This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project
to make the world's books discoverable online.
It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover.
Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the
publisher to a library and finally to you.
Usage guidelines
Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying.
We also ask that you:
+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for
personal, non-commercial purposes.
+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the
use of public domain materials for these purposes and may be able to help.
+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it.
+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe.
About Google Book Search
Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web
at |http : //books . google . com/
Google
BERK eilV
LIBRARY
UmiVER$ITY OP
CALI^BNIA
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Digitized by
Google
u'v'-jii'.r?.
^n
VERHANDELING
CULTOIIR VAN SniKERRIET,
DOOR
DON ALVABO [REYNOSO.
(2e Druk. Madrid 1865.)
VERTAALD UIT HET SPAANSCH
SEBVAAS DE BBUIN; '
zijnde de vertaling, voor zooveel aangaat
^ het wetenschappelijke en prahti'sche ,
NAGEZIEN DOOR DE HEEREN
Dr. J. E. DE VBU en J. MIIiIiABD.
tSerste •Mfievering.
ROTTERDAM ,
H. NIJGH. — 1865.
Gedrukt hij C. Blomraendaal.
:^fr^S^
Digitized by
Google
Digitized by
Google
HET PLANTEN.
HoutvelIjINGEN of NfcüWE B0SCH-6R0NDEN. Ofechoon het vellen van
houtgewas, ten einde den grond geschikt te maken om er het riet in te
planten, een werk is, dat uit den aard der zaak eenmaal zal moeten
ophouden, achten wij het niet ondienstig hier een overzigt te leveren
van de werkzaamheden , die daarbij van het begin tot het laatst noodig
zijn, niet alleen omdat die werkzaamheden nog wel eenigen tyd in
zwang zullen blijven, maar ook opdat ze niet in de vergetelheid zullen
komen, wanneer ze eenmaal niet meer noodigzijn; tevens zal deze studie
ons dienen om er gevolgtrekkingen uit af te leiden en er redeneringen
op te bouwen betreffende het doel, dat wij ons voorstellen te bereiken
door het aannemen van al de verbeteringen der op een nieuw stelsel be-
rustende cultuur.
Om een stuk gronds bebouwbaar te maken begint men met het om-
hakken van het kreupelgewas, een arbeid, die ten doel heeft om de
boomen van alles wat èr om heen groeit te bevryden, en den ar-
beider in staat te stellen zich later onbelemmerd te bewegen en zich
van de werktuigen , die hy gebruikt , behooriijk te bedienen. Tot
dezen voorloopigen arbeid bezigt men scherpsnijdende en verstaalde
hakmessen, waarmede de lianen en al de kleine boomen worden om-
gehakt. Bij het weghakken van de lianen zyn wij dikwyls in de gele-
genheid geweest om ons te verwonderen over de groote kracht, waar-
mede die de pogingen van den arbeider wederstaan: wanneer men,
namelyk, twee boomen ontmoet, die met hunne toppen aan elkander
zijn verbonden door stevige lianen, en men hakt er een van de twee
om, zal die evenwel nog niet op den grond vallen: hoezeer geheel van
den stam gescheiden, blijft zoodanige boom gemeenlyk nog regtop staan
tot op het oogenblik , waarop men aan den top de stevige lianen door-
Digitized by VjOOQIC
hakt, die hem staande hielden. Het kreapelbosch omgehakt zijnde,
gaat men over tot het vellen van de eigentli[jke boomen, bij welken
arbeid men vooral zorg dragen moet, dat de boomen omgehakt worden
zoo laag bij den grond mogelijk, in dier voege, dat er van den stam
slechts een stronk blgve staan , die op zijn hoogst 4 nederl. palm boven den
grond uitsteekt. De boom geveld zijnde, wordt hij, na van de takken ont-
daan te zijn, §an stukken gehakt om als brandstof of brandhout te wor-
den verbruikt, of wel in zijn geheel weggebragt om tot andere doeleinden
te dienen. Daarna worden er grenswegen of afscfceidings-paden getrokken,
die de uitgestrektheid van den akker afbakenen, en langs die paden wordt
de grond schoon opgeruimd, ten einde te zorgen , dat by het afbranden van
den akker de vlammen zich. niet verder kunnen verspreiden. Wanneer er nu
genoeg tijd is verloopen en al de takken , bladeren en verdere plantaardige
bestanddeelen, die zich op den akker bevinden , goed droog zijn, steekt men
den akker aan de vier hoeken in brand, opdat de vlammen zich van alle
kanten te gelijk verspreiden naar het midden van den akker. Zoodra de
brand gedaan 'is , worden al de plantaardige bestanddeelen , die nog niet
door het vuur verteerd z^'n, aan hoopeü bijeengebragt , en dezehoopen
worden ook weer in brand gestoken, welke arbeid door velen genoemd
wordt de nabrand. Als van deze brandstapels niets meer overig is dan
groote hoopen asch , moet men , alvorens met planteïi te beginnen , die asch
gelijkmatig over den ganschen akker verspreiden, daar die eene goede
meststof is voor den grond. De boomstammen, die in den grond z^'n
blijven staan, ondervinden niet allen den zelfden invloed van dén vutir-
brand, die er overheen gaat: velen behouden hunne groeikracht en
schieten later weder op; anderen worden door het vuur geheel en
al verteerd, tot zelfs hunne wortels, zoodat daardoor diepe kuilen
of gaten (1) ontstaan; en enkelen eindelijk, oÊtchoon van hunne groei-
kracht beroofd, blijven in den grond zitten, waar ze na verloop van
een korter of langer tijdsbestek tot verrotting overgaan. Zoo hebben wij
wortels van cachou- en van cederboomen opgegraven , nog in'volkomen
goeden staat, en die waarschijnlijk reeds langer dan dertig jaren te
voren van hunnen stam waren gescheiden (2). Wij achten het niet os-
dienstig bg deze daadzaak ook melding te maken van eene andere, be-
trekking hebbende op het bestaan van de boomstammen. In zijne Reit
Digitized by
Google
8
HMr Egypie verhaalt Bové (3), dat hig, onder meer, ook in de nabijheid
van Koeba een der landhoeven van Ibrahim Pacha bezocht , waar ze hem
eenen boomstam lieten zien van eene Ceratonia siliqua, die, zooals ze hem
zeiden , bijna drie honderd jaren geleden geplant was. De wortels van dien
boom hadden gedurende dertig jaren géén het minste teeken van leven
gegeven; doch ten gevolge van eene gezegende bevochtiging had de
boom , na verloop van dat lange tijdslWNiek , drie takken geschoten , die
drie jaren later eene hoogte hadden bereikt van bijna vier nederL
ellen. Er zijn nog andep verschgnselen betreffende het leven der boom-
stammen door zamengroeying der wortels (4). Er zijn ettelgke werk-
tuigen in het land ingevoerd om boomstammen te roogen; maar het
gebruik van die werktuigen is niet algemeen geworden.
In plaats van de akkers in brand te steken hebbeo vele land-
bouwkundigen gemeend, dat het doelmatiger zoude zijn al de plantaar-
dige zelfetandigheden uit den grond te verwyderen, den akker schoon ie
maken, zonder zich daartoe te bedienen van vuur; wanneer die plant-
aardige zelfstandigheden later tot ontbinding overgaan, leveren ze eene
krachtige meststof. Maar is het al niet te ontkennen dat de werking
van het vuur de bovenste dunne aardlaag, dat is de aanwezige teel-
aarde, vernietigt, het is daarentegen ook ontegenzeggeliijk , dat z^
eene aanzienlijke hoeveelheid asch voortbrengt, die, gelijkelyk over
den akker verdeeld, de hoeveelheid voedende stoffen vermeerdert, welke
van dadelijk nut zyn voor de planten. Wy zullen nog meer zeggen:
die asch maakt in vele omstandigheden de kalk onnoodig, die anders
in sommige gevallen zou moeten worden aangewend, alvorens iets hoe-
genaamd in dien grond te kunnen telen. Daarom, in aanmerking ge-
nomen de verbetering, die de gesteldheid van den grond ondergaat door
de werking van het vuur en door den invloed van die zouten, is het
veel voordeeliger de plantaardige zelfstandigheden te verbranden, dan
ze op hoopen te plaatsen en ze daar te laten verrotten. Menigmaal
wordt er van het zware hout geen gebruik gemaakt, en laat men het
staan, terwijl door het vuur, dat de zware boomen niet verteren kan,
alleen het kreupelhout verbrand wordt. Na den akker te hebben afge-
brand, wordt er, als men dat goedvindt, het bruikbare zware hout
afgehaald, en of overgebragt naar het terrein der gebouwen, of voor
Digitized by
Google
eenigen tigd opgestapeld op de a&cheidings-paden. Big het gereedmaken
¥an de akkers laat men enkel de koningspalmen en eenige pronkboomen
staan, die later veelal dienen om de riet-akkers aan te wijzen.
W^ achten het niet overbodig hier eenige byzonderhtden mede te
deelen betreffende de hontvellingen, die verrigt worden met oogmerk
om de opbrengst te bezigen als brandstof, met andere woorden het
brandhout-hakken. Bij het gereedmaken van eenen akker gaan velen in
dier voege te werk, dat ze eerst al het houtgewas, hetwelk zich er
op bevindt, vellen, en dan de boomstamiMBi kleinhakken; anderen
vinden beter het vellen, wegruimen, kleinhakken, opstapelen, alles te
gel^k te doen plaats hebben. Onverschillig of men aan de eene, dan
wel aan de andere wijze van behandeling de voorkeur geeft, het brand-
hout wordt gehakt aan stukken van 1 nederl. el lang en op z^'n hoogst
26 duim in omtrek; men gebruikt ook de dunne boomen tot ligt brand-
hout, mits ze eene dikte hebben van ten minste twaalf duim, wel
te verstaan zonder takken en knoesten. Dit brandhout wordt bij wijze
van taakwerk opgehoopt aan mijten, die 2^ nederl. el lang, 1 nederl.
el breed en ruim Ij- nederL el hoog z^n; elke mijt bestaat uit drie
vakken. Tot de myten worden alleen de dikke stukken gebezigd, doch
somwylen vormt men de bovenste lagen ook van dun hout. Twee zulke
mijten zijn drie wagenvrachten; vele administrateurs bezigen tot dien
arbeid tweederlei soort van wagens, namelijjk de eene voor het dunne
en de andere voor het dikke hout.
Byaldien het hout niet dadel^k vervoerd wordt, en als het nogtans
noodzakelijk is den akker, waar het boomgewas is geveld, af te bran-
den, kan het hout worden opgestapeld aan hoopen, ten einde lat«r,
naar gelang men het noodig heeft, te worden weggehaald.
Zien wij nu hoeveel dagen vereischt worden voor de boom-vellingen ;
wanneer het kreupelgewas gehakt is, welke arbeid behoort onder die
werkzaamheden, die volgens de kerkelyke vei^unning verrigt mogen
worden op zondag, kan een sterk en werkzaam man zoo vele boomen
omhakken, van hunne takken ontdoen, kleinhakken en de stukken opstape-
len, dat hij eiken dag twee mijten klaarmaakt, dat is zes vakken; maar
om dit te doen moet de arbeider zich een weinig inspannen en zeer
voorspoedig zijn, gelijk onze landlieden zeggen: het gewone dagwerk is
Digitized by
Google
vijf vakken, wanneer de arbeiders sterk zijn en werkzaam, en bedreven
in den arbeid , dien zij verrigten. Velen hakken de boomen om , en ver-
volgens aan stukken, zonder van dat werk af te gaan, en stapelen dan
om de acht dagen het hout op; op sommige plantaadjen» waar men er
geen waarde aan hecht na te gaan wat door iederen arbeider in het bij-
zonder wordt afgewerkt, wordt het hout niet aan taak-mijten opgesteld;
het wordt daar eenvoudig opgestapeld, met dien verstande, dat èn van
het dikke hout èn van het dunne hout afzonderl^ke hoopen worden ge-
maakt. Wat de opbrengst betreft, als het een regelmatig kreupelgewas
is, geeft elke vierkante roede oppervlakte. 1|» a 2 mijten, die door twee
man kunnen worden afgewerkt in een halven dag, of door één man in
een dag. Daar nu een gewoon stuk ploegland 13,42 hectaren bevat, volgt
daaruit , dat er om van zulk een stuk land het boomgewas te vellen en
tot brandhout te hakken 1,296 dagen noodig zullen zijn. — Wat aangaat
het hout-vellen, waarbij men de zware boomen laat staan, gelooven wy,
volgens geloofwaardige gegevens, dat één man in staat is eiken dag 2S
vierkante roeden oppervlakte te vellen.
Al de planters in het land stemmen hieromtrent overeen, dat pas
ontgonnene gronden gemeenlek bij uitstek vruchtbaar zgn , waarom dan
ook velen de weghakking van het boschgewas beschouwen als het eenige
en onfeilbare middel om tot eenen rijken oogst te geraken. Door laatst-
bedoelden hebben wij menigmaal hooren beweren, dat het raadzaam is
„geen tijd te verspillen aan het bebouwen van uitgemergelde, oude,
reeds beteelde gronden, en dat een pas ontgonnen boschgrond veel meer
waard is , dan eene even groote uitgestrektheid ouden grond"; ook zeggen
zij: „dat men, om de in verval gekomene groeikracht van eene oude
plantaadje te herstellen en zelfs te vermeerderen, met andere woorden
om de plantaadje op te beuren, onvermijdelijk nieuwe gronden in cul-
tuur moet brengen."
Gaarne geven wij toe de erkende vruchtbaarheid van zulke akkers,
van welke wy zelven in de gelegenheid geweest zijn de sterke groei-
kracht te bewonderen; en wij zullen op die daadzaak eenige redenerin-
gen gaan bouwen ten voordeele van de verbeterde wijze van rietteelt.
De nieuwe boschgronden , zoo vol teelkracht in het begin, verliezen, na
een zeker getal jaren beteeld te zijn , in meerdere of mindere mate hun
Digitized by
Google
6
voortbrengend vermogen, en het riet, dat op dien bodem geteeld wordt,
ontwikkelt zich in eene mate geëvenredigd aan de uitgeputheid van den
grond. Wi|j herinneren ons klagten daarover gehoord te hebben van een
onzer vrienden , die ons zeide , dat de opbrengst der nieuwe boschgronden
aanvankelyk buitengewoon groot was, terwyl by den tweeden of derden
keer, dat het riet daarin geplant was, geen spoor meer aanwezig was van
de vruchtbaarheid van den grond, die alstoen de eigenschap bleek te be-
zitten, in de hoogste mate ongeschikt te zijn voor de teelt van suikerriet.
Welk kennelgk onderscheid kan er bestaan in den zelfden grond , op
twee verschillende ty dstippen ? Kan die grond misschien eene verborgen
liggende kracht bezitten, welke te voorschijn treedt op het oogenblik
waarop h\j ontgonnen wordt? Zit die kracht noodwendig in den aard
van den grond? Welke bestanddeelen bevat de grond aanvankelijk, die
hij later in meerdere of mindere mate verliest? — Als men de zaak
onbevooroordeeld beschouwt, zal men bevinden, dat de vruchtbaarheid
der nieuwe boschgronden hoofdzakelijk, en somwijlen enkel en uitsluitend,
het gevolg is van de aanzienlijke hoeveelheid voedende stoffen, daarin
aanwezig, die door den weldadigen invloed van hare even krachtige als
heilzame werking veelal in staat zijn, om de nadeelige uitwerkselen te
onderdrukken of onopgemerkt te doen bleven van andere eigenschappen,
die weinig dienstig zijn voor de rietteelt, en die in lateren tijd vri^j en
onbelemmerd hare kracht zullen doen gevoelen: alsdan komen wij tot
de bevinding, dat de grond onderhevig aan overstrooming is of droog,
dat de bovenkorst teel-aarde niet zeer dik is , dat de ondergrond weinig
geschikt is, enz., enz., terwijl al die gebreken, ofschoon die altijd be-
staan hebben, van geen invloed zijn, of om juister te spreken, hunnen
nadeeligen invloed niet in het oog loopend kunnen doen gelden, zoo
lang de boschgronden nog versch zijn.
Wanneer in den overvloed van meststof de groeikracht der boschgronden
is gelegen, is het dan niet mogelijk de aanvankelijk door de natuur ge-
leverde middelen te vervangen door kunstmatige, en zoodoende de oor- ,
spronkelijke vruchtbaarheid te herstellen ? De in de nieuwe boschgronden
aanwezige meststof bestaat in de teelaarde en in de groote Iweveelheid
zouten^ die door het tot asch verbranden van de boomen achterblijven;
zouten (het zij in het voorb%aan aangemerkt) die grootendeels oplosbaar
Digitized by
Google
en ryk aan alkaliën zijn, daar ze voortkomen van bladeren» takken,
jonge boompjes , enz. Deze zouten z^'n van den weldadigsten invloed niet
alleen op de ontwikkeling, maar ook op de suikergehalte van het riet.
Door dergelijke zelfstandigheden in juiste evenredigheid op den bodem
aan te brengen en ze met behoorlijke gel^kmatigheid daarop te ver-
spreiden , zullen wij ons doel bereikt hebben ; doch een zoodanig resul-
taat zou in vele gevallen weinig in overeenstemming z\jn met den
vooruitgang der wetenschap. De verbeterde cultuur stelt zich niet alleen
ten doel al de in de nieuwe boschgronden aanvankelijk aanwezige oorzaken
van vruchtbaarheid te herstellen en in hare zelfde kracht te brengen van
vroeger; maar zij streeft tevens naar meer degel^ke uitkomsten: haar
oogmerk is niet louter om een overvloed van mestspecie aan den bodem
te verschaffen; maar bovendien om de natuurlijke geaardheid van den
bodem geheel te herscheppen, door de verbeteringen aan te brengen in
dier voege, dat ze, elkander ondersteunende en zamenwerkende ten
goede, een duurzaam evenwigt in de geaardheden van den grond te weeg
brengen, waardoor het maximum van voortbrengende kracht wordt ver-
kregen. Het maximum van mestspecie is dan ook slechts een der deelen
van het algemeene stelsel van landbouwkundige verbeteringen ; en al het
nut, dat het kan opleveren, zal men niet daarvan kunnen trekken,
wanneer niet nog andere gunstige omstandigheden medewerken om de
groeikracht te bevorderen.
De natuur levert ons in de geaardheid van eiken bodem het type
van den grond, die het meest geschikt is voor elke teelt in ieder
b^zonder klimaat; bovendien heeft zij ons bedeeld met het noodige
verstand, om, door middel van landbouwkundige nasporingen, te kunnen
onderscheiden welke hoofdvereischten, in verband met elkander, noodig
zijn voor zoodanig type van eenen goeden bodem; en later, geleid
door het proefondervindelijke en met behulp van nieuwe opmerkingen
en vergelijkende nasporingen , komen wij tot de waardering van elk der
verschillende hoedanigheden in hare juiste werking, elk in het bijzonder,
en in hare wederkeerige werking in verband met elkander.
Welnu: de verbeterde cultuur streeft ernaar, om zoo niet dat type van
eenen geschikten grond in het leven te roepen , het dan ten minste zoo-
veel mogelijk nabij te komen, als punt van uitgang nemende den grond
Digitized by
Google
s
zoo als hij is, en er de natuurlijke geaardheden van wijzigende, totdat
mén hem gemaakt heeft zoo als men hem verlangt te hebben. Er is
wel niemand, die zou willen beweren, dat alle nieuwe boschgronden
volkomen de zelfde resultaten opleveren; niemand, die niet weet, dat de
beteeld wordende gronden niet alle even vruchtbaar zijn : daarin bestaat
een in het oog loopend verschil; bovendien is ook de kern, om het eens
zoo te noeojen, de ziel der gronden verschillend, en zoo ze al aanvan-
kel^k eenige overeenkomst met elkander hadden , was dat doordien b^
beiden het zelfde bestandd^l overwegend was , namel^k de meststof. De
verbeterde cultuur stelt zich ten doel om den slechtsten, meest uitge-
mergelden bodem te herscheppen in eenen grond, gelijkstaande met de
uitmuntendste nieuwe boschgronden in zoodanige streken, die uit haren
aardb^j uitnemendheid vruchtbaar zijn. En dit resultaat, tot welken
prijs wordt het verkregen? Voorzeker met minder onkosten dan vereischt
worden om een nieuwen boschgrond te verkrygen , welks vruchtbaarheid
meestal van voorbijgaanden aard is, terwijl de kunèimaiige boschgrond
duurzamer is van aard en bovendien vruchtbaarder. ï)aarb^ dient tevens
gelet op de bijzonderheid, dat op gronden, die vrij zijn van boomstam-
men, de arbeid goedkooper verrigt wordt, naardien men daar gebruik
kan maken van landbouwkundige werktuigen, enz., enz. Overigens moeten
wij ook, wat betreft het klimaat en de omstandigheden, die op de ge-
zondheid van invloed zijn, nog in aanmerking nemen de schadelijke
uitwerkselen, zoo van algemeenen als van plaatselyken aard, welke door
het omhakken van de bosschen worden te weeg gebragt.
Zoodra de planters op Cuba de beginselen zullen aannemen en
in toepassing brengen , die hier door ons worden voorgestaan , zal onze
productie in onberekenbare mate toenemen, daar, met min of meer
arbeid, vele stukken grond meer zullen opleveren dan de vruchtbaarste
nieuwe boschgronden, anderen voor het minst eeneneven goeden oogst,
terwijl slechts enkelen het maximum van opbrengst niet zullen kunnen
bereiken; waarbij wy overigens de verzekering durven geven, dat elke
vergelijking tusschen de opbrengst van een nieuwen boschgrond, en den
oogst, dien de zelfde grond oplevert volgens de verbeterde cultuur,
steeds zal uitvallen ten voordeele van laatstbedoelde.
Wanneer wij handelen over d<p eenheid in de landbouwkundige ver-
Digitized by
Google
beteringen en over de hoeveelheid suiker, die van eene bepaalde uitge-
strektheid gronds kan worden verkregen, zullen wi|j deze denkbeelden
nog nader ontwikkelen (5).
K£UZ£ WAAS. OP HET TEKBEIN DS FABRIEK TE PLAATSEN. AFMETINGEN VAN *
D£ APSCHEIDINGSPADEN EN VAN DE BIET-AKKEBS; EN HUNNE ALGEMEENE
YKRDEEIiTNG MET BETREKKING TOT HET MIDDELPUNT DE& FLANTAADJE. —
Bij den aanvang der werkzaamheden om eene zekere uitgestrektheid gronds
te herscheppen in eene suikerplantaadje, zal ieder verstandig planter het
beschouwen als een punt van het allereerste belang, zich in het bezit
te stellen van eene topographische en landbouwkundige schetsteekening
van den grond, zynde het vervaardigen van zoodanig plan een werk
van tamel^k veel gewigt, zoodat het dient te worden toevertrouwd aan
iemand, die in staat is om het op de beste wijze te volbrengen. — De
omtrek van het terrein, de beken, rivieren en bergpassen, de naauw-
keurige vlakte-schets, om de verschillende en onderscheidene hoogten van
al de punten der oppervlakte te bepalen, de naauwgezette studie van
het gansche terrein uit een landbouwkundig oogpunt, enz., dat alles zal
noodwendig het onderwerp moeten z^'n van naauwkeurige onderzoekin-
gen, daar een aantal gewigtige vraagstukken niet met zekerheid op te
lossen zgn zonder behoorlijk op al die verschillende gegevens te letten.
Wij weten zeer goed , dat het niet altijd mogelijk zal wezen zulk een
veelomvattend en veel tijd vereischend onderzoek te volbrengen, daar
er somwijlen bezwaren zullen bestaan, die de daartoe vereischte werk-
zaamheden moeten belemmeren of onuitvoerbaar maken; doch ook in
die gevallen behooren al de vraagstukken, die wij kunnen oplossen, tot
klaarheid te worden gebragt, terwijl het tevens zaak zal zijn ons om-
trent, al de overigen het meestmogelijke licht te verschaffen.
Eenmaal het terrein kennende, zal men overgaan tot de afbakening
van het punt, waar de fabriek en al de gebouwen der plantaadje
moeten worden opgerigt. De hoofdbestemming van dit gedeelte der gron-
den doet reeds van zelfs begrijpen , dat het fabrieks-terrein altijd zoo-
veel mogelijk geplaatst dient te wezen in het midden der plantaadje,
daar het zoodoende niet alleen beter geschikt is om er dienst van te
hebben, maar bovendien ook eeue menigte ongerief wordt vermeden,
Digitized by
Google
10
dat sieh telkens moet doen gevoelen, b^aldien de fabriek aan een der
uiteinden is geplaatst, in de nabyheid eener belendende plantaadje ; doch
alvorens deze overwegingen in aanmerking te nemen, z\jn er andere
redenen, die niet zonder invloed mogen blijven op onze beslissingen.
De fabriek zal alt^d gelegen moeten zijn in het gezondste gedeelte van
het geheele terrein; dus, bg drassige gronden moet steeds een punt
worden uitgekozen, dat hoog ligt en droog is. Eene andere bijzonderheid,
die niet uit het oog moet worden verloren biy het bepalen van de plaats ,
waar de noodige gebouwen zullen worden opgerigt, is : zoo mogeügk eene
plaats te kiezen in de nabijjheid van eene rivier of bron, daar men
zich zoodoende groote voordeelen kan verzekeren, die men anders zal
missen. Gesteld echter dat het mogelijk is het water langs het punt
te laten stroomen, waarvan men zich bedienen wil, maar dat andere
punten daarentegen weder andere voordeelen aanbieden, die men op
het eerstbedoelde punt niet zou hebben, dan moet ter plaatsing van de
febriek de voorkeur worden gegeven aan zoodanig punt, dat over het
geheel genomen de meeste voordeelen aanbiedt. Onze keus eenmaal be-
paald zijnde, wordt overgegaan tot de afbakening van het fabrieks-
terrein, waaraan men zoodanige uitgestrektheid geeft als noodig is om
de gebouwen zóó te kunnen plaatsen als meest dienstig zal zijn voor
de werkzaamheden, met dien verstande tevens, dat tusschen de onder-
scheidene gebouwen de noodige plaatsruimte open blij ve, ten einde min-
der gevaar te hebben bij onverhoopte gevallen van brand.
Het Cetbrieks-terrein afgebakend zijnde, wordt de voor de cultuur be-
stemde gronds-oppervlakte ingedeeld in de akkers, die met riet beplant
zullen worden, benevens de daartusschen loopende afscheidingspaden of
wegen. Om de oppervlakte van die riet-akkers af te deelen en te bepa-
len, is het noodig te letten op de volgende bijzonderheden: 1^. De
waterlozingen. 2®. De ligging van het fabrieks-terrein , opdat het ver-
voer van het suikerriet steeds kunne plaats hebben langs den kortsten
weg, wordende met dat doel voor oogen ook de afscheidings-paden of
wegen tusschen de akkers afgebakend. 3o. Het gemak om het suikerriet
van het veld te halen en al de ter aankweeking noodige werkzaamheden
te verrigten. 4©. De gevallen van brand. 5«. Zoodra, in de daartoe
geschikte plaatsen, de wijze van besproeiing wordt vastgesteld, zal
Digitized by
Google
11
het noodig zijn te letten op al de vereiscliten , die vervuld moeten wor-
deh om de afgedeelde akkers van het terrein daarvoor geschikt te
maken. 6o, De lengte, die de rietryën zullen moeten hebben. 7o. De
nivellering of slechting van den grond. — Wat betreft de oppervlakte
in het algemeen nemen de planters tegenwoordig 4^ of 8^ hectare aan
als de oppervlakte, die iedere riet-akker moet beslaan; maar ten aan-
zien van de wijze van afmeting van die oppervlakte is hunne verkiezing
verschillend: velen geven de voorkeur aan riet-akkers van 75 vierkante
roeden lengte by 25 vierk. roeden breedte; anderen verkiezen 75 vierk.
roeden lengte bij 18 a 19 vierL roeden breedte; en sommigen vinden
rielrakkers verkiesl^k van 56 vierk. roeden lengte bij 25 vierk. roeden
breedte. Eenige weinigen, eindelyk, maken riet-akkers van 87 vierk.
roeden lengte bij 18 a 19 vierk. roeden breedte, — Het is goed, dat
de oppervlakte van ieder afzonderlyk rietveld niet al te groot zij , maar
evenzeer moet ook worden* vermeden eene te groote verbrokkeling van
de oppervlakte, als zijnde daarmede verscheidene nadeelen verbonden.
De voornaamste afscheidingspaden of de hoofdwegen, zijnde die, welke
veelvuldig worden doorsneden, moeten eene breedte hebben van minstens
zestien nederl. ellen, terwijl de overige paden acht a negen nederl. ellen
breed moeten zijn. Als men nagaat de ruimte, die ingenomen wordt
door de greppels (als die er zijn), en de uitgestrektheid gronds, die
het riet beslaat op het tijdstip waarop het gesneden ligt, zal men in-
zien , dat deze a&netingen niet te groot zijn , al is men ook van oordeel
dat daardoor veel oppervlakte verloren gaat. Deze laatste overweging
zal in vervolg van tijd misschien aanleiding geven om de breedte der
a&cheidingspaden te verminderen. Men denke evenwel niet, dat de voor
die paden bestemde grond zoo onnut is als oppervlakkig toeschijnt,
want op vele plantaadjen vormen ze de moestuinen der Negers. Over
het algemeen kweekt de planter in de afscheidings-paden volstrekt geen
geboomte van welken aard ook; maar op sommige plantaadjen worden
er pisangs of bananen geplant, niet zoozeer om de vruchten daarvan
in te zamelen, als wel om den stam, waarvan men zich bij onverhoopte
gevallen van brand bedient om de vlammen te blusschen.
Na de vorenstaande beschouwingen zullen wijj kortelijk opgeven hoe
de riet-akkers en de afscheidings-paden geplaatst moeten worden in ver-
Digitized by
Google
u
houding tot de fabriek. Tegenwoordig erkennen vele planters, dat het
beste stelsel, dat in toepassing kan worden gebragt, hierin bestaat , dat
ze vier diagonalen afbakenen, die elkander snijden in het middelpunt
van het fabrieks-terrein ; en vervolgens wordt elke z^de van dat terrein
afgedeeld in zoo vele gedeelten als overeenkomt met de grootte, die men
aan de riet-akkers wenscht te geven , terwijl men b|j het afbakenen van
deze altijd wel in het oog moet houden, dat het suikerriet geplant
en, eenmaal gesneden zijnde, van het veld weggevoerd moet kunnen
worden langs den kortstmogelijken weg. Diegenen, die riet-akkers ver-
kiezen en afbakenen van 75 bij 18 a 19 of van 56 by 25 vierk. roe-
den , moeten in het midden van elke zijde van het fabrieks-terrein vier
hoofdwegen laten uitloopen; de planters, die hunne riet-akkers 75 bij 25
vierk. roeden groot maken , behoeven de laatstbedoelde wegen of paden
niet aan te brengen. Na deze eerste afscheidings-paden of hoofdwegen te
hebben bepaald, gaat men over tot het afbakenen van de bijpaden of
dwarswegen. Op vele plantaadjen, in plaats van diagonale afscheidings-
paden te openen , geeft men de voorkeur aan eene andere rigting ; tot
op de helft van elk der vier zijden van het fabrieks-terrein worden vier
hoofdwegen aangelegd ; parallel met dat terrein worden de dwarspaden
getrokken, enz.; doch deze laatste inrigting is niet aan te bevelen,
naardien het vervoer van het riet daardoor zeer wordt bemoeyelijkt. In
deze regelen hebben wij slechts eenige algemeene beginselen willen mede-
deelen; verder in dit werk zullen wij de beredeneerde plans aan den
lezer aanbieden, die al het hierboven slechts ter loops aangestipte vol-
komen duidelijk zullen maken.
Algemeens begelen betreffende het planten van suikebbiet. —
In al onze geschriften trachten wij den planters wel op het hart te drukken
van hoeveel belang het is het suikerriet zóó te planten, dat de stoelen
ver genoeg van elkander af staan om elkander niet in hunne ontwikkeling
te belemmeren, en om gebruik te kunnen maken van de verbeterde werk-
tuigen bij het wieden, ploegen en aanaarden, welk een en ander moet
plaats hebben als men de voorschriften volgt van een goed cultuurstelsel.
De rietplanten, bij welker aankweeking het eerste doel moet zijn , dat
ze volkomen al de functiën verrigten, die noodig zijn om ze het grootst-
Digitized by
Google
15
mogelijke aantal krachtige en suiker-houdende stengels te laten voort-
brengen, moeten op zoodanigen afstand van elkander staan , dat ze zon-
der nutteloos verlies van grond, en zonder te veel handen-arbeid te
vorderen, met hare wortels zoodanige uitgestrektheid gronds kunnen
innemen, als waarin zich al de bestanddeelen bevinden, die voor
haar organismus eene levensbehoefte zijn, welke bestanddeelen overi-
gens aanwezig moeten zijn in genoegzame hoeveelheid en kracht om
aan de wortels hechtheid te geven, zoodat de planten stevig in den
grond bevestigd, en tegen den invloed der winden bestand zijn. Boven-
dien, daar deze netplanten spruiten schieten , is het eén vereischte , dat
die nieuwe spruiten onder zoodanige gunstige omstandigheden te voor-
schijn komen, dat ook deze op hare beurt tot hare volkomene ontwik-
keling kunnen geraken. Eindel^k leven de netplanten, en alle andere
plantgewassen, behalve van de in den grond aanwezige stoffen , van lucht
en onder den invloed van de verschillende verschijnselen, die plaats
grijpen in den dampkring ; dus niet alleen dat z^ aanhoudend de speling
van de lucht noodig hebben, derwyze dat zij in onmiddellijke en onaf-
gebroken voortdurende aanraking zijn met de elementen van den damp-
kring; maar om volkomen hare functiên te verrigten, is het tevens een
vereischte, dat ze levenskracht erlangen door licht en warmte, waardoor
de werking van al de verschillende deelen van haar organismus geregeld
of verhoogd wordt.
Deze beschouwingen vooropgesteld spreekt het van zelfs, dat er geen
vaste bepaling te maken is op welken afstand de rietplanten (6) van
elkander verwijderd moeten staan overal, met andere woorden, geen
vaste maatstaf kan daarvoor gelden; maar wanneer de bovenstaande
wenken met oordeel des onderscheids worden gewaardeerd en toe-
gepast, zal het niet moeyelyk vallen om in elke localiteit, naar
gelang van de byzondere omstandigheden, met juistheid te bepa-
len op welken afstand van elkander de rietstokken geplant moeten
worden, ten einde op eene gelijke oppervlakte het grootste getal
krachtige stengels te verkrygen, welker sappen de grootstmogelyke
hoeveelheid suiker inhouden. Wy moeten b\j dit punt nog even stil-
staan. Wanneer wy een klein aantal rietstokken planten op eene
uitgestrektheid gronds, die te groot is in evenredigheid van de planten
Digitized by
Google
14
die er op zullen groeyen, dan behoeft het wel geen betoog dat wy,
al de omstandigheden gunstig zynde, de ruimste opbrengst zouden ver-
wacbten, die elke plant met mogelgkheid kan opleveren; maar wanneer
w^ de verschillende a&onderlijke resultaten zamentellen en wij vergele-
ken die met de opbrengst, verkregen van een anderen even grooten akker,
waar de planten juist op den vereischten afstand van elkander hebben
gestaan om hare volkomene ontwikkeling te kunnen bereiken, zullen w^
bevinden, dat de laatstbedoelde meer voordeel opleveren niet alleen
wat betreft de bruto-hoeveelheid van het produkt, maar bovendien dat
de zelfde handen-arbeid bij laatstbedoelden beter beloond wordt en
meer produkt oplevert.
Ten einde onze denkbeelden aangaande dit punt helderder te doen
uitkomen, zullen wij ons bedienen van een voorbeeld. Gesteld wij moe-
ten eene oppervlakte met riet beplanten. Ons allereerste werk zal zijn
het terrein te bestuderen. Bezit het niet al de physieke eigenschappen
en chemische zamenstelling, die de geaardheid van de plant , welke zich
er in ontwikkelen moet, noodig heeft; heeft de grond niet de behoor-
l^ke voorbereiding ondergaan; vereenigt het zaad, dat wij ons verpligt
zien te gebruiken (of, bij suikerriet, de stekken, het plantriet), niet
al de vereischte hoedanigheden in zich; kan men het niet op eene be-
hoorl^ke diepte in den grond brengen; is het niet mogelyk het wieden,
aanaarden en omploegen te bewerkstelligen naar behooren; wordt aan
de planten niet voldoende levenskracht gegeven door licht, warmte en
luchtspeling; en eindelijk — hetgeen men trouwens tot eene zekere
hoogte niet voorzien kan -^ wanneer niet andere, van den dampkring
afhankel^ke omstandigheden met den arbeid van den landman gunstig
medewerken om tot de bestmogelëke uitkomst te leiden: in al die
gevallen, wanneer het riet minder spruiten voortbrengt of minder goed
groeit, en niet tot dien graad van ontwikkeling komt, dien het onder
voordeeliger omstandigheden bereikt zou hebben, zetten w^ de planten
niet zoo ver van elkander af als wanneer w^ onder gunstiger voor-
teekenen kunnen hopen, dat wij de gewenschte resultaten zullen erlan-
gen, — Wanneer wij over de hoeveelheid riet spreken, die onder ver-
schillende omstandigheden tot het planten moet worden gebruikt , zul-
len wg op dit onderwerp nader terugkomen.
Digitized by
Google
15
Wig hebben aangetoond, dat de volkomene ontwikkeling van het
riet wordt verkregen door eenen zamenloop van omstandigheden, die,
geliy keiijk werkzaam zijnde , in meerdere of mindere mate regtstreeks
de yersehijïiselen te weeg brengen, welke in het organismns der plant
plaats grijpen. Zoodra een van die omstandigheden in gebreke blijft
haren noódigen invloed te doen gevoelen, blyvên ook de van dien in-
vloed afhankelijke functiën in het leven der plant stilstaan. Er bestaat
een harmonisch verband tosschen de verschillende verrigtingen in de
huishouding van den plantengroei : ontbreekt er slechts ééne , dan is
dadelyk de eenheid verbroken , die het gevolg was van het verband en
evenwigt tusschen allen onderling, de verschillende functiën ondervin-
den in hare verrigtingen den belemmerenden invloed van dit gebrek aan
evenwigt, als laatste gevolg lijdt daaronder het organismus der plant,
en de plant zelve komt niet tot hare behoorlijke ontwikkeling. — El-
ders hebben wij getracht de gevolgen aan te toonen , die voortvloeijen
uit bepaalde oorzaken ; te dezer plaatse zullen wij ons bepalen b^ het
licht, en kortelyk al de nadeelen opsommen, die er uit voortspruiten,
wanneer het licht niet in voldoende mate zijn weldadigeu invloed kan
mededeelen aan het suikerriet.
De algemeene wetten der plantenleer nagaande bevinden wij , dat door
het licht het opslurpend vermogen der wortels verhoogd, en de uitdam-
ping van de waterdeelen door de bladeren bevorderd wordt, welke beide
uitwerksden op veleriei wijze in onderling verband staan met elkander;
wijders bewerkt het licht de ontleding van het koolstofzuur, en daar zoo-
doende de koolstof in de plant wordt vastgelegd, wordt de voortbrenging
van alle koolstof houdende bestanddeelen er door bevorderd. Zoo ontstaan
in de planten, die aan den invloed vau het licht blootgesteld z^n, hare
verschillende eigenschappen, bijv. de groene kleur der bladeren, de geurig-
heid, de suikerhoudende bestanddeelen, enz. — Wanneer de rietplanten,
die, om behoorlijk al hare functiën te kunnen verrigten, behoefte hebben
aan eene sterke werking van het licht, z66 geplaatst zijn , dat ze niet zyn
blootgesteld aan den vollen invloed der lichtstralen, verliezen ze hare schoone
donkergroene kleur, die , hoe langer hoe bleeker wordende , eibdel^k geheel
en al verbleekt tot wit ; de stam of rietstok van zolke planten wordt
niet dik, krijgt niet veel stevigheid, verliest ten deele zijne geurigheid
Digitized by
Google
16
en saprijkheid, en eindigt met aan de kw^nziekte te lyden, die bekend
is onder den naam van hleekzucht. Deze ziekte kan ophouden wanneer
de omstandigheden, waaruit zij ontstaat, eene verandering onder-
gaan ten goede; alsdan ziet men hoe, naarmate de werking van het
licht op de plant plaats grijpt, de bladeren eene groene kleur beginnen
aan te nemen , het opslurpend vermogen der wortels in werking komt ,
de uitdamping door middel van de bladeren toeneemt, het koolstofzuur
uit de lucht wordt ontleed , en na verloop van een zeker tijdsbestek
wordt de harmonie tusschen al de natuurlijke functiën der plant hersteld.
Wy moeten echter doen opmerken, dat de bleehucht, onder zekere
bijzondere eigenschappen van den grond, ook menigmaal ontstaat zelfs
al geniet de plant den vollen invloed van het licht. — Zonder nog te
spreken van de spruiten, die ontkiemen in de asch, zouden wy eenaan-
tal voorbeelden kunnen noemen van spruiten, die volkomen wió waren,
zonder den minsten zweem of glimp van groen , en die wy op de riet-
akkers hebben zien staan groeijen naast andere spruiten, die de gewone
kleur hadden. — Nog sterker: wij hebben riet geplant in de schaduw,
en ofschoon de groeikracht uiterst gebrekkig was, waren de planten
evenwel groen. Dit laatste verschijnsel wordt het sterkst waargenomen
by de late inboetingen, die, ofschoon laat opkomende, niettemin groene
planten voortbrengen.
De verschynselen , die wij hier hebben aangewezen, doen zien hoe
het riet ontaardt in eenen grond, waar de plant het licht mist, dat zij
voor de geregelde verrigting van al hare functiën noodig heeft. De riet-
stokken , die zeer digt bij elkander geplant zijn , zoodat ze elkander in
den weg staan om behoorlijk de lichtstralen op te vangen, of die, welke
geplant worden op belommerde plaatsen, ontwikkelen zich op gebrekkige
wyze; hunne sappen bevatten weinig suiker, en eene betrekkelijkerwijs
groote hoeveelheid stikstof houdende stoffen ; hun zacht weefsel is door-
drongen met water; ze schieten weinig spruiten, en als ze gekapt worden
ontmoet men bij hen al de zelfde verschijnselen als bij rietstokken , die
gekapt worden wanneer ze nog niet ryp zijn: en zulks niet alleen wat
betreft de opbrengst aan suiker en de ongemakkelijkheid in het bewerken
van hunne sappen , maar ook met betrekking tot het toekomstige lot van
den riet-akker. In een woord , zoowel het kappen van de rietstokken , die
Digitized by
Google
11
niet voldoende z^ja ontwikkeld, omdat het hun aan den daartoe noodi*
gen t^d heeft ontbroken, alsook het a£3ni[jden van uitspruitsels, die
of ongenoegzaam ontwikkeld of misvormd zyn, doordien ze verstoken
z^n gebleven van de omstandigheden, welke tot hunnen behoorlijken
groei vereischt werden. De nadeelige uitwerkselen van het te vroeg kap-
pen van het rietgewas zullen wi^j uiteenzetten; evenzoo zullen wy niet
nalaten de gevolgen op te sommen , die voortvloeien uit het kappen van
netplanten, die door andere oorzaken niet hare volkomene ontwikkeling
hebben bereikt. Ook zullen wg ons beijveren om helder aan te toonen
welken invloed de geaardheid van het plantriet uitoefent op de stengels der
plant: in geval wij slecht ontwikkelde rietstokken kappen plaatsen wij
ons, wat betreft het van zelfs en uit de natuur weder goed worden van
het rietveld, in de zelfde omstandigheden, waarin wij ons bevinden,
wanneer wij ons bij het beplanten van eenen akker bedienen van slecht
riet en dit bovendien in den grond brengen op eene ongeschikte plaats,
want dan doen wy bij slot van rekening bijna eene planting met den
pootstok, waarbg wij een meer of minder groot gedeelte van den stok
bloot laten. Al de rietteeltkundigen des lands, de noodzakel^kheid er-
kennende het kappen te doen plaats hebben wanneer de rietstokken het
toppunt van hunnen groei bereiken, verklaren zich op de zelfde wyze ten
aanzien van het goed maken van de riet-akkers door middel van moeder-
stekken : ze zeggen namelijk daó hei riet moet worden gekapt zoodra hei
krachivolle moeder-eiehken heeft voortgehragt. Dit, nu, zal het geval niet
wezen zoo lang het niet den noodigen t^d heeft gehad om tot behoor-
l^ke ontwikkeling te komen, alsook in die gevallen waarin het, ofschoon
wel al den daartoe vereischten tijd hebbende gehad, toch niet zijn vol-
len wasdom bereikt, doordien het niet is opgegroeid onder den invloed
van al de omstandigheden , die vereischt worden om de planten in staat
te stellen hare functiën volkomen naar behooren te verrigten.
Een der oorzaken, waardoor de rietakkers in eenen minder gunsti-
gen toestand geraken, ligt veelal, naar onze wyze van zien, juist in de
gewoonte om het riet te digt bij elkander te planten ; want al sterven
er het volgende jaar een groot aantal stokken, en al staan de overbly-
venden alsdan ver genoeg van elkander af, zullen deze desniettemin
sledits zwakke stengels voortbrengen , die (ten ware hunne ontwikkeling
2
Digitized by
Google
J8
door byzonder guustige omstandigheden wierd bevorderd, waardoor ze
in kracht toenamen) slechts zeer geringe resultaten zullen opleveren , en
na de volgende snede niet eens meer zullen uitspruiten ; of, mogten ze
dat al doen , dan zal het toch slechts zoo zyn , dat er weinig of geen
oogst van komt. Op de akkers, waar de rietstoelen zich te digt bij
elkander geplaatst vinden, spelen ze tegenover elkander ongeveer de rol
van onkruid : met andere woorden, ze doen elkander wederkeerig kwaad.
Het komt ons voor, volgens deze orde van denkbeelden zonneklaar te
zijn , dat het welbegrepen belang van den planter hierin bestaat , in elk
geval z^n riet te kweeken volgens de regelen der kunst, daar hij zoo-
doende niet alleen dadelijk zijne moeite beloond ziet : maar tevens het
voortbrengend vermogen van zijne riet-akkers doet voortduren, hetgeen
van uiterst veel voordeel voor hem is.
Al de bijzonderheden betreffende den invloed van het licht op de
functiën, die plaats hebben in het bewerktuigde zamenstel der rietplan-
ten, zullen volledig worden medegedeeld in onze Proefondervindelijke
nasporingen over den groei van het suikerriet
Keus van het plantriet (7), — In onze Proefondervindelijke naspo-
ringen over den groei van het suikerriet hebben wij aangetoond, hoe het
boven allen twijfel is verheven, dat de kracht der stengels geëven-
redigd zal zijn aan de hoeveelheid voedende stoffen, die de knop om
zich te voeden in de geleding aantreft; overigens, wanneer wij spreken
over de gereedmaking van de gronden en over de hoeveelheid riet, die
noodig is om eene bepaalde uitgestrektheid gronds te beplanten, zullen w\j
doen zien , hoe noodig het is te zorgen voor de gelijkmatige , aan-
houdende en geleidelyke ontwikkeling d§r stengels; niets is zoo na-
deelig als eene belemmering in den groei , al ware die belemmering
van nóg zoo korten duur. — De eerste ontwikkeling oefent altijd eenigen
invloed uit op alle ontwikkeling , die later volgt. — De keuze van het
plantriet is almede een punt van overwegend aanbelang; daarvan hangt
het dadelijke en toekomstige lot van het suikerriet-veld af; de planten,
die van goed riet voortkomen, stoelen beter en op den juisten tyd
uit, groeien krachtiger, en wederstaan beter de droogten en andere
ongunstige omstandigheden.
Digitized by
Google
19
Ka deze vlugtige en onvolledige beschoawingen zullen w^ eenige der
bijjzonderlieden, waarop ze betrekking hebben, eenigzins uitvoeriger gaan
behandelen.
In de Proefondervindelijke naaporingen aangaande den gtoei van htt
suikerriet hebben wij aangetoond, dat de knop, om zich te ontwik-
kelen, gevoed wordt ten koste van de in de geleding aanwezige be-
standdeelen, waarvan een gedeelte onmisbaar is ter ontwikkeling van
de organen, die bestemd zijn om uit den grond de zelfstandig-
heden te trekken, welke dienstig zyn tot voeding van de plant, die
ontstaan is door de ontwikkeling van de kiem. Zoodra de plant vol-
wassen is, bijaldien de omstandigheden, waaronderzij hare funetiën
verrigt, gunstig zyn, begint na verloop van eenigen tyd, nu eens iets
langer, dan eens iets korter, de ontwikkeling, die zou hebben plaats
gegrepen, wanneer zij in haren groei beschikt had over eene overvloedige
hoeveelheid der voedende stoffen , die aanwezig zijn in de geleding. Deze
proef, die wij genomen hebben door de rietplanten te verminken , is
bevestigd geworden door eene andere, die wij hebben ingesteld door
onvolwassen riet te planten. Wij kozen eenige ligte rietstengels, en
plantten die in eénen grond, bij uitstek vruchtbaar en behoorlijk ge-
reedgemaakt: de knoppen begonnen uit te loopen, en de stengels wa-
ren zoo tenger en kwijnend, dat men op het eerste gezigt bezwaarlijk
zou gezegd hebben, dat zulke planten rietstoelen waren. Na verloop
van eenigen tijd werden de stengels steviger, gingen voort zich te ont-
wikkelen, en leverden al spoedig het schouwspel van een zeer krach-
tigen en weelderigen plantengroei.
Dus , onder gunstige omstandigheden , komt zelfs het slechtste riet ,
komen zelfs de minst volwassene stoelen na verloop van eenigen tijd
tot eene ontwikkeling, eenigermate gelijk aan die, welke bereikt wordt
door planten, geteeld van volwassene stokken, en dragen volkomen
ontwikkelde en goed gevoede knoppen. Maar onder de zelfde omstandig-
heden zou een goed plantriet in een korter tijdsbestek stoelen hebben
voortgebragt, krachtiger dan die, welke van de onvolwassene stokken
zijn voortgekomen. Deze proeven doen zonneklaar zien van hoeveel aan-
belang het is , te werk te gaan in eenen grond , welke aan al de vcr-
eischten beantwoordt, onder gunstige omstandigheden, die van den
Digitized by
Google
20
dampkring afhangen,, en overeenkomstig de voorschriften eener goede
cultuxur ; maat ze leveren tevens het bewya van hoeveel invloed de hoe-
danigheid van het riet is, daar de plant zich in beide gevallen niet
slechts kwijnend vertoonde, maar ook meer tyd noodig had om zich
te ontwikkelen.
Aangezien het plantriet , onder gunstige omstandigheden , een zekeren
invloed uitoefent op het te voorschyn komen van de stengels, en
ook op den tijd, dien ze noodig hebben om zich te ontwikkelen, is
het duidelijk, dat wij bij de keuze van riet om te planten stengels moe-
ten kiezen, die tot den besten staat van ontwikkeling zijn gekomen,
daar die van het begin af aan krachtige stokken voortbrengen, geschikt
om volkomen en dadelijk nut te trekken van alle gunstige omstandig-
heden, en in staat om met goed gevolg bestand te zijn tegen alle
ongunstige invloeden. Op die wijze wordt er, onder gunstige om-
standigheden , althans tijd gewonnen , daar de rietstokken spoediger tot
ontwikkeling komen ; en onder minder gunstige omstandigheden kunnen
de organen, goed gevoed zijnde, hunne functiën krachtiger verrigten,
dan wanneer ze zwak zijn en kwynend en alles slechts hebben te hopen
van de omstandigheden, die op hen werken van buiten af.
Wij gelooven dat men om te planten riet behoort te kiezen, dat
tot eenen zekeren graad van rijpheid is gekomen, daar het tengere,
jongere riet op laagliggende gronden gemakkelijker tot verrotting over-
gaat, terwijl het op hooge gronden, bij veel schaarschte van regen en
wanneer het slechts tot op eene geringe diepte in den grond is gebragt,
gemeenlijk verdort ; en daar het zeer jonge riet de hoeveelheid water in zich
bevat, die noodig is voor de ontwikkeling der knoppen, is het ook
mogelijk dat het, droog geplant zijnde, opgroeit te midden van eene
droogte, die nadeelig is voor de geleding. Deze redenen zijn vol-
doende om het buiten allen twijfel te stellen, dat men, om te planten,
rijpe stengels behoort te kiezen, met fraaye geledingen, geschraagd door
goed ontwikkelde knoppen: onder zoodanige omstandigheden is de sten-
gel groener, grooter en krachtiger, en ook beter gevoed. Strikt genomen
kan men zeggen, dat het rieê van de eerste snede het beste is; maar ook
dat van de tweede snede kan goed zyn, wanneer al de hierboven opge-
somde omstandigheden zamengaan (8), Wij moeten echter herhalen —
Digitized by
Google
21
want dit is een punt van het hoogste gewigt — wanneer nven om te
planten onvolwassen riet neemt , b^aldien dan niet de grond zeer vrucht-
baar is, de invloeden van den dampkring zeer gunstig zijn en de aan-
kweeldtig met zeer veel bekwaamheid en zorg plaats heeft , dat men dan
gevaar loopt zeer slechte resultaten te zullen verkrijgen ; en in elk geval ,
al zijn de resultaten niet slecht , zal er om die te verkrijjgen toch altijd
veel meer tijd vereischt worden , dan noodig zou geweest zijn als men
zich dadelijk bediend had van goed riet.
"Wij kunnen als vaste waarheid stellen, dat er nooit een akker beplant
wordt met stekken, die allen volkomen de zelfde eigenschappen hebben.
Op een zelfden akker zijn dan ook de rietstoelen geen van allen
eenerlei; in een zelfden stoel komen niet al de stengels tot een gele-
ken graad van ontwikkeling; aan een zelfden stengel zijn niet al de
geledingen aan elkander gel^k: daarom kan men nooit eene planting
bewerkstelligen, die volkomen gelijkvormig uitvalt, al gebruikt men vol-
komen eenerlei riet voor al de verschillende deelen van het terrein. — Uit
dien hoofde kunnen de geledingen onder de zelfde omstandigheden , naar
gelang van de bijzondere hoedanigheden van het riet, of knoppen
schieten of niet. Het zelfde terrein , onderhevig aan de afwisselingen van
droogte en vochtigheid, enz., zal in zijne onderscheidene afdeelingen
verschillende uitwerkselen ondervinden naar gelang van de eigenschap-
pen der stekken, die in de onderscheidene afdeelingen geplant zijn.
Om van dit onderwerp af te stappen, zullen wg besluiten met aan
te bevelen het instellen van eene vergelijkende proefneming: men be-
plante twaalf rijen met riet van gebrekkige kwaliteit, en daarnaast
twaalf ryën, waartoe men zich van volwassene stengels bedient. Onder
de zelfde omstandigheden zal men zien , dat al het voordeel op in het
oog Ipopende wijze is te herkennen in het plantsoen , dat van volwassene
stengels is verkregen.
"Wij hebben gesproken over de bijzonderheden betreffende de keuze
van het riet , voor zooveel aangaat deszelfs hoedanigheden ; nu rest ons
nog eenige wenken te geven met betrekking tot de planting zelve.
De akker, van waar men het plantriet halen moet, dient altijd, zon-
der verbrokkeling, zoo digt mogelijk bij de plaats gelegen te zijn, waar
men voornemens is de planting te bewerkstelligen. Op die wyze heeft
Digitized by
Google
iz
men al dadelijk eene besparing in de kosten van vervoer, zijnde dit een
punt, wel waardig dat er op gelet worde, naardien het planten gemeen-
lijk plaats heeft wanneer het regent of wanneer de grond vochtig is.
Kan men het riet in overvloed en gemakkelijk overbrengen naar het
gewenschte punt, dan zal het planten zeer vlug en met minder arbeid
volbragt kunnen worden, zoodat men in een gegeven tijdsbestek eene
grootere uitgestrektheid gronds zal kunnen beplanten , dan wanneer men
niet eene voldoende hoeveelheid riet bij de hand heeft. Het is nuttig
zeer vlug af te planten, ten einde zoodoende partij te trekken van het
jaargetijde en van het geschikte saizoen voor den grond.
Geschiktste tijdstippen om het planten te bewerkstelligen. —
I. Een der punten van het meeste gewigt bij het planten van suiker-
riet bestaat in het kiezen van het geschiktste oogenblik om daartoe
over te gaan, derwijze, dat al de omstandigheden, waaronderde uit-
voering van dien arbeid plaats heeft, gunstig zamenwerken met al de
vereischten , welke gevorderd worden tot de behoorlijke ontwikkeling van
de plant, en met de verschillende omstandigheden, die met de inza-
meling van den oogst in verband staan. De voornaamste punten , waarop
noodwendig gelet dient, en die naauwkeurig in acht genomen moeten
worden, bepalen zich tot de volgende vier: 1®. Het is noodig te letten
op de gegevens , welke de ondervinding met betrekking tot de weersge-
steldheid ons verschaft heeft. 2®. Er moet opgelet worden, dat de tijd,
die i^oodig is om het riet zijn grootsten wasdom te laten bereiken,
juist zamenstemme met het geschiktste tydstip om den oogst in te
zamelen en het rietsap te verwerken. 3^. De gereedmaking van de
gronden. 4". De geaardheid der gronden, die men voor de rietteelt ge-
reedmaakt. — Wij zullen de onderwerpen, in elk dezer vier punten vervat,
kortelijk toelichten. Reeds dadelijk en in de allereerste plaats moeten
wij aandringen op de noodzakelijkheid, ons in het bezit te stellen van
eenige weerkundige gegevens , daar het van het hoogste gewigt is , meer
of min te weten in welke evenredigheid de regens vallen in de land-
streek, waar de plantaadje gelegen is, ten einde met eenigen grond te
kunnen hopen , dat de besproeijing met hemelwater juist zal invallen
omstreeks dien tijd van den plantengroei, wanneer het organismus
Digitized by
Google
u
der plant het meest behoefte daaraan heeft De bekendheid met deze
bijzonderheid is van zooveel aanbelang, dat men dikwyls^ na den
grond gereedgemaakt te hebben , dadel^'k kan overgaan tot het planten
in droogen bodem , zonder inachtneming van het geschikte saizoen , als er
slechts waarschijnlijkheid bestaat dat het spoedig zal beginnen te regenen.
Wanneer het plantriet goed is , en het wordt overeenkomstig de vastge-
stelde regelen in den grond gebragt, kan het daar zeer gemakkelyk ver-
scheidene dagen goed blijven tot op het oogenblik, waarop de regen
komt, als wanneer de groeikracht der knoppen in werking wordt
gebragt.
Het planten in droogen bodem kan somwijlen goede resultaten ople-
veren, en buitendien men wint tyd, de arbeid wordt verrigt met meer
g^mak, en het in den grond brengen van het plantriet gaat minder
moeijel^k; maar in weerwil dat wij al die voordeden erkennen, is het
toch altijd verkieslyk zoo mogelyk in het juiste saizoen te planten,
daar niet alleen alsdan de groei meer geleidelijk plaats heeft, maar ook
in de latere ontwikkeling zich een merkbaar voordeel vertoont geëven-
redigd aan de omstandigheden.
Wanneer w^ op de aankweeking van het suikerriet de opmerkingen
toepassen , die op de teelt van andere produkten betrekking hebben , zul-
len wij met Gasparin zeggen, dat het, om de ontwikkeling van den
plantengroei behoorlijk te doen plaats grijpen, noodig is op den
grond eene hoeveelheid water aan te brengen, in dier voege verdeeld,
dat de grond zoo lang mogelijk in eenen toestand blijve van omstreeks
23% vochtigheid tot op dertig nederl. duim diepte, gedurende de
voorbereidende werkzaamheden om den grond gereed te maken en
het gansche tijdperk van den plantengroei, terwijl die toestand van
den grond tot omstreeks 10% vochtigheid verminderd moet zijn
op het tydstip, waarop het riet tot rypheid komt. Deze maatstaf,
die ons in staat stelt om ons op ieder terrein te vergewissen om-
ttent de goede of verkeerde verdeeling der regens, geeft ons het
middel aan de hand om te bepalen welke de beste toestand is , waarin
de grond zich bevinden moet ten opzigte van zyne watergehalte, te
weteft: de hoeveelheid van den regen, die der uitdamping, de geaard-
heid en de gesteldheid -van den grond; bij gevolg is de genoemde maat-
Digitized by
Google
24
staf in 2^jii onderling verband vriy van de onnaauwkeurigheden , welke
men gevaar zou loopen by de waarneming van elk dier bestanddeelen
a£&onderli|jk en in hunne betrekking tot elkander te begaan, wanneer
men ze bewerkstelligde ieder in het bijzonder, om ze daarna met elkan-
der te vergelijken.
Dit algemeene beginsel is zeer juist van toepassing op de teelt van
het riet, daar , zooals wij verder in dit werk (zie Droogten en Besproeiing)
zullen aantoonen, de medewerking van het water een noodwendig ver-
eischte is , pm de plant tot den hoogsten graad van haren wasdom te
brengen; maar eenmaal dien hoogsten graad van ontwikkeling bereikt
is het nuttig, dat de hoeveelheid water, die tot bevordering van den
groei moest dienen, minder worde, opdat de sappen eene grootere digt-
heid erlangen, aanmerkelijk toenemen in suikergehalte, en in zuiverheid
winnen. Andere voordeelen met betrekking tof* het kappen, verwerken,
enz. ontstaan uit de droogte gedurende de inzameling van den oogst.
Zooals wij verscheidene malen in de gelegenheid z^*n geweest te on-
dervinden , is het nuttig niet al onze hoop te vestigen op de menigvul-
digheid der regens , en ons ook niet al te veel te verlaten op de natuur-
lijke eigenschappen van den grond: het is noodig, dat wij ons helpen
met de middelen, die de wetenschap aan de hand doet, en dat w\]
trachten den grond, daar waar de natuur in gebreke blyft, op kunst-
matige wijze in goeden staat te houden, door den grond tot eene be-
hoorlijke diepte om te werken, den ondergrond vaneen scheidende, het
terrein inwendig voorziende van een lozings-systeem (drainage), in den
grond de geschikte correctiven en mestspeciën aanbrengende, de dikte
vermeerderende van de bovenste laag teel-aarde, enz.
De redenen, die wij hier uiteengezet hebben, doen zien van hoeveel
gewigt het is, in het dagboek der plantaadje alle weerkundige waarne-
mingen op te teekenen, hetgeen zeer gemakkelijk te doen is, strekken
kan om menigen twijfel te doen ophouden , en dienstig zal zijn om met
meer zekerheid den veld-arbeid te regelen.
Op hetgeen wij gezegd hebben ten aanzien van de regens, afgeschei-
den van andere beschouwingen, zou minder gelet behoeven te worden,
wanneer wij de middelen hadden om een goed systeem van besproe\jing
in te voeren. ' •
Digitized by
Google
25
Wij hebben gezegd , dat er vooral opgelet behoort te worden om het
suikerriet den volkomen wasdom te laten bereiken op dat tydstip des
jaars, dat het best geschikt is om de inzameling van den oogst te
bewerkstelligen en over te gaan tot de bewerking van de sappen, in
het weefeel der stengels aanwezig. In onze beschouwingen over de inza-
meling van den oogst, hebben wij met de noodige breedvoerigheid
uiteengezet al de redenen, die pleiten voor het kappen van het riet
eerst dan, wanneer het tot volle rigpheid is gekomen: hier znllen wij de
nadeelen doen kennen, die onafecheideligk z^n van eene te vroege inza-
meling van den oogst, alsook die , welke aan eene te late kapping zyn
verbonden. Op het eiland Cuba wordt het riet geiplantiH keó najaar , dvit
is van het begin van September tot het laatst van December, of in het voor-
jaar y onder welken naam te verstaan is van half April tot half Jun^'tb^
beide deze plantingen wordt overigens nog weer onderscheid gemaakt tus-
schen vroege en late, naar gelang van het tydstip waarop ze in den grond
worden gebragt. De plantingen , die bewerkstelligd worden van Januar^j
tot April , worden genoemd tusacheniijdsche. — Vele planters gaan by het
in den grond brengen van het riet niet te werk volgens vaste beginse-
len; zij planten het gansche jaar door, onverschillig op welk t^dstip,
als het saizoen maar gunstig is ; zoodat ze zelfs gedurende den t\jd van
het malen, telkens als zij den arbeid afbreken, als de molen slüetaat^
planten, inboeten en het houtgewas van het veld hakken. Met duideli[j-
ker woorden: ze planten meer wanneer zij kunnen, dan wanneer ze
het moesten doen. Andere landbouwers gaan echter verstandiger te werk,
geven de voorkeur aan de vroege najaars-planiingen , en besteden het
overige van den tijd om den riet-akker behoorlijk na te gaan , zoo dik-
wijls het malen hun daartoe gelegenheid laat
Het planten in het vooqaar levert het groote bezwaar op, dat de
oogst daarvan niet met zekerheid op eene voordeelige wijze kan worden
verkregen op het tijdstip der eerste snede , ten ware de geaardheid en de
gereedmaking van den grond , de aan de cultuur bestede zorg en de in-
vloeden der weersgesteldheid allen evenzeer uitermate gunstig zijn geweest ,
en elk in het bijzonder het hunne hebben bijgedragen en zamengewerkt
om een gunstig resultaat te weeg te brengen. Zonder dat, ontwikkelt
het riet zich niet, ma;ft' groeit kwijnend, en kan slechts gemalen worden
Digitized by
Google
20
op het tijdstip van de tweede snede: in dit geval kunnen de nadeelen
plaats grepen, die wij hebben aangewezen in onze nasporingen be-
treffende het kappen van het suikerriet, anders dan wanneer het
den voUen wasdom heeft bereikt; wordt het gekapt voordat het tot
zijne volkomene ontwikkeling is gekomen, dan levert het stengels, die
weinig suiker inhouden en moeijelijk te bewerken zyn, en het kappen
kan al de nadeelen te weeg brengen, die aan elke te vroege (dat is
ontijdige) inzameling van den riet-oogst verbonden zijn.
Wat deze redenen aangaat, kunnen wij niet nalaten de handelwijze
af te keuren van vele planters, die, in plaats van hunne zorgen te
wigden aan de cultuur , zich er op toeleggen om vooijaars-plantingen te
bewerkstelligen tot in het laatst van Junij , en wij kennen er zelfs , die dat
gedaan hebben in niet-gereedgemaakte gronden en met de spade ! W^' zijn,
over het geheel genomen, zoo zeer tegen de vooijaars-plantingen, dat
wy zelfs, al zijn de gronden behoorlyk gereedgemaakt, toch liever eeni-
gerlei ander gewas daarin telen, dat eenen oogst kan opleveren tot
September, October of November, daar wy dan altoos nog tijds genoeg
zullen komen om najaars-plantingen te bewerkstelligen, en reeds vooraf
gedeeltelijk of geheel de waarde te winnen van de dagen , die er gewerkt
moeten worden om de gronden gereed te maken. De najaars-plantingen ,
bewerkstelligd van September tot November, zyn die, welke ons toeschy-
nen als het meest doelmatig, niet alleen wat betreft hare opbrengst
aan suiker, alsook met het oog op het lot der rietstokken na de snede.
Zeer te regt zeggen dan ook onze voornaamste praktische mannen by
wijze van spreekwoord: „De najaars-plantingen helpen de planters
weder te paard".
De voorloopige werkzaamheden om den grond gereed te maken zijn
ook van invloed op de beantwoording der vraag, op welk tydstip het
planten plaats hebben moet; en om dit punt op zyne juiste waarde te
kunnen schatten, moet men noodwendig in aanmerking nemen over welk
getal arbeiders men te beschikken heeft, wijders ook letten op de uit-
gestrektheid der akkers, de gemakkelykheid of moeijelykheid om de mij-
ten te stapelen, enz.
De geaardheid van den grond moet ook, en wel in de voornaamste
plaats, in aanmerking worden genomen, daar >iar gelang hiervan het
Digitized by
Google
27
riet met meer of minder kracht groeijen zal , ettel^ke nadeelen zich in
meerdere of mindere mate zullen doen gevoelen, de werkzaamheden en
het daartoe vereischte getal dagen zullen verschillen, enz.
Dit bewijst ons van hoeveel aanbelang het is al de byzonderheden te
kennen betrefifende de gesteldheid van den grond, welke tot de suiker-
teelt zal worden gebezigd , en evenzoo de noodzakelykheid der landbouw-
kundige nasporingen, die men in het werk stellen moet eer men met
eenigen arbeid hoegenaamd eenen aanvang maakt. De aarde is het werk-
tuig, de machine, waarmede wy, met behulp van het planten-orga-
nismus en van den dampkring, organische produkten wenschen voort
te brengen. Het is dus noodig, dat wij de onderscheidene organen
of gedeelten der machine (physieke eigenschappen, chemische zamenstel-
ling, geologische bouw) goed bestuderen, en daarna, ze met elkander
in onderling verband beschouwende , zien in hoeverre ze kunnen zamen-
werken om het gewenschte resultaat te weeg te brengen. -Vooronderstel-
lende dat er natuurlijk, geen bestendig eyenwigt bestaat tusschen al die
beatanddeelen , zal het noodig worden bevonden, daarin zoodanige wij-
zigingen aan te brengen, dat de grond geschikt wordt gemaakt voorde
geaardheid van het plantgewas , hetwelk wij er in wenschen te telen. In
plaats van dit ontledend onderzoek in te stellen, kan men ook over-
gaan tot de regtstreeksche proefneming, en, zooals Boussingault het
genoemd heeft, de plant zelve om haar oordeel vragen. Deze laatste om-
standigheid doet ons zien van hoeveel belang het is, bekend te zijn
met de ondervinding gedurende verscheidene jaren in eene en de zelfde
localiteit; want door de vruchten van die ondervinding oplettend en oor-
deelkundig na te gaan, zal men in het bezit komen van een resultaat,
verkregen uit de vei^elijking van verschillende gegevens , die niet iedereen
in staat is te waarderen in hunnen wederkeerigen invloed op elkander,
in hunne onderlinge en van elkander afhankelijke werkingen en terug-
werkingen.
II. Om de denkbeelden , die wij hier hebbeu aangegeven , duidely k te
maken, oordeelen wy het niet ondienstig eenige beschouwingen daaraan
toe te voegen , betreffende de gegevens , die afwijken van den gewonen
loop der plantengroei-ontwikkeling in het suikerriet, en eenige andere
betreffende den tijd, wtlken het plantgewas, waarmede wij ons thans
Digitized by
Google
28
bezig koaden, noodig heeft of vordert om het toppunt van z^nen
wasdom te bereiken.
Wanneer bij het kiezen van het geschiktste tijdstip om te planten
slechts gelet behoefde te worden op den tijd van duur, dien het plantsoen
te veld zal blijven staan, zou het op het eerste gezigt schijnen, dat
het tamelijk onverschillig was of er geplant wierd in Mei , om te kappen
in December van het volgende jaar, dan wel of er eene najaars-planting
plaats had in September, om den oogst daarvan in te zamelen op het tydstip
van de tweede snede, in de maand April van het tweedejaar daaraanvol-
gende : in beide gevallen toch zou het riet een even lang t^dvak op den
akker blijven staan. Maar op dit punt is het noodig ook in aanmerking te
nemen den invloed der jaargetijden op den groei der rietstengeb in het
algemeen, en vooral in betrekking tot hunne rijpwording, dat is de
voltooiing van het afscheidings-proces van hunne sappen. Immers,
het in het najaar geplante riet zal ter z^'ner t^d , dat is na verloop yan
den t\jd dien het uit z^'nen aard behoeft om zich te ontwikkelen, het
droogere jaargetyde genieten om tot rijpheid te komen, terwijl het voor-
jaarsriet van het eene jaar op het andere den regentijd zal hebben te
doorstaan, op een tijdstip, wanneer het reeds geen regen-bevochtiging
in die mate meer noodig heeft, daar de overvloed van het hemelwater
op dat tijdstip het vermogen bezit om de groeikracht bovenmatig te
bevorderen en te verhoogen, waardoor het zoogenaamde Creol^riet ont-
staat, zyndelooze stengels; overigens ontstaan in de restanten der blade-
ren eene oneindige menigte kleine diertjes, die het riet doorvreten, enz.
Wij moeten echter doen opmerken, dat op de bij uitstek vruchtbare
gronden , bij eene oordeelkundige wyze van aankweeking en bij aanhou-
dende koelte, de weersgesteldheid ook overigens gunstig medewerkende,
met voordeel het vooijaarsriet in een jaar kan gekapt worden; maar
niettemin onthoude men wel, dat zel& in ons zoo uitermate voor de
suikerriet-cultuur geschikt klimaat, wanneer al de omstandigheden gun-
stig zamenwerken , deze plant langer tijd dan een jaar noodig heefb om
hare volkomene ontwikkeling te bereiken. — En dat de volkomene ont-
wikkeling afhangt van de vruchtbaarheid van den grond , van de weers-
gesteldheid en van de wijze van cultuur, is zóó waar, dat somwylen
rietstoelen , die op weinig vruchtbare gronden en onder weinig gunstige
Digitized by
Google
£9
omstandigheden groeijen , wanneer ze geplant zijn in Mei , reeds begin-
nen te bloeden in November of December, dat wil zeggen na verloop van
7 of S maanden: alsdan is het dringend noodig ze te kappen, daar
anders van dat oogenblik af aan slechts de ontwikkeling zou worden
bevorderd van de ligte en onderaardsche geledingen, ten nadeelevande
zich gevormd hebbende stengels. Op de zeer vruchtbare gronden enz.
begint het najaarsriet eerst te bloe^'en in den winter van het volgende
jaar, en w^ kunnen er zelfs bijvoegen, dat wij gronden kennen, die
zoo vruchtbaar z^n, dat de planten er niet beginnen te bloeyen, dan
na verscheidene malen gekapt te z^n. In deze gronden sch^nt het, dat
de rietstoelen „altijd groeyen", want de pluimen, waarmede de uiteinden
der stengels pryken , vertoonen zich nooit. Overigens hebben wij zelven
riet gehad met meer dan honderd geledingen, waaruit men zal kunnen
afleiden hoe lang dat wel gegroeid moest hebben. Om misvattingen te
voorkomen moeten wij doen opmerken, dat het bloeijen het bewys levert,
dat de volle wasdom reeds bereikt is; maar daarom is het nog geens-
zins altyd een stellig, afdoend en onomstootelijk kenteeken of bewys
van rypheid, beschouwd uit het dubbele oogpunt van de zuiverheid
der sapp^i en van hunnen rijkdom aan suiker. — Bloeijend riet kan
zeer weinig oogst opleveren , de sappen daarvan zy n somwylen moeijelyk
te bewerken, enz. Wij zullen nog meer zeggen: men behoort geen ander
riet te malen, dan dat, hetwelk tot zyn vollen wasdom gekomen en goed
rijp is, en niet gebloeid heeft; de sappen van gebloeid hebbend riet
zyn altyd in meerdere of mindere mate bedorven.
Opdat er geen de minste twyfel blyve bestaan aangaande de voren-
staande denkbeelden, zullen wij, op het gevaar af van in herhalingen
te Tallen , ze nog eens kortelyk zaménvatten in eenen anderen vorm. '—
Ter zijde latende het hemelwater, als noodwendig vereischte voor den
plantengroei, en aannemende, dat wy het niet in onze magt hebben
ons de weldadige werking daarvan op de geschikte tijdstippen te ver-
schaffen door middel van besproeiing, zal het dan nog wel verstan-
dig zijn niet te letten op den loop der jaargetijden? — Wanneer de
overvloedige regens altijd dienstig waren, in al de tydperken van den
wasdom van het riet, is het ontegenzeggelyk, dat wy ons alleenlijk
zouden hebben te bekommeren over de gevallen, waarin wij ons ver"
Digitized by
Google
30
stoken zouden zien van hunne weldadige werking, die wy alsdan zouden
moeten vervangen door besproeijing; maar aangezien het tegendeel waar
is, met andere woorden, aangezien het hemelwater, overvloedig en te
dikw^ls vallende in sommige tijdperken der ontwikkeling van het
riet, nadeelig is voor de functiën, waardoor de suiker in de stengels
wordt gevormd, moeten w^ alt^d acht geven op den loop der jaarge-
tijden, om den voortgang en de versch^nselen van den plantengroei in
overeenstemming te . doen z^*n met die t^'dperken van ontwikkeling ,
waarin de overvloedige regens nuttig zijn; want als die regens vallen
in tgdperken, waarin zij de geregelde verrigtingen van de functiën der
rietplant storen, zullen w^ die krachtsontwikkeling van de werkzaamheid
harer organen hebben belemmerd, in plaats van ze te bevorderen.
Het is ontegenzeggelyk, dat het riet in den loop van z^'n groei-
ontwikkelingsproces behoefte heeft aan de noodige hoeveelheid water,
opdat die ontwikkeling plaats grijpe geleidelijk en aanhoudend; maar
evenzoo is het ook zeker, als de plant, door gebrek aan regen, eenigen
tyd wordt belemmerd in haren groei, dat zij dan later, als z^ dien
weldadigen invloed deelachtig wordt, nieuwe krachten erlangt en zich
ontwikkelt, ofschoon de zich reeds gevormd hebbende organen steeds
de sporen zullen blijven dragen van de invloeden, waaraan hunne
ontwikkeling onderworpen is geweest. By deze nieuwe beschouwing van
dat punt blijft de moeijelijkheid dus enkel deze: te bepalen in welk
tijdperk van de ontwikkeling van het riet de droogte er het minst na*
deelig voor is, en of het zich later van dien nadeeligen invloed kan
herstellen. — De nadeelen, die in de najaars-rietstoelen ontstaan door
de werking van de droogten, zijn niet zoo groot ab die, welke zich
onder de zelfde omstandigheden vertoonen by het vooijaarsriet , dat zich
niet ontwikkeld heeft. Zien wij wat er in die plantsoenen plaats gr^i
Het riet, dat in het begin van Mei geplant is, geniet al de voordeelen van
de regens: de aanvankel^'ke ontwikkeling is daardoor snel, aanhoudend
en regelmatig; zoodat tegen de maand November reeds verscheidene
stengels duidelgk eenige geledingen vertoonen: de eerste, tweede en
zelfs derde stengels hebben reeds knoppen gezet; maar op dat t^'dstip
wordt de plant, door de droogte overvallen, belemmerd in hare ont-
wikkeling, en houdt zich in meerdere of mindere mate goed tot de
Digitized by
Google
31
naastvolgende maand Mei. Dan komen de regens, en eene vernieuwde
groeikracht begint zich te openbaren; maar de stammen, die de nadeer
lige werking van de droogten hebben ondervonden, verrigten slechts
met moeite hare functiën, de zich reeds gevormd hebbende stengels
ontwikkelen zich langzaam en slecht, enz.; alles is in de war, en later,
walmeer men tot het kappen overgaat, bevindt men slechts weinig
goed riet, de sappen daarvan zijn moeijelijk te bewerken, de opbrengst is
luttel, en de suiker is van slechte kwaliteit. — De najaarsplanting, die
den invloed van de droogte ondervindt, lijdt daarvan niet minder dan
de vooijaars-planting; maar de sporen van het nadeel, op deze door
het gemis van regens te weeg gebragt , zijn niet zoo in het oog loopend
naderhand; zeker is het, dat er somwylen groote hoeveelheden ingeboet
moeten worden , maar ten slotte ontwikkelt dit riet zich goed , en levert
eenen goeden oogst. — Het voorjaarsriet, dat zich niet ontwikkeld heeft,
onverschillig of het gekapt wordt dan wel blijft staan, levert altyd
slechte uitkomsten op.
Tot dusverre hebben wy gehandeld over het vraagstuk betreffende
het geval, dat het vooijaars-riet in zynen groei is belemmerd geworden
door droogte of andere omstandigheden. Nemen wij nu het tegenover-
gestelde geval, en zeggen wij, dat het volstrekt geen belemmering in
zynen wasdom heeft ondervonden, hetzg dat de natuur in allen deele
heeft medegewerkt ten goede, hetzg dat daarin is voorzien door den
arbeid der cultuur (besproeiging , wieding, bemesting, enz.), zal het dan
nadeelen of voordeden opleveren dat riet te kappen na verloop van
een jaar? Wij zullen beginnen met te herhalen, dat steeds blijven vast-
staan al de in acht te nemen bijzonderheden, die afhangen van de
verschillende ontwikkelings-tijdperken en van het jaargetyde; na verloop
van een jaar zal de rietstoel stengels dragen, die elkander in den weg
staan om rijp te kunnen worden, en het is niet dienstig in die sten-
gels eene voortduring van de groeikracht op te wekken, waardoor
ze niet slechts eene overmatige lengte zouden bereiken, maar tevens
uitspruitsels schieten van weinig of geen degelykheid. Na verloop van
een jaar, hebben wy gezegd, kan met voordeel het vooqaars-riet wor*
den gekapt, dat zich onder gunstige omstandigheden ontwikkeld heeft;
maar even goed kan men het ook laten staan, ten einde het in
Digitized by
Google
32
de gelegenheid te laten zich verder te ontwikkelen gedurende d^i
regentyd; maar later, zoodra de droogte aanvangt, zal het beginnen r\jp
te worden, en na de twintig maanden gekapt, zal het eenen buitenge-
woon goeden oogst opleveren. Maar als men nagaat wat het zou hebben
opgeleverd als men het gekapt had met het jaar, en men vergelijkt dat
met de opbrengst na afloop van de twintig maanden , zal men bevinden ,
dat men beter zou hebben gedaan het met het jaar te kappen, daar
het dan in den loop van het volgende jaar eene nieuwe snede zou heb-
ben opgeleverd : het produkt van die twee oogsten te zamen is beter dan
dat, hetwelk van de eene alleen wordt verkregen, hoewel de opbrengst
in bet laatste geval grooter is. Onder dit voorjaars-riet van twintig
maanden worden vele doode , doorgevretene en ontwortelde stokken aan-
getroffen; bovendien eene groote menigte stengels, die niet deugen voor
de bewerking. Wanneer men daarbij goed nagaat hoeveel doode riet-
stoelen toevallig of onopzettelijk op den riet-akker worden achtergelaten ,
dan schrikt men yan de overgroote hoeveelheid dood riet: men komt
tot de bevinding, dat er evenveel, zoo niet meer, rietstokken op den
akker blijven staan, als er ingezameld en naar de fabriek gebragt
worden. Juist aan de omstandigheid of het riet in zijnen groei is be-
lemmerd geworden, dan wel of het zich geleidelyk heeft kunnen ont-
wikkelen naar behooren, moet het groot verschil van zienswyzen worden
toegeschreven, dat er bestaat aangaande de waarde van de vooijaars-
plantingen en het geschiktste tijdstip om die te kappen.
Het is niet onmogel^k dat er onder onze lezers zijn , die ons voren-
staand betoog eenigzins wijdloopig vinden; maar het onderwerp is van
veel gewigt, en wij achten het nuttig het te beschouwen uit alle mo-
gel^ke gezigtspunten, en alvorens te besluiten, zullen w^ nog zeg-
gen , dat de najaars-plantingen, bewerkstelligd omstreeks het beginvan
September, een overvloediger oogst opleveren, vooral wanneer alle
omstandigheden , die van de natuur en van de kunstmatige behandeling
afhangen, zamenwerken om den plantengroei te bevorderen. De be-
sproeiing is een onmisbaar vereischte om deze plantingen volkomen
te doen uitvallen, en vooral om steeds van het resultaat zeker te kun*
nen z^n ; alleen op die wyze verkrijgt men een geregeld , ter geschikter
ure njp wordend en voordeelig plantsoen.
Digitized by
Google
33
Het planten met den pootstok. — De bijzondere wijze van plan-
ten, welke wij nu in beschouwing gaan nemen, bestaat eenvoudig
hieiin , dat met den pootstok een gat in den grond gemaakt en daarin
een gedeelte van den rietstengel gepoot of geplant wordt. Vandaar de
benaming „planten met den pootstok".
Om op deze manier riet te planten, bedient men zich van een
ijzeren of hard-houten priem , of van een houten handvat met eene punt
van metaal. De ijzeren pootstokken , die het meest gebruikt worden , zijn
staven ter zwaarte van omstreeks veertien pond, en lang eennederl. el
veertig a vijftig duim (1.40 a 1.50); ze hebben negen duim in omtrek ,
behalve aan de dertig duim lengte van onderen , waar ze eenen omtrek
hebben van elf duim. Dit dikkere onderste gedeelte loopt uit in eene
scherpe punt, ten einde het werktuig gemakkelijker in den grond te kun-
nen doen doordringen ; aan het andere uiteinde is de pootstok plat, als het
vlak van een hamer, en bestemd om de steenen aan stukken te breken.
De ijzeren pootstokken verdienen de voorkeur, daar die van hout, als
men ze in steenachtige of met wortels doorgroeide gronden bezigt, zeer
ligt breken. De pootstok van hard hout (10) is gemeenlyk een nederl.
el en zestig duim lang, heeft aan het dunste einde eenen omtrek van
twaaK duim, en wordt van lieverlede dikker, totdat de omtrek zeven-
tien duim bedraagt, welke dikte de stok heeft op 1 nederl. el en 35
duim van deszelfs lengte; van dat punt af wordt hij gestadig dunner,
totdat hij, van de dertig duim zyner lengte af, uitloopt in eene punt.
De pootstokken , die bestaan uit eene ijzeren punt aan een houten hand-
vat , hebben de zelfde lengte en dikte als de houten pootstokken. Het
yzeren uiteinde, waarmede de houten pootstok beslagen is, heeft eene
stevige scherpe punt van 15 duim lengte, en boven die punt bevindt
zich het holle gedeelte, dat bestemd is om er het handvat in te plaat-
sen, welke holte dus eene afmeting dient te hebben geëvenredigd aan
de afmetingen van den stok, die er in bevestigd worden moet, in
dier voege, dat de aldus uit twee stukken bestaande podfstok de zelfde
afinetingen hebbe als een pootstok van ijzer of van hard hout.
Na bovenstaande omschrijving van het werktuig , zullen wy nu doen
kennen op welke wijze het gebruikt wordt, en aantoonen welk gedeelte
van den arbeid daarmede verrigt wordt. Stellen wij, dat er een akker
3
Digitized by
Google
34
moet beplant worden, eene oppervlakte beslaande van 25 vierk. roeden
lengte by 76 vierk. roeden breedte. Men neemt twee touwen of lynen, die
elk juist zoo lang zyn als de akker breed is , en spant die in eene regte Ign
Op den behoorlijken afstand van elkander. Met asch of met kalk wordt de
rigting gemerkt, welke het gespannen touw heeft, en het zelfde her-
haalt men totdat al de evenwijdig loopende rijen zijn afgebakend, in
welke men het planten moet bewerkstelligen. In plaats van die rijen aan
te duiden met asch of iets anders, kan men ook eenvoudig het touw
gespannen laten staan, en op die wijze wordt de arbeid bespaard, die
anders noodig is om de afgebakende ryën aan te wijzen. Het gespan-
nen touw te laten staan maakt bovendien den arbeid regelmatiger, door
de aanwijzingen, welke het in staat is te verschaffen als er op evenredi-
gen afetand van elkander de punten op gemerkt staan , waar de rietgaten
moeten worden gestoken.
Is de rigting bepaald , die men by het planten zal moeten volgen , dan
begint men de gaten te steken, hetgeen men in dier voege doet, dat
de pootstok zoo schuins mogelijk in den grond wordt gedreven , der-
wyze, dat het gat eenen hoek van hoogstens dertig graden vormt met
de oppervlakte van den grond. De diepte en de breedte, aan het gat
te geven, moeten geëvenredigd zijn aan de lengte en dikte van het riet
dat men er in planten zal. Is het riet dik, en heeft het lange geledin-
gen , dan moet het gat breed genoeg zy n om het te kunnen ontvangen ,
en diep genoeg om er een stuk van ten minste drie geledingen in te
kunnen plaatsen. Om die reden kiest men voor het planten met den poot-
stok rietstengels met fraaije knoppen en geen al te groote geledingen. Wan-
neer men overigens bij het inbrengen van het riet in den geopenden grond
knoppen mogt aantreffen, die niet in goeden staat zijn, dan is het van aan-
belang dat gedeelte van het riet af te smjden, hetgeen men ook behoort
te doen met ieder stuk der geledingen , aan hetwelk geen knop aan het
uiteinde zit. Het gat wordt gemaakt, door den pootstok met kracbt in
den grond te*drijven en dat werktuig vervolgens heen en weer te wrik-
ken in alle rigtingen, om het gat op de noodige wijdte te brengen.
Alvorens het weiktuig uit den grond te halen, en door eene laatste
beweging, die de arbeiders met zeer veel behendigheid weten te maken,
laten zy de zwaarte van hun gansche ligchaam op het achtereinde van
Digitized by
Google
35
den pootstok dnikken, derw^ze, dat zij den grond byna opligten, zoo*
dat die los wordt en op verscheidene plaatsen barsten en sclienrcn ver-
toont (11).
De rietgaten kunnen geplaatst worden op verschillende wyzen , voor
zooveel betreft de rigting van het touw. 1*. Ze worden gestoken aan
weerszijden van het touw, in dezer voege, dat die, welke zich tegen-
over elkander bevinden, eenen afstand tusschen beiden hebben liggen
van ongeveer dertig duim; bij gevolg, in hunne natuurlijke rigting elk
vyftien duim van het touw verwijderd zijnde, is het nuttig ze in hunne
eigene rij te plaatsen op eenen afstand van elkander, ongeveer gelijjk-
staande aan de diepte, waarop ze in den grond zijn gebragt en die,
zooals we gezien hebben, verschillend kan zijn ; in het algemeen echter
kan men aannemen eenen afstand van dertig duim. Wat betreft de on-
dergronds-rigting van die gaten, kunnen ze wel allen gestoken z^n op
eenerlei wijze, met andere woorden, de beide rijen, die tegenover elk-
ander liggen kunnen óf parallel loopen, of ze kunnen onder den grond
eene juist tegenovergestelde rigting hebben, zóó, dat, als men den
grond wegnam die tusschen de twee ryën inligt, en ze kwamen dan
nader tot elkander, ze elkaar zouden kruisen. Deze laatste inrigting heeft
dit tegen zich, dat de arbeider, nadat h^* de eerste r^ gaten heeft klaar-
gemaakt, genoodzaakt zal zijn zich om te keeren om de tweede rij te
steken, hetgeen hem natuurlijk t^'d doet verliezen; maar dit nadeel kan
gemakkelyk worden vermeden, wanneer men bij ieder touw twee arbei-
ders aan het werk zet, zoodat de rij gaten aan de eene z^de gestoken
wordt door den eenen, en de rij aan de andere zijde door den anderen.
Bij deze inrigting zullen de knoppen in hunne ontwikkeling meer ruimte
hebben om tot hunnen behoorlijken wasdom te geraken. 2^ Men steekt
gaten op vijftien duim afstands van het touw, met eene tusschenruimte
van dertig duim; vervolgens aan de andere zyde van het touw, even-
eens vijftien duim van hetzelve verwyderd, steekt men eene tweede rij
gaten, maar in dier voege, dat hier de gaten juist komen te liggen tegen-
over het middelpunt der tusschenruimten in de eerste rij; zoodat de
gaten der tweede rij door een zelfden afstand van elkander zijn geschei-
den als die in de eerste rg, en met deze afwisselen. Met deze afwisse-
ling in de planting verkrygt men gemeenlyk betere resultaten, dan wan-
Digitized by
Google
36
neer de stekken vlak tegenover elkander geplaatst zijn. 3». Eindel^k
kan men ook in de zelfde rigting van het touw eene enkele rij gaten
steken» met eene tusschenruimte van ongeveer dertig duim. Er bestaan
nog andere manieren van planten met den pootstok; maar. om die be-
grigpelgk te maken zou men ze aanschouwelijk moeten voorstellen in
afbeeldingen.
Als de gaten gemaakt zijn, wordt er het riet ingestoken, en op
zijn minst gelijk met de oppervlakte van den grond a%esneden met
een goed scherp mes, hoewel het nuttig is die afenijding te bewerk-
stelligen iet of wat lager , opdat er niets van de stek onbedekt boven
aarde bly ve : de stek wordt oogenblikkelijk met aarde overdekt, hetgeen
men bewerkstelligen kan met het mes , waarmede men het riet afsni[jdt ;
vervolgens geeft men twee of drie slagen om den grond, die door den
pootstok is losgetild, weder vast te drukken. Het is van veel belang
het riet zoo te snijden, dat er niets van de stek boven de oppervlakte
van den grond blijve uitsteken , daar de plant in dat geval slechts looze
stengels zou voortbrengen , of wel de geplante stek in meerdere of min-
dere mate zou verdorren. Wanneer men de planting met den pootstok
op onvolkomene wyze bewerkstelligt, door een (hoe klein dan ook) ge-
deelte van de stek boven den grond te laten uitsteken, is deze manier
van planten in sommige streken bekend (volgens Boussingault) onder
den naam van stoppel veld-plantsoen. Wat betreft de ligging, die men
best zal doen te geven aan het riet, dat men in den grond brengt, moe-
ten wy doen opmerken, dat het, om de ontwikkeling van de plant ge-
makkelijk te maken, het best is de stek zoo te plaatsen, dat de knop-
pen, by het ontkiemen, zulks kunnen doen in de natuurlijke opwaart-
sche rigting. Velen verkeeren in den waan, dat het beter is de stek
juist andersom te leggen , daar alsdan , de ontkieming aanvankelijk neder-
waarts plaats grijpende, de jonge spruit van zelfs meer plaatsruimte
moet innemen onder den grond , hetgeen noodwendig een grooter aantal
uitspruitsels ten gevolge moet hebben. In sommige gevallen kan deze
methode welligt haar nut hebben; doch daar het in bijna alle omstan-
digheden wenschelijk is , dat het riet zoo snel mogelijk groeije , gelooven
wij, dat de door ons aangewezene ligging de voorkeur verdient. Opdat
al de stekken tot zekeren graad in gelijken toestand geplaatst zouden
Digitized by
Google
37
zijn, is het noodig het riet in den grond te brengen met de knoppen
op zijde. Wierd er slechts één stengel-lid gezaaid, dan zou het vol-
doende zijn het in den grond te brengen met den knop naar boven en
het lid naar beneden, daar het alsdan in zeer korten tijd zou ontkie-
men. — Bij het planten met den pootstok worden de arbeiders verdeeld
in drie ploegen: gaten-stekers , stekken-planters en èesproeijers (12).
Het planten met den pootstok geschiedt gemeenlijk in pas-ontgonnen
boschgronden , waar men in vele gevallen inderdaad, naar evenre-
digheid, uitmuntende resultaten erlangt, by eene groote besparing
van handen-arbeid en plantriet, als men daarbij vergelekt het planten
met behulp van de spade , welke manier over het algemeen in die ge-
vallen gevolgd wordt. Wat betreft het planten met den pootstok op
akkers, die omgeploegd zijn : in weerwil dat velen daarvan gunstige
resultaten verkrijgen , zijn wij niettemin van oordeel , dat op zulke akkers
deze manier niet de voorkeur verdient , wanneer men die vergelijkt bij
de plantingen, bewerkstelligd in eene breede en diepe groeve, welke
geopend wordt met den tweesnijdenden ploeg ; en zulks om de navol-
gende redenen : 1©. Het planten met den pootstok is moeijelyker te
volbrengen dan dat , waarby men zich bedient van den ploeg : tot het
laatste toch wordt weinig of bijna geen ligchaamskracht vereischt, ter-
wijl de pootstok niet wel te hanteren is dan door sterke arbeiders.
2o. Bij het maken van de gaten en het wrikken om ze op de behoorl^ke
wijdte te brengen, worden hunne wanden ineengeperst, zoodat wij aan
den grond, in plaats van hem losser te maken, meer stevigheid geven.
3o. Bij het planten met den pootstok komen de stekken tot op ongelijke
diepten in den grond, zoodat ook de ontwikkeling onregelmatig moet
worden. 4q. In het door den pootstok gemaakte gat kan ook niet ge-
makkelijk de mestspecie in de noodige hoeveelheid worden aangebragt
ter plaatse waar het plantriet wordt gelegd; zoodoende houden wy dus
de jonge plant verstoken van eene der grootste weldaden, die het in
onze magt ligt haar te verschaffen in het hagchelijkste tijdperk van haar
vroegste leven , waarin zij moet trachten in het bezit te geraken van de
organen, die zij noodig heeft voor de behoorlyke verrigting van hare
levens-functiën. 5o. Bij het planten met behulp van den ploeg ondergaat
de grond eene bewerking , die men als eene vernieuwing of veiyonging
Digitized by
Google
38
kan beschouwen; vervolgens wordt de geopende breede groeve, nadat
het plantriet er ingelegd is , weder digtgemaakt met losgewerkte aarde ;
en buitendien kan niet alleen de diepte en de breedte van de groeve
gew^'zigd worden naar verkiezing, maar ook de hoeveelheid aarde, die
op een gegeven oogenblik over het riet komt.
Men zal ons zeggen, dat er bijj het planten met den pootstok eene
groote besparing van riet plaats heeft; maar wat belet ons de zelfde
besparing toe te passen b^* het planten met den ploeg of met de spade?
In plaats van zoovele stekken in de groeve te leggen als deze bevat-
ten kan, waarom niet op zijn hoogst slechts twee er ingelegd? Als
men goed nadenkt over de besparing van riet, welke het planten met
den pootstok ons verschaft, zal men bevinden, dat die besparing
enkel voortspruit uit de onmogelijkheid, om meer dan één stek in het
rietgat te plaatsen; doch ware het doenlyk meer stekken daarin te
brengen , wij zouden zeer spoedig in die hegraafplaaüen van het auiker-
riet evenveel stekken zien ter aarde bestellen als nu in de groeven wor-
den geworpen, die gedolven worden door den ploeg.
Wanneer het mogelijk is met den ploeg te werken, moet men zich
niet bedienen van den pootstok: in sommige der gevallen, waarin het
om het planten te bewerkstelligen noodig is zich te bedienen van de
spade, kan men de voorkeur geven aan het planten met den pootstok,
alleenlijk om reden van het meerdere gemak by de uitvoering van het werk,
o&choon het planten met behulp van de spade verstandiger en dienstiger
is om andere redenen. — Zoo , by voorbeeld , op gronden , die reeds
een weinig beteeld zijn, doch in welke men zoo vele steenen aantreft,
dat men er niet kan werken met den ploeg ; evenzoo zal men zich van
de spade moeten bedienen bij het inboeten van een rietveld. — Men
wane echter niet, dat het planten met den pootstok een gemakkelijk
werk is. De zwaarte van het werktuig , de gebukte houding , waarin de
arbeider zich moet plaatsen of geplaatst blijven, terwijl hij dat weric-
tuig met kracht in den grond dry ft, de inspanning, die van zijne krach-
ten gevorderd wordt om breede en diepe rietgaten te maken , alles doet
klaar begrijpen , al wordt dit door velen ontkend , dat het een werk
is, waartoe stevige en bedrevene arbeiders worden gevorderd, en het-
welk altijd moeijelijk is.
Digitized by
Google
89
Er z^a vele plantaadjen op het eiland, waar men de rietmakkers altgd
beplant heeft met behulp van den pootstok : wij kennen er onder an-
deren eene, zoo niet de beste, dan toch onbetwistbaar een der beste
suikerplantaadjen , die er zijn, waar men de rietmakkers nog nooit op
eene andere wijze heeft beplant, en waar men alti|jd eenen oogst inza-
melt , die inderdaad byzonder goed mag heeten. Maar al levert het
planten met den pootstok in vele gevallen eenen goeden oogst, daaruit
volgt nog niet, dat het de beste manier, zelfs niet dat het eene goede
manier van planten is : dat er in weerwil van de gebrekkige manier van
planten gunstige resultaten worden verkregen, bew^'st eenvoudiglijk de
vruchtbaarheid van vele onzer grondstreken en de bijzondere geschikt-
heid van het klimaat van Cuba voor de suikerriet-cultuur; welke waar-
heden voldingend worden bevestigd door de ruime oogsten, verkregen
op sommige plantaadjen, waar men er zijn best toe scheen te doen om
te werk te gaan op eene wigze , li|jnregt strijjdig met alle beginselen der
landhuishoudkundige wetenschap.
Het planten met de spade. — Deze wyze van planten wordt tegen-
woordig enkel nog maar gevolgd in de nieuwe boschgronden en in zeer
steenachtige gronden , waar men den ploeg niet kan laten werken. Ook
bedient men zich van de spade om de rietmakkers in te boeten.
De gaten, die met de spade gemaakt worden om het plantriet te
ontvangen , moeten eene lengte hebben van 4 nederl. palmen ; ze moe-
ten 3 of minstgenomen 2 nederl. palmen diep z^'n, byaldien het terrein
hoog ligt en de bovenkorst of teelaarde-laag dik genoeg is; en ze moe-
ten ongeveer derdhalven nederl. palm breed zyn. — Byaldien het ter-
rein laag ligt en eene dunne korst teel-aarde heeft, worden de gaten
gemaakt slechts van 6 tot 8 duim diep. — De gaten worden op 8,
10 of 12 nederl. palmen a&tands van elkander geplaatst in het vier-
kant, of wel aan r^ën, die acht of twaalf nederl. palmen van elkander
af l^gen ; in dien zin worden de groeven geopend, van elkander ver-
wijderd vier a zes nederl. palmen ongeveer. — De gaten gestoken zijnde ,
gaat men tot het planten over, tot welk einde achter de gaéen-siekers
eene ploeg arbeiders loopt, die in elke groeve twee stekken riet leggen,
welke zij zoo plaatsen, dat ze niet tegen elkander aanliggen; onmiddellijk
Digitized by
Google
40
achter hen komt eene ploeg aard-dekkers , die , gewapend met spaden of
schoppen, het in de groeven geplaatste riet met aarde overdekken. Zyn
de gaten niet zeer diep, dan wordt al de aarde, die er uitgekomen is,
weder er overheen gedaan; maar bezitten ze eene zekere diepte, dan
is het beter er niet al de aarde over heen te werken : aanvankelyk is
dan de helft van die aarde voldoende, terwyl dan later, zoodra het
riet begint te groeijen, de andere helft er overheen gedaan kan worden.
