* 
^ raísn , zig getrouw by zyn Vaandel houden » en nooic, 
p zonder verlof , zig van *c zclve abfenteeren. Doch 
f, om een nader , en levendiger afbeelding te geeven 
^ van het gene nog mêer tot bet DevQÍr van een braaf 
^ Soldaat veíeiícht word, ís 'tnodigmyals in Ver- 
^ beejding naar de Legers tebegeeven, by welkeik 
„ ook in 't ruuwfte van 't jaargetyde, in welke ikdic 
^ fchryve, den Soldaat in de moeilykfte Terreinen 
, ontmoece , daar hy geduurig aan den fcherpen en 
^ gi\uren Ooft-en Noorden-Wind, als ook aan de 
„ ftrengfte Onweersbuyen , Ilegen-en Storm-VIagen 
^ zig blootgefteld bevindt, terwyl de van Vorft ver- 
^ fteende Aarde hem niet toelaat zyne Veldhutte op 
^ te flaan , en hy dus genoodzaakt is , geheele Nachten 
^ in de opene Luchc door te brengen , daar hy de 
^ knerííende Sneeuw tot zyn Bed , en 't helder Fírma-i 
^ ment tot lyn Dekkleed heeft , en , na 't doorbren- 
„ gen van moeielyke en ílaaplooze Nacbten , zig moec 
^ weder overgeeven aan de Dczwaarlykbeden der Da- 
» gen y zonder door eenen verkwik^enden flaap daar 
,9 toe verfterkt te zyn» Met en dndeir zýne iuflige 

m RUS« 



VAN £EN SOLDAAT* . ^ffg 

• 

f^ Rufting dootvraad hy .de met dediepe Sneeu\<r be- 
i, dekte Valleyen , die hem brengen toc íleile en glib- 
» berigé fiergen , welke hy nogthans , hoewel met on* 
t^ uitfpreekelyke moeite, en met de Oogenfchynlyk- 
,9 de, en grootde Gevaaren kloekhartiglyk beklimt. 
„ Mec eene edele gehoorzaamheid omtrenc zyne Be* 
^ velhebbers, en uityver voor de eervan zynen5o£i- 
„ verein , gepaard mét een vierige begeerte om 't Va- 
f^ derland te befchermen, zoekt hy langs en opdeon« 
„ gebaandfte en allerbezwaarlykíle wegen zynen Vy- 
„ and op, wiens donderend gefchut en blikfeménde 
^ ftaal , hy met alle grootmoedigheid veracht ; terwyl 
„ noch 't yllelyk gezigt van op een geílapeldeLyken, 
„ noch het erbarmelyk kermen van duyzenden Ver- 
„ minkten , noch het zuchten en fnikken vanzoo vee- 
„ le Stervcnde, zynen valïen en onverwrikten Geeft 
„ eenigzins ontroeren kunnen , noch hem in 'c geno- 
^ men befluit van of ílandvaftig te fterven , of held- 
^.haftig en roemryk te overwinnen, doen wankelen 
^ of aarzelen". 



ONDERRIGTINGEN RAAKENDE HET VERMEERDEREN, Bfi- 
WAAREN, UITKIEZEN, E>ï BESTUUREN ONZER DENK- 

BEELDKN* 

Overgenomen uit de 

Logicay of Qnder'wys van *t recht gebruik der Reden^ in 
het onderzoek der pTaarheid^ Door Ifaak Watts D. D. 
Uit bet Engelfch , naar den tienden druk , vertaald. In 
*s Gravenhage Z'y Joh, Thierry. MDCCLXL behalvc 
dé Voorreden enz» 420 bladzyden in groot OSlavo. 

GEene der befchaavende Weetenfchappen heefc 
onder Lieden van Letteroefeningen , naar 'tons 
voorílaat, grooter lotsverandcring ondergaan dan de 
Lqgic^a of Kedenkunji. In vroegere eeuwen werd ze 
^ermaate gepreezen » dat , hec ibheen , als of een 
menfcti, hnSewel met eengoëd namurlyk veríland be- 

deeld , 



%^ 0ND£&III<;TIKG£H xopens 

'deéld, volftrekc onbekvaain was om bondijr te rede« 
neeren , indien hy zy ne denkbeelden niet wift te pran^ 
gen binnen de engbepaalde regelen van zommige Lec« 
terbaazen. In laatere dagen geraakte zy by zommi- 
gen in eene zo verregaande veiagting^ dat zegenoeg- 
zaam als nutloos verworpen, zo niet als fchaadelyk 
veroordeeld werd» Daar is 'er die dezelve aanzien als 
eene konfl:, die eerder ftrekt oA \ Menfchiyke Ver- 
(land in een doolhof van ver varring te brengen , dan 
't zelve een leidraad ter waarheid te geeveh ; als waar 
ze van meer nut, om eene valfche (lelling door liftigd 
kunílenaaryen te verdeedigen , dan de waarheid van 
een zeker voorílel na te fpooren. — Eeh ieder, die 
den aart deezer Weetenfchap en de Meníchlyke na- 
tuur onbevooroofdeeld nagaat, bemerkt,. onzes ag<- 
tens , gereedlyk , dat men hier aan de eene en andere 
zyde te verre gegaan is; en dat, fchoon'er verhe- 
vene Geeílen gevonden Worden ^ die 't ^eleide der 
Kuníle 9 in een volftf ekten zin , niet noodig hebben , 
dezelve egter over 't algemeen voor allen , die hun 
JRedelyke vermogen ten méeílen voordeele wiilen ge- 
bruiken , van ecn weezenlyken dienfl; zy (•). Ook 
heeft men 't^ zo 't ons toefchynt, niét zo zeer gelaa- 
den op de Logica zelve, als wel op de Redenkuníïige 
fynigheden , nuclooze ja fchadelyke formaliteiten en 
al te kunílige leerwyze, waar aan veelen hunne Leer* 
lingen hebben willen verflaaven : doch hier voor heb- 
ben zi(;h de meeíten der hedendaagíche SchryVeren, 
bveí deeze Weetenfchap, vart tyd tot tyd meercn 
meer gewagt ; zo dat die billyke rede van verfmaa* 
ding, ten opzigte van zotnmige laatere Werken, 
geen plaats meer hebben. — Ondef deeze Schríften , 
^aar van men op zodanig eene wyze mag ípreeken, 

is, 

(ý) Quod etíi ingeniís magnís prasdici quidam dicendi copiam 
ílne racione confequuntur; ars camen eft dux certlor , qaam nap- 
cura. Aliud enítn eíl poiScarum more verba fuodere: aiiude»^ 
^u» di€as> ratione & arte diítíoguere» . Ckerê <k Finibus UV^ 



. OHXB DEKKBEELDEN. , Mf 

U f ODzes oordeels^ ook me^ regt te tellen de bov:en- 
ítaande Ii()^/V^ van den fchranderen en redenkundigea 
fjTatts , als waar in die Heer deeze Weeteníchap , (ceí- 
wyl hy de nietigheid veeler Schoolfche RedenkuníÍi- 
ge beuzelingen hier en daar doec 2ien ,) op eene zó 
gemeenzaame manier behandelt , zo volledig onC« 
vouwt^ zo duidelyk verklaarc; en zyne LeíFen des« 
wegens door zo welgepaíle voorbeelden opheldert, 
dat niet alleen een Student , maar genoegzaam ieder 
Menfch^ die zyne Rede wil leeren befchaaven, dic 
onderwys mec vermaak en nut konne leezen; vao 
waar ook de Eerwaarde Nieuwland het zelve m^t eene 
.voorafgaande FoQtreden allen ten.kragtigfte aanpryíL . 

Onze Aufteur verdeelt dic zyn Werk in vier dee- 

'len. Hec eeríle deel bepaald zich coc de Gewaarftbor^ 

ding'cn dt Denkbeelden i in'czelve handelc onze Aud- 

teur van den aart der denkbeelden ; de voorwerpen van gé* 

<vaa7/wording ; de verfcheidene Joorten van denkheelden , 

'mitsgaders van de woorden, hmnQ verdeeling ^ voordeeí 

ên gevaar; en hegt daar aan verfcheidene onderrigtingen 

noopens onze denkbeelden^ en byzondere regeU om on- 

2;e bevattingen ce rigten. Hec tweede deel gaat over 

'het Oordeel en Foorjlel; oncvouwc ons den aart^ vatt 

een voorjlel en deszelfs verfcheidene dcelen; het vef' 

fcheidene Jlach van voorjlellen ; de bronnen van valfche oor^ 

.deeïen of 'íLeerJlUk der Fooroordeelen ; waar mede ge- 

paard gaan algemeene onderrigtíngen , om oris behulp- « 

zaam ce zyn in welte oordeelen^ Qubyzondere regelsorïL 

bns naar ce rigcen in 'c,o(?rá^f/overbyzondere ondeí- 

werpen. In 'c derde deel fpreekc de Heer JFatts vaií 

de Redeneering en de Sluiíreden, ontvouwc de nacuut 

'eener Sluitreden en derzelver J^e/^«i verklaarc hec t;ff- 

Jcbeidenejlach van Sluitredenen ^ mec de byzondere regeU 

tot dezelven betrekkelyk ^ als mede het Leerjiuk dif 

Drogredenen; en geefc eenige algemeene regels om onzt 

redeneering te leiden. Het vierde deel ftrekt omeen OH- 

derfcheiden denkbeeld van de Schikking en Methode 16 

*geeven , door 't voorítellen van de í^atuur en SoorteH 

ii.D££L.No.5. Dd ddr 



«Mi 



S^ OMOBKKIGTINGEM KOPEKS 

'der Methoie » als van Natuorlyke en Willekentige « 
ISyntbetifcbe en Jnah/tifcbe ^ waar by nog, ter nadere 
bpbelderinge^ komen^ Jlgemeene en bjzondere Regeh 
'der Metbode. 

