(logo)
(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Open Source Books | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections

Search: Advanced Search

Anonymous User (login or join us)Upload
See other formats

Full text of "Verhandeling over de cultuur van suikerriet"

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




Google 



BERK eilV 

LIBRARY 

UmiVER$ITY OP 
CALI^BNIA 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 




u'v'-jii'.r?. 




^n 



VERHANDELING 



CULTOIIR VAN SniKERRIET, 

DOOR 

DON ALVABO [REYNOSO. 

(2e Druk. Madrid 1865.) 

VERTAALD UIT HET SPAANSCH 



SEBVAAS DE BBUIN; ' 

zijnde de vertaling, voor zooveel aangaat 
^ het wetenschappelijke en prahti'sche , 

NAGEZIEN DOOR DE HEEREN 

Dr. J. E. DE VBU en J. MIIiIiABD. 






tSerste •Mfievering. 







ROTTERDAM , 



H. NIJGH. — 1865. 



Gedrukt hij C. Blomraendaal. 




:^fr^S^ 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 






HET PLANTEN. 



HoutvelIjINGEN of NfcüWE B0SCH-6R0NDEN. Ofechoon het vellen van 
houtgewas, ten einde den grond geschikt te maken om er het riet in te 
planten, een werk is, dat uit den aard der zaak eenmaal zal moeten 
ophouden, achten wij het niet ondienstig hier een overzigt te leveren 
van de werkzaamheden , die daarbij van het begin tot het laatst noodig 
zijn, niet alleen omdat die werkzaamheden nog wel eenigen tyd in 
zwang zullen blijven, maar ook opdat ze niet in de vergetelheid zullen 
komen, wanneer ze eenmaal niet meer noodigzijn; tevens zal deze studie 
ons dienen om er gevolgtrekkingen uit af te leiden en er redeneringen 
op te bouwen betreffende het doel, dat wij ons voorstellen te bereiken 
door het aannemen van al de verbeteringen der op een nieuw stelsel be- 
rustende cultuur. 

Om een stuk gronds bebouwbaar te maken begint men met het om- 
hakken van het kreupelgewas, een arbeid, die ten doel heeft om de 
boomen van alles wat èr om heen groeit te bevryden, en den ar- 
beider in staat te stellen zich later onbelemmerd te bewegen en zich 
van de werktuigen , die hy gebruikt , behooriijk te bedienen. Tot 
dezen voorloopigen arbeid bezigt men scherpsnijdende en verstaalde 
hakmessen, waarmede de lianen en al de kleine boomen worden om- 
gehakt. Bij het weghakken van de lianen zyn wij dikwyls in de gele- 
genheid geweest om ons te verwonderen over de groote kracht, waar- 
mede die de pogingen van den arbeider wederstaan: wanneer men, 
namelyk, twee boomen ontmoet, die met hunne toppen aan elkander 
zijn verbonden door stevige lianen, en men hakt er een van de twee 
om, zal die evenwel nog niet op den grond vallen: hoezeer geheel van 
den stam gescheiden, blijft zoodanige boom gemeenlyk nog regtop staan 
tot op het oogenblik , waarop men aan den top de stevige lianen door- 

Digitized by VjOOQIC 



hakt, die hem staande hielden. Het kreapelbosch omgehakt zijnde, 
gaat men over tot het vellen van de eigentli[jke boomen, bij welken 
arbeid men vooral zorg dragen moet, dat de boomen omgehakt worden 
zoo laag bij den grond mogelijk, in dier voege, dat er van den stam 
slechts een stronk blgve staan , die op zijn hoogst 4 nederl. palm boven den 
grond uitsteekt. De boom geveld zijnde, wordt hij, na van de takken ont- 
daan te zijn, §an stukken gehakt om als brandstof of brandhout te wor- 
den verbruikt, of wel in zijn geheel weggebragt om tot andere doeleinden 
te dienen. Daarna worden er grenswegen of afscfceidings-paden getrokken, 
die de uitgestrektheid van den akker afbakenen, en langs die paden wordt 
de grond schoon opgeruimd, ten einde te zorgen , dat by het afbranden van 
den akker de vlammen zich. niet verder kunnen verspreiden. Wanneer er nu 
genoeg tijd is verloopen en al de takken , bladeren en verdere plantaardige 
bestanddeelen, die zich op den akker bevinden , goed droog zijn, steekt men 
den akker aan de vier hoeken in brand, opdat de vlammen zich van alle 
kanten te gelijk verspreiden naar het midden van den akker. Zoodra de 
brand gedaan 'is , worden al de plantaardige bestanddeelen , die nog niet 
door het vuur verteerd z^'n, aan hoopeü bijeengebragt , en dezehoopen 
worden ook weer in brand gestoken, welke arbeid door velen genoemd 
wordt de nabrand. Als van deze brandstapels niets meer overig is dan 
groote hoopen asch , moet men , alvorens met planteïi te beginnen , die asch 
gelijkmatig over den ganschen akker verspreiden, daar die eene goede 
meststof is voor den grond. De boomstammen, die in den grond z^'n 
blijven staan, ondervinden niet allen den zelfden invloed van dén vutir- 
brand, die er overheen gaat: velen behouden hunne groeikracht en 
schieten later weder op; anderen worden door het vuur geheel en 
al verteerd, tot zelfs hunne wortels, zoodat daardoor diepe kuilen 
of gaten (1) ontstaan; en enkelen eindelijk, oÊtchoon van hunne groei- 
kracht beroofd, blijven in den grond zitten, waar ze na verloop van 
een korter of langer tijdsbestek tot verrotting overgaan. Zoo hebben wij 
wortels van cachou- en van cederboomen opgegraven , nog in'volkomen 
goeden staat, en die waarschijnlijk reeds langer dan dertig jaren te 
voren van hunnen stam waren gescheiden (2). Wij achten het niet os- 
dienstig bg deze daadzaak ook melding te maken van eene andere, be- 
trekking hebbende op het bestaan van de boomstammen. In zijne Reit 



Digitized by 



Google 



8 



HMr Egypie verhaalt Bové (3), dat hig, onder meer, ook in de nabijheid 
van Koeba een der landhoeven van Ibrahim Pacha bezocht , waar ze hem 
eenen boomstam lieten zien van eene Ceratonia siliqua, die, zooals ze hem 
zeiden , bijna drie honderd jaren geleden geplant was. De wortels van dien 
boom hadden gedurende dertig jaren géén het minste teeken van leven 
gegeven; doch ten gevolge van eene gezegende bevochtiging had de 
boom , na verloop van dat lange tijdslWNiek , drie takken geschoten , die 
drie jaren later eene hoogte hadden bereikt van bijna vier nederL 
ellen. Er zijn nog andep verschgnselen betreffende het leven der boom- 
stammen door zamengroeying der wortels (4). Er zijn ettelgke werk- 
tuigen in het land ingevoerd om boomstammen te roogen; maar het 
gebruik van die werktuigen is niet algemeen geworden. 

In plaats van de akkers in brand te steken hebbeo vele land- 
bouwkundigen gemeend, dat het doelmatiger zoude zijn al de plantaar- 
dige zelfetandigheden uit den grond te verwyderen, den akker schoon ie 
maken, zonder zich daartoe te bedienen van vuur; wanneer die plant- 
aardige zelfstandigheden later tot ontbinding overgaan, leveren ze eene 
krachtige meststof. Maar is het al niet te ontkennen dat de werking 
van het vuur de bovenste dunne aardlaag, dat is de aanwezige teel- 
aarde, vernietigt, het is daarentegen ook ontegenzeggeliijk , dat z^ 
eene aanzienlijke hoeveelheid asch voortbrengt, die, gelijkelyk over 
den akker verdeeld, de hoeveelheid voedende stoffen vermeerdert, welke 
van dadelijk nut zyn voor de planten. Wy zullen nog meer zeggen: 
die asch maakt in vele omstandigheden de kalk onnoodig, die anders 
in sommige gevallen zou moeten worden aangewend, alvorens iets hoe- 
genaamd in dien grond te kunnen telen. Daarom, in aanmerking ge- 
nomen de verbetering, die de gesteldheid van den grond ondergaat door 
de werking van het vuur en door den invloed van die zouten, is het 
veel voordeeliger de plantaardige zelfstandigheden te verbranden, dan 
ze op hoopen te plaatsen en ze daar te laten verrotten. Menigmaal 
wordt er van het zware hout geen gebruik gemaakt, en laat men het 
staan, terwijl door het vuur, dat de zware boomen niet verteren kan, 
alleen het kreupelhout verbrand wordt. Na den akker te hebben afge- 
brand, wordt er, als men dat goedvindt, het bruikbare zware hout 
afgehaald, en of overgebragt naar het terrein der gebouwen, of voor 



Digitized by 



Google 



eenigen tigd opgestapeld op de a&cheidings-paden. Big het gereedmaken 
¥an de akkers laat men enkel de koningspalmen en eenige pronkboomen 
staan, die later veelal dienen om de riet-akkers aan te wijzen. 

W^ achten het niet overbodig hier eenige byzonderhtden mede te 
deelen betreffende de hontvellingen, die verrigt worden met oogmerk 
om de opbrengst te bezigen als brandstof, met andere woorden het 
brandhout-hakken. Bij het gereedmaken van eenen akker gaan velen in 
dier voege te werk, dat ze eerst al het houtgewas, hetwelk zich er 
op bevindt, vellen, en dan de boomstamiMBi kleinhakken; anderen 
vinden beter het vellen, wegruimen, kleinhakken, opstapelen, alles te 
gel^k te doen plaats hebben. Onverschillig of men aan de eene, dan 
wel aan de andere wijze van behandeling de voorkeur geeft, het brand- 
hout wordt gehakt aan stukken van 1 nederl. el lang en op z^'n hoogst 
26 duim in omtrek; men gebruikt ook de dunne boomen tot ligt brand- 
hout, mits ze eene dikte hebben van ten minste twaalf duim, wel 
te verstaan zonder takken en knoesten. Dit brandhout wordt bij wijze 
van taakwerk opgehoopt aan mijten, die 2^ nederl. el lang, 1 nederl. 
el breed en ruim Ij- nederL el hoog z^n; elke mijt bestaat uit drie 
vakken. Tot de myten worden alleen de dikke stukken gebezigd, doch 
somwylen vormt men de bovenste lagen ook van dun hout. Twee zulke 
mijten zijn drie wagenvrachten; vele administrateurs bezigen tot dien 
arbeid tweederlei soort van wagens, namelijjk de eene voor het dunne 
en de andere voor het dikke hout. 

Byaldien het hout niet dadel^k vervoerd wordt, en als het nogtans 
noodzakelijk is den akker, waar het boomgewas is geveld, af te bran- 
den, kan het hout worden opgestapeld aan hoopen, ten einde lat«r, 
naar gelang men het noodig heeft, te worden weggehaald. 

Zien wij nu hoeveel dagen vereischt worden voor de boom-vellingen ; 
wanneer het kreupelgewas gehakt is, welke arbeid behoort onder die 
werkzaamheden, die volgens de kerkelyke vei^unning verrigt mogen 
worden op zondag, kan een sterk en werkzaam man zoo vele boomen 
omhakken, van hunne takken ontdoen, kleinhakken en de stukken opstape- 
len, dat hij eiken dag twee mijten klaarmaakt, dat is zes vakken; maar 
om dit te doen moet de arbeider zich een weinig inspannen en zeer 
voorspoedig zijn, gelijk onze landlieden zeggen: het gewone dagwerk is 



Digitized by 



Google 



vijf vakken, wanneer de arbeiders sterk zijn en werkzaam, en bedreven 
in den arbeid , dien zij verrigten. Velen hakken de boomen om , en ver- 
volgens aan stukken, zonder van dat werk af te gaan, en stapelen dan 
om de acht dagen het hout op; op sommige plantaadjen» waar men er 
geen waarde aan hecht na te gaan wat door iederen arbeider in het bij- 
zonder wordt afgewerkt, wordt het hout niet aan taak-mijten opgesteld; 
het wordt daar eenvoudig opgestapeld, met dien verstande, dat èn van 
het dikke hout èn van het dunne hout afzonderl^ke hoopen worden ge- 
maakt. Wat de opbrengst betreft, als het een regelmatig kreupelgewas 
is, geeft elke vierkante roede oppervlakte. 1|» a 2 mijten, die door twee 
man kunnen worden afgewerkt in een halven dag, of door één man in 
een dag. Daar nu een gewoon stuk ploegland 13,42 hectaren bevat, volgt 
daaruit , dat er om van zulk een stuk land het boomgewas te vellen en 
tot brandhout te hakken 1,296 dagen noodig zullen zijn. — Wat aangaat 
het hout-vellen, waarbij men de zware boomen laat staan, gelooven wy, 
volgens geloofwaardige gegevens, dat één man in staat is eiken dag 2S 
vierkante roeden oppervlakte te vellen. 

Al de planters in het land stemmen hieromtrent overeen, dat pas 
ontgonnene gronden gemeenlek bij uitstek vruchtbaar zgn , waarom dan 
ook velen de weghakking van het boschgewas beschouwen als het eenige 
en onfeilbare middel om tot eenen rijken oogst te geraken. Door laatst- 
bedoelden hebben wij menigmaal hooren beweren, dat het raadzaam is 
„geen tijd te verspillen aan het bebouwen van uitgemergelde, oude, 
reeds beteelde gronden, en dat een pas ontgonnen boschgrond veel meer 
waard is , dan eene even groote uitgestrektheid ouden grond"; ook zeggen 
zij: „dat men, om de in verval gekomene groeikracht van eene oude 
plantaadje te herstellen en zelfs te vermeerderen, met andere woorden 
om de plantaadje op te beuren, onvermijdelijk nieuwe gronden in cul- 
tuur moet brengen." 

Gaarne geven wij toe de erkende vruchtbaarheid van zulke akkers, 
van welke wy zelven in de gelegenheid geweest zijn de sterke groei- 
kracht te bewonderen; en wij zullen op die daadzaak eenige redenerin- 
gen gaan bouwen ten voordeele van de verbeterde wijze van rietteelt. 
De nieuwe boschgronden , zoo vol teelkracht in het begin, verliezen, na 
een zeker getal jaren beteeld te zijn , in meerdere of mindere mate hun 



Digitized by 



Google 



6 



voortbrengend vermogen, en het riet, dat op dien bodem geteeld wordt, 
ontwikkelt zich in eene mate geëvenredigd aan de uitgeputheid van den 
grond. Wi|j herinneren ons klagten daarover gehoord te hebben van een 
onzer vrienden , die ons zeide , dat de opbrengst der nieuwe boschgronden 
aanvankelyk buitengewoon groot was, terwyl by den tweeden of derden 
keer, dat het riet daarin geplant was, geen spoor meer aanwezig was van 
de vruchtbaarheid van den grond, die alstoen de eigenschap bleek te be- 
zitten, in de hoogste mate ongeschikt te zijn voor de teelt van suikerriet. 

Welk kennelgk onderscheid kan er bestaan in den zelfden grond , op 
twee verschillende ty dstippen ? Kan die grond misschien eene verborgen 
liggende kracht bezitten, welke te voorschijn treedt op het oogenblik 
waarop h\j ontgonnen wordt? Zit die kracht noodwendig in den aard 
van den grond? Welke bestanddeelen bevat de grond aanvankelijk, die 
hij later in meerdere of mindere mate verliest? — Als men de zaak 
onbevooroordeeld beschouwt, zal men bevinden, dat de vruchtbaarheid 
der nieuwe boschgronden hoofdzakelijk, en somwijlen enkel en uitsluitend, 
het gevolg is van de aanzienlijke hoeveelheid voedende stoffen, daarin 
aanwezig, die door den weldadigen invloed van hare even krachtige als 
heilzame werking veelal in staat zijn, om de nadeelige uitwerkselen te 
onderdrukken of onopgemerkt te doen bleven van andere eigenschappen, 
die weinig dienstig zijn voor de rietteelt, en die in lateren tijd vri^j en 
onbelemmerd hare kracht zullen doen gevoelen: alsdan komen wij tot 
de bevinding, dat de grond onderhevig aan overstrooming is of droog, 
dat de bovenkorst teel-aarde niet zeer dik is , dat de ondergrond weinig 
geschikt is, enz., enz., terwijl al die gebreken, ofschoon die altijd be- 
staan hebben, van geen invloed zijn, of om juister te spreken, hunnen 
nadeeligen invloed niet in het oog loopend kunnen doen gelden, zoo 
lang de boschgronden nog versch zijn. 

Wanneer in den overvloed van meststof de groeikracht der boschgronden 
is gelegen, is het dan niet mogelijk de aanvankelijk door de natuur ge- 
leverde middelen te vervangen door kunstmatige, en zoodoende de oor- , 
spronkelijke vruchtbaarheid te herstellen ? De in de nieuwe boschgronden 
aanwezige meststof bestaat in de teelaarde en in de groote Iweveelheid 
zouten^ die door het tot asch verbranden van de boomen achterblijven; 
zouten (het zij in het voorb%aan aangemerkt) die grootendeels oplosbaar 



Digitized by 



Google 



en ryk aan alkaliën zijn, daar ze voortkomen van bladeren» takken, 
jonge boompjes , enz. Deze zouten z^'n van den weldadigsten invloed niet 
alleen op de ontwikkeling, maar ook op de suikergehalte van het riet. 

Door dergelijke zelfstandigheden in juiste evenredigheid op den bodem 
aan te brengen en ze met behoorlijke gel^kmatigheid daarop te ver- 
spreiden , zullen wij ons doel bereikt hebben ; doch een zoodanig resul- 
taat zou in vele gevallen weinig in overeenstemming z\jn met den 
vooruitgang der wetenschap. De verbeterde cultuur stelt zich niet alleen 
ten doel al de in de nieuwe boschgronden aanvankelijk aanwezige oorzaken 
van vruchtbaarheid te herstellen en in hare zelfde kracht te brengen van 
vroeger; maar zij streeft tevens naar meer degel^ke uitkomsten: haar 
oogmerk is niet louter om een overvloed van mestspecie aan den bodem 
te verschaffen; maar bovendien om de natuurlijke geaardheid van den 
bodem geheel te herscheppen, door de verbeteringen aan te brengen in 
dier voege, dat ze, elkander ondersteunende en zamenwerkende ten 
goede, een duurzaam evenwigt in de geaardheden van den grond te weeg 
brengen, waardoor het maximum van voortbrengende kracht wordt ver- 
kregen. Het maximum van mestspecie is dan ook slechts een der deelen 
van het algemeene stelsel van landbouwkundige verbeteringen ; en al het 
nut, dat het kan opleveren, zal men niet daarvan kunnen trekken, 
wanneer niet nog andere gunstige omstandigheden medewerken om de 
groeikracht te bevorderen. 

De natuur levert ons in de geaardheid van eiken bodem het type 
van den grond, die het meest geschikt is voor elke teelt in ieder 
b^zonder klimaat; bovendien heeft zij ons bedeeld met het noodige 
verstand, om, door middel van landbouwkundige nasporingen, te kunnen 
onderscheiden welke hoofdvereischten, in verband met elkander, noodig 
zijn voor zoodanig type van eenen goeden bodem; en later, geleid 
door het proefondervindelijke en met behulp van nieuwe opmerkingen 
en vergelijkende nasporingen , komen wij tot de waardering van elk der 
verschillende hoedanigheden in hare juiste werking, elk in het bijzonder, 
en in hare wederkeerige werking in verband met elkander. 

Welnu: de verbeterde cultuur streeft ernaar, om zoo niet dat type van 
eenen geschikten grond in het leven te roepen , het dan ten minste zoo- 
veel mogelijk nabij te komen, als punt van uitgang nemende den grond 



Digitized by 



Google 



s 



zoo als hij is, en er de natuurlijke geaardheden van wijzigende, totdat 
mén hem gemaakt heeft zoo als men hem verlangt te hebben. Er is 
wel niemand, die zou willen beweren, dat alle nieuwe boschgronden 
volkomen de zelfde resultaten opleveren; niemand, die niet weet, dat de 
beteeld wordende gronden niet alle even vruchtbaar zijn : daarin bestaat 
een in het oog loopend verschil; bovendien is ook de kern, om het eens 
zoo te noeojen, de ziel der gronden verschillend, en zoo ze al aanvan- 
kel^k eenige overeenkomst met elkander hadden , was dat doordien b^ 
beiden het zelfde bestandd^l overwegend was , namel^k de meststof. De 
verbeterde cultuur stelt zich ten doel om den slechtsten, meest uitge- 
mergelden bodem te herscheppen in eenen grond, gelijkstaande met de 
uitmuntendste nieuwe boschgronden in zoodanige streken, die uit haren 
aardb^j uitnemendheid vruchtbaar zijn. En dit resultaat, tot welken 
prijs wordt het verkregen? Voorzeker met minder onkosten dan vereischt 
worden om een nieuwen boschgrond te verkrygen , welks vruchtbaarheid 
meestal van voorbijgaanden aard is, terwijl de kunèimaiige boschgrond 
duurzamer is van aard en bovendien vruchtbaarder. ï)aarb^ dient tevens 
gelet op de bijzonderheid, dat op gronden, die vrij zijn van boomstam- 
men, de arbeid goedkooper verrigt wordt, naardien men daar gebruik 
kan maken van landbouwkundige werktuigen, enz., enz. Overigens moeten 
wij ook, wat betreft het klimaat en de omstandigheden, die op de ge- 
zondheid van invloed zijn, nog in aanmerking nemen de schadelijke 
uitwerkselen, zoo van algemeenen als van plaatselyken aard, welke door 
het omhakken van de bosschen worden te weeg gebragt. 

Zoodra de planters op Cuba de beginselen zullen aannemen en 
in toepassing brengen , die hier door ons worden voorgestaan , zal onze 
productie in onberekenbare mate toenemen, daar, met min of meer 
arbeid, vele stukken grond meer zullen opleveren dan de vruchtbaarste 
nieuwe boschgronden, anderen voor het minst eeneneven goeden oogst, 
terwijl slechts enkelen het maximum van opbrengst niet zullen kunnen 
bereiken; waarbij wy overigens de verzekering durven geven, dat elke 
vergelijking tusschen de opbrengst van een nieuwen boschgrond, en den 
oogst, dien de zelfde grond oplevert volgens de verbeterde cultuur, 
steeds zal uitvallen ten voordeele van laatstbedoelde. 

Wanneer wij handelen over d<p eenheid in de landbouwkundige ver- 



Digitized by 



Google 



beteringen en over de hoeveelheid suiker, die van eene bepaalde uitge- 
strektheid gronds kan worden verkregen, zullen wi|j deze denkbeelden 
nog nader ontwikkelen (5). 

K£UZ£ WAAS. OP HET TEKBEIN DS FABRIEK TE PLAATSEN. AFMETINGEN VAN * 
D£ APSCHEIDINGSPADEN EN VAN DE BIET-AKKEBS; EN HUNNE ALGEMEENE 
YKRDEEIiTNG MET BETREKKING TOT HET MIDDELPUNT DE& FLANTAADJE. — 

Bij den aanvang der werkzaamheden om eene zekere uitgestrektheid gronds 
te herscheppen in eene suikerplantaadje, zal ieder verstandig planter het 
beschouwen als een punt van het allereerste belang, zich in het bezit 
te stellen van eene topographische en landbouwkundige schetsteekening 
van den grond, zynde het vervaardigen van zoodanig plan een werk 
van tamel^k veel gewigt, zoodat het dient te worden toevertrouwd aan 
iemand, die in staat is om het op de beste wijze te volbrengen. — De 
omtrek van het terrein, de beken, rivieren en bergpassen, de naauw- 
keurige vlakte-schets, om de verschillende en onderscheidene hoogten van 
al de punten der oppervlakte te bepalen, de naauwgezette studie van 
het gansche terrein uit een landbouwkundig oogpunt, enz., dat alles zal 
noodwendig het onderwerp moeten z^'n van naauwkeurige onderzoekin- 
gen, daar een aantal gewigtige vraagstukken niet met zekerheid op te 
lossen zgn zonder behoorlijk op al die verschillende gegevens te letten. 
Wij weten zeer goed , dat het niet altijd mogelijk zal wezen zulk een 
veelomvattend en veel tijd vereischend onderzoek te volbrengen, daar 
er somwijlen bezwaren zullen bestaan, die de daartoe vereischte werk- 
zaamheden moeten belemmeren of onuitvoerbaar maken; doch ook in 
die gevallen behooren al de vraagstukken, die wij kunnen oplossen, tot 
klaarheid te worden gebragt, terwijl het tevens zaak zal zijn ons om- 
trent, al de overigen het meestmogelijke licht te verschaffen. 

Eenmaal het terrein kennende, zal men overgaan tot de afbakening 
van het punt, waar de fabriek en al de gebouwen der plantaadje 
moeten worden opgerigt. De hoofdbestemming van dit gedeelte der gron- 
den doet reeds van zelfs begrijpen , dat het fabrieks-terrein altijd zoo- 
veel mogelijk geplaatst dient te wezen in het midden der plantaadje, 
daar het zoodoende niet alleen beter geschikt is om er dienst van te 
hebben, maar bovendien ook eeue menigte ongerief wordt vermeden, 



Digitized by 



Google 



10 



dat sieh telkens moet doen gevoelen, b^aldien de fabriek aan een der 
uiteinden is geplaatst, in de nabyheid eener belendende plantaadje ; doch 
alvorens deze overwegingen in aanmerking te nemen, z\jn er andere 
redenen, die niet zonder invloed mogen blijven op onze beslissingen. 
De fabriek zal alt^d gelegen moeten zijn in het gezondste gedeelte van 
het geheele terrein; dus, bg drassige gronden moet steeds een punt 
worden uitgekozen, dat hoog ligt en droog is. Eene andere bijzonderheid, 
die niet uit het oog moet worden verloren biy het bepalen van de plaats , 
waar de noodige gebouwen zullen worden opgerigt, is : zoo mogeügk eene 
plaats te kiezen in de nabijjheid van eene rivier of bron, daar men 
zich zoodoende groote voordeelen kan verzekeren, die men anders zal 
missen. Gesteld echter dat het mogelijk is het water langs het punt 
te laten stroomen, waarvan men zich bedienen wil, maar dat andere 
punten daarentegen weder andere voordeelen aanbieden, die men op 
het eerstbedoelde punt niet zou hebben, dan moet ter plaatsing van de 
febriek de voorkeur worden gegeven aan zoodanig punt, dat over het 
geheel genomen de meeste voordeelen aanbiedt. Onze keus eenmaal be- 
paald zijnde, wordt overgegaan tot de afbakening van het fabrieks- 
terrein, waaraan men zoodanige uitgestrektheid geeft als noodig is om 
de gebouwen zóó te kunnen plaatsen als meest dienstig zal zijn voor 
de werkzaamheden, met dien verstande tevens, dat tusschen de onder- 
scheidene gebouwen de noodige plaatsruimte open blij ve, ten einde min- 
der gevaar te hebben bij onverhoopte gevallen van brand. 

Het Cetbrieks-terrein afgebakend zijnde, wordt de voor de cultuur be- 
stemde gronds-oppervlakte ingedeeld in de akkers, die met riet beplant 
zullen worden, benevens de daartusschen loopende afscheidingspaden of 
wegen. Om de oppervlakte van die riet-akkers af te deelen en te bepa- 
len, is het noodig te letten op de volgende bijzonderheden: 1^. De 
waterlozingen. 2®. De ligging van het fabrieks-terrein , opdat het ver- 
voer van het suikerriet steeds kunne plaats hebben langs den kortsten 
weg, wordende met dat doel voor oogen ook de afscheidings-paden of 
wegen tusschen de akkers afgebakend. 3o. Het gemak om het suikerriet 
van het veld te halen en al de ter aankweeking noodige werkzaamheden 
te verrigten. 4©. De gevallen van brand. 5«. Zoodra, in de daartoe 
geschikte plaatsen, de wijze van besproeiing wordt vastgesteld, zal 



Digitized by 



Google 



11 



het noodig zijn te letten op al de vereiscliten , die vervuld moeten wor- 
deh om de afgedeelde akkers van het terrein daarvoor geschikt te 
maken. 6o, De lengte, die de rietryën zullen moeten hebben. 7o. De 
nivellering of slechting van den grond. — Wat betreft de oppervlakte 
in het algemeen nemen de planters tegenwoordig 4^ of 8^ hectare aan 
als de oppervlakte, die iedere riet-akker moet beslaan; maar ten aan- 
zien van de wijze van afmeting van die oppervlakte is hunne verkiezing 
verschillend: velen geven de voorkeur aan riet-akkers van 75 vierkante 
roeden lengte by 25 vierk. roeden breedte; anderen verkiezen 75 vierk. 
roeden lengte bij 18 a 19 vierL roeden breedte; en sommigen vinden 
rielrakkers verkiesl^k van 56 vierk. roeden lengte bij 25 vierk. roeden 
breedte. Eenige weinigen, eindelyk, maken riet-akkers van 87 vierk. 
roeden lengte bij 18 a 19 vierk. roeden breedte, — Het is goed, dat 
de oppervlakte van ieder afzonderlyk rietveld niet al te groot zij , maar 
evenzeer moet ook worden* vermeden eene te groote verbrokkeling van 
de oppervlakte, als zijnde daarmede verscheidene nadeelen verbonden. 

De voornaamste afscheidingspaden of de hoofdwegen, zijnde die, welke 
veelvuldig worden doorsneden, moeten eene breedte hebben van minstens 
zestien nederl. ellen, terwijl de overige paden acht a negen nederl. ellen 
breed moeten zijn. Als men nagaat de ruimte, die ingenomen wordt 
door de greppels (als die er zijn), en de uitgestrektheid gronds, die 
het riet beslaat op het tijdstip waarop het gesneden ligt, zal men in- 
zien , dat deze a&netingen niet te groot zijn , al is men ook van oordeel 
dat daardoor veel oppervlakte verloren gaat. Deze laatste overweging 
zal in vervolg van tijd misschien aanleiding geven om de breedte der 
a&cheidingspaden te verminderen. Men denke evenwel niet, dat de voor 
die paden bestemde grond zoo onnut is als oppervlakkig toeschijnt, 
want op vele plantaadjen vormen ze de moestuinen der Negers. Over 
het algemeen kweekt de planter in de afscheidings-paden volstrekt geen 
geboomte van welken aard ook; maar op sommige plantaadjen worden 
er pisangs of bananen geplant, niet zoozeer om de vruchten daarvan 
in te zamelen, als wel om den stam, waarvan men zich bij onverhoopte 
gevallen van brand bedient om de vlammen te blusschen. 

Na de vorenstaande beschouwingen zullen wijj kortelijk opgeven hoe 
de riet-akkers en de afscheidings-paden geplaatst moeten worden in ver- 



Digitized by 



Google 



u 



houding tot de fabriek. Tegenwoordig erkennen vele planters, dat het 
beste stelsel, dat in toepassing kan worden gebragt, hierin bestaat , dat 
ze vier diagonalen afbakenen, die elkander snijden in het middelpunt 
van het fabrieks-terrein ; en vervolgens wordt elke z^de van dat terrein 
afgedeeld in zoo vele gedeelten als overeenkomt met de grootte, die men 
aan de riet-akkers wenscht te geven , terwijl men b|j het afbakenen van 
deze altijd wel in het oog moet houden, dat het suikerriet geplant 
en, eenmaal gesneden zijnde, van het veld weggevoerd moet kunnen 
worden langs den kortstmogelijken weg. Diegenen, die riet-akkers ver- 
kiezen en afbakenen van 75 bij 18 a 19 of van 56 by 25 vierk. roe- 
den , moeten in het midden van elke zijde van het fabrieks-terrein vier 
hoofdwegen laten uitloopen; de planters, die hunne riet-akkers 75 bij 25 
vierk. roeden groot maken , behoeven de laatstbedoelde wegen of paden 
niet aan te brengen. Na deze eerste afscheidings-paden of hoofdwegen te 
hebben bepaald, gaat men over tot het afbakenen van de bijpaden of 
dwarswegen. Op vele plantaadjen, in plaats van diagonale afscheidings- 
paden te openen , geeft men de voorkeur aan eene andere rigting ; tot 
op de helft van elk der vier zijden van het fabrieks-terrein worden vier 
hoofdwegen aangelegd ; parallel met dat terrein worden de dwarspaden 
getrokken, enz.; doch deze laatste inrigting is niet aan te bevelen, 
naardien het vervoer van het riet daardoor zeer wordt bemoeyelijkt. In 
deze regelen hebben wij slechts eenige algemeene beginselen willen mede- 
deelen; verder in dit werk zullen wij de beredeneerde plans aan den 
lezer aanbieden, die al het hierboven slechts ter loops aangestipte vol- 
komen duidelijk zullen maken. 

Algemeens begelen betreffende het planten van suikebbiet. — 
In al onze geschriften trachten wij den planters wel op het hart te drukken 
van hoeveel belang het is het suikerriet zóó te planten, dat de stoelen 
ver genoeg van elkander af staan om elkander niet in hunne ontwikkeling 
te belemmeren, en om gebruik te kunnen maken van de verbeterde werk- 
tuigen bij het wieden, ploegen en aanaarden, welk een en ander moet 
plaats hebben als men de voorschriften volgt van een goed cultuurstelsel. 

De rietplanten, bij welker aankweeking het eerste doel moet zijn , dat 
ze volkomen al de functiën verrigten, die noodig zijn om ze het grootst- 



Digitized by 



Google 



15 



mogelijke aantal krachtige en suiker-houdende stengels te laten voort- 
brengen, moeten op zoodanigen afstand van elkander staan , dat ze zon- 
der nutteloos verlies van grond, en zonder te veel handen-arbeid te 
vorderen, met hare wortels zoodanige uitgestrektheid gronds kunnen 
innemen, als waarin zich al de bestanddeelen bevinden, die voor 
haar organismus eene levensbehoefte zijn, welke bestanddeelen overi- 
gens aanwezig moeten zijn in genoegzame hoeveelheid en kracht om 
aan de wortels hechtheid te geven, zoodat de planten stevig in den 
grond bevestigd, en tegen den invloed der winden bestand zijn. Boven- 
dien, daar deze netplanten spruiten schieten , is het eén vereischte , dat 
die nieuwe spruiten onder zoodanige gunstige omstandigheden te voor- 
schijn komen, dat ook deze op hare beurt tot hare volkomene ontwik- 
keling kunnen geraken. Eindel^k leven de netplanten, en alle andere 
plantgewassen, behalve van de in den grond aanwezige stoffen , van lucht 
en onder den invloed van de verschillende verschijnselen, die plaats 
grijpen in den dampkring ; dus niet alleen dat z^ aanhoudend de speling 
van de lucht noodig hebben, derwyze dat zij in onmiddellijke en onaf- 
gebroken voortdurende aanraking zijn met de elementen van den damp- 
kring; maar om volkomen hare functiên te verrigten, is het tevens een 
vereischte, dat ze levenskracht erlangen door licht en warmte, waardoor 
de werking van al de verschillende deelen van haar organismus geregeld 
of verhoogd wordt. 

Deze beschouwingen vooropgesteld spreekt het van zelfs, dat er geen 
vaste bepaling te maken is op welken afstand de rietplanten (6) van 
elkander verwijderd moeten staan overal, met andere woorden, geen 
vaste maatstaf kan daarvoor gelden; maar wanneer de bovenstaande 
wenken met oordeel des onderscheids worden gewaardeerd en toe- 
gepast, zal het niet moeyelyk vallen om in elke localiteit, naar 
gelang van de byzondere omstandigheden, met juistheid te bepa- 
len op welken afstand van elkander de rietstokken geplant moeten 
worden, ten einde op eene gelijke oppervlakte het grootste getal 
krachtige stengels te verkrygen, welker sappen de grootstmogelyke 
hoeveelheid suiker inhouden. Wy moeten b\j dit punt nog even stil- 
staan. Wanneer wy een klein aantal rietstokken planten op eene 
uitgestrektheid gronds, die te groot is in evenredigheid van de planten 



Digitized by 



Google 



14 



die er op zullen groeyen, dan behoeft het wel geen betoog dat wy, 
al de omstandigheden gunstig zynde, de ruimste opbrengst zouden ver- 
wacbten, die elke plant met mogelgkheid kan opleveren; maar wanneer 
w^ de verschillende a&onderlijke resultaten zamentellen en wij vergele- 
ken die met de opbrengst, verkregen van een anderen even grooten akker, 
waar de planten juist op den vereischten afstand van elkander hebben 
gestaan om hare volkomene ontwikkeling te kunnen bereiken, zullen w^ 
bevinden, dat de laatstbedoelde meer voordeel opleveren niet alleen 
wat betreft de bruto-hoeveelheid van het produkt, maar bovendien dat 
de zelfde handen-arbeid bij laatstbedoelden beter beloond wordt en 
meer produkt oplevert. 

Ten einde onze denkbeelden aangaande dit punt helderder te doen 
uitkomen, zullen wij ons bedienen van een voorbeeld. Gesteld wij moe- 
ten eene oppervlakte met riet beplanten. Ons allereerste werk zal zijn 
het terrein te bestuderen. Bezit het niet al de physieke eigenschappen 
en chemische zamenstelling, die de geaardheid van de plant , welke zich 
er in ontwikkelen moet, noodig heeft; heeft de grond niet de behoor- 
l^ke voorbereiding ondergaan; vereenigt het zaad, dat wij ons verpligt 
zien te gebruiken (of, bij suikerriet, de stekken, het plantriet), niet 
al de vereischte hoedanigheden in zich; kan men het niet op eene be- 
hoorl^ke diepte in den grond brengen; is het niet mogelyk het wieden, 
aanaarden en omploegen te bewerkstelligen naar behooren; wordt aan 
de planten niet voldoende levenskracht gegeven door licht, warmte en 
luchtspeling; en eindelijk — hetgeen men trouwens tot eene zekere 
hoogte niet voorzien kan -^ wanneer niet andere, van den dampkring 
afhankel^ke omstandigheden met den arbeid van den landman gunstig 
medewerken om tot de bestmogelëke uitkomst te leiden: in al die 
gevallen, wanneer het riet minder spruiten voortbrengt of minder goed 
groeit, en niet tot dien graad van ontwikkeling komt, dien het onder 
voordeeliger omstandigheden bereikt zou hebben, zetten w^ de planten 
niet zoo ver van elkander af als wanneer w^ onder gunstiger voor- 
teekenen kunnen hopen, dat wij de gewenschte resultaten zullen erlan- 
gen, — Wanneer wij over de hoeveelheid riet spreken, die onder ver- 
schillende omstandigheden tot het planten moet worden gebruikt , zul- 
len wg op dit onderwerp nader terugkomen. 



Digitized by 



Google 



15 



Wig hebben aangetoond, dat de volkomene ontwikkeling van het 
riet wordt verkregen door eenen zamenloop van omstandigheden, die, 
geliy keiijk werkzaam zijnde , in meerdere of mindere mate regtstreeks 
de yersehijïiselen te weeg brengen, welke in het organismns der plant 
plaats grijpen. Zoodra een van die omstandigheden in gebreke blijft 
haren noódigen invloed te doen gevoelen, blyvên ook de van dien in- 
vloed afhankelijke functiën in het leven der plant stilstaan. Er bestaat 
een harmonisch verband tosschen de verschillende verrigtingen in de 
huishouding van den plantengroei : ontbreekt er slechts ééne , dan is 
dadelyk de eenheid verbroken , die het gevolg was van het verband en 
evenwigt tusschen allen onderling, de verschillende functiën ondervin- 
den in hare verrigtingen den belemmerenden invloed van dit gebrek aan 
evenwigt, als laatste gevolg lijdt daaronder het organismus der plant, 
en de plant zelve komt niet tot hare behoorlijke ontwikkeling. — El- 
ders hebben wij getracht de gevolgen aan te toonen , die voortvloeijen 
uit bepaalde oorzaken ; te dezer plaatse zullen wij ons bepalen b^ het 
licht, en kortelyk al de nadeelen opsommen, die er uit voortspruiten, 
wanneer het licht niet in voldoende mate zijn weldadigeu invloed kan 
mededeelen aan het suikerriet. 

De algemeene wetten der plantenleer nagaande bevinden wij , dat door 
het licht het opslurpend vermogen der wortels verhoogd, en de uitdam- 
ping van de waterdeelen door de bladeren bevorderd wordt, welke beide 
uitwerksden op veleriei wijze in onderling verband staan met elkander; 
wijders bewerkt het licht de ontleding van het koolstofzuur, en daar zoo- 
doende de koolstof in de plant wordt vastgelegd, wordt de voortbrenging 
van alle koolstof houdende bestanddeelen er door bevorderd. Zoo ontstaan 
in de planten, die aan den invloed vau het licht blootgesteld z^n, hare 
verschillende eigenschappen, bijv. de groene kleur der bladeren, de geurig- 
heid, de suikerhoudende bestanddeelen, enz. — Wanneer de rietplanten, 
die, om behoorlijk al hare functiën te kunnen verrigten, behoefte hebben 
aan eene sterke werking van het licht, z66 geplaatst zijn , dat ze niet zyn 
blootgesteld aan den vollen invloed der lichtstralen, verliezen ze hare schoone 
donkergroene kleur, die , hoe langer hoe bleeker wordende , eibdel^k geheel 
en al verbleekt tot wit ; de stam of rietstok van zolke planten wordt 
niet dik, krijgt niet veel stevigheid, verliest ten deele zijne geurigheid 



Digitized by 



Google 



16 



en saprijkheid, en eindigt met aan de kw^nziekte te lyden, die bekend 
is onder den naam van hleekzucht. Deze ziekte kan ophouden wanneer 
de omstandigheden, waaruit zij ontstaat, eene verandering onder- 
gaan ten goede; alsdan ziet men hoe, naarmate de werking van het 
licht op de plant plaats grijpt, de bladeren eene groene kleur beginnen 
aan te nemen , het opslurpend vermogen der wortels in werking komt , 
de uitdamping door middel van de bladeren toeneemt, het koolstofzuur 
uit de lucht wordt ontleed , en na verloop van een zeker tijdsbestek 
wordt de harmonie tusschen al de natuurlijke functiën der plant hersteld. 

Wy moeten echter doen opmerken, dat de bleehucht, onder zekere 
bijzondere eigenschappen van den grond, ook menigmaal ontstaat zelfs 
al geniet de plant den vollen invloed van het licht. — Zonder nog te 
spreken van de spruiten, die ontkiemen in de asch, zouden wy eenaan- 
tal voorbeelden kunnen noemen van spruiten, die volkomen wió waren, 
zonder den minsten zweem of glimp van groen , en die wy op de riet- 
akkers hebben zien staan groeijen naast andere spruiten, die de gewone 
kleur hadden. — Nog sterker: wij hebben riet geplant in de schaduw, 
en ofschoon de groeikracht uiterst gebrekkig was, waren de planten 
evenwel groen. Dit laatste verschijnsel wordt het sterkst waargenomen 
by de late inboetingen, die, ofschoon laat opkomende, niettemin groene 
planten voortbrengen. 

De verschynselen , die wij hier hebben aangewezen, doen zien hoe 
het riet ontaardt in eenen grond, waar de plant het licht mist, dat zij 
voor de geregelde verrigting van al hare functiën noodig heeft. De riet- 
stokken , die zeer digt bij elkander geplant zijn , zoodat ze elkander in 
den weg staan om behoorlijk de lichtstralen op te vangen, of die, welke 
geplant worden op belommerde plaatsen, ontwikkelen zich op gebrekkige 
wyze; hunne sappen bevatten weinig suiker, en eene betrekkelijkerwijs 
groote hoeveelheid stikstof houdende stoffen ; hun zacht weefsel is door- 
drongen met water; ze schieten weinig spruiten, en als ze gekapt worden 
ontmoet men bij hen al de zelfde verschijnselen als bij rietstokken , die 
gekapt worden wanneer ze nog niet ryp zijn: en zulks niet alleen wat 
betreft de opbrengst aan suiker en de ongemakkelijkheid in het bewerken 
van hunne sappen , maar ook met betrekking tot het toekomstige lot van 
den riet-akker. In een woord , zoowel het kappen van de rietstokken , die 



Digitized by 



Google 



11 



niet voldoende z^ja ontwikkeld, omdat het hun aan den daartoe noodi* 
gen t^d heeft ontbroken, alsook het a£3ni[jden van uitspruitsels, die 
of ongenoegzaam ontwikkeld of misvormd zyn, doordien ze verstoken 
z^n gebleven van de omstandigheden, welke tot hunnen behoorlijken 
groei vereischt werden. De nadeelige uitwerkselen van het te vroeg kap- 
pen van het rietgewas zullen wi^j uiteenzetten; evenzoo zullen wy niet 
nalaten de gevolgen op te sommen , die voortvloeien uit het kappen van 
netplanten, die door andere oorzaken niet hare volkomene ontwikkeling 
hebben bereikt. Ook zullen wg ons beijveren om helder aan te toonen 
welken invloed de geaardheid van het plantriet uitoefent op de stengels der 
plant: in geval wij slecht ontwikkelde rietstokken kappen plaatsen wij 
ons, wat betreft het van zelfs en uit de natuur weder goed worden van 
het rietveld, in de zelfde omstandigheden, waarin wij ons bevinden, 
wanneer wij ons bij het beplanten van eenen akker bedienen van slecht 
riet en dit bovendien in den grond brengen op eene ongeschikte plaats, 
want dan doen wy bij slot van rekening bijna eene planting met den 
pootstok, waarbg wij een meer of minder groot gedeelte van den stok 
bloot laten. Al de rietteeltkundigen des lands, de noodzakel^kheid er- 
kennende het kappen te doen plaats hebben wanneer de rietstokken het 
toppunt van hunnen groei bereiken, verklaren zich op de zelfde wyze ten 
aanzien van het goed maken van de riet-akkers door middel van moeder- 
stekken : ze zeggen namelijk daó hei riet moet worden gekapt zoodra hei 
krachivolle moeder-eiehken heeft voortgehragt. Dit, nu, zal het geval niet 
wezen zoo lang het niet den noodigen t^d heeft gehad om tot behoor- 
l^ke ontwikkeling te komen, alsook in die gevallen waarin het, ofschoon 
wel al den daartoe vereischten tijd hebbende gehad, toch niet zijn vol- 
len wasdom bereikt, doordien het niet is opgegroeid onder den invloed 
van al de omstandigheden , die vereischt worden om de planten in staat 
te stellen hare functiën volkomen naar behooren te verrigten. 

Een der oorzaken, waardoor de rietakkers in eenen minder gunsti- 
gen toestand geraken, ligt veelal, naar onze wyze van zien, juist in de 
gewoonte om het riet te digt bij elkander te planten ; want al sterven 
er het volgende jaar een groot aantal stokken, en al staan de overbly- 
venden alsdan ver genoeg van elkander af, zullen deze desniettemin 
sledits zwakke stengels voortbrengen , die (ten ware hunne ontwikkeling 

2 



Digitized by 



Google 



J8 



door byzonder guustige omstandigheden wierd bevorderd, waardoor ze 
in kracht toenamen) slechts zeer geringe resultaten zullen opleveren , en 
na de volgende snede niet eens meer zullen uitspruiten ; of, mogten ze 
dat al doen , dan zal het toch slechts zoo zyn , dat er weinig of geen 
oogst van komt. Op de akkers, waar de rietstoelen zich te digt bij 
elkander geplaatst vinden, spelen ze tegenover elkander ongeveer de rol 
van onkruid : met andere woorden, ze doen elkander wederkeerig kwaad. 

Het komt ons voor, volgens deze orde van denkbeelden zonneklaar te 
zijn , dat het welbegrepen belang van den planter hierin bestaat , in elk 
geval z^n riet te kweeken volgens de regelen der kunst, daar hij zoo- 
doende niet alleen dadelijk zijne moeite beloond ziet : maar tevens het 
voortbrengend vermogen van zijne riet-akkers doet voortduren, hetgeen 
van uiterst veel voordeel voor hem is. 

Al de bijzonderheden betreffende den invloed van het licht op de 
functiën, die plaats hebben in het bewerktuigde zamenstel der rietplan- 
ten, zullen volledig worden medegedeeld in onze Proefondervindelijke 
nasporingen over den groei van het suikerriet 

Keus van het plantriet (7), — In onze Proefondervindelijke naspo- 
ringen over den groei van het suikerriet hebben wij aangetoond, hoe het 
boven allen twijfel is verheven, dat de kracht der stengels geëven- 
redigd zal zijn aan de hoeveelheid voedende stoffen, die de knop om 
zich te voeden in de geleding aantreft; overigens, wanneer wij spreken 
over de gereedmaking van de gronden en over de hoeveelheid riet, die 
noodig is om eene bepaalde uitgestrektheid gronds te beplanten, zullen w\j 
doen zien , hoe noodig het is te zorgen voor de gelijkmatige , aan- 
houdende en geleidelyke ontwikkeling d§r stengels; niets is zoo na- 
deelig als eene belemmering in den groei , al ware die belemmering 
van nóg zoo korten duur. — De eerste ontwikkeling oefent altijd eenigen 
invloed uit op alle ontwikkeling , die later volgt. — De keuze van het 
plantriet is almede een punt van overwegend aanbelang; daarvan hangt 
het dadelijke en toekomstige lot van het suikerriet-veld af; de planten, 
die van goed riet voortkomen, stoelen beter en op den juisten tyd 
uit, groeien krachtiger, en wederstaan beter de droogten en andere 
ongunstige omstandigheden. 



Digitized by 



Google 



19 



Ka deze vlugtige en onvolledige beschoawingen zullen w^ eenige der 
bijjzonderlieden, waarop ze betrekking hebben, eenigzins uitvoeriger gaan 
behandelen. 

In de Proefondervindelijke naaporingen aangaande den gtoei van htt 
suikerriet hebben wij aangetoond, dat de knop, om zich te ontwik- 
kelen, gevoed wordt ten koste van de in de geleding aanwezige be- 
standdeelen, waarvan een gedeelte onmisbaar is ter ontwikkeling van 
de organen, die bestemd zijn om uit den grond de zelfstandig- 
heden te trekken, welke dienstig zyn tot voeding van de plant, die 
ontstaan is door de ontwikkeling van de kiem. Zoodra de plant vol- 
wassen is, bijaldien de omstandigheden, waaronderzij hare funetiën 
verrigt, gunstig zyn, begint na verloop van eenigen tyd, nu eens iets 
langer, dan eens iets korter, de ontwikkeling, die zou hebben plaats 
gegrepen, wanneer zij in haren groei beschikt had over eene overvloedige 
hoeveelheid der voedende stoffen , die aanwezig zijn in de geleding. Deze 
proef, die wij genomen hebben door de rietplanten te verminken , is 
bevestigd geworden door eene andere, die wij hebben ingesteld door 
onvolwassen riet te planten. Wij kozen eenige ligte rietstengels, en 
plantten die in eénen grond, bij uitstek vruchtbaar en behoorlijk ge- 
reedgemaakt: de knoppen begonnen uit te loopen, en de stengels wa- 
ren zoo tenger en kwijnend, dat men op het eerste gezigt bezwaarlijk 
zou gezegd hebben, dat zulke planten rietstoelen waren. Na verloop 
van eenigen tijd werden de stengels steviger, gingen voort zich te ont- 
wikkelen, en leverden al spoedig het schouwspel van een zeer krach- 
tigen en weelderigen plantengroei. 

Dus , onder gunstige omstandigheden , komt zelfs het slechtste riet , 
komen zelfs de minst volwassene stoelen na verloop van eenigen tijd 
tot eene ontwikkeling, eenigermate gelijk aan die, welke bereikt wordt 
door planten, geteeld van volwassene stokken, en dragen volkomen 
ontwikkelde en goed gevoede knoppen. Maar onder de zelfde omstandig- 
heden zou een goed plantriet in een korter tijdsbestek stoelen hebben 
voortgebragt, krachtiger dan die, welke van de onvolwassene stokken 
zijn voortgekomen. Deze proeven doen zonneklaar zien van hoeveel aan- 
belang het is , te werk te gaan in eenen grond , welke aan al de vcr- 
eischten beantwoordt, onder gunstige omstandigheden, die van den 



Digitized by 



Google 



20 



dampkring afhangen,, en overeenkomstig de voorschriften eener goede 
cultuxur ; maat ze leveren tevens het bewya van hoeveel invloed de hoe- 
danigheid van het riet is, daar de plant zich in beide gevallen niet 
slechts kwijnend vertoonde, maar ook meer tyd noodig had om zich 
te ontwikkelen. 

Aangezien het plantriet , onder gunstige omstandigheden , een zekeren 
invloed uitoefent op het te voorschyn komen van de stengels, en 
ook op den tijd, dien ze noodig hebben om zich te ontwikkelen, is 
het duidelijk, dat wij bij de keuze van riet om te planten stengels moe- 
ten kiezen, die tot den besten staat van ontwikkeling zijn gekomen, 
daar die van het begin af aan krachtige stokken voortbrengen, geschikt 
om volkomen en dadelijk nut te trekken van alle gunstige omstandig- 
heden, en in staat om met goed gevolg bestand te zijn tegen alle 
ongunstige invloeden. Op die wijze wordt er, onder gunstige om- 
standigheden , althans tijd gewonnen , daar de rietstokken spoediger tot 
ontwikkeling komen ; en onder minder gunstige omstandigheden kunnen 
de organen, goed gevoed zijnde, hunne functiën krachtiger verrigten, 
dan wanneer ze zwak zijn en kwynend en alles slechts hebben te hopen 
van de omstandigheden, die op hen werken van buiten af. 

Wij gelooven dat men om te planten riet behoort te kiezen, dat 
tot eenen zekeren graad van rijpheid is gekomen, daar het tengere, 
jongere riet op laagliggende gronden gemakkelijker tot verrotting over- 
gaat, terwijl het op hooge gronden, bij veel schaarschte van regen en 
wanneer het slechts tot op eene geringe diepte in den grond is gebragt, 
gemeenlijk verdort ; en daar het zeer jonge riet de hoeveelheid water in zich 
bevat, die noodig is voor de ontwikkeling der knoppen, is het ook 
mogelijk dat het, droog geplant zijnde, opgroeit te midden van eene 
droogte, die nadeelig is voor de geleding. Deze redenen zijn vol- 
doende om het buiten allen twijfel te stellen, dat men, om te planten, 
rijpe stengels behoort te kiezen, met fraaye geledingen, geschraagd door 
goed ontwikkelde knoppen: onder zoodanige omstandigheden is de sten- 
gel groener, grooter en krachtiger, en ook beter gevoed. Strikt genomen 
kan men zeggen, dat het rieê van de eerste snede het beste is; maar ook 
dat van de tweede snede kan goed zyn, wanneer al de hierboven opge- 
somde omstandigheden zamengaan (8), Wij moeten echter herhalen — 



Digitized by 



Google 



21 



want dit is een punt van het hoogste gewigt — wanneer nven om te 
planten onvolwassen riet neemt , b^aldien dan niet de grond zeer vrucht- 
baar is, de invloeden van den dampkring zeer gunstig zijn en de aan- 
kweeldtig met zeer veel bekwaamheid en zorg plaats heeft , dat men dan 
gevaar loopt zeer slechte resultaten te zullen verkrijgen ; en in elk geval , 
al zijn de resultaten niet slecht , zal er om die te verkrijjgen toch altijd 
veel meer tijd vereischt worden , dan noodig zou geweest zijn als men 
zich dadelijk bediend had van goed riet. 

"Wij kunnen als vaste waarheid stellen, dat er nooit een akker beplant 
wordt met stekken, die allen volkomen de zelfde eigenschappen hebben. 
Op een zelfden akker zijn dan ook de rietstoelen geen van allen 
eenerlei; in een zelfden stoel komen niet al de stengels tot een gele- 
ken graad van ontwikkeling; aan een zelfden stengel zijn niet al de 
geledingen aan elkander gel^k: daarom kan men nooit eene planting 
bewerkstelligen, die volkomen gelijkvormig uitvalt, al gebruikt men vol- 
komen eenerlei riet voor al de verschillende deelen van het terrein. — Uit 
dien hoofde kunnen de geledingen onder de zelfde omstandigheden , naar 
gelang van de bijzondere hoedanigheden van het riet, of knoppen 
schieten of niet. Het zelfde terrein , onderhevig aan de afwisselingen van 
droogte en vochtigheid, enz., zal in zijne onderscheidene afdeelingen 
verschillende uitwerkselen ondervinden naar gelang van de eigenschap- 
pen der stekken, die in de onderscheidene afdeelingen geplant zijn. 

Om van dit onderwerp af te stappen, zullen wg besluiten met aan 
te bevelen het instellen van eene vergelijkende proefneming: men be- 
plante twaalf rijen met riet van gebrekkige kwaliteit, en daarnaast 
twaalf ryën, waartoe men zich van volwassene stengels bedient. Onder 
de zelfde omstandigheden zal men zien , dat al het voordeel op in het 
oog Ipopende wijze is te herkennen in het plantsoen , dat van volwassene 
stengels is verkregen. 

"Wij hebben gesproken over de bijzonderheden betreffende de keuze 
van het riet , voor zooveel aangaat deszelfs hoedanigheden ; nu rest ons 
nog eenige wenken te geven met betrekking tot de planting zelve. 
De akker, van waar men het plantriet halen moet, dient altijd, zon- 
der verbrokkeling, zoo digt mogelijk bij de plaats gelegen te zijn, waar 
men voornemens is de planting te bewerkstelligen. Op die wyze heeft 



Digitized by 



Google 



iz 



men al dadelijk eene besparing in de kosten van vervoer, zijnde dit een 
punt, wel waardig dat er op gelet worde, naardien het planten gemeen- 
lijk plaats heeft wanneer het regent of wanneer de grond vochtig is. 
Kan men het riet in overvloed en gemakkelijk overbrengen naar het 
gewenschte punt, dan zal het planten zeer vlug en met minder arbeid 
volbragt kunnen worden, zoodat men in een gegeven tijdsbestek eene 
grootere uitgestrektheid gronds zal kunnen beplanten , dan wanneer men 
niet eene voldoende hoeveelheid riet bij de hand heeft. Het is nuttig 
zeer vlug af te planten, ten einde zoodoende partij te trekken van het 
jaargetijde en van het geschikte saizoen voor den grond. 

Geschiktste tijdstippen om het planten te bewerkstelligen. — 
I. Een der punten van het meeste gewigt bij het planten van suiker- 
riet bestaat in het kiezen van het geschiktste oogenblik om daartoe 
over te gaan, derwijze, dat al de omstandigheden, waaronderde uit- 
voering van dien arbeid plaats heeft, gunstig zamenwerken met al de 
vereischten , welke gevorderd worden tot de behoorlijke ontwikkeling van 
de plant, en met de verschillende omstandigheden, die met de inza- 
meling van den oogst in verband staan. De voornaamste punten , waarop 
noodwendig gelet dient, en die naauwkeurig in acht genomen moeten 
worden, bepalen zich tot de volgende vier: 1®. Het is noodig te letten 
op de gegevens , welke de ondervinding met betrekking tot de weersge- 
steldheid ons verschaft heeft. 2®. Er moet opgelet worden, dat de tijd, 
die i^oodig is om het riet zijn grootsten wasdom te laten bereiken, 
juist zamenstemme met het geschiktste tydstip om den oogst in te 
zamelen en het rietsap te verwerken. 3^. De gereedmaking van de 
gronden. 4". De geaardheid der gronden, die men voor de rietteelt ge- 
reedmaakt. — Wij zullen de onderwerpen, in elk dezer vier punten vervat, 
kortelijk toelichten. Reeds dadelijk en in de allereerste plaats moeten 
wij aandringen op de noodzakelijkheid, ons in het bezit te stellen van 
eenige weerkundige gegevens , daar het van het hoogste gewigt is , meer 
of min te weten in welke evenredigheid de regens vallen in de land- 
streek, waar de plantaadje gelegen is, ten einde met eenigen grond te 
kunnen hopen , dat de besproeijing met hemelwater juist zal invallen 
omstreeks dien tijd van den plantengroei, wanneer het organismus 



Digitized by 



Google 



u 



der plant het meest behoefte daaraan heeft De bekendheid met deze 
bijzonderheid is van zooveel aanbelang, dat men dikwyls^ na den 
grond gereedgemaakt te hebben , dadel^'k kan overgaan tot het planten 
in droogen bodem , zonder inachtneming van het geschikte saizoen , als er 
slechts waarschijnlijkheid bestaat dat het spoedig zal beginnen te regenen. 
Wanneer het plantriet goed is , en het wordt overeenkomstig de vastge- 
stelde regelen in den grond gebragt, kan het daar zeer gemakkelyk ver- 
scheidene dagen goed blijven tot op het oogenblik, waarop de regen 
komt, als wanneer de groeikracht der knoppen in werking wordt 
gebragt. 

Het planten in droogen bodem kan somwijlen goede resultaten ople- 
veren, en buitendien men wint tyd, de arbeid wordt verrigt met meer 
g^mak, en het in den grond brengen van het plantriet gaat minder 
moeijel^k; maar in weerwil dat wij al die voordeden erkennen, is het 
toch altijd verkieslyk zoo mogelyk in het juiste saizoen te planten, 
daar niet alleen alsdan de groei meer geleidelijk plaats heeft, maar ook 
in de latere ontwikkeling zich een merkbaar voordeel vertoont geëven- 
redigd aan de omstandigheden. 

Wanneer w^ op de aankweeking van het suikerriet de opmerkingen 
toepassen , die op de teelt van andere produkten betrekking hebben , zul- 
len wij met Gasparin zeggen, dat het, om de ontwikkeling van den 
plantengroei behoorlijk te doen plaats grijpen, noodig is op den 
grond eene hoeveelheid water aan te brengen, in dier voege verdeeld, 
dat de grond zoo lang mogelijk in eenen toestand blijve van omstreeks 
23% vochtigheid tot op dertig nederl. duim diepte, gedurende de 
voorbereidende werkzaamheden om den grond gereed te maken en 
het gansche tijdperk van den plantengroei, terwijl die toestand van 
den grond tot omstreeks 10% vochtigheid verminderd moet zijn 
op het tydstip, waarop het riet tot rypheid komt. Deze maatstaf, 
die ons in staat stelt om ons op ieder terrein te vergewissen om- 
ttent de goede of verkeerde verdeeling der regens, geeft ons het 
middel aan de hand om te bepalen welke de beste toestand is , waarin 
de grond zich bevinden moet ten opzigte van zyne watergehalte, te 
weteft: de hoeveelheid van den regen, die der uitdamping, de geaard- 
heid en de gesteldheid -van den grond; bij gevolg is de genoemde maat- 



Digitized by 



Google 



24 



staf in 2^jii onderling verband vriy van de onnaauwkeurigheden , welke 
men gevaar zou loopen by de waarneming van elk dier bestanddeelen 
a£&onderli|jk en in hunne betrekking tot elkander te begaan, wanneer 
men ze bewerkstelligde ieder in het bijzonder, om ze daarna met elkan- 
der te vergelijken. 

Dit algemeene beginsel is zeer juist van toepassing op de teelt van 
het riet, daar , zooals wij verder in dit werk (zie Droogten en Besproeiing) 
zullen aantoonen, de medewerking van het water een noodwendig ver- 
eischte is , pm de plant tot den hoogsten graad van haren wasdom te 
brengen; maar eenmaal dien hoogsten graad van ontwikkeling bereikt 
is het nuttig, dat de hoeveelheid water, die tot bevordering van den 
groei moest dienen, minder worde, opdat de sappen eene grootere digt- 
heid erlangen, aanmerkelijk toenemen in suikergehalte, en in zuiverheid 
winnen. Andere voordeelen met betrekking tof* het kappen, verwerken, 
enz. ontstaan uit de droogte gedurende de inzameling van den oogst. 

Zooals wij verscheidene malen in de gelegenheid z^*n geweest te on- 
dervinden , is het nuttig niet al onze hoop te vestigen op de menigvul- 
digheid der regens , en ons ook niet al te veel te verlaten op de natuur- 
lijke eigenschappen van den grond: het is noodig, dat wij ons helpen 
met de middelen, die de wetenschap aan de hand doet, en dat w\] 
trachten den grond, daar waar de natuur in gebreke blyft, op kunst- 
matige wijze in goeden staat te houden, door den grond tot eene be- 
hoorlijke diepte om te werken, den ondergrond vaneen scheidende, het 
terrein inwendig voorziende van een lozings-systeem (drainage), in den 
grond de geschikte correctiven en mestspeciën aanbrengende, de dikte 
vermeerderende van de bovenste laag teel-aarde, enz. 

De redenen, die wij hier uiteengezet hebben, doen zien van hoeveel 
gewigt het is, in het dagboek der plantaadje alle weerkundige waarne- 
mingen op te teekenen, hetgeen zeer gemakkelijk te doen is, strekken 
kan om menigen twijfel te doen ophouden , en dienstig zal zijn om met 
meer zekerheid den veld-arbeid te regelen. 

Op hetgeen wij gezegd hebben ten aanzien van de regens, afgeschei- 
den van andere beschouwingen, zou minder gelet behoeven te worden, 
wanneer wij de middelen hadden om een goed systeem van besproe\jing 
in te voeren. ' • 



Digitized by 



Google 



25 



Wij hebben gezegd , dat er vooral opgelet behoort te worden om het 
suikerriet den volkomen wasdom te laten bereiken op dat tydstip des 
jaars, dat het best geschikt is om de inzameling van den oogst te 
bewerkstelligen en over te gaan tot de bewerking van de sappen, in 
het weefeel der stengels aanwezig. In onze beschouwingen over de inza- 
meling van den oogst, hebben wij met de noodige breedvoerigheid 
uiteengezet al de redenen, die pleiten voor het kappen van het riet 
eerst dan, wanneer het tot volle rigpheid is gekomen: hier znllen wij de 
nadeelen doen kennen, die onafecheideligk z^n van eene te vroege inza- 
meling van den oogst, alsook die , welke aan eene te late kapping zyn 
verbonden. Op het eiland Cuba wordt het riet geiplantiH keó najaar , dvit 
is van het begin van September tot het laatst van December, of in het voor- 
jaar y onder welken naam te verstaan is van half April tot half Jun^'tb^ 
beide deze plantingen wordt overigens nog weer onderscheid gemaakt tus- 
schen vroege en late, naar gelang van het tydstip waarop ze in den grond 
worden gebragt. De plantingen , die bewerkstelligd worden van Januar^j 
tot April , worden genoemd tusacheniijdsche. — Vele planters gaan by het 
in den grond brengen van het riet niet te werk volgens vaste beginse- 
len; zij planten het gansche jaar door, onverschillig op welk t^dstip, 
als het saizoen maar gunstig is ; zoodat ze zelfs gedurende den t\jd van 
het malen, telkens als zij den arbeid afbreken, als de molen slüetaat^ 
planten, inboeten en het houtgewas van het veld hakken. Met duideli[j- 
ker woorden: ze planten meer wanneer zij kunnen, dan wanneer ze 
het moesten doen. Andere landbouwers gaan echter verstandiger te werk, 
geven de voorkeur aan de vroege najaars-planiingen , en besteden het 
overige van den tijd om den riet-akker behoorlijk na te gaan , zoo dik- 
wijls het malen hun daartoe gelegenheid laat 

Het planten in het vooqaar levert het groote bezwaar op, dat de 
oogst daarvan niet met zekerheid op eene voordeelige wijze kan worden 
verkregen op het tijdstip der eerste snede , ten ware de geaardheid en de 
gereedmaking van den grond , de aan de cultuur bestede zorg en de in- 
vloeden der weersgesteldheid allen evenzeer uitermate gunstig zijn geweest , 
en elk in het bijzonder het hunne hebben bijgedragen en zamengewerkt 
om een gunstig resultaat te weeg te brengen. Zonder dat, ontwikkelt 
het riet zich niet, ma;ft' groeit kwijnend, en kan slechts gemalen worden 



Digitized by 



Google 



20 



op het tijdstip van de tweede snede: in dit geval kunnen de nadeelen 
plaats grepen, die wij hebben aangewezen in onze nasporingen be- 
treffende het kappen van het suikerriet, anders dan wanneer het 
den voUen wasdom heeft bereikt; wordt het gekapt voordat het tot 
zijne volkomene ontwikkeling is gekomen, dan levert het stengels, die 
weinig suiker inhouden en moeijelijk te bewerken zyn, en het kappen 
kan al de nadeelen te weeg brengen, die aan elke te vroege (dat is 
ontijdige) inzameling van den riet-oogst verbonden zijn. 

Wat deze redenen aangaat, kunnen wij niet nalaten de handelwijze 
af te keuren van vele planters, die, in plaats van hunne zorgen te 
wigden aan de cultuur , zich er op toeleggen om vooijaars-plantingen te 
bewerkstelligen tot in het laatst van Junij , en wij kennen er zelfs , die dat 
gedaan hebben in niet-gereedgemaakte gronden en met de spade ! W^' zijn, 
over het geheel genomen, zoo zeer tegen de vooijaars-plantingen, dat 
wy zelfs, al zijn de gronden behoorlyk gereedgemaakt, toch liever eeni- 
gerlei ander gewas daarin telen, dat eenen oogst kan opleveren tot 
September, October of November, daar wy dan altoos nog tijds genoeg 
zullen komen om najaars-plantingen te bewerkstelligen, en reeds vooraf 
gedeeltelijk of geheel de waarde te winnen van de dagen , die er gewerkt 
moeten worden om de gronden gereed te maken. De najaars-plantingen , 
bewerkstelligd van September tot November, zyn die, welke ons toeschy- 
nen als het meest doelmatig, niet alleen wat betreft hare opbrengst 
aan suiker, alsook met het oog op het lot der rietstokken na de snede. 
Zeer te regt zeggen dan ook onze voornaamste praktische mannen by 
wijze van spreekwoord: „De najaars-plantingen helpen de planters 
weder te paard". 

De voorloopige werkzaamheden om den grond gereed te maken zijn 
ook van invloed op de beantwoording der vraag, op welk tydstip het 
planten plaats hebben moet; en om dit punt op zyne juiste waarde te 
kunnen schatten, moet men noodwendig in aanmerking nemen over welk 
getal arbeiders men te beschikken heeft, wijders ook letten op de uit- 
gestrektheid der akkers, de gemakkelykheid of moeijelykheid om de mij- 
ten te stapelen, enz. 

De geaardheid van den grond moet ook, en wel in de voornaamste 
plaats, in aanmerking worden genomen, daar >iar gelang hiervan het 



Digitized by 



Google 



27 



riet met meer of minder kracht groeijen zal , ettel^ke nadeelen zich in 
meerdere of mindere mate zullen doen gevoelen, de werkzaamheden en 
het daartoe vereischte getal dagen zullen verschillen, enz. 

Dit bewijst ons van hoeveel aanbelang het is al de byzonderheden te 
kennen betrefifende de gesteldheid van den grond, welke tot de suiker- 
teelt zal worden gebezigd , en evenzoo de noodzakelykheid der landbouw- 
kundige nasporingen, die men in het werk stellen moet eer men met 
eenigen arbeid hoegenaamd eenen aanvang maakt. De aarde is het werk- 
tuig, de machine, waarmede wy, met behulp van het planten-orga- 
nismus en van den dampkring, organische produkten wenschen voort 
te brengen. Het is dus noodig, dat wij de onderscheidene organen 
of gedeelten der machine (physieke eigenschappen, chemische zamenstel- 
ling, geologische bouw) goed bestuderen, en daarna, ze met elkander 
in onderling verband beschouwende , zien in hoeverre ze kunnen zamen- 
werken om het gewenschte resultaat te weeg te brengen. -Vooronderstel- 
lende dat er natuurlijk, geen bestendig eyenwigt bestaat tusschen al die 
beatanddeelen , zal het noodig worden bevonden, daarin zoodanige wij- 
zigingen aan te brengen, dat de grond geschikt wordt gemaakt voorde 
geaardheid van het plantgewas , hetwelk wij er in wenschen te telen. In 
plaats van dit ontledend onderzoek in te stellen, kan men ook over- 
gaan tot de regtstreeksche proefneming, en, zooals Boussingault het 
genoemd heeft, de plant zelve om haar oordeel vragen. Deze laatste om- 
standigheid doet ons zien van hoeveel belang het is, bekend te zijn 
met de ondervinding gedurende verscheidene jaren in eene en de zelfde 
localiteit; want door de vruchten van die ondervinding oplettend en oor- 
deelkundig na te gaan, zal men in het bezit komen van een resultaat, 
verkregen uit de vei^elijking van verschillende gegevens , die niet iedereen 
in staat is te waarderen in hunnen wederkeerigen invloed op elkander, 
in hunne onderlinge en van elkander afhankelijke werkingen en terug- 
werkingen. 

II. Om de denkbeelden , die wij hier hebbeu aangegeven , duidely k te 
maken, oordeelen wy het niet ondienstig eenige beschouwingen daaraan 
toe te voegen , betreffende de gegevens , die afwijken van den gewonen 
loop der plantengroei-ontwikkeling in het suikerriet, en eenige andere 
betreffende den tijd, wtlken het plantgewas, waarmede wij ons thans 



Digitized by 



Google 



28 



bezig koaden, noodig heeft of vordert om het toppunt van z^nen 
wasdom te bereiken. 

Wanneer bij het kiezen van het geschiktste tijdstip om te planten 
slechts gelet behoefde te worden op den tijd van duur, dien het plantsoen 
te veld zal blijven staan, zou het op het eerste gezigt schijnen, dat 
het tamelijk onverschillig was of er geplant wierd in Mei , om te kappen 
in December van het volgende jaar, dan wel of er eene najaars-planting 
plaats had in September, om den oogst daarvan in te zamelen op het tydstip 
van de tweede snede, in de maand April van het tweedejaar daaraanvol- 
gende : in beide gevallen toch zou het riet een even lang t^dvak op den 
akker blijven staan. Maar op dit punt is het noodig ook in aanmerking te 
nemen den invloed der jaargetijden op den groei der rietstengeb in het 
algemeen, en vooral in betrekking tot hunne rijpwording, dat is de 
voltooiing van het afscheidings-proces van hunne sappen. Immers, 
het in het najaar geplante riet zal ter z^'ner t^d , dat is na verloop yan 
den t\jd dien het uit z^'nen aard behoeft om zich te ontwikkelen, het 
droogere jaargetyde genieten om tot rijpheid te komen, terwijl het voor- 
jaarsriet van het eene jaar op het andere den regentijd zal hebben te 
doorstaan, op een tijdstip, wanneer het reeds geen regen-bevochtiging 
in die mate meer noodig heeft, daar de overvloed van het hemelwater 
op dat tijdstip het vermogen bezit om de groeikracht bovenmatig te 
bevorderen en te verhoogen, waardoor het zoogenaamde Creol^riet ont- 
staat, zyndelooze stengels; overigens ontstaan in de restanten der blade- 
ren eene oneindige menigte kleine diertjes, die het riet doorvreten, enz. 

Wij moeten echter doen opmerken, dat op de bij uitstek vruchtbare 
gronden , bij eene oordeelkundige wyze van aankweeking en bij aanhou- 
dende koelte, de weersgesteldheid ook overigens gunstig medewerkende, 
met voordeel het vooijaarsriet in een jaar kan gekapt worden; maar 
niettemin onthoude men wel, dat zel& in ons zoo uitermate voor de 
suikerriet-cultuur geschikt klimaat, wanneer al de omstandigheden gun- 
stig zamenwerken , deze plant langer tijd dan een jaar noodig heefb om 
hare volkomene ontwikkeling te bereiken. — En dat de volkomene ont- 
wikkeling afhangt van de vruchtbaarheid van den grond , van de weers- 
gesteldheid en van de wijze van cultuur, is zóó waar, dat somwylen 
rietstoelen , die op weinig vruchtbare gronden en onder weinig gunstige 



Digitized by 



Google 



£9 



omstandigheden groeijen , wanneer ze geplant zijn in Mei , reeds begin- 
nen te bloeden in November of December, dat wil zeggen na verloop van 
7 of S maanden: alsdan is het dringend noodig ze te kappen, daar 
anders van dat oogenblik af aan slechts de ontwikkeling zou worden 
bevorderd van de ligte en onderaardsche geledingen, ten nadeelevande 
zich gevormd hebbende stengels. Op de zeer vruchtbare gronden enz. 
begint het najaarsriet eerst te bloe^'en in den winter van het volgende 
jaar, en w^ kunnen er zelfs bijvoegen, dat wij gronden kennen, die 
zoo vruchtbaar z^n, dat de planten er niet beginnen te bloeyen, dan 
na verscheidene malen gekapt te z^n. In deze gronden sch^nt het, dat 
de rietstoelen „altijd groeyen", want de pluimen, waarmede de uiteinden 
der stengels pryken , vertoonen zich nooit. Overigens hebben wij zelven 
riet gehad met meer dan honderd geledingen, waaruit men zal kunnen 
afleiden hoe lang dat wel gegroeid moest hebben. Om misvattingen te 
voorkomen moeten wij doen opmerken, dat het bloeijen het bewys levert, 
dat de volle wasdom reeds bereikt is; maar daarom is het nog geens- 
zins altyd een stellig, afdoend en onomstootelijk kenteeken of bewys 
van rypheid, beschouwd uit het dubbele oogpunt van de zuiverheid 
der sapp^i en van hunnen rijkdom aan suiker. — Bloeijend riet kan 
zeer weinig oogst opleveren , de sappen daarvan zy n somwylen moeijelyk 
te bewerken, enz. Wij zullen nog meer zeggen: men behoort geen ander 
riet te malen, dan dat, hetwelk tot zyn vollen wasdom gekomen en goed 
rijp is, en niet gebloeid heeft; de sappen van gebloeid hebbend riet 
zyn altyd in meerdere of mindere mate bedorven. 

Opdat er geen de minste twyfel blyve bestaan aangaande de voren- 
staande denkbeelden, zullen wij, op het gevaar af van in herhalingen 
te Tallen , ze nog eens kortelyk zaménvatten in eenen anderen vorm. '— 
Ter zijde latende het hemelwater, als noodwendig vereischte voor den 
plantengroei, en aannemende, dat wy het niet in onze magt hebben 
ons de weldadige werking daarvan op de geschikte tijdstippen te ver- 
schaffen door middel van besproeiing, zal het dan nog wel verstan- 
dig zijn niet te letten op den loop der jaargetijden? — Wanneer de 
overvloedige regens altijd dienstig waren, in al de tydperken van den 
wasdom van het riet, is het ontegenzeggelyk, dat wy ons alleenlijk 
zouden hebben te bekommeren over de gevallen, waarin wij ons ver" 



Digitized by 



Google 



30 



stoken zouden zien van hunne weldadige werking, die wy alsdan zouden 
moeten vervangen door besproeijing; maar aangezien het tegendeel waar 
is, met andere woorden, aangezien het hemelwater, overvloedig en te 
dikw^ls vallende in sommige tijdperken der ontwikkeling van het 
riet, nadeelig is voor de functiën, waardoor de suiker in de stengels 
wordt gevormd, moeten w^ alt^d acht geven op den loop der jaarge- 
tijden, om den voortgang en de versch^nselen van den plantengroei in 
overeenstemming te . doen z^*n met die t^'dperken van ontwikkeling , 
waarin de overvloedige regens nuttig zijn; want als die regens vallen 
in tgdperken, waarin zij de geregelde verrigtingen van de functiën der 
rietplant storen, zullen w^ die krachtsontwikkeling van de werkzaamheid 
harer organen hebben belemmerd, in plaats van ze te bevorderen. 

Het is ontegenzeggelyk, dat het riet in den loop van z^'n groei- 
ontwikkelingsproces behoefte heeft aan de noodige hoeveelheid water, 
opdat die ontwikkeling plaats grijpe geleidelijk en aanhoudend; maar 
evenzoo is het ook zeker, als de plant, door gebrek aan regen, eenigen 
tyd wordt belemmerd in haren groei, dat zij dan later, als z^ dien 
weldadigen invloed deelachtig wordt, nieuwe krachten erlangt en zich 
ontwikkelt, ofschoon de zich reeds gevormd hebbende organen steeds 
de sporen zullen blijven dragen van de invloeden, waaraan hunne 
ontwikkeling onderworpen is geweest. By deze nieuwe beschouwing van 
dat punt blijft de moeijelijkheid dus enkel deze: te bepalen in welk 
tijdperk van de ontwikkeling van het riet de droogte er het minst na* 
deelig voor is, en of het zich later van dien nadeeligen invloed kan 
herstellen. — De nadeelen, die in de najaars-rietstoelen ontstaan door 
de werking van de droogten, zijn niet zoo groot ab die, welke zich 
onder de zelfde omstandigheden vertoonen by het vooijaarsriet , dat zich 
niet ontwikkeld heeft. Zien wij wat er in die plantsoenen plaats gr^i 
Het riet, dat in het begin van Mei geplant is, geniet al de voordeelen van 
de regens: de aanvankel^'ke ontwikkeling is daardoor snel, aanhoudend 
en regelmatig; zoodat tegen de maand November reeds verscheidene 
stengels duidelgk eenige geledingen vertoonen: de eerste, tweede en 
zelfs derde stengels hebben reeds knoppen gezet; maar op dat t^'dstip 
wordt de plant, door de droogte overvallen, belemmerd in hare ont- 
wikkeling, en houdt zich in meerdere of mindere mate goed tot de 



Digitized by 



Google 



31 



naastvolgende maand Mei. Dan komen de regens, en eene vernieuwde 
groeikracht begint zich te openbaren; maar de stammen, die de nadeer 
lige werking van de droogten hebben ondervonden, verrigten slechts 
met moeite hare functiën, de zich reeds gevormd hebbende stengels 
ontwikkelen zich langzaam en slecht, enz.; alles is in de war, en later, 
walmeer men tot het kappen overgaat, bevindt men slechts weinig 
goed riet, de sappen daarvan zijn moeijelijk te bewerken, de opbrengst is 
luttel, en de suiker is van slechte kwaliteit. — De najaarsplanting, die 
den invloed van de droogte ondervindt, lijdt daarvan niet minder dan 
de vooijaars-planting; maar de sporen van het nadeel, op deze door 
het gemis van regens te weeg gebragt , zijn niet zoo in het oog loopend 
naderhand; zeker is het, dat er somwylen groote hoeveelheden ingeboet 
moeten worden , maar ten slotte ontwikkelt dit riet zich goed , en levert 
eenen goeden oogst. — Het voorjaarsriet, dat zich niet ontwikkeld heeft, 
onverschillig of het gekapt wordt dan wel blijft staan, levert altyd 
slechte uitkomsten op. 

Tot dusverre hebben wy gehandeld over het vraagstuk betreffende 
het geval, dat het vooijaars-riet in zynen groei is belemmerd geworden 
door droogte of andere omstandigheden. Nemen wij nu het tegenover- 
gestelde geval, en zeggen wij, dat het volstrekt geen belemmering in 
zynen wasdom heeft ondervonden, hetzg dat de natuur in allen deele 
heeft medegewerkt ten goede, hetzg dat daarin is voorzien door den 
arbeid der cultuur (besproeiging , wieding, bemesting, enz.), zal het dan 
nadeelen of voordeden opleveren dat riet te kappen na verloop van 
een jaar? Wij zullen beginnen met te herhalen, dat steeds blijven vast- 
staan al de in acht te nemen bijzonderheden, die afhangen van de 
verschillende ontwikkelings-tijdperken en van het jaargetyde; na verloop 
van een jaar zal de rietstoel stengels dragen, die elkander in den weg 
staan om rijp te kunnen worden, en het is niet dienstig in die sten- 
gels eene voortduring van de groeikracht op te wekken, waardoor 
ze niet slechts eene overmatige lengte zouden bereiken, maar tevens 
uitspruitsels schieten van weinig of geen degelykheid. Na verloop van 
een jaar, hebben wy gezegd, kan met voordeel het vooqaars-riet wor* 
den gekapt, dat zich onder gunstige omstandigheden ontwikkeld heeft; 
maar even goed kan men het ook laten staan, ten einde het in 



Digitized by 



Google 



32 



de gelegenheid te laten zich verder te ontwikkelen gedurende d^i 
regentyd; maar later, zoodra de droogte aanvangt, zal het beginnen r\jp 
te worden, en na de twintig maanden gekapt, zal het eenen buitenge- 
woon goeden oogst opleveren. Maar als men nagaat wat het zou hebben 
opgeleverd als men het gekapt had met het jaar, en men vergelijkt dat 
met de opbrengst na afloop van de twintig maanden , zal men bevinden , 
dat men beter zou hebben gedaan het met het jaar te kappen, daar 
het dan in den loop van het volgende jaar eene nieuwe snede zou heb- 
ben opgeleverd : het produkt van die twee oogsten te zamen is beter dan 
dat, hetwelk van de eene alleen wordt verkregen, hoewel de opbrengst 
in bet laatste geval grooter is. Onder dit voorjaars-riet van twintig 
maanden worden vele doode , doorgevretene en ontwortelde stokken aan- 
getroffen; bovendien eene groote menigte stengels, die niet deugen voor 
de bewerking. Wanneer men daarbij goed nagaat hoeveel doode riet- 
stoelen toevallig of onopzettelijk op den riet-akker worden achtergelaten , 
dan schrikt men yan de overgroote hoeveelheid dood riet: men komt 
tot de bevinding, dat er evenveel, zoo niet meer, rietstokken op den 
akker blijven staan, als er ingezameld en naar de fabriek gebragt 
worden. Juist aan de omstandigheid of het riet in zijnen groei is be- 
lemmerd geworden, dan wel of het zich geleidelyk heeft kunnen ont- 
wikkelen naar behooren, moet het groot verschil van zienswyzen worden 
toegeschreven, dat er bestaat aangaande de waarde van de vooijaars- 
plantingen en het geschiktste tijdstip om die te kappen. 

Het is niet onmogel^k dat er onder onze lezers zijn , die ons voren- 
staand betoog eenigzins wijdloopig vinden; maar het onderwerp is van 
veel gewigt, en wij achten het nuttig het te beschouwen uit alle mo- 
gel^ke gezigtspunten, en alvorens te besluiten, zullen w^ nog zeg- 
gen , dat de najaars-plantingen, bewerkstelligd omstreeks het beginvan 
September, een overvloediger oogst opleveren, vooral wanneer alle 
omstandigheden , die van de natuur en van de kunstmatige behandeling 
afhangen, zamenwerken om den plantengroei te bevorderen. De be- 
sproeiing is een onmisbaar vereischte om deze plantingen volkomen 
te doen uitvallen, en vooral om steeds van het resultaat zeker te kun* 
nen z^n ; alleen op die wyze verkrijgt men een geregeld , ter geschikter 
ure njp wordend en voordeelig plantsoen. 



Digitized by 



Google 



33 



Het planten met den pootstok. — De bijzondere wijze van plan- 
ten, welke wij nu in beschouwing gaan nemen, bestaat eenvoudig 
hieiin , dat met den pootstok een gat in den grond gemaakt en daarin 
een gedeelte van den rietstengel gepoot of geplant wordt. Vandaar de 
benaming „planten met den pootstok". 

Om op deze manier riet te planten, bedient men zich van een 
ijzeren of hard-houten priem , of van een houten handvat met eene punt 
van metaal. De ijzeren pootstokken , die het meest gebruikt worden , zijn 
staven ter zwaarte van omstreeks veertien pond, en lang eennederl. el 
veertig a vijftig duim (1.40 a 1.50); ze hebben negen duim in omtrek , 
behalve aan de dertig duim lengte van onderen , waar ze eenen omtrek 
hebben van elf duim. Dit dikkere onderste gedeelte loopt uit in eene 
scherpe punt, ten einde het werktuig gemakkelijker in den grond te kun- 
nen doen doordringen ; aan het andere uiteinde is de pootstok plat, als het 
vlak van een hamer, en bestemd om de steenen aan stukken te breken. 
De ijzeren pootstokken verdienen de voorkeur, daar die van hout, als 
men ze in steenachtige of met wortels doorgroeide gronden bezigt, zeer 
ligt breken. De pootstok van hard hout (10) is gemeenlyk een nederl. 
el en zestig duim lang, heeft aan het dunste einde eenen omtrek van 
twaaK duim, en wordt van lieverlede dikker, totdat de omtrek zeven- 
tien duim bedraagt, welke dikte de stok heeft op 1 nederl. el en 35 
duim van deszelfs lengte; van dat punt af wordt hij gestadig dunner, 
totdat hij, van de dertig duim zyner lengte af, uitloopt in eene punt. 
De pootstokken , die bestaan uit eene ijzeren punt aan een houten hand- 
vat , hebben de zelfde lengte en dikte als de houten pootstokken. Het 
yzeren uiteinde, waarmede de houten pootstok beslagen is, heeft eene 
stevige scherpe punt van 15 duim lengte, en boven die punt bevindt 
zich het holle gedeelte, dat bestemd is om er het handvat in te plaat- 
sen, welke holte dus eene afmeting dient te hebben geëvenredigd aan 
de afmetingen van den stok, die er in bevestigd worden moet, in 
dier voege, dat de aldus uit twee stukken bestaande podfstok de zelfde 
afinetingen hebbe als een pootstok van ijzer of van hard hout. 

Na bovenstaande omschrijving van het werktuig , zullen wy nu doen 
kennen op welke wijze het gebruikt wordt, en aantoonen welk gedeelte 
van den arbeid daarmede verrigt wordt. Stellen wij, dat er een akker 

3 



Digitized by 



Google 



34 



moet beplant worden, eene oppervlakte beslaande van 25 vierk. roeden 
lengte by 76 vierk. roeden breedte. Men neemt twee touwen of lynen, die 
elk juist zoo lang zyn als de akker breed is , en spant die in eene regte Ign 
Op den behoorlijken afstand van elkander. Met asch of met kalk wordt de 
rigting gemerkt, welke het gespannen touw heeft, en het zelfde her- 
haalt men totdat al de evenwijdig loopende rijen zijn afgebakend, in 
welke men het planten moet bewerkstelligen. In plaats van die rijen aan 
te duiden met asch of iets anders, kan men ook eenvoudig het touw 
gespannen laten staan, en op die wijze wordt de arbeid bespaard, die 
anders noodig is om de afgebakende ryën aan te wijzen. Het gespan- 
nen touw te laten staan maakt bovendien den arbeid regelmatiger, door 
de aanwijzingen, welke het in staat is te verschaffen als er op evenredi- 
gen afetand van elkander de punten op gemerkt staan , waar de rietgaten 
moeten worden gestoken. 

Is de rigting bepaald , die men by het planten zal moeten volgen , dan 
begint men de gaten te steken, hetgeen men in dier voege doet, dat 
de pootstok zoo schuins mogelijk in den grond wordt gedreven , der- 
wyze, dat het gat eenen hoek van hoogstens dertig graden vormt met 
de oppervlakte van den grond. De diepte en de breedte, aan het gat 
te geven, moeten geëvenredigd zijn aan de lengte en dikte van het riet 
dat men er in planten zal. Is het riet dik, en heeft het lange geledin- 
gen , dan moet het gat breed genoeg zy n om het te kunnen ontvangen , 
en diep genoeg om er een stuk van ten minste drie geledingen in te 
kunnen plaatsen. Om die reden kiest men voor het planten met den poot- 
stok rietstengels met fraaije knoppen en geen al te groote geledingen. Wan- 
neer men overigens bij het inbrengen van het riet in den geopenden grond 
knoppen mogt aantreffen, die niet in goeden staat zijn, dan is het van aan- 
belang dat gedeelte van het riet af te smjden, hetgeen men ook behoort 
te doen met ieder stuk der geledingen , aan hetwelk geen knop aan het 
uiteinde zit. Het gat wordt gemaakt, door den pootstok met kracbt in 
den grond te*drijven en dat werktuig vervolgens heen en weer te wrik- 
ken in alle rigtingen, om het gat op de noodige wijdte te brengen. 
Alvorens het weiktuig uit den grond te halen, en door eene laatste 
beweging, die de arbeiders met zeer veel behendigheid weten te maken, 
laten zy de zwaarte van hun gansche ligchaam op het achtereinde van 



Digitized by 



Google 



35 



den pootstok dnikken, derw^ze, dat zij den grond byna opligten, zoo* 
dat die los wordt en op verscheidene plaatsen barsten en sclienrcn ver- 
toont (11). 

De rietgaten kunnen geplaatst worden op verschillende wyzen , voor 
zooveel betreft de rigting van het touw. 1*. Ze worden gestoken aan 
weerszijden van het touw, in dezer voege, dat die, welke zich tegen- 
over elkander bevinden, eenen afstand tusschen beiden hebben liggen 
van ongeveer dertig duim; bij gevolg, in hunne natuurlijke rigting elk 
vyftien duim van het touw verwijderd zijnde, is het nuttig ze in hunne 
eigene rij te plaatsen op eenen afstand van elkander, ongeveer gelijjk- 
staande aan de diepte, waarop ze in den grond zijn gebragt en die, 
zooals we gezien hebben, verschillend kan zijn ; in het algemeen echter 
kan men aannemen eenen afstand van dertig duim. Wat betreft de on- 
dergronds-rigting van die gaten, kunnen ze wel allen gestoken z^n op 
eenerlei wijze, met andere woorden, de beide rijen, die tegenover elk- 
ander liggen kunnen óf parallel loopen, of ze kunnen onder den grond 
eene juist tegenovergestelde rigting hebben, zóó, dat, als men den 
grond wegnam die tusschen de twee ryën inligt, en ze kwamen dan 
nader tot elkander, ze elkaar zouden kruisen. Deze laatste inrigting heeft 
dit tegen zich, dat de arbeider, nadat h^* de eerste r^ gaten heeft klaar- 
gemaakt, genoodzaakt zal zijn zich om te keeren om de tweede rij te 
steken, hetgeen hem natuurlijk t^'d doet verliezen; maar dit nadeel kan 
gemakkelyk worden vermeden, wanneer men bij ieder touw twee arbei- 
ders aan het werk zet, zoodat de rij gaten aan de eene z^de gestoken 
wordt door den eenen, en de rij aan de andere zijde door den anderen. 
Bij deze inrigting zullen de knoppen in hunne ontwikkeling meer ruimte 
hebben om tot hunnen behoorlijken wasdom te geraken. 2^ Men steekt 
gaten op vijftien duim afstands van het touw, met eene tusschenruimte 
van dertig duim; vervolgens aan de andere zyde van het touw, even- 
eens vijftien duim van hetzelve verwyderd, steekt men eene tweede rij 
gaten, maar in dier voege, dat hier de gaten juist komen te liggen tegen- 
over het middelpunt der tusschenruimten in de eerste rij; zoodat de 
gaten der tweede rij door een zelfden afstand van elkander zijn geschei- 
den als die in de eerste rg, en met deze afwisselen. Met deze afwisse- 
ling in de planting verkrygt men gemeenlyk betere resultaten, dan wan- 



Digitized by 



Google 



36 



neer de stekken vlak tegenover elkander geplaatst zijn. 3». Eindel^k 
kan men ook in de zelfde rigting van het touw eene enkele rij gaten 
steken» met eene tusschenruimte van ongeveer dertig duim. Er bestaan 
nog andere manieren van planten met den pootstok; maar. om die be- 
grigpelgk te maken zou men ze aanschouwelijk moeten voorstellen in 
afbeeldingen. 

Als de gaten gemaakt zijn, wordt er het riet ingestoken, en op 
zijn minst gelijk met de oppervlakte van den grond a%esneden met 
een goed scherp mes, hoewel het nuttig is die afenijding te bewerk- 
stelligen iet of wat lager , opdat er niets van de stek onbedekt boven 
aarde bly ve : de stek wordt oogenblikkelijk met aarde overdekt, hetgeen 
men bewerkstelligen kan met het mes , waarmede men het riet afsni[jdt ; 
vervolgens geeft men twee of drie slagen om den grond, die door den 
pootstok is losgetild, weder vast te drukken. Het is van veel belang 
het riet zoo te snijden, dat er niets van de stek boven de oppervlakte 
van den grond blijve uitsteken , daar de plant in dat geval slechts looze 
stengels zou voortbrengen , of wel de geplante stek in meerdere of min- 
dere mate zou verdorren. Wanneer men de planting met den pootstok 
op onvolkomene wyze bewerkstelligt, door een (hoe klein dan ook) ge- 
deelte van de stek boven den grond te laten uitsteken, is deze manier 
van planten in sommige streken bekend (volgens Boussingault) onder 
den naam van stoppel veld-plantsoen. Wat betreft de ligging, die men 
best zal doen te geven aan het riet, dat men in den grond brengt, moe- 
ten wy doen opmerken, dat het, om de ontwikkeling van de plant ge- 
makkelijk te maken, het best is de stek zoo te plaatsen, dat de knop- 
pen, by het ontkiemen, zulks kunnen doen in de natuurlijke opwaart- 
sche rigting. Velen verkeeren in den waan, dat het beter is de stek 
juist andersom te leggen , daar alsdan , de ontkieming aanvankelijk neder- 
waarts plaats grijpende, de jonge spruit van zelfs meer plaatsruimte 
moet innemen onder den grond , hetgeen noodwendig een grooter aantal 
uitspruitsels ten gevolge moet hebben. In sommige gevallen kan deze 
methode welligt haar nut hebben; doch daar het in bijna alle omstan- 
digheden wenschelijk is , dat het riet zoo snel mogelijk groeije , gelooven 
wij, dat de door ons aangewezene ligging de voorkeur verdient. Opdat 
al de stekken tot zekeren graad in gelijken toestand geplaatst zouden 



Digitized by 



Google 



37 



zijn, is het noodig het riet in den grond te brengen met de knoppen 
op zijde. Wierd er slechts één stengel-lid gezaaid, dan zou het vol- 
doende zijn het in den grond te brengen met den knop naar boven en 
het lid naar beneden, daar het alsdan in zeer korten tijd zou ontkie- 
men. — Bij het planten met den pootstok worden de arbeiders verdeeld 
in drie ploegen: gaten-stekers , stekken-planters en èesproeijers (12). 

Het planten met den pootstok geschiedt gemeenlijk in pas-ontgonnen 
boschgronden , waar men in vele gevallen inderdaad, naar evenre- 
digheid, uitmuntende resultaten erlangt, by eene groote besparing 
van handen-arbeid en plantriet, als men daarbij vergelekt het planten 
met behulp van de spade , welke manier over het algemeen in die ge- 
vallen gevolgd wordt. Wat betreft het planten met den pootstok op 
akkers, die omgeploegd zijn : in weerwil dat velen daarvan gunstige 
resultaten verkrijgen , zijn wij niettemin van oordeel , dat op zulke akkers 
deze manier niet de voorkeur verdient , wanneer men die vergelijkt bij 
de plantingen, bewerkstelligd in eene breede en diepe groeve, welke 
geopend wordt met den tweesnijdenden ploeg ; en zulks om de navol- 
gende redenen : 1©. Het planten met den pootstok is moeijelyker te 
volbrengen dan dat , waarby men zich bedient van den ploeg : tot het 
laatste toch wordt weinig of bijna geen ligchaamskracht vereischt, ter- 
wijl de pootstok niet wel te hanteren is dan door sterke arbeiders. 
2o. Bij het maken van de gaten en het wrikken om ze op de behoorl^ke 
wijdte te brengen, worden hunne wanden ineengeperst, zoodat wij aan 
den grond, in plaats van hem losser te maken, meer stevigheid geven. 
3o. Bij het planten met den pootstok komen de stekken tot op ongelijke 
diepten in den grond, zoodat ook de ontwikkeling onregelmatig moet 
worden. 4q. In het door den pootstok gemaakte gat kan ook niet ge- 
makkelijk de mestspecie in de noodige hoeveelheid worden aangebragt 
ter plaatse waar het plantriet wordt gelegd; zoodoende houden wy dus 
de jonge plant verstoken van eene der grootste weldaden, die het in 
onze magt ligt haar te verschaffen in het hagchelijkste tijdperk van haar 
vroegste leven , waarin zij moet trachten in het bezit te geraken van de 
organen, die zij noodig heeft voor de behoorlyke verrigting van hare 
levens-functiën. 5o. Bij het planten met behulp van den ploeg ondergaat 
de grond eene bewerking , die men als eene vernieuwing of veiyonging 



Digitized by 



Google 



38 



kan beschouwen; vervolgens wordt de geopende breede groeve, nadat 
het plantriet er ingelegd is , weder digtgemaakt met losgewerkte aarde ; 
en buitendien kan niet alleen de diepte en de breedte van de groeve 
gew^'zigd worden naar verkiezing, maar ook de hoeveelheid aarde, die 
op een gegeven oogenblik over het riet komt. 

Men zal ons zeggen, dat er bijj het planten met den pootstok eene 
groote besparing van riet plaats heeft; maar wat belet ons de zelfde 
besparing toe te passen b^* het planten met den ploeg of met de spade? 
In plaats van zoovele stekken in de groeve te leggen als deze bevat- 
ten kan, waarom niet op zijn hoogst slechts twee er ingelegd? Als 
men goed nadenkt over de besparing van riet, welke het planten met 
den pootstok ons verschaft, zal men bevinden, dat die besparing 
enkel voortspruit uit de onmogelijkheid, om meer dan één stek in het 
rietgat te plaatsen; doch ware het doenlyk meer stekken daarin te 
brengen , wij zouden zeer spoedig in die hegraafplaaüen van het auiker- 
riet evenveel stekken zien ter aarde bestellen als nu in de groeven wor- 
den geworpen, die gedolven worden door den ploeg. 

Wanneer het mogelijk is met den ploeg te werken, moet men zich 
niet bedienen van den pootstok: in sommige der gevallen, waarin het 
om het planten te bewerkstelligen noodig is zich te bedienen van de 
spade, kan men de voorkeur geven aan het planten met den pootstok, 
alleenlijk om reden van het meerdere gemak by de uitvoering van het werk, 
o&choon het planten met behulp van de spade verstandiger en dienstiger 
is om andere redenen. — Zoo , by voorbeeld , op gronden , die reeds 
een weinig beteeld zijn, doch in welke men zoo vele steenen aantreft, 
dat men er niet kan werken met den ploeg ; evenzoo zal men zich van 
de spade moeten bedienen bij het inboeten van een rietveld. — Men 
wane echter niet, dat het planten met den pootstok een gemakkelijk 
werk is. De zwaarte van het werktuig , de gebukte houding , waarin de 
arbeider zich moet plaatsen of geplaatst blijven, terwijl hij dat weric- 
tuig met kracht in den grond dry ft, de inspanning, die van zijne krach- 
ten gevorderd wordt om breede en diepe rietgaten te maken , alles doet 
klaar begrijpen , al wordt dit door velen ontkend , dat het een werk 
is, waartoe stevige en bedrevene arbeiders worden gevorderd, en het- 
welk altijd moeijelijk is. 



Digitized by 



Google 



89 



Er z^a vele plantaadjen op het eiland, waar men de rietmakkers altgd 
beplant heeft met behulp van den pootstok : wij kennen er onder an- 
deren eene, zoo niet de beste, dan toch onbetwistbaar een der beste 
suikerplantaadjen , die er zijn, waar men de rietmakkers nog nooit op 
eene andere wijze heeft beplant, en waar men alti|jd eenen oogst inza- 
melt , die inderdaad byzonder goed mag heeten. Maar al levert het 
planten met den pootstok in vele gevallen eenen goeden oogst, daaruit 
volgt nog niet, dat het de beste manier, zelfs niet dat het eene goede 
manier van planten is : dat er in weerwil van de gebrekkige manier van 
planten gunstige resultaten worden verkregen, bew^'st eenvoudiglijk de 
vruchtbaarheid van vele onzer grondstreken en de bijzondere geschikt- 
heid van het klimaat van Cuba voor de suikerriet-cultuur; welke waar- 
heden voldingend worden bevestigd door de ruime oogsten, verkregen 
op sommige plantaadjen, waar men er zijn best toe scheen te doen om 
te werk te gaan op eene wigze , li|jnregt strijjdig met alle beginselen der 
landhuishoudkundige wetenschap. 

Het planten met de spade. — Deze wyze van planten wordt tegen- 
woordig enkel nog maar gevolgd in de nieuwe boschgronden en in zeer 
steenachtige gronden , waar men den ploeg niet kan laten werken. Ook 
bedient men zich van de spade om de rietmakkers in te boeten. 

De gaten, die met de spade gemaakt worden om het plantriet te 
ontvangen , moeten eene lengte hebben van 4 nederl. palmen ; ze moe- 
ten 3 of minstgenomen 2 nederl. palmen diep z^'n, byaldien het terrein 
hoog ligt en de bovenkorst of teelaarde-laag dik genoeg is; en ze moe- 
ten ongeveer derdhalven nederl. palm breed zyn. — Byaldien het ter- 
rein laag ligt en eene dunne korst teel-aarde heeft, worden de gaten 
gemaakt slechts van 6 tot 8 duim diep. — De gaten worden op 8, 
10 of 12 nederl. palmen a&tands van elkander geplaatst in het vier- 
kant, of wel aan r^ën, die acht of twaalf nederl. palmen van elkander 
af l^gen ; in dien zin worden de groeven geopend, van elkander ver- 
wijderd vier a zes nederl. palmen ongeveer. — De gaten gestoken zijnde , 
gaat men tot het planten over, tot welk einde achter de gaéen-siekers 
eene ploeg arbeiders loopt, die in elke groeve twee stekken riet leggen, 
welke zij zoo plaatsen, dat ze niet tegen elkander aanliggen; onmiddellijk 



Digitized by 



Google 



40 



achter hen komt eene ploeg aard-dekkers , die , gewapend met spaden of 
schoppen, het in de groeven geplaatste riet met aarde overdekken. Zyn 
de gaten niet zeer diep, dan wordt al de aarde, die er uitgekomen is, 
weder er overheen gedaan; maar bezitten ze eene zekere diepte, dan 
is het beter er niet al de aarde over heen te werken : aanvankelyk is 
dan de helft van die aarde voldoende, terwyl dan later, zoodra het 
riet begint te groeijen, de andere helft er overheen gedaan kan worden. 
Wat het plantriet betreft, sommigen plaatsen het en sneden het aan 
stukken bij voorbaat op de grenswegen of afscheidingspaden, zulks even- 
wel slechts een oogenblik voordat het in den grond zal worden ge- 
bragt ; anderen vinden beter eene ploeg arbeiders in het werk te stellen 
om het riet te snijden onmiddellijk eer het in de groeve wordt gelegd 
en het dan te gel^'k daarin te plaatsen. 