Wat het plantriet betreft, sommigen plaatsen het en sneden het aan
stukken bij voorbaat op de grenswegen of afscheidingspaden, zulks even-
wel slechts een oogenblik voordat het in den grond zal worden ge-
bragt ; anderen vinden beter eene ploeg arbeiders in het werk te stellen
om het riet te snijden onmiddellijk eer het in de groeve wordt gelegd
en het dan te gel^'k daarin te plaatsen.
Het planten met de spade geschiedt gemeenlijk zonder regelmatig-
heid hoegenaamd; maar wanneer men de gaten mogt willen steken met
inachtneming van de behoorlyke tusschenruimten en van eene geschikte
indeeling in rijen, zal men gebruik dienen te maken van twee touwen,
waarop de punten staan aangewezen, waar de gaten behooren te wor-
den gestoken; die twee touwen worden gespannen op zoodanigen af-
stand van elkander als men dienstig acht, en om dien afetand te be-
palen bedient men zich van een ^ ander touw, dat men in de dwarste
spant, en in hetwelk knoopen gelegd zyn, die de juiste maat aanwij-
zen op welke de ryën van elkander af moeten liggen.
In plaats van het stelsel aan te nemen om te planten in het vier-
kant, kan men ook, met inachtneming van de opgemelde a&netingen,
de akkers indeelen in den vorm van eenen kegel, van eenen vijf hoek
of van eenen driehoek, waarmede men, zooals de ondervinding geleerd
heeft, op plantaadjen met boomen beter partij kan trekken van het ter-
rein, terwijl men zoodoende tevens eene betere speling van de lucht
verkrygt in alle rigtingen. — Wanneer men plant met de spade of met
den ploeg, en groote tusschenruimten openlaat tusschen de rietstokken,
of wanneer men aan den riet-akker den vorm geeft van een vierhoek
of van eenen vijf hoek, dan noemt men het een maniok-plantsoen.
Na al de redenen, die wij reeds hebben ontwikkeld, en met betoog
op die , welke wij voornemens zijn achtereenvolgend uiteen te zetten , zul-
Digitized by
Google
41
len wij hier ter plaatse niets zeggen van de voordeelen of nadeelen,
welke aan het planten met de spade verbonden zijn, daar w^ slechts
denkbeelden zouden herhalen, die w^* reeds hebben doen kennen, of
redenen ontwikkelen, die het beter is eerst uiteen te zetten op hare
plaats. — Alleenlyk zy het ons vergund even stil te staan by één ge-
voelen, dat een groot aantal aanhangers telt onder zekere klasse van
onze planters. — Zy zijn, namelyk, de meening toegedaan, dat men by
de teelt van suikerriet den grond volstrekt niet door omwerking moet
verplaatsen, en dat het van aanbelang is zich, om te kunnen planten,
te bedienen van de spade, en niet van den ploeg, daar zoodoende de
akkers meer duurzaamheid erlangen , en beter tegen de teelt bestand bly-
ven. — Wat de voordeelen betreft, die verkregen worden door al de land-
bouwkundige werkzaamheden, op oordeelkundige wijze verrigt, zullen
wij hier niets in het midden brengen, daar wy al wat ons dienaangaande
voor den geest kwam, breedvoerig hebben ontwikkeld in een ander
werk (*); maar wat aangaat het planten met behulp van de spade,
moeten wij de vraag opperen: wat is beter, gaten te steken op een
zekeren afstand van elkander, of ééne groeve te maken, dat wil zeg-
gen, eene onafgebrokene ry rietgaten? Behalve al de wetenschappelijke
redenen, die pleiten ten voordeele van het planten, in de daartoe geschikte
omstandigheden, met behulp van den tweesnijdenden ploeg, moeten wij
doen opmerken , dat die wijze van planten zeer eenvoudig en gemakkelyk
te volbrengen is met arbeiders, die niet zeer sterk zyn, terwijl men
tot het planten met behulp van de spade stevige en vlugge arbeiders
noodig heeft: het gaten-steken is een moeijelijk werk.
Het planten in gronden, die niet daartoe gereedgemaakt
ZIJN. — De verschillende mechanieke, physieke en chemische bewer-
kingen, die in geleidelyke volgorde en met oordeel en overleg, in de
vereischte mate en op de geschikte tijdstippen, volbragt worden in de
gronden om ze gereed te maken voor beplanting, hebben een zeer
bepaald doel van zoo groot gewigt, dat wy , ofschoon reeds herhaaldelyk
daarvan gewag gemaakt hebbende, het niettemin noodig en nuttig ach-
(*) Eaiudios progresivos.
Digitized by
Google
42
ten nog eens vlugtig op te sommen de doeleinden , die men wenscht te
bereiken alleen door de gronden te bewerken op eene volkomene w^se ,
daartoe al de vereisehte werktuigen bezigende op zoodanig t^dstip , als
het best strookt met de verwezentli[jking van onze denkbeelden.
De landbouwkundige arbeid, in de ruimste beteekenis van het woord,
dat wil zeggen, daaronder begrepen niet slechts de werkzaamheden met
den ploeg, maar tevens het gebruik van de eggen, de rollen en de
geschikte gereedschappen om den ondergrond los te maken, heeft tot
eindresultaat: 1*. Den grond los, kruimelig, zacht en week te maken ^
met het doel om hem toegankelijker te doen zijn voor de invloeden
van den dampkring, en de gemakkelijke en geleidelijke ontwikkeling
der wortels te bevorderen. Om steeds de voordeeligste uitwerkselen te
verkregen , moeten de werkzaamheden, die men verrigt om dat doel te
bereiken, verschillen naar gelang van de geaardheid der geteeld wor-
dende plant en naar gelang van de physieke eigenschappen en chemische
bestanddeelen van den grond en den ondergrond, op zich zelven be-
schouwd zoowel, alsook in verband met voorafgegane bewerkingen, het
klimaat, enz. 2o. Ten slotte al de bestanddeelen, waaruit de grond
bestaat, ondereen te mengen , zoodat, de grond in zijn geheel een eenerlei
zamengesteld geheel opleverende met gelijkelijk verdeelde physieke eigen-
schappen, de planten zich op eene geleidel^ke wyze zullen kunnen ont-
wikkelen , zonder dat de wortels gevaar loopen tot in een gedeelte gronds
door te dringen van eene verschillende gehalte, waar ze sappen inzuigen ,
die nadeelig zyn voor den groei der plant , of die op eenigerlei wyze den
geregelden loop der functiën van hare organen belemmeren, vlekken op
de bladeren doen ontstaan, ineengroeijingen veroorzaken, enz.; ook de
opslurping kan bedorven worden ten gevolge van nieuwe en andere
physieke eigenschappen , welke de wortels aanwezig vinden in de gedeelten
gronds, die ze doorloopen om zich te voeden. Dit resultaat te verkrijgen
zal te meer gewenscht z^'n , naarmate men dieper gewerkt heeft om de
benedenste lagen van de korst teel-aarde of de bovenste lagen van den
ondergrond naar boven te krijgen , en wyders in de gevallen , wanneer
men meststoffen gelijkelyk wenscht te verdeelen over het gansche ter-
rein. 3*. Een gedeelte van den benedengrond naar boven te brengen,
met het doel , om het te doordringen met de invloeden van den damp-
Digitized by
Google
48
kring en het deugdzamer te maken door middel van mestspeciën, zoo-
doende de dikte en de eenerlei*geaardheid van de laag teel-aarde te ver-
meerderen en nut te trekken van eene menigte bestanddeelen , die in de
aardlagen van den ondergrond aanwezig zijn. Den grond bloot te stellen
aan de invloeden van den dampkring is beschouwd als van zooveel ge-
wigt, en de ondervinding heeft daarvan zoo zeer het nut bewezen, dat
vele landbouwers, die heilzame werking overdryvende, de bewering heb-
ben geuit, dat mestspeciën enz. geheel overtollig z^n, daar, volgens hun
gevoelen, de planten, om te kunnen groeijen , niets anders noodig hebben
dan eenen grond, die door middel van veelvuldige bewerking goed door-
drongen is van de invloeden van de lucht. Dit stelsel werd in praktik
gebragt (aanvankel^k met de schoonste uitkomsten, en later met een
bedroevenden afloop) door den beroemden engelschen landhuishoudkun-
dige Tuil. 4». De ondergronds-lozing van het water te bevorderen en
de vochtigheid op te slurpen, daarin te brengen en terug te houden;
door dit middel worden de vochtige gronden van water bevryd,en die,
welke uitermate droog zijn, bevochtigd: resultaten, die op het eerste
gezigt tegenstrydig schijnen , doch die verkregen worden door het terrein
te doorsneden met greppels, daar zoodoende de doordringbaarheid van
den grond vermeerderd en zijne eigenschap , om veel waterdeelen in
zich te behouden, verminderd wordt. Uit deze twee werkingen, in veiv
band met elkander, ontstaat regelmaat in de hoeveelheid water, welke
in den grond aanwezig blyft, en waarover dus de planten kunnen be-
schikken. Indien andere gunstige omstandigheden slechts eenigzins met
dit tweeledig en gelijktydig werkend middel zamengaan, zal men als
eindresultaat erlangen die heilzame gesteldheid van den grond, waarin
de planten ten allen tijde de vochtigheid genieten, welke zy noodig
hebben voor de volkomene verrigting van de functiën, die hare orga-
nen moeten volbrengen. 5o. Het onkruid te verwijderen , het uit te roeyen
met wortel en al, door het uit den grond, te halen met behulp van de
eggen, die ter geschikter gelegenheid daartoe in werking worden ge-
bragt. Wanneer men uitsluitend te doen heeft met uitgeputte riet-
akkers, die bearbeid worden met het doel om er op nieuw riet
in te planten, moeten de oude rietstokken uit den grond worden
verwijderd, en aan hoopen geplaatst, en zal het nuttig zijn die te
Digitized by
Google
44
verbranden, als wanneer hunne asch kan worden aangewend als mest*
specie. Indien deze voorzorg niet wierd genomen, zouden de oude
rietstokken de ontwikkeling van de nieuwe belemmeren, en buitendien
zouden wij nutteloos te loor laten gaan de vruchtbaarmakende be-
standdeelen, in die oude stokken aanwezig, zonder nog te rekenen
dat ze ook dienstig kunnen zijn om de klei te verbranden (13).
Het gewigt erkend hebbende van de doeleinden, die wy ons voor-
stellen te bereiken door de werkzaamheden, welke wij in al hare by«
zonderheden breedvoerig hebben beschreven, is het duidelijk, dat
w^', als wij ons zelven ten aanzien van de ontwikkelde denkbeelden
geliijk willen blijven, niet kunnen aanraden de werkzaamheden achter-
wege te laten, die geschikt zijn om zulke voordeden te weeg te brengen.
Evenmin kunnen wij nalaten nogmaals aan te dringen op de nood-
zakelijkheid , om het terrein te voorzien van een goed waterlozings-
systeem door middel van drainage en doorsnijding van den onder-
grond; en nog minder kunnen wij verzuimen het gebruik aan te raden
van mestspeciën, zoo vaste als vloeibare, de besproeiing, enz.; inéén
woord, al de vereischten, die door de landhuishoudkunde worden voor-
geschreven, en zonder welke men nimmer op eenen goeden en wissen
oogst kan rekenen.
In het leven van den landbouwer doen zich echter omstandigheden
voor, waarin hij zich in de noodzakelykheid bevindt om, in weerwil
van de juistheid zyner begrippen en in strijd met al de beginselen d^
wetenschap, eene wijze van bewerking te volgen, die in alle opzigten
slecht is. Bij voorbeeld : de planter, die door allerlei tegenspoed de op-
brengst van zijne plantaadje heeft zien verminderen, terwyl de knel-
lende drang van zijne behoeften in gelyke mate is toegenomen;
wanneer door brand, droogte, overstrooming, of welke ramp ook,
zyne riet-akkers eensklaps zyn verwoest, welk ander middel schiet
hem dan over, dan te zorgen, dat hij zynen oogst vermeerdere,
al moet hij daartoe eenen weg inslaan, die van alle regelen én van
de zuinigheid, én van de wetenschap afwijkt? In zulke wanhopige
gevallen, waarin het noodzakelijk is spoedig te oogsten, het koste
wat het wil, wanneer men door heé betere te verlangen het goede zou
misloopen — in die gevallen, zeggen wij, is het noodzakelijk, dat men
Digitized by
Google
45
besluite tot planting in eenen nieirgereedgemaakien grond y in dier voege,
dat de nadeelen, daaraan verbonden, grootendeels worden verminderd,
door zooveel doenlyk te voorzien in hetgeen aan zoodanigen grond
ontbreekt.
Om in eenen niet-gereedgemaakten grond te planten begint men met
het terrein te wieden; al het wiedsel wordt van den akker afgebragt en
verbrand, en vervolgens wordt de asch over den akker uitgestrooid; is het
wiedsel eerst goed gedroogd , dan kan men het ook op den akker zelven
verbranden. — Dadelijk worden nu de groeven op acht nederl. palmen
afetands van elkander afgebakend met behulp van het touw, en die
afbakening te gelyk gemerkt door middel van den inheemschen ploeg;
daarna worden de diepe, breede groeven getrokken, waartoe men zich
bedient van eenen grooten tweesny denden ploeg; maar eerst moet men
de groeve breken door middel van den ploeg met ééne schaar. — Is
daartoe gelegenheid, en heeft de ondergrond zulks noodig, dan is het
nuttig den ondergrondsploeg, zoo niet door al de geopende groeven,
dan ten minste door die groeven te laten loopen, die bestemd zijn om
er in te planten. — ^Bij het planten in eenen niet-gereedgemaakten
grond is het vooral noodig zorg te dragen, dat men breede en diepe
groeven make, en dat vervolgens niet verzuimd worde den grond aan
de kanten los te maken voor de aanaarding.
Om te planten kieze men, zoo mogelijk, het beste riet; en heeft
men het in de groeve gelegd, dan bedekke men het eerst met mestspecie,
eer men er de aarde overheen doet. Hoe minder goed het plantriet, en
hoe minder vruchtbaar de grond, des te noodzakelijker is de aanwen-
ding van meststof. Dit wel in acht te nemen is te meer een vereischte,
daar bij planting in eenen niet-gereedgemaakten grond het riet langzamer
opgroeit, dan wanneer het geplaatst is in eenen behoorlyk toebereiden
grond. — Daarbij is het noodig te planten in een geschikt saizoen. —
Het riet moet geplant worden in eene doorloopende groeve, en daar het
minder uitspruit of minder goed groeit, en er meer stokken sterven,
is het noodig een grooter aantal te planten : wanneer men echter twee
stekken, goed van elkander af, tegenover elkander plaatst onder in de
groeve , is zulks meer dan genoeg. Als de grond laag ligt , moet men het
riet niet aan kleine stukken snyden ; het is beter dat men het heel laat ,
Digitized by
Google
46
ak men maar zorgt, dat men er de kromme gedeelten afsngde: zoo-
doende is één rietstek, midden in de groeve gelegd, al wat vereischt
wordt om een goed plantsoen te zien opgroeyen. — Op deze wijze
wordt de arbeid bespaard , die anders het doorsnijden vordert, en boven-
dien verkrijgt men een gelykmatiger plantsoen. — Wanneer men in laag-
liggende gronden riet plant, en men bedient zich daartoe van kleine
stukken, als dan de waterlozing niet zeer goed is en er vallen veel-
vuldige regens, dan zal het grootste gedeelte van het geplante riet in
den grond tot verrotting overgaan. — Men plaatst het plantriet in de
groeven om den anderen , op eenen afstand van ruim anderhalve neder-
landsche el van elkander, telkens eene groeve tusschenbeiden latende
voor de waterlozing, — Op hoogliggende gronden is zulk eene groeve
voor de waterlozing niet noodig; zoodat men daar de groeven, om er
in te planten, onmiddellijk op ruim anderhalve nederl. el afstands van
elkander kan plaatsen.
Er moet wel gelet worden op de hoeveelheid aarde, waarmede men
het plantriet bedekt, daar het hier, meer nog dan in behoorlijk gereed-
gemaakte gronden, noodzakelyk is te zorgen, dat de knoppen gemakke-
lyk kunnen uitspruiten (14). De hoeveelheid aarde , waarmede het plant-
riet bedekt wordt , hangt af niet alleen van de algemeene eigenschappen
van die aarde zelve, maar evenzeer van de tydelijke gesteldheid van
den grond. — Wanneer men bij droog weder plant, zonder uitzigt dat
er spoedig regen zal vallen, is het, vooral in zandige gronden, noodig
het riet met meer aarde te bedekken, dan wanneer het planten plaats
heeft juist in het dienstige saizoen.
Het planten volbragt zijnde, heeft het eerste wieden van den grond
plaats met den schop of schoffel , terwijl de jonge rietplant nog zeer klein
is. Nog beter is het, zoo mogelijk, zich van het wiedmes te bedienen en
het onkruid met wortel en al uit den grond te verwijderen. Als de jonge
plant eene hoogte bereikt heeft van ongeveer veertig nederl. duim , wordt
zij aangeaard, dat wil zeggen de aarde, die uit de groeve is gekomen
toen die geopend werd, wordt aangebragt rondom den stam van de jonge
plant, en daartoe wordt de gansche tusschenruimte , die tussdien de
twee groeven ligt, eerst goed omgeploegd met den ploeg van Hall, n». 3;
mogt deze ploeg dien arbeid niet gemakkelijk kunnen verrigten , dan zal
Digitized by
Google
47
men beginnen den grond te breken met een inheemschen ploeg , en daarna
den ploeg met ééne schaar gebruiken. Mogt het later noodig z^n op
nieaw te wieden, dan zal men zich bedienen van de ploegen met ééne
schaar, getrokken door slechts één trekdier. In plaats van den ploeg
van Hall, n*. 3, te gebruiken, is het in sommige gevallen dienstig na
den inheemschen ploeg gebruik te maken van den kleinen ploeg, be-
stemd om ligte of te voren gereedgemaakte gronden om te ploegen.
Misschien zou het in sommige gevallen dienstig zijn tusschen de
groeven gebruik te maken van de eggen van geëvenredigde grootte, na
alvorens die tusschenruimten omgeploegd te hebben. — De eggen zou-
den het onkruid met wortel en al uitroeyen en uit den grond verwy-
deren. Ook zal men zich kunnen bedienen van de wiedmessen.
Bij slot van rekening, wanneer het planten in eenen niet gereed-
gemaakten grond bewerkstelligd wordt, zooals wij hier hebben beschre-
ven, wordt de grond gebroken nadat er geplant is; zoodat, al is het
gewis dat de grond niet beschikken kan over den tyd, dien hij noodig
heeft om deugdzaam te worden door de invloeden van den dampkring,
en evenmin gelegenheid heeft al zyne bestanddeelen behoorlijk ondereen
te mengen, enz., het daarentegen zonneklaar is , dat men , bij vergelyking
van deze plantingen met de oude , die bewerkstelligd zijn met de spade ,
een verschil tusschen die beiden zal bevinden, daar de laatstbedoelden
volbragt zijn in ongunstiger omstandigheden. Wanneer het planten in
eenen niet-gereedgemaakten grond plaats heeft onder gunstige omstan-
digheden, als het jaar goed is en de bodem vruchtbaar, en als er
voor het plantsoen behoorlyk zorg wordt gedragen, verkrijgt men zulk
een ruimen oogst, dat velen op het eerste gezigt zouden wanen, dat
die manier van planten de voorkeur verdient boven het planten in
eenen behoorlijk gereedgemaakten grond, daar ze er, naar heé schijnt,
even gunstige resultaten van erlangen, bij eene aanzienlijke besparing
van arbeid.
Wanneer men de plantingen in eenen niet-gereedgemaakten grond
opmerkzaam nagaat, en ze vergelykt met die, welke volbragt wor-
den met inachtneming van al de voorschriften der wetenschap, zal
men bevinden, dat eerstgenoemden zich langzamer ontwikkelen, meer
lyden van droogten en van overvloedige regens, in meerderen graad
Digitized by
Google
48
bft htkhcB cm naded ondariiidfli fsa onknad, vqdos dat de unrfoed
VBB het dcdble net, lietirdk ter pbntng k gdieagd, ia de boog^
stie zigibaar woidt, dat orer het algemeen de rietetodeo tengerder oi
Udner zqu wanneer xe tot i^heid komen, dat de liet-akker spoediger
mtgtpai en dos minder dmnzaam is, dat de stc^^en weinig spruiten
tdiaéUn, enz»
Bg iKt planten in niet-gerecdgemaakte gronden, meer nog dan bij
dat in bodems, die Tooraf naar eisch zijn gereedgemaakt, is het noodig
Toofal zoig te dmgen, dat de rietstoden niet bdenmierd worden in
Imnnm groei door de aanwezigfaeid Tan onkroid, en moet ook de water-
lozing behoorii^ zijn geregeld door middel Tan greppels.
Op dit een en ander wel te letten is Tan het hoogste gewigt, niet
sleehts als men de zaak op zidi zeWe beschouwt, wuit by het planten
t» mid-^ereed^emaMe gnmdem is het een noodwendig Tereischte al de
omstandigheden zoo te regelen , dat ze het best dienstig kannen z\jn aan
de ontwikkeling der netplanten , maar ook in betrekkeligken zin , want
ab de bodem niet vooraf gereed is gemaakt groeit het onkruid in veel
grooter hoereelheid en veel weliger, dan wanneer de grond voor de
rietteelt naar eisch geschikt gemaakt is. Overigens moet het water zich
gemeenl^ ontlasten over de oppervlakte, naardien het niet kan wor-
den geloosd door de bovenste aardlagen heen, die vast en stevig zijn
geworden door de afwisseling van vochtigheid en droogte, het daarover
loopen van de dieren, het daarover r^den van de wagens, enz.
Behalve al de opgesomde bijzonderheden betreffende den grond, de
bijzonderiieden betreffende den dampkring, en de vereischten, die in
acht te nemen zijn bij de cultuur, moeten wij hier ook nog doen op-
merken, dat het van aanbelang is te letten op de verscheidenheid van
geteeld wordend suikerriet. Bij voorbeeld bij gronden, die laag liggen,
klei-achtig z^n en eene geringe bovenkorst teel-aarde hebben, is het
uiterst schadelijk zich tot het planten in niet*gereedgemaakten bodem
te bedienen van doorschijnend riet, terwijl het blanke riet al die na-
deelcn minder oplevert. — Wij moeten ook nog aanstippen, dat, om in
eenen niet-gereedgemaakten bodem te planten , er wel opgelet dient te
worden, dat men het goede saizoen van den grond, de weersgesteldheid
en den groei van het riet om den oogst in te zamelen in het oog moet
Digitized by
Google
49
houden, want naarmate de gronden meer l^den van overmatige voch-
tigheid , en van gebrek daaraan , zoo ze niet uit hunnen aard eene aan*
zienlyke Hoeveelheid water bevatten» sterven er meer stokken, en is
de uitgestrektheid grooter, die ingeboet moet worden om den riet-akker
te herstellen.
Alvorens te besluiten, en opdat er geen de minste tw^fel blijve be-
staan ten aanzien van oïize denkbeelden op dat punt, herhalen w^
dat wij het planten in eenen niet-gereedgemaakten grond ten zeerste
afkeuren, en dat zulks niet anders behoort te geschieden dan in de
uiterste noodzakel^'kheid , en dat het alsdan moet worden bewerkstelligd
zoo als wy hebben uiteengezet , ten einde de nadeelen , die er aan ver-
bonden zyn, zooveel doenl^k te verminderen. — De plantingen in
niet-gereedgemaakte gronden leveren betere resultaten op naarmate de
grond beter is , of meer naar eisch bewerkt op een niet te ver verwy-
derd tgdstip , en ook naar gelang de planten onder gunstiger weersge-
steldheden leven, en er in hare ontwikkeling alle mogelyke zorg voor
haar wordt gedragen. — Ons klimaat is zoo geschikt voor de suikerriet-
cultuur, en sommige onzer gronden zijn heden ten dage zoo vrucht-
baar, dat het planten in niet-gereedgemaakte gronden resultaten, die
inderdaad verrassend zgn, oplevert, wanneer er voor het te veld staande
gewas slechts eenigzins zorg wordt gedragen.
Het plalNten het behulp yjlk den inhe^üschen ploeg (15). -—
Na den grond voor de eerste maal omgeploegd, in vieren of ook wel
in drieën ingedeeld te hebben, laat men hem eenigen tyd rusten om
hem te laten doortrekken met de invloeden van den dampkring, en
daarna gaat men over tot het planten, waarbg men zich weder van het
zelfde werktuig bedient. — Daar men er geen schoongemaakte en diepe
groef mede kan openen, is het, om dat te bewerkstelligen, noodig uit
die groef al de aardhoopen te verwyderen door ze uit te graven met
de spade, of door zich te bedienen van een werktuig, dat op Cuba
gebruikt wordt in verschillende omstandigheden en localiteiten. — Dit
bestaat hierin, dat achter de ploegschaar stevig wordt vastgemaakt een
paardenstaart en eenig rijshout, waarmede men den ploeg op nieuw
door de groeven laat loopen, die zoodoende een weinig worden schoon
4
Digitized by
Google
50
gereegd. — In Indië bedient men zich ook van dit oorspronkelijke
middel om het gebrekkige werk van den onvolmaakten ploeg te verbe-
teren (Frai Manuel du planteur de la canne ^ sucre, pag. 218). — De
groeve geopend zignde wordt het plantriet daarin gebragt, en in de
^ijze waarop deze arbeid volbragt wordt bestaat velerlei verschil : som-
migen sn^'den het riet aan stukken , en plaatsen tot zelfs vier (1) stukken
in één gat, zonder die stakken op eenigen afstand van elkander te
leggen ; anderen gebruiken minder plantriet , en vinden het nuttig eene
zekere tusschenruimte te laten tusschen de stekken , die naast elkander
liggen in de groeve ; velen sn^'den het riet niet af , en brengen het in
de groeve, alleenlijk zorg dragende, dat ze de kromgegroeide stukken
er van afsnijden; maar dit alles doet men zonder er veel aandacht aan
te wijden. — Het riet in de groeve gebragt zynde , die bestemd is om
het te ontvangen, wordt de uitgedolvene aarde er dadelijk overheen
gewerkt met het hakmes of met de spade, of wel men laat het riet
bloot liggen, om er den nachtdauw op te laten vallen, en overdekt
het pas den volgenden dag met aarde. — Volgens deze methode zyn
de rietgroeven alles behalve regt, en loopen ook volstrekt niet parallel
met elkander : ze worden getrokken van tien tot vier nederl. palmen (!)
afstands van elkander. — Zoodra de algemeeiie planting bewerkstelligd
is, wordt er, om den arbeid te besluiten, eene groeve aan het uiteinde
van den riet-akker getrokken, perpendiculair met de anderen, en ook
hierin wordt riet geplant. — Deze groeve, de hoofd-^ij genoemd, dient
om aan het plantsoen een meer gevuld voorkomen te geven, en is later
ook dieüstig voor de opzigters om de gebreken in het wieden te ver-
bergen, enz. De hier ontwikkelde reden zal doen begrijpen, waarom
men er zooveel zorg aan besteedt die hoofdgroeve te trekken met veel
moeite , zelfs bij de plantingen , die bewerkstelligd worden met de spade
en met den pootstok.
Vebbbtbrde wijze van planten. — Gereedmaking van de gronden, —
De studie der voordeden, welke verkregen worden door al de verschil-
lende werkzaamheden in toepassing te brengen , die den landbouw raken
in het algemeen, heeft b^ ons het onderwerp uitgemaakt van een
naauwgezet en met liefde voor de zaak door ons ingesteld onderzoek ;
Digitized by
Google
51
al de uitvloeiselen der voorloopige werkzaamheden om tot het planten
te kannen overgaan , al de arbeid , die verrigt wordt om de planten in
staat te stellen haren hoogsten graad van ontwikkeling te bereiken,
zijn reeds ponten of onderwerpen geweest van andere nasporingen (16).
Onze vroegere geschriften ontslaan ons van de moeite, hier al die b^-
zonderheden in het breede te behandelen, daar wij niet slechts de aan-
dacht er op gevestigd hebben op eene algemeene wijze, maar wij hebben
ze tevens doen kennen ook meer bepaald wat betreft verschillende cul-
turen, de gesteldheden van den grond, de algemeene en bekomende
toestanden van den dampkring, enz. W^* hebben dus niets toe te voegen
aan het meerendeel der talr^ke redenen , die wij hebben opgegeven om
de regelen te doen uitkomen van eenen goeden landbouw; doch w^
achten het niet ondienstig, alvorens de voorloopige werkzaamheden op
te sommen, die noodig z^'n om de gronden geschikt te maken voor de
beplanting met suikerriet, nog kortelijk stil te staan bij een punt be-
trekkelijk den ontwikkelingsloop der rietplant, waaruit wij aanleiding
zullen nemen om er op te wijzen hoe noodig het is den grond goed
te bewerken, alvorens er de rietstek aan toe te vertrouwen, die be-
stemd is om ons den oogst op te leveren. En opdat men ons niet be-
schuldige dat wij ons bezig houden met iets buitengewoons, moeten
wij er bijvoegen, dat het punt, hetwelk w^* thans in beschouwing gaan
nemen, betrekking heeft op alle planten zonder onderscheid; en dat
wij er zooveel waarde aan hechten wat aangaat^ de cultuur van suiker-
riet, is louter omdat wij van oordeel zijn, dat het hierbij misschien meer
.dan bijj eenig ander plantgewas noodig is dit vereischte vooral niet te
vergeten.
In alle levende wezens staan al de organen en functiën met elkander
in het naauwste onderling verband; er kan nooit gezegd worden, dat
eenigerlei in die levensfunctiën plaats gr^pend feit geheel op zich zelven
staat en afgescheiden is, noch van hetgeen vroeger plaats gegrepen heeft,
noch van hetgeen later plaats grijpen zal. In het organismus van het
suikerriet zal men, op welk tijdstip men het ook beschouwe, bevinden,
dat er niet alleen eene naauwe en volkomene overeenstemming, een
innig verband bestaat tusschen al de organen en functiën, maar ook
dat het duidelijk bl^kt hoe al de op dat moment aanwezige verschijn-*
Digitized by
Google
52
selen zich laten afleiden van vroegere, die, hoezeer niet meer aanwezig,
toch nog steeds voortgaan hunnen invloed uit te oefenen. £r bestaat
zulk eei^ naanw verband tusschen al de organen van het suikeniet,
dat , wanneer men die elk afzonderlek neemt en beschouwt met betrek-
king tot al de overigen , men bevindt , dat het dus a&onderl^k be-
schouwde orgaan in meerderen of minderen graad kan worden aange-
merkt als het middelpunt van al de levensfunctiën, terwijl overigens
tevens bl^kt, dat al die levensverrigtingen niets anders zijn dan een
zamenwerkend geheel van actiën en reactiën. Elk gevormd stengel-lid
bereidt de wording voor van de geledingen, die volgen, en die op hare
beurt bestemd zyn om weder de wording voor te bereiden van vol-
gende geledingen; en men houde wel in het oog, als er in deze onaf-
gebrokene schakel één lid gevormd wordt onder min gunstige omstan-
digheden, dat dan, zelfs al werken de omstandigheden volkomen gunstig
voor de ontwikkeling der volgende geledingen , toch steeds het gebrekkige
orgaan zijnen invloed zal doen gevoelen aan die, welke zich later ont-
wikkelen.
Uit vorenstaande stelling volgt redekunstig, dat een der eerste voor-
waarden voor eene goede cultuur bestaat in het streven om zulk eenen
zamenloop van omstandigheden in het aanzijn te roepen, dat de voeding
der plant kunne plaats hebben op eene gestadige en regelmatige wijjze,
zonder dat daarin plotselinge stoornissen plaats grijpen, die den gere-
gelden en geleideliijken i^ang van al de functiën, hetzi^j dan gezamentlijik
of elk in het byzonder, konden belemmeren. Onderde omstandigheden,
die het meest bijdragen om zulk een gewenscht resultaat te verkrijgen ,
moet in de allereerste plaats genoemd worden de overeenkomst in de
chemische zamenstelling van den grond en van zyne physieke eigen-
schappen , welk een en ander verkregen wordt door al de bestanddeelen
van den grond en de daarin aangebragte mestspeciën, enz. derwijze
dooreen te werken, dat ze op gelykmatige wyze vermengd zijn.
Dus aangetoond hebbende hoe nuttig het is al de bestanddeelen van
den grond goed dooreen te mengen, zullen wij overgaan tot het op-
sommen van de werkzaamheden , welke vereischt worden voor eenen pas-
ontgonnen grond, die behoorlek van den boschgroei is gezuiverd, zoo-
dat hg voorbereid is geworden voor de bewerking, waardoor h\j g^
Digitized by
Google
53
sdiikt moet worden gemaakt om er suikerriet in te kunnen planten*
Het eerste vereisehte om te zorgen dat de eensn^*dende ploeg, die
bestemd is om den grond om te ploegen , behoorl^*k werk zal kunnen
volbrengen, bestaat hierin, dat die ploeg volkomen regelmatig moet
kunnen loopen, en eveneens regelmatig en gemakkel^*k moet kunnen
worden getrokken. Vandaar dat het , alvorens den arbeid te beginnen ,
noodig is den grond te breken en te zuiveren van alle onkruid, het-
welk den loop van den ploeg zou kunnen belemmeren, en de opper-
vlakte reeds voorloopig eenigermate los te maken, in geval die zoo
hard en vast mogt zijn, dat het moeijel^'k zou wezen er doorheen te
komen en nog minder doenlijk hem dadel^'k om te ploegen. Deze
voorloopige werkzaamheden zullen ons bezig houden wanneer w^ in
onze beschouwingen omtrent den landbouw zullen handelen over de
werkzaamheden, geschikt om de velden te troêêen en te breken. Beide
bewerkingen worden verrigt met bijzonder gereedschap, meer of min
geschikt tot het doel waartoe ze bestemd zijn, en welker nut wij
getracht hebben duidelijk aan te toonen en te doen op pr^s stellen.
By ontstentenis van zoodanig gereedschap kan men het veld van bosch-
groei zuiveren door de middelen daartoe in het land zelf bekend, en
vervolgens , als de grond zulks noodig heeft , zal men hem losser maken
met behulp van den inheemschen ploeg.
De eerste bewerking , die men in dat geval behoort te verrigten alvo-
rens den grond om te ploegen , is : over de geheele oppervlakte zoo-
danige hoeveelheid meststof te verdeden als men dienstig acht met die
uitgestrektheid gronds te vermengen, zooals het ook noodig is de correo-
tiven of verbeter-middelen te verspreiden , die , om volkomen te beant-
woorden aan hetgeen er van hen verwacht wordt , met de meestmogel^ke
regelmatigheid ten innigste met de bestanddeelen van den grond moeten
worden vermengd. (Zie Ferdeeling van de meetspecièn : over de beeproeifing
aU middel om de gronden gereed ie maken,)
Deze eerste arbeid verrigt zijnde , gaat men over tot het ploegen of
breken van den grond , waartoe men zich bedient van den eensni^jden-
den ploeg, op de meest geschikte wijze, naar gelang van de bijzondere
toestanden van den grond, vooral zorg dragende, dat men b^ het ver-
rigten van dien arbeid lette op al de algemeene en bijkomende hoeda-
Digitized by
Google
54
nigfaeden van het terrein. B\j het beploegen van den grond laai men,
indien zulks noodig mogt zyn, dadel^k daarna ook den ondergronds-
plo^ werken. Eenmaal de grond omgeploegd, worden de opgeworpene
aardklniten fijn gemaakt met behulp van de rol van Crosskill, welke
de aarde zoodanig vérbr^zelt en gelijkmaakt, dat zg al de voordeelen
aanbiedt, die men verlangen kan bij het in werking brengen Tan de
eggen öf harken om het onkruid te verw^deren, al de bestanddeelen
van den grond goed ondereen te mengen, enz. Alvorens de eggen aan
te wenden, is hét somwijlen noodig den grond nogmaals om te werken
met een ligten ploeg of een grooten wiedtoestel.
Na den grond gereedgemaakt te hebben, kan dadelyk worden over-
gegaan tot het planten van het riet, of wel men kan eerst iets anders
in den grond telen, of ook men kan hem onbeteeld laten liggen, om
hem eerst de invloeden van den dampkring te laten ontvangen. In de
beide laatste gevallen, als dan hét geschikte t^dstip komt om tot het
planten van riet over te gaan, moet men eerst den grond nogmaals
omploegen of ten onderste boven werken, zich daartoe bedienende van
eenen ligten ploeg of bi[jzonderen wiedtoestel.
Ferdeéling van de werkzaamheden , die ket planten betreffen, — Bij onze
beschouwingen over den landbouw hebben wij met de noodige uitvoe-
righeid gehandeld over alles wat de verschillende werkzaamheden aan-
gaat of daarmede in verband staat; daar hebben wij aangetoond hoe ze
volbragt worden onder allerhande omstandigheden, en wi|j hebben daarb^
tevens doen zien in welken toestand de grond gebragt moet zijn om
beteeld te kunnen worden. — Alles wat betreft het efifene of doorloo-
pende veld, de indeeling in akkers en het aanleggen van de bedden of
rijen , is in die bladzijden in algemeenen zin behandeld ; maar om aan
ons werk de vereischte volledigheid te geven, moeten wij, nu wij ons
regtstreeks bezighouden met de rietteelt, in eene. meer uitvoerige be-
handeling , toelichting en toepassing treden van al die wenken , daar
door ons te boek . gesteld in breede trekken , en in geen verband
hoegenaamd met eenigerlei bijzondere cultuur onder bepaalde omstan-
digheden.
De algemeene vereischten, die bepalen in welken toestand de grond
gebragt moet z\jn om beteeld te kunnen worden , z^n , behalve de bij-
Digitized by
Google
55
zondere organisatie der plant, de noodzakel^kheid , dat de grond j&^jn
water kunne lozen, dat de dikte van de bovenlaag of teel-aarde worde
vermeerderd, en dat de plantsoenen behoorlijk bewaterd worden. ^
De wetenschap en de arbeid van den mensch moeten steeds er naar
streven, den grond tot het beplanten met riet in zoodanigen staat te
brengen, dat de oppervlakte vrij is van alle oneffenheden, die naar
kuilen of naar hoogten gelijken. — Zoodanige toestand van het terrein
zal niet alleen het best met de organisatie van het riet strooken, maar
tevens een aantal werkzaamheden gemakkel^k maken, die anders slechts
met veel moeite te volbrengen zouden zijn. Ter zijner plaatse hebben
wijj de nadeelen doen kennen, die gepaard gaan met en voortspruiten
uit de bovengronds-waterlozing , en tevens de voordeelen aangetoond
van de waterlozing onder den grond. — Wat de drooglegging van de
gronden aangaat, moet het dus steeds ons streven z^*n die te bewerk-
stelligen door het met greppels doorsnijden van den ondergrond, dat
is door middel van draineer*buizen , en vervolgens door het aanwenden
van de meest dienstige mestspeciën, enz. — De zaak uit dit oogpunt
beschouwd, zal de wezentlijke vooruitgang eerst dan plaats grepen,
wanneer men, even als in Europa, de gronden, die thans uit dien
hoofde nog niet anders te betelen zijn dan ingedeeld in akkers of bed-
den, zal kunnen bebouwen zonder indeeling hoegenaamd, dus in hun
geheel. Gelyk wij hebben doen opmerken vloeijen er, behalve de voor-
deelen die inzonderheid verlangd worden, uit dien arbeid ook nog
andere voordeelen voort , die zamenwerkend eene groote groeikracht én
vruchtbaarheid aan den grond geven. — Omtrent dit punt onze denk-
beelden volledig ontwikkeld hebbende, gaan wy thans over tot eene
beschouwing van de zaken , — op den voorgrond gesteld , dat het niet
mogelijk is den staat van volkomenheid te bereiken, dien wij als het
verstandigst en voordeeligst aanmerken.
Wanneer de grond laag ligt, maar toch met eene tamelyk dikke
bovenlaag teel-aarde overdekt is, is het dienstigst het terrein in te
deelen in akkers of bedden , en het riet te planten op de wyze zooals
wij hebben aangeduid , met greppels om de waterlozing te bevorderen ,
aangebragt op gelijkmatige afstanden van elkander. Wat de hoegroot-
heid van die akkers of bedden aangaat spreekt het van zelfs , dat die
Digitized by
Google
56
sleclHs bepaald kan worden naar gelang van de b^'zondere toestanden
van het terrein ; b^* sommigen zullen de greppels geplaatst worden op
acht roeden afetands van elkander, bjj anderen zullen ze slechts vier
roeden van elkander verw^derd z^n; in vele gevallen zal het nuttig
wezen het getal waterlozings-greppels te vermeerderen, en alsdan moet
men de akkers of bedden naar evenredigheid smaller maken. — Behalve
die greppels, die tusschen de bedden loopen, zal het in vele gevallen
noodig z^n ook dwarsgreppels aan te brengen, die dus de wateren
zullen ontvangen uit de regtloopende greppels, en al het water gaan
ontlasten in de hoofdgreppel of sloot ; bestaan er overigens natuuriijke
afwateringen in hellingen of glooiingen van het terrein, dan zal het
noodig zijn de greppels déUlrop te laten uitloopen ; zoodat , wat de
waterlozing betreft , b jj de beteling van een veld aan akkers of bedden ,
om de gewenschte resultaten te bereiken, allereerst , eer men de werk-
zaamheden aanvangt, gelet dient te worden op de gelijkmatige vlakheid
van het terrein. Elders hebben wij eenige wenken gegeven betreffende
de waterlozing door middel van blootliggende of bovengronds-greppels.
Bijaldien de grond, behalve dat hy laag ligt, tevens slechts met
eene dunne bovenlaag teel-aarde overdekt is, welke op eenen onder-
grond rust , die ongeschikt is voor de suikerrieiKsnltuur , of byaldien
het ons niet mogelijk mogt zijn den grond beter te maken, zullen w^,
om zooveel doenlyk de nadeelen van zoodanige toestanden te vermin-
deren, moeten beginnen de rietstekken in den grond te brengen zoo
diep mogel^k, en vervolgens de opening aanvullen met de aarde, die
tusschen de rietr^'ën opgehoopt ligt, en die ook om den stam van den
rietstoel wordt aangebragt.
Het aanvullen der rietgaten met aarde brengt de resultaten te weeg,
die zich ook in andere gevallen opdoen; maar zijn aan deze handel-
wijze nadeelen verbonden, nog nadeeliger is het van den beginne af
het riet te plaatsen in bedden, die meer of min bol liggen. Wanneer
men bedenkt hoe moeyel^'k het zou zijn die bedden op te hoogen , de
w^ze waarop het riet geplant moet worden, enz.; en men neemt in
aanmerking hoe gering de oogst zoude zyn ten gevolge van de moe^e-
lijkheid om hem in te zamelen, enz., dan zal men bevinden, dat de
bedden de laatste schalm zijn in de schakel der nadeelen, die voort-
Digitized by
Google
57
spnuten uit eene oretdrevene aanaarding. Op gronden» waar men zyne
toevlugt moe€ nemen tot zoodanig stelsel van cnltnor» zou het veel
verstandiger zyn geheel van de teelt af te zien en er niet eens aan te
beginnen. Wat betreft de indeeling van het terrein in akkers, moeten
wij hierb^ voegen, dat het b^ deze niet noodig is de overdrevene aan-
aarding in toepassing te brengen. Wanneer men eene eigentlyke aan-
aarding bewerkstelligt in de hoogste mate, ontstaat er noodwendig
tnsschen de beide rietr^'ën eene glenf of greppel, voor de waterlozing,
zoodat wij b^na kunnen zeggen, dat men alsdan het terrein afdeeliin
bedden, die elk uit slechts eene rietrg bestaan.
Bij verschillende gelegenheden hebben wy het noodige gezegd om
de waarheid dnidel^'k te maken van de denkbeelden, die wy hier
hebben ontwikkeld ; in al die bladzyden zal men bewyzen vinden ter
opheldering en staving van de hier aangevoerde ponten; zoodat, als
men die allen bijeen vat en in onderling verband beschouwt, men des
te beter zal bevinden hoe onafscheidelijk ze allen zamenhangen en
elkander wederkeerig bevestigen.
Wij achten het te meer noodig deze denkbeelden wel den landbou-
wers op het hart te drukken, daar deze alleen hun tot rigtsnoer zullen
kunnen dienen in de praktyk en hen vr^waren tegen betreurenswaar-
dige dwalingen. Juist doordien ze geen helder en volkomen begrip
hadden van de algemeene vereischtfti der cultuur, ten naauwste in
verband staande met de organisatie van het suikerriet, de eigenschap-
pen van den grond , enz. , juist daardoor hebben Wray en de planters
van Louisiana een cultuur-stelsel in toepassing gebragt, dat by eene
goede landhuishoudkunde alleen dan mag worden gevolgd, wanneer
het uit den aard der omstandigheden, waarin de landbouwer zich be-
vindt, niet mogelyk is volgens eene betere methode te werk te gaan.
Wij willen hiermee zeggen, zooals we reeds by herhaling hebben te
kennen gegeven, dat het cultuur-stelsel, hetwelk berust op de over-
drevene aanaarding, niet het beste is, en dat het derhalve niet onder
alle omstandigheden de voorkeur verdient (17).
Rigiing der groeven* — Op het eerste gezigt zou men kunnen ge-
looven , dat het , in een land waar de grond zoo kwistig is met z\jne
gaven , van weinig aanbelang is daarvan den invloed na te gaan , ten
Digitized by
Google
58
einde zich daarnaar té regelen en zoodoende het best party te trddran
van de weldadige werking van licht en warmte. — Daar m^ tot
dusverre het riet geplant heeft zonder te letten op de rigting^ van het
plantsoen, en daar het overigens, alvorens tot z\jne volkomene ont-
wikkeling te geraken , het geheele veld beslaat, heeft men nog nooit
opgelet, en ook niet kannen nagaan, welke voordeden het gevolg
worden van eene goede plaatsing.
De hoeveelheid warmte en licht , die de netplanten ontvangen , is
niet slechts van belang voor hare ontwikkeling in het algemeen, voor
haren krachtigen groei, enz., maar is ook eene eerste en noodzakelyke
voorwaarde voor de r^pwording en de physiologische welgesteldheid van
hare sappen. — Deze bijzonderheden verdienen des te meer de aandacht
hoe beter het riet is, dat geplant wordt, hoe vruchtbaarder de grond
is, enz.; want alsdan werken al de gunstige omstandigheden zamen in
de juiste mate, om het riet tot zijne besteen voordeeligste ontwikkeling
te brengen. — Deze korte beschouwingen voorop gesteld , zullen w^* de
gegevens blootleggen , die wy opgezameld hebben bij onze nasporingen
betreffende dit punt.
Onze eerste bevindingen hebben wij opgedaan bij een onderzoek,
ingesteld ten aanzien van rietstokken met donkerpaarsche streepen , in
welker geledingen wy ettelyke byzonderheden opmerkten ; doch begeerig
om op meer volledige wyze die verschynselen te leeren kennen , hebben
wij proeven daaromtrent in het werk gesteld , waarby wij het zoo aan-
legden ,^ dat wy ons gevrijwaard zagen tegen de uitwerkselen van
vreemde oorzaken, waardoor de feiten zich meer ingevdkkeld hadden
kunnen voordoen , zoodat de waarheid er door verduisterd had kunnen
worden. — Immers bij deze rietstokken met donkerpaarsche streepen,
die op éénen akker stonden, konde het riet verschillen ten gevolge
van redenen, onafhankelyk van het licht en andere oorzaken, die,
hoezeer ook daarmede in verband staande, niet regtstreeks waren te
weeg gebragt door de plaatsing.
Bij den aanvang van onze nasporingen trachtten wy allereerst die
soort (variëteit) van riet te vinden, die het gevoeligst was voor den
invloed van het licht, en te gelyk die, waarin zich het overvloedigst
de verschijnselen vertoonden. Van al de rietsoorten, die wy tot dat
Digitized by
Google
59
einde hebben nagegaan, was die, welker organisatie ons het meest
geschikt voorkwam ter verwezentlijking van ons oogmerk » het riet met
groene streepen. — W^ plantten op een bed , dat zich van het oosten
naar het westen uitstrekte, zes stekken van dat riet, ze plaatsende in
eene middelste ry , derwijze , dat ze op acht nederl. palmen afstands
van elkander lagen; in ieder gat waren vier stekken gelegd in het
vierkant, en de knoppen kwamen behoorlek uit, en ontwikkelden zich
volkomen; later zagen wij, dat de stoelen, die naar het zuiden ston-
den , zich zoo sterk ontwikkeld hadden , dat ze gebogen gingen onder
hunne eigene zwaarte, en dat hunne stengels b^na in elkander groeiden,
terw^l die, welke naar het noorden stonden, slechts eenige korte gele-
dingen vertoonden, en hunne stengels volkomen regt waren. Vervol-
gens kozen wij een ander bed, dat zich uitstrekte van het noorden naar
het zuiden; wij beplantten dat met riet op de zelfde wijze, en verkre-
gen aan beide kanten van het bed eene geli[jkmatige en gestadige ont-
wikkeling; alleenlyk merkten wi[j aan de noordzijde van het bedeenige
planten op, die in groei achterl^k bleven. Eindelijk, om onze proefne-
ming te voleinden, plantten wij riet met groene streepen achter een
huis, welks muren de zonnestralen van het rietbed afhielden, endaar,
geheel bloot aan de noordzijde en voor het overige beschut, kwamen
de stoelen slechts tot een zeer gebrekkigen graad van ontwikkeling, üit
deze proefnemingen blijkt, wanneer de ligging van het terrein ons niet
noodzaakt anders te handelen, dat wij dan steeds b^ het planten van
riet in het oog moeten houden , de groeven te openen van het noorden
naar het zuiden. Deze feiten stemmen geheel overeen met de wenken,
die wy elders hebben medegedeeld ten aanzien van de rigting der bed-
den, en waarop vooral in de koude landen by zonder gelet wordt by
het in den grond brengen van zaad of plantstekken (18).
Wy gelooven veilig hierby te kunnen voegen , dat men by het planten
van suikerriet, hetzij dit bewerkstelligd wordt met den pootstok, met
de spade, in eenen niet-gereedgemaakten grond of met den inheemschen
ploeg, nimmer uit het oog behoort te verliezen, dat de groeven zich
moeten uitstrekken van het noorden naar het zuiden.
Afüand iuaschen de rijen. — De tussohenruimte , die tusschen de ryën
ligt, de plaatsing van de stekken in de groeve^ en tevens de hoeveel-
Digitized by
Google
60
heid gebezigd riet , hangt in groote mate af van de soort riet, in welke
mate het zich ontwikkelt, of het veel of weinig spruiten schiet, of het
bestand is tegen den wind, of het blad gemakkelijk loslaat, enz. De
gesteldheden van den grond , de physieke eigenschappen en chemische
zamenstelling daarvan, gepaard met de omstandigheden, die afhangen
van» de gesteldheid van het klimaat, z^'n van zeer veel invloed op de
bepaling van den afstand, op welken het riet moet geplant worden. —
Ook moet in aanmerking worden genomen het onkruid, waardoor de
akker ontsierd wordt. — Wat overigens betreft de tusschenruimte tus-
schen de rietr^ën, moet nimmer uit het oog verloren worden hoeveel
nut het oplevert , de bewerkingen te kunnen verrigten met landbouwge-
reedschap , dat getrokken wordt door dieren. W^* onthouden ons van
verdere uitweidingen op dat punt, daar wij het later uitvoeriger zullen
behandelen ; wij mogen echter niet in gebreke blijven melding te maken
van het tijdstip, waarop het suikerriet geplant, en van dat , waarop het
gekapt moet worden. — (Zie algemeene regelen betreffende het planten ,
hoeveelheid plantriet f enz.)
De rietr^'ën kunnen geplaatst zijn op eenen afstand van elkander,
verschillende van tien tot twintig nederi. palmen. — In de meeste ge-
vallen kan de gemiddelde aÊtand van veertien nederi. palmen worden
aangenomen als de meest doelmatige.
De groeven afbakenen, — Om aan ryën of volgens de lyn te planten ,
moet men beginnen de rigting en den afstand af te bakenen, zooals
de groeven moeten worden geopend, die anders niet allen regt en
evenw^dig kunnen z^n. Tot dat einde plaatst men op daartoe geschikte
punten bakens, zijnde dit voldoende om voor hun werk bekwame ar-
beiders tot rigtsnoer te strekken. Anders spant men ook wel een touw
en merkt de rigting daarvan met kalk of asch; op alle manieren
moet men steeds, als aanvang van den arbeid, zigtbaar maken welke
rigting de groeve zal hebben, waartoe men^vlugtig een inheemscHen
ploeg daarover laat loopen. Om eenigermate handen-arbeid te bespa-
ren, heeft Francis K. Sowers een byzonder werktuig voorgesteld; het
bestaat uit twee kleine ploegscharen, die naar verlangen van den ar-
beider kunnen geplaatst worden op zoodanigen afstand van elkander
als dienstig geoordeeld wordt by het planten in acht te nemen. Men
Digitized by
Google
61
b^int de eerste groeve af te bakenen, hetzij door middel van de op
te stellen bakens, hetzy door de rigting van een gespannen tonw aan
te wigzen met asch; vervolgens plaatst men achter deze eerste groeve
een der beide scharen van den merkploeg^ zullende alsdan de andere
schaar noodwendig eene tweede groeve afbakenen, die volmaakt pa-
rallel loopt met de eerste en op zoodanigen afstand van deze als men
dienstig heeft geoordeeld; dan plaatst men een der beide ploegscharen
achter deze tweede groeve, en de andere schaar van den ploeg sn\jdt
eene derde groeve; enz. Met dit werktuig worden op een dag de groe-
ven afgebakend op ongeveer vyf hectaren gronds; het wordt getrokken
door tWee paar trek-ossen. De vorenstaande beschryving van den meri-
ploeg van Sotoers doet ons zien, dat dit werktuig niets anders is dan
een groeten-maker^ {ragonneur), zooals die gebezigd worden om maïs,
tarwe, enz. te zaa^'en (19).
De Engelschen vervaardigen tweesngdende ploegen, voorzien van een
indicator, zijnde eene ijzeren bout, die dwars over den staart van den
ploeg loopt, in dier voege, dat men er in de breedte alle afmetingen
mede maken kan, die men verlangt; aan het uiteinde zit een ander
stuk igzer perpendiculair met het eerste; de arbeider moet altijd zorgen
dat dit gedeelte van den indicator over de laatste pasgetrokkene groeve
loope, ten einde zoodoende eene volmaakte evenwijdigheid of parallel
te erlangen (20). — Wy gelooven dat deze wyziging met voordeel zou
kunnen dienen tot het planten van suikerriet
4ftnetingen der groeven. — Het riet, in genoegzame hoeveelheid in
de daartoe bestemde plaats gelegd, zal, naar gelang van omstandig-
heden, met meer of minder spoed, kracht en weligheid groeien of uit-
spruiten, naar mate van de grootte der in den grond geplaatste stek;
want van die grootte hangt het getal knoppen of oogen af, uit welke
ter zijner tijd de jonge uitspruitsels te voorschijn moeten komen. Wij
zullen hier niet al de bijzonderheden betreffende dit punt opsommen,
daar die reeds met de noodige uitvoerigheid elders door ons beschreven
z\jn; maar toch achten wij het niet ondienstig van de aangeduide waar-
heden hier met de meeste duidel^kheid de gevolgtrekkingen en toepas-
singen te doen kennen , naar aanleiding van herhaalde proefnemingen
en verschillende waarnemingen.
Digitized by
Google
62
De grootte van de in den grond groeijende moeder-stek wordt bepaald
op tweederlei w^'ze: zijnde het, om het eens zoo te noemen , eene hoofd-
zaak, te zorgen dat de spruit, die ontstaat uit de ontwikkeling van den
knop, eene groote ruimte gronds moet doorloopen alvorens uit den grond
te komen, tot welk einde men die spruit gedurig met aarde overdekt,
naarmate zij in ontwikkeling toeneemt. Dit oogmerk wordt bereikt hetzij
door werktuigelijke hindernissen, die den vryën en natuurleken groei
van de spruit tegenhouden en belemmeren, daar deze zoodoende niet
in de gelegenheid is langs den kortsten weg de oppervlakte van den
grond te bereiken , maar genoodzaakt wordt daartoe eenen omweg te maken ;
hetzij door het riet zeer diep in den grond te plaatsen. De eerste ma-
nier, zooals wy zullen doen zien, is het middel, waarvan de natuur
zich menigmaal bedient om de riet-akkers in stand te houden; de tweede
wijze is niet alt^d een geschikt middel, somwijlen zelfs niet eens eene
mogelijkheid, want steeds als het plantriet tot op eene aanmerkelijke
diepte in den grond wierd geplaatst, zou de knop niet alleen meer t^d
behoeven om zich te ontwikkelen, maar ook in vele gevallen zouden de
jonge spruiten niet eens boven den grond komen, ten gevolge van groote
veranderingen, in de voornaamste weefsels en vloeibare deelen van het
riet. Wat aangaat het aanaarden om den stam, dit kan bewerkstelligd
worden of door een gedeelte op te hoopen van de bovenste aarde, die
tusschen de rietrijën ligt, of door de groeve aan te vullen met een ge-
deelte van de aarde, die er uitgehaald is toen zy werd geopend. Van
beide gevallen zullen w^* de verkregene resultaten nagaan, de daaruit
voortvloeijende gevolgen doen kennen, en uitvoerig bespreken alles wat
met die bijzonderheden in verband staat.
Wanneer de aarde om den stam van het riet wordt opgehoopt, wan*
neer het riet wordt aangeaard in den waren en oorspronkelijken zin
en beteekenis van het woord, is het, alvorens bepaald over te gaan
tot andere beschouwingen, noodig.te erkennen, bijaldien er niet gewerkt
wordt in een zeer goed gereedgemaakten grond, in het geschikte aai-
zoen, en met behoorl^ke werktuigen, die behandeld worden door be-
kwame arbeiders en getrokken door aan dat werk gewend zijnde dieren,
dat dan slechts zelden het werk zal worden ten uitvoer gebragt met
de gewenschte volkomenheid; veelal zal de grond niet worden omge*
Digitized by
Google
68
ploegd op den behoorleken afstand van de rietstokken, en ook niet
omgeworpen zooals noodig zon zign; de aardkluiten zijn grof, en wor-
den zonder regelmaat opgehoopt rondom de stammen der planten; maar
gesteld zelfs dat wij er in slagen eenen arbeid te verrigten , die werke-
lijk goed en in alle opzigten naar behooren volbragt is, wat zal dan
het resultaat zijn van het opwerpen van die aardhoopen? Wanneer men
onbevooroordeeld zulke sterk opgehoogde bedden beschouwt, zal men
bevinden, dat ze aan het bovengedeelte minder oppervlakte hebben dan
aan het benedengedeelte , zoodat ze uitloopen in een smallen rug; de
netplanten, die daar ter plaatse of daar rondom te voorschijn komen,
zijn weinig bedekt, en niet alleen dat ze minder spruiten schieten en
zich slecht ontwikkelen, maar ook het zijn bijna looze stengels, die zich
voeden meer ten koste van de andere stokken, dan door hunne eigene
organen. — Onder zoodanige omstandigheden is het ontegenzeggel^ki
dat de plant, in plaats van zich krachtig te ontwikkelen, slechts lang-
zaam en aanhoudend moet kwijnen, als een natuurlijk en algemeen
gevolg van de gebrekkige ontwikkeling harer leden elk in het b^zon-
der. Overigens worden de kanten van die aardbedden hard, en later is
het moeijelijk ze te ploegen of te wieden met landbouwgereedschap. — De
regens, als ze niet de oppervlakte der bedden hard en vast maken,
eindigen door lengte vén tijd met die geheel te vernielen en de aarde
weg te spoelen, zoodat de rietstok, op het laatst geheel van aardsteun
beroofd en migehleed^ na een korter of langer tijdsbestek sterft, en altijd
verdrinkt. Het tweede jaar moeten de bedden reeds hersteld worden,
zonder dat het vroeger gemakkel^k is ze te wieden, om den grond te
verjongen en zacht te maken. Was het den eersten keer reeds moege-
lijk de aarde op te hoogen, het tweede jaar is dat nog veel moerdij-
ker; en daar de bedden noodwendig eene bepaalde hoogte dienen te
hebben, is het duidelijk, dat, zoodra ze die hoogte bereiken, de riet-
akker ook z^n einde zal hebben bereikt.
Het planten, overigens, volbragt op eene geringe diepte, wanneer
de stammen overmatig worden aangeaard, afgescheiden van de moeije-
lijkheid zulke plantingen te bewerkstelligen , leveren slechte resultaten
op, en de rietstokken sterven spoedig uit, of loonen den arbeid niet. —
Deze manier van planten dus in het licht gesteld hebbende, rest ons
Digitized by
Google
64
nog de voor- en nadeelen te doen kennen, welke het planten na zich
sleept bewerkstelligd in diepe groeven, waar het riet op den bodem
gelegd en aanvankelyk overdekt wordt met zeer weinig aarde, terwijl
de plant, naarmate z^ begint te groeijjen, aangeaard wordt met de aarde,
die links en regts ter z^'de van de groeve opgehoopt ligt; zoodoende
komt het plantriet eindel^'k op eene aanmerkelijke diepte te liggen,
waardoor al de voordeelen worden verkregen, die znlks verschafifen kan,
zonder de nadeelen, waaraan men zich blootstelt, wanneer men het
plantriet dadel^k overdekt met al de aarde, die uit de groeve is ge-
haald. — Daar nu ten slotte, wanneer men in die gevallen de laatste
hand aan het werk legt, vereischt wordt, dat de aarde rondom den stam
der rietplant worde aangebragt, dat wil zeggen (om het in één woord
uit te drukken) daar men de rietstoelen moet aanaarden, zullen wij
dezen arbeid, om hem van den anderen te onderscheiden, bestempelen
met de benaming van deckting of niveüiring, (21)
Maar, zal men ons zeggen, om op de aangeduide wiyze riet te plan-
ten moeten de gronden, waarin wij dat doen, tot op eene behoorlyke
diepte voorzien z^'n van eene bovenlaag teel-aarde; een vereischte, naar
onze w^ze van zien, onmisbaar bij de aankweeking van suikerriet; de
gronden, die gedoemd z\]n om altijd weinig diepte te hebben, kunnen
nimmer zoo dienstig zgn als de andere, bij gel^kheid van omstandig-
heden, zoo gunstige als ongunstige. W\] zijn overtuigd, en met ons
oordeel zal het gevoelen overeenstemmen van allen, die de suikerriet*
teelt slechts eenigermate bestudeerd hebben, dat het b^* het aanleggen
van eene suikerriet-plantaadje een punt behoort te zijn van onze eerste
zorg, een naauwgezet en voUedig onderzoek in te stellen aangaande de
geaardheid van den grond, die, zoo fa^ al niet voorzien is van eene
dikke bovenlaag teel-aarde , ten minste een ondergrond dient te hebben ,
die gemakkelijk, met weinig kosten en in een koit t^dsbestek voor de
riet-cultuur geschikt te maken is. Door den vorm en de ontwikkddng
van de wortels der rietplant wordt de noodzakel^'kheid aangetoond en
verklaard, om eene bovenlaag teel-aarde te hebben, die tot op eene
zekere diepte gaat; in de gronden van geringe diepte groegen dé wor*
tels van de eene plant in de andere, derw^'ze, dat ze op het laatst als
het ware een onverbrekelijk zamenweefeel vormen. Dit is eene daadzaak ,
Digitized by
Google
65
waarvan w^ ons zelven overtuigd hebben door riet te planten in aard*
bedden, welke rustten op eenen ondergrond van steen.
De dikte, van de bovenlaag teel-aarde tot op zoodanige diepte, dat
de wortels der planten onbelemmerd daarin kunnen groeien en sich
ontwikkelen tot hunnen vollen wasdom, is een voornaam vereischte, ten
einde de opslurping van de voedende zelfstandigheden naar behooren te
doen plaats hebben. Immers het aantal sponsachtige openingen of opslur-
pende poriën is geëvenredigd aan de grootte der wortels; en hoe klei-
ner het aantal dier sponsachtige gaatjes, des te kleiner zal ook de hoe-
veelheid voedende zel&tandigheden zign, die zij inslurpen. Men zal ons
echter kunnen tegenwerpen; „Wanneer in eene meer beperkte ruimte,
wanneer in de massa van eene minder dikke bovenlaag teel-aarde eene
grootere hoeveelheid voedselstofifen door de wortels aangetroffen wordt,
zoodat die voedende zelfstandigheden, om het eens zoo uit te drukken,
in dien grond geconcentreerd aanwezig zijn, zal dat dan niet tegen het
aangeduide nadeel opwegen? De opslurping zal noodwendig minder zijn
dan zg bij die opeenhooping wezen kon ; maar zg zal in de mate , waarin
zij plaats grijpt, groote voordeelen opleveren; want wat betreft de hoe-
veelheid en de kracht der voedende zelfstandigheden, die zullen in volle
of meer dan volle mate worden ingezogen, en dienen om het evenwigt
te herstellen in de voor ontwikkeling vatbare organen, en voedsel te
geven aan elk hunner verschillende functiën.'* Een met zooveel schgn
van gegrondheid aangevoerd betoog sleept dwaalbegrippen na zich, die
w^ moeten trachten te voorkomen doormiddel van juister redeneringen,
gegrond op daadzaken, die geijkt zgn door de ondervinding. Wat aan-
gaat de algemeene betrekkingen, waarin de organen der planten tot
elkander staan, bijaldien de wcnrtels zich behoorlyk ontwikkelen, zullen
ook de overige organen goed groegen; bgaldien breedgetakte wortek
op regelmatige wijze hunne functiën volbrengen, zullen al de overige
organen zich insgelgks geregeld van hunne bijzondere levensverrigtingen
kwgten. De natuur bepaalt voor iedere plant, by eene welgeëvenredigde
inrigtingüer organen, de juiste maat harer wortels; kunnen de wortels
die grootte niet bereiken, dan ontwikkelen zij zich slecht, zy kwynen
en worden misvormd; om het even dan welke hoeveelheid voedende
zelfstandigheden er aanwezig is in de plaatsruimte, welke zy innemen,
5
Digitized by
Google
66
de plant zal sterven of zich slechts zeer gebrekkig ontwikkelen. Z\j , die
gelegenheid gehad hebben om planten te kweeken in kleine potten,
hebben zich kannen overtuigen van de waarheid van hetgeen hierdoor
ons is aangevoerd. De afmetingen, die de wortels zullen hebben, z^n
berekend en geêvenredigd, niet alleen de wortels beschouwd als oig8<
nen, welke de plant aan den grond moeten heehten, maar ook, en wel
voornamelijk 9 als organen, voorzien van opslurpende vaten. De opslm^
ping der voedende zelfstandigheden door de wortels is geëvenredigd au&
de grootte, welke de natuur voor die wortels heeft vastgesteld. De in-
zuiging geschiedt alleen dan naar behooren, wanneer de voedende zelf-
standigheden zich in zeer vloeibaren staat bevinden, en gel^k^'k
verspreid zijn door al de bestanddeelen der bovenlaag teel<<iarde, waar
ze worden opgezocht door de vertakkingen der wortels, die met hunne
tengere vezeltjes overal doordringen, en de fijnste deeltjes van den grond
bereiken, omvatten en uitzuigen. De aangevoerde redenen doen zien
van hoeveel aanbelang het is de mestspedën geli|jkel^*k te verdeelen,
en ze als het ware te vereenzelvigen met al de deelen van den grond,
opdat de wortels alt\jd en overal het voedsel kunnen aantreffen, dat
voor hunne behoorlijke ontwikkeling en voor den algemeenen en gelei-
del^ken groei der plant vereischt wordt. Aangaande dit gewigtige pont
zullen wij later nog in uitvoeriger beschouwingen treden. Deze en andere
redenen leveren het bewijs , hoe noodzakelijk het is de dikte van de
bovenlaag teel-aarde te vermeerderen, door den grond alle zoodanige
bewerkingen te doen ondergaan, als strekken kunnen om dat doel te
bereiken. Men heeft met zeer veel juistheid gezegd , dat de hedendaag-
sche verbeterde landbouw zich van de vroegere hierin onderscheidt , dat
men er tegenwoordig z^n streven van maakt, om door de diepie van
den grond te verkrygen, wat vroeger slechts verwacht kon worden van
de oppervlakie.
Het is niet genoeg in het bezit te zijn van een terrein, dat ge-
schikt is voor de teelt, waartoe men het wenscht te bestemmen; men
dient ook in het bezit te wezen van de werktuigen en gereedschap-
pen, meest geschikt en dienstig om te voorzien in al de Tereischten
voor de ontwikkeling der planten. Om riet te planten overeenkomstig
de boven aangevoerde grondslagen, achten wij het zeer van pas hier de
Digitized by
Google
67
gereedschappen te doen kennen , die het meest geschikt en dienstig zyn
tot de oogmerken, welke wij tot een goed einde wenschen te brengen ;
maar eerst zullen w^ de hulpmiddelen beschriiJTen, waarvan wij ons bij
het riet-planten tegenwoordig bedienen.
Het planten van suikerriet, zooals het tegenwoordig op het eiland
Cuba plaats heeft, ofschoon ontegenzeggelijk veel verbeterd in vergelij-
king bij de wyze, waarop het vroeger plagt te geschieden , is echter nog
verre van datgene , waarnaar wy moeten streven. Oudtijds toch, toen men
den grond bewerkte met onzen inheemschen ploeg, werden er groeven ge-
trokken, die de noodige breedte en diepte misten, zoodat velen , om ze
op de behoorlijke maat te brengen , ze verder openden door middel van
uitgraving. Tegenwoordig gebruikt men den ploeg met twee scharen , die
vaststaan of verzet kunnen worden, met welken ploeg alleen, zooals
door goede arbeiders erkend wordt, niet onder alle omstandigheden
groeven kunnen worden getrokken, die breed en diep genoeg z^'n. Om
in dat gebrek te voorzien, wordt door vele planters van suikerriet eerst
begonnen met den grond te breken ^ tot welk einde z^ zich bedienen
van een eensnijdenden ploeg, die, de aarde opwerpende naar beide
zijden, een greppel maakt; deze greppel wordt vervolgens verwijd en
doorgetrokken met den tweesnijdenden ploeg, dien men op vele gronden
tweemaal heen en weer moet laten loopen; eindel^k wordt door som-
migen de laatste hand aan het weric gelegd door middel van uitgraving.
Nadat men de groeve geopend heeft, wordt, in de gevallen waarin zulks
noodig wordt bevonden, de ondergrond losgemaakt, hetzij door middel
van een ondergronds-ploeg, hetzij door middel van eenen ondergronds-
wiedtoestel. In weerwil van al deze voorzorgen en maatregelen, heeft
toch de groeve gemeenlijk nog niet de behoorligke breedte en diepte ;
overigens is zy van boven veelal breeder dan van onderen, zoodat wij
herhaalde malen in de gelegenheid zijn geweest om te zien hoe , bij het
plaatsen van het plantriet in de groeve, wanneer wij de stekken op den
noodigen afstand van elkander wilden leggen, ze bijna een derde ge-
deelte over de wanden der groeve heen moesten worden geplaatst. Hieruit
volgt, dat het plantriet slechts tot op eene geringe diepte in den grond
.wordt gebragt, hoezeer velen daaromtrent zich zelven misleiden, door*
dien ze by het planten de diepte, op welke z\] het riet in den grond
Digitized by
Google
68
brengen, afmeten naar de hoogte van de aarde, die aan weerszoden vaii
de groere opgehoopt ligt. Dus uitgaande van deze verkeerde en valsche
opvatting, gelooven z^ ter goeder trouw, dat zy geplant hebben op
eene behoorlijke diepte, terwijl ze inderdaad juist het tegendeel hebben
gedaan.
Wij houden het er voor, dat wij, wat het planten van suikerriet aan-
gaat, nog zeer ver achterlyk zijn; en wij zijn overtuigd, dat wij, om in
den tegenwoordigen staat van zaken verbetering aan te brengen , in vele
gevallen ons niet behoorden te bedienen van de tegenwoordig zoo zeer
in zwang zynde tweesn^dende ploegen, en dat het nuttig zou zyn,
indien wi[j aan het materieel, dat voor de drooglegging (drainage) wordt
gebezigd, de werktuigen ontleenden, die, naar behooren gew^zigd, ons
in staat zouden stellen groeven te openen van zoodanige breedte en diepte
als wenschelijk is (22).
Gemiddeld genomen (dus niet in gronden, die bedeeld zyn met eene
ongemeene mate van vruchtbaarheid, en ook niet in gronden, waar de
groeikracht slechts in zeer geringe mate aanwezig is, een en ander op
te maken uit de dikte van de bovenlaag teel-aarde), welke zqn dan
de afmetingen, die eene goede groeve hebben moet om er suikerriet in
te planten? Naar hetgeen de ondervinding ons dienaangaande geleerd
heeft, behoort de groeve eene breedte te hebben van 50 a 70 nederl.
duim (21 a 30 duim) big eene diepte van 30 a 40 nederl. duimt (13
a 17 duim). In zulk eene groeve moet de mestspecie onder op den bo-
dem worden geplaatst, en op die mestlaag een of twee rietstekken, naar
gelang van omstandigheden. — Als men over dit stelsel van plan*
ten een weinig nadenkt, zal men, afgescheiden van al de andere voor-
deelen, die wij in onze geschriften reeds helder in het licht hebben
gesteld, erkennen, dat de natuur zelve, door middel van de regens, de
nivellering volbrengt, daar het water een gedeelte medevoert van de
aarde, die het aan de kanten van de groeve ontmoet, en die reeds los-
gemaakt en met groeikracht doordrongen is door de invloeden van den
dampkring. Het lydt geen twijfel, en wij kunnen niet nalaten het te
erkennen , dat zij , die zich de moeite willen geven hunne oogen te laten
rondgaan over een goed genivelleerd stuk land, dat vrij is van alle
oneffenheden in de oppervlakte , zeer weinig behagen zullen vinden in
Digitized by
Google
69
de beschoawing van het opkomende jonge riet , met de uit de groeven
gedolven aarde opgehoopt aan weerskanten van de rijen ; maar dezulken ,
die verder zien en de gevolgen die de toekomst zal opleveren in aan-
merking nemen , zullen steeds de voorkeur geven aan dit voorbijgaande
schouwspel, dat de duidel^'ke en wisse voorbode is van den meest
kr&chtigen en duurzamen plantengroei.
W^ herhalen het, het is van aanbelang, en w^ moeten het ons nooit
verhelen dat het, om op deze w^'ze te planten, een noodwendig en
onmisbaar vereischte is , dat de bovenlaag teel-aarde geëvenredigd z^*
aan de diepte, op welke geplant moet worden; en dat in vele gron-
den , die dit zoo heilzame vereischte missen , het planten niet kan ge-
schieden op de diepte, die wenschel^k is. Indien het niet mogel^k is
in zoodanige gronden de dikte van de bovenlaag teel-aarde te ver-
meerderen, zal men moeten planten zoo diep als men kan; en is die
diepte slechts gering, dan zal men de bovengronds-aarde over de stek-
ken moeten ophoopen, met andere woorden, men zal ze moeten aan-
aarden, en zoo doende op kunstmatige wyze althans gedeeltelijk de
voordeden trachten te verkr^'gen , welke het planten in eene meerdere
diepte oplevert. Als alles medeloopt en de toestand van den damp-
kring is gunstig , valt er niet aan te twijfelen of in vele gevallen zullen
goede resultaten worden verkregen; maar zelfs dan nog zullen die
resultaten, naar evenredigheid van hetgeen noodig is geweest om ze
te verkrijgen , geenszins gel^k staan aan die , welke verkregen worden
in vruchtbare gronden met eene bovenlaag teel-aarde van behoor-
l^ke dikte: zignde dit laatste een eerste en onmisbaar vereischte,
dat met reden moet beschouwd worden als de degel^kste grond-
slag en het zekerste punt van uitgang van alle soorten van verbe-
teringen.
Verdeeling van het plantriet, — Wy weten niet of de werktuigkunde
ten behoeve van den landbouw er ooit in zal mogen slagen het vraag-
stuk op te lossen om eenen toestel te vervaardigen, geschikt om sui-
kerriet te planten , en aan al de vereischten beantwoordende , die tot
eene goede w^ze van planten noodig zign; maar wel kunnen w^ nu
reeds onze overtuiging uitspreken, dat het gemakkel^k zal zyn reeds
van stonde af aan eenige der dagen te besparen , die tot dusverre aan
Digitized by
Google
70
het planten van soikerriei besteed worden, tot welk mde men niete
anders zal hebben te doen , dan zieh te bedienen van de kar, genauad
verdeeler va» het planiriet Iedereen toch weet, dat het een op alle
plantaadjen aangenomen gebruik is, het plantriet neder te legden op
de a&cheidings-paden, van waar dan de arbeiders het wegnemen, om
het in d^ groeve te plaatsen : aan dezen arbeid , om het pkmiriei ie
besproeyen , worden dagen besteed , die het planten vertragen en er de
kosten van vermeerderen; en dit maakt in meerdere oi mindere m^
dat het voorzigtig is met oordeel te werk te gaan in het kiezen van
de plaatsen, waar het riet nedergelegd wordt. Het zou nuttig z^n zidi
van ligte karren te bedienen, op welke het plantriet geplaatst wierd:
die karren konden zich op den riet^kker bewegen in dier voege , dat
de bak van het voertuig boven de groeve bleef , en dat de wielen over
den grond liepen, die tusschen de groeven ligt; by het voorttrekken
van de kar zou men , naarmate zij voortging , het riet in de groeve
kunnen laten vallen , zoodat de arbeiders er niets aan zonden behoeve
te doen dan het op de maat te sn^*den en onder in de groeve te
plaatsen, die bestemd is om het te ontvangen.
Hoeveelheid riet, noodig om eene Bepaalde opperwlakte gronde te èeplém-
ten, — A/metingen van de etek. — Plaateing in de groeve, — Flaniing
in eene doorloopende groeve en Groei. — L Te weten hoeveel riet mm
ongeveer noodig zal hebben, om eene bepaalde oppervlakte gronds te
beplanten, is een onmisbaar vereischte, om de hier nagemelde redenen*.
lo. Als men dat weet, kan men de juiste hoeveelheid riet bepalen, die
noodig is om de bewuste bewerking te volbrengen, derw^ze dat tx
nimmer plantriet te kort kome noch overschiete, daar er in het eerste
geval onvoldoende zou worden geplant, terw^l er in het andere geval
riet te loor zoude gaan, zoodat het of op den tegenwoordigen of op den
toekomstigen arbeid van nadeeligen invloed zou z^n. 2*. Bestemt men
tot het planten slechts de juist noodige hoeveelheid riet, dan zal men
eene aanmerkelijke besparing erlangen in het getal rietstokkai, en
evenzoo eene besparing in de dagen, noodig om het riet te sn\jden,
te vervoeren en te planten, zoodat het bijgevolg dö kosten vermindert,
die op al de ter planting vereischt wordende werkzaamheden loopen.
3*. Het gebruik van eene kleine hoeveelheid plantriet maakt, dat men
Digitized by
Google
ri
het joet de noodige zorg Jcan uitzoeken, zi^jnde dit een pont van gewigt,
daar de hoeveelheid van het plantriet in hooge mate van invloed is
op den wasdom van de stokk^» die door de ontwikkeling der knop-
pen worden voortgebragt. Bestemt men tot het planten de hoeveelheid
riet, die daartoe juist noodig is, dan zal men daartoe het beste riet
koniiBn kiezen, en ook aan de aankweeldng daarvan meer zorg kunnen
besteden. 4*. Bezigt men tot het planten de juist vereischte hoeveel-
heid riet, dan verkrijjgt men eene betere ontwikkeling van elk der
rietstoelen in het foqzonder, daar ze alsdan elkander niet belemmeren
in hunnen groei, terwiijl het dan ook onnoodig zal z^'n inboetingen te
bewerkstelligen, die altyd kostbaar z^'n, en die buitendien in vele ge-
vallen eenen riet-akker doen ontstaan, welke zeer ongelQkmatig is, wat
betreft den wasdom der stoelen in vergelijking met elkander.
De ondervinding en de wenken, door ons medegedeeld in onze be-
schouwingen over de aanaarding van het riet, toonen op de onweder-
l^baarste wijze aan, hoe dit plantgewas groeit of spruiten schiet. Die
zelfde feiten en gegevens zullen ons tot grondslag en als punt van uit-
gang dienen, om hier aan te toonen, hoe één enkele knop, voorzien
van de verdischte eigenschappen, voldoende is om een fraa^'en rietstoel
voort te brengen. Daar zoodanige stoel uit verscheidene stengels be-
staat, die eene zekere ruimte behoeven om genot te kunnen hebben
van al de invloeden van den dampkring, en met hunne wortels zooda-
nige uitgestrektheid gronds in te nemen, als ze noodig hebben om
daaruit de v^eischte voedingsto£fen te trekken, laat zich daaruit als
volstioekte «telling gemakkelyk afleiden, dat het, om eene planting te
volbxemgen uitsluitend op dit beginsel, voldoende is, op de geschikte
ajEstai^n van elkander rietstekken te planten, die slechts van één en-
kelen knop voorzien zijn : zoodoende zullen fraa^ rietstoelen worden
verkregen, die, op behoorleken a&tand van elkander staande, behalve
de reeds vermelde voordeelen, ook nog dit zullen aanbieden, dat er
bij bunne aankweeldng gebruik kan worden gemaakt van werktuigen,
die in beweging worden gebragt door trekdieren. Maar daar men in
de praktyk op uitgebreide schaal niet altyd, of juister gezegd b^na
nooit, kan instaan voor de volkomene en gelykmatige ontwikkeling van
al de knoppen , en daar overigens de rietstoelen niet onder alle omstan-
Digitized by
Google
72
digbeden zich ontwikkelen tot eenen wasdom , geëvenredigd aan onse weii-
sclienof aan onze hoop, ishetduidelgk, dat wij, willen w^ met over^
ie werk gaan ten einde gunstige resultaten te erlangen, hoezeer ah-
gaande van de zelfde gegevens, deze echter zoodanig zullen moeten
wijzigen, dat ze dienstig worden gemaakt om ons tot meer stellige
uitkomsten te leiden, door ons minder te doen blootstaan aan wi»el-
valligheden.
Op dit punt, gelyk ten aanzien van alles wat betrekking heeft op
de praktijk van den landbouw, is het slechts mogelyk algemeene rege-
len te geven, en moet het overigens aan het doorzigt van den land-
bouwer worden overgelaten die regelen toe te passen met oordeel en
overleg, naar gelang van de omstandigheden, waarin hij zich zal be-
vinden. In hoofdzaak dus hangt de hoeveelheid riet, die ter planting
noodig is, af: !•. Van de soort (variëteit) van riet, welke geteeld
wordt. 2*. Van de kwaliteit van het plantriet; want hoe beter de kwa-
liteit is, des te beter zal ook de ontwikkeling van de knoppen zijn, des
te r^ker aan bladeren zullen de spruiten zijn, die ze voortbrengen,
en die ter harer tijd met des te meer kracht zullen groeyen, enz. Wan-
neer dus het plantriet al de noodige eigenschappen in zich vereenigt,
zal men daarvan eene kleinere hoeveelheid noodig hebben; en in het
omgekeerde geval zal het ook juist het tegenovergestelde zijn. 8*. Wat
betreft de invloeden van den dampkring: wanneer die door eene over-
maat hetzy van vochtigheid, hetzy van warmte of koude eene sterfte
onder de knoppen kunnen veroorzaken, is het noodig eene grootere hoe-
veelheid plantriet te bezigen. 4<>. Wat aangaat de geaardheid v^n den
grond , beschouwd uit het oogpunt van de vereischten der landhuishond-
kunde : als de gemiddelde hoeveelheid niet gunstig is voor de aanvan-
kelijke ontvdkkeling der knoppen en voor de latere volkomene ontwik-
keling der stengels, is het noodig zich by het planten te bedienen van
eene grootere hoeveelheid riet. 5o. De wyze hoe de planting te bewerk-
stelligen, daar die van invloed kan zijn op de dadelyke ontwikkeling.
6*. De manier waarop de landbouwer zich voorstelt zynen akker te be-
telen. — Al deze punten, en vele andere, die wy niet hier opsommen,
moeten door lederen landbouwer, die tot planting wenschtover te gaan,
in het oog worden gehouden , naar gelang van de plaatselijke gesteldheid.
Digitized by
Google
73
Orer het filgemeen bestaat op Cuba eene in het oog loopende nei-
gmg om eene overvloedige hoeveelheid plantriet te gebruiken, ofschoon
het planten met den pootstok en dat met de spade ons, b^' gemis van
andere feiten, voldoende gegevens aan de hand doet om ons de over-
tuiging te verschaffen, dat wij niet zoo in het onzekere behoeven te
verkeeren aangaande de hoeveelheid riet, die in het algemeen bestemd
wordt om tot planting te worden gebezigd. Wy weten wel, dat de in-
boetingen kostbaar en schadelijk zijn; maar men kan die vermeden,
zonder zich bloot te stellen aan andere nadeden.
Een der omstandigheden , die het veelvuldigst oorzaak worden van de
sterfte der knoppen, is de gewoonte — vooral verderfelijk in laaglig-
gende, koude en bovendien harde gronden, wanneer het tijdens de
planting veel regent — het riet aan kleine stukken te sn^*den, en die
achter elkander in de groeve te plaatsen : byaldien die groeve niet
nader aangevuld wordt (waartoe men een zcfer groot aantal stejges
dient te bezigen, daar er vele tot verrotting overgaan) is het natuur-
lijk, dat het plantsoen ongelijk zal opkomen, en dat het alsdan nood-
wendig ingeboet zal moeten worden. Op laagliggende gronden moet men
het riet nooit regtop zetten; het levert evenzeer voordeel als besparing
op, het te plaatsen in zijne natuurlijke rigting, terwijl men zich van het
hakmes of mes enkel bedient om er de kromgegroeide gedeelten van af
te snijden (23). — Het is nuttig dat de arbeiders, die met het planten
belast z^n, en die gemeenlijk niet tot de sterksten behooren, gewapend
worden met ligte, scherpe messen van staal, waarvan zij zich bedienen
om het riet met één enkelen slag door te kappen, zonder daartoe eene
groote inspanning aan te wenden, en zonder den bast te scheuren, het-
geen de knoppen zou kunnen beschadigen. — Wanneer men de riét-
stokken plant in hun geheel of in groote stukken, erlangt men eene
groote besparing in het getal dagen , dat men tot het beplanten van
eenen akker noodig heeft, en de stokken weerstaan ook béter de over-
matige vochtigheid of het gemis van water. Op hoogliggende en vrucht-
bare gronden, als het saizoen goed is en het plantriet al de vereischte
hoedanigheden in zich vereenigt , kost het minder moeite het aan stuk-
ken te snijden , en die vervolgens zoo in de groeve te plaatsen als meest
dienstig zal worden geoordeeld. Wij hebben herhaalde malen en zelfs op
Digitized by
Google
7i
uitgeteeide schaal, gelegenheid gehad om ons daaromtrent te vei^ewis*
sen : op den zelfden grond, onder de zelfde omstandigheden , gebruik
makende van de zelfde soort riet, bragt de helft van eenen akker ^ be-
plant met niet-doorgesneden riet , een gelykmatig en aanzienlek plant-
soen op, terwijl er op de andere helft, die beplant was met doorge-
sneden riet, naauwel^ks vijftig stoelen opkwam^; later b^ het inboeten
werden al de stukken plantriet uit den grond gehaald in eenen toestand
van volslagene verrotting: in die gevallen doen de rietstekken, door
aan de beide uiteinden tot rotting over te gaan, den knop z^ne oni-
kiem^de eigenschappen verliezen, en de stukken, die niet geheel ea al
tot bederf overgaan, worden slecht gevoed, doordien ze schadelijke edtf-
standigheden in zich opnemen.
Het verband tusschen eenen rietstoel en de stek, waaruit hy is
voortgekomen, is gemeenlijk naauwer dan men denkt; wij hebben ge-
tracht dat naauwe verbtmd duidel^k aan te toonen in onze Troef (mder^
vmdeïüke noêporingen betreffende den groei van het suikerriet^ en tevens
zijn daar eenige waarheden door ons medegedeeld, die op dat punt
betrekking hd)ben. Zoodra men een zeker verband aanneemt tusschen
den rietstoel en de stek, waaruit h^ is voortgekomen, is het on-
betwistbaar, dat, hoe gezonder laatstgenoemde is, eerstgenoemde zich
des te beter zal voeden; het rotten van het stuk plantriet heeffc ook
het rotten van den knop ten gevolge; en de veranderingen, eindel^k,
welke de in de geledingen aanwezige zelfstandigheden' ondei^an on-
der den invloed van de ontwikkeling der stengels, z^n niet van den
zelfden aard als die , welke te weeg gebragt worden door invloeden ,
die louter het gevolg zijn van chemische affiniteiten, zonder dat zich
de levenskracht in werking vertoont. De minst geleerde, de minst in
de wetenschap ingew^de, kan door regtstreeksche vergelyking het
hemelsbreed verschil waarnemen, dat er bestaat tussqhen twee riet-
stekken, die oorspronkel^k volmaakt aan elkander gd^k waren, en
waarvan de eene knoppen draagt, die zich ontwikkelen, terwijl de
andere tot verrotting begint over te gaan, louter ten gevolge van de
vochtigheid van den grond. De uitkomsten, in beide deze gevallen,
verschillen derw^ze van elkander, dat, terwijl de eene strekken om
de ontwikkeling der stengels te voeden , te ondersteunen en te bevor-
Digitized by
Google
76
dereo, de andere slechts den groei belemmeren, de planten ziekelijk
maken en haar eindelijk zelfs doen sterven , doordien ze totaal in
stryd. z^a met den loop van hare functiên en met den geleidel^ken
voortgang van hare levensverrigtingen. W^ znllen nog meer zeggen:
wanneer de «tengel hare bestanddeelen ontleent aan de zelfstandig-
beden , welke in de stek plantriet aanwezig zyn, ondergaan die echter
eene verandering , waarmede zidi in meerdere of mindere mate , en in
een meer of minder lang tydsbestek , de bijzondere zamenstellingen ver-
eanzelv^en, die zich in het organismus van den stengel hebbes ge-
vormd , en alvorens deze ontstaan zi[jn is alleen de groeikracht van den
knop voldoende 4 om een geheel b^zonderen en eigenaardigen stempel
te drukken op de reeks van veranderingen , welke plaats grypen in de
zelfstandigheden , die in de geleding aanwezig zijn. Met andere en dui-
del^'ker woorden : een der verscl^jnselen grijpt plaats onder den invloed
der wetten, die het levensbeginsel regeren, terwijl het andere tot stand
wordt gebragt allee» door de wetten, die het stof regeren.
Gesteld eens dat w^ planten in eene doorloqpende groeve, ons daar-
toe bedienende van slechts één rietstok: welke znllen daarvan de resul-
taten zijn? Wy hebben gelegenheid gehad om zulk eene planting te
bewerkstelligen, daarb^' een enkelen rietstok in zijne volle lengte in de
groeve plaatsende, en wy hebben daarvan de schoonste resultaten ver-
kregen : er dient echter bijgevoegd te worden , dat het plantriet al
de vereischte hoedanigheden in zich vereenigde, en dat de planting
geschiedde onder allezins gunstige omstandigheden, wat betreft de
bewerking van den grond, het saizoen, enz. Welke hoeveelheid riet
behoort men te gebruiken voor eene planting, die aan al deze ver-
eischten beantwoordt? Om dit doel te bereiken z^n w\j begonnen met
het maken van verscheidene berekeningen, betreffende blank riet, niet
oitermate goed en ook niet zeer rijp, kortom, tamel^k regelmatig,
en over het geheel genomen van gemiddelde hoedanigheid, slechts
acht nederl. palmen l^igte nemende van het benedengedeelte; hierop
de berekening grondende blijkt daaruit, dat é roeden zoodanig riet
weegt ruim 58 nederl. ponden; bijgevolg heeft eene groeve van 24
roeden lengte noodig een gewigt van 350 nederl. ponden. Gesteld nu,
een rietsakker heeft 72 roed^ lengte, en de groeven z^n op 16 a 17
Digitized by
Google
76
nederl. palmen afetands van elkander geplaatst, dan zal men daarin
hebben 216 groeven, die te zamen een gewigt van 76,000 nedeii.
ponden plantriet znllen vereiscben. Eene karrevracht plantriet we^
gemiddeld 2600 nederl. ponden (het gewigt verschilt van 20 tot 30
centenaars); om dns op de aangeduide w^'ze eenen akker van 4^ hoc-
taren te beplanten zal men ongeveer noodig hebben dertig karrevrach-
ten riet, en voor eenen akker van 13^ hectaren dns negentig karre-
vrachten. Van deze gegevens uitgaande, zal men ten naastenby kunnen
uitrekenen, welke hoeveelheid riet vereischt wordt om verschillende
plantingen te volbrengen onder verschillende omstandigheden. Daar het
gewigt der rietstokken in hooge mate verschillend is, en daar ook de
hoeveelheid ter planting gebruikt wordend riet afwisselt, spreekt het van
zelfe, dat de hier door ons opgegevene cyfers insgelyks onderhevig z^
aan velerlei wijzigingen.
II. Wy hebben al de redenen doen kennen , die ons geschikt toe-
schenen om aan te toonen, dat men, door by het planten van suiker-
riet de juist vereischte hoeveelheid stekken te bezigen, den hoogstmoge^
l^ken graad van ontwikkeling zal zien bereiken door al de rietstoelen ,
zonder uitzondering; maar wy hebben vlugtig heengeloopen over eene
tot dit punt behoorende b^'zonderheid , waarop wij nu nog even zullen
terugkomen: wy wenschen het boven allen tw^*fel te stellen, dat eene
der voorwaarden, die het meest verdienen in het oog te worden ge-
houden om de ontwikkeling der rietstokken en, nadat ze gekapt zijjn,
hunnen vernieuwden groei te bevorderen, hierin bestaat, dat wij ons b\j
het planten slechts bedienen van de juist noodige hoeveelheid riet.
B^' het zaayen van eenigerlei gewas wordt de geëvenredigde hoeveel-
heid zaad, die in den grond wordt gebragt, ongerekend andere omstan-
digheden, afhankelijk gesteld van de latere ontwikkeling van elk der
planten, die van dat zaaisel voortkomen, met andere woorden, van de
plaatsruimte, die elke plant noodig heeft of vordert om het toppunt van
haren wasdom ie kunnen bereiken. Big het planten van suikerriet ia het
noodig in aanmerking te nemen , dat elke knop niet slechts een enkelen
stok of stengel voortbrengt , maar dat uit de eerste spruit weder nieuwe
spruiten te voorschyn komen , en uit deze wederom andere , enz. , en
dat al die stengels te zamen de ééne plant, den rietstoel, vormen.
Digitized by
Google
77
Alleen reeds de overweging hoe vele spruiten éen stok in staat is onder
gunstige omstandigheden voort te brengen, is reden genoeg om te be-
grypen, van hoeveel aanbelang het is de stokken plantriet door te sne-
den, opdat ze beter en krachtiger zouden groeyen, derwijze, dat al
die spruiten zonder onderscheid tot den hoogstmogelijken wasdom ge-
raken. — Sommigen konden evenwel meenen, dat, al is zulks niet de
geschiktste weg, het ten minste meer waarborgen aanbiedt voor een
goed resultaat, te trachten een grooter aantal stengels te erlangen, zon-
der de geschikte middelen aan te wenden om het riet spruiten te doen
schieten, maar daarnaar te streven door eene grootere hoeveelheid riet
bij het planten te bezigen. Bijaldien de hoeveelheid spruiten, die uit
eenen stoel voortkomen, niet geëvenredigd ware aan de ontwikkeling
waartoe elk dier spruiten in het byzonder zal kunnen geraken , en ook
niet in verhouding stond tot het toekomstige lot van de moederstek,
dan konden zij , die de hier uiteengezette denkbeelden verdedigen , ge-
l^k hebben; maar aangezien daarentegen van het aantal spruiten afhan-
kelijk is de kracht van elk der stengels in het byzonder en van allen
ia het algemeen, terwijl ze tevens in het oog loopend van invloed zyn
op het latere leven van de moederstek, is het zonneklaar, dat wy ons
moeten beijveren om al de hulpmiddelen in werking te brengen, opdat
ze zooveel mogelijk spruiten schieten of zoo sterk mogel^k groeyen.
Wanneer w^ eene geleding riet, waaraan een knop, in den grond
brengen, ontwikkelt die knop zich onder gunstige omstandigheden spoe-
dig; de spruit, die daarvan uitloopt, ontwikkelt op hare beurt de
oogen, welke z^ heeft; de daaruit ontstaande tweede uitspruitsels ont-
wikkelen zich ook weder, enz.; het aantal dier verschillende achtereen-
volgende uitspmitingen zal, behalve van de soort (variëteit) riet, van de
geaardheid van den grond, van de dampkrings-invloeden , van de w^ze
van cultuur, enz., afhangen van de betrekkelijke en algemeene kracht
der spruiten, aanvangende met de eersten, welker aanvankelijke ont-
wikkeling in evenredigheid staat met de hoeveelheid voedende zelfstan-
digheden, die in de geleding aanwezig zijn. Zeker is het, dat elke spruit
zich ter gelegener tyd voorziet van de noodige wortels, en een, tot zeke-
ren graad zel&tandig, eigen leven aanneemt; maar daarom houdt z\j
echter niet op vereenigd en verbonden te z^'n met al de overigen door
Digitized by
Google
78
luiddel vaa die gedeelten, die allen in onderlinge gemeenschap honden,
namelijk de moederstek onder den grond, die, om het eens zoo te
noemen, de algemeene levens-ader is, welke den geregelden omloop
der levenssappen in allen gelijkel^k en wederkeerig aan den gang houdt.
B^ den rietstoel, gel^k bij alle planten die groeyen, is het getal
spruiten niet slechts een teeken van algemeene ontwikkelingskraeht,
maar tevens een vereischte voor de groeikracht van eiken stengel ; want
even als het bestaan van die spruiten geenszins onafhankelyk is , even-
zoo dragen ze elk op zich zelve het hare by tot de ontwikkeling van
de overigen. Leden , om het eens zoo te noemen , van een en het zelffle
gezin, zijn ze in de volmaaktste overeenstemming zaamverbonden , en
hare veelheid draagt b^ tot de kracht van allen gezamentlijk en van
elk in het bijzonder. Tusschen al de stengels van eenen stam of riet-
stok bestaat de meest volkomene en innigste eenzelvighefd of solidari-
teit. Deze beschouwingen vooropgesteld is het duidel^k, dat, om trat^
en goed ontwikkelde stengels te verkrijgen , de moederstekken naar be-
hooren spruiten moeten schieten, hetgeen ze onmogelijk zullen kunnen
wanneer ze niet, ongerekend alle andere vereischten, over de noodige
oppervlakte gronds te beschikken hebben, dat is over de ter harer ont*
wikkeling noodige plaatsruimte. — Wij hebben het vorenstaande punt
besproken, uitgaande van de stelling, dat de rietstok zich ontwikkelt
onder de gunstigste omstandigheden gedurende al de verschillende tijd-
perken van zijnen groei ; in dat geval is de groeikracht van eiken stengel
in het bijzonder aanvankel^k geheel afhankelyk van de ontkieminga-
kracht der moederstek ; later komt elke stengel in het bezit van eene
eigene kracht, en wordt dan sterk genoeg om zich zelfstandig ver^r
te ontwikkelen ; maar daarom vervreemdt hij zich nog geenszins ran de
moederstek; integendeel, de kracht van eiken stengel in het byzonder
draagt mede by tot de levenskracht van allen. — Maar indien de
stengels, in plaats van zich tot een zeker punt geheel vrij en onafhao'
keiijk te ontwikkelen , schatpligtig aan elkander zijn , of uit hoofde van
andere omstandigheden niet tot eenen hoogen graad van ontwikkeHng
kunnen geraken, dan houdt het nut, de dienstigheid van een poöi
aantal spruiten op , gesteld dat die te voorschyn komen ; dan zou het
wensehelyker geweest zijn een kle&ier aantal spruiten aan den stoiel te
Digitized by
Google
79
zien Tersch^nen. — Onder de laatstbedoelde omstandigheden zouden de
stengels , in plaats van elkander bevorderlQk te zijn , elkander veder-
keërig nadeel toebrengen, en de rietstok zou een looze worden.
De spruiten, die te voorsekgn komen nii de kapping, bezitten eene
groeikracht, geëvenredigd aan die van de stengels, welke afgekapt z^n:
al de oorzaken, die bevorderlyk z^'n aan de ontwikkeling der rietstok-
ken , aan den groei en aan de stevigheid der stengels , werken zamen
om aan den stok de gunstigste gevolgen te verzekeren na de kapping,
en doen hem op de weligste wijze uitloopen. Nadat wij hebben doen
zien hoe de talrijjkheid der spruiten kracht schenkt aan de moederstek,
behoeft het wel geen betoog, dat zulks evenzeer nuttig zal zyn voor
de spruiten, die achtereenvolgend te voorschgn komen na de kapping.