Om den Leezer ides Anthears fchryfwryze onder *t 
bog re brengen , en tevens een voorbeeld van de nat- 
Ylgneid deezes Werks te doen zien , hebben wy 't niet 
bitdieníHg gedagt ^ hem de volgende Onderrigtingen 
Van den Heer fVatts mede te deelen , welken hy voor- 
iílelt in 't Vde Hoofdíluk van 't eerfte deel onder't 
bpfchrift. 

i^ yeffcbtíde Onderricbtingen aangaande onze Denkbeélien. 

^ I Onderrichting. Voorziet u zehen met eene over^ 
9 tIoe£ge verfcbeidenbeid van Denkbeelden ; maak dat gy 
^ kerniis krygt van oude en nieu we Dingen ; zoo na- 
9 tuurlyke en burgerlyke, als die den Godsdienft be* 
^ treffen; huiiFelyke en nationaale Dingen ; Dingen, 
p raakende uw eigen Land en vreemde Landen; te- 
9 genwoordige, voorleedeen toekoomende Dingen; 
'^ en voor al leer God en u zelf kennen ; betracht de 
i, dierlyke Natuur en de Werkingen van uwe eigene 
i Geéften. 

9 Zulk eetíe algemeene kennis van Zaaken zal voor 
i van een groot voordeel weezen. 

„ Het eerfte Nut daar van , is dit ; zy zal het gebmik 
L der Reden behulpzaam zyn in alle haare volgende 
Í, Werkingen ; zy zal u leeren fecht te Oordeelen vaa 
p zaaken, net bewyzen^ en uwe Gedachten in eiene 
.« j^Íft^ Order brengen , of (dat het zelfde is) u «ene 
3, goede Methode oÏLeertrant aan de hand geeveli. Als 
^ gy verfcheide dingen zult vinden, die van eén zelf- 
3 de Geílacht zyn , en verfcheide die van ttialkander 
j^ yerfchiUen, overeenkomende in eenig dee?! vanhun 
j^ Denkbfeeld , en niet o vereenkdmende inandere l)ee- 
p fón, zuk gy uwe Denkbeelden in beter Order fchik- 
9 kén , gy zult beter geleid worden tot eene duíiely- 
p ke kennis van zaaken » en eeli rykên ViSipnraad vaa 

9 eige 



OltZE DEKKBBELBEN. ^9ff 

9 eige Gedachten en Bevysred^nen in aUe íjelegenr 
I, heden verkrygen. 

^ Gy Euk my mogelyk zeggen, dat gy voorheb( 
^ u te leggen op de Reebten^ ofdQ Godgek^dbeid ^ en 
^'vraagen wat de Natuur- of JViskunde pí eenige ande- 
t, re Weetenfchap u kan baaten , die ntec regelrechC 
^ tot . \iw voornaam Oogmerk behooft ? Maar mea 
^ moet aanmerken dat 'er ecne foorc van onderling 
V^rband tuíTchen alle Weetenfchappen is ; en dat 
t, de Kennis van .allerlei ílag van Dingen de Reden 
^ bek'Waam maakt om beter te redeneeren en te oor« 
f, deden over eenig byzonder Onderwerp^ Ik hebb^ 
9y eenen Reehter gekend , die , in zynen Rechteríloel 
j» gezeten ^ zyne onweetendheid ontdekte , en zict) 
i,..zeer verwiurd toonde in zyn gevoelen over de zaalj; 
t, van een* vermeinden Dopdflag , die vóor bem ge« 
), bragt was ; eene verjegenheidt daar hy zich» zo- 
^ kerlyk, niet ingebragt geziien zoude heÍ9(ben^ had 
^ hy eenige kennis van de Menfchelyh NaPuur^ en vaá 
^ de Natuurkunde gehad (*)* 

9 Een ander Nut deezer algemeeneKem)ifie, isdat 
I, ze u zaJ beveiligen voor geíladige FcfViondenme eií 
f, yerbaazinge^ en a behoeden voor de zwakbeid vani 
i, Tonweetende Menfchen , die ,. oooit buiijen hunne 
^ eige WoonpJaats geweeft zynde, zich verwondereii 
f, als zy iets zien , dat zy in hunne Stad of Dorp nopit 
^ gezien hadden ; alles wat zicb buiten ien rpok vaa 
^ hunné eige Venfters bevindt , is nieuw en vrpemá 
^ voor de zulken. 

9 £en derde Nut van zulk eene a^emeene kei||BÍIe 
^ der Dingen^ is dit ; zy zal u niet te vaft opuw íluk 

» doe? 

(♦) Het ftaa ons vry hier by te voegen , dat men , by ciangel 
eener algemeene Jíenniffe , gevaar loopt van zích befpottélyk te 
i3:>aaken by *t gemeen. Men vethaalt van ee», anderssins qíc( 
angeagten Leeraar, dat hy, met eynen Ouderiing wandelende» 
op *t zien van eene zwemmende £nd met h»are Jongen , ^efi 
Huisman vroeg, zuigen die pulpen nog'i het welk den Ouckrling 
zeer verkeerde gedagten van ^ynen Leeraar deed vo^den. 

Dda- 



<|ó6 OKDË'RR'I&ÏINGBN NOrSKS 

n dóen ílaan^ en a beletten te meeílerachtig te zyn^ 
» door eene overmaat varï'Ligtgelovigbeid en OngelUf , 
s, dat is te zeggen^ dat zy u de gereedhéid zal beaee- 
^ raen ran alJes op het eeríle gehoor te gelooven , of 
tf te ontkennen , als gy dikwils gezien zuit hebben , 
„ dat vreemde en ongewoone Dingen,die meermaaU 
>, ongelooflyk fcheenen , waar zyn bevonden ; en Din- 
^ gen , die men in 't gemeen voor waar hieldc, valfch 
t, bevonden wierden. 

,, Het midiel^ om vsxdk een ruimen fcbat van DenkbeeU 
'„ den te verkrygen^ is, zich vlytig te leggen op het le^ 
I, zen van goede Boeken ; te verkeeren met Lieden 
s, van Kennis en Verftand , en te trachten iets te lee- 
«, ren van elk een\ met wien gy omgaat , of in wicns 
9^ Gezelíchap gy u bevindc ; laac geen uur ydel vcr- 
'„ loopen met onverftandig lachen en fpocten met on» 
^ hutte Beuzelingen. Bezoek andere Steden en Laa- 
99 den , als gy de uwen doorgereisd hebt , onder hct 
), opzicht van iemand , die u kan leeren voordeel uit 
„ uw Reizen te trekken , en verftandige Aanmerkin- 
^ gen te maaken , uit het geene gy ziet ; weeft als daa 
'^ belttft en nieuwsgierig , om de Wonderen der Na« 
^ tuure en der Kunft te befchouwen ; vorich de Din» 
'„ gen zelfs na, zoo wel als gy ze van anderen leert; 
^ gaa met Menfchen om, zoo wel als met Boeken; 
'^ leer alle Dingen , zoo veef gy kunt , uit de eerftc 
y hand; en laaten uwie Dénkbeelden , zoo het moo- 
i, gelykis, Vertooningen van Dingen zyn., en niet 
^ Vertooningen van eens anders Denkbeeldeni dus 
„ zal uwe Zw/, gelyk eeíiig vmtreffelyk G^bmm , ry- 
„ kelyk voorzien worden met Oorjfronglyke Scbilderyin^ 
y, en niet met bhote Nabootzingen , veel min mec t^d^ 
^ fcbe fcbetzen. 