Het planten met de spade geschiedt gemeenlijk zonder regelmatig- 
heid hoegenaamd; maar wanneer men de gaten mogt willen steken met 
inachtneming van de behoorlyke tusschenruimten en van eene geschikte 
indeeling in rijen, zal men gebruik dienen te maken van twee touwen, 
waarop de punten staan aangewezen, waar de gaten behooren te wor- 
den gestoken; die twee touwen worden gespannen op zoodanigen af- 
stand van elkander als men dienstig acht, en om dien afetand te be- 
palen bedient men zich van een ^ ander touw, dat men in de dwarste 
spant, en in hetwelk knoopen gelegd zyn, die de juiste maat aanwij- 
zen op welke de ryën van elkander af moeten liggen. 

In plaats van het stelsel aan te nemen om te planten in het vier- 
kant, kan men ook, met inachtneming van de opgemelde a&netingen, 
de akkers indeelen in den vorm van eenen kegel, van eenen vijf hoek 
of van eenen driehoek, waarmede men, zooals de ondervinding geleerd 
heeft, op plantaadjen met boomen beter partij kan trekken van het ter- 
rein, terwijl men zoodoende tevens eene betere speling van de lucht 
verkrygt in alle rigtingen. — Wanneer men plant met de spade of met 
den ploeg, en groote tusschenruimten openlaat tusschen de rietstokken, 
of wanneer men aan den riet-akker den vorm geeft van een vierhoek 
of van eenen vijf hoek, dan noemt men het een maniok-plantsoen. 

Na al de redenen, die wij reeds hebben ontwikkeld, en met betoog 
op die , welke wij voornemens zijn achtereenvolgend uiteen te zetten , zul- 



Digitized by 



Google 



41 



len wij hier ter plaatse niets zeggen van de voordeelen of nadeelen, 
welke aan het planten met de spade verbonden zijn, daar w^ slechts 
denkbeelden zouden herhalen, die w^* reeds hebben doen kennen, of 
redenen ontwikkelen, die het beter is eerst uiteen te zetten op hare 
plaats. — Alleenlyk zy het ons vergund even stil te staan by één ge- 
voelen, dat een groot aantal aanhangers telt onder zekere klasse van 
onze planters. — Zy zijn, namelyk, de meening toegedaan, dat men by 
de teelt van suikerriet den grond volstrekt niet door omwerking moet 
verplaatsen, en dat het van aanbelang is zich, om te kunnen planten, 
te bedienen van de spade, en niet van den ploeg, daar zoodoende de 
akkers meer duurzaamheid erlangen , en beter tegen de teelt bestand bly- 
ven. — Wat de voordeelen betreft, die verkregen worden door al de land- 
bouwkundige werkzaamheden, op oordeelkundige wijze verrigt, zullen 
wij hier niets in het midden brengen, daar wy al wat ons dienaangaande 
voor den geest kwam, breedvoerig hebben ontwikkeld in een ander 
werk (*); maar wat aangaat het planten met behulp van de spade, 
moeten wij de vraag opperen: wat is beter, gaten te steken op een 
zekeren afstand van elkander, of ééne groeve te maken, dat wil zeg- 
gen, eene onafgebrokene ry rietgaten? Behalve al de wetenschappelijke 
redenen, die pleiten ten voordeele van het planten, in de daartoe geschikte 
omstandigheden, met behulp van den tweesnijdenden ploeg, moeten wij 
doen opmerken , dat die wijze van planten zeer eenvoudig en gemakkelyk 
te volbrengen is met arbeiders, die niet zeer sterk zyn, terwijl men 
tot het planten met behulp van de spade stevige en vlugge arbeiders 
noodig heeft: het gaten-steken is een moeijelijk werk. 

Het planten in gronden, die niet daartoe gereedgemaakt 
ZIJN. — De verschillende mechanieke, physieke en chemische bewer- 
kingen, die in geleidelyke volgorde en met oordeel en overleg, in de 
vereischte mate en op de geschikte tijdstippen, volbragt worden in de 
gronden om ze gereed te maken voor beplanting, hebben een zeer 
bepaald doel van zoo groot gewigt, dat wy , ofschoon reeds herhaaldelyk 
daarvan gewag gemaakt hebbende, het niettemin noodig en nuttig ach- 



(*) Eaiudios progresivos. 



Digitized by 



Google 



42 



ten nog eens vlugtig op te sommen de doeleinden , die men wenscht te 
bereiken alleen door de gronden te bewerken op eene volkomene w^se , 
daartoe al de vereisehte werktuigen bezigende op zoodanig t^dstip , als 
het best strookt met de verwezentli[jking van onze denkbeelden. 

De landbouwkundige arbeid, in de ruimste beteekenis van het woord, 
dat wil zeggen, daaronder begrepen niet slechts de werkzaamheden met 
den ploeg, maar tevens het gebruik van de eggen, de rollen en de 
geschikte gereedschappen om den ondergrond los te maken, heeft tot 
eindresultaat: 1*. Den grond los, kruimelig, zacht en week te maken ^ 
met het doel om hem toegankelijker te doen zijn voor de invloeden 
van den dampkring, en de gemakkelijke en geleidelijke ontwikkeling 
der wortels te bevorderen. Om steeds de voordeeligste uitwerkselen te 
verkregen , moeten de werkzaamheden, die men verrigt om dat doel te 
bereiken, verschillen naar gelang van de geaardheid der geteeld wor- 
dende plant en naar gelang van de physieke eigenschappen en chemische 
bestanddeelen van den grond en den ondergrond, op zich zelven be- 
schouwd zoowel, alsook in verband met voorafgegane bewerkingen, het 
klimaat, enz. 2o. Ten slotte al de bestanddeelen, waaruit de grond 
bestaat, ondereen te mengen , zoodat, de grond in zijn geheel een eenerlei 
zamengesteld geheel opleverende met gelijkelijk verdeelde physieke eigen- 
schappen, de planten zich op eene geleidel^ke wyze zullen kunnen ont- 
wikkelen , zonder dat de wortels gevaar loopen tot in een gedeelte gronds 
door te dringen van eene verschillende gehalte, waar ze sappen inzuigen , 
die nadeelig zyn voor den groei der plant , of die op eenigerlei wyze den 
geregelden loop der functiën van hare organen belemmeren, vlekken op 
de bladeren doen ontstaan, ineengroeijingen veroorzaken, enz.; ook de 
opslurping kan bedorven worden ten gevolge van nieuwe en andere 
physieke eigenschappen , welke de wortels aanwezig vinden in de gedeelten 
gronds, die ze doorloopen om zich te voeden. Dit resultaat te verkrijgen 
zal te meer gewenscht z^'n , naarmate men dieper gewerkt heeft om de 
benedenste lagen van de korst teel-aarde of de bovenste lagen van den 
ondergrond naar boven te krijgen , en wyders in de gevallen , wanneer 
men meststoffen gelijkelyk wenscht te verdeelen over het gansche ter- 
rein. 3*. Een gedeelte van den benedengrond naar boven te brengen, 
met het doel , om het te doordringen met de invloeden van den damp- 



Digitized by 



Google 



48 



kring en het deugdzamer te maken door middel van mestspeciën, zoo- 
doende de dikte en de eenerlei*geaardheid van de laag teel-aarde te ver- 
meerderen en nut te trekken van eene menigte bestanddeelen , die in de 
aardlagen van den ondergrond aanwezig zijn. Den grond bloot te stellen 
aan de invloeden van den dampkring is beschouwd als van zooveel ge- 
wigt, en de ondervinding heeft daarvan zoo zeer het nut bewezen, dat 
vele landbouwers, die heilzame werking overdryvende, de bewering heb- 
ben geuit, dat mestspeciën enz. geheel overtollig z^n, daar, volgens hun 
gevoelen, de planten, om te kunnen groeijen , niets anders noodig hebben 
dan eenen grond, die door middel van veelvuldige bewerking goed door- 
drongen is van de invloeden van de lucht. Dit stelsel werd in praktik 
gebragt (aanvankel^k met de schoonste uitkomsten, en later met een 
bedroevenden afloop) door den beroemden engelschen landhuishoudkun- 
dige Tuil. 4». De ondergronds-lozing van het water te bevorderen en 
de vochtigheid op te slurpen, daarin te brengen en terug te houden; 
door dit middel worden de vochtige gronden van water bevryd,en die, 
welke uitermate droog zijn, bevochtigd: resultaten, die op het eerste 
gezigt tegenstrydig schijnen , doch die verkregen worden door het terrein 
te doorsneden met greppels, daar zoodoende de doordringbaarheid van 
den grond vermeerderd en zijne eigenschap , om veel waterdeelen in 
zich te behouden, verminderd wordt. Uit deze twee werkingen, in veiv 
band met elkander, ontstaat regelmaat in de hoeveelheid water, welke 
in den grond aanwezig blyft, en waarover dus de planten kunnen be- 
schikken. Indien andere gunstige omstandigheden slechts eenigzins met 
dit tweeledig en gelijktydig werkend middel zamengaan, zal men als 
eindresultaat erlangen die heilzame gesteldheid van den grond, waarin 
de planten ten allen tijde de vochtigheid genieten, welke zy noodig 
hebben voor de volkomene verrigting van de functiën, die hare orga- 
nen moeten volbrengen. 5o. Het onkruid te verwijderen , het uit te roeyen 
met wortel en al, door het uit den grond, te halen met behulp van de 
eggen, die ter geschikter gelegenheid daartoe in werking worden ge- 
bragt. Wanneer men uitsluitend te doen heeft met uitgeputte riet- 
akkers, die bearbeid worden met het doel om er op nieuw riet 
in te planten, moeten de oude rietstokken uit den grond worden 
verwijderd, en aan hoopen geplaatst, en zal het nuttig zijn die te 



Digitized by 



Google 



44 



verbranden, als wanneer hunne asch kan worden aangewend als mest* 
specie. Indien deze voorzorg niet wierd genomen, zouden de oude 
rietstokken de ontwikkeling van de nieuwe belemmeren, en buitendien 
zouden wij nutteloos te loor laten gaan de vruchtbaarmakende be- 
standdeelen, in die oude stokken aanwezig, zonder nog te rekenen 
dat ze ook dienstig kunnen zijn om de klei te verbranden (13). 

Het gewigt erkend hebbende van de doeleinden, die wy ons voor- 
stellen te bereiken door de werkzaamheden, welke wij in al hare by« 
zonderheden breedvoerig hebben beschreven, is het duidelijk, dat 
w^', als wij ons zelven ten aanzien van de ontwikkelde denkbeelden 
geliijk willen blijven, niet kunnen aanraden de werkzaamheden achter- 
wege te laten, die geschikt zijn om zulke voordeden te weeg te brengen. 

Evenmin kunnen wij nalaten nogmaals aan te dringen op de nood- 
zakelijkheid , om het terrein te voorzien van een goed waterlozings- 
systeem door middel van drainage en doorsnijding van den onder- 
grond; en nog minder kunnen wij verzuimen het gebruik aan te raden 
van mestspeciën, zoo vaste als vloeibare, de besproeiing, enz.; inéén 
woord, al de vereischten, die door de landhuishoudkunde worden voor- 
geschreven, en zonder welke men nimmer op eenen goeden en wissen 
oogst kan rekenen. 

In het leven van den landbouwer doen zich echter omstandigheden 
voor, waarin hij zich in de noodzakelykheid bevindt om, in weerwil 
van de juistheid zyner begrippen en in strijd met al de beginselen d^ 
wetenschap, eene wijze van bewerking te volgen, die in alle opzigten 
slecht is. Bij voorbeeld : de planter, die door allerlei tegenspoed de op- 
brengst van zijne plantaadje heeft zien verminderen, terwyl de knel- 
lende drang van zijne behoeften in gelyke mate is toegenomen; 
wanneer door brand, droogte, overstrooming, of welke ramp ook, 
zyne riet-akkers eensklaps zyn verwoest, welk ander middel schiet 
hem dan over, dan te zorgen, dat hij zynen oogst vermeerdere, 
al moet hij daartoe eenen weg inslaan, die van alle regelen én van 
de zuinigheid, én van de wetenschap afwijkt? In zulke wanhopige 
gevallen, waarin het noodzakelijk is spoedig te oogsten, het koste 
wat het wil, wanneer men door heé betere te verlangen het goede zou 
misloopen — in die gevallen, zeggen wij, is het noodzakelijk, dat men 



Digitized by 



Google 



45 



besluite tot planting in eenen nieirgereedgemaakien grond y in dier voege, 
dat de nadeelen, daaraan verbonden, grootendeels worden verminderd, 
door zooveel doenlyk te voorzien in hetgeen aan zoodanigen grond 
ontbreekt. 

Om in eenen niet-gereedgemaakten grond te planten begint men met 
het terrein te wieden; al het wiedsel wordt van den akker afgebragt en 
verbrand, en vervolgens wordt de asch over den akker uitgestrooid; is het 
wiedsel eerst goed gedroogd , dan kan men het ook op den akker zelven 
verbranden. — Dadelijk worden nu de groeven op acht nederl. palmen 
afetands van elkander afgebakend met behulp van het touw, en die 
afbakening te gelyk gemerkt door middel van den inheemschen ploeg; 
daarna worden de diepe, breede groeven getrokken, waartoe men zich 
bedient van eenen grooten tweesny denden ploeg; maar eerst moet men 
de groeve breken door middel van den ploeg met ééne schaar. — Is 
daartoe gelegenheid, en heeft de ondergrond zulks noodig, dan is het 
nuttig den ondergrondsploeg, zoo niet door al de geopende groeven, 
dan ten minste door die groeven te laten loopen, die bestemd zijn om 
er in te planten. — ^Bij het planten in eenen niet-gereedgemaakten 
grond is het vooral noodig zorg te dragen, dat men breede en diepe 
groeven make, en dat vervolgens niet verzuimd worde den grond aan 
de kanten los te maken voor de aanaarding. 

Om te planten kieze men, zoo mogelijk, het beste riet; en heeft 
men het in de groeve gelegd, dan bedekke men het eerst met mestspecie, 
eer men er de aarde overheen doet. Hoe minder goed het plantriet, en 
hoe minder vruchtbaar de grond, des te noodzakelijker is de aanwen- 
ding van meststof. Dit wel in acht te nemen is te meer een vereischte, 
daar bij planting in eenen niet-gereedgemaakten grond het riet langzamer 
opgroeit, dan wanneer het geplaatst is in eenen behoorlyk toebereiden 
grond. — Daarbij is het noodig te planten in een geschikt saizoen. — 
Het riet moet geplant worden in eene doorloopende groeve, en daar het 
minder uitspruit of minder goed groeit, en er meer stokken sterven, 
is het noodig een grooter aantal te planten : wanneer men echter twee 
stekken, goed van elkander af, tegenover elkander plaatst onder in de 
groeve , is zulks meer dan genoeg. Als de grond laag ligt , moet men het 
riet niet aan kleine stukken snyden ; het is beter dat men het heel laat , 



Digitized by 



Google 



46 



ak men maar zorgt, dat men er de kromme gedeelten afsngde: zoo- 
doende is één rietstek, midden in de groeve gelegd, al wat vereischt 
wordt om een goed plantsoen te zien opgroeyen. — Op deze wijze 
wordt de arbeid bespaard , die anders het doorsnijden vordert, en boven- 
dien verkrijgt men een gelykmatiger plantsoen. — Wanneer men in laag- 
liggende gronden riet plant, en men bedient zich daartoe van kleine 
stukken, als dan de waterlozing niet zeer goed is en er vallen veel- 
vuldige regens, dan zal het grootste gedeelte van het geplante riet in 
den grond tot verrotting overgaan. — Men plaatst het plantriet in de 
groeven om den anderen , op eenen afstand van ruim anderhalve neder- 
landsche el van elkander, telkens eene groeve tusschenbeiden latende 
voor de waterlozing, — Op hoogliggende gronden is zulk eene groeve 
voor de waterlozing niet noodig; zoodat men daar de groeven, om er 
in te planten, onmiddellijk op ruim anderhalve nederl. el afstands van 
elkander kan plaatsen. 

Er moet wel gelet worden op de hoeveelheid aarde, waarmede men 
het plantriet bedekt, daar het hier, meer nog dan in behoorlijk gereed- 
gemaakte gronden, noodzakelyk is te zorgen, dat de knoppen gemakke- 
lyk kunnen uitspruiten (14). De hoeveelheid aarde , waarmede het plant- 
riet bedekt wordt , hangt af niet alleen van de algemeene eigenschappen 
van die aarde zelve, maar evenzeer van de tydelijke gesteldheid van 
den grond. — Wanneer men bij droog weder plant, zonder uitzigt dat 
er spoedig regen zal vallen, is het, vooral in zandige gronden, noodig 
het riet met meer aarde te bedekken, dan wanneer het planten plaats 
heeft juist in het dienstige saizoen. 

Het planten volbragt zijnde, heeft het eerste wieden van den grond 
plaats met den schop of schoffel , terwijl de jonge rietplant nog zeer klein 
is. Nog beter is het, zoo mogelijk, zich van het wiedmes te bedienen en 
het onkruid met wortel en al uit den grond te verwijderen. Als de jonge 
plant eene hoogte bereikt heeft van ongeveer veertig nederl. duim , wordt 
zij aangeaard, dat wil zeggen de aarde, die uit de groeve is gekomen 
toen die geopend werd, wordt aangebragt rondom den stam van de jonge 
plant, en daartoe wordt de gansche tusschenruimte , die tussdien de 
twee groeven ligt, eerst goed omgeploegd met den ploeg van Hall, n». 3; 
mogt deze ploeg dien arbeid niet gemakkelijk kunnen verrigten , dan zal 



Digitized by 



Google 



47 



men beginnen den grond te breken met een inheemschen ploeg , en daarna 
den ploeg met ééne schaar gebruiken. Mogt het later noodig z^n op 
nieaw te wieden, dan zal men zich bedienen van de ploegen met ééne 
schaar, getrokken door slechts één trekdier. In plaats van den ploeg 
van Hall, n*. 3, te gebruiken, is het in sommige gevallen dienstig na 
den inheemschen ploeg gebruik te maken van den kleinen ploeg, be- 
stemd om ligte of te voren gereedgemaakte gronden om te ploegen. 

Misschien zou het in sommige gevallen dienstig zijn tusschen de 
groeven gebruik te maken van de eggen van geëvenredigde grootte, na 
alvorens die tusschenruimten omgeploegd te hebben. — De eggen zou- 
den het onkruid met wortel en al uitroeyen en uit den grond verwy- 
deren. Ook zal men zich kunnen bedienen van de wiedmessen. 

Bij slot van rekening, wanneer het planten in eenen niet gereed- 
gemaakten grond bewerkstelligd wordt, zooals wij hier hebben beschre- 
ven, wordt de grond gebroken nadat er geplant is; zoodat, al is het 
gewis dat de grond niet beschikken kan over den tyd, dien hij noodig 
heeft om deugdzaam te worden door de invloeden van den dampkring, 
en evenmin gelegenheid heeft al zyne bestanddeelen behoorlijk ondereen 
te mengen, enz., het daarentegen zonneklaar is , dat men , bij vergelyking 
van deze plantingen met de oude , die bewerkstelligd zijn met de spade , 
een verschil tusschen die beiden zal bevinden, daar de laatstbedoelden 
volbragt zijn in ongunstiger omstandigheden. Wanneer het planten in 
eenen niet-gereedgemaakten grond plaats heeft onder gunstige omstan- 
digheden, als het jaar goed is en de bodem vruchtbaar, en als er 
voor het plantsoen behoorlyk zorg wordt gedragen, verkrijgt men zulk 
een ruimen oogst, dat velen op het eerste gezigt zouden wanen, dat 
die manier van planten de voorkeur verdient boven het planten in 
eenen behoorlijk gereedgemaakten grond, daar ze er, naar heé schijnt, 
even gunstige resultaten van erlangen, bij eene aanzienlijke besparing 
van arbeid. 

Wanneer men de plantingen in eenen niet-gereedgemaakten grond 
opmerkzaam nagaat, en ze vergelykt met die, welke volbragt wor- 
den met inachtneming van al de voorschriften der wetenschap, zal 
men bevinden, dat eerstgenoemden zich langzamer ontwikkelen, meer 
lyden van droogten en van overvloedige regens, in meerderen graad 



Digitized by 



Google 



48 



bft htkhcB cm naded ondariiidfli fsa onknad, vqdos dat de unrfoed 
VBB het dcdble net, lietirdk ter pbntng k gdieagd, ia de boog^ 
stie zigibaar woidt, dat orer het algemeen de rietetodeo tengerder oi 
Udner zqu wanneer xe tot i^heid komen, dat de liet-akker spoediger 
mtgtpai en dos minder dmnzaam is, dat de stc^^en weinig spruiten 
tdiaéUn, enz» 

Bg iKt planten in niet-gerecdgemaakte gronden, meer nog dan bij 
dat in bodems, die Tooraf naar eisch zijn gereedgemaakt, is het noodig 
Toofal zoig te dmgen, dat de rietstoden niet bdenmierd worden in 
Imnnm groei door de aanwezigfaeid Tan onkroid, en moet ook de water- 
lozing behoorii^ zijn geregeld door middel Tan greppels. 

Op dit een en ander wel te letten is Tan het hoogste gewigt, niet 
sleehts als men de zaak op zidi zeWe beschouwt, wuit by het planten 
t» mid-^ereed^emaMe gnmdem is het een noodwendig Tereischte al de 
omstandigheden zoo te regelen , dat ze het best dienstig kannen z\jn aan 
de ontwikkeling der netplanten , maar ook in betrekkeligken zin , want 
ab de bodem niet vooraf gereed is gemaakt groeit het onkruid in veel 
grooter hoereelheid en veel weliger, dan wanneer de grond voor de 
rietteelt naar eisch geschikt gemaakt is. Overigens moet het water zich 
gemeenl^ ontlasten over de oppervlakte, naardien het niet kan wor- 
den geloosd door de bovenste aardlagen heen, die vast en stevig zijn 
geworden door de afwisseling van vochtigheid en droogte, het daarover 
loopen van de dieren, het daarover r^den van de wagens, enz. 

Behalve al de opgesomde bijzonderheden betreffende den grond, de 
bijzonderiieden betreffende den dampkring, en de vereischten, die in 
acht te nemen zijn bij de cultuur, moeten wij hier ook nog doen op- 
merken, dat het van aanbelang is te letten op de verscheidenheid van 
geteeld wordend suikerriet. Bij voorbeeld bij gronden, die laag liggen, 
klei-achtig z^n en eene geringe bovenkorst teel-aarde hebben, is het 
uiterst schadelijk zich tot het planten in niet*gereedgemaakten bodem 
te bedienen van doorschijnend riet, terwijl het blanke riet al die na- 
deelcn minder oplevert. — Wij moeten ook nog aanstippen, dat, om in 
eenen niet-gereedgemaakten bodem te planten , er wel opgelet dient te 
worden, dat men het goede saizoen van den grond, de weersgesteldheid 
en den groei van het riet om den oogst in te zamelen in het oog moet 



Digitized by 



Google 



49 



houden, want naarmate de gronden meer l^den van overmatige voch- 
tigheid , en van gebrek daaraan , zoo ze niet uit hunnen aard eene aan* 
zienlyke Hoeveelheid water bevatten» sterven er meer stokken, en is 
de uitgestrektheid grooter, die ingeboet moet worden om den riet-akker 
te herstellen. 

Alvorens te besluiten, en opdat er geen de minste tw^fel blijve be- 
staan ten aanzien van oïize denkbeelden op dat punt, herhalen w^ 
dat wij het planten in eenen niet-gereedgemaakten grond ten zeerste 
afkeuren, en dat zulks niet anders behoort te geschieden dan in de 
uiterste noodzakel^'kheid , en dat het alsdan moet worden bewerkstelligd 
zoo als wy hebben uiteengezet , ten einde de nadeelen , die er aan ver- 
bonden zyn, zooveel doenl^k te verminderen. — De plantingen in 
niet-gereedgemaakte gronden leveren betere resultaten op naarmate de 
grond beter is , of meer naar eisch bewerkt op een niet te ver verwy- 
derd tgdstip , en ook naar gelang de planten onder gunstiger weersge- 
steldheden leven, en er in hare ontwikkeling alle mogelyke zorg voor 
haar wordt gedragen. — Ons klimaat is zoo geschikt voor de suikerriet- 
cultuur, en sommige onzer gronden zijn heden ten dage zoo vrucht- 
baar, dat het planten in niet-gereedgemaakte gronden resultaten, die 
inderdaad verrassend zgn, oplevert, wanneer er voor het te veld staande 
gewas slechts eenigzins zorg wordt gedragen. 

Het plalNten het behulp yjlk den inhe^üschen ploeg (15). -— 
Na den grond voor de eerste maal omgeploegd, in vieren of ook wel 
in drieën ingedeeld te hebben, laat men hem eenigen tyd rusten om 
hem te laten doortrekken met de invloeden van den dampkring, en 
daarna gaat men over tot het planten, waarbg men zich weder van het 
zelfde werktuig bedient. — Daar men er geen schoongemaakte en diepe 
groef mede kan openen, is het, om dat te bewerkstelligen, noodig uit 
die groef al de aardhoopen te verwyderen door ze uit te graven met 
de spade, of door zich te bedienen van een werktuig, dat op Cuba 
gebruikt wordt in verschillende omstandigheden en localiteiten. — Dit 
bestaat hierin, dat achter de ploegschaar stevig wordt vastgemaakt een 
paardenstaart en eenig rijshout, waarmede men den ploeg op nieuw 
door de groeven laat loopen, die zoodoende een weinig worden schoon 

4 



Digitized by 



Google 



50 



gereegd. — In Indië bedient men zich ook van dit oorspronkelijke 
middel om het gebrekkige werk van den onvolmaakten ploeg te verbe- 
teren (Frai Manuel du planteur de la canne ^ sucre, pag. 218). — De 
groeve geopend zignde wordt het plantriet daarin gebragt, en in de 
^ijze waarop deze arbeid volbragt wordt bestaat velerlei verschil : som- 
migen sn^'den het riet aan stukken , en plaatsen tot zelfs vier (1) stukken 
in één gat, zonder die stakken op eenigen afstand van elkander te 
leggen ; anderen gebruiken minder plantriet , en vinden het nuttig eene 
zekere tusschenruimte te laten tusschen de stekken , die naast elkander 
liggen in de groeve ; velen sn^'den het riet niet af , en brengen het in 
de groeve, alleenlijk zorg dragende, dat ze de kromgegroeide stukken 
er van afsnijden; maar dit alles doet men zonder er veel aandacht aan 
te wijden. — Het riet in de groeve gebragt zynde , die bestemd is om 
het te ontvangen, wordt de uitgedolvene aarde er dadelijk overheen 
gewerkt met het hakmes of met de spade, of wel men laat het riet 
bloot liggen, om er den nachtdauw op te laten vallen, en overdekt 
het pas den volgenden dag met aarde. — Volgens deze methode zyn 
de rietgroeven alles behalve regt, en loopen ook volstrekt niet parallel 
met elkander : ze worden getrokken van tien tot vier nederl. palmen (!) 
afstands van elkander. — Zoodra de algemeeiie planting bewerkstelligd 
is, wordt er, om den arbeid te besluiten, eene groeve aan het uiteinde 
van den riet-akker getrokken, perpendiculair met de anderen, en ook 
hierin wordt riet geplant. — Deze groeve, de hoofd-^ij genoemd, dient 
om aan het plantsoen een meer gevuld voorkomen te geven, en is later 
ook dieüstig voor de opzigters om de gebreken in het wieden te ver- 
bergen, enz. De hier ontwikkelde reden zal doen begrijpen, waarom 
men er zooveel zorg aan besteedt die hoofdgroeve te trekken met veel 
moeite , zelfs bij de plantingen , die bewerkstelligd worden met de spade 
en met den pootstok. 

Vebbbtbrde wijze van planten. — Gereedmaking van de gronden, — 
De studie der voordeden, welke verkregen worden door al de verschil- 
lende werkzaamheden in toepassing te brengen , die den landbouw raken 
in het algemeen, heeft b^ ons het onderwerp uitgemaakt van een 
naauwgezet en met liefde voor de zaak door ons ingesteld onderzoek ; 



Digitized by 



Google 



51 



al de uitvloeiselen der voorloopige werkzaamheden om tot het planten 
te kannen overgaan , al de arbeid , die verrigt wordt om de planten in 
staat te stellen haren hoogsten graad van ontwikkeling te bereiken, 
zijn reeds ponten of onderwerpen geweest van andere nasporingen (16). 
Onze vroegere geschriften ontslaan ons van de moeite, hier al die b^- 
zonderheden in het breede te behandelen, daar wij niet slechts de aan- 
dacht er op gevestigd hebben op eene algemeene wijze, maar wij hebben 
ze tevens doen kennen ook meer bepaald wat betreft verschillende cul- 
turen, de gesteldheden van den grond, de algemeene en bekomende 
toestanden van den dampkring, enz. W^* hebben dus niets toe te voegen 
aan het meerendeel der talr^ke redenen , die wij hebben opgegeven om 
de regelen te doen uitkomen van eenen goeden landbouw; doch w^ 
achten het niet ondienstig, alvorens de voorloopige werkzaamheden op 
te sommen, die noodig z^'n om de gronden geschikt te maken voor de 
beplanting met suikerriet, nog kortelijk stil te staan bij een punt be- 
trekkelijk den ontwikkelingsloop der rietplant, waaruit wij aanleiding 
zullen nemen om er op te wijzen hoe noodig het is den grond goed 
te bewerken, alvorens er de rietstek aan toe te vertrouwen, die be- 
stemd is om ons den oogst op te leveren. En opdat men ons niet be- 
schuldige dat wij ons bezig houden met iets buitengewoons, moeten 
wij er bijvoegen, dat het punt, hetwelk w^* thans in beschouwing gaan 
nemen, betrekking heeft op alle planten zonder onderscheid; en dat 
wij er zooveel waarde aan hechten wat aangaat^ de cultuur van suiker- 
riet, is louter omdat wij van oordeel zijn, dat het hierbij misschien meer 
.dan bijj eenig ander plantgewas noodig is dit vereischte vooral niet te 
vergeten. 

In alle levende wezens staan al de organen en functiën met elkander 
in het naauwste onderling verband; er kan nooit gezegd worden, dat 
eenigerlei in die levensfunctiën plaats gr^pend feit geheel op zich zelven 
staat en afgescheiden is, noch van hetgeen vroeger plaats gegrepen heeft, 
noch van hetgeen later plaats grijpen zal. In het organismus van het 
suikerriet zal men, op welk tijdstip men het ook beschouwe, bevinden, 
dat er niet alleen eene naauwe en volkomene overeenstemming, een 
innig verband bestaat tusschen al de organen en functiën, maar ook 
dat het duidelijk bl^kt hoe al de op dat moment aanwezige verschijn-* 



Digitized by 



Google 



52 



selen zich laten afleiden van vroegere, die, hoezeer niet meer aanwezig, 
toch nog steeds voortgaan hunnen invloed uit te oefenen. £r bestaat 
zulk eei^ naanw verband tusschen al de organen van het suikeniet, 
dat , wanneer men die elk afzonderlek neemt en beschouwt met betrek- 
king tot al de overigen , men bevindt , dat het dus a&onderl^k be- 
schouwde orgaan in meerderen of minderen graad kan worden aange- 
merkt als het middelpunt van al de levensfunctiën, terwijl overigens 
tevens bl^kt, dat al die levensverrigtingen niets anders zijn dan een 
zamenwerkend geheel van actiën en reactiën. Elk gevormd stengel-lid 
bereidt de wording voor van de geledingen, die volgen, en die op hare 
beurt bestemd zyn om weder de wording voor te bereiden van vol- 
gende geledingen; en men houde wel in het oog, als er in deze onaf- 
gebrokene schakel één lid gevormd wordt onder min gunstige omstan- 
digheden, dat dan, zelfs al werken de omstandigheden volkomen gunstig 
voor de ontwikkeling der volgende geledingen , toch steeds het gebrekkige 
orgaan zijnen invloed zal doen gevoelen aan die, welke zich later ont- 
wikkelen. 

Uit vorenstaande stelling volgt redekunstig, dat een der eerste voor- 
waarden voor eene goede cultuur bestaat in het streven om zulk eenen 
zamenloop van omstandigheden in het aanzijn te roepen, dat de voeding 
der plant kunne plaats hebben op eene gestadige en regelmatige wijjze, 
zonder dat daarin plotselinge stoornissen plaats grijpen, die den gere- 
gelden en geleideliijken i^ang van al de functiën, hetzi^j dan gezamentlijik 
of elk in het byzonder, konden belemmeren. Onderde omstandigheden, 
die het meest bijdragen om zulk een gewenscht resultaat te verkrijgen , 
moet in de allereerste plaats genoemd worden de overeenkomst in de 
chemische zamenstelling van den grond en van zyne physieke eigen- 
schappen , welk een en ander verkregen wordt door al de bestanddeelen 
van den grond en de daarin aangebragte mestspeciën, enz. derwijze 
dooreen te werken, dat ze op gelykmatige wyze vermengd zijn. 

Dus aangetoond hebbende hoe nuttig het is al de bestanddeelen van 
den grond goed dooreen te mengen, zullen wij overgaan tot het op- 
sommen van de werkzaamheden , welke vereischt worden voor eenen pas- 
ontgonnen grond, die behoorlek van den boschgroei is gezuiverd, zoo- 
dat hg voorbereid is geworden voor de bewerking, waardoor h\j g^ 



Digitized by 



Google 



53 



sdiikt moet worden gemaakt om er suikerriet in te kunnen planten* 
Het eerste vereisehte om te zorgen dat de eensn^*dende ploeg, die 
bestemd is om den grond om te ploegen , behoorl^*k werk zal kunnen 
volbrengen, bestaat hierin, dat die ploeg volkomen regelmatig moet 
kunnen loopen, en eveneens regelmatig en gemakkel^*k moet kunnen 
worden getrokken. Vandaar dat het , alvorens den arbeid te beginnen , 
noodig is den grond te breken en te zuiveren van alle onkruid, het- 
welk den loop van den ploeg zou kunnen belemmeren, en de opper- 
vlakte reeds voorloopig eenigermate los te maken, in geval die zoo 
hard en vast mogt zijn, dat het moeijel^'k zou wezen er doorheen te 
komen en nog minder doenlijk hem dadel^'k om te ploegen. Deze 
voorloopige werkzaamheden zullen ons bezig houden wanneer w^ in 
onze beschouwingen omtrent den landbouw zullen handelen over de 
werkzaamheden, geschikt om de velden te troêêen en te breken. Beide 
bewerkingen worden verrigt met bijzonder gereedschap, meer of min 
geschikt tot het doel waartoe ze bestemd zijn, en welker nut wij 
getracht hebben duidelijk aan te toonen en te doen op pr^s stellen. 
By ontstentenis van zoodanig gereedschap kan men het veld van bosch- 
groei zuiveren door de middelen daartoe in het land zelf bekend, en 
vervolgens , als de grond zulks noodig heeft , zal men hem losser maken 
met behulp van den inheemschen ploeg. 

De eerste bewerking , die men in dat geval behoort te verrigten alvo- 
rens den grond om te ploegen , is : over de geheele oppervlakte zoo- 
danige hoeveelheid meststof te verdeden als men dienstig acht met die 
uitgestrektheid gronds te vermengen, zooals het ook noodig is de correo- 
tiven of verbeter-middelen te verspreiden , die , om volkomen te beant- 
woorden aan hetgeen er van hen verwacht wordt , met de meestmogel^ke 
regelmatigheid ten innigste met de bestanddeelen van den grond moeten 
worden vermengd. (Zie Ferdeeling van de meetspecièn : over de beeproeifing 
aU middel om de gronden gereed ie maken,) 

Deze eerste arbeid verrigt zijnde , gaat men over tot het ploegen of 
breken van den grond , waartoe men zich bedient van den eensni^jden- 
den ploeg, op de meest geschikte wijze, naar gelang van de bijzondere 
toestanden van den grond, vooral zorg dragende, dat men b^ het ver- 
rigten van dien arbeid lette op al de algemeene en bijkomende hoeda- 



Digitized by 



Google 



54 



nigfaeden van het terrein. B\j het beploegen van den grond laai men, 
indien zulks noodig mogt zyn, dadel^k daarna ook den ondergronds- 
plo^ werken. Eenmaal de grond omgeploegd, worden de opgeworpene 
aardklniten fijn gemaakt met behulp van de rol van Crosskill, welke 
de aarde zoodanig vérbr^zelt en gelijkmaakt, dat zg al de voordeelen 
aanbiedt, die men verlangen kan bij het in werking brengen Tan de 
eggen öf harken om het onkruid te verw^deren, al de bestanddeelen 
van den grond goed ondereen te mengen, enz. Alvorens de eggen aan 
te wenden, is hét somwijlen noodig den grond nogmaals om te werken 
met een ligten ploeg of een grooten wiedtoestel. 

Na den grond gereedgemaakt te hebben, kan dadelyk worden over- 
gegaan tot het planten van het riet, of wel men kan eerst iets anders 
in den grond telen, of ook men kan hem onbeteeld laten liggen, om 
hem eerst de invloeden van den dampkring te laten ontvangen. In de 
beide laatste gevallen, als dan hét geschikte t^dstip komt om tot het 
planten van riet over te gaan, moet men eerst den grond nogmaals 
omploegen of ten onderste boven werken, zich daartoe bedienende van 
eenen ligten ploeg of bi[jzonderen wiedtoestel. 

Ferdeéling van de werkzaamheden , die ket planten betreffen, — Bij onze 
beschouwingen over den landbouw hebben wij met de noodige uitvoe- 
righeid gehandeld over alles wat de verschillende werkzaamheden aan- 
gaat of daarmede in verband staat; daar hebben wij aangetoond hoe ze 
volbragt worden onder allerhande omstandigheden, en wi|j hebben daarb^ 
tevens doen zien in welken toestand de grond gebragt moet zijn om 
beteeld te kunnen worden. — Alles wat betreft het efifene of doorloo- 
pende veld, de indeeling in akkers en het aanleggen van de bedden of 
rijen , is in die bladzijden in algemeenen zin behandeld ; maar om aan 
ons werk de vereischte volledigheid te geven, moeten wij, nu wij ons 
regtstreeks bezighouden met de rietteelt, in eene. meer uitvoerige be- 
handeling , toelichting en toepassing treden van al die wenken , daar 
door ons te boek . gesteld in breede trekken , en in geen verband 
hoegenaamd met eenigerlei bijzondere cultuur onder bepaalde omstan- 
digheden. 

De algemeene vereischten, die bepalen in welken toestand de grond 
gebragt moet z\jn om beteeld te kunnen worden , z^n , behalve de bij- 



Digitized by 



Google 



55 



zondere organisatie der plant, de noodzakel^kheid , dat de grond j&^jn 
water kunne lozen, dat de dikte van de bovenlaag of teel-aarde worde 
vermeerderd, en dat de plantsoenen behoorlijk bewaterd worden. ^ 

De wetenschap en de arbeid van den mensch moeten steeds er naar 
streven, den grond tot het beplanten met riet in zoodanigen staat te 
brengen, dat de oppervlakte vrij is van alle oneffenheden, die naar 
kuilen of naar hoogten gelijken. — Zoodanige toestand van het terrein 
zal niet alleen het best met de organisatie van het riet strooken, maar 
tevens een aantal werkzaamheden gemakkel^k maken, die anders slechts 
met veel moeite te volbrengen zouden zijn. Ter zijner plaatse hebben 
wijj de nadeelen doen kennen, die gepaard gaan met en voortspruiten 
uit de bovengronds-waterlozing , en tevens de voordeelen aangetoond 
van de waterlozing onder den grond. — Wat de drooglegging van de 
gronden aangaat, moet het dus steeds ons streven z^*n die te bewerk- 
stelligen door het met greppels doorsnijden van den ondergrond, dat 
is door middel van draineer*buizen , en vervolgens door het aanwenden 
van de meest dienstige mestspeciën, enz. — De zaak uit dit oogpunt 
beschouwd, zal de wezentlijke vooruitgang eerst dan plaats grepen, 
wanneer men, even als in Europa, de gronden, die thans uit dien 
hoofde nog niet anders te betelen zijn dan ingedeeld in akkers of bed- 
den, zal kunnen bebouwen zonder indeeling hoegenaamd, dus in hun 
geheel. Gelyk wij hebben doen opmerken vloeijen er, behalve de voor- 
deelen die inzonderheid verlangd worden, uit dien arbeid ook nog 
andere voordeelen voort , die zamenwerkend eene groote groeikracht én 
vruchtbaarheid aan den grond geven. — Omtrent dit punt onze denk- 
beelden volledig ontwikkeld hebbende, gaan wy thans over tot eene 
beschouwing van de zaken , — op den voorgrond gesteld , dat het niet 
mogelijk is den staat van volkomenheid te bereiken, dien wij als het 
verstandigst en voordeeligst aanmerken. 

Wanneer de grond laag ligt, maar toch met eene tamelyk dikke 
bovenlaag teel-aarde overdekt is, is het dienstigst het terrein in te 
deelen in akkers of bedden , en het riet te planten op de wyze zooals 
wij hebben aangeduid , met greppels om de waterlozing te bevorderen , 
aangebragt op gelijkmatige afstanden van elkander. Wat de hoegroot- 
heid van die akkers of bedden aangaat spreekt het van zelfs , dat die 



Digitized by 



Google 



56 



sleclHs bepaald kan worden naar gelang van de b^'zondere toestanden 
van het terrein ; b^* sommigen zullen de greppels geplaatst worden op 
acht roeden afetands van elkander, bjj anderen zullen ze slechts vier 
roeden van elkander verw^derd z^n; in vele gevallen zal het nuttig 
wezen het getal waterlozings-greppels te vermeerderen, en alsdan moet 
men de akkers of bedden naar evenredigheid smaller maken. — Behalve 
die greppels, die tusschen de bedden loopen, zal het in vele gevallen 
noodig z^n ook dwarsgreppels aan te brengen, die dus de wateren 
zullen ontvangen uit de regtloopende greppels, en al het water gaan 
ontlasten in de hoofdgreppel of sloot ; bestaan er overigens natuuriijke 
afwateringen in hellingen of glooiingen van het terrein, dan zal het 
noodig zijn de greppels déUlrop te laten uitloopen ; zoodat , wat de 
waterlozing betreft , b jj de beteling van een veld aan akkers of bedden , 
om de gewenschte resultaten te bereiken, allereerst , eer men de werk- 
zaamheden aanvangt, gelet dient te worden op de gelijkmatige vlakheid 
van het terrein. Elders hebben wij eenige wenken gegeven betreffende 
de waterlozing door middel van blootliggende of bovengronds-greppels. 

Bijaldien de grond, behalve dat hy laag ligt, tevens slechts met 
eene dunne bovenlaag teel-aarde overdekt is, welke op eenen onder- 
grond rust , die ongeschikt is voor de suikerrieiKsnltuur , of byaldien 
het ons niet mogelijk mogt zijn den grond beter te maken, zullen w^, 
om zooveel doenlyk de nadeelen van zoodanige toestanden te vermin- 
deren, moeten beginnen de rietstekken in den grond te brengen zoo 
diep mogel^k, en vervolgens de opening aanvullen met de aarde, die 
tusschen de rietr^'ën opgehoopt ligt, en die ook om den stam van den 
rietstoel wordt aangebragt. 

Het aanvullen der rietgaten met aarde brengt de resultaten te weeg, 
die zich ook in andere gevallen opdoen; maar zijn aan deze handel- 
wijze nadeelen verbonden, nog nadeeliger is het van den beginne af 
het riet te plaatsen in bedden, die meer of min bol liggen. Wanneer 
men bedenkt hoe moeyel^'k het zou zijn die bedden op te hoogen , de 
w^ze waarop het riet geplant moet worden, enz.; en men neemt in 
aanmerking hoe gering de oogst zoude zyn ten gevolge van de moe^e- 
lijkheid om hem in te zamelen, enz., dan zal men bevinden, dat de 
bedden de laatste schalm zijn in de schakel der nadeelen, die voort- 



Digitized by 



Google 



57 



spnuten uit eene oretdrevene aanaarding. Op gronden» waar men zyne 
toevlugt moe€ nemen tot zoodanig stelsel van cnltnor» zou het veel 
verstandiger zyn geheel van de teelt af te zien en er niet eens aan te 
beginnen. Wat betreft de indeeling van het terrein in akkers, moeten 
wij hierb^ voegen, dat het b^ deze niet noodig is de overdrevene aan- 
aarding in toepassing te brengen. Wanneer men eene eigentlyke aan- 
aarding bewerkstelligt in de hoogste mate, ontstaat er noodwendig 
tnsschen de beide rietr^'ën eene glenf of greppel, voor de waterlozing, 
zoodat wij b^na kunnen zeggen, dat men alsdan het terrein afdeeliin 
bedden, die elk uit slechts eene rietrg bestaan. 

Bij verschillende gelegenheden hebben wy het noodige gezegd om 
de waarheid dnidel^'k te maken van de denkbeelden, die wy hier 
hebben ontwikkeld ; in al die bladzyden zal men bewyzen vinden ter 
opheldering en staving van de hier aangevoerde ponten; zoodat, als 
men die allen bijeen vat en in onderling verband beschouwt, men des 
te beter zal bevinden hoe onafscheidelijk ze allen zamenhangen en 
elkander wederkeerig bevestigen. 

Wij achten het te meer noodig deze denkbeelden wel den landbou- 
wers op het hart te drukken, daar deze alleen hun tot rigtsnoer zullen 
kunnen dienen in de praktyk en hen vr^waren tegen betreurenswaar- 
dige dwalingen. Juist doordien ze geen helder en volkomen begrip 
hadden van de algemeene vereischtfti der cultuur, ten naauwste in 
verband staande met de organisatie van het suikerriet, de eigenschap- 
pen van den grond , enz. , juist daardoor hebben Wray en de planters 
van Louisiana een cultuur-stelsel in toepassing gebragt, dat by eene 
goede landhuishoudkunde alleen dan mag worden gevolgd, wanneer 
het uit den aard der omstandigheden, waarin de landbouwer zich be- 
vindt, niet mogelyk is volgens eene betere methode te werk te gaan. 
Wij willen hiermee zeggen, zooals we reeds by herhaling hebben te 
kennen gegeven, dat het cultuur-stelsel, hetwelk berust op de over- 
drevene aanaarding, niet het beste is, en dat het derhalve niet onder 
alle omstandigheden de voorkeur verdient (17). 

Rigiing der groeven* — Op het eerste gezigt zou men kunnen ge- 
looven , dat het , in een land waar de grond zoo kwistig is met z\jne 
gaven , van weinig aanbelang is daarvan den invloed na te gaan , ten 



Digitized by 



Google 



58 



einde zich daarnaar té regelen en zoodoende het best party te trddran 
van de weldadige werking van licht en warmte. — Daar m^ tot 
dusverre het riet geplant heeft zonder te letten op de rigting^ van het 
plantsoen, en daar het overigens, alvorens tot z\jne volkomene ont- 
wikkeling te geraken , het geheele veld beslaat, heeft men nog nooit 
opgelet, en ook niet kannen nagaan, welke voordeden het gevolg 
worden van eene goede plaatsing. 

De hoeveelheid warmte en licht , die de netplanten ontvangen , is 
niet slechts van belang voor hare ontwikkeling in het algemeen, voor 
haren krachtigen groei, enz., maar is ook eene eerste en noodzakelyke 
voorwaarde voor de r^pwording en de physiologische welgesteldheid van 
hare sappen. — Deze bijzonderheden verdienen des te meer de aandacht 
hoe beter het riet is, dat geplant wordt, hoe vruchtbaarder de grond 
is, enz.; want alsdan werken al de gunstige omstandigheden zamen in 
de juiste mate, om het riet tot zijne besteen voordeeligste ontwikkeling 
te brengen. — Deze korte beschouwingen voorop gesteld , zullen w^* de 
gegevens blootleggen , die wy opgezameld hebben bij onze nasporingen 
betreffende dit punt. 

Onze eerste bevindingen hebben wij opgedaan bij een onderzoek, 
ingesteld ten aanzien van rietstokken met donkerpaarsche streepen , in 
welker geledingen wy ettelyke byzonderheden opmerkten ; doch begeerig 
om op meer volledige wyze die verschynselen te leeren kennen , hebben 
wij proeven daaromtrent in het werk gesteld , waarby wij het zoo aan- 
legden ,^ dat wy ons gevrijwaard zagen tegen de uitwerkselen van 
vreemde oorzaken, waardoor de feiten zich meer ingevdkkeld hadden 
kunnen voordoen , zoodat de waarheid er door verduisterd had kunnen 
worden. — Immers bij deze rietstokken met donkerpaarsche streepen, 
die op éénen akker stonden, konde het riet verschillen ten gevolge 
van redenen, onafhankelyk van het licht en andere oorzaken, die, 
hoezeer ook daarmede in verband staande, niet regtstreeks waren te 
weeg gebragt door de plaatsing. 

Bij den aanvang van onze nasporingen trachtten wy allereerst die 
soort (variëteit) van riet te vinden, die het gevoeligst was voor den 
invloed van het licht, en te gelyk die, waarin zich het overvloedigst 
de verschijnselen vertoonden. Van al de rietsoorten, die wy tot dat 



Digitized by 



Google 



59 



einde hebben nagegaan, was die, welker organisatie ons het meest 
geschikt voorkwam ter verwezentlijking van ons oogmerk » het riet met 
groene streepen. — W^ plantten op een bed , dat zich van het oosten 
naar het westen uitstrekte, zes stekken van dat riet, ze plaatsende in 
eene middelste ry , derwijze , dat ze op acht nederl. palmen afstands 
van elkander lagen; in ieder gat waren vier stekken gelegd in het 
vierkant, en de knoppen kwamen behoorlek uit, en ontwikkelden zich 
volkomen; later zagen wij, dat de stoelen, die naar het zuiden ston- 
den , zich zoo sterk ontwikkeld hadden , dat ze gebogen gingen onder 
hunne eigene zwaarte, en dat hunne stengels b^na in elkander groeiden, 
terw^l die, welke naar het noorden stonden, slechts eenige korte gele- 
dingen vertoonden, en hunne stengels volkomen regt waren. Vervol- 
gens kozen wij een ander bed, dat zich uitstrekte van het noorden naar 
het zuiden; wij beplantten dat met riet op de zelfde wijze, en verkre- 
gen aan beide kanten van het bed eene geli[jkmatige en gestadige ont- 
wikkeling; alleenlyk merkten wi[j aan de noordzijde van het bedeenige 
planten op, die in groei achterl^k bleven. Eindelijk, om onze proefne- 
ming te voleinden, plantten wij riet met groene streepen achter een 
huis, welks muren de zonnestralen van het rietbed afhielden, endaar, 
geheel bloot aan de noordzijde en voor het overige beschut, kwamen 
de stoelen slechts tot een zeer gebrekkigen graad van ontwikkeling, üit 
deze proefnemingen blijkt, wanneer de ligging van het terrein ons niet 
noodzaakt anders te handelen, dat wij dan steeds b^ het planten van 
riet in het oog moeten houden , de groeven te openen van het noorden 
naar het zuiden. Deze feiten stemmen geheel overeen met de wenken, 
die wy elders hebben medegedeeld ten aanzien van de rigting der bed- 
den, en waarop vooral in de koude landen by zonder gelet wordt by 
het in den grond brengen van zaad of plantstekken (18). 

Wy gelooven veilig hierby te kunnen voegen , dat men by het planten 
van suikerriet, hetzij dit bewerkstelligd wordt met den pootstok, met 
de spade, in eenen niet-gereedgemaakten grond of met den inheemschen 
ploeg, nimmer uit het oog behoort te verliezen, dat de groeven zich 
moeten uitstrekken van het noorden naar het zuiden. 

Afüand iuaschen de rijen. — De tussohenruimte , die tusschen de ryën 
ligt, de plaatsing van de stekken in de groeve^ en tevens de hoeveel- 



Digitized by 



Google 



60 



heid gebezigd riet , hangt in groote mate af van de soort riet, in welke 
mate het zich ontwikkelt, of het veel of weinig spruiten schiet, of het 
bestand is tegen den wind, of het blad gemakkelijk loslaat, enz. De 
gesteldheden van den grond , de physieke eigenschappen en chemische 
zamenstelling daarvan, gepaard met de omstandigheden, die afhangen 
van» de gesteldheid van het klimaat, z^'n van zeer veel invloed op de 
bepaling van den afstand, op welken het riet moet geplant worden. — 
Ook moet in aanmerking worden genomen het onkruid, waardoor de 
akker ontsierd wordt. — Wat overigens betreft de tusschenruimte tus- 
schen de rietr^ën, moet nimmer uit het oog verloren worden hoeveel 
nut het oplevert , de bewerkingen te kunnen verrigten met landbouwge- 
reedschap , dat getrokken wordt door dieren. W^* onthouden ons van 
verdere uitweidingen op dat punt, daar wij het later uitvoeriger zullen 
behandelen ; wij mogen echter niet in gebreke blijven melding te maken 
van het tijdstip, waarop het suikerriet geplant, en van dat , waarop het 
gekapt moet worden. — (Zie algemeene regelen betreffende het planten , 
hoeveelheid plantriet f enz.) 

De rietr^'ën kunnen geplaatst zijn op eenen afstand van elkander, 
verschillende van tien tot twintig nederi. palmen. — In de meeste ge- 
vallen kan de gemiddelde aÊtand van veertien nederi. palmen worden 
aangenomen als de meest doelmatige. 

De groeven afbakenen, — Om aan ryën of volgens de lyn te planten , 
moet men beginnen de rigting en den afstand af te bakenen, zooals 
de groeven moeten worden geopend, die anders niet allen regt en 
evenw^dig kunnen z^n. Tot dat einde plaatst men op daartoe geschikte 
punten bakens, zijnde dit voldoende om voor hun werk bekwame ar- 
beiders tot rigtsnoer te strekken. Anders spant men ook wel een touw 
en merkt de rigting daarvan met kalk of asch; op alle manieren 
moet men steeds, als aanvang van den arbeid, zigtbaar maken welke 
rigting de groeve zal hebben, waartoe men^vlugtig een inheemscHen 
ploeg daarover laat loopen. Om eenigermate handen-arbeid te bespa- 
ren, heeft Francis K. Sowers een byzonder werktuig voorgesteld; het 
bestaat uit twee kleine ploegscharen, die naar verlangen van den ar- 
beider kunnen geplaatst worden op zoodanigen afstand van elkander 
als dienstig geoordeeld wordt by het planten in acht te nemen. Men 



Digitized by 



Google 



61 



b^int de eerste groeve af te bakenen, hetzij door middel van de op 
te stellen bakens, hetzy door de rigting van een gespannen tonw aan 
te wigzen met asch; vervolgens plaatst men achter deze eerste groeve 
een der beide scharen van den merkploeg^ zullende alsdan de andere 
schaar noodwendig eene tweede groeve afbakenen, die volmaakt pa- 
rallel loopt met de eerste en op zoodanigen afstand van deze als men 
dienstig heeft geoordeeld; dan plaatst men een der beide ploegscharen 
achter deze tweede groeve, en de andere schaar van den ploeg sn\jdt 
eene derde groeve; enz. Met dit werktuig worden op een dag de groe- 
ven afgebakend op ongeveer vyf hectaren gronds; het wordt getrokken 
door tWee paar trek-ossen. De vorenstaande beschryving van den meri- 
ploeg van Sotoers doet ons zien, dat dit werktuig niets anders is dan 
een groeten-maker^ {ragonneur), zooals die gebezigd worden om maïs, 
tarwe, enz. te zaa^'en (19). 

De Engelschen vervaardigen tweesngdende ploegen, voorzien van een 
indicator, zijnde eene ijzeren bout, die dwars over den staart van den 
ploeg loopt, in dier voege, dat men er in de breedte alle afmetingen 
mede maken kan, die men verlangt; aan het uiteinde zit een ander 
stuk igzer perpendiculair met het eerste; de arbeider moet altijd zorgen 
dat dit gedeelte van den indicator over de laatste pasgetrokkene groeve 
loope, ten einde zoodoende eene volmaakte evenwijdigheid of parallel 
te erlangen (20). — Wy gelooven dat deze wyziging met voordeel zou 
kunnen dienen tot het planten van suikerriet 

4ftnetingen der groeven. — Het riet, in genoegzame hoeveelheid in 
de daartoe bestemde plaats gelegd, zal, naar gelang van omstandig- 
heden, met meer of minder spoed, kracht en weligheid groeien of uit- 
spruiten, naar mate van de grootte der in den grond geplaatste stek; 
want van die grootte hangt het getal knoppen of oogen af, uit welke 
ter zijner tijd de jonge uitspruitsels te voorschijn moeten komen. Wij 
zullen hier niet al de bijzonderheden betreffende dit punt opsommen, 
daar die reeds met de noodige uitvoerigheid elders door ons beschreven 
z\jn; maar toch achten wij het niet ondienstig van de aangeduide waar- 
heden hier met de meeste duidel^kheid de gevolgtrekkingen en toepas- 
singen te doen kennen , naar aanleiding van herhaalde proefnemingen 
en verschillende waarnemingen. 



Digitized by 



Google 



62 



De grootte van de in den grond groeijende moeder-stek wordt bepaald 
op tweederlei w^'ze: zijnde het, om het eens zoo te noemen , eene hoofd- 
zaak, te zorgen dat de spruit, die ontstaat uit de ontwikkeling van den 
knop, eene groote ruimte gronds moet doorloopen alvorens uit den grond 
te komen, tot welk einde men die spruit gedurig met aarde overdekt, 
naarmate zij in ontwikkeling toeneemt. Dit oogmerk wordt bereikt hetzij 
door werktuigelijke hindernissen, die den vryën en natuurleken groei 
van de spruit tegenhouden en belemmeren, daar deze zoodoende niet 
in de gelegenheid is langs den kortsten weg de oppervlakte van den 
grond te bereiken , maar genoodzaakt wordt daartoe eenen omweg te maken ; 
hetzij door het riet zeer diep in den grond te plaatsen. De eerste ma- 
nier, zooals wy zullen doen zien, is het middel, waarvan de natuur 
zich menigmaal bedient om de riet-akkers in stand te houden; de tweede 
wijze is niet alt^d een geschikt middel, somwijlen zelfs niet eens eene 
mogelijkheid, want steeds als het plantriet tot op eene aanmerkelijke 
diepte in den grond wierd geplaatst, zou de knop niet alleen meer t^d 
behoeven om zich te ontwikkelen, maar ook in vele gevallen zouden de 
jonge spruiten niet eens boven den grond komen, ten gevolge van groote 
veranderingen, in de voornaamste weefsels en vloeibare deelen van het 
riet. Wat aangaat het aanaarden om den stam, dit kan bewerkstelligd 
worden of door een gedeelte op te hoopen van de bovenste aarde, die 
tusschen de rietrijën ligt, of door de groeve aan te vullen met een ge- 
deelte van de aarde, die er uitgehaald is toen zy werd geopend. Van 
beide gevallen zullen w^* de verkregene resultaten nagaan, de daaruit 
voortvloeijende gevolgen doen kennen, en uitvoerig bespreken alles wat 
met die bijzonderheden in verband staat. 

Wanneer de aarde om den stam van het riet wordt opgehoopt, wan* 
neer het riet wordt aangeaard in den waren en oorspronkelijken zin 
en beteekenis van het woord, is het, alvorens bepaald over te gaan 
tot andere beschouwingen, noodig.te erkennen, bijaldien er niet gewerkt 
wordt in een zeer goed gereedgemaakten grond, in het geschikte aai- 
zoen, en met behoorl^ke werktuigen, die behandeld worden door be- 
kwame arbeiders en getrokken door aan dat werk gewend zijnde dieren, 
dat dan slechts zelden het werk zal worden ten uitvoer gebragt met 
de gewenschte volkomenheid; veelal zal de grond niet worden omge* 



Digitized by 



Google 



68 



ploegd op den behoorleken afstand van de rietstokken, en ook niet 
omgeworpen zooals noodig zon zign; de aardkluiten zijn grof, en wor- 
den zonder regelmaat opgehoopt rondom de stammen der planten; maar 
gesteld zelfs dat wij er in slagen eenen arbeid te verrigten , die werke- 
lijk goed en in alle opzigten naar behooren volbragt is, wat zal dan 
het resultaat zijn van het opwerpen van die aardhoopen? Wanneer men 
onbevooroordeeld zulke sterk opgehoogde bedden beschouwt, zal men 
bevinden, dat ze aan het bovengedeelte minder oppervlakte hebben dan 
aan het benedengedeelte , zoodat ze uitloopen in een smallen rug; de 
netplanten, die daar ter plaatse of daar rondom te voorschijn komen, 
zijn weinig bedekt, en niet alleen dat ze minder spruiten schieten en 
zich slecht ontwikkelen, maar ook het zijn bijna looze stengels, die zich 
voeden meer ten koste van de andere stokken, dan door hunne eigene 
organen. — Onder zoodanige omstandigheden is het ontegenzeggel^ki 
dat de plant, in plaats van zich krachtig te ontwikkelen, slechts lang- 
zaam en aanhoudend moet kwijnen, als een natuurlijk en algemeen 
gevolg van de gebrekkige ontwikkeling harer leden elk in het b^zon- 
der. Overigens worden de kanten van die aardbedden hard, en later is 
het moeijelijk ze te ploegen of te wieden met landbouwgereedschap. — De 
regens, als ze niet de oppervlakte der bedden hard en vast maken, 
eindigen door lengte vén tijd met die geheel te vernielen en de aarde 
weg te spoelen, zoodat de rietstok, op het laatst geheel van aardsteun 
beroofd en migehleed^ na een korter of langer tijdsbestek sterft, en altijd 
verdrinkt. Het tweede jaar moeten de bedden reeds hersteld worden, 
zonder dat het vroeger gemakkel^k is ze te wieden, om den grond te 
verjongen en zacht te maken. Was het den eersten keer reeds moege- 
lijk de aarde op te hoogen, het tweede jaar is dat nog veel moerdij- 
ker; en daar de bedden noodwendig eene bepaalde hoogte dienen te 
hebben, is het duidelijk, dat, zoodra ze die hoogte bereiken, de riet- 
akker ook z^n einde zal hebben bereikt. 

Het planten, overigens, volbragt op eene geringe diepte, wanneer 
de stammen overmatig worden aangeaard, afgescheiden van de moeije- 
lijkheid zulke plantingen te bewerkstelligen , leveren slechte resultaten 
op, en de rietstokken sterven spoedig uit, of loonen den arbeid niet. — 
Deze manier van planten dus in het licht gesteld hebbende, rest ons 



Digitized by 



Google 



64 



nog de voor- en nadeelen te doen kennen, welke het planten na zich 
sleept bewerkstelligd in diepe groeven, waar het riet op den bodem 
gelegd en aanvankelyk overdekt wordt met zeer weinig aarde, terwijl 
de plant, naarmate z^ begint te groeijjen, aangeaard wordt met de aarde, 
die links en regts ter z^'de van de groeve opgehoopt ligt; zoodoende 
komt het plantriet eindel^'k op eene aanmerkelijke diepte te liggen, 
waardoor al de voordeelen worden verkregen, die znlks verschafifen kan, 
zonder de nadeelen, waaraan men zich blootstelt, wanneer men het 
plantriet dadel^k overdekt met al de aarde, die uit de groeve is ge- 
haald. — Daar nu ten slotte, wanneer men in die gevallen de laatste 
hand aan het werk legt, vereischt wordt, dat de aarde rondom den stam 
der rietplant worde aangebragt, dat wil zeggen (om het in één woord 
uit te drukken) daar men de rietstoelen moet aanaarden, zullen wij 
dezen arbeid, om hem van den anderen te onderscheiden, bestempelen 
met de benaming van deckting of niveüiring, (21) 

Maar, zal men ons zeggen, om op de aangeduide wiyze riet te plan- 
ten moeten de gronden, waarin wij dat doen, tot op eene behoorlyke 
diepte voorzien z^'n van eene bovenlaag teel-aarde; een vereischte, naar 
onze w^ze van zien, onmisbaar bij de aankweeking van suikerriet; de 
gronden, die gedoemd z\]n om altijd weinig diepte te hebben, kunnen 
nimmer zoo dienstig zgn als de andere, bij gel^kheid van omstandig- 
heden, zoo gunstige als ongunstige. W\] zijn overtuigd, en met ons 
oordeel zal het gevoelen overeenstemmen van allen, die de suikerriet* 
teelt slechts eenigermate bestudeerd hebben, dat het b^* het aanleggen 
van eene suikerriet-plantaadje een punt behoort te zijn van onze eerste 
zorg, een naauwgezet en voUedig onderzoek in te stellen aangaande de 
geaardheid van den grond, die, zoo fa^ al niet voorzien is van eene 
dikke bovenlaag teel-aarde , ten minste een ondergrond dient te hebben , 
die gemakkelijk, met weinig kosten en in een koit t^dsbestek voor de 
riet-cultuur geschikt te maken is. Door den vorm en de ontwikkddng 
van de wortels der rietplant wordt de noodzakel^'kheid aangetoond en 
verklaard, om eene bovenlaag teel-aarde te hebben, die tot op eene 
zekere diepte gaat; in de gronden van geringe diepte groegen dé wor* 
tels van de eene plant in de andere, derw^'ze, dat ze op het laatst als 
het ware een onverbrekelijk zamenweefeel vormen. Dit is eene daadzaak , 



Digitized by 



Google 



65 



waarvan w^ ons zelven overtuigd hebben door riet te planten in aard* 
bedden, welke rustten op eenen ondergrond van steen. 

De dikte, van de bovenlaag teel-aarde tot op zoodanige diepte, dat 
de wortels der planten onbelemmerd daarin kunnen groeien en sich 
ontwikkelen tot hunnen vollen wasdom, is een voornaam vereischte, ten 
einde de opslurping van de voedende zelfstandigheden naar behooren te 
doen plaats hebben. Immers het aantal sponsachtige openingen of opslur- 
pende poriën is geëvenredigd aan de grootte der wortels; en hoe klei- 
ner het aantal dier sponsachtige gaatjes, des te kleiner zal ook de hoe- 
veelheid voedende zel&tandigheden zign, die zij inslurpen. Men zal ons 
echter kunnen tegenwerpen; „Wanneer in eene meer beperkte ruimte, 
wanneer in de massa van eene minder dikke bovenlaag teel-aarde eene 
grootere hoeveelheid voedselstofifen door de wortels aangetroffen wordt, 
zoodat die voedende zelfstandigheden, om het eens zoo uit te drukken, 
in dien grond geconcentreerd aanwezig zijn, zal dat dan niet tegen het 
aangeduide nadeel opwegen? De opslurping zal noodwendig minder zijn 
dan zg bij die opeenhooping wezen kon ; maar zg zal in de mate , waarin 
zij plaats grijpt, groote voordeelen opleveren; want wat betreft de hoe- 
veelheid en de kracht der voedende zelfstandigheden, die zullen in volle 
of meer dan volle mate worden ingezogen, en dienen om het evenwigt 
te herstellen in de voor ontwikkeling vatbare organen, en voedsel te 
geven aan elk hunner verschillende functiën.'* Een met zooveel schgn 
van gegrondheid aangevoerd betoog sleept dwaalbegrippen na zich, die 
w^ moeten trachten te voorkomen doormiddel van juister redeneringen, 
gegrond op daadzaken, die geijkt zgn door de ondervinding. Wat aan- 
gaat de algemeene betrekkingen, waarin de organen der planten tot 
elkander staan, bijaldien de wcnrtels zich behoorlyk ontwikkelen, zullen 
ook de overige organen goed groegen; bgaldien breedgetakte wortek 
op regelmatige wijze hunne functiën volbrengen, zullen al de overige 
organen zich insgelgks geregeld van hunne bijzondere levensverrigtingen 
kwgten. De natuur bepaalt voor iedere plant, by eene welgeëvenredigde 
inrigtingüer organen, de juiste maat harer wortels; kunnen de wortels 
die grootte niet bereiken, dan ontwikkelen zij zich slecht, zy kwynen 
en worden misvormd; om het even dan welke hoeveelheid voedende 
zelfstandigheden er aanwezig is in de plaatsruimte, welke zy innemen, 

5 



Digitized by 



Google 



66 



de plant zal sterven of zich slechts zeer gebrekkig ontwikkelen. Z\j , die 
gelegenheid gehad hebben om planten te kweeken in kleine potten, 
hebben zich kannen overtuigen van de waarheid van hetgeen hierdoor 
ons is aangevoerd. De afmetingen, die de wortels zullen hebben, z^n 
berekend en geêvenredigd, niet alleen de wortels beschouwd als oig8< 
nen, welke de plant aan den grond moeten heehten, maar ook, en wel 
voornamelijk 9 als organen, voorzien van opslurpende vaten. De opslm^ 
ping der voedende zelfstandigheden door de wortels is geëvenredigd au& 
de grootte, welke de natuur voor die wortels heeft vastgesteld. De in- 
zuiging geschiedt alleen dan naar behooren, wanneer de voedende zelf- 
standigheden zich in zeer vloeibaren staat bevinden, en gel^k^'k 
verspreid zijn door al de bestanddeelen der bovenlaag teel<<iarde, waar 
ze worden opgezocht door de vertakkingen der wortels, die met hunne 
tengere vezeltjes overal doordringen, en de fijnste deeltjes van den grond 
bereiken, omvatten en uitzuigen. De aangevoerde redenen doen zien 
van hoeveel aanbelang het is de mestspedën geli|jkel^*k te verdeelen, 
en ze als het ware te vereenzelvigen met al de deelen van den grond, 
opdat de wortels alt\jd en overal het voedsel kunnen aantreffen, dat 
voor hunne behoorlijke ontwikkeling en voor den algemeenen en gelei- 
del^ken groei der plant vereischt wordt. Aangaande dit gewigtige pont 
zullen wij later nog in uitvoeriger beschouwingen treden. Deze en andere 
redenen leveren het bewijs , hoe noodzakelijk het is de dikte van de 
bovenlaag teel-aarde te vermeerderen, door den grond alle zoodanige 
bewerkingen te doen ondergaan, als strekken kunnen om dat doel te 
bereiken. Men heeft met zeer veel juistheid gezegd , dat de hedendaag- 
sche verbeterde landbouw zich van de vroegere hierin onderscheidt , dat 
men er tegenwoordig z^n streven van maakt, om door de diepie van 
den grond te verkrygen, wat vroeger slechts verwacht kon worden van 
de oppervlakie. 

Het is niet genoeg in het bezit te zijn van een terrein, dat ge- 
schikt is voor de teelt, waartoe men het wenscht te bestemmen; men 
dient ook in het bezit te wezen van de werktuigen en gereedschap- 
pen, meest geschikt en dienstig om te voorzien in al de Tereischten 
voor de ontwikkeling der planten. Om riet te planten overeenkomstig 
de boven aangevoerde grondslagen, achten wij het zeer van pas hier de 



Digitized by 



Google 



67 



gereedschappen te doen kennen , die het meest geschikt en dienstig zyn 
tot de oogmerken, welke wij tot een goed einde wenschen te brengen ; 
maar eerst zullen w^ de hulpmiddelen beschriiJTen, waarvan wij ons bij 
het riet-planten tegenwoordig bedienen. 

Het planten van suikerriet, zooals het tegenwoordig op het eiland 
Cuba plaats heeft, ofschoon ontegenzeggelijk veel verbeterd in vergelij- 
king bij de wyze, waarop het vroeger plagt te geschieden , is echter nog 
verre van datgene , waarnaar wy moeten streven. Oudtijds toch, toen men 
den grond bewerkte met onzen inheemschen ploeg, werden er groeven ge- 
trokken, die de noodige breedte en diepte misten, zoodat velen , om ze 
op de behoorlijke maat te brengen , ze verder openden door middel van 
uitgraving. Tegenwoordig gebruikt men den ploeg met twee scharen , die 
vaststaan of verzet kunnen worden, met welken ploeg alleen, zooals 
door goede arbeiders erkend wordt, niet onder alle omstandigheden 
groeven kunnen worden getrokken, die breed en diep genoeg z^'n. Om 
in dat gebrek te voorzien, wordt door vele planters van suikerriet eerst 
begonnen met den grond te breken ^ tot welk einde z^ zich bedienen 
van een eensnijdenden ploeg, die, de aarde opwerpende naar beide 
zijden, een greppel maakt; deze greppel wordt vervolgens verwijd en 
doorgetrokken met den tweesnijdenden ploeg, dien men op vele gronden 
tweemaal heen en weer moet laten loopen; eindel^k wordt door som- 
migen de laatste hand aan het weric gelegd door middel van uitgraving. 
Nadat men de groeve geopend heeft, wordt, in de gevallen waarin zulks 
noodig wordt bevonden, de ondergrond losgemaakt, hetzij door middel 
van een ondergronds-ploeg, hetzij door middel van eenen ondergronds- 
wiedtoestel. In weerwil van al deze voorzorgen en maatregelen, heeft 
toch de groeve gemeenlijk nog niet de behoorligke breedte en diepte ; 
overigens is zy van boven veelal breeder dan van onderen, zoodat wij 
herhaalde malen in de gelegenheid zijn geweest om te zien hoe , bij het 
plaatsen van het plantriet in de groeve, wanneer wij de stekken op den 
noodigen afstand van elkander wilden leggen, ze bijna een derde ge- 
deelte over de wanden der groeve heen moesten worden geplaatst. Hieruit 
volgt, dat het plantriet slechts tot op eene geringe diepte in den grond 
.wordt gebragt, hoezeer velen daaromtrent zich zelven misleiden, door* 
dien ze by het planten de diepte, op welke z\] het riet in den grond 



Digitized by 



Google 



68 



brengen, afmeten naar de hoogte van de aarde, die aan weerszoden vaii 
de groere opgehoopt ligt. Dus uitgaande van deze verkeerde en valsche 
opvatting, gelooven z^ ter goeder trouw, dat zy geplant hebben op 
eene behoorlijke diepte, terwijl ze inderdaad juist het tegendeel hebben 
gedaan. 

Wij houden het er voor, dat wij, wat het planten van suikerriet aan- 
gaat, nog zeer ver achterlyk zijn; en wij zijn overtuigd, dat wij, om in 
den tegenwoordigen staat van zaken verbetering aan te brengen , in vele 
gevallen ons niet behoorden te bedienen van de tegenwoordig zoo zeer 
in zwang zynde tweesn^dende ploegen, en dat het nuttig zou zyn, 
indien wi[j aan het materieel, dat voor de drooglegging (drainage) wordt 
gebezigd, de werktuigen ontleenden, die, naar behooren gew^zigd, ons 
in staat zouden stellen groeven te openen van zoodanige breedte en diepte 
als wenschelijk is (22). 

Gemiddeld genomen (dus niet in gronden, die bedeeld zyn met eene 
ongemeene mate van vruchtbaarheid, en ook niet in gronden, waar de 
groeikracht slechts in zeer geringe mate aanwezig is, een en ander op 
te maken uit de dikte van de bovenlaag teel-aarde), welke zqn dan 
de afmetingen, die eene goede groeve hebben moet om er suikerriet in 
te planten? Naar hetgeen de ondervinding ons dienaangaande geleerd 
heeft, behoort de groeve eene breedte te hebben van 50 a 70 nederl. 
duim (21 a 30 duim) big eene diepte van 30 a 40 nederl. duimt (13 
a 17 duim). In zulk eene groeve moet de mestspecie onder op den bo- 
dem worden geplaatst, en op die mestlaag een of twee rietstekken, naar 
gelang van omstandigheden. — Als men over dit stelsel van plan* 
ten een weinig nadenkt, zal men, afgescheiden van al de andere voor- 
deelen, die wij in onze geschriften reeds helder in het licht hebben 
gesteld, erkennen, dat de natuur zelve, door middel van de regens, de 
nivellering volbrengt, daar het water een gedeelte medevoert van de 
aarde, die het aan de kanten van de groeve ontmoet, en die reeds los- 
gemaakt en met groeikracht doordrongen is door de invloeden van den 
dampkring. Het lydt geen twijfel, en wij kunnen niet nalaten het te 
erkennen , dat zij , die zich de moeite willen geven hunne oogen te laten 
rondgaan over een goed genivelleerd stuk land, dat vrij is van alle 
oneffenheden in de oppervlakte , zeer weinig behagen zullen vinden in 



Digitized by 



Google 



69 



de beschoawing van het opkomende jonge riet , met de uit de groeven 
gedolven aarde opgehoopt aan weerskanten van de rijen ; maar dezulken , 
die verder zien en de gevolgen die de toekomst zal opleveren in aan- 
merking nemen , zullen steeds de voorkeur geven aan dit voorbijgaande 
schouwspel, dat de duidel^'ke en wisse voorbode is van den meest 
kr&chtigen en duurzamen plantengroei. 

W^ herhalen het, het is van aanbelang, en w^ moeten het ons nooit 
verhelen dat het, om op deze w^'ze te planten, een noodwendig en 
onmisbaar vereischte is , dat de bovenlaag teel-aarde geëvenredigd z^* 
aan de diepte, op welke geplant moet worden; en dat in vele gron- 
den , die dit zoo heilzame vereischte missen , het planten niet kan ge- 
schieden op de diepte, die wenschel^k is. Indien het niet mogel^k is 
in zoodanige gronden de dikte van de bovenlaag teel-aarde te ver- 
meerderen, zal men moeten planten zoo diep als men kan; en is die 
diepte slechts gering, dan zal men de bovengronds-aarde over de stek- 
ken moeten ophoopen, met andere woorden, men zal ze moeten aan- 
aarden, en zoo doende op kunstmatige wyze althans gedeeltelijk de 
voordeden trachten te verkr^'gen , welke het planten in eene meerdere 
diepte oplevert. Als alles medeloopt en de toestand van den damp- 
kring is gunstig , valt er niet aan te twijfelen of in vele gevallen zullen 
goede resultaten worden verkregen; maar zelfs dan nog zullen die 
resultaten, naar evenredigheid van hetgeen noodig is geweest om ze 
te verkrijgen , geenszins gel^k staan aan die , welke verkregen worden 
in vruchtbare gronden met eene bovenlaag teel-aarde van behoor- 
l^ke dikte: zignde dit laatste een eerste en onmisbaar vereischte, 
dat met reden moet beschouwd worden als de degel^kste grond- 
slag en het zekerste punt van uitgang van alle soorten van verbe- 
teringen. 

Verdeeling van het plantriet, — Wy weten niet of de werktuigkunde 
ten behoeve van den landbouw er ooit in zal mogen slagen het vraag- 
stuk op te lossen om eenen toestel te vervaardigen, geschikt om sui- 
kerriet te planten , en aan al de vereischten beantwoordende , die tot 
eene goede w^ze van planten noodig zign; maar wel kunnen w^ nu 
reeds onze overtuiging uitspreken, dat het gemakkel^k zal zyn reeds 
van stonde af aan eenige der dagen te besparen , die tot dusverre aan 



Digitized by 



Google 



70 



het planten van soikerriei besteed worden, tot welk mde men niete 
anders zal hebben te doen , dan zieh te bedienen van de kar, genauad 
verdeeler va» het planiriet Iedereen toch weet, dat het een op alle 
plantaadjen aangenomen gebruik is, het plantriet neder te legden op 
de a&cheidings-paden, van waar dan de arbeiders het wegnemen, om 
het in d^ groeve te plaatsen : aan dezen arbeid , om het pkmiriei ie 
besproeyen , worden dagen besteed , die het planten vertragen en er de 
kosten van vermeerderen; en dit maakt in meerdere oi mindere m^ 
dat het voorzigtig is met oordeel te werk te gaan in het kiezen van 
de plaatsen, waar het riet nedergelegd wordt. Het zou nuttig z^n zidi 
van ligte karren te bedienen, op welke het plantriet geplaatst wierd: 
die karren konden zich op den riet^kker bewegen in dier voege , dat 
de bak van het voertuig boven de groeve bleef , en dat de wielen over 
den grond liepen, die tusschen de groeven ligt; by het voorttrekken 
van de kar zou men , naarmate zij voortging , het riet in de groeve 
kunnen laten vallen , zoodat de arbeiders er niets aan zonden behoeve 
te doen dan het op de maat te sn^*den en onder in de groeve te 
plaatsen, die bestemd is om het te ontvangen. 

Hoeveelheid riet, noodig om eene Bepaalde opperwlakte gronde te èeplém- 
ten, — A/metingen van de etek. — Plaateing in de groeve, — Flaniing 
in eene doorloopende groeve en Groei. — L Te weten hoeveel riet mm 
ongeveer noodig zal hebben, om eene bepaalde oppervlakte gronds te 
beplanten, is een onmisbaar vereischte, om de hier nagemelde redenen*. 
lo. Als men dat weet, kan men de juiste hoeveelheid riet bepalen, die 
noodig is om de bewuste bewerking te volbrengen, derw^ze dat tx 
nimmer plantriet te kort kome noch overschiete, daar er in het eerste 
geval onvoldoende zou worden geplant, terw^l er in het andere geval 
riet te loor zoude gaan, zoodat het of op den tegenwoordigen of op den 
toekomstigen arbeid van nadeeligen invloed zou z^n. 2*. Bestemt men 
tot het planten slechts de juist noodige hoeveelheid riet, dan zal men 
eene aanmerkelijke besparing erlangen in het getal rietstokkai, en 
evenzoo eene besparing in de dagen, noodig om het riet te sn\jden, 
te vervoeren en te planten, zoodat het bijgevolg dö kosten vermindert, 
die op al de ter planting vereischt wordende werkzaamheden loopen. 
3*. Het gebruik van eene kleine hoeveelheid plantriet maakt, dat men 



Digitized by 



Google 



ri 



het joet de noodige zorg Jcan uitzoeken, zi^jnde dit een pont van gewigt, 
daar de hoeveelheid van het plantriet in hooge mate van invloed is 
op den wasdom van de stokk^» die door de ontwikkeling der knop- 
pen worden voortgebragt. Bestemt men tot het planten de hoeveelheid 
riet, die daartoe juist noodig is, dan zal men daartoe het beste riet 
koniiBn kiezen, en ook aan de aankweeldng daarvan meer zorg kunnen 
besteden. 4*. Bezigt men tot het planten de juist vereischte hoeveel- 
heid riet, dan verkrijjgt men eene betere ontwikkeling van elk der 
rietstoelen in het foqzonder, daar ze alsdan elkander niet belemmeren 
in hunnen groei, terwiijl het dan ook onnoodig zal z^'n inboetingen te 
bewerkstelligen, die altyd kostbaar z^'n, en die buitendien in vele ge- 
vallen eenen riet-akker doen ontstaan, welke zeer ongelQkmatig is, wat 
betreft den wasdom der stoelen in vergelijking met elkander. 

De ondervinding en de wenken, door ons medegedeeld in onze be- 
schouwingen over de aanaarding van het riet, toonen op de onweder- 
l^baarste wijze aan, hoe dit plantgewas groeit of spruiten schiet. Die 
zelfde feiten en gegevens zullen ons tot grondslag en als punt van uit- 
gang dienen, om hier aan te toonen, hoe één enkele knop, voorzien 
van de verdischte eigenschappen, voldoende is om een fraa^'en rietstoel 
voort te brengen. Daar zoodanige stoel uit verscheidene stengels be- 
staat, die eene zekere ruimte behoeven om genot te kunnen hebben 
van al de invloeden van den dampkring, en met hunne wortels zooda- 
nige uitgestrektheid gronds in te nemen, als ze noodig hebben om 
daaruit de v^eischte voedingsto£fen te trekken, laat zich daaruit als 
volstioekte «telling gemakkelyk afleiden, dat het, om eene planting te 
volbxemgen uitsluitend op dit beginsel, voldoende is, op de geschikte 
ajEstai^n van elkander rietstekken te planten, die slechts van één en- 
kelen knop voorzien zijn : zoodoende zullen fraa^ rietstoelen worden 
verkregen, die, op behoorleken a&tand van elkander staande, behalve 
de reeds vermelde voordeelen, ook nog dit zullen aanbieden, dat er 
bij bunne aankweeldng gebruik kan worden gemaakt van werktuigen, 
die in beweging worden gebragt door trekdieren. Maar daar men in 
de praktyk op uitgebreide schaal niet altyd, of juister gezegd b^na 
nooit, kan instaan voor de volkomene en gelykmatige ontwikkeling van 
al de knoppen , en daar overigens de rietstoelen niet onder alle omstan- 



Digitized by 



Google 



72 



digbeden zich ontwikkelen tot eenen wasdom , geëvenredigd aan onse weii- 
sclienof aan onze hoop, ishetduidelgk, dat wij, willen w^ met over^ 
ie werk gaan ten einde gunstige resultaten te erlangen, hoezeer ah- 
gaande van de zelfde gegevens, deze echter zoodanig zullen moeten 
wijzigen, dat ze dienstig worden gemaakt om ons tot meer stellige 
uitkomsten te leiden, door ons minder te doen blootstaan aan wi»el- 
valligheden. 

Op dit punt, gelyk ten aanzien van alles wat betrekking heeft op 
de praktijk van den landbouw, is het slechts mogelyk algemeene rege- 
len te geven, en moet het overigens aan het doorzigt van den land- 
bouwer worden overgelaten die regelen toe te passen met oordeel en 
overleg, naar gelang van de omstandigheden, waarin hij zich zal be- 
vinden. In hoofdzaak dus hangt de hoeveelheid riet, die ter planting 
noodig is, af: !•. Van de soort (variëteit) van riet, welke geteeld 
wordt. 2*. Van de kwaliteit van het plantriet; want hoe beter de kwa- 
liteit is, des te beter zal ook de ontwikkeling van de knoppen zijn, des 
te r^ker aan bladeren zullen de spruiten zijn, die ze voortbrengen, 
en die ter harer tijd met des te meer kracht zullen groeyen, enz. Wan- 
neer dus het plantriet al de noodige eigenschappen in zich vereenigt, 
zal men daarvan eene kleinere hoeveelheid noodig hebben; en in het 
omgekeerde geval zal het ook juist het tegenovergestelde zijn. 8*. Wat 
betreft de invloeden van den dampkring: wanneer die door eene over- 
maat hetzy van vochtigheid, hetzy van warmte of koude eene sterfte 
onder de knoppen kunnen veroorzaken, is het noodig eene grootere hoe- 
veelheid plantriet te bezigen. 4<>. Wat aangaat de geaardheid v^n den 
grond , beschouwd uit het oogpunt van de vereischten der landhuishond- 
kunde : als de gemiddelde hoeveelheid niet gunstig is voor de aanvan- 
kelijke ontvdkkeling der knoppen en voor de latere volkomene ontwik- 
keling der stengels, is het noodig zich by het planten te bedienen van 
eene grootere hoeveelheid riet. 5o. De wyze hoe de planting te bewerk- 
stelligen, daar die van invloed kan zijn op de dadelyke ontwikkeling. 
6*. De manier waarop de landbouwer zich voorstelt zynen akker te be- 
telen. — Al deze punten, en vele andere, die wy niet hier opsommen, 
moeten door lederen landbouwer, die tot planting wenschtover te gaan, 
in het oog worden gehouden , naar gelang van de plaatselijke gesteldheid. 



Digitized by 



Google 



73 



Orer het filgemeen bestaat op Cuba eene in het oog loopende nei- 
gmg om eene overvloedige hoeveelheid plantriet te gebruiken, ofschoon 
het planten met den pootstok en dat met de spade ons, b^' gemis van 
andere feiten, voldoende gegevens aan de hand doet om ons de over- 
tuiging te verschaffen, dat wij niet zoo in het onzekere behoeven te 
verkeeren aangaande de hoeveelheid riet, die in het algemeen bestemd 
wordt om tot planting te worden gebezigd. Wy weten wel, dat de in- 
boetingen kostbaar en schadelijk zijn; maar men kan die vermeden, 
zonder zich bloot te stellen aan andere nadeden. 

Een der omstandigheden , die het veelvuldigst oorzaak worden van de 
sterfte der knoppen, is de gewoonte — vooral verderfelijk in laaglig- 
gende, koude en bovendien harde gronden, wanneer het tijdens de 
planting veel regent — het riet aan kleine stukken te sn^*den, en die 
achter elkander in de groeve te plaatsen : byaldien die groeve niet 
nader aangevuld wordt (waartoe men een zcfer groot aantal stejges 
dient te bezigen, daar er vele tot verrotting overgaan) is het natuur- 
lijk, dat het plantsoen ongelijk zal opkomen, en dat het alsdan nood- 
wendig ingeboet zal moeten worden. Op laagliggende gronden moet men 
het riet nooit regtop zetten; het levert evenzeer voordeel als besparing 
op, het te plaatsen in zijne natuurlijke rigting, terwijl men zich van het 
hakmes of mes enkel bedient om er de kromgegroeide gedeelten van af 
te snijden (23). — Het is nuttig dat de arbeiders, die met het planten 
belast z^n, en die gemeenlijk niet tot de sterksten behooren, gewapend 
worden met ligte, scherpe messen van staal, waarvan zij zich bedienen 
om het riet met één enkelen slag door te kappen, zonder daartoe eene 
groote inspanning aan te wenden, en zonder den bast te scheuren, het- 
geen de knoppen zou kunnen beschadigen. — Wanneer men de riét- 
stokken plant in hun geheel of in groote stukken, erlangt men eene 
groote besparing in het getal dagen , dat men tot het beplanten van 
eenen akker noodig heeft, en de stokken weerstaan ook béter de over- 
matige vochtigheid of het gemis van water. Op hoogliggende en vrucht- 
bare gronden, als het saizoen goed is en het plantriet al de vereischte 
hoedanigheden in zich vereenigt , kost het minder moeite het aan stuk- 
ken te snijden , en die vervolgens zoo in de groeve te plaatsen als meest 
dienstig zal worden geoordeeld. Wij hebben herhaalde malen en zelfs op 



Digitized by 



Google 



7i 



uitgeteeide schaal, gelegenheid gehad om ons daaromtrent te vei^ewis* 
sen : op den zelfden grond, onder de zelfde omstandigheden , gebruik 
makende van de zelfde soort riet, bragt de helft van eenen akker ^ be- 
plant met niet-doorgesneden riet , een gelykmatig en aanzienlek plant- 
soen op, terwijl er op de andere helft, die beplant was met doorge- 
sneden riet, naauwel^ks vijftig stoelen opkwam^; later b^ het inboeten 
werden al de stukken plantriet uit den grond gehaald in eenen toestand 
van volslagene verrotting: in die gevallen doen de rietstekken, door 
aan de beide uiteinden tot rotting over te gaan, den knop z^ne oni- 
kiem^de eigenschappen verliezen, en de stukken, die niet geheel ea al 
tot bederf overgaan, worden slecht gevoed, doordien ze schadelijke edtf- 
standigheden in zich opnemen. 

Het verband tusschen eenen rietstoel en de stek, waaruit hy is 
voortgekomen, is gemeenlijk naauwer dan men denkt; wij hebben ge- 
tracht dat naauwe verbtmd duidel^k aan te toonen in onze Troef (mder^ 
vmdeïüke noêporingen betreffende den groei van het suikerriet^ en tevens 
zijn daar eenige waarheden door ons medegedeeld, die op dat punt 
betrekking hd)ben. Zoodra men een zeker verband aanneemt tusschen 
den rietstoel en de stek, waaruit h^ is voortgekomen, is het on- 
betwistbaar, dat, hoe gezonder laatstgenoemde is, eerstgenoemde zich 
des te beter zal voeden; het rotten van het stuk plantriet heeffc ook 
het rotten van den knop ten gevolge; en de veranderingen, eindel^k, 
welke de in de geledingen aanwezige zelfstandigheden' ondei^an on- 
der den invloed van de ontwikkeling der stengels, z^n niet van den 
zelfden aard als die , welke te weeg gebragt worden door invloeden , 
die louter het gevolg zijn van chemische affiniteiten, zonder dat zich 
de levenskracht in werking vertoont. De minst geleerde, de minst in 
de wetenschap ingew^de, kan door regtstreeksche vergelyking het 
hemelsbreed verschil waarnemen, dat er bestaat tussqhen twee riet- 
stekken, die oorspronkel^k volmaakt aan elkander gd^k waren, en 
waarvan de eene knoppen draagt, die zich ontwikkelen, terwijl de 
andere tot verrotting begint over te gaan, louter ten gevolge van de 
vochtigheid van den grond. De uitkomsten, in beide deze gevallen, 
verschillen derw^ze van elkander, dat, terwijl de eene strekken om 
de ontwikkeling der stengels te voeden , te ondersteunen en te bevor- 



Digitized by 



Google 



76 



dereo, de andere slechts den groei belemmeren, de planten ziekelijk 
maken en haar eindelijk zelfs doen sterven , doordien ze totaal in 
stryd. z^a met den loop van hare functiên en met den geleidel^ken 
voortgang van hare levensverrigtingen. W^ znllen nog meer zeggen: 
wanneer de «tengel hare bestanddeelen ontleent aan de zelfstandig- 
beden , welke in de stek plantriet aanwezig zyn, ondergaan die echter 
eene verandering , waarmede zidi in meerdere of mindere mate , en in 
een meer of minder lang tydsbestek , de bijzondere zamenstellingen ver- 
eanzelv^en, die zich in het organismus van den stengel hebbes ge- 
vormd , en alvorens deze ontstaan zi[jn is alleen de groeikracht van den 
knop voldoende 4 om een geheel b^zonderen en eigenaardigen stempel 
te drukken op de reeks van veranderingen , welke plaats grypen in de 
zelfstandigheden , die in de geleding aanwezig zijn. Met andere en dui- 
del^'ker woorden : een der verscl^jnselen grijpt plaats onder den invloed 
der wetten, die het levensbeginsel regeren, terwijl het andere tot stand 
wordt gebragt allee» door de wetten, die het stof regeren. 

Gesteld eens dat w^ planten in eene doorloqpende groeve, ons daar- 
toe bedienende van slechts één rietstok: welke znllen daarvan de resul- 
taten zijn? Wy hebben gelegenheid gehad om zulk eene planting te 
bewerkstelligen, daarb^' een enkelen rietstok in zijne volle lengte in de 
groeve plaatsende, en wy hebben daarvan de schoonste resultaten ver- 
kregen : er dient echter bijgevoegd te worden , dat het plantriet al 
de vereischte hoedanigheden in zich vereenigde, en dat de planting 
geschiedde onder allezins gunstige omstandigheden, wat betreft de 
bewerking van den grond, het saizoen, enz. Welke hoeveelheid riet 
behoort men te gebruiken voor eene planting, die aan al deze ver- 
eischten beantwoordt? Om dit doel te bereiken z^n w\j begonnen met 
het maken van verscheidene berekeningen, betreffende blank riet, niet 
oitermate goed en ook niet zeer rijp, kortom, tamel^k regelmatig, 
en over het geheel genomen van gemiddelde hoedanigheid, slechts 
acht nederl. palmen l^igte nemende van het benedengedeelte; hierop 
de berekening grondende blijkt daaruit, dat é roeden zoodanig riet 
weegt ruim 58 nederl. ponden; bijgevolg heeft eene groeve van 24 
roeden lengte noodig een gewigt van 350 nederl. ponden. Gesteld nu, 
een rietsakker heeft 72 roed^ lengte, en de groeven z^n op 16 a 17 



Digitized by 



Google 



76 



nederl. palmen afetands van elkander geplaatst, dan zal men daarin 
hebben 216 groeven, die te zamen een gewigt van 76,000 nedeii. 
ponden plantriet znllen vereiscben. Eene karrevracht plantriet we^ 
gemiddeld 2600 nederl. ponden (het gewigt verschilt van 20 tot 30 
centenaars); om dns op de aangeduide w^'ze eenen akker van 4^ hoc- 
taren te beplanten zal men ongeveer noodig hebben dertig karrevrach- 
ten riet, en voor eenen akker van 13^ hectaren dns negentig karre- 
vrachten. Van deze gegevens uitgaande, zal men ten naastenby kunnen 
uitrekenen, welke hoeveelheid riet vereischt wordt om verschillende 
plantingen te volbrengen onder verschillende omstandigheden. Daar het 
gewigt der rietstokken in hooge mate verschillend is, en daar ook de 
hoeveelheid ter planting gebruikt wordend riet afwisselt, spreekt het van 
zelfe, dat de hier door ons opgegevene cyfers insgelyks onderhevig z^ 
aan velerlei wijzigingen. 

II. Wy hebben al de redenen doen kennen , die ons geschikt toe- 
schenen om aan te toonen, dat men, door by het planten van suiker- 
riet de juist vereischte hoeveelheid stekken te bezigen, den hoogstmoge^ 
l^ken graad van ontwikkeling zal zien bereiken door al de rietstoelen , 
zonder uitzondering; maar wy hebben vlugtig heengeloopen over eene 
tot dit punt behoorende b^'zonderheid , waarop wij nu nog even zullen 
terugkomen: wy wenschen het boven allen tw^*fel te stellen, dat eene 
der voorwaarden, die het meest verdienen in het oog te worden ge- 
houden om de ontwikkeling der rietstokken en, nadat ze gekapt zijjn, 
hunnen vernieuwden groei te bevorderen, hierin bestaat, dat wij ons b\j 
het planten slechts bedienen van de juist noodige hoeveelheid riet. 

B^' het zaayen van eenigerlei gewas wordt de geëvenredigde hoeveel- 
heid zaad, die in den grond wordt gebragt, ongerekend andere omstan- 
digheden, afhankelijk gesteld van de latere ontwikkeling van elk der 
planten, die van dat zaaisel voortkomen, met andere woorden, van de 
plaatsruimte, die elke plant noodig heeft of vordert om het toppunt van 
haren wasdom ie kunnen bereiken. Big het planten van suikerriet ia het 
noodig in aanmerking te nemen , dat elke knop niet slechts een enkelen 
stok of stengel voortbrengt , maar dat uit de eerste spruit weder nieuwe 
spruiten te voorschyn komen , en uit deze wederom andere , enz. , en 
dat al die stengels te zamen de ééne plant, den rietstoel, vormen. 



Digitized by 



Google 



77 



Alleen reeds de overweging hoe vele spruiten éen stok in staat is onder 
gunstige omstandigheden voort te brengen, is reden genoeg om te be- 
grypen, van hoeveel aanbelang het is de stokken plantriet door te sne- 
den, opdat ze beter en krachtiger zouden groeyen, derwijze, dat al 
die spruiten zonder onderscheid tot den hoogstmogelijken wasdom ge- 
raken. — Sommigen konden evenwel meenen, dat, al is zulks niet de 
geschiktste weg, het ten minste meer waarborgen aanbiedt voor een 
goed resultaat, te trachten een grooter aantal stengels te erlangen, zon- 
der de geschikte middelen aan te wenden om het riet spruiten te doen 
schieten, maar daarnaar te streven door eene grootere hoeveelheid riet 
bij het planten te bezigen. Bijaldien de hoeveelheid spruiten, die uit 
eenen stoel voortkomen, niet geëvenredigd ware aan de ontwikkeling 
waartoe elk dier spruiten in het byzonder zal kunnen geraken , en ook 
niet in verhouding stond tot het toekomstige lot van de moederstek, 
dan konden zij , die de hier uiteengezette denkbeelden verdedigen , ge- 
l^k hebben; maar aangezien daarentegen van het aantal spruiten afhan- 
kelijk is de kracht van elk der stengels in het byzonder en van allen 
ia het algemeen, terwijl ze tevens in het oog loopend van invloed zyn 
op het latere leven van de moederstek, is het zonneklaar, dat wy ons 
moeten beijveren om al de hulpmiddelen in werking te brengen, opdat 
ze zooveel mogelijk spruiten schieten of zoo sterk mogel^k groeyen. 

Wanneer w^ eene geleding riet, waaraan een knop, in den grond 
brengen, ontwikkelt die knop zich onder gunstige omstandigheden spoe- 
dig; de spruit, die daarvan uitloopt, ontwikkelt op hare beurt de 
oogen, welke z^ heeft; de daaruit ontstaande tweede uitspruitsels ont- 
wikkelen zich ook weder, enz.; het aantal dier verschillende achtereen- 
volgende uitspmitingen zal, behalve van de soort (variëteit) riet, van de 
geaardheid van den grond, van de dampkrings-invloeden , van de w^ze 
van cultuur, enz., afhangen van de betrekkelijke en algemeene kracht 
der spruiten, aanvangende met de eersten, welker aanvankelijke ont- 
wikkeling in evenredigheid staat met de hoeveelheid voedende zelfstan- 
digheden, die in de geleding aanwezig zijn. Zeker is het, dat elke spruit 
zich ter gelegener tyd voorziet van de noodige wortels, en een, tot zeke- 
ren graad zel&tandig, eigen leven aanneemt; maar daarom houdt z\j 
echter niet op vereenigd en verbonden te z^'n met al de overigen door 



Digitized by 



Google 



78 



luiddel vaa die gedeelten, die allen in onderlinge gemeenschap honden, 
namelijk de moederstek onder den grond, die, om het eens zoo te 
noemen, de algemeene levens-ader is, welke den geregelden omloop 
der levenssappen in allen gelijkel^k en wederkeerig aan den gang houdt. 
B^ den rietstoel, gel^k bij alle planten die groeyen, is het getal 
spruiten niet slechts een teeken van algemeene ontwikkelingskraeht, 
maar tevens een vereischte voor de groeikracht van eiken stengel ; want 
even als het bestaan van die spruiten geenszins onafhankelyk is , even- 
zoo dragen ze elk op zich zelve het hare by tot de ontwikkeling van 
de overigen. Leden , om het eens zoo te noemen , van een en het zelffle 
gezin, zijn ze in de volmaaktste overeenstemming zaamverbonden , en 
hare veelheid draagt b^ tot de kracht van allen gezamentlijk en van 
elk in het bijzonder. Tusschen al de stengels van eenen stam of riet- 
stok bestaat de meest volkomene en innigste eenzelvighefd of solidari- 
teit. Deze beschouwingen vooropgesteld is het duidel^k, dat, om trat^ 
en goed ontwikkelde stengels te verkrijgen , de moederstekken naar be- 
hooren spruiten moeten schieten, hetgeen ze onmogelijk zullen kunnen 
wanneer ze niet, ongerekend alle andere vereischten, over de noodige 
oppervlakte gronds te beschikken hebben, dat is over de ter harer ont* 
wikkeling noodige plaatsruimte. — Wij hebben het vorenstaande punt 
besproken, uitgaande van de stelling, dat de rietstok zich ontwikkelt 
onder de gunstigste omstandigheden gedurende al de verschillende tijd- 
perken van zijnen groei ; in dat geval is de groeikracht van eiken stengel 
in het bijzonder aanvankel^k geheel afhankelyk van de ontkieminga- 
kracht der moederstek ; later komt elke stengel in het bezit van eene 
eigene kracht, en wordt dan sterk genoeg om zich zelfstandig ver^r 
te ontwikkelen ; maar daarom vervreemdt hij zich nog geenszins ran de 
moederstek; integendeel, de kracht van eiken stengel in het byzonder 
draagt mede by tot de levenskracht van allen. — Maar indien de 
stengels, in plaats van zich tot een zeker punt geheel vrij en onafhao' 
keiijk te ontwikkelen , schatpligtig aan elkander zijn , of uit hoofde van 
andere omstandigheden niet tot eenen hoogen graad van ontwikkeHng 
kunnen geraken, dan houdt het nut, de dienstigheid van een poöi 
aantal spruiten op , gesteld dat die te voorschyn komen ; dan zou het 
wensehelyker geweest zijn een kle&ier aantal spruiten aan den stoiel te 



Digitized by 



Google 



79 



zien Tersch^nen. — Onder de laatstbedoelde omstandigheden zouden de 
stengels , in plaats van elkander bevorderlQk te zijn , elkander veder- 
keërig nadeel toebrengen, en de rietstok zou een looze worden. 

De spruiten, die te voorsekgn komen nii de kapping, bezitten eene 
groeikracht, geëvenredigd aan die van de stengels, welke afgekapt z^n: 
al de oorzaken, die bevorderlyk z^'n aan de ontwikkeling der rietstok- 
ken , aan den groei en aan de stevigheid der stengels , werken zamen 
om aan den stok de gunstigste gevolgen te verzekeren na de kapping, 
en doen hem op de weligste wijze uitloopen. Nadat wij hebben doen 
zien hoe de talrijjkheid der spruiten kracht schenkt aan de moederstek, 
behoeft het wel geen betoog, dat zulks evenzeer nuttig zal zyn voor 
de spruiten, die achtereenvolgend te voorschgn komen na de kapping. 

Ontwyfelbaar is het , dat eene krachtvolle moederstek onder den grond 
meer fraa^'e en goed gevoede knoppen zal dragen, die, om zich te 
ontwikkelen, niet slechts eenen grooten voorraad voedende zelfetandig- 
heden ontmoeten, maar tevens door krachtige en uitgebreide wortels 
in liunne ontwikkeling worden bevorderd. 