Ontwyfelbaar is het , dat eene krachtvolle moederstek onder den grond
meer fraa^'e en goed gevoede knoppen zal dragen, die, om zich te
ontwikkelen, niet slechts eenen grooten voorraad voedende zelfetandig-
heden ontmoeten, maar tevens door krachtige en uitgebreide wortels
in liunne ontwikkeling worden bevorderd.
Overeenkomstig de boven ontwikkelde denkbeelden raden wij altijd
aan ^ om bij het planten van suikerriet zich slechts van de juist ver^
eischte hoeveelheid riet te bedienen; eene overmatige hoeveelheid plant*
riet levert het eerste jaar niet zooveel op als de juist noodige kwanti*
teii^ en maakt ook de rietvelden niets duurzamer. Met betrekking tot
dÜt punt heeft de ondervinding ons geleerd, dat de juiste en strikt
noodige hoeveelWd plantriet de beste plantsoenen oplevert Wij zijn in
de gelegenheid geweest om rietvelden te zien, echt digi-heplante akkers ^
die bij de eerste kapping eene groote menigte stengels opleverden,
welke echter slechts tot een geringen graad van wasdom waren gekomen ;
bij de tweede kapping was de opbrengst aan stengels reeds aanmerke-
lijk minder , en bij de derde was de akker herschapen in een waar
êioppekeld, — De plantingen, waar het suikerriet als hondethhaar
groeit (dat wil zeggen : al te digt op elkander), zyn in de hoogste mate
ottvoordeelig.
Dé hoeveelheid plantriet, die gebezigd wordt, hangt regtslreeks af
van de manier, waarop het riet in de groeve wordt geplaatst, zynde
een punt, dat w^ nu in behandeling dienen te nemen.
Digitized by
Google
TUT
80
De stekken kunnen in de groeven geplaatst worden op Tei
derlei w^zen : !<>. Men legt een geheelen rietstok midden in de
en zoo vervolgens de overigen, derwijze, dat ze met de uitenden
tegen elkander aanliggen en dus eene regte l^n vormen. Dit plan
eene doorloopende groeve , is het zelfde als het planten in eene l^ ^
gelyk het in den ruimsten zin genoemd wordt hei planim aan rijè't^ ^
2o. In plaats van één enkelen rietstengel, kan men er twee in
groeve plaatsen, aan weerszyden een. — 3o. Wanneer men de riei
ken aan groote of kleinere stukken sngdt, en die op een der hier
gemelde manieren in den grond brengt : lo. een stuk in het miiUteilk
en op zekeren afstand nog een stuk; de overige stukken in den Millilli'
geest, altyd op geleken afstand van elkander in de rigting va&^4t.
groeve; om de ledige vakken aan te vullen, ditf zoodoende tusschea>li
stekken zyn opengebleven, plaatst men in de dwarste andere stel
zoodat men bij slot van rekening toch eigentlgk eene planting
in doorloopende groeve, 2o. De stekken te plaatsen aan weerszydea
de groeve met regelmatige tusschenruimten, derwijze, dat tegenovw.JiC
tusschenruimten aan de eene zyde, de stekken aan de andere stil-
liggen. 3^ Twee stekken tegenover elkander, met eene zekere tussotüg
ruimte tusschen beiden, zoowel in de breedte der groeve als in
lengte. 4o. Twee stekken tegenover elkander, maar zoo, dat er midcbÉ
in de tusschenruimte, die ze in de lengte van de groeve van elkai^MiS
scheidt, eene andere stek insgelyks in de lengte van de groeve geplaufclf
wordt, welke middenry dus als het ware de beide ande/e ryën aaii<iMV
hecht en verbindt. 5*. Drie stekken naast elkander in de breedte ftgbi
de groeve. 6% Drie stekken als onder n». 5, met ééne stek, die AnÊigi
drie verbindt.
Het riet behoorde geplant te worden, met openlating van grcia4i[;
tusschenruimten ; en in sommige bepaalde gevallen zou het zelfs diens^
zyn het te planten in een kegelvormigen driehoek of in eenen vyflMMlh
of in een vierkant. — In eenen vijf hoek is het aannemelykst, osnjtM^
de aankweeking alsdan kan geschieden in alle rigtingen , en omdi^ ^iHr,
planten alsdan het voordeel hebben in alle rigtingen de invloeden- ^i
genieten van den dampkring, enz. — ^ In de meeste gevallen, omfft^
de bestaande omstandigheden, waarin het niet altgd mogelgk is A
Digitized by
Google
roeve van
cv de
sSi
Digitized by
Google
t
Voorwaarden van Inteekening.
lo. Het werk zal worden, uitgegeven in afleveringen van
vijf vallen dmkSi groot 8^. formaat, welke afleve-
ringen elkaar spoedig zullen opvolgen.
2\ De prijs is bepaald op. 20 Cents per vel druks. Het
werk zal compleet zijn in omstreeks deftig vellen. /
3^ Men teekent in Oost-Indië in bij de Heeren G, Ko^p?
& C^. te Batavia. De prijs wordt in Ivdië eenigerraSte
verhoogd.
üoiterdam, 1865. H. NIJOH.
Digitized by VjOOQIC'
..^.
VERHANDELING
CDLTUUR VAN SUIKERRIET,
IK>OR
DON ALVARO BETNOSO.
(2e Druk. Madrid 1865.)
VERTAALD UIT HET SPAANSCH
»00H
SERVAAS Di! BRUIN;
zijnde de vertaling, voor zooveel aangaat
het wetenschappelyJce en praktische ,
NAGEZIEN DOOR l>E IIEKREN
Dr. J. E., DE VRIJ en J. MILI.ARD.
fweede •>€fteverimgf.
ROTTERDAM ,
H. NIJGH. — 1865.
Oednikt bij C. Hlommendaal.
.>
Digitized by
,y Google
81
vereisditen zoo in het oog te houden, dat men zich het meest gan«
stïge resultaat er door kan verzekeren, gelooven wij , dat de voordeeligste
manier van planten zal wezen die , welke bewerkstelligd wordt door in
eene doorloopende groeve één stek midden in de groeve te plaatsen,
o&choon wij niet willen ontkennen, dat zoodoende de in den grond
gebragte hoeveelheid plantriet te groot kan z^n; want als al de knoppen
uitkwamen, zou het onmogelijk z^n spruiten te schieten en stengels
voort te brengen, die allen even krachtvol waren. De afmetingen van
de stek en hare plaatsing in de groeve, z^n afhankelijk van zoo vele
omstandigheden, dat alleen bekendheid met de plaatselijke toestanden
dienaangaande den besten leiddraad aan de hand zal kunnen doen;
wij hebben hier enkel de aandacht willen vestigen op die punten, die
men noodwendig in het oog houden moet om met eenige zekerheid op
welslagen te kunnen rekenen.
HL Ten einde de beschouwing te voltooyen van al de byzonderheden ,
die het planten aan r^ên met groote tusschenruimten betreffen, zullen
w^ thans nog eenige bedenkingen bespreken, die, voor zooveel de teelt
van graangewassen aangaat, daartegen gemaakt zijjn, en die, wanneer
wi|j er de waarde van uitstrekken tot, en ze toepassen op, de riet-
teélt, misschien aanleiding konden geven om het stelsel te verwerpen,
dat w^ hier hebben aangeraden als het beste, altoos wanneer men te
werk kan gaan onder gunstige omstandigheden.
Als de grond vruchtbaar is en de aarde is zacht, zegt ons een ge-
berd landbouwkundige (24); als de weersgesteldheid en andere van
iea dampbring afhankelijke omstandigheden gunstig zijjn, en de planten
iyii geplaatst op behoorl^ke afstanden van elkander, dan zullen ze met
fatteht spruiten schieten; maar is de grond onvruchtbaar en droog; dan
sullen ze niet groeijen met gelijke kracht, hetgeen eveneens het geval
ssd zijn, al ware de grond vruchtbaar, wanneer de planten zoo digt bij
dkander staan , dat ze zich bezwaarlijk de voeding kunnen verschaffen,
éuB onverm^delijk noodig is om ze tot haren vollen wasdom te bren-
gen. Wanneer wij dus op vermenigvuldiging rekenen door de plaat-
sing »ei groote imschenruimten ^ voegt de bedoelde schrijver er bij,
sMkn wy ons bloot aan al de wisselvalligheden van de weersverande-
6
Digitized by
Google
Sit
ringen; met andere woorden , wij bouwen onze berekeningen ten dede
op een ongestadig element.
Het zal ons niet veel moeite kosten de hier aangevoerde stelling te
wederleggen, voor zooveel de suikerriet-cultuur betreft, en zelfs, wat
meer zegt, voor zooveel aangaat de omstandigheden, waarmede de cultuur
der graangewassen gepaard gaat. Immers, bij het voorslaan en aanraden
van het stelsel om te planten met groote tusschenruimten, hebben wij
zorg gedragen eerst al de voorwaarden na te gaan en vast te stellen,
die daarbij op den voorgrond moeten staan; zoodat wy, als al die ver-
eischten behoorlek zamenwerkend aanwezig zijn, noodwendig het ge-
wenschte resultaat moeten erlangen. Er bestaat voor ons geen wisselvallig
element, daar vnj tot zqlfs de regens vervangen door besproeying. —
Overigens, en op dit punt vestigen wy nogmaals uitdrukkelyk de aanr
dacht: de plantingen met groote tusschenruimten verschaffen ons niet
slechts een grooter aantal stengels, maar ze komen tevens meer volko-
men tot ontwikkeling; zoodat wy, afgezien van de hoeveelheid, steeds
in het oog moeten houden , dat het in acht nemen van goede tusschen«
ruimten een vereischte is, zoo niet volstrekt onvermijdelijk, dan toch
ten zeerste dienstig om riet te bekomen , dat in hooge mate suiker-hou-
dend is. Wat aangaat de gevallen waarin men, uithoofde van ongunstig
werkende omstandigheden, redelykerwyze niet kan verwachten dat de
rietstokken zoo aanmerkelijk zullen groeijen, moeten wij alles aanwen-
den om te maken, dat ze althans tot den hoogsten wasdom komen,
dien ze, bij de omstandigheden waaronder zy geboren zyn, kunnen be-
reiken; daarbij wel in het oog houdende, dat men in zoodanige geval-
len de a&tanden, waarop het plantriet geplaatst wordt, ondergeschikt
maakt aan den zamenloop van de bedoelde omstandigheden.
De tweede bedenking betreft den tyd, waarop de nieuwe spruiten, die
door de zich onder den grond bevindende mpederstek worden voortge-
bragt, ontstaan of uitloopen (25). Het is waar, die telgen vertoonen
zich niet allen te gelyk, maar komen te.voorschyn allengs na elkander;
zoodat, daar er verschil bestaat in den ouderdom van de verschillende
stengels , . ze ook niet op gelyken trap van wasdom staan , en dus op
verschillende tijdstippen tot rijpheid komen. Hieruit volgt, dat de inza-
meling van den oogst niet kan plaats hebben te gelijk op een gegeven
Digitized by
Google
88
dag, en daarvan hebben wy een voorbeeld bij de ryst-cultuur : by het
plukken van den ryst-oogst moet men veelal twee- of meermalen het
veld op nieuw afloopen» Wanneer men digt of gepakt plant, zoodat de
plant niet eene groote menigte spruiten voortbrengt, volgt er ook meer
gelykheid in het tijdstip van de rypwording, hetgeen eene groote be-
sparing van arbeid verschaft. Het zoo natuurlyke verschijnsel, dat zich
by de graangewassen openbaart, vertoont zich ook by het suikerriet.
Niet al de stengels van eene plant komen gelijktijdig tot hunne hoogste
ontwikkeling, tot den staat van rijpheid; maar zelfs dit onderscheid in het
te voorschyn komen van de stengels , met de noodwendig daaraan verbon-
dene gevolgen, is onderworpen aan de vaste en zeer bepaalde wetten,
die wy zullen doen kennen als wij spreken over het kappen. Het kweoii
bestaat dus werkelyk, strikt beschouwd; maar uit het oogpunt van
arbeid is het verschil in de stengels, die eene plant vormen, welke zich
onder de gunstigste omstandigheden ontwikkeld heeft, niet noemens-
waardig, ongerekend dat het verschynsel van groote tusschenruimten
een vereischte is voor de ontwikkeling van al de stengels, ieder op
zich zelven.
Om regelmatig te kunnen uitspruiten, derwijze, dat de voortgebragte
stengels rijp worden (al komen ze niet tot eene zelfde en gelijktijdige rijp-
heid, hetgeen, strikt genomen, eene onmogelykheid is; want al verkee-
ren de later te voorschijn komende in betere voedings-toestanden , dan
die, welke het eerst uitgeloopen zyn, dit neemt niet weg, dat men toch
bij hen den invloed bespeurt van hunne latere wording, ten minste wan-
neer ze tot eenen behoorleken graad van wasdom komen), moet het riet
groeijen en zich ontwikkelen onder de gunstigste omstandigheden , onaf-
gebroken gedurende al de tydperken van zynen wasdom. Wanneer het
achterlyk blyft in zijnen groei, wanneer het niet op den behoorlijken
tyd uitspruit en zich ontwikkelt, brengt het stengels voort, die nooit
gelüktijdig tot eenen voorspoedigen en gelijkmatigen graad van rypheid
komen; zoodat alsdan duidelijker al de nadeelen in het oog loopen, die
afhangen van het verschil in ouderdom der stengels. De droogte, by
voorbeeld, kan beginnen, wanneer de tweede uitspruitsels te voorschijn
komen: de eerste stengels, die krachtvoller zyn, zullen minder lyden
van den verderfelyken invloed, door het gemis van regens te weegge-
Digitized by
Google
84
gebragt, terwijl de latere stengels daarvan al de nadeclige werking on-
dervinden, en bij gevolg niet groeijen zullen; vervolgens, wanneer bet
hemelwater begint te vallen, zullen de van betere organen voorave
stengels hunnen tot dusverre belemmerden groei krachtig hervatten,
leeliff opschieten, gelijk onze landlieden zeggen, terwijl minder ontwik-
kelde spruiten slechts langzamer den gunstigen invloed der vochtigheid
deelachtig zullen worden; maar eindel^k zal zich nieuwe groeikracht
in hen openbaren, en z^ zullen beginnen uit te loopen, alsnu de sprui-
ten schietende, die ze reeds vroeger hadden moeten voortbrengen. Al
deze spruiten van verschillenden ouderdom , verre van overeenstenmiend
bevorderlijk te zijn aan elkanders ontwikkeling, gelijk het geval zou
zijn geweest indien ze gelijktijdig waren uitgekomen, doen nu elkander
nadeel door de schaduw der bladeren, enz., waarvan het gevolg wordt,
dat in de wederzijdsche ontwikkeling de grootste ongelijkheid zal be-
staan. Door die reden zal men by het kappen bevinden, dat de riet-
akker eene mengeling vertoont van rijpe stengels met andere, die nog
niet tot rigpheid gekomen zijn; de uitpersing der sappen zal moe^'el^k
gaan, de opbrengst zal gering wezen, de kwaliteit van het prodokt
slecht, enz.
Al wat wij gezegd hebben betreffende de droogten, is ook volkomen
van toepassing op de aanwezigheid van onkruid , en in het algemeen
op alle omstandigheden, die in een of ander opzigt kunnen strekken,
om den groei van het riet te belemmeren. Overeenkomstig deze denk-
beelden kunnen wy nooit genoeg herhalen, dat wy de bestendige ont-
wikkeling der rietstoelen steeds zooveel mogelyk moeten bevorderen,
daarby in het oog houdende de wenken, die ons verschaft worden door
de natuur: alle omstandigheden, die, regtstreeks of zijdelings, om het
even in welke mate, aan die ontwikkeling in den weg staan, zijn in
meerderen of minderen graad nadeelig, en zooveel doenlijk moet de
invloed daarvan worden vermeden. Juist om het riet regelmatig en ter
gelegener tijd te laten groeyen, moet men met overleg het jaargetijde
kiezen om te planten, en tevens met alle zorg over het jonge plantsowi
waken, goed oppassende op het besproeijen, wieden, enz.; wanneer het
riet behoorlijk spruiten schiet, trekken al de krachten van den plan-
tengroei nut van elkander, doordien ze elkander wederkeerig ondersteu-
Digitized by
Google
85
nen, en zoodoende de ruünsie opbrengst opleveren. (Zie De geêchikUte
tijditipjpen om de plantingen ie hewerhêteUigen y blz. 22.)
Aardbedehking. — Bi^j onderscheidene gelegenheden, en naar aanlei-
ding van verschillende b^zonderheden , hebben wij ons be^verd om aan
te toonen, van hoeveel belang het is den grond behoorlek los te maken ,
de aarde, die door de werking van den ploeg wordt opgeworpen, vol-
komen fijn te maken, al de bestanddeelen van den grond goed dooreen
te mengen, het onkruid uit te roeijen met wortel en al, enz.; evenzoo
hebben wi^j gewezen op de noodzakeli^jkheid , om de physieke hoedanig-
heden van den grond te wyzigen, den ondergrond los te maken, de
gronden, die zulks noodig hebben, droog te leggen door middel van
draineer-buizen , de chemische zamenstelling van den grond in te rigten
naar eisch, enz.; in een woord, al de verrigtingen, die door den voor-
uitgang in den landbouw worden aanbevolen, hebben het onderwerp
uitgemaakt van onze studie in het algmeen , en van uitvoerige beschou-
wingen, regtstreeks en onmiddellijk toegepast op onze cultures. —
Het punt, dat wij nu gaan bespreken, levert een nieuw b^wys voor
de toepasselijkheid der begrippen, die wg in deze regelen hebben
uiteengezet.
Onder al de werkzaamheden, die b^ de teelt van suikerriet verrigt
worden, is er ontegenzeggelijk niet eene, die met grooter onachtzaam-
heid volbragt wordt, dan de in de groeve geplaatste stekken plantriet
te overdekken met aarde.
Immers, gemeenlyk wordt deze arbeid verrigt in de vroegste uren
van den morgenstond, somwijlen ook in den avond , zoodat de arbeiders
te naauwernood elkander kunnen onderscheiden; en slaperig, en aan-
houdend gejagt door den opzigter, volbrengen z^* dien arbeid, zonder
zich er over te bekommeren of zy het goed doen of niet. Wanneer men
groeven ploegt, vooral in kleiachtige gronden, krijgt men aan weers-
zijden van de groeve zaamgepakte groote aardkluiten, die men, zonder
ze fijngemaakt te hebben, op de geplante stekken laat neervallen: die
aardkluiten beletten niet alleen door hare zwaarte en zaamgepaktheid
den groei van het plantriet, maar laten het tevens onvoldoende gedekt,
daar er steeds kleine gapingen of reetjes openbleven, waardoor de stek-
ken in onmiddell^ke aanraking zijn met de lucht, en zoodoende gevaar
Digitized by
Google
86
loopen te Terdorren of althans veel te 1^'den in tijjd Tan droogte. Die
aardkluiten fijn te maken, is niet alleen van aanbelang om hetplantriet
goed te bedekken, en de hoeveelheid aarde, die over de stekken been
wordt aangebragt, te evenredigen, maar het is ook later inhoogemate
dienstig om de groeve te vnllen of aan te aarden, waartoe dan eene
aarde gebezigd wordt, die gevoed is door de invloeden en zel&tandig-
heden van den dampkring. Wy weten wel , dat er tegenwoordig vele
planters zyn, die aanbevelen om de aardkluiten fijn te maken met het
hakmes of met de spade ; maar behalve dat die bewerking veel te wen-
schen overlaat, is er, om die te kunnen volbrengen, een zeker getal
dagen noodig, dat niet daaraan besteed wordt. Wanneer men de aard-
bedekking bewerkstelligt met spaden, hetgeen doorgaans geschiedt in
den vroegen morgen, is het om ongelukken te voorkomen noodig, de
arbeiders te verdeelen in twee ploegen, die het werk beginnen aan
tegenovergestelde kanten, in groeven om den anderen; zoodoende ont-
moeten ze elkander slechts in het midden van den riet-akker, en kun-
nen ze elkander geen ongelukken toebrengen. Wij zullen hier de mid-
delen doen kennen, die, naar het ons voorkomt, het meest dienstig z^n
om de beste resultaten te erlangen in de bewerking, die ons bezighoudt.
Het meest afdoende middel, en dat wij daarom in de allereerste
plaats vermelden, zou hierin bestaan , de geaardheid van den grond ge-
stadig beter te maken door het aanbrengen van mestspeciên, bewerkin-
gen tot eene aanmerkel^ke diepte, losmaking van den ondergrond,
drooglegging (drainage), besproeijing, enz.; en zoodoende zou men het
in zekere mate zoover kunnen brengen, dat men by het openen van de
groeven daaruit eene in meerderen of minderen graad losse en zachte
aarde verkreeg, die later zou dienen om het in den grond gebragte riet
te overdekken en de aanaarding te bewerkstelligen.
Het tweede middel heeft betrekking op het geschiktste aaizoen om
de opening van de groeven te doen plaats hebben. Wanneer men in
kleiachtige gronden de groeven gaat openen terwyl de grond zeer vochtig
is , laat de aarde los in groote kluiten , die niet alleen op dat oogenblik
zelf reeds moegelijk z^n fijn te breken, maar later zoo hard worden,
dat ze byna in het geheel niet meer fijn te krijgen z^n. Is de grond
zeer droog, dan zijn de aardkluiten kleiner, maar altjjd uitermate hard
Digitized by
Google
87
en moe^'elijk fijn te krijgt. Bi^j de gewone manier van bewerking om
de gronden gereed te maken, worden de aardkloiten min of meer
fijngemaakt door de rollen en eggen; en in koude landen bewerkt ook
het water, wanneer het bevriest, de loswording; in het klimaat van
Cuba brengen de afwisselende regens en droogten de zelfde uitwerkse-
len te weeg. Wanneer men groeven maakt om daarin te planten, kan
men zich van de genoemde werktuigen niet bedienen, en kan men
evenmin hopen op de weldadige uitwerkselen van de dampkrings-
invloeden. Elke grond heeft een t^*d, dat hij eenen bijzonderen graad
van vochtigheid bezit, en dat is het geschikte tydstip, om die bewer-
king te volbrengen met meer kans op eenen goeden uitslag; die bijzon-
dere graad van vochtigheid hangt af van de algemeene eigenschappen
van den grond, van de gereedmaking, vandedampkrings-invloeden, enz.
Maar gesteld dat de grond niet behoorlijk gereedgemaakt is, en dat
men overgaat tot het openen van de groeven op een weinig geschikt
tijdstip, bestaan er dan middelen om de daaruit voort te vloeyen na-
deden althans gedeeltel^k af te wenden? Dit zal men kunnen, als men
den ploeg zoodanig stelt, dat de aardkluiten op het oogenblik, waarop
zij verplaatst worden, te gelyk worden fijngemaakt, hetgeen men kan
te weeg brengen op tweederlei wijze, hetzij door zich te bedienen van
ploegscharen, die een byzonderen vorm en by zondere afmetingen heb-
ben, hetzy door twee of drie messen aan te brengen in de scharen
van den ploeg. Een helicoïdale ploeg, op de aangeduide wijze ingerigt,
maakt dat de aarde, op het oogenblik waarop aij omgekeerd wordt, te
gelyk aan stukken breekt; maar om gelyktydig de aarde om te keeren
en aan stukken te breken , daartoe moet eene vrij belangryke trekkracht
worden aangewend (26). -^ De tweesnijdende ploeg, voorzien van mes-
sen, is eene nieuwe toepassing, welke wij hebben gemaakt van een
werktuigkundigen toestel, reeds by de landbouwers bekend en op prys
gesteld. Om al de belangrykheid van het werktuig, dat wy voorslaan, te
doen begrijpen, zullen wij nu eenige by zonderheden bespreken van den
oorspronkelyken ploeg, dien wy hebben gewijzigd, om hem te kunnen
toepassen op het planten van suikerriet.
De verkrumeleHde ploegen zijn zamengesteld uit de zelfde stukken als
de gewone ploegen, aan welke in de schaar eenig mechanismus wordt
Digitized by
Google
88
toegevoegd, dat gesehikt is om de aardkloiten» naar gelang ze door den
ploeg worden opgeworpen, te splitsen, te verbrokkelen of ^n te krui-
melen. Het eerste denkbeeld om den arbeid meer volkomen te maken
door middel van eenen aan den ploeg bevestigden toestel, hebben wij
te danken aan Brown (1822). Later, in 1842, werden door Masson
verbeteringen in dien toestel aangebragt, en pogingen aangewend om
bem meer in gebruik te brengen. Daarna wijzigde graaf Avendi den
ploeg van Botter, door daarachter te laten loopen eene soort van egge,
die de aardkluiten aan stukken brak. Nog later werden door Plissonnier
drie messen aangebragt aan de schaar van den ploeg van Dombasle. En
eindel^k, nu kort geleden, heeft Bouthier de Latour een verkruimelen-
den ploeg uitgevonden , waaraan de meeste lof is toegekend. Dat weric-
tuig is beschreven en afgebeeld in het Journal d*JgricuUure praUque
(1862, dl. I, blz. 14). Met de werktuigen, waarvan wy hier melding
gemaakt hebben, z^'n proeven genomen door zeer vele landbouwers,
die uit hunne bevindingen zekere praktische regelen hebben afgeleid,
welker bekendmaking wy vermeenen van nut te zullen kunnen zyn. —
1*. Wanneer de kleiachtige gronden bewerkt worden ter geschikter tyd,
in het saizoen, dan worden de aardkluiten door de verkruimelende
ploegen volkomen fijngemaakt, derwyze, dat het onnoodig wordt zich
daartoe ook nog van de eggen te bedienen. — 2*. By het bewerken van
zeer vochtige kleigrojiden leveren de twee messen eene minder bevre-
digende uitkomst, en is het derhalve beter zich slechts van één mes te
bedienen. Grandvoinet. geeft den raad, om in dergelyke gevallende
verticale messen te vervangen door dunne mesjes, en ook misschiep
door stalen pennen, ten einde zoodoende aan de werking der messen
eenigermate eene schuine rigting te geven, daar ze alsdan op de aard-
kluit werken min of meer opgeheven, eer die zich met de overigen
vereenigt. — 3o. Als de grond niet al te vast is, kunnen de messen
worden geplaatst aan den rand van de ploegschaar ; maar heeft men te
doen met zeer kleiachtige gronden, dan is het beter ze een weinig meer
van den rand af te plaatsen, als wanneer ze de reeds opgeworpene aarde
aan stukken zullen snyden. — 4o. Heeft de aardkluit, naar evenredig-
heid van hare dikte, eene tamelyke breedte, dan is het verkieslijk het
bovenste mes horizontaal en het onderste verticaal te plaatsen. —
Digitized by
Google
89
Bp. Wanneer de aardkluiten, naargelang van hare breedte, eene buiten-
gewone dikte hebben, is het noodig drie messen horizontaal aan de
schaar aan te brengen. — Dat zijn de vereischten, bij het gebruik van
die werktuigen in het oog te houden. Overeenkomstig deze beginselen
zal men gemakkel^k kunnen bepalen wanneer het dienstig kan zijn een
ploeg met dubb^ sehaar te bezigen, met messen daaraan toegevoegd,
(Hn op die wijze de verkruimeling van de aardkluiten te bewerken. En
behalve dat zoodoende de arbeid uitgespaard wordt, die anders noodig
is om de kluiten aan stukken te breken met het hakmes, zal men
tevens het werk verrigt zien met meer volkomenheid (27).
W^ hechten er zooveel waarde aan, de rietstekken te overdekken met
aarde, die goed zacht en van de lucht doortrokken is, dat wijj het in
sommige gevallen nuttig zouden achten , de groeven te openen een dag
te voren. Op die wyze zou de uit de groeve opgeworpene aarde vrucht-
baar gemaakt worden; de stekken plantriet zouden daardoor in betere
omstandigheden geplaatst worden en in het genot komen van vereisch-
ten , gunstiger voor de ontwikkeling der knoppen. Bovendien moeten wij
in aanmerking nemen het gemak om den arbeid te volbrengen met
spoed, en in vele gevallen tevens beter, en met minder kosten. Het
eenige bezwaar, dat wij tegen deze wijze van bewerking ontmoeten, is
dit : als er zware regens kwamen , zou een gedeelte van de aan weers-
kanten der groeve opgehoopt liggende aarde daarin nederstorten, zoodat
de groeve alsdan weder zou moeten worden schoongemaakt alvorens er
in te kunnen planten; maar dit bezwaar kan gedeeltelijk worden voor-
komen, als men zich bedient van eenen ploeg met een schoffel er aan,
waardoor de aarde, die aan weerskanten van de groeve wordt opge-
worpen, vaneen gescheiden wordt (28).
Opdat er geen de minste twijfel blijve bestaan aangaande onze denk-
beelden betreffende de vereischten, die noodig zyn om de aardbedek-
king naar behooren te bewerkstelligen , achten wij het noodig nogmaals
te doen opmerken, dat wij, zonder de beschouwingen aangaande de
gebezigd wordende werktuigen uit het oog te verliezen, ons moeten
beijveren den grond beter te maken, aangenomen dat hy in z^nen
natuurlyken toestand niet geschikt is voor het doel, dat wij wenschen
te bereiken; zoomede dat het onder alle omstandigheden een noodwen-*
Digitized by
Google
90
dig vereisohte ii, te werken in het êoizoen. En deze opmeridng is te
meer van gewigt, daar men, aldoa den grond verbeterende door de
doelmatige meehanische, pbysieke en chemieehe middelen en door te
werk te gaan in het saizoen, ook nog andere voordeelen erlangt.
Eer wij deze wenken betreffende de wijze om de rietstekken met
aarde te overdekken besluiten, gelooven w^ het niet ondienstig hier
eene handelwijze te doen kennen, die in sommige bepaalde gevallen
kan worden gevolgd, als hulpmiddel , om eenen goeden groei te bewer-
ken. Bijaldien een grond zeer laag ligt en kleiachtig is, en er vallen
in den tijd van het planten zware regens, dan zal het nuttig z^'n de
stekken in de groeven te plaatsen, en ze daar onoverdekt te laten lig-
gen, totdat de grond weder gedroogd is. Eerst dan gaat men over tot
het overdekken van het plantriet, terwijl het best kan gebeuren, dat
in dien tusschentijd de knoppen reeds uitgeloopen z^n. Zonder ons te
willen verklaren als voorstanders van zoodanige w^'ze van handelen, die
wij in str^d achten met de goede regelen der landhuishoudkunde, welke
ons voorschreven om voor de waterlozing te zorgen met al de midde-
len, die zij ons aan de hand doet, kunnen w^ toch niet anders dan
erkennen, dat het, als hulpmiddel, zeer dienstig kan zgn. Wy hebben
eenen riet-akker gezien, waarvan de helft beplant was op deze wijze,
terwyl op de andere helft de in den grond gebragte stekken waren
overdekt met aarde gedurende den regentijd : en het onderscheid was
inderdaad in het oog loopend. Wray (29) maakt gewag van deze wijze
van handelen, waarvan hij, naar het ons voorkomt, het nut niet naar
behooren waardeert, terw^l hij er op laat volgen, dat „ geen rietbouwer
ooit zijne in den grond gebragte stekken overdekken moet anders dan
b^ droog weder"; eene uiterst strenge meening, daar w^ zoodoende
zouden dienen te zorgen alt^d de rietstekken te kunnen overdekken
met aarde. — Ten aanzien van het hier behandelde punt achten wij het
niet ondienstig melding te maken van een gebruik , dat door vele plan-
ters wordt gevolgd, vooral wanneer er in den droogen tyd geplant
wordt, het gebruik, namelyk, om het in de groeve gebragte riet eenen
nacht onbedekt te laten liggen, ten einde er den nachtdauw op te laten
nederdalen, en bet eerst den volgenden morgen te overdekken, zeer in
'de vroegte.
Digitized by
Google
91
Deze w^ze van handelen levert al dadelyk het voordeel op, dat al
het in de groeven gebragte plantriet gelijkt^g met aarde overdekt
-wordt; want tot die taak worden al de arbeiders gebezigd, eerz^ zich
gaan onledig houden met de verschillende werkzaamheden, waartoe ze
later ieder in het bijzonder bestemd z^n ; bovendien moet die besproeiing,
welke èn het plantriet èn de grond heeft ontvangen, eenigen invloed
uitoefenen op de latere ontwikkeling ; want o£M;hoon wij nog geen regt-
streeksche proeven hebben genomen om dat voordeel buiten allen tw^fel
te stellen , zegt ons toch ons gezond verstand , en bewijst ons ook de
gemaakte vergel^king , dat zij wel eenig nut moet te weeg brengen. —
Immers, de ondervinding heeft bewezen, dat het geschiktste tydstip
om te planten is, wanneer de hitte der zon zich nog niet zeer erg doet
voelen , want zoodoende vermijdt men de uitdrooging van den grond ,
en ook de anders in zekeren graad plaats grypende verdorring van het
geplante of gezaaide. Dit feit wordt inzonderheid waargenomen b^
het zaaijen van gerst. — In sommige landen wordt het plantriet in
den grond gebragt tegen den avond, en vervolgens in den vroegen
morgen met aarde overdekt; zoodoende erlangt men betere resultaten,
dan wanneer de overdekking geschiedde gedurende de felste kracht der
zonnestralen. — Schwertz en Thaer pryzen de degelijkheid van deze
manier van handelen. (30)
Wanneer de uitgestrektheid van onze akkers en het aantal arbeiders,
waarover wy beschikken kunnen , het toelieten , moesten wy nooit anders
planten dan in het saizoen ; maar aangezien zulks niet mogelijk is, zou
het nuttig zgn het plantriet in de groeve te plaatsen tegen den avond,
en het daags daarna, in den vroegen morgen, te overdekken; of ook,
al wierd het riet gedurende den ganschen dag in de groeve besproeid,
zou het toch altijd nog goed zijn, den nachtdauw zoowel de riet-
stekken als den grond te laten verfrisschen en bevochtigen. Naar ons
gevoelen behoorde het plantriet gesneden te worden in den vroegen
morgenstond, den ganschen dag digtgedekt te blyven staan op hoopen,
van welke het dan des avonds wierd afgehaald om in den grond te
worden gebragt. Op deze manier zou men het voordeel hebben, dat men
anders tracht te verkrijgen door het plantriet in het water te leggen
alvorens het in den grond te brengen, ^
Digitized by
Google
92
Op sommige plantaadjen bedient men zich van bijzondere werktuigen,
om het in de groeve geplaatste riet met aarde te overdekken. Die werk-
tuigen , welke gezegd worden zoo te kunnen worden gesteld , dat ze het
plantriet overdekken met de juist gewenschte hoeveelheid aarde, worden
in beweging gebragt door trekdieren, en volbrengen den arbeid in eenen
korten tyd. Ze zijn bekend onder den naam van aardbedekkers voor het
plantriet. — In Bengalen (Wray, blz. 218) bedient men zich tot dat
einde veelal van den haingher, zijjnde eene soort van rol (blz. 102), die
de inlanders gebruiken om de aardkluiten fijn te maken. Het voornaamste
bestanddeel van dit werktuig is een groot stuk hout» gemeenlijjk 2,4
nederl. ellen lang, 18 ned. duim breed en 6 a 8 ned. duim diL —
De haingher wordt getrokken door vier ossen; twee mannen staan er
op, terwijl het werktuig in beweging is. — Het spreekt van zel£s,
dat men , om de rietstekken te overdekken met aarde , zich zou kunnen
bedienen van de kleine ploegen en van de eggen; maar wy gelooven,
dat er tot nog toe geen werktuig bestaat, waarmede die arbeid kan
worden volbragt naar behooren en volkomen naar eisch.
Wat betreft de hoeveelheid aarde, waarmede het plantriet overdekt
behoort te worden , zullen daarbg in aanmerking dienen te worden geno-
men de algemeene eigenschappen van den grond; de toestand, waarin
hy zich bevindt ten gevolge van de verbeteringen, daarin te weeg ge-
bragt door mestspeciën, enz.; de weersgesteldheid tijjdens het planten,
en zoo al meer. Op alle manieren moet het plantriet goed overdekt
liggen , maar derwijjze , dat het gemakkel^'k kan uitspruiten , zonder
benadeeld te worden door de werking van de zon.
Plantingen, waabtoe men zich bedient van toppen. — I. Onder
de benaming van toppen-planting is die wijze van planten te verstaan,
waarbij men zich enkel bedient van de jongste en tengerste boveneinden
der rietstengels. Ten einde twijfel te vermijden en verwarringen te
voorkomen, achten wij het dienstig twee wyzen van planten te onder-
scheiden onder de manieren , die gemeenlek toppen-plantingen genoemd
worden; bij het bepalen van haar wederz\idsch verband moeten wij de
punten van overeenkomst doen kennen, die ze met elkander gemeen
hebben , en tevens aantoonen , waarin ze van elkander z\jn onderscheiden.
Digitized by
Google
93
Onze eigentlijjk gezegde toppen-plantiiigen z^n die, welke, behalve
dat daartoe gebruikt worden de geledingen, die zich het laatst aan
de rietstengels hebben ontwikkeld, in dierroege geschieden, dat bij
het snijden van de stek of dat gedeelte, dat als plantriet zal wor-
den gebruikt, de bladeren worden afgesneden meer boven den laatsten
knop , die door z^'ne ontwikkeling den groei zal doen plaats hebben
naar omhoog; dusdoende kan de groeikracht van dien riettop zich bly*
ven ontwikkelen in de lengte, terwijl de zijknoppen, die in den grond
zijn geplaatst, zich insgel^ks ontwikkelen en uitloopen of spruiten
schieten. — Behalve deze manier, die, zooals wy gezegd hebben, de
meest in zwang zynde is, kan het toppen-planten ook worden verrigt
zoo, dat de stek wordt afgesneden vlak onder den eindknop; op die
wijze zal de aanvankel^ke ontwikkeling naar omhoog geen plaats kunnen
hebben, en al de groeikracht zal zich vereenigen ter ontwikkeling van
de zijknoppen. — Door de manier van planten en andere omstandig-
heden zal men zien , dat een zelfde resultaat wordt verkregen , om het
even op welke hoogte de tot stek te bezigen top van den rietstengel
afgesneden is.
Het toppen-planten is tegenwoordig op Cuba niet zeer algemeen,
of liever weinig meer in zwang; het komt alleenlijk nog voor in
geheel b^zondere gevallen ; maar voor zooveel het in bepaalde om-
standigheden kan gelden als algemeene regel van erkend nut, moe-
ten wy zeggen, dat er, over het algemeen, op Cuba al zeer wei-
nig waarde aan toegekend wordt. Wij zullen de gevallen opsommen,
waarin zoodanige wijze van planten plaats heeft, en dan uitvoerig al
de bijzonderheden bespreken , die daarop betrekking hebben. Het top-
pen-planten heeft plaats : l». Om de laagstgelegene gedeelten van eenen
riet-akker te beplanten, waar in tijden van aanhoudende regens het
water te hoop loopt en geheele plassen blyven staan. 2®. By het
gewone planten hebben velen , ten einde niets yan den rietstok
ongebruikt te laten , als regel aangenomen , de r^pe stekken aan
weerskanten in de groeve te plaatsen , en dan de toppen zoo te
buigen, dat die onder in de groeve komen te liggen midden-in. Het
zelfde heeft plaats bij het planten met den pootstok ; alsdan blijven
de boveneinden der rietstokken gedeeltelijk ongedekt. Ook wanneer het
Digitized by
Google
planten geschiedt met behulp van de spade, kan men de toppen ge-
bruiken, wanneer men ze slechts buigt en op de wanden van de groeve
laat rusten. 3^. Voorheen, en ook nog tegenwoordig, zijn er vele
planters , die , bij het kappen van eenen riet-akker , de toppen gebruiken
om in te boeten. 4^. Dit stelsel van planten wordt op groote schaal
toegepast door hen, die riet willen telen en de r^*p6 stengels houden
om ze te verkoopen.
Alvorens helder in het licht te stellen al de b\jzonderheden , die op
deze wijze van planten betrekking hebben, moeten wij beginnen met
te doen zien in welke omstandigheden de ontwikkeling plaats grijpt
van den eindknop. Wanneer men riettoppen plant, die afgesneden zgn
op zekeren a&tand van den eindknop, zal deze zich ontwikkelen, bij-
aldien de omstandigheden gunstig zijn ; maar is de a&n^ding te digt
b^' den knop geschied, dan zullen de eerste bladeren, uithoofde van
de teerheid van hun wee&el , niet bestand z^n tegen de werking van
de zon, waardoor ze gezengd zullen worden en verschroeid. In andere
gevallen wordt dit ware „neui^'e van den zalm" van den rietstok
door sommige insekten doorgevreten. Menigmaal, ais de noodige voch-
tigheid ontbreekt om de groeikracht te bevorderen en te begunstigen,
zal de eindknop zich evenmin ontwikkelen, maar in zulke gevallen
verdorren. Wat betreft of de eindknop zich kan ontwikkelen onder
den grond, dan wel of daartoe noodwendig de invloed van den damp-
kring vereischt wordt, kunnen wij de verzekering geven, dat w^ nog
nooit een voorbeeld van zoodanige ontwikkeling onder den grond gezien
hebben; daartoe is steeds als onmisbaar vereischte de invloed van den
dampkring noodig. Om dienaangaande eiken twijfel weg te nemen, leb-
ben wij eene ontelbare menigte toppen geplant, en wanneer ze goed
door de aarde gedekt waren hebben ze nooit een nieuwen of meerderen
groei voortgebragt ; maar wel hebben wy somwylen gelegenheid gehad
daarb\j een tamelgk vreemd verschijnsel waar te nemen. Wanneer men
een min of meer krom stuk riettop op geringen afstand beneden de
oppervlakte van den grond plant, dringt naauwel^ks de vochtigheid
in de weefsels daarvan door, of het kromme stuk wordt weder regt;
het riet tracht zich met alle geweld naar omhoog te rigten, en zoo-
doende kan een der beide uiteinden van den top boven den grond
Digitized by
Google
95
te voorsch^'n komen : komt nu het bovenste einde aldus te voorschijn ,
dan is de eindknop vatbaar voor ontwikkeling ; maar als het onderste
einde uit den grond te voorsch^'n komt, zal de eindknop zich niet
ontwikkelen. In de gevallen wanneer de top regt is , zonder kromten
of bogten hoegenaamd, zal er volstrekt geen groei-beweging in de
lengte plaats hebben , en zullen alleen de z^knoppen zich ontwikkelen ;
w&ï den eindknop betreft , die zal tot verrotting overgaan ; gemeenlijk
strekt de verrotting zich nog verder uit , en eindigt onder sommige
omstandigheden hiermede , dat zij of zich aan het geheele stuk plantriet
mededeelt of van zeer nadeeligen invloed wordt op de nieuwe spruiten.
De verrotting van den eindknop is afhankelijk van de gesteldheden van
den grond.
Bepalen wi^j thans de wijzen hoe het planten bewerkstelligd wordt.
Planten wij de riettoppen zoo, dat ze ver boven de oppervlakte van
den grond uitsteken, dan zullen zich, zoodra de eindknop ontwikkeld
is, en zelfs ingeval hij niet tot ontwikkeling komt, jonge spruiten
vertoonen en ontwikkelen, welke voortkomen van de knoppen onder
den grond en van die , welke zich bevinden aan het stuk riet ,
dat niet met aarde overdekt is : deze laatste spruiten groeijen op tot
looze stengels. De rietstok, die dus het voortbrengsel, of, om juister te
spreken, de verlenging is van den top, door de ontwikkeling van den
eindknop , groeit niet hard , ontwikkelt zich slecht , ziijne geledingen
z^n kort en houterig, en h^ eindigt met in zynen wasdom gestuit te
worden , doordien z^ne blad-organen verdroogen. De looze stengels ver-
dorren op het laatst, en de geheele rietstoel gaat tot verval over, en
verliest den eenen stengel voor, den anderen na of verdort op den
stam ; de eenige stengels , die blijven leven en tot een tamelijk goeden
wasdom komen, zijn die, welke voortgesproten zyn uit de oogen aan
het tdteinde van het gedeelte, dat in den grond zit. De looze stengels,
in plaats van gunstig terug te werken op die van den stam, verzwak-
ken deze , zonder nogtans ooit tot eenen behoorlijken wasdotn te komen ,
noch tot iets te kunnen dienen. Als het niet mogelijk is het ontstaan
van looze stengels te voorkomen , moet de rietstoel , die ze heeft voort-
gebragt en draagt, worden gekapt, voor het minst met den grond
gel^lc , indien het niet doenlijk is de kapping nog lager te bewerk-
Digitized by
Google
stelligen. Bij het yerrigten van deze beweridng moet men vooral zofg
dragen de stengels niet te kwetsen , tot welk einde het raadzaam is
het riet te breken of te knakken met de handen , of wel het aan den
grond af te snyden met een zeer scherp mes. Onverschillig hoe kort
of lang die looze stengels leven, ze zyn altyd meer of min schadelijk;
en daar het overigens een lastig en netelig werk is ze te kappen,
moet men al het mogelijke doen om hun ontstaan te voorkomen, door
de zaken zoo in te rigten, dat ze achterwege blijven. Om dit resultaat
te bewerken is het noodig de toppen zóó te planten, dat ze op zyn
hoogst slechts vier duim boven den grond uitsteken, en byaldien er
geplant is met den ploeg of met de spade, ze later aan te aarden
derwyze, dat althans de vijf nieuwe geledingen, die zich gevormd hebben
na de ontwikkeling van den eindknop, overdekt zijn zoodra de be-
werking geheel afgeloopen is. Om van alle omstandigheden behoorlijk
part^ en nut en voordeel te kunnen trekken is het een onmisbaar ver-
eischte, dat de top steeds in den grond worde gebragt zeer in de
schuinte , aangezien zoodoende het gedeelte , dat onder den grond zit ,
des te grooter zal zyn.
Eer wij overgaan tot de uiteenzetting van de denkbeelden, die wij
ons ten doel hebben gesteld te ontwikkden, achten w^ het noo^
dig eenige ophelderingen te laten voorafgaan met betrekking tot een
reeds door ons aangevoerd punt. Somw^len , b^ het planten van
een groot stuk riettop, derwyze, dat er eenige geledingen boven den
grond uitsteken, ontwikkelt zich de eindknop, de spruiten van den
stam loopen zeer voorspoedig uit , en de looze stengels z^*n zoo
welig, dat velen, vooral de ondersten, uitloopen iu de lucht en niet
slechts tweede , maar zelfs derde , ja somwijlen vierde uitspruits^
voortbrengen. Zal men daaruit tot de gevolgtrekking kunnen komen >
dat de looze stengels geschikt zijjn om , althans in sommige gevallen ,
b\j te dragen tot de sterkere groeikracht van den stam? Zeer zeker
neenl Wat dezen weligtn groei veroorzaakt en bevordert zijn de eigen-
schappen van het plantriet ; en wanneer de bedoelde looze stengels , in
plaats van zich meester te maken van de algemeene sappen, ontstaan
waren op eene wijze , waardoor ze levensvatbaarheid en ontwikkelings-
kracht konden vinden in zich zelven , is het duidelijk , dat alsdan de .
Digitized by
Google
97
stam meer levenskracht zou hebben behoaden, ongerekend nog dat
die groeikrachten in sommige opzigten nut hadden kannen aanbrengen.
Deze laatste wijze van zien stemt overeen met onze denkbeelden aan-
gaande de gemeenschap en het wederkeerig verband , dat er bestaat
tusschen al de stengels van eenen zelfden stam , die , ofechoon onder
houden uit eene en de zelfde levensbron, nogtans door hunnen we-
derkeerigen en zamenwerkenden invloed elk op zich zelven bijdragen
t5t het onderhoud van allen. Wat aangaat het blad, dat de eindknop
loslaat , zullen wij later de redenen doen kennen , die ons aanleiding
geven om te gelooven, dat er uit de ontwikkeling daarvan sommige
voordeden voortvloeijen.
Daar de bemoeijingen van den mensch niet altijd dienen om de
ontwikkeling van den eindknop te weeg te brengen, en evenmin om
het te voorschijn komen van de looze stengels te beletten , of althans
de nadeelige gevolgen daarvan tegen te gaan , zegt ons gezond verstand
ons, dat wij den weg moeten kiezen, die ons met zekerheid tot een
stellig en bepaald resultaat zal leiden, al is die weg misschien niet
zoo voordeelig. Wanneer wij de zaak uit dit nieuwe gezigtspunt be-
schouwen , komt het ons voor , dat het planten van toppen , waarbij de
ontwikkeling van den eindknop belet wordt, in sommige gevallen meer
zekerheid oplevert , daar op die wijze ten minste het ontstaan van looze
stengels wordt vermeden. Om de ontwikkeling van den eindknop te
beletten, is het voldoende den top iets lager onder dien knop af te
snijden; maar het zelfde resultaat zal men, ofschoon op minder voor-
deelige wijze , ook kunnen bereiken wanneer men den in den grond
gebragten top geheel en al met aarde overdekt.
Als men toppen wil planten, moet men zich daartoe bedienen van
de bovenste gedeelten van het plantriet, van 14 a 18 maanden, heb-
bende dit beter ontwikkelde knoppen, terwyl ook de geledingen beter
ontwikkeld en krachtiger zijn ; maar ofschoon het zeer nuttig is dat deze
plantstekken tot den hoogsten graad van rijpheid zijn gekomen, is het
tevens van het hoogste gewigt dat het riet niet gebloeid hebbe , aange-
zien er in zoodanig geval geen eindknop aanwezig zou zijn, en ook de
bovenste oogen tot niets nut zouden wezen , naardien ze slechts het
aanzijn zouden ireven aan looze stengels. Onze proefnemingen hebben
7
Digitized by
Google
98
01» wel het bew^ gelererd , dat ook looze stengels geplant kunnen wor-
den 9 en dat ze ter gelegener tiijd fraaie stammen kunnen voortbrengen ;
maar met dat al zullen wy niet ontkennen , dat wij ons in gewone om-
standigheden nooit van zulke stekken om riet te telen moeten bedienen.
Om het even op welke wijze men toppen plant, is het altijd nuttig
eerst de onderste bladeren, die om de stek zitten, te verwyderen , aan-
gezien de knoppen, zoodoende geheel onbelemmerd, zich met meer
spoed zullen kunnen ontwikkelen. Neemt men deze voorzorg niet hi
acht , dan moeten de jonge spruiten , als ze beginnen uit te loopen ,
zicli eerst eenen weg banen langs de gansche binnenz^'de van het dek-
blad. Zeker is het, dat men op deze wijze eene grootere moederstek
onder den grond kr^gt, die later met meer kracht spruiten schiet;
maar even zeker is het ook, dat de spruit op die wijze meer tijd
noodig heeft om uit den grond te komen, en tevens gevaar kan loopen,
in dit haar streven om uit den grond te komen belemmeringen te ont-
moeten, en zelfs geheel daarin te worden verhinderd.
Het planten van toppen , vooral wanneer men verlangt dat de eind-
knop zich zal ontwikkelen , vordert eene aanhoudende vochtigheid : bet
best daartoe dienstig zijn laagliggende gronden of besproeijing. Deze
daadzaak, die door de ervaring volkomen is bevestigd, heeft eene
meening doen ontstaan , welke door vele landlieden voorgestaan wordt.
Zij gdooven , namelyk , daar de plantsoenen van toppen welig opschie-
ten in drassige gronden , dat de op zulke gronden voortgebragte stengels
eene b^'zondere kracht erlangen , waardoor ze bestand zijn tegen alle
ongunstige invloeden , die , naar zij meenen , anders voor de plant ver-
derfelyk zouden zijn. Doch om het even waar en hoe, eene aanhou-
dende en overmatige vochtigheid is alt^d schadelijk voor den stam. Dat
een plantsoen , voortgekomen van toppen , beter bestand is tegen eene
overmatige vochtigheid , moet juist worden toegeschreven aan de krach-
tigere ontwikkeling , die , eenen bijzonderen stempel drukkende op de
veranderingen , welke de in de geleding aanwezige zelfetandigheden
ondergaan , ze vry waart tegen den aard en de karakteristieke verwar-
ring, die daarin wordt te weeg gebragt, wanneer ze enkel geregeerd
worden door de chemische , physieke en mechanische invloeden. Volgens
de door ons medegedeelde wenken laat zich gemakkelijk begrepen ,
Digitized by
Google
99
dat toppen het best geplant kunnen worden in het begin van de lente «
daar ze alsdan part^ trekken van de regens, en alles zamenwerkt ten
voordeele van de snelle ontwikkeling, die zich in het plantsoen open-
baart. Juist tegen dien t^'d wordt het plantriet gekapt, zoodat men
dan eene ploeg niet zeer sterke arbeiders aan het werk kan stellen om
de toppen klaar te maken, alsook de stengels creole-riet, die, tot
behoorlijke vrachten opgehoopt, overgebragt worden naar de plaats
waar geplant worden zal.
IL Thans zullen w^ tot eene beschouwing en onderlinge vergelijking
overgaan van de waarde der plantingen , waartoe men zich bedient van
de bovenste , onrijpe toppen der stengeb , en die , waartoe men stekken
bezigt, welke tot eenen meerderen of minderen graad van rijpheid z^n
gekomen: van beiden zullen wij de voordeden en de nadeelen opsom-
men , de toepasselijkheid aantoonen van de eene en van de andere wijze
onder bepaalde omstandigheden, en vervolgens onbevooroordeeld de
gevallen bepalen , waarin het voordeeliger zal wezen het2^* de eene hetzy
de andere wyze van planten te volgen, ofwel de beide manieren ge-
zamentl^'k en vereenigd toe te passen. De onvoorwaardelijke voorstan-
ders van het toppen-planten zeggen : „ Ja , de bovenste en jonge ge-
deelten van de rietstengels moet men kiezen en gebruiken als plantriet,
want dat zijn de eenige gedeelten, waarvan men een bepaald gunstig
resultaat kan verwachten bij de teelt van suikerriet; de knoppen, aan
dat gedeelte van den stengel nog met bladeren omkleed, en dus be-
schermd en beveiligd, hebben nog niet de werking ondervonden van de
dampkrings-invloeden ; hunne weefsels zign doortrokken van jeugdige
sappen en bevatten de noodige waterdeelen, waardoor de ontkieming
kan plaats grijpen ; de vloeibare zelfstandigheden hebben nog geenerlei
verwerking ondergaan, zoodat ze nog in dien toestand en onder die
omstandigheden verkeeren, waarin zij het meest geschikt zijn om aan
de knoppen al de zelfstandigheden mede te deelen, die deze noodig
hebben om te bestaan en te groeyen. De rype rietstekken daarentegen
hebben knoppen , die in meerderen of minderen graad verdroogd zijn ,
en in welke zich slechts langzaam en moegelijk de groeikracht weder
ontwikkelt; hare sappen bevatten veel suikerdeelen en ondergaan slechts
van lieverlede de innerl^ke verandering , waardoor ze zoodanig worden
Digitized by
Google
100
zamengesteld , dat ze kunnen dienen om voedsel te geven aan de knop-
pen; tot deze veranderingen is dus een zekere tijd noodig, daartoe
wordt vereischt dat eerst zekere bepaalde chemische reactiën plaats
grijpen, die op hare beurt, om te kunnen plaats grijpen, ook weder bij-
zondere vereischten vorderen. De natuur zelve eindelijk — zoo besluiten
zij — schijnt ons voor te schrijven, dat wij de rijpe stengels moeten
nemen om daaruit de suiker te trekken , en dat wij ons van de bo-
ven-einden, die zonder nut en zel& schadelijk zijn voor de bewerking
in den suikermolen, moeten bedienen tot voortteling van de plant."
Zij zouden er, om aan deze redenering kracht bij te zetten, nog eene
daadzaak kunnen bijvoegen, die wy meer dan eens in de gelegenheid
geweest zijn op te merken. Wanneer men eenen riet-akker beplant
gedeeltelijk met toppen en gedeeltelijk met stengels , dan vertoont zich
na verloop van eenigen tijd, in sommige gevallen, een in het oog
loopend onderscheid ten voordeele van de toppen-planting, zoo zelfs,
dat menigeen op het eerste gezigt in den waan zou verkeeren, dat die
twee gedeelten van den riet-akker beplant waren op verschillende tijd-
stippen. Wij zullen de waarde van dit feit nagaan , door de oorzaken
daarvan op te helderen. Dat onderscheid kan al dadelijk verklaard
worden , afgescheiden van andere omstandigheden , door de aanhoudende
vochtigheid , waarin het riet zich op zulke plaatsen bevindt , terwijl op
de andere gedeelten van den riet-akker of geen voldoende vochtigheid
of eene overmatige natheid wordt aangetroffen. Men zou er ook uit
kunnen opmaken, dat de in den top aanwezige zelfetandigheden zich
gemakkelijker assimileren dan die, welke worden aangetroffen in de
weefsels van het rijpe riet. Gesteld dat het verschijnsel door deze oor-
zaak ontstaat of begunstigd wordt , dan rest ons nog na te gaan of die
snelle en krachtige ontwikkeling nuttig is en of op die wijze de stengels
wel eene voedende bron ter hunner beschikking houden, zoo lang als
door de omstandigheden ter hunner volkomene ontwikkeling noodig is.
Zooals wy aangetoond hebben in onze Proefondervindelijke nasporimgen
betreffende den groei van het suikerriet, is eene langzame, geleidelijke
en aanhoudende voeding het groote middel , waarvan de natuur zich
bedient om krachtvolle stengels te vormen ; daar hebben wij de redenen
blootgelegd waarom wij van gevoelen zijn, dat eene snelle voeding
Digitized by
Google
101
zoo al iiiet schadelyk, dau ten minste niet zoo dienstig is. De voor-
naamste oorzaak y die, naar ons gevoelen, het verscl^jnsel volkomen
verklaart , vinden wy juist in den aard der denkbeelden , waarnaar
wy zoo even hebben verwezen. Alles wat strekt om aan de knoppen
eene aanhoudende voeding te verschaffen ten koste van de moederstek,
alles wat strekt om de verrotting van die stek tegen te gaan, de
omstandigheden, die haar meer of min voortdurend in den zelfden staat
houden , zijn zoo vele andere gunstige omstandigheden , die medewerken
ter krachtige ontwikkeling van de stengels. Bij een plantsoen , verkregen
van toppen, voeden zich de stengels altijd ten koste van de moederstek,
die , door de ontwikkeling van den eindknop , steeds vol levenskracht
blijft. Hare sappen, verre van uitgeput te geraken, vernieuwen zich en
groe^'en bestendig weder aan. Dit verschijnsel wordt ten deele te weeg
gebragt door de wortels, die zich ontwikkelen, en meer nog door de
spruiten, die onder den grond voortkoméh uit den top. Zulke spruiten
nemen een eigen leven aan, en dragen vervolgens bij tot de voeding
van de voorttelende stek , die in deze gevallen , tot zekeren graad en
in zekere mate , eene echte moederstek wordt. Wanneer men eene gewone
stek plant, zonder eindknop die zich ontwikkelt, wordt die al spoedig
beroofd van al hare voedende bestanddeelen , en weldra is er niets an-
ders meer van overgebleven dan de bast of schors. — Om de beide
wijzen van planten met juistheid te kunnen vergelyken, dient men ze
te beschouwen onder gel^ke omstandigheden; dit wil zeggen: men neme
twee stukken plantriet , het eene rijp , het andere onryp , bedekke bei-
den geheel en al met aarde, en ga dan de resultaten na. — Thans
gaan wij over tot die beschouwing.
Wat de droogten aangaat is het onbetwistbaar, dat een van toppen
verkregen plantsoen veel meer onderhevig is om ligtelijk te verdorren,
daar de weefsels van het plantriet veel meer de waterdeelen laten. ver-
dampen; buitendien, daar de toppen de hoeveelheid waterdeelen in zich
bevatten, welke noodig is voor de ontwikkeling hunner knoppen, kan
het zeer wel gebeuren, en gebeurt het ook menigmaal, dat hunne
spruiten te voorschijn komen onder omstandigheden, die wegens gebrek
aan de noodige vochtigheid nadeelig of verderfelijk zyn. Overigens , als de
top geheel en al in den grond is geplaat^it , xoodat zijn eindknop niet
Digitized by
Google
102
uitspruit, is h^ meer onderheyig aan verrotting, b^'aldien uit eene of
andere oorzaak de spruiten niet spoedig boven den grond komen. —
Uit alles wat wij gezegd hebben , uit de medegedeelde daadzaken , kan-
nen wij afleiden, dat het planten van toppen, als alle omstandigheden
zamenwerken om het plantsoen te begunstigen , zeer nuttig kan z^n ,
byaldien het geschiedt in den regentijd , op laag liggende of besproeid
wordende gronden: somwijlen is de gesteldheid van het terrein van dien
aard , dat er geen andere manier dan toppen-planten uitvoerbaar is. —
Tegen het toppen-planten hebben velen het bezwaar , dat men dit jonge ,
onrijpe gedeelte van den stengel noodig heeft om de trek-ossen te voe-
deren; doch op deze bedenking moeten wy antwoorden, als men over-
weegt hoeveel men zou winnen, indien men de ossen op eene andere,
meer met de gezondheidsleer strookende manier wilde voederen, en
welke voordeden het planten van toppen in sommige gevallen aanbiedt,
dat men dan ongetwyfeld zal inzien, dat het in de aangeduide gevallen
zeer zekerlyk zaak is toppen te planten , zelfs al kost het dan iets om
de dieren beter te voeden. Onze slaven maken, zonder het te willen,
uitmuntend de boveneinden der rietstengels klaar, en zulks derwyze,
als ze het best geschikt zouden zyn om geplant te worden ; wij zyn in
de gelegenheid geweest om te zien met hoeveel bedrevenheid zy de
riettoppen, die tot voeder voor hunne varkens moesten dienen, van de
bladeren ontdeden. — Dit stelsel van planten zal, ook in de oogen
van vele planters, het bezwaar opleveren, dat, om het te bewerkstel-
ligen, een gedeelte der arbeiders aan den suikermolen moet worden
onttrokken , juist gedurende den ty d , wanneer het dringend noodig zou
wezen al de krachten te besteden aan het malen van het riet. — Wan-
neer men al de voordeden in aanmerking neemt, welke de door ons
aanbevolene manier van planten aanbiedt, en men overweegt daarbg
dat het later moeyelyk en kostbaar zal zyn het tot plantriet bestemde
riet te kappen en te vervoeren, dan zal men inzien, dat het nuttig is te
werk te gaan op de wyze, die wy hebben aangewezen, en zulks te
meer, aangezien het dan later, in de beslissende oogenblikken, wanneer
al de werklieden moeten worden gebezigd tot den veld-arbeid, doenlyk
zal wezen daartoe de geheele slavenmagt van de plantaadje te gebrui-
ken. — Zoodoende vermijdt men een der bezwaren van de vooijaars-
Digitized by
Google
103
plantingeu met betrekking tot de handen, waarover men te beschikkeil
heeft: het bezwaar namel^k, de krachten te verzwakken, door ze te
verdeelen.
Eer wij verder gaan, dienen w^ nog een punt op te helderen, het-
welk aanleiding zou kunnen geven tot verkeerde uitleggingen en tot de
meening alsof wij denkbeelden hadden verkondigd, die met elkander in
tegenspraak zgn. — Wg hebben gezegd , dat een plantsoen van toppen
eene behoorlgke mate van vochtigheid vereischt : wg voegden er bg ,
dat het nog gemakkelgker konde vernietigd worden door eene over-
matige hoeveelheid water; wg hebben gezegd, dat de riettop denoodige
waterdeelen in zich bevat om de knoppen in staat te stellen zich te
ontwikkelen: wij lieten er op volgen, eindelgk, dat het rgpe riet
onderhevig was aan het gevaar van verdorring, wanneer de omstandig-
heden de uitdamping bevorderden. Kannen al deze stellingen niet, wei-
ligt, in het gemoed eenigen twijfel laten bestaan, eenige onzekerheid,
waaruit zich tegenstrijdige begrippen konden ontwikkelen, meeningen,
die niet met elkander strooken , niet in onderling verband staan , om
er met juistheid gevolgtrekkingen uit te kunnen afleiden? Het h ons
voorgekomen, dat zulks het geval konde worden bg sommige onzer
lezers; en om een dergelgk kwaad te voorkomen, zullen wg die bg-
zonderheden nader toelichten , en aantoonen , dat er in onze denkbeelden
hoegenaamd geen zweem van tegenstrgdigheid bestaat. Ten einde de
zaak, die wg gaan bespreken, nog duidelgker te maken, zg het ons
vergund de bedenking, die men ons misschien zou kunnen tegenwer-
pen, nog in eenen anderen vorm in te kleeden. Hoe is het met elk-
ander te rijmen, aan den eenen kant te zeggen, dat het planten van
toppen zoo bij uitnemendheid geschikt is voor laagliggende gronden,
ja, dat het in vele gevallen daar de eenig mogelijke manier van plan-
ten is, terwgl men te gelgk aan den anderen kant verzekert, dat de
toppen van de rietstengels meer dan eenig ander gedeelte onderhevig
zgn aan verrotting? Aangenomen dat de stengeltoppen meer door de
vochtigheid lijden, hoe dan daarmede overeen te brengen, dat ze ook
in meerdere mate lijden in hoogliggende en drooge gronden?
De bovenste gedeelten der rietstengels zgn die, welke het meest
onderhevig zijn om de waterdeelen te verliezen, die hunne tengere
Digitized by
Google
104
weei»els bevatten; en wanneer niet de omstandigheden gunstig mede-
werken, verliezen ze al het vocht, dat noodig is voor den groei of de
ontwikkeling der knoppen , die dan ten laatste derw^ze ontaarden , dat
ze niet meer kunnen tdt«pruiten , al waren de omstandigheden , waarin
ze later kwamen te verkeeren , daartoe nog zoo gunstig. — Nog meer :
het is onbetwistbaar, gelyk wij met afdoende proefnemingen hebbeu
aangetoond, dat deze onrijpe gedeelten de noodige hoeveelheid water-
deelen in zich bevatten, welke vereischt wordt voor de ontwikkeling
van den knop ; dus , ze hebben geen behoefte aan de hulp van water
van bniten-af. Baar ze meer water in zich bevatten dan het rijpe liet,
en beschut z^n binnen hunne stoffel^ke organen, die meer onderhevig
zyn aan veranderingen, is het duidel^k, wanneer niet de vochtigheid
van buiten-af daarbij komt en hare werking doet gevoelen , dat dan ,
naarmate andere omstandigheden die veranderingen bevorderen en te
weeg brengen, deze zullen plaats grijpen ten nadeele van de knoppen
en stengels. — Maar als dat zoo is, zal men ons vragen, hoe komt
het dan, dat het planten van toppen zulke goede resultaten oplevert op
uiterst vochtige, ja zelfs op drassige gronden? Hierop zullen wg ant-
woorden, dat men bij het planten van toppen noodwendig dient te on-
derscheiden tusschen die , by welke de eindknop zich ontwikkelt , en die ,
by welke bedoelde ontwikkeling niet plaats heeft : bij de eerstgenoem-
den wordt door de ontwikkeling van den eindknop eene nieuwe levens-
kracht gegeven aan het stuk plantriet , dat daardoor bestand wordt
tegen de werking der chemische krachten , terwijl in het tweede geval
het stoffelijk zaraenstel van het plantriet geheel onder den invloed ligt
van de wetten , die het stof regeren. — In het eerste geval , wel verre
van over te gaan tot verrotting, gaat het riet voort te leven; naar
mate de sappen geabsorbeerd worden, worden ze vervangen door andere,
zoodat de stengels aanhoudend blijven beschikken over eenen genoeg-
ztimen voorraad voedende zelfstandigheden. — By een plantsoen top-
pen, die geheel en al overdekt zyn met aarde, duurt het een geruimen
tyd eer er sappen in de stengels komen ; vandaar dat deze plantsoenen
gemeenlijk niet zoo schoon staan als die, welke zyn voortgekomen van
volmaakt plantriet of van toppen, waarvan de eindknop zich heelt
ontwikkeld.
Digitized by
Google
105
^j hebbai de voordeelen en nadeden aangetoond aan het planten
ran toppen Terbonden, onder alle omstandigheden; doch om bepaald
}ns gevoelen ten aanzien van dusdanige plantingen te doen kennen ,
moeten wij daarbg voegen, dat zelfs in de aangeduide gevallen de be«
loeide plantingen alleenlijk dasirom dienstig zijjn, omdat het niet moge-
lijk geweest is de plaatsel^ke toestanden te veranderen. Waren w^ in
bet bezit van een terrein , dat vochtig was en drassig , en voor een groot
gedeelte zamengesteld uit kleigrond, dan zouden onze pogmgen daar-
heen gerigt moeten worden, om die hoedanigheden te wyzigen en den
grond g^chikt te maken voor de rietteelt. Dat terrein, drooggelegd,
gedraineerd, in zijne physieke eigenschappen hervormd en in z^ne che-
mische zamenstelling gewijzigd, zou bij uitnemendheid geschikt z^n
voor de cultuur , waartoe men het bestemde ; en alsdan zou men ter
planting kunnen gebruiken of het beste plantriet, of dat, hetwelk de
meeste besparing aanbood. Zelfs in het geval dat men toppen wenscht
te planten is het nuttig en noodig den grond vooraf goed gereed te
maken , vooral wanneer de toppen in hun geheel in den grond gebragt
zullen worden: daardoor toch bevordert men de ontwikkeling der knop-
pen , den groei der spruiten , en vry waart men den stam gedurende een
geruimen tyd tegen verderfeliyke invloeden. Toegt men daarby de aan-
wending van besproeijing , dan is het duidel^k , dat wij al de vereisch-
ten aanwezig hebben, die den groei van het suikerriet kunnen bevor-
deren , onverschillig welk plantriet men meest geraden acht en dienstig
oordeelt te bezigen.
Bij de vorenstaande beschouwing aangaande het planten van toppen
hebben wij, als altijd, onze redeneringen gebouwd op de daacb&aken,
zorgvuldig de uitersten vermydende, waarin sommige landbouwers ver-
vallen zyn. Immers, in andere landen is men zoozeer overtuigd van de
voordeelen, welke aan het planten van toppen verbonden zijn, dat men
er zich, om te planten, nooit, onder welke omstandigheden ook, van de
rijpe gedeelten der rietstengels bedient; dit gaat zelfs zóó ver, dat men,
als men geen toppen heeft , een pas opgekomen plantsoen kapt, of een
plaütsoen, dat gebloeid heeft; alsdan snydt men de boven-einden van
de stengels af, en de rest wordt gebruikt om er de suikerdeelen uit te
trekken of om er brandewyn van te stokent En weder in andere oor^
Digitized by
Google
106
den, daarentegen, wordt het planten van toppen voor zeer nadeelig
gehouden, en beweren velen, dat die handelwijze alleen reeds voldoende
is om het riet te doen ontaarden.
Hbt planten op heuvelen. — De uitvoerige studie van al de on-
misbare middelen, ten einde tot de volkomene kennis te geraken van
al de eigenschappen , die de gronden kenmerken ; het onderzoek naar
het gewigt, zoo in onderling verband als op zich zelven beschouwd,
van elk der bestanddeelen, waaruit de gronden zijn zamengesteld ; de be-
schouwing van de omstandigheden, waardoor ze worden gewijzigd, enz.,
dat alles behoort bepaaldelyk tot de Landhuishoudkunde, — De oordeel-
kundige keuze van den grond, die het best geschikt is voor eene be-
paalde teelt in een gegeven klimaat — een belangryk punt, dat de
landhuishoudkundige behoort te beslissen, alvorens met zijne werkzaam-
heden eenen aanvang te maken — is eene toepassing van de algemeene
landhuishoudkunde op de allereerste behoeften van het organismus , waarin
zich de voortbrengselen gaan vormen, die wij wenschente verkregen. In
overeenstemming met deze beginselen hebben wij onze algemeene be-
schouwingen aangevangen met eene bespreking van alles, wat op de
landhuishoudkunde betrekking heeft, en vervolgens hebben wij de vast-
staande waarheden toegepast op de teelt van het suikerriet: al deze
onderwerpen zal men behandeld vinden op hunne plaats; maar daar er
ten aanzien van de keuze der gronden eenige punten zgn, die in dade-
lijk verbaad staan met de teelt zelve, hebben wij het nuttig geoordeeld
hier ettelijke bijzonderheden te bespreken betreffende de teeU op heuvelen.
Alt^d, waar het mogelijk is, moet de landbouwer, die zich aan
de rietteelt wil wijden , als veld voor zijne verrigtingen een vlakliggend
terrein kiezen, of althans een zoodanig, dat weinig oneffenheden of
glooijingen vertoont. Op heuvelen riet te telen is nooit raadzaam, of
men moest volstrekt geen gronden kunnen vinden, die beter daartoe
geschikt waren; en zelfs in die gevallen is het noodig, dat men zooda-
nig heuvelige gronden wete te kiezen, die nog de minste bezwaren
opleveren. Met ongelyke gronden gaan de volgende nadeelen gepaard :
1». De werkzaamheden, om die gronden behoorlyk ter beplanting ge-
reed te maken, zijn moeijelyker te verrigten, vorderen eene b\jzond^%
Digitized by VjOOQIC
I
107
ervaring bijj degenen, die ee moeten volbrengen, en vereischen boven-
dien de aanwending van doelmatige werktuigen: zelfs onder de beste
omstandigheden is het menigmaal moeijjelyk te vermijjden » dat de boven-
laag teel-earde worde weggerukt, of men moet de noodige voorzorgen
nemen ten einde te beletten dat de teel-aarde verloren ga. — 2o. De
eultanr-arbeid is zeer moeijjeiyk, vooral wanneer het planten niet goed
s bestuurd, en wanneer al de arbeid volbragt wordt regtstreeks door
menschenhanden. Immers, als de arbeider zich op eenen sterk hellenden
grond bevindt, raakt hij bij het kappen van het boschgewas biyna zijn
aangezigt met het hakmes, hij staat in eene zeer lastige houding, en
telkens moet hy naar beneden, om het werk opwaarts te beginnen; want
anders zou het hem onmogelijk wezen eenige krachtsinspanning dimrb^
aan te wenden, zonder gi*oot gevaar te loopen achterover te vallen. —
8*. De ligging van den heuvel is, zelfe in ons klimaat, van grooten
invloed op de rijpwording van het riet, zoo zeer, dat wij twee naast
elkander liggende plantaadjen gezien hebben, waarvan de terreinen vol-
komen aan elkander gelijk waren; maar op de eene werd riet geplant
op eenen heuvel, die afbelde naar het noorden, en op de andere aan
den kant, die naar het zuiden lag : op eerstgenoemde plantaadje kwamen
de rietstoelen nooit tot eenen by zonderen graad van ontwikkeling, en
leverden buitendien eene opbrengst aan suiker, die in geen vergelyking
kwam bij die ?an het riet, dat, naar het zuiden geplaatst, beter ryp
was geworden. Onder de rietstoelen waren er veel meer, die bloeiden;
en dit verschijnsel vertoonde zich in een veel korter tijdsbestek. — Met
betrekking tot dit punt , achten wij het nuttig eenige wenken hier in te
lasschen, die wel is waar meer van toepassing z^n op andere klimaten
dan het onze, maar die mogtans niet over het hoofd gezien mogen
worden, waar het eene plant betreft, die zooveel warmte en licht hebben
moet, willen in hare weefsels al de chemische reactiën kunnen plaats
grijpen, welke vereischt worden om haar tot rapheid te brengen. —
De landbouwkundigen, na eene menigte waarnemingen verzameld en vele
verschillende proeven genomen te hebben, hebben uit al die feiten de
navolgende waarnemingen a%eleid : l'. De gronden, die naar het noor-
den gekeerd liggen, ontvangen minder warmte en behouden de voch-
tigheid langer. De planten doorloopen in een korter tijdsbestek al de
Digitized by
Google
108
overgaugs-momentea van hare ontwiickeling; beginnen later, maar ein-
digen vroeger. — De planten, die verstoken blyven van licht en warmte,
brengen minder vruchten voort, en die vruchten bezitten over het alge-
meen minder saprykheid. — 2o. De gronden, die naar het zuiden ge-
keerd liggen, ontvangen spoediger en in hoogere mate warmte, genieten
meer licht, en het licht valt er meer regtstreeks op. Het plantsoen
komt vroeg tot rypheid , en het produkt bereikt den hoogsten graad van
ontwikkeling. Deze gronden lyden veel van de droogten. — 3o. De naar
het oosten hellende gronden worden spoediger droog, de dampkring
bevochtigt ze minder. De ochtendzon doet in deze gronden spoediger de
groeikracht ontwaken , brengt die spoediger in beweging na de rust van
den nacht en na de inslurping van vocht. De oogsten zijn vroeger r^p,
en hunne rijpheid is meer volkomen. — Op de naar het westen gekeerde
gronden ontvangen de planten niet dadelijk de warmte en het licht van
de zon , maar zulks eerst nadat de vochtigheid van den nacht verdampt
is, op het oogenblik als de levenskracht, die door de rust hersteld
was , weder is beginnen af te nemen : om al deze redenen zijn de plan-
ten, dienaar het westen gekeerd groeyen, minder vroeg rijp en komen
niet tot eenen zelfden graad van ontwikkeling als die, welke het genot
hebben van de eerste stralen der zon. — De voor- en nadeelen van
deze plaatsing worden gewgzigd door de zamenstelling van den grond :
kleiachtige, vochtige en koude gronden zijn meer geschikt voor den
plantengroei, wanneer ze naar het oosten of naar het zuiden gekeerd
liggen, en ze zyn nadeelig, als ze gekeerd liggen naar het westen of
naar het noorden. Juist het tegenovergestelde is het geval met zandige
en kalkachtige, drooge en warme gronden, voor welke de ligging naar
het westen de beste is, en die meer van de droogten lijden, b^aldien
ze naar het zuiden gekeerd zyn : hierbij valt op te merken , dat de eigen-
schappen van zandige en kalkachtige gronden worden gewijzigd door de
geaardheid en de dikte van de bovenlaag teel-aarde, zoomede door de
gesteldheid van den ondergrond. — De ligging naar het noorden, einde-
lijk, is in geen geval gunstig, bijaldien het terrein zoo sterk hellend is,
dat de zonnestralen er al te schuin op vallen. In het algemeen zullen
wij er bijvoegen, dat de eigenschappen en de menigvuldigheid der heer-
schende winden van grooten invloed zijn op de uitwerkselen der lig-
Digitized by
Google
109
ging. — ^ 4*. Wat de waUerlozing betreft in de landen, waar nog niet
een behoorlijk stelsel om het water af te leiden is ingevoerd, is het
onbetwistbaar, dat kleiachtige 'gronden, of die, welke een ondoordring-
baren ondergrond hebben, meer voordeden zullen aanbieden byaldien
ze zacht glooijen, zoodat het water er gemakkelijk kan afloopen. —
5*. Op de heuvelen is het uit den grond trekken van de rietstokken zeer
moeijelijk, en menigmaal is het noodig ze met geweld naar beneden
te rukken.
Uit al deze beschouwingen laat zich gemakkelijk afleiden, dat wij,
als wij riet willen telen op heuvelen, er op bedacht moeten zijn om
de bovenlaag teel-aarde in wezen te houden, den arbeid te vergemak-
kelijken door middel van werktuigen, die in beweging worden gebragt
door trekdieren, en het riet zoo te planten, dat, zonder de afwatering
te belemmeren, de aarde worde tegengehouden, en dat de gunstigste
%gittg worde gekozen, opdat het plantsoen de meestmogelijke hoe-
veelheid licht en warmte geniete, Door*de rigting, welke men aan de
groeven geeft, moet men dus trachten al deze vereischten te bevredi-
gen. — Op het eiland Cuba wordt het planten op heuvelen bewerkstel-
ligd met de spade of met den pootstok, ten einde te zorgen, dat de
aarde niet zal worden medegevoerd door de regens; wat het breken
van den grond betreft met geschikte ploegen (ronddraaijende schaar) ,
zoodanige arbeid wordt niet verrigt. — Zoodra deze betere ploeg wordt
ingevoerd, zal men, bij het maken van groeven, deze dienen schoon te
maken, door er den tweesnijdenden ploeg tweemaal doorheen te laten
loopen, wordende zulks tegenwoordig verrigt met de spade.
Het planten met TUSscHENEiJëN. — Wanneer men een plantgewas
teelt, welks aard gedoogt of vordert, dat er tusschen de planten, die
op eene bepaalde uitgestrektheid gronds komen , meer of minder groote
tusschenruimten worden gelaten, in welke gemakkelijk eenig ander
plantgewas zich zou kunnen ontwikkelen, is veelal het gebruik, dat
men, tusschen het hoofdgewas in, nog iets anders teelt, ten einde
zoodoende meer partij te trekken, niet alleen van de voorloopige werk-
zaamheden, die verrigt zijn om den akker voor de cultuur geschikt te
maken, maar ook van die werkzaamheden, die gedurende den groei van
Digitized by
Google
110
het geteeld wordende hoofdgewas nog sullen moeten worden yenigt om
het tot s\jn behoorlijken wAsdom te brengen.
Maar zal eene zoodanige vereeniging van gewassen noemenswaardige
voordeelen kunnen opleveren, dan is het noodig: 1<>. dat de tusscheih
gekweekte plant het eindpunt van haar bestaan, of althans het tijdstip
waarop zy uit den grond wordt gehaald om verbruikt te worden ^ be-
reike voor het oogenblik, waarop de inzameling zal plaats hebben van
het geteeld wordende hoofdgewas; 2o. dat de aanwezigheid van hettus-
schenkweeksel geen belemmering hoegenaamd oplevere, by het volbren-
gen van de werkzaamheden, die ter aankweeking van het eersAedoelde
gewas worden gevorderd; 8«». dat het tusschenkweeksel geen belenune-
ring zy voor de weldadige werking van licht en warmte, zoo noodza-
kelyk voor de volkomene verrigtingen van al de levens-functiën der
plant, en dus niet aan de ontwikkeling van deze in den weg sta;
40. dat de wortels van het tusschenkweeksel niet de ontwikkeling der
zelfde organen van het hoofdgewas belemmeren; en eindelyk 5o. dat het
tusschenkweeksel geen verslindende plant zy, die den grond uitmerg^t,
en vooral ook niet, dat zy hoofdzakelyk hare voeding zoeke in dezelfde
bestanddeelen, die de hoofdplant voomamelyk noodig heeft om te groei-
jen en tot het toppunt van haren wasdom te geraken, door al hare
functiën te kunnen verrigten met de meestmogelyke volkomenheid.
Deze beginselen vooropgesteld zullen wy aantoonen, dat het zaayen
van maïs tusschen het te veld staande suikerriet, lynregt met de belan-
gen van het laatstgenoemde in stryd is; zoodat, wanneer men zich de
moeite geeft de hier ontvouwde redenen aandachtig na te gaan, men
geen oogenblik meer zal kunnen weifelen aangaande den weg, dien
men heeft te kiezen , als men zich slechts laat leiden door zyn gezond
verstand.
Op het eiland Cuba heeft men de gewoonte maïs te zaayen op de
riet-akkers, wordende het zaad door eenige arbeiders in den grond ge-
bragt met groote tusschenruimten, tusschen de rietgroeven, telkens een
of twee groeven ongebruikt latende; anderen zaayen maïs tusschen al
de groeven, en op afetanden van naauwelyks anderhalve nederl. el vao
elkander.
Deze gewoonte is in de hoogste, mate schadelyk; en ten einde de
Digitized by
Google
111
oadeelen, die daaruit voortvloeien, te beter te beseffen, dient men de
redenen na te gaan , die w^ hieronder uiteenzetten :
1*. Door het lommer van zijne bladeren belemmert de maïs den groei
van het suikerriet. Deze daadzaak is zoo algemeen erkend , dat doorgaans
alleenlijk bij de najaars-plantingen , die in de gelegenheid komen om
dch te herstellen van de ondervondene vertraging, maïs wordt gezaaid;
doch bij de vooijaars-plantsoenen , die met spoed en onder de meest be-
gunstigende omstandigheden al de tijdperken van hunne ontwikkeling
moeten doorloopen, ten einde zoodanigen wasdom te bereiken dat ze
geschikt z^'n om met vrucht te kunnen worden gemalen na verloop van
een jaar, hebben zelfs die landbouwers, die nog het meest achterlijk
zijn in kennis en in de landhuishoudkundige wetenschap, reeds sedert
lang het tusschenzaaijen van maïs als nadeelig nagelaten.
2^. Het zaaijen van maïs op de riet-akkers is belemmerend voor de
werkzaamheden, die noodig zijn ter aankweeking van het suikerriet, en
beletten bovendien het oordeelkundig en arbeid-uitsparend gebruik van
goede werktuigen. — Immers, wanneer men msös zaait in de plaats-
ruimte , die tusschen de rietryën of groeven ligt, is het onmogel^k de
landbouwers-werktuigen daarin te brengen, die gebezigd worden tot
wieden, aanaarden en rooien. — En men zegge niet: tegen dat het
noodig wordt ons van die werktuigen te bedienen, zullen w^ den maïs-
oogst reeds hebben ingezameld; want, om slechts een voorbeeld te noe-
men, het wieden is menigmaal noodig reeds als het riet pas begint op
te komen, en moet vervolgens na verloop van eenen zekeren tijd nood-
wendig herhaald worden. — Om in dit bezwaar te voorzien, zaaijen
sommigen aan den kant van het riet, in de zelfde groeve, en brengen
anderen het zaad in den grond in die gedeelten der groeve, die tusschen
de rietstekken inliggen. — Maar in beide deze gevallen brengt de maïs
nog grooter nadeel aan het suikerriet toe, niet alleen door het lommer
van zijne bladeren, maar bovendien ook door zijne wortels, die werk-
zaam ssijn zooals wij verder hieronder zullen raededeelen. — De maïs-
planten kunnen de noodig geweest zijnde inboetingen verstikken.
Overigens, wanneer het riet aangeaard wordt door aan weerskanten
van de groeve een os te laten loopen, terwijl het juk over de rietr^
gaat, beletten de maïsHstammen, door hunne 'grootte, dezen arbeid;
Digitized by
Google
112
in dat geval dient men met aanaarden te wachten tot na de inzameling
van den maïs-oogst.
3^. De wortels van de maïs-plant belemmeren de ontwikkeling van
die zelfde organen van het suikerriet op eene (om het eens zoo te noemen
werktuigelijke) wijze, daar ze zich meester maken van het terrein, en
vooral doordien ze den grond uitputten en de voeding der organen van
de rietplant beletten in den eersten tijd van haar bestaan.
4^. De maïs, met zijne talrijke en krachtige wortels, trekt in een
kort tijdsbestek eene groote hoeveelheid voedende zelfstandigheden
uit den grond ; zoodat hij den grond uitmergelt of onvruchtbaar maakt
op eene wijze, te schadelijker voor het riet, daar h^ juist de aardstreek
uitmergelt, uit welke het geteeld wordende suikerriet gedurende een
aantal jaren de voedselstoffen zal moeten trekken, welke het noodig
heeft om te groeijen. En men lette wel : de bestanddeelen , waarvan de
maïs zich meester maakt om tot zijnen wasdom te komen en z^'ne
graankorrels tot rijpheid te brengen, zijn juist die, aan welke het sui-
kerriet, om zich te kunnen ontwikkelen, het meest behoefte heeft. Zoo-
dat wij, op het oogenblik waarop de rietplant begint te leven, begin-
nen met haar van de middelen te berooven, waardoor zy leven moet.
Men vergunne ons eene vraag : wanneer wij eene lading scheep bragten
in een zeilschip, om eene lange en aan vele wisselvalligheden bloot-
staande reis te doen, zou het dan wel verstandig zijn dat schip, op
het oogenblik waarop het de reis ging aanvaarden, te berooven van
een groot gedeelte van den leeftogt, dien het noodig heeft om z|jne
bemanning te voeden?
B^ alle vraagstukken van n^verheid, is het punt, waarop het hoofd'
zakel^k aankomt, het economisch resultaat: wg willen dus zien of het
zaayen van maïs tusschen het te veld staande suikerriet eenige voordee-
len oplevert. Daar de maïs, die op de rietvelden gezaaid wordt, zelfs
in de gunstigste omstandigheden , slechts op groote afstanden uiteen wordt
gezaaid , en daar overigens aan de mais-plant, gedurende den tyd van haxen
groei, weinig meer oplettendheid wordt geschonken dan aan gemeen on^
kruid, levert zoodanig zaaisel doorgaans niet meer uit dan 22 a 33 nederl.
mudden maïs per gewonen rietmakker van 13,42 hectaren gronds , welke op-
brengst eene waarde vertegenwoordigt van hoogstens 1250 nederl. guldens.
Digitized by
Google
113
Bekent men nu de kosten van den arbeid, indien het werk moet Ter«
rigt worden door menschenhanden en niet door middel van landbonw-
werktnigen, die in beweging worden gebragt door trekdieren; neemt
men in aanmerking de belemmering , welke het suikerriet ondervindt in
zijnen groei, en die noodwendig van invloed wordt niet alleen op de
grootte van de plant, maar ook op de hoeveelheid suikerdeelen, welke
hare sappen inhouden; en let men daarbij op de verarming van den
grond , waardoor van jaar tot jaar eene vermindering plaats grypt in de
ontwikkeling van het riet, welks moederstekken na verloop van eenen
korten tijd te niet gaan of loos worden; dan zal men inzien, dat al deze
nadeelen te zamen iets meer beteekenen dan 1250 gulden; zoodat eene
zaaijing, waardoor, tegenover zulk een gering voordeel, zulke belangryke
nadeelen aan ons worden toegebragt, zeer zekerlijk door onzen land-
bouw moet worden afgekeurd.
Als men in plaats van op zoo gebrekkige wyze, en tot nadeel van
de rietteelt, maïs te zaaijen, slechts één behoorlek daartoe gereedge-
maakten akker uitsluitend met maïs bezaaide, en vervolgens voor de
planten, gedurende haren groei, de vereischte zorg droeg, zou men on-
betwistbaar van dat ééne stukje gronds meer maïs en van betere kwa-
liteit inzamelen, dan van zes zulke akkers, bezaaid tusschen de rietr^'ën in.
Onder de tusschen-in zaaijingen, die het meeste voordeel kunnen
opleveren, zoowel wanneer ze plaats hebben op eenen riet-akker , alsook
op een maïs-, koffij-, maniok-veld , enz., moeten w^ in de eerste plaats
rangschikken het zaaijen van de bekende zwarte boonen , die even voedzame
als smakelijke vrucht voor het grootste deel der bevolking van Cuba,
en vooral voor onze slaven. — Naar wij gehoord hebben maakt deze
vrucht een der hoofdbestanddeelen uit in het stelsel van voeding in de
negerijen van Brazilië, waar de planters doordrongen zijn van het besef
van de goede eigenschappen dezer vrucht, waarmede zij andere voedings-
middelen gepaard doen gaan, die, daarmede vereenigd, het totaal vor-
men der voedingsstoffen, welke in het menschelyk organismus moe-
ten doordrmgen, om het evenwigt in stand te houden in de levens-
functiën, door de betrekkelijke en absolute massa levenskrachten
te herstellen en te vermeerderen. — Die boonen kunnen tusschen de
rietrijën gezaaid worden, zonder noemenswaardig nadeel voor de werk-
8
Digitized by
Google
114
zaamheden, welke de rietHsultuor vereischt; en als men daarb^' te werk
gaat overeenkomstig goede regelen, en de zaken voorbedachtel^k daar-
naar inrigt, lijjdende plantsoenen, waarop die boonen-zaaijingen worden
toegepast, evenmin eenig noemenswaardig nadeel daarvan. Bovendien,
daar de bedoelde boonen geplukt kannen worden twee en eene halve
maand of drie maanden nadat ze gezaaid zijn, oefenen ze geen noe-
menswaardig nadeeligen in^oed uit op de suikerhoudende plant in het
tijdperk, waarin deze zich ontwikkelt; daar deze boonen overigens klein
zijn, en, gel^k w^' gezegd hebben, gemakkel^k tusschen iets anders in
gezaaid kunnen worden, zonder aan het hoofdgewas nadeel toe te bren-
gen , is het duideligk , dat men ze op de riet^ikkers behoort te zaayen ,
altijd en overal, waar de grond er geschikt toe is, en waar de gesteld-
heden van den dampkring uitzigt geven om er een goed resultaat van
te bekomen. — Op laagliggende gronden, gedurende den t^'d der
regens, moeten de bedoelde boonen niet gezaaid worden; daar moet
men er mede wachten, om ze te zaaijen tusschen het najaars-riet.
Oneioektlijke benaming van de cultuub aan RiJëN. — De oor-
deelkundige w^ze van rietteelt in evenwijdig loopende rijen, die op
behoorlijken afstand van elkander geplaatst z^n, zoodat men in de
daartusschen liggende ruimten, met behulp van de door trekdieren in
beweging gebragt wordende landbouw-werktuigen, al de werkzaamheden
kan verrigten, die noodig ziyn om de plant tot haren vollen wasdom te
brengen, begint op Cuba meer en meer in gebruik te komen. Als w^
letten op het groote aantal grondeigenaars, die zich gehaast hebben om
het stelsel van de cultuur aan rijen aan te nemen, en al de daartoe
vereischte werkzaamheden te doen verrigten met de tot dat einde dien-
stige werktuigen, dan houden wij ons overtuigd, dat binnen een niet
ver verwijderd tijdsbestek deze wijze van werken zoo algemeen zal zijn
geworden, dat er nog slechts als bij uitzondering ettelijke plantaadjen
zullen worden aangetroffen, waar men de gebrekkige methoden bl^t
volgen, die zich zoo lang in onzen landbouw hebben staande gehouden
als een sleur.
Wij gelooven dat het hier de plaats is om aan te toonen, dat het
zijn nut zoude hebben aan deze wijze van planten haren waren naam
Digitized by
Google
115
te geven, daar het anders later moeyd^k zoude z^n de verkeerde be-
naming nit te roeden, die men begonnen is daaraan te geven. Gemeen-
lijk is het stelsel, waarmede w^ ons thans bezighouden, bekend cmder
den naam van cultuur op de manier als in Zauiêiana of eenvoudig
culiuur op zijn Loumanaoich, W^ vinden deze benamingen oi^uist en
verkeerd, om de hierna volgende redenen:
1*. Het algemeene stelsel der cultuur aan rijen, voor het eerst toe-
gepast op den graanbouw, was niet uitgedacht in Louisiana; verder
hieronder zullen wij doen zien, waar het z|jn oorsprong genomen heeft
en wie er de uitvinder van geweest is.
2*. Het stelsel van cultuur aan rijen werd niet in Louisiana het eerst
op de rietteelt toegepast. Naar w^ zijn ingelicht is men daarmede het
eerst begonnen in de fransche en engelsche koloniën (31).
3*. In Louisiana, uit hoofde van de b^zondere toestanden aldaar, is
de invoering van dit stelsel noodzakelijker dan in andere landen, niet
alleen om redenen van economie, maar ook omdat, zonder dat, het
riet zich niet zou ontwikkelen in den korten tyd, gedurende welken het
de temperatuur geniet, die onmisbaar is om het tot z\jnen vollen was-
dom te brengen. En in weerwil dat het dus eene noodwendigheid is,
vergist men zich als men denkt, dat dit stelsel in dat land zoo alge-
meen verspreid is als w^ gelooven.
4>*. Het eenige , waardoor de benaming van cultuur op de manier aU
in Louisiana eenigen sch^'n van juistheid heeft , is dit : dat de eerste
begrippen aangaande het stelsel van de cultuur aan rijen van daar tot
ons zoude z^n gekomen. Zeer velen z^jn er, die dit verzekeren; doch
wij weten, dat de eerste, die getracht heeft deze wijze van cultuur
op Cuba in te voeren, een Franschman is geweest, die daartoe niet
Louisiana tot voorbeeld genomen had (32). — Overigens liggen in de
benaming planten op de manier als in Louisiana denkbeelden opgeslo-
ten, beseffende de daar te lande aan de teelt besteed wordende zor-
gen , die echter geenszins de volmaaktste z\jn , niet eens in eenen vol-
strekten zin in verband met de daar bestaande toestanden, maar die,
al waren ze goed, veel minder nog van toepassing zouden zijn op al
onze gronden. — Het z^ ons ook vergund nog hierb^ te voegen, dat
het stelsel van behandeling, hier door ons aanbevolen, ons eigen werk
Digitized by
Google
116
is, de vracht van eene aanhoudende opmerking en van velerlei proef-
nemingen.
5*. „Planten op de manier als inLooisiana" is eene uitdrukking, die
op geen den minsten redelijken grond steunt; en ieder, die deze uitdruk-
king voor het eerst hoort, al ware hij nog zoo bedreven in de kennis
van den landbouw, zou dienaangaande noodwendig om opheldering
moeten vragen.
Ter verduidelyking van deze vyïde reden, die wy aanvoeren ter be-
strijding van het bezigen der uitdrakking, welke wij trachten in onbruik
te doen geraken , dienen wij in eenige ophelderingen te treden , en
eenige benamingen te verklaren, die aanvankelijk slechts van toepassing
waren op de teelt van granen, en die men later ook heeft aan-
genomen voor de teelt van andere plantgewassen, van eerstgenoemde
kennel^k verschillende, zoowel in bestemming als in aard, maar die
veel overeenkomst er mede hebben, wat aangaat de werkzaamheden,
welke verrigt behooren te worden om ze tot behoorlyke ontwikkeling
te brengen.
Onder den naam van plantingen aan rijen verstaat men allen, welke
bewerkstelligd worden in parallel loopende lynen, waarbij het plantriet
in den grond wordt gebragt op eene gelyke diepte, terwijl de planten
op zoodanigen afstand van elkander in de groeve geplaatst zijn , dat ze
hare volkomene ontwikkeling kunnen bereiken , zonder elkander te be-
nadeelen (33). Ofschoon de mensch in staat is deze resultaten te ver-
kri[jgen door eigen bekwaamheid, sluit echter de cultuur aan ri|jên,voor
zooveel het zaadkorrels betreft , de aanwending in zich van een bijzon-
der werktuig om den arbeid te verrigten , die in vele gevallen nog dient
te worden aangevuld door de regtstreeksche aanwending van de men-
schelijke kracht, als men ten minste geen zaaitoeetél heeft, die daartoe
opzetteligk is ingerigt. Daar de rijen regt zyn en parallel loopen, is
het duidelijk , dat men ze zóó kan inrigten , dat er groote of kleinere
tusschenruimten tusschen liggen, naar gelang van den aard der plant,
of van het stelsel van cultuur, dat men aanneemt. Deze regelmatigheid
in de tusschenmimten maakt het mogel^'k zich te bedienen van landbouw-
werktuigen, die in beweging worden gebragt door trekdieren. — De
cultuur van de planten » diê aan rijen gezaaid {ofgeplan£) zijn , of korter
Digitized by
Google
117
gezegd de cultuur aan ri^én of lange de lijn , vooronderstelt het gebruik
van dusdanige werktuigen , ofschoon het van zelfs spreekt dat al de be«
werkingen dier cultuur , sooals ongelukkigerwyze dan ook in vele ge-
vallen geschiedt, kunnen volbragt worden enkel en alleen met aanwen-
ding van de krachten van den mensch.
Er bestaat eene andere benaming, die in hare ware beteekenis het
zelfde beduidt als cultuur aan rijen; w^ bedoelen de uitdrukking
cuUuur van gewiede planUoenen,
Onder de benaming gewiede plantsoenen verstaat men den oogst van
op één veld gezaaide verschillende plantgewassen , die op groote afstan-
den van elkander gezaaid moeten worden, opdat ze aldus zouden kun-
nen beschikken over de vereischte grondsoppervlakte , en de dampkrings-
invloeden ontvangen, die voor hunne ontwikkeling onmisbaar z^'n. —
In de ruimten tusschen deze planten komt onkruid te voorsch^n, dat
door zijne aanwezigheid juist de doeleinden zou tegenwerken, die wij
wenschen te bereiken door de planten op zoodanige afstanden van
elkander te plaatsen, als wij dienstig achten; het is dus noodig, dat
onkruid uit te roeden , met andere woorden het uit te wieden , tot welk
einde men zich met veel nut en op de minst kostbare wijze bedient van
landbouw-werktuigen , die in beweging worden gebragt door trekdieren,
welke werktuigen niet alleen het onkruid-wieden volkomen verrigten ,
maar tevens den grond omwoelen , en hem zoodoende voortdurend los
en zacht doen blijven.
Daar tot het aanwenden van deze landbouw-werktuigen de regtlijnig-
heid by de cultuur op den voorgrond staat; en daar het overigens in
ieder geval dienstig is het zaad (of, bij suikerriet , de plantstekken) in
de groeven te brengen op eene gelyke diepte, en in de regte lyn op
behoorlijke afstanden van elkander — alle welke vereischten vatbaar
zijn voor wijzigingen, naar gelang van den aard der plant, van de eigen-
schappen van den grond, en van de weersgesteldheid — is het duide-
lijk , dat men bij de teelt van gewiede plantsoenen dient te zaaijen aan
rijm of langs de lijn , naardien by de teelt van gewiede plantsoenen
de zelfde zorgen vereischt worden, die noodig zyn by de teelt van
plantsoenen aan rijen, zoodat er, wy herhalen het, in de eigentlijke
beteekenis van die twee uitdrukkingen geen onderscheid bestaat, al bf'
Digitized by
Google
118
staat er eenig verschil in de wijzen, waarop de werkzaamheden ten
uitroer worden gebragt.