: „ 11. Ondcrrichting. Gebruik de bekwaamjle nuddelen 
^ om dien verkreegen fchat van Denkbeelden te bewaoHn ; 
j, want het Verftand laat *er , ligtelyk , veelén van onc- 
L flippen , 't en zy men eenige Mocite en Arbeid aan- 
j^ wende» om ze iú de Geheugenis ce vefl^gen» 

• En 



y' 



ONZE DENKkEELDBN. ^Of ^ 



/ 



^ En byzonderlyker laat zulke Denkbeelden opgcir 
9 )egd en béwaard worden , die regelrecht gepaíl zya 
„ op uw eeuwig Welzyn , of uwen kyzonderen Jiaat ea 
^ Beroep in dit Leeven ; want fchoon de voorige Regel 
^ eene algemeene Kennis van zaaken aanbeveelt , 
n wordt 'er in een* Man maar eene algemeene en loíTe 
^ kennis vefeifcht van Dingen, die in 't geheel niec 
» behooren tot de Zaaken en Bezigheden van zyn.eir 
„ gen Bcroep;doch het is noodzakeiyk dat hy een byr 
9 zonderer en necter kennis hebbe van Zaaken» di$ 
^ zyn byzonder Werk of Pligtcn in dit Leeven , of zyne 
„ Gelukzah'gheid in de andere Waereld , betreíFen (*)• 

^ Daar zyn zommige Lieden , die nimmer tot eene 
^ diepe, vaíie of genoegfaame kennis koomen in eeni? 
yý ge Weetenfchap of in eenige Zaaken des Leeven^, 
,, om dat zy alcoos aan de opperviakie en de fchors dei^ 
„ dingen blyven hangen en knaagen , met een' wel 
„ nieuwsgicrig , maar íleeds van 'ceen op 'tander hup- 
„ pelend Onderzoek ; aicoos hoorende, leezende eU 
„ vraagende, om wac nieuws ce weeten^ maardieden 
„ vereifchten arbeid , om de Denkbeelden , die zy ver? 
„ kreegen hebben, op te leggen,niet kunnenverdraa? 
„ gen j en weiker Zielen derhalven te vergelyken ^yn 
„ by een Sp'egel, die , werwaarcs men hem keere , de 
^ Denkbeelden oncvangt, maar 'er geenén behoudt, 

^ Om uwen fchac van Denkbeeiden en de Kennis ^ 
„ die gy verkreegen h^bt , wel op te leggen en te be- 
„ houden , volg deezen drievoudigen Raad , voornaa* 
3, melyk in uwe jonge Jaaren. 

„ !• Erinner u alk dagen de Dtngen^ die gy geïeezen j 

(*) Een Capitéin ín "s Lands dieníl CQr Zep, (in wien men, ui^ 
l^ragc vanzyn Beroep,epnedoorgaande kenni5 der Aardrykskunde 
zou yerwagcen, teq ípínrte piec opzigt tot de Landen en Vollc- 
pl^ntingen tot ons Viaderland behoorende,) fprakvooreenigcjaaT 
ren op eene openbaare plaats van AtBarhiche^tXi noemde dezelv^ 
by hfirbaaling een Eiland ;toi dac een gemeen yaarend gezel heni 
luwlyk coeduwde, en ondeffcheiden Ce kennen gaf , dac bec een^ 
Volkplanting was pp 'tvajie Land: het welk dien Heer líicc bc» 
fchaamde kaaken voor '( gaufche gezelfchap deed zitceq, 

Ddg . 



j|Ot OMDEBRIGTINGEN NOPENS 

^ gebo9rd ofgmen hebt^vréke iets tot uwe kennis kun* 
i^ nen toevoegen : Lees de Godlyke en Menlchelykfi 
^ Schriften vlytig , en overzie gelbidig het geoe gy ge* 
^ Jezen hebt: maar wees niet gezet op haaftig leezcn, 
ip noch om weder tot een nieuw Boek of Hoofddukte 
9 koomen , voor en al eer gy wel in uw GeheugeH ge- 
I» prent hebt alles , wat nut en leerzaamin hetvoorige 
I, was: Gebruik uwe Geheugenis op die wyze, en gy 
I, zulc bevindcn dat gy 'er trapswyze door vordert, 
9 mits dat gy zorge dac zy niet overlaaden worde. 

^ 2. Spreek met een verflandigen yrimd of Bekenden , 
9 over de Dingen , . die gy gezien^ geboord of geleerd hebí ; 
i^ dit zal eeh'nieuwenlndruk op uweGeheugenismaa- 
« kenjen zo gy geen Medeleerling by de hand hebCy 
19 niemand van gelyken rang met u , vertel het aan ie- 
9 mand van uwe kennis,daar gy hec gevoeglykenmec 
9 betamelykheid aan dpenkunt^enhet zy deez' 'eriets 
^ door Jeereof niet, uw eigen herhaaling van hetzelve 
19 zal vorderlyk voor u zelven wezen ; en dit gebruik 
9 zal u van eene verfcbeidenheid van woorden en rykbeid 
„ van Taale voorzien , om uwe Denkbeelden in: alle 
j^ Gelegenheden uit te drukken (*). 

3. Zet te Boek eenige van de aanmerkelykjle Dingen dic 

(♦) Van dit middel, door den Heer Wdtts hier aangepreezen, 
maakte de beroemde van Til met zeer veel vrugt gebTuik^geduu- 
rende zynen dienll als Lceraar op den Heider en Huisdúinen. Te 
zwak van gcheugen zynde,om zyne Leerreden , zonder veel mocí- 
lykheid, zich woordlyk in tepreníen, nam hy zyne toevlugt toc 
het opílellen van welgefchikte fchetfen, doch in het prediken o^ 
dezelven vondt zyn.Eerwaarde.eenenieuwe zwaarigheid , het ont- 
brak hem aan verfcbeidenbeid van woorden en rykbeid van taal : voor 
dit gebrek egter vond hy eerlang een heilzaam middel. Onderde 
Dorpelingen was een man,zeer begeerig na de kennis der heiíige 
Schriften , doch van 't gezigt heroofd ; zyn Eerwaarde verbond 
zich om deezen Maii genoegzaam dagelyks mede te deelen , het 
geen hy geleezen en overdagt had; hier doór werd hy woorden- 
lyk, cn maaktezich alles wat hy geleezen had volkomen eigen. 
Van hier heeft hy ook, Hoog-Leeraar zynde, zynen Discipelen 
het onderlinge geïprek overgewyde ftofFen ook ten deezen cinde 
Ineermaals aangeraaden. Víde Prafat. H. v» d« W^\lf.i2»frafix» 
am S. v. Til Onmcnt.'de Tabem. Mofis &,^ 



024Z£ l)£NKB]&£Lb£N* 403^ 

m Sy dagêlyks kert , ten miníte een korte fchets ^ velk q 
9 dezelve^ als gy ze vergeecen hebc^ weer te biníien 
» kan brengen. £n de Manier van Aanteekeningen of 
9 Loci Cmmunes te inaaken , welke de Heer Locke be- 
^ fchryft, op hec einden des Illen Deels zyner nageh' 
« te Werken fchynt my daar beíl toe (•) ; zich in 'c ge- 
f, heel van geenen fchooltrant bedienende, de Dingen 
« opfchryvende zoo als zy voorkonlen ^ een afzonder- 
^ lyke BÍadzyde voor elk Onderwerp neemende» ei^ 
y voor allen een' Bladwyzer maakende. 

^ Op het einde van elke Week , of Maand , of Taar ^ 
^ kunt gy uwe Aanteekeningen overzien ^ om de^ze 
^ Redenen ; Eerjlelyk , qm te Qordeekn over uwe eige Vor^^ 
19 dering^ en dan zulc gy bevinden dat veele din^en yan 
^ uwe eerfte Verzamelinge niet veel om 't lyf hebb^n ', 
^ of beuzel^chtig zyn ; of zoo zy juiíl en dienflig zyn , 
^ zullen zy u zoo gemeenzaam geworden zyn , dai gv 
^ 'er uwe yordering in kennisligc door zult bemerken. 
9 £n , in de naajle filaats . zoo ey 'er eenige in vindt , 
9 die u een nader bedenken íchynen te verc^ienen' , 
„ kunt gy ze , in plaatfe van ze over te fcbryven^ met eek 
»Jlarretje op den kant teekenen, als uwer overzieninge 
19 van hec volgende Jaar waardig, wanneer de anderé 
p verwaarlooft en over 't hoofd gezien worden (j]^. 

„ pm 

(^) Dceze zo zeer nutte manier, dic vcrmoedelyk nienaand d^ 
?nec meriiclyk voordeel gebiuikt hecft, is, ten dienfte der Neder- 
landeren, in 't jaar 1739, reeds in 't ríederduitfch in 't licht gé- 
geeven, cn , al yóor eenigen tyd uitverkogt zynde, in 'tjaár i^sf , 
inet nog eplyke VQorbeelden , ter nadere ophelderinge , vetineq;- 
derd, herdrukt, ondcr den Titel van Eene nieuwcmanier gf^ rer^, 
zamelingen te, maaken. T^ jfmfterdain » by Komflis de Wit. 