Overeenkomstig de boven ontwikkelde denkbeelden raden wij altijd 
aan ^ om bij het planten van suikerriet zich slechts van de juist ver^ 
eischte hoeveelheid riet te bedienen; eene overmatige hoeveelheid plant* 
riet levert het eerste jaar niet zooveel op als de juist noodige kwanti* 
teii^ en maakt ook de rietvelden niets duurzamer. Met betrekking tot 
dÜt punt heeft de ondervinding ons geleerd, dat de juiste en strikt 
noodige hoeveelWd plantriet de beste plantsoenen oplevert Wij zijn in 
de gelegenheid geweest om rietvelden te zien, echt digi-heplante akkers ^ 
die bij de eerste kapping eene groote menigte stengels opleverden, 
welke echter slechts tot een geringen graad van wasdom waren gekomen ; 
bij de tweede kapping was de opbrengst aan stengels reeds aanmerke- 
lijk minder , en bij de derde was de akker herschapen in een waar 
êioppekeld, — De plantingen, waar het suikerriet als hondethhaar 
groeit (dat wil zeggen : al te digt op elkander), zyn in de hoogste mate 
ottvoordeelig. 

Dé hoeveelheid plantriet, die gebezigd wordt, hangt regtslreeks af 
van de manier, waarop het riet in de groeve wordt geplaatst, zynde 
een punt, dat w^ nu in behandeling dienen te nemen. 



Digitized by 



Google 



TUT 



80 



De stekken kunnen in de groeven geplaatst worden op Tei 
derlei w^zen : !<>. Men legt een geheelen rietstok midden in de 
en zoo vervolgens de overigen, derwijze, dat ze met de uitenden 
tegen elkander aanliggen en dus eene regte l^n vormen. Dit plan 
eene doorloopende groeve , is het zelfde als het planten in eene l^ ^ 
gelyk het in den ruimsten zin genoemd wordt hei planim aan rijè't^ ^ 
2o. In plaats van één enkelen rietstengel, kan men er twee in 
groeve plaatsen, aan weerszyden een. — 3o. Wanneer men de riei 
ken aan groote of kleinere stukken sngdt, en die op een der hier 
gemelde manieren in den grond brengt : lo. een stuk in het miiUteilk 
en op zekeren afstand nog een stuk; de overige stukken in den Millilli' 
geest, altyd op geleken afstand van elkander in de rigting va&^4t. 
groeve; om de ledige vakken aan te vullen, ditf zoodoende tusschea>li 
stekken zyn opengebleven, plaatst men in de dwarste andere stel 
zoodat men bij slot van rekening toch eigentlgk eene planting 
in doorloopende groeve, 2o. De stekken te plaatsen aan weerszydea 
de groeve met regelmatige tusschenruimten, derwijze, dat tegenovw.JiC 
tusschenruimten aan de eene zyde, de stekken aan de andere stil- 
liggen. 3^ Twee stekken tegenover elkander, met eene zekere tussotüg 
ruimte tusschen beiden, zoowel in de breedte der groeve als in 
lengte. 4o. Twee stekken tegenover elkander, maar zoo, dat er midcbÉ 
in de tusschenruimte, die ze in de lengte van de groeve van elkai^MiS 
scheidt, eene andere stek insgelyks in de lengte van de groeve geplaufclf 
wordt, welke middenry dus als het ware de beide ande/e ryën aaii<iMV 
hecht en verbindt. 5*. Drie stekken naast elkander in de breedte ftgbi 
de groeve. 6% Drie stekken als onder n». 5, met ééne stek, die AnÊigi 
drie verbindt. 

Het riet behoorde geplant te worden, met openlating van grcia4i[; 
tusschenruimten ; en in sommige bepaalde gevallen zou het zelfs diens^ 
zyn het te planten in een kegelvormigen driehoek of in eenen vyflMMlh 
of in een vierkant. — In eenen vijf hoek is het aannemelykst, osnjtM^ 
de aankweeking alsdan kan geschieden in alle rigtingen , en omdi^ ^iHr, 
planten alsdan het voordeel hebben in alle rigtingen de invloeden- ^i 
genieten van den dampkring, enz. — ^ In de meeste gevallen, omfft^ 
de bestaande omstandigheden, waarin het niet altgd mogelgk is A 



Digitized by 



Google 



roeve van 

cv de 



sSi 



Digitized by 



Google 



t 



Voorwaarden van Inteekening. 



lo. Het werk zal worden, uitgegeven in afleveringen van 
vijf vallen dmkSi groot 8^. formaat, welke afleve- 
ringen elkaar spoedig zullen opvolgen. 

2\ De prijs is bepaald op. 20 Cents per vel druks. Het 
werk zal compleet zijn in omstreeks deftig vellen. / 

3^ Men teekent in Oost-Indië in bij de Heeren G, Ko^p? 
& C^. te Batavia. De prijs wordt in Ivdië eenigerraSte 
verhoogd. 

üoiterdam, 1865. H. NIJOH. 



Digitized by VjOOQIC' 



..^. 





VERHANDELING 



CDLTUUR VAN SUIKERRIET, 

IK>OR 

DON ALVARO BETNOSO. 

(2e Druk. Madrid 1865.) 

VERTAALD UIT HET SPAANSCH 

»00H 

SERVAAS Di! BRUIN; 

zijnde de vertaling, voor zooveel aangaat 
het wetenschappelyJce en praktische , 



NAGEZIEN DOOR l>E IIEKREN 



Dr. J. E., DE VRIJ en J. MILI.ARD. 



fweede •>€fteverimgf. 




ROTTERDAM , 

H. NIJGH. — 1865. 



Oednikt bij C. Hlommendaal. 










.> 



Digitized by 



,y Google 



81 



vereisditen zoo in het oog te houden, dat men zich het meest gan« 
stïge resultaat er door kan verzekeren, gelooven wij , dat de voordeeligste 
manier van planten zal wezen die , welke bewerkstelligd wordt door in 
eene doorloopende groeve één stek midden in de groeve te plaatsen, 
o&choon wij niet willen ontkennen, dat zoodoende de in den grond 
gebragte hoeveelheid plantriet te groot kan z^n; want als al de knoppen 
uitkwamen, zou het onmogelijk z^n spruiten te schieten en stengels 
voort te brengen, die allen even krachtvol waren. De afmetingen van 
de stek en hare plaatsing in de groeve, z^n afhankelijk van zoo vele 
omstandigheden, dat alleen bekendheid met de plaatselijke toestanden 
dienaangaande den besten leiddraad aan de hand zal kunnen doen; 
wij hebben hier enkel de aandacht willen vestigen op die punten, die 
men noodwendig in het oog houden moet om met eenige zekerheid op 
welslagen te kunnen rekenen. 

HL Ten einde de beschouwing te voltooyen van al de byzonderheden , 
die het planten aan r^ên met groote tusschenruimten betreffen, zullen 
w^ thans nog eenige bedenkingen bespreken, die, voor zooveel de teelt 
van graangewassen aangaat, daartegen gemaakt zijjn, en die, wanneer 
wi|j er de waarde van uitstrekken tot, en ze toepassen op, de riet- 
teélt, misschien aanleiding konden geven om het stelsel te verwerpen, 
dat w^ hier hebben aangeraden als het beste, altoos wanneer men te 
werk kan gaan onder gunstige omstandigheden. 

Als de grond vruchtbaar is en de aarde is zacht, zegt ons een ge- 
berd landbouwkundige (24); als de weersgesteldheid en andere van 
iea dampbring afhankelijke omstandigheden gunstig zijjn, en de planten 
iyii geplaatst op behoorl^ke afstanden van elkander, dan zullen ze met 
fatteht spruiten schieten; maar is de grond onvruchtbaar en droog; dan 
sullen ze niet groeijen met gelijke kracht, hetgeen eveneens het geval 
ssd zijn, al ware de grond vruchtbaar, wanneer de planten zoo digt bij 
dkander staan , dat ze zich bezwaarlijk de voeding kunnen verschaffen, 
éuB onverm^delijk noodig is om ze tot haren vollen wasdom te bren- 
gen. Wanneer wij dus op vermenigvuldiging rekenen door de plaat- 
sing »ei groote imschenruimten ^ voegt de bedoelde schrijver er bij, 
sMkn wy ons bloot aan al de wisselvalligheden van de weersverande- 

6 



Digitized by 



Google 



Sit 



ringen; met andere woorden , wij bouwen onze berekeningen ten dede 
op een ongestadig element. 

Het zal ons niet veel moeite kosten de hier aangevoerde stelling te 
wederleggen, voor zooveel de suikerriet-cultuur betreft, en zelfs, wat 
meer zegt, voor zooveel aangaat de omstandigheden, waarmede de cultuur 
der graangewassen gepaard gaat. Immers, bij het voorslaan en aanraden 
van het stelsel om te planten met groote tusschenruimten, hebben wij 
zorg gedragen eerst al de voorwaarden na te gaan en vast te stellen, 
die daarbij op den voorgrond moeten staan; zoodat wy, als al die ver- 
eischten behoorlek zamenwerkend aanwezig zijn, noodwendig het ge- 
wenschte resultaat moeten erlangen. Er bestaat voor ons geen wisselvallig 
element, daar vnj tot zqlfs de regens vervangen door besproeying. — 
Overigens, en op dit punt vestigen wy nogmaals uitdrukkelyk de aanr 
dacht: de plantingen met groote tusschenruimten verschaffen ons niet 
slechts een grooter aantal stengels, maar ze komen tevens meer volko- 
men tot ontwikkeling; zoodat wy, afgezien van de hoeveelheid, steeds 
in het oog moeten houden , dat het in acht nemen van goede tusschen« 
ruimten een vereischte is, zoo niet volstrekt onvermijdelijk, dan toch 
ten zeerste dienstig om riet te bekomen , dat in hooge mate suiker-hou- 
dend is. Wat aangaat de gevallen waarin men, uithoofde van ongunstig 
werkende omstandigheden, redelykerwyze niet kan verwachten dat de 
rietstokken zoo aanmerkelijk zullen groeijen, moeten wij alles aanwen- 
den om te maken, dat ze althans tot den hoogsten wasdom komen, 
dien ze, bij de omstandigheden waaronder zy geboren zyn, kunnen be- 
reiken; daarbij wel in het oog houdende, dat men in zoodanige geval- 
len de a&tanden, waarop het plantriet geplaatst wordt, ondergeschikt 
maakt aan den zamenloop van de bedoelde omstandigheden. 

De tweede bedenking betreft den tyd, waarop de nieuwe spruiten, die 
door de zich onder den grond bevindende mpederstek worden voortge- 
bragt, ontstaan of uitloopen (25). Het is waar, die telgen vertoonen 
zich niet allen te gelyk, maar komen te.voorschyn allengs na elkander; 
zoodat, daar er verschil bestaat in den ouderdom van de verschillende 
stengels , . ze ook niet op gelyken trap van wasdom staan , en dus op 
verschillende tijdstippen tot rijpheid komen. Hieruit volgt, dat de inza- 
meling van den oogst niet kan plaats hebben te gelijk op een gegeven 



Digitized by 



Google 



88 



dag, en daarvan hebben wy een voorbeeld bij de ryst-cultuur : by het 
plukken van den ryst-oogst moet men veelal twee- of meermalen het 
veld op nieuw afloopen» Wanneer men digt of gepakt plant, zoodat de 
plant niet eene groote menigte spruiten voortbrengt, volgt er ook meer 
gelykheid in het tijdstip van de rypwording, hetgeen eene groote be- 
sparing van arbeid verschaft. Het zoo natuurlyke verschijnsel, dat zich 
by de graangewassen openbaart, vertoont zich ook by het suikerriet. 
Niet al de stengels van eene plant komen gelijktijdig tot hunne hoogste 
ontwikkeling, tot den staat van rijpheid; maar zelfs dit onderscheid in het 
te voorschyn komen van de stengels , met de noodwendig daaraan verbon- 
dene gevolgen, is onderworpen aan de vaste en zeer bepaalde wetten, 
die wy zullen doen kennen als wij spreken over het kappen. Het kweoii 
bestaat dus werkelyk, strikt beschouwd; maar uit het oogpunt van 
arbeid is het verschil in de stengels, die eene plant vormen, welke zich 
onder de gunstigste omstandigheden ontwikkeld heeft, niet noemens- 
waardig, ongerekend dat het verschynsel van groote tusschenruimten 
een vereischte is voor de ontwikkeling van al de stengels, ieder op 
zich zelven. 

Om regelmatig te kunnen uitspruiten, derwijze, dat de voortgebragte 
stengels rijp worden (al komen ze niet tot eene zelfde en gelijktijdige rijp- 
heid, hetgeen, strikt genomen, eene onmogelykheid is; want al verkee- 
ren de later te voorschijn komende in betere voedings-toestanden , dan 
die, welke het eerst uitgeloopen zyn, dit neemt niet weg, dat men toch 
bij hen den invloed bespeurt van hunne latere wording, ten minste wan- 
neer ze tot eenen behoorleken graad van wasdom komen), moet het riet 
groeijen en zich ontwikkelen onder de gunstigste omstandigheden , onaf- 
gebroken gedurende al de tydperken van zynen wasdom. Wanneer het 
achterlyk blyft in zijnen groei, wanneer het niet op den behoorlijken 
tyd uitspruit en zich ontwikkelt, brengt het stengels voort, die nooit 
gelüktijdig tot eenen voorspoedigen en gelijkmatigen graad van rypheid 
komen; zoodat alsdan duidelijker al de nadeelen in het oog loopen, die 
afhangen van het verschil in ouderdom der stengels. De droogte, by 
voorbeeld, kan beginnen, wanneer de tweede uitspruitsels te voorschijn 
komen: de eerste stengels, die krachtvoller zyn, zullen minder lyden 
van den verderfelyken invloed, door het gemis van regens te weegge- 



Digitized by 



Google 



84 



gebragt, terwijl de latere stengels daarvan al de nadeclige werking on- 
dervinden, en bij gevolg niet groeijen zullen; vervolgens, wanneer bet 
hemelwater begint te vallen, zullen de van betere organen voorave 
stengels hunnen tot dusverre belemmerden groei krachtig hervatten, 
leeliff opschieten, gelijk onze landlieden zeggen, terwijl minder ontwik- 
kelde spruiten slechts langzamer den gunstigen invloed der vochtigheid 
deelachtig zullen worden; maar eindel^k zal zich nieuwe groeikracht 
in hen openbaren, en z^ zullen beginnen uit te loopen, alsnu de sprui- 
ten schietende, die ze reeds vroeger hadden moeten voortbrengen. Al 
deze spruiten van verschillenden ouderdom , verre van overeenstenmiend 
bevorderlijk te zijn aan elkanders ontwikkeling, gelijk het geval zou 
zijn geweest indien ze gelijktijdig waren uitgekomen, doen nu elkander 
nadeel door de schaduw der bladeren, enz., waarvan het gevolg wordt, 
dat in de wederzijdsche ontwikkeling de grootste ongelijkheid zal be- 
staan. Door die reden zal men by het kappen bevinden, dat de riet- 
akker eene mengeling vertoont van rijpe stengels met andere, die nog 
niet tot rigpheid gekomen zijn; de uitpersing der sappen zal moe^'el^k 
gaan, de opbrengst zal gering wezen, de kwaliteit van het prodokt 
slecht, enz. 

Al wat wij gezegd hebben betreffende de droogten, is ook volkomen 
van toepassing op de aanwezigheid van onkruid , en in het algemeen 
op alle omstandigheden, die in een of ander opzigt kunnen strekken, 
om den groei van het riet te belemmeren. Overeenkomstig deze denk- 
beelden kunnen wy nooit genoeg herhalen, dat wy de bestendige ont- 
wikkeling der rietstoelen steeds zooveel mogelyk moeten bevorderen, 
daarby in het oog houdende de wenken, die ons verschaft worden door 
de natuur: alle omstandigheden, die, regtstreeks of zijdelings, om het 
even in welke mate, aan die ontwikkeling in den weg staan, zijn in 
meerderen of minderen graad nadeelig, en zooveel doenlijk moet de 
invloed daarvan worden vermeden. Juist om het riet regelmatig en ter 
gelegener tijd te laten groeyen, moet men met overleg het jaargetijde 
kiezen om te planten, en tevens met alle zorg over het jonge plantsowi 
waken, goed oppassende op het besproeijen, wieden, enz.; wanneer het 
riet behoorlijk spruiten schiet, trekken al de krachten van den plan- 
tengroei nut van elkander, doordien ze elkander wederkeerig ondersteu- 



Digitized by 



Google 



85 



nen, en zoodoende de ruünsie opbrengst opleveren. (Zie De geêchikUte 
tijditipjpen om de plantingen ie hewerhêteUigen y blz. 22.) 

Aardbedehking. — Bi^j onderscheidene gelegenheden, en naar aanlei- 
ding van verschillende b^zonderheden , hebben wij ons be^verd om aan 
te toonen, van hoeveel belang het is den grond behoorlek los te maken , 
de aarde, die door de werking van den ploeg wordt opgeworpen, vol- 
komen fijn te maken, al de bestanddeelen van den grond goed dooreen 
te mengen, het onkruid uit te roeijen met wortel en al, enz.; evenzoo 
hebben wi^j gewezen op de noodzakeli^jkheid , om de physieke hoedanig- 
heden van den grond te wyzigen, den ondergrond los te maken, de 
gronden, die zulks noodig hebben, droog te leggen door middel van 
draineer-buizen , de chemische zamenstelling van den grond in te rigten 
naar eisch, enz.; in een woord, al de verrigtingen, die door den voor- 
uitgang in den landbouw worden aanbevolen, hebben het onderwerp 
uitgemaakt van onze studie in het algmeen , en van uitvoerige beschou- 
wingen, regtstreeks en onmiddellijk toegepast op onze cultures. — 
Het punt, dat wij nu gaan bespreken, levert een nieuw b^wys voor 
de toepasselijkheid der begrippen, die wg in deze regelen hebben 
uiteengezet. 

Onder al de werkzaamheden, die b^ de teelt van suikerriet verrigt 
worden, is er ontegenzeggelijk niet eene, die met grooter onachtzaam- 
heid volbragt wordt, dan de in de groeve geplaatste stekken plantriet 
te overdekken met aarde. 

Immers, gemeenlyk wordt deze arbeid verrigt in de vroegste uren 
van den morgenstond, somwijlen ook in den avond , zoodat de arbeiders 
te naauwernood elkander kunnen onderscheiden; en slaperig, en aan- 
houdend gejagt door den opzigter, volbrengen z^* dien arbeid, zonder 
zich er over te bekommeren of zy het goed doen of niet. Wanneer men 
groeven ploegt, vooral in kleiachtige gronden, krijgt men aan weers- 
zijden van de groeve zaamgepakte groote aardkluiten, die men, zonder 
ze fijngemaakt te hebben, op de geplante stekken laat neervallen: die 
aardkluiten beletten niet alleen door hare zwaarte en zaamgepaktheid 
den groei van het plantriet, maar laten het tevens onvoldoende gedekt, 
daar er steeds kleine gapingen of reetjes openbleven, waardoor de stek- 
ken in onmiddell^ke aanraking zijn met de lucht, en zoodoende gevaar 



Digitized by 



Google 



86 



loopen te Terdorren of althans veel te 1^'den in tijjd Tan droogte. Die 
aardkluiten fijn te maken, is niet alleen van aanbelang om hetplantriet 
goed te bedekken, en de hoeveelheid aarde, die over de stekken been 
wordt aangebragt, te evenredigen, maar het is ook later inhoogemate 
dienstig om de groeve te vnllen of aan te aarden, waartoe dan eene 
aarde gebezigd wordt, die gevoed is door de invloeden en zel&tandig- 
heden van den dampkring. Wy weten wel , dat er tegenwoordig vele 
planters zyn, die aanbevelen om de aardkluiten fijn te maken met het 
hakmes of met de spade ; maar behalve dat die bewerking veel te wen- 
schen overlaat, is er, om die te kunnen volbrengen, een zeker getal 
dagen noodig, dat niet daaraan besteed wordt. Wanneer men de aard- 
bedekking bewerkstelligt met spaden, hetgeen doorgaans geschiedt in 
den vroegen morgen, is het om ongelukken te voorkomen noodig, de 
arbeiders te verdeelen in twee ploegen, die het werk beginnen aan 
tegenovergestelde kanten, in groeven om den anderen; zoodoende ont- 
moeten ze elkander slechts in het midden van den riet-akker, en kun- 
nen ze elkander geen ongelukken toebrengen. Wij zullen hier de mid- 
delen doen kennen, die, naar het ons voorkomt, het meest dienstig z^n 
om de beste resultaten te erlangen in de bewerking, die ons bezighoudt. 

Het meest afdoende middel, en dat wij daarom in de allereerste 
plaats vermelden, zou hierin bestaan , de geaardheid van den grond ge- 
stadig beter te maken door het aanbrengen van mestspeciên, bewerkin- 
gen tot eene aanmerkel^ke diepte, losmaking van den ondergrond, 
drooglegging (drainage), besproeijing, enz.; en zoodoende zou men het 
in zekere mate zoover kunnen brengen, dat men by het openen van de 
groeven daaruit eene in meerderen of minderen graad losse en zachte 
aarde verkreeg, die later zou dienen om het in den grond gebragte riet 
te overdekken en de aanaarding te bewerkstelligen. 

Het tweede middel heeft betrekking op het geschiktste aaizoen om 
de opening van de groeven te doen plaats hebben. Wanneer men in 
kleiachtige gronden de groeven gaat openen terwyl de grond zeer vochtig 
is , laat de aarde los in groote kluiten , die niet alleen op dat oogenblik 
zelf reeds moegelijk z^n fijn te breken, maar later zoo hard worden, 
dat ze byna in het geheel niet meer fijn te krijgen z^n. Is de grond 
zeer droog, dan zijn de aardkluiten kleiner, maar altjjd uitermate hard 



Digitized by 



Google 



87 



en moe^'elijk fijn te krijgt. Bi^j de gewone manier van bewerking om 
de gronden gereed te maken, worden de aardkloiten min of meer 
fijngemaakt door de rollen en eggen; en in koude landen bewerkt ook 
het water, wanneer het bevriest, de loswording; in het klimaat van 
Cuba brengen de afwisselende regens en droogten de zelfde uitwerkse- 
len te weeg. Wanneer men groeven maakt om daarin te planten, kan 
men zich van de genoemde werktuigen niet bedienen, en kan men 
evenmin hopen op de weldadige uitwerkselen van de dampkrings- 
invloeden. Elke grond heeft een t^*d, dat hij eenen bijzonderen graad 
van vochtigheid bezit, en dat is het geschikte tydstip, om die bewer- 
king te volbrengen met meer kans op eenen goeden uitslag; die bijzon- 
dere graad van vochtigheid hangt af van de algemeene eigenschappen 
van den grond, van de gereedmaking, vandedampkrings-invloeden, enz. 

Maar gesteld dat de grond niet behoorlijk gereedgemaakt is, en dat 
men overgaat tot het openen van de groeven op een weinig geschikt 
tijdstip, bestaan er dan middelen om de daaruit voort te vloeyen na- 
deden althans gedeeltel^k af te wenden? Dit zal men kunnen, als men 
den ploeg zoodanig stelt, dat de aardkluiten op het oogenblik, waarop 
zij verplaatst worden, te gelyk worden fijngemaakt, hetgeen men kan 
te weeg brengen op tweederlei wijze, hetzij door zich te bedienen van 
ploegscharen, die een byzonderen vorm en by zondere afmetingen heb- 
ben, hetzy door twee of drie messen aan te brengen in de scharen 
van den ploeg. Een helicoïdale ploeg, op de aangeduide wijze ingerigt, 
maakt dat de aarde, op het oogenblik waarop aij omgekeerd wordt, te 
gelyk aan stukken breekt; maar om gelyktydig de aarde om te keeren 
en aan stukken te breken , daartoe moet eene vrij belangryke trekkracht 
worden aangewend (26). -^ De tweesnijdende ploeg, voorzien van mes- 
sen, is eene nieuwe toepassing, welke wij hebben gemaakt van een 
werktuigkundigen toestel, reeds by de landbouwers bekend en op prys 
gesteld. Om al de belangrykheid van het werktuig, dat wy voorslaan, te 
doen begrijpen, zullen wij nu eenige by zonderheden bespreken van den 
oorspronkelyken ploeg, dien wy hebben gewijzigd, om hem te kunnen 
toepassen op het planten van suikerriet. 

De verkrumeleHde ploegen zijn zamengesteld uit de zelfde stukken als 
de gewone ploegen, aan welke in de schaar eenig mechanismus wordt 



Digitized by 



Google 



88 



toegevoegd, dat gesehikt is om de aardkloiten» naar gelang ze door den 
ploeg worden opgeworpen, te splitsen, te verbrokkelen of ^n te krui- 
melen. Het eerste denkbeeld om den arbeid meer volkomen te maken 
door middel van eenen aan den ploeg bevestigden toestel, hebben wij 
te danken aan Brown (1822). Later, in 1842, werden door Masson 
verbeteringen in dien toestel aangebragt, en pogingen aangewend om 
bem meer in gebruik te brengen. Daarna wijzigde graaf Avendi den 
ploeg van Botter, door daarachter te laten loopen eene soort van egge, 
die de aardkluiten aan stukken brak. Nog later werden door Plissonnier 
drie messen aangebragt aan de schaar van den ploeg van Dombasle. En 
eindel^k, nu kort geleden, heeft Bouthier de Latour een verkruimelen- 
den ploeg uitgevonden , waaraan de meeste lof is toegekend. Dat weric- 
tuig is beschreven en afgebeeld in het Journal d*JgricuUure praUque 
(1862, dl. I, blz. 14). Met de werktuigen, waarvan wy hier melding 
gemaakt hebben, z^'n proeven genomen door zeer vele landbouwers, 
die uit hunne bevindingen zekere praktische regelen hebben afgeleid, 
welker bekendmaking wy vermeenen van nut te zullen kunnen zyn. — 
1*. Wanneer de kleiachtige gronden bewerkt worden ter geschikter tyd, 
in het saizoen, dan worden de aardkluiten door de verkruimelende 
ploegen volkomen fijngemaakt, derwyze, dat het onnoodig wordt zich 
daartoe ook nog van de eggen te bedienen. — 2*. By het bewerken van 
zeer vochtige kleigrojiden leveren de twee messen eene minder bevre- 
digende uitkomst, en is het derhalve beter zich slechts van één mes te 
bedienen. Grandvoinet. geeft den raad, om in dergelyke gevallende 
verticale messen te vervangen door dunne mesjes, en ook misschiep 
door stalen pennen, ten einde zoodoende aan de werking der messen 
eenigermate eene schuine rigting te geven, daar ze alsdan op de aard- 
kluit werken min of meer opgeheven, eer die zich met de overigen 
vereenigt. — 3o. Als de grond niet al te vast is, kunnen de messen 
worden geplaatst aan den rand van de ploegschaar ; maar heeft men te 
doen met zeer kleiachtige gronden, dan is het beter ze een weinig meer 
van den rand af te plaatsen, als wanneer ze de reeds opgeworpene aarde 
aan stukken zullen snyden. — 4o. Heeft de aardkluit, naar evenredig- 
heid van hare dikte, eene tamelyke breedte, dan is het verkieslijk het 
bovenste mes horizontaal en het onderste verticaal te plaatsen. — 



Digitized by 



Google 



89 



Bp. Wanneer de aardkluiten, naargelang van hare breedte, eene buiten- 
gewone dikte hebben, is het noodig drie messen horizontaal aan de 
schaar aan te brengen. — Dat zijn de vereischten, bij het gebruik van 
die werktuigen in het oog te houden. Overeenkomstig deze beginselen 
zal men gemakkel^k kunnen bepalen wanneer het dienstig kan zijn een 
ploeg met dubb^ sehaar te bezigen, met messen daaraan toegevoegd, 
(Hn op die wijze de verkruimeling van de aardkluiten te bewerken. En 
behalve dat zoodoende de arbeid uitgespaard wordt, die anders noodig 
is om de kluiten aan stukken te breken met het hakmes, zal men 
tevens het werk verrigt zien met meer volkomenheid (27). 

W^ hechten er zooveel waarde aan, de rietstekken te overdekken met 
aarde, die goed zacht en van de lucht doortrokken is, dat wijj het in 
sommige gevallen nuttig zouden achten , de groeven te openen een dag 
te voren. Op die wyze zou de uit de groeve opgeworpene aarde vrucht- 
baar gemaakt worden; de stekken plantriet zouden daardoor in betere 
omstandigheden geplaatst worden en in het genot komen van vereisch- 
ten , gunstiger voor de ontwikkeling der knoppen. Bovendien moeten wij 
in aanmerking nemen het gemak om den arbeid te volbrengen met 
spoed, en in vele gevallen tevens beter, en met minder kosten. Het 
eenige bezwaar, dat wij tegen deze wijze van bewerking ontmoeten, is 
dit : als er zware regens kwamen , zou een gedeelte van de aan weers- 
kanten der groeve opgehoopt liggende aarde daarin nederstorten, zoodat 
de groeve alsdan weder zou moeten worden schoongemaakt alvorens er 
in te kunnen planten; maar dit bezwaar kan gedeeltelijk worden voor- 
komen, als men zich bedient van eenen ploeg met een schoffel er aan, 
waardoor de aarde, die aan weerskanten van de groeve wordt opge- 
worpen, vaneen gescheiden wordt (28). 

Opdat er geen de minste twijfel blijve bestaan aangaande onze denk- 
beelden betreffende de vereischten, die noodig zyn om de aardbedek- 
king naar behooren te bewerkstelligen , achten wij het noodig nogmaals 
te doen opmerken, dat wij, zonder de beschouwingen aangaande de 
gebezigd wordende werktuigen uit het oog te verliezen, ons moeten 
beijveren den grond beter te maken, aangenomen dat hy in z^nen 
natuurlyken toestand niet geschikt is voor het doel, dat wij wenschen 
te bereiken; zoomede dat het onder alle omstandigheden een noodwen-* 



Digitized by 



Google 



90 



dig vereisohte ii, te werken in het êoizoen. En deze opmeridng is te 
meer van gewigt, daar men, aldoa den grond verbeterende door de 
doelmatige meehanische, pbysieke en chemieehe middelen en door te 
werk te gaan in het saizoen, ook nog andere voordeelen erlangt. 

Eer wij deze wenken betreffende de wijze om de rietstekken met 
aarde te overdekken besluiten, gelooven w^ het niet ondienstig hier 
eene handelwijze te doen kennen, die in sommige bepaalde gevallen 
kan worden gevolgd, als hulpmiddel , om eenen goeden groei te bewer- 
ken. Bijaldien een grond zeer laag ligt en kleiachtig is, en er vallen 
in den tijd van het planten zware regens, dan zal het nuttig z^'n de 
stekken in de groeven te plaatsen, en ze daar onoverdekt te laten lig- 
gen, totdat de grond weder gedroogd is. Eerst dan gaat men over tot 
het overdekken van het plantriet, terwijl het best kan gebeuren, dat 
in dien tusschentijd de knoppen reeds uitgeloopen z^n. Zonder ons te 
willen verklaren als voorstanders van zoodanige w^'ze van handelen, die 
wij in str^d achten met de goede regelen der landhuishoudkunde, welke 
ons voorschreven om voor de waterlozing te zorgen met al de midde- 
len, die zij ons aan de hand doet, kunnen w^ toch niet anders dan 
erkennen, dat het, als hulpmiddel, zeer dienstig kan zgn. Wy hebben 
eenen riet-akker gezien, waarvan de helft beplant was op deze wijze, 
terwyl op de andere helft de in den grond gebragte stekken waren 
overdekt met aarde gedurende den regentijd : en het onderscheid was 
inderdaad in het oog loopend. Wray (29) maakt gewag van deze wijze 
van handelen, waarvan hij, naar het ons voorkomt, het nut niet naar 
behooren waardeert, terw^l hij er op laat volgen, dat „ geen rietbouwer 
ooit zijne in den grond gebragte stekken overdekken moet anders dan 
b^ droog weder"; eene uiterst strenge meening, daar w^ zoodoende 
zouden dienen te zorgen alt^d de rietstekken te kunnen overdekken 
met aarde. — Ten aanzien van het hier behandelde punt achten wij het 
niet ondienstig melding te maken van een gebruik , dat door vele plan- 
ters wordt gevolgd, vooral wanneer er in den droogen tyd geplant 
wordt, het gebruik, namelyk, om het in de groeve gebragte riet eenen 
nacht onbedekt te laten liggen, ten einde er den nachtdauw op te laten 
nederdalen, en bet eerst den volgenden morgen te overdekken, zeer in 
'de vroegte. 



Digitized by 



Google 



91 



Deze w^ze van handelen levert al dadelyk het voordeel op, dat al 
het in de groeven gebragte plantriet gelijkt^g met aarde overdekt 
-wordt; want tot die taak worden al de arbeiders gebezigd, eerz^ zich 
gaan onledig houden met de verschillende werkzaamheden, waartoe ze 
later ieder in het bijzonder bestemd z^n ; bovendien moet die besproeiing, 
welke èn het plantriet èn de grond heeft ontvangen, eenigen invloed 
uitoefenen op de latere ontwikkeling ; want o£M;hoon wij nog geen regt- 
streeksche proeven hebben genomen om dat voordeel buiten allen tw^fel 
te stellen , zegt ons toch ons gezond verstand , en bewijst ons ook de 
gemaakte vergel^king , dat zij wel eenig nut moet te weeg brengen. — 
Immers, de ondervinding heeft bewezen, dat het geschiktste tydstip 
om te planten is, wanneer de hitte der zon zich nog niet zeer erg doet 
voelen , want zoodoende vermijdt men de uitdrooging van den grond , 
en ook de anders in zekeren graad plaats grypende verdorring van het 
geplante of gezaaide. Dit feit wordt inzonderheid waargenomen b^ 
het zaaijen van gerst. — In sommige landen wordt het plantriet in 
den grond gebragt tegen den avond, en vervolgens in den vroegen 
morgen met aarde overdekt; zoodoende erlangt men betere resultaten, 
dan wanneer de overdekking geschiedde gedurende de felste kracht der 
zonnestralen. — Schwertz en Thaer pryzen de degelijkheid van deze 
manier van handelen. (30) 

Wanneer de uitgestrektheid van onze akkers en het aantal arbeiders, 
waarover wy beschikken kunnen , het toelieten , moesten wy nooit anders 
planten dan in het saizoen ; maar aangezien zulks niet mogelijk is, zou 
het nuttig zgn het plantriet in de groeve te plaatsen tegen den avond, 
en het daags daarna, in den vroegen morgen, te overdekken; of ook, 
al wierd het riet gedurende den ganschen dag in de groeve besproeid, 
zou het toch altijd nog goed zijn, den nachtdauw zoowel de riet- 
stekken als den grond te laten verfrisschen en bevochtigen. Naar ons 
gevoelen behoorde het plantriet gesneden te worden in den vroegen 
morgenstond, den ganschen dag digtgedekt te blyven staan op hoopen, 
van welke het dan des avonds wierd afgehaald om in den grond te 
worden gebragt. Op deze manier zou men het voordeel hebben, dat men 
anders tracht te verkrijgen door het plantriet in het water te leggen 
alvorens het in den grond te brengen, ^ 



Digitized by 



Google 



92 



Op sommige plantaadjen bedient men zich van bijzondere werktuigen, 
om het in de groeve geplaatste riet met aarde te overdekken. Die werk- 
tuigen , welke gezegd worden zoo te kunnen worden gesteld , dat ze het 
plantriet overdekken met de juist gewenschte hoeveelheid aarde, worden 
in beweging gebragt door trekdieren, en volbrengen den arbeid in eenen 
korten tyd. Ze zijn bekend onder den naam van aardbedekkers voor het 
plantriet. — In Bengalen (Wray, blz. 218) bedient men zich tot dat 
einde veelal van den haingher, zijjnde eene soort van rol (blz. 102), die 
de inlanders gebruiken om de aardkluiten fijn te maken. Het voornaamste 
bestanddeel van dit werktuig is een groot stuk hout» gemeenlijjk 2,4 
nederl. ellen lang, 18 ned. duim breed en 6 a 8 ned. duim diL — 
De haingher wordt getrokken door vier ossen; twee mannen staan er 
op, terwijl het werktuig in beweging is. — Het spreekt van zel£s, 
dat men , om de rietstekken te overdekken met aarde , zich zou kunnen 
bedienen van de kleine ploegen en van de eggen; maar wy gelooven, 
dat er tot nog toe geen werktuig bestaat, waarmede die arbeid kan 
worden volbragt naar behooren en volkomen naar eisch. 

Wat betreft de hoeveelheid aarde, waarmede het plantriet overdekt 
behoort te worden , zullen daarbg in aanmerking dienen te worden geno- 
men de algemeene eigenschappen van den grond; de toestand, waarin 
hy zich bevindt ten gevolge van de verbeteringen, daarin te weeg ge- 
bragt door mestspeciën, enz.; de weersgesteldheid tijjdens het planten, 
en zoo al meer. Op alle manieren moet het plantriet goed overdekt 
liggen , maar derwijjze , dat het gemakkel^'k kan uitspruiten , zonder 
benadeeld te worden door de werking van de zon. 

Plantingen, waabtoe men zich bedient van toppen. — I. Onder 
de benaming van toppen-planting is die wijze van planten te verstaan, 
waarbij men zich enkel bedient van de jongste en tengerste boveneinden 
der rietstengels. Ten einde twijfel te vermijden en verwarringen te 
voorkomen, achten wij het dienstig twee wyzen van planten te onder- 
scheiden onder de manieren , die gemeenlek toppen-plantingen genoemd 
worden; bij het bepalen van haar wederz\idsch verband moeten wij de 
punten van overeenkomst doen kennen, die ze met elkander gemeen 
hebben , en tevens aantoonen , waarin ze van elkander z\jn onderscheiden. 



Digitized by 



Google 



93 



Onze eigentlijjk gezegde toppen-plantiiigen z^n die, welke, behalve 
dat daartoe gebruikt worden de geledingen, die zich het laatst aan 
de rietstengels hebben ontwikkeld, in dierroege geschieden, dat bij 
het snijden van de stek of dat gedeelte, dat als plantriet zal wor- 
den gebruikt, de bladeren worden afgesneden meer boven den laatsten 
knop , die door z^'ne ontwikkeling den groei zal doen plaats hebben 
naar omhoog; dusdoende kan de groeikracht van dien riettop zich bly* 
ven ontwikkelen in de lengte, terwijl de zijknoppen, die in den grond 
zijn geplaatst, zich insgel^ks ontwikkelen en uitloopen of spruiten 
schieten. — Behalve deze manier, die, zooals wy gezegd hebben, de 
meest in zwang zynde is, kan het toppen-planten ook worden verrigt 
zoo, dat de stek wordt afgesneden vlak onder den eindknop; op die 
wijze zal de aanvankel^ke ontwikkeling naar omhoog geen plaats kunnen 
hebben, en al de groeikracht zal zich vereenigen ter ontwikkeling van 
de zijknoppen. — Door de manier van planten en andere omstandig- 
heden zal men zien , dat een zelfde resultaat wordt verkregen , om het 
even op welke hoogte de tot stek te bezigen top van den rietstengel 
afgesneden is. 

Het toppen-planten is tegenwoordig op Cuba niet zeer algemeen, 
of liever weinig meer in zwang; het komt alleenlijk nog voor in 
geheel b^zondere gevallen ; maar voor zooveel het in bepaalde om- 
standigheden kan gelden als algemeene regel van erkend nut, moe- 
ten wy zeggen, dat er, over het algemeen, op Cuba al zeer wei- 
nig waarde aan toegekend wordt. Wij zullen de gevallen opsommen, 
waarin zoodanige wijze van planten plaats heeft, en dan uitvoerig al 
de bijzonderheden bespreken , die daarop betrekking hebben. Het top- 
pen-planten heeft plaats : l». Om de laagstgelegene gedeelten van eenen 
riet-akker te beplanten, waar in tijden van aanhoudende regens het 
water te hoop loopt en geheele plassen blyven staan. 2®. By het 
gewone planten hebben velen , ten einde niets yan den rietstok 
ongebruikt te laten , als regel aangenomen , de r^pe stekken aan 
weerskanten in de groeve te plaatsen , en dan de toppen zoo te 
buigen, dat die onder in de groeve komen te liggen midden-in. Het 
zelfde heeft plaats bij het planten met den pootstok ; alsdan blijven 
de boveneinden der rietstokken gedeeltelijk ongedekt. Ook wanneer het 



Digitized by 



Google 



planten geschiedt met behulp van de spade, kan men de toppen ge- 
bruiken, wanneer men ze slechts buigt en op de wanden van de groeve 
laat rusten. 3^. Voorheen, en ook nog tegenwoordig, zijn er vele 
planters , die , bij het kappen van eenen riet-akker , de toppen gebruiken 
om in te boeten. 4^. Dit stelsel van planten wordt op groote schaal 
toegepast door hen, die riet willen telen en de r^*p6 stengels houden 
om ze te verkoopen. 

Alvorens helder in het licht te stellen al de b\jzonderheden , die op 
deze wijze van planten betrekking hebben, moeten wij beginnen met 
te doen zien in welke omstandigheden de ontwikkeling plaats grijpt 
van den eindknop. Wanneer men riettoppen plant, die afgesneden zgn 
op zekeren a&tand van den eindknop, zal deze zich ontwikkelen, bij- 
aldien de omstandigheden gunstig zijn ; maar is de a&n^ding te digt 
b^' den knop geschied, dan zullen de eerste bladeren, uithoofde van 
de teerheid van hun wee&el , niet bestand z^n tegen de werking van 
de zon, waardoor ze gezengd zullen worden en verschroeid. In andere 
gevallen wordt dit ware „neui^'e van den zalm" van den rietstok 
door sommige insekten doorgevreten. Menigmaal, ais de noodige voch- 
tigheid ontbreekt om de groeikracht te bevorderen en te begunstigen, 
zal de eindknop zich evenmin ontwikkelen, maar in zulke gevallen 
verdorren. Wat betreft of de eindknop zich kan ontwikkelen onder 
den grond, dan wel of daartoe noodwendig de invloed van den damp- 
kring vereischt wordt, kunnen wij de verzekering geven, dat w^ nog 
nooit een voorbeeld van zoodanige ontwikkeling onder den grond gezien 
hebben; daartoe is steeds als onmisbaar vereischte de invloed van den 
dampkring noodig. Om dienaangaande eiken twijfel weg te nemen, leb- 
ben wij eene ontelbare menigte toppen geplant, en wanneer ze goed 
door de aarde gedekt waren hebben ze nooit een nieuwen of meerderen 
groei voortgebragt ; maar wel hebben wy somwylen gelegenheid gehad 
daarb\j een tamelgk vreemd verschijnsel waar te nemen. Wanneer men 
een min of meer krom stuk riettop op geringen afstand beneden de 
oppervlakte van den grond plant, dringt naauwel^ks de vochtigheid 
in de weefsels daarvan door, of het kromme stuk wordt weder regt; 
het riet tracht zich met alle geweld naar omhoog te rigten, en zoo- 
doende kan een der beide uiteinden van den top boven den grond 



Digitized by 



Google 



95 



te voorsch^'n komen : komt nu het bovenste einde aldus te voorschijn , 
dan is de eindknop vatbaar voor ontwikkeling ; maar als het onderste 
einde uit den grond te voorsch^'n komt, zal de eindknop zich niet 
ontwikkelen. In de gevallen wanneer de top regt is , zonder kromten 
of bogten hoegenaamd, zal er volstrekt geen groei-beweging in de 
lengte plaats hebben , en zullen alleen de z^knoppen zich ontwikkelen ; 
w&ï den eindknop betreft , die zal tot verrotting overgaan ; gemeenlijk 
strekt de verrotting zich nog verder uit , en eindigt onder sommige 
omstandigheden hiermede , dat zij of zich aan het geheele stuk plantriet 
mededeelt of van zeer nadeeligen invloed wordt op de nieuwe spruiten. 
De verrotting van den eindknop is afhankelijk van de gesteldheden van 
den grond. 

Bepalen wi^j thans de wijzen hoe het planten bewerkstelligd wordt. 
Planten wij de riettoppen zoo, dat ze ver boven de oppervlakte van 
den grond uitsteken, dan zullen zich, zoodra de eindknop ontwikkeld 
is, en zelfs ingeval hij niet tot ontwikkeling komt, jonge spruiten 
vertoonen en ontwikkelen, welke voortkomen van de knoppen onder 
den grond en van die , welke zich bevinden aan het stuk riet , 
dat niet met aarde overdekt is : deze laatste spruiten groeijen op tot 
looze stengels. De rietstok, die dus het voortbrengsel, of, om juister te 
spreken, de verlenging is van den top, door de ontwikkeling van den 
eindknop , groeit niet hard , ontwikkelt zich slecht , ziijne geledingen 
z^n kort en houterig, en h^ eindigt met in zynen wasdom gestuit te 
worden , doordien z^ne blad-organen verdroogen. De looze stengels ver- 
dorren op het laatst, en de geheele rietstoel gaat tot verval over, en 
verliest den eenen stengel voor, den anderen na of verdort op den 
stam ; de eenige stengels , die blijven leven en tot een tamelijk goeden 
wasdom komen, zijn die, welke voortgesproten zyn uit de oogen aan 
het tdteinde van het gedeelte, dat in den grond zit. De looze stengels, 
in plaats van gunstig terug te werken op die van den stam, verzwak- 
ken deze , zonder nogtans ooit tot eenen behoorlijken wasdotn te komen , 
noch tot iets te kunnen dienen. Als het niet mogelijk is het ontstaan 
van looze stengels te voorkomen , moet de rietstoel , die ze heeft voort- 
gebragt en draagt, worden gekapt, voor het minst met den grond 
gel^lc , indien het niet doenlijk is de kapping nog lager te bewerk- 



Digitized by 



Google 



stelligen. Bij het yerrigten van deze beweridng moet men vooral zofg 
dragen de stengels niet te kwetsen , tot welk einde het raadzaam is 
het riet te breken of te knakken met de handen , of wel het aan den 
grond af te snyden met een zeer scherp mes. Onverschillig hoe kort 
of lang die looze stengels leven, ze zyn altyd meer of min schadelijk; 
en daar het overigens een lastig en netelig werk is ze te kappen, 
moet men al het mogelijke doen om hun ontstaan te voorkomen, door 
de zaken zoo in te rigten, dat ze achterwege blijven. Om dit resultaat 
te bewerken is het noodig de toppen zóó te planten, dat ze op zyn 
hoogst slechts vier duim boven den grond uitsteken, en byaldien er 
geplant is met den ploeg of met de spade, ze later aan te aarden 
derwyze, dat althans de vijf nieuwe geledingen, die zich gevormd hebben 
na de ontwikkeling van den eindknop, overdekt zijn zoodra de be- 
werking geheel afgeloopen is. Om van alle omstandigheden behoorlijk 
part^ en nut en voordeel te kunnen trekken is het een onmisbaar ver- 
eischte, dat de top steeds in den grond worde gebragt zeer in de 
schuinte , aangezien zoodoende het gedeelte , dat onder den grond zit , 
des te grooter zal zyn. 

Eer wij overgaan tot de uiteenzetting van de denkbeelden, die wij 
ons ten doel hebben gesteld te ontwikkden, achten w^ het noo^ 
dig eenige ophelderingen te laten voorafgaan met betrekking tot een 
reeds door ons aangevoerd punt. Somw^len , b^ het planten van 
een groot stuk riettop, derwyze, dat er eenige geledingen boven den 
grond uitsteken, ontwikkelt zich de eindknop, de spruiten van den 
stam loopen zeer voorspoedig uit , en de looze stengels z^*n zoo 
welig, dat velen, vooral de ondersten, uitloopen iu de lucht en niet 
slechts tweede , maar zelfs derde , ja somwijlen vierde uitspruits^ 
voortbrengen. Zal men daaruit tot de gevolgtrekking kunnen komen > 
dat de looze stengels geschikt zijjn om , althans in sommige gevallen , 
b\j te dragen tot de sterkere groeikracht van den stam? Zeer zeker 
neenl Wat dezen weligtn groei veroorzaakt en bevordert zijn de eigen- 
schappen van het plantriet ; en wanneer de bedoelde looze stengels , in 
plaats van zich meester te maken van de algemeene sappen, ontstaan 
waren op eene wijze , waardoor ze levensvatbaarheid en ontwikkelings- 
kracht konden vinden in zich zelven , is het duidelijk , dat alsdan de . 



Digitized by 



Google 



97 



stam meer levenskracht zou hebben behoaden, ongerekend nog dat 
die groeikrachten in sommige opzigten nut hadden kannen aanbrengen. 
Deze laatste wijze van zien stemt overeen met onze denkbeelden aan- 
gaande de gemeenschap en het wederkeerig verband , dat er bestaat 
tusschen al de stengels van eenen zelfden stam , die , ofechoon onder 
houden uit eene en de zelfde levensbron, nogtans door hunnen we- 
derkeerigen en zamenwerkenden invloed elk op zich zelven bijdragen 
t5t het onderhoud van allen. Wat aangaat het blad, dat de eindknop 
loslaat , zullen wij later de redenen doen kennen , die ons aanleiding 
geven om te gelooven, dat er uit de ontwikkeling daarvan sommige 
voordeden voortvloeijen. 

Daar de bemoeijingen van den mensch niet altijd dienen om de 
ontwikkeling van den eindknop te weeg te brengen, en evenmin om 
het te voorschijn komen van de looze stengels te beletten , of althans 
de nadeelige gevolgen daarvan tegen te gaan , zegt ons gezond verstand 
ons, dat wij den weg moeten kiezen, die ons met zekerheid tot een 
stellig en bepaald resultaat zal leiden, al is die weg misschien niet 
zoo voordeelig. Wanneer wij de zaak uit dit nieuwe gezigtspunt be- 
schouwen , komt het ons voor , dat het planten van toppen , waarbij de 
ontwikkeling van den eindknop belet wordt, in sommige gevallen meer 
zekerheid oplevert , daar op die wijze ten minste het ontstaan van looze 
stengels wordt vermeden. Om de ontwikkeling van den eindknop te 
beletten, is het voldoende den top iets lager onder dien knop af te 
snijden; maar het zelfde resultaat zal men, ofschoon op minder voor- 
deelige wijze , ook kunnen bereiken wanneer men den in den grond 
gebragten top geheel en al met aarde overdekt. 

Als men toppen wil planten, moet men zich daartoe bedienen van 
de bovenste gedeelten van het plantriet, van 14 a 18 maanden, heb- 
bende dit beter ontwikkelde knoppen, terwyl ook de geledingen beter 
ontwikkeld en krachtiger zijn ; maar ofschoon het zeer nuttig is dat deze 
plantstekken tot den hoogsten graad van rijpheid zijn gekomen, is het 
tevens van het hoogste gewigt dat het riet niet gebloeid hebbe , aange- 
zien er in zoodanig geval geen eindknop aanwezig zou zijn, en ook de 
bovenste oogen tot niets nut zouden wezen , naardien ze slechts het 
aanzijn zouden ireven aan looze stengels. Onze proefnemingen hebben 

7 



Digitized by 



Google 



98 



01» wel het bew^ gelererd , dat ook looze stengels geplant kunnen wor- 
den 9 en dat ze ter gelegener tiijd fraaie stammen kunnen voortbrengen ; 
maar met dat al zullen wy niet ontkennen , dat wij ons in gewone om- 
standigheden nooit van zulke stekken om riet te telen moeten bedienen. 

Om het even op welke wijze men toppen plant, is het altijd nuttig 
eerst de onderste bladeren, die om de stek zitten, te verwyderen , aan- 
gezien de knoppen, zoodoende geheel onbelemmerd, zich met meer 
spoed zullen kunnen ontwikkelen. Neemt men deze voorzorg niet hi 
acht , dan moeten de jonge spruiten , als ze beginnen uit te loopen , 
zicli eerst eenen weg banen langs de gansche binnenz^'de van het dek- 
blad. Zeker is het, dat men op deze wijze eene grootere moederstek 
onder den grond kr^gt, die later met meer kracht spruiten schiet; 
maar even zeker is het ook, dat de spruit op die wijze meer tijd 
noodig heeft om uit den grond te komen, en tevens gevaar kan loopen, 
in dit haar streven om uit den grond te komen belemmeringen te ont- 
moeten, en zelfs geheel daarin te worden verhinderd. 

Het planten van toppen , vooral wanneer men verlangt dat de eind- 
knop zich zal ontwikkelen , vordert eene aanhoudende vochtigheid : bet 
best daartoe dienstig zijn laagliggende gronden of besproeijing. Deze 
daadzaak, die door de ervaring volkomen is bevestigd, heeft eene 
meening doen ontstaan , welke door vele landlieden voorgestaan wordt. 
Zij gdooven , namelyk , daar de plantsoenen van toppen welig opschie- 
ten in drassige gronden , dat de op zulke gronden voortgebragte stengels 
eene b^'zondere kracht erlangen , waardoor ze bestand zijn tegen alle 
ongunstige invloeden , die , naar zij meenen , anders voor de plant ver- 
derfelyk zouden zijn. Doch om het even waar en hoe, eene aanhou- 
dende en overmatige vochtigheid is alt^d schadelijk voor den stam. Dat 
een plantsoen , voortgekomen van toppen , beter bestand is tegen eene 
overmatige vochtigheid , moet juist worden toegeschreven aan de krach- 
tigere ontwikkeling , die , eenen bijzonderen stempel drukkende op de 
veranderingen , welke de in de geleding aanwezige zelfetandigheden 
ondergaan , ze vry waart tegen den aard en de karakteristieke verwar- 
ring, die daarin wordt te weeg gebragt, wanneer ze enkel geregeerd 
worden door de chemische , physieke en mechanische invloeden. Volgens 
de door ons medegedeelde wenken laat zich gemakkelijk begrepen , 



Digitized by 



Google 



99 



dat toppen het best geplant kunnen worden in het begin van de lente « 
daar ze alsdan part^ trekken van de regens, en alles zamenwerkt ten 
voordeele van de snelle ontwikkeling, die zich in het plantsoen open- 
baart. Juist tegen dien t^'d wordt het plantriet gekapt, zoodat men 
dan eene ploeg niet zeer sterke arbeiders aan het werk kan stellen om 
de toppen klaar te maken, alsook de stengels creole-riet, die, tot 
behoorlijke vrachten opgehoopt, overgebragt worden naar de plaats 
waar geplant worden zal. 

IL Thans zullen w^ tot eene beschouwing en onderlinge vergelijking 
overgaan van de waarde der plantingen , waartoe men zich bedient van 
de bovenste , onrijpe toppen der stengeb , en die , waartoe men stekken 
bezigt, welke tot eenen meerderen of minderen graad van rijpheid z^n 
gekomen: van beiden zullen wij de voordeden en de nadeelen opsom- 
men , de toepasselijkheid aantoonen van de eene en van de andere wijze 
onder bepaalde omstandigheden, en vervolgens onbevooroordeeld de 
gevallen bepalen , waarin het voordeeliger zal wezen het2^* de eene hetzy 
de andere wyze van planten te volgen, ofwel de beide manieren ge- 
zamentl^'k en vereenigd toe te passen. De onvoorwaardelijke voorstan- 
ders van het toppen-planten zeggen : „ Ja , de bovenste en jonge ge- 
deelten van de rietstengels moet men kiezen en gebruiken als plantriet, 
want dat zijn de eenige gedeelten, waarvan men een bepaald gunstig 
resultaat kan verwachten bij de teelt van suikerriet; de knoppen, aan 
dat gedeelte van den stengel nog met bladeren omkleed, en dus be- 
schermd en beveiligd, hebben nog niet de werking ondervonden van de 
dampkrings-invloeden ; hunne weefsels zign doortrokken van jeugdige 
sappen en bevatten de noodige waterdeelen, waardoor de ontkieming 
kan plaats grijpen ; de vloeibare zelfstandigheden hebben nog geenerlei 
verwerking ondergaan, zoodat ze nog in dien toestand en onder die 
omstandigheden verkeeren, waarin zij het meest geschikt zijn om aan 
de knoppen al de zelfstandigheden mede te deelen, die deze noodig 
hebben om te bestaan en te groeyen. De rype rietstekken daarentegen 
hebben knoppen , die in meerderen of minderen graad verdroogd zijn , 
en in welke zich slechts langzaam en moegelijk de groeikracht weder 
ontwikkelt; hare sappen bevatten veel suikerdeelen en ondergaan slechts 
van lieverlede de innerl^ke verandering , waardoor ze zoodanig worden 



Digitized by 



Google 



100 



zamengesteld , dat ze kunnen dienen om voedsel te geven aan de knop- 
pen; tot deze veranderingen is dus een zekere tijd noodig, daartoe 
wordt vereischt dat eerst zekere bepaalde chemische reactiën plaats 
grijpen, die op hare beurt, om te kunnen plaats grijpen, ook weder bij- 
zondere vereischten vorderen. De natuur zelve eindelijk — zoo besluiten 
zij — schijnt ons voor te schrijven, dat wij de rijpe stengels moeten 
nemen om daaruit de suiker te trekken , en dat wij ons van de bo- 
ven-einden, die zonder nut en zel& schadelijk zijn voor de bewerking 
in den suikermolen, moeten bedienen tot voortteling van de plant." 
Zij zouden er, om aan deze redenering kracht bij te zetten, nog eene 
daadzaak kunnen bijvoegen, die wy meer dan eens in de gelegenheid 
geweest zijn op te merken. Wanneer men eenen riet-akker beplant 
gedeeltelijk met toppen en gedeeltelijk met stengels , dan vertoont zich 
na verloop van eenigen tijd, in sommige gevallen, een in het oog 
loopend onderscheid ten voordeele van de toppen-planting, zoo zelfs, 
dat menigeen op het eerste gezigt in den waan zou verkeeren, dat die 
twee gedeelten van den riet-akker beplant waren op verschillende tijd- 
stippen. Wij zullen de waarde van dit feit nagaan , door de oorzaken 
daarvan op te helderen. Dat onderscheid kan al dadelijk verklaard 
worden , afgescheiden van andere omstandigheden , door de aanhoudende 
vochtigheid , waarin het riet zich op zulke plaatsen bevindt , terwijl op 
de andere gedeelten van den riet-akker of geen voldoende vochtigheid 
of eene overmatige natheid wordt aangetroffen. Men zou er ook uit 
kunnen opmaken, dat de in den top aanwezige zelfetandigheden zich 
gemakkelijker assimileren dan die, welke worden aangetroffen in de 
weefsels van het rijpe riet. Gesteld dat het verschijnsel door deze oor- 
zaak ontstaat of begunstigd wordt , dan rest ons nog na te gaan of die 
snelle en krachtige ontwikkeling nuttig is en of op die wijze de stengels 
wel eene voedende bron ter hunner beschikking houden, zoo lang als 
door de omstandigheden ter hunner volkomene ontwikkeling noodig is. 
Zooals wy aangetoond hebben in onze Proefondervindelijke nasporimgen 
betreffende den groei van het suikerriet, is eene langzame, geleidelijke 
en aanhoudende voeding het groote middel , waarvan de natuur zich 
bedient om krachtvolle stengels te vormen ; daar hebben wij de redenen 
blootgelegd waarom wij van gevoelen zijn, dat eene snelle voeding 



Digitized by 



Google 



101 



zoo al iiiet schadelyk, dau ten minste niet zoo dienstig is. De voor- 
naamste oorzaak y die, naar ons gevoelen, het verscl^jnsel volkomen 
verklaart , vinden wy juist in den aard der denkbeelden , waarnaar 
wy zoo even hebben verwezen. Alles wat strekt om aan de knoppen 
eene aanhoudende voeding te verschaffen ten koste van de moederstek, 
alles wat strekt om de verrotting van die stek tegen te gaan, de 
omstandigheden, die haar meer of min voortdurend in den zelfden staat 
houden , zijn zoo vele andere gunstige omstandigheden , die medewerken 
ter krachtige ontwikkeling van de stengels. Bij een plantsoen , verkregen 
van toppen, voeden zich de stengels altijd ten koste van de moederstek, 
die , door de ontwikkeling van den eindknop , steeds vol levenskracht 
blijft. Hare sappen, verre van uitgeput te geraken, vernieuwen zich en 
groe^'en bestendig weder aan. Dit verschijnsel wordt ten deele te weeg 
gebragt door de wortels, die zich ontwikkelen, en meer nog door de 
spruiten, die onder den grond voortkoméh uit den top. Zulke spruiten 
nemen een eigen leven aan, en dragen vervolgens bij tot de voeding 
van de voorttelende stek , die in deze gevallen , tot zekeren graad en 
in zekere mate , eene echte moederstek wordt. Wanneer men eene gewone 
stek plant, zonder eindknop die zich ontwikkelt, wordt die al spoedig 
beroofd van al hare voedende bestanddeelen , en weldra is er niets an- 
ders meer van overgebleven dan de bast of schors. — Om de beide 
wijzen van planten met juistheid te kunnen vergelyken, dient men ze 
te beschouwen onder gel^ke omstandigheden; dit wil zeggen: men neme 
twee stukken plantriet , het eene rijp , het andere onryp , bedekke bei- 
den geheel en al met aarde, en ga dan de resultaten na. — Thans 
gaan wij over tot die beschouwing. 

Wat de droogten aangaat is het onbetwistbaar, dat een van toppen 
verkregen plantsoen veel meer onderhevig is om ligtelijk te verdorren, 
daar de weefsels van het plantriet veel meer de waterdeelen laten. ver- 
dampen; buitendien, daar de toppen de hoeveelheid waterdeelen in zich 
bevatten, welke noodig is voor de ontwikkeling hunner knoppen, kan 
het zeer wel gebeuren, en gebeurt het ook menigmaal, dat hunne 
spruiten te voorschijn komen onder omstandigheden, die wegens gebrek 
aan de noodige vochtigheid nadeelig of verderfelijk zyn. Overigens , als de 
top geheel en al in den grond is geplaat^it , xoodat zijn eindknop niet 



Digitized by 



Google 



102 



uitspruit, is h^ meer onderheyig aan verrotting, b^'aldien uit eene of 
andere oorzaak de spruiten niet spoedig boven den grond komen. — 
Uit alles wat wij gezegd hebben , uit de medegedeelde daadzaken , kan- 
nen wij afleiden, dat het planten van toppen, als alle omstandigheden 
zamenwerken om het plantsoen te begunstigen , zeer nuttig kan z^n , 
byaldien het geschiedt in den regentijd , op laag liggende of besproeid 
wordende gronden: somwijlen is de gesteldheid van het terrein van dien 
aard , dat er geen andere manier dan toppen-planten uitvoerbaar is. — 
Tegen het toppen-planten hebben velen het bezwaar , dat men dit jonge , 
onrijpe gedeelte van den stengel noodig heeft om de trek-ossen te voe- 
deren; doch op deze bedenking moeten wy antwoorden, als men over- 
weegt hoeveel men zou winnen, indien men de ossen op eene andere, 
meer met de gezondheidsleer strookende manier wilde voederen, en 
welke voordeden het planten van toppen in sommige gevallen aanbiedt, 
dat men dan ongetwyfeld zal inzien, dat het in de aangeduide gevallen 
zeer zekerlyk zaak is toppen te planten , zelfs al kost het dan iets om 
de dieren beter te voeden. Onze slaven maken, zonder het te willen, 
uitmuntend de boveneinden der rietstengels klaar, en zulks derwyze, 
als ze het best geschikt zouden zyn om geplant te worden ; wij zyn in 
de gelegenheid geweest om te zien met hoeveel bedrevenheid zy de 
riettoppen, die tot voeder voor hunne varkens moesten dienen, van de 
bladeren ontdeden. — Dit stelsel van planten zal, ook in de oogen 
van vele planters, het bezwaar opleveren, dat, om het te bewerkstel- 
ligen, een gedeelte der arbeiders aan den suikermolen moet worden 
onttrokken , juist gedurende den ty d , wanneer het dringend noodig zou 
wezen al de krachten te besteden aan het malen van het riet. — Wan- 
neer men al de voordeden in aanmerking neemt, welke de door ons 
aanbevolene manier van planten aanbiedt, en men overweegt daarbg 
dat het later moeyelyk en kostbaar zal zyn het tot plantriet bestemde 
riet te kappen en te vervoeren, dan zal men inzien, dat het nuttig is te 
werk te gaan op de wyze, die wy hebben aangewezen, en zulks te 
meer, aangezien het dan later, in de beslissende oogenblikken, wanneer 
al de werklieden moeten worden gebezigd tot den veld-arbeid, doenlyk 
zal wezen daartoe de geheele slavenmagt van de plantaadje te gebrui- 
ken. — Zoodoende vermijdt men een der bezwaren van de vooijaars- 



Digitized by 



Google 



103 



plantingeu met betrekking tot de handen, waarover men te beschikkeil 
heeft: het bezwaar namel^k, de krachten te verzwakken, door ze te 
verdeelen. 

Eer wij verder gaan, dienen w^ nog een punt op te helderen, het- 
welk aanleiding zou kunnen geven tot verkeerde uitleggingen en tot de 
meening alsof wij denkbeelden hadden verkondigd, die met elkander in 
tegenspraak zgn. — Wg hebben gezegd , dat een plantsoen van toppen 
eene behoorlgke mate van vochtigheid vereischt : wg voegden er bg , 
dat het nog gemakkelgker konde vernietigd worden door eene over- 
matige hoeveelheid water; wg hebben gezegd, dat de riettop denoodige 
waterdeelen in zich bevat om de knoppen in staat te stellen zich te 
ontwikkelen: wij lieten er op volgen, eindelgk, dat het rgpe riet 
onderhevig was aan het gevaar van verdorring, wanneer de omstandig- 
heden de uitdamping bevorderden. Kannen al deze stellingen niet, wei- 
ligt, in het gemoed eenigen twijfel laten bestaan, eenige onzekerheid, 
waaruit zich tegenstrijdige begrippen konden ontwikkelen, meeningen, 
die niet met elkander strooken , niet in onderling verband staan , om 
er met juistheid gevolgtrekkingen uit te kunnen afleiden? Het h ons 
voorgekomen, dat zulks het geval konde worden bg sommige onzer 
lezers; en om een dergelgk kwaad te voorkomen, zullen wg die bg- 
zonderheden nader toelichten , en aantoonen , dat er in onze denkbeelden 
hoegenaamd geen zweem van tegenstrgdigheid bestaat. Ten einde de 
zaak, die wg gaan bespreken, nog duidelgker te maken, zg het ons 
vergund de bedenking, die men ons misschien zou kunnen tegenwer- 
pen, nog in eenen anderen vorm in te kleeden. Hoe is het met elk- 
ander te rijmen, aan den eenen kant te zeggen, dat het planten van 
toppen zoo bij uitnemendheid geschikt is voor laagliggende gronden, 
ja, dat het in vele gevallen daar de eenig mogelijke manier van plan- 
ten is, terwgl men te gelgk aan den anderen kant verzekert, dat de 
toppen van de rietstengels meer dan eenig ander gedeelte onderhevig 
zgn aan verrotting? Aangenomen dat de stengeltoppen meer door de 
vochtigheid lijden, hoe dan daarmede overeen te brengen, dat ze ook 
in meerdere mate lijden in hoogliggende en drooge gronden? 

De bovenste gedeelten der rietstengels zgn die, welke het meest 
onderhevig zijn om de waterdeelen te verliezen, die hunne tengere 



Digitized by 



Google 



104 



weei»els bevatten; en wanneer niet de omstandigheden gunstig mede- 
werken, verliezen ze al het vocht, dat noodig is voor den groei of de 
ontwikkeling der knoppen , die dan ten laatste derw^ze ontaarden , dat 
ze niet meer kunnen tdt«pruiten , al waren de omstandigheden , waarin 
ze later kwamen te verkeeren , daartoe nog zoo gunstig. — Nog meer : 
het is onbetwistbaar, gelyk wij met afdoende proefnemingen hebbeu 
aangetoond, dat deze onrijpe gedeelten de noodige hoeveelheid water- 
deelen in zich bevatten, welke vereischt wordt voor de ontwikkeling 
van den knop ; dus , ze hebben geen behoefte aan de hulp van water 
van bniten-af. Baar ze meer water in zich bevatten dan het rijpe liet, 
en beschut z^n binnen hunne stoffel^ke organen, die meer onderhevig 
zyn aan veranderingen, is het duidel^k, wanneer niet de vochtigheid 
van buiten-af daarbij komt en hare werking doet gevoelen , dat dan , 
naarmate andere omstandigheden die veranderingen bevorderen en te 
weeg brengen, deze zullen plaats grijpen ten nadeele van de knoppen 
en stengels. — Maar als dat zoo is, zal men ons vragen, hoe komt 
het dan, dat het planten van toppen zulke goede resultaten oplevert op 
uiterst vochtige, ja zelfs op drassige gronden? Hierop zullen wg ant- 
woorden, dat men bij het planten van toppen noodwendig dient te on- 
derscheiden tusschen die , by welke de eindknop zich ontwikkelt , en die , 
by welke bedoelde ontwikkeling niet plaats heeft : bij de eerstgenoem- 
den wordt door de ontwikkeling van den eindknop eene nieuwe levens- 
kracht gegeven aan het stuk plantriet , dat daardoor bestand wordt 
tegen de werking der chemische krachten , terwijl in het tweede geval 
het stoffelijk zaraenstel van het plantriet geheel onder den invloed ligt 
van de wetten , die het stof regeren. — In het eerste geval , wel verre 
van over te gaan tot verrotting, gaat het riet voort te leven; naar 
mate de sappen geabsorbeerd worden, worden ze vervangen door andere, 
zoodat de stengels aanhoudend blijven beschikken over eenen genoeg- 
ztimen voorraad voedende zelfstandigheden. — By een plantsoen top- 
pen, die geheel en al overdekt zyn met aarde, duurt het een geruimen 
tyd eer er sappen in de stengels komen ; vandaar dat deze plantsoenen 
gemeenlijk niet zoo schoon staan als die, welke zyn voortgekomen van 
volmaakt plantriet of van toppen, waarvan de eindknop zich heelt 
ontwikkeld. 



Digitized by 



Google 



105 



^j hebbai de voordeelen en nadeden aangetoond aan het planten 
ran toppen Terbonden, onder alle omstandigheden; doch om bepaald 
}ns gevoelen ten aanzien van dusdanige plantingen te doen kennen , 
moeten wij daarbg voegen, dat zelfs in de aangeduide gevallen de be« 
loeide plantingen alleenlijk dasirom dienstig zijjn, omdat het niet moge- 
lijk geweest is de plaatsel^ke toestanden te veranderen. Waren w^ in 
bet bezit van een terrein , dat vochtig was en drassig , en voor een groot 
gedeelte zamengesteld uit kleigrond, dan zouden onze pogmgen daar- 
heen gerigt moeten worden, om die hoedanigheden te wyzigen en den 
grond g^chikt te maken voor de rietteelt. Dat terrein, drooggelegd, 
gedraineerd, in zijne physieke eigenschappen hervormd en in z^ne che- 
mische zamenstelling gewijzigd, zou bij uitnemendheid geschikt z^n 
voor de cultuur , waartoe men het bestemde ; en alsdan zou men ter 
planting kunnen gebruiken of het beste plantriet, of dat, hetwelk de 
meeste besparing aanbood. Zelfs in het geval dat men toppen wenscht 
te planten is het nuttig en noodig den grond vooraf goed gereed te 
maken , vooral wanneer de toppen in hun geheel in den grond gebragt 
zullen worden: daardoor toch bevordert men de ontwikkeling der knop- 
pen , den groei der spruiten , en vry waart men den stam gedurende een 
geruimen tyd tegen verderfeliyke invloeden. Toegt men daarby de aan- 
wending van besproeijing , dan is het duidel^k , dat wij al de vereisch- 
ten aanwezig hebben, die den groei van het suikerriet kunnen bevor- 
deren , onverschillig welk plantriet men meest geraden acht en dienstig 
oordeelt te bezigen. 

Bij de vorenstaande beschouwing aangaande het planten van toppen 
hebben wij, als altijd, onze redeneringen gebouwd op de daacb&aken, 
zorgvuldig de uitersten vermydende, waarin sommige landbouwers ver- 
vallen zyn. Immers, in andere landen is men zoozeer overtuigd van de 
voordeelen, welke aan het planten van toppen verbonden zijn, dat men 
er zich, om te planten, nooit, onder welke omstandigheden ook, van de 
rijpe gedeelten der rietstengels bedient; dit gaat zelfs zóó ver, dat men, 
als men geen toppen heeft , een pas opgekomen plantsoen kapt, of een 
plaütsoen, dat gebloeid heeft; alsdan snydt men de boven-einden van 
de stengels af, en de rest wordt gebruikt om er de suikerdeelen uit te 
trekken of om er brandewyn van te stokent En weder in andere oor^ 



Digitized by 



Google 



106 



den, daarentegen, wordt het planten van toppen voor zeer nadeelig 
gehouden, en beweren velen, dat die handelwijze alleen reeds voldoende 
is om het riet te doen ontaarden. 

Hbt planten op heuvelen. — De uitvoerige studie van al de on- 
misbare middelen, ten einde tot de volkomene kennis te geraken van 
al de eigenschappen , die de gronden kenmerken ; het onderzoek naar 
het gewigt, zoo in onderling verband als op zich zelven beschouwd, 
van elk der bestanddeelen, waaruit de gronden zijn zamengesteld ; de be- 
schouwing van de omstandigheden, waardoor ze worden gewijzigd, enz., 
dat alles behoort bepaaldelyk tot de Landhuishoudkunde, — De oordeel- 
kundige keuze van den grond, die het best geschikt is voor eene be- 
paalde teelt in een gegeven klimaat — een belangryk punt, dat de 
landhuishoudkundige behoort te beslissen, alvorens met zijne werkzaam- 
heden eenen aanvang te maken — is eene toepassing van de algemeene 
landhuishoudkunde op de allereerste behoeften van het organismus , waarin 
zich de voortbrengselen gaan vormen, die wij wenschente verkregen. In 
overeenstemming met deze beginselen hebben wij onze algemeene be- 
schouwingen aangevangen met eene bespreking van alles, wat op de 
landhuishoudkunde betrekking heeft, en vervolgens hebben wij de vast- 
staande waarheden toegepast op de teelt van het suikerriet: al deze 
onderwerpen zal men behandeld vinden op hunne plaats; maar daar er 
ten aanzien van de keuze der gronden eenige punten zgn, die in dade- 
lijk verbaad staan met de teelt zelve, hebben wij het nuttig geoordeeld 
hier ettelijke bijzonderheden te bespreken betreffende de teeU op heuvelen. 

Alt^d, waar het mogelijk is, moet de landbouwer, die zich aan 
de rietteelt wil wijden , als veld voor zijne verrigtingen een vlakliggend 
terrein kiezen, of althans een zoodanig, dat weinig oneffenheden of 
glooijingen vertoont. Op heuvelen riet te telen is nooit raadzaam, of 
men moest volstrekt geen gronden kunnen vinden, die beter daartoe 
geschikt waren; en zelfs in die gevallen is het noodig, dat men zooda- 
nig heuvelige gronden wete te kiezen, die nog de minste bezwaren 
opleveren. Met ongelyke gronden gaan de volgende nadeelen gepaard : 
1». De werkzaamheden, om die gronden behoorlyk ter beplanting ge- 
reed te maken, zijn moeijelyker te verrigten, vorderen eene b\jzond^% 

Digitized by VjOOQIC 
I 



107 



ervaring bijj degenen, die ee moeten volbrengen, en vereischen boven- 
dien de aanwending van doelmatige werktuigen: zelfs onder de beste 
omstandigheden is het menigmaal moeijjelyk te vermijjden » dat de boven- 
laag teel-earde worde weggerukt, of men moet de noodige voorzorgen 
nemen ten einde te beletten dat de teel-aarde verloren ga. — 2o. De 
eultanr-arbeid is zeer moeijjeiyk, vooral wanneer het planten niet goed 
s bestuurd, en wanneer al de arbeid volbragt wordt regtstreeks door 
menschenhanden. Immers, als de arbeider zich op eenen sterk hellenden 
grond bevindt, raakt hij bij het kappen van het boschgewas biyna zijn 
aangezigt met het hakmes, hij staat in eene zeer lastige houding, en 
telkens moet hy naar beneden, om het werk opwaarts te beginnen; want 
anders zou het hem onmogelijk wezen eenige krachtsinspanning dimrb^ 
aan te wenden, zonder gi*oot gevaar te loopen achterover te vallen. — 
8*. De ligging van den heuvel is, zelfe in ons klimaat, van grooten 
invloed op de rijpwording van het riet, zoo zeer, dat wij twee naast 
elkander liggende plantaadjen gezien hebben, waarvan de terreinen vol- 
komen aan elkander gelijk waren; maar op de eene werd riet geplant 
op eenen heuvel, die afbelde naar het noorden, en op de andere aan 
den kant, die naar het zuiden lag : op eerstgenoemde plantaadje kwamen 
de rietstoelen nooit tot eenen by zonderen graad van ontwikkeling, en 
leverden buitendien eene opbrengst aan suiker, die in geen vergelyking 
kwam bij die ?an het riet, dat, naar het zuiden geplaatst, beter ryp 
was geworden. Onder de rietstoelen waren er veel meer, die bloeiden; 
en dit verschijnsel vertoonde zich in een veel korter tijdsbestek. — Met 
betrekking tot dit punt , achten wij het nuttig eenige wenken hier in te 
lasschen, die wel is waar meer van toepassing z^n op andere klimaten 
dan het onze, maar die mogtans niet over het hoofd gezien mogen 
worden, waar het eene plant betreft, die zooveel warmte en licht hebben 
moet, willen in hare weefsels al de chemische reactiën kunnen plaats 
grijpen, welke vereischt worden om haar tot rapheid te brengen. — 
De landbouwkundigen, na eene menigte waarnemingen verzameld en vele 
verschillende proeven genomen te hebben, hebben uit al die feiten de 
navolgende waarnemingen a%eleid : l'. De gronden, die naar het noor- 
den gekeerd liggen, ontvangen minder warmte en behouden de voch- 
tigheid langer. De planten doorloopen in een korter tijdsbestek al de 



Digitized by 



Google 



108 



overgaugs-momentea van hare ontwiickeling; beginnen later, maar ein- 
digen vroeger. — De planten, die verstoken blyven van licht en warmte, 
brengen minder vruchten voort, en die vruchten bezitten over het alge- 
meen minder saprykheid. — 2o. De gronden, die naar het zuiden ge- 
keerd liggen, ontvangen spoediger en in hoogere mate warmte, genieten 
meer licht, en het licht valt er meer regtstreeks op. Het plantsoen 
komt vroeg tot rypheid , en het produkt bereikt den hoogsten graad van 
ontwikkeling. Deze gronden lyden veel van de droogten. — 3o. De naar 
het oosten hellende gronden worden spoediger droog, de dampkring 
bevochtigt ze minder. De ochtendzon doet in deze gronden spoediger de 
groeikracht ontwaken , brengt die spoediger in beweging na de rust van 
den nacht en na de inslurping van vocht. De oogsten zijn vroeger r^p, 
en hunne rijpheid is meer volkomen. — Op de naar het westen gekeerde 
gronden ontvangen de planten niet dadelijk de warmte en het licht van 
de zon , maar zulks eerst nadat de vochtigheid van den nacht verdampt 
is, op het oogenblik als de levenskracht, die door de rust hersteld 
was , weder is beginnen af te nemen : om al deze redenen zijn de plan- 
ten, dienaar het westen gekeerd groeyen, minder vroeg rijp en komen 
niet tot eenen zelfden graad van ontwikkeling als die, welke het genot 
hebben van de eerste stralen der zon. — De voor- en nadeelen van 
deze plaatsing worden gewgzigd door de zamenstelling van den grond : 
kleiachtige, vochtige en koude gronden zijn meer geschikt voor den 
plantengroei, wanneer ze naar het oosten of naar het zuiden gekeerd 
liggen, en ze zyn nadeelig, als ze gekeerd liggen naar het westen of 
naar het noorden. Juist het tegenovergestelde is het geval met zandige 
en kalkachtige, drooge en warme gronden, voor welke de ligging naar 
het westen de beste is, en die meer van de droogten lijden, b^aldien 
ze naar het zuiden gekeerd zyn : hierbij valt op te merken , dat de eigen- 
schappen van zandige en kalkachtige gronden worden gewijzigd door de 
geaardheid en de dikte van de bovenlaag teel-aarde, zoomede door de 
gesteldheid van den ondergrond. — De ligging naar het noorden, einde- 
lijk, is in geen geval gunstig, bijaldien het terrein zoo sterk hellend is, 
dat de zonnestralen er al te schuin op vallen. In het algemeen zullen 
wij er bijvoegen, dat de eigenschappen en de menigvuldigheid der heer- 
schende winden van grooten invloed zijn op de uitwerkselen der lig- 



Digitized by 



Google 



109 



ging. — ^ 4*. Wat de waUerlozing betreft in de landen, waar nog niet 
een behoorlijk stelsel om het water af te leiden is ingevoerd, is het 
onbetwistbaar, dat kleiachtige 'gronden, of die, welke een ondoordring- 
baren ondergrond hebben, meer voordeden zullen aanbieden byaldien 
ze zacht glooijen, zoodat het water er gemakkelijk kan afloopen. — 
5*. Op de heuvelen is het uit den grond trekken van de rietstokken zeer 
moeijelijk, en menigmaal is het noodig ze met geweld naar beneden 
te rukken. 

Uit al deze beschouwingen laat zich gemakkelijk afleiden, dat wij, 
als wij riet willen telen op heuvelen, er op bedacht moeten zijn om 
de bovenlaag teel-aarde in wezen te houden, den arbeid te vergemak- 
kelijken door middel van werktuigen, die in beweging worden gebragt 
door trekdieren, en het riet zoo te planten, dat, zonder de afwatering 
te belemmeren, de aarde worde tegengehouden, en dat de gunstigste 
%gittg worde gekozen, opdat het plantsoen de meestmogelijke hoe- 
veelheid licht en warmte geniete, Door*de rigting, welke men aan de 
groeven geeft, moet men dus trachten al deze vereischten te bevredi- 
gen. — Op het eiland Cuba wordt het planten op heuvelen bewerkstel- 
ligd met de spade of met den pootstok, ten einde te zorgen, dat de 
aarde niet zal worden medegevoerd door de regens; wat het breken 
van den grond betreft met geschikte ploegen (ronddraaijende schaar) , 
zoodanige arbeid wordt niet verrigt. — Zoodra deze betere ploeg wordt 
ingevoerd, zal men, bij het maken van groeven, deze dienen schoon te 
maken, door er den tweesnijdenden ploeg tweemaal doorheen te laten 
loopen, wordende zulks tegenwoordig verrigt met de spade. 

Het planten met TUSscHENEiJëN. — Wanneer men een plantgewas 
teelt, welks aard gedoogt of vordert, dat er tusschen de planten, die 
op eene bepaalde uitgestrektheid gronds komen , meer of minder groote 
tusschenruimten worden gelaten, in welke gemakkelijk eenig ander 
plantgewas zich zou kunnen ontwikkelen, is veelal het gebruik, dat 
men, tusschen het hoofdgewas in, nog iets anders teelt, ten einde 
zoodoende meer partij te trekken, niet alleen van de voorloopige werk- 
zaamheden, die verrigt zijn om den akker voor de cultuur geschikt te 
maken, maar ook van die werkzaamheden, die gedurende den groei van 



Digitized by 



Google 



110 



het geteeld wordende hoofdgewas nog sullen moeten worden yenigt om 
het tot s\jn behoorlijken wAsdom te brengen. 

Maar zal eene zoodanige vereeniging van gewassen noemenswaardige 
voordeelen kunnen opleveren, dan is het noodig: 1<>. dat de tusscheih 
gekweekte plant het eindpunt van haar bestaan, of althans het tijdstip 
waarop zy uit den grond wordt gehaald om verbruikt te worden ^ be- 
reike voor het oogenblik, waarop de inzameling zal plaats hebben van 
het geteeld wordende hoofdgewas; 2o. dat de aanwezigheid van hettus- 
schenkweeksel geen belemmering hoegenaamd oplevere, by het volbren- 
gen van de werkzaamheden, die ter aankweeking van het eersAedoelde 
gewas worden gevorderd; 8«». dat het tusschenkweeksel geen belenune- 
ring zy voor de weldadige werking van licht en warmte, zoo noodza- 
kelyk voor de volkomene verrigtingen van al de levens-functiën der 
plant, en dus niet aan de ontwikkeling van deze in den weg sta; 
40. dat de wortels van het tusschenkweeksel niet de ontwikkeling der 
zelfde organen van het hoofdgewas belemmeren; en eindelyk 5o. dat het 
tusschenkweeksel geen verslindende plant zy, die den grond uitmerg^t, 
en vooral ook niet, dat zy hoofdzakelyk hare voeding zoeke in dezelfde 
bestanddeelen, die de hoofdplant voomamelyk noodig heeft om te groei- 
jen en tot het toppunt van haren wasdom te geraken, door al hare 
functiën te kunnen verrigten met de meestmogelyke volkomenheid. 

Deze beginselen vooropgesteld zullen wy aantoonen, dat het zaayen 
van maïs tusschen het te veld staande suikerriet, lynregt met de belan- 
gen van het laatstgenoemde in stryd is; zoodat, wanneer men zich de 
moeite geeft de hier ontvouwde redenen aandachtig na te gaan, men 
geen oogenblik meer zal kunnen weifelen aangaande den weg, dien 
men heeft te kiezen , als men zich slechts laat leiden door zyn gezond 
verstand. 

Op het eiland Cuba heeft men de gewoonte maïs te zaayen op de 
riet-akkers, wordende het zaad door eenige arbeiders in den grond ge- 
bragt met groote tusschenruimten, tusschen de rietgroeven, telkens een 
of twee groeven ongebruikt latende; anderen zaayen maïs tusschen al 
de groeven, en op afetanden van naauwelyks anderhalve nederl. el vao 
elkander. 

Deze gewoonte is in de hoogste, mate schadelyk; en ten einde de 



Digitized by 



Google 



111 



oadeelen, die daaruit voortvloeien, te beter te beseffen, dient men de 
redenen na te gaan , die w^ hieronder uiteenzetten : 

1*. Door het lommer van zijne bladeren belemmert de maïs den groei 
van het suikerriet. Deze daadzaak is zoo algemeen erkend , dat doorgaans 
alleenlijk bij de najaars-plantingen , die in de gelegenheid komen om 
dch te herstellen van de ondervondene vertraging, maïs wordt gezaaid; 
doch bij de vooijaars-plantsoenen , die met spoed en onder de meest be- 
gunstigende omstandigheden al de tijdperken van hunne ontwikkeling 
moeten doorloopen, ten einde zoodanigen wasdom te bereiken dat ze 
geschikt z^'n om met vrucht te kunnen worden gemalen na verloop van 
een jaar, hebben zelfs die landbouwers, die nog het meest achterlijk 
zijn in kennis en in de landhuishoudkundige wetenschap, reeds sedert 
lang het tusschenzaaijen van maïs als nadeelig nagelaten. 

2^. Het zaaijen van maïs op de riet-akkers is belemmerend voor de 
werkzaamheden, die noodig zijn ter aankweeking van het suikerriet, en 
beletten bovendien het oordeelkundig en arbeid-uitsparend gebruik van 
goede werktuigen. — Immers, wanneer men msös zaait in de plaats- 
ruimte , die tusschen de rietryën of groeven ligt, is het onmogel^k de 
landbouwers-werktuigen daarin te brengen, die gebezigd worden tot 
wieden, aanaarden en rooien. — En men zegge niet: tegen dat het 
noodig wordt ons van die werktuigen te bedienen, zullen w^ den maïs- 
oogst reeds hebben ingezameld; want, om slechts een voorbeeld te noe- 
men, het wieden is menigmaal noodig reeds als het riet pas begint op 
te komen, en moet vervolgens na verloop van eenen zekeren tijd nood- 
wendig herhaald worden. — Om in dit bezwaar te voorzien, zaaijen 
sommigen aan den kant van het riet, in de zelfde groeve, en brengen 
anderen het zaad in den grond in die gedeelten der groeve, die tusschen 
de rietstekken inliggen. — Maar in beide deze gevallen brengt de maïs 
nog grooter nadeel aan het suikerriet toe, niet alleen door het lommer 
van zijne bladeren, maar bovendien ook door zijne wortels, die werk- 
zaam ssijn zooals wij verder hieronder zullen raededeelen. — De maïs- 
planten kunnen de noodig geweest zijnde inboetingen verstikken. 
Overigens, wanneer het riet aangeaard wordt door aan weerskanten 
van de groeve een os te laten loopen, terwijl het juk over de rietr^ 
gaat, beletten de maïsHstammen, door hunne 'grootte, dezen arbeid; 



Digitized by 



Google 



112 



in dat geval dient men met aanaarden te wachten tot na de inzameling 
van den maïs-oogst. 

3^. De wortels van de maïs-plant belemmeren de ontwikkeling van 
die zelfde organen van het suikerriet op eene (om het eens zoo te noemen 
werktuigelijke) wijze, daar ze zich meester maken van het terrein, en 
vooral doordien ze den grond uitputten en de voeding der organen van 
de rietplant beletten in den eersten tijd van haar bestaan. 

4^. De maïs, met zijne talrijke en krachtige wortels, trekt in een 
kort tijdsbestek eene groote hoeveelheid voedende zelfstandigheden 
uit den grond ; zoodat hij den grond uitmergelt of onvruchtbaar maakt 
op eene wijze, te schadelijker voor het riet, daar h^ juist de aardstreek 
uitmergelt, uit welke het geteeld wordende suikerriet gedurende een 
aantal jaren de voedselstoffen zal moeten trekken, welke het noodig 
heeft om te groeijen. En men lette wel : de bestanddeelen , waarvan de 
maïs zich meester maakt om tot zijnen wasdom te komen en z^'ne 
graankorrels tot rijpheid te brengen, zijn juist die, aan welke het sui- 
kerriet, om zich te kunnen ontwikkelen, het meest behoefte heeft. Zoo- 
dat wij, op het oogenblik waarop de rietplant begint te leven, begin- 
nen met haar van de middelen te berooven, waardoor zy leven moet. 
Men vergunne ons eene vraag : wanneer wij eene lading scheep bragten 
in een zeilschip, om eene lange en aan vele wisselvalligheden bloot- 
staande reis te doen, zou het dan wel verstandig zijn dat schip, op 
het oogenblik waarop het de reis ging aanvaarden, te berooven van 
een groot gedeelte van den leeftogt, dien het noodig heeft om z|jne 
bemanning te voeden? 

B^ alle vraagstukken van n^verheid, is het punt, waarop het hoofd' 
zakel^k aankomt, het economisch resultaat: wg willen dus zien of het 
zaayen van maïs tusschen het te veld staande suikerriet eenige voordee- 
len oplevert. Daar de maïs, die op de rietvelden gezaaid wordt, zelfs 
in de gunstigste omstandigheden , slechts op groote afstanden uiteen wordt 
gezaaid , en daar overigens aan de mais-plant, gedurende den tyd van haxen 
groei, weinig meer oplettendheid wordt geschonken dan aan gemeen on^ 
kruid, levert zoodanig zaaisel doorgaans niet meer uit dan 22 a 33 nederl. 
mudden maïs per gewonen rietmakker van 13,42 hectaren gronds , welke op- 
brengst eene waarde vertegenwoordigt van hoogstens 1250 nederl. guldens. 



Digitized by 



Google 



113 



Bekent men nu de kosten van den arbeid, indien het werk moet Ter« 
rigt worden door menschenhanden en niet door middel van landbonw- 
werktnigen, die in beweging worden gebragt door trekdieren; neemt 
men in aanmerking de belemmering , welke het suikerriet ondervindt in 
zijnen groei, en die noodwendig van invloed wordt niet alleen op de 
grootte van de plant, maar ook op de hoeveelheid suikerdeelen, welke 
hare sappen inhouden; en let men daarbij op de verarming van den 
grond , waardoor van jaar tot jaar eene vermindering plaats grypt in de 
ontwikkeling van het riet, welks moederstekken na verloop van eenen 
korten tijd te niet gaan of loos worden; dan zal men inzien, dat al deze 
nadeelen te zamen iets meer beteekenen dan 1250 gulden; zoodat eene 
zaaijing, waardoor, tegenover zulk een gering voordeel, zulke belangryke 
nadeelen aan ons worden toegebragt, zeer zekerlijk door onzen land- 
bouw moet worden afgekeurd. 

Als men in plaats van op zoo gebrekkige wyze, en tot nadeel van 
de rietteelt, maïs te zaaijen, slechts één behoorlek daartoe gereedge- 
maakten akker uitsluitend met maïs bezaaide, en vervolgens voor de 
planten, gedurende haren groei, de vereischte zorg droeg, zou men on- 
betwistbaar van dat ééne stukje gronds meer maïs en van betere kwa- 
liteit inzamelen, dan van zes zulke akkers, bezaaid tusschen de rietr^'ën in. 

Onder de tusschen-in zaaijingen, die het meeste voordeel kunnen 
opleveren, zoowel wanneer ze plaats hebben op eenen riet-akker , alsook 
op een maïs-, koffij-, maniok-veld , enz., moeten w^ in de eerste plaats 
rangschikken het zaaijen van de bekende zwarte boonen , die even voedzame 
als smakelijke vrucht voor het grootste deel der bevolking van Cuba, 
en vooral voor onze slaven. — Naar wij gehoord hebben maakt deze 
vrucht een der hoofdbestanddeelen uit in het stelsel van voeding in de 
negerijen van Brazilië, waar de planters doordrongen zijn van het besef 
van de goede eigenschappen dezer vrucht, waarmede zij andere voedings- 
middelen gepaard doen gaan, die, daarmede vereenigd, het totaal vor- 
men der voedingsstoffen, welke in het menschelyk organismus moe- 
ten doordrmgen, om het evenwigt in stand te houden in de levens- 
functiën, door de betrekkelijke en absolute massa levenskrachten 
te herstellen en te vermeerderen. — Die boonen kunnen tusschen de 
rietrijën gezaaid worden, zonder noemenswaardig nadeel voor de werk- 

8 



Digitized by 



Google 



114 



zaamheden, welke de rietHsultuor vereischt; en als men daarb^' te werk 
gaat overeenkomstig goede regelen, en de zaken voorbedachtel^k daar- 
naar inrigt, lijjdende plantsoenen, waarop die boonen-zaaijingen worden 
toegepast, evenmin eenig noemenswaardig nadeel daarvan. Bovendien, 
daar de bedoelde boonen geplukt kannen worden twee en eene halve 
maand of drie maanden nadat ze gezaaid zijn, oefenen ze geen noe- 
menswaardig nadeeligen in^oed uit op de suikerhoudende plant in het 
tijdperk, waarin deze zich ontwikkelt; daar deze boonen overigens klein 
zijn, en, gel^k w^' gezegd hebben, gemakkel^k tusschen iets anders in 
gezaaid kunnen worden, zonder aan het hoofdgewas nadeel toe te bren- 
gen , is het duideligk , dat men ze op de riet^ikkers behoort te zaayen , 
altijd en overal, waar de grond er geschikt toe is, en waar de gesteld- 
heden van den dampkring uitzigt geven om er een goed resultaat van 
te bekomen. — Op laagliggende gronden, gedurende den t^'d der 
regens, moeten de bedoelde boonen niet gezaaid worden; daar moet 
men er mede wachten, om ze te zaaijen tusschen het najaars-riet. 

Oneioektlijke benaming van de cultuub aan RiJëN. — De oor- 
deelkundige w^ze van rietteelt in evenwijdig loopende rijen, die op 
behoorlijken afstand van elkander geplaatst z^n, zoodat men in de 
daartusschen liggende ruimten, met behulp van de door trekdieren in 
beweging gebragt wordende landbouw-werktuigen, al de werkzaamheden 
kan verrigten, die noodig ziyn om de plant tot haren vollen wasdom te 
brengen, begint op Cuba meer en meer in gebruik te komen. Als w^ 
letten op het groote aantal grondeigenaars, die zich gehaast hebben om 
het stelsel van de cultuur aan rijen aan te nemen, en al de daartoe 
vereischte werkzaamheden te doen verrigten met de tot dat einde dien- 
stige werktuigen, dan houden wij ons overtuigd, dat binnen een niet 
ver verwijderd tijdsbestek deze wijze van werken zoo algemeen zal zijn 
geworden, dat er nog slechts als bij uitzondering ettelijke plantaadjen 
zullen worden aangetroffen, waar men de gebrekkige methoden bl^t 
volgen, die zich zoo lang in onzen landbouw hebben staande gehouden 
als een sleur. 

Wij gelooven dat het hier de plaats is om aan te toonen, dat het 
zijn nut zoude hebben aan deze wijze van planten haren waren naam 



Digitized by 



Google 



115 



te geven, daar het anders later moeyd^k zoude z^n de verkeerde be- 
naming nit te roeden, die men begonnen is daaraan te geven. Gemeen- 
lijk is het stelsel, waarmede w^ ons thans bezighouden, bekend cmder 
den naam van cultuur op de manier als in Zauiêiana of eenvoudig 
culiuur op zijn Loumanaoich, W^ vinden deze benamingen oi^uist en 
verkeerd, om de hierna volgende redenen: 

1*. Het algemeene stelsel der cultuur aan rijen, voor het eerst toe- 
gepast op den graanbouw, was niet uitgedacht in Louisiana; verder 
hieronder zullen wij doen zien, waar het z|jn oorsprong genomen heeft 
en wie er de uitvinder van geweest is. 

2*. Het stelsel van cultuur aan rijen werd niet in Louisiana het eerst 
op de rietteelt toegepast. Naar w^ zijn ingelicht is men daarmede het 
eerst begonnen in de fransche en engelsche koloniën (31). 

3*. In Louisiana, uit hoofde van de b^zondere toestanden aldaar, is 
de invoering van dit stelsel noodzakelijker dan in andere landen, niet 
alleen om redenen van economie, maar ook omdat, zonder dat, het 
riet zich niet zou ontwikkelen in den korten tyd, gedurende welken het 
de temperatuur geniet, die onmisbaar is om het tot z\jnen vollen was- 
dom te brengen. En in weerwil dat het dus eene noodwendigheid is, 
vergist men zich als men denkt, dat dit stelsel in dat land zoo alge- 
meen verspreid is als w^ gelooven. 

4>*. Het eenige , waardoor de benaming van cultuur op de manier aU 
in Louisiana eenigen sch^'n van juistheid heeft , is dit : dat de eerste 
begrippen aangaande het stelsel van de cultuur aan rijen van daar tot 
ons zoude z^n gekomen. Zeer velen z^jn er, die dit verzekeren; doch 
wij weten, dat de eerste, die getracht heeft deze wijze van cultuur 
op Cuba in te voeren, een Franschman is geweest, die daartoe niet 
Louisiana tot voorbeeld genomen had (32). — Overigens liggen in de 
benaming planten op de manier als in Louisiana denkbeelden opgeslo- 
ten, beseffende de daar te lande aan de teelt besteed wordende zor- 
gen , die echter geenszins de volmaaktste z\jn , niet eens in eenen vol- 
strekten zin in verband met de daar bestaande toestanden, maar die, 
al waren ze goed, veel minder nog van toepassing zouden zijn op al 
onze gronden. — Het z^ ons ook vergund nog hierb^ te voegen, dat 
het stelsel van behandeling, hier door ons aanbevolen, ons eigen werk 



Digitized by 



Google 



116 



is, de vracht van eene aanhoudende opmerking en van velerlei proef- 
nemingen. 

5*. „Planten op de manier als inLooisiana" is eene uitdrukking, die 
op geen den minsten redelijken grond steunt; en ieder, die deze uitdruk- 
king voor het eerst hoort, al ware hij nog zoo bedreven in de kennis 
van den landbouw, zou dienaangaande noodwendig om opheldering 
moeten vragen. 

Ter verduidelyking van deze vyïde reden, die wy aanvoeren ter be- 
strijding van het bezigen der uitdrakking, welke wij trachten in onbruik 
te doen geraken , dienen wij in eenige ophelderingen te treden , en 
eenige benamingen te verklaren, die aanvankelijk slechts van toepassing 
waren op de teelt van granen, en die men later ook heeft aan- 
genomen voor de teelt van andere plantgewassen, van eerstgenoemde 
kennel^k verschillende, zoowel in bestemming als in aard, maar die 
veel overeenkomst er mede hebben, wat aangaat de werkzaamheden, 
welke verrigt behooren te worden om ze tot behoorlyke ontwikkeling 
te brengen. 

Onder den naam van plantingen aan rijen verstaat men allen, welke 
bewerkstelligd worden in parallel loopende lynen, waarbij het plantriet 
in den grond wordt gebragt op eene gelyke diepte, terwijl de planten 
op zoodanigen afstand van elkander in de groeve geplaatst zijn , dat ze 
hare volkomene ontwikkeling kunnen bereiken , zonder elkander te be- 
nadeelen (33). Ofschoon de mensch in staat is deze resultaten te ver- 
kri[jgen door eigen bekwaamheid, sluit echter de cultuur aan ri|jên,voor 
zooveel het zaadkorrels betreft , de aanwending in zich van een bijzon- 
der werktuig om den arbeid te verrigten , die in vele gevallen nog dient 
te worden aangevuld door de regtstreeksche aanwending van de men- 
schelijke kracht, als men ten minste geen zaaitoeetél heeft, die daartoe 
opzetteligk is ingerigt. Daar de rijen regt zyn en parallel loopen, is 
het duidelijk , dat men ze zóó kan inrigten , dat er groote of kleinere 
tusschenruimten tusschen liggen, naar gelang van den aard der plant, 
of van het stelsel van cultuur, dat men aanneemt. Deze regelmatigheid 
in de tusschenmimten maakt het mogel^'k zich te bedienen van landbouw- 
werktuigen, die in beweging worden gebragt door trekdieren. — De 
cultuur van de planten » diê aan rijen gezaaid {ofgeplan£) zijn , of korter 



Digitized by 



Google 



117 



gezegd de cultuur aan ri^én of lange de lijn , vooronderstelt het gebruik 
van dusdanige werktuigen , ofschoon het van zelfs spreekt dat al de be« 
werkingen dier cultuur , sooals ongelukkigerwyze dan ook in vele ge- 
vallen geschiedt, kunnen volbragt worden enkel en alleen met aanwen- 
ding van de krachten van den mensch. 

Er bestaat eene andere benaming, die in hare ware beteekenis het 
zelfde beduidt als cultuur aan rijen; w^ bedoelen de uitdrukking 
cuUuur van gewiede planUoenen, 

Onder de benaming gewiede plantsoenen verstaat men den oogst van 
op één veld gezaaide verschillende plantgewassen , die op groote afstan- 
den van elkander gezaaid moeten worden, opdat ze aldus zouden kun- 
nen beschikken over de vereischte grondsoppervlakte , en de dampkrings- 
invloeden ontvangen, die voor hunne ontwikkeling onmisbaar z^'n. — 
In de ruimten tusschen deze planten komt onkruid te voorsch^n, dat 
door zijne aanwezigheid juist de doeleinden zou tegenwerken, die wij 
wenschen te bereiken door de planten op zoodanige afstanden van 
elkander te plaatsen, als wij dienstig achten; het is dus noodig, dat 
onkruid uit te roeden , met andere woorden het uit te wieden , tot welk 
einde men zich met veel nut en op de minst kostbare wijze bedient van 
landbouw-werktuigen , die in beweging worden gebragt door trekdieren, 
welke werktuigen niet alleen het onkruid-wieden volkomen verrigten , 
maar tevens den grond omwoelen , en hem zoodoende voortdurend los 
en zacht doen blijven. 

Daar tot het aanwenden van deze landbouw-werktuigen de regtlijnig- 
heid by de cultuur op den voorgrond staat; en daar het overigens in 
ieder geval dienstig is het zaad (of, bij suikerriet , de plantstekken) in 
de groeven te brengen op eene gelyke diepte, en in de regte lyn op 
behoorlijke afstanden van elkander — alle welke vereischten vatbaar 
zijn voor wijzigingen, naar gelang van den aard der plant, van de eigen- 
schappen van den grond, en van de weersgesteldheid — is het duide- 
lijk , dat men bij de teelt van gewiede plantsoenen dient te zaaijen aan 
rijm of langs de lijn , naardien by de teelt van gewiede plantsoenen 
de zelfde zorgen vereischt worden, die noodig zyn by de teelt van 
plantsoenen aan rijen, zoodat er, wy herhalen het, in de eigentlijke 
beteekenis van die twee uitdrukkingen geen onderscheid bestaat, al bf' 



Digitized by 



Google 



118 



staat er eenig verschil in de wijzen, waarop de werkzaamheden ten 
uitroer worden gebragt. 

Welnu : de landbouwer , di^ oplettend den zamenloop yan werkzaam- 
heden nagaat, welke verrigt worden b^ de cuUuur aan rijëHy en £e 
zich een juist denkbeeld vormt van het doel van elk dier werkzaam- 
heden, van de wijzigingen, welke men daarin moet aanbrengen naar 
gelang van het klimaat, den grond en de geaardheid van de plant» 
zal oogenblikkelyk met juistheid weten te bepalen, welke soort van 
bij-cultuur het voordeeligst is voor het suikerriet, wanneer hy in aan- 
merking neemt den aard van dit gewas, de gesteldheid van den grond, 
waarvan hij zich te bedienen heeft, en de gesteldheden van den damp- 
kring, welke op de teelt van invloed zullen zijn. 