Welnu : de landbouwer , di^ oplettend den zamenloop yan werkzaam-
heden nagaat, welke verrigt worden b^ de cuUuur aan rijëHy en £e
zich een juist denkbeeld vormt van het doel van elk dier werkzaam-
heden, van de wijzigingen, welke men daarin moet aanbrengen naar
gelang van het klimaat, den grond en de geaardheid van de plant»
zal oogenblikkelyk met juistheid weten te bepalen, welke soort van
bij-cultuur het voordeeligst is voor het suikerriet, wanneer hy in aan-
merking neemt den aard van dit gewas, de gesteldheid van den grond,
waarvan hij zich te bedienen heeft, en de gesteldheden van den damp-
kring, welke op de teelt van invloed zullen zijn.
Wanneer een buitenlandsch landbouwer ons vroeg, welk stelsel van
suikerriet-cultuur gevolgd wordt op de goed ingerigte plantaa^jen op
het eiland Cuba, en wij gaven hem ten antwoord: „Daar volgt men
de wijze van cultuur, die in gebruik is in Louisiana", dan zou hg
ons dadelijk eene nieuwe vraag doen, om te weten, waarin dat stelsel
bestaat. — Wij zouden onze uiteenzetting beginnen, en na lange ver-
klaringen zou onze vrager, al wat wij hem verteld hadden bijeentrek-
kende, zeggen: „Dan behoort het suikerriet tot de klasse der plan-
ten , die bekend zijn onder den naam van gewiede plantéoenen , en
om haar welig te doen groeijen, bedient men zich van het stelsel
der cuUuur aan rijm.** Als wij hem dat dadelijk gezegd hadden, zou
de bedoelde landbouwer, in aanmerking nemende den aard van het
suikerriet, de physieke eigenschappen en de chemische zamenstelHng
van grond en klimaat, door toepassing van de algemeene kennis, die
hij had a^eleid uit de daadzaken, door hem waargenomen in de cultuur
van andere planten , ons oogenblikkelijk op het zoogenaamde stelsel van
Louisiana hebben gewezen. Wij herhalen het: de uitdrukking cuUtatr
aan rijen doet dadel^k eene aaneenschakeling van denkbeelden in onzen
geest r^zen , herinnert ons de noodzakelijke werkzaamheden en de soort
van werktuigen, welke onmisbaar zijn om die werkzaamheden te ver-
rigten met zuinigheid en volkomenheid; terwiyl zich aan de benaming
cuUuur op zijn Louisianaasch volstrekt geen technische denkbeelden van
welken aard ook vasthechten.
Digitized by
Google
119
Het zaaijen (en planten) aan rijen werd in Europa het eerst toegepast
in Oostenr^k; maar op uitgebreider schaal werd het bewerkstelligd in
Spanje , in het jaar 1664. Door den uitvinder er van , José Leocatelo ,
werden met den zaai^oeately door hem tot dat einde opzettelijk ver-
vaardigd, proeven genomen in de tuinen van het Buen Betiro, onder
de bescherming van Filips IV; en z^'n geschrift daarover verscheen in
1664 in druk te Sevilla, b^ den boekverkooper D. Juan Gromez de
Bias. — Later werd dit werlge overgedrukt in de Gedenkschriften van
het Koninkl^k Genootschap voor Landhuishoudkunde te Madrid (dl. I ,
blz. 1), uitgegeven aldaar in het jaar 1780 door den beroemden boek-
drukker Antonio Sancha. Bij dien herdruk voegde D. Joaquin Marin
eenige ophelderingen aangaande de ontdekking, betoogde het gewigt
daarvan, en deelde mede, welke uitkomsten er door verkregen waren
in andere landen.
De cultuur aan rijen werd in Engeland overgebragt door Tuil, die,
o&choon uitgaande van oi^uiste grondslagen en tot een ander resultaat
komende, nogtans verdiend heeft, dat zijn naam is opgeteekend in de
jaarboeken van den landbouw, doordien hij de eerste uitvinder is ge-
weest van landbouw-werktuigen, welke in beweging werden gebragt door
trekdieren, zijnde de zelfde werktuigen, die, verbeterd en gew^'zigd,
nog tegenwoordig bij de cultuur aan rijjën in gebruik z^n. Bovendien
werd door hem aan allen twijfel een einde gemaakt omtrent de voor-
deden, welke het roo\jen van beteelde akkers oplevert.
Thaer verzekert (34) , dat het stelsel van cultuur aan ryën , reeds sedert
onheugelyke tijden, in gebruik was geweest in Perzië en Hindostan ,
waar niet alleen het zaaijen aan rpn werd bewerkstelligd met behulp
van b^zondere werktuigen, maar waar bovendien ook de aankweeking
van de planten geschiedde met behulp van werktuigen, die getrokken
werden door paarden en door ossen. Naar wy van elders weten , was de
cultuur aan rijjên ook reeds bekend by de Chinezen.
In Frankrijk waren Duhamel en Chateauvieux de twee eerste bevor-
deraars van dit stelsel. In Spaiye komt de eer, deze methode bekend
gemaakt en toegepast te hebben, toe aan D. Agustin Cordero, wiens
nasporingen wij medegedeeld vinden in de Gedenkschriften van het Ko*
ninklijk Genootschap voor Landhuishoudkunde te Madrid,
Digitized by
Google
120
Tegenwoordig is het stelsel « waarover w^ hier spreken» het meest
tot volkomenheid gebragt en het meest algemeen in zwang in Engeland ,
werwaarts allen zich heen te begeven hebben, die met ernst hunne sta-
die wenschen te maken van de beoefening van den hedendaagschen
landbouw. Uit alles wat wy aangevoerd hebben vloeit voort, wanneer
men de cultuur aan rijen wilde bestempelen met eene benaming, waar-
door in herinnering konde worden gebragt, welke natie het meest heeft
bggedragen tot de ontwikkeling van dat stelsel, dat men het dan zou
moeten noemen cultuur op zijn Engelsch De zelfde benaming zou men
aan het stelsel moeten geven met betrekking tot de riet-cultuur, daar
de Engelschen de eersten geweest z^n, die het op uitgebreide schaal
hebben toegepast op de cultuur van de suikerhoudende plant, hoewel
onder hen de allereerste toepassing heeft plaats gehad door een Fransch-
man. Wilden w^* alles haarklein gaan uitpluizen, dan zou men aan het
stelsel, voor zooveel betreft de toepassing op de suikerriet-teelt, nog
een anderen naam kunnen gevenj zoodanige benaming zou strooken met
de bill^kheid; maar w^ achten die niet doelmatig; en voor zooveel ons
aangaat zullen wij, over deze methode sprekende, ons big ven bedienen
van de uitdrukking cultuur aan rijën^ in welke benaming het denkbeeld
ligt opgesloten van eene aaneenschakeling van daadzaken en verrigtiu-
gen, die geijkt zijn door de ondervinding, en die, naar omstandigheden
gewijzigd, kunnen worden toegepast op de cultuur van verschillende
planten.
Winden, beschutselbn, hoogte. — Om met volkomene juistheid te
kunnen oordeelen over den invloed, die door de beweging der lucht
wordt uitgeoefend op den groei van het riet, is het noodig te letten
op de snelheid van den wind en op de eigenschappen van de gasvormige
vloeistof, die zich beweegt. *
Wanneer de rietstoelen nog klein, en de stengels omringd zgn door
de bladeren, hebben ze van de hevige winden zeer veel te lyden, en
kunnen somwijlen geheel uit den grond worden gerukt. Wij hebben
menigmaal den stam van rietstoelen onderzocht, die aan hevige winden
hadden blootgestaan , en hebben dan bevonden , dat ze door de heen en
weer beweging geheele gaten hadden gemaakt, te weeg gebragt door de
Digitized by
Google
121
drukking van den stam tegen de wanden van den aardgrond, waarin ze
geplaatst stonden. — Wanneer de rietstoelen een hoogeren graad van
ontwikkeling bereikt hebben en er komen dan zware winden, dan kun-
nen ze derw^'zé worden geteisterd , dat ze afbreken , of zoo sterk naar
ééne z\jde worden overgezweept, dat ze ontworteld worden en aldus
omgeworpen blijven liggen in onmiddell^'ke aanraking met den grond,
hetgeen de vorming van eene menigte wortels ten gevolge heeft, en
tevens eene volslagene verandering te weeg brengt in de zamenstelling
van hunne sappen. — De hevige en ongeregelde luchtstroomingen kun-
nen in de hoogste mate nadeelig werken.
De lucht, met eene zekere snelheid zich regelmatig bewegende, is,
wel verre van nadeelig, integendeel zeer nuttig, gelyk wy zullen aan-
toonen; doch eerst zullen wy doen zien, wat aangaande dit punt met
betrekking tot andere planten bekend is. — Toaldo was de eerste, die
opmerkzaam maakte op de heilzame uitwerking, door den wind te weeg
gebragt op de levens-fdnctiën der planten, terwyl hij aantoonde hoe de
groeikracht wordt bevorderd door de vermeerderde afscheiding der sap-
pen en door de activiteit, die wordt medegedeeld aan hunnen omloop.
Later, door de resultaten van allezins afdoende proefnemingen, stelde
Knight buiten allen twyfel , dat de beweging der lucht in hooge mate
bevorderlyk is aan de ontwikkeling , doordien zy de uitdamping verhoogt
en tevens eenén sterkeren omloop der sappen veroorzaakt. Een boom, die in
rust blijft, doordien hij met touwen derwijze is gebonden, dat hij niet heen
of weer kan worden bewogen, zal minder hard groeyen dan een an-
dere , die zich onbelemmerd kan bewegen. Een andere boom , aan welken
slechts de gelegenheid was gelaten, om bewogen te worden in ééne
rigting, bij voorbeeld van het noorden naar het zuiden, had op het
laatst een elliptischen stam, daar hij veel sterker gegroeid was aan
3e beide kanten, die in beweging konden zijn, dan aan de andere zij-
den. Overtuigd van het belang der bewegingen , verkregen door middel
van de winden , gaf Decandolle den raad , om niet dan in de hoogste
noodzakelijkheid stutten te plaatsen bij de jonge boompjes, en aan de
tuinlieden deed hij de aanbeveling toch vooral de jonge boomen niet te
vroeg te snoeijen, daar hunne takken, oogenschijnlyk onnut of nadee-
lig, dienstig z^n om, behalve meer uitwerkselen, de gewenschte bewe*
Digitized by
Google
122
ging aan den boom te verschalfen (Decandolle Fhyêiologie tégétale, Uz.
1778). — Wij nemen de vermelde proefnemingen aan, en hebben viede
met de wijze, waarop de oorsprong der verschynselen verklaard wordt;
maar w^ gelooven, dat men een der oorzaken miskend heeft, die van
meer invloed zyn op het ontstaan der uitwerkselen. — Wanneer de win-
den de boomen heen en weer bewegen, doen zij de uiteinden der wor-
tels breken; en uit de aldus veroorzaakte kwetsuren komen vervolgens
nieuwe tot steun strekkende vezeltjes voort, in groote menigte; zoodat
wQ door middel van de winden de zelfde resultaten erlangen, die w^
verkr^'gen als wjj de uiteinden der wortels afkappen met een sn^dend
werktuig. — Wanneer het riet eenen zekeren graad van ontwikkeling
bereikt; wanneer het , na eene langdurige droogte , bij liet ontvangen van
de weldaden van den regen, zacht bewogen wordt door de winden,
doen deze de uiteinden der wortels breken, en uit de afgebrokene pon-
ten spruiten ontelbare nieuwe voedende wortel^'es v()ort. Deze ophelde-
ringen z^n voldoende om buiten allen tw^fel te stellen den weldadigen
invloed, die door de beweging der winden, in de juiste mate en onder
bepaalde omstandigheden, wordt uitgeoefend op den groei van het
suikerriet.
Wat aangaat de gesteldheden van temperatuur en vochtigheid, welke
gepaard kunnen gaan met de in beweging zijnde lucht, moeten wij
doen opmerken: l». In Hindostan worden door deheete lucht en drooge
winden, die in de maand Maart of in het begin van April beginnen te
waaijen, de suikerriet-plantsoenen totaal verschroeid, en in dezen toe-
stand blijven zij, volgens de getuigenis van Wray, totdat het nieuwe
regen-getijde invalt. — 2». Op het eiland Cuba heerschen er gelukb'g
niet zeer dikw^'Is winden, die de eigenschap hebben zulke nadeelige
uitwerkselen aan te rigten; maar in tijden van droogte heeft men op
vele plaatsen den invloed van den hierbedoelden geesel opgemerkt. —
Ofschoon op zeer kleine schaal, z^'n wij in de gelegenheid geweest, de
werking gade te slaan , die de zuidenwind te weeg brengt op het in
vollen groei staande riet; tot dat einde werd een fraaije stoel doorsch^
nend riet, die gekweekt was in een pot, vol met teel-aarde, door ons
overgeplant op een terras : aldaar op eene geschikte plaats blootgesteld,
al den tyd dien de warme en drooge zuidenwind aanhield, bronnen
Digitized by
Google
123
zijne bladeren eerst te verwelken» en eindigden met geheel te verdorren.
Het is zonneklaar, dat de mensch ettelijke natuurlijke nadeelen slechts
ten deele kan te keer gaan. In de landen, waar deze heete en drooge
winden heerschen, zal men, om de schadel^ke uitwerking, die ze op
het suikerriet aanrigten, tegen te gaan, z^ne toevlugt moeten nemen
tot menigyuldige besproeijingen. — Wanneer er op gezette tyden des
jaars winden waayen, die in een of ander opzigt schadelyk zyn, dan
zal men hi kunstmatige beschutselen daartegen dienen op te rigt^, óf
wel partij te trekken van de aanwezige natuurlijke beschuttingen. —
Wat betreft de algemeene uitwerkselen van de gewone winden, zal men
zich tot zekeren graad tegen hunnen invloed kunnen wapenen» dooit het
riet te planten op eene behoorlyke diepte in dqp grond, en het ter
behoorl^ker tijjd stevig aan te aarden : zoodoende voorziet men het van
krachtige stutmiddelen, waardoor het hecht met den grond is verbon-
den. — De geaardheid van den grond wijzigt den invloed van de winden.
Behalve de reeds door ons vermelde uitwerkselen, bestaan er andere
daadzaken , gedeeltelijk in verband met den invloed der winden , waar-
van wij het dienstig oordeelen gewag te maken. Wanneer de rietstoelen
eene zekere hoogte bereiken, beginnen ze, door de dikte van hunne
stengels en door de zwaarte der bladeren, waarmede hunne bovenge-
deelten bevracht zyn, meegevende aan de luchtstrooming waardoor ze
bewogen worden, langzamerhand te buigen, af te w^ken van hunne
natuurlek rigting, en eindigen met geheel ter aarde gebogen te wor-
den. — Daar dit verschijnsel gedeeltelijk afhangt van de afinetingen ,
welke de plant overeenkomstig hare bijzondere geaardheid bereikt, en
van de buigzaamheid harer weefsels, spreekt het van zelfs, dat het zich
in eenen meer of minder sterken graad zal vertoonen, naar gelang van
de soort (variëteit) van riet; maar altyd zal de luchtstrooming in hooge
mate het hare daartoe bijdragen. — Het riet, dat alleen aan de afmetin-
gen, waartoe het zich heeft ontwikkeld, te danken heeft dat het niet
door dmi wind uit den grond wordt gerukt, ofschoon het, op den
grond neergebogen, wortels schiet en gemeenlijk beschadigd wordt door
de dieren, levert gemeenlijk zeer goede resultaten in den molen op;
vandaar dat w^ menigmaal hebben hooren zeggen : „ liggend riet houdt
den meester op de been", waarmede men zinspeelt op het voordeel, dat
Digitized by
Google
124
de plant afwerpt door den hoogen graad van wasdom, dien z^* bereikt. —
In sommige streken van Oost-Indië en in China, waar suikerriet geteeld
wordt op kleine schaal, en waar de handen-arbeid slechts zeer weinig
kost, heeft men de gewoonte, naast de rietstoelen groote staken in den
grond te plaatsen, aan welke de stengels worden vastgebonden « ten
einde eenen stut te hebben; maar zoodoende wordt de rietplant zeer
in haren groei belemmerd, gel^k onze proefiiemingen bewijzen. — On-
der al de soorten (variëteiten) van riet, die wij hebben, is die, welke
door hare byzondere geaardheid ons voorgekomen is, over het geheel
meest geneigd te.z^n om ter aarde te buigen ofte gaan liggen, het
riet met groene streepen; terw^l de soort, die, door de geringe afme*
tingen waartoe zij zi^li ontwikkelt, het meest geschikt is om zich regtop
staande te houden, het riet is uit de omstreken van Batavia.
Behalve de vorenstaande beschouwingen is het , om alles wat van den
invloed der winden afhangt te bepalen, noodig, ook nog andere ver-
schijnselen na te sporen, die met dien invloed in verband staan. Al de
omstandigheden, die de ontwikkeling van het riet belemmeren, zonder
op eene regtstreeksche en geëvenredigde wyze van invloed te zijn op de
absorptie der voedende zelfstandigheden , bevorderen de ontwikkeling
van de looze knoppen der rietstengels. — Wy hebben doen zien hoe de
winden, als ze droog en heet zijn en lang aanhouden, eene groote uit-
damping door de bladeren te weeg brengen , den groei belemmeren , de
blad-organen doen verdroogen, en eindigen met al de levens-functiën
der plant geheel te verlammen en haren dood tè bewerken; maar alvo-
rens dit eindresultaat, dit uitwerksel der meestmogelyke kracht van den
bewusten invloed , te weeg te brengen , grypt er op in het oog loopende
wyze een ander verschynsel plaats. — De ontwikkeling wordt tegenge-
houden, gaat langzaam; de geledingen, die zich vormen, zijn kort, hou-
tig; en naauwelijks vertoont zich eene halve nederL el stengel zonder
bladeren , of de looze knoppen beginnen zich te ontwikkelen en het aan-
zyn te geven aan looze spruiten. — In dit geval gebeurt er wat zou
plaats grigpen als men de plant beroofde van hare bladeren, daar het
van zelfs spreekt, dat het op het zelfde neerkomt of de blad-organen
van de plant a%enomen, dan wel op eene andere wyze nutteloos gemaakt
worden. — Om ons van deze verschijnselen te vergewissen, namen wij
Digitized by
Google
125
riet met groene streepen, als zynde het tengerste; w^ lieten een ron-
den knil maken, ran zeventig nederl. dnim diepte en twee nederl. el
middellijn, op eene hoogliggende plaats, geheel blootgesteld aan den
invloed der winden, en tevens zonder eenigerlei beschutting, waardoor
de werking van de luchtstrooming gebroken had kunnen worden : deze
kuil, welks wanden eene dikte hadden van twintig nederl. duim, werd
geheel gevuld met rottendèn bagger, vermengd met varkensdrek eu
aarde. — In dit mengsel plantten wij riet , dat goed opkwam , zich aan^
vankelgk tamelijk welig ontwikkelde en sterk spruiten schoot; maar na
verloop van eenigen tijd begon het trager te worden in z\jnen groei,
én in weerwil van veelvuldige besproeiingen begonnen de uiteinden der
bladeren te verwelken en spoedig te verdorren; op het laatst vertoonden
zich de looze stengels , de groei hield geheel en al op, en aan den voet
der rietstoelen kwamen nieuwe spruiten te voorschyn. — Dit verschijnsel
vertoonde zich sterker, hoe rijker aan voedende stoffen de grond was.
waarin het riet geplant werd, en hoe gunstiger de omstandigheden wa-
ren, waaronder het begon te groeyen. — Van vele rietstengels was de
eindknop verdroogd of verrot. — (Zie Looze êienffdê).
COERECnVBN (op MIDDELEN OM DEN GROND TB VBRBETBEBN) EN MEST-
sPEciêN. — Qehrande Mei, — In 1820 gaf Beatson, gewezen gouver-
neur van Sint-Helena, te Londen een werlge in het licht, dat bestemd
was, gel^'k de titel aanduidde, om de voorbereidende bewerkingen on-
noodig te maken en tevens het gebruik van kalk en van meststoffen te
doen ophouden. — Het stelsel van Beatson berustte op de aanwending
van gebrande klei, welke hij verkeerdelijk beschouwde als eene toerei-
kende mestspecie voor alle soorten van cultuur en voor alle soorten van
gronden. Bovendien sloeg hij voor, om b^ het bewerken van den grond
den ploeg te vervangen door den wied-toestel, of, om juister te spre-
ken, den uitroeijer (extirpator), daar dit zoo zeer door hem aangeprezen
werktuig voorzien was van horizontale punten of priemen, terwijl de
eigentl^jk gezegde wied-toestellen alt^d werken met snijtuig in den vorm
van verticaal aangebragte messen. — Gelyk het geval is met de meeste
menschen, die een of ander stelsel verdedigen, overdreef Beatson de
voordeelen van zijne wijze, van behandeling, en wilde die, zonder om-
Digitized by
Google
126
zigiigkeid of overleg, algemeen maken, hetgeen niets andera ten gevolge
had, dan hetgeen te verwachten was, namel^k, dat het de me&ode,
die h|j wenschte aan te pryzen, geheel in miskrediet bragt --- Thans,
nu de ondervinding er nitspraak over gedaan heeft, kannen wy met vol-
komene keimis van zaken onderscheiden, wat er goeds was in het vroe-
gere stelsel, en tevens de gebreken aantoonen, welke het aankleefden.
De voorbereidende werkzaamheden kunnen niet met goed gevolg wor-
den afgeschaft, of men moet de akkers behoorlek bemesten, en de
inzameling van den oogst bewerkstelligen overeenkomstig de regelen ,
die wij later zullen uiteenzetten. De aanwending van mestspeciën is
onmisbaar; want zonder dat eenen goeden oogst te willen verkregen ,
zou even onverstandig z^n, als vee te willen fokken, zonder de dieren
behoorlek te voeden ; de mestspeciën zyn de voedingsmiddelen der plan-
ten, en dienen om den grond ten aUen t\jde voorzien te houden van de
onmisbare hoeveelheid voedende zel&tandigheden, die de planten doen
groe^n, ongerekend, dat ze tevens eenen merkbaren invloed uitoefenen
op de physieke hoedanigheden van den grond. De kalk, met oordeel
aangewend, is te gelijk een krachtig correctief en eene nuttige meststof.
Wat de uitroei-toestellen betreft, zullen wy zeggen, dat die met
voordeel worden gebruikt, om de riet-akkers of de vroeger beteeld ge-
weest z^nde gronden te wieden; maar ze kunnen nooit volkomen den
eensn^denden ploeg vervangen, die door zgn bijzonder zamenstel in staat
is dieper den grond te doorsni[jden en om te woelen, dan men dat
ooit zou kunnen met het werktuig, dat aanbevolen werd door Beatson.
Wat moeten wg denken van de aanwending van gebrande klei? Op
dit punt hebben wij gemeend de aandacht van onze planters zeer in het
bgzonder te moeten vestigen , daar wy gelooven , dat zg , door met oor-
deel en overleg gebruik te maken van gebrande klei, hunne kleigron-
den physiek en chemisch zullen kunnen verbeteren.
De kunst om zware en vaste gronden geschikt te maken voor de
cultuur, bestaat hierin: daarop al die verrigtingen toe te passen, die
in hare bijzondere en wederkeerige resultaten zamenwerken om de lozing
van het water gemakkelgk te maken; al de chemische en physieke be-
werkingen en middelen 9 die de doorgreppeling van het terrein, en tevens
de spomachtige gesteldheid van den grond vermeerderen, waardoor hij
Digitized by
Google
187
voor den krachtigen invloed Tan de lucht vatbaar gemaakt, en iu hooge
mate de groei van de wortels der planten bevorderd wordt Dit doel
ber^kt men door , naar gelang van de plaatsel^ke toestanden en behoef-
ten, de diepgaande bewerkingen te verrigten, de losmaking van den on-
dergrond, de inwendige water-afleiding door middel van draineer-buisen ,
of wel die boven den grond door middel van goed getrokkene greppels,
de behoorlyke bemesting van den grond, alsook door de aanwending
van de krachtigste correctiven of middelen ter verbetering om de phy-
sieke eigenschappen van den grond zooveel mogelijk te wyzigen.
Nu zullen wij de voordeelen nagaan, die men verkr^'gt door gebrande
klei met de bestanddeelen van eenen vasten grond te vermengen.
Om in de uiteenzetting van dit belangr\jke onderwerp met eenige
orde te werk te gaan, zullen w^ de verschillende invloeden nagaan,
die door de zelfstandigheid, waarmede w^ ons thans bezig houden,
worden uitgeoefend op de physieke eigenschappen van den grond , en
daarna zullen wij zien welken invloed er door te weeg wordt gebragt
op de chemische zamenstelling van den bodem.
Wanneer men de klei behoorlek brandt, ondergaan al hare eigen-
schappen eene wyziging: hare kleur verandert, en wordt meer of minder
hoog-rood; zy verliest het vermogen om het water terug te houden, en
ook hare oorspronkel^*ke en natuurl^*ke taaiheid gaat verloren. Als de
gebrande klei, na zulk eene volkomene verandering ondergaan te heb-
ben, en in een^ steengruiê herschapen te zyn, in behocnrlyke en ge-
l^kmatige verhouding vermengd wordt met eenen vasten, hetz^ kalk-
achtigen, hetzij kleiachtigen grond, worden de physieke eigenschappen
van den grond totaal daardoor veranderd: h^ wordt poreuzer en door-
dringbaarder. Door die poreusheid verdigt het ammoniak en het salpeter-
zure ammoniak , dat de grond uit den dampkring aantrekt, en in zich terug
houdt; h\j slurpt de zelfstandigheden der lucht in, plaatst die in zoo-
danige toestanden, dat ze zich met elkander kunnen verbinden, en daar-
door wordt de ontleding bewerkt en bespoedigd van de in den grond
aanwezige onoplosbare zelfstandigheden. De gebrande klei bevordert zoo-
doende ook de behoorl^ke waterlozing en den groei der wortels. Uit
al de genoemde redenen volgt , dat zy bevorderlijk is aan de oprfurping
van al de voedende zelfstandigheden, die zich in den grond bevinden.
Digitized by
Google
128
Zy schenkt das eene hooge mate van vrachtbaarheid aan gronden, die
zonder haar misschien slechts eenen oogst zouden hebben opgeleverd,
te naauwemood toereikend om den arbeid en het in de onderneming
gestokene kapitaal te loonen.
Zien wij nu welke eigentlijk de veranderingen zyn, die de klei onder-
gaat door den invloed van het vuur : om die veranderingen des te beter
te kunnen waarderen, zullen wij beginnen met te herinneren, dat klei
niets anders is dan een kiezelzuur zout van aluin-aarde , waaün het zuur
en de basis aangetroffen worden in afwisselende verhoudingen. Met dit
kiezelzure zout van aluin-aarde hebben zich in meerdere of mindere hoe-
veelheid kiezelzure zouten vereenigd van potasch, soda, kalk, magnesia,
mangan en ijzer. Deze verbinding vormt eene onoplosbare zelfstan-
digheid, en alleenlyk door de dampkrings-invloeden, waarb^ koolstof-
zuur en water eene rol spelen, alsook door ettelyke bestanddeelen van
den grond zelven, worden de in de klei aanwezige zelüstandigheden op-
losbaar gemaakt, derw^ze, dat ze ingeslurpt kunnen worden door de
wortels der planten, voor welke ze een onmisbaar vereischte zijn om
tot haren vollen wasdom te kunnen geraken.
Alvorens verder te gaan, achten wij het noodig aan te toonen, dat
het kiezelzuur en de zouten der alkaliën en aarden zelfstandi^eden zign ,
niet alleen noodzakelijk om de suikerriet-plant hare organen te doen
vormen, maar tevens onmisbaar om die organen in staat te stellen,
naar behooren hunne functiën te verrigten.
De ondervinding leert, dat de asch van planten, die in kleiachtige
gronden groeien, ryker aan alkaliën is dan die van planten , welke in
eenen kalkachtigen grond zijn voortgekomen: bij gevolg bevat de asch
van eerstgenoemden eene grootere hoeveelheid oplosbare bestanddeelen
{Traite de Chimie gén, analyt, ind. agric, par Pelouze et Fremy, tomc
rV, page 874). De aanwezigheid der alkaliën in kleiachtige gronden,
en de vereeniging van de overige physieke en chemische eigenschappen,
welke die gronden kenmerken, z\jn voldoende om te doen begrijpen,
wi&rom de slechts eenigermate kleiachtige gronden de beste, geschiktste
en dienstigste z^n voor de teelt van suikerriet.
Z^'n nu de kiezelzure alkaliën en aarden zoo onmisbaar voor het leven en
de bijzondere levens-functiën der netplant, zooals blijkt uit het oppervlak-
Digitized by
Google
1^9
kigste onderzoek der asch, dan volgt daaruit, dat wij zorg moeten dra-
gen, niet slechts om aan den grond die zoaten terug te geven naar-
mate h\j die verliest, maar wat meer zegt, de daarin aanwezige hoe-
veellieid van die zouten te vermeerderen, in dier voege, dat de wortels
der plant ze beschikbaar vinden ter inslurping, naar gelang van hunne
behoefte. Die zouten, hebben wij gezegd, zyn aanwezig in de kleiach-
tige gronden; maar wij hebben tevens gezegd, dat ze, om oplosbaar
en eenfgzins vereenigbaar te worden, eerst ettelyke reactiën behoeven,
waartoe een meer of minder lang t^dsbestek vereischt wordt. Dadel^k
vereenigbaar worden door het branden van de klei die zelfstandig-
heden, die anders zeer lang in den grond zouden hebben gezeten in
eenen toestand, ongeschikt om door de wortels te kunnen worden inge-
zogen. Door de werking van het vuur ondergaan die zamengestelde
zouten moleculaire omzettingen, waardoor ze geschikter worden ge-
maakt om in bepaalde gevallen gemakkel^ker te worden aangedaan
door bepaalde invloeden. Zoo, by voorbeeld, neemt de klei, die in
haren natuurl^'ken toestand niet noemenswaardig wordt aangedaan
door de zuren, zoodra zij gesmolten is met koolzure soda, potasch
of kalk, of zelfs zoodra z^' tot eenen staat van gloeihitte is gebragt,
de eigenschap aan, dat zy alsdan door zwavelzuur of door zoutzuur
opgelost wordt. Welnu, op de gebrande klei werken het vochtige
koolzuur, de kalk en de dubbelkoolzure kalk veel gemakkelgker, en
door al die reactiën worden als eindresultaat oplosbare alkaliën en
oplosbaar kiezelzuur voortgebragt, welke zelfetandigheden vervolgens niet
slechts kunnen ingezogen worden door de wortels , maar zich ook ver-
spreiden door al de bestanddeelen van den grond, die ze opslurpen en
in zich behouden, om ze ter gelegener tyd mede te deelen aan de wor-
tels der planten. De aanwezigheid van die alkaliën bevordert de sal*
petervonning en brengt meer andere reactiën te weeg.
Om de bovenstaande denkbeelden nog duideli^lker te maken, zullen
w^ een feit aanhalen, waarvan de beroemde Liebig gewag maakt (I^^
tres sur la Chimie Parys, 1847, blz. 250). In Vlaanderen, waar nage-
noeg alle huizen gebouwd z^'n van gebakken steen » ziet men de muren
uitslaan. Die uitgeslagene vlekken, die door den regen worden wegge-
spoeld, komen dadelijk daarna weder te voorschijn, en vertoonen zich
9
Digitized by
Google
180
zelfs op moren, die versoheidene eeuwen oud z^'n. Dat dit verscl^JBsel
te weeg wordt gebragt door den invloed van den kalk ia duidelijk en
onwedersprekel^'k : ten bewijze daarvoor z^ het genoeg gezegd, dat die
uitslag zich voomamel^k vertoont in de voegen, waar de kalkdeelenhi
aanraking z^'n met de steenen.
Ten einde volkomen al den invloed te kunnen waarderen , die de ge-
brande klei op den grond uitoefent , moeten wij doen opmerken , dat z^
nooit geheel vrij is van vreemde stofFeo: de zouten, die voortgebragt
worden door de in haar aanwezige organische bestanddeelen , en die,
welke er aan worden medegedeeld door de brandstof, waarmede het
branden wordt bewerkstelligd, dragen mede bij tot vruchtbaarmakmg
van den grond.
Hoewel al de voordeelen erkennende van de beweridng, die het onder-
werp van bovenstaande beschouwingen uitmaakt , moeten wij echter daar-
by voegen, dat het branden van de klei niet alieen in staat is te
dienen als een regelmatig bestendig stelsel van cultuur; want wat de
planten-voeding betrefb, bijaldien de in den grond aanwezige zelfstan-
digheden niet anders aan de planten worden toegediend dan in een
anderen vorm, waardoor ze geschikter zijn gemaakt om dadelyk te wor-
den ingezogen, zal na verloop van eenen zekeren t^d de voorraad van
die voedende zelfstandigheden uitgeput z^n. Uit het oogpunt van de
physieke gesteldheid of uit dat der correctiven (dat wil zeggen de mid-
delen, die aangewend worden om de gesteldheid van den grond ligter
of zwaarder te maken, en in het geheel beter in overeenstemming te
brengen met de natuurlgke behoeften der cultuur) zyn wy verpUgt te
erkennen, dat er eenmaal éen t^d komen zal, dat de physieke eigen-
schappen genoegzaam zijn gewijzigd, en geen verdere wijziging behoe*
ven, zoodat men, alsdan nog voortgaande den grond, te branden,
hem slechter zoude maken in plaats van beter. Om kort te gaan,
de aanwending van gebrande klei is zeer nuttig in bepaalde gevallen;
maar men kan die niet beschouwen als op den duur een heilzaam middel
te zijn, en evenmin worden daardoor andere landbouwkundige verbe-
teringen overbodig of minder noodig gemaakt. Integendeel: wanneer
men gebrande klei op den grond aanbrengt, zal het wel degelijk noodig
zijn, naar gelang van de geaardheid van dên grond, tevens mestspeciën
Digitized by
Google
181
daarin te brengen, er kalk b^' te Toegen, en mergel, enz^ enz. Zoo*
doende zal men zich nog des te beter al bet nnt verzekeren, dat w^'
konnen trekken van dit krachtdadige middel om zware gronden in eenen
beteren toestand te brengen.
Met de aanwending van gebrande klei z^'n goed geslaagde proeven
genomen in Prankrijk door Bosc en Puvis; en in Engeland wordt het
nut daarvan erkend door een groot aantal landbouwers. In laatstgenoemd
land is onlangs een werlge in het licht verschenen, opgesteld door
Mechi, waarin het middel, dat thans het onderwerp onzer beschouwin*
g«[i uitmaakt, met warmte wordt aanbevolen; de schriijver verzekert,
Injjaldien dit middel op eene verstandige wijze wordt aangewend, dat
het dan de beste resultaten te weeg brengt ter verbetering van zware
gronden, die, aldus bewerkt, meer warmte genieten en meer den invloed
ontvangen van de lucht; de groeikracht wordt opgewekt, en overigens
erlangt de grond in hooge mate het vermogen, om de in den damp-
kring aanwezige ammoniacale zouten aan te trekken en in zich te
behouden.
De tegenwoordig in gebruik z^nde wijze om de klei te branden,
werd het eerst aangeraden door Cartwright, die ons in de verhande-
ling, waarin hi|j zijjne methode uiteenzet, mededeelt, dat op z^'n minst
eene eeuw voor hèt t^dstip, waarop hy z\jn geschrift in het licht gaf,
door Beatson reeds gebrande klei gebruikt werd in Ierland , en zulks
met goed gevolg; en w^' zullen daarby voegen, dat men in de ge-
schiedenis van den landbouw zelib nog vroeger melding vindt gemaakt
van dat gebruik in andere landen* Om de klei te branden, begint
men met in den grond eene groeve te graven, in den vorm van
een greppel, die twintig voet lang, drie voet breed en drie voet diep
moet zyn. In deze groeve wordt de brandstof geplaatst, en de klei ver-
volgens afgedeeld aan losse stukken, die op eenen tot dat einde boven
de groeve gemetselden vloer worden gelegd, in welken vloer verschei-
dde openingen z^n gelaten, opdat de vlammen de klei kunnen berei-
ken. Om zeker te kunnen z^'n van een goed resultaat van dezen arbeid,
moet de klei, die men brandt, vochtig zign; want anders zou men er
slechts harden steen van bekomen, die moeijjelijk tot gruis fijn te maken
zoude z^'n, tenrijl vochtige stukken klei door het branden zoo broos
Digitized by
Google
132
worden, dat ze met zeer geringe moeite tot gruis lijn te slaan
zijn (86).
Het gebruik van kalk als meetspecie en aU correctief. — De ondervin-
ding leert, dat kalk eene zelfstandigheid is , die een noodwendig bestand-
deel uitmaakt in de zamenstelling van zoodanige gronden, welke voor
de suikerriet-teelt bet bestgeschikt zijn; opdeeenigzinskalkachtige gron-
den teelt men niet alleen de krachtigste rietstoelen, maar de sappen
van deze zyn bovendien rijker aan suikergehalte , en laten zich ook ge-
makkelyker verwerken. Dat zijn gronden „die veel produkt leveren"
en „uitmuntende suikervelden". Mcir men vergete niet, dat de kalk
slechts een nuttig bestanddeel is, vereenigd met andere bestanddeelen ,
en slechts als zoodanig een vereischte tot eenen goeden grond. Kalk in
eene overmatige hoeveelheid is een gebrek, waardoor toestanden ont-
staan, die zich door geheel bijzondere eigenschappen kenmerken; in dit
geval zou het noodig wezen de geschikte correctiven aan te wenden,
en er mestspeciën bij te voegen, ten einde zoodoende aan den grond
de meeste vruchtbaarheid te geven.
De koolzure kalk is zulk een onmisbaar bestanddeel voor den bo-
dem, dat men hem daarvan den del&toffelgken grondslag zou kunnen
noemen ; vereenigd met de overige delfstoffel^ke zelfstandigheden,
die zich in de juiste evenredigheden er mede vereenigen, strekt
de kalk om die physieke eigenschappen in het leven te roepen,
welke wy als de meest wenschelijke geaardheid van den grond be-
schouwen. Uit de zamenstelling van de asch der planten zien w^,
dat er kalk aanwezig is in de organen van alle planten; en bij somnu-
gen is de hoeveelheid zeer aanzienlek. Derhalve, in aanmerking geno-
men de physieke eigenschappen, die er door in het aanz^'n worden
geroepen, gelet op zyne regtstreeksche , onmiddellyke werking als voe-
dende stof, en eindelijk niet uit het oog verloren zijne chemische wer-
king op andere zelfstandigheden , moeten wij erkennen , dat de aanwe-
zigheid van kalk in den grond altijd noodzakelijk is , en dat die in vele
gevallen (waar het bepaalde plantgewassen betreft, bij voorbeeld by
het suikerriet) een onmisbaar vereischte is voor de vruchtbaarheid van
den grond. Er behoort kalk aangebragt te worden in alle gronden , waarin
geen koolzure kalk aanwezig is.
Digitized by
Google
133
. ,W^. zullen deze denkbeelden nader ontwikkelen, en al de voordeelen
aantoouen, welke door eene behoorlijke en geschikte aanwending van
kalk kunnen worden verkregen. Deze alkalische aarde werkt als mest«
specie en als correctief op de physieke eigenschappen. Zy volbrengt
hare werking^ en oefent haren invloed uit, zoowel in den toestand
van vriljën kalk, als in verbinding met koolzuur of andere stoffen. Zij
werkt regtstreeks, en veroorzaakt of bevordert ook sommige reactiën ,
die, als ze eenmaal plaats gegrepen hebben, van heilzamen invloed
zijn op de groeikracht. In gronden, die vri|jë zuren bevatten, worden deze
verzadigd door den kalk, welke zoodoende niet alleen den schadelyken
invloed belet, die deze zelistandigheden op de planten zouden uitoe-
fenen, maar ze tevens, naar gelang van den aard dier zuren, kanher»
scheppen in weldadig werkende zelfstandigheden. Be kalk bevordert de
verbinding van de zuurstof en stikstof uit den dampkring, en verrykt
zoodoende den grond met salpeterzure zouten ; z^ werkt op de afral-mest
en brengt oplosbare humuszure zouten van kalk voort, die, hetz^* ze
zich regtstreeks assimileren, hetzij ze eerst nog veranderingen ondergaan ,
altijd worden ingezogen door de planten, of aan deze andere heilzame
zelfstandigheden verschaffen. De in den grond aanwezige stikstofhou-
dende stoffen, in aanraking komende met den kalk, geven hetaanzyn
aan ammoniak of aan salpeterzure zouten. Enkele kiezelzure zouten,
en daaronder ook de klei, die onder gewone omstandigheden wer-
keloos blyven, en weerstand bieden niet alleen aan alle dampkrings-
invloeden, maar ook aan die, welke zich in den grond zelven open-
baren door de werking van zijne eigene bestanddeelen , worden onder
den invloed van den kalk ontleed en brengen kiezelzuur zout van kalk
en vrije alkaliën voort, die zoovele nieuwe zelfstandigheden zijn, welke
de groeikracht van den grond verhoogen. Het is mogelyk dat de kiezel-
zure kalk wordt opgelost in eene overmatige hoeveelheid koolzuur, en
zoodoende in de poriën der wortels binnendringt; het kan ook gebeu-
ren dat hij ontleed wordt, onder vrijwording van het kiezelzuur, dat
zich alsdan gedeeltelijk oplost in water, en zoodoende in den ver-
eischten toestand geraakt om ingezogen te kunnen worden. Daar de
kalk dus, ofschoon daartoe geen onmisbaar vereischte, krachtdadig werkt
om het kiezelzuur en de alkaliën, wier invloed van zooveel gewigt
Digitized by
Google
1S4
ift, te doen doordringen in de huishouding ran het pUntenleten,
is AU misschien wel de reden waarom h^ zoo onmisbaar ift Y<^r de
teelt van suikerriet De kalk ontleedt de zwavelzure zouten van ijzer»
magnesia, enz., terw^l hjj zwavelzuren kalk vormt en oxyden vriymalikt,
die bijzondere verrigtingen hebben te volbrengen.
De kalk, die, met koolstofzuur verbonden, koolzuren kalk vormt, lost
zich op in eene overvloedige hoeveelheid van dat zuur, en dringt in den
vorm van dubbelkoolzuur zout in de organen der plant.
Eindel^k is kalk een correctief of verbetenniddel voor de phyöidce
eigenschappen der gronden. Kalk moet worden aangebragt op uitermate
kleiachtige en zandige gronden, alsook op die, waarvan plantaaid^e
stoffen een hoofdbestanddeel uitmaken. In de beide eerstgedoelde geval-
len brengt de kalk in den zwaren grond en in den ligten bodem de
omstandigheden voort, die aangetroffen worden in kalkachtige gronden;
de kleiachtige gronden maakt zij doordringbaarder, de zandgronden
maakt zij vaster.
Zooals iedereen weet, wordt de kalk bereid door sterke v^hitting
van den koolzuren kalk (kalkbranden). Deze zelfstandigheid wordt niet
altijd zuiver in de natuur aangetroffen , en vandaar dat er klei , mag<
nesia, kiezelzuur, metaal-oxyden en verkoolde stoffen aanwezig kunnen
zijn in den gevormden kalk. Ontegenzeggelijk is het, als men alleen
kalk wenscht te gebruiken, dat het dan het best zoude z^'n deze alka-
lische aarde in haren hoogsten staat van zuiverheid te bezigen; maar
gelukkig is het niet alt^d schadel^k het aan te wenden, vermengd met
andere stoffen. Zoo , bij voorbeeld , de kalk verbonden met klei , zand
of metaal-oxyden : o&choon als correctief niet volkomen eenerlei uit-
werkselen te weeg brengende, kan men toch in het algemeen zeggen,
dat h^* , op groote schaal aangewend , de zelfde resultaten oplevert,
behoudens dat die 'misschien eenigermate verschillen in intensiteit, en
er, om ze te weeg te brengen, grootere hoeveelheden kalk noodig
zyn. Niet het zelfde zullen wij zeggen van magnesia-kalk : sonun^e
landbouwkundigen beweren , dat die den grond erg uitput en dos de
aanwending van eene grootere hoeveelheid mestspeciën noodig maakt;
anderen zeggen , dat de magnesia-kalk schadelijk is voor den plantengroei;
maar geen van die beide beweringen steunt op degelijke proefnemingen.
Digitized by
Google
185
Zal de kalk al zyne weldadige uitwerkselen te weeg brengen in den
lioog^n graad , dan is het eene eerste voorwaarde , dat m^ hem ten
innigste vermenge met den grond , derw^se , dat al de deelen van dien
^ond behoorlijk met hem in aanraking z\jn; zonder dat zullen de
iiirederkeerige werkingen , die tusschen hen moeten plaats grijpen , niet
te w;eeg gebragt kunnen worden.
Men gebruikt den kalk alleen of vereenigd met verschillende vrucht-
baarmakende zeUstandigheden , waarmede h^ een compost of zamengeèidde
Meaispeeie vormt. Om den kalk afzonderlijk aan te wenden, bluscht
men hem, eer hij op den akker wordt gebragt; somw^len ook brengt
men hem ongebluscht op den akker , waar hij wordt aangewend , hetzij
zonder overdekt te worden, hetzij overdekt wordende met eene dunne
aardlaag , ten einde de te sterke werking der regens te beletten. — In
elk geval plaatst men hem aan hoopjes op den grond , en verspreidt
die vervolgens zoo gel^kmatig mogelijk , waartoe men zich van schoppen
of schoffels bedient. — Om de zamengestelde kalkspeciën te maken,
Yennengt men den kalk met aarde , gras , enz. ; men legt die bestand-
deelen aan lagen, telkens eene laag kalk op eene laag bijmengsel, en
als dit eenigen t^d gestaan heeft, werkt men de geheele zaamgepakte
massa ten onderste boven, opdat de verschillende bestanddeelen zich
goed met elkander vermengen. Vervolgens brengt men de massa over
naar den akker, waar men die behoorlijk over de oppervlakte verspreidt^
Om den kalk gelijkmatig te verdeden , zou men zich met voordeel kunnen
bedienen van den mest-verdeeler van Chambers. — Doch welke wyze
van behandeling men moge volgen , om den kalk in den grond te bren*
gen, moet men zich alti^ bedienen van ploegen en treksleeden.
De hoeveelheid kalk, welke de gronden noodig hebben, verschilt naar
gelang van hunne byzondere geaardheid, van de te volgen wyze van
cultuur, en van het te telen plantgewas. Op gronden, die minder kalk
bevatten, zal eene grootere hoeveelheid aangebragt moeten worden;
worden de regelen van den hoogsten vooruitgang in den landbouw ge-
volgd , dat wil zeggen , wordt de grond omgewerkt tot op eene aanmer*
kelyke diepte, en worden op de aanwending van mestspeciën, correctiven ,
besproeijing , enz. , enz. , de nieuwste voorschriiten der wetenschap toege-
Digitized by
Google
136
past, dan zal er meer kalk noodig z\jn; en eindelijk, wanneer het de
teelt betreft van planten , die door haar bijzonder organismos voor hare
levensfuüctiën meer behoefte aan deze alkalische aarde hebben, zal ook
de hoeveelheid , die wij daarvan in den grond moeten brengen , grooter
dienen te zijn. — Kalk in de gronden te brengen is dus een der
middelen, die wy behooren aan te wenden om ze te verbeteren; en
opdat dit middel al de goede resultaten te weeg brenge , die het te
weeg brengen kan , moet het noodwendig met de overige middelen in
verband gebragt worden en zamengaan; zonder dat zou het, in stede
van groote voordeelen aan te brengen, niet anders veroorzaken dim
nadeelen.
De met den grond vermengde kalk wordt van jaar tot jaar min-
der, daar een gedeelte er van wordt geabsorbeerd door de planten, en
ook doordien een gedeelte, dat door overvloedig koolzuur is opge-
lost, doordringt tot in de diepst gelegene aardlagen van den grond.
Dit doet ons zien, dat, al is het niet noodig of nuttig het aanbrengeii
Van kalk ieder jaar te vernieuwen, het nogtans noodzakelijk is zulb
na verloop van een zeker tijdsbestek te doen. Daar overigens sommige
der resultaten van deze bewerking afhangen van de aanwezigheid van
vrijen kalk, zal het in vele gevallen nuttig zyn de aanwending daarvan
te herhalen , aangezien die vrij spoedig overgaat tot den staat van kool-
zuren kalk.
De beginselen, die wij hier hebben ontwikkeld, zullen het groote
verschil ophelderen, dat men tusschen verschillende landen (^merkt,
wat betreft de hoeveelheden kalk, die aan den grond worden toege-
voegd ; en ze zullen tevens doen begrijpen , dat het niet wel doenl^k
zoude zijn hier een vasten maatstaf aan de hand te geven , welke hoe
veelheid kalk wij zullen hebben aan te brengen op onze gronden. Even
als in alles wat den landbouw raakt, zal voorzeker ook hier de onder-
vinding de beste gids zyn , vooral wanneer men steeds partij trekt van
de voorlichting der wetenschap. In het algemeen zullen wy zeggen, dat
van 3 tot 5 hectolitres op eene hectare gronds ieder jaar, dat is 27
a 45 hectolitres om de negen jaren, ons toeschijnen de gewone hoe-
veelheid te zijn. Een hectolitre kalk weegt ongeveer 80 kilogrammen.
Digitized by
Google
1»7
Uit al het aangevoerde volgt , dat de aanwending van kalk , met
behoorlek overleg toegepast, van zeer veel nut zoude zyn by de cul-
tuur van suikerriet; vooral sommige akkers zouden daardoor in staat
gesteld worden by uitstek gunstige resultaten op te leveren; maar men
verlieze vooral niet uit het oog , dat men b^ de aanwending van kalk
geenszins het gebruik van mestspeciën en andere de gesteldheid van den
grond wijzigende middelen moet nalaten, evenmin als de besproeiing,
enz. Belangrijke studiën over de kalk-aanwending heeft Boussingault in
bet licht gegeven (Jffronomie , chimie agricole et phymlogie , tome JU ,
page 149),
Mergel» — De aanwending van mergel om de gronden te verbeteren,
zoozeer in zwang tegenwoordig by de verstandigste landbouwers, is
waarschynlyk , gelyk zoovele andere dingen die in praktyk zyn gebragt
en gebleven, een middel, niet door opzettelyk daartoe gedane naspo-
ringen ontdekt, maar door het toeval aan de hand gedaan. Het is mo-
gelijk dat de eerste, die het nut daarvan opgemerkt heeft, daarop
opmerkzaam gemaakt werd door de gunstige resultaten van eenen grond ,
waarop hy aarde had aangebragt, die hy uit eenen put of uit een
greppel had gegraven; die aarde, toevallig mergelachtig, vermengde zich
met de bestanddeelen van zynen grond, en de van die plek verkregene
oogst was overvloediger dan op de andere gedeelten van zynen akker;
het is ook niet moeyelijk te begrypen, dat een mergelachtige onder-
grond , by het omwerken van den bodem naar boven gebragt en met
de teel-aarde vermengd , gediend heeft om op het nut van die aanwen-
ding opmerkzaam te maken. Toen de eersten, die, zonder het te willen,
gebruik maakten van mergel, zagen welk eene meerdere opbrengst zy
inzamelden by hunnen oogst , begrepen zij gedeeltelyk de les , hun door
de natuur gegeven; en van dat oogenblik af dachten zy niet anders,
of die zelfstandigheid was de ware mestspecie, welke zy hebben moes-
ten, daar deze alléén al de groeikracht aan de planten schonk, die zy
konden verlangen ; zoo redenerende kwamen zy tot de stelling , dat de
gedurige en overvloedige aanwending van mergel, wel verre van scha-
delyk, integendeel uitermate nuttig zou zyn, in alle soorten van gron-
den en onder alle omstandigheden. — De ondervinding bragt hen spoedig
uit deze dwaling, en deed ben begrypen, dat bet gebruik van mergel
Digitized by
Google
1S8
in 8ommige gronden schadelijk was; dat het in andere gronden, hoeseer
niet bepaald nadeelig werkende, althans geen bijzonder groote ▼oor-
deelen opleverde; terwijl xel£i in die gnmden, waar de oogst uitermate
aansienl^ker was , nadat ze er mergel op aangebragt hadden , het aao-
hondend en nitslnitend gebmik van deze del&tof den grond op het
laatst al zijne vruchtbaarheid deed verliezen. — Met den mergel is het
even als met alle landbouwkundige verbetermiddelen : men dient de
regelen te kennen , waarnaar ze moeten worden aangewend ; zonder dat
erlangt men er niet de voordeelen aan, die men er van verwacht, en,
wat nog erger is, in vele gevallen kan men er nadeelen door beloo-
pen« — Onbevooroordeeld de daadzaken nagaande, en de omstandig-
heden, waarin ze hebben plaats gegrepen, zullen w^' nu volgens de
hedendaagsohe wetenschap uiteenzetten , in welke gevallen men mergel
gebruiken moet, en welke voordeelen die del&tof te weeg brengt, aan^
gewend in verband met andere middelen, om de gesteldheid van den
grond te verbeteren.
Mergd is eenvoudig een mengsel van klei en koolzuren kalk in afinis-
selende evenredigheden, welke twee stoffen menigmaal van meerdere
of mindere hoeveelheden zand vergezeld z^n. Behalve deze drie be-
standdeelen bevatten de mergelso(Hrten , als bijkomende en toevallige
best«nddeelen , yzer-oxyde, koolzure magnesia, zwavelzuren kalk,
stikstof houdende stoffen (salpeterzure zouten en ammoniak), phosphor*
zure en koolzure alkaliën, en tevens overblijfselen van plantaardige
stoffen.
Wijj zullen ons hier bepalen by de drie hoofdbestanddeelen , welke
in de mergelsoorten worden aangetroffen. Van de betrekkelijke evenre-
digheid , waarin die drie bestanddeelen aanwezig z^n , hangen de eigen-
schappen van den mergel af; en van die evenredigheid is dus ook het
gebruik afhankelijk, dat van deze delfstof als mestspede bm worden
gemaakt in verschillende gronden. De mergel wordt onderscheiden
in drie soorten: kiezel-, klei- en kalkmergel. De eerste soort bevat
b\jna twee derden van haar gewigt aan zand, en het overige d^e deel
bestaat uit klei en koolzuren kalk; z|j verdeelt zich gemakkel^k in
water , zonder daarmede een zamenhangend deeg te vormen , en na
weder gedroogd te zgn , gaat z^ van zelfs over tot ^n gruis. De tweede
Digitized by
Google
189
soort i« Tiwter, verdeelt zich minder gemakkelgk» en vormt met water een
deeg, dat b^zondere kenmerken bezit, naar gelang lan de hoeveelheid
klei, die het inhoudt; deze soort moet op zyn minst 50 percrat klei
bevatten. De derde soort is harder en blanker dan de beide anderen,
reideelt zich gemakkel^k in water, en vormt daarmede een weinig
zamenhangend deeg, dat, zoodra het droog is, overgaat tot poeder;
deze soort bevat op zijn minst 50 percent koolzuren kalk.
Mergel doet de dienst van mestspecie, doordien hij de chemische
zamenstelling van den grond verandert, en van correctief, doordien h^
aan den grond nieuwe physieke eigenschappen geeit , welke ontstaan uit
eene w^dging of verbetering der oorspronkelijke en natuurlijke eigen-
schappen. — Als mestspecie is de mergel te beschouwen , uiUioofde van
de hoeveelheid koolzuren kalk, die h^ in den grond brengt; doch be-
halve deze hoofddeugd, bezit h^ nog eene andere, die niet over het
hoofd moet worden gezien, want behalve koolzuren kalk bevat hij nog
andere viuchtbaarmakende stoffen ; wel is waar worden die nooit in
groote hoeveelheid er in aangetroffen; maar als men in aanmerking
neemt, welke groote hoeveelheden m^el er in den grond worden ge-
bragt, zal men inzien, dat ook de zoo even bedoelde vruchtbaarmakende
stoffen wel van eenig belang te achten zijn, en wel eenigermate kunnen
bijdragen ter bemesting van den grond. — De mergel werkt als correc-
tief c^ de physieke eigenschappen, door in den grond eene zehbtan-
digheid te brengen, die zich ontbindt, en die, terw^l zij zich ten in-
nigste vermengt met al de deelen van den grond, dezen zacht, spons-
achtig en kruimelig maakt, en hem geschilder 4oet worden om de
dampkrings-invloeden te ontvangen, zich te ontlasten van water, enz.
Zeer ligte gronden worden tevens door den mergel zwaarder.
De biyzondere en kenmerkende eigenschap der mergelsoorten, a%e-
scheiden van hare chemische zamenstelling, bestaat hierin, dat ze door
de invloeden van den dampkring overgaan tot poeder; hetz^ men den
m^gel beschouwe als mestspede of als correctief, wil h^ zich goed
vermengen met den grond, dan zal h^' zich altijd moeten ontbinden
tot zeer kleine deeltjes. Gemeenlijk bevatten de mergelsoorten een ge-
deelte, dat onder den invloed van de lucht met meer of minder spoed
van zelfs overgaat tot poeder, en een ander ^e^eelte^ dat diex^ invloed
Digitized by
Google
140
wederttaat, eu dat seich tot grootere of kleinere stolges steea yormt,
die, hoe ook zamengesteld; en waartoe ze ook later mogten konijn
dienen, voor het oogenblik altgd geheel en al zonder nut zyn, By het
aanwenden van mergel moeten wi^j enkel de werking beoogen van dat
gedeelte, dat tot poeder oyergaat. Overeenkomstig deze denkbeelden,
en na te hebben nagedacht over eene ontelbare menigte daadzaken,
waardoor ze versterkt worden , heeft Gasparin aangetoond , dat de sch^
kundige ontleding niet voldoende is, om de waarde van eene mergel-
soort te bepalen ; men moet die tevens uit een physiek of mechanisch
oogpunt onderzoeken, dit wil zeggen, den graad van gemakkeligkheid
bepalen, waarmede de verkruimeling plaats heeft, en de vergelykende
hoeveelheid poeder, dié zoodoende verkregen wordt.
Uit de bestanddeelen der mergelsoorten en uit hare physieke eigen-
schappen laat zich afleiden, op welke gronden ze met voordeel aange-
wend kunnen worden, om aan den plantengroei koolzuren kalk aan te
bieden, en de physieke eigenschappen van den grond te w^zigeo. De
kiezelmergel wordt met voordeel aangebragt op kleiachtige en kleiachtig-
kalkaardige gronden ; de klei-mergel op de zandige en zandig*kalkaardige
gronden; de kalk-mergel op kleiachtige en zandige gronden. Als alge-
meene regel moeten wij ter vermenging met den grond mergelsoorten
bezigen, die zoodanige eigenschappen bezitten, en zoodanig z^n zamen-
gesteld, dat uit de vermenging nieuwe en voordeelige eigenschappen
ontstaan, enz.
Fuvis heeft den mergel enkel beschouwd als eene stof, in staat om
aan den grond de eigenscliappen en voordeelen te verschaffen, die de
kalkgronden kenmerken ; met het oog op de ontleding der beste kalkgron-
den, heeft h^ daarbig oplettend de gegevens nagegaan, die ons verschaft
z^n door de praktijk in die landen, waar de mergel-aanwending sedert
onheugelijke tigden steeds met eenen goeden uitslag plaats heeft gehad; en
bij dit een en ander tevens op de wenken lettende van Thaer en van
A. Young, heeft hij als onverm^deligke gevolgtrekking uit al die gegevens
vastgesteld , dat de hoeveelheid van 3 percent koolzuren kalk in de boven-
laag teel-aarde het dienstigst is om de planten daarin een gedeelte te doen
aantreffen van de vereischten , welke zij noodig hebben voor de behoorl^^^ke
verrigting van hare functiën. De hoeveelheid aan te wenden mergel v«:-
Digitized by
Google
UI
schilt ook naar gelang van de wijze, waarop hij is zamengesteld , en naar
gelang van de diepte, waarop hij met den grond wordt vermengd. Om de
toepassing van deze regelen gemakkel^k te maken , heeft Fuvis eene op-
somming vervaardigd, waarin volgens hem al de bijzonderheden vervat
zijn , die men bij het aanwenden van mergel in acht behoort te nemen (36).
De denkbeelden van Puvis moeten ettelijke wyzigingen ondergaan : de
hoeveelheid in den grond gebragten mergel hangt af en verschilt naar
gelang van den aard van den grond en van den mergel zelven, zoomede
van de diepte, waarop de grond bewerkt wordt, van de plant die men
er in telen wil, van de mede-aanwezigheid van andere middelen om
den grond te verbeteren , van de wijze van cultuur en van het klimaat. —
Om den grond zoo zamen te stellen, dat h^ 3 percent koolzuren kalk
bevat, zal men bij het aanbrengen van den mergel noodwendig moeten
letten op de hoeveelheid mergel, die de grond reeds van zelfe inhield;
en naarmate daarvan zal de aan te brengen hoeveelheid mergel natuur-
lijk verschillen. — De mergelsoorten kunnen een werkzaam gedeelte in
zich bevatten, en een ander, werkeloos gedeelte, dat, volgens Gaspa-
rin, hoegenaamd geen werkzaamheid verrigt; om dus bg het aanwenden
van eene mergelsoort met juistheid de kracht van hare werkzaamheid te
kunnen bepalen, zal men eerst tot de physieke ontleding dienen over
te gaan, .ten einde zich te vergewissen welke harer deelen van dadelijk
werkend nut zullen zijn. — De resultaten van dat onderzoek zullen
den maatstaf aan de hand geven, om te bepalen in welke hoeveelheid
de mergel moet worden aangewend (37).
Men gebruikt den mergel alleen en regtstreeks, goed vermengd met
dierlijke meststof, afval-mest of asch, waarmede hy een echt compost
of zamengeètelie mestspecie vormt; ook legt men hem bevorens in de
stallen, waar hij langzaam doortrokken wordt van de vloeibare, en zich
vermengt met de vaste uitwerpselen. Om den mergel regtstreeks te
kunnen aanwenden, is het een voornaam vereischte , dat men hem, alvo-
rens hem behoorlijk en ten naauwste met al de deelen van den grond
te vermengen, eerst eenigen tyd aan den invloed van den dampkring
blootstelt, om hem los en kruimelig te laten worden; vervolgens plaatst
men hem aan hoopjes , die op gelijke afstanden over de gansche opper-
vlakte van het terrein worden opgesteld , en later wordt dan het gruis met
Digitized by
Google
Ui
behulp van schoppen of schoffels gelijjkel^k over de geheele oppervlakte
verspreid. Daarna wordt de grond omgeploegd met den ploeg met
ééne schaar, dan gevlaki of gel^kgemaakt en geharkt of ge^, ea
ten slotte laat men er den uitroei- of wiedtoestel overheen loopen. Heeft
men den mergel met dierl^ke uitwerpselen of met afval-mest vei^
mengd, dan laat men hem eenigen tiy^ stil liggen, totdat men xeker
is, dat hij den tijd heeft gehad, om los en kruimelig te worden; dan
wordt de massa goed dooreen gewerkt, om te maken dat de vermei-
ging gelijkmatig en volkomen is; en daarna wordt het mengsel over
den akker verspreid op de door ons aangeduide w^ze.
W^ hebben gezegd dat de kalk, na eenigen t^ vermengd te E\jn
geweest met den grond, verandert in koolzuren kalk. De mergel trekt
van het eerste oogenblik af dit zout uit den grond tot zich; zoodat,
wanneer men deze beide middelen ter grond-verbetering beschouwt, lou-
ter met betrekking tot den koolzuren kalk, beider verrigtingen nederkomen
op het zelfde resultaat. Doch aangezien de vryë kalk uitwerkselen te
we^ brengt, die niet door koolzuren kalk worden voortgebragt, is het
ontegenzeggel^k, dat, uit een chemisch oogpunt beschouwd , de aanwen-
ding van mergel niet den zelMen invloed op den grond uitoefent, als
de aanwending van kalk. Als correctief met elkander vergeleken, werkt
mergel krachtiger dan kalk.
Om door de aanwending van mergel het beste resultaat te bewerken,
moet men beginnen met den grond droog te leggen, als hij zulks noo-
dig heeft, hem goed te bemesten, enz.; in één woord, geljjkti|}d^ en
in behoorlQke mate al de vereischte verbeteringen aan te brengen. Op
eene andere w^'ze mergel bg den grond te voegen, kan nutteloos s^n
of in een langer of korter t^'dsbestek nadeelig worden. De uitwerkselen
van den mergel vertoonen zich gedurende een langen t\jd; maar daar
de koolzure^ kalk langzamerhand verdwijnt, zal het naar gelang van
omstandigheden noodig zijn de bewerking na verloop van eenige jaren
te herhalen.
De aanwending van mergel is dienstig voor de cultuur van alle plan-
ten, volgens de vereischten van den grond; maar door den b^tonderen
aard van het suikerriet is die aanwending hierbij meer noodig, zooi^
w^ hebben aangetoond, toen w^ handelden over den kalk als mestspede
Digitized by
Google
143
en ab correctief. Daardoor zouden gronden, welke thans voor diecnltnur
weinig geschikt z^n, eene groote yrnchtbaarheid erlangen, die, goed in
stand gehouden, de grootste Yoordeelen zou ie weeg brengen. Dit zou
te gemakkel^ker te doen z\jn, daar in sommige streken de mergel op
zeer geringe diepte wordt aangetroffen; op sommige plaatsen vormt de
mergel den ondergrond juist van die gronden , die daaraan behoefte hebben^
Puin. — Het zelfde waarop gelet moet worden by het gebruik van kalk ,
die in den staat van koolzuur zout verkeert, dient ook in het oog gehouden
als men afbraak gebruikt van gesloopte of bouwvallige huizen, met andere
woorden, puin. Naar gelang van de bouwstoffen, waarvan zoodanig huis
in dertyd was opgetrokken, naar gelang van de dampkrings-invloeden,
enz., bevat afbraak gewoonlijk koolzure zouten van kalk, magnesia en
potasch , chloor-verbindingen van calcium , magnesium en sodium, orga-
nische stoffen en zand. De oplosbare zouten kunnen tot 70 percent sal-
peterzuren kalk en magnesia bevatten, en 10 percent salpeterzure potasch
en chloor-potassium. Wanneer men de kalkachtige zelfstandigheid, die
men aanwendt, beschouwt, en mén neemt in aanmerking met welk eene
aanziénl^ke hoeveelheid salpeterzure en andere zouten de grond daardoor
verrekt wordt, zal men begrijpen hoe het puin van afbraak werkzaam is
als correctief en als kalkaard%e mestspecie en tevens op gel^ke vir^ze
als zouten- en stikstofhoudende mestspeciën. Om beide deze redenen
is het noodig big de aanwending van puin te werk te gaan met overleg,
txk daiirby niet uit het oog te verliezen al wat wijj gezegd hebben met
betrekking tot de aanwending van kalk, en de begrippen, die wy heb-
ben doen kennen ten aanzien van zouten- en stikstofhoudende mestspe^
cien. De gronden, die het meest behoefte hebben aan kalk, dat wil
zeggen die, welke hoofdzakel^k kleiachtig of zandig z^'n, zullen meer
dan andere gronden nut trekken uit de aanwending van puin van
afbraak.
Wat betreft de verdeeling van het puin is het van aanbelang in het
oog te houden al wat wij gezegd hebben met betrekking tot de aan-
wending van kalk. Om de gronden behoorlek te bepuinen bezigt men ,
naar gelang van omstandigheden, iets meer of iets minder, 200 hecto-
Utres puin op 1 hectare oppervlakte (38).
Bereiding van compoêtên of zamengeiielde meêiêpeciën (39). — Op
Digitized by
Google
144
de meeste onzer suiker-plantaa^jen heeft men in de fabrieken de ge-
woonte om bet schuim, dat bij het koken afgeschept wordt, in grcp-
pels of zoogenaamde schnimgoten te werpen, door welke het wordt
afgevoerd tot ver van de fabriek af. Na verloop van een zeker tgds-
bestek gaat dat schnim tot bederf over, en verspreidt alsdan dien oo*
aangenamen reuk, die iets geheel b^'zonders heeft en zoo walgelgk is
voor alle mënschen, die er niet aan gewend zijn (40).
De bedoelde gewoonte nu is zeer schadel^k, niet alleen omdat er
zoodoende eene kostbare mesispecie verloren gaat, maar ook omdat de
onzuivere dampen, waarmede deze organische stoffen gedurende hare
ontbinding de lucht bezwangeren, deze dermate verpesten, dat z^ van
schadeiyken invloed kan worden op de gezondheid der mënschen, die
haar inademen. Deze onreine dampen kunnen zóó schadelyk zyn, dat
— al ware er van het b^eengaren van dat schuim geen ander voordeel
hoegenaamd te trekken, dan dat w^ ons zoodoende vrijwaren zouden
tegen den verderfelijken invloed, die door de ontbinding der daarin aan-
wezige zelfstandigheden kan worden uitgeoefend op ons organismus —
wij zelfs dan nog van oordeel zouden zgn, dat alle planters zich daarop
behoorden toe te leggen; want het kwaad, dat op die w\jze zou worden
vermeden, is zoo groot en van zoodanigen aard, dat al de opofferingen ,
welke men doen moet om het af te wenden, voldoende konden worden
opgewogen door de voordeelen, welke de zoodoende verkregene zuivere
lucht zoude aanbrengen. Voegt men bij deze uit het oogpunt der ge-
zondheidsleer zoo gewigtige reden, dat wij nu een krachtdadig middel
ter vruchtbaarmaking nutteloos te loor laten gaan , dan zal men begrij-
pen, hoe verwerpelijk de gewoonte is, waartegen w^ hier onze alken-
rende stem verheffen.
Het schuim, dat van het kokende suikersap a^eschept wordt, bevat
de organische stoffen, die de hitte verdikt, die, welke de kalk predpi*
teert, overbl^'fselen van de weefsels der rietstengels, andere zelfstandig-
heden daarin aanwezig, en eindelijk phosphorzuren en kiezelzuren kalk en
magnesia, en eene groote hoeveelheid kalk. — Bovendien bevat het
schuim eene zekere hoeveelheid van de vloeistof, waardoor het wordt
voortgebragt. Het bloote overzigt van de bestanddeelen, waaruit het
schuim is zamengesteld, toont reeds handtastelijk aan, welke voordeelen
Digitized by
Google
14Ö
men zich verzekeren zoude, wanneer die bestanddeelen in het t^dperk
van hunne ontbinding behoorlijk op de akkers wierden aangebragt. Wy
moeten inzonderheid de aandacht vestigen op de aanwezigheid van eene
overvloedige hoeveelheid kalk, die niet alleen regtatreeks en op zich
zelve voordeel verschaft, maar tevens van invloed is op de overige be-
standdeelen, uit welke het schuim is zamengesteld.
Dit is geenszins een op zich zelven staand punt. De verzameling van
het schuim maakt deel uit van ons algemeene stelsel om op de suiker-
plantaadjen mestspeciën te bereiden; een stelsel — wij zullen het hier
al dadelyk er bij voegen — dat, hoezeer niet op zoodanigen voet en
op die uitgebreide schaal, als hier door ons wordt voorgesteld — reeds
gedeeltelijk in toepassing is gebragt op sommige plantaadjen.
De bereiding van mestspeciën volgens dit stelsel zou de hierna ge-
melde voordeden aanbieden : 1*. De gezondheidstoestand der plantaadje
zou er zeer door worden bevorderd. — 3o. Men zou eene voor de sui-
kerrietteelt b^* uitnemendheid krachtige mestspecie erlangen. — • En 3».
by zulke resultaten zouden echter de kosten van aanleg , om die resul-
taten te verkregen, betrekkelykerwijze slechts gering zyn.
Om dit ons stelsel in toepassing te brengen moet men een put of
vergaarbak maken, volkomen ge vry waard tegen doorzijpeling, zoowel
van binnen naar buiten als van buiten naar binnen, en waarin overigens
de bewuste stoffen beveiligd zyn tegen den regen en tegen de werking
der zonnestralen. In deze vereischten kan worden voorzien , als men de
wanden van den put bekleedt met eene huid van tras of van asphalt,
en haar overdekt met een eenvoudig dak van ondoordringbare stof. Bij
de inrigting der wanden zign eenige voorzorgen in acht te nemen» die
het ons dienstig toeschijnt hier te vermelden. Alvorens aan te vangen
met het metselen van het muurwerk van ruwe steen, moeten eerst de
wanden en de vloer van den put bedekt worden met eene dikke huid van
leem. Als dan de zijmuren en de vloer op deze ondoordringbare huid gemet-
seld worden, strekt die ter bevordering van de ondoordringbaarheid, welke
wij wenschen te verkrijgen door de aanwending van tras of van asphalt.
De put of vergaarbak gemaakt zijnde , zal men beginnen met eene zekere
hoeveelheid teel-aarde daarin te brengen , door en door vermengd met eenige
asch van suikerriet en kleingemaakte ampas (d. i. uitgeperst riet , in Suri-
10
Digitized by
Google
146
name troê^ in het Spaansch bagazo^ in het Fransch ^^a««<» genaamd). Op
deze eerste huid of onderlaag wordt het soikerschuim geworpen , en na ver-
loop van zekeren tyd brengt men er eene tweede laag teel-aarde, asoh en
kleingemaakte ampas orerheen, welke zelfstandigheden bestemd zyn om de
stoffen in te zuigen , die voortgebragt worden door de ontbinding van het
suikerschuim. Wanneer nu , zooals wi|j aanbevelen, in den zelfden put de
asch van het riet en van al het tot brandstof gediend hebbende hout
wordt geworpen, zoomede het bevorens met water tot eene pap aange-
lengde vloerveegsel uit de paardenstallen en varkenshokken, het drab
uit den destilleer-ketel, enz., alsook al het hout-afval, dat niet als brand-
stof gebruikt wordt, en het afval van de riet-akkers — steeds zorg dra-
gende dat de lagen van plantaardige stoffen , teel-aarde en asch , en die
van het suikerschuim elkander afwisselen, eensdeels ten einde zoodoende
te zorgen, dat de door verrotting aangebragte stoffen niet de lucht kun-
nen bezwangeren, en anderdeels om partij te trekken van de in het
schuim aanwezige vochten, die de ontbinding van het afval bevorde-
ren — zullen wij ons niet alleen met weinig kosten eene aanzienlijke
hoeveelheid mestspecie verschaffen, maar ons door de bereiding daarvan
tevens belangr^ke voordeden verzekeren. Ofschoon de in het suiker-
schuim aanwezige hoeveelheid water voldoende is om de verrotting te
bewerken, zal het altijd nuttig z^n de massa in den vergaarbak te be-
sproeijen met eene vloeistof, waartoe men al de drekstoffen bezigt, die
men magtig worden kan en die men tot dat einde aanlengt met wa-
ter. — Ook konde men in het suikerschuim de drekstoffen van dieren
verdeden, en zoodoende zou men eene gistende meitapecie bekomen,
in hooge mate werkzaam om de verrotting te bevorderen en te weeg te
brengen van al de plantaardige stoffen , die bestemd zijn om tot ontbin-
ding over te gaan. Op alle manieren zal het nuttig zijn eene pomp op
te stellen, zooals die in gebruik is bij de toebereiding van stalmest,
bestemd tot de zelfde doeleinden. — Aan het suikerschuim konde met
voordeel toegevoegd worden de van gekleide suiker verkregene melasse
van het derde produkt, die nuttig zoude werken niet alleen uithoofde
van de daarin aanwezige stoffen, maar ook doordien de door hare gis-
ting voortgebragte zelfstandigheden de betere verrotting van de verschil-
lende ondereen gemengde stoffen ip weeg brengt.
Digitized by
Google
147
De asch« die nu op de plantaadjen opgehoopt wordt, blootgesteld
aan weer en wind, zou, in de bedoelde vergaarputten bewaard, niet
door de daarop vallende regens beroofd worden van de oplosbare zou-
ten, welke het van zooveel belang is daarin aanwezig te houden. —
Bovendien zouden de onoplosbare bestanddeelen der asch, door het in-
zuigen zoo van de stoffen, die door de ontbinding van het suikerschuim
voor%ebragt worden, als van de overige zelfstandigheden, zoo niet ge-
heel dan ten minste grootendeels oplosbaar gemaakt worden. — Het
afval, dat anders zoo lang werk heeft om te verrotten, zou in dezen
toestand gemakkelijk tot ontbinding overgaan, en de daarin aanwezige
kostel^e mestspecie van dadelijk nut worden voor den plantengroei.
De afmetingen en het aantal van die vergaarputten moet verschillen
naar gelang van de hoeveelheid mestspecie, die men bereiden wil, van het
kapitaal, dat men daaraan te koste wil leggen , en van den tijd, dien men
de mestspeciën daarin wil laten liggen om ze te beter te laten verrot-
ten; maar hoe het zg, al vindt men de kosten van die putten tamelgk
groot, het daaraan bestede kapitaal zou men spoedig terugvinden, niet
alleen door de ruimere opbrengst, die de oogst zou opleveren ten gevolge
van de behoorlijke bemesting der akkers , maar ook door den beteren gezond-
heidstoestand, waarin de bevolking der plantaadje zou komen te verkeeren.
Maar dit is niet de eenige bron om zich mestspeciën te verschaffen,
waarmede wij onze plantaadjen kunnen verbeteren. Zoodra wg een ver-
standig cultuur-stelsel aannemen , waarbg eene veel kleinere oppervlakte
gronds wordt bearbeid, zal het mogelgk wezen het aantal ossen te
verminderen, dat tot nu toe gebezigd wordt by de verschillende werk-
zaamheden, en daarentegen het aantal te vermeerderen van die, welke
op de plantaadje behooren gedurende den werkeloozen tijd. Alsdan zal
men groote stallen kunnen bouwen, waar de dieren niet alleen beter
verzorgd kunnen worden, maar waar ook niets te loor zal gaan van
hunne uitwerpselen, die ons tot mest kunnen dienen. Het gebruik van
stallen zou natuurlek het inrigten van weilanden na zich slepen, die
men ter gelegener tgd zou maagen, en zoodoende zou het vee ten allen
tyde behoorlijk van voeder voorzien kunnen worden, terwyl tegenwoor-
dig op de plantaadjen, waar de ossen gevoederd worden met jonge
spruitsels, zoodra de molen stilstaat, alsook in geval van brand of
Digitized by
Google
148
wanneer er gebloeid hebbend riet gekapt wordt, de arme dieren bloot-
gesteld z^n aan het gevaar om van honger te sterven, of althans ver-
schrikkelijk gebrek te lijden. — Daargelaten nog dat de jonge spmitsels
geen genoeg voedzaam voeder z^'n om de krachten te herstellen.
Degenen, die dergelijke vergaarputten voor mestspecie niet mogten
willen of kunnen aanleggen, zonden al de genoemde zelfstandigheden ,
hetzij verwerkt of alsnog te verwerken, naar hunne akkers kunnen
laten brengen, en ze daar zoo gelijkmatig mogel^k laten verspreiden.
Derwaarts zou men het suikerschuim kunnen vervoeren , de asch , de
stalmest, enz. — Bij het over den akker verspreiden van melasse,
asch , of drab uit den destilleerketel , zal het , indien de grond niet
zeer kalkachtig is, goed wezen, eenige correctiven (om het even welke)
aan te wenden, om de zuren te verzadigen, die zich mogten vormen. —
Behalve de mestputten, waarover wij thans hebben gesproken, zou men
ook grootere vergaarplaatsen kunnen aanleggen , waar de doode ligcha^
men konden worden geborgen van de vele dieren, die tegenwoordig
jaarlijks op onze plantaadjen sterven. Deze Jcreng-hokkeH alleen zonden
mestspecie genoeg leveren, om in de behoeften der cultuur te kunnen
voorzien. Zoodoende zouden wig geheel en al het in eigen onderhoad
voorziende stelsel hebben aangenomen , waarbij de mensch zich be^vert
de natuur te helpen door z^nen arbeid en door aanwending van de
chemische en mechanische krachten (41).
Het door ons voorgeslagene algemeene stelsel om vruchtbaarmakende
mengsels of zamengestelde mestspeciën te bereiden, zal, vreezen wij,
bij sommigen op bezwaren kunnen stuiten ; wy achten het daarom niet
ondienstig reeds bij voorbaat tegen die bezwaren de redenen aan te
voeren, die ten voordeele van onze denkbeelden pleiten.
Daar wy dus voorstellen om alkalische stoffen te vergaderen, ver-
mengd met zoodanige stoffen, die kunnen doen denken aan de moge-
lijkheid eener algeheele verdwyning van ammoniak, zullen velen by
eene oppervlakkige beschouwing wanen, dat daaruit verliezen kannen
voortspruiten, hetzij door de uitdamping van het ammoniak-gas , hetzy
door de gevormde koolzure ammoniak.
Aangenomen voor een oogenblik , dat zoo iets plaats gr|jpt , dan
moeten wij ook voor bewezen houden, dat het nadeelig is alkalische
Digitized by
Google
149
stoffen met andere te vermengen. — £^ zoodanige vermoedens zou
de voorzigtigste partij, die wij kiezen konden, hierin bestaan, dat wij
de overblijfselen van de verbrande ampas, en de ascb van het ver-
brande hout, goed ondereen mengden: en dit mengsel, behoorlek bevei-
ligd gehouden tegen den regen , zal gelijkmatig over den akker worden
verspreid, waartoe wy ons zullen bedienen van den mest-verspreider. —
Op deze wijze zouden wij dadelyk te beschikken hebben over eene kos-
telyke mestspecie, tevens een uitmuntend correctief. — Wat de overige
stoffen betreft zou het nuttig zijn, die te vergaderen volgens de vast-
gestelde regelen , en , nadat ze al de noodige veranderingen ondergaan
hadden, ze te verspreiden over den akker. — Eerst dan, als men op
onze plantaadjen het heilzame stelsel van stalling der dieren zal hebben
ingevoerd, zal het mogelijk zyn al hunne uitwerpselen te vergaderen,
en dan zullen wij de noodige mestputten kunnen aanleggen, om daarin
de stalmest te bewaren. — Wy achten dit punt van zooveel gewigt,
dat wij ons voorbehouden het ter zijner plaatse uitvoerig te behandelen.
Bij de blootlegging van ons stelsel om zamengestelde mestspeciën te
bereiden , was onze bedoeling : een geschikt middel aan de hand te doen
om de wederkeerige ontbinding van al de daartoe gebezigde bestand-
deelen gemakkelijk te maken, niet alleen ten einde zoodoende een eind-
produkt van eenerlei en gelijkmatige gehalte , met andere woorden eene
waarlijk degelijke mestspecie te verkrygen ; maar wij hadden daarby
tevens op het oog om nut te trekken van al de stoffen, welke voort-
gebragt worden door de scheikundige reactiën , die op hare beurt
weder andere reactiën te weeg brengen: op die wijze wordt bewerkt,
dat al de zelfstandigheden, gelijktydig en wederkeerig met elkander in
aanraking komende , zich in meerdere of mindere mate en in meer of
minder tijd vereenigbaar maken door de planten. — Nu zullen wij
doen zien, hoe de alkalische stoffen, die in den mestput bijgevoegd,
of, om juister te spreken, stelselmatig daarin aangebragt zijn, wel verre
van verliezen te veroorzaken , integendeel dienen om de stikstof vast te
leggen, het zy dan in eenen anderen nieuwen vorm of verbinding , nog-
tans altijd dienstig tot voeding van de planten. — Ten einde meer ge-
zag aan onze stellingen te geven , en aan te toonen hoe zeker wij zyn
van de juistheid onzer denkbeelden , komt het ons gepast voor , hier
Digitized by
Google
150
eenige opmerkingen en proefondervindelyke wenken mede te deelen,
ontleend aan den beroemden Boussingault {Agronomiet ehimie agricole
et phgêiologie , tome II , pag. 1).
Bouasingault begint met ons te zeggen, dat op de meeste boerderijen
in Frankryk eene bijzondere plaats bestemd is om er het opveegsel
van de erven en uit de graanschuren , het vuilnis van de wegen , het
onkruid , het puin van afbraak , de asch van turf , steenkool en hout ,
de stronken van verschillende planten , het drab uit koókketels
in één woord : alle afval van welken aard ook te vergaderen , dat niet
op de eigentlyke mestvaalt wordt gebragt. Na verloop van een paar
jaren bevindt deze verzameling van afval zich in zoodanigen toestand , dat
zij met voordeel kan worden aangewend. Dat men die verzameling van
afval-mest, voegt Boussingault er bij, zamenstelle uit puin, opveegsel,
vuilnis, bagger, asch, enz., dit vind ik goed; maar dat men er ook
allerhande onkruid, stroo, afval van geslagt vee, doode dieren, dier-
lyke uitwerpselen, enz., by voegt, komt my nooit doelmatig voor, daar
ik vermeen , dat van de meeste dezer zelfstandigheden op veel snellere
wyze nut te trekken zoude zijn, terwyl ze door de bovengezegde ver-
menging het grootste gedeelte van hare vruchtbaarmakende oplosbare
of vlugge bestanddeelen moeten verliezen. Gedurende 25 jaren , verhaalt
ons de beroemde hoogleeraar, heeft hij niet opgehouden die verkeerde
gewoonte af te keuren; maar gedurende dat zelfde tijdsbestek heeft hy
dat gebruik laten voortbestaan, omdat de resultaten, die er door ver-
kregen werden, volkomen bevredigend waren, en „vooral omdat hy
geloofde, dat aangaande dit bij uitnemendheid praktische punt, waar-
van de deugdelykheid geijkt is door eene eeuwenlange ondervinding, het
oordeel van alle landbouwers meer waarde moest hebben , dan de the-
oretische denkbeelden van eenen geleerde."
Later kwam de zelfde geleerde door naauwgezette nasporingen tot
een juist begrip van al het gewigt der verschijnselen van de salpeter-
vorming by de cultuur, en toen kon hij de analogie opmerken, die er
bestaat tusschen plaatsen, waar de salpeter zich vormt, en eenen be-
mesten en met veel kalk of mergel vermengd ge wordenen grond. Van
dat oogenblik af begon hij te gelooven, dat al de zelfetandigheden,
die ondereen gemengd worden om de afval-mest te vormen, een groot
Digitized by
Google
151
salpeUrbed zijn, waar de tot mestspecie bestemde stikstof houdende
stoffen eene duurzaamheid erlangen, die ze nooit zouden hebben ver*
kregen, indien ze altijd den vorm van ammoniak hadden behouden.
Boussingault heeft na vele nasponngen bevonden, dat de teel-aarde
altijd de zelfde vruchtbaarmakende zel&tandigheden bevat, die in ruimere
hoeveelheid aanwezig zijn in de afval-mest, „in dat restant van hetgeen
gegroeid, en van hetgeen geleefd heeft", namelijk: ammoniak of sal-
peterzuur, meer gewoonlgk ammoniacale en salpeterzure zouten; phos-
phorzure zouten vermengd met zouten van alkaliën en aarden , en altijd
stikstof houdende organische stoffen , zamengestelde stoffen , die de eigen-
schap bezitten , dat ze onder zekere omstandigheden , die haren invloed
doen gevoelen in de normale toestanden der teel-aarde , salpeterzuur en
ammoniak voortbrengen , dat wil zeggen de twee verbindingen , onder
welke de planten de stikstof tot zich nemen.
Door de vereischten, die noodig zijn tot de salpetervorming in het
algemeen, en die, welke zamengaan in de vorming van afval-mest,
met elkander te vergelijken door middel van eene analyse van beider
produkt, heeft Boussingault zonneklaar aangetoond , hoe de salpeterzure
zouten gevormd worden en hoeveel nut het aanbiedt aldus de zamen-
gestelde stikstof houdende stoffen vast te leggen. In de mestputten, die
door ons worden aanbevolen, verkrijgt men de zelfde uitkomst; zoodat
men , wel verre van verliezen aan stikstof te ondervinden , verzekerd
kan z^n, dat z^ tot eene andere verbinding wordt gebragt, die haar
vastl^ en duurzaam maakt.
£n daar w^ over de mestspeciën handelen , zal het z^n nut hebben
hier gewag te maken van eenige proefnemingen, die de strekking had-
den om te onderzoeken, of b^ de cultuur van suikerriet gebruik kon
worden gemaakt van versche mestspecie, die niet vooraf eene gisting
had ondergaan; een punt van groot gewigt, daar velen zouden kunnen
gelooven, dat die gisting, door hare uitwerkselen of door de tempera-
tuur, schadel^k koude zyn voor de ontkieming van den knop en voor
de ontwikkeling van de jonge spruit. — Tot dat einde namen wij versche
paardenmest , en plantten daarin de rietstekken , die overdekkende met
eene laag der zelfde specie. — In weerwil van de gisting, de tempe-
ratuur, enz., kwam het riet op, en groeide tamel^'k welig; maar later,
Digitized by
Google
152
toen de stof, waarin het geplant stond, aanmerkelijk was venninderd in
omvang en hoeveelheid, kwamen de wortels bloot te liggen, en ver-
dorde de stek. Wij hebben dus voldoende zekerheid, dat het riet in
versche mest ontkiemt en goed opgroeit : die versche meststof, zonder
eenige voorafgaande gisting hoegenaamd, met den grond te vermengen
bij het planten van riet, werkt niet nadeelig. Wjj namen eene groote
hoeveelheid drab uit de klarings-toestellen , bestaande uit aarde, cel-
weefsels, gestremd eiwit, enz., en hierin plantten wij riet: wij Wa-
ren toen getuige van eene bg uitnemendheid sterke gisting, de tempe-
ratuur was dermate verhoogd, dat w^ er bijna de hand niet in konden
houden, en in weerwil van dat alles ontkiemde het riet, en groeide
zeer welig op. Ook in zuivere, onvermengde peruaansche guano heb-
ben wy rietstekken geplant, maar door de overmatige vochtigheid gin-
gen die allen tot verrotting over.
Farkenêhokken, — De slaven op de plantaadjen fokken eene groote
menigte varkens. Deze dieren, gelyk men weet, zitten opgesloten in
kleine stallen of hokken. Het voeder, waarvan ze leven, bestaat in
eene menigte artikelen , waaronder pompoenen , maniok , jonge riet-
spruiten, schuim van het suikersap, melasse, raauwe en gekookte
maïs, enz. Uit den aard dier voedingstoffen en hare overvloedige
verscheidenheid kan men reeds afleiden, hoe rijk de uitwerpselen
der varkens moeten zijn aan vruchtbaarmakende stoffen. Ten einde zich
al het voordeel te verzekeren dat deze uitwerpselen aanbieden , zou men
niets anders behoeven te doen dan de varkenshokken te bouwen met
eene zekere orde , en volgens een vast beginsel. Zoo zou het noodig zijn
een put te graven van zekere diepte, en dien te vullen met ampas
en eenige aarde; en op dezen grondslag zou men het varkenshok
moeten bouwen. A.1 de stoffen, die op dezen grond ontlast wier-
den, zouden er door worden opgeslurpt. Later, als men den put
ging leeggraven, zou men er eene groote hoeveelheid meststof uithalen.
Nu kan men, onder een of ander voorwendsel, de varkenshokken om
de twee of drie jaren verplaatsen, en uit den daaronder aanwezigen put
al de mestspecie halen, die men dan over den akker kan verspreiden,
hetzij den grond omploegende, hetzg hem omspittende.
Jsch. Belangrijkheid der alkaliën. — Ons ten doel gesteld hebbende,
Digitized by
Google
153
alles wat de bemesting betreft uitvoerig te behandelen, hebben wg het
nuttig en dienstig geacht, de juiste waarde te bepalen en vast te stellen
van ettelijke daadzaken, in verband met de aanwending van asch; bij
een goed begrip van die daadzaken zal men daarvan met voordeel de
toepassing kunnen maken, terwigl men in het tegenovergestelde geval
gevaar loopt zich door verkeerde handelwijzen slechts nadeelen te zullen
berokkenen.
Denken wij ons eens een planter, in het bezit van eenen grond, die
al de vereischten in zich bevat, welke noodig zijn om het suikerriet in
staat te stellen, met spoed tot zijnen volkomenen wasdom te geraken,
terwijjl de eigenaar er zijn streven van maakt, om zijnen grond bij voort-
during in dien staat van vruchtbaarheid te houden : welke zelfstandig-
heden zal h^* op den grond moeten aanbrengen, om telkens na het
inzamelen van eenen oogst het daardoor verbroken evenwigt in de ge-
steldheid van den grond te herstellen, en hem terug te brengen tot
zijne vroegere vruchtbaarheid? Let men alleen op de chemische zamen-
stelling der minerale zouten , die de planten uit den grond trekken ,
waarin zy groeijen, en die zij niet slechts noodig hebben om hare or-
ganen te vormen, maar evenzeer om hare levensfiinctiën te verrigten,
dan zou men kunnen meenen, dat men slechts de hoeveelheid en den
aard der minerale zouten, die door de planten aan den grond onttrok-
ken worden, behoefde te kennen, om, zonder zich bloot te stellen aan
het gevaar van in dwalingen te vervallen, te kunnen bepalen hoedanig
de voor elke bijzondere cultuur van plantgewassen meest geschikte mest-
specie behoort te zijn zamengesteld. De zouten, die de planten tot zich
getrokken hebben uit den grond, waarin zy groeijen, zullen, wanneer
die planten verbrand worden, achterblyven in den vorm van asch.
Door nu die asch te ontleden, kunnen wij ons in het bezit stellen van
de juiste gegevens, die noodig zijn om de delfetoffelijke zamenstelling
van de beste mestspecie te bepalen; en kennen wij dan de hoeveelheid
asch, die van elke plant verkregen wordt, en weten wij hoe groot het
getal planten is , dat op eene zekere uitgestrektheid gronds kan worden
geteeld , dan zullen wij al de gegevens hebben , die noodig zyn niet
alleen om met juistheid de zamenstelling der mestspecie te bepalen,
maar tevens om te weten welke hoeveelheid van die mestspecie in den
Digitized by
Google
154
grond moet worden gebragt, om de door de cultaur daaraan onitrok-
kene krachten volkomen te herttellen. Hebben wij het geluk, dat wede
asch bezitten, hetzg van de zelfde plant, hetzij van eene zoodanige
plant, die eveneens is zamengesteld, dan zullen wij niet eens onzetoe-
vlugt behoeven te nemen tot kunstmatige vermengingen , maar met die
asch alleen reeeds in al de behoeften van den grond kunnen voorzien
Be asch van suikerriet is zamengesteld, zooals uitgedrukt staat inde
beide hierachter volgende tabellen, die de zelfde uitkomsten aanbieden,
doch op twee verschillende wijzen.
In tabel A z^n de c\jfers vermeld, zooals ze regtstreeks door de
analyse verkregen zijn; doch, aangezien daarin eene zeer groote, met
het chloor corresponderende, hoeveelheid zuurstof voorkomt, zijn, om
deze fout te verbeteren, de resultaten uitgerekend, welke men verkrij-
gen zou door al het chloor met het potassium en sodium tot chloor-
potassium en chloorsodium te verbinden; en deze cijfers worden mede-
gedeeld in tabel B.
Deze analyse hebben wij te danken aan J. Stenhouse. De rietstokkeo
waren herkomstig uit de volgende localiteiten :
Nummers 1 , 2 , 8 en 4. Stengels en bladeren van bladerrijke plan-
ten, geteeld op Trinidad.
Van nummers 5, 6 en 7 wordt de herkomst niet vermeld.
N». 8. Stengels, zonder bladeren, van op Demerary geteeld riet.
No. 9. Stengels, met zeer weinig bladeren, van planten geteeld op
het eiland Grenada.
N». 10, 11 en 12. Planten, die haren vollen wasdom bereikt hadden,
behoorende tot de variëteit, die kristallen genoemd wordt; ze waren
herkomstig uit Jamaica.
Digitized by
Google
155
E-i
m
1— 1
P3
Ui
CO
<!
o
co
«
co
;>^
<i
^:
»a ,-1 ,-1
OSrHCOCOO-* t'^eo
lo o os co 80 f^^ : 00 00
-** 00* "H •«** »o i-i : o co
iO rH rH :
wt
mt
t^ ei lO 00 i-ï iO i:<I rH
"1^ f^ r-i
«1
f- os 00 <o CD '^ : ^ ®*
oooi^i-«^t>" :coe«
9
w*
C000OO0S»-^'*»O
F-ï co co « o »o o e?»
e
«1
O'^i-»"^cooso :os
c5» o co co CD o OO : «
oioooóoiooo r-^
e
i>;oo^i:-:i>:oo^o
c« co
e
oooooc-Qo»-^ :"^"^
co o» o OO ^ ©1 : r-J «o
co* CD os* »0 »0 rH* ' rH t-^
o« co : I-I
m
•^C^OCOCOOrHiJ»
o f-< C^ OO Gil 00 »0 «
l>^ C«i C"^ '«^' C^' co' os 00*
(^ rH co
JD
Tfic-t^Tïieoco :oe^
COOOOSCOOSOS jt^rH
c^ t^ i>^ c5» co* c5» : O t-^
Il co : 1-1 rH
t»
OO ^C*'«J«iOQOrHCO
OOOOOCOlOt-.QOTfl
Tj^* ^* t-^ '«^ Tïi ^* <o lo
i»
cooo'«j«osot-'«j« :»o
I-H OO t"; Tï| os os co : «
lo Tj5 i>l '^* p4 «o* rH : cd
e
•^C0C^«0t*'*041>.
c*ioeocoooi«>oo
OdcócoeiioGvicoeo
«
ocooost-Hoseo :«
OiO'-jjoocDco :os
o cd co* kd co co* rH : cd
U» rH rH :
iQ
•fte^ooodkocot^o)
©Ji-J'^COC^lOOOCO
<p 00 t^ ©i »o lo I-H e«
iQ
OOCOO^OOrHCOt* !»«
TÏ| rH IOC-- CO OS lO : OS
cd OO* c-^ »d »d I-H O : cd
•*
»0C0Ot*«0'*0i<0
OO »0 OO TÏ| Oi OO OO rH
O -^ O icJ Oo' CO r-ï r-ï
^
c^osooi-ie^os :cooo
co JO os rH os os : os r-<
i-Hi^ooscd»d :oó<si
"^ rH I-» :
n
OOCOiOCOr-lOOS
iOi— IkOOOC^'^ftOt*
lo oo' '«jï 00* 00 «^fi »o -^
n
COCO»OrHOCO IrHrH
Tj« C^ CO OS lO CO J "^ **
cd 00 <^ OO -'^ o* : t^ os
#
1— it-o*<yjc*coo>«o
00 os 3ö o pH QO o* «
eit^OpHcóoi^ei
•^ i-H rH rH
tl
oos-'fOooi-HOs :os
OO 00 os o« OO o 00 : co
csft-^ocdoseïï»-^ :i-<
'^ rH rH rH
«i
ooiO-ifiocOioc^eo
l>-t»<Ol>.rHCDOOO
lo co* <o* <m' os eó r^ r-4
-
tr^cocococoo :c>-e^
ost>-corHcokO :o^o
»dcdcdoscd»d icdcsJ
^ o» :
/ Kiezelzuur
. Phosphorzuur. . . .
^ l Zwavelzuur
m ) Chloor ......
1 JKalk
• / Magnesia
^ Potasch
\Soda
^
lil -1^ -11
Digitized by
Google
]56
Indien de door ons in vorenstaande bladz^den ontwikkelde denkbeel-
den de getrouwe uitdrukking waren van al de daadzaken, als wij dan
van de verschillende in de asch aanwezige zouten mengsels maakten,
en die behoorlijk verspreidden over den grond, zouden wy volkomen
verrigt hebben hetgeen noodig is om eenen riet-akker naar eisch te be-
mesten: ongelukkigerwijze echter is het vraagstuk niet zoo eenvoudig,
en de vorenstaande oplossing gaat mank aan twee dwalingen van over-
wegend belang. De eerste en voornaamste bestaat hierin, dat daarb^
geheel en al over het hoofd is gezien het gewigt en de noodzakelijkheid
van eene zekere hoeveelheid kool- en stikstof houdende stoffen in den
grond, die niet alleen regtstreeks door de planten worden ingezogen,
maar die tevens , door de ontledende stoffen welke z^' voortbrengen ,
het leven der planten verhoogen , doordien ze zoowel zelven nieuw
voedsel aan den plantengroei verschaffen, alsook de oplossing bevorde-
ren van in den grond aanwezige onoplosbare zelfstandigheden , welke,
om geabsorbeerd te kunnen worden , eerst tot eenen anderen staat moe-
ten overgaan. Overigens doen die zelfstandigheden de physieke eigen-
schappen van den grond eene verandering ondergaan. Stellen w^ eens
voor een oogenblik, dat de in den grond aanwezige organische stoffen,
die door de herhaalde inzamelingen van den oogst ook gestadig minder
worden , tot niets hoegenaamd dienen : zullen wy dan ons doel volko-
men bereikt hebben door de asch van het suikerriet over den grond te
verspreiden? Indien wij alleenlyk letten op de chemische zamenstelling
van die asschen , dan spreekt het van zelfs , als wij zorgen die te ver-
zamelen zonder er iets van verloren te laten gaan, en wy verspreiden
ze gelijkelijk over den riet-akker, dat wy dan, voor zooveel de delf-
stoffelijke bestanddeelen betreft, juist door die asschen de zelfde zamen-
stelling aan den grond zullen wedergeven, die hy had voordat hij
ons eenigen oogst had opgeleverd ; maar letten wij tevens op de physieke
eigenschappen van die asschen , dan neemt de zaak eene andere gedaante
aan. De in de asschen aanwezige minerale zouten moeten , om door de
rietplant ingezogen te kunnen worden, oplosbaar zyn in water, welke
oplosbaarheid sommige dier zouten reeds van zelfs hadden; andere nemen
door de op hen werkende invloeden zelfstandigheden tot zich, die groo-
tendeels voortkomen uit de organische stoffen van den grond. Door de
Digitized by
Google
157
hooge temperatuur, waaraan de asch van suikerriet blootgesteld is,
smelt zij gedeeltelgk , en vormt , somwijjlen , in haar geheel , eene soort
van slak , waarvan steeds een gedeelte in water oplosbaar en het overige
onoplosbaar is. Bit onoplosbare gedeelte was , tgdens het werd ingezogen
door het riet, oplosbaar uit zich zelven, of door den invloed eener
andere zelfstandigheid ; en als wij het nu weder op den akker versprei-
den, om op nieuw door de zelfde plant geabsorbeerd te worden, zal
het zich noodwendig eerst moeten oplossen. Deze oplossing echter zal
nu echter veel moeijclijker plaats hebben ten gevolge van den verander-
den toestand, waarin dat gedeelte door de werking der hitte gebragt
is. Wij zien dus, als wij enkel de asch van het suikerriet aan den
akker teruggaven , dat wij hem dan slechts een gedeelte zouden weder-
geven van de zouten, die hij voor zijne groeikracht noodig heeft;
want als zoodanig zouden wij alleenlyk die kunnen tellen, die oplos-
baar z^'n of dat gemakkel^k kunnen worden, terwijl de overige, die
dat oorspronkelijk geweest, maar die onoplosbaar geworden zijn, voor
het oogenblik geen nut doen en dus op den akker een dood kapitaal
vertegenwoordigen.