(t) I, De raád van aan te teekenen^ op tefcbryvent cn uw Aart- 
„ teekeningen te overzien, [zegtonze Aufteur, ] ziet vobrnam*. 
„ lyk op de Aanmerkingen , dle gy maakt hy gelegenhcid , het ^ 
„ in 't leczen,het zy ineen gcfprekrmaaraU gyopzettelyk epni^ 
„ Onderwerp in een Roedjlem ofSyftema betracl^t in uwe iqnge 
„ jtaren, dan is het 7ïí?(/i?i zelt víw B.oek vangemeene Plaatfen of 
„ Aanmerkingen y cn het moet gehcel cn al ovcrgezien worde», 
,, Het zclfde moet gezcgd wordcn van alle BQ^keo , die mec Sft- 
„ menhang, Qrdeú en Nettighei4 eeae z:i9fc T^rb^flelf^t 

' Dd 4 



404 OMSIRllIGTINGEN NO?ËNS 

^ Om deezen arbeid eenigzins te verkorten, teeken 
^ in de Boeken diegy l^eíl, indien zy u coebebooren^ 
i^ de aanmerkelykfte Dingen , en die gy wilc onihou^ 
^ den, met eene Penne, of Potlood. Dus kunt gy dac 
9 Boek herleezen mec de helft van de moeite^ínet uw 
oog,alIe Paragrapben, of Zinfneeden, diegy metde 
i^ Penne of het Potlood geteekend hebc, overloopen- 
^ de. Het is eene flechte Tegenwerpingtegen datGe- 
j^ bruik, ik zou myn Boek bederven ; want ik ftelle vaft 
9 dat gy 't niet gekoft hebtals een Boekverkoper ^ om 
^ 'er met winft weêr af te geraaken , maar als een StU' 
ju dent , om uw Verftand ce verryken ; en als gy dit 
9 eogmerk bereikt hebt ^ is het voprdeel dat gy 'ef 
9 mede gedaan hebt groot genoeg , alíchoon uwe Ërf« 
^ genaamen 'cr wat minder gelds voor zullen krygeoi 

9 III. Onderrechcing. Jls gy toeneemt beide in Gcleerd- 
^ heid en in Jaaren , zoo merk , verjlahdiglyk , op , wat dc 
^ Denkbeelden zyn , welke de Redenvoeringen en dê Deekn 
^ van kennijje , die meer of min nuttig gewee/l zyn voor u 
^ zelven en voor anderen: In onze jonge Jaaren , terwyl 
f^ wyonzeVerftandenmet eenen fchat van Denkbeel- 
9 den voorzien, is onze Ondervinding nog klein , ea 
^ het Oordeel zwak ; weshal ve het , in dien ouderdom, 
^ onmogely k recht ce bepaalen is , welkwezenlyk voordetl 
^ ennut 'er kan wezen in veele Dingen,die wy leeren, 
^ Maar als uw Oordeel , door de Jaaren en de Bevin- 
^ dinge, ryper geworden is , dan zultgy allengs de 
^ minft nutte dirigen van den Voorraad , in uwe jonge 
„ Jaaren by een vergaderd , laaten flippen , en zorg- 
9 vuldiger onthouden het gene meejl noodzakelyk is ÍQ 
^ ditLeeven,of ineenbeter. Daardoorzultgyallengs 
'^ komen tot denzelfden ftand, waar in meeft alle Ge- 
„ leerden na eene lange Ondervinding in Leeringe en 
„ Betrachtinge ^ zich aidus beklaagen: Helaaslboe veele 
o uuren , dagen en maanden hebbe ik gefpilt met het bejaagcn 
„ van fomtnige Deelen der Geleerdbeid^enmet bet leezenvan 
^ fommige Schryvers , die my tot geen andcr 'nut gejlrekt beb* 
^ ben^ £m om my te keren > (ht zy mymr vlyt en moeite 0;?- 



ONZE DENKBEELDEN. 405 

> ^aardig waren ! Gelukkig is hy , die een' wyzen Lecr- 
^ meefter heeft om hem in de eerfte Jaaren zyner ftudien 
^ te leiden door alle Weetenfchappen , cn die ahoos een* 
, verflandigen Vriendby de handheeft om hcm,door On- 
j dervindinge,aan te wy zen wat en hoe veel 'er in alle Wee- 

> tenfchappen zyner betfachdnge waardigis! En gelukkig 
, de Leerling, die wysgenoegisom zulken Raad te volgcn ! 

^ IV. Onderrechting. Tracbt een goed Bejiier overwwe Denk- 
, beelden en Gedacbten te verkrygen , op dat zy koomen als zyge^ 
y roepen njoorden , en vertrekken als *t bungeboden "wordt. £)aar 
, zyn fommigeGedachten,dieinonsontftaanenonsoyer. 
, valien , terwy 1 wy ze myden ; andere zyn 'er die ons ont- 
, vlieden , als wy ze trachten te behouden cn te veftigen, 

„ Als dc Denkbeelden , die gy gaerne tot ftofFe van uwe 
j cegenwoordige Overdenkingen zoudt willen neemcn , 
9 vaerdig zyn om u te ontvHeden , moet gy ze ftyfzinniglyk 
^ vcrvolgen en najaagen door eene Hebbelykheid en Ge- 
o woonte van geveftigde Overdenkinge;gy moet uweZiel 
^ by*twerk hduden,als zy geneigd isom leder oogenblik 
„ terzydeaf tewyken,'tenzygyuzelventoteen'flaafaaii 
o alle íofle Inbeeldingen wilt overgeevcn. Het is wel eea * 
p, gemeen , maar te gclyk een ongelukkig en fchandelyk 
» ding , dat elke beuzelin^, die ons in den zin komt fchieccn, 
I, ons aftrekc van onze ernftige Overdenkingen , en dat éene 
^ brommende Vlieg onzen Geeft kwelt , en onze befte 
p Denkbeelden verftrooit. Maarwy moeten doof en ach- 
„ teloos Íeeren wezenvooralle andere dingcn,diehette^ 
^ gen woordig Onderwerp onzer Ovefdenkinge niei raaken: 
^ enom een' weifFelenden , wuften en zwervenden Geeft te 
„ hulpe te komen , is het nut een tíoek of Gefchrift in hau- 
„ den te hebben, waar in de Onderwerpen , die wy voor 
„ hebben te betrachten,bekwaamelykaangeweezen zyn^ 
„ Wy moeten moed hebben , vly tig en arbeidzaam wezen , 
„ en fomtyds met ons zelvcn ftryden, als wy wys en ge« 
„ leerd willcn worden. 

„ Dan , ik begeere geccszins, te geftreng te zy n in deezen 
„ Regel : ^t is zeker dat 'er ty den zy n dat het Verftand, of lie- 
„ ver het Brein , moede word of afgemat is doorHe ftudie of . 
^ door een te fterk d^nken ; of om eenige andere R^eden , 
„ kan de dierlykeNatuur^tïfla>au,yZapofimmW,enonb^- 
„ kwaamzyn om den Geeit in 'toverdenken behulpzaam te 
^ zyn;op zulke tyden nu,(míts dat zy niet te dikwilsko- 
„ men) is het beft aan de tegenwoordige Ongefteldhéid toe 
„ te geeven ; want als de Natuur 'er zich volflagen tegen- 
„ ftelt , kan 'er nietsgevorderd wordet] , ten minften Aiec fn 

- dat Onderwerp of io die Weetenlchap. Dan moet gy 'c 

- ' ''Dd s n dien- 



/ 



406 0NDBRRIGTIN6F.N VOPENS ONZ£ PENKBEELDEN. 

,» dienílig achccn eenige uuren van Uit/panningen te nee« 
9 men «en u nuttelyk ledig te houden ; of 200 niec , keer dan 
9» uwe Gedachcen op ecnig ander vermaakelyk Onderwerp, 
f^ cn gaac nicc weder cpt hec voorige oyer , vpor dac uw Verr 
f, lland opgehelderd en 'er bekwaamcr toe gewordpn is, Een 
^ (ludenc zal , als allesfaamen fpancom hem cenoodigencot 
p eenige byzondcre (ludíe , meer doen in één uur, dan in 
9 vier,Nals zyn Geeft dof en onbekwaam is. 

9 Ik geêve denzelfden Raad als eenig iedel ^/Jlecbt ofzot 
„ Denkbeeld in uwe Gedachccn wil indringen ; en als gy be- 
9 vindc dac al uw arbeid cn worftelen u zelven daar niec voor 
p kunnen beveiligen,wend dan de laftigheid van 'c gene a 
^ verveelc af ^ door middel vanuWeGcdachcen teveftigen 
j^ op eenig bekoorlyk Onderwerp , 'dac u een weinig ver- 
^ maakt , en u af crekt van 't gene gy zoekt te on tgaan ; en, in 
f^ zulk een Ge val , als de ongery mde en zocce Denkbeeldeni 
^ die ons,metonzen wederwille,beílormen»ons vanon- 
^ zen tegenwoordigen Pligt koomen afcrekken , zynGods- 
f^ vrucbtíge Overdenkingen , en het Gehed^ dik wy Is gelukkige 
9 iQÍddelen geweeft omzulke hardnekkige verílóordersvaii 
jB de rufte en vordcringe der Ziele ce overwipnen, 

^ Icdien 'c nacuurlyk vernufc en de gecemperdbeid te ^lug^ 
^ te v)uft en ce geneigd is om , gm te zwerven en te bufpelen ^ 
^ moecen zulke Liedcn zich , byzonderlyk coeleggen op de 
^ ÍViskundey en hunne ftudie beginnen mec de RekenkuryÍ ea 
. Meetkunfl ; waar in geftadig nieuwe Waarheden in het 
^ Verftand voorkomende uic deklaarfteen gemakkelykftc 
j„ Grondbcginfelen , de Gedaehcen , racc een overgroot ver- 
„ maak, zul len lokken en crckken om verder ce gaan. Oic zal 
„ den Betrachcer een' aangenaaraen fmaak van Kedeneerin- 
.» ge geeven , en zynen aandachc veftigen op hec enkele 
^ Voorwerp , dac hy betrachc , en j by crappen , de gewoone 
,, losheid van zynen Geeft veftigen ♦ : maarhy raoec deeze 
,y aanlokkelyke ftudie nieczoo verre vóorczecccn ,dathyde 
^ voornaame ftudiën van zyn voorgenomen Beroep ver- 
„ waarlooft : evenwel zy n 'er dic dic gedaan hebben,zondér 
^ datzy 'czichhebbenbehoeven ce wandanken,alsgroocea 
f^ roem daar door in de Wiskunde behaald hebbende. 