Wanneer een buitenlandsch landbouwer ons vroeg, welk stelsel van 
suikerriet-cultuur gevolgd wordt op de goed ingerigte plantaa^jen op 
het eiland Cuba, en wij gaven hem ten antwoord: „Daar volgt men 
de wijze van cultuur, die in gebruik is in Louisiana", dan zou hg 
ons dadelijk eene nieuwe vraag doen, om te weten, waarin dat stelsel 
bestaat. — Wij zouden onze uiteenzetting beginnen, en na lange ver- 
klaringen zou onze vrager, al wat wij hem verteld hadden bijeentrek- 
kende, zeggen: „Dan behoort het suikerriet tot de klasse der plan- 
ten , die bekend zijn onder den naam van gewiede plantéoenen , en 
om haar welig te doen groeijen, bedient men zich van het stelsel 
der cuUuur aan rijm.** Als wij hem dat dadelijk gezegd hadden, zou 
de bedoelde landbouwer, in aanmerking nemende den aard van het 
suikerriet, de physieke eigenschappen en de chemische zamenstelHng 
van grond en klimaat, door toepassing van de algemeene kennis, die 
hij had a^eleid uit de daadzaken, door hem waargenomen in de cultuur 
van andere planten , ons oogenblikkelijk op het zoogenaamde stelsel van 
Louisiana hebben gewezen. Wij herhalen het: de uitdrukking cuUtatr 
aan rijen doet dadel^k eene aaneenschakeling van denkbeelden in onzen 
geest r^zen , herinnert ons de noodzakelijke werkzaamheden en de soort 
van werktuigen, welke onmisbaar zijn om die werkzaamheden te ver- 
rigten met zuinigheid en volkomenheid; terwiyl zich aan de benaming 
cuUuur op zijn Louisianaasch volstrekt geen technische denkbeelden van 
welken aard ook vasthechten. 



Digitized by 



Google 



119 



Het zaaijen (en planten) aan rijen werd in Europa het eerst toegepast 
in Oostenr^k; maar op uitgebreider schaal werd het bewerkstelligd in 
Spanje , in het jaar 1664. Door den uitvinder er van , José Leocatelo , 
werden met den zaai^oeately door hem tot dat einde opzettelijk ver- 
vaardigd, proeven genomen in de tuinen van het Buen Betiro, onder 
de bescherming van Filips IV; en z^'n geschrift daarover verscheen in 
1664 in druk te Sevilla, b^ den boekverkooper D. Juan Gromez de 
Bias. — Later werd dit werlge overgedrukt in de Gedenkschriften van 
het Koninkl^k Genootschap voor Landhuishoudkunde te Madrid (dl. I , 
blz. 1), uitgegeven aldaar in het jaar 1780 door den beroemden boek- 
drukker Antonio Sancha. Bij dien herdruk voegde D. Joaquin Marin 
eenige ophelderingen aangaande de ontdekking, betoogde het gewigt 
daarvan, en deelde mede, welke uitkomsten er door verkregen waren 
in andere landen. 

De cultuur aan rijen werd in Engeland overgebragt door Tuil, die, 
o&choon uitgaande van oi^uiste grondslagen en tot een ander resultaat 
komende, nogtans verdiend heeft, dat zijn naam is opgeteekend in de 
jaarboeken van den landbouw, doordien hij de eerste uitvinder is ge- 
weest van landbouw-werktuigen, welke in beweging werden gebragt door 
trekdieren, zijnde de zelfde werktuigen, die, verbeterd en gew^'zigd, 
nog tegenwoordig bij de cultuur aan rijjën in gebruik z^n. Bovendien 
werd door hem aan allen twijfel een einde gemaakt omtrent de voor- 
deden, welke het roo\jen van beteelde akkers oplevert. 

Thaer verzekert (34) , dat het stelsel van cultuur aan ryën , reeds sedert 
onheugelyke tijden, in gebruik was geweest in Perzië en Hindostan , 
waar niet alleen het zaaijen aan rpn werd bewerkstelligd met behulp 
van b^zondere werktuigen, maar waar bovendien ook de aankweeking 
van de planten geschiedde met behulp van werktuigen, die getrokken 
werden door paarden en door ossen. Naar wy van elders weten , was de 
cultuur aan rijjên ook reeds bekend by de Chinezen. 

In Frankrijk waren Duhamel en Chateauvieux de twee eerste bevor- 
deraars van dit stelsel. In Spaiye komt de eer, deze methode bekend 
gemaakt en toegepast te hebben, toe aan D. Agustin Cordero, wiens 
nasporingen wij medegedeeld vinden in de Gedenkschriften van het Ko* 
ninklijk Genootschap voor Landhuishoudkunde te Madrid, 



Digitized by 



Google 



120 



Tegenwoordig is het stelsel « waarover w^ hier spreken» het meest 
tot volkomenheid gebragt en het meest algemeen in zwang in Engeland , 
werwaarts allen zich heen te begeven hebben, die met ernst hunne sta- 
die wenschen te maken van de beoefening van den hedendaagschen 
landbouw. Uit alles wat wy aangevoerd hebben vloeit voort, wanneer 
men de cultuur aan rijen wilde bestempelen met eene benaming, waar- 
door in herinnering konde worden gebragt, welke natie het meest heeft 
bggedragen tot de ontwikkeling van dat stelsel, dat men het dan zou 
moeten noemen cultuur op zijn Engelsch De zelfde benaming zou men 
aan het stelsel moeten geven met betrekking tot de riet-cultuur, daar 
de Engelschen de eersten geweest z^n, die het op uitgebreide schaal 
hebben toegepast op de cultuur van de suikerhoudende plant, hoewel 
onder hen de allereerste toepassing heeft plaats gehad door een Fransch- 
man. Wilden w^* alles haarklein gaan uitpluizen, dan zou men aan het 
stelsel, voor zooveel betreft de toepassing op de suikerriet-teelt, nog 
een anderen naam kunnen gevenj zoodanige benaming zou strooken met 
de bill^kheid; maar w^ achten die niet doelmatig; en voor zooveel ons 
aangaat zullen wij, over deze methode sprekende, ons big ven bedienen 
van de uitdrukking cultuur aan rijën^ in welke benaming het denkbeeld 
ligt opgesloten van eene aaneenschakeling van daadzaken en verrigtiu- 
gen, die geijkt zijn door de ondervinding, en die, naar omstandigheden 
gewijzigd, kunnen worden toegepast op de cultuur van verschillende 
planten. 

Winden, beschutselbn, hoogte. — Om met volkomene juistheid te 
kunnen oordeelen over den invloed, die door de beweging der lucht 
wordt uitgeoefend op den groei van het riet, is het noodig te letten 
op de snelheid van den wind en op de eigenschappen van de gasvormige 
vloeistof, die zich beweegt. * 

Wanneer de rietstoelen nog klein, en de stengels omringd zgn door 
de bladeren, hebben ze van de hevige winden zeer veel te lyden, en 
kunnen somwijlen geheel uit den grond worden gerukt. Wij hebben 
menigmaal den stam van rietstoelen onderzocht, die aan hevige winden 
hadden blootgestaan , en hebben dan bevonden , dat ze door de heen en 
weer beweging geheele gaten hadden gemaakt, te weeg gebragt door de 



Digitized by 



Google 



121 



drukking van den stam tegen de wanden van den aardgrond, waarin ze 
geplaatst stonden. — Wanneer de rietstoelen een hoogeren graad van 
ontwikkeling bereikt hebben en er komen dan zware winden, dan kun- 
nen ze derw^'zé worden geteisterd , dat ze afbreken , of zoo sterk naar 
ééne z\jde worden overgezweept, dat ze ontworteld worden en aldus 
omgeworpen blijven liggen in onmiddell^'ke aanraking met den grond, 
hetgeen de vorming van eene menigte wortels ten gevolge heeft, en 
tevens eene volslagene verandering te weeg brengt in de zamenstelling 
van hunne sappen. — De hevige en ongeregelde luchtstroomingen kun- 
nen in de hoogste mate nadeelig werken. 

De lucht, met eene zekere snelheid zich regelmatig bewegende, is, 
wel verre van nadeelig, integendeel zeer nuttig, gelyk wy zullen aan- 
toonen; doch eerst zullen wy doen zien, wat aangaande dit punt met 
betrekking tot andere planten bekend is. — Toaldo was de eerste, die 
opmerkzaam maakte op de heilzame uitwerking, door den wind te weeg 
gebragt op de levens-fdnctiën der planten, terwyl hij aantoonde hoe de 
groeikracht wordt bevorderd door de vermeerderde afscheiding der sap- 
pen en door de activiteit, die wordt medegedeeld aan hunnen omloop. 
Later, door de resultaten van allezins afdoende proefnemingen, stelde 
Knight buiten allen twyfel , dat de beweging der lucht in hooge mate 
bevorderlyk is aan de ontwikkeling , doordien zy de uitdamping verhoogt 
en tevens eenén sterkeren omloop der sappen veroorzaakt. Een boom, die in 
rust blijft, doordien hij met touwen derwijze is gebonden, dat hij niet heen 
of weer kan worden bewogen, zal minder hard groeyen dan een an- 
dere , die zich onbelemmerd kan bewegen. Een andere boom , aan welken 
slechts de gelegenheid was gelaten, om bewogen te worden in ééne 
rigting, bij voorbeeld van het noorden naar het zuiden, had op het 
laatst een elliptischen stam, daar hij veel sterker gegroeid was aan 
3e beide kanten, die in beweging konden zijn, dan aan de andere zij- 
den. Overtuigd van het belang der bewegingen , verkregen door middel 
van de winden , gaf Decandolle den raad , om niet dan in de hoogste 
noodzakelijkheid stutten te plaatsen bij de jonge boompjes, en aan de 
tuinlieden deed hij de aanbeveling toch vooral de jonge boomen niet te 
vroeg te snoeijen, daar hunne takken, oogenschijnlyk onnut of nadee- 
lig, dienstig z^n om, behalve meer uitwerkselen, de gewenschte bewe* 



Digitized by 



Google 



122 



ging aan den boom te verschalfen (Decandolle Fhyêiologie tégétale, Uz. 
1778). — Wij nemen de vermelde proefnemingen aan, en hebben viede 
met de wijze, waarop de oorsprong der verschynselen verklaard wordt; 
maar w^ gelooven, dat men een der oorzaken miskend heeft, die van 
meer invloed zyn op het ontstaan der uitwerkselen. — Wanneer de win- 
den de boomen heen en weer bewegen, doen zij de uiteinden der wor- 
tels breken; en uit de aldus veroorzaakte kwetsuren komen vervolgens 
nieuwe tot steun strekkende vezeltjes voort, in groote menigte; zoodat 
wQ door middel van de winden de zelfde resultaten erlangen, die w^ 
verkr^'gen als wjj de uiteinden der wortels afkappen met een sn^dend 
werktuig. — Wanneer het riet eenen zekeren graad van ontwikkeling 
bereikt; wanneer het , na eene langdurige droogte , bij liet ontvangen van 
de weldaden van den regen, zacht bewogen wordt door de winden, 
doen deze de uiteinden der wortels breken, en uit de afgebrokene pon- 
ten spruiten ontelbare nieuwe voedende wortel^'es v()ort. Deze ophelde- 
ringen z^n voldoende om buiten allen tw^fel te stellen den weldadigen 
invloed, die door de beweging der winden, in de juiste mate en onder 
bepaalde omstandigheden, wordt uitgeoefend op den groei van het 
suikerriet. 

Wat aangaat de gesteldheden van temperatuur en vochtigheid, welke 
gepaard kunnen gaan met de in beweging zijnde lucht, moeten wij 
doen opmerken: l». In Hindostan worden door deheete lucht en drooge 
winden, die in de maand Maart of in het begin van April beginnen te 
waaijen, de suikerriet-plantsoenen totaal verschroeid, en in dezen toe- 
stand blijven zij, volgens de getuigenis van Wray, totdat het nieuwe 
regen-getijde invalt. — 2». Op het eiland Cuba heerschen er gelukb'g 
niet zeer dikw^'Is winden, die de eigenschap hebben zulke nadeelige 
uitwerkselen aan te rigten; maar in tijden van droogte heeft men op 
vele plaatsen den invloed van den hierbedoelden geesel opgemerkt. — 
Ofschoon op zeer kleine schaal, z^'n wij in de gelegenheid geweest, de 
werking gade te slaan , die de zuidenwind te weeg brengt op het in 
vollen groei staande riet; tot dat einde werd een fraaije stoel doorsch^ 
nend riet, die gekweekt was in een pot, vol met teel-aarde, door ons 
overgeplant op een terras : aldaar op eene geschikte plaats blootgesteld, 
al den tyd dien de warme en drooge zuidenwind aanhield, bronnen 



Digitized by 



Google 



123 



zijne bladeren eerst te verwelken» en eindigden met geheel te verdorren. 

Het is zonneklaar, dat de mensch ettelijke natuurlijke nadeelen slechts 
ten deele kan te keer gaan. In de landen, waar deze heete en drooge 
winden heerschen, zal men, om de schadel^ke uitwerking, die ze op 
het suikerriet aanrigten, tegen te gaan, z^ne toevlugt moeten nemen 
tot menigyuldige besproeijingen. — Wanneer er op gezette tyden des 
jaars winden waayen, die in een of ander opzigt schadelyk zyn, dan 
zal men hi kunstmatige beschutselen daartegen dienen op te rigt^, óf 
wel partij te trekken van de aanwezige natuurlijke beschuttingen. — 
Wat betreft de algemeene uitwerkselen van de gewone winden, zal men 
zich tot zekeren graad tegen hunnen invloed kunnen wapenen» dooit het 
riet te planten op eene behoorlyke diepte in dqp grond, en het ter 
behoorl^ker tijjd stevig aan te aarden : zoodoende voorziet men het van 
krachtige stutmiddelen, waardoor het hecht met den grond is verbon- 
den. — De geaardheid van den grond wijzigt den invloed van de winden. 

Behalve de reeds door ons vermelde uitwerkselen, bestaan er andere 
daadzaken , gedeeltelijk in verband met den invloed der winden , waar- 
van wij het dienstig oordeelen gewag te maken. Wanneer de rietstoelen 
eene zekere hoogte bereiken, beginnen ze, door de dikte van hunne 
stengels en door de zwaarte der bladeren, waarmede hunne bovenge- 
deelten bevracht zyn, meegevende aan de luchtstrooming waardoor ze 
bewogen worden, langzamerhand te buigen, af te w^ken van hunne 
natuurlek rigting, en eindigen met geheel ter aarde gebogen te wor- 
den. — Daar dit verschijnsel gedeeltelijk afhangt van de afinetingen , 
welke de plant overeenkomstig hare bijzondere geaardheid bereikt, en 
van de buigzaamheid harer weefsels, spreekt het van zelfs, dat het zich 
in eenen meer of minder sterken graad zal vertoonen, naar gelang van 
de soort (variëteit) van riet; maar altyd zal de luchtstrooming in hooge 
mate het hare daartoe bijdragen. — Het riet, dat alleen aan de afmetin- 
gen, waartoe het zich heeft ontwikkeld, te danken heeft dat het niet 
door dmi wind uit den grond wordt gerukt, ofschoon het, op den 
grond neergebogen, wortels schiet en gemeenlijk beschadigd wordt door 
de dieren, levert gemeenlijk zeer goede resultaten in den molen op; 
vandaar dat w^ menigmaal hebben hooren zeggen : „ liggend riet houdt 
den meester op de been", waarmede men zinspeelt op het voordeel, dat 



Digitized by 



Google 



124 



de plant afwerpt door den hoogen graad van wasdom, dien z^* bereikt. — 
In sommige streken van Oost-Indië en in China, waar suikerriet geteeld 
wordt op kleine schaal, en waar de handen-arbeid slechts zeer weinig 
kost, heeft men de gewoonte, naast de rietstoelen groote staken in den 
grond te plaatsen, aan welke de stengels worden vastgebonden « ten 
einde eenen stut te hebben; maar zoodoende wordt de rietplant zeer 
in haren groei belemmerd, gel^k onze proefiiemingen bewijzen. — On- 
der al de soorten (variëteiten) van riet, die wij hebben, is die, welke 
door hare byzondere geaardheid ons voorgekomen is, over het geheel 
meest geneigd te.z^n om ter aarde te buigen ofte gaan liggen, het 
riet met groene streepen; terw^l de soort, die, door de geringe afme* 
tingen waartoe zij zi^li ontwikkelt, het meest geschikt is om zich regtop 
staande te houden, het riet is uit de omstreken van Batavia. 

Behalve de vorenstaande beschouwingen is het , om alles wat van den 
invloed der winden afhangt te bepalen, noodig, ook nog andere ver- 
schijnselen na te sporen, die met dien invloed in verband staan. Al de 
omstandigheden, die de ontwikkeling van het riet belemmeren, zonder 
op eene regtstreeksche en geëvenredigde wyze van invloed te zijn op de 
absorptie der voedende zelfstandigheden , bevorderen de ontwikkeling 
van de looze knoppen der rietstengels. — Wy hebben doen zien hoe de 
winden, als ze droog en heet zijn en lang aanhouden, eene groote uit- 
damping door de bladeren te weeg brengen , den groei belemmeren , de 
blad-organen doen verdroogen, en eindigen met al de levens-functiën 
der plant geheel te verlammen en haren dood tè bewerken; maar alvo- 
rens dit eindresultaat, dit uitwerksel der meestmogelyke kracht van den 
bewusten invloed , te weeg te brengen , grypt er op in het oog loopende 
wyze een ander verschynsel plaats. — De ontwikkeling wordt tegenge- 
houden, gaat langzaam; de geledingen, die zich vormen, zijn kort, hou- 
tig; en naauwelijks vertoont zich eene halve nederL el stengel zonder 
bladeren , of de looze knoppen beginnen zich te ontwikkelen en het aan- 
zyn te geven aan looze spruiten. — In dit geval gebeurt er wat zou 
plaats grigpen als men de plant beroofde van hare bladeren, daar het 
van zelfs spreekt, dat het op het zelfde neerkomt of de blad-organen 
van de plant a%enomen, dan wel op eene andere wyze nutteloos gemaakt 
worden. — Om ons van deze verschijnselen te vergewissen, namen wij 



Digitized by 



Google 



125 



riet met groene streepen, als zynde het tengerste; w^ lieten een ron- 
den knil maken, ran zeventig nederl. dnim diepte en twee nederl. el 
middellijn, op eene hoogliggende plaats, geheel blootgesteld aan den 
invloed der winden, en tevens zonder eenigerlei beschutting, waardoor 
de werking van de luchtstrooming gebroken had kunnen worden : deze 
kuil, welks wanden eene dikte hadden van twintig nederl. duim, werd 
geheel gevuld met rottendèn bagger, vermengd met varkensdrek eu 
aarde. — In dit mengsel plantten wij riet , dat goed opkwam , zich aan^ 
vankelgk tamelijk welig ontwikkelde en sterk spruiten schoot; maar na 
verloop van eenigen tijd begon het trager te worden in z\jnen groei, 
én in weerwil van veelvuldige besproeiingen begonnen de uiteinden der 
bladeren te verwelken en spoedig te verdorren; op het laatst vertoonden 
zich de looze stengels , de groei hield geheel en al op, en aan den voet 
der rietstoelen kwamen nieuwe spruiten te voorschyn. — Dit verschijnsel 
vertoonde zich sterker, hoe rijker aan voedende stoffen de grond was. 
waarin het riet geplant werd, en hoe gunstiger de omstandigheden wa- 
ren, waaronder het begon te groeyen. — Van vele rietstengels was de 
eindknop verdroogd of verrot. — (Zie Looze êienffdê). 

COERECnVBN (op MIDDELEN OM DEN GROND TB VBRBETBEBN) EN MEST- 

sPEciêN. — Qehrande Mei, — In 1820 gaf Beatson, gewezen gouver- 
neur van Sint-Helena, te Londen een werlge in het licht, dat bestemd 
was, gel^'k de titel aanduidde, om de voorbereidende bewerkingen on- 
noodig te maken en tevens het gebruik van kalk en van meststoffen te 
doen ophouden. — Het stelsel van Beatson berustte op de aanwending 
van gebrande klei, welke hij verkeerdelijk beschouwde als eene toerei- 
kende mestspecie voor alle soorten van cultuur en voor alle soorten van 
gronden. Bovendien sloeg hij voor, om b^ het bewerken van den grond 
den ploeg te vervangen door den wied-toestel, of, om juister te spre- 
ken, den uitroeijer (extirpator), daar dit zoo zeer door hem aangeprezen 
werktuig voorzien was van horizontale punten of priemen, terwijl de 
eigentl^jk gezegde wied-toestellen alt^d werken met snijtuig in den vorm 
van verticaal aangebragte messen. — Gelyk het geval is met de meeste 
menschen, die een of ander stelsel verdedigen, overdreef Beatson de 
voordeelen van zijne wijze, van behandeling, en wilde die, zonder om- 



Digitized by 



Google 



126 



zigiigkeid of overleg, algemeen maken, hetgeen niets andera ten gevolge 
had, dan hetgeen te verwachten was, namel^k, dat het de me&ode, 
die h|j wenschte aan te pryzen, geheel in miskrediet bragt --- Thans, 
nu de ondervinding er nitspraak over gedaan heeft, kannen wy met vol- 
komene keimis van zaken onderscheiden, wat er goeds was in het vroe- 
gere stelsel, en tevens de gebreken aantoonen, welke het aankleefden. 

De voorbereidende werkzaamheden kunnen niet met goed gevolg wor- 
den afgeschaft, of men moet de akkers behoorlek bemesten, en de 
inzameling van den oogst bewerkstelligen overeenkomstig de regelen , 
die wij later zullen uiteenzetten. De aanwending van mestspeciën is 
onmisbaar; want zonder dat eenen goeden oogst te willen verkregen , 
zou even onverstandig z^n, als vee te willen fokken, zonder de dieren 
behoorlek te voeden ; de mestspeciën zyn de voedingsmiddelen der plan- 
ten, en dienen om den grond ten aUen t\jde voorzien te houden van de 
onmisbare hoeveelheid voedende zel&tandigheden, die de planten doen 
groe^n, ongerekend, dat ze tevens eenen merkbaren invloed uitoefenen 
op de physieke hoedanigheden van den grond. De kalk, met oordeel 
aangewend, is te gelijk een krachtig correctief en eene nuttige meststof. 

Wat de uitroei-toestellen betreft, zullen wy zeggen, dat die met 
voordeel worden gebruikt, om de riet-akkers of de vroeger beteeld ge- 
weest z^nde gronden te wieden; maar ze kunnen nooit volkomen den 
eensn^denden ploeg vervangen, die door zgn bijzonder zamenstel in staat 
is dieper den grond te doorsni[jden en om te woelen, dan men dat 
ooit zou kunnen met het werktuig, dat aanbevolen werd door Beatson. 
Wat moeten wg denken van de aanwending van gebrande klei? Op 
dit punt hebben wij gemeend de aandacht van onze planters zeer in het 
bgzonder te moeten vestigen , daar wy gelooven , dat zg , door met oor- 
deel en overleg gebruik te maken van gebrande klei, hunne kleigron- 
den physiek en chemisch zullen kunnen verbeteren. 

De kunst om zware en vaste gronden geschikt te maken voor de 
cultuur, bestaat hierin: daarop al die verrigtingen toe te passen, die 
in hare bijzondere en wederkeerige resultaten zamenwerken om de lozing 
van het water gemakkelgk te maken; al de chemische en physieke be- 
werkingen en middelen 9 die de doorgreppeling van het terrein, en tevens 
de spomachtige gesteldheid van den grond vermeerderen, waardoor hij 



Digitized by 



Google 



187 



voor den krachtigen invloed Tan de lucht vatbaar gemaakt, en iu hooge 
mate de groei van de wortels der planten bevorderd wordt Dit doel 
ber^kt men door , naar gelang van de plaatsel^ke toestanden en behoef- 
ten, de diepgaande bewerkingen te verrigten, de losmaking van den on- 
dergrond, de inwendige water-afleiding door middel van draineer-buisen , 
of wel die boven den grond door middel van goed getrokkene greppels, 
de behoorlyke bemesting van den grond, alsook door de aanwending 
van de krachtigste correctiven of middelen ter verbetering om de phy- 
sieke eigenschappen van den grond zooveel mogelijk te wyzigen. 

Nu zullen wij de voordeelen nagaan, die men verkr^'gt door gebrande 
klei met de bestanddeelen van eenen vasten grond te vermengen. 

Om in de uiteenzetting van dit belangr\jke onderwerp met eenige 
orde te werk te gaan, zullen w^ de verschillende invloeden nagaan, 
die door de zelfstandigheid, waarmede w^ ons thans bezig houden, 
worden uitgeoefend op de physieke eigenschappen van den grond , en 
daarna zullen wij zien welken invloed er door te weeg wordt gebragt 
op de chemische zamenstelling van den bodem. 

Wanneer men de klei behoorlek brandt, ondergaan al hare eigen- 
schappen eene wyziging: hare kleur verandert, en wordt meer of minder 
hoog-rood; zy verliest het vermogen om het water terug te houden, en 
ook hare oorspronkel^*ke en natuurl^*ke taaiheid gaat verloren. Als de 
gebrande klei, na zulk eene volkomene verandering ondergaan te heb- 
ben, en in een^ steengruiê herschapen te zyn, in behocnrlyke en ge- 
l^kmatige verhouding vermengd wordt met eenen vasten, hetz^ kalk- 
achtigen, hetzij kleiachtigen grond, worden de physieke eigenschappen 
van den grond totaal daardoor veranderd: h^ wordt poreuzer en door- 
dringbaarder. Door die poreusheid verdigt het ammoniak en het salpeter- 
zure ammoniak , dat de grond uit den dampkring aantrekt, en in zich terug 
houdt; h\j slurpt de zelfstandigheden der lucht in, plaatst die in zoo- 
danige toestanden, dat ze zich met elkander kunnen verbinden, en daar- 
door wordt de ontleding bewerkt en bespoedigd van de in den grond 
aanwezige onoplosbare zelfstandigheden. De gebrande klei bevordert zoo- 
doende ook de behoorl^ke waterlozing en den groei der wortels. Uit 
al de genoemde redenen volgt , dat zy bevorderlijk is aan de oprfurping 
van al de voedende zelfstandigheden, die zich in den grond bevinden. 



Digitized by 



Google 



128 



Zy schenkt das eene hooge mate van vrachtbaarheid aan gronden, die 
zonder haar misschien slechts eenen oogst zouden hebben opgeleverd, 
te naauwemood toereikend om den arbeid en het in de onderneming 
gestokene kapitaal te loonen. 

Zien wij nu welke eigentlijk de veranderingen zyn, die de klei onder- 
gaat door den invloed van het vuur : om die veranderingen des te beter 
te kunnen waarderen, zullen wij beginnen met te herinneren, dat klei 
niets anders is dan een kiezelzuur zout van aluin-aarde , waaün het zuur 
en de basis aangetroffen worden in afwisselende verhoudingen. Met dit 
kiezelzure zout van aluin-aarde hebben zich in meerdere of mindere hoe- 
veelheid kiezelzure zouten vereenigd van potasch, soda, kalk, magnesia, 
mangan en ijzer. Deze verbinding vormt eene onoplosbare zelfstan- 
digheid, en alleenlyk door de dampkrings-invloeden, waarb^ koolstof- 
zuur en water eene rol spelen, alsook door ettelyke bestanddeelen van 
den grond zelven, worden de in de klei aanwezige zelüstandigheden op- 
losbaar gemaakt, derw^ze, dat ze ingeslurpt kunnen worden door de 
wortels der planten, voor welke ze een onmisbaar vereischte zijn om 
tot haren vollen wasdom te kunnen geraken. 

Alvorens verder te gaan, achten wij het noodig aan te toonen, dat 
het kiezelzuur en de zouten der alkaliën en aarden zelfstandi^eden zign , 
niet alleen noodzakelijk om de suikerriet-plant hare organen te doen 
vormen, maar tevens onmisbaar om die organen in staat te stellen, 
naar behooren hunne functiën te verrigten. 

De ondervinding leert, dat de asch van planten, die in kleiachtige 
gronden groeien, ryker aan alkaliën is dan die van planten , welke in 
eenen kalkachtigen grond zijn voortgekomen: bij gevolg bevat de asch 
van eerstgenoemden eene grootere hoeveelheid oplosbare bestanddeelen 
{Traite de Chimie gén, analyt, ind. agric, par Pelouze et Fremy, tomc 
rV, page 874). De aanwezigheid der alkaliën in kleiachtige gronden, 
en de vereeniging van de overige physieke en chemische eigenschappen, 
welke die gronden kenmerken, z\jn voldoende om te doen begrijpen, 
wi&rom de slechts eenigermate kleiachtige gronden de beste, geschiktste 
en dienstigste z^n voor de teelt van suikerriet. 

Z^'n nu de kiezelzure alkaliën en aarden zoo onmisbaar voor het leven en 
de bijzondere levens-functiën der netplant, zooals blijkt uit het oppervlak- 



Digitized by 



Google 



1^9 



kigste onderzoek der asch, dan volgt daaruit, dat wij zorg moeten dra- 
gen, niet slechts om aan den grond die zoaten terug te geven naar- 
mate h\j die verliest, maar wat meer zegt, de daarin aanwezige hoe- 
veellieid van die zouten te vermeerderen, in dier voege, dat de wortels 
der plant ze beschikbaar vinden ter inslurping, naar gelang van hunne 
behoefte. Die zouten, hebben wij gezegd, zyn aanwezig in de kleiach- 
tige gronden; maar wij hebben tevens gezegd, dat ze, om oplosbaar 
en eenfgzins vereenigbaar te worden, eerst ettelyke reactiën behoeven, 
waartoe een meer of minder lang t^dsbestek vereischt wordt. Dadel^k 
vereenigbaar worden door het branden van de klei die zelfstandig- 
heden, die anders zeer lang in den grond zouden hebben gezeten in 
eenen toestand, ongeschikt om door de wortels te kunnen worden inge- 
zogen. Door de werking van het vuur ondergaan die zamengestelde 
zouten moleculaire omzettingen, waardoor ze geschikter worden ge- 
maakt om in bepaalde gevallen gemakkel^ker te worden aangedaan 
door bepaalde invloeden. Zoo, by voorbeeld, neemt de klei, die in 
haren natuurl^'ken toestand niet noemenswaardig wordt aangedaan 
door de zuren, zoodra zij gesmolten is met koolzure soda, potasch 
of kalk, of zelfs zoodra z^' tot eenen staat van gloeihitte is gebragt, 
de eigenschap aan, dat zy alsdan door zwavelzuur of door zoutzuur 
opgelost wordt. Welnu, op de gebrande klei werken het vochtige 
koolzuur, de kalk en de dubbelkoolzure kalk veel gemakkelgker, en 
door al die reactiën worden als eindresultaat oplosbare alkaliën en 
oplosbaar kiezelzuur voortgebragt, welke zelfetandigheden vervolgens niet 
slechts kunnen ingezogen worden door de wortels , maar zich ook ver- 
spreiden door al de bestanddeelen van den grond, die ze opslurpen en 
in zich behouden, om ze ter gelegener tyd mede te deelen aan de wor- 
tels der planten. De aanwezigheid van die alkaliën bevordert de sal* 
petervonning en brengt meer andere reactiën te weeg. 

Om de bovenstaande denkbeelden nog duideli^lker te maken, zullen 
w^ een feit aanhalen, waarvan de beroemde Liebig gewag maakt (I^^ 
tres sur la Chimie Parys, 1847, blz. 250). In Vlaanderen, waar nage- 
noeg alle huizen gebouwd z^'n van gebakken steen » ziet men de muren 
uitslaan. Die uitgeslagene vlekken, die door den regen worden wegge- 
spoeld, komen dadelijk daarna weder te voorschijn, en vertoonen zich 

9 



Digitized by 



Google 



180 



zelfs op moren, die versoheidene eeuwen oud z^'n. Dat dit verscl^JBsel 
te weeg wordt gebragt door den invloed van den kalk ia duidelijk en 
onwedersprekel^'k : ten bewijze daarvoor z^ het genoeg gezegd, dat die 
uitslag zich voomamel^k vertoont in de voegen, waar de kalkdeelenhi 
aanraking z^'n met de steenen. 

Ten einde volkomen al den invloed te kunnen waarderen , die de ge- 
brande klei op den grond uitoefent , moeten wij doen opmerken , dat z^ 
nooit geheel vrij is van vreemde stofFeo: de zouten, die voortgebragt 
worden door de in haar aanwezige organische bestanddeelen , en die, 
welke er aan worden medegedeeld door de brandstof, waarmede het 
branden wordt bewerkstelligd, dragen mede bij tot vruchtbaarmakmg 
van den grond. 

Hoewel al de voordeelen erkennende van de beweridng, die het onder- 
werp van bovenstaande beschouwingen uitmaakt , moeten wij echter daar- 
by voegen, dat het branden van de klei niet alieen in staat is te 
dienen als een regelmatig bestendig stelsel van cultuur; want wat de 
planten-voeding betrefb, bijaldien de in den grond aanwezige zelfstan- 
digheden niet anders aan de planten worden toegediend dan in een 
anderen vorm, waardoor ze geschikter zijn gemaakt om dadelyk te wor- 
den ingezogen, zal na verloop van eenen zekeren t^d de voorraad van 
die voedende zelfstandigheden uitgeput z^n. Uit het oogpunt van de 
physieke gesteldheid of uit dat der correctiven (dat wil zeggen de mid- 
delen, die aangewend worden om de gesteldheid van den grond ligter 
of zwaarder te maken, en in het geheel beter in overeenstemming te 
brengen met de natuurlgke behoeften der cultuur) zyn wy verpUgt te 
erkennen, dat er eenmaal éen t^d komen zal, dat de physieke eigen- 
schappen genoegzaam zijn gewijzigd, en geen verdere wijziging behoe* 
ven, zoodat men, alsdan nog voortgaande den grond, te branden, 
hem slechter zoude maken in plaats van beter. Om kort te gaan, 
de aanwending van gebrande klei is zeer nuttig in bepaalde gevallen; 
maar men kan die niet beschouwen als op den duur een heilzaam middel 
te zijn, en evenmin worden daardoor andere landbouwkundige verbe- 
teringen overbodig of minder noodig gemaakt. Integendeel: wanneer 
men gebrande klei op den grond aanbrengt, zal het wel degelijk noodig 
zijn, naar gelang van de geaardheid van dên grond, tevens mestspeciën 



Digitized by 



Google 



181 



daarin te brengen, er kalk b^' te Toegen, en mergel, enz^ enz. Zoo* 
doende zal men zich nog des te beter al bet nnt verzekeren, dat w^' 
konnen trekken van dit krachtdadige middel om zware gronden in eenen 
beteren toestand te brengen. 

Met de aanwending van gebrande klei z^'n goed geslaagde proeven 
genomen in Prankrijk door Bosc en Puvis; en in Engeland wordt het 
nut daarvan erkend door een groot aantal landbouwers. In laatstgenoemd 
land is onlangs een werlge in het licht verschenen, opgesteld door 
Mechi, waarin het middel, dat thans het onderwerp onzer beschouwin* 
g«[i uitmaakt, met warmte wordt aanbevolen; de schriijver verzekert, 
Injjaldien dit middel op eene verstandige wijze wordt aangewend, dat 
het dan de beste resultaten te weeg brengt ter verbetering van zware 
gronden, die, aldus bewerkt, meer warmte genieten en meer den invloed 
ontvangen van de lucht; de groeikracht wordt opgewekt, en overigens 
erlangt de grond in hooge mate het vermogen, om de in den damp- 
kring aanwezige ammoniacale zouten aan te trekken en in zich te 
behouden. 

De tegenwoordig in gebruik z^nde wijze om de klei te branden, 
werd het eerst aangeraden door Cartwright, die ons in de verhande- 
ling, waarin hi|j zijjne methode uiteenzet, mededeelt, dat op z^'n minst 
eene eeuw voor hèt t^dstip, waarop hy z\jn geschrift in het licht gaf, 
door Beatson reeds gebrande klei gebruikt werd in Ierland , en zulks 
met goed gevolg; en w^' zullen daarby voegen, dat men in de ge- 
schiedenis van den landbouw zelib nog vroeger melding vindt gemaakt 
van dat gebruik in andere landen* Om de klei te branden, begint 
men met in den grond eene groeve te graven, in den vorm van 
een greppel, die twintig voet lang, drie voet breed en drie voet diep 
moet zyn. In deze groeve wordt de brandstof geplaatst, en de klei ver- 
volgens afgedeeld aan losse stukken, die op eenen tot dat einde boven 
de groeve gemetselden vloer worden gelegd, in welken vloer verschei- 
dde openingen z^n gelaten, opdat de vlammen de klei kunnen berei- 
ken. Om zeker te kunnen z^'n van een goed resultaat van dezen arbeid, 
moet de klei, die men brandt, vochtig zign; want anders zou men er 
slechts harden steen van bekomen, die moeijjelijk tot gruis fijn te maken 
zoude z^'n, tenrijl vochtige stukken klei door het branden zoo broos 



Digitized by 



Google 



132 



worden, dat ze met zeer geringe moeite tot gruis lijn te slaan 
zijn (86). 

Het gebruik van kalk als meetspecie en aU correctief. — De ondervin- 
ding leert, dat kalk eene zelfstandigheid is , die een noodwendig bestand- 
deel uitmaakt in de zamenstelling van zoodanige gronden, welke voor 
de suikerriet-teelt bet bestgeschikt zijn; opdeeenigzinskalkachtige gron- 
den teelt men niet alleen de krachtigste rietstoelen, maar de sappen 
van deze zyn bovendien rijker aan suikergehalte , en laten zich ook ge- 
makkelyker verwerken. Dat zijn gronden „die veel produkt leveren" 
en „uitmuntende suikervelden". Mcir men vergete niet, dat de kalk 
slechts een nuttig bestanddeel is, vereenigd met andere bestanddeelen , 
en slechts als zoodanig een vereischte tot eenen goeden grond. Kalk in 
eene overmatige hoeveelheid is een gebrek, waardoor toestanden ont- 
staan, die zich door geheel bijzondere eigenschappen kenmerken; in dit 
geval zou het noodig wezen de geschikte correctiven aan te wenden, 
en er mestspeciën bij te voegen, ten einde zoodoende aan den grond 
de meeste vruchtbaarheid te geven. 

De koolzure kalk is zulk een onmisbaar bestanddeel voor den bo- 
dem, dat men hem daarvan den del&toffelgken grondslag zou kunnen 
noemen ; vereenigd met de overige delfstoffel^ke zelfstandigheden, 
die zich in de juiste evenredigheden er mede vereenigen, strekt 
de kalk om die physieke eigenschappen in het leven te roepen, 
welke wy als de meest wenschelijke geaardheid van den grond be- 
schouwen. Uit de zamenstelling van de asch der planten zien w^, 
dat er kalk aanwezig is in de organen van alle planten; en bij somnu- 
gen is de hoeveelheid zeer aanzienlek. Derhalve, in aanmerking geno- 
men de physieke eigenschappen, die er door in het aanz^'n worden 
geroepen, gelet op zyne regtstreeksche , onmiddellyke werking als voe- 
dende stof, en eindelijk niet uit het oog verloren zijne chemische wer- 
king op andere zelfstandigheden , moeten wij erkennen , dat de aanwe- 
zigheid van kalk in den grond altijd noodzakelijk is , en dat die in vele 
gevallen (waar het bepaalde plantgewassen betreft, bij voorbeeld by 
het suikerriet) een onmisbaar vereischte is voor de vruchtbaarheid van 
den grond. Er behoort kalk aangebragt te worden in alle gronden , waarin 
geen koolzure kalk aanwezig is. 



Digitized by 



Google 



133 



. ,W^. zullen deze denkbeelden nader ontwikkelen, en al de voordeelen 
aantoouen, welke door eene behoorlijke en geschikte aanwending van 
kalk kunnen worden verkregen. Deze alkalische aarde werkt als mest« 
specie en als correctief op de physieke eigenschappen. Zy volbrengt 
hare werking^ en oefent haren invloed uit, zoowel in den toestand 
van vriljën kalk, als in verbinding met koolzuur of andere stoffen. Zij 
werkt regtstreeks, en veroorzaakt of bevordert ook sommige reactiën , 
die, als ze eenmaal plaats gegrepen hebben, van heilzamen invloed 
zijn op de groeikracht. In gronden, die vri|jë zuren bevatten, worden deze 
verzadigd door den kalk, welke zoodoende niet alleen den schadelyken 
invloed belet, die deze zelistandigheden op de planten zouden uitoe- 
fenen, maar ze tevens, naar gelang van den aard dier zuren, kanher» 
scheppen in weldadig werkende zelfstandigheden. Be kalk bevordert de 
verbinding van de zuurstof en stikstof uit den dampkring, en verrykt 
zoodoende den grond met salpeterzure zouten ; z^ werkt op de afral-mest 
en brengt oplosbare humuszure zouten van kalk voort, die, hetz^* ze 
zich regtstreeks assimileren, hetzij ze eerst nog veranderingen ondergaan , 
altijd worden ingezogen door de planten, of aan deze andere heilzame 
zelfstandigheden verschaffen. De in den grond aanwezige stikstofhou- 
dende stoffen, in aanraking komende met den kalk, geven hetaanzyn 
aan ammoniak of aan salpeterzure zouten. Enkele kiezelzure zouten, 
en daaronder ook de klei, die onder gewone omstandigheden wer- 
keloos blyven, en weerstand bieden niet alleen aan alle dampkrings- 
invloeden, maar ook aan die, welke zich in den grond zelven open- 
baren door de werking van zijne eigene bestanddeelen , worden onder 
den invloed van den kalk ontleed en brengen kiezelzuur zout van kalk 
en vrije alkaliën voort, die zoovele nieuwe zelfstandigheden zijn, welke 
de groeikracht van den grond verhoogen. Het is mogelyk dat de kiezel- 
zure kalk wordt opgelost in eene overmatige hoeveelheid koolzuur, en 
zoodoende in de poriën der wortels binnendringt; het kan ook gebeu- 
ren dat hij ontleed wordt, onder vrijwording van het kiezelzuur, dat 
zich alsdan gedeeltelijk oplost in water, en zoodoende in den ver- 
eischten toestand geraakt om ingezogen te kunnen worden. Daar de 
kalk dus, ofschoon daartoe geen onmisbaar vereischte, krachtdadig werkt 
om het kiezelzuur en de alkaliën, wier invloed van zooveel gewigt 



Digitized by 



Google 



1S4 



ift, te doen doordringen in de huishouding ran het pUntenleten, 
is AU misschien wel de reden waarom h^ zoo onmisbaar ift Y<^r de 
teelt van suikerriet De kalk ontleedt de zwavelzure zouten van ijzer» 
magnesia, enz., terw^l hjj zwavelzuren kalk vormt en oxyden vriymalikt, 
die bijzondere verrigtingen hebben te volbrengen. 

De kalk, die, met koolstofzuur verbonden, koolzuren kalk vormt, lost 
zich op in eene overvloedige hoeveelheid van dat zuur, en dringt in den 
vorm van dubbelkoolzuur zout in de organen der plant. 

Eindel^k is kalk een correctief of verbetenniddel voor de phyöidce 
eigenschappen der gronden. Kalk moet worden aangebragt op uitermate 
kleiachtige en zandige gronden, alsook op die, waarvan plantaaid^e 
stoffen een hoofdbestanddeel uitmaken. In de beide eerstgedoelde geval- 
len brengt de kalk in den zwaren grond en in den ligten bodem de 
omstandigheden voort, die aangetroffen worden in kalkachtige gronden; 
de kleiachtige gronden maakt zij doordringbaarder, de zandgronden 
maakt zij vaster. 

Zooals iedereen weet, wordt de kalk bereid door sterke v^hitting 
van den koolzuren kalk (kalkbranden). Deze zelfstandigheid wordt niet 
altijd zuiver in de natuur aangetroffen , en vandaar dat er klei , mag< 
nesia, kiezelzuur, metaal-oxyden en verkoolde stoffen aanwezig kunnen 
zijn in den gevormden kalk. Ontegenzeggelijk is het, als men alleen 
kalk wenscht te gebruiken, dat het dan het best zoude z^'n deze alka- 
lische aarde in haren hoogsten staat van zuiverheid te bezigen; maar 
gelukkig is het niet alt^d schadel^k het aan te wenden, vermengd met 
andere stoffen. Zoo , bij voorbeeld , de kalk verbonden met klei , zand 
of metaal-oxyden : o&choon als correctief niet volkomen eenerlei uit- 
werkselen te weeg brengende, kan men toch in het algemeen zeggen, 
dat h^* , op groote schaal aangewend , de zelfde resultaten oplevert, 
behoudens dat die 'misschien eenigermate verschillen in intensiteit, en 
er, om ze te weeg te brengen, grootere hoeveelheden kalk noodig 
zyn. Niet het zelfde zullen wij zeggen van magnesia-kalk : sonun^e 
landbouwkundigen beweren , dat die den grond erg uitput en dos de 
aanwending van eene grootere hoeveelheid mestspeciën noodig maakt; 
anderen zeggen , dat de magnesia-kalk schadelijk is voor den plantengroei; 
maar geen van die beide beweringen steunt op degelijke proefnemingen. 



Digitized by 



Google 



185 



Zal de kalk al zyne weldadige uitwerkselen te weeg brengen in den 
lioog^n graad , dan is het eene eerste voorwaarde , dat m^ hem ten 
innigste vermenge met den grond , derw^se , dat al de deelen van dien 
^ond behoorlijk met hem in aanraking z\jn; zonder dat zullen de 
iiirederkeerige werkingen , die tusschen hen moeten plaats grijpen , niet 
te w;eeg gebragt kunnen worden. 

Men gebruikt den kalk alleen of vereenigd met verschillende vrucht- 

baarmakende zeUstandigheden , waarmede h^ een compost of zamengeèidde 

Meaispeeie vormt. Om den kalk afzonderlijk aan te wenden, bluscht 

men hem, eer hij op den akker wordt gebragt; somw^len ook brengt 

men hem ongebluscht op den akker , waar hij wordt aangewend , hetzij 

zonder overdekt te worden, hetzij overdekt wordende met eene dunne 

aardlaag , ten einde de te sterke werking der regens te beletten. — In 

elk geval plaatst men hem aan hoopjes op den grond , en verspreidt 

die vervolgens zoo gel^kmatig mogelijk , waartoe men zich van schoppen 

of schoffels bedient. — Om de zamengestelde kalkspeciën te maken, 

Yennengt men den kalk met aarde , gras , enz. ; men legt die bestand- 

deelen aan lagen, telkens eene laag kalk op eene laag bijmengsel, en 

als dit eenigen t^d gestaan heeft, werkt men de geheele zaamgepakte 

massa ten onderste boven, opdat de verschillende bestanddeelen zich 

goed met elkander vermengen. Vervolgens brengt men de massa over 

naar den akker, waar men die behoorlijk over de oppervlakte verspreidt^ 

Om den kalk gelijkmatig te verdeden , zou men zich met voordeel kunnen 

bedienen van den mest-verdeeler van Chambers. — Doch welke wyze 

van behandeling men moge volgen , om den kalk in den grond te bren* 

gen, moet men zich alti^ bedienen van ploegen en treksleeden. 

De hoeveelheid kalk, welke de gronden noodig hebben, verschilt naar 
gelang van hunne byzondere geaardheid, van de te volgen wyze van 
cultuur, en van het te telen plantgewas. Op gronden, die minder kalk 
bevatten, zal eene grootere hoeveelheid aangebragt moeten worden; 
worden de regelen van den hoogsten vooruitgang in den landbouw ge- 
volgd , dat wil zeggen , wordt de grond omgewerkt tot op eene aanmer* 
kelyke diepte, en worden op de aanwending van mestspeciën, correctiven , 
besproeijing , enz. , enz. , de nieuwste voorschriiten der wetenschap toege- 



Digitized by 



Google 



136 



past, dan zal er meer kalk noodig z\jn; en eindelijk, wanneer het de 
teelt betreft van planten , die door haar bijzonder organismos voor hare 
levensfuüctiën meer behoefte aan deze alkalische aarde hebben, zal ook 
de hoeveelheid , die wij daarvan in den grond moeten brengen , grooter 
dienen te zijn. — Kalk in de gronden te brengen is dus een der 
middelen, die wy behooren aan te wenden om ze te verbeteren; en 
opdat dit middel al de goede resultaten te weeg brenge , die het te 
weeg brengen kan , moet het noodwendig met de overige middelen in 
verband gebragt worden en zamengaan; zonder dat zou het, in stede 
van groote voordeelen aan te brengen, niet anders veroorzaken dim 
nadeelen. 

De met den grond vermengde kalk wordt van jaar tot jaar min- 
der, daar een gedeelte er van wordt geabsorbeerd door de planten, en 
ook doordien een gedeelte, dat door overvloedig koolzuur is opge- 
lost, doordringt tot in de diepst gelegene aardlagen van den grond. 
Dit doet ons zien, dat, al is het niet noodig of nuttig het aanbrengeii 
Van kalk ieder jaar te vernieuwen, het nogtans noodzakelijk is zulb 
na verloop van een zeker tijdsbestek te doen. Daar overigens sommige 
der resultaten van deze bewerking afhangen van de aanwezigheid van 
vrijen kalk, zal het in vele gevallen nuttig zyn de aanwending daarvan 
te herhalen , aangezien die vrij spoedig overgaat tot den staat van kool- 
zuren kalk. 

De beginselen, die wij hier hebben ontwikkeld, zullen het groote 
verschil ophelderen, dat men tusschen verschillende landen (^merkt, 
wat betreft de hoeveelheden kalk, die aan den grond worden toege- 
voegd ; en ze zullen tevens doen begrijpen , dat het niet wel doenl^k 
zoude zijn hier een vasten maatstaf aan de hand te geven , welke hoe 
veelheid kalk wij zullen hebben aan te brengen op onze gronden. Even 
als in alles wat den landbouw raakt, zal voorzeker ook hier de onder- 
vinding de beste gids zyn , vooral wanneer men steeds partij trekt van 
de voorlichting der wetenschap. In het algemeen zullen wy zeggen, dat 
van 3 tot 5 hectolitres op eene hectare gronds ieder jaar, dat is 27 
a 45 hectolitres om de negen jaren, ons toeschijnen de gewone hoe- 
veelheid te zijn. Een hectolitre kalk weegt ongeveer 80 kilogrammen. 



Digitized by 



Google 



1»7 



Uit al het aangevoerde volgt , dat de aanwending van kalk , met 
behoorlek overleg toegepast, van zeer veel nut zoude zyn by de cul- 
tuur van suikerriet; vooral sommige akkers zouden daardoor in staat 
gesteld worden by uitstek gunstige resultaten op te leveren; maar men 
verlieze vooral niet uit het oog , dat men b^ de aanwending van kalk 
geenszins het gebruik van mestspeciën en andere de gesteldheid van den 
grond wijzigende middelen moet nalaten, evenmin als de besproeiing, 
enz. Belangrijke studiën over de kalk-aanwending heeft Boussingault in 
bet licht gegeven (Jffronomie , chimie agricole et phymlogie , tome JU , 
page 149), 

Mergel» — De aanwending van mergel om de gronden te verbeteren, 
zoozeer in zwang tegenwoordig by de verstandigste landbouwers, is 
waarschynlyk , gelyk zoovele andere dingen die in praktyk zyn gebragt 
en gebleven, een middel, niet door opzettelyk daartoe gedane naspo- 
ringen ontdekt, maar door het toeval aan de hand gedaan. Het is mo- 
gelijk dat de eerste, die het nut daarvan opgemerkt heeft, daarop 
opmerkzaam gemaakt werd door de gunstige resultaten van eenen grond , 
waarop hy aarde had aangebragt, die hy uit eenen put of uit een 
greppel had gegraven; die aarde, toevallig mergelachtig, vermengde zich 
met de bestanddeelen van zynen grond, en de van die plek verkregene 
oogst was overvloediger dan op de andere gedeelten van zynen akker; 
het is ook niet moeyelijk te begrypen, dat een mergelachtige onder- 
grond , by het omwerken van den bodem naar boven gebragt en met 
de teel-aarde vermengd , gediend heeft om op het nut van die aanwen- 
ding opmerkzaam te maken. Toen de eersten, die, zonder het te willen, 
gebruik maakten van mergel, zagen welk eene meerdere opbrengst zy 
inzamelden by hunnen oogst , begrepen zij gedeeltelyk de les , hun door 
de natuur gegeven; en van dat oogenblik af dachten zy niet anders, 
of die zelfstandigheid was de ware mestspecie, welke zy hebben moes- 
ten, daar deze alléén al de groeikracht aan de planten schonk, die zy 
konden verlangen ; zoo redenerende kwamen zy tot de stelling , dat de 
gedurige en overvloedige aanwending van mergel, wel verre van scha- 
delyk, integendeel uitermate nuttig zou zyn, in alle soorten van gron- 
den en onder alle omstandigheden. — De ondervinding bragt hen spoedig 
uit deze dwaling, en deed ben begrypen, dat bet gebruik van mergel 



Digitized by 



Google 



1S8 



in 8ommige gronden schadelijk was; dat het in andere gronden, hoeseer 
niet bepaald nadeelig werkende, althans geen bijzonder groote ▼oor- 
deelen opleverde; terwijl xel£i in die gnmden, waar de oogst uitermate 
aansienl^ker was , nadat ze er mergel op aangebragt hadden , het aao- 
hondend en nitslnitend gebmik van deze del&tof den grond op het 
laatst al zijne vruchtbaarheid deed verliezen. — Met den mergel is het 
even als met alle landbouwkundige verbetermiddelen : men dient de 
regelen te kennen , waarnaar ze moeten worden aangewend ; zonder dat 
erlangt men er niet de voordeelen aan, die men er van verwacht, en, 
wat nog erger is, in vele gevallen kan men er nadeelen door beloo- 
pen« — Onbevooroordeeld de daadzaken nagaande, en de omstandig- 
heden, waarin ze hebben plaats gegrepen, zullen w^' nu volgens de 
hedendaagsohe wetenschap uiteenzetten , in welke gevallen men mergel 
gebruiken moet, en welke voordeelen die del&tof te weeg brengt, aan^ 
gewend in verband met andere middelen, om de gesteldheid van den 
grond te verbeteren. 

Mergd is eenvoudig een mengsel van klei en koolzuren kalk in afinis- 
selende evenredigheden, welke twee stoffen menigmaal van meerdere 
of mindere hoeveelheden zand vergezeld z^n. Behalve deze drie be- 
standdeelen bevatten de mergelso(Hrten , als bijkomende en toevallige 
best«nddeelen , yzer-oxyde, koolzure magnesia, zwavelzuren kalk, 
stikstof houdende stoffen (salpeterzure zouten en ammoniak), phosphor* 
zure en koolzure alkaliën, en tevens overblijfselen van plantaardige 
stoffen. 

Wijj zullen ons hier bepalen by de drie hoofdbestanddeelen , welke 
in de mergelsoorten worden aangetroffen. Van de betrekkelijke evenre- 
digheid , waarin die drie bestanddeelen aanwezig z^n , hangen de eigen- 
schappen van den mergel af; en van die evenredigheid is dus ook het 
gebruik afhankelijk, dat van deze delfstof als mestspede bm worden 
gemaakt in verschillende gronden. De mergel wordt onderscheiden 
in drie soorten: kiezel-, klei- en kalkmergel. De eerste soort bevat 
b\jna twee derden van haar gewigt aan zand, en het overige d^e deel 
bestaat uit klei en koolzuren kalk; z|j verdeelt zich gemakkel^k in 
water , zonder daarmede een zamenhangend deeg te vormen , en na 
weder gedroogd te zgn , gaat z^ van zelfs over tot ^n gruis. De tweede 



Digitized by 



Google 



189 



soort i« Tiwter, verdeelt zich minder gemakkelgk» en vormt met water een 
deeg, dat b^zondere kenmerken bezit, naar gelang lan de hoeveelheid 
klei, die het inhoudt; deze soort moet op zyn minst 50 percrat klei 
bevatten. De derde soort is harder en blanker dan de beide anderen, 
reideelt zich gemakkel^k in water, en vormt daarmede een weinig 
zamenhangend deeg, dat, zoodra het droog is, overgaat tot poeder; 
deze soort bevat op zijn minst 50 percent koolzuren kalk. 

Mergel doet de dienst van mestspecie, doordien hij de chemische 
zamenstelling van den grond verandert, en van correctief, doordien h^ 
aan den grond nieuwe physieke eigenschappen geeit , welke ontstaan uit 
eene w^dging of verbetering der oorspronkelijke en natuurlijke eigen- 
schappen. — Als mestspecie is de mergel te beschouwen , uiUioofde van 
de hoeveelheid koolzuren kalk, die h^ in den grond brengt; doch be- 
halve deze hoofddeugd, bezit h^ nog eene andere, die niet over het 
hoofd moet worden gezien, want behalve koolzuren kalk bevat hij nog 
andere viuchtbaarmakende stoffen ; wel is waar worden die nooit in 
groote hoeveelheid er in aangetroffen; maar als men in aanmerking 
neemt, welke groote hoeveelheden m^el er in den grond worden ge- 
bragt, zal men inzien, dat ook de zoo even bedoelde vruchtbaarmakende 
stoffen wel van eenig belang te achten zijn, en wel eenigermate kunnen 
bijdragen ter bemesting van den grond. — De mergel werkt als correc- 
tief c^ de physieke eigenschappen, door in den grond eene zehbtan- 
digheid te brengen, die zich ontbindt, en die, terw^l zij zich ten in- 
nigste vermengt met al de deelen van den grond, dezen zacht, spons- 
achtig en kruimelig maakt, en hem geschilder 4oet worden om de 
dampkrings-invloeden te ontvangen, zich te ontlasten van water, enz. 
Zeer ligte gronden worden tevens door den mergel zwaarder. 

De biyzondere en kenmerkende eigenschap der mergelsoorten, a%e- 
scheiden van hare chemische zamenstelling, bestaat hierin, dat ze door 
de invloeden van den dampkring overgaan tot poeder; hetz^ men den 
m^gel beschouwe als mestspede of als correctief, wil h^ zich goed 
vermengen met den grond, dan zal h^' zich altijd moeten ontbinden 
tot zeer kleine deeltjes. Gemeenlijk bevatten de mergelsoorten een ge- 
deelte, dat onder den invloed van de lucht met meer of minder spoed 
van zelfs overgaat tot poeder, en een ander ^e^eelte^ dat diex^ invloed 



Digitized by 



Google 



140 



wederttaat, eu dat seich tot grootere of kleinere stolges steea yormt, 
die, hoe ook zamengesteld; en waartoe ze ook later mogten konijn 
dienen, voor het oogenblik altgd geheel en al zonder nut zyn, By het 
aanwenden van mergel moeten wi^j enkel de werking beoogen van dat 
gedeelte, dat tot poeder oyergaat. Overeenkomstig deze denkbeelden, 
en na te hebben nagedacht over eene ontelbare menigte daadzaken, 
waardoor ze versterkt worden , heeft Gasparin aangetoond , dat de sch^ 
kundige ontleding niet voldoende is, om de waarde van eene mergel- 
soort te bepalen ; men moet die tevens uit een physiek of mechanisch 
oogpunt onderzoeken, dit wil zeggen, den graad van gemakkeligkheid 
bepalen, waarmede de verkruimeling plaats heeft, en de vergelykende 
hoeveelheid poeder, dié zoodoende verkregen wordt. 

Uit de bestanddeelen der mergelsoorten en uit hare physieke eigen- 
schappen laat zich afleiden, op welke gronden ze met voordeel aange- 
wend kunnen worden, om aan den plantengroei koolzuren kalk aan te 
bieden, en de physieke eigenschappen van den grond te w^zigeo. De 
kiezelmergel wordt met voordeel aangebragt op kleiachtige en kleiachtig- 
kalkaardige gronden ; de klei-mergel op de zandige en zandig*kalkaardige 
gronden; de kalk-mergel op kleiachtige en zandige gronden. Als alge- 
meene regel moeten wij ter vermenging met den grond mergelsoorten 
bezigen, die zoodanige eigenschappen bezitten, en zoodanig z^n zamen- 
gesteld, dat uit de vermenging nieuwe en voordeelige eigenschappen 
ontstaan, enz. 

Fuvis heeft den mergel enkel beschouwd als eene stof, in staat om 
aan den grond de eigenscliappen en voordeelen te verschaffen, die de 
kalkgronden kenmerken ; met het oog op de ontleding der beste kalkgron- 
den, heeft h^ daarbig oplettend de gegevens nagegaan, die ons verschaft 
z^n door de praktijk in die landen, waar de mergel-aanwending sedert 
onheugelijke tigden steeds met eenen goeden uitslag plaats heeft gehad; en 
bij dit een en ander tevens op de wenken lettende van Thaer en van 
A. Young, heeft hij als onverm^deligke gevolgtrekking uit al die gegevens 
vastgesteld , dat de hoeveelheid van 3 percent koolzuren kalk in de boven- 
laag teel-aarde het dienstigst is om de planten daarin een gedeelte te doen 
aantreffen van de vereischten , welke zij noodig hebben voor de behoorl^^^ke 
verrigting van hare functiën. De hoeveelheid aan te wenden mergel v«:- 



Digitized by 



Google 



UI 



schilt ook naar gelang van de wijze, waarop hij is zamengesteld , en naar 
gelang van de diepte, waarop hij met den grond wordt vermengd. Om de 
toepassing van deze regelen gemakkel^k te maken , heeft Fuvis eene op- 
somming vervaardigd, waarin volgens hem al de bijzonderheden vervat 
zijn , die men bij het aanwenden van mergel in acht behoort te nemen (36). 

De denkbeelden van Puvis moeten ettelijke wyzigingen ondergaan : de 
hoeveelheid in den grond gebragten mergel hangt af en verschilt naar 
gelang van den aard van den grond en van den mergel zelven, zoomede 
van de diepte, waarop de grond bewerkt wordt, van de plant die men 
er in telen wil, van de mede-aanwezigheid van andere middelen om 
den grond te verbeteren , van de wijze van cultuur en van het klimaat. — 
Om den grond zoo zamen te stellen, dat h^ 3 percent koolzuren kalk 
bevat, zal men bij het aanbrengen van den mergel noodwendig moeten 
letten op de hoeveelheid mergel, die de grond reeds van zelfe inhield; 
en naarmate daarvan zal de aan te brengen hoeveelheid mergel natuur- 
lijk verschillen. — De mergelsoorten kunnen een werkzaam gedeelte in 
zich bevatten, en een ander, werkeloos gedeelte, dat, volgens Gaspa- 
rin, hoegenaamd geen werkzaamheid verrigt; om dus bg het aanwenden 
van eene mergelsoort met juistheid de kracht van hare werkzaamheid te 
kunnen bepalen, zal men eerst tot de physieke ontleding dienen over 
te gaan, .ten einde zich te vergewissen welke harer deelen van dadelijk 
werkend nut zullen zijn. — De resultaten van dat onderzoek zullen 
den maatstaf aan de hand geven, om te bepalen in welke hoeveelheid 
de mergel moet worden aangewend (37). 

Men gebruikt den mergel alleen en regtstreeks, goed vermengd met 
dierlijke meststof, afval-mest of asch, waarmede hy een echt compost 
of zamengeètelie mestspecie vormt; ook legt men hem bevorens in de 
stallen, waar hij langzaam doortrokken wordt van de vloeibare, en zich 
vermengt met de vaste uitwerpselen. Om den mergel regtstreeks te 
kunnen aanwenden, is het een voornaam vereischte , dat men hem, alvo- 
rens hem behoorlijk en ten naauwste met al de deelen van den grond 
te vermengen, eerst eenigen tyd aan den invloed van den dampkring 
blootstelt, om hem los en kruimelig te laten worden; vervolgens plaatst 
men hem aan hoopjes , die op gelijke afstanden over de gansche opper- 
vlakte van het terrein worden opgesteld , en later wordt dan het gruis met 



Digitized by 



Google 



Ui 



behulp van schoppen of schoffels gelijjkel^k over de geheele oppervlakte 
verspreid. Daarna wordt de grond omgeploegd met den ploeg met 
ééne schaar, dan gevlaki of gel^kgemaakt en geharkt of ge^, ea 
ten slotte laat men er den uitroei- of wiedtoestel overheen loopen. Heeft 
men den mergel met dierl^ke uitwerpselen of met afval-mest vei^ 
mengd, dan laat men hem eenigen tiy^ stil liggen, totdat men xeker 
is, dat hij den tijd heeft gehad, om los en kruimelig te worden; dan 
wordt de massa goed dooreen gewerkt, om te maken dat de vermei- 
ging gelijkmatig en volkomen is; en daarna wordt het mengsel over 
den akker verspreid op de door ons aangeduide w^ze. 

W^ hebben gezegd dat de kalk, na eenigen t^ vermengd te E\jn 
geweest met den grond, verandert in koolzuren kalk. De mergel trekt 
van het eerste oogenblik af dit zout uit den grond tot zich; zoodat, 
wanneer men deze beide middelen ter grond-verbetering beschouwt, lou- 
ter met betrekking tot den koolzuren kalk, beider verrigtingen nederkomen 
op het zelfde resultaat. Doch aangezien de vryë kalk uitwerkselen te 
we^ brengt, die niet door koolzuren kalk worden voortgebragt, is het 
ontegenzeggel^k, dat, uit een chemisch oogpunt beschouwd , de aanwen- 
ding van mergel niet den zelMen invloed op den grond uitoefent, als 
de aanwending van kalk. Als correctief met elkander vergeleken, werkt 
mergel krachtiger dan kalk. 

Om door de aanwending van mergel het beste resultaat te bewerken, 
moet men beginnen met den grond droog te leggen, als hij zulks noo- 
dig heeft, hem goed te bemesten, enz.; in één woord, geljjkti|}d^ en 
in behoorlQke mate al de vereischte verbeteringen aan te brengen. Op 
eene andere w^'ze mergel bg den grond te voegen, kan nutteloos s^n 
of in een langer of korter t^'dsbestek nadeelig worden. De uitwerkselen 
van den mergel vertoonen zich gedurende een langen t\jd; maar daar 
de koolzure^ kalk langzamerhand verdwijnt, zal het naar gelang van 
omstandigheden noodig zijn de bewerking na verloop van eenige jaren 
te herhalen. 

De aanwending van mergel is dienstig voor de cultuur van alle plan- 
ten, volgens de vereischten van den grond; maar door den b^tonderen 
aard van het suikerriet is die aanwending hierbij meer noodig, zooi^ 
w^ hebben aangetoond, toen w^ handelden over den kalk als mestspede 



Digitized by 



Google 



143 



en ab correctief. Daardoor zouden gronden, welke thans voor diecnltnur 
weinig geschikt z^n, eene groote yrnchtbaarheid erlangen, die, goed in 
stand gehouden, de grootste Yoordeelen zou ie weeg brengen. Dit zou 
te gemakkel^ker te doen z\jn, daar in sommige streken de mergel op 
zeer geringe diepte wordt aangetroffen; op sommige plaatsen vormt de 
mergel den ondergrond juist van die gronden , die daaraan behoefte hebben^ 

Puin. — Het zelfde waarop gelet moet worden by het gebruik van kalk , 
die in den staat van koolzuur zout verkeert, dient ook in het oog gehouden 
als men afbraak gebruikt van gesloopte of bouwvallige huizen, met andere 
woorden, puin. Naar gelang van de bouwstoffen, waarvan zoodanig huis 
in dertyd was opgetrokken, naar gelang van de dampkrings-invloeden, 
enz., bevat afbraak gewoonlijk koolzure zouten van kalk, magnesia en 
potasch , chloor-verbindingen van calcium , magnesium en sodium, orga- 
nische stoffen en zand. De oplosbare zouten kunnen tot 70 percent sal- 
peterzuren kalk en magnesia bevatten, en 10 percent salpeterzure potasch 
en chloor-potassium. Wanneer men de kalkachtige zelfstandigheid, die 
men aanwendt, beschouwt, en mén neemt in aanmerking met welk eene 
aanziénl^ke hoeveelheid salpeterzure en andere zouten de grond daardoor 
verrekt wordt, zal men begrijpen hoe het puin van afbraak werkzaam is 
als correctief en als kalkaard%e mestspecie en tevens op gel^ke vir^ze 
als zouten- en stikstofhoudende mestspeciën. Om beide deze redenen 
is het noodig big de aanwending van puin te werk te gaan met overleg, 
txk daiirby niet uit het oog te verliezen al wat wijj gezegd hebben met 
betrekking tot de aanwending van kalk, en de begrippen, die wy heb- 
ben doen kennen ten aanzien van zouten- en stikstofhoudende mestspe^ 
cien. De gronden, die het meest behoefte hebben aan kalk, dat wil 
zeggen die, welke hoofdzakel^k kleiachtig of zandig z^'n, zullen meer 
dan andere gronden nut trekken uit de aanwending van puin van 
afbraak. 

Wat betreft de verdeeling van het puin is het van aanbelang in het 
oog te houden al wat wij gezegd hebben met betrekking tot de aan- 
wending van kalk. Om de gronden behoorlek te bepuinen bezigt men , 
naar gelang van omstandigheden, iets meer of iets minder, 200 hecto- 
Utres puin op 1 hectare oppervlakte (38). 

Bereiding van compoêtên of zamengeiielde meêiêpeciën (39). — Op 



Digitized by 



Google 



144 



de meeste onzer suiker-plantaa^jen heeft men in de fabrieken de ge- 
woonte om bet schuim, dat bij het koken afgeschept wordt, in grcp- 
pels of zoogenaamde schnimgoten te werpen, door welke het wordt 
afgevoerd tot ver van de fabriek af. Na verloop van een zeker tgds- 
bestek gaat dat schnim tot bederf over, en verspreidt alsdan dien oo* 
aangenamen reuk, die iets geheel b^'zonders heeft en zoo walgelgk is 
voor alle mënschen, die er niet aan gewend zijn (40). 

De bedoelde gewoonte nu is zeer schadel^k, niet alleen omdat er 
zoodoende eene kostbare mesispecie verloren gaat, maar ook omdat de 
onzuivere dampen, waarmede deze organische stoffen gedurende hare 
ontbinding de lucht bezwangeren, deze dermate verpesten, dat z^ van 
schadeiyken invloed kan worden op de gezondheid der mënschen, die 
haar inademen. Deze onreine dampen kunnen zóó schadelyk zyn, dat 
— al ware er van het b^eengaren van dat schuim geen ander voordeel 
hoegenaamd te trekken, dan dat w^ ons zoodoende vrijwaren zouden 
tegen den verderfelijken invloed, die door de ontbinding der daarin aan- 
wezige zelfstandigheden kan worden uitgeoefend op ons organismus — 
wij zelfs dan nog van oordeel zouden zgn, dat alle planters zich daarop 
behoorden toe te leggen; want het kwaad, dat op die w\jze zou worden 
vermeden, is zoo groot en van zoodanigen aard, dat al de opofferingen , 
welke men doen moet om het af te wenden, voldoende konden worden 
opgewogen door de voordeelen, welke de zoodoende verkregene zuivere 
lucht zoude aanbrengen. Voegt men bij deze uit het oogpunt der ge- 
zondheidsleer zoo gewigtige reden, dat wij nu een krachtdadig middel 
ter vruchtbaarmaking nutteloos te loor laten gaan , dan zal men begrij- 
pen, hoe verwerpelijk de gewoonte is, waartegen w^ hier onze alken- 
rende stem verheffen. 

Het schuim, dat van het kokende suikersap a^eschept wordt, bevat 
de organische stoffen, die de hitte verdikt, die, welke de kalk predpi* 
teert, overbl^'fselen van de weefsels der rietstengels, andere zelfstandig- 
heden daarin aanwezig, en eindelijk phosphorzuren en kiezelzuren kalk en 
magnesia, en eene groote hoeveelheid kalk. — Bovendien bevat het 
schuim eene zekere hoeveelheid van de vloeistof, waardoor het wordt 
voortgebragt. Het bloote overzigt van de bestanddeelen, waaruit het 
schuim is zamengesteld, toont reeds handtastelijk aan, welke voordeelen 



Digitized by 



Google 



14Ö 



men zich verzekeren zoude, wanneer die bestanddeelen in het t^dperk 
van hunne ontbinding behoorlijk op de akkers wierden aangebragt. Wy 
moeten inzonderheid de aandacht vestigen op de aanwezigheid van eene 
overvloedige hoeveelheid kalk, die niet alleen regtatreeks en op zich 
zelve voordeel verschaft, maar tevens van invloed is op de overige be- 
standdeelen, uit welke het schuim is zamengesteld. 

Dit is geenszins een op zich zelven staand punt. De verzameling van 
het schuim maakt deel uit van ons algemeene stelsel om op de suiker- 
plantaadjen mestspeciën te bereiden; een stelsel — wij zullen het hier 
al dadelyk er bij voegen — dat, hoezeer niet op zoodanigen voet en 
op die uitgebreide schaal, als hier door ons wordt voorgesteld — reeds 
gedeeltelijk in toepassing is gebragt op sommige plantaadjen. 

De bereiding van mestspeciën volgens dit stelsel zou de hierna ge- 
melde voordeden aanbieden : 1*. De gezondheidstoestand der plantaadje 
zou er zeer door worden bevorderd. — 3o. Men zou eene voor de sui- 
kerrietteelt b^* uitnemendheid krachtige mestspecie erlangen. — • En 3». 
by zulke resultaten zouden echter de kosten van aanleg , om die resul- 
taten te verkregen, betrekkelykerwijze slechts gering zyn. 

Om dit ons stelsel in toepassing te brengen moet men een put of 
vergaarbak maken, volkomen ge vry waard tegen doorzijpeling, zoowel 
van binnen naar buiten als van buiten naar binnen, en waarin overigens 
de bewuste stoffen beveiligd zyn tegen den regen en tegen de werking 
der zonnestralen. In deze vereischten kan worden voorzien , als men de 
wanden van den put bekleedt met eene huid van tras of van asphalt, 
en haar overdekt met een eenvoudig dak van ondoordringbare stof. Bij 
de inrigting der wanden zign eenige voorzorgen in acht te nemen» die 
het ons dienstig toeschijnt hier te vermelden. Alvorens aan te vangen 
met het metselen van het muurwerk van ruwe steen, moeten eerst de 
wanden en de vloer van den put bedekt worden met eene dikke huid van 
leem. Als dan de zijmuren en de vloer op deze ondoordringbare huid gemet- 
seld worden, strekt die ter bevordering van de ondoordringbaarheid, welke 
wij wenschen te verkrijgen door de aanwending van tras of van asphalt. 

De put of vergaarbak gemaakt zijnde , zal men beginnen met eene zekere 
hoeveelheid teel-aarde daarin te brengen , door en door vermengd met eenige 
asch van suikerriet en kleingemaakte ampas (d. i. uitgeperst riet , in Suri- 

10 



Digitized by 



Google 



146 



name troê^ in het Spaansch bagazo^ in het Fransch ^^a««<» genaamd). Op 
deze eerste huid of onderlaag wordt het soikerschuim geworpen , en na ver- 
loop van zekeren tyd brengt men er eene tweede laag teel-aarde, asoh en 
kleingemaakte ampas orerheen, welke zelfstandigheden bestemd zyn om de 
stoffen in te zuigen , die voortgebragt worden door de ontbinding van het 
suikerschuim. Wanneer nu , zooals wi|j aanbevelen, in den zelfden put de 
asch van het riet en van al het tot brandstof gediend hebbende hout 
wordt geworpen, zoomede het bevorens met water tot eene pap aange- 
lengde vloerveegsel uit de paardenstallen en varkenshokken, het drab 
uit den destilleer-ketel, enz., alsook al het hout-afval, dat niet als brand- 
stof gebruikt wordt, en het afval van de riet-akkers — steeds zorg dra- 
gende dat de lagen van plantaardige stoffen , teel-aarde en asch , en die 
van het suikerschuim elkander afwisselen, eensdeels ten einde zoodoende 
te zorgen, dat de door verrotting aangebragte stoffen niet de lucht kun- 
nen bezwangeren, en anderdeels om partij te trekken van de in het 
schuim aanwezige vochten, die de ontbinding van het afval bevorde- 
ren — zullen wij ons niet alleen met weinig kosten eene aanzienlijke 
hoeveelheid mestspecie verschaffen, maar ons door de bereiding daarvan 
tevens belangr^ke voordeden verzekeren. Ofschoon de in het suiker- 
schuim aanwezige hoeveelheid water voldoende is om de verrotting te 
bewerken, zal het altijd nuttig z^n de massa in den vergaarbak te be- 
sproeijen met eene vloeistof, waartoe men al de drekstoffen bezigt, die 
men magtig worden kan en die men tot dat einde aanlengt met wa- 
ter. — Ook konde men in het suikerschuim de drekstoffen van dieren 
verdeden, en zoodoende zou men eene gistende meitapecie bekomen, 
in hooge mate werkzaam om de verrotting te bevorderen en te weeg te 
brengen van al de plantaardige stoffen , die bestemd zijn om tot ontbin- 
ding over te gaan. Op alle manieren zal het nuttig zijn eene pomp op 
te stellen, zooals die in gebruik is bij de toebereiding van stalmest, 
bestemd tot de zelfde doeleinden. — Aan het suikerschuim konde met 
voordeel toegevoegd worden de van gekleide suiker verkregene melasse 
van het derde produkt, die nuttig zoude werken niet alleen uithoofde 
van de daarin aanwezige stoffen, maar ook doordien de door hare gis- 
ting voortgebragte zelfstandigheden de betere verrotting van de verschil- 
lende ondereen gemengde stoffen ip weeg brengt. 



Digitized by 



Google 



147 



De asch« die nu op de plantaadjen opgehoopt wordt, blootgesteld 
aan weer en wind, zou, in de bedoelde vergaarputten bewaard, niet 
door de daarop vallende regens beroofd worden van de oplosbare zou- 
ten, welke het van zooveel belang is daarin aanwezig te houden. — 
Bovendien zouden de onoplosbare bestanddeelen der asch, door het in- 
zuigen zoo van de stoffen, die door de ontbinding van het suikerschuim 
voor%ebragt worden, als van de overige zelfstandigheden, zoo niet ge- 
heel dan ten minste grootendeels oplosbaar gemaakt worden. — Het 
afval, dat anders zoo lang werk heeft om te verrotten, zou in dezen 
toestand gemakkelijk tot ontbinding overgaan, en de daarin aanwezige 
kostel^e mestspecie van dadelijk nut worden voor den plantengroei. 

De afmetingen en het aantal van die vergaarputten moet verschillen 
naar gelang van de hoeveelheid mestspecie, die men bereiden wil, van het 
kapitaal, dat men daaraan te koste wil leggen , en van den tijd, dien men 
de mestspeciën daarin wil laten liggen om ze te beter te laten verrot- 
ten; maar hoe het zg, al vindt men de kosten van die putten tamelgk 
groot, het daaraan bestede kapitaal zou men spoedig terugvinden, niet 
alleen door de ruimere opbrengst, die de oogst zou opleveren ten gevolge 
van de behoorlijke bemesting der akkers , maar ook door den beteren gezond- 
heidstoestand, waarin de bevolking der plantaadje zou komen te verkeeren. 

Maar dit is niet de eenige bron om zich mestspeciën te verschaffen, 
waarmede wij onze plantaadjen kunnen verbeteren. Zoodra wg een ver- 
standig cultuur-stelsel aannemen , waarbg eene veel kleinere oppervlakte 
gronds wordt bearbeid, zal het mogelgk wezen het aantal ossen te 
verminderen, dat tot nu toe gebezigd wordt by de verschillende werk- 
zaamheden, en daarentegen het aantal te vermeerderen van die, welke 
op de plantaadje behooren gedurende den werkeloozen tijd. Alsdan zal 
men groote stallen kunnen bouwen, waar de dieren niet alleen beter 
verzorgd kunnen worden, maar waar ook niets te loor zal gaan van 
hunne uitwerpselen, die ons tot mest kunnen dienen. Het gebruik van 
stallen zou natuurlek het inrigten van weilanden na zich slepen, die 
men ter gelegener tgd zou maagen, en zoodoende zou het vee ten allen 
tyde behoorlijk van voeder voorzien kunnen worden, terwyl tegenwoor- 
dig op de plantaadjen, waar de ossen gevoederd worden met jonge 
spruitsels, zoodra de molen stilstaat, alsook in geval van brand of 



Digitized by 



Google 



148 



wanneer er gebloeid hebbend riet gekapt wordt, de arme dieren bloot- 
gesteld z^n aan het gevaar om van honger te sterven, of althans ver- 
schrikkelijk gebrek te lijden. — Daargelaten nog dat de jonge spmitsels 
geen genoeg voedzaam voeder z^'n om de krachten te herstellen. 

Degenen, die dergelijke vergaarputten voor mestspecie niet mogten 
willen of kunnen aanleggen, zonden al de genoemde zelfstandigheden , 
hetzij verwerkt of alsnog te verwerken, naar hunne akkers kunnen 
laten brengen, en ze daar zoo gelijkmatig mogel^k laten verspreiden. 
Derwaarts zou men het suikerschuim kunnen vervoeren , de asch , de 
stalmest, enz. — Bij het over den akker verspreiden van melasse, 
asch , of drab uit den destilleerketel , zal het , indien de grond niet 
zeer kalkachtig is, goed wezen, eenige correctiven (om het even welke) 
aan te wenden, om de zuren te verzadigen, die zich mogten vormen. — 
Behalve de mestputten, waarover wij thans hebben gesproken, zou men 
ook grootere vergaarplaatsen kunnen aanleggen , waar de doode ligcha^ 
men konden worden geborgen van de vele dieren, die tegenwoordig 
jaarlijks op onze plantaadjen sterven. Deze Jcreng-hokkeH alleen zonden 
mestspecie genoeg leveren, om in de behoeften der cultuur te kunnen 
voorzien. Zoodoende zouden wig geheel en al het in eigen onderhoad 
voorziende stelsel hebben aangenomen , waarbij de mensch zich be^vert 
de natuur te helpen door z^nen arbeid en door aanwending van de 
chemische en mechanische krachten (41). 

Het door ons voorgeslagene algemeene stelsel om vruchtbaarmakende 
mengsels of zamengestelde mestspeciën te bereiden, zal, vreezen wij, 
bij sommigen op bezwaren kunnen stuiten ; wy achten het daarom niet 
ondienstig reeds bij voorbaat tegen die bezwaren de redenen aan te 
voeren, die ten voordeele van onze denkbeelden pleiten. 

Daar wy dus voorstellen om alkalische stoffen te vergaderen, ver- 
mengd met zoodanige stoffen, die kunnen doen denken aan de moge- 
lijkheid eener algeheele verdwyning van ammoniak, zullen velen by 
eene oppervlakkige beschouwing wanen, dat daaruit verliezen kannen 
voortspruiten, hetzij door de uitdamping van het ammoniak-gas , hetzy 
door de gevormde koolzure ammoniak. 

Aangenomen voor een oogenblik , dat zoo iets plaats gr|jpt , dan 
moeten wij ook voor bewezen houden, dat het nadeelig is alkalische 



Digitized by 



Google 



149 



stoffen met andere te vermengen. — £^ zoodanige vermoedens zou 
de voorzigtigste partij, die wij kiezen konden, hierin bestaan, dat wij 
de overblijfselen van de verbrande ampas, en de ascb van het ver- 
brande hout, goed ondereen mengden: en dit mengsel, behoorlek bevei- 
ligd gehouden tegen den regen , zal gelijkmatig over den akker worden 
verspreid, waartoe wy ons zullen bedienen van den mest-verspreider. — 
Op deze wijze zouden wij dadelyk te beschikken hebben over eene kos- 
telyke mestspecie, tevens een uitmuntend correctief. — Wat de overige 
stoffen betreft zou het nuttig zijn, die te vergaderen volgens de vast- 
gestelde regelen , en , nadat ze al de noodige veranderingen ondergaan 
hadden, ze te verspreiden over den akker. — Eerst dan, als men op 
onze plantaadjen het heilzame stelsel van stalling der dieren zal hebben 
ingevoerd, zal het mogelijk zyn al hunne uitwerpselen te vergaderen, 
en dan zullen wij de noodige mestputten kunnen aanleggen, om daarin 
de stalmest te bewaren. — Wy achten dit punt van zooveel gewigt, 
dat wij ons voorbehouden het ter zijner plaatse uitvoerig te behandelen. 
Bij de blootlegging van ons stelsel om zamengestelde mestspeciën te 
bereiden , was onze bedoeling : een geschikt middel aan de hand te doen 
om de wederkeerige ontbinding van al de daartoe gebezigde bestand- 
deelen gemakkelijk te maken, niet alleen ten einde zoodoende een eind- 
produkt van eenerlei en gelijkmatige gehalte , met andere woorden eene 
waarlijk degelijke mestspecie te verkrygen ; maar wij hadden daarby 
tevens op het oog om nut te trekken van al de stoffen, welke voort- 
gebragt worden door de scheikundige reactiën , die op hare beurt 
weder andere reactiën te weeg brengen: op die wijze wordt bewerkt, 
dat al de zelfstandigheden, gelijktydig en wederkeerig met elkander in 
aanraking komende , zich in meerdere of mindere mate en in meer of 
minder tijd vereenigbaar maken door de planten. — Nu zullen wij 
doen zien, hoe de alkalische stoffen, die in den mestput bijgevoegd, 
of, om juister te spreken, stelselmatig daarin aangebragt zijn, wel verre 
van verliezen te veroorzaken , integendeel dienen om de stikstof vast te 
leggen, het zy dan in eenen anderen nieuwen vorm of verbinding , nog- 
tans altijd dienstig tot voeding van de planten. — Ten einde meer ge- 
zag aan onze stellingen te geven , en aan te toonen hoe zeker wij zyn 
van de juistheid onzer denkbeelden , komt het ons gepast voor , hier 



Digitized by 



Google 



150 



eenige opmerkingen en proefondervindelyke wenken mede te deelen, 
ontleend aan den beroemden Boussingault {Agronomiet ehimie agricole 
et phgêiologie , tome II , pag. 1). 

Bouasingault begint met ons te zeggen, dat op de meeste boerderijen 
in Frankryk eene bijzondere plaats bestemd is om er het opveegsel 
van de erven en uit de graanschuren , het vuilnis van de wegen , het 
onkruid , het puin van afbraak , de asch van turf , steenkool en hout , 

de stronken van verschillende planten , het drab uit koókketels 

in één woord : alle afval van welken aard ook te vergaderen , dat niet 
op de eigentlyke mestvaalt wordt gebragt. Na verloop van een paar 
jaren bevindt deze verzameling van afval zich in zoodanigen toestand , dat 
zij met voordeel kan worden aangewend. Dat men die verzameling van 
afval-mest, voegt Boussingault er bij, zamenstelle uit puin, opveegsel, 
vuilnis, bagger, asch, enz., dit vind ik goed; maar dat men er ook 
allerhande onkruid, stroo, afval van geslagt vee, doode dieren, dier- 
lyke uitwerpselen, enz., by voegt, komt my nooit doelmatig voor, daar 
ik vermeen , dat van de meeste dezer zelfstandigheden op veel snellere 
wyze nut te trekken zoude zijn, terwyl ze door de bovengezegde ver- 
menging het grootste gedeelte van hare vruchtbaarmakende oplosbare 
of vlugge bestanddeelen moeten verliezen. Gedurende 25 jaren , verhaalt 
ons de beroemde hoogleeraar, heeft hij niet opgehouden die verkeerde 
gewoonte af te keuren; maar gedurende dat zelfde tijdsbestek heeft hy 
dat gebruik laten voortbestaan, omdat de resultaten, die er door ver- 
kregen werden, volkomen bevredigend waren, en „vooral omdat hy 
geloofde, dat aangaande dit bij uitnemendheid praktische punt, waar- 
van de deugdelykheid geijkt is door eene eeuwenlange ondervinding, het 
oordeel van alle landbouwers meer waarde moest hebben , dan de the- 
oretische denkbeelden van eenen geleerde." 

Later kwam de zelfde geleerde door naauwgezette nasporingen tot 
een juist begrip van al het gewigt der verschijnselen van de salpeter- 
vorming by de cultuur, en toen kon hij de analogie opmerken, die er 
bestaat tusschen plaatsen, waar de salpeter zich vormt, en eenen be- 
mesten en met veel kalk of mergel vermengd ge wordenen grond. Van 
dat oogenblik af begon hij te gelooven, dat al de zelfetandigheden, 
die ondereen gemengd worden om de afval-mest te vormen, een groot 



Digitized by 



Google 



151 



salpeUrbed zijn, waar de tot mestspecie bestemde stikstof houdende 
stoffen eene duurzaamheid erlangen, die ze nooit zouden hebben ver* 
kregen, indien ze altijd den vorm van ammoniak hadden behouden. 

Boussingault heeft na vele nasponngen bevonden, dat de teel-aarde 
altijd de zelfde vruchtbaarmakende zel&tandigheden bevat, die in ruimere 
hoeveelheid aanwezig zijn in de afval-mest, „in dat restant van hetgeen 
gegroeid, en van hetgeen geleefd heeft", namelijk: ammoniak of sal- 
peterzuur, meer gewoonlgk ammoniacale en salpeterzure zouten; phos- 
phorzure zouten vermengd met zouten van alkaliën en aarden , en altijd 
stikstof houdende organische stoffen , zamengestelde stoffen , die de eigen- 
schap bezitten , dat ze onder zekere omstandigheden , die haren invloed 
doen gevoelen in de normale toestanden der teel-aarde , salpeterzuur en 
ammoniak voortbrengen , dat wil zeggen de twee verbindingen , onder 
welke de planten de stikstof tot zich nemen. 

Door de vereischten, die noodig zijn tot de salpetervorming in het 
algemeen, en die, welke zamengaan in de vorming van afval-mest, 
met elkander te vergelijken door middel van eene analyse van beider 
produkt, heeft Boussingault zonneklaar aangetoond , hoe de salpeterzure 
zouten gevormd worden en hoeveel nut het aanbiedt aldus de zamen- 
gestelde stikstof houdende stoffen vast te leggen. In de mestputten, die 
door ons worden aanbevolen, verkrijgt men de zelfde uitkomst; zoodat 
men , wel verre van verliezen aan stikstof te ondervinden , verzekerd 
kan z^n, dat z^ tot eene andere verbinding wordt gebragt, die haar 
vastl^ en duurzaam maakt. 

£n daar w^ over de mestspeciën handelen , zal het z^n nut hebben 
hier gewag te maken van eenige proefnemingen, die de strekking had- 
den om te onderzoeken, of b^ de cultuur van suikerriet gebruik kon 
worden gemaakt van versche mestspecie, die niet vooraf eene gisting 
had ondergaan; een punt van groot gewigt, daar velen zouden kunnen 
gelooven, dat die gisting, door hare uitwerkselen of door de tempera- 
tuur, schadel^k koude zyn voor de ontkieming van den knop en voor 
de ontwikkeling van de jonge spruit. — Tot dat einde namen wij versche 
paardenmest , en plantten daarin de rietstekken , die overdekkende met 
eene laag der zelfde specie. — In weerwil van de gisting, de tempe- 
ratuur, enz., kwam het riet op, en groeide tamel^'k welig; maar later, 



Digitized by 



Google 



152 



toen de stof, waarin het geplant stond, aanmerkelijk was venninderd in 
omvang en hoeveelheid, kwamen de wortels bloot te liggen, en ver- 
dorde de stek. Wij hebben dus voldoende zekerheid, dat het riet in 
versche mest ontkiemt en goed opgroeit : die versche meststof, zonder 
eenige voorafgaande gisting hoegenaamd, met den grond te vermengen 
bij het planten van riet, werkt niet nadeelig. Wjj namen eene groote 
hoeveelheid drab uit de klarings-toestellen , bestaande uit aarde, cel- 
weefsels, gestremd eiwit, enz., en hierin plantten wij riet: wij Wa- 
ren toen getuige van eene bg uitnemendheid sterke gisting, de tempe- 
ratuur was dermate verhoogd, dat w^ er bijna de hand niet in konden 
houden, en in weerwil van dat alles ontkiemde het riet, en groeide 
zeer welig op. Ook in zuivere, onvermengde peruaansche guano heb- 
ben wy rietstekken geplant, maar door de overmatige vochtigheid gin- 
gen die allen tot verrotting over. 

Farkenêhokken, — De slaven op de plantaadjen fokken eene groote 
menigte varkens. Deze dieren, gelyk men weet, zitten opgesloten in 
kleine stallen of hokken. Het voeder, waarvan ze leven, bestaat in 
eene menigte artikelen , waaronder pompoenen , maniok , jonge riet- 
spruiten, schuim van het suikersap, melasse, raauwe en gekookte 
maïs, enz. Uit den aard dier voedingstoffen en hare overvloedige 
verscheidenheid kan men reeds afleiden, hoe rijk de uitwerpselen 
der varkens moeten zijn aan vruchtbaarmakende stoffen. Ten einde zich 
al het voordeel te verzekeren dat deze uitwerpselen aanbieden , zou men 
niets anders behoeven te doen dan de varkenshokken te bouwen met 
eene zekere orde , en volgens een vast beginsel. Zoo zou het noodig zijn 
een put te graven van zekere diepte, en dien te vullen met ampas 
en eenige aarde; en op dezen grondslag zou men het varkenshok 
moeten bouwen. A.1 de stoffen, die op dezen grond ontlast wier- 
den, zouden er door worden opgeslurpt. Later, als men den put 
ging leeggraven, zou men er eene groote hoeveelheid meststof uithalen. 
Nu kan men, onder een of ander voorwendsel, de varkenshokken om 
de twee of drie jaren verplaatsen, en uit den daaronder aanwezigen put 
al de mestspecie halen, die men dan over den akker kan verspreiden, 
hetzij den grond omploegende, hetzg hem omspittende. 

Jsch. Belangrijkheid der alkaliën. — Ons ten doel gesteld hebbende, 



Digitized by 



Google 



153 



alles wat de bemesting betreft uitvoerig te behandelen, hebben wg het 
nuttig en dienstig geacht, de juiste waarde te bepalen en vast te stellen 
van ettelijke daadzaken, in verband met de aanwending van asch; bij 
een goed begrip van die daadzaken zal men daarvan met voordeel de 
toepassing kunnen maken, terwigl men in het tegenovergestelde geval 
gevaar loopt zich door verkeerde handelwijzen slechts nadeelen te zullen 
berokkenen. 

Denken wij ons eens een planter, in het bezit van eenen grond, die 
al de vereischten in zich bevat, welke noodig zijn om het suikerriet in 
staat te stellen, met spoed tot zijnen volkomenen wasdom te geraken, 
terwijjl de eigenaar er zijn streven van maakt, om zijnen grond bij voort- 
during in dien staat van vruchtbaarheid te houden : welke zelfstandig- 
heden zal h^* op den grond moeten aanbrengen, om telkens na het 
inzamelen van eenen oogst het daardoor verbroken evenwigt in de ge- 
steldheid van den grond te herstellen, en hem terug te brengen tot 
zijne vroegere vruchtbaarheid? Let men alleen op de chemische zamen- 
stelling der minerale zouten , die de planten uit den grond trekken , 
waarin zy groeijen, en die zij niet slechts noodig hebben om hare or- 
ganen te vormen, maar evenzeer om hare levensfiinctiën te verrigten, 
dan zou men kunnen meenen, dat men slechts de hoeveelheid en den 
aard der minerale zouten, die door de planten aan den grond onttrok- 
ken worden, behoefde te kennen, om, zonder zich bloot te stellen aan 
het gevaar van in dwalingen te vervallen, te kunnen bepalen hoedanig 
de voor elke bijzondere cultuur van plantgewassen meest geschikte mest- 
specie behoort te zijn zamengesteld. De zouten, die de planten tot zich 
getrokken hebben uit den grond, waarin zy groeijen, zullen, wanneer 
die planten verbrand worden, achterblyven in den vorm van asch. 
Door nu die asch te ontleden, kunnen wij ons in het bezit stellen van 
de juiste gegevens, die noodig zijn om de delfetoffelijke zamenstelling 
van de beste mestspecie te bepalen; en kennen wij dan de hoeveelheid 
asch, die van elke plant verkregen wordt, en weten wij hoe groot het 
getal planten is , dat op eene zekere uitgestrektheid gronds kan worden 
geteeld , dan zullen wij al de gegevens hebben , die noodig zyn niet 
alleen om met juistheid de zamenstelling der mestspecie te bepalen, 
maar tevens om te weten welke hoeveelheid van die mestspecie in den 



Digitized by 



Google 



154 



grond moet worden gebragt, om de door de cultaur daaraan onitrok- 
kene krachten volkomen te herttellen. Hebben wij het geluk, dat wede 
asch bezitten, hetzg van de zelfde plant, hetzij van eene zoodanige 
plant, die eveneens is zamengesteld, dan zullen wij niet eens onzetoe- 
vlugt behoeven te nemen tot kunstmatige vermengingen , maar met die 
asch alleen reeeds in al de behoeften van den grond kunnen voorzien 

Be asch van suikerriet is zamengesteld, zooals uitgedrukt staat inde 
beide hierachter volgende tabellen, die de zelfde uitkomsten aanbieden, 
doch op twee verschillende wijzen. 

In tabel A z^n de c\jfers vermeld, zooals ze regtstreeks door de 
analyse verkregen zijn; doch, aangezien daarin eene zeer groote, met 
het chloor corresponderende, hoeveelheid zuurstof voorkomt, zijn, om 
deze fout te verbeteren, de resultaten uitgerekend, welke men verkrij- 
gen zou door al het chloor met het potassium en sodium tot chloor- 
potassium en chloorsodium te verbinden; en deze cijfers worden mede- 
gedeeld in tabel B. 

Deze analyse hebben wij te danken aan J. Stenhouse. De rietstokkeo 
waren herkomstig uit de volgende localiteiten : 

Nummers 1 , 2 , 8 en 4. Stengels en bladeren van bladerrijke plan- 
ten, geteeld op Trinidad. 

Van nummers 5, 6 en 7 wordt de herkomst niet vermeld. 

N». 8. Stengels, zonder bladeren, van op Demerary geteeld riet. 

No. 9. Stengels, met zeer weinig bladeren, van planten geteeld op 
het eiland Grenada. 

N». 10, 11 en 12. Planten, die haren vollen wasdom bereikt hadden, 
behoorende tot de variëteit, die kristallen genoemd wordt; ze waren 
herkomstig uit Jamaica. 



Digitized by 



Google 



155 



E-i 

m 

1— 1 
P3 

Ui 

CO 

<! 
o 

co 

« 
co 

;>^ 

<i 
^: 




»a ,-1 ,-1 




OSrHCOCOO-* t'^eo 

lo o os co 80 f^^ : 00 00 

-** 00* "H •«** »o i-i : o co 

iO rH rH : 


wt 
mt 


t^ ei lO 00 i-ï iO i:<I rH 

"1^ f^ r-i 


«1 


f- os 00 <o CD '^ : ^ ®* 
oooi^i-«^t>" :coe« 


9 

w* 


C000OO0S»-^'*»O 

F-ï co co « o »o o e?» 


e 

«1 


O'^i-»"^cooso :os 
c5» o co co CD o OO : « 
oioooóoiooo r-^ 


e 


i>;oo^i:-:i>:oo^o 

c« co 


e 


oooooc-Qo»-^ :"^"^ 

co o» o OO ^ ©1 : r-J «o 
co* CD os* »0 »0 rH* ' rH t-^ 

o« co : I-I 


m 


•^C^OCOCOOrHiJ» 
o f-< C^ OO Gil 00 »0 « 
l>^ C«i C"^ '«^' C^' co' os 00* 

(^ rH co 


JD 


Tfic-t^Tïieoco :oe^ 

COOOOSCOOSOS jt^rH 

c^ t^ i>^ c5» co* c5» : O t-^ 

Il co : 1-1 rH 


t» 


OO ^C*'«J«iOQOrHCO 
OOOOOCOlOt-.QOTfl 

Tj^* ^* t-^ '«^ Tïi ^* <o lo 


i» 


cooo'«j«osot-'«j« :»o 
I-H OO t"; Tï| os os co : « 
lo Tj5 i>l '^* p4 «o* rH : cd 


e 


•^C0C^«0t*'*041>. 

c*ioeocoooi«>oo 
OdcócoeiioGvicoeo 


« 


ocooost-Hoseo :« 
OiO'-jjoocDco :os 
o cd co* kd co co* rH : cd 

U» rH rH : 


iQ 


•fte^ooodkocot^o) 

©Ji-J'^COC^lOOOCO 

<p 00 t^ ©i »o lo I-H e« 


iQ 


OOCOO^OOrHCOt* !»« 
TÏ| rH IOC-- CO OS lO : OS 

cd OO* c-^ »d »d I-H O : cd 


•* 


»0C0Ot*«0'*0i<0 
OO »0 OO TÏ| Oi OO OO rH 
O -^ O icJ Oo' CO r-ï r-ï 


^ 


c^osooi-ie^os :cooo 

co JO os rH os os : os r-< 

i-Hi^ooscd»d :oó<si 

"^ rH I-» : 


n 


OOCOiOCOr-lOOS 
iOi— IkOOOC^'^ftOt* 

lo oo' '«jï 00* 00 «^fi »o -^ 


n 


COCO»OrHOCO IrHrH 
Tj« C^ CO OS lO CO J "^ ** 

cd 00 <^ OO -'^ o* : t^ os 


# 


1— it-o*<yjc*coo>«o 

00 os 3ö o pH QO o* « 

eit^OpHcóoi^ei 

•^ i-H rH rH 


tl 


oos-'fOooi-HOs :os 
OO 00 os o« OO o 00 : co 
csft-^ocdoseïï»-^ :i-< 

'^ rH rH rH 


«i 


ooiO-ifiocOioc^eo 

l>-t»<Ol>.rHCDOOO 

lo co* <o* <m' os eó r^ r-4 


- 


tr^cocococoo :c>-e^ 
ost>-corHcokO :o^o 
»dcdcdoscd»d icdcsJ 
^ o» : 


/ Kiezelzuur 

. Phosphorzuur. . . . 

^ l Zwavelzuur 

m ) Chloor ...... 

1 JKalk 

• / Magnesia 

^ Potasch 

\Soda 


^ 








lil -1^ -11 



Digitized by 



Google 



]56 



Indien de door ons in vorenstaande bladz^den ontwikkelde denkbeel- 
den de getrouwe uitdrukking waren van al de daadzaken, als wij dan 
van de verschillende in de asch aanwezige zouten mengsels maakten, 
en die behoorlijk verspreidden over den grond, zouden wy volkomen 
verrigt hebben hetgeen noodig is om eenen riet-akker naar eisch te be- 
mesten: ongelukkigerwijze echter is het vraagstuk niet zoo eenvoudig, 
en de vorenstaande oplossing gaat mank aan twee dwalingen van over- 
wegend belang. De eerste en voornaamste bestaat hierin, dat daarb^ 
geheel en al over het hoofd is gezien het gewigt en de noodzakelijkheid 
van eene zekere hoeveelheid kool- en stikstof houdende stoffen in den 
grond, die niet alleen regtstreeks door de planten worden ingezogen, 
maar die tevens , door de ontledende stoffen welke z^' voortbrengen , 
het leven der planten verhoogen , doordien ze zoowel zelven nieuw 
voedsel aan den plantengroei verschaffen, alsook de oplossing bevorde- 
ren van in den grond aanwezige onoplosbare zelfstandigheden , welke, 
om geabsorbeerd te kunnen worden , eerst tot eenen anderen staat moe- 
ten overgaan. Overigens doen die zelfstandigheden de physieke eigen- 
schappen van den grond eene verandering ondergaan. Stellen w^ eens 
voor een oogenblik, dat de in den grond aanwezige organische stoffen, 
die door de herhaalde inzamelingen van den oogst ook gestadig minder 
worden , tot niets hoegenaamd dienen : zullen wy dan ons doel volko- 
men bereikt hebben door de asch van het suikerriet over den grond te 
verspreiden? Indien wij alleenlyk letten op de chemische zamenstelling 
van die asschen , dan spreekt het van zelfs , als wij zorgen die te ver- 
zamelen zonder er iets van verloren te laten gaan, en wy verspreiden 
ze gelijkelijk over den riet-akker, dat wy dan, voor zooveel de delf- 
stoffelijke bestanddeelen betreft, juist door die asschen de zelfde zamen- 
stelling aan den grond zullen wedergeven, die hy had voordat hij 
ons eenigen oogst had opgeleverd ; maar letten wij tevens op de physieke 
eigenschappen van die asschen , dan neemt de zaak eene andere gedaante 
aan. De in de asschen aanwezige minerale zouten moeten , om door de 
rietplant ingezogen te kunnen worden, oplosbaar zyn in water, welke 
oplosbaarheid sommige dier zouten reeds van zelfs hadden; andere nemen 
door de op hen werkende invloeden zelfstandigheden tot zich, die groo- 
tendeels voortkomen uit de organische stoffen van den grond. Door de 



Digitized by 



Google 



157 



hooge temperatuur, waaraan de asch van suikerriet blootgesteld is, 
smelt zij gedeeltelgk , en vormt , somwijjlen , in haar geheel , eene soort 
van slak , waarvan steeds een gedeelte in water oplosbaar en het overige 
onoplosbaar is. Bit onoplosbare gedeelte was , tgdens het werd ingezogen 
door het riet, oplosbaar uit zich zelven, of door den invloed eener 
andere zelfstandigheid ; en als wij het nu weder op den akker versprei- 
den, om op nieuw door de zelfde plant geabsorbeerd te worden, zal 
het zich noodwendig eerst moeten oplossen. Deze oplossing echter zal 
nu echter veel moeijclijker plaats hebben ten gevolge van den verander- 
den toestand, waarin dat gedeelte door de werking der hitte gebragt 
is. Wij zien dus, als wij enkel de asch van het suikerriet aan den 
akker teruggaven , dat wij hem dan slechts een gedeelte zouden weder- 
geven van de zouten, die hij voor zijne groeikracht noodig heeft; 
want als zoodanig zouden wij alleenlyk die kunnen tellen, die oplos- 
baar z^'n of dat gemakkel^k kunnen worden, terwijl de overige, die 
dat oorspronkelijk geweest, maar die onoplosbaar geworden zijn, voor 
het oogenblik geen nut doen en dus op den akker een dood kapitaal 
vertegenwoordigen. 