Wij zullen nog meer zeggen. — De asch vertegenwoordigt slechts
een gedeelte der minerale zouten uit het suikerriet; want een zeker
gedeelte daarvan gaat mede in het uitgeperste sap , een ander gedeelte
is geabsorbeerd door de bladeren en wortels van het riet , enz. ; en als
wij dus niet zorgen, dat wij de asch van al die verschillende zelfetan*
digheden byeen hebben, spreekt het van zelfe, dat een groot gedeelte
van de stoffen , die vroeger in den grond aanwezig waren , verloren is
gegaan.
Uit al het vorenstaande volgt: l^ De asch, die over de akkers
verspreid wordt , vertegenwoordigt slechts de minerale zouten , welke
ingeslurpt z^n door het riet, en waarvan een gedeelte ti[jdel^k onop-
losbaar is geworden , terwijl de zelfstandigheden , bestemd om dat ge-
deelte in eenen anderen staat te brengen, slechts moejjel^'k haren in-
vloed daarop uitoefenen. — 2o. Als de asch ontoereikend is om dadelijk
het verlies van opslurpbare minerale zouten te herstellen, kan zy ook
volstrekt niet strekken om aan den grond die hoeveelheid stoffen bij te
zetten, die van zooveel invloed is op de groeikracht. — 3". Als wij
Digitized by
Google
158
aan de asch zel&tandigheden toevoegen om hare insluiping te berorde-
ren, of als wij haar tot dat einde eenigerlei voorloopige bewerking
doen ondergaan, en als wi|j haar dan vermengen met de organische
stoffen , die onmisbaar zijn voor het leven der planten , zullen wij haar
door die bewerking in zoodanigen toestand gebragt hebben, dat wiy er
met meer voordeel nut van kunnen trekken.
Overtuigd van de ongenoegzaamheid der asch als mestspecie , in staat
om als zoodanig dadelijk al de werking te doen en volkomen te beantwoor-
den aan al de vereischten eener goede cultaur, denken sommige land-
bouwers , indien ze al de ampas in hunne gronden konden aanbren-
gen, dat daardoor hunne riet-akkers niet slechts het verlorene terog-
erlangen, maar tevens b^ iederen oogst eene nieuwe aanwinst van vmcht-
baarmakende stoffen deelachtig worden zouden. Oppervlakkig, zooals de
zaak daar voorgesteld wordt, zou men wanen, dat men, op die wyze
te werk gaande, de heilrijke resultaten zou verkregen, die men zich
voorstelt; maar als wij de zaak meer van nabij beschouwen, zullen wjj
zien, dat de resultaten geheel anders z^'n.
Het is zeker, dat het riet, terwijl het groeit, leeft ten koste van de
lucht en van de aarde , en dat in de ampas een groot gedeelte aanwezig
is van de stoffen, die aan de b^de genoemde elementen onttrokken
zijn. W^* zeggen een groot gedeelte : want als het riet uitgeperst wordt,
gaat er eene zekere hoeveelheid van die stoffen met het uitgeperste sap
mede; doch gesteld, dat dit sap niets anders dan suiker bevat, die
w^ by slot van rekening kunnen beschouwen als uit den dampkring
ontstaan, dan zal de grond, door de ontbinding van dit uitgeperste riet ,
dat w^ in den akker brengen, niet slechts terug-erlangen wat h^* aan
minerale en organische stoffen verloren had, maar, wat de laatsl^
noemden betreft, tevens nut trekken van die, welke juist door den
plantengroei ontstaan z^'n ten koste van de lucht. Maar zal met de
ampas dit doel bereikt worden, dan moet die tot ontbinding overgaan,
zij moet verrotten ^ en daartoe zyn ettelijke bijzondere omstandigheden
noodig, en wordt een zeker tijdsbestek vereischt, gedurende hetwelk de
grond blijft verkeeren in den zelfden staat, als ware het uitgeperste
riet er in het geheel niet in gebragt. Daar het doel van al onze ver-
rigtingen altijd moet wezen veel en spoedig voort te brengen , zyn wij
Digitized by
Google
159
ran oordeel , dat het bemesten Tan den grond met ampas (in Suriname
^noemd het trassen Tan den grond) een gebrekkig hulpmiddel is, dewijjl
Ie gunsüge werking daarvan zich eerst na verloop van tijd openbaart ,
vanneer de ampas al de noodige veranderingen ondergaan heeft , waar-
loor zij herschapen wordt in afval-mest; waarbij nog dit, dat de in
len grond gebragte ampas veel langer tyd noodig heeft om tot verrot-
ing over te gaan, dan men denkt, byaldien niet zekere omstandig-
heden daartoe medewerken. Overigens zijn de resultaten van deze be-
nesting hoofdzakelijk van plaatselijken aard; want de ampas wordt
üet gelijkelijk over den grond verspreid, en ook niet met al de be-
itanddeelen daarvan gelijkelijk vermengd.
Als onze planters eenmaal eene zuiniger brandstof gevonden zullen
lebben , of als de hoeveelheid ampas , die ze voor hunne distilleer-
toestellen enz. noodig hebben, verminderd worden kan, zullen zij de
liet-benoodigde ampas kunnen bezigen om er de zamengestelde mestspe-
3iën van te bereiden, waarover wij thaus hebben gehatfdeld; maar het
tal nooit dienstig zyn de ampas in den grond te brengen , of eerst moet
zij tot ontbinding ovei^egaan zyn , en met behulp van andere stoffen
de zel&tandigheden hebben voortgebragt, welke onmisbaar zijn om het
riet tot den hoogsten graad van ontwikkeling te brengen, en die, welke
meer bepaaldelijk vereischt worden ter bevordering van de suiker-
vorming.
De slotsom van de boven medegedeelde beginselen is deze: ter be-
mesting van de gronden, ten einde. te bewerken dat ze veel en epoedig
voortbrengen, moeten de landbouwers hetzij de asch, hetzij de ampas
vermengen met andere zelfstandigheden , die of Tan eerstgenoemde de
zamenstelling en de eigenschappen tot volkomenheid brengen, of van
laatstbedoelde de ontbinding bevorderen en middelerwijl daarvoor in de
plaats treden, want om tot algeheele ontbinding over te gaan behoeft
de ampas meer tijd, dan men over het algemeen denkt.
De asch werkt op zich zelve , regtstreeks, door de stoffen, die zij zelve
aan de planten verschaft, en tevens doordieg zij de opslurping van de
stoffen uit den grond bevordert, door de alkalische zouten , welke zij
bevat , en die de oplossing bewerken van sommige in onoplosbaren staat
in den grond aanwezige zelfstandigheden. De asch werkt dus heilzaam
Digitized by
Google
"i
160
niet slechts door de oplosbare deelen, die zij bevat, maar ook door
zoaten, die opgelost kannen worden.
De asch van suikerriet moet altijd althans vergruisd (dat wil
fijngestampt) z^n, eer z^ als mestspecie wordt aangewend, Doot
physieke eigenschappen is zij bestemd om hoofdzakelijk te werken i
correctief in vaste gronden ; want door de verhoogde temperatuur,
aan z^ blootgesteld is, heeft zjj eene wezentlijjke verglazing onda!ga«i«
zoodat zijj eene mechanische werking kan uitoefenen als zelfstandighd^
die by uitnemendheid geschikt is om de eigenschappen der vaste gnm*
den te wyzigen ten goede , dat wil zeggen te verbeteren.
Verder in dit werk zullen wy al de verschynselen doen kennen, dk
plaats grijpen in het organismus van het riet, dat groeit op cenei
grond , die uitsluitend bestaat uit de in de rietstokken aanwezige minfr"
rale zouten , dat wil zeggen in de asch. Hier zullen wij alleenlyk z^
gen, dat uit onze proefnemingen blijkt, dat het riet uitermate kiom
groeit, en dat de groene kleiur der bladeren b^na geheel verdwijnt : ve^
volgens worden de bladeren geel met groene randen ; als men riet plant
in een mengsel van riet-asch en hout-asch is de grond zoo vast, Ad
de knop slechts na verloop van een geruimen tijd moe^'elgk uitkomt,,
terwijl de spruit zich alsdan ongemeen krachtvol vertoont met steilit
omgekrulde bladeren. — Het is echter nuttig hier bij te voegen, dat]
by eene andere proef, die wij namen met kristallijn riet, de eerste
uitspruitsels niet zeer groot werden; maar na verloop van eenigen tyd
kwamen er nieuwe spruiten te voorschyn, en deze groeiden b\j uitstek
welig. — Dit deed ons onderstellen, dat wy dit verschil mogten toe*
schrijven aan de regens en besproeiingen , waardoor de asch als het
ware eene wassching ondergaat, die haar van de schadelijke over*
toUige alkalische zouten bevrijdt, en hare zamenstellii^ in zoodani"
gen staat brengt, als dienstig is om het riet tot zynen behoorleken
wasdom te doen geraken : ten einde dit punt tot klaarheid te bren-
gen, plantten wij riet in gewasschene asch, en verkregen zoodowide
zware rietstoelen. «
Biet, dat geplant wordt in ongewaaêchene asch van hout, komt niet
op, want de alkaliën bederven de knoppen; dit is echter nog niet
alles: als krachtvolle spruiten overgeplant worden in eenen met hout-
Digitized by
Google
DigitizQd by
Góogle
V
Voorwaarden van Inteekening.
1^. Het werk zal worden uitgegeven in afleveringen van
vijf vellen druks, groot 8^ formaat, welke afleve-
ringen elkaar spoedig zullen opvolgen.
2^ De prijs is bepaald op 20 Cents per vel druks. Het
werk zal compleet zijn in omstreeks dertig vellen.
3\ Men teekent in Oost-Indië in bij de Heeren G. Kolff
& C°. te Batavia, De prijs wordt in /w^iié' eenigermate
verhoogd. .^.
Motterdam, 1865. H. NUOH.
-i:.. ^^^^-
Digitized by
Google
VERHANDELING
CULTiniR VAN Stf IKERRIET.
DON ALVABO BETNOSO.
{^ Druk. Madrid 1865.)
VERTAALD ÜIT HET SPAANSCH
SEBVAAS DB BBUIH;
zijnde de vertaling, voor zooveel aangaat
het loetenschappelijhe en praktische,
IVAGEZIEN DOOR ÖE HEERETi
Dr, J. E. DE VBIJ en J. 1111.1- ABD.
Wieréie ^fie^ering:
ROTTERDAM ,
H, NIJGH. — 1865
Gedï'u'st by C. Blommenclaal
Digitized by
Google
UI
zeiden sommigen , „ doet haar beat om de oppervlakte van den grond te
bereiken, om boven den grond te komen; z^ soekt naar lucht: en b^
gevolg is het eene behoefte voor haar, om in eenen toestand te leven,
waarin het haar niet aan lacht ontbreekt." Weder anderen zeiden: „Be
rietstek verlangt om naar buiten te komen; en plant haar zpo diep als
gij wilt, zg eindigt toch altijd met zich eenen weg naar bniten te ba*
nen." Yan deze beginselen uitgaande, zou men, logisch redenerende , tot
deze gevolgtrekking moeten komen : haar te weerstreven in die natuur-
lyke neiging, in die rigting van hare organisatie om het element te
zoeken, waarin zy hare functiën beter zal kunnen verrigten, zou niets
anders zijn dan te werk te gaan tegen de wetten der natuur in , in plaats
van al ons streven te doen strekken om met de natuur mede te werken
ter bereiking van haar doel; wij zouden dus zoodoende het groote be-
ginsel uit het oog verliezen, dat wij nimmer behooren te vergeten, na-
melijk : dat het, om over de natuur te kunnen zegevieren en hare wet-
ten dienstbaar te kunnen maken aan de bereiking van onze wenschen,
een allereerst vereischte is haar te gehoorzamen en ons gedwee te schik-
ken zelfs naar hare minste wenken.
Wanneer men onder gunstige omstandigheden riet geplant heeft, zal
men , naauwlettend dë ontwikkeling er van nagaande, de opmerking kun-
nen maken, dat de nieuwe spruiten telkens digter bij de oppervlakte van
den grond te voorschyn komen, en dat de moederatek eindelijk, na ver-
loop van langer of korter tijd, geheel boven den grond komt te liggen;
zoodat het bij slot van rekening den schgn heefb, alsof eene verborgene
kracht haar van lieverlede opgeduwd heeft, totdat zij de oppervlakte
van den grond bereikt had. Aangenomen echter, dat dit naar boven
klimmende verschijnsel werkelijk plaats grgpt, zal dat dan inderdaad
het gevolg zijn van eene byzondere neiging, die de wortels en de on-
dergronds-stam der netplant hebben, om naar eenen grond te zoeken
die goed van lucht doortrokken is, en misschien wel naar de lucht
zelve? of wel, zal het slechts een uitwerksel zyn van ondergeschikten of
bijkomenden aard, afhankelyk van een ander, meer regtstreeksch uitwerk-
sel, dat te weeg gebragt wordt bg het uitschieten van de spruiten?
Wij zullen beginnen met te onderzoeken of dergelgke verschijnselen
zich ook vertoonen bg andere planten, en daarna zullen wij spreken
16
Digitized by
Google
242
over die, welke wij waaraemen bij de suikerrietplant. Al dadelijk komen
wij tot de bevinding, dat die vermeende opwaartsche beweging, waar-
door de ondergronds-stam naar boven, naar de oppervlakte van den
grond wordt gedreven, bij geen andere planten wordt aangetroffen (50);
maar wel zyn er planten, die uit baren aard, door de gesteldheid van
den grond waarin zij leven en door den invloed van het klimaat waar-
in zij zich ontwikkelen, wortels schieten, welke slechts tot eene zeer ge-
ringe diepte of bijna in het geheel niet in den grond doordringen, en
die zoodoende de goed met lucht doortrokkene en vochtige aarde vin-
den, welke z^ noodig hebben, om al hunne functiën gezamentlyk en
elk in het bijzonder naar behooren te kunnen verrigten. En bij sommige
planten is deze neiging zoo sterk, dat, als de eerste wortels met eene
goede hoeveelheid aarde bedekt zijn, al zeer spoedig nieuwe wortels
ontstaan, die minder diep in den grond liggen, en die bestemd z^n om
de eerste te vervangen, welke dan, niet meer in staat om hunne func-
tiën te verrigten, spoedig sterven en aan de zich gevormd hebbende
nieuwe wortels de taak overlaten , om in het levens-onderhoud der plant
te voorzien.
Zien w^' nu wat er plaats grijpt bij de suikerrietplant. Wanneer men
verscheidene moederstekken opgraaft van verschillenden ouderdom en
van verschillende sneden, en die geleefd hebben onder gunstige omstan-
digheden, zal men bevinden, dat de geplante knop, wanneer die zich
ontwikkelt, om de oppervlakte van den grond te bereiken den ganschen
afstand doorloopt, die hem daarvan scheidt, en bijgevolg eenen stam
onder den grond voortbrengt , juist zoo lang als de diepte, op welke de
plantstek in den grond werd geplaatst. Deze stam onder den grond is
afgedeeld in korte geledingen; en elk dier geledingen is, even als de
echte rietstok boven den grond, voorzien van eenen knop, die, zich
ontwikkelende, de nieuwe spruit voortbrengt; naar gelang van het aan-
tal knoppen of oogen onder den grond, en die welke al de ontwikke-
lings-tijdperken van den plantengroei hebben doorloopen, zal iedere
moederstek meer of minder spruiten voortbrengen. — De knoppen be-
vinden zich natuurlijk telkens digter bij de oppervlakte van den grond -,
zoodat ze dus ook, zich ontwikkelende, spruiten schieten, die op groo-
tere of geringere diepte in den grond voort gebragt worden. — Deze
Digitized by
Google
UA
eerste spruiten hebben ook een stam of stengel pnder den grond, voor-
zien Tan knoppen of oogen, die in hunne ontwikkeling het aanz^'n geven
aan even zoo vele tweede spruiten, die op hare beurt weder zoo vele
derde spruiten voortbrengen, en zoo voorts, hangende het aantal der
knoppen, die zich ontwikkelen, af van de geaardheid van den grond
en van de lucht- en weersgesteldheid (51).
Welnu: elke knop behoudt altyd de plaats, waar hy zich bevond op
het oogenblik van zijn ontstaan , of op het oogenblik toen hij pas ge-
plant was; en wanneer hij zich ontwikkelt, brengt hij spruiten voort op
zoodanigen afstand van de oppervlakte als hij geplaatst is : daar nu elke
knop zich digter bij de oppervlakte ontwikkelt dan de vorige, is het
duidelijk en natuurlijk , dat de nieuwe spruiten telkens zullen ontstaan
minder diep in den grond, digter bij de oppervlakte. — Hierby heeft
volkomen het zelfde plaats, dat w^ zouden zien plaats grijpen als wij
tien of meer geledingen van rietstengels op verschillende diepten in den
grond plantten; de knoppen zouden ontstaan op even zoo vele verschil-
lende afstanden van de oppervlakte, ter plaatse waar men de rietstek
geplant had.
Ofechoon deze opmerking voldoende is om aan te toonen op welke
wi|jze de rietstek spruiten schiet, hebben wij het niet ondienstig geacht
door meer regtstreeksche middelen allen tw^'fel daaromtrent onmogelijk
te maken, tot welk einde wij eenige proeven hebben genomen, die zon-
neklaar doen zien, op welke wiijze de spruiten worden voortgebragt. B^
het nemen van die proeven hebben wy de onderscheidene stekken plant-
riet, op de geschiktste wyze voor elk in het b^'zonder, in den grond
gebragt , ten einde ze te vrg waren tegen alle bgkomende omstandigheden ,
waardoor het resultaat der proefneming onzeker, twyfelachtig of duister
had kunnen worden.
Op eene geringe diepte plantten wy eene rietstek, die slechts voor-
zien was van )tón knop; toen deze ontkiemd was, lieten wy de spruit
voortgaan zich te ontwikkelen, en toen wij het geschikte oogenblik
gekomen achtten, groeven wy met alle mogelyke zorg de rietstek uit
den grond, en dus daarmede natuurlyk ook de spruit, die er aanzat.
Na haar van al de aarde te hebben ontdaan, door haar af te spoelen
met water, sneden wy met een pennemes de spruit van de stek af, en
Digitized by
Google
244
plantten vervolgens de spruit alleen weder in den grond, dieper dan
zij gestaan had. Zij vatie; en zich ontwikkelende onder gunstige omstan-
digheden, bragt zij ons na verloop van zekeren tijd acht spruiten
voort. — Wij groeven de moederstek weder op, spoelden haar weder
met water af, om haar van de aarde te ontdoen, knipten er met eene
schaar ar de wortels af, en sneden vervolgens met een pennemes zeer
behoedzaam al de spruiten af, die wij in den grond plantten, elk op
eene afeonderlyke plaats, terwijl wij ook de rietstek, van welke ze wa-
ren voortgekomen, op nieuw plantten. — Die rietstek ontkiemde op
nieuw, en leverde ons nog drie spruiten, waarbij wij echter moeten doen
opmerken, dat de groei van de moederstek ophield, en dat de stam
boven den grond zich daarvan afscheidde, als ware h^ er van a%esne-
den. De acht spruiten, die wij geplant hadden, vatteden zeer goed, en
leverden ons, gemiddeld, zes spruiten elk; toen het geschikte tijdstip
daar was, groeven wij de acht moederstekken op, en na ze schoonge-
maakt te hebben met de zelfde zorg, waarmede wij die bewerking vroe-
ger verrigt hadden, ontdeden wij ze, met behulp van het pennemes,
van de door haar voortgebragte tweede spruiten^ die, elk op eene a&on-
derlijke plaats geplant, ook weder vatteden en ook weder spruiten lever-
den, ongeveer een zelfde getal als de eerste hadden voortgebragt. Een
dezer moederstekken groeven wij op, en sneden daarvan af acht sprui-
ten van het derde geslacht, die, elk op eene afzonderl^ke plaats ge-
plant, ook weder vatteden, spruiten schoten, enz. Als wy er den tyd
toe gehad hadden, en als wij het noodig hadden geoordeeld om ons
de zaak nog sterker te bewijzen, zouden w^ deze proefnemingen nog
langer herhaald hebben; doch wy vermeenden met het verrigte volko-
men te kunnen volstaan, daar de gegevens, die wij aldus hadden ver*
kregen , voldoende waren , om geen den minsten twyfel te laten overblij-
ven aangaande de wyze, waarop de rietstek zich vermenigvuldigt of
spruiten schiet. — By deze proefnemingen hebben wij de ondergronds-
stekken elk afzonderlijk geplant, om ze in gunstiger omstandigheden te
plaatsen ter ontwikkeling van hare knoppen, tot welk einde wij ze op
eene aanmerkelyker diepte in den grond bragten , waarvan het gevolg
werd, dat het getal oogen, hetwelk zich onder de oppervlakte van den
grond bevond, grooter was; bovendien konden die knoppen zich vrijer
Digitized by
Google
245
ontwikkelen, daar ze niet in hunnen groei werden belemmerd door
de andere spruiten en de wortels van deze; en daarbij, eindel^k,
bevonden ze zich in eenen grond, die rijker was aan voedende
stoffen. ' "
Behalve dat de hierboven vermelde proefnemingen ons van dienst
zijn, daar ze het onomstootelijke bewijs leveren voor de juistheid der
stellingen, die door ons worden voorgestaan, zal er misschien eenmaal
nut van getrokken worden, als men de eene of andere nieuwe soort
(variëteit) riet wenscht aan te kweeken, waarvan men slechts eene ge-
ringe hoeveelheid plantriet ter zijner beschikking heeft (52).
De opmerking en de ondervinding leeren ons overigens voldingend,
dat het riet, hetwelk op eene bepaalde diepte in den grond geplant
wordt, niet van plaats verandert, niet naar de oppervlakte zoekt, zich
geen weg zoekt te banen om er uit te kamen; alleenlijk schiet het wel
spruiten op verschillende afstanden van dat gedeelte van den grond,
dat in dadelijke aanraking is met de lucht, naarmate de knoppen aan
een gedeelte van den ondergronds-stam geplaatst zijn, dat zich digter
in de nabijheid van de oppervlakte bevindt.
Nu wij over den invloed handelen , die de diepte, op welke het riet
geplant wordt, uitoefent op de ontwikkeling der spruiten, zal het niet
ondienstig zyn de wijzen te doen kennen, waarop het bedoelde ver-
eischte werkzaam is om het verschijnsel te weeg te brengen, waarvan
wij de bijzonderheden wenschen op te helderen. De diepte is al dadelijk
van invloed, doordien zij veroorzaakt, dat er een gedeelte van den riet-
stok onder den grond groeit, welk gedeelte zoo lang zal zijn als de
plantgroeve diep is; vervolgens werkt de diepte gunstig op de ont-
wikkeling der wortels , die , door hunne plaatselijke gesteldheid en door
hunne talrykheid, minder te lijden hebben van de droogte, eene groo-
tere uitgestrektheid gronds doorloopen, een hechteren steun verschaffen
aan de planten , enz. Wij zullen enkel het eerste resultaat in beschou-
wing nemen en zien, of wij met andere proefnemingen het bewys kun-
nen leveren , dat de diepte van werkdadigen invloed is , en vooral een
langeren ondei^onds-stam geeft, die ter zijner tyd een zeker getal sprui-
ten voortbrengt, naar gelang van omstandigheden, geëvenredigd aan
zijne grootte.
Digitized by
Google
246
Om allen tw^fel aangaande dit punt onmogel^k te maken, namen w^
de drie navolgende proeven :
1*. W^ plantten twee rietstekken op gelijke diepte in den grond, en
verkregen van elke stek het zelfde getal spruiten.
2o. Wy plantten twee rietstekkmi, de eene op geringen afstand van
de oppervlakte, en de andere dieper; laatstgenoemde bragt zesmaal zoo
vele spruiten voort als eerstbedoelde.
Oppervlakkig zou men denken, dat dit verschijnsel duidel^k en ver-
klaarbaar genoeg is; w^ oordeelden het evenwel niet voldoende opge-
helderd, voordat w^ ons door eene nadere proefneming, om het eens
zoo te noemen, de proef op de som verschaft zouden hebben, namelyk
door twee stekken van ongelgke grootte op eene gd^ke di^te in d^
grond te planten; want op die wijze zou de grootste stek meer sprui-
ten moeten voortbrengen dan de kleinste, daar wij ons zoodoende in
het zelfde geval zouden geplaatst zien, als wanneer w^ op gelijke diepte
twee rietstekken geplant hadden , van welke de eene b^ voorbeeld tien
knoppen had, terwijl de andere er slechts twee dro^, in welk geval
het duidelijk is, dat de eerste tien spruiten zou schieten, terw^l de
andere er niet meer voortbrengen zou dan twee. Ziehier hoe de proef-
neming door ons in het werk werd gesteld-.
3^ Twee stekken geplant hebbende op eene geringe , doch gel^ke diepte,
plaatsten wy boven op de aarde , welke de eene stek bedekte , een steen
van genoegzame breedte en lengte , terwijl we boven de andere stek gee-
nerlei belemmering hoegenaamd aanbragten. De spruit der laatstbedoelde
stek kwam zeer spoedig te voorschyn, terw^l de andere langer werk
had om op te komen; want de spruit, die niet werd belemmerd,
had slechts den korten afstand te doorloopen, dien zij verwijderd was
van de oppervlakte, terwijl de eerste, zoodra zij dien afstand had af-
gelegd, eerst nog de benedenvlakte van den steen langs moest groe\jen ,
eer zy zich eenen weg konde banen naar de vrije lucht. Toen namen
wij den steen weg, en bedekten dat gedeelte van de spruit, dat zich
tusschen den steen en de oppervlakte van den grond had ontwikkeld,
behoorlijk met aarde. De spruit, die zonder belemmering te ontmoeten
opgegroeid was, bragt slechts ééne jonge spruit voort, en bovendien
twee knoppen aan het boveneinde, die zich ontwikkelden in de lucht.
Digitized by
Google
247
De spruit, di&, om zich te outwikkelen, eerst de belemmering vaaden
steen had moeten ovejwinnen, bragt acht nieuwe spruiten voorl. Bit
leyert dus het bew^s, dat twee knoppen, op gel^ke diepte in d^n grond
gebragt, een verschillend getal spruiten voortbrengen, naar gelang ze in
hunne ontwikkeling een grooteren of kleineren afstand onder d^n grond
te doorloopen hebben eer ze de oppervlakte bereiken, doordien ze zoo-
doende onder die oppervlakte eenen stam hebben, voorzien van een groo-
ter of kleiner aantal knoppen , die , ter gelegener tijd tot ontwikkeling
komende, eene aan hun aantal geëvenredigde menigte spruiten voort-
brengen,
Grypt dit versoh^nsel ook plaats in de natuur? Wij hebben gelegen-
heid gehad om ons daarvan op de overtuigendste wijze te vergewissen,
door een der vele moederstekken te ontleden, die w^ bestudeerd heb-
ben met het doel, om verscheidene haren groei betreffende bijzond^-
heden te onderzoeken. De moederstek, welke ons de gegevens verschafte ,
die wij zochten, bevond zich op eene geringe diepte in den grond, en
had eene groote menigte spruiten voortgebragt. Door hare groote vrucht-
baarheid verwonderd, zoehten w^ naar de oorzaak daarvan, en ont-
dekten al spoedig , dat de stam , in plaats van regtstreeks uit den grond
te komen, eerst eene groote uitgestrektheid doorloopt had onder den
grond, welke ondergronds-stam later de spruiten voortbragt. De oorzaak ,
die den stam belette om langs den regtstreekschen en kortsten weg bo-
ven den grond te komen, was eene aardkluit, zooals ze door den ploeg
worden opgeworpen als er eene groeve wordt getrokken om in te plan-
ten, welke kluit boven de plantstek lag, en dus de zelfde rol vervulde
als de steen bij onze proefneming. Later kwam er een stortregen, waar-
door die aardkluit verbrokkeld werd, en toen kregen de spruiten ge-
legenheid om op te groe^n. Op de zelfde wijze kan men een feit ver*
klaren, dat menigvuldig wordt opgemerkt op de groote wegen of hoofd-
paden der plantaadjen; daar ziet men altijd groote rietstoelengroeijen,
welke voortkomen van de rietstekken, die van de karren vallen, en
die , in weerwil dat ze met slechts weinig of bijna geen aarde overdekt
zijn, een aantal spruiten voortbrengen, hetgeen hoofdzakelyk hieraan is
toe te schrijven , dat de grond beloopen is door dieren en door de Ne-
gers, en ook, dat minscbien de kar er overheen gegaan is. Op alle ma-
Digitized by
Google
248
flioren heeft de tfnui zieh niet kmmeii ontwikkeleD Ui^ den kori-
sten weg, zoodat er van den sUm eoi tamd^ groot gedeelte in dea
gfCMid sit.
Wij zijn nitgegaan van de ondentdling, dat hei bdeUel aUeeaügk
gedmende de ontwifckding der eerste tpr«ken bestmid; als w^ aanne*
men dat het ock aanwezig bl^ totdat de tweede en derde spndten
te Toorsdiyn komen, is het dudd^k, dat zoodoende een grooter aantal
knoppoi onder den grond moet bl^Toi, die, wanneer ze zidi later
kannen ontwikkelen, eene groote menigte ^ruiten zullen Toortbrengen.
Er zqn nog andere daadzaken, die de zel£ie waarhdd bewezen, zoo«
als: de ontwikkeling Tan de rietstd^, die met den pootstok g^fdant is
met eene rigting jnist het t^enoTergestelde Tan hare natanrl^jke rig-
ting; het riet, dat geplant is horizontaal, doch met eene zoodamge
kromming, dat de spruit zidi slechts bdioeft om te keeren om de op-
pervlakte te bereiken , enz. In al die gcTallen, waarover wij ter ge-
schikter plaatse uitroeriger zullen handelen, blijft er onder den grond
een grooter gedeelte van den stam, dan in den natuurleken toestand
het geval zou zijn geweest, wanneer de spruit den r^tsfoedcs<^en en
kortsten weg genomen had om de c^pervlakte te bereiken.
De door ons medegededde feiten geven eene voldoende verklaring van
de volgende verschijnselen:
1*. Wanneer men riet plant op eene gerii^ diepte, zonder dat men
later de vereischte zorg in het oog houdt om aarde rondom den stam
der plant aan te brengen, dat wil zeggen, den stam aan te aarden,
zyn de riet-akkers na de tweede of derde snede doorgaans uitgeput
2*. Het verschijnsel, dat w^ nu zullen bespreken, zal op het eerste
gezigt tegenstrijdig schijnen: maar als men het aandachtig nagaat, zal
men bevinden, dat het slechts het logische uitvloeisel is van de door
ons vooropgestelde premissen.
Bijaldien het mogelijk ware riet te planten ter behoorl^ker diepte, in
eenen voor de riet-cultuur bij uitstek geschikten grond, terw^l de plan-
ten tot hunnen vollen wasdom kwamen onder de gunstigste omstandig-
heden, en bgddien de spruiten zich overigens ontwikkelden zonder in
haren groei onder den grond eenig beletsel te ontmoeten hoegenaamd,
dus den allerkortsten weg volgende om de oppeiwlakte te bereiken, zon
Digitized by
Google
249
de riet-akker uitgeput z^n, na misschien in één enkelen oogst eene bui*
tengewoon giroote hoeveelheid riet te hebben voortgebragt, want in dat
geval zouden er geen knoppen onder den grond bestaan om spruiten
voort te brengen voor eene volgende snede.
S», Uit de bovenvermelde proefnemingen en opmerkingen laat het
zich verklaren , waarom de riet-akkers gedurende vele jaren achtereen
in stand blijven en herhaalde oogsten opleveren, geëvenredigd aan den
daaraan besteden arbeid. — W^ hebben gezegd : b^aldien de spruiten
den allerkortsten weg namen om boven den grond te komen, b^'aldien
de grond zeer vruchtbaar ware , enz. , dat er dan geen knoppen onder
den grond aanwezig zouden bly ven voor de volgende jaren ; maar aan-
gezien die spruiten eene menigte beletselen ontmoeten , welke haar be-
lemmeren in hare natuurlyke, vr^ë en gel^kt^dige ontwikkeling, zoo-
als de in elkander gegroeide wortels der moederstekken en der spruiten,
die vroeger voortgebragt zijn, die spruiten zelven en de hard gewordene
aarde, terwijl ze bovendien de sappen missen, die ze noodig heb-
ben om zich te kunnen ontwikkelen, maar die hoofdzakelijk worden
verbruikt door den stam boven den groQd , enz. , moeten ze noodwendig
slechts langzaam groeijen, terwijl ze die beletselen ontwijken en ver-
meen; en ofschoon ze steeds eenen grond vinden, waar ze zich eenen
weg kunnen banen naar de oppervlakte, doorloopen ze eene grootere
uitgestrektheid dan het geval zou geweest z^n, bgaldien ze in hare
natuurlijke en regelregte rigting geen beletselen of hindernissen ontmoet
hadden. — Het is overbodig te herhalen, dat er bij het doorloopen
van die uitgestrektheid onder den grond een stam blyft, voorzien van
een getal knoppen, geëvenredigd aan zijne grootte. — Welnu: terwijl
het suikerriet welig groeit, wordt al het sap, om zoo te zeggen, ver-
bruikt ten behoeve van de ontwikkeling van den stam boven den grond;
en alleenl^k in geval er een stilstand plaats grypt in den groei van
dien stam, of in geval er in den eersten of laatsten tigd van den groei
eene meer dan gewone hoeveelheid voedende stoffen door de wortels in-
gezogen wordt, zullen die onder den grond liggende knoppen zich
ontwikkelen , wel te verstaan als de overige onmbbare vereischten daar-
toe medewerken. Later , wanneer de groeikracht afneemt , of het riet ge-
kapt wordt, vloeit het sap gedeeltelyk aan, of wordt geheel verbruikt
Digitized by
Google
250
ter ontwikkeling van de knoppen , die^ onder den grond liggen. — Uit .
al het voorgaande kannen w^* afleiden , dat een der middelen , waarvan
de natuur zich bedient om de riet-akkers gedurende verscheidene jaren
in stand te houden, hierin bestaat, dat zy hindernissen in den weg
legt aan het opkomen der spruiten, zoodat er onder de oppervlakte
van den grond een grooter gedeelte stam bli|jft, dat noodwendig voor-
zien is van een geëvenredigd aantal knoppen, die zich onder gunstige
omstandigheden ter gelegener tyd zullen ontwikkelen , om den riet-akker
te voorzien van een nieuw plantsoen. — Uit de zelfde aaneenschakeling
van denkbeelden laat zich met juistheid verklaren hoe het komt, dat
zeer vruchtbare en losse riet-akkers niet zoo lang goed bleven als die ,
welke, behalve dat ze vruchtbaar z^n, tevens eene groote mate van
vastheid of stevigheid bezitten. — Zeer zandige gronden zijn derhalve
voor de suikerriet*cuUuur niet bgzonder geschikt , terw^l de eenigermate
kleiachtige gronden daarvoor het best geschikt z^n , niet alleen uit-
hoofde van de physieke eigenschappen, welke de klei^oet ontstaan,
maar ook doordien zij door hare verdeeling , terwijl zij aan de planten
alkaliën verschaft, haar tevens kiezelzuur toedient. — Er bestaan ook
nog andere redenen, die deze meening bevestigen.
40. Bij gelijke omstandigheden zal, van twee rietstekken van verschil-
lende soort of variëteit, die van beiden de meeste spruiten schieten,
die het grootste getal knoppen kan bevatten op eene gelijke grootte.
Alvorens van het onderwerp, waarmede wij ons thans bezighouden,
af te stappen , moeten wij nog twee ophelderingen geven ; of juister
gezegd, wijj zullen eenige der bgzonderheden herhalen, die wij reeds
elders gelegenheid gehad hebben te bespreken, en die wy ter gelegener
t^'d nog nader hopen toe te lichten. Wij weten zeer goed, hoe nuttig
het is de suikerrietplant aan te aarden ; maar wjj zijn volstrekt geen
voorstanders van eene overdrevene aanaarding op alle soorten van gron-
den , waardoor slechts lange aardhoogten of dgken zouden ontstaan , die
alleenlijk te pas komen op laagliggende, met weinig teelaarde over-
dekte , en dergelyke gronden. — Het planten in aardhoogten moet ieder
jaar op nieuw plaats hebben; want door de regens wordt de aarde
weggespoeld , en komt de rietstek bloot te liggen. Doch , ofschoon over-
tuigd vau al de voordeden , welk^ het planten op eene zekere diepte
Digitized by
Google
251
oplevert, raden w^ evenmin aan om de rietstek op e^nen aanmerkely-
ken afetand van de oppervlakte af in den grond te brengen, en haar
dadelijk te bedekken met al de aarde. „Het riet moet geplant worden,
maar niet begraven," zegt zeer te regt een onzer vrienden. Vooral in
zeer kleiachtige en vochtige gronden is het noodzakeligk, het plantriet
niet met veel aarde te bedekken ; want als het gedrukt ligt onder eene
dikke aardlaag, wordt het daardoor in zijne ontkieming belemmerd,
zoo zelfs, dat het gevaar loopt over te gaan tot verrotting. Op ligte
gronden is het goed, de rietstekken te overdekken met eenige aarde
meer , ten einde den uitdroogenden invloed van de zon af te wenden.
In elk geval bestaat de verstandigste manier hierin , dat men eene diepe
groeve opent, het plantriet daarin legt, het overdekt met zoodanige
hoeveelheid aarde , als meest geschikt is om het ten spoedigste te laten
ontkiemen, en vervolgens, b^ de verschillende werkzaamheden van het
wieden , de spruit telkens aanaardt , zoo lang totdat de groeve geheel
gevuld of met de oppervlakte van den akker gelijkgemaakt is. Deze
manier van aanaarden hebben w^ êlechilng of niveüering genoemd. (Zie
Afmetingen der groeten; FerdeeUng der werkzaamheden; enz.)
Na al het door ons aangevoerde zullen w^ besluiten met te zeggen ,
dat de moederstekken geenszins door eene of andere kracht naar boven,
naar de oppervlakte van den grond worden gedreven ; en als men ze
aanaardt, brengt men het ontstaan van nieuwe wortels en spruiten te
weeg, door welker ontstaan de vroeger gevormde organen niet ver-
dwijnen.
Tijdstip, waarop de aanaarding behoort te geschieden. — Zooals wij
reeds vroeger aanleiding gevonden hebben te doen opmerken , heeft de
aanaarding van de netplant ten doel om het ontstaan van nieuwe wor-
tels te bewerken, die, terwijl zij als voedende organen dienen, tevens
dienstig zijn om de plant een steviger steun in den grond te doen heb«
ben ; de aanaarding bewerkt ook de ontwikkeling der knoppen van den
stam onder den grond, en tevens het te voorschijn komen van de sprui-
ten. Als dat de gevolgen van de aanaarding z|jn , is het verstandig die
te bewerkstelligen in den eersten tijd van het leven der netplant , niet
alleen ten einde bij te dragen tot het ontstaan van de organen, die
haar moeten schragen en -hecht in den grond houden , maar ook om
Digitized by
Google
252
te bewerken, dat de spruiten te voorseh^n komen en zich allen te ge-
lijk ontwikkelen. Naar wij in de gelegenheid geweest zign op te merken ,
vormen de spruiten der rietstek zich voornamelijk in den eersten tyd
van hare ontwikkeling; vervolgens, als de planten beginnen te sten-
gelen , komen die sprtuten niet zoo menigvuldig en ook niet zoo regel-
matig meer te voorschyn, en zoo ze al voor den dag komen, groeiden
ze slechts gebrekkig, bleek, schriel en kw^nend, en sterven op het
laatst toch; dit is zoo zeer het geval, dat men het bovengedeelte
slechts in de handen behoeft te nemen, om den geheelen bladerdos
zonder moeite van den in het midden reeds vergaan z^'nden stengel af
te trekken. Later, als het riet z^nen vollen wasdom bereikt heeft, be-
ginnen de spruiten weder uit te loopen.
De natuurlijke en gelijktijdige ontwikkeling der spruiten in de eerste
tijdperken van den groei, is niet alleen nuttig omdat elke spruit eenen
stengel voortbrengt, maar ook, omdat ze door hare naauw in onderling
verband staande uitvloeiselen allen wederkeerig zamenwerken tot de al-
gemeene ontwikkeling van den rietstoel. Het aanaarden moet dus plaats
hebben voordat de planten stengelen in de eerste tijdperken van haar
leven; zoodoende bewerkt men: lo. den groei der wortels; 2*». het ont-
staan van de spruiten, en als eindresultaat de gel^kt^dige, bestendige
en gelijkmatige ontwikkeling der stengels. Daarbij komt, dat het later,
uithoofde van de ontwikkeling der stengels, moeijel^k is zich tusschen
de rietryën te bewegen, en als de trekdieren of landbouw-werktuigen
er mede in aanraking komen, loopen de stengels alligt gevaar te bre-
ken, terwijl ze, als ze jonger zijn, meegeven en buigen, om dadel^k
hunne eerste rigting weder aan te nemen.
Hex SÜIKBBRIET-CULTÜÜBSTELSBL , VOORGESLAGEN DOOR VVraY. — Het
door "Wray voorgeslagene cultuurstelsel', waarvan wij bij verschillende
gelegenheden gewag gemaakt hebben, is uiteengezet iü zijn werk, ge-
titeld : Praktisch Handboek voor den suikerriet-planter : volledige uiteen^
zetting van de riet-cUltuur en van de suikerbereiding. In het Fransch ver-
taald door Isabeaü ; Parijs 1853. (53).
Zooals de titel reeds aanduidt, is dat werk gesplitst in twee hoofd-
deelen : rietteelt en suikerbereiding. "Wy zullen ons slechts met het eerste
Digitized by
Google
253
hoofddeel bezighouden, betreffende de cultuur. Al dadelijk zullen wij
erkennen, dat de algemeene geest, die in dat boek heerscht, allezins
voortreffelijk is en naar vooruitgang streeft; daarin wordt aangedrongen
op de volgende punten: bewerking van den grond, zorg voor de cultuur,
stalling der dieren, aanleg en onderhoud van weilanden, aanwending
van mestspeciën en van correctiven, toepassing van de besproeijing ;
vooral ook dringt hy er op aan, om de verschillende bewerkingen te
doen verrigten door werktuigen , die in beweging worden gebragt door
trekdieren; enz.: in een woord, over het geheel moeten wij het werk
van Wray een zeer verdienstelyk boek noemen; maar te gelyk betreuren
wij het, dat de schrijver geen eenheid, geen behoorlijk verband in de
verschillende deelen van zyn werk gebragt heeft; nu eens levert h^'
„eene overtollige veelheid van bewyzen" om zyne denkbeelden te on-
dersteunen , waardoor z^n geschrift hier en daar niet van wijdloopigheid
vrij te pleiten is ; dan weder bewijst hij niet met de noodige duidelyk-
heid en uitvoerigheid het nut van de praktgken, die door hem aanbe-
volen worden ; somwijlen springt hij over zeer belangrijke punten heen ,
en blijft bij onbeduidende kleinigheden stilstaan; hij betoogt, einde4^k,
de voortreffelykheid van een stelsel , dat hij toegepast wil hebben onder
alle omstandigheden zonder onderscheid, terw^l dat zelfde stelsel, in
praktik gebragt onder gunstige omstandigheden, geenszins beschouwd
kan worden als het beste. Daar wij ons slechts ten doel stellen een
getrouw en beknopt overzigt te leveren van het stelsel van cultuur, dat
door Wray is voorgeslagen, en de werktuigen op te sommen, waarmede
hy aanraadt de verschillende deelen van den arbeid te volbrengen, heb<
ben wij gemeend ons te moeten onthouden van alle nevenbeschouwin-
gen, die, hoezeer in verband staande met het onderwerp van den
schrijver, niet regtstreeks betrekking hebben op de cultuur van het
suikerriet.
Het cultuurstelsel , door Wray voorgeslagen, heeft ten doel om van
het geplante riet slechts tweemaal eenen oogst in te zamelen ; want de
sehryver acht het voordeeliger den riet-akker om de twee jaren te ver-
nieuwen, dan de zelfde moederstekken gedurig op nieuw spruiten te
laten schieten , die nusschien slechts de helft of het derde gedeelte van
eenen goeden oogst zullen opleveren. — Z^ne ingenomenheid met het
Digitized by
Google
254
door hem aanbevolene stelsel gaat zóó ?er, dat h^ niet aarzelt het
aan te prezen als het verstandigste en het zekerste, en beter dan ieder
ander stelsel, dat ooit kan worden nitgedacht (blz. 120). — Hij oor-
deelt het noodig de akkers om de twee jaren te vernieuwen, niet
alleen als middel om de voortbrenging te vermeerderen en bestendig te
doen voortdoren , maar h^ acht het tevens nuttig als middel om alle
gedierten uit te roejjen , die schadelijk zyn voor de netplant (blz. 246).
„Als men in aanmerking neemt," zegt Wray, „met hoe geringe kos-
ten de akkers vernieuwd kunnen worden, hoe de opbrengst daardoor
vermeerdert, en vooral dat daardoor het schadelyk gedierte uitgeroeid
wordt, dan zal men beseffen, hoe noodig het is het aanbevolene cul-
tuurstelsel aan te nemen" (blz. 247). — Het cultuurstelsel van Wraj
berust hoofdzakelijk op het aanwenden van de eigentl^k gez^de aan-
aarding, en op het beginsel om al de overblyfselen van het riet (bla-
deren en ampas) in den grond te brengen ter bemesting. ~ Na dus
het doel te hebben aangewezen en den grondslag te hebben doen kennen
van het cultuurstelsel , dat door den engelschen landbouwkundige wordt
aanbevolen , gaan w^ over tot eene beknopte beschrijving van de werk-
zaamheden, die h^ opgeeft verrigt te moeten worden om tot de ge-
wenschte uitkomsten te geraken.
(hreedmahing van den grond. — Vooral doet Wray de voordeden uit-
komen, v^bonden aan eene volkomene omploeging van den grond,
waartoe hij voorstelt zich te bedienen van den ploeg met ^ne schaar;
vervolgens acht hij het zeer dienstig, de rol aan te wenden om de aard-
kluiten fijn te maken; en dan wijst hij op het nut, om met de eg^e de
fijnmaking te voltoo^'en, al de deelen v^n den grond goed dooreen te
mengen en het onkruid onschadel^k te maken (blzz. 102 en 103).
Het planten, — De arbeider neemt twee lange, stevige touwen es
drie stokken, lang 6 engelsche voet (1,8 nederlandsche el). De touwen
worden in de gewenschte rigting gespannen, en daarna begint men de
groeven te openen, tot welk einde de ploeg, die de aarde naar de reg-
terz^de opwerpt, de rigting der touwen volgt, waartoe men de ossen
aan weerszijden van het touw laat loopen, zoodat dit altijd tusichen de
twee trekdieren inligt. Zoodra men aan het einde van de lyn is, laat
men de ossen stilhouden , en wordt het touw 1,8 nederl. el verder ge«
Digitized by
Google
255
spauueu; dan opent men eene tweede groeve, waarbg ditmaal de aarde
wordt opgeworpen naar de linkerzijde, altijd in de rigting van het
touw. Het werk wordt voltooid met den tweesnydenden ploeg (blzz. 113
en 114). Uit het hier medegedeelde ziet men hoe onbestemd en ondui-
delijk de beschrijving is , die Wray daarvan geeft : uit al wat hy zegt
laat zich niet duideljjk opmaken , of hig werkel^k aanraadt den eensnij-
denden ploeg tweemaal te laten loopen, ten einde de groeve in tweeën
te openen, dan wel of hij zich vergenoegt de groeve te openen in eens,
en die later te voltooijen met behulp van den tweesnydenden ploeg.
Duidelijker is hy eenige bladzijden verder (blz. 117), waar hy zegt: de
groeve moet getrokken worden in tweeën, door den ploeg heen en weer
te laten loopen aan weerszyden van het gespannen touw. Wij hebben
dit punt reeds bij andere gelegenheden behandeld, zoodat vHj ons ont-
slagen kunnen rekenen van de taak , hier te herhalen alles wat wy dien-
aangaande in het breede gezegd hebben. — De rietstekken worden ge-
plant op 60 nederl. duim afstands van elkander in de rigting der groeve,
en men kan twee stekken tegenover elkander plaatsen; in plaats van
60 nederl. duim , is het nuttig de stekken slechts 30 nederl. duim van
elkander af te plaatsen, en dan in de groeve slechts één stek te plaat-
sen, waaraan de schryver de voorkeur geeft, want zoodoende vermijdt
men de nadeelen , die gepaard gaan met de ontwikkeling van twee plan-
ten, welke zamen slechts eene kleine oppervlakte gronds beslaan (blz.
239). Het riet eenmaal opgegroeid zynde, kykt men na of er ook plaat-
sen op den akker zyn, waar het niet opgekomen is, zoo ja, dan wor-
den die leegten behoorlyk ingeboet. — Wray geeft den raad om tot
plantriet by voorkeur de bovenste gedeelten der rietstengels te gebrui-
ken (blz. 237).
OuUuur, — De door Wray opgegevene bewerkingen zijn de volgende :
1*. De plantsoenen herploegen. — 2^. Den akker wieden zoo dikwyls
als men zulks noodig acht, waartoe men zich van al zoodanige gereed-
schappen en werktuigen bedient, als welke het gewenschte doel het best
kunnen doen bereiken. — 3<». De netplanten aanaarden. — 4o. De sten-
gels van hunne bladeren ontdoen; zynde het nuttig deze bewerking
twee- of driemaal te herhalen , na bevorens eene groeve te hebben ge-
opend tusschen de rietryën, in welke groeve de van de stengels afge-
Digitized by
Google
256
nomene bladeren geplaatst worden , waarna zy met aarde overdekt wordt
met behulp van een kleinen ploeg (blzz. 114 en 115). — Om een. denk-
beeld te geven van de overdryving, waarin Wraymet betrekking tot de
aanaarding vervalt, moeten wij de afmetingen doen kennen, welke die
aangeaarde hoogten zullen hebben, nadat de bewerking eenige keeren
heeft plaats gehad : gel^'k met de oppervlakte van den grond 3 voet
(90 nederl. duim) breed; bovenaan 1^ voet (37 nederl. duim) breed;
en 2^ voet (75 nederl. duim) hoog. — Zoodat, als de plantstekken in
den grond zijn gebragt op 6 voet afstands van elkander, de aanaardings-
hoogten slechts 3 voet (90 nederl. duim) van elkander af zullen liggen
(blz. 108).
Als het riet zynen vollen wasdom bereikt heeft, is de laatste bewer-
king, die nog verrigt moet worden, het te kappen, aan bossen te bin-
den en die naar de karren te brengen , waarmede ze overgevoerd zullen
worden naar de fabriek. Een gedeelte van dien arbeid kan worden ver-
meden, wanneer men de karren op de riet-akkers brengt , in dier vo^e »
dat elk der wielen op de tussohenruimte loopt, waardoor de rietryën
van elkander gescheiden zyn (blz. 109).
Na deze eerste snede beginnen dadelijk de werkzaamheden, die ver-
rigt moeten worden op de gekapte akkers, bestaande die werkzaam-
heden, in de door Wray opgegevene volgorde, in het volgende:
1». Naarmate men met het malen van het riet vordert, wordt de ampas
naar den akker gebragt en zorgvuldig tusschen de rietryên geplaatst.
2^ Het werktuig, bestemd om te nivelleren , getrokken wordende door
zes ossen , loopt tusschen de aardhoopen door ^ en neemt van elk hun-
ner 10 a 12 nederl. duim aarde af, welke het over het uitgeperste
riet, dat is over de ampas, werpt, die vast ineen gedrukt is. Deze ar-
beid, naar gelang van omstandigheden, twee- of driemaal herhaald,
overdekt al de in den grond gebragte zelfstandigheden geheel en al , en
vordert van de arbeiders slechts weinig inspanning. Hun voornaamste
werk bestaat hierin, dat ze met een goed scherp mes de rietstokken
afsnijden, en de aarde, die op hoopen is blijven liggen, gelijkmaken of
slechten, zoodat de akker weder volkomen genivelleerd schijnt. Weinig
dagen daarna beginnen de spruiten te voorschyn te komen , die dadeiyk
behooren te worden vernietigd.
Digitized by
Google
257
3*. Bij het herploegen, hetwelk een-, twee- of driemaal moet plaats
hebben, naar gelang van omstandigheden, is het noodig vooral zorg
te dragen, dat het werktuig niet al te diep in den grond doordringe,
waardoor de plantaardige meststof, die tusschen de rietrijën is gebragt,
konde worden opgedolven; al die meststof moet, volgens Wray, tot
ontbinding overgegaan zyn, eer het tijdstip daar is, waarop de tweede
aanaarding moet plaats hebben, altoos wanneer de omstandigheden
gunstig zijn.
4*». De akkers moeten voor zooveel noodig gewied worden.
5ö. De netplanten worden aangeaard, waartoe men zich van het zelfde
werktuig, dat men het eerste jaar gebruikt heeft, zoo dikwyls bedient
als men noodig oordeelt, en op een tijdstip, waarop al het afval van
het riet herschapen moet zijn in uitmuntende mest.
6». De groeven tusschen de aardhoogten , getrokken om de bladeren
te ontvangen, worden geopend en in het aanzijn geroepen als in het
eerste jaar. In dien toestand blijft het riet totdat het gekapt wordt,
waarmede de werkzaamheden van het tweede jaar worden besloten.
Deze tweede oogst ingezameld zijnde, is het noodig den akker öp
nieuw te beplanten. Men gaat daarb^ te werk op de zelfde wyze als
opgegeven is om de bladeren, de toppen en de ampas in den grond te
brengen, en om de aardhoopen, met behulp van de landbouw-werktui-
gen, te nivelleren; maar wat dit laatste punt betreft, verschilt de be-
werking eenigzins van de vorige, want men laat nu den ploeg oVer de
rietrij zelve loopen, ten- einde niet alleen de aardhoopen te vernietigen ,
maar tevens om de moederstekken te roo^'en. Daarna wordt de grond
gevlakt en geëgd; al de opgegravene moederstekken worden aan hoopen
gesteld en, nadat ze gedroogd zijn, verbrand.
De grond gereedgemaakt zijnde, worden de groeven getrokken ter
plaatse, waar het eerste jaar de tusschenruimten gelegen hebben, die
de rietrijën van elkander scheidden. Het nieuwe riet zal welig groeyen
op de r^'ke laag mestspecie , die bij de vroegere oogsten in de geopende
groeven is geworpen.
Als men op de oude groeven werkt, moet vooral zorg worden gedra-
gen, dat de ploeg niet doordringt tot de diepte, waar het afval van
het riet ligt (blzz. 115 a 117).
17
Digitized by
Google
258
De door Wray aanbevolene werid;aigen om al de tot de rieircaitaar
behoorende yerrigtingen te bewerksteUigen, zijn: de ploten van Ban-
some en May; de ploeg om den ondergrond los te maken, nitgevonden
door Stracey, en vervaardigd door Ransome; de tweesnijdende plo^;
de door trekdieren in beweging gebragte sn\j-schoffel, hetzy vaststaande
of verzetbare; en de indische planter van Bansome. Het werktuig, dat
h^ voorstelt om de akkers te nivelleren en het riet-afval in den grond
te brengen, bestaat in eene ^zeren rol, voorzien van twee vooruit^»-
kende armen, die het riet-afval grepen en het zoodanig plaatsen, dat
de rol er over heen moet gaan; vlak achter de rol volgen twee sng-
messen of ploegscharen, die elk eene zekere hoeveelheid aarde losma-
ken, welke z^ aan weerszoden over de zelfstandigheden werpen, die
men met aarde wenscht te overdekken
Om stelselmatig te werk te gaan bij de beschouwing van de b^n-
derheden van het door Wray voorgeslagene cultnurstelsel , achten wy
het nuttig te b^inuen met de grondslagen, waarop het rust, en waar-
van de door hem aanbevolene praktik is a%eleid: zoodoende zul-
len wy de voordeden en nadeelen daarvan het best in het licht kunnen
stellen.
Voorloopig zullen w^ doen opmerken, dat Wray erkent, dat h^ het
door hem voorgeslagene stelsel nooit in praktik heeft gebragt; dit ver-
klaart hij, waar hy handelt over den nivelleer-toestel, een werktuig, dat
bestemd is om een der voornaamste bewerkingen te verrigten; hij z^t
nooit zulk een toestel in werking gezien te hebben, maar zich niette-
min stellig overtuigd te houden, dat de ondervinding al het nut daar*
van zal leeren kennen (blz. 409), Ofschoon niet gegkt door de ervaring,
daar men er nooit de proef van genomen heeft, en derhalve ook niet
de onbruikbaarheid van het stelsel is bewezen, is het nogtans van aan*
belang niet uit het oog te verliezen, dat Wray slechts redeneert over
verrigtingen, welke hy voor nuttig houdt, zonder voor de juistheid van
dit zyn gevoelen eenige bewijzen by te brengen. Daar overigens de
grondslagen van het stelsel op zich zei ven gebrekkig zijn, is het dnide-
lyk, dat wij er tegen op onze hoede moeten wezen; want het is slechts
in sommige, zeer bepaalde gevallen in toepassing te brengen, en zulks
enkel dan , wanneer de omstandigheden niet mogten . toelaten andere
Digitized by
Google
^59
bewerkingen te verrigten, meer in overeenstemming met de goede be-
ginselen der naar vooruitgang strevende landbouwkunde.
Het uitgangspunt van het geheele cultuurstelsel , voorgeslagen door
Wray, is de als onomstootelijke waarheid aangenomene bewering, dat,
zonder onderscheid te maken in de omstandigheden , het suikerriet niet met
veel voordeel meer dan twee oogsten van tamelijk ruime opbrengst kan
opleveren. Wy voor ons, zonder te gelooven dat de plantsoenen zoo
lang moeten duren als men algemeen van gevoelen is, zyn van mee-
ning, dat het nuttig is er ten minste vier oogsten van in te zamelen :
vier, en zelfs meer, sneden kan men er van hebben, wanneer slechts
de omstandigheden gunstig zijn, met andere woorden, wanneer de
grondgesteldheid, het klimaat, de aan de cultuur bestede zorgen, enz.,
zamenwerken om den groei der plant te bevorderen. Buitendien is het
ontegenzeggel^'k en van algemeene bekendheid, dat de riet-akkers van
het tweede, derde en vierde jafar eenige voordeden aanbieden, welke die
van het eerste jaar niet bezitten, en die nog veel grooter zouden zijn,
indien aan de cultuur sletehts meer zorg wierd besteed.
Doch gesteld dat men nooit meer dan twee sneden moet verwachten,
is het dan, om die te erlangen, nuttig de eigentlijk gezegde of uitwen-
dige aanaarding in toepassing te brengen als voornaamste bewerkiüg?
Naar ons gevoelen zal men, bij overigens gunstige omstandigheden,
meer voordeel trekken van het planten op eene behoorl^ke diepte,
waarb^* de aanaarding plaats heeft, die men inwendige zou kuimen
noemen, daar zij in de groeve geschiedt, met andere woorden, de ni-
vellering of slechting. Wij hebben vroeger reeds alles besproken wat op
deze bijzonderheden betrekking heeft, en toen de gevallen opgegeven,
waarin het dienstig was op de cultuur het stelsel toe te passen van
bolvormige bedden of hoogten , die aangebragt worden nadat het riet in
den grond geplant is. Uit de afmetingen, die deze hoogten bereiken,
zooals Wray ze beschrijft, zal men zien, dat het niet zeer gemakkelyk
is de aarde tot zulk eenen omvang opeen te hoopen; de cultuur woedt
daardoor noodwendig moeijelijker , het vervoer wordt belemmerd, de
gereedmaking van de gronden, om ze op nieuw te kunnen beplanten,
is eene moegelijke taak, enz.
Als men riet teelt met de eigentlijk gezegde of uitwendige aanaarding,
Digitized by
Google
260
3chiet er ieder jaar geen andere weg over, dan den omvang van die
aardhoopen te vermeerderen, ten einde, deels ook daardoor, eenen
oogst te erlangen, zoo niet beter dan het vorige jaar , ten minste daar-
mede gelijkstaande ; doch zooals Wray aanbeveelt moet men de hoogte
van die aanaardingen verminderen, of ze althans op de zelfde hoogte
houden, gesteld dat men van dien aardhoop aarde afneemt om de am-
pas en het stroo te bedekken.
Eene andere door Wray aanbevolene bewerking, en die men opper-
vlakkig voor zeer nuttig zoude houden , is : het riet-afval te overdekken
met aarde. — Op de beplante akkers blyft er na de eerste snede zulk
eene hoeveelheid bladeren en toppen liggen, dat men die bezwaarlijk
onder den grond kan brengen; voegt men nu daarbij nog de ampas,
dan spreekt het van zelfs, dat de bewerking daardoor nog moe^elijker
wordt, zoo niet geheel onmogelyk. — Maar nog meer: wy gelooven, dat
men al die overblyfeelen niet moet verbranden dan in de uiterste nood-
zakelijkheid; maar wy voegen er bij, als het mogelijk ware ze te ver-
vangen door eene andere brandstof, die even goedkoop of goedkooper te
staan kwam, dat het dan nuttig zoude z\jn ze aan te wenden ter be-
reiding van compost of zamengestelde mestspecie, door ze eene ontbin-
ding te laten ondergaan , alvorens ze in den grond te brengen. — "Wan-
neer men die overbl^'fselen gebruikt nadat ze tot verrotting overgegaan
zijn, laten ze zich beter over den grond verdeden, en is hun invloed
op de planten spoediger merkbaar. Aangaande dit punt is Wray tame-
lijk duideligk, daar hg verklaart, dat h^* „nooit een put voor de stalmest
zou willen maken, en ook nooit een put om er compost of zamenge-
stelde mestspecie in te bereiden; hy wilde altyd alles teruggegeven heb-
ben aan de aarde, en de plantaardige overblijfselen in den grond al de
noodige veranderingen laten ondergaan (blz. 282). — Ofschoon dit by
slot van rekening de leer schynt van den engelschen schrijver, moeten
wy echter eenige regelen aanhalen, waarin hij een ander gevoelen ver-
kondigt. „De ware methode, zegt hy, bestaat hierin, dat de versdie
ampas, de toppen en de bladeren verzameld worden in putten, welke
zijn aangelegd in denabyheid van vijvers, bronnen of rivieren; diezelfstan-
digheden blijven daarin liggen , totdat ze geheel tot ontbinding overgegaan
zyn , en dan worden ze aangewend tot bemesting van de akkers (blz. 346).
Digitized by
Google
261
Wray heeft in het bijzonder gewag gemaakt van het gebruik van
guano ^ welke hij onder de mestspeciën rangschikt, waarvan de suiker-
planter zich volstrekt niet moet bedienen (blz. 319). Minder uitsluitend
op dat punt, dan Wray, hebben wy vroeger gelegenheid gehad aan de
peruaansche mest hare ware rol aan te wijzen; en al het desbetreffende
hebben wij besproken uit het gezigtspunt van algemeene landhuishoud-
kunde, uit het oogpunt van de levensfunctiën der suikerplant, en ein-
delijk met het oog op het behoud van de vruchtbaarheid des bodems.
Wij zullen in geen beschouwing treden van de overige bijzonderheden
der bewerkingen en zienswijzen van den schrijver, wiens denkbeelden
wij hier bespreken, daar wij reeds vroeger gelegenheid gehad hebben
om alles te ontwikkelen, wat daarop betrekking heeft.
Het in Louisiana meest in zwang zijnde cultuurstelsel rust ongeveer
op de zelfde grondslagen als dat , hetwelk het onderwerp van onze be-
schouwingen uitmaakt, en brengt ook ongeveer de zelfde bewerkingen
in toepassing. Beide stelsels gaan mank aan het zelfde gebrek, namelijk,
dat ze de manier der cultuur geen gelijken tred laten houden met de
wetten der wetenschap, doordien ze de natuurlijke neigingen der plant
geheel miskennen, en dat ze als vasten regel voorschrijven. bewerkingen,
die, zelfs in de gevallen waarin ze toegepast moeten worden, geheel af-
hangen van de omstandigheden , en slechts aangewend worden omdat het
niet mogelijk is zich van betere , meer volkomene middelen te bedienen.
Het ontbladeren van de eietstokken. — Bij de cultuur van het
suikerriet, even als bij de aankweeking van andere plantgewassen, ko-
men ettelyke verrigtingen voor, die, oppervlakkig beschouwd, over het
algemeen van weinig belang geacht, ja door sommigen zelfs voor na-
deelig gehouden worden, daar men beweert, dat ze de moeite niet loo-
nen; maar als men de zaak meer van nabij beschouwt, zal men spoedig
erkennen, dat die minder in tel zijnde verrigtingen eene voorname plaats
bekleeden in de rij der werkzaamheden, verbonden aan een goed stelsel
van cultuur.
Onder de verrigtingen, die, in weerwil van hare belangrijkheid, het
minst in tel zijn , moeten wij in de eerste plaats noemen het ontbladeren van
de rietstokken : wij zullen al het nut van die handeling vlugtig uiteenzetten,
Digitized by
Google
262
Het streven van den suiker-fabriekant moet alt^d daarheen gerigt z^n
om de grootstmogelijke hoeveelheid te erlangen uit de grondstof, welke
hem verschaft wordt door den landbouwer , en de voornaamste zorg Tan
laatstgenoemde moet bestendig er op gemunt z^'n om al de omstandig-
heden zoodanig te leiden, dat zich in het organismus der plant de
grootstmogel^ke hoeveelheid suiker vormt en zich zoodanig ontwikkelt
in hare sappen, dat de suiker gemakkemk daaruit kan worden getrok-
ken. Dat resultaat wordt verkregen door den grond in goeden Qtaat te
brengen en te onderhouden, het riet zóó te planten dat het zidi onbe-
lemmerd in zijjnen groei kunne ontwikkelen, enz., en eindel^'k door op
alle mogel^ke wijzen de werking der dampkrings-invloeden te bevorderen.
Ons voorbehoudende ter gelegener tijjd nog nader de punten te ont-
wikkelen, die wij hier mededeelen, zullen w^ zeggen, dat de dampkrings-
invloeden beschouwd kunnen worden : 1°. Als reactiën te weeg brengende
tusschen de vloeibare en vaste deelen der plant en het gasvormige ele-
ment , waarin zij zich ontwikkelt. — * 2o. Door de zoogenaamde onweeg-
bare vloeistoffen (warmte, licht, enz.) worden die chemische versch^n-
selen en andere levens-functiën veroorzaakt, bevorderd en opgewekt.
Zoo lang de bladeren der rietplant groen blyven, dragen ze kracht-
dadig b^ tot de algemeene ontwikkeling der plant; maar zoodra ze al
de verrigtingen volbragt hebben, die van hunne weefsels gevorderd wor-
den, beginnen ze te verdorren en af te vallen, en laten van dat oogen-
blik af den stengel onbeschut. — Welnu : van dat pogenblik af begint
er, door den bast van het stengellid heen, eene reeks van verschijnse-
len plaats te grijpen, die de aanwezigheid vorderen van licht en van
warmte; ongerekend dat die oorzaken (behalve de reeds genoemde uit-
werkselen, die, om het eens zoo te noemen, van plaatselijken aard
z^'n) bydragen tot andere, die gemeen zijn aan al de organen der plant.
Al die invloeden werken meer of minder regtstreeks zamen, en dragen
in meerdere of mindere mate bij tot den groei der plant, door haar
tot den hoogsten graad van wasdom, dat wil zeggen tot den staat van
rapheid te brengen, in welken staat zij de grootste hoeveelheid suiker
bevat in het tot zuiverheid gebragte sap, want met die zuivering heeft
zich vroeger de natuur reeds belast.
De kleur van het riet, zijn klank, zijne hardheid en z\jne meerdere
Digitized by
Google
263
zwaarte bij gel^k volumen , duiden aan , dat het , van bladeren ontdaan ,
tot eenen hoogeren graad van r^'pheid komt , en dien in een korter tijds-
bestek bereikt; en vervolgens bewijst het onderzoek, dat men op z^ne
sap|>en in het werk stelt, dat het eene grootere hoeveelheid suiker be-
vat, die er uit getrokken wordt met aanwending van minder kalk, enz.
De bladeren moeten eerst dan van de stengels afgenomen worden,
wanneer ze geheel verdroogd z^n, want anders zou men het stengellid
niet alleen berooven van een orgaan, dat onmisbaar is voor zijnen groei,
maar men zou bovendien den bast of schors beschadigen en openscheu-
ren, zoodoende al de veranderingen te weeg brengende, die plaats grij-
pen zoodra men, door eene breuk in het omkleedend weefsel, den damp-
kring in regtstreeksche aanraking brengt met de organen van het riet.
Bij al de door ons aangevoerde argumenten dient nog gevoegd te wor-
den, dat de bladeren, terwijl zy verdorren, aan de rest van het orga-
nismus een gedeelte mededeelen van de zelfstandigheden , waaruit ze z^'n
zamengesteld zoo lang ze groen zijn. Deze verrigting is zeer gemakkelijk
te volbrengen , hetzij door de bladeren eenvoudig met de hand van den
stengel af te trekken, hetzij door zich daartoe luchtig van haakjes te
bedienen. — I^et gezond verstand zegt ons, dat met dien arbeid be-
gonnen moet worden , zoodra zich de dorre bladeren beginnen te ver-
toonen, en dat die van t^'d tot tijd herhaald worden moet, zoo dikw^'ls
zulks noodig blijkt te zyn. — Als de dorre bladeren afvallen, is het
nuttig, zoolang men nog den ploeg over den akker kan laten loopen,
eene groeve te openen om ze daarin te vergaderen; later, als men geen
ruimte meer heeft om den ploeg te laten werken, dient men de afge-
vallene dorre bladeren op den akker te laten liggen , waar ze als het
ware een bed vormen, op hetwelk derietplanten zullen rusten, wanneer
ze weerstand zullen bieden aan de winden en aan het wigt van hare
eigene zwaarte. De netplant, op die wyze van de oppervlakte van den
grond afgezonderd, blijft beter stand houden, wordt niet zoo ligt door
de insekten aangetast, en zal ook niet zoo ligt met de wortels ineen
groeyen.
Bovendien, als de rietstoel van al zyne dorre bladeren bevryd is, ten
minste van die, welke om den stam zitten, kunnen al de stengels ook
gemakkelijker gekapt worden. Wijders bieden de rietplanten , welker bla-
Digitized by
Google
264
deren er aan blgven zitten, eene betere schuilplaats aan voor schadelijk
gedierte : zy groeyen ook met de wortels in elkander en brengen looae
spruiten voort door de rochtiglieid , welke zich ophoopt in dat gedeelte
dier dorre bladeren, waarmede ze aan den stam vastzitten : en dit z^n
allen oorzaken, die de sappen der plant bederven.-— Daarby komt ein*
deliijk, dat de werkzaamheden der cultuur in het tweede jaar mind»
moe^el^k zyn, aangezien dan een groot gedeelte van het stroo den tijd
heeft om te verrotten. — Doch afgescheiden van al deze voordeelen, en
alleenlyk die in aanmerking genomen, welke het ontbladeren oplevert
met betrekking tot de rypwording der netplant, kunnen wij vaststellen»
dat het een zeer nuttig werk is, daar het al den arbeid, die verrigt
wordt, loont met een beter produkt. Alles wat strekt om de rgpwordii^
der netplant te bevorderen, is hoogst nuttig, want het verschaft eene
onberekenbare besparing in arbeid, en eene groote vermeerdering in de
bruto-opbrengst.
Zoodra eenmaal de hier door ons aanbevolene bewerking op hare juiste
waarde geschat wordt, zal men beseffen, dat zij even nuttig en noodig
is als het wieden, waarvan het nut voorzeker door niemand in twijjfel
wordt getrokken ; maar om er alle mogei^'ke voordeelen» van te verkrij-
gen, dient het verwijderen van de dorre bladeren te geschieden wanneer
het tyd is, en herhaald te worden telkens wanneer het noodig blijkt te
zijn. Is het riet geplant aan rijen op genoegzamen afstand van elkander,
dan is de bewerking, die wij hier bespreken, zeer eenvoudig, en kan
die in een korten t^d verrigt worden door de minst sterke arbeiders
der plantaadje.
In Louisiana wordt er aan het verwijderen van de dorre bladeren
zeer veel waarde gehecht, en alleenlyk daardoor kan het riet in het
korte tijdsbestek, dat het onder dat klimaat heeft om zich te ontwikke-
len, z\jnen vollen wasdom bereiken.
Ontegenzeggei^k is het, dat op het eiland Cuba denoodzakel^kheid,
om de netplant van hare dorre bladeren te ontdoen, niet zoo groot is;
maar juist omdat wij twee zulke veelvermogende middelen , als warmte
en licht z^n, ter onzer beschikking hebben, moeten wij daarmede zoo-
veel mogel^k ons voordeel doen.
In weerwil dat wij ons over het algemeen voorstanders verklaren van
Digitized by
Google
265
de bewerking, waardoor de netplant van hare verdorde bladeren bevr^d
wordt, kunnen w^' niet anders dan erkennen, dat deze bewerking van
geen nut kan zijn, wanneer het eene bepaalde variëteit van riet betreft,
die op eenen b^'zonderen grond en onder een b^'zonder klimaat groeit;
een punt van zeer veel gewig^, vooral wanneer men het riet wenscht te
gebruiken tot plantriet. — W^ zullen duidel^ker spreken. Streken, die
onderhevig zijn aan felle droogten; gronden, die onderhevig zijn om
honne vochtigheid spoedig te verliezen ; akkers , die slecht gereedgemaakt
en niet uit hunnen aard van de vereischte mate van vochtigheid voor-
zien z^n; dat z^*n allen plaatsen, waar het, onder het klimaat van
Cuba, niet dienstig is de netplant van hare verdorde bladeren te ont-
doen, tenzij men haar de voordeden der besproeijing kunne doen ge^
nieten. — En men verlieze niet uit het oog, dat de afstand, waarop de
rietrijën van elkander liggen, mede wel in aanmerking behoort te wor-
den genomen, wanneer het betreft de rietstoelen van hunne bladeren te
ontdoen. Wy zullen er nog bijvoegen, dat de vooijaars-plantsoenen, die
gekapt moeten worden zoodra de werkzaamheden der cultuur voor dat
jaar zijn a%eloopen, gebiedender de bewerking eischen ter afscheiding
van de verdorde bladeren, die, als ze om de plant bleven zitten, hare
r^pwording vertragen. — Het is dus noodig in aanmerking te nemen
de variëteit van riet, de eigenschappen van den grond, de lucht- en
weersgesteldheden, de bijzonderheden der cultuur, hoeveel oogsten men
reeds van dat riet heeft ingezameld, daar het riet, dat nog de eerste
snede niet heeft beleefd, daaraan minder behoefte heeft, enz.
De slotsom van al het bovenstaande is deze : de riet-akkers zorgvul-
dig van de verdorde bladeren te bevrgden , is in hooge mate dienstig
voor de gelykmatige ontwikkeling en rypwording van al de stengels
van den rietstoel.
Digitized by
Google
DE OOGST.
De snede, or het kappen van de bietstokken. — I. Een ver-
standig landbouwer, die suikerriet teelt met het oogmerk, om van z^nen
arbeid het meestmogelyke voordeel, en van het in z^ne onderneming
gestokene kapitaal den meestmogel^'ken interest te trekken, moet er
zijn streven van maken, niet alleen dat elk der knoppen of oogen^ die
hij plant, een krachtvoUen rietstok voortbrenge, maar ook dat de on-
der den grond liggende kiemen van dien rietstok nieuwe rietstokken
voortbrengen , die op hunne beurt het aanzijn geven aan krachtige sprui-
ten, welk doel hij bereiken zal, wanner h^* zorg draagt, dat elk dier
rietstokken krachtig opgroege en zich welig ontwikkele, elk op zich zal-
ven na verloop van eenigen tijd een eigen leven hebbende, onafhan-
kelijk van al de overigen. Met andere woorden: het is noodig de in
den grond gebragte stek in staat te stellen, omnieuwe, vele en vrucht-
bare spruiten voort te brengen, die zich naar behooren ontwikkelen, en
tot hunnen vollen wasdom komen zonder ten koste van elkander te
leven , en dus zonder elkander wederkeerig te belemmeren in haren groei :
zoodat de gelyktijdige ontwikkeling van allen de groeikracht opwekt van
elke spruit in het bijzonder, en deze op hare beurt het hare bydraagt
tot de behoorl^ke ontwikkeling van allen.
Diegenen daarentegen, die, verkeerde methoden volgende, in plaats
van deze aanhoudende, onafhankelijke, behoorlijke en krachtige ontwik-
keling te bevorderen, maken dat de rietstengels schatpligtig aan elkan-
der zijn, en slechts leven ten koste van elkander, stellen zich bloot
aan de kans hunne plantsoenen te zien sterven vóór het ti^jdstip , waarop
ze tot behoorlijke ontwikkeling gebragt zijn door de medewerking der
overige omstandigheden , waaronder ze leven , al zijn die nog zoo gun-
Digitized by
Google
267
stig. Alsdan ziyii ze verpligt hunnen akker op nieuw te beplanten, hetzij
geheel en al (nieuwe planting) hetzg gedeeltel^k {inboeting).
De treurige uitkomsten, hier bedoeld, z^'n e^germate toe te schrij-
ven aan kei kappen van kei riet, als dat verrigt wordt zonder oor-
deel en overleg. Doch alvorens de gevolgen na te gaan van die verrig-
ting, wanneer zy onverstandig bewerkstelligd wordt, achten wy het,
om meer licht over dit onderwerp te verspreiden, dienstig, hier melding
te maken van eene reeks verschynselen, welke wy bestudeerd hebben
door het doen van eene groote menigte waarnemingen, en het in het
werk stellen van een aantal proefnemingen.
Als eene plant zich op de natuurlyke wyze ontwikkelt , nemen al hare
organen, elk in het bijzonder, uit het sap zoodanig gedeelte voeding-
stoffen tot zich, als ze noodig hebben om hunne functiën volkomen te
verrigten; maar als men de functiën van één orgaan by zonder opwekt,
volbrengen de overige organen hunne functiën natuurlyk niet meer met
de zelfde volkomenheid, daar ze ter verrigting daarvan niet over al de
voedende stoffen kunnen beschikken , die ze noodig hebben , aangezien die ,
om het eens zoo te noemen, door het opgewekte orgaan geusurpeerd zijn
ten nadeele van de overige, uit welke de plant is zamengesteld. Wan-
neer men daarentegen éen gedeelte der organen, die ten koste van de
algemeene voedingstoffen leven, doet verdwynen, zullen de overige,
aangenomen dat de aanwezige hoeveelheid voedende zel&tandigheden
niet vermindert, noodwendig weelderiger groeijen, daar ze naar even-
redigheid eene grootere hoeveelheid voedende stoffen ter hunner beschik-
king hebben, dan dienstig voor hen is.
De bewerking, die, door het aantal organen te verminderen, het na-
tuurlyke evenwigt verbreekt, en ten doel heeft om aan de overige or-
ganen al de voedingsappen toe te dienen, welke vroeger bestemd waren
voor al de organen die toen bestonden , draagt den naam van enoeijen.
Het snoeijen dringt, om het eens zoo uit Ie drukken, in sommige or-
ganen al de groeikracht zamen, die aanvankelyk verspreid was in de
andere organen, die in den natuurlijken toestand mede de plant uit-
maakten (54).
De rietplanten, aan hare eigene krachten overgelaten —aangenomen
dat ze zich in de natuurlyke omstandigheden bevinden — ontwikkelen
Digitized by
Google
268
zich derwijze, dat al hare organen gel^kmatig werkzaam zijn, en ko-
men tot haren vollen wasdom in zoodanig t^dsbestek, als de natuur
voor haar heeft afgebakend, door haren organischen bouw dienovereen-
komstig in te rigten. De knoppen of oogen^ waarvan later nieuwe riet*
stokken moeten voortkomen, groeien langzaam in het tydsbestek dat
hun zamenstel hun aanw^'st, in overeenstemming bl^'vende met al de
overige functiën, die verrigt worden, of plaats hebben in de organismen
waartoe ze behooren.
Over het algemeen, en in den natuurleken toestand , ontwikkelen die
knoppen of oogen zich slechts langzaam; en alleenl^k dan, wanneer
al de functiën der rietplant volkomen volbragt zyn, schieten ze sprui-
ten , om op hunne beurt goed ontwikkelde rietstengels voort te brengen.
Wy willen dit verschijnsel met eenige naauwkeurigheid gadeslaan.
Wanneer het riet bloeit, valt na verloop van eenigen tijd het bloedende
gedeelte af, zoodat de rietstok eene wezentlgke snoeijing ondergaat ; het
is dan ook niet vreemd, dat de bovenste oogen of knoppen uitloopen
en zich ontwikkelen, en looze spruiten voortbrengen. Maar als men zich
de moeite geeft eene rietplant gade te slaan tot in het begin van No-
vember of het laatst van October, als zij op het punt is om te gaan
bloeiljen, zal men zien, als men met zorg den stam ontbloot, dat dan,
na verloop van een zekeren tijd , de knoppen zich meer en meer ont-
wikkeld beginnen te vertoonen; de bladeren, uit welke deze knoppen
bestaan, hebben een minder omgebogen vorm, zijn niet omgekromd of
geleed, staan wijder uit, en de knop erlangt eene grootte, welke som-
wijlen die van het stengellid overtreft, op welks buitenzijden men eene
diepe gleuf opmerkt, bestemd om den bloemknop in staat te stellen zich
te ontwikkelen ; op eene zekere hoogte begint de ontwikkeling der knop-
pen te verminderen, totdat men geledingen ziet ontstaan zonder knop-
pen. Het aantal dier knoplooze geledingen is doorgaans v^f , en de zesde
ontwikkelt zich tot eene bijzondere grootte, en draagt in zyne kelk de
bloem; dikwijls ook zijn er slechts vier zulke geledingen, en ontkiemt
de bloem in het vijfde lid (65). — Wanneer wg in het bijzonder spre-
ken over de verschynselen , die met het bloeijen der rietplant in ver-
band staan, zullen wij aan al deze punten alle noodige aandacht
schenken.
Digitized by
Google
269
Maar het kan gebeuren, en aanhoudend merkt men op, dat de knop-
pen zich aan het te veld staande riet ontwikkelen ten koste van de plan-
ten , wanneer deze in haren groei belemmerd zijn door eene of andere
hindernis, zooals het afvreten van den top, het doorvreten door een of
ander insekt, het inwendig uitvreten door eenigerlei schadelyk gedierte ,
enz. Het gemis van den stengeltop trefb men menigvuldig aan langs de
kanten der riet-akkers, waar ieder daar langs komend dier ze kan af-
vreten. Als de rietplant op den grond neerbuigt, en met eenig gedeelte
daarop blijft rusten, schiet zoodanig gedeelte doorgaans wortels, en
dan verschijnt er ook gemeenlijk een oog aan het lid, dat zoodanige
wortels voortgebragt heeft. Nader zullen wy met de vereischte uitvoe-
righeid de oorzaken nagaan van het ontstaan van eerste en volgende
looze spruiten, dat wil zeggen spruiten, die ontstaan boven den grond.
In die gevallen vloeijen de sappen, welke bestemd waren voor de ont-
wikkeling van al de organen der plant, naar gelang van het ontstaan
dier spruiten naar de zich ontwikkelende knoppen, die dan kunnen
groeijen tot eene aanmerkelgke grootte, en dus volledige rietstokken
worden , die , op hunne beurt, door de zelfde oorzaken in staat zijn hunne
knoppen te laten groeijen, en ook weder nieuwe looze spruite^ voort
te brengen.
Maar, zal men ons vragen, welk verband of welke betrekking bestaat
er tusschen het snoeijen, het ontstaan van looze spruiten en het kappen
van het riet? Oppervlakkig zoude men wanen, dat daartusschen gee-
nerlei verband bestaat, dan alleenlijk eenige schijinbaar evenzoo verschil-
lende verschijnselen; maar als men dezaak oplettender beschouwt, moet
men erkennen, dat de bewerking, waardoor ten laatste het riet gekapt
wordt, niets anders is dan eene meer doortastende manier vansnoeyen,
die, wanneer zij volbragt wordt zonder de noodige zorg daaraan te be-
steden, in hooge mate de ontwikkeling van looze spruiten bevordert.
Immers , zoodra men van oordeel is dat het riet zijnen vollen wasdom
bereikt heeft , en dat het derhalve de grootste hoeveelheid suiker bevat ,
welke het bevatten kan, gaat men tot het kappen over, om het aan de
bewerking over te geven, waardoor men er den suiker uit wenscht te
trekken. Het onderste gedeelte van den rietstok laat men in den grond
zitten, als eene trouwe bewaarster van al de organen, die het aanzijn
Digitized by
Google
270
moeten geven aan nieuwe stengels, voorzien van al de wortels, die
dienen zullen om de plant te voeden, welke wortels, hunne functiën
voortzettende, die voedende sappen in grootere hoeveelheid naar de knop-
pen voeren, welke zich aan de moederstek bevinden, ofschoon het zeker
is, dat de hulp van die organen niet onmisbaar is; om den knopeene
spruit te doen schieten, zijn de stoffen voldoende, die zich in het lid
bevinden van den stam onder den grond (56). De knoppen, beter ge-
voed, ontwikkelen zich, en loopen eenigen tyd daarna uit, spruiten
schietende, die op hare beurt, door de ontwikkeling van hare eigene
knoppen, weder andere spruiten doen ontstaan, enz. Welnu: hoe min-
der knoppen er aan die moederstekken of onder den grond zittende
stammen zitten, des te beter zullen ze gevoed worden, daar al de
stoffen, die door de wortels worden opgeslurpt, dan slechts verdeeld
worden onder een klein getal, terwijl ze tevens, hoe eer ze eigene wor-
tels schieten, des te eer eene eigene voeding zullen erlangen, en zich
bij gevolg gemakkelijker en krachtiger zullen ontwikkelen.
Als men bij het kappen van het riet een gedeelte van den stam bo-
ven den grond laat staan, zal het gebeuren, dat de voor ontwikkeling
vatbare^ knoppen, die zich aan deze tronken bevinden, na verloop van
eenigen tyd uitloopen en spruiten voortbrengen, die uitsluitend ten
koste van de moederstek leven, daar ze geen eigene voedings-organen
hebben, en die ook later niet zullen kri|jgen. Deze looze óf boven den
grond ontstane stengels geven het aanz^ niet aan voortbrengende spmi-
ten, en groeyen ook niet welig.
Indien het voortbrengen van rietstengels op andere rietstengels van
geenerlei invloed hoegenaamd ware op het leven der stengels, die van
de onder den grond zittende knoppen moeten voortkomen, zou het vol-
strekt niet hinderen eenige oogen boven de oppervlakte van den grond
te laten; maar het is niet alzoo gesteld: de looze of boven den grond
ontstane spruiten beletten in zekere mate het ontstaan van die, welke
uit den grond moeten komen, daar ze zich meester maken van een
gedeelte der voedende stoffen, die voor laatstbedoelde bestemd waren.
Gesteld dus, dat de knoppen onder den grond allen tot ontwiUteling
komen en spruiten schieten , dan zullen deze spruiten altijd zwak z^jn ,
daar die, welke ontstaan zijn boven den grond, een groot gedeelte der
Digitized by
Google
271
voedende stoffen tot zich trekken, welke zich gel^kmatig door al de
dealen der plant moesten verspreiden, en zulks vooral in den eersten
tijd van het leven der ondergronds-spruiten ; die, welke uit den grond
te voorschijn komen, hebben alleen daaruit de voedingstoffen te trek-
ken, die ze door middel van den stam der netplant mededeelen aan
de looze of boven den grond ontstane stengels. Welnu : de rietstokken ,
die zich onder zoodanige voorwaarden ontwikkeld hebben, zyn kwynend,
schieten weinig spruiten; en als men, wanneer ze het volgende jaar
wederom gekapt worden, ook dan weder een gedeelte van den stam
boven den grond laat staan, zal de verarmende oorzaak zich andermaal
doen gevoelen, en de alsnu opgroeijende rietstek zal nog kleiner z^'n dan
het jaar te voren. Op die wijze neemt de ontwikkeling gestadig af,
totdat de moederstek eindelijk sterft.
Het riet moet gekapt worden minstens gel^k met den grond, b^al-
dien het niet mogelijk is zulks lager , beneden de oppervlakte van den
grond, te bewerkstelligen. Men moet het kappen laten verrigten door
bekwame, vlugge, en tot dat werk geschikte arbeiders. Alvorens tot
het kappen over te gaan, is het noodig, den stam van de netplant goed
te ontblooten, door al het stroo, dat er omheen mogt zitten, te verwij-
deren; daarna zal men den stam omhakken met een hakmes, scherp
genoeg om dat te kunnen doen in één enkelen slag, en dus zonder dat
men nog eens weerover behoeve te slaan. De snede moet gelijk en effen
zi^jn, zonder scheuren in den bast als anderzins te veroorzaken. — Wij
hebben het kappen van het riet beschreven, juist zooals het behoort te
geschieden; doch in de meeste gevallen is het niet wel doenlyk het
zoo te doen plaats hebbe9. Als het riet gestrekt ligt, is het niet mo-
gelijk op de riet-akkers te komen, en kan men ook niet onderscheiden
tot welke moederstek de stengels behooren. In dit geval kapt de arbei-
der eerst een stuk van het bovengedeelte af, snydt den top daarvan af,
en zoekt dan den stam op, dien hij vervolgens omhakt met den grond
gel^k, of zoo mogel^k lager.
De beste hakmessen, die op het eiland Cuba tot dezen arbeid gebruikt
worden, zyn die, vervaardigd door Collins. Wy hebben die met het
beste gevolg zien gebruiken op verscheidene plantaadjen.
Wy weten dat er plan heeft bestaan om riet-zeissens te yerya&rdigen ;
Digitized by
Google
272
en zonder te willen beweren dat zoo iets tot de onmogelgkheden be-
hoort (want wig hebben alles te verwachten van den tyd en van de men-
schen), gelooven w\j toch, dat het bezwaarlijk zal gaan een werktuig uit
te denken om suikerriet Tan aanmerkel^ke dikte te nuiayen, vooral die
variëteiten, die eene b^'zondere neiging hebben om op den grond te
gaan liggen. Ieder, die een nog nooit gekapt plantsoen van tien of acht
maanden gezien heeft, moet begrypen, dat het eene onmogel^kheid is,
eene machine, welke dan ook, daarop te laten werken. Op grond daar-
van gelooven wij dan ook, dat er, om het Bataviaasch riet naar be-
hooren te kappen, misschien wel maai-toestellen vervaardigd zullen kun-
nen worden, doch dat alt^d de handen-arbeid van den mensch noodig
zal bliljven om de toppen af te sn\jden , en misschien zelfs om het kap-
pen volkomen goed te kunnen bewerkstelligd.
II. In de bovenstaande regelen hadden w^ ons ten doel gesteld om
het ontstaan te verklaren van de looze stengels, dat zijn die, welke
ontspruiten boven den grond, aan dat gedeelte van den stam, dat bg
het kappen boven de oppervlakte van den grond is bl^'ven staan : w^
hebben dit versch^nsel beschouwd bloot als een uitwerksel, dat gerang-
schikt moet worden onder de resultaten, welke men erlangt door het
snoe\jen van de planten.
Wy hebben de oorzaken nagegaan, die het ontstaan te weeg brengen
van looze of boven den grondontsprotenestengels, welke als ware takken
der netplant te beschouwen z^'n; nu rest ons nog de voorwaarden te
doen kennen, waarin die oorzaken werkzaam kunnen zyn om hare ge-
volgen te weeg te brengen.
Om dit verscl^jnsel te doen plaats grijpen, moeten naar ons oordeel
de volgende vereischten zamengaan: I^. Het riet moet gekapt z^*n in
al de kracht zi^jns levens, want anders zullen de onderste knoppen óf
verdwenen z^*n, of zich slechts moe\jeIgk ontwikkelen. Is het eerste het
geval, dan begrijpt men, dat organen, die niet bestaan, ook niet kun-
nen groe^'en; in het tweede geval, daar de ontwikkeling alsdan zeer
langzaam gaat, hebben de knoppen onder den grond den noodlgent^d
om uit te loopen, en daardoor wordt het groe^'en moeijel^ker voor de
knoppen, die zich ontwikkelen moeten in de open lucht. — 2°. Het
is een vereischte , dat de netplant groeije ten koste van een zeer vmcht-
Digitized by
Google
278
baren grond, clie voedende stoffen in overvloed kan aanbieden aan al
de organen. — 8^. Om het hier door ons besproken wordende verseh^'n-
sel te zien plaats grypen, moet het riet of geplant zyn, of zich» na de
verschillende plaats gehad hebbende oogsten, in den grond bevinden
op eene geringe diepte, want daardoor zal het aantal knoppen minder
zijn, en b^ gevolg is ook het aantal organen minder, die allen moeten
leven ten koste ran de sappen , welke door de wortels ea de gemeen*
schappelijke moederstek worden verschaft. — 4^. Ze moeten leven te mid*
den van de dampkrings-invloeden, die meest geschikt zQn om de ver«
schillende verrigtingen te doen plaats hebben, welke hare organen te
volbrengen hebben, om ze zoodanigen graad van wasdom te doen be*
reiken, als waartoe ze door de natnnr geroepen z\jn.
Zien w^* nu welke de uitvloeiselen z\jn, die uit het gebrekkige kap-
pen van het riet voortspruiten, wanneer de omstandigheden niet zoo-
danig z\jn, als strikt noodig is om de gevolgen te weeg te brengen,
waarover wij tot hiertoe gehandeld hebben.
Als het riet zoo gekapt wordt, dat er een stuk van den stam boven
de oppervlakte van den grond uit bl^fb steken, is (onder zekere om-
standigheden, die wij nader zullen doen kennen), steeds het gevolg, dat
die tronken allengs de vochtigheid verliezen , welke z\j bevatten ; en het
duurt niet lang of ze verdorren. Bepaalde het verdorren zich maar by
het gedeelte, dat boven den grond uitsteekt, dan zou het goed doen
in plaats van kwaad; want het zou dan strekken om het ontstaan
van looze stengels te beletten: maar wel verre van zich daarbij te be-
palen , gaat de verdorring voort , en ontneemt aan de gedeelten die on-^
der den grond zitten de vloeistof, waardoor ze leven; zoodat na ver-
loop van eenen zekeren tyd de geheele moederstek verdort , en met haar
sterft al de hoop van den landbouwer op de krachtige stengels, waar-
mede hij gedacht had zich voor al zynen arbeid te zullen zien beloonen.
Het verdroegen van de moederstekken, nadat het riet gekapt is,
heeft langzaam plaats in de volgende gevallen : 1^. Als het riet groeit
op gronden, die niet zeer vruchtbaar zijn, en die, uit hoofde van hunne
physieke eigenschappen , gemakkel^k de>ochtigheid verliezen, welke noo-
dig is voor het leven der plant. Immers, hoe langer het duurt eer de
moederstek weder spruiten schiet, des te langer zal zy blootgesteld zyn
18
Digitized by
Google
274
aan den intloöd der verwoestende of verzwakkende oorzaak; des te spoe-
diger zal het riet zich verstoken zien van de bron, waaruit het de voch-
ten moet putten, bestemd om die te vervangen, welke het verliest;
ongerekend nog, dat zoodanige grond de vochtigheid uit het riet t(^ ach
trekt, en dus medewerkt om de verdrooging der moederstek te bevo^
deren. ^-* 2^. Als het riet geplant is op geringe diepte, of althans zich
niet ver van de oppervlakte in den grond bevindt Doordien alsdan
het in èea grond zittende gedeelte korter en kleiner is , zal het spoediger
het vocht verliezen, dat zijne organen bevatten. 3°. Als er na ,het kap-
pen geen weldadige regens vallen,
W^ moeten hier bijvoegen, dat zelfs die moederstekken, die onder
zoodanige omstandigheden niet st^nren, en die men op het e^»te gezigt
bevrigd zou wanen van den noodlottigen invloed der verdrooging, teweeg
gebragt, of juister gezegd, bevorderd door het gd^rekkige kaj^n, ia
geheel haar wezen, gedurende den ganschen tyd van haar bestaan, den
stempel dragen van het kwaad, waardoor ze z^n aangetast. Imlners, van
de weinigen, die blyv^ leven, brengen de meesten slechts ziwakke sprui-
ten voort, die niet welig groeien; 2^ schieten dus geen spruiten,
zoo als ze dat zouden hebben kunnen doen ond^ gunstige omstandigheden.
Jh het net op gébrehhige wijze gekapt woréU, zij» de in den grond
èlijvenéh moederetekken eleeM bestand tegen de droogte.
Wij hebben reeds gezegd, dat het beste middel, om de door ons (^
gesomde nadeden te vermijden, hierin bestaat, dat men zorg dragede
bewerking te doen plaats hebben, zoo als het behoort; doch aangezien
het ni(6t altyd mogeligk is, daarb^ al de vereischte regelen in acht te
nemen, hetzij uiAoofcle van onkunde ofonbekwaamheid,hetz\j uithoofd
van kwaden wil der arbeiders, gelooven wij, dat mende moeden^kk^
moest overdekken met aarde, naarmate het riet gekapt wordt. 0|^r*
vlalddg schijnt het misschien moei|jel^ die bewerking in toepassing te
brengen, daar men meenen zal, dat zulks zeer veel handeu'^rbeid vor^
dert; maar als nien de fxak aandachtig overweegt, zal men ineien , dat
het zeer gemakkel^'k te doen is, en niet b^zonder veel arbeid vereiseht
Op dit punt zal wel niemand ons tegenspreken, wanneer wy zeggen»
dat men de in den grond big voide moederstekken van het g^ks^te riet
kan overdekken met aarde, door zich tot dat einde te bedienen yaa
Digitized by
Google
iU
kleine ploegen met ëéne schaar, in werking gebragt door slechU é^
trekdier, en te besturen door een negerknaap van 12 a 15 jaren.
IIL Wij hebben reeds vroeger met de meeste naanwkeungheid aUea
lu^egaan, waarop b^ hei kappen van het riet gelet dient te worden.
Wig willen aan het onderzoek betreffende dat pnnt hier eenige beschou*
wingen toevoegen > rakende de keuze van het geschiktste t^dsüp in het
leven der plant om tot het kappen over te gaan, en daarbQ het dub-
bele voordeel te behalen, dat de grootstmogeliijke opbrengst aan sniker
worde verkregen, en dat de moederstekken in zoodanigen toestand ge*
plaatst blijven, dat ze de riet-akkers op nieuw zullen kunnen tooyen
met een krachtvol en welig plantsoen, hetgeen noodwendig in zich sluit,
dat de nieuwe spruiten in staat zullen zyn om alle ongunstige omstan-
digheden te overwinnen, en tevens om volkomen party te trekken van
alle omstandigheden, die voor den plantengroei guiatig zyn. In duide-
I^ker bewoordingen, w^ trachten dat tijdstip in het leven der rietplant
te bepalen, waarop zg, gekapt wordende, ons den ruimsten oogst op-
levert, en aan den riet-akker een langen t^ van duur verzekert, welk
laatste punt natuurlyk altyd afhankelijk zal z^n van de byzondere om-
standigheden, waarin de akk^ v^keert.
Hoedanig in hoofdzaak de funcüën wezen mogen, die in het orga«
nismus der rietplant plaats grijpen, zooveel is duiddi|jk, dat de orga-
nen, die bestemd z\jn om in haar de suiker te bewerken, in de aller-
eetste plaats aanwezig dienen te zgn, en dan, om de taak te kuni^n
volbren^n, die hun door de natuur is toevertrouwd, noodig hebben ,
dat hun in voldoende hoeveelheid de zelfstandighed^ verschaft worden ,
die ze noodig hebben om hunne functiën, onder gunstige omstandighe-
den, naar behooren te kunnen volbrengen. In den eersten tgd van het
leven der rietplant, is de vorming van hare organen de meest werkzaam
zijnde verrigting; en w^ kunnen aannemen, dat die gedurfde een zeker
tijdperk de e^iige verrigting is , welke in het leven det plant plaats grypt,
daar al de krachten van den plantengroei alsdan uitsluitend daarop uit*
loopen; later, als eenmaal die onganen gevormd z^*n, begint de tweede
verrigting, die meer r^tstreeks ten doel heeft het suiker-bestanddeel
te vorweirken.