* Een onzcr Vrienden verftrekt ons op eene ultfteekende wyze tot 
bevtftíging der heiizáamheid deezer raadgeevinge van den Heer 
tVaiis. Zeer onbekwaam fchynende om zyne gedagten bepaaldljfk 
voor eenigen tyd te veftigen»zetcemen hem aan tocde beoefening 
der IViskuTtde; en bier in fmaak krygendc>vond hy zich eerlang in 
ilaacom zelfs de afgetifokkenfte redenoeríngen na te gaan, wa^ 
van hy nog M^n de ^iangQ&aam^ vtugcen geniet* 

YRT- 



VRYMOEDIGE 

A EN MER KINGEN 

OVER D£ 

NEDERDUIT&CHE 

WERKEN EN SCHRIFTEN, 

die onlangs uitgegeven zyn. 



J}e verdrukte Kerk $m Vranhryhy deor de herroeping van betEdiB 
Vém Nantesx den XXII van Wynmaand MDCLXXXV. 
Te yiisfini/Bn den XXVI van Wynmaand MDCCLX. doorj^n 
Mazel uitgeffrooken : en uit het Franfcb vertaald door Jan 
Guepin. Te Middelbtífg bj L. Taillefert Davidsx. 17^1. im 
iroot offavo 32 bladzyden. 

Deze lezcnswaardige Leerreden neerat cen aanvang met ene 
welgepaílc Inkiding, genomen uit de droeflieid der Ifratli- 
ten over hct ongeluk hunner Broedereh, de Bcnjamiten, aangê- 
tekend Richt. XXI; naa de overbrenging hier van tot hetbeoog- 
ïie doelwit, geeft de Eerwaarde Ma%el «ne uitbreidende verklaa- 
jring van á^n zin zyner Textwoordcn, Klaagl. i. 12; en maakt 
daar op zyne Leerreden twceledig; om I te leeren aandacbtig aan 
en bewogen te zyn door de rampen , die by nader voor 't oog moet hren^ 
gen: en II die gemo'jdsbenvogingen en plichten, in teboezemeny*U)el- 
ken uit die bedenkingen voortvloeijen , en de vrucbt daar van moeten 
'zyn. — Het eeríle deel behellt een beknopt en ondcrrcheiricn 
iHerigt van de lotgevallen der Hervormde Kerkc in 't naburige 
Frankryk, zcdert derzelver grondveíling aldaar inden Jare ijao, 
tot op de vernietiging van 't zogenaamde onberroepelyke Edi£t van 
JSíantes^ in den jSre 1Ó85, den 18 van Wynmaand, herro^peir; 
welke herroeping den 22 daar aan tcr uLtvoer gebragt werd. Hicr 
aan hegt de Heer Mazel ene korte fchets van den meêlydcnswaar- 
digen toeftand der Hervormden aldaar, zedert dien tyd tot op 
dcn tegenwoordigcn dag. Dit allen met vcreifchten nadrukvoof- 
geíleld hebbende, wekt hy zyne Toehoorders op lot eneaundag- 
lige bcfchouwing dier rampen ,- om hen op cnc Chriftclyke mg- 
, nier bewogen te doen zyn , met hec rampzalige iot hunner M«- 
^deChriílenen. De gcmoederen dus enigermate bcreid zyndc^, 
tragt hy zyne Toehoorders in 't tweede deel door zeer ernftige 
en kragtige vermaningen aan te fporen , ter betragtinge van huQ- 
nen pligt : ojq, ín de eeríle ptoat^ , uict te njorren ovpjr Gods 

oolr 



468 VRTMOEDIGE AENXERKINGEN. 

oordeelén ; maar de wecen dcr aaobíddelyke VoorzfenighCíd , fn 
alte deze rampen , mec de dtepíle ondepwerping in oederigheidtë 
biilykeo ; om vervolgens ecn geeíl van i.iefde jegcnsde Vervolg- 
den te bctoonen, zo door den Albeduerder aanhoudend ce bid- 
den, ter hunner verlosíinge, als hen naar ziel en lichaam tebe- 
deelen, mecnoodíge onderfleuniog: om, ten derde, zichjegeDs 
de Vervolgers te ^edragen op zodanig ene wyze als ChriflcDen 
bctaamc , door zich te onthouden van alie drifcige coewenrcbin- 
geUy hon cen kwaade, en boveo al tebidden, dac God fianoe 
harten verandere , hen bckeere en hun genade bewyze : om ein- 
delyk die rampen te befchouwcn mec ene gemoedsgeOalce van in- 
kcer en aandagc voor ons zelven ; door ons geluk te vergelyken 
sieC hun ongeluk ; daar door opgewekc te worden cot ene hartty- 
fce dankbaarbeid aan Gode; coc ernílíge fmekingen om hecbybly' 
vcn zyncr guníle, en coc ene daadlyke^boeivaardigheid ter ver- 
lieteringe van ons gedra^; ínzonderheid door een naaríliger ge- 
braik ce m^kcn van zo dierbaar ene Vryheid alswyinonzeLaod- 
palcn genieCen, dan gemeenlyk by velen plaats heefc; opdacGod 
zync oordcclcn oíec zcnde over onze ondaiil^baarheid en lauir- 
-lieid> maar onze gebeden verhoore. — Aan 'c einde dezer wel 
Qitgewerkce Leerredcn voegc de Ëcrwaarde Mazel een nadruklyk 
gel^d, by dle geiegcnheid uitgefproken , waar io *s Mans ernít 
op ene voorcreffelyke wyze doorftraalt. 



J)e hyzmdere nverkingen van ieder Perfeen der Goddeyke Drkie»' 
beidy in het verhjjen der Zondaareny yoorgefteU in een heerre^ 
den door Johan Ëmft Schubert , Doéior en FrofeJJbr der i/, 
Godgeleerdheid y of de Vniverftteit tot Helmfiadt. En om deT» 
xelfs Nyttigbeid^ uit bet Hoogduits vertaalt^ door Evcrlmá 
Smic , Krankeniezoeker in de Gemeente toegedaan de ónveran» 
derde Angskurgfehe Confespe binnen Amfterdam. Te Am[ier^ 
dáfm hy Éverhard Stnit. 17^1. heh^lve ^e Voorreden 31 ilaí 
pyden $n ^uarto. 

DE Vertaler dezer Leerreden becuigt in de Voorreden , byzork' 
der aangezec te zyn toc derzelver overzetting, doordien by 
menigmaal ondervonden heeft, dat vesle zyner Gemeente eenvou- 
dig van gedacbten zyn^ dat den Zoon Gods alleen^ {met uitzondering 
van den Fader en H. Geeji^) hei, werk der Ferlosjinge beeftuitge' 
voert, Doch *t komt ons voor, dat zy, die door den gewoonen 
Lcertraut en Schryfwyze hunner Godgeleerden, niec overtuigd 

j ' --rdheid " * ' ' 

gereed 

.» . -.^^jcnlyk ^-- ...«. ..*..**, «^« • 

geen de gewoonc Leerwýze der Kerke voorftelc; en 'c zelveniec 
Iragclger ftaaft , of duidejyker ophelderc, dan gemeenlyk ge- 

fchicdt; 



^ 



I • ' 

TRYHOEDIGB AENM £R KXNGEN. 409 

icfakdt: wordende het Leerftuk selve nlet meer dan oppervhk- 
kig ontvouwd, en in 'cNedcrduílfch voorgeíleld in een ílyl, dW 
vcr van aanvaliig is. — Mogelyk heeft de Vertaler ene byzon* 
dere nuttigheid gezien in *t onderzoek van den Hoogleeraar, 
waarom juiíl den Vader deeze, den Zoone díe, en deaHeilIgen 
Geed eene andere werkzaamheid etgev^ rs : doch hier omtrend 
handclt zyn Hoogecrwaarde op ene.zo Scholaílyke wyze, dachy^ 
naar ons inzien , niet verílaanbaar 2^ voor meufchen díeeenvou- 
dig denken. De Lezer oordeele deswegens uít het volgende 
ílaal , cn gaa tevens na, of de Hoog Leeraar hier in wel gedag- 
tig zy aan zyn zeggen in 't begin zyner Leerreden, van onzever- 
ph'gting , om ons gebeel haauwkeurig te bouden aan bet Foorjcbrift 
van *t Codlyke Woord. 