Wij zullen nog meer zeggen. — De asch vertegenwoordigt slechts 
een gedeelte der minerale zouten uit het suikerriet; want een zeker 
gedeelte daarvan gaat mede in het uitgeperste sap , een ander gedeelte 
is geabsorbeerd door de bladeren en wortels van het riet , enz. ; en als 
wij dus niet zorgen, dat wij de asch van al die verschillende zelfetan* 
digheden byeen hebben, spreekt het van zelfe, dat een groot gedeelte 
van de stoffen , die vroeger in den grond aanwezig waren , verloren is 
gegaan. 

Uit al het vorenstaande volgt: l^ De asch, die over de akkers 
verspreid wordt , vertegenwoordigt slechts de minerale zouten , welke 
ingeslurpt z^n door het riet, en waarvan een gedeelte ti[jdel^k onop- 
losbaar is geworden , terwijl de zelfstandigheden , bestemd om dat ge- 
deelte in eenen anderen staat te brengen, slechts moejjel^'k haren in- 
vloed daarop uitoefenen. — 2o. Als de asch ontoereikend is om dadelijk 
het verlies van opslurpbare minerale zouten te herstellen, kan zy ook 
volstrekt niet strekken om aan den grond die hoeveelheid stoffen bij te 
zetten, die van zooveel invloed is op de groeikracht. — 3". Als wij 



Digitized by 



Google 



158 



aan de asch zel&tandigheden toevoegen om hare insluiping te berorde- 
ren, of als wij haar tot dat einde eenigerlei voorloopige bewerking 
doen ondergaan, en als wi|j haar dan vermengen met de organische 
stoffen , die onmisbaar zijn voor het leven der planten , zullen wij haar 
door die bewerking in zoodanigen toestand gebragt hebben, dat wiy er 
met meer voordeel nut van kunnen trekken. 

Overtuigd van de ongenoegzaamheid der asch als mestspecie , in staat 
om als zoodanig dadelijk al de werking te doen en volkomen te beantwoor- 
den aan al de vereischten eener goede cultaur, denken sommige land- 
bouwers , indien ze al de ampas in hunne gronden konden aanbren- 
gen, dat daardoor hunne riet-akkers niet slechts het verlorene terog- 
erlangen, maar tevens b^ iederen oogst eene nieuwe aanwinst van vmcht- 
baarmakende stoffen deelachtig worden zouden. Oppervlakkig, zooals de 
zaak daar voorgesteld wordt, zou men wanen, dat men, op die wyze 
te werk gaande, de heilrijke resultaten zou verkregen, die men zich 
voorstelt; maar als wij de zaak meer van nabij beschouwen, zullen wjj 
zien, dat de resultaten geheel anders z^'n. 

Het is zeker, dat het riet, terwijl het groeit, leeft ten koste van de 
lucht en van de aarde , en dat in de ampas een groot gedeelte aanwezig 
is van de stoffen, die aan de b^de genoemde elementen onttrokken 
zijn. W^* zeggen een groot gedeelte : want als het riet uitgeperst wordt, 
gaat er eene zekere hoeveelheid van die stoffen met het uitgeperste sap 
mede; doch gesteld, dat dit sap niets anders dan suiker bevat, die 
w^ by slot van rekening kunnen beschouwen als uit den dampkring 
ontstaan, dan zal de grond, door de ontbinding van dit uitgeperste riet , 
dat w^ in den akker brengen, niet slechts terug-erlangen wat h^* aan 
minerale en organische stoffen verloren had, maar, wat de laatsl^ 
noemden betreft, tevens nut trekken van die, welke juist door den 
plantengroei ontstaan z^'n ten koste van de lucht. Maar zal met de 
ampas dit doel bereikt worden, dan moet die tot ontbinding overgaan, 
zij moet verrotten ^ en daartoe zyn ettelijke bijzondere omstandigheden 
noodig, en wordt een zeker tijdsbestek vereischt, gedurende hetwelk de 
grond blijft verkeeren in den zelfden staat, als ware het uitgeperste 
riet er in het geheel niet in gebragt. Daar het doel van al onze ver- 
rigtingen altijd moet wezen veel en spoedig voort te brengen , zyn wij 



Digitized by 



Google 



159 



ran oordeel , dat het bemesten Tan den grond met ampas (in Suriname 
^noemd het trassen Tan den grond) een gebrekkig hulpmiddel is, dewijjl 
Ie gunsüge werking daarvan zich eerst na verloop van tijd openbaart , 
vanneer de ampas al de noodige veranderingen ondergaan heeft , waar- 
loor zij herschapen wordt in afval-mest; waarbij nog dit, dat de in 
len grond gebragte ampas veel langer tyd noodig heeft om tot verrot- 
ing over te gaan, dan men denkt, byaldien niet zekere omstandig- 
heden daartoe medewerken. Overigens zijn de resultaten van deze be- 
nesting hoofdzakelijk van plaatselijken aard; want de ampas wordt 
üet gelijkelijk over den grond verspreid, en ook niet met al de be- 
itanddeelen daarvan gelijkelijk vermengd. 

Als onze planters eenmaal eene zuiniger brandstof gevonden zullen 
lebben , of als de hoeveelheid ampas , die ze voor hunne distilleer- 
toestellen enz. noodig hebben, verminderd worden kan, zullen zij de 
liet-benoodigde ampas kunnen bezigen om er de zamengestelde mestspe- 
3iën van te bereiden, waarover wij thaus hebben gehatfdeld; maar het 
tal nooit dienstig zyn de ampas in den grond te brengen , of eerst moet 
zij tot ontbinding ovei^egaan zyn , en met behulp van andere stoffen 
de zel&tandigheden hebben voortgebragt, welke onmisbaar zijn om het 
riet tot den hoogsten graad van ontwikkeling te brengen, en die, welke 
meer bepaaldelijk vereischt worden ter bevordering van de suiker- 
vorming. 

De slotsom van de boven medegedeelde beginselen is deze: ter be- 
mesting van de gronden, ten einde. te bewerken dat ze veel en epoedig 
voortbrengen, moeten de landbouwers hetzij de asch, hetzij de ampas 
vermengen met andere zelfstandigheden , die of Tan eerstgenoemde de 
zamenstelling en de eigenschappen tot volkomenheid brengen, of van 
laatstbedoelde de ontbinding bevorderen en middelerwijl daarvoor in de 
plaats treden, want om tot algeheele ontbinding over te gaan behoeft 
de ampas meer tijd, dan men over het algemeen denkt. 

De asch werkt op zich zelve , regtstreeks, door de stoffen, die zij zelve 
aan de planten verschaft, en tevens doordieg zij de opslurping van de 
stoffen uit den grond bevordert, door de alkalische zouten , welke zij 
bevat , en die de oplossing bewerken van sommige in onoplosbaren staat 
in den grond aanwezige zelfstandigheden. De asch werkt dus heilzaam 



Digitized by 



Google 



"i 



160 



niet slechts door de oplosbare deelen, die zij bevat, maar ook door 
zoaten, die opgelost kannen worden. 

De asch van suikerriet moet altijd althans vergruisd (dat wil 
fijngestampt) z^n, eer z^ als mestspecie wordt aangewend, Doot 
physieke eigenschappen is zij bestemd om hoofdzakelijk te werken i 
correctief in vaste gronden ; want door de verhoogde temperatuur, 
aan z^ blootgesteld is, heeft zjj eene wezentlijjke verglazing onda!ga«i« 
zoodat zijj eene mechanische werking kan uitoefenen als zelfstandighd^ 
die by uitnemendheid geschikt is om de eigenschappen der vaste gnm* 
den te wyzigen ten goede , dat wil zeggen te verbeteren. 

Verder in dit werk zullen wy al de verschynselen doen kennen, dk 
plaats grijpen in het organismus van het riet, dat groeit op cenei 
grond , die uitsluitend bestaat uit de in de rietstokken aanwezige minfr" 
rale zouten , dat wil zeggen in de asch. Hier zullen wij alleenlyk z^ 
gen, dat uit onze proefnemingen blijkt, dat het riet uitermate kiom 
groeit, en dat de groene kleiur der bladeren b^na geheel verdwijnt : ve^ 
volgens worden de bladeren geel met groene randen ; als men riet plant 
in een mengsel van riet-asch en hout-asch is de grond zoo vast, Ad 
de knop slechts na verloop van een geruimen tijd moe^'elgk uitkomt,, 
terwijl de spruit zich alsdan ongemeen krachtvol vertoont met steilit 
omgekrulde bladeren. — Het is echter nuttig hier bij te voegen, dat] 
by eene andere proef, die wij namen met kristallijn riet, de eerste 
uitspruitsels niet zeer groot werden; maar na verloop van eenigen tyd 
kwamen er nieuwe spruiten te voorschyn, en deze groeiden b\j uitstek 
welig. — Dit deed ons onderstellen, dat wy dit verschil mogten toe* 
schrijven aan de regens en besproeiingen , waardoor de asch als het 
ware eene wassching ondergaat, die haar van de schadelijke over* 
toUige alkalische zouten bevrijdt, en hare zamenstellii^ in zoodani" 
gen staat brengt, als dienstig is om het riet tot zynen behoorleken 
wasdom te doen geraken : ten einde dit punt tot klaarheid te bren- 
gen, plantten wij riet in gewasschene asch, en verkregen zoodowide 
zware rietstoelen. « 

Biet, dat geplant wordt in ongewaaêchene asch van hout, komt niet 
op, want de alkaliën bederven de knoppen; dit is echter nog niet 
alles: als krachtvolle spruiten overgeplant worden in eenen met hout- 



Digitized by 



Google 






DigitizQd by 



Góogle 



V 




Voorwaarden van Inteekening. 



1^. Het werk zal worden uitgegeven in afleveringen van 
vijf vellen druks, groot 8^ formaat, welke afleve- 
ringen elkaar spoedig zullen opvolgen. 

2^ De prijs is bepaald op 20 Cents per vel druks. Het 
werk zal compleet zijn in omstreeks dertig vellen. 

3\ Men teekent in Oost-Indië in bij de Heeren G. Kolff 
& C°. te Batavia, De prijs wordt in /w^iié' eenigermate 
verhoogd. .^. 

Motterdam, 1865. H. NUOH. 



-i:.. ^^^^- 



Digitized by 



Google 





VERHANDELING 



CULTiniR VAN Stf IKERRIET. 



DON ALVABO BETNOSO. 

{^ Druk. Madrid 1865.) 

VERTAALD ÜIT HET SPAANSCH 



SEBVAAS DB BBUIH; 

zijnde de vertaling, voor zooveel aangaat 
het loetenschappelijhe en praktische, 

IVAGEZIEN DOOR ÖE HEERETi 

Dr, J. E. DE VBIJ en J. 1111.1- ABD. 



Wieréie ^fie^ering: 




ROTTERDAM , 

H, NIJGH. — 1865 



Gedï'u'st by C. Blommenclaal 







Digitized by 



Google 



UI 



zeiden sommigen , „ doet haar beat om de oppervlakte van den grond te 
bereiken, om boven den grond te komen; z^ soekt naar lucht: en b^ 
gevolg is het eene behoefte voor haar, om in eenen toestand te leven, 
waarin het haar niet aan lacht ontbreekt." Weder anderen zeiden: „Be 
rietstek verlangt om naar buiten te komen; en plant haar zpo diep als 
gij wilt, zg eindigt toch altijd met zich eenen weg naar bniten te ba* 
nen." Yan deze beginselen uitgaande, zou men, logisch redenerende , tot 
deze gevolgtrekking moeten komen : haar te weerstreven in die natuur- 
lyke neiging, in die rigting van hare organisatie om het element te 
zoeken, waarin zy hare functiën beter zal kunnen verrigten, zou niets 
anders zijn dan te werk te gaan tegen de wetten der natuur in , in plaats 
van al ons streven te doen strekken om met de natuur mede te werken 
ter bereiking van haar doel; wij zouden dus zoodoende het groote be- 
ginsel uit het oog verliezen, dat wij nimmer behooren te vergeten, na- 
melijk : dat het, om over de natuur te kunnen zegevieren en hare wet- 
ten dienstbaar te kunnen maken aan de bereiking van onze wenschen, 
een allereerst vereischte is haar te gehoorzamen en ons gedwee te schik- 
ken zelfs naar hare minste wenken. 

Wanneer men onder gunstige omstandigheden riet geplant heeft, zal 
men , naauwlettend dë ontwikkeling er van nagaande, de opmerking kun- 
nen maken, dat de nieuwe spruiten telkens digter bij de oppervlakte van 
den grond te voorschyn komen, en dat de moederatek eindelijk, na ver- 
loop van langer of korter tijd, geheel boven den grond komt te liggen; 
zoodat het bij slot van rekening den schgn heefb, alsof eene verborgene 
kracht haar van lieverlede opgeduwd heeft, totdat zij de oppervlakte 
van den grond bereikt had. Aangenomen echter, dat dit naar boven 
klimmende verschijnsel werkelijk plaats grgpt, zal dat dan inderdaad 
het gevolg zijn van eene byzondere neiging, die de wortels en de on- 
dergronds-stam der netplant hebben, om naar eenen grond te zoeken 
die goed van lucht doortrokken is, en misschien wel naar de lucht 
zelve? of wel, zal het slechts een uitwerksel zyn van ondergeschikten of 
bijkomenden aard, afhankelyk van een ander, meer regtstreeksch uitwerk- 
sel, dat te weeg gebragt wordt bg het uitschieten van de spruiten? 

Wij zullen beginnen met te onderzoeken of dergelgke verschijnselen 
zich ook vertoonen bg andere planten, en daarna zullen wij spreken 

16 



Digitized by 



Google 



242 



over die, welke wij waaraemen bij de suikerrietplant. Al dadelijk komen 
wij tot de bevinding, dat die vermeende opwaartsche beweging, waar- 
door de ondergronds-stam naar boven, naar de oppervlakte van den 
grond wordt gedreven, bij geen andere planten wordt aangetroffen (50); 
maar wel zyn er planten, die uit baren aard, door de gesteldheid van 
den grond waarin zij leven en door den invloed van het klimaat waar- 
in zij zich ontwikkelen, wortels schieten, welke slechts tot eene zeer ge- 
ringe diepte of bijna in het geheel niet in den grond doordringen, en 
die zoodoende de goed met lucht doortrokkene en vochtige aarde vin- 
den, welke z^ noodig hebben, om al hunne functiën gezamentlyk en 
elk in het bijzonder naar behooren te kunnen verrigten. En bij sommige 
planten is deze neiging zoo sterk, dat, als de eerste wortels met eene 
goede hoeveelheid aarde bedekt zijn, al zeer spoedig nieuwe wortels 
ontstaan, die minder diep in den grond liggen, en die bestemd z^n om 
de eerste te vervangen, welke dan, niet meer in staat om hunne func- 
tiën te verrigten, spoedig sterven en aan de zich gevormd hebbende 
nieuwe wortels de taak overlaten , om in het levens-onderhoud der plant 
te voorzien. 

Zien w^' nu wat er plaats grijpt bij de suikerrietplant. Wanneer men 
verscheidene moederstekken opgraaft van verschillenden ouderdom en 
van verschillende sneden, en die geleefd hebben onder gunstige omstan- 
digheden, zal men bevinden, dat de geplante knop, wanneer die zich 
ontwikkelt, om de oppervlakte van den grond te bereiken den ganschen 
afstand doorloopt, die hem daarvan scheidt, en bijgevolg eenen stam 
onder den grond voortbrengt , juist zoo lang als de diepte, op welke de 
plantstek in den grond werd geplaatst. Deze stam onder den grond is 
afgedeeld in korte geledingen; en elk dier geledingen is, even als de 
echte rietstok boven den grond, voorzien van eenen knop, die, zich 
ontwikkelende, de nieuwe spruit voortbrengt; naar gelang van het aan- 
tal knoppen of oogen onder den grond, en die welke al de ontwikke- 
lings-tijdperken van den plantengroei hebben doorloopen, zal iedere 
moederstek meer of minder spruiten voortbrengen. — De knoppen be- 
vinden zich natuurlijk telkens digter bij de oppervlakte van den grond -, 
zoodat ze dus ook, zich ontwikkelende, spruiten schieten, die op groo- 
tere of geringere diepte in den grond voort gebragt worden. — Deze 



Digitized by 



Google 



UA 



eerste spruiten hebben ook een stam of stengel pnder den grond, voor- 
zien Tan knoppen of oogen, die in hunne ontwikkeling het aanz^'n geven 
aan even zoo vele tweede spruiten, die op hare beurt weder zoo vele 
derde spruiten voortbrengen, en zoo voorts, hangende het aantal der 
knoppen, die zich ontwikkelen, af van de geaardheid van den grond 
en van de lucht- en weersgesteldheid (51). 

Welnu: elke knop behoudt altyd de plaats, waar hy zich bevond op 
het oogenblik van zijn ontstaan , of op het oogenblik toen hij pas ge- 
plant was; en wanneer hij zich ontwikkelt, brengt hij spruiten voort op 
zoodanigen afstand van de oppervlakte als hij geplaatst is : daar nu elke 
knop zich digter bij de oppervlakte ontwikkelt dan de vorige, is het 
duidelijk en natuurlijk , dat de nieuwe spruiten telkens zullen ontstaan 
minder diep in den grond, digter bij de oppervlakte. — Hierby heeft 
volkomen het zelfde plaats, dat w^ zouden zien plaats grijpen als wij 
tien of meer geledingen van rietstengels op verschillende diepten in den 
grond plantten; de knoppen zouden ontstaan op even zoo vele verschil- 
lende afstanden van de oppervlakte, ter plaatse waar men de rietstek 
geplant had. 

Ofechoon deze opmerking voldoende is om aan te toonen op welke 
wi|jze de rietstek spruiten schiet, hebben wij het niet ondienstig geacht 
door meer regtstreeksche middelen allen tw^'fel daaromtrent onmogelijk 
te maken, tot welk einde wij eenige proeven hebben genomen, die zon- 
neklaar doen zien, op welke wiijze de spruiten worden voortgebragt. B^ 
het nemen van die proeven hebben wy de onderscheidene stekken plant- 
riet, op de geschiktste wyze voor elk in het b^'zonder, in den grond 
gebragt , ten einde ze te vrg waren tegen alle bgkomende omstandigheden , 
waardoor het resultaat der proefneming onzeker, twyfelachtig of duister 
had kunnen worden. 

Op eene geringe diepte plantten wy eene rietstek, die slechts voor- 
zien was van )tón knop; toen deze ontkiemd was, lieten wy de spruit 
voortgaan zich te ontwikkelen, en toen wij het geschikte oogenblik 
gekomen achtten, groeven wy met alle mogelyke zorg de rietstek uit 
den grond, en dus daarmede natuurlyk ook de spruit, die er aanzat. 
Na haar van al de aarde te hebben ontdaan, door haar af te spoelen 
met water, sneden wy met een pennemes de spruit van de stek af, en 



Digitized by 



Google 



244 



plantten vervolgens de spruit alleen weder in den grond, dieper dan 
zij gestaan had. Zij vatie; en zich ontwikkelende onder gunstige omstan- 
digheden, bragt zij ons na verloop van zekeren tijd acht spruiten 
voort. — Wij groeven de moederstek weder op, spoelden haar weder 
met water af, om haar van de aarde te ontdoen, knipten er met eene 
schaar ar de wortels af, en sneden vervolgens met een pennemes zeer 
behoedzaam al de spruiten af, die wij in den grond plantten, elk op 
eene afeonderlyke plaats, terwijl wij ook de rietstek, van welke ze wa- 
ren voortgekomen, op nieuw plantten. — Die rietstek ontkiemde op 
nieuw, en leverde ons nog drie spruiten, waarbij wij echter moeten doen 
opmerken, dat de groei van de moederstek ophield, en dat de stam 
boven den grond zich daarvan afscheidde, als ware h^ er van a%esne- 
den. De acht spruiten, die wij geplant hadden, vatteden zeer goed, en 
leverden ons, gemiddeld, zes spruiten elk; toen het geschikte tijdstip 
daar was, groeven wij de acht moederstekken op, en na ze schoonge- 
maakt te hebben met de zelfde zorg, waarmede wij die bewerking vroe- 
ger verrigt hadden, ontdeden wij ze, met behulp van het pennemes, 
van de door haar voortgebragte tweede spruiten^ die, elk op eene a&on- 
derlijke plaats geplant, ook weder vatteden en ook weder spruiten lever- 
den, ongeveer een zelfde getal als de eerste hadden voortgebragt. Een 
dezer moederstekken groeven wij op, en sneden daarvan af acht sprui- 
ten van het derde geslacht, die, elk op eene afzonderl^ke plaats ge- 
plant, ook weder vatteden, spruiten schoten, enz. Als wy er den tyd 
toe gehad hadden, en als wij het noodig hadden geoordeeld om ons 
de zaak nog sterker te bewijzen, zouden w^ deze proefnemingen nog 
langer herhaald hebben; doch wy vermeenden met het verrigte volko- 
men te kunnen volstaan, daar de gegevens, die wij aldus hadden ver* 
kregen , voldoende waren , om geen den minsten twyfel te laten overblij- 
ven aangaande de wyze, waarop de rietstek zich vermenigvuldigt of 
spruiten schiet. — By deze proefnemingen hebben wij de ondergronds- 
stekken elk afzonderlijk geplant, om ze in gunstiger omstandigheden te 
plaatsen ter ontwikkeling van hare knoppen, tot welk einde wij ze op 
eene aanmerkelyker diepte in den grond bragten , waarvan het gevolg 
werd, dat het getal oogen, hetwelk zich onder de oppervlakte van den 
grond bevond, grooter was; bovendien konden die knoppen zich vrijer 



Digitized by 



Google 



245 



ontwikkelen, daar ze niet in hunnen groei werden belemmerd door 
de andere spruiten en de wortels van deze; en daarbij, eindel^k, 
bevonden ze zich in eenen grond, die rijker was aan voedende 
stoffen. ' " 

Behalve dat de hierboven vermelde proefnemingen ons van dienst 
zijn, daar ze het onomstootelijke bewijs leveren voor de juistheid der 
stellingen, die door ons worden voorgestaan, zal er misschien eenmaal 
nut van getrokken worden, als men de eene of andere nieuwe soort 
(variëteit) riet wenscht aan te kweeken, waarvan men slechts eene ge- 
ringe hoeveelheid plantriet ter zijner beschikking heeft (52). 

De opmerking en de ondervinding leeren ons overigens voldingend, 
dat het riet, hetwelk op eene bepaalde diepte in den grond geplant 
wordt, niet van plaats verandert, niet naar de oppervlakte zoekt, zich 
geen weg zoekt te banen om er uit te kamen; alleenlijk schiet het wel 
spruiten op verschillende afstanden van dat gedeelte van den grond, 
dat in dadelijke aanraking is met de lucht, naarmate de knoppen aan 
een gedeelte van den ondergronds-stam geplaatst zijn, dat zich digter 
in de nabijheid van de oppervlakte bevindt. 

Nu wij over den invloed handelen , die de diepte, op welke het riet 
geplant wordt, uitoefent op de ontwikkeling der spruiten, zal het niet 
ondienstig zyn de wijzen te doen kennen, waarop het bedoelde ver- 
eischte werkzaam is om het verschijnsel te weeg te brengen, waarvan 
wij de bijzonderheden wenschen op te helderen. De diepte is al dadelijk 
van invloed, doordien zij veroorzaakt, dat er een gedeelte van den riet- 
stok onder den grond groeit, welk gedeelte zoo lang zal zijn als de 
plantgroeve diep is; vervolgens werkt de diepte gunstig op de ont- 
wikkeling der wortels , die , door hunne plaatselijke gesteldheid en door 
hunne talrykheid, minder te lijden hebben van de droogte, eene groo- 
tere uitgestrektheid gronds doorloopen, een hechteren steun verschaffen 
aan de planten , enz. Wij zullen enkel het eerste resultaat in beschou- 
wing nemen en zien, of wij met andere proefnemingen het bewys kun- 
nen leveren , dat de diepte van werkdadigen invloed is , en vooral een 
langeren ondei^onds-stam geeft, die ter zijner tyd een zeker getal sprui- 
ten voortbrengt, naar gelang van omstandigheden, geëvenredigd aan 
zijne grootte. 



Digitized by 



Google 



246 



Om allen tw^fel aangaande dit punt onmogel^k te maken, namen w^ 
de drie navolgende proeven : 

1*. W^ plantten twee rietstekken op gelijke diepte in den grond, en 
verkregen van elke stek het zelfde getal spruiten. 

2o. Wy plantten twee rietstekkmi, de eene op geringen afstand van 
de oppervlakte, en de andere dieper; laatstgenoemde bragt zesmaal zoo 
vele spruiten voort als eerstbedoelde. 

Oppervlakkig zou men denken, dat dit verschijnsel duidel^k en ver- 
klaarbaar genoeg is; w^ oordeelden het evenwel niet voldoende opge- 
helderd, voordat w^ ons door eene nadere proefneming, om het eens 
zoo te noemen, de proef op de som verschaft zouden hebben, namelyk 
door twee stekken van ongelgke grootte op eene gd^ke di^te in d^ 
grond te planten; want op die wijze zou de grootste stek meer sprui- 
ten moeten voortbrengen dan de kleinste, daar wij ons zoodoende in 
het zelfde geval zouden geplaatst zien, als wanneer w^ op gelijke diepte 
twee rietstekken geplant hadden , van welke de eene b^ voorbeeld tien 
knoppen had, terwijl de andere er slechts twee dro^, in welk geval 
het duidelijk is, dat de eerste tien spruiten zou schieten, terw^l de 
andere er niet meer voortbrengen zou dan twee. Ziehier hoe de proef- 
neming door ons in het werk werd gesteld-. 

3^ Twee stekken geplant hebbende op eene geringe , doch gel^ke diepte, 
plaatsten wy boven op de aarde , welke de eene stek bedekte , een steen 
van genoegzame breedte en lengte , terwijl we boven de andere stek gee- 
nerlei belemmering hoegenaamd aanbragten. De spruit der laatstbedoelde 
stek kwam zeer spoedig te voorschyn, terw^l de andere langer werk 
had om op te komen; want de spruit, die niet werd belemmerd, 
had slechts den korten afstand te doorloopen, dien zij verwijderd was 
van de oppervlakte, terwijl de eerste, zoodra zij dien afstand had af- 
gelegd, eerst nog de benedenvlakte van den steen langs moest groe\jen , 
eer zy zich eenen weg konde banen naar de vrije lucht. Toen namen 
wij den steen weg, en bedekten dat gedeelte van de spruit, dat zich 
tusschen den steen en de oppervlakte van den grond had ontwikkeld, 
behoorlijk met aarde. De spruit, die zonder belemmering te ontmoeten 
opgegroeid was, bragt slechts ééne jonge spruit voort, en bovendien 
twee knoppen aan het boveneinde, die zich ontwikkelden in de lucht. 



Digitized by 



Google 



247 



De spruit, di&, om zich te outwikkelen, eerst de belemmering vaaden 
steen had moeten ovejwinnen, bragt acht nieuwe spruiten voorl. Bit 
leyert dus het bew^s, dat twee knoppen, op gel^ke diepte in d^n grond 
gebragt, een verschillend getal spruiten voortbrengen, naar gelang ze in 
hunne ontwikkeling een grooteren of kleineren afstand onder d^n grond 
te doorloopen hebben eer ze de oppervlakte bereiken, doordien ze zoo- 
doende onder die oppervlakte eenen stam hebben, voorzien van een groo- 
ter of kleiner aantal knoppen , die , ter gelegener tijd tot ontwikkeling 
komende, eene aan hun aantal geëvenredigde menigte spruiten voort- 
brengen, 

Grypt dit versoh^nsel ook plaats in de natuur? Wij hebben gelegen- 
heid gehad om ons daarvan op de overtuigendste wijze te vergewissen, 
door een der vele moederstekken te ontleden, die w^ bestudeerd heb- 
ben met het doel, om verscheidene haren groei betreffende bijzond^- 
heden te onderzoeken. De moederstek, welke ons de gegevens verschafte , 
die wij zochten, bevond zich op eene geringe diepte in den grond, en 
had eene groote menigte spruiten voortgebragt. Door hare groote vrucht- 
baarheid verwonderd, zoehten w^ naar de oorzaak daarvan, en ont- 
dekten al spoedig , dat de stam , in plaats van regtstreeks uit den grond 
te komen, eerst eene groote uitgestrektheid doorloopt had onder den 
grond, welke ondergronds-stam later de spruiten voortbragt. De oorzaak , 
die den stam belette om langs den regtstreekschen en kortsten weg bo- 
ven den grond te komen, was eene aardkluit, zooals ze door den ploeg 
worden opgeworpen als er eene groeve wordt getrokken om in te plan- 
ten, welke kluit boven de plantstek lag, en dus de zelfde rol vervulde 
als de steen bij onze proefneming. Later kwam er een stortregen, waar- 
door die aardkluit verbrokkeld werd, en toen kregen de spruiten ge- 
legenheid om op te groe^n. Op de zelfde wijze kan men een feit ver* 
klaren, dat menigvuldig wordt opgemerkt op de groote wegen of hoofd- 
paden der plantaadjen; daar ziet men altijd groote rietstoelengroeijen, 
welke voortkomen van de rietstekken, die van de karren vallen, en 
die , in weerwil dat ze met slechts weinig of bijna geen aarde overdekt 
zijn, een aantal spruiten voortbrengen, hetgeen hoofdzakelyk hieraan is 
toe te schrijven , dat de grond beloopen is door dieren en door de Ne- 
gers, en ook, dat minscbien de kar er overheen gegaan is. Op alle ma- 



Digitized by 



Google 



248 



flioren heeft de tfnui zieh niet kmmeii ontwikkeleD Ui^ den kori- 
sten weg, zoodat er van den sUm eoi tamd^ groot gedeelte in dea 
gfCMid sit. 

Wij zijn nitgegaan van de ondentdling, dat hei bdeUel aUeeaügk 
gedmende de ontwifckding der eerste tpr«ken bestmid; als w^ aanne* 
men dat het ock aanwezig bl^ totdat de tweede en derde spndten 
te Toorsdiyn komen, is het dudd^k, dat zoodoende een grooter aantal 
knoppoi onder den grond moet bl^Toi, die, wanneer ze zidi later 
kannen ontwikkelen, eene groote menigte ^ruiten zullen Toortbrengen. 

Er zqn nog andere daadzaken, die de zel£ie waarhdd bewezen, zoo« 
als: de ontwikkeling Tan de rietstd^, die met den pootstok g^fdant is 
met eene rigting jnist het t^enoTergestelde Tan hare natanrl^jke rig- 
ting; het riet, dat geplant is horizontaal, doch met eene zoodamge 
kromming, dat de spruit zidi slechts bdioeft om te keeren om de op- 
pervlakte te bereiken , enz. In al die gcTallen, waarover wij ter ge- 
schikter plaatse uitroeriger zullen handelen, blijft er onder den grond 
een grooter gedeelte van den stam, dan in den natuurleken toestand 
het geval zou zijn geweest, wanneer de spruit den r^tsfoedcs<^en en 
kortsten weg genomen had om de c^pervlakte te bereiken. 

De door ons medegededde feiten geven eene voldoende verklaring van 
de volgende verschijnselen: 

1*. Wanneer men riet plant op eene gerii^ diepte, zonder dat men 
later de vereischte zorg in het oog houdt om aarde rondom den stam 
der plant aan te brengen, dat wil zeggen, den stam aan te aarden, 
zyn de riet-akkers na de tweede of derde snede doorgaans uitgeput 

2*. Het verschijnsel, dat w^ nu zullen bespreken, zal op het eerste 
gezigt tegenstrijdig schijnen: maar als men het aandachtig nagaat, zal 
men bevinden, dat het slechts het logische uitvloeisel is van de door 
ons vooropgestelde premissen. 

Bijaldien het mogelijk ware riet te planten ter behoorl^ker diepte, in 
eenen voor de riet-cultuur bij uitstek geschikten grond, terw^l de plan- 
ten tot hunnen vollen wasdom kwamen onder de gunstigste omstandig- 
heden, en bgddien de spruiten zich overigens ontwikkelden zonder in 
haren groei onder den grond eenig beletsel te ontmoeten hoegenaamd, 
dus den allerkortsten weg volgende om de oppeiwlakte te bereiken, zon 



Digitized by 



Google 



249 



de riet-akker uitgeput z^n, na misschien in één enkelen oogst eene bui* 
tengewoon giroote hoeveelheid riet te hebben voortgebragt, want in dat 
geval zouden er geen knoppen onder den grond bestaan om spruiten 
voort te brengen voor eene volgende snede. 

S», Uit de bovenvermelde proefnemingen en opmerkingen laat het 
zich verklaren , waarom de riet-akkers gedurende vele jaren achtereen 
in stand blijven en herhaalde oogsten opleveren, geëvenredigd aan den 
daaraan besteden arbeid. — W^ hebben gezegd : b^aldien de spruiten 
den allerkortsten weg namen om boven den grond te komen, b^'aldien 
de grond zeer vruchtbaar ware , enz. , dat er dan geen knoppen onder 
den grond aanwezig zouden bly ven voor de volgende jaren ; maar aan- 
gezien die spruiten eene menigte beletselen ontmoeten , welke haar be- 
lemmeren in hare natuurlyke, vr^ë en gel^kt^dige ontwikkeling, zoo- 
als de in elkander gegroeide wortels der moederstekken en der spruiten, 
die vroeger voortgebragt zijn, die spruiten zelven en de hard gewordene 
aarde, terwijl ze bovendien de sappen missen, die ze noodig heb- 
ben om zich te kunnen ontwikkelen, maar die hoofdzakelijk worden 
verbruikt door den stam boven den groQd , enz. , moeten ze noodwendig 
slechts langzaam groeijen, terwijl ze die beletselen ontwijken en ver- 
meen; en ofschoon ze steeds eenen grond vinden, waar ze zich eenen 
weg kunnen banen naar de oppervlakte, doorloopen ze eene grootere 
uitgestrektheid dan het geval zou geweest z^n, bgaldien ze in hare 
natuurlijke en regelregte rigting geen beletselen of hindernissen ontmoet 
hadden. — Het is overbodig te herhalen, dat er bij het doorloopen 
van die uitgestrektheid onder den grond een stam blyft, voorzien van 
een getal knoppen, geëvenredigd aan zijne grootte. — Welnu: terwijl 
het suikerriet welig groeit, wordt al het sap, om zoo te zeggen, ver- 
bruikt ten behoeve van de ontwikkeling van den stam boven den grond; 
en alleenl^k in geval er een stilstand plaats grypt in den groei van 
dien stam, of in geval er in den eersten of laatsten tigd van den groei 
eene meer dan gewone hoeveelheid voedende stoffen door de wortels in- 
gezogen wordt, zullen die onder den grond liggende knoppen zich 
ontwikkelen , wel te verstaan als de overige onmbbare vereischten daar- 
toe medewerken. Later , wanneer de groeikracht afneemt , of het riet ge- 
kapt wordt, vloeit het sap gedeeltelyk aan, of wordt geheel verbruikt 



Digitized by 



Google 



250 



ter ontwikkeling van de knoppen , die^ onder den grond liggen. — Uit . 
al het voorgaande kannen w^* afleiden , dat een der middelen , waarvan 
de natuur zich bedient om de riet-akkers gedurende verscheidene jaren 
in stand te houden, hierin bestaat, dat zy hindernissen in den weg 
legt aan het opkomen der spruiten, zoodat er onder de oppervlakte 
van den grond een grooter gedeelte stam bli|jft, dat noodwendig voor- 
zien is van een geëvenredigd aantal knoppen, die zich onder gunstige 
omstandigheden ter gelegener tyd zullen ontwikkelen , om den riet-akker 
te voorzien van een nieuw plantsoen. — Uit de zelfde aaneenschakeling 
van denkbeelden laat zich met juistheid verklaren hoe het komt, dat 
zeer vruchtbare en losse riet-akkers niet zoo lang goed bleven als die , 
welke, behalve dat ze vruchtbaar z^n, tevens eene groote mate van 
vastheid of stevigheid bezitten. — Zeer zandige gronden zijn derhalve 
voor de suikerriet*cuUuur niet bgzonder geschikt , terw^l de eenigermate 
kleiachtige gronden daarvoor het best geschikt z^n , niet alleen uit- 
hoofde van de physieke eigenschappen, welke de klei^oet ontstaan, 
maar ook doordien zij door hare verdeeling , terwijl zij aan de planten 
alkaliën verschaft, haar tevens kiezelzuur toedient. — Er bestaan ook 
nog andere redenen, die deze meening bevestigen. 

40. Bij gelijke omstandigheden zal, van twee rietstekken van verschil- 
lende soort of variëteit, die van beiden de meeste spruiten schieten, 
die het grootste getal knoppen kan bevatten op eene gelijke grootte. 

Alvorens van het onderwerp, waarmede wij ons thans bezighouden, 
af te stappen , moeten wij nog twee ophelderingen geven ; of juister 
gezegd, wijj zullen eenige der bgzonderheden herhalen, die wij reeds 
elders gelegenheid gehad hebben te bespreken, en die wy ter gelegener 
t^'d nog nader hopen toe te lichten. Wij weten zeer goed, hoe nuttig 
het is de suikerrietplant aan te aarden ; maar wjj zijn volstrekt geen 
voorstanders van eene overdrevene aanaarding op alle soorten van gron- 
den , waardoor slechts lange aardhoogten of dgken zouden ontstaan , die 
alleenlijk te pas komen op laagliggende, met weinig teelaarde over- 
dekte , en dergelyke gronden. — Het planten in aardhoogten moet ieder 
jaar op nieuw plaats hebben; want door de regens wordt de aarde 
weggespoeld , en komt de rietstek bloot te liggen. Doch , ofschoon over- 
tuigd vau al de voordeden , welk^ het planten op eene zekere diepte 



Digitized by 



Google 



251 



oplevert, raden w^ evenmin aan om de rietstek op e^nen aanmerkely- 
ken afetand van de oppervlakte af in den grond te brengen, en haar 
dadelijk te bedekken met al de aarde. „Het riet moet geplant worden, 
maar niet begraven," zegt zeer te regt een onzer vrienden. Vooral in 
zeer kleiachtige en vochtige gronden is het noodzakeligk, het plantriet 
niet met veel aarde te bedekken ; want als het gedrukt ligt onder eene 
dikke aardlaag, wordt het daardoor in zijne ontkieming belemmerd, 
zoo zelfs, dat het gevaar loopt over te gaan tot verrotting. Op ligte 
gronden is het goed, de rietstekken te overdekken met eenige aarde 
meer , ten einde den uitdroogenden invloed van de zon af te wenden. 
In elk geval bestaat de verstandigste manier hierin , dat men eene diepe 
groeve opent, het plantriet daarin legt, het overdekt met zoodanige 
hoeveelheid aarde , als meest geschikt is om het ten spoedigste te laten 
ontkiemen, en vervolgens, b^ de verschillende werkzaamheden van het 
wieden , de spruit telkens aanaardt , zoo lang totdat de groeve geheel 
gevuld of met de oppervlakte van den akker gelijkgemaakt is. Deze 
manier van aanaarden hebben w^ êlechilng of niveüering genoemd. (Zie 
Afmetingen der groeten; FerdeeUng der werkzaamheden; enz.) 

Na al het door ons aangevoerde zullen w^ besluiten met te zeggen , 
dat de moederstekken geenszins door eene of andere kracht naar boven, 
naar de oppervlakte van den grond worden gedreven ; en als men ze 
aanaardt, brengt men het ontstaan van nieuwe wortels en spruiten te 
weeg, door welker ontstaan de vroeger gevormde organen niet ver- 
dwijnen. 

Tijdstip, waarop de aanaarding behoort te geschieden. — Zooals wij 
reeds vroeger aanleiding gevonden hebben te doen opmerken , heeft de 
aanaarding van de netplant ten doel om het ontstaan van nieuwe wor- 
tels te bewerken, die, terwijl zij als voedende organen dienen, tevens 
dienstig zijn om de plant een steviger steun in den grond te doen heb« 
ben ; de aanaarding bewerkt ook de ontwikkeling der knoppen van den 
stam onder den grond, en tevens het te voorschijn komen van de sprui- 
ten. Als dat de gevolgen van de aanaarding z|jn , is het verstandig die 
te bewerkstelligen in den eersten tijd van het leven der netplant , niet 
alleen ten einde bij te dragen tot het ontstaan van de organen, die 
haar moeten schragen en -hecht in den grond houden , maar ook om 



Digitized by 



Google 



252 



te bewerken, dat de spruiten te voorseh^n komen en zich allen te ge- 
lijk ontwikkelen. Naar wij in de gelegenheid geweest zign op te merken , 
vormen de spruiten der rietstek zich voornamelijk in den eersten tyd 
van hare ontwikkeling; vervolgens, als de planten beginnen te sten- 
gelen , komen die sprtuten niet zoo menigvuldig en ook niet zoo regel- 
matig meer te voorschyn, en zoo ze al voor den dag komen, groeiden 
ze slechts gebrekkig, bleek, schriel en kw^nend, en sterven op het 
laatst toch; dit is zoo zeer het geval, dat men het bovengedeelte 
slechts in de handen behoeft te nemen, om den geheelen bladerdos 
zonder moeite van den in het midden reeds vergaan z^'nden stengel af 
te trekken. Later, als het riet z^nen vollen wasdom bereikt heeft, be- 
ginnen de spruiten weder uit te loopen. 

De natuurlijke en gelijktijdige ontwikkeling der spruiten in de eerste 
tijdperken van den groei, is niet alleen nuttig omdat elke spruit eenen 
stengel voortbrengt, maar ook, omdat ze door hare naauw in onderling 
verband staande uitvloeiselen allen wederkeerig zamenwerken tot de al- 
gemeene ontwikkeling van den rietstoel. Het aanaarden moet dus plaats 
hebben voordat de planten stengelen in de eerste tijdperken van haar 
leven; zoodoende bewerkt men: lo. den groei der wortels; 2*». het ont- 
staan van de spruiten, en als eindresultaat de gel^kt^dige, bestendige 
en gelijkmatige ontwikkeling der stengels. Daarbij komt, dat het later, 
uithoofde van de ontwikkeling der stengels, moeijel^k is zich tusschen 
de rietryën te bewegen, en als de trekdieren of landbouw-werktuigen 
er mede in aanraking komen, loopen de stengels alligt gevaar te bre- 
ken, terwijl ze, als ze jonger zijn, meegeven en buigen, om dadel^k 
hunne eerste rigting weder aan te nemen. 

Hex SÜIKBBRIET-CULTÜÜBSTELSBL , VOORGESLAGEN DOOR VVraY. — Het 

door "Wray voorgeslagene cultuurstelsel', waarvan wij bij verschillende 
gelegenheden gewag gemaakt hebben, is uiteengezet iü zijn werk, ge- 
titeld : Praktisch Handboek voor den suikerriet-planter : volledige uiteen^ 
zetting van de riet-cUltuur en van de suikerbereiding. In het Fransch ver- 
taald door Isabeaü ; Parijs 1853. (53). 

Zooals de titel reeds aanduidt, is dat werk gesplitst in twee hoofd- 
deelen : rietteelt en suikerbereiding. "Wy zullen ons slechts met het eerste 



Digitized by 



Google 



253 



hoofddeel bezighouden, betreffende de cultuur. Al dadelijk zullen wij 
erkennen, dat de algemeene geest, die in dat boek heerscht, allezins 
voortreffelijk is en naar vooruitgang streeft; daarin wordt aangedrongen 
op de volgende punten: bewerking van den grond, zorg voor de cultuur, 
stalling der dieren, aanleg en onderhoud van weilanden, aanwending 
van mestspeciën en van correctiven, toepassing van de besproeijing ; 
vooral ook dringt hy er op aan, om de verschillende bewerkingen te 
doen verrigten door werktuigen , die in beweging worden gebragt door 
trekdieren; enz.: in een woord, over het geheel moeten wij het werk 
van Wray een zeer verdienstelyk boek noemen; maar te gelyk betreuren 
wij het, dat de schrijver geen eenheid, geen behoorlijk verband in de 
verschillende deelen van zyn werk gebragt heeft; nu eens levert h^' 
„eene overtollige veelheid van bewyzen" om zyne denkbeelden te on- 
dersteunen , waardoor z^n geschrift hier en daar niet van wijdloopigheid 
vrij te pleiten is ; dan weder bewijst hij niet met de noodige duidelyk- 
heid en uitvoerigheid het nut van de praktgken, die door hem aanbe- 
volen worden ; somwijlen springt hij over zeer belangrijke punten heen , 
en blijft bij onbeduidende kleinigheden stilstaan; hij betoogt, einde4^k, 
de voortreffelykheid van een stelsel , dat hij toegepast wil hebben onder 
alle omstandigheden zonder onderscheid, terw^l dat zelfde stelsel, in 
praktik gebragt onder gunstige omstandigheden, geenszins beschouwd 
kan worden als het beste. Daar wij ons slechts ten doel stellen een 
getrouw en beknopt overzigt te leveren van het stelsel van cultuur, dat 
door Wray is voorgeslagen, en de werktuigen op te sommen, waarmede 
hy aanraadt de verschillende deelen van den arbeid te volbrengen, heb< 
ben wij gemeend ons te moeten onthouden van alle nevenbeschouwin- 
gen, die, hoezeer in verband staande met het onderwerp van den 
schrijver, niet regtstreeks betrekking hebben op de cultuur van het 
suikerriet. 

Het cultuurstelsel , door Wray voorgeslagen, heeft ten doel om van 
het geplante riet slechts tweemaal eenen oogst in te zamelen ; want de 
sehryver acht het voordeeliger den riet-akker om de twee jaren te ver- 
nieuwen, dan de zelfde moederstekken gedurig op nieuw spruiten te 
laten schieten , die nusschien slechts de helft of het derde gedeelte van 
eenen goeden oogst zullen opleveren. — Z^ne ingenomenheid met het 



Digitized by 



Google 



254 



door hem aanbevolene stelsel gaat zóó ?er, dat h^ niet aarzelt het 
aan te prezen als het verstandigste en het zekerste, en beter dan ieder 
ander stelsel, dat ooit kan worden nitgedacht (blz. 120). — Hij oor- 
deelt het noodig de akkers om de twee jaren te vernieuwen, niet 
alleen als middel om de voortbrenging te vermeerderen en bestendig te 
doen voortdoren , maar h^ acht het tevens nuttig als middel om alle 
gedierten uit te roejjen , die schadelijk zyn voor de netplant (blz. 246). 
„Als men in aanmerking neemt," zegt Wray, „met hoe geringe kos- 
ten de akkers vernieuwd kunnen worden, hoe de opbrengst daardoor 
vermeerdert, en vooral dat daardoor het schadelyk gedierte uitgeroeid 
wordt, dan zal men beseffen, hoe noodig het is het aanbevolene cul- 
tuurstelsel aan te nemen" (blz. 247). — Het cultuurstelsel van Wraj 
berust hoofdzakelijk op het aanwenden van de eigentl^k gez^de aan- 
aarding, en op het beginsel om al de overblyfselen van het riet (bla- 
deren en ampas) in den grond te brengen ter bemesting. ~ Na dus 
het doel te hebben aangewezen en den grondslag te hebben doen kennen 
van het cultuurstelsel , dat door den engelschen landbouwkundige wordt 
aanbevolen , gaan w^ over tot eene beknopte beschrijving van de werk- 
zaamheden, die h^ opgeeft verrigt te moeten worden om tot de ge- 
wenschte uitkomsten te geraken. 

(hreedmahing van den grond. — Vooral doet Wray de voordeden uit- 
komen, v^bonden aan eene volkomene omploeging van den grond, 
waartoe hij voorstelt zich te bedienen van den ploeg met ^ne schaar; 
vervolgens acht hij het zeer dienstig, de rol aan te wenden om de aard- 
kluiten fijn te maken; en dan wijst hij op het nut, om met de eg^e de 
fijnmaking te voltoo^'en, al de deelen v^n den grond goed dooreen te 
mengen en het onkruid onschadel^k te maken (blzz. 102 en 103). 

Het planten, — De arbeider neemt twee lange, stevige touwen es 
drie stokken, lang 6 engelsche voet (1,8 nederlandsche el). De touwen 
worden in de gewenschte rigting gespannen, en daarna begint men de 
groeven te openen, tot welk einde de ploeg, die de aarde naar de reg- 
terz^de opwerpt, de rigting der touwen volgt, waartoe men de ossen 
aan weerszijden van het touw laat loopen, zoodat dit altijd tusichen de 
twee trekdieren inligt. Zoodra men aan het einde van de lyn is, laat 
men de ossen stilhouden , en wordt het touw 1,8 nederl. el verder ge« 



Digitized by 



Google 



255 



spauueu; dan opent men eene tweede groeve, waarbg ditmaal de aarde 
wordt opgeworpen naar de linkerzijde, altijd in de rigting van het 
touw. Het werk wordt voltooid met den tweesnydenden ploeg (blzz. 113 
en 114). Uit het hier medegedeelde ziet men hoe onbestemd en ondui- 
delijk de beschrijving is , die Wray daarvan geeft : uit al wat hy zegt 
laat zich niet duideljjk opmaken , of hig werkel^k aanraadt den eensnij- 
denden ploeg tweemaal te laten loopen, ten einde de groeve in tweeën 
te openen, dan wel of hij zich vergenoegt de groeve te openen in eens, 
en die later te voltooijen met behulp van den tweesnydenden ploeg. 
Duidelijker is hy eenige bladzijden verder (blz. 117), waar hy zegt: de 
groeve moet getrokken worden in tweeën, door den ploeg heen en weer 
te laten loopen aan weerszyden van het gespannen touw. Wij hebben 
dit punt reeds bij andere gelegenheden behandeld, zoodat vHj ons ont- 
slagen kunnen rekenen van de taak , hier te herhalen alles wat wy dien- 
aangaande in het breede gezegd hebben. — De rietstekken worden ge- 
plant op 60 nederl. duim afstands van elkander in de rigting der groeve, 
en men kan twee stekken tegenover elkander plaatsen; in plaats van 
60 nederl. duim , is het nuttig de stekken slechts 30 nederl. duim van 
elkander af te plaatsen, en dan in de groeve slechts één stek te plaat- 
sen, waaraan de schryver de voorkeur geeft, want zoodoende vermijdt 
men de nadeelen , die gepaard gaan met de ontwikkeling van twee plan- 
ten, welke zamen slechts eene kleine oppervlakte gronds beslaan (blz. 
239). Het riet eenmaal opgegroeid zynde, kykt men na of er ook plaat- 
sen op den akker zyn, waar het niet opgekomen is, zoo ja, dan wor- 
den die leegten behoorlyk ingeboet. — Wray geeft den raad om tot 
plantriet by voorkeur de bovenste gedeelten der rietstengels te gebrui- 
ken (blz. 237). 

OuUuur, — De door Wray opgegevene bewerkingen zijn de volgende : 
1*. De plantsoenen herploegen. — 2^. Den akker wieden zoo dikwyls 
als men zulks noodig acht, waartoe men zich van al zoodanige gereed- 
schappen en werktuigen bedient, als welke het gewenschte doel het best 
kunnen doen bereiken. — 3<». De netplanten aanaarden. — 4o. De sten- 
gels van hunne bladeren ontdoen; zynde het nuttig deze bewerking 
twee- of driemaal te herhalen , na bevorens eene groeve te hebben ge- 
opend tusschen de rietryën, in welke groeve de van de stengels afge- 



Digitized by 



Google 



256 



nomene bladeren geplaatst worden , waarna zy met aarde overdekt wordt 
met behulp van een kleinen ploeg (blzz. 114 en 115). — Om een. denk- 
beeld te geven van de overdryving, waarin Wraymet betrekking tot de 
aanaarding vervalt, moeten wij de afmetingen doen kennen, welke die 
aangeaarde hoogten zullen hebben, nadat de bewerking eenige keeren 
heeft plaats gehad : gel^'k met de oppervlakte van den grond 3 voet 
(90 nederl. duim) breed; bovenaan 1^ voet (37 nederl. duim) breed; 
en 2^ voet (75 nederl. duim) hoog. — Zoodat, als de plantstekken in 
den grond zijn gebragt op 6 voet afstands van elkander, de aanaardings- 
hoogten slechts 3 voet (90 nederl. duim) van elkander af zullen liggen 
(blz. 108). 

Als het riet zynen vollen wasdom bereikt heeft, is de laatste bewer- 
king, die nog verrigt moet worden, het te kappen, aan bossen te bin- 
den en die naar de karren te brengen , waarmede ze overgevoerd zullen 
worden naar de fabriek. Een gedeelte van dien arbeid kan worden ver- 
meden, wanneer men de karren op de riet-akkers brengt , in dier vo^e » 
dat elk der wielen op de tussohenruimte loopt, waardoor de rietryën 
van elkander gescheiden zyn (blz. 109). 

Na deze eerste snede beginnen dadelijk de werkzaamheden, die ver- 
rigt moeten worden op de gekapte akkers, bestaande die werkzaam- 
heden, in de door Wray opgegevene volgorde, in het volgende: 

1». Naarmate men met het malen van het riet vordert, wordt de ampas 
naar den akker gebragt en zorgvuldig tusschen de rietryên geplaatst. 

2^ Het werktuig, bestemd om te nivelleren , getrokken wordende door 
zes ossen , loopt tusschen de aardhoopen door ^ en neemt van elk hun- 
ner 10 a 12 nederl. duim aarde af, welke het over het uitgeperste 
riet, dat is over de ampas, werpt, die vast ineen gedrukt is. Deze ar- 
beid, naar gelang van omstandigheden, twee- of driemaal herhaald, 
overdekt al de in den grond gebragte zelfstandigheden geheel en al , en 
vordert van de arbeiders slechts weinig inspanning. Hun voornaamste 
werk bestaat hierin, dat ze met een goed scherp mes de rietstokken 
afsnijden, en de aarde, die op hoopen is blijven liggen, gelijkmaken of 
slechten, zoodat de akker weder volkomen genivelleerd schijnt. Weinig 
dagen daarna beginnen de spruiten te voorschyn te komen , die dadeiyk 
behooren te worden vernietigd. 



Digitized by 



Google 



257 



3*. Bij het herploegen, hetwelk een-, twee- of driemaal moet plaats 
hebben, naar gelang van omstandigheden, is het noodig vooral zorg 
te dragen, dat het werktuig niet al te diep in den grond doordringe, 
waardoor de plantaardige meststof, die tusschen de rietrijën is gebragt, 
konde worden opgedolven; al die meststof moet, volgens Wray, tot 
ontbinding overgegaan zyn, eer het tijdstip daar is, waarop de tweede 
aanaarding moet plaats hebben, altoos wanneer de omstandigheden 
gunstig zijn. 

4*». De akkers moeten voor zooveel noodig gewied worden. 

5ö. De netplanten worden aangeaard, waartoe men zich van het zelfde 
werktuig, dat men het eerste jaar gebruikt heeft, zoo dikwyls bedient 
als men noodig oordeelt, en op een tijdstip, waarop al het afval van 
het riet herschapen moet zijn in uitmuntende mest. 

6». De groeven tusschen de aardhoogten , getrokken om de bladeren 
te ontvangen, worden geopend en in het aanzijn geroepen als in het 
eerste jaar. In dien toestand blijft het riet totdat het gekapt wordt, 
waarmede de werkzaamheden van het tweede jaar worden besloten. 

Deze tweede oogst ingezameld zijnde, is het noodig den akker öp 
nieuw te beplanten. Men gaat daarb^ te werk op de zelfde wyze als 
opgegeven is om de bladeren, de toppen en de ampas in den grond te 
brengen, en om de aardhoopen, met behulp van de landbouw-werktui- 
gen, te nivelleren; maar wat dit laatste punt betreft, verschilt de be- 
werking eenigzins van de vorige, want men laat nu den ploeg oVer de 
rietrij zelve loopen, ten- einde niet alleen de aardhoopen te vernietigen , 
maar tevens om de moederstekken te roo^'en. Daarna wordt de grond 
gevlakt en geëgd; al de opgegravene moederstekken worden aan hoopen 
gesteld en, nadat ze gedroogd zijn, verbrand. 

De grond gereedgemaakt zijnde, worden de groeven getrokken ter 
plaatse, waar het eerste jaar de tusschenruimten gelegen hebben, die 
de rietrijën van elkander scheidden. Het nieuwe riet zal welig groeyen 
op de r^'ke laag mestspecie , die bij de vroegere oogsten in de geopende 
groeven is geworpen. 

Als men op de oude groeven werkt, moet vooral zorg worden gedra- 
gen, dat de ploeg niet doordringt tot de diepte, waar het afval van 
het riet ligt (blzz. 115 a 117). 

17 



Digitized by 



Google 



258 



De door Wray aanbevolene werid;aigen om al de tot de rieircaitaar 
behoorende yerrigtingen te bewerksteUigen, zijn: de ploten van Ban- 
some en May; de ploeg om den ondergrond los te maken, nitgevonden 
door Stracey, en vervaardigd door Ransome; de tweesnijdende plo^; 
de door trekdieren in beweging gebragte sn\j-schoffel, hetzy vaststaande 
of verzetbare; en de indische planter van Bansome. Het werktuig, dat 
h^ voorstelt om de akkers te nivelleren en het riet-afval in den grond 
te brengen, bestaat in eene ^zeren rol, voorzien van twee vooruit^»- 
kende armen, die het riet-afval grepen en het zoodanig plaatsen, dat 
de rol er over heen moet gaan; vlak achter de rol volgen twee sng- 
messen of ploegscharen, die elk eene zekere hoeveelheid aarde losma- 
ken, welke z^ aan weerszoden over de zelfstandigheden werpen, die 
men met aarde wenscht te overdekken 

Om stelselmatig te werk te gaan bij de beschouwing van de b^n- 
derheden van het door Wray voorgeslagene cultnurstelsel , achten wy 
het nuttig te b^inuen met de grondslagen, waarop het rust, en waar- 
van de door hem aanbevolene praktik is a%eleid: zoodoende zul- 
len wy de voordeden en nadeelen daarvan het best in het licht kunnen 
stellen. 

Voorloopig zullen w^ doen opmerken, dat Wray erkent, dat h^ het 
door hem voorgeslagene stelsel nooit in praktik heeft gebragt; dit ver- 
klaart hij, waar hy handelt over den nivelleer-toestel, een werktuig, dat 
bestemd is om een der voornaamste bewerkingen te verrigten; hij z^t 
nooit zulk een toestel in werking gezien te hebben, maar zich niette- 
min stellig overtuigd te houden, dat de ondervinding al het nut daar* 
van zal leeren kennen (blz. 409), Ofschoon niet gegkt door de ervaring, 
daar men er nooit de proef van genomen heeft, en derhalve ook niet 
de onbruikbaarheid van het stelsel is bewezen, is het nogtans van aan* 
belang niet uit het oog te verliezen, dat Wray slechts redeneert over 
verrigtingen, welke hy voor nuttig houdt, zonder voor de juistheid van 
dit zyn gevoelen eenige bewijzen by te brengen. Daar overigens de 
grondslagen van het stelsel op zich zei ven gebrekkig zijn, is het dnide- 
lyk, dat wij er tegen op onze hoede moeten wezen; want het is slechts 
in sommige, zeer bepaalde gevallen in toepassing te brengen, en zulks 
enkel dan , wanneer de omstandigheden niet mogten . toelaten andere 



Digitized by 



Google 



^59 



bewerkingen te verrigten, meer in overeenstemming met de goede be- 
ginselen der naar vooruitgang strevende landbouwkunde. 

Het uitgangspunt van het geheele cultuurstelsel , voorgeslagen door 
Wray, is de als onomstootelijke waarheid aangenomene bewering, dat, 
zonder onderscheid te maken in de omstandigheden , het suikerriet niet met 
veel voordeel meer dan twee oogsten van tamelijk ruime opbrengst kan 
opleveren. Wy voor ons, zonder te gelooven dat de plantsoenen zoo 
lang moeten duren als men algemeen van gevoelen is, zyn van mee- 
ning, dat het nuttig is er ten minste vier oogsten van in te zamelen : 
vier, en zelfs meer, sneden kan men er van hebben, wanneer slechts 
de omstandigheden gunstig zijn, met andere woorden, wanneer de 
grondgesteldheid, het klimaat, de aan de cultuur bestede zorgen, enz., 
zamenwerken om den groei der plant te bevorderen. Buitendien is het 
ontegenzeggel^'k en van algemeene bekendheid, dat de riet-akkers van 
het tweede, derde en vierde jafar eenige voordeden aanbieden, welke die 
van het eerste jaar niet bezitten, en die nog veel grooter zouden zijn, 
indien aan de cultuur sletehts meer zorg wierd besteed. 

Doch gesteld dat men nooit meer dan twee sneden moet verwachten, 
is het dan, om die te erlangen, nuttig de eigentlijk gezegde of uitwen- 
dige aanaarding in toepassing te brengen als voornaamste bewerkiüg? 
Naar ons gevoelen zal men, bij overigens gunstige omstandigheden, 
meer voordeel trekken van het planten op eene behoorl^ke diepte, 
waarb^* de aanaarding plaats heeft, die men inwendige zou kuimen 
noemen, daar zij in de groeve geschiedt, met andere woorden, de ni- 
vellering of slechting. Wij hebben vroeger reeds alles besproken wat op 
deze bijzonderheden betrekking heeft, en toen de gevallen opgegeven, 
waarin het dienstig was op de cultuur het stelsel toe te passen van 
bolvormige bedden of hoogten , die aangebragt worden nadat het riet in 
den grond geplant is. Uit de afmetingen, die deze hoogten bereiken, 
zooals Wray ze beschrijft, zal men zien, dat het niet zeer gemakkelyk 
is de aarde tot zulk eenen omvang opeen te hoopen; de cultuur woedt 
daardoor noodwendig moeijelijker , het vervoer wordt belemmerd, de 
gereedmaking van de gronden, om ze op nieuw te kunnen beplanten, 
is eene moegelijke taak, enz. 

Als men riet teelt met de eigentlijk gezegde of uitwendige aanaarding, 



Digitized by 



Google 



260 



3chiet er ieder jaar geen andere weg over, dan den omvang van die 
aardhoopen te vermeerderen, ten einde, deels ook daardoor, eenen 
oogst te erlangen, zoo niet beter dan het vorige jaar , ten minste daar- 
mede gelijkstaande ; doch zooals Wray aanbeveelt moet men de hoogte 
van die aanaardingen verminderen, of ze althans op de zelfde hoogte 
houden, gesteld dat men van dien aardhoop aarde afneemt om de am- 
pas en het stroo te bedekken. 

Eene andere door Wray aanbevolene bewerking, en die men opper- 
vlakkig voor zeer nuttig zoude houden , is : het riet-afval te overdekken 
met aarde. — Op de beplante akkers blyft er na de eerste snede zulk 
eene hoeveelheid bladeren en toppen liggen, dat men die bezwaarlijk 
onder den grond kan brengen; voegt men nu daarbij nog de ampas, 
dan spreekt het van zelfs, dat de bewerking daardoor nog moe^elijker 
wordt, zoo niet geheel onmogelyk. — Maar nog meer: wy gelooven, dat 
men al die overblyfeelen niet moet verbranden dan in de uiterste nood- 
zakelijkheid; maar wy voegen er bij, als het mogelijk ware ze te ver- 
vangen door eene andere brandstof, die even goedkoop of goedkooper te 
staan kwam, dat het dan nuttig zoude z\jn ze aan te wenden ter be- 
reiding van compost of zamengestelde mestspecie, door ze eene ontbin- 
ding te laten ondergaan , alvorens ze in den grond te brengen. — "Wan- 
neer men die overbl^'fselen gebruikt nadat ze tot verrotting overgegaan 
zijn, laten ze zich beter over den grond verdeden, en is hun invloed 
op de planten spoediger merkbaar. Aangaande dit punt is Wray tame- 
lijk duideligk, daar hg verklaart, dat h^* „nooit een put voor de stalmest 
zou willen maken, en ook nooit een put om er compost of zamenge- 
stelde mestspecie in te bereiden; hy wilde altyd alles teruggegeven heb- 
ben aan de aarde, en de plantaardige overblijfselen in den grond al de 
noodige veranderingen laten ondergaan (blz. 282). — Ofschoon dit by 
slot van rekening de leer schynt van den engelschen schrijver, moeten 
wy echter eenige regelen aanhalen, waarin hij een ander gevoelen ver- 
kondigt. „De ware methode, zegt hy, bestaat hierin, dat de versdie 
ampas, de toppen en de bladeren verzameld worden in putten, welke 
zijn aangelegd in denabyheid van vijvers, bronnen of rivieren; diezelfstan- 
digheden blijven daarin liggen , totdat ze geheel tot ontbinding overgegaan 
zyn , en dan worden ze aangewend tot bemesting van de akkers (blz. 346). 



Digitized by 



Google 



261 



Wray heeft in het bijzonder gewag gemaakt van het gebruik van 
guano ^ welke hij onder de mestspeciën rangschikt, waarvan de suiker- 
planter zich volstrekt niet moet bedienen (blz. 319). Minder uitsluitend 
op dat punt, dan Wray, hebben wy vroeger gelegenheid gehad aan de 
peruaansche mest hare ware rol aan te wijzen; en al het desbetreffende 
hebben wij besproken uit het gezigtspunt van algemeene landhuishoud- 
kunde, uit het oogpunt van de levensfunctiën der suikerplant, en ein- 
delijk met het oog op het behoud van de vruchtbaarheid des bodems. 

Wij zullen in geen beschouwing treden van de overige bijzonderheden 
der bewerkingen en zienswijzen van den schrijver, wiens denkbeelden 
wij hier bespreken, daar wij reeds vroeger gelegenheid gehad hebben 
om alles te ontwikkelen, wat daarop betrekking heeft. 

Het in Louisiana meest in zwang zijnde cultuurstelsel rust ongeveer 
op de zelfde grondslagen als dat , hetwelk het onderwerp van onze be- 
schouwingen uitmaakt, en brengt ook ongeveer de zelfde bewerkingen 
in toepassing. Beide stelsels gaan mank aan het zelfde gebrek, namelijk, 
dat ze de manier der cultuur geen gelijken tred laten houden met de 
wetten der wetenschap, doordien ze de natuurlijke neigingen der plant 
geheel miskennen, en dat ze als vasten regel voorschrijven. bewerkingen, 
die, zelfs in de gevallen waarin ze toegepast moeten worden, geheel af- 
hangen van de omstandigheden , en slechts aangewend worden omdat het 
niet mogelijk is zich van betere , meer volkomene middelen te bedienen. 

Het ontbladeren van de eietstokken. — Bij de cultuur van het 
suikerriet, even als bij de aankweeking van andere plantgewassen, ko- 
men ettelyke verrigtingen voor, die, oppervlakkig beschouwd, over het 
algemeen van weinig belang geacht, ja door sommigen zelfs voor na- 
deelig gehouden worden, daar men beweert, dat ze de moeite niet loo- 
nen; maar als men de zaak meer van nabij beschouwt, zal men spoedig 
erkennen, dat die minder in tel zijnde verrigtingen eene voorname plaats 
bekleeden in de rij der werkzaamheden, verbonden aan een goed stelsel 
van cultuur. 

Onder de verrigtingen, die, in weerwil van hare belangrijkheid, het 
minst in tel zijn , moeten wij in de eerste plaats noemen het ontbladeren van 
de rietstokken : wij zullen al het nut van die handeling vlugtig uiteenzetten, 



Digitized by 



Google 



262 



Het streven van den suiker-fabriekant moet alt^d daarheen gerigt z^n 
om de grootstmogelijke hoeveelheid te erlangen uit de grondstof, welke 
hem verschaft wordt door den landbouwer , en de voornaamste zorg Tan 
laatstgenoemde moet bestendig er op gemunt z^'n om al de omstandig- 
heden zoodanig te leiden, dat zich in het organismus der plant de 
grootstmogel^ke hoeveelheid suiker vormt en zich zoodanig ontwikkelt 
in hare sappen, dat de suiker gemakkemk daaruit kan worden getrok- 
ken. Dat resultaat wordt verkregen door den grond in goeden Qtaat te 
brengen en te onderhouden, het riet zóó te planten dat het zidi onbe- 
lemmerd in zijjnen groei kunne ontwikkelen, enz., en eindel^'k door op 
alle mogel^ke wijzen de werking der dampkrings-invloeden te bevorderen. 

Ons voorbehoudende ter gelegener tijjd nog nader de punten te ont- 
wikkelen, die wij hier mededeelen, zullen w^ zeggen, dat de dampkrings- 
invloeden beschouwd kunnen worden : 1°. Als reactiën te weeg brengende 
tusschen de vloeibare en vaste deelen der plant en het gasvormige ele- 
ment , waarin zij zich ontwikkelt. — * 2o. Door de zoogenaamde onweeg- 
bare vloeistoffen (warmte, licht, enz.) worden die chemische versch^n- 
selen en andere levens-functiën veroorzaakt, bevorderd en opgewekt. 

Zoo lang de bladeren der rietplant groen blyven, dragen ze kracht- 
dadig b^ tot de algemeene ontwikkeling der plant; maar zoodra ze al 
de verrigtingen volbragt hebben, die van hunne weefsels gevorderd wor- 
den, beginnen ze te verdorren en af te vallen, en laten van dat oogen- 
blik af den stengel onbeschut. — Welnu : van dat pogenblik af begint 
er, door den bast van het stengellid heen, eene reeks van verschijnse- 
len plaats te grijpen, die de aanwezigheid vorderen van licht en van 
warmte; ongerekend dat die oorzaken (behalve de reeds genoemde uit- 
werkselen, die, om het eens zoo te noemen, van plaatselijken aard 
z^'n) bydragen tot andere, die gemeen zijn aan al de organen der plant. 
Al die invloeden werken meer of minder regtstreeks zamen, en dragen 
in meerdere of mindere mate bij tot den groei der plant, door haar 
tot den hoogsten graad van wasdom, dat wil zeggen tot den staat van 
rapheid te brengen, in welken staat zij de grootste hoeveelheid suiker 
bevat in het tot zuiverheid gebragte sap, want met die zuivering heeft 
zich vroeger de natuur reeds belast. 

De kleur van het riet, zijn klank, zijne hardheid en z\jne meerdere 



Digitized by 



Google 



263 



zwaarte bij gel^k volumen , duiden aan , dat het , van bladeren ontdaan , 
tot eenen hoogeren graad van r^'pheid komt , en dien in een korter tijds- 
bestek bereikt; en vervolgens bewijst het onderzoek, dat men op z^ne 
sap|>en in het werk stelt, dat het eene grootere hoeveelheid suiker be- 
vat, die er uit getrokken wordt met aanwending van minder kalk, enz. 

De bladeren moeten eerst dan van de stengels afgenomen worden, 
wanneer ze geheel verdroogd z^n, want anders zou men het stengellid 
niet alleen berooven van een orgaan, dat onmisbaar is voor zijnen groei, 
maar men zou bovendien den bast of schors beschadigen en openscheu- 
ren, zoodoende al de veranderingen te weeg brengende, die plaats grij- 
pen zoodra men, door eene breuk in het omkleedend weefsel, den damp- 
kring in regtstreeksche aanraking brengt met de organen van het riet. 
Bij al de door ons aangevoerde argumenten dient nog gevoegd te wor- 
den, dat de bladeren, terwijl zy verdorren, aan de rest van het orga- 
nismus een gedeelte mededeelen van de zelfstandigheden , waaruit ze z^'n 
zamengesteld zoo lang ze groen zijn. Deze verrigting is zeer gemakkelijk 
te volbrengen , hetzij door de bladeren eenvoudig met de hand van den 
stengel af te trekken, hetzij door zich daartoe luchtig van haakjes te 
bedienen. — I^et gezond verstand zegt ons, dat met dien arbeid be- 
gonnen moet worden , zoodra zich de dorre bladeren beginnen te ver- 
toonen, en dat die van t^'d tot tijd herhaald worden moet, zoo dikw^'ls 
zulks noodig blijkt te zyn. — Als de dorre bladeren afvallen, is het 
nuttig, zoolang men nog den ploeg over den akker kan laten loopen, 
eene groeve te openen om ze daarin te vergaderen; later, als men geen 
ruimte meer heeft om den ploeg te laten werken, dient men de afge- 
vallene dorre bladeren op den akker te laten liggen , waar ze als het 
ware een bed vormen, op hetwelk derietplanten zullen rusten, wanneer 
ze weerstand zullen bieden aan de winden en aan het wigt van hare 
eigene zwaarte. De netplant, op die wyze van de oppervlakte van den 
grond afgezonderd, blijft beter stand houden, wordt niet zoo ligt door 
de insekten aangetast, en zal ook niet zoo ligt met de wortels ineen 
groeyen. 

Bovendien, als de rietstoel van al zyne dorre bladeren bevryd is, ten 
minste van die, welke om den stam zitten, kunnen al de stengels ook 
gemakkelijker gekapt worden. Wijders bieden de rietplanten , welker bla- 



Digitized by 



Google 



264 



deren er aan blgven zitten, eene betere schuilplaats aan voor schadelijk 
gedierte : zy groeyen ook met de wortels in elkander en brengen looae 
spruiten voort door de rochtiglieid , welke zich ophoopt in dat gedeelte 
dier dorre bladeren, waarmede ze aan den stam vastzitten : en dit z^n 
allen oorzaken, die de sappen der plant bederven.-— Daarby komt ein* 
deliijk, dat de werkzaamheden der cultuur in het tweede jaar mind» 
moe^el^k zyn, aangezien dan een groot gedeelte van het stroo den tijd 
heeft om te verrotten. — Doch afgescheiden van al deze voordeelen, en 
alleenlyk die in aanmerking genomen, welke het ontbladeren oplevert 
met betrekking tot de rypwording der netplant, kunnen wij vaststellen» 
dat het een zeer nuttig werk is, daar het al den arbeid, die verrigt 
wordt, loont met een beter produkt. Alles wat strekt om de rgpwordii^ 
der netplant te bevorderen, is hoogst nuttig, want het verschaft eene 
onberekenbare besparing in arbeid, en eene groote vermeerdering in de 
bruto-opbrengst. 

Zoodra eenmaal de hier door ons aanbevolene bewerking op hare juiste 
waarde geschat wordt, zal men beseffen, dat zij even nuttig en noodig 
is als het wieden, waarvan het nut voorzeker door niemand in twijjfel 
wordt getrokken ; maar om er alle mogei^'ke voordeelen» van te verkrij- 
gen, dient het verwijderen van de dorre bladeren te geschieden wanneer 
het tyd is, en herhaald te worden telkens wanneer het noodig blijkt te 
zijn. Is het riet geplant aan rijen op genoegzamen afstand van elkander, 
dan is de bewerking, die wij hier bespreken, zeer eenvoudig, en kan 
die in een korten t^d verrigt worden door de minst sterke arbeiders 
der plantaadje. 

In Louisiana wordt er aan het verwijderen van de dorre bladeren 
zeer veel waarde gehecht, en alleenlyk daardoor kan het riet in het 
korte tijdsbestek, dat het onder dat klimaat heeft om zich te ontwikke- 
len, z\jnen vollen wasdom bereiken. 

Ontegenzeggei^k is het, dat op het eiland Cuba denoodzakel^kheid, 
om de netplant van hare dorre bladeren te ontdoen, niet zoo groot is; 
maar juist omdat wij twee zulke veelvermogende middelen , als warmte 
en licht z^n, ter onzer beschikking hebben, moeten wij daarmede zoo- 
veel mogel^k ons voordeel doen. 

In weerwil dat wij ons over het algemeen voorstanders verklaren van 



Digitized by 



Google 



265 



de bewerking, waardoor de netplant van hare verdorde bladeren bevr^d 
wordt, kunnen w^' niet anders dan erkennen, dat deze bewerking van 
geen nut kan zijn, wanneer het eene bepaalde variëteit van riet betreft, 
die op eenen b^'zonderen grond en onder een b^'zonder klimaat groeit; 
een punt van zeer veel gewig^, vooral wanneer men het riet wenscht te 
gebruiken tot plantriet. — W^ zullen duidel^ker spreken. Streken, die 
onderhevig zijn aan felle droogten; gronden, die onderhevig zijn om 
honne vochtigheid spoedig te verliezen ; akkers , die slecht gereedgemaakt 
en niet uit hunnen aard van de vereischte mate van vochtigheid voor- 
zien z^n; dat z^*n allen plaatsen, waar het, onder het klimaat van 
Cuba, niet dienstig is de netplant van hare verdorde bladeren te ont- 
doen, tenzij men haar de voordeden der besproeijing kunne doen ge^ 
nieten. — En men verlieze niet uit het oog, dat de afstand, waarop de 
rietrijën van elkander liggen, mede wel in aanmerking behoort te wor- 
den genomen, wanneer het betreft de rietstoelen van hunne bladeren te 
ontdoen. Wy zullen er nog bijvoegen, dat de vooijaars-plantsoenen, die 
gekapt moeten worden zoodra de werkzaamheden der cultuur voor dat 
jaar zijn a%eloopen, gebiedender de bewerking eischen ter afscheiding 
van de verdorde bladeren, die, als ze om de plant bleven zitten, hare 
r^pwording vertragen. — Het is dus noodig in aanmerking te nemen 
de variëteit van riet, de eigenschappen van den grond, de lucht- en 
weersgesteldheden, de bijzonderheden der cultuur, hoeveel oogsten men 
reeds van dat riet heeft ingezameld, daar het riet, dat nog de eerste 
snede niet heeft beleefd, daaraan minder behoefte heeft, enz. 

De slotsom van al het bovenstaande is deze : de riet-akkers zorgvul- 
dig van de verdorde bladeren te bevrgden , is in hooge mate dienstig 
voor de gelykmatige ontwikkeling en rypwording van al de stengels 
van den rietstoel. 



Digitized by 



Google 



DE OOGST. 



De snede, or het kappen van de bietstokken. — I. Een ver- 
standig landbouwer, die suikerriet teelt met het oogmerk, om van z^nen 
arbeid het meestmogelyke voordeel, en van het in z^ne onderneming 
gestokene kapitaal den meestmogel^'ken interest te trekken, moet er 
zijn streven van maken, niet alleen dat elk der knoppen of oogen^ die 
hij plant, een krachtvoUen rietstok voortbrenge, maar ook dat de on- 
der den grond liggende kiemen van dien rietstok nieuwe rietstokken 
voortbrengen , die op hunne beurt het aanzijn geven aan krachtige sprui- 
ten, welk doel hij bereiken zal, wanner h^* zorg draagt, dat elk dier 
rietstokken krachtig opgroege en zich welig ontwikkele, elk op zich zal- 
ven na verloop van eenigen tijd een eigen leven hebbende, onafhan- 
kelijk van al de overigen. Met andere woorden: het is noodig de in 
den grond gebragte stek in staat te stellen, omnieuwe, vele en vrucht- 
bare spruiten voort te brengen, die zich naar behooren ontwikkelen, en 
tot hunnen vollen wasdom komen zonder ten koste van elkander te 
leven , en dus zonder elkander wederkeerig te belemmeren in haren groei : 
zoodat de gelyktijdige ontwikkeling van allen de groeikracht opwekt van 
elke spruit in het bijzonder, en deze op hare beurt het hare bydraagt 
tot de behoorl^ke ontwikkeling van allen. 

Diegenen daarentegen, die, verkeerde methoden volgende, in plaats 
van deze aanhoudende, onafhankelijke, behoorlijke en krachtige ontwik- 
keling te bevorderen, maken dat de rietstengels schatpligtig aan elkan- 
der zijn, en slechts leven ten koste van elkander, stellen zich bloot 
aan de kans hunne plantsoenen te zien sterven vóór het ti^jdstip , waarop 
ze tot behoorlijke ontwikkeling gebragt zijn door de medewerking der 
overige omstandigheden , waaronder ze leven , al zijn die nog zoo gun- 



Digitized by 



Google 



267 



stig. Alsdan ziyii ze verpligt hunnen akker op nieuw te beplanten, hetzij 
geheel en al (nieuwe planting) hetzg gedeeltel^k {inboeting). 

De treurige uitkomsten, hier bedoeld, z^'n e^germate toe te schrij- 
ven aan kei kappen van kei riet, als dat verrigt wordt zonder oor- 
deel en overleg. Doch alvorens de gevolgen na te gaan van die verrig- 
ting, wanneer zy onverstandig bewerkstelligd wordt, achten wy het, 
om meer licht over dit onderwerp te verspreiden, dienstig, hier melding 
te maken van eene reeks verschynselen, welke wy bestudeerd hebben 
door het doen van eene groote menigte waarnemingen, en het in het 
werk stellen van een aantal proefnemingen. 

Als eene plant zich op de natuurlyke wyze ontwikkelt , nemen al hare 
organen, elk in het bijzonder, uit het sap zoodanig gedeelte voeding- 
stoffen tot zich, als ze noodig hebben om hunne functiën volkomen te 
verrigten; maar als men de functiën van één orgaan by zonder opwekt, 
volbrengen de overige organen hunne functiën natuurlyk niet meer met 
de zelfde volkomenheid, daar ze ter verrigting daarvan niet over al de 
voedende stoffen kunnen beschikken , die ze noodig hebben , aangezien die , 
om het eens zoo te noemen, door het opgewekte orgaan geusurpeerd zijn 
ten nadeele van de overige, uit welke de plant is zamengesteld. Wan- 
neer men daarentegen éen gedeelte der organen, die ten koste van de 
algemeene voedingstoffen leven, doet verdwynen, zullen de overige, 
aangenomen dat de aanwezige hoeveelheid voedende zel&tandigheden 
niet vermindert, noodwendig weelderiger groeijen, daar ze naar even- 
redigheid eene grootere hoeveelheid voedende stoffen ter hunner beschik- 
king hebben, dan dienstig voor hen is. 

De bewerking, die, door het aantal organen te verminderen, het na- 
tuurlyke evenwigt verbreekt, en ten doel heeft om aan de overige or- 
ganen al de voedingsappen toe te dienen, welke vroeger bestemd waren 
voor al de organen die toen bestonden , draagt den naam van enoeijen. 
Het snoeijen dringt, om het eens zoo uit Ie drukken, in sommige or- 
ganen al de groeikracht zamen, die aanvankelyk verspreid was in de 
andere organen, die in den natuurlijken toestand mede de plant uit- 
maakten (54). 

De rietplanten, aan hare eigene krachten overgelaten —aangenomen 
dat ze zich in de natuurlyke omstandigheden bevinden — ontwikkelen 



Digitized by 



Google 



268 



zich derwijze, dat al hare organen gel^kmatig werkzaam zijn, en ko- 
men tot haren vollen wasdom in zoodanig t^dsbestek, als de natuur 
voor haar heeft afgebakend, door haren organischen bouw dienovereen- 
komstig in te rigten. De knoppen of oogen^ waarvan later nieuwe riet* 
stokken moeten voortkomen, groeien langzaam in het tydsbestek dat 
hun zamenstel hun aanw^'st, in overeenstemming bl^'vende met al de 
overige functiën, die verrigt worden, of plaats hebben in de organismen 
waartoe ze behooren. 

Over het algemeen, en in den natuurleken toestand , ontwikkelen die 
knoppen of oogen zich slechts langzaam; en alleenl^k dan, wanneer 
al de functiën der rietplant volkomen volbragt zyn, schieten ze sprui- 
ten , om op hunne beurt goed ontwikkelde rietstengels voort te brengen. 

Wy willen dit verschijnsel met eenige naauwkeurigheid gadeslaan. 
Wanneer het riet bloeit, valt na verloop van eenigen tijd het bloedende 
gedeelte af, zoodat de rietstok eene wezentlgke snoeijing ondergaat ; het 
is dan ook niet vreemd, dat de bovenste oogen of knoppen uitloopen 
en zich ontwikkelen, en looze spruiten voortbrengen. Maar als men zich 
de moeite geeft eene rietplant gade te slaan tot in het begin van No- 
vember of het laatst van October, als zij op het punt is om te gaan 
bloeiljen, zal men zien, als men met zorg den stam ontbloot, dat dan, 
na verloop van een zekeren tijd , de knoppen zich meer en meer ont- 
wikkeld beginnen te vertoonen; de bladeren, uit welke deze knoppen 
bestaan, hebben een minder omgebogen vorm, zijn niet omgekromd of 
geleed, staan wijder uit, en de knop erlangt eene grootte, welke som- 
wijlen die van het stengellid overtreft, op welks buitenzijden men eene 
diepe gleuf opmerkt, bestemd om den bloemknop in staat te stellen zich 
te ontwikkelen ; op eene zekere hoogte begint de ontwikkeling der knop- 
pen te verminderen, totdat men geledingen ziet ontstaan zonder knop- 
pen. Het aantal dier knoplooze geledingen is doorgaans v^f , en de zesde 
ontwikkelt zich tot eene bijzondere grootte, en draagt in zyne kelk de 
bloem; dikwijls ook zijn er slechts vier zulke geledingen, en ontkiemt 
de bloem in het vijfde lid (65). — Wanneer wg in het bijzonder spre- 
ken over de verschynselen , die met het bloeijen der rietplant in ver- 
band staan, zullen wij aan al deze punten alle noodige aandacht 
schenken. 



Digitized by 



Google 



269 



Maar het kan gebeuren, en aanhoudend merkt men op, dat de knop- 
pen zich aan het te veld staande riet ontwikkelen ten koste van de plan- 
ten , wanneer deze in haren groei belemmerd zijn door eene of andere 
hindernis, zooals het afvreten van den top, het doorvreten door een of 
ander insekt, het inwendig uitvreten door eenigerlei schadelyk gedierte , 
enz. Het gemis van den stengeltop trefb men menigvuldig aan langs de 
kanten der riet-akkers, waar ieder daar langs komend dier ze kan af- 
vreten. Als de rietplant op den grond neerbuigt, en met eenig gedeelte 
daarop blijft rusten, schiet zoodanig gedeelte doorgaans wortels, en 
dan verschijnt er ook gemeenlijk een oog aan het lid, dat zoodanige 
wortels voortgebragt heeft. Nader zullen wy met de vereischte uitvoe- 
righeid de oorzaken nagaan van het ontstaan van eerste en volgende 
looze spruiten, dat wil zeggen spruiten, die ontstaan boven den grond. 
In die gevallen vloeijen de sappen, welke bestemd waren voor de ont- 
wikkeling van al de organen der plant, naar gelang van het ontstaan 
dier spruiten naar de zich ontwikkelende knoppen, die dan kunnen 
groeijen tot eene aanmerkelgke grootte, en dus volledige rietstokken 
worden , die , op hunne beurt, door de zelfde oorzaken in staat zijn hunne 
knoppen te laten groeijen, en ook weder nieuwe looze spruite^ voort 
te brengen. 

Maar, zal men ons vragen, welk verband of welke betrekking bestaat 
er tusschen het snoeijen, het ontstaan van looze spruiten en het kappen 
van het riet? Oppervlakkig zoude men wanen, dat daartusschen gee- 
nerlei verband bestaat, dan alleenlijk eenige schijinbaar evenzoo verschil- 
lende verschijnselen; maar als men dezaak oplettender beschouwt, moet 
men erkennen, dat de bewerking, waardoor ten laatste het riet gekapt 
wordt, niets anders is dan eene meer doortastende manier vansnoeyen, 
die, wanneer zij volbragt wordt zonder de noodige zorg daaraan te be- 
steden, in hooge mate de ontwikkeling van looze spruiten bevordert. 

Immers , zoodra men van oordeel is dat het riet zijnen vollen wasdom 
bereikt heeft , en dat het derhalve de grootste hoeveelheid suiker bevat , 
welke het bevatten kan, gaat men tot het kappen over, om het aan de 
bewerking over te geven, waardoor men er den suiker uit wenscht te 
trekken. Het onderste gedeelte van den rietstok laat men in den grond 
zitten, als eene trouwe bewaarster van al de organen, die het aanzijn 



Digitized by 



Google 



270 



moeten geven aan nieuwe stengels, voorzien van al de wortels, die 
dienen zullen om de plant te voeden, welke wortels, hunne functiën 
voortzettende, die voedende sappen in grootere hoeveelheid naar de knop- 
pen voeren, welke zich aan de moederstek bevinden, ofschoon het zeker 
is, dat de hulp van die organen niet onmisbaar is; om den knopeene 
spruit te doen schieten, zijn de stoffen voldoende, die zich in het lid 
bevinden van den stam onder den grond (56). De knoppen, beter ge- 
voed, ontwikkelen zich, en loopen eenigen tyd daarna uit, spruiten 
schietende, die op hare beurt, door de ontwikkeling van hare eigene 
knoppen, weder andere spruiten doen ontstaan, enz. Welnu: hoe min- 
der knoppen er aan die moederstekken of onder den grond zittende 
stammen zitten, des te beter zullen ze gevoed worden, daar al de 
stoffen, die door de wortels worden opgeslurpt, dan slechts verdeeld 
worden onder een klein getal, terwijl ze tevens, hoe eer ze eigene wor- 
tels schieten, des te eer eene eigene voeding zullen erlangen, en zich 
bij gevolg gemakkelijker en krachtiger zullen ontwikkelen. 

Als men bij het kappen van het riet een gedeelte van den stam bo- 
ven den grond laat staan, zal het gebeuren, dat de voor ontwikkeling 
vatbare^ knoppen, die zich aan deze tronken bevinden, na verloop van 
eenigen tyd uitloopen en spruiten voortbrengen, die uitsluitend ten 
koste van de moederstek leven, daar ze geen eigene voedings-organen 
hebben, en die ook later niet zullen kri|jgen. Deze looze óf boven den 
grond ontstane stengels geven het aanz^ niet aan voortbrengende spmi- 
ten, en groeyen ook niet welig. 

Indien het voortbrengen van rietstengels op andere rietstengels van 
geenerlei invloed hoegenaamd ware op het leven der stengels, die van 
de onder den grond zittende knoppen moeten voortkomen, zou het vol- 
strekt niet hinderen eenige oogen boven de oppervlakte van den grond 
te laten; maar het is niet alzoo gesteld: de looze of boven den grond 
ontstane spruiten beletten in zekere mate het ontstaan van die, welke 
uit den grond moeten komen, daar ze zich meester maken van een 
gedeelte der voedende stoffen, die voor laatstbedoelde bestemd waren. 
Gesteld dus, dat de knoppen onder den grond allen tot ontwiUteling 
komen en spruiten schieten , dan zullen deze spruiten altijd zwak z^jn , 
daar die, welke ontstaan zijn boven den grond, een groot gedeelte der 



Digitized by 



Google 



271 



voedende stoffen tot zich trekken, welke zich gel^kmatig door al de 
dealen der plant moesten verspreiden, en zulks vooral in den eersten 
tijd van het leven der ondergronds-spruiten ; die, welke uit den grond 
te voorschijn komen, hebben alleen daaruit de voedingstoffen te trek- 
ken, die ze door middel van den stam der netplant mededeelen aan 
de looze of boven den grond ontstane stengels. Welnu : de rietstokken , 
die zich onder zoodanige voorwaarden ontwikkeld hebben, zyn kwynend, 
schieten weinig spruiten; en als men, wanneer ze het volgende jaar 
wederom gekapt worden, ook dan weder een gedeelte van den stam 
boven den grond laat staan, zal de verarmende oorzaak zich andermaal 
doen gevoelen, en de alsnu opgroeijende rietstek zal nog kleiner z^'n dan 
het jaar te voren. Op die wijze neemt de ontwikkeling gestadig af, 
totdat de moederstek eindelijk sterft. 

Het riet moet gekapt worden minstens gel^k met den grond, b^al- 
dien het niet mogelijk is zulks lager , beneden de oppervlakte van den 
grond, te bewerkstelligen. Men moet het kappen laten verrigten door 
bekwame, vlugge, en tot dat werk geschikte arbeiders. Alvorens tot 
het kappen over te gaan, is het noodig, den stam van de netplant goed 
te ontblooten, door al het stroo, dat er omheen mogt zitten, te verwij- 
deren; daarna zal men den stam omhakken met een hakmes, scherp 
genoeg om dat te kunnen doen in één enkelen slag, en dus zonder dat 
men nog eens weerover behoeve te slaan. De snede moet gelijk en effen 
zi^jn, zonder scheuren in den bast als anderzins te veroorzaken. — Wij 
hebben het kappen van het riet beschreven, juist zooals het behoort te 
geschieden; doch in de meeste gevallen is het niet wel doenlyk het 
zoo te doen plaats hebbe9. Als het riet gestrekt ligt, is het niet mo- 
gelijk op de riet-akkers te komen, en kan men ook niet onderscheiden 
tot welke moederstek de stengels behooren. In dit geval kapt de arbei- 
der eerst een stuk van het bovengedeelte af, snydt den top daarvan af, 
en zoekt dan den stam op, dien hij vervolgens omhakt met den grond 
gel^k, of zoo mogel^k lager. 

De beste hakmessen, die op het eiland Cuba tot dezen arbeid gebruikt 
worden, zyn die, vervaardigd door Collins. Wy hebben die met het 
beste gevolg zien gebruiken op verscheidene plantaadjen. 

Wy weten dat er plan heeft bestaan om riet-zeissens te yerya&rdigen ; 



Digitized by 



Google 



272 



en zonder te willen beweren dat zoo iets tot de onmogelgkheden be- 
hoort (want wig hebben alles te verwachten van den tyd en van de men- 
schen), gelooven w\j toch, dat het bezwaarlijk zal gaan een werktuig uit 
te denken om suikerriet Tan aanmerkel^ke dikte te nuiayen, vooral die 
variëteiten, die eene b^'zondere neiging hebben om op den grond te 
gaan liggen. Ieder, die een nog nooit gekapt plantsoen van tien of acht 
maanden gezien heeft, moet begrypen, dat het eene onmogel^kheid is, 
eene machine, welke dan ook, daarop te laten werken. Op grond daar- 
van gelooven wij dan ook, dat er, om het Bataviaasch riet naar be- 
hooren te kappen, misschien wel maai-toestellen vervaardigd zullen kun- 
nen worden, doch dat alt^d de handen-arbeid van den mensch noodig 
zal bliljven om de toppen af te sn\jden , en misschien zelfs om het kap- 
pen volkomen goed te kunnen bewerkstelligd. 

II. In de bovenstaande regelen hadden w^ ons ten doel gesteld om 
het ontstaan te verklaren van de looze stengels, dat zijn die, welke 
ontspruiten boven den grond, aan dat gedeelte van den stam, dat bg 
het kappen boven de oppervlakte van den grond is bl^'ven staan : w^ 
hebben dit versch^nsel beschouwd bloot als een uitwerksel, dat gerang- 
schikt moet worden onder de resultaten, welke men erlangt door het 
snoe\jen van de planten. 

Wy hebben de oorzaken nagegaan, die het ontstaan te weeg brengen 
van looze of boven den grondontsprotenestengels, welke als ware takken 
der netplant te beschouwen z^'n; nu rest ons nog de voorwaarden te 
doen kennen, waarin die oorzaken werkzaam kunnen zyn om hare ge- 
volgen te weeg te brengen. 

Om dit verscl^jnsel te doen plaats grijpen, moeten naar ons oordeel 
de volgende vereischten zamengaan: I^. Het riet moet gekapt z^*n in 
al de kracht zi^jns levens, want anders zullen de onderste knoppen óf 
verdwenen z^*n, of zich slechts moe\jeIgk ontwikkelen. Is het eerste het 
geval, dan begrijpt men, dat organen, die niet bestaan, ook niet kun- 
nen groe^'en; in het tweede geval, daar de ontwikkeling alsdan zeer 
langzaam gaat, hebben de knoppen onder den grond den noodlgent^d 
om uit te loopen, en daardoor wordt het groe^'en moeijel^ker voor de 
knoppen, die zich ontwikkelen moeten in de open lucht. — 2°. Het 
is een vereischte , dat de netplant groeije ten koste van een zeer vmcht- 



Digitized by 



Google 



278 



baren grond, clie voedende stoffen in overvloed kan aanbieden aan al 
de organen. — 8^. Om het hier door ons besproken wordende verseh^'n- 
sel te zien plaats grypen, moet het riet of geplant zyn, of zich» na de 
verschillende plaats gehad hebbende oogsten, in den grond bevinden 
op eene geringe diepte, want daardoor zal het aantal knoppen minder 
zijn, en b^ gevolg is ook het aantal organen minder, die allen moeten 
leven ten koste ran de sappen , welke door de wortels ea de gemeen* 
schappelijke moederstek worden verschaft. — 4^. Ze moeten leven te mid* 
den van de dampkrings-invloeden, die meest geschikt zQn om de ver« 
schillende verrigtingen te doen plaats hebben, welke hare organen te 
volbrengen hebben, om ze zoodanigen graad van wasdom te doen be* 
reiken, als waartoe ze door de natnnr geroepen z\jn. 

Zien w^* nu welke de uitvloeiselen z\jn, die uit het gebrekkige kap- 
pen van het riet voortspruiten, wanneer de omstandigheden niet zoo- 
danig z\jn, als strikt noodig is om de gevolgen te weeg te brengen, 
waarover wij tot hiertoe gehandeld hebben. 

Als het riet zoo gekapt wordt, dat er een stuk van den stam boven 
de oppervlakte van den grond uit bl^fb steken, is (onder zekere om- 
standigheden, die wij nader zullen doen kennen), steeds het gevolg, dat 
die tronken allengs de vochtigheid verliezen , welke z\j bevatten ; en het 
duurt niet lang of ze verdorren. Bepaalde het verdorren zich maar by 
het gedeelte, dat boven den grond uitsteekt, dan zou het goed doen 
in plaats van kwaad; want het zou dan strekken om het ontstaan 
van looze stengels te beletten: maar wel verre van zich daarbij te be- 
palen , gaat de verdorring voort , en ontneemt aan de gedeelten die on-^ 
der den grond zitten de vloeistof, waardoor ze leven; zoodat na ver- 
loop van eenen zekeren tyd de geheele moederstek verdort , en met haar 
sterft al de hoop van den landbouwer op de krachtige stengels, waar- 
mede hij gedacht had zich voor al zynen arbeid te zullen zien beloonen. 

Het verdroegen van de moederstekken, nadat het riet gekapt is, 
heeft langzaam plaats in de volgende gevallen : 1^. Als het riet groeit 
op gronden, die niet zeer vruchtbaar zijn, en die, uit hoofde van hunne 
physieke eigenschappen , gemakkel^k de>ochtigheid verliezen, welke noo- 
dig is voor het leven der plant. Immers, hoe langer het duurt eer de 
moederstek weder spruiten schiet, des te langer zal zy blootgesteld zyn 

18 



Digitized by 



Google 



274 



aan den intloöd der verwoestende of verzwakkende oorzaak; des te spoe- 
diger zal het riet zich verstoken zien van de bron, waaruit het de voch- 
ten moet putten, bestemd om die te vervangen, welke het verliest; 
ongerekend nog, dat zoodanige grond de vochtigheid uit het riet t(^ ach 
trekt, en dus medewerkt om de verdrooging der moederstek te bevo^ 
deren. ^-* 2^. Als het riet geplant is op geringe diepte, of althans zich 
niet ver van de oppervlakte in den grond bevindt Doordien alsdan 
het in èea grond zittende gedeelte korter en kleiner is , zal het spoediger 
het vocht verliezen, dat zijne organen bevatten. 3°. Als er na ,het kap- 
pen geen weldadige regens vallen, 

W^ moeten hier bijvoegen, dat zelfs die moederstekken, die onder 
zoodanige omstandigheden niet st^nren, en die men op het e^»te gezigt 
bevrigd zou wanen van den noodlottigen invloed der verdrooging, teweeg 
gebragt, of juister gezegd, bevorderd door het gd^rekkige kaj^n, ia 
geheel haar wezen, gedurende den ganschen tyd van haar bestaan, den 
stempel dragen van het kwaad, waardoor ze z^n aangetast. Imlners, van 
de weinigen, die blyv^ leven, brengen de meesten slechts ziwakke sprui- 
ten voort, die niet welig groeien; 2^ schieten dus geen spruiten, 
zoo als ze dat zouden hebben kunnen doen ond^ gunstige omstandigheden. 

Jh het net op gébrehhige wijze gekapt woréU, zij» de in den grond 
èlijvenéh moederetekken eleeM bestand tegen de droogte. 

Wij hebben reeds gezegd, dat het beste middel, om de door ons (^ 
gesomde nadeden te vermijden, hierin bestaat, dat men zorg dragede 
bewerking te doen plaats hebben, zoo als het behoort; doch aangezien 
het ni(6t altyd mogeligk is, daarb^ al de vereischte regelen in acht te 
nemen, hetzij uiAoofcle van onkunde ofonbekwaamheid,hetz\j uithoofd 
van kwaden wil der arbeiders, gelooven wij, dat mende moeden^kk^ 
moest overdekken met aarde, naarmate het riet gekapt wordt. 0|^r* 
vlalddg schijnt het misschien moei|jel^ die bewerking in toepassing te 
brengen, daar men meenen zal, dat zulks zeer veel handeu'^rbeid vor^ 
dert; maar als nien de fxak aandachtig overweegt, zal men ineien , dat 
het zeer gemakkel^'k te doen is, en niet b^zonder veel arbeid vereiseht 
Op dit punt zal wel niemand ons tegenspreken, wanneer wy zeggen» 
dat men de in den grond big voide moederstekken van het g^ks^te riet 
kan overdekken met aarde, door zich tot dat einde te bedienen yaa 



Digitized by 



Google 



iU 



kleine ploegen met ëéne schaar, in werking gebragt door slechU é^ 
trekdier, en te besturen door een negerknaap van 12 a 15 jaren. 

IIL Wij hebben reeds vroeger met de meeste naanwkeungheid aUea 
lu^egaan, waarop b^ hei kappen van het riet gelet dient te worden. 
Wig willen aan het onderzoek betreffende dat pnnt hier eenige beschou* 
wingen toevoegen > rakende de keuze van het geschiktste t^dsüp in het 
leven der plant om tot het kappen over te gaan, en daarbQ het dub- 
bele voordeel te behalen, dat de grootstmogeliijke opbrengst aan sniker 
worde verkregen, en dat de moederstekken in zoodanigen toestand ge* 
plaatst blijven, dat ze de riet-akkers op nieuw zullen kunnen tooyen 
met een krachtvol en welig plantsoen, hetgeen noodwendig in zich sluit, 
dat de nieuwe spruiten in staat zullen zyn om alle ongunstige omstan- 
digheden te overwinnen, en tevens om volkomen party te trekken van 
alle omstandigheden, die voor den plantengroei guiatig zyn. In duide- 
I^ker bewoordingen, w^ trachten dat tijdstip in het leven der rietplant 
te bepalen, waarop zg, gekapt wordende, ons den ruimsten oogst op- 
levert, en aan den riet-akker een langen t^ van duur verzekert, welk 
laatste punt natuurlyk altyd afhankelijk zal z^n van de byzondere om- 
standigheden, waarin de akk^ v^keert. 

Hoedanig in hoofdzaak de funcüën wezen mogen, die in het orga« 
nismus der rietplant plaats grijpen, zooveel is duiddi|jk, dat de orga- 
nen, die bestemd z\jn om in haar de suiker te bewerken, in de aller- 
eetste plaats aanwezig dienen te zgn, en dan, om de taak te kuni^n 
volbren^n, die hun door de natuur is toevertrouwd, noodig hebben , 
dat hun in voldoende hoeveelheid de zelfstandighed^ verschaft worden , 
die ze noodig hebben om hunne functiën, onder gunstige omstandighe- 
den, naar behooren te kunnen volbrengen. In den eersten tgd van het 
leven der rietplant, is de vorming van hare organen de meest werkzaam 
zijnde verrigting; en w^ kunnen aannemen, dat die gedurfde een zeker 
tijdperk de e^iige verrigting is , welke in het leven det plant plaats grypt, 
daar al de krachten van den plantengroei alsdan uitsluitend daarop uit* 
loopen; later, als eenmaal die onganen gevormd z^*n, begint de tweede 
verrigting, die meer r^tstreeks ten doel heeft het suiker-bestanddeel 
te vorweirken. 