Als w^ aannemen, dat er gedurende al de tydperken van het lev^
Digitized by
Google
276
der rietplant een volmaakt erenwigt en overeenstemming bestaat tns*
scben de opslurping van de voedende stoffen en de voornaamste fonc-
tien der plant, spreekt het van zelfe, dat w^ daarin niets ongewoons
znllen aantreffen, en dat alles geregeld zal zamenwerken om de gewone
doeleinden van den plantengroei te bereiken. Maar als daarentegen de
assimilatie der voedingstoffen uitermate toeneemt, en deze t^n min of
meer opwekkend, terw^l door blondere oorzaken de werkzaamheid d^
üinctiën vermindert , of deze niet gel^keHjk worden opgewekt, dan zal men
zien, dat die voedende stoffen werkzaam zyn ter ontwikkeling van ette-
lyke bijzondere organen, behoorende tot die, welke onder de gewone
omstandigheden geroepen z\jn om in een bepaald t^dsbestek sniker te
vormen. In die gevallen groeien de knoj^n of oogen , zoo onder als
boven den grond, met buitengewone kracht, en brengen degelijke en
looze spruiten voort, dat wil zeggen, spnuten, die ontstaan onder, en
spruiten , die ontstaan boven de oppervlakte van den bodem.
Hebben de netplanten eenmaal haren hoogsten wasdom bereikt, heb-
ben al hare organen volkomen al de functiën verrigt, welke z^ te ver«
rigten hadden, dan spreekt het van zells, welke dau ook de aard en
hoeveelheid der stoffen z^'n, die nog aan hare huishouding medegedeeld
worden, dat daardoor niets meer wordt toegevoegd aan de organen, en
dat er ook geen grein meer suiker door gevormd wordt. De zel&tandig-
heden, die door de wortels uit de aarde worden getrokken, en die, wdke
sdeh, ten koste van de in de lucht aanwezige stoffen, in de blad-organen
vormen, ^enen alsdan niet om door middel van de daartoe bestemde
organen suiker te vormen, ook niet om de organen te constitueren d
te herstellen, maar om gedeeltelqk de ontwikkeling te bevorderen van
de knoppen der looze of boven den grond ontstane stengels , en ook van
de oogen der onder den grond voortgekomene spruiten.
De ontwikkeling van deze beide soorten van knoppen is in dusdanig
geval schadel^k, niet alleen voor zooveel aangaat de suik^-opbtengst^
maar ook wat betreft de toekomst van den rietmakker. Ten aanzien van
de looze of boven den grond ontstane oogen zullen wij zeggen , dat
hunne ontwikkeling in de eerste plaats schadeliijk is, omdat ze nimmer
volkomen degelyk riet opleveren , en bovendien , omdat hunne aanwezig
heid eene merkbare verandering te weeg brengt in den aard der in het
Digitized by
Google
277
riet aanwezige zelfstandigheden. Om overigens tot den wasdom te ko-
men, dien ze bereiken, hebben ze een gedeelte van de sappen totzicli
moeten nemen, die veel nuttiger besteed zonden geweest zijn, als ze
slechts gestrekt hadden om den groei der knoppen onder den grond te
bevorderen. Wat betreft het ontstaan van de spruiten onder den grond,
eer het riet, aan welks stam ze te voorsch^'n komen, gekapt is, zullen
wij doen opmerken: eerstens, dat ze zich niet naar behooren kunnen
voeden, doordien de looze of boven den grond ontstane knoppen hen
van een gedeelte harer voedingstoffen berooven; en ten andere, dat ze
den t^d niet hebben om tot haren vollen vrasdom te komen, zoodat ze
nog niet rijp z^n wanneer de rietstoel, waaraan ze zich bevinden, gekapt
wordt. Als er overgegaan wordt tot kappen, wordt al het riet, dat op
eenen akker staat , te gelijk gekapt ; zoodat w^ moeten nagaan wat het lot
zal wezen van die stengels, die, voor zooveel hun eigen graad van was-
dom betreft, onti^jdig gekapt worden. Ter meerdere duidelijkheid zullen
wij^ de spruiten, waarmede wij ons op dit oogenblik bezighouden, in-
deelen in twee groepen. In de eerste groep rangschikken wij die, welke
een tamelijk gevorderden graad van wasdom bereikt hebben , en eenige
gezette geledingen vertoonen; in de tweede groep zullen wij die stengels
plaatsen, die nog niet tot zulk eenen gevorderdt;n graad van ontwik-
keling gekomen zijn. Bij het kappen van de stengels der eerste groep,
snijdt men ze natuurlijk door de geledingen, die ze vertoonen, en kun-
nen ze noodwendig den groei van het riet niet meer bevorderen ; het
eenige dat wij moeten hopen is , dat er nieuwe spruiten zullen voortko-
men van de knoppen, die aan den stam onder den grond zitten. Welnu :
al de nadeelen, die wij hebben opgesomd als verbonden aan het gebrek-
kige kappen van het riet , zullen zich ook vertoonen , wanneer het niet
plaats heeft overeenkomstig gezonde beginselen; en ook, zullen w^ er
in dit laatste geval bijvoegen , als de grond niet vruchtbaar is , en de
toestanden van den dampkring niet gunstig zijn, zullen er van zoodanige
moederstek bezwaarlijk vele en krachtige nieuwe spruiten voortkomen.
Nagaande welke resultaten het kappen van de stengels der tweede groep
zal opleveren, bevinden wij dit: als men ze kapt zeer digt bij de op-
pervlakte van den grond , ter plaatse waar ze reeds een jong lid vertoo-
nen , voorzien zelfs van zyn blad, alsdan kunnen ze niet anders meer
Digitized by
Google
278
spruiten schieten dan aan den stam onder den grond, hetgeen hen in
den toestand plaatst, waarin de hierboven vermelde nadeelen zich ster-
ker doen gevoelen; kapt men hen zeer digi bijj het laatste gevormde
lid, en zyn de omstandigheden gmistig, dan begmt de ineen gerolde
hoeveelheid blaadjes , dat is de eindknop, zich te ontwikkelen, en zidi
te vertoonen op gelijke wigze als wanneer men piaangs of bananen plant;
maar daar die bladeren nog niet genoeg ontwikkeld zyn om bestand
te wezen tegen den invloed der zon, lijden ze doorgaans zeer veel, en
groe^'en slecht en langzaam; ze worden niet zelden verzengd en v^-
schroeid door de hitte; e^ of ander insekt kan den eindknop doOT-
vreten, en dan vormen zich looze spruiten, die ook het kenmerk dragen
als wierd de plant door deze of gene oorzhak belemmerd in haren groei;
als men de rietstokken op eene zekere hoogte kapt, eindelgk, s^jn de
bladeren, die door de kracht van den plantengroei te voorschijn komen,
sterk genoeg en voldoende wel-bewerktoigd om weerstand te kunnen
bieden aan den invloed der zon, en al wordt de groei der netplant
altoos min of meer belemmerd, toch ziet men haar, als de omstandig-
heden gunstig z^*n, op het laatst alt^'d welig groeijjen (Zie LoQze aiei^
géU)\ in elk geval, als men van eene rietplant den bladerdos afsnoeit,
zyn de geledingen, die zich vormen in plaats van de a^esnedene bla-
deren, horter dan die, welke zich later ontwikkelen, en ook dan die,
welke reeds vroeger bestonden , zoodat men uit de meerdere of mindere
kleinte der geledingen kan afleiden hoeveel t\jd het riet, dat men snoeit,
gehad heeft om zich te ontwikkelen.
Men kan deze ontwikkeling van den bladerdos der rietplant verge-
leken b\j het uitwerksel, dat men waarneemt als men een aantal buisjes
of pijpjes van verschillende grootten, die in elkander zitten, uittrekt.
Als wij aannemen, dat het binnenste p^pje het verst uitgetrokken kan
worden, is het duidelijk, wanneer men ze allen uittrekt geüyk de verschil-
lende deelen van eenen verrekijker, dat ze dan den zelfden aanblik zou-
den opleveren als het verschijnsel oplevert van de ontwikkeling van den
rietstok, gekapt op eene zekere hoogte.
IV. In aanmerking genomen al de redenen, die w^ hebben aange-
voerd bij de naauwkeurige opsomming van al de nadeelen, welke bet
niet naar behooren bewerkstelligde kappen van het riet oplevert, zou
Digitized by
Google
279
men ons de tegenwerping kunnen maken, of niet een groot gedeelte
van die nadeelen te vermeden zou wezen als men bi|j het kappen die
spruiten spaarde? Ze niet mede te kappen» dit zou zeer veel zorg ver-
eiscbeu, waardoor de arbeid veel duurder te staan zou komen , ongere-
kend, dat het in vele gevallen onmogelijk zou zijn; daarb^zoumendan
ook eene verandering moeten brengen in de w^ze om het riet van den
akker af te vervoeren , en tevens zou men de ossen niet op het gekapte
veld kunnen laten grazen , want het stroo zou zoo geplaatst moeten wor-
den, dat de spruiten buiten het bereik der trekdieren bleven; en een
oninisbaar vereischte zoii hti wezen, eindelijk» zich van vlugge en be-
kwame arbeiders te bedienen, en ona%ebroken een wak^d oog op hen
te houden. Zeker is het, dat in vele dezer vereischte vroeg of laat door
de planters zal moeten worden voorzien; want door die te veronachtzamen
zal men zich blootstellen aan groote nadeelen; maar gesteld zelfs, dat
al het door ons aangevoerde naar eisch in acht genomen en volbragt
wierd, dan zon het resultaat altijd nog wezen, dat wiy er een zeer on-
gel^kmatig plantsoen door kregen, zoodat een gedeelte reeds gekapt zou
moeten worden, terwijl het overige gedeelte nog niet geschikt daartoe
was. Bovendien zouden die spruitmi schaduw veroorzaken, en zoodoende
in geen geringe mate de ontwikkeling bdemmeren van die, welke later
te voorschiyn kwamen.
De voorzigtigste partijj, die men kiezen kan, is dus, door het juiste
tydstip in acht te nemen, zooveel mogel^k te zorgen, dat er niet
zulke spruiten te voorseh^n komen, die toch gedoemd zijn om ontydig
te worden gekapt. Ten einde verkeerde uitleggingen te voorkomen, en
die reeds bi|j voorbaat te regt te w^'zen, achten w^het nuttig te zeggen ,
dat de bedoelde spruiten te voorsch^n kunnen komen, ^i zulks ook wer-
kel^k doen, in al de t\idperken van het leven der rietplant. In de eerste
tyden groe^jen ze en ontwikkelen zy zich, gel\jkt^*dig met de moeder-
plant, zoodat ze alsdan nagenoeg gelijktijdig met deze tot rapheid ko-
men, en dus ook op ongeveer het zelfde t^dstip geschikt z^jn om gekapt
te worden. Later i^emt het ontstaan van die spruiten aanmerkel^k af,
en die, welke nog te voorsch^n komen, ontwikkelen zidi slecht en groei-
jen langzaam, d^r al de krachten en voedingstoffen der plant alsdan
moeten strekken om den groei van den hoofdstam te bevorderen. Wan-
Digitized by
Google
280
neer d6 netplant eindel\jk hareu vollen wasdom bereikt heeft en tot rijp-
heid gekomen ift, beginnen de middelen, die tot dnavene uitaliiitend
gestrekt hebben om de plant zelve te doen groe^n, zich beug te boa*
den met de ontwikkeling der spmiten» die alsdan in grooteren g^ale
te voorschiijn komen » en eene meer onmiddeUijke en meer degdijke voe-
ding ontvangen, zonder dat ze daardoor evenwel, wegens gebrek aan
tgd, tot genoegzamen wasdom z^n gekomen op het oogenblik, waarop
het r^pe riet gekapt wordt, indien dat inmiddels niet reeds is gaan bloei-
jen. Vele dier spmiten sterven, niet alleen doordien ze geen voeding
ontvangen uit den grond, maar ook doordien de schaduw, door de
bladeren veroorzaakt, zeer nadeelig roor haar is. Wanneer een riet-
plantsoen van stroo ontdaan wordt eer het zynen hoogsten graad van
wasdom bereikt heeft, ziet men welk eene groote menigte di^ kw^nende
^ruiteui gestorven is; of men ontmoet ook verscheidene stengels» van
welke de eindknop tot verrotting is ovei^egaan, en in dat geval worden
er doorgaans looze spruiten aan aangetroffen.
Om de opsomming van de nadeelen, verbonden aan het kt^pen nadat
het riet tot volle rijpheid is gekomen, te besluiten, zullen w\j hi^bq
voegen, dat het riet doorgauis — vooral een plantsoen, dat nog nooit ge-
kapt is, en dat in eenen pas ontgonnen, vruditbaren grond is geplant —
door schadelijk gedierte aangetast wordt en ter aarde begint, te buigen,
en zoodra het met den grond in aanraking komt wortels hi^;int te sdue-
ten, hetgeen veroorzaakt, dat de suikergehalte zijner sappen vermindert
en zel&tandigheden daarin ontstaan, waardoor ze moe^jel^k te ver-
werken worden.
Het riet te kappen lang nadat het tot z^ne volle rapheid is geko-
men, veroorzaakt dus de volgende nadeelen: 1^« Het doet de sappen
in de geledingen ontaarden, het vermindert de opbrengst, het maakt
de verwerking tot suiker trager, en levert een produkt van geringer
kwaliteit. — 2^. De eerste krachten van den plantengroei en overige
levens-elementen gaan geheel verloren, ten nadeele van de ontwikkeling
der spruiten. — 3^. Als de spruiten ont^'dig gekapt worden, bestaat de
kwade kans , dat ze niet ten tweeden male uitloopen of nieuwe spruiten
voortbrengen zullen.
Op alle manieren vermindert de opbrengst aan suiker in hoeveelheid ,
Digitized by
Google
Ml
en bovendien loopt de riet-akker groot gevaar in korten tijd geheel uit
te sterven. Het strenge onderzoek der daadzaken hedt ons dus tdt eene
slotsom gebragt, die juist het tegenoveigestelde is ran de denswyzen,
waarnaar zieh de gediagsl^n regelt van hisa, die bet als nuttig be-
sehouwen de rie^lantsoen^ sledits om de twee jaren te kappen, en
die er zells voorstanders van z^ het riet nog langer oi^malen te laten
staan, daar het, volgens hun bevreren, alsdan meer oplevert, en de
akker tevens Terscheidene jaren goedblgftl
De in bovenstaande regden ontwikkelde argumenten, konden ons in
zdcezen zin ontdaan van de moeite, de gevolgen na te gaan, welke
voort^ndten uit het kappen van het riet eer het tot z^nie volle rapheid
gekomen is, daar wiy noodwendig in herhalingen zouden moeten verval-
len, die den lezer waarseh^nlijk zouden vervelen; maar aangezien het
een punt is yan zeer veel gewigt, achten w\j het noodig, hier nog eens
ter loops aan te stippen, dat het aldus gekapte riet den t^d niet gehad
heeft om te groe\jen, en evenmin om z^*ne sappen behoorlijk te verwer-
ken; wieders, dat het noodig is de grootste regelmatigheid bij het kappen
in adit te nemen, en het te bewerkstelligen zoo mogel^k tegen den
r^ntgd, ten minste als men de akkers niet kan besproeigen, om den
nieuwen plantengroei op te wekken. W^ zeiden , dat de regelmatigheid
bij het kappen een verdachte is, omdat, zooals w^ reeds herhaalde
malen gelegeidieid gehad hebben te doen opmerken , het jonge riet meer
onderhevig is om de nadeelige gevolgen te doen ontstaan, die met het
gel»rekkige kappen gepaard gaan.
Uit al hetgeen voorafgaat volgt noodwendig, dat hei riet moeigékapi
worden wanneer het tot sijne voUe rijpheid is gekomen ^ bijaldien men de
ruimstmogel^ke opbrengst aan suiker wenscht overeen te brengen met
de kracht en de talr^kheid der spruiten, die te voorsch^n komen na
het kappen. Onvoorwaardelqk het kappen uit te stellen tot het moment
van rijpheid, of het te vervroegen zonder aanzien van omstandigheden,
is even nadeelig.
Wy weten wel dat ons stelsel, hoe onberispelijk ook, niet altydge-
makkel^k toe te passen zal z^n op de werkzaamheden; doch als het maar
eenmaal aangenomen is, zal het kappen, in byzondere gevallen, best
eenigzins vervroegd of vertraagd kunnen worden , zonder dat men zich
Digitized by
Google
282
daardoor aan de jselïde nadeelen blootstelt, die men beloopen zal
neer men de door ons vocHrgestane regelen in het geheel niet in acht
neemt — W^* zijn evenseer overtuigd van het gewigt van zoodanig
besluit, als w^ ons veizdcerd houden, dat alleea hei voordeel van een
ervaren landbouwer zal kunüen b^len in hoeverre het in z^ne loca-
litdt, ten einde zdcere nadeelen te vennyden, si dan niet dias^tig zal
wezen het kappen een weinig te vervroegen of te vertiag^. — Al de
stengels van eene zelfde moederstek vedceeren niet in gel^k^ omstan-
digheden; allen zyn niet even goed ontwikkeld, allen komen niet even
diep uit den grond , enz. ; wanneer dus tot het kappen wordt ov«:ge-
gaan, ondervinden niet allen het zelfde lot; sommigen sterven, ande-
ren herleven , en brengen weder spruiten voort. — Al is het ni^ mo-
gelijk het kwaad geheel en al te vermijden, moet men toch trachten het
zooveel doenlyk te ontgaan , door de moederstek na het ka][qpen in zoodan^
omstandigheden te brengen als het meest dienstig voor haar is; zoo zal
het noodig zijn haar te overdekken met aarde, haar te besproe^n,enz.
Uithoofde van het verband, waarin ze staan tot het boven hémi-
delde onderwerp, achten wij het nuttig hier eenige wenken mede te
deelen bekeffende het ongeluk, als de rietmakkers door brand worden
geteisterd. Als er brand is geweest op eenen riet-akker in den ^jd van
het malen of in den stillen tyd , zal het nuttig z^n het riet daddip^
te kappen, vooral als het regent, om het uiÜoopen en groeijjen van
de spruiten te bevorderen ; doet men dat niet , en laat men de rietstok-
ken staan , dan gaan ze voort een gedeelte tot zich te nemen van de
sappen , die anders gestrekt zouden hebben om de knoppen onder den
grond te doen ontkiemen en groeijjen. De sappen , die in deze rietstok-
ken opst^'gen^ brengen gedeeltelyk de ontwikkeling te weeg van de
knoppen , die nog met leven bedeeld z\jn (wü bepalen ons b\j die , welke
geen merkelijk nadeel hebben geleden van de hitte), of verliezen hunne
waterdeèlen, en hoopen zich 6p, en ontaarden in de dikte van de
vezels der rietstokken. — Overigens zijn deze rietstokken, als ze een-
maal geheel en al uitgedroogd zijn , later moe^'el^k te kappen , en kan
natuuri^k de moederstek in sommige gevallen l^den door den schok,
dien zij b^* het kappen ondervindt, terwijjl die schok in andere ge-
vallen misschien ten goede kan werjcen dooi: de wortels te doen breken,
Digitized by
Google
283
en zoodoende tot het ontstaan van nieuwe aanleiding te geven. — Wij
hebben het nuttig geoordeeld deze denkbeelden hier aan te stippen,
omdat velen in den waan verkeeren, dat het in hooge mate nuttig is,
wanneer men eenèn riet-akker afbrandt, het riet niet te kappen, daar.
s^ vooronderstellen , dat dan de sappen uit de rietstokken naar beneden
gaan, en dienstbaar worden aan de ontwikkding van de spruit, in weer-
wil van de groote verandering , welke ze daarbij ondergaan. Wat dit
laatste punt betreft, moéten w^ ze^en, als men het riet van eenen
afgebranden akker denkt te gebruiken om er de sappen van te verwer-
ken, dat het dan hoe eer hoe beter gekapt dient te worden, ten einde
te zorgen, dftt de sappen niet nog grooter veranderingen ondergaan. —
Wij hebben trachten aan te toonen , dat er in den stam onder den '
grond in zdcere mate een a^meene omloop van sappen plaats he^,
die eene naauwe en aanhoudende gemeenschap doet bestaan tusschen
al de stmigels eener moederstek; in weerwil van dit ons gevoelen aoh-
ten w^ het niet raadzaam , op eenen afgebranden akk^ de rietstokken
Dngekapi te laten staan. — Voorondersteld , dat de omloop der sappen
door den stam ond^ den grond alsdan plaats heeft, hetgeen w^ nog-
tans betw^fblen, z^n wij echter overtuigd» dat daardoor niets anders
sou worden te weeg gebragt, dan eene verspreiding van sappen,, die
sehadel^'k z^n voor den groei der plant. — Toen w^* over het planten
in het najaar en in het voorjaar hebben gehanddd , hebben wij gelegen-
heid gehad verscheidene der hier vermelde onderwerpen te bespreken.
Het z^ ons hier vo^und nog daarbQ te voegen , dat al de oorzaken ,
waaraan het slecht groeien van de rietplant is toe te schr^Ven, de
nadeelen verergeren, die aan het kappen verbonden z^n; want in de
slecht gevoede stengels vertoonen zich de gevolgen , hier door ons be-
sproken , het meest. — Derhalve , gebrekkige gereedmaking van den
grond, gebrdddge wijze van planten, van cultuur, enz., z^n almede
eoo vele redenen , die bijdragen om de uit het kappen voortspruitende
nadeelige gevolgen des te erger te doen gevoelen. — Op bladzyde 17
hebben w^* aangaande dit punt eenige bgzonderhedra medegedeeld.
Het vebvobbbn van hbt eibt. — Wanneer men op de plantaa^jen
zal overgaan tot het kappen van het riet, worden de arbeiders in twee
Digitized by
Google
284
ploegen verdeeld: de eene ploeg, die uit sterke personen bestaat, ka^
het riet, scheidt de toppen van de stengeb af, en hakt deze laatste
aan stokken van dertien a seventien nederL palmen lengte; de tweede
.{^oeg, die uit minder sterke arbeiders samengesteld is, brengt het riet
bijeen aan hoopen, en draagt het naar de voerlieden, die het op hunne
karren laden. — De arbeiders der eerste ^oeg dragen den naam van
rieiêfUjders; die d^ andere ploeg noemt men iarvoerders.
Big het kappen van het riet moet men beginnen met de phiiy»oenen,
die het rijpst z^n, en met die, welke het v^rst van de fabri^ a&taan,
ten einde zoodoende partij ^ trekken van de goede weersgestelcLhekl,
die gemeenlek b^ den aanvang van den oogst heerscht. Als de sikker,
die gekapt wordt, zeer ver van de &briek afligt, en de karren uit
dien hoofde minder togten op eenen dag kunnen doen, dient m^i of
het aantal gebezigd wordende karren te vermeerderen, of het riet van
zoodanigen akker te kappen aan twee kanten van den akker te gelijk,
namelijk èn aan den kant, die het verst afligt (zijnde dit het riet, dat
het eerst aan den molen komt), èn aan den kant, die digter b^ 1^
(wordende dit riet a%emalen met het vorige te gel^k). Evenzoo moet
het kappen plaats hebben aan twee kanten van den akker te gel^k, ab
men zorgen moet voor de Yoedering der ossen, dit wil ze^en, indien
de akker, die gekapt wordt, weinig toppen oplevert, of sledits topp^i,
die nie|. tot beestenvoeder geschikt zijn. Op die wijze wordt ook te werk
gegaan b^ het kappen van riet, dat is beginnen te bloeyen, of bij het
kappen van a%ebrande akkers. Vele beheerders van plantaadjen laten
ook de akkers aan twee kanten te gel^k kappen, wanneer het riet,
dat gemalen wordt, geen ampas g^ioeg levert tot verdamping van
het sap; dan wordt er te gel^k riet gekapt, dat eene grootere hoeveel-
heid vezels oplevert.
Een sterk en bekwaam arbeider kan, met een wein% inspanning en
als het plantsoen regelmatig opgegroeid is , eiken dag zes karrevrachten
kappen, van 2500 nederlandsche ponden elk; het hoogste is zeven
karrevrachten , maar dan moet ook het plantsoen uitmuntend staan ; c^
akkers, die niet bijzonder goed gevuld staan, kapt één arbeider eiken
dag van 4^ tot 6 karrevrachten. Al deze bijzonderh'eden , de aistanden,
die afgelegd moeten worden om de fabriek te bereiken, den staat der
Digitized by
Google
285
w^ea y de krachten der trdcdieren , eoz. » in aanmerking ueinende, zal de
belieeider eener soikerplantaacye daarnaar het getal bepalen van de tot
het Tervoer te berigen karren, en het aantal rieUnijiin en karvoerders,
die noodig z^n om die karren behoorl^gk van vraehten te voorzien. De
karren ri^en zonder orde of regelmaat door het rietplantaoen heen» en
doorloopen den akker in alle rigtingen. Dit is eene zeer verderfel^e
gewoonte ; want door de wielen worden de moederstekken gedmkt en
de netstokken gebroken, hetgeen des te erger het geval zal zqn, als
er op gebrekkige w^ze gekapt is, en van den rietstok een kleiner of
grooter gedeelte 'boven den grond is bleven staan; de beschadiging of
kwetsunr bepaalt zich ongelnkkigerw^e niet tot het gedeelte stam, dat
boven den grond staat, maar strekt zich doorgaans ook nit tot den
stam onder den grond. Door het loopen der dieren en de dmkking der
karrewielen wordt de grond hard en vast , en tevens ondoordringbaar
fiiet alleen voor de lucht , maar zelfs voor de wortels der planten , die
er zich in moeten ontwikkelen. — Er zal misschien een tgd komen ,
dat men de zaken zoo heeft ingerigt , dat de karren , die tot vervoer
dienen , niet meer over den akker behoeven te loopen ; maar zoo lang
dat nog het geval niet is, moet men zrag dragen, dat ze zoo min
mogelijk schade aanrigten, waardoor de arbeid tevens beter en regel*
matiger zal worden verrigt.
Door het cnltonrstelsel aan te nemen, dat door ons wordt aanbevo-
len , zal men zich reeds gedeeltelyk tegen de opgesomde nadeden ge*
vrijwaard zien. -* Immers , door de rietstekken te planten op aanzienüjjke
aManden van elkander , en door de akkers af te deelen lang en smal,
zal men de karren langs het eene afscheidingspad kunnen laten komen
en langs het andere weder heengaan , zoodat ze niet op den riet-akker
zullen behoeven te keeren. De wielen loopen dan over de tussdienruim*
ten , waardoor de groeven van elkander z^ gescheiden , zoodat ze aan
de moederstekken geen schade kunnen toebrengen. Daar overigens voU
gens ons stelsel de akkers ieder jaar geploegd worden, bl^ft de grond
niet de vastheid behouden , die het gevolg is van de drukking der wielen
en vain andere oorzaken. Wig moeten hierby voegen, dat de drukking
der karren afhangt van, of gewijzigd wordt door, den aard en yormder
wielen , de eigenschappen van den grond , zijnen toestand op dat oogen*
Digitized by
Google
286
blik, namriyk, of hy Yoohüg i» oi droog, al dan niet bedekt met Ua-
deren, ^ub. De karren moeten altyd op den akk^ komm in de xjgtiBg
der groeven, derw^, dat de wielen over dat gedeelte grondt loopeii,
dat tussohen de rietr^jën ligt, 2oodat de bak der kar over de groeve
zelve loopt; ze moeten nooit op den akker keeren, in geen geval, om
het even in welke rigtbg : het is nuttig , dat ze langs h^ eene af*
seheidingspad den akker opkomen, en dien langs het andere parallel
loopende afecheidingspad weder verlaten* Om dezen arbeid met de
noodige regelmatigheid te verrigten, is het nuttig een rietsnijjder in
elke groeve te plaatsen; de arbeiders ^ die het riet der ryên n*. 1
en n*. 3 kappen, werp^ dat in de groeve n*. 2, en hy, die zich ib
deze groeve bevindt» werpt het door hem gekapt wordende riet daaria,
plant voor plant, zooals hy ze kapt; op die w^ze btüven de groeven
n**. 1 en 8 vrü van riet De arb^ders, die in de groeven n**. 4, 5
en 6 geplaatst z^'n, werpen het gekapte riet in groeve n*. 5, en laten
de groeven 4 en 6 ledig. — De karren komen nu in dier voege op den
akker, dat het eene wiel over den grond loopt, die tussohen de groe*
ven n*. 2 en n\ 3 ligt, ierwi^ het andere wiel over den grond Ipopt
tusschen de groeven n*. 3 en n*. 4; zoodoende bevindt zich de bak der
kar boven de groeve n*. 3.
Al is het niet mogelgk het kappen te regelen volkomen op de wyiie«
zooals w^ hier hebben omschreven, moet men ten minste altijd soig
dragen , dat de karren het eene a&cheidingspad opkomen, en langs het
parallel loopende afedieidingspad den akker weder verlaten; want tot
dusverre is het niet te vorm^iden ze op de riat-akkers te laten komen.
Het is op iedere plantaadje een punt van veel gewigt de karren goed
vol te laden, want zoodoende hebben de dieren minder vraditea te
doen, en wordt erin een korter tydsbestek meer riet naar de fi&riek
vervoerd. Het beste middel om dat werk te regdlen, is — behalve de
noodige waakzaamheid en het daartoe bezigen van geschikte arbeiden —
iedere karrevracht, die naar de üetbridc gebragt wordt, te weg^: zoo*
doende slechts zal het mogel^k zyn eene berekening te maken betreffende
de opbrengst van den oogst. Gelukkig bedtaan er tegenwoordig zeer
eenvoudige weeg-toestellen, die op onze plantaadjen in gebruik kond^
worden gebragt. Het is bovendien een vereischte met overleg te bepa-
Digitized by
Google
287
len , welke en hoe vele trekdieren voor iedere kar te spannen zgu , ten
eindef er niet meer dan noodig voor te spannen, waarbij te letten valt
€^ de zwaarte van het riet^ den afiitand, den staat der we^n, de
stekte der trekdieren, enz.
Een der pnnten, die het meest de aandécht moestee trekken van de
planters, is de toestand van de afscheidings*paden ; onberekenbaar
z^n de sommen, die jaarlyks op de plantaac^en te loor gaan door den
slechten staat der wegen. In plaats , dat die met de noodige zorg wor-
den onderhoud^i , worden ze op vele plantaadjen overgelaten aan de
Negers, om er iets voor hen zelven op te telen, of men kat er voe-
derpianten groeijjen voor het trekvee; op vele plantaadjen schnilt de
oorzaak van haren kwignenden toestand voomamdijik in de a&cheidings-
paden. •** W^* knnnen niet genoeg onze stem verheffim tegen de ge-
woonte, de a&cheidings-paden tot zoodanige doeleinden te bestemmen;
wat de Negers betreft, moeten hunne moestuinen altijd de zeilde plaats
innemen , zoodat zjj leitel^k eigenaars van dien grond en er aan ge-
hecht zyn; al wat op de afecheidings-paden groeit, schiet zaad over de
riet-akkers, die uit dien hoofde menigvuldiger gewied moeten worden.
In het algemeen zullen w^ zeggen, dat het betelen zoowel op zich
zelven als door het plantaardige afval, dat daarvan aohterbl^ft, eene
gioote reden is, dat de i^eheidings-paden in verval komen. — Ter
ges^kter plaatse zullen w^ spreken over dé middelen, om de wegen
ÜEE goeden staat te onderhouden.
LOOZB STBNOELS VAK BOVSN DEN GROND ONTSTANB SPEUITE^f. — TAK*
ItEN DER RIETSTOKKEN. — ElETSTENGELS TE PLANTEN ALS LOTEN. —
I. Herhaalde malen hebben wy reeds gewag gemaakt van den sterken groei
der knoppen , die van de stukken geplant riet boven den grond blijven
uitsteken ; en om den aard van dit verschijnsel duidelijk te maken ,
hebb^ wy ons daarvoor bediend van de benaming „looze spruiten*',
welke naam in zich sluit, dat die spruiten voortkomen uit de ont-
wikiffiling van de knoppen van het te veld staande riet, en dat de
aUas voortg^nragte organen de zelfde zijn als die, welke voortkomen
uit de knoppen onder den grond. Van de gevallen, waarin deze looze
of 'boven den grond ontstaande spruiten voortkomen, hebben wij er
Digitized by
Google
288
elders slechts eenige rermeld, sonder dat w^ het daarnoodig of dienstig
hebben geoordeeld in uitvoeriger ophelderingen te treden aangaande de
verschillende omstandigheden, die den groei van zoodanige spruiten
bevorderen. Aan de reeds vroeger door ons medegedeelde gegevens be-
treffende dit onderwerp willen wy hier nog eenige beschouwingen en
aan de ondervinding ontleende bijzonderheden toevoegen.
Eer w^* daartoe overgaan, echter, moeten wij doen opmerken, dat
de ontwikkeling der looze of boven den grond ontstane spruiten bijzon*
der onze aandacht heeft getrokken, niet alleen uithoofde van den in-
vloed, dien de verschijning van zoodanige spruiten te weeg brengt op
den aard der sappen van het riet, maar ook, omdat w^ met naauw-
lettendheid de verschijnselen wenschen na te gaan, welke in deze onder
gdieel b^zondere omstandigheden voortgebragt wordende organen plaats
grijpen. — Alvorens dus de functiën in beschouwing te kunnen nemen,
hebben w^ na te gaan onder wdke omstandigheden de bedoelde sprui-
ten zich ontwikkelen, waarna w^, met die kennis toegerust, vri|jël$k
naar eigen verkiezing de voortbrenging van die takken der netplant
zullen kunnen bepalen.
De looze of boven den grond ontstaande spruiten ontwikkelen zich
zonder dat daartoe eene buitengewone verandering in de sappen en
weefsels van den rietstok noodig is, zoodra er een gemis] van evenwigt
bestaat tusschen den groei van den stam en de opslurping der voedende
stoffen; wel te verstaan, dat laatstgenoemde in grootere hoevedheid
moeten opgeslurpt zgn , dan waarin ze gewoonlijk doordringen in de
huishouding der plant, geëvenredigd aan de krachten, Welke den groei
te weeg brengen.
De volgende daadzaken zullen de juistheid aantoonèu van hetgeen
wij hier gezegd hebben:
1*. Als men de toppen der rietstengels plant, wordt er over het al^
gemeen eene te overvloedige oplurping van voedingstoffen te weeg ge-
bragt, die niet geëvenredigd blijft aan de ontwikkeling van den stam
boven den grond, en ook niet aan die, welke plaats grijpt in den stam
onder den grond. Alsdan trekken de knoppen van den stam boven den
grond een groot gedeelte van die overtollige sappen tot zich , zij ont^
wikkelen zich, en schieten eindeliijk looze spruiten. Het zelMe heeft
Digitized by
Google
289
plaats, wanneer men met behulp van den pootstok plant» en een ^
deelte van de geplante stek boven den grond Iaat uitsteken; als dat
gedeelte niet verdroogt door de hitte der zon, kannen de knoppen,
die er aanzitten , zich ontwikkelen en spruiten voortbrengen.
2o. Wanneer men eene jonge rietspruit overplant , indien dan de grond
zeer vruchtbaar is, als men niet zeer diep geplant heeft, als z\j niet
spoedig vat , en eindelyk als hare bladeren afgesneden zijn of slechts
met betrekkel^k weinig werkzaamheid hunne functiën volbrengen, wordt
de plant in haren groei tegengehouden, en de looze of boven den
grond zittende knoppen komen tot ontwikkeling.
3o. Een ander vry opm^kel^k voorbeeld van het hier door ons be*
sprokene verschijnsel merkt mea op, wanneer men riet plant op zeer
geringe diepte beneden de oppervlakte van den grond. Is de grond zeer
vruchtbaar, dan ontspruiten de laatste oogen, die boven den grond
aan de rietstek zitten , met te meer kracht en snelheid , hoe grooter het
gemis is van evenwigt tusschen de opslurping der voedende stoffen en
de levenskracht, waardoor de ontwikkeling te weeg gebragt wordt.
^. Men kan van dit opmerkelyk versch^nsel de proef nemen der-
wi|ize , dat zich in ééne plant al de gevallen van ontwikkeling der knop-
pen en de verschynselen van ondergeschikten aard vertoonen, die plaats
grijpt in alle soorten van spruiten, onder verschillende omstandighe-
den. Die proe&eming bestaat hierin, dat men het middelste gedeelte
van een te veld staanden rietstok omkleede met goed bemeste aarde.
Uit de dus met aarde omkleede geledingen komen wortels voort, die
een groot gedeelte der voedende stoffen uit die aarde tot zich nemen;
een feit, dat wij nog nader zullen bespreken, als wanneer wg tevens
de veridaring, die wij hier daarvan geven, nog nader zullen toelichten.
De overtolligheid van voedende stoffen veroorzaakt de ontwikkeling der
knoppen van het riet, zoowel die, welke w^* „looze" genoemd hebben ,
dat wil zeggen , die in onmiddelligke aanraking zyn met de lucht , als
die , welke zich in de bemeste aarde bevinden. Die ontwikkeling begint
b^na alt^ met de bovenste knoppen van den rietstok, waaronder men
te verstaan heeft niet die, welke het digtst b^ het uiteinde zitten,
maar de hoogst zittende van al de behoorlgk bewerktuigde knoppen.
Om deze proefneming te bewerkstelligen, begint men met zoodanigen
19
Digitized by
Google
290
rietstok te kiezen» die ons riet aanbiedt, dat het best geschikt is voor
ons oogtnerk; het moet firaa\je geledingen van op zijja minst 8 nederl
duim lengte hebben; en bovendien moet zoodanig riet in het laatste
tijdperk van z^n leven verkeeren. Den rietstengel gekozen hebbende,
waarmede w^ onze proe&eming willen bewerkstelligen, worden» om
onbelemmerder te werk te kannen gaan, al de andere stengeb, die
zich aan den rietstoel bevinden, met de meeste zorg gekapt^ vervolgens
wordt deze besproeid, en de gekapte moederstek met goed bemeste
aarde overdekt. Men laat echter eerst een bak maken, 40 nederl.
duim in het vierkant wijd en ^5 nederl. duim diep; die bak moet
midden doorgezaagd z^n, en in het midd^ maakt men een ronden
koker van 12 nederl. duim middellijn, door welken koker de rietstok
gestoken wordt. Alsdan de beide helften van den bak aan dkander
sluitende, brengt men de pooten, waarop m rust, in den grond, op
zijn minst 25 nederl. duim diep , terwijl de bak zelf 60 nederl. duim
boven de oppervlakte van den grond büjjft. Door middel van vier klam-
pen, waarvan twee boven en twee beneden, worden de beide heiflen
van den bak stevig met elkander verbonden; waarop de bak dadel^k
met behoorl^'k gereedgemaakte aarde gevuld wordt, nadat men eerst
den ronden koker, die zieh in het midden bevindt, ten ruwste hedOt
bedekt met steenen, om te zorgen, dat, terwijjl het water behoorlek
geloosd wordt , nogtans de aarde niet daardoor worde medegespoeld.
Vervolgens bindt men den rietstok met touwen stevig aan de vi^
hoeken van den bak vast, welke touwen hem zoo lang moéten vast-
houden, totdat de plant voldoende wortels heeft geschoten, om ziek
zelve staande te kunnen houden. Alsdan kan men de touwen lossn^den;
maar men moet dat niet vroeger doen, want de schokken, die door
de winden aan de plant worden gegeven, zouden de jonge wortels doen
breken , en de proefneming zou zoodoende voor eenen tyd vertraagd
of misschien wel geheel en al mislukt zyn. Uit de uitvoerige beschr^
ving, die wij van deze proefneming hebben gegeven, zal men kunnen
opmaken, hoe juist wij die kunnen bestempelen met den naam van
rietstengeU^ te planten ah loten.
Wanneer geplant riet, dat gekapt is eer het nog goed ontwikkdd
was , looze of boven den grond ontstane spruiten voortbrengt , indien dan
Digitized by
Google
a9i
de grond trochtbaar, en de stam zwaar en stevig is, ontstaan er uit
die looze spmiteH tweede looze spruiten, en uit deze weder derde, en
wij hebben zel£i de knoppen van laatstgenoemde ziok zien ontwikkelen
om vierde looze spruiten voort te brengen. In zulke gevallen zijn het
van die looze spruiten d$ onderête knoppen ^ die zich ontwikkelen ^ deze
spruiten loopen werkel^k uit, in de beteekenis, die gemeenlek aan dit
woord gehecht wordt.
De looze stengels, behoorlijk gesnomd, geven het aanz^n aan tweede
looze spruiten; maar dan zijn het de.bovemte Amoj9/»m , die zich het eerst
ontwikkelen. Om dit verschijnsel te doen plaats grijpen, is het een on*
misbaar vereischte, dat het snoegen plaats hebbe op zijn minst door
het laatste gevormde stengellid; want anders, als de snede door het
gebladerde deel van den stengel gaat, zal de stengel voortgaan zich te
ontwikkelen, zooals dat met de spruiten der op zekere hoogte gesnoeide
pisangs of bananen plaats heeft door de ontwikkeling van den eind-
knop. Menigmaal echter worden de onvolkomen bewerktuigde bladeren
van den eindknop Verbrand door de zon, en kan de groei van den
stengel geheel worden gestuit, in welk geval (als hy ten minste niet
geheel verdroogt) z\jne knoppen uiUoopen, en het aanzgn geven aan
tweede looze spruiten. Het is nuttig , de reeds een weinig ontwikkelde
^[nruiten te snoeqen, en dê snede moet door de vierde of v^fde der
laat&t ontwikkelde geledingen gaan; zoodoende voorkomt mdu gedeeUê*
2ifk de verdroogibg van het gekwetste orgaan. Het is echter by dat
snoeiden van belang, ieder deel, waarvan afgesneden is, digt temaken;
wdnt anders loopt men gtoot gevaar, dat een langer of korter gedeelte
van den stengel verdort, naar gelang van de felheid der hitte, van de
in den stengel aanwezige hoeveelheid vocht, van de meerdere of min»
dere stevigheid van het orgaan , enz. Wg hebben ons , om die afgesne-
dene einden digt te maken, bediend van gesmolten was; doch wij had-
den ons daartoe even goed kunnen bedienen van de smeersels, die de
tuiniers tot het zelfde doeleinde aanwenden (57). In weerwil dat men
de kwetsuur, dat is de doorgesnedene plaats, met was of met iets anders
bedekt, heeft er altyd, voornamelijk bij jong riet, eene aanmerkelyke
nitdrooging plaats door den bast heen ; in vele dezer gevallen wordt het
riet, door de vermindering in volumen, rimpelig, en laat de was los , en
Digitized by
Google
292
door het Toortdarende Yerlies van vochten barst de stam; dan wordt de
stengel slecht gevoed, en verdort eindeliijk, of wel, nithoofde Yan a^jne
zwaarte vallende, ontwortelt hij het stnk riet dat hem staande hield, en
de. rietstok gaat te niet.
Behalve de reeds vroeger aangeduide toestanden, en ,die, welke wij
hier hebben opgesomd, bestaan er nog andere omstandigheden, onder
welke wij de ontwikkeling van de looze of boven den grond ontstane
knoppen insgelijks hebben opgemerkt, namel^: 1^. Als men de stam-
men van hunne bladeren ontdoet. 2^. Als men den rietstok stevig bindt
in de schuinte. 3°. Als men hem benedenwaarts buigt , wanneer li^ nog
niet sterk ontwikkeld is. Het planten van loten heeft ook wdl van zelfs
plaats, namelijk als de rietstengel ter aarde buigt en op den grond
hangt; dan schiet het gedeelte, dat den grond raakt, wortel, en de
daaraan zittende knoppen ontwikkelen zich. Wij zullen voor hetoogi»i-
blik over deze punten niet in verdere beschouwingen treden; daar on-
gelukkigerwijze ettelijke bijkomende omstandigheden van invloed t^n
geweest, om aan de versch^nselen een onbestemd karakter te geven. Ter
gelegener tijd zullen w^* op dat onderwerp terugkomen. Maar wat betteft
de rietstokken van bladeren te ontdoen, achten wij het niet ondiensti^
hier eenige daadzaken te vermelden. — Wanneer men eenen rietato^
tot aan de laatste geledingen van zijne bladeren ontdoet, behalve 4at
dan de wee&els gekwetst worden, wordt de stengel zoo zwak, d^ de
minste luchtstroom van eenige beteekenis voldoende is om hem te kmi:*
ken. — W^ hebben de proef op eene andere manier genomen : de bh-
deren werden afgesneden, zoo, dat slechts het lid , waarmede ze aan d»
stengel waren verbonden, bleef staan; en bovendien werden enkel de
bovenste bladeren aldus afgesneden; — dien ten gevolge kwamen looze
spruiten te voorschijn , en w^ bevonden ook , dat de geledingen , waar
dus de bladeren afgesneden waren, korter bleven dan de overige.
W^* hebben gelegenheid gehad om ook looze stengels onder andere
omstandigheden waar te nemen, waarvan de uitwerkselen zich laten
verklaren door de redenen, die wg reeds vroeger uiteen hebben gezet.
Als de bovenste bladeren der 'rietstengels, in plaats van zich vr\j en ge-
lijkmatig te ontwikkelen, uithoofde van verschil in hunne ontwikke-
ling in elkander groeijen, of ook als men ze opzettelijk vastgebonden
Digitized by
Google
mogt hebben, omdat ze somwijlen ware geledingen vormden, dan kan
men de bladeren, en evenzoo den eindknop, aüsnijden; in ieder ge-
val wordt de groei er door belemmerd, en komen er looze spruiten te
voorsch^'n.
II. Al de byzonderheden , die wy hierboven hebben medegedeeld , zyn
slechts te beschouwen als eerstelingen van eene reeks gegevens, die w^
ons hopen te verschaffen door nader in het werk te stellen onderzoekin-
gen , waarvan men het gewigt zal kunnen beoordeelen naar de volledige
bijjzonderheden , die wij aangaande sommigen dier proefnemingen hier
zullen laten volgen. Het eerste punt, waaromtrent wij ons zekerheid tracht-
ten te verschaffen, is geweest, in hoeverre de zelfstandigheden , waaruit
de aarde was zamengesteld waarmede de bak was gevuld, onmisbaar z\jn
om de verschijnselen van het planten bij w^ze van loten-planten te weeg
brengen. Tot dat einde sneden wij eerst van het lid van den stengel, zoo
ver als dat in den bak zou zitten, met een pennemes al de deelen af,
die wortels konden voortbrengen, en vervolgens gingen wij volkomen
als bij de vroegere proefnemingen te werk. In weerwil dat er niet één
wortel ontsproot, kwamen toch de looze spruiten te voorschyn: dit is
dus een bewi[js, dat het ontstaan van looze spruiten niet noodwendig
onvermijdel^k moet worden voorafgegaan door de vorming van wortels
aan het stengellid. Bij andere proe&emingen , in plaats van aarde in de
bakken te plaatsen, vulden wij die met puimsteen, en wikkelden ook
het riet in wol : in beide die gevallen kwamen er looze spruiten te voor-
schijn, alleen door [middel van de vochtigheid, die door herhaalde be-
sproeijing in de bakken onderhouden werd. — Maar al is het voor het
ontstaan van looze spruiten, en van die, welke uit de in den bak be-
slotene aarde te voorschyn komen, geen vereischte, dat zich eerst wor-
tels vormen, en ook niet streng noodig, dat die organen, wanneer ze
te voorschyn komen, zich bevinden in eenen grond, voorzien van andere
voedende stoffen dan water, geheel anders is het geval wat de latere
ontwikkeling van die spruiten, en vooral den groei van den rietstok
zelven betreft. Dan zijn de voedende stoffen , welke de in den bak bevatte
aarde kan verschaffen, een onmisbaar vereischte. En daareven melding
gemaakt hebbende van den groei van den rietstok zelven, komt het ons
niet ongeschikt voor, hier reeds een feit aan te stippen, dat wij later
Digitized by
Google
294
nader hopen toe te lichten. Het riet, waarvan wij ons tot het in het werk
stellen van onze proefiiemingen bedienden , behoorde tot eenen akker,
die beplant was in de maand Mei, en b^'na al het riet op dien akker
begon te bloe^'en in de naastvolgende maand December; de rietstoel,
door ons uitgekozen, was niet gaan bloe^'en; onze proe&emingen be-
gonnen in de maand Jnn^, dat wil zeggen, op een rietstok van drie
maanden; — zoodra w^ onze proefneming hadden aangevangen, sne-
den wi|j al de stengels van den rietstoel af, behalve den voornaamste;
wij bedekten de moederstek volkomen met mest, en tijdens den gan-
schen duur van hare ontwikkeling besproeiden w^ haar menigvuldig:
deze moederstek bragt verscheidene tweede-snee-stengels voort , die zich
allen tot eene buitengewone grootte ontwikkelden, in allen opzigte het
beeld vertoonden van den weelderigsten groei, dien men zich kanvoor-
stellen, en het kenmerk droegen, dat alle omstandigheden ten gunstigste
hadden zamengewerkt, om hunne ontwikkeling te bevorderen: al die
stengels begonnen te bloeijen in de daarop volgende maand Januarij,
terwijl de hoofdstengel, waarmede w^ de proef namen, in plaats van
in bloei te loopen, voortging te groeijjen, en reeds in de maand April
twee en tachtig zigtbare geledingen droeg, welk getal later opklom tot
honderd en v^f , toen die stengel echter door eene ongelukkige toevallig-
heid tot verdorring overging. Deze aanhoudende ontwikkeling, ten ge-
volge van eene overvloedige voeding, zal ons ten gi^ondslag dienen,
om eenige b^zonderheden van het bloeigen te bespreken. Ook zullen
wij hier nog een ander feit aanstippen, dat wy verklaard hebben: de
spruit leeft ten koste van den hoofdstam; maar wederkeerig, vooral
wanneer zij zich ontwikkelt, ondersteunt z^ in hooge mate den stam,
die haar heeft voortgebragt : er bestaat een wederkeerig en naauw ver-
band tusschen de beide organen.
Zoodra de looze of boven den grond ontstane spruiten van den hoofd-
stam, en de spruiten, die uit den bak te voorschijn gekomen waren,
zich ontwikkeld hadden, oordeelden w\j het geraden op nieuw loten te
planten, waartoe wij ons bedienden van blikken potten, opzettelijk
daartoe ingerigt; — bij deze gelegenheid erlangden wij de zelfde ver-
schijnselen als den eersten keer. Wat de grootte der stengels aangaat,
zullen wij hierbij voegen, dat van twee spruiten, die uit den bak
Digitized by
Google
295
voortkwamen, de eene 51 en de andere 45 geledingen telde; een der
looze spraiten, die aan de riet-loot te voorsch^n kwamen, telde 34
geledingen.
Zoodra wij deze proefnemingen zoo lang zullen hebben voortgezet
als noodig is, by elke nieuwe proef de voedingstoffen wijzigende , waar-
mede de aarde in den bak is vermengd, zullen wij, uit de verkregene
resultaten, de belau^ykheid van deze proefnemingen op hare juiste v
waarde kunnen schatten.
Digitized by
Google
)£N, DIE VEBBIGT MOETEN
WOEDEN NA HET XAFFEN.
Stroo. — Nadat het riet gekapt is om overgebragt te worden naar
de plaatsen, waar de sappen er uitgetrokken en verwerkt moeten wor-
den, bl^'ft de akker, vooral b\) najaars-plantsoenen, die tot hunnen
vollen wasdom gekomen z^'n, overdekt met stroo, bestaande uit ver-
droogde bladeren , die van zelfs van de netplanten a%evallen zyn , uit
de bladeren, die afvallen b^' het kappen, deels ook uit riettoppen,
en eindelgk hier en daar een overgeslagen of onbruikbaar geachten
rietstoel.
De ophooping van dat stroo , die wel is waar eenige voordeelen aan-
biedt, levert echter ook ernstige nadeelen op; zoodat men met het
noodige overleg te werk dient te gaan, om van die voordeelen partij
te trekken en die nadeelen te vermeden.
Zien wg de voordeelen , welke deze ophooping van bladeren ons aan-
biedt: lo, Zg onderhoudt in den grond eene zekere mate van vochtig-
heid , die ten zeerste dienstig is voor de ontwikkeling der planten , door-
dien z^ niet alleen de spoedige verdamping belet, die door de zonne-
warmte wordt bewerkt, maar ook die, welke te weeg gebragt wordt
door de luohtspelingen. — 2o. Z^' belet tot zekeren graad het tusschen
het riet groe^'en van onkruid, dat zich meester zou maken van de voe-
dingstoffen, welke de rietplanten uit den grond kunnen trekken en noo-
dig hebben. — 3o. Door hunne ontbinding verschaffen ze eene rijjke
mest, de afval-mest, waarvan w^ de eigenschappen uitvoerig hebben
besproken.
De nadeelen, die aan eene groote ophooping van rietstroo z^'n ver-
bonden , zijn de volgende : lo. Even als daardoor het groegen van alle
Digitized by
Google
297
onkruid en schadelgk plantgewas wordt belet , wordt er ook de vrjjë
en behoorlgke ontwikkeling door belemmerd Tan de jonge rietsproiten ,
die nitloopen uit den afgekapten ondergrcmds-stam der moederstek. —
2o. Doordien zij de verdamping der voebtigheid aanmerkelQk Termindert,
brengt zy te weeg , dat het water aanwezig bl\jft in de lage gronden ,
die uit bannen aard geneigd z^n om eene groote hoeveelheid vocht in
zich terug te houden > welke schadelijk is voor het leven der planten.
Die vochtigheid, gepaard met het gebrek aan warmte, doordien de zonne-
stralen niet zoo ver doordringen , is tevens een beletsel voor de natuur-
lijke ontwikkeling der rietplant — do. Doordien de lucht niet tot den
grond doordringt en hem doortrekt , kan de aarde niet den wddadigen
invloed daarvan deelachtig worden, en hebben ook de in den grond
aanwezige waterdeelen geen gelegenheid om de lucht op te slurpen en
haar aan de wortels mede te deelen. — 4o. In sommige gevallen levert
dit stroo misschien eene hoeveelheid schadel^ke afval^mest. — 5o. Ein-
del^lc verschaft het eene schuilplaats en levensonderhoud aan gedierte,
dat schadeliijk is voor de rietplant.
De eenvoudige opsomming van al deze voor- en nadeelen geeft ons
reeds de overtuiging , hoe omzigtig wij te werk moeten gaan om te
trachten , door welke w^ze van bewerking dan ook , de juiste hoeveel-
heid stroo te erlangen, die ons de bovenvermelde voordeelen oplevert,
terwigl zg ons vi^'waart tegen de opgenoemde nadeelen.
Een der ernstigste nadeelen, welke uit de ophooping van deze plant-
aardige overblyïselen voortvloeyen, is dit, dat daardoor de ontwikkeling
der spruiten wordt belemmerd , een bezwaar , dat zich doet gevoelen
op alle soorten van gronden. De bewerking, die verrigt wordt om het
bezwaar, waardoor de ontwikkeling der rietplant belet wordt, uit den
weg te ruimen, bestaat in het verwy deren van het stroo, hetgeen zeg-
gen wil, dat men het rondom de moederstek moet wegnemen, opdat
deze, niet meer daardoor belemmerd wordende, gemakkelgk nieuwe
spruiten zou kunnen voortbrengen , en in geval die reeds te voorsch^n
gekomen mogten zijn, dat ze zich dan in de voor hare ontwikkeling
gunstigste omstandigheden bevinden. De meeste planters volbrengen deze
bewerking , wanneer ze den akker beginnen te kappen , dat wil zeggen ,
als de tyd der droogte geëindigd is en de regentyd aanvangt ; maar wij
Digitized by
Google
298
z^n van oordeel, dat men niet zoo lang behoort te wachten, om de
planten in het genot te stellen ran den weldadigen invloed , dien Qien
haar deelachtig wenscht te maken. Als niet de gansche slavenmagt in
den molen noodig is, zou bet, zoodra er eenige dagen na het kappen
van het riet zy n verloopen , vooral wanneer er piasregens vallen , die
eenen spoedigen groei doen verwachten, zeer nuttig zijn, een begin te
maken met het verw^deren van het stroo, om zoodoende de spruiten
in het genot te stellen van den weldadigen invloed van lucht, licht en
warmte. Z^n de spruiten eenmaal eenigermate ontwikkeld, dan oordeelen
sommige landbouwers het nuttig het stroo op nieuw op te hoopen, om
den stam van den rietstoel heen, ten einde zoodoende meer voch-
tigheid in den grond te onderhouden, de verdamping van het water te
keeren, enz.
De tweede bewerking , die , vooral op laagliggende gronden , met in
het oog loopend voordeel verrigt wordt , om een gedeelte van het stroo
te verw^deren, bestaat in het afbranden van den riet^kker. Voorheen
werden de akkers, zooals wij weten, zeer dikwijls afgebrand; maar
tegenwoordig z^n er nog maar weinig planters, die dat gebruik aange-
houden hebben , ofsehoon het in sommige omstandigheden ontegenzegge-
lijk de voordeden oplevert, die wij er van verwachten.
Volgens het gevoelen van sommige praktische mannen, moet het af-
branden van de akkers alleen dan plaats hebben , wanneer de grond zeer
vochtig is. Na eenen sterken piasregen, wanneer die des nachts is ge-
vallen, moet men den volgenden avond, als de oppervlakte van den
akker gedeeltel^k weder van het water bevryd is, het stroo in brand
steken met het doel, om het half te laten afbranden; want alleen het
bovenste gedeelte er van kan door het vuur verteerd worden, terwijl
het onderste gedeelte uithoofde van de vochtigheid geen vuur vat, en
ook reeds half verrot is. — Door deze zoo eenvoudige bewerking wordt
de akker bevrijd van de ontzaggelijke vracht, die er op drukte, en
worden enkel de nog levende plantaardige zelfstandigheden gevrywaard
tegen eene ontbinding, die bespoedigd wordt door de verandering, er
op te weeg gebragt door de hitte en door de aanraking met de oplos-
singen der in de asch aanwezige oplosbare zouten. — Die zel&tandig-
heden , vermengd met de asch , welige door het verbranden van een
Digitized by
Google
290
gedeelte Tan het stroo voortkomt, vormen eene mestspecie, die den
heilzaamsten invloed uitoefent op de ontwikkeling der spruiten*
Het afbranden moet dus niet gescldeden op oude akkers, die niet
met stroo bedekt zijn. Wij aditen het nuttig bierb^ te voegen, dat het
in de door ons aangeduide gevallen nuttig is het afbranden te doen
plaats hebben dadel^k na het kappen van het riet; want anders zou-
den de jonge spruiten nadeel l^en door de werking van het vuur.
Op zeer drooge gronden in het algemeen moet het afbranden van
de riet-akkers niet te dikwijls worden toegepast; want op zulke gronden
is de aanwezigheid van het stroo , en van de overblijfselen der ontbin-
ding daarvan, in hooge mate nuttig. Alleen wanneer men schadel^k
gedierte verdelgen moet, is het afbranden op drooge gronden aan te
raden, wel te verstaan, dat men er dan geen der vereisebten b^ uit
het oog moet verliezen , die noodig z^n om er zoodanig resultaat door
te verkrijgen, als wij er mede beoogen.
Over het algemeen is er op oude akkers zeer weinig stroo , doordien
het riet zich daar sleehts kw^'nend ontwikkelt; zoodat het dan ook op
zulke akkers niet noodig is, een gedeelte van het stroo te verbranden.
Op de oude akkers, die oogenschijnlyk in goeden staat verkeeren,
gebeurt het dikwyls , en wij ^ hebben dat meer dan eens bygewoond ,
dat , als men ze na het kappen van den oogst afbrandt , er geen enkele
spruit meer te voorschijn komt , zoodat de akker dan noodwendig ge-
rooid worden moet. Als men dan die moederstekken in oogenschouw
neemt, bevindt men , dat ze allen boven de oppervlakte van den grond,
of althans nagenoeg daarmede gelijk liggen , zoodat hare knoppen ge-
dood zyn door het vuur. Oude en niet goed onderhoudene .riet-akkers
moeten niet worden af gebrand. Bij de derde of vierde snede zou het
misschien in sommige gevallen goed zyn de riet-akkers af te branden ,
ten einde zoodoende te weten te komen, waaraan men zich, wat den
staat der moederstekken betreft, te houden heeft. Op die w^ze zou men
met vrucht groote inboetingen kunnen bewerkstelligen. — Bij het af-
branden van eenen riet-akker worden er wakers of schildwachten uit-
gezet op de a&cheidings-paden, om te zorgen, dat het vuur zich niet
verspreide, en tevens worden eenige lieden met de taak belast om
toe te zien, dat de vlammen niet al te lang aanhoudend op één
Digitized by
Google
soo
punt blijven voeden, dat er geen moederstekken verbranden, enz.
Een der verrigtingen , die ze^ veel voordeel bmnen aanbrengen na
bet afbranden van eenen riet-akk^, bestaat hierin, dat de grond, die
tusschen de riet-r^en ligt, goed worde omgeploegd; en bi|j bet vierrigten
van deze bewerking moet men die zoo besturen, dat de aarde, die
door den ploeg wordt opgeworpen, juist geworpen worde ov^ de moe-
derstekken , die van het gekapte riet in den grond zyn blgven zitten.
Geeft men zich de moeite, alvorens dezen arbeid aan te vangen, de
moederstek met een weinig mest te bedekken , dan zullen de vo<ndeelen
nog grooter z^n, die men verkrygt door ze vervolgens te bedekken
met aarde, evenals het ook zeer veel voordeel zou opleveren eene of
andere vruchtbaarmakende specie in de geopende groeve te brengen,
alvorens die te vullen met de aarde, welke opgedolven wordt uit de
groeve , die vlak daarnaast wordt getrokken. — Wy zyn in de gelden-
heid geweest dit te bewerkstelligen met het beste gevolg, en kunnen
de verzekering geven, dat de daardoor verkregene voordeelen inderdaad
belangrijk waren. Ook is het zeer nuttig den akker , na hem dus her-
ploegd te hebben, goed te besproeijen; zoodoende trekt men beter
voordeel van de alkaliën, doordien deze dan gelegenheid hebben om
zich beter op te lossen.
De slotsom van het vorenstaande is deze: het afbranden van de ge-
kapte riet-akkers verschaft aanmerkd^ke voordeelen, daar het de jonge
planten bevrijdt van den schadel^ken invloed van het stroo, schadel^k
gedierte vernietigt, eenigermate physiek op den akker werkt, den grond
verrykt met oplosbare alkaliën , enz. ; maar men moet nimmer plaats
geven aan. het verderfelijke dwaalbegrip, dat zoodanige bewerking, aan-
houdend en zonder aanzien van omstandigheden toegepast, een goed
stelsel van cultuur zal opleveren. — Het is nuttig, gedurende eenen
zekeren tijd en in eene zekere mate; maar het verrekt den grond geens-
zins met nieuwe voedingstoffen; het geeft hem enkel zijne eigene zelf-
standigheden terug, waarvan het de opslurping misschien bespoedigt en
gemakkelijk maakt. Wat wij hier zeggen is zoo zeker, dat juist op goed
bemeste akkers, op zeer vruchtbare gronden, bij welig groeijende plant-
soenen , de voordeelen van het afbranden van de riet-akkers het grootst
zijn; daar vooral verschaften zij aan den grond oplosbare alkaliën, die
Digitized by
Google
301
dadel^k opgeslurpt kunnen worden, die de groeikraeht opwekken, de
krachtige ontwikkeling van de netplanten bevorderen, en hare sappen
zuiverder en njjker aan suikergehalte maken. — Maar men moet niet
nit het oog verliezen, dat deze opwekking en verdere uitwerkselen wor-
den te weeg gebragt door middel van de eigene zel&tandigheden van
den grond; na verloop van eenigen tijd zullen die uitwerkselen nood-
wendig verminderen, en de grond zal in eenen staat van uitgeputheid
beginnen te verkeeren. Om zich al de voordeelen van deze bewerking
te verzekeren, is het noodig haar te doen zamengaan met de overige
middelen ter verbetering van den grond, dat wil zeggen^ met de
aanwending van mestspeciën, correctiven, besproeijing , herploeging,
enz., enz.
De gunstige gevolgen, die men opmerkt na het afbranden vaneenen
riet-akker, die in goeden staat verkeert, toonen ten duidel^kste aan, welk
eene gewigtige rol de alkaliën vervullen met betrekking tot den groei
Tan de suikerrietplant , op welk punt w^ zoo herhaaldelyk de aandacht
hebben gevestigd. — Een riet-akker, die in gunstige omstandigheden
afgebrand wprdt, kan het volgende jaar meer opbrengen en sappen le-
veren, die gemakkelgker te bewaken zijn.
Eene andere op het stroo betrekking hebbende bewerking, die b^' vele
suikerplanters in andere landen zeer gewild is, bestaat hierin, dat het
stroo wordt begraven in de groeven, die aan weerszijden of in het mid-
den van de rietryën worden geopend. Indien het alt^'d mogel^k ware
deze bewerking te volbrengen, en indien z^ tevens onder alle omstan-
dlghed^ de bijzondere voordeelen opleverde, hier door ons opgenoemd ,
zonden de blad-organen bij het overgaan tot ontbinding eene groote
hoeveelheid afval-mest leveren, die, zooals ieder weet, een der mest-
spedën is, welke voor de ontwikkeling der netplant het meest dienstig
z^n; behalve dat, zou de plaatselijke verhouding, waarin deze mest tot
de moederstek zoude staan, van eenigen invloed ^n op de ontwikkeling
der plant door de aantrekking, welke zij uitoefent op de wortels , die zoo-
doende sterker groeien, eene grootere uitgestrektheid gronds doorloo-
pen, en uithoofde van deze beide oorzaken eene grootere hoeveelheid
voedende stoffen opslurpen zouden, dan ze onder andere omstandigheden
aan het planten-organismus zouden mededeelen. Bovendien zou het dus
Digitized by
Google
soa
begraven van het stroo ook het voordeel opleveren, dat de riet-akkers
gemakkelijker herploegd zonden knnnén worden , daar het stroo aUdan
den ploeg niet belemmeren zou in z^n geregelden loop. Ware zaUa
noodig, dan konde men, alvorens het stroo in de groeve te brengen,
den bodem of vloer der groeve losmaken met behulp van den onder-
grondsploeg. — Aangaande dit punt hebben w^ uitvoeriger en ai^bende
ophelderingen medegedeeld bg het bespreken van het cultuurstelsel,
voorgeslagen door Wray. — De ondervinding heeft ons geleerd, dat
van het stroo alleenlijk voordeel is te trekken door het te verbranden,
er composten van te maken, of het op den akker te laten liggen by wyae
van over den grond gespreide mestspecie. — Het in den grond te be-
graven kan slechts in enkele bepaalde gevallen nuttig z^n. Dit is, na
^^p onderzoek en veeljarige ondervinding, ons bepaald gevoelen aangaande
dit punt.
iNBOinNQSN. — De bewerking, waarover wij thans gaan spreken,
wordt verrigt in twee verschillende gevallen. In het eerste geval wordt
die in toepassing gebragt, wanneer, nadat er geplant is , d$ in den grond
gebragte stekken niet allen gelykmatig opkomen : dan worden er, op al
de plaatsen waar zulks noodig blijkt te wezen, op nieuw rietstekken
geplant. In het andere geval heeft het inboeten ten doel, om de moe*
derstekken, die vanjaar tot jaar op de riet-akkera sterven, door andere
te vervangen. Wat het eerste geval betreft, is het nut van zoodanige
bewerking zoo handtastel^k , dat w^ het als overbodig kunnen beschou-
wen in het breede uit te weiden over de doelmatigheid daiarvan, en over
de kenmerkende b^'zonderheden van de plantsoenen, waarin zulks ve^
eischt wordt. — Niet alzoo is het met het tweede geval gesteld ; daa^
omtrent achten wij het dienstig hier in eenige beschouwingen te treden.
Wanneer een riet-akker z^ne moederstekken begint te verliezen, wan-
neer h^ begint te verarmen of uit te sterven, worden daardoor de kos-
ten, die op de suiker-voortbrenging loopen, in gel^ke mate grooter;
want gesteld zelfs het gunstigste geval, dat de nog in leven blijvende
moederstekken krachtvolle en welige rietstoelen voortbrengen met fraaye
en rijk aan suikergehalte zynde stengels, dan toch erlangt men alleen
de opbrengst van dezen, als loon voor al den arbeid, die besteed is
Digitized by
Google
SOS
aan de cultuur , het kappen , het van den akker weghalen , het malen
en verwerken , enz. , moetende dus enkel uit die opbrengst de interest
en aflossing worden goedgedaan van het in de onderneming gebezigde
kapitaal; daar nu de kosten van voortbrenging niet aanmerkelijk min-
der zijn is het zonneklaar, dat de zuivere winst, die van eenen aan
moederstekken verarmden riet-akker overblijft, veel geringer zal zijn,
dan die, welke verkregen wordt van een goed gevuld staande plant-
soen. De redenen, die wij thans gaan ontwikkelen, zullen toereikend
zijn, om de juistheid van het bóven-aangevoerde duidelijk te doen uit-
komen.
In de allereerste plaats het wieden of weghakken van onkruid*gewas.
W^' zullen ondervinden , dat dit op verarmende akkers veel moeyelyker
is, en veelvuldiger herhaald moet worden; want het onkruid heeft meer
plaats en gelegenheid om te groeijen en zich te verspreiden, waaruit
onvermijdelyk volgt, dat er meer tyd toe noodig zal zyn het weg te
hakken en te ver?rijderen; het welig opschietende onkruid werpt overal
rondom zich zaad, en de akker wordt zoodoende een echten kweek-
grond voor onkruid. — Bij het kappen van het riet kappen de arbei-
ders in een gegeven tijdsbestek meer stokken, wanneer het plantsoen
goed-gevuld , dan wanneer het êchradl staat , enz. Daar er overigens nood-
wendig steeds moet gewied worden op geililikmatige wijze , dit wil zeggen ,
ook op die punten van den akker, waar geen netplanten opgekomen
zijn 9 begrijpt men ligtelijjk, dat deze arbeid, die dus niet regtstreeks
wordt geloond door den grond zelven, waarop hij volbragt wordt,
betaald moet worden uit de opbrengst van het overige gedeelte van den
akker.
De opgenoemde nadeelen hebben de planters op het denkbeeld ge*
bragt, om de dus ontstane ledige vakken of kale plaatsen door middel
van nieuwe beplanting aan te vullen, welk op-nieuw-planten, dat den
naam draagt van „ inboeten " , moet geschieden met het noodige over-
leg, ten einde er het meestmogelijke voordeel van te erlangen. Immers,
indien men, zoodra een akker z^ne moederstekken begon te verliezen,
er dadel^k toe overging jaarlijks naar behooren in te boeten, is het
zonneklaar, dat men na verloop van ettelijke jaren al de oude moeder-
stekken van het oorspronkelijke plantsoen zou hebben vervangen door
Digitized by
Google
304
nieuwe, zoodat de akker b^ slot van rekening zon herschapen z^n in
een grond, die, zonder bevorens te z^ gerndgemaakt ^ beplant was met
behulp van spade of pootstok; want de meesten bedienen zich b^ het
inboeten van een dezer twee stukken gereedschap , welke gewoonte zoo
te regt door alle verstandige planters wordt afgekeurd. Deze methode van
aanhoudende, uitgebreide en lastige inboetingen levert belangrijke nadeelen
op, uithoofde van de ongelijkmatigheid in den wasdom der plantsoen^
op het t^dstip , waarop ze gekapt moeten worden. Bovendien bleven de
moederstekken minder lang goed, schieten weinig spruiten, ontwikkelen
zich slechts karig, terw^l eindelgk de herstelling van den akker een
ongemeen kostbaren arbeid noodzakelgk maakt, want , zooals wijj gezegd
hebben, na verloop van eenige jaren zal hij geheel en al beplant z\JQ
met de spade.
In dezen toestand verkeeren die riet-akkers , die sommige planters u
laten zien als reeds veertig of nog meer jaren geduurd te hebben ; op
zulke akkers is geen enkele moederstek meer te vinden van die, waar-
mede ze aanvankel^k beplant z^n geweest. Deze akkers doen ons on-
willekeurig denken aan het vermaarde schip van Theseus , waaraan zoo
aanhoudend gekalefiaat werd, dat er op het laatst geen stulge van het
oorspronkel^'ke sch^ meer aan te bekennen was. Deze daadzaak levert
het bewijs, dat vele gronden uit hunnen aard zoo zeer geschikt zijjn
voor de teelt van suikerriet, dat ze zelfs in eenen niet-gereedgemaaktmi
toestand b^* voortduring eenen goeden oogst opleveren. — Ten einde te
zorgen , dat onze riet-akkers niet herschapen worden in pUuUeoenen^ ui
eenen niet-gereedgemaahten grond ^ raden w^* bepaaldelijk aanteekening te
houden, welk gedeelte van den akker jaarlijks wordt ingeboet, waar*
toe men niets anders behoeft te doen dan op te schrijven, welke hoe-
veelheid plantriet jaarlijks ter inboeting gebruikt wordt.
Overeenkomstig de bovenstaande denkbeelden zullen wij zeggen, dat
men , om de inboetingen naar behooren te bewerkstelligen , acht di^t
te geven : lo. op de vraag , gedurende hoeveel jaren men met inboeten
kan voortgaan ; en 2o. op de vraag , wanneer zulks te bewericstelligen
op de meest doelmatige w^ze. — Om het eerste punt tot klaarheid te
brengen, moet men beginnen met juist na te gaan hoe lang, in de loei-
liteit waar de ^ akker gelegen is, onder gunstige en gewone omstandige
Digitized by
Google
S05
heden , een riet-akker blijft voortgaan een behoorleken oogst op te leve-
ren , zonder dat men behoeft in te boeten, en daarbjj tevens op te
merken, in welke mate de opbrengst van den oogst van jaar tot jaar
vermindert. Door deze gegevens voorgelicht, zal men de inboetingen
kunnen bewerkstelligen op eene verstandige wijze en naanwkeurig kun-
nen bepalen wanneer het zaak wordt den akker te rooijen, hem om te
ploegen en op nieuw te beplanten.
Het tweede punt, dat men niet uit het oog moet verliezen, is de
vraag: wat zijn de geschiktste tijdstippen om het inboeten te bewerk-
stelligen? zijnde dit een punt van het hoogste gewigt, dat echter over
het algemeen weinig in acht wordt genomen. Om van het inboeten de
gewenschte resultaten te erlangen, moet daarbij te werk worden gegaan
op de volgende wyze : als het plantsoen gekapt wordt, stelt men te
geligk eene kleine ploeg inboeiers aan, zamengesteld uit verstandige en
stevige arbeiders, die de doode moederstekken uit den grond verwijde-
ren en een behoorlijk rietgat daarvoor in de plaats maken; de karren,
die het riet naar de fabriek brengen, keeren op den akker terug met
mest beladen, welke mest vervolgens in de nieuwe rietgaten gebragt
wordt, die aangewezen zijn door de bij wijze van merkteeken daarbij
in den grond gestokene stokken. Op den riétakker zelven is eene kleine
plek uitgekozen, die het noodige plantriet bevat, zoodat men dit niet
later op den akker behoeft aan te voeren. Zoodra er nu een goede regen
valt, keeren de inboeters naar den akker terug, snijden het plantriet
op de behoorlijke maat aan stukken, plaatsen die in de van mest voor-
ziene rietgaten, en bedekken ze vervolgens met aarde. Op die wijze zul-
len er uit de knoppen, welke ontkiemen, spruiten voortkomen, die zich
tot stengels zullen ontwikkelen, gelijkelijk met de spruiten der moeder-
stekken, die van het gekapte riet in den grond zyn blijven zitten; —
op laagUggende en geen behoorlgke waterlozing hebbende gronden, zal
men zich by het kappen van het riet somwylen ter inboeting moeten
bedienen van toppen, die men in den grond brengt met behulp van de
spade of den pootstok. — Ongelukkigerwijze is dit niet de methode,
die op de meeste plantaadjen gevolgd wordt, waar men pas begint in
te boeten, nadat de ingezamelde oogst vermalen is. De van zoodanige
inboetingen voortkomende rietstokken ontwikkelen zich slecht, daar ze
30
Digitized by
Google
306
door de alsdan reeds opgegroeide spruiten beroofd worden van het
licht en de warmte, die ze noodig hebben om zich behoorlijk te kun-
nen ontwikkelen; bovendien hebben ze, om tot hunnen wasdom te ko-
men, een korter tijdsbestek ter hunner beschikking, zoodat ze, op het
tijdstip waarop ze gekapt worden, slechts weinig produkt opleveren,
terwijl hun sap, met dat van het overige riet vermengd, eene belem-
mering veroorzaakt in de behoorlijke verwerking; en overigens, door-
dien deze rietstokken gekapt worden eer ze den graad van volkomene
rijpheid bereikt hebben, gaan daarmede al de nadeelen gepaard, welke
men ondervindt als men riet kapt, dat niet tot zijne volle rapheid is
gekomen. Wel hebben velen getracht die nadeelen althans gedeeltelyk af
te wenden, door het riet op de ingeboete plaatsen te laten staan, en
het pas te kappen bij de volgende snede; doch behalve dat het zeer
moeijelijk is die rietstoelen ongekapt te laten staan, terwyl de andere
gekapt worden, en ook ze te vrijwaren tegen beschadiging door de kar-
ren en trek-ossen, vervalt men dan in de nadeelen, die gepaard gaan
met eene vertraagde inzameling, verhoogd door al de bezwaren, welke
aan de ontwikkeling van een ongelijktydig plantsoen zijn verbonden. —
Waar deze methode uitvoerbaar is, houden wij die echter voor minder
nadeelig, dan de vooijaars-inboetingen te kappen reeds bg de eerstvol-
gende snede. Onder den naam van najaars'inhoetingen verstaat men die,
welke bewerkstelligd worden in de maand October, eer het plantsoen
gekapt wordt. Deze inboetingen hebben dit vódr, dat ze over een lan-
ger tijdsbestek te beschikken hebben om zich te ontwikkelen; maar
daarentegen hebben ze dit in haar nadeel, dat men by het kappen van
het plantsoen bijzonder zorg te dragen heeft, dat de jonge spruiten niet
door de ossen en karren worden beschadigd. Heeft men groote inboe-
tingen te doen in plantsoenen , die gekapt moeten worden op het tydstip
der eerstvolgende snede, dan dient men die inboetingen vooruit te be-
werkstelligen, ten einde de nadeelen te vermgden, welke gepaard gaan
met de voorjaars-inboetingen, die, ofschoon "plaats hebbende te gelijk
met het kappen van het plantsoen, altijd in ongunstige omstandigheden
blijven verkeeren, en niet tot een voldoenden graad van wasdom komen,
ora met voordeel gekapt te worden gelyktijdig met het overige plantsoen.
Een goed stelsel van inboeten moet strekken niet alleen ora de moe-
Digitized by
Google
807
derstekken, die, gedurende den groei der bevorens gekapt geweest zynde
rietstokken, op den akker gestorven z^n , door andere te vervangen, maar
ook om de ledige plaatsen te vullen van die moederstekken, die na de
laatste snede gestorven zyn. — Om deze methode van inboeting te vol-
gen , dient men , alvorens met het kappen van het riet aan te vangen ,
eeH merkteeken te plaatsen bij al de kale plekken, die dadelyk na de
op dien akker bewerkstelb'gde snede, of althans b\j de eerste gunstige
gelegenheid, zullen worden ingeboet; later, als het geheele plantsoen
opgekomen is, gaat men den akker nog eens naauwlettend na, en wor-
den de alsnog bevondene kale plekken op nieuw ingeboet. — Men kan
het inboeten ook geheel en al uitstellen, totdat het jonge plantsoen
opgekomen is; dan wordt er ingeboet in eens af, niet alleen de kale
plekken, die het reeds vroeger noodig hadden, maar ook die, waar de
moederstekken gestorven en derhalve geen jonge spruiten opgekomen
zyn. Wij moeten echter doen opmerken, dat men nimmer de b^'zonder-
heden uit het oog moet verliezen, die afhankelijk zyn van de omstan-
digheden , waarin iedere jonge spruit zich bevinden zal in verhouding tot
de overigen en tot den tijd, dien zij noodig heeft om zoodanigen graad
van wasdom te bereiken, dat de stengels, die zy voortbrengt, behoor-
lijk «mtwikkeld zyn.
Wij hebben elders de oorzaken nagegaan , die de verarming der
rietmakkers te weeg brengen; by gevolg, wanneer men daarop let, zal
men tot zekere grens het bestaan der riet-akkers kunnen doen voortdu-
ren , en zoodoende eenigermate het inboeten vermijden. Behalve de al-
gemeene oorzaken, die wig daar hebben opgegeven, zijn er nog andere
b^zondere omstandigheden, waardoor veroorzaakt en verklaard wordt,
dat enkele moederstekken sterven te midden van andere, die bligven
leven en zich welig ontwikkelen : op sommige plaatsen heeft zich stil-
staand water opgehoopt; misschien is de grond minder vruchtbaar; mis-
schien is een der physieke eigenschappen van den grond slechts gebrekkig
of in het geheel niet aanwezig, enz.; in. al dergelijke gevallen is het,
om herhaalde inboetingen te voorkomen, noodig, dat men die nadeelige
invloeden doe verdwijnen. Een der oorzaken, die het meest de sterfte,
of althans eene belemmering in den groei der moederstekken te weeg
brengt, is, dat ze met te weinig aarde bedekt z^n, zoodat de spruiten
Digitized by
Google
808
zich niet behoorlijk voeden. Dit nadeel zal men kunnen vermijden, als
men de moederstekken of ondergronds-stammen , nadat de rietstokken
gekapt zijn , met aarde overdekt ; maar indien zoodanige bewerking —
hoe veel voordeel die ook oplevert, zooals wij hebben aangetoond —
niet volbragt wordt, zal het nuttig zijn na te gaan, welke moederstek-
ken zich in dien toestand bevinden. Om dit te onderzoeken , is er geen
beter middel , dan den riet-akker af te branden : iedere moederstek ,
welker knoppen zich met de oppervlakte van den grond gelijk bevin-
den, sterft, schiet geen spruiten meer, en zoodoende herkent men da-
delyk de plaatsen , waar op nieuw geplant of ingeboet moet worden.
Wy zijn overtuigd , dat het inboeten , op geschikte wijze en op niet
al te ruime schaal volbragt , in hooge mate nuttig is , zoodat , al stem-
men wij niet in gevoelen overeen met hen, die onder alle omstandig-
heden en op groote schaal inboeten, wij ook niet de zienswijze goed-
keuren van die planters , die het nooit doen , maar die , als ze eenmaal
eenen riet-akker beplant hebben , daarvan aanhoudend blijven oogsten ,
zoo lang zij vermeenen dat de opbrengst den arbeid loont, en die,
zoodra het aantal in wezen blijvende moederstekken zoo sterk is afge-
nomen, dat de opbrengst niet langer de kosten goedmaken kan, al de
nog in leven z^'nde moederstekken roo\jen, den akker op nieuw voor
de riet-cultuur gereedmaken, en hem dan weder op nieuw beplanten.
In de bovenstaande regelen hebben wij getracht de inboetingen na te
gaan, zoo als ze tegenwoordig werkelijk plaats hebben; thans rest ons
nog eene opmerking daarby te voegen. Zoodra wy by de rietteelt de
voorschriften van het intensive stelsel volgen en dus aan onze akkers
eene mindere uitgestrektheid zullen geven, zullen de inboetingen van
zelfs minder noodig zijn en op veel kleinere schaal in toepassing wor-
den gebragt; en daar ze zoodoende bewerkstelligd worden onder betere
omstandigheden en op eene beperktere uitgestrektheid gronds dan onze
riet-akkers tegenwoordig beslaan , zullen ze misschien met voordeel te
volbrengen zijn door moederstekken over te planten uit plantsoenen,
die onder gunstiger omstandigheden verkeeren , welke plantsoenen te
verkrygen zullen zijn, wanneer men op de resultaten let, die wij heb*
ben verkregen in onze Proefondervindelijke nasporivgen betreffende den
groei van het suikerriet
Digitized by
Google
809
N00DZAK£LIJKH£II) OM D£ RI£T-AKK£BS JAAR AAN JAAR T£ B£T£L£N ,
TEN EINDE ZE LANG IN ZOODANIGEN STAAT TE HOUDEN, DAT ZE EENEN
RUIMEN OOGST OPLEVEREN (58). — Het punt, dat wij thans gaan be-
spreken, heeft reeds een onderwerp uitgemaakt van onze vroegere be-
schouwingen ; en dat wij nogmaals de aandacht daarop willen vestigen ,
is geenszins uit de ijdele zucht om te toonen , dat wij in staat zyn dat
onderwerp volkomen toe te lichten, door al de betoogredenen, die ten
voordeele daarvan aan te voeren zijn , voor te dragen uit een ander ge-
zigtspunt ; maar omdat wij de hoop voeden , dat onze denkbeelden , voor-
gesteld in eenen anderen vorm, misschien duidelijker en voor iedereen
bevattelijker zullen worden , en bij gevolg het hooge gewigt , dat wij aan
dit onderwerp toekennen, beter door iedereen gewaardeerd worden zal.
Wij zullen kortelyk nog eens de vereischten opsommen, die bij de-
praktische uitoefening van den landbouw aanwezig moeten zijn om te
kunnen overgaan tot het planten van suikerriet.
lo. Het planten van suikerriet 'moet plaats hebben in behoorlijk ge-
reedgemaakte gronden , overal en altijd waar die gronden geschikt zyn
om door landbouw-werktuigen te worden bearbeid, waartoe noodigis,
dat die werktuigen in beweging gebragt kunnen worden, zonder dat
groote bezwaren daaraan in den weg staan. De behoorlijk gereedge-
maakte gronden worden beter, doordien ze den vruchtbaarmakenden
invloed van de dampkringstoestanden ontvangen; ze leveren minder be-
letselen op voor den onbelemmerden groei der wortels, die, terwijl ze
zich beter ontwikkelen, ook beter geschikt en in staat zullen zijn om
al hunne functiën naar behooren te volbrengen , dit wil zeggen , dat ze
aan de plant een hechteren steun zullen geven dieper in den grond,
en tevens, doordien ze eene grootere uitgestrektheid gronds doorloopen ,
meer voedingstofien uit den grond zullen trekken, om die aan de plant
mede te deelen. Het planten in eenen niet bevorens gereedgemaakten
grond wordt, zeer te regt, over het algemeen afgekeurd, daar de on-
dervinding geleerd heeft , dat de rietstoelen , die uit eenen niet bevorens
omgeploegden en ter beteling in goeden staat gebragten grond voort-
komen , een produkt opleveren , dat in een of ander opzigt niet gelijk
staat met het produkt van dezulken , die voortkomen uit eenen in allen
deele behoorlijk toebereiden grond — natuurlijk voor zoo ver daarbij
Digitized by
Google
SlO
geen omstandigheden van geheel buitengewonen aard in het spel komen.
AUeenlyk in gronden , die pas van boschgroei ontdaan zijn , en waar de
tronken der omgehakte boomen het onmogelyk maken zich behoorlijk
van de landbouw-werktuigen te bedienen , alleenl^k daar zien w^ ons
verpligt, te planten zonder voorafgaande bewerking van den grond. Geluk-
kigerwijze zijn in zoodanige gevallen de natunrlijke toestanden van den
bodem veelal zoo bij uitstek gunstig, dat men het plantriet slechts in
den grond behoeft te leggen en met een weinig aarde te overdekken,
om de uitmuntendste resultaten te erlangen; want alsdan groeien de
planten in eenen weligen grond , die weinig of geen belemmering in
den weg legt aan de ontwikkeling der wortels, die, door de ongemeene
vruchtbaarheid van den grond , zonder dat deze eene voorafgaande be-
werking behoeft, daarin overvloedig de voedingstoffen aantreffen, welke
ze noodig hebben om de plant te onderhouden, in welker levens-onder-
houd ze geroepen zijn mede te helpen voorzien (59). Immers, in de
nieuwe boscligronden is de grond overdekt met eene laag afval-mest, die
ook ten innigste vermengd is met de aarde en daarmede een mengsel
vormt , dat de vochtigheid aantrekt en lang in zich terughoudt , terwijl
het tevens aan de organische stof een zekeren graad van losheid geeft,
welke de delfstoffelijke bestanddeelen , die de basis van den grond vor-
men, veelal uit zich zelven niet bezitten. Deze losheid of sponsachtig-
heid behoudt de grond , niet slechts doordien hy , wel verre van de
stof, waardoor die hoedanigheid te weeg gebragt wordt, te verliezen,
die integendeel bestendig in nieuwe hoeveelheden tot zich neemt , maar
ook dewijl die , door het weldadige lommer der boomen , die er in
groeyen, beschut is tegen den uitdroogenden invloed der zon, welke
invloed, zooals wij reeds hebben aangetoond, bijdraagt tot het vaster
en zaamgepakter worden van den grond. Door de plantaardige of afval-
mest wordt bovendien de opslurping van sommige stoffen bevorderd of
te weeg gebragt, en ook die mest zelve verschaft voedsel. — Wij moe-
ten echter doen opmerken , dat het niet verstandig is te gelooven, dat
een grond, die pas van boschgroei ontdaan is, louter daardoor geschikt
is voor de cultuur van suikerriet; veelal, in verreweg de meeste geval-
len , kan die zelfde grond , . na omgeploegd en met de noodige mest-
speciën of correctieven behoorlijkt bewerkt te zijn , eigenschappen erlan-
Digitized by
Google
311
gen, die hem voor de suikerriet-cultuur nog oneindig beter geschikt
maken. (Zie Nieuwe boBchgronden,)
20. Het is nuttig, dat het plantriet op eene zekere diepte in den
grond gebragt en met eene meer of min aanzienlyke laag aarde over-
dekt worde. De diepte, waarop de rietstekken geplant moeten worden,
is verschillend niet alleen naar gelang van den aard van den grond,
maar tevens naar gelang van de variëteit en de b^zondere hoedanig-
heden van het riet , alsook naarmate van de dampkrings-invloeden , die
werkzaam zijn tijdens het planten plaats heeft. De doeleinden, die wy
op het oog hebben door by het planten van suikerriet op deze ver-
eischten te letten, zijn: l». Te voorkomen, dat de knoppen, uit welke
de rietstengels moeten ontspruiten , verdroegen , en de verdamping van
de in de geledingen aanwezige vochtdeelen te beletten. — 2*. Byaldien
er geplant wordt met behulp van den pootstok , het ontstaan van looze
spruiten onmogelyk te maken, dit wil zeggen zorg te dragen , dat er
geen jonge spruiten kunnen uitloopen aan eenigerlei plantriet-gedeelte ,
dat niet bedekt is met aarde. — 3*, Dat de wortels der plant niet ver-
droogen door den invloed der zonnehitte, en dat ze zich, zoo mogelijk ,
bevinden in eenen vochtigen grond, op welken de hitte der zon niet
zoo sterk van invloed is. — 4*. Het ontstaan van spruiten te bevorderen
door het aantal organen te vermeerderen, die bestemd zijn om spruiten
voort te brengen ; dit wil zeggen te zorgen , dat er een zoo groot moge-
lijk aantal knoppen onder den grond aan de rietstekken aanwezig zij.
' 3^ Om suikerriet te planten moet meu, zoo mogeligk, altijd het mi-
zoen kiezen , naardien niet alleen het planten zelf alsdan gemakkelijker
gaat, uithoofde van den vochtigen toestand waarin de aarde verkeert,
maar ook omdat het in den grond gebragte plantriet alsdan door meer
vochtigheid omringd is.
4*. De ondervinding heeft bewezen, dat de variëteit of soort en de
ouderdom van het plantriet niet zonder invloed blijven op de toekom-
stige ontwikkeling der plant , en dat de sporen , die de plant daarvan blijft
dragen, alleenlijk door lengte van tijd kunnen worden verbeterd of gewij-
zigd in zekere mate, zoo door de gunstige omstandigheden der cultuur, als
door de vruchtbaarheid van den grond, en door de weldadige werking
der dampkrings-invloeden. — Ontegenzeggelyk is het, bijaldien al deze
Digitized by
Google
312
gunstige bijzonderheden zamenwerken bij de ontwikkeling der sj^ruiten,
die van eene goede plantstek voortkomen, dat men dan in eene kortere
t\jdsruimte rietstoelen zal bekomen van grooteren wasdom en van rakere
suikergehalte, dan anders het geval zou zijn geweest.
6*, De riet-akker moet geheel bevrijd zyn van wied, waardoor het
plantsoen benadeeld konde worden.
6». Het is goed niet een te groot aantal stekken , of te digt opeen te
planten , daar anders de stekken niet slechts elkander zouden belem-
meren in hare ontwikkeling onder den grond en in haren verderen
groei boven den grond, maar bovendien eenen grond zouden behoeven,
bij uitstek vruchtbaar, en in staat om aan zulk eene groote menigte
planten het noodige voedsel te verschaffen.
7^ Eindelyk is het, telkens en altyd wanneer de grond zulks behoeft,
noodig zijne chemische zamenstelling te wijzigen , of zijne physieke eigen-
schappen te verbeteren.
Al deze byzouderheden, en andere, welke het onnoodig is hier op te
sommen, z|jn wel in acht te nemen, wanneer men bjj het planten van
suikerriet te werk wil gaan met zorg, en alle verstandige landbouwers
laten dan ook niet na zich daarnaar te gedragen. Welnu, door eene
tegenstrydigheid, die moeyelyk te Verklaren valt, worden deze voorschrif-
ten, die b\j sommige plantingen zoo streng in het oog worden gehou-
den, by andere geheel veronachtzaamd; wat meer zegt, ze worden over
het algemeen beschouwd als ondienstig, onuitvoerbaar, hersenschim-
mig, enz., zoodra ze worden aanbevolen daar, waar men niet gewoed
is ze in het oog te houden.
De mensch besteedt de meestmogel^'ke zorg aan het eerste plantsoen,
hetwelk hij in al de tydperken van deszelfs groei te besproeyen heeft
met het zweet zijns aanschijns , terwyl hij het groote voortdurende plani-
soen der natuur geheel veronachtzaamt, waarin hij op verre na zulk een
werkzaam aandeel niet heefk, aangezien hij niets anders te doen heeft
dan het plantriet te kappen, het op den akker te brengen met behulp
van karren, de groeven in den grond te trekken, het plantriet aan stek-
ken te snijden , het in de groeve te plaatsen , en het geheel met aarde
te bedekken. Doch eer wij met onze beschouwingen verder gaan, die-
nen wy hier op te helderen wat wij eigentlyk verstaan onder fiatuurl^h
Digitized by
Google
313
planUoeneny en aan te toonen hoe de strenge en naauwgezette analyais
der verschijnselen ons leert, dat in het wezen der zdoik. kei atdka^riet wordt
geplant ieder jaar^ zoodat wij eigentl^k, als de bemoe\jingen van den
mensoh daarbuiten bleven, altijd riet van geplant riet of eerète snede
zouden oogsten , te meer daar de schijn velen doet gelooven, dat het
riet» hetwelk geplant is na gekapt te zijn, een langeren ofkorterent^d
bl^ft voortgaan te leven, en het aanz^n te geven aan de opvolgende
produkten.
Als men riet plant ontwikkelt zich de knop , die aan het lid van de in
den grond gebragte stek zit, geleidelijk naarmate de in het riet aanwezige
sappen verbruikt worden, en naarmate van de stofién, wdkedeuithet
stengellid voortkomende wortels uit den grond opslurpen. Na verloop van
eenigen tijd bekomt de nieuwe plant de noodige organen om te kunnen
leven op zich zelve, zonder de moederstek volstrekt noodig te hebben ,
ofschoon z^' alt^d nog gebaat wordt door de voedingstoffen, welke aan-
wezig zijn in de moederstek, die hetzij vroeger of later verdroogt en
tot ontbinding overgaat, blijvende van haar slechts die weefsels overig,
die sdeh in de gegevene omstandigheden niet hebben kunnen vervormen
tot andere zelfstandigheden , geschikt om geabsorbeerd te worden door
de nieuwe plant. Dat de spruit de kracht erlangt om uit zich zelve te
kunnen leven , om geheel en al te kunnen voorzien in haar eigen levens-
onderhoud, vinden wij volkomen bewezen, wanneer wij een stuk riet,
dat eenigen tyd geleden geplant is, opdelven, en de reeds voortgebragte
jonge spruit van de moederstek afsnijden met een pennemes. De dus
afgesnedene jonge spruit dadelijk afzonderlijk in den grond gebragt,
vat zeer spoedig , loopt uit , enz. , even welig als ware zy nog verbonden
met de moederstek , van welke zy voortgekomen is. — Als het riet zyn
hoogsten graad van wasdom bereikt heeft, als het gekapt wordt om
vermalen te worden , blijft daarvan onder den grond een stuk zitten ,
voorzien van een zeker getal meer of minder onvolkomene geledingen.
Deze geledingen hebben knoppen, die zich onder gunstige omstandighe-
den op hunne beurt ontwikkelen en het aanz^'n geven aan de spruiten ^
welke na verloop van eenigen tijd een eigen leven aannemen, zooals
blijkt wanneer men ze van de moederstek, die ze heeft voortgebragt,
afscheidt , en op eene andere plaats plant. lu beide gevallen is het riet
Digitized by
Google
514
voortgekomen uit de ontwikkeling van een zelfde orgaan, namelijk den
knop; in belde gevallen kan de spruit na verloop van eenig^i tydvan
het stuk riet , waarvan zy is voortgekomen , a^escheiden en naar elders
verplant worden, waar zy onder gunstige omstandigheden welig zal
opgroeyen. Welnu: indien er volkomene gelijkheid is in den oorsprong
en in de gevolgen, waarom besteden w^' dan zooveel zorg aan het riet,
dat voortkomt van geledingen, die wij met groote kosten planten, en
waarom veronachtzamen w^ dat, hetwelk voortkomt van geledingen, die
wij zonder eenigen arbeid geplant laten? Welk voorregt heeft het eene,
om behandeld te worden met zooveel zorg; en wat heeft het andere
misdaan, om dus te worden geminacht? Is het misschien omdat w\j er
minder arbeid aan besteden? en ab het behoorlek gekweekt wierd,zou
het dan niet misschien even veel opleveren als het eerste?
Zien wij nu tegenover de beginselen , die bij de menachelyke plantin*
gen gelden, de toestanden, die w^* aantreffen by de na/MtirZ^'i^e plantin-
gen. De natuurlyke plantingen hebben plaats: l^. In eenen niet vooraf
gereedgemaakten grond. — 2©. Het plantriet bevindt zich slechts op
geringe diepte in den grond, menigmaal zelfs niet eens bedekt met
aarde. — 3«. Dat planten heeft plaats ten allen tijde. — 4o. Over het
algemeen is dat plantriet niet van het beste. — 5*. De jonge spruiten
komen steeds te voorschijn te midden van onkruid of wied. — 6o. De
stekken worden zeer digt bij elkander geplant. — 7*. De grond is ver-
armd en uitgeput, daar al de voedingstoffen, die hij vroeger bevatte,
er uitgetrokken ajn door de netplanten, die er op geleefd hebben. —
8^. Als er na het kappen van den oogst zware regens vallen, als het
water niet gemakkelijk kan afloopen, maar op den akker blyft staan,
kunnen de moederstekken door verrotting worden aangetast, en alsdan
komen er weinig spruiten te voorschijn ; ondervinden de akkers daaren-
tegen felle droogten , dan komen de spruiten evenmin te voorschijn. (^
De snede , of het kappen van de rieistokken, — WtUerlozing^ enz.)
Het gebrekkige, dat de natuurlijke plantingen aankleeft, is het gevolg
van oorzaken, welker invloed wg niet bij magte z\jn te keer te gaan;
maar al zyn w\j niet in staat het ontstaan van die gebreken te belet-
ten, moeten wij nogtans zeer zeker ons best doen om door alle midde-
len, waarover wy kunnen beschikken, die gebreken te verhelpen of te
Digitized by
Google
S15
verminderen, en zooveel mogelyk de natuurl^ke toestanden te herstel-
len, die de rietplant noodig heeft om tot hare volkomene ontwikkeling
te geraken.
Ofschoon het vooraf gereedmaken van den grond altyd het beste mid-
del is, worden de gunstige resultaten van het bewerken van den grond
echter ook in zekere mate verkregen , wanneer men , na in eenen niet-
gereedgemaakten grond geplant te hebben, den grond omploegt, die tus-
schen de rietgroeven ligt, welke bewerking des te meer noodig is, hoe
verder de nieuwe wortels zich moeten uitstrekken om op eenen grooten
afstand van de plaats, welke z^ reeds innemen, de voedingstoffen te
gaan zoeken, die ze behoeven om hunne functiën te kunnen verrigten.
Bovendien ondervinden de jonge wortels zekere moeijelykheid om zich
te ontwikkelen, doordien de anderen, die tot de rietstokken behooren,
welke gekapt zijn, hen in hunnen groei belemmeren. — Het meer of
minder digtbij of boven de oppervlakte van den grond liggen van het
plantriet wordt verholpen door het te overdekken met aarde. — Vry
van wied wordt de akker gemaakt door al het wied of onkruidgewas ter
geschikter tijd weg te hakken en te rooijen. — De nadeelen, eindelyk,
die voortspruiten uit de gebezigde hoeveelheid plantriet , uit de variëteit
of soort, waartoe het behoort, en uit de verarming van den grond,
worden weggenomen door den grond te bemesten met de geschiktste
speciën in behoorlijke hoeveelheid en op het juiste tijdstip. Vele planters
bemesten hunne akkers het eerste jaar; doch er zyn er slechts weinigen,
die het ook de volgende jaren doen, terwijl de riet-akkers er juist dan
het meest behoefte aan hebben.