Zyn Hoogecrwaarde getoond hcbbende, dat het de FflJ^f is , 
die 't werk der Verloflinge bejloten h(;eft, Itelt zich daar up ení- 
^e vragen voor , en beantwoordt dezelvcn in dczer votge. 
„ Doch waarom cigenen wy dit Raadsbejluit in *t byzonder aaoí 
„ den Fader toe, Is dan den Zoon niec even zo wel als den Va- 
„ der de Eeuwige, Almachtige en Wezentlyke God'? Heeft hý 
„ zich dan nict zo wei als den Vader over het menfchelyk Ge- 
,» flachí ontfermt? Heeft hydus niet even 20 wel als den Vader, 
„ befloten, de Menfchen te verloíTen? Op alle deze vragen kun^ 
„ nen wy u, myne Vrienden, niet anders antwoorden , als daC 
,,*wy ons beroepen op het Ferbond, het welk áe drie G^dlyke 
j, PerJ'oonen tot Heil der Menjcben- met elKander opgericht heb- 
,, ben. Het is wel zeker, dat alle drie Perfoonenáer hoogge*^ 
„ loofde Drie-eenbeid het ÍVerk der Verlojftng tot Heil en Zalig- 
„ hcid der Menfchen befloten hebben : doch ult kragre van «ea 
„ Ferbhnd, waar van wy den grond in het IVézen van den vcrbor* 
•„ gene God zoeken moeten,~heeft ieder Perfoon eene by^sonde- 
^, re ^tffHwfi'Op zich wiilen neemen, en ali<;en toeeigencn, hec 
„ welk tot Zaligheid der gevallen en verdorven menfchen nodig 
„ was. Zy hebbcn die verrigtingen, die gemeen vvaren aan alle 
„ drie- Perfoonen, om zo te fpreken, ondcr elkander verdeeïd^ 
^, en cen ieder wilde daar voor gehouden worden , víin hct z^ne 
„ tbt de Zaligheid der menfchen getrouweíyk toegebragc te 
,, hebben. 

„ Toc dit oógmerk nu, moeíle de Fader, als de eerfle Perfoon 
;„ der Godheid, de Befiiering en inricbting van het Werk der 
„ Verloífing voor zich behouden, hy raoeftezich als die Perfoon 
„ voorfteilen, die een middel badde uitgevonden , om demenfchen 
,, Zalig te maken, na wiens Raadsbefluit én Wille zich deandem 
„ re Perfoonen zouden fchikken tot de voltrekking van dit Werl^ 
„ En die alles by deuitvoering van dien, befchikte en regeerde. 
„ Aldus ware Hy , die Perfoon aan wien eene Genoegdocning 
„ bewezen moeft worden. De Perfoon die zich zelf een Midddm 
„ laar cn ook de manier der Verzoening'zelf had uitgezien.. De 
,1 Perfoon die Gerecbtigbeid door Straffe maar ook ce gelyk Gt- 



4IO VRTMOBDIG£ áBNHERKXNGEls; 

,, naÍB en BnmbeHigbeíd áoot Vergeving «lerZonden wildeopeiï^ 
„ baaren, want dewyl Hy zyn IVezen van genea anderenTerkrei 
^, gen had , zo moeílen ook de Handelingen , die Hy zich in 'c 
„ byzonder coeeigende» zodanig zyn, dat dezelve niet g^ond 
„ waren op de \Verken van ecn ander Perfoon, dewyl Hyzyn 
,y Wezen aan alle d*andere Perfoonen heeft medegedeelt , en in* 
„ dien opzichte de Bren en oorzaak van het IVezen der andere 
„ Perfoonen is, zo mocften ook de Hanéelinj^en die Hy voor zich 
j, allcen behieljd, de frrond zyn van die IVerken^ die de «n^tre 
„ Perfoonen ter «tívwr í«g zyn over gelaten : want buiten diea 
„ was *er geen overeenkofnjl der Werken van de Godlyke Perfoo- 
„ ncn, en hun byzonder Perfoneel Beílaan geweeft. Nu was 
^y het Raadshejluit Gods een zodanig Werk^ om^de IVfenfchen Za^ 
„ lig te maken , want aan de eene zyde wierd geene andere ian- 
99 deling vereifcht, waar op dit Raadsbeíluit gegrona was, enaao 
g, de andere zyde ïs het zodani^ een Werk , waar uít alle de weri^ 
„ gOy de Véfloffmg zelf, de Ferlicbting ^ de Wedergeboortt entm» 
„ delyk de Zaligbeid^ zyn voorcgekomen. Derhaiven vindenwy 
„ in de verborgentbeid der drie Perfoonen zelf een oorzaak, waar- 
^, om eigentlyk het Raadshefluit ^ om de Menfcben Zalig te maa^ 
,y ken, zMi den Fader^ als de «er/ïe P^r/tfm byzonder toegeei* 
„ gent word. 



J^eJuSie van vxgens Benjaniina Geertruyd Keyzer , Impetrant^ 
van Mandament van Raa ABie en Vervieerdereffi en geexdfi- 
eerde ter eenre^ op endejegens Charles Lodewyk, Prince van 
Anhalc Schaumburgh, Collonel van het tweede Battaillamvaa 
den Heere Prince van Waldek, tendienfiedeezer Landem^ Gem 
daagde en B)ffcher^ vúugaders Vidor Amadeua Adolphus, 
Prince van Anhalt Schaumburgh &c. &c. ac. desza^s Va^ 
der^ mede Gedaagde en Excipient in het vcorfí, refpeBive Cat 
ter andere zyde, In V Gravenhaz/s ky Picrer Gerard van Ba- 
len, MDCCLXI. behalve het Voorbericht 80 bladzyJen 
in Folio. 

1 

*T7olgens het beloop dezer Dcduclie heeft de ecríle Gedaagde, 
V met wetcn van den cwecdcn, gedurendc den winter van 't 
Jaar 1748 , amours ^emaakt by de Impetrante; en dezelve heeft 
van hem op den 8 Maart 1748 fchriftlyke trouwbelofte ontvaa- 
^en, die vervolgens concuhitu zyn geconfirmeerdgeworden. Van 
dien tyd af kon de Impetrante niet anders denken , of ze was 
waarlyk de Huisvrouw van den eerílen Gedaagden; als zynde, 
naa voorgaande ondcrtrouw , mct fchriftlyk confent van den 
tweeden Cedaagden, op den 25 Maart 1748, doorDx. Wilbehn 
Mobacbius, met den eerflen Gedaagden getrouwd; waár op daft 
iiuwêlyk , (als zynde de Impetrante van den Roomfch Cacho?)^ 

kea 



VRYMOEDIGE A&NMBKKIKGEH. 4.IC 

fccn (jofdsdieníl,) óp den 26 dito voor den Pafl:cX)r ván IStevens^ 

waard It vernieuwd en geconfirmeerd : hebbende zich ook de 

cerfte Gedaagde geduréhdé de Campagne ^an *t Jaar 1748 open- 

baar als des Impetrantes Man gedragen. In de maand Aug.uQu$ 

van dat Jaar is egter de eerílc Gcdaagde al van de ímpctrante 

weggclopen ; waar op eerlang een Próces tuíTchen Partycn h pht- 

ílaan. De Impetrante ontveinít niet vervolgens gefuccumbeercl 

te hebben, in de fuftenue, dat haar Huwclyk naar Wetten ea 

Placcaten beftendig en vaiidfr zyn zou; doch iy betuigt niec te 

twyfelen aán haar wettige fegt, om zodaníg iemand inzuík cea 

gcval tc conílringeren, om het Huwelyk de novo td folemnifee- 

jren , en dus de geledeerde party tot eer te brengen', De Impe- 

trantc oordeelt het nicthoodig dit in ''t breedeuitregtenof DD* 

te bctoonen , als zynde ene bekende zaak; zy verzoekt allecn dat 

hunne Hoog Ed. Geílrengen zich de zaak gplieven te vertegen* 

woordigen, als of dezelve nu eerft door delmpetrantegeadieerd 

ware : cn beroept zich dan op de Notulboeken van hunne Hoog 

Mog, , als waar ín het goed regt van de Impetrante, en 'tbegrip 

het welk hunne Hoog Ed. Geílrengeh van de gcfundeerdheid ha- 

rer fuítenue gemaakt hebben, te vinden zyn. Uic het deswcgens 

bygebragte blykt , dat het den Hogen Krygsraad der Verecnlgde 

Nederlanden voorkwam, dat de Impetrante eehindisputabelregt 

had tot dezen eifch; was 't nietdat het Placcaatvan^Junyi^so^ 

met opzigt tot trouwbeloften tuíFchen Gcreformeerden en Roora* 

fchen aangegaan, naar den letter moeft geretrotraheerd worden^ 

"ook tot de trouwbeloften iji dit gevai; dat de Impetrante*, inge- 

volge de door hunne Hoog Mog. vcrleende vryheid, zich aaa 

liunnc Hótíg Mog. heeft géaddrefiTeerd by Rcgue'flé , ' verzoeken- 

de, om reden in het zeivegeallegeerd, ,, dachiinne Hoog1tót)g. 