Als w^ aannemen, dat er gedurende al de tydperken van het lev^ 



Digitized by 



Google 



276 



der rietplant een volmaakt erenwigt en overeenstemming bestaat tns* 
scben de opslurping van de voedende stoffen en de voornaamste fonc- 
tien der plant, spreekt het van zelfe, dat w^ daarin niets ongewoons 
znllen aantreffen, en dat alles geregeld zal zamenwerken om de gewone 
doeleinden van den plantengroei te bereiken. Maar als daarentegen de 
assimilatie der voedingstoffen uitermate toeneemt, en deze t^n min of 
meer opwekkend, terw^l door blondere oorzaken de werkzaamheid d^ 
üinctiën vermindert , of deze niet gel^keHjk worden opgewekt, dan zal men 
zien, dat die voedende stoffen werkzaam zyn ter ontwikkeling van ette- 
lyke bijzondere organen, behoorende tot die, welke onder de gewone 
omstandigheden geroepen z\jn om in een bepaald t^dsbestek sniker te 
vormen. In die gevallen groeien de knoj^n of oogen , zoo onder als 
boven den grond, met buitengewone kracht, en brengen degelijke en 
looze spruiten voort, dat wil zeggen, spnuten, die ontstaan onder, en 
spruiten , die ontstaan boven de oppervlakte van den bodem. 

Hebben de netplanten eenmaal haren hoogsten wasdom bereikt, heb- 
ben al hare organen volkomen al de functiën verrigt, welke z^ te ver« 
rigten hadden, dan spreekt het van zells, welke dau ook de aard en 
hoeveelheid der stoffen z^'n, die nog aan hare huishouding medegedeeld 
worden, dat daardoor niets meer wordt toegevoegd aan de organen, en 
dat er ook geen grein meer suiker door gevormd wordt. De zel&tandig- 
heden, die door de wortels uit de aarde worden getrokken, en die, wdke 
sdeh, ten koste van de in de lucht aanwezige stoffen, in de blad-organen 
vormen, ^enen alsdan niet om door middel van de daartoe bestemde 
organen suiker te vormen, ook niet om de organen te constitueren d 
te herstellen, maar om gedeeltelqk de ontwikkeling te bevorderen van 
de knoppen der looze of boven den grond ontstane stengels , en ook van 
de oogen der onder den grond voortgekomene spruiten. 

De ontwikkeling van deze beide soorten van knoppen is in dusdanig 
geval schadel^k, niet alleen voor zooveel aangaat de suik^-opbtengst^ 
maar ook wat betreft de toekomst van den rietmakker. Ten aanzien van 
de looze of boven den grond ontstane oogen zullen wij zeggen , dat 
hunne ontwikkeling in de eerste plaats schadeliijk is, omdat ze nimmer 
volkomen degelyk riet opleveren , en bovendien , omdat hunne aanwezig 
heid eene merkbare verandering te weeg brengt in den aard der in het 



Digitized by 



Google 



277 



riet aanwezige zelfstandigheden. Om overigens tot den wasdom te ko- 
men, dien ze bereiken, hebben ze een gedeelte van de sappen totzicli 
moeten nemen, die veel nuttiger besteed zonden geweest zijn, als ze 
slechts gestrekt hadden om den groei der knoppen onder den grond te 
bevorderen. Wat betreft het ontstaan van de spruiten onder den grond, 
eer het riet, aan welks stam ze te voorsch^'n komen, gekapt is, zullen 
wij doen opmerken: eerstens, dat ze zich niet naar behooren kunnen 
voeden, doordien de looze of boven den grond ontstane knoppen hen 
van een gedeelte harer voedingstoffen berooven; en ten andere, dat ze 
den t^d niet hebben om tot haren vollen vrasdom te komen, zoodat ze 
nog niet rijp z^n wanneer de rietstoel, waaraan ze zich bevinden, gekapt 
wordt. Als er overgegaan wordt tot kappen, wordt al het riet, dat op 
eenen akker staat , te gelijk gekapt ; zoodat w^ moeten nagaan wat het lot 
zal wezen van die stengels, die, voor zooveel hun eigen graad van was- 
dom betreft, onti^jdig gekapt worden. Ter meerdere duidelijkheid zullen 
wij^ de spruiten, waarmede wij ons op dit oogenblik bezighouden, in- 
deelen in twee groepen. In de eerste groep rangschikken wij die, welke 
een tamelijk gevorderden graad van wasdom bereikt hebben , en eenige 
gezette geledingen vertoonen; in de tweede groep zullen wij die stengels 
plaatsen, die nog niet tot zulk eenen gevorderdt;n graad van ontwik- 
keling gekomen zijn. Bij het kappen van de stengels der eerste groep, 
snijdt men ze natuurlijk door de geledingen, die ze vertoonen, en kun- 
nen ze noodwendig den groei van het riet niet meer bevorderen ; het 
eenige dat wij moeten hopen is , dat er nieuwe spruiten zullen voortko- 
men van de knoppen, die aan den stam onder den grond zitten. Welnu : 
al de nadeelen, die wij hebben opgesomd als verbonden aan het gebrek- 
kige kappen van het riet , zullen zich ook vertoonen , wanneer het niet 
plaats heeft overeenkomstig gezonde beginselen; en ook, zullen w^ er 
in dit laatste geval bijvoegen , als de grond niet vruchtbaar is , en de 
toestanden van den dampkring niet gunstig zijn, zullen er van zoodanige 
moederstek bezwaarlijk vele en krachtige nieuwe spruiten voortkomen. 
Nagaande welke resultaten het kappen van de stengels der tweede groep 
zal opleveren, bevinden wij dit: als men ze kapt zeer digt bij de op- 
pervlakte van den grond , ter plaatse waar ze reeds een jong lid vertoo- 
nen , voorzien zelfs van zyn blad, alsdan kunnen ze niet anders meer 



Digitized by 



Google 



278 



spruiten schieten dan aan den stam onder den grond, hetgeen hen in 
den toestand plaatst, waarin de hierboven vermelde nadeelen zich ster- 
ker doen gevoelen; kapt men hen zeer digi bijj het laatste gevormde 
lid, en zyn de omstandigheden gmistig, dan begmt de ineen gerolde 
hoeveelheid blaadjes , dat is de eindknop, zich te ontwikkelen, en zidi 
te vertoonen op gelijke wigze als wanneer men piaangs of bananen plant; 
maar daar die bladeren nog niet genoeg ontwikkeld zyn om bestand 
te wezen tegen den invloed der zon, lijden ze doorgaans zeer veel, en 
groe^'en slecht en langzaam; ze worden niet zelden verzengd en v^- 
schroeid door de hitte; e^ of ander insekt kan den eindknop doOT- 
vreten, en dan vormen zich looze spruiten, die ook het kenmerk dragen 
als wierd de plant door deze of gene oorzhak belemmerd in haren groei; 
als men de rietstokken op eene zekere hoogte kapt, eindelgk, s^jn de 
bladeren, die door de kracht van den plantengroei te voorschijn komen, 
sterk genoeg en voldoende wel-bewerktoigd om weerstand te kunnen 
bieden aan den invloed der zon, en al wordt de groei der netplant 
altoos min of meer belemmerd, toch ziet men haar, als de omstandig- 
heden gunstig z^*n, op het laatst alt^'d welig groeijjen (Zie LoQze aiei^ 
géU)\ in elk geval, als men van eene rietplant den bladerdos afsnoeit, 
zyn de geledingen, die zich vormen in plaats van de a^esnedene bla- 
deren, horter dan die, welke zich later ontwikkelen, en ook dan die, 
welke reeds vroeger bestonden , zoodat men uit de meerdere of mindere 
kleinte der geledingen kan afleiden hoeveel t\jd het riet, dat men snoeit, 
gehad heeft om zich te ontwikkelen. 

Men kan deze ontwikkeling van den bladerdos der rietplant verge- 
leken b\j het uitwerksel, dat men waarneemt als men een aantal buisjes 
of pijpjes van verschillende grootten, die in elkander zitten, uittrekt. 
Als wij aannemen, dat het binnenste p^pje het verst uitgetrokken kan 
worden, is het duidelijk, wanneer men ze allen uittrekt geüyk de verschil- 
lende deelen van eenen verrekijker, dat ze dan den zelfden aanblik zou- 
den opleveren als het verschijnsel oplevert van de ontwikkeling van den 
rietstok, gekapt op eene zekere hoogte. 

IV. In aanmerking genomen al de redenen, die w^ hebben aange- 
voerd bij de naauwkeurige opsomming van al de nadeelen, welke bet 
niet naar behooren bewerkstelligde kappen van het riet oplevert, zou 



Digitized by 



Google 



279 



men ons de tegenwerping kunnen maken, of niet een groot gedeelte 
van die nadeelen te vermeden zou wezen als men bi|j het kappen die 
spruiten spaarde? Ze niet mede te kappen» dit zou zeer veel zorg ver- 
eiscbeu, waardoor de arbeid veel duurder te staan zou komen , ongere- 
kend, dat het in vele gevallen onmogelijk zou zijn; daarb^zoumendan 
ook eene verandering moeten brengen in de w^ze om het riet van den 
akker af te vervoeren , en tevens zou men de ossen niet op het gekapte 
veld kunnen laten grazen , want het stroo zou zoo geplaatst moeten wor- 
den, dat de spruiten buiten het bereik der trekdieren bleven; en een 
oninisbaar vereischte zoii hti wezen, eindelijk» zich van vlugge en be- 
kwame arbeiders te bedienen, en ona%ebroken een wak^d oog op hen 
te houden. Zeker is het, dat in vele dezer vereischte vroeg of laat door 
de planters zal moeten worden voorzien; want door die te veronachtzamen 
zal men zich blootstellen aan groote nadeelen; maar gesteld zelfs, dat 
al het door ons aangevoerde naar eisch in acht genomen en volbragt 
wierd, dan zon het resultaat altijd nog wezen, dat wiy er een zeer on- 
gel^kmatig plantsoen door kregen, zoodat een gedeelte reeds gekapt zou 
moeten worden, terwijl het overige gedeelte nog niet geschikt daartoe 
was. Bovendien zouden die spruitmi schaduw veroorzaken, en zoodoende 
in geen geringe mate de ontwikkeling bdemmeren van die, welke later 
te voorschiyn kwamen. 

De voorzigtigste partijj, die men kiezen kan, is dus, door het juiste 
tydstip in acht te nemen, zooveel mogel^k te zorgen, dat er niet 
zulke spruiten te voorseh^n komen, die toch gedoemd zijn om ontydig 
te worden gekapt. Ten einde verkeerde uitleggingen te voorkomen, en 
die reeds bi|j voorbaat te regt te w^'zen, achten w^het nuttig te zeggen , 
dat de bedoelde spruiten te voorsch^n kunnen komen, ^i zulks ook wer- 
kel^k doen, in al de t\idperken van het leven der rietplant. In de eerste 
tyden groe^jen ze en ontwikkelen zy zich, gel\jkt^*dig met de moeder- 
plant, zoodat ze alsdan nagenoeg gelijktijdig met deze tot rapheid ko- 
men, en dus ook op ongeveer het zelfde t^dstip geschikt z^jn om gekapt 
te worden. Later i^emt het ontstaan van die spruiten aanmerkel^k af, 
en die, welke nog te voorsch^n komen, ontwikkelen zidi slecht en groei- 
jen langzaam, d^r al de krachten en voedingstoffen der plant alsdan 
moeten strekken om den groei van den hoofdstam te bevorderen. Wan- 



Digitized by 



Google 



280 



neer d6 netplant eindel\jk hareu vollen wasdom bereikt heeft en tot rijp- 
heid gekomen ift, beginnen de middelen, die tot dnavene uitaliiitend 
gestrekt hebben om de plant zelve te doen groe^n, zich beug te boa* 
den met de ontwikkeling der spmiten» die alsdan in grooteren g^ale 
te voorschiijn komen » en eene meer onmiddeUijke en meer degdijke voe- 
ding ontvangen, zonder dat ze daardoor evenwel, wegens gebrek aan 
tgd, tot genoegzamen wasdom z^n gekomen op het oogenblik, waarop 
het r^pe riet gekapt wordt, indien dat inmiddels niet reeds is gaan bloei- 
jen. Vele dier spmiten sterven, niet alleen doordien ze geen voeding 
ontvangen uit den grond, maar ook doordien de schaduw, door de 
bladeren veroorzaakt, zeer nadeelig roor haar is. Wanneer een riet- 
plantsoen van stroo ontdaan wordt eer het zynen hoogsten graad van 
wasdom bereikt heeft, ziet men welk eene groote menigte di^ kw^nende 
^ruiteui gestorven is; of men ontmoet ook verscheidene stengels» van 
welke de eindknop tot verrotting is ovei^egaan, en in dat geval worden 
er doorgaans looze spruiten aan aangetroffen. 

Om de opsomming van de nadeelen, verbonden aan het kt^pen nadat 
het riet tot volle rijpheid is gekomen, te besluiten, zullen w\j hi^bq 
voegen, dat het riet doorgauis — vooral een plantsoen, dat nog nooit ge- 
kapt is, en dat in eenen pas ontgonnen, vruditbaren grond is geplant — 
door schadelijk gedierte aangetast wordt en ter aarde begint, te buigen, 
en zoodra het met den grond in aanraking komt wortels hi^;int te sdue- 
ten, hetgeen veroorzaakt, dat de suikergehalte zijner sappen vermindert 
en zel&tandigheden daarin ontstaan, waardoor ze moe^jel^k te ver- 
werken worden. 

Het riet te kappen lang nadat het tot z^ne volle rapheid is geko- 
men, veroorzaakt dus de volgende nadeelen: 1^« Het doet de sappen 
in de geledingen ontaarden, het vermindert de opbrengst, het maakt 
de verwerking tot suiker trager, en levert een produkt van geringer 
kwaliteit. — 2^. De eerste krachten van den plantengroei en overige 
levens-elementen gaan geheel verloren, ten nadeele van de ontwikkeling 
der spruiten. — 3^. Als de spruiten ont^'dig gekapt worden, bestaat de 
kwade kans , dat ze niet ten tweeden male uitloopen of nieuwe spruiten 
voortbrengen zullen. 

Op alle manieren vermindert de opbrengst aan suiker in hoeveelheid , 



Digitized by 



Google 



Ml 



en bovendien loopt de riet-akker groot gevaar in korten tijd geheel uit 
te sterven. Het strenge onderzoek der daadzaken hedt ons dus tdt eene 
slotsom gebragt, die juist het tegenoveigestelde is ran de denswyzen, 
waarnaar zieh de gediagsl^n regelt van hisa, die bet als nuttig be- 
sehouwen de rie^lantsoen^ sledits om de twee jaren te kappen, en 
die er zells voorstanders van z^ het riet nog langer oi^malen te laten 
staan, daar het, volgens hun bevreren, alsdan meer oplevert, en de 
akker tevens Terscheidene jaren goedblgftl 

De in bovenstaande regden ontwikkelde argumenten, konden ons in 
zdcezen zin ontdaan van de moeite, de gevolgen na te gaan, welke 
voort^ndten uit het kappen van het riet eer het tot z^nie volle rapheid 
gekomen is, daar wiy noodwendig in herhalingen zouden moeten verval- 
len, die den lezer waarseh^nlijk zouden vervelen; maar aangezien het 
een punt is yan zeer veel gewigt, achten w\j het noodig, hier nog eens 
ter loops aan te stippen, dat het aldus gekapte riet den t^d niet gehad 
heeft om te groe\jen, en evenmin om z^*ne sappen behoorlijk te verwer- 
ken; wieders, dat het noodig is de grootste regelmatigheid bij het kappen 
in adit te nemen, en het te bewerkstelligen zoo mogel^k tegen den 
r^ntgd, ten minste als men de akkers niet kan besproeigen, om den 
nieuwen plantengroei op te wekken. W^ zeiden , dat de regelmatigheid 
bij het kappen een verdachte is, omdat, zooals w^ reeds herhaalde 
malen gelegeidieid gehad hebben te doen opmerken , het jonge riet meer 
onderhevig is om de nadeelige gevolgen te doen ontstaan, die met het 
gel»rekkige kappen gepaard gaan. 

Uit al hetgeen voorafgaat volgt noodwendig, dat hei riet moeigékapi 
worden wanneer het tot sijne voUe rijpheid is gekomen ^ bijaldien men de 
ruimstmogel^ke opbrengst aan suiker wenscht overeen te brengen met 
de kracht en de talr^kheid der spruiten, die te voorsch^n komen na 
het kappen. Onvoorwaardelqk het kappen uit te stellen tot het moment 
van rijpheid, of het te vervroegen zonder aanzien van omstandigheden, 
is even nadeelig. 

Wy weten wel dat ons stelsel, hoe onberispelijk ook, niet altydge- 
makkel^k toe te passen zal z^n op de werkzaamheden; doch als het maar 
eenmaal aangenomen is, zal het kappen, in byzondere gevallen, best 
eenigzins vervroegd of vertraagd kunnen worden , zonder dat men zich 



Digitized by 



Google 



282 



daardoor aan de jselïde nadeelen blootstelt, die men beloopen zal 
neer men de door ons vocHrgestane regelen in het geheel niet in acht 
neemt — W^* zijn evenseer overtuigd van het gewigt van zoodanig 
besluit, als w^ ons veizdcerd houden, dat alleea hei voordeel van een 
ervaren landbouwer zal kunüen b^len in hoeverre het in z^ne loca- 
litdt, ten einde zdcere nadeelen te vennyden, si dan niet dias^tig zal 
wezen het kappen een weinig te vervroegen of te vertiag^. — Al de 
stengels van eene zelfde moederstek vedceeren niet in gel^k^ omstan- 
digheden; allen zyn niet even goed ontwikkeld, allen komen niet even 
diep uit den grond , enz. ; wanneer dus tot het kappen wordt ov«:ge- 
gaan, ondervinden niet allen het zelfde lot; sommigen sterven, ande- 
ren herleven , en brengen weder spruiten voort. — Al is het ni^ mo- 
gelijk het kwaad geheel en al te vermijden, moet men toch trachten het 
zooveel doenlyk te ontgaan , door de moederstek na het ka][qpen in zoodan^ 
omstandigheden te brengen als het meest dienstig voor haar is; zoo zal 
het noodig zijn haar te overdekken met aarde, haar te besproe^n,enz. 
Uithoofde van het verband, waarin ze staan tot het boven hémi- 
delde onderwerp, achten wij het nuttig hier eenige wenken mede te 
deelen bekeffende het ongeluk, als de rietmakkers door brand worden 
geteisterd. Als er brand is geweest op eenen riet-akker in den ^jd van 
het malen of in den stillen tyd , zal het nuttig z^n het riet daddip^ 
te kappen, vooral als het regent, om het uiÜoopen en groeijjen van 
de spruiten te bevorderen ; doet men dat niet , en laat men de rietstok- 
ken staan , dan gaan ze voort een gedeelte tot zich te nemen van de 
sappen , die anders gestrekt zouden hebben om de knoppen onder den 
grond te doen ontkiemen en groeijjen. De sappen , die in deze rietstok- 
ken opst^'gen^ brengen gedeeltelyk de ontwikkeling te weeg van de 
knoppen , die nog met leven bedeeld z\jn (wü bepalen ons b\j die , welke 
geen merkelijk nadeel hebben geleden van de hitte), of verliezen hunne 
waterdeèlen, en hoopen zich 6p, en ontaarden in de dikte van de 
vezels der rietstokken. — Overigens zijn deze rietstokken, als ze een- 
maal geheel en al uitgedroogd zijn , later moe^'el^k te kappen , en kan 
natuuri^k de moederstek in sommige gevallen l^den door den schok, 
dien zij b^* het kappen ondervindt, terwijjl die schok in andere ge- 
vallen misschien ten goede kan werjcen dooi: de wortels te doen breken, 



Digitized by 



Google 



283 



en zoodoende tot het ontstaan van nieuwe aanleiding te geven. — Wij 
hebben het nuttig geoordeeld deze denkbeelden hier aan te stippen, 
omdat velen in den waan verkeeren, dat het in hooge mate nuttig is, 
wanneer men eenèn riet-akker afbrandt, het riet niet te kappen, daar. 
s^ vooronderstellen , dat dan de sappen uit de rietstokken naar beneden 
gaan, en dienstbaar worden aan de ontwikkding van de spruit, in weer- 
wil van de groote verandering , welke ze daarbij ondergaan. Wat dit 
laatste punt betreft, moéten w^ ze^en, als men het riet van eenen 
afgebranden akker denkt te gebruiken om er de sappen van te verwer- 
ken, dat het dan hoe eer hoe beter gekapt dient te worden, ten einde 
te zorgen, dftt de sappen niet nog grooter veranderingen ondergaan. — 
Wij hebben trachten aan te toonen , dat er in den stam onder den ' 
grond in zdcere mate een a^meene omloop van sappen plaats he^, 
die eene naauwe en aanhoudende gemeenschap doet bestaan tusschen 
al de stmigels eener moederstek; in weerwil van dit ons gevoelen aoh- 
ten w^ het niet raadzaam , op eenen afgebranden akk^ de rietstokken 
Dngekapi te laten staan. — Voorondersteld , dat de omloop der sappen 
door den stam ond^ den grond alsdan plaats heeft, hetgeen w^ nog- 
tans betw^fblen, z^n wij echter overtuigd» dat daardoor niets anders 
sou worden te weeg gebragt, dan eene verspreiding van sappen,, die 
sehadel^'k z^n voor den groei der plant. — Toen w^* over het planten 
in het najaar en in het voorjaar hebben gehanddd , hebben wij gelegen- 
heid gehad verscheidene der hier vermelde onderwerpen te bespreken. 
Het z^ ons hier vo^und nog daarbQ te voegen , dat al de oorzaken , 
waaraan het slecht groeien van de rietplant is toe te schr^Ven, de 
nadeelen verergeren, die aan het kappen verbonden z^n; want in de 
slecht gevoede stengels vertoonen zich de gevolgen , hier door ons be- 
sproken , het meest. — Derhalve , gebrekkige gereedmaking van den 
grond, gebrdddge wijze van planten, van cultuur, enz., z^n almede 
eoo vele redenen , die bijdragen om de uit het kappen voortspruitende 
nadeelige gevolgen des te erger te doen gevoelen. — Op bladzyde 17 
hebben w^* aangaande dit punt eenige bgzonderhedra medegedeeld. 

Het vebvobbbn van hbt eibt. — Wanneer men op de plantaa^jen 
zal overgaan tot het kappen van het riet, worden de arbeiders in twee 



Digitized by 



Google 



284 



ploegen verdeeld: de eene ploeg, die uit sterke personen bestaat, ka^ 
het riet, scheidt de toppen van de stengeb af, en hakt deze laatste 
aan stokken van dertien a seventien nederL palmen lengte; de tweede 
.{^oeg, die uit minder sterke arbeiders samengesteld is, brengt het riet 
bijeen aan hoopen, en draagt het naar de voerlieden, die het op hunne 
karren laden. — De arbeiders der eerste ^oeg dragen den naam van 
rieiêfUjders; die d^ andere ploeg noemt men iarvoerders. 

Big het kappen van het riet moet men beginnen met de phiiy»oenen, 
die het rijpst z^n, en met die, welke het v^rst van de fabri^ a&taan, 
ten einde zoodoende partij ^ trekken van de goede weersgestelcLhekl, 
die gemeenlek b^ den aanvang van den oogst heerscht. Als de sikker, 
die gekapt wordt, zeer ver van de &briek afligt, en de karren uit 
dien hoofde minder togten op eenen dag kunnen doen, dient m^i of 
het aantal gebezigd wordende karren te vermeerderen, of het riet van 
zoodanigen akker te kappen aan twee kanten van den akker te gelijk, 
namelijk èn aan den kant, die het verst afligt (zijnde dit het riet, dat 
het eerst aan den molen komt), èn aan den kant, die digter b^ 1^ 
(wordende dit riet a%emalen met het vorige te gel^k). Evenzoo moet 
het kappen plaats hebben aan twee kanten van den akker te gel^k, ab 
men zorgen moet voor de Yoedering der ossen, dit wil ze^en, indien 
de akker, die gekapt wordt, weinig toppen oplevert, of sledits topp^i, 
die nie|. tot beestenvoeder geschikt zijn. Op die wijze wordt ook te werk 
gegaan b^ het kappen van riet, dat is beginnen te bloeyen, of bij het 
kappen van a%ebrande akkers. Vele beheerders van plantaadjen laten 
ook de akkers aan twee kanten te gel^k kappen, wanneer het riet, 
dat gemalen wordt, geen ampas g^ioeg levert tot verdamping van 
het sap; dan wordt er te gel^k riet gekapt, dat eene grootere hoeveel- 
heid vezels oplevert. 

Een sterk en bekwaam arbeider kan, met een wein% inspanning en 
als het plantsoen regelmatig opgegroeid is , eiken dag zes karrevrachten 
kappen, van 2500 nederlandsche ponden elk; het hoogste is zeven 
karrevrachten , maar dan moet ook het plantsoen uitmuntend staan ; c^ 
akkers, die niet bijzonder goed gevuld staan, kapt één arbeider eiken 
dag van 4^ tot 6 karrevrachten. Al deze bijzonderh'eden , de aistanden, 
die afgelegd moeten worden om de fabriek te bereiken, den staat der 



Digitized by 



Google 



285 



w^ea y de krachten der trdcdieren , eoz. » in aanmerking ueinende, zal de 
belieeider eener soikerplantaacye daarnaar het getal bepalen van de tot 
het Tervoer te berigen karren, en het aantal rieUnijiin en karvoerders, 
die noodig z^n om die karren behoorl^gk van vraehten te voorzien. De 
karren ri^en zonder orde of regelmaat door het rietplantaoen heen» en 
doorloopen den akker in alle rigtingen. Dit is eene zeer verderfel^e 
gewoonte ; want door de wielen worden de moederstekken gedmkt en 
de netstokken gebroken, hetgeen des te erger het geval zal zqn, als 
er op gebrekkige w^ze gekapt is, en van den rietstok een kleiner of 
grooter gedeelte 'boven den grond is bleven staan; de beschadiging of 
kwetsunr bepaalt zich ongelnkkigerw^e niet tot het gedeelte stam, dat 
boven den grond staat, maar strekt zich doorgaans ook nit tot den 
stam onder den grond. Door het loopen der dieren en de dmkking der 
karrewielen wordt de grond hard en vast , en tevens ondoordringbaar 
fiiet alleen voor de lucht , maar zelfs voor de wortels der planten , die 
er zich in moeten ontwikkelen. — Er zal misschien een tgd komen , 
dat men de zaken zoo heeft ingerigt , dat de karren , die tot vervoer 
dienen , niet meer over den akker behoeven te loopen ; maar zoo lang 
dat nog het geval niet is, moet men zrag dragen, dat ze zoo min 
mogelijk schade aanrigten, waardoor de arbeid tevens beter en regel* 
matiger zal worden verrigt. 

Door het cnltonrstelsel aan te nemen, dat door ons wordt aanbevo- 
len , zal men zich reeds gedeeltelyk tegen de opgesomde nadeden ge* 
vrijwaard zien. -* Immers , door de rietstekken te planten op aanzienüjjke 
aManden van elkander , en door de akkers af te deelen lang en smal, 
zal men de karren langs het eene afscheidingspad kunnen laten komen 
en langs het andere weder heengaan , zoodat ze niet op den riet-akker 
zullen behoeven te keeren. De wielen loopen dan over de tussdienruim* 
ten , waardoor de groeven van elkander z^ gescheiden , zoodat ze aan 
de moederstekken geen schade kunnen toebrengen. Daar overigens voU 
gens ons stelsel de akkers ieder jaar geploegd worden, bl^ft de grond 
niet de vastheid behouden , die het gevolg is van de drukking der wielen 
en vain andere oorzaken. Wig moeten hierby voegen, dat de drukking 
der karren afhangt van, of gewijzigd wordt door, den aard en yormder 
wielen , de eigenschappen van den grond , zijnen toestand op dat oogen* 



Digitized by 



Google 



286 



blik, namriyk, of hy Yoohüg i» oi droog, al dan niet bedekt met Ua- 
deren, ^ub. De karren moeten altyd op den akk^ komm in de xjgtiBg 
der groeven, derw^, dat de wielen over dat gedeelte grondt loopeii, 
dat tussohen de rietr^jën ligt, 2oodat de bak der kar over de groeve 
zelve loopt; ze moeten nooit op den akker keeren, in geen geval, om 
het even in welke rigtbg : het is nuttig , dat ze langs h^ eene af* 
seheidingspad den akker opkomen, en dien langs het andere parallel 
loopende afecheidingspad weder verlaten* Om dezen arbeid met de 
noodige regelmatigheid te verrigten, is het nuttig een rietsnijjder in 
elke groeve te plaatsen; de arbeiders ^ die het riet der ryên n*. 1 
en n*. 3 kappen, werp^ dat in de groeve n*. 2, en hy, die zich ib 
deze groeve bevindt» werpt het door hem gekapt wordende riet daaria, 
plant voor plant, zooals hy ze kapt; op die w^ze btüven de groeven 
n**. 1 en 8 vrü van riet De arb^ders, die in de groeven n**. 4, 5 
en 6 geplaatst z^'n, werpen het gekapte riet in groeve n*. 5, en laten 
de groeven 4 en 6 ledig. — De karren komen nu in dier voege op den 
akker, dat het eene wiel over den grond loopt, die tussohen de groe* 
ven n*. 2 en n\ 3 ligt, ierwi^ het andere wiel over den grond Ipopt 
tusschen de groeven n*. 3 en n*. 4; zoodoende bevindt zich de bak der 
kar boven de groeve n*. 3. 

Al is het niet mogelgk het kappen te regelen volkomen op de wyiie« 
zooals w^ hier hebben omschreven, moet men ten minste altijd soig 
dragen , dat de karren het eene a&cheidingspad opkomen, en langs het 
parallel loopende afedieidingspad den akker weder verlaten; want tot 
dusverre is het niet te vorm^iden ze op de riat-akkers te laten komen. 

Het is op iedere plantaadje een punt van veel gewigt de karren goed 
vol te laden, want zoodoende hebben de dieren minder vraditea te 
doen, en wordt erin een korter tydsbestek meer riet naar de fi&riek 
vervoerd. Het beste middel om dat werk te regdlen, is — behalve de 
noodige waakzaamheid en het daartoe bezigen van geschikte arbeiden — 
iedere karrevracht, die naar de üetbridc gebragt wordt, te weg^: zoo* 
doende slechts zal het mogel^k zyn eene berekening te maken betreffende 
de opbrengst van den oogst. Gelukkig bedtaan er tegenwoordig zeer 
eenvoudige weeg-toestellen, die op onze plantaadjen in gebruik kond^ 
worden gebragt. Het is bovendien een vereischte met overleg te bepa- 



Digitized by 



Google 



287 



len , welke en hoe vele trekdieren voor iedere kar te spannen zgu , ten 
eindef er niet meer dan noodig voor te spannen, waarbij te letten valt 
€^ de zwaarte van het riet^ den afiitand, den staat der we^n, de 
stekte der trekdieren, enz. 

Een der pnnten, die het meest de aandécht moestee trekken van de 
planters, is de toestand van de afscheidings*paden ; onberekenbaar 
z^n de sommen, die jaarlyks op de plantaac^en te loor gaan door den 
slechten staat der wegen. In plaats , dat die met de noodige zorg wor- 
den onderhoud^i , worden ze op vele plantaadjen overgelaten aan de 
Negers, om er iets voor hen zelven op te telen, of men kat er voe- 
derpianten groeijjen voor het trekvee; op vele plantaadjen schnilt de 
oorzaak van haren kwignenden toestand voomamdijik in de a&cheidings- 
paden. •** W^* knnnen niet genoeg onze stem verheffim tegen de ge- 
woonte, de a&cheidings-paden tot zoodanige doeleinden te bestemmen; 
wat de Negers betreft, moeten hunne moestuinen altijd de zeilde plaats 
innemen , zoodat zjj leitel^k eigenaars van dien grond en er aan ge- 
hecht zyn; al wat op de afecheidings-paden groeit, schiet zaad over de 
riet-akkers, die uit dien hoofde menigvuldiger gewied moeten worden. 
In het algemeen zullen w^ zeggen, dat het betelen zoowel op zich 
zelven als door het plantaardige afval, dat daarvan aohterbl^ft, eene 
gioote reden is, dat de i^eheidings-paden in verval komen. — Ter 
ges^kter plaatse zullen w^ spreken over dé middelen, om de wegen 
ÜEE goeden staat te onderhouden. 

LOOZB STBNOELS VAK BOVSN DEN GROND ONTSTANB SPEUITE^f. — TAK* 
ItEN DER RIETSTOKKEN. — ElETSTENGELS TE PLANTEN ALS LOTEN. — 

I. Herhaalde malen hebben wy reeds gewag gemaakt van den sterken groei 
der knoppen , die van de stukken geplant riet boven den grond blijven 
uitsteken ; en om den aard van dit verschijnsel duidelijk te maken , 
hebb^ wy ons daarvoor bediend van de benaming „looze spruiten*', 
welke naam in zich sluit, dat die spruiten voortkomen uit de ont- 
wikiffiling van de knoppen van het te veld staande riet, en dat de 
aUas voortg^nragte organen de zelfde zijn als die, welke voortkomen 
uit de knoppen onder den grond. Van de gevallen, waarin deze looze 
of 'boven den grond ontstaande spruiten voortkomen, hebben wij er 



Digitized by 



Google 



288 



elders slechts eenige rermeld, sonder dat w^ het daarnoodig of dienstig 
hebben geoordeeld in uitvoeriger ophelderingen te treden aangaande de 
verschillende omstandigheden, die den groei van zoodanige spruiten 
bevorderen. Aan de reeds vroeger door ons medegedeelde gegevens be- 
treffende dit onderwerp willen wy hier nog eenige beschouwingen en 
aan de ondervinding ontleende bijzonderheden toevoegen. 

Eer w^* daartoe overgaan, echter, moeten wij doen opmerken, dat 
de ontwikkeling der looze of boven den grond ontstane spruiten bijzon* 
der onze aandacht heeft getrokken, niet alleen uithoofde van den in- 
vloed, dien de verschijning van zoodanige spruiten te weeg brengt op 
den aard der sappen van het riet, maar ook, omdat w^ met naauw- 
lettendheid de verschijnselen wenschen na te gaan, welke in deze onder 
gdieel b^zondere omstandigheden voortgebragt wordende organen plaats 
grijpen. — Alvorens dus de functiën in beschouwing te kunnen nemen, 
hebben w^ na te gaan onder wdke omstandigheden de bedoelde sprui- 
ten zich ontwikkelen, waarna w^, met die kennis toegerust, vri|jël$k 
naar eigen verkiezing de voortbrenging van die takken der netplant 
zullen kunnen bepalen. 

De looze of boven den grond ontstaande spruiten ontwikkelen zich 
zonder dat daartoe eene buitengewone verandering in de sappen en 
weefsels van den rietstok noodig is, zoodra er een gemis] van evenwigt 
bestaat tusschen den groei van den stam en de opslurping der voedende 
stoffen; wel te verstaan, dat laatstgenoemde in grootere hoevedheid 
moeten opgeslurpt zgn , dan waarin ze gewoonlijk doordringen in de 
huishouding der plant, geëvenredigd aan de krachten, Welke den groei 
te weeg brengen. 

De volgende daadzaken zullen de juistheid aantoonèu van hetgeen 
wij hier gezegd hebben: 

1*. Als men de toppen der rietstengels plant, wordt er over het al^ 
gemeen eene te overvloedige oplurping van voedingstoffen te weeg ge- 
bragt, die niet geëvenredigd blijft aan de ontwikkeling van den stam 
boven den grond, en ook niet aan die, welke plaats grijpt in den stam 
onder den grond. Alsdan trekken de knoppen van den stam boven den 
grond een groot gedeelte van die overtollige sappen tot zich , zij ont^ 
wikkelen zich, en schieten eindeliijk looze spruiten. Het zelMe heeft 



Digitized by 



Google 



289 



plaats, wanneer men met behulp van den pootstok plant» en een ^ 
deelte van de geplante stek boven den grond Iaat uitsteken; als dat 
gedeelte niet verdroogt door de hitte der zon, kannen de knoppen, 
die er aanzitten , zich ontwikkelen en spruiten voortbrengen. 

2o. Wanneer men eene jonge rietspruit overplant , indien dan de grond 
zeer vruchtbaar is, als men niet zeer diep geplant heeft, als z\j niet 
spoedig vat , en eindelyk als hare bladeren afgesneden zijn of slechts 
met betrekkel^k weinig werkzaamheid hunne functiën volbrengen, wordt 
de plant in haren groei tegengehouden, en de looze of boven den 
grond zittende knoppen komen tot ontwikkeling. 

3o. Een ander vry opm^kel^k voorbeeld van het hier door ons be* 
sprokene verschijnsel merkt mea op, wanneer men riet plant op zeer 
geringe diepte beneden de oppervlakte van den grond. Is de grond zeer 
vruchtbaar, dan ontspruiten de laatste oogen, die boven den grond 
aan de rietstek zitten , met te meer kracht en snelheid , hoe grooter het 
gemis is van evenwigt tusschen de opslurping der voedende stoffen en 
de levenskracht, waardoor de ontwikkeling te weeg gebragt wordt. 

^. Men kan van dit opmerkelyk versch^nsel de proef nemen der- 
wi|ize , dat zich in ééne plant al de gevallen van ontwikkeling der knop- 
pen en de verschynselen van ondergeschikten aard vertoonen, die plaats 
grijpt in alle soorten van spruiten, onder verschillende omstandighe- 
den. Die proe&eming bestaat hierin, dat men het middelste gedeelte 
van een te veld staanden rietstok omkleede met goed bemeste aarde. 
Uit de dus met aarde omkleede geledingen komen wortels voort, die 
een groot gedeelte der voedende stoffen uit die aarde tot zich nemen; 
een feit, dat wij nog nader zullen bespreken, als wanneer wg tevens 
de veridaring, die wij hier daarvan geven, nog nader zullen toelichten. 
De overtolligheid van voedende stoffen veroorzaakt de ontwikkeling der 
knoppen van het riet, zoowel die, welke w^* „looze" genoemd hebben , 
dat wil zeggen , die in onmiddelligke aanraking zyn met de lucht , als 
die , welke zich in de bemeste aarde bevinden. Die ontwikkeling begint 
b^na alt^ met de bovenste knoppen van den rietstok, waaronder men 
te verstaan heeft niet die, welke het digtst b^ het uiteinde zitten, 
maar de hoogst zittende van al de behoorlgk bewerktuigde knoppen. 
Om deze proefneming te bewerkstelligen, begint men met zoodanigen 

19 



Digitized by 



Google 



290 



rietstok te kiezen» die ons riet aanbiedt, dat het best geschikt is voor 
ons oogtnerk; het moet firaa\je geledingen van op zijja minst 8 nederl 
duim lengte hebben; en bovendien moet zoodanig riet in het laatste 
tijdperk van z^n leven verkeeren. Den rietstengel gekozen hebbende, 
waarmede w^ onze proe&eming willen bewerkstelligen, worden» om 
onbelemmerder te werk te kannen gaan, al de andere stengeb, die 
zich aan den rietstoel bevinden, met de meeste zorg gekapt^ vervolgens 
wordt deze besproeid, en de gekapte moederstek met goed bemeste 
aarde overdekt. Men laat echter eerst een bak maken, 40 nederl. 
duim in het vierkant wijd en ^5 nederl. duim diep; die bak moet 
midden doorgezaagd z^n, en in het midd^ maakt men een ronden 
koker van 12 nederl. duim middellijn, door welken koker de rietstok 
gestoken wordt. Alsdan de beide helften van den bak aan dkander 
sluitende, brengt men de pooten, waarop m rust, in den grond, op 
zijn minst 25 nederl. duim diep , terwijl de bak zelf 60 nederl. duim 
boven de oppervlakte van den grond büjjft. Door middel van vier klam- 
pen, waarvan twee boven en twee beneden, worden de beide heiflen 
van den bak stevig met elkander verbonden; waarop de bak dadel^k 
met behoorl^'k gereedgemaakte aarde gevuld wordt, nadat men eerst 
den ronden koker, die zieh in het midden bevindt, ten ruwste hedOt 
bedekt met steenen, om te zorgen, dat, terwijjl het water behoorlek 
geloosd wordt , nogtans de aarde niet daardoor worde medegespoeld. 

Vervolgens bindt men den rietstok met touwen stevig aan de vi^ 
hoeken van den bak vast, welke touwen hem zoo lang moéten vast- 
houden, totdat de plant voldoende wortels heeft geschoten, om ziek 
zelve staande te kunnen houden. Alsdan kan men de touwen lossn^den; 
maar men moet dat niet vroeger doen, want de schokken, die door 
de winden aan de plant worden gegeven, zouden de jonge wortels doen 
breken , en de proefneming zou zoodoende voor eenen tyd vertraagd 
of misschien wel geheel en al mislukt zyn. Uit de uitvoerige beschr^ 
ving, die wij van deze proefneming hebben gegeven, zal men kunnen 
opmaken, hoe juist wij die kunnen bestempelen met den naam van 
rietstengeU^ te planten ah loten. 

Wanneer geplant riet, dat gekapt is eer het nog goed ontwikkdd 
was , looze of boven den grond ontstane spruiten voortbrengt , indien dan 



Digitized by 



Google 



a9i 



de grond trochtbaar, en de stam zwaar en stevig is, ontstaan er uit 
die looze spmiteH tweede looze spruiten, en uit deze weder derde, en 
wij hebben zel£i de knoppen van laatstgenoemde ziok zien ontwikkelen 
om vierde looze spruiten voort te brengen. In zulke gevallen zijn het 
van die looze spruiten d$ onderête knoppen ^ die zich ontwikkelen ^ deze 
spruiten loopen werkel^k uit, in de beteekenis, die gemeenlek aan dit 
woord gehecht wordt. 

De looze stengels, behoorlijk gesnomd, geven het aanz^n aan tweede 
looze spruiten; maar dan zijn het de.bovemte Amoj9/»m , die zich het eerst 
ontwikkelen. Om dit verschijnsel te doen plaats grijpen, is het een on* 
misbaar vereischte, dat het snoegen plaats hebbe op zijn minst door 
het laatste gevormde stengellid; want anders, als de snede door het 
gebladerde deel van den stengel gaat, zal de stengel voortgaan zich te 
ontwikkelen, zooals dat met de spruiten der op zekere hoogte gesnoeide 
pisangs of bananen plaats heeft door de ontwikkeling van den eind- 
knop. Menigmaal echter worden de onvolkomen bewerktuigde bladeren 
van den eindknop Verbrand door de zon, en kan de groei van den 
stengel geheel worden gestuit, in welk geval (als hy ten minste niet 
geheel verdroogt) z\jne knoppen uiUoopen, en het aanzgn geven aan 
tweede looze spruiten. Het is nuttig , de reeds een weinig ontwikkelde 
^[nruiten te snoeqen, en dê snede moet door de vierde of v^fde der 
laat&t ontwikkelde geledingen gaan; zoodoende voorkomt mdu gedeeUê* 
2ifk de verdroogibg van het gekwetste orgaan. Het is echter by dat 
snoeiden van belang, ieder deel, waarvan afgesneden is, digt temaken; 
wdnt anders loopt men gtoot gevaar, dat een langer of korter gedeelte 
van den stengel verdort, naar gelang van de felheid der hitte, van de 
in den stengel aanwezige hoeveelheid vocht, van de meerdere of min» 
dere stevigheid van het orgaan , enz. Wg hebben ons , om die afgesne- 
dene einden digt te maken, bediend van gesmolten was; doch wij had- 
den ons daartoe even goed kunnen bedienen van de smeersels, die de 
tuiniers tot het zelfde doeleinde aanwenden (57). In weerwil dat men 
de kwetsuur, dat is de doorgesnedene plaats, met was of met iets anders 
bedekt, heeft er altyd, voornamelijk bij jong riet, eene aanmerkelyke 
nitdrooging plaats door den bast heen ; in vele dezer gevallen wordt het 
riet, door de vermindering in volumen, rimpelig, en laat de was los , en 



Digitized by 



Google 



292 



door het Toortdarende Yerlies van vochten barst de stam; dan wordt de 
stengel slecht gevoed, en verdort eindeliijk, of wel, nithoofde Yan a^jne 
zwaarte vallende, ontwortelt hij het stnk riet dat hem staande hield, en 
de. rietstok gaat te niet. 

Behalve de reeds vroeger aangeduide toestanden, en ,die, welke wij 
hier hebben opgesomd, bestaan er nog andere omstandigheden, onder 
welke wij de ontwikkeling van de looze of boven den grond ontstane 
knoppen insgelijks hebben opgemerkt, namel^: 1^. Als men de stam- 
men van hunne bladeren ontdoet. 2^. Als men den rietstok stevig bindt 
in de schuinte. 3°. Als men hem benedenwaarts buigt , wanneer li^ nog 
niet sterk ontwikkeld is. Het planten van loten heeft ook wdl van zelfs 
plaats, namelijk als de rietstengel ter aarde buigt en op den grond 
hangt; dan schiet het gedeelte, dat den grond raakt, wortel, en de 
daaraan zittende knoppen ontwikkelen zich. Wij zullen voor hetoogi»i- 
blik over deze punten niet in verdere beschouwingen treden; daar on- 
gelukkigerwijze ettelijke bijkomende omstandigheden van invloed t^n 
geweest, om aan de versch^nselen een onbestemd karakter te geven. Ter 
gelegener tijd zullen w^* op dat onderwerp terugkomen. Maar wat betteft 
de rietstokken van bladeren te ontdoen, achten wij het niet ondiensti^ 
hier eenige daadzaken te vermelden. — Wanneer men eenen rietato^ 
tot aan de laatste geledingen van zijne bladeren ontdoet, behalve 4at 
dan de wee&els gekwetst worden, wordt de stengel zoo zwak, d^ de 
minste luchtstroom van eenige beteekenis voldoende is om hem te kmi:* 
ken. — W^ hebben de proef op eene andere manier genomen : de bh- 
deren werden afgesneden, zoo, dat slechts het lid , waarmede ze aan d» 
stengel waren verbonden, bleef staan; en bovendien werden enkel de 
bovenste bladeren aldus afgesneden; — dien ten gevolge kwamen looze 
spruiten te voorschijn , en w^ bevonden ook , dat de geledingen , waar 
dus de bladeren afgesneden waren, korter bleven dan de overige. 

W^* hebben gelegenheid gehad om ook looze stengels onder andere 
omstandigheden waar te nemen, waarvan de uitwerkselen zich laten 
verklaren door de redenen, die wg reeds vroeger uiteen hebben gezet. 
Als de bovenste bladeren der 'rietstengels, in plaats van zich vr\j en ge- 
lijkmatig te ontwikkelen, uithoofde van verschil in hunne ontwikke- 
ling in elkander groeijen, of ook als men ze opzettelijk vastgebonden 



Digitized by 



Google 



mogt hebben, omdat ze somwijlen ware geledingen vormden, dan kan 
men de bladeren, en evenzoo den eindknop, aüsnijden; in ieder ge- 
val wordt de groei er door belemmerd, en komen er looze spruiten te 
voorsch^'n. 

II. Al de byzonderheden , die wy hierboven hebben medegedeeld , zyn 
slechts te beschouwen als eerstelingen van eene reeks gegevens, die w^ 
ons hopen te verschaffen door nader in het werk te stellen onderzoekin- 
gen , waarvan men het gewigt zal kunnen beoordeelen naar de volledige 
bijjzonderheden , die wij aangaande sommigen dier proefnemingen hier 
zullen laten volgen. Het eerste punt, waaromtrent wij ons zekerheid tracht- 
ten te verschaffen, is geweest, in hoeverre de zelfstandigheden , waaruit 
de aarde was zamengesteld waarmede de bak was gevuld, onmisbaar z\jn 
om de verschijnselen van het planten bij w^ze van loten-planten te weeg 
brengen. Tot dat einde sneden wij eerst van het lid van den stengel, zoo 
ver als dat in den bak zou zitten, met een pennemes al de deelen af, 
die wortels konden voortbrengen, en vervolgens gingen wij volkomen 
als bij de vroegere proefnemingen te werk. In weerwil dat er niet één 
wortel ontsproot, kwamen toch de looze spruiten te voorschyn: dit is 
dus een bewi[js, dat het ontstaan van looze spruiten niet noodwendig 
onvermijdel^k moet worden voorafgegaan door de vorming van wortels 
aan het stengellid. Bij andere proe&emingen , in plaats van aarde in de 
bakken te plaatsen, vulden wij die met puimsteen, en wikkelden ook 
het riet in wol : in beide die gevallen kwamen er looze spruiten te voor- 
schijn, alleen door [middel van de vochtigheid, die door herhaalde be- 
sproeijing in de bakken onderhouden werd. — Maar al is het voor het 
ontstaan van looze spruiten, en van die, welke uit de in den bak be- 
slotene aarde te voorschyn komen, geen vereischte, dat zich eerst wor- 
tels vormen, en ook niet streng noodig, dat die organen, wanneer ze 
te voorschyn komen, zich bevinden in eenen grond, voorzien van andere 
voedende stoffen dan water, geheel anders is het geval wat de latere 
ontwikkeling van die spruiten, en vooral den groei van den rietstok 
zelven betreft. Dan zijn de voedende stoffen , welke de in den bak bevatte 
aarde kan verschaffen, een onmisbaar vereischte. En daareven melding 
gemaakt hebbende van den groei van den rietstok zelven, komt het ons 
niet ongeschikt voor, hier reeds een feit aan te stippen, dat wij later 



Digitized by 



Google 



294 



nader hopen toe te lichten. Het riet, waarvan wij ons tot het in het werk 
stellen van onze proefiiemingen bedienden , behoorde tot eenen akker, 
die beplant was in de maand Mei, en b^'na al het riet op dien akker 
begon te bloe^'en in de naastvolgende maand December; de rietstoel, 
door ons uitgekozen, was niet gaan bloe^'en; onze proe&emingen be- 
gonnen in de maand Jnn^, dat wil zeggen, op een rietstok van drie 
maanden; — zoodra w^ onze proefneming hadden aangevangen, sne- 
den wi|j al de stengels van den rietstoel af, behalve den voornaamste; 
wij bedekten de moederstek volkomen met mest, en tijdens den gan- 
schen duur van hare ontwikkeling besproeiden w^ haar menigvuldig: 
deze moederstek bragt verscheidene tweede-snee-stengels voort , die zich 
allen tot eene buitengewone grootte ontwikkelden, in allen opzigte het 
beeld vertoonden van den weelderigsten groei, dien men zich kanvoor- 
stellen, en het kenmerk droegen, dat alle omstandigheden ten gunstigste 
hadden zamengewerkt, om hunne ontwikkeling te bevorderen: al die 
stengels begonnen te bloeijen in de daarop volgende maand Januarij, 
terwijl de hoofdstengel, waarmede w^ de proef namen, in plaats van 
in bloei te loopen, voortging te groeijjen, en reeds in de maand April 
twee en tachtig zigtbare geledingen droeg, welk getal later opklom tot 
honderd en v^f , toen die stengel echter door eene ongelukkige toevallig- 
heid tot verdorring overging. Deze aanhoudende ontwikkeling, ten ge- 
volge van eene overvloedige voeding, zal ons ten gi^ondslag dienen, 
om eenige b^zonderheden van het bloeigen te bespreken. Ook zullen 
wij hier nog een ander feit aanstippen, dat wy verklaard hebben: de 
spruit leeft ten koste van den hoofdstam; maar wederkeerig, vooral 
wanneer zij zich ontwikkelt, ondersteunt z^ in hooge mate den stam, 
die haar heeft voortgebragt : er bestaat een wederkeerig en naauw ver- 
band tusschen de beide organen. 

Zoodra de looze of boven den grond ontstane spruiten van den hoofd- 
stam, en de spruiten, die uit den bak te voorschijn gekomen waren, 
zich ontwikkeld hadden, oordeelden w\j het geraden op nieuw loten te 
planten, waartoe wij ons bedienden van blikken potten, opzettelijk 
daartoe ingerigt; — bij deze gelegenheid erlangden wij de zelfde ver- 
schijnselen als den eersten keer. Wat de grootte der stengels aangaat, 
zullen wij hierbij voegen, dat van twee spruiten, die uit den bak 



Digitized by 



Google 



295 



voortkwamen, de eene 51 en de andere 45 geledingen telde; een der 
looze spraiten, die aan de riet-loot te voorsch^n kwamen, telde 34 
geledingen. 

Zoodra wij deze proefnemingen zoo lang zullen hebben voortgezet 
als noodig is, by elke nieuwe proef de voedingstoffen wijzigende , waar- 
mede de aarde in den bak is vermengd, zullen wij, uit de verkregene 
resultaten, de belau^ykheid van deze proefnemingen op hare juiste v 
waarde kunnen schatten. 



Digitized by 



Google 



)£N, DIE VEBBIGT MOETEN 
WOEDEN NA HET XAFFEN. 



Stroo. — Nadat het riet gekapt is om overgebragt te worden naar 
de plaatsen, waar de sappen er uitgetrokken en verwerkt moeten wor- 
den, bl^'ft de akker, vooral b\) najaars-plantsoenen, die tot hunnen 
vollen wasdom gekomen z^'n, overdekt met stroo, bestaande uit ver- 
droogde bladeren , die van zelfs van de netplanten a%evallen zyn , uit 
de bladeren, die afvallen b^' het kappen, deels ook uit riettoppen, 
en eindelgk hier en daar een overgeslagen of onbruikbaar geachten 
rietstoel. 

De ophooping van dat stroo , die wel is waar eenige voordeelen aan- 
biedt, levert echter ook ernstige nadeelen op; zoodat men met het 
noodige overleg te werk dient te gaan, om van die voordeelen partij 
te trekken en die nadeelen te vermeden. 

Zien wg de voordeelen , welke deze ophooping van bladeren ons aan- 
biedt: lo, Zg onderhoudt in den grond eene zekere mate van vochtig- 
heid , die ten zeerste dienstig is voor de ontwikkeling der planten , door- 
dien z^ niet alleen de spoedige verdamping belet, die door de zonne- 
warmte wordt bewerkt, maar ook die, welke te weeg gebragt wordt 
door de luohtspelingen. — 2o. Z^' belet tot zekeren graad het tusschen 
het riet groe^'en van onkruid, dat zich meester zou maken van de voe- 
dingstoffen, welke de rietplanten uit den grond kunnen trekken en noo- 
dig hebben. — 3o. Door hunne ontbinding verschaffen ze eene rijjke 
mest, de afval-mest, waarvan w^ de eigenschappen uitvoerig hebben 
besproken. 

De nadeelen, die aan eene groote ophooping van rietstroo z^'n ver- 
bonden , zijn de volgende : lo. Even als daardoor het groegen van alle 



Digitized by 



Google 



297 



onkruid en schadelgk plantgewas wordt belet , wordt er ook de vrjjë 
en behoorlgke ontwikkeling door belemmerd Tan de jonge rietsproiten , 
die nitloopen uit den afgekapten ondergrcmds-stam der moederstek. — 
2o. Doordien zij de verdamping der voebtigheid aanmerkelQk Termindert, 
brengt zy te weeg , dat het water aanwezig bl\jft in de lage gronden , 
die uit bannen aard geneigd z^n om eene groote hoeveelheid vocht in 
zich terug te houden > welke schadelijk is voor het leven der planten. 
Die vochtigheid, gepaard met het gebrek aan warmte, doordien de zonne- 
stralen niet zoo ver doordringen , is tevens een beletsel voor de natuur- 
lijke ontwikkeling der rietplant — do. Doordien de lucht niet tot den 
grond doordringt en hem doortrekt , kan de aarde niet den wddadigen 
invloed daarvan deelachtig worden, en hebben ook de in den grond 
aanwezige waterdeelen geen gelegenheid om de lucht op te slurpen en 
haar aan de wortels mede te deelen. — 4o. In sommige gevallen levert 
dit stroo misschien eene hoeveelheid schadel^ke afval^mest. — 5o. Ein- 
del^lc verschaft het eene schuilplaats en levensonderhoud aan gedierte, 
dat schadeliijk is voor de rietplant. 

De eenvoudige opsomming van al deze voor- en nadeelen geeft ons 
reeds de overtuiging , hoe omzigtig wij te werk moeten gaan om te 
trachten , door welke w^ze van bewerking dan ook , de juiste hoeveel- 
heid stroo te erlangen, die ons de bovenvermelde voordeelen oplevert, 
terwigl zg ons vi^'waart tegen de opgenoemde nadeelen. 

Een der ernstigste nadeelen, welke uit de ophooping van deze plant- 
aardige overblyïselen voortvloeyen, is dit, dat daardoor de ontwikkeling 
der spruiten wordt belemmerd , een bezwaar , dat zich doet gevoelen 
op alle soorten van gronden. De bewerking, die verrigt wordt om het 
bezwaar, waardoor de ontwikkeling der rietplant belet wordt, uit den 
weg te ruimen, bestaat in het verwy deren van het stroo, hetgeen zeg- 
gen wil, dat men het rondom de moederstek moet wegnemen, opdat 
deze, niet meer daardoor belemmerd wordende, gemakkelgk nieuwe 
spruiten zou kunnen voortbrengen , en in geval die reeds te voorsch^n 
gekomen mogten zijn, dat ze zich dan in de voor hare ontwikkeling 
gunstigste omstandigheden bevinden. De meeste planters volbrengen deze 
bewerking , wanneer ze den akker beginnen te kappen , dat wil zeggen , 
als de tyd der droogte geëindigd is en de regentyd aanvangt ; maar wij 



Digitized by 



Google 



298 



z^n van oordeel, dat men niet zoo lang behoort te wachten, om de 
planten in het genot te stellen ran den weldadigen invloed , dien Qien 
haar deelachtig wenscht te maken. Als niet de gansche slavenmagt in 
den molen noodig is, zou bet, zoodra er eenige dagen na het kappen 
van het riet zy n verloopen , vooral wanneer er piasregens vallen , die 
eenen spoedigen groei doen verwachten, zeer nuttig zijn, een begin te 
maken met het verw^deren van het stroo, om zoodoende de spruiten 
in het genot te stellen van den weldadigen invloed van lucht, licht en 
warmte. Z^n de spruiten eenmaal eenigermate ontwikkeld, dan oordeelen 
sommige landbouwers het nuttig het stroo op nieuw op te hoopen, om 
den stam van den rietstoel heen, ten einde zoodoende meer voch- 
tigheid in den grond te onderhouden, de verdamping van het water te 
keeren, enz. 

De tweede bewerking , die , vooral op laagliggende gronden , met in 
het oog loopend voordeel verrigt wordt , om een gedeelte van het stroo 
te verw^deren, bestaat in het afbranden van den riet^kker. Voorheen 
werden de akkers, zooals wij weten, zeer dikwijls afgebrand; maar 
tegenwoordig z^n er nog maar weinig planters, die dat gebruik aange- 
houden hebben , ofsehoon het in sommige omstandigheden ontegenzegge- 
lijk de voordeden oplevert, die wij er van verwachten. 

Volgens het gevoelen van sommige praktische mannen, moet het af- 
branden van de akkers alleen dan plaats hebben , wanneer de grond zeer 
vochtig is. Na eenen sterken piasregen, wanneer die des nachts is ge- 
vallen, moet men den volgenden avond, als de oppervlakte van den 
akker gedeeltel^k weder van het water bevryd is, het stroo in brand 
steken met het doel, om het half te laten afbranden; want alleen het 
bovenste gedeelte er van kan door het vuur verteerd worden, terwijl 
het onderste gedeelte uithoofde van de vochtigheid geen vuur vat, en 
ook reeds half verrot is. — Door deze zoo eenvoudige bewerking wordt 
de akker bevrijd van de ontzaggelijke vracht, die er op drukte, en 
worden enkel de nog levende plantaardige zelfstandigheden gevrywaard 
tegen eene ontbinding, die bespoedigd wordt door de verandering, er 
op te weeg gebragt door de hitte en door de aanraking met de oplos- 
singen der in de asch aanwezige oplosbare zouten. — Die zel&tandig- 
heden , vermengd met de asch , welige door het verbranden van een 



Digitized by 



Google 



290 



gedeelte Tan het stroo voortkomt, vormen eene mestspecie, die den 
heilzaamsten invloed uitoefent op de ontwikkeling der spruiten* 

Het afbranden moet dus niet gescldeden op oude akkers, die niet 
met stroo bedekt zijn. Wij aditen het nuttig bierb^ te voegen, dat het 
in de door ons aangeduide gevallen nuttig is het afbranden te doen 
plaats hebben dadel^k na het kappen van het riet; want anders zou- 
den de jonge spruiten nadeel l^en door de werking van het vuur. 

Op zeer drooge gronden in het algemeen moet het afbranden van 
de riet-akkers niet te dikwijls worden toegepast; want op zulke gronden 
is de aanwezigheid van het stroo , en van de overblijfselen der ontbin- 
ding daarvan, in hooge mate nuttig. Alleen wanneer men schadel^k 
gedierte verdelgen moet, is het afbranden op drooge gronden aan te 
raden, wel te verstaan, dat men er dan geen der vereisebten b^ uit 
het oog moet verliezen , die noodig z^n om er zoodanig resultaat door 
te verkrijgen, als wij er mede beoogen. 

Over het algemeen is er op oude akkers zeer weinig stroo , doordien 
het riet zich daar sleehts kw^'nend ontwikkelt; zoodat het dan ook op 
zulke akkers niet noodig is, een gedeelte van het stroo te verbranden. 
Op de oude akkers, die oogenschijnlyk in goeden staat verkeeren, 
gebeurt het dikwyls , en wij ^ hebben dat meer dan eens bygewoond , 
dat , als men ze na het kappen van den oogst afbrandt , er geen enkele 
spruit meer te voorschijn komt , zoodat de akker dan noodwendig ge- 
rooid worden moet. Als men dan die moederstekken in oogenschouw 
neemt, bevindt men , dat ze allen boven de oppervlakte van den grond, 
of althans nagenoeg daarmede gelijk liggen , zoodat hare knoppen ge- 
dood zyn door het vuur. Oude en niet goed onderhoudene .riet-akkers 
moeten niet worden af gebrand. Bij de derde of vierde snede zou het 
misschien in sommige gevallen goed zyn de riet-akkers af te branden , 
ten einde zoodoende te weten te komen, waaraan men zich, wat den 
staat der moederstekken betreft, te houden heeft. Op die w^ze zou men 
met vrucht groote inboetingen kunnen bewerkstelligen. — Bij het af- 
branden van eenen riet-akker worden er wakers of schildwachten uit- 
gezet op de a&cheidings-paden, om te zorgen, dat het vuur zich niet 
verspreide, en tevens worden eenige lieden met de taak belast om 
toe te zien, dat de vlammen niet al te lang aanhoudend op één 



Digitized by 



Google 



soo 



punt blijven voeden, dat er geen moederstekken verbranden, enz. 

Een der verrigtingen , die ze^ veel voordeel bmnen aanbrengen na 
bet afbranden van eenen riet-akk^, bestaat hierin, dat de grond, die 
tusschen de riet-r^en ligt, goed worde omgeploegd; en bi|j bet vierrigten 
van deze bewerking moet men die zoo besturen, dat de aarde, die 
door den ploeg wordt opgeworpen, juist geworpen worde ov^ de moe- 
derstekken , die van het gekapte riet in den grond zyn blgven zitten. 
Geeft men zich de moeite, alvorens dezen arbeid aan te vangen, de 
moederstek met een weinig mest te bedekken , dan zullen de vo<ndeelen 
nog grooter z^n, die men verkrygt door ze vervolgens te bedekken 
met aarde, evenals het ook zeer veel voordeel zou opleveren eene of 
andere vruchtbaarmakende specie in de geopende groeve te brengen, 
alvorens die te vullen met de aarde, welke opgedolven wordt uit de 
groeve , die vlak daarnaast wordt getrokken. — Wy zyn in de gelden- 
heid geweest dit te bewerkstelligen met het beste gevolg, en kunnen 
de verzekering geven, dat de daardoor verkregene voordeelen inderdaad 
belangrijk waren. Ook is het zeer nuttig den akker , na hem dus her- 
ploegd te hebben, goed te besproeijen; zoodoende trekt men beter 
voordeel van de alkaliën, doordien deze dan gelegenheid hebben om 
zich beter op te lossen. 

De slotsom van het vorenstaande is deze: het afbranden van de ge- 
kapte riet-akkers verschaft aanmerkd^ke voordeelen, daar het de jonge 
planten bevrijdt van den schadel^ken invloed van het stroo, schadel^k 
gedierte vernietigt, eenigermate physiek op den akker werkt, den grond 
verrykt met oplosbare alkaliën , enz. ; maar men moet nimmer plaats 
geven aan. het verderfelijke dwaalbegrip, dat zoodanige bewerking, aan- 
houdend en zonder aanzien van omstandigheden toegepast, een goed 
stelsel van cultuur zal opleveren. — Het is nuttig, gedurende eenen 
zekeren tijd en in eene zekere mate; maar het verrekt den grond geens- 
zins met nieuwe voedingstoffen; het geeft hem enkel zijne eigene zelf- 
standigheden terug, waarvan het de opslurping misschien bespoedigt en 
gemakkelijk maakt. Wat wij hier zeggen is zoo zeker, dat juist op goed 
bemeste akkers, op zeer vruchtbare gronden, bij welig groeijende plant- 
soenen , de voordeelen van het afbranden van de riet-akkers het grootst 
zijn; daar vooral verschaften zij aan den grond oplosbare alkaliën, die 



Digitized by 



Google 



301 



dadel^k opgeslurpt kunnen worden, die de groeikraeht opwekken, de 
krachtige ontwikkeling van de netplanten bevorderen, en hare sappen 
zuiverder en njjker aan suikergehalte maken. — Maar men moet niet 
nit het oog verliezen, dat deze opwekking en verdere uitwerkselen wor- 
den te weeg gebragt door middel van de eigene zel&tandigheden van 
den grond; na verloop van eenigen tijd zullen die uitwerkselen nood- 
wendig verminderen, en de grond zal in eenen staat van uitgeputheid 
beginnen te verkeeren. Om zich al de voordeelen van deze bewerking 
te verzekeren, is het noodig haar te doen zamengaan met de overige 
middelen ter verbetering van den grond, dat wil zeggen^ met de 
aanwending van mestspeciën, correctiven, besproeijing , herploeging, 
enz., enz. 

De gunstige gevolgen, die men opmerkt na het afbranden vaneenen 
riet-akker, die in goeden staat verkeert, toonen ten duidel^kste aan, welk 
eene gewigtige rol de alkaliën vervullen met betrekking tot den groei 
Tan de suikerrietplant , op welk punt w^ zoo herhaaldelyk de aandacht 
hebben gevestigd. — Een riet-akker, die in gunstige omstandigheden 
afgebrand wprdt, kan het volgende jaar meer opbrengen en sappen le- 
veren, die gemakkelgker te bewaken zijn. 

Eene andere op het stroo betrekking hebbende bewerking, die b^' vele 
suikerplanters in andere landen zeer gewild is, bestaat hierin, dat het 
stroo wordt begraven in de groeven, die aan weerszijden of in het mid- 
den van de rietryën worden geopend. Indien het alt^'d mogel^k ware 
deze bewerking te volbrengen, en indien z^ tevens onder alle omstan- 
dlghed^ de bijzondere voordeelen opleverde, hier door ons opgenoemd , 
zonden de blad-organen bij het overgaan tot ontbinding eene groote 
hoeveelheid afval-mest leveren, die, zooals ieder weet, een der mest- 
spedën is, welke voor de ontwikkeling der netplant het meest dienstig 
z^n; behalve dat, zou de plaatselijke verhouding, waarin deze mest tot 
de moederstek zoude staan, van eenigen invloed ^n op de ontwikkeling 
der plant door de aantrekking, welke zij uitoefent op de wortels , die zoo- 
doende sterker groeien, eene grootere uitgestrektheid gronds doorloo- 
pen, en uithoofde van deze beide oorzaken eene grootere hoeveelheid 
voedende stoffen opslurpen zouden, dan ze onder andere omstandigheden 
aan het planten-organismus zouden mededeelen. Bovendien zou het dus 



Digitized by 



Google 



soa 



begraven van het stroo ook het voordeel opleveren, dat de riet-akkers 
gemakkelijker herploegd zonden knnnén worden , daar het stroo aUdan 
den ploeg niet belemmeren zou in z^n geregelden loop. Ware zaUa 
noodig, dan konde men, alvorens het stroo in de groeve te brengen, 
den bodem of vloer der groeve losmaken met behulp van den onder- 
grondsploeg. — Aangaande dit punt hebben w^ uitvoeriger en ai^bende 
ophelderingen medegedeeld bg het bespreken van het cultuurstelsel, 
voorgeslagen door Wray. — De ondervinding heeft ons geleerd, dat 
van het stroo alleenlijk voordeel is te trekken door het te verbranden, 
er composten van te maken, of het op den akker te laten liggen by wyae 
van over den grond gespreide mestspecie. — Het in den grond te be- 
graven kan slechts in enkele bepaalde gevallen nuttig z^n. Dit is, na 
^^p onderzoek en veeljarige ondervinding, ons bepaald gevoelen aangaande 
dit punt. 

iNBOinNQSN. — De bewerking, waarover wij thans gaan spreken, 
wordt verrigt in twee verschillende gevallen. In het eerste geval wordt 
die in toepassing gebragt, wanneer, nadat er geplant is , d$ in den grond 
gebragte stekken niet allen gelykmatig opkomen : dan worden er, op al 
de plaatsen waar zulks noodig blijkt te wezen, op nieuw rietstekken 
geplant. In het andere geval heeft het inboeten ten doel, om de moe* 
derstekken, die vanjaar tot jaar op de riet-akkera sterven, door andere 
te vervangen. Wat het eerste geval betreft, is het nut van zoodanige 
bewerking zoo handtastel^k , dat w^ het als overbodig kunnen beschou- 
wen in het breede uit te weiden over de doelmatigheid daiarvan, en over 
de kenmerkende b^'zonderheden van de plantsoenen, waarin zulks ve^ 
eischt wordt. — Niet alzoo is het met het tweede geval gesteld ; daa^ 
omtrent achten wij het dienstig hier in eenige beschouwingen te treden. 

Wanneer een riet-akker z^ne moederstekken begint te verliezen, wan- 
neer h^ begint te verarmen of uit te sterven, worden daardoor de kos- 
ten, die op de suiker-voortbrenging loopen, in gel^ke mate grooter; 
want gesteld zelfs het gunstigste geval, dat de nog in leven blijvende 
moederstekken krachtvolle en welige rietstoelen voortbrengen met fraaye 
en rijk aan suikergehalte zynde stengels, dan toch erlangt men alleen 
de opbrengst van dezen, als loon voor al den arbeid, die besteed is 



Digitized by 



Google 



SOS 



aan de cultuur , het kappen , het van den akker weghalen , het malen 
en verwerken , enz. , moetende dus enkel uit die opbrengst de interest 
en aflossing worden goedgedaan van het in de onderneming gebezigde 
kapitaal; daar nu de kosten van voortbrenging niet aanmerkelijk min- 
der zijn is het zonneklaar, dat de zuivere winst, die van eenen aan 
moederstekken verarmden riet-akker overblijft, veel geringer zal zijn, 
dan die, welke verkregen wordt van een goed gevuld staande plant- 
soen. De redenen, die wij thans gaan ontwikkelen, zullen toereikend 
zijn, om de juistheid van het bóven-aangevoerde duidelijk te doen uit- 
komen. 

In de allereerste plaats het wieden of weghakken van onkruid*gewas. 
W^' zullen ondervinden , dat dit op verarmende akkers veel moeyelyker 
is, en veelvuldiger herhaald moet worden; want het onkruid heeft meer 
plaats en gelegenheid om te groeijen en zich te verspreiden, waaruit 
onvermijdelyk volgt, dat er meer tyd toe noodig zal zyn het weg te 
hakken en te ver?rijderen; het welig opschietende onkruid werpt overal 
rondom zich zaad, en de akker wordt zoodoende een echten kweek- 
grond voor onkruid. — Bij het kappen van het riet kappen de arbei- 
ders in een gegeven tijdsbestek meer stokken, wanneer het plantsoen 
goed-gevuld , dan wanneer het êchradl staat , enz. Daar er overigens nood- 
wendig steeds moet gewied worden op geililikmatige wijze , dit wil zeggen , 
ook op die punten van den akker, waar geen netplanten opgekomen 
zijn 9 begrijpt men ligtelijjk, dat deze arbeid, die dus niet regtstreeks 
wordt geloond door den grond zelven, waarop hij volbragt wordt, 
betaald moet worden uit de opbrengst van het overige gedeelte van den 
akker. 

De opgenoemde nadeelen hebben de planters op het denkbeeld ge* 
bragt, om de dus ontstane ledige vakken of kale plaatsen door middel 
van nieuwe beplanting aan te vullen, welk op-nieuw-planten, dat den 
naam draagt van „ inboeten " , moet geschieden met het noodige over- 
leg, ten einde er het meestmogelijke voordeel van te erlangen. Immers, 
indien men, zoodra een akker z^ne moederstekken begon te verliezen, 
er dadel^k toe overging jaarlijks naar behooren in te boeten, is het 
zonneklaar, dat men na verloop van ettelijke jaren al de oude moeder- 
stekken van het oorspronkelijke plantsoen zou hebben vervangen door 



Digitized by 



Google 



304 



nieuwe, zoodat de akker b^ slot van rekening zon herschapen z^n in 
een grond, die, zonder bevorens te z^ gerndgemaakt ^ beplant was met 
behulp van spade of pootstok; want de meesten bedienen zich b^ het 
inboeten van een dezer twee stukken gereedschap , welke gewoonte zoo 
te regt door alle verstandige planters wordt afgekeurd. Deze methode van 
aanhoudende, uitgebreide en lastige inboetingen levert belangrijke nadeelen 
op, uithoofde van de ongelijkmatigheid in den wasdom der plantsoen^ 
op het t^dstip , waarop ze gekapt moeten worden. Bovendien bleven de 
moederstekken minder lang goed, schieten weinig spruiten, ontwikkelen 
zich slechts karig, terw^l eindelgk de herstelling van den akker een 
ongemeen kostbaren arbeid noodzakelgk maakt, want , zooals wijj gezegd 
hebben, na verloop van eenige jaren zal hij geheel en al beplant z\JQ 
met de spade. 

In dezen toestand verkeeren die riet-akkers , die sommige planters u 
laten zien als reeds veertig of nog meer jaren geduurd te hebben ; op 
zulke akkers is geen enkele moederstek meer te vinden van die, waar- 
mede ze aanvankel^k beplant z^n geweest. Deze akkers doen ons on- 
willekeurig denken aan het vermaarde schip van Theseus , waaraan zoo 
aanhoudend gekalefiaat werd, dat er op het laatst geen stulge van het 
oorspronkel^'ke sch^ meer aan te bekennen was. Deze daadzaak levert 
het bewijs, dat vele gronden uit hunnen aard zoo zeer geschikt zijjn 
voor de teelt van suikerriet, dat ze zelfs in eenen niet-gereedgemaaktmi 
toestand b^* voortduring eenen goeden oogst opleveren. — Ten einde te 
zorgen , dat onze riet-akkers niet herschapen worden in pUuUeoenen^ ui 
eenen niet-gereedgemaahten grond ^ raden w^* bepaaldelijk aanteekening te 
houden, welk gedeelte van den akker jaarlijks wordt ingeboet, waar* 
toe men niets anders behoeft te doen dan op te schrijven, welke hoe- 
veelheid plantriet jaarlijks ter inboeting gebruikt wordt. 

Overeenkomstig de bovenstaande denkbeelden zullen wij zeggen, dat 
men , om de inboetingen naar behooren te bewerkstelligen , acht di^t 
te geven : lo. op de vraag , gedurende hoeveel jaren men met inboeten 
kan voortgaan ; en 2o. op de vraag , wanneer zulks te bewericstelligen 
op de meest doelmatige w^ze. — Om het eerste punt tot klaarheid te 
brengen, moet men beginnen met juist na te gaan hoe lang, in de loei- 
liteit waar de ^ akker gelegen is, onder gunstige en gewone omstandige 



Digitized by 



Google 



S05 



heden , een riet-akker blijft voortgaan een behoorleken oogst op te leve- 
ren , zonder dat men behoeft in te boeten, en daarbjj tevens op te 
merken, in welke mate de opbrengst van den oogst van jaar tot jaar 
vermindert. Door deze gegevens voorgelicht, zal men de inboetingen 
kunnen bewerkstelligen op eene verstandige wijze en naanwkeurig kun- 
nen bepalen wanneer het zaak wordt den akker te rooijen, hem om te 
ploegen en op nieuw te beplanten. 

Het tweede punt, dat men niet uit het oog moet verliezen, is de 
vraag: wat zijn de geschiktste tijdstippen om het inboeten te bewerk- 
stelligen? zijnde dit een punt van het hoogste gewigt, dat echter over 
het algemeen weinig in acht wordt genomen. Om van het inboeten de 
gewenschte resultaten te erlangen, moet daarbij te werk worden gegaan 
op de volgende wyze : als het plantsoen gekapt wordt, stelt men te 
geligk eene kleine ploeg inboeiers aan, zamengesteld uit verstandige en 
stevige arbeiders, die de doode moederstekken uit den grond verwijde- 
ren en een behoorlijk rietgat daarvoor in de plaats maken; de karren, 
die het riet naar de fabriek brengen, keeren op den akker terug met 
mest beladen, welke mest vervolgens in de nieuwe rietgaten gebragt 
wordt, die aangewezen zijn door de bij wijze van merkteeken daarbij 
in den grond gestokene stokken. Op den riétakker zelven is eene kleine 
plek uitgekozen, die het noodige plantriet bevat, zoodat men dit niet 
later op den akker behoeft aan te voeren. Zoodra er nu een goede regen 
valt, keeren de inboeters naar den akker terug, snijden het plantriet 
op de behoorlijke maat aan stukken, plaatsen die in de van mest voor- 
ziene rietgaten, en bedekken ze vervolgens met aarde. Op die wijze zul- 
len er uit de knoppen, welke ontkiemen, spruiten voortkomen, die zich 
tot stengels zullen ontwikkelen, gelijkelijk met de spruiten der moeder- 
stekken, die van het gekapte riet in den grond zyn blijven zitten; — 
op laagUggende en geen behoorlgke waterlozing hebbende gronden, zal 
men zich by het kappen van het riet somwylen ter inboeting moeten 
bedienen van toppen, die men in den grond brengt met behulp van de 
spade of den pootstok. — Ongelukkigerwijze is dit niet de methode, 
die op de meeste plantaadjen gevolgd wordt, waar men pas begint in 
te boeten, nadat de ingezamelde oogst vermalen is. De van zoodanige 
inboetingen voortkomende rietstokken ontwikkelen zich slecht, daar ze 

30 



Digitized by 



Google 



306 



door de alsdan reeds opgegroeide spruiten beroofd worden van het 
licht en de warmte, die ze noodig hebben om zich behoorlijk te kun- 
nen ontwikkelen; bovendien hebben ze, om tot hunnen wasdom te ko- 
men, een korter tijdsbestek ter hunner beschikking, zoodat ze, op het 
tijdstip waarop ze gekapt worden, slechts weinig produkt opleveren, 
terwijl hun sap, met dat van het overige riet vermengd, eene belem- 
mering veroorzaakt in de behoorlijke verwerking; en overigens, door- 
dien deze rietstokken gekapt worden eer ze den graad van volkomene 
rijpheid bereikt hebben, gaan daarmede al de nadeelen gepaard, welke 
men ondervindt als men riet kapt, dat niet tot zijne volle rapheid is 
gekomen. Wel hebben velen getracht die nadeelen althans gedeeltelyk af 
te wenden, door het riet op de ingeboete plaatsen te laten staan, en 
het pas te kappen bij de volgende snede; doch behalve dat het zeer 
moeijelijk is die rietstoelen ongekapt te laten staan, terwyl de andere 
gekapt worden, en ook ze te vrijwaren tegen beschadiging door de kar- 
ren en trek-ossen, vervalt men dan in de nadeelen, die gepaard gaan 
met eene vertraagde inzameling, verhoogd door al de bezwaren, welke 
aan de ontwikkeling van een ongelijktydig plantsoen zijn verbonden. — 
Waar deze methode uitvoerbaar is, houden wij die echter voor minder 
nadeelig, dan de vooijaars-inboetingen te kappen reeds bg de eerstvol- 
gende snede. Onder den naam van najaars'inhoetingen verstaat men die, 
welke bewerkstelligd worden in de maand October, eer het plantsoen 
gekapt wordt. Deze inboetingen hebben dit vódr, dat ze over een lan- 
ger tijdsbestek te beschikken hebben om zich te ontwikkelen; maar 
daarentegen hebben ze dit in haar nadeel, dat men by het kappen van 
het plantsoen bijzonder zorg te dragen heeft, dat de jonge spruiten niet 
door de ossen en karren worden beschadigd. Heeft men groote inboe- 
tingen te doen in plantsoenen , die gekapt moeten worden op het tydstip 
der eerstvolgende snede, dan dient men die inboetingen vooruit te be- 
werkstelligen, ten einde de nadeelen te vermgden, welke gepaard gaan 
met de voorjaars-inboetingen, die, ofschoon "plaats hebbende te gelijk 
met het kappen van het plantsoen, altijd in ongunstige omstandigheden 
blijven verkeeren, en niet tot een voldoenden graad van wasdom komen, 
ora met voordeel gekapt te worden gelyktijdig met het overige plantsoen. 
Een goed stelsel van inboeten moet strekken niet alleen ora de moe- 



Digitized by 



Google 



807 



derstekken, die, gedurende den groei der bevorens gekapt geweest zynde 
rietstokken, op den akker gestorven z^n , door andere te vervangen, maar 
ook om de ledige plaatsen te vullen van die moederstekken, die na de 
laatste snede gestorven zyn. — Om deze methode van inboeting te vol- 
gen , dient men , alvorens met het kappen van het riet aan te vangen , 
eeH merkteeken te plaatsen bij al de kale plekken, die dadelyk na de 
op dien akker bewerkstelb'gde snede, of althans b\j de eerste gunstige 
gelegenheid, zullen worden ingeboet; later, als het geheele plantsoen 
opgekomen is, gaat men den akker nog eens naauwlettend na, en wor- 
den de alsnog bevondene kale plekken op nieuw ingeboet. — Men kan 
het inboeten ook geheel en al uitstellen, totdat het jonge plantsoen 
opgekomen is; dan wordt er ingeboet in eens af, niet alleen de kale 
plekken, die het reeds vroeger noodig hadden, maar ook die, waar de 
moederstekken gestorven en derhalve geen jonge spruiten opgekomen 
zyn. Wij moeten echter doen opmerken, dat men nimmer de b^'zonder- 
heden uit het oog moet verliezen, die afhankelijk zyn van de omstan- 
digheden , waarin iedere jonge spruit zich bevinden zal in verhouding tot 
de overigen en tot den tijd, dien zij noodig heeft om zoodanigen graad 
van wasdom te bereiken, dat de stengels, die zy voortbrengt, behoor- 
lijk «mtwikkeld zyn. 

Wij hebben elders de oorzaken nagegaan , die de verarming der 
rietmakkers te weeg brengen; by gevolg, wanneer men daarop let, zal 
men tot zekere grens het bestaan der riet-akkers kunnen doen voortdu- 
ren , en zoodoende eenigermate het inboeten vermijden. Behalve de al- 
gemeene oorzaken, die wig daar hebben opgegeven, zijn er nog andere 
b^zondere omstandigheden, waardoor veroorzaakt en verklaard wordt, 
dat enkele moederstekken sterven te midden van andere, die bligven 
leven en zich welig ontwikkelen : op sommige plaatsen heeft zich stil- 
staand water opgehoopt; misschien is de grond minder vruchtbaar; mis- 
schien is een der physieke eigenschappen van den grond slechts gebrekkig 
of in het geheel niet aanwezig, enz.; in. al dergelijke gevallen is het, 
om herhaalde inboetingen te voorkomen, noodig, dat men die nadeelige 
invloeden doe verdwijnen. Een der oorzaken, die het meest de sterfte, 
of althans eene belemmering in den groei der moederstekken te weeg 
brengt, is, dat ze met te weinig aarde bedekt z^n, zoodat de spruiten 



Digitized by 



Google 



808 



zich niet behoorlijk voeden. Dit nadeel zal men kunnen vermijden, als 
men de moederstekken of ondergronds-stammen , nadat de rietstokken 
gekapt zijn , met aarde overdekt ; maar indien zoodanige bewerking — 
hoe veel voordeel die ook oplevert, zooals wij hebben aangetoond — 
niet volbragt wordt, zal het nuttig zijn na te gaan, welke moederstek- 
ken zich in dien toestand bevinden. Om dit te onderzoeken , is er geen 
beter middel , dan den riet-akker af te branden : iedere moederstek , 
welker knoppen zich met de oppervlakte van den grond gelijk bevin- 
den, sterft, schiet geen spruiten meer, en zoodoende herkent men da- 
delyk de plaatsen , waar op nieuw geplant of ingeboet moet worden. 

Wy zijn overtuigd , dat het inboeten , op geschikte wijze en op niet 
al te ruime schaal volbragt , in hooge mate nuttig is , zoodat , al stem- 
men wij niet in gevoelen overeen met hen, die onder alle omstandig- 
heden en op groote schaal inboeten, wij ook niet de zienswijze goed- 
keuren van die planters , die het nooit doen , maar die , als ze eenmaal 
eenen riet-akker beplant hebben , daarvan aanhoudend blijven oogsten , 
zoo lang zij vermeenen dat de opbrengst den arbeid loont, en die, 
zoodra het aantal in wezen blijvende moederstekken zoo sterk is afge- 
nomen, dat de opbrengst niet langer de kosten goedmaken kan, al de 
nog in leven z^'nde moederstekken roo\jen, den akker op nieuw voor 
de riet-cultuur gereedmaken, en hem dan weder op nieuw beplanten. 

In de bovenstaande regelen hebben wij getracht de inboetingen na te 
gaan, zoo als ze tegenwoordig werkelijk plaats hebben; thans rest ons 
nog eene opmerking daarby te voegen. Zoodra wy by de rietteelt de 
voorschriften van het intensive stelsel volgen en dus aan onze akkers 
eene mindere uitgestrektheid zullen geven, zullen de inboetingen van 
zelfs minder noodig zijn en op veel kleinere schaal in toepassing wor- 
den gebragt; en daar ze zoodoende bewerkstelligd worden onder betere 
omstandigheden en op eene beperktere uitgestrektheid gronds dan onze 
riet-akkers tegenwoordig beslaan , zullen ze misschien met voordeel te 
volbrengen zijn door moederstekken over te planten uit plantsoenen, 
die onder gunstiger omstandigheden verkeeren , welke plantsoenen te 
verkrygen zullen zijn, wanneer men op de resultaten let, die wij heb* 
ben verkregen in onze Proefondervindelijke nasporivgen betreffende den 
groei van het suikerriet 



Digitized by 



Google 



809 



N00DZAK£LIJKH£II) OM D£ RI£T-AKK£BS JAAR AAN JAAR T£ B£T£L£N , 
TEN EINDE ZE LANG IN ZOODANIGEN STAAT TE HOUDEN, DAT ZE EENEN 

RUIMEN OOGST OPLEVEREN (58). — Het punt, dat wij thans gaan be- 
spreken, heeft reeds een onderwerp uitgemaakt van onze vroegere be- 
schouwingen ; en dat wij nogmaals de aandacht daarop willen vestigen , 
is geenszins uit de ijdele zucht om te toonen , dat wij in staat zyn dat 
onderwerp volkomen toe te lichten, door al de betoogredenen, die ten 
voordeele daarvan aan te voeren zijn , voor te dragen uit een ander ge- 
zigtspunt ; maar omdat wij de hoop voeden , dat onze denkbeelden , voor- 
gesteld in eenen anderen vorm, misschien duidelijker en voor iedereen 
bevattelijker zullen worden , en bij gevolg het hooge gewigt , dat wij aan 
dit onderwerp toekennen, beter door iedereen gewaardeerd worden zal. 

Wij zullen kortelyk nog eens de vereischten opsommen, die bij de- 
praktische uitoefening van den landbouw aanwezig moeten zijn om te 
kunnen overgaan tot het planten van suikerriet. 

lo. Het planten van suikerriet 'moet plaats hebben in behoorlijk ge- 
reedgemaakte gronden , overal en altijd waar die gronden geschikt zyn 
om door landbouw-werktuigen te worden bearbeid, waartoe noodigis, 
dat die werktuigen in beweging gebragt kunnen worden, zonder dat 
groote bezwaren daaraan in den weg staan. De behoorlijk gereedge- 
maakte gronden worden beter, doordien ze den vruchtbaarmakenden 
invloed van de dampkringstoestanden ontvangen; ze leveren minder be- 
letselen op voor den onbelemmerden groei der wortels, die, terwijl ze 
zich beter ontwikkelen, ook beter geschikt en in staat zullen zijn om 
al hunne functiën naar behooren te volbrengen , dit wil zeggen , dat ze 
aan de plant een hechteren steun zullen geven dieper in den grond, 
en tevens, doordien ze eene grootere uitgestrektheid gronds doorloopen , 
meer voedingstofien uit den grond zullen trekken, om die aan de plant 
mede te deelen. Het planten in eenen niet bevorens gereedgemaakten 
grond wordt, zeer te regt, over het algemeen afgekeurd, daar de on- 
dervinding geleerd heeft , dat de rietstoelen , die uit eenen niet bevorens 
omgeploegden en ter beteling in goeden staat gebragten grond voort- 
komen , een produkt opleveren , dat in een of ander opzigt niet gelijk 
staat met het produkt van dezulken , die voortkomen uit eenen in allen 
deele behoorlijk toebereiden grond — natuurlijk voor zoo ver daarbij 



Digitized by 



Google 



SlO 



geen omstandigheden van geheel buitengewonen aard in het spel komen. 
AUeenlyk in gronden , die pas van boschgroei ontdaan zijn , en waar de 
tronken der omgehakte boomen het onmogelyk maken zich behoorlijk 
van de landbouw-werktuigen te bedienen , alleenl^k daar zien w^ ons 
verpligt, te planten zonder voorafgaande bewerking van den grond. Geluk- 
kigerwijze zijn in zoodanige gevallen de natunrlijke toestanden van den 
bodem veelal zoo bij uitstek gunstig, dat men het plantriet slechts in 
den grond behoeft te leggen en met een weinig aarde te overdekken, 
om de uitmuntendste resultaten te erlangen; want alsdan groeien de 
planten in eenen weligen grond , die weinig of geen belemmering in 
den weg legt aan de ontwikkeling der wortels, die, door de ongemeene 
vruchtbaarheid van den grond , zonder dat deze eene voorafgaande be- 
werking behoeft, daarin overvloedig de voedingstoffen aantreffen, welke 
ze noodig hebben om de plant te onderhouden, in welker levens-onder- 
houd ze geroepen zijn mede te helpen voorzien (59). Immers, in de 
nieuwe boscligronden is de grond overdekt met eene laag afval-mest, die 
ook ten innigste vermengd is met de aarde en daarmede een mengsel 
vormt , dat de vochtigheid aantrekt en lang in zich terughoudt , terwijl 
het tevens aan de organische stof een zekeren graad van losheid geeft, 
welke de delfstoffelijke bestanddeelen , die de basis van den grond vor- 
men, veelal uit zich zelven niet bezitten. Deze losheid of sponsachtig- 
heid behoudt de grond , niet slechts doordien hy , wel verre van de 
stof, waardoor die hoedanigheid te weeg gebragt wordt, te verliezen, 
die integendeel bestendig in nieuwe hoeveelheden tot zich neemt , maar 
ook dewijl die , door het weldadige lommer der boomen , die er in 
groeyen, beschut is tegen den uitdroogenden invloed der zon, welke 
invloed, zooals wij reeds hebben aangetoond, bijdraagt tot het vaster 
en zaamgepakter worden van den grond. Door de plantaardige of afval- 
mest wordt bovendien de opslurping van sommige stoffen bevorderd of 
te weeg gebragt, en ook die mest zelve verschaft voedsel. — Wij moe- 
ten echter doen opmerken , dat het niet verstandig is te gelooven, dat 
een grond, die pas van boschgroei ontdaan is, louter daardoor geschikt 
is voor de cultuur van suikerriet; veelal, in verreweg de meeste geval- 
len , kan die zelfde grond , . na omgeploegd en met de noodige mest- 
speciën of correctieven behoorlijkt bewerkt te zijn , eigenschappen erlan- 



Digitized by 



Google 



311 



gen, die hem voor de suikerriet-cultuur nog oneindig beter geschikt 
maken. (Zie Nieuwe boBchgronden,) 

20. Het is nuttig, dat het plantriet op eene zekere diepte in den 
grond gebragt en met eene meer of min aanzienlyke laag aarde over- 
dekt worde. De diepte, waarop de rietstekken geplant moeten worden, 
is verschillend niet alleen naar gelang van den aard van den grond, 
maar tevens naar gelang van de variëteit en de b^zondere hoedanig- 
heden van het riet , alsook naarmate van de dampkrings-invloeden , die 
werkzaam zijn tijdens het planten plaats heeft. De doeleinden, die wy 
op het oog hebben door by het planten van suikerriet op deze ver- 
eischten te letten, zijn: l». Te voorkomen, dat de knoppen, uit welke 
de rietstengels moeten ontspruiten , verdroegen , en de verdamping van 
de in de geledingen aanwezige vochtdeelen te beletten. — 2*. Byaldien 
er geplant wordt met behulp van den pootstok , het ontstaan van looze 
spruiten onmogelyk te maken, dit wil zeggen zorg te dragen , dat er 
geen jonge spruiten kunnen uitloopen aan eenigerlei plantriet-gedeelte , 
dat niet bedekt is met aarde. — 3*, Dat de wortels der plant niet ver- 
droogen door den invloed der zonnehitte, en dat ze zich, zoo mogelijk , 
bevinden in eenen vochtigen grond, op welken de hitte der zon niet 
zoo sterk van invloed is. — 4*. Het ontstaan van spruiten te bevorderen 
door het aantal organen te vermeerderen, die bestemd zijn om spruiten 
voort te brengen ; dit wil zeggen te zorgen , dat er een zoo groot moge- 
lijk aantal knoppen onder den grond aan de rietstekken aanwezig zij. 

' 3^ Om suikerriet te planten moet meu, zoo mogeligk, altijd het mi- 
zoen kiezen , naardien niet alleen het planten zelf alsdan gemakkelijker 
gaat, uithoofde van den vochtigen toestand waarin de aarde verkeert, 
maar ook omdat het in den grond gebragte plantriet alsdan door meer 
vochtigheid omringd is. 

4*. De ondervinding heeft bewezen, dat de variëteit of soort en de 
ouderdom van het plantriet niet zonder invloed blijven op de toekom- 
stige ontwikkeling der plant , en dat de sporen , die de plant daarvan blijft 
dragen, alleenlijk door lengte van tijd kunnen worden verbeterd of gewij- 
zigd in zekere mate, zoo door de gunstige omstandigheden der cultuur, als 
door de vruchtbaarheid van den grond, en door de weldadige werking 
der dampkrings-invloeden. — Ontegenzeggelyk is het, bijaldien al deze 



Digitized by 



Google 



312 



gunstige bijzonderheden zamenwerken bij de ontwikkeling der sj^ruiten, 
die van eene goede plantstek voortkomen, dat men dan in eene kortere 
t\jdsruimte rietstoelen zal bekomen van grooteren wasdom en van rakere 
suikergehalte, dan anders het geval zou zijn geweest. 

6*, De riet-akker moet geheel bevrijd zyn van wied, waardoor het 
plantsoen benadeeld konde worden. 

6». Het is goed niet een te groot aantal stekken , of te digt opeen te 
planten , daar anders de stekken niet slechts elkander zouden belem- 
meren in hare ontwikkeling onder den grond en in haren verderen 
groei boven den grond, maar bovendien eenen grond zouden behoeven, 
bij uitstek vruchtbaar, en in staat om aan zulk eene groote menigte 
planten het noodige voedsel te verschaffen. 

7^ Eindelyk is het, telkens en altyd wanneer de grond zulks behoeft, 
noodig zijne chemische zamenstelling te wijzigen , of zijne physieke eigen- 
schappen te verbeteren. 

Al deze byzouderheden, en andere, welke het onnoodig is hier op te 
sommen, z|jn wel in acht te nemen, wanneer men bjj het planten van 
suikerriet te werk wil gaan met zorg, en alle verstandige landbouwers 
laten dan ook niet na zich daarnaar te gedragen. Welnu, door eene 
tegenstrydigheid, die moeyelyk te Verklaren valt, worden deze voorschrif- 
ten, die b\j sommige plantingen zoo streng in het oog worden gehou- 
den, by andere geheel veronachtzaamd; wat meer zegt, ze worden over 
het algemeen beschouwd als ondienstig, onuitvoerbaar, hersenschim- 
mig, enz., zoodra ze worden aanbevolen daar, waar men niet gewoed 
is ze in het oog te houden. 

De mensch besteedt de meestmogel^'ke zorg aan het eerste plantsoen, 
hetwelk hij in al de tydperken van deszelfs groei te besproeyen heeft 
met het zweet zijns aanschijns , terwyl hij het groote voortdurende plani- 
soen der natuur geheel veronachtzaamt, waarin hij op verre na zulk een 
werkzaam aandeel niet heefk, aangezien hij niets anders te doen heeft 
dan het plantriet te kappen, het op den akker te brengen met behulp 
van karren, de groeven in den grond te trekken, het plantriet aan stek- 
ken te snijden , het in de groeve te plaatsen , en het geheel met aarde 
te bedekken. Doch eer wij met onze beschouwingen verder gaan, die- 
nen wy hier op te helderen wat wij eigentlyk verstaan onder fiatuurl^h 



Digitized by 



Google 



313 



planUoeneny en aan te toonen hoe de strenge en naauwgezette analyais 
der verschijnselen ons leert, dat in het wezen der zdoik. kei atdka^riet wordt 
geplant ieder jaar^ zoodat wij eigentl^k, als de bemoe\jingen van den 
mensoh daarbuiten bleven, altijd riet van geplant riet of eerète snede 
zouden oogsten , te meer daar de schijn velen doet gelooven, dat het 
riet» hetwelk geplant is na gekapt te zijn, een langeren ofkorterent^d 
bl^ft voortgaan te leven, en het aanz^n te geven aan de opvolgende 
produkten. 

Als men riet plant ontwikkelt zich de knop , die aan het lid van de in 
den grond gebragte stek zit, geleidelijk naarmate de in het riet aanwezige 
sappen verbruikt worden, en naarmate van de stofién, wdkedeuithet 
stengellid voortkomende wortels uit den grond opslurpen. Na verloop van 
eenigen tijd bekomt de nieuwe plant de noodige organen om te kunnen 
leven op zich zelve, zonder de moederstek volstrekt noodig te hebben , 
ofschoon z^' alt^d nog gebaat wordt door de voedingstoffen, welke aan- 
wezig zijn in de moederstek, die hetzij vroeger of later verdroogt en 
tot ontbinding overgaat, blijvende van haar slechts die weefsels overig, 
die sdeh in de gegevene omstandigheden niet hebben kunnen vervormen 
tot andere zelfstandigheden , geschikt om geabsorbeerd te worden door 
de nieuwe plant. Dat de spruit de kracht erlangt om uit zich zelve te 
kunnen leven , om geheel en al te kunnen voorzien in haar eigen levens- 
onderhoud, vinden wij volkomen bewezen, wanneer wij een stuk riet, 
dat eenigen tyd geleden geplant is, opdelven, en de reeds voortgebragte 
jonge spruit van de moederstek afsnijden met een pennemes. De dus 
afgesnedene jonge spruit dadelijk afzonderlijk in den grond gebragt, 
vat zeer spoedig , loopt uit , enz. , even welig als ware zy nog verbonden 
met de moederstek , van welke zy voortgekomen is. — Als het riet zyn 
hoogsten graad van wasdom bereikt heeft, als het gekapt wordt om 
vermalen te worden , blijft daarvan onder den grond een stuk zitten , 
voorzien van een zeker getal meer of minder onvolkomene geledingen. 
Deze geledingen hebben knoppen, die zich onder gunstige omstandighe- 
den op hunne beurt ontwikkelen en het aanz^'n geven aan de spruiten ^ 
welke na verloop van eenigen tijd een eigen leven aannemen, zooals 
blijkt wanneer men ze van de moederstek, die ze heeft voortgebragt, 
afscheidt , en op eene andere plaats plant. lu beide gevallen is het riet 



Digitized by 



Google 



514 



voortgekomen uit de ontwikkeling van een zelfde orgaan, namelijk den 
knop; in belde gevallen kan de spruit na verloop van eenig^i tydvan 
het stuk riet , waarvan zy is voortgekomen , a^escheiden en naar elders 
verplant worden, waar zy onder gunstige omstandigheden welig zal 
opgroeyen. Welnu: indien er volkomene gelijkheid is in den oorsprong 
en in de gevolgen, waarom besteden w^' dan zooveel zorg aan het riet, 
dat voortkomt van geledingen, die wij met groote kosten planten, en 
waarom veronachtzamen w^ dat, hetwelk voortkomt van geledingen, die 
wij zonder eenigen arbeid geplant laten? Welk voorregt heeft het eene, 
om behandeld te worden met zooveel zorg; en wat heeft het andere 
misdaan, om dus te worden geminacht? Is het misschien omdat w\j er 
minder arbeid aan besteden? en ab het behoorlek gekweekt wierd,zou 
het dan niet misschien even veel opleveren als het eerste? 

Zien wij nu tegenover de beginselen , die bij de menachelyke plantin* 
gen gelden, de toestanden, die w^* aantreffen by de na/MtirZ^'i^e plantin- 
gen. De natuurlyke plantingen hebben plaats: l^. In eenen niet vooraf 
gereedgemaakten grond. — 2©. Het plantriet bevindt zich slechts op 
geringe diepte in den grond, menigmaal zelfs niet eens bedekt met 
aarde. — 3«. Dat planten heeft plaats ten allen tijde. — 4o. Over het 
algemeen is dat plantriet niet van het beste. — 5*. De jonge spruiten 
komen steeds te voorschijn te midden van onkruid of wied. — 6o. De 
stekken worden zeer digt bij elkander geplant. — 7*. De grond is ver- 
armd en uitgeput, daar al de voedingstoffen, die hij vroeger bevatte, 
er uitgetrokken ajn door de netplanten, die er op geleefd hebben. — 
8^. Als er na het kappen van den oogst zware regens vallen, als het 
water niet gemakkelijk kan afloopen, maar op den akker blyft staan, 
kunnen de moederstekken door verrotting worden aangetast, en alsdan 
komen er weinig spruiten te voorschijn ; ondervinden de akkers daaren- 
tegen felle droogten , dan komen de spruiten evenmin te voorschijn. (^ 
De snede , of het kappen van de rieistokken, — WtUerlozing^ enz.) 

Het gebrekkige, dat de natuurlijke plantingen aankleeft, is het gevolg 
van oorzaken, welker invloed wg niet bij magte z\jn te keer te gaan; 
maar al zyn w\j niet in staat het ontstaan van die gebreken te belet- 
ten, moeten wij nogtans zeer zeker ons best doen om door alle midde- 
len, waarover wy kunnen beschikken, die gebreken te verhelpen of te 



Digitized by 



Google 



S15 



verminderen, en zooveel mogelyk de natuurl^ke toestanden te herstel- 
len, die de rietplant noodig heeft om tot hare volkomene ontwikkeling 
te geraken. 

Ofschoon het vooraf gereedmaken van den grond altyd het beste mid- 
del is, worden de gunstige resultaten van het bewerken van den grond 
echter ook in zekere mate verkregen , wanneer men , na in eenen niet- 
gereedgemaakten grond geplant te hebben, den grond omploegt, die tus- 
schen de rietgroeven ligt, welke bewerking des te meer noodig is, hoe 
verder de nieuwe wortels zich moeten uitstrekken om op eenen grooten 
afstand van de plaats, welke z^ reeds innemen, de voedingstoffen te 
gaan zoeken, die ze behoeven om hunne functiën te kunnen verrigten. 
Bovendien ondervinden de jonge wortels zekere moeijelykheid om zich 
te ontwikkelen, doordien de anderen, die tot de rietstokken behooren, 
welke gekapt zijn, hen in hunnen groei belemmeren. — Het meer of 
minder digtbij of boven de oppervlakte van den grond liggen van het 
plantriet wordt verholpen door het te overdekken met aarde. — Vry 
van wied wordt de akker gemaakt door al het wied of onkruidgewas ter 
geschikter tijd weg te hakken en te rooijen. — De nadeelen, eindelyk, 
die voortspruiten uit de gebezigde hoeveelheid plantriet , uit de variëteit 
of soort, waartoe het behoort, en uit de verarming van den grond, 
worden weggenomen door den grond te bemesten met de geschiktste 
speciën in behoorlijke hoeveelheid en op het juiste tijdstip. Vele planters 
bemesten hunne akkers het eerste jaar; doch er zyn er slechts weinigen, 
die het ook de volgende jaren doen, terwijl de riet-akkers er juist dan 
het meest behoefte aan hebben. 