Uit de hier aangevoerde betoogredenen laat zich gemakkelyk afleiden ,
hoe het voor het ontstaan van de jonge spruiten, inzonderheid voor
die, welke voortkomen van riet dat nog niet volkomen ryp was, van
het hoogste belang is, dat er na de snede of het kappen van de riet-
stokken genoeg hemelwater op den akker valle. Om deze en andere
redenen moet men met het kappen van de minst r^'pe plantsoenen altijd
tot het laatst wachten, ten einde ze alsnog het voordeel te laten genie-
ten van de eerste regens van het regen-saizoen. — Daar, waar besproei-
jing mogelijk is , moet men deze heilzame bewerking in toepassing bren-
gen, dadelijk na heC kappen van het riet; want, zooals wij reeds her-
Digitized by
Google
316
haalde malen gelegenheid gehad hebben te doen opmerken , het suikerriet
heeft, evenals alle planten, die geteeld worden om gebruik te maken van
hare stengels, zoomede uit hoofde van zijne bijzondere organisatie,
aanhoudende behoefte aan eene behoorlijke mate van vochtigheid in
den grond.
Cultuur dsr riet-akkebs na de sleden of inzamelingen van dek
OOGST. — Er zijn gelukkig slechts weinig planters, die onkundig zijn
van de onberekenbare voordeden, welke verschaft worden door een
goed cultuurstelsel, waarby men, uitgaande van de voorschriften der
wetenschap , al de omstandigheden derwijze leidt en regelt , dat de riet-
plant niet slechts den hoogsten graad van ontwikkeling kan bereiken,
maar tevens, dat zich in hare weefeels de grootstmogelyke hoeveelheid
suiker vormt, bevat in de zuiverste sappen; maar, gelijk wij reeds
hebben doen opmerken , men vervalt in eene onverklaarbare tegenstrij-
digheid , door in het eerste jaar alle mogeügke zorgen aan het plant^
soen te besteden , terwyl men in de volgende jaren , wanneer het riet
op zijn mimi evenveel behoefte daaraan heeft , die zorgen veronachtzaamt
en , met miskenning van al de regelen der kunst , ter naauwemood die
bewerkingen verrigt, die de riet-akker het dringendst noodig heeft. In
de bladzijden , waarin wy breedvoerig de redenen hebben ontwikkeld ,
waarvan wij de uiteenzetting nuttig oordeelden om aan te toonen, hoe
noo(£sakelijk het is de akkers ieder jaar te betelen , hebben wij al de
bewijzen opgesomd, die ons geschikt toeschenen, om deze onze ziens-
wijze boven allen twijfel te verheffen: bij verschillende gelegenheden
hebben wy eenige bijzonderheden aangestipt betreffende het zelfde on-
derwerp ; doch aangezien wij ons tot dusverre nog niet bepaald hebben
bezig gehouden met het uiteenzetten van een algemeen stelsel van cul-
tuur na de op elkander volgende inzamelingen van den oogst , willen
wij thans deze leemte aanvullen , hoezeer wy daarby gevaar loopen in
herhalingen te vallen van reeds vroeger ontwikkelde denkbeelden.
De werkzaamheden der cultuur na de snede of kapping der rietstok-
ken zijn de volgende : 1*. Het nalezen of nog eens over kappen. —
2*. Het ontblooten en met aarde bedekken van de moederstekken. —
3o. Het bemesten van den gi-ond en het begraven van het stroo. —
Digitized by
Google
317
4o, Het herploegen en het wieden. — Over de inboetingen en ettel^ke
zorgen met betrekking tot het stroo behoeven wij hier niet te spreken ,
daar wij die beide onderwerpen reeds hebben behandeld met de noodige
uitvoerigheid. — Zien wij nu in welke orde en op welke wijze de hier
opgenoemde bewerkingen volbragt moeten worden.
Zoodra de rietstokken op ieder stuk land gekapt zyn, moet de eerste
zorg van den landbouwer hierin bestaan, dat hij het gekapte plantsoen
in oogenschouw neme, ten einde alle onvolkomenheden, die b^ het
kappen hebben plaats gehad, alsnog in t^'ds te herstellen, waardoor
hij de anders daaruit voort te vloeijen nadeelige gevolgen zal kunnen
voorkomen. — Al de nadeelen, die van eene onvolkomene wijze van
rietkappen het gevolg worden, zijn op de volledigste wyze door ons
uiteen gezet in de bladzijden, die wij aan dat onderwerp hebben ge-
wijd : hier zullen wij nu de vereischten doen kennen , die men in het
oog dient te houden, om het rietkappen (e bewerkstelligen naar bèhoo-
ren. — Het is 'zonneklaar, dat men tot zekeren graad een aantal van
die nadeelen zal kunnen vermeden, door het rietkappen te bewerkstelli-
gen onder de vereischte omstandigheden; maar in die gevallen, waarin
het niet mogelijk is al de werkzaamheden zelf na te gaan, zal het nut-
tig zijn eene kleine ploeg bekwtime en verstandige arbeiders aan te stel-
len, die, gewapend met hakmessen van CoUins en met scherpe snij-
messen, het plantsoen zullen afloopen, ten einde al de rietstoelen, die
ongekapt zyn blijven staan en die gekapt hadden moeten worden , alsnog
daaraan te onderwerpen* — Ten einde deze bewerking behoorlijk uit te
voeren en met spoed, is het noodig, dat men de moederstekken of on-
dergronds-stammen kunne zien; tot dat einde moeten die bevr^'d zijn
van het stroo , en daartoe worden de rietsnijders voorafgegaan door een
paar minder sterke arbeiders, die, met behulp van een krom snoeimes,
overal de drooge bladeren afsnyden, welke zy meteen moeten verwijde-
ren, door ze te plaatsen op den grond, welke zich tusschen de twee
rietrijën uitstrekt.
Vervolgens laat men den kleinen ploeg met ééne schaar werken, die
den grond zal omwerpen naar de moederstekken, en die, langs de andere
zijde der rietrij terugkeerende, ook daar het zelfde verrigt, zoodat de
moederstekken op die wijze van weerszyden met aarde overdekt wor-
Digitized by
Google
318
d^. — Maar dewgl zelfs in de gunstigste gevallen door dezen arbeid
nooit een yolkomen bevredigend resaltaat wordt verkregen, is het nnt-
tig aan dat werk de laatste hand te leggen, of juister gezegd er orde
en regelmaat in aan te brengen, door daarna eenige arbeiders met
schoppen of spaden langs de rietrijën te zenden , om iedere moederstek
te overdekken met de juist noodige hoeveelheid aarde. — Wij moeien
nog hierbij doen opmerken, dat deze arbeid, zal die gemakkelijk te vol-
brengen zijn en al de voordeelen verschaffen, welke wij ons daarvan
voorspellen, behoort te geschieden in het saizoen, dat wil zeggen op
het geschikto tydstip, en dat het tevens een vereischte is, dat de grond
eerst behoorlijk gereedgemaakt, in zijne physieke eigenschappen verbe-
terd, in zijne chemische zamenstelling gewyzigd is, enz. — Eer men
den ploeg laat werken, is het goed de gekapte rietstammen met een
weinig mest te bedekken. Die mest kan worden aangevoerd met de
zelfde karren, waarmede het gekapte riet van den akker weggehaald
wordt. — In de geopende groeve plaatst men mest, of eenvoudig een
gedeelte van het stroo, en vervolgens gaat men voort met het herploe-
gen van de gansche uitgestrektheid gronds, die tusschen de rietryên
ligt, in dier voege, dat de aarde, welke uit elke getrokken wordende
groeve wordt opgeworpen, juist in de groeve wordt geworpen, die pas
te voren getrokken is. — Door deze bewerking wordt de geheelo akker
behoorlyk bemest, worden de moederstekken behoorli^lc gedekt met
aarde, en wordt de gansche oppervlakte behoorlyk her][doegd en ge-
wied. — In geval men zulks dienstig acht, kan men ook nog den (»-
dergrondsploeg laten werken, om den bodem of vloer van al de groe«
ven, of althans van die, welke naast de rietrijën loopen, behoorlek los
te maken, alvorens de mest of het stroo daarin te brengen.
Indien zulks mogel^k is , moet men den bodem of vloer van al de
groeven losmaken. — Wat betreft de afscheiding van het stroo om de
plantsoenen te kunnen herploegen, achten w'^ het nuttig nog eenige op-
merkingen hierbij te voegen. Bij het riet, dat nog nooit gekapt is, en
veeltijds ook bijj dat, waarvan reeds een of meer sneden zijn ingeza-
meld, heeft men, bijaldien er ongemeen veel stroo aanwezig is,
geen ander middel dan dat stroo te verbranden of het van den aldcer
te verwijderen, zjjnde zulks zeer gemakkelijjk, want bet wordt met den
Digitized by
Google
S19
zeilden spoed voibragt , waarmede de ampas aan boopen bijeen gebrègt
wordt Als het plantsoen zeer spoedig gekapt en de akker in korten
t^d herploegd is, kan men het stroo weder er op brengen en uitsprei-
den , ten einde te dienen om de vochtigheid in den grond terug te
houden.
Somwijlen is de grond zoo hard en vast geworden , dat de eensnij-
dende en door een trekdier in beweging gebragt wordende ploeg slechts
zeer moeijelyk daarop werken kan; in dat geval is eenige voorberei-
dende arbeid noodig , waartoe men zich bedient van een zwaren wied-
toestel of eenvoudig van den inheemschen ploeg : heeft men den grond
op die wyze eerst een weinig losgemaakt, dan is de bewerking met
den eensnijdenden ploeg gemakkelijker te volbrengen.
Wat aangaat de stammen der gekapte rietstokken met aarde te be-
dekken, achten wij het nuttig te doen opmerken, dat men zulks behoort
te doen met zekere mate; want anders zou het de nade^len te weeg
brengen, die wy hebben doen kennen by de ovèrdrevene uitwendige
aanaarding. Het is nuttig en goed de moederstekken bij voorkeur het
tweede jaar te bedekken met aarde, na geplant te hebben op eene be-
hoorlijke diepte : alleen zoodoende zal men in waarheid de groeve aan-
vullen met de aarde , die men er uit getrokken heeft. De hier door ons
beschrevene bewerkingen, logisch afgeleid uit de voorschriften der land-
bouwkunde, zyn door ons zelven in praktijk gebragt, en wij hebben
daarvan steeds de gunstigste resultaten ondervonden. Wij moeten nog
hierbij voegen , dat ze oppervlakkig misschien zeer omslagtig en moeije-
lijk te volbrengen zullen schenen, maar dat men echter, als men zich
daartoe van vlugge arbeiders bedient, eene groote besparing van arbeid
daardoor erlangt , in vergelijking bij de véle dagen werkens , die met
onze onvolkomene gewone manier van wieden te loor gaan. Volgens
deze oordeelkundige wijze te weri gaande , zullen wij niet alleen onze
akkers langer in stand houden om eenen ruimen oogst op te leveren ,
maar wat meer zegt , door dat gedurige omploegen en bemesten zal de
grond gestadig vruchtbaarder worden , en telkens meer waarde erlangen',
doordien het onkruidgewas of wied meer en meer daarvan verdwynt.
Uit dit laatste oogpunt gelooven wy, als de planters goed hunne be-
langen overwegen , dat ze dan zullen toestemmen , dat het tot eiken
Digitized by
Google
820
pi^s zaak voor hen is al de belemmeringen te verwyderen, rHe hun
tot dusverre in den weg staan by het in toepassing brengen van een
goed stelsel van cultuur. Zoodra de werkzaamheden der cultuur a%e-
loopen zijn, moeten de akkers twee-, drie- en veelal zelfs viermaal ge-
wied worden, waarmede verscheidene dagen werkens gemoeid zyn: de
tegenwoordige manier van wieden, behalve dat die zeer moeijelyk is,
is bovendien zeer onvolkomen , en slechts met groote moeite wordt het
onkruid of wied uit den grond verwyderd, vooral die soorten van wied,
die zich voortplanten door middel van hare ondergronds-organen. Wordt
het werk daarentegen verrigt volgens eene meer oordeelkundige methode,
dan zal dat onkruid , menigvuldiger en in hoogere mate gekwetst ,
spoedig uitsterven , en zoodoende zal de akker meer waard worden ,
want des te minder arbeid zal hij vereischen om de in cultuur zijnde
planten welig te doen groeijen. — Iedereen weet, als men de waarde
van een stuk gronds wil bepalen, dat men dan, behalve op andere
bijzonderheden , ook voornamelijk let op het onkruid , dat er op groeit. —
Wat de vrijmaking van wied betreft kunnen wy verzekeren , dat de riet-
akkers^ na een paar jaren goed in cultuur te zijn geweest, een zoo ver-
rassend verschynsel aanbieden, dat ieder, die dan de fraaye, goed ge-
regelde rietrijën ziet, denken moet, dat de tusschenruimten , welke de
rijen van elkander scheiden, zijn schoongeveegd — een verschijnsel,
dat men anders niet eens in het eerste jaar opmerkt, wanneer eir nog
in het geheel geen stroo op den akker is. En om al die voordeelen te
erlangen heeft men niets anders aan te wenden, dan een weinig moeite
in het begin en een weinig volharding in het vervolg!
Wel zullen velen ons zeggen, dat er volgens deze methode in de
jaren , die na de oogst-inzamelingen volgen , evenveel arbeid verrigt moet
worden, als wanneer men den akker op nieuw beplant: hierop moeten
wij antwoorden alles wat wij uiteengezet hebben , waar wij de noodza-
kelykheid hebben betoogd de akkers jaarlijks te betelen , om ze in eenen
goeden staat te onderhouden.
Om onze denkbeelden aangaande het hier behandelde onderwerp te
voltooijen, moeten wij verwijzen naar de daadzaken en redeneringen,
door ons medegedeeld en ontwikkeld over de itoeede bewerking van den
grond en het ontblooten van het riet (blzz. 234 en volgende).
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Voorwaarden van Inteekening.
1**. Het werk zal worden uitgegeven in afleveringen van
vijf vellen drdks, groot 8^. formaat, welke afleve-
ringen elkaar spoedig zullen opvolgen.
2®. De prijs is bepaald op 30 Ceats per vel druks. Het
werk zal compleet zijn in omstreeks dertig vellen.
3<*. Men teekent in Oosjt-Indië in bij de Heeren G. Kolff
& C*. te Batavia. De prijs wordt in /^rfi'é* eenigerraate
verhoogd.
Rotterdam, 1865. H. NIJGH.
«
Digitized by
Google
VERHANDELING
CULTUUR VAN SUIKERRIET.
I>00R
DON ALY^LRO BETNOSO.
(2« Druk. Madqd 1865.)
VERTAALD UIT HET SPAlNSCH
DOOP v
S EB VAAS DE BBÜÏN;
zijÈde de vertaling, vopr zooveeT aangaat
het wetenschappelijke en praktische,
NAG£ZIE?< DOOR DE MEEREN
Br. J. E. BE VBU en J. MII.£ABB.
Viifae féfieverimff.
H. NIJGH. —
<^
Gedrukt by C. BlommcDdaal.
Digitized by
Google
Digitized by
Google
321
Wij achten het van het hoogste gewigt aan te dringeu op de toepas*
sing van al deze werkzaamheden , die meer of min regtstreeks dienen
om den handen-arbeid te verminderen en de opbrengst te vermeerderen,
niet alleen om de onmiddellijke voordeelen, die door iedereen erkend
worden, maar ook omdat zoodoende met de teelt van suikerriet deze
of gene andere teelt gepaard zou knnnen gaan, en tevens de daaraan
bestede kapitalen ruimer interesten zouden opbrengen; door niet alt^d
het zelfde gewas te telen , zou er afwisseling komen in den oogst , ter-
wijl de kunstmatige aanleg van weilanden , bereiding van mestspedën ,
enz., daarmede gepaard konden gaan; in één woord, al die verbete-
ringen , die het dringend en gebiedend noodig is binnen zeer korten
tyd op Cuba in te voeren, om den meer en meer in verval gerakenden
landbouw op te beuren en tot eeneu staat van hoogen bloei te brengen.
il
Digitized by VjOOQIC
BEWEBKENO VAN DE GEROOIDE BIET-AEKEBS,
OM ZE OP NIEUW GESCHIET TE HAKEN
TER BEPLANTING.
Als men oordeelt dat een riet-akker geen genoegzaam aantal rietstokken
meer voortbrengt, met andere woorden, wanneer de opbrengst niet vol-
doende is om den daaraan besteden arbeid te loonen, en om tenminste
eenen behoorlyken interest te geven van de kapitalen, die in de plan-
taadje zijn gestoken , is het dringend noodig zoodanigen akker te rooi-
jen, en den grond op nieuw te bewerken, ten einde hem geschikt te
maken om op nieuw beplant te worden. Tot dat einde, alvorens den
grond om te halen met den eensnijdenden ploeg, begint men met hem
eene voorloopige bewerking te doen ondergaan, ten einde de bewerking,
die vervolgens met den ploeg moet plaats hebben , gemakkelyk te ma-
ken. Zoodanige voorloopige bewerking is hoogst nuttig; want de in den
grond zittende moederstekken, met hare veelgetakte wortels , belemmeren
den geregelden loop van den ploeg, zijn oorzaak dat hy niet geleidelijk
kan worden voortgetrokken, vermoeijen ten zeerste den arbeider en de
trekdieren, en zijn altijd de voornaamste oorzaak, dat het werk onvol-
komen wordt verrigt. De verstandigste en geschiktste weg zou zyn , zich
tot dien arbeid te bedienen van het werktuig , dat er toe bestemd is ,
namelyk den uitroeyer of wortel-rooijer; maar als men het niet noodig
oordeelt zich strikt te gedragen naar de voorschriften eener goede land-
huishoudknnde , moet men ten minste , alvorens den eensnijdenden plo^
in beweging te brengen , den inheemschen ploeg over den akker laten
loopen , die , door zijnen bijzonderen vorm , in zekere mate het zelfde
Digitized by
Google
:i23
nut zal kannen doen als het werktuig, dat wij behoorden aan te
wenden.
Onverschillig welk werktuig w^* kiezen, om er ons van te bedienen,
moet de arbeid steeds verrigt worden schuins in de rigting der riet-
rijen. Heeft men eenmaal al de moederstekken gerooid , dat wil zeggen
uit den grond opgedolven , dan worden ze allen byeengebragt om dienst
te doen als brandstof bij bet branden van de klei , als de grond zulks
noodig heeft; en zoo niet, dan stapelt men ze aan hoopen op, om ze
ter gelegener tijd te verbranden. Het restant, dat bij het branden van
de klei overblijft, of eenvoudig de asch der verbrande moederstekkea ,
wordt met de meestmogel^ke gelijkmatigheid over de oppervlakte van
den akker verspreid, welke verspreiding, naar gelang van omstandig-
heden, des te gel^'kmatiger zal kunnen geschieden, hoe meer hoopen
men gemaakt heeft.
Op dat oogenblik is het geschikte t^dstip daar, om de mestspeciën
en de correctiven op den akker te brengen , welke men noodig oordeelt
met al de deelen van den giond te vermengen door middel van al de
elkander op te volgen bewerkingen. Daarna begint men den grond om
te halen met den eensn^denden ploeg , die de groeven zal openen per-
pendiculair met de oorspronkel^ke rigting der riet^jën. Achter den ploeg,
die de groeve opent, laat men, indien men dat noodig acht, den
ondergrondsploeg loopen, opdat de bodem of vloer der groeve losge-
maakt z\j, eer de aarde er inkomt, die uit de naastvolgende groeve
zal worden opgeworpen. Als er door deze bewerking nog moederstekken
opgedolven mogten worden, vergadert men die, maakt er eenen hoop
van, en verbrandt ze vervolgens tot asch. De grond omgeploegd en de
ondei^rond losgemaakt zijnde, is het, zulks noodig geoordeeld wor-
dende, nuttig er den rol van Crosskill overheen te laten loopen, ten
einde op die wijze al de aardkluiten fijn te maken; daarna wordt de
geheele oppervlakte gelijk gemaakt met de eggen, die al de deelen van
den grond ondereen mengen, de wortels van het onkruid uitroeijen, enz.
Als men den grond op de hier beschrevene wijze gereedgemaakt heeft,
zal men hem vervolgens beplanten met suikerriet, ten ware men het
meer geraden achtte er eenig ander gewas in te planten of te zaaijen ,
of wel hem stil te laten liggen, ten einde hem te doen doortrekken
Digitized by
Google
.^24
met de invloeden van den dampkring. Volgt men een der twee laatst-
genoemde wyzen, eer men dan eindelyk er toe overgaat dien grond
met riet te beplanten, zal het goed zyn hem nog eens om te ploe-
gen , hetzij met eenen b'gten ploeg , hetzg met eenen wied- of uitroei*
toestel. TVij moeten hier inzonderheid aanbevelen de gronden wel met
dampkrings-invloeden te laten doortrekken, eer men ze herploegt ter
beplanting met suikerriet. Men kan er ook met voordeel andere plant-
gewassen in telen; of nog beter zal men doen, als men ze bemest met
plantaardige meststoffen.
De nieuwe rietr^'ën zullen het juiste midden moeten innemen van de
grondsoppervlakte, die de te voren bestaan hebbende rietryën van elk-
ander scheidde; zgnde het noodig hierop te letten, omdat zoodoende
het nieuwe riet zich zal ontwikkelen in eenen grond, die tot dusverre
in zekere mate braak heeft gelegen. — Immers , als men een oogenblik
nadenkt hoe gedurende de vele jaren, die de pas gerooide riet-akker
geduurd heeft, die tusschenruimten verrekt zyn met al de afwerpselen
der rietplantsoenen en der tusschenkweeksels en der onkruidgewassen ,
en hoe ze bovendien de dampkrings-invloeden hebben genoten, te weeg
gebragt, of om juister te spreken, bevorderd door de vroegere en ook
nu pas plaats gehad hebbende bewerkingen van grondgereedmaking en
cultuur , dan zal men begrgpen , dat die grondstrooken meer groeikracht
en meer voedingstoffen moeten bezitten, dan die, welke laatsteljjk door
de rietryën waren ingenomen. — In weerwil dat w^* al deze voordeelen
erkennen, zal het goed z\jn hierbig te voegen, dat men ze op hunne
juiste waarde moet schatten, zonder het gewigt er van te overdreven. —
De ruimten, die tusschen de rietrijën liggen, blijven niet geheel en al
ongebruikt liggen, daar de wortels er zich in uitbreiden, en zulks te
sterker en sneller, hoe ryker hun grond is aan voedingstoffen, en hoe
menfgvuldiger h\j is omgeploegd, zoodat deze tusschenruimten wel de^
gel^k zeer veel bijdragen tot de betere voeding van de moederstekken
der netplanten. Bovendien, als de grond behoorlijk omgeploegd is,
zonder dat men daarom eene mathematisch naauwkeurige vermenging
van at z^ne zelistandigheden behoeft te bewerken, zal men ten minste
eene zoodanige vermenging van de verschillende deelen van den grond
hebben Ie weeg gebragt, dat bij over het geheel tamelijk eenerlei in
Digitized by
Google
]
825
zamenstelling is geworden. — Na deze opheldering moeten wy nogmaals
aanbevelen de groeven te trekken midden tusschen de oude rietryen|
over den bodem of vloer der nieuw-getrókkene groeven, moet men i
zulks noodig of dienstig oordeelende, den ondergrondsploeg laten looi»
pen; daarna brengt men de mest in de groeve; dan plant men het
riet er in; enz., enz.
Bijaldien de hier door ons aanbevolene bewerkingen, naar omstan-
digheden behoorlijk afgewisseld en gewijzigd, volkomen naar behooren
volbragt wierden, zou men bevinden, dat vele gronden, na eenen zeke-
ren tijd beteeld te zyn geweest, aanmerkelyk verbeterd zouden zyn, dat
andere hunne aanvankelijke vruchtbaarheid zouden hebben behouden;
en van lieverlede zouden dus de kosten van cultuur minder worden,
niet alleen betrekkelijkerwijze door de vermeerdering van het produkt,
maar evenzeer door het meerdere gemak, waarmede de verschillende
bewerkingen te volbrengen zouden zijn ; zoo , om maar eens iets te noe-
men, zou het wieden van dag tot dag minder noodig worden, daar
het onkruid spoedig zou verdwijnen. — Dan zouden de planters tot de
overtuiging komen, dat zij, in plaats van oude gronden te hebben, die
ongeschikt zijn voor de suikercultuur, daarentegen in het bezit zouden
zijn van gronden, die aanmerkelyke voordeden aanbieden in vergelij-
king bij pas ontgonnene nieuwe boschgronden , welke laatste door den
mensch gebruikt moeten worden , zooals hij ze ontvangt uit de hand der
natuur, zonder dat hij, tot zekeren graad, in de mogelykheid is, die
gronden op de meest doelmatige en minst kostbare wijze te bemesten. —
Op die nieuwe boschgronden, die nog als overdekt zijn met tronken
van boomstammen, is het onmogelyk de landbouw-machines te laten
werken, en het is dus niet doenlijk ze anders dan door handen-arbeid
te doen ploegen, wieden en bemesten; is het een laagb'ggende grond,
dan zijn wij niet in staat door diepgaande bewerking en losmaking van
den ondergrond eene behoorlijke waterlozing daarin te weeg te bren-
gen; is het een grond, die niet al de physieke eigenschappen en de
chemische zamenstelling bezit, welke zoo vele vereischten zijn voor de
suikerriet-teelt, dan kan men daarin niet naar eisch de noodige verbete-
ringen of wyzigingen aanbrengen , het vervoer van het riet is moeijelyk ,
enz. — Indien vele planters zich wel doordrongen van deze denkbeelden,
Digitized by
Google
326
zouden zij, alvorens hunne oude gronden op te geven, om anderen te
gaan betelen, zeer zekerlijk trachten al de middelen in het werk te
stellen, om hunne bezittingen in waarde te houden, door de groei-
kracht van hunne gronden op te wekken, te herstellen of in het aan-
z^'n te roepen.
NB. Deze noot strekt ter toelichting van het hoofdstuk Suiker-productie (zie de vol-
gende bladzfjde).
Een hectare, d. i. 1 bander, is gelijk aan 0,7 bonw op het eiland Java.
Derhalve staat een stnk gronds van 13,42 hectaren ongeveer gelijk met 20
bouwis op Java. Wanneer nu 20 bonws opleveren 200,000 l. 250,000 nederl.
ponden , is dat per bouw 10,000 & 12,500 nederl. ponden of 160 li 200 pikols.
Digitized by
Google
SUIKER-PRODUCTIE.
Er zal een tijd komen — en die is gelukkig niet ver meer af — dat
een stuk gronds van 13,42 hectaren (zie de noot op blz. 326), be-
plant met suikerriet, genoeg stengels zal voortbrengen, om daaruit
een totaal gewigt van twee honderd a twee honderd vijftig duizend
nederlandsche ponden suiker te trekken. — Deze opgaaf, reeds vroe-
ger met al den ernst eener vaste overtuiging door ons gedaan, is alge-
meen beschouwd geworden als eene hersenschimmige overdrijving van
de hoop, die wij koesteren, van de verwachtingen, die wij ons voor-
stellen te zien bereiken door eene geleidelyke verbetering van het stelsel
van cultuur; en daar wy integendeel overtuigd zijn, dat wij ons volstrekt
niet met hersenschimmige verwachtingen misleiden, zullen wij thans de
gronden uiteenzetten, waarop deze waarheid, die wij naar onze meening
van dag tot dag meer bevestigd zien, steunt. — Doch eer wij overgaan
tot de uiteenzetting van die bewijsgronden, moeten wij verklaren, dat
w^, als wij bij dat punt opzettelijk stilstaan, geenszins geleid worden
door de ijdele begeerte, om dat feit hier als onomstootelijke waarheid
te verkondigen, alleenlijk ten einde ons naderhand de eer te kunnen
toeëigenen, dat wij de eersten zijn geweest door wie die waarheid ver-
kondigd is; nog minder is ons oogmerk om door eene uiteenzetting
van de redenen, die wij voor onze overtuiging hebben, ons slechts te
vrijwaren tegen de aantijgingen van hen, die ons misschien konden be-
schuldigen van ligtzinnigheid ; neen, ons doel is minder zelfzuchtig; en
het eenige dat wij beoogen is : de waarheid zoo duidelyk, zoo zonne-
klaar, zoo onwederlegbaar aan te toonen , dat alle planters zich gedron-
gen voelen, die aan te nemen, ten einde er voor hen zei ven de geze-
gende vruchten van te plukken.
Digitized by
Google
328
Tegenwoordig is de gemiddelde opbrengst aan suiker van een stuk
teelgrond, dat 13,42 hectaren oppervlakte beslaat, ongeveer vijf en
twintig duizend nederlandsche ponden suiker; dit is echter niet de hoe-
veelheid, die w^ by onze beschouwing tot maatstaf moeten nemen; w^
moeten als punt van vergelijking de hoogste opbrengst nemen, die door
velen beschouwd wordt als geheel buitengewoon, doch die wij zullen
kiezen als maatstaf; en na naauwkeurig al de omstandigheden te hebben
leeren kennen, waardoor de opbrengst voortgebragt wordt, zullen w^
die omstandigheden slechts in het aanz^n hebben te roepen, om die
opbrengst tot gewonen regel te maken. Menigeen weet, dat 13,42
hectaren nieuwen boschgrond in sommige streken van Cuba tot zeven
a acht duizend brooden suiker hebben opgeleverd; ontelbaar is de
menigte van hen, die kunnen getuigen, dat ze van de nieuwe bosch-
gronden in vele localiteiten v^f a zes duizend brooden suiker verkregen
hebben. Zien wij of zelfs deze opbrengst, voor velen onbereikbaar, niet
nog grooter had kunnen zyn, indien ze te werk waren gegaan volgens
de voorschriften der wetenschap. Het suikerriet werd in die nieuwe
boschgronden geplant, zonder al de vereischten behoorlijk in acht te
nemen: er werd niet altijd behoorligk gewied; het plantsoen ontving
alleenlyk dan besproeiing, wanneer er hemelwater viel, en der men-
schen vermogen kwam niet tusschenbeide om vochtigheid aan de plan-
ten toe te dienen, telkens als ze die noodig hadden; de rietstoelen, op
geringe afstanden van elkander geplaatst, en niet van stroo bevrijd,
konden niet tot hunne volle rijpheid komen, zoodat ze in hunne sappen
van zamengestelde hoedanigheid eene mindere hoeveelheid suiker inhiel-
den, dan ze onder gunstiger omstandigheden ingehouden zouden hebben.
Hieruit volgt dus, als wij een verstandiger stelsel van cultuur in toe-
passing hadden gebragt, dat wij dan ook noodwendig meer riet zouden
hebben verkregen, en dat dit meer suikergehalte zou hebben gehad.
Zien wij nu hoe de suiker uit de sappen werd getrokken. Het is zeer
wel mogelyk, dat de machine, die den molen in beweging moest bren-
gen, bestemd om de sappen uit het riet te persen, geen genoegzame
paardenkracht bezat, en ook dat de molen niet langzaam genoeg werkte
om de grootstmogelijke hoeveelheid sappen mt de weefsels der stengels
te persen (en men verlieze niet uit het oog, dat er tegenwoordig veel
Digitized by
Google
329
gewerkt wordt, uiet alleeu om tot eenf meer volkomene uitpersiug te
geraken, maar ook om minder sappen met de ampas mede te laten gaan) :
men bediende zich van jamaïcasche soikerpersen en van eene onvol-
komene defecatie, welk een en ander niet slechts onmogel^k maakte er
al de suiker uit te trekken, maar tevens een groot gedeelte van de
suiker bedierf. Door de klaring kreeg men dus eene aanzienlijke hoe-
veelheid melasse, die niet werd verwerkt om er al de suiker uit te
trekken, welke zij bevatte. Deze redenen nagaande, zal men gemakkel^k
tot de overtuiging komen, als men meer volkomene middelen ter cul-
tuur en sappen-verwerking aangewend had, dat dan ook de verkregene
hoeveelheid suiker veel grooter geweest, en in vele gevallen twee hon-
derd a twee honderd vijftig duizend nederiandsche ponden te boven
gegaan zou zyn; terwijl in de meeste gevallen die hoeveelheid als ge-
wone opbrengst zou hebben gegolden, en slechts in enkele weinige ge-
vallen minder zou zgn verkregen.
Maar men zal ons tegenwerpen: „Uwe redenering neemt tot punt
van uitgang de opbrengst van nieuwe boschgronden ^ de cultuur en sap-
pen-verwerking naar een verbeterd stelsel, en wij willen gelooven, dat,
al die „gunstige items" zamenwerkende, inderdaad de goede uitkom-
sten, die gij voorspiegelt, verkregen kunnen worden; maar de nieuwe
boschgronden worden spoedig oud, en na verloop van eenen zekeren
tijd levert dat zelfde stuk gronds, voor de derde of vierde maal be-
plant, niet meer op dan vijf en twintig duizend nederl. ponden suiker,
en na de tweede, derde of vierde snede verdwijnt het riet." Wy nemen
die tegenwerping gaaf als gegrond aan , en zullen nu aantoonen , dat
wij in staat zijn boschgronden voort te brengen, in menig geval veel
vruchtbaarder dan die, welke de natuur \)ns aanbiedt: tot dat einde zij
het ons vergund hier te herhalen wat wij reeds vroeger gezegd hebbeu
ten aanzien van de pas ontgonnene, pas van boschgroei ontdane gronden.
Al de landbouwers op Cuba stemmen hieromtrent overeen, dat pas
van boschgroei ontdane gronden doorgaans by uitstek vruchtbaar zyn;
en dit gevoelen is zoo algemeen, dat velen het ontginnen van bosch-
grond als het eenige en onfeilbare middel beschouwen, om ruime
oogsten te verkregen. Laatstbedoelden hebben wy menigmaal hooren
zeggen, dat het zaak is, „geen tijd te verspillen met het bebouwen
Digitized by
Google
;330
van oude, reeds beteeld gewekt zijnde gronden, en dat nieuwe öoscA-
gronden meer waard zijn, dan de beste op nieuw bemeste oude akkers";
zij zeggen ook : „ om de in verval z^nde opbrengst eener plantaadje te
herstellen en zelfs te vermeerderen, om de plantaadje op te beuren^ is
het een onmisbaar vereischte nieuwe boschgronden in cultuur te brengen."
Wij erkennen gaarne de onwedersprekelijke vruchtbaarheid der nieuwe
boschgronden , welker weligen plantengroei wy meer dan eens hebben
bewonderd ; en juist van dat punt uitgaande , wenschen wij eenige rede-
nen in het midden te brengen, die pleiten moeten voor de verbeterde
cultuur. — De nieuwe boschgronden , zoo vruchtbaar in het begin, ver-
liezen na verloop van een zeker getal jaren, in meerdere of mindere
mate hun voortbrengend vermogen; en het riet, dat op die akkers ge-
teeld wordt, ontwikkelt zich dan nog slechts met eene groeikracht,
geëvenredigd aan de verarming van den grond. — Wij herinneren ons,
dat wij eens een onzer vrienden hebben hooren klagen over dit ver-
schijnsel , daar zijne nieuwe boschgronden het eerste jaar een buitenge-
woon goeden oogst hadden opgeleverd , terwijl ze , voor den tweeden of
derden keer beplant, het grootste gedeelte van hunne vruchtbaarh^
verloren hadden en voor de suiker-cultuur in alle opzigten ongeschÉi^
bleken te zijn.
Welk onderscheid kan er bestaan in den zelfden grond, bescbouwd
op twee verschillende tijdstippen? Is het misschien , dat hy eene verbor-
gen liggende vruchtbaarheid bezit, die te voorschijn treedt zoodra men
hem ontdaan heeft van boschgroei? Moet hij die vruchtbaarheid nood-
wendig hebben uit zijnen aard? Welke zelfstandigheden bevat de grond
aanvankelijk, die hy later in meerdere of mindere mate verliest? — Als
men de zaak onbevooroordeeld beschouwt, zal men zien, dat de vrucht-
baarheid der nieuwe boschgronden hoofdzakelyk het gevolg is van de
aanzienlijke hoeveelheid voedende stoffen, die hij bevat, en die door
hunnen wéldadigen invloed, door hunne overwegende en heilzame wer^
king, veeltyds in staat zijn de schadelijke uitwerkselen te verbergen, of
juister gezegd, onopgemerkt te doen blijven, welke te weeg gebragt
worden door andere zelfstandigheden, die voor de suikerriet-cultuur
nadeelig z\jn, en die later haren invloed vrij en onbelemmerd zullen
doen gevoelen; alsdan blykt het, dat de grond drassig is of dor, dat
Digitized by
Google
n;5i
ssijne bovenlaag teel-aarde slechts eene geringe dikte heeft, dat zijn
ondergrond weinig geschiktheid bezit, enz., enz., terwijl al deze nadee-
lige hoedanigheden, ofschoon ze altijd bestaan hebben, in den beginne
onopgemerkt zijn gebleven door de groote vruchtbaarheid van den pas
oni^onnen nieuwen bosehgrond. Met andere woorden, w^ stellen ons
teyreden met de opbrengst onzer nieuwe boschgronden , zonder te vra-
gen, of die opbrengst niet welligt nog grooter konde zijn.
Als de deugd der nieuwe boschgronden gelegen is in den overvloed
▼an meststof, daarin aanwezig, is het dan niet mogel^k de aanvanke-
lijke vruchtbaarheid te herstellen, door den grond terug te brengen in
den staat, waarin hij zich bevond, toen hij pas van boschgroei ontdaan
was? — De in de nieuwe boschgronden aanwezige meststoffen bestaan
in afval-mest en in eene ruime hoeveelheid zouten, die het gevolg zyn
van het tot asch verbranden van de boomen; zouten — het zij in het
voorbijgaan gezegd — die zeer oplosbaar en van alkalischen aard z^n,
daar ze voortkomen van bladeren, takken, jonge boomen, enz.
Wanneer wij de zelfde stoffen in de zelfde hoeveelheid aan den grond
toevoegen, en die behoorlijk gelykmatig daarin verdeelen, zullen wij
ons doel bereikt hebben; maar zulk een resultaat zou in de meeste
gevfillen al zeer weinig in overeenstemming zijn met den trap van voor-
uitgang, dien onze landbouw bereikt heeft. — De verbeterde cultuur
stelt zich wel juist ten doel de oorzaken van vruchtbaarheid, zooals die
in de nieuwe boschgronden aanwezig zijn , te herstellen ; maar z^ streeft
te gelijk naar nog betere resultaten, want hare taak is niet slechts om
den grond met eene genoegzame hoeveelheid meststof te verrijken, maar
tevens om zijnen aard geheel te herscheppen , door de middelen ter ver-
betering in dier voege aan te brengen , dat ze , elkander ondersteunende
en in wederkeerig verband, strekken om een duurzaam evenwigt in het
aanzijn te roepen, waardoor men het maidmum van opbrengst zal er-
langen. — Het maximum van meststoffen is slechts een der deelen van
het algemeene stelsel van landbouwkundige verbeteringen, en de be-
oogde voordeelen zijn niet volkomen te bereiken , wanneer er geen an-
dere omstandigheden medewerken, om den plantengroei te begunstigen.
Wij zullen deze denkbeelden kortelijk -toelichten.
De natuur verschaft ons tot model eenen grond, meest geschikt voor
Digitized by
Google
332
elke cultuur iu een bepaald klimaat; daarbij heefi zij ons toegerust met
het noodige verstand, om door middel van landhuishoudkundige naspo-
ringen te kunnen onderscheiden uit welke bestanddeelen die model-
grond is zamengesteld; later, door de ondervinding en door vergel^king
van nieuwe opmerkingen, komen wij tot de juiste waardering van den
invloed van al die bestanddeelen, elk afsonderlyk en in wederkeerig
verband met elkander.
Welnu: de verbeterde cultuur streeft er naar, dien model-grond weder te
geven of althans nabij te komen, tot punt van uitgang nemende den
grond, dien zij ter harer beschikking heeft, en waarvan zy de normale toe-
standen wyzigt, ten einde zoodanigen grond te erlangen als men wenscht
te hebben. Niemand zal beweren , dat alle nieuwe boschgronden even
gunstige resultaten opleveren; iedereen weet, dat ontgonnen wordende
gronden niet allen even vruchtbaar zijn; er bestaat een in het oog loo-
pend onderscheid tusschen hen: dus, om het eens zoo te noemen, de
ziel der gronden is verschillend; en als ze aanvankelyk eenige punten
van overeenkomst met elkander hebben, is dat, doordien bij allen één
gemeenschappelijk bestanddeel overwegend is (namelijk: meststof). De
verbeterde cultuur stelt zich ten doel om den slechtsten grond, dien
men zich denken kan, te herscheppen in eenen grond, zoo vruchtbaar
en deugdzaam, als in de vruchtbaarste streken een pas-ontgonnen bosch-
grond met mogelijkheid wezen kan. En dit resultaat, tot welken prys
wordt dat verkregen ? Voorzeker met minder kosten , dan noodig zijn om
eeneu natuurlijken boschgrond te ontginnen, welks vruchtbaarheid altyd
slechts van zeer voorbygaanden aard is , terwijl de kumimatige boBchgrond
langer stand houdt en volkomen vruchtbaar is. Daarby moet ook
in aanmerking worden genomen , dat de arbeid op gronden ,* die ge-
heel vrij zijn van boomtronken, minder kostbaar is, doordien men op
zulke gronden partij kan trekken van landbou w-werktuigen, enz. Wij
moeten overigens ook letten op de algemeene en plaatselyke nadeelen,
welke met betrekking tot het klimaat en de gezondheidstoestanden door
het wegruimen van bosschen worden te weeg gebragt.
Zoodra de hier door ons ontwikkelde denkbeelden door de planters
op Cuba omhelsd en op de cultuur hunner gronden toegepast zullen
worden, zal onze suiker-opbrengst in onberekenbare mate toenemen;
Digitized by
Google
isii
want vele stukken lands zullen dan met min of meer arbeid meer pro'
dakt opleveren, dan de vruchtbaarste nieuwe boschgronden ; anderen
zullen eenen oogst geven, die voor het minst daarmede gelijkstaat;
en slechts zeer weinige akkers, eindelyk, zullen niet in staat zyn dat
maximum van opbrengst te bereiken, maar zullen toch alt^d zooveel
opleveren, dat de vergelijking van hunne opbrengst met die van een
nieuwen boschgrond nooit anders oplevert dan een verschil in hun voor-
deel. Deze denkbeelden hebben wij uitvoeriger ontwikkeld, toen wij ge-
handeld hebben over het nut om eenheid en zamenhang te brengen in
de landhuishoudkundige verbeteringen, door die toe te passen gelijktij-
dig en in de juist vereischte mate.
Maar, zal men ons eindelijk tegenwerpen, dat klinkt alles goed en
wel; doch hoe kunnen zulke doortastende verbeteringen tot stand wor-
den gebragt? Hoe kunnen dergel^ke mirakelen tot stand komen op het
gebied der werkelykheid? Ons antwoord is dood-eenvoudig : door de na-
tuur na te bootsen! Maak tot dat einde de bovenlaag teel-aarde * dik-
ker, bijaldien di^ niet de noodige dikte heeft; voorzie den grond van
eene behoorlijke waterlozing door middel van draineerbuizen ; verbeter
de physieke eigenschappen van den grond, wijzig zijne chemische za-
menstelling; breek den ondergrond, of vermeng zijne bestanddeelen, als
dat noodig is, met den grond zei ven; en zoo al meer. Daarna zult gij
het riet slechts te planten en te kweeken hebben met inachtneming
van z^'ne bijzondere geaardheid en van de voorschriften der weten-
schap. En eindelijk zult gij u hebben te bedienen van de verbeterde
werktuigen, om de suiker uit het rietsap te trekken; ga daarmede zoo
lang voort, totdat de stroop eigentlyk niets anders meer bevat, dan al-
kaliën en andere stoffen. Als men op die wijze te werk gaat, zal men
kunstmatige boschgronden erlangen, die ruimer in opbrengst zijn dan
'de natuurlijke, en wij zullen tot de overtuiging komen, dat het min-
der kostbaar en meer voordeel-gevend is oude gronden te verbeteren ,
dan nieuwe gronden te ontginnen.
En men wane niet, dat al wat wij hier hebben medegedeeld, slechts
redenering is en theorie : wij hebben het alles in praktijk gebragt en
bij ondervinding. — Een klein stuk gronds, met riet beplant en in
cultuur gehouden met inachtneming van al de opgesomde vereischten,
Digitized by
Google
.134
leverde oas zulk eene hoeveelheid suiker , dat wij , daarnaar eeaen akker
van 13,42 hectaren berekenende, eene opbrengst erlangden van ver
over de duizend canasters. — Maar, zal men ons tegenwerpen, eenige
weinige roeden gronds in cultuur te hebben, is geheel iets anders dan
ruim acht honderd hectaren te betelen : waar zou men de noodige mest-
stoffen moeten vinden, om in de behoeften van zooveel gronden te
voorzien? — Hierop zullen wij antwoorden, dat wij, het woord „waar"
ia zyne natuurlijke beteekenis nemende, werkelyk niet weten waar ruim
acht honderd hectaren gronds in cultuur zyn : wel wordt er op die uit-
gestrektheid eenig suikerriet geteeld, maar niet zoo, dat men zeggen
kan, dat die uitgestrektheid werkelijk geheel in cultuur is. En wanneer
nu een akker van circa 13^ hectaren in het vervolg zooveel kan op-
brengen, als tegenwoordig wordt opgebragt door tien zulke akkers te
zamen, dan zouden de kosten van bemesting, hoe aanzienlek die ook
mogen schijnen, toch ruimschoots worden opgewogen door de voordee-
len 'eener zoo onvergelëkelijk ruimere opbrengt. — Doch dit laatste
punt vereischt eene meer uitvoerige uiteenzetting, dan wij in staat zijn
hier daarvan te geven. — Ten slotte durven wij verzekeren , zoodra onze
riet-akkers naar eisch behandeld worden, dat men dan als totaal on-
bruikbare gronden zal beschouwen zoodanige akkers, die per 13,42
hectaren oppervlakte niet meer suiker opleveren dan slechts vijf en
twintig duizend nederlandsche ponden (met andere woorden, voor de
suikerplanters op Java : gronden die niet meer opleveren dan p. m. 21
pikols per bouw); zullende alsdan de gemiddelde opbrengst yan zooda-
nige oppervlakte bedragen op zyn minst honderd duizend nederlandsche
ponden , doch hoogst waarschijnlijk nog veel meer.
Digitized by
Google
ALOEMEENE BESCHOVWINOEN AANGAANDE
DE CULTUUR VAN HET SITIKERRIET.
Het nut om eenheid en zamenhang te brengen in de land-
bouwkundige VEEBETBRINGEN, DOOR ZE TE BEWERKSTELLIGEN GELIJK-
TIJDIG EN IN DE JUISTE MATE. — Het leven der planten, hare natuur-
lijke ontwikkeling hangt af van eenen-zamenloop van omstandigheden,
die, elkander wederkeerig ondersteunende, bevorderende en wijzigende,
zamenwerken om het eind-resultaat te weeg te brengen : dit is dus het
einddoel van de werkzaamheid en van de reactiën van verschillende ver-
anderlijke factoren, die, ter geschikter tijd en in de juiste mate aanwezig,
het/lalgemeene uitwerksel te weeg brengen. Even als het leven van het
dier onderhouden wordt door eene harmonische zamenwerking van func-
tiën, die zekere bijzondere vereischten noodig hebben om werkzaam te
zijn; even als het gebrek aan evenwigt tusschen die vereischten —
hetzy ze te veel, te weinig of niet goed aanwezig zijn — storingen
veroorzaakt in het dierlijk organismus: zoo vorderen ook de planten, om
zich te ontwikkelen , een zamenloop van omstandigheden , die , by een
harmonisch evenwigt in hare onderscheidene en wederkeerige werkingen,
uitloopen op het natuurlijke resultaat.
De kunde, de bekwaamheid en het doorzigt van den landbouwer be-
staat hierin, dat hy de wederkeerige betrekkingen weet te bepalen,
waarin de omstandigheden tot elkander staan, die moeten zamenwer-
ken niet alleen om eenen model-grond te verschaffen, die meest ge-
schikt is voor elke met een bepaald doel ondernomen Avordende cul-
tuur in een bepaald klimaat , tot welk einde al de bestanddeelen, waar-
uit zoodanige model-grond zamengesteld moet zijn , in zynen grond in
het aanzijn moeten worden geroepen; maar hij moet tevens de voort-
Digitized by
Google
iu
brengende kracht van dien grond opwekken tot den hoogstmogeljjken
graad. Het punt van uitgang is dus, zich omtrent den aard van den
grond te vergewissen, door middel van verschillende, menigvuldige en
vergelijkende waarnemingen, bevestigd door alle noodige tot dat einde
in het werk gestelde proefnemingen , te vergelyken met al de vereischten
van den bevorens als type vastgestelden modelgrond, en zoodoende de
middelen op te sporen , waarvan men zich te bedienen heeft om den
eigen grond geheel óf zooveel doenlijk aan dien model-grond gelgk te
maken. — Daar het van de oorspronkel^ke gesteldheid van den grond
afhangt, in welke mate ieder middel ter verbetering daarop moet wor-
den aangewend, spreekt het ook van zelh, dat de uitgebreidheid der
veranderingen, die men hem zal laten ondergaan, geheel afhangt van
de eigenschappen, die hg uit zich zei ven bezit; zoodat het, wanneer
deze of gene bepaalde hoedanigheid reeds daarin aanwezig is, onnoodig
zal z^n de middelen aan te wenden , om die hoedanigheid te weeg te
brengen , zullende men alsdan slechts hebben te zorgen , dat die hoe-
danigheid in wezen blijve en niet door de cultuur geheel of ten deelc
verloren ga.
Elke bewerking, die in de praktyk van den landbouw verrigt wordt,
heeft hare bijzondere, noodwendige, zeer bepaalde en onviïiaajkriyke
gevolgen; en by het verrigten van zoodanige bewerking wenscheft wjj
daardoor de vooruitberekende resultaten te bereiken ; maar om die tcsal-
laten te erlangen in hunne volste uitgebreidheid, is de medewerking
noodig van andere omstandigheden , die , zoo ze niet bestaan , in het
aanzijn moeten worden geroepen; bovendien, al worden al de verbete-
ringen gezamentlijk aangebragt, is het duidelyk, dat ze geen bestendig
resultaat zullen opleveren, indien ze niet aangebragt worden in behoor^
lijke evenredigheid tot elkander. Dus , wy herhalen het , de omstandig-
heden der cultuur hangen niet af van eene enkele en op zich zelve
staande bewerking; ze zijn het uitvloeisel van eenen zamenloop van ver*
schillende bestanddeelen , en om het gewenschte evenwigt te verkrygen
is het dringend noodig al de verbeteringen te doen zamengaan en in
onderling verband te brengen, opdat ze, elkander wederkeerig wyzi*
gende, een algemeen resultaat voortbrengen. Nog sterker: elke bewer*
king , die in zekeren graad nuttig is , wanneer zij gepaard gaat met en
Digitized by
Google
337
ondersteund wordt door meer andere bewerkingen, is nutteloos, vruch-
teloos en in menig geval zelfs nadeelig , wanneer zij in toepassing ge-
bragt wordt geheel op zich zelve en van alle andere bewerkingen afge-
scheiden.
Wij willen deze algemeene denkbeelden nog kortelijk toelichten.
In de harmonische eenheid , het eind-geheel van zoo vele verschillende
middelen, die onderling en wederkeerig door elkander worden gewij-
zigd, en allen worden aangewend om eenen beteren teelgrond f e erlan-
gen, bekleedt eene eerste plaats de drooglegging of drainage, die,
hoezeer hare eigenaardige en zeer bepaalde uitwerkselen te weeg bren-
gende , toch , om die volkomen en met het grootstmogelijke nut te weeg
te brengen, de medewerking behoeft van andere byzonderheden, welke,
om op hare beurt al hare eigenaardige gevolgen te kunnen opleveren,
de ondersteuning noodig hebben van het draineer-stelsel. Met andere
woorden: die bewerking, afzonderlijk en afgescheiden van al de overigen
toegepast , levert nadeelen op , of althans niet bestendig al de voordee-
len , die daarvan te trekken zijn : men moet haar vereenigen met andere
praktische verbeter-middelen , die , behalve dat ze de voordeden van het
draineer-stelsel te weeg brengen en bevorderen , tevens in dat stelsel
een magtigen steun en bondgenoot vinden om hunne eigene uitwerkselen
te weeg te kunnen brengen.
Wij hebben de voordeden doen kennen , die door middel van drainage
verkregen worden ; doch daar die voordeden ondergeschikt zyn aan den
aard van den grond , is het , om ze in de ruimste mate te verkrygen ,
noodig, den grond in den geschiktst-mogelyken toestand te brengen,
zoo hij niet uit zijnen aard al de gewenschte hoedanigheden in zich
veriBenigt ; vandaar het nut om de physieke eigenschappen van den grond
te wijzigen door middel van de correctiven, op zijne chemische zamen-
stelling te werken met de gepaste mestspeciën , den grond te bewerken
tot op eene behoorlijke diepte , den ondergrond los te maken , den akker
te besproeijen , enz. — Sommige landbouwers , die de werking van het
draineer-stelsel hebben gadegeslagen op bepaalde gronden, zyn tot de
bevinding gekomen, dat het losmaken van den ondergrond van geenerlei
invloed of nut was met betrekking tot de uitwerkselen der drainage;
doch in dusdanige gevallen hadden die opmerkers moeten erkennen en
Digitized by
Google
d88
verklaren , dat de ondergrond geen voorafgaande bewerking noodig had.
Het is niet genoeg den grond een enkelen keer vmchtbaar te maken ,
door hem te onderwerpen aan al de vereischte bewerkingen: daar b^
soodanige behandeling van den grond de planten meer voedingstoffen
opslurpen , en daar overigens de planten door andere oorzaken (invloed
van de speling der lucht , doorzypeling van het water, enz.) meer onder-
hevig zyn om in verval te geraken, is het noodig de vruchtbaarheid te
onderhouden , door alle vermindering daarvan aan te vullen en de har-
monie te herstellen tusschen al de afwisselende b\izonderheden , aan
welke te zamen de vruchtbaarheid haar ontstaan te danken heeft.
Met de bewerkingen van den grond is het eveneens gesteld als met
de drainage; afzonderlijk in toepassing gebragt, eindigen ze met na
verloop van eenigen tijd den grond onvruchtbaar Ie maken, wanneer
men dat niet door de aanwending van mestspeciën , correctiven , enz. ,
in tyds verhoedt; de drainage is op hare beurt de bondgenoote
van de verschillende grondbewerkingen. Deze bewerkingen toch, indien
ze niet ondersteund worden door de drainage^ worden veelal niet
volbragt met de noodige volkomenheid, in sommige gevallen brengen
ze niet al hare resultaten te weeg, en onder alle omstandigheden
kunnen ze niet gedurende zulk een lang tijdvak haren invloed uit-
oefenen op eenen grond, die niet aanhoudend onderworpen is aan andere
gunstige invloeden.
Yan de mestspeciën wordt niet volkomen party getrokken , indien niet
de overige omstandigheden medewerken ter bevordering van den plan-
tengroei en van de reactiën, die de mest ondergaan moet om opgeslurpt
te kunnen worden; de mest kan te loor gaan zonder al hare uitweri^*
selen te weeg te brengen; derhalve is het ook niet dienstig, de bemes-
ting a£zonderlijk aan te wenden.
De physieke eigenschappen van den grond kunnen niet gewgzigd
worden, indien niet de waterlozing, de besproeying en de bewerking
van den grond volkomen plaats heeft; en alle daarin (hoe verstandiglyk
dan ook) aangebragte wijziging zou toch niet baten , indien niet tevens
de voedingstoffen in den grond aangebragt, en te gelijk alle andere
omstandigheden in het aanzyn wierden geroepen, die dienstig zyn om
de opslurping der voedingstoffen te bevorderen. Bovendien kannen die
Digitized by
Google
S89
zelfde eigenschappen , naar behooren gewijzigd , de verarming of uitput-
ting van den grond te weeg brengen door de overmatige weelderigheid
van den plantengroei , welke niet slechts opwekking in de functiën der
planten vooronderstelt, maar tevens, dat de planten eene grootere hoe-
veelheid voedende stoffen ontvangen, die, byaldien alleen de grond ze
verschaft, zonder dat ze daarin hersteld worden, moeten eindigen met
uitgeput te geraken. Het is aan iedereen bekend, dat de uitsluitende
aanwending van mergel , zonder de ondersteun'ng van mestspeciën , enz. ,
op den langen duur zelfs de allervruchtbaarste gronden van hunne
vruchtbaarheid berooft; vandaar het spreekwoord: „de mergel maakt
de vaders rijk en de kinderen arm". Waar wy over den mergel hebben
gehandeld, hebben wy aangetoond, dat hy, behalve als correctief , ook
kan worden aangewend als eene kalkachtige mestspecie , die werkzaam
is op zich zelve en door reactiën, wfelke zij te weeg brengt door in
aanraking te komen met de bestanddeelen van den grond.
Wat zou het baten eenen grond te besproeyen , indien het water niet
door de aardlagen kon doordringen , en zich vryëlyk bewegen om de
bedorven lucht te verwyderen , al de bestanddeelen van den grond te
bevochtigen , de indringing van versche lucht in de poriën van den
grond te bevorderen , ettelyke reactiën te weeg te brengen of te begun-
stigen, en de voor den plantengroei dienstige stoffen door al de be-
standdeelen van den grond te verspreiden ? Wanneer niet al de omstan-
digheden medewerkten om den plantengroei te begunstigen, is het
zonneklaar, dat de kunstmatige besproeijingen of de regens in vele
gevallen niets anders zouden doen dan den grond afspoelen, en eindi-
gen met hem geheel van zyne bovenlaag teel aarde te berooven; onge-
rekend dat op vruchtbare en goed zamengestelde gronden de besproeying,
aangewend als eenig en uitsluitend landbouwkundig hulpmiddel, eindigen
zou met den grond geheel en al onvruchtbaar te maken.
Om kort te gaan, al de landbouwkundige verbeteringen moeten in
toepassing worden gebragt gezamentlijk ; allen moeten aangewend wor-
den in de juiste mate , zoodat de resultaten , die ze elk in het bijzonder
te weeg brengen , zamenstemmen , om op duurzame wyze het gewenschte
evenwigt tot stand te brengen. De betrekkelijke verhouding, waarin al
deze verbeter-middelen tot elkander staan en elk in het byzonder het
Digitized by
Google
S4ü
zijue bijdrageude tot het eindresultaat, en daaraan zijn eigenaardig
karakter bijzettende, maakt die of die bepaalde verhouding bgzonder
geschikt onder een gegeven klimaat voor die of die plant , die in hare
weefsels een bepaald produkt bewerkt. De verbetermiddelen moeten dus
elk in het bijzonder en in evenredigheid tot elkander worden aangewend
in zoodanige mate, als juist overeenstemt met den bijzonderen aard
der planten , met de bijzondere rigting , die wy aan hare functiën wen-
schen te geven, en met de algemeene eigenschappen van den grond
en van het klimaat; maar op alle manieren is het in alle omstandig-
heden noodig in de juiste mate al de verbeter-middelen te doen zamen-
werken, als daar zijn: de voorloopige bewerking of gereedmaking van
den grond, de diepgaande bewerking of het ploegen, het losmaken
van den ondergrond, de correctiven, de vaste mestspeciën, het dikker-
maken van de bovenlaag teel-aarde, de drainage in verband met de
besproeying en met de aanwending, van vloeibare mest; in een woord,
al de verbeter-middelen, welke de hedendaagsche wetenschap aanbeveelt
om tot het maximum van voortbrenging te geraken, want elk dier
middelen op zich zei ven is in meerderen of minderen graad , hetzij regt-
streeks of zijdelings, een aanvulsel of onmisbaar vereischte van al de
overigen. — Al wat wij hier gezegd hebben betreffende de bewerkin-
gen , die noodig zijn , ten einde de gronden geschikt en gereed te maken
om beplant te worden, moet ook worden uitgestrekt tot de verdere
werkzaamheden en verrigtingen, die onmisbaar zyn om eene spoedige
en natuurlijke ontwikkeling der planten te weeg te brengen, dat wil
zeggen tot de zorgen der cultuur , of met andere woorden tot die ver-
rigtingen, die de planten vereischen om welig te kunnen opgroeien
tot haren vollen wasdom.
Veeband tüsschen de toestanden van het kümaat, den' aard
DER PLANT, EN DE VEREiscHTEN DER CULTUUR. — Wij hebben alle be-
toogredenen willen aanvoeren om te bewijzen, hoe noodzakelyk het is
onze akkers goed te betelen: tot dat einde hebben wy al de voorschriften
opgesomd y die ons dienstig toeschenen om het doel te verwezentlyken ,
dat wij ons voorgesteld hadden te bereiken.
Thans gaan mj eene nieuwe reeks van betoogredenen doorlóopen en
Digitized by
Google
fHl
in beschouwing nemen, om te doen zien^ hoe men onder de tropische
hemelstreken, waar aanhoudend lente heerscht, en waar de functiën
van den plantengroei nimmer eenige storing ondervinden, of juister ge-
zegd moeten ondervinden , noodwendig alle vereischte zorg aan de cultuur
moet besteden, meer dan onder andere hemelstreken , daar in het tegen-
overgestelde geval noodwendig groote nadeelen het gevolg daarvan zullen
worden. Met de woorden „ alle vereischte zorg aan de cultuur besteden"
willen wij eigentlijk zeggen, dat op het juiste tijdstip en in de behoor-
lijke mate al de verschillende bijzonderheden moeten worden in acht
genomen, die elk op zich zelve en in haar wederkeerig verband moeten
zamenwerken om dien volledigen zamenloop van omstandigheden in het
aanzijn te roepen , die de planten in staat stelt al hare functiën naar
behooren te verrigten, ten einde zoodanige produkten voort te brengen,
als haar organismus geroepen is voort te brengen.
Het bijzondere onderzoek , door ons in het werk gesteld betreffende
elke soort van cultuur, zal ons, wanneer wij al die bijzondere denk-
beelden en feiten toepassen in het algemeen, in staat stellen om te
beoordeelen in hoeverre de omstandigheden, die op alle soorten van
cultuur gelijkelijk van toepassing zyn, alle overige afwisselende en
telkens gewijzigd voorkomende omstandigheden van zich afhankelijk
maken en beheerschen.
Om dit onderzoek te volbrengen , zullen wij beginnen met na te
gaan, welke invloed op de planten wordt uitgeoefend door de onver-
anderlijke eigenschappen van ons klimaat (warmte en licht), en daarnaar
zullen wij bepalen , hoe wij de bijkomende en ondergeschikte eigen-
schappen (vochtigheid, gesteldheid van den grond, enz) hebben te
wijzigen, ten einde die in harmonie te brengen met de oorzaken,
welke altijd hare gevolgen te weeg brengen : met andere woorden ,
wij willen den overwegenden en onvermijdelijken invloed nagaan van de
steeds-aanwezige eigenschappen, die haren invloed altijd op de planten
uitoefenen; en als wij eerst dien invloed in zijn geheel hebben leeren
kennen , zal het ons weinig moeite kosten om op te sporen , hoe de
slechts tijdelijk of toevallig aanwezige toestanden gewyzigd behooren te
worden, opdat uit eene volkomene harmonie van al die verschillende
invloeden het meestmogelijke nut en voordeel kunne worden getrokken.
Digitized by
Google
Ui
De byzonderbeden , die alle tropisebe gewesten kenmerken, zijn:
aanbondende warmte. Hebt en vocbtigbeid, en al de nitvloeiselen van
deze drie boofdtrekken , elk in bet bijzonder en allen gezamentlijk ge-
wijzigd door andere omstandigbeden en toestanden. — De zware regens,
die meer of minder veelvuldig vallen, vooral op bepaalde tijdstippen
des jaars, dringen door in de aarde; daar wordt dat water gedeeltelijk
teruggebouden door de eigenscbappen van den grond , en in zekere
mate ook door bet lommer der boomen. Op die w^ze bebonden
de bosscben altijd eene vocbtigbeid, die ben doet leven. — Zoo is
de staat van zaken op bet oogenblik, waarop de menscb bezit
neemt van den grond, om daarin verscbillende planten te telen: tot dat
einde ruimt bij den boscbgroei weg , en zoodoende beeft bij over eenen
grond te besebikken , die , welke ook de eigentlijke , wezentlijke geaard-
beid daarvan zijn moge, op dat oogenblik zulk eene boeveelbeid'vrucbt-
baarmakende stoffen in zicb bevat, dat al de mingunstige of ongunstige
eigenscbappen, die er welligt in aanwezig zijn, daardoor, om bet eens
zoo te noemen , gemaskerd en verborgen worden.
Gedurende dit eerste tijdvak geniet de landbouwer al de voordeelen
van de weldadige regens en van de vocbtigbeid van den grond, die wij
slecbts willen doen afhangen van de overvloedige meststoffen: er ver-
loopen eenige jaren , de aanvankelyke vruchtbaarheid wordt van liever-
lede minder; de ongunstige eigenscbappen van den grond, gesteld dat
er zulke aanwezig zyn , blijven niet langer verborgen , maar doen reeds
baren nadeeligen invloed gevoelen ; de regens beginnen te venmn deren
en worden meer of min ongeregeld , ten gevolge van de opruiming der
bosscben: zoodat de landbouwer eindelijk niets anders overhoudt dan
eenen grond , die meer of minder vruchtbaar en geschikt is voor de
verschillende soorten van cultuur, en de verschijnselen eener vocbtig-
beid, die afhankelijk is van de eigenschappen van den grond en van de
onregelmatigheid der regens. Bij slot van rekening is het eenige, dat
van de aanvankelyke gesteldheid van het tropische klimaat over is ge-
bleven, de warmte en het licht, twee krachten, die, daar ze niet meer
zoo als vroeger in staat zyn eene groote levens-werkzaambeid op te
wekken en Ie onderhouden , doordien ze niet meer ondersteund worden
door de overige noodwendige vereièchten , nu integendeel in meerderen
Digitized by
Google
343
of minderen graad eenen schadelijken invloed kannen uitoefenen op den
plantengroei.
Het licht en de warmte verhoogen de werkzaamheid der wortels om
de in den grond aanwezige sappen op te slurpen, en veroorzaken de
verdamping der vochten door al de zich boven den grond bevindende
gedeelten der plant: onder den invloed van het licht, heeft de ontleding
van het koolzuur plaats door de groene organen. Beide vloeistoffen wek-
ken al de functiën der plant op, die door beider weldadigen invloed
volkomen verrigt worden in den hoogsten graad. Wij zullen nog meer
zeggen: hetzij uithoofde van de algemeene werking op al de functiën
der plant, of uithoofde van de bijzondere werking op die functiën, die
inzonderheid belast zijn met de taak om de suiker te bereiden, of wel
uithoofde van de beide redenen, zooveel is zeker, dat de twee genoemde
krachten hoofdvereischten zijn voor de Suikervorming in de weefsels der
netplant.
Uit deze groote opwekkende kracht, die door de genoemde vloeistof-
fen aan de geheele huishouding van het plantenleven wordt medege-
deeld, is het gevolg, dat, daar de wortels der planten meer sappen
inzuigen, de planten zelven meer vochtdeelen uitdampen, het koolzuur
beter en in grootere hoeveelheid ontleed wordt, de planten eene groo-
tere hoeveelheid voedingstoffen, en vooral vochtigheid noodig hebben,
opdat, wanneer alles zich in de juist vereischte maat en evenredigheid
bevindt, de integriteit van het organismus in stand blijve, al de func-
tiën der plant in werking blijven , en verrigt worden in zoodanige mate ,
als overeenstemt met alle omstandigheden , elk in het bijzonder. In het
tegenovergestelde geval zijn de planten meer onderhevig aan het gevaar
te verdorren , veranderingen te ondergaan in hare weefsels , en zoodoende
ontstaat er afwijking en storing in de verrigting van hare functiën.
Uit alles wat wij hebben aangevoerd volgt, dat het, om onder de
tropische hemelstreken partij te trekken van de twee weldadige krach-
ten, die daar aanhoudend werkzaam zijn, noodig is juist te weten, hoe
in den hoogsten graad aan de planten al de vereischten te verschaffen ,
die zamenwerkend aanwezig moeten zijn in den grond, en die, welke
in acht te nemen zijn bij de aan het plantsoen bestede zorgen gedu-
rende de onderscheidene tijdperken van zijne ontwikkeling. Onder de
Digitized by
Google
u\
bedoelde hemelstreken is het dringend noodig , in hoogere mate de phy-
sieke eigenschappen van den grond te verbeteren, en zooveel maar im-
mer doenlijk, naar gelang van de behoefte, de chemische zamenstelling
te wijzigen, goed te planten, te wieden, te besproeijjen, enz. Als deze
heilzame beginselen gevolgd worden , is er geen klimaat zoo geschikt
als dat van Cuba, om ruime oogsten op te leveren; en geleid door de
voorschriften der wetenschap, zal men daar resultaten verkrggen, zoo
uitermate gunstig, dat wij die op dit oogenblik bijjna niet zouden dur-
ven voorspellen, daar iedereen waarschijnlyk onze woorden zou bestem-
pelen met den naam van vrome wenscken.
Bij de opwekkende werking van licht en warmte, met betrekking tot
hunnen regtstreekschen invloed op de planten, moeten wij, als oorzaken
die medewerken tot het zelfde einde, de kracht der reactiën voegen, die
plaats grepen tusschen de elementen van de lucht en van den grond;
de snellere en diepere oxydatiën; de nitrificatie; de vrijmaking van de
werkelooze bestanddeelen, enz.; de vormbg van salpeterzure ammoniak
in den dampkring gedurende onweders, en misschien altijd op geringere
schaal. Al deze daadzaken bewijzen, hoe gunstig in deze hemelstreken
al de toestanden werkzaam zijn voor de ontwikkeling van het plan-
tenleven.
Gesteld dat er geen verandering hoegenaamd plaats grijpt in de toe-
standen, welke het tropische klimaat vormen; aangenomen dat warmte,
licht en vochtigheid steeds aanwezig blijven in de juist vereischte even-
redigheid, waarin ze aanvankelijk werden aangetroffen, dan is het ontwij-
felbaar , dat de grond niet alleen spoediger uitgeput zou geraken door over-
matige weligheid van den plantengroei , maar dat ook ieder, om het even
welk, gebrek in de gesteldheid van den grond en in de bijzonderheden
der cultuur zou blijken de grootste nadeden te weeg te brengen. Hoe
grooter in den landbouw de krachten, die werkzaam zijn, des te in het
oog loopender het ontbreken of het gebrekkig-zyn van de overigen, die,
vereenigd met de anderen, welke haren invloed doen gelden, moesten
zamenwerken om den zamenloop van gunstige omstandigheden in het
aanzijn te roepen. — Deze daadzaak zal men niet anders helder en
duidelijk begrijpen, dan door middel van vei-ge^jkende proefnemingen:
in de meeste gevallen, wanneer zekere gunstige omstandigheden zich
Digitized by
Google
.345
overwegend doen gevoelen, zijn de daardoor verkregen wordende resul-
taten van dien aard, dat de afwezigheid der overige omstandigheden in
het geheel niet kan worden opgemerkt.
Wij weten wel, dat sommige schrijvers een geheel tegenovergesteld
gevoelen voorstaan. „ Daar in warme landen de assimilatie van het kool-
zuur door de bladeren der planten zeer werkzaam is , zeggen zg , is
het min of meer onnoodig ze van bemesting te voorzien." Ze voeren
ook aan, „dat de graangewassen een ruimeren oogst opleveren, en
zich tevreden stellen met gronden van mindere vruchtbaarheid." Deze
zonderlinge redeneringen worden tot hare juiste waarde teruggebragt ,
wanneer men bedenkt, zooals de ondervinding leert en de wetenschap
verklaart, dat het bemesten van den grond in warme landen noodiger
is , dan in andere. Bovendien is de ontbinding van het koolzuur door
de bladeren misschien niet de voornaamste en gewigtigste functie van
het plantenleven , en al ware zulks het geval wel, is die functie toch
niet geschikt om afzonderlijk verrigt te worden, zonderde medewerking
van de overige. Zonder behoorlijk gevormde organen, zonder stoffen,
waardoor die ontbinding wordt te weeg gebragt, bevorderd en opge-
wekt , zonder andere functiën , in staat om den produkten van nut te
wezen , enz. , zyn èn de middelen om het doeleinde van die functie te
bereiken, èn het nut daarvan ondenkbaar. Is het misschien enkel ten
koste van het door de bladeren en wortels opgeslurpte koolzuur, dat
de plant zich voedt, haar leven onderhoudt en vrucliten voortbrengt?
Die vermeende afzondering en meerderheid van de functiën der bla-
deren is in allen deele in strijd met de daadzaken , die wij aantreffen
bij alle bewerktuigde wezens. Tusschen al de functiën der levende wezens
Bestaat zulk een onderling verband en zamenhang, dat ze elk in het
bijzonder als middelpunt of als punt van uitgang kunnen worden geko-
zen ; al de overigen scharen zich dan geregeld en harmonisch om die
eene heen. Er bestaat een wederzijdsch verband, eene onafgebrokene
aaneenschakeling tusschen haar allen: elk dier functiën vooronderstelt
noodwendig het bestaan van al de andere, en elk op hare bijzondere
wijze werken ze allen zamen om de algemeene en bijzondere doeleinden
der plantenhuishouding te helpen bereiken. Ze zijn niet allen van even
groot gewigt, maar ze zijn allen even onmisbaar voor het natuurlijke
Digitized by
Google
346
leven der plant. Eene stoornis ot verwarring in eene enkele dier fanctiën
verbreekt onvermydelijk in meerdere of mindere mate het algemeene
evenwigt. Deze denkbeelden z^n reeds vroeger door ons uiteengezet,
zoodat wy het overtollig achten er hier nog verder over uit te weiden.
Wij zullen thans eene nieuwe betoogreden aanvoeren, die ons, naar
wij niet tw^felen, zal dienen, om de waarheid, welke w^ willen doen
erkennen , duidelyk en helder in het licht te stellen. Onverschillig hoe-
danig eigentl^k de physieke , chemische en geologische gesteldheid van
eenen grond z^, wanneer slechts de daarop levende planten gekweekt
zyn onder de gunstigste omstandigheden, is het een erkend en bewezen
feit, dat de daarvan te verkrijgen oogst zal afhangen van de damp-
krings-in vloeden , waaronder de planten zich ontwikkeld hebben; hoe
gunstiger die invloeden geweest zijn, des te voordeeliger zal de oogst
wezen ; en hoe ongunstiger ze zijn geweest gedurende het leven der
planten , des te geringer zal ook de opbrengst z^n , die daarvan ver-
kregen wordt; hoe ruimer de oogst, hoe meer voedende stoffen daar-
door aan den grond onttrokken z\jn , waaruit dus volgt , dat de grond
dan ook des te spoediger zyne vruchtbaarheid verliezen zal, zoodat men
in gelijke mate de voedende zelfstandigheden , die hij verloren heeft,
zal moeten herstellen , zullende men anders gevaar loopen de opbrengst
van den oogst van jaar tot jaar sterk te zien verminderen. Vandaar
dat de europesche landbouwers zeggen, dat de onvruchtbare jaren, die,
waarin de oogst, wegens ongunstige gesteldheid van den dampkring,
slechts gering is geweest , tegenover de volgende jaren , die eenen bete-
ren oogst opleveren , kunnen beschouwd worden als jaren , waarin men
den akker braak heeft laten liggen. Welnu, die dampkrings-invloeden ,
die de groeikracht opwekken, ontbreken in de warme landen nooif,
en kunnen altijd hunne medewerking doen ondervinden; dus, ten allen
tijde, onafgebroken door, zyn daar deze oorzaken werkzaam, om de
opbrengst van den oogst te vermeerderen en den grond uit te putten.
Zooals het oppervlakkigste onderzoek betreffende de ryke organisatie
van het suikerriet doet zien , is dit eene in hooge mate absorberende
plant: door hare groote en goed bewerktuigde bladeren slurpt zij uit
de lucht voedingstoffen op en volbrengt al de overige fïinctiën, die tot
den werkkring der blad-organen behooren ; hare talryke en veelgetaktc
Digitized by
Google
347
^iTortels , en het naar evenredigheid van hare groote ontwikkeling slechts
korte t^dsbestek , dat zij noodig heeft om haren vollen wasdom te be-
reiken , verklaren de hoeveelheid en geschiktheid van voedingstoffen en
gunstige omstandigheden, die zij in zulk eene korte tydmimte behoeft
om al hare functiën te kunnen verrigten , zonder stoornissen van wel-
ken aard ook. Beschouwt men in zijne zamensteiling de groote massa
organische stof, uit welke een rietstoel bestaat, die zich gevormd heeft
ten koste van de lucht en van den grond; gaat men na, welk eene
menigte organische produkt«n van allerlei aard z^ne weefsels bevatten ;
rekent men de hoeveelheid zouten , die ons in den vorm van asch over-
blijven na het verbranden van zijne stengels , bladeren en wortels , dan
zal men overtuigd zijn, dat de rietplant een van die planten is, die
den grond het meest uitputten , daar zij zelfs de stoffen , die zy uit de
lucht trekt, niet eens absorberen kan, dan in verband met die, welke
haar verschaft worden door den grond. Al deze daadzaken toonen ons
aan , hoe groot de levenswerkzaamheid der rietplant is. — Doch laten
wij , in plaats van te klagen, den Almagtige danken, dat Hij een zoo
krachtdadig werktuig ter onzer beschikking heeft gesteld ; laten w^ trach-
ten dat werktuig in de gunstigste omstandigheden te plaatsen, opdat
het door de werking van al zijne organen , gezamentlijk en elk in het
bijzonder, ons de grootstmogelijke hoeveelheid suiker voortbrenge. — -
AI de ontwikkelde redenen toonen aan, dat wij, de gesteldheid van
ons klimaat en den aard der suikerrietplant in aanmerking nemende,
bij de cultuur van die plant in alles te werk moeten gaan volgens de
voorschriften der wetenschap, daar anders beide die redenen oorzaak
zullen worden , dat wij onzen arbeid slechts beloond zullen zien met
zeer ongunstige resultaten. — En alles wat wy hier gezegd hebben met
betrekking tot de suikerriet-cultuur, is evenzeer van toepassing op de
teelt van onze overige gewassen.
Belangrijkheid van db wetenschappelijke stüdicn betreffende
DE SUIKERRIET-CULTUUR. — I. Als wij ccn suikcrsap konden hebben , dat
enkel uit water en suiker ware zamengesteld , zou het zeer gemakkelijk
zijn door aanwending van hitte het eerstgenoemde bestanddeel af te
scheiden , ten einde in het bezit te komen van het andere. — De eenige
Digitized by
Google
348
voorzorg, die wij daarbij zouden hebbeu te nemen, zoude zijn de be-
werking zoodanig in te rigten , dat het prodnkt , hetwelk wij ons wenschten
te verschaffen, niet in z^nen aard wierd verbasterd door de hitte of door de
vochtigheid , aan welk vereischte volkomen zou worden voldaan , indien w^'
de bewerking verrigtten in een vacuüm bij eene lage temperatuur. —
Ongelukkigerwyze echter bevatten de sappen, die wij uit het suikerriet
trekken, in meerdere of mindere hoeveelheid 1». al de zel&tandigheden,
die de organen der plant noodig hebben om haar in stand te houden
en tot hÏEtren vollen wasdom te brengen, 2*. al de stoffen, die deze or-
ganen behoeven om naar behooren hunne functiën te kunnen verrigten,
en eindel^'k 3*. de stoffen, die door de verrigting der planten-functiën
worden voortgebragt. Naar gelang van de gesteldheid van den grond,
de soort van geteeld wordend riet, de dampkrings-gesteldheden, waar-
onder de planten zich ontwikkelen, den graad van wasdom, dien ze
bereiken, enz., verschillen niet slechts de hoeveelheden der zelfetandig-
heden , die uit haren aard in haar aanwezig zijn , maar ontstaan in haar
ook nog andere stoffen, die voortgebragt worden door de veranderingen
en omzettingen , welke de aanvankelyk in haar aanwezige zel&tAudighe-
den ondergaan, die, in verschillende omstandigheden geplaatst, andere
veranderingen ondergaan, dan ze ondergaan zouden hebbeu, indien ze
in andere omstandigheden geplaatst waren geweest; en eindel^k laat
zich met reden voorspellen, dat ook abnormale zelfstandigheden zicb
kunnen ontwikkelen, die niet regtstreeks af te leiden zijn van een der
stoffen, welke onder de gewone omstandigheden bestaan, en die slechts
voortkomen onder buitengewone omstandigheden.
De geschiedenis van de vorming en van de verschillende veranderin-
gen, welke, elk in het bijzonder, al de zelfstandigheden bevat, die
het onder afwisselende omstandigheden gekweekte suikerriet ondergaat,
is, zooals wij later zullen doen zien, het hoogste problema van de pij-
siologische studie betreffende deze plant; dat problema eenmaal opge-
lost, vinden wij daardoor al de gegevens om de beredeneerde cul-
tuur vast te stellen van de kostelijke suikerplant Dan zullen wij met
wetenschappelijke gewisheid vooraf de vereischten kunnen bepalen, die
het best geschikt zijn om ons de grootste hoeveelheid der grondstof te
verschaffen , die eene aanzienli^jke kwantiteit suiker bevat , en zulks ver-
Digitized by
Google
349
N
gezeld Tan de minstmogelyke hoeveelheid audere zelfstaudigheden , die bij
de verwerking van de suikerhoudende sappen uit deze moeien worden
afgescheiden. Zoodra wij in het bezit zyn van de physiologische wetten
zal het ons, bij de wetenschap onder welke omstandigheden de riet-
plant zich ontwikkelt, weinig moeite kosten, de zamenstelling van hare
sappen terug te brengen tot hunne natuurlijke oorzaken , en vervolgens ,
door de omstandigheden, waaronder de plant zich ontwikkelt, te wijzi-
gen, ook de gewenschte wijziging te weeg brengen in de zamenstelling
van hare sappen.
Wij laten hier de analyse volgen van het suikerriet van Otahiti , zoo-
als die bewerkstelligd is door Payen. (Zie ommezijde.)
Digitized by
Google
550
CO
O
CO t*
o ^
o
<
O
l-H
P3
Ui
co
El
>
o
1-4
EH
CO
<g
.8-
O
S
GO
1
O
na
a
C6
^
3
e
3 ^
fl O
O O
O 52
" 2
O CO
co ^
"i-i
o
gb
•» o
E3 " ?
O « b
o g g
* "El *ö
o (O u
•^ ^ «
^
a
2
C8
bO
a>
CS9
fl ^ cT
'S * ^
'ff o «o »o
o o aO ao
r-T 00 oT O*
1
CO
o*
OO o
<34 G«
CQ
s,.
3
3 «§
bf) **^
,5 *
o >
o
co
03 O
>
::§
O ft
OO ^
i i
O g
s .s
o co
ce *
CD «s;
^ EL
o bO
g a
rH <ö
'S.
03
I -^ I ft
<ö .2 a -^
^ es
^ Vi CS
O S
O) M
P
O «
« s
li
o eO
o
st
<ÏS
•
s
a
£
cT
^ •
S
'S
co
Ö
:=?
0)
M
«
S
a
Ö
^
_rf
•SS
£
^
s
■i ■
£
s.
9- ■
d
tl
Si)
^
g •
.s
'S
^ •
Ö
^
e4
•*
s
s
^
(U
-1
>a
^
2
^
^ u
'M!
§-
£ 2
g J
3|
t>4
S
Digitized by
Google
S51
Wy zullen hier over de nevenstaande analyse in geeu bijzonderheden
treden, daar wy onze uitvoerige beschouwingen dienaangaande later zul-
len mededeelen.
Terwyldeze analysen ons doen zien hoe riet, dat volkomen ryp geworden
is, niet alleen meer suiker, maar ook minder vreemde bestanddeelen , die
zich moeijelijk laten afscheiden, bevat, dan riet , dat niet tot dien graad
van ontwikkeling is gekomen, bevestigen zij , hetgeen de ondervinding
leert, hoe nuttig en noodzakelijk het is de volkomene rijpwording van
het riet af te wachten, alvorens over te gaan tot de verwerking van
zijne sappen; welk een en ander wij ook met betoogredenen, ontleend
aan de overige gevolgen daarvan, hebben aangetoond waar wij handelden
over het kappen van het riet.
II. De algemeene strekkingen van onze denkbeelden hebben het ons
steeds als wenschelijk doen beschouwen het helderste licht te verspreiden
over de eenheid, welke er bestaat in de verschijnselen , die in het plan-
ten-organi^mus plaats grijpen, welke eenheid ontstaat uit dezamenwer-
king van f^nctiën, die in zulk een naauw en harmonisch verband met
elkander staan, dat ze, elkander wederkeerig wijzigende, in meerderen
of minderen graad, elk naarmate van hare belangrykheid , by dragen tot
het eindresultaat. — Elke functie, gesteld dat die eerst op zich zelve
reeds gewijzigd is, oefent op hare beurt, door de algemeene betrekking
waarin zy door naauwe banden met de overige functiën verbonden is,
een meer of minder regtstreekschen of onmiddellyken invloed op de
overige uit, terwyl ze elk in hare bijzondere en allen in hare gezament-
lijke uitwerkselen zich vereenigen, om gemeenschappelyk het eindresultaat
te weeg te brengen, dat verschillend is van dat, hetwelk men onder
andere omstandigheden zou hebben verkregen.
Volgens deze orde van denkbeelden , zonder onregelmatigheden of af-
wijkingen in de natuur aan te nemen, en daarentegen van de stelling
uitgaande, dat al hare verschijnselen plaats grijpen als zoovele uitvloei-
selen van vaststaande wetten, gelooven wij, dat er eene voortdurende
wederkeerigheid tusschen deze bestaat, die verschilt naar gelang van
omstandigheden, waar die in elk geval bepaald en afgebakend zgn;
zoodat de bestendigheid in de verschynselen afhankelyk is van de om-
standigheden. Overeenkomstig deze leerstellingen verwerpen wy met
Digitized by
Google
35i
kracht en nadrukkelijk de strenge begrippen van sommige scheikundi-
gen , die van gevoelen zijn , dat er zulk eene bestendigheid en eenvor-
migheid in de levensverschijnselen, onafhankelijk van de omstandigheden,
bestaat, dat, eenmaal de aard, de grenzen en het wezentlijke van de
functiën eener plant in een gegeven geval bepaald zijnde, alle verdere
nasporing ophoudt van nut te zijn. Voor die lieden is de plant gelijk
aan eene vaste combinatie , die zich onder alle omstandigheden aan onze
nasporingen vertoont als zamengesteld uit de zelfde bestanddeelen , in
vaststaande en onveranderlyke verhoudingen. Dus , eenmaal de chemische
zamenstelling van maïs, r^st, suikerriet, enz., enz. bepaald hebbende,
onderzoeken zij niet meer de bijzondere omstandigheden , onder welke de
ontwikkeling van die planten kan hebben plaats gehad , doch gaan van
de meening uit, dat die planten ten allen tyde op eene en de zelfde
w^ze zamengesteld moeten zijn, om het even onder welke veranderlijke
omstandigheden ze tot haren vollen wasdom zijn gekomen.
Bepalen wij ons bij het suikerriet , en zien wij welke omstandigheden
van invloed zijn op het ontstaan van de verschijnselen, die inhetorga-
nismus van deze plant plaats grypen. De variëteit van het geteeld wor-
dende riet , de bijzondere hoedanigheid der geplant wordende stekken ,
het jaargetyde waarin het planten plaats heeft, de hoeveelheid der tot
plantriet gebezigde stekken, de toestand van den grond op het oogen-
blik toen er geplant werd, het aantal, de evenredigheids-hoeveelheid
en de aard der chemische bestanddeelen van den grond, de physieke
eigenschappen en de geologische gesteldheid van den grond, de afwis-
seling in de weersgesteldheid, de algemeene, plaatselijke en toevallige
bykomende omstandigheden gedurende al de tijdperken van de ontwik-
keling der planten, de gereedmaking van den grond, de aan de cultuur
bestede zorgen, de ouderdom van het riet, de plaats van den stengel,
die onderzocht wordt, het aantal ingezamelde oogsten en de omstandige
heden , die daarmede gepaard gingen ; de plaats Waar de rietstok zich
aan de moederstek bevond, dat wil zeggen, of hij is voortgekomen van
eenen knop , die diep in den grond of digt by de oppervlakte van den
grond zat, en tevens of hij al dan niet gemakkelyk is opgekomen;
de ligging van den akker, de doorspeling van de lucht, de aard en
hoeveelheid der mestspeciën, het jaargetyde, waarin ze op den akker
Digitized by
Google
853
gebragt zijn, het tijdstip van den groei van het riet, enz., enz. En
men neme wel in aanmerking, dat wi[j in deze onvolledige opsomming
enkel de natuurlijke omstandigheden vermeld hebben, die zich aan ons
vertoonen bij eenvoudige opmerking, zonder dat wij nog gewag maken
van de proefondervindelyke , die men zou kunnen vermeerderen schier
in het oneindige, om verschillende resultaten te vinden, steeds de na-
tuurlijke gegevens tot punt van uitgang kiezende. Zonder in eene op-
somming te willen treden van de bijzonderheden , die by een algemeen
stelsel van behoorlijk ingestelde proefnemingen op den voorgrond zou-
den kunnen staan, moeten w^ nogtans aanstippen, dat het onderzoek
betreffende de uitwerkselen, te weeg gebragt door denaard der verschil-
lende lichtstralen, die in onderscheidene omstandigheden werkzaam kun-
nen zijn gedurende de ontwikkeling der netplanten, een der studiën
van het hoogste gewigt zou uitmaken. Ongelukkigerwijze ontmoet men
schier onoverkomelyke bezwaren bij het in het werk stellen van deze
soort van nasporingen, zoodat die voor één man zoo goed als on-
mogelijk zyn. Een ander punt van groot gewigt zou het zijn den in-
vloed na te gaan , die op de ontwikkeling en de f unctiën van het suiker-
riet wordt uitgeoefend door de zamenstelling van het gasvormige element,
waarin het moet groeijen.
De oplossing van al de by zonderheden, in de hier voorgaande regelen
vervat, zal misschien nooit bereikt worden , en in allen gevalle zou het
van één man onverstandig zijn te wanen, dat het onderzoek van die
bijzonderheden ooit door hem voortgezet zou kunnen worden tot aan
de uiterste grenzen daarvan; om zulke nasporingen tot een gewenscht
einde te brengen , is de zamenwerking noodig van een aantal personen ,
die daaraan gedurende eene reeks van jaren al hunne inspanning en al
hunnen ijjver toewyden. Ons voorbehoudende ter gelegener plaats een
zeker gedeelte van de geuite denkbeelden nader toe te lichten, zullen
wij hier bij enkele dier denkbeelden een oogenblik stilstaan.
Oppervlakkig zou iedereen denken, dat al de rietstekken, die, als in
een en den zelfden grond geplant, voorondersteld worden in een en
den zelfden toestand te leven, stengels moeten voortbrengen van vol-
komen eenerlei zamenstelling; maar dat is het geval niet: de rietstoelen
op een en den zelfden akker dragen stengels, die in geaardheid ver-
Digitized by
Google
854
schillen naar gelang van de plaats, waar ze zich op den akker bevin-
den; zelfs aan een en den zelfden stoel ontmoet men stengels, die
kennelijk van elkander verschillen; en wij hebben dikwijls gelegenheid
gehad om op te merken, dat het onderscheid tusschen de rietstengels
onderling grooter of kleiner is, naar gelang ze meer of minder aan de
werking van licht en lucht blootgesteld staan, naar gelang van de
plaats die ze innemen tegenover de andere stengels, naar gelang van
den ondergrondsstam uit welken de spruit uiÜoopt, naar gelang van bet
tijdstip waarop de spruiten zich vertoonen, en naar gelang van de weers-
gesteldheid, die, al is zij voortdurend de zelfde, toch in ieder bijzonder
geval eenen verschillenden invloed uitoefent op het innerlijke wezen der
rietstengels, enz.
De variëteit, waartoe het geteeld wordende riet behoort, oefent almede
eenen in het oog loopenden invloed uit, en geeft aan de verschijnselen,
die onder gelyke omstandigheden plaats grijpen , een kenmerkend eigen-
aardig karakter.
Wy gelooven, dat het suikerriet misschien beter dan eenige andere
plant geschikt is, om ons in staat te stellen met naauwgezetheid al de
verschynselen na te gaan , die in het planten-organismus plaats grijpen;
want in de netplant vertoont zich spoediger den invloed van de byzon-
derheden, die als zoo vele vereischten gelden bij hare ontwikkeling. Bij
niet ééne andere plant zijn de uitwerkselen zoo sterk; bij niet eene
andere plant zijn die uitwerkselen zoo duidelijk zigtbaar.
Als men aanneemt dat de verschijnselen, welke by het suikerriet
plaats grypen, uitermate van elkander verschillen in aard, is bet dan
niet duidelijk, dat de leerzaamste, belangrykste en meest afdoende
studie bestaat in het regelen van de verschillende verschijnselen, die
tusschenbeide treden om de uitwerkselen te weeg te brengen? Als w^,
door de omstandigheden te wijzigen, in staat zijn de rietstengels te doen
veranderen van aard, is het dan niet duidelijk, dat wij met ijver moeten
trachten de wijzigingen te bepalen, te weeg gebragt door al de ver-
eischten, die werkzaam zijn bij hun leven en bij hunnen groei?
Verschillende scheikundigen hebben het suikerriet chemisch onder-
zocht; en in weerwil dat wij het nut van die nasporingen erkennen,
zien wy ons verpligt te beweren, dat die analysen slechts te beschon-
Digitized by
Google
355
wen zyn als eenvoudige gegevens, om zekere bijzonderheden op te los-
sen: want ze zijn op zyn hoogst slechts te beschouwen als kwalitativë
analysen. Immers, de zamenstelling , die het riet door de bedoelde scheikun-
digen wordt opgegeven te bezitten, geldt enkel en alleen voor de gevallen
welke zij onderzocht hebben, maar kan geenszins worden aangemerkt
als de werkelijke zamenstelling van (wij zullen niet eens zeggen ver-
schillende variëteiten, maar zelfs van) de zelfde variëteit onder verschil-
lende omstandigheden. Welnu ; over het algemeen heeft men niet genoeg
waarde gehecht aan den invloed der omstandigheden , onder welke de ont-
wikkeling van het riet plaats grgpt , zoodat men dan ook vergeten heeft, die
omstandigheden naauwkeurig te bepalen, en op hare juiste waarde te
schatten ; die onbepaalde analysen geven dus slechts het middel aan de
hand, om sommige algemeene punten tot klaarheid te brengen. Ieder
die slechts wil, kan, met de analyse van Payen in de hand, de cijfers
veranderen, en eene andere analyse in het licht geven, die, hoezeer niet
praktisch bewerkstelligd, toch in zekere gevallen zal blijken juist te zijn ;
en juist doordien die cijfers naar welbehagen kunnen worden veranderd,
is het duidelijk, dat wij zoodoende de deur openzetten voor allerlei
meer of minder juiste en met de waarheid overeenkomstige berekenin-
gen, die voor de wetenschap van geenerlei nut hoegenaamd zijn.
Yergelijkende proefnemingen. — In de praktijk van den landbouw ,
even als in de uitoefening van alle takken van nijverheid, welke bij de
hand worden genomen om er winsten mede te behalen, zijn verstandige
lieden niet ten onregte huiverig om over te gaan tot het in toepassing
brengen van nieuwe stelsels, welke, indien ze mislukken, hun gansche
vermogen te gronde kunnen rigten, terwijl zij daarentegen met het tot
dusverre door hen gevolgde stelsel, in weerwil van al de gebreken,
welke het aankleven, kunnen staat maken op eene wisse winst.
Het nieuwe stelsel van suikerriet-cultuur, dat door ons wordt aanbe-
volen als in alle opzigten het beste, en als dat hetwelk dus, met in-
achtneming van den algemeenen toestand des lands, moet worden aan-
genomen door iedereen, heeft gelukkiglijk reeds zeer vele, door hunne
overtuiging daartoe gebragte, voorstanders gevonden, die het onder de
gunstigste omstandigheden in toepassing hebben gebragt, met al de
Digitized by
Google
356
omzigtigheid en beredeneerdheid , welke het in zyne verachillende onder-
deelen vordert, om die allen met elkander in overeenstemming te bren-
gen; en ze bebben zoodoende de schoonste resultaten verkregen. —
Ongelukkigerwijze evenwel bestaan er nog velen, die in begrip endoor
zigt achterl^k z\jn, en die aarzelen zich op eenen weg te begeven,
waar zy vreezen misschien den ondergang van hunne fortuin , of al-
thans eene aanmerkelyke vermindering in hunne inkomsten te kunnen
vinden.
Wy zullen hier niet in eene herhaling treden van al de redenen,
reeds door ons ontwikkeld in vroegere geschriften, die allen de strekking
hadden, om het nut, van hetgeen w^ voorstaan, boven eiken tw^fel te
verheffen ; doch om zelfs de meest schroomvalligen te overtuigen , zullen
wy hier nog eenige denkbeelden mededeelen , die ter aanvulling kunnen
dienen van de reeds vroeger door ons ontwikkelde.
Wij zullen beginnen met te doen opmerken, dat de suikerriet-cultuur,
wel verre van iets van geheel bijzonderen aard te zyn, integendeel ver-
scheidene punten van overeenkomst heeft met de zorgen , die aan andere
planten worden besteed; derhalve kunnen ons de in andere gevallen
verkregene resultaten ten grondslag dienen, om proefnemingen in Ket
werk te stellen, die zeker en gewis bekroond zullen worden met den
besten uitslag. — Wij zullen er dus op wijzen, dat het suikerriet, als
plant, een zeker aantal functiën verrigt, gelijk aan die, welke plaats
grypen in andere organismen, en die, onderworpen aan de algemeene
wetten van het plantenleven , dus in dat opzigt volkomen in de zelfde
omstandigheden verkeeren als de anderen. Welnu : ten einde die fimctiên
naar behooren te doen plaats grijpen, moeten daarbij eenige onvermij-
delijke vereischten op den voorgrond staan. Uit haren bijzonderen aard,
uit de by zondere functiën, welke de daartoe bestemde organen te ver-
vullen hebben, zullen wij begrijpen, dat de suikerrietplant zekere insge-
lijks bijzondere omstandigheden noodig heeft, zonder welke zy niet hare
levensfunctiën , allen gezamentlyk en elk afzonderlijk , naar behooren zou
kunnen verrigten. Wij zien dus, dat op de cultuur van suikerriet aller-
eerst met meer of minder wijziging van toepassing zijn al de regelen
betreffende de teelt van planten in het algemeen , wyders sommige der
regelen, die betrekking hebben op de natuurlyke familie der grasgewas-
Digitized by
Google
357
sen , en eindelijk al de zorgen , welke door de b^zondere organisatie der
rietplant en door de doeleinden, waartoe wy haar aankweeken, gevor-
derd worden. In alles wat de algemeene wetten der landbouwkundige
wetenschap betreft, kan geen de minste twijfel bestaan, en is ook geen
de minste onbestemdheid denkbaar; want die wetten zijn afgeleid uit
een zamenhang van daadzaken, bevestigd door de rede en door de
ondervinding van vele eeuwen. Derhalve, ten aanzien van de gereed-
making der gronden, — het gebruik der geschiktste werktuigen, die
het best beantwoorden aan het doel, dat men zich met de verschillende
bewerkingen voorstelt te bereiken, — het wieden met behulp van werfc
tuigen, die in beweging gebragt worden door trekdieren, — het her-
ploegen , of de tweede bewerking van den grond , — en het aanaarden :
ten aanzien van dat alles kan geen de minste twijfel meer bestaan. Maar
wat andere punten betreft, niet de cultuur aan rijen, en de daarmede
in verband staande bewerkingen, en de werktuigen, daartoe benoodigd ,
maar de bewerkingen, die in het bijzonder te pas komen bij de suiker-
rietteelt, als daar zijn: de wijze van bemesting, de aard en de hoeveel-
heid der mestspecie, het geschiktste tijdstip om die op den akker te
brengen, de afstand welken de rietrijën of groeven van elkander ver-
wijderd moeten zijn , de afstand op welken in iedere groeve de rietstek-
ken van elkander geplaatst moeten worden, enz., enz., al deze punten
zijn even zoo vele vraagstukken, die men in elke localiteit zoo menig-
vuldig mogelijk praktisch moet oplossen: want wij kunnen enkel alge-
meene regelen opgeven, die daarbij in het oog te houden zijn, en die
in de praktijk moeten worden gewijzigd naar gelang van de bijzondere
omstandigheden, onder welke de toepassing plaats heeft.
Wy hebben getracht de algemeene regelen te doen kennen, die bij
de suikerriet-cultuur op den voorgrond staan; en in weerwil dat ons
nog vqel dienaangaande uiteen te zetten overig blyft, vormt het door
ons medegedeelde nogtans een stelsel , waarnaar men by de cultuur van
het suikerriet op oordeelkundige wijze zal kunnen te werk gaan. — -
Wij zullen onze taak blijven voortzetten, naauwlettend acht gevende
op iedere byzonderheid, die slechts eenigermate onze opmerkzaamheid
mogt verdienen; en voor het oogenblik willen wij de aandacht der
planters vestigen op eene hoogst eenvoudige en z^f^x gemakkelijk te vol*
Digitized by
Google
358
gen methode, door welke men tot de stellige oplossing geraakt van een
zeker aantal moeijelijkheden.