„ geliefden te verílaan, dat het Piaccaat van 3 July .1750 op dít 

9> geval nietapplicabel is, of gemaaktma^wordcn^enoveráulks 

„ aan de Impetrante werde vry gelaten de novo voor dsn Hoo- 

„ gen Krygsraad der Vereenigde Nederlanden , tegen dcGedaag- 

„ den zodanige aébie te inftitueren , als zy zal oordelen tegens 

„ dezelve te hebben ,• zonder dat in dle ProceíTen gebruyk" zri 

^, werden gemaakt; of regird zal mogen werden genomen, op 

„ hun Hoog Mog, gem. Placcaat vanden 3 July 1750; behou- 

,, áens nochtans de voorn. Princen van jíiíbalt hunm verdere of 

„ andere defenfie". De Impetrante een gunílig ancwoord van 

hunne Hóog Mog, hier op verkregen hebbende, de zaak de no- 

vo voor den Hoogen Krygsraad litispendent gemaakt, en het ee- 

Tiigfte obftacul , het Pla'ccaat van 3 Juny 1750, door den Souvc- 

tain "tveggenomen zynde, zo vleft ^ich de Impetrante dat hun 

Hoog Ed. Geftrengen geen haefitatie zullen vinden , om haren 

eifch en concíufie, áan baar te adjudiceren. ïn gevolge daar vaïl 

zou ze ook hier mede bare Dedndhie befluicén, zo niet de eerfte 

'Oedaagde ene Befchuldigrng ten lafte harer eerehad ingêbragt; 

'als haáde dezelve zlchmeft een Officfer, onder den naam vati 



419 VEYICOEDIGE ▲ENHERKING&H. 

Monfitur ($ M»dame ie Bruge^ ín 't naj^ar vao 17S&» eDigeH 
tyd te BruíTel opgehouden; en aU Wáare de Impecrantealdaarop 
^tw ii of 12 January 17S3 vatí een Zoon verloft. De lúipetrán. 
te begryptzeer wel, dat deze Befchuldiging, naarwaarheidzyn' 
de, haarniet alleen zou doen vervallen van dien ílaat,naarwel- 
keii zy aspireert , maar zelfs ílrafwaardig maken ; uic Yx^i híer 
van wendt zy alle mogelyke pogingen aan, om de vaircbeíddíer 
Befchuldiginge le doen zien, zo door haar Alihi of FtfrWy/el. 
ders.ce bewyzen , en 't overleveren van getaigeniíFen , tenbewy. 
tt dat ze diestyds niet zwanger was, als door het maken vande 
nodige remarques op de getuigen van den Gedaagden. 

De Impetrante befluit deze Deduftíe, in verwagting, dathuD- 
'ne Hoog Ed. Geílrengefj geen haeíitatic maken zullen , om de 
Gedaagsiens in den eifch en conciuíie , midsgaders in de kollea 
Van ProceíTe, te condemnceren. Doch de uitkomft heeft niet 
voldaan aan hare verwagting: want, volgens het berígt, inde 
Haarletnfe Courant van 14 Nov. 1761, uit 's Gravenbáge áQïïlí 
Kovember , was aldaar den vóortedene Maandag , &y Sententie ws 
den boogen Krygsraad der Vereenigde Nederlanden , getermineerd irt 
eclatante Proces^ bet geen door Benjamina Geertíuyd Keyzer, tó- 
gens den Heer Charles Lodewyk Prins van Anbalt Schaumburg, 
Colonel ten dienjle deezer Landen^ in Cás Matrimonieel , is gttvíSr 
'meerd ge'txíeeji ; bebbende dezelve BenjaminaGecrtruydKeyzeráflir 
ín gejuccumbeerd thet Condemnatie van Kojleru 



VoortgaoMde Berigt van Tafiere» ^ faakenJe de zaak ^sn Jf^ 
Heer O. Z. van Haren. 

Met opzigt tot deeze zaak zyn ons , zedert ons laatíle Berifi, 
nog twée Gefchi iften tcr hand gekomen : het eene onder 
den titel van Ontkrmpie Gedagten of ziýpedende tV9yfelmoe4igbeid, 
door Juílinus Richtermans F. Z. In *s Gravenbage by H. 3aÍLhu/- 
zen; en 't anderegetituleerd, iVelmeenende Bejpiegelingen of Gí' 
recbtige fVeegfcbaal^ door Piecer Sevelin. Te Rotterdam hy Diri 
Vis. Het ecríie behelft niet anders dan twyfelmoedigheden , <lic 
door etlyke Schryvers reeds dlkmaals herhaald zyn ; hec oogmerk 
van den Schry ver is te toonen , boe men deeze zaak voor bet ttl^ 
nvoordige in zyn belderjle daglicbt befcbouwenmoet ^ doch,naarons 
inzien, flrekt het gefchrift eer om de zaak nogduiílerder temaa' 
ken. BctreíFende het laatíle; het zelve is, onzes agtens, niet 
meerder oordeel opgeíleld; de •Schryver tragt tetoonen datmen, 
.de Befcbuldigingen nagaande, de Bedehkelyke Objeïtien daartegea 
o verweegeude , en agt flaande op de Qifttradiáoire Motivsnj h'J 
mangel van betere onderrigtihg in deeze en geene byzonderhe' 
den, den Heer van Haren noch fchuldig noch onfchuldig kan 
^rklaaren uit het geen in de DeduSie en CotUradeduSien li voor* 



t^RYMOËDXGE AENMERKING El^. 41^ 

gefteld,* en dat men derhalve niet beter kan doen , danmetgé« 
duld zyne nieuwsgíerigheid op te fchorten, en te wagtcn op *t 
vonaiS) dat *s Lands Regter billyk zal oordeelen opzynehty^ 
daar over uit te fpreeken. 



Berigt raakende de vetJere mtgaave der Hedend^agfche Hifime. 
Te ITitreát^ by H. Beflcling. 

DE Heéren Uitgecveren v^n dit weldoorwrogte en nauwkéu- 
rig vertaalde Werk zyn ^cwaar geworden , dat zommigen 
gficn bchaagen fchcppende in de Hiilorie der afgelegene Aziati- 
jcbe cn Africaanfcbe Natien , gaarne zouden zicn , dat men hun de 
Gefchiedenis der Europifcbe Volkeren médedeelde : tcrwyl ande- 
ren, met vermaak de gcfchiedeniíTen der inwoonderen van Azia 
cn Africa leczende, het vervolg daar van met verlangen te- ge- 
moet zien; inzonderheíd, vermids hct belang der Europëers in de 
gefchiedeniíren dier Volken, in de laaflvoorgaande eeuwen, daar 
in ontvouwd zal worden; wannecr men met de Vertaalíng zalíje» 
komen zyn tot den tyd der Europifcbe Maatfcbappyen en BezittÍTh' 
gen in de OoJi'InHien, cnz. midsgaders in Africa; tot de Gefchic- 
dcniíren van Algiers, lunis enz. als mede tot hct voorgcvallene 
ten opzígte der Canarijcbe Eilíinden, hct Eiland Maltba enz. — 
Om nu aan deezen verfchiliendcn fmaak, zo veel mogclyk i$, tc 
voldocn , hebben de Hecren Uitgeevers beflooten , voortaan 
beurtlings, nu een Dcel vsin ác Europifcbe , dan een deel van de 
Aziatifcbe en Africaanfcbe Hifl:orie,uit te cecvcn. In gevoïge hier 
van zal het Ilde Deel van de Hedevdaagjcbe Hijlorie^ behelzcndc 
hec Vervolg van de Hiftorie der Arabieren , bellaande in.de Lec- 
vensbefchryvingcn van twee en vcertig KbaUfs^ beginnende mét 
Ali , den Vierden Kbalif van Mobammed , en eindigcnde met Al 
Moti* LVllab^ den vyf cn vecrtigílen , met de uitgaave van bet 
llde Stuk, in 't vooifte van deeáe maand Dccember, voltooid 
worden (*)• Hct naafle Deel, hier op volgende, zal bêgínnen 
met de E^ropijcbe Gcfchiedeniíren ; cn wel, met die van Spanje^ 
van 't Koningryk dcr Fifigottben af;van denlnval ácx Africaanjcbe 
oïMoorfcbe Mufulmanncn;(}e htrflelling der Gottbifcbe Magt,door 
Don Pelayo;dc uitdryving der Mooren enz. tot op den tegenwoor- 
digcn tyd. Het Deel daar aan volgcnde zai wcder voortgaan met 
de Hiftorie der Arabieren , en dezeivc tcn einde brengen. En dus 
zal men de Gefchjedeniíren van de Europifcbe, en van de andere 
Volken beurt aan beurt, mct elk Dceí, op elkanderen laate» vol"- 
gen tot dat die tcn cinde zyn. 
De Hccr Beffeling berigt ook by decze gclegcnheid,dat de twee 

• cerlle 

(♦) Zic wegens hct IfteDeel, cn 'tlftc Stuk van't Ude Deelons 
berigt >n dceze VaderL, Lettcroefen. i D. bl 507 , 733. en baven bU 
179. 
' iupEZL.m»u Ee 



— --I 



414 VftTMOEDIGE AENMERKINnrN. 

eerfte Deelen v^n de Hedendaagfche Hidoríe nog voor dcn' ze* 
woooen prys gcgeevcn wordcn , tcrwyl het líle Decl van de Eu- 
fopifcbe tiiflorie gedrukc worJc : tn vcrzoekt dat zy , die hunne 
saamen a!s Intekenaars , by 't naaflvolgendc ceríle Decl van dc 
Eufopifche Hedendaagfcbe Htliorie, beí^cprcn gcvocgd le hcbbcn, 
dczelven bj tyds gelievcn dp te gcevcn. 