Uit de hier aangevoerde betoogredenen laat zich gemakkelyk afleiden , 
hoe het voor het ontstaan van de jonge spruiten, inzonderheid voor 
die, welke voortkomen van riet dat nog niet volkomen ryp was, van 
het hoogste belang is, dat er na de snede of het kappen van de riet- 
stokken genoeg hemelwater op den akker valle. Om deze en andere 
redenen moet men met het kappen van de minst r^'pe plantsoenen altijd 
tot het laatst wachten, ten einde ze alsnog het voordeel te laten genie- 
ten van de eerste regens van het regen-saizoen. — Daar, waar besproei- 
jing mogelijk is , moet men deze heilzame bewerking in toepassing bren- 
gen, dadelijk na heC kappen van het riet; want, zooals wij reeds her- 



Digitized by 



Google 



316 



haalde malen gelegenheid gehad hebben te doen opmerken , het suikerriet 
heeft, evenals alle planten, die geteeld worden om gebruik te maken van 
hare stengels, zoomede uit hoofde van zijne bijzondere organisatie, 
aanhoudende behoefte aan eene behoorlijke mate van vochtigheid in 
den grond. 

Cultuur dsr riet-akkebs na de sleden of inzamelingen van dek 
OOGST. — Er zijn gelukkig slechts weinig planters, die onkundig zijn 
van de onberekenbare voordeden, welke verschaft worden door een 
goed cultuurstelsel, waarby men, uitgaande van de voorschriften der 
wetenschap , al de omstandigheden derwijze leidt en regelt , dat de riet- 
plant niet slechts den hoogsten graad van ontwikkeling kan bereiken, 
maar tevens, dat zich in hare weefeels de grootstmogelyke hoeveelheid 
suiker vormt, bevat in de zuiverste sappen; maar, gelijk wij reeds 
hebben doen opmerken , men vervalt in eene onverklaarbare tegenstrij- 
digheid , door in het eerste jaar alle mogeügke zorgen aan het plant^ 
soen te besteden , terwyl men in de volgende jaren , wanneer het riet 
op zijn mimi evenveel behoefte daaraan heeft , die zorgen veronachtzaamt 
en , met miskenning van al de regelen der kunst , ter naauwemood die 
bewerkingen verrigt, die de riet-akker het dringendst noodig heeft. In 
de bladzijden , waarin wy breedvoerig de redenen hebben ontwikkeld , 
waarvan wij de uiteenzetting nuttig oordeelden om aan te toonen, hoe 
noo(£sakelijk het is de akkers ieder jaar te betelen , hebben wij al de 
bewijzen opgesomd, die ons geschikt toeschenen, om deze onze ziens- 
wijze boven allen twijfel te verheffen: bij verschillende gelegenheden 
hebben wy eenige bijzonderheden aangestipt betreffende het zelfde on- 
derwerp ; doch aangezien wij ons tot dusverre nog niet bepaald hebben 
bezig gehouden met het uiteenzetten van een algemeen stelsel van cul- 
tuur na de op elkander volgende inzamelingen van den oogst , willen 
wij thans deze leemte aanvullen , hoezeer wy daarby gevaar loopen in 
herhalingen te vallen van reeds vroeger ontwikkelde denkbeelden. 

De werkzaamheden der cultuur na de snede of kapping der rietstok- 
ken zijn de volgende : 1*. Het nalezen of nog eens over kappen. — 
2*. Het ontblooten en met aarde bedekken van de moederstekken. — 
3o. Het bemesten van den gi-ond en het begraven van het stroo. — 



Digitized by 



Google 



317 



4o, Het herploegen en het wieden. — Over de inboetingen en ettel^ke 
zorgen met betrekking tot het stroo behoeven wij hier niet te spreken , 
daar wij die beide onderwerpen reeds hebben behandeld met de noodige 
uitvoerigheid. — Zien wij nu in welke orde en op welke wijze de hier 
opgenoemde bewerkingen volbragt moeten worden. 

Zoodra de rietstokken op ieder stuk land gekapt zyn, moet de eerste 
zorg van den landbouwer hierin bestaan, dat hij het gekapte plantsoen 
in oogenschouw neme, ten einde alle onvolkomenheden, die b^ het 
kappen hebben plaats gehad, alsnog in t^'ds te herstellen, waardoor 
hij de anders daaruit voort te vloeijen nadeelige gevolgen zal kunnen 
voorkomen. — Al de nadeelen, die van eene onvolkomene wijze van 
rietkappen het gevolg worden, zijn op de volledigste wyze door ons 
uiteen gezet in de bladzijden, die wij aan dat onderwerp hebben ge- 
wijd : hier zullen wij nu de vereischten doen kennen , die men in het 
oog dient te houden, om het rietkappen (e bewerkstelligen naar bèhoo- 
ren. — Het is 'zonneklaar, dat men tot zekeren graad een aantal van 
die nadeelen zal kunnen vermeden, door het rietkappen te bewerkstelli- 
gen onder de vereischte omstandigheden; maar in die gevallen, waarin 
het niet mogelijk is al de werkzaamheden zelf na te gaan, zal het nut- 
tig zijn eene kleine ploeg bekwtime en verstandige arbeiders aan te stel- 
len, die, gewapend met hakmessen van CoUins en met scherpe snij- 
messen, het plantsoen zullen afloopen, ten einde al de rietstoelen, die 
ongekapt zyn blijven staan en die gekapt hadden moeten worden , alsnog 
daaraan te onderwerpen* — Ten einde deze bewerking behoorlijk uit te 
voeren en met spoed, is het noodig, dat men de moederstekken of on- 
dergronds-stammen kunne zien; tot dat einde moeten die bevr^'d zijn 
van het stroo , en daartoe worden de rietsnijders voorafgegaan door een 
paar minder sterke arbeiders, die, met behulp van een krom snoeimes, 
overal de drooge bladeren afsnyden, welke zy meteen moeten verwijde- 
ren, door ze te plaatsen op den grond, welke zich tusschen de twee 
rietrijën uitstrekt. 

Vervolgens laat men den kleinen ploeg met ééne schaar werken, die 
den grond zal omwerpen naar de moederstekken, en die, langs de andere 
zijde der rietrij terugkeerende, ook daar het zelfde verrigt, zoodat de 
moederstekken op die wijze van weerszyden met aarde overdekt wor- 



Digitized by 



Google 



318 



d^. — Maar dewgl zelfs in de gunstigste gevallen door dezen arbeid 
nooit een yolkomen bevredigend resaltaat wordt verkregen, is het nnt- 
tig aan dat werk de laatste hand te leggen, of juister gezegd er orde 
en regelmaat in aan te brengen, door daarna eenige arbeiders met 
schoppen of spaden langs de rietrijën te zenden , om iedere moederstek 
te overdekken met de juist noodige hoeveelheid aarde. — Wij moeien 
nog hierbij doen opmerken, dat deze arbeid, zal die gemakkelijk te vol- 
brengen zijn en al de voordeelen verschaffen, welke wij ons daarvan 
voorspellen, behoort te geschieden in het saizoen, dat wil zeggen op 
het geschikto tydstip, en dat het tevens een vereischte is, dat de grond 
eerst behoorlijk gereedgemaakt, in zijne physieke eigenschappen verbe- 
terd, in zijne chemische zamenstelling gewyzigd is, enz. — Eer men 
den ploeg laat werken, is het goed de gekapte rietstammen met een 
weinig mest te bedekken. Die mest kan worden aangevoerd met de 
zelfde karren, waarmede het gekapte riet van den akker weggehaald 
wordt. — In de geopende groeve plaatst men mest, of eenvoudig een 
gedeelte van het stroo, en vervolgens gaat men voort met het herploe- 
gen van de gansche uitgestrektheid gronds, die tusschen de rietryên 
ligt, in dier voege, dat de aarde, welke uit elke getrokken wordende 
groeve wordt opgeworpen, juist in de groeve wordt geworpen, die pas 
te voren getrokken is. — Door deze bewerking wordt de geheelo akker 
behoorlyk bemest, worden de moederstekken behoorli^lc gedekt met 
aarde, en wordt de gansche oppervlakte behoorlyk her][doegd en ge- 
wied. — In geval men zulks dienstig acht, kan men ook nog den (»- 
dergrondsploeg laten werken, om den bodem of vloer van al de groe« 
ven, of althans van die, welke naast de rietrijën loopen, behoorlek los 
te maken, alvorens de mest of het stroo daarin te brengen. 

Indien zulks mogel^k is , moet men den bodem of vloer van al de 
groeven losmaken. — Wat betreft de afscheiding van het stroo om de 
plantsoenen te kunnen herploegen, achten w'^ het nuttig nog eenige op- 
merkingen hierbij te voegen. Bij het riet, dat nog nooit gekapt is, en 
veeltijds ook bijj dat, waarvan reeds een of meer sneden zijn ingeza- 
meld, heeft men, bijaldien er ongemeen veel stroo aanwezig is, 
geen ander middel dan dat stroo te verbranden of het van den aldcer 
te verwijderen, zjjnde zulks zeer gemakkelijjk, want bet wordt met den 



Digitized by 



Google 



S19 



zeilden spoed voibragt , waarmede de ampas aan boopen bijeen gebrègt 
wordt Als het plantsoen zeer spoedig gekapt en de akker in korten 
t^d herploegd is, kan men het stroo weder er op brengen en uitsprei- 
den , ten einde te dienen om de vochtigheid in den grond terug te 
houden. 

Somwijlen is de grond zoo hard en vast geworden , dat de eensnij- 
dende en door een trekdier in beweging gebragt wordende ploeg slechts 
zeer moeijelyk daarop werken kan; in dat geval is eenige voorberei- 
dende arbeid noodig , waartoe men zich bedient van een zwaren wied- 
toestel of eenvoudig van den inheemschen ploeg : heeft men den grond 
op die wyze eerst een weinig losgemaakt, dan is de bewerking met 
den eensnijdenden ploeg gemakkelijker te volbrengen. 

Wat aangaat de stammen der gekapte rietstokken met aarde te be- 
dekken, achten wij het nuttig te doen opmerken, dat men zulks behoort 
te doen met zekere mate; want anders zou het de nade^len te weeg 
brengen, die wy hebben doen kennen by de ovèrdrevene uitwendige 
aanaarding. Het is nuttig en goed de moederstekken bij voorkeur het 
tweede jaar te bedekken met aarde, na geplant te hebben op eene be- 
hoorlijke diepte : alleen zoodoende zal men in waarheid de groeve aan- 
vullen met de aarde , die men er uit getrokken heeft. De hier door ons 
beschrevene bewerkingen, logisch afgeleid uit de voorschriften der land- 
bouwkunde, zyn door ons zelven in praktijk gebragt, en wij hebben 
daarvan steeds de gunstigste resultaten ondervonden. Wij moeten nog 
hierbij voegen , dat ze oppervlakkig misschien zeer omslagtig en moeije- 
lijk te volbrengen zullen schenen, maar dat men echter, als men zich 
daartoe van vlugge arbeiders bedient, eene groote besparing van arbeid 
daardoor erlangt , in vergelijking bij de véle dagen werkens , die met 
onze onvolkomene gewone manier van wieden te loor gaan. Volgens 
deze oordeelkundige wijze te weri gaande , zullen wij niet alleen onze 
akkers langer in stand houden om eenen ruimen oogst op te leveren , 
maar wat meer zegt , door dat gedurige omploegen en bemesten zal de 
grond gestadig vruchtbaarder worden , en telkens meer waarde erlangen', 
doordien het onkruidgewas of wied meer en meer daarvan verdwynt. 
Uit dit laatste oogpunt gelooven wy, als de planters goed hunne be- 
langen overwegen , dat ze dan zullen toestemmen , dat het tot eiken 



Digitized by 



Google 



820 



pi^s zaak voor hen is al de belemmeringen te verwyderen, rHe hun 
tot dusverre in den weg staan by het in toepassing brengen van een 
goed stelsel van cultuur. Zoodra de werkzaamheden der cultuur a%e- 
loopen zijn, moeten de akkers twee-, drie- en veelal zelfs viermaal ge- 
wied worden, waarmede verscheidene dagen werkens gemoeid zyn: de 
tegenwoordige manier van wieden, behalve dat die zeer moeijelyk is, 
is bovendien zeer onvolkomen , en slechts met groote moeite wordt het 
onkruid of wied uit den grond verwyderd, vooral die soorten van wied, 
die zich voortplanten door middel van hare ondergronds-organen. Wordt 
het werk daarentegen verrigt volgens eene meer oordeelkundige methode, 
dan zal dat onkruid , menigvuldiger en in hoogere mate gekwetst , 
spoedig uitsterven , en zoodoende zal de akker meer waard worden , 
want des te minder arbeid zal hij vereischen om de in cultuur zijnde 
planten welig te doen groeijen. — Iedereen weet, als men de waarde 
van een stuk gronds wil bepalen, dat men dan, behalve op andere 
bijzonderheden , ook voornamelijk let op het onkruid , dat er op groeit. — 
Wat de vrijmaking van wied betreft kunnen wy verzekeren , dat de riet- 
akkers^ na een paar jaren goed in cultuur te zijn geweest, een zoo ver- 
rassend verschynsel aanbieden, dat ieder, die dan de fraaye, goed ge- 
regelde rietrijën ziet, denken moet, dat de tusschenruimten , welke de 
rijen van elkander scheiden, zijn schoongeveegd — een verschijnsel, 
dat men anders niet eens in het eerste jaar opmerkt, wanneer eir nog 
in het geheel geen stroo op den akker is. En om al die voordeelen te 
erlangen heeft men niets anders aan te wenden, dan een weinig moeite 
in het begin en een weinig volharding in het vervolg! 

Wel zullen velen ons zeggen, dat er volgens deze methode in de 
jaren , die na de oogst-inzamelingen volgen , evenveel arbeid verrigt moet 
worden, als wanneer men den akker op nieuw beplant: hierop moeten 
wij antwoorden alles wat wij uiteengezet hebben , waar wij de noodza- 
kelykheid hebben betoogd de akkers jaarlijks te betelen , om ze in eenen 
goeden staat te onderhouden. 

Om onze denkbeelden aangaande het hier behandelde onderwerp te 
voltooijen, moeten wij verwijzen naar de daadzaken en redeneringen, 
door ons medegedeeld en ontwikkeld over de itoeede bewerking van den 
grond en het ontblooten van het riet (blzz. 234 en volgende). 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Voorwaarden van Inteekening. 



1**. Het werk zal worden uitgegeven in afleveringen van 
vijf vellen drdks, groot 8^. formaat, welke afleve- 
ringen elkaar spoedig zullen opvolgen. 

2®. De prijs is bepaald op 30 Ceats per vel druks. Het 
werk zal compleet zijn in omstreeks dertig vellen. 

3<*. Men teekent in Oosjt-Indië in bij de Heeren G. Kolff 
& C*. te Batavia. De prijs wordt in /^rfi'é* eenigerraate 
verhoogd. 

Rotterdam, 1865. H. NIJGH. 



« 



Digitized by 



Google 





VERHANDELING 



CULTUUR VAN SUIKERRIET. 

I>00R 

DON ALY^LRO BETNOSO. 

(2« Druk. Madqd 1865.) 

VERTAALD UIT HET SPAlNSCH 



DOOP v 



S EB VAAS DE BBÜÏN; 

zijÈde de vertaling, vopr zooveeT aangaat 
het wetenschappelijke en praktische, 

NAG£ZIE?< DOOR DE MEEREN 

Br. J. E. BE VBU en J. MII.£ABB. 



Viifae féfieverimff. 




H. NIJGH. — 







<^ 



Gedrukt by C. BlommcDdaal. 




Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



321 



Wij achten het van het hoogste gewigt aan te dringeu op de toepas* 
sing van al deze werkzaamheden , die meer of min regtstreeks dienen 
om den handen-arbeid te verminderen en de opbrengst te vermeerderen, 
niet alleen om de onmiddellijke voordeelen, die door iedereen erkend 
worden, maar ook omdat zoodoende met de teelt van suikerriet deze 
of gene andere teelt gepaard zou knnnen gaan, en tevens de daaraan 
bestede kapitalen ruimer interesten zouden opbrengen; door niet alt^d 
het zelfde gewas te telen , zou er afwisseling komen in den oogst , ter- 
wijl de kunstmatige aanleg van weilanden , bereiding van mestspedën , 
enz., daarmede gepaard konden gaan; in één woord, al die verbete- 
ringen , die het dringend en gebiedend noodig is binnen zeer korten 
tyd op Cuba in te voeren, om den meer en meer in verval gerakenden 
landbouw op te beuren en tot eeneu staat van hoogen bloei te brengen. 



il 

Digitized by VjOOQIC 



BEWEBKENO VAN DE GEROOIDE BIET-AEKEBS, 

OM ZE OP NIEUW GESCHIET TE HAKEN 

TER BEPLANTING. 



Als men oordeelt dat een riet-akker geen genoegzaam aantal rietstokken 
meer voortbrengt, met andere woorden, wanneer de opbrengst niet vol- 
doende is om den daaraan besteden arbeid te loonen, en om tenminste 
eenen behoorlyken interest te geven van de kapitalen, die in de plan- 
taadje zijn gestoken , is het dringend noodig zoodanigen akker te rooi- 
jen, en den grond op nieuw te bewerken, ten einde hem geschikt te 
maken om op nieuw beplant te worden. Tot dat einde, alvorens den 
grond om te halen met den eensnijdenden ploeg, begint men met hem 
eene voorloopige bewerking te doen ondergaan, ten einde de bewerking, 
die vervolgens met den ploeg moet plaats hebben , gemakkelyk te ma- 
ken. Zoodanige voorloopige bewerking is hoogst nuttig; want de in den 
grond zittende moederstekken, met hare veelgetakte wortels , belemmeren 
den geregelden loop van den ploeg, zijn oorzaak dat hy niet geleidelijk 
kan worden voortgetrokken, vermoeijen ten zeerste den arbeider en de 
trekdieren, en zijn altijd de voornaamste oorzaak, dat het werk onvol- 
komen wordt verrigt. De verstandigste en geschiktste weg zou zyn , zich 
tot dien arbeid te bedienen van het werktuig , dat er toe bestemd is , 
namelyk den uitroeyer of wortel-rooijer; maar als men het niet noodig 
oordeelt zich strikt te gedragen naar de voorschriften eener goede land- 
huishoudknnde , moet men ten minste , alvorens den eensnijdenden plo^ 
in beweging te brengen , den inheemschen ploeg over den akker laten 
loopen , die , door zijnen bijzonderen vorm , in zekere mate het zelfde 



Digitized by 



Google 



:i23 



nut zal kannen doen als het werktuig, dat wij behoorden aan te 
wenden. 

Onverschillig welk werktuig w^* kiezen, om er ons van te bedienen, 
moet de arbeid steeds verrigt worden schuins in de rigting der riet- 
rijen. Heeft men eenmaal al de moederstekken gerooid , dat wil zeggen 
uit den grond opgedolven , dan worden ze allen byeengebragt om dienst 
te doen als brandstof bij bet branden van de klei , als de grond zulks 
noodig heeft; en zoo niet, dan stapelt men ze aan hoopen op, om ze 
ter gelegener tijd te verbranden. Het restant, dat bij het branden van 
de klei overblijft, of eenvoudig de asch der verbrande moederstekkea , 
wordt met de meestmogel^ke gelijkmatigheid over de oppervlakte van 
den akker verspreid, welke verspreiding, naar gelang van omstandig- 
heden, des te gel^'kmatiger zal kunnen geschieden, hoe meer hoopen 
men gemaakt heeft. 

Op dat oogenblik is het geschikte t^dstip daar, om de mestspeciën 
en de correctiven op den akker te brengen , welke men noodig oordeelt 
met al de deelen van den giond te vermengen door middel van al de 
elkander op te volgen bewerkingen. Daarna begint men den grond om 
te halen met den eensn^denden ploeg , die de groeven zal openen per- 
pendiculair met de oorspronkel^ke rigting der riet^jën. Achter den ploeg, 
die de groeve opent, laat men, indien men dat noodig acht, den 
ondergrondsploeg loopen, opdat de bodem of vloer der groeve losge- 
maakt z\j, eer de aarde er inkomt, die uit de naastvolgende groeve 
zal worden opgeworpen. Als er door deze bewerking nog moederstekken 
opgedolven mogten worden, vergadert men die, maakt er eenen hoop 
van, en verbrandt ze vervolgens tot asch. De grond omgeploegd en de 
ondei^rond losgemaakt zijnde, is het, zulks noodig geoordeeld wor- 
dende, nuttig er den rol van Crosskill overheen te laten loopen, ten 
einde op die wijze al de aardkluiten fijn te maken; daarna wordt de 
geheele oppervlakte gelijk gemaakt met de eggen, die al de deelen van 
den grond ondereen mengen, de wortels van het onkruid uitroeijen, enz. 
Als men den grond op de hier beschrevene wijze gereedgemaakt heeft, 
zal men hem vervolgens beplanten met suikerriet, ten ware men het 
meer geraden achtte er eenig ander gewas in te planten of te zaaijen , 
of wel hem stil te laten liggen, ten einde hem te doen doortrekken 



Digitized by 



Google 



.^24 



met de invloeden van den dampkring. Volgt men een der twee laatst- 
genoemde wyzen, eer men dan eindelyk er toe overgaat dien grond 
met riet te beplanten, zal het goed zyn hem nog eens om te ploe- 
gen , hetzij met eenen b'gten ploeg , hetzg met eenen wied- of uitroei* 
toestel. TVij moeten hier inzonderheid aanbevelen de gronden wel met 
dampkrings-invloeden te laten doortrekken, eer men ze herploegt ter 
beplanting met suikerriet. Men kan er ook met voordeel andere plant- 
gewassen in telen; of nog beter zal men doen, als men ze bemest met 
plantaardige meststoffen. 

De nieuwe rietr^'ën zullen het juiste midden moeten innemen van de 
grondsoppervlakte, die de te voren bestaan hebbende rietryën van elk- 
ander scheidde; zgnde het noodig hierop te letten, omdat zoodoende 
het nieuwe riet zich zal ontwikkelen in eenen grond, die tot dusverre 
in zekere mate braak heeft gelegen. — Immers , als men een oogenblik 
nadenkt hoe gedurende de vele jaren, die de pas gerooide riet-akker 
geduurd heeft, die tusschenruimten verrekt zyn met al de afwerpselen 
der rietplantsoenen en der tusschenkweeksels en der onkruidgewassen , 
en hoe ze bovendien de dampkrings-invloeden hebben genoten, te weeg 
gebragt, of om juister te spreken, bevorderd door de vroegere en ook 
nu pas plaats gehad hebbende bewerkingen van grondgereedmaking en 
cultuur , dan zal men begrgpen , dat die grondstrooken meer groeikracht 
en meer voedingstoffen moeten bezitten, dan die, welke laatsteljjk door 
de rietryën waren ingenomen. — In weerwil dat w^* al deze voordeelen 
erkennen, zal het goed z\jn hierbig te voegen, dat men ze op hunne 
juiste waarde moet schatten, zonder het gewigt er van te overdreven. — 
De ruimten, die tusschen de rietrijën liggen, blijven niet geheel en al 
ongebruikt liggen, daar de wortels er zich in uitbreiden, en zulks te 
sterker en sneller, hoe ryker hun grond is aan voedingstoffen, en hoe 
menfgvuldiger h\j is omgeploegd, zoodat deze tusschenruimten wel de^ 
gel^k zeer veel bijdragen tot de betere voeding van de moederstekken 
der netplanten. Bovendien, als de grond behoorlijk omgeploegd is, 
zonder dat men daarom eene mathematisch naauwkeurige vermenging 
van at z^ne zelistandigheden behoeft te bewerken, zal men ten minste 
eene zoodanige vermenging van de verschillende deelen van den grond 
hebben Ie weeg gebragt, dat bij over het geheel tamelijk eenerlei in 



Digitized by 



Google 



] 



825 



zamenstelling is geworden. — Na deze opheldering moeten wy nogmaals 
aanbevelen de groeven te trekken midden tusschen de oude rietryen| 
over den bodem of vloer der nieuw-getrókkene groeven, moet men i 
zulks noodig of dienstig oordeelende, den ondergrondsploeg laten looi» 
pen; daarna brengt men de mest in de groeve; dan plant men het 
riet er in; enz., enz. 

Bijaldien de hier door ons aanbevolene bewerkingen, naar omstan- 
digheden behoorlijk afgewisseld en gewijzigd, volkomen naar behooren 
volbragt wierden, zou men bevinden, dat vele gronden, na eenen zeke- 
ren tijd beteeld te zyn geweest, aanmerkelyk verbeterd zouden zyn, dat 
andere hunne aanvankelijke vruchtbaarheid zouden hebben behouden; 
en van lieverlede zouden dus de kosten van cultuur minder worden, 
niet alleen betrekkelijkerwijze door de vermeerdering van het produkt, 
maar evenzeer door het meerdere gemak, waarmede de verschillende 
bewerkingen te volbrengen zouden zijn ; zoo , om maar eens iets te noe- 
men, zou het wieden van dag tot dag minder noodig worden, daar 
het onkruid spoedig zou verdwijnen. — Dan zouden de planters tot de 
overtuiging komen, dat zij, in plaats van oude gronden te hebben, die 
ongeschikt zijn voor de suikercultuur, daarentegen in het bezit zouden 
zijn van gronden, die aanmerkelyke voordeden aanbieden in vergelij- 
king bij pas ontgonnene nieuwe boschgronden , welke laatste door den 
mensch gebruikt moeten worden , zooals hij ze ontvangt uit de hand der 
natuur, zonder dat hij, tot zekeren graad, in de mogelykheid is, die 
gronden op de meest doelmatige en minst kostbare wijze te bemesten. — 
Op die nieuwe boschgronden, die nog als overdekt zijn met tronken 
van boomstammen, is het onmogelyk de landbouw-machines te laten 
werken, en het is dus niet doenlijk ze anders dan door handen-arbeid 
te doen ploegen, wieden en bemesten; is het een laagb'ggende grond, 
dan zijn wij niet in staat door diepgaande bewerking en losmaking van 
den ondergrond eene behoorlijke waterlozing daarin te weeg te bren- 
gen; is het een grond, die niet al de physieke eigenschappen en de 
chemische zamenstelling bezit, welke zoo vele vereischten zijn voor de 
suikerriet-teelt, dan kan men daarin niet naar eisch de noodige verbete- 
ringen of wyzigingen aanbrengen , het vervoer van het riet is moeijelyk , 
enz. — Indien vele planters zich wel doordrongen van deze denkbeelden, 



Digitized by 



Google 



326 



zouden zij, alvorens hunne oude gronden op te geven, om anderen te 
gaan betelen, zeer zekerlijk trachten al de middelen in het werk te 
stellen, om hunne bezittingen in waarde te houden, door de groei- 
kracht van hunne gronden op te wekken, te herstellen of in het aan- 
z^'n te roepen. 



NB. Deze noot strekt ter toelichting van het hoofdstuk Suiker-productie (zie de vol- 
gende bladzfjde). 

Een hectare, d. i. 1 bander, is gelijk aan 0,7 bonw op het eiland Java. 
Derhalve staat een stnk gronds van 13,42 hectaren ongeveer gelijk met 20 
bouwis op Java. Wanneer nu 20 bonws opleveren 200,000 l. 250,000 nederl. 
ponden , is dat per bouw 10,000 & 12,500 nederl. ponden of 160 li 200 pikols. 



Digitized by 



Google 



SUIKER-PRODUCTIE. 



Er zal een tijd komen — en die is gelukkig niet ver meer af — dat 
een stuk gronds van 13,42 hectaren (zie de noot op blz. 326), be- 
plant met suikerriet, genoeg stengels zal voortbrengen, om daaruit 
een totaal gewigt van twee honderd a twee honderd vijftig duizend 
nederlandsche ponden suiker te trekken. — Deze opgaaf, reeds vroe- 
ger met al den ernst eener vaste overtuiging door ons gedaan, is alge- 
meen beschouwd geworden als eene hersenschimmige overdrijving van 
de hoop, die wij koesteren, van de verwachtingen, die wij ons voor- 
stellen te zien bereiken door eene geleidelyke verbetering van het stelsel 
van cultuur; en daar wy integendeel overtuigd zijn, dat wij ons volstrekt 
niet met hersenschimmige verwachtingen misleiden, zullen wij thans de 
gronden uiteenzetten, waarop deze waarheid, die wij naar onze meening 
van dag tot dag meer bevestigd zien, steunt. — Doch eer wij overgaan 
tot de uiteenzetting van die bewijsgronden, moeten wij verklaren, dat 
w^, als wij bij dat punt opzettelijk stilstaan, geenszins geleid worden 
door de ijdele begeerte, om dat feit hier als onomstootelijke waarheid 
te verkondigen, alleenlijk ten einde ons naderhand de eer te kunnen 
toeëigenen, dat wij de eersten zijn geweest door wie die waarheid ver- 
kondigd is; nog minder is ons oogmerk om door eene uiteenzetting 
van de redenen, die wij voor onze overtuiging hebben, ons slechts te 
vrijwaren tegen de aantijgingen van hen, die ons misschien konden be- 
schuldigen van ligtzinnigheid ; neen, ons doel is minder zelfzuchtig; en 
het eenige dat wij beoogen is : de waarheid zoo duidelyk, zoo zonne- 
klaar, zoo onwederlegbaar aan te toonen , dat alle planters zich gedron- 
gen voelen, die aan te nemen, ten einde er voor hen zei ven de geze- 
gende vruchten van te plukken. 



Digitized by 



Google 



328 



Tegenwoordig is de gemiddelde opbrengst aan suiker van een stuk 
teelgrond, dat 13,42 hectaren oppervlakte beslaat, ongeveer vijf en 
twintig duizend nederlandsche ponden suiker; dit is echter niet de hoe- 
veelheid, die w^ by onze beschouwing tot maatstaf moeten nemen; w^ 
moeten als punt van vergelijking de hoogste opbrengst nemen, die door 
velen beschouwd wordt als geheel buitengewoon, doch die wij zullen 
kiezen als maatstaf; en na naauwkeurig al de omstandigheden te hebben 
leeren kennen, waardoor de opbrengst voortgebragt wordt, zullen w^ 
die omstandigheden slechts in het aanz^n hebben te roepen, om die 
opbrengst tot gewonen regel te maken. Menigeen weet, dat 13,42 
hectaren nieuwen boschgrond in sommige streken van Cuba tot zeven 
a acht duizend brooden suiker hebben opgeleverd; ontelbaar is de 
menigte van hen, die kunnen getuigen, dat ze van de nieuwe bosch- 
gronden in vele localiteiten v^f a zes duizend brooden suiker verkregen 
hebben. Zien wij of zelfs deze opbrengst, voor velen onbereikbaar, niet 
nog grooter had kunnen zyn, indien ze te werk waren gegaan volgens 
de voorschriften der wetenschap. Het suikerriet werd in die nieuwe 
boschgronden geplant, zonder al de vereischten behoorlijk in acht te 
nemen: er werd niet altijd behoorligk gewied; het plantsoen ontving 
alleenlyk dan besproeiing, wanneer er hemelwater viel, en der men- 
schen vermogen kwam niet tusschenbeide om vochtigheid aan de plan- 
ten toe te dienen, telkens als ze die noodig hadden; de rietstoelen, op 
geringe afstanden van elkander geplaatst, en niet van stroo bevrijd, 
konden niet tot hunne volle rijpheid komen, zoodat ze in hunne sappen 
van zamengestelde hoedanigheid eene mindere hoeveelheid suiker inhiel- 
den, dan ze onder gunstiger omstandigheden ingehouden zouden hebben. 
Hieruit volgt dus, als wij een verstandiger stelsel van cultuur in toe- 
passing hadden gebragt, dat wij dan ook noodwendig meer riet zouden 
hebben verkregen, en dat dit meer suikergehalte zou hebben gehad. 
Zien wij nu hoe de suiker uit de sappen werd getrokken. Het is zeer 
wel mogelyk, dat de machine, die den molen in beweging moest bren- 
gen, bestemd om de sappen uit het riet te persen, geen genoegzame 
paardenkracht bezat, en ook dat de molen niet langzaam genoeg werkte 
om de grootstmogelijke hoeveelheid sappen mt de weefsels der stengels 
te persen (en men verlieze niet uit het oog, dat er tegenwoordig veel 



Digitized by 



Google 



329 



gewerkt wordt, uiet alleeu om tot eenf meer volkomene uitpersiug te 
geraken, maar ook om minder sappen met de ampas mede te laten gaan) : 
men bediende zich van jamaïcasche soikerpersen en van eene onvol- 
komene defecatie, welk een en ander niet slechts onmogel^k maakte er 
al de suiker uit te trekken, maar tevens een groot gedeelte van de 
suiker bedierf. Door de klaring kreeg men dus eene aanzienlijke hoe- 
veelheid melasse, die niet werd verwerkt om er al de suiker uit te 
trekken, welke zij bevatte. Deze redenen nagaande, zal men gemakkel^k 
tot de overtuiging komen, als men meer volkomene middelen ter cul- 
tuur en sappen-verwerking aangewend had, dat dan ook de verkregene 
hoeveelheid suiker veel grooter geweest, en in vele gevallen twee hon- 
derd a twee honderd vijftig duizend nederiandsche ponden te boven 
gegaan zou zyn; terwijl in de meeste gevallen die hoeveelheid als ge- 
wone opbrengst zou hebben gegolden, en slechts in enkele weinige ge- 
vallen minder zou zgn verkregen. 

Maar men zal ons tegenwerpen: „Uwe redenering neemt tot punt 
van uitgang de opbrengst van nieuwe boschgronden ^ de cultuur en sap- 
pen-verwerking naar een verbeterd stelsel, en wij willen gelooven, dat, 
al die „gunstige items" zamenwerkende, inderdaad de goede uitkom- 
sten, die gij voorspiegelt, verkregen kunnen worden; maar de nieuwe 
boschgronden worden spoedig oud, en na verloop van eenen zekeren 
tijd levert dat zelfde stuk gronds, voor de derde of vierde maal be- 
plant, niet meer op dan vijf en twintig duizend nederl. ponden suiker, 
en na de tweede, derde of vierde snede verdwijnt het riet." Wy nemen 
die tegenwerping gaaf als gegrond aan , en zullen nu aantoonen , dat 
wij in staat zijn boschgronden voort te brengen, in menig geval veel 
vruchtbaarder dan die, welke de natuur \)ns aanbiedt: tot dat einde zij 
het ons vergund hier te herhalen wat wij reeds vroeger gezegd hebbeu 
ten aanzien van de pas ontgonnene, pas van boschgroei ontdane gronden. 

Al de landbouwers op Cuba stemmen hieromtrent overeen, dat pas 
van boschgroei ontdane gronden doorgaans by uitstek vruchtbaar zyn; 
en dit gevoelen is zoo algemeen, dat velen het ontginnen van bosch- 
grond als het eenige en onfeilbare middel beschouwen, om ruime 
oogsten te verkregen. Laatstbedoelden hebben wy menigmaal hooren 
zeggen, dat het zaak is, „geen tijd te verspillen met het bebouwen 



Digitized by 



Google 



;330 



van oude, reeds beteeld gewekt zijnde gronden, en dat nieuwe öoscA- 
gronden meer waard zijn, dan de beste op nieuw bemeste oude akkers"; 
zij zeggen ook : „ om de in verval z^nde opbrengst eener plantaadje te 
herstellen en zelfs te vermeerderen, om de plantaadje op te beuren^ is 
het een onmisbaar vereischte nieuwe boschgronden in cultuur te brengen." 

Wij erkennen gaarne de onwedersprekelijke vruchtbaarheid der nieuwe 
boschgronden , welker weligen plantengroei wy meer dan eens hebben 
bewonderd ; en juist van dat punt uitgaande , wenschen wij eenige rede- 
nen in het midden te brengen, die pleiten moeten voor de verbeterde 
cultuur. — De nieuwe boschgronden , zoo vruchtbaar in het begin, ver- 
liezen na verloop van een zeker getal jaren, in meerdere of mindere 
mate hun voortbrengend vermogen; en het riet, dat op die akkers ge- 
teeld wordt, ontwikkelt zich dan nog slechts met eene groeikracht, 
geëvenredigd aan de verarming van den grond. — Wij herinneren ons, 
dat wij eens een onzer vrienden hebben hooren klagen over dit ver- 
schijnsel , daar zijne nieuwe boschgronden het eerste jaar een buitenge- 
woon goeden oogst hadden opgeleverd , terwijl ze , voor den tweeden of 
derden keer beplant, het grootste gedeelte van hunne vruchtbaarh^ 
verloren hadden en voor de suiker-cultuur in alle opzigten ongeschÉi^ 
bleken te zijn. 

Welk onderscheid kan er bestaan in den zelfden grond, bescbouwd 
op twee verschillende tijdstippen? Is het misschien , dat hy eene verbor- 
gen liggende vruchtbaarheid bezit, die te voorschijn treedt zoodra men 
hem ontdaan heeft van boschgroei? Moet hij die vruchtbaarheid nood- 
wendig hebben uit zijnen aard? Welke zelfstandigheden bevat de grond 
aanvankelijk, die hy later in meerdere of mindere mate verliest? — Als 
men de zaak onbevooroordeeld beschouwt, zal men zien, dat de vrucht- 
baarheid der nieuwe boschgronden hoofdzakelyk het gevolg is van de 
aanzienlijke hoeveelheid voedende stoffen, die hij bevat, en die door 
hunnen wéldadigen invloed, door hunne overwegende en heilzame wer^ 
king, veeltyds in staat zijn de schadelijke uitwerkselen te verbergen, of 
juister gezegd, onopgemerkt te doen blijven, welke te weeg gebragt 
worden door andere zelfstandigheden, die voor de suikerriet-cultuur 
nadeelig z\jn, en die later haren invloed vrij en onbelemmerd zullen 
doen gevoelen; alsdan blykt het, dat de grond drassig is of dor, dat 



Digitized by 



Google 



n;5i 



ssijne bovenlaag teel-aarde slechts eene geringe dikte heeft, dat zijn 
ondergrond weinig geschiktheid bezit, enz., enz., terwijl al deze nadee- 
lige hoedanigheden, ofschoon ze altijd bestaan hebben, in den beginne 
onopgemerkt zijn gebleven door de groote vruchtbaarheid van den pas 
oni^onnen nieuwen bosehgrond. Met andere woorden, w^ stellen ons 
teyreden met de opbrengst onzer nieuwe boschgronden , zonder te vra- 
gen, of die opbrengst niet welligt nog grooter konde zijn. 

Als de deugd der nieuwe boschgronden gelegen is in den overvloed 
▼an meststof, daarin aanwezig, is het dan niet mogel^k de aanvanke- 
lijke vruchtbaarheid te herstellen, door den grond terug te brengen in 
den staat, waarin hij zich bevond, toen hij pas van boschgroei ontdaan 
was? — De in de nieuwe boschgronden aanwezige meststoffen bestaan 
in afval-mest en in eene ruime hoeveelheid zouten, die het gevolg zyn 
van het tot asch verbranden van de boomen; zouten — het zij in het 
voorbijgaan gezegd — die zeer oplosbaar en van alkalischen aard z^n, 
daar ze voortkomen van bladeren, takken, jonge boomen, enz. 

Wanneer wij de zelfde stoffen in de zelfde hoeveelheid aan den grond 
toevoegen, en die behoorlijk gelykmatig daarin verdeelen, zullen wij 
ons doel bereikt hebben; maar zulk een resultaat zou in de meeste 
gevfillen al zeer weinig in overeenstemming zijn met den trap van voor- 
uitgang, dien onze landbouw bereikt heeft. — De verbeterde cultuur 
stelt zich wel juist ten doel de oorzaken van vruchtbaarheid, zooals die 
in de nieuwe boschgronden aanwezig zijn , te herstellen ; maar z^ streeft 
te gelijk naar nog betere resultaten, want hare taak is niet slechts om 
den grond met eene genoegzame hoeveelheid meststof te verrijken, maar 
tevens om zijnen aard geheel te herscheppen , door de middelen ter ver- 
betering in dier voege aan te brengen , dat ze , elkander ondersteunende 
en in wederkeerig verband, strekken om een duurzaam evenwigt in het 
aanzijn te roepen, waardoor men het maidmum van opbrengst zal er- 
langen. — Het maximum van meststoffen is slechts een der deelen van 
het algemeene stelsel van landbouwkundige verbeteringen, en de be- 
oogde voordeelen zijn niet volkomen te bereiken , wanneer er geen an- 
dere omstandigheden medewerken, om den plantengroei te begunstigen. 

Wij zullen deze denkbeelden kortelijk -toelichten. 

De natuur verschaft ons tot model eenen grond, meest geschikt voor 



Digitized by 



Google 



332 



elke cultuur iu een bepaald klimaat; daarbij heefi zij ons toegerust met 
het noodige verstand, om door middel van landhuishoudkundige naspo- 
ringen te kunnen onderscheiden uit welke bestanddeelen die model- 
grond is zamengesteld; later, door de ondervinding en door vergel^king 
van nieuwe opmerkingen, komen wij tot de juiste waardering van den 
invloed van al die bestanddeelen, elk afsonderlyk en in wederkeerig 
verband met elkander. 

Welnu: de verbeterde cultuur streeft er naar, dien model-grond weder te 
geven of althans nabij te komen, tot punt van uitgang nemende den 
grond, dien zij ter harer beschikking heeft, en waarvan zy de normale toe- 
standen wyzigt, ten einde zoodanigen grond te erlangen als men wenscht 
te hebben. Niemand zal beweren , dat alle nieuwe boschgronden even 
gunstige resultaten opleveren; iedereen weet, dat ontgonnen wordende 
gronden niet allen even vruchtbaar zijn; er bestaat een in het oog loo- 
pend onderscheid tusschen hen: dus, om het eens zoo te noemen, de 
ziel der gronden is verschillend; en als ze aanvankelyk eenige punten 
van overeenkomst met elkander hebben, is dat, doordien bij allen één 
gemeenschappelijk bestanddeel overwegend is (namelijk: meststof). De 
verbeterde cultuur stelt zich ten doel om den slechtsten grond, dien 
men zich denken kan, te herscheppen in eenen grond, zoo vruchtbaar 
en deugdzaam, als in de vruchtbaarste streken een pas-ontgonnen bosch- 
grond met mogelijkheid wezen kan. En dit resultaat, tot welken prys 
wordt dat verkregen ? Voorzeker met minder kosten , dan noodig zijn om 
eeneu natuurlijken boschgrond te ontginnen, welks vruchtbaarheid altyd 
slechts van zeer voorbygaanden aard is , terwijl de kumimatige boBchgrond 
langer stand houdt en volkomen vruchtbaar is. Daarby moet ook 
in aanmerking worden genomen , dat de arbeid op gronden ,* die ge- 
heel vrij zijn van boomtronken, minder kostbaar is, doordien men op 
zulke gronden partij kan trekken van landbou w-werktuigen, enz. Wij 
moeten overigens ook letten op de algemeene en plaatselyke nadeelen, 
welke met betrekking tot het klimaat en de gezondheidstoestanden door 
het wegruimen van bosschen worden te weeg gebragt. 

Zoodra de hier door ons ontwikkelde denkbeelden door de planters 
op Cuba omhelsd en op de cultuur hunner gronden toegepast zullen 
worden, zal onze suiker-opbrengst in onberekenbare mate toenemen; 



Digitized by 



Google 



isii 



want vele stukken lands zullen dan met min of meer arbeid meer pro' 
dakt opleveren, dan de vruchtbaarste nieuwe boschgronden ; anderen 
zullen eenen oogst geven, die voor het minst daarmede gelijkstaat; 
en slechts zeer weinige akkers, eindelyk, zullen niet in staat zyn dat 
maximum van opbrengst te bereiken, maar zullen toch alt^d zooveel 
opleveren, dat de vergelijking van hunne opbrengst met die van een 
nieuwen boschgrond nooit anders oplevert dan een verschil in hun voor- 
deel. Deze denkbeelden hebben wij uitvoeriger ontwikkeld, toen wij ge- 
handeld hebben over het nut om eenheid en zamenhang te brengen in 
de landhuishoudkundige verbeteringen, door die toe te passen gelijktij- 
dig en in de juist vereischte mate. 

Maar, zal men ons eindelijk tegenwerpen, dat klinkt alles goed en 
wel; doch hoe kunnen zulke doortastende verbeteringen tot stand wor- 
den gebragt? Hoe kunnen dergel^ke mirakelen tot stand komen op het 
gebied der werkelykheid? Ons antwoord is dood-eenvoudig : door de na- 
tuur na te bootsen! Maak tot dat einde de bovenlaag teel-aarde * dik- 
ker, bijaldien di^ niet de noodige dikte heeft; voorzie den grond van 
eene behoorlijke waterlozing door middel van draineerbuizen ; verbeter 
de physieke eigenschappen van den grond, wijzig zijne chemische za- 
menstelling; breek den ondergrond, of vermeng zijne bestanddeelen, als 
dat noodig is, met den grond zei ven; en zoo al meer. Daarna zult gij 
het riet slechts te planten en te kweeken hebben met inachtneming 
van z^'ne bijzondere geaardheid en van de voorschriften der weten- 
schap. En eindelijk zult gij u hebben te bedienen van de verbeterde 
werktuigen, om de suiker uit het rietsap te trekken; ga daarmede zoo 
lang voort, totdat de stroop eigentlyk niets anders meer bevat, dan al- 
kaliën en andere stoffen. Als men op die wijze te werk gaat, zal men 
kunstmatige boschgronden erlangen, die ruimer in opbrengst zijn dan 
'de natuurlijke, en wij zullen tot de overtuiging komen, dat het min- 
der kostbaar en meer voordeel-gevend is oude gronden te verbeteren , 
dan nieuwe gronden te ontginnen. 

En men wane niet, dat al wat wij hier hebben medegedeeld, slechts 
redenering is en theorie : wij hebben het alles in praktijk gebragt en 
bij ondervinding. — Een klein stuk gronds, met riet beplant en in 
cultuur gehouden met inachtneming van al de opgesomde vereischten, 



Digitized by 



Google 



.134 



leverde oas zulk eene hoeveelheid suiker , dat wij , daarnaar eeaen akker 
van 13,42 hectaren berekenende, eene opbrengst erlangden van ver 
over de duizend canasters. — Maar, zal men ons tegenwerpen, eenige 
weinige roeden gronds in cultuur te hebben, is geheel iets anders dan 
ruim acht honderd hectaren te betelen : waar zou men de noodige mest- 
stoffen moeten vinden, om in de behoeften van zooveel gronden te 
voorzien? — Hierop zullen wij antwoorden, dat wij, het woord „waar" 
ia zyne natuurlijke beteekenis nemende, werkelyk niet weten waar ruim 
acht honderd hectaren gronds in cultuur zyn : wel wordt er op die uit- 
gestrektheid eenig suikerriet geteeld, maar niet zoo, dat men zeggen 
kan, dat die uitgestrektheid werkelijk geheel in cultuur is. En wanneer 
nu een akker van circa 13^ hectaren in het vervolg zooveel kan op- 
brengen, als tegenwoordig wordt opgebragt door tien zulke akkers te 
zamen, dan zouden de kosten van bemesting, hoe aanzienlek die ook 
mogen schijnen, toch ruimschoots worden opgewogen door de voordee- 
len 'eener zoo onvergelëkelijk ruimere opbrengt. — Doch dit laatste 
punt vereischt eene meer uitvoerige uiteenzetting, dan wij in staat zijn 
hier daarvan te geven. — Ten slotte durven wij verzekeren , zoodra onze 
riet-akkers naar eisch behandeld worden, dat men dan als totaal on- 
bruikbare gronden zal beschouwen zoodanige akkers, die per 13,42 
hectaren oppervlakte niet meer suiker opleveren dan slechts vijf en 
twintig duizend nederlandsche ponden (met andere woorden, voor de 
suikerplanters op Java : gronden die niet meer opleveren dan p. m. 21 
pikols per bouw); zullende alsdan de gemiddelde opbrengst yan zooda- 
nige oppervlakte bedragen op zyn minst honderd duizend nederlandsche 
ponden , doch hoogst waarschijnlijk nog veel meer. 



Digitized by 



Google 



ALOEMEENE BESCHOVWINOEN AANGAANDE 
DE CULTUUR VAN HET SITIKERRIET. 



Het nut om eenheid en zamenhang te brengen in de land- 
bouwkundige VEEBETBRINGEN, DOOR ZE TE BEWERKSTELLIGEN GELIJK- 
TIJDIG EN IN DE JUISTE MATE. — Het leven der planten, hare natuur- 
lijke ontwikkeling hangt af van eenen-zamenloop van omstandigheden, 
die, elkander wederkeerig ondersteunende, bevorderende en wijzigende, 
zamenwerken om het eind-resultaat te weeg te brengen : dit is dus het 
einddoel van de werkzaamheid en van de reactiën van verschillende ver- 
anderlijke factoren, die, ter geschikter tijd en in de juiste mate aanwezig, 
het/lalgemeene uitwerksel te weeg brengen. Even als het leven van het 
dier onderhouden wordt door eene harmonische zamenwerking van func- 
tiën, die zekere bijzondere vereischten noodig hebben om werkzaam te 
zijn; even als het gebrek aan evenwigt tusschen die vereischten — 
hetzy ze te veel, te weinig of niet goed aanwezig zijn — storingen 
veroorzaakt in het dierlijk organismus: zoo vorderen ook de planten, om 
zich te ontwikkelen , een zamenloop van omstandigheden , die , by een 
harmonisch evenwigt in hare onderscheidene en wederkeerige werkingen, 
uitloopen op het natuurlijke resultaat. 

De kunde, de bekwaamheid en het doorzigt van den landbouwer be- 
staat hierin, dat hy de wederkeerige betrekkingen weet te bepalen, 
waarin de omstandigheden tot elkander staan, die moeten zamenwer- 
ken niet alleen om eenen model-grond te verschaffen, die meest ge- 
schikt is voor elke met een bepaald doel ondernomen Avordende cul- 
tuur in een bepaald klimaat , tot welk einde al de bestanddeelen, waar- 
uit zoodanige model-grond zamengesteld moet zijn , in zynen grond in 
het aanzijn moeten worden geroepen; maar hij moet tevens de voort- 



Digitized by 



Google 



iu 



brengende kracht van dien grond opwekken tot den hoogstmogeljjken 
graad. Het punt van uitgang is dus, zich omtrent den aard van den 
grond te vergewissen, door middel van verschillende, menigvuldige en 
vergelijkende waarnemingen, bevestigd door alle noodige tot dat einde 
in het werk gestelde proefnemingen , te vergelyken met al de vereischten 
van den bevorens als type vastgestelden modelgrond, en zoodoende de 
middelen op te sporen , waarvan men zich te bedienen heeft om den 
eigen grond geheel óf zooveel doenlijk aan dien model-grond gelgk te 
maken. — Daar het van de oorspronkel^ke gesteldheid van den grond 
afhangt, in welke mate ieder middel ter verbetering daarop moet wor- 
den aangewend, spreekt het ook van zelh, dat de uitgebreidheid der 
veranderingen, die men hem zal laten ondergaan, geheel afhangt van 
de eigenschappen, die hg uit zich zei ven bezit; zoodat het, wanneer 
deze of gene bepaalde hoedanigheid reeds daarin aanwezig is, onnoodig 
zal z^n de middelen aan te wenden , om die hoedanigheid te weeg te 
brengen , zullende men alsdan slechts hebben te zorgen , dat die hoe- 
danigheid in wezen blijve en niet door de cultuur geheel of ten deelc 
verloren ga. 

Elke bewerking, die in de praktyk van den landbouw verrigt wordt, 
heeft hare bijzondere, noodwendige, zeer bepaalde en onviïiaajkriyke 
gevolgen; en by het verrigten van zoodanige bewerking wenscheft wjj 
daardoor de vooruitberekende resultaten te bereiken ; maar om die tcsal- 
laten te erlangen in hunne volste uitgebreidheid, is de medewerking 
noodig van andere omstandigheden , die , zoo ze niet bestaan , in het 
aanzijn moeten worden geroepen; bovendien, al worden al de verbete- 
ringen gezamentlijk aangebragt, is het duidelyk, dat ze geen bestendig 
resultaat zullen opleveren, indien ze niet aangebragt worden in behoor^ 
lijke evenredigheid tot elkander. Dus , wy herhalen het , de omstandig- 
heden der cultuur hangen niet af van eene enkele en op zich zelve 
staande bewerking; ze zijn het uitvloeisel van eenen zamenloop van ver* 
schillende bestanddeelen , en om het gewenschte evenwigt te verkrygen 
is het dringend noodig al de verbeteringen te doen zamengaan en in 
onderling verband te brengen, opdat ze, elkander wederkeerig wyzi* 
gende, een algemeen resultaat voortbrengen. Nog sterker: elke bewer* 
king , die in zekeren graad nuttig is , wanneer zij gepaard gaat met en 



Digitized by 



Google 



337 



ondersteund wordt door meer andere bewerkingen, is nutteloos, vruch- 
teloos en in menig geval zelfs nadeelig , wanneer zij in toepassing ge- 
bragt wordt geheel op zich zelve en van alle andere bewerkingen afge- 
scheiden. 

Wij willen deze algemeene denkbeelden nog kortelijk toelichten. 

In de harmonische eenheid , het eind-geheel van zoo vele verschillende 
middelen, die onderling en wederkeerig door elkander worden gewij- 
zigd, en allen worden aangewend om eenen beteren teelgrond f e erlan- 
gen, bekleedt eene eerste plaats de drooglegging of drainage, die, 
hoezeer hare eigenaardige en zeer bepaalde uitwerkselen te weeg bren- 
gende , toch , om die volkomen en met het grootstmogelijke nut te weeg 
te brengen, de medewerking behoeft van andere byzonderheden, welke, 
om op hare beurt al hare eigenaardige gevolgen te kunnen opleveren, 
de ondersteuning noodig hebben van het draineer-stelsel. Met andere 
woorden: die bewerking, afzonderlijk en afgescheiden van al de overigen 
toegepast , levert nadeelen op , of althans niet bestendig al de voordee- 
len , die daarvan te trekken zijn : men moet haar vereenigen met andere 
praktische verbeter-middelen , die , behalve dat ze de voordeden van het 
draineer-stelsel te weeg brengen en bevorderen , tevens in dat stelsel 
een magtigen steun en bondgenoot vinden om hunne eigene uitwerkselen 
te weeg te kunnen brengen. 

Wij hebben de voordeden doen kennen , die door middel van drainage 
verkregen worden ; doch daar die voordeden ondergeschikt zyn aan den 
aard van den grond , is het , om ze in de ruimste mate te verkrygen , 
noodig, den grond in den geschiktst-mogelyken toestand te brengen, 
zoo hij niet uit zijnen aard al de gewenschte hoedanigheden in zich 
veriBenigt ; vandaar het nut om de physieke eigenschappen van den grond 
te wijzigen door middel van de correctiven, op zijne chemische zamen- 
stelling te werken met de gepaste mestspeciën , den grond te bewerken 
tot op eene behoorlijke diepte , den ondergrond los te maken , den akker 
te besproeijen , enz. — Sommige landbouwers , die de werking van het 
draineer-stelsel hebben gadegeslagen op bepaalde gronden, zyn tot de 
bevinding gekomen, dat het losmaken van den ondergrond van geenerlei 
invloed of nut was met betrekking tot de uitwerkselen der drainage; 
doch in dusdanige gevallen hadden die opmerkers moeten erkennen en 



Digitized by 



Google 



d88 



verklaren , dat de ondergrond geen voorafgaande bewerking noodig had. 
Het is niet genoeg den grond een enkelen keer vmchtbaar te maken , 
door hem te onderwerpen aan al de vereischte bewerkingen: daar b^ 
soodanige behandeling van den grond de planten meer voedingstoffen 
opslurpen , en daar overigens de planten door andere oorzaken (invloed 
van de speling der lucht , doorzypeling van het water, enz.) meer onder- 
hevig zyn om in verval te geraken, is het noodig de vruchtbaarheid te 
onderhouden , door alle vermindering daarvan aan te vullen en de har- 
monie te herstellen tusschen al de afwisselende b\izonderheden , aan 
welke te zamen de vruchtbaarheid haar ontstaan te danken heeft. 

Met de bewerkingen van den grond is het eveneens gesteld als met 
de drainage; afzonderlijk in toepassing gebragt, eindigen ze met na 
verloop van eenigen tijd den grond onvruchtbaar Ie maken, wanneer 
men dat niet door de aanwending van mestspeciën , correctiven , enz. , 
in tyds verhoedt; de drainage is op hare beurt de bondgenoote 
van de verschillende grondbewerkingen. Deze bewerkingen toch, indien 
ze niet ondersteund worden door de drainage^ worden veelal niet 
volbragt met de noodige volkomenheid, in sommige gevallen brengen 
ze niet al hare resultaten te weeg, en onder alle omstandigheden 
kunnen ze niet gedurende zulk een lang tijdvak haren invloed uit- 
oefenen op eenen grond, die niet aanhoudend onderworpen is aan andere 
gunstige invloeden. 

Yan de mestspeciën wordt niet volkomen party getrokken , indien niet 
de overige omstandigheden medewerken ter bevordering van den plan- 
tengroei en van de reactiën, die de mest ondergaan moet om opgeslurpt 
te kunnen worden; de mest kan te loor gaan zonder al hare uitweri^* 
selen te weeg te brengen; derhalve is het ook niet dienstig, de bemes- 
ting a£zonderlijk aan te wenden. 

De physieke eigenschappen van den grond kunnen niet gewgzigd 
worden, indien niet de waterlozing, de besproeying en de bewerking 
van den grond volkomen plaats heeft; en alle daarin (hoe verstandiglyk 
dan ook) aangebragte wijziging zou toch niet baten , indien niet tevens 
de voedingstoffen in den grond aangebragt, en te gelijk alle andere 
omstandigheden in het aanzyn wierden geroepen, die dienstig zyn om 
de opslurping der voedingstoffen te bevorderen. Bovendien kannen die 



Digitized by 



Google 



S89 



zelfde eigenschappen , naar behooren gewijzigd , de verarming of uitput- 
ting van den grond te weeg brengen door de overmatige weelderigheid 
van den plantengroei , welke niet slechts opwekking in de functiën der 
planten vooronderstelt, maar tevens, dat de planten eene grootere hoe- 
veelheid voedende stoffen ontvangen, die, byaldien alleen de grond ze 
verschaft, zonder dat ze daarin hersteld worden, moeten eindigen met 
uitgeput te geraken. Het is aan iedereen bekend, dat de uitsluitende 
aanwending van mergel , zonder de ondersteun'ng van mestspeciën , enz. , 
op den langen duur zelfs de allervruchtbaarste gronden van hunne 
vruchtbaarheid berooft; vandaar het spreekwoord: „de mergel maakt 
de vaders rijk en de kinderen arm". Waar wy over den mergel hebben 
gehandeld, hebben wy aangetoond, dat hy, behalve als correctief , ook 
kan worden aangewend als eene kalkachtige mestspecie , die werkzaam 
is op zich zelve en door reactiën, wfelke zij te weeg brengt door in 
aanraking te komen met de bestanddeelen van den grond. 

Wat zou het baten eenen grond te besproeyen , indien het water niet 
door de aardlagen kon doordringen , en zich vryëlyk bewegen om de 
bedorven lucht te verwyderen , al de bestanddeelen van den grond te 
bevochtigen , de indringing van versche lucht in de poriën van den 
grond te bevorderen , ettelyke reactiën te weeg te brengen of te begun- 
stigen, en de voor den plantengroei dienstige stoffen door al de be- 
standdeelen van den grond te verspreiden ? Wanneer niet al de omstan- 
digheden medewerkten om den plantengroei te begunstigen, is het 
zonneklaar, dat de kunstmatige besproeijingen of de regens in vele 
gevallen niets anders zouden doen dan den grond afspoelen, en eindi- 
gen met hem geheel van zyne bovenlaag teel aarde te berooven; onge- 
rekend dat op vruchtbare en goed zamengestelde gronden de besproeying, 
aangewend als eenig en uitsluitend landbouwkundig hulpmiddel, eindigen 
zou met den grond geheel en al onvruchtbaar te maken. 

Om kort te gaan, al de landbouwkundige verbeteringen moeten in 
toepassing worden gebragt gezamentlijk ; allen moeten aangewend wor- 
den in de juiste mate , zoodat de resultaten , die ze elk in het bijzonder 
te weeg brengen , zamenstemmen , om op duurzame wyze het gewenschte 
evenwigt tot stand te brengen. De betrekkelijke verhouding, waarin al 
deze verbeter-middelen tot elkander staan en elk in het byzonder het 



Digitized by 



Google 



S4ü 



zijue bijdrageude tot het eindresultaat, en daaraan zijn eigenaardig 
karakter bijzettende, maakt die of die bepaalde verhouding bgzonder 
geschikt onder een gegeven klimaat voor die of die plant , die in hare 
weefsels een bepaald produkt bewerkt. De verbetermiddelen moeten dus 
elk in het bijzonder en in evenredigheid tot elkander worden aangewend 
in zoodanige mate, als juist overeenstemt met den bijzonderen aard 
der planten , met de bijzondere rigting , die wy aan hare functiën wen- 
schen te geven, en met de algemeene eigenschappen van den grond 
en van het klimaat; maar op alle manieren is het in alle omstandig- 
heden noodig in de juiste mate al de verbeter-middelen te doen zamen- 
werken, als daar zijn: de voorloopige bewerking of gereedmaking van 
den grond, de diepgaande bewerking of het ploegen, het losmaken 
van den ondergrond, de correctiven, de vaste mestspeciën, het dikker- 
maken van de bovenlaag teel-aarde, de drainage in verband met de 
besproeying en met de aanwending, van vloeibare mest; in een woord, 
al de verbeter-middelen, welke de hedendaagsche wetenschap aanbeveelt 
om tot het maximum van voortbrenging te geraken, want elk dier 
middelen op zich zei ven is in meerderen of minderen graad , hetzij regt- 
streeks of zijdelings, een aanvulsel of onmisbaar vereischte van al de 
overigen. — Al wat wij hier gezegd hebben betreffende de bewerkin- 
gen , die noodig zijn , ten einde de gronden geschikt en gereed te maken 
om beplant te worden, moet ook worden uitgestrekt tot de verdere 
werkzaamheden en verrigtingen, die onmisbaar zyn om eene spoedige 
en natuurlijke ontwikkeling der planten te weeg te brengen, dat wil 
zeggen tot de zorgen der cultuur , of met andere woorden tot die ver- 
rigtingen, die de planten vereischen om welig te kunnen opgroeien 
tot haren vollen wasdom. 

Veeband tüsschen de toestanden van het kümaat, den' aard 
DER PLANT, EN DE VEREiscHTEN DER CULTUUR. — Wij hebben alle be- 
toogredenen willen aanvoeren om te bewijzen, hoe noodzakelyk het is 
onze akkers goed te betelen: tot dat einde hebben wy al de voorschriften 
opgesomd y die ons dienstig toeschenen om het doel te verwezentlyken , 
dat wij ons voorgesteld hadden te bereiken. 

Thans gaan mj eene nieuwe reeks van betoogredenen doorlóopen en 



Digitized by 



Google 



fHl 



in beschouwing nemen, om te doen zien^ hoe men onder de tropische 
hemelstreken, waar aanhoudend lente heerscht, en waar de functiën 
van den plantengroei nimmer eenige storing ondervinden, of juister ge- 
zegd moeten ondervinden , noodwendig alle vereischte zorg aan de cultuur 
moet besteden, meer dan onder andere hemelstreken , daar in het tegen- 
overgestelde geval noodwendig groote nadeelen het gevolg daarvan zullen 
worden. Met de woorden „ alle vereischte zorg aan de cultuur besteden" 
willen wij eigentlijk zeggen, dat op het juiste tijdstip en in de behoor- 
lijke mate al de verschillende bijzonderheden moeten worden in acht 
genomen, die elk op zich zelve en in haar wederkeerig verband moeten 
zamenwerken om dien volledigen zamenloop van omstandigheden in het 
aanzijn te roepen , die de planten in staat stelt al hare functiën naar 
behooren te verrigten, ten einde zoodanige produkten voort te brengen, 
als haar organismus geroepen is voort te brengen. 

Het bijzondere onderzoek , door ons in het werk gesteld betreffende 
elke soort van cultuur, zal ons, wanneer wij al die bijzondere denk- 
beelden en feiten toepassen in het algemeen, in staat stellen om te 
beoordeelen in hoeverre de omstandigheden, die op alle soorten van 
cultuur gelijkelijk van toepassing zyn, alle overige afwisselende en 
telkens gewijzigd voorkomende omstandigheden van zich afhankelijk 
maken en beheerschen. 

Om dit onderzoek te volbrengen , zullen wij beginnen met na te 
gaan, welke invloed op de planten wordt uitgeoefend door de onver- 
anderlijke eigenschappen van ons klimaat (warmte en licht), en daarnaar 
zullen wij bepalen , hoe wij de bijkomende en ondergeschikte eigen- 
schappen (vochtigheid, gesteldheid van den grond, enz) hebben te 
wijzigen, ten einde die in harmonie te brengen met de oorzaken, 
welke altijd hare gevolgen te weeg brengen : met andere woorden , 
wij willen den overwegenden en onvermijdelijken invloed nagaan van de 
steeds-aanwezige eigenschappen, die haren invloed altijd op de planten 
uitoefenen; en als wij eerst dien invloed in zijn geheel hebben leeren 
kennen , zal het ons weinig moeite kosten om op te sporen , hoe de 
slechts tijdelijk of toevallig aanwezige toestanden gewyzigd behooren te 
worden, opdat uit eene volkomene harmonie van al die verschillende 
invloeden het meestmogelijke nut en voordeel kunne worden getrokken. 



Digitized by 



Google 



Ui 



De byzonderbeden , die alle tropisebe gewesten kenmerken, zijn: 
aanbondende warmte. Hebt en vocbtigbeid, en al de nitvloeiselen van 
deze drie boofdtrekken , elk in bet bijzonder en allen gezamentlijk ge- 
wijzigd door andere omstandigbeden en toestanden. — De zware regens, 
die meer of minder veelvuldig vallen, vooral op bepaalde tijdstippen 
des jaars, dringen door in de aarde; daar wordt dat water gedeeltelijk 
teruggebouden door de eigenscbappen van den grond , en in zekere 
mate ook door bet lommer der boomen. Op die w^ze bebonden 
de bosscben altijd eene vocbtigbeid, die ben doet leven. — Zoo is 
de staat van zaken op bet oogenblik, waarop de menscb bezit 
neemt van den grond, om daarin verscbillende planten te telen: tot dat 
einde ruimt bij den boscbgroei weg , en zoodoende beeft bij over eenen 
grond te besebikken , die , welke ook de eigentlijke , wezentlijke geaard- 
beid daarvan zijn moge, op dat oogenblik zulk eene boeveelbeid'vrucbt- 
baarmakende stoffen in zicb bevat, dat al de mingunstige of ongunstige 
eigenscbappen, die er welligt in aanwezig zijn, daardoor, om bet eens 
zoo te noemen , gemaskerd en verborgen worden. 

Gedurende dit eerste tijdvak geniet de landbouwer al de voordeelen 
van de weldadige regens en van de vocbtigbeid van den grond, die wij 
slecbts willen doen afhangen van de overvloedige meststoffen: er ver- 
loopen eenige jaren , de aanvankelyke vruchtbaarheid wordt van liever- 
lede minder; de ongunstige eigenscbappen van den grond, gesteld dat 
er zulke aanwezig zyn , blijven niet langer verborgen , maar doen reeds 
baren nadeeligen invloed gevoelen ; de regens beginnen te venmn deren 
en worden meer of min ongeregeld , ten gevolge van de opruiming der 
bosscben: zoodat de landbouwer eindelijk niets anders overhoudt dan 
eenen grond , die meer of minder vruchtbaar en geschikt is voor de 
verschillende soorten van cultuur, en de verschijnselen eener vocbtig- 
beid, die afhankelijk is van de eigenschappen van den grond en van de 
onregelmatigheid der regens. Bij slot van rekening is het eenige, dat 
van de aanvankelyke gesteldheid van het tropische klimaat over is ge- 
bleven, de warmte en het licht, twee krachten, die, daar ze niet meer 
zoo als vroeger in staat zyn eene groote levens-werkzaambeid op te 
wekken en Ie onderhouden , doordien ze niet meer ondersteund worden 
door de overige noodwendige vereièchten , nu integendeel in meerderen 



Digitized by 



Google 



343 



of minderen graad eenen schadelijken invloed kannen uitoefenen op den 
plantengroei. 

Het licht en de warmte verhoogen de werkzaamheid der wortels om 
de in den grond aanwezige sappen op te slurpen, en veroorzaken de 
verdamping der vochten door al de zich boven den grond bevindende 
gedeelten der plant: onder den invloed van het licht, heeft de ontleding 
van het koolzuur plaats door de groene organen. Beide vloeistoffen wek- 
ken al de functiën der plant op, die door beider weldadigen invloed 
volkomen verrigt worden in den hoogsten graad. Wij zullen nog meer 
zeggen: hetzij uithoofde van de algemeene werking op al de functiën 
der plant, of uithoofde van de bijzondere werking op die functiën, die 
inzonderheid belast zijn met de taak om de suiker te bereiden, of wel 
uithoofde van de beide redenen, zooveel is zeker, dat de twee genoemde 
krachten hoofdvereischten zijn voor de Suikervorming in de weefsels der 
netplant. 

Uit deze groote opwekkende kracht, die door de genoemde vloeistof- 
fen aan de geheele huishouding van het plantenleven wordt medege- 
deeld, is het gevolg, dat, daar de wortels der planten meer sappen 
inzuigen, de planten zelven meer vochtdeelen uitdampen, het koolzuur 
beter en in grootere hoeveelheid ontleed wordt, de planten eene groo- 
tere hoeveelheid voedingstoffen, en vooral vochtigheid noodig hebben, 
opdat, wanneer alles zich in de juist vereischte maat en evenredigheid 
bevindt, de integriteit van het organismus in stand blijve, al de func- 
tiën der plant in werking blijven , en verrigt worden in zoodanige mate , 
als overeenstemt met alle omstandigheden , elk in het bijzonder. In het 
tegenovergestelde geval zijn de planten meer onderhevig aan het gevaar 
te verdorren , veranderingen te ondergaan in hare weefsels , en zoodoende 
ontstaat er afwijking en storing in de verrigting van hare functiën. 

Uit alles wat wij hebben aangevoerd volgt, dat het, om onder de 
tropische hemelstreken partij te trekken van de twee weldadige krach- 
ten, die daar aanhoudend werkzaam zijn, noodig is juist te weten, hoe 
in den hoogsten graad aan de planten al de vereischten te verschaffen , 
die zamenwerkend aanwezig moeten zijn in den grond, en die, welke 
in acht te nemen zijn bij de aan het plantsoen bestede zorgen gedu- 
rende de onderscheidene tijdperken van zijne ontwikkeling. Onder de 



Digitized by 



Google 



u\ 



bedoelde hemelstreken is het dringend noodig , in hoogere mate de phy- 
sieke eigenschappen van den grond te verbeteren, en zooveel maar im- 
mer doenlijk, naar gelang van de behoefte, de chemische zamenstelling 
te wijzigen, goed te planten, te wieden, te besproeijjen, enz. Als deze 
heilzame beginselen gevolgd worden , is er geen klimaat zoo geschikt 
als dat van Cuba, om ruime oogsten op te leveren; en geleid door de 
voorschriften der wetenschap, zal men daar resultaten verkrggen, zoo 
uitermate gunstig, dat wij die op dit oogenblik bijjna niet zouden dur- 
ven voorspellen, daar iedereen waarschijnlyk onze woorden zou bestem- 
pelen met den naam van vrome wenscken. 

Bij de opwekkende werking van licht en warmte, met betrekking tot 
hunnen regtstreekschen invloed op de planten, moeten wij, als oorzaken 
die medewerken tot het zelfde einde, de kracht der reactiën voegen, die 
plaats grepen tusschen de elementen van de lucht en van den grond; 
de snellere en diepere oxydatiën; de nitrificatie; de vrijmaking van de 
werkelooze bestanddeelen, enz.; de vormbg van salpeterzure ammoniak 
in den dampkring gedurende onweders, en misschien altijd op geringere 
schaal. Al deze daadzaken bewijzen, hoe gunstig in deze hemelstreken 
al de toestanden werkzaam zijn voor de ontwikkeling van het plan- 
tenleven. 

Gesteld dat er geen verandering hoegenaamd plaats grijpt in de toe- 
standen, welke het tropische klimaat vormen; aangenomen dat warmte, 
licht en vochtigheid steeds aanwezig blijven in de juist vereischte even- 
redigheid, waarin ze aanvankelijk werden aangetroffen, dan is het ontwij- 
felbaar , dat de grond niet alleen spoediger uitgeput zou geraken door over- 
matige weligheid van den plantengroei , maar dat ook ieder, om het even 
welk, gebrek in de gesteldheid van den grond en in de bijzonderheden 
der cultuur zou blijken de grootste nadeden te weeg te brengen. Hoe 
grooter in den landbouw de krachten, die werkzaam zijn, des te in het 
oog loopender het ontbreken of het gebrekkig-zyn van de overigen, die, 
vereenigd met de anderen, welke haren invloed doen gelden, moesten 
zamenwerken om den zamenloop van gunstige omstandigheden in het 
aanzijn te roepen. — Deze daadzaak zal men niet anders helder en 
duidelijk begrijpen, dan door middel van vei-ge^jkende proefnemingen: 
in de meeste gevallen, wanneer zekere gunstige omstandigheden zich 



Digitized by 



Google 



.345 



overwegend doen gevoelen, zijn de daardoor verkregen wordende resul- 
taten van dien aard, dat de afwezigheid der overige omstandigheden in 
het geheel niet kan worden opgemerkt. 

Wij weten wel, dat sommige schrijvers een geheel tegenovergesteld 
gevoelen voorstaan. „ Daar in warme landen de assimilatie van het kool- 
zuur door de bladeren der planten zeer werkzaam is , zeggen zg , is 
het min of meer onnoodig ze van bemesting te voorzien." Ze voeren 
ook aan, „dat de graangewassen een ruimeren oogst opleveren, en 
zich tevreden stellen met gronden van mindere vruchtbaarheid." Deze 
zonderlinge redeneringen worden tot hare juiste waarde teruggebragt , 
wanneer men bedenkt, zooals de ondervinding leert en de wetenschap 
verklaart, dat het bemesten van den grond in warme landen noodiger 
is , dan in andere. Bovendien is de ontbinding van het koolzuur door 
de bladeren misschien niet de voornaamste en gewigtigste functie van 
het plantenleven , en al ware zulks het geval wel, is die functie toch 
niet geschikt om afzonderlijk verrigt te worden, zonderde medewerking 
van de overige. Zonder behoorlijk gevormde organen, zonder stoffen, 
waardoor die ontbinding wordt te weeg gebragt, bevorderd en opge- 
wekt , zonder andere functiën , in staat om den produkten van nut te 
wezen , enz. , zyn èn de middelen om het doeleinde van die functie te 
bereiken, èn het nut daarvan ondenkbaar. Is het misschien enkel ten 
koste van het door de bladeren en wortels opgeslurpte koolzuur, dat 
de plant zich voedt, haar leven onderhoudt en vrucliten voortbrengt? 

Die vermeende afzondering en meerderheid van de functiën der bla- 
deren is in allen deele in strijd met de daadzaken , die wij aantreffen 
bij alle bewerktuigde wezens. Tusschen al de functiën der levende wezens 
Bestaat zulk een onderling verband en zamenhang, dat ze elk in het 
bijzonder als middelpunt of als punt van uitgang kunnen worden geko- 
zen ; al de overigen scharen zich dan geregeld en harmonisch om die 
eene heen. Er bestaat een wederzijdsch verband, eene onafgebrokene 
aaneenschakeling tusschen haar allen: elk dier functiën vooronderstelt 
noodwendig het bestaan van al de andere, en elk op hare bijzondere 
wijze werken ze allen zamen om de algemeene en bijzondere doeleinden 
der plantenhuishouding te helpen bereiken. Ze zijn niet allen van even 
groot gewigt, maar ze zijn allen even onmisbaar voor het natuurlijke 



Digitized by 



Google 



346 



leven der plant. Eene stoornis ot verwarring in eene enkele dier fanctiën 
verbreekt onvermydelijk in meerdere of mindere mate het algemeene 
evenwigt. Deze denkbeelden z^n reeds vroeger door ons uiteengezet, 
zoodat wy het overtollig achten er hier nog verder over uit te weiden. 

Wij zullen thans eene nieuwe betoogreden aanvoeren, die ons, naar 
wij niet tw^felen, zal dienen, om de waarheid, welke w^ willen doen 
erkennen , duidelyk en helder in het licht te stellen. Onverschillig hoe- 
danig eigentl^k de physieke , chemische en geologische gesteldheid van 
eenen grond z^, wanneer slechts de daarop levende planten gekweekt 
zyn onder de gunstigste omstandigheden, is het een erkend en bewezen 
feit, dat de daarvan te verkrijgen oogst zal afhangen van de damp- 
krings-in vloeden , waaronder de planten zich ontwikkeld hebben; hoe 
gunstiger die invloeden geweest zijn, des te voordeeliger zal de oogst 
wezen ; en hoe ongunstiger ze zijn geweest gedurende het leven der 
planten , des te geringer zal ook de opbrengst z^n , die daarvan ver- 
kregen wordt; hoe ruimer de oogst, hoe meer voedende stoffen daar- 
door aan den grond onttrokken z\jn , waaruit dus volgt , dat de grond 
dan ook des te spoediger zyne vruchtbaarheid verliezen zal, zoodat men 
in gelijke mate de voedende zelfstandigheden , die hij verloren heeft, 
zal moeten herstellen , zullende men anders gevaar loopen de opbrengst 
van den oogst van jaar tot jaar sterk te zien verminderen. Vandaar 
dat de europesche landbouwers zeggen, dat de onvruchtbare jaren, die, 
waarin de oogst, wegens ongunstige gesteldheid van den dampkring, 
slechts gering is geweest , tegenover de volgende jaren , die eenen bete- 
ren oogst opleveren , kunnen beschouwd worden als jaren , waarin men 
den akker braak heeft laten liggen. Welnu, die dampkrings-invloeden , 
die de groeikracht opwekken, ontbreken in de warme landen nooif, 
en kunnen altijd hunne medewerking doen ondervinden; dus, ten allen 
tijde, onafgebroken door, zyn daar deze oorzaken werkzaam, om de 
opbrengst van den oogst te vermeerderen en den grond uit te putten. 

Zooals het oppervlakkigste onderzoek betreffende de ryke organisatie 
van het suikerriet doet zien , is dit eene in hooge mate absorberende 
plant: door hare groote en goed bewerktuigde bladeren slurpt zij uit 
de lucht voedingstoffen op en volbrengt al de overige fïinctiën, die tot 
den werkkring der blad-organen behooren ; hare talryke en veelgetaktc 



Digitized by 



Google 



347 



^iTortels , en het naar evenredigheid van hare groote ontwikkeling slechts 
korte t^dsbestek , dat zij noodig heeft om haren vollen wasdom te be- 
reiken , verklaren de hoeveelheid en geschiktheid van voedingstoffen en 
gunstige omstandigheden, die zij in zulk eene korte tydmimte behoeft 
om al hare functiën te kunnen verrigten , zonder stoornissen van wel- 
ken aard ook. Beschouwt men in zijne zamensteiling de groote massa 
organische stof, uit welke een rietstoel bestaat, die zich gevormd heeft 
ten koste van de lucht en van den grond; gaat men na, welk eene 
menigte organische produkt«n van allerlei aard z^ne weefsels bevatten ; 
rekent men de hoeveelheid zouten , die ons in den vorm van asch over- 
blijven na het verbranden van zijne stengels , bladeren en wortels , dan 
zal men overtuigd zijn, dat de rietplant een van die planten is, die 
den grond het meest uitputten , daar zij zelfs de stoffen , die zy uit de 
lucht trekt, niet eens absorberen kan, dan in verband met die, welke 
haar verschaft worden door den grond. Al deze daadzaken toonen ons 
aan , hoe groot de levenswerkzaamheid der rietplant is. — Doch laten 
wij , in plaats van te klagen, den Almagtige danken, dat Hij een zoo 
krachtdadig werktuig ter onzer beschikking heeft gesteld ; laten w^ trach- 
ten dat werktuig in de gunstigste omstandigheden te plaatsen, opdat 
het door de werking van al zijne organen , gezamentlijk en elk in het 
bijzonder, ons de grootstmogelijke hoeveelheid suiker voortbrenge. — - 
AI de ontwikkelde redenen toonen aan, dat wij, de gesteldheid van 
ons klimaat en den aard der suikerrietplant in aanmerking nemende, 
bij de cultuur van die plant in alles te werk moeten gaan volgens de 
voorschriften der wetenschap, daar anders beide die redenen oorzaak 
zullen worden , dat wij onzen arbeid slechts beloond zullen zien met 
zeer ongunstige resultaten. — En alles wat wy hier gezegd hebben met 
betrekking tot de suikerriet-cultuur, is evenzeer van toepassing op de 
teelt van onze overige gewassen. 

Belangrijkheid van db wetenschappelijke stüdicn betreffende 
DE SUIKERRIET-CULTUUR. — I. Als wij ccn suikcrsap konden hebben , dat 
enkel uit water en suiker ware zamengesteld , zou het zeer gemakkelijk 
zijn door aanwending van hitte het eerstgenoemde bestanddeel af te 
scheiden , ten einde in het bezit te komen van het andere. — De eenige 



Digitized by 



Google 



348 



voorzorg, die wij daarbij zouden hebbeu te nemen, zoude zijn de be- 
werking zoodanig in te rigten , dat het prodnkt , hetwelk wij ons wenschten 
te verschaffen, niet in z^nen aard wierd verbasterd door de hitte of door de 
vochtigheid , aan welk vereischte volkomen zou worden voldaan , indien w^' 
de bewerking verrigtten in een vacuüm bij eene lage temperatuur. — 
Ongelukkigerwyze echter bevatten de sappen, die wij uit het suikerriet 
trekken, in meerdere of mindere hoeveelheid 1». al de zel&tandigheden, 
die de organen der plant noodig hebben om haar in stand te houden 
en tot hÏEtren vollen wasdom te brengen, 2*. al de stoffen, die deze or- 
ganen behoeven om naar behooren hunne functiën te kunnen verrigten, 
en eindel^'k 3*. de stoffen, die door de verrigting der planten-functiën 
worden voortgebragt. Naar gelang van de gesteldheid van den grond, 
de soort van geteeld wordend riet, de dampkrings-gesteldheden, waar- 
onder de planten zich ontwikkelen, den graad van wasdom, dien ze 
bereiken, enz., verschillen niet slechts de hoeveelheden der zelfetandig- 
heden , die uit haren aard in haar aanwezig zijn , maar ontstaan in haar 
ook nog andere stoffen, die voortgebragt worden door de veranderingen 
en omzettingen , welke de aanvankelyk in haar aanwezige zel&tAudighe- 
den ondergaan, die, in verschillende omstandigheden geplaatst, andere 
veranderingen ondergaan, dan ze ondergaan zouden hebbeu, indien ze 
in andere omstandigheden geplaatst waren geweest; en eindel^k laat 
zich met reden voorspellen, dat ook abnormale zelfstandigheden zicb 
kunnen ontwikkelen, die niet regtstreeks af te leiden zijn van een der 
stoffen, welke onder de gewone omstandigheden bestaan, en die slechts 
voortkomen onder buitengewone omstandigheden. 

De geschiedenis van de vorming en van de verschillende veranderin- 
gen, welke, elk in het bijzonder, al de zelfstandigheden bevat, die 
het onder afwisselende omstandigheden gekweekte suikerriet ondergaat, 
is, zooals wij later zullen doen zien, het hoogste problema van de pij- 
siologische studie betreffende deze plant; dat problema eenmaal opge- 
lost, vinden wij daardoor al de gegevens om de beredeneerde cul- 
tuur vast te stellen van de kostelijke suikerplant Dan zullen wij met 
wetenschappelijke gewisheid vooraf de vereischten kunnen bepalen, die 
het best geschikt zijn om ons de grootste hoeveelheid der grondstof te 
verschaffen , die eene aanzienli^jke kwantiteit suiker bevat , en zulks ver- 



Digitized by 



Google 



349 

N 

gezeld Tan de minstmogelyke hoeveelheid audere zelfstaudigheden , die bij 
de verwerking van de suikerhoudende sappen uit deze moeien worden 
afgescheiden. Zoodra wij in het bezit zyn van de physiologische wetten 
zal het ons, bij de wetenschap onder welke omstandigheden de riet- 
plant zich ontwikkelt, weinig moeite kosten, de zamenstelling van hare 
sappen terug te brengen tot hunne natuurlijke oorzaken , en vervolgens , 
door de omstandigheden, waaronder de plant zich ontwikkelt, te wijzi- 
gen, ook de gewenschte wijziging te weeg brengen in de zamenstelling 
van hare sappen. 

Wij laten hier de analyse volgen van het suikerriet van Otahiti , zoo- 
als die bewerkstelligd is door Payen. (Zie ommezijde.) 



Digitized by 



Google 



550 



CO 

O 



CO t* 

o ^ 



o 









< 
O 

l-H 

P3 

Ui 

co 

El 

> 
o 

1-4 

EH 
CO 






<g 



.8- 

O 

S 

GO 

1 







O 



na 

a 

C6 



^ 

3 



e 

3 ^ 






fl O 

O O 

O 52 

" 2 



O CO 
co ^ 

"i-i 

o 



gb 






•» o 



E3 " ? 

O « b 

o g g 

* "El *ö 

o (O u 

•^ ^ « 



^ 



a 
2 

C8 



bO 



a> 



CS9 



fl ^ cT 

'S * ^ 



'ff o «o »o 

o o aO ao 
r-T 00 oT O* 



1 



CO 

o* 



OO o 
<34 G« 



CQ 





s,. 



3 
3 «§ 



bf) **^ 

,5 * 



o > 



o 



co 



03 O 

> 



::§ 



O ft 
OO ^ 

i i 






O g 

s .s 

o co 

ce * 

CD «s; 

^ EL 

o bO 

g a 

rH <ö 



'S. 

03 



I -^ I ft 



<ö .2 a -^ 



^ es 



^ Vi CS 

O S 
O) M 

P 

O « 

« s 

li 

o eO 

o 



st 


<ÏS 


• 


s 




a 


£ 


cT 


^ • 


S 


'S 


co 

Ö 


:=? 




0) 


M 

« 


S 


a 






Ö 


^ 


_rf 


•SS 






£ 


^ 


s 


■i ■ 


£ 


s. 


9- ■ 


d 




tl 


Si) 


^ 


g • 


.s 


'S 


^ • 


Ö 


^ 




e4 




•* 


s 


s 


^ 


(U 


-1 






>a 


^ 


2 


^ 


^ u 


'M! 


§- 


£ 2 



g J 



3| 



t>4 



S 






Digitized by 



Google 



S51 



Wy zullen hier over de nevenstaande analyse in geeu bijzonderheden 
treden, daar wy onze uitvoerige beschouwingen dienaangaande later zul- 
len mededeelen. 

Terwyldeze analysen ons doen zien hoe riet, dat volkomen ryp geworden 
is, niet alleen meer suiker, maar ook minder vreemde bestanddeelen , die 
zich moeijelijk laten afscheiden, bevat, dan riet , dat niet tot dien graad 
van ontwikkeling is gekomen, bevestigen zij , hetgeen de ondervinding 
leert, hoe nuttig en noodzakelijk het is de volkomene rijpwording van 
het riet af te wachten, alvorens over te gaan tot de verwerking van 
zijne sappen; welk een en ander wij ook met betoogredenen, ontleend 
aan de overige gevolgen daarvan, hebben aangetoond waar wij handelden 
over het kappen van het riet. 

II. De algemeene strekkingen van onze denkbeelden hebben het ons 
steeds als wenschelijk doen beschouwen het helderste licht te verspreiden 
over de eenheid, welke er bestaat in de verschijnselen , die in het plan- 
ten-organi^mus plaats grijpen, welke eenheid ontstaat uit dezamenwer- 
king van f^nctiën, die in zulk een naauw en harmonisch verband met 
elkander staan, dat ze, elkander wederkeerig wijzigende, in meerderen 
of minderen graad, elk naarmate van hare belangrykheid , by dragen tot 
het eindresultaat. — Elke functie, gesteld dat die eerst op zich zelve 
reeds gewijzigd is, oefent op hare beurt, door de algemeene betrekking 
waarin zy door naauwe banden met de overige functiën verbonden is, 
een meer of minder regtstreekschen of onmiddellyken invloed op de 
overige uit, terwyl ze elk in hare bijzondere en allen in hare gezament- 
lijke uitwerkselen zich vereenigen, om gemeenschappelyk het eindresultaat 
te weeg te brengen, dat verschillend is van dat, hetwelk men onder 
andere omstandigheden zou hebben verkregen. 

Volgens deze orde van denkbeelden , zonder onregelmatigheden of af- 
wijkingen in de natuur aan te nemen, en daarentegen van de stelling 
uitgaande, dat al hare verschijnselen plaats grijpen als zoovele uitvloei- 
selen van vaststaande wetten, gelooven wij, dat er eene voortdurende 
wederkeerigheid tusschen deze bestaat, die verschilt naar gelang van 
omstandigheden, waar die in elk geval bepaald en afgebakend zgn; 
zoodat de bestendigheid in de verschynselen afhankelyk is van de om- 
standigheden. Overeenkomstig deze leerstellingen verwerpen wy met 



Digitized by 



Google 



35i 



kracht en nadrukkelijk de strenge begrippen van sommige scheikundi- 
gen , die van gevoelen zijn , dat er zulk eene bestendigheid en eenvor- 
migheid in de levensverschijnselen, onafhankelijk van de omstandigheden, 
bestaat, dat, eenmaal de aard, de grenzen en het wezentlijke van de 
functiën eener plant in een gegeven geval bepaald zijnde, alle verdere 
nasporing ophoudt van nut te zijn. Voor die lieden is de plant gelijk 
aan eene vaste combinatie , die zich onder alle omstandigheden aan onze 
nasporingen vertoont als zamengesteld uit de zelfde bestanddeelen , in 
vaststaande en onveranderlyke verhoudingen. Dus , eenmaal de chemische 
zamenstelling van maïs, r^st, suikerriet, enz., enz. bepaald hebbende, 
onderzoeken zij niet meer de bijzondere omstandigheden , onder welke de 
ontwikkeling van die planten kan hebben plaats gehad , doch gaan van 
de meening uit, dat die planten ten allen tyde op eene en de zelfde 
w^ze zamengesteld moeten zijn, om het even onder welke veranderlijke 
omstandigheden ze tot haren vollen wasdom zijn gekomen. 

Bepalen wij ons bij het suikerriet , en zien wij welke omstandigheden 
van invloed zijn op het ontstaan van de verschijnselen, die inhetorga- 
nismus van deze plant plaats grypen. De variëteit van het geteeld wor- 
dende riet , de bijzondere hoedanigheid der geplant wordende stekken , 
het jaargetyde waarin het planten plaats heeft, de hoeveelheid der tot 
plantriet gebezigde stekken, de toestand van den grond op het oogen- 
blik toen er geplant werd, het aantal, de evenredigheids-hoeveelheid 
en de aard der chemische bestanddeelen van den grond, de physieke 
eigenschappen en de geologische gesteldheid van den grond, de afwis- 
seling in de weersgesteldheid, de algemeene, plaatselijke en toevallige 
bykomende omstandigheden gedurende al de tijdperken van de ontwik- 
keling der planten, de gereedmaking van den grond, de aan de cultuur 
bestede zorgen, de ouderdom van het riet, de plaats van den stengel, 
die onderzocht wordt, het aantal ingezamelde oogsten en de omstandige 
heden , die daarmede gepaard gingen ; de plaats Waar de rietstok zich 
aan de moederstek bevond, dat wil zeggen, of hij is voortgekomen van 
eenen knop , die diep in den grond of digt by de oppervlakte van den 
grond zat, en tevens of hij al dan niet gemakkelyk is opgekomen; 
de ligging van den akker, de doorspeling van de lucht, de aard en 
hoeveelheid der mestspeciën, het jaargetyde, waarin ze op den akker 



Digitized by 



Google 



853 



gebragt zijn, het tijdstip van den groei van het riet, enz., enz. En 
men neme wel in aanmerking, dat wi[j in deze onvolledige opsomming 
enkel de natuurlijke omstandigheden vermeld hebben, die zich aan ons 
vertoonen bij eenvoudige opmerking, zonder dat wij nog gewag maken 
van de proefondervindelyke , die men zou kunnen vermeerderen schier 
in het oneindige, om verschillende resultaten te vinden, steeds de na- 
tuurlijke gegevens tot punt van uitgang kiezende. Zonder in eene op- 
somming te willen treden van de bijzonderheden , die by een algemeen 
stelsel van behoorlijk ingestelde proefnemingen op den voorgrond zou- 
den kunnen staan, moeten w^ nogtans aanstippen, dat het onderzoek 
betreffende de uitwerkselen, te weeg gebragt door denaard der verschil- 
lende lichtstralen, die in onderscheidene omstandigheden werkzaam kun- 
nen zijn gedurende de ontwikkeling der netplanten, een der studiën 
van het hoogste gewigt zou uitmaken. Ongelukkigerwijze ontmoet men 
schier onoverkomelyke bezwaren bij het in het werk stellen van deze 
soort van nasporingen, zoodat die voor één man zoo goed als on- 
mogelijk zyn. Een ander punt van groot gewigt zou het zijn den in- 
vloed na te gaan , die op de ontwikkeling en de f unctiën van het suiker- 
riet wordt uitgeoefend door de zamenstelling van het gasvormige element, 
waarin het moet groeijen. 

De oplossing van al de by zonderheden, in de hier voorgaande regelen 
vervat, zal misschien nooit bereikt worden , en in allen gevalle zou het 
van één man onverstandig zijn te wanen, dat het onderzoek van die 
bijzonderheden ooit door hem voortgezet zou kunnen worden tot aan 
de uiterste grenzen daarvan; om zulke nasporingen tot een gewenscht 
einde te brengen , is de zamenwerking noodig van een aantal personen , 
die daaraan gedurende eene reeks van jaren al hunne inspanning en al 
hunnen ijjver toewyden. Ons voorbehoudende ter gelegener plaats een 
zeker gedeelte van de geuite denkbeelden nader toe te lichten, zullen 
wij hier bij enkele dier denkbeelden een oogenblik stilstaan. 

Oppervlakkig zou iedereen denken, dat al de rietstekken, die, als in 
een en den zelfden grond geplant, voorondersteld worden in een en 
den zelfden toestand te leven, stengels moeten voortbrengen van vol- 
komen eenerlei zamenstelling; maar dat is het geval niet: de rietstoelen 
op een en den zelfden akker dragen stengels, die in geaardheid ver- 



Digitized by 



Google 



854 



schillen naar gelang van de plaats, waar ze zich op den akker bevin- 
den; zelfs aan een en den zelfden stoel ontmoet men stengels, die 
kennelijk van elkander verschillen; en wij hebben dikwijls gelegenheid 
gehad om op te merken, dat het onderscheid tusschen de rietstengels 
onderling grooter of kleiner is, naar gelang ze meer of minder aan de 
werking van licht en lucht blootgesteld staan, naar gelang van de 
plaats die ze innemen tegenover de andere stengels, naar gelang van 
den ondergrondsstam uit welken de spruit uiÜoopt, naar gelang van bet 
tijdstip waarop de spruiten zich vertoonen, en naar gelang van de weers- 
gesteldheid, die, al is zij voortdurend de zelfde, toch in ieder bijzonder 
geval eenen verschillenden invloed uitoefent op het innerlijke wezen der 
rietstengels, enz. 

De variëteit, waartoe het geteeld wordende riet behoort, oefent almede 
eenen in het oog loopenden invloed uit, en geeft aan de verschijnselen, 
die onder gelyke omstandigheden plaats grijpen , een kenmerkend eigen- 
aardig karakter. 

Wy gelooven, dat het suikerriet misschien beter dan eenige andere 
plant geschikt is, om ons in staat te stellen met naauwgezetheid al de 
verschynselen na te gaan , die in het planten-organismus plaats grijpen; 
want in de netplant vertoont zich spoediger den invloed van de byzon- 
derheden, die als zoo vele vereischten gelden bij hare ontwikkeling. Bij 
niet ééne andere plant zijn de uitwerkselen zoo sterk; bij niet eene 
andere plant zijn die uitwerkselen zoo duidelijk zigtbaar. 

Als men aanneemt dat de verschijnselen, welke by het suikerriet 
plaats grypen, uitermate van elkander verschillen in aard, is bet dan 
niet duidelijk, dat de leerzaamste, belangrykste en meest afdoende 
studie bestaat in het regelen van de verschillende verschijnselen, die 
tusschenbeide treden om de uitwerkselen te weeg te brengen? Als w^, 
door de omstandigheden te wijzigen, in staat zijn de rietstengels te doen 
veranderen van aard, is het dan niet duidelijk, dat wij met ijver moeten 
trachten de wijzigingen te bepalen, te weeg gebragt door al de ver- 
eischten, die werkzaam zijn bij hun leven en bij hunnen groei? 

Verschillende scheikundigen hebben het suikerriet chemisch onder- 
zocht; en in weerwil dat wij het nut van die nasporingen erkennen, 
zien wy ons verpligt te beweren, dat die analysen slechts te beschon- 



Digitized by 



Google 



355 



wen zyn als eenvoudige gegevens, om zekere bijzonderheden op te los- 
sen: want ze zijn op zyn hoogst slechts te beschouwen als kwalitativë 
analysen. Immers, de zamenstelling , die het riet door de bedoelde scheikun- 
digen wordt opgegeven te bezitten, geldt enkel en alleen voor de gevallen 
welke zij onderzocht hebben, maar kan geenszins worden aangemerkt 
als de werkelijke zamenstelling van (wij zullen niet eens zeggen ver- 
schillende variëteiten, maar zelfs van) de zelfde variëteit onder verschil- 
lende omstandigheden. Welnu ; over het algemeen heeft men niet genoeg 
waarde gehecht aan den invloed der omstandigheden , onder welke de ont- 
wikkeling van het riet plaats grgpt , zoodat men dan ook vergeten heeft, die 
omstandigheden naauwkeurig te bepalen, en op hare juiste waarde te 
schatten ; die onbepaalde analysen geven dus slechts het middel aan de 
hand, om sommige algemeene punten tot klaarheid te brengen. Ieder 
die slechts wil, kan, met de analyse van Payen in de hand, de cijfers 
veranderen, en eene andere analyse in het licht geven, die, hoezeer niet 
praktisch bewerkstelligd, toch in zekere gevallen zal blijken juist te zijn ; 
en juist doordien die cijfers naar welbehagen kunnen worden veranderd, 
is het duidelijk, dat wij zoodoende de deur openzetten voor allerlei 
meer of minder juiste en met de waarheid overeenkomstige berekenin- 
gen, die voor de wetenschap van geenerlei nut hoegenaamd zijn. 

Yergelijkende proefnemingen. — In de praktijk van den landbouw , 
even als in de uitoefening van alle takken van nijverheid, welke bij de 
hand worden genomen om er winsten mede te behalen, zijn verstandige 
lieden niet ten onregte huiverig om over te gaan tot het in toepassing 
brengen van nieuwe stelsels, welke, indien ze mislukken, hun gansche 
vermogen te gronde kunnen rigten, terwijl zij daarentegen met het tot 
dusverre door hen gevolgde stelsel, in weerwil van al de gebreken, 
welke het aankleven, kunnen staat maken op eene wisse winst. 

Het nieuwe stelsel van suikerriet-cultuur, dat door ons wordt aanbe- 
volen als in alle opzigten het beste, en als dat hetwelk dus, met in- 
achtneming van den algemeenen toestand des lands, moet worden aan- 
genomen door iedereen, heeft gelukkiglijk reeds zeer vele, door hunne 
overtuiging daartoe gebragte, voorstanders gevonden, die het onder de 
gunstigste omstandigheden in toepassing hebben gebragt, met al de 



Digitized by 



Google 



356 



omzigtigheid en beredeneerdheid , welke het in zyne verachillende onder- 
deelen vordert, om die allen met elkander in overeenstemming te bren- 
gen; en ze bebben zoodoende de schoonste resultaten verkregen. — 
Ongelukkigerwijze evenwel bestaan er nog velen, die in begrip endoor 
zigt achterl^k z\jn, en die aarzelen zich op eenen weg te begeven, 
waar zy vreezen misschien den ondergang van hunne fortuin , of al- 
thans eene aanmerkelyke vermindering in hunne inkomsten te kunnen 
vinden. 

Wy zullen hier niet in eene herhaling treden van al de redenen, 
reeds door ons ontwikkeld in vroegere geschriften, die allen de strekking 
hadden, om het nut, van hetgeen w^ voorstaan, boven eiken tw^fel te 
verheffen ; doch om zelfs de meest schroomvalligen te overtuigen , zullen 
wy hier nog eenige denkbeelden mededeelen , die ter aanvulling kunnen 
dienen van de reeds vroeger door ons ontwikkelde. 

Wij zullen beginnen met te doen opmerken, dat de suikerriet-cultuur, 
wel verre van iets van geheel bijzonderen aard te zyn, integendeel ver- 
scheidene punten van overeenkomst heeft met de zorgen , die aan andere 
planten worden besteed; derhalve kunnen ons de in andere gevallen 
verkregene resultaten ten grondslag dienen, om proefnemingen in Ket 
werk te stellen, die zeker en gewis bekroond zullen worden met den 
besten uitslag. — Wij zullen er dus op wijzen, dat het suikerriet, als 
plant, een zeker aantal functiën verrigt, gelijk aan die, welke plaats 
grypen in andere organismen, en die, onderworpen aan de algemeene 
wetten van het plantenleven , dus in dat opzigt volkomen in de zelfde 
omstandigheden verkeeren als de anderen. Welnu : ten einde die fimctiên 
naar behooren te doen plaats grijpen, moeten daarbij eenige onvermij- 
delijke vereischten op den voorgrond staan. Uit haren bijzonderen aard, 
uit de by zondere functiën, welke de daartoe bestemde organen te ver- 
vullen hebben, zullen wij begrijpen, dat de suikerrietplant zekere insge- 
lijks bijzondere omstandigheden noodig heeft, zonder welke zy niet hare 
levensfunctiën , allen gezamentlyk en elk afzonderlijk , naar behooren zou 
kunnen verrigten. Wij zien dus, dat op de cultuur van suikerriet aller- 
eerst met meer of minder wijziging van toepassing zijn al de regelen 
betreffende de teelt van planten in het algemeen , wyders sommige der 
regelen, die betrekking hebben op de natuurlyke familie der grasgewas- 



Digitized by 



Google 



357 



sen , en eindelijk al de zorgen , welke door de b^zondere organisatie der 
rietplant en door de doeleinden, waartoe wy haar aankweeken, gevor- 
derd worden. In alles wat de algemeene wetten der landbouwkundige 
wetenschap betreft, kan geen de minste twijfel bestaan, en is ook geen 
de minste onbestemdheid denkbaar; want die wetten zijn afgeleid uit 
een zamenhang van daadzaken, bevestigd door de rede en door de 
ondervinding van vele eeuwen. Derhalve, ten aanzien van de gereed- 
making der gronden, — het gebruik der geschiktste werktuigen, die 
het best beantwoorden aan het doel, dat men zich met de verschillende 
bewerkingen voorstelt te bereiken, — het wieden met behulp van werfc 
tuigen, die in beweging gebragt worden door trekdieren, — het her- 
ploegen , of de tweede bewerking van den grond , — en het aanaarden : 
ten aanzien van dat alles kan geen de minste twijfel meer bestaan. Maar 
wat andere punten betreft, niet de cultuur aan rijen, en de daarmede 
in verband staande bewerkingen, en de werktuigen, daartoe benoodigd , 
maar de bewerkingen, die in het bijzonder te pas komen bij de suiker- 
rietteelt, als daar zijn: de wijze van bemesting, de aard en de hoeveel- 
heid der mestspecie, het geschiktste tijdstip om die op den akker te 
brengen, de afstand welken de rietrijën of groeven van elkander ver- 
wijderd moeten zijn , de afstand op welken in iedere groeve de rietstek- 
ken van elkander geplaatst moeten worden, enz., enz., al deze punten 
zijn even zoo vele vraagstukken, die men in elke localiteit zoo menig- 
vuldig mogelijk praktisch moet oplossen: want wij kunnen enkel alge- 
meene regelen opgeven, die daarbij in het oog te houden zijn, en die 
in de praktijk moeten worden gewijzigd naar gelang van de bijzondere 
omstandigheden, onder welke de toepassing plaats heeft. 

Wy hebben getracht de algemeene regelen te doen kennen, die bij 
de suikerriet-cultuur op den voorgrond staan; en in weerwil dat ons 
nog vqel dienaangaande uiteen te zetten overig blyft, vormt het door 
ons medegedeelde nogtans een stelsel , waarnaar men by de cultuur van 
het suikerriet op oordeelkundige wijze zal kunnen te werk gaan. — - 
Wij zullen onze taak blijven voortzetten, naauwlettend acht gevende 
op iedere byzonderheid, die slechts eenigermate onze opmerkzaamheid 
mogt verdienen; en voor het oogenblik willen wij de aandacht der 
planters vestigen op eene hoogst eenvoudige en z^f^x gemakkelijk te vol* 



Digitized by 



Google 



358 



gen methode, door welke men tot de stellige oplossing geraakt van een 
zeker aantal moeijelijkheden. 