Die methode bestaat in het in het werk stellen van eene reeks ver-
gelijkende, proefnemingen, bij welke proefnemingen men een zeker aantal
omstandigheden volmaakt de zelfde laat zijn, en alleenlijk die omstan-
digheid laat verschillen, van welke men verlangend is den invloed te
leeren kennen. Vervolgens, na zich dus de gewenschte gegevens te heb-
ben verschaft, elk afzonderlek, gaat men voort met proefnemingen om
zich te vergewissen, welken invloed die omstandigheden onderling op
elkander uitoefenen.
Deze methode , die met den besten uitslag gevolgd is in vele omstan-
digheden en bij verschillende wetenschappen, wordt aangewend in die
gevallen , waarin het niet gemakkelijk is al de bijzonderheden van een
verschijnsel naar behooren te verklaren, en op hunne juiste waarde te
schatten. Naar de beginselen van dit stelsel kan men proeven ne-
men op kleine schaal, en de daarvan verkregene resultaten vervolgens
toepassen in het groot. Tot het doen van zulke proefnemingen is
slechts een kleine akker noodig, zoodat alles gemakkel^k met de
meeste naauwlettendheid na te gaan, en met de meeste zoi^ te be-
handelen is.
Men wane echter niet, dat het stelsel van vergelijkende proefnemin-
gen slechts eene nieuwe soort van empiristische probeersels is; inte-
gendeel, men heeft die wel degelijk te beschouwen als echt weten-
schappelijke proeven, die strekken moeten om de juistheid te bewezen
van de gevolgtrekkingen, welke ons verschaft worden door de theorie.
Wij hebben gezegd, dat een aantal planters op hunne plantaa^jen de
verbeterde landbouw-werktuigen en gereedschappen hebben ingevoerd,
en wij willen daarvan hier eene opsomming mededeelen. — l». Ploe-
gen met ééne schaar , of eensnijdende ploegen , om den grond te bre-
ken. Deze werktuigen laat men op Cuba gemeenlijk uit de Vereenigde
Staten komen; slechts in den laatsten tijd heeft men er eenige ont-
vangen uit de engelsche fabrieken van Howard en Bansome ; uit Frank-
ryk komen er zeer weinige meer. — 3o. Tweesnijdende ploegen om
groeven te trekken, zijnde ploegen met twee scharen, die of vast-
staan, of verzet kunnen worden. — 3 o. Eggen. — 4*. Onder de be-
Digitized by
Google
359
naming van cuUivadores (dat is: cultuur-toestellen) heeft men op ver-
scheidene plantaadjen ingevoerd: 1°. De kleine ploegen, die door
slechts één trekdier in beweging gebragt worden, en bestemd zijn om
ligte gronden om te ploegen, of ook gronden, die reeds te voren ge«
reed zijn gemaakt. Deze ploegen worden gebruikt om te wieden , te
herploegen , de rietstekken bloot te leggen en aan te aarden. 2o. De
eigentlijk gezegde wied-toestellen, waaraan velen den naam geven van
vijfhagelige ploegen. 3». Snij-schoffels , die getrokken worden door
paarden. 4o. Voor , zoover ons bekend, is er tot nog toe op Cuba
slechts een zeer klein getal uitroei-toestellen ingevoerd. 5 o. Ondergronds-
ploegen. 6°. Eollen, waaronder zich slechts één der beroemde rollen
van Crosskill bevindt. 7*. Kietbedekkers (60).
Digitized by
Google
FBOEFONDEBVINDELUKE NASFOBINGEN
BETREFFENBE BEN GBOEI VAN HET
SUIEEBBIET.
l.
Eer wy verslag gaan geven van de proefnemingen, die het onder-
werp van deze bladzijden uitmaken, moesten wij eigentl^jk beginnen
met eene blootlegging van het plan, dat wg ons voorgesteld hebben
daarbij te volgen, even als bij de verdere proefiiemingen , waarvan wij
de resultaten insgelijks openbaar hopen te maken ; doch wg zullen ons
thans van zoodanigen algemeenen arbeid onthouden , daar wij vreezen ,
dat wij anders al ligt verwachtingen konden opwekken, die misschien
slechts zouden worden teleurgesteld. Om echter reeds bij voorbaat ette-
lijke aanmerkingen te beantwoorden, achten wij het nuttig hier eenige
beschouwingen te laten voorafgaan.
Wg erkennen volmondig, dat de proefnemingen, waarvan wg hier
eene beschrijving gaan leveren, geenszins ongenaakbaar zijn voor eene
gegronde kritiek. Doch in weerwil dat wij daarvan overtuigd zijn, heb-
ben wij het nuttig geoordeeld, het tijdstip, om ze openbaar te ma-
ken, niet langer te verschuiven; want, ofschoon wg ze slechts b^
schouwen als de voorloopers van nadere proefnemingen , die wg in het
werk denken te stellen onder gunstiger omstandigheden, zgn wg nog-
tans overtuigd, dat ze dienen kunnen om den weg te doen kennen,
dien wij ons hebben voorgesteld te volgen bg de nasporingen, welke
wg ons ten taak hebben gesteld; nasporingen — het zij ons vergund
dit hierbg te voegen — die een nieuw veld openen voor nader onder-
zoek, en die dit gewigtige onderwerp voor het eerst in allen ernst eene
plaats aanwijzen in den cirkel der proefondervindelijke wetenschap; want
Digitized by
Google
361
hoewel er tegenwoordig eenige resultaten bekend zijn van waarnemingen
en proeven betreffende de physiologische gescluedenis van het suikerriet,
zijn al die nasporingen in het werk gesteld zonder een vooraf beraamd
en goed geregeld plan, zonder eenig onderling verband of zamenhang;
in een woord, ze strekken geenszins om elkander te versterken of te
bevestigen , en om gemeenschappelyk te leiden tot een volledig resultaat.
Verre zij het van ons, dat wy de waarde van een enkel dier gegevens
zouden willen verkleinen; maar wij moeten toch erkennen, dat er vol-
strekt geen eenheid in hen bestaat, en dat ze zoo, elk afzonderlijken
op zich zelven , evenmin van nut kunnen zijn voor de wetenschap als
voor de praktijk. Wij , het suikerriet nemende van het oogenblik zijner
ontkieming af, stellen ons ten doel het naauwkeurig na te gaan in de
verrigting van al zijne fimctiën onder al de natuurlijke omstandigheden,
en tevens in ettelijke kunstmatig te weeg gebragte toestanden , die ge-
schikt zijn om sommige versch^nselen op te helderen.
Vele onzer proefnemingen , zooals wij gelegenheid zullen hebben te
doen opmerken, hadden door ons in het werk gesteld kunnen worden
met meer naauwkeurigheid en zorg , waardoor de gevolgtrekkingen , die
wij er uit afleiden, verheven zouden zyn geweest boven elke kritiek;
doch hoezeer wij voornemens zijn die proefnemingen ter gelegener tyd
te verbeteren, zyn wij echter van oordeel, al is het zeker, dat ze, zoo
afzonderlijk en op zich zelven beschouwd, misschien toch niet op eene
afdoende wyze zouden leiden tot het doel, waartoe ze zouden moeten
dienen, het niet minder waar is, dat zij, vereenigd en elkander weder-
keerig ondersteunende, nuttig zijn en geacht kunnen worden tot zekeren
graad tamelijk naauwkeurig te zijn.
In deze bladzijden hebben wij ons ten doel gesteld de verschijnselen
na te gaan, die plaats grypen gedurende de ontkieming van de riet-
plant , en de vereischten te bepalen , die op den voorgrond staan bij
de ontwikkeling van den knop. — In het eerste gedeelte van onze na-
sporingen willen wij , behalve andere algemeene vereischten by de ont-
kieming, de rol aantoonen, die deze vervult, voor zooveel betreft de
ontwikkeling van den teelknop der plant, de in het geplante stengellid
aanwezige stoffen , en de zelfstandigheden , die uit de aarde worden ge-
trokken door de wortels, welke zich ontwikkelen aan het bovengedeelte
Digitized by
Google
362
van het lid, aan welk gedeelte zich het oog bevindt. Ter meerdere
duidelijkheid zullen wi|j het vraagstuk in zeer bepaalde woorden formu-
leren: Is het, om den knop der rietstek in staat te stellen zich te ont-
wikkelen, noodig, dat zich de wortels van het lid ontwikkelen, ten
einde hij daaruit de voedende stoffen ontvange, die ter zijner ont-
wikkeling onmisbaar zyn? Vordert hy noodwendig al de stoffen, die
het stengellid bevat? Zyn de wortels op sommige tijdstippen nuttig?
Houden de in het stengellid aanwezige stoffen, na verloop van een
zekeren tyd, op onmisbaar te zijn? — - Ziedaar de vragen, die wij ons
voorstellen een voor een te behandelen.
Als men een stuk riet, dat men in den grond geplant heeft, na
verloop van drie of vier dagen ontbloot, zal men bevinden, dat de
wortels op de daarvoor bestemde plaatsen aan het bovengedeelte van
het lid, boven de streep die het blad bevat, zich beginnen te
ontwikkelen , en vervolgens voortgaan te groeyen en grooter te worden >
terwijjl ondertusschen de knop, langzamer, al de tijdperken doorloopt
van zyne ontwikkeling om boven den grond te komen. Later brengt de
jonge spruit eigene wortels voort; en die, welke zich vroeger aan het
lid gevormd hadden, verdroogen en sterven. Dit feit, waarvan men
zich gemakkelijk overtuigen kan als men een stuk riet plant in rotten
ampas , kool , enz. , zijnde zelfstandigheden , uit welke men het riet
gemakkel^k kan opdelven zonder een zijner organen te breken of te
beschadigen, heeft de ontijdige meening doen ontstaan, dat zich nood-
wendig eerst de wortels van het lid moeten ontwikkelen, om door
de voedende stoffen , die zij aan den knop zullen verschaffen, dezen in
staat te stellen zich te ontwikkelen op zijne beurt. Wij laten hier de
bewoordingen volgen, waarin Wray deze denkbeelden uitdrukt:
„Terwijl zich aan een geplant stuk riet het oog ontwikkelt, ont-
staan er talryke wortels rondom den ring van het lid: deze organen
dienen , om de jonge plant te voeden , totdat z^' zich voldoende zal
hebben ontwikkeld om eigene wortels te schieten. Als men de wortels,
die aan de geledingen uitloopen , afsnydt , gaat de plant voort nog eeni-
gen tyd te leven , en sterft eindelijk , eer zij tot de noodige kracht is
gekomen om hare eigene wortels voort te brengen. — Dus, in weerwil
dat de rietstekken overvloedig suiker, kleefstof, plantensap en andere
Digitized by
Google
363
aan de planten eigene zelfsiandigheden bevat, z^n die zelfstandigheden
niet voldoende, om de jonge spruiten lang te doen leven. Deze hebben
volstrekt behoefte aan de aanwezigheid van de wortels, die haar
door hunne bijzondere werking voorzien van het sap, dat ik opstuwend
sap zal noemen, en dat gevormd is uit eene oplossing van alkalische
aarden. De door de geplante stek voortgebragte wortels verschaffen dit sap
aan het riet, totdat de jonge spruiten zich voorzien hebben van eigene
wortels. De ontwikkeling der oogen heeft dus plaats te gelijk met de
vorming der wortels: deze gelyktijdige tweeledige ontwikkeling maakt
de poging uit, die de rietstek doet om zich voort te planten."
Dit op zoo duidelijke en afdoende wijze uitgedrukte gevoelen zullen
wy thans gaan wederleggen; niet omdat het feit zelf niet volkomen
juist is , maar omdat men er eene te uitsluitende uitlegging aan gegeven
heeft, die als van zelfs heeft geleid tot een dwaalbegrip.
Oppervlakkig zou men wauen, dat wij van de twee volgende daad-
zaken eenig nut kunnen trekken om het punt , dat wij hier behande-
len, te verklaren; maar by nadere beschouwing zal men bevinden, dat
ze, wel verre van te bewyzen hetgeen wij wenschen op te helderen,
zouden kunnen dienen als bewys voor het tegenovergesteld gevoelen.
Ziehier de twee daadzaken , zooeven bedoeld. Het eerste feit is de ont-
wikkeling der looze of boven den grond ontstaande spruiten, die het
aanzyn erlangen op de te veld staande rietstokken , zonder dat de wor-
tels van het lid zich ontwikkelen. — Het tweede feit ontmoeten wy,
wanneer wij onder de gunstigste omstandigheden geledingen planten,
van welke de knoppen zich in eenen staat van vergevorderde ontwikke-
ling bevinden , en zulks ten einde die knoppen spoedig te zien uitloo-
pen , hetgeen dan ook plaats heeft in drie of vier dagen , welke jonge
spruiten het aanzijn geven aan eigene wortels, lang voordat de wor-
tels van het stengellid zich ontwikkelen, die onder zulke omstandig-
heden gemeenlek slechts in kleinen getale te voorschijn komen en
spoedig sterven. In beide deze gevallen ontwikkelt zich de knop zonder
de hulp der wortels van het stengellid. Zij , die beweren dat de wortels
van het stengellid noodig zijn om den knop in staat te stellen zich te
ontwikkelen , kunnen deze feiten voldoende verklaren door aan te nemen ,
dat, al hebben de wortels van het stengellid niet zelven de in den
Digitized by
Google
364
grond aanwezige stoften opgeslorpt, de ontwikkeling der knoppen toch
alt^'d te verklaren is door de tosschenkomst van de sto£fen , die tot dat
einde uit den grond getrokken z^'n. Immers, in -geval er looze, dat
wil zeggen boven den grond ontstaande spruiten te voorschijn komen,
is het duidelijk, dat zulks alleenlijk geschiedt doordien het voedende
sap niet kan strekken om den wasdom van de plant te bevorderen,
hetzij omdat deze reeds het toppunt van haren wasdom bereikt of an-
derzins heeft opgehouden te groe^'en, hetz^ dat er eene overvloedige
hoeveelheid voedende sappen aanwezig was, zonder dat die in gelijke
mate den groei der plant te weeg bragt, enz. In al deze gevallen
komen er looze of boven den grond ontstaande spruiten te voorschijn.
Ten aanzien van het tweede voorbeeld zullen wjj zeggen , dat het zeer
wel zou kunnen gebeuren , dat er in de weefseb van het riet een over-
schot aanwezig was van het overtollige sap, waardoor de ontwikkeling
van den knop werd te weeg gebragt, welk overschot volkomen toerei-
kend en geschikt is om die ontwikkeling te doen voortduren, nadat die
knop in den grond is gebragt. Men wane niet, dat zoodanige verklaring
louter eene begoocheling zoude zijn der verbeelding : ten voordeele van
deze verklaring pleiten ettel^ke daadzaken, die dikwijls worden opge-
merkt in ieder koud klimaat, waar gedurende den winter eene zekere
hoeveelheid sap in de weefsels der boomen bewaard blijft, opdat deze,
zoodra de lente aanvangt ,' over eene toereikende voeding te beschikken
zouden hebben voor hunne eerste ontwikkeling. Welnu: als men in
den winter een tak van een boom kapt, en dien bewaart op eene be-
schutte en vochtige plaats, zal men er, zoodra de lente aanvangt, jonge
spruiten aan zien uitloopen , in weerwil dat die tak noch wortels noch
bladeren heeft ; deze nieuwe organen zijn dus niet anders gevoed kunnen
worden dan door het overschot der sappen , die in de weefsels van den
boomtak bewaard werden , en die de natuur daar geplaatst had , opdat
de boom zou kunnen bestaan , al ware hij nog niet in het genot ge-
treden van de nieuwe voedingstoffen , welke zijne voedende organen hem
moesten aanbrengen.
Om deze redenen hechten wij in onze beschouwingen volstrekt geen
waarde aan de feiten, die door ons medegedeeld zijn. Wy zullen nu
de proeven gaan beschrijven, door ons genomen, ten einde het onder-
Digitized by
Google
365
werp , dat ons hier bezig houdt , helder in het licht te stellen. Wij ach-
ten het best daarb^* de zelfde volgorde in het oog te houden , waarin
die proeven door ons genomen zijn ; want zoodoende zal men met juist-
Leid kunnen oordeelen over het plan , dat wjj ons hebben afgebakend ,
om ze geleidelyk voortgaande in het werk te stellen, opdat ze elkander
wederkeerig zouden ondersteunen en bevestigen, derwigze, dat het resul-
taat van elke genomene proef tot punt van uitgang werd genomen voor
eene volgende , en dat steeds elke proef op zich zelve als resultaat eene
daadzaak opleverde, geschikt om als bewijsmiddel te dienen.
Eerste proef, — Wg plantten verscheidene stekken riet ; eenige dagen
later haalden w^ die weder uit den grond, en sneden met een pennemes
den geheelen bast weg van het lid, waaraan de wortels zaten. Nu
plantten wij die zeilde stekken andermaal ; en allen vatteden goed , ont-
wikkelden zich welig, en gaven het aanzijn aan eene menigte jonge
spruiten. Deze proefneming levert het bewijs, dat, althans na verloop
van eenigen t^d, de wortels, die aan het lid z\jn verschenen, niet
onmisbaar zijn voor de volkomene ontwikkeling der plant.
Tweede proef. — Van eenige der zoo even bedoelde netplanten sne-
den wi|j met een pennemes eene jonge spruit af, plantten die, en zeer
spoedig gaf die spruit de onmiskenbaarste blijken van de sterke groei-
kracht, die zjj later bleek te bezitten. Het is duidelijk, dat deze proef
ter bevestiging strekt van het resultaat, bij de eerste proefneming ver-
kregen, en ons bovendien leert, dat na verloop van eenigen t^d de
jonge spruit leven kan, zonder dat zij zich behoeft te bedienen van de
voeding, welke de moederstek haar verschaffen kan.
Derde proef — Van verscheidene rietstekken sneden wy met een
pennemes den geheelen bast van het lid weg, waaraan wortels kon-
den voortkomen ; daarna plantten w^ die stekken , en ze groeiden zeer
goed; later sneden wij met een pennemes van de dus verkregene plan-
ten jonge spruiten af, die wy ook weder plantten; deze vatteden zeer
goed , en hadden zich na verloop van eenen korten tijd zoo welig ont-
wikkeld , dat er by waren , die tot eenen rietstoel van vyf en twintig
spruiten waren aangegroeid. De twee eerste proefnemingen hadden ons
doen zien, hoe de spruit, althans na verloop van eenen zekeren tijd,
groeijen kan zonder den voedenden bijstand der wortels van het lid ;
Digitized by
Google
366
door de derde proefneming werd tol zekeren graad buiten twijfel ge-
steld, dat de knop zich altyd ?olkomen ontwikkelen kan zonder de
minste hulp te behoeven van een enkelen wortel van het lid, en
zolks loater en alleen door de stoffen , die hem verschaft worden door
het stengellid, waaraan hg zich bevindt. — Bovendien bevestigt deze
proefneming het vroeger verkregene resultaat, wat betreft het eigen
leven, dat de spruit aannemen kan, wanneer men haar afscheidt van
de moederstek, waartoe zg behoort; en men neme wel in aanmerking,
dat vele dier spruiten , toen ze afzonderlek geplant werden , nog geen
eigene wortels hadden.
Uit die twee proefnemingen volgt ook, indien de knop niel gedurende
den ganschen tgd van zgnen eersten groei behoefte heeft aan al de
sappen van de moederstek, met andere woorden, indien de spruit van
de moederstek kan worden afgescheiden, zelfs wanneer zg door deze
van voedingstoffen voorzien wordt, dat het dan onbetwistbaar is, dat
de knop, om zich te ontwikkelen, geen behoefte heeft aan al de in het
stengellid aanwezige stoffen, maar slechts aan een gedeelte daarvan;
welke waarheid ons dienen zal als punt van uitgang bij eene andere
proefneming, welke wg zullen mededeelen om den invloed aan te
toonen, dien de geplante stek uitoefent op de toekomstige ontwikkeling
van den rietstok.,
Wy hebben gezegd, dat onze proefneming slechts tot zekeren graad ^
en niet onomstootelijk, de waarheid bewees van hetgeen wy willen vast-
stellen, omdat men ons zou kunnen tegenwerpen, dat het, indien het
al zeker is, dat zich op deze wyze geen wortels ontwikkelen, niet min-
der waar is, dat door de wond of kwetsuur, welke wij aan het sten-
gellid toebrengen, alkalische aarden daarin kunnen doordringen, die er
anders ingekomen zouden zijn door de wortels; zoodat ze by slot van
rekening toch altyd in het inwendige van het riet doordringen, om de
opvolgende verschynselen voort te brengen. — In ieder ander geval zou-
den wy deze tegenwerping niet aannemen; want alleen reeds door die te
maken, bewijst men een zeer zonderling en verkeerd begrip te hebben
van de voeding, van de middelen waardoor zij plaats grypt, en van
de wijze waarop de voedende stoffen zich in de aarde aanwezig bevin-
den. Te wanen, dat men door middel van verwondingen voorzien kan in
Digitized by
Google
367
het gemis van organen, zoo onmisbaar als de wortels zgn, verraadt
dat men ten eenenmale onbekend is met de eerste begrippen der plan-
tenleer. Al yerwerpen wy echter het argument, voor zooveel betreft het
in de plant doordringen van al de voedingstoffen , die de wortels uit
den grond kunnen trekken, moeten w^ het nogtans aannemen , wanneer
men ons zegt, dat door de bedoelde, wond ten minste de vochtigheid in
de plant doordringt; zoodat, indien de wortels de taak hebben haar van
de ter ontkieming benoodigde hoeveelheid dezer vloeistof te voorzien,
het duidelijk is , dat de bewuste wond hen misschien met voordeel in het
vervullen van die taak vervangt, altoos wanneer de vochtigheid niet
overmatig is, want in dat geval loopt het gewonde riet groot gevaar te
sterven, terwijl dat, hetwelk voorzien ware van wortels, die den aan-
voer van water temperden, waarschynlyk zou big ven leven.
Wanneer wij ons bezig gaan houden met op te sporen op welke wyze
de vochtigheid in het riet doordringt, om het tot ontkieming te bren-
gen, zullen wy zien dat een der gewigtigste functiën der wortels van
het lid juist bestaat in het aanvoeren van zoodanige hoeveelheid vocht,
als noodig is voor de verschijnselen, die gedurende de ontkieming plaats
grypen.
In allen gevalle wenschen wij thans te doen zien, dat, al zyn ook
de wortels van het lid nuttig, ze nogtans niet in al de verrigtingen
en toestanden onmisbaar zyn, en dat de knop zich zeer goed ontwikke-
len kan zonder hunne hulp.
Om ons dienaangaande volkomene gewisheid te verschaffen, hebben
wij het noodig geacht drie verschillende wegen in te slaan : lo. Biet te
doen groeyen in eenen onvruchtbaren grond, en het van niets anders te
voorzien dan van vochtigheid. — 2<». Hebben wij de wonden van het stengel-
lid goed overdekt , na eerst het gansche gedeelte bast of schors te hebben
doen verdwynen, dat het aanzyn konde geven aan wortels. — S». Zon-
der verminking, van welken aard ook, aan te wenden, hebben ^vy de
ontwikkeling der wortels trachten te beletten.
lo. Wy hebben stukken riet met katoenen en wollen lappen en met
stukken lakenstof omwonden; wij hebben ze omwoeld met katoen, met
papier, met werk, met pluksel, met spons, met stroo van maïs en van
rogge; en in al die gevallen is het riet, behoorlyk vochtig gehouden.
Digitized by
Google
368
goed ontkiemd en heeft welige spniiten voortgebragt. Wg hebben ook
riet gelegd op eenige planken, en het vervolgens met stroo digtgedekt
en goed vochtig gehouden; en ook nu ontwikkelden de knoppen zich
goed. — Biet, hetwelk onder het stroo was blyven liggen, datvaneeaen
akker was weggeruimd, bleek later fraaye spruiten te hebben. — Wij
hebben verscheidene stukken riet geplant in puimsteen, in amianth, in
gepulveriseerd marmer, in gemalen glas en porselein, in goed gewas-
schen en fijngestampten steen en steenkool, en in al die gevallen heeft
het riet, door besproeying, spruiten voortgebragt zoo fraai, als men
die slechts zou kunnen verwachten op de vruchtbaarste gronden. Vooral
opmerking verdient de weligheid, waarmede het riet zich ontwikkelt in
grof steengruis, en ook in ^ner vergruisde steen; hetgeen ongetwy-
feld moet worden toegeschreven aan de in de klei aanwezige alkaliën,
die door de hitte in hoogen graad assimileerbaar worden voor de plan-
ten. — Eindelyk ons een afdoend bewys willende verschaffen, dat de
knop van het riet, voorzien van de ter z\jner ontwikkeling benoodigde
voedingstoffen, niets anders noodig heeft dan vochtigheid, warmte en
lucht, om goed te kunnen groeien, hebben wij de volgende proefneming
ingesteld. Wy lieten van eenen vorm om suiker te klaren het onderste
gat digtmaken, en legden er eene goed met water doorweekte spons
onderin; vervolgens legden wij op die spons verscheidene rietstekken,
sommige verticaal, sommige horizontaal. Nu sloten wy den vorm
digt met een deksel, dat er van boven precies op paste, en zoo plaat-
sten wij den vorm eiken dag in de zon. Eiken dag besproeiden wy met
behulp van eene vochtige spons deze rietstekken, die goed ontkiemden
en welige spruiten voortbragten. Wanneer men de zeer geringe hoeveel-
heid alkaliën niet telt, die het water bevatte, ontwikkelde dit riet zich
enkel ten koste van de stoffen, die het in zich zelven aanwezig had.
2o. Wij sneden met een pennemes de geheele schors van het lid
af, die het aanzyn kon geven aan wortels, en bedekten de zoodoende
gemaakte wond volkomen met gesmolten was, in verscheidene lagen
over elkander heen, derwijze, dat het eene onmogelykheid was dat er
eenig vocht hoegenaamd in doordrong. De aldus gereedgemaakte stuk-
ken riet plantten wy,en allen kwamen even goed op, als waren ze voor-
zien geweest van de wortels van het lid.
Digitized by
Google
369
3*. De volgende reeks van proefnemingen werd in het werk gesteld
met het oogmerk om den rietknop tot ontwikkeling te brengen zonder
de hulp der wortels, die uit het lid kunnen voortkomen, en welker
ontstaan wij trachten te beletten zonder daarom het riet te verminken.
De eerste proefneming bestond hierin, dat wij al de deelen van het
stengellid, uit welke wortels konden voortkomen, omringden met eene dikke
laag gesmolten was. De op die wyze voorziene geledingen in den grond
gebragt zijnde, kwamen weldra de jonge spruiten te voorschijn; en toen
ontblootten wy de rietstekken, om te zien welke verschynselen daar-
mede hadden plaats gegrepen. De wortels hadden zich in weerwil van
de was-omkleeding, door welke ze waren heengedrongen, ontwikkeld
met eene opmerkelijke regelmatigheid. Het aantal der zich ontwikkeld
hebbende wortels was verschillend; en alleen dan, als wij ons van zeer
jong riet bedienden, werd de vorming der wortels door de was-omklee-
ding belet.
De tweede proefneming werd door ons ingesteld met gesmolten lak,
waarmede wij van het stengellid al de deelen bedekten, uit welke wortels
konden voortkomen. Op deze wijze erlangden wy de zelfde resultaten
als met gesmolten was. Ook hier hadden de jonge wortels, die zich
zochten te ontwikkelen, de kracht niet om door het omkleedsel heen
te dringen.
De derde proefneming, die wy in het werk stelden, bestond hierin,
dat wij de rietstekken zorgvuldig omwoelden met lint, en dit overdek-
ten met verscheidene lagen gesmolten was , zoodat daarvan eene tamelijk
dikke korst er om heen zat. Op die wyze werd in de meeste gevallen
de ontwikkeling der wortels werkelyk belet; doch zelfs in weerwil van
deze voorzorgen kwamen die organen toch nog by verscheidene stekken
te voorschyn. Ook om deze proefneming naar wensch te zien gelukken
moesten wij ons van zeer jong riet bedienen.
Ofschoon die eigentlyk in een ander gedeelte van dit verslag te huis
behoort, waar wy zullen spreken over de wegen langs welke de vochtig-
heid in het suikerriet doordringt, zullen wy hier eene proef mededeelen,
waarmede het ons volkomen en op eene in het oog loopende wyze ge-
^te, den groei der wortels te beletten. Wy namen een stuk jong riet,
en na dit aan de uiteinden, waar het afgesneden was^ gelijkgemaakt te
24
Digitized by
Google
370
I
hebben, bedekten wy die plaatsen met was, tot welk einde wij ze her-
haalde malen in die gesmoltene zelfstandigheid indoopten. Yenrolgens
omwonden w^ de geledingen met lint, en daarna bekleedden wij het |
geheele stuk riet, alleen den knop yrg latende , met eene dikke laag i
was. Het dus in een omkleedsel gehulde stengellid geplant hebbende,
kwam de spruit na verloop van eenige weinige dagen te voorschijn, !
zonder dat zich nog één wortel ontwikkeld had. |
Na met veel inspanning en moeite al deze proeven te hebben geno-
men, hebben wy het geluk gehad de natuurlyke ontwikkeling der knop-
pen gade te slaan in omstandigheden, waarin ze geen behoefte hadden
aan de hulp, die hun verleend had kunnen worden door de zich aan
het lid ontwikkelende worteb. — Hadden wy bij den aanvang van onze
nasporingen deze daadzaak geweten , wij zouden een aantal proeven niet
hebben behoeven te nemen, die door ons in het werk zijn gesteld, om
dit punt tot klaarheid te brengen.
Ten einde de by zonderheden na te gaan betreffende de plaats, waar
de geledingen (61) zich aan den stengel bevonden, plantten wij eene
ontelbare menigte afzonderlijke geledingen, en bij velen bevonden wij,
dat de knoppen zich ontwikkelden, zonder dat het lid nog een enkelen
wortel had geschoten. — Dit resultaat was voor ons oogmerk van te
meer gewigt, dewyl de waarheid daardoor volkomen bevestigd werd.—
Men zou toch bezwaarlyk de tegenwerping kunnen maken, dat de knop
zeer ontwikkeld was, daar het in vele gevallen zestien, in andere zel&
twintig dagen duurde, eer hy begon uit te loopen; bovendien waren
die geledingen de bovenste van den stengel, in welks jongst gevormde
gedeelten de ontwikkeling der knoppen minder sterk is. Maar hoe te
verklaren, dat zich geen wortels vertoonden? — Zou het misschien «go
doordien die organen nog onvolkomener waren dan de knoppen, en dtt
het tijdsbestek, waarin deze te voorschyn kwamen en zich boven den
grond vertoonden, niet toereikend was om de wortels te doen ontstaan;
of zou het niet mogelyk zyn, dat die niet ontstonden, dewyl ze niet
noodig waren, om de voor de ontkieming onmisbare vochtigheid aan te
voeren, die het stengellid zelf in zich aanwezig had? — Wat ook de
oorzaak wezen moge, het feit is daarom niet minder zeker, en in allen
gevalle is door de lydelijke waarneming natuurlijk bewezen, dat de
Digitized by
Google
871
knop zich niet ontwikkelen kan zonder de holp der wortels, die te
voorschijn komen aan het stengellid.
Uit de hierboven medegedeelde proefnemingen laat zich logisch aflei-
den: 1*. Dat het riet, als plantstekken, voorzien van de voedingstof,
die noodig is ter ontwikkeling van de kiem, om zich te ontwikkelen
niets anders behoeft dan vochtigheid, warmte en lucht. — 2*. Dat de aan
het stengellid te voorschijn komende wortels nattig kunnen wezen, maar
niet onmisbaar zign, om den knop zich te laten ontwikkelen. — 3"*. Dat
de knop zich voedt ten koste van de in het riet aanwezige stoffen,
waarvan het slechts een gedeelte noodig heeft.
"Wij erkennen dat vele dier proefnemingen bewerkstelligd hadden moe-
tea worden met meer naauwkeurigheid ; bij allen hadden wij ons behoo-
ren te bedienen van gedistilleerd water; wat de kool betreft, hadden
w^, in plaats van houtskool, die, al is z^ nog zoo goed gewasschen,
altijd met zouten vermengd is, gebruik kunnen maken van kool van
kandijsuiker; in plaats van fijn steengruis, dat altgd de zouten bevat,
die aanwezig zijn in de steen, waarvan dat gruis gemaakt wordt, had-
den wij ons moeten bedienen van gegloeid en met zoutzuur gewasschen
zand, enz. Wy erkennen dus al het gebrekkige, dat onze proeven aan-
kleeft, en als wij ons gaan bezig houden met nasporingen betreffende
de ontwikkeling der plantaardige zelfstandigheid in het suikerriet , zullen
wij bij onze proefnemingen te werk gaan met de meestmogelyke naauw-
gezetheid. Wy hebben echter niet met meer naauwkeurigheid kunnen
werken, daar het ons ontbrak aan de noodige middelen, aan een ge-
schikt lokaal, enz.
Wy stellen als daadzaak , dat de knop van het suikerriet, die in het
stengellid al de voedingstoffen vindt, welke hij ter zijner ontwikkeling
noodig heeft, niets anders behoeft dan warmte, vochtigheid en lucht,
om zich te ontwikkelen, totdat de spruit voorzien is van eigene orga-
nen, om, ten behoeve van haar voortbestaan, part^ te trekken van de
elementen, waarin z^ leeft, zijnde juist die, uit welke z\j in eene be-
paalde hoeveelheid de stoffen moet trekken, die zy noodig heeft om tot
den hoogsten graad van wasdom te geraken. Nu moeten wij, om niet
van de analyserende methode af te wijken, onderzoeken tot welken graad,
in welke hoeveelheid en in welk tydsbestek de knop der hier besproken
Digitized by
Google
372
wordende grasplant de stoffen noodig heeft, welke het stengellid berat.
Eenige vroegere proefnemingen hadden ons doen vermoeden, dat de
knop niet onverm^eü^k al de stoffen noodig heeft, daar de spruit na
verloop van eenigen tijd kan voortgaan zich te ontwikkelen, zonder de
hulp der voedende bron, welke de natuur in het stengellid heeft ge-
legd. De proeven, waarvan wij thans melding gaan maken, op eene
meer regtstreeksche wijze in verband gebragt met ons oogmerk, zullen
het beginsel, dat wij wenschen te bewijzen, in het helderste licht stel-
len; want dat de spruit, afgescheiden van de moederplant, vocnrtgaat
te leven en zich welig te ontwikkelen, is een feit, waardoor buiten
twijfel gesteld wordt, dat die spruit na verloop van eenigen t^d de
noodige kracht en de vereischte organisatie heeft, om een eigen en on-
afhankelijk leven te hebben; en ofschoon z^ dan in staat is zelve in
hare behoeften te voorzien, zou het toch zeer wel kunnen gebeuren, dat
zij gedurende den tijd, dien zij met de moederplant verbonden is ge-
weest, uit deze zoo niet al de stoffen, welke zy bevatte, dan toch ten
minste die stoffen getrokken hadde , die meer onmiddellijk bestemd wa-
ren tot voeding van den knop, welke immers noch de betrekkel^ke even-
redigheid der bedoelde stoffen, noch het juiste gedeelte van den rietstok
aanwijst, noodig om in de behoorlijke hoeveelheid de stoffen te ver-
schaffen, welke de knop behoeft om zich te ontwikkelen.
.Eerète proef, Wy verdeelden eenen rietstok derwyze, dat ieder stok
bestond uit een lid tusschen de helft van elk der twee aangrenzende
geledingen. Wij plantten die stukken , welker knoppen na een kort tgda-
verloop uitliepen; de dus ontstane spruiten ontwikkelden zich, en wer-
den later fraaye rietstoelen.
Tweede proef. Wy kapten een rietstengel gelijk met de streep, die de
aansluiting van het blad aanwijst, en lieten aan het bovengedeelte
slechts de helft van het lid. Het dus gesneden stuk riet bragt eenen
rietstok voort, die bij uitstek r^k was aan bladerdos.
Berde proef. Deze proef is juist het tegenovergestelde van de vorige.—
Wij sneden een stuk riet zoo, dat de doorsnijding plaats had juist ge-
lijk met het bovengedeelte van de puntenstreep, die den oorsprong
der wortels van het stengellid aanwijst, en lieten er van onderen de hcUt
van het lid aanzitten. Nadat het dus gesneden stuk riet door ons ge-
Digitized by
Google
373
plant was, ontkiemde de knop, de spruit kwam te voorsch^n en leverde
eenen vrij goed ontwikkelden rietstoel.
Vierde proef. Om de gegevens te voltooien , die wij uit de drie voor-
gaande proeven konden afleiden, namen wij nog de volgende proef:
wij sneden het lid van eenen rietstengel af, van onderen gelijk met de
streep , die de aansluiting van het blad aanwijst , en van boven gelijk
met de streep, die te beschouwen is als grenslijn van de punten, uit
welke de wortels van het lid moeten voortkomen. Deze laatstbedoelde
doorsnijding moet volbragt worden met de noodige behoedzaamheid,
om den knop niet te kwetsen. Dit stuk riet bragten wij in den grond,
èn eenige dagen later kwam de spruit op, die zeer welig opgroeide
en spoedig tot haren vollen wasdom kwam.
Wij willen een oogenblik by deze proeven stilstaan , om er de waarde
van te bespreken, en de gevolgtrekkingen na te gaan, die zich daaruit
laten opmaken. De eerste proef bewijst, dat de knop, om zich te ont-
wikkelen, niet al de stoffen noodig heeft, welke in haar geheel de beide
geledingen bevatten, waartusschen het geplant wordende lid zich be-
vindt. De tweede proef leert , dat van het bovenste lid de helft genoeg
is. De derde proef doet zien, dat ook van het onderste lid de helft
voldoende is. Doch daar het zeer wel het geval kon zijn, dat onver-
schillig of de eene of de andere helft noodig ware, dat deze elkander
konden vervangen met evenveel voordeel, strekt de vierde proef om aan
te toonen, dat de knop zoo min de eene als de andere helft noodig
heeft : zy heeft genoeg aan de stof , die in het stengellid zelf aan-
wezig is.
Met schijnbaar voldoenden grond zou men ons kunnen tegenwerpen ,
dat, al ontwikkelt zich de knop in deze vier gevallen volkomen , zonder
dat hy meer dan eene min of meer aanzienlijke hoeveelheid voeding-
stoffen ter zyner beschikking heeft, de wortels, die aan het lidgroeyen,
echter eene hoogere werkzaamheid kunnen ontwikkelen, en door de
stoffen , die ze uit den grond trekken , aan het stengellid de nog ont-
brekende voeding verschaffen , die onmisbaar is om den knop in staat
te stellen al de functiën ter zijner ontwikkeling te volbrengen.
Om het denkbeeld weg te nemen, dat door de wortels van het lid
eene onmisbare hulp verleend wierd by het te weeg brengen van de
Digitized by
Google
374
verschijnselen , hebben wij de zelfde proeven herhaald , en zorgvuldig
met een pennemes van het lid al de deelen afgesneden, die wortels
konden voortbrengen. De aldus gereedgemaakte stukken riet werden
geplant, en leverden ons resultaten, in alle opzigten gel^k aan die,
welke wy vroeger hadden verkregen.
Om ons gevoelen des te beter boven allen twjjfel te verheffen , heb-
ben wij de omstandigheden nog nader nagegaan. Het stuk riet, enkel
bestaande uit het lid , ontdaan van al de gedeelten die wortels konden
voortbrengen, werd door ons geplant in amianth, en tevens omkleed
met boomwol en met pluksel, behoorlyk natgemaakt; en in alle drie
deze gevallen kwamen de knoppen volkomen tot ontwikkeling.
Uit het hierboven medegedeelde ziet men , dat by deze vier proef-
nemingen de geledingen , horizontaal afgesneden zynde , steeds hare na-
tuurlijke middellijn behielden: het eenige, dat veranderingen ondei^ng,
was hare lengte.
In de reeks proefiiemingen , die wij vervolgens in het werk stelden,
namen wij wederom stukken van verschillende lengte, maar bragten
ook verschil in de dikte , doordien wy het stengellid in de lengte afsne-
den aan verscheidene gedeelten van zyne middellijn. Met andere woor-
den: de hier volgende proeven stemmen volkomen overeen met de
vorige, alleenlyk met dit onderscheid, dat de afmetingen van het sten-
gellid verschillen in beide rigtingen, namelijk zoowel in dikte als in
lengte, terwyl wy by de eerste proefnemingen alleen de lengte lieten
verschillen.
Bersie proef, — Wij sneden het stengellid, juist alsof wij er de eerste
proef der vorige reeks mede nemen wilden, overlangs, derwijze, dat
de doorsnede ongeveer door het derde gedeelte der middellyn van den
rietstengel ging: het stuk, waaraan de knop zat, was dus niet dikker
dan het derde gedeelte van den stengel. Wy plantten zoodanige stuk-
ken, nu eens gebogen , dan eens regt, en in de meeste gevallen zoo,
dat ze horizontaal op den grond lagen: op al die manieren liep de
knop uit, en ofschoon de spruit in het begin eenigzins zwak scheen,
begon zij echter na verloop van korten tijd krachtiger te worden en
stoelde zoo welig uit, dat men moeijelijk zou hebben kunnen gelooven,
dat zulk een fraaye rietstoel was voortgekomen van zulk een klein
Digitized by
Google
375
stok plantriet, waarin de knop zoo weinig voedingstoffen ter zijner be-
schikking had gehad om zich aan?ankel^k te ontwikkelen.
Tweede, derde en vierde proef, — Deze proeven stemmen overeen
met de tweede, derde en vierde der vorige reeks; maar ze verschillen
daarvan in zooverre, dat de stukken waren afgesneden juist als om er
de vorige proe&eming mede te bewerkstelligen, zgnde de doorsnede
in de lengte gegaan door het derde gedeelte der middelljjn van het
stengellid. De dus afgesnedene stukken werden door ons geplant, de
knoppen liepen uit, en later ontwikkelden zich de spruiten by uitstek
welig en stoelden bi|j uitnemendheid goed uit.
Om ons te vrijwaren tegen elke tegenwerping, waarb^ men aan de
wortels van het stengellid eene rol toekende om de ontwikkeling van
den knop te verklaren, hebben w^ de zelfde proeven herhaald , en tel-
kens eerst al ,die gedeelten van het stengellid a%esneden, aan welke
wortels hadden kunnen uitloopen. De aldus ingerigte stukken werden
geplant , en nadat hunne knoppen uitgeloopen waren , bragten ze sprui-
ten voort en stoelden vervolgens juit, juist op de zelfde wijze als we
dat vroeger verkregen hadden bij onze vorige reeks proefnemingen , toen
we die gedeelten, welke wortels konden voortbrengen, niet hadden af-
gesneden.
Dit punt dus tot klaarheid gebragt ziende, hebben wy het stengel-
lid genomen , en er telkens stukjes afgesneden , om het gedeelte , waar-
aan de knop zat , telkens kleiner te maken , daarbij tevens de voorzorg
nemende , dat we er al de gedeelten afsneden , uit welke wortels had-
den kunnen voortkomen. — Op die wyze hebben wy het stuk plantriet
ingekort tot afmetingen , waarover men inderdaad verbaasd moest staan ;
afmetingen, zullen wij dadelijk hierby voegen, die geëvenredigd zyn
aan den staat van ontwikkeling, waarin zich de knop bevindt, en die
altyd van groeten invloed zijn op de kracht van de spruit , welke
voortkomt uit het oog, dat zich onder die omstandigheden ontwik-
keld heeft.
Op dit laatste pnnt vooral moeten wy de aandacht vestigen, en eenige
opmerkingen dienaangaande hierby voegen, opdat er geen de minste
twyfel blyve bestaan ten opzigte van de denkbeelden , die wij omhelsd
hebben na het nemen van eene menigte proeven , welke allen de strekking
Digitized by
Google
376
hadden om licht over de zaak te verspreiden. Ons doel is om wel en
deugdelyk te doen uitkomen, dat er eene grens bestaat, die niet over-
schreden mag worden bij de verbrokkeling, welke men het stuk riet
doet ondergaan, waaraan de knop zit. — Wanneer men het stuk riet,
waaraan de knop zit, nog kleiner maakt, zal de knop zich niet ontwik-
kelen; of doet hy dit wel, dan sterft hy zeer spoedig, doordien hij
geen genoegzame hoeveelheid voedende stoffen vindt om krachtig te
worden, en de organen te vormen, welke hg voor zyn onderhoud noo-
dig heeft. Met andere woorden: naarmate de afinetingen van het stuk
riet kleiner worden, verschynt de spruit hoe langer hoe tengerder,
totdat zij of in het geheel niet meer te voorsch^n komt, of, indien zij
zich vertoont, zoo weinig levenskracht bezit, dat zy spoedig sterft. Wij
herhalen het: de staat van ontwikkeling van den knop, zijn gezonde
toestand, de hoeveelheid voedende stoffen, die het stuk riet in een
gegeven tijdsbestek inhoudt, en de omstandigheden, die als hoofdver-
eischten aanwezig zijn bij de ontwikkeling van het oog, oefenen eenen
zeer bepaalden invloed uit op de geëvenredigde grens voor de hoeveel-
heid riet , die de knop noodig heeft om z^ne ontwikkelings-functiën te
verrigten, uit te loopen en de jonge spruit in staat te stellen de orga-
nen te vormen , welke bestemd z^'n om haar te voeden. Er is dus geen
juiste grens als vaststaande regel voor die hoeveelheid te bepalen , want
zij wisselt af naar gelang van al de bijzonderheden, die wij daarvan
hebben opgesomd.
Behalve dat wij onze proefnemingen hebben volbragt op de wyzen,
als in de voorgaande bladzijden door ons beschreven is, hebben wij,
om met meer spoed te werk te gaan, twee kromme sneden gegeven
rondom het lid. Nu eens liepen die twee sneden in elkander uit, zoo-
dat wij het stuk er uit konden halen. In andere gevallen ligtten
wij het mes even op, om het stuk er uit te wippen. Eene zeer opmer-
kelijke en eenvoudige manier, eindelijk, om de waarheid te bewijzen
van hetgeen wij hebben trachten te betoogen, bestaat hierin, dat men
het gansche binnengedeelte van het stengellid er uithaalt, en alleen de
schors , den bast achterlaat. De knop , die aan dien bast zit , ontwik-
kelt zich, zoodra men hem in goede omstandigheden plaatst , en brengt
eene vry krachtige spruit voort. Om het stengellid gemakkelyk te kun-
Digitized by
Google
377
nen uitholen, moet men beginnen met, niet aan den kant waar de knop
zit, maar aan de tegenovergestelde z^*de, van de schors eene strook
af te snijden, minstens ter breedte van een nederlandschen dnim:
daarna sn^'dt men met een pennemes van lieverlede het geheele bin-
nengedeelte uit. W^ moeten hierby voegen , dat wij tevens zorg droe-
gen, ook van dit aldus uitgeholde stengellid al die gedeelten af te sny-
den, uit welke wortels hadden kunnen voortkomen.
De stukken riet, in allen deele behandeld zooals wy hier hebben
doen kennen , werden verscheidene malen in amianth , in katoen en in
puimsteen geplaatst, welke zelfstandigheden wij behoorlek vochtig hiel-
den , en wij hebben daarvan altijd resultaten verkregen , die onze denk-
beelden volkomen bevestigden. Uit deze proeven bleek ten duidelijkste
de invloed, die op de spruit wordt uitgeoefend door de stoffen, welke
het stengellid bevat. De spruit was krachtiger, ontwikkelde zich weliger,
en leefde langer, hoe grooter het stuk riet was, waaraan zy was voort-
gekomen. Eene opmerking, die wi^j gemaakt hebben, moeten wij hier
niet onvermeld laten. Op eenen riet-akker zoog een kalf een groot stuk
riet uit, en wierp de uitgezogene schors, waaraan eenige knoppen
zaten, op den grond, die laag lag, terwijl de weersgesteldheid vochtig
was. Toevallig vonden wy dien uitgezogen netbast, en al de knoppen
daaraan waren volkomen ontwikkeld.
Bij al de proefnemingen, tot dusverre door ons beschreven, hadden
wy ons bediend van looze stengels, dat wil zeggen stengels, voortge-
komen van spruiten , die ontstaan waren boven den grond. Om de reeks
van onze nasporingen voltallig te maken, hebben wij de zelfde proeven
nog eens genomen, ons daarbg bedienende van stengels, voortgekomen
van spruiten, welke aan den ondergronds-stam waren uitgeloopen; en
al dadelijk ontdekten wy daarby twee in het oog loopende punten van
onderscheid; 1°. waren de geledingen korter en houtiger; 2°. had elk
dier geledingen krachtige en werkzame wortels, bestemd om aan de
plant tot steun te dienen. Wat den ondergronds-stam aangaat , beweren
wij, dat de wortels onder gewone omstandigheden eene krachtige en
aanhoudende hulp verleenen aan de in het lid aanwezige stoffen, die
bestemd zijn ter ontwikkeling van den knop (62); maar in weerwil
daarvan hebben herhaalde proefnemingen ons het bewijs geleverd, dat
Digitized by
Google
378
deimoppen idfii io dk gendloi xidi minder «eUg kii]iiie& <mfcwih^elei&,
oMiocm dan waaóa dergelqke osganea , bestemd om Toedingstoffea uit
den gnmd te trddua. Wg lid>ben die proefhianingoi bewetkutelligd
doordioi wg moedentddken opgioeren, en die za^mldig cmtdeden vnn
al de daaraan zittende aaide, waarna wg de wortds afkniptoi m^
eene sehaar, en ze Terrolgens afsneden met een poinemes. Na de sten-
gels geschikt te lid>ben gemaakt toot ons oogm^, sneden wq se aan
stokken op de zelfde w^ze als wg dat den looien (d. L boven den
grond ontsproten) stengd gedaan liadd^, en wg lid>b^ alt^ resuU
taten verkregen, volkomen overeenstenmiende met die , wdke w$ berokt
hadden met de proefnemingen, vroeger door ons in het weik gesteld
met looze stengels.
De proeven , hier door ons beschreven , zyn genomen m^ o / a ii tf tc t ,
inieemsek^ domnék^jnend , groohge^eept ^ wMerbrne-kleMrig ifestreepi ea
geheel en al moerbetie'kleurig riet, W^ hebben steeds de zelfde resultat^i
verkregen. W^ moeten echter hierbg voegen, dat w\j ons het meest
bediend hebben van riet met moerbezie-klenrige streepen, hetwelk mi»-
schien beter dan eenige andere variëteit tot die soort van proe&emin-
gen geschikt was.
Het dienstigste middel om de hierboven beschrevene proe&emingen
in het werk te stellen, is de tot een goeden graad van verrotting
overgegaan zynde ampas , welke eene plantaardige mestspecie oplevert ,
die beter dan eenige andere tot dat einde kan worden aangewend. W^'
hebben ook zeer bevredigende resultaten verkregen van eenen grond,
bestaande nit min of meer zandige roode aarde, vermengd met rotte
ampas. Indien men, in plaats van de opgenoemde middelen, een zeer
kleiachtigen grond koos , of een zoodanigen , die zeer gemakkelgk zyne
vochtigheid verloor, zou men in vele gevallen negatieve of tegenstrydige
resultaten erlangen.
Al de hierboven medegedeelde daadzaken brengen ons tot de gevolg-
trekking, dat de knop van een stengellid, om zich te ontwikkelen,
niets meer noodig heeft dan slechts een klein gedeelte van de in dat
lid aanwezige voedingstoffen; deze waarheid hadden wy uit het resul-
taat van eene vroegere proefneming reeds afgeleid , daar dit ons het
bewijs had geleverd, dat de jonge spruit verplant kon worden en voort-
Digitized by
Google
379
ging zich te ontwikkelen, nadat zij ter geschikter tijd van de moeder-
stek was afgescheiden. — Ter zijner plaatse hebben wy de opmerkingen
doen kennen, die ons noopten deze daadzaak voor waarheid aan te
nemen zonder verdere betwyfeling , alleen als gevolgtrekking uit eenige
g^evens afgeleid, en bevestigd door die ééne proefneming; maar nu,
nu vrij de zelfde daadzaak bevestigd zien door nieuwe en regtstreeksche
proefnemingen, mogen wij, zonder te vreezen dat wy in ons oordeel
kunnen dwalen , onze opmerkingen doen strekken als bewijsmiddelen om
de waarheid te staven van hetgeen w^ als daadzaak wenschen vast te
stellen. — Immers, in het eene geval lieten wij den knop slechts een
gedeelte van het voedende orgaan behouden, en in het andere geval
stelden wij de jonge spruit niet in de gelegenheid om van den ganschen
voorraad voedende stoffen gebruik te maken, en dien geheel uit te
putten: zoodat in beide gevallen de knop slechts te beschikken had
over een gedeelte van de stoffen, die ter zyner voeding in het stengel-
lid aanwezig waren. En terwijl wy op nieuw het feit ter sprake bren-
gen van het verplanten der spruiten, nadat die van de geledingen,
waaruit ze geboren werden, waren afgescheiden, zal het zyn nut hebben
hier ten aanzien van dat verschijnsel eenige ophelderingen bij te voe-
gen. Wij zullen beginnen met aan te toonen het geëvenredigd verband,
dat er bestaat tusschen den graad van ontwikkeling der spruit en de
grootte van het stengellid , noodig om de jonge plant in staat te stellen
zich te ontwikkelen. Zoodra de jonge spruit eigene wortels heeft ge-
schoten, kan men haar geheel van het stengellid afscheiden, tot welk
einde men niets anders behoeft te doen dan de doorsnijding te bewerk-
stelligen met de schors van den rietstengel gelijk; in dit geval gaat de
doorsnijding door de laatste gedeelten van de spruit. Menigmaal echter
hebben wy op die wijze jonge spruiten afgesneden , die nog geen eigene
wortels hadden ; en in weerwil dat wij er niets van den stengel aan
hadden laten zitten , vatte de dus verplante spruit goed en ontwikkelde
zich welig. In andere gevallen , waarin de spruit nog geen wortels had
geschoten, hebben wij, om in hare voeding te voorzien, een stukje
van den stengel er aan laten zitten, kleiner naarmate de spruit meer,
of grooter naarmate zij minder ontwikkeld was. Somw^len hebben wij ,
nadat wij een gedeelte van den stengel aan de spruit hadden laten zit-
Digitized by
Google
380
ten , dat gedeelte daarna zorgvuldig met een pennemes er van afgesne-
den, zoodat by slot van rekening niets anders door ons verplant werd
dan eene volkomene sproit in haar geheel; iedere spruit, die eenen
tamel^ken graad van ontwikkeling bereikt had, vatte, op die wijjze
behandeld, goed, in weerwil dat zy niet voorzien was van eigene
wortels.
Eene vrij opmerkelyke b^'zonderheid, waarop wij de aandacht wen-
schen te vestigen , is de zwakheid der spruiten , die in het oc^ loopen-
der is , naarmate het stengellid , dat de stoffen bevat , die noodig zyn
om de spruit te voeden, kleiner is. In weerwil van de geringe kradit,
die zij schijnt te bezitten in de eerste tijdperken van haar bestaan , zal
zij, indien zy slechts in gunstige omstandigheden verkeert, na verloop
van eenigen tijd krachtiger worden en het aanz\jn geven aan rietstoelen
zoo welig, als de weligste, die door de best gevoede knoppen voort-
gebragt hadden kunnen worden, hoezeer deze laatstbedoelde minder tjjd
en niet zoo vele gunstige omstandigheden daartoe noodig gehad zouden
hebben.
Deze proefneming hebben w^ ontelbare malen herhaald, en steeds
de zelfde resultaten daarvan erlangd. De beste wyze om deze proef te
bewerkstelligen bestaat hierin, dat men eene kleine plek gronds daar-
toe neme, waar men aan de jonge plant zeer gemakkel^k al de ver-
eischte zorg kan besteden. De rietstekken in gereedheid gebragt zijnde,
haalt men uit den bak of pot zoodanige hoeveelheid aarde, als noodig
is om ze te dekken; daarna wordt de plantgrond behoorlek gelijjkge-
maakt of gevlakt: vervolgens de rietstekken daarop gelegd, dan be-
sproeid , en eindelijk de tot dat einde afgezonderde aarde er overheen
gebragt. Als de knoppen uitgeloopen z^n, laat men de jonge spruiten
zich ontwikkelen, totdat ze krachtig genoeg z^n en eigene wortels heb-
ben. Dan plant men ze over in de daartoe gekozene plaats , waar men
afzonderlijke gaten steekt op zoodanige afstanden van elkander , dat de
jonge netplant zich naar behooren zal kunnen ontwikkelen ; in die gaten
brengt men de noodige mest, en daarna plant men er de spruiten in.
Na verloop van ettelijke dagen vatten die spruiten, vooral indien men
zorg draagt, dat ze behoorlek beschut blyven tegen den verzengenden
invloed der zonnestralen, of, indien ze verplant zyn terwyl de lucht be-
Digitized by
Google
381
trokken stond. Men wane echter niet , dat het een streng vereiSchte is
ze tegen de zonnehitte te beschutten; want zelfs zonder die voorzorg
zullen ze vatten, zij het dan ook iets minder spoedig.
De in bovenstaande regelen uiteengezette feiten zullen ons ten grond-
slag dienen om kortel^k twee punten van het hoogste gewigt aan te
voeren, waarmede wij ons uitvoeriger bezig zullen houden wanneer w^
de proefnemingen zullen bespreken, ten dien aanzien door ons in het
werk gesteld. Yoor het oogenblik willen wij ons er bij bepalen wel het
verband te doen uitkomen, dat er bestaat tusschen de gegevens, die
zich laten afleiden uit de voorgaande proefnemingen, en de punten,
die wy ons voorbehouden later te behandelen met de noodige uitvoe-
righeid. Wy willen hier enkel wyzen: l®. op den invloed, dien de
hoedanigheid van het plantriet uitoefent op de ontwikkeling van de
jonge rietplant; en 2^. op het geschiktste tijdstip om de mest in den
grond te brengen, opdat de plant daarvan volkomen de heilzame wer-
king ondervinde in een der hagchelijkste tijdperken van haar leven.
Als men om eenen akker te beplanten riet bezigt van geringe kwa-
liteit, is de jonge spruit zwak en zeer gevoelig voor den nadeeligen
invloed van ongunstige omstandigheden; zy zal dan slechts behoorlek
groeyen en tot eenen voldoenden graad van wasdom geraken , byaldien
èn dampkrings-invloeden èu aan de cultuur bestede zorgen èn de vrucht-
baarheid van den grond, als zoo vele gunstige omstandigheden allen
gelykelyk medewerken om hare ontwikkeling te bevorderen en te be*
gunstigen. Maar in allen gevalle bereikt zy nooit zulk eenen graad van
ontwikkeling als men wenscht, of zy heefb daartoe veel meer tyd noo-
dig dan eene spruit, die voortgekomen is van eenen goeden rietstengel.
Gemeenlek ontwikkelt zich de eerste spruit niet goed; de stengel, die
daarvan voortkomt, is klein en heeft korte en houtige geledingen : maar
de spruiten van deze geledingen kunnen, indien de omstandigheden
gunstig medewerken , zoo fraai zyn als die , welke van het beste plant-
riet voortkomen. — Deze daadzaak, welke door de praktijk is beves-
tigd, stemt overeen met het resultaat van de proefneming, die wy hier
hebben beschreven , waarbij de knop slechts party trok van een gedeelte
der voedende stoffen, die in het lid aanwezig waren. — Daarentegen
doet ons de ontwikkeling van knop en spruit, die van een stuk goed
Digitized by
Google
882
riet voortkomen, den ganstigen invloed zien, die op het ontstaan en
al de leveusverrigtiugen van deze organen wordt uitgeoefend door den
aard en de hoeveelheid der voedende stoffen, welke in den stengel aan-
wezig zyn.
Er is een zonneklaar bewijs, dat allen twijfel onmogelijk maakt aan-
gaande den invloed, die door de in den stengel aanwezige stoffen wordt
uitgeoefend op de spruit; en dit bewijs levert ons het verschijnsel in
zijnen ganschen omvang. Wy spreken hier van netplanten, die vooriko-
men van knoppen, welke gevoed worden op eene buitengewone wijze,
zoowel wat aangaat den t^d, dien hanne voeding duurt, als de gestadige
en geleidelijke vernieuwing van de voedingstoffen, waarvan ze zich be-
dienen. — De spruiten van buitengewoon groote afmetingen , die op de
plantaa^jen bekend z^n onder den naam van uitzuigers of dieven , zyn
die, welke ons de onschatbare argumenten aan de hand zullen doen
om dit punt te bespreken. — Onder welke omstandigheden ontstaan die
uitzuigers? Kunnen de oorzaken, waaruit hun ongemeen sterke groei
ontstaat, worden te weeg gebragt of ten minste verklaard? Ziedaar de
vragen, die wij ons voorstellen te beantwoorden. — Oppervlakkig zou men
kunnen denken, dat de bijzondere groeikracht van deze spruiten, zoo niet
uitsluitend, dan althans voomamel^k, toe te schrijven is aan den overvloed
van voedingstoffen, welke in een kort tijdsbestek aan den knop worden
verschaft, terwijl deze zijne ontwikkelings-momenten doorloopt, welke
voedingstoffen geacht kunnen worden aangebragt, doordien de wortds
van de moederstek in den hoogsten graad werkzaam zijn. Voor doe
opvatting pleit de by zonderheid, dat zulke spruiten gemeenlijk worden
aangetroffen bij plantsoenen, die nog nooit gekapt en die geplant zyn
in eenen pas ontgonnen boschgrond; ofschoon ze, zooals na te gaan is
uit de omstandigheden, waaronder hare ontwikkeling plaats grypt, ook
menigmaal worden aangetroffen bij geplant riet, zoowel najaars- als
vooijaars-plantsoenen, geplant op akkers, die reeds vroeger in cnltnnr
zijn geweest, en zelfs by plantsoenen , van welke reeds een of meer sneden
geoogst zyn. — Als men een oogenblik nadenkt, zal men inzien, dat
het niet voldoende is deze opwekking in den aanvoer van voedende
stoffen aan te nemen, daar deze overvloed van voedingstoffen, aan den
knop verstrekt in een kort tijdsbestek^ wel verre van zulk een uitzuiger
Digitized by
Google
385
punt, dat wij hier aanbeyelen, van nog veel meer gewigt, dan indien
er geplant wordt in een behoorlijk gereedgemaakten grond en met riet
van goede kwaliteit. Men houde wel in het oog, dat eene zwakke spruit
slecht uitstoelt en niet best bestand is tegen de droogte, en dat het
wied of onkruid er een verderfelijken invloed op uitoefent.
"Wij hebben dus met alle bedenkelyke betoogredenen, proefondervin-
delijke bewijzen en waarnemingen aangetoond, dat de kracht der sprui-
ten geëvenredigd is aan de gesteldheid van de knoppen, waaruit ze voort-
komen, en aan de hoeveelheid voedingstoffen , die ze in de geledingen
aantreffen om in haar onderhoud te voorzien. — Uit deze daadzaken
willen wij nu een nieuw bewijs afleiden, dat zonneklaar zal doen zien,
van hoeveel belang het is, door alle mogelijke middelen te zorgen, dat
er een onafgebrokene, bestendige voortgang blijve bestaan in al de ver-
schillende tydperken van den groei der netplant. — Elk tusschenlid ont-
staat uit de ontwikkeling van eenen eindknop, en deze voedt zich om
te groeijen ten koste van het tusschenlid, waaraan hij zich bevindt; in
boe beter toestand de eindknop verkeert, hoe overvloediger en rijker
aan voedende stoffen het tusschenlid is, dat de taak heeft om dien
eindknop te voeden, des te krachtiger zal ook de verlengende spruit zijn,
des te Tbeter zal deze zich ontwikkelen. — Byaldien het déze spruit,
die onder zulke gunstige omstandigheden is voortgebragt , volstrekt niet
ontbreekt aan de stoffen, die z^' noodig heeft voor haren groei en voor
de verwerking van hare sappen, is het duidelijk, dat zij al hare levens-
fdnetiën volkomen verrigten zal.
Bij deze reeks proefnemingen behooren eenige proeven, die wij heb-
ben ingesteld, waarbij wij de methode van vergelykende proefnemingen
hebben gevolgd, met het doel om, door de eigene wortels van de
spruit, die van het stengellid, af te snyden, en door het gedeelte van het
stengellid, waaraan ze voorkomen, te verkleinen, de betrekkelgke be-
langrijkheid van die organen te bepalen. Later zullen wij de resultaten
doen kennen, die wij verkregen zullen hebben, na de proefnemingen
op verschillende wyzen herhaald te hebben.
Eer wij het verslag betreffende onze proefnemingen vervolgen, aöhten
wij het niet ondienstig in eene uiteenzetting en uitvoerige beschouwing
te treden van de denkbeelden, geopperd door Dütrone, welke denk-
25
Digitized by
Google
as6
bedden, hoezeer dwaalbegrippen zipde» a^%ekid varen van eene daad-
xaak, die wg gaaf als zoodanig moetm eriuDnen.
Om hei geroekn ran DntroDe Tolkomen dnidd^k te maken, die-
nen wg eerst de beteekmis te reridaren tan sommige nildmttin-
gen, waanran hij zidi bedient, om söne ofcitoigiBg in woorden te
brengen.
Het riet, zooals het zidi aan ons vertoont, bestaat nit eai^i rtam
onder den grond, voorzien van wortds, en mt eenen stam boToi den
grond, toegerust met bladeren. — Dntrone splitst den ondcrgronds-etam
in twee gedeelten : het eene gedeelte is gevormd door verscheid^ie bij-
zondere knoopen, len getale aU^ muuiene rnm v^^ sowiw^lem teê, en
nooU wteer dam zeven. De grootte van iedoren knoop is van een tot twee
streepen, en vertoont op zijne oppervlakte eene rg kleine ponljes, uit
welke de wortels zullen voortkomen.
De schrijver, over wiens denkbeelden wq hier spreken, no^nt die
knoopen radicale, omdat hij ze beschouwt als louter bestemd om het
aanzijn te geven aan wortels {radicee): en al deze knoopen te zamen
vormen het eerste gedeelte van den ondergronds-stam, hetwelk hij het
primiUve noemt, omdat het slechts bestemd scheut om tot punt van
uitgang en middelpunt te dienen voor de eerste ontwikkeling der knoo-
pen, die op dit gedeelte volgen. — Het tweede gedeelte van den onder-
gronds-stam noemt hijj het secundaire. Zien w^ nu welke punten van
kenmerkend onderscheid er bestaan tusschen het primitive en het secun-
daire gedeelte van den ondergrondsHstam. Tot dat einde is bet noodig
het riet te beschouwen in de eerste tydperken van zyne ontvdkkding,
of de spruiten na te gaan, die zich boven den grond vormen, wanneer
men den rietstok snoeit. Bij laatstgenoemde spruiten zijn de versch^n-
selen gemeenlek zigtbaarder, terwijl de wortels, die zich in het eerste
geval ontwikkelen, wanneer het riet in den grond ontkiemt, beletten
dat al de b^zouderheden daarvan zoo duidel^k zigtbaar ziijn.
Na de radicale bladeren verlaten te hebben, vertoont zich gemeenmk
onder het blad van den vyfden knoop het eerste stengellid, dat men
herkent aan den knop, dien het op eene zijner zgden heeft; als het
dat oog niet heeft , moet het geplaatst zijn tusschen de radicale knoopen;
dan draagt de volgende knoop den knop, die hem kenmerkt; en gesteld
Digitized by
Google
387
dat die ook hier ontbrak, hetgeen doorgaans het geval niet is, dan
zoude dit de laatste radicale knoop z^n.
Na deze verklaring van den zin, waarin Butrone zyne woorden be-
zigt , zullen wij de gegevens in beschouwing nemen, die ons verschaft
zijn door de waarneming van eene talr^ke menigte rietstokken.
Het is waar, de verschijnselen vertoonen zich zeer duidelyk by de
spruiten boven den grond; maar ze z^n ook zigtbaar, wanneer men
netplanten in beschouwing neemt, die zoo gegroeid z\jn, dat hunne
knoppen zich hebben ontwikkeld in eene rigting juist tegenovergesteld
aan die, welke ze natuurlijk moesten hebben; alsdan heeft de spruit,
om boven den grond te komen, eenen grooteren afstand te doorloo-
pen, en de primitive ondergronds-stam ontwikkelt zich derwyze, dat
z^jne verschillende deelen duideli^jk te onderscheiden z^n.
Wij zijn in de gelegenheid geweest om duizenden bovengronds-spmi-
ten gade te slaan, en uit die veelzgdige waarnemingen hebben wij de
twee nagemelde gevolgtrekkingen a%ekid : 1^. Dat de knop gemeenlijk
onder het zesde stengellid, en by gevolg aan den vijfden knoop van
den stengel zit; somwijlen onder aan het zevende lid , zelden onder aan
het achtste, nog zeldzamer onder aan het negende, en slechts eens is
ons het geval voorgekomen, dat wij hem aantro£Fen onder aan het tiende
stengellid. Ook hebben w^' éen geval aangetroffen, waarb^' de knop on*
der aan het vyfde, dat wil dus zeggen, aan het vierde stengellid zat;
maar dit is uiterst zeldzaam. Op dit punt, ziet men dus, vergist Du«
trone zich, misschien wel doordien hi|j geen genoegzaam aantal bov^n«
gronds^pruiten heeft gadegeslagen (63).
%^. Bat de wortels, of beter gezegd, de punten waaruit ze moeten
voortkomen, zich somw^Ien vertoonen aan den tweeden knoop, altijd
aan den derden en vierden.
Wy zullen nu het hoofdpunt bespreken. — De knop, zegt Dutrone,
toegerust met al de hoofdvereischten, om de in hem aanwezige kiem
in staat te stellen zich te ontwikkelen, schijnt niets te ontvangen van
het riet, waarvan hij voortkomt; en gesteld dat dit hem eenige voe->
ding mogt verschaffen, zou die des te meer dienen om den primitiven
stam te doen groeyen. -^ Dit gevoelen is gegrond op het feit, dat er
Digitized by
Google
388
eenige knoppen uitgeloopen zijn, die slechts aan kleine gedeelten van
den bast of schors vastzaten.
Zonder ons thans te beroepen op de proefondervindeli^jke bewi^n,
die wij reeds vroeger uiteengezet hebben, moeten wij al dadelijk de
geheele stelling van Dutrone verwerpen; want noch de organische bouw
van den rietknop» noch z^ne chemische zamenstelling leert ons, dat hij
de onmisbare stoffen in zich bevat, om voedsel te verschaffen aan zijne
ontwikkeling. Dit denkbeeld, om den knop van den suikerriet-stengel te
willen gelgkstellen met een echt knolgewas, waarin zich de stoffen aan-
wezig bevinden, die geschikt z^n om te voorzien in al de behoeften der
ontwikkeling van de Idem, is, naar onze wijjze van zien, in alle opzigten
onaannemelijk.
Doch als w^ het vraagstuk verplaatsen op het terrein der daadzaken ,
toonen de door ons in het werk gestelde proefiiemingen zonneklaar aan,
dat de knop van den rietstok niet de voor zgne ontwikkeling benoo-
digde zelfstandigheden in zich bevat; wel verre van dien, heeft liij in-
tegendeel dringend behoefte aan de hulp der zelfstandigheden, die aan-
wezig zijn in het stengellid. Onze methode , om de grootte van het sten-
gellid, waaraan de knoppen zaten, langzamerhand te verminderen,
heeft ons in staat gesteld om den invloed te ontdekken, die de daarin
aanwezige voedingstoffen uitoefenen op de ontwikkeling van den knop.
Zoodoende hebben wij bevonden, dat: 1^. De afmetingen en de kracht
van den stengel tot zekeren graad geëvenredigd waren aan de afinetin*
gen van het stengellid. — 2^. Moet de vroegere ontwikkeling vanden
knop in aanmerking worden genomen; want hoe meer deze ontwikkeld
is, des te minder zal hy behoefte hebben aan de voedende stoffen van
het stengellid, waaraan hij zich bevindt. — 8®. De invloed van de
plantstek op de eerste ontwikkeling van den knop, de vorming der
boze stengels, enz.; kortom, al de vroeger uiteengezette daadzaken be*
wijzen het naauwe verband , dat er bestaat tusschen den knop en het
stengellid, welke waarheid door de naauwkeurige beschouwing vanden
bouw dezer organen en van hunne chemische zamenstelling volkomen
wordt bevestigd.
Ware Dutrone niet een schrijver van zoo groote verdiensten, dan
Digitized by
Google
389
zouden wij ons niet eens verledigd hebben tot eene wederlegging van
zijne zienswijjzen; doch daar hij te regt beroemd is, hebben wij het van
onzen pligt geacht, zijne dwalingen in het ware licht te stellen. Zijne
vlugtig gemaakte gevolgtrekking, door hem afgeleid uit één enkel kwa-
lijk begrepen feit, levert ons bovendien al weder het bewijs, dat wy
in de nasporing, die ons thans bezig houdt, gelijk in alle nasporingen
van proefondervindelyken aard, altyd de proefnemingen moeten herha-
len onder verschillende omstandigheden, daar het alleen zoodoende mo-
gelijk wordt de juiste waarde te leeren kennen van al de bijzonderheden ,
die met het te weeg brengen van het verschijnsel gepaard gaan , en van al
de oorzaken, die het hebben te weeg gebragt. Ofschoon de baan, die
doorloopen moet worden, zeer lang is, zullen wy, haar ten einde ge-
bragt hebbende, de voldoening smaken ons nader by de waarheid te
zien, en zullen wij vele dwalingen hebben vermeden, waarin wij anders
zouden zyn vervallen. Bij het onderwerp dat ons bezig houdt, is het te
meer van belang ons naar die kostelijke voorschriften te gedragen, daar
de resultaten, die wij er door bereiken, ten grondslag moeten dienen,
om de beredeneerde cultuur van het suikerriet in te voeren op groote
schaal.
IL
De naauwgezette beschouwing van al de omstandigheden, die geza-
mentlyk, en elk in het by zonder, in meerderen of minderen graad
eenigen invloed uitoefenen op de ontkieming van het suikerriet, is een
punt van het hoogste gewigt; want uit de kennis van deze byzonder-
heden moeten de redeneringen worden afgeleid , die ten grondslag zullen
dienen om de vereischten te bepalen, die op den voorgrond staan by
de ontwikkeling der knoppen. — Niet altijd is het doenlijk de verschyn-
selen af te scheiden, om zoodoende hunne byzondere uitwerkselen en
hun byzonder gewigt te leeren kennen; meestentijds is het ons slechts
gegund, zamengestelde , ingewikkelde feiten te zien, voortgevloeid uit
velerlei oorzaken; maar dan kunnen wy tot ons doel geraken door
eene oordeelkundige vergelyking van die gevallen, waarin de werking
van deze of gene bepaalde oorzaak zich het duidelykst vertoont.
Digitized by
Google
390
Naar ons gevoelen, als men het verschijnsel van de ontwikkeling der
knoppen geheel op zich zelven beschouwt, a%escheiden van andere oor-
zaken, die eenen merkbaren invloed uitoefenen, en waarover wij ter
gelegener plaatse zullen handelen, moeten geheel op den voorgrond
worden geplaatst de drie volgende punten:
1^. De graad van ontwikkeling, dien de knoppen bereikt hebben op
het oogenblik, als de rietstek in den grond wordt gebragt.
2^. De hoeveelheid vocht, aanwezig in het stuk plantriet, in het al-
gemeen, en in het lid, waaraan het oog zit, in het bijzonder.
3®. De vervormingen, die de in het stengellid aanwezige stoffen te
ondergaan hebben gedurende de ontldeming.
Déze drie b^zonderheden , tot punten van een naauwgezet onderzoek
makende, hebben wij, na herhaalde proeven, daaruit de onderstaande
gevolgtrekkingen afgeleid:
1®. Hoe meer ontwikkeld de knop is, in evenredigheid van de
overige deelen, des te spoediger zal de spruit uitloopen, zoodat de
rietplant kan opkomen reeds den derden of vierden dag na geplant
te zyn.
2®. Hoe meer vocht in het stengellid aanwezig is, des te spoediger
is, onder dusdanige omstandigheden, de ontwikkeling der knoppen.
3^. Eindelijk, indien de in het stengellid aanwezige stoffen reeds een
zeker begin hebben ondergaan van de chemische reactiën, waardoor ze
geschikt en dienstig worden gemaakt ter voeding van de oogen , of in-
dien ze zich reeds geheel in zoodanigen staat bevinden, is het ontegen-
zeggelijk, dat de reeds ontwikkelde knop ook des te spoediger boven
den grond zal komen.
Overeenkomstig deze voorafgaande stellingen, kunnen w^ de bijzon-
derheden verklaren, die zich vervolgens zullen opdoen: 1«. Al de varië-
teiten van riet, die wij hadden, nagaande, hebben wij bevonden, dat ze,
naar gelang van omstandigheden, ontkiemen in een tijdsbestek, langer
of korter, naarmate deze of gene oorzaak van meer overwegenden invloed
is. Wat betreft de natuurlijke ontwikkeling der knoppen, heeft die met
den meesten spoed plaats bij de verschillende rietsoorten in de volgende
orde: inheemsch of Cubaasch riet, moerbezie-kleurig, Bataviaasch riet,
riet met moerbezie-kleurige streepen, doorschijnend riet, blank of Ota-
Digitized by
Google
391
hitisch riet, en riet met groene sireepen. — Zooals wij later gelegenheid
zullen hebben te doen zien, zijn de verschijjnselen b^ eik dezer rietsoor-
ten yerschillend, niet alleen naar gelang van den algemeenen ouderdom
van den stengel, maar ook, aan den zelfden stengel, naarmate van het
tijdstip, waarop de geledingen te voorsch^n zijir gekomen, of met an-
dere woorden, naar gelang van de plaats, welke elk dier knoppen in-
neemt. — 2o. Naarmate het riet zich ontwikkelt of rijper wordt, ver-
toonen de oogen zich voUer, hunne blaadjes zijn meer ontwikkeld en
beter gevoed, maar in de zelfde mate verliezen ze hunne vochtdeelen : hunne
sappen concentreren zich en ondergaan tevens eene zoodanige verande-
ring, dat ze, om weder in zoodanigen staat te komen, dat ze tot voe-
ding kunnen dienen, verscheidene nieuwe veranderingen moeten onder-
gaan, waartoe vochtigheid en andere bijzondere omstandigheden vereischt
worden, want anders zouden de oogjes der knoppen verdroogen en hunne
groeikracht verliezen. — Er is dus een graad van ontwikkeling, van
rijpheid, die b^zonder geschikt en noodig is om te planten ; en is die
graad eenmaal voorb^, dan is het noodig daartoe terug te keeren. —
Om verkeerde opvattingen te voorkomen, zullen wij hierbij voegen, dat
slechts enkele bepaalde zel&tandigheden terugkeeren tot den staat, waarin
ze zich te voren bevpnden; andere daarentegen worden door de nieuwe
veranderingen, die ze ondergaan, zoodanig gew^zigd, dat ze overgaan
tot zelfstandigheden, ten eenenmale verschillend van die, waarvan ze
zijn voortgekomen. — Deze byzonderheid zal opgehelderd worden, wanneer
wij over de chemische verschijnselen handelen , waarmede de ontkieming
gepaard gaat.
Om tot de kennis van deze feiten te geraken, hebben wij b^ onze
proefnemingen het riet a%edeeld in zulke stukken, dat elke knoop ge-
plaatst was tusschen de twee helften van de belendende tusschenknoo-
pen. Aan ieder dusdanig plantstekje bonden wy met een touwtje een
stukje hout vast, waarop een nommer stond. — De verschillende varië-
teiten van riet, op die wyze afgedeeld, werden op een en het zelfde
urn- in den grond gebragt, in de zelfde houding, allen op volkomen
gelijke diepte, enz., op gedeelten akkers vol met rotte ampas. Zooals
boven gezegd, werden de proeven genomen met inheemsch of Cubaasch
riet, moerbezie-kleurig Bataviaasch riet, doorschijnend riet, riet met
Digitized by
Google
392
moerbezie-kleurige streepen , riet met groene streepen en Otahitisch of
blank riet. — Om den lezer niet noodeloos met langw^lige opgaven beag
te houden, zullen w^ hier slechts de waarnemingen neenchryven met
betrekking tot het inheemsch of Gubaasch riet. -^ Het geplante riet had
vijf en twintig geledingen : na de nommering plaatsten wij het riet in
den grond, beginnende met den bovensten knop, en in opgaande rigting
tot den laatsten of ondersten knop. — Het ontstaan der knoppen had
achtereen plaats sedert den achtsten dag in de volgende orde: 1*. de
nommers 9 en 10. — 2*. de nommers 11, 14 en 15. — 3*. nommer
22. — 4o. nommers 12 en 13. — 5*. nommer 6. — 6». nommers 4,
5, 8, 18 en 20. — 7*. nommers 16 en 17. — 8*. nommers 8, 24 en
25. — 9'. nommer 23. — 10*. nommer 2. — Nommer 1 ging verlo-
ren. — Deze proeven doen duidelijk zien, dat de eerste knoppen, welke
te voorschijn kwamen, die waren, die, terwijl ze tot eene aanzienlijke
ontwikkeling kwamen, eene sterice groeikracht bezaten, en in hunne ge-
ledingen te beschikken hadden niet alleen over de noodige vochtigheid,
maar tevens over de voedende stoffen in den graad van zuivering, die ze
moeten hebben om het oog te kunnen voeden. — De knop nommer
3, minder ontwikkeld, ofschoon met meer vochtigheid en met sappen,
misschien beter geschikt om de ontkieming te bevorderen, liep uit op
den zelfden dag als de twee onderste knoppen , die meer ontwikkeld
waren, maar welker geledingen minder vochtdeelen inhielden en sap-
pen, minder geschikt om de ontwikkeling van het oog te kunnen be-
vorderen.
De boven medegedeelde proefnemingen uitbreidende, afwisselende en
toepassende, hebben wij den invloed willen nagaan, die op de knoppen
kan worden uitgeoefend door den ouderdom van het riet, door zyne
afinetingen, door de omstandigheden waarmede de cultuur gepaard gaat,
door den aard van den grond, enz. — Tot dat einde hebben wij de
proefnemingen in het werk gesteld, die w^ nu zullen beschreven. —
De eerste proefneming bestond in het planten van verscheidene geheele
rietstengels, volkomen ontwikkeld, zeer rijp en zeer aan den invloed
van de zon blootgesteld geweest zijnde: de ontkieming begon aan het
bovenste gedeelte , bij den top , werd afgebroken in het midden , en ver-
toonde zich op nieuw slechts aan het andere uiteinde of laagste ge-
Digitized by
Google
393
deelte. B\j het onderzoek, door ons op de middekte knoppen van ver-
scheidene dier stengels ingesteld, bevonden wijj, dat slechts enkelen
hunner begonnen te ontkiemen. — Wy moeten doen opmerken, dat deze
rietstengels geplant waren in stukken gronds vol met rotte ampas, zoo-
dat ze wel eene heilzame, maar geen overdadige vochtigheid ter hunner
beschikking hadden. — Deze proef toont aan, hoe in zeer drooge of
eenvoudig de juiste maat van vochtigheid bezittende gronden, byaldien
er geen weldadige regens vallen, de middelste knoppen of zich in het
geheel niet of sledits zeer langzaam ontwikkelen : in die gevallen is het
nuttig de rietstengels aan kleine stukken te snijden, vooral wanneer er
riet ter planting gebruikt wordt, dat zeer rijp is, zeer aan den invloed
der zon blootgesteld is geweest, en groote afmetingen heeft.
Om de tweede reeks proe&emingen te bewerkstelligd, namen w^
vier rietstengels, die gegroeid waren onder volmaakt de zelfde omstan-
digheden, en sneden die aan twee, drie, vijjf en acht stukken, die in
eenerlei houding geplaatst werden in een stuk gronds, vol met rotte
ampas. Ze werden allen geplant op d^ zelfden dag (18 December 1861),
en ontbloot op het zelfde tydstip (18 Januarij 1862).
lo. De eerste stengel werd aan twee stukken gesneden, elk 29 nederl.
duim lang: de knoppen kwamen te voorsch^'n aan het boveneinde van
het onderste stuk.
2^ De tweede stengel werd aan drie stukken gesneden: het bovenste
stuk, lang 85 nederl. duim, met 13 geledingen, droeg aan het boven-
einde v^f goed gevormde knoppen; het middelste stuk, lang 70 nederï.
duim, met 9 geledingen, en het onderste stuk, lang 67 nederl. duim,
met 7 geledingen, droegen beiden knoppen, die zich allen uitmuntend
ontwikkelden.
3*. De derde stengel werd aan vyf stukken gesneden : al de knoppen
kwamen behoorlijk uit. De vijf stukken hadden de navolgende lengten ,
met het daarachter vermelde getal geledingen : lo. lang 18 nederl. duim
met 5 geledingen. — 2^. lang 19 nederl. duim met 5 geledingen. —
3*. lang 22 nederl. duim met 4 geledingen. — 4o. lang 20 nederl. duim
met 2 geledingen. — 6o. lang 19 nederl. duim met 3 geledingen.
4*. De vierde stengel werd aan acht stukken gesneden, aan welke al
de knoppen volkomen uitkwamen. Ziehier de afmetingen dezer adit stek-
Digitized by
Google
594
ken: 1». met 6 geledingen, was 14 nederl. duim lang. — 2*. met 3
geledingen was 12 nederl. dnim lang. — 3*. met 8 geledingen was 14
nederl. duim lang. — 4». met 3 geledingen was 16 nederl. duim lang. —
5o. met 3 geledingen was 12 nederl. duim lang. — 6o. met 2 ge-
ledingen was 10 nederl. duim lang. — 7«>. met 2 geledingen was 9
nederl. duim lang. — £n 8o. met 2 geledingen had eene lengte van
19 nederl. duim.
Uit al het bovengezegde volgt, dat men, om met juistheid en zeker-
heid de afmetingen te bepalen, die meest dienstig zi[jn voor de rietstek-
ken, welke men voornemens is te planten, naar de gegevens en wen-
ken, welke de bovengemelde proefiiemingen ons aan de hand doen, te
letten heeft op de volgende bgsonderheden : l*. De soort of variëteit
van riet, den ouderdom, de omstandigheden , waaronder het zich ontwik-
keld , en de afmetingen, die het bereikt heeft. — 2^. Den aard van den
grond, de gesteldheid van den dampkring, de hoeveelheid aarde, waar-
mede de stek bedekt wordt, enz. — Als het riet zacht is, als het zich
niet van z^n stroo ontdaan heeft, als z^ne sappen niet de veranderingen
ondergaan hebben , die gepaard gaan met de phymlogiiche defecaiie ; in
een woord, als het r^p is, als de stengel bovendien niet groot van af-
metingen is , kan men het in alle soorten van grond als nuttig beschou-
wen, den stengel in zijn geheel te planten, en hem dus niet aan stuk-
ken te sn^'den, al gaat op die wijze misschien het ontstaan van sommige
knoppen iets trager. — Heeft de grond de juiste mate van frischheid ,
dat wil zeggen vochtigheid, dan kan men de stengels aan stukken snij-
den, die elk 8 of 10 knoppen dragen. — Maar als het riet zeer r\jp
is, en als het groot is van afmetingen, dan is het van aanbelang eiken
stengel aan twee of meer stukken te snijden ; en zulks vooral op drooge
of zelfs Mssche (dat is den juisten graad van vochtigheid hebbende)
gronden, vooral wanneer het plantsoen, zoodra de stekken in den grond
gebragt z^'n, niet met hemelwater besproeid wordt, en ook niet op
kunstmatige wijze besproeid worden kan. Maar als de gronden laag L'g-
gen, en de waterloring gebrekkig is, moeten de plantstekken minstens
eene lengte hebben van eene nederlandsche el, bijaldien men niet de
stengels in hun geheel plant en het riet niet zeer ryp is. — Anders
toch zal de groote vochtigheid (het werkzaamst op kleiachtige gronden),
Digitized by
Google
395
die aan de uiteinden in de plantstek binnendringt, de sappen van het
plantriet bederven en ze ongeschikt maken om ter voeding van de knop-
pen te kunnen dienen, die alsdan ontaarden of geheel te niet gaan; de
rietstekken verrotten geheel en al, wanneer het slechts kleine stukken
ziijn, en als die overdekt worden met eene groot e hoeveelheid aarde,
terw^i, ingeval het grootere stukken zijn, alleen de uiteinden daarvan
overgaan tot ontbinding; de toppen en de middelste knoppen zull^i uit-
loopen.
Daar het riet , naar gelang van het gedeelte van den stengel waarop
men zijne waarnemingen bewerkstelligt, geacht kan worden riet van ver*
schülenden ouderdom te vertegenwoordigen, is het duidel^k, dat de boven
medegedeelde proefnemingen ons in zekere mate ontheffen van de taak
om de ontkieming na te gaan in verschillende tijdperken van groei, —
Immers, ieder stengellid ontstaat uit de ontwikkeling van eenen eind«
knop; iedere stengel komt voort uit de ontwikkeling van den knop;
wat dus het ontataan betreft , bestaat er eene volkomene overeenkomst
tusschen de geledingen, die zich in den grond, en die, welke zich in de
lucht, dat wil zeggen boven den grond, ontwikkelen; alleenl^k met dit
onderscheid, dat laatstbedoelden zich ontwikkelen onder giinstiger om-
standigheden. Elke rietstengel, beschouwd op zich zei ven en met be-
trekking tot de overigen, gedurende de opvolgende voortbrenging van
zyne geledingen , levert gelijke gegevens. — Dit punt zal ter geschikter
plaatse met de noodige volledigheid door ons worden behandeld.
III.
Als men tot de cultuur van eenige plant overgaat, moet men naauw-
lettend de neigingen bestuderen, die zij aan den dag legt gedurende
de eerste tijdperken van hare ontwikkeling, ten einde naar die neigin-
gen al de bewerkingen te regelen, waardoor men al de middelen te
weeg brengt, die dienstig zijn om de volkomene verrigting te bevorde-
ren van al de fnnctiën, die plaats grijpen gedurende het tijdperk, dat
den grondslag en het punt van uitgang van haar leven uitmaakt. Als
wij de ontwikkelingvan den knop der rietplant nagaan, zullen wij zien.
Digitized by
Google
396
dat die plant uit haren aard geneigd is zich te ontwikkelen in eene
bepaalde rigting. — Met aarde overdekt op het oogenblik, waarop die
knop zich begint te ontwikkelen, behoudt hg die eerste en natnnrl^ke
regte rigting; maar weinig tyds daarna neemt h\] eene nieuwe rigting,
namelgk de rigting om uit den grond te komen en naar lucht te zoe-
ken, tot welk einde hij den kortstmogel\jken a&tand doorloopt en al
de hindernissen ontwgkt, die hy op dezen zgnen loop kan ontmoeten. —
In welke rigting men het lid van eenen suikerriet-stengel plaatse, de
knop begint alt\jd te groegen in zgne natuurlgke rigting; en bijaldien
die rigting hem niet naar de oppervlakte van den grond brengt, neemt
hy in zgnen loop onmerkbaar eene kromming, en spoedt zich dan naar
de oppervlakte langs den kortsten weg. Van de verbinding dezer twee
rigtingen hangt het grootendeels af, hoeveel tijd de jonge spruit noo-
dig heeft om de oppervlakte van den grond te bereiken. — Naar gelang
van omstandigheden, hoe meer zg moet afwyken van hare natuurlyke
rigting, des te langer zal het duren eer zy boven den grond te voor-
schyn komt, terwyl dan ook, zooals wy hebben aangetoond, de stam,
die zich onder den grond bevindt, des te grooter zal zgn.
Het punt van uitgang dus, de onverm\jdelyke grondslag om met
juistheid alles te kunnen nagaan, wat het hier door ons behandelde
punt betreft, bestaat in de opsporing, welke de natuurlyke rigting is,
die de spruit volgt bij het volbrengen van de eerste bewegingen van
haren groei. — Als de knop van de suikerriet-plant zich volkomen vry
ontwikkelt, brengt hy eene spruit voort, die eenen zekeren hoek vormt
met den stam. — Deze hoek, die noodwendig eene bestendige waarde
moet hebben in den natuurlijken staat, ondergaat verschillende wijzigin-
gen door velerlei oorzaken; een dier oorzaken is het beletsel, dat de
spruit ontmoeten kan by het volgen van hare aanvankelyke rigting, zoo-
als plaats heeft wanneer het blad, dat aan het stengellid vastzit,
door zgne drukking de spruit noodzaakt om bovenwaarts uit te loopen :
dan ontwikkelt zy zich tusschen het stengellid en het blad; maar ge-
steld zelfe dat een rietstengel zich geheel van bladeren ontdoet, en dat
men hem daarna snoeit, zoodat er spruiten boven den grond te voor-
schijn komen, dan bestaan er altyd nog andere oorzaken, die maken
dat het aantal graden van den hoek verschilt. Pe plaatsing van dea
Digitized by
Google
3Ö7
knop; over het algemeen brengen de bovenste knoppen spruiten voort,
die scherper hoeken vormen; de rijpwording van het riet, de plaatsing
van de knoppen met betrekking tot den loop der zon, enz., z\jn almede
zoo vele oorzaken, waardoor de rigting van de spruit verandering on-
dergaat. —Daar het van aanbelang was, al ware het slechts ongeveer,
de waarde van dien hoek te bepalen, hebben wij een groot aantal waar*
nemingen gedaan en verscheidene proeven genomen, en uit al die ge-
gevens hebben wij a%eleid, dat de normale hoek eene waarde heeft tus-
schen 29 en 46 graden, daar hij, zooals wij gezegd hrf)ben, uithoofde
van storende oorzaken tusschen die twee grenzen afwisselt of die over-
schriljdt.
Als de spruit eenen hoek vormt met den stam van den rietstok; als
bovendien het orgaan, dat van den knop voortkomt, den kortsten weg
kiest om naar de oppervlakte van den grond te komen, is het ontegen-
zegge^i^jk, dat de beste ligging, die men aan de plantstekken kan geven ,
die zal zijn, waarin ze al de vereischten aanwezig viuden, die den knop
in de gelegenheid stellen om uit te loopen in zoodanige rigting, als de
jonge spruit uit haren aard geneigd is te nemen. Welnu, als men het
stengellid zoo in den grond plaatst, dat de kortste afstand naar de op-
pervlakte die zij, welken de hoek van 85 graden van de spruit met de
rietstek aanwijst, is het duidelijk, dat de knop zich zal ontwikkelen, niet
alleen in zijne natuurüjjke rigting, maar dat hij tevens in zijnen loop
den kortsten weg zal volgen om de oppervlakte van den grond te be-
reiken. Wel te verstaan dat het, om dit te doen plaats hebben, noodig
is het stengellid te plaatsen met den knop bovenwaarts.
Als men rietstekken in eene andere ligging plant, zsl de eerste be-
weging der ontwikkeling van den knop altiijd aan de spruit zoodanige
rigting geven, dat deze meer of min den natuurlijken hoek vormt;
zoodra zij uitgeloopen is, en naarmate zg groeit, kromt zij «zich, en
kiest den kortsten weg om naar de oppervlakte te komen ; hoe grooter
de afwijking is , die de spruit moet maken , des te langer zal het duren
eer zij de opene lucht bereikt. Plant men de stekken horizontaal (één
stengellid met slechts één knop) met het oog naar boven , naar gelang
van den t^d dien dit orgaan wacht om zich te ontwikkelen, kan het
gebeuren, dat de spruit te voorschijn komt zonder eenige zigtbare krom-
Digitized by
Google
398
ming, zoodat zij zich vertoont als ware z^ werkelijk volkomen verticaal
oitgeloopen , of wel kaa het geval z\jn, dat z^ b^j haar ontstaan de
natanrlyke rigting genomen en vervolgens eenen hoek met de moeder-
stek gevormd heeft. Als men in stede van den knop in de zooeven be-
doelde ligging te plaatsen, hem zoo plaatst, dat h^ naar beneden ge-
keerd is, zal hy zoodra hij uitloopt eene kromming maken, en naar
gelang van de beletselen, die hij ontmoet, den kortsten weg kiezen om
de oppervlakte van den grond te bereiken.
Wanneer men de rietstekken horizontaal plant , met de knoppen zy-
waarts, volgen ze allen hunnen natuurlijken weg, wijken vervolgens
daarvan af en maken eene kromming , gaan dan weder opwaarts en be-
reiken zoo de oppervlakte.
Als men rietstekken verticaal plant, zoodat het oog en de worteb
naar boven gekeerd liggen, maakt de spruit eene kromming» ensclii|JQt
b\jna vast te zitten aan het stengellid. Als daarentegen de knop en de
wortels juist andersom, dat wil zeggen benedenwaarts , geplaatst -zijft«
zal de spruit eene kromming maken en afweken.
Om onze nasporingen des te beter te kunnen bewerkstelligen, hebben
wy slechts de eenvoudigste versch\jnselen genomen : wij hebben daarom
slechts nagegaan wat er plaats grypt met één enkelen knop ; namen wy
er meer aan de zelfde stek, dan zou elk der knoppen natuurlek uit-
loopen in de rigting, welke hem door zyne eigene liggiug wierd aan-
gewezen.
Derhalve, de voornaamste bijzonderheden, die eenen meer of minder
belangrijken invloed uitoefenen op de ontkiemmg van de suikerrietplant ,
zyn : !•. De graad van ontwikkeling , dien de knop heeft op het oogen-
blik , waarop hy in den grond geplaatst wordt. — 2*. De hoeveelheid
vocht, die het stengellid bevat. — 3*. De byzondere gesteldheid der
sappen , in de rietstek aanwezig, en hunne betrekkelyke hoeveelheid. -^
4*. De afmetingen van de stek. — 5o. De ligging, waarin de rietstek,
of eigentlyk gezegd de knop , geplaatst wordt. — 6°. De diepte op
welke geplant wordt, en de hoeveelheid aarde, waarmede men èd riet*
stek bedekt. — ?<>. De aard van den grond , de verbeteringen die men
daarin aangebragt heeft, de gereedmaking, enz. Een der punten, die
van veel gewigt zijn , is de volkomene eenzelvigheid van al de deekn
Digitized by
Google
399
van den grond : als de grond niet een eenerlei-geaard geheel vormt ,
met andere woorden, als niet al de deelen van den grond ten innigste
met elkander vermengd z^n , kan het te voorschijn komen van de spruit
door een of ander mechanisch beletsel vertraagd worden ; dan kromt z\j
zich , zoodat zelfs de punt onder de oppervlakte blijft , en de spruit
den vorm heeft van eenen boog: in dit geval eindigt zij of met den
tegenstand te overwinnen en eensklaps uit den grond te komen, of
bare binnenzijdsche bladeren ontwikkelen zich , breken door de buitenste
heen, waarin ze besloten zaten, en de spruit komt te voorschgn met
verwarde en gebrokene bladeren. Somwijlen vertoont zich dit versch^'nsel
zeer in het oog loopend, zelfs bij riet, dat reeds goed ontwikkeld is;
door de eeue of andere oorzaak wordt de vrije groei der binnenste bla-
deren belemmerd, die ter hunner tyd door de buitenste heenbreken,
zoodoende zulke volmaakte knoopen vormende, dat men op het eerste
gezigt zoude zeggen, dat die opzettel^k daar gelegd waren om de plaats
aan te wijzen. Dit verschijnsel vertoont zich ook bij de looze spruiten y
en bij deze inderdaad in al zynen omvang. — 8*. Het saizoen, niet
alleen wat betreft de vochtigheid , in den grond aanwezig , maar ook de
hoeveelheid vochtdeelen , die in het riet aanwezig is. — 9*. De gesteld-
heden van den dampkring gedurende het gansche tijdperk der ontkie-
ming, zijnde het van veel belang de temperatuur in aanmerking te
nemen. — lO*. De tijdruimte, die er verloopt tusschen het kappen van
het riet en het planten van de stekken. — Met betrekking tot dit punt
zijn wij begonnen eene reeks proefiiemingen in het werk te stellen, ten
einde te onderzoeken hoe lang het riet z^'n ontkiemings-vermogen be-
houdt, daarbij lettende op den aard en den ouderdom van het riet,
en de eigenschappen en hoedanigheden van den grond , waarin het ge-
plaatst is. — Wy hadden met deze proefiiemingen een begin gemaakt,
niet alleen rietstekken plantende in de zon, in de schaduw, in den
donker, op plaatsen waar weinig luchtspeling was, in verschillende
gronden (zand , - houtzaagsel , kolengruis , enz.) , maar ook onder het
vriespunt, in een vacuüm, en in atmosferen, die zamengesteld waren
uit verschillende gassoorten. — Door b^zondere omstandigheden zijn wg
genoodzaakt geweest, die nasporingen te staken; doch wy hopen die
binnen kort te hervatten. Alsdan zullen wij tevens onze onderzee*
Digitized by
Google
400
kingen voortzetten aangaande de wegen, langs welke de yo
binnendringt gedurende de ontkieming, aangaande den invloed Ar
verscbilleiide lichtstralen en der gasvormige elementen, de
verschijnselen, die daarin plaats grijpen, den wijzigenden iav
van de stoffen, door welke de ontkieming wordt opgewekt, ver
of belet, enz.
Digitized
3dby Google
Digitized by
Google
Voorwaarden van Inteekening.
1^. Het werk zal worden uitgegeven in afleveringen van
. vijf vellen druks, groot 8^ formaat, welke afleve-
ringen elkaar ^spoedig zullen opvolgen.
2\ De prijs is bepaald op 20 Cents per vel druks. Het
werk zal compleet zijn in omstreeks dertig vellen.
3^ Men teekent in Oost-Indië in bij de Heeren G. Kolff
& C*'. te Batavia. De prijs wordt in //^rfl^e eenigermate
verhoogd.
Rotterdam, 1865. H. NIJGH.
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Digitized by
Google
Digitized by
Google
VB 782é>5
Digitized by
Google
1
Digitized by
Google