.Cdiade, afde betoonde Deugd^ in ééh Bedrjf. OpgefleU omJg 

fën hyzander vertrek deor een Gezelfthap van goede Vrienden ^e- 

Jfeeli te kutinen nLerden. Vit het Franfch veftaald. In V Gra'^ 

venbage^hj Ifaac du Mee. MDCCLXI. In oóiavo 31 biad% 

l^lt Stukje is in zyn foort zeer wel uitgevperd, daar is- in den 
inhoud niets dat onder 't onmogelykc cebragt kan worden; 
4e knoop is pp «rcen onaartige wyze geleid, en de ontknoping 
wordc ongedwongcB natuurlyk vcroorzaakt. Strekkcnde de ligt- 
vaardigheid ener jonge Marquifinne gevailig tcr ontdekkinge van 
den Gemaal ener deugdzame Gravinne, en van den Minnaar ha* 
rer wel opgevoede Dochter ; mct wclke zy zich aan 'c huis der 
l^arquifínnc bcvond ; alwaar de eerfre als Huishoudíler en dc 
laatde als ene jpnge Gezelfchaps Juffer der Marquifínnc leefde; 
terwyl de Marquifin oiikundig was van de na^we betrekking tus- 
fchcn dcze twee, en hunnen hoger raug, wáar van zy door on' 
gelukkig|e omdandigheden berpofd wárcn; doch in welken zy 
doof de bQvcngemelde oncdekking weder heríleld worden. 



J)i PopioetSy behelzende het CharaHer van den Heer IVltni^, cs. 
de gevalien van %yn Reisgenooten, Uit het Engelfch vertaald, 
7k jímfierdam\ by Gcrrit de Groot en Zoon 17Ó1. 1« oSor 
vo 467 bladzvdon. 

MEn mag ditgefchriftden Liefhebberen van zedekundíge Bo- 
maris, als nutcn vermaaklyk,aanpryzen. Het voorftel cner 
Reize in ene Poítkoctfe geeft den Schryver aanleiding tot hct 
welden van verfchillende Charafters , en het opgeven vaii ver- 
fcheidene verhalen , die door ctn genomen , in 't volgende beloop 
van dit gcfchrift, zeer wel ai^tervolgd worden;zynde alles ílceds 
doormengd met zedckundige aanmerkingen , die over't algeráccn 
nauwkeuHg zyn, en regt ter zake komen. Behalve hct oogmerk, 
om in den Heer Manly het Charaéler voor te ílellen ^ vah cch 
goédaartig menfch,die in alle omílándigbeden het welwezen vaa 
zynen Ëvennaaflen ter harte neemt, en zich bevlytigt om datte 
bewcrken, fchynt het grote doelwit van onzen Schryver te zyn, 
cjen Lezer in te prenten , hoe nadceligc gevolgcn ene al te verr? 
gáahdé pragt mec zich ílepc ; hoc verderfelyk de tcikwiílcnde 

levens^ 



VRYMOEDÏGE AEIÍMÉRÏCINGEN. 415 

tevenswyze der Ouderen zy, niet allecn voor zich zelvcfl, maar 
wel inzonderheid voor hunne Kinderen; hoe onredeiyk hetzy dat 
Guders hunne kinderen wiilcn dwingen toc het aangaan van een 
Huwclyk tegen hunne gtnegenheid, en wat de pligt der kinderen 
in zodanige gcvaliírn zy; midsgaders hoe men, in tegenheden 
vervaílen zynde , noit behoore tc wanhopen , maar , onder het 
naarílige aanwcnden zyncr vermogens, te vcrtrouwen op de God* 
lyke 'Voorzienigheid , dtc eeh geiukkigen uicílag kan verlenen , 
kings wcgcn, daar men *t niet op veïwagt zou hebben. 

f/ Engflfihe ífeesmehje , of de Htflerie van Nenci Butler. Vit 
het Ffúnfch vertaald, Te Rotterdam^ hjf Dirk Vi$ 1761. In 
c8avo 238 btadzyden* 

rjEzc Roman bchoort onder die faort van Schriftcn, wclke , 
• zonder kwctfing dcr goedezedcn, .gelezen kan worden, van 
iMin díe flegts voor tydverdryf lezen , maar zy die in 't lczen een 
wezenlyk nut bedoclen zouden hunnen tyd híer aan beílctd, als 
vrugtloos veifpild , beklagen. Het Stukje behelft niet andcrs dan 
«ne aaneenfcliakeiing van ongeíukken van cen Meisje » dat on- 
kundig is van hare Ouders , vclc wcderwaardigheden ondcrgaat » 
inzoQderheid met hareMinnas^rs en Ëgtgenooten, eindelyk harcn 
Vadcr ontdckt , en ten bcíluite met haren laatílen Man een ge? 
Jukkig ievcn lcidt. 

jDf» Oorlogsxnuerver of het Leven van den Grave van Tottle- 
bcn. Ns de alkrechtfle en meefi hekende Aantekeningen, Tle 
Zakbommel^ *jf Joh. Will. Kanncman. MDCCLXI. In 
fióiavo 160 hladzjden. 

ZO men op dczc Aantekeningen enigen ftaat mag maken ís de 
Graaf van TvUleben in alle declen een overgegcvcn flegt 
anenfch; en wat ook derzelver mlnder of mcerder gclQofwaardig- 
heid betreft, *t was zeker der moeite niet waardig daar over 160 
bladzyden in 't licht te geven , die 't lezen gcenszins Ycrdicncn; 
te mccrdaar ze in 't wezcnlyke nietandcrs bchcízen, dan 'tgeen 
ip de Nicuwspapíercn te vinden is gcwcen;, dat verder met enigá 
Hiílorietjcs is opgefchikt. 



'^erknvaardige VerdfMgingvan de anvermoeidoFraatxugf des Vron» 
nvelyke Geflagts. Vit het Franfch vertaald. In *$ Grav^nh^e , 
ffj Jíaac du Mee. MDCCLXI. In fftoot oSavo 20 Uadz. 

T^E Schryver van dít Stukje verdedigt de Kunne op ene geeílí* 
^ ge wyze, door ^an te merken , dat die Fraatzugt, welke der 

lilaa^ 



y 



4l6 * VRYMOEDrOE AE NMERKINGÏN. , 

Maatfchappye in vele opztgten nadeelen brouwt, ook aan detn- 
dcre zydc aan dezelve voordeelen toebrengt , clie de nadeelen 
fyklyk vergoeden. De Vrouwen , naamlyk , zyn inzondeiheid 
met onze Kindsheid belall ,* hare bekwaamheíd om over beuze- 
lingen gcdurig te pracen, gepaard met hare geneigdbcid, máakt 
haar rcgt gefchtkt tot de opvoeding der Ktndereu, om dczelven 
te lecrcn dcnkén en fprekcn. Hier by Komt nog , dat haar onop- 
houdelyk gefnater, haar volgens de natuurlyke .gcQeldheid det 
ftem-wcrktuigen, bekwamer maakt, tot dc Mufyk, danzezou- 
den zyn als ze minder fpraken. Zo dat de Waei'eld een aange- 
intam vermaak trekke, uit deze door velcn zo zcer bcrifpte Praac- 
zoet ; die men ene onwaardeerbare gift mag noemen , als aan 
VfSkt de grootfle Mannen verfcbuldigd zyn, het eerfte gebruik iat 
Z€ gemaakt bebben van bunne denkings kragt. enfpraake, 

léjkrede over André Scheling, Meefier Kleidermaaker te Varys^ 
uït het Franfcb vertaald, Te Leyden^ by Corneíis van Hoo- 
geveen, junior MDCCLXI. In groot o&avo 34. bladsi. 

T%Eze Lykreden is, naar 't bedoelde van dcn Iníleller, zo wy 
^ agten,' enc Comique Lofredcn ovcr de Mode, inzonderHcid 
ten aanzien der kleedinge : men vindt 'er enige geetlige ílagen 
in, doch over 't algemeen is dezelve laf, dat door de langwylig- 
befd en hcrhalingen meerendeels te wcgen gebragt wordc. ín 
ílukjes van dien aart «ifcht men boven al ene fnedige levcndig- 
beid, waar aan dit geenszins voidoet. 

r ~~ ■ ~ ~ 

Befihryving der Neuzen-FabrUk ^ 8 bladzyde» m quatto. 

EEn naadruk van 'tLXIVfte Vertoog, in *t Illdc Deel van den 
Snapper of Britfcben Tucbtmeefter. Ene Lctterdievcry van 
aenzelfden aart , als we onlangs gemcld bcbben (*). 

Miatje zonder Wtnkbrauvsen» 
De zwervende Ucbtnris. 

Kodige Geeffil tot Beterfcbap der Maagfi en Am^erdamfibe Juf- 
ferfihap, By verfiheidene als Baaldc. van W erven , DcnimeU 
traat, Clareitein en auderfn te vinden, 

Laage. cn laffe Truirchriften. 
' (*) Zie bovcn bU ^i^i^ . 



■H 



■^v 



» \ 



/ 






• f