Die methode bestaat in het in het werk stellen van eene reeks ver- 
gelijkende, proefnemingen, bij welke proefnemingen men een zeker aantal 
omstandigheden volmaakt de zelfde laat zijn, en alleenlijk die omstan- 
digheid laat verschillen, van welke men verlangend is den invloed te 
leeren kennen. Vervolgens, na zich dus de gewenschte gegevens te heb- 
ben verschaft, elk afzonderlek, gaat men voort met proefnemingen om 
zich te vergewissen, welken invloed die omstandigheden onderling op 
elkander uitoefenen. 

Deze methode , die met den besten uitslag gevolgd is in vele omstan- 
digheden en bij verschillende wetenschappen, wordt aangewend in die 
gevallen , waarin het niet gemakkelijk is al de bijzonderheden van een 
verschijnsel naar behooren te verklaren, en op hunne juiste waarde te 
schatten. Naar de beginselen van dit stelsel kan men proeven ne- 
men op kleine schaal, en de daarvan verkregene resultaten vervolgens 
toepassen in het groot. Tot het doen van zulke proefnemingen is 
slechts een kleine akker noodig, zoodat alles gemakkel^k met de 
meeste naauwlettendheid na te gaan, en met de meeste zoi^ te be- 
handelen is. 

Men wane echter niet, dat het stelsel van vergelijkende proefnemin- 
gen slechts eene nieuwe soort van empiristische probeersels is; inte- 
gendeel, men heeft die wel degelijk te beschouwen als echt weten- 
schappelijke proeven, die strekken moeten om de juistheid te bewezen 
van de gevolgtrekkingen, welke ons verschaft worden door de theorie. 

Wij hebben gezegd, dat een aantal planters op hunne plantaa^jen de 
verbeterde landbouw-werktuigen en gereedschappen hebben ingevoerd, 
en wij willen daarvan hier eene opsomming mededeelen. — l». Ploe- 
gen met ééne schaar , of eensnijdende ploegen , om den grond te bre- 
ken. Deze werktuigen laat men op Cuba gemeenlijk uit de Vereenigde 
Staten komen; slechts in den laatsten tijd heeft men er eenige ont- 
vangen uit de engelsche fabrieken van Howard en Bansome ; uit Frank- 
ryk komen er zeer weinige meer. — 3o. Tweesnijdende ploegen om 
groeven te trekken, zijnde ploegen met twee scharen, die of vast- 
staan, of verzet kunnen worden. — 3 o. Eggen. — 4*. Onder de be- 



Digitized by 



Google 



359 



naming van cuUivadores (dat is: cultuur-toestellen) heeft men op ver- 
scheidene plantaadjen ingevoerd: 1°. De kleine ploegen, die door 
slechts één trekdier in beweging gebragt worden, en bestemd zijn om 
ligte gronden om te ploegen, of ook gronden, die reeds te voren ge« 
reed zijn gemaakt. Deze ploegen worden gebruikt om te wieden , te 
herploegen , de rietstekken bloot te leggen en aan te aarden. 2o. De 
eigentlijk gezegde wied-toestellen, waaraan velen den naam geven van 
vijfhagelige ploegen. 3». Snij-schoffels , die getrokken worden door 
paarden. 4o. Voor , zoover ons bekend, is er tot nog toe op Cuba 
slechts een zeer klein getal uitroei-toestellen ingevoerd. 5 o. Ondergronds- 
ploegen. 6°. Eollen, waaronder zich slechts één der beroemde rollen 
van Crosskill bevindt. 7*. Kietbedekkers (60). 



Digitized by 



Google 



FBOEFONDEBVINDELUKE NASFOBINGEN 

BETREFFENBE BEN GBOEI VAN HET 

SUIEEBBIET. 



l. 



Eer wy verslag gaan geven van de proefnemingen, die het onder- 
werp van deze bladzijden uitmaken, moesten wij eigentl^jk beginnen 
met eene blootlegging van het plan, dat wg ons voorgesteld hebben 
daarbij te volgen, even als bij de verdere proefiiemingen , waarvan wij 
de resultaten insgelijks openbaar hopen te maken ; doch wg zullen ons 
thans van zoodanigen algemeenen arbeid onthouden , daar wij vreezen , 
dat wij anders al ligt verwachtingen konden opwekken, die misschien 
slechts zouden worden teleurgesteld. Om echter reeds bij voorbaat ette- 
lijke aanmerkingen te beantwoorden, achten wij het nuttig hier eenige 
beschouwingen te laten voorafgaan. 

Wg erkennen volmondig, dat de proefnemingen, waarvan wg hier 
eene beschrijving gaan leveren, geenszins ongenaakbaar zijn voor eene 
gegronde kritiek. Doch in weerwil dat wij daarvan overtuigd zijn, heb- 
ben wij het nuttig geoordeeld, het tijdstip, om ze openbaar te ma- 
ken, niet langer te verschuiven; want, ofschoon wg ze slechts b^ 
schouwen als de voorloopers van nadere proefnemingen , die wg in het 
werk denken te stellen onder gunstiger omstandigheden, zgn wg nog- 
tans overtuigd, dat ze dienen kunnen om den weg te doen kennen, 
dien wij ons hebben voorgesteld te volgen bg de nasporingen, welke 
wg ons ten taak hebben gesteld; nasporingen — het zij ons vergund 
dit hierbg te voegen — die een nieuw veld openen voor nader onder- 
zoek, en die dit gewigtige onderwerp voor het eerst in allen ernst eene 
plaats aanwijzen in den cirkel der proefondervindelijke wetenschap; want 



Digitized by 



Google 



361 



hoewel er tegenwoordig eenige resultaten bekend zijn van waarnemingen 
en proeven betreffende de physiologische gescluedenis van het suikerriet, 
zijn al die nasporingen in het werk gesteld zonder een vooraf beraamd 
en goed geregeld plan, zonder eenig onderling verband of zamenhang; 
in een woord, ze strekken geenszins om elkander te versterken of te 
bevestigen , en om gemeenschappelyk te leiden tot een volledig resultaat. 
Verre zij het van ons, dat wy de waarde van een enkel dier gegevens 
zouden willen verkleinen; maar wij moeten toch erkennen, dat er vol- 
strekt geen eenheid in hen bestaat, en dat ze zoo, elk afzonderlijken 
op zich zelven , evenmin van nut kunnen zijn voor de wetenschap als 
voor de praktijk. Wij , het suikerriet nemende van het oogenblik zijner 
ontkieming af, stellen ons ten doel het naauwkeurig na te gaan in de 
verrigting van al zijne fimctiën onder al de natuurlijke omstandigheden, 
en tevens in ettelijke kunstmatig te weeg gebragte toestanden , die ge- 
schikt zijn om sommige versch^nselen op te helderen. 

Vele onzer proefnemingen , zooals wij gelegenheid zullen hebben te 
doen opmerken, hadden door ons in het werk gesteld kunnen worden 
met meer naauwkeurigheid en zorg , waardoor de gevolgtrekkingen , die 
wij er uit afleiden, verheven zouden zyn geweest boven elke kritiek; 
doch hoezeer wij voornemens zijn die proefnemingen ter gelegener tyd 
te verbeteren, zyn wij echter van oordeel, al is het zeker, dat ze, zoo 
afzonderlijk en op zich zelven beschouwd, misschien toch niet op eene 
afdoende wyze zouden leiden tot het doel, waartoe ze zouden moeten 
dienen, het niet minder waar is, dat zij, vereenigd en elkander weder- 
keerig ondersteunende, nuttig zijn en geacht kunnen worden tot zekeren 
graad tamelijk naauwkeurig te zijn. 

In deze bladzijden hebben wij ons ten doel gesteld de verschijnselen 
na te gaan, die plaats grypen gedurende de ontkieming van de riet- 
plant , en de vereischten te bepalen , die op den voorgrond staan bij 
de ontwikkeling van den knop. — In het eerste gedeelte van onze na- 
sporingen willen wij , behalve andere algemeene vereischten by de ont- 
kieming, de rol aantoonen, die deze vervult, voor zooveel betreft de 
ontwikkeling van den teelknop der plant, de in het geplante stengellid 
aanwezige stoffen , en de zelfstandigheden , die uit de aarde worden ge- 
trokken door de wortels, welke zich ontwikkelen aan het bovengedeelte 



Digitized by 



Google 



362 



van het lid, aan welk gedeelte zich het oog bevindt. Ter meerdere 
duidelijkheid zullen wi|j het vraagstuk in zeer bepaalde woorden formu- 
leren: Is het, om den knop der rietstek in staat te stellen zich te ont- 
wikkelen, noodig, dat zich de wortels van het lid ontwikkelen, ten 
einde hij daaruit de voedende stoffen ontvange, die ter zijner ont- 
wikkeling onmisbaar zyn? Vordert hy noodwendig al de stoffen, die 
het stengellid bevat? Zyn de wortels op sommige tijdstippen nuttig? 
Houden de in het stengellid aanwezige stoffen, na verloop van een 
zekeren tyd, op onmisbaar te zijn? — - Ziedaar de vragen, die wij ons 
voorstellen een voor een te behandelen. 

Als men een stuk riet, dat men in den grond geplant heeft, na 
verloop van drie of vier dagen ontbloot, zal men bevinden, dat de 
wortels op de daarvoor bestemde plaatsen aan het bovengedeelte van 
het lid, boven de streep die het blad bevat, zich beginnen te 
ontwikkelen , en vervolgens voortgaan te groeyen en grooter te worden > 
terwijjl ondertusschen de knop, langzamer, al de tijdperken doorloopt 
van zyne ontwikkeling om boven den grond te komen. Later brengt de 
jonge spruit eigene wortels voort; en die, welke zich vroeger aan het 
lid gevormd hadden, verdroogen en sterven. Dit feit, waarvan men 
zich gemakkelijk overtuigen kan als men een stuk riet plant in rotten 
ampas , kool , enz. , zijnde zelfstandigheden , uit welke men het riet 
gemakkel^k kan opdelven zonder een zijner organen te breken of te 
beschadigen, heeft de ontijdige meening doen ontstaan, dat zich nood- 
wendig eerst de wortels van het lid moeten ontwikkelen, om door 
de voedende stoffen , die zij aan den knop zullen verschaffen, dezen in 
staat te stellen zich te ontwikkelen op zijne beurt. Wij laten hier de 
bewoordingen volgen, waarin Wray deze denkbeelden uitdrukt: 

„Terwijl zich aan een geplant stuk riet het oog ontwikkelt, ont- 
staan er talryke wortels rondom den ring van het lid: deze organen 
dienen , om de jonge plant te voeden , totdat z^' zich voldoende zal 
hebben ontwikkeld om eigene wortels te schieten. Als men de wortels, 
die aan de geledingen uitloopen , afsnydt , gaat de plant voort nog eeni- 
gen tyd te leven , en sterft eindelijk , eer zij tot de noodige kracht is 
gekomen om hare eigene wortels voort te brengen. — Dus, in weerwil 
dat de rietstekken overvloedig suiker, kleefstof, plantensap en andere 



Digitized by 



Google 



363 



aan de planten eigene zelfsiandigheden bevat, z^n die zelfstandigheden 
niet voldoende, om de jonge spruiten lang te doen leven. Deze hebben 
volstrekt behoefte aan de aanwezigheid van de wortels, die haar 
door hunne bijzondere werking voorzien van het sap, dat ik opstuwend 
sap zal noemen, en dat gevormd is uit eene oplossing van alkalische 
aarden. De door de geplante stek voortgebragte wortels verschaffen dit sap 
aan het riet, totdat de jonge spruiten zich voorzien hebben van eigene 
wortels. De ontwikkeling der oogen heeft dus plaats te gelijk met de 
vorming der wortels: deze gelyktijdige tweeledige ontwikkeling maakt 
de poging uit, die de rietstek doet om zich voort te planten." 

Dit op zoo duidelijke en afdoende wijze uitgedrukte gevoelen zullen 
wy thans gaan wederleggen; niet omdat het feit zelf niet volkomen 
juist is , maar omdat men er eene te uitsluitende uitlegging aan gegeven 
heeft, die als van zelfs heeft geleid tot een dwaalbegrip. 

Oppervlakkig zou men wauen, dat wij van de twee volgende daad- 
zaken eenig nut kunnen trekken om het punt , dat wij hier behande- 
len, te verklaren; maar by nadere beschouwing zal men bevinden, dat 
ze, wel verre van te bewyzen hetgeen wij wenschen op te helderen, 
zouden kunnen dienen als bewys voor het tegenovergesteld gevoelen. 
Ziehier de twee daadzaken , zooeven bedoeld. Het eerste feit is de ont- 
wikkeling der looze of boven den grond ontstaande spruiten, die het 
aanzyn erlangen op de te veld staande rietstokken , zonder dat de wor- 
tels van het lid zich ontwikkelen. — Het tweede feit ontmoeten wy, 
wanneer wij onder de gunstigste omstandigheden geledingen planten, 
van welke de knoppen zich in eenen staat van vergevorderde ontwikke- 
ling bevinden , en zulks ten einde die knoppen spoedig te zien uitloo- 
pen , hetgeen dan ook plaats heeft in drie of vier dagen , welke jonge 
spruiten het aanzijn geven aan eigene wortels, lang voordat de wor- 
tels van het stengellid zich ontwikkelen, die onder zulke omstandig- 
heden gemeenlek slechts in kleinen getale te voorschijn komen en 
spoedig sterven. In beide deze gevallen ontwikkelt zich de knop zonder 
de hulp der wortels van het stengellid. Zij , die beweren dat de wortels 
van het stengellid noodig zijn om den knop in staat te stellen zich te 
ontwikkelen , kunnen deze feiten voldoende verklaren door aan te nemen , 
dat, al hebben de wortels van het stengellid niet zelven de in den 



Digitized by 



Google 



364 



grond aanwezige stoften opgeslorpt, de ontwikkeling der knoppen toch 
alt^'d te verklaren is door de tosschenkomst van de sto£fen , die tot dat 
einde uit den grond getrokken z^'n. Immers, in -geval er looze, dat 
wil zeggen boven den grond ontstaande spruiten te voorschijn komen, 
is het duidelijk, dat zulks alleenlijk geschiedt doordien het voedende 
sap niet kan strekken om den wasdom van de plant te bevorderen, 
hetzij omdat deze reeds het toppunt van haren wasdom bereikt of an- 
derzins heeft opgehouden te groe^'en, hetz^ dat er eene overvloedige 
hoeveelheid voedende sappen aanwezig was, zonder dat die in gelijke 
mate den groei der plant te weeg bragt, enz. In al deze gevallen 
komen er looze of boven den grond ontstaande spruiten te voorschijn. 
Ten aanzien van het tweede voorbeeld zullen wjj zeggen , dat het zeer 
wel zou kunnen gebeuren , dat er in de weefseb van het riet een over- 
schot aanwezig was van het overtollige sap, waardoor de ontwikkeling 
van den knop werd te weeg gebragt, welk overschot volkomen toerei- 
kend en geschikt is om die ontwikkeling te doen voortduren, nadat die 
knop in den grond is gebragt. Men wane niet, dat zoodanige verklaring 
louter eene begoocheling zoude zijn der verbeelding : ten voordeele van 
deze verklaring pleiten ettel^ke daadzaken, die dikwijls worden opge- 
merkt in ieder koud klimaat, waar gedurende den winter eene zekere 
hoeveelheid sap in de weefsels der boomen bewaard blijft, opdat deze, 
zoodra de lente aanvangt ,' over eene toereikende voeding te beschikken 
zouden hebben voor hunne eerste ontwikkeling. Welnu: als men in 
den winter een tak van een boom kapt, en dien bewaart op eene be- 
schutte en vochtige plaats, zal men er, zoodra de lente aanvangt, jonge 
spruiten aan zien uitloopen , in weerwil dat die tak noch wortels noch 
bladeren heeft ; deze nieuwe organen zijn dus niet anders gevoed kunnen 
worden dan door het overschot der sappen , die in de weefsels van den 
boomtak bewaard werden , en die de natuur daar geplaatst had , opdat 
de boom zou kunnen bestaan , al ware hij nog niet in het genot ge- 
treden van de nieuwe voedingstoffen , welke zijne voedende organen hem 
moesten aanbrengen. 

Om deze redenen hechten wij in onze beschouwingen volstrekt geen 
waarde aan de feiten, die door ons medegedeeld zijn. Wy zullen nu 
de proeven gaan beschrijven, door ons genomen, ten einde het onder- 



Digitized by 



Google 



365 



werp , dat ons hier bezig houdt , helder in het licht te stellen. Wij ach- 
ten het best daarb^* de zelfde volgorde in het oog te houden , waarin 
die proeven door ons genomen zijn ; want zoodoende zal men met juist- 
Leid kunnen oordeelen over het plan , dat wjj ons hebben afgebakend , 
om ze geleidelyk voortgaande in het werk te stellen, opdat ze elkander 
wederkeerig zouden ondersteunen en bevestigen, derwigze, dat het resul- 
taat van elke genomene proef tot punt van uitgang werd genomen voor 
eene volgende , en dat steeds elke proef op zich zelve als resultaat eene 
daadzaak opleverde, geschikt om als bewijsmiddel te dienen. 

Eerste proef, — Wg plantten verscheidene stekken riet ; eenige dagen 
later haalden w^ die weder uit den grond, en sneden met een pennemes 
den geheelen bast weg van het lid, waaraan de wortels zaten. Nu 
plantten wij die zeilde stekken andermaal ; en allen vatteden goed , ont- 
wikkelden zich welig, en gaven het aanzijn aan eene menigte jonge 
spruiten. Deze proefneming levert het bewijs, dat, althans na verloop 
van eenigen t^d, de wortels, die aan het lid z\jn verschenen, niet 
onmisbaar zijn voor de volkomene ontwikkeling der plant. 

Tweede proef. — Van eenige der zoo even bedoelde netplanten sne- 
den wi|j met een pennemes eene jonge spruit af, plantten die, en zeer 
spoedig gaf die spruit de onmiskenbaarste blijken van de sterke groei- 
kracht, die zjj later bleek te bezitten. Het is duidelijk, dat deze proef 
ter bevestiging strekt van het resultaat, bij de eerste proefneming ver- 
kregen, en ons bovendien leert, dat na verloop van eenigen t^d de 
jonge spruit leven kan, zonder dat zij zich behoeft te bedienen van de 
voeding, welke de moederstek haar verschaffen kan. 

Derde proef — Van verscheidene rietstekken sneden wy met een 
pennemes den geheelen bast van het lid weg, waaraan wortels kon- 
den voortkomen ; daarna plantten w^ die stekken , en ze groeiden zeer 
goed; later sneden wij met een pennemes van de dus verkregene plan- 
ten jonge spruiten af, die wy ook weder plantten; deze vatteden zeer 
goed , en hadden zich na verloop van eenen korten tijd zoo welig ont- 
wikkeld , dat er by waren , die tot eenen rietstoel van vyf en twintig 
spruiten waren aangegroeid. De twee eerste proefnemingen hadden ons 
doen zien, hoe de spruit, althans na verloop van eenen zekeren tijd, 
groeijen kan zonder den voedenden bijstand der wortels van het lid ; 



Digitized by 



Google 



366 



door de derde proefneming werd tol zekeren graad buiten twijfel ge- 
steld, dat de knop zich altyd ?olkomen ontwikkelen kan zonder de 
minste hulp te behoeven van een enkelen wortel van het lid, en 
zolks loater en alleen door de stoffen , die hem verschaft worden door 
het stengellid, waaraan hg zich bevindt. — Bovendien bevestigt deze 
proefneming het vroeger verkregene resultaat, wat betreft het eigen 
leven, dat de spruit aannemen kan, wanneer men haar afscheidt van 
de moederstek, waartoe zg behoort; en men neme wel in aanmerking, 
dat vele dier spruiten , toen ze afzonderlek geplant werden , nog geen 
eigene wortels hadden. 

Uit die twee proefnemingen volgt ook, indien de knop niel gedurende 
den ganschen tgd van zgnen eersten groei behoefte heeft aan al de 
sappen van de moederstek, met andere woorden, indien de spruit van 
de moederstek kan worden afgescheiden, zelfs wanneer zg door deze 
van voedingstoffen voorzien wordt, dat het dan onbetwistbaar is, dat 
de knop, om zich te ontwikkelen, geen behoefte heeft aan al de in het 
stengellid aanwezige stoffen, maar slechts aan een gedeelte daarvan; 
welke waarheid ons dienen zal als punt van uitgang bij eene andere 
proefneming, welke wg zullen mededeelen om den invloed aan te 
toonen, dien de geplante stek uitoefent op de toekomstige ontwikkeling 
van den rietstok., 

Wy hebben gezegd, dat onze proefneming slechts tot zekeren graad ^ 
en niet onomstootelijk, de waarheid bewees van hetgeen wy willen vast- 
stellen, omdat men ons zou kunnen tegenwerpen, dat het, indien het 
al zeker is, dat zich op deze wyze geen wortels ontwikkelen, niet min- 
der waar is, dat door de wond of kwetsuur, welke wij aan het sten- 
gellid toebrengen, alkalische aarden daarin kunnen doordringen, die er 
anders ingekomen zouden zijn door de wortels; zoodat ze by slot van 
rekening toch altyd in het inwendige van het riet doordringen, om de 
opvolgende verschynselen voort te brengen. — In ieder ander geval zou- 
den wy deze tegenwerping niet aannemen; want alleen reeds door die te 
maken, bewijst men een zeer zonderling en verkeerd begrip te hebben 
van de voeding, van de middelen waardoor zij plaats grypt, en van 
de wijze waarop de voedende stoffen zich in de aarde aanwezig bevin- 
den. Te wanen, dat men door middel van verwondingen voorzien kan in 



Digitized by 



Google 



367 



het gemis van organen, zoo onmisbaar als de wortels zgn, verraadt 
dat men ten eenenmale onbekend is met de eerste begrippen der plan- 
tenleer. Al yerwerpen wy echter het argument, voor zooveel betreft het 
in de plant doordringen van al de voedingstoffen , die de wortels uit 
den grond kunnen trekken, moeten w^ het nogtans aannemen , wanneer 
men ons zegt, dat door de bedoelde, wond ten minste de vochtigheid in 
de plant doordringt; zoodat, indien de wortels de taak hebben haar van 
de ter ontkieming benoodigde hoeveelheid dezer vloeistof te voorzien, 
het duidelijk is , dat de bewuste wond hen misschien met voordeel in het 
vervullen van die taak vervangt, altoos wanneer de vochtigheid niet 
overmatig is, want in dat geval loopt het gewonde riet groot gevaar te 
sterven, terwijl dat, hetwelk voorzien ware van wortels, die den aan- 
voer van water temperden, waarschynlyk zou big ven leven. 

Wanneer wij ons bezig gaan houden met op te sporen op welke wyze 
de vochtigheid in het riet doordringt, om het tot ontkieming te bren- 
gen, zullen wy zien dat een der gewigtigste functiën der wortels van 
het lid juist bestaat in het aanvoeren van zoodanige hoeveelheid vocht, 
als noodig is voor de verschijnselen, die gedurende de ontkieming plaats 
grypen. 

In allen gevalle wenschen wij thans te doen zien, dat, al zyn ook 
de wortels van het lid nuttig, ze nogtans niet in al de verrigtingen 
en toestanden onmisbaar zyn, en dat de knop zich zeer goed ontwikke- 
len kan zonder hunne hulp. 

Om ons dienaangaande volkomene gewisheid te verschaffen, hebben 
wij het noodig geacht drie verschillende wegen in te slaan : lo. Biet te 
doen groeyen in eenen onvruchtbaren grond, en het van niets anders te 
voorzien dan van vochtigheid. — 2<». Hebben wij de wonden van het stengel- 
lid goed overdekt , na eerst het gansche gedeelte bast of schors te hebben 
doen verdwynen, dat het aanzyn konde geven aan wortels. — S». Zon- 
der verminking, van welken aard ook, aan te wenden, hebben ^vy de 
ontwikkeling der wortels trachten te beletten. 

lo. Wy hebben stukken riet met katoenen en wollen lappen en met 
stukken lakenstof omwonden; wij hebben ze omwoeld met katoen, met 
papier, met werk, met pluksel, met spons, met stroo van maïs en van 
rogge; en in al die gevallen is het riet, behoorlyk vochtig gehouden. 



Digitized by 



Google 



368 



goed ontkiemd en heeft welige spniiten voortgebragt. Wg hebben ook 
riet gelegd op eenige planken, en het vervolgens met stroo digtgedekt 
en goed vochtig gehouden; en ook nu ontwikkelden de knoppen zich 
goed. — Biet, hetwelk onder het stroo was blyven liggen, datvaneeaen 
akker was weggeruimd, bleek later fraaye spruiten te hebben. — Wij 
hebben verscheidene stukken riet geplant in puimsteen, in amianth, in 
gepulveriseerd marmer, in gemalen glas en porselein, in goed gewas- 
schen en fijngestampten steen en steenkool, en in al die gevallen heeft 
het riet, door besproeying, spruiten voortgebragt zoo fraai, als men 
die slechts zou kunnen verwachten op de vruchtbaarste gronden. Vooral 
opmerking verdient de weligheid, waarmede het riet zich ontwikkelt in 
grof steengruis, en ook in ^ner vergruisde steen; hetgeen ongetwy- 
feld moet worden toegeschreven aan de in de klei aanwezige alkaliën, 
die door de hitte in hoogen graad assimileerbaar worden voor de plan- 
ten. — Eindelyk ons een afdoend bewys willende verschaffen, dat de 
knop van het riet, voorzien van de ter z\jner ontwikkeling benoodigde 
voedingstoffen, niets anders noodig heeft dan vochtigheid, warmte en 
lucht, om goed te kunnen groeien, hebben wij de volgende proefneming 
ingesteld. Wy lieten van eenen vorm om suiker te klaren het onderste 
gat digtmaken, en legden er eene goed met water doorweekte spons 
onderin; vervolgens legden wij op die spons verscheidene rietstekken, 
sommige verticaal, sommige horizontaal. Nu sloten wy den vorm 
digt met een deksel, dat er van boven precies op paste, en zoo plaat- 
sten wij den vorm eiken dag in de zon. Eiken dag besproeiden wy met 
behulp van eene vochtige spons deze rietstekken, die goed ontkiemden 
en welige spruiten voortbragten. Wanneer men de zeer geringe hoeveel- 
heid alkaliën niet telt, die het water bevatte, ontwikkelde dit riet zich 
enkel ten koste van de stoffen, die het in zich zelven aanwezig had. 

2o. Wij sneden met een pennemes de geheele schors van het lid 
af, die het aanzyn kon geven aan wortels, en bedekten de zoodoende 
gemaakte wond volkomen met gesmolten was, in verscheidene lagen 
over elkander heen, derwijze, dat het eene onmogelykheid was dat er 
eenig vocht hoegenaamd in doordrong. De aldus gereedgemaakte stuk- 
ken riet plantten wy,en allen kwamen even goed op, als waren ze voor- 
zien geweest van de wortels van het lid. 



Digitized by 



Google 



369 



3*. De volgende reeks van proefnemingen werd in het werk gesteld 
met het oogmerk om den rietknop tot ontwikkeling te brengen zonder 
de hulp der wortels, die uit het lid kunnen voortkomen, en welker 
ontstaan wij trachten te beletten zonder daarom het riet te verminken. 

De eerste proefneming bestond hierin, dat wij al de deelen van het 
stengellid, uit welke wortels konden voortkomen, omringden met eene dikke 
laag gesmolten was. De op die wyze voorziene geledingen in den grond 
gebragt zijnde, kwamen weldra de jonge spruiten te voorschijn; en toen 
ontblootten wy de rietstekken, om te zien welke verschynselen daar- 
mede hadden plaats gegrepen. De wortels hadden zich in weerwil van 
de was-omkleeding, door welke ze waren heengedrongen, ontwikkeld 
met eene opmerkelijke regelmatigheid. Het aantal der zich ontwikkeld 
hebbende wortels was verschillend; en alleen dan, als wij ons van zeer 
jong riet bedienden, werd de vorming der wortels door de was-omklee- 
ding belet. 

De tweede proefneming werd door ons ingesteld met gesmolten lak, 
waarmede wij van het stengellid al de deelen bedekten, uit welke wortels 
konden voortkomen. Op deze wijze erlangden wy de zelfde resultaten 
als met gesmolten was. Ook hier hadden de jonge wortels, die zich 
zochten te ontwikkelen, de kracht niet om door het omkleedsel heen 
te dringen. 

De derde proefneming, die wy in het werk stelden, bestond hierin, 
dat wij de rietstekken zorgvuldig omwoelden met lint, en dit overdek- 
ten met verscheidene lagen gesmolten was , zoodat daarvan eene tamelijk 
dikke korst er om heen zat. Op die wyze werd in de meeste gevallen 
de ontwikkeling der wortels werkelyk belet; doch zelfs in weerwil van 
deze voorzorgen kwamen die organen toch nog by verscheidene stekken 
te voorschyn. Ook om deze proefneming naar wensch te zien gelukken 
moesten wij ons van zeer jong riet bedienen. 

Ofschoon die eigentlyk in een ander gedeelte van dit verslag te huis 
behoort, waar wy zullen spreken over de wegen langs welke de vochtig- 
heid in het suikerriet doordringt, zullen wy hier eene proef mededeelen, 
waarmede het ons volkomen en op eene in het oog loopende wyze ge- 
^te, den groei der wortels te beletten. Wy namen een stuk jong riet, 
en na dit aan de uiteinden, waar het afgesneden was^ gelijkgemaakt te 

24 



Digitized by 



Google 



370 



I 



hebben, bedekten wy die plaatsen met was, tot welk einde wij ze her- 
haalde malen in die gesmoltene zelfstandigheid indoopten. Yenrolgens 
omwonden w^ de geledingen met lint, en daarna bekleedden wij het | 
geheele stuk riet, alleen den knop yrg latende , met eene dikke laag i 
was. Het dus in een omkleedsel gehulde stengellid geplant hebbende, 
kwam de spruit na verloop van eenige weinige dagen te voorschijn, ! 
zonder dat zich nog één wortel ontwikkeld had. | 

Na met veel inspanning en moeite al deze proeven te hebben geno- 
men, hebben wy het geluk gehad de natuurlyke ontwikkeling der knop- 
pen gade te slaan in omstandigheden, waarin ze geen behoefte hadden 
aan de hulp, die hun verleend had kunnen worden door de zich aan 
het lid ontwikkelende worteb. — Hadden wy bij den aanvang van onze 
nasporingen deze daadzaak geweten , wij zouden een aantal proeven niet 
hebben behoeven te nemen, die door ons in het werk zijn gesteld, om 
dit punt tot klaarheid te brengen. 

Ten einde de by zonderheden na te gaan betreffende de plaats, waar 
de geledingen (61) zich aan den stengel bevonden, plantten wij eene 
ontelbare menigte afzonderlijke geledingen, en bij velen bevonden wij, 
dat de knoppen zich ontwikkelden, zonder dat het lid nog een enkelen 
wortel had geschoten. — Dit resultaat was voor ons oogmerk van te 
meer gewigt, dewyl de waarheid daardoor volkomen bevestigd werd.— 
Men zou toch bezwaarlyk de tegenwerping kunnen maken, dat de knop 
zeer ontwikkeld was, daar het in vele gevallen zestien, in andere zel& 
twintig dagen duurde, eer hy begon uit te loopen; bovendien waren 
die geledingen de bovenste van den stengel, in welks jongst gevormde 
gedeelten de ontwikkeling der knoppen minder sterk is. Maar hoe te 
verklaren, dat zich geen wortels vertoonden? — Zou het misschien «go 
doordien die organen nog onvolkomener waren dan de knoppen, en dtt 
het tijdsbestek, waarin deze te voorschyn kwamen en zich boven den 
grond vertoonden, niet toereikend was om de wortels te doen ontstaan; 
of zou het niet mogelyk zyn, dat die niet ontstonden, dewyl ze niet 
noodig waren, om de voor de ontkieming onmisbare vochtigheid aan te 
voeren, die het stengellid zelf in zich aanwezig had? — Wat ook de 
oorzaak wezen moge, het feit is daarom niet minder zeker, en in allen 
gevalle is door de lydelijke waarneming natuurlijk bewezen, dat de 



Digitized by 



Google 



871 



knop zich niet ontwikkelen kan zonder de holp der wortels, die te 
voorschijn komen aan het stengellid. 

Uit de hierboven medegedeelde proefnemingen laat zich logisch aflei- 
den: 1*. Dat het riet, als plantstekken, voorzien van de voedingstof, 
die noodig is ter ontwikkeling van de kiem, om zich te ontwikkelen 
niets anders behoeft dan vochtigheid, warmte en lucht. — 2*. Dat de aan 
het stengellid te voorschijn komende wortels nattig kunnen wezen, maar 
niet onmisbaar zign, om den knop zich te laten ontwikkelen. — 3"*. Dat 
de knop zich voedt ten koste van de in het riet aanwezige stoffen, 
waarvan het slechts een gedeelte noodig heeft. 

"Wij erkennen dat vele dier proefnemingen bewerkstelligd hadden moe- 
tea worden met meer naauwkeurigheid ; bij allen hadden wij ons behoo- 
ren te bedienen van gedistilleerd water; wat de kool betreft, hadden 
w^, in plaats van houtskool, die, al is z^ nog zoo goed gewasschen, 
altijd met zouten vermengd is, gebruik kunnen maken van kool van 
kandijsuiker; in plaats van fijn steengruis, dat altgd de zouten bevat, 
die aanwezig zijn in de steen, waarvan dat gruis gemaakt wordt, had- 
den wij ons moeten bedienen van gegloeid en met zoutzuur gewasschen 
zand, enz. Wy erkennen dus al het gebrekkige, dat onze proeven aan- 
kleeft, en als wij ons gaan bezig houden met nasporingen betreffende 
de ontwikkeling der plantaardige zelfstandigheid in het suikerriet , zullen 
wij bij onze proefnemingen te werk gaan met de meestmogelyke naauw- 
gezetheid. Wy hebben echter niet met meer naauwkeurigheid kunnen 
werken, daar het ons ontbrak aan de noodige middelen, aan een ge- 
schikt lokaal, enz. 

Wy stellen als daadzaak , dat de knop van het suikerriet, die in het 
stengellid al de voedingstoffen vindt, welke hij ter zijner ontwikkeling 
noodig heeft, niets anders behoeft dan warmte, vochtigheid en lucht, 
om zich te ontwikkelen, totdat de spruit voorzien is van eigene orga- 
nen, om, ten behoeve van haar voortbestaan, part^ te trekken van de 
elementen, waarin z^ leeft, zijnde juist die, uit welke z\j in eene be- 
paalde hoeveelheid de stoffen moet trekken, die zy noodig heeft om tot 
den hoogsten graad van wasdom te geraken. Nu moeten wij, om niet 
van de analyserende methode af te wijken, onderzoeken tot welken graad, 
in welke hoeveelheid en in welk tydsbestek de knop der hier besproken 



Digitized by 



Google 



372 



wordende grasplant de stoffen noodig heeft, welke het stengellid berat. 

Eenige vroegere proefnemingen hadden ons doen vermoeden, dat de 
knop niet onverm^eü^k al de stoffen noodig heeft, daar de spruit na 
verloop van eenigen tijd kan voortgaan zich te ontwikkelen, zonder de 
hulp der voedende bron, welke de natuur in het stengellid heeft ge- 
legd. De proeven, waarvan wij thans melding gaan maken, op eene 
meer regtstreeksche wijze in verband gebragt met ons oogmerk, zullen 
het beginsel, dat wij wenschen te bewijzen, in het helderste licht stel- 
len; want dat de spruit, afgescheiden van de moederplant, vocnrtgaat 
te leven en zich welig te ontwikkelen, is een feit, waardoor buiten 
twijfel gesteld wordt, dat die spruit na verloop van eenigen t^d de 
noodige kracht en de vereischte organisatie heeft, om een eigen en on- 
afhankelijk leven te hebben; en ofschoon z^ dan in staat is zelve in 
hare behoeften te voorzien, zou het toch zeer wel kunnen gebeuren, dat 
zij gedurende den tijd, dien zij met de moederplant verbonden is ge- 
weest, uit deze zoo niet al de stoffen, welke zy bevatte, dan toch ten 
minste die stoffen getrokken hadde , die meer onmiddellijk bestemd wa- 
ren tot voeding van den knop, welke immers noch de betrekkel^ke even- 
redigheid der bedoelde stoffen, noch het juiste gedeelte van den rietstok 
aanwijst, noodig om in de behoorlijke hoeveelheid de stoffen te ver- 
schaffen, welke de knop behoeft om zich te ontwikkelen. 

.Eerète proef, Wy verdeelden eenen rietstok derwyze, dat ieder stok 
bestond uit een lid tusschen de helft van elk der twee aangrenzende 
geledingen. Wij plantten die stukken , welker knoppen na een kort tgda- 
verloop uitliepen; de dus ontstane spruiten ontwikkelden zich, en wer- 
den later fraaye rietstoelen. 

Tweede proef. Wy kapten een rietstengel gelijk met de streep, die de 
aansluiting van het blad aanwijst, en lieten aan het bovengedeelte 
slechts de helft van het lid. Het dus gesneden stuk riet bragt eenen 
rietstok voort, die bij uitstek r^k was aan bladerdos. 

Berde proef. Deze proef is juist het tegenovergestelde van de vorige.— 
Wij sneden een stuk riet zoo, dat de doorsnijding plaats had juist ge- 
lijk met het bovengedeelte van de puntenstreep, die den oorsprong 
der wortels van het stengellid aanwijst, en lieten er van onderen de hcUt 
van het lid aanzitten. Nadat het dus gesneden stuk riet door ons ge- 



Digitized by 



Google 



373 



plant was, ontkiemde de knop, de spruit kwam te voorsch^n en leverde 
eenen vrij goed ontwikkelden rietstoel. 

Vierde proef. Om de gegevens te voltooien , die wij uit de drie voor- 
gaande proeven konden afleiden, namen wij nog de volgende proef: 
wij sneden het lid van eenen rietstengel af, van onderen gelijk met de 
streep , die de aansluiting van het blad aanwijst , en van boven gelijk 
met de streep, die te beschouwen is als grenslijn van de punten, uit 
welke de wortels van het lid moeten voortkomen. Deze laatstbedoelde 
doorsnijding moet volbragt worden met de noodige behoedzaamheid, 
om den knop niet te kwetsen. Dit stuk riet bragten wij in den grond, 
èn eenige dagen later kwam de spruit op, die zeer welig opgroeide 
en spoedig tot haren vollen wasdom kwam. 

Wij willen een oogenblik by deze proeven stilstaan , om er de waarde 
van te bespreken, en de gevolgtrekkingen na te gaan, die zich daaruit 
laten opmaken. De eerste proef bewijst, dat de knop, om zich te ont- 
wikkelen, niet al de stoffen noodig heeft, welke in haar geheel de beide 
geledingen bevatten, waartusschen het geplant wordende lid zich be- 
vindt. De tweede proef leert , dat van het bovenste lid de helft genoeg 
is. De derde proef doet zien, dat ook van het onderste lid de helft 
voldoende is. Doch daar het zeer wel het geval kon zijn, dat onver- 
schillig of de eene of de andere helft noodig ware, dat deze elkander 
konden vervangen met evenveel voordeel, strekt de vierde proef om aan 
te toonen, dat de knop zoo min de eene als de andere helft noodig 
heeft : zy heeft genoeg aan de stof , die in het stengellid zelf aan- 
wezig is. 

Met schijnbaar voldoenden grond zou men ons kunnen tegenwerpen , 
dat, al ontwikkelt zich de knop in deze vier gevallen volkomen , zonder 
dat hy meer dan eene min of meer aanzienlijke hoeveelheid voeding- 
stoffen ter zyner beschikking heeft, de wortels, die aan het lidgroeyen, 
echter eene hoogere werkzaamheid kunnen ontwikkelen, en door de 
stoffen , die ze uit den grond trekken , aan het stengellid de nog ont- 
brekende voeding verschaffen , die onmisbaar is om den knop in staat 
te stellen al de functiën ter zijner ontwikkeling te volbrengen. 

Om het denkbeeld weg te nemen, dat door de wortels van het lid 
eene onmisbare hulp verleend wierd by het te weeg brengen van de 



Digitized by 



Google 



374 



verschijnselen , hebben wij de zelfde proeven herhaald , en zorgvuldig 
met een pennemes van het lid al de deelen afgesneden, die wortels 
konden voortbrengen. De aldus gereedgemaakte stukken riet werden 
geplant, en leverden ons resultaten, in alle opzigten gel^k aan die, 
welke wy vroeger hadden verkregen. 

Om ons gevoelen des te beter boven allen twjjfel te verheffen , heb- 
ben wij de omstandigheden nog nader nagegaan. Het stuk riet, enkel 
bestaande uit het lid , ontdaan van al de gedeelten die wortels konden 
voortbrengen, werd door ons geplant in amianth, en tevens omkleed 
met boomwol en met pluksel, behoorlyk natgemaakt; en in alle drie 
deze gevallen kwamen de knoppen volkomen tot ontwikkeling. 

Uit het hierboven medegedeelde ziet men , dat by deze vier proef- 
nemingen de geledingen , horizontaal afgesneden zynde , steeds hare na- 
tuurlijke middellijn behielden: het eenige, dat veranderingen ondei^ng, 
was hare lengte. 

In de reeks proefiiemingen , die wij vervolgens in het werk stelden, 
namen wij wederom stukken van verschillende lengte, maar bragten 
ook verschil in de dikte , doordien wy het stengellid in de lengte afsne- 
den aan verscheidene gedeelten van zyne middellijn. Met andere woor- 
den: de hier volgende proeven stemmen volkomen overeen met de 
vorige, alleenlyk met dit onderscheid, dat de afmetingen van het sten- 
gellid verschillen in beide rigtingen, namelijk zoowel in dikte als in 
lengte, terwyl wy by de eerste proefnemingen alleen de lengte lieten 
verschillen. 

Bersie proef, — Wij sneden het stengellid, juist alsof wij er de eerste 
proef der vorige reeks mede nemen wilden, overlangs, derwijze, dat 
de doorsnede ongeveer door het derde gedeelte der middellyn van den 
rietstengel ging: het stuk, waaraan de knop zat, was dus niet dikker 
dan het derde gedeelte van den stengel. Wy plantten zoodanige stuk- 
ken, nu eens gebogen , dan eens regt, en in de meeste gevallen zoo, 
dat ze horizontaal op den grond lagen: op al die manieren liep de 
knop uit, en ofschoon de spruit in het begin eenigzins zwak scheen, 
begon zij echter na verloop van korten tijd krachtiger te worden en 
stoelde zoo welig uit, dat men moeijelijk zou hebben kunnen gelooven, 
dat zulk een fraaye rietstoel was voortgekomen van zulk een klein 



Digitized by 



Google 



375 



stok plantriet, waarin de knop zoo weinig voedingstoffen ter zijner be- 
schikking had gehad om zich aan?ankel^k te ontwikkelen. 

Tweede, derde en vierde proef, — Deze proeven stemmen overeen 
met de tweede, derde en vierde der vorige reeks; maar ze verschillen 
daarvan in zooverre, dat de stukken waren afgesneden juist als om er 
de vorige proe&eming mede te bewerkstelligen, zgnde de doorsnede 
in de lengte gegaan door het derde gedeelte der middelljjn van het 
stengellid. De dus afgesnedene stukken werden door ons geplant, de 
knoppen liepen uit, en later ontwikkelden zich de spruiten by uitstek 
welig en stoelden bi|j uitnemendheid goed uit. 

Om ons te vrijwaren tegen elke tegenwerping, waarb^ men aan de 
wortels van het stengellid eene rol toekende om de ontwikkeling van 
den knop te verklaren, hebben w^ de zelfde proeven herhaald , en tel- 
kens eerst al ,die gedeelten van het stengellid a%esneden, aan welke 
wortels hadden kunnen uitloopen. De aldus ingerigte stukken werden 
geplant , en nadat hunne knoppen uitgeloopen waren , bragten ze sprui- 
ten voort en stoelden vervolgens juit, juist op de zelfde wijze als we 
dat vroeger verkregen hadden bij onze vorige reeks proefnemingen , toen 
we die gedeelten, welke wortels konden voortbrengen, niet hadden af- 
gesneden. 

Dit punt dus tot klaarheid gebragt ziende, hebben wy het stengel- 
lid genomen , en er telkens stukjes afgesneden , om het gedeelte , waar- 
aan de knop zat , telkens kleiner te maken , daarbij tevens de voorzorg 
nemende , dat we er al de gedeelten afsneden , uit welke wortels had- 
den kunnen voortkomen. — Op die wyze hebben wy het stuk plantriet 
ingekort tot afmetingen , waarover men inderdaad verbaasd moest staan ; 
afmetingen, zullen wij dadelijk hierby voegen, die geëvenredigd zyn 
aan den staat van ontwikkeling, waarin zich de knop bevindt, en die 
altyd van groeten invloed zijn op de kracht van de spruit , welke 
voortkomt uit het oog, dat zich onder die omstandigheden ontwik- 
keld heeft. 

Op dit laatste pnnt vooral moeten wy de aandacht vestigen, en eenige 
opmerkingen dienaangaande hierby voegen, opdat er geen de minste 
twyfel blyve bestaan ten opzigte van de denkbeelden , die wij omhelsd 
hebben na het nemen van eene menigte proeven , welke allen de strekking 



Digitized by 



Google 



376 



hadden om licht over de zaak te verspreiden. Ons doel is om wel en 
deugdelyk te doen uitkomen, dat er eene grens bestaat, die niet over- 
schreden mag worden bij de verbrokkeling, welke men het stuk riet 
doet ondergaan, waaraan de knop zit. — Wanneer men het stuk riet, 
waaraan de knop zit, nog kleiner maakt, zal de knop zich niet ontwik- 
kelen; of doet hy dit wel, dan sterft hy zeer spoedig, doordien hij 
geen genoegzame hoeveelheid voedende stoffen vindt om krachtig te 
worden, en de organen te vormen, welke hg voor zyn onderhoud noo- 
dig heeft. Met andere woorden: naarmate de afinetingen van het stuk 
riet kleiner worden, verschynt de spruit hoe langer hoe tengerder, 
totdat zij of in het geheel niet meer te voorsch^n komt, of, indien zij 
zich vertoont, zoo weinig levenskracht bezit, dat zy spoedig sterft. Wij 
herhalen het: de staat van ontwikkeling van den knop, zijn gezonde 
toestand, de hoeveelheid voedende stoffen, die het stuk riet in een 
gegeven tijdsbestek inhoudt, en de omstandigheden, die als hoofdver- 
eischten aanwezig zijn bij de ontwikkeling van het oog, oefenen eenen 
zeer bepaalden invloed uit op de geëvenredigde grens voor de hoeveel- 
heid riet , die de knop noodig heeft om z^ne ontwikkelings-functiën te 
verrigten, uit te loopen en de jonge spruit in staat te stellen de orga- 
nen te vormen , welke bestemd z^'n om haar te voeden. Er is dus geen 
juiste grens als vaststaande regel voor die hoeveelheid te bepalen , want 
zij wisselt af naar gelang van al de bijzonderheden, die wij daarvan 
hebben opgesomd. 

Behalve dat wij onze proefnemingen hebben volbragt op de wyzen, 
als in de voorgaande bladzijden door ons beschreven is, hebben wij, 
om met meer spoed te werk te gaan, twee kromme sneden gegeven 
rondom het lid. Nu eens liepen die twee sneden in elkander uit, zoo- 
dat wij het stuk er uit konden halen. In andere gevallen ligtten 
wij het mes even op, om het stuk er uit te wippen. Eene zeer opmer- 
kelijke en eenvoudige manier, eindelijk, om de waarheid te bewijzen 
van hetgeen wij hebben trachten te betoogen, bestaat hierin, dat men 
het gansche binnengedeelte van het stengellid er uithaalt, en alleen de 
schors , den bast achterlaat. De knop , die aan dien bast zit , ontwik- 
kelt zich, zoodra men hem in goede omstandigheden plaatst , en brengt 
eene vry krachtige spruit voort. Om het stengellid gemakkelyk te kun- 



Digitized by 



Google 



377 



nen uitholen, moet men beginnen met, niet aan den kant waar de knop 
zit, maar aan de tegenovergestelde z^*de, van de schors eene strook 
af te snijden, minstens ter breedte van een nederlandschen dnim: 
daarna sn^'dt men met een pennemes van lieverlede het geheele bin- 
nengedeelte uit. W^ moeten hierby voegen , dat wij tevens zorg droe- 
gen, ook van dit aldus uitgeholde stengellid al die gedeelten af te sny- 
den, uit welke wortels hadden kunnen voortkomen. 

De stukken riet, in allen deele behandeld zooals wy hier hebben 
doen kennen , werden verscheidene malen in amianth , in katoen en in 
puimsteen geplaatst, welke zelfstandigheden wij behoorlek vochtig hiel- 
den , en wij hebben daarvan altijd resultaten verkregen , die onze denk- 
beelden volkomen bevestigden. Uit deze proeven bleek ten duidelijkste 
de invloed, die op de spruit wordt uitgeoefend door de stoffen, welke 
het stengellid bevat. De spruit was krachtiger, ontwikkelde zich weliger, 
en leefde langer, hoe grooter het stuk riet was, waaraan zy was voort- 
gekomen. Eene opmerking, die wi^j gemaakt hebben, moeten wij hier 
niet onvermeld laten. Op eenen riet-akker zoog een kalf een groot stuk 
riet uit, en wierp de uitgezogene schors, waaraan eenige knoppen 
zaten, op den grond, die laag lag, terwijl de weersgesteldheid vochtig 
was. Toevallig vonden wy dien uitgezogen netbast, en al de knoppen 
daaraan waren volkomen ontwikkeld. 

Bij al de proefnemingen, tot dusverre door ons beschreven, hadden 
wy ons bediend van looze stengels, dat wil zeggen stengels, voortge- 
komen van spruiten , die ontstaan waren boven den grond. Om de reeks 
van onze nasporingen voltallig te maken, hebben wij de zelfde proeven 
nog eens genomen, ons daarbg bedienende van stengels, voortgekomen 
van spruiten, welke aan den ondergronds-stam waren uitgeloopen; en 
al dadelijk ontdekten wy daarby twee in het oog loopende punten van 
onderscheid; 1°. waren de geledingen korter en houtiger; 2°. had elk 
dier geledingen krachtige en werkzame wortels, bestemd om aan de 
plant tot steun te dienen. Wat den ondergronds-stam aangaat , beweren 
wij, dat de wortels onder gewone omstandigheden eene krachtige en 
aanhoudende hulp verleenen aan de in het lid aanwezige stoffen, die 
bestemd zijn ter ontwikkeling van den knop (62); maar in weerwil 
daarvan hebben herhaalde proefnemingen ons het bewijs geleverd, dat 



Digitized by 



Google 



378 



deimoppen idfii io dk gendloi xidi minder «eUg kii]iiie& <mfcwih^elei&, 
oMiocm dan waaóa dergelqke osganea , bestemd om Toedingstoffea uit 
den gnmd te trddua. Wg lid>ben die proefhianingoi bewetkutelligd 
doordioi wg moedentddken opgioeren, en die za^mldig cmtdeden vnn 
al de daaraan zittende aaide, waarna wg de wortds afkniptoi m^ 
eene sehaar, en ze Terrolgens afsneden met een poinemes. Na de sten- 
gels geschikt te lid>ben gemaakt toot ons oogm^, sneden wq se aan 
stokken op de zelfde w^ze als wg dat den looien (d. L boven den 
grond ontsproten) stengd gedaan liadd^, en wg lid>b^ alt^ resuU 
taten verkregen, volkomen overeenstenmiende met die , wdke w$ berokt 
hadden met de proefnemingen, vroeger door ons in het weik gesteld 
met looze stengels. 

De proeven , hier door ons beschreven , zyn genomen m^ o / a ii tf tc t , 
inieemsek^ domnék^jnend , groohge^eept ^ wMerbrne-kleMrig ifestreepi ea 
geheel en al moerbetie'kleurig riet, W^ hebben steeds de zelfde resultat^i 
verkregen. W^ moeten echter hierbg voegen, dat w\j ons het meest 
bediend hebben van riet met moerbezie-klenrige streepen, hetwelk mi»- 
schien beter dan eenige andere variëteit tot die soort van proe&emin- 
gen geschikt was. 

Het dienstigste middel om de hierboven beschrevene proe&emingen 
in het werk te stellen, is de tot een goeden graad van verrotting 
overgegaan zynde ampas , welke eene plantaardige mestspecie oplevert , 
die beter dan eenige andere tot dat einde kan worden aangewend. W^' 
hebben ook zeer bevredigende resultaten verkregen van eenen grond, 
bestaande nit min of meer zandige roode aarde, vermengd met rotte 
ampas. Indien men, in plaats van de opgenoemde middelen, een zeer 
kleiachtigen grond koos , of een zoodanigen , die zeer gemakkelgk zyne 
vochtigheid verloor, zou men in vele gevallen negatieve of tegenstrydige 
resultaten erlangen. 

Al de hierboven medegedeelde daadzaken brengen ons tot de gevolg- 
trekking, dat de knop van een stengellid, om zich te ontwikkelen, 
niets meer noodig heeft dan slechts een klein gedeelte van de in dat 
lid aanwezige voedingstoffen; deze waarheid hadden wy uit het resul- 
taat van eene vroegere proefneming reeds afgeleid , daar dit ons het 
bewijs had geleverd, dat de jonge spruit verplant kon worden en voort- 



Digitized by 



Google 



379 



ging zich te ontwikkelen, nadat zij ter geschikter tijd van de moeder- 
stek was afgescheiden. — Ter zijner plaatse hebben wy de opmerkingen 
doen kennen, die ons noopten deze daadzaak voor waarheid aan te 
nemen zonder verdere betwyfeling , alleen als gevolgtrekking uit eenige 
g^evens afgeleid, en bevestigd door die ééne proefneming; maar nu, 
nu vrij de zelfde daadzaak bevestigd zien door nieuwe en regtstreeksche 
proefnemingen, mogen wij, zonder te vreezen dat wy in ons oordeel 
kunnen dwalen , onze opmerkingen doen strekken als bewijsmiddelen om 
de waarheid te staven van hetgeen w^ als daadzaak wenschen vast te 
stellen. — Immers, in het eene geval lieten wij den knop slechts een 
gedeelte van het voedende orgaan behouden, en in het andere geval 
stelden wij de jonge spruit niet in de gelegenheid om van den ganschen 
voorraad voedende stoffen gebruik te maken, en dien geheel uit te 
putten: zoodat in beide gevallen de knop slechts te beschikken had 
over een gedeelte van de stoffen, die ter zyner voeding in het stengel- 
lid aanwezig waren. En terwijl wy op nieuw het feit ter sprake bren- 
gen van het verplanten der spruiten, nadat die van de geledingen, 
waaruit ze geboren werden, waren afgescheiden, zal het zyn nut hebben 
hier ten aanzien van dat verschijnsel eenige ophelderingen bij te voe- 
gen. Wij zullen beginnen met aan te toonen het geëvenredigd verband, 
dat er bestaat tusschen den graad van ontwikkeling der spruit en de 
grootte van het stengellid , noodig om de jonge plant in staat te stellen 
zich te ontwikkelen. Zoodra de jonge spruit eigene wortels heeft ge- 
schoten, kan men haar geheel van het stengellid afscheiden, tot welk 
einde men niets anders behoeft te doen dan de doorsnijding te bewerk- 
stelligen met de schors van den rietstengel gelijk; in dit geval gaat de 
doorsnijding door de laatste gedeelten van de spruit. Menigmaal echter 
hebben wy op die wijze jonge spruiten afgesneden , die nog geen eigene 
wortels hadden ; en in weerwil dat wij er niets van den stengel aan 
hadden laten zitten , vatte de dus verplante spruit goed en ontwikkelde 
zich welig. In andere gevallen , waarin de spruit nog geen wortels had 
geschoten, hebben wij, om in hare voeding te voorzien, een stukje 
van den stengel er aan laten zitten, kleiner naarmate de spruit meer, 
of grooter naarmate zij minder ontwikkeld was. Somw^len hebben wij , 
nadat wij een gedeelte van den stengel aan de spruit hadden laten zit- 



Digitized by 



Google 



380 



ten , dat gedeelte daarna zorgvuldig met een pennemes er van afgesne- 
den, zoodat by slot van rekening niets anders door ons verplant werd 
dan eene volkomene sproit in haar geheel; iedere spruit, die eenen 
tamel^ken graad van ontwikkeling bereikt had, vatte, op die wijjze 
behandeld, goed, in weerwil dat zy niet voorzien was van eigene 
wortels. 

Eene vrij opmerkelyke b^'zonderheid, waarop wij de aandacht wen- 
schen te vestigen , is de zwakheid der spruiten , die in het oc^ loopen- 
der is , naarmate het stengellid , dat de stoffen bevat , die noodig zyn 
om de spruit te voeden, kleiner is. In weerwil van de geringe kradit, 
die zij schijnt te bezitten in de eerste tijdperken van haar bestaan , zal 
zij, indien zy slechts in gunstige omstandigheden verkeert, na verloop 
van eenigen tijd krachtiger worden en het aanz\jn geven aan rietstoelen 
zoo welig, als de weligste, die door de best gevoede knoppen voort- 
gebragt hadden kunnen worden, hoezeer deze laatstbedoelde minder tjjd 
en niet zoo vele gunstige omstandigheden daartoe noodig gehad zouden 
hebben. 

Deze proefneming hebben w^ ontelbare malen herhaald, en steeds 
de zelfde resultaten daarvan erlangd. De beste wyze om deze proef te 
bewerkstelligen bestaat hierin, dat men eene kleine plek gronds daar- 
toe neme, waar men aan de jonge plant zeer gemakkel^k al de ver- 
eischte zorg kan besteden. De rietstekken in gereedheid gebragt zijnde, 
haalt men uit den bak of pot zoodanige hoeveelheid aarde, als noodig 
is om ze te dekken; daarna wordt de plantgrond behoorlek gelijjkge- 
maakt of gevlakt: vervolgens de rietstekken daarop gelegd, dan be- 
sproeid , en eindelijk de tot dat einde afgezonderde aarde er overheen 
gebragt. Als de knoppen uitgeloopen z^n, laat men de jonge spruiten 
zich ontwikkelen, totdat ze krachtig genoeg z^n en eigene wortels heb- 
ben. Dan plant men ze over in de daartoe gekozene plaats , waar men 
afzonderlijke gaten steekt op zoodanige afstanden van elkander , dat de 
jonge netplant zich naar behooren zal kunnen ontwikkelen ; in die gaten 
brengt men de noodige mest, en daarna plant men er de spruiten in. 
Na verloop van ettelijke dagen vatten die spruiten, vooral indien men 
zorg draagt, dat ze behoorlek beschut blyven tegen den verzengenden 
invloed der zonnestralen, of, indien ze verplant zyn terwyl de lucht be- 



Digitized by 



Google 



381 



trokken stond. Men wane echter niet , dat het een streng vereiSchte is 
ze tegen de zonnehitte te beschutten; want zelfs zonder die voorzorg 
zullen ze vatten, zij het dan ook iets minder spoedig. 

De in bovenstaande regelen uiteengezette feiten zullen ons ten grond- 
slag dienen om kortel^k twee punten van het hoogste gewigt aan te 
voeren, waarmede wij ons uitvoeriger bezig zullen houden wanneer w^ 
de proefnemingen zullen bespreken, ten dien aanzien door ons in het 
werk gesteld. Yoor het oogenblik willen wij ons er bij bepalen wel het 
verband te doen uitkomen, dat er bestaat tusschen de gegevens, die 
zich laten afleiden uit de voorgaande proefnemingen, en de punten, 
die wy ons voorbehouden later te behandelen met de noodige uitvoe- 
righeid. Wy willen hier enkel wyzen: l®. op den invloed, dien de 
hoedanigheid van het plantriet uitoefent op de ontwikkeling van de 
jonge rietplant; en 2^. op het geschiktste tijdstip om de mest in den 
grond te brengen, opdat de plant daarvan volkomen de heilzame wer- 
king ondervinde in een der hagchelijkste tijdperken van haar leven. 

Als men om eenen akker te beplanten riet bezigt van geringe kwa- 
liteit, is de jonge spruit zwak en zeer gevoelig voor den nadeeligen 
invloed van ongunstige omstandigheden; zy zal dan slechts behoorlek 
groeyen en tot eenen voldoenden graad van wasdom geraken , byaldien 
èn dampkrings-invloeden èu aan de cultuur bestede zorgen èn de vrucht- 
baarheid van den grond, als zoo vele gunstige omstandigheden allen 
gelykelyk medewerken om hare ontwikkeling te bevorderen en te be* 
gunstigen. Maar in allen gevalle bereikt zy nooit zulk eenen graad van 
ontwikkeling als men wenscht, of zy heefb daartoe veel meer tyd noo- 
dig dan eene spruit, die voortgekomen is van eenen goeden rietstengel. 
Gemeenlek ontwikkelt zich de eerste spruit niet goed; de stengel, die 
daarvan voortkomt, is klein en heeft korte en houtige geledingen : maar 
de spruiten van deze geledingen kunnen, indien de omstandigheden 
gunstig medewerken , zoo fraai zyn als die , welke van het beste plant- 
riet voortkomen. — Deze daadzaak, welke door de praktijk is beves- 
tigd, stemt overeen met het resultaat van de proefneming, die wy hier 
hebben beschreven , waarbij de knop slechts party trok van een gedeelte 
der voedende stoffen, die in het lid aanwezig waren. — Daarentegen 
doet ons de ontwikkeling van knop en spruit, die van een stuk goed 



Digitized by 



Google 



882 



riet voortkomen, den ganstigen invloed zien, die op het ontstaan en 
al de leveusverrigtiugen van deze organen wordt uitgeoefend door den 
aard en de hoeveelheid der voedende stoffen, welke in den stengel aan- 
wezig zyn. 

Er is een zonneklaar bewijs, dat allen twijfel onmogelijk maakt aan- 
gaande den invloed, die door de in den stengel aanwezige stoffen wordt 
uitgeoefend op de spruit; en dit bewijs levert ons het verschijnsel in 
zijnen ganschen omvang. Wy spreken hier van netplanten, die vooriko- 
men van knoppen, welke gevoed worden op eene buitengewone wijze, 
zoowel wat aangaat den t^d, dien hanne voeding duurt, als de gestadige 
en geleidelijke vernieuwing van de voedingstoffen, waarvan ze zich be- 
dienen. — De spruiten van buitengewoon groote afmetingen , die op de 
plantaa^jen bekend z^n onder den naam van uitzuigers of dieven , zyn 
die, welke ons de onschatbare argumenten aan de hand zullen doen 
om dit punt te bespreken. — Onder welke omstandigheden ontstaan die 
uitzuigers? Kunnen de oorzaken, waaruit hun ongemeen sterke groei 
ontstaat, worden te weeg gebragt of ten minste verklaard? Ziedaar de 
vragen, die wij ons voorstellen te beantwoorden. — Oppervlakkig zou men 
kunnen denken, dat de bijzondere groeikracht van deze spruiten, zoo niet 
uitsluitend, dan althans voomamel^k, toe te schrijven is aan den overvloed 
van voedingstoffen, welke in een kort tijdsbestek aan den knop worden 
verschaft, terwijl deze zijne ontwikkelings-momenten doorloopt, welke 
voedingstoffen geacht kunnen worden aangebragt, doordien de wortds 
van de moederstek in den hoogsten graad werkzaam zijn. Voor doe 
opvatting pleit de by zonderheid, dat zulke spruiten gemeenlijk worden 
aangetroffen bij plantsoenen, die nog nooit gekapt en die geplant zyn 
in eenen pas ontgonnen boschgrond; ofschoon ze, zooals na te gaan is 
uit de omstandigheden, waaronder hare ontwikkeling plaats grypt, ook 
menigmaal worden aangetroffen bij geplant riet, zoowel najaars- als 
vooijaars-plantsoenen, geplant op akkers, die reeds vroeger in cnltnnr 
zijn geweest, en zelfs by plantsoenen , van welke reeds een of meer sneden 
geoogst zyn. — Als men een oogenblik nadenkt, zal men inzien, dat 
het niet voldoende is deze opwekking in den aanvoer van voedende 
stoffen aan te nemen, daar deze overvloed van voedingstoffen, aan den 
knop verstrekt in een kort tijdsbestek^ wel verre van zulk een uitzuiger 



Digitized by 



Google 



385 



punt, dat wij hier aanbeyelen, van nog veel meer gewigt, dan indien 
er geplant wordt in een behoorlijk gereedgemaakten grond en met riet 
van goede kwaliteit. Men houde wel in het oog, dat eene zwakke spruit 
slecht uitstoelt en niet best bestand is tegen de droogte, en dat het 
wied of onkruid er een verderfelijken invloed op uitoefent. 

"Wij hebben dus met alle bedenkelyke betoogredenen, proefondervin- 
delijke bewijzen en waarnemingen aangetoond, dat de kracht der sprui- 
ten geëvenredigd is aan de gesteldheid van de knoppen, waaruit ze voort- 
komen, en aan de hoeveelheid voedingstoffen , die ze in de geledingen 
aantreffen om in haar onderhoud te voorzien. — Uit deze daadzaken 
willen wij nu een nieuw bewijs afleiden, dat zonneklaar zal doen zien, 
van hoeveel belang het is, door alle mogelijke middelen te zorgen, dat 
er een onafgebrokene, bestendige voortgang blijve bestaan in al de ver- 
schillende tydperken van den groei der netplant. — Elk tusschenlid ont- 
staat uit de ontwikkeling van eenen eindknop, en deze voedt zich om 
te groeijen ten koste van het tusschenlid, waaraan hij zich bevindt; in 
boe beter toestand de eindknop verkeert, hoe overvloediger en rijker 
aan voedende stoffen het tusschenlid is, dat de taak heeft om dien 
eindknop te voeden, des te krachtiger zal ook de verlengende spruit zijn, 
des te Tbeter zal deze zich ontwikkelen. — Byaldien het déze spruit, 
die onder zulke gunstige omstandigheden is voortgebragt , volstrekt niet 
ontbreekt aan de stoffen, die z^' noodig heeft voor haren groei en voor 
de verwerking van hare sappen, is het duidelijk, dat zij al hare levens- 
fdnetiën volkomen verrigten zal. 

Bij deze reeks proefnemingen behooren eenige proeven, die wij heb- 
ben ingesteld, waarbij wij de methode van vergelykende proefnemingen 
hebben gevolgd, met het doel om, door de eigene wortels van de 
spruit, die van het stengellid, af te snyden, en door het gedeelte van het 
stengellid, waaraan ze voorkomen, te verkleinen, de betrekkelgke be- 
langrijkheid van die organen te bepalen. Later zullen wij de resultaten 
doen kennen, die wij verkregen zullen hebben, na de proefnemingen 
op verschillende wyzen herhaald te hebben. 

Eer wij het verslag betreffende onze proefnemingen vervolgen, aöhten 
wij het niet ondienstig in eene uiteenzetting en uitvoerige beschouwing 
te treden van de denkbeelden, geopperd door Dütrone, welke denk- 

25 



Digitized by 



Google 



as6 



bedden, hoezeer dwaalbegrippen zipde» a^%ekid varen van eene daad- 
xaak, die wg gaaf als zoodanig moetm eriuDnen. 

Om hei geroekn ran DntroDe Tolkomen dnidd^k te maken, die- 
nen wg eerst de beteekmis te reridaren tan sommige nildmttin- 
gen, waanran hij zidi bedient, om söne ofcitoigiBg in woorden te 
brengen. 

Het riet, zooals het zidi aan ons vertoont, bestaat nit eai^i rtam 
onder den grond, voorzien van wortds, en mt eenen stam boToi den 
grond, toegerust met bladeren. — Dntrone splitst den ondcrgronds-etam 
in twee gedeelten : het eene gedeelte is gevormd door verscheid^ie bij- 
zondere knoopen, len getale aU^ muuiene rnm v^^ sowiw^lem teê, en 
nooU wteer dam zeven. De grootte van iedoren knoop is van een tot twee 
streepen, en vertoont op zijne oppervlakte eene rg kleine ponljes, uit 
welke de wortels zullen voortkomen. 

De schrijver, over wiens denkbeelden wq hier spreken, no^nt die 
knoopen radicale, omdat hij ze beschouwt als louter bestemd om het 
aanzijn te geven aan wortels {radicee): en al deze knoopen te zamen 
vormen het eerste gedeelte van den ondergronds-stam, hetwelk hij het 
primiUve noemt, omdat het slechts bestemd scheut om tot punt van 
uitgang en middelpunt te dienen voor de eerste ontwikkeling der knoo- 
pen, die op dit gedeelte volgen. — Het tweede gedeelte van den onder- 
gronds-stam noemt hijj het secundaire. Zien w^ nu welke punten van 
kenmerkend onderscheid er bestaan tusschen het primitive en het secun- 
daire gedeelte van den ondergrondsHstam. Tot dat einde is bet noodig 
het riet te beschouwen in de eerste tydperken van zyne ontvdkkding, 
of de spruiten na te gaan, die zich boven den grond vormen, wanneer 
men den rietstok snoeit. Bij laatstgenoemde spruiten zijn de versch^n- 
selen gemeenlek zigtbaarder, terwijl de wortels, die zich in het eerste 
geval ontwikkelen, wanneer het riet in den grond ontkiemt, beletten 
dat al de b^zouderheden daarvan zoo duidel^k zigtbaar ziijn. 

Na de radicale bladeren verlaten te hebben, vertoont zich gemeenmk 
onder het blad van den vyfden knoop het eerste stengellid, dat men 
herkent aan den knop, dien het op eene zijner zgden heeft; als het 
dat oog niet heeft , moet het geplaatst zijn tusschen de radicale knoopen; 
dan draagt de volgende knoop den knop, die hem kenmerkt; en gesteld 



Digitized by 



Google 



387 



dat die ook hier ontbrak, hetgeen doorgaans het geval niet is, dan 
zoude dit de laatste radicale knoop z^n. 

Na deze verklaring van den zin, waarin Butrone zyne woorden be- 
zigt , zullen wij de gegevens in beschouwing nemen, die ons verschaft 
zijn door de waarneming van eene talr^ke menigte rietstokken. 

Het is waar, de verschijnselen vertoonen zich zeer duidelyk by de 
spruiten boven den grond; maar ze z^n ook zigtbaar, wanneer men 
netplanten in beschouwing neemt, die zoo gegroeid z\jn, dat hunne 
knoppen zich hebben ontwikkeld in eene rigting juist tegenovergesteld 
aan die, welke ze natuurlijk moesten hebben; alsdan heeft de spruit, 
om boven den grond te komen, eenen grooteren afstand te doorloo- 
pen, en de primitive ondergronds-stam ontwikkelt zich derwyze, dat 
z^jne verschillende deelen duideli^jk te onderscheiden z^n. 

Wij zijn in de gelegenheid geweest om duizenden bovengronds-spmi- 
ten gade te slaan, en uit die veelzgdige waarnemingen hebben wij de 
twee nagemelde gevolgtrekkingen a%ekid : 1^. Dat de knop gemeenlijk 
onder het zesde stengellid, en by gevolg aan den vijfden knoop van 
den stengel zit; somwijlen onder aan het zevende lid , zelden onder aan 
het achtste, nog zeldzamer onder aan het negende, en slechts eens is 
ons het geval voorgekomen, dat wij hem aantro£Fen onder aan het tiende 
stengellid. Ook hebben w^' éen geval aangetroffen, waarb^' de knop on* 
der aan het vyfde, dat wil dus zeggen, aan het vierde stengellid zat; 
maar dit is uiterst zeldzaam. Op dit punt, ziet men dus, vergist Du« 
trone zich, misschien wel doordien hi|j geen genoegzaam aantal bov^n« 
gronds^pruiten heeft gadegeslagen (63). 

%^. Bat de wortels, of beter gezegd, de punten waaruit ze moeten 
voortkomen, zich somw^Ien vertoonen aan den tweeden knoop, altijd 
aan den derden en vierden. 

Wy zullen nu het hoofdpunt bespreken. — De knop, zegt Dutrone, 
toegerust met al de hoofdvereischten, om de in hem aanwezige kiem 
in staat te stellen zich te ontwikkelen, schijnt niets te ontvangen van 
het riet, waarvan hij voortkomt; en gesteld dat dit hem eenige voe-> 
ding mogt verschaffen, zou die des te meer dienen om den primitiven 
stam te doen groeyen. -^ Dit gevoelen is gegrond op het feit, dat er 



Digitized by 



Google 



388 



eenige knoppen uitgeloopen zijn, die slechts aan kleine gedeelten van 
den bast of schors vastzaten. 

Zonder ons thans te beroepen op de proefondervindeli^jke bewi^n, 
die wij reeds vroeger uiteengezet hebben, moeten wij al dadelijk de 
geheele stelling van Dutrone verwerpen; want noch de organische bouw 
van den rietknop» noch z^ne chemische zamenstelling leert ons, dat hij 
de onmisbare stoffen in zich bevat, om voedsel te verschaffen aan zijne 
ontwikkeling. Dit denkbeeld, om den knop van den suikerriet-stengel te 
willen gelgkstellen met een echt knolgewas, waarin zich de stoffen aan- 
wezig bevinden, die geschikt z^n om te voorzien in al de behoeften der 
ontwikkeling van de Idem, is, naar onze wijjze van zien, in alle opzigten 
onaannemelijk. 

Doch als w^ het vraagstuk verplaatsen op het terrein der daadzaken , 
toonen de door ons in het werk gestelde proefiiemingen zonneklaar aan, 
dat de knop van den rietstok niet de voor zgne ontwikkeling benoo- 
digde zelfstandigheden in zich bevat; wel verre van dien, heeft liij in- 
tegendeel dringend behoefte aan de hulp der zelfstandigheden, die aan- 
wezig zijn in het stengellid. Onze methode , om de grootte van het sten- 
gellid, waaraan de knoppen zaten, langzamerhand te verminderen, 
heeft ons in staat gesteld om den invloed te ontdekken, die de daarin 
aanwezige voedingstoffen uitoefenen op de ontwikkeling van den knop. 
Zoodoende hebben wij bevonden, dat: 1^. De afmetingen en de kracht 
van den stengel tot zekeren graad geëvenredigd waren aan de afinetin* 
gen van het stengellid. — 2^. Moet de vroegere ontwikkeling vanden 
knop in aanmerking worden genomen; want hoe meer deze ontwikkeld 
is, des te minder zal hy behoefte hebben aan de voedende stoffen van 
het stengellid, waaraan hij zich bevindt. — 8®. De invloed van de 
plantstek op de eerste ontwikkeling van den knop, de vorming der 
boze stengels, enz.; kortom, al de vroeger uiteengezette daadzaken be* 
wijzen het naauwe verband , dat er bestaat tusschen den knop en het 
stengellid, welke waarheid door de naauwkeurige beschouwing vanden 
bouw dezer organen en van hunne chemische zamenstelling volkomen 
wordt bevestigd. 

Ware Dutrone niet een schrijver van zoo groote verdiensten, dan 



Digitized by 



Google 



389 



zouden wij ons niet eens verledigd hebben tot eene wederlegging van 
zijne zienswijjzen; doch daar hij te regt beroemd is, hebben wij het van 
onzen pligt geacht, zijne dwalingen in het ware licht te stellen. Zijne 
vlugtig gemaakte gevolgtrekking, door hem afgeleid uit één enkel kwa- 
lijk begrepen feit, levert ons bovendien al weder het bewijs, dat wy 
in de nasporing, die ons thans bezig houdt, gelijk in alle nasporingen 
van proefondervindelyken aard, altyd de proefnemingen moeten herha- 
len onder verschillende omstandigheden, daar het alleen zoodoende mo- 
gelijk wordt de juiste waarde te leeren kennen van al de bijzonderheden , 
die met het te weeg brengen van het verschijnsel gepaard gaan , en van al 
de oorzaken, die het hebben te weeg gebragt. Ofschoon de baan, die 
doorloopen moet worden, zeer lang is, zullen wy, haar ten einde ge- 
bragt hebbende, de voldoening smaken ons nader by de waarheid te 
zien, en zullen wij vele dwalingen hebben vermeden, waarin wij anders 
zouden zyn vervallen. Bij het onderwerp dat ons bezig houdt, is het te 
meer van belang ons naar die kostelijke voorschriften te gedragen, daar 
de resultaten, die wij er door bereiken, ten grondslag moeten dienen, 
om de beredeneerde cultuur van het suikerriet in te voeren op groote 
schaal. 



IL 



De naauwgezette beschouwing van al de omstandigheden, die geza- 
mentlyk, en elk in het by zonder, in meerderen of minderen graad 
eenigen invloed uitoefenen op de ontkieming van het suikerriet, is een 
punt van het hoogste gewigt; want uit de kennis van deze byzonder- 
heden moeten de redeneringen worden afgeleid , die ten grondslag zullen 
dienen om de vereischten te bepalen, die op den voorgrond staan by 
de ontwikkeling der knoppen. — Niet altijd is het doenlijk de verschyn- 
selen af te scheiden, om zoodoende hunne byzondere uitwerkselen en 
hun byzonder gewigt te leeren kennen; meestentijds is het ons slechts 
gegund, zamengestelde , ingewikkelde feiten te zien, voortgevloeid uit 
velerlei oorzaken; maar dan kunnen wy tot ons doel geraken door 
eene oordeelkundige vergelyking van die gevallen, waarin de werking 
van deze of gene bepaalde oorzaak zich het duidelykst vertoont. 



Digitized by 



Google 



390 



Naar ons gevoelen, als men het verschijnsel van de ontwikkeling der 
knoppen geheel op zich zelven beschouwt, a%escheiden van andere oor- 
zaken, die eenen merkbaren invloed uitoefenen, en waarover wij ter 
gelegener plaatse zullen handelen, moeten geheel op den voorgrond 
worden geplaatst de drie volgende punten: 

1^. De graad van ontwikkeling, dien de knoppen bereikt hebben op 
het oogenblik, als de rietstek in den grond wordt gebragt. 

2^. De hoeveelheid vocht, aanwezig in het stuk plantriet, in het al- 
gemeen, en in het lid, waaraan het oog zit, in het bijzonder. 

3®. De vervormingen, die de in het stengellid aanwezige stoffen te 
ondergaan hebben gedurende de ontldeming. 

Déze drie b^zonderheden , tot punten van een naauwgezet onderzoek 
makende, hebben wij, na herhaalde proeven, daaruit de onderstaande 
gevolgtrekkingen afgeleid: 

1®. Hoe meer ontwikkeld de knop is, in evenredigheid van de 
overige deelen, des te spoediger zal de spruit uitloopen, zoodat de 
rietplant kan opkomen reeds den derden of vierden dag na geplant 
te zyn. 

2®. Hoe meer vocht in het stengellid aanwezig is, des te spoediger 
is, onder dusdanige omstandigheden, de ontwikkeling der knoppen. 

3^. Eindelijk, indien de in het stengellid aanwezige stoffen reeds een 
zeker begin hebben ondergaan van de chemische reactiën, waardoor ze 
geschikt en dienstig worden gemaakt ter voeding van de oogen , of in- 
dien ze zich reeds geheel in zoodanigen staat bevinden, is het ontegen- 
zeggelijk, dat de reeds ontwikkelde knop ook des te spoediger boven 
den grond zal komen. 

Overeenkomstig deze voorafgaande stellingen, kunnen w^ de bijzon- 
derheden verklaren, die zich vervolgens zullen opdoen: 1«. Al de varië- 
teiten van riet, die wij hadden, nagaande, hebben wij bevonden, dat ze, 
naar gelang van omstandigheden, ontkiemen in een tijdsbestek, langer 
of korter, naarmate deze of gene oorzaak van meer overwegenden invloed 
is. Wat betreft de natuurlijke ontwikkeling der knoppen, heeft die met 
den meesten spoed plaats bij de verschillende rietsoorten in de volgende 
orde: inheemsch of Cubaasch riet, moerbezie-kleurig, Bataviaasch riet, 
riet met moerbezie-kleurige streepen, doorschijnend riet, blank of Ota- 



Digitized by 



Google 



391 



hitisch riet, en riet met groene sireepen. — Zooals wij later gelegenheid 
zullen hebben te doen zien, zijn de verschijjnselen b^ eik dezer rietsoor- 
ten yerschillend, niet alleen naar gelang van den algemeenen ouderdom 
van den stengel, maar ook, aan den zelfden stengel, naarmate van het 
tijdstip, waarop de geledingen te voorsch^n zijir gekomen, of met an- 
dere woorden, naar gelang van de plaats, welke elk dier knoppen in- 
neemt. — 2o. Naarmate het riet zich ontwikkelt of rijper wordt, ver- 
toonen de oogen zich voUer, hunne blaadjes zijn meer ontwikkeld en 
beter gevoed, maar in de zelfde mate verliezen ze hunne vochtdeelen : hunne 
sappen concentreren zich en ondergaan tevens eene zoodanige verande- 
ring, dat ze, om weder in zoodanigen staat te komen, dat ze tot voe- 
ding kunnen dienen, verscheidene nieuwe veranderingen moeten onder- 
gaan, waartoe vochtigheid en andere bijzondere omstandigheden vereischt 
worden, want anders zouden de oogjes der knoppen verdroogen en hunne 
groeikracht verliezen. — Er is dus een graad van ontwikkeling, van 
rijpheid, die b^zonder geschikt en noodig is om te planten ; en is die 
graad eenmaal voorb^, dan is het noodig daartoe terug te keeren. — 
Om verkeerde opvattingen te voorkomen, zullen wij hierbij voegen, dat 
slechts enkele bepaalde zel&tandigheden terugkeeren tot den staat, waarin 
ze zich te voren bevpnden; andere daarentegen worden door de nieuwe 
veranderingen, die ze ondergaan, zoodanig gew^zigd, dat ze overgaan 
tot zelfstandigheden, ten eenenmale verschillend van die, waarvan ze 
zijn voortgekomen. — Deze byzonderheid zal opgehelderd worden, wanneer 
wij over de chemische verschijnselen handelen , waarmede de ontkieming 
gepaard gaat. 

Om tot de kennis van deze feiten te geraken, hebben wij b^ onze 
proefnemingen het riet a%edeeld in zulke stukken, dat elke knoop ge- 
plaatst was tusschen de twee helften van de belendende tusschenknoo- 
pen. Aan ieder dusdanig plantstekje bonden wy met een touwtje een 
stukje hout vast, waarop een nommer stond. — De verschillende varië- 
teiten van riet, op die wyze afgedeeld, werden op een en het zelfde 
urn- in den grond gebragt, in de zelfde houding, allen op volkomen 
gelijke diepte, enz., op gedeelten akkers vol met rotte ampas. Zooals 
boven gezegd, werden de proeven genomen met inheemsch of Cubaasch 
riet, moerbezie-kleurig Bataviaasch riet, doorschijnend riet, riet met 



Digitized by 



Google 



392 



moerbezie-kleurige streepen , riet met groene streepen en Otahitisch of 
blank riet. — Om den lezer niet noodeloos met langw^lige opgaven beag 
te houden, zullen w^ hier slechts de waarnemingen neenchryven met 
betrekking tot het inheemsch of Gubaasch riet. -^ Het geplante riet had 
vijf en twintig geledingen : na de nommering plaatsten wij het riet in 
den grond, beginnende met den bovensten knop, en in opgaande rigting 
tot den laatsten of ondersten knop. — Het ontstaan der knoppen had 
achtereen plaats sedert den achtsten dag in de volgende orde: 1*. de 
nommers 9 en 10. — 2*. de nommers 11, 14 en 15. — 3*. nommer 
22. — 4o. nommers 12 en 13. — 5*. nommer 6. — 6». nommers 4, 
5, 8, 18 en 20. — 7*. nommers 16 en 17. — 8*. nommers 8, 24 en 
25. — 9'. nommer 23. — 10*. nommer 2. — Nommer 1 ging verlo- 
ren. — Deze proeven doen duidelijk zien, dat de eerste knoppen, welke 
te voorschijn kwamen, die waren, die, terwijl ze tot eene aanzienlijke 
ontwikkeling kwamen, eene sterice groeikracht bezaten, en in hunne ge- 
ledingen te beschikken hadden niet alleen over de noodige vochtigheid, 
maar tevens over de voedende stoffen in den graad van zuivering, die ze 
moeten hebben om het oog te kunnen voeden. — De knop nommer 
3, minder ontwikkeld, ofschoon met meer vochtigheid en met sappen, 
misschien beter geschikt om de ontkieming te bevorderen, liep uit op 
den zelfden dag als de twee onderste knoppen , die meer ontwikkeld 
waren, maar welker geledingen minder vochtdeelen inhielden en sap- 
pen, minder geschikt om de ontwikkeling van het oog te kunnen be- 
vorderen. 

De boven medegedeelde proefnemingen uitbreidende, afwisselende en 
toepassende, hebben wij den invloed willen nagaan, die op de knoppen 
kan worden uitgeoefend door den ouderdom van het riet, door zyne 
afinetingen, door de omstandigheden waarmede de cultuur gepaard gaat, 
door den aard van den grond, enz. — Tot dat einde hebben wij de 
proefnemingen in het werk gesteld, die w^ nu zullen beschreven. — 
De eerste proefneming bestond in het planten van verscheidene geheele 
rietstengels, volkomen ontwikkeld, zeer rijp en zeer aan den invloed 
van de zon blootgesteld geweest zijnde: de ontkieming begon aan het 
bovenste gedeelte , bij den top , werd afgebroken in het midden , en ver- 
toonde zich op nieuw slechts aan het andere uiteinde of laagste ge- 



Digitized by 



Google 



393 



deelte. B\j het onderzoek, door ons op de middekte knoppen van ver- 
scheidene dier stengels ingesteld, bevonden wijj, dat slechts enkelen 
hunner begonnen te ontkiemen. — Wy moeten doen opmerken, dat deze 
rietstengels geplant waren in stukken gronds vol met rotte ampas, zoo- 
dat ze wel eene heilzame, maar geen overdadige vochtigheid ter hunner 
beschikking hadden. — Deze proef toont aan, hoe in zeer drooge of 
eenvoudig de juiste maat van vochtigheid bezittende gronden, byaldien 
er geen weldadige regens vallen, de middelste knoppen of zich in het 
geheel niet of sledits zeer langzaam ontwikkelen : in die gevallen is het 
nuttig de rietstengels aan kleine stukken te snijden, vooral wanneer er 
riet ter planting gebruikt wordt, dat zeer rijp is, zeer aan den invloed 
der zon blootgesteld is geweest, en groote afmetingen heeft. 

Om de tweede reeks proe&emingen te bewerkstelligd, namen w^ 
vier rietstengels, die gegroeid waren onder volmaakt de zelfde omstan- 
digheden, en sneden die aan twee, drie, vijjf en acht stukken, die in 
eenerlei houding geplaatst werden in een stuk gronds, vol met rotte 
ampas. Ze werden allen geplant op d^ zelfden dag (18 December 1861), 
en ontbloot op het zelfde tydstip (18 Januarij 1862). 

lo. De eerste stengel werd aan twee stukken gesneden, elk 29 nederl. 
duim lang: de knoppen kwamen te voorsch^'n aan het boveneinde van 
het onderste stuk. 

2^ De tweede stengel werd aan drie stukken gesneden: het bovenste 
stuk, lang 85 nederl. duim, met 13 geledingen, droeg aan het boven- 
einde v^f goed gevormde knoppen; het middelste stuk, lang 70 nederï. 
duim, met 9 geledingen, en het onderste stuk, lang 67 nederl. duim, 
met 7 geledingen, droegen beiden knoppen, die zich allen uitmuntend 
ontwikkelden. 

3*. De derde stengel werd aan vyf stukken gesneden : al de knoppen 
kwamen behoorlijk uit. De vijf stukken hadden de navolgende lengten , 
met het daarachter vermelde getal geledingen : lo. lang 18 nederl. duim 
met 5 geledingen. — 2^. lang 19 nederl. duim met 5 geledingen. — 
3*. lang 22 nederl. duim met 4 geledingen. — 4o. lang 20 nederl. duim 
met 2 geledingen. — 6o. lang 19 nederl. duim met 3 geledingen. 

4*. De vierde stengel werd aan acht stukken gesneden, aan welke al 
de knoppen volkomen uitkwamen. Ziehier de afmetingen dezer adit stek- 



Digitized by 



Google 



594 



ken: 1». met 6 geledingen, was 14 nederl. duim lang. — 2*. met 3 
geledingen was 12 nederl. dnim lang. — 3*. met 8 geledingen was 14 
nederl. duim lang. — 4». met 3 geledingen was 16 nederl. duim lang. — 
5o. met 3 geledingen was 12 nederl. duim lang. — 6o. met 2 ge- 
ledingen was 10 nederl. duim lang. — 7«>. met 2 geledingen was 9 
nederl. duim lang. — £n 8o. met 2 geledingen had eene lengte van 
19 nederl. duim. 

Uit al het bovengezegde volgt, dat men, om met juistheid en zeker- 
heid de afmetingen te bepalen, die meest dienstig zi[jn voor de rietstek- 
ken, welke men voornemens is te planten, naar de gegevens en wen- 
ken, welke de bovengemelde proefiiemingen ons aan de hand doen, te 
letten heeft op de volgende bgsonderheden : l*. De soort of variëteit 
van riet, den ouderdom, de omstandigheden , waaronder het zich ontwik- 
keld , en de afmetingen, die het bereikt heeft. — 2^. Den aard van den 
grond, de gesteldheid van den dampkring, de hoeveelheid aarde, waar- 
mede de stek bedekt wordt, enz. — Als het riet zacht is, als het zich 
niet van z^n stroo ontdaan heeft, als z^ne sappen niet de veranderingen 
ondergaan hebben , die gepaard gaan met de phymlogiiche defecaiie ; in 
een woord, als het r^p is, als de stengel bovendien niet groot van af- 
metingen is , kan men het in alle soorten van grond als nuttig beschou- 
wen, den stengel in zijn geheel te planten, en hem dus niet aan stuk- 
ken te sn^'den, al gaat op die wijze misschien het ontstaan van sommige 
knoppen iets trager. — Heeft de grond de juiste mate van frischheid , 
dat wil zeggen vochtigheid, dan kan men de stengels aan stukken snij- 
den, die elk 8 of 10 knoppen dragen. — Maar als het riet zeer r\jp 
is, en als het groot is van afmetingen, dan is het van aanbelang eiken 
stengel aan twee of meer stukken te snijden ; en zulks vooral op drooge 
of zelfs Mssche (dat is den juisten graad van vochtigheid hebbende) 
gronden, vooral wanneer het plantsoen, zoodra de stekken in den grond 
gebragt z^'n, niet met hemelwater besproeid wordt, en ook niet op 
kunstmatige wijze besproeid worden kan. Maar als de gronden laag L'g- 
gen, en de waterloring gebrekkig is, moeten de plantstekken minstens 
eene lengte hebben van eene nederlandsche el, bijaldien men niet de 
stengels in hun geheel plant en het riet niet zeer ryp is. — Anders 
toch zal de groote vochtigheid (het werkzaamst op kleiachtige gronden), 



Digitized by 



Google 



395 

die aan de uiteinden in de plantstek binnendringt, de sappen van het 
plantriet bederven en ze ongeschikt maken om ter voeding van de knop- 
pen te kunnen dienen, die alsdan ontaarden of geheel te niet gaan; de 
rietstekken verrotten geheel en al, wanneer het slechts kleine stukken 
ziijn, en als die overdekt worden met eene groot e hoeveelheid aarde, 
terw^i, ingeval het grootere stukken zijn, alleen de uiteinden daarvan 
overgaan tot ontbinding; de toppen en de middelste knoppen zull^i uit- 
loopen. 

Daar het riet , naar gelang van het gedeelte van den stengel waarop 
men zijne waarnemingen bewerkstelligt, geacht kan worden riet van ver* 
schülenden ouderdom te vertegenwoordigen, is het duidel^k, dat de boven 
medegedeelde proefnemingen ons in zekere mate ontheffen van de taak 
om de ontkieming na te gaan in verschillende tijdperken van groei, — 
Immers, ieder stengellid ontstaat uit de ontwikkeling van eenen eind« 
knop; iedere stengel komt voort uit de ontwikkeling van den knop; 
wat dus het ontataan betreft , bestaat er eene volkomene overeenkomst 
tusschen de geledingen, die zich in den grond, en die, welke zich in de 
lucht, dat wil zeggen boven den grond, ontwikkelen; alleenl^k met dit 
onderscheid, dat laatstbedoelden zich ontwikkelen onder giinstiger om- 
standigheden. Elke rietstengel, beschouwd op zich zei ven en met be- 
trekking tot de overigen, gedurende de opvolgende voortbrenging van 
zyne geledingen , levert gelijke gegevens. — Dit punt zal ter geschikter 
plaatse met de noodige volledigheid door ons worden behandeld. 



III. 



Als men tot de cultuur van eenige plant overgaat, moet men naauw- 
lettend de neigingen bestuderen, die zij aan den dag legt gedurende 
de eerste tijdperken van hare ontwikkeling, ten einde naar die neigin- 
gen al de bewerkingen te regelen, waardoor men al de middelen te 
weeg brengt, die dienstig zijn om de volkomene verrigting te bevorde- 
ren van al de fnnctiën, die plaats grijpen gedurende het tijdperk, dat 
den grondslag en het punt van uitgang van haar leven uitmaakt. Als 
wij de ontwikkelingvan den knop der rietplant nagaan, zullen wij zien. 



Digitized by 



Google 



396 



dat die plant uit haren aard geneigd is zich te ontwikkelen in eene 
bepaalde rigting. — Met aarde overdekt op het oogenblik, waarop die 
knop zich begint te ontwikkelen, behoudt hg die eerste en natnnrl^ke 
regte rigting; maar weinig tyds daarna neemt h\] eene nieuwe rigting, 
namelgk de rigting om uit den grond te komen en naar lucht te zoe- 
ken, tot welk einde hij den kortstmogel\jken a&tand doorloopt en al 
de hindernissen ontwgkt, die hy op dezen zgnen loop kan ontmoeten. — 
In welke rigting men het lid van eenen suikerriet-stengel plaatse, de 
knop begint alt\jd te groegen in zgne natuurlgke rigting; en bijaldien 
die rigting hem niet naar de oppervlakte van den grond brengt, neemt 
hy in zgnen loop onmerkbaar eene kromming, en spoedt zich dan naar 
de oppervlakte langs den kortsten weg. Van de verbinding dezer twee 
rigtingen hangt het grootendeels af, hoeveel tijd de jonge spruit noo- 
dig heeft om de oppervlakte van den grond te bereiken. — Naar gelang 
van omstandigheden, hoe meer zg moet afwyken van hare natuurlyke 
rigting, des te langer zal het duren eer zy boven den grond te voor- 
schyn komt, terwyl dan ook, zooals wy hebben aangetoond, de stam, 
die zich onder den grond bevindt, des te grooter zal zgn. 

Het punt van uitgang dus, de onverm\jdelyke grondslag om met 
juistheid alles te kunnen nagaan, wat het hier door ons behandelde 
punt betreft, bestaat in de opsporing, welke de natuurlyke rigting is, 
die de spruit volgt bij het volbrengen van de eerste bewegingen van 
haren groei. — Als de knop van de suikerriet-plant zich volkomen vry 
ontwikkelt, brengt hy eene spruit voort, die eenen zekeren hoek vormt 
met den stam. — Deze hoek, die noodwendig eene bestendige waarde 
moet hebben in den natuurlijken staat, ondergaat verschillende wijzigin- 
gen door velerlei oorzaken; een dier oorzaken is het beletsel, dat de 
spruit ontmoeten kan by het volgen van hare aanvankelyke rigting, zoo- 
als plaats heeft wanneer het blad, dat aan het stengellid vastzit, 
door zgne drukking de spruit noodzaakt om bovenwaarts uit te loopen : 
dan ontwikkelt zy zich tusschen het stengellid en het blad; maar ge- 
steld zelfe dat een rietstengel zich geheel van bladeren ontdoet, en dat 
men hem daarna snoeit, zoodat er spruiten boven den grond te voor- 
schijn komen, dan bestaan er altyd nog andere oorzaken, die maken 
dat het aantal graden van den hoek verschilt. Pe plaatsing van dea 



Digitized by 



Google 



3Ö7 



knop; over het algemeen brengen de bovenste knoppen spruiten voort, 
die scherper hoeken vormen; de rijpwording van het riet, de plaatsing 
van de knoppen met betrekking tot den loop der zon, enz., z\jn almede 
zoo vele oorzaken, waardoor de rigting van de spruit verandering on- 
dergaat. —Daar het van aanbelang was, al ware het slechts ongeveer, 
de waarde van dien hoek te bepalen, hebben wij een groot aantal waar* 
nemingen gedaan en verscheidene proeven genomen, en uit al die ge- 
gevens hebben wij a%eleid, dat de normale hoek eene waarde heeft tus- 
schen 29 en 46 graden, daar hij, zooals wij gezegd hrf)ben, uithoofde 
van storende oorzaken tusschen die twee grenzen afwisselt of die over- 
schriljdt. 

Als de spruit eenen hoek vormt met den stam van den rietstok; als 
bovendien het orgaan, dat van den knop voortkomt, den kortsten weg 
kiest om naar de oppervlakte van den grond te komen, is het ontegen- 
zegge^i^jk, dat de beste ligging, die men aan de plantstekken kan geven , 
die zal zijn, waarin ze al de vereischten aanwezig viuden, die den knop 
in de gelegenheid stellen om uit te loopen in zoodanige rigting, als de 
jonge spruit uit haren aard geneigd is te nemen. Welnu, als men het 
stengellid zoo in den grond plaatst, dat de kortste afstand naar de op- 
pervlakte die zij, welken de hoek van 85 graden van de spruit met de 
rietstek aanwijst, is het duidelijk, dat de knop zich zal ontwikkelen, niet 
alleen in zijne natuurüjjke rigting, maar dat hij tevens in zijnen loop 
den kortsten weg zal volgen om de oppervlakte van den grond te be- 
reiken. Wel te verstaan dat het, om dit te doen plaats hebben, noodig 
is het stengellid te plaatsen met den knop bovenwaarts. 

Als men rietstekken in eene andere ligging plant, zsl de eerste be- 
weging der ontwikkeling van den knop altiijd aan de spruit zoodanige 
rigting geven, dat deze meer of min den natuurlijken hoek vormt; 
zoodra zij uitgeloopen is, en naarmate zg groeit, kromt zij «zich, en 
kiest den kortsten weg om naar de oppervlakte te komen ; hoe grooter 
de afwijking is , die de spruit moet maken , des te langer zal het duren 
eer zij de opene lucht bereikt. Plant men de stekken horizontaal (één 
stengellid met slechts één knop) met het oog naar boven , naar gelang 
van den t^d dien dit orgaan wacht om zich te ontwikkelen, kan het 
gebeuren, dat de spruit te voorschijn komt zonder eenige zigtbare krom- 



Digitized by 



Google 



398 



ming, zoodat zij zich vertoont als ware z^ werkelijk volkomen verticaal 
oitgeloopen , of wel kaa het geval z\jn, dat z^ b^j haar ontstaan de 
natanrlyke rigting genomen en vervolgens eenen hoek met de moeder- 
stek gevormd heeft. Als men in stede van den knop in de zooeven be- 
doelde ligging te plaatsen, hem zoo plaatst, dat h^ naar beneden ge- 
keerd is, zal hy zoodra hij uitloopt eene kromming maken, en naar 
gelang van de beletselen, die hij ontmoet, den kortsten weg kiezen om 
de oppervlakte van den grond te bereiken. 

Wanneer men de rietstekken horizontaal plant , met de knoppen zy- 
waarts, volgen ze allen hunnen natuurlijken weg, wijken vervolgens 
daarvan af en maken eene kromming , gaan dan weder opwaarts en be- 
reiken zoo de oppervlakte. 

Als men rietstekken verticaal plant, zoodat het oog en de worteb 
naar boven gekeerd liggen, maakt de spruit eene kromming» ensclii|JQt 
b\jna vast te zitten aan het stengellid. Als daarentegen de knop en de 
wortels juist andersom, dat wil zeggen benedenwaarts , geplaatst -zijft« 
zal de spruit eene kromming maken en afweken. 

Om onze nasporingen des te beter te kunnen bewerkstelligen, hebben 
wy slechts de eenvoudigste versch\jnselen genomen : wij hebben daarom 
slechts nagegaan wat er plaats grypt met één enkelen knop ; namen wy 
er meer aan de zelfde stek, dan zou elk der knoppen natuurlek uit- 
loopen in de rigting, welke hem door zyne eigene liggiug wierd aan- 
gewezen. 

Derhalve, de voornaamste bijzonderheden, die eenen meer of minder 
belangrijken invloed uitoefenen op de ontkiemmg van de suikerrietplant , 
zyn : !•. De graad van ontwikkeling , dien de knop heeft op het oogen- 
blik , waarop hy in den grond geplaatst wordt. — 2*. De hoeveelheid 
vocht, die het stengellid bevat. — 3*. De byzondere gesteldheid der 
sappen , in de rietstek aanwezig, en hunne betrekkelyke hoeveelheid. -^ 
4*. De afmetingen van de stek. — 5o. De ligging, waarin de rietstek, 
of eigentlyk gezegd de knop , geplaatst wordt. — 6°. De diepte op 
welke geplant wordt, en de hoeveelheid aarde, waarmede men èd riet* 
stek bedekt. — ?<>. De aard van den grond , de verbeteringen die men 
daarin aangebragt heeft, de gereedmaking, enz. Een der punten, die 
van veel gewigt zijn , is de volkomene eenzelvigheid van al de deekn 



Digitized by 



Google 



399 



van den grond : als de grond niet een eenerlei-geaard geheel vormt , 
met andere woorden, als niet al de deelen van den grond ten innigste 
met elkander vermengd z^n , kan het te voorschijn komen van de spruit 
door een of ander mechanisch beletsel vertraagd worden ; dan kromt z\j 
zich , zoodat zelfs de punt onder de oppervlakte blijft , en de spruit 
den vorm heeft van eenen boog: in dit geval eindigt zij of met den 
tegenstand te overwinnen en eensklaps uit den grond te komen, of 
bare binnenzijdsche bladeren ontwikkelen zich , breken door de buitenste 
heen, waarin ze besloten zaten, en de spruit komt te voorschgn met 
verwarde en gebrokene bladeren. Somwijlen vertoont zich dit versch^'nsel 
zeer in het oog loopend, zelfs bij riet, dat reeds goed ontwikkeld is; 
door de eeue of andere oorzaak wordt de vrije groei der binnenste bla- 
deren belemmerd, die ter hunner tyd door de buitenste heenbreken, 
zoodoende zulke volmaakte knoopen vormende, dat men op het eerste 
gezigt zoude zeggen, dat die opzettel^k daar gelegd waren om de plaats 
aan te wijzen. Dit verschijnsel vertoont zich ook bij de looze spruiten y 
en bij deze inderdaad in al zynen omvang. — 8*. Het saizoen, niet 
alleen wat betreft de vochtigheid , in den grond aanwezig , maar ook de 
hoeveelheid vochtdeelen , die in het riet aanwezig is. — 9*. De gesteld- 
heden van den dampkring gedurende het gansche tijdperk der ontkie- 
ming, zijnde het van veel belang de temperatuur in aanmerking te 
nemen. — lO*. De tijdruimte, die er verloopt tusschen het kappen van 
het riet en het planten van de stekken. — Met betrekking tot dit punt 
zijn wij begonnen eene reeks proefiiemingen in het werk te stellen, ten 
einde te onderzoeken hoe lang het riet z^'n ontkiemings-vermogen be- 
houdt, daarbij lettende op den aard en den ouderdom van het riet, 
en de eigenschappen en hoedanigheden van den grond , waarin het ge- 
plaatst is. — Wy hadden met deze proefiiemingen een begin gemaakt, 
niet alleen rietstekken plantende in de zon, in de schaduw, in den 
donker, op plaatsen waar weinig luchtspeling was, in verschillende 
gronden (zand , - houtzaagsel , kolengruis , enz.) , maar ook onder het 
vriespunt, in een vacuüm, en in atmosferen, die zamengesteld waren 
uit verschillende gassoorten. — Door b^zondere omstandigheden zijn wg 
genoodzaakt geweest, die nasporingen te staken; doch wy hopen die 
binnen kort te hervatten. Alsdan zullen wij tevens onze onderzee* 



Digitized by 



Google 



400 



kingen voortzetten aangaande de wegen, langs welke de yo 
binnendringt gedurende de ontkieming, aangaande den invloed Ar 
verscbilleiide lichtstralen en der gasvormige elementen, de 
verschijnselen, die daarin plaats grijpen, den wijzigenden iav 
van de stoffen, door welke de ontkieming wordt opgewekt, ver 
of belet, enz. 



Digitized 



3dby Google 



Digitized by 



Google 



Voorwaarden van Inteekening. 



1^. Het werk zal worden uitgegeven in afleveringen van 
. vijf vellen druks, groot 8^ formaat, welke afleve- 
ringen elkaar ^spoedig zullen opvolgen. 

2\ De prijs is bepaald op 20 Cents per vel druks. Het 
werk zal compleet zijn in omstreeks dertig vellen. 

3^ Men teekent in Oost-Indië in bij de Heeren G. Kolff 
& C*'. te Batavia. De prijs wordt in //^rfl^e eenigermate 
verhoogd. 

Rotterdam, 1865. H. NIJGH. 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



VB 782é>5 



Digitized by 



Google 



1 



Digitized by 



